-ocr page 1-
iriiIiiHfiïiliMÏI
-ocr page 2-
1
.. )
-ocr page 3-
11)1 """"
Kapitein Koland.
VRU NAAR HET DU1TSCII
VAN
FRANS HOFFMANN.
Met zes platen in tlenrendrnt naar oorspnMüKe Aparellen.
VIJFDE DRUK.
\'s-Gbaveniiage ,
UITGEVERS-MA ATSCHAPHJ „NEDERLAND".
"r-
. t.
-ocr page 4-
N
-ocr page 5-
KAPITEIN ROLAND.
INLEIDING.
\\-J ngevcer zestig of zeventig jaren geleden, was de staat Kentuc-
ky, in Noord-Amerika, lang niet zoo bevolkt als tegenwoordig, nu de
groote, maagdelijke wouden voor het meerendeel zijn bloot gelegd;
nu op plaatsen, waar zich eertijds ondoordringbare wildernissen
bevonden, thans vriendelijke steden en dorpen zijn ver-
rezen. De weinige mannen, die eertijds vermetel genoeg waren
in die wildernissen door te dringen, om in daartoe geschikte
streken blokhuizen te bouwen en aanplantingen aan te leggen, had-
den in die ongebaande streken te worstelen met naamlooze ellende
en moeilijkheden. Zij moesten bergen overklimmen, moerassen
en stroomen doorwaden en wouden doortrekken, onder het oog van
altijd waakzame vijanden, wier tomahawk, boog en pijlen — en
vuurwapenen niet het minst — steeds gereed waren om den dood in
het hart van den indringer te zenden. En was deze de gevaren van
dien tocht gelukkig te boven gekomen, dan moest hij eerst nog den
grond, waarop hij zich wilde vestigen, ontweldigen aan deze
Indianen, die tegelijk dapper, wreed, listig en tot alles in staat,
geen lust toonden hun wildrijke jachtgronden aan onbekende vreem-
delingen af te staan. Zij loerden in het woud, door de eenzame deur der
blokhuizen, op den vermetelen kolonist, en wee hem, indien hij onvoor-
zichtig genoeg was zich aan hun altijd spiedende blikken bloot te stellen-
-ocr page 6-
8
INLEIDING.
Meermalen werd hij door het gehuil der wilden uit zijn sluimering-
gewekt, en tusschen Blanken en Roodhuiden ontspon zich alsdan een
bloedige strijd om het bezit van de een of andere landstreek,,
die de een niet wilde prijsgeven en waarop de andere voort-
ging zijn rechten te doen gelden. In de staten La Fayette, Jefferson
en Lincoln waren de nederzettingen wel is waar reeds tamelijk
menigvuldig, maar voor het meerendeel gevestigd in de
nabijheid van stations of forten, de eenige toevluchtsoorden, waarvan
eenige hulp was te verwachten, indien de Indianen hun tomahawks
zwaaiden voor den strijd. Deze stations waren trouwens niets anders-
dan een vereeniging van hutten op de wijze van een dorp,
met sterke palissadeeringen als door een muur omsloten,
een wel zwakke, maar tegenover bestormers, zonder andere wapenen
dan messen, tomahawks en geweren, gemakkelijk te verdedigen
vesting.
Welke gevaren nu de kolonisten dreigden, die deze vreeselijke
wildernissen binnendrongen, zult gij, waarde lezer, uit het volgend
verhaal kunnen lecren. Het is voor het meerendeel op ware ge-
beurtenissen gegrond en geeft niet alleen een getrouwe schildering
van de duisternis, de eenzaamheid en het afschrikwekkende der
bijna eindelooze wouden van Amerika, maar ook van het karakter,
de zeden en gewoonten van een volksstam, die zijn treurig
lot niet alleen heeft te wijten aan het misbruik, dat de blanken
inderdaad dikwerf van hun macht hebben gemaakt, maar ook — en
hoofdzakelijk — aan zijn eigen hartstochten en gebreken. De avon-
turen van den zwervenden Nathan en van Ralph Stackpole, den
paardendief, zijn historisch, en dit laatste zal er ongetwijfeld niet
weinig toe bijdragen om de belangstelling te verhoogen, welke u
trouwens het verhaal van wonderbare gebeurtenissen, van bloedigen-
strijd, van dreigende gevaren en gelukkige redding inboezemen zal.
•AJK-^"--
-ocr page 7-
I.
DE KOLONISTEN.
Met was in de maand Augustus. De namiddagzon scheen
nog helder en vriendelijk op de roode palissaden en hutten van
een der grootste stations van den staat Lincoln, toen een troep
landverhuizers, uit de richting der zuidelijke wouden, de maïsvel-
den naderde, die de kleine vesting van alle zijden tot aan
do uiterste grens der wildernis omringden. Het was een groote
stoet, wel honderd en tachtig man sterk, bestaande uit man-
nen, vrouwen en kinderen, waarvan de eersten allen met buk-
sen, geweren en messen waren gewapend. Zelfs waren er eenige
knapen bij van veertien of vijftien jaren, die met veel trots hun
geweer over den schouder droegen, terwijl twee of drie negers
van hetzelfde vreeselijke wapen waren voorzien. Eene afdeeling
mannen reed vooruit. Op dezen volgden, op geringen afstand, een
menigte vrouwen en kinderen, op lastdieren of statig hoornvee,
met een menigte kostbaar huisraad beladen, terwijl het einde
van den stoet eveneens werd gevormd door een afdeeling gewa-
pende mannen, om de weerlooze kolonisten in den rug te
dekken. Alles getuigde van de grootste voorzichtigheid en een bijna
militaire waakzaamheid, in deze ondoordringbare wouden, waarin
zooveel bloeddorstige Indianen zich ophielden, wel een eerste
vereischte.
Men bemerkte echter op dit oogenblik, nu de troep een
veilig, welvercledigd toevluchtsoord naderde, geen spoor van angst
-ocr page 8-
10
DE KOLONISTEN.
of bezorgdheid op het gelaat der kolonisten. Veeleer zweefde
op aller lippen een vroolijk lachje, weldra plaats makend voor
eene uitdrukking van de hoogste tevredenheid, toen de poorten
van het Station werden geopend en de bewoners den aankomenden
een eindweegs te gemoet snelden. Ook dezen waren te paard en
begroetten de vreemdelingen met vroolijke kreten, die op hun
beurt deze teekenen van vreugde en vriendschap bereidwillig met
luide hoera\'s beantwoordden. Ten bewijze van de algemeene vroo-
lijke stemming werden geweerschoten gelost, hoofddeksels gezwaaid,
en drongen allen met stormachtige haast naar voren, om de
welkomstgroeten in ontvangst te nemen en de handen te drukken,
hun blijmoedig en gastvrij toegestoken.
Op deze wijze werden in die streek destijds de pio-
niers ontvangen. Want niet alleen was elk gewapend vreemde-
ling een kracht te meer tegenover het voortdurend dreigend gevaar
eener overrompeling van de zijde der Indianen, en dus reeds als
zoodanig welkom, maar de nieuw aangekomen kolonisten
brachten ook, in den regel, van verre vrienden en van den onverge-
telijken geboortegrond tijding mede, die met de levendigste belang-
stelling werd aangehoord.
Slechts één enkele jonge man nam aan die algemeene vroolijk-
heid geen deel, ofschoon hij toch, te oordeelen naar zijne positie,
daartoe de meeste reden moest hebben gehad. Het was de aan-
voerder van den troep, kapitein Roland Forrester, die, in weerwil
van zijne jeugd, tot die waardigheid was gekozen, als iemand van
groot militair doorzicht, door hem in de oorlogen van den
jeugdigen Vrijstaat verworven. Drieëntwintig jaren oud, had hij
er vijf in legerkampen on op het slagveld doorgebracht, en de
moeilijkheden, aan zijn beroep verbonden, hadden hem dan
ook vroegtijdig tot een man gerjjpt. Zijn gelaat mocht, in weer-
wil van de ernstige, bijna droefgeestige uitdrukking, op schoonheid
aanspraak maken. Hij bezat een rijzige, slanke en statige gestalte,
zijn rechte en zelfbewuste houding toonde bij den eersten oog-
opslag, dat hij, in weerwil van zijn groen jachthuis, soldaat — en
een koen en dapper soldaat — was geweest. Beter dan zijne metge-
zellen was hij van wapenen voorzien. Vóór aan den zadelknop
van het prachtig sterke ros, dat hij bereed, hing een koppel
pistolen, een zware sabel kletterde aan zijne zijde, en over zijn
schouder droeg hij een voortreffelijke buks, die de pionier der wil-
dernis nooit verlaat.
Terwijl bijna de geheele troep naar voren sprong, bleven slechts
-ocr page 9-
11
DE KOLONISTEN.
drie personen bij den krijgsman achter. Twee van hen waren
bereden en gewapende negerslaven, die hun gebieder op eenigen
afstand volgden en de lastdieren bij den teugel leidden. De derde
was een jonge en aanzienlijke dame, wier oogen met een uitdrukking
der innigste deelneming rustten op het sombere gelaat van haren
begeleider. Zij geleken zoozeer op elkaar, dat men terstond kon
zien, dat het broer en zuster waren.
—  Roland, lieve broeder, — zeide Edith Forrester, terwijl
ze haar hand op zijn arm legde, —waarom zijt gij bedroefd ? Waarom
rijdt gij niet met de anderen vooruit, om de goede lieden, die zoo
vriendelijk ons verwelkomen, te begroeten?
—  Edith, — antwoordde Roland, — zou ik geen smart gevoe-
len bij de gedachte, dat ik u in een nederige, ellendige hut moet
binnenleiden, zooals ge daar voor u ziet? Want geen beter huis
zal in deze wildernis voor u worden gebouwd.
—  Ik verlang geen beter, — luidde het vastberaden ant-
woord. — Aan uwe zijde en onder uw bescherming hoop ik ook
in zulk een hut even gelukkig te worden, alsof ik mij nog in
het huis mijns vaders bevond.
Eene uitdrukking van vreugde verhelderde bij die woorden
Rolands ernstige trekken. — Welaan dan, — zeide hij, — ik
zal al het mogelijke doen om u een tehuis en een vaderland te
verschaffen. Ik ben jong en sterk en met behulp van Kaiser,
onzen ouden slaaf, zal ik het woud binnendringen, zijn reuzen-
stammen vellen en op de plek, waar hun stoute toppen ten hemel
rijzen, maïs en koren voor u planten, zooveel als wij voor ons
dagelij ksch onderhoud noodig hebben. Ach, hoe geheel anders
zou het geweest zijn, indien oom niet zoo wreed zich had betoond
om u voor mijne misslagen te laten boeten! Een mooi landgoed,
met al de gemakken des levens, met al den overvloed van den
rijkdom, zou uw deel zijn geweest, terwijl ge nu, door mijn schuld,
als een balling door de wouden moet zwerven. Dat ik, ik alleen
de oorzaak van uw ongeluk moet zijn, dat is- het, wat mij den moed
beneemt en mijne veerkracht verlamt.
—  Ge vergist u, Roland, — antwoordde Edith — om der
wille van een kleine fout had oom niet zoo boos tegen ons kunnen
zijn, om mij onteifd in de wereld te stooten. De tyd
zal ons eenmaal ophelderen wat daarvan is, en tot zoo lang zal
ik u met vreugde ter zijde staan en welgemoed de moeite en
bezwaren deelen, die gij u op zulk een grootmoedige wijze voor mij
op de schouders hebt geladen. \'
-ocr page 10-
12                                                    DE KOLONISTEN.
—  Dat is nu eens gesproken, zooals alleen mijn goede en
edele Edith het kan, — antwoordde de jonge man, op meer
opgeruimden toon. — Maar zie eens, wie komt daar in galop
op ons aan? Het is inderdaad een knap man, en te oordeelen
naar zijn houding en zijn kleeding, moet hij de bevelhebber van
het Station, de wakkere en door de Indianen zoo gevreesde overste
Bruce zijn.
Terwijl hij nog sprak, naderde hen in vollen galop de bewuste
ruiter, wiens krachtige gestalte bijna de afgunst van den
jongen Forrester had opgewekt. De overste Bruce was iemand
van ongeveer vijftig jaren, maar hij zag er veel jonger en frisscher
uit. In zijn volle zwarte lokken, die in dikke krullen langs zijn
schouders gleden, was nog nog geen enkel grijs haar te bekennen.
Hij was dapper en gastvrij en bezat alle andere deugden en eigen-
schappen, die hij in zijn gevaarlijke positie tegenover de Indianen
noodig had. Hij schudde den jongen Forrester en diens
zuster trouwhartig de hand, waarna hij hun te verstaan gaf. dat
het hem aangenaam zou zijn hen als zijne gasten te mogen
beschouwen, terwijl hij zich met de meeste warmte er op
beriep, dat hij de wapenbroeder geweest was van een hunner naaste
bloedverwanten, die inderdaad reeds eenigen tijd geleden het tijdelijke
met het eeuwige had verwisseld.
Deze hartelijke verwelkoming werkte mede om de laatste sporen
van neerslachtigheid en bezorgdheid bij den jongen krijgsman
te doen verdwijnen, en opgeruimder dan ooit reed hij
voort aan de zijde van zijn nieuwen vriend, door wien hem,
bij hun komst aan het Station, diens oudste zoon werd voorgesteld,
die met de overigen de nieuw aangekomenen tegemoet gereden was.
Tom bleek zijn vader in alle opzichten waardig te zijn. Ofschoon
nauwelijks twintig jaar, mat hij van het hoofd tot de zolen reeds
zes voet, terwijl zijn manieren zoo hartelijk en eenvoudig waren,
dat hij aanstonds Roland Forrester\'s genegenheid verwierf.
—  Ja, ja, het is een heele kerel, — zeide de oude overste
Bruce, toen zijn zoon zich weder had verwijderd. — Nauwelijks
veertien jaar oud, vermeesterde hij reeds den scalp van een volwassen
Shawnee-Indiaan, en dat in een eerlijk gevecht van man tegen man,
waarbij niemand hem kon helpen. Het ging aldus in zijn werk:
Tom was op zekeren keer bezig met daar buiten het paard van een
buurman te zoeken, dat was afgedwaald, toen hij eensklaps,
juist bij het dier, twee groote sterke Shawnees bemerkte.
Tom gaf vuur uit zijn buks, toen de kerels op hem
-ocr page 11-
IS
DE KOLONISTEN.
toesnelden, want hij had van hun kant natuurlijk niet veel goeds te
wachten. In plaats van den man, treft hij diens paard, dat in elkaar
zakt en zijn berijder van zijn rug slingert. Tom grijpt zijn\'geweer
en springt op hetzelfde oogenblik op hem toe. Nu vuurt ook de an-
dere Shavvnee, die te voet was, zijn geweer op hem af, terwijl hij
terzelfder tijd achter een boom springt.
— Ei, — roept onze Tom, — één vogel in de hand is beter
dan tien in de lucht, hij — snelt toe op den gevallen Indiaan, doodt
dezen, juist op het oogenblik, dat hij op wil staan, en rent daarop
in de richting van het Station. Wel zette de andere hem na. nlaar
die kon hem niet krijgen, zoodat onze Tom overwinnaar bleef, of-
schoon hij eerst veertien jaren telde. Doch genoeg hiervan. Hier.
mijn beste jonge dame, zijn we binnen het Station en ik heet u
nogmaals hartelijk welkom! Van harte hoop ik, dat ge nooit eene
woning moogt betreden waar uwe tegenwoordigheid minder op prijs
wordt gesteld dan hier!
ir.
„ZWERVENDE NATHAN."
J. oen men van uit het Station de landverhuizers had zien
aankomen, was niemand in de sterkte achtergebleven dan de echt-
genoote van den kommandant met hare dochters, waarvan de oud-
ste nauwelijks zeventien jaren telde. Zij ontvingen de nieuwe gas-
ten geheel in den vorm en met dezelfde hartelijkheid als de overi-
gen, terwijl de overste Bruce dezen aan haar voorstelde. Er bevond
zich daarbij echter nog een jong meisje, Telie Doe genaamd, wier uiter-
lijk een zonderlinge en in het oog vallende ongerustheid verried,
zoodra men haar den naam van kapitein Roland Forrester had ge-
noemd. Zij was, zooals overste Bruce den kapitein mededeelde, geen
-ocr page 12-
14                                          „ZWERVENDE NATHAN."
dochter of bloedverwante van hem, maar het kind van een zijner
oude bekenden, dat hij bij zich in huis nam, toen de man door de
Shawnees werd gevangen genomen en de kleine hulpeloos achterliet.
Abel Doe, zoo heette Telie\'s vader, werd later zelf Indiaan. Hij
bewoog zicli te midden van den stam, alsof hij er toe behoorde, en
bekommerde zich niet om zijne dochter, die hij geheel overliet aan
de barmhartigheid van den overste Bruce. De kapitein gevoelde
aanstonds medelijden met het verlaten, hulpelooze kind en zou haar
gaarne eenige woorden van troost en deelneming hebben toegespro-
ken, indien hij niet geheel en al door zijn gastvriend, den overste,
in beslag was genomen.
—  Ge wilt dus morgen reeds uwen tocht voortzetten ? — vroeg
hij den jongen officier. — Ik mag u niet aanmoedigen om te blijven-,
daar ik zeer goed weet hoe kostbaar de tijd is in ons land. Het
zou mij echter aangenaam zijn geweest, indien ge hier een paar
maanden hadt willen doorbrengen.
De kapitein bedankte zijn gastheer voor -de vriendelijke woor-
den ijn vroeg hem toen, of do weg naar de watervallen van den
Ohio veel gevaren en moeielijkhoden opleverde.
—  Cleene! — antwoordde de overste. — Het pad is breed
en effen, en er loopt zulk een heerlijk spoor door het woud, als
mensrhen en lastdieren dit slechts kunnen maken. En van gevaren
hebt ge ook niets te duchten, want sinds het vorig jaar, toen
er hier een tamelijk scherp gevecht werd geleverd, hebben wij
hier te lande niets van Indianen gezien. Trouwens ik acht het
geheel onnoodig dat ge nog dieper in die bosschen dringt. Blijf
in onze nabijheid en sla hier, waar de Indianen het iemand niet
lastig maken, uwe tenten op. Hier vindt ge een veilig toevluchtsoord
voor uwe zuster en daarenboven zulk goed land als ge nergens in
Amerika zult aantreffen. Aan geld hebt ge wel geen gebrek, daar ge
ongetwijfeld de erfgenaam zijt van uwen oom.
—  Dat ben ik helaas! niet, — antwoordde de kapitein — en
dat is juist de reden waarom ik een landstreek moet opzoeken, waar
de landerijen minder duur zijn dan hier.
—  Wat drommel! — riep de overste — de oude Forrester
was, zooals ik ten minste meermalen van mijn vriend Braxley
heb gehoord, de rijkste man van Prince Georges-Land en had, voor
zoover ik weet, geen kinderen. Wie is dan zijn erfgenaam?
—   llichard Braxley, uw oude vriend, zooals ge hem noemdet!
— antwoordde Roland, — en daarom moet ik als een gelukzoeker
en avonturier naar Kentucky reizen, terwijl mijn tractement als
-ocr page 13-
„ZWERVENDE NATHAN."                                              15
kapitein niet toereikend is om daarmee voor mij en mijn arme zus-
ter te kunnen zorgen.
De overste Bruce deed, toen zijne nieuwsgierigheid was opgewekt,
den kapitein nog eenige vragen en vernam nu het volgende, dat wij
ook onzen lezers moeten mededeelen, als staande in nauw verband
met de gebeurtenissen, die wij hebben te verhalen.
Majoor Roland Forrester, oom van kapitein Roland Forrester en
van Edith, was het hoofd eener rijke familie van de James-Rivieren
de oudste van twee broeders. De jongste moest, zooals dit in Virginiö
gebruikelijk was, zich na den dood zijns vaders met eigen krachten
door de wereld slaan, terwijl de oudste de geheele vorstelijke nala-
tenschap zijner voorvaderen erfde. De beide broeders werden vijanden,
toen Amerika strijd voerde tegen de Engelsche heerschappij. De
jongste broeder greep naar de wapenen, om de volkszaak te dienen,
terwijl de oudste getrouw en kloek de zijde hield van den koning.
Nooit vergaf deze zijn jongeren broeder het werkzaam aandeel dat
hij nam in den vrijheidsoorlog, en uit wrok maakte hij een testament
ten gunste van een aangenomen kind, dat hij opvoedde in zijn huis.
Dat kind stierf echter spoedig: terwijl het zijn moeder in haar woning
bezocht, kwam het in de vlammen om. Dit noodlottig toeval ver-
anderde echter Roland Forrester\'s gezindheid jegens zijn broeder in
geenen deelo, en eerst toen deze in een eervollen strijd met de
wapens in de hand was gevallen, nam hij de achtergebleven wee-
zen, den jeugdigen Roland, destijds een jongen van vijftien en Edith
een kind van tien jaren, tot zich. De strenge oude heer kreeg de
kinderen lief en gaf meermalen als zijn voornemen te kennen, dat
hij hen tot zijn erfgenamen wilde maken. Het noodlot wilde echter,
dat Roland zijn oom op dezelfde wijze beleedigde als eens zijn vader
vóór hem dit had gedaan. Hij verliet het huis van zijn beschermer,
twee jaren nadat hij het had betreden, en trad als vaandrig in dienst
van een ruiterregiment, dat deelnam aan den strijd tegen Engeland\'s
heerschappij. Nooit zag hij zijn oom terug, terwijl hij zich ook niet
in het minst bekommerde om diens boosheid en nog steeds de hoop
koesterde, dat althans zijne zuster erfgename zou worden van
het groote fortuin. Hierin echter bedroog hij zich. Toen de oude oom
stierf en Roland het leger verliet, om zijne zuster tot steun te strek-
ken, vond hij Edith niet in het huis en op de bezittingen harer
voorouders, maar als eene wees, zonder eigen dak, in de woning
van een vreemde. Onder de nalatenschap van hun oom was geen
testament gevonden. In plaats daarvan werd het vroegere, ten
gunste van het aangenomen kind ontworpen testament, door Richard
-ocr page 14-
16                                             „ZWERVENDE NATHAN."
Braxley, raadsman van den overledene, voor den dag gehaald.
Volgens dit was eerstgenoemde tot voogd van het meisje, dat men
in de vlammen omgekomen waande, benoemd.
De opening van het testament veroorzaakte eene algemeene ver-
bazing, die er door de handelwijze van gezegden Braxley niet minder
op werd. Deze legde, uit naam der erfgename, zooals hij het deed
voorkomen, aanstonds beslag op de erfenis, bewerende dat de kleine
nog in leven was en weldra zou verschijnen om haar rechten te
•doen gelden. Hij bood aan het bewijs te leveren, dat de erfgename,
in plaats van in de vlammen te zijn omgekomen, veeleer door hem
•onbekende personen was ontvoerd, en de brand in het huis harer
moeder slechts als een verzinsel gelden moest, om het verhaal van
haar overlijden geloofwaardiger te maken. Wie die misdaad had
bedreven, beweerde hij niel te weten, ofschoon hij nu en dan toe-
spelingen maakte, die voor het gevoel van Eoland en Edith pijnlijker
waren dan het verlies der erfenis zelf. Hij poogde op Eoland de ver-
denking te laden, als zou deze het kind uit den weg geruimd en
verborgen hebben, ten einde voor zich zelven en zijne zuster het
vermogen te verzekeren van den rijken oom.
De zaak werd door Braxley zoo geloofwaardig voorgesteld, dat
•de jonge kapitein, Eoland Forrester, de hoop liet varen om den
advokaat uit het veld te slaan. Snel besloten, nam hij, daar de
•oorlog inmiddels geëindigd was, zijn ontslag, maakte het weinige
dat hij bezat, zelfs het allernoodzakelijkste, te gelde en begaf zich
met zijn zuster, wier geluk hij wilde verzekeren, naar de wouden
van het Westen. Zijn doel was, zooals reeds gezegd, land aan te
koopen en zich daarop als planter te vestigen.
De toestand van den jongen avonturier, die zoo edelmoedig
was om zijn geheele toekomst, al zijn idealen van eer en roem
op te offeren aan het welzijn eener geliefde zuster, verwekte in de
hoogste mate de sympathie van den dapperen overste Bruce. Hij
schudde den jongen man dan ook krachtig en hartelijk de hand,
•en zeide, terwijl hij op zijn woorden een ongewonen nadruk legde:
— Hoor eens, kapitein, ik houd van u en acht u alsof ge
•mijn eigen zoon waart! Wat overigens dien bewusten Braxley
betreft, hij is niets meer dan een kennis van mij, dien ik slechts
ouder gewoonte mijn vriend heb genoemd. Om u de waarheid
te zeggen, geloof ik thans dat hij een gemeene schurk is, en ik
twijfel er niet aan of dat doer hem getoonde testament berust op
niets anders dan op leugen en bedrog. Onthoud eens wat ik u
.zeg: de waarheid zal eenmaal aan het licht komen en beschouw
-ocr page 15-
„ZWERVENDE NATHA5."                                            17
mij voortaan als een vriend, die met vreugde goed en bloed voor u
zal ten offer brengen, als ge hem ooit mocht noodig hebben.
Telie Doe, die in de kamer was achtergebleven, terwijl de
andere vrouwen en meisjes zich reeds bij den aanvang van het
gesprek tusschen overste Bruce en den kapitein hadden verwijderd,
werd thans door eerstgenoemde opgemerkt. Zij had met ingespan-
nen aandacht geluisterd naar het verhaal van den jeugdigen kapi-
tein ; hare groote oogen zagen den jongen man thans met zulk
•een innige deelneming aan, dat het den overste terstond in het
•oog viel.
—  Wat hebt ge hier te doen, Telie? — riep hij haar toe.
— Ga naar de andere vrouwen, waar je bij hoortI Bij ons
moogt ge niet blijven.
Telie bloosde en verdween op hetzelfde oogenblik, terwijl zij
met schuchteren tred de kamer verliet. Nauwelijks had zij zich
verwijderd, toen de jonge Tom Bruce binnenkwam. Hij zag er zoo
vroolijk uit, alsof hij een goede tijding te brengen had.
—  Wat is er, Tom? — vroeg zijn vader, eenigszins verrast.
—  Er gebeuren wonderlijke dingen, vader, — antwoordde de
jonge man. — De Dshibbenonoseh zwerft weer in het bosch.
—  Waar? ■—■ vroeg de overste haastig, —■ toch niet op ons gebied?
—  Neen, bij Jehosaphat, — antwoordde Tom, — maar toch in
onze onmiddellijke nabijheid, aan den noordelijken oever van den
Kentucky. Daar heeft hij zijn merkteeken achtergelaten, even versch,
alsof het heden morgen is gedaan.
—  En weet ge zeker dat ge u niet vergist? — vroeg Bruce
belangstellend.
—  Heel zeker: Een regelmatig kruis op de borst en het lit-
teekeri van een tomahawkslag over den schedel. Alles tot in de
kleinste bijzonderheden.
—  Dan behoeven wij niet meer te twijfelen dat de Dshib-
benonoseh in het woud spookt! — zei de oude. — Dan zijn wij
ongetwijfeld een bestorming te wachten.
—  En wie is die Dshibbenonoseh? — vroeg Roland Forrester.
—  Wel, de woudnikker, de woudduivel in één woord! —
riep Tom.
—  Nu ben ik nog even wijs als te voren, — zei Roland For-
rester verwonderd. — Wie is die woudduivel ?
—   Dat is niet zoo heel gemakkelijk te zeggen, — antwoordde
Tom. — De een denkt dit, de ander dat van hem, en velen zijn er
die hem voor den baarlijken satan houden.
-ocr page 16-
18                                            „ZWERVENDE NATHAN."
—  En wat is dat voor een merkteeken, waarvan je zooeven zoo-
geheimzinnig spraakt? — vroeg Roland opnieuw.
—  Dat laat zich gemakkelijker verklaren, — zeide Tom. —
Het bestaat in een kruisvormige insnijding over de borst van den
wilde, dien de Dshibbenönoseh heeft gedood. Zoo teekent hij ieder-
een, dien hij in zijn macht krijgt. Er is nu reeds een geheel
jaar voorbijgegaan, sedert wij het laatst van hem hebben gehoord.
—  Kapitein, — nam thans de oude Bruce het woord — ge
zoudt onzen Tom nog duizenderlei vragen over den Dshibbenönoseh
kunnen doen, zonder dat hij in staat zou zijn u iets meer te ant-
woorden dan hetgeen ge nu weet. Er bestaat een wezen in onze
wouden, dat van het eene Station naar het andere kruist, tot op
zekere hoogte over ons allen waakt, en iederen Indiaan, die hem
in den weg komt, doodt, scalpeert en met zijn teeken waar-
merkt. De Indianen noemen hem „Dshibbenönoseh," hetgeen zoo
veel beteekent als „Zwervend Spook," en als men hun sagen geloo-
ven mag, dan is hij noch mensch noch dier, maar een machtige geest,
op wien mes of buks niets vermogen. In elk geval zijn wij hem
dank verschuldigd, daar hij het is, die de Roodhuiden zoo langen
tijd van ons verwijderd heeft gehouden.
—  Maar hoe is het toch mogelijk, dat men aan zulke sprookjes
geloof kan slaan ? — riep Roland uit.
—  En waarom niet, daar wij toch de gevolgen van zijn
tegenwoordigheid ondervinden? — antwoordde de overste. — Alle
Indianen-stammen, vooral de Shawnees, zijn zoo bang voor hem,
dat nauwelijks één hunner sinds drie jaren het Station tot op een
afstand van een uur is genaderd, aangezien hij meer in \'t bijzonder
in de wouden, dicht bij ons, zich ophoudt en de Roodhuiden
doodt, waar hij ze ook ontmoet. Daar hij het echter in het
bijzonder op de Shawnees schijnt gemunt te hebben, noemen
de andere stammen hem ook wel Shawnee-wannawin, d. i.
klaaggeschreeuw van een Shawnee, omdat, terwijl hij hen doodt,
hij hen altijd vreeselijk doet schreeuwen. Ge zult toch in elk
geval moeten toegeven, dat, indien ge een Indiaan vindt, die gedood
is en gescalpeerd, er iemand moet geweest zijn, die dat gedaan
heeft.
—   Ongetwijfeld, maar dat kan evengoed een menschelijk als
een bovennatuurlijk wezen hebben verricht.
—  Vreemdeling, — aldus nam de overste andermaal het woord,
terwijl hij glimlachend het hoofd schudde, — bij ons te lande is het
nog nooit het gebruik geweest om zich de eer, een vijandelijken
-ocr page 17-
„ZWERVENDE NATHAN."                                           19
Indiaan te hebben gedood, door een ander te laten ontnemen. In
geheel Kentucky leeft geen man, die er geen genoegen in vindt een
scalp, in een eerlijk gevecht veroverd, zijn buurman te vertoonen.
En toch heeft dit nog niemand gedaan, al vond men ook nog zoo
vaak een door den Dshibbenönoseh geteekend lijk in het woud. Boven-
dien, kapitein, — voegde de waardige overste er zeer ernstig bij —
zijn er lieden, die het spook met hun oogen hebben gezien.
—   Dat is wel een bewijs waartegen ik niets kan inbrengen, —
merkte kapitein Forrester aan, toen hij zag dat zijn ongeloof zijn
nieuwen vrienden niet zeer welkom was.
—  Ja zeker, gezien, — herhaalde de overste. — Ben Jones,
Samuel Sharp en anderen hebben hem door het bosch zien loopen,
en allen beweren" dat hij meer op een boozen geest dan op een mensch
gelijkt. Zij zeggen dat hij een groote gestalte heeft, een met horens
en dicht haar begroeid hoofd, bijna evenals een buffel, terwijl een
wezen voor hem uit loopt, in de gedaante van een beer, dat hem den
weg wijst. Men vindt hem slechts op de dichtst begroeide plaatsen
der eeuwenoude bosschen, en daarom hebben wij hem den nikker
van het woud genoemd. Hij is welgezind tegenover alles wat geen
Indiaan is, en men heeft nog nooit gehoord dat hij een eerlijken
blanke eenig leed heeft gedaan. Ik ben niet bijgeloovig, kapitein, dat
verzeker ik u, maar ik zweer bij den Dshibbenönoseh, want ik weet
wat ik weet, ofschoon ik hem persoonlijk nog nooit heb gezien. Ziet
men hem zelf in het woud, dan is het een zeker teeken dat er
Indianen in de nabijheid zijn; ontdekt men echter zijn spoor, dan is
dat een goed teeken, want dan kan men er tamelijk zeker van zijn
dat de bloeddorstige, huilende wilden zich weer hebben verwijderd.
Waar de» Dshibbenönoseh is, daar houden de Indianen het niet lang
uit. Hij is hun te sluw en te sterk. In vroeger jaren verwijderde
hij zich nooit ver van het Station, in den laatsten tijd echter is hij
begonnen het gebied zijner strooptochten verder uit te breiden. Zoo
loopt het gerucht, dat men hem den vorigen zomer beneden aan de
Zoutrivier in Jefferson heeft gezien; dan weer zou hij in het noorden
van Kentucky jacht maken op menschelijk wild. Men zegt zelfs dat
hij de Shawnees tot in hun eigen legerplaats achtervolgt, ofschoon ik
dat niet met zekerheid durf beweren. Maar wie — aldus wendde hij
zich tot Tom — wie heeft het bericht aangaande den Dshibbenönoseh
gebracht ?
—  De brullende Ralph, Ralph Stackpole! — antwoordde Tom
lachend.
—  Wat, de brullende Ralph, Tom? — riep de overste uit, —
Kapitein Roland.
                                                                 2
-ocr page 18-
20                                            „ZWERVENDE NATHAN."
ga dan dadelijk naar buiten om naar de paarden te kijken, mijn
jongen!
—   Ja, ja, — knikte Tom, — de noodige voorzorgsmaatregelen
zijn reeds genomen. Nauwelijks was het bekend geworden dat
kapitein Ralph zich had vertoond, of terstond kwamen zes Regula-
toren (lieden die vrijwillig politietoezicht in die schaars bevolkte
streken uitoefenen) bijeen, en besloten dien nacht te waken. Onder
de paarden der nieuwaangekomenen toch zijn er vele — vooral het
edele dier van kapitein Forrester, door den Indiaan Briareus ge-
naamd — die Ralph Stackpole het stelen waard zou kunnen achten,
en daarom behoort niets te worden verzuimd om de noodige veilig-
heidsmaatregelen te nemen.
—  En wie is die Ralph Stackpole, en wat kan die met mijn
Briareus hebben uit te staan? — vroeg kapitein Forrester.
—  Een geduchte kerel, — antwoordde de jeugdige Tom. — Eens
doodde hij heel alleen twee Indianen op de Berenweide, terwijl hij
dat roode gespuis meer paarden heeft afhandig gemaakt, dan ze hem
ooit zullen kunnen vergeven. Hij heeft echter één leelijk gebrek,
namelijk dat hij menigmaal het paard van een eerlijken Christen
aanziet voor het paard van een Indiaan en het klakkeloos meeneemt.
—  En verwerven zulke dieven in de nederzettingen den rang
van officier ?
—  Eigenlijk niet, — antwoordde overste Bruce. — Hier is geen
sprake van een eigenlijken kapiteinsrang. Wanneer een troep van
onze lieden op paardenvangst uitgaat, en hen de lust bekruipt er
eenige van de Indianen mede te nemen, hetgeen geoorloofd is, aan-
gezien wij dien kerels slechts ontnemen wat zij ons hebben ontroofd,
dan moeten zij een geslepen aanvoerder hebben. Nu kan men in
den geheelen omtrek geen beteren vinden dan Ralph. Hij is een dief
van top tot teen en niemand kan beter listen uitdenken om de
Indianen om den tuin te leiden dan hij. Maar het is inderdaad zeer
jammer, dat hij somtijds geen onderscheid maakt tusschen blanken
en wilden, en daarom is hij dan ook overal niet even gezien.
De mannen begaven zich nu naar buiten en vonden een
groot aantal nieuwsgierigen bijeen, die met welgevallen luisterden
naar de verhalen van Ralph aangaande de jongste daden van den
Dshibbenönoseh. Ralph was een kerel als een boom, met breede
schouders, een dik hoofd en van een gemeen grof uiterlijk, maar zijn
geheele houding drukte zooveel blufferige en tegelijk vroolijke zelf-
genoegzaamheid uit, dat men, in plaats van verstoord op hem te
zijn, eerder om hem moest lachen. Zijn kleeding bestond uit een buis
-ocr page 19-
„ZWERVENDE NATHAN."                                            21
van grof, smerig linnen en een lederen beenbekleeding die, wat
smerigheid en versletenheid betrof, kon wedijveren met het buis.
Een oude, ronde, gescheurde hoed van bevervel, die aan de eene zijde
den rand miste, terwijl deze aan den anderen kant tot over zijn
gezicht hing, bedekte zijn zwart stoppelig haar en gaf aan zijn geheele
gelaat een lachverwekkende uitdrukking. Hij was gewapend met een
geweer, een mes en een tomahawk. Met laatstgenoemd werktuig be-
schreef hij allerlei kringen in de lucht, en maakte daarbij zulke zon-
derlinge fratsen en sprongen, dat zij, die zijn verwonderlijke verhalen
aanhoorden, meer dan eens uitbarstten in een luid gelach.
Toen hij den kommandant van het Station ontwaarde, verliet
hij met één sprong den kring waarin hij stond, en schudde den
overste de hand, nog voordat deze er aan dacht ze terug te trekken.
—  Het verheugt mij u te zien, overste! — riep hij uit. —
Ook u, vreemdeling! Wat brengt ge voor nieuws uit Virginié? Weet,
vriend, dat ik Ralph Stackpole ben, de Alligator van de Zoutrivier 1
—  Welnu, bemoei u dan met uw eigen zaken en laat mij onge-
moeid, —■ antwoordde kapitein Forrester, die zich door den
gemeenzamen toon waarop die man tot hem sprak, niet zeer gestreeld
gevoelde.
—  De -eeuwige dood over mij I — schreeuwde Ralph Stackpole,
— ik ben een gentleman en haak naar den strijd I Met de vuist, met
de hand, met tanden, nagels, klauwen of pooten, met het mes, het
geweer of den tomahawk sta ik mijn man! Kikeriki!
Dit zeggende, sprong de onzinnige dwaas met beide beenen
tegelijk in de hoogte, en maakte daarbij met de armen eene beweging
als een haan, die vóór den strijd zijn slagpennen schudt. Overste
Bruce keek hem lachend aan en vroeg toen : — Zeg eens, Ralph,
waar hebt ge toch die bruine merrie gestolen ? — Onmiddellijk scheen
de strijdlust, waarvan de brullende Ralph zooeven nog scheen te
blaken te verdwijnen, \' terwijl hij verward rondkeek, wat terstond
algemeen gelach veroorzaakte. Weldra echter was hij weer zich zei ven
meester en antwoordde:
—  Gestolen? Ik heb geen bruine merrie gestolen ! Kijk ze maar
na! Ik steel alleen Indianenpaarden! En wie iets anders durft be-
weren — dr^oawige doact over me! — die heeft met mij te doen!
—  Bedaar, Ralph! — ^ei de\'overste kalm. — Ik ken het
paard; het is de oude merrie va.n Peter Harfer, die ginds aan den
noordelijken oever woont.
—  Ja waarlijk, u heeft gelijk! — zeide Ralph, nog meer in de
war gebracht dan te voren. — Maar ik heb ze slechts geleend en
-ocr page 20-
„ZWERVENDE NATHAN."
22
u mag ze voor mijn part hier houden. Zeg mij maar waar ik een
ander paard kan vinden, want ik moet nog vóór zonsondergang
verder reizen.
—  "Waarheen ? — vroeg de overste.
—  Vyftien uren ver, naar het Station St. Asaph.
—  Zóo ver kunnen de Regulatoren u niet in het oog houden,
—   antwoordde de overste, die door dit blijk van wantrouwen an-
dermaal den lachlust der toehoorders opwekte. Ralph Stackpole
gedroeg zich intusschen, om zijn verlegenheid te verbergen, als
een krankzinnige. Hij sloeg met de armen om zich heen, kraaide
als een haan, brieschte en hinnikte als een paard, loeide als een
stier, blafte als een hond, brulde als een Indiaan, bromde als
een panter, huilde als een wolf en schreeuwde ten slotte met
volslagen gehuichelden strijdlust: — Wie is de man, die het tegen
mij opneemt? Waar is hij, die met me vechten wil? Ik sta
iedereen, al ware hij zoo sterk als een buffel, of zoo vlug als
een kat!
Een ieder wist, dat deze uitdaging niets dan grootdoen was,
waardoor Ralph een einde poogde te maken aan het gesprek met
den overste Bruce. Vandaar dan ook, dat het geen der in het
rond staanden jongelieden in de gedachte kwam om den handschoen
van den paardendief op te nemen. Veeleer plaagden zij allen den
brullonden Ralph en trachtten zij zijn voorgewende woede nog meer
te prikkelen, door hem op dreigenden toon te verwijten het aantal
paarden, dat hij in zijn leven reeds had geleen-d, zonder ooit aan
teruggeven te denken.
Deze grap begon kapitein Roland ten laatste te vervelen, en
hij was juist op het punt zich weer in huis to begeven, toen een
nieuwe persoonlijkheid op het tooneel verscheen, die de algemeene
vroolijkheid weer voedsel beloofde te geven.
—  Hoor eens, brullende Ralph! — zei de jonge Tom Bruce,
—   als je werkelijk zooveel lust hebt om te vechten, dan komt daar
je man ! Daar is de bloedige Nathan!
Bij het hooren van dezen verschrikkelijken naam verhief zich
een algemeen geschreeuw, vergezeld van een onophoudelijk gelach
en juichend handgeklap.
—  Waar is hij? — schreeuwde Ralph Stackpole, terwijl hij
verbazend hoog in de lucht sprong en een luiden triomfkreet liet
hooren. — De- eeuwige tlood-over mij, als ik hem niet onder krijg-!
Voor den dag met hem! Kikerikiki!
—  Zoo is het goed, Ralph Stackpole! — zeiden de in het rond
-ocr page 21-
„ZWERVENDE NATHAN."
23
staande jongelieden, terwijl ze hem vertrouwelijk op den schouder
klopten. — Toon nu eens je dapperheid, en laat ons eens zien dat
je werkelijk een kerel bent.
Te oordeelen naar het uiterlijk voorkomen van den naderbij
komenden vreemdeling, scheen deze ternauwernood iets anders dan
de onzinnige paardendief zelf. Toch maakte Roland uit de ongewone
vroolijkheid der Kentuckyers de gevolgtrekking, dat er achter den
bloedigen Nathan nog iets meer stak dan men zou meenen op het
eerste gezicht. Naar den nieuw aangekomene ziende, zag hij een ouden,
lammen schimmel, waarachter een kleine, lange en fijn behaarde,
donkerkleurige hond liep, wiens schuine blikken en afhangende staart
duidelijk zijn angst verrieden.
— Ja, ja, — riep overste Bruce, — het is de oude, bloedige
Nathan, die daar met zijn ouden knol en zijn vuilen hond aankomt!
Een meedoogende ventl Hij draagt zelf zijn pak op den rug en leidt
het paard aan de hand, die gek!
Toen Nathan naderbij kwam, bemerkte Roland dat diens lange
gestalte van boven tot onder geheel in leder was gestoken. Zelfs
zijn hoofddeksel bestond uit op ruwe wijze saamgenaaide leeren
reepen. Zijn bovenkleed, door een gordel vastgesnoerd, geleek een
gewoon jachthuis, met uitzondering van elk sieraad, waarmede de
jager zich gewoonlijk pleegt te tooien. liet buis scheen voor het
slanke lijf van den bloedigen Nathan echter veel te wijd, en droeg,
evenals zijn lederen beenbekleeding^ niet alleen de sporen van hoogen
ouderdom, maar vertoonde, behalve een menigte bloedvlekken, ook
andere sporen van onreinheid. De geheele verschijning van den man
was buitengewoon ruw en woest; die indruk werd nog belangrijk
verhoogd door een lang geweer, dat over zijn schouder hing, en
een mes, dat hij in den gordel droog. Ook zijn wapens waren oud,
veel gebruikt en onaanzienlijk. Vooral de kolf van het geweer zag
er zoo ruw en vormloos uit, dat het vermoeden tot zekerheid rees,
dat Nathan dien met eigen ongeoefende hand had gemaakt.
Aldus zag de man er uit, die, op zijn voorkomen afgaande, den
bijnaam van den Bloedige niet ten onrechte scheen te dragen.
Een meer nauwkeurige beschouwing evenwel overtuigde kapüe\'n
Forrester ten duidelijkste, dat die-bijnaam hem veeleer spottender-
wijs dan om een andere redeti__werd gegeven. Zijn gelaat, als
van een man tusschen vijfenveertig tot vijftig jaren, vertoonde
verweerde en diepe trekken, terwijl zijn kromme neus, zijn voor-
uitstekende kin, de smalle -saaingeknepen mond — en vooral zijn
goedaardige oogen — kenmerken schenen van een deemoedig en een-
-ocr page 22-
24                                            „ZWERVENDE NATHAN."
voudig karakter. Zijn tred was onzeker, wankelend en zoo weinig
veerkrachtig, dat men het den man terstond kon aanzien, dat hij veel-
eer geneigd was kwaad te dulden dan het te doen. Ook het feit,
dat zijne schouders een tamelijk zwaar pak herte- en andere vellen
torsten, terwijl zijn paard onbelast naast hem liep, duidde aan dat
zijne denkwijze meer tot toegeeflijkheid dan tot strijdlust geneigd
was. Van welken kant men hem ook bezag, er was in zijn voorko-
men niets dat het vermoeden wettigde van een sterk, bloeddorstig
en woest mensch, zooals zijn vreeselijke bijnaam gaf te kennen.
Roland wist, evenals het meerendeel der omstanders, zelf niet of
hij medelijden met hem moest gevoelen of om hem lachen. Een
nauwkeuriger blik op den bloedigen Nathan wekte echter zijne deel-
neming op, en het spottend lachje, dat reeds om zijne lippen zweefde,
maakte plaats voor de gewone uitdrukking van zijn gelaat: kalme
en ernstige belangstelling.
—    Welnu, Ralph Stackpole, hoe is \'t? — vroeg de jonge
Tom Bruce, terwijl hij den aangesprokene op den schouder klopte.
— Zou je den strijd tegen den bloedigen Nathan durven aanbinden?
—   Zeker, zoo waarachtig als ik de Alligator ben van de Zout-
ri vier! — schreeuwde Ralph. — Laat hem opkomen, den bloedige!
Ik verslind hem met huid en haar!
—  TJ zult dien onzinnigen kerel toch niet toestaan, dat hij dien
armen man werkelijk te lijf gaat? — vroeg Roland Forrester den
Overste Bruce.
—   Wel neen, hij zal hem niets doen, — antwoordde deze. —
We willen maar eens even een grapje hebben met die twee.
—  Wie is die bloedige Nathan eigenlijk, en waarom heeft men
hem zoo\'n vreemden naam gegeven?
■— Uit verachting en spot, — zei de overste, — omdat hij in
heel Kentucky de eenige man is, die niet vechten wil. Hij is een
kwaker uit Pennsylvanie, en de hemel mag \'t weten hoe hij hier
in Kentucky is verzeild geraakt. Eenigen beweren dat hij niet goed
bij zijn verstand is, en dat is zoo geheel onmogelijk niet, daar hij
nergens rust vindt, onophoudelijk het land doorkruist, en nu eens
hier dan weer daar het wild vervolgt, om de vellen machtig te wor-
den. Velen noemen hem daarom ook „Zwervende Nathan". Voor de
Indianen schijnt hij niet bizonder bevreesd, waarschijnlijk omdat,
zooals men algemeen beweert, de Roodhuiden den kwaker uit Penn-
sylvanie niet spoedig eenig leed zullen doen. Ook maakt hij zich
somtijds nuttig door het spoor te vinden van Indianen waar niemand
ze had verwacht. Dan komt hij en meldt het, niet om tot den strijd
-ocr page 23-
„ZWERVENDE NATHAN."                                            25
op te wekken, maar om bloedvergieten te voorkomen. Zoo kwam
hij eens, ongeveer drie jaren geleden, tot mij, en zei niet: — „Vriend
Thomas, ter hoogte van het tweede wad van de Zoutiïvier liggen
een twintigtal Indianen, die ge gevangen kunt nemen", maar heel
ernstig: — „Hoor eens, vriend Thomas, houd je volk verre van het
tweede wad van de Zoutrivier, want daar liggen Indianen verborgen,
die je gemakkelijk kwaad kunnen doen." — Daarop sloop hij heime-
lijk weg, terwijl ik, zooals van zelf spreekt, aanstonds met vijfen-
twintig jonge lui op weg ging en wij de bloeddorstige schurken dood-
schoten of op de vlucht joegen. De ontvangst van „Zwervenden Na-
than" is bij ons niet altijd even vriendelijk, omdat we allen min of meer
het land hebben, dat hij in het geheel niet genegen is om te vechten,
en nooit een van die moorddadige Roodhuiden wil doodschieten. Eens
zelfs nam ik hem, in een opwelling van ergernis, zijn geweer af, om-
dat hij, bij een uitgeschreven monstering, niet verscheen. Later ech-
ter kreeg ik medelijden met den armen kerel, want in zijn hut was
geen enkel stuk wild, en hij had geen geweer om een hert in het
kreupelhout te schieten. Daarom gaf ik hem zijn buks maar terug,
en zei hem, dat hij er dan, zooals zijn jammerlijke gewoonte was,
in godsnaam maar alleen gevogelte mee moest schieten.
Terwijl overste Bruce zijn gast aldus een en ander mededeelde
omtrent het karakter van den bloedigen Nathan, was deze omringd
door de jongelieden van het Station, die hem tot mikpunt hadden
gekozen van hun spot. Ten slotte naderde ook de brullende Ralph
en riep hem toe op overmoedigen toon:
—  Hoor eens, bloedige Nathan, als je ooit behoefte hebt gehad
aan\' een gebed, dan is het thans! Weg met dat pak van je schou-
ders, want ik heb grooten lust om je met je hertevellen en al in te
slikken.
—  Vriend, — antwoordde vol deemoed de bloedige Nathan,
— laat mij, bid ik u, ongemoeid. Ik ben een man des vredes.
Met deze woorden wilde hij, zonder zich om den brullenden
Ralph te bekommeren, verder gaan, toen deze hem in den weg trad,
het pak van zijn schouder rukte en de vellen van zich afsiingerde,
zoodat ze wijd en zijd op den grond vlogen. De toeschouwers lachten
luide, maar Nathan verdroeg de beleediging mee voorbeeldig geduld.
—  Vriend, — zei hij, — wjiarom behandel je me zoo ruw, en
wat wilt ge van me?,
—  Ik wil met je vechten, bloedige Nathan.
—  Ik wil niet met je vechten; zie dus af van mij en laat
me met rust.
-ocr page 24-
20                                       „ZWERVENDE NATirAN."
—  Wat, ben je dan niet de bloedige Beer uit Pennsylvanië?
—  schreeuwde Ralph, die steeds overmoediger werd.
—  Ik ben geen Beer, gewis niet, ik ben een man des vredes!
—  zei Nathan, altijd onderdanig en zachtmoedig.
—   Ja, ik weet het wel! — riep Stackpole, terwijl hij zich
vreeeelijk grimmig en woedend aanstelde. — Ik heb van je gehoord.
Jij bent de man, die het als zonde beschouwt om onschuldige vrou-
wen en zwakke kinderen tegen de bloeddorstige Roodhuiden te be-
schermen, en dat alleen, omdat je een man des vredes bent, en
daarom niet vechten moogt, langbeenige, laffe, ellendige kerel!
Maar let eens op, ik zal een man van je maken. Weg met dat
geweer, en de eeuwige dood over mij, als ik er den lafaard niet bij
je uitsla I
—  Vriend, — antwoordde Nathan met zichtbare en onverholen
minachting, — je moet zelf wel een allorjammerlijkste lafaard zijn
om zoo, zonder eenige reden, twist te zoeken met iemand, van wien
je weet dat hij niet vechten mag. Ga heen! Je zoudt zeker minder
praats hebben, als er een van uws gelijken tegenover je stond!
Zonder zich verder om den brullenden Ralph te bekommeren,
bukte hij zich om de vellen op te rapen, die overal op den grond
verspreid lagen, maar ook dit verhinderde Stackpole, door Nathan
in zijn kraag te grijpen en hem zoo hard te schudden als hij kon.
Zelfs dit deed den bloedigen Nathan zijn zelfbeheersching niet
verliezen. Toen echter de brullende Ralph Nathan\'s klein hondje,
dat zijn moester te hulp snelde en luid blafte, een hevigen schop
gaf, zoodat het janken 1 zes ellen voortstoof, betrok zijn gelaat en
zeide hij ernstig:
—   Vriend, je moet zelf wel een erbarmelijk beest zijn, om
zoo\'n arm dier leed te kunnen doen. Wat wil je van mij?
—  Ik wil vechten, vechten! — brulde Ralph. — Hoe dikwrjls
moet ik je dat nog zeggen ?
—  Je weet, dat ik niet met je vechten mag en wil, — ant-
woordde Nathan. — Maar als je toch een les verlangt, dan wil ik
je die wel geven. Je roemt zoo op je moed en je kracht: Wil je nu
eens, op vriendschappelijke manier, je met me meten?
—  Hoera! voor den bloedigen Nathan! — schreeuwden de jon-
gelieden, terwijl Forrester zich over den plotseling ontwakenden moed
van den kwaker verwonderde en Ralph Stackpole als een bezetene
in het rond sprong.
—  Vooruit, weg met je geweer en je leeren muts! — schreeuw-
de hij zijn tegenstander toe. — En nu opgepast, want ik zal je zoo-
-ocr page 25-
„ZWERVENDE NATHAN."                                            27
danig met je kop tegen den grond gooien, dat je meenen zult nog
heden in het middenpunt van de aarde terecht te komen.
—  Het zou kunnen zijn dat ge je vergist, — antwoordde Na-
than, koelbloedig zijn geweer aan een in de nabijheid staanden jon-
gen man overreikend. — Ik ben gereed, vriend, kom op.
—  Kikeriki! Kikeriki! — kraaide Ralph, toespringend op Na-
than, wiens linkerschouder hij met de eene hand pakte, terwijl hij
hem met de rechter in de heup greep. — Zoo, ben je kl.iar?
—  Ja! — a\'ntwoordde Nathan.
—  Welnu dan, daar ga jel — Bij deze woorden wendde Ralph
al zrjn niet gewone spierkracht aan, om den kwaker op den grond
te werpen, maar deze stond, tot Roland\'s groote verbazing, als een
paal en bewoog zich niet eens van zijn plaats.
—  Vriend, — zeide hij tot Ralph, — ge hebt je bedrogen . ..
nu is het mijn beurt! — Hij greep zijn tegenstander vast, en, voor
men er op verdacht was, vlogen de beenen van den overmoe-
dige de lucht in, terwijl zijn hoofd met zulk een snelheid en kracht
tegen den grond sloeg, dat het ongetwijfeld in stukken zou zijn ge-
vlogen, als zijn schedel niet eens zoo dik als die van een#gewoon
menschenkind ware geweest.
De toeschouwers keken elkaar eerst verbaasd aan en barstten
vervolgens in daverende toejuichingen los. Forrester zeide: — Hij
heeft den man gedood, maar wij kunnen getuigen dat deze zelf de
schuld draagt van zijn smadelijk lot.
—  Neen, o neen, vreemdeling! — riep Stackpole thans uit,
terwijl hij zich langzaam oprichtte en met een onuitsprekelijk komiek
gebaar zijn hoofd met beide handen wreef. — Heelemaal dood ben
ik toch nog niet, zooals je gelooft, maar het is toch precies alsof
mijn hoofd niet meer op zijn oude plaats zit. Heb ik het nog of
heb ik het niet?
—  Hoera! voor den bloedigen Nathan! — schreeuwden de om-
standers. — Hij heeft den verscheurenden tijger van de Zoutrivier
overwonnen! Hoera!
—  Ja, ja, dat heeft hij inderdaad! — zeide Ralph, die lang-
zamerhand zijn bezinning terugkreeg en den bloedigen Nathan zijn
hand toestak. — Ziedaar, geef me een poot! — riep hij hem toe.
— Ik wil eerlijk bekennen dat ik mijn bekomst heb en niets meer
verlang! Maar jammer is het, rittt zoo\'n sterke kerel, de sterkste
misschien van heel Kentucky, niet tegen de huilende Indiaansche
schurken wil vechten. Wat mij betreft, ik meen dat een ieder,
die gezonde ledematen heeft, moet strijden voor zijn vaderland,
-ocr page 26-
2$                                            „ZWERVENDE NATHAN."
en hij, die dat niet doet, is en blijft in mijn oogen een nutteloos man.
Na deze woorden wendde Ralph zich tot den overste. —■ Waar
is het paard, dat u mij beloofd heeft, overste Bruce? Ik ben een
overwonnen strijder en mag niet langer hier vertoeven. Geef mij
dus een paard, en ik geef u mijn woord van eer dat ik het u terug
zal zenden.
—  Goed, een paard zult ge hebben, al ben ik ook niet van
zins om huizen op uw eerewoord te bouwen. Ik weet echter iets
waarop ik mij meer kan verlaten. Ge zult een paard hebben,
maar de hemel zij u genadig, indien ge er verder mee rijdt dan
tot Logan. Laat ge het daar niet achter, dan geef ik u mijn eere-
woord dat ge op een van mijn paarden nooit meer rijden zult.
Laat u dit gezegd zijn en denk dan eens goed aan rechter
Lynch, (\'t
Na deze woorden begaf zich de overste, zonder verder een
antwoord van den beruchten paardendief af te wachten, naar Na-
than, die ter zijde op een boomstomp had plaats genomen. Zn\'n
klein hondje zat voor hem, zijn geweer lag onverschillig in zijn
arm, en in deze houding verdroeg hij geduldig de spotternijen
waarmede de jonge mannen, nadat de eerste indruk van de zoo
onverwacht verworven zegepraal voorbij was, hem overlaadden.
Eerst toen de bevelhebber van het Station naderde, hielden de
kwinkslagen cp en het oogenblik van rust, dat hierdoor voor Na-
than ontstond, gebruikte deze om eenige woorden te richten tot
zijn klein hondje, dat met zijn buitengewoon slimme oogen naar
hem opzag.
—   Nu, Peter, — vroeg hij zuchtend, — wat zeg je van al die
mooie dingen?
De hond wreef, alsof hij zijn meester had verstaan, met den
neus langs den rug van diens hand en liep vervolgens snel een paar
stappen vooruit, daarmee te kennen willende geven, dat het \'t beste
zijn zou zich zoo spoedig mogelijk uit het ongastvrij gezelschap te
verwijderen.
—    Ja, ja, Peter, — zei Nathan, terwijl hij met het hoofd
knikte, — ja, ja, we moeten weg, hoe eerder, hoe beter, want hier
is niemand die ons welkom heet. Maar eerst moeten wij kruit
en lood hebben, Peter, en dien armen lieden hier vertellen wat w ij
weten, w ij alleen.
(*) Bestraffing door het volk.
-ocr page 27-
„ZWERVENDE NATHAN."                                           29
—  Nathan, sprak de overste, die op dit oogenblik was aan-
gekomen en den kwaker in zijn onderhoud stoorde, — spreek, wat
nieuws is het, dat ge ons, armen lieden, hebt mede te deelen?
Vertel het mij dan toch liever, dwaze kerel, dan aan uw hond,
die u toch niet verstaat. Hebt ge misschien ergens in Kentucky den
Dshibbenönoseh of zijn merkteeken gezien ?
—   Dat niet, — antwoordde Nathan, — doch men spreekt van
een groote oproeping in de Indianen-landen. Die booze menschen
willen Kentucky binnenvallen, met zulk een groot leger als men te
voren nog nooit heeft gezien.
—  Laat ze maar aanrukken! — antwoordde overste Bruce met
een minachtenden glimlach. — Als ze tot ons komen, behoeven wij
ze niet in hun dorpen op te zoeken.
—  Misschien z ij n ze reeds naby — meende de bloedige
Nathan. — Want de gevangene, die hun met veel moeite is ontsnapt,
zeide dat zij twee dagen zouden marcheeren, zonder ook maar een
oogenblik uit te rusten.
—  En van wien hebt ge al dat nieuws? — vroeg de overste.
—  Van den ontvluchte zelf, die het mij aan de Kentucky-
rivier mededeelde. Hij heeft de kolonisten te Lexington gewaar-
schuwd en.. .
—  Dwaasheid! — riep de overste. — Kapitein Ralph heeft
ons reeds hetzelfde verteld en tegelijkertijd de opmerking er bij
gevoegd, dat te Lexington geen mensch aan dat dwaze sprookje
geloof sloeg.
—  Nu, dan zou het kunnen zijn, dat vriend Ralph zich heeft
vergist, — sprak Nathan deemoedig, — want ik zeg u als waarheid
dat men door geheel Kentucky de sporen van Indianen heeft ont-
dekt. En nu, overste Bruce, indien ge zoo goed mocht willen zijn
mij wat kruit en lood, in ruil voor mijne vellen, te geven,zal ik mijn
reis vervolgen en u niet verder lastig vallen.
—  Het is zonde en schande, dat men kruit en lood moet ver-
spillen aan een man, die er niets anders mee doen kan dan schuch-
tere reeën en herten dooden, — zei de overste verachtelijk. — Maar
niemand zal door mij benadeeld worden, al ware hij ook tienmaal een
kwaker. Tom, ga met dien man naar de voorraadschuurengeefhem
voor zijn rommel zooveel als die waard is.
De jonge man verwn\'derde zich met den kwaker, die in een
deemoedige houding volgde, en onmiddellijk daarop verscheen Telie
Doe, om de mannen uit te noodigen het avondeten te gebruiken,
dat inmiddels in gereedheid was gebracht. Zij gaven aan de
-ocr page 28-
::o
DE PAARDENDIEF.
welkome uitnoodiging gehoor, en aan den arm van den overste
Bruce keerde kapitein Forrester in het huis terug, zonder zich
verder te bekommeren om den brullenden Ralph en den zwer-
venden Nathan.
- ---■•>\' « ■>
III.
DE PAARDENDIEF.
12/dith had zich naar het haar aangewezen slaapvertrek
begeven en was juist voornemens haar legerstede op te zoeken,
die haar, na de vermoeienissen der reis, dubbel welkom moest zijn,
toen van buiten zacht aan de deur werd geklopt en Telie Doe de
kamer binnentrad.
—  Wat verlangt ge, meisje? — vroeg Edith, die het volstrekt
niet aangenaam vond thans te worden gestoord. — Ik ben zeer
vermoeid en slaperig.
Telie zag verlegen en angstig om zich heen, en het scheen
dat zij naar woorden zocht om uit te spreken wat er in haar
binnenste omging. — Ik zal u niet lang lastig vallen, — zeide zij
eindelijk; — maar___
—  Nu, waarom durft geniet spreken?— vroeg Edith vriendelijk.
Telie trad nu nader en zeide, al haar moed verzamelend,
— Lady, als ge er niet boos om zijt, zou ik u gaarne willen
verzoeken mij als uw dienstbode aan te nemen, Ik weet dat u
een voorname jonge dame zijt en gewoon bediend te worden.
Neem mij daarom mede naar de. bosschen, waarin ik zoo goed
bekend ben, en ik zal een trouwe en zorgvuldige dienares voor u zijn.
—  Dat kan nooit gebeuren, — antwoordde Edith verrast, —dat
zal uwe moeder nooit willen toestaan.
—   Mijne moeder? — antwoordde Telie treurig, — helaas, ik
heb geen moeder en geen bloedverwanten meer.
-ocr page 29-
31
DE PAAKDENDIEF.
—  Hoe? Is de overste Bruce dan uw vader niet?
—  Neen... mijn vader is . . Indiaan geworden.
Deze woorden werden door Telie uitgesproken op een toon
die getuigde van de diepste smart, en Edith kon het haar aanzien,
hoezeer zfj er onder leed, dat haar vader zoo geheel en al zijne
opvoeding en kleur vergeten en zijne dochter hulpeloos had kunnen
achterlaten. Zij stak der arme Telie dan ook medelijdend de hand
toe, welke deze terstond met kussen bedekte.
—   Ja, ja — zei Telie, — wat ik u heb gezegd is de waarheid
en u ziet dus dat ik mij niet behoef te schamen, om dienstbode te
worden. Laat mij dus met u gaan en u dienen, Mylady. O zeker,
zeker, ik zal dit beter kunnen dan u vermoedt.
Zij sprak deze laatste woorden met zooveel innigheid, dat het
Edith zwaar begon te vallen, haar bede af te wijzen. — Arm
kind, — zeide zij, — ik zal mij moeten gewennen om zonder
oppassing en bediening rond te komen. Ik, die zelf een tehuis zoek,
kan er u geen geven.
Telie schudde het hoofd. — Dat alles heb ik reeds gehoord, zeide
zij, — maar bedenk, dat ik het leven in de wouden gewoon ben
en voor u zorgen kan, totdat er een huis is gebouwd. Ik kan en
wil voor u werken, en eerst dan, wanneer ge de moeielijkheden en
bezwaren van het leven in het eenzame woud bij ervaring kent, zult
ge mijne diensten en mijne trouw naar waarde weten te schatten.
Edith gaf zich alle moeite om het meisje van haar voor-
nemen af te brengen, en herinnerde haar hoe ondankbaar het
zou zijn, indien ze haar goedhartigen weldoener zonder reden ging
verlaten.
—   O, ik heb daarvoor redenen genoeg, — zeide Telie. — Ik
handel verkeerd, indien ik nog langer blijf ten laste van hem, die
toch zelf reeds zooveel kinderen heeft te onderhouden. En dan ...
mijn vader? Ach! Lady, hier spreekt men slechts met verachting
van hem, en alle menschen haten hem, ofschoon hij toch niemand
eenig leed heeft gedaan. Maar het wordt als een te groote
schande beschouwd, indien men zich bij de Indianen aansluit, en
nu laat men mij boeten voor hetgeen mijn vader heeft misdreven.
Ach, misschien weet men, dieper de bosschen in, niets van Abel
Doe, en dan zal ook niemand mij met verachting noemen: de dochter
van den blanken Indiaan.
               —
—   Dat alles is wérkelijk niets dan ingebeelde smart, Telie,
— hernam Edith. — Hier zijt ge gelukkiger dan ge ooit
bij mij, onder vreemden, zoudt kunnen zijn.
-ocr page 30-
•S-2
DE PAARDEN DIEF.
Telie wrong in bittere smart de handen. — Neem mij met u,
— smeekte zij dringend — zooal niet om mijnent- dan om uwentwil.
Waarlijk, het zou in alle opzichten goed voor u zijn, indien Telie
Doe in de bosschen bij u was.
—   Het kan niet gebeuren, — antwoordde Edith vriendelijk,
maar zoo beslist, dat het biddende meisje elke hoop op de verwezen-
lijking harer wenschen werd ontnomen. Toch deed zij nog een
laatste poging om het hart van Edith te vermurwen, en bad haar
met zulk een hartstochtelijken en teederen ernst, dat het Edith
moeite kostte aan haar blikken, smeekingen en tranen weerstand
te bieden. Nochtans bleef zij standvastig, en toen nu Telie bemerkte
dat haar beden tevergeefs waren, richtte zij zich op uit de smeekende
houding, waarin zij voor Edith was neergezonken en verliet
met een uitdrukking der diepste neerslachtigheid het vertrek. Edith,
die met het arme meisje innig medelijden had, stond op het punt
haar terug te roepen, maar zij gaf nog op het juiste oogenblik
gehoor aan de stem van het verstand, dat haar zeggen moest,
dat het in de bekrompen omstandigheden waarin zij thans verkeerde,
een niet te rechtvaardigen dwaasheid zou zijn, indien zij haar
broeder, behalve zich zelf, nog een tweeden last op de schouders ging
laden. Zij legde zich derhalve ter ruste en was spoedig ingesluimerd.
Inmiddels had ook Roland zijn slaapstede opgezocht. Hij deelde
zijn nachtverblijf met dat van de familie, die, wegens de beperkte
ruimte, den nacht in de open galerij moest doorbrengen. In zijn
mantel gehuld en met zijn zadel als hoofdkussen, sliep hij weldra
in, droomend van gelukkiger dagen dan die hem in de naaste
toekomst zouden beschoren zijn. Plotseling, hot uur van middernacht
moest reeds voorbij zijn, richtte hij zich op zijn harde legerstede
overeind, want het was alsof hij een zachte stem had gehoord,
die hem toefluisterde: — Ga door het onderste wad van den stroom)
hooger op dreigt\' gevaar.
Hij zag om zich heen, maar ontdekte niemand. Ook hoorde hij
niets dan de diepe en regelmatige ademhaling der rond hem slui-
merende mannen.
—   Wie sprak daar? — vroeg hij zacht, maar er volgde geen
antwoord. — Zonderling! — mompelde hij bij zich zei ven. — Stroom,
wad, gevaar — ik zou er op hebben durven zweren, dat iemand
tegen mij gesproken had, en toch moet ik het slechts hebben gedroomd.
Nadat hij nog een korte poos had geluisterd, zonder iets bij-
zonders te vernemen, legde hij zich andermaal neder, en was na
eenige minuten opnieuw ingesluimerd. Hij sliep rustig door, totdat
-ocr page 31-
88
DE PAARDENDIEF.
de oostelijke hemel door de opkomende zon met een diep purperen
gloed werd gekleurd. Hij sloeg de oogen op, en het geruisen van
gedempte stemmen, vermengd met het geluid van voetstappen, kon-
digde hem aan, dat het meerendeel van hen, die tot zijn reisgezel-
schap behoorden, zich reeds gereed maakte om op te breken Op
hetzelfde oogenblik weerklonken ook de schreden van den Stations
kommandant, die den kapitein met een ruwe stem goeden morgen
wenschte en daarna, met het rood van den toorn en der ergernis op
zijn breed gefronst voorhoofd, hem naderde.
—  "Wat is er? — vroeg Roland, — is er iets gebeurd?
—  Meer dan u lief zal zijn, waarde vriend, — antwoordde de
overste met donderende stem, om den toorn, die hem vervulde, op
die wrjze eenige afleiding te verschaffen.
—  Er is een zwarte wolf te midden der kudde gebroken, of om
het duidelijker te zeggen: die spitsboef van een Ralph Stackpole
heeft heden nacht uw Br\'areus gestolen.
—  Gestolen? — riep de kapitein, door dit nieuws op het on-
aangenaamst verrast.
—  Ja, bij alle duivels, gestolen\' — herhaalde de overste woe-
dend, — en dat terwijl wij allen, vermoeid, in den diepsten slaap
lagen, en niettegenstaande ik den dief, om van hem af te komen,
een mijner eigen paarden gaf. De schurk reed gisteravond op het
bepaalde oogenblik heen, maar slechts om ons gerust te stellen en
te misleiden, want hij wist zeer goed, dat wij een oog in het zeil
zouden hebben gehouden, indien wij hadden kunnen vermoeden, dat
hy in de nabijheid was gebleven. Daarom legde hij zich op eenigen
afstand van hier in hinderlaag, keerde gedurende den nacht terug,
stopte mijn paard weer onder de overige, nam het beste ervan,
uw bruine, kapitein, en koos daarmede het hazenpad zoo snel als
hij kon.
—  Wij moeten den vlegel terstond nazetten, als het mogelijk
is! — riep Roland toornig uit. — Laat ons geen oogenblik talmen,
waarde vriend.
—  Er is reeds voor gezorgd, kapitein! Nauwelijks twintig
minuten, nadat de diefstal was ontdekt, maakten Tom en nog
een twaalftal anderen zich op, om het spoor van den schavuit
te volgen.
—  Hartelijk dank, overste! _En meent u dat ze het paard
terug zullen krijgen?
—  Ongetwijfeld, indien ten minste frissche beenen harder
kunnen loopen dan vermoeide. Intusschen heeft die dwaze dief zich
-ocr page 32-
34:                                                  DE PAARDENDIEF.
niet met uw Briareus tevreden gesteld, maar ook een jong, tweejarig
paard gestolen, dat echter zijn ongeluk zal zijn. Het dier is schuw
en wild, en hij zal er niet snel genoeg mede vooruit kunnen komen.
Wat het terugkrijgen betreft, daaromtrent kunt ge gerust wezen! Ik
erger mij alleen over de onbeschaamdheid van den schurk, die, ter-
wijl hij onder mijn dak is, mijn gast zijn paard ontsteelt. Maar
het oogenblik van zijn straf is thans aangebroken. liet zou mij
verwonderen, indien hij het niet te kwaad krijgt met Rechter Lynch.
De kerel is weliswaar dapper tegenover de Indianen, en daarom
mag ik hem wel lijden en heb ik hem langen tijd onder mijne
bescherming genomen, maar de schobbejak is onverbeterlijk, en een
paardendief mag men niet langer dulden.
Hoezeer Roland ook het verlies van zijn edel ros betreurde,
zoo verdroot het hem nog meer, dat of de gezamenlijke landverhuizers
öf hij alleen zou moeten achterblijven, totdat het dier zou zijn terug-
gebracht. Wel bood zijn goedhartige gastheer hem een paard uit zijn
eigen stal, maar Roland gaf er, na kort beraad de voorkeur aan
den uitslag der vervolging af te wachten en inmiddels zijne
reisgezellen vooruit te laten gaan. De overste verzekerde hem,
dat hij op zijn weg door het woud geen gevaar te duchten had,
en daarenboven dacht Roland hen, die vooruit waren gereisd,
op zijn snelvoetigen klepper spoedig weder te kunnen inhalen. Hij
wilde wachten tot den middag en dan volgen. Dienovereenkomstig
trof hij zijne maatregelen. Zijn lastdieren werden onder het toe/.icht
van een der negers met de overigen vooruitgezonden, terwijl hij
beloofde hen in elk geval bij het benedenste wad te zullen inhalen.
