-ocr page 1-
** <jNa
ér ï -! 3
»* f
-ocr page 2-
v^wï 1^5 35"
-ocr page 3-
;."£
i*
-ocr page 4-
\\
-ocr page 5-
Vak 162
LEERBOEK
VLAKKE MEETKUNDE.
DOOK
J. VERSLÜYS.
TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1890.
-ocr page 6-
Stoomdrukkerij van .1. B. Wolters.
-ocr page 7-
VOORREDE.
Het aantal leerboeken over vlakke meetkunde is ongetwijfeld vrij
groot, en ik wil het niet vermeerderen, zonder dit te rechtvaardigen.
In de eerste plaats zijn de axioma\'s, waarop de meetkunde berust,
scherper aangewezen, dan men gewoon is dat te doen. Het moet
inderdaad verwondering baren, dat men nog voortdurend, ook in
Frankrijk en Duitschland, leerboeken ziet verschijnen, waarin niet
de minste notitie genomen wordt van de beschouwingen over de
grondslagen der meetkunde, zelfs wanneer die beschouwingen van
beroemde mannen zijn. Nog al te vaak geeft men van de rechte
lijn een bepaling, waarvan sinds lang aangetoond is, dat zij logisch
geheel onjuist is.
Een opgave van eenige verhandelingen over de grondslagen der
meetkunde kan niet onbelangrijk zijn.
Geometrische Untersuchungen zur Theorie der Parallellinien von
N. Lobatschewsky. Berlin
1840. f 0,90.
Dat werkje is in 1866 door J. Hoüel in \'t Fransch vertaald met
den titel:
Etudes géométriques sur la theorie des parallèles par Lobatschewsky,
suivi d\'un extrait de la correspondance de Gauss et de Schumacher,
Paris, Gauthier-Villars.
1866. 2 fr. 50 c.
Die Gleichkeit und Aehnlichkeit der Figuren und die Aehnlichkeit
derselben, von Dr. R. Baltzer. Dresden
1852. f 0,60.
Essai critique sur les principes fondamentaux de la geometrie
élémentaire, par J. Hoüel. Paris
1867. 2 fr. 50 c.
Des methodes dans les sciences de raisonnement par J. M. C.
Duhamel. Paris, Gauthier-Villars Premiere partie,
1865, et
Deuxième partie,
1866.
In de tweede plaats zijn de eigenschappen, die op onmeetbare
grootheden betrekking hebben, met de vereischte juistheid behandeld.
Daartoe was het noodig, een hoofdstuk op te nemen over grenzen
en bewerkingen met onmeetbare getallen (§ 130—136).
In de derde plaats maak ik opmerkzaam op de methode der
grenswaarden, die onder een elementairen vorm toegepast is bij de
behandeling van den cirkel.
In de vierde plaats heb ik uitvoeriger dan men bij ons gewoon
is de werkstukken behandeld, door de mogelijkheid der constructies
aan te toonen en de verschillende gevallen na te gaan, die zich
kunnen voordoen. Zie § 70 en verder.
Afgescheiden van den tekst zijn eenige historische aanteekeningen
toegevoegd.
April 1869.
J. VERSLUYS.
-ocr page 8-
IV
BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
De tweede druk verschilt -weinig van den eersten. Intusschen heb
ik eenige kleine verbeteringen aangebracht.
In den eersten druk heb ik het een en ander gezegd over onmeet-
bare getallen, dat in de rekenkunde tehuis behoort, maar in geen
van de toen bestaande leerboeken gevonden werd. Ofschoon die
zaken uit dit boek konden weggelaten worden na het verschijnen
van mijn leerboek der rekenkunde, heb ik ze laten staan. De reden
hiervan is, dat dit boek ook in handen komt van leerlingen, die
een ander leerboek der rekenkunde gebruiken dan het genoemde.
De definitie van hoek heb ik zoodanig veranderd, dat ze overeen-
stemt met de bepalingen, die ik in mijn stereometie heb gegeven
van ruimte- of tweevlakshoek, drievlakshoek, enz.
October 1871.                                                                J. versluys.
BIJ DEN DERDEN DRUK.
In deze uitgave zijn op eenige plaatsen kleine wijzigingen of
verbeteringen aangebracht.
Groningen, Mei 1875.                                                  J. VEH8LUT8.
BIJ DEN VIERDEN DRUK.
Opnieuw zijn eenige kleine verbeteringen aangebracht.
Groningen, Nov. 1876.
                                                j. versluys.
BIJ DEN VIJFDEN DRUK.
Eenige onnauwkeurigheden zijn hersteld en het woord inhoud is
vervangen door het bij vlakke figuren meer gepaste woord opper/Jak.
April 1878.                                                                    J. versluys.
BIJ DEN ZEVENDEN DRUK.
Op enkele kleine verbeteringen na is deze herdruk gelijk aan
den voorgaanden.
Juni 1884.                                                                      j. versluys.
BIJ DEN ACHTSTEN DRUK.
§ 70 werd uitgebreid. Verder zijn slechts eenige geringe veran-
deringen aangebracht.
September 1890.
-ocr page 9-
INLEIDING.
SI. De ruimte strekt zich onafgebroken naar alle zijden uit,
zonder ergens begrensd te zijn.
Een naar alle zijden begrensd deel der onbegrensde ruimte noemt
men een meetkundig lichaam. Men krijgt daarvan een voor-
stelling als men een lichaam, zooals het in de natuur voorkomt,
beschouwt ten aanzien der ruimte, die het inneemt, zonder te letten
op de stof, waaruit het bestaat. In \'t vervolg zullen wij een meet-
kundig lichaam kortweg een lichaam noemen.
Waar twee deelen der ruimte bij elkaar komen, hebben zij een
grens. Deze grens noemt men een vlak.
De grenzen van vlakken noemt men lijnen.
De grenzen van lij non noemt men punten.
Een punt bezit geen uitgebreidheid, geen afmeting. Door de be-
weging van een punt ontstaat een lijn. Als een ljjn zich beweegt,
ontstaat in \'t algemeen een vlak. Als een vlak zich beweegt, ont-
staat in \'t algemeen een lichaam. Een lijn kan dus ontstaan door
éen beweging, een vlak door twee en een lichaam door drie.
Daarom zegt men, dat een lijn éen afmeting heeft, een vlak
twee en een lichaam drie.
Van lichamen, lijnen en vlakken weten wij, dat zij onbepaald
deelbaar zijn, dat hun deelen onafgebroken samenhangen en niet
in aard verschillen.
Een samenstel van punten, lijnen of vlakken noemt men figuur.
De teekeningen, die men er van vervaardigt, heeten ook figuren.
-ocr page 10-
6
De wetenschap, die zich bezig houdt met de beschouwing van
punten, lijnen, vlakken en lichamen, noemt men meetkunde.
§ 2. De eigenschappen van een meetkundig figuur noemt men
in \'t algemeen stellingen of theorema\'s. Vijf van die eigen-
schappen heeten grondwaarheden of axioma\'s; zij worden
ons door aanschouwing geleerd. Behalve van deze vijf meet-
kundige grondwaarheden, die later genoemd worden, zullen wij
dikwijls gebruik maken van de volgende eigenschappen, die voor
alle grootheden gelden en die wij reeds in de rekenkunde toege-
past hebben.
1.    Als twee grootheden gelijk zijn aan een derde, zijn ze ook
onderling gelijk.
2.    Als men bij twee gelijke grootheden optelt gelijke grootheden,
zijn de sommen gelijk.
3.    Als men van gelijke grootheden aftrekt gelijke, zijn de ver-
schillen gelijk.
4.    Als men bij gelijke grootheden optelt ongelijke, zijn de som-
men ongelijk.
5.    Als men van gelijke grootheden aftrekt ongelijke, zijn de
verschillen ongelijk.
6.    Grootheden, die gelijknamige veelvouden zijn van dezelfde
grootheid, zijn onderling gelijk.
7.    Grootheden, die gelijknamige evenmatige deelen zijn van
dezelfde grootheid, zijn onderling gelijk.
§ 3. Alle andere eigenschappen worden uit de axioma\'s en uit
elkaar door redeneering afgeleid. De redeneering, waaruit blijkt,
dat een stelling waar is, noemt men het bewijs der stelling.
Somtijds bewijst men de waarheid eener stelling door te laten zien,
dat het ontkennen dier waarheid tot iets ongerijmde leidt. Men
noemt het bewijs dan indirect en ook wel bewijs uit het
ongerijmde. Handelt men niet op die wijze, dan heeft men een
rechtstreeksch of direct bewijs.
Bij elke stelling onderscheidt men het onderstelde en het
gestelde. Het bewijs laat zien, dat de waarheid van het gestelde
een gevolg is van het onderstelde en van andere eigenschappen.
Als men van een stelling het onderstelde en het gestelde ver-
-ocr page 11-
7
wisselt, ontstaat een andere stelling, die men de omgekeerde van
de eerste noemt. Al is een stelling waar, kan het toch gebeuren,
dat de omgekeerde niet waar is.
L IJ » E N.
§ 4. Als men van een meetkundig figuur een punt als onbe-
weeglijk beschouwt, dan kan de figuur om dat punt draaien en
dus verschillende standen aannemen. Beschouwt men twee punten
van eene figuur als onbewegelijk, dan kan deze in \'t algemeen om
die punten draaien, zoodat zij verschillende standen inneemt. Dat
beweeglijk zijn van een figuur om een of twee van haar punten
nemen wij als grondwaarheid aan. Dus is ons
Eerste axioma: Een of twee punten zijn in H algemeen onvol-
doende om den stand van een meetkundig figuur vast te stellen.
§ 5. Wij gebruiken in het eerste axioma de woorden: in \'t
algemeen. De aanschouwing leert namelijk, dat er voor elke twee
punten éen lijn bestaat, die zich naar twee kanten onbepaald
ver kan uitstrekken, en waarvan geen enkel punt van plaats
verandert, als men de lijn om die twee punten laat wentelen.
Van zulk een lijn is dus de stand volkomen bepaald door twee
harer punten.
Tweede axioma. Door elke twee punten kan men altijd één en
niet meer dan één lijn laten gaan, die zich naar twee kanten
onbepaald ver kan uitstrekken, en waarvan geen enkel punt van
plaats verandert, als men de lijn om die twee punten laat wentelen.
Bepaling. Die lijn noemt men een rechte lijn.
Het tweede axioma luidt nu kortweg:
Door twee punten gaat altijd één rechte lijn, die zich naar twee
kanten onbepaald ver kan uitstrekken.
Uit het tweede axioma vloeit onmiddellijk het volgende voort.
1°. Twee rechte lijnen, die met twee punten samenvallen, moeten
geheel samenvallen.
Men drukt dit ook uit door te zeggen, dat twee rechte Innen
-ocr page 12-
3
langs elkaar passen. In dien zin kan men ook zeggen, dat de
deelen van een zelfde rechte lijn langs elkaar passen.
2°. Een rechte lijn kan in elk harer uiteinden altijd op één
wijze verlengd worden.
§ 6. Bepaling. Een lijn, die niet recht is, maar uit deelen
bestaat, die recht zijn, noemt men een gebroken lijn.
Bepaling. Een lijn, die niet recht is en ook niet uit deelen
bestaat, die recht zijn, noemt men een kromme lijn.
Laat men een gebroken of een kromme lijn wentelen om twee
van hare punten, dan blijven slechts een bepaald aantal punten
der lijn hun plaats behouden; alle andere punten veranderen
van plaats gedurende de beweging. Door dezelfde twee punten
kan men dus zooveel kromme lijnen denken als men wil,
die in alles overeenkomen, behalve in de plaats, welke zij
innemen.
§ 7. Men duidt een punt aan door een letter (hoofdletter),
daarbij geplaatst. Een rechte lijn duidt men aan, door twee letters,
bij twee van hare punten geplaatst, achter elkander op te noemen
of naast elkaar te schrijven, bijv. AB. Ook een kromme lijn duidt
men vaak aan door twee letters; als echter meer kromme lijnen
door dezelfde twee punten gaan moet men meer punten aanwijzen
om de verschillende kromme lijnen te onderscheiden.
§ 8. Als twee rechte lijnen gegeven zijn, kan men de eerste
zóó laten bewegen, dat twee van hare punten, A en B, met de
tweede lijn samenvallen. Daartoe laat men de eerste lijn zóó bewe-
gen, dat A samenvalt met een punt der tweede lijn. Terwijl nu A
onbeweeglijk blijft kan de eerste lijn om dat punt wentelen (zie
eerste axioma). En blijkbaar kan men nu die lijn zóó plaatsen,
dat B ergens in de tweede lijn valt.
§ 9. Bepaling. Men zegt, dat twee rechte lijnen AB en CD
even lang of gelijk zijn, als men ze
zóó kan plaatsen, dat haar uiteinden samen-
vallen, bijv. C met A en D met B.
Men zegt in dit geval, dat A even ver
van B verwijderd is als C van D.
Bepaling. Als twee rechte lijnen AB en CD gegeven zijn
-ocr page 13-
9
en men kan de tweede langs de eerste leggen, zóó, dat C in
A en D tusschen A en B valt,
dan zegt men, dat de lengte
van AB grooter is dan de lengte
van CD.
In dit geval zegt men, dat A
verder van B verwijderd is, dan C van D.
Bepaling. Als twee rechte lijnen EF en FG zoodanig naast
p. „
                              elkaar geplaatst zijn, dat
zij één rechte lijn vormen
of, zooals men het ook
uitdrukt, in elkaars ver-
lengde vallen, dan zegt
men, dat de lengte van
EG gelijk is aan de som
der lengten van EP en FG.
Volgens de bepaling der aftrekking is nu de lengte van FG het
verschil der lengten van EG en EF.
Waar wij in \'t vervolg spreken van een lijn, bedoelen wij een
rechte.
VLAKKEN.
§ 10. Derde axioma. Er bestaat een vlak, hetwelk de eigen-
schap bezit, dat elke rechte lijn, die er twee punten mede gemeen
heeft, er geheel in valt.
Bepaling. Zulk een vlak noemt men een plat vlak.
Evenals de rechte lijn, kan ook het platte vlak zich onbepaald
ver uitstrekken.
Bepaling. Een vlak, dat niet plat is en waarvan de deelen
ook niet plat zijn, heet een gebogen vlak.
§ 11. Als één of meer lijnen een bepaald gedeelte van een plat
vlak begrenzen, heeft men een gesloten figuur. De lijnen vormen
den omtrek of de grenzen der figuur. Zulk een figuur bezit blijk-
baar de volgende eigenschap.
-ocr page 14-
10
Een rechte lijn, die in het platte vlak getrokken is door een
punt binnen de figuur, snijdt, als zij ver genoeg verlengd wordt,
den omtrek minstens tweemaal.
(Viekde axioma.)
§ 12. Een gegeven plat vlak kan door drie gegeven punten A,
B en C gebracht worden. Daartoe beginnen wij het vlak te bewe-
gen, totdat een zijner punten in A gekomen is. Daarna laat men
het vlak om A bewegen, totdat een van zijn punten in B geko-
men is. Terwijl nu twee punten van het vlak hun plaats behouden
in A en B , kan men het vlak (volgens het eerste axioma) om die
twee punten laten draaien. Door die draaiing zal het vlak, dat
zich onbepaald ver kan uitstrekken, blijkbaar in zulk een stand
kunnen gebracht worden, dat een zijner punten in C valt.
§ 13. Als twee platte vlakken samenvallen met drie punten, die
niet in (en rechte lijn liggen, dan vallen zij geheel samen.
Bewijs. Laat A, B en C de drie punten zijn, die tot de twee
vlakken behooren, dan moeten wij aantoonen, dat een willekeurig
■pi<r, 4.                             punt D van het eerste vlak
tevens een punt is van het
tweede. De rechte lijn, die
getrokken iB van A naar B,
ligt in beide vlakken, omdat
zij met elk twee punten ge-
meen heeft. Om dezelfde reden
liggen BC en CA in de twee
vlakken. De drie lijnen be-
grenzen een bepaald gedeelte
van het eerste vlak. Neem een punt K binnen dat begrensde ge-
deelte en trek een lijn, die door IC en D gaat. Als die lijn aan
weerszijden ver genoeg verlengd is, zal zij, volgens het axioma
van §11, de grens van het bepaalde gedeelte ontmoeten in min-
stens twee punten, hier in E en F. Deze liggen in de twee platte
vlakken, en daarom zal de rechte lijn KD, door E en F getrokken,
geheel in de twee vlakken liggen. Het punt D behoort dus zoowel
tot het tweede vlak als tot het eerste.
Opmerking. Men drukt deze stelling ook uit, door te zeg-
gen, dat twee platte vlakken langs elkaar passen. Evenzoo mag
-ocr page 15-
11
men zeggen, dat twee deelen van hetzelfde plat vlak op elkaar
passen.
§ 14. Bepalingen. Een figuur, waarvan alle deelen in het-
zelfde platte vlak liggen, noemt men een vlak figuur.
Een figuur, waarvan niet alle deelen in één plat vlak liggen,
heet een figuur in de ruimte.
Dat gedeelte der meetkunde, waarin de vlakke figuren behandeld
worden, noemt men vlakke meetkunde of planimetrie.
Dat gedeelte der meetkunde, waarin de figuren in de ruimte
behandeld worden, noemt men meetkunde in de ruimte of
stereometrie.
In het volgende zullen wij ons bezighouden met figuren, waar-
van alle deelen in hetzelfde platte vlak liggen, zonder dat dit er
telkens bij gezegd wordt. Waar van een vlak gesproken wordt,
bedoelen wij een plat vlak.
DE CIRKEL.
§ 15 Bepaling. Een cirkel is een gesloten kromme lijn,
waarvan alle punten in een zelfde plat vlak liggen en even ver
verwijderd zijn van een zelfde punt, eveneens in dat vlak gelegen.
Bepaling. Dit punt heet het middelpunt van den cirkel.
Bepaling. Een lijn, die van een punt der kromme getrokken
wordt naar het middelpunt, noemt men een straal.
p;„ 5                          Volgens de eerste bepaling van deze
§ zijn alle xtralen van een cirkel even
lang.
MA = MB = MC.
Als men een rechte lijn in een plat
vlak laat draaien om een punt M van
die lijn, dan zal een ander punt A
van dezelfde lijn gedurende de bewe-
ging een cirkel doorloopen. De afstand
van het middelpunt tot een punt D
binnen den cirkel is kleiner dan de straal.
-ocr page 16-
12
De afstand van het middelpunt tot een punt E buiten den cirkel
is grooter dan de straal.
Omgekeerd zal een punt binnen den cirkel liggen, als zijn afstand
tot het middelpunt kleiner is dan de straal, en een punt zal buiten
den cirkel liggen, als zijn afstand tot het middelpunt grooter is
dan de straal.
HOEKEN.
§ 16. Bepalingen. Als twee lijnen een punt gemeen hebben,
zegt men, dat zij elkaar ontmoeten of s n ij den.
Het gemeenschappelijk punt noemt men het ontmoetings- of
snijpunt.
Als men in een plat vlak uit een punt A twee lijnen AB en
AC trekt, die aan den eenen kant begrensd zijn door het punt A,
en die zich aan den anderen kant onbepaald ver uitstrekken, dan
wordt het platte vlak door die lijnen in twee deelen verdeeld. Elk
van die deelen noemt men een hoek. (Zie fig. 6.)
pj_ g                         De lijnen, waardoor de hoek ge-
vormd wordt, zijn de beenen van
den hoek.
Het ontmoetingspunt der lijnen is
het hoekpunt.
Men duidt een hoek aan door het
opnoemen van de letter, die bij het
hoekpunt staat, of door het opnoe-
men van drie letters, waarvan de middelste het hoekpunt aanwijst,
de eerste een punt in het eene been en de derde een punt in het
andere been. Men schrijft (fig. 6)
hoek BAC of i BAC.
§ 17. Een hoek ontstaat, als men van twee samenvallende
rechte lijnen de eene laat draaien om een gemeenschappelijk punt
van de twee lijnen. Men stelle zich voor, dat de twee lijnen in dat
gemeenschappelijk punt begrensd zijn.
§ 18. Bepaling. Men zegt, dat twee hoeken even groot of
-ocr page 17-
13
gelijk zijn, als men ze zóó kan plaatsen, dat de eene hoek den
anderen juist bedekt.
Bepaling. Men zegt, dat een hoek grooter is dan een andere,
als men dezen zóó kan plaatsen, dat hij met den eersten het hoek-
punt en het eene been gemeen heeft, terwijl zijn ander been binnen
den eersten hoek valt.
Kan men dus L EFGr zóó plaatsen (flg. 7), dat FE valt langs
Fig_ 7_
                               BA en FG langs BK,
dan heet L ABC grooter
dan L EFG.
Bepaling. Zijn twee
hoeken naast elkaar ge-
plaatst , zooals L ABK
en L KBC (flg. 7), dan
heet L ABC de som van L ABK en L KBC.
Opmerking. De grootte van een hoek hangt niet af van de lengte
zijner beenen.
§ 19. Bepaling. Een hoek heet gestrekt, als zijn eene been
het verlengde is van het andere been.
Stelling. Alle gestrekte hoeken zyn even groot.
Bewijs. Laat BAC en DEF de gestrekte hoeken zijn. Plaats
Fig. 8.
                      AB langs ED met het punt A in E,
dan zal AC langs EF vallen, omdat
een rechte lijn aan één kant maar
op één wijze kan verlengd worden.
De beenen van den eenen hoek val-
len nu langs die van den anderen,
en daarom zijn de hoeken gelijk (zie § IS).
§ 20. Bepalingen. Een hoek, die kleiner is dan een gestrekte
heet uitspringend.
Een hoek, die grooter is dan een gestrekte, noemt men
inspringend.
Twee hoeken heeten elkaars supplement, als zij samen een
gestrekten hoek vormen.
Als wij in \'t vervolg van een hoek spreken, zonder nadere bepa-
ling, bedoelen wij een uitspringenden.
-ocr page 18-
14
Uit de stelling der vorige § volgt, dat twee hoeken gelijk zijn,
als hunne supplementen even groot zijn.
§ 21. Bepaling. Als twee hoeken een been gemeen hebben,
Fig. 9.                      terwijl de andere beenen elkaars
verlengde zijn, dan noemt men
ze neven hoeken. In tig. 9 zijn
dus BAC en CAD nevenhoeken.
Uit deze bepaling volgt onmid-
delijk , dat twee nevenhoeken
elkaars supplement zijn.
j 22. Bepaling. De helft van een gestrekt en hoek noemt men
een rechten hoek.
Stelling. Alle rechte hoeken zijn even groot.
Bewijs. Ze zijn de helften van gestrekte hoeken, en omdat alle
gestrekte hoeken even groot zijn, moeten ook hunne helften, dus
de rechte hoeken, even groot zijn (zie §2,7).
§ 23. Bepalingen. Een hoek, die kleiner is dan een rechte,
heet scherp.
Een hoek, die grooter is dan een rechte en kleiner dan een ge-
strekte, heet stomp. Scherpe en stompe hoeken noemt men geza-
menlijk scheeve hoeken.
Als twee lijnen een rechten hoek met elkaar vormen, zegt men,
Fig. 10.
                dat zij rechthoekig of loodrecht
op elkaar staan. Men noemt dan de eene
lijn een lood lijn op de andere.
Als dus in fig. 10 hoek CBA recht is,
dan staan AB en BC of AB en DC recht-
hoekig op elkaar, en AB is een loodlijn
op DC. Men noemt B het voetpunt
van de loodlijn.
Hoek ABC is recht, dus de helft van een gestrekten hoek; daarom
is L ABD ook de\'helft van een gestrekten hoek, dus ook recht.
Twee hoeken heeten elkaars complement, als zij samen een
rechten hoek vormen.
Uit de stelling der vorige § volgt, dat twee hoeken gelijk zijn,
als hun complementen even groot zijn.
-ocr page 19-
15
§ 24. Bepaling. Men noemt twee hoeken overstaande
hoeken, als de beenen van den eenen de verlengden zijn van
de beenen van den anderen.
Als dus AC en DE rechte lijnen zijn (fig. 11), dan zijn ADB en
CBE overstaande hoeken. Ook zijn ABE en CBD overstaande hoeken.
Stelling. Twee overstaande hoeken zijn gelijk.
Fig. 11.                         Bewijs. Nemen wij de over-
staande hoeken ABD en EBC.
Zij hebben beide tot supplement
ABE, en daarom zijn ze gelijk.
(Zie § 20 Gevolg).
Gevolg. Als van de vier hoe-
ken, die gevormd worden door
de .snijding van twee rechte lijnen,
één recht is, dan zijn de drie anderen ook recht.
§ 25. Stelling. Door een punt in een lijn kan niet meer dan
één lijn getrokken worden, die rechte hoeken maakt met de eerste.
p;„ i2.
                     Bewijs. Als AB de lijn is, E het
punt en CD een lijn, die door E
zoodanig getrokken is, dat L CEB
recht is, dan zijn vooreerst de drie
andere hoeken, die er gevormd wor-
den, recht. Verder zal elke andere
lijn KL, die door E gaat, met AB
scheeve hoeken vormen. Zoo zijn nl.
L LEB en L AEE scherp, L AEL en
L BEK stomp. CD is dus de eenige
loodlijn.
§ 26. Bepalingen. Een graad
is een hoek, die negentig maal
in een rechten hoek begrepen is.
Een minuut is een hoek, die zestig maal in een graad begrepen is.
Een seconde is een hoek, die zestig maal in een minuut
begrepen is.
Stelling. Alle graden zijn even groot, alle minuten zijn even
groot en evenzoo alle seconden.
-ocr page 20-
16
Bewijs. Het gestelde volgt, met behulp van de zevende eigen-
schap in § 2, onmiddellijk uit de eigenschap, dat alle rechte hoeken
even groot zijn.
§ 27. Als men de grootte van een hoek wil uitdrukken, vergelijkt
men hem met een graad als eenheid. Men ziet dan, hoeveel graden
in dien hoek begrepen zijn. Blijft er een gedeelte over, kleiner
dan een graad, dan bepaalt men, hoeveel minuten in dat deel
begrepen zijn. Als hier iets overblijft, kleiner dan een minuut, dan
ziet men, hoeveel seconden in dat overblijvende begrepen zijn. Zoo
gaat men verder met tienden, honderdsten, enz. van seconden.
L A = 35° 17\' 23", 1.
beteekent, dat _ A bevat: 35 graden, 17 minuten, 23 seconden
en 1 tiende van een seconde.
EVENWIJDIGE LIJNEN.
§ 28. Bepalingen. Als twee rechte lijnen AB en CD door een
derde KL gesneden worden, geeft men aan de hoeken, die daarbij
ontstaan, de volgende namen:
p-j,, ]3_                         Overeenkomstige hoe-
ken zijn elk paar hoeken, die
de opening naar denzelfden kant
gekeerd hebben:
C DOL en L BMO,
L BMK en L DOK,
L KMA en L MOC,
L AMO en l COL.
Verwisselende binnen-
hoeken zijn twee hoeken, die
de opening tusschen de twee lijnen hebben, aan verschillenden
kant der snij lijn (KL) liggen, en geen gemeenschappelijk hoek-
punt hebben.
L BMO en L COM,
L DOM en L AMO.
Verwisselende buitenhoeken zjjn twee hoeken, die de
-ocr page 21-
17
opening niet tusschen de twee lijnen hebben, aan verschillen-
den kant der snijlijn liggen en geen gemeenschappelijk hoekpunt
bezitten.
L BMK en L COL,
L DOL en : KMA.
Binnenhoeken aan denzelfden kant der snijlijn zijn
hoeken, die de opening tusschen de twee lijnen hebben en aan
denzelfden kant der snijlijn liggen.
L BMO en L DOM ,
L AMO en L COM.
Buitenhoeken aan denzelfden kant der snijlijn zijn
twee hoeken, die de opening niet tusschen de twee lijnen hebben
en aan denzelfden kant der snijlijn liggen.
L BMK en L DOL,
L COL en L KMA.
§ 29. Stelling. Als ttree lijnen zóó door een derde gesneden
u-orden, dat tuee overeenkomstige hoeken gelijk zijn, dan zullen
die twee lijnen, hoe ver ook verlengd, elkaar niet ontmoeten.
Bewijs. Zij L AFE = CGF.
De hoeken AFE en BFG zijn gelijk als overstaande hoeken.
Evenzoo L CGF = L HGD. Men heeft dus L AFE = L. CGF =
Fjff. 14.
                       L BFG = L HGD. Stellen wij
ons nu voor, dat de figuur door-
gesneden wordt volgens de lijn
HE. Draaien wij vervolgens het
bovenste gedeelte der figuur zóó,
dat F in G en G in F valt, dan
volgt uit de gelijkheid van L AFE
en L HGD, dat FA langs GD valt.
Uit de gelijkheid van L. CGF en
L GFB volgt, dat GC langs FB valt. Het bovenste gedeelte der
figuur valt nu geheel samen met het onderste. Sneden de twee
lijnen elkaar dus aan den eenen kant van HE, dan moesten zij
elkaar ook aan den anderen kant snijden. Maar dan hadden de
twee lijnen twee punten gemeen, en zij zouden samenvallen. Dit is
echter onmogelijk, omdat wij veronderstelden, dat de twee lijnen
J. veksluys, Vlakke Meetkunde. 8e druk.
                          2
-ocr page 22-
18
verschillend zijn, en dus ia het ook onmogelijk, dat de twee lijnen
elkaar ergens snijden.
Gevolgen. 1. Twee lijnen, die rechte hoeken maken met een
derde, kunnen elkaar nooit ontmoeten.
2. Door een punt buiten een lijn kan niet meer dan één lijn
getrokken worden, die rechthoekig staat op de a&rde. . f.
§ 30. Stellingen\'. Twee lijnen, door een derde gesneden, zul-
len elkaar nooit ontmoeten bij elk der volgende onderstellingen.
a.    Als twee verwisselende binnenhoeken gelijk zijn.
b.    Als twee verwisselende buitenhoeken gelijk zijn.
c.    Als twee binnenhoekvn aan denzelfden kant der snijlijn samen
een gestrekte» hoek bedragen.
d.    Als twee buitenhoeken aan denzelfden kant der snijlijn samen
een gestrekten hoek bedragen.
pj™ i4-                        Bewijzen. "Wij zullen in elk der
gevallen aantoonen, dat twee over-
eenkomstige hoeken gelijk zijn, dan
volgt hieruit, volgens de vorige §,
dat de twee lijnen elkaar nooit ont-
moeten (fig. 14).
a. Zij L AFG = L DGF. Nu
heeft men i_ CGH = L DGF, als
overstaande hoeken.
Verder is i AFG zz 1 CGH, omdat zij beide gelijk zijn aan
L DGF. "Wij hebben dus bewezen , dat twee overeenkomstige hoe-
ken AFG en CGH gelijk zijn.
b.    Zij L AFE — L DGH. Men heeft
L CGE z= l DGH, als overstaande hoeken,
L AFE r: L CGF, omdat zij beide gelijk zijn aan L DGH.
c.    Zij L CGF -f L AFG ■=: een gestrekten hoek. Nu is ook
L AFE L AFG zz. een gestrekten hoek, als nevenhoeken.
Verder is L CGF = i AFE, omdat zij beide tot supplement
hebben L AFG.
d.    Zij L CGH / AFE = 180°
L CGH _ CGF = 180°
L AFE = L CGF, omdat zij beide tot supplement hebben L CGH.
-ocr page 23-
19
§ 31. Bepaling. Twee lijnen, die in hetzelfde platte vlak lig-
gen en, hoe ver ook verlengd, elkaar niet ontmoeten, heeten
evenwijdig of parallel.
Stelling. Als een lijn AB gegeven is en een punt C buiten die
lijn, kan door C altijd een lijn gaan, die evenwijdig loopt met AB.
Bewijs. Zij D een willekeurig punt van AB, dan kan men
zich altijd een lijn CE denken, die zóó getrokken is, dat i DCE
= L CDB. En uit deze gelijk-
heid vloeit volgens de vorige
stelling a voort, dat CE en
AB evenwijdig zijn. Hiermee
is het gestelde bewezen.
Verder leert ons de aan-
schouwing , dat elke andere
lijn, die men door C trekt,
niet evenwijdig is met AB,
dus AB ergens snijdt. Deze eigenschap nomen wij zonder bewijs
aan; dus hebben wij als
Vijfde axioma: Door een punt buiten een lijn kan maar één
lijn getrokken worden, die met de eerste evenwijdig is.
Gevolgen. 1. Twee lijnen, die evenwijdig zijn met een derde,
zijn ook onderling evenwijdig.
2. Als een lijn één van twee evenwijdige lijnen snijdt, dan snijdt
zij ook de andere.
§ 32. Stelling. Als twee evenwijdige lijnen door een derde ge-
sneden worden, zijn de overeenkomstige hoeken gelijk.
Fig. 16.                              Bewijs. Laat AB en CD
de evenwijdige lijnen zijn,
dan moeten wij bewijzen:
L GFD = L GLB.
Daartoe onderstellen wij,
dat die twee hoeken niet
gelijk waren, dan zou men
door F een lijn FK kunnen
trekken, zoo dat £ GFK =
L
GLB. Maar dan zou, volgens § 29, FK evenwijdig zijn met LB,
2*
-ocr page 24-
20
terwijl volgens de onderstelling\' FD evenwijdig is met LB. Door
hetzelfde punt F zouden dus "twee" -iijnen getrokken zijn, beide
evenwijdig met LB, en dit is onmogelijk volgens het vorige axioma.
Het is dus onmogelijk, dat L GFD en L OLB ongelijk zouden zijn.
Opmerking. Deze stelling is de omgekeerde van die in § 29.
§ 33. Stellingen. Als twee evenwijdige lijnen door een derde
gesneden worden, heeft men de volgende eigenschappen.
a.     Verwisselende binnenhoeken zijn gelijk.
b.     Verwisselende buitenhoeken zijn gelijk.
c.    De binnenhoeken aan denzelfden kant der snijlijn zijn elkaars
supplement.
d.    De buitenhoeken aan denzelfden kant der snijlijn zijn elkaars
supplement.
Bewijzen. Volgens de vorige stelling zijn de overeenkomstige
hoeken gelijk, en wij kunnen dus van die eigenschap gebruik
j1;™ j7,
                   maken, om er de eigenschappen van
deze § uit af te leiden.
a.    Om aan te toonen, dat L HCB
z=. L CBF, merke men op, dat beide
gelijk zijn aan L EBA, de eerste als
overeenkomstige hoek van EBA, de
tweede als overstaande hoek.
b.    De verwisselende buitenhoeken
DCH en EBA zijn gelijk, omdat beide gelijk zijn aan L CBE.
c.    Om te bewijzen: L HCB L EBC rr 180% heeft men
L HCB = L HCD — 180°, als nevenhoeken;
L HCD := L EBC, als overeenkomstige hoeken.
L HCB L EBC =: 180°.
d.    Om te bewijzen: L DCH L EBA — 180°, heeft men
L DCH L HCB = 180°, als nevenhoeken;
L HCB zz. L EBA, als overeenkomstige hoeken.
L DCH L EBA = 180°.
Opmerking. Deze eigenschappen zijn de omgekeerde van die in
§ 30.
Gevolg van c. Als twee lijnen door een derde gesneden worden
zóó, dat de som van twee binnenhoeken aan een zelfden kant der
■\'
-ocr page 25-
21
snijlyn kleiner dan een gestrekte hoek is, zullen die twee lijnen
elkaar ergens ontmoeten.
§ 34. Stellino. Zijn de beenen van een hoek etenwijdig met
de beenen van een anderen, dan zijn die hoeken of gelijk of elkaar8
supplement.%fi,^. C
—\'«■- >"■">, .„>■\'. J- t^v-u- n -\'t «/^j-^tl^ <!\'«.\'—Ul-\' \'v «\'"\' <» \'\'. .
Fig. 18.
                           Bewijs. Als door het punt K t±*~. ■ y*
twee lijnen AB en CD gaan, die -»<gpa*^.j>i
evenwijdig zijn met de beenen van .-,■,,.,,-■„
i
P, dan is K het hoekpunt van
vier hoeken, waarvan de beenen
evenwijdig zijn met die van i P.
Verlengt men nu de lijn CD,
tot zij een der beenen van L P
snijdt in E, dan heeft men:
/ CfCB ~ _ CEF, als overeenkomstige hoeken;
i P ~ L CEF, als overeenkomstige hoeken;
dus i P = L CKB.
Verder is L AKD — L CKB, als overstaande hoeken;
dus
               L P = L AKD.
Elk der hoeken AKC en BKD maakt een gestrekten hoek met
L CKB, dus ook met L P.
§ 35. Stelling. Staan de beenen van een hoek loodrecht op de
beenen van een anderen, dan zijn die hoeken bf gelijk bf elkaars
supplement.
Bewijs. Als door E twee lijnen AB en CD gaan, die loodrecht
p-j™ i9_
                      op de beenen van i P staan, dan
is E het hoekpunt van vier hoe-
ken, wier beenen loodrecht staan
op die van L P.
Stellen wij ons voor, dat door
E een lijn EG getrokken zij,
evenwijdig met PC, dan is _ CEG
recht, als verwisselende binnen-
hoek van L PCE. Stellen wij ons
evenzoo voor, dat EF evenwjjdig
loopt met PB, dan is ook L AEF recht.
-ocr page 26-
22
Verder is, volgens de vorige stelling, L GE F = LP;
L GEF = L AEC, omdat
zij hetzelfde complement hebben. Dus is : 1\' — L AEC en
1P — L BED.
De hoeken BEC en AED hebben ieder tot supplement L AEC
of L P.
Opmerking. De voorgaande eigenschappen komen meest
■ . allo, ofschoon in andere volgorde, voor in de Elementen
van euclides. Deze beroemde schrjjver leefde te Alexandrië,
ten tijde van Ptolemeus Lagus, omstreeks het jaar 272 vóór
onze tijdrekening.
Wat de vijf axioma\'s betreft: Het eerste vindt men bij
DE morgan. Het tweede axioma komt vrij onduidelijk voor
in Euclides. Bij denzelfden schrijver vindt men het derde
axioma, ofschoon hij het evenmin als het tweede opgeeft
als axioma. In plaats van liet vijfde axioma neemt Euclides
als axioma aan de eigenschap, die voorkomt § 33, Gevolg.
De pogingen van een groot aantal schrijvers, om een theorie
der evenwijdige lijnen te geven, zonder daarbij een axioma
aan te nemen, kuunen als mislukt beschouwd worden. Intus-
schen zijn ten aanzien der evenwijdige lijnen belangrijke
onderzoekingen gedaan door gauss (1831), bolyai (1S32)
en LOBATSCHEWSKY (1840).
-ocr page 27-
EENVOUDIGSTE EIGENSCHAPPEN DER DRIEHOEKEN.
§ 36. Bepalingen. De figuur, die ontstaat als men drie pun-
ten, die niet in een rechte lijn liggen, twee aan twee vereenigt
door rechte lijnen, noemt men een driehoek.
De drie lijnen noemt men de z ij d e n van den driehoek.
De hoeken, die de lijnen met elkaar maken, noemt men de
hoeken van den driehoek.
De punten noemt men de hoekpunten van den driehoek.
Een hoek, die gevormd wordt door een der zijden en het ver-
lengde van een andere zijde, noemt men een buitenhoek van
-den driehoek.
In plaats van het woord driehoek gebruikt men soms het teeken a •
Opmerking. Men duidt een driehoek aan door het opnoemen
van de letters, die bij de hoekpunten geplaatst zijn, bijv. driehoek
ABC (fig. 20).
§ 37. Stellikg. De hoeken van een driehoek bedragen samen
«en gestrekten hoek.
Bewijs. Als de zijde AB verlengd is, en als door B een lijn
pj_ 20.
                       ^E Saa^i die evenwijdig loopt met
AC, dan is L EBD = L A, als
overeenkomstige hoeken, en L CBE
= C, als verwisselende binnen-
hoeken. De drie hoeken, die hun
hoekpunt in B hebben, bedragen
samen een gestrekten hoek ABD,
en volgens het voorgaande zijn die
hoeken gelijk aan die van den driehoek.
Gevolgen. 1. Een buitenhoek van een driehoek is gelijk aan
de som van de twee niet^aanliggende hoeken.
L
CBD = L A L C.
-ocr page 28-
24
2. In een driehoek kan niet meer dan één hoek recht of stomp zijn.
8. In een driehoek,■ waarvan één hoek recht is, zijn de twee
andere elkaars complement.
4. Als twee hoeken van een driehoek gelijk zijn aan twee hoeken
van een anderen driehoek, dan is de derde hoek van den eersten
driehoek gelijk aan den derden hoek van den tweeden driehoek.
§ 38. Bepalingen. Een driehoek, waarvan één hoek stomp is,
noemt men een stomphoekigen driehoek of een stompen
driehoek.
Een driehoek, waarvan één hoek recht is, noemt men een recht-
hoekigen driehoek of een rechten driehoek.
Een driehoek, waarvan alle hoeken scherp zijn, noemt men een
scherphoekigen driehoek of een scherpen driehoek.
In een rechten driehoek heet de zijde, die tegenover den rechten
hoek staat, hypotenusa of schuine zijde. De twee andere
zijden heeten rechthoekszij den.
§ 39. Stelling. Als in een driehoek twee zijden gelijk zijn,
dan zijn de hoeken tegenover die zijden ook gelijk.
Fig. 21.
                Onderstelde. AB = BC.
Gestelde, l C zz l A.
Bewijs. Stellen wij ons voor, dat de drie-
hoek opgenomen en omgekeerd wordt en dat
men hem zóó neerlegt, dat BC valt, waar
eerst BA lag. Omdat BA = BC, valt C,
waar eerst A lag, en A, waar eerst C lag.
De hoek BCA valt dus, waar eerst L BAC
lag, zoodat wij hebben
L BCA = L BAC.
§ 40. Bepalingen. Een driehoek, waarvan twee zijden even
ang zijn, noemt men een gelijkbeenigen driehoek.
De gelijke zijden noemt men de beenen van den driehoek.
De andere zijde heet de basis of grondlijn.
De hoek tegenover de basis wordt top hoek genoemd, en zj,n
hoekpunt het toppunt van den driehoek.
Een driehoek, waarvan alle zijden even lang zijn, noemt men
een gelijkzijdigen driehoek.
-ocr page 29-
25
Een driehoek, waarvan de drie zijden verschillen in lengte,
noemt men ongeljjkzijdigen driehoek.
De loodlijnen, die men uit de hoekpunten van een driehoek kan
neerlaten op de overstaande zijden, noemt men de loodlijnen
van den driehoek.
De naam basis wordt ook dikwijls gegeven aan een der zijden
van een willekeurigen driehoek, onverschillig welke zijde. De andere
zijden noemt men dan opstaande zijden. De loodlijn, die men
cp de basis kan neerlaten uit het overstaande hoekpunt, noemt
men de hoogte van den driehoek.
Opmerking. Na de voorgaande bepalingen gegeven te hebben,
kunnen wij de eigenschap der vorige § ook aldus uitdrukken:
In een gelijkbeenigen driehoek zijn de hoeken aan de basis even
groot.
Gevolgen. 1. In een gelijkbeenigen driehoek zijn de hoeken
aan de basis scherp.
2. In een gelijkzijdigen driehoek zijn alle hoeken even groot.
§ 41. Stelling. Als in een driehoek twee zijden ongelijk zijn,
dan is de hoek tegenover de grootste der twee zijden grooter dan
de hoek tegenover de kleinste der twee zijden.
pj„ 22.                       Onderstelde. AB > BC,
Gestelde, l BCA >"B6-i\\.-
Bewijs. Neem BD — BC en trek
HSgPf* CD, dan is driehoek BCD gelijkbeenig,
Jw^sc waaru\'t volgt
lil        - BCD = L BDC-
sfllll Omdat CD binnen den driehoek moet
vallen, is altijd
L BCA > L BCD.
In driehoek ACD is verder L BDC een buitenhoek en i, A een
binnenhoek, zoodat volgens § 37, 1
L BDC > L A.
L A is dus kleiner en i BCA grooter dan een hoek aan de basis
in den gelijkbeenigen driehoek, waaruit volgt
L BCA > L A.
§ 42. STELLINGEN. Als in een driehoek twee hoeken even groot
-ocr page 30-
26
zijn, dan zijn de zijden tegenover die hoeken even lang, en de drie-
hoek is dus gelijkbeenig.
Als in een driehoek twee hoeken ongelijk zijn, dan staat tegen-
over den grootsten der twee hoeken de grootste zijde.
Bewijs. Duiden wij twee hoeken van een driehoek aan door A
en B, de zijden tegenover die hoeken door a en h, dan zijn ten
aanzien van o en b drie onderstellingen mogelijk
a=.b,a>b,a<b . . . . (1)
Daaruit volgen, volgens de vorige eigenschappen, respectievelijk
A = B, A > B, A < B ... (2)
Weet men nu omgekeerd A — B, dan kan niet zijn a > Ij,
omdat dit ten gevolge heeft A > B. Men kan ook niet hebben
a < b, want dan was A < B. Men weet dus, dat uit
A — B volgt a — b.
Weet men A > B, dan kan men niet hebben a =: b, omdat
hieruit zou volgen A = B. Men kan ook niet hebben a < b, omdat
alsdan A < B zou zijn.
Uit                         A > B volgt dus a > b.
Weet men, dat A < B, dan kan niet zijn a = b, omdat hieruit
zou volgen Ar B. Men kan dan ook niet hebben a > b, omdat
A > B daarvan het gevolg zou zijn.
Uit                         A < B volgt dus a < b.
Gevolgen. 1. In een rechthoekigen driehoek is de hypotenusa
de grootste zijde.
2.    In een stomphoekigen driehoek is de zijde tegenover den stom-
pen hoek de grootste.
3.    Een driehoek, waarvan alle hoeken even groot zijn, is gelijkzijdig.
§ 43. De stellingen der vorige § zijn de omgekeerden van die
in § 39 en § 41. De bewijzen, die wij voor de omgekeerde stellin-
gen gegeven hebben, zijn indirect. Bij de voorgaande manier van
betoogen verdienen twee omstandigheden vooral onze aandacht.
"Vooreerst zijn in de rij (1) alle mogelijke onderstellingen gemaakt.
Ten tweede zijn de gevolgen (2), welke respectievelijk met die
onderstellingen overeenkomen, alle verschillend en van dien aard,
dat geen twee te gelijk kunnen waar zijn. Zoo dikwijls die twee
omstandigheden bestaan bij eenige eigenschappen, kan men de
-ocr page 31-
27
omgekeerde eigenschappen volkomen op dezelfde wijze aantoonen
als in de vorige § is gedaan. Men kan dus in zulke gevallen, ook
zonder nader bewijs, zeker zijn van de waarheid der omgekeerde
stellingen. Als algemeene regel, dien wij dikwijls zullen toepassen,
geldt nu:
Als men in een reeks van eigenschappen alle onderstellingen heeft
genomen, die mogelijk zijn voor eene bepaalde zaak, en als die
onderstellingen geleid hebben tol gevolgen, die alle verschillend zijn
en van dien aard, dat geen twee te gelijk kunnen waar zijn, dan
zijn noodzakelijk de omgekeerde stellingen ook waar.
§ 44. Stelling. De som van twee zijden eens driehoeks is
èüc.
Gestelde. AB BC > A-B-.
Bewijs. Als AB verlengd is, zóó
dat BD = BC, en als D met C
vereenigd is, dan heeft men AD =
AB -f- BC, en men moet slechts
aantoonen AD > AC.
grooter dan de derde zijde.
Wie.
23.
Uit BC = BD volgt:
L BDC = l BOD
L ACD > L BCD
L ACD > l BDC.
Dus volgens § 42 AD > AC.
§ 45. Stelling. Het verschil van twee zijden eens driehoeks is
kleiner dan de derde zijde.
Bewijs. Als a, b en c de drie zijden zijn, heeft men
a < b c,
b — b.
a
—b < c.
§ 46. Stelling. De som van twee
zijden eens driehoeks is grooter dan de
som van twee lijnen, die éénpunt binnen
den driehoek verbinden met de uiteinden
der derde zijde.
Gestelde. AD BD < AC BC.
Bewijs.
Als AD verlengd is tot in E, dan is
-ocr page 32-
BD < DE BE,
AD DE < AC EC._______
AD BD -f DE < DE BC AC.
_______DE = DE.
AD BD < BC AC.
GELIJK- EN GELIJKVORMIGHEID DER DRIEHOEKEN.
§ 47. Bepaling. Twee driehoeken heeten gelijk en gel ij k-
vormig, als de zijden en hoeken van den eenen driehoek gelijk
zijn aan die van den anderen. Gelijk en gelijkvormig duidt men
aan door cv. In de volgende paragrafen zullen wij zien, dat het
in vele gevallen mogelijk is, om uit de gelijkheid van enkele der
zijden en hoeken tot die der andere te besluiten.
De gelijke zijden noemt men ook wel gelijkstandige zijden,
en de hoekpunten der gelijke hoeken overeenkomstige hoek-
punten. Bij het aanduiden van twee cy driehoeken ABC en DSP
kiest men de volgorde der letters zóó, dat A overeenkomstig is
met D, B met S en C met P.
§ 48. Stellino. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijkvormig, als
twee zijden met den ingesloten hoek van den eenen driehoek gelijk zijn
aan twee zijden met den ingesloten hoek van den anderen driehoek.
Onderstelde AB = DE, BC = EF, L ABC z= L DEF.
Gestelde. AC = DF, L CAB = L FDE, L ACB = L DFE.
Bewijs. Omdat
L B = L E, kan men
den driehoek DEP
zoo plaatsen, dat E
in B valt, EF langs
BC, ED langs BA.
Omdat BC = EF,
valt F in C, en uit
ED ;= BA volgt, dat D in A valt. De driehoeken kunnen dus
elkaar volkomen bedekken, zoodat wij hebben
AC = DF, L A = L D, L C = L F.
-ocr page 33-
29
§ 49. Stelling. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijkvormig,
ah zij een zijde en de twee aanliggende hoeken gelijk hebben.
Onderstelde. AB = DE, L A — t_ T>, L B = L E.
Bewijs. Plaats driehoek DEF zóó, dat DE op AB valt en dat
j?j„ 26.
                                 F aan denzelfden
kant van AB komt
als C. Omdat L D
= L A, zal DF langs
AC vallen. Omdat
i E = L B, zal EF
langs BC vallen. De
twee driehoeken kun-
nen elkaar dus volkomen bedekken, en daarom zijn zij tv.
", § 50. Stelling. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijkvormig,
als zij een zijde, den overstaanden hoek en een aanliggenden hoek
gelijk hebben.
j: Bewijs. Yolgens § 37, 4 zullen de driehoeken, die twee hoeken
gelijk hebben, ook den derden hoek gelijk hebben. Zij hebben dus
hier een zijde en de twee aanliggende hoeken gelijk, en daarom
zijn ze, volgens do vorige §, gelijk en gelijkvorniig.
§ 51. Stelling. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijkvormig,
als de zijden van den eenen gelijk zijn aan die van den anderen.
Onderstelde.\' AB\'= DE, AC = DF, BC = EF.
Fisr. 27.                                  Bewijs. Plaats ABC
zóó, dat twee gelijke
zijden AB en DE sa-
menvallen en dat de
hoekpunten C en F aan
verschillenden kant van
DE vallen. Stellen wij
ons voor, dat door F
en O de rechte lijn FG
getrokken zij, dan volgt uit
EF = EG            L EFG = L EGF.
Uit DF ■= DG volgt L MS& — L DGF.
L DFE = L DGE = (C.
-ocr page 34-
30
De driehoeken ABC en DEF hebben dus twee zijden en den
ingesloten hoek gelijk, L C — L DEF7 en zijn, volgens § 48,
gelijk en gelijkvormig.
                      ..V
§ 52. Stelling. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijkvormig,
als zij twee zijden en een hoek over een dier zijden gelijk hebben,
en als bovendien de hoeken, die in de twee driehoeken tegenover de
andere zijde staan, gelijksoortig zijn, d. i. beide scherp, beide recht
of beide stomp.