Zoo aanvaardden de landverhuizers weder de reis, nadat zij hun gast-
heeren bedankt en hun aan de poort voor het laatst hartelijk de hand
hadden gedrukt. Weldra waren zij in de duisternis van het eeuwen-
oude woud verdwenen, en Roland vermoedde niet, dat hij zijne reis-
genooten zoo spoedig niet zou wederzien als hij had gehoopt.
Ongeveer een uur, nadat de reizigers vertrokken waren, betrok
de tot hiertoe heldere hemel, terwijl er enkele zware regenbuien
vielen, hetgeen Roland niet ongaarne zag, aangezien deze de druk.
kende hitte van den dag ecnigermate beloofden te temperen. Die buien
hielden met enkele tusschenpoozen aan tot negen uur, en Roland
besprak juist met den overste den vermoedelijken duur er van, toen
zich een luid gejuich van den kant van het dorp liet hooren en spoe-
dig daarna Tom Bruce verscheen, die zegevierend met den Briareus
van den kapitein kwam aanstappen.
— Daar hebt ge uw ros terug, vreemdeling, — zeide hij vroolijk
-ocr page 33-
DE PAARDENDIEF.                                                  35
tot den kapitein. — Het dier was te wild voor den brullenden Ralph,
want het wierp hem af, als ware hij een vlieg geweest. Gelukkig
is Briareus ons in handen gevallen, nog voordat het hem gelukte
het paard te temmen.
■— En hoe is het met dien spitsboef zelf afgeloopen? — vroeg
de Overste.
—  Dat weet ik waarlijk niet, vader, maar ik wil u gaarne
zeggen wat er mij van bekend is. Wij volgden het spoor van
den paardendief, door de bosschen, en bemerkten spoedig, dat hij
de dieren slechts met moeite vooruit kon brengen. Op zekere
plek was het duidelijk te zien, dat hij door den ongeduldigen
Briareus was afgeworpen, dien hij vervolgens op zijn klepper
scheen achtervolgd te hebben, totdat hij eindelijk tot de over-
tuiging was gekomen, dat het vergeefsche moeite was. Wij konden
zijn spoor, dat zeer duidelijk te herkennen was, gemakkelijk volgen,
en het meerendeel onzer bleef hem op de hielen zitten. Wij
echter, die de hoefsporen van Briareus tot gids namen,
vonden hem gelukkig op een uur afstands van het Station, waar
hij in een groene weide op zijn gemak bezig was zich te herstellen
van de vermoeienissen van den nacht. Wat Stackpolo betreft,
van hem geen spoor, maar — voegde de man er veelbeteekenend bij —
het valt nauwelijks te betwijfelen, of hij heeft met de lynch-mannen
op een geduchte wijze kennis gemaakt. Ook zullen wij spoedig een
en ander omtrent hem vernemen.
—  Wanneer hij in hunne handen is gevallen, — meende Over-
ste Bruce, — zal voortaan menig dappere omtrent zijn paarden
geruster kunnen zijn. Hoe men ook mot hem gehandeld hebbe,
de schelm heeft zijn lot ruimschoots verdiend, en daarom is hij niet
waard dat men hem betreurt.
Hierop wendde hij zich tot Roland, wenschtc hem geluk, dat
hij zijn voortreffelijk ros had teruggekregen, en bood hem zijn
geleide en dat der jongelieden aan, indien hij aan zijn voor-
nemen gevolg geven en de vooruitgezondenen nareizen wilde, om
hen op het bepaalde punt in te halen. Roland nam dit voorstel
met vreugde aan, maar het noodlot wilde, dat aan het vriendelijk
voornemen van den overste geen uitvoering zou worden gegeven
en de jonge kapitein zijn pelgrimstocht alleen moest aan-
vaarden.
Binnen weinige uren verdichtten de regenwolken zich tot een
donkere zwarte massa, die den ganschen hemel verduisterde, ter-
wijl vurige bliksemstralen flikkerden langs het uitspansel. Daarbij
Kapitein Roland.
                                                                3
-ocr page 34-
86
DE PAABDENDIEF.
volgden ratelende donderslagen elkaar met steeds korter tusschen-
poozen, en stak er een storm op, die de oudste boomen scheen te
zullen ontwortelen. Het onweder hield aan, tot ongeveer twee uur
in don namiddag, en het i preekt vanzelf, dat Roland met zijne
afreis zoo lang moest wachten, aangezien hij zijne zuster onmogelijk
kon blootstellen aan de woede der oproerige elementen. De overste
trachtte hem te overreden, nog den ecrstvolgenden nacht bij hem
te vertoeven, terwijl hij zijn jongen vriend er op wees, dat zijn
reisgezelschap eveneens door het weder moest verhinderd zijn de
reis voort te zetten, en dit zich nauwelijks op een afstand van vijf
uren van het Station kon bevinden, zoodat hij het den volgenden
morgen zonder moeite zou kunnen inhalen. Roland scheen volstrekt
niet ongenegen de vriendelijke raadgevingen van zijn gastheer op
te volgen.
Terwijl hij den toestand bij zich zelven overwoog, en met
vroolijken blik den eersten zonnestraal begroette, die helder en schit-
terend door de verspreide wolken brak, vernam hij aan de buiten-
zijde van het Station een woest en vreeselijk geschreeuw. Hij
snelde met den overste naar buiten, en ontwaarde een ruiter, van
onder tot boven met slijk bedekt, omringd door een troep
mannen, vrouwen en kinderen, wier ontsteld gelaat aantoonde, dat
hij de overbrenger van de een of andere slechte tijding moest zijn.
En dat was hij ook inderdaad, want toen de overste hem vroeg,
wat er aan de hand was, luidde het antwoord, dat duizenden India-
nen, Shawnees, Delawaren, Wyandots en andere stammen, uit het
Noorden, een inval hadden gedaan, een naburig Station belegerden
en waarschijnlijk reeds in dit oogenblik te Lexington bezig waren
met moorden en branden. — Wij hebben hulp noodig, Overste
Bruce, — eindigde hij geheel uitgeput — breng terstond al
uwe mannen onder de wapenen, want er dreigt gevaar, groot
gevaar.
— Waar is Richard? — riep de Overste met donderende stem,
terwijl hij naar zijn tweeden zoon omzag, die terstond kwam aan-
snellen. — Richard, bestijg onmiddellijk den langbeenigen, appel-
grauwen schimmel, en rijd, zoo snel als het paard loopen kan, naar
S\'-. Asaph. Zeg den kommandant van het Station wat gij hebt
gehoord en gezien, en deel hem mede, dat ik met al onze strijdbare
mannen aan de noordelijke grens van Kentucky zal zijn, nog voor-
dat hij zijn jas heeft dichtgeknoopt. Haast u, jongen, alsof uw leven
er mede gemoeid was. Rijd zoo snel als ge kunt, en gebruik de
sporen! Begrepen ?
-ocr page 35-
87
DE PAARDENDIEF.
De jonge man juichte als een jonge Indiaan en verloor geen
oogenblik om de bevelen zijns vaders ten uitvoer te brengen, want
hij verlangde vurig, in den strijd met de bloeddorstige wilden zijn
krachten te beproeven. Terwijl hij nu in vliegende vaart van daar
rende, deelde zijn vader met de gewone vastberadenheid zijn bevelen
uit tot het oproepen der gezamenlijke manschappen in den omtrek,
en liet hun aanzeggen, dat zij aan het eerste wad der Kentucky zich
met hem zouden vereenigen. Vonden zij hem daar niet, zoo moesten
zij hem slechts daarheen volgen waar zich de dichtste drommen der
Indianen bevonden.
— En nu, mannen, hoera! — riep hij tot allen, die hem
omringden; — waar zijn uw buksen en paarden, uw messen en
tomahawks? Waar is Jonas, de pijper? Hij blazeons denvroolijken
krijgsmarsch voor, en dan er op los, tegen de roodhuiden, die onze
moeders, onze vrouwen en onze kinderen bedreigen ! Wie niet bin-
nen den tijd van vijfentwintig minuten te paard zit, is nog grooter
schelm dan een roode Indiaan! Voorwaarts, mannen! Lang leve
Kentucky!
De geestdrift van den waardigen bevelhebber deelde zich
bliksemsnel mede aan de verzamelde strijders. Slechts weinige
«ogenblikken waren verloopen, en reeds dreunde het tot hiertoe.
zoo vreedzame kamp van het wapengedruisch, van hoefgetrappel
en krijgsgeschreeuw. Paarden werden gezadeld, buksen beproefd,
messen en sabels gewet, kortom, alles werd in het werk gesteld
om de bevelen van den dapperen Overste Bruce zoo spoedig mogelijk
op te volgen.
De tijding was natuurlijk niet onopgemerkt aan Roland For-
rester voorbijgegaan. Het kon hem, in de gegeven omstandigheden,
niet in de gedachte komen verdere aanspraken op het beloofde
geleide te doen gelden, en daarom zag hij in, dat het noodzakelijk
zou zijn zich op eigen kracht en slimheid te verlaten. Thans ge-
voelde hij er berouw over, niet om zijnentwil, maar om der wille
van Edith, dat hij zich van zijn reisgezelschap had gescheiden, en
<le zeer verklaarbare wensch dit laatste zoo spoedig mogelijk te
volgen, drong zich thans vanzelf aan hem op. Onder de bescher-
ming van den stoot, hoopte hij veiliger te reizen dan zonder eenig
geleide, terwijl het vermoeden, dat hij den steun er van noodig
kon .hebben, voor de hand lag7~aangezien de Indianen, volgens hun
gewone wijze van krijgvoeren, zich in kleine afdeelingen over het
land verspreiden en alle wegen en paden onveilig zouden maken.
Zoo deelde hij dan den Overste mede, dat hij zonder dralen wilde
-ocr page 36-
38
DE PAAEDENDIEF.
vertrekken, te meer daar de regen had opgehouden en de donkere
wolken zich hadden verdeeld.
—  Ge wilt ons dus verlaten? — vroeg de Overste. — Ik had
al gehoopt, dat ge met ons ten strijde trekken en den Indianen de
kracht van uwen arm zoudt laten gevoelen! Maar neen, het is beter
dat ge u bij uwe reisgenooten aansluit. Waarschuw hen voor het
gevaar, en indien zich moedige mannen onder hen bevinden, keer
dan met hen terug, en vecht met ons gezamenlijk tegen die spits-
boeven van Roodhuiden.
—  Ge kunt er zeker van zijn, dat ik hen niet zal tegenhouden,.
als zij aan den strrjd wenschen deel te nemen, — zeide Roland. —
En opdat wij des te eerder terug kunnen zijn, zal ik mij nu maar
terstond op weg begeven.
— Maar hoe is het met het geleide, dat wy u beloofden mede te
geven? — vroeg overste Bruce een weinig verlegen. — Ge ziet hoe
de zaken staan .....
—   Ik denk er natuurlijk niet aan u van uwe strijdkrachten
te berooven, — viel Roland hem in de rede. — Een enkele gids
is voldoende, en als gij dien missen kondt, zou het mij aange-
naam zijn.
—   Het is niet noodig, kapitein, waarlijk niet! — antwoordde
de Overste. — Den weg naar het bovenste wad kunt ge niet
missen.
—  Het bovenste wad ? — vroeg Roland, die zich plotseling
zijn gewaanden droom herinnerde. — Is er dan ook een be.
nedenste ?
—  Ja, maar daar kan men niet goed door, — antwoordde
Bruce. — Daarenboven schuwt men die plaats, sedert de Roodhuiden
den ouden John Ashburne daar hebben vermoord en elk lid van zijn
huisgezin scalpeerden. Het is een nare plek, te meer, omdat de geheele
streek tallooze gelegenheden aanbiedt voor een hinderlaag. Rijd
nu maar kalm voort, kapitein, en bekommer u niet om de richting.
Ongeveer anderhalf uur van hier gaat de weg, bij een door den
bliksem neergeslagen beuk, rechtsaf, en dan zijt ge nog ongeveer
twee uur van uwe reisgenooten verwijderd. Het pad is breed,,
en een gids zou slechts een volkomen onnoodige last voor
u zijn.
Omtrent het laatste punt was de jonge kapitein het echter met
zijn gastheer niet geheel eens, te meer, daar hij, met het oog op
zijne zuster, elke aanleiding om van den rechten weg af te dwalen,
moest vermijden. Op zijn herhaald verzoek, gaf de Overste dan ook
-ocr page 37-
39
DE PAARDENDIEF.
toe, en beval hij een zijner ondergeschikten den kapitein tot aan
het wad te vergezellen. De man gehoorzaamde, ofschoon met blijk-
baren tegenzin, en weinige minuten later was Roland met zijn
klein reisgezelschap in staat terstond op te breken. Het afscheid,
dat hij van den Overste en diens familie nam, was kort, want
niemand had tijd om veel woorden te verspillen. Overste Bruce
deed den vertrekkenden uitgeleide, tot buiten het paalwerk, schudde
daar den kapitein en Edith de hand, en beloofde hun zijn trouwe
en snelle hulp, indien hun onderweg het een of ander ongeval
mocht overkomen. Hierop nam hij afscheid, en broeder en zuster,
vergezeld van hun neger en den morrenden gids, draafden snel in
de richting der donkere schaduwen van het geheimzinnige en zwij-
gende woud.
IV.
DE GEHANGENE.
D e zon scheen helder aan den blauwen hemel; de toppen
der boomen ruischten op den adem der nu zachter waaiende winden,
en Roland, op wiens stemming het heldere weder niet zonder invloed
bleef, toonde zijne zuster een blij en zorgeloos gelaat. En toch heerschte
er in de omgeving der reizigers een plechtige stilte, wel geschikt
om tot ernstige gedachten te stemmen. Het eeuwenoude woud, welks
schaduwen hen omringden, had het eigenaardig grootsche en het
heilig donker, dat den wouden in het westen, ten gevolge van de
weelderige vruchtbaarheid van" den bodem, vooral in de nabijheid
van stroomen, zoo dikwerf eigen is. Eiken, olmen, beuken en
walnoteboomen verhieven hun zuilvormige en bemoste stammen
-ocr page 38-
40                                                    DE GEHANGENE.
en spreidden ver in het rond hun takken uit, waarboven zich een
baldakijn van het donkerste bladergroen welfde. Zoo volgde de eene
boom na den anderen, plechtige bogen en zuilengangen vormend,
waarin sedert eeuwen ternauwernood een zonnestraal had kunnen
doordringen. Hun wortels, vaak door het weelderig opgeschoten kreu-
pelhout en het riet, dat wonderbare en voor het meerendeel ondoor-
dringbare hagen vormde, verborgen, werden slechts hier en
daar, waar het woud grootere openingen vertoonde, afgewisseld door
omgevallen stammen en loten van kolossale slingerplanten, die,
evenals touwen, van de takken naar beneden hingen, terwijl hun
weelderige kruinen met het looverdak, waarlangs zij zich omhoog-
slingerden, overgingen in een donkere massa. Deze open plekken,
onoverzienbaar en toch tegelijkertijd beschaduwd en begrensd, werken
machtig op de verbeelding, wekken in de ziel een onbestemd gevoel
van eenzaamheid en verlatenheid, grooter, dan wanneer het gezicht
voortdurend door een dichten muur van ondoordringbaar bladergroen
wordt beperkt.
De weg waarlangs onze reizigers door de zwijgende wildernis
trokken, was een eenvoudig pad, waarvan de grenzen door sterren,
zoogenaamde bijlkerven, aan de boomen werden aangeduid. Op
die plaatsen waar zich dik riet en struikgewas bevond, was een
smalle weg gebaand, op sommige punten zoo nauw, dat twee rui-
ters er ternauwernood naast elkaar konden rijden.
Nochtans werd de reis door het kleine gezelschap spoedig en
in opgewekte stemming voortgezet, en eerst toen zij dieper het
woud binnendrongen, werd de snelheid door een menigte poelen
en moerassige plekken, ten gevolge van het onweder ontstaan, eeni-
germate vertraagd. Deze hindernissen boezemden kapitein Forrester
eenige bezorgdheid in, aangezien hij vreesde langer onderweg te
moeten blijven dan hij aanvankelijk had berekend. Daar hij
echter nog steeds de sporen waarnam van de op dienzelfden mor-
gen vooruitgezonden reisgenooten, trachtte hij het gevoel van on-
gerustheid, dat bij hem dreigde op te komen, te onderdrukken,
terwijl hy er vast op rekende, om, althans nog vóór het invallen
van den nacht, de doorwaadbare plaats, waarbij hij het gezelschap
hoopte gelegerd te vinden, te bereiken. Zijn gids echter boezemde
hem de meeste bezorgdheid in. Van den aanvang reed deze slechts
mopperend en verdrietig voort, zonder te letten\' op de pogingen,
die Roland aanwendde, om hem in een betere stemming te bren-
gen. De man toonde volstrekt geen lust, om een gesprek aan
te knoopen, en beantwoordde elke vraag, tot hem gericht, kortaf
-ocr page 39-
DE GEHANGENE.                                                   41
en op zulk een onaangenamen toon, dat hij bijna onbeschaamd werd.
De reizigers konden een afstand van ongeveer twee uur hebben
afgelegd, toen zij een moeras bereikten, dat breeder en dieper was
clan de andere. Roland, aangegrepen door een verklaarbare be-
zorgdheid voor zijne zuster, aarzelde een oogenblik, alvorens de
paarden voort te drijven, en dit korte oponthoud ontlokte den gids
een uitroep van misnoegen, die Roland, niet zonder reden, in ver-
legenheid bracht. Nochtans zweeg hij, totdat hij met behulp van
Kaiser, den ouden neger, Edith veilig over de gevaarlijke plek had
geholpen, en wendde zich toen tot den gids, die niet den minsten
lust had getoond, om bij dien overtocht behulpzaam te zijn.
—  Vriend, — zeide hij tot hem ■— ge hebt zeker niet veel
verkeerd in landen, waar voorkomendheid tegenover vreemden en
achting jegens vrouwen onder de gewone deugden worden geteld.
De man bleef het antwoord schuldig en wierp een toornigen
blik op Roland, gaf daarop zijn paard de sporen en runde ijlings
weg. Roland bleef echter steeds aan zijn zijde galoppeeren en maakte
er hem te recht een verwijt van, zich zoo volkomen onverschillig
tegenover hem, en vooral jegens zijne zuster, te betoonen. Een
tijdlang hoorde de man dat alles met een trotsch en hardnekkig
stilzwijgen aan, maar eindelijk scheen hij zich toch eenigermate
bewust te worden van het feit, dat hij verkeerd had gehandeld, en
zeide, nog wel steeds op een onaangenamen toon, maar toch vrien-
delijker dan te voren:
-— Vreemdeling, ik ben zoomin een hond als een Roodhuid of
een neger, al schijn ik wat ruw in mijn doen en laten. Daarom
wil ik die dame dan ook verzoeken mij te vergeven, indien mijne
houding haar mocht hebben beleedigd, en met deze verklaring, ge-
loof ik, dat ge tevreden kunt zijn. Ge hebt echter daar straks tot
mij eene vraag gericht, en ik meen derhalve het recht te hebben tot
eene wedervraag. Acht gij het v/ijs en verstandig, om op een tijd-
stip, waarop de Indianen in het land de vrouwen en kinderen van
uwen naaste vermoorden, waarop alle nederzettingen in rep en roer
zijn, een strijdbaren man uit te zenden, om voor wegwijzer te spelen
op een pad, dat een blinde, zonder te falen, zou kunnen vinden of
iemand om raad te vragen? Ziedaar mijne vraag... en ik verzoek
u mij, als man en als soldaat, daarop een rondborstig antwoord
te geven.
—   Mijn goede vriend, —>- antwoordde Roland, door de vraag
van den man niet weinig beleedigd en in verwarring gebracht, —
niemand kan beter weten dan gij, of wij op dezen weg een gids
-ocr page 40-
4:2
DE GEHANG EXE.
noodig hebben of niet, en gij zult derhalve uwe vraag zelf moeten
beantwoorden. Indien ge het niet onverantwoordelijk acht ons te
verlaten, ga dan in Gods naam! Bedenk echter wel of ge goed
handelt, indien ge een hulpeloos meisje —
De gids liet Roland niet uitspreken. — Daar is uw weg^. —
zeide hij snel, een pad zoo recht als er ooit tusschen noteboomen
heeft \'gelegen, en hier ligt het mijne, dat mij naar de vechtende In-
dianen voert. God behoede ui
Met dezen uitroep wendde hij zijn paard om, zwaaide met
een luLlen juichkreet zijn buks boven zijn hoofd, rende weg, en
was in een oogwenk achter de boomen verdwenen, voordat du
verbaasde Roland tijd had den verrader tot rede te brengen.
Men diende zich echter thans in zijn lot te schikken, en hoe
vertoornd Roland ook mocht zijn, zoo herkreeg hij toch zijne
kalmte, toen hij de onverstoorbare vroolijkhoid zijner zuster be-
merkte, die recht verblijd scheen dat de gids hen had verlaten. Ook
herinnerde hij zich nog nauwkeurig de aanwijzingen, hem door den
Overste gegeven, en hij vertrouwde zoo vast op deze kennis, dat hij
\'t bijna onmogelijk achtte op den weg naar het wad te kunnen verdwa-
len. In elk geval bleef hem niets over dan de reis zoo spoedig moge-
lijk te vervolgen, en, in plaats van zich aan nuttelooze overpeinzingen
over te geven, al zijne scherpzinnigheid aan te wenden, ten einde het
doel zonder ongevallen te bereiken. Zoo ging hij dan terstond weder
met zijne zuster en den neger, die de achterhoede vormden, op weg en
reed, bijna zonder ophouden, ongeveer een half uur voort, totdat
de neger plotseling met zijn paard naar voren sprong en hem
mededeelde, dat hij achter zich het getrappel van paardenhoeven
hoorde.
—  Ten slotte komt onze zuurkijkende gids nog terug, om zijne
onbeschaamdheid weder goed te maken, — zeide Edith.
—   Wij zullen het spoedig zien! — antwoordde Roland, terwijl
hij den teugel wendde, om een onderzoek in te stellen. Deze
moeite werd hem echter bespaard, want op hetzelfde oogenblik sprong
een paard om den hoek van het woud te voorschijn, en bemerkte Roland,
tot zijn verbazing, dat niet de ontsnapte gids, maar Telie Doe de
naderbij komende ruiter was. Zij had zich, wat haar kleediug
betrof, op een lange reis voorbereid, en haar glimlach bewees hoe
verheugd zij was het kleine reisgezelschap te hebben ingehaald.
—  Ik kom, om uwen ontrouwen reisgids te vervangen! — riep zij.
■— Het is niet goed, dat gij zonder gids blijft, en daarom ben ik op ■
weg gegaan om u mijne diensten aan te bieden.
-ocr page 41-
43
DE GEHANGENE.
—   En wist ge dan, dat de gids niet bij ons zou blijven ? —
vroeg Roland ernstig. — Hij moet u toch reeds op weg hierheen in
liet bosch hebben aangetroffen.
Telie bloosde en kon hare verwarring niet verbergen. — Ik
wil u de waarheid zeggen, — antwoordde zij. — Niet het toeval
maar een bepaald doel voert mij hierheen. Ik kende het onvriende-
lijk en onwelwillend karakter van den man, en vreesde dat gebeuren
zou wat thans inderdaad heeft plaats gevonden. Bovendien is de weg vol-
strekt niet zoo gemakkelijk te vinden als u schijnt te gelooven.
Meer dan eenmaal voert hij naar zoutlekken, terwijl de sporen
door den regen zoodanig zijn uitgewischt, dat slechts een nauw-
keurige kennis van het pad voor afdwalen kan behoeden.
—    Maar hoe zult gij, na ons op de plaats onzer bestem-
ming gebracht te hebben, naar uwe vrienden terugkeeren? —
vroeg Edith, bevreesd, dat Telie haar vroeger geopenbaard
voornemen ten uitvoer zou brengen en haar, tegen wil en
dank, als dienstbode wilde vergezellen, om haar niet weder te
verlaten.
Het antwoord van Telie maakte aan alle verdenking een einde.
■— Neem mij slechts mede tot Jackson\'s Station — zeide zij op
deemoedigen en smeekenden toon, — daar vind ik vrienden genoeg,
en misschien komen ook de mijnen om mij af te halen, zij brengen
dikwerf bezoeken aan de dichterbij gelegen Stations.
—   Welnu, geleid ons dan in Gods naam, — sprak Roland. —
Indien ge zoo zeker weet, dat ge weer thuis kunt komen, willen
wij u gaarne tot gezellin en gids aannemen. Maar nu ook spoedig
voorwaarts, want de tijd is kostbaar, en we hebben geen oogenblik
te verliezen.
Bij deze woorden galoppeerde Telie vroolijk vooruit, aan het
hoofd van het gezelschap, alsof zij genegen was, zonder dralen, het
ambt, dat zij vrijwillig had op zich genomen, te vervullen. Men
volgde haar in snellen draf, waardoor men spoedig den oever van
den stroom hoopte te bereiken.
Op die wijze konden zij opnieuw een half uur zijn voortgereden,
toen plotseling, door een open plek in het bosch, ter rechterzijde
in het kreupelhout, waar de weg, zooals Overste Bruce den
jongen kapitein had aangeduid, naar het bovenste wad leidde, een
door den bliksem half verpletterde beuk zichtbaar werd. Telie sloeg
echter een tegenovergestelde riehting in, hetgeen Roland aanleiding
gaf de teugels van zijn paard aan te trekken en het meisje op haar
dwaling opmerkzaam te maken.
-ocr page 42-
44                                                      DE GEHANGENE.
—   Gij vergist ui — riep hij uit.
—   Neen, neen, dit is het goede pad, — antwoordde Telie,
terwijl een donkerroode blos haar gelaat overtoog.
—  Dat kan niet, — zeide Roland. — Hier is de verpletterde
beuk, waarop Overste Bruce mij heeft opmerkzaam gemaakt.
—  Zeker, men noemt hem den wegwijzer.
—   En toch wijst ge ons den verkeerden weg, meisje. De
richting, door u ingeslagen, leidt naar het benedenste wad, en daar-
heen mogen wij u niet volgen. Ik herinner mij de aanwijzingen
van den Overste zeer nauwkeurig.
—   Zeer juist, Sir! Wij moeten den beukeboom rechts laten
liggen, en dan onzen weg tot aan het water vervolgen.
—   Juist omgekeerd. Wij moeten den beuk aan onze linker-
hand houden. Spreek waarheid, meisje!
—   Zeker, zeker, ik zal u den goeden wTeg wijzen, — sta-
melde ïelie.
Roland zag haar uitvorschend aan, dacht een oogenblik
na, en sloeg daarop de richting in, die hij als de eenig ware kende.
Edith en de neger volgden hem, maar Telie bleef besluiteloos on
weifelend achter.
—  "Waarom aarzelt ge? — riep Edith haar toe. — Kom spoe-
dig, ge hebt u ongetwijfeld vergist.
—  Ik heb mij niet vergist, — antwoordde het meisje met
plechtigcn ernst. — Het zal uw broeder ongetwijfeld berouwen, dat
hij mijne aanwijzing niet heeft opgevolgd.
—  Hoe dat ? — vroeg Edith. — Welke reden hebt gij om
dat te gelooven?
■— Ik... ik kan het niet zeggen, — antwoordde Telie verlegen
— maar de weg is dikwijls gevaarlijk.
—  Dat zijn hier meest alle wegen, — zei Edith een weinig
ongeduldig, toen zij bemerkte dat Telie geen andere reden voor hare
zienswijze kon of wilde opgeven. — Laat ons verder gaan, mijn
bloeder wacht, en wij mogen door noodeloos talmen geen tijd ver-
liezen.
Met deze woorden draafde zij weder voort, en Telie achtte
het, na eenig bedenken, geraden haar te volgen. Toch deed ze het
slechts aarzelend, terwijl haar geheele wezen zulk een angst en
vertwijfeling uitdrukte, dat het aan de opmerkzaamheid van niemand
hunner ontsnapte, vooral niet aan Edith, die meermalen naar het
treurige en schuchtere meisje omzag.
Zoo reed men zwijgend voort, totdat Edith plotseling haar
-ocr page 43-
DE GEHANGENE.                                                     
hand op Roland*s arm legde en met sidderende stem uitriep: — Om
Gods wil, broeder, wat is dat? Hoort ge niets?
Terstond hield Roland zijn paard in en luisterde.
—  Luister! — zeide zij, — daar hoor ik het weer! Een viee-
selijk geschreeuw, dat mij met ontzetting vervult.
—  Ja, ik ook hooren! — riep de oude Kaiser verschrikt. —
Ongetwijfeld Indianen zijn! Schreeuwen naar bloed!
Roland vernam duidelijk, uit het diepst van het bosch, aan
zijn rechterzijde, een geluid als het gillen van een mensch, dat
heel uit de verte kwam. De kreten herhaalden zich en klonken
wild en angstverwekkend door het stille woud, als zooveel uitingen
van doodsangst en vertwijfeling, die den dapperste zouden hebben
doen sidderen.
—   Dat is de Dshibbcnönoseh ! — fluisterde Telie met bevende
stem, •— in deze bosschen dwaalt hij het meest rond, en de men-
schen verhalen, dat hij op die wijze huilt, als hij zijn prooi vervolgt.
Laat ons omkeeren, bid ik u, nóg is het tijd.
—  Neen, neen, Indianen zijn! — zei de neger, die van angst
over zijn geheele lichaam rilde. — Maar niet bang zijn, Missis
Edith, de oude Kaiser voor u wil vechten en sterven.
—  Stilte 1 — beval Roland, toen zich juist weer een nieuwe,
lang aangehouden en gillende schreeuw deed hooren, die akelig dooi-
de wildernis klonk.
—■ Dat is het hulpgeroep van iemand, die in nood verkeert,
— zei thans Edith — het kan niet anders zijn.
—  Ge hebt gelijk, zuster, — bevestigde Roland. — Blijf hier op
den weg zoo lang achter, of neen, volg mij op eenigen afstand,
dan zal ik eens zien, wat er aan de hand is. Mocht mij iets over-
komen, dan hebt ge ten minste Telie, om u naar het Fort terug te
brengen.
Dit zeggende, gaf de moedige jonkman zijn paard de sporen
en stuurde het naar het kreupelhout, juist in de richting vanwaar
men de huiveringwekkende kreten had vernomen.
Na verloop van eenige minuten bevond hij zich in de nabijheid
van de plaats waar het zich opnieuw deed hooren, en thans stond
hij in een dichte beukenhaag, welker ineengestrengelde takken en
bladeren zulk een duistere schaduw verspreidden, dat men de wit-
achtige, zuilvormig omhoog strevende stammen ternauwernood kon
onderscheiden.
                            _,
Hoe dichter Roland het oord naderde, hoe vreeselijker het
wilde, als in doodsnood uitgebrachte gehuil, vermengd met gesteun,
-ocr page 44-
46
DE GEHANGENE.
korte gebeden, vloeken en half uitgesproken woorden, weerklonk,
nu een smeekgebed, dan weer bedreigingen en bevelen bevattend,
en, naar het scheen, gericht tot een tweeden persoon. Roland
luisterde eenige oogenblikken, in gespannen verwachting. Nu eens
meende hij gestuit te zijn op een troep wilden, die een ongc-
lukkigen gevangene aan den folterpaal pijnigden, en dan weder
meende hij het steunen te hooren van een jager, door eenig wild
dier, misschien een panter of een beer, wordende verscheurd. Om
aan die pijnlijke onzekerheid een einde te maken, stortte hij zich ein-
delijk, met gevelde buks en in gereedheid gebrachte pistolen, in het
kreupelhout, en ontwaarde een schouwspel, geheel verschillend
van wat hij had verwacht. Hij zag een man, in een verscheurd
linnen buis, te paard onder een reuschtigen beukeboom zitten,
«.•n die snerpende kroten, naar het scheen, slechts uitstootend tot
eigen vermaak. Een scherpe blik overtuigde echter den jeugdigen
krijgsman terzelfder tijd, dat de ongelukkige meer dan voldoende
reden had om die angstkreten te slaken. Hij bevond zich trouwens
in een toestand, vreoselijker dan alles wat Roland had gedacht
te zullen zien. Zijne armen waren op zijn rug gebonden, en om
zijn hals was een halster geslagen, waarvan de uiteinden aan een
sterken tak onmiddellijk boven zijn hoofd schenen bevestigd te
zijn. Dezen halster had men blijkbaar ontnomen aan zijn paard,
dat, vrij en los, zijn ruiter op den rug droeg, zoodat deze door niets
van den dood, door ophanging, kon gered worden, dan door het paard
dat hij bereed. Dit trouwens was een jong en schichtig dier, waar-
van de minste sprong den man tusschen hemel en aarde zou
hebben laten zweven en bengelen, in dien strop, terwijl hem
geen andere middelen ten dienste stonden, om het vast te hou-
den, dan de kracht zijner beenen en de indruk zijner stem.
De ongelukkige moest reeds lang in dien vreeselijken toestand
hebben verkeerd, want zijn kleeren en haren waren doornat van
den regen. Zijn donkerrood, blauwachtig gezicht, zijn dik gezwollen,
uitpuilende oogen, waaruit de vreeselijkste doodsangst sprak, toonden
reeds voldoende aan, hoe dikwerf de onrustige bewegingen van zijn
paard, dat hij met do kracht der vertwijfeling tusschen de knieën
hield geklemd, hem den dood nabij had gebracht.
Zoodra de man den kapitein bemerkte, maakte zijn wanhopig
geschreeuw aanstonds plaats voor een luid gejuich. — De Eeuwige zij
gedanktI — gilde hij — daar is hulp! Om der wille van den lieven
Heiland, snijd mij af, vreemdeling, snijd mij af!
Roland was terstond bereid hulp te bieden, en had reeds^
-ocr page 45-
47
DE GEHANGENE.
tot dat doel, zijn sabel uit de scheede getrokken, toen hij plotse-
ling de stem van den ongelukkigen herkende en den paardendief
Ralph Stackpole, den roover van zijn Briareus, voor zich zag.
Terstond begreep hij, dat de lynch-mannen den spitsboef gegrepen
en voor zijne misdaad hadden gestraft. De vervolgers hadden hem
ingehaald, de armen over elkaar gebonden, van den halster van het
gestolen paard een strik gemaakt, en hem daarna tusschen hemel en
aarde laten zweven, totdat het dier, onwillig zijn last langer te dra-
gen, aan het leven van den dief een einde zou hebben gemaakt.
Dit was de gewone straf, die de lynch-wet den on verbeter! ijken
paardendieven oplegde, en er was iets rechtvaardigs in die straf,
die het vonnis deed voltrekken door het gestolen paard zelf, dat
door den dief, uit zijn gewone weide en uit den stal van zijn recht-
matigen eigenaar, was ontvreemd.
Zoodra Roland bemerkte ten wiens behoeve hij de sabel had,
getrokken, veranderde zijn gemoedsstemming volkomen, zijn me-
delijden maakte voor een gevoel van onbarmhartigheid en ver-
achting plaats. Ook de neger, die den dief had herkend, riep
hem toe: — Goed zoo, massa kapitein! Hij stelen bruine Briary!
Hij hangen! Zal ik den renner eens een ttootje in zijn ribben ge-
ven? Ik zou hebben groot lust, hal
Dus sprekend, maakte hij zich dan ook reeds gereed het paard
van onder Ralph weg te jagen, toen hij in zijn voornemen word
gestuit door een wenk van zijn gebieder, die intusschen aanstalten
maakte om naar de van angst sidderende meisjes terug te keeren.
—  mmmmmQie3mm*Hm\\ nnnilmuUlBiL ge zult mij toch niet
in den steek laten? — schreeuwde Ralph met de kracht der wan-
hoop — dat zou toch al heel onchristelijk zijn! Er staat geschreven:.
Help hem, die hulp noodig heeft!
—  Maar dat geldt niet voor jou, schurk, en ik zal me dan
ook wel wachten je die hulp te verleenen, — antwoordde Roland
op ijskouden toon. — De wet heeft uitspraak over je gedaan, en ik
heb geen lust tusschenbeide te komen. Bovendien hebt ge mij zoo-
veel schade willen berokkenen, dat ik de laatste zijn zou om mede-
lijden met je te gevoelen.
—  Wmmmm*ÈUtim]\\mi umMmtQ ik verlang geen medelijden! —
schreeuwde Ralph woedend. — Ik wil geholpen worden! Snijd
me eerst los, en scheld me dan uit zooveel als ge verkiest. Ik
stal uw paard, goed! Maar wie heeft daardoor nadeel geleden?
U niet, want u heeft het beest teruggekregen! Maar mij, mij
heeft het beest van zijn rug geworpen en aan den rand van het
-ocr page 46-
48                                                    DE GEHANGENE.
verderf gebracht I Snijd me los, mensch, maar spoedig, anders komt
mijn bloed over u!
—  Help hem, om Gods wil, Roland — smeekte Edith, die in-
middels naderbij was gekomen. — Gij zult toch dien armen man
zulk een vrccselijken dood niet laten sterven?
Roland, die de bittere gevolgen van het verlies van zijn paard
zoo lang had moeten ondervinden, toonde zich volstrekt niet geneigd
aan het verzoek zijner zuster zoo aanstonds te voldoen. Zij hield
echter met smeeken aan, totdat hij eindelijk andermaal zijn sabel
trok en met één houw den halster doorsloeg, die om den hals van
Ralph Stackpole was geslagen.
—  En nu nog den riem, waarmede mijne handen gebonden zijn!
— juichte Stackpole. — Houw hem door, man! houw hem door! —
Een snede met de sabel bevrijdde ook de op zijn rug gebonden ar-
men, en nu volgde een uitbarsting van vreugde, zooals de oude bosschen
misschien nooit hadden vernomen. Ralph sprong, luid juichend,
op den grond en begon zijn verrassing op een even nieuwe als
onzinnige wijze te uiten. Eerst sloeg hij de armen om den hals
van het paard, dat hij met den vurigsten hartstocht op den bek
kuste, om het dier te danken voor de hem bewezen goedheid, die
hem het leven had gered. Daarop sprong hij ontelbare malen in de
hoogte, terwijl hij zich met allerlei komische gebaren den hals wreef,
en een krachtig, wijd in het rond schetterend gejuich uitstiet, als
wilde hij beproeven of zijn keel nog ongedeerd was gebleven;
eindelijk vroeg hij den kapitein, wanneer men hem had opgehangen
of liet gisteren, eergisteren of een jaar geleden "had plaats gehad,
braakte een menigte verwenschingen uit tegen zijn rechters, kraaide
daartusschen zijn kikeriki! en liep eindelijk op Edith aan, voor wie
hij zich op de knieën wierp.
—  Engelachtige dame! — riep hij uit, terwijl hij met geestdrift
den zoom kuste van haar kleed, — engel des hemels, met glans
omstraalde jonkvrouw, hier lig ik, Ralph Stackpole, de Alligator
van de Zoutrivier, die het tegen de geheele wereld opneemt, hier lig
ik aan uwe voeten, en ik zeg u, dat ik de man ben, om voor u
naar het andere einde der wereld te gaan, om voor u te vechten, te
sterven, te bedelen, te werken en paarden te stelen! Ja, de eeuwige
dood over mij, jonkvrouw, indien ik niet op ieder uur van den dag
met genoegen gereed zou willen staan, om door u gebraden en opge-
geten te worden! Ik ben een man, aan wien een weldaad niet
tevergeefs wordt bewezen, vooral, als ze mij van ophanging heeft
gered, en daarom wil ik voortaan uw slaaf zijn en u vol-
-ocr page 47-
4\'.i
DE GEHANGENE.
gen door geheel Kentucky, tot aan het andere eind der wereld!
. — Zwijg, ellendige schoft en hansworst! — zei Koland, zijn
hoogdravende toespraak afbrekend. — Daar is de weg, maak dat go
wegkomt!
—  Vreemdeling, — antwoordde Ralph op deze onvriendelijke woor-
den, — gij hebt den halster doorgesneden, en — ofschoon eerst na veel
bidden en smeeken van mij en deze engelachtige dame — mijn
armen vrijgemaakt. Daarom moogt ge mij beschimpen zooveel het u
goeddunkt, en ik zal het mij laten welgevallen, al zou de eeuwige
dood over mij komen. Voor het overige echter wijd ik mh\' aan
deze engel des hemels, en ik zal haar niet verlaten in dit uur,
waarin van alle kanten gevaren dreigen.
—  Gevaren? — vroeg Roland een weinig verrast, — hoe be-
doelt ge dat?
—  Vreemdeling, — antwoordde Ralph met een ernst, die een
zichtbaren indruk op alle toehoorders maakte, — vreemdeling.
ik heb met eigen oogen den Dshibbenönoseh gezien. Toen ik nog
daarginds aan den halster hing, schreeuwend, brullend en vloekend,
zag ik
        de eeuwige dood over mij! als het niet waar is — zijn
reusachtige gestalte door het bosch zweven, spookachtig, met zevenmijls-
laarzen, terwijl voor hem uit— het was juist daar bij dien omgeval-
len beuk — een beer liep, zoo schrikkelijk, als ik er nooit een zag.
—    Nu, en wat heeft dat met het gevaar te maken? —
vroeg Roland.
—  Wel... genoeg! — riep Stackpole, — want iedereen weet,
dat er Roodhuiden in het bosch loeren, waar de Dshibbenönoseh ver-
schijnt. En daarom raad ik u aan: rijd bliksemsnel met mij uit
het woud terug, in vollen galop, zonder een oogenblik stil te staan.
En als ik dan die dame niet uit het gevaar red, dan — de eeuwige
dood kome over mij! — zult ge dagen lang vangballetje met me
mogen spelen.
                          _
—  Neen, neen, ik wil, niets met u te maken hebben. —
antwoordde Roland met een verachtelijken blik. — Ga uws weegs
en rijd waarheen ge wilt; wij hebben kerels als gij bij ons gezel-
schap niet noodig.
—  Nu, maak u maar niet zoo driftig! — riep Stackpole ge-
ërgerd uit. — Om u bekommer ik mij geen zier! Maar gij, schoone
jonkvrouw, beslis gij wat met mij zal geschieden. Uw be,vel zal ik
volgen, eh als gij mij wenkt,^T;jd ik u na, zooals gezegd, tot aan
het eind der wereld, en ... zelfs daarbuiten.
—  Neen, neen, bekommer u niet over ons, — antwoordde
-ocr page 48-
50
VERDWAALD.
Edith, die insgelijks weinig lust toonde om met zoo\'n landlooper
samen te reizen. — Wij hebben uwe hulp niet noodig !
— Welnu, ontvang dan mijn hartelijken dank en vaart beiden
wel! — schreeuwde Ralph, terwijl hij zijn paard besteeg en weg-
rende. Binnen weinige minuten was hij in het dichte boscb verdwe-
nen, terwijl alles rondom zoo kalm was en stil, alsof nooit eenig
geluid de zwijgende wildernis had verstoord.
V.
VERDWAALD.
J. elie had den weggesnelden paardendief nageoogd en gezien,
dat hij den weg had ingeslagen naar het benedenste wad.
Zij maakte er Roland opmerkzaam op, en bezwoer hem nogmaals
om diezelfde richting te volgen, ten einde aan de blikken der in het
bosch loerende Roodhuiden te ontkomen. Maar Roland wilde ook nu
daarvan niet hooren.
— Waarom zouden wij gelooven, dat er Indianen in het woud
verborgen zijn ? — vroeg hy. — Omdat die half gekke kerel beweert
een spook in het bosch te hebben gezien I Neen, neen, goede Telie,
gij zult betere gronden moeten aanvoeren, voordat ge mij er toe
bewegen kunt den ingeslagen weg te verlaten. Ik geloof niet aan
uwen Dshibbenönoseh!
Zonder een antwoord van het meisje af te wachten, en vast
besloten zich niet langer te laten ophouden, sloeg de kapitein
den reeds vroeger ingeslagen weg weder in. Maar spoedig daarop
zou een nieuwe hindernis opnieuw een verandering in zijn voor-
nemen brengen.
Nauwelijks had hij het verlaten pad weer bereikt, of hij
bemerkte, aan de versche hoefsporen, dat een ruiter, komend uit
de richting van den stroom, dien hij wenschte te bereiken, hem moest
-ocr page 49-
öi
VERDWAALD.
zijn voorbijgesneld, terwijl hij zich, in het dichtst van het woud,
had beziggehouden met de bevrijding van den paardendief. Dit
was eene ontdekking, die hom eensdeels aangenaam, anderdeels
onaangenaam aandeel. Aangenaam was zij in zooverre, als zj hem
het bewijs scheen te leveren, dat de weg niet door de gevreesde
Shawnees werd onveilig gemaakt, terwijl zo hem aan den anderen
kant verdrietig stemde, als hij bedacht, dat hij een gunstige gelegen-
heid had laten voorbijgaan, om onderzoek te doen naar zijne reis-
genooten, die de ruiter ongetwijfeld moest hebben gezien en
gesproken. Zijn wrevel klom nog, toen hij aan den stand der zou
bemerkte, dat er met de bevrijding van Ralph veel tijd was ver-
loren gegaan, zoodat de dag reeds snel ten einde liep. Hij zette
zijn tochtgenooten derhalve tot nog grooter spoed aan, toen men
plotseling achter zich, op ecnigen afstand, een donderend geratel
vernam, alsof er vijf of zes geweren te gelijk werden afgeschoten.
Daarop volgde een luid geschreeuw, onmiddellijk daarop het
getrappel van paardenhoeven, en rende een ruiter in dolle
vaart op Eoland aan, die verbaasd en bezorgd zijn paard had inge-
houden. De vreemde had zijn hoed verloren, zijn haren fladderden
in den wind, terwijl geheel zijn uiterlijk den hoogsteu graad van
schrik en wanhoop uitdrukte. De man was goed gewapend,
hij had een lange buks, een hartsvanger en een woudlooporsbijl bij
zich. Hij zag, evenals iemand die door vijanden wordt achtervolgd,
dikwijls achter zich om, op den afgolegdcn weg, en scheen zoo verward
en beangst, dat hij het op weg zich bevindend gezelschap niet eerder
■bemerkte, zoodat hij, in hun onmiddellijke nabijheid gekomen, door
Roland aangeroepen werd. Toen trok hij de teugels aan, waardoor zijn
paard hoog steigerde, terwijl hij er nog tienmaal meer verschrikt
uitzag dan te voren.
—   Hondsvotten! — schreeuwde hij woedend, terwijl hij zijn
buks omkeerde, en, met liet wapen hoog opgeheven, op Roland los-
stormde, — wilt gij mij tot het uiterste brengen, dan zult ge toch
ook kennis maken met de kolf van mijn buks! Kom maar op, gif-
tig addergebroed!
—   Maar, man, ben je dol, dat je ons voor Indianen aanziet!"
— riep Roland hem toe.
—     Gerechte Hemel! zijt gij dan Christenmenschen ? —
hernam de vreemdeling, terwijl zijn vechtwoede plaats maakte
voor vroolijke verbazing. — Ja^. waarlijk, Christenmenschen, en een
van hen is een neger. U is kapitein Roland Forrester, ik heb
reeds van u gehoord. Goede Hemel I ik dacht dat er enkel Indianen
Kapitein Roland.                                                                   1
-ocr page 50-
52                                                       VERDWAALD.
in het woud waren, en ik zie nu, dat ik mij heb vergist.
Maar, kapitein, waarom blijft ge toch in \'s Hemels naam hier op
deze plek? Geef uw paard de sporen en spoed u voort, zoo hard
als de dieren kunnen loopen. Ze zitten me achterna, de schurken!
Ze zijn met hun zessen, noen, met hun vijven, want een van de
schelmen heb ik neergeschoten. Zij volgden mij van achteren en
plaatsten zich voor mij, op mijn weg, zoodat mij niets anders over-
schoot dan een dier ellendelingen naar de andere wereld te zenden.
Paf! daar lag hij.. en ik er van door!
—  Mensch! — riep de kapitein, — spreekt ge in ernst, zijn
er werkelijk Indianen op je hielen?
—  Zoo waar ik leef! ze zijn met hun vijven! — herhaalde de
vreemdeling. — Toen ik den ecnen neerschoot, lieve Hemel, toen
begonnen de anderen te schreeuwen, de geweren knetterden, en ik
dank God, er heclshuids te zijn afgekomen. Zij vervolgen me, en
als we nog een oogenbl\'k wachten, dan zijn de brullende duivels
hier. Maar waarheen in dit bosch? Achter ons de vijf, en vóór ons
het wad, waar de Indianen talrijk zijn als mieren!
—  Hoe, aan het wad? — vroeg Roland verschrikt. — Hebt ge
daar niet een troep landverhuizers aangetroffen?
■— Daar niet. Ik zag hen halfweg Jackson\'s Station door de
modder waden! Zij logen mij voor, met te zeggen, dat er geen
Indianen in het bosch waren, en nu, gerechte Hemel! wemelt het
er van.
—  Spreekt ge nu werkelijk waarheid? — vroeg Roland, die
nog steeds aan de uitspraak van den vreemdeling scheen te twijfelen.
—  Zeker, spreekt hij waarheid, — sprak thans Telie Doe, met
een beslistheid, die op elk ander oogenblik verwondering zou hebben
gewekt. — Wij mogen niet langer dralen, want elke minuut komen
die bloeddorstige schurken nader. Voort! voort! Het woud ligt voor
ons, ongetwijfeld is het benedenste wad nog vrij.
—  Indien ge ons daarheen kunt vergezellen, is nog niet alles
verloren, — zeide Roland snel. — Wees onze gids, meisje,
en haast u, want ik zie reeds, dat we vooruit noch achteruit
kunnen.
Deze haastig en met bezorgdheid uitgesproken woorden waren
voor Edith het bewijs, dat haar broeder hun toestand thans inder-
daad bedenkelijk begon te achten. En inderdaad, Roland sidderde
niet voor zich zelven, maar voor zijn zwakke gezellinnen, die niet
in staat waren, bij een aanval der onbarmhartige Indianen, ook maai-
den geringsten weerstand te bieden.
-ocr page 51-
53
VERDWAALD.
— Goed, ik zal u geleiden, — zeide Telie, — en naar ik hoop.
2al het u nooit berouwen, dat ge mij gevolgd zijt. Het zal den
Indianen zeker niet in de gedachte komen, ons aan het benedenste
wad op te wachten.
Terstond draafde zij het woud in, en spoedig was zij met
de anderen, waarbij zich ook de vreemdeling, Pardon Fertig genaamd,
had aangesloten, een goed eind van den tot hiertoe gevolgden weg
verwijderd.
Terwijl zij snel wegreden, verhaalde Pardon Fertig den kapitein
nogmaals zeer nauwkeurig en uitvoerig zijne ontmoeting met de
Indianen. Daarop deelde hij zijn avonturen en lotgevallen mede,
zeide, hoe hij aan don boven-Ohio handelszaken had gedreven, reeds
vroeger door de wilden bijna van zijn gansche have was beroofd,
terwijl hij het noodlot verwenschte, dat hem altijd weer met dat
bloeddorstig menschenras in aanraking bracht. Roland hoorde den
man niet zonder belangstelling aan, ofschoon hij, uit al wat hij
hoorde, de gevolgtrekking maakte, dat Pardon Fertig een buitenge-
wone vrees voor de Indianen koesterde, en er diensvolgens, bij een
ontmoeting met deze laatsten, weinig op zijn hulp te rekenen viel.
Inmiddels werd zijne aandacht weldra getrokken door Telie,
die, nadat zij tot hiertoe de reizigers met groote voorzichtigheid
had geleid, plotseling begon te aarzelen en zichtbare teekenen van
verlegenheid te geven.
Voor een dergelijke aarzeling bestonden clan ook inderdaad
redenen genoeg. De tot hiertoe breede en open plekken, waardoor
de reizigers gereden waren, werden steeds kleiner en vaker afge-
wisseld door struiken en bosschen. Het woud kreeg een steeds
duisterder en dreigender aanzien; de oppervlakte van den bodem
werd door steile hellingen en moerassige ravijnen doorsneden, waar-
door het moeielijk was een uitweg te vinden, terwijl het voortdurend
uitwijken, naar rechts of links, het buitengewoon moeilijk maakte
de richting te houden, die, naar het oordeel van Telie, moest worden
ingeslagen.
—  Meisje, — zei Roland tot haar, — zou het mogelijk zijn
dat ge den weg niet meer weet?
—  Ik ben geheel verward en verschrikt, — antwoordde Telie
ontsteld. — Wij hadden reeds lang het oude pad, dat ik zeer goed
ken, moeten bereiken, maar de moerassen en ravijnenc hebben mij
zoo het spoor bijster gemaakt, dat ik niet meer weet waar
wij zijn.
Dit antwoord vervulde /het hart van don jongen pionier met
-ocr page 52-
54
VERDWAALD.
de grootste bezorgdheid, daar hij vast op Telie\'s kennis van het
woud had gerekend. Nu echter werd het noodig, om zelf de leiding
op zich te nemen, hetgeen des te moeielijker was, omdat de zon
reeds- was ondergegaan en de dag met rassche schreden ten einde
liep. Zoo reed hij op goed geluk voorwaarts, hopende, dat het
instinct van zijn paard hem naar het wad zou leiden, waarvan
zij onmogelijk nog ver verwijderd konden zijn. Telie, die lang-
zamerhand van haar verwarring bekwam, reed een weinig vooruit,
terwijl zij vlijtig haar oogen gebruikte, in de hoop, dat
het een of ander oude spoor hen weder op het rechte pad zou terug-
brengen.
Terwijl zij zoo rondkeek en langzaam vooruitdraafJe, begon
haar klepper plotseling te snuiven, te steigeren en andere teekeneu
van schrik te geven. Telie zelf werd zeer ongerust en angstig:
zij reed naar het reisgezelschap terug, terwijl haar woeste blikken
het eene bosch na het andere doorzochten, als vreesde zij ieder
oogenblik een vijand te zien.
—  Wat is er gaande? — vroeg Roland, op haar toerijdende. —
Zijn wij dan in een betooverd woud, dat onze paarden schrikken
evenals wij zelf?
—  Ik vrees., dat er Indianen in de nabijheid zijn, — antwoordde
Telie met bevende stem.
—  Dwaasheid! — riep Roland, terwijl hij snel om zich
heenzag, en allerwegen niets ontwaarde dan een open bosch,
dat een loerenden vijand nergens eenige bescherming of schuil-
plaats scheen te verleenen. Maar plotseling greep Edith hem bij
den arm, terwijl haar gelaat de hevigste, ontsteltenis uitdrukte
en zij zoo verschrikt was, dat haar bevende lippen geen woord
konden uiten. Zij wees met den vinger naar een donker voor-
werp, en Roland kromp ineen, toen zijn oog viel op een Indiaan,
uitgestrekt onder een boom, half bedekt met eenige groene
twijgen, die een vreemde hand over hem moest hebben uitgespreid.
Want toen Roland hem aandachtiger beschouwde, zag hij, tot-
zijn groote verbazing, dat de Roodhuid had opgehouden te leven.
—  De slachter is ons reeds voor geweest! — riep hij uit.
— De man is dood en gescalpeerd.
Met deze woorden reed hij dichter bij den boom, dooi-
de overigen gevolgd. Huiverend beschouwden zij het lijk van een reus-
achtigen Indiaan, die met, het gezicht op de wortelen van den
boom lag, terwijl het bloed nog uit zijn verpletterden en gescal-
peerden schedel stroomde. De stukken van een geweer lagen
*
-ocr page 53-
VERDWAALD.                                                    * O 7
rondom hem op den bodem verspreid, en daarbij zag men
nog een gebroken kruithoorn, een versplinterd mes, den steel
van een tomahawk en eenige andere voorwerpen, door den onbeken-
den overwinnaar ongetwijfeld in stukken .geslagen. De gedoode
Indiaan scheen eerst, na hardnekkigen strijd, overwonnen te
zijn, want op de kampplaats was de boom omgewoeld en plat-
getrapt, terwijl zijne krampachtig den grond vasthoudende handen
rood waren van bloed, hetzij eigen of van zijn tegenstander.
Terwijl Roland het verschrikkelijk schouwspel met ontzetting
gadesloeg en peinsde over de wijze, waarop de ongelukkige aan
zijn einde mocht zijn gekomen, ontwaarde hij, met schrik, dat er
eensklaps een huivering door het oogenschijnlijk levenlooze lichaam
ging. De krampachtig gesloten handen openden zich, een zacht
gereutel werd hoorbaar, en plotseling richtte de Indiaan, steunend
op zijn arm, zich op, waarbij hij een verwrongen, met bloed "bedekt
gelaat vertoonde. Dit was de laatste beweging van den verslagene. Te
zwak om zich overeind te houden, viel hij achterover, wentelde
zich over den grond, en blies daarop, met een zucht, den laatsten
adem uit. Thans zagen de toeschouwers wat zij tot hiertoe niet
hadden kunnen zien: twee bloedige insnijdingen over de borst van
den doode, in den vorm van een kruis, en toen Roland onwille-
keurig ineenkromp van schrik, riep Telie vol ontzetting uit: —
Het teeken van den Dshibbenönoseh! De Woudnikker zwerft in het
bosch!
-------£~jcO -w: ^^^a.—
N
-ocr page 54-
YJ.
DE VERVOLGERS.
JSk.apitein Forrester was in den grond van zijn hart voor
niets zoo weinig vatbaar als voor een belachelijk bijgeloof, en wist
derhalve terstond zijn eerste opwelling van schrik, bij het zien van
het teeken van den Dshibbenönoseh, te onderdrukken. Hij sprong
van het paard, en het lijk van den Indiaan meer van nabij beschou-
wend, scheen het hem onbegrijpelijk, dat in zijn onmiddel-
lijke nabijheid een mensen kon gedood worden, zonder dat hij het
minste geluid van een gevecht had vernomen. Hij vond in den rechter-
schouder een kogelwond, maar deze was, volgens Indiaansen gebruik,
met bladeren en kruiden gevuld, terwijl het geheele voorkomen van
de wond bewees, dat de wilde deze in een vroegeren strijd moest
hebben ontvangen. Een slag met een bijl, tegen het achterhoofd, had
ongetwijfeld den dood ten gevolge gehad, en deze ontdekking maakte
het Roland duidelijk, dat de man, op zulk een geringen afstand van
zijn gezelschap, had kunnen worden omgebracht, zonder dat iemand
een schot had gehoord. Maar des te onverklaarbaarder scheen het
hem, dat een vijand zóo dicht in de nabijheid van den gesneuvelde
had kunnen komen, dat, om dezen te vermoorden, het gebruik van een
buks onnoodig was geweest. Immers hij had reeds zooveel gehoord
van de sluwheid en de waakzaamheid der Roodhuiden, dat hij zulk
een feit voor onmogelijk zou hebben gehouden, indien hij er niet voor
zijne oogen het bewijs van had gezien. Terwijl hij echter nog in
dit oogenschijnlijk onoplosbaar raadsel was verdiept, werd, door een
-ocr page 55-
59
DE VERVOLGERS.
uitroep van Telic, zijne aandacht onverwacht op een ander voorwerp
gevestigd. Met verbazing bemerkte hij, om zich heen, in de verte,
eene gestalte, die, bij de toenemende duisternis, zoo hoog en reus-
achtig scheen, dat men haar voor een bovennatuurlijk wezen had
kunnen houden. Zij liep met groote schreden door het woud, en
scheen met gebogen hoofd neer te zien op een kleiner voorwerp, dat
voor haar uitliep en haar vermoedelijk tot wegwijzer diende.
Aanvankelijk scheen het, dat het wonderbare wezen recht op
het gezelschap afkwam, maar weldra bemerkte Roland, dat het
links afsloeg en zich met snelle schreden van hen verwijderde, steeds
de gedaante volgend, die de reizigers zeer geneigd waren te houden
voor den beer, volgens de sage, de schreden van den Dshib-
benünoseh steeds vergezellend. Roland was echter niet geneigd het
spook zoo spoedig te laten verdwijnen. Hij sprong te paard on snelde
vooruit, terwijl hij met luider stem riep: — Hola! Vriend! Mensen
of Duivel, Dshibbenunoseh of woudlooper, houd stand en antwoord
mij!
Terwijl zijn tochtgenooten hem aarzelend volgden, bleef het
vermeende spook, op het geroep van den kapitein, plotseling staan
en keek in de hoogte. Toen ging het, zonder de minste neiging
tot verdwijnen of ontvluchten te toonen, met snelle schreden den
reizigers te gemoet, en allen herkenden, tot hun groote verrassing,
in den gevreesden woudgeest den., onschuldigen en vredelievenden
Xathan, wiens reuzengestalte, bij het naderbij komen, steeds meer
ineenkromp, terwijl ook zijn metgezel, de beer, veranderde in het
kleine zwarte hondje, dat op het Station door Ralph Stackpole zoo ruw
was behandeld.
De verrassing was zoo onverwacht, ,de veranlering van het
spook in don deemoedigen kwaker zoo komiek, dat Roland niet
kon nalaten even to lachen. Zijne vroolijkheid vond echter geen
weerklank bij den zwervenden Nathan. De oogen van dezen vestigden
zich eerst met verbazing op Edith en Telie, als verwonlerde hij
er zich over, dat iemand zóó waanzinnig zijn kon, om een meisje,
op zulk een tijd, in de wildernis te brengen; en terwijl hij zich ver-
volgens tot Roland wendde, zeide hij tot dezen, mot onheilspel-
lenden ernst:
—  Vriend, meent ge, met deze vrouwen, thuis in uw salon, te
zijn, dat ge zoo luid lacht? Weet ge niet, dat ge hier in het
woeste woud zijt van Kentucky, waar bloeddorstige Indianen van
alle kanten op u loeren ?
—  Dat wil ik niet ontkennen, man! — antwoordde Roland,
-ocr page 56-
(\\0
DE VERVOLGERS.
ernstiger wordend: — ik lachte dan ook alleen, omdat wij u, den
vreodzamen man, voor den bloedigen woudnikker hielden, en gij zult
zelf moeten erkennen, dat deze dwaling belachelijk genoeg is. Dat
er Indianen in het woud zijn, staat vast, want onze metgezel Par-
don Fertig, heeft er zes gezien, terwijl ik er zelf een dood onder
gimlschen boom heb gevonden, maar ik hoop, dat we hun gemakke-
lijk zullen ontkomen.
—  Dat is niet zoo gemakkelijk als gij denkt, vriend, antwoordde
Nathan, het hoofd schuddend. — Ge zult ongetwijfeld met hen te
doen krijgen.
—  Nu niet meer, hoop ik, daar gij ons toch zeker uit het woud
zult geleiden. Zeg mij slechts op welke hoogte ik mij bevind en
waarheen ik ga.
—  Dat is moeilijk te zeggen, — antwoordde Nathan ; — zoo ge
intusschen de tegenwoordige richting volgt, zult ge binnen twaalf
minuten aan het bovenste wad der rivier zijn, te midden van een op
den achtergrond loerende bende bloeddorstige Indianen.
—  Groote God! — riep Roland verschrikt uit — zoo hebben
we ons dan alleen moe gereden, om steeds dichter bij die keelaf-
snijders te komen. De Hemel zij gedankt, dat Hij ons u deed ont-
moeten. Geleid ons, bezweer ik u, naar het benedenste wad of terug
naar het Station, -of naar een andere plaats, waar die arme meisjes
ln veiligheid zijn. Ik begrijp, dat ik hen niet langer tot gids kan
verstrekken.
—   Waarlijk, — zeide Nathan, zichtbaar verlegen, — ik zou
gaarne voor u doen wat ik kan, maar........
—  Maar? — vroeg Roland geheel ontsteld. — Gij zult ons toch
niet in het gevaar laten omkomen, gij, die alleen hier raad verschaf-
fen en helpen kunt.
—  Vriend, — antwoordde Nathan, op deemoedigen en onder-
worpen toon, — ge weet, dat ik een man des vredes ben! Hoe
gemakkelijk kunnen wij Indianen tegenkomen, en dan zouden ze
mij even weinig ontzien als u, want zij dooden alles, onverschillig
of het strijdbaar is en wapenen draagt of niet. Geloof mij, ik sidder
voor mijzelf, ofschoon één man, alleen, hun steeds beter kan ont-
komen dan een geheel gezelschap als het uwe.
—  Mensch! — riep Roland uit, — indien ge werkelijk zulk
een laffe, lage schurk zijl, om arme hulpelooze vrouwen aan haar
lot over te laten, dan zweer ik u, dat uw eerste schrede ook uw
laatste zijn zal, dan jaag ik u een kogel door den kop, bij de eerste
beweging, die ge maakt om ons te verlaten.
-ocr page 57-
Cl
DE VERVOLGERS.
—  Inderdaad, — zei Nathan, bij het vernemen dezer dreigende
woorden, op zachten en kalmen toon, — ik had u niet voor zoo
goddeloos aangezien. Weet echter, dat het volstrekt mijn bedoeling
niet was u te verlaten. Mijn oogmerk is alleen, u mijne hulp te
weigeren, indien ge handgemeen mocht geraken, want gij weet, dat
wij Kwakers vreedzame geloovigen zijn, en niet mogen deelnemen
aan een gevecht. Wanneer nu echter de wilde, roode mannen komen,
zult ge tot mij zeggen: „Nathan, leg uw geweer aan en schiet!"
•en als ik dan antwoord: „Neen," dan zult ge mij beschimpen, even-
als nu, en mij een kogel door het hoofd willen jagen, evenals nu,
ofschoon ik een man des vredes ben. Indien ge derhalve....
—  Bekommer u daarover niet, vriend Nathan, — viel Roland
den Kwaker in de rede, — wij zullen eiken strijd pogen te
vermijden.
—  Dat zal niet van u afhangen, vriend, — want ge zijt door
Indianen omringd.
■— Welnu, goed, — zeide Roland, verbitterd door de lafheid
van dien man, — mocht een gevecht onvermijdelijk zijn, dan ver-
lang ik van u niets meer dan dat ge met de vrouwen vlucht, ter-
wijl wij met ons drieün, ik, Pardon Fertig en Kaiser, den terugtocht
dekken. Indien we dan al niet de zege behalen, zoo kunnen wij ten
minste vechten en sterven.
Deze koene woorden werden door de mannen met vreugde
vernomen. — Ja, massa! — schreeuwde de oude Kaiser, — ik met
vreugde sterven voor Missis en Massa!
Ook Pardon Fertig legde gelijkluidende verklaringen af omtrent
zijn goeden wil en heldenmoed, en toen Nathan die verzekeringen
hoorde, scheen zijn gelaat merkbaar op te helderen.
—  Ofschoon ik een man des vredes ben, — zeide hij, — wil
ik het toch niet afkeuren, indien zij, gehoor gevend aan de stem
van hun geweten, handelen als mannen des toorns en des krijgs.
Laat ons dan zien hoe wij er doorkomen, ofschoon ik in de onze-
kerheid verkeer omtrent hetgeen mij te doen staat, want overal,
v<Jor ons, achter ons en naast ons, wemelt het van Indianen. Inder-
daad, dat brengt mij zeer in verlegenheid.
Nathan verzonk in diep nadenken, schudde het hoofd, trom-
melde met de vingers op de schacht van zijn ruw bewerkt geweer,
en lette niet op Roland\'s woorden, die hem verzocht hem zoo snel
mogelijk naar het benedenste wad te geleiden, waar, naar alle waarschijn-
lijkheid, nog geen Indianen waren. Nathan sloeg, zooals gezegd, op
die woorden geen acht, maar wendde zich ten slotte tot zijn klein
-ocr page 58-
62                                                    DE VERVOLGERS.
hondje, dat hij op dezelfde wijze toesprak, alsof het een verstandig
schepsel was.
—  Peter, — zeide hij, — kleine Peter, ik weet geen raad! Wat
denkt gij er van?
—  Vriend Nathan! — riep Roland, — dat is geen zaak, die
mi n ter beslissing opdraagt aan een wezen zonder verstand.
—   En toch, — antwoordde Nathan, — is hier niemand, die
\'Mis beter raad zou kunnen geven dan kleine Peter! Of is er iemand
die het kan, dat hij spreke! Ge kent kleinen Peter niet, vriend,
anders zoudt ge hem niet met minachting bejegenen. Menigen
langen dag is hij mij door het woud gevolgd, en zeer dikwijls
heeft hij mij zelfs uit den grootsten nood geholpen, als nie-
mand, ook ik zelf, geen raad meer wist. Zie nu eens wat de
kleine hond doet. Hij loopt naar de sporen en kwispelt met zijn
staart, en waarlijk ik ben het geheel met hem eens.
—  En wiens sporen zijn dat? — vroeg Roland, terwijl hij
Nathan volgde op het pad, door dezen ingeslagen. Daar snuffelde
de kleine hond, hief den kop omhoog on kwispelde met zijn staart,
alsof hij de aandacht zijns meesters wilde trekken.
—  Wiens sporen, vraagt ge? — herhaalde Nathan, terwijl hij
eerst met verbazing en daarna met een mengeling van verachting en
medelijden Roland aanzag. — Waarlijk, vriend, ge hebt de Voorzie-
nigheid in verzoeking gebracht, toen ge het waagdet met arme.
hulpelooze vrouwen dit woud binnen te dringen. Kent ge dan de spo-
ren van uw eigen paarden niet, en hebt ge misschien ook deze voet-
stappen voorbijgezien ?
—  Ja, waarlijk, dat zijn de sporen van voetgangers, —
zeide Roland, — maar ik begrijp niet hoe ze daar zijn gekomen-!
—   Ik zie wel, vriend, — zeide Nathan, — dat ge in het
woud in liet geheel niet op uw plaats zijt. Zie eens, dit zijn
de voetstappen van vijf Indianen, die, op de teenen loopend, u reeds
langer dan een uur zijn gevolgd.
—  Afschuwelijk! — riep Roland, huiverend bij de gedachte aan
het gevaar, dat hem van zoo nabij had bedreigd.
—  Ja wel afschuwelijk, vriend! — herhaalde Nathan, — maar
ge zult toch een weinig meer achting gaan gevoelen voor klei-
nen Peter, indien ik u zeg, dat hij het was, die mij dit geheim open-
baarde, toen ik rustig in het woud het wild jaagde. Hij wees mij
de sporen van vijf rondsluipende personen, die zich door het bosch
bewogen, zooals de havik door de lucht vliegt, steeds in het rond,
in kringen, en hij toonde mij ook, dat vijf Shawnees, met kwade
-ocr page 59-
DE VERVOLGERS.                                                   68
bedoelingen, hun spoor volgen. Toen dacht ik: dien armen menschen
kan een ongeluk overkomen, en daarom begaf ik mij met
Peter op weg, om hen te zoeken. En voorwaar, vriend, dat
gij ons hier, midden in het woud, hebt gevonden, hebt ge slechts
te danken aan kleinen Peter, wien daarvoor alleen lof toe-
komt.
—  Indien dit alles.zoo is, zal ik nooit weer iets kwaads den-
ken van een hond, — zeide Roland. — Maar laten wij ons haasten.
Ik dacht aanvankelijk, dat de weg ons naar het wad leidde, maar
nu zie ik hoezeer ik heb gedwaald; wij moeten juist de tegenover-
gestelde richting inslaan.
—  Volstrekt niet, vriend, — zeide Nathan koelbloedig. —
Peter wil, dat wij denzelfden weg nog eenmaal afleggen, en ik bcn
het, in dit opzicht, volmaakt met hem eens. Wij moeten de vijf In-
dianen volgen, indien ons leven ons lief is.
—  Zijt ge van uw verstand beroofd, man? — riep Poland
uit. — Dat zou zijn de keelafsnijders regelrecht tegen het lijf
loopen. Neen, neen, laat ons daarheen vluchten waar het woud
open voor ons ligt.
—  En hoe lang denkt ge, vriend, dat het open zal blijven?
— vroeg Nathan. — Ik zeg u, dat ge van Indianen zijt om-
ringd. In het zuiden liggen zij aan het wad, in het westen
bruisen de golven van den diepen stroom, on ten oosten van
ons loopen de vijf loerende Shavvnees. Wij moeten trekken in de
richting van het noorden, vriend, achter die moordzicke schelmen
om. Dan kennen wij het gevaar, dat ons bedreigt, en kunnen het
ontwijken, terwijl wij ons blindelings er midden in storten, als wij
een andere richting inslaan.
—  Maar hoe zullen wij die vijf schurken ontwijken? — vroeg
Roland.
—  Eenvoudig door hen steeds vóór ons te houden, — ant-
woordde Nathan. — Wij volgen hen, totdat zij omkeeren; in her
gunstige geval, laten wij hen dan voorbijsluipen, waardoor wij hen
een eindweegs voorkomen, hetgeen ons zoo tamelijk tegen hun ver-
volgingen beveiligt.
—  Welnu, handel dan naar uw inzicht, het is misschien
het beste! — zeide Roland. — In het ergste geval, hebben wr
slechts met vijf tegenstanders te doen, en, als gij de meisjes
redt, dan zullen wij het met die andere schurken wel klaar
spelen.
—  Wees niet bezorgd, vriend! — zeide Nathan, — wij
/
-ocr page 60-
€4
DE VERVOLGERS.
zullen ons niet onverwacht tegenover de Indianen bevinden, daar
zal kleine Peter wel voor zorgen. Ge zult weldra zien, welk
een voortreffelijk vriend die kleine Peter is. Voor een vrede-
lievend mensen, als ik, is het zeer noodig een gids te hebben,
die mij waarschuwt, als wij in de nabijheid van gevaar ons
bevinden.
Na deze woorden te hebben gesproken, schaarde Nathan de
reizigers in een rij, beval hun hem in die orde te volgen, terwijl
hij met grooten ernst wees op de noodzakelijkheid, om het diepste
stilzwijgen te bewaren.
Daarop schreed hij stoutmoedig vooruit, op een afstand van
ongeveer tweehonderd pas van de overigen, hetgeen hij noodzakelijk
achtte, aangezien zijne metgezellen bereden waren.
— Zoodra ge ziet, dat ik mijn hand boven het hoofd zwaai,
— zeide hij tot Roland, toen hij hem zijne laatste bevelen deed
toekomen, — laat gij uw lieden terstond halt houden. Ziet ge, dat
ik mij op den grond werp, leid hen dan naar de eerste schuilplaats
de beste en houd u daar heel rustig, want dan kunt ge er zeker
op rekenen, dat er in de onmiddellijke nabijheid gevaar dreigt. Vrees
echter niet, want met behulp van kleinen Peter zullen wij alle moei-
lijkheden weten te overwinnen.
Ka deze troostvolle verzekering, schreed hij met het hondje
vooruit, totdat hij op zijn post was aangekomen, waar het dier
nog een veertig pas ongeveer verder liep, en stilstaande, de beve-
len van zijn meester afwachtte, die door een wenk met de hand
werden gegeven. Daarop zette de geheele stoet zich in be-
weging.
Indien Roland ver genoeg vooruit ware geweest, om den klei-
nen hond gade te slaan, zou hij het verstand van het schrandere dier
\'nebben bewonderd, dat met onfeilbare zekerheid de sporen volgde.
\'Zacht en zonder gedruisch, liep het voort, keek nu eens rechts,
dan links, snoof van tijd tot tijd, met den neus in de hoogte*
de lucht in, en gedroeg zich juist, alsof hij het gevaar kende
en wist, dat van zijn scherpzinnigheid alleen het wel en .wee
van zes menschen afhing. De afstand belette echter den jon-
gen kapitein dit alles te zien, en zoo moest hij zich tevreden
stellen met het oog de hooge gestalte te volgen van Nathan, die
met lichten en flinken tred, geheel verschillend van zijn gewonen
waggelenden gang, door de schaduwen der wouden, van heuvel tot
heuvel, voortliep. Juist naderde hij een lage, bijna geheel van boo-
men ontbloote hoogte, toen kleine Peter het eerste bewijs gaf van
-ocr page 61-
CC.
DE VERVOLGERS.
die scherpzinnigheid, waarin „zwervende Nathan" zulk een groot
vertrouwen stelde. Nauwelijks toch had de hond den top van den
heuvel bereikt, of hij stond plotseling stil, legde zich op den grond,
en gaf, door een zacht kwispelen met zijn staart, te kennen,
dat er Indianen in de nabijheid waren. Terstond daarop lag
hrj roerloos als een steen, terwijl niet de minste beweging van zijn
lichaam verried, dat er nog leven in hem was. Nathan maakte halt,
gaf het gezelschap het teeken om stil te houden, en sloop daarna,
met de grootste omzichtigheid, naar den top des heuvels. Nauwelijks
was hij daar aangekomen, of Roland zag, dat hij zich plotseling
op den grond liet vallen, waaruit hij bemerkte, dat in de onmiddel-
lijke nabijheid het grootste gevaar den reizigers dreigde.
Zonder dralen, deelde Roland nu de bevelen uit, die hem voor
dit geval waren gegeven. Snel zag hij om naar een geschikte schuil-
plaats, en leidde zijn metgezellen achter een dicht begroeid boschje,
waar hij hun gebood zich zoo stil te houden als mogelijk was. Van
den zoom kon hij hun gids bespieden, die nog steeds op den grond
bleef liggen, maar, evenals een slang, op den buik naar boven kroop,
totdat hij van den hoogsten top des heuvels, het in de laagte liggende
woud, kon zien.
In deze houding bleef Nathan verscheidene minuten liggen.
Roland volgde zijne bewegingen met de grootste aandacht, totdat
hij, zijn ongeduld niet langer kunnende bedwingen, zijn paard overgaf
aan den neger, ten einde zelf den heuvel te beklimmen en met
eigen oogen te zien welk gevaar hen dreigde. Hij gebruikte
daarbij dezelfde voorzorgsmaatregelen als Nathan, en wierp zich,
in de nabijheid van den heuvel gekomen, terstond op den grond. Op
die wijze kroop hij aan de zijde van Nathan voort, en nu ontdekte
hij de reden van het oponthoud.
Aan de overzijde van den heuvel was het woud over een
aanzienlijken afstand vrij van kreupelgewas, terwijl de boomen zoo
ver uiteen stonden, dat zij een ruim vergezicht gedoogden, door
de schaduwen van den invallenden nacht steeds meer en meer
beperkt. Aan den uitersten rand van den gezichtskring ontwaarde
Roland donkere en onbestemde schaduwen, die echter weldra een
menschelijke gedaante aannamen, achter elkaar in één linie voorttrok-
ken en met de geruischlooze en toch snelle schreden van wildo
katten, den heuvel naderden, op welks top de beide mannen lagen
uitgestrekt. Zij waren met hun vijven, en Roland kon in hen, zonder
moeite, Indianen herkennen.
— Het zijn Roodhuiden, — fluisterde hij Nathan toe.
/
-ocr page 62-
•05                                                   DE VERVOLGERS.
—  Ja, Shawnee-Indianen, — antwoordde deze, en voegde
er op kouden toon bij: — zij zullen de scalpen uwer vrouwen ne-
men en uw eigen scalp er bij, als wij geen middel vinden om hen
te misleiden.
In het oog van Roland flikkerde koene vastberadenheid en on-
willekeurig balden zijne vuisten zich als tot den strijd.
—  Man, — zeide hij, — het zijn er vijf, en wij kunnen hun
niet ontkomen, daar onze paarden te vermoeid zijn om een lange
on snelle vlucht mogelijk te maken.
—  Het is juist, zooals ge zegt, vriend, — bevestigde Nathan,
—   wij zullen niet in staat zijn, met die arme, verschrikte vrouwen
•aan die boosaardige duivels te ontsnappen.
—  En dat willen wij ook niet, — zeide Roland stoutweg
en vol moed. — Die kruipende schurken hebben ons nu reeds
uren achtervolgd, met het afschuwelijk doel, ons op een wreede
wijze van het leven te berooven, en ik ken slechts één middel
om hun oogmerk te verhinderen, namelijk: het recht van ver-
gelding op hen toe te passen.
—  Maar, vriend, — zeide Nathan op angstigen toon, —
zulk een middel bestaat er niet, tenzij wij ons in een gevecht met
hen wagen.
—  Ik dorst naar den strijd, — antwoordde Roland, — zij
zijn slechts met hun vijven, en allen te voet. Bij den Hemel,
man, wij moeten hun tegemoet gaan, hen aangrijpen, neervellen en
het woud van hun tegenwoordigheid bevrijden! Vier sterke mannen,
die daarenboven nog moeten strijden voor zwakke vrouwen : het moet
ons gelukken.
—   Vier? — herhaalde Nathan met zichtbare ontsteltenis.
—   Meent ge dan, vriend, dat ge m ij kunt bewegen den strijd
aan te binden ? Neen, vriend, waarlijk niet, ge moet niet vergeten,
dat ik een man des vredes ben.
—   Hoe? — sprak Roland met warmte — ge wilt uw-
leven tegen die schurken niet tot het uiterste verdedigen? Ge
wilt u, zonder weerstand te bieden, door een tomahawk laten ver-
pletteren, terwijl slechts een vingerdruk, aan den trekker van uw
geweer, noodig is om uw leven te redden?
—  Ik zou wel lust hebben om te vluchten, vriend, —
zei Nathan, — en, als dat niet gaat, vriend, dan zou ik
inderdaad niets beters weten te doen dan mij te laten ver-
moorden.
—   Maar, mensen! — zei Roland toornig, terwijl hij met
-ocr page 63-
67
DE VERVOLGERS.
een machtigen greep Nathan\'s arm vatte, — indien gij werkelijk
zoo laf en zoo waanzinnig zijt, om niet voor u zelven te vechten.
zoudt ge het dan ook niet willen doen, ter wille van een paar
hulpelooze meisjes? Bedenk eens: als gij eene vrouw, een kind
of eene moeder hadt, boven wier hoofd ge een tomahawk zaagt
zwaaien, zoudt ge dan kalm blijven staan en werkeloos aanzien.
dat ze vermoord werden? Ik herhaal: eene vrouw en een kind
— het kind naar uw hart — zoudt ge dat dan zoo maar laten
dooden?
Bij het vernemen van die hartstochtelijke en krachtige taal
van den jongen man, werd Nathan\'s bruin gelaat bleek als marmer,
terwijl zijn arm sidderde, onder den greep van den soldaat. Hij
zag hem aan, met een blik vol ontzettende woestheid, en mompelde
tusschen de tanden een antwoord, dat evenzeer getuigde van harts-
tocht, als van verwarring van zinnen.
—    Vriend, — zeide hij, — het gaat u niet aan wat ik
in zulk een geval zou doen of laten. Ik ben een man, evenals
gij, en heb een geweten evenals gij. Wilt ge vechten, vecht dan,
en verantwoord dat voor uw geweten. Wilt gij beletten, dat
uw zuster wordt vermoord, en gelooft ge een roeping tot vechten
te hebben, wélaan, doe met uw geweer, uw mes en tomahawk
wat ge kunt! Dood, vel neer en verwond naar welgevallen. Indien
uw geweten u daaromtrent geen verwijt doet, zal ik het ook
niet doen. Wat echter mij persoonlijk betreft, laat mij met vrede.
Ik heb vrouw noch kind, en als ge de geheele wereld door-
reisdet, zoudt ge nergens iemand vinden, die een boezemvriend of
len bloedverwant van mij is.
—■ Maar ik vraag u wat ge doen zoudt, indien ge vrouw en
kinderen hadt ? ....
•— Ik heb geen van beiden, — viel Nathan den jongen
krijgsman snel in de rede. — Waarom spreekt ge van hen,
vriend? Laat de dooden rusten, hun stem bereikt mijn oor niet
meer. Denk aan uw eigen bloed, en doe uw best om hen uit het ge-
vaar te redden.
—    Dat zou ik zeker doen, indien ik op uw krachtigen
bijstand rekenen kan, — antwoordde Roland. — Ik zeg u, man,
dat ik mijn bloed voel koken, als ik die voortsluipende schurken
zie en bedenk met welk doel zij ons op de hielen zitten. Ik zou er
een geheel jaar van mijn leven voor geven, indien ik hen misleiden
of mij op hen wreken kon.
—   Ge zult althans hun booze oogmerken verhinderen, indien
/
-ocr page 64-
GS                                                    DE VERVOLGERS.
ge vertrouwen kunt op de lieden, die bij u zijn, — zeide Nathan.
— Wij zullen ons ongetwijfeld moeten voorbereiden op een bloedige
ontmoeting, — voegde hij er bij, — want die boosaardige schurken
hebben het spoor verlaten en komen recht op ons aan.
—   Ze houden stand! — riep Roland snel, — ze zien in
het rond, — ze hebben het spoor verloren — en.... daar komen
ze aan! Nathan, indien ge niet vechten kunt, zoo zijt ge toch
in staat goeden raad te geven. Spreek derhalve, wat moet ik
doen ?
—    Vriend, — antwoordde Nathan op levendigen toon, —
ik ben niet in staat te zeggen wat ge moet doen; maar wat
een goddelooze, strijdlustige Kentuckyer, in dit geval, zou doen,,
zal ik u mededeelen. Hij zou terugsnellen naar het dichte bosch.
waarin hij zijne vrouwen verborgen heeft, en zich met zijn strijd-
makkers in hinderlaag leggen achter een boom. En als dan die kwaad-
gezinde Indianen dwaas genoeg waren, om naderbij te komen, zou
hij met zijn drie makkers op hen vuren, hun daardoor een heil-
zamen schrik aanjagen, misschien de grootste helft buiten gevecht
stellen, en dan ...
—    En dan? — viel\' Roland hem met vuur in rede, —
zou hij te paard springen en do rest met pistool en sabel
afmaken.
—    Neen, dat zou hij niet doen, met hot oog hierop, dat
hij een Indianen-kogel in zijn schedel zou krijgen, zoodra zijn
hoofd achter den boomstam te voorschijn kwam, — antwoordde
Nathan. — Neen, eèn Kentuckyer zou zijn pistolen nemen en,
evenals zijn geweren, op de Indianen afvuren, opdat de laatsten
zouden gelooven, dat er evenveel vijanden als schietwerktuigen
zijn. En als zij dan, na zulk een salvo, niet het hazenpad kozen,
zouden zij de dwaaste schelmen der wereld zijn.
—  Bij den Hemel! — riep Roland, — dat is een raad, dien ik
mij in de ooren knoopen zal.
—  Raad, vriend ? — zeide Nathan ontsteld, — ik raad u niets,
ik zeg alleen hoe in uwe plaats, een Kentuckyer zou handelen,
die het niet alleen geoorloofd, maar zelfs zijn plicht acht, dat
kruipend gebroed neer te schieten waar hij het aantreft.
—  Ach! had ik maar een van zulke mannen! — zuchtte
Roland, — maar wat baat het mij, of ik dit al wensch — ik moet
doen wat ik kan.
—  Welnu, — zeide Nathan, die met toenemend welgevallen
den strijdlust van den jongen krijgsman had opgemerkt, — gij
-ocr page 65-
69
DE VERVOLGERS.
hebt een geweten, evenals ik, en als ge, uit een goede hinderlaag,
met die Indianen vechten wilt, dan zal ik u niet berispen of aan-
sporen tot vredelievendheid. Indien ge u op de beide mannen,
uwe metgezellen, kunt verlaten, zijt ge in staat, dien Roodhuiden
het vuur dicht genoeg aan de schenen te leggen.
—  Ach! — zei Roland, — dat is juist het punt, waarop wij
zoo zwak zijn; ik vrees maar al te zeer, dat Pardon Fertig een oud
wijf is en de oude Kaiser niet veel meer. Zij zullen alleen dan
vechten, als de wanhoop hen er toe drijft.
—  Dan — zeidc Nathan geërgerd en met een barsche stem,
—   dan was het zeer dwaas van u, om met zulk een gezelschap
de bosschen in te gaan. Maar dat doet er niet toe! Ik zie, dat
ge hier even hulpeloos zijt als. een kind, en Peter en ik alles
voor u zullen moeten doen, wat wij kunnen. Het is een geluk,
dat ge ten minste vluchten kunt, nu het met vechten
toch niets zal geven, en om der wille van de arme vrouwen,
is het ten slotte toch maar beter, als ge de wouden in vrede
verlaat.
De Indianen, die door de beide mannen werden bespied, had-
den eindelijk het verloren spoor teruggevonden en elkaar hun ont-
dekking door teekens medegedeeld, zonder dat ook maar een enkele
eenig geluid had doen hooren. Thans kwamen zij opnieuw achter
elkaar aanloopen, maar zij richtten hun schreden naar een afgelegen
gedeelte van den heuvel, dat Roland en zijn tochtgenooten vroeger
hadden betredon.
Zoodra Nathan dit bemerkte, zei hij zacht: — Ga nu
naar beneden, naar de uwen en voer hen, zoodra ge mij ziet wen-
ken, stoutmoedig over den heuvel. Gehoorzaam snel, vriend,
opdat die boosaardige lieden u niet zien, want dat zou uw onder-
gang zijn.
Roland, die, in de gegeven omstandigheden, een gevecht met de
Indianen eenvoudig als een dwaasheid beschouwde, draalde geen oogen-
blik. Zoodra hij bij zijn reisgenooten kwam, bemerkte hij terstond,
dat hij zich, wat hun moed betrof, niet in de beide mannen had ver-
gist, want de neger, zoowel als Pardon Fertig, gaven de ondubbelzin-
nigste blijken van ontsteltenis en vrees.
—  Wij moeten vluchten, — zei Roland tot Edith, nadat
hij een blik vol verachting had geworpen op de beide mannen.
—    Nog slechts weinige oogenblikken geduld en een diep stilzwijgen
bewaard. Onze redding hangt aan een zijden draad.
Natuurlijk hielden allen zich doodstil, terwijl Roland, in bange
Kapitein Roland.
                                                             5
/
-ocr page 66-
70                                                   DE VERVOLGERS.
verwachting, het teeken van Nathan verbeidde. Eindelijk volgde
dit, en reeds, na eenige minuten, bevonden de reizigers zich, nadat
zij snel den heuvel waren overgereden, in het tegenoverliggende
woud, waar zij het aan hun vervolgers overlieten hen later na te-
zetten, indien zij het konden.
—  Thans, — zeide Nathan, terwijl hij op Roland toetrad, —
thans, vriend, hebben wij dat volkje achter ons, en wij zullen het daar
ook laten. Nu echter moet gij, indien de redding gelukken zal, uwe
paai\'den tot de uiterste krachtsinspanning aansporen, opdat wij het
wad bereiken, nog vóór het volkomen donker is. Luister, vriend f\'
Hoort ge ? — vroeg hij na een kort stilzwijgen, volgende op een
vreeselijk geschreeuw, dat aan gene zijde van het woud weerklonk. —
Zeidet gij niet, dat ge in het bosch een dooden Indiaan hadt
gevonden?
—  Ja zeker, wij vonden een vreeselijk gehavend lijk, met het
bekende teeken van den Dshibbenönoseh! — antwoordde Roland.
—  Welnu, dan kan ik u iets vertroostends voor de vrouwen
mededeelen, vriend, — zeide Nathan. — De vijf Indianen hebben
den dopde gevonden, ongetwijfeld een hunner bespieders, en
men zegt, dat zij, bij een dergelijk mislukken van hun plan, steeds
hun booze oogmerken laten varen, zoodat wij voorloopig niets van
hun vervolging hebben te vreezen. Volg mij dus getroost, vriend!
Indien ik en kleine Peter het kunnen verhoeden, zal uwen vrouwen
voor ditmaal geen leed geschieden.
Na deze woorden leidde Nathan, met haastige schreden, de
reizigers in een doolhof van struiken en poelen, op paden,
veeleer door wolven en beren dan door menschen gebaand.
Bovendien nam het nachtelijk duister meer . en meer toe,
terwijl in de verte een gerommel, de voorbode van een naderend
onweer, zich liet hooren. Roland vreesde, dat Nathan, bij de vol-
slagen duisternis, in weerwil zijner kennis van het woud, de rich-
ting uit het oog zou verliezen. Maar de nacht was aangebroken en de
gids schreed nog steeds, met onverminderde omzichtigheid en be-
hendigheid voort, met de diepste minachting lachend over alle
gevaren en hindernissen, terwijl hij meermalen verzekerde,
dat er, uren in den omtrek, geen hoekje in het woud was,
hem niet even nauwkeurig bekend, als de zakken van zijn lede-
ren kleedij.
—    Toen ik, — zeide hij, — voor het eerst in dit land
kwam, bouwde ik mij, op deze plaats, een kleine hut, maar de
Indianen verbrandden haar, en als kleine Peter mij niet
-ocr page 67-
DE VERVOLGERS.                                                   71
intijds had gewaarschuwd, zou ik ongetwijfeld mee zijn ver-
brand. Wees maar niet bezorgd, vriend. Ik zal u veilig leiden
door dit doolhof van struiken en riet, en, voordat ge het weet,
zult ge aan het wad zijn en bij de vrienden, die vooruit zijn
gegaan.
Deze woorden werkten zeer geruststellend op allen, en toen
nu het woud wat meer open werd, draafde Roland een weinig
dichter aan Nathans zijde, ten einde eenige nadere in-
lichtingen in te winnen omtrent de lotgevallen van dezen man,
die hem zulke gewichtige diensten had bewezen en nog be-
wees.
Nathan toonde echter geen grooten lust om zijn vragen te
beantwoorden, en al wat Roland omtrent zijn lotgevallen vernam,
was het volgende:
Toen hij naar Kentucky was gekomen, had hij zich, evenals
andere eenzame landverhuizers, hier en daar een hut gebouwd, waar-
uit hij, van tijd tot tijd, door de booze Shawnees werd verdreven.
Daardoor had hij aan velerlei gevaren blootgestaan. Dit alles, in verband
met de vervolging, waaraan hij van de zijde zijner krijgszuchtige
en onverdraagzame buren blootstond, had hem allengs naar
het woud gedreven, waar hij door den onzekeren buit, dien de
jacht hem opleverde, in zijn onderhoud trachtte te voorzien. Van
zn\'n vroeger leven wilde hij niets mededeelen, terwijl hij de uit-
vorschende vragen van Roland zoo behendig wist te ontwijken,
dat deze eindelijk het gesprek over dat punt liet varen, in de
hoop, dat Nathan hem later wellicht meer vertrouwen zou schenken.
Ook werden zijne vragen thans afgebroken door de plotselinge ver-
andering, die het tooneel rondom hem onderging. Het woud werd
vervangen door eene vlakte; in plaats van het donkere bladerendak,
schemerde de hemel boven de hoofden der reizigers, en vóór hen
jag een diepe kloof, waarin met dof gedruisch een onstuimig voort-
schietende stroom zich een weg baande naar het dal.
-ocr page 68-
VIL
HET BLOKHUIS.
ui et geraas van de schuimende watermassa, dat steeds geweldi-
ger weerklonk, naarmate Nathan de reizigers dichter bracht bij het
wad, wekte in hun harten een bange vrees.
—    Houdt maar moed, — sprak Nathan, die dit bemerkte;
— één enkele loerende Shawnee is veel gevaarlijker dan twintig
van die loeiende woudbeken. Het wad is goed, vriend Roland,
en mocht het water het kleed van uw jeugdige gezellin al een
weinig nat maken, dan moet ge maar denken, dat de tomahawks
der scalpeerende Roodhuiden nog veel leelijker vlekken achter-
laten.
—  Vooruit maar, oude snaak! — aldus nam Pardon Fertig
het woord, — ik ben niet bang voor het water, want mijn
paard is goed en zwemt als een eend.
—   Komaan, vriend, als dat waar is, zal ik achter u plaats
nemen, als ge mij dat toestaat, — zeide Nathan.
Pardon Fertig had niet het minste in te brengen tegen
dezen billijken wensch van den gids, en Nathan was juist voor-
nemens op het paard te springen, toen kleine Peter den
verstandigen wensch koesterde, om droogvoets door het wad te
komen, tegen de hakken van zijn meester opkrabbelde, en diens
opmerkzaamheid zocht te trokken door een zacht gehuil. Dit
althans was de verklaring, die Roland geneigd was te geven
van de houding van het kleine dier. Maar hoe groot was
-ocr page 69-
78
HET BLOKHUIS.
zijn verbazing, toen Nathan snel weder uit den stijgbeugel op
den grond sprong en met alle teekenen van de grootste bezorgd-
heid links en rechts om zich heen keek.
—    Peter, — zeide hij — je oogen zijn niet slechter
dan je neus! Je wilt niet, dat die arme vrouwen vermoord zullen
worden.
—  Wat is er? — vroeg Roland. — Wat spreekt ge van ver-
moorden ?
—  Spreek zacht, en zie naar de overzijde van den stroom, —
antwoordde Nathan. — Ziet ge daar niet dat schittterend licht,
tusschen die rotsen?
—  Ja, dat zie ik! Het is alsof \'t het schijnsel is van een
dwaallicht!
—   Neen, vriend, dat is de brandfakkel, in de hand van een
loerenden Shawnee! — sprak Nathan ernstig. — Kijk, vriend,
hij blaast hem aan tot een vlam, ge zult aanstonds den geheelen
oever verlicht zien.
Wat Nathan voorspelde, bleek waar te zijn. Het aan-
vankelijk zwakke licht groeide aan, werd voortdurend grooter,
en brandde weldra als een geweldige vlam, die de bergen,
de rivier en ook do ontstelde gelaatstrekken der reizigers ver-
lichtte. Tegelijkertijd kon men de donkere gedaante zien van een
man, die bezig was hout in het vuur te werpen. Hoevelen zijner
metgezellen inmiddels, wakend of sluimerend, in de nabij gelegen
bosschen lagen, was moeielijk te gissen.
De reizigers waren aan de grootste ontsteltenis ten
prooi. Immers hèt werd hun thans duidelijk, dat de Indianen
beide wadden hadden bezet, en daarmede scheen ook de laatste
hoop op redding vervlogen. Nu maakte de woede der vertwijfe-
ling, die voor de vreeselijkste gevaren niet terugdeinst, om slechts
het onaangename en neerdrukkende van het oogenblik te ontgaan,
zich van Roland meestor. Hij drong er op aan, dat zij, in weerwil van
de aanwezigheid der Roodhuiden, door het wad zouden trekken, terwijl
hij er op rekende, dat de woedende stroom het geluid van het door-
waden zou overstemmen.
—  En indien zij ons ook al bemerken zouden, — zeide hij,
— dan zullen wij dien honden het vuur eens flink aan de
schenen leggen en van de heerschende verwarring gebruik maken,
om ons door de vlucht te redden. Nathan, neem gij de vrouwen
onder uwe bescherming, en gij, Pardon Fertig en Kaiser, volgt
mij, en doet wat ge mij ziet doen.
-ocr page 70-
74
HET BLOKHUIS.
—  Inderdaad, vriend, — zeide Nathan kalm, maar met zicht-
bare tevredenheid, — gij zijt een dapper jongmensch en ook een
man van doorzicht en verstand, als ge u niet te midden van
de gevaren der wildernis bevindt. Maar nu, vriend, kunnen wij uw
plan niet ten uitvoer brengen, want men zou ons gewaarworden, voor-
dat wij den tegenovergelegen oever hebben bereikt. Ook zou men
ongetwijfeld op ons schieten, want, ziet ge niet hoe de weer-
schijn van het vuur het water verlicht? En ik zou het inder-
daad zeer betreuren, vriend, indien de arme vrouwen daarbij
werden gewond. Neen, neen, wij moeten dien schoften uit den
weg gaan!
—  En waar dan heen? — vroeg Roland, treurig on ter-
neergeslagen.
—  Naar een oord waar wij veilig en rustig zullen zijn
—- antwoordde Nathan, — naar een niet ver verwijderde plek,
waar wij, zonder vrees, kunnen vertoeven, totdat wij den stroom
kunnen doorwaden op een andere plaats, die niet door bloed-
dorstige Indianen wordt bewaakt.
—  Welnu, laat ons dan geen minuut langer blijven dan noodig
is, ofschoon ik niet inzie, dat wij in deze afschuwelijke wouden er-
gens een veilige en rustige plek zullen vinden.
—    En toch bestaat er zulk een rustplaats, althans
voor de dooden, — antwoordde Nathan, met zachte en bevende
stem, terwijl hij zijne vrienden naar den oever bracht. —■ Negen
arme menschen slapen op die plaats den laatsten slaap: vader
en moeder, grootmoeder en zes kinderen. Ja, ja, er zijn er slechts
weinigen, die vrijwillig, na het invallen van den nacht, de plek
voorbijgaan waar die arme vermoorde landgenooten liggen, want
de overlevering wil, dat zij in het uur van middernacht hun
graf verlaten en weeklagend hun vroegere bezitting omzweven.
Daarom is het echter juist oen goede schuilplaats voor hen, die
in nood verkeeren. Ik en Peter hebben dikwerf onder het ver-
woeste dak geslapen, zonder vrees voor geesten of voor Indianen, of-
schoon wij meermalen in de boomen om ons heen vreemde, klagende
geluiden hebben vernomen. Ja, het is een treurige en armzalige
plek, maar zij zal voor uwe vrouwen een veilig toevluchtsoord
zijn, totdat wij later weder den stroom kunnen oversteken.
Deze woorden herinnerden Roland aan de geschiedenis der
Ashburns, hem door overste Bruce verhaald. Die menschen
waren allen op hun nederzetting door de Indianen vermoord, en
deze herinnering wekte bij Roland een gevoel van afkeer tegen het
-ocr page 71-
HET BLOKHDIS.                                                     75
plan, om zich met zijn klein gezelschap naar de door Nathan bedoelde
schuilplaats te begeven. Maar thans, nu het de veiligheid zijner
zuster en van Telie gold, was er voor overwegingen geen tijd, en
daarom poogde hij het vertrek naar de verwoeste en eenzame hoeve
veeleer te bespoedigen dan te verhinderen.
Na verloop van weinige minuten was het reisgezelschap weder
bij den oever aangekomen, en zag daar, terwijl het zich voorzichtig
voortspoedde, voor het laatst om naar het wad en het heldere vuur,
dat hen, naar het scheen te rechter tijd, voor dreigende gevaren
had gewaarschuwd. Hierop snelden de reizigers voort langs een pad,
eenmaal door menschenhanden gebaand, sinds lang echter onbegaan-
baar en met kreupelhout dicht begroeid. "Weldra kwamen zij in een
soort van open vlakte, die vroeger eveneens bebouwde grond bleek
te zijn geweest en verscheidene morgen groot was. In deze ruimte
leverden de stammen van doode boomen, in het licht van den
bewolkten hemel somber in het rond geschaard, een treurigen aan-
blik. In dit uur vooral was het gezicht dier gestorven woudreuzen
zeer aangrijpend. De diepe eenzaamheid, het ver gevorderde uur, het
sombere aanzien van den in wolken gehulden hemel, het bij tus-
schenpoozen ruischen van den wind, die met het geluid van een
storm door het geboomte gierde, plotseling gevolgd door een diep
zwijgen als het graf, het rollen van den donder in de verte, door de
bergen weerkaatst, en, meer nog dan dit alles, de herinnering aan
de vreeselijke gebeurtenis, die oorzaak was, dat men deze neder-
zetting braak liet liggen en vermeed, zette het geheele tooneel ver-
schrikking bij.
Toen de reizigers de open vlakte betraden, had er een van
■die toevalligheden plaats, welke in zulke oorden de harten der bezoe-
kers zoo dikwerf met schrik plegen te vervullen.
De wind zweeg en geen blad bewoog zich. De lucht scheen
een oogenblik geheel bewegingloos. Plotseling zagen de reizigers een
slanken, majestueuzen boom zijn loodrechte richting verlaten en
langzaam zwenken door de lucht, om daarna, met een gekraak, als bij
een aardbeving, op den grond neer te storten.
De val van den woudreus droeg er slechts toe bij, om de zwak-
kere leden van het gezelschap nog meer te verontrusten. Edith
scheen de gebeurtenis te beschouwen als een ongunstig voortee-
ken, terwijl het bij kleinen Peter en zijn meester treurige her-
inneringen wekte. Toen de hond voorbijkwam, begon hij te snuffelen
en zacht te huilen, en Nathan beantwoordde oogenblikkelijk deze
toespraak van het dier.
-ocr page 72-
76                                                      HET BLOKHUIS.
—  Ja, ja, Peter, je hebt het goed onthouden, ofschoon vijf
jaren een ontzettende tijd is voor je kleinen kop. Juist onder dezen
boom hebben zij de oude grootmoeder vermoord en het kind de
hersens ingeslagen. Ja, het was een schouwspel, dat mij trof, tot in
het diepst mijner ziel.
—  Hoe! — riep Roland uit, die zich dicht achter Nathan
bevond en de laatste woorden hoorde, als tot hem zelf gesproken,
— ge waart bij het bloedbad tegenwoordig ?
■— Ach! vriend, — antwoordde Nathan, — het was het eerste
noch het laatste waarbij ik tegenwoordig ben geweest. Ik bewoonde
in die dagen eene hut, een weinig verder van den stroom verwij-
derd, en deze arme Ashburns waren mijne buren. Zij gedroegen zich
tegenover mij echter niet zooals dit onder vrienden betaamt, en waren
mij, om mijns geloofs wil, niet vriendschappelijk gezind. Dikwijls
joegen zij mij, met hoon en boosaardige woorden, van hun deur.
Toch had ik medelijden met hen, om der wille-van de kleine kinde-
ren, die zij in huis hadden, en toen ik in het woud de sporen
eener bende Indianen zag en bemerkte, dat zij de richting naar
mijn eigen kleine woning waren ingeslagen, zeide ik tot mij zel-
ven: Terwijl ze mijn kleine hut in brand steken, zal ik naar vriend
Ashburn gaan, om hem te waarschuwen, opdat hij, zoolang het
nog tijd is, met zijne lieden en zijn vee kan vluchten naar het
naastbijgelegen Fort, dat, zooals gij weet, onder de bevelen staat
van den overste Bruce. En zoo deed ik. Maar., luister nu goed:
„Zij sloegen echter geen acht op mijn mededeeling en lachten
mij hoonend uit, want reeds in die dagen hadden die men-
schen hun hart tegen mij gekeerd en hunne ooren voor mij ge-
sloten, omdat ik het strijdig achtte met mijn geweten, Indianen te
dooden, evenals zij. En daarom, vriend, hechtten zij aan hetgeen
ik zeide geen geloof en joegen ze mij van hun deur. Toen ik dat
ondervond en zag, dat de arme monschen, om zoo te zeggen,
verblind waren, en hun eigen ondergang bewerkten, wendde ik mij
van hen af, en liep, zoo snel als mijne beenen mij konden dragen,
naar den overste Bruce, vertelde dezen de geschiedenis en ried
hem aan, zich terstond met een sterke ruiterbende op te maken
en zich naar het oord te begeven, om de boosaardige wilden op de
vlucht te drijven, want inderdaad, ik achtte het niet goed dat er
bloed werd vergoten.
„Op het Fort verging het mij niet beter, ja misschien nog
erger dan bij de Ashburns. Ik geraakte in vertwijfeling en zeide
tot mij zelf: Ik zal in de wouden gaan, mij daar verbergen en
-ocr page 73-
HET BLOKHUIS.                                                     77
niet meer naar de rivier terugkeeren, opdat ik niet genoodzaakt
zij het bloedbad te aanschouwen en do arme vrouwen en kinderen
te zien vermoorden, iets wat ik toch niet meer in staat zou
zijn te verhoeden. Ik bedacht echter, dat de Indianen, voor het ge-
val ze mij niet meer in mijn wigwam vonden, zich rondom in
hinderlaag zouden loggen, mijn terugkomst afwachten en daardoor
den aanval op de woning van den vriend uitstellen, zoodat er tijd
overbleef om hem te bereiken en nog eenmaal te waarschuwen
voor het gevaar, dat hem dreigde. Die gedachte schoot zoo vast
wortel bij me, dat ik mij op weg begaf en met kleinen Peter aan
mijne zijde terugliep, totdat ik dit veld hier had bereikt, waar de
hond mij te verstaan gaf, dat de Indianen in onze onmiddellijke
nabijheid waren.
„Ge kent kleinen Peter niet, vriend! Ik verzeker u, dat hij
den besten neus bezit, die ooit eenige hond heeft gehad, om Indianen op
te sporen. Hoort gij niet, hoe hij zachtjes huilt en snuffelt over
het gras? Welnu, vriend, indien ik niet wist, dat Peter zich deze
bloedige plek en de daarop gepleegde snoocle daad herinnert, dan
zou ik, naar zijn huilen te oordeelen, zeggen, en dat even duidelijk,
alsof hij zijn mond geopend en mij dit in woorden had medege-
deeld, dat er Indianen in de nabijheid en ik op mijn hoede moet zijn.
„Welnu, vriend, op dergelijke wijs gaf kleine Teter mij te
verstaan, dat er gevaar dreigde, en inderdaad, ik had nauwelijks
den tijd mij te verbergen in het maïs, dat te dier tijde zeer hoog
stond, toen ik het verschrikkelijk gillen hoorde, waarmede de bloed-
dorstige schurken, die hot huis van alle kanten omringden, de
verschrikte inwoners deden ontwaken. Ik wil u thans niet de
afgrijselijke tooneelen schilderen, waarvan ik getuige was. De
familie scheen betooverd ; zelfs de dieren, scheen het, waren behekst.
Paard noch koe verroerden zich, en de hofhond, op wiens
waakzaamheid allen vertrouwden, sliep zoo vast, dat de vijanden
dorre takken en twijgen in den voorhof brachten en in brand
staken, voordat iemand het gevaar vermoedde. Eerst toen de vlam-
men overal uitsloegen, hieven zij hun krijgsgeschreeuw aan, en toen
de oogen der slapenden opengingen, zagen zij niets om zich heen
dan eene vuurzee en razende Shawnees. Toen, — vervolgde Na-
than, terwijl zijn stem beefde en tot fluisteren overging, zoo-
dat alleen Roland, aan wien het verhaal werd medegedeeld, zijn
woorden kon verstaan, — toen op dat oogenblik, vriend, vluchtten,
zooals gn\' denken kunt, mannen, vrouwen en kinderen naar buiten.
Buksen knalden, tomahawks werden gezwaaid, messen blonken
-ocr page 74-
78                                                    HET BLOKHUIS.
en het gillen en brullen was zoo verschrikkelijk, dat uw hart zou
hebben stilgestaan, als ge \'t hadt gehoord. Het was een vreeselijk
bloedbad, maar hoe afschuwelijk ook, mijne oogen hadden in vroeger
tijden nog een verschrikkelijker gezien. Gij zoudt het niet gelooven,
maar ge weet niet wat z ij zien, die aan de grenzen van het In-
dianen gebied hun leven slijten.
„Terwijl zij — aldus ging hij voort — de sterkeren vermoord-
den, zag ik de zwakste van allen, de oude grootmoeder, met het
jongste kindje op den arm, in het maïsveld vluchten. Zij hadden
echter nauwelijks de plek, waar deze boom zooeven is neergestort,
bereikt, toen de vervolger — want een enkele Indiaan slechts had-
den zij de arme vrouw nagezonden — haar inhaalde en met zijn
tomahawk neervelde. Toen — want ik zag alles bij het schijnsel
van het vuur, in welks onmiddellijke nabijheid ik mij bevond —
toen rukte hij het kind uit de armen der stervende vrouw, en ver-
pletterde het den schedel met dezelfde bloedige bijl.
—  En gij! — riep Roland, terwijl hij Nathan bij den kraag
greep, want de koelbloedige lafheid van dien man vervulde hem
met oen onoverwinnelijk gevoel van afkeer en toorn, dat aan woede
grensde, — en gij! — riep hij, hem aangrijpende alsof hij hem aan
stukken wilde scheuren, — gij rampzalige! gij stondt daarbij, werke-
loos toeziende, en liet het kind vermoorden?
—  "Vriend, —■ antwoordde Nathan, door dien onverwachten aan-
val een weinig verrast, maar zoo ootmoedig mogelijk — ge zijt on-
rechtvaardig jegens mij! Al zou het bloedvergieten mij ook even
gemakkelijk gevallen als u, zoo had ik toch het leven van het arme
schaap niet kunnen redden, aangezien mijn buks mij was ontnomen
en ik geen wapen bij mij had. Ik vergat nog te zeggen, dat de
overste Bruce, toen ik hem het gebeurde met de Roodhuiden mede-
deelde, mij mijn buks ontnam en zei: — aangezien gij
niet genoeg man zijt om het wapen te gebruiken, is het u
ook niet veroorloofd het te dragen, — waarna hij mij
weerloos uit het Fort dreef. O, voorzeker, het was niet goed,
dat hij mij datgene ontnam, waardoor ik in mijn onderhoud voor-
zie, en dubbel verkeerd was \'t, nu \'t het leven gold van een
kind, want ik zeg u, vriend, dat, indien ik, in het maïs staande en
den grooten, ruwen Indiaan ziende, op het oogenblik, dat hij zijn
bijl ophief om het wicht te dooden .. dat, indien ik toen een geweer
had gehad.. ik.. ik kan u niet zeggen wat ik zou gedaan heb-
ben, maar dit is zeker, dat ik den boosaardigen wilde zijne daad niet
zou hebben laten volvoeren!
-ocr page 75-
79
HET BLOKHÜIS.
—  Dat zou ik ook denken, bij den Hemel! — zeide Roland,
die zijn hand had teruggetrokken, zoodra Nathan vertelde, hoe
men hem zijn buks had ontnomen — dat zou ik ook denken!
Geen menschelijk wezen, zelfs geen Indiaan, zelfs niet het lafhar-
tigste oude wijf, zou ooit, een wapen in de hand hebbende, het bij
zulk een gelegenheid ongebruikt hebben gelaten. Maar gij waart niet
zonder gevoel.. gij hebt althans iets gedaan!
—  Vriend, — zeide Nathan op zachten toon, — ik deed wat
ik kon. — Maar wat kon ik doen? Het schouwspel sneed mij door
het diepst van de ziel, ik rukte het kind uit de armen van den
man en vluchtte in het woud, in de hoop dat het, ofschoon zwaar
gewond, nog zou kunnen gered worden. Maar ik had nauwelijks
een mijl afgelegd, toen het in mijn armen stierf. Ik was van boven
tot onder met bloed bevlekt. Het was een treurige aanblik
voor den overste Bruce, die met zijn lieden naar het wad snelde,
om te zien, wat van mijn verhaal waarheid was. Toen ik ver-
trokken was, had hij, zooals hij mij later zeide, geen rust, omdat
hij steeds geloofde, dat ik misschien toch geen verhaal had verzon-
nen. En weldra bleek het, dat ik, helaas, maar al te zeer de waar-
heid had gesproken, want hij reed terstond naar Ashburn\'s woning,
waar hij niets vond dan de lijken en het gedeeltelijk afgebrande
gebouw. Het huis was namelijk van groene stammen opgetrok-
ken en kon derhalve niet geheel verbranden. Geen enkel lid der
familie bleef gespaard.
—  En wie heeft hen gewroken? — vroeg Eoland somber.
—  Indien gij het verdelgen van moordenaars wraak nemen
noemt, dan heeft het daaraan niet ontbroken, — antwoordde
Nathan. — Van de veertien boeven — want zooveel waren er —
werden ■ er elf vóór zonsopgang gedood, want de vervolgers hadden
waar zij hun vuren hadden aangelegd, hen verrast, en een zondig
bloedbad onder hen aangericht. En wat de overigen, die ontkwamen,
betreft, later vernam men van gevangenen, die uit het India-
nen-gebied terugkeerden, dat slechts één hunner zijn stam had
bereikt; de anderen waren, men weet niet hoe, in de wouden
omgekomen. Maar — vervolgde Nathan, terwijl hij de aandacht van
dit treurig onderwerp afleidde en die vestigde op de bewegingen van
van zijn hond, — kleine Peter is onrustiger dan gewoonlijk; hij
was hier trouwens nooit op zijn gemak, en ik heb menschen gekend,
die beweerden, dat een hond de tegenwoordigheid van geesten
bespeurt.
—  Volgens mijn oordeel, — zeide Roland, — is het waarschijn-
-ocr page 76-
80                                                     HET BLOKHUIS.
lijker dat hij, in plaats van zulke ronddwalende lichaamlooze
geesten, een andere bende van die vervloekte Indianen in den
neus heeft.
—  Het is mogelijk — zei Nathan, — dat er vandaag wilden
over dit veld zijn gegaan, daar het geheele woud vol van hen is,
en het is ook vrij waarschijnlijk, dat er eenigen hierheen zijn geslopen
om zich te vermeien in den aanblik dezer bouwvallen, waarbinnen
het bloed van negen ongelukkige blanken in één enkelen nacht door
hun stamgenooten werd vergoten. Zeker hebben zij, in dat geval, ook
gedacht aan de dertien moordenaars, die vielen als slachtoffers der
wraak, en dit zal hun vreugde niet weinig hebben bekoeld. Neen,
vriend, kleine Peter heeft, evenals een mensen, zijn gevoel van
genegenheid en van afkeer, en steeds nadert hij die plek met afschuw.
Vandaar dat ik dit oord ook slechts dan bezoek, wanneer de nood
mij, evenals thans, er toe dwingt. Mocht ge echter nog bezorgd zijnj
dan zal ik vóór u de bouwvallen binnengaan, die ge daar bij den
bergpas ziet en een onderzoek instellen.
—  Het is niet noodig, — zei Roland, die thans de hoeve,
waarnaar zij zochten, in zijn onmiddellijke nabijheid ziende, en
bemerkende, dat het onbehaaglijk gevoel van Peter was geweken,
vroolijk in het rond keek. Nochtans achtte hij het, terwijl Nathan
vooruitliep, noodig zelf het gebouw te onderzoeken, waarin hij
het wezen in veiligheid ging brengen, dat hrj op aarde het meest
liefhad.
Het gebouw was een laag blokhuis en stond, naar het scheen,
aan den rand van een diepe bergkloof, waarin men het water
onstuimig hoorde bruisen, alsof het zich een weg over rotsen en
andere hindernissen moest banen. Het was een dubbele woning,
zooals men ze dikwerf aantreft in de streken van het Westen,
bestaande uit twee gedeelten, door een kleine ruimte geschei-
den, maar voreenigd door een gemeenschappelijk dak, dat de open
hal of doorgang beschermde, terwijl het tot aan de beide zijden
van den gevel eveneens ver naar voren sprong en ook daar beschutte
plekken vormde, waar zij, die in den zomer reizen, steeds een aange-
name schuilplaats vinden.
Hoe weinig voorzichtig of verstandig zij ook geweest waren, die
deze woning hadden gebouwd, te oordeelen naar het lot dat hen had
getroffen, zij hadden nochtans niet verzuimd hun eenzaam verblijf
te omgeven met zulke verdedigingsmiddelen, als men destijds overal
in het land aantrof. Een rij palissaden, ofschoon misschien zwak
en zorgeloos aangelegd, toch tamelijk geschikt voor het doel, dat er
-ocr page 77-
81
HET BLOK HUIS.
mede werd beoogd, omringde den grond waarop de woning stond,
en daar deze zich juist in het midden verhief en aan beide zijden
het paalwerk raakte, zoo ontstonden er twee kleine overdekte ruim-
ten, de eene vóór, de andere achter het huis gelegen, waarin plaats
genoeg was voor paarden en hoornvee, zoomede, in geval van een
overrompeling, voor de bezetting. De omheining aan den achterkant,
strekte zich uit tot aan den rand van den oever, hier veertig tot
vijftig voet hoog, en die geen paalwerk behoefde, terwijl de omraste-
ring aan de noordzijde een gedeelte van het veld afsloot, waarop
bosch noch boomen werden aangetroffen.
Het gebouw was thans zeer vervallen en had een treurig aanzien.
Het paalwerk, vooral aan de noordzijde, waar dit door de Shawnees
uit den grond gerukt of verrot scheen te zijn, was grootendeels ver-
nield, terwijl de rechtervleugel, die het meest van de vlammen had
geleden, slechts uit een zwarten vermolmden hoop door elkaar
geworpen balken bestond.
Het eenige gedeelte van het gebouw, nog rechtop staande, lag
aan de linkerzijde, en maakte slechts één vertrek uit; dit was, zooals
Roland bij den eersten oogopslag bemerkte, nagenoeg dakloos en het
instorten nabij.
Men kon zich inderdaad niets treuriger \'en somberder voor-
stellen dan het gezicht dezer bouwvallen, terwijl het wilde, onstui-
mige bruisen van den stroom in de diepte, dat men des te duidelijker
hoorde ten gevolge van een diepe spleet in de rots, die het geluid
met een doffe echo weerkaatste, en veel bijdroeg tot het huivering-
wekkende van het geheele tafereel.
Bovendien kon de plaats oogenschijnlijk tegen een vastberaden
vijand niet worden verdedigd, daar de puinhoopen van den ineen-
gestorten zijvleugel een soort bolwerk vormden, als vooruitgeschoven
schansen, waarachter de belegeraars het den belegerden op allerlei
wijzen lastig kondon maken.
Het gevoel van tegenzin, dat Roland ondervond, om dit oord,
ook slechts voor weinige uren, te bewonen, werd echter door Nathan
bestreden, die hem er aan herinnerde, dat het wad, waar hij dacht
<Joor te trekken, verscheidene mijlen verder in de diepte was gelegen.
Hij gaf hem tevens te verstaan, dat met den doortocht eerst kon
begonnen worden, als de maan opging, of de wolken zich verspreid-
den en het spaarzame licht der sterren hen voorlichtte, terwijl de
weg daarheen door bergkloven en moerassen leidde, en nergens een
geschikte schuilplaats voor de reeds zeer uitgeputte yrouwen aan-
wezig was.
-ocr page 78-
82                                                     HET BLOKHUIS.
—  Want, — zoo vervolgde hij, — het is noch mijne gewoonte,
noch met mijn geweten overeen te brengen, om iets aan het toeval
of het lot over te laten, zoo lang er zich één Indiaan in het woud
bevindt, al ware het tien mijlen van hier. Ik ben voornemens met
kleinen Peter rondom de bouwvallen de wacht te houden, zoo lang uw
arme vermoeide zuster slaapt, en als gij zelf en uwe twee manne-
lijke begeleiders daartoe de kracht bezit, om evenzoo te doen, zou het
des te beter zijn.
—  Het zij zoo, — sprak Koland, — mijne twee metge-
zellen zullen de wacht houden, en ik zal zorgen, dat hun de
oogen niet dichtvallen.
Nadat dit was afgesproken, maakte men zich gereed om de
bouwvallen in bezit te nemen. Koland trad met den neger binnen
en liet licht ontsteken, waarna hij zijn vermoeide zuster en Telie
wegleidde. Intusschen brachten Nathan en Pardon Fertig de paarden
in de bergengte, waar zij gras en water in overvloed hadden,
en zij noch verdwalen, noch door de Shawnees konden opgemerkt
worden.
-ocr page 79-
VIII.
HET BELEG.
W eldra vlamde een vuur op, waartoe de puinhoopen
rijkelijk brandstof leverden, en toen dit met zijn schijnsel het
vervallen, sedert lang verlaten verblijf verlichtte, hadden
de reizigers gelegenheid het huiveringwekkende der geheele om-
geving nauwkeuriger waar te nemen.
De overdekte ruimte, aan de linkerhand, bestond, zooals reeds
gezegd, uit een enkel vertrek, waarvan de muren werden gevormd
door ruwe balken, uit wier tusschenruimten de kalk, die ze een-
maal had bedekt, sedert lang was verdwenen. Hier en daar
ontbrak er zelfs een gedeelte van het hout, zoodat wind en regen
vrijen doortocht hadden. De bedekking was geweken voor
de zwaarte van het vermolmde dak, waarvan nog slechts
een klein gedeelte was overgebleven; de vloer, van dik eikenhout,
bleek evenzeer in een staat van verval, want het hout was
voor het grootste gedeelte verrot en vermengd met de aarde waarop
het rustte.
Vensters en deuren ontbraken geheel, maar aan twee
vervallen openingen, aan de voor- en achterzijde, en een derde,
van grooter omvang, die van ter zijde uitkwam op den vroegeren
doorgang, thans met verkoolde balken bedekt, kon men nagaan,
op welke wijze vroeger de nauwe ingang van schietgaten was voor-
zien.
De andere overdekte ruimte was zóó vervallen, dat de deur
-ocr page 80-
84                                                      HET BELEG.
bijna geheel versperd en het in- en uitgaan slechts aan de achter-
zijde van het gebouw mogelijk was. Bij een plotse-
linge overrompeling, bevonden zich achter in den muur meerdere
openingen, waardoor het zeer gemakkelijk zou zijn geweest den
terugtocht te dekken. Hier was de bodem geheel onbedekt en
voor een gedeelte weggezakt, zoodat hij met de bovengenoemde
rotskloof in ver-binding stond en als haar ingang kon beschouwd
worden.
Maar ïtoland\'s blikken hechtten zich niet lang op dit sombere
toonecl van verwoesting en richtten zich snel op Edith, die hij
met aandrang verzocht eenige uren te gaan rusten en zich daar-
door te verkwikken en te versterken. Te dien einde zag hij om
naar een geschikte plaats, waar hij haar een legerstede van bladeren
en mos zou kunnen bereiden.
—  Zie eens, het bed is al kant en klaar, — riep zij met een
gedwongen lach, terwijl zij naar een hoek wees, waar een hoop
bladeren lag, die er zoo frisch en groen uitzagen, alsof zij eerst
den vorigen dag waren afgeplukt. — "Waarlijk, Nathan heeft mij
niet in zijn woning genoodigd, om mij een slecht verblijf aan te
bieden of mij zonder avondeten naar bed te sturen. Kijk eens
goed — voegde zij er bij, op een kleinen ijzeren ketel wijzend,
die haar levendig oog terstond onder de bladeren had ontdekt,
en die weldra werd gevolgd door een tweedon, door den neger
uit zijn schuilhoek te voorschijn gehaald, terwijl beiden nog de
geuren droegen van versche, smakelijke sp\'ijzen — Kijk eens
goed, Kaiser, want waar de keuken is, daar kan het vleesch niet
ver meer zijn. Ik sta er u borg voor, dat Nathan voor een
goed avondmaal heeft gezorgd.
—  Misschien een avondmaal, zooals alleen een woudlooper
kan genieten, — zei Roland, die over het rijkelijk huisraad
van Nathan — want hij twijfelde niet dat het dezen toebehoorde
—    een weinig verwonderd, begonnen was de bladeren te door-
zoeken, en, met behulp van zijn buks, weldra een met keukengerei
ge vulden zak voor den dag haalde. — Een rare kerel, die Nathan,
—   mompelde hij. — Hij heeft het doen voorkomen alsof
hij deze plek in langen tijd niet had bezocht, terwijl hij toch
blijkbaar den afgeloopen nacht hier heeft doorgebracht. Maar
hij schijnt nu eenmaal al zijn doen on laten in een geheimzinnigen
sluier te willen hullen.
Terwijl Roland en de .vrouwen het eigendom van Nathan
onderzochten, trad de gids zelf het vertrek binnen. Zijne trek-
-ocr page 81-
85
HET BELEG.
\'ken verrieden eenige bezorgdheid. De trouwe Peter, die hem
■op de hielen volgde, toonde eveneens een zeker gevoel van onbe-
haaglijkheid, want hij snoof de lucht in, liet een zacht gehuil
hooren, terwijl hij zich dikwerf tegen de beenen van zijn meester
aanwreef.
—  Vrienden! — riep Nathan, — Peter spreekt te duidelijk,
dan dat er misverstand mogelijk zou zijn; er dreigt onmiddellijk
gevaar, ofschoon ik, dwaze en zondige man, niet kan zeggen,
van welken kant of van wien. Wij moeten het verwarmende
vuur en de zachte legerstede prijsgeven en onze toevlucht nemen
tot het woud.
Deze onverwachte tijding verdreef het bloed weder uit Edith\'s
gelaat. Bij Nathan\'s binnentreden had zij den zak, met het
keuken gereedschap, uit Roland\'s handen genomen, om dien aan
den gids over te reiken met een paar woorden, die haar broeder
zouden hebben overtuigd, dat haar dikwerf neergeslagen moed
weder was teruggekeerd, toen de uitdrukking van Nathan\'s ge-
zicht en diens woorden haar deden verstommen en zij, als versteend,
met den zak in de hand bleef staan.
Zoodra toch had Nathan niet den zak ontwaard, of hij rukte haar
dien uit de hand, bekeek hem met verbazing, ja zelfs met ongerust-
heid, en wendde eerst den blik er van af, toen kleine Poter, die in den
hoek en onder de legerstede van bladeren was gekropen, luider dan
te voren begon te janken.
De zak viel Nathan uit de handen, toen hij den glimmenden
ketel zag, waarop zijn blik onafgebroken bleef rusten.
—  Wat is het, om \'s Hemels wil ? — vroeg Roland, die
zelf ongerust begon te worden. — Schrikt ge voor uw eigen gereed-
schap ?
—  Mijn gereedschap? — riep Nathan, terwijl hij de handen
ineensloeg en er uitzag als een beeld van schrik en gewetens-
wroeging — indien ge mij dooden wilt, zult ge mij ternauwer-
nood onrecht aandoen, want ik, ongelukkige, blinde zondaar,
die ik ben, heb uwe vrouwen juist in het hol van den leeuw
gevoerd, in het hoofdverblijf der moordenaars, die uw leven be.
dreigen. Voort van hier! Hoort ge kleinen Peter niet aan
den ingang klagen? Stil, Peter, still Waarlijk, hier kunt ge uw
geschiktheid toonen, zwervende Nathan. Hoor, zijn ze niet in de
nabijheid? Hoort ge niets?
—  Ik hoor het gekras van den uil en het antwoord van
zijn vriendin! — antwoordde Roland, maar hij kon niet verder
Kapitein Roland.                                                                6
-ocr page 82-
86
HET BELEG.
spreken. Kleine Peter liet een zacht klagend geluid hooren, en-
Nathan zei zacht:
—  Voort, als ge uw leven liefhebt! Neem uwe vrouwen
bij de hand en volg mijl
Bij deze woorden sprong Nathan naar de deuropening,,
toen een kreet van Roland hem weerhield. Hij zag om en be-
merkte, dat Edith bewusteloos lag in de armen van den jongen
man.
—  Ik zal het arme kind in uwe plaats wel redden! —
riep hij. — Help gij de anderen!
Zoo sprekende, hief Nathan Edith op, alsof zij een veer
ware geweest, en snelde met zijn last naar den uitgang, toen
hij door een heel wat schrikwekkender voorval tot staan werd
gebracht.
Op een kreet van Kaiser, dezen ontlokt door een plotselingen
schrik, volgde een eigenaardig, woest, ruw, gorgelend en te gelijk
hoonend triomfgeschrei, maar vooral een vreemd lachen, dat aan
den kant van den ingang weerklonk.
Toen Roland en Nathan hun oogen naar dien kant wendden,
ontwaardon zij een grooten, naakten Indiaan, op krijgsmans-
manier getatoueerd, met een buks in de hand en de grimmig
lachende uitdrukking nog op het gelaat.
—  Goeden dag, broeder! Indiaan goede vriend.
Zoo sprak . de wilde, terwijl hij op hoonend vriendelijke wijze
met het hoofd knikte en snel hel verblijf binnentrad. En alsof
deze verschijning en deze woorden nog niet voldoende waren om
onzen vrienden het bloed van ontzetting in de aderen te doen
verstijven, zoo zag men over zijne schouders een aantal oogen
schitteren, terwijl achter zijn rug het helsche gelach van drie of vier
eveneens wilde, bloeddorstige gezellen hun tegenklonk.
—  Er uit! als je een kerel bent — er uit!
Aldus riep Nathan, met een stem, die meer had van het schet-
teren eener krijgstrompet dan van het geluid van een man
des vredes. Daarna liet hij Edith op den grond glijden,
terwijl hij zelf het sein gaf tot aanval of tot vlucht — dit
wist Roland zelf niet, die zich inmiddels op den vermetelen indrin-
ger geworpen had.
Beiden struikelden aan den ingang. Roland, die met de on-
stuimigheid en den moed der vertwijfeling aan het bevel gehoor-
zaamde, viel en lag, over zijn geheele lengte, in de gang uitgestrekt,
waardoor hij een wissen dood ontging, want op datzelfde oogen
-ocr page 83-
S7
HET BELEG.
blik werden, op nauwelijks drie pas afstands, drie buksen op hem
afgevuurd.
—  Er op in, als uw geweten het u veroorlooft! —riepNathan,
terwijl er op hetzelfde oogenblik van binnen uit de woning een schot
viel.
—  Lieve Hemeltje! — nooit in mijn leven een Indiaan iets
gedaan! — aldus liet een bevende uitroep, te gelijk met den knal
van het schot, zich hooren.
De afgevuurde kogel was oorzaak, dat de strijdbijl ontviel
aan de verbrijzelde hand van een der vijanden, die, Roland
gevallen ziende, op het punt stond hem een slag met dat
wapen too te brengen. De verminkte krijger slaakte een gil, waarin
lichaamssmart en woede over verijdelde hoop op woeste wijs
zich uitte, terwijl hij op hetzelfde oogenblik over de zwarte
puinhoopen sprong, die den ingang versperden, en aldus den slag
ontging van Eoland\'s buks, die in zijn val was afgegaan. *
Het geschreeuw van den vluchtenden Indiaan werd, naar het
Eoland toescheen, door minstens vijftig man beantwoord, waarvan
hij er twee slechts op weinige schreden van zich zag, hun
strijdbijlen zwaaiend, als waren zij voornemens den bijna
weerlooze het volle gewicht er van te laten gevoelen. Op dat.
oogenblik echter kwam er hulp van een zijde, vanwaar die het
minst werd verwacht.
Uit het ravijn weerkaatste de knal van een buks, en ter-
wijl een der woeste vijanden, doodelijk getroffen, ter aarde
stortte, hoorde hij do stem van Pardon Fertig, die vol groot-
spraak juichte:
—   Als het er op aankomt om het met hèm klaar te spelen,
dan ben ik zijn man, dat zal wel waar zijn!
—   Flink zoo, heel flink, Pardon Fertig en Kaiser! — riep
Roland, wien deze aanmoedigende woorden van den kant zijner
metgezellen en de gunstige uitslag er van weer een weinigje
vertrouwen en hoop inboezemdem; want tot op dit oogenblik was
het hem nog bang te moede voor den afloop van het gevecht.
—   Moed gehouden en er maar op losgevuurd! — schreeuwde
hij, zonder dralen op een der nog overige wilden toespringende,
wien hij de opgeheven strijdbijl met zijn buks uit de hand sloeg,
terwijl hij gereed stond om zijn wapen op den schedel van zijn
vijand te later, neerdalen.
Het gelukte hem inderdaad, den tomahawk op zijde te slingeren ;
maar plotseling voelde hij zich de buks ontwringenen om het lijf
-ocr page 84-
SS
HET BELEG.
gegrepen, als geklemd tusschen de klauwen van een leeuw,
toen zijn koene tegenstander hem met vreeselijke kracht tegen zijn
borst hield vastgedrukt.
— Broeder! — huilde de Shawnee, met het schuim
op de grijnzende lippen, die hij zoo dicht mogelijk bij het
gelaat van Roland bracht — Broeder! — herhaalde hij, in het
gevoel van trots over zijn overwinning en zijn armen nog vaster
klemmend om het lijf van den jongen man — Langmes is niets;
Heb een scalp, ik Shawnee!
Dit zeggende, sleurde hij Roland met zich mede, met het
oogmerk de scalpeering aan hem ten uitvoer te brengen.
Ofschoon Roland zich bewust was in de handen te zijn
van een man, die in lichaamskracht zijn meerdere was, had hij
het nochtans aan zijn vastberadenheid en energie te danken, dat
hij gespaard bleef voor een lot, dat even vreeselijk als smadelijk
zou zijn geweest.
Op het oogenblik; dat de sterke Indiaan van den beganen grond
op de rots sprong, verzamelde Roland al de kracht waarover
hij nog had te beschikken, en sleurde zijn vijand een eind met
zich mede. Dit duurde slechts een oogenblik, want weldra kwam
het tot een verwoeden strijd van man tegen man.
De pistolen van den jongen man, die de vreedzame Nathan
zoo voorzichtig was geweest met zich in de woning te nemen, waren
wegens de snelheid en het onverwachte van den overval, vergeten.
Zijn buks was hem uit de hand gerukt en weggeworpen, zonder
dat hij wist in welke richting de Indiaan die had weggeslingerd.
Het mes had hij, als een echte jager, in den gordel gestoken ;
hij greep er op dit oogenblik naar, maar het instinct der ge-
woonte deed hem de hand naar zijn sabel brengen, die hij nog
om zijn middel droeg. Deze beproefde hij thans te trekken, niet
twijfelende of een enkele slag met het staal zou hem van zijn tegen-
stander ontdoen.
De Indiaan echter, even dapper, even vlug en aan
woeste vechtpartijen, van man tegen man, meer gewoon, had reeds
zijn mes getrokken, voordat Roland ter been was, en eer noS
de sabel van den officier halverwege de scheede had ver-
laten, voelde deze zich den pols omkneld en in krachtigen
greep vastgeklemd, terwijl de Roodhuid zijn vrijen arm met
het wapen boven zijn hoofd zwaaide en met een vreeselijk
brullend lachen, onder zegevierend gillen, aanstalten maakte het
Roland in de keel te stooten.
-ocr page 85-
89
HET BELEG.
Het gelaat van den wilde, afschuwelijk door de tatoueering, afschu-
welijker nog door de uitdrukking van woeste zegepraal, was duidelijk
zichtbaar, want de vlammen van het vuur schenen helder door de
openingen van het gebouw, zoodat men eiken trek van den woeste-
ling nauwkeurig kon waarnemen, en Roland was dan ook, toen hij
zich aan den opgeheven arm vastklampte, om den dreigenden stoot
af te wenden, in staat elke beweging van het wapen en elke ver-
andering in de trekken van den wilde te bespieden.
Maar ook op dit oogenblik wanhoopte hij niet, want hij was
in alle gevallen waarin het hem persoonlijk betrof een man van
ware onverschrokkenheid, en eerst toen plotseling het licht in de
woning uitging, alsof het vuur uit elkander werd gerukt en uitge-
stampt, begon hij te vreezen, dat het voordeel, door zijn tegenstander
op hem behaald, een noodlottigen afloop voor hem zou hebben.
Op dit oogenblik echter, toen hij, door de plotselinge duisternis
verblind, den doodelijken slag, dien hij niet meer kon afweren,
verwachtte, ging het lachen van den wilde, dat thans luider en
zegevierender klonk dan te voren, plotseling in doodsgebrul over.
Terzelfder tijd vloeide een stroom warm bloed over Roland\'s rechter-
arm, terwijl de Indiaan, door het mes van een onbekende hand of
door een in het donker vliegenden kogel getroffen, aan Roland\'s
voeten nederzonk en, in zijn val, dien met zich op den grond sleepte.
— Op, op, en handel volgens uw geweten! — riep zwervende
Nathan, wiens arm, krachtiger dan die van den tegenstander des
jongen officiers, dezen van onder het lijk van den Roodhuid te
voorschijn trok. — Ge strijdt als een jonge leeuw of een getergde
beer, en waarlijk, ik zal er u niet over berispen, als ge een ge-
heel dozijn van die goddeloozo keelafsnijders om hals brengt. Hier
is uw buks, hier uw pistolen, geef vuur, laat uw stem luide weer-
klinken, want uwe vastberadenheid heeft den vijand in de war
gebracht; laat hem gelooven, dat ge versterking hebt ontvangen.
En nu verhief de vredelievende Nathan zijn stem, sprong dooi-
de puinhoopen van den eenen balk op den anderen en liet een
reeks van gillende geluiden hooren, die schijnbaar uit verschillende
kelen moesten komen en zooveel trots en manhaften moed uitdruk-
ten, dat zelfs Pardon Fertig, die nog in de rotsspleten van den
bergpas lag verscholen, en Kaiser, de neger, die naar het scheen
achter de puinhoopen aan den ingang had post gevat, zich gesterkt
en aangemoedigd gevoelden en hun kreten mengden in het
verschrikkelijk geschreeuw van Nathan, de een uittartend brullende:
— Komt op, schurken, als ge komen moet! — en de ander, even
-ocr page 86-
90
HET BELEG.
angstig schreeuwend: — Geen zorg hebben voor den neger! Hrj
strijden, hij vechten voor Massa en Missis!
Alles, van het oogenblik, dat de wilde krijgsman in de deur
verscheen, tot het luid geroep der belegerde reizigers, dat volgde
op het krijgsgeschreeuw en de zegekreten van den Indiaan, was
even snel in zijn werk gegaan. Het bespringen van den aanvoerder
door Nathan, de verwonding van den eenen en de dood der
beide andere wilden waren inderdaad, naar het Roland toescheen,
slechts het werk van een oogenblik, en hij begreep eerst recht, dat
er een aanval had plaats gehad, toen alles reeds voorbij was.
De met goeden uitslag bekroonde en ongetwijfeld geheel onver.
wachte tegenstand der kleine bezetting, die zoozeer ten nadeele der
voorste vijandelijke posten eindigde, had te midden der woeste bende,
die haar aanwezigheid slechts verried door haar gillend geschreeuw,
daar zij niet één enkel schot had gelost, alom schrik en verwarring
verspreid.
In dit oogenblik, van algemeene ontsteltenis, sprong Nathan aan
Eoland\'s zijde, die inderhaast zijn buks weer laadde, greep hem
bij de hand en zei met een stem, die de hevigste innerlijke ont-
roering verried, ofschoon zijn trekken in de duisternis onzichtbaar
waren:
—  Vriend, door mij is uw arme zuster in gevaar gekomen,
zoodat nu de strijdbijl en het scalpoermes haar onschuldig hoofd
bedreigen.
—  Geen woord meer daarvan, — zeide Roland, terwijl hij er
snel bijvoegde: — Hebt gij dien langen heiden, die het eerst het
huis binnentrad, gedood?
—  Gedood, vriend ? Ik dooden ? — antwoordde Nathan, en hij
beefde sterker dan ooit, — wilt ge mrj tot een moordenaar maken!
Ik ben over hem heengekropen en heb daarna het huis verlaten.
—  En ge hebt hem levend daarin gelaten? — riep Roland,
terwijl hij zich gereedmaakte naar het huis te snellen.
Nathan hield hem terug en zeide: — Wees onbezorgd! Ge
moogt meenen, dat ik verkeerd handelde, door zoo hard op hem te
vallen, maar hij moet met zijn hoofd tegen een blok zijn terecht-
gekomen of zich aan een balk hebben verwond, misschien heeft
ook de zwarte hem met zijn mes getroffen, maar waarlijk, het is
een feit, dat zijn bloed op mijn hand spatte en dat wel ten gevolge
van een stoot of een steek, zoodat ik hem voor dood liet liggen.
— Goed, — zeide Roland, — ofschoon ik brj den Hemel hoopte
en geloofde, dat gij hem, als een man, naar de andere wereld hadt ge-
-ocr page 87-
HET BELEG.                                                       91
zonden. Maar de tijd dringt, wij moeten weer naar de bosschen
terug, nog staan zij voor ons open,
—  Ge dwaalt, — zei Nathan, en op hetzelfde oogenblik liet
zich, als het ware ter bevestiging zijner woorden, een woest krijgs-
geschreenw en het knallen van een dozijn buksen hooren, terwijl
alles aanduidde, dat de bouwvallen reeds door den vijand waren
omsingeld.
—  De bergkloof, het wad! — riep Roland. — Wij kunnen
er met de paarden overzwemmen.
—  De stroom is woest en onstuimig, en ik vrees, dat hij u en
het sterkste paard zal meesleuren, ■— mompelde Nathan. — Hoort
ge niet, hoe hij langs de rotsen en door de kloven bruist en
raast? Op deze plaats is hij diep, nauw en rotsachtig, en ofschoon
somtijds een kind van de eene klip naar de andere kan waden, is
hij in dezen tijd gezwollen, en door den velen regen een waterval
geworden. Toch moeten wij het uiterste beproeven, indien ons anders
niets overblijft. Voorloopig raad ik u aan, den moed niet te laten
zakken en alles te doen, wat gij kunt, om het getal uwer vijanden
te verminderen, daar gij het aantal uwer vrienden niet vermeerderen
kunt. Wilt ge daarom — aldus voegde hij er snel bij — schieten op
•dien boosaardigen schurk, die daarginds als een stuk hout op den
grond ligt en kruipend de bouwvallen nadert, dan heb ik er niets
tegen.
Bij deze woorden, op zacht fluisterenden toon gesproken, trok
Nathan den jongen man achter een hoop over elkander gevallen bal-
ken, in welks onmiddellijke nabijheid zij zich bevonden, terwijl hij zijn
best deed hem den vijand aan te duiden, dien zijn oogen juist hadden
opgemerkt, op het oogenblik, dat deze, met de kronkelende bewegingen
van een slang, naar het blokhuis kroop. Roland\'s oog was nog niet
gewoon voorwerpen in de duisternis te onderscheiden, en het gelukte
hem ook niet den naderenden vijand te ontdekken.
—  Indien ge het mij niet als een zonde of bloedschuld aanrekent,
zal ik de buks voor u aanleggen, zoodat ge slechts behoeft los te
drukken, — zei Zwervende Nathan.
De man des vredes was op het punt Roland dezen vriend-
schapsdienst, dien hij met zijn geweten scheen te kunnen overeen-
brengen, te bewijzen, toen zijn goed voornemen werd verij-
deld, doordat de wilde plotseling overeind sprong en met een dozyn
anderen, die allen uit de aarde schenen op te rijzen, onder een
vreeselijk geschreeuw, op de bouwvallen losstormde.
De snelheid en onstuimigheid van den aanval vervulden
-ocr page 88-
92                                                        HET BELEG.
Roland\'s ziel met den grootsten angst. Hij schoot zijn buks af en
greep naar zijn pistolen, terwijl hij in zijne verbeelding reeds zag,
hoe de bloedige vingers van een wilde de glanzige lokken zijner
zuster grepen, toen Nathan uitriep:
—  Bloed op mijn handen, maar niet op mijn hoofd! Val ze
aan! schiet die moordzieke honden dood!
Bij deze woorden vuurde hij zijn buks op de bende af. Roland
volgde oogenblikkelijk met zijn pistolen, en de werking was zoo
krachtig, dat de aanvallers, op één na, deinsden en bleven staan.
Die céue bezat echter moed genoeg om de omsingelden te naderen,
terwijl hij zijn makkers tevergeefs toeriep, hem te volgen.
—  Ge moogt niet vergeten, dat ik alleen vecht om het leven
der onschuldige vrouwen te beschermen, — fluisterde Nathan
Roland in het oor.
En nu was het, alsof zijn eerste krijgsbediijf hem voor altijd
van zijn vredelievende verplichtingen had ontslagen. Een moed,
een dorst naar bloed, grooter zelfs dan die van den jongen krijgs-
man, ontwaakte in hem en scheen hem blindelings te beheorschen.
Hij stormde op den naderbij komenden Shawnee los, gaf dezen met de
kolf van zijn zware buks een slag, die hem de hersenpan ver-
brijzelde, als ware ze van glas geweest, en den man op de plaats
doodde. Daarna snelde hij, met de vlugheid van een hert, naar de-
bouwvallen terug, om de kogels der overige wilden te ontwijken,
greep de hand van den verbaasden en verheugden jongen man,
drukte haar met alle kracht, en riep:
—  Ge ziet, vriend, waartoe ge mij hebt gebracht! Ge
zaagt mij menschenbloed vergieten! Nochtans, vriend, zullen de
schurken uwe arme zuster niet dooden, geen haar zal worden
gekrenkt op Edith\'s en Telie\'s hoofd.
Gelukkig werd de dapperheid van den vreedzamen man bij
die gelegenheid gesteund door Pardon Fertig en den neger, daar
gene uit zijn schuilplaats in de kloof, deze van uit de bouwvallen
het vuur onderhield. De vijanden, aldus op een ernstige wijze
gewaarschuwd voor het naderen van een vesting, die, zooals zij
natuurlijkerwijs moesten veronderstellen, door acht kloeke mannen
— want zoo groot was, met inbegrip der pistolen, het aantal schiet-
werktuigen — was bezet, trokken zich zoo snel mogelijk in de bos-
schen terug, waar zij den aanval slechts van tijd tot tijd
herhaalden, door een oorlogskreet of een schot, wat op de bouwvallen
zonder uitwerking bleef.