Osdekstelde. AB r= DE, BC = EF, U = [D, L BCA
en i F gelijksoortig.
Bewijs. Dewijl AB =r DE, kan men driehoek DEF zóó plaat-
sen, dat D in A en E in B valt. Als nu F en C aan denzelfden
Fig. 28.
                                 kant van AB lig-
gen , dan zal DF
langs AC vallen.
EF zal langs BC
vallen of zij zal dit
niet doen. In het
eerste geval bedek-
ken de driehoeken
elkaar, en het gestelde is dan bewezen. Als daarentegen E F niet
langs BC, maar bijv. in BK valt, heeft men EF =r BK :=: BC,
en daaruit volgt [ BCK r: BKC. Deze zijn dus beide scherp en
L ACB is dan stomp. Maar dan zijn
L ACB en L AKB of
L DFE en L AKB ongelijksoortig.
Dit is echter onmogelijk, omdat de twee voorgaande hoeken vol-
gens de onderstelling gelijksoortig zijn. Het is dus ook onmogelijk,
dat EF ergens anders valt dan langs BC.
Gevolgen. 1. Als twee driehoeken, die twee zijden en een hoek
over een dier zijden gelijk hebben, niet gelijk en gelijkvormig zijn,
dan zijn de hoeken tegenover de andere van die zijden elkaars
supplement.
2. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijkvormig, als zij twee zijden
en den hoek tegenover de grootste der twee zijden gelijk hebben.
Men merke slechts op, dat de hoek tegenover de kleinste der
-ocr page 35-
•Al
twee zijden noodzakelijk scherp is in elk der driehoeken; zoodat de
twee hoeken tegenover het kleinste paar zijden gelijksoortig zijn.
§ 53. Uit de vijf vorige stellingen blijkt, dat in \'t algemeen
drie gelijkheden noodig en voldoende zijn om te besluiten tot de
gelijk- en gelijkvormigheid van twee driehoeken. Onder de drie is
minstens één gelijkheid van zijden. Tevens is gebleken, dat gelijke
zijden steeds tegenover gelijke hoeken staan. Men noemt de vijf
voorgaande eigenschappen dikwijls de vijf gevallen van gelijk-
en gelijkvormigheid der driehoeken. Uit die stellingen blijkt, dat
een driehoek volkomen bepaald is (d. w. z. dat slechts één driehoek
mogelijk is), zoodra bekend zijn:
1.    Twee zijden en de ingesloten hoek.
2.    Een zijde en de twee aanliggende hoeken.
3.    Een zijde, die overstaande hoek en een aanliggende hoek.
4.    De drie zijden.
5.    Twee zijden en de hoek tegenover de grootste der twee zijden.
§ 54. Daar twee rechthoekige driehoeken altijd den rechten hoek
gelijk hebben, zoo moeten nog twee gelijkheden daarenboven be-
kend zijn om tot de gelijk- en gelijkvormigheid der driehoeken te
kunnen besluiten. \'Wij hebben dus als bijzondere gevallen, dat twee
rechthoekige driehoeken gelijk en gelijkvormig zijn, als zij gelijk
hebben:
1.    De twee rechthoekszijden, of
2.    Een rechthoekszijde en de hypotenusa, of
3.    Een rechthoekszijde en een der scherpe hoeken, of
4.    De hypotenusa en een der scherpe hoeken.
§ 55. Past men de gevallen van gelijk- en gelijkvormigheid der
driehoeken toe op gelijkbeenige driehoeken, dan ziet men, dat deze
gelijk moeten hebben:
1.    Een der boenen en den tophoek, of
2.    De basis en een hoek aan de basis, of
3.    De basis en de tophoek, of
4.    Een been en een hoek aan de basis, of
5.    De basis en een been.
Daar de hoeken van een gelijkzljdigen a ieder 60° bevatten,
zoo hebben twee gelijkzijdige driehoeken in elk geval de hoeken
-ocr page 36-
32
gelijk. Opdat dus twee gelijkzijdige driehoeken gelijk en gelijkvor-
mig zijn is noodig en voldoende, dat een zijde van den eenen drie-
hoek gelijk is aan een zijde van den anderen.
TOEPASSINGEN VAN DE EENVOUDIGSTE EIGENSCHAP-
PEN EN VAN DE GELIJK- EN GELIJKVOR-
MIGHEID DER DRIEHOEKEN.
§ 56. Stelling. De lijn, die den tophoek van een gélijkbeenigen
driehoek middendoor deelt, deelt de grondlijn rechthoekig middendoor.
Onderstelde. AC ■=. BC, L ACD = l BCD.
Gestelde. AD = BD, l CDA = . CDB.
Fi". 29.
              Bewijs. De driehoeken ACD en BOD zijn ^,
want men heeft
AC = BC,
CD = CD,
L ACD = L BCD.
De andere zijden en hoeken van ACD en BCD
zijn daarom ook gelijk; dus
AD = BD,
L ADC = L BDC.
Daar deze twee hoeken samen een gestrekten hoek vormen en
even groot zijn, moet ieder recht zijn.
Daar nu AD = BD, terwijl CD rechthoekig op AB staat, is het
gestelde bewezen.
§ 57. Stelling. De lijn, die het toppunt van een gélijkbeenigen
driehoek verbindt met het midden der basis
, deelt den tophoek
middendoor en staat loodrecht op de basis.
Onderstelde. AC = BC, AD = BD.
Gestelde. L ACD = L BCD, L ADC = L BDC.
Bewijs. De driehoeken ACD en BCD hebben de zijden geljjk,
en zijn dus gelijk en gelijkvormig. Hieruit volgt onmiddellijk het
gestelde.
-ocr page 37-
33
§ 58. Stelling. De lijn, die door het toppunt van een gelijk-
beenigen driehoek gaat en rechthoekig op de basis staat, deelt den
tophoek en de basis middendoor.
Onderstelde. AC = BC, L ADC = L BDC = 90°.
Gestelde, l ACD = L BCD, AD = BD.
Fig. 30.
Bewijs. De driehoeken ACD en BCD zijn
rechthoekig, en hebben gelijke hypotenusa\'s AC
= BC, alsmede een gemeenschappelijke recht-
hoekszijde CD. Die twee driehoeken zijn dus gelijk
en gelijkvormig, en hieruit volgt AD = BD en
L ACD = L BCD.
§ 59. Stellingen. 1. Elk punt van de lijn ,
die
AB rechthoekig middendoor deelt, ligt op gelijke
afstanden van
A en B.
2. Elk punt buiten de lijn, die AB rechthoekig middendoor
deelt, ligt op ongelijke afstanden van
A en B. Zie flg. 81.
Onderstelde. AC = BC, L ACD = L BCD — 90°.
Gestelde. 1°. AD = BD, 2°. AE en BE zijn ongelijk.
Fig. 31.
Bewijzen. 1°. De driehoeken ACD
en BCD zijn rechthoekig en hebben
de rechthoekszijden gelijk, volgens het
onderstelde. Zij zijn dus gelijk en ge-
lijkvormig en hebben daarom de hypo-
tenusa\'s gelijk, AD = BD.
2°. Verbind D met B, dan ia vol-
gens het vorige AD rr BD. In drie-
hoek BDE is
BE < BD DE,
of BE < AD -(- DE,
of BE < AE.
§ 60. In de twee vorige stellingen hebben wij gesproken van
een punt in de lood lijn, die AB middendoor deelt, en van een
punt buiten de loodlijn. Dat zijn de eenige onderstellingen, die
men kan maken omtrent de ligging van een punt. Wij zijn daarbij
respectievelijk gekomen tot de gevolgen: gelijke afstanden van
A en van B en ongelijke afstanden. Deze twee gevolgen kun-
J. versluys, Vlakke Meetkunde. 8e druk.
                           3
-ocr page 38-
34
nen niet te gelijk waar zijn, en volgens den algemeenen regel van
§ 43 zijn nu do omgekeerde van de twee stellingen noodzakelijk
waar, dus:
1.   Als een punt op gelijke afstanden van A en van B ligt, moet
het liggen in de lijn, die
AB rechthoekig middendoor deelt.
2.    Als een punt op ongelijke afstanden van A. en van B ligt,
moet het buiten de lijn liggen, die
AB rechthoekig middendoor deelt.
Ten overvloede zullen wij nog de bewijzen uit het ongerijmde,
die ons tot den algemeenen regel in § 43 geleid hebben, toepassen
op dezo twee stellingen, als bijzondere gevallen. Later wordt de
algemeene regel gebruikt en het toepassen van het bewijs op de
bijzondere gevallen, ofschoon overbodig, als eene nuttige oefening
aan den leerling overgelaten.
Bewijzen. 1. Als de afstanden van een punt tot A en B
gelijk zijn, kan het niet buiten de loodlijn liggen, omdat alsdan
de afstanden (volgens de vorige stelling 2°) ongelijk zouden zijn,
terwijl /.ij volgens de onderstelling gelijk zijn. Het punt moet dus
in de loodlijn liggen.
2. Als de afstanden van een punt tot A en B ongelijk zijn,
kan het niet in de loodlijn liggen, omdat alsdan volgens de eerste
stelling der vorige § de afstanden gelijk zouden zijn, terwijl zij
volgens de onderstelling ongelijk zijn. Het punt moet dus buiten
de loodlijn liggen.
§ 61. Het is gebleken, dat alle punten van de lijn, die AB
rechthoekig middendoor deelt, evenver verwijderd zijn van A als
van B en dat de punten der loodlijn de eenige zijn, die deze eigen-
schap bezitten. Men vat die twee stellingen samen door te zeggen:
De lijn, die AB rechthoekig middendoor deelt, is de meetkun-
dige plaats der punten, die evenver van A als van B verwij-
derd zijn.
Bepaling. Men noemt een figuur een meetkundige plaats,
als al hare punten aan een zelfde voorwaarde voldoen, terwjjl elk
punt buiten de figuur die eigenschap niet bezit.
Oin te laten zien, dat een kromme lijn of één of meer rechte lijnen
een meetkundige plaats vormen, zijn dus altijd twee eigenschappen
noodig.
-ocr page 39-
35
Opmerking. Volgens de vorige bepaling is de cirkel de meet-
kundige plaats van alle punten die in een plat vlak liggen en
op gegeven afstand verwijderd zijn van een punt in dat zelfde vlak.
§ 62. Door een punt buiten een lijn kan (volgens § 29, Qev. 2)
niet meer dan ééne lijn getrokken worden, die loodrecht op de
eerste staat, terwijl men verschuilende lijnen kan trekken, die
scheeve hoeken maken met de eerste. Het punt, dat een schuine
lijn met de eerste gemeen heeft, noemt men het voetpunt der
schuine lijn. Als door een zelfde punt een loodlijn en verschillende
schuine lijnen getrokken zijn, gelden de
Stellingen. 1. De loodlijn is korter dan een der schuine lijnen.
2.    Twee schuine lijnen, wier voetpunten even ver verwijderd zijn
van het voetpunt der loodlijn, zijn even lang.
3.    Een schuine lijn is langer, naarmate haar voetpunt verder
van het voetpunt der loodlijn verwijderd is.
Bewijzen. 1. Als OA een loodlijn is en OB eene schuine lijn,
is dtiehoek OAB rechthoekig en de hypotenusa OB is langer dan
de rechthoekszijde OA.
2.    Als AB — AC, zijn de drie-
hoeken OAB en OAC gelijk en gelijk-
vormig, omdat zij rechthoekig zijn en
de rechthoekszijden gelijk hebben. De
hypotenusa\'s OB en OC zijn dus gelijk.
3.   Als AD > AB, is driehoek OBD
stomp in B, omdat L OBA scherp is.
V.n in een stomphoekigen driehoek is
de zijde tegenover den stompen hoek de grootste, dus OD > OB.
Liggen de voetpunten der schuine lijnen aan verschillenden kant
van het voetpunt der loodlijn, zooals C en D, dan heeft men
OD > OB, en omdat (volgens 2) OB = OC,
OD > OC.
Gevolg. Uit een punt buiten een lijn kunnen naar die lijn niet
meer dan twee schuine lijnen getrokken worden die even lang zijn.
Alle andere lijnen zijn langer of korter.
Bepaling. De lengte der loodlijn noemt men den afstand van
het punt tot de lyn.
3*
-ocr page 40-
36
§ 63. Stelling. Door een punt"\'buiten een lijn kan altijd één
andere getrokken worden, die loodrecht op de eerste staat.
Bewijs. Zij P het punt buiten de lijn AB. Dat er niet meer
dan een loodlijn mogelijk is, hebben wij reeds in § 29, 2 gezien.
Dat er altijd een is, blijkt uit het volgende. Stellen wij ons voor,
Fie. 33.
                 °-at door P een willekeurige lijn PA
getrokken zij, dan is dit óf een lood-
lijn öf eene schuine lijn. In het eer-
ste geval is het gestelde bewezen. In
het tweede geval is één der twee hoe-
ken, bijv. PAB, scherp. Men kan zich
dan verder voorstellen, dat in het punt
P, aan denzelfden kant van PA, als
waar de scherpe hoek ligt, een hoek
APO geplaatst zij , die het complement is van L PAC; dan is
L PAC L P = 90°; er blijft dus in den driehoek PAC voor
L C nog 90° over; en hiermee is het gestelde bewezen.
Gevolgen. 1. Als uit een punt buiten een lijn een sehuine lijn
getrokken is naar de eerste, dan kan men altijd een tweede schuine
lijn trekken, die even lang is als de schuine lijn, jvelke reeds ge-
trokken is t^J*\'\'\' **e~
\'*f* A^\'* *- ("•■{ " > *«-- /\'
riOKKen is.
       f„«,.U.( W.V!"\' \'■■
2.    Als uit P naar AB een lijn getrokken is, die kleiner is dan
elke andere lij», die men uit
P kan trekken, dan is de eerste de
loodlijn.
3.    Ah uit P naar een lijn twee schuine lijnen getrokken zijn,
die even lang zijn, dan liggen hare voetpunten even ver van het
voetpunt der loodlijn, die men uit
P kan trekken.
i. Als uit P naar een lijn twee schuine lijnen getrokken zijn,
die verschillen in lengte, dan ligt het voetpunt der langste het verst
van het voetpunt der loodlijn, die men uit
P kan trekken.
Opmerkingen. Men zegt van de loodlijn PC, dat zij uit P
neergelaten is op AB.
Als men een loodlijn trekt, waarvan het voetpunt gegeven is,
dan zegt men, dat de loodlijn in dat punt opgericht wordt op
de gegeven lijn.
§ 64. Stellingen. I. Elk punt van de lijn, die een hoek
-ocr page 41-
37
middendoor deelt, ligt op gelijke afstanden van de beenen van
den hoek.
2. Elk punt binnen den hoek, maar buiten de lijn, die den
hoek middendoor deelt, ligt op ongelijke afstanden van de beenen
van den hoek.
Onderstelde, l ABL rr L CBL.
Gestelde. 1°. DE = DF; 2°. GA en GC zijn ongelijk.
Bewijzen. 1. De rechthoekige driehoeken BDE en BDF heb-
Fig. 34.
                       ben de hypotenusa BD gemeen
en een scherpen hoek gelijk,
L DBE = L DBF; zij zijn dus
gelijk en gelijkvormig. Daaruit
volgt DE =: DF.
2. Zij LK de lijn, die door
L gaat en rechthoekig op BC
staat, en zij KG de lijn, welke
het voetpunt van die loodlijn
met G vereenigt. Nu is LA = LK en KG > CG.
Verder is
                      LK LG > CG.Vtg.LK^CGL .
of LA LG > CG, tK-t-LC->K\'(y!
of             AG > CG.
§ 65. Door toepassing van den algemeenen regel van § 43 ver-
krijgt men, ten aanzien van de punten binnen een hoek, de
Stellingen. 1. Als een punt op gelijke afstanden van de beenen
van een hoek ligt, dan is het een punt van de lijn, die den hoek
middendoor deelt.
2. Als een punt zich op ongelijke afstanden van de beenen van een
hoek bevindt, ligt het buiten de lijn, die den hoek middendoor deelt.
§ 66. Stellino. Als twee driehoeken twee zijden gelijk hebben,
en de ingesloten hoek bij den eersten driehoek grooter is dan die
bij den tweeden, zoo is ook de derde zijde van den eersten driehoek
grooter dan die van den tweeden.
Onderstelde. AC = DF, AB = DE, l FDE > t A.
Gestelde. EF > BC.
Bewijs. Plaats driehoek ABC tegen driehoek DEF, zoo dat AB
in DE valt en AC in DG. De ljjn, die L FDG middendoor deelt,
-ocr page 42-
38
valt binnen L FDE en ontmoet dus FE in een punt H. Als verder
H vereenigd is met G, dan hebben de driehoeken FDH en GDH
twee zijden en den in-
gesloten hoek gelijk;
zij zijn dus =v:. Hieruit
volgt FO — GH.
Verder is
GH HE > GE,
FH HE > BC,r\' C
FE > BC.
§ 67. Noemen wij nu in twee driehoeken, die twee zijden gelijk
hebben, de ingesloten hoeken A en D en de overstaande zijden a
en d, dan ziet men volgens deze stelling, dat
uit A > D volgt o > d,
uit A < D volgt o < d,
en uit A — D volgt a z=. d, volgens § 48.
Hiermede zijn ten aanzien van A on D alle mogelijke onderstel-
lingen gemaakt, en deze hebben tot gevolgen geleid, die alle ver-
schillend zijn en van dien aard, dat geen twee te gelijk kunnen
waar zijn. De omgekeerde stellingen zijn dus (zie § 43) ook waar.
Van de derde eigenschap is de omgekeerde reeds in § 51 bewezen.
De omgekeerde van de twee andere gevallen kunnen wij samen-
vatten in de
Stelling: Als twee zijden van een driehoek yelijk zijn aan twee
zijden van een anderen en de overige zijden zijn ongelijk, dan staat
tegenover de grootere zijde een grootere hoek.
WERKSTUKKEN.
§ 68. In dit hoofdstak worden eenige der eigenschappen, die tot
dusver behandeld zijn, toegepast tot de samenstelling van figuren.
Bepaling. De opgave, waarin gevraagd wordt een figuur samen
te stellen, noemt men een werkstuk.
Bepaling. Het samenstellen der figuur noemt men oonstrueeren.
Bij ieder werkstuk wordt in een opmerking besproken, of het
-ocr page 43-
39
altijd mogelijk is een figuur te construeeren, dat aan de vereischten
voldoet, en of er verschillende figuren kunnen zijn, die ieder aan
-de gestelde voorwaarden voldoen.
Even als de stellingen der meetkunde berusten op vier grond-
waarheden of axioma\'s, zoo moet men bij het samenstellen der
figuren eenige verrichtingen beschouwen als onmiddellijk uitvoerbaar.
Het aantal van die bewerkingen is voor de vlakke meetkunde drie.
Bepalino. Men geeft den naam postulaten aan de verrich-
tingen , die men bij het samenstellen van een figuur als onmiddellijk
uitvoerbaar beschouwt.
§ 69. Eerste postulaat. Een rechte lijn trekken, die twee
gegeven punten tot uiteinden heeft.
Tweede postulaat. Een gegeven lijn aan elk hater uiteinden
verlengen.
Derde postulaat. In een gegeven vlak een cirkel beschrijven,
ivaarvan het middelpunt en de lengte der stralen gegeven zijn.
§ 70. Werkstuk. Een driehoek te construeeren, die drie gege-
ven lijnen tot zijden heeft.
Constructie. Laat a, b en e de drie gegeven lijnen zijn.
Trek een lijn BC gelijk aan a. Beschrijf uit B als middelpunt met
p. „g
                            c als straal een cirkelboog.
Beschrijf uit C als middel-
punt met b als straal een cir-
kelboog. Als die twee cirkel-
bogen elkaar snijden in A,
behoeft men slechts A met B
en met C te vereenigen door
rechte lijnen om een drie-
hoek ABC te verkrijgen ,
die a, b en c tot zijden heeft.
Opmerking. Als twee driehoeken de drie zijden gelijk hebben,
kunnen zij elkaar volkomen bedekken. Er zijn dus geen twee ver-
schillende driehoeken mogelijk, die «, b en c tot zijden hebben.
Uit de §§ 44 en 45 blijkt, dat geen enkele driehoek mogelijk is,
die «, A en c tot zijden heeft, indien niet te gelijk
a<b-\\-cena> c—b (waarin c > of := b).
-ocr page 44-
40
In het volgende zullen wij laten zien, dat er een driehoek is,
die aan \'t gestelde voldoet, zoodra de twee bovenstaande voor-
waarden vervuld zijn. Daartoe moeten wij slechts aantoonen, dat
de twee cirkels, die in de constructie voorkomen, een punt gemeen
hebben, dat buiten BC en haar verlengde ligt.
Als de eene cirkel
°\' \'
                             geheel buiten den ande-
ren lag (zooals in fig.
37a) zou men hebben
BC > BD CE
of a > e b.
Indien dus gegeven i&
a < c b
kan niet de eene cir-
kel geheel buiten den
anderen liggen.
Fig. 376.
Als de eene cirkel ge-
heel binnen den anderen
lag (zooals in fig. 376)
zou men hebben
BC < BD — CE
of o < e — b.
Indien dus gegeven is
a > c — b
kan niet de eene cirkel
geheel binnen den anderen
liggen.
Maar als de eene cirkel
niet geheel buiten en ook
niet geheel binnen den
anderen kan liggen, moeten ze minstens één punt gemeen hebben.
Als dat punt op BC zelf lag, zouden we hebben a — b -f- c,
en dit strijdt tegen het onderstelde, dat a < i c. Dat punt kan
dus niet liggen op BC zelf.
Dat punt kan ook niet op het verlengde van BC liggen, want dan moest
a — c — b zjjn, en dit strijdt tegen het onderstelde, dat a>c — b.
-ocr page 45-
41
Aangezien du de twee cirkels een punt moeten gemeen hebben,
en aangezien dit punt niet op BC of het verlengde kan liggen,
moeten de cirkels minstens één punt gemeen hebben, dat buiten
BC en haar verlengde ligt.
Hiermede is het gestelde bewezen.
Gevolgen. 1. Men kan altijd een gelijkzijdigen driehoek be-
schrijven, die een willekeurige lijn tot zijde heeft.
2. Men kan altijd een driehoek beschrijven, die gelijk en gelijk-
vormig is met een gegeven driehoek.
§ 71. "Werkstuk. Door een punt in een lijn een andere lijn
te trekken, die met de eerste een hoek maakt, gelijk aan een gege-
ven hoek.
Constructie. Zij A het punt, dat in de lijn AB gegeven is,
en P de gegeven hoek.
Neem op de beenen van L P twee gelijke stukken PC en PD.
Fig. 38.
                                 Neem op de lijn
AB een stuk AE,
gelijk aan PC, en
beschrijf verder een
driehoek AEF, die
gelijk en gelijkvor-
mig is met PCD,
dan volgt uit de
gelijk- en gelijkvor-
migheid der driehoeken L A — i P.
Opmerking. Omdat de constructie van den driehoek AEF altijd
mogelijk is (zie de vorige §, Gevolg 2) kan men door het punt A
altjjd eene lijn trekken zóó, dat L BAF = [P, Door den driehoek
aan den anderen kant van AB te laten vallen, verkrijgt men een
tweede lijn, die aan het vereischte voldoet.
Door verder het stuk AE aan den anderen kant van A te plaat-
sen zou men twee lijnen vinden, die de verlengden der twee reeds
gevonden lijnen zijn.
Die twee lijnen maken slechts een enkele uit, als _ P recht is.
§ 72. Werkstuk. Als twee hoeken van een driehoek gegeven
zijn vraagt men den derden te construeeren.
-ocr page 46-
42
Constructie. Laat P en Q de gegeven hoeken zijn.
Neem een gestrekten hoek ABC.
Maak L ABD =: L P en L CBE =
L Q dan is L EBD de gevraagde,
omdat hij met L P en Q samen
een gestrekten hoek maakt.
Opmerking. De constructie is
mogelijk, als L P L Q < 180;.
§ 78. "Werkstuk. Door een
gegeven punt een lijn te trekken,
evemvijdig met een gegeven lijn.
Constructie. Zij A het punt en BC de lijn, die gegeven zijn.
Trek door A een lijn, die BC ergens ontmoet, bijv. in D.
Maak i DAH — i ADC, dan loopt AH evenwijdig met BC,
omdat de verwisselende binnenhoeken DAH en ADC gelijk zijn.
Fig. 40.
Opmerking. Dat er altijd een lijn is, die door A gaat en
evenwijdig loopt met BC, blijkt uit de constructie, zooals wij
reeds opmerkten in § 31. Dat er niet meer dan een lijn is,
die aan \'t vereischte voldoet, hebben wij als axioma aangenomen.
§ 74. Werkstuk. Door een punt buiten een lijn een andere te
trekken, die met de eerste een hoek maakt, gelijk aan een gegeven hoek.
Constructie. Zij A het punt, BC de lijn en P de hoek.
Wij moeten een lijn trekken, die aan twee voorwaarden voldoet:
zij moet door A gaan en zij moet met BC een gegeven hoek maken.
Laten wij voorloopig de eerste voorwaarde ter zijde, dan kunnen
wij een willekeurig punt F in BC kiezen en volgens § 71 een lijn
FE trekken, zoo dat _ CFE r iP, Trekt men nu, met behulp
Tan § 73, een lijn AD, die evenwijdig loopt met EF, dan is
-ocr page 47-
43
/
i ADC = L EFG. De lijn AD voldoet dus aan de twee gestelde
voorwaarden.
Fig. 41.                                Opmerkimo. Door het
punt F kan volgens § 71
nog een lijn getrokken
worden, die met tB een
hoek maakt, gelijk aan
L P. De lijn, die door A
moet getrokken worden,
moet met BC een hoek
maken, gelijk aan den
hoek, dien elk der twee lijnen, welke wij door F getrokken hebben,
met BC maakt. De lijn, die door A moet getrokken worden, moet
dus evenwijdig loopen met een der twee lijnen door F. Er zijn dus
twee lijnen, die aan \'t gevraagde voldoen.