Roland maakte van het staken der vijandelijkheden gebruik,
-ocr page 89-
93
DE VLUCHT.
om rondom het huis te kruipen en zijn zuster eenige woorden van
troost toe te spreken. Zij legde een mate van bedaardheid aan den
dag, zooals hij nauwelijks had durven verwachten. Het was echter
slechts de kalmte der vertwijfeling, een verlamming van den geest,
voortspruitend uit overspanning, waarin zij bleef, onbewust van
hetgeen er rondom haar voorviel.
IX.
DE VLUCHT.
vijand, tweemaal teruggedreven, telkens met aanzien-
lijk verlies, zag nu in, hoe dwaas het was, zich te veel bloot
te stellen aan het vuur der reizigers, en ofschoon hij had moeten
vluchten, bleek hij toch niet genegen verder terug te wijken
dan noodig was, om zich tegen de kogels der blanken beschermd
te zien.
De Indianen verborgen zich op verscheiden punten achter
de boomstammen, rotsen en struiken, terwijl zij zich zoodanig
verdeelden, dat zij een kring rondom de bouwvallen vormden,
slechts* open aan den kant der rivier, en waarlangs zij
ontvluchting voor onmogelijk hielden. Zij waren er op bedacht
het gebouw zooveel mogelijk in het oog te houden, en vuurden
van tijd tot tijd hun geweren er tegen af, gevolgd steeds door een
vreeselijk gebrul, waardoor zij poogden den reizigers vrees aan te
jagen.
Nu en dan kroop een enkele krijgsman, moediger dan de
anderen, tot in de nabijheid der bouwvallen, zocht zich achter
het een of ander voorwerp te verbergen, en schoot zijn buks
af op een vermolmden balk of iets anders, dat zijn phantasie in
het lichaam van een der reizigers had veranderd.
Dezen hadden echter zorg gedragen in de bouwvallen hun
-ocr page 90-
94                                                         DE VLUCHT.
standpunt zoodanig te kiezen, dat zij het best beschermd waren,
en ofschoon de kogels veelvuldig en in de onmiddellijke nabijheid
om hun ooren floten, zoo was toch geen hunner verwond geraakt.
Ook bestond er, zoo lang de nachtelijke duisternis hen begunstigde,
geen reden tot groote bezorgdheid.
Nochtans kwamen allen spoedig tot het inzicht, dat die
toestand van veiligheid niet lang kon duren, en zij het slechts
aan de omstandigheden te danken hadden, dat de vijand van het
voordeel, dat hij op hen had, nog geen gebruik had gemaakt. De
toestand der bouwvallen was van dien aard, dat een dozijn moedige
en vastbreaden mannen, die zich verdeelden en over den grond
kropen, elk oogenblik onopgemerkt in elk gedeelte van het blok-
huis konden komen, waar dan een snelle aanval de belegerden
in hun macht moest brengen.
Een openlijke aanval van de gezamenlijke belegeraars, wier
aantal Nathan op vijftien tot twintig schatte, zou ongetwijfeld dien
uitslag hebben gehad, al zou ook het verlies van vele menschen-
levens daarvan het gevolg zijn geweest.
Een schot in het wilde kon elk oogenblik een van de
bezetting verwonden of ongeschikt maken voor den strijd, en
daardoor een gewichtig punt van het blokhuis blootgeven, welks
vervallen staat elke verdediging van binnen geheel onmogelijk
maakte.
Hetgeen hun het meest bezorgdheid inboezemde, was echter
het feit waarop Nathan reeds vroeger had gewezen, dat,
indien ook allen de gevaren van dien nacht hadden overleefd, het
niet twijfelachtig was welk lot hen wachtte, indien de dag aanbrak
en de vijand duidelijk de geringe getalsterkte der belegerden kon
onderscheiden. Roland gevoelde, dat, zou de hulp niet te laat
komen, deze moest gevonden worden vóór het aanbreken van
den dag. Maar zij konden alleen zich zei ven helpen, want Roland
wist immers, dat de overste Bruce reeds sedert lang was uit-
getrokken, om deel te nemen aan den strijd in het noorden van
Kentucky. En zijne vrienden, de overige landverhuizers, op welke
wijze zou hun van zijn toestand worden kennis gegeven? Hij dacht
er aan, zich moedig door de rijen der belegeraars heen te slaan,
en opperde honderd plannen omtrent de wijze, waarop zij hun
vlucht zouden kunnen ten uitvoer brengen. Nu eens wilde hij zijn
getrouw ros bestijgen, zich op de vijanden werpen, zich bloot-
stellen aan hun kogels, hun opmerkzaamheid afleiden en hen daar-
door misschien verleiden hem te vervolgen, terwijl Nathan en de
-ocr page 91-
95
DE VLUCHT.
overigen, met Edith en Telie aan den anderen kant, zich uit de voeten
konden maken; dan weer wilde hij zich met dezen in den stroom werpen
•en het aan de kracht der paarden overlaten hen naar den tegen-
overliggenden oever te brengen.
Terwijl Roland deze plannen opperde, bleek Nathan, in weerwil
van zijn gewetenswroeging en zijn boetvaardigheid, weinig genegen
den strijd op te geven. Hij schoot integendeel met de grootste
bereidwilligheid op elk boosaardig Shawnee-individu, dat zich ver-
toonde, Roland opwekkende hetzelfde te doen, terwijl hij gedurende
het gehecle verloop van den strijd een voorbeeldige vastberadenheid
en waarlijk mannelijken moed aan den dag legde.
Roland gevoelde echter, dat vastberadenheid en moed, hoezeer
hij ook zelf die eigenschappen bezat, slechts dienden om het lot
der reizigers eenige uren uit te stellen.
De nacht liep snel ten einde, de aanvallers werden ver-
meteler, en te oordeelen naar het luid geschreeuw en de sneller
op elkaar volgende schoten, scheen hun aantal, ondanks het door
de belegerden onderhouden vuur niet alleen niet verminderd, doch
door de langzamerhand uit het woud terugkeerende kondschappers,
veeleer te zijn vermeerderd. Terzelfder tijd moest Roland tot de
ontdekking komen, dat het hem weldra aan kruit en lood zou gaan
ontbreken.
—  Vriend. — zeide Nathan, toen Roland hem deelgenoot
maakte van zijne vrees er — staat geschreven, dat uwe vrouwen
voor uwe oogen zullen worden vermoord. Nochtans wil ik mijn
best doen haar te redden. Ik moet u verlaten en hulp gaan
halen. Kunt ge het blokhuis tot den morgen verdedigen? Maar
het is een dwaasheid om dat te vragen. Ge moet het ver-
dedigen, al hebt ge ook niemand om u te helpen dan den ouden
Kaiser en Pardon Fertig, want ik moet door de rijen der Indianen
heenbreken, om hulp voor u te vinden.
—  Hoe zult ge veilig door hun posten kunnen sluipen? — vroeg
Roland. —\'■ Maar ik weet het: wij doen allen te zamen een schijn-
uitval op die schurken, en inmiddels springt gij op mijn Briareus en
vliegt zoo snel als de wind van hier.
—  Het zou goed zijn, indien ik van de snelheid van uw
paard gebruik kon maken, — antwoordde Nathan, — maar het
rijden door een bende bloeddorstige Indianen is niet zoo gemakkelijk
als ge denkt. Neen, ik moet heel stil kunnen ontsnappen en door
de vijanden heensluipen, opdat ze niet weten, dat uwe strijdkrachten
verzwakt zijn.
-ocr page 92-
9G
DE VLCCHT.
—  Maar dat is onmogelijk, volkomen onmogelijk ! — riep Roland\'
verdrietig uit.
                             ,
—  De onderneming is zeker niet zonder gevaar, maar om
der wille van de arme vrouwen moet het gewaagd worden, —
antwoordde Nathan. — Gelukt het mij door hen heen te komen
en uwe vrienden te bereiken, dan zal ik ongetwijfeld uw leven
kunnen redden; gelukt het mij niet, dan bespaar ik mij ten
minste het vreeselijk schouwspel de arme vrouwen gescalpeerd te
zien. Ik moet door de vijanden heenkruipen als een slang;
met Gods hulp en die van kleinen Peter, hoop ik dat het mij geluk-
ken zal.
—  Welnu, ga dan en de Hemel zij met u! — zei Roland,
die er, bij den wanhopigen toestand waarin hij verkeerde, geen
bezwaar in zag om van Nathan\'s edelmoedig aanbod gebruik te
maken. — Ons leven ligt in uwe hand. Wacht dus niet langer
het weinigje dat ik bezit, zal voortaan het uwe zijn.
—  Vriend, — antwoordde Nathan trotsch, — wat ik doe, ge-
schiedt niet uit zucht tot nietig gewin, maar uit medelijden met
die hulpelooze vrouwen. Ik zal doen wat ik kan, en eerst dan,
wanneer de vijanden achter mij zijn, zal ik mij voortspoeden en
sneller ijlen dan uw paard om uwe vrienden te bereiken. Spaar
intusschen uw kruit niet en strijd dapper. Als ge dit doet, zal
ik te rechter tijd met zekere hulp terugkeeren.
Roland beloofde zijn best te doen, en nu maakte Nathan
zich gereed de reis te aanvaarden. Hij behoefde weinig toebe-
reidselen te maken. Zijn kruit en lood gaf hij aan Roland, trok
zijn leeren kleedij omhoog, opdat deze hem niet bij het gaan
zou hinderen, en riep ten slotte kleinen Peter, die tot
hiertoe rustig in een veiligen hoek van het blokhuis had gelegen.
Aldus gewapend met geweer en mes, een enkel schot kruit in
zijn kogeltasch en vóór zich kleine Peter, die hem tot wegwijzer
diende, maakte Nathan zich op tot de reis, met een opgeruimdheid,
die in Roland\'s hart plotseling argwaan wekte.
—  Nathan, — zei hij, diens hand krachtig drukkende,
— ge zult toch niet heengaan om ons voor altijd te verlaten?
Bij den Hemel, indien ge ons zoo schandelijk aan den dood
kondt prijsgeven, zou God in den hoogsten nood ook u verla-
ten.
—  Vriend. — antwoordde Nathan kalm en koel, — indien
ge wist, wat het zeggen wil, door een legerplaats van wilden te
sluipen, zoudt ge spoedi» inzien, dat een lafaard en een verrader,
-ocr page 93-
DE VLUCHT.                                                        97
•om zich te redden, een anderen weg zou inslaan. Indien gij op
uw post zoo trouw blijft, als ik op den mijnen, zal alles goed
gaan. Vaarwel! Ik zal öf hierbij omkomen en dan het weegeklaag
der arme vrouwen niet hooren, öf ik blijf leven, en dan kunt ge
zeker zijn van hulp en redding.
Met deze woorden schudde hij Roland de hand en begon daarna
zijn gevaarlijk werk, met een moed en zelfverloochening, die Roland\'s
bewondering in de hoogste mate zouden hebben gewekt, indien hij
dit alles op de juiste waarde had kunnen schatten. Hij wierp zich
op den grond en fluisterde kleinen Peter toe: — Nu, Peter, indien
ge uw meester ooit trouw hebt gediend, toon dan nu, wat ge
kunt. — Daarna sloop hij onhoorbaar door de bouwvallen heen,
zijn pad tastend van boom tot boom, van struik tot struik, steeds
het dier volgend, dat de richting van den te nemen weg scheen te bepalen.
Weinige oogenblikken later was Nathan uit Roland\'s gezicht
verdwenen. Deze liet nu door de achtergebleven vrienden een
vol salvo op den vijand afvuren, ten einde diens aandacht van
Nathan af te wenden. Onder een wild geschreeuw werden de
schoten beantwoord, en dit stelde Nathan in de gelegenheid de
stelling der Indianen ongeveer te leeren kennen. Nog een salvo,
•een derde werd afgevuurd, en nu, nadat het geschreeuw, en geraas
hadden opgehouden, luisterde Roland, met kloppend hart, om althans
•den vermoeclelijken uitslag van Nathan\'s waagstuk te weten
te komen. Hij lette op elk gerucht, maar tevergeefs. Men hoorde
niets dan van tijd tot tijd den knal van een afgeschoten buks,
het gehuil van een wilde, het bruisen van den stroom en het
rollen van den donder. Overigens bleef alles rustig. Roland
hoopte reeds, dat Nathan mocht zijn ontkomen, toen plotseling
een gillende kreet, die weerklonk aan den kant door Nathan inge-
slagen, hem het bloed in de aderen deed verstijven. Het scheen
hem toe, dat Nathan was gevangen genomen, en die bezorgdheid
vermeerderde nog, toen plotseling al het schieten en het gehuil
ophield en er tien minuten lang zulk een volkomen stilte heerschte,
dat men, duidelijker dan ooit, het ruischen van den wind in de toppen
der boom en kon vernemen.
— Ze hebben hem gevangen genomen, den ongelukkige! —
zuchtte Roland. — Ons lot is beslist!
Dit .vermoeden scheen door een luid juichend gehuil van den
vijand bevestigd te worden, want in het volgend oogenblik werden
•de bouwvallen als door de gezamenlijke vijanden bestormd. Maar het
gaf Roland zijn vastberadenheid terug.
-ocr page 94-
98
DE VLUCHT.
— Vuur! Vuur! — riep hij met donderende stem tot zijne-
metgezellen. — Indien wij moeten sterven, dan zullen wij ten
minste vallen als mannen!
Hij zelf volgde het eerst zijn bevel op en vuurde zijn ge-
weer en zijn pistolen af op de donkere gedaanten, die de bouwval-
len binnendrongen. Pardon Fertig en de neger ondersteunden hem
uit alle macht, door het afschieten der overige pistolen en geweren,
en deze vastberaden verdediging was oorzaak, dat de aanvallers,
een weinig verbluft, weder retireerden. Zij namen hun vorige stel-
lingen weder in en onderhielden van daar uit een onophoudelijk
vuur. De vermetelsten slopen voorzichtig naderbij en verborgen
zich in een meer verwijderd gedeelte der bouwvallen, vanwaar zij,
zonder handgemeen te willen worden, den strijd voortzetten op een
wijze, die het hart van Roland met de grootste bezorgdheid moest
vervullen, want hunne kogels vlogen zoo dicht om het blokhuis, dat
hij vreesde, dat een er van de ongelukkige bewoonsters mocht be-
reiken.
Reeds overlegde hij bij zich zelven, of het niet beter zou
zijn de vrouwen naar de nabijgelegen bergkloof te geleiden,
toen opeens een bliksemstraal, naar hij meende uit den dichtsten
drom der vijanden, te voorschijn schoot, over zijn hoofd vloog en
vlammend en sidderend, als een vurige pijl, in de overblijfselen
van het dak bleef hangen. Deze schoten, waarop steeds meerdere
volgden, versterkten Roland in het eenmaal opgevatte besluit om
de vrouwen naar een veiliger plaats te voeren. Wel behoefde
hij niet te vreezen, dat het vochtige, door den regen gedrenkte
dak vuur zou vatten, maar nochtans diende elke pijl, zoo lang
hij brandde, den vijand -tot een fakkel, die hem weldra den hul-
peloozen, zwakken toestand moest verraden, waarin het reisgezel-
schap zich bevond. Vol bezorgdheid leidde hij de vrouwen naar de
kloof, verborg haar onder rotsen en struiken, en keerde daarna naai-
de bouwvallen terug, wel is waar bijna zonder hoop, doch met
het vaste besluit zijn leven tot het uiterste tegen de bloeddorstige
Indianen te verdedigen.
Bij den eersten aanblik bemerkte Roland, dat er nog steeds
vurige pijlen op het dak van het blokhuis werden afgeschoten. Daar
zij echter door de vochtigheid slechts onvolkomen aan het doel be-
antwoordden, lieten de Indianen weldra hunne proefnemingen
varen. Een betere bondgenoot scheen hun de maan te zullen
worden, die juist boven het woud verrees en van tijd tot tijd
haar bleek licht door de gescheurde wolken liet schijnen.
-ocr page 95-
99
DE VLUCHT.
Ofschoon een flauw schijnsel, was het toch altijd helder genoeg om de
zwarte duisternis te verlichten, die tot hiertoe de beste beschermster van
Roland en diens gezellen was geweest. Roland wist dit wel, maar
toonde naar het uiterlijke moed en vastberadenheid, ofschoon zijn
ziel van bange voorgevoelens was vervuld.
Alle moed en alle waakzaamheid was echter niet in staat
den vijand te berooven van het voordeel, dat hij door het be-
zetten der buitenste gedeelten van de bouwvallen had behaald. Van
hier uit onderhielden vier of vijf Roodhuiden een onafgebroken vuur
op het blokhuis, dat gelukkig niet veel schade meer kon aanrichten,
sedert de vrouwen daaruit waren verwijderd. Wat zou het echter
zijn, indien het blokhuis zelf hun in handen viel? Van uit de
bergkloof kon men zich nauwelijks verdedigen, daar zij volkomen
door de ruïne kon worden bestreken.
Ongeveer anderhalf uur was er nu verloopen, sedert het oogen-
blik, dat Nathan zich had verwijderd, en opnieuw ontwaakte in
Eoland\'s ziel de hoop, dat hij aan de vervolgingen der vijanden
toch wel had kunnen ontkomen.
— En indien dit het geval is, — dacht hij, — dan
moet hij zich ook dicht in de nabijheid van de legerplaats mijner
vrienden bevinden, en kan het niet lang duren, dat de door allen
verlangde hulp ons van daar uit gewordt. Den Hemel zij dank! de
maan verbergt haar licht achter de wolken en opnieuw weerklinkt
het gerommel van den donder. Kon ik het nog slechts één enkel
uur in de ruïne uithouden!
De wensch van den jongen man scheen vervuld te zullen wor-
den, want terwijl steeds nieuwe wolken zich voor de maan ophoop-
ten, begon het vijandelijk vuur te verflauwen en hield eindelijk ge-
heel op. Roland maakte van dit oogenblik gebruik, om zich naai-
den stroom te begeven en zich te versterken door een teug water,
waaraan hij, uitgeput als hij was, dringend behoefte had. Hij
wierp een blik op den stroom, wiens schuimende golven snel
voorbijbruisten, en ernstiger dan ooit overlegde hij, of hij niet
naar dien kant zijne vlucht zou kunnen ten uitvoer brengen. De
vloed was inderdaad wild en bruisend, maar tegenover de kloof
verbreedde de oppervlakte van den stroom zich aanmerkelijk, ter-
wijl het water aldaar kalmer gang had en ongetwijfeld zonder
gevaar kon worden o vergetrokken, indien niet een eiland
in het midden er van zijn vaart had gestuit. Dit werd vast-
gehouden door de wortels van ontelbare wilgen en vormde bij
wassenden vloed, wanneer het met drijfhout, dat tusschen de
-ocr page 96-
100                                                     DK VLUCHT.
boomen bleef hangen, bedekt was, een dam, waarlangs het
met gierende snelheid voortschoot, alsof het door niets werd
gestuit.
Roland meende, dat men voor zulk oen stroom niet al te
bevreesd behoefde te zijn. Een goed zwemmer kon gemakkelijk
het bewuste eiland bereiken en van daar uit, indien andere hinder-
nissen een verdere vlucht mochten belemmeren, zich met zekerheid
verdedigen tegen vijanden, die van don oever op hem schoten.
Zijn hart voedde hoop, en reeds peinsde hij over de mogelijkheid
om met zijn metgezellen te paard naar het eiland te zwemmen,
toen een heldere bliksemstraal hem toonde, dat dit slechts
uit heen en weer wuivende boomkruinen bestond, wier stammen
diep onder den gezwollen waterspiegel waren verborgen. Te gelijk
bemerkte hij, bij het heldere licht, de sterkte van den stroom in
het midden van het wad, en nu zag hij in, dat hij zich daar-
aan niet kon toevertrouwen, zonder tegen de stammen van het
drijfhou van het eiland verpletterd te worden. Aldus vervloog zijn
laatste hoop, en zuchtend zeide hij:
—  Zoo zijn wij dan inderdaad van alle kanten ingesloten en
de Hemel heeft ons verlaten.
Nog sprak hij deze klagende, moedelooze en dwaze woorden,
toen plotseling een klein roeibootje in den mond van de bocht
voer en met kracht tusschen het oevergras dreef. Een man
sprong er uit, en Roland schrikte, daar hij niet anders kon ver-
onderstellen, dan dat de wilden een middel haddon gevonden, om
hem ook van den waterkant aan te vallen. Hij verzamelde
nu al zijn moed, stortte met de sabel in de hand los op den
vreemdeling, die juist bezig was zijn boot aan den oever vast te ma-
ken, en gaf hem zulk een slag, naar hij meende op het hoofd, dat hij
terstond, schijnbaar dood, ineenzonk.
—  Sterf, hond! — riep hij, terwijl hij reeds den voet oplichtte,
om het lijk in het water te stooten, toen de Shawnee den mond
opende en in goed Engelsch schreeuwde:
—  De eeuwige dood over u, blanke I Hoe heb ik het
met je?
Roland herkende, tot zijn verbazing, terstond de onvergetelijke
stem van Ralph Stackpole, den paardendief, die snel van den
grond opsprong, en nu, terwijl hij zijn hoed, door Roland\'s sabel
middendoor gehouwen, zonder den drager zelf te kwetsen, in het
water slingerde, op hem losstormde, om hem den houwte vergelden,
hem met zulk een kwade bedoeling toegebracht. Een nieuwe
-ocr page 97-
DE VLUCHT.                                                     101
bliksemstraal deed hem echter in zijn tegenstander kapitein Roland
Forrester herkennen, en nu brulde hij het uit van vreugde.
—  De eeuwige dood over me! — krijschte hij, in de handen
klappend, en, onder sprongen, zijn hielen tegen elkander slaande.
— Gij zijt het, kapitein! Kijk, ik wist, dat ge in gevecht waart
gewikkeld, want ik hoorde het knallen der buksen en het gehuil
der Indianen. De eeuwige dood over me! dacht ik, daar moet je
heen, om die engelachtige dame, die je van de galg heeft gered, bij te
■staan. En nu, vreemdeling, ben ik hier, en wil ik vechten tegen allen,
witten en rooden, zwarten en gespikkelden, opdat haar, die mij
het leven redde, niets kwaads geschiede! Breng mij bij haar, en ik
zal haar vijanden opeten en verslinden, totdat er niets meer dan de
haren en de nagels van hen overblijft.
Roland sloeg weinig acht op de verwarde grootspraak van
dien halven gek, en vroeg slechts op welke wijze hij hier was ge-
komen.
—  Daar in die kano! — antwoordde Ralph. — Ik vond
haar onder dat struikgewas verborgen, hieuw mij in een ommezien
■een rocispaan met den tomahawk, sprong er in, dacht aan de
dame, en schoot bliksemsnel, als een watervlieg, met den stroom
voort. Vreemdeling, hier ben ik. Ik ben echter niet gekomen om
te zwetsen, maar alleen om u te toonen, dat ik, als een hond,
voor die engelachtige dame kan sterven. Waar is zij, vreemdeling?
Laat mij haar aanschouwen, opdat de woede van den wolf zich
van mij meester make, en ik te midden der Roodhuiden springe, als
een tijger onder de lammeren!
Roland gaf hem geen antwoord, maar leidde hem zonder meer
naar de vrouwen, die op de naakte rotsen zaten, en, in het bewust-
zijn van haar ongeluk, bitter weenden.
—  De eeuwige dood over mij! — brulde Ralph, toen hij
Edith\'s bleek aangezicht zag, — als zulk een schouwspel mij niet
tot oen panter maakt, dan mag ik zelf met huid en haar ver-
slonden worden! O, schoone dame, zie op en spreek een enkel
woord, want ik ben bereid om als een wilde kat voor u te vechten.
Wees onbezorgd en laat de wanhoop u niet overheerschen! Want,
ben ik niet Ralph Stackpole, uw slaaf? Ben ik niet gekomen, om
alles op te eten, wat tegen u is, Mingo, Shawnee, Delaware, alles!
•O, engelachtige dame, sterf nu niet, maar geef acht, en zie, hoe ik ze
verslind!
—  Geen woorden meer, man! — zeide Roland, die ondanks
■den afkeer, dien hij voor den paardendief koesterde, verheugd was
Kapitein Roland.                                                              7
-ocr page 98-
102                                                      DE VLUCHT.
over zijnen ijver, — toon uw dankbaarheid door daden, en zeg mij,
in \'s Hemels naam, hoe het u gelukte deze plaats te bereiken, en
of er hoop bestaat, dat wij haar weder zullen kunnen verlaten.
Na veel moeite gelukte het Roland den man aan het ver-
tellen te krijgen, en nu bleek het, dat deze dag voor den paarden-
dief even rijk aan gebeurtenissen en even ongelukkig was geweest,
als voor den jongen krijgsman. Ralph zag zich nauwelijks uit zijn
gevaarlijken toestand bevrijd, of het jonge paard, dat hij bereed,
wierp hem af, en galoppeerde terug naar de plaats waar het thuis
behoorde. Hij achtervolgde het een geruime poos, maar zonder
resultaat, en moest daardoor afzien van het voornemen om het terug
te krijgen. De nacht overviel hem, toen hij den oever van den
stroom bereikte, en aangezien deze zeer onstuimig voortbruiste,
waagde hij het niet hem over te steken. Daarom legde hij een vuur
aan, met het doel den ganschen nacht aldaar te kampeeren.
—  Mensch! — riep Roland uit, — het was dus uw vuur, dat
ons deed afzien van ons voornemen om den stroom over te steken,
omdat wij het hielden voor een Indianen-vuur?
—   Indianen, zegt gij, gij hebt gelijk, — antwoordde
Stackpole onbevangen; — ik zag een troep door het wad sluipen,
en juist toen ik op hen aanlegde en twee in één schot dacht
te vellen, schiet er een — dood en verderf zij zijn deel! —
achter mij en jaagt mij uit mijn schuilplaats op. Welaan, vreem-
deling, ik sprong snel in het bosch en maakte mij uit de voeten,
want ik geloofde dat de heele troep mij op de hielen zat.
En zoo sprong ik snel naar de bergkloof, terwijl ik hals over
kop den berg aftuimelde. Eu toen ik nog mijn hoofd stond te wrij-
ven, hoor ik van den anderen oever geweren knallen, terwijl ik
plotseling denk aan de dame. En er nog over peinzende, wat ik zal
beginnen, valt mij de kano in het oog, en ik spring, bij het schijn-
sel van het hemelvuur, er in en roei van daar, totdat ik einde-
lijk, na veel gevaren van moord en doodslag, hier aankwam. En
als ge mij vraagt waarom ik hierheen kwam, dan antwoord ik:
alleen om der wille van die engelachtige dame wier slaaf ik
ben. Ja, vreemdeling, de eeuwige dood over mij, maar ik wil met
de Shawnees vechten en voor haar sterven, alsof de dood een
vroolijke maaltijd ware!
—  Ellendeling! — riep Roland, wiens wrok tegen den
paardendief opnieuw ontwaakte, daar hij inzag, dat zijn tegen-
woordigheid aan het wad en zijn te ongelegener tijd aangestoken
vuur hem in den tegenwoordigen hachelijken toestand had gebracht,
-ocr page 99-
DE VLUCHT.                                                       103
— Ellendeling! zoo waar, ge zijfc tot ons verderf geboren! Zonder
u zou mijn arme zuster thans in- veiligheid zijn! Indien ze u
aan den beuk had laten hangen, zoudt ge niet aan de rivier
zijn geweest; om ons den eenigen weg af te snijden, die tot onze
redding voerde, terwijl de bloeddorstige Shawnees ons op de hielen
zaten.
Dit verwijt deed Stackpole voor het eerst den geheelen om-
vang begrijpen van de ellende, die hij, zonder het te willen,
over zijne weldoenster had gebracht. Een gevoel van berouw, dat
weldra in vertwijfeling overging, maakte zich van hem meester,
hartstochtelijk wierp hij zich voor Edith op de knieën.
—    De eeuwige dood over mij! — schreeuwde hij, — als
ik de man ben geweest, die u in het gevaar stortte, dan ben ik ook
de man om er u weer uit te helpen! Waar zijn die honden van
Indianen? Ik zal ze verslinden!
Bij deze woorden stond hij weer op, brulde als ware hij
bezeten, rende naar de ruïne, sprong hierheen en daarheen, en
herhaalde zijn luid gebrul zoo onophoudelijk, dat de loerende vijand
het niet onbeantwoord liet.
—    Hoort, langbeenige, eeuwig-tijdelijke, slangenkopachtige
hondengezichten! — brulde hij van een der puinhoopen naar be-
neden, waarheen Eoland hem snel was gevolgd, — hoort, kaal-
koppige, gerookte Roodhuiden, negerproducten, wasberen, adderen-
broedsel en paddentuig! Hoort, schoften, die de engelachtige dame
verschrikt en bedreigt, hoe ik u uitdaag tot den strijd! Komt
voor den dag en toont uw scalpen! Ik ben de man om ze te
nemen, ik, de alligator van de Zoutrivier! Kikeriki! Kikeriki!
Met zulk een gekraai besloot de waardige paardendief zijn
uitdagende rede, die een groote opschudding onder de Indianen
teweegbracht. Een woedend gebrul deed zich hooren, en men
vernam stemmen, die, in gebroken Engelsen, woedend schreeuwden:
— Wij hem kennen! Hij hondenschurk! Hij Stackpole, de Indiaan-
paardendief!
Op deze scheldwoorden volgden terstond geweerschoten,
in de richting van den gevreesden woudlooper, die eveneens zijn
buks liet knallen, en elk schot vergezeld deed gaan van een ge-
juich en een gehuil, dat in kracht zelfs het toornig gebrul der
Indianen overstemde. Daarbij trotseerde hij standvastig de vijande-
lijke kogels, en hij zou nog lang op zijn gevaarlijken post zijn
gebleven, indien Roland hem niet van de puinhoopen naar beneden
had getrokken en in het blokhuis, bij de overige verdedigers, had
-ocr page 100-
104                                                         DE VLUCHT.
gebracht. Hier zette Stackpole intusschen de begonnen vijande-
lijkheden onafgebroken voort, terwijl hij met een verbazende be-
hendigheid zijn geweer laadde en elk schot vergezeld deed gaan van
een gebrul, alsof hij telkens tien vijanden had neergeschoten.
Roland beschouwde hem met verbazing en niet zonder te-
vredenheid. Weldra echter begon hij te vreezen, dat Ralph\'s on-
heilspellende verschijning haar invloed nog altijd niet had verloren,
daar de wilden, zijn tegenwoordigheid ontdekkende, tot dubbele
woede werden geprikkeld. Zij vernieuwden hun aanvallen, hun
vuur werd levendiger, hun gebrul steeds wilder en bloeddorstiger,
en zij naderden de ruïne hoe langer hoe meer. Weldra werd
de toestand der bezetting zóó gevaarlijk, dat Roland, die een al-
gemeene bestorming vreesde, in het geheim de bouwvallen verliet en
onder de rotsen, aan den ingang der bergkloof, een schuilplaats zocht.
De vijanden, die volstrekt niets wisten van het plotseling
ontruimen der plaats, en ongetwijfeld geloofden, dat zij de ver-
dedigers slechts moer naar binnen hadden gedreven, vuurden thans
een dozijn salvo\'s tegen het blokhuis af, ongetwijfeld, om de al-
gemeene bestorming, die Roland vreesde, voor te bereiden. Deze
wendde zich nu tot Stackpole, en vroeg hem of hij het niet mo-
               \'
gelijk achtte de vrouwen in zijn boot naar een veilige plaats te
brengen.
—   De eeuwige dood over mij! — riep Stackpole, — hetv
is een moeilijke zaak, maar ik ben daarvoor de man, en zal de
engelachtige dame de rivier afbrengen.
—   En waarom hebt ge dat niet vroeger gezegd? — vroeg
Roland.
—  Wel, omdat ik eerst voor haar wilde vechten! — riep Stack-
pole. — Nu nog één schot op die beesten, en dan, vreemdeling,
gaat het er van door. Maar dit zeg ik u vooraf: een pleizier-
tochtje zal het niet zijn, wij zullen de paarden slechts met groote
moeite door die draaikolk kunnen brengen.
—   Denk niet aan ons en aan de paarden, — antwoordde
Roland. — Slechts de vrouwen gered! en ik ben tevreden. Wij zul-
len de kloof verdedigen, totdat hulp genaakt, hetgeen niet lang kan
duren, indien Nathan nog in leven is.
Zonder verder onnutte woorden te verspillen, snelde Ralph
naar den stroom, om de boot, tot redding der vrouwen, in ge-
reedheid te brengen, terwijl Roland zijn metgezellen Kaiser en
Pardon Fertig opwekte, om zich mannelijk en kloek tegen de aan-
vallen der Indianen te verdedigen.
-ocr page 101-
X.
DE GEVANGENNEMING.
ïl et bruisen van den stroom, gepaard met het rollen van
den donder, die thans weer altijd luider zich liet hooren, was
oorzaak, dat Eoland zeer bezorgd was, toen hij zijne zuster van
den grond hief, om haar in de kano neer te laten, en zijn angst
werd er niet minder op, toen hij het vaartuig meer nauwlet-
tend gadesloeg en bemerkte, dat het, bij zijn geringen omvang,
nauwelijks het gewicht zijner reisgenooten scheen te kunnen dragen.
Bovendien was het slechts plomp gebouwd, niets dan een aan
beide, uiteinden spits gesneden, uitgeholde boomstam, die meer
op een trog dan op een boot geleek. Indien Roland had gehoopt
zelf met de mannen in de kano te kunnen ontvluchten, dan moest
hij thans dat voornemen laten varen, want nauwelijks konden de
vrouwen er mede gered worden.
Hij besloot daarom, dat alleen Edith en Telie in de kano plaats
zouden nemen, torwijl de overigen zich op hun paarden moesten
verlaten.
— En nu voorwaarts, mannen! — riep Stackpole zijn met-
gezellen toe, die zich langzamerhand tot aan den stroom hadden
teruggetrokken. — Indien ge rijden wilt. geeft mij dan uwe ge-
weren, en haast u, want, de eeuwige dood-over mij1! daar wordt
het blokhuis reeds door die schurken bestormd!
Had Eoland werkelijk gehoopt de ruïne, tot de komst van
Nathan, te verdedigen, thans gaf hij zijn voornemen. geheel op.
Terwijl Ralph nog sprak, vlogen er brandende stukken hout dooi-
de lucht en vielen, door het verwoeste dak, in het binnenste van
het blokhuis, dat zij voor de helft met hun schijnsel verlichtten.
Onder een schrikbarend gejuich, stormden de Roodhuiden achteraan.
In het naastvolgend oogenblik echter vernam men het wilde
geschreeuw van teleurgestelde woede en verbazing, en weerklon-
ken er haastige schreden in de richting van de kloof.
-ocr page 102-
106                                           DE GEVANGENNEMING.
— Voorwaarts! — schreeuwde Ralph. — Vreemdelingen I
houdt u dicht bij de boot, als ge uw leven liefhebt!
De boot stak van wal. Roland, die het paard zijner zuster
aan den teugel leidde, zette Briarous aan, om zich in de schui-
mende golven te storten, terwijl hij Pardon Fertig en Kaiser toe-
riep zijn voorbeeld te volgen. Of dit geschiedde, kon hij niet be-
oordeelen, want het volgend oogenblik bevond hij zich in het
midden dor kokende golven. Een felle bliksemschicht, waarop de
zwartste duisternis volgde, schitterde en verblindde hem, terwijl
de stroom onophoudelijk voortbruiste en het vreeselijk gerommel
van den donder elk ander geluid overstemde.
Een tweede bliksemstraal flikkerde; bij zijn schijnsel zag
Roland, hoe hij door het water vloog, meegesleurd door den woe-
denden stroom, tusschen twee hooge muren, die door rotsen en
aangestroomd drijfhout werden gevormd. Hij beefde van ontzetting,
want die sombere en kale wanden, aan weerszijden, en de schui-
mende afgrond tusschen hen in, leverden een schouwspel, dat het
dapperste hart had kunnen doen beven. Roland hijgde naar
adem, toen hij de boot door de nauwe engte zag schieten en in het
volgend oogenblik verdwijnen, nog voordat het bliksemvuur van
den hemel was, alsof zij door den kokenden vloed was verzwol-
gen.
Maar in dit verschrikkelijk oogenblik restte hem niet veel
tijd voor bezorgdheid en overweging. Hij liet den teugel los,
waaraan hij het paard zijner zuster had vastgehouden, wendde
den kop van Briareus in de richting van den afgrond, schoot
het volgend oogenblik, te midden van volslagen duisternis en
met de snelheid van een pijl, tusschen de zich steeds vernauwende
rotswanden door, en bemerkte toen opeens, dat zijn ros in betrek-
kelijk kalmer water zwom. Een nieuwe bliksemschicht verlichtte
de rotsen en den stroom, en nu zag hij, nauwelijks vijftig voet
voor zich, de kleine boot in volkomen veiligheid dobberen, terwijl
de paardendief Stackpole luide juichte en zn\'n riem vroolijk boven
het hoofd zwaaide.
Nog klonk het lustige „hoera" van den onzinnigen Ralph, toen
Roland achter zich een brullend geschreeuw vernam, dat zelfs het
rumoer van den ziedenden vloed overstemde. Dit duurde slechts
een oogenblik, en indien het een door doodsangst afgeperste kreet
ware geweest, had het lijden niet lang geduurd. Roland begreep
terstond de oorzaak, want toen hij, in den eersten drang, om hulp
te bieden, den kop van zyn paard stroomopwaarts wondde, be-
-ocr page 103-
107
DE GEVANGENNEMING.
merkte hij, bij het licht van een flauwen bliksemstraal, twee of drie
donkere voorwerpen, in vorm overeenkomende met de lichamen
van paarden, die door de golven werden meegesleept, terwijl vlak
naast hen, uit de diepte van den stroom, een menschelijke
gedaante opdook. Deze greep htj met krachtige hand, trok haar
voor zich, over den zadel, en overtuigde zich met een enkelen blik,
<lat hij zijn trouwen neger, den ouden Kaiser, het leven had
gered.
—  Houd je aan het zadel vast! — riep hij hem toe, en terwijl
de zwarte met instinctmatige haast gehoorzaamde, wendde Roland
zich weder stroomafwaarts, om andermaal naar de kano om te
zien. Het volgend oogenblik echter kreeg zijn paard vasten grond
onder de hoeven en bemerkte Roland, tot zijn onuitsprekelijke
vreugde, dat hij op een vooruitstekende bank was aangeland,
waarheen de voortrollende golven ook de lichte boot hadden
meegevoerd.
—  Als dat nu niet als een bliksemstraal door den stroom heet
geschoten, dan mogen ze mij gerust een kikker noemen! —juichte
Ralph Stackpole den kapitein te gemoet. — Bruist nu maar voort,
woedende wateren! Ik ben uw man en kan u verslinden, als het
de redding van die engelachtige dame geldt. En wat nu de
Indianen betreft, die kunnen voor mijn part den stroom zijn scalp
ontnemen, want de onzen zullen ze niet licht meer krijgen!
Rolands eerste werk was zijn zoo gelukkig geredde zuster
in zijne armen te sluiten, en daarna zag hij om naar Pardon Fertig,
van wien nergens een spoor viel te ontdekken. Hij riep luide
zijn naam, maar, in plaats van een antwoord, weerklonk slechts
het gebrul van het water en het rollen van den donder. Ook de
•oude Kaiser wist niets aangaande hem mede te deelen. Hij her-
innerde zich alleen, dat de stroom hem tegen de boomstammen
had gedreven, waar hij het bewustzijn verloor, en eerst weer tot
zich kwam, toen hij zich door Roland\'s hand voelde grijpen.
Roland moest derhalve tot zijn leedwezen veronderstellen, dat de
arme Pardon Fertig den dood in de golven had gevonden. In deze
opvatting werd hij nog versterkt door het feit, dat van de vijf
paarden slechts drie den oever hadden bereikt: Briareus, het
paard zijner zuster en dat van den vermoedelijk verongelukten Pardon
Fertig. De overige waren of verpletterd tegen de rotsen en stam-
men van het drijfhout, of door het water meegesleurd.
Roland betreurde dit verlies, maar had geen tijd om zich
lang daarover te beklagen, want zijne reisgenooten konden nog
-ocr page 104-
108
DE GEVANGENNEMING.
geenszins als gered worden beschouwd, en hij moest zich haasten
om hen nog, vóór het aanbreken van den dag, naar een veilig oord
stroomafwaarts te leiden, en van daar naar de legerplaats der
vooruitgetrokken reizigers te brengen. Dit voorstel werd met vreugde
aangenomen. Roland hief zijne zuster op haar telganger en Telie
Doe op het paard van den verongelukten Pardon Fercig, gaf zijn
Briareus aan den volkomen uitgeputten neger, en maakte zich
gereed om zelf de reis te voet te vervolgen. Hij plaatste zich in de
achterhoede, wenkte Ralph Stackpole om hem te volgen, en opnieuw
drongen de reizigers de dichte wildernissen der eeuwen-oude-
bosschen binnen.
Toen men zich op weg begaf, brak de morgen reeds aan.
Men zou de eerste lichtstralen aan den oostelijken hemel hebben
kunnen zien, indien deze niet met dichte wolken ware bedekt ge-
weest. Zij moesten derhalve van de weinige minuten, dat de nog
heerschende duisternis zou aanhouden, gebruik maken, om, vóór
het aanbreken van den dag, buiten het bereik der arglistige
Indianen te zijn.
Allen, hoe uitgeput ook, spanden hun uiterste krachten in.
Ofschoon dicht struikgewas en tal van moerassige plaatsen hen dik-
werf in hun tocht zeer belemmerden, beweerde Roland nochtans,
dat de verlaten ruïne minstens een uur achter hen lag, toen" het
daglicht eindelijk het dichte woud binnendrong. Do reizigers haalden
nu vrijer adem; hun opgeruimdheid vermeerderde nog, toen de
wolken plotseling werden gescheiden, en de zon, in ongerepte heerlijk-
heid, van den hemel naar beneden straalde.
Weder ging er een uur voorbij, waarin Ralph zich tusschen
het riet en door de moorassen heenwerkte, wat hem meer aanstond
dan een weg door het open woud. En inderdaad handelde hij op-
dit punt verstandig en met doorzicht, want het gevaar, op Indiaan-
sche verspieders te stooten, was in het hoogstammige woud grooter
dan in dat donkere, ongebaande struikgewas.
Toch bleek al spoedig, dat Stackpole\'s slimheid in dit opzicht
overdreven was. Voor hem zelf en de overigen zou het een geluk
zrjn geweest, indien hij, minstens in het eerste uur van de ont-
vluchting, op den rechten weg ware voortgesneld, in plaats van in
bijna onbegaanbare moerassen den kostelijken tijd te verliezen.
De vluchtelingen kwamen thans uit de struiken te
voorschijn en betraden een eng pad, door bisons, tusschen
plat getreden en verdord gras gebaand. Het leidde naar
een diepe bergkloof, waar zij het gemurmel en de schemering
-ocr page 105-
DE GEVANGENNEMING.                                           109\'
van het water, dat zij moesten doortrekken, konden hooren en
zien.
■— Hier, schoone dame! — schreeuwde Ralph juichend, —
hier is het wad, nauwelijks diep genoeg, om de vlekken van uw
teere zooitjes af te wasschen. Nu hebben wij het gewonnen, en
kunnen we die Indiaansche schoften duchtig uitlachen. Kikerikil
Kikeriki!
Met dezen schreeuw, die luid door de wildernis weerklonk,
wilde Ealph juist de helling van den stroom naderen, toen plotse-
ling zijn gejubel verstomde en plaats maakte voor een uitroep van
schrik. Een geweerkogel, nauwelijks op zes pas afstands van hem,
uit het bosch afgeschoten, floot hem door de haren en nam ereenige
bosjes van mede. Terzelfder tijd werden er nog een dozijn andere
schoten op de overige leden van het verschrikte reisgezelschap gelost,.
en sprongen veertien of vijftien Shawnees, onder luid geschreeuw,
uit het bosch te voorschijn, waarin zij tot hiertoe waren verborgen.
Drie van hen grepen den teugel van Edith\'s paard, terwijl het
dubbele aantal zich op Roland Forrester wierp, en deze, nog vóór
hij een hand ter zijner verdediging had kunnen uitsteken, zich reeds
op den grond zag geworpen en gebonden.
Den verbijsterden Ralph scheen het niet beter te zullen
gaan. Vier Indianen snelden, met opgeheven mes, op hem toe en
riepen juichend: — Hebben u nu, paardendief! Hebben u, kapi-
tein Stackpole! En nu niet meer loslaten! U braden aan een
groot vuur!
— De eeuwige dood over mij! — brulde Ralph, — zóó gauw
gaat dat niet! — En hij vuurde zijn buks, op goed geluk, tegen de
wilden af, was met één sprong verdwenen in het naastbijzijnde
bosch, waar zich een tamelijk steile helling bevond, en rende ver-
volgens voort, met de snelheid van een hert. Geweerschoten
knalden hem na, en drie tot vier Indianen volgden hem op den voet.
Hun geschreeuw, dat steeds meer in de verte weerklonk, vermengde
zich met de luide zegekreten, waarin thans de op de hoogte achter-
gebleven Roodhuiden losbarstten.
Roland was radeloos tot het uiterste. Hij zag, hoe de
oude Kaiser door de Indianen, tot bloedens toe, onder den voet
werd getreden; hoe men zijn bleeke, bevvustelooze zuster van het
paard trok; en zulk een grimmige woede vervulde hem, dat hij
reusachtige maar vergeefsche pogingen aanwendde, om zich van
zijn boeien te bevrijden. Hij verkreeg daarmee niets, als dat hij
door zijn vijanden werd bespot, dio er een barbaarsch genoegen
-ocr page 106-
110                                           DE GEVANGENNEMING.
in schepten, te zien, hoe hij zich vruchteloos uitputte. Intusschen
verdubbelden zij de touwen waarmede hij was vastgebonden,
en bonden zijne handen met een riem van buffelleer zoo vast
op den rug, dat hij het bijna had uitgeschreeuwd van de pijn.
Er waren echter nog geheel andere en veel bitterder smar-
ten voor hem weggelegd. Hij zag, hoe het bleeke gelaat zijner ge-
liefde zuster de grootste ontsteltenis uitdrukte; hoe zij om hulp
smeekend, de armen naar hem uitstrekte; hij zag de ruwe vreugde
der hardvochtige en gruwzame wilden, en verwachtte elk oogen-
blik, dat men het hoofd der teere vrouw met een slig van den
tomahawk zou verbrijzelen. Hij wilde om genade en erbarming
smeekon, maar de angst verlamde zijne stem en zijne zintuigen
begonnen hem te begeven. Een bezwijming breidde hare donkere vleu-
gelen over hem uit, en hij verviel in een toestand van bewus-
teloosheid, zonder —• en gelukkig voor hem — iets te bemerken van
hetgeen er rondom hem voorviel.
XI.
POGING TOT REDDING.
J. oen Roland weder tot bewustzijn kwam, was het tooneel
om hem heen geheel veranderd. Het luide, hoonende gejuich der
wilden was verstomd; niets verstoorde meer de diepe stilte der
wildernis dan het ruischen van het loover in den wind en het
zachte gemurmel der kabbelende golven. Zelfs de Roodhuiden waren
verdwenen. Om zich heen ziende, ontdekte hij geen ander levend
wezen dan een vogel, die boven zijn hoofd in de takken rond-
sprong. De jonge krijgsman gevoelde zich echter nog steeds
door de touwen in zijne bewegingen belemmerd, en plotseling
kwam het vreeselij k vermoeden bij hem op. dat de Shawnees het
-ocr page 107-
POGING TOT REDDING.                                            111
gruwzaam voornemen konden hebben gekoesterd, hem hier in de
wildernis, eenzaam en hulpeloos, te laten versmachten.
Die vrees duurde echter niet lang, want toen hij een wan-
hopige poging deed, om zich van zijn boeien te bevrijden, voelde
hij een ruwe vuist op zijn keel, terwijl een zware stem hem in het
oor fluisterde:
— Langmes stil liggen! Zien, hoe Piankischavv de broeders van
Langmes doodt! Piankischaw een groot krijgsman!
Roland wendde met moeite het hoofd om, en zag in het bosch
achter hem een grimmigen, ouden krijger, met woest voorkomen,
die hem nu eens met de koude wreedheid van een wilde kat aanzag,
dan weder den blik richtte naar de helling van den berg, waar
zeker iets bijzonders plaats had.
Roland, nog altijd geheel verward en verbijsterd, wilde eenige
vragen tot zijn bewaker richten; maar nauwelijks had hij den mond
geopend, of de Indiaan, een blank mes tegen zijn keel leg-
gende, zeide met nadruk: — Indien Langmes spreken, hij sterven!
Piankischaw met de broeders van Langmes vechten! Piankischaw
groot krijgsman!
Roland zweeg, en liet den vrijen loop aan zijne gedachten, die
juist niet van de vroolijkste konden zijn. Zij werden echter spoedig
afgeleid door een trappelend gedruisch in de verte, dat hij aanvan-
kelijk hield voor het gestamp eener naderende kudde buffels; maar
weldra bemerkte hij, dat het afkomstig moest zijn van paarden, die
in aller ijl kwamen aangesprongen naar het steenachtige pad, waarop hij
gevangen was genomen.
Zijn hart klopte van blijde hoop. Want wie konden die ruiters
anders zijn dan een schaar dappere Kentuckyers, door Nathan wel-
licht te hulp geroepen. Hij kon zich nu gemakkelijk het verdwijnen
der Indianen verklaren: ongetwijfeld hadden zij, bij de nadering van den
troep, hun schuilplaatsen weder opgezocht.
— Verbergt u maar, deugnieten! — mompelde hij grimmig, —
ditmaal zult ge niet ontkomen, nu ge met dappere mannen en niet
met verschrikte vluchtende vrouwen hebt te doen!
In de eerste opwelling zijner gevoelens beproefde hij het hoofd
op te heffen, om des te eerder de naderende vrienden te kunnen
zien. Tegen zijne verwachting werden zijne pogingen door den wilde
gesteund, die hem daartoe de gemakkelijkste houding deed aan-
nemen en met vreeselijken spot zeide: — Zóó kunt ge zien hoe
Piankischaw de scalpen van Langmes, uwen broeder, neemt! Pian-
kischaw een groot krijgsman, Langmes niets!
-ocr page 108-
112                                          POGING TOT REDDING.
Meermalen werden deze woorden door den Indiaan herhaald,
terwijl Roland opmerkzaam de streek beschouwde, die vermoedelijk
weldra het tooneel zou worden van een feilen strijd. De berg, waar-
om het buffelpad liep, was bijna geheel van boomen ontbloot; slechts
hier en daar stonden in het gras eenige kromme cederstammen, ter-
wijl de bodem op vele plaatsen diepe scheuren en spleten vertoonde,
noodzakelijke hindernissen voor de bewegingen der ruiters.
De wilden lagen op de loer, halverwege de helling, waar slechts
weinig boomen stonden, die de aanvallers konden beschermen,
terwijl gene zulk een goede, door rotsen en houtgewas bedekte stel-
ling luidden ingenomen, dat zij den voortdringenden veel schade kon-
den toebrengen. Nochtans koesterde Roland bijna in \'t geheel geen
bezorgdheid over den uitslag van den ophanden strijd. Het getal
Shawnees kon, naar zijne opvatting, nauwelijks vijftien of zestien
krijgslieden bedragen, terwijl zijne vrienden ongetwijfeld sterker in
aantal zouden zijn.
Hoe groot was zijne teleurstelling, toen de troep uit de
wouden te voorschijn kwam, en hij slechts een klein getal jonge-
lieden ontwaarde, die met zulk een groote haast naderbij snelden,
alsof zij er niet het geringste vermoeden van hadden, dat de vijand
zich in hinderlaag had gelegd. In den aanvoerder harkende hij
terstond den jongen Tom Bruce, gevolgd door ongeveer tien jonge-
lieden, welgewapend en van geweren voorzien, die zij gereed hiel-
den om terstond af te vuren. Vreezende, dat zij regelrecht op den
vijand zouden aanloopen, vergat Roland den hachelijken toestand,
waarin hij zelf zich bevond, en riep zoo hard hij kon: — Weest
voorzichtig voor de hinderlaag! Halt!
Meer kon hij niet zeggen, want zijn bewaker pakte hem bij
de keel, en scheen zeer geneigd hem het hoog opgeheven mes
in de borst te stooten. Roland bemerkte echter, tot zijn vreugde,
dat zijn geroep althans niet ongehoord was gebleven. De Kentuckyers
maakten oogenblikkelijk halt. Roland zag hen van de paarden
springen, die door een der jongelieden terstond achter den rug
van den berg werden gevoerd. Thans zwaaide Tom Bruce zijn
geweer, wees met de hand naar de hinderlaag der wilden, en riep
zijn metgezellen toe:
— Nu, jongens, daar zijn de arme gevangen vrouwen en de
Roodhuiden! Strijdt ter eere van Kentucky en ter wille van de vrou-
wen! Ieder op zijn plaats, elke kogel een Roodhuid! Jaagt de
beesten uit hun schuilhoeken opl
Deze toespraak werd met een luid gejuich beantwoord van de
-ocr page 109-
113
POGING TOT REDDING.
zijde der jongemannen, die hierop de bevelen van hun aanvoerder
gehoorzaamden. Zij verdeelden zich. Nauwelijks hadden de
Indianen dit gezien, of zij vuurden uit het bosch, in de nabijheid
van Roland, een salvo van zes of zeven schoten, die echter niemand
troffen.
—   Daar zijn de honden! — riep Tom, toen hij met zijn
makkers achter het nabijzijnde boschje sprong. — Toont, dat ge
mannen zijt!
—   Langmes groote gek! — schreeuwde de oude krijger, die
bij Roland de wacht hield. — Piankischaw ze opvreten!
Met deze woorden ijlde hij van daar, om zich bij zijne makkers
te voegen, en liet het aan Roland over zich over zijn boeien te
troosten,, zoo goed hij vermocht.
De strijd, die thans volgde, had voor den jongen krijgsman
iets geheel nieuws en eigenaardigs. In alle gevechten, door hem
bijgewoond, stonden de vijandelijke krijgers in het vrije veld te-
genover elkaar, zoodat zij elkaar in de oogon konden zien. Hier
echter zag niemand zijn tegenstander, daar beide partijen verborgen lagen
in het gras, en zich achter rotsen en struiken zoo zorgvuldig ver-
schansten, dat men slechts, door het nu en dan afvuren van een
buks, hun aanwezigheid kon bespeuren. Bovendien vocht hier
ieder voor zich, terwijl in het open gevecht de eene groep zich
tegenover de andere bevond, en men uit de ondersteuning der
naastbijzijnde kameraden steeds nieuwen moed en hoop putte.
Roland meende, dat in een gevecht, als dit. geen der
partijen groot nadeel kon ondervinden; maar het duurde niet
lang, of hij kwam van die dwaling terug. De strijdenden
kropen, zich zorgvuldig gedekt houdende, steeds dichter naar
elkaar toe, en de schoten, die in den beginne slechts spaar-
zaam vielen, knalden thans veelvuldiger. Ook bewees nu en dan
het gejuich van een Indiaan, of het wilde krijgsgeschreeuw
van een Kentuckyer, dat aan weerszijden de strijdlust aangroeide.
Te gelijker tijd bemerkte Roland, dat beide partijen zich over een
breede liuie verspreidden, en besloot hij daaruit, dat de Kentuckyers
zich wel wachtten rug en flank aan den vijand bloot te stellen,
maar daarentegen besloten waren hun tegenstanders op alle moge-
lijke wijzen en onder alle omstandigheden het, hoofd te bieden.
Op die wijze duurde de strijd verscheiden minuten achtereen
voort. Voor Roland, die van de strijdenden slechts weinig zag, en
niet bij machte was zich te mengen in het gevecht, welks uitslag
over zijn lot besliste, was dit een groote marteling.
/
-ocr page 110-
114
POGING TOT BEDDING.
Opeens sprongen, vol woede en strijdlust, drie jonge India-
nen uit hun schuilhoeken te voorschijn en stormden, met een luid
krijgsgeschreeuvv, op de Kentuckyers los. Roland sidderde, want hij
vreesde, dat die vermetele daad het begin was van een aanval der geheele
Indianen-schaar, die zonder twijfel hun in aantal zwakkere tegenstan-
ders tot den terugtocht zouden dwingen. De jonge krijgsman be-
droog zich echter, want nauwelijks verhieven zich de bruine gestal-
ten der wilden uit het gras, of te gelijker tijd werden er drie geweren
op hen afgevuurd. Elk schot bracht verderf onder de doldrieste
krijgslieden. Twee hunner stortten op de plaats zelf neder, terwijl
de derde, wild zijn strijdbijl zwaaiend, nog slechts een paar schreden
vooruitwankelde en daarna eveneens levenloos neerzeeg.
Het gejuich der Kentuckyers over dien gunstigen uitslag
weerklonk luide en vieugdevol, zij verzuimden geen oogenblik
om van het zoo gelukkig verworven voordeel gebruik te maken.
— Lang leve ons oud Kentucky! — riep Tom Bruce met ju-
belende stem. — Nog eens, jongens, geeft hun van katoen! En dan
voorwaarts! om de zwakke vrouwen te bevrijden!
Het geluid van de bevriende stem, dat op zulk een korten af-
stand werd vernomen, vervulde het hart van Roland met de meest blijde
verwachtingen, en zonder zich om de Indianen te bekommeren, riep
hij luide om hulp. Zijn geroep werd echter verdoofd door een wild
en woedend gebrul, waardoor de Indianen lucht gaven aan hun
smart en toorn over het sneven hunner drie makkers. De woede
verblindde hen zelfs zóó, dat zij alle voorzichtigheid, die hen tot
hiertoe had geleid, geheel uit het oog verloren. Allen snelden, ten
gevolge van een onweerstaanbaren drang, uit hun schuilhoeken het
open veld in, en stormden onder een gillend gehuil op de Kentuckyers
los. Hun ontijdige ijver weri echter spoedig gekoeld. Iedere Ken-
tuckyer mikte met de grootste koelbloedigheid op zijn man, en toen
het salvo weerklonk, verdwenen de aanvallers snel weder in het
gras en achter de boschjes, en zetten den strijd op de vroegere wijze
voort, die hun meer waarborgen voor hun veiligheid beloofde.
Van beide zijden werd nu onophoudelijk en hevig geschoten,
vooral van den kant der Kentuckyers, die, aangemoedigd door den
gunstigen uitslag, met steeds grooter stoutmoedigheid voorwaarts
drongen, zonder echter hun persoon meer bloot te geven dan hoog-
noodig was. Thans groeide ook Rolands hoop hoe langer hoe
meer aan, zijn vroegere moedeloosheid verdween geheel. Ten
gevolge van het levendig aandeel, dat hij aan het gevecht nam,
vergat hij zelfs de pijn, die de diep in het vleesch snijdende
- "Vv
-ocr page 111-
POGING TOT REDDING.                                             115
touwen hem veroorzaakten, en de lustige „hoera\'s!" der bevriende
krijgslieden deden zijn hart oneindig weldadig aan. Thans hoorde
hij, hoe Tom Bruce, te midden van het heetst van den strijd,
zijn makkers toeriep: — Komaan, jongens, laat nu nog eenmaal
de buksen knallen, en dan met de kolf, het mes en de strijdbijl
er op los!
Het had inderdaad den schijn, alsof de zware verliezen, welke
de Indianen getroffen hadden, don strijd zouden doen eindigen
ten gunste der blanken, en Roland bemerkte dan ook, dat de Rood-
huiden langzaam terugtrokken en hun vroegere schuilplaatsen weder
opzochten. Het volgend geroep van Tom Bruce scheen thans aan de
geheele zaak haar beslag te geven, daar het een besluit verried,
dat duidelijk zijn vertrouwen op de overwinning te kennen
gaf.
—  Klaar, jongens! — hoorde Roland hem opnieuw roe-
pen. — Nu met de geladen buksen er op los en geeft ze van
katoen!
Op dit oogenblik,» waarin alles zou worden beslist, en
Roland vol vertrouwen den gunstigen uitslag te gemoet zag, ge-
beurde er iets, dat plotseling verandering bracht in den toestand,
en den dapperen Kentuckyers de vruchten hunner koene en man-
hafte vastberadenheid ontnam. Nauwelijks had Tom Bruce de zooeven
genoemde woorden uitgesproken, of eene stem, nog doordringender
dan de zijne, weerklonk naast hem uit het bosch, die den Kentuc-
kyers toebrulde: — Zoo is het goed! De eeuwige dood over mij!
er op los, als een slachtershond, met klauwen en tanden! Messen
en schcdelsplijters, doet dien honden de kracht van uw staal gevoelen! .
Kikeriki! Kikeriki!
Op dit geschreeuw, dat zoo onverwacht weerklonk, keek de
jonge Tom Bruce achter zich en bespeurde de gestalte van Ralph
Stackpole, die zich juist een weg door de lage hazelnotestruiken
had gebaand. Met ontsteld gelaat zag hij den paardendief aan,
en zijn tot hiertoe zoo duidelijk betoonde moed week plotseling
voor schrik en ontzetting. Hij toch meende, dat Ralph sedert lang
opgehangen en gestorven was, en nu hoorde hij plotseling diens
welbekende stem, die hem met zulk een bijgeloovige vrees vervulde,
dat hij zijne positie, zijne makkers, de Shawnees en alles vergat,
behalve het feit, dat de geest van een gehangene zijn weg had
gekruist.
—  Hemel en aarde! — riep hij uit, — daar is Ralph Stackpole!
Met deze woorden rende hij weg, en liep in den blinde
/
#
I
-ocr page 112-
116                                            POGING TOT REDDING.
op den vijand aan, dien hij binnen enkele oogenblikken zou heb-
ben bereikt, indien, voordat hij vijftien schreden was genaderd, een
geweerkogel hem niet ter aarde had geworpen.
Ralph\'s verschijning bleef ook op de andere mannen niet zon-
der uitwerking. Zij werden, evenals Tom, aangegrepen door pani-
schen schrik, en daar de Indianen van hun verbijstering gebruik
maakten en op hen losstormden, was dit voorval en de val van
hun aanvoerder voldoende, om de lieden geheel in de war te bren-
gen. Zij sloegen op de vlucht on ijlden van het slagveld, alsof er
spoken achter hen zaten. Op de kampplaats bleven alleen de zwaar
gewonde Tom Bruce en nog twee anderen, door de kogels der India-
nen gedoode Kentuckyers. Vergeefs brulde Ralph, die thans begreep
•dat zijn onverwachte verschijning de ooizaak van den schrik was
geweest, dat hij geen geest maar een mensen was, van vleesch en
been; men hoorde hem niet, en er bleef hem ten slotte niets over
dan zoo goed hij kon zijn leven te redden.
■—De eeuwige dood over mjj! — brulde hij, en wilde juist
wegsnellen, toen een gesteen van Tom hem aan diens zijde
riep. — Zijt ge nog niet dood, Tom? — vroeg hij. — Welnu, sta
dan op, want hier is alles verloren!
—  Het is met mij gedaan, — zuchtte Tom. — Ik ben maar
blijde, dat ge geen geest zijt, en de galg nog eenmaal zijt ontkomen.
Vaarwel, Ralph, en beter ui
—  De eeuwige dood over mij-! zoo wil ik u niet verlaten ! —
brulde Ralph, terwijl hij hulp zoekend, rondkeek. Een gelukkig
toeval begunstigde hem. De Briareus van kapitein Forrester had
zich losgerukt en liep vrij op de kampplaats rond. In een ommezien
had Ralph hem opgevangen, tilde den gewonden Tom er op, en zag
nu met vreugde, hoe hij, in vliegende vaart, zijn makkers achterna-
rende. Daarop stormde hij zelf het bosch in, om de kogels der
Indianen te ontgaan, en kon weldra, daar alle slingerpadon hem
nauwkeurig bekend waren, met alle vervolging van de zijde der
Roodhuiden den spot drijven.
Roland was van alles, wat wij poogden mede te deelen, ooggetuige,
in een stemming, die zich moeilijk laat beschrijven. Van het top-
punt der hoop werd hij weder gestort in den afgrond der vertwijfe-
ling ; de gedachten en gewaarwordingen, die hem, na do vlucht der
blanken, vervulden, waren weinig opwekkend.
I
-ocr page 113-
XII.
DE SCHEIDING.
D o vervolging, waarvan do korte maar hevige strijd oorzaak
was geweest, hield langer aan dan een uur. Eerst toen kwamen
de Shawnees met hun buit, uit twee paarden bestaande, terug. Op
den rug der dieren zaten zooveel Indianen, als er slechts plaats
hadden kunnen vinden, juichend en jubelend, en zich meer aan-
stellend als moedwillige schooljongens dan als mannen, die meesters
van het strijdperk waren gebleven.
Die vreugde duurde niet lang. Toen zij op de kampplaats kwa-
men, veranderde deze plotseling in een klagend gehuil, dat, daaraan
twijfelde Roland niet, hun gevallen vrienden gold. Het weekla-
gen maakte echter spoedig plaats voor een andere uitbarsting van
gevoel, en ontaarde in een woedend gebrul, t toen de wilden
de lijken der twee gesneuvelde Kentuckyers bemerkten. Zij
snelden naar hun slachtoffers toe, traden dezen met voe-
ten, doorboorden de levenlooze lichamen met hun messen, brach-
ten hun met de tomahawks diepe wonden toe, en zoo groot was
hun opgewondenheid, dat zij, in hun woeste uitingen van hartstocht,
elkaar poogden te overtreffen.
Gedurende die barbaarsche handelingen naderden meerdere
Roodhuiden, onder wie ook hun aanvoerder Piankischaw, den
ongelukkigen Roland. Piankischaw hief, vóór den gevangene staande,
zijn strijdbijl op, en terwijl hij met een duivelachtigen blik op
Roland neerzag, wilde hij dezen met een enkelen slag het hoofd
verbrijzelen. Zijn metgezellen echter hielden zijn arm tegen,
fluisterden hem eenige woorden toe, waarop zijn grimmigheid plaats
maakte voor een woest en buitensporig gebrul van zegepraal.
— Goed! — schreeuwde hij, terwijl hij den kapitein met
spottende vriendelijkheid toeknikte. — Langmes niets doen! U
medenemen naar het volk van Piankischaw.
Kapitein Roland.                             /                                   8
-ocr page 114-
120
DE SCHEIDING.
Na deze woorden, waarvan Roland den zin niet begreep,
verwijderden zich de mannen weder, om de lijken der gevallen
krijgers te helpen begraven. Dezen werden naar den voet van den
berg gedragen, en daar zwijgend onder het kreupelhout of in rots-
kloven neergelegd. Na de plechtigheid wendden de Indianen
zich opnieuw tot Roland. Nauwelijks echter kreeg Piankischaw den
gevangene in het oog, of hij gevoelde plotseling andermaal de be-
geerte in zich opkomen om hem te dooden. Maar ook ditmaal
hielden zijn metgezellen hem daarvan terug, terwijl zij hem ander-
maal woorden toefluisterden, die zijn vroegere grimmigheid in vroo-
lijkheid deden verkeeren.
— Goedl — riep hij — Langmes gaan naar het volk van
Piankischaw! Grooto vertooning maken voor Piankischaw!
Terstond begon hij rondom den gevangene te dansen, maakte
daarbij zulke vreemde grimassen en verdraaide zijn lichaam
op zulk een wonderlijke manier, dat Roland het niet dan met de
grootste verbazing kon aanzien. Hierop begaven de Indianen zich
naar de plek waar reeds de overige Indianen waren verzameld,
om aangaande het lot van den gevangene een besluit te nemen.
Roland zag hen na en bespiedde de vergaderde mannen aan
de overzijde. Het werd hem duidelijk, dat de Indianen in het jongste
gevecht belangrijke verliezen hadden geleden, maar van zijne zuster
ontwaarde hij niets, evenmin als van Telie Doe. Hij bemerkte
echter achter een boschje, in de nabijheid der beraadslagenden,
een reusachtigen Indiaan, blijkbaar aldaar als schildwacht ge-
plaatst, en besloot daaruit, dat de Shawnees achter dat boschje de
arme vrouwen moesten hebben verborgen. Niet ver van hem lag
het lijk van zijn ouden dienaar Kaiser, die onder de mishandelingen
der wilden het leven er bij had ingeschoten.
Onder den buit, die weldra werd verdeeld, bevonden zich
behalve doeken, voorwerpen ter versiering, kralen, wapenen, pij-
pen en kruit, ook een paar flesschen vuurwater (waaronder de In-
diaan brandewijn verstaat). Een man, met levendige kleuren beschilderd,
gaf iederen Indiaan zijn deel, terwijl de wijze waarop hij dat deed
aantoonde, dat hij bij de Indianen in aanzien stond, ofschoon hij ten
slotte de eindbeslissing aan een anderen Shawnee overliet. Deze
had een buitengewoon woest en grimmig voorkomen, en geleek, oud
en afgeleefd als hij was, op een verweerden wolf. Hij zat in som-
bere gedachten verdiept op een steen, en gaf met veel ernst
en groote waardigheid zijn bevelen aangaande de verdeeling van
den buit.
-ocr page 115-
121
DE SCHEIDING.
Nadat deze, tot aller tevredenheid, was afgeloopen, richtten de
Roodhuiden hun blikken, met een uitdrukking van trotschen hoon,
op den gevangene, terwijl de oude hoofdman, uit zijn gepeins
ontwakend, opstond en eone toespraak hield, die, met Engclsche
woorden vermengd, door Roland voor een gedeelte werd verstaan.
In hoofdzaak scheen zijn spreken hierop neer te komen, dat hij
een groot, dapper hoofdman was, nooit een blanke uit medelijden
spaarde, zoodat hij met recht den bijnaam van Steenen-Hart,
waarop hij aanspraak maakte, voeren mocht. Zijn gemoed was
dan ook even hard als de rotsbodem onder zijn voeten. Hierop
schold hij op den gevangene, die zijn krijgers zooveel moeite veroor-
zaakt en eenigen van hen had gedood, voer in woedende bewoor-
dingen tegen den Dshibbenönoseh uit, en zwoer dat hij dezen dooden
en zijn scalp zou nemen, waar hij hem ook mocht vinden.
Op deze woeste toespraak volgde een beraadslaging, of men
den gevangene terstond zou dooden of naar hunne wigwams (hutten)
medevoeren, om hem aldaar te martelen tot een langzamen dood.
De laatste spreker was de oude Piankischaw. Zijne woorden gingen
vergezeld van zulke sprekende gebaren, dat zij een groote uitwerking
hadden, zelfs op den hoofdman, die zich Steenen-Hart noemde.
Deze gaf aan het slot van de toespraak een teeken aan een jong
krijgsman, die terstond een der buitgemaakte paarden naderbij
bracht, dat aan Piankischaw werd gegeven, en door dezen aan twee
Indianen van zijn eigen stam werd afgestaan. ^Hierop ontving de
oude Piankischaw een vaatje vuurwater, waarvan hij den inhoud
met zichtbaar genot berook, en ten slotte leverde men hem ook
den geknevelden Roland uit, die begroet werd met een vreugde-
gejuich, waarmede al de aanwezige Indianen instemden.
Deze algemeene instemming scheen het teeken te zijn, dat de
vergadering was ontbonden. Allen sprongen op en herhaalden hun
gillend geschreeuw, terwijl Piankischaw een strik om den riem, die
de armen van den gevangene vastbond, bevestigde, en hem naar het
paard poogde te sleepen, waarop zijn beide jeugdige krijgslieden reeds
het vaatje met brandewijn hadden geladen.
Roland\'s laatste hoop, in de nabijheid zijner arme zuster te
kunnen blijven, vervloog. De hoofdschaar der wilden nam afscheid
van den kleinen troep van Piankischaw, en men was juist op het
punt op te breken, toen plotseling ïelie Doe naar voren ijlde, op
Roland toesnelde en den ouden Piankischaw den strik poogde te
ontrukken, waaraan deze den gevangene medevoerde. Zij greep den
strik met een on verwachten ruk, haar oogen zagen fonkelend
/
-ocr page 116-
122
DE SCHEIDING.
rond in den kring, totdat zij op den man bleven gericht, die, met
levendiger kleuren dan de Indianen beschilderd, het verdeelen der
prijzen op zich had genomen.
—  O vader, vader! — riep zij hem toe, — wat begint
gij? Gij moogt hem niet uitleveren aan zijn moordenaars! Ge
beloofdet......
—  Stil, zottin! — viel de aldus toegesprokene haar in de
rede, -terwijl hij Telie bij den arm greep en uit Roland\'s tegen-
woordigheid poogde te verwijderen. — Ga waar je behoort, en
zwijg!
—  Neen, ik wil niet zwijgen, ik wil niet, vader! —antwoordde
Telie. — Gij zijt een blanke, vader, geen Indiaan; gij hebt mij
beloofd, dat hem geen leed zou geschieden. Dat hebt gij mij beloofd,
vader, o zeker, dat hebt gij!
—  Vervloekte zottin, weg, zeg ik! — riep de man- met don-
derende stem, terwijl hij nogmaals poogde Telie te verwijderen.
Maar het meisje hield in hare vertwijfeling Roland zoo krachtig
vast, dat anderen te hulp moesten snellen om hare armen los te
maken. Doch ook dezen weerstond zij, en eerst toen haar vader
zijn mes trok, en met woedende gebaren dreigde haar het wapen
in het hart te zullen stooten, gaf zij verschrikt, bleek en ont-
steld, allen tegenstand op, wierp zich aan de voeten van den
barbaarschen man en smeekte om het behoud van haar leven.
Van dit oogenblik werd gebruik gemaakt. Onverwijld sleepte
men Roland weg en maakte zich meester van Telie, die tever-
geefs alle pogingen aanwendde, om don gevangene te volgen en
hem aan de handen zijner bloeddorstige vijanden te ontrukken.
Nog op verren afstand kon Roland haar kreten hooren; dit sneed
hem door de ziel, ofschoon zijne smart over de scheiding van zijn
arme zuster alle andere gevoelens van bitterheid scheen te willen
verdooven.
Nadat Piankischaw en zijn begeleider den heuvel waren afge-
daald, sprong de oude in den zadel, greep het uiteinde van den
strik, waarmede Roland gebonden was, reed in het wad en sleepte
den ongelukkigen gevangene achter zich voort. Het wad was breed,
diep en rotsachtig, de stroom zoo hevig, dat Roland meer dan
eens neerstortte en ongetwijfeld zou zijn verdronken, indien niet
de beide andere Shawnees tot zijn hulp steeds in de nabijheid waren
gebleven.
Eindelijk was men den stroom doorgetrokken; de Roodhuiden
snelden naar den tegenover liggenden oever, waar zij nog een-
-ocr page 117-
DE SCHEIDING.                                                      123
maal halt maakten, om hun bondgenooten voor het laatst een af-
scheidsgroet toe te wuiven. Ook Roland wierp een blik op de
aftrekkende vijanden, en het ging hem als een dolksteek door het
hart, toen hij, te midden van hen, Edith meende te herkennen, die te
paard zittend, werd vastgehouden door den arm van een reusachtigen In-
diaan, en weldra achter de eerstvolgende kromming van het
woud verdween. Een kleine troep Indianen vertoefde nog op den
heuveltop, het afscheidsgejuich van Piankischaw beantwoordend,
die vervolgens de richting van het westen insloeg, en, zijn gevan-
gene achter zich voortsleepend, de dicht begroeide wouden binnen-
drong.
XIII.
PIANKISCHAW.
LJe pijn, door de vast aangetrokken riemen den ongeluk-
kigen Roland veroorzaakt, was zoo hevig, dat hij meer clan
eens het bewustzijn verloor. Daardoor werd de spoed, waarmede
de Indianen voorttrokken, niet weinig vertraagd, en dit was
dan ook vermoedelijk de reden waarom zij hem eindelijk zijn boeien
afnamen. Medelijden, of veeleer vrees, den gevangene door den dood
te verliezen, bewoog hen hem eenige deelneming te betoonen. Zij
wieschen zijn gezwollen handgewrichten met het frissche water uit
een beek, aan den oever waarvan zij een poos uitrustten; verbonden
eenige kleine wonden met gestampte, geneeskrachtige kruiden en
reikten hem, tot versterking, een kleinen houten beker met brande-
wijn. Roland wees echter deze lafenis van de hand, hetgeen Pianki-
schaw met groot welgevallen bemerkte, die nu zelf den beker ledigde,
voor den gevangene bestemd.
/
-ocr page 118-
124                                                      PIANKISCHAW.
—  Goed! — riep hij, — zeer goed! Piankischaw vriend van
\'t blankgezicht. Blankgezichten maken goeden drank!
Van nu af bleef de houding der Indianen vriendelijk, en of-
schoon de oude Piankischaw, toen de reis opnieuw werd voort-
gezet, zijn strik om den hals van den gevangene wierp, opdat hij
niet zou ontsnappen, praatten zij nochtans zeer vertrouwelijk met
Roland, die echter hun woorden, aangezien hij de Indiaansche
taal niet machtig was, niet kon verstaan. Zelfs Piankischaw scheen
in de vroolijkste luim te zijn. Hij klopte zijn gevangene op den
schouder, verklaarde hem, in gebroken Engelsch, zoo goed hij kon,
dat hij hem naar de hoofdlegerplaats van zijn stam voeren en
hem tot zijn zoon wilde aannemen, en gaf hem nog meer bewij-
zen van zijn plotseling ontwaakte genegenheid. Deze was echter
uiterst veranderlijk en had voor het grootste deel zijn grond in
de aanwezigheid van het vaatje brandewijn, dat de oude, vaker
dan zijnen metgezellen lief was, aan de lippen bracht. Onder het
drinken was hij vriendelijk, maar weldra maakte zijn goede luim
plaats voor aanvallen van woede, en meermalen dreigde hij den gevan-
gene op de plaats te dooden. Sl<?chts de aanwezigheid der beide jon-
gere Indianen vermocht Roland meermalen van een plotselingen dood
te redden.
De beide krijgers verweten hun stamgenoot de wijze waar-
op hij zich gedroeg, en wierpen hem voor de voeten, dat zijn neiging
tot drinken een krijgsman, in oen vijandelijk land, volkomen onwaardig
was. Inderdaad gedroeg zicli Piankischaw, met betrekking tot het
vaatje, dan ook als een visch, die speelt met het uitgeworpen aas,
aarzelend of hij bijten zal of niet, totdat hij, der verleiding niet
langer weerstand kunnende bieden, het vette hapje snapt en dit
met den dood moet bekoopen. Het verging den oude met
het vuurwater evenzoo. Hij aarzelde en aarzelde, en dronk dan weder met
groote begeerigheid, waarvan het gevolg was, dat de aanvallen van
woede en genegenheid steeds heviger werden. Later begonnen echter
de uitingen van haat te verminderen en ving hij aan, in de Engel-
sche taal, te verhalen van het lijden, dat in zijn langdurig leven
zijn deel was geweest. Ook tegen Roland richtte hij zijn klachten,
die daardoor tevens de oorzaak zijner woede leerde kennen. Het
gold het verlies van een zoon, in den strijd tegen de blanken
gevallen.
—  Verloren zoon! — riep hij uit. — Was goed jager, dooden
buffels en beren en herten en verzorgen oude en jonge vrouw!
Was groot krijgsman! Dooden Kentucky-man en nemen scalp! Nu
-ocr page 119-
125
PIANKISCHAW.
dood! Nu niet meer groot jager en krijgsman! Hij niet terugkeeren!
Piankischaw niet meer zien dapperen zoon!
Zoo klaagde hij, en voer dan weer uit tegen Roland, dien hrj
het volgend oogcnblik met liefkoozingen overlaadde, slechts zwijgendej
om het vaatje weder aan zijn lippen te brengen, waarvan de inhoud
ihem op aangename wijze den tijd scheen te korten.
Langzamerhand begon hij de ondubbelzinnigste teekenen van
volslagen dronkenschap te geven. Toen de zon ten ondergang neigde,
wankelde hij in den zadel van zijn paard, terwijl hij zijn geweer,
waarvan hem de last allengs te zwaar werd, aan den gevangene
overreikte. Roland greep er begeerig naar, maar het wapen werd
hem terstond ontrukt door een der jonge Indianen, die te verstan-
dig was, om het aan de handen van een gevangene toe te vertrouwen.
Den ouden Piankischaw scheen het onverschillig, wie hem
van den last had bevrijd. Hij zette zich op zijn gemak in den
zadel, draafde, pratend en weenend, al naar de ingeving van hel.
oogenblik, voort, nu eens een Indiaansch lied zingende, dan weder
het hoofd van slaperigheid op de borst latende hangen. Eindelijk
overweldigde de slaap hem geheel; hij was niet meer in staat zijn
ros te besturen, en toen het vermoeide dier een oogenblik stilstond,
om aan de groene bladeren van een struik te knagen, verloor Pian-
kischaw het evenwicht en tuimelde, als een blok uit den zadel, op
den grond.
De beide jonge krijgslieden, die reeds lang met moeite hun
ontevredenheid hadden onderdrukt, barstten thans in een hevigen
aanval van woede uit. Zij grepen het vaatje brandewijn, slingerden
het met kracht op den grond, verbrijzelden het met hun tomahawks,
en hielden niet op, voordat de geheele inhoud er van den bo-
dem drenkte.
Terwijl zij aldus bezig waren, richtte de oude Piankischaw het
hoofd op, keek met een domme uitdrukking in het rond en greep,
toen hij begon in te zien wat er voorgevallen was, verwoed naar
het geweer, zette den loop tegen den kop van het paard en schoot
het ros op de plaats dood.
— Vervloekt paard van bleekgezicht! —• brulde hij, — afgooien
our!en Piankischaw! Jij sterven, hond!
Deze overijlde daad, in de woestheid der dronkenschap gepleegd,
wekte den toorn van Piankischaw\'s metgezellen nog meer op. Zij
scholden hem duchtig uit. De oude verdedigde zich zoo goed hij kon,
•door te zeggen, dat zij onnoodig het vuur water hadden weggewor-
pen, en de twist eindigde ten slotte daarmede, dat zij hun woede
/
-ocr page 120-
126
PIANKISCHAW.
koelden aan den armen, geheel onschuldigen gevangene. Hun goede
luim week geheel en al; de oude Piankischaw wierp zich op Ro-
land, dien hij met alle mogelijke scheldnamen overlaadde, terwijl de
jonge krijgslieden hem opnieuw de armen vastbonden en hem drie
zware pakken, benevens het zadel en den toom van het doodgeschoten
paard, op den rug stapelden. Daarbij kwam nog een groot stuk vleesch
dat Piankischaw van het paard sneed en voor het avondeten
bestemde, en onder dien zwaren last moest Roland zijn gebieders
volgen op den verren tocht, die tot zijn geluk niet lang meer werd
voortgezet.
De nacht brak aan, en aangezien men een open plek in het woud
bereikte waar een bron ruischte, maakten de Shawnees halt en gaven
daardoor hun voornemen te kennen om op die plaats hun nacht-
kwartier op te slaan. Men ontstak nu een vuur, het paardevieesch
werd aan een houten spit gestoken en gebraden, en de wilden smul-
den met het grootste welbehagen, terwijl Roland zich tevreden
stelde met een dronk, met de hand uit de helder stroomende beek
geschept.
Toen het maal geëindigd was, droegen de Indianen cenige hoopen
bladeren bijeen, waarvan zij, onder een boom, in de nabijheid van
het vuur, een legerstede bereidden. Roland werd gedwongen zich
daarop uit te strekken, de Shawnees bonden hem voor dien nacht
zoo zorgvuldig vast, dat er aan ontvluchten in het geheel niet te denken
viel. Er werd een stuk hout afgehouwen, dwars over zijn borst
gelegd, waaraan zijn uitgestrekte armen en polsgewrichten zoo-
mede zijn ellebogen werden vastgebonden. Daarna werd er een
stang gelegd over de geheele lengte van zijn lichaam, aan de
uiteinden daarvan zijne voeten en hals vastgebonden, zoodat hij
onder een kruis lag, waardoor elke beweging van handen en voeten
volkomen onmogelijk was. Bovendien legden de barbaarsche wilden
nog een strik om zijn hals, dien een der jonge krijgslieden om
zijn arm wikkelde, zoodat de minste beweging van den gevangene
door hen moest worden opgemerkt.
Nadat deze voorzorgsmaatregelen waren getroffen, legden de
Indianen zich aan de zijde van hun gevangene neder, en vielen
terstond daarop in een diepen en vasten slaap.
Roland kon niet inslapen, want niet alleen zijn droefheid
over het vreeselijk lot, dat hem en zijne zuster had getroffen,
maar ook do schrikkelijke pijnen, welke de vast aangetrokken touwen
hem veroorzaakten, hielden hem langen tijd wakker. Hij deed
eenige pogingen om zich van zijn boeien te bevrijden, maar moest
-ocr page 121-
127
PIANKISCIIAW.
zuchtend daarvan afzien, daar zij even vast zaten alsof ze van
ijzer waren gesmeed. Nochtans herhaalde hij van tijd tot tijd zijne
pogingen, maar steeds tevergeefs. liet kruis over hem lag zoo
vast, dat het onder zijne rukken geen haarbreed op zijde
week, en Roland zag eindelijk in, dat hij eo2i gevangen man was,
zonder middelen om zich te bevrijden, zonder hulp en zonder
hoop.
Nochtans verloor hij den moed niet geheel, daar hij er op
rekende, dat er zich gedurende den verderen tocht ongetwijfeld
eene gelegenheid zou voordoen, die hij in zijn voordeel zou kunnen
aanwenden. Onder zulke gedachten verstreek een groot gedeelte
van den nacht. De maan verrees boven het woud, welks diepe
duisternis zij een weinig verlichtte, en eindelijk vertoonde zich een
zwakke schemering aan het uitspansel, als voorbode van den nieuwen
dag. Het wachtvuur was omstreeks dien tijd bijna geheel uitgebrand.
Rondom heerschte de diepste stilte, slechts afgebroken door een
licht ruischen van het loover, als ergens een levend wezen, een
konijn of vogel, er doorsloop, of wanneer de uitdoovende vlammen
nog eenmaal opflikkerden en knetterden, om allengs uit te gaan.
Deze stilte was dubbel pijnlijk voor den armen Roland, met
mateloos ongeduld het aanbreken van den dag verbeidend, die
hem van de zoo hevig knellende boeien zou bevrijden. In zulk
eene gemoedsstemming moest elke afwisseling, ook de geringste,
hem welkom zijn, daar zij aan zijne gedachten een anderen
loop gaf; en zoo was dan ook het toevallig neerstorten van de bijna
verteerde brandstof, of de vonken, en het ten gevolge daarvan snel
opstijgen der vlammen, een afwisselend verschijnsel. Hij beschouwde
het spel van het licht, met de door het vuur rood gekleurde takken
boven z;jn hoofd, en vergat daardoor een oogenblik het bitter lijden,
dat sedert zijne gevangenneming onophoudelijk hem met de diepste
bekommernis vervulde.
Plotseling sloeg hem een schrik om het hart. Op het oogen-
blik, dat het vuur helder opbrandde, hoorde hij een knal, die als een
donderslag weerklonk boven zijn hoofd, zonder dat hij, in zijne ver-
bijstering, vermocht te onderscheiden, of het de wezenlijke donder dan
wel het geluid was van een afgevuurd wapen. Nog voordat hij tot
bezinning was gekomen, sprong een zwarte, reusachtige schaduw
over zijn lichaam heen en vernam hij het doffe geluid van een bijl-
slag, die met geweldige kracht op het lichaam van een der naast
hem sluimerende Indianen neerkwam. Een gillende kreet volgde,
door den angst, den schrik en de pijn aan den getroffen Roodhuid ont-
/
-ocr page 122-
128
PIANKISCHAW.
lokt. . Vervolgens vernam hij het geluid van wegsnellende voet-
stappen en hoorde hij hoe iemand, met woest gebrul, vluchtte in de
diepte van het woud, gevolgd door een ander, die hem dicht op de
hielen zat. Daarna werd alles stil; ook het doodsgereutel van den
getroffene hield op, evenals het geritsel, dat zijn stuiptrekkende leden
in het vertrapte loover veroorzaakten.
Eoland was door deze raadselachtige gebeurtenis, die slechts
een ondeelbaar oogenblik had geduurd, als verdoofd, en hij zou,
daar hij in de houding waarin hij lag, niets kon zien, alles voor
een droom hebben gehouden, indien het stenen en reutelen van
den jongen Indiaan aan zijne zijde, dat steeds zachter werd,
hem niet van de waarheid van het gebeurde had overtuigd.
Maar wat had dit te beduiden? Was het schot, waarvan het
geluid hem zoozeer verschrikte, afgevuurd door een vriend en
werd de bijl gezwaaid door een arm, tot zijne redding, tot zijne
bevrijding uit den vreeselijken toestand, opgeheven? De gedachte,
dat zulk een geluk hem kon te beurt vallen, vervulde hem met
namelooze vreugde, en alles om zich heen vergetend, riep hij
luide: — Keer terug, o, vriend en ïedder, keer terug en verlos mij
van deze woeste bende!
Geen vriendenstem beantwoordde dezen kreet van vertwijfe-
ling, maar uit het gras verhief zich thans een donkere, bloedige
gestalte, wankelde naar Roland toe, rolde over het lijk van den
gedooden krijgsman heen, en kroop nu, kermend en naar adem
hijgend, op Eoland\'s borst. Het vuur vlamde op, en bij het schijnsel
daarvan herkende Roland, huiverend, den verschrikkelijken Pianki-
schaw. In zijn krampachtig gebalde vuist glinsterde het mes, waar-
mede hij Roland reeds zoo dikwerf had bedreigd. Stervend zocht hij
nog zijn woede aan den gevangene te koelen. Met sidderende vingers
betastte hij overal diens lichaam, en richtte verscheidene onzekere
en zwakke stooten tegen zijn borst, die ternauwernood Roland\'s
kleeding dooi boorden. Gedurende die machtelooze pogingen om den
gevangene te dooden, tuimelde hij, niet in staat zich overeind
te houden, wankelend van den eenen kant naar den anderen,
tevergeefs pogende, door zich met de linkerhand te ondersteunen,
een vaste houding aan te nemen. Eindelijk begaven hem ook
zijn laatste krachten, zijn messtooten werden steeds zwakker en
onzekerder, en ten slotte zakte hij ineen, terwijl hij met het
volle gewicht van zijn lichaam op Roland viel. Noch een paar
malen stuiptrekte en steende hij, toen rekte hij zich lang uit, en
Roland zag, dat zijn vreeselijke tegenstander den laatsten adem had
-ocr page 123-
129
DE BEVRIJDING.
uitgeblazen, zonder zijne wraak aan hem, den gebonden gevangene,
te hebben gekoeld.
In dien vreeselijken toestand, waaruit Roland zich, zonder
hulp, onmogelijk kon bevrijden, verhief hij opnieuw zijne stem en
riep hij den bijstand In van zyn onbekenden vriend en bondge-
noot. Het woud weergalmde duidelijk van zu\'n kreten, de
■echo\'s in het rond herhaalden die, maar geen antwoord werd
vernomen, geen voetstap naderde, en Roland sidderde bij de vree-
selijke gedachte, dat hij door zijn vriend slechts was bevrijd, om
onder het bloedige lijk hulpeloos en in wanhoop te versmachten.
De angst voor dit vreeselijk lot, en de benauwende drukking, door
het lijk van den ouden Piankischaw op z;jn borst uitgeoefend, was
meer dan zijn reeds uitgeputte krachten konden verdragen. Hij
verloor het bewustzijn, waaruit hij echter, tot zijn geluk, weder zou
ontwaken.
-----^v^=—
XIV.
DE BEVRIJDING.
1 oen Roland de oogen weder opende, lag hij niet meer, als
een gevangene, uitgestrekt onder het vreeselijke kruis. Zijn lede-
maten waren vrij, zijn hoofd rustte op de knieën van een man,
die deelnemend hem voorhoofd en borst bevochtigde met het frissche
water, uit de nabijzijnde beek, waarheen men hem, terwijl hrj
bewusteloos lag, moest hebben gedragen. Wild en verward zag
hij rond, en daarbij viel het eerst zijn oog op de bloedige
lijken der Indianen, wier gevangene hij tot hiertoe was geweest.
Huiverend wendde hij den blik af van dat vreeselijk schouwspel, en
richtte deze op het gelaat van zijn redder en bevrijder, in wien hij
/
-ocr page 124-
130
DE BEVRIJDING.
thans, daar het intusschen dag was geworden, ten hoogste verbaasd
en op het aangenaamst verrast, zijn vroege ren gids en boodschap-
per herkende, den trouwen, wakkeren kwaker Nathan. Deze hield
zich steeds ijverig bezig met zijn menschlievende taak, en naast
hem stond, vriendelijk met den staart kwispelend, kleine Peter,
als verheugde deze zich er in, dat hij in Roland een ouden bekende
had vvedergevonden.
—  Nathan, zijt gij het? — vroeg Roland, de hand des kwa-
kers grijpende en een vergeefsche poging doende, om zich van diens
knie op te richten. — Droom ik of waak ik? Om \'s Hemels wil, hoe
komt gij hier? En zijt ge \'t inderdaad?
—  Ik ben het, vriend, — antwoordde Nathan lachend — ik en
kleine Peter en gij, anders niemand.
—  En ik — riep Roland juichend — ik ben weer vrij! En de
Shawnees en Piankischavv! Zijn ze allen dood, overrompeld, zijn al
die ellendelingen verslagen?
—  Zoo is het, — zeide Nathan met eenige aarzeling in
zijn stem, — die boosaardige wilden zullen u niet meer lastig
vallen.
—   En wie, — vroeg Roland snel en met vuur, — wie was
het, die mij bevrijdde? Ha! Nathan, er kleeft bloed aan uw gelaat
en aan uwe handen! Waart gij het, die mij uit die verschrikkelijke
gevangenschap verloste? O, spreek, Nathan, wakkere, dappere, goede
Nathan, spreek!
—  Ge beschouwt het dus niet als zonde en goddeloosheid, dat
ik naar mijn buks greep en vuurde op dien schurk van een In-
diaan, om u de vrijheid weer te geven en uw leven te redden? —
vroeg Nathan. — In waarheid, vriend, enkel en alleen daarom geschiedde
het, daar ik u langs vreedzamen weg onmogelijk had kunnen hel-
pen. Ik zag de vijanden aan uw zijde liggen, te allen tijde gereed
en bereid uw armen schedel met hun tomahawk te verpletteren;
toen kon ik mij niet inhouden, en ik hoop, dat uw geweten mij om
die daad niet zal veroordeelen.
—  Veroordeelen! — riep Roland, terwijl hij Nathan\'s hand met
warmte drukte. — Bij God! het was een daad waarvoor ik u eeuwig
dankbaarheid verschuldigd ben, eene daad, die u de bewondering
en de hoogachting van de geheele menschheid zal doen verwerven,
zoodra ik ze wereldkundig maak.
—  Neen, vriend, vertellen moet gij daarvan niets! — viel
Nathan hem in de rede — Het is voorzeker reeds genoeg, indien
gij voor uw geweten van de rechtmatigheid mijner daad over-
-ocr page 125-
131
DE BEVRIJDING.
tuigd zijt. Zwijg daarom steeds over\' alles wat ge mij zaagt doen
en nog zult zien doen, en vergeet niet, dat ik een man des vredes
ben.
—   Maar, Nathan, — vroeg Roland, nadat hij den kwaker
stilzwijgendheid had beloofd, — hoe staat het met mijne arme
zuster? Hebt ge niets van haar gehoord of gezien? En mijne
vrienden, de landverhuizers? Hebben zij de Roodhuiden niet achter-
volgd en Edith bevrijd?
—   Ge moet niet te veel opeens vragen, — antwoordde
Nathan, terwijl er over zijn tot hiertoe vriendelijk gelaat een
schaduw van droefheid en verlegenheid gleed. — Tracht eerst
een poos tevreden te zijn en houd u bedaard, totdat uwe ijs-
koude voeten verwarmd en uwc wonden beter verbonden zijn. Zoo-
dra ge opstaan en loopen kunt, zult ge alles vernemen, wat ik weet,
goed en kwaad. Laat het u voor het oogenblik genoeg zijn, dat gij
u in veiligheid bevindt.
—   Ach! — riep Roland. — ik bemerk uit alles, dat mijne
arme zuster nog gevangene is, en ik, . . ik moet hier liggen, ge-
kromd als een worm, en kan niets doen om hulp te, verleenen.
Maar werken mijne . vrienden, de kolonisten, dan niet mede aan de
vervolging ?
—    Ge brengt mij door al uw vragen in verlegenheid, —
zeide Nathan. — Indien ge uw arme zuster uit haar gevangen-
schap wilt bevrijden, moet ge vóór alles geduld hebben en weder
behoorlijk op de been zijn. Aan dit laatste -willen wij het eerst
denken later zal ik u voorzeker mijn raad, waar het de bevrijding
uwer zuster geldt, niet onthouden.
Bij die woorden begon Nathan weder ijverig de half afge-
storven ledematen van Roland warm te wrijven en de verschil-
lende lichte wonden te verbinden, die hij in den strijd had ontvan-
gen. Daar Roland onder dit alles ongeduldig bleef en Nathan voort-
durend verzocht hem alles mede te deelen, wat hij wist, stemde de
kwaker eindelijk toe.
„De poging van den koenen man, om door do rijen der
wilden, die de ruïne belegerden, te sluipen, was hem, in weer-
wil van velerlei gevaren, gelukt, en hij snelde nu langs den
koristen weg, door de bosschen, naar het Fort, toen hij, toevallig
•en gelukkig, een troep jonge mannen -ontmoette, die, onder aan-
voering van Tom Brnce, kwamen aandraven. Nathan deelde den
jongelieden terstond den gevaarlijken toestand, waarin Roland ver-
keerde, mede, en vond hen tot hulp bieden terstond bereid, zonder
/
-ocr page 126-
132
DE BEVRIJDING.
dat zij zich eerst wilden wenden tot de kolonisten of de be-
woners van het naburig Fort. Tom Bruce nam Nathan achter
zich op het paard, en nu ging het in galop de bosschen door,
totdat het troepje, bij het aanbreken van den dag, de bouw-
vallen van het blokhuis bereikte. Tot aller verbazing vond men
de ruïne geheel verlaten. Daar men echter de sporen der paarden
in de bergkloof nauwkeurig waarnam en tot den uitersten rand
van den stroom volgde, besloot men daaruit te recht, dat de reizigers
de wanhopige poging hadden gedaan om door den vloed te ontkomen,
waarbij vermoedelijk allen het leven moesten hebben verloren. Dat
denkbeeld maakte de wakkere Kentuckyers woedend. Zij zochten
in het struikgewas de sporen der Indianen op, en, dorstend naar
wraak, volgden zij hun voetstappen, vast besloten hun woede in
het bloed der moorddadige Roodhuidcn te koelen. Nathan werd
thans, daar men zijn diensten niet langer noodig had, ontslagen.
Het lag echter niet in de bedoeling van dezen moedigen man
achter te blijven, al had hij ook liever, dat de anderen niets van
zijn krijgsdaden bemerkten. De gedachte dat hij mede schuld kon
hebben aan liet ongeluk, dat Edith en haren begeleider had ge-
troffen, kwelde hem, en hij wilde niet rusten, voordat hij zich
volkomen had overtuigd, dat men. zijn trouwe hulp inderdaad niet
meer behoefde.
Het eerst zette hij zijn nasporingen, zonder gevolg, in de berg-
kloof voort, volgde daarna de jongelieden, onderzocht de plek,
waar de Indianen door de jeugdige Kentuckyers waren aangevallen,
en verkreeg weldra de zekerheid, dat de reizigers zich op een on-
verklaarbare wijze uit den woedenden stroom hadden weten te
redden. Voordat Nathan op de kampplaats verscheen, was het gevecht,
reeds ten nadeele der jonge Kentuckyers beslist, en werd hem door
een der vluchtelingen, dien hij ontmoette, medegedeeld, dat enkel
en alleen de verschijning van Italph Stackpole schuld had aan de neder-
laag. Onder het voortrijden noodigde de man onzen Nathan uit
zich bij hem op het paard te zetten, welk aanbod deze echter, ver-
langend zijn nasporingen voort te zetten, afsloeg. Met zijn kleinen
Peter in het kreupelhout verborgen, bespiedde hij de Indianen, totdat
zij de vervolging hadden opgegeven en naar het strijdperk waren
teruggekeerd."
— En nu, vriend, — ging Nathan voort, — vroeg ik
kleinen Peter om raad, wat wij beginnen zouden, en waarlijk
wij waren beiden van meening, dat wij de moorddadige bende
moesten volgen, totdat wij hadden ontdekt *wat er van u en de
-ocr page 127-
133
DE BEVRIJDING.
arme vrouwen was geworden. Wij kropen naar de berghelling
aan de overzijde, en daar bevonden wij, dat al de India-
nen reeds varen afgetrokken. Toen geraakte ik niet weinig in
verlegenheid; maar gij weet nog niet, welk een neus kleine Peter
heeft. Hij bracht mij weer op het rechte spoor, en nu bemerkte
ik, dat de Indianen zich moesten hebben verdeeld. De hoofd-
macht had den weg over den berg genomen, terwijl een kleinere
afdeeling, met een paard en een gevangene, over den vloed moest
zijn gegaan. En het was inderdaad Peter\'s meening, dat gij die
gevangene waart, terwijl ik dacht u wel te kunnen helpen, indien
ik uw spoor volgde, daar uwe begeleiders slechts weinig in aantal
waren.
—  Zoo doorwaadden wij dan den vloed en volgden uw spoor,
totdat de nacht inviel, en kleine Peter op zich nam, u met zijn
neus in het duister op te sporen, waarin hij gelukkig naar-wcnsch
slaagde, totdat wij de plaats bereikten waar de Shawnees hun
vaatje brandewijn hadden vernield. De geur van den brandewijn
had Peter\'s reukzenuwen verdoofd, en reeds vreesde ik alle hoop
te moeten opgeven, toen ik op den inval kwam zijn neus te was-
schen met frisch water uit de beek, die ik toevallig had ontdekt.
Dit was een geluk, want ge moet weten, vriend, dat van kleinen
Peter het wel en wee van mijn geheele bestaan afhangt. Welnu,
ik bracht don hond gelukkig weer op dreef, en het gelukte hem uw
spoor terug te vinden. Daarop vervolgden wij weder onzen weg,
totdat wij eindelijk, vroeger dan ik zelf had gehoopt, het wachtvuur
der wilden hadden bereikt.
—  Ik kroop tot dicht in de nabijheid, en zag nu heel goed, hoe
vast ge aan dien paal waart gebonden, zoodat ge u niet kondt
verweren, en hoe er drie Shawnees naast u lagen, met het geweer
in den arm, zoodat zij er elk oogenblik gebruik van konden maken.
Dat gezicht bracht mij zeer in verlegenheid, en ik peinsde
er wel een uur over, op welke wijze ik u het best hulp kon
verschaffen.
—   Nathan, o Nathan! — riep Roland uit. — Hoe kondt
gij het van u verkrijgen om mij zoo lang te laten versmachten!
Waarom sneed t ge den strik niet door en gaaft ge mij niet een mes
in-de vuist?
—  Dat zou ik graag gedaan hebben, — antwoordde Nathan,
— maar het ging niet, want ik zag, dat ge zoo vast waart ge-
bonden, dat ik minstens een uur zou hebben noodig gehad, om
u te bevrijden, en bovendien wist ik, dat uw ledematen zoo ver-
/
/
-ocr page 128-
134
DE BEVRIJDING.
doofd moesten zijn, dat ge ze onmogelijk zoudt hebben kunnen ge-
bruiken. En dan, hoe licht kon niet een kreet van verrassing,
•een enkel woord, u en mij aan die wilde bende verraden! Neen,
vriend, dat ging niet, en daarom bevond ik mij in groote verlegen-
heid en dachten kleine Peter en ik er wel een uur over na, op
welke manier gij het best te helpen zoudt zijn. Daar viel plotse-
ling eenig dor hout op de smeulende asch, en toen de vlammen hol-
der opflikkerden, zag ik, dat de koppen van twee wilden zoo dicht
bij elkander lagen, alsof ze op één romp waren gegroeid, zoo dicht bij,
•dat ik ze bijna met mijn geweer kon bereiken. Toen gebeurde
het, dat ik, hetzij toevallig, hetzij opzettelijk (ik kan dat niet
precies zeggen) den trekker van mijn buks aanraakte, maar het
schot knalde en blies beiden wilden het levenslicht uit. En nu,
vriend, nadat ik reeds zooveel had gedaan, ziet gij zelf wel in,
dat de wraak moest worden voltooid. Ik sprong dus op den
laatsten schurk los en (zondaar, die ik ben!) gaf hem een slag
met de bijl, die ik tot dat doel uit mijn gordel had genomen.
Hij.. op en er van door. En ik hem achterna, uit angst dat hij
zou kunnen terugkeeren en u dooden, voordat het mij gelukt
was u te bevrijden. En zoo gebeurde het, dat ik ook hem doodde,
waarover ge mij ongetwijfeld niet zult berispen, daar ik die
zondige daad slechts om uwentwil bedreef. Inderdaad, vriend, het
is verwonderlijk, tot welke daden mijne vriendschap voor u, mij
heeft gebracht.
—  Stel uw geweten gerust, Nathan! — zeide Roland met
een krachtigen handdruk. — Ook indien ge twintig wilden ver-
slagen hadt, zou ik zeggen, dat ge de edelmoedigste daad hadt
verricht, die ooit de eene Christen voor den anderen verrich-
ten kon.
Nathan hoorde deze woorden stilzwijgend aan, en ging ijverig
voort de leden van den jongen krijgsman met frisch water te
wrijven, totdat deze ten laatste in staat was zich op te richten
en op zijn boenen te blijven staan. Daarop bezwoer Roland zijn
bevrijder nogmaals, het goede werk, dat hij had aangevangen, te vol-
tooien en zijne zuster te redden, die zich nog in de macht der bloed-
dorstige wilden bevond.
—  Tracht hulp te verkijgen, — zeide hij, — voer de mannen
in den strijd, en wees verzekerd, dat niemand beter voor Edith
vechten zal dan ik, haar broeder, die geroepen is haar natuurlijke
.-■beschermer te zijn.
—  Indien ge werkelijk het meisje bevrijden wilt, dan,-------
-ocr page 129-
135
DE BEVKIJDING.
—  Ja, dat wil ik, of sterven! — riep Roland uit. — Ach !
■waart ge slechts haar spoor gevolgd, en hadt ge Edith den dienst be-
wezen, zooals ge mij hebt gedaan I
—  Helaas! dat kon niet, — antwoordde Nathan, — want
tien Indianen zijn niet zoo gemakkelijk te dooden als twee of
drie. Maar vertel mij eens, vriend, voordat ik u mijn plan mededeel,
wat u sedert onze scheiding is wedervaren. Ik moet alles weten,
want daarvan hangt meer af dan ge meent.
Eoland verhaalde, hoe ongeduldig hij ook was,\' zoo nauwkeu-
rig mogelijk alles wat hij wist, en maakte vooral melding van het
feit, dat Telie Doe zulk een levendige belangstelling in zijn lot
had betoond.
Nathan luisterde met gespannen aandacht. — Waar Abel Doo
is, — zeide hij, — is ook de een of andere schurkenstreek in
het spel. Maar hebt ge geen andere blanken onder de wilden gezien?
—   Neen, — antwoordde Roland. — Maar, — liet hij, na
zich eenigen tijd bedacht te hebben, er op volgen — ik herinner mij
een grooten man, in linnen kleeding, met een roodcn tulband op
het hoofd. Misschien was dat een blanke.
—  En voerde hij het bevel over den troep? — vroeg Nathan.
—  Neen, niet hij, — antwoordde Roland. — De aanvoerder
was een grimmig, oud opperhoofd, dien zij Kehoga of Kenoga noem-
den, of.....
—  "Wenonga! —■ riep Nathan met buitengewone levendigheid
en fonkelende oogen. — Een oude, hoog opgeschoten, sterk ge-
spierde man, met een litteeken over neus en wangen, hinkenden
gang, den middelsten vinger van de linkerhand een lid te kort, en
aan den scalplok de snavel en de klauwen van een valk? Dat
is Wenonga, de Zwarte Gier. Waarachtig, Peter, je bent een dwaze
hond, dat je mij dat niet hebt gezegd!
Roland bemerkte met verwondering de opgewondenheid van
Nathan, en kon daarom niet nalaten te vragen: — En wie is
dan die Wenonga, om wien ge alles, zelfs het lot mijner arme zuster,
vergeet?
—  Wie hij is! — riep Nathan. — Vriend, ge zijt nog een
kind in de wouden, indien ge nooit van Wenonga hebt ge-
hoord. Zijn tomahawk heeft menig onschuldig kolonist geveld, en met
recht beroemt hij er zich op, geen hart te bezitten, want hij is
een man, die het bloed van vrouwen en kinderen heeft gedronken.
Vriend, ik vrees, dat de scalp uwer zuster reeds aan zijn gordel
hangt.
Kapitein Roland.                              /                                9
-ocr page 130-
136
DE BEVRIJDING.
Bij deze verschrikkelijke mededeeling stolde het bloed in Ro-
land\'s aderen, zijne gelaatstrekken ondergingen zulk een verandering,
dat zelfs Nathan beefde en snel den indruk zijner woorden poogde
weg te nemen.
—  Stel u gerust, vriend I — riep hij, — ik heb de waarheid niet
gesproken. Uwe zuster is geborgen ; zij is wel gevangen, maar haar
leven is in veiligheid.
—  En gij zeidet mij, dat zij gedood is en gescalpeerd
door.dieafschuwelijke moordenaars! — riep Roland, en mot de woede
der vertwijfeling vervolgde hij: — En waarlijk, indien dat zoo is,
dan roep ik hemel en aarde tot getuigen, dat ik niet zal rusten,
voordat ik haar dood heb gewroken in het bloed van dien schurk,
wien geen leven heilig is, zelfs niet dat van onschuldige vrouwen
en kinderen. Dat zal ik, zoo waar helpe mij God!
—  Ge spreekt als een man! — riep Nathan verheugd, terwijl
hij Roland\'s hand met bijna verpletterende kracht drukte —
dat wil zeggen — vervolgde hij, als schaamde hij zich plotse-
ling over zijn al te levendige deelneming — als een man, die
handelt naar eigen inzicht van feiten en toestanden. Nu maar
kalm gebleven; het meisje leeft nog, en zal, naar wij hopen, ook
in leven blijven. En opdat ge u zelf daarvan moogt overtuigen,
zal ik u terstond mijne denkbeelden mededcelen. Antwoord mij
slechts op de vraag, of ge vijanden hebt onder de Indianen, den
een of anderen afvalligen blanke, evenals Abel Doe, die u vijandig
gezind is.
Roland, over die vraag verbaasd, antwoordde ontkennend.
—  Maar ge bezit wellicht in uwe woonplaats een vijand, die
zoo verbitterd tegen u is, dat hij een verbond met de Indianen zou
• ♦          willen sluiten, om u het leven te benemen ? — vroeg Nathan weder.
—  Zeker heb ik vijanden, —■ antwoordde Roland, —■ maar
geen, dien ik voor zóó slecht houd, als gij schijnt te gelooven.
—  Dan voorwaar! brengt ge mij in verlegenheid, vriend, —
zeide Nathan, het hoofd schuddend. — Want even zeker als ik
hier sta, zag ik in dien nacht, toen ik de ruïne verliet en
door de liniën der Indianen sloop, een blanke, die, afgezonderd
van de overigen, met Abel Doe aan een vuur zat en met hem
beraadslaagde, hoe men het blokhuis het best zou kunnen bestor-
men, zonder het leven der vrouwen in gevaar te brengen. Het
verwonderde mij dan ook reeds, dat wrj van die schurken betrek-
keiijk zoo weinig te lijden hadden, en, nu zag ik wel, dat dit
met het oog op de vrouwen geschiedde. Die twee hadden den
-ocr page 131-
137
DE BEVRIJDING.
een of anderen schurkenstreek beraamd; want ik hoorde hen
twisten om een prijs of eene belooning, door Abel Doe van den
ander geöischt, wegens de hulp, hem betoond, om u en uwe zuster
ten val te \'orengen. Ik heb mij niet vergist, vriend, want toen ik
de roode sjaal om het hoofd van den man bij het vuur zag, kroop
ik zoo dicht bij, als ik kon, en hoorde ik, woord voor woord, wat
ik u vertel.
Bij deze woorden voelde Roland een vermoeden bij zich opko-
men, waaromtrent hij zich gaarne zekerheid zou hebben verschaft.
Nathan echter vervolgde:
—  Gelooft gij, dat men die geweren, kralen en stoffen, die
alle na het gevecht werden verdeeld, op de jeugdige Kentuckyers
had buitgemaakt? Neen, die dingen waren de prijs, waarmede
de blanke man, met den rooden tulband, de schurken, die u en uwe
zuster zouden gevangennemen, betaalde. Zijne huurlingen waren,
zooals ik opmerkte, vagebonden uit alle stammen. De oude We-
nonga is echter de grootste schurk van allen, door zijn eigen stam,
wegens dronkenschap en andere ondeugden, van zijne waardigheid
als opperhoofd ontzet. Ik geloof, dat de blanke man dorst naar uw
bloed, omdat hij u aan den ouden Piankischaw uitleverde, die u
ongetwijfeld zou hebben vermoord, indien ge in het dorp waart aan-
gekomen. Wat hij echter tegen uwe zuster in het schild voert, is mij
nog niet duidelijk, daar ik de geschiedenis van uw leven niet ken.
—  Ge zult die vernemen, — zeide Roland, — opdat wij er
zoo mogelijk in slagen dat netwerk van list en boosheid te ont-
warren. Er leeft inderdaad een zeer slechte kerel, dien ik steeds
als onzen vijand heb beschouwd, ofschoon ik hem tot zulk een
alles overtreffenden spitsboevenstreek niet \'in staat achtte. Die
man heet Braxley; hij ontnam mij en mijnor zuster het vermogen
van mijn oom, wiens natuurlijke erfgenamen wij beiden, na zijn
dood, zijn geworden.
Roland vertelde nu, hoe die Braxley een testament van ouden
datum had te voorschijn gebracht, waarin de gezamenlijke bezit-
tingen van den afgestorvene werden vermaakt aan een aangenomen
kind, dat, zooals niemand betwijfelde, reeds vóór vele jaren bij
een brand was omgekomen. Braxley had echter gezworen, dat het
nog in leven was, en zijn eed was, naar hij voor het gerecht ver-
klaarde, gegrond op de verklaring van een man, Atkinson genaamd,
die beweerde het meisje te hebben gezien en herkend, zonder
echter te zeggen, waar zij zich ophield. Die Atkinson was een slecht
befaamd mensen, die aan de grenzen van het land ronddwaalde, om
/
/
-ocr page 132-
138
DE BEVRIJDING.
zich aan de straf voor gepleegde misdaden te onttrekken. Braxley
echter had verzekerd, dat hij de noodige stappen had gedaan, om
den man uit te vinden en door hem de verloren erfgename weer
op te sporen.
Koland bekende zijn toehoorder openhartig, dat hij de geheele
geschiedenis voor een verzinsel van Braxley hield, door dezen
uitgedacht, om zich zelf, in naam der verdwenen erfgename, in
het bezit te stellen der rijke landerijen van zijn, Roland\'s, oom.
Ook beschuldigde hij Braxley, dat door dezen een tweede testament
was vernietigd, door zijn oom, slechts weinige maanden vóór zijn
dood, opgemaakt, en waarin hij Edith tot zijne erfgename had
benoemd.
Dat zulk een testament had bestaan, bleek uit de wijze waarop
de overleden oom zich dikwerf tegenover Edith had uitgelaten, en
zelfs Braxley erkende dit feit, tevens bewerende, dat de oom zelf
dat tweede testament weer vernietigd had.
Nathan had de uitvoerige mededeelingen van Roland zeer op-
merkzaam aangehoord, en daarom zeide hij, na een korte poos: —
Nu twijfel ik niet langer, dat die man, met den rooden tulband,
de schurk Braxley was, die zich alleen met de Indianen heeft
verbonden, om u uit de wereld en Edith naar een verborgen hoek
er van te helpen, zoodat hij niets meer van uwe aanspraken
op de rijke erfenis heeft te vreezen. Wees echter goedsmoeds,
vriend, want de Heer verlaat de Zijnen niet, en zal aan het licht
brengen, dat die Braxley, waaraan ik niet twijfel, inderdaad een
dief en een roover is. Nooit heeft de leugen duurzaam over de waar-
heid gezegevierd, en voorwaar, in dit geval zal zoo\'n wonder niet
voor de eerste maal plaats hebbon. Wij moeten nu overleggen, hoe
wij uwe arme zuster kunnen bevrijden.
—  Wij moeten eerst trachten hulp te verkrijgen, Nathan, —
zei Roland, — en dan haar achterna!
—  En waar zullen wij die hulp vinden? — vroeg Nathan.
—    Hebt ge dan vergeten, dat het groote Indianenleger in het
noorden van Kentucky is, en alle strijdvaardige mannen van het
Fort tegen de schurken zijn opgeroepen? Neen, vriend, niemand kan
u bijstaan!
—  Maar de kolonisten! — riep Roland wanhopend uit. — Zij
zullen mij in den nood niet verlaten!
—  Ook op hen kunt ge niet rekenen, — antwoordde Nathan.
—   Bij de aankomst der Indianen zetten zij, naar ik hoorde, zoo
snel mogelijk hunne reis voort, zonder u aan het wad af te wach-
-ocr page 133-
DE BEVRIJDING.                                                 139
ten. En zoo is er dan niemand om u hulp te verleenen, behalve ik.
Roland wrong in vertwijfeling de handen en keek daarop stil
voor zich. — Ik ben inderdaad zonder vrienden en zeer ongelukkig,—
zeide hij terneergeslagen. — Had God ons beiden, Edith en mtj,
slechts laten omkomen, dan behoefde ik om harentwil niet in zulk
een vreeselijke onrust te verkeeren. Bij den Hemel! Ik zou haar
liever dood wenschen, dan in voortdurende gevangenschap bij de
Indianen.
— Vriend, — sprak Nathan, met onverholen blijken van af-
keuring Roland\'s moedeloosheid opmerkende, — voorwaar, ge zijt
een dwaas, dat ge zoo weinig op de hulp des Almachtigen ver-
trouwt. Gij wenscht den dood van haar, die nog de troost uws levens
zal zijn! Vriend, gij weet niet, wat het zeggen wil, het liefste, dat wij
op aarde hebben, te moeten verliezen. Zie, — vervolgde hij, ter-
wijl hij zachtkens Roland\'s arm schudde, om zijne opmerkzaamheid
te wekken, — ge ziet hier voor u een man, die eenmaal jong en
gelukkig was, als gij, ja nog gelukkiger, daar een trouwe gade en
vele kinderen aan zijne zijde leefden; betrekkingen, die hem lief hadden
en die hij ook liefhad, meer dan zijn leven. Ja, vriend, nu tienjaren
geleden, was ik inderdaad een ander man dan thans en heel wat
gelukkiger. Ik had vrouw en kind, maar thans is er niets meer van
hen over dan ik alleen, een treurende oude man, die eenzaam in
de wereld staat, die geen plaats kent, waar eenig levend wezen
hem in liefde gedenkt. Luister oplettend naar mijn verhaal!
„Destijds woonde ik ver van hier, aan de grenzen van Bedford,
in de bergen van Pennsylvanië. Daar stond het huis, dat ik mij
bouwde, en dat alles bevatte wat mij lief en dierbaar was: mijn
oude, grijze moeder, mijn goede vrouw en do kinderen van mijn
hart. Er waren er vijf, zoons en dochters, allen gezond en in den
bloei van hun leven, allen kleine, onschuldige wezens, die nooit
iemand eenig leed hadden gedaan; voorwaar, vriend, ik had hen
zeer lief.
„Toen, — vervolgde Nathan, na een korte poos van zwaar-
moedige mijmering — toen omsingelden ons de Indianen, want ik
had mij stoutmoedig aan de grenzen gevestigd, omdat mijn geloof
mij maakte tot een man des vredes, die aller menschen vriend is
en alle menschen als vrienden beschouwt. Maar de Shawnees kwa-
men, rood van het bloed mijner naburen, die zij hadden vermoord,
en sloegen hun handen aan mijne onschuldige kinderen. Ge
hebt me eens in het woud gevraagd, wat ik in zoodanig geval
zou doen, indien ik over wapens had te beschikken. Welnu, vriend,
/
-ocr page 134-
140
DE BEVKIJDING.
ik had mijn wapens in de hand; ik gaf mijn geweer en mijn mes
vol vertrouwen over aan het opperhoofd der Shawnees, om
dezen het bewijs te leveren, dat ik vriendschappelijk jegens hem
gezind was.
„Vriend, indien ge naar mijne kinderen vraagt, voorwaar, dan
zal ik u bescheid doen. Met mijn eigen mes doorstak het op-
perhoofd mijn oudsten zoon! Met mijn geweer schoot hij de moeder
mijner kinderen dood! Indien ge leven moogt, totdat uw haren
zijn vergrijsd, nooit zult ge zien, wat ik zag op dien dag!
Eerst wanneer ge kinderen hebt, die voor uwe oogen door de
Indianen worden vermoord ; als ge eene vrouw hebt, die in doodsangst
uw knieön omklemt, terwijl haar \'t bloed uit de doorschoten borst
vloeit; als een oude moeder tevergeefs uwe hulp inroept, ..
dan eerst moogt ge den moed en den levenslust verliezen en uw
lot ellendig achten. Ja, dan eerst moogt ge weten, dat ge ellen-
dig zijt, u ellendig voelen, u ellendig noemen, want dan zult ge
ellendig zijn. Hier was mijn klein zoontje .. ziet ge? Hier
waren zijn beide zusjes .. verstaat ge? Hier, .. ge zult den-
ken, dat ik naar een mes greep om hem te helpen, maar het was
te laat! Vermoord, vriend! — allen, allen vermoord — allen gruw-
zaam voor mijne oogen geslacht!
Nathan\'s stem stokte; hij zonk neder, verborg zijn gezicht in
de handen en ademde hoorbaar, diep en zwaar. Roland zag
met een uitdrukking van oneindig medelijden op hem neer,
een traan welde op in zijn oogen. Kleine Peter vlijde zich
zacht klagend tegen zijn meester aan, als treurde hij met dezen
over het grenzenlooze leed dat hem had getroffen.
De bittere smart, die den armen Nathan terneersloeg, werd
echter spoedig onderdrukt. Na weinige minuten stond hij op;
zijn verweerd gelaat was kalm, maar doodsbleek. Hij zag den
traan in Roland\'s oog, greep de hand van den jongen man
en drukte haar op eene wijze, die duidelijk genoeg zeide, hoe
goed hem die deelneming, van Roland\'s zijde, deed. Toen sprak
hij : — Ge hebt nu gehoord, vriend, ge weet nu, wat de Shawnees
mij hebben aangedaan. Zij doodden alles wat ik liefhad en
waaraan mijne ziel hing, ofschoon ik hun vol vertrouwen te gemoet
trad. Spreek, vriend, wat zoudt gij hebben gedaan, indien zij u
een dergelijk lot hadden bereid ?
— Ik ? — riep Roland, terwijl de uitdrukking van smart uit zijne
trekken week en grimmige woede uit zijn oogen straalde, — ik! ik zou
hun den eeuwigen strijd hebben verklaard, op leven en dood; ik zou hun
•>.
-ocr page 135-
141
DE BEVRIJDING.
onsterfelijke wraak hebben gezworen; ik zou hen rusteloos hebben
gezocht en vervolgd, bij dag en bij nacht, in zomer en winter, aan
de grenzen en in hun eigen land; tot in hun dorpen en wigwams
zou ik de ellendelingen hebben opgespoord. Want dat zou niet alleen
wraak, maar ook plicht zijn jegens mijne medemenschen, wien een
gelijk lot had kunnen te beurt vallen.
—   Bij den Hemel, dat heb ik gedaan! — riep Nathan met
donderende stem, terwijl zijn oogen vuur schoten. — Ik heb
aan mijne kinderen gedacht, aan mijne vrouw, aan mijn
oude moeder en aan het welzijn mijner medemenschen ; en toen
heb ik de moordenaars vervolgd, en de Hemel verleende mijn arm
de kracht, om dat ontuig van de aarde te helpen verdelgen. Ik
dank u, dat gij er over denkt als ik, en dat ge mij deelne-
ming en vriendschap hebt betoond. En waarlijk, vriend, er zal u
hulp geworden. Gij zijt een dapper man; gij hebt mij niet gehoond
en gescholden, zooals de overigen, en voorwaar, het jonge meisje,
dat ge verloren hebt, uwe arme zuster, zal u weder worden
teruggegeven!
—    Maar waar zullen wij hulp vinden, Nathan ? — vroeg
Roland. — Wij beiden zijn alleen in de wildernis.
—    En van u èn van mij moet de hulp komen, van nie-
mand anders! — antwoordde Nathan. — Wij zullen die moordzieke
roovers achtervolgen en uwe zuster uit hun klauwen bevrijden.
—  Wij beiden alleen ? Zonder iemands hulp ?
—    Ja, alleen, vriend! — zei Nathan. — Met de hulp
van kleinen Peter en in het vertrouwen op de eeuwige Voor-
zienigheid. In waarheid, ik heb alles bij mijzelven overlegd en zie,
dat wij de hoop mogen koesteren te zullen overwinnen. Gij weet,
dat de krijgslieden der Shawnees op een rooftocht zijn, inliet noorden
van Kentucky. Ten gevolge daarvan staan hun dorpen ledig, door
niemand bewaakt dan door zwakke grijsaards, vrouwen en kinde-
ren. Daarom met frisschen moed voorwaarts! want wij zullen geen
tegenstand ontmoeten, dien wij niet door list, kracht of dapperheid
kunnen overwinnen.
—   Maar hoe zullen wij het spoor van de Shawnees terugvin-
den? — vroeg Roland, — en waar zullen wij wapens krijgen?
—  Vriend, — antwoordde Nathan, — wapens zijn er ge-
noeg; gij kunt kiezen uit don buit, veroverd op de schurken
die ik doodde, om u te bevrijden. Wat nu de sporen betreft, be-
kommer u daarover niet, want Peter en ik zullen die weten te
vinden en te volgen.
/
/
-ocr page 136-
142
DB BEVRIJDING.
—   Welnu, — zei Roland vastberaden, — laat ons dan niet
langer dralen; elk oogenblik is kostbaar.
—  Ge spreekt waarheid, en als ge u sterk genoeg gevoelt.
—  O, ik ben sterk door hoop en vertrouwen, — zei Roland. —
Gij hebt mij nieuw leven ingeblazen, en ik zal u met vreugde volgen
tot aan het einde der wereld!
Zonder verder een woord te spreken, ging Nathan naar de
gedoode Indianen, nam hun geweren, messen en kruitvoorraad,
waaruit Roland het beste uitkoos voor zijn gebruik. Daarop gin-
gen beiden op weg; zij schreden rustig voort, totdat zij aan
den zoom kwamen van een kleine open plek in het woud, waar
Nathan nog eenmaal bleef staan, om naar de gedoode Indianen om
to zien. De tot hiertoe koene trek op zijn gelaat verdween en
maakte plaats voor een verlegen en schuchtere uitdrukking, door
Roland met verbazing opgemerkt.
—    Vriend, — zei de Kwaker met zachte stem, — ge
zijt een dapper soldaat en weet te strijden als een echte Ken-
tuckyer. Acht ge het niet uw plicht dien dooden vagebonden, als
teeken van overwinning, hun scalp te nemen? Indien ge dat mocht
verlangen, zal ik mij tegen uw voornemen niet verzetten.
—   ScalpeerenI — riep Roland. — Ik die lieden scalpeeren?
Ben ik dan een slachter of een eerlijk soldaat? Neen, Nathan, ik
zal de Indianen dooden, maar hen scalpeeren ! dat kunt ge niet van
mij verlangen.
—   Doe zooals ge wilt, vriend, — antwoordde Nathan, ter-
wijl hij, zonder meer te zeggen, het woud binnendrong, totdat hij
de plek bereikte, waar daags te voren de Shawnees hun vaatje
brandewijn hadden vernietigd. Daar hield hij stand, en zeide,
alsof hij door een heimelijk berouw werd gekweld: — Zet u neder,
vriend, en rust een oogenblik uit. Ik heb twee Indiaansche ge-
weren aan den weg laten liggen, en dat spijt mij. Het zou kun-
nen gebeuren, dat andere schurken ze vonden en tegen onze blanke
broeders gebruikten. Ik ga even heen om ze in een hollen boom.
te verbergen.
Zonder Roland\'s antwoord af te wachten, ijlde Nathan, van
daar; hij kwam reeds na eenige minuten terug. Zijn gang was
trotsch, zijn oog fonkelde, en Roland hoorde hem de woorden
mompelen: — Men moet nooit iets half doen! — Terzelfder tijd zag
Roland, dat de punt van zijn mes bebloed was. Hij veroorloofde
zich daaromtrent echter geen aanmerking, terwijl Nathan, door zijn
jongen vriend gevolgd, zwijgend voortschreed.
-ocr page 137-
DE BEVKIJDING.                                                  143
—  Loop ik u te snel, vriend? — vroeg hij na eenigen tijd.
— Ge moogt heden niet moede worden, voordat de nacht is in-
gevallen, want de Indianen zijn ons ver vooruit. Dezen nacht moogt
ge echter rustig slapen, morgen zult ge u reeds heel wel, ofschoon
misschien nog een weinig koortsig gevoelen.
Dergelijke opwekkende woorden sprak Nathan meermalen tot
zijn jongen metgezel, en liep daarbij zoo onafgebroken en snel door\'
de wildernis, dat het Roland ten zeerste verbaasde, aangezien hij
wist, hoe weinig Nathan gedurende de afgeloopen drie nachten had
kunnen slapen. Bij zulk een snellen gang hadden de reizigers na-
tuurlijk betrekkelijk spoedig weder het wad bereikt. Nu verliet
Nathan den breeden buffelweg, stak het wad over en drong
toen, nog ongeveer een kwartier verder, het woud binnen. Daar
maakte hy eindelijk halt, onder een mot boomen en braambeziOn-
struiken begroeide rots, en gaf daarmede te kennen, dat deze natuur-
lijke grot gedurende dien nacht zou dienen tot slaapvertrek.
—  Hier is het goed, — zeide hij tot Eoland. — Men mag
nooit te dicht aan den weg zijn nachtkwartier opslaan, indien men
voor bezoeken wil gevrijwaard zijn. Hier zal ons, zooals ik bij lang-
durige ervaring weet, niemand storen.
Snel raapte hij eenige dorre takken bij elkaar, en sleepte die
in de grot, waarin spoedig daarna een helder vuur vlamde. Toen
haalde hy zijn voorraad levensmiddelen uit zijn tasch, bestaande
uit tarwe en gedroogd vleesch, en bracht ten slotte nog iets te
voorschijn, waarvan hij verzekerde, dat het voortreffelijke ahorn-
suiker was.
—  Zij kon er inderdaad beter uitzien, indien zij beter gemaakt
was, — voegde hij er bij, — maar aangezien de Indianen mijn
woning verbrandden en mijn koperen huisraad als goeden buit be-
schouwden, moest ik mijn suiker in houten troggen bereiden en
met heete steenen gaar koken. Op lange tochten is zij goed tegen
den honger, en reeds dikwijls heeft ze bij mij het gebruik van zout
moeten vervangen.
Eoland was te zeer vermoeid om hongerig te zijn, en of-
schoon Nathan bijna al zijn heerlijkheden in een nabijgelegen bron
afwiesch, om ze een ietwat smakelijker aanzien te geven, nam
de jonge soldaat er toch slechts weinig van, om zich daarna op
zijn leger van bladeren uit te strekken, ten einde door den slaap
weer nieuwe krachten te verzamelen. Na weinige oogenblikken
was hij ingesluimerd, welk voorbeeld spoedig door Nathan
werd gevolgd, nadat deze nog eenig hout had bijeengegaard, zijn
/
/
-ocr page 138-
144         NATHAN EN ROLAND BEVRIJDEN EALPH STACKrOLE ENZ.
wapen tot onmiddellijk gebruik naast zich gelegd, en kleinen Peter
had vermaand dien nacht zeer waakzaam te zijn. Twee minuten
later sliep hij zoo vast als een man, die in acht en veertig uren
geen oog toegedaan en gedurende dien tijd allerlei wederwaardig-
heden heeft beleefd.
XV.
NATHAN EN ROLAND BEVRIJDEN RALPH SÏACKPOLE UIT
DE HANDEN DER SHAWNEES.
De morgenster fonkelde nog onverzwakt en helder aan
den hemel, toen Roland reeds weder door Nathan werd gewekt en
aangemaand een ontbijt te gebruiken. De jonge krijgsman volgde
deze aanwijzing, want hij had eetlust en gevoelde zich, ofschoon
nog stijf in al zijn leden, toch veel sterker dan de vorige dagen.
Ook zijn gemoedstoestand was kalmer on opgewekter, en hij bleef
de hoop koesteren, dat hij zijn zuster ongetwijfeld uit de handen der
wilden zou bevrijden.
Nathan zag dat alles met genoegen aan, en gaf zijne vreugde
daarover met eenige hartelijke woorden te kennen. Zoodra nu
het eenvoudig maal was genuttigd, vingen zij den tocht opnieuw
aan en sloegen een woest en eenzaam pad in, dat hen leidde tot
diep in do dichtst begroeide gedeelten van het woud.
Terwijl zij onder de boomen voortliepen, overwoog Nathan
de tegenwoordige omstandigheden, die een gelukkig einde van den
krijgstocht schenen te voorspellen, en overtuigde hij Roland zeer
spoedig, dat hij tegen de gevaarlijke onderneming volkomen was
opgewassen. Onder zulke gesprokken gingen zij steeds voorwaarts,
totdat zij, bij het invallen van den nacht, den oever der Kentucky
bereikten. Hier werd halt gehouden. Den volgenden morgen trok-
ken de bejde mannen, op een inderhaast samengetimmerd vlot,
-ocr page 139-
NATHAN EN ROLAND BEVRIJDEN RALPH STACKPOLE ENZ.          145
den stroom over, om den volgenden dag den oever van den
Ohio te verkennen. Hier werd nogmaals een vlot getimmerd,
en toen zij den tegenoverliggendcn oever betraden, grepen zij
hunne wapenen, als mannen, die wisten, dat ze zich op vijande-
lijk grondgebied bevonden en bij elke schrede gevaar liepen over-
vallen te worden. Zij vervolgden hun weg, met zulk een snelheid
en behendigheid, dat ze zich aan het einde van den dag, volgens
Nathan\'s berekening, nauwelijks tien uur van het dorp van den
Zwarten Gier bevonden, en het den volgenden dag gemakkelijk
konden bereiken.
Dien volgenden dag ging het natuurlijk nog verder voorwaarts; zij
vermeden echter elk gebaand pad ; zij slopen met omzichtigheid door
de minst bezochte diepten van het woud, eene omzichtigheid,
voor het welslagen van hun koene onderneming steeds noodzake-
lijker geacht. Tot hiertoe was er, op hun geheelen langen tocht,
niets buitengewoons voorgevallen. Thans echter gebeurde er iets,
dat op het lot der beide tochtgenooten den grootsten invloed moest
hebben.
Zij hadden hunne plannen zoo gemaakt, dat zij het Indiaan-
sche dorp, eerst bij het invallen van den nacht, zouden bereiken,
en gingen zoo langzaam voort, dat zij omstreeks den middag
nauwelijks de helft van den geheelen weg hadden afgelegd. Hier
bereikten zij een klein dal, zoo wild en eenzaam, dat Na-
than voorstelde, eenige uren te rusten en zich te verkwikken door
warme spijs, hetgeen in de laatste dagen, toen ze slechts van
maïs en tarwe hadden geleefd, niet hun deel was geweest. Kort
te voren had het toeval hen aan een smakelijk maal geholpen.
Zij hadden namelijk een hert ontmoet, dat juist onder de klauwen
van een roofdier den adem uitblies, dit laatste op de vlucht ge-
jaagd, en op die wijze een heerlijk stuk wildbraad ver-
meesterd.
Een nadere beschouwing van den buit toonde aan, dat het beest,
voordat het door zijn vijand werd aangevallen, reeds door een ge-
weerkogel was getroffen, een omstandigheid, die den argwanenden
Nathan een weinig verontrustte. Bij nader onderzoek bleek hem ech-
ter, dat de zware toch doodelijke wonde het dier niet had ver-
hinderd nog eenige uren ver te loopen, totdat het, geheel uitge-
put, in de klauwen van een woudstier viel. Deze omstandigheid
deed Nathan\'s bezorgdheid verdwijnen, die een bout van het hert
afsneed, dit op zyne schouders laadde, en nu in het genoemde dal
aanstalten maakte om het lekkere hapje toe te bereiden.
/
/
-ocr page 140-
146            NATHAN EN ROLAND BEVRIJDEN RALPH STACKPOLE ENZ.
De plek, waar de reizigers zich bevonden, was geheel door
bergen ingesloten. De eene zijde, vanwaar zij gekomen waren,
liep met een zachte, met boomen bedekte glooiing naar beneden
in het dal, terwijl de andere zich steil en rotsachtig uit den bo-
dem verhief. Een kleine beek slingerde zich door de vlakte en vormde
hier en daar moerassige plaatsen, totdat zij, aan het uiterste eind,
met een kromming achter de bergen verdween.
Hier was het, in dit eenzame bergdal, dat Roland en Na-
than hunne wapenen ter zijde legden en zich volkomen op hun
gemak schenen te willen zetten. Niet aldus kleine Peter. Hij
was onrustig, stak zijn neus in de lucht, en snoof op een wijze,
die de opmerkzaamheid van Nathan moest trekken. Bovendien be-
rook hij den rand van de bron, waarbij de reizigers hadden halt
gehouden, keek naar boven en naar beneden in het dal, en liep
eindelijk naar den rotsachtigen bergrug, vanwaar hij voortdurend
naar zijn meester omzag, en, door kwispelen met zijn staart,
diens opmerkzaamheid scheen te willen trekken.
— Waarlijk! — riep Nathan opspringend, terwijl hij
naar zijn buks greep, — ge hebt éénmaal tevergeefs met
uw staart gekwispeld, maar dat zal voor den tweeden keer niet
weer gebeuren, ofschoon ik waarlijk niet weet, kleine Peter, wat ge
hier kunt ruiken, waar sporen van Indianen noch van blanken
zijn.
Met deze woorden klom hij zelf den berg op, een voorbeeld,
door Roland gevolgd, ofschoon deze aan de bewegingen van den hond
niet hetzelfde gewicht hechtte als Nathan.
Voorzichtig naar boven klimmend, hadden de reizigers weldra
den top van den heuvel bereikt, vanwaar zij zagen in een
diepte van ongeveer vijftig voet, die in een woest maar mooi dal
zich verloor. Hier trof hen een schouwspel, dat hun de voorzichtig-
heid deed zegenen, waarmede zij de waarschuwing van hun vier-
voetigen bondgenoot hadden ter harte genomen.
Het dal beneden hen liep uit in een breede vlakte, als
inham van den stroom, welken zij onder boomen, die den weel-
derigen, aangeslibden bodem overschaduwden, konden zien glinste-
ren. En in die bocht liep een beek uit, die aan hun voeten, in
het dal waarin zij ook ontsprongen was, vroolijk plaste en ruischte.
De berg, aan den anderen kant van het dal, was oneffen en steil,
evenals die waarop zij lagen, en was met dezen zoodanig ver-
bonden, dat zij te zamen een grooten halven cirkel vormden. Het
dal zelf bleek hier en daar vol rotsen en slechts aan den eenen
-ocr page 141-
NATHAN EN BOLAND BEVRIJDEN RALPH STACKPOLE ENZ.         147
kant met boomen begroeid, die met hun groene, weelderige tak
ken een dak boven het murmelend stroompje vormden.
Onder die boomen, ongeveer drie- of vierhonderd schreden
van Eoland verwrjderd, zagen de reizigers het eerst den rook
van een groot vuur, welks schijnsel viel op vijf Indiaansche krij-
gers, in een levendig onderhoud gewikkeld. In hun nabij-
heid bevond zich een blanke, oogenschijnlijk een ongelukkige
gevangene, daar hij met de voeten aan een boom was vastge-
bonden. Thans sprongen de wilden op, dansten rondom hun slacht-
offer, juichten luide, en sloegen den gebondene met stokken op
hoofd en schouders, wat hun zonder twijfel meer genoegen deed
dan den gepijnigde, die bij elke gelegenheid met zijn vrije
vuisten zoo grimmig op de Indianen lossloeg, dat werkelijk een van
dezen, die te dicht bij hem was gekomen, door de kracht van zijn
slag op den grond werd geworpen. De anderen lachten daarover
en juichten, maar zetten daarbij hun gruwzame plagerijen onophou-
delijk met den grootstcn ijver voort.
Dit schouwspel maakte natuurlijk een diepen indruk op de
beide reizigers, niet zonder levendige deelneming het lijden kunnende
aanzien van een evenmensen en landgenoot, wien ongetwijfeld
weldra nog gruwzamer martelingen en de dood te wachten stonden.
Zij zagen elkaar met fonkelende oogen aan, en Nathan zeide, ter-
wijl hij zijn geweer vaster omknelde:
—  Spreek, vriend, wat denkt ge van dit geval?
—  Nathan, — antwoordde Roland —■ zij zijn met hun
vijven en wij slechts met ons tweeën; maar ditmaal is er
geen Edith, die zooals vroeger mijn arm verlamt, toen ik steeds
in de eerste plaats haar veiligheid in het oog moest houden.
Nathan wierp een nadenkenden blik op de wilden, en zag daarna
zijn geleider met een bezorgde uitdrukking aan.
—  Vriend, ge hebt gelijk, — zeide hij. — Wij zijn slechts
met ons beiden tegen vijf bloeddorstige duivels, en het is geen
kleinigheid om hen op klaarlichten dag aan te pakken. Wij zijn
echter dappere en krachtige mannen, en, mij dunkt, dat wij den
armen gevangene wel zouden kunnen bevrijden en dien schurken
belangrijk nadeel toebrengen. Maar gij spraakt van uwe zuster.
Indien ge u in dien strijd mengt, zou het wel eens kunnen gebeu-
ren, dat ge haar nooit wederzaagt.
— Mocht ik vallen, — antwoordde Roland vurig, — dan ...
Nathan viel hem snel in de rede.
—  Dat is het niet, waarover ge behoeft te denken, — zei
/
-ocr page 142-
I
148         NATHAN EN ROLAND BEVRIJDEN RALPH STACKPOLE ENZ.
hij. — Ge kunt gerust met die wilden vechten en zult hen over-
winnen. Maar indien uw geweten u niet mocht veroorloven hen
allen om te brengen, dan ...
—  Maar waarom allen? — vroeg Roland. — Het is ge-
noeg, indien wij den gevangene bevrijden.
—  Neen, vriend, waarlijk nietl — antwoordde Nathan.— Want
indien ook maar een enkele dier schurken levend zijn dorp be-
reikt, maakt hij alarm en is het met de bevrijding uwer zuster
gedaan. Ge zult moeten kiezen: öf den gevangene redden of uwe
zuster.
Roland aarzelde. Deze opvatting van Nathan had veel waar-
schijnlijks. Hij sidderde bij de gedachte aan de mogelijkheid, dat,
het eigenlijk doel zijner reis geheel zou kunnen worden verijdeld.
Maar een medebroeder, een landsman, lafhartig in den steek te la-
ten, wanneer hij zich in de mogelijkheid bevond hulp te verleenen,
dat kon hij ook niet: daartegen verzette zich zijn beter gevoel. Hij
dacht aan zijn eigen hulpeloozen toestand, waaruit Nathan hem had
gered, en daarom wendde hij zich vastbesloten tot dezen, terwijl
hij zeide:
—  Nathan, wij kunnen den gevangene bevrijden! Ik was
een gevangen man, evenals hij ; ik lag hulpeloos en gebonden, even-
als hij, en drie Indianen bespiedden mij, terwijl slechts het oog
van één enkelen vriend over mij waakte. En die vriend verliet
mij niet! Schande over mij, indien ik dien arme verlaten zou!
Het lot mijner arme zuster ligt in Gods hand; wij echter, Nathan,
wij moeten dien man bevrijden!
—  Waarlijk, vriend, — zeide Nathan, terwijl een straal van
vreugde in zijn dapper oog schitterde, — waarlijk, gij zijt een man;
alle eerbied voor u! Uw wensch zal vervuld worden, wat die
ellendige beesten van Shawnees betreft, en uwe zuster, vriend, zal
er niet slechter om varen!
Zonder meer woorden te verspillen, gaf hij Roland een wenk
en kroop met hem over den rand van den heuvel, waar hij stil-
hield, om in aller ijl te beraadslagen over hetgeen zij, met het oog
op het aanstaand avontuur, het bost zouden kunnen doen. Roland
stelde voor, dat een van hen aan het boven-, de ander aan het
benedeneinde van het dal zou post vatten, dat zij vervolgens zou-
den trachten den vijand zoo dicht mogelijk te naderen en ten slotte
vuren. Voordat dan de wilden van hun verbazing zouden bekomen
zijn, zouden zij beiden op hen toeloopen en den strijd met de
bijl in de vuist beslechten.
-ocr page 143-
NATHAN EN EOLAND BEVRIJDEN EALPH STACKPOLE ENZ.          149
—  Voorwaar, — zeide Nathan, die onderwijl de zaak scherp
had overwogen, — voorwaar, wij zullen trachten die moordzieke
dieven zoo dicht te naderen, dat het ons, onder gunstige omstan-
digheden, gelukt er elk twee in één schot te raken. Of, — vervolgde
hij, — wellicht gelukt het ons die landloopers te vangen, terwijl zij
zich van hun geweren verwijderen, om hout voor hun vuur te
halen. Dan kunnen wij hen misschien op een tweede salvo, uit hun
eigen vuurroeren, onthalen. En in het ergste geval ken ik eenkrijgs-
list, die ons de schurken altijd in handen zal leveren.
Na deze woorden laadde hij zijn buks, en beval hij klei-
nen Peter zich in een boschje te verbergen, welk bevel dan ook
terstond werd opgevolgd. Thans spoedde hij zich met Roland langs
den bergrug, totdat hij een dicht struikgewas bereikte, waardoor
hij onopgemerkt in het dal \'hoopte te komen. Zijne verwachting
werd echter nog overtroffen. Een breede, diepe geul, door den regen
buiten haar oevers getreden, vloeide door de boschjes, aan weerszijden
overwelfd, hier neder in het dal. Een kleine beek stroomde er in
uit, en het geruisch en geplas dezer laatste was luid genoeg, om
elk ander gedruisch, dat de reizigers bij het afdalen konden veroor-
zaken, te overstemmen.
—  In waarheid, — sprak Nathan met een lachje van woeste
vreugde, — het leven dier schurken is in onze hand, niet één
van hen zal ons ontkomen.
                   ,
Haastig snelde hij het bergdal in. Roland volgde hem.
Weldra hadden zij een plek bereikt, vanwaar zij het geheele dal
overzien en de wilden met gemak konden neerschieten. Zij zagen
hen, nauwelijks veertig schreden van hen verwijderd, zonder een
flauw vermoeden van het gevaar, dat zoo dicht boven hunne hoofden
zweefde. Zij hadden hun gruwzaam spel geëindigd met den
gevangene, die een man van krachtigen lichaamsbouw scheen te
zn\'n. Deze lag hijgend onder den boom uitgestrekt en zoo dicht in
de nabijheid, dat de verborgenen zeer duidelijk het snelle rijzen en
dalen van zijn naar adem hijgende borst konden hooien. Twee India-
nen zaten, met de tomahawks in de vuist, naast hem in het gras
en hielden de wacht. Hun geweren hadden zij tegen den stam
van een half verganen boom geplaatst, welks laatste takken een
derde met zijn bijl afsloeg. De beide andere wilden zaten neergehurkt
bij het vuur, en wijdden, met het geweer in den arm, hun opmerk-
zaamheid aan een stuk gebraad, dat aan een spits boven de vlam-
men hing en voor hun maal werd toebereid. De blikken, die zij
nu en dan op den gevangene wierpen, voorspelden dezen niets goeds,
/
-ocr page 144-
150         NATHAN EN ROLAND BEVRIJDEN BALPH STACKP0LE ENZ.
en schenen de kannibaalsche hoop uit te drukken, hem weldra aan
een dergelijk vuur te zien braden.