Indien hoek P recht is, is er volgens § 29 maar één lijn mogelijk,
die aan \'t gevraagde voldoet.
§ 75. "Werkstuk. Een driehoek te beschrijven als twee zijden
en de ingesloten hoek gegeven zijn.
Constructie. Maak ea*i hoek A gelijk aan den gegeven hoek
en neem op de beenen van A twee stukken, AB en AC, gelijk
aan de twee gegeven zijden. Vereenigt men nu B met C, dan is
ABC de gevraagde driehoek.
Opmerking. De constructie kan altijd verricht worden en vol-
gens § 53 zijn geen twee verschillende driehoeken mogelijk.
§ 76. Werkstuk. Een driehoek te beschrijven, als een zijde en
twee aanliggende hoeken gegeven zijn.
Constructie. Neem een lijn AB gelijk aan de gegeven zijde
en trek volgens § 71 door A en door B ieder een lijn aan den-
zelfden kant van AB, zoo dat L A en _ I! respectievelijk gelijk
zijn aan de gegeven hoeken. Als de twee lijnen, die door A en B
getrokken zijn, elkaar snijden in C, is ABC de begeerde driehoek.
Opmerking. Het construeeren van twee hoeken, gelijk aan de
gegeven hoeken, is volgens § 71 altijd mogelijk. De twee lijnen,
die door A en B getrokken zijn aan denzelfden kant van AB,
zullen elkaar ontmoeten, als de som der twee gegeven hoeken klei-
-ocr page 48-
44
ner is dan een gestrekte hoek (zie § 33, Gevolg). In dat geval is
er dus een driehoek, die aan de gestelde voorwaarden voldoet. Dat
er geen twee verschillende driehoeken mogelijk zijn, hebben wij in
§ 53 gezien.
§ 77. Werkstuk. Een driehoek te beschrijven, als een zijde ge-
geven is, benevens de overstaande hoek en een aanliggende hoek.
Constructie. Maak volgens § 72 een hoek, die gelijk is aan
den derden hoek, dan heeft men een zijde van den driehoek en de
twee aanliggende hoeken. De constructie is dus teruggebracht tot
die van de vorige §.
§ 78. Werksruk. Een driehoek te beschrijven, als twee zijden
en een hoek over een dier zijden gegeven zijn.
Fig. 42.                             Constructie. Laat a en b
de gegeven lijnen zijn en B
de hoek, die tegenover b moet
staan. Maak een hoek ABC
gelijk aan L B, neem BC zz:
ii en beschrijf uit C als mid-
melpunt met b als straal een
cirkelboog. Als deze het been
BA snijdt in A, voldoet driehoek ABC aan de gestelde voor-
waarden.
Opmerking. Uit de constructie blijkt, dat het noodig en vol-
doende is voor het bestaan van den gevraagden driehoek, dat de
cirkel de lijn BA of haar verlengde aan den kant van A snijdt.
Het snijden heeft plaats, als b grooter is dan de loodlijn CD, die
men uit C op AB kan neerlaten, omdat D een punt binnen den
cirkel is en een rechte lijn, die door zulk een punt gaat, den cir-
kel noodzakelijk twee malen snijdt. Indien b kleiner is dan de
loodlijn kan men uit C geen lijn trekken naar AB, die geljjk is
aan b, omdat de loodlijn onder alle lijnen, die men trekken kan,
de kortste is. Indien b gelijk is aan de loodlijn heeft men éen lijn,
die uit C naar AB kan getrokken worden en gelijk is aan B. Om
verder na te gaan hoeveel driehoeken aan het vereischte voldoen
kunnen, als b grooter is dan de loodlijn of even groot, onderscheiden
wij drie gevallen.
-ocr page 49-
45
1°. De gegeven hoek is scherp.
Als b gelijk is aan de loodlijn CD, voldoet BCD aan de gestelde
Fig. 43.
            voorwaarden, en die driehoek is de eenige.
Als b grooter is dan de loodlijn en kleiner
dan ii. dan liggen de voetpunten A en A,
der schuine lijnen, die men uit C kan trek-
ken , volgens § 63, 4, dichter bij D dan B
(zie fig. 42). De twee driehoeken BCA en
BCA, voldoen dan aan \'t vereischte.
Als h grooter is dan de loodlijn en grooter
dan o, liggen de voetpunten A en A, der schuine lijnen verder van
D dan I! (zie fig. 43). Alleen de driehoek ABC voldoet dan aan
het vereischte.
Fig. 44.
\\ v^—^_
__c
ai---------------------------f
t- -—. tf
v\\
!\'-■
2°. De gegeven hoek is stomp.
Fig. 45.                      Indien b gelijk is aan de loodlijn,
kan men uit C geen enkele lijn trek-
ken, die gelijk is aan b en die BA of
haar verlengde aan den kant van A
snijdt; er is dan geen driehoek mogelijk.
Indien b grooter is dan de loodlijn
en kleiner dan «, is het gevraagde
eveneens onmogelijk.
Indien b grooter is dan «, vallen de
voetpunten der twee schuine lijnen
aan weerszijden van B in A en A,.
De driehoek ABC is dan de eenige, die aan \'t gevraagde voldoet.
-ocr page 50-
46
3°. De gegeven hoek is recht.
De loodlijn, die men uit C kan neerlaten, is CB. Zij is dus gelijk
aan o. De zijde b moet grooter zjjn dan «, en men heeft dan één
driehoek, die aan het gevraagde voldoet.
§ 79. Werkstuk. Een gegeven hoek middendoor te deelen.
Constructie. Xeera op de beenen van den hoek twee gelijke
Fig. 46.                   stukken AB en AC. Beschrijf uit B
en C als middelpunten, met dezelfde
lijn als straal, twee cirkelbogen, die
elkaar in D snijden. Vereenig D met
A, dan is L DAC r= L DAB, omdat
de driehoeken ABD en ACD de zijden
twee aan twee gelijk hebben en dus
gelijk en gelijkvormig zijn.
Opmerking. De twee cirkelbogen snijden elkaar, als men tot straal
neemt een lijn, die grooter is dan de helft van de lijn, welke B
met C vereenigt (zie § 70). De constructie is dus altijd mogelijk.
Elke andere lijn dan AD verdeelt blijkbaar den hoek in twee
ongelijke deelen.
§ 80. "Werkstuk. In een gegeten punt van een lijn een lood-
lijn op die lijn op te richten.
Constructie. Men beschouwe de gegeven lijn als de beenen van
een gestrekten hoek, waarvan het gegeven punt hoekpunt is. Dit
werkstuk is dan slechts een bijzonder geval van het vorige.
§ 81. Werkstuk. Een gegeven lijn middendoor te deelen.
Fig. 47.                    Fig. 48.                 Constructie. Zij AB
de gegeven lijn. Beschrijf
uit A en B als middel-
punten , met gelijke lijnen
als stralen, cirkelbogen,
die elkaar snijden aan
den eenen kant van AB
in C en aan den anderen
kant in D, dan zijn C
en D volgens § 60 pun-
ten van de lijn, die AL rechthoekig middendoor deelt. CD is dus
-ocr page 51-
47
de lijn en het punt E, waarin zij Al! snijdt, deelt AB middendoor.
Opmerking. De cirkelbogen snijden elkaar, als men den straal
grooter neemt dan de helft van AB, waaruit volgt, dat de con-
structie altijd kan toegepast worden.
Elk ander punt dan E verdeelt AB in twee ongelijke deelen.
Men kan § 60 ook aanwenden om aan denzelfden kant van AB
(zie fis,\'. 48) twee punten te bepalen van de lijn, die AB rechthoekig
middendoor deelt.
§ 82. Werkstuk. Uit een punt buiten een lijn een loodlijn op
die lijn neer te laten.
Constructie. Trek uit het punt C naar AB een willekeurige
schuine lijn CD. Volgens § 63, 1 is er een tweede schuine lijn,
Fig. 49.                      die even lang is als CD. Beschrijft
men dus uit C als middelpunt met
CD als straal een cirkel, dan zal
deze AB ontmoeten in D en in
een ander punt E. Omdat CD en
CE even lang zijn, liggen D en
E even ver van het voetpunt der
loodlijn, die uit C kan neergelaten
worden. De loodlijn deelt dus DE
rechthoekig middendoor, en van
deze deellijn kan men een punt F
bepalen, waarna CF de begeerde loodlijn zal zijn.
Opmerking. De constructie is altijd mogelijk, en dat er slechts
ren loodlijn bestaat, is in § 29, 2 gebleken.
DE EENVOUDIGSTE EIGENSCHAPPEN DER VEELHOEKEN.
§ 83. Bepalingen. De figuur, die ontstaat, als men van eenige
punten het eerste verbindt met het tweede, het tweede met het derde,
enz., en het laatste weer met het eerste, noemt men een veelhoek.
Een lijn, die twee opeenvolgende punten verbindt, noemt men
een \' z ij d e van den veelhoek.
-ocr page 52-
48
Een lijn, die twee niet opeenvolgende punten verbindt, noemt
men een diagonaal.
Een hoek, die gevormd wordt door twee opeenvolgende zijden,
noemt men een hoek van den veelhoek.
Een hoek, die gevormd wordt door een zijde en het verlengde van
een naastliggende zijde, heet een buitenhoek van den veelhoek.
De punten noemt men ook hoekpunten van den veelhoek.
§ 84. Een veelhoek heeft in ieder geval evenveel zijden als
hoeken en hoekpunten.
De veelhoeken worden, volgens het aantal zijden, verdeeld in
driehoeken, vierhoeken, vijf hoeken, enz. Als het aantal zijden n is,
Fig. 50.
                 heeft men een n-hoek.
De veelhoeken worden aangeduid door
do letters, die bij hun hoekpunten ge-
plaatst zijn, op te noemen in de volg-
orde , waarin ze bij die punten staan,
of door de letters in die volgorde naast
elkaar te schrijven, bijv. (fig. 50) ABCDE
of BCDEA of CDEAB, enz.
De hoeken van een veelhoek kunnen
voor een gedeelte inspringende hoeken zijn, zooals L B in fig. 50.
Dit is blijkbaar nooit het geval bij een driehoek.
§ 85. Uit een hoekpunt van een n-hoek kan men n—3 diagonalen
trekken.
Fig. 51.
Men kan namelijk uit een hoek-
punt A diagonalen trekken naar alle
hoekpunten, behalve naar het punt
A zelve en naar de twee naastlig-
gende hoekpunten, E en B. Het aan-
tal hoekpunten, n, moet dus met 3
verminderd worden om het aantal
der diagonalen te verkrijgen, die men
uit éen hoekpunt kan trekken.
Het aantal der diagonalen, die men in een n-hoek uit alle hoek-
punten kan trekken
, is
-ocr page 53-
49
Uit éen hoekpunt kan men n—3 diagonalen trekken. Dat zou
voor de «-hoekpunten n (n—3) zijn ; maar dan zou elke diagonaal
tweemaal geteld zijn (daar zij twee hoekpunten verbindt). Het
aantal is dus de helft van \'t vorige produkt.
Als men in een n-hoek uit éen hoekpunt alle diagonalen trekt,
ontstaan
n—2 driehoeken.
Om het aantal der driehoeken te bepalen merke men op, dat
twee dier driehoeken ieder tot zijden hebben tu-ee zijden van den
veelhoek en een diagonaal. De andere driehoeken hebben tot zijden
twee diagonalen en éen zijde van den veelhoek. Verkeerden alle
-driehoeken in dit geval, dan zou hun aantal n zijn. Dit aantal
moet met twee verminderd worden, omdat er twee driehoeken zijn,
die ieder onder hunne zijden niet éen, maar twee zijden van den
veelhoek tellen.
Opmerking. Als wij in \'t vervolg van een veelhoek spreken,
wordt stilzwijgend ondersteld, dat de veelhoek geen inspringende
hoeken heeft.
§ 86. Stelling. De som der hoeken van een a-hoek is n—2
gestrekte hoeken.
Trekt men uit éen hoekpunt alle diagonalen, dan ontstaan, volgens
de vorige §, n—2 driehoeken. De hoeken van die driehoeken zijn geza-
menlijk gelijk aan de som der hoeken van den n-hoek. De som der hoe-
ken is in eiken driehoek een gestrekte hoek en dus in alle driehoeken
Fig. 52.
                   samen 2 gestrekte hoeken.
§ 87. Stelling. Een zijde van
een veelhoek is kleiner dan de som
der andere zijden.
Gestelde. AB<BC CD-r-DE-|-EA.
Bewijs. Trek de diagonalen AC en
AD, dan is volgens § 44
AB <BC AC,
AC <CD AD,
____________AD <DE EA,______________________
samen         Xb AC AD < BC CD DE EA AC AD,
of, als men uit elk der leden AC AD weglaat,
AB < BC CD DE EA.
J. versluys, Vlakke Meetkunde. 8e druk.
                       4
-ocr page 54-
50
Opmerking. Men kan deze stelling ook uitdrukken, door te zeg-
gen: De rechte lijn, die twee punten verbindt, is korter dan een
gebroken lijn, die dezelfde twee punten vereenigt.
Men verstaat dan door de lengte van een gebroken lijn de som
der lengten van de rechte lijnen, waaruit zij bestaat.
§ 88. Stelling. Als van twee gebroken lijnen die dezelfde uit-
einden
A en D hebben , de eerste geen inspringende hoeken heeft
naar den kant van
AD en geheel omsloten wordt door de tweede y
dan is de eerste korter dan de tweede.
Gestelde. AB BC CD < AM MN ND.
Y\\e. 53.                        Bewijs. "Verleng AB, tot zij de
tweede gebroken lijn ontmoet in
J—""^l
E, en BC, tot zij do tweede gebro-
ken lijn ontmoet in F, dan beeft
IL^-r-
men
AB BE <AM ME,
BC CP <BE EN NF,
CD
            <CF            FD,
door samentelling            AB BC CD < AM MN ND,
waarbij BE en CF uit elk der leden weggelaten zijn.
Opmerking. De stelling van § 46 is een bijzonder geval van de-
bovengenoemde.
§ 89. Stelling. Als een veelhoek zonder inspringende hoeken geheel
p- g4
                        omsloten wordt door een anderen,
is de omtrek van den eersten klei-
ner dan die van den tweeden.
Bewijs. Verleng AB tot in H,
D\\         0
BC tot in O, CD tot in P, DE
tot in Q on EA tot in R, dan
heeft men achtereenvolgens
AB BN<AR RF FN
BC CO<BN NG GO
CD DP<CO OH HI IP
DE EQ<DP PK KL LQ
EA AR<RM MQ QE
samen AB BC CD DE EA<FG GH HI IK KL LM MFV
-ocr page 55-
51
waarbij uit de twee leden weggelaten zijn BN, CO, DP EQ
en AR.
PARALLELOGRAMMEN EN TRAPEZIUMS.
§ 90. Uit het voorgaande blijkt, dat de som der hoeken van
eiken vierhoek twee gestrekte hoeken is en dat in eiken vierhoek
twee diagonalen kunnen getrokken worden.
Bepaling. Een vierhoek, wiens zijden twee aan twee evenwijdig
loopen, heet een parallelogram.
§ 91. Stellingen. In een parallelogram zijn de overstaande
hoeken gelijk,
en omgekeerd: Als in een vierhoek de overstaande
hoeken gelijk zijn, is hij een parallelogram.
Fig. 55.                       Bewijs. Omdat AD en BC evenwij-
dig zijn, heeft men
L A L B = 180Q. Eveneens
L C i B = 180°.
L A z= l C, omdat zij beide tot
supplement hebben _ B.
De hoeken B en D zijn gelijk, omdat
zij beide tot supplement hebben i_ C of L A.
Bewijs van het omgekeerde.
L B = : D.
LA L\'B = LC LV.
Deze vier hoeken bedragen samen twee gestrekte hoeken, dus
L A en \'_ 15 bedragen samen een gestrekten hoek. En hieruit volgt,
dat AD en BC evenwijdig zijn.
Op dezelfde wijze toont men aan, dat AB en DC parallel zijn.
De zijden zijn dus twee aan twee evenwijdig, en de vierhoek
heet volgens de vorige § een parallelogram.
Gevolgen. 1. Als een hoek van een parallelogram scherp is, is
de overstaande ook scherp, en de twee andere zijn stomp.
2. Als e\'en hoek van een parallelogram recht is, zijn alle hoeken recht.
4*
-ocr page 56-
52
Bepaling. Een parallelogram, waarvan alle hoeken recht zijn,
heet een rechthoek.
§ 92. Stellingen. Van een parallelogram zijn de overstaande
zijden even groot,
en omgekeerd: Als de overstaande zijden van
een vierhoek gelijk zijn, is hij een parallelogram.
pj„. jg                   Bewijs. Trek de diagonaal BD, dan ont-
staan twee driehoeken, die een zijde gemeen
hebben. Verder zijn L CDB en L ABD gelijk,
als verwisselende binnenhoeken. Om dezelfde
reden zijn L DBC en L ADB gelijk. De drie-
hoeken BCD en DAB hebben dus eene zijde
en twee hoeken gelijk en zijn daarom £». De
zijden, welke in die driehoeken tegenover gelijke hoeken staan,
zijn gelijk, zoodat wij hebben CD = AB en BC rz AD.
Bewijs van het omgekeerde. Indien BC = AD en CD=:AB,
hebben de driehoeken BCD en DAB de drie zijden gelijk en zijn
dus 51. De hoeken CDB en ABD zijn dus gelyk, en daaruit volgt,
dat AB en CD evenwijdig loopen.
Uit de gelijkheid van DBC en ADB volgt, dat BC en AD parallel zijn.
Gevolgen. 1. Als twee opeenvolgende zijden van een parallelogram
even groot zijn, zijn alle zijden even groot.
2. Als twee evenwijdige lijnen gegeven zijn, en men laat uit ver-
schillende punten der eene loodlijnen neer op de andere, dan zijn
die loodlijnen even lang.
Alle punten der eene lijn liggen dus op
gelijke afstanden van de andere lijn.
Bepalingen. Een parallelogram, waarvan alle zijden even lang
zijn, noemt men een ruit.
Een parallelogram, waarvan alle zijden even lang en alle hoeken
recht zijn, noemt men een vierkant of kwadraat.
Door den afstand van twee evenwijdige lijnen ver-
staat men den afstand van een punt der eene lijn tot de andere.
Een der zijden van een parallelogram noemt men soms basis.
Den afstand van die zijde tot de overstaande noemt men dan de
hoogte van het parallelogram.
§ 93. Stelling. Een vierhoek is een parallelogram, als Uree over-
staande zijden gelijk en evenwijdig zijn.
-ocr page 57-
53
Onderstelde. ABz=CD, AB evenwijdig met CD.
Bewijs. Daar reeds bekend is, dat AB evenwijdig is met CD,
moeten wij nog slechts aan-
toonen, dat BC evenwijdig is
met AD. Trekken wij daartoe
de diagonaal BD, dan volgt
uit de evenwijdigheid van AB
en CD, dat de ^verwisselende
binnenhoeken CftD- en ABS
gelijk zijn. De driehoeken BCD
en DAB hebben nu twee zijden en den ingesloten hoek gelijk en
zijn dus £l. L DBC is dan gelijk aan £.BDA, en hieruit volgt, dat
BC en AD parallel zijn.
§ 94. Stellingen. In elk parallelogram deelen de diagonalen
elkaar middendoor,
en omgekeerd: Een vierhoek, waarvan de dia-
gonalen elkaar middendoor deelen, is een parallelogram.
Fig. 58.
Gestelde. AO -=. OC,
BO =: OD.
LnaBS^KMI^HBSaf^l! Bewijs. Volgens § 92 heeft
men AB — CD; verder zijn
de hoeken OAB en OCD
gelijk, als verwisselende bin-
nenhoeken; de hoeken OBA
en ODC zijn ook gelijk als
verwisselende binnenhoeken. De driehoeken OAB en OCD zijn
dus 2». "Wij hebben dan BOz=OD, AO = OC.
Bewijs van het omgekeerde. Men heeft volgens de onder-
stelling AO = CO, BO s= DO. Bovendien zijn AOB en COD gelijk als
overstaande hoeken. De driehoeken AOB en COD hebben dus twee
zijden en den ingesloten hoek gelijk en zijn daarom £». Hieruit
volgt iOABzz^OCD, zoodat AB en CD evenwijdig zjjn.
Op dezelfde wijze kan men, door middel van de driehoeken AOD
en BOC, aantoonen, dat AD en BC evenwijdig zijn.
§ 95. Stellingen. De diagonalen van een rechthoek zijn even
lang,
en omgekeerd: Als de diagonalen van een parallelogram wen
lang zijn, is het een rechthoek.
-ocr page 58-
54
Bewijs. De rechthoekige driehoeken DAB en CBA hebben de
PI g9
                      rechthoekszijden gelijk. Zij zijn
dus J5|, zoodat men heeft ACrrBD.
Bewijs van het omgekeerde.
Indien AC =z BD, zijn de drie-
hoeken ABC en BAD ~, omdat
de zijden van den eenen gelijk
zijn aan die van den anderen. Dus
is l CBA rr L DAB, en deze hoeken
bedragen samen een gestrekten hoek, als binnenhoeken aan den-
zelfden kant der snijlijn. Elk dier hoeken is dus recht.
§ 96. Stellingen. De diagonalen van een ruit staan rechthoekig
op elkaar,
en omgekeerd: als de diagonalen van een parallelogram
rechthoekig op elkaar staan, is het een ruit.
Bewijs. Men heeft CD = CB,
DE = EB,
EC = EC.
De driehoeken DEC en BEC zijn
dus ~. Daaruit volgt L DEC = L BEC.
Deze zijn dus beide recht.
Bewijs van het omgekeerde.
Men heeft DE = BE,
iDEC = £BEC,
CE = CE.
De driehoeken DEC en BEC zijn weder ~. Hieruit volgt CD =
BC en dus ook CD = BC = AB = AD, zoodat ABCD een ruit is.
§ 97. Bepalingen. Een vierhoek, waarvan twee zijden evenwijdig
zijn en de twee andere niet, heet een trapezium.
De niet evenwijdige zijden noemt men de beenen van het tra-
pezium.
Een trapezium, waarvan de beenen even lang zijn, noemt men
een gelijk been ig trapezium.
Een trapezium heet rechthoekig, als een der beenen rechte
hoeken maakt met de evenwijdige zijden.
Den afstand der evenwijdige zijden noemt men de hoogte van
het trapezium.
-ocr page 59-
55
§ 98. Stellingen. Als een trapezium gelijkbeenig is, zijn de hoe-
ken aan een der evenwijdige zijden even groot,
en omgekeerd: Als
in een trapezium de hoeken aan een der evenwijdige zijden gelijk
zijn, dan is het trapezium gelijkbeenig.
Bewijs. Trek DE evenwijdig met
BC, dan is BCDE een parallelogram.
Dus
BC = DE = AD.
Driehoek ADE is dus gelijkbeenig,
en daarom
£DAE = <lDEA.
L CBA = L DEA, omdat zij
Fig. 61.
overeenkomstige hoeken zijn.
Bewijs van het omgekeerde
L DAE = L CBE.
Trek weer DE evenwijdig met
CB, dan is L DEA = L CBA.
L DAE =: L CBA, volgens de onderstelling.
iDEAzziDAE.
Hieruit volgt DA=:DE, en in het parallelogram BCDE is
BC = DE,
dus
                        DA. = BC.
§ 99. Stelling. Als een trapezium gelijkbeenig is, zijn de diago-
nalen even lang.
Bewijs. Zie fig. 61. Als AD = BC, heeft men volgens de
vorige §
Ook is
L DAB — L CBA.
AB = AB.
De driehoeken DAB en CBA heb-
hen dus twee zijdon en den ingesloten
hoek gelijk, en hieruit volgt DB=AC.
§ 100. Stellino. Als eenige even-
wijdige lijnen gelijke stukken afsnij-
den van éen andere lijn, dan zijn de
stukken
, die zij van elke andere lijn
afsnijden, ook onderling gelijk.
Onderstelde. AB =: BC = CD.
AE, BF, CG en DH zijn evenwijdig.
Fig. 62.
Gestelde. EF = FO = GH.
-ocr page 60-
56
Bewijs. Trek Eb, Fe en Gd evenwijdig aan AD, dan is AB&E
een parallelogram en dus
Eè = AB
evenzoo
              Fe = BC
Qd = CD.
Uit AB = BC = CD volgt nu
Eè = Fe — Grf.
Verder zijn i EFi, i FGc en Gtüd gelijk, als overeenkomstige
hoeken.
Om dezelfde reden heeft men L 6EF = cFG = d&H..
De driehoeken E//F, FcG en GtfH hebben nu een zijde en twee
hoeken gelijk, zoodat zij £? zijn. Wij hebben dus:
Gevolg. Als een zijde van een driehoek in gelijke stukken ver-
deeld is, en men trekt door de deelpunten lijnen evenwijdig aan een
andere zijde van den driehoek, dan verdeelen de evenwijdige lijnen
de derde zijde van den driehoek in onderling gelijke stukken.
§ 101. Stelling. Als drie evenwijdige lijnen van een andere on-
gelijke stukken afsnijden, dan snijden zij van elke andere lijn on-
gelijke stukken af, zóo dat de ttvee grootste stukken tusschen dezelfde
twee evenwijdige lijnen liggen.
Onderstelde. AD, BE en CF zijn evenwijdig. AB > BC.
Fig. 83.
Gestelde. DE > EF.
Bewijs. Neem BPrrAB, dan ligt C
tusschen B en P. Trek door P de lijn PQ
evenwijdig met CF. Omdat C tusschen BE
en PQ ligt, zal de geheele lijn FC tusschen
die beide liggen. Het punt F, waarin CF
de lijn DG ontmoet, ligt dus tusschen E
en Q, en hieruit volgt
EQ>EF, of
DE > EF.
-ocr page 61-
57
GELIJK- EN GELIJKVORMIGHEID DER VEELHOEKEN.
§ 102. Bepalingen. Twee veelhoeken lieeten gelijk en gelijk-
vormig, ah zij door diagonalen kunnen verdeeld worden in drie-
hoeken, die gelijk en gelijkvormig zijn en op dezelfde wijze aan
elkaar sluiten.