De stelling, door de Indianen ingenomen, belette Nathan zijn
plan ten uitvoer te leggen, om er twee in één schot te vellen;
maar deze omstandigheid was evenmin in staat zijn ijver te verzwak-
ken als hem in verlegenheid te brengen. Zijn plan gold alle moge-
lijke gevallen, en weinige zacht gefluisterde woorden waren vol-
doende, om Roland van zijn voornemen in kennis te stellen. Deze
volgde de ontvangen aanwijzing, legde naast zich, op den rand der
geul, zijn bijl, plaatste zijn muts daarop en mikte op een der aan
het vuur zittende wilden. Nathan deed evenals hij, en richtte den
loop van zijn buks op den anderen Roodhuid. Beiden schenen geen
vermoeden te hebben van het gevaar. Zij zaten heel stil, maar het
een of ander geruisch, wellicht veroorzaakt door een vallenden steen,
die naast Roland van den oeverrand afbrokkelde, bereikte thans
hun oor, deed hen opspringen en vorschende blikken om zich
heen slaan.
—  Nu opgepast, vriend, — fluisterde Nathan, — opgepast!
Een misschot kan ons het leven kosten. Zijt ge gereed?
—  Gereed! — antwoordde Roland.
—  Nu dan, — zei Nathan, — jaag dien schurken uw kogel
door het hoofd! Vuur!
De buksen knalden, de twee Indianen vielen getroffen ter
aarde. De overigen sprongen verschrikt op, grepen met woest gebrul
naar hun wapenen, en keken rond, of zij den onzichtbaren vijand,
die zoo plotseling den dood in hun midden had gezonden, konden
ontdekken. Ook de gevangene hief het hoofd op, hij scheen uit zijn
verdooving opgeschrikt.
De blauwe kruitwolken, uit het boschje te voorschijn kronke-
lend, verrieden den Indianen de plaats waar hun vijanden zich
bevonden. Zij zagen de mutsen tusschen de bladeren, hielden
ze voor de hoofden hunner tegenstanders en liepen blindelings in
den strik, dien „Zwervende Nathan" hun had gespannen. Onder
luid gejuich schoten zij hunne geweren tegen den vermeenden
vijand af; de mutsen vielen, en Nathan riep met donderende stem:
— Thans, vriend, den tomahawk in de vuist! Op de schurken los.
geslagen!
Nauwelijks had die uitroep weerklonken, of de takken van het
het boschje ruischten, en beide mannen stormden met een krachtig
„hoera!" in de richting van het vuur, waar nog de geladen geweren
der doode Indianen lagen. Ook de wilden hieven hun krijgsgeschreeuw
-ocr page 145-
NATHAN EN BOLAND BEVRIJDEN BALPH STACKPOLE ENZ.         153
aan en snelden de aanvallers te gemoet, om hun den buit te betwis-
ten. Eén echter bleef achter, terwijl hij een jubelenden zegekreet
uitstiet. Hij alleen had zich door do list van Nathan niet laten ver-
schalken. Zijn geweer was nog geladen, met een hoonend gebaar
richtte hij den loop op Nathan\'s borst.
Zijn zegepraal duurde echter niet lang, want het schot, dat
Nathan\'s leven bedreigde, werd door een onverwachte gebeurtenis
gelukkig afgewend. De gevangene, die tot hiertoe op den grond had
gelegen, voelde zijn kracht verdubbelen, toen hij de vrienden tot
zijne hulp zag toesnellen. Met geweldige inspanning verbrak hij
zijn boeien, sprong met een juichend „hoera!" van den grond, stortte
zich op den wilde, sloeg hem het geweer uit de hand,
greep hem met zijn geweldige vuisten aan, en slingerde hem, onder
den uitroep: — Vooruit! Leve Kentucky! — op den grond. Daarna
wierp hij zich op hem. Toen ontspon zich een verschrikkelijk
vuistgevecht. Zij rolden over elkander, knersten met de tanden,
brulden en sleurden elkaar nu her- dan derwaarts, als wilde dieren,
en rolden eindelijk, in vaste omstrengeling, van de vlakte naar
beneden, in de richting van de steile en hooge oevers der beek, van
waar zij plotseling aftuimelden, in woeste vaart, zoodat de anderen
hen geheel uit het gezicht verloren.
Onder dit bedrijf waren ook de beide anderen met de overige
Indianen handgemeen geraakt. Roodhuiden noch aanvallers dachten
meer aan hun vuurwapenen, maar vielen op elkander aan, als man-
nen wier eenige gedachte is: sterven of overwinnen. Hoog zwaaide
Nathan zijn strijdbijl en wierp zich op den sterksten der beide
tegenstanders, die ook met zijn tomahawk strijdvaardig stond.
De verschrikkelijke wapens suisden door de lucht, troffen elkaar
in den zwaai, klikklakten en schampten machteloos af, en vielen,
zonder eenig letsel te hebben aangericht, den strijders uit de vuist.
De Indiaan snelde vooruit, greep bliksemsnel naar zijn wapen, maar
te laat. Nathan vatte hem met reuzenkracht bij den schouder,
één enkele klem van zijn ijzersterken arm was voldoende, om
zijn tegenpartij ter aarde te doen storten. Toen zette Nathan de knie
op de borst van don gevallene, greep hem met de eene hand bij den
strot, terwijl hij met de andere den tomahawk ophief, on met woe-
denden blik, die geen medelijden kende, hem toeriep: — Sterf, aterling!
Sterven zult ge, al zou het leven van uw geheelen stam in uw
borst zijn gevaren! — Driemaal zwaaide hij den tomahawk en drie-
maal kwam deze neer op het hoofd van den Indiaan. Deze was,
reeds bij den eersten slag, een bewegingloos, bloedig lijk.
Kapitein Roland.                             /                               10
-ocr page 146-
154         NATHAN EN ROLAND BEVRIJDEN RALPH STACKPOLE ENZ.
Thans richtte Nathan zich op, zwaaide met gillenden kreet de
bloedige bijl boven zijn hoofd, tn zag naar Roland om. Deze lag met
de knie op de borst van een Roodhuid, die aan de onstuimige
dapperheid van zijn jongen en koenen tegenstander geen weer-
stand had kunnen bieden. Beiden hadden hunne tomahawks naar
elkaar geslingerd, zonder elkander te hebben getroffen; Roland,
omdat hem de oefening in het gebruik van dat wapen ontbrak,
en de wilde, omdat hij, in blinde woede, over een doode gestrui-
keld en op den grond was gevallen. Roland gunde hem geen tijd
om weder op te staan. Hij hield hem krachtig onder, maar kon
hem niet dooden, daar hem een wapen ontbrak. Nathan zag het,
hij snelde zijn vriend te hulp. Een enkele slag met den tomahawk
was voldoende, om den jongen Indiaan voor altijd onschadelijk te
maken.
Hijgend en nog van strijdlust blakend, sprongen de overwinnaars
nu op, en zagen om naar den vijfden Indiaan en diens gevangene,
die, in de hitte van het gevecht, aan hun aandacht waren ontsnapt.
Zij hoorden een verschrikkelijken plons in de beek, een schreeuwen,
juichen, stenen en vloeken, en nabij komende, vertoonde zich aan
hun oogen een schouwspel, dat misschien het verschrikkelijkste
was van den geheelen strijd. De Indiaan lag op den rug, diep in
het slijk, dat hem bijna verstikte, terwijl de blanke dwars over hem
heen zat. Met de vreeselijkste woede trof deze, daar hij ongewapend
was, in slag op slag, met de gebalde vuisten, het hoofd van
zijn tegenstander, on die slagen kwamen zoo geducht aan, dat de
wilde, reeds bij zijn val van de hoogte zwaar gekwetst, weldra op
het uiterste lag. Onder dit bedrijf braakte de overwinnaar voort-
durend een stroom van verwenschingen uit, niet minder dan zijn
onophoudelijke slagen getuigende van zijn woede jegens den vijand,
die hem, nog weinige minuten geleden, naar hartelust had gemarteld
en getergd.
— Sla nu nog, als je kunt! — schreeuwde hij, — afschuwelijke
roodhuidige dief! Nu krijg je het verdiende loon, moorddadige,
valsche, gemeene kwelduivel! Zie je, zoo betaal ik je spot en mar-
teling met gelijke munt!
Op dat oogenblik snelden Roland en Nathan toe; zij trokken
den verbitterden, woedenden man van de schouders van zijn slacht-
offer. De overwinnaar richtte zich op, schudde zijne armen, en
schreeuwde met donderende stem: — Heb ik hem niet goed te
pakken gehad? Leve Kentucky en de Alligator van de Zoutri vier!
Kikeriki! Kikeriki!
-ocr page 147-
HET VERHAAL VAN RALPH.                                      155
Roland keek vreemd op en zag Nathan met de grootste ver-
bazing aan. Beiden herkenden thans, in het met bloed- en
slijkkorst overdekt gezicht, enkel aan het stemgeluid en zijngekraai,
den waardigen Ralph Stackpole, den beruchten koning aller
dieven van het edel paardenras.
XVI.
HET VERHAAL VAN RALPH.
Xvalph\'s verrassing, toen hij bemerkte aan wien hij zijn onver-
hoopte bevrijding had te danken, was nauwelijks geringer dan de ver-
bazing van Roland en van „Zwervenden Nathan". Die verrassing maakte
echter terstond plaats voor een uiterst levendige ontboezeming van
vreugde. Ralph omhelsde Nathan, omhelsde Roland, die hem
tevergeefs poogde te ontwijken, en drukte beiden, met de harts-
tochtelijkste genegenheid en de onbeschrijfelijkste verrukking,
aan het hart.
—   Vreemdeling! — riep hij, toen hij Roland aan den hals
hing, — ge hebt mij gered van den strop, ofschoon dit slechts ge-
schiedde op het verzoek der engelachtige dame, en thans hebt ge
mij bevrijd, uit vrije beweging, en zonder dat een verzoek van mij
noodig was. Ik ben thans uw man, ik Ralph Stackpole, en zal
u trouw blijven, nu en in eeuwigheid; waar ge ooit mn\'ne
diensten noodig hebt, kunt ge rekenen op mij, en hebt gij een
soldaat noodig, dan is Ralph Stackpole van af heden uw man?
—  Maar mensch, om \'s Hemels wil, hoe komt ge toch hier ? —
onderbrak Roland den stroom van Ralph\'s al te levendige
ontboezemingen van dankbaarheid. — Ik heb je toch met eigen
oogen voor de wilden zien vluchten 1
-ocr page 148-
156                                  HET VERHAAL VAN RALPH.
—   Vreemdeling, — antwoordde Iïalph, — wanneer ge mij
op deze wijze blceft vragen tot den jongsten dag, zou ik u
slechts een enkel antwoord kunnen geven. Mijn plan is, die engel-
achtige dame te bevrijden uit de klauwen van het Indiaansch
gespuis, en ik was haar reeds mooi op het spoor, toen die nu doode
schurken hier mij opvingen en in boeien sloegen.
—  Wat! — riep Roland, die iets als genegenheid voor den
paardendief in zijn hart voelde ontwaken, toen hij hoorde dat hij
zijn arme zuster trouw was gevolgd —- ge hadt dus het voor-
nemen om haar te helpen, ge zijt niet als gevangene hierheen
gesleept ?
—   Ik mag doodgeschoten worden, als het waar is, — zeide
Ralph Stackpole. ■— Eerst een half uur van hier vingen de schurken
mij op, juist toen ik mijn geweer op een hert had afgeschoten. Toen
sprongen zij op mij toe, voordat ik opnieuw kon laden, en zoo
kwam ik in hun macht. Ik zal u alles vertellen. Zoodra Tom
Bruce weder tot zich kwam....
—   Hoe ? — viel Roland hem in de rede, — is de jonge man
niet dood ?
—   Neen, neen, alleen maar gewond. Hij was maar een beetje
zenuwachtig geworden, zooals het gewoonlijk met menschen gaat,
als zij een kogel tusschen de ribben krijgen. En nu zeide ik tot
Tom Bruce, dat ik weg wilde, om de engelachtige dame te helpen.
Maar eerst bracht ik den jongen Kentuckyer in veiligheid, en Bruce
bezwoer mij, dat hij mij terstond met zijn vader en alle manschap-
pen, die hij kon bijeenbrengen, wilde volgen, om de gevangenen
te bevrijden.
Verder deelde Ralph mede, dat hij de wilden was gevolgd en
.hen steeds op het spoor was gebleven. Zijne hoop, Edith te helpen,
was gegrond op zijn kennis van eenige Indiaansche dorpen, waaruit
hij reeds meermalen paarden had gestolen.
Daar Ralph slechts spaarzaam van levensmiddelen was voor-
zien en niet durfde jagen, leed hij natuurlijk weldra gebrek. Drie
dagen weerstond hij den honger, maar ten slotte zegevierde de
natuur over zijn wil, en aangezien er juist een hert voor hem op-
sprong, joeg hij dit een kogel in hot lijf. Dat hij het geraakt had,
bewees het bloedspoor, door hem zoo ijverig gevolgd, daarbij verge-
tende zijn geweer opnieuw te laden. Dit was een groote on-
voorzichtigheid, want het gebeurde weldra, dat de vijf Indianen
(zooals later bleek eene afdeeling, en wel de achterhoede van den
troep dien hij achtervolgde) door den knal van zijn geweer waren.
-ocr page 149-
157
HET VERHAAL VAN RALPH.
naderbij gelokt, thans onverhoeds op hem aanvielen, en hem tot hun
gevangene maakten.
Ralph werd door de wilden terstond als de beruchte paardendief
herkend. Zoo groot was hun haat jegens hem, dat zij, in stede
van den hoofdtroep te volgen, in het dal bleven vertoeven, om den
gevangene een klein proefje te geven van de martelingen, die hem
later stonden te wachten. Zij bonden en geeseldon hem, en zouden
ongetwijfeld hem nog meer hebben gepijnigd, indien hij niet te rechter
tijd door Roland en Nathan ware bevrijd.
Uit deze mededeelingen van ltalph bleek, dat de hoofdtroep der
roovers zich nog met hun gevangene op marsen bevond, al waren
ze dan ook te ver vooruit, om ingehaald te kunnen worden. Nochtans
drong Roland, nadat de drie mannen hun maaltijd hadden gebruikt,
er ernstig bij Nathan op aan, om onverwijld met de vervolging der
Indianen te beginnen.
—   Ongetwijfeld — zeide hij — hebben zij, evenals deze vijf,
ergens halt gemaakt, en kunnen wij hen eveneens naderen en uit
onze hinderlaag dooden, te meer, daar onze strijdkrachten met Ralph
zijn vermeerderd.
Nathan hoorde hem kalm aan, maar scheen weinig geneigd het
gevoelen van den jongen man te deelen.
—  Voorzeker, vriend, — zeide hij — het zou beter zijn voor mij,
voor u en voor het jonge meisje, indien wij beproefden haar des nachts
uit het dorp te stelen, in plaats van haar uit de legerplaats eener
gewapende bende te halen. Heb maar geduld en, waarlijk, ge zult
zien, dat daaruit nog veel goeds voortkomen kan.
Roland, die Nathan\'s meerdere ervaring erkende, moest zich naar
diens oordeel voegen, ofschoon hij vurig verlangde zijne zuster zoo
spoedig mogelijk te helpen.
Nathan sloeg thans voor, de lijken der Indianen in den een of
anderen, door den regen uitgespoelden kuil, te werpen, opdat een
voorbijkomende wilde ze niet zou ontdekken. Dit geschiedde, maar
niet dan nadat Ralph en Nathan de zakken der gesneuvelden onderzocht,
en zich de daarin aanwezige voorwerpen van waarde hadden toege-
ëigend. Aldus ontnam de Kwaker den een een licht Indiaansch
jachthemd, een tweeden een linnen overkleed, een vrouwenzakdoek
en een zakje met geneeskrachtige kruiden; een derde verschillende
kleinigheden: naalden, schelletjes en een zakje met roode en andere
kleuren, de voornaamste sieraden van een wilde uitmakende. Al die
dingen bond hij in een bundel bijeen, om ze te gebruiken* voor een
doel, waarvan hij zijn metgezellen volstrekt geen geheim maakte.
/
-ocr page 150-
158
NATHAN SLUIPT HET DORP BINNEN.
Daarop nam hij de geweren der dooden, schroefde de sloten er at
en verborg die in rotsspleten, waar een menschelijk oog ze niet licht
zou ontdekken. Vervolgens wischte hij zorgvuldig de sporen uit van
den strrjd, en gaf eindelijk het teeken van op te breken, waaraan
bereidvaardig door Roland en Ralph Stackpole werd voldaan.
XVII.
NATHAN SLUIPT HET DORP BINNEN.
avond begon reeds te vallen, toen onze vrienden, door
dicht kreupelhout en langs eenzame bergruggen voortsluipend en
zorgvuldig elk gebaand pad vermijdend, eindelijk van den top eens
heuvels het dal zagen, waarin het dorp van den Zwarten Gier was
gelegen. Het laatste rood van de door de ondergegane zon verlichte
wolken wier]) nog een flauw schijnsel over de groene grasvlakte van
het dal, waardoor een heldere stroom ruischte, die zijn wateren nu
eens onder schaduwrijke boomgroepen verborg, dan weder tusschen
bloemen voortkronkelde en aan de geheele streek een buitengewoon
behoorlijk en vriendelijk aanzien gaf. Verder in het dal zag men velden
met rijpende maïs, en aan gene zijde daarvan, waar vooruitspringende
bergen de vlakte aan het oog onttrokken, toonden lichte, blauwachtige
rookwolkjes, uit de daken van boomschors en vellen omhoog-
stijgend, de ligging van het Indiaansche dorp.
De reizigers, nu eindelijk het doel van hun moeitevolle reis
hebbende bereikt, beschouwden de landstreek, die het schouwtooneel
hunner daden zou worden, een tijdlang onder een diep stilzwijgen,
want ieder van hen dacht aan de gevaren en de ,moeilijkheden,
nog te overwinnen, voordat zij hun laatste, vurig nagestreefde
wenschen zagen vervuld. Ten slotte zochten zrj een diepe,
-ocr page 151-
NATHAN SLUIPT HET DORP BINNEN.                              159
verborgen kloof op, hielden nog eene beraadslaging, en maakten,
zich gereed om naar het dorp te trekken. Nathan bood aan,
dit eerst alleen binnen te sluipen, ten einde de toestanden
aldaar te verkennen en zoo mogelijk de plaats te ontdekken,
waarheen men de geroofde Edith had gebracht. Dit wilde Ralph
echter niet toestaan, want hij stond er op, dat hem die taak
werd opgedragen.
—    Gelooft ge dan, oude Nathan, — zeide hij, — dat ik
daarom de engelachtige dame zoo lang heb nageloopen, om haar
dpor een ander tweebeenig wezen te laten bevrijden ? De eeuwige^
dood over mij, maar ik ben de man, die dit dorp hef. beste
kent, want ik heb al meer dan eens paarden er uit gestolen.
—   Ge kunt voorzeker de jonge dame op uw manier zeer
nuttig zijn, — antwoordde Nathan, — maar ge zijt een ongeluks-
vogel, en waar gij verschijnt brengt ge onheil. En daarom ben
ik bang voor u, wat deze onderneming betreft.
—   Wees maar liever bang voor je eigen neus, bloedige Na-
than, — antwoordde Ralph lachend. —\'Is het dan geen geluk
genoeg, als men uit de klauwen van vijf Indianen wordt bevrijd?
Laat ons dan samen gaan, Nathan. Spoor gij het verblijf der
engelachtige dame op, en, terwijl ge u bij haar bevindt, zal ik
een paard voor haar stelen, waarop zij kan wegrijden.
—    Daaraan heb ik juist gedacht, vriend, — antwoordde
Nathan goedkeurend, — want het is hoognoodig dat het zwakke
meisje een paard heeft om te rijden. "Welaan, vriend, indien
ge volgens uw geweten overtuigd zijt, dat ge ons een dier kunt
bezorgen, zonder gezien en opgepakt te worden, dan heb ik er
niets tegen dat ge mij vergezelt. En in waarheid, als ge er
twee of drie mocht kunnen rooven, zou niet alleen het jonge
meisje, maar zouden ook wij er zeer mede gebaat zijn.
—    Thans spreekt ge als een man van verstand, — ant-
woordde Ralph, — geef me maar riemen, om halsters te maken,
en dan zult ge een paardendief zien, zoolils er op de aarde geen
tweede bestaat.
—   Aan halsters zal het u niet ontbreken, — zeide Nathan, —
ten minste als men die uit leder kan maken. Neem mijn leeren buis
en snijd dat in reepen, want ik kan daarvan toch geen gebruik
maken, als ik mij in het Indiaansche dorp bevind.
Bh\' deze woorden trok Nathan het bewuste kleedingstuk uit,
hetwelk Ralph aanstonds in dunne reepen sneed, die hij tot halsters
samenvlocht. Nathan echter trok, in plaats van zijn buis, het hemd
/
-ocr page 152-
160
NATHAN SLUIPT HET DORP BINNEN.
aan van calicot, dat hij den gedooden Indiaan had ontnomen, en
wierp, bij wijze van mantel, het bewuste Indiaansche linnen over-
kleed er overheen. Om zijn hoofd bond hij een bonten doek,
terwijl hij- zich van verscheidene, tot dat doel medegenomen, ver-
sierde gordels voorzag. Daarna bestreek hij gelaat, armen en borst
met strepen van een roode, zwarte en groene kleur, die slakken,
hagedissen en ander kruipend gedierte moesten voorstellen, en ver-
anderde zich in èen wilde, die er zoo grimmig en schrikwekkend
uitzag, als zijn kleeding en beschildering, in \\ereeniging met zijn
hooge, magere gestalte, hem slechts konden maken.
Terwijf deze gedaanteverwisseling met Nathan plaats vond,
stond Roland er op, beiden naar het dorp te vergezellen, daar hij
niet den minsten lust gevoelde zich tot een roemlooze werkeloosheid
te laten veroordeelen.
—   Ik vrees de govaren niet, maar wil alle, die u bedreigen,
met u deelen.
—    "Wanneer het hier slechts gevaren gold, — antwoordde
Nathan, — zoudt ge mèt ons kunnen gaan en ons welkom zijn.
Maar de geringe diensten, die ge dan zoudt kunnen bewijzen, staan
niet in verhouding tot liet gevaar, waaraan uw algeheele oner-
varenheid ons blootstelt. Alles hangt thans af van behendigheid,
sluwheid en tegenwoordigheid van geest, want de minste onvoorzich-
tigheid zou voor ons allen verderfelijk kunnen zijn.
Voor deze en dergelijke beweegredenen moest de jonge soldaat
ten laatste zwichten, maar hij deed dit slechts onder voorwaarde,
dat hij zich dicht in de nabijheid van het dorp verbergen mocht,
om bij het eerste gevaar en den eersten hulpkreet bij de hand te
kunnen zijn.
Toen eindelijk de nacht de schemering verving, verlieten de
drie mannen den heuvel, en daalden koen maar voorzichtig naar
beneden in het dal. Het geblaf der honden, het juichen nu en
dan van een half dronken wilde, en het roode schijnsel van een
vuur, dat door de reten van een der hutten naar buiten straalde,
maakten hun het naderen van het dorp gemakkelijk. Het lag aan
den tegenovergestelden oever van den stroom, en wel, zooals reeds
opgemerkt, juist achter een kromming van het dal, aan den voet
van een steilen, maar niet zeer hoogen berg. Deze sprong bijna
tot aan den oever van den stroom vooruit, en liet juist ruimte
genoeg voor de veertig of vijftig hutten waaruit het dorp bestond.
Aan den oever, waar onze vrienden zich bevonden, was het dal
breeder; hier hadden ook de Indianen hun maïsvelden aangelegd.
-ocr page 153-
NATHAN SLUIPT HET DORP BINNEN.                               161
Aan den zoom der bebouwde velden gekomen, waadden de drie
mannen door den evenmin breeden als diepen stroom, en klommen
over boomstammen en hindernissen, tot aan den voet van het gebergte,
waar jaren geleden een vlijtige Indiaan een veld had ontgonnen, dat
echter nog nooit scheen beplant te zijn. Hier verborgen zij zich, om
te wachten, totdat het ongewone rumoer in het dorp, het gevolg der
uitspattingen, waaraan volgens het oordeel van Nathan de overwin-
naars zich overgaven, zou bedaard zijn.
Op dit laatste moesten ze echter langen tijd wachten. De drie
fVrienden konden in hun schuilplaats menigen juichkreet vernemen,
nu eens afgewisseld door grimmig en angstverwekkend gebrul,
dan weder klagend en treurig klinkend, al naardat het gold de
vreugde van de overwinning of de herinnering aan de dooden.
Later werd dat geschreeuw vervangen door een schamper lachen,
het snappen van vrouwen, het krijschen van kinderen en het blaffen
van honden, hetgeen aantoonde, dat het geheele dorp deelnam
aan een feestelijkheid, waarbij ongetwijfeld de whisky niet bleef
gespaard.
Eindelijk, na menig uur van angstig wachten, verstomde het
getier, en na middernacht verklaarde Nathan, dat nu de tijd was
gekomen om zich naar het dorp te begeven. Hij verhief zich van
zijn rustplaats, vermaande Roland zich niet van de plek te verwij-
deren, totdat hij den uitslag van zijn bezoek had vernomen, en
gaf hem, bij het scheiden, den raad, bij het aanbreken van den dag
op de vlucht te gaan, indien Ralph of hij alsdan niet mocht terug-
gekeerd zijn.
—  Geloof mij, vriend, — zeide hij, — een Indiaansen dorp is
somtijds als een rattenval, waar men wel in-, maar niet weer uit-
komt. Indien ik sterven mocht, bedien u dan van kleinen Peter, tot
wiens meester ik u benoem. Hij zal u trouw door de wildernis
voeren, want voorwaar, hij heeft genegenheid voor u opgevat,
omdat ge hem altijd goed en vriendelijk hebt bejegend, hetgeen
ik niet van elk mensen zeggen kan.
Na deze woorden legde hij zijn geweer, dat bij zulke gele-
genheden volkomen nutteloos was, ter zijde, vermaande Ralph het-
zelfde te doen, en wendde zich daarna tot kleinen Peter, dien hij
zeer ernstig toesprak:
—   Peter, — zeide hij, — ik laat je over aan je zelf en be-
veel dezen jongen man in je hoede aan ; wees goed, trouw en ge-
hoorzaam, zooals ge altijd zijt geweest, en wees vooral voorzichtig,
opdat ge steeds verre blijft van onheil en gevaren.
/
-ocr page 154-
162                                   NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
Naar het scheen, verstond Peter zijn meester volkomen, want
hij legde zich op den grond neder, zonder ook maar een enkele po-
ging te doen om hem te volgen. Daarop verwijderde Nathan zich
met Ralph. en liet Roland alleen achter, met zijne gedachten en ge-
waarwordingen, die in zijn toestand juist niet van de aangenaamste
konden zijn.
\\
XVIII.
NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
D e nacht was helder, de sterren schitterden aan het uitspansel,
hetgeen den zwervenden Nathan, met het oog op zijne onderneming, niet
zeer aangenaam was. Gelukkig lag het verblijf der Indianen grooten-
deels in de schaduw van den berg, met reusachtige ahorn- en tulpe-
boomen, die hem en zijn metgezel volkomen onzichtbaar maakten. Met
Ralph aan zijne zijde, schreed hij naar het dorp, waaruit ook nu
nog, van tijd tot tijd, het gebrul van een dronken Roodhuid, vermengd
met het gehuil der onrustige honden, werd vernomen. Of die geluiden
dan wel het een of ander duister voorgevoel Nathan\'s bezorgdheid
wekten, is moeilijk te zeggen, daar hij zelf zijne gedachten zorg-
vuldig voor zich hield ; maar nog slechts enkele schreden van een
ellendige hut, uit takken en boomen bestaande, gekomen, maakte hij
plotseling halt, trok zijn metgezel een weinig ter zijde, en sprak hem,
met zachte stem, op de volgende wijze aan :
—  Gij zegt, vriend, dat ge uit dit dorp reeds paarden hebt ge-
stolen en het nauwkeurig kent?
—   Zoo nauwkeurig als de knokkels van mijn duim! — ant-
woordde Ralph, — dat wil zeggen: de plek waar de dieren zich
ophouden, want verder ben ik in het nest niet gekomen. De weg
daarheen loopt hier juist om de wigwam, en dan in de richting
-ocr page 155-
NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.                                       163
van dat bergdal, waar ge ze herhaaldelijk kunt hooren hinniken, als
ge de ooren spitst.
—  Vriend, — vervolgde Nathan, — van uwe daden zal het
gelukken van ons waagstuk heel wat meer afhangen dan van de
mijne. Als ge u goed houdt, kan het gebeuren, dat wij niet al-
leen de gevangenis der ongelukkige dame ontdekken, maar haar ook
daaruit bevrijden, zonder dat de Indianen iets daarvan bemerken.
Indien ge echter als een dwaas mensch handelt (en voorwaar, ik
ben daar zeer bang voor) dan zult gij haar niet alleen niet kunnen
helpen, maar bovendien ook nog anderen verhinderen het te
doen.
—  Nathan, — zeide Italph, en men hoorde duidelijk aan den
toon zrjner stem, dat.hy het eerlijk meende, — Nathan, de eeuwige
dood over mij, als ik mijn best niet doe.v^Hier sta ik, man, bereid
om naar u te luisteren en uwe raadgevingen op te volgen. Leg mij
dus de zaak uit, ik zal u geduldig aanhooren.
—  Welaan\', — aldus nam Nathan het woord — mijn raad
bestaat hierin, dat ge blijft waar ge zijt, en de geheele zaak aan
mij alleen overlaat. Want daar ik bemerk, dat ge van het geheele
dorp slechts de plaats kent waar de paarden zich bevinden, zou het
dwaasheid zijn u te midden der wigwams te wagen. Blijf dus, waar
ge zijt, terwijl ik de plaats ga verkennen, waar het meisje zich be-
vindt.
—  Ouwe jongen, — sprak Ralph — ge zult toch niet beweren,
dat ge het dorp beter kent dan ik ? Hebt ge dan wel eens ooit paar-
den daaruit gestolen?
—  Vriend, — antwoordde Nathan — laat het u genoeg zijn,
indien ik zeg, dat er in dit geheele dorp geen enkele hut is, die ik
niet nauwkeurig ken! Grj moogt niet naar de plaats gaan waar de
paarden zijn, voordat gij met zekerheid weet, dat het meisje kan
worden gered. Want voorzeker, vriend, het zou wel eens kunnen
gebeuren, dat wij de geheele taak tot morgennacht moesten
uitstellen.
—  Ja, ja, ik zie in, dat het onzin zijn zou een paard te
stelen, voordat de dame bij ons is, — zei Ralph; — zoodat ik maar
zeggen wil, bloedige Nathan, dat indien het uw meening is, dat ik
u beter help, door u in het geheel niet te helpen, ik mij onder dezen
boom zal nederleggen, en daar rustig zal blijven liggen, als een ver-
standig man.
Deze belofte scheen Nathan een pak van het hart te nemen.
Nog eenmaal bezwoer hij den paardendief, woord te houden en den
/
-ocr page 156-
164                                       NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
uitslag van zijn bezoek in het dorp af te wachten. Toen begaf
hij zich op weg. Hij ging echter thans niet meer met de schuch-
tere en aarzelende schreden van een sluipend spion, maar trok
den linnen mantel dicht over den schouder, nam den gang en de
houding aan van een Roodhuid, en stapte kalm en zeker voorwaarts.
En daarbij rinkelde hij, naar het scheen met opzet, om de opmerk-
zaamheid der dorpsbewoners tot zich te trekken, luide met een bos
schelletjes, die hij onder zijn mantel verborgen droeg.
Deze dwaasheid, waarvoor Ralph Nathairis handelwijze aan-
vankelijk hield, bleek echter weldra een bewijss van slimheid te
zijn, daar zij "alleen diende om een der eerste en voornaamste
hindernissen uit den weg te ruimen. In de nabijheid van de eerste
tent de beste bevond zich een troep keffende en blaffende honden, die,
in hun rust gestoord, grooten lust schenen Ie hebben, om Nathan
het verder voortdringen in het dorp te beletten. Een lichte
beweging met de schelletjes was echter voldoende, om dit bezwaar
in een oogenblik uit den weg te ruimen, want nauwelijks hadden
de dieren dat geluid vernomen, of zij snelden, met den staart tus-
schen de pooten, ijlings van daar, als vreesden zij den worp van een
tomahawk, hetgeen hun gewone bestraffing, wegens het aanblaffen
van een krijgsman, pleegt te zijn.
— Een prachtige inval! — mompelde Ralph verbaasd, die den
uitslag van Nathan\'s list had gezien. — Ik mag een ezel heeten,
als ik een volgenden keer, bij het stelen van paarden, geen schepel
schelletjes meeneem. Eet zijn juist die Indianen-honden, die een
mensch den meesten last veroorzaken.
Ofschoon Nathan niet schijnbare onbezorgdheid voortstapte en een
groot vertrouwen in zijne vermomming stelde, trachtte hij nochtans
zorgvuldig alle gevaren te vermijden, waaraan hij zich niet noodza-
kelijk behoefde bloot te stellen. Waar nog ergens een door
Indianen bewaakt vuur, door den kier der openstaande deur van een wig-
wam schemerde, sloop hij met de grootste voorzichtigheid voorbij,
terwijl hij de loerende en brullende wilden zooveel uit den weg
ging als hij kon.
Er was dan ook inderdaad alle reden om uiterst behoedzaam
te zijn. Het dorp was geenszins zoodanig van verdedigers ontbloot
als Roland had geloofd. De krijgslieden van Wenonga waren niet
allen hun aanvoerder op den tocht naar Kentucky gevolgd; een
vrij groot aantal was, lui en werkeloos, in hun haardsteden achtergeble-
ven. Dit vermoedde Nathan ten minste, daar hij zich anders het
feit niet kon verklaren, dat hij hier en daar, in de nabijheid van
(
-ocr page 157-
165
NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
vuren, waar zij gedronken hadden, op dagdieven stiet, die dwars
over den weg lagen, en op de plaats zelve, waar de roes hen had over.
vallen, ingeslapen moesten zijn.
Nathan sloop zachtjes voort, kroop, als hun slaap hem niet
vast genoeg toescheen, op handen en voeten langs hen voorbij, en kwam
eindelijk gelukkig in hot midden van het dorp. Hier bleek uit de
aanwezigheid van meerdere, uit boomstammen vervaardigde hutten,
die in fraaiheid alle andere in het dorp verre overtroffen, de woon-
plaats der hoofdlieden van den stam te zijn, of misschien ook
r die der blanke mannen, die Nathan bij de ten krijg uitgetrokken
wilden had opgemerkt.
De Kwaker naderde langzaam een dezer wigwams, keek door een
spleet, tusschen de boomstammen, en bemerkte, op het eerste ge-
zicht, dat een afvallige blanke hier zijn woning moest hebben
opgeslagen. Een half dozijn kinderen, beschilderd met dezelfde
levendige kleuren als de wilden, sliepen op matten, rondom
een vuur, naast hetwelk, eveneens sluimerend, de Incliaanschc moe-
der was gezeten.
Nathan aarzelde niet lang. Na een snellen, scherpen blik in
het rond te hebben geworpen, sloop hij naar een andere, in de na-
bijheid staande hut, en thans met nog grooter voorzichtigheid en be-
hoedzaamheid dan te voren. De hut geleek op alle andere,
maar was veel beter en fraaier gebouwd; zij had een uit stuk-
ken hout en leem vervaardigden schoorsteen, een voordeel
waarop geen andere hut in het dorp kon bogen. Uit dien schoor-
steen drongen dichte rookwolken naar buiten, rood gekleurd door
het schijnsel der vlammen van binnen. Ook hier bediende Nathan
zich van een reet, om het inwendige der woning te bespieden.
Hij zag naakte wanden van boomstammen, waarvan de tusschen.
ruimten hier en daar met mos en leem waren dichtgestopt, ecnige
ruw bewerkte houten stoelen, een gelijksoortige tafel, een legerstede
van dierenhuiden en eenig krijgs- en jachtgereedschap, dat hier en
daar aan de wanden hing. Deze voorwerpen boeiden Nathan echter
heel wat minder dan de twee blanke mannen, bij een ellendig
talklicht, in de nabijheid van het nog helder brandende vuur, gezeten.
De een, een groote, sterke man, was gekleed in een katoenen
hemd; een roode sjaal diende hem tot hoofdbedekking. Hij kon
omstreeks veertig jaar oud zijn; zijn\' gelaat had men nog
altijd fraai kunnen noemen, indien wilde en teugellooze harts-
tochten hun sporen daarop niet hadden achtergelaten. In den ande-
ren man, kleiner dan de eerste, herkende Nathan ter.
/
-ocr page 158-
160
NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
stond Telie Doe\'s vader, dien hij het eerst, bij den aanval op de ruïne,
onder den bloeddorstigen troep, had gezien.
De aanblik dezer mannen wekte in de hoogste mate Nathan\'s
nieuwsgierigheid op; hij spande dan ook oogen en ooren in, om al
wat geschiedde nauwkeurig te kunnen gadeslaan. Doe zag er som-
ber en norsch uit; hij zat roerloos in de vlammen te staren,
zonder zich om zijn metgezel te bekommeren, die thans den
rooden tulband van het hoofd nam, dezen wegwierp, en Telie\'s vader
eenige woorden in het oor fluisterde, door Nathan, in weerwil van
al de moeite die hij zich gaf, niet verstaan. Hij herhaalde
zijn gefluister eenige malen, maar aangezien Doe er geen acht
op sloeg, werd hij ongeduldig en sprak, tot vreugde van Nathan,
met luider stem:
—  Luister, Jack, Atkinson, Doe, Shawgenaw, Ratelslang of hoe
ge u nog anders gelieft te noemen — zijt ge dan gek of dronken,
dat ge mij laat praten, zonder er acht op te slaan? Word eens
wakker, man, en zeg mij ten minste waar ge van droomt, als ge
mij anders niets te zeggen hebt.
—  Nu, — antwoordde de ander toornig, terwijl hij naar
een aarden kruik greep, waaruit hij, alvorens te spreken, een geduch-
ten slok nam — als ge het dan toch weten wilt, dan zeg ik u, dat ik
aan dien jonkman dacht, dien wij zulk een schandelijken dood
hebben bereid. Dat zou een echt christelijk werk zijn, waar-
achtig !
—  Kom, kom, wat een dwaasheid! — antwoordde de andere.
—   Het was in den strijd, man, en de overwonnene moet zijn
lot dragen.
—   Dat is zoo, Richard, — antwoordde Doe of Atkinson,
— maar gij vergeet iets, dat mij in deze zaak van wezenlijk gewicht
toeschijnt, het feit namelijk, dat het Christen menschen en geen India-
nen waren, die den ongelukkigen man ter slachtbank hebben ge-
leid. Het wordt mij zeer onaangenaam te moede, als ik daar-
aan denk.
—  Bah! ge wordt heelemaal gek! — riep de ander ver-
achtelijk uit. — Dat komt er van, als ge zoo geduldig luistert naar
den zotteklap van die dwaze Telie.
—  Zwijg van het meisje, mensch! — riep Doe toornig en
somber uit. — Tegen mij moogt ge zeggen wat ge wilt, want
ik ben een slechte kerel; maar ik duld niet, dat ge mijn dochter
beschimpt.
—    Nu, nu, maar niet zoo driftig, — zei de ander op
r
-ocr page 159-
167
NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
verzoenenden toon: — als ze maar niet zoo trouw aan EJith, die
mij reeds zooveel gekost heeft, gehecht was.
—    Een dure koop is dat meisje voor ons allen geworden,
— zei Doe, terwijl hij de nog half gevulde kruik andermaal
aan zyne lippen bracht. — Zy heeft ons elf man gekost, en het
is nog een geluk, dat slechts vier van hen tot ons dorp behoorden,
anders zou zn", ten spijt van uw geld en uw geringe geschenken,
zonder genade gedood en gescalpeerd zijn geworden; ja, vier van
ons zijn gevallen, twee van hen heeft de Dshibbenönoseh ge-
haald. Zie je, Richard, ik ben geen bloodaard, maar, dat die booze woud-
geest juist verschijnen moest, toen wij ons van het meisje en haar
broeder meester maakten, schijnt mij een slecht voorteeken te zijn.
En evenals ik denken ook de Indianen er over; want ge zaagt
wel hoeveel moeite het kostte hen weder aan het vechten te krij-
gen, nadat zij de kruiselingsche insnijding op het lichaam van den
doode hadden gezien. Ik voor mij houd den Dshibbenönoseh voor
den baarlijken duivel.
—    Het bewijst, dat ge een gek zijt, — antwoordde zijn
metgezel. — Ik ben zoo\'n ezel niet, om aan zulke dingen te ge-
looven!
—    Nu, iemand die niet gelooft aan de hel die hem wacht,
gelooft zeker ook niet aan den Booze, — mompelde Doe. — Maar
dit is toch zeker, dat ge dien Indiaan onder den boom dood
hebt gevonden, ofschoon de vijf kondschappers hem levend hadden
verlaten.
—     Dat is waar, — antwoordde de man, met den rooden
tulband, — maar hij is gewond door den ruiter, dien gij bij het
wad liet ontsnappen, en ik vind het heel natuurlijk, dat de jonge
krijgsman, die hem vond, hem van een merkteeken voorzag, op
de wijze van den Dshibbenönoseh, om zich het bijgeloof der Indianen
ten nutte te maken.
—   Goed, toegegeven, — antwoordde Doe, — wat zegt ge
echter van den krijgsman, die, toen wij de ruïne belegerden,
midden onder ons gedood en geteekend werd? Ge kunt toch niet
beweren, dat de soldaat, die op dat oogenblik in de bouwvallen in-
gesloten zat, ook dezen Indiaan een kruis over het lichaam heeft ge-
sneden ?
— En toch beweer ik het, — zei de ander — want dat is
een kunstgreep, die een kloek man, begunstigd door de duisternis,
best heeft kunnen uitvoeren.
—  Nu, voor mijn deel, ook al goed, — hernam Doe, vol erger-
-ocr page 160-
168                                    NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
nis — maar hoe zoudt ge dan willen bewijzen, dat diezelfde jonge
soldaat, die vroeger nooit in Kentucky is geweest, hier Shawnees
heeft geslacht, hier in het dorp, en dat sinds tien jaren, zooals
niemand loochenen kan? Ja, ja, Richard, meer dan een dozijn India-
nen zijn hier in deze hutten gedood en gescalpeerd, en dat altijd
midden in den nacht, en des morgens zag men niets dan het teeken
van den Dshibbenönoseh, waaraan wij, tot onzen schrik, den vernieler
herkenden. Onder al onze krijgslieden is er dan ook niet één, die
zich \'s nachts, zonder vrees, op zijn leger uitstrekt, want geen van
hen is zekpr, dat de Dshibbenönoseh hem niet zal doodon. Ge moet
weten, dat in vroeger jaren door de mannen van onzen stam alhier
een vreeselyk bloedbad werd aangericht, onder een onschuldige fa-
milie, wier talrijke leden allen door Wenonga en zijn lieden zijn
vermoord. Sinds dien tijd heeft de Dshibbenönoseh hun rijen ge-
dund, hetgeen zij voor een bestraffing van hun stam houden, wat het
ongetwijfeld dan ook is. Om die reden is dan ook het oude opper-
hoofd zoo\'n vagebond geworden, want het geweten slaapt nooit. De
stam is op hem vertoornd, omdat hij hun de wraak van den Dshib-
benönoseh heeft op den hals gehaald, en niemand wil hem in den
strijd volgen dan eenig ellendig gespuis, dat geen zier beter is dan
hij zelf. Daarom is hij dan ook woedend op den Dshibbenönoseh, en
meer dan eenmaal heeft hij gezworen het spook te zullen
dooden, want hij is een kerel, die niets vreest, zelfs den duivel
niet.
—  Dat, is allemaal kinderachtig gezwets, — antwoordde Doe\'s
metgezel. — Wij hebben de overwinning behaald, en zullen er nu
ook de vruchten van genieten. Maar ik moet naar mijne gevangene
gaan zien.
—   En waartoe zal dat dienen? — vroeg Doe. — Het meisje
is halfdood en bijna waanzinnig, — zeide Telio mij.
—    En Telie zal juist alles bederven, — riep de ander. —
Ge moet haar ver van het meisje houden, want Edith moet weten, waar
zij is, en ondervinden, wat het zeggen wil, een gevangene van de
Indianen te zijn.
—  En waarom? "Waartoe die nuttelooze wreedheid?
—  Die wreedheid is niet zoo nutteloos als ge u verbeeldt, Doe!
Het meisje zal een waarborg zijn voor onze veiligheidI
—  Nu, ik dacht, dat zonder haar uw veiligheid voldoende
was gewaarborgd, — antwoordde Doe. — Gij zijt in het bezit der
landerijen en....
—  Ge hebt, — viel de ander hem in de rede, — inderdaad
-ocr page 161-
169
NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
maar weinig verstand, als ge meent dat dit bezit lang onaangetast
zal blijven. Ik moet op die landerijen een beter recht kunnen doen
gelden dan mij de zoogenaamde nog levende erfgename van den ou-
den Forrester verschaft. Onze leugens zijn niet zoo fijn gesponnen,
dat zij lang kunnen duren, en daarom wil ik Edith tot vrouw
nemen. Zij is de ware en eenige erfgename, als wij dien
jongen, dien Roland, uit den weg hebben geruimd, en, is zij een-
maal mijne vrouw, dan ben ik met goed recht en met een zui-
ver geweten meester van de nalatenschap.
f
         — Maar ge vergeet het testament! — riep Doe. — Wat
beteekent een wettige erfgename tegenover een testament? Ook
indien ge Edith huwt, zal men steeds vragen: waar is de wer-
kelijke erfgename, het verbrande meisje ? Ik geloof, dat ge daar in
uw eigen strikken verward zijt geraakt.
—    Niet zoo geheel en al, — antwoordde de andere. —
Want, als ze mijne vrouw is, beginnen wij eerlijk te handelen,
en vinden, na veel moeite en lang zoeken, eindelijk het tweede en
laatste testament van den ouden Forrester!
—  Maar hebt ge niet gezegd, dat ge \'t hadt verbrand ? — vroeg
Doe verrast.
— Zeker heb ik dat, doch slechts om u gerust te stellen.
In werkelijkheid heb ik echter het document zorgvuldig verbor-
gen, om voor alle gevallen een achterdeur open te houden. Hier
is het, Jack, — voegde hij er bij, terwijl hij uit den zak van
zijn jas een perkament te voorschijn haalde en voor Doe uit-
spreidde. — Hier is het testament, waarbij Roland en Edith tot
erfgenamen zijn benoemd. Aangezien nu de eerste vermoedelijk dood
is, komt Edith het geheele vermogen toe. Zijt ge nu overtuigd,
dat wij heel vast in onze schoenen staan, eerlijke Doe ?
—    Ja zeker, — antwoordde deze. — Geen rechtbank ter
wereld kan u in dat geval iets doen.
—   Juist zoo, vriend, — zei de- andere. — En nu, waar
is het meisje? Ik moet eens met haar spreken.
—   In de wigwam bij de Squaw van Wenonga, vlak tegenover
de Medicijnhut, — antwoordde Doe. — Ge gaat echter niet van hier,
voordat ik weet, wat mijne belooning is voor het aandeel, dat
ik in de zaak heb genomen. Wij zijn beiden schurken, en daarom
vertrouw ik u even weinig als gij mij.
—    Goed, morgen zult ge het weten, — antwoordde de
ander.
—    Neen, neen, nog hedennacht, — zei Doe. — Ik laat
Kapitein Roland.
                                                                11
-ocr page 162-
170
NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
me niet bedotten, en ge krijgt het meisje niet, voordat ge mij
de som hebt genoemd.
— Verstandig gesproken, maat, — zei do vreemdeling op
toegevenden toon, ofschoon hij daarbij een toornigen blik wierp op
zijn metgezel, hetgeen Nathan van uit zijn schuilplaats nauwkeu-
rig waarnam. Daarna sprak hij, naar het scheen op over-
tuigende wijze, zijn makker in schurkenstreken toe, maar zoo
zacht, dat Nathan hoe scherp hij ook luisterde, diens woorden
niet meer kon verstaan.
De Kwaker had echter genoeg gehoord/ Het gesprek, dat
hij afluisterde, had hem klaar en duidelijk bewezen, dat Roland
en Edith de slachtoffers waren geworden van bedriegers, en hij
twijfelde geen oogenblik, of de vreemdeling, met den rooden tul-
band, was de reeds meergenoemde Richard Braxley, door Roland
van den beginne af als de aanlegger dier schurkerij aange-
wezen. Nathan dacht hierover echter niet lang na, want hij had
thans vernomen, waar Edith gevangen werd gehouden, en dit was
hem voorloopig van het meeste gewicht, daar hij zich slechts, om
daar achter te komen, in het dorp had gewaagd. Haar gevangenis
was do wigwam van Wenonga, en daarheen besloot Nathan zijne
schreden onverwijld te richten.
Hoe zou hij echter de hut van opperhoofd, onder een
dozijn andere wigwams, die de Medicijnhut omringden, kunnen
terugvinden? Dit was eene vraag, die Nathan wellicht niet tot
zich zelf richtte, want hij sloop ijlings van Doe\'s woonstee weg,
sloeg een pad in, en snelde zonder te dralen voorwaarts, alsof
hij reeds sedert jaren op het nauwkeurigst met eiken hoek in
het dorp bekend was.
Gedurende den tijd dat Nathan aan Doe\'s hut had gestaan
en geluisterd, greep er eene verandering plaats, die zijne
plannen niet weinig begunstigde. De tot hiertoe heldere hemel
was thans met dichte wolken bedekt, zoodat het dorp der Shawnees
in diepe duisternis lag gehuld. Enkele windvlagen streken met
klagend gehuil over de nabijzijnde bergen, ruischten met kracht
in de bosschen, loeiden over het dorp en vervulden de lucht met
een dof rumoer.
Onder zulke omstandigheden vervolgde Nathan, omringd en
verborgen door de duisternis, onbezorgd zijn weg. Na weinige
minuten reeds bevond hij zich op den openbaren weg, indien men
aldus een open ruimte in het midden van het dorp kon noemen,
waar een roode loods van boomschors en takken stond, die, door
-ocr page 163-
171
NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
palen gedragen en naar alle zijden open, wegens haar ouderdom,
den eerwaardigen naam van Medieijnhut had gekregen.
Het plein vormde een vierhoek, waaromheen de hutten la-
gen. De laatsten waren omringd door boomen en boschjes, vooral
diegene, aan den voet van den berg gelegen, en langs den stroom,
dien men op geringen afstand over zijn rotsachtige bedding
kon hooren heenbruisen. Op het plein zelf groeiden beuken,
hier en daar verhieven zich de machtige stammen van enkele
boomen, de laatste overblijfselen van het eeuwenoude woud, dat
eenmaal alles overschaduwde. De storm deed hun toppen geweldig
schudden, de bladeren ruischten en de takken sloegen klapperend
tegen elkander.
Dat plein moest Nathan oversteken. Hij deed dit, zonder
vrees, ofschoon. hij stuitte op een hindernis, die wel in staat
zou zijn geweest een minder koen en vastberaden man te doen
ontstellen. Dicht toch naast de Verzamelsteê ontwaarde hij een vuur,
wel verzwakt, maar nu de wind van tijd tot tijd de verdoo-
vende vonken weder aanblies, genoegzaam licht verspreidend,
om hem ongeveer een dozijn slapende Indianen te laten zien,
wier geweren dicht bij hen togen de boomen waren opge-
steld.
Deze onverwachte ontdekking verschrikte Nathan wel niet,
maar bracht hem toch in verlegenheid. Aanvankelijk geloofde hij,
dat die Roodhuiden een soort wacht vormden, aan wie de veilig-
heid van het dorp was toevertrouwd, zoolang de overigen hadden
gezwelgd en gebrast. Bij nadenken echter kwam hij tot het inzicht,
dat die slapers eene bende uit een naburig dorp konden zijn, die,
tot zijn ongeluk in het dorp vertoefd en" de gastvrijheid zijner
bewoners hadden genoten. Deze gevolgtrekking maakte hij voor-
namelijk uit het feit, dat naast het vuur een hoop gedroogd
maïsstroo lag, blijkbaar voor nachtleger bestemd, en dat de dorps-
bewoners voorzeker niet zouden hebben bijeengebracht, indien het
niet ter eere hunner gasten ware geweest. Dat dezen overigens aan
het drinkgelag moesten hebben deelgenomen, bewees de omstan-
digheid, dat er slechts weinigen naast elkander op het leger
sliepen, terwijl de meesten in zulk eene verwarring en in zulke
houdingen door elkaar lagen, als slechts het gevolg kon zijn van
volslagen afmatting en dronkenschap.
Nathan stond even stil, doch niet lang. Hij liet zich door de
ontdekking dezer zeer onwelkome gaston geen vrees aanjagen,
maar vermeed hen langs, een omweg om het plein. Hij sloop
/
-ocr page 164-
172                                   NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
zachtjes van boom tot boom, van struik tot struik, totdat hij
de slapenden achter zich had, en in de nabijheid kwam van een
■wigwam, die men met recht voor de woning kon houden van
een voornaam opperhoofd. Zij was gebouwd uit ruw gehou.
wen stammen, en bevatte slechts één enkel vertrek. Er waren
echter nog een paar zomervertrekken bij aangebracht; eigenlijk
slechts tenten van dierenvellen, aan weerszijden als vleugels
aangehecht, en die waarschijnlijk gemeenschap hadden met het
inwendige, ofschoon elke afdeeling zijn eigen deur had, van gevlochten
matwerk, a>n den kant van hot plein.
Dit alles kon Nathan waarnemen bij het schijnsel van het vlam-
mende vuur, terwijl het volle licht er van op de ruwe hut
viel en hare omtrekken toonde. Het gebouw lag, zooals dit bij
de woning van een opperhoofd behoort, alleen en afgezonderd; de
naaste omgeving bestond uit boschjes en struiken, terwijl een
oude olm, die zich daartusschen verhief en zijne machtige armen
ver uitbreidde, daar stond als een reusachtige schildwacht, om al
te nieuwsgierige blikken in de nabijheid te weren.
De eenzaamheid, het bosch en de diepe schaduwen der olmen
waren alle omstandigheden, die den zwervenden Nathan slechts gunstig
konden zijn. Hij wierp nog eenmaal een blik achterwaarts naar
het vuur, en vestigde daarna zijn aandacht op een der tenten, waar-
uit licht straalde, zoodra de wind de huiden een weinig oplichtte.
Ook geloofde hij daarbinnen een zacht gemompel van stemmen te
vernemen, en daarom kroop hij verder door het bosch, niet
twijfelend, of hij bevond zich in de nabijheid van het jonge meisje, wier
bevrijding het doel was van zijn streven. Hij geloofde een weg te
vinden, die in het geheel geen hindernissen opleverde, maar
zag zich weldra in die veronderstelling bedrogen. Nauwelijks was
hij door eenige boschjes geslopen, of een heldere straal van het opvlam-
mende vuur verlichtte de duisternis, en liet hem het sombere, grimmige
gezicht zien van een Indiaan, dien hy met de hand had kunnen
bereiken. Het moest een Roodhuid zijn, vermoedelijk in het donker
over de struiken gevallen, en terstond door den slaap over-
mand.
Voor de eerste maal deinsde onze zwerver terug, niet uit vrees,
daar het voorkomen van den dronken slaper juist niet geschikt
was een man als Nathan schrik in te boezemen. De Indiaan
toch was geheel hulpeloos en scheen bovendien nog ongewapend.
Nathan bespeurde ten minste noch mes noch tomahawk bij
hem of in zijne nabijheid. Maar in het grimmige gelaat,
-ocr page 165-
NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.                                     173
verschrompeld door ouderdom en met vele litteekens doorploegd,
in de misvormde, maar gespierde en nog altijd krachtige hand, die
op de borst rustte, en bij de herinnering aan het verleden, die
alles in Nathan\'s geest terugriep, lag iets, dat een wel is waar niet
minder krachtig, maar lang niet zulk een onwaardig gevoel opwekte
als vrees.
In de eerste opwelling van verrassing week hij achteruit en wierp
zich toen snel op den grond, als wilde hij zich verbergen, in-
dien de slapende bijgeval door zijn komst mocht ontwaken.
Maar de Indiaan sliep door, geheel vergiftigd door den bedwelmen-
den drank, waarvan hij zulk een onmatig gebruik had gemaakt.
Nathan bleef thans niet langer als een slang op den grond liggen.
Na weinige oogenblikken richtte hij zich weder op, het lichaam
steunend op de handen, terwijl hij zich langzaam boog over het
gelaat van den zich van niets bewusten Indiaan.
Het schijnsel van het vuur was thans weder verdwenen en
verlichtte den slapende niet meer. Met een vermetelheid, die slechts
het gevolg kon zijn van eene tot het uiterste geprikkelde nieuws-
gierigheid, boog Nathan thans de takken vaneen, waardoor het
licht werd belet tot hem door te dringen, en nu bemerkte hij
met genoegen, dat opnieuw het schijnsel van het vuur over het
zwarte gelaat gleed van den vijand. En nu herkende hij duidelijk,
met gewaarwordingen, die hem alles doden vergeten, een gelaat,
waarvan de trekken door de gebeurtenissen van vroegere jaren onuit-
wischbaar in zijn geheugen waren gegrift.
Het was het gelaat van een ouden krijger, met een aan-
tal litteekens overdekt, waarop slechts de uitnemendste helden
van zijn stam konden roemen. Ook de naakte borst van den
slaper was met diepe insnijdingen doorploegd, en in diens kleedij
van gelooide vellen, die, ofschoon zeer vuil, met vele zilveren
spelden en bundels van menschenhaar waren versierd, terwijl hiel-
en daar een breede Spaansche mat prijkte, lag iets, dat niet
den gewonen roover kenmerkte. Aan elk oor hing een ketting van
zilveren munten, onregelmatig, de kleinste naast de grootste aaneen-
geschakeld, een tentoonspreiding van rijkdom en pracht, als slechts
een opperhoofd zich veroorloven kan.
. Ten bewijze, dat hij inderdaad een opperhoofd was, ontwaarde
men op zijn hoofd een sieraad, bestaande uit den snavel en de
klauwen, benevens een dozijn zwarte veeren van een koningsarend.
Dit was, zooals Nathan reeds aan Roland had medegedeeld, het
brjzonder kenteeken van Wenonga, genaamd Zwarte Gier. Die
/
-ocr page 166-
174                                       NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
"Wenonga, het oudste, beroemdste en eenmaal machtigste opperhoofd
van zijn stam, lag hier voor Xathan, vuil, dronken en ellendig,
in de nabijheid van de deur van zijn eigen wigwam, dien hij niet
meer bij machte was geweest te bereiken.
Nathan zag met een blik van den vreeselijksten haat op den
Roodhuid neer. Een boosaardige lach speelde om zijn dunne
lippen, toen hij langzaam zijn dikwijls gebruikt, maar toch altijd
nog blank en scherp mes uit zijn gordel <rok en het wiegde met
de eene hand, terwijl do andere, vol onbezorgde vermetelheid, de
naakte bo/st betastte van den slapende, wiens ontwaken hij in
het minst niet scheen te vreezen. Wenonga sluimerde intusschen
door, ofschoon de hand van den blanken man vast lag op zijn
lichaam en op en neer ging met diens zware ademhaling.
Nathan nam nu de hand weg, en zette de punt van het mes,
waar hij den hartslag zijns vijands gezocht en gevonden had.
Een enkele stoot zou het wapen diep hebben gedreven in het hart,
dat nooit weder medelijden of berouw zou hebben gekend, en
dezen stoot was Nathan, die alles scheen te hebben vergeten,
behalve zijn slachtoffer, dat zonder het minste bewustzijn van het
gevaar slapend voor hem lag, op het punt toe te brengen. De
spieren van zijn arm spanden zich, maar zijne hand sidderde
van te groote begeerte. Hij aarzelde een oogenblik, om zich
zelf geheel meester te zijn, maar nu trof eene stem uit de
wigwam zijn oor en deze verlamde zijne kracht geheel en al.
Hij schrikte hevig, en daarmede keerde het bewustzijn terug
van zijn toestand en het doel waarvoor hij zich hier bevond.
Het weeklagen eener vrouwelijke stem, dat hij vernam in de
oogenblikken waarin de storm een weinig bedaarde, deed andere
gevoelens in zijn hart ontwaken. Hij herinnerde zich weder de
arme gevangene, en dat hij gekomen was, om de ongelukkige
van haar verschrikkelijk lot te bevrijden. Hij wilde immers
een werk verrichten van liefde en barmhartigheid, geen wraak uit-
oefenen, en terwijl hij diep en zwaar ademhaalde, zeide hij
zacht: — Neen, ge zult niet tevergeefs een beroep hebben ge-
daan op mij!
Stil en voorzichtig stak hij het mes weer in de scheede,
liet het opperhoofd in zijn toestand van bedwelming achter, en
kroop als een slang door het kreupelhout, totdat hij dicht bij de
tent kwam, waaruit hij de klaagtonen had vernomen. Steeds
op den buik verder kruipend, kwam hij aan de deur, gluurde door
een opening van den voorhang, door den wind op en neer
-ocr page 167-
175
NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
bewogen, en bemerkte, op het eerste gezicht, dat hij het doel van
zijn gevaarvollen tocht had bereikt.
De tent was niet groot. ï\'u daarbinnen slechts een
zwak vuur brandde en zwarte rookwolken langs de wanden kron-
kelden, kon het oog nauwelijks doordringen tot het achterste, donkere
gedeelte. Zooals reeds gezegd,, bestond de hut uit huiden, die
door palen werden gedragen. Een pijler, in het midden van het
vertrek, ondersteunde het dak, en aan eerstgenoeinden hingen, evenals
aan de balken van het laatste, verscheidene keukengereedschappen
en ander huisraad: houten drinkbekers, aarden pannen, koperen ketels;
maar ook geweren, strijdbijlen, vischhaken, maïsbundels, gedroogde
-wortelen, linnen doeken, huiden en nog veel andere din-
gen, misschien jaren geleden uit de nederzettingen der blan*
ken geroofd, zooals halsters, toornen, hoeden, rokken, sjaals,
voorschooten en dergelijke. In het bijzonder viel in het oog een
bundel scalpen, waaronder er waren met lang vrouwenhaar, ge-
tuigende van de ruwe beruchtheid van een wreed krijgsman, die,
zooals andere helden van zijn stam, de lokken eenor hulpelooze
vrouw voor even zooveel edele tropeeën hield van dapperheid
als den haarbos van een oud, in het oorlogvoeren ervaren opper-
hoofd.
Op den grond der tent, wat dieper naar binnen, aan de zij-
den, lagen huiden over elkaar, die tot slaapplaats dienden. Daar-
overheen geworpen, zag hij, in vuile wanorde, linnen doeken, kle-
dingstukken en meer dergelijke, zoodat het geheele voorkomen van
de tent bewees, dat zij sedert langen tijd tot een soort van rommel-
hok had gediend, plotseling en inderhaast voor onverwachte gasten
in gereedheid gebracht.
Nathan sloeg intusschen op al deze dingen, die hij met een
enkelen blik kon overzien, slechts zeer weinig acht. Zijne opmerk-
zaamheid werd door een drietal vrouwen getrokken.\' Een van deze
was Edith, die met losse haren en doodelijk bleek gelaat het kleed
vasthield van een jong meisje, dat zij om medelijden en erbarmen
scheen te smeeken. Het tweede meisje was Telie, de dochter van
den blanken Indiaan, die zich aan de omarming van Edith poogde
te onttrekken, en, onder het storten van tranen, haastig eenige woor-
den sprak, om de gevangene te troosten en hare opgewondenheid
te doen bedaren. De derde persoon in de tent was een oude, gerim-
pelde, Indiaansche Squaw, even sprekend op eene heks gelijkend,
als het eene ei op het andere. Zij zat bij het vuur gehurkt
en warmde haar knokige, ontvleesde handen, terwijl zij nu en
-ocr page 168-
176
NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
dan een blik wierp, van innigen en ingekankerden haat en van arg-
waan tevens, naar Edith en Telie Doe.
Ofschoon de wind nog altijd dezelfde kracht had behouden en
luide door de bladeren en de takken van den olmboom ruischte,
kon Nathan nochtans bijna elk woord der gevangene verstaan. Zij
smeekte Telie haar in haar tegenwoordigen toestand en in zulke
oogenblikken niet te verlaten. Telie daarentegen bad haar, on-
der tranen, welke de schaamte zoowel als de^mart haar schenen te
ontlokken, niets te vreezen en haar toe te staan zich te verwijderen.
—  Meh zal u geen kwaad doen, geloof mij, — zeide zij.
— Mijn vader heeft het mij beloofd, en ge zijt hier in do woning
van het opperhoofd, dien niemand waagt te naderen. Ge zijt hier
veilig, Edith, maar ach, mij zal mijn vader dooden, als hij mij hier
vindt.
—  Uw vader, — riep Edith, — ja, inderdaad, het was uw
vader, die mij in het ongeluk heeft gestort, die ons verried, die
mijn armen broeder voerde in de armen van den dood. Ga heen, ga
heen, ik haat u, want ook gij hebt ons verraden, en de Hernel zal
zeker nooit u dat verraad en den aan Roland gepleegden moord ver-
geven. Ga nu heen, men zal mij dooden, en dat is maargoed, want
dan zal alles voorbij zijn.
Telie, aldus met klachten en verwijten overstelpt, deed geen
poging meer om zich te verwijderen. Veeleer poogde zij de hand,
die haar terugstiet, te grijpen en met kussen te bedekken, terwijl
zij daarbij bitter weende en meermalen haar verzekering herhaalde,
dat zij niets kwaads tegen haar in het schild voerde.
—  Niets kwaads? — riep Edith uit, opnieuw door den
angst overweldigd, terwijl zij andermaal Telie\'s arm greep. — Telie,
gij gelijkt uw vader niet en zult mij niet voor de tweede maal
verraden, ofschoon gij het eenmaal hebt gedaan. Blijf bij mij,
ja, blijf bij mij, en alles zal u vergeven zijn. De man, die ver-
schrikkelijke man, die ook mijn broeder heeft vermoord, zal hier
komen. Blijf hier, Telie, en bescherm mij tegen dien gemeenen
schurk, en alles, ik herhaal het, zal u vergeven zijn.
Met zulke woorden drong Edith, wier verstand door de
verschrikkelijke opgewondenheid waarin zij verkeerde, verbijsterd
scheen, er bij Telie op aan haar niet te verlaten. Telie verze-
kerde haar nogmaals herhaaldelijk, dat geen mensch er aan dacht
haar kwaad te doen, en dat de oude bij het vuur uitdrukkelijk
in last had haar te beschermen tegen elk gevaar, waaraan deze
ongetwijfeld zou voldoen. Toen verzocht zij opnieuw heen te
-ocr page 169-
NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.                                      177
mogen gaan, terwijl zij niet onmiskenbaren angst haar vrees be-
tuigde, dat haar vader haar, indien zij bleef, zou dooden ; dat hij
haar had verboden de gevangene te naderen, maar dat zij het
nochtans in het geheim had gedaan en weder zou doen, indien zij
slechts ditmaal niet werd ontdekt.
Haar verzekeringen, hoe oprecht en dringend ook, ver-
mochten Edith intusschen niet te overtuigen. Eerst toen deze
laatste, overstelpt door kommer en smart, zwak en hulpeloos op
het leger zonk. rukte Telie zich los, maar slechts aarzelend en
met onmiskenbare teekenen van wroeging en droefenis. Zij drukte
de hand der gevangene aan haar lippen, besproeide\' ze met haar
tranen, en sloop eerst daarna, nog menigen smartelijken en mede-
lijdenden blik achter zich werpend, op de teenen uit de hut.
Nathan hurkte snel neder, toen zij naar buiten trad, en wachtte
geduldig, totdat zij het plein zou zijn overgestoken, voordat hij zijn
post, als luisteraar en waarnemer, weder innam. Toen wierp hij
andermaal een blik in het binnenste van. de tent, en zijn hart
werd vervuld van medelijden, toen hij de vertwijfeling van de arme
Edith zag, die met op do borst gezonken hoofd, gevouwen han-
den en zenuwachtig trekkenden mond daar nederzat, als het beeld
der innigste ontroostbaarheid. Zij scheen te bidden, maar geen ge-
luid kwam over haar lippen.
— Arm meisje, — fluisterde Nathan, — gij smeekt den
Hemel om hulp, de Hemel heeft uw gebed verhoord, nog voordat
ge badt. Ge zijt niet verlaten.
Hij trok zijn scherp mes uit de scheede, en vestigde zijn
blik op do oude heks, die nog altijd bij het vuur zat en met
een uitdrukking van gruwzame boosaardigheid de gevangene aan-
staarde. Nathan greep het mes vaster, en hief zachtjes een tip
van den voorhang op, vast besloten, naar het scheen, de oude
onbarmhartig te dooden. Andere gevoelens kregon echter de
overhand; hij aarzelde, trad een schrede achteruit, liet den voor-
hang vallen, en verwijderde zich stil van de deur. Toen stak hij
zijn mes weder in de scheede, luisterde een poos, of het sluime-
rende opperhoofd zich ook op de plaats waar hij lag bewoog,
zag naar de slapenden, die in de grootste verwarring rondom het
nog altijd flikkerende vuur lagen, sloop daarna stil heen en keerde
door het dorp terug naar de plaats, waar hij Ralph Stackpole,
den paardendief, had achtergelaten. Hij vond hem wist ingeslapen,
en de kerel, het zij tot zijn schande gezegd, snorkte daar-
bij zoo luide, dat hij het geheele dorp zou hebben wakker gemaakt •
-ocr page 170-
178
NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
indien de bewoners er van niet gelukkigerwijs waren bedwelmd door de
dampen van den genoten drank.
— De eeuwige dood over mijl — riep hij, toen Nathan hem bij
den arm pakte en hevig schudde; — ik was daar bijna den doodsslaap
ingegaan. Het is maar goed, dat die schoften mijn snorken niet
hebben gehoord. En wat brengt ge voor nieuws omtrent den lang-
beenigen schurk en onze schoone dame?
—  Alles gaat goed, ■— antwoordde Nathaji. — Geef me thans een
van uwe halsters en let nauwkeurig op hetgeen ik u ga zeggen.
—   "Wlit, een halster! — riep Stackpole nijdig; — ge wilt me
toch niet onderkruipen en ook paarden gaan stelen ?
—   Neen, vriend! — antwoordde Nathan. — Met den halster
moet ik eeno vrouw binden, die tot bewaakster is gesteld over het
jonge meisje, dat wij willen bevrijden, want ik mag de oude niet
dooden, daar ik mijne handen niet met het bloed van vrouwen mag
bevlekken.
—   Ge hebt haar dus gevonden, bloedige Nathan ? — vroeg
Ralph vroolijk. — "Welaan, laat ons dan den kapitein roepen en zon-
der dralen aan het werk gaan.
—   Neen, — antwoordde Nathan. — "Wel is de kapitein een
man, in wiens boezem een dapper hart klopt, maar hij kan ons niet
dienen, wanneer het geldt den weg te vinden in het kronkelig
dorp, dat vol Indiaansche krijgslieden is. Veertien verschillende
Wyandots slapen op het plein voor de Medicijnhut. Maak u daarover
echter niet ongerust, want ze zijn allen beschonken, en indien wij
slechts op de hulp van een dozijn Kentuckyers konden rekenen, dan
zouden wij ze raken, dat ze nooit weer hun krijgsgeschreeuw lieten
hooren. Let nu op! Begeef u zoo snel mogelijk naar de ruimte
waar zich de paarden bevinden, hetgeen ge zonder gevaar kunt
doen, indien ge heimelijk sluipt langs den voet van den berg. Kies
daar eenige vlugge dieren uit en neem ze voorzichtig mede. Let
wel ! ge moet dan bergopwaarts rijden, als wildet ge, in plaats
van naar Kentucky, naar het Groote Meer gaan. Hebt ge een
half uur terug afgelegd, ga dan de beek over en sluip langs de
bergen, totdat gij komt aan de plaats, van waaruit wij dit dorp
hebben bespied. Daar, versta mij wel, vriend, zult ge het jonge meisje
vinden, dat ik thans uit het dorp zal halen! Talm niet! Ge hebt
mij verstaan en moet thans uw plicht doen.
—■ Bloedige Nathan, — als ik u niet de beste paarden meebreng
uit de kraal, moogt ge mij eeuwig een schoft noemen. En hier is
mijn hand, ten teeken, dat ik al uwe aanwijzingen stipt zal nakomen. —
-ocr page 171-
179
NATHAN ONTDEKT TELIE DOE.
Nathan betoonde zich tevreden over Ralph\'s ijver, en de man-
nen namen afscheid vari elkander, om de onderneming uit te voeren,
waarbij de kapitein zoo weinig zou hebben te doen.
Roland was intusschen, door zorgen gekweld, achtergebleven
in de schuilplaats, waarin Nathan hem had achtergelaten. Nadat
ongeveer een uur was verstreken, kon hij zijn ongeduld niet langer
bedwingen en besloot hij het dorp meer te naderen, ten einde zich,
zoo mogelijk, een weinig van den stand der zaken op de hoogte
te stellen.
In de nabijheid van Nathan en Ralph gekomen, verstond hij
wel niet alles, wat zij zeiden, maar toch voldoende,\' om overtuigd
te zijn, dat men de plaats waar Edith werd gevangen gehouden
had gevonden, en het beslissende oogenblik van haar bevrijding
niet verre meer was. Zijn beide bondgenooten namen afscheid voor-
dat hij ze geheel kon bereiken. Ralph verdween in het bosch, en
Nathan schreed, evenals vroeger, moedig naar het dorp terug.