Zoo zijn ABCDEF en abcdef gelijk en gelijkvormig, indien, zie
Fig. 64,
                       A ABP~ A abf
A BCF ~ a bef
A CEF ~ A cef
A CDE ~ a ede
Twee overeenkomstige hoekpunten van een paar gelijk en gelijk-
vormige driehoeken noemt men ook overeenkomstige hoek-
punten van de gelijk en gelijkvormige veelhoeken.
De zijden of diagonalen, die twee overeenkomstige hoekpunten
verbinden, noemt men gelijks tandige zijden of gelij kstan-
dige diagonalen.
Fig. 64.
Bij overeenkomstige hoekpunten heeft men gelijkstandige
hoeken.
Twee lijnen noemt men gelij ks t anili g, als zij twee paar
gelijkstandige zijden in gelijke stukken verdeelen; terwijl de gelijke
stukken van overeenkomstige hoekpunten af worden gerekend.
§ 103. Stelling. De gelijkstandige zijden, diagonalen en hoeken
van twee gelijk en gelijkvormige veelhoeken zijn gelijk.
Bewijs. Zie Fig. 64. Omdat de driehoeken ABF en abf gelijk en
gelijkvormig zijn, kan men ze zoo plaatsen, dat zij elkaar bedekken.
-ocr page 62-
58
Maar dan zullen te gelijk samenvallen de driehoeken BCF en bef;
verder ook A CEF en A cef, A CDE en A ede. De twee veelhoeken
kunnen elkaar dus volkomen bedekken, zoodat de zijden, hoeken
en diagonalen van den eenen gelijk zijn aan de overeenkomstige
van den anderen.
§ 104. Uit het samenvallen der twee veelhoeken blijken nog de
Stellingen: 1. Als twee veelhoeken gelijk en gelijkvormig zijn, dan
zijn de driehoeken, waarin men den evnen kan verdeélen door diago-
nalen, gelijk en gelijkvormig met de driehoeken, waarin men den
anderen door gelijkstandige diagonalen kan verdeélen.
2. Twee gelijkstandige lijnen KL en kl verdeélen twee gelijk en gelijk-
vormige veelhoeken in deelen, die twee aan twee gelijk en gelijkvormig zijn.
Opmerking. Twee veelhoeken, die men zoo kan plaatsen, dat
zij elkaar bedekken, zijn gelijk en gelijkvormig, omdat men ze door
diagonalen in gelijk en gelijkvormige driehoeken kan verdeélen.
§ 105. Stelling. Twee veelhoeken zijn gelijk en gelijkvormig, als
de zijden op een na van den eenen gelijk zijn aan de zijden op èen
na van den anderen, terivijl die zijden in dezelfde orde op elkaar
volgen in de twee veelhoeken, en de hoeken, die door de gelijke
zijden gevormd worden, gelijk zijn.
Onderstelde. AB = ab, BC = bc, CD =r cd, DE — de, dB = L b,
LC=zLc, LH = Ld.
Bewijs. Leg den veelhoek abcde zóo, dat L b op L B valt, dan
volgt uit AB — aft, dat a in A valt, en uit BCzrèc volgt, dat c
in C valt. Omdat LC^zic, valt cd langs CD, en daar deze twee
lijnen even lang
zijn, komt d in D
te liggen. Uit de
gelij k heid der hoe-
ken D en d volgt,
dat de langs DE
valt, en uit DE =.
de volgt verder,
dat e in E valt. Al de hoekpunten van ahcde vallen dus in die
van ABCDE. Deze twee veelhoeken ziin dus gelijk en gelijkvormig.
§ 106. STELLING. Twee veelhoeken ABCDE en abcde zijn gelijk en
-ocr page 63-
69
gelijkvormig, als de driehoeken ABC, ABE, ABD achtereenvolgens
gelijk en gelijkvormig zijn met
abc, abd, abe.
Fig. 66.
Bewijs. Men kan deze eigenschap aantoonen, door even als in
de vorige § te laten zien, dat de twee veelhoeken elkaar bedekken
kunnen, of ook op de volgende wijze. Vooreerst laten wij zien,
dat de lijn DE gelijk is aan de. Men heeft nl.
A ABE£± A abe, dus
BE = be
L
ABE = L abe.
Men heeft ook
          A ABD ^ A abd, dus
BD = bd
L
ABD == L abd
af L ABE — L abe
L EBD = L ebd.
De driehoeken EBD en ebd hebben dus twee zijden en den inge-
sloten hoek gelijk, zoodat zij gelijk en gelijkvormig zijn. Hieruit
volgt DErrde. Op dezelfde wijze kan men aantoonen
CD=cd,
EC = ec.
Do zijden en diagonalen van den eenen veelhoek zijn dus respectie-
velijk gelijk aan die van den anderen. Verdeelt men dus den eenen
veelhoek door diagonalen in driehoeken, dan zullen deze ^ zijn
met de driehoeken, die in den anderen ontstaan door het trekken
der overeenkomstige diagonalen; omdat de driehoeken twee aan
twee de zijden gelijk hebben.
§ 107. Om het aantal gelijkheden te bepalen, die gegeven moeten
-ocr page 64-
60
zijn, zal men tot de gelijk- en gelijkvormigheid van twee veelhoeken
kunnen besluiten, merke men op, dat hiertoe de gelijk- en gelijk-
vormigheid van n—2 driehoeken wordt vereiscbt. Om te besluiten,
dat het eerste paar driehoeken £» is, zijn drie gelijk heden noodig.
Voor elk der andere paren 2, dus
(» — 3)X2 = 2n — 6
____3^
2» — 3.                                  ^
Ook in de vorige § was de gelijk- en gelijkvormigheid van n—5
driehoeken gegeven, en wij hadden daar op dezelfde wijze 2» — 3
gelijkheden van lijnen of hoeken.
In § 105 waren gelijk in de beide veelhoeken,
ra — 1 zijden,
n — 2 hoeken.
2n —3.
Opmerking. Telt men evenals hierboven in ieder bijzonder geval
het aantal gelijkheden op, waaruit tot de gelijk- en gelijkvormig-
heid van 2 ra-hoeken besloten is, dan bedraagt dit aantal telkens
— 3, mits men hij dat optellen alleen gelijkheden neemt, die
onderling onafhankelijk zijn. Zoo moet men het gelijk zijn van de
n-hoeken des eenen veelhoeks aan die des anderen slechts als
ra — 1 gegevens aanmerken, daar uit de gelijkheid van ra — 1 paren
dier hoeken de gelijkheid van het ne paar volgt.
§ 108. Werkstuk. Een veelhoek te beschrijven, die gelijk en ge-
lijkvormig is met een gegeven veelhoek
ABCDE.
1«. Constructie. Verdeel den gegeven veelhoek door diagonalen
in driehoeken ABC, ACD, ADE. Beschrijf volgens ^ S; 70 een driehoek
abc, die geli,k en gelijkvormig is met Alt\'. Construeer verder
-ocr page 65-
61
A acd zoo, dat hij ^ is met ACD, en A <*de zoo, dat hij 2»
is met A ADE, dan is volgens § 102 de veelhoek
abcde ~ ABCDE.
2». Constructie. Neem eene lijn ab gelijk aan AH. Maak
L è = iB
bc — BC
Lc = C
cd = CD
rfe = DE
■en vereenig e met a, dan is volgens § 105 de veelhoek
abcde ^ ABCDE.
3e. Constructie. Trek uit A en B alle diagonalen en construeer
Fig. 68.
achtereenvolgens a abc zoo, dat hij gelijk en gelijkvormig is met
A ABC, A abd^ABD,
A abe £» ABE.
Vereenig daarna c met d en d met e, dan is volgens § 106
abcde™ ABCDE.
-ocr page 66-
VERHOUDING.
§ 109. Bei\'ali.MtK.n. Men zegt, dat twee grootheden onderling
meetbaar zijn, als er een derde bestaat, die in elk der eerste een
geheel aantal malen begrepen is. Men noemt de derde grootheid
een gemeene maat der eerste twee.
De helft of eonig ander evenmatig deel van een gemeene maat
is op elk der twee grootheden een geheel aantal malen begrepen.
Zulk een evenmatig deel is daarom weder een gemeene maat, en
als twee grootheden dus een gemeene maat bezitten, dan hebben
zij een onbepaald aantal andere.
Onder al de gemeene maten is één de belangrijkste: de grootste
gemeene maat.
§ 110. De grootste gemeene maat van twee onder-
ling meetbare lijnen te vinden.
Als AB en CD de twee lijnen zijn, zet men de kleinste, CD,
Fig. 69.
van A te beginnen, zoo dikwijls op de grootste uit, als mogelijk is,
hier tweemaal. Het deel BE, dat overblijft en kleiner is dan CD,
zet men zoo dikwijls als mogelijk is, hier eenmaal, op CD uit.
Het overblijvende deel DF zet men, zoo dikwijls mogelijk, op BE
uit, hier tweemaal. Het overschietende deel BG zet men op DF
uit, en dit gaat juist tweemaal.
Nu is achtereenvolgens
DF = 2BG
EB = 2DF BG = 5BG
CD = BE DF = 7BG
AB = 2CD EB = 19BG.
-ocr page 67-
63
BG ie zevenmaal in CD en negentienmaal in AB begrepen. BG is
dus een gemeene maat van A8 en CD; 19 : 7 is de verhouding
van deze twee lijnen.
De getallen, die aanwijzen, boe dikwijls de verschillende lijnen
achtereenvolgens uitgezet zijn, noemt men wijzer getallen.
De wijzergetallen, in de volgorde, waarin ze gevonden zijn,
tusschen accoladen geplaatst, vormen den betrekkingswijzer
van AB en CD.
12,1,2,2}
§ 111. De bewerking, die wij verricht hebben met AB en CD,
komt geheel overeen met de bewerking, die toegepast wordt, als
men den grootsten gemeenen deeler van twee getallen zoekt. En
daar de lijnen 7 en 19 malen BF zijn, hebben wij achtereenvolgens
dezelfde quotiënten verkregen, als wanneer wij de bewerking voor
het zoeken van den grootsten gemeenen deeler hadden toegepast
op 7 en 19, aldus:
7
19
o
14
:".
7
1
5
2
5
2
4
i
2
2
2
0
Deze overeenkomst bestaat telkens, als de twee lijnen onderling
meetbaar zijn, en daar men bij de bewerking met de twee getallen
eindelijk eene rest 0 verkrijgt, zoo zal men ook bij het afpassen
der onderling meetbare lijnen, ten laatste niets overhouden. Bestaat
er
dus een gemeene maat van twee lijnen, dan vindt men, door het
achtereenvolgens afpassen der lijnen, een gemeene maat;
en even als
de gemeene maat, die men bij de getallen vindt, de grootste is,
zoo vindt men ook de grootste gemeene maat der lijnen.
§ 112. Bepalingen. Twee grootheden, die geen gemeene maat
bezitten, noemt men onderling onmeetbaar. Past men op
twee zulke grootheden de bewerking toe, die wij op twee onderling
-ocr page 68-
64
meetbare lijnen hebben toegepast, dan zou de bewerking nooit ten
Fig. 70.
                  einde loopen, als men daarbij volko-
men nauwkeurig kon te werk gaan.
Dat er werkelijk onderling onmeet-
bare lijnen zijn, blijkt uit de
Stelling. De zijden en de diagonaal van
een vierkant zijn onderling onmeetbaar.
Bewijs. De zijde AB is kleiner
dan de diagonaal AC en grooter
dan de helft van AC. Men kan dus
op AC een stuk AE nemen, gelijk
aan AB, en er blijft een rest EC
over, die kleiner is dan AB.
Deze rest moet nu vergeleken worden met AB of met BC. Trekt
men EF evenwijdig aan OB, dan is A CEF rechthoekig gelijk-
beenig, omdat hij gehjkhoekig is met A COB. Neemt men dus in
A
CEP, even als in A ABfl gedaan is, FG gelijk aan EC,*<lan
zal de rest CO kleiner zijn dan EC. Uit de gelijk en gelijkvormig-
heid van A ABF en A AJ?é volgt verder BF = EF = EC :=FG.
Dus is BC gelijk aan tweemaal EC, plus een rest GC kleiner dan EC.
Het laatste kunnen wij geheel algemeen aldus uitdrukken: in
eiken rechthoekigen gelijkbeenigen A is de rechthoekszijde gelijk
aan twee maal het verschil tusschen haar en de hypotenusa, plug
een rest, die kleiner is dan dat verschil. De zijde EC bevat dus
tweemaal
GC plus een rest, die kleiner is dan GC; en zoo vervolgens.
Elke rest bevat dus tweemaal de vorige plus een nieuwe rest,
zoodat de bewerking nooit ten einde loopt. En hiermee is, volgens
de eigenschap aan het eind der vorige §, bewezen, dat AB en AC
onderling onmeetbaar zijn.
§ 113. Bepaling. Men noemt de betrekking of verhouding van
twee onderling onmeetbare lijnen een onmeetbare verhou-
ding of onmeetbaar getal.
Om later onmeetbare verhoudingen met elkaar te kunnen verge-
lijken, moeten wij eerst vaststellen, wat men verstaat door de
gelijkheid van twee onmeetbare verhoudingen. Stellen wij ons
voor, dat van een paar onderling onmeetbare lijnen de eerste uit-
-ocr page 69-
65
gezet wordt op de tweede, zoo dikwijls, als dit mogelijk is, zoodat
er een rest overblijft, kleiner dan de eerste lijn. Kernen wij een
tiende der eerste lijn en zetten dit, zoo dikwijls als bet kan, op
genoemde rest af. Er blijft weder een rest over, en hierop zetten
wij het honderdste der eerste lijn af. Op deze wijze kan men voort-
gaan met te zien, hoeveel duizendsten, tienduizendsten, enz. der
eerste lijn begrepen zijn in de resten, die men achtereenvolgens
verkrijgt. Deze bewerking kan voortgezet worden, zoo ver men wil;
er blijft telkens een rest over.
Neemt men een ander paar onderling onmeetbare lijnen, en vindt
men door toepassing van dezelfde bewerking hetzelfde aantal ge-
heelen, tienden, \'honderdsten, enz., hoe ver ook voortgezet, dan
zegt men, dat de onmeetbare verhoudingen van de twee
paren lijnen gelijk zijn (bepaling).
Bepaling. Men zegt, dat de meetbare of onmeetbare verhouding
van A en B grooter is dan de (meetbare of onmeetbare) verhou-
ding van C en B, als A grooter is dan C.
Bepaling. Door de som van de onmeetbare verhouding van A
tol B en de (meetbare of onmeetbare) verhouding van C tot B ver-
staat men de verhouding van A C tot B.
Opmerkingen. 1. "Wat in deze § gezegd is van lijnen, geldt ook
voor andere grootheden.
2. De bepalingen, die betrekking hebben op onmeetbare groothe-
den, zijn zoo gekozen, dat ze ook doorgaan voor meetbare grootheden.
EVENREDIGHEID VAN LIJNEN.
§ 114. Uit de gelijkheid van twee meetbare of twee onmeetbare
verhoudingen ontstaat de evenredigheid.
Stelling. Drie evenwijdige lijnen snijden van twee andere lijnen
evenredige stukken af.
Onderstelde. AD, BE en CF zijn evenwijdig.
BC EF
Gestelde. —=:—.
AB DE
J. versluys, Vlakke Meetkunde. 8e druk.                           5
-ocr page 70-
66
Bewijs. Hierbij onderscheiden wij twee getallen: BC en AB zijn
onderling meetbaar of onderling onmeetbaar.
ie. In het eerste geval bestaat er een
lijn, die op AB en BC ieder een geheel
aantal malen begrepen is. Zetten wij
die lijn uit op AB en BC, dan worden
deze in onderling gelijke stukken ver-
deeld, b.v. AB in 4 en BC in 7, zoo-
dat wij hebben
BC_^7_
AB- 4\'
Trekt men nu door de uiteinden der stukken, waarin AB en BC
verdeeld zijn, lijnen evenwijdig met AD, dan worden door die
evenwijdige lijnen DE in 4 en EF in 7 stukken verdeeld. Volgen*
§ 100 zijn deze stukken gelijk, en dus
EF _ 7 _ BC
DË""T —AB\'
2«. Als AB en BC onderling onmeet-
baar zijn, zet men AB op BC uit,
zoo dikwijls als dat kan; hier twee-
maal. Het deel HC, dat overblijft,.
is kleiner dan AB. Trekt men nu
door G en H lijnen, evenwijdig met
AD, dan is EIr=IK = DE, volgens
§ 100. En volgens § 101 is KP > DE.
Men kan dus AB even veel maal afpas-
sen op BC, als DE op EF. Neem nu
een tiende van AB en zet dit zoo dik-
wijls mogelijk op HC af, b.v. hier 4 maal. Trekt men nu door de
doelpunten van HC lijnen evenwijdig met HK, dan wordt KF in
5 stukken verdeeld, waarvan vier even groot zijn, terwijl éen klei-
ner is dan de andere. Omdat de gelijke deelen, die op HC afge-
past zijn, ieder een tiende van AB zijn, zullen ook de gelijke deelen,
die men op KF heeft, ieder tienmaal in DE begrepen zijn. Zooveel
tienden van AB, als er dus in HC begrepen zijn, evenveel tienden
van DE kan men op EF afpassen. Zoo kan men verder gaan met.
-ocr page 71-
67
honderdsten van AB en van DE, met duizendsten, enz. En daar
men achtereenvolgens van AB en van DE hetzelfde aantal geheelen,
tienden, honderdsten, enz. verkrijgt, zijn de onmeetbare verhou-
dingen
BC EF
— en —
AB DE
gelijk, volgens de bepaling die in § 113 gegeven is van de gelijk-
heid van twee onmeetbare verhoudingen.
§ 115. Uit de evenredigheid
BC : AB zz EF : DE (zie fig. 72)
volgt volgens een eigenschap der evenredigheden
(BC AB):(EF DE) = AB:DE, of
AC:DF = AB:DE, of
AC : AB = DF : DE.
Als in een driehoek ABC een lijn DE getrokken is evenwijdig met
AB, toont men op dezelfde wijze aan, dat
Fig. 73.
AD BE
----zz----en
------------RB                    DC EC
SB                    AC _ BC ,
                         DC — EC \'
I of in woorden: Als men in een driehoek een
lijn trekt, evenwijdig aan een zijde, dan ver-
deelt die lijn de twee andere zijden in stukken,
die evenredig zijn met elkaar en met de ge-
heele zijden.
§ 116. Stellino. Als men in een driehoek ABC de lijn DE trekt
evenwijdig aan
AB, dan heeft men
DE_DC_EC
AB
—AC-BC\'
Bewijs. Dat de tweede en derde verhouding gelijk zijn, blijkt
uit de vorige §. Om aan te toonen, dat de eerste en tweede ver-
houding gelijk zijn, trekke men (zie fig. 74) DF evenwijdig met
EB, dan is BEDF een parallelogram en daarom DE = FB. Omdat
DF evenwijdig is met BC, heeft men, volgens de vorige §,
5*
-ocr page 72-
68
FB
AB
_DC
~AC
DE
DC
AB
-AC
= —■, of, daar DE = FB,
§ 117. Stelling. Een lijn, die van ticee
zijden eens driehoeks stukken afsnijdt, even-
redig met die zijden, ioopt evenwijdig aan
de derde zijde.
Onderstelde. — = -
C
AC- BC\'
Gestelde. DE is evenwijdig met AB.
Bewijs Onderstel, dat DE niet evenwijdig is met AB, dan zal
ien door D eene lijn DF kunnen trekken, die wel evenwijdig is
Fig. 75.
             met AB. Maar dan is volgens § 115
_________
                                     DC_FC
HUI                         AC~ BC\'
B En dit strijdt tegen de onderstelling, daar de
verhoudingen — en — niet gelijk kunnen zijn.
BC BC
§ 118. Stelling. De lijn, die een hoek van
een driehoek middendoor deelt, verdeelt de over-
staande zijde in twee stukken, die evenredig zijn met de aangrenzende
zijden.
Fig. 76.             Onderstelde. L ACD = L DCB.
Gestelde. AD : BD = AC: BC.
Bewijs. Trek door B, evenwijdig met DC,
een lijn, die het verlengde van AC snijdt in E.
^^^^_. ^^^ Nu heeft men
I L ACD rs L E, als overeenkomstige hoeken.
I - DCB = L CBE, als verwisselende binnenhoeken.
E = /. CBE, omdat de eerste leden volgens
de onderstelling gelijk zijn. Uit de gelijkheid der hoeken E en CBE
volgt BC = CE.
Omdat DC evenwijdig is met BE, heeft men volgens § 115
AD:DB=:AC:CE, of
AD : DB = AC : BC.
-ocr page 73-
§ 119. Stelling. De lijn, die het supplement van den tophoek
eens driehoeks middendoor deelt, snijdt de basis in een punt, welks
afstanden tot de uiteinden der basis evenredig zijn met de aangren-
zende opstaande zijden.
Onderstelde, l BCF = l FCE.
Gestelde. AF : BF = AC : BC.
Fig. 77.
Bewijs. Trek BD evenwijdig
met FC, dan heeft men, even als
in de vorige §,
L ECF = L CDB
L BCF = L CBD
L CDB = L CBD.
Hieruit volgt BC = DC.
AF:BF = AC:U(5, of
AF : BF =: AC : BC.
Verder heeft men
WERKSTUKKEN.
§ 120. Werkstuk. Tot drie gegeven lijnen een vierde evenredige
te vinden,
of, als drie lijnen M, P, N gegeven zijn, een vierde x
te vinden, zoo dat
M:
P = N : x.
Fig. 78.
Constructie. Neem een wille-
keurigen hoek A, neem op de
beenen van dien hoek de stukken
AE = M,
AC = N,
AD=P.
Vereenig E met C en trek uit
D de lijn DB evenwijdig met EC,
dan is volgens § 115
AE:AD = AC:AB,
M:P = N:AB,
zoodat A 15 de gevraagde lijn is.
-ocr page 74-
70
Bijzonder geval. Als de lijnen P en N gelijk zijn, moet men
een lijn x zoeken, zóó dat
M: P = P: x.
Men noemt x dan de derde evenredige tot M en P, en de vorige
constructie gaat onveranderd door.
Fig. 79.                                  § 121. WERK8TÜK.
Een gegeven lijn in
stukken te verdeelen
,
die tot elkaar staan als
eenige gegeten lijnen.
Eerste construc-
tie. Als men AB moet
verdeelen in vier stuk-
ken, die tot elkaar
I staan als m, n, o, p,
trekt men een lijn AF, die met AB een willekeurigen hoek vormt,
en neemt
AC = m
CD = «
DE = o
EFz=p.
Vereenig nu F met B, en trek EZ, DIJ en CX alle evenwijdig
met FB, dan heeft men volgens § 114
Ma * «.,„ <(e<.-o-<!\', \'J.
AX : XIJ : UZ : ZB = AC : DC : DE : EF,
AX:XIJ:IJZ:ZB = m :n : o : p,
zoodat X, IJ en Z de verlangde doelpunten zijn.
Fig. 80.                                 Tweede constructie.
Nadat, even als bij de eerste
constructie, door A een
willekeurige lijn AF getrok-
ken ia, en daarop de lijnen
m,n,o,p afgezet zijn; trekt
men door B eene lijn BK
evenwijdig met AF. Op BK
zet men dezelfde lijnen in
omgekeerde volgorde al:
-ocr page 75-
71
OK = o,
m = n.
Yereenigt men nu F met B, E met G, D met H en C met I,
dan volgt uit de gelijkheid en evenwijdigheid Tan BG en FE volgens
§ 93, dat EFBG een parallelogram is, en dus dat BF en GE even-
wijdig zijn.
Evenzoo zijn DH en Cl evenwijdig met FB, en uit de evenwij-
digheid van al die lijnen volgt
AX : XIJ : IJZ : ZB = AC : CD : DE : EF.
§ 122. Bij de tweede constructie der vorige § moet men het
werkstuk van § 71 slechts éénmaal toepassen, hoe groot ook het
aantal deelen zij, waarin AB moet verdeeld worden. Bij de eerste
constructie der vorige § moet men hetzelfde werkstuk twee of
meermalen toepassen, zoodra het aantal doelen, waarin AB moet
verdeeld worden, drie of meer is. De tweede constructie is dus te
verkiezen boven de eerste, als AB in meer dan twee deelen moet
verdeeld worden.
De beide constructies
kunnen ook toegepast wor-
den, om een lijn in ge-
lijke deelen te ver deelen.
In figuur 81 is de lijn AB
volgens de tweede con-
structie in vijf gelijke dee-
len verdeeld.
Indien een zeer kleine
lijn AB gegeven is, en
men vraagt andere lijnen
te bepalen, die respectievelijk gelijk zijn aan 1/i, ,/i, a/i, 4/s van
AB, dan kan men een der twee constructies toepassen, om AB
in vijf gelijke deelen te verdeelen. De doelpunten vallen dan natuur-
lijk zeer dicht bij elkaar, en de constructie is in de practijk niet
met eenige nauwkeurigheid uit te voeren. Daarom verkiest men
de volgende
-ocr page 76-
72
Constuctie. Trek door A een willekeurige lijn, en neem daarop
vijf gelijke stukken A.d = de =: eg = gh
r=AC. Vereenig C met B en trek dk, el,
gm, hp
evenwijdig aan AB, dan is volgens
§ 116
CA : Cg : Ce: Cd : CA = hp: am :el:dk:AB,
of 1:2 : 8 : 4 : 5 ~ hp: gm : el: dk: AB;
Fig. 82.
el=>U AB,
gm = "/i AB,
/*i> = \'/, AB.
GELIJKVORMIGHEID DER DRIEHOEKEN.
§ 123. Twee driehoeken, wier zjjden twee aan twee evenredig
zijn, noemt men gelijkvormig. (Dat er zulke driehoeken zijn,
blijkt uit de stelling van § 116).
Men duidt gelijkvormig aan door het teeken .-\\s.
Bepaling. De zijden,
waartusschen de gelijke
verhoudingen bestaan,
noemt men ge lij k-
standig.
Zoo noemt men de
driehoeken ABC en abc
gelijkvormig, indien
tusschen de zijden de
volgende evenredigheid bestaat
AB : ab = BC : bc = CA : ca.
AB is dan geljjkstandig met ab, BC met bc en CA met ca.
Bepalixo. De hoekpunten, waarin gelijkstandige zijden samen-
komen , noemt men overeenkomstige hoekpunten.
-ocr page 77-
73
§ 124. Uit de bepaling, die wij gegeven hebben van de gelijk-
vormigheid van twee driehoeken, volgt onmiddellijk:
1.  Een paar gelijke en gelijkvormige driehoeken is tevens gelijkvormig.
2.  Elk paar gelijkzijdige driehoeken is gelijkvormig.
3.  Als een driehoek p gelijkvormig is met q, zal een driehoek,
die gelijk en gelijkvormig is met
p, ook gelijkvormig zijn met q.
4.   Twee driehoeken, die met een derden gelijkvormig zijn, zijn
ook onderling gelijkvormig.
Zijn nl. A cbc en £ a\'b\'c\' gelijkvormig met a ABC, dan is
AB : ab = BC : bc = CA : ca en
AB : a\'b\' = BC : b\'c\' = CA : c\'a\'
Deze evenredigheden hebben de voorgaande termen gelijk, en
daaruit volgt, dat de volgende termen weer een evenredigheid vormen:
dus
                         ab : a\'b\' := bc: b\'c\' ^ ca : c\'a\',
zoodat a <**" *n A a\'b\'c\' gelijkvormig zijn.
Opmerking. Bij het opnoemen van twee gelijkvormige driehoeken
ABC en PD3, kiest men de volgorde der letters zóo, dat A over-
eenkomstig is met P, B met D en C met S.
§ 125. Stellino. Ttcee driehoeken zijn gelijkvormig, als de hoeken
van den eenen gelijk zijn aan die van den anderen.
Onderstelde, l A = l a, L B = L b\', i O = U.
Fig. 84.                                  Gestelde. AB : ab =
BC : bc = CA : ca.
Bewijs. Men kan drie-
hoek abc zóo plaatsen,
dat ab langs AB valt in
AD, en dat ac langs AC
valt in AE. Nu heeft men
L ADE = L b =Z L B.
De lijn DE is dus
evenwijdig met BC, en hieruit volgt volgens § 115 en § 116
AB:AD = BC:DE = CA:EA,
of
                       AB: ab =BC: bc = CA:ca.
Gevolgen. I. Daar uit de gelijkheid van twee paar hoeken van
twee driehoeken de gelijkheid van het derde paar volgt, zoo kan
men ook zeggen, dat twee driehoeken gelijkvormig zijn, als twee
-ocr page 78-
74
hoeken van den eenen gelijk zijn aan twee hoeken van den anderen.
2.    Twee rechthoekige driehoeken zijn gelijkvormig, als zij een
scherpen hoek gelijk hebben.
3.    Ttvee gelijkbeenige driehoeken zijn gelijkvormig, als hun top-
hoeken gelijk zijn, of als zij een hoek aan de basis gelijk hebben.
Stelling. Twee driehoeken zijn gelijkvormig, als hun zijden
twee aan twee evenwijdig zijn, of als hun zijden twee aan twee
rechthoekig op elkaar staan.
Bewijs. Laat A, B, C de hoeken zijn van den eenen driehoek
en a, b, c die van den anderen. Volgens § 34 en § 35 zijn deze
hoeken twee aan twee of gelijk of elkaars supplementen. Nu kan
men de drie volgende onderstellingen maken:
ie. k a = 180°, B b = 180°, C c = 180°.
2e. A = o, B b = 180\', C c = 180°.
3«. A = a, B n b en bijgevolg C := c.
De eerste onderstelling is onmogelijk, omdat volgens haar de som
der hoeken van de twee driehoeken drie gestrekte hoeken zou bedragen.
De tweede onderstelling is onmogelijk, omdat volgens haar de
som der hoeken van beide driehoeken meer dan twee gestrekte
hoeken zou bedragen.
De derde onderstelling is dus de eenig mogelijke, zoodat de hoe-
ken van den eenen driehoek gelijk zijn aan die van den anderen,
en daaruit volgt volgens de vorige stelling, dat de driehoeken ge-
lijkvormig zijn.
§ 126. Stelling. Twee driehoeken zijn gelijkvormig, als zij een hoek
gelijk hebben, en als bovendien de zijden om dien hoek evenredig zijn.
Onderstelde. L A ■=. L a, AB : ab z= AC : ac.
Gestelde. BC : bc = AB : ab = AC : ac.
Bewijs. Plaats driehoek abc weer zóo, dat de gelijke hoeken a
en A elkaar bedekken, en dat ab in AD en ac in AE valt. "Volgens
het onderstelde is nu
AB:AD = AC:AE,
en uit deze evenredigheid volgt volgens § 117, dat DE evenwijdig
loopt met BC, en dus volgens § 116
BC:DE = AB:AD = AC:AE,
BC : bc = AB : ab = AC : ac.
-ocr page 79-
75
Gevolg. Twee rechthoekige driehoeken zijn gelijkvormig, als hun
rechthoekszijden evenredig zijn.
§ 127. Stelling. Twee driehoeken zijn gelijkvormig, als twee zijden
van den eenen evenredig zijn met twee zijden van den anderen
, als de
hoeken, die tegenover het eenepaar zijden staan, gelijk zijn en als boven-
dien de hoeken, tegenover het andere paar zijden, van dezelfde soort zijn.
Onderstelde. AB : ab — BC : bc, L A = i a, _ e en _ <•
zijn gelijksoortig.
Bewijs. Neem AD z= ab en trek DE evenwijdig met BC, dan is
driehoek ADE gelijkvormig met ABC, en het gestelde zal bewezen
zijn, als wij aangetoond hebben, dat A ADE gelijk en gelijkvormig
is met a abc.
Omdat DE evenwijdig is met BC, hebben wij
AB : AD z= BC : DE ; volgens het onderstelde is
AB : ab = BC : bc.
Van deze twee evenredigheden zijn de eerste drie termen gelijk,
Pig. 85.
dus ook                                  DE zz bc.
Bovendien                           AD := ab .
L A = : o                                           v .
L AED en L c gelijksoortig.            V**^ \'
De driehoeken abc en ADE zijn dus gg. volgens § 52.         5T*
Gevolg. Twee rechthoekige driehoeken zijn gelijkvormigix_Jil\'s de
hypotenusa\'s evenredig zijn met een paar rechthoekszijdfa/
^ . _^>
Opmerking. Terwijl drie gelijkheden noodig zijn, om tot dé
gelijk- en gelijkvormigheid van twee driehoeken te besluiten, Wjiirt
uit het vorige, dat twee gelijkheden voldpèqae zijn-,\' qjb fot de
-ocr page 80-
76
gelijkvormigheid te besluiten. Deze gelijkheden zijn öf evenredig-
heden óf gelijkheden van hoeken.
§ 128. Stelling. Van twee gelijkvormige driehoeken zijn de hoe-
ken twee aan twee gelijk.
Onderstelde. AB : ab =z BC: bc = CA : ca (Fig. 85).
Bewijs. Heem AD r= ab en trek DE evenwijdig aan BC, dan
is driehoek ADE gelijkvormig met ABC, en wij moeten slechts
aantoonen, dat ADE gelijk en gelijkvormig is met abc.
Omdat DE evenwijdig loopt met BC, heeft men
AB : AD z= BC : DE = CA: EA, en volgens de onderstelling
AB : ab = BC : bc — CA: ca.
Daar AD sr ab, zijn de eerste drie termen van deze evenredig-
heden gelijk, en dus ook de vierde.
DE = 6c
Evenzoo
                                 EA = ca.
De driehoeken ADE en abc hebben de drie zijden gelijk, zoodat
zij |^ zijn.
§ 129. Stelling. In twee gelijkvormige driehoeken staan de lood-
lijnen, die men op twee gelijkstandige zijden kan neerlaten uit de
overstaande hoekpunten, tot elkaar als een paar gelijkstandige zijden.
Gestelde. CD: c«fc=
AC : ac.
Bewijs. Ui de gelijk-
vormigheid der drie-
hoeken volgt Lki=.La.
De rechthoekige drie-
hoeken ACD en acd zijn
dus gelijkvormig, zoo-
dat
CD : cd zs AC : ac.
DE LIMIETEN EN DE BEWERKINGEN MET
ONMEETBARE GETALLEN.
§ 130. Bepaling. Als een grootheid zoodanig verandert, dat het
verschil tusschen haar en een standvastige grootheid zoo klein kan
-ocr page 81-
77
gemaakt worden als men wil, zonder ooit nul te worden, noemt
men de standvastige grootheid de limiet of de grens der
veranderlijke.
Zal dus een standvastige grootheid de limiet zij" viln een veran-
derlijke, dan is het noodig en voldoende, dat het verschil tusschen
die heide, voortdurend kleiner wordt en kleiner dan eenige te den-
ken grootheid. Het verschil zal echter nooit nul worden.
Voorbeeld. Als van de decimale breuk 0,33 .... het aantal
cijfers toeneemt, heeft zij tot limiet \'/,• Men heeft nl. achtereen-
volgens
1                     1          3           10           9            1
T-0,8 =-
|-0,33 =
y— 0,333 =
3
10 — 30
30 ~~ 30 \'
1
33 _ 100
99 . 1
3
100 " 300
300 " 300 \'
1
333 1000
999 1
3
1000 3000
enz. enz.
3000 — 3000 \'
Opmerking. Een veranderlijke grootheid zal tot een limiet na-
deren, als zij voortdurend grooter wordt, maar toch kleiner blijft
dan een bepaalde grootheid. Evenzoo zal een veranderlijke groot-
heid tot een limiet naderen, als zij steeds kleiner wordt, maar toch
grooter blijft dan een bepaalde grootheid.
§ 131. In § 113 is de verhouding van twee onderling onmeet-
bare grootheden een onmeetbaar getal genoemd. Het afpassen, waar-
van in dezelfde § gesproken wordt, levert achtereenvolgens geheelen,
tienden, honderdsten, enz. Hoever de bewerking ook voortgezet
worde, er blijft steeds een rest. Verkrijgt men
3,245671........,
dan zal volgens de bepaling, die van de ongelijkheid van meetbare
en onmeetbare getallen gegeven is, dat onmeetbaar getal grooter
zijn dan 3,24 en kleiner dan 3,25,
grooter dan 3,245 en kleiner dan 3,246,
grooter dan 3,2456 en kleiner dan 3,2457, enz.
Hetzelfde gebeurt in de rekenkunde, als men den vierkantswortel
zoekt uit een getal, dat geen volkomen vierkant is. De uitkomst
-ocr page 82-
78
der bewerking heet weder een onmeetbaar getal. Moet b.v.
de vierkant3wortel bepaald worden uit 3, dan vindt men
1,732051......
Dit onmeetbaar getal is weer
grooter dan 1,73 en kleiner dan 1,74,
grooter dan 1,732 en kleiner dan 1,733,
grooter dan 1,7320 en kleiner dan 1,7321,
enz.
Er zijn nog andere bewerkingen, waarvan de uitkomsten onmeet-
bare getallen genoemd worden. Daarbij verkrijgt men in ieder geval
twee rijen van getallen, zoo dat elk getal der eene rij grooter is
dan het onmeetbare getal, en elk getal der andere rij kleiner. Van
al die onmeetbare getallen geldt de opmerkelijke eigenschap, dat
elk onmeetbaar getal kan beschouwd worden als de uitkomst der
vergelijking van twee onderling onmeetbare lijnen
(zie § 113).
Om ons hiervan te overtuigen voor eenig onmeetbaar getal, nemen
wij willekeurig een lijn A van bepaalde lengte en een onbepaalde
rechte lijn. Op deze neemt men een stuk, dat A zoo dikwijls bevat,
als de geheelen van het onmeetbare getal aanwijzen. Bij dat stuk
voegt men zooveel tiende deelen van A, als het onmeetbare getal
bevat. Evenzoo doet men met de honderdste deelen van het getal,
enz. Wij hebben nu op de onbepaalde lijn een stuk van veranderlijke
lengte: het eene uiteinde van dat stuk verandert niet van plaats,
het andere uiteinde verwijdert zich steeds verder van het eerste.
Na elke verplaatsing van het veranderlijke uiteinde kan men een
punt aanwijzen, dat het veranderlijke uiteinde nooit bereiken zal.
Bevat het onmeetbare getal 4 duizendste deelen, dan zal het be-
wegende uiteinde nooit het punt bereiken, dat met 5 duizendste
deelen zou overeenkomen. Maar het bewegende uiteinde, steeds voort-
gaande in denzelfden zin, zonder dat het bepaald aangewezen punten
bereiken kan, nadert noodzakelijk hoe langer hoe meer tot een
bepaalden stand. Dezen stand kan het nooit bereiken, omdat het
voortdurend moet bewegen; maar zijn afstand tot dien stand wordt
ten laatste kleiner dan eenige grootheid. De afstand van het onbe-
weeglijke uiteinde tot het punt, waartoe het bewegende uiteinde
nadert, is dus een bepaalde lijn, en de afpassing van A op die
-ocr page 83-
79
bepaalde lijn zou ach toreen volgens evenveel geheelen, tiende deelen,
honderdste deelen, enz. opleveren, als door het onmeetbare getal
wordt aangewezen.
§ 132. Elk onmeetbaar getal kan beschouwd worden als de limiet
van een veranderlijk getal.
Nemen wij het onmeetbare getal
e = 1,732051......
Het onmeetbare getal 1,73 is kleiner dan e, terwijl 1,74 grooter
dan e is. Het verschil tusschen 1,73 en e is dus minder dan een
honderdste.
Vermeerdert men 1,73 met 2 duizendsten, dan verkrijgt
men 1,732. Dit is weder kleiner dan e en verschilt van e minder
dan een duizendste.
Op dezelfde wijze heeft men 1,7320 < e, terwijl het verschil
kleiner is dan éen tienduizendste. Het getal 1,73205 is kleiner dan
e, en het verschil is kleiner dan éen honderdduizendste. Zoo voort-
gaande zal het meetbare getal, dat wij laten aangroeien, ten laatste
minder van e verschillen dan eenige aan te wijzen grootheid.
§ 133. De gewone bewerkingen der rekenkunde worden eerst
slechts op meetbare getallen toegepast, en alloen voor meetbare
getallen wordt hare beteekenis uiteengezet. Voor men nu die zelfde
bewerkingen kan toepassen op onmeetbare getallen, moet eerst
gezegd worden, welken zin men hecht aan die bewerkingen. Als
voorbeeld zullen wij zeggen, wat men het product noemt van
twee onmeetbare getallen.
Volgens de vorige § kan elk der getallen beschouwd worden als
de grens van een meetbaar getal, dat voortdurend aangroeit. Nemen
wij nu het product van twee meetbare getallen, die weinig van de
onmeetbare verschillen. Laten wij de meetbare getallen aangroeien,
dan zal ook hun product toenemen. En als de twee meetbare
factoren naderen tot twee onmeetbare getallen, dan zal ook hun
product voortdurend naderen tot een zekere grens. Deze grens
noemt men het meetbare of onmeetbare produkt van de
twee onmeetbare getallen.
Opmerking. Dat het produkt van de twee aangroeiende meet-
bare getallen werkelijk tot de bepaalde grens nadert, kan men
nader aantoonen, door het product voor te stellen door een rechte
-ocr page 84-
80
lijn, die steeds aangroeit, even als wij in § 131 gedaan hebben.
§ 134. Op dezelfde wijze verklaart men de andere bewerkingen
met onmeetbare getallen. Moet men dus éen of achtereenvolgens
meer bewerkingen toepassen op getallen, waaronder onmeetbare
voorkomen, dan vervangt men alle onmeetbare getallen door meet-
bare, die er zoo weinig van verschillen, als men wil, en met de
meetbare getallen worden nu de bewerkingen uitgevoerd.
Yervolgens laat men de meetbare getallen, die voor de onmeetbare
in de plaats gesteld zijn, veranderen, zoo dat zij tot hun limieten
(de onmeetbare getallen) naderen. De uitkomst der bewerkingen op
de meetbare getallen nadert dan eveneens tot een zekere limiet.
En deze limiet noemt men de meetbare of onmeetbare
uitkomst van de bewerkingen met de gegeven getallen.
§ 135. Uit de verklaring, die wij gegeven hebben van de bewer-
kingen met onmeetbare getallen, volgt, dat alle eigenschappen, die
waar zijn voor meetbare getallen
, ook voor onmeetbare getallen gelden.
Voorbeelden. 1. Men mag de onmeetbare factoren van een pro-
dukt verwisselen.
Deze eigenschap is waar voor de meetbare factoren, waardoor
men de onmeetbare vervangt. Men verkrijgt dus twee gelijke pro-
dukten, hoe dicht deze ook komen bij de limieten, waartoe zij
respectievelijk naderen. Deze limieten moeten derhalve gelijk zijn.
2. Het quotiënt van twee meetbare of onmeetbare getallen verandert
niet, als beide door hetzelfde onmeetbare getal gedeeld worden.
De eigenschap is waar voor de meetbare getallen, waardoor men
de onmeetbare vervangt. Men verkrijgt dus twee gelijke quotiënten,
hoe dicht de twee gelijke quotiënten ook bij hun grenzen komen.
De grenzen zijn dus gelijk.
Uit de laatste eigenschap volgt, dat de meetbare of onmeetbare
verhouding van twee grootheden gelijk is aan het quotiënt der twee
getallen, die de verhouding uitdrukken van de beide grootheden
tot een willekeurige eenheid.
Hieruit volgt dat de evenredigheid in § 126
AB_BC
ab bc
niet alleen waar is, als men ab als maat van AB en bc als maat
-ocr page 85-
81
van BC beschouwt, maar ook, als men de vier lijnen vervangt door
getallen, die hare verhouding uitdrukken tot een willekeurige eenheid.
3. Als in een evenredigheid twee der termen of alle vier onmeet-
bare getallen zijn, is het produkt der uiterste termen gelijk aan
dat der middelste.
Laat p, q, r en s de vier getallen zijn, zoodat
9.
= —. Hieruit
8
«XtfXy
= «XjXy
*x?xf
= »Xp;
*X!Xy
= 1 X • X -j-
= 2 X r.
9
Dus                        sXp = iXr.
Als men in de evenredigheid van § 123 de lijnen AB, ab, BC
en bc vervangt door getallen, die hare verhouding uitdrukken tot
een willekeurige eenheid, heeft men dus
AB X bc = BC X «*•
Opmerking. Onderling onmeetbare meetkundige grootheden
zijn uitvoerig behandeld door euclides in het tiende boek
zijner Elementen der meetkunde. De ouden hebben echter het
begrip van getal niet uitgebreid tot onderling onmeetbare
grootheden. Eüclides zegt zelfs uitdrukkelijk: „Onderling
onmeetbare grootheden staan niet tot elkaar als getallen."
De uitbreiding van het begrip van getal tot de verhouding
van onderling onmeetbare grootheden geschiedde in de 16e
eeuw. Van toen af werden al spoedig met groote lichtvaar-
digheid alle eigenschappen der meetbare getallen op onmeet-
bare toegepast, zonder dat men hiervan rekenschap gaf.
Uitvoerig worden de onmeetbare verhoudingen behandeld in de
Grondbeginsels der meetkunde door van swinden.
De vorige §§ zijn ontleend aan het uitmuntende werk van
duhamel: Des Methodes dans les sciences de raisonnement,
Paris. Zie verder omtrent de onmeetbare getallen mijn leer-
boek der rekenkunde, waarin ze uitvoerig behandeld worden.
J. versluys, Vlakke Meetkunde. 8e druk.                           6
-ocr page 86-
s-i
BETREKKINGEN TÜSSCHEN LIJNEN IN EEN DRIEHOEK.
§ 136. Bepalingen. Door de projectie van een punt op-
een lijn verstaat men het voetpunt der loodljjn, die men uit dat
punt kan neerlaten op de lijn. Als het punt in de lijn ligt, valt
het samen met zijn projectie.
Door de projectie van een lijn op een andere verstaat men
pj„ §7_
                       het gedeelte van de laatste, dat
begrepen is tusschen de projec-
ties van de uiteinden der eerste.
In fig. 87 is p de projectie
van A op de lijn XIJ en qr is
de projectie van BC op XIJ.
In fig. 89 en in fig. 90 is CD
de projectie van CA. op CB.
§ 137. In een reclithoekigen driehoek heeft men de
Stellingen. 1. Elke rechthoekszijde is middelevenredig tusschen
haar projectie op de hypotenusa en de hypotenusa.
2. De loodlijn, die men uit het hoekpunt van den rechten hoek
op de schuine zijde kan neerlaten, is middelevenredig tusschen de
twee stukken, waarin zij de schuine zijde verdeelt.
Bewijzen. 1. De rechthoekige driehoeken ACD en ABC hebben
|.-j „. 88.                   den scherpen hoek A gemeen , zoodat
zij gelijkvormig zijn. Hieruit volgt
AD: AC = AC:AB,
of als de lijnen in getallen uitge-
drukt zijn
AC\' = AD X AB.
2. De hoeken DCB en A zijn ge>-
lijk, omdat zij beide tot complement
hebben _ ACD. De rechthoekige driehoeken ADC en CBD zijn dus-
gelijkvormig en wij hebben
AD:DC =r DC:DB, waaruit volgt
/ C/Bfi* = AD X DB.
Opmerking. Het zal bij het volgende dikwijls gebeuren, dat wij,
-ocr page 87-
83
moeten spreken van het produkt der getallen, die de ver-
houding uitdrukken van twee lijnen tot een zelfde
eenheid. In plaats van die uitdrukking to gebruiken, zullen wij
kortweg spreken van het produkt der lijnen.
§ 138. Stelling. De tweedemacht der hypotenusa van een
rechthoekigen driehoek is gelijk aan de som der tweedemachten van
de rechthoekszijden.
Bewijs. Zie tig. 88. Men heeft volgens de vorige stelling
ACS = ADXAB,
CB\' = DB X AB.
Samen
             AC2 BC2 = (AD DB) X AB.
AC2 BC2 = AB X A.B = AB2.
Opmerking. Deze eigenschap stelt ons in staat, een der zijden
van een rechthoekigen driehoek te berekenen, als do twee andere
zijden gegeven zijn.
Opmerking. Gewoonlijk noemt men deze stelling het
theorema van Pythagoras naar haren ontdekker, een
Grieksch wijsgeer, die omstreeks 580 voor onze tijdrekening
leefde. Een aantal bewijzen van genoemde stelling zijn door
J. J. J. Hofman voreenigd in een afzonderlijk werkje, dat
in het Nederlandsen vertaald is met den titel: De zevenen-
veertigste propositie van Euclides met
35 bewijzen.
§ 139. Stelling. In een scheefhoekigen driehoek is het vier-
kant van een zijde, die tegenover een scherpen hoek ligt, gelijk
aan de som der vierkanten van de twee andere zijden, min twee-
maal het produkt van de projectie van een dier zijden op de andere
met die andere zijde.
Pig. 89d.                               Fig. 89*.
Gestelde. AB! = BC2 AC2 — 2BC X CD.
Bewijs. Hierbij kunnen zich twee gevallen voordoen: de lijn
6*
-ocr page 88-
84
BC is grooter dan de projectie van AC op BC, zoo als in tig. 89a\',
of BC is kleiner dan de projectie van AC op BC, zoo als in
fig. 894.
In het eerste geval (fig. 89H) is in den rechthoekigen driehoek ABD
AB2 = BD2 AD5......(1)
Verder is BD r= BC — CD, of in het vierkant gebracht
BD2 = BC2 CD2 — 2BC . CD.
In den rechthoekigen driehoek ACD heeft men
AD2 = AC2 — CD2.
Als men deze waarden van BD2 en AD2 overbrengt in het tweede
lid van vergelijking (1), dan komt er
AB2 = BC2 AC2 — 2BC . CD.
In het tweede geval (fig. 806) kan men op dezelfde wijze handelen;
alleen in plaats van
BD =■ BC — CD heeft men BD = CD — BC;
maar dit heeft geen invloed op de tweedemacht van BD.
§ 140. Stelling. In een stomphoekigen driehoek is het vierkant
van de zijde tegenover den stompen hoek gelijk aan de som der
vierkanten van de twee andere zijden, plus tweemaal het produkt
van de projectie van een dier zijden op de andere met die andere.
Gestelde. AB2 = BC2 -f AC2 2BC . CD.
Bewijs. Omdat L ACB stomp is valt de loodljjn AD op het
verlengde van BC. In den rechthoekigen driehoek ABD is
AB2 = BD2 AD2 ....           (1)
Fig. 90.                       Verder is BD = BC CD, of in
het vierkant gebracht
BD3 = BC2 CD2 2BC . CD.
In den rechthoekigen driehoek ACD
is
           AD2 = AC2 —CD2.
Als men deze waarden van BD2 en
AD2 overbrengt in het tweede lid van
vergelijking (1), komt er
AB2 =r BC2 AC2 2BC . CD.
§ 141. In de drie voorgaande stellingen is gebleken, dat het
vierkant van een zijde eens driehoeks gelijk is aan de som der
vierkanten van de twee andere zijden, als de hoek tegenover de
-ocr page 89-
85
zijde recht is; het vierkant van die eene zijde is kleiner dan ge-
noemde som, als de overstaande hoek scherp is, en het vierkant
van de eene zijde is grooter dan die som, als de overstaande
hoek stomp is. Door den regel van § 43 toe te passen zien wij,
dat in een driehoek een hoek recht, scherp of stomp is, al naar
het vierkant van de overstaande zijde gelijk is aan, kleiner dan of
grooter dan de som der vierkanten van de twee andere zijden.
Wil men nu zien of een driehoek rechthoekig, scherphoekig of
stomphoekig is, dan merke men op, dat hij zulks zijn zal al naar
de grootste zijner hoeken recht, scherp of stomp is en dat de
grootste hoek van een driehoek tegenover de grootste zijde staat.