Roland riep zachtjes zijn naam, maar het geluid zijner stem werd
door den storm verdoofd, en Nathan ging verder, zonder de aanwe-
zigheid van Roland te bemerken. Deze aarzelde een oogenblik en
overwoog, of hij volgen zou, clan wel naar kleinen Peter, die, verstan-
diger dan hij, op zijn post was achtergebleven, terug zou keeren.
Zijn ongeduld was sterker dan de ingevingen van zijn verstand;
na kort beraad besloot hij tot het eerste, daar het hem volkomen
onmogelijk toescheen, om bij eene onderneming, die ten beste van
Edith werd ondernomen, een werkeloos toeschouwer te blijven.
Nathan\'s houding en gang nabootsend, schreed hij achter diens don-
kere gestalte voort, in de hoop hem weldra te zullen inhalen.
Weinige minuten later bevond hij zich in het dorp, waar hij van
alle zijden door gevaren werd omringd.
/
-ocr page 172-
180                            NATHAN WORDT GEVANGENGENOMEN.
XIX.
NATHAN WORDT GEVANGENGENOMEN.
T x
J erwijl dit alles voorviel, zat Edith in de tent van den
Shawnee, aan wanhoop en vertwijfeling ten prooi. Alles wat zij
op den tocht naar het dorp had doorleefd, haar gevangenneming,
de scheiding van Roland, de vreeselijke toekomst, verscheen haar
als een vreeselijke droom. Zij ontwaakte uit haar troostelooze ge-
dachten, alleen, om, bij de boosaardige blikken van haar bewaak-
ster, weder opnieuw door schrik te worden aangegrepen, want deze
zat nog altijd neergehurkt bij het vuur, en bespiedde elke bewe-
ging en elke verandering in Edith\'s gelaatstrekken met de waak.
zaamheid eener loerende, van gift opgezwollen slang. Haar af-
schuwelijk gelaat vertoonde geen spoor van barmhartigheid en mede-
lijden; zij sprak geen woord, gaf geen teeken van deelneming»
maar hief, om haar volkomen onverschilligheid voor het lot der ge-
vangene te toonen, of om zich den tijd te verdrijven, een onwellui-
dend gezang aan, terwijl zij daarbij een onsamenhangende reeks
van schorre en grommende geluiden uitstiet.
Dit barbaarsche gezang joeg de gevangene langzamerhand op-
nieuw schrik aan en vermeerderde haren angst. Het eentonige er van
had echter eene uitwerking, die waarschijnlijk niet overeenstemde met
de oogmerken der oude vrouw. Het leidde toch de gedachten, die
het jonge meisje koesterde, meer en meer af, en schonk haar een
soort van kalmte, terwijl zij vóór dien tijd slechts in een toestand
van pijnlijke opgewondenheid had verkeerd. Edith, die tot hiertoe
angstige en ontstelde blikken op de leelijke en boosaardige heks
had geworpen, liet thans het hoofd op de borst zinken, en gaf zich
over aan een toestand van rust, die, ofschoon niet zoo weldadig als
de slaap, dezen toch eenigermate pleegt te vervangen.
Uit dezen toestand was zij opnieuw plotseling opgeschrikt door
de tonen van het onwelluidende gezang. Zij keek op, en zag, tot
haar schrik, een hoog en sterk gebouwd man voor zich staan. Ge-
laat en gestalte waren verborgen onder een wit linnen overkleed,
-ocr page 173-
NATHAN WORDT GEVANGENGENOMEN.                            181
maar zij kon zien, hoe een paar vurige oogen, welke daaruit te
voorschijn kwamen, op haar waren gericht. Zij wendde den
blik af en bemerkte, dat haar oude bewaakster op het punt was
heimelijk uit de tent te sluipen. Door den schrik overmeesterd,
wilde zij haar nasnellcn of ten minste hare bescherming inroepen;
maar de vreemdeling verhinderde haar in dit voornemen, terwijl
hij haar arm greep en vasthield. Terzelfder tijd liet hij het linnen
overkleed van zijn gestalte glijden, en vertoonde het jonge meisje
een gelaat, dat zij, zonder een gevoel van den hevigsten afkeer,
niet kon aanzien. De man echter, in plaats van haar ontsteltenis
door ruwe woorden te vermeerderen, fluisterde zacht: — Vrees mij
niet, Edith, nog ben ik uw vijand niet. Kent gij mij ?
—  Ja, zeker ken ik u, — antwoordde Edith, terwijl haar af-
schuw voor dien man uit elk harer trekken en bewegingen sprak.
— Ik ken u maar al te goed. Gij zijt Richard Braxley, die mij,
arme wees, berooft en vervolgt, wiens hand, die mij thans vast-
houdt, is gekleurd door het bloed van mijn armen broeder. O,
ellendeling, zijt gij dan nog niet tevrqden met het ongeluk, dat ge
over onschuldige weezen hebt gebracht?
—  Edith, ge dwaalt! — antwoordde Braxley lachend. — Ik
ben voorzeker Richard Braxley, niet echter uw vijand en uw vervol-
ger, maar een trouw en redelijk, ofschoon dan ook een weinig
ruw en eigenzinnig vriend. Hoor mij kalm aan, ik ben over-
tuigd, dat ge dan anders over mij zult denken.
Terwijl Edith den bedrieger slechts gedwongen aanhoorde,
hield deze haar voor, dat zij de gevangene was van een gruwza-
men en onbarmhartigen wilde, en schetste hij haar al de verschrik-
kingen waardoor zij, in haar gevangenschap, werd bedreigd.
Daarop verklaarde hij haar, hoe hij, Richard Braxley, de
eenige was, die haar uit dien vreeselijken toestand kon bevrijden,
en dat hij geen oogenblik zou aarzelen haar inderdaad de vrijheid
terug te geven, indien zij er toe kon besluiten zijne echtgenoote te
worden.
Op zulk een wijze trachtte de gewetenlooze schurk uitvoering
te geven aan zijn plan, om zich het vermogen der beroofde weeze
op rechtmatige wijze toe te eigenen, en hij twijfelde niet, of Edith,
door angst gedreven en uit vrees voor den dood, zou bereidwillig
haar hand in de zijne leggen.
Maar ook hierin vergiste zich de sluwe bedrieger/
—  Neen, — zeide Edith, — voordat ik uwe echtgenoote word, de
echtgenoote van een nietswaardigen, wil ik liever een duizendvoudi-
-ocr page 174-
182
NATHAN WORDT GEVANGENGENOMEN.
gen dood ^sterven. Ga heen, en vermoord ook mij, zooals ge mijn
broeder hebt vermoord!
—  Ik heb niemand vermoord! — riep Braxley op driesten toon.
— Uw broeder leeft, en is zoo gezond als gij en ik.
—   Gij liegt, gij liegt! — hernam Edith. — Met eigen oogen
heb ik zijn bloed zien vloeien!
                                         -**
—  Ja, urt eene wonde, die volstrekt niet doodelijk, maar geheel
onbeduidend en onschadelijk was, — zuide Braxley. — Zijn leven is
niet in gevaar, en zijne invrijheidstelling — want ik wil niet ont-
kennen dat\\ hij gevangen is — hangt alloen af van u. Reik mij
uwe hand, en op hetzelfde oogenblik zal hij zoo vrij zijn als een
vogel in de lucht.
—  Neen, nooit, nooit! — riep Edith, terwijl zij in vertwijfe-
ling de handen wrong. — Zelfs tot dien prijs mag ik mijn lot niet
verbinden aan dat van zoo\'n lagen, valschen en verraderlijken man
als gij zijt!
—  Welnu, onderga dan de doodstraf, of word de slavin van
een gruwzamen en smerigen wilde! — zei Braxley woedend, daar
hij al zijn hebzuchtige droomen verijdeld zag door do standvastig-
heid van het jonge meisje. — Ik steek, om u te bevrijden, geen hand
meer uit!
—   O God! sta Gij mij bij in den nood! — smeekte Edith, ter-
wijl zij haar betraande oogen ten hemel hief.
—   Tevergeefs roept ge den Hemel aan, — zeide Braxley met
een hoonenden lach. — Hier is geen hulp dan . . . bij mij!
Maar nauwelijks had hij die woorden gesproken, of een paar
sterke, gespierde armen grepen hem aan en omknelden hem met de
kracht van een woedenden beer. In een ommezien werd hij
tegen den grond geworpen, een knie werd op zijn borst geplaatst,
oen vuist vatte hem bij de keel, en, terwijl een mes, bloedrood
glinsterend in het schijnsel van het vuur, op nauwelijks een duim
afstand voor zijne oogen werd gezwaaid, vernam hij een fluiste-
rend, maar toch zoo duidelijk stemgeluid, als van een verren
donder, die in zijn oor dreunde: — Nog één woord... en gij sterft!
Deze zoo plotselinge en onverwachte aanval had een verba-
zende en onweerstaanbare uitwerking. Braxley lag hijgend op den
grond, de schrik had hem zoozeer aangegrepen, dat hij niet de
geringste poging deed om weerstand te bieden. Thans liet de
aanvaller het mes zakken, haalde een langen strik van gevlochten
leder te voorschijn, en bond den overwonnene met eene snelheid,
gemak en kracht, die verbazend waren. In het eerste oogenblik
-ocr page 175-
NATHAN WOEDT GEVANGENGENOMEN.                       183
waren zijn voeten en handen gebonden, in het volgend werd
den booswicht een prop in den mond gestoken, en onmiddellijk
daarop het bewuste testament uit den borstzak gehaald, dat de
overwinnaar terstond tusschen zijn kleederen verborg. Daarop
sleepte hij den schurk in een hoek, wierp een hoop vellen en
kleederen over hem heen, totdat er niets meer van hem te zien
was, en liet hem daarna, met al de folteringen der vrees, der duister-
nis en van den angst voor verstikking, alleen.
Dit alles was geschied, met zulk een snelheid, dat Braxley
nauwelijks een blik op het gelaat van zijn overweldiger had kun-
nen werpen, in wien hij, tot zijne niet geringe verbazing, een
Indiaan meende te herkennen. Voordat hij echter over zijne ont-
dekking kon nadenken, lag hij reeds hulpeloos in den hoek, en
vlogen de dekkleeden en de huiden over hem heen, zoodat hij
in een ondoordringbaar duister lag gehuld.
Intusschen zat Edith daar neder, niet minder verrast en ver-
schrikt dan haar vervolger. De overwinnaar sprong thans aan hare
zijde, en riep haar met een waarschuwend gebaar toe: — Vrees
niets, spreek geen woord, maar zoo snel mogelijk van hier! —
waarop hij haar in zijne armen nam, om haar weg te dragen, daar hij
terstond bemerkte, dat zij te zwak was om zelf te gaan. Terwijl
hij nu met haar voortsnelde, fluisterde hij haar in het oor: — „Wees
onbekommerd; uwe vrienden zijn nabij, en ge zijt gered!" — Toen
zweeg hij, en snelde, met lichte schreden en zonder geruisch, uit
de tent.
De nacht was nog donkerder dan te voren, het vuur der
Wyandots, op het open plein, was zoo ver weggebrand, dat het
zelfs niet het minste licht meer op de hut van Wenonga wierp;
en ofschoon de hevigheid van den storm een weinig was bedaard,
zoo woedde hij toch altijd riog luide genoeg, om den klank van lichte
en snelle voetstappen te verdooven. Van deze gunstige omstandig-
heden gebruik makend, verwijderde Nathan, in wien de lezer onge-
twijfeld reeds den bevrijder van Edith heeft herkend, zich van de
hut, geen oogenblik twijfelend, of hij zou het zoo gelukkig begonnen
werk ook tot een goed einde brengen.
Er wachtte hem echter nog een gevaar, waarop de man des
vredes niet gerekend had, en dat zich ook niet zou hebben voor-
gedaan, indien hij alle hulp, ook die van den waardigen Ralph
Stackpole, afgeslagen en zich slechts op eigen kracht en inzicht
had verlaten. Nauwelijks toch had hij zich van de deur der tent
verwijderd, of plotseling en niet ver van de plaats waar hij
-ocr page 176-
184
NATHAN WORDT GEVANGENGENOMEN.
met zijn kostbaren last voortsnelde, deed een vreeselijk geraas
hooren; een stampen, snuiven, galoppeeren en hinniken van paar-
den, alsof een dozijn half uitgehongerde beren of wolven eensklaps
de Indiaansche kraal waren binnengedrongen en dqod en verderf,
te midden van den troep, hadden verspreid. En op dit onheilspel-
lend rumoer volgde terstond een nog ontzettender gelwld, alsof de
wilde dieren uit de kraal waren losgebroken en, dol van schrik, galop-
peerenden naar het middelpunt van het dorp^
Zoodra het eerste gerucht tot Nathan was doorgedrongen,
had deze zich verborgen in het bosch, in de nabijheid van de
wigwam. Toen hij echter bemerkte, dat het geraas niet alleen toe-
nam, maar zelfs dichter bij kwam, en dat de slapenden op het plein
daardoor werden gewekt, sprong hij bliksemsnel overeind, wierp
een linnen doek over Edith, die nog altijd niet bij machte was
zich zelve te helpen, en besloot een koene poging te wagen tot
ontvluchting, zoo lang de duisternis en de algemeene verwarring
zulk een waagstuk begunstigden. Hij had dan ook inderdaad geen
oogenblik te verliezen. De slaap der wilden, te allen tijde ge-
makkelijk te verstoren, was ten gevolge van den voorbijgaanden roes al
niet zoo vast meer. Een gillende schreeuw van ontzetting, die zich
op één punt verhief, werd hier en daar door een gelijksoortigen
kreet beantwoord, en in hetzelfde oogenblik weergalmde over
het geheele plein het alarmgeroep, terwijl wilde stemmen krijschten:
— „Bleekgezichten! Langmessen!" — als geloofden de Indianen, dat
een troep dappere Kentuckyers, gedurende den nacht, het dorp was
binnengedrongen.
In dit oogenblik, van algemeene en volslagen verwarring,
sprong Nathan op, en snelde, daar elke andere rcg voor hem
was afgesloten, over een hoek van het plein, in de richting van
den stroom, daar hij hoopte op die wijze van de plek, waar het
geraas werd vernomen, zich te verwijderen en onder de olmen,
aan den oever van den stroom, verborgen te kunnen blijven. En
deze koene poging zou hem werkelijk zijn gelukt, indien het
noodlot, dat in dien nacht al zijne luimen aan hem scheen te
willen botvieren, hem niet een streep door de rekening had ge-
haald.
Toen hij zich uit de struiken oprichtte, slingerde een wilde,
die meer tegenwoordigheid van geest bezat dan zijn broeders, een
nog brandend stuk hout te midden van den hoop droge bladeren en
hooi, die den gasten tot legerstede had gediend. Deze vatte ter-
stond vuur, een geweldige vlam steeg omhoog, die het geheele
-ocr page 177-
187
NATHAN WORDT GEVANGENGENOMEN.
plein verlichtte en op eenmaal de oorzaak van het lawaai en het rumoer
aan het daglicht bracht. Meer dan een dozijn paarden zag men ga-
loppeeren in de richting van het plein, en daarachter kwam een
nog grootere, dicht opeengedrongen troep aanstormen, alle razend van
angst, alle schuimbekkend vooruit- en achtcruitslaanJe, alsof zij
door een leger van booze geesten werden achtervolgd. En toch bleek
spoedig, zooals ook de Indianen onder luid gejuich opmerkten, dat
zij slechts onder den invloed handelden van een menschelijk wezen,
dat de oorzaak van al die stoornis moest zijn.
Bij het eerste opflikkeren der vlammen, die in den wind
spoedig aangroeiden tot een reusachtig vuur, achtte Nathan zijn
vermetel waagstuk verloren spel, en begreep hij, niet langer on-
opgemerkt te zullen ontkomen. Intusschcn leidde het gezicht der
paarden, die als razend over het plein sprongen, benevens de per-
soon van een blanken man, tevergeefs worstelend tegen den storm,
door wiens vlagen hij telkens tegen wil en dank werd mcdegesleurd,
de aandacht der Indianen van den Kwaker af. Nathan bemerkte ter-
stond, dat hij, bij de algemeen heerschende verwarring, niet alleen
tot hiertoe onopgemerkt was gebleven, maar ook, dat mon nauwelijks
acht op hem zou slaan, zoodra het hem gelukt was het bosch tus-
schen zich en de Indianen te krijgen.
—  Do schoft heeft ons door zijn onzinnige dwaasheid in het
grootste gevaar gebracht, — mompelde hij voor zich heen,\'—maar het
zal hem ditmaal zijn scalp kosten. Ik kan hem niet helpen en
hem tenauwernood beklagen, daar zijn ondergang de redding van
het jonge meisje zal zijn.
Hn\' snelde haastig voort, maar zijn onvoorzichtige woorden
waren, helaas! door een man gehoord, die evenals hij, in de nabij-
heid van Wenonga\'s hut, in het kreupelhout, had gelegen. Hij sprong
thans overeind, en Nathan herkende nu, tot zijn schrik, den jongen
Roland Forrester, die op hem aanstormde, de bezwijmde Edith aan
zijne armen ontrukte en uitriep: — Voorwaarts! Om Gods wil voor-
waarts ! Voorwaarts !
—  Ge hebt alles bedorven, — zei Nathan, op den toon van het
bitterst verwijt, toen Edith uit hare verdooving ontwaakte en, bij
het herkennen van haren broeder, een luiden vreugdekreet liet
hooren, een uitroep der hoogste verrukking, die, het geruisch van
den wind en het rumoer van menschen en dieren overstemmend, een
weerklank vond over het geheele plein.
                         \'
—  Ge hebt ons allen in het verderf gestort, — herhaalde Nathan;
— u zelven en het jonge meisje! Red thans uw eigen leven! —
Kapitein Roland.                                                              12
-ocr page 178-
18S
NATHAN WOEDT GEVANGENGENOMEN.
Met deze woorden trachtte hij Edilh aan Roland\'s armen te
ontrukken, om nog een laatste wanhopige poging te doen tot
haar redding. Roland liet haar aan den zooveel sterkeren Nalhan
over, en daar hij bemerkte, dat een dozijn Indianen hem achter-
volgden, zwaaide hij zijn tomahawk, gaf Nathan met eene zelf-
opoffering, voortspruitend uit het bewustzijn van zijn noodlottigen mis-
slag, een wenk om zijn weg te vervolgen, en snelde daarop zijn
vervolgers te gemoet, niet zoozeer in de ijdele hoop hun den weg
te versperren, als wel om daardoor tijd re winnen, die tot Edith\'s
redding k^n worden aangewend.
Deze onverwachte en voorbeeldeloos dappere daad ontlokte den
Indianen, die tot hiertoe slechts kreten van woede hadden uitgestoo-
tcn, een luiden uitroep van bewondering. Maar deze loste zich
weldra op in een wild gelach, toen de Roodhuiden, zonder op zijn
dreigende houding verder acht te slaan, in menigte op hem aan-
stormden, den eenigen slag dien hij geven kon, behendig ontwe-
ken, en hem daarna in een ommezien hadden aangegrepen en ontwapend.
Twee hunner bleven bij hem achter, om hem te bewaken, de overigen
zetten Nathan achterna, die al zijne krachten inspande om zijn
vervolgers te ontkomen» Hij liep met Edith, wier gewicht hem
even weinig hinderde alsof hij een zwaneveer in de armen
had, eenigen tijd met verbazende snelheid voort, springende
over struiken en kuilen, waar hij zulke hindernissen op zijn weg
ontmoette, met zulk een buitengewone kracht en behendigheid, dat
het den vijand niet anders dan een wonder toescheen. Ongetwij-
feld zou hij dan ook zich zelf gemakkelijk hebben kunnen redden,
indien hij Edith tot geen prijs hulpeloos aan haar lot had -willen
overlaten, En ook met deze hindernis deed hij een tijdlang al het
mogelijke om te ontkomen. Reeds had hij het kreupelhout bereikt,
dat den oever van den reddenden stroom omzoomde, er was nog
slechts een schrede noodig om, althans voor, eenigen tijd, tegen iedere
vervolging beveiligd te zijn.
Maar die schrede zou Nathan niet doen. Toen hij het kreupelhout
naderde, sprongen twee reusachtige wilden, die aldaar dien nacht
gelegen hadden, te voorschijn, beantwoordden het geschreeuw hunner
broeders met een woest gejuich en snelden op Nathan toe, om
zich van hem meester te maken. Wel sprong deze ter zijde
en ijlde hij naar een eenzame, door boomen omringde hut, in wier
schaduw bij zich hoopte te verbergen, maar zijne beweging kwam
te laat. Een dozijn grimmige wolfshonden stormden uit de hut
en vielen, door hun meesters aangehitst, op hem aan. Zij hingen
-ocr page 179-
NATHAN WORDT GEVANGENGENOMEN.                             189
aan zijn schouders, pakten hem met hunne tanden, liepen tusschen
zijn beenen door en beten zoo stevig in zijn kleederen, dat hij ze
niet meer van zich kon afschudden en in zijn verdere vlucht werd
belemmerd. De Indianen zaten hem dicht op de hielen, hun gillend
geschreeuw weerklonk in zijne ooren, terwijl hun handen reeds op
zijne schouders lagen. Toen zag hij in, dat elke poging om to ont-
vluchten tevergeefs was, en daarom wendde hij zich tot zijn vij-
■  anden, wachtte hen af met den trots der vertwijfeling en riep hun
toe, met een uitdrukking van den doodelijksten haat: — Hier,
duivels, houwt en steekt! Uw beurt is gekomen, ik ben de
laatste van hen! — En terwijl hij die woorden sprak, reet hij zijn
gewaad open en ontblootte de borst, om de doodelijke \'slagen zijner
tegenstanders uit te lokken.
Maar de Indianen beoogden, althans op dit oogenblik, niet zijn
dood. Zij maakten zich van hem en Edith meester en sleepten
beiden, onder een eindeloos gejubel en gejuich, naar het vuur, waar-
heen Roland reeds vóór hen was gebracht en hun triomfkre\'ten
had moeten aanhooren. Tezelfder tijd weerklonk ook het vreugde-
geschreeuw van de Indianen, die zich te midden der paarden
hadden gestort, en dit gebrul\' gaf bloedigen Nathan, even duidelijk
als de meest verstaanbare woorden, te kennen, dat ook Ralph
■   Stackpole in de handen der Roodhuiden was gevallen.
De trotsche woorden, door Nathan, kort vóór zijn gevangen-
neming, den vijand toegeroepen, waren de laatste die hij sprak.
Hij onderwierp zich met een berustend stilzwijgen aan zijn lot, en
geen gebaar verried, wat er in hem omging, toen een dozijn stem-
men om hem heen hun verrassing over zijn uiterlijk op bijna nog
levendiger wijze te kennen gaven dan hun vreugde over hun
zegepraal. Zijn Indiaansche dracht en beschilderd lichaam hadden
blijkbaar hunne verbazing opgewekt, die nog toenam, nadat zij, bij
het schijnsel van het vuur, de zonderlinge zinnebeelden ontwaarden,
waarmede Nathan zorgvuldig borst en gelaat had beschilderd.
Nathan bekommerde zich intusschen al even weinig om hun uit-
vorschende blikken en om de vragen, hem in gebroken Engelseh
en in de Indiaansche taal gedaan, als om hun spotternijen en
bedreigingen, terwijl hij een en ander slechts met zulk een woesten
en afschuwelijken blik beantwoordde, dat eenige der jongere krijgs-
lieden er verlegen onder werden en veelbeteekenende blikken met
elkander wisselden. Eindelijk, toen zij steeds dichter bij het vuur
kwamen, wankelde een oude Indiaan naar den troep, die met
passende ■ achting voor dezen plaats maakte, want hij, die thans
•
-ocr page 180-
190
NATHAN WORDT GEVANGENGENOMEN.
naderde, was niemand anders dan Wenonga, de oude Zwarte Gier.
Met zooveel woede als zijne nog steeds aanhoudende dronken-
schap toeliet, strompelde hij .naar den gevangene toe, legde de eene
hand op diens schouder, en hief met de andere, onder vreeselijk getier,
den tomahawk op tot een slag, die, indien hij neergekomen ware,
Nathan\'s schedel ongetwijfeld zou hebben verbrijzeld.^ Maar nog te
rechter tijd werd deze door Abel Doe, ook Atkinson genaamd, afge-
wend, die te gelijk met het grijze opperhoofd^ was verschenen en dezen
thans zachtjes eenige woorden in het oor fluisterde, welke voor het
oogenblik Vte woede van den ouden Indiaan schenen te doen bedaren.
— Ik Indiaan-man, — zeide het opperhoofd, zich tot den
gevangene richtend, van wiens taal hij zich ook bediende. — Ik
vermoorden alle blanke mannen! Ik, Wenonga, drinken bloed van
den blanken man, want in mij geen hart.
En om do waarheid zijner bewering den gevangene diep in
het gemoed te prenten, legde hij de rechterhand, waaraan men met
zacht geweld den tomahawk had ontnomen, bonevens zijn linker
op Nathan\'s schouders en hield zich in die houding staande, ter-
wijl hij, tot dicht voor het gelaat van den gevangene, met het hoofd
knikte en waggelde, en daarbij blikken met zooveel haat en boos-
aardigheid op hem richtte, als waartoe hij in zijn beschonken toe-
stand slechts in staat was. Nathan beantwoordde die blikken, dooi-
de oogen op die van het opperhoofd te vestigen en wel met een
nog vreeselijker uitdrukking dan deze aan do zijne vermocht te geven.
Daarbij vertrok hij op een zeldzaam onnatuurlijke en afschuwelijke
wijze het gezicht en knarste tegen "Wenonga op de tanden. Er
sprak zulk een diepe, namelooze hartstocht uit zijn verwrongen
trekken en zulk verterend vuur vlamde uit zijne oogen, dat zelfs
Wenonga, het dappere en onversaagde opperhoofd, die zich daaren-
boven nog in die opgewonden stemming bevond waarin men voor
blooheid niet zeer vatbaar is, langzaam terugtrad en de handen van
de schouders van den gevangene verwijderde. Deze stortte hierop
plotseling ter aarde, kwam zoodanig onder den invloed zijner over-
spannen hartstochten, dat hij in stuiptrekkingen verviel, zijne vingors
zich krampachtig kromden en diep doordrongen in het vleesch der
beide Indianen, die al hunne krachten moesten inspannen om den
razende vast te houden.
Het hoonende en zegevierende juichen der Roodhuiden hield op,
en hunne vragen verstomden. Vreesachtig deinsden zij voor hun onge-
lukkigen gevangene terug, dien zij gadesloegen met onverholen ver-
bazing en zichtbaren schrik. De eenige, wiens hart door het zeld-
-ocr page 181-
NATHAN WORDT GEVANGENGENOMEN.                          191
zame voorval onbewogen scheen, was Abel Doe, die, toen Nattaan
zich op den grond wentelde en kromde, uit de borst van diens
hemd de punt zag steken van een stuk perkament, dat, naai-
den uiterlijken vorm, volkomen geleek op het testament, nog
vóór weinige uren door hem in de handen van zijn makker
Eichard Braxley gezien. Hij bukte zich over Nathan heen, deed
alsof hij den stuiptrekkenden man in zijn armen wilde nemen,
en trok daarbij heimelijk uit Nathan\'s vest het document, dat
hij vervolgens in een zak van zijn eigen kleeding verborg.
Daarna richtte hij zich weder op en stond toen weer even on-
verschillig en zorgeloos als de overigen naar den gevangene te
kijken, totdat de aanval had uitgewoed, wat binnen weinige
minuten het geval was. Nathan richtte zich weder op, staarde
met woeste blikken om zich heen en scheen zich voor een
korte poos evenmin bewust te zijn van het toeval, dat hem
zooeven ter aarde had geworpen, als van zijn gevangenschap.
De ontsteltenis over dit laatste ongeval was inmiddels bij het
opperhoofd spoedig geweken. Zijne woede was thans voorbij en
had plaats gemaakt voor een gevoel van achting, hetgeen duide-
lijk uit zijn sombere oogen sprak.
— Mijn blanke broeder groot Medicijn-man! — zeide hij. — Ik,
Wenonga! Ik groot Indiaan-opperhoofd, vermoorden alle man,
squaw en kleine papus. Blanke Medicijnman zal zijn de broeder
van het groote opperhoofd! Medicijn-man mij zeggen, waar ik
vinden Dshibbenönoseh? Waar is Dshibbenönoseh ? Ik hem ver-
moorden, ik groote opperhoofd, met den tomahawk verslaan den
geest van het woud. Groot Medicijn-man zeggen het Indianen-
opperhoofd, waarom hij gekomen in het Indianendorp? Waarom
stelen gevangenen van Indianen ? Waarom stelen van Indianen
paard? Ik, Wenonga, ik goede broeder van grooten Medicijn-man!
Het oude opperhoofd sprak deze woorden op een ongewoon
welwillenden\' en plechtstatigen toon, die getuigenis moest afleggen
van zijn plotseling ontstane genegenheid en tevens van de oor-
zaak er van, de omstandigheid namelijk, dat hij den gevangene
aanzag voor een grooten blanken toovenaar, die hem behulpzaam
kon zijn bij de oplossing van menig geheim, en een antwoord kon
geven op wat hij tot hiertoe tevergeefs had gezocht. En hij zou
vermoedelijk het gesprek ook nog lang niet hebben geëindigd, daar
zijn eigen krijgslieden hem met de grootste belangsteHïng aanhoorden,
indien hij niet onverwacht in zijn nieuwe toespraak was gestoord.
De Indianen toch, die Roland bewaakten, lieten plotseling
-ocr page 182-
102
NATHAN WORDT GEVANGENGENOMEN.
luide kreten hooren. Abel Doe, de blanke Indiaan, was er de oor-
zaak van, toen hij de bewakers opmerkzaam maakte op het feit,
dat hun gevangene niemand anders was dan kapitein Roland
Forrester, die kort geleden hulpeloos en met geboeide handen
aan den meodoogenloozen Piankischaw was overgeleverd. Zijn ont-
vluchting, evenzeer als zijn plotseling en ongedacht verschijnen
in het Shawnee-dorp, was voor de Roodhuiden een even verrassende
gebeurtenis als de vermeende wonderkrachten van den blanken
Medicijn-man, en de uitroep der bewakers lokte dan ook den
geheelen ""zwerm van Indianen naar het vuur waarbij men Ro-
land had nedergelegd.
Maar het eene wonder volgde het andere. De derde gevan-
gene werd tusschen de paarden te voorschijn gehaald, naar het
vuur gesleept, en bijna op hetzelfde oogenblik door verscheiden
krijgslieden als de gevreesde, onverbeterlijke paardendief Ralph
Stackpole herkend. De „wonderbare toovenaar" en het „wonder-
bare jeugdige langmes", Roland namelijk, die destijds de gevan-
gene was van Piankischaw aan de oevers van den Wabash,
en de andere, een der aanvallers in het dal van Biami, werden
beiden vergeten, want de hoofdman der paardendieven was een
veel wonderbaarder persoonlijkheid en in elk geval een veel
gewichtiger vangst. Men riep zijn naam uit onder een luid gehuil;
die naam ging van mond tot mond, en weinige oogenblik-
ken later zag Ralph zich omringd door al de inwoners
van het dorp, door mannen, vrouwen en kinderen, die allen,
naderbij gelokt door het geschreeuw, zich naar de algemeene
verzamelplaats hadden begeven. Het triomfgeschreeuw, de vreugde-
kreten over de gevangenneming van een te gelijker tijd zoo be-
roemd als verafschuwd man, veroorzaakte een getier, veel ver-
schrikkelijker dan al wat tot op dit tijdstip de ooren der gevan-
genen had verdoofd.
Inderdaad, het was Stackpole, Ralph Stackpole, de slaaf dier
engelachtige dame, zooals hij haar noemde, maar die hij door een
zonderlinge beschikking van het noodlot niets dan onheil bereidde,
hoewel hij poogde haar van dienst te zijn. Ook thans had hij zich
zelf en zijn metgezellen weer tot gevangenen gemaakt, dewijl hij
zich, bij het verleenen zijner diensten, al te ijverig wilde betoonen.
Later vertelde hij, dat hij de omheining, waarbinnen de paarden
zich bevonden, was binnengedrongen, met het vaste besluit
de aanwijzingen van Xathan letterlijk op te volgen. Daartoe had
hij vier der beste paarden uit den troop gekozen en zijn onge-
-ocr page 183-
NATHA2T WORDT GEVANGENGENOMEN.                             193
wone behendigheid was oorzaak, dat het hem zonder veel moeite
gelukte hun de halsters, zonder eenig gelruisch, over den kop te
werpen. Had hij zich nu met dezen buit tevredengesteld, dan zou
hij zich weder uit de omheining hebben kunnen verwijderen, zonder
voor ontdekking beducht te moeten zijn. Maar deze prachtige ge-
legenheid, de beste, die zich nog ooit in zijn leven had voorgedaan,
en daarenboven de flinkheid en voortreffelijkheid der paarden, wier
getal ongeveer veertig bedroeg, en, zooals hij ze zelf noemde, de
liefste en mooiste dieren die er bestonden, brachten hem op het
ongelukkig denkbeeld, den goheelen troep uit de kraal mede te
nemen, ten einde de dame eens met een waren schat van die vier-
voeters te verblijden. Eenmaal op dat denkbeeld gekomen, besloot
hij liet zoo snel mogelijk uit te voeren. Evenals Xathan bij een
vroegere gelegenheid, trok ook hij zijn loeren rok uit, sneed dien
in riemen, welke hij snel tot halsters maakte, wierp ze nog een
half dozijn der beste paarden om den hals en reed met deze en de
vier eerst uitgezochte weg, er geen oogenblik aan twijfelende, of de
geheelc troep zou hem vrijwillig volgen. De kraal uitrijdend, sloeg
hij de door Xathan aangeduide richting in, om op het plein te komen,
dat als plaats van samenkomst was bepaald. Dit was echter eene
richting die, naar hij tot zijn schrik ontdekte, noch de paarden
wier halsters hij in de hand had, noch de in vrijheid brieschendo
dieren, die hem volgden, den geringsten lust toonden in te slaan.
Er ontstond weldra tusschen den dief en de gestolen paarden een
strijd, die na weinige oogenblikkcn daarmede eindigde, dat de geheele
troep in stormachtige haast den weg insloeg naar het middelpunt
van het dorp. En het gelukte den rossen niet alleen in die richting
te ontkomen, maar zij sleepten ook den ongelukkigen Ealph met
zich mede, die tevergeefs alle pogingen aanwendde om den losge-
broken stroom in een andere bedding te leiden. Ook hij werd dooi-
de onstuimige dieren medegevoerd, even onmachtig te ontvlieden als
hun te weerstaan. Zoo viel dan Ralph Stackpole in den kuil, dien
hij zich zelf had gegraven, zooals het zoo menigeen vergaat, die niet
volgens zijn geweten den weg der strengste eerlijkheid bewandelt.
Het bewustzijn, dat hij, ten gevolge zijner grenzenlooze lichtzinnig-
heid ook zijn metgezellen in ellende gebracht en de beste en laatste
hoop der engelachtige dame had verijdeld, droeg er nu juist niet
toe bij om zijn uiterst treurigen toestand aangenamer te maken en het
bittere der verwijten, die hij tot zich zelf moest richten, gering
te achten. Het hart vol knagend berouw, werd hij naar het
vuur gesleept, om daar te worden gehoond en gesmaad, zoo lang
-ocr page 184-
194
NATHAN WORDT GEVANGENGENOMEN.
zijn onbarmhartige vijanden het goed zouden vinden. Maar dezen,
nog uitgeput door de drinkgelagen van den vorigen dag en tevreden
met hun volledige en volkomen onbloedige overwinning, hielden
weldra op met hem te kwellen, zich het genot voorbehoudend hem
den volgenden morgen, tot eigen vreugde zoowel als van de Wyan-
dots, hun gasten, eens flink tusschen de spitsroeden door te laten
loopen.
Na dit met algemeene stemmen genomen besluit, werd hij,
evenals Nathan en Roland, geboeid weggevoerd. Elk van hen brachten
zij in ecu» afzonderlijken wigwam, waar hij door betrouwbare krijgs-
\' lieden ten strengste werd bewaakt. Een uur later lag het dorp
weer in de volmaaktste rust, alsof er niets buitengewoons was ge-
beurd. Het laatst van allen zochten echter Abel Doe en Richard
Braxley hun legerstede weder op. De laatste was door zijn makker
gevonden, van zijne boeien en de onwelkome prop verlost, terstond
nadat men Edith in de tent, nauwelijks door haar verlaten, had
teruggebracht. Eerst toen Braxley de hut binnentrad, ontdekte hij
het verlies van het kostbare testament, op het bezit waarvan hij
zijne zoo listig bedachte en tot hiertoe zoo sluw uitgevoerde
plannen had gebouwd. Zijn angst, ontsteltenis en verwarring, bij
Nathan\'s plotselingen overval, waren zoo groot geweest, dat hij
niet had bemerkt, hoe de Kwaker hem de oorkonde uit den zak had
gelicht. Doe daarentegen, in wiens bezit zich thans, zooals wij
weten, het document bevond, was volstrekt niet geneigd het
onvoorwaardelijk terug te geven. Hij stelde er zich nog veel van
voor en had reeds een plan uitgedacht, waardoor hij het tot zijn
voordeel zou kunnen aanwenden. Daarom troostte hij zijn metgezel
in huichelachtige bewoordingen, zeide, dat deze het slechts by toeval
had kunnen verliezen, en gaf hem de valsche verzekering, dat hij
het ongetwijfeld deji volgenden morgen zou wedervinden, daar
het gewichtige stuk voor een Indiaan niet de minste waarde kon
hebben.
Braxley, wien deze verklaring waarschijnlijk voldeed, berustte
er in. Hetgeen echter thans zijn bezorgdheid wekte, was het weder-
verschijnen van kapitein Forrester, dien hij reeds sedert lang van
deze schoone aarde verdwenen waande. Maar ook op dit punt trachtte
Doe hem te troosten, door to verzekeren, dat Roland thans even
zeker een man des doods was, als wanneer hem twintig kogels door
het lijf waren geschoten.
— Hij is in handen van den Zwarten Gier, Richard, — zeide
hij met grimmigen blik, — en als wij hem niet redden, zal hij even
-ocr page 185-
ABEL DOE.                                                195
zeker worden verbrand als wij zelf eenmaal in de hel zullen komen.
—  Wij, Abel Doe? — vroeg Braxley lachend. — Zulk een
vaart zal het met ons niet loopen. En toch, wie weet, hoe gij nog
te land zult komen. Onlangs ondervondt ge nog gewetenswroeging
over den vermeenden dood van den jongen man, en thans, nu zyn
dood, zooals gij zegt, zeker is, bekommert ge er u even weinig om
alsof er sprake was van het leven van een hoen.
—  Dat is waar, maar er is ook een verschil tusschen toen en
nu, — antwoordde Doe. — Toen Piankischaw hem verbrandde,
of liever toen ik geloofde dat die schoft het zou doen, was ik het, ik
alleen, die schuld had aan zijn treurig lot. Thans staan de zaken
anders. Hij is op eigen gelegenheid hier gekomen, de Indianen
namen hem gevangen, en nu mogen die ellendige schurken hem
verbranden als ze er lust toe hebben. Mij kan \'t niet schelen, want
ik heb hem niet hierheen gelokt. Zoo zijn derhalve de omstandig-
heden veranderd, en ge zult mij toegeven, dat het verschil niet gering
is te noemen.
Deze verklaring stelde Doe\'s wantrouwenden metgezel tevreden,
en nadat de beide schelmen nog eenigen tijd hadden gesproken over
die feiten, hun bij de poging om Edith te bevrijden het merkwaar-
digst en het vreemdst voorgekomen, legden zij zich ter ruste, om
tot den volgenden morgen daarin niet te worden gestoord.
XX.
ABEL DOE.
volgende dag was voor de Indianen, zooals zelfs de ge-
vangenen in hun verschillende kerkers konden waarnemen, volleven
en drukte. Van zonsopgang tot het middaguur vernam men
van tijd tot tijd geweersalvo\'s, die aan de uiterste einden van het
dorp werden afgevuurd, en onmiddellijk daarna het gillende hoera!
der mannen die hun geweren hadden afgeschoten. Al wat leven
-ocr page 186-
19G
ABEL DOE.
had in het dorp, beantwoordde dit gehuil; mannen, vrouwen en kin-
deren vereenigden zich te zamen in één kreet, die blijkbaar niets,
anders zijn kon dan de uitbarsting van wilde vreugd. Het scheen,
dat afdeelingen van krijgers, die uit de streken, door de bleekgezichten
bewoond, zegevierend terugkeerden, van tijd tot tijd in en door het
dorp trokken, om de bloedige tropeeën der behaalde overwinning te
toonen. He\'t geraas nam toe, het geschreeuw werd steeds levendiger
en algemeener, en blijkbaar haddon de EWlhuiden het doel, voor de
tweede maal een feest te vieren, waarbij -zij zich, evenals gisteren,
zouden OTergeven aan de onzinnigste zwelgerij.
Terwijl dit buiten geschiedde, lag Roland Forrester in een hut,
door twee oude, grimmige Indianen bewaakt. Dezen trachtten zich
den tijd en de verveling te verdrijven, door bij tusschenpoozen aan den
ingang te gaan, om, evenals keffende honden, de aandacht der voorbij-
gangers te trekken en, ten einde van hun ingenomenheid met
wat buiten voorviel te doen blijken, luide juichkreten aan te heffen.
Nu en dan verlieten zij zelfs den wigwam, ofschoon niet langer dan
voor enkele oogenblikken. "Waren zij op die wijze een weinig be-
komen van de verveling, het gevolg van de hun opgedragen taak,
dan hurkten zij bij den gevangene neder en poogden hem door lange
verhalen in hun taal te onderhouden, waarvan Roland natuurlijk
geen woord verstond.
In bittere en smartelijke gedachten verzonken, in zijn laatste
hoop op vreeselijke wijze teleurgesteld en daardoor volkomen on-
verschillig voor het lot, dat hem bij zijne vijanden wachtte, lag hij
den geheelen dag op den naakten grond, terwijl hij elk oogenblik
verwachtte een troep Indianen te zullen zien, die hem kwamen afha-
len om hem te martelen, een lot dat hij, volgens zijne meening, niet
kon ontgaan, aangezien het de gewone strafoefening was voor hen
die door de Indianen worden gevangengenomen.
Nochtans verliep menig uur, zonder dat zijne eenzaamheid door
iets anders werd afgewisseld dan door het gesnap zijner twee be-
wakers. Eerst toen de avondschemering inviel, bemerkte hij nog
een derde menschelijk gelaat. Telie Doe kwam sidderend de hut
binnensluipen, bracht den gevangene spijs en drank, en toonde daarbij
zulk een diepe neerslachtigheid, zulk een zichtbare smart, dat de
ongelukkige Roland de oorzaak wel bemerken moest. Een oogenblik
geloofde hij, dat deze bittere gevoelens het gevolg waren van schaamte
en berouw, daar Telie een rol had gespeeld in het komplot om hem
gevangen te nemen. Maar hij verwierp die gedachte weder, aange-
zien de ondervinding hem had geleerd, dat zij, ofschoon kennis
-ocr page 187-
ABEL DOE.                                                       197
dragende van de voorgenomen misdaad, toch oprecht, en zooveel in
haar vermogen stond, er naar gestreefd had om het ongeluk van
hem af te wenden.
Hare verschijning wekte zijn sluimerende levensgeesten weder
op en verlevendigde de herinnering aan zijne zuster in zijn diep
bedroefde ziel. Hij ondervroeg ïelie naar Edith\'s toestand en ver-
zocht haar van zijne zuster te spreken, ofschoon hij vooruit wist,
dat haar antwoord hem hoop noch troost zou kunnen brengen.
Nauwelijks echter had Telie den mond geopend, om den ongelukkige
het een en ander mede te deelen, of een der oude Indianen
trad met dreigende gebaren op haar toe, greep haar bij den arm,
bracht haar naar den uitgang der hut en gaf ondubbelzinnig te
kennen, dat het slecht met haar zou afloopen, .indien zij het nog-
maals waagde in Eoland\'s gevangenis te verschijnen. Toen Roland
aldus elke kans, om eenig bericht aangaande Edith te ont-
vangen, verdwenen zag, gaf hij zich steeds meer en meer over
aan het gevoel van ontroostbaarheid, dat zijn hart vervulde, en
wachtte met sombere onverschilligheid het treurig lot af, dat
hem, zooals hij volstrekt niet betwijfelde, was beschoren. Nochtans
moest hij nu nog eenmaal alle gemoedsbewegingen ondervinden,
zoo bitter en smartelijk, wanneer gekoesterde hoop bedrieglijk
blijkt.
Spoedig na het invallen van den nacht, toen geen heldere
vreugdestraal tot hem doordrong, hoorde hij voetstappen aan den
ingang der tent en onmiddellijk daarop een kort gesprek, tusschen
den nieuw aangekomene en zijne wachters, dat daarmede eindigde,
dat de laatsten de hut verlieten. De eerste trad het vertrek binnen,
liep naar het vuur, waarvan hij den verdoovenden gloed tot een
heldere vlam aanwakkerde, plaatste zich zoo, dat hij door het volle
licht er van werd beschenen, en nu vertoonden zich aan Roland, tot
diens niet geringe verbazing, de gestalte en het gelaat van Abel Doe,
wiens trekken diep genoeg in het geheugen van den jongen krijgs-
man waren gegrift, om ze nooit weder te vergeten. Abel vestigde
zijne oogen op den gevangene, zag hem, zonder een woord te
spreken, ernstig aan, totdat eindelijk Roland zelf het pijnlijk zwij-
gen verbrak.
Ofschoon de jonge krijgsman het vaste voornemen had, die
gelijkmatige stemming te bewaren, waarbij schijnbare kalmte
terugkeert, maar die een slechte plaatsvervangster blijkt van
ware en oprechte beru-ting in de beschikkingen van het lot,
zoo was do verschijning van dien man voldoende, om in Roland\'s
-ocr page 188-
198
ABEL DOE.
gemoed stormachtige gevoelens te wekken van toorn en ontsteltenis.
Indien ook al anderen de misdaad, waardoor jammer en verderf
over hem en Edith waren gekomen, mochten hebben uitgedacht,
Abel Doe was en bleef toch altijd de man, die hem voor bandieten-
loon, en met de laaghartigheid eens bandiets, de lagen had gelegd
en het verderfelijk komplot had geleid. Slechts door den bijstand
en de hulp van zulk een medeplichtige was het Braxley mogelijk
geworden zijn plannen te volvoeren \\>f ook slechts oen poging
daartoe te doen. Het bloed begon bij JRoland te gisten op het
gezicht -ran den nietswaardigen schurk; hij deed eenige wanhopige
maar vergeefsche pogingen om zich van zijn boeien te bevrijden
en op den ellendeling los te stormen, wiens slechtheid hij nooit
beter had beseft dan in dit oogenblik van rampspoed en volslagen
hulpeloosheid.
—  Schurk! — riep hij den man toe, daar zijne pogingen om
zich van de knellende banden te ontdoen, vruchteloos bleven, —
lage en verachtelijke schurk ! waagt ge het ook nog hier te komen,
om u op de vruchten van uw afschuwelijke misdaad te beroemen?
Vuige, ellendige, gemeene schurk!
—  Dat is het ware woord, kapitein, — antwoordde Abel Doe
met toestemmenden hoofdknik. — Gij hebt mij den echten
titel gegeven. Schurk! is de juiste benaming om mede te be-
ginnen en om mede te eindigen, al naarmate wij de zaken, na
onderling bespreken, hebben afgedaan.
—    Weg, aterling! — riep Roland woedend uit, — val
me niet lastig met uwe tegenwoordigheid, want ik heb u
niets anders te zeggen, dan dat ik den vloek des Hemels over
u inroep.
—  Ook dat is zooals het behoort, — antwoordde Abel koelbloedig,
— ik begrijp, dat ik het tot op zekere hoogte heb verdiend. Maar
aan alle dingen moet een einde komen en ook aan het verwensenen
en liet vervloeken, en misschien dat, indien ge mij tot het einde
toe aanhoort, uw vloek nog wel in zegen verandert. Het spreek-
woord zegt: „Heden vriend, morgen vijand." Keer het om, en mis-
schien kan het dan waarheid bevatten, daar ik thans geenszins als
een vervloekte, hardnekkige vijand tot u kom. Ik kom u een
vredes voorstel doen, ik wil den tomahawk begraven en de vredespijp
met u rooken. Ja, dit is mijn doel, en uw verwensching zal mij
daarvan niet weerhouden. Vloek nu maar toe, totdat ge het moede
zrjt, ik zal u niet storen. Maar wat het weggaan betreft, dit is
een andere kwestie; daarin heb ik niet den minsten lust. Ik
^
-ocr page 189-
190
ABEL DOE.
ben gekomen, man, om een handelsovereenkomst te sluiten, en als
ge gehoor geeft aan mijn voorstellen, zult ge, naar ik hoop, niet
meer zoo grimmig zijn als thans. Voordat wij echter deze zaak gaan
bespreken, moet ge mij vertellen, op welke wijze ge u van den ouden
Piankischaw en zijne beide metgezellen hebt ontslagen, want dat
zou ik eens dolgraag willen weten.
—  Indien ge mij een voorstel hebt te doen, — antwoordde Ro-
land, moeite doende om den toorn, die hem dreigde te over-
meesteren, eenigszins te bedwingen, — zeg dan kort en goed, wat
gij wilt, en val mij niet lastig met onnoodige vragen.
—  Nu, nu, niet zoo driftig, man, — antwoordde Doe koelbloedig,
— een beleefde vraag had, dunkt mij, wel een beleefd antwoord
verdiend. Als gij den ouden schoft met de beide andere kerels hebt
verslagen, dan behoeft ge niet bang te zijn om mij dit to zeggen,
want ik zal daarom niet slechter over u denken. Het gelukt niet
iedereen Indianen te dooden, die hem bovendien nog met riemen
van buffelleder hebben vastgebonden; maar. ik vermoed, dat die
schoften te veel brandewijn hadden gedronken, want Indianen blijven
Indianen en verloochenen hun aard niet, en toen hebt ge hun uw
schuld met gelijke munt betaald, zooals die schelmen het verdienen.
Indien ge het deedt, hebt ge mij daarmede veel genoegen gedaan;
want ik was het, die u aan hen overleverde, en dat denkbeeld knaagde,
meer dan ik zeggen kan, aan mijn geweten, omdat ik wist, dat de
schurken u zouden verbranden als een stuk hout, als ge er niet in
slaagdet u te bevrijden. Het was echter een dwaze inval van u, dat
ge ons achtervolgdet. Maar ik zal hierover zwijgen, want gedane
zaken nemen geen keer. Zeg mij nu maar eens, hoe gij toch aan dien
kerel gekomen zijt, die er zoo uitziet als een Indiaan en bijna uwe
zuster had weggesleept? De Indianen beweren, dat hij een groot
toovenaar is; maar ik, die nooit van een toovenaar onder de blanken
heb gehoord, geloof dergelijkcn onzin niet, en zou toch gaarne mijne
nieuwsgierigheid omtrent die zaak bevredigd zien. Ik doe u slechts
een beleefde vraag en heb daarmede volstrekt geen booze bedoeling.
Niemand kan zeggen, wie de vent is, en Ralph Stackpole, dien ik
er ook reeds naar vroeg, zegt, dat hij het individu nog nooit in zijn
leven heeft gezien.
—  Indien ge wilt, dat ik uwe vragen zal beantwoorden, moet ge
mij eerst antwoord geven op de mijne, — zeide Roland. — "Wat zal
. het lot zijn van den man, van wien ge zooeven hebt gesproken ?
—  Hem wacht de vuurdood, denk ik, — antwoordde Abel Doe
kalm. — Dit hangt echter geheel af van de luimen van Wenonga,
-ocr page 190-
200
ABEL DOE.
dun ouden Zwarten Gier. Want als hij hem zeggen kan, wat tot nog
toe geen Indiaansch toovenaar wist, dan voedt het opperhoofd hem
misschien met de lekkerste beetjes en maakt hij hem tot zijn lijf-
toovenaar. Hij is nu juist met hem in gesprek.
—  En wat zal men met Ralph Stackpole beginnen? — vroeg
Roland verder.
—  Diu wordt ongetwijfeld door langzaam vuur gebraden, — luidde
het antwoord. — Zij wachten nog slecht^ op den terugkeer der uit-
getrokken krijgers, en dan wordt de kerel zeker met huid en haar
levend tsii vure gedoemd.
—  En mij! — vroeg Roland, — wacht mij hetzelfde lot?
—  Ja, zeker! ook dat kan niet worden betwijfeld. — antwoordde
Doe met onheilspellenden hoofdknik. — Eenigen onder de Indianen
spreken wel is waar goed van u, omdat ge moed genoeg bezit om in
hun stam opgenomen te worden, maar de meesten hebben gezworen
dat ge branden zult; en branden moet gij, behalve wanneer —
—  Halt! nog (\'éne vraag, — aldus onderbrak Roland het onheil-
spellend gekras van den ongeluk\'svogel, — wat zal dan het lot zijn
mijner arme, onschuldige zuster?
—   O, daaiover behoeft ge u niet ongerust te maken, ten
minste wat het verbranden betreft, — antwoordde Doe — wij hebben
het meisje niet gevangen ora haar te braden. Zij is veilig genoeg,
want er is een man, die haar in zijne bescherming genomen heeft.
—  En die man is Richard Braxley, de ellendigste en verach-
telijkstc schuik, die ooit den aardbodem met zijn adem verpestte! —
riep Roland uit. — Schurk, die ge zijt, hoe hebt ge het over u
kunnen krijgen, het onschuldige meisje aan zulk een boef toe te
vertrouwen ?
—  En waarom niet! — riep Doe op ijskouden toon. —
Hij zal haar huwen, om haar aan het bezit der landerijen te hel-
pen, die uw oom heeft nagelaten en die eigenlijk uwer zuster toe-
behooron. Zie, dat is de geheele reden, waarom wij aan de Zout-
rivier op u loerden en ons van u poogden meester te maken.
—  Ge bekent het dus, — zeide Roland bitter, — ge bekent, dat
ge u aan de schurken hebt verkocht. Ellendeling, hoe kondt gij,
om der wille van goud, het geluk mijner zuster verwoesten en mijn
leven vernietigen ?
—   Eenvoudig, omdat ik een vierkante schurk ben, — luidde
het antwoord van Doe. — Wij zullen daarover echter geen woorden
verspillen, want ik erken de \'waarheid van het feit, zonder meer.
Eenmaal was_ ik een eerlijk man, kapitein; maar dat waren betere
•
-ocr page 191-
201
ABEL DOE.
tijden. Thans echter ben ik een fielt, door en door, tot op het merg
van mijn gebeente. Kijk nu maar niet zoo verbaasd; ge zult dingen
van mij hooren, die u nog veel meer zullen ergeren. Beantwoord nu
maar eerst de vraag, of gij er bijzonder naar verlangt, uit dit Indianen-
dorp te komen en de pijn te ontgaan van den vuurdood, die uw
beenderen langzaam tot asch zal verteren.
—  Of ik vrij wil zijn? Onzinnige vraag!
—  Welnu dan, kapitein, — vervolgde Doe, — indien ge naar
vrijheid verlangt, dan ben ik de man die ze u bezorgen kan. Ik
geheel alleen; want de anderen, die het zouden kunnen, willen niet,
en die het zouden willen, kunnen niet. Zoo ben ik dan bereid u te
bevrijden en voor het roosteren u te bewaren; maar eerst moeten wij
een verdrag sluiten. Ik zal u tamelijk gemakkelijke voorwaarden
stellen, gemakkelijk althans, indien ge in het oog houdt dat ge toch
eenmaal een verloren man zijt.
—  Vooruit maar! — zei Roland. — Als het in mijn macht
staat die voorwaarden in te willigen, dan kunt ge reeds bij voor-
baat rekenen op mijn bereidwilligheid.
—  "Welnu, kapitein, — antwoordde Doe, — ik heb u alleen maar
te zeggen, dat ik een nog veel grooter schurk ben, dan gij schijnt
te meenen. Sedert zestien jaren streef ik er naar, u de bezittin-
gen van uw oom afhandig te maken. Verder ben ik die Atkinson,
van wien Braxley zich bediende, om ter wille van u een schurk
te worden. Voordat dié Braxley kwam, was ik een eerlijk man.
Eerst toen hij tot mij zeide: — Maak, dat het meisje, dat een-
maal van den majoor moet erven, uit de voeten komt, en ik
zal je gelukkig maken — eerst toen, zeg ik, werd ik een
schurk.
■— En gij zijt het, die het arme kind hebt vermoord? — riep
Roland.
—  Vermoord, neen! — hernam Doe. — Het gold alleen
de vraag om haar te verbergen, en het gelukte ons dan ook
tamelijk wel om voor de kleine een veilige schuilplaats te vinden.
Daarna werd de hut verbrand en het gerucht uitgestrooid, dat het
kind in de vlammen was omgekomen. Toen begaf ik mij naar
de Indiaansche grenzen, waar niemand mij kende, nam een ande-
ren naam aan en gaf de geroofde kleine uit voor mijn eigen
dochter.
—   Voor uwe dochter? — zei Roland verbaasd. — Telie
is dus de eigenlijke erfgename van mijn oom?
—  En als zij het was, wat zou dat dan nog? — vroeg
-ocr page 192-
202                                                      ABEL DOE.
Abel. — Gij zijt toch zeker niet de man om haar aan haar recht
matig erfdeel te holpen?
—  Wel, bij den Hemel! waarom niet, indien hare eisenen ge-
grond zijn, — antwoordde Roland.
—  Dat wilde ik maar weten, — mompelde Doei. — Ja, ja, in
zulke zaken komt het onderscheid tusschen een schurk en een eer-
lijk man eerst duidelijk aan het licht. Er is geen beter meisje in
de wereld dan ïelie, kapitein, — vervolgde hij. —*Gij weet het niet,
maar datzelfde vreesachtige kind, dat anders voor haar eigen scha-
duw schrikt, stelde zich moedig bloot aan het grootste gevaar, om
u voor gevangenschap te behoeden. In dien nacht, toen ge
sliept in de tent van den overste Bruce en wij aan het wad op
u loerden, weende, bad en smeekte, ja dreigde zij zelfs, het ge-
heele geheim van de hinderlaag aan u en den overste Bruce te
openbaren, toen ik met den tomahawk op haar losging. Toen
schrikte zij, want zij was bang vermoord te worden, en zwoer mij,
dat zij zwijgen zou. Toen zij u later in de bosschen volgde, wilde
zij niets anders dan ons in list overtreffen en u redden, door u te
leiden naar het oude wad, waar wij ons niet in hinderlaag bevon-
den, en ongetwijfeld zou haar alles zijn gelukt, indien uwe hardnek-
kigheid onze plannen niet in de hand had gewerkt. Liegen mag ik
echter niet, en daarom zeg ik u, dat Telie geenszins de erfgename
van den majoor, maar mijne dochter is. Gene werd ziek, kwijnde
weg en stierf een jaar, nadat zij door ons was geroofd. Zoo hielp
ons dus al ons liegen, stelen en brandstichten niet, daar het kind
toch buitendien ongetwijfeld spoedig zou zijn gestorven. Welnu,
kapitein, ik vertel u hier een lange geschiedenis, eigenlijk voor niets:
alles komt hierop neer, dat ik niets kreeg, in nood geraakte en ten
slotte een ellendige Indiaan moest worden. De overste Bruce nam
mijne dochter aan, en dat was heel goed en prijzenswaardig van hem,
maar het grieft mij, dat ieder haar hoont en veracht, alleen om
haar schurk van een vader. Dat zal anders worden, kapitein, want
zij is mijn kind en ik heb haar lief.
Abel Doe zweeg een poos en vervolgde daarna: — Zie, kapi-
tein, het lot van mijn kind ging mij steeds aan het hart, en zoo
ging ik op zekeren keer naar Braxley, om met hem over de zaak
te spreken. Deze zeide, dat hij een groote dame van het meisje wilde
maken, dat hij haar tot vrouw wilde nemen, en dat zij de erfge-
name zou worden van den majoor, doordat wij haar voor het ge-
storven kind zouden uitgeven. Dat plan was niet slecht bedacht,
maar er was één bezwaar: ik kan er niet toe besluiten mijne doch-
-ocr page 193-
ABEL DOE.                                                       203
ter aan dien schurk toe te vertrouwen. Toen werden wij het eens
over een ander plan, en bij het overlijden van uw oom, den majoor,
zond Richard om mij, eri de schurkerij begon. Eerst wilden wij.. .
—  Mij vermoorden, ellendeling! — riep Roland, die met de
meest gespannen aandacht Abel\'s openbaringen aanhoorde.
—  Neen, ten minste niet eigenhandig, — antwoordde Doe. — Maar
wij wilden u uit den weg ruimen, opdat go nimmer naar "Virginië zoudt
kunnen terugkeeren. Braxley zou dan uwe zuster huwen en zich door
middel van het tweede testament van uwen oom in het bezit stellen
van het testament, dat hij beweerde door dezen vernietigd te zijn.
—  En bezit die schurk dat document nog? — vroeg Roland.
—  Neen, neen, het is in betere handen, — antwoordde Doe, ter-
wijl hij het bedoelde stuk uit zijn borstzak trok. — Ziehier, lees
het. Het geheele vermogen is vermaakt aan u en aan Edith ; gij
moet het tusschen u beiden verdeden, zooals ge dat goedvindt.
Lees het zelf.
Roland richtte zich met groote haast op, en de eerste blik, dien
hij op het testament wierp, overtuigde hem, dat Doe den inhoud
er van zeer juist had weergegeven. Het was door zijn oom met
eigen hand geschreven en even wijs als verstandig ingericht. Wat
Roland vooral verheugde, was, dat zijn oom, naar het scheen, vol-
strekt geen wrok jegens hem koesterde, ofschoon hij, zooals wij
weten, heimelijk diens huis had verlaten, om in den strijd voor het
vaderland lauweren te oogsten. Het beste bewijs, dat hij nooit de
achting en de liefde van zijn oom had verloren, was de bepaling,
dat Roland, krachtens het testament, als executeur aan den procu-
reur Richard Braxley was toegevoegd.
—  Dat is inderdaad een goede vondst! — zeide Roland, aan een
hevige gemoedsbeweging ter prooi. — Verlos mij van mijn boeien,
red mijne zuster en de overige gevangenen uit de macht der In-
dianen, en de beste boerderij van de bezittingen van mijn oom
zal uw deel zijn; ja, gij moogt zelf voor u en uwe dochter de
voorwaarden bepalen.
—  Ja, op die voorwaarden komt het juist aan, — antwoordde
Dbe, terwijl hij het testament voorzichtig weer in zijn borstzak
stak. — Daarover moeten wij wat uitvoeriger spreken, opdat er geen
vergissing mogelijk zij. Gelieve echter, voordat ik ze noem, u te
herinneren, kapitein, dat, indien ge het niet met mij^eens wordt,
ge even zeker aan een Indiaanschen paal zult gebraden worden,
als ge u thans warmt aan een Indiaansch vuur. Ge moet weten,
dat u in het geheel geen keus overblijft.
Kapitein Roland.                                                                  13
-ocr page 194-
204
ABEL DOE.
—  Noem je voorwaarden, man; ik zal niet lang met je schache-
ren, deuk ik.
Abel Doe toonde nog volstrekt geen haast te hebben om den
wensen van den gevangene te bevredigen.
■— Welaan, kapitein, — zeide hij, nadat hij gadurende eenige
minuten het stilzwijgen had bewaard, — ge weet, dat ik een schurk
ben, en ofschoon Braxley een nog grooter is dan ik, moet ik hem
bijstaan, op gronden, die gij natuurlyk zult vinden. De voorwaarden
dan zijn de volgende: Vooreerst moet gij aan mijne Telie de helft
van uw vermogen afstaan, opdat zij in het vervolg als een dame zal
kunnen leven en niet langer, nu haar vader een Indiaan is, door die
ellendelingen zal worden gehoond; en ten tweede moet gij Richard
Braxley de hand uwer zuster en bovendien de andere helft van uw
vermogen geven. Dat zijn mijne voorwaarden, en ik zeg u, dat er
geen jota afgaat.
Roland zat een tijdlang sprakeloos van verbazing. — "Wat! —
riep hij eindelijk, — gij verlangt, dat ik dien schurk de hand mijner
zuster zal geven? Nooit! Liever wil ik haar voor mijn oogen
zien sterven, dan zulk een smaad, zulk een lijden over haar brengen.
Neem de helft van mijn vermogen, neem het geheel, maar dat —
neen, verlang dat niet!
—  Ik moet mij aan die voorwaarden houden, kapitein, — ant-
woordde Doe koelbloedig. — Want weet, dat, indien ik Braxley
geheel en al ging onderkruipen en bedriegen, zijne wraak mij zou
treffen, zonder dat ik het zou kunnen verhinderen. Hij is een ge-
wetenlooze schurk en hij weet, waarin hij mij het best gevoelig treffen
kan. Hij zou mijne dochter weten uit den weg te ruimen door dolk
of vergift ... en dat is iets, wat ik wil vermijden, want ik bemin
Telie meer dan mij zelven.
—  Mijne zuster? .... Nooit, nooit\' — riep Roland. — Ge zijt
krankzinnig, mensch! Stel andere voorwaarden; stel een schuld-
bekentenis op, neem de geheele erfenis van den majoor, maar ....
—  Niets daarvan, ik heb mijne voorwaarden en redenen mede-
gedeeld en herhaal u, dat ik daarvan geen haarbreed afwijk. Neem
dus een kort besluit — wilt ge of niet?
—  Ik wil niet! — antwoordde Roland met vaste stem.
— Liever een duizendvoudigen dood te gemoet gaan dan toestemmen
in zulk een ellendige daad.
—   Goed, laat dan gebeuren wat niet veranderd kan wor-
den, — zeide Abel Doe. — Met uwe weigering verhindert ge niets.
Edith zal worden ge d w on ge n Braxley\'s echtgenoote te worden,
-ocr page 195-
DE „ZWARTE GIER\'- EN NATMAN\'s WRAAK.                        205
terwijl ik mij tegenover dien schurk zal weten to dekken voor
zoover dit mogelijk is. Zeg nu niet, kapitein, dat ik u in het
verderf heb gestort. Ik wilde u bevrijden, gij hebt uw lot aan u
zelven te wijten.
Met deze woorden, die met sombere vastberadenheid werden
gesproken, stond Abel Doe op en verliet de hut, zonder op Ro-
land\'s voorstellen te letten, die hem nog eenmaal bezwoer de goe-
deren van zijn oom aan te nemen, maar hem en de overige gevan-
genen tot dien prijs de vrijheid te geven. Nauwelijks had Abel
Doe zich verwijderd, of de beide Indianen traden weder den wigwam
binnen, namen hun vroegere plaatsen als bewakers weder in en
volhardden den gansenen nacht in een somber stilzwijgen, waardoor
Roland de beste gelegenheid had zijn troosteloozen en onuitsprekelijk
treurigen toestand rijpelijk te overwegen.
XXI. \'
DE „ZWARTE GIER" EX NATHAN\'S WRAAK.
J. erwijl de jonge Virginiër door Abel Doe\'s voorstellen werd
gemarteld, had er bijna tezelfder tijd en bijna in hetzelfde uur in den
wigwam van Wenonga een gebeurtenis plaats, waarbij een van Rpland\'s
lotgenooten bestemd was een merkwaardige en gewichtige rol te
vervullen. In die hut werd namelijk Nathan gevangen gehouden.
Nathan, het ongelukkige slachtoffer, niet zoozeer zijner vermetel-
heid als van den overdreven ijver van zijn onvoorzichtigen helper.
Eerst weinige uren geleden was hij hierheen gebracht, nadat hij
den afgeloopen nacht en dag in een minder eervollen kerker had
doorgebracht, die echter, naar het bleek, door de aanwezigheid van
zulk een gast een bijzondere beteekenis verkreeg.
Zijn ongewoon voorkomen, dat zooveel overeenkomst vertoonde
met een Indiaanschen toovenaar, had een machtigen indruk ge-
-ocr page 196-
20G                        DE „ZWARTE GIER" EN NATHAN\'s WRAAK..
maakt op zijne vijanden die, evenals alle Indianen, van oudsher ge-
neigd waren zich aan het domste bijgeloof over te geven. Die
indruk werd nog belangrijk verhoogd door den ziekelijken aanval,
die den ongelukkigen Nathan, zooals wij mededeelden, ter aarde
wierp, terwijl de wilden geloofden, dat hun gevangene door een
machtigen duivel was bezeten, die thans in zijn lichaam was ge-
varen. Toen de \' aanval had uitgeraasd, werd Nathan wel is waar,
evenals zijn overige metgezellen, zorgvuldig met riemen van buf-
felleder gebonden en in een veilige bewaarplaats gebracht, maar
men betoonde hem daarbij eene mate van zachtheid en achting, die
van de kracht van het geloof aan zijn bovennatuurlijke gaven ge-
tuigde.
Dat geloof bleek den volgenden dag ook uit de massa van
Boodhuiden die naar den wigwam stroomden, waarin Nathan was
opgesloten. Eenigen kwamen om hem aan te gapen, anderen
om hem vragen omtrent de geheimen der toekomst te stellen,
en nog anderen, minder lichtgeloovig, zochten, voordat zij ten
volle geloof schonken aan zijn bovennatuurlijk vermogen, vóór
alles het raadsel zijner verschijning te doorgronden. Tot de
laatsten behoorde ook Abel Doe en eenige oude, ervaren en
scherpzinnige Indianen, die den gevangene met vragen be-
stormden, alleen er op berekend, om achter zijne geheimen te
komen.
Maar dit alles had op Nathan niet den minsten invloed. De
vermeende toovenaar was als door een zwijgenden duivel bezeten,
en noch aan de Indianen noch aan Telie\'s vader schonk hij de minste
opmerkzaamheid. Met koude onverschilligheid zat hij daar, alsof de
moed hem eindelijk was ontzonken en zijn treurig lot alle vermogens
zijner ziel had gevangen en diep had neergedrukt.
Abel Doe had reeds vooraf gepoogd bij den gevangen Ralph
Stackpole inlichtingen omtrent Nathan in te winnen, maar Ralph,
die plotseling het verstand had teruggekregen, weigerde elke mede-
deeling, en zwoer bij hoog en laag, dat hij zelfs niet het ge-
ringste aangaande zijn medegevangene zou kunnen mededeelen. De
kerel hield zelfs stokstijf staande, dat hij kapitein Roland For-
rester niet kende, en in zijn ijver om den toorn der gezamenlijke
Indianen op zijn eigen schuldig hoofd te laden, verzekerde hij, dat
de geheele paardendiefstal — die naar zijn oordeel door de Roodhuiden
als de on vergeef lij kste daad van alle werd beschouwd — een
zaak was, slechts hem persoonlijk betreffende, dat niemand
hem bij zijne onderneming geholpen had en hij van niets wist te
-ocr page 197-
DE „ZWARTE GIER" EN NATHAN\'S WRAAK.                        207
spreken dun van de verwenschte eigenzinnigheid der Indiaansche
paarden. Kortom, er was niets uit hem te krijgen, en dit ver-
wonderde de Indianen nog meer, die zich nu ongestoord konden
overgeven aan hun bijgeloovige vrees.
Bij het invallen van den nacht werd Nathan in Wenonga\'s
hut gebracht, waar het opperhoofd, omringd door meer dan een
dozijn der onversaagdste krijgers in een Koeterwaalsch-Engelsch
een lange rede hield en de reeds vroeger gedane mededeeling her-
haalde, dat hij, Wenonga, een groot opperhoofd en de gevangene
een groot Medicijnman was. Ten slotte gaf hij dezen zijn verlangen
te kennen, dat hij door zijne tooverkunst den DschibbenOnoseh, den
geheimzinnigen dooder van zijn volk en den vloek van zijn stam,
zou aanwijzen, opdat hij, het groote opperhoofd, die krijgsman
noch duivel vreesde, met-dezen zou kunnen strijden als met een
mensch en hem dooden, zoodat de Dsc.hibbenönoseh niet meer in het
donker naderbij zou kunnen sluipen, om zijn jeugdige krijgers in den
slaap te vermoorden.
Nathan hoorde ook deze rede aan, zonder het minste tee-
ken van belangstelling, ofschoon de Indiaansche krijgslieden haar
ongetwijfeld hielden voor een voortreffelijk staaltje van geheim-
zinnige macht en haar met de levendigste teekenen van bijval
begroetten. De Roodhuiden, ofschoon twijfelend of de gevangene ooit
hun verlangen zou bevredigen, hoopten echter nog altijd hem op
een anderen tijd in een betere luim te zullen treffen. Zij ver-
lieten hem dus, onderzochten echter vooraf met omzichtigheid
de buffelriemen, waarmede hij was gebonden, en overtuigden zich,
dat de knoopen sterk en ingewikkeld genoeg waren om ook
den machtigsten toovenaar zijne vrijheid te benemen. Ook plaats-
ten zij spijs en drank naast hem, maar zóó, dat hun geloof aan
zijne tooverkunst er meer uit bleek dan uit iets anders, want
aangezien Nathan\'s handen op zijn rug waren gebonden, had hij
inderdaad een toovenaar moeten zijn, om zich aan het eten en drin-
ken te kunnen laven.
Zoodra Nathan zag dat hij alleen was, verdween plotseling
de doffe onverschilligheid voor alle aardsche dingen, die hij ge-
durende het geheele voorafgaande tooneel had aan den dag gelegd.
Terwijl de schreden der zich verwijderende Indianen nog weerklonken
in het bosch, dat Wenonga\'s hut omgaf, richttc> hij zich met de
grootste inspanning uit zijn liggende houding overeind en wierp
een vluchtigen maar scherpen blik langs de geheele ruimte, door een
vuur, dat op den grond brandde, spaarzaam verlicht. De hoop vellen
-ocr page 198-
208                      DE „ZWARTE GIER" EN NATHAN\'S WRAAK.
lag nog daar op dezelfde plaats; ook het huisraad hing nog in
het rond, evenals in den afgeloopen nacht; het inwendige had
blijkbaar geen verandering ondergaan, behalve dat de wapens, die
zoolang Edith den wigwam had bewoond, hier en daar aan de
wanden en aan den middelsten, het dak ondersteunenden paal
hadden gehangen, thans waren verdwenen. Boven het vuur hing
de bos scalpen, waarvan de haren en de lange lokken door den
tocht en den rook heen en weer werden bewogen, een van de eerste
dingen, die Nathan\'s aandacht trokken.