Men moet dus het vierkant van de grootste zijde van een driehoek
vergelijken met de som der vierkanten van de twee andere zijden
om te zien of de de driehoek recht-, scherp- of stomphoekig is.
§ 142. Berekening der loodlijnen van een driehoek ABC uit
zijne zijden.
Zij in lig. 89a AD = h de lengte der lijn, die men berekenen
wil, en laat a, b en c de lengten zijn der zijden, die tegenover de
hoeken A, B en C staan.
In den rechthoekigen driehoek ADC is
h* = b1 — CD\'.
In den driehoek ABC is volgens § 129
c\' = a\' - - i* — 2a . CD.
Hieruit leidt men at?».. « - & -*-o *■ C
0D= \'• >•-*•,
2a          \'
waardoor de eerste vergelijking wordt
i» — M («\' b\' - tl — ia\'b\' - ("\'• b\' - c\'>\'
n — ° —           4a* ~ —                   4a1
Door ontbinding in factoren verkrijgt men hieruit
__ (2ab a\' b* — c\') (2ab — a* — b° e\')
h - —
                           4^3
[(q ft)\'-»;1] [c\'-ja-b)1]
—                           4a\'
_ (g o c) (a b — c) (c a — b) (c — a b)
~
                                     4a"
-ocr page 90-
86
Om den teller verder te herleiden, stellen wij den halven omtrek
van den driehoek voor door s; dus
a b c =z 2s, dan is
b c — a ■=. 2s — 2a := 2 (s — o),
a c — b = 2s — 2i zz 2 (s — è),
a -f é — c = \'Is — 2c = 2 (s — c).
Deze waarden overgebracht in de uitdrukking, die wij voor h*
hebben gevonden, komt er, als men teller en noemer door 4 deelt,
_ (s — a)(s — b) (s — c)
-                        a~\' :
2
h := -----\\/s (s — «) (s — b) (s — c).
Voor de loodlijn, die men op b kan neerlaten, vindt men evenzoo
2
\\ — —j— t/s (s — a) (s — b) (s — c).
Voor de loodlijn op c vindt men
2
A„ == -----v^s (* — °) (« — *) (« — ")•
c
Opmerking. Dezelfde berekening, die hier gemaakt is voor het
geval, dat de loodlijn op het verlengde der basis valt, kan ook
gemaakt worden in het geval, dat de loodlijn op de basis valt,
zooals in fig. 896. De formulen, die men voor de lood lijnen vindt,
zijn dan dezelfde als hierboven.
GELIJKVORMIGHEID DER VEELHOEKEN.
§ 143. Bepaling. Twee veelhoeken noemt men gelijkvormig,
als zij door diagonalen in een zelfde aantal gelijkvormige driehoeken
kunnen verdeeld worden , die op dezelfde wijze aan elkaar sluiten.
Voorbeeld. De zeshoeken ABCDEF en abcdef noemt men ge-
lijkvormig, indien
           A BCD ev a bed,
A ABD cv a abd,
A ADE «v a ade en
A AEF os A &ef-
Bepalingen. De overeenkomstige hoekpunten van twee gelijk-
vormige driehoeken noemt men ook overeenkomstige hoek-
punten der veelhoeken.
-ocr page 91-
87
De zijden of diagonalen, die twee paar overeenkomstige hoek-
punten verbinden, noemt men gelijkstandige zijden of gelijk-
standige diagonalen.
Fig. 91.
Bij overeenkomstige hoekpunten heeft men gelijkstandige
\'hoeken.
Twee lijnen noemt men geljjkstandig, als zij twee paar
gelijkstandige zijden in evenredige stukken verdeelen en als tevens
-de overeenkomstige stukken bij de twee veelhoeken van overeen-
komstige hoekpunten af gerekend worden.
§ 144. Stelling. De gelijkstandige hoeken van twee gelijkvor-
mige veelhoeken zijn gelijk.
(Zie fig. 91 of 92.)
Bewijs. De hoeken F en ƒ zijn gelijk, omdat, volgens de
onderstelling, de driehoeken AFE en af e gelijkvormig zijn.
Om aan te toonen, dat de hoeken CDE en ede gelijk zijn, heeft
men                                   L CDB = L cdb,
L BDA = L bda,
L APE = Lade;
samen                               L CDE = L ede.
Op dezelfde wijze blijkt, dat de andere hoeken der veelhoeken
twee aan twee gelijk zijn.
§ 145. Stelling. De gelijkstandige zijden van twee gelijkvor-
mige veelhoeken vormen een aaneengeschakelde evenredigheid.
Bewijs. Uit de gelijkvormigheid der driehoeken, waaruit de
twee veelhoeken bestaan, heeft men (zie fig. 92)
_BC_CD__DB J)B _ AB _ AD AD _ DE _ AE
bc
          cd          db \' db         ab         ad \' ad         de         ae \'
AE _ EF _ AF
ae
          ef          af\'
-ocr page 92-
88
Uit deze vergelijkingen volgt
BC _ CD _ AB _ DE
bc          cd \' \' ab \' \' de
E F
AF
af\'
§ 146. Stellino. Twee driehoeken zijn gelijkvormig, als zij tot
zijden hebben yelijkstandige zijden en diagonalen van twee gelijk-
vormige veelhoeken.
Gestelde. A CDE ~ a ede, a CEF cv a cef.
Bewijs. De driehoeken
CDE en ede zijn gelijkvor-
mig, omdat men volgens de
vorige stelling heeft
CD _ DE
cd
          de
É.CDE = ede.
Daar CDE en ede gelijk-
vormig zijn heeft men
CE
ce
_ DE
de
EF
DE
— 1e~\'
CE
ce
EF
- ef
Volgens de vorige § heeft men
(1)
\' Uit de gelijkvormigheid van CDE en ede volgt ook
L DEC = L dec. Volgens § 144 heeft men
IDEF = Ldef.
L CEF = L cef.
De driehoeken CEF en cef hebben dus een hoek gelijk en de
zijden om dien hoek evenredig. (Zie vergelijking (1)). Die twee
driehoeken zijn dus gelijkvormig.
Gevolgen. 1. Als twee veelhoeken gelijkvormig zijn, dan zijn
de driehoeken, waarin men den eenen kan verdeelen door diago-
nalen, gelijkvormig met de driehoeken, waarin de andere door de
gelijkstandige diagonalen verdeeld wordt.
2. De gelijkstandige diagonalen van twee gelijkvormige veelhoeken
zijn evenn
-ocr page 93-
§ 147. Stellino. Twee veelhoeken zijn gelijkvormig, als de zijden
op éen na van den eenen evenredig zijn met de zijden op éen na
van den anderen, als die zijden in dezelfde orde op elkaar volgen
in de twee veelhoeken en als de hoeken, die door de evenredige zijden
gevormd worden, gelijk zijn.
AB        BC DC DE        EF
Onderstelde. —r z= -7— = -=- = —— zz —-,
ab
         bc         de         de         ef
LB = Lb, L BCD = L bed, L CDE = L ede, L DEP = L def.
Gestelde, a ABC cv a abc, £ ACD cv a acd, A ADE cv
A ode, a AEF cv a ««ƒ•
Fig. 93.
Bewijs. Daar L B = L b en AB : ab — BC : bc, zijn de drie-
hoeken ABC en abc gelijkvormig.
Uit die gelijkvormigheid volgt
AC _ BC _ CD
ac
         bc         cd
L BCA = /_ bca. Afgetrokken van
L BCD = l bed.
L ACD = l acd.
Fig. 94.
De driehoeken ACD en
acd hebben dus een hoek
gelijk en de zijden om dien
hoek evenredig, zoodat zij
gelijkvormig zijn.
Op dezelfde wijze kan men
voortgaan om de gelijkvor-
migheid van de andere drie-
hoeken aan te toonen.
-ocr page 94-
90
§ 148. Stelling. Twee veelhoeken ABCDE en abcde zijn gelijk-
vormig, als de driehoeken
ABC, ABD, ABE respectievelijk gelijk-
vormig zijn met
abc, abd, abe.
Bewijs. Uit de gelijkvormigheid der driehoeken volgt
AB AC
ab " ac
BC BD AD BE AE
bc "" bd " \' ad be ae\'
Verder ook
L ABC = L abc
L ABD =: L abd. Door aftrekking
en
L CBD = L cbd.
De driehoeken CBD en cbd hebben dus een hoek gelijk en de
zijden om dien hoek evenredig, zoodat zij gelijkvormig zijn. Hier-
uit volgt
CD _ BC .. AB
cd
          bc          ab\'
Op dezelfde wijze toont men aan
CE _ AB
ce
          ab\'
CE         CD           .               . ...          ,.
---- n ——, en algemeen: de zijden en diagona-
Dus is —r- :=
ab
len van den eenen veelhoek zijn evenredig met die van den anderen.
Hieruit volgt weder, dat men de twee veelhoeken door diagonalen
kan verdeelen in driehoeken, die gelijkvormig zijn en op dezelfde
wijze aan elkaar sluiten.
§ 149. Stelling. Twee gelijkstandige lijnen verdeelen twee ge-
Y\\a
95.
                            lijkstandige veelhoeken in
deelen, die twee aan twee
gelijkvormig zijn.
Bewijs. Als PQ gelijk-
stundig is met pq, heeft
men AP : PP = ap : pf
en CQ : QD = cq : qd.
Uit de eerste evenredig-
heid volgt
(AP PF): (ap j>f) = AP : ap.
k¥:af
= AP : ap, of ook
AB : «6 = AP : ap.
-ocr page 95-
91
Uit de tweede evenredigheid volgt
(CQ QD):(cq qd) = CQ: cq,
CD: cd = CQ: cq, of ook
AB : ab = CQ : cq.
Wij hebben nu BC : bc z= AB : ab r: CQ : cq — AP : ap en vol-
gens de onderstelling tA = io, i.B = Lb, iC — ie, zoodat
de veelhoeken ABCQP en abcqp volgens § 147 gelijkvormig zijn.
Op dezelfde wijze blijkt, dat DEFPQ en defpq gelijkvormig zijn.
§ 150. Stelling. De omtrekken van twee gelijkvormige veel-
hoeken staan tot elkaar als een paar gelijkstandige zijden.
Bewijs. Als ABCDE en abcde de veelhoeken zijn, heeft men
AB : ab = BC : bc = CD : cd zr DE : de = EA : ea.
Hieruit volgt, volgens een eigenschap der aaneengeschakelde
evenredigheden,
(AB BC CD DE EA) : (ab bc cd de ea) — XB.ab.
§ 151. Volgens de bepaling in § 143 bestaat de gelijkvormigheid
van twee n-hoeken in de gelijkvormigheid van (>i — 2) driehoeken.
"Voor de gelijkvormigheid van elk paar driehoeken zijn twee verge-
lijkingen noodig; dus voor de gelijkvormigheid van twee u-hoeken
(n — 2) X 2 — 2n — 4 vergelijkingen. Die vergelijkingen zijn even-
redigheden of zij drukken de gelijkheid uit van hoeken.
In § 147 is de gelijkheid gegeven van n — 1 verhoudingen, en die
wordt uitgedrukt door
n — 2 onafhankelijke vergelijkingen. Bovendien heeft
men daar n — 2 vergelijkingen tusschen hoeken.
Samen 2n — 4.
In § 148 wordt de gelijkvormigheid van n — 2 driehoeken onder-
steld, en die staat weder gelijk met
(n — 2) X 2 ~ 2» — 4 vergelijkingen.
Op deze wijze blijkt in ieder bijzonder geval, dat het aantal ge-
gevens, waaruit men tot de geljjkrormigheid van twee n-hoeken
besluit, telkens 2n — 4 is.
-ocr page 96-
92
WERKSTUKKEN.
§ 152. Werkstuk. Op een gegeven lijn als zijde een driehoek
te beschrijven, gelijkvormig met een gegeven driehoek, als bovendien
bepaald is, met welke zijde van den gegeven driehoek de gegeven lijn
gelijkstandig moet zijn.
pjg_ gg_                                  Constructie. Laat
ABC de gegeven drie-
hoek en ab de gegeven
lijn zijn, die gelijk-
standig moet zijn met
AB. Trek de lijnen ac
en bc zóó, dat L a —
LkenLb=LB,
dan zijn ABC en abc
gelijkvormig en ab is gelijkstandig met AB.
§ 153. Werkstuk. Op een gegeven lijn als zijde een veelhoek
te beschrijven, gelijkvormig met een gegeven veelhoek, als bovendien
bepaald is, met welke zijde van den gegeven veelhoek de gegeven lijn
gelijkstandig moet zijn.
Eerste constructie. Zie fig. 91. Laat ABCDEF de gegeven
veelhoek zijn en ab de lijn, die gelijkstandig moet zijn met AB.
Verdeel den gegeven veel-
hoek door diagonalen in
driehoeken en construeer
met behulp van het vorige
werkstuk achtereenvolgens
& abd cvs A ABD,
A bed t\\> £ BCD,
A ade CN\' A ADE en
A aef ev a AEF.
Volgens de bepaling van de gelijkvormigheid der veelhoeken zijn
abcdef en ABCDEF dan gelijkvormig, terwijl ab gelijkstandig is
met AB.
Tweede constructie. Zie fi5\'. 94. Trek uit A en B de diago-
-ocr page 97-
93
nalen naar de andere hoekpunten C, D en E
eenvolgens
Construeer achter-
Fig. 94.
A abc cv a ABC,
A abd cv A ABD en
Aaie~ A ABE.
Vereenig daarna c met
d en d met e, dan zijn,
volgens § 148, de veel-
hoeken u//o Ie en ABC DE
gelijkvormig, terwijl ab
gelijkstandig is met AB.
-ocr page 98-
VERGELIJKEN DER OPPERVLAKKEN VAN PARAL-
LELOGRAMMEN EN DRIEHOEKEN.
§ 154. Bepalingen. 1. Het gedeelte van een plat vlak, dat
door een gesloten figuur begrensd wordt, noemt men het opper-
vlak der figuur.
2.   Men zegt, dat twee figuren gelijke oppervlakken hebben
of gelijk zijn, als men ze zó o kan plaatsen, dat ze elkaar be-
dekken. Verder zullen wij de eigenschappen toepassen, die in § 2
genoemd zijn.
3.    Het oppervlak van een figuur heet kleiner dan het
oppervlak van een andere, als de eerste een gedeelte der tweede
bedekken kan.
Volgens de tweede bepaling hebben zulke driehoeken en in H
algemeen zulke veelhoeken, die gelijk en gelijkvormig zijn, gelijke
oppervlakken.
§ 155. Stelling. Twee parallelogrammen, die gelijke basis en
p. 97
                    gelijke hoogte hebben, zijn gelijk.
Bewijs. Volgens de onderstelling
kan men de parallelogrammen zóo
plaatsen, dat zij de basis AB gemeen
liebben en dat de zijden CD en EF,
die in de twee parallelogrammen tegen-
over de basis staan, op dezelfde rechte
lijn CF liggen. Nu zijn de driehoeken
CAE en DBF ~, omdat L CAE =
L DBF, CA = DB en AE = BF.
-ocr page 99-
95
CABF = CABF.
Trek af
                          CAE — DBF,
dan blijft                         ABFE = ABDC.
§ 156. Stelling. Elke driehoek is de helft van een parallelo-
gram, dat met den driehoek gelijke basis en gelijke hoogte heeft.
Bewijs. Als ABC de driehoek is, trekke men door twee zijner
Fig. 98.
                   hoekpunten, bijv. B en C, lijnen,
die evenwjjdig loopen met de over-
staande zijden en die elkaar snijden
in een punt D. Nu is ABDC een
parallelogram, dat met den driehoek
de basis AB gemeen heeft en dat ook
gelijke hoogte heeft met den driehoek.
Daar verder ABC en DCB gelijk en
gelijkvormig zijn, hebben zij gelijke
oppervlakken, zoodat het oppervlak van ABC de helft is van het
oppervlak van ABDC.
Gevolgen. 1. Alle driehoeken, die gelijke basis en gelijke hoogte
hebben, zijn gelijk.
2. Elke driehoek is de helft van een rechthoek, die met hem
gelijke basis en gelijke hoogte heeft.
§ 157. Twee rechthoeken hebben volgens het voorgaande gelijke
oppervlakken, als zij gelijke basis en gelijke hoogten hebben. Als
de basis gelijk en de hoogten ongelijk zijn, hebben de twee recht-
hoeken ongelijke oppervlakken, en die rechthoek, waarvan de hoogte
het grootst is, heeft ook het grootste oppervlak.
Stelling. Twee rechthoeken met gelijke basis staan tot elkaar
als hunne hoogten.
.
Bewijs. Laat AB en EF de gelijke bases zijn. Ten aanzien
der hoogten AD en EH moeten wij twee gevallen onderscheiden,
nl. of zjj onderling meetbaar zijn dan wel onderling onmeetbaar.
In het eerste geval passen wij een gemeene maat van AD en EH
op die twee lijnen af. Dit gaat bijv. op AD vijf maal en op EH
twee maal, zoodat wij hebben
AD _ 5
EK — 2 \'
-ocr page 100-
96
Uit de deelpunten van AD trekken wij lijnen evenwijdig aan AB
j,\'j„ ;jg_
                      en uit de deelpunten van EH lij-
nen evenwijdig aan EF. Daardoor
wordt de rechthoek ABCD ver-
deeld in vijf deelen en de rechthoek
EFGH in twee deelen. Al die dee-
len zijn rechthoeken met gelijke
bases en gelijke hoogten : dus ge-
lijke deelen. Men heeft alzoo
ABCD _ _5_
EFGH "" 2 \'
En als men deze vergelijking
beschouwt in verband met de voor-
gaande
ABCD
AD
EH\'
EFGH
In het tweede geval passen wij EH zoo dikwijls op AD at als
mogelijk is, hier eenmaal, terwijl er een stuk KD overbljjft, dat
Fig. 100.
kleiner is dan EH.
Trekken wij KL
evenwijdig met AB,
dan is
ABLK = EFGH en
KLCD < EFGH.
De rechthoek EFGH
kan dus eenmaal op
ABCD afgepast wor-
den , waarna een deel
KLCD overblijft, dat
kleiner is dan EFGH.
EH kan dus zoo vaak op AD afgepast worden als EFGH op ABCD.
Neem nu een tiende van EH en zet dit op DK uit, zoo dikwijls als
mogelijk is, hier vijfmaal, terwijl een stuk PD overblijft, dat klei-
ner is dan een tiende van EH. Trek vervolgens uit de deelpunten
van KD lijnen evenwijdig met AB, dan wordt KLCD in zes deelen
verdeeld. Vijf daarvan zijn even groot en gelijk aan een tiende
-ocr page 101-
97
van EFGH. Het andere deel PQCD is kleiner dan EFRS of een
tiende van EFGH, omdat PD < ES, terwijl PQ = EF. Het tiende
van EFGH kan dus op K LCD evenveel malen uitgezet worden,
als het tiende van EH op KD kan afgepast worden.
Evenzoo kan men verder gaan met honderdsten van EH en van
EFGH, met duizendsten, enz. En daar men achtereenvolgens van
EH en van EFGH hetzelfde aantal geheelen, tienden, honderdsten,
enz. verkrijgt, zijn de onmeetbare verhoudingen
AD
ABCD
EH en EFGH
gelijk, volgens de bepaling, die in § 113 gegeven is van de gelijk-
heid van twee onmeetbare verhoudingen. Dus
ABCD
= =tt of
EFGH — EH
AD
ABCD = ^ X EFGH.
Gevolgen. 1. Twee rechthoeken, die gelijke hoogten hebben,
zijn evenredig met de bases.
2.    Twee parallelogrammen of twee driehoeken, die gelijke bases
hebben, zijn evenredig met hunne hoogten.
3.     Twee parallelogrammen of twee driehoeken, die gelijke hoog-
ten hebben, zijn evenredig met hunne bases.
§ 158. Stelling. Twee rechthoeken zijn samengesteld evenredig
met hunne bases en hoogten.
Fig. 101.
Gestelde.
ABCD
AB AD
EF X EH\'
EFGH
versluys, Vlakke Meetkunde
8e druk.
-ocr page 102-
9S
IJk wijs. Neem een rechthoek IKLM, die met EFGH gelijke basis.
en met ABCD gelijke hoogte heeft. "Volgens de vorige § is dan
AR
ABCD = ^ X IKLM
IK.
of            ABCD = 4s X IKLM en IKLM = ^ X EFGH.
hr                                           hri
Hieruit volgt
ABCD = A| X IKLM = ±? X gg X EFGH of
ABCD _ AB AD
EFGH ~" ËFXËH"
. Gevolg. Twee driehoeken of twee parallelogrammen zijn samen-
gesteld evenredig met hunne bases en hoogten.
HET BEREKENEN DER OPPERVLAKKEN.
§ 159. Om de oppervlakken van vlakke figuren in getallen te
kunnen uitdrukken, vergelijkt men die oppervlakken of de opper-
vlakken van figuren, gelijk aan de eerste, met het oppervlak van
een vlak figuur, dat men als eenheid beschouwt. Tot eenheid van
die oppervlakken neemt men aan een vierkant, welks zijde een
lengteëenheid is.
Men zegt tot verkorting oppervlak van een rechthoek of
rechthoek, in plaats van verhouding van den rechthoek
tot de vlakteëenheid. Deze verkorte wijze van uitdrukken ge-
Fig. 102.
                           bruikt men bij alle figu-
ren. Evenzoo zegt men
hoogte, in plaats van
verhouding der hoog-
te tot de eenheid, die
men als lengtemaat heeft
aangenomen; enz.
§ 160. Als EFGH de
vlakteëenheid voorstelt,
zoodat E F = EH gelijk
aan de eenheid der lengte is, terwijl ABCD een willekeurigen
-ocr page 103-
99
rechthoek voorstelt, dan is volgens § 158 EgQH = jjXjp,
of in woorden: de verhouding van een rechthoek tot de eenheid der
vlaktemaat wordt verkregen, door de verhouding van de basis tot de
lengteëenheid te vermenigvuldigen met de verhouding van de hoogte
tot de lengteëenheid.
jGebruikt men nu de verkorte uitdrukkingen
van de vorige §, dan heeft men, in plaats van het voorgaande, de
Stelling: Het oppervlak van een rechthoek is gelijk aan het
produkt van zijn basis en zijn hoogte.
Stellino. Het oppervlak van een vierkant is gelijk aan de tweede-
macht van een zijner zijden.
Daar verder elk parallelogram gelijk is aan een rechthoek, die
gelijke basis en gelijke hoogte heeft met het parallelogram, zoo
heeft men de
Stelling. Het oppervlak van een parallelogram is gelijk aan
het produkt van zijn basis en zijn hoogte.
Daar elke driehoek de helft is van een parallelogram, dat met
hem gelijke basis en gelijke hoogte heeft, zoo volgt uit het voor-
gaande de
Stelling : liet oppervlak van een driehoek is gelijk aan het halve
produkt van zijn basis en zijn hoogte.
§ 161. Berekening van het oppervlak eens driehoeks, als zijne
zijden gegevrn zijn,
a, b en c.
In § 142 is voor de loodlijn op de zijde a gevonden
\\/s (s — a)(s — V) (s — c).
h
2
Dit is de hoogte, als a de basis is, zoodat wij voor het opper-
\'
          Fig. 103.                     v\\&V. vinden: O z: «X!\'= Vs
(s — a) (s — b) (s — c).
§ 162. Stelling. Het oppervlak
van een trapezium is gelijk aan de
italve som der evenwijdige zijden,
vermenigvuldigd met de hoogte.
Bewijs. Noemen wij de hoogte
van het trapezium h, dan is
AF = CE = h.
7*
-ocr page 104-
100
ABC =CEX,lAB = 4X! AB,
ACD = AF X i CD = h X i CD.
Samen
          ABCD = iX! (AB CD).~
§ 163. Om het oppervlak van een willekourigen veelhoek te
berekenen, kan men hem, evenals wij bij het trapezium gedaan
hebben, door diagonalen in driehoeken verdeelen en de oppervlak-
ken van die driehoeken berekenen. De som der oppervlakken van
de driehoeken levert het oppervlak van don veelhoek op.
Men kan ook den veelhoek in andere deelen verdeelen, die men
af/.oiiderlijk kan berekenen. Zoo is een verdeeling, die dikwijls
toegepast wordr, de volgende:
Fi\'. 101.                            Vereenig twee hoekpunten
L en C door de diagonaal LC,
en laat uit de andere hoekpun-
ten loodlijnen neer op LC.
Daardoor wordt de veelhoek
verdeeld in rechthoekige drie-
hoeken en rechthoekige trape-
ziums. De oppervlakken van
deze deelen kan men bereke-
nen, als de lengten der lood-
lijnen en der deelen, waarin
CL door hare voetpunten verdeeld wordt, bekend zijn.
£«*, VERGELIJKEN VAN OPPERVLAKKEN.
\' \'                    ,                            ■■.-«.•■\'c■(L,
§ 164. Stelling. De oppervlakken van twee driehoeken, die een
hoek gelijk hebben, staan tot elkaar als de produkttn der zijden om
dien hoek.
Onderstelde, l A =: La.
Gestelde. ABC : abc =z AB X AC : ab X <"«•
Bewijs. Nemen wij AB en ab als bases aan, dan zijn CD en cd
de hoogten. Volgens het gevolg der stelling van § 158 heeft men
-ocr page 105-
101
^
Fiff. 105.
ABC
abc
AB PC
abX de\'
Daar L K ~ i», zijn de
rechthoekige driehoeken ACD
en ocd gelijkvormig, zoodat
PC _ AC
de          ac\'
ABC
abc
_ AB AC _ AB X AC
ab ac
           ab X ac \'
Men heeft nu
of
ABC : abc = AB X AC : ab X ac.
§ 165. Stelling. De oppervlakhen van twee gelijkvormige drie-
hoeken staan tot elkaar als de tweedemachlen van een paar gelijk-
standiye zijden.
Fig. 106.                                  Bewijs. Neem een
paar gelijkstandige
zijden AB en ab ala
bases aan.
Vooreerst is
ABC
abc
AB CP
ab X ed\'
En daar ACP
en
acd tv zijn,
Door substitutie in de
AB\'
AB AB
ab X ab
vorige vergelijking
abc \'
\' ab\'
§ 166. Stelling. Twee gelijkvormige veelhoeken staan tot elkaar
als de vierkanten van twee gelijkstandige zijden.
Bewijs. Verdeel de twee veelhoeken door gelijkstandige diagonalen
Pig. 107.
-ocr page 106-
102
in gelijkvormige driehoeken, dan heeft men volgens de vorige stelling
ABC : abc = AB\': ab\',
ACD : acd = CD*: cd\',
ADE : ade = DE\' : de\',
AEF : aef = EF\' : ef\'.
Uit de gelijkvormigheid der veelhoeken volgt
AB : ai = CD : cd = DE : de = EF : ef;
dus ook AB\': ab\' = CD\': cd\' = DE\' : de\' = EF\' : ef.
De vier evenredigheden, die wij hierboven opgeschreven hebben,
hebben dus de tweede redens gelijk, waaruit volgt
ABC : ahc — ACD : acd = ADE : ade = AEF : aef = AB\': ab\'.
(ABC ACD ADE AEF) :(abc acd ade aef) ~ AB\'-.ab\'.
ABCDEF : abcdef — AB*: ab\'.
ij 167. In § 138 is bewezen, dat de som der tweedemachten
van de rechthoekszjjden van een rechthoekigen driehoek gelijk is
aan de tweedemacht der hypotenusa. Daar nu die tweedemachten
de oppervlakken voorstellen van vierkanten , die ieder een der
zijden van den driehoek tot zijden hebben, zoo kan men het theo-
rema van Pythagoras ook aldus uitdrukken:
Het vierkant, beschreven op de hypotenusa van een rechthoekigen
driehoek, is gelijk aan de som der vierkanten
, beschreven op de
rechthoekszvjden.
                                                       •
§ 168. Stelling. Als men drie gelijkvormige veelhoeken beschrijft,
die de zijden van een rechthoekigen driehoek tot gelijkstandige zijden
hebben, dan is de veelhoek, op de schuine zijde beschreven, gelijk
aan de som der twee andere veelhoeken.
Bewijs. Laat a en b de lengten der rechthoekszjjden voorstellen
en c die van de schuine zijde, terwijl P, Q en R de oppervlakken
zijn van de gelijkvormige veelhoeken, die a, b m c tot gelijkstan-
dige zijden hebben. Volgens § 166 is nu
P : Q : R — a\':b\':c\'.
Volgens een eigenschap der evenredigheden
(P Q): E = (a* b\'): c\'.
In § 138 is bewezen a\' -\\-b\' rs c\', zoodat de derde en vierde
term van de voorgaande evenredigheid gelijk zij». Hieruit volgt,
dat ook de eerste en tweede term gelijk zijn, dus
P Q = R.
"
-ocr page 107-
103
WERKSTUKKEN.
§ 169. "Werkstuk. Als een veelhoek gegeven is, een anderen te
beschrijven
, die een zijde minder heeft en die gelijk is aan een ge-
geven veelhoek.
Constructie. Zij ABCDE de gegeven veelhoek. Trek een dia-
gonaal BD, die van den veelhoek een driehoek BCD afsnijdt. Trek
door het toppunt C van dien driehoek een lijn CF evenwijdig aan
Fig. 108.
                  ^B, dan zullen alle driehoeken, die
DB tot basis hebben en die hun top-
punt in CF hebben, gelijk zijn. De
veelhoek verandert dus niet van opper-
vlak, als men er den driehoek BCD
afneemt en een anderen driehoek bij-
voegt, die BD tot basis en een punt
van CF tot toppunt heeft. En om na
dat bijvoegen een veelhoek te ver-
krijgen, die één zijde minder heeft dan de gegevene, moet men
slechts tot toppunt van den bij te voegen driehoek kiezen: het
snijpunt F van het verlengde van AB met de lijn CF.
Gevolg. Boor deze constructie meermalen toe te passen, kan
men eiken veelhoek veranderen in een driehoek.
§ 170. Werkstuk. Een vierkant te beschrijven, gelijk aan de
som van twee gegeven vierkanten.
Constructie. Beschrijf een rechthoekigen driehoek, die eene
zijde van elk der gegeven vierkanten tot rechthoekszijden heeft.
Volgens § 167 zal dan een vierkant, dat de hypotenusa tot zijde
heeft, gelijk zijn aan de som der twee gegeven vierkanten.
Opmerkingen. 1. Om een vierkant te beschrijven, gelijk aan
het verschil van twee gegeven vierkanten, behoeft men slechts de
zijde van het grootste vierkant tot hypotenusa aan te nemen en de
zijde van het andere vierkant tot eene rechthoekszij de. De andere
rechthoekszij de is dan de zijde van \'t gevraagde vierkant.
2. Dezelfde constructie kan men volgens de eigenschap van §
168 toepassen om een veelhoek te construeeren, die gelijkvormig is
•
-ocr page 108-
104
met twee onderling gelijkvormige veelhoeken en gelijk aan hun som
of hun verschil.
§ 171. Werkstuk. Indien een lijn als eenheid gegeven is, lijnen
te construeeren gelijk aan \\/2, \\/3,
y\'ö, \\/6, enz.
Constructie. Beschrijf een rechthoekigen a > wiens rechthoeks-
z ij den ieder gelijk zijn aan de eenheid, dan is de tweedemacht der
hypotenusa
l\' l\' = 2,
en de hypotenusa zelf
               \\/ 2.
Beschrijf vervolgens een rechthoekigen a > die \\f 2 en 1 tot
rechthoekszjjden heeft, dan is het vierkant der hypotenusa van
dien A
rysp i* = 3,
en de hypotenusa dus                y\' 3.
Door als rechthoekszjjden te nemen 2 en 1 vindt men tot schuine
zijde \\/5. Met behulp van t/5 en 1 vindt men \\/6, en zoo kan
men voortgaan.
•
-ocr page 109-
DB EENVOUDIGSTE EIGENSCHAPPEN VAN DEN CIRKEL.
§ 172. "Wij hebben in § 15 gezegd wat een cirkel is en daar
ook de eigenschap vermeld, dat alle stralen van een cirkel eren
Fig. 109.
                   lang zijn.
Bepalingen. Een gedeelte van
een cirkel noemt men een cirkel-
boog, bijv. EGF (fig. 109).
Elke lijn, die twee punten van
een cirkel verbindt, noemt men een
koorde, bijv. EF.
Een koorde, die door het middel-
punt van den cirkel gaat, heet een
middellijn, bijv. AB.
Stelling. Alle middellijnen van een cirkel .zijn even lang.
Bewijs. Uit de vorige bepaling blijkt, dat elke middellijn de
som is van twee stralen, en daar alle stralen even lang zijn, zoo
zijn ook alle middellijnen even lang.
§ 173. Stelling. Elke middellijn verdeelt den cirkel in twee
deelen, die elkaar bedekken kunnen.
Bewijs. Als men de figuur omvouwt volgens een middellijn, zal
een straal, die aan den eenen kant dier middellijn ligt, vallen langs
een straal, die aan den anderen kant der middellijn ligt en een gelijken
hoek met haar maakt. Omdat de twee stralen even lang zijn, vallen
hun uiteinden samen; dus een punt van het eene gedeelte der kromme
Fig. 110.
                     lijn valt samen met een punt van
het andere gedeelte. Dit zelfde geldt
voor alle punten, zoodat na het
omvouwen der figuur de twee dee-
len van den cirkel elkaar bedekken.
§ 174. Stelling. De middellijn
is grooter dan eeniye andere koorde,
die niet door \'t middelpunt gaat.
-ocr page 110-
106
Bewijs. Zij CD een koorde, die niet door \'t middelpunt M gaat,
dan vormt die koorde met de stralen MC en MD een driehoek. Hierin is
MC MD > CD,
en daar elke middellijn gelijk is aan tweemaal een straal, zoo is
ook de middellijn OP > CD.
§ 175. STELLING. Door drie punten, die niet in een rechte lijn
liggen, kan altijd een cirkel gaan.
Bewijs. Om de waarheid van deze stelling aan te toonen, moeten
wij laten zien, dat er altijd een punt P kan gevonden worden, even
ver van de drie punten gelegen. Neemt men toch zulk een punt tot
middelpunt aan van een cirkel, die tot straal heeft den afstand van P tot
een der drie gegeven punten, dan gaat die cirkel door de drie punten.
Fig. 111.
                            Laat nu A, B en C de drie
gegeven punten zijn. Daar het
middelpunt van den cirkel
even ver van A als van B
moet verwijderd zijn, ligt het
volgens § 60 in de lijn DE,
die AB rechthoekig midden-
door deelt. Daar het middel-
punt even ver van B als van
C moet liggen, moet het een
punt zijn van de lijn FG,
die BC rechthoekig midden-
door deelt. Zal er dus een punt zijn, dat aan het vereischte voldoet,
dan moet zulks het snijpunt zijn van DE en van FG. Daar men
heeft
                                 EDF < EDB en
GFD < GEB
ÊDF -f- GFD < 180% zoo zullen DE en EG
(volgens § 33 Gevolg) elkaar ontmooton. Dat ontmoetingspunt ligt
even ver van A als van B en even ver van B als van C, dus op
gelijke afstanden van A, B en C.
Opmerkingen. 1. Als de drie punten A, B en C in eene
rechte lijn liggen , kunnen de lijnen, die AB en BC rechthoekig
middendoor deelen, elkaar nooit ontmoeten; er is dus geen cirkel
mogelijk, die door drie punten gaat, welke in éen rechte lijn liggen;
-ocr page 111-
107
of met andere woorden: Een cirkel kan geen drie punten met een
rechte lijn gemeen hebben.
2.    Daar slechts één cirkel mogelijk is, die door drie gegeven
punten gaat, zoo kan men zeggen: Een cirkel is door drie van
zijn punten bepaald.
3.    Door twee punten A en B kan men zooveel cirkels laten
gaan als men wil. Daartoe moet men slechts tot middelpunt nemen
een willekeurig punt van de lijn, die AB rechthoekig middendoor
deelt, en tot straal den afstand van E tot A.
Gevolg. Als twee cirkels drie punten gemeen hebben, bedekken
zij elkaar volkomen.
§ 176. Stelling. Als twee cirkels met gelijke stralen beschreven
zijn, kunnen zij zóo geplaatst worden, dal zij elkaar bedekken.
Bewijs. Plaats den eenen cirkel zóo, dat zijn middelpunt samen-
valt met het middelpunt van den anderen cirkel. Uit de eigenschap,
dat alle stralen van den eenen cirkel gelijk zijn aan die van den
anderen, volgt nu onmiddelijk, dat elk punt van den eenen cirkel
samenvalt met een punt van den anderen.
Bepaling. Cirkels, die met gelijke stralen beschreven zijn, noemt
men gelijke cirkels.
Opmerking. Even als men cirkels op elkaar kan plaatsen, die
met gelijke stralen beschreven zijn, zoo kan men ook deelen van
denzelfden cirkel op elkaar plaatsen.
§ 177. Stelling. Als twee gelijke cirkels zóo geplaatst worden,
dat zij twee punten gemeen hebben en dat de middelpunten vallen
aan denzelfden kant der lijn, die de gemeenschappelijke punten
verbindt, dan zullen de kromme lijnen geheel langs elkaar vallen.
Bewijs. Plaats den cirkel CDE zóo, dat C in A en D in B valt
en dat het middelpunt N
aan denzelfden kant van
AB valt, als waar het
middelpunt M ligt. Daar
men nu heeft AB :zz CD,
BM = DN en AM = CN,
zoo zijn de driehoeken
ABM en CDN gelnk en
-ocr page 112-
1US
gelijkvormig. Het punt N valt dus in M, zoodat de cirkels volgens
de vorige stelling geheel samenvallen.
§ 178. Bepalingen. In denzelfden cirkel of in cirkels, die met
gelijke stralen beschreven zijn, noemt men twee bogen gelijk,
als ze zóo geplaatst kunnen worden, dat zij elkaar volkomen be-
dekken. BC = B\'C\'.
Fjtr, Hg.                               Men zegt, dat een boog
kleiner is dan een andere,
als de eerste een gedeelte
van den tweeden kan be-
dekken.
Om twee bogen , AB en
B\'C\', van gelijke cirkels
samen te tellen, plaatst
men den eenen, B\'C\', naast den anderen, in BC, zoodat zij een
uiteinde B gemeen hebben. Men noemt dan AC de som van AB
en B\'C\'.
AC = AB BC,
AC =: AB -f- B\'C\'.
Een hoek, wiens hoekpunt in het middelpunt van een cirkel ligt,
heet een middel punts hoek.
Men zegt, dat een middelpuntshoek staat op den boog, die
tusschen zijn beenen begrepen is.
Bij eiken cirkelboog heeft men een middelpuntshoek en een koorde.
Bij eiken middelpuntshoek heeft men een cirkelboog, die binnen
den hoek ligt, en een koorde, welke dien boog onderspant.
Bij elke koorde heeft men een uitspringenden en een inspringen-
den middelpuntshoek, wiens beenen door de uiteinden van die koorde
gaan, en twee cirkelbogen, welke beide door die koorde worden
onderspannen.
Tusschen een cirkelboog, de overeenkomstige koorde en den
overeenkomstigen middelpuntshoek bestaan betrekkingen, die wij
in de zes volgende paragrafen zullen behandelen.
§ 179. Stelling. Als bij denzelfden cirkel of bij gelijke cirkels
twee hoeken aan \'t middelpunt gelijk zijn, dan volgt daaruit, dat
de koorden gelijk zijn,
en omgekeerd.
-ocr page 113-
109
Bewijs. Zij volgens de onderstelling c AMB = L CND.
Verder is
                          AM = CN,
BM = DN.
De driehoeken ABM en CDN zijn £y:., zoodat
AB = CD.
Fig. 114.
Bewijs van het omgekeerde. Indien bekend is AB r= CD,
dan weet men, dat de drie zijden van A ABM gelijk zijn aan die
van A CDN. Deze zijn dus ££, zoodat
L AMB = L CND.
§ 180. Stelling. Als bij gelijke cirkels of bij denzelfden cirkel
twee hoeken aan \'t middelpunt gelijk zijn, dan volgt daaruit, dat
de bogen gelijk zijn,
en omgekeerd.
Bewijs. Plaatst men den eenen hoek zóo, dat hij den anderen
bedekt, dan volgt uit de gelijkheid der stralen, dat ook de bogen
samenvallen.
Bewijs van het omgekeerde. Als de bogen gelijk zijn, kan
men ze zóo plaatsen, dat zij samenvallen. Volgens § 177 vallen
dan de middelpunten samen en bijgevolg ook de middelpuntshoeken.
Gevolg. De lijn, die een middelpuntshoek middendoor deelt,
zal ook den boog middendoor deelen, waarop die hoek staat.
§ 181. Stelling. Als bij denzelfden cirkel of bij gelijke cirkels
twee koorden gelijk zijn, dan volgt daaruit, dat de bogen, waarin
elke koorde een cirkel verdeelt, gelijk zijn,
en omgekeerd.
Bewijs. Als twee koorden gelijk zijn, zijn volgens § 170 de
middelpuntshoeken gelijk, en hieruit volgt, volgens de vorige §,
dat de bogen gelijk zijn.
-ocr page 114-
110
Bewijs van het omgekeerde. Als twee bogen gelijk zijn, dan
kan men ze zóo plaatsen, dat zij samenvallen; maar dan vallen
ook de koorden samen.
Opmerking. Daar elke koorde de twee bogen onderspant, waarin
zij den cirkel verdeelt, zoo mag men uit de gelijkheid van twee
koorden alleen besluiten tot de gelijkheid van twee bogen, wanneer
deze beide grooter of beide kleiner zijn dan de helft van den cirkel,
of wanneer zij juist de helft zijn van den cirkel.
§ 182. Stelling. Als bij denzelfden cirkel of bij gelijke cirkels
twee uitspringende middelpuntshoeken ongelijk zijn, behoort bij den
grootsten hoek de grootste koorde,
en omgekeerd.
Bewijs. Als L AMB > £.CND, dan hebben de driehoeken AMB
Fig. 115.
en CND twee zijden gelijk (AM = CN, BM zz DN), terwijl de
ingesloten hoek bij den eersten grooter is dan bij den tweeden.
Hieruit volgt, volgens § 66, AB > CD.
Bewijs van het omgekeerde. Als AB > CD, zijn twee zijden
van A AMB gelijk aan twee zijden van A CND, terwijl de derde
zij van den eersten driehoek grooter is dan de derde zij van den
tweeden driehoek. Hieruit volgt, volgens § 67,
/1AMB > LCND.
§ 183. Stelling. Als bij denzelfden cirkel of bij gelijke cirkels
twee uitspringende middelpuntshoeken ongelijk zijn, behoort bij den
grootsten hoek de grootste boog,
en omgekeerd.
Bewijs. Men kan den kleinsten hoek zóo plaatsen, dat hij een ge-
deelte van den anderen bedekt, en dan zal tevens de boog, die bij den
kleinsten boek behoort, een gedeelte van den anderen boog bedekken. "
-ocr page 115-
111
Bewijs van het omgekeerde. Plaats den kleinsten boog zóo,
dat hij een gedeelte van den anderen bedekt, dan zal te gelijk de
hoek, die bij den kleinsten boog behoort, een gedeelte van den
anderen hoek bedekken.
§ 184. Stelling. Als bij denzelfden cirkel of bij gelijke cirkels
twee bogen, beide kleiner dan een halve cirkel, ongelijk zijn, dan
behoort bij den grootsten boog de grootste koorde,
en omgekeerd.
Bewijs. Bij den grootsten der twee bogen behoort volgens de
vorige § de grootste der twee middelpuntshoeken en bij den groot-
sten der twee hoeken behoort volgens § 182 de grootste der twee
koorden. Dus behoort ook bij den grootsten der twee bogen de
grootste der twee koorden.
Bewijs van het omgekeerde. Bij de grootste der twee koor-
den behoort volgens § 182 de grootste der twee middelpuntshoeken
en bij den grootsten der twee middelpuntshoeken behoort volgens
de vorige § de grootste der twee bogen. Dus moet ook bij de
grootste der twee koorden de grootste der twee bogen behooren.
Opmerking. Uit AC > BD volgt, volgens het voorgaande,
boog AFC > boog BED.
Fig. 116.
Als men boog AFC van den geheelen cirkel afneemt blijft er
minder over, dan wanneer men boog BED van den geheelen cirkel
afneemt. Uit
                          AC > BD volgt dus
boog AHC < boog BGD.
Eveneens volgt uit boog AHC < boog BGD.
AC > BD.
-ocr page 116-
112
Men heeft dus in woorden: Als bij denzelfden cirkel of bij
gelijke cirkels twee bogen, beide grooter dan een halve cirkel
,
ongelijk zijn, dan behoort bij den grootsten der twee bogen de
kleinste der twee koorden,
en omgekeerd.
§ 185. Stelling. De middellijn, die rechthoekig op een koorde
staat, deelt de koorde middendoor en de twee bogen, die de koorde
onderspant.
pj„ ii7.                 Bewijs. Zij AB de koorde en CD de
middellijn, die rechthoekig op AB staat.
Vereenig het middelpunt met A en met B,
dan ia A AMB gelijkbeeaig en de lijn,
die door het toppunt M van dien driehoek
rechthoekig op de basis getrokken wordt,
deelt volgens § 58 de basis middendoor.
Daar nu C een punt is van de lijn, die
AB rechthoekig middendoor deelt, zoo is
koorde CA zz koorde CB,
en dus
                            boog CA ;= boog CB.
Evenzoo heeft men koorde DA — koorde DB,
waaruit volgt
                 boog DA =: boog DB.
§ 186. De lijn CD voldoet volgens het bovenstaande aan vijf
voorwaarden.
1°. Zij gaat door het middelpunt van den cirkel.
2°. Zij staat rechthoekig op AB.
3°. Zij gaat door het midden van AB.
4°. Zg deelt boog ACB middendoor.
5°. Zij deelt boog ADGrtniddendoor.
Twee van deze voorwaarden zijn voldoende om CD te bepalen,
en elke lijn, die aan twee der genoemde voorwaarden voldoet, zal
ook aan de drie andere voldoen.
Gevolg. De meetkundige plaats der middelpunten van alle koor-
den, die evenwijdig loopen met een gegeven lijn, is de middellijn,
welke rechthoekig op de gegeven lijn staat.
i
-ocr page 117-
113
ONDERLINGE LIGGING VAN EEN CIRKEL EN EEN
RECHTE LIJN.
§ 187. Volgens het axioma van § 11 zal een rechte lijn, die
•door een punt binnen een cirkel getrokken wordt, de kromme
minstens tweemaal snijden. Dat er niet meer dan twee snijpunten
kunnen zijn, is in de eerste opmerking van § 175 gebleken.
Bepaling. Een rechte lijn, die met den cirkel twee \'punten
gemeen heeft, noemt men een snij lijn.
Fig. 118.                        Stellen wij ons voor, dat zulk
een snijlijn AB om een van haar
snijpunten A draait, zóo, dat het
andere snijpunt tot A nadert. Dit
nndere snijpunt komt dan achter-
eenvolgens in B, C, D, E. De
bewegende lijn kan daardoor in
zulk een stand gebracht worden,
dat de twee snijpunten samenval-
len in A.
Bepalingen. Een raak lijn
ontstaat, als een snijlijn zoodanig om een van haar snijpunten be-
wogen wordt, dat haar beide snijpunten samenvallen in één punt.
Dit punt noemt men het raakpunt.
Opmerking. Men drukt dit samenvallen van twee snijpunten
Fig. 119.
ook uit door te zeggen, dat
een raaklijn twee opeenvolgende
punten
met den cirkel gemeen
heeft.
§ 188. Stelling. Een raak-
lijn staat rechthoekig op den
straal van het raakpunt.
Bewijs. Zij AC een snijlijn,
die door draaiing om A over-
gaat in de raaklijn AF. De
driehoek AMB is gelijkbeenig,
en zijn buitenhoek
J. versluys, Vlakke Meetkunde. 8e druk.
                           8
-ocr page 118-
114
/.MBC = 180° — iMBA,
iMBC = 180= — (90° — jiAMB),
L MBC = 90° \\ L AMB.
Op dozelfde wijze is
iMDE = 90° iL AMD,
L MGH = 90° • L AMG.
Of in woorden: Een snijlijn maakt met den straal van een harer
snijpunten een hoek, die gelijk is aan
90J plus de helft van den
\'hoek, dien de stralen van de twee snijpunten met elkaar maken.
Deze eigenschap gaat door, hoe dicht de twee snijpunten ook bij
elkaar komen. Vallen de twee snijpunten samen, dan vallen ook de
twee stralen samen: deze maken dus een hoek van 0\' met elkaar,
zoodat wij hebben
L MAF = 90; 0° = 90°.
Gevolgen. 1. Door elk punt van een cirkel kan êen en niet
meer dan éen raaklijn gaan.
2. Een lijn, die rechthoekig staat op het uiteinde van een straal,
is een raaklijn.
Fig. 120.
Opmerking. Men kan ook zeg-
gen, dat een raaklijn ontstaat, als
een snijlijn AC draait om een van
haar punten A buiten den cirkel,
tot haar twee snijpunten samen-
vallen in F. Men kan daarbij, even
als vroeger, aantoonen, dat de lijn
AF rechthoekig staat op den straal
van het raakpunt.
Opmerking. De voorgaande beschouwing der raaklijnen
is in de 17e eeuw langzamerhand ontwikkeld door fermat,
HUYGENS, NEWTON en LEIBNITZ.
§ 189. Stellingen. 1. De afstand van het middelpunt tan
een cirkel tot een snijlijn is kleiner dan de straal.
2.    De afstand van het middelpunt van een cirkel tot een raak-
lijn is gelijk aan den straal.
3.    De afstand van het middelpunt tot een rechte lijn, die geen
enkel punt met den cirkel gemeen heeft, is grooter dan de straal.
-ocr page 119-
115
Bewijzen. 1. De stralen van de twee snijpunten zijn even lang
en maken dus scheeve hoeken met de snijlijn. En daar de loodlijn,
uit het middelpunt op de snijlijn neergelaten, kleiner is dan een
der schuine lijnen, zoo is die loodlijn kleiner dan de straal.
•i. De raaklijn staat volgens de vorige § rechthoekig op den
straal van het raakpunt, zoodat die straal de afstand van het
middelpunt tot de raaklijn is.
3. Als een rechte lijn geen enkel punt met den cirkel gemeen
heeft, liggen al haar punten buiten de kromme. Zooals wij reeds
in § 15 gezien hebben, is de afstand van alle punten der rechte
tot het middelpunt grooter dan de straal. Dus is ook de loodlijn,
die een punt der rechte Ijjn met het middelpunt vereenigt, grooter
dan de straal.
§ 190. In de vorige § hebben wij alle standen genomen, die
een rechte lijn ten aanzien van een cirkel kan innemen, en daarbij
zijn wij gekomen tot gevolgtrekkingen, die verschillend zijn en van
dien aard, dat geen twee te gelijk kunnen waar zijn. Wij hebben
dus met toepassing van den algemeenen regel van £ 43 de volgende
Stellingen. 1. Als de afstand van het middelpunt van een
cirkel tot een rechte lijn kleiner is dan de straal, dan is de rechte
lijn een snijlijn.
2.    Als de afstand van het middelpunt tot een rechte lijn gelijk
is aan den straal, dan is die rechte lijn een raaklijn.
3.    Als de afstand van het middelpunt tot een rechte lijn grooter
is dan de straal, dan heeft de rechte geen enkel punt met den cir-
Fig. 121.                     kei gemeen.
§ 191. Stelling. In denzelf-
den cirkel of in gelijke cirkels
liggen gelijke koorden even ver
van het middelpunt,
en omge-
keerd : twee koorden, die op ge-
lijke afstanden van het middelpunt
liggen, zijn gelijk.
Bewijs. De loodlijnen, die men
uit het middelpunt op de koorden
neerlaat, deelen de koorden raid-
5*
-ocr page 120-
116
dendoor. Uit de gelijkheid der koorden volgt das ook BE = DF.
Na hebben wij in de rechthoekige driehoeken MBE en MD F, als
wjj