Nadat de gevangene een uitvorschenden blik om zich heen had
geworpen en eiken hoek op het nauwkeurigst had onderzocht, om
zich te overtuigen dat geen wilde heimelijk zijne bewegingen be-
spiedde, begon hij terstond de kracht der riemen, waarmede zijne
handen gebonden waren, te beproeven. Zijn wanhopige pogin-
gen werden echter niet met een goeden uitslag bekroond; de
riemen waren sterk, de knoopen vast aangetrokken, en nadat hij
gedurende vijf minuten al zijne krachten had ingespannen om zijn
boeien te verbreken, zonder te letten op de pijn, hem daardoor
veroorzaakt, moest hij eindelijk, zij het dan ook onwillig, er van
afzien.
Korten tijd daarna herhaalde hij zijne poging. Nog eenmaal
verzamelde hij al zijne krachten, en nog eens en nog eens, maar
steeds tevergeefs. Eindelijk overtuigd van de onmogelijkheid om
zichzelf te helpen, leunde hij uitgeput tegen een hoop huiden,
terwijl hij scheen te overdenken, welke hoop hij in zijn toestand,
die inderdaad niet benijdenswaardig kon worden genoemd, nog
koesteren mocht.
In deze oogenblikken, waarin Nathan bijna alle waarschijnlijk-
heid op een gunstig einde van het ondernomen avontuur liet varen,
werd uit een der hoeken van de tent, maar aan den buitenkant,
een zacht gehuil vernomen. Tezelfder tijd hoorde hij een geritsel
en gekrabbel, alsof het een of ander dier, tusschen de huiden en den
grond, zich een weg naar de hut zocht te banen.
Nathan rees overeind, en in den woesten en vroolijken blik,
die uit zijne oogen schitterde, kon men lezen, dat hij het dier had
herkend, dat hem in zijn troostelooze eenzaamheid een bezoek trachtte
te brengen.
— Pst! Pst! — fluisterde hij, zoo zacht, dat het geluid zijner
stem de lucht om hem heen ternauwernood in beweging bracht, —
als ge ooit verstand in je hersens hebt gehad, kleine Peter, bewijs
het dan nu.
-ocr page 199-
DE „ZWARTE GIER" EN NATHAN\'S WRAAK.                      209
Het gehuil hield op; het krabben en ritselen duurde echter
nog eenige minuten onafgebroken voort, en nu verscheen, opdui-
kend uit den berg van huiden, waardoor hij zich met moeite
een weg had gebaand, kleine Peter, Nathan\'s trouwe, scherpzinnige
en tot hiertoe onafscheidbare metgezel.
—    Ik kan je niet omhelzen, lieveling, — sprak de ge-
bonden en hulpelooze gevangene, toen het hondje op hem
toeliep, de pooten vertrouwelijk op zijn knie legde en hem veel-
beteekenend in de oogen keek. — Ja, Peter, ik kan je niet om-
helzen, hoe gaarne ik het ook zou doen, je ziet, hoe de
zaken staan; de Indianen hebben mij zoo vast gebonden, dat ik
niet in staat ben een vin te verroeren. Maar, Peter, waar gij
zijt, daar is ook hoop. Gauw, mijn beste hondje, — ging hij
voort, terwijl hij hem zijn op den rug gebonden handen toestak,
— gauw wat, ge hebt scherpe tanden en weet ze ook te gebruiken.
Vooruit, maak mij vrij! Bedien je van je kleine tanden als van
scherpe messen, en knaag, mijn Peter, totdat je de riemen hebt door-
gebeten.
De kleine hond, wiens merkwaardige scherpzinnigheid wij reeds
kennen, scheen inderdaad elk woord van zijn meester te verstaan
en zijne teekens en gebaren zeer juist te begrijpen. Zonder meer
tastte hij met de tanden den riem aan, die Nathan\'s handgewricht
machteloos maakte, hij knaagde en rukte met een ijver en eene vol-
harding, die de bevrijding van zijn meester vroeg of laat ten gevolge
moest hebben. Intusschen fluisterde Nathan het verstandige beest
zachtjes eenige woorden toe, met het doel het aan te sporen zijn
pogingen met onverminderde vlijt voort te zetten.
—  Reeds eenmaal hebt ge mijn boeien doorgeknaagd, kleine
Peter, — zeide hij, — weet ge het nog, in dien nacht, aan
de oevers van de Kenhawa, toen de vier roode schelmen mij
gebonden en naast hun wachtvuur hadden geworpen? Ja, ja,
kleine Peter, dat deedt gij, terwijl de schurken verzonken lagen in een
slaap, waaruit zij niet weer zouden ontwaken, nooit weer, geen
van allen! Weet je dat nog, kleine Peter? Knaag maar flink
voort en snel, en stoor je er niet aan, als ge mij ook al een
enkele maal met je tanden wondt, want ik zou het je vergeven, al ware
het, dat je mijn vel\' en vleesch tot op het gebeente doorbeet. Gauw,
kleine Peter, altijd sneller! Bekommer je er niet om, dat het
leer hard is en droog. Je hebt immers al zóo menige merg-
pijp doorgebeten, als er niets anders was om je honger te stillen,
hoe zou je dan nu door leder je laten afschrikken? Zoo is \'t goed,
-ocr page 200-
DE „ZWAKTE GIER" EN NATHAN\'S WRAAK.
210
Peter! Maar flink er op los! Weldra zult ge uw meester weer in
vrijheid zien!
Met zulke en gelijksoortige zacht gefluisterde woorden spoorde
Nathan den brandenden ijver aan van zijn hondje, dat onverdroten
den arbeid voortzette. Na verloop van vier of vijf minuten spande
Nathan zijne spieren en pezen in, om kleinen Peter te hulp
te komen, Hij beproefde de vastheid van den strik door een hef-
tigen ruk en zie, do banden gaven een weinig mee en het leer
kraakte, alsof de vezels reeds van elkaar weken.
—   Nu, Peter, knaag en bijt, wat je kunt! — riep hij uit.
■— Nog maar een paar beten, mijn hondje, als je meestor je lief is! Ja,
Peter, weldra zullen we weder vrij en ongehinderd door de wouden
zwerven! Thans, mijn hondje, nog één, de laatste beet!
Maar Peter, tot hiertoe zoo ijverig\', scheen niet den minsten
lust te heliben om dien kaatsten beet te doen. Hij hield met
zijn werk op, vreet\' zich tegen de zijden van zijn meester en liet
een klagend, maar tevens zulk een zacht en onderdrukt geluid
hooien, dat slechts een scherp en geoefend oor vernemen kon.
—    Ha! — riep Nathan, toen hij op hetzelfde oogonblik
het gerucht van voetstappen hoorde, die de hut schenen te na-
deren; — ha! Peter, jo spreekt waarheid! De roodhuidige schur-
ken zijn in de nabijheid! Weg! weg! mijn goed dier! Latei-
kunt ge uw aangevangen arbeid voltooien!
De hond gehoorzaamde zonder dralen aan de bevelen van zijn
meester, daar hij zelf zeer goed inzag, wat in zoo\'n geval noo-
dig was, en sprong haastig onder de huiden en andere voorwer-
pen, die op den grond van het vertrek lagen verspreid. In een
ommezien was hij uit het oog verdwenen, en Nathan zelf wist
niet, of hij het vertrek had verlaten dan wel zich in een donkeren
hoek daarvan had verborgen.
De voetstappen naderden intusschen hoe langer hoe meer
en klonken thans dicht bij de deur. Terstond wierp Nathan
zich weer op den rug, legde het hoofd tegen een hoop vellen en
richtte zijn blik op de voorhangsels van den ingang der tent. Deze
werden op zijde geschoven en het oude opperhoofd Wenonga
trad binnen, met een stap, die al den trots en de waar-
digheid van een befaamd krijgsman verrieden. Zijne huid was
beschilderd als voor don strijd, met de hand omklemde hij zijn
wapen, alsof hij op het punt stond ten strijde te trekken. De eene
helft van zijn grimmig gelaat was op een afschuwelijke wijze met
scharlakenrood en de andere met een zwarte kleur besmeerd. Een
-ocr page 201-
DE „ZWARTE GIER-\' EN\' NATHAN\'s WRAAK.                       213
lang scalpeermes blonk zonder sclieede in zijn gordel, en in de
vuist droeg hij een bijl, waarvan kling en greep van gepolijst
staal waren vervaardigd.
Aldus uitgedost, trad hij op den gevangene toe, terwijl
zijn oogen zoo boosaardig fonkelden van woede en dronkenschap,
alsof hij van plan was Nathan met één slag van zijn tomahawk
te verpletteren. Duidelijk zag men, dat het kookte in zijn binnenste
van woede en boosaardigheid; maar weldra bleek, dat hij,
voorloopig althans, nog geen moordaanslag op zijn gevangene
in den zin had. Drie of vier schreden vóór dezen hield hij stand
en vestigde op hem een blik, bestemd om het bloed in zijne aderen
te doen verstijven en hem te doen ineenkrimpen van schrik en
vrees. Daarop strekte hij zijn mot den glinsterenden tomahawk
gewapenden arm uit, echter niet om er Nathan den doodelijken
slag mede te geven, doch slechts om een indrukwekkende en eer-
bied afdwingende houding aan te nemen, in overeenstemming met
de toespraak, welke hij van plan was tot den gevangene te richten.
— Ik ben Wenonga! — riep hij in de Indiaansche taal, daar
hij blijkbaar te verhit was om zich van de Engelsche te bedienen;
— Wenonga ben ik, een groot opperhoofd der Shawnoes. Ik
heb de bleekgezichtcn beoorloogd en hun bloed gedronken. Zij
sidderen, als zij mijne stem hooren! Als de Shawnoes hen geeselen,
loopen zij door het vuur als huilende, honden! Geen mensch kon
ooit "Wenonga weerstaan! Wenonga heeft zijn vijanden bestreden
en gedood! Xooit is Wenonga bang geweest voor een bleekgezicht,
waarom zou hij dan bang zijn voor den duivel der bleekgezich-
ten. Waar is de Dshibbenönoseh? V/aar is de vloek van mijn
stam, do wanhoopskreet van mijn volk? Hij doodt mijn jonge
krijgslieden en kruipt in het donker over hun lichamen; maar hij
is bang voor het aangezicht van een opperhoofd en waagt het niet
zich met hem te meten. Bon ik dan een hond? Ben ik dan eene
vrouw? De Squaws en de kinderen verwensenen mij, wanneer
ik hen voorbijga; zij zeggen, dat ik de moordenaar ben van hun
echtgenooten en vaders; zij beweren, dat het Wenonga is geweest,
die den duivel der bleekgezichten over hen bracht om hen te
dooden. Als Wenonga een dapper opperhoofd was, zoo roepen zij,
dan moest hij den vloek dooden van hun stam! En ik, ik ben een
man, die niets vreest; ik heb den Dshibbenönoseh ojigezocht. Maai-
de Dshibbenönoseh is een oud wijf! Hij sluipt rond in het donker,
doodt de krijgslieden in hun slaap en is bang om met een
dapper opperhoofd te vechten! Mijn broeder is een Medicijnman,
-ocr page 202-
214                       DE „ZWARTE GIER" EX NATHAN\'s WRAAK.
hij is een bleekgezicht en weet dus den duivel der bleekgezichten
te vinden. Dat mijn broeder zijn mond opene en met mij spreke!
Dat hij mij zegge waar de Dshibbenönoseh te vinden is, en hij zal
een groot opperhoofd zijn en de zoon van een opperhoofd, want
Wenonga zal hem aannemen als zijn zoon en hij zaleen Shawneozijn.
—  Voelt "VVenonga dan eindelijk, dat hij den duivel over zijn
volk heeft gebracht? — vroeg Nathan, die voor de eerste maal in
zijn gevangenschap den mond opende en wel \'op cene wijze, die
den ouden Wenonga niet weinig verbaasde. Over Nathan\'s gezicht
vloog een hoonende glimlach van bevredigde wraakzucht, die zelfs
door de kleuren heen schemerde waarmede zijn gelaat nog
altijd was beschilderd. Bovendien sprak hij de taal der Shawnees,
en wel zoo juist en vloeiend, dat\' Wenonga dit reeds op zich zelf
als een wonder, als een bewijs van bovennatuurlijk vermogen
beschouwde.
Het oude opperhoofd trad achteruit, bij het vernemen van die
woorden, en zag bevreesd om zich heen, alsof de gevangene reeds
een geest had opgeroepen.
—■ Ik heb de stemmen der dooden gehoord! — riep hij uit.
—  Mijn broeder is een groot toovenaar, maar ik ben een opperhoofd
en ken geen .vrees.
—  Het opperhoofd vult mijn oor met leugentaal, — her-
nam Nathan, die, nu eenmaal zijn tong los geworden was, niet
weder in zijn vorig stilzwijgen scheen te willen volharden. — Er
is geen duivel der bleekgezichten, die den Shawnees kwaad
doet.
—   Ik ben een oud man én spreek de waarheid, — ant-
woordde Wenonga niet zonder waardigheid. — WTeet het bleekgezicht,
dat ik zonen en kleinzonen, jonge krijgslieden en knapen had, die
weldra op het oorlogspad zouden gaan? Waar zijn zij? De Dshib-
benönoseh heeft ze allen gedood!
—  Ja, — riep de gevangene uit en zijn oogen fonkelden, — ja,
zij vielen onder zijn hand, man\'en knaap, niemand werd verschoond,
want zij behoorden tot Wenonga\'s gezin!
—  Wenonga is een groot opperhoofd! — riep de „Zwarte Gier",
—  hij heeft geen kinderen, maar hij heeft ook de bleekgezichten
kinderloos gemaakt.
—  Ja, de bleekgezichten en den zoon van den goeden vader,
dien gij Onvaes *) noemdet, — zeide Nathan.
\'j De naam, dien de Indianen aan het Kwakerhoo.\'d William Penn hebben gegeven.
-ocr page 203-
DE „ZWARTE GIER" EN NATHAN\'s WRAAK.                        215
Het opperhoofd wankelde, als door den bliksem getroffen,
achteruit en staarde den gevangene met wilde oogen aan. — Mijn
broeder is een groot toovenaar! — riep hij uit. — Hij kent alle
dingen en spreekt de waarheid. Wenonga is een groot krijgsman,
hij nam den scalp van den Kwaker.
—  En de scalpen van diens vrouw en kinderen! — riep Nathan
met donderende stem, terwijl hij een woedenden blik naar
den hoofdman wierp! — Geen van allen hebt gij verschoond.
Gij hebt ze allen gedood! En hij, die ongelukkige echtgenoot en
vader, was de vriend der Shawnees, de vriend van Wenonga!
—   De bleekgezichten zijn honden en roovers! — antwoordde
het opperhoofd. — De Kwaker was mijn broeder, maar ik doodde
hem, want ik houd van het bloed der bleekgezichten. Mijn volk,
met zijn week hart, beklaagt den Kwaker; maar ik, ik ben een
krijgsman zonder hart. Ik gevoel daarover geen berouw en vrees!
Nathan\'s oogen volgden den vinger van het opperhoofd, die
met een afschuwelijke uitdrukking van zegepraal op de ineen-
geschrompelde scalpen wees, wier lokken eenmaal de hoofden van
onschuldige kinderen hadden versierd. Zijn lichaam beefde, zijne
oogen sloten zich en hij zonk machteloos op de huiden terug.
—  Mijn broeder is een groot toovenaar! — vervolgde Wenonga.
— Hij moet mij den Dshibbenönoseh aanwijzen of sterven.
—    Het opperhoofd liegt! — riep Nathan met een bitter
hoongelach. — Hij is bang voor den Dshibbenönoseh en is*alleen
maar dapper tegen gevangenen, die weerloos zijn!
—■ Ik ben een groot opperhoofd en een groot krijgsman! —
riep Wenonga. — Ik wil met den duivel der bleekgezichten vechten.
—   Welnu, dan zult ge den krijgsman zien! — riep Nathan
met ongewone levendigheid. — Snij mijn banden door en ik zal
den Dshibbenönoseh hier brengen.
Onder het spreken strekte hij zijn beenen uit, opdat We-
nonga met een houw van den tomahawk de banden zou kunnen
doorhakken, die zijne voeten gebonden hielden. Wenonga\'s gewone
voorzichtigheid en slimheid deden hem echter aarzelen om den ge-
wenschten slag te geven.
—   Ha! — riep Nathan met hoonenden lach, — ha I het opper-
hoofd wil den Dshibbenönoseh bestrijden en is bang voor een
ongewapend gevangene!
                                              ^
Die vernietigende woorden troffen doel. De tomahawk viel en
sneed de riemen door. Nathan stak hem zijne handgewrichten toe,
maar nogmaals aarzelde Wenonga.
-ocr page 204-
■216                         DE „ZWARTE GIER" EN KATHAN\'s WRAAK.
—  Het opperhoofd zal den Dshibbenönoseh zien! — riep Nathan
en nu viel ook de laatste boei. De gevangene keerde zich om, en terwijl
hij zijn oog wild en vurig op Wenonga vestigde, uitte hij een luiden
gil en snelde een pas voorwaarts, op Wenonga toe.
—   Hier! — donderde hij hem te gemoet^ — Thans is uw
wensen vervuld! Ik zelf ben de Dshibbenönoseh, de verderver van
uw volk! Ik ben het, moordzieke hond, die onheil heeft gebracht
over u, uw gezin en over uwen stam! Aan mij thans de wraak!
En voordat het opperhoofd van zijn verbazing over die ver-
rassende ontdekking was bekomen, sprong hij met de grimmige
woestheid van een hongerigen tijger op Wenonga los, pakte hem met
de eenc hand bij do keel, ontrukte hem met de\' andere den
stalen tomahawk, wierp zijn vijand op den grond, zonder dat
deze zich kon vrijmaken van den greep, zijner vuist, en deed het
wapen met zulk een kracht neerdalen op diens schedel, dat een bloed-
stroom om hem heen spatte. Nog een slag en nog een bracht hij den
gehaten tegenstander toe, die zijn vertrouwen had misbruikt, hem
een ongelukkigen en ellendigen man had gemaakt, en Wenonga be-
trad het pad, dat leidde naar het schimmenrijk, waarheen hij, jaren
geleden, met bloeddorstige en onmenschelijko wreedheid Nathan\'s
vrouw en onschuldige kinderen gezonden had.
—  Sterf, ellendeling! — riep Nathan. — Eindelijk, eindelijk zijt
ge in mijn macht, en sterven zult gij op uw beurt! — Hij gaf zijn
vijand nog één slag, rukte het scalpeermos uit diens gordel en
scheidde met één snede don scalp van het hoofd van den ver-
slagene. Hierop maakte hij over Wenonga\'s borst een snede, in
den vorm van een kruis, het nooit ontbrekende merkteeken van den
gevreesden Dshibbenönoseh, en zóó scherp was de kling, zóó krach-
tig de hand die haar bestierde, dat huid en vleesch tot op het
gebeente werden doorgesneden. Daarop sprong Nathan overeind,
maakte zich meester van den bundel verweerde scalpen, de lokken
en het haar zijner eigen vermoorde vrouw en kinderen, en beschouw-
de die voorwerpen met gemengde gevoelens. Daarop snelde hij
uit de hut en verliet het dorp, echter niet zonder, in de waanzinnige
opgewondenheid van het oogenblik, een gillenden kreet uit te stooten,
die de zegepraal verkondigde van lang tevergeefs gezochte en
eindelijk bevredigde wraak. Deze wilde kreet, weerklinkend
in de diepe en zwijgende rust van den nacht, schrikte menig
waakzaam krijger en menige beangste moeder op uit den slaap.
Maar zulke geluiden waren in het Indianen-dorp te gewoon, om
bezorgdheid of onrust te verwekken. De vrouwen en krijgslieden
-ocr page 205-
DE OVERROMPELING VAN HET DORP.                           217
verzonken weder in hun afgebroken droomen, en het lichaam van
hun opperhoofd verstijfde onopgemerkt en ongewroken op den naakten
grond van zijn eigen wigwam, de verzamelplaats van roof en moord.
< y*. .v.
XXII.
DE OVERROMPELING VAN HET DORP.
JAoland ontwaakte den volgenden morgen uit zijn onrustige
en weinig verkwikkende sluimering door een luid en verschrikkelijk
rumoer, dat bij het aanbreken van den dag in het dorp ontstond.
Eerst hoorde men een lang, doordringend gekrijsch, ongetwijfeld
afkomstig van eenc vrouw. Daarop volgde het woest gejuich van
een krijgsman, weldra door andere stemmen beantwoord en herhaald,
en terstond daarop weergalmde het geheele dorp van een brullend en
afschrikwekkend geschreeuw, dat te gelijker tijd verbazing, vrees en
ontzetting te kennen gaf.
De gevangene, die natuurlijk de oorzaak van dit geraas niet
kon begrijpen, zTig zijne wachters aan, die bij de eerste kreten
waren opgesprongen, de wapens hadden gegrepen en elkaar met
blikken opnamen, waarin de grootste spanning was te lezen. Het
geschreeuw werd herhaald door vier, twintig, honderd kelen, en
nu stortten zich de beide krijgslieden met wilde haast uit
de hut, terwijl zij het aan hunnen gevangene overlieten het raadsel
zoo goed mogelijk op te lossen. Roland spande intusschen zijn
scherpzinnigheid tevergeefs in. Zijn eerste gedachte, die hem van
vreugde al het bloed naar het hart dreef, was, dat de overste
Bruce met een troep dappere Kentuckyers kon zijn gekomen,
om hem en zijn ongelukkige metgezellen te bevrijde»-. Maar dit
verblijdend vermoeden verdween spoedig weder, want met het ge-
schreeuw der- wilden vermengde zich geen vroolijk hoera! en geen
salvo, het teeken van het begin van een gevecht, werd vernomen.
-ocr page 206-
218                              DE OVERROMPELING VAN HET DORP.
Toch begreep hij, dat verbazing en schrik alleen het geschreeuw
niet konden hebben veroorzaakt. Eenige stemmen verhieven zich,
brullend van woede, en deze gewaarwording deelde zich weldra
mede aan alle overigen en verdrong alle andere uiting van hartstocht.
Terwijl het geraas nog voortduurde en Roland verbaasd en verwon-
derd toeluisterde, stortte plotseling Abel Doe, bleek en ontsteld, den
wigwam binnen.
—   Kapitein! — riep hij, — ze zullen u vermoorden, er is
geen tijd meer om te talmen! Neem mijne voorwaarden aan en
red uw leven! Het geheele dorp is in oproer: mannen, vrouwen
en kinderen schreeuwen om wraak, en geen mensch leeft er, die in
zulke oogenblikken hun woede zou kunnen beteugelen.
—   Maar wat is er dan toch gaande, in \'s Hemels naam ?. —
vroeg Roland.
—   De hemel en de hel zijn los, — antwoordde Doe. — De
Dshibbenönoseh is in het dorp geweest en heeft het opperhoofd
gedood, in zijn eigen wigwam en brj zijn eigen vuur. Hij ligt
dood, gescalpeerd en bekruist op den grond van zijn hut. De too-
venaar is weg, ongetwijfeld door den Dshibbenönoseh bevrijd, en
Wenonga is koud en verstijfd! Hoort ge dat gehuil niet ? De In-
dianen schreeuwen om wraak en u zullen ze straffen! Men zal u ver-
moorden, verbranden, in stukken scheuren, zoo waar er een he-
mel boven ons is! Binnen eenige minuten zijn zij hier, en dan
wee u!
—  En is er geen kans om gered te worden ? — vroeg Roland,
wiens bloed thans in zijn aderen verstijfde, toen hij het vervaarlijke
geschreeuw hoorde, dat steeds luider weerklonk, alsof de woedende
Indianen als waanzinnig door het dorp liepen, om wapens te halen
en de gevangenen te dooden. — Is er geen redding meer mo-
gelijk ?
—  Slechts op ééne wijze. — antwoordde Doe. — N>pm miin
voorwaarden aan en ik mag verdoemd zijn, als .i*^j»-n.mt üay,^
of u^CfcJHBÈetf- Neeui spoedig een besluit en ik snijd u los. Snel!
Snel! Hoort ge, hoe de wolven huilen ? De honden komen al!
Hier met de armen en ik snijd er op los! Wilt ge ?
—   Ik wil alles doen voor mijn leven! — antwoordde Roland
— maar als ik het op geen andere wijze kan redden dan ten koste
der schande van Edith, dan, bij den Hemel, wil ik liever een duizend-
voudigen dood sterven !
—  Maar, man, ik zeg u, dat ge vermoord wordt! — riep
Doe steeds dringender. — Zij komen, en ik heb niet den minsten lust
-ocr page 207-
DE OVERROMPELING VAN HET DORP.                             219
om u voor mijne oogen te zien verscheuren; daarom, kapitein, neem
spoedig een besluit!
— Mijn besluit is genomen; nooit zal ik tot zulk een schandelijke
daad mijne toestemming geven! — antwoordde Roland met vaste
stem. — Nooit, zeg ik, nooit!
Het scheen» dat Doe, ondanks de verzekeringen van den ka-
pitein, van meening was, dat deze nochtans zijne voorwaarden zou
aannemen, want hij had reeds, onder het spreken, de banden van
Roland\'s armen doorgesneden en wilde ook juist zijne beenen van
de riemen bevrijden, toen plotseling meer dan twaalf Roodhuiden de
hut binnenstormden, zich op den jongen Virginiör wierpen en vloe-
kend en huilend hun messen en tomahawks zwaaiden, alsof zij hem
terstond in duizend stukken wilden hakken. En dit was onge-
twijfeld ook het doel der jonge mannen, die eenige houwen naar
hem deden, welke niet zonder moeite door eenige oudere en meer
bezonnen krijgslieden werden afgeweerd.
Een strijd, een bloedige en verwoede worsteling volgde, evenals
de strijd van een troep woedende honden tegen een doodelijk gewon-
den panter, dien allen te gelijk wilden aangrijpen en verscheuren.
Een oogenblik nog duurde de verschrikkelijke verwarring; toen
werd de jonge Virginiër door twee of drie sterke Indianen aan-
gegrepen en op hun armen uit de hut gedragen. Buiten gekomen,
zag . hij zich terstond door een hoop mannen, vrouwen en kinderen
omringd, die met evenveel woede als de jonge krijgslieden om hem
heen sprongen, hem met stokken sloegen, hem met hun messen
staken en zich zoo dol en onhandelbaar aanstelden, dat de krijgers
hem ternauwernood tegen hun aanvallen konden beveiligen. In-
tusschen kwamen terstond nog andere, meer bezonnen mannen tot
zijne hulp toesnellen en brachten den bedreigden gevangene in veilig-
heid, om hem te bewaren tot den dag, dat zijn noodlot zou worden
vervuld, hetwelk ongetwijfeld veel verschrikkelijker en afschuwelijker
zou zijn dan de dood door de handen der menigte, die hem zooeven
nog vol bloeddorst had omringd.
Het geraas had ook Edith uit haar sluimering gewekt. Deze
bevond zich niet meer in de tent, waar zij het eerst was gebracht,
maar zat toch nog altijd in de hut van Wenonga gevangen. Het
geschreeuw van de oude vrouw van Wenonga, die het eerst het lijk
vond, was de aanleiding tot het ontstaan van het tumult geweest.
De bewoners van het dorp stormden naar de hut, huilden luide
van ontzetting en verbazing en hieven vlak bij de ooren van Edith een
getier aan, in staat een doode in het leven terug te roepen. Zij rees van
*%
M
-ocr page 208-
220                           DE OVERROMPELING VAN HET DORP.
haar armoedig leger overeind en kroop, zwak en sidderend, in een der
duistere hoeken van de hut, ten einde op die wijze aan de meedoo-
genlooze wezens te ontkomen, die, naar zij vreesde, reeds dorstten
naar haar bloed. Die vrees vermeerderde nog, toen plotseling een man
het vertrek binnenstormde, haar uit haar schuilhoek to voorschijn
trok en met haar naar de deur snelde. Haar angst verminderde
echter nauwelijks, toen zij, in haar wanhoop den roover smeekende
haar niet te dooden, de welbekende stem van Èraxley herkende, die
haar antwoordde:
— Vrees niet! Ik kom niet om u te dooden, maar om u to
redden. De krankzinnige schurken vermoorden thans alles wat blank
is, en daarom moeten wij snel vluchten. Mijn paard is gezadeld, de
wouden staan voor ons open, ik zal u redden!
Zonder te letten op het tegenstreven van Edith, die liever
wilde sterven dan haar redding aan dien ellendeling verschuldigd te
zijn, droeg hij haar uit de hut, hield haar stevig vast en wierp
zich daarna met haar op een gereedstaand paard. Het dier stond
onder een olmboom, en sidderde evenals zijn meester, bij het zien
van het schriktooneel, dat thans op het dorpsplein vóór hen werd
afgespeeld.
Op dit plein hadden zich thans alle inwoners van de kraal
verzameld; vrouwen en kinderen, jongen en ouden, sterken en
zwakken, allen door de grimmigste hartstochten bewogen. Zelfs
Edith vreesde Braxley minder, toen haar oog viel op de verschrik-
kelijke bende, die zich op het midden van het plein om een
voorwerp verdrong, achter hunne lichamen verborgen, terwijl
anderen (waarom kon zij niet begrijpen) woedend heen en weer
sprongen, hun wapenen zwaaiden en een aanhoudend, merg en
been doordringend gehuil uitstieten. Een aantal Roodhuiden drong
uit de hut naar buiten, en hun gehuil, ofschoon niet minder luid
en doordringend dan dat der overigen, wisselde toch nu en dan af
met treurig weegeklaag. Zij droegen in hun armen het lijk van
het vermoorde opperhoofd, dat er zoo verschrikkelijk uitzag, dat
Edith hare blikken nauwelijks daarvan kon afwenden, want zij
gevoelde zich bijna van schrik verstijfd. Er wachtte haar echter
een nog vreeselijker schouwspel: de squaw van Wenonga stormde
plotseling uit haar hut, een brandend stuk hout zwaaiende in
de vuist. Zij snelde toe op het lijk van het opperhoofd, be-
schouwde dit een oogenblik met de blikken eener tijgerin,
wie men haar jongen heeft ontroofd, stiet vervolgens een ge-
huil uit, weergalmend over het geheele plein, zwaaide de
i
K
-ocr page 209-
DE OVERROMPELING VAN HET DORP.                             221
vurige toorts om haar hoofd, totdat deze opging in laaien gloed,
en snelde voort, eene furie gelijk, de lucht vervullend met
haar afschuwelijk gehuil, dat door de menigte met een niet
veel minder wild en vreeselijk gebrul werd beantwoord. Toen
het volk aan weerszijden achteruitweek, werd voor Edith
het uitzicht op het midden van het plein geopend en kon zij
duidelijk den man herkennen, die het voorwerp van aller belang-
stelling scheen te zijn. Zij zag twee ongelukkige gevangenen.
Men had hen aan sterke palen in de nabijheid van de Raftdshut
met lasso\'s vastgebonden, de armen hoog boven het hoofd, en
hun lichamen met een hoop rijshout en andere licht brand-
bare stoffen omringd. Het waren blanken; een twaalf- of dertiental
Roodhuiden waren bezig hun de kleeren van het lichaam te scheuren,
terwijl anderen nog steeds nieuwe brandstof aansleepten en rondom
de gevangenen ophoopten. Een der vastgebonden mannen was,
zooals Edith, die zich nauwelijks op honderd schreden van het
treurig schouwspel bevond, duidelijk zien kon, Ralph Stackpole, de
bekende paardendief; in den ander herkende zij, tot haar onuit-
sprekelijken schrik, haren broeder Roland. Ja, het was Roland, zij
bedroog zich niet. Zij zag hem gebonden aan den paal en omringd
door de gevoellooze, juichende bende, die met ongeduld het begin van
het helsche schouwspel afwachtte, terwijl de vrouw van het door
Nathan verslagen opperhoofd voor de houtmijt nederknielde en zich
alle mogelijke moeite gaf, om die in brand te steken met haar vlam-
mende toorts.
De luide jammerkreet, dien Edith, op het gezicht van dit vree-
selijk schouwspel slaakte, zou in staat zijn geweest harten van steen
te vermurwen. Maar Indianen, die het er eenmaal op hebben ge-
zet een gevangene te martelen, hebben niet alleen geen hart van
steen, maar in het geheel geen hart. In zulke oogenblikken kent
de roode man medelijden noch erbarmen, ofschoon op andere tijden
een Indiaan even gevoelig, even barmhartig en welwillend als een
blanke kan zijn. Alle betere opwellingen gaan verloren in den roes
van den hartstocht, en geen ander gevoel bezielt de Indiaansche
vrouwen en krijgers dan een onverbiddelijke, inderdaad duivelsche
wreedheid, die slechts bevrediging vindt in het bloed en in den
dood hunner ongelukkige slachtoffers. Er is geen voorbeeld be-
kend, dat een Indiaan, die een gevangene aan den palil martelde,
het spel eenmaal begonnen zijnde, ooit tot medelijden werd bewogen,
of den doodsstrijd van den gevangene ooit met andere gevoelens dan
die van zegepraal en van de hoogste verrukking heeft aanschouwd.
Kapitein Roland.
                                                                   14
-ocr page 210-
222                             DE OVERROMPELING VAN HET DORP.
De snerpende kreet van Edith werd öf door de wilden niet
gehoord, öf, hetgeen waarschijnlijker is, er werd door hen geen acht
op geslagen. Braxley vergat een oogenblik, wat hij wilde doen. Maar
weldra herkreeg hij zijn bezinning, sloeg de armen vaster om Edith,
die zich bijna had losgerukt, om naar haar bVoeder te sneHen,
stiet het paard de sporen in de zijde en ging op de vlucht. Geen
der Roodhuiden merkte hem op of lette op hem, hetgeen wellicht
daaraan was toe te schrijven, dat hij Indiaansche kleederen droeg.
Nog onder het vluchten kon hij niet nalaten een blik te werpen
op de slachtoffers van zijn schandelijk bedrog. Een algemeen,
gillend triomfgeschreeuw weerklonk over het plein", de vlammen sloe-
gen reeds uit de stapels hout omhoog en de marteling was
begonnen.
Ja, begonnen was zij, maar lang duren zou zij niet. Nog
weergalmde de lucht van zegekreten, de echo\'s wekkend in de na-
burige bergen, toen een geknetter van minstens vijftig buksen, scherp
en ratelend, zich liet hooren. Te gelijk klonk ver in het rond een
donderend hoera! Een groot aantal ruiters renden, in vliegende
vaart, het dorp in en\' opeens veranderde het geheele schouw-
spel in een tooneel van algemeene verwarring en panischen schrik.
De salvo\'s werden herhaald en wel door een dubbel aantal buksen,
in het volgend oogenblik kwamen er minstens honderd goed
bereden blanken met lossen teugel aanrennen. Hun rossen
waren met schuim bedekt en zakten van vermoeienis bijna ineen,
maar nochtans werden zij door de ruiters met woedenden
ijver aangespoord. Tweemaal zooveel mannen te voet drongen van
achteren op en beantwoordden met luide juichkreten hun aanvoer-
der, die met donderende stem over de vlakte riep: — Wraak!
wraak over de schoften! Op de schurken los! Dood aan het
beulenrot!
Het gehuil, dat de Roodhuiden van schrik uitstieten, toen zij zoo
onverhoeds, naar het scheen door een belangrijke overmacht, van
wier nadering zij niet het minste hadden bemerkt, werden aan-
gevallen, vervulde het geheele plein. Daarbij weerklonk het ge-
schreeuw der bereden aanvallers, die bij het naderen hun geweren
afschoten of, midden onder de Indianen rondspringend, met hun
geweerkolven de hoofden der woestelingen beukten; voorts het dreunen
der hoeven en het gehinnik der paarden, eindelijk de luide hoera\'s!
van de bijna te gelijk met de ruiters het dorp binnendringende voet-
gangers, dit alles veroorzaakte zulk een verschrikkelijk getier, als
de stoutste verbeelding niet in staat is zich voor te stellen.
-ocr page 211-
DE OVERROMPELING VAN HET DORP.                          223
De verraste Roodhuiden konden den onstuimigen aanval geen
oogenblik weerstaan. "Wel snelden sommigen naar de naastbijge-
legen wigwams om hun geweren te halen; maar het meerendeel
ging over tot een wilde en wanordelijke vlucht, en zocht, evenals
de. vrouwen en kinderen, een schuilplaats onder de rotsen en in
de struiken van de nabijgelegen -bergen. Toen zij deze even-
.wel naderden, werden zij ook hier door een krachtig salvo uit
zelden missende buksen ontvangen, want de heuvels waren reeds
door hun vijanden bezet.
Anderen vluchtten naar de weiden en maïsvelden, waar zij
op dezelfde wijze wei-den onthaald door de ruiters, die zich als
een alles meesleurenden stroom van alTe heuvelen en berghellingen
naar het dorp schenen voort te bewegen. Weldra bleek dan ook,
dat het dorp van den „Zwarten Gier" van alle zijden door zulk een
talrijke legermacht was aangevallen, als nog nooit op Indiaansen
gebied was gezien.
De Roodhuiden, die niet bij den eersten aanval der blanken op
het plein neergeschoten of doodelijk waren gewond, vloden thans
uit het dorp. Onder de voorsten bevond zich Braxley, niet minder
ontsteld dan zijn Indiaansche vrienden en bondgenooten. Hrj had
zich echter beter tot de vlucht voorbereid dan zij, drukte zijn ros
de sporen in de zrjden en poogde, terwijl hij zijn weerloozen buit
vast in de armen hield gekneld, den stroom over te steken, nog
altijd hopende op die wijze den dans te ontspringen.
Intusschen waren de ongelukkige slachtoffers aan den paal,
ofschoon de plotselinge en onverhoopte verschijning hunner lands-
lieden hen met zalige hoop vervulde, nog geenszins van hun boeien
bevrijd en niet buiten gevaar van het hen omringende vuur. Hoewel
de meeste Roodhuiden, zooals gezegd, in wanorde op de vlucht sloegen,
zoo waren er toch eenigen onder hen, die zich de gevangenen her-
innerden en het vermetele besluit namen hun den zoeten beker der
vrijheid nog voor den mond weg te stooten. De vrouw van "Wenonga
was nog altijd bezig met de vlam in het opgehoopte brandende
hout aan te wakkeren, maar plotseling van haar arbeid door het
geschreeuw van den vijand en het gebrul van haar eigen vluchtend
volk opgeschrikt, keek zij een oogenblik op, greep een mes en
wierp zich, onder het uitstooten van een woesten wraakkreet, op
Ralph Stackpole, die het dichtst bij haar stond. "De vastberaden
paardendief trachtte den gevaarlijken stoot der oude furie te ont-
wijken zoo goed hij kon. Zijn voeten waren niet gebonden, en zoodra
het wijf, met fonkelende oogen, als een tijgerin op hem aanvloog,
-ocr page 212-
224                              DE OVERROMPELING VAN HET EORP.
gaf hij haar met zijn eenen voet zulk een trap tegen het lijf, dat
ze verscheiden passen achteruitvloog en bewusteloos midden in de
vlammen viel, waarmede zij den gevangene had gedacht te zullen
martelen. Thans verteerden die vlammen haar eigen lichaam, voor-
dat zij de noodige kracht herkreeg om zich uit hatir bewusteloozen
toestand op te richten.
Een hoog opgeschoten Roodhuid, die in zijne vuist een bijl
zwaaide, on door een dozijn van zijn meest vastberaden landslieden
werd gevolgd, snelde op kapitein Forrester toe. De jonge Vir-
giniër scheen verloren, maar voordat de Indiaan den doodelijken
slag kon toebrengen, snelde met reusachtige sprongen, over gewonden
en stervenden heen, tot midden in den kring van het vuur, eene ge-
daante, die zelfs den besten en dappersten krijgsman vervulde met
ontzetting en schrik. Het was de ontvluchte gevangene, de ge-
waande toovenaar der bleekgezichten, wiens lichaam en aangezicht,
ofschoon beide met bloed bevlekt, nog de sporen vertoonden
van hun Indiaansche versiering. In de linkerhand droeg hij
den bundel scalpen, door hem uit Wenonga\'s hut genomen, de grijze
scalp van het verslagen opperhoofd was duidelijk herkenbaar aan
de veeren, den snavel en de klauwen van een zwarten gier, die er
nog aan bevestigd waren, terwijl in zijn hoog opgeheven rechterhand
de stalen strijdbijl glinsterde, vroeger zoo dikwerf door Wenonga\'s
vuist gezwaaid.
De Roodhuid, op het punt Roland den doodelijken slag
toe te brengen, week ontzet terug en sloeg, onder luid geschreeuw
van : Be Dshibbenünoseh! Be Dshibbenünoseh! op de vlucht. Ook
de hem volgende krijgslieden bleven niet staan, vooral niet, toen
Nathan, de vermeende duivel, zich wierp op den vluchtenden aan-
voerder van den troep en hem, met een enkelen slag van
zijn tomahawk, den schedel verbrijzelde. Op hetzelfde oogenblik
kwam de ruiterschaar onder luid hoera-geschreeuw naderbij. Een
deel van hen zette de vluchtende Roodhuiden na, terwijl de overigen
van hun paarden sprongen, om de gevangenen van hun boeien
te bevrijden. Deze dienst was hun echter, althans wat kapitein
Forrester betreft, reeds bewezen. Wenonga\'s strijdbijl, druipend
van bloed, sneed de riemen met eenige houwen door; ver-
volgens greep Nathan Roland\'s hand, drukte deze met warmte en
riep juichend van vreugde uit: — Ziet ge, vriend? Ge geloofdet, dat
ik u had verlaten, maar voorwaar, gij hebt u vergist!
— Hoera! voor den bloedigen Nathan! — riep een andere
stem, door Roland als die van den jeugdigen Tom Bru.ce herkend.
-ocr page 213-
DE OVERROMPELING VAN HET DORP.                             225
—  Hoera! Leve Kentucky! — riep overste Bruce, die vlak bij
Roland van zijn paard sprong en met oprechte hartelijkheid
diens hand schudde. — Daar zijn we, kapitein, we hebben
u uit de kaken des doods verlost I Wij zwoeren, u te bevrijden
of te sterven, trommelden een leger van meer dan duizend man
hij elkaar, marcheerden niet versnelden pas hierheen, en ontmoetten
den Moedigen Nathan in het bosch; hij vertelde ons den nood waarin
ge verkeerdet, en, hoera! nu zijn wij hier en hebben u van die
ellendelingen bevrijd! — Met haastige woorden helderde de Overste
het raadsel op van zijn gelukkige komst; maar Roland, nog geheel
verward en onder den indruk van zijn snelle lotsverwisseling.
verstond van die toespraak geen woord. Het rumoer van
den strijd, het knallen der buksen, het gehuil der Indianen, het
krijgsgeschreeuw. der blanken, dat altijd nog aanhield, deed boven-
dien nog een deel der woorden verloren gaan, zoodat Ro-
land tenauwernood tot bezinning kon komen. Zijn eerste ge-
dachte was aan Edith. Wat was haar lot? Juist wilde hij naar
haar vragen, toen plotseling met luiden kreet Richard Bruce, de
jongste zoon van den Overste Bruce, naderbij galoppeerde, uit
overmaat van vreugde zijn muts in de lucht werpend, terwijl
hij met den vinger naar een man achter zich wees, in wien Roland,
tot zijn groote verbazing, Pardon Fertig herkende, reeds voorlang
als verdronken gewaand. Deze kwam met de snelheid van
den wind aanrennen, terwijl, o zaligheid! o vreugde! in zijn
armen Edith lag, die vol verrukking de armen uitstrekte naar haren
broeder. Met één sprong was deze bij haar en drukte zijne zuster
aan zijn hevig kloppend, diep bewogen hart.
—  Daar is zij, kapitein! — riep Pardon Fertig juichend uit.—
Ik zag dien schurk van een Indiaan met haar wegrijden, schoot hem
van zijn paard, zoodat hij op den grond tuimelde, zette de jonkvrouw
vóór mij in den zadel, en nu zijn wij heelshuids hier.
—   Ach! — sprak Tom Bruce met zwakke stem, terwijl hij
zijns vaders arm greep en met sidderenden vinger-naar den gelukkigen
broeder en zuster wees: — ach, vader, dat is een schouwspel, wel
waard, dat men er voor sterft!
—  Sterven, mijn jongen! — riep de vader vol angst en vertwij-
feling uit. — Je bent toch niet gewond, Tom?
—   Toch wel, vader, hier, dicht bij het liftrt, en ik voel
dat het spoedig met mij gedaan zal zijn! — zei Tom. — En daarom,
vader, wilde ik u vragen, of ik behoorlijk mijn plicht heb volbracht,
zonder mij te bekommeren of de dood er mede gemoeid was.
-ocr page 214-
226                             DE OVERROMPELING VAN HET DORP.
—   Sterven, mijn jongen? — herhaalde de vader, de hand van
zijn zoon grijpend, terwijl de overigen verschrikt naderbij kwamen
en met ontsteltenis de snelle verandering in de trekken van den
jongen man bemerkten, — Tom, mijn jongen, je zult toch niet wil-
len sterven!
                                                           \\
—   Vader, het helpt toch niet, of wij al tegenstreven! — ant-
woordde de jongeling met doffe stem. — Zeg mij slechts of ik tegen-
over de vreemdelingen, tegenover u en moeder en al de anderen be-
hoorlijk mijn plicht heb gedaan?
—   Dat hebt ge, Tom, — antwoordde de overste, diep ge-
roerd en met eenigszins onvaste stem, — tegenover de reizende
vreemdelingen, tegenover je vader, je moeder en ons allen!
—  En ook tegenover Kentucky? — fluisterde de stervende
jongeling.
—  Zeker, ook.tegenover Kentucky! — antwoordde de Overste.
—  Welnu, vader, dan is alles goed, en ik behoef er verder niet
over te treuren, dat God mij zoo spoedig reeds tot zich roept.
Richard zal mij bij u vervangen, hij is een goede jongen. En nu
nog iets, vader.
—  Wat, mijn jongen? Spreek! — zei de Overste.
■— Vader, ik wil u niet beleedigen, — sprak de jonge manr
— maar laat, bid ik u, nooit weder een arm reiziger de wouden
ingaan, zonder dat ge hem een betrouwbaar man mede-
geeft.
—  Ja, Tom, ge hebt gelijk; ik zal dat niet weder doen!
—  En dan, vader, laat den Zwervenden Nathan niet meer door
uwe mannen beschimpen, want ik weet, dat hij vechten zal,
als men hem zijn eigen weg laat gaan. En, vader, laat Ralph
Stackpole er niet te zeer voor boeten, als hij weer eens één
of twee paarden van u steelt. Weet, dat hij mij zijn bijstand ver-
leende, toen wij den kapitein wilden bevrijden, dien dienst moet
gij nooit vergeten.
—   Laat hem stelen, jongen! — antwoordde de oude man, ter-
wijl hij zich heimelijk een traan uit het oog wischte, — het zal
hem daarom niet te slechter vergaan.
—   Welaan dan, vader, — de jonge man sprak thans met veel
vuur en schijnbaar terugkeerende krachten — meent gij, dat wij de
Indianen, hier op deze plek, duchtig hebben geklopt?
—    Zeker, jongen, daaraan valt niet te twijfelen. En wij
zullen ze nogmaals kloppen, totdat ze ons voorgoed met vrede laten.
—   Dan hoera! en leve Kentucky! — riep de jonge man,
-ocr page 215-
e
DE OVERROMPELING VAN HET DORP.                           227
terwijl hij zijn laatste krachten voor dien zegekreet verzamelde.
Toen zonk hij achterover, zijn oog brak, hij drukte voor het
laatst de hand van zijn vader en zijn broeder, en stierf. Een
zegevierende glimlach speelde om zijne lippen.
— Hij was een dappere jongen ! — zei de oude overste, met
onvaste stem, terwijl hij met een blik van eindelooze liefde het
bleeke gelaat van den dierbaren zoon beschouwde, — hij was dapper
tot zijn laatsten ademtocht!
Alle omstanders gevoelden de waarheid dezer woorden en
in menig oog glinsterde een traan van ontroering, van deel-
neming en smart.
------\'-ï=^*^"ï»XS£^=v-->------
XXIII.
BESLUIT.
De Indianen waren op de wijze, als hiervoor beschreven,
uit het dorp verdreven en toonden geen lust meer om te vechten,
maar slechts om te vluchten. Daar hun echter van alle kanten
door de aanvallers de pas werd afgesneden en de vluchtelingen
hier werden begroet door doodelijke salvo\'s uit de bosschen of langs
de hellingen der bergen, terwijl zij ginds op eene afdeeling
ruiters stieten, die door de vlakten en korenvelden renden, werden
zij weder naar het dorp teruggedreven, waar zij, tot het
uiterste gebracht, besloten schenen hun leven zoo duur mogelijk
te verkoopen.
Aan de grens van de kraal stieten zij op eene afdeeling
ruiters en mannen te voet, die hen zoo pas hadden verjaagd.
Met dezen waagden zij een verwoeden en bloedigen, maar korten
strijd. Door de aanvallers achter hen steeds meer en meer voort-
gejaagd, sloegen zij zich door hen heen, in de richting van het
plein, waarop de jeugdige Tom Bruce den laatsten adem had uit-
-ocr page 216-
228
BESLUIT.
geblazen. Het tot hiertoe ledige plein vulde zich nu plotseling met
menschen, die, om hun leven te redden, vluchtten of op leven
en dood streden, terwijl vrouwen en kinderen in doodsangst huilden
en schreeuwden en daardoor het afschuwelijke van het tooneel
verhoogden.
                                                         \\
Het rumoer had op de mannen, die Tom\'s dood hadden bijge-
woond, een snelle uitwerking. Ralph Stackpole greep terstond een
op den grond liggende bijl, snelde naar de naastbijzijnde groep
strijdenden en riep den door smart overweldigden vader op deel-
nemenden toon de volgende woorden toe: — Trek het u niet al
te veel aan, overste. Om Tom te wreken zal ik in minder dan
geen tijd een scalp gaan halen!
„Zwervende Nathan" was kort te voren met de meeste ruiters,
die zich met den overste op het plein van den Raadwigwam bevonden,
verdwenen. Blijkbaar was hij te opgewonden, om als werkeloos
toeschouwer het schouwspel te kunnen aanzien. Zoo was dan
niemand teruggebleven dan de overste en zijn zoon Richard,
de opnieuw vereenigde gelukkige broeder en zuster en Pardon Fertig,
die door een. gevoel van oude kameraadschap niet weder terstond
van Roland wilde scheiden. Allen werden echter uit hun treurige
beschouwingen van den doode opgewekt, toen het hoofdtooneel van
den strijd opnieuw naar het plein werd overgebracht.
—   Het is nu geen tijd te weeklagen, — zeide overste Bruce,
het lijk van den in zijn armen overleden zoon weder zacht op den
grond leggende.
—   Hij stierf als een man, en dit is het einde van het lied.
Op, Richard, en bescherm de jonge dame! Er is nog meer te doen.
Vormt een kring om haar! — herhaalde de overste, toen er op
hetzelfde oogenblik een plotselinge beweging onder de strijdenden
ontstond. Een dozijn of . meer Indiaansche krijgers sloegen na-
melijk vol ontzetting op de vlucht, achtervolgd door een drievoudig
getal blanken, die allen recht toereden op de plaats waar de overste
Bruce zich met zijne omgeving bevond.
—   Ik ben hun man! — riep Pardon Fertig, terwijl hij zijn
geweer op den voorsten Indiaan afschoot, die dood ter aarde
stortte. Deze daad wendde terstond alle gevaar af, want de Roodhui-
den, schuchter geworden door den val van hun aanvoerder en dooi-
de ontdekking, dat zij ook vóór zich nog vijanden hadden, sloegen
in een zijwaartsche richting op de vlucht en werden terstond door
een overgroote meerderheid Kentuckyers gevolgd.
Terwijl dit plaats greep, viel er iets voor, wel geschikt om de
-ocr page 217-
BESLUIT.                                                   229
groep aan den martelpaal schrik en medelijden in te boezemen.
De wilde, door Pardon Pertig neergeschoten, werd terstond door
een der vervolgers gescalpeerd. Vijf of zes zijner kameraden wierpen
zich op een tweeden persoon, dien zij woedend met messen en
bijlen aanvielen, terwijl de ongelukkige met opgeheven armen
tevergeefs om genade smeekte. En als ware dit schouwspel reeds
op zich zelf niet afschuwelijk genoeg, zag men een teedere meisjes-
gestalte aan de zijde van den aangevallene, die, overweldigd door
den schrik, voortdurend en onophoudelijk hartverscheurende kreten
slaakte.
—  Om Gods wil, dat is Telie Doe! — riep Eoland uit, terwijl
hij bliksemsnel zich heenspoedde om haar hulp te verleenen. Bijna
even vlug volgde hem overste Bruce, die eveneens Telie herkende,
en uit haar kreten de gevolgtrekking maakte, dat het haar vader
was, wiens leven door de hageldicht vallende slagen werd
bedreigd.
—  Houdt op, vrienden, houdt op! — riep Roland, terwijl
hij te midden van\' de vechtenden sprong en dezen daardoor deed
terugtreden. De verrassing hield den tot den doodelijken slag op-
geheven arm terug. Van dat oponthoud maakte Doe gebruik om
op te staan en weg te loopen. Maar na weinige schreden zonk hij
weer in elkaar.
De toornige Kentuckyers wierpen zich nu andermaal op hun
prooi; maar Eoland was hen voor en plaatste zich vóór den ge-
wonden man. Te gelijker tijd kwam Bruce aangesneld, nam Doe\'s
half waanzinnige dochter in zijne armen, terwijl hij met donderende
stem den vervolgers toeriep: — Weg, afschuwelijke beesten! Wilt
ge dan den man voor de oogen zijner eigen dochter vermoorden?
Doodt liever Indianen, onmenschen die gij zijt! Dat zou u beter
passen!
De mannen kwamen weder tot bezinning, hieven ter eere
van den overste een luid hoera! aan en snelden vervolgens van
daar, om andere vijanden op te sporen. Maar het was nog zoo
zeker niet, dat ze die zouden vinden, want met de zegekreten
der blanken vermengde zich nog zelden slechts het gehuil der
overwonnen Indiaansche krijgers.
Intusschen had Roland beproefd den gewonden Abel Doe weer
op de been te brengen, maar tevergeefs, ofschoon-de ongelukkige
zelf zijne pogingen steunde. Hij hief nog altijd de handen op, als
om de slagen zijner onbarmhartige vijanden af te weren, terwijl
onder dat alles zijn wild geroep weerklonk van: — Het is niets!
-ocr page 218-
230
BESLUIT.
Het is maar om het meisje! Vermoordt een vader niet onder de
oogen van zijn eigen kind!
—  Vrees niets, ge zijt in veiligheid! — riep Roland hem
toe, terwijl op hetzelfde oogenblik Telie zich in de armen naars
vaders wierp en met hartverscheurende stem \\uitriep: — Ze zijn
weg, vader! Sta op, zij zullen u niets meer doen; de goede kapitein
heeft u gered!
—  De kapitein? — vroeg Doe, terwijl hij opnieuw poogde zich
op te richten. — Is het de kapitein? De schelmen hebben u dus
niet vermoord? Nu, dat verheugt mij, kapitein, en het sterven
zal mij ongetwijfeld lichter vallen, nu ik dat weet! En het meisje,
Edith, is zij ook gered? Den Hemel zij dank! Nu is alles goed,
kapitein. Zeg nu maar, waar Richard Braxley is! Gij hebt hem
toch niet gedood?
—  Denk niet aan hem, man, — antwoordde Roland. — Ik
weet niets van hem.
—  Ach, kapitein, — riep Doe uit, — ik ben een stervende,
en ik wist dat dit het einde zou zijn. Indien Richard ge-
vangen is, breng hem dan hier en laat mij met hem spreken. Het
zal voor uw eigen best zijn, kapitein!
—  Ik weet niets van dien schurk, — antwoordde Roland.
— Denk maar aan u zelf!
—  Ha, daar is zijn roode doek! — riep Doe uit, terwijl hij
naar Pardon Fertig wees, die de sjaal als een sjerp om zijn lijf
had gebonden.
—  Deze doek? — zeide Pardon Fertig. — Ik ontnam hem aan
een van die Indianenkerels, die met de jonge dame van hier wilde
vluchten. Ik riep hem toe halt te houden, maar toen hij het niet
deed, kittelde ik hem eens in den rug, sloeg hem neder en ontnam
hem zijn scalp, voordat men tot drie kon tellen. Daar is hij, als ge
hem zien wilt.
Bij die laatste woorden trok hrj een bos zwarte haren te
voorschijn, op het gezicht waarvan Edith op het punt was in zwijm
te vallen.
—  Roland, — zeide zij, tegen haar broeder leunende, om
niet op den grond te vallen, — het was Richard Braxley, die mij
ontvoerde. Hij was het, ja, hij zelf!
—  Ha! ha! ha! — lachte Abel Doe, die Edith\'s woorden
gehoord had, — ik heb Richard altijd gezegd, dat de Booze ons
zou halen, en nu heeft hem dat lot eerder getroffen dan mij!
Doodgeschoten, gescalpeerd, geheel en al behandeld als zoo\'n Indiaan-
-ocr page 219-
BESLUIT.                                                            231
sche hond! "Welaan dan, het spel is nu uit en wij beiden hebben
ons loon ontvangen! Kapitein, — vervolgde hij, zich tot Roland
wendende, — ik ben een schurk geweest en sterf als zoodanig!
Toch wil ik nog goedmaken, wat ik kan. Hier is het ware
testament van uw oom, kapitein, — hij trok dit met inspanning
uit zijn broekzak te voorschijn, — neem het, neem het zonder
eenige voorwaarde. Maar ge zult haar niet vergeten, Telie be-
doel ik, mijne dochter! Gij zult toch voor haar zorgen, kapitein?
—  Zoo lang ik leef, zal het haar nooit aan een vriend ontbre-
ken, — zeide Roland met vaste stem.
—  Welnu, dan sterf ik gaarne! — Ik vertrouw op u,
kapitein! Ik vertrouw op u!
Het waren zijne laatste woorden, hij viel achterover en
blies den adem uit. Bruce riep echter op verwijtenden toon: —
Het heeft het meisje nooit aan een vriend en beschermer
ontbroken voordat zij mijn huis ontvluchtte! Ik heb haar altijd als
een vader behandeld!
Terwijl dit voorviel, was de strijd geëindigd en door de man-
nen van Kentucky volkomen gewonnen. Bijna alle Indianen waren
gesneuveld, terwijl de overwinnaars slechts een gering verlies
aan dooden en gewonden hadden te betreuren. Om de zege-
praal volkomen te doen zijn, werd het dorp met de omliggende
maïsvelden aan de vlammen prijsgegeven en geheel verwoest. Toen
de laatste woning der Roodhuiden was vernield, werd de terugtocht
door de overwinnaars aanvaard en dezen keerden veilig en te rech-
ter tijd weder in hunne woonplaatsen terug.
Hiermede zou ons verhaal eigenlijk ten einde zijn, want wij
hebben gezien, dat de boosheid werd gestraft en Roland met.Edith,
door het terugkrijgen van het testament, in het ongestoord bezit
kwamen van hun eigendom, in de toekomst voor hen veilig
gewaarborgd. Voordat wij echter van onzen vriendelijken lezer
afscheid nemen, zouden wij hem nog gaarne inlichtingen willen ver-
strekken omtrent velerlei, dat hem tot hiertoe onduidelijk is geble-
ven of belang zal inboezemen, in zooverre het betreft de verdere
lotgevallen der personen, met wie wij in den loop van ons ver-
haal hebben kennis gemaakt.
Het eerst dan eenige woorden omtrent Pardon Fertig, die, naar
wij vreesden, bij de poging tot redding uit het belegerde blokhuis,
zrjn dood in het water had gevonden en thans opeens weer
frisch en gezond op de kampplaats verscheen. Hoe verrassend het feit
-ocr page 220-
232                                                            BESLUIT.
zijner opstanding uit de dooden voor ons moge zijn, zoo was er
toch, naar hij zelf mededeelde, volstrekt niets wonderlijks aan ver-
bonden. Gedurende zijne vlucht door den sterken stroom van zijn
paard gerukt, had een gelukkig toeval hem gebracht op den dam
van houtwerk, waardoor de verderfelijke snelheid van het water werd
gebroken. Daar hij niet twijfelde, of zijne metgezellen waren in
den woesten stroom omgekomen, en hij dus alleen tegen de Indianen
zou moeten strijden, had hij een schuilplaats gezocht onder de houten
balken, waar hij het overige gedeelte van den nacht, alsmede een
groot gedeelte van den volgenden dag was gebleven, totdat hij over-
tuigd was, dat er zich geen Roodhuiden meer in de nabijheid bevonden.
Toen had hij den rotsachtigen oever beklommen, was door de
bosschen geslopen en eindelijk gelukkig in het leger van Bruce aan-
gekomen, bij wien hij zich had aangesloten, om dezen naar het gebied
der Indiaansche vijanden te volgen.
Wat Nathan betreft, deze was na zijn gelukkig volbrachte
vlucht heengesneld, om hulp voor zijn vrienden te halen. Hij stiet
op een afdeeling van Bruce\'s manschappen, bij wie hij om zijne
Indiaansche kleederdracht en beschildering algemeen opzien on ver-
bazing wekte. De man kwam, zoowel den overste als diens krijgs-
lieden zeer veranderd voor. De bundel scalpen, die hij in de hand
hield, de nog van het bloed rookende scalp aan zijn gordel, zoo-
mede Wenonga\'s strijdbijl, tot aan het gevest met bloed bespat en
omklemd door een evenzeer met bloed bevlekte vuist, boden een
niet minder verrassenden aanblik dan de uitdrukking van zijn
gelaat, houding en gebaren. Zijn oog schitterde van wilde opge-
wondenheid en straalde van een gevoel van zegepraal, met woede ver-
mengd. Zijn stap was trotsch, vlug, vast en veerkrachtig, als die
van een oorlogsman, die in de rij treedt om deel te nemen aan den
krijgsdans, en als hij sprak, ademden zijn woorden strijd- en moord-
lust. Hij zwaaide Wenonga\'s strijdbijl, wees met vergramden blik
in de richting van het dorp, en eischte van de krijgslieden, dat zij
hem onderwijld daarheen zouden volgen.
Toen men, na kort beraad, tot den marsen had besloten, leidde
hij de troepen met een snelheid en zekerheid, die zijn vertrouwdheid
met alle toegangen tot het dorp bewees, en gedurende den strijd die
daarop ontbrandde, verrichtte hij heldendaden, welke allen, die hem
zagen, met verbazing en bewondering vervulden.
Eerst toen de terugtocht uit het dorp werd aanvaard, keerde
Nathan weer tot zijn vorigen toestand terug. Het krijgsvuur blik-
semde niet meer in zijne oogen, zijn schreden verloren hun koen-
-ocr page 221-
BESLUIT.                                                         233
heid en vastberadenheid, en hij zag de mannen, die hem met woor-
den van bewondering en lof overstelpten, vol onrust en verlegenheid
aan. Hij hield zich, om zijn gevoelens te verbergen of de aandacht
der overigen van zich af te leiden, met kleinen Peter bezig;
maar ook deze kon hem den lof niet onthouden, dien alle krijgslieden
hem toezwaaiden.
Te midden van die verlegenheid bemerkte hij den jongen Vir-
giniër, die naast zijne zuster door het woud reed, en nu snelde hij
aanstonds op dezen toe, om hem kennis te geven van de aanwezig-
heid van het testament, waaromtrent hij, zooals wij weten,
inlichtingen had verkregen. Hij wist niet, dat dit gewichtige docu-
ment reeds in de handen was gevallen van Roland, die hem met
van vreugde stralende blikken ontving.
—    Nathan, — zeide hij, terwijl hij den thans weder zeer
deemoedigen Kwaker de hand toestak, ■— aan u hebben wij ons
leven, ons fortuin, ja alles to danken; wij zullen dat nooit ver-
geten! Maar hoe komt het, Nathan, — voegde hij er lachend bij,
toen hij den bundel scalpen bemerkte, dien de Kwaker nog
steeds in de hand droeg, — hoe komt het, dat gij de bewijzen
uwer dapperheid zoo openlijk toont? Dat was toch vroeger uw ge-
woonte niet?
—  Vriend, — zeide Nathan, zijn somberen blik eerst op de
scalpen en daarna op Roland vestigend, — ge ziet hier de lokken,
die eenmaal de hoofden mijner kinderen sierden. En hier is
— voegde hij er bij — terwijl hij met onverholen vreugde den
scalp van Wenonga toonde, — hier is de haardos van hem, die
hen vermoordde! Maar genoeg, vriend, ge kent mijne geschiedenis
en zult mij niet berispen! Ik heb u echter nog iets te zeggen,
dat u persoonlijk betreft. Er bestaat een testament van uw over-
leden oom, dat u en uwe zuster.....
—   Zeer juist, Nathan, — viel Roland hem in de rede,
terwijl hij het document te voorschijn haalde. — Hier is het!
Het maakt mij tot een rijk man, en gij, Nathan, zult de eerste zijn,
die mijne bezittingen met mij deelt. Gij moet thans het wilde leven
aan de grenzen vaarwelzeggen en met mij naar Virginië gaan.
—   Ik, vriend? — riep Nathan met een treurigen blik uit. —
Neen, het lot heeft mij naar de wouden verwezen, daar wil ik
leven en sterven. Ik vind daar, wat ik noodig heb: voedsel en
kleeding.... meer behoef ik niet. Om een enkele gunst zou ik u
echter wel willen verzoeken.
—  Spreek, Nathan, zij is u by voorbaat reeds toegestaan.
-ocr page 222-
234
BESLUIT.
—• Welnu, vriend, — fluisterde Nathan, terwijl hij een smee-
kenden blik op Roland wierp, — spreek nooit, over hetgeen ge rnij
in de wouden hebt zien doen.
Roland beloofde het, en Nathan wilde zich daarop verwijderen,
maar Edith hield hem terug en zeide:
              \\
—   Kom met ons mede, goede Nathan, kom mede naar ons
huis! Daar zal niemand u beschimpen of u uw geloof voor de voeten
werpen, wat ge het meest schijnt te vreezen.
—   Ge zijt een goed meisje, — antwoordde Nathan met een
dankbaren blik — maar ik kan u niet volgen, want ik heb op deze
aarde geen woonplaats meer. Niemand is mij overgebleven, om
mij lachend en vroolijk te ontvangen, niemand, om mij, bij mijn
terugkeer van het veld of uit het bosch, met de stem der
liefde te verwelkomen; neen, voorwaar, niemand, niemand! Daarom
behoort de wildernis, waar het gezicht van vreemde huiselijkheid mij
niet aan mijne ellende herinnert, mijn verblijfplaats te zijn.
Toen Nathan deze woorden sprak, sidderde zijn stem, zijn lip-
pen beefden en zijn geheele gelaat verried de diepe smart van een
eenzame, droomende ziel. Roland hoopte hem later op het fort van
Bruce weer te vinden; maar Nathan kwam niet, en nooit aan-
schouwde Roland weder zijn trouw en eerlijk gelaat. Nathan
verliet het woud niet meer; hij begroef zich met zijne smart in de
diepste eenzaamheid.... geen mensen heeft ooit meer iets van
hem gehoord.
Roland vertoefde nog eenige weken als gast op het fort van
overste Bruce en verliet dit eerst, nadat hij Telie, die er de
voorkeur aan gaf in het gezin van den overste te blijven, rijk had
bedacht. Ook Ralph Stackpole en Pardon Fertig hadden gelegen-
heid zijne grootmoedigheid te bewonderen, daar hvj hun zijn beide
landerijen ten geschenke gaf, waardoor hun een onbekommerd en
gelukkig bestaan verzekerd was. In latere jaren vernam Roland,
dat Telie de vrouw van Richard Bruce was geworden, en Ralph
Stackpole, die nooit weer tot zijn oud gebrek, het stelen van paarden,
verviel, evenals Pardon Fertig, zich den naam van achtenswaardige
en welgestelde mannen hadden verworven.
Hij zelf genoot met Edith het geluk, dat de Hemel hun
had beschoren, en slechts de gedachte aan Nathan, die hem zoo
trouw in het gevaar had bijgestaan, en dien hij zoo gaarne al zijn
toewijding had vergolden, verduisterde somtijds den wolkenloozen
hemel zijns levens, door geen stormen meer verstoord.
-ocr page 223-
Uitgevers-Maatschappij „Nederland", te \'s-Gravenhage.
GEÏLLUSTREERDE KINDERBOEKEN.
(Zoowel voor jongens als meisjes.)
Texas en Mexico. Een Episode uit den Texaan-
SClien Vrijheidsoorlog, door KAPITEIN PLINT, met
4 platen in kleurendruk, naar oorspronkelijke aquarellen,
pl.m. WO blz., f 1,50, in rijk geïllustreerden stempelband f 1,90.
Inhoud : Een gevaarlijke buurman. — De verrader. — Si-ki-ta-
— In de prairie van San Marcos. — Verijdelde toeleg. — De brandende
hoeve. — De vervolging der Roodhuiden. — Het Indianenkamp. —
De brandende prairie. — Valsch spoor. — Opnieuw hoop. — Een
schuilplaats in het gebergte. — Het eerste gevecht. — De twee kond-
schappers. — Een nieuwe vrijwilliger. — De overrompeling. — De
hacienda San-Christobal. — In het kamp der Lepan-Indianen. — Vóór
San Antonio. — De bestorming. — Kwade dagen. — Oude Sam. —
De val van den Alamo. — Op den Guadaloupe. — Op het slagveld. —
De eenig overgeblevene van Fannin\'s legerschaar. — De straf van
den verrader. — De ontknooping.
Te Water en te Land. Lotgevallen van een Hol-
landscnen Scheepsjongen op Zee, in de Pampas en
in de Cordilleras, door KAPITEIN PLINT, met 4 platen
in kleurendruk, naar oorsjironkclijke aquarellen,pl.m. 240 blz.,
f 1,50, in rijk geïllustreerden stempelband f 1,00.
Inhoud: Afscheid van huis. — Aan boord der „Marianne".—
In den mist. — Op zee. — José Vergero. — Een geheimzinnige
wegwijzer. — Op de „Felukke". — De Partida. — De krijgsgevan-
gene. — De brandende Pampas. — Op de Parana. — Een rit door
de Pampas. — Op weg. — Onder de Ranqueles. — Het vreemde
Opperhoofd. — De boom van Qualichu. — In de Estancia. — De
Montonera. — Een nachtelijk gevecht. — Nieuwe kennissen. — Antu-
Mangue. — De ontvluchting. — De verschalking der Mashorqueros. —
De schuilplaats van den vogelvrij-verklaarde. — Verijdelde vlucht. —
De val van den Dictator. — De Cordilleras de los Andes. — Onder
Chileensche smokkelaars. — Een oude bekende. — Naar huis.
Vraag in eiken Boekhandel en direct bij de Uitgevers:
Den Geïllustreerden Catalogus B, gratis verkrijgbaar.
-ocr page 224-
Uitgevers-Maatschappij „Nederland", te \'s-Gravenhage.
De SpOOrZOeRGrS, door KAPITEIN PLINT, met 4 pi.
in kleurendruk, naar oorspronkelijke aquarellen, pl.m. 100 blz.,
f 1,10. In rijk geïllmtreerden stempelband f 1,50.
Inhoud: In de Transvaalsche Goudvelden. — De eerste spo-
ren. — De eerste Leeuw. — Olifantenjacht. — Door de Woestijn. —
In het gebied der Makula\'s. — Gevecht met de Garanganja-Negers. —
In het Woud. — Gevangen. - Gevonden. - In Duitsch-Afrika. —
Op de Zambesi. — Slot.
De Lotgevallen van Jaap Moedig, door KAPI-
TEIN
FLINT, met 4 platen in kleurendruk, naar oorspron-
kelijke aquarellen, pl.m. 224 blz., f 1,50. In rijk (jeillustreer-
den omslag f 1,90.
Erik Randal. Een verhaal uit liet tijdperk van de
verovering van Finland door de Russen, in 1808,
van O. HOFPMANN, door Corry, met vijf artistieke
platen in kleurendruk, naar oorspronkelijke aquarellen, pl.m.
340 blz., f 1,50. In rijk gcïllustr. stempelband f 1,00.
De inhoud is — gelijk een werk van een auteur als Hoffmann
doet verwachten — zeer boeiend, maar vooral degelijk en leerrijk,
de platen en band zijn zoo smaakvol en artistiek uitgevoerd,
als wellicht ooit te voren een Jongensboek in Nederland is versche-
nen; —
het geheel is zoo aantrekkelijk, dat men het slechts behoeft
te zien, om kooper te worden.
Op het Oorlogspad. Een verhaal uit Mexico, van
KAPITEIN MAYNE REID, met zes artistieke platen
in kleurendruk, naar oorsjironkelijke aquarellen, pl.m. 224
blz., f 1,50. In rijk geïllmtreerden stempelband f 1,00.
De Koene Woudloopster, door kapitein mayne
REID, met zes artistieke platen in kleurendruk, naar oor-
spronkelijke aquarellen, pl.m. 240 blz., f 1,50. In rijk
geïllustr. stempelband f 1,00.
Behalve dat de uitvoering van platen en band niet minder
schoon is dan die van Erik Randal, zoo is de naam van den beroem-
den schrijver kapitein Mayne Reid voor den inhoud wel de beste
aanbeveling,
waarmede dan ook, als geheel afdoende, kan worden
volstaan; — het geheel is zoo aantrekkelijk, dat men het slechts
behoeft te zien, om kooper te worden.
Vraag in eiken Boekhandel en direct bij de Uitgevers:
Den Geïllustreerden Catalogus B, gratis verkrijgbaar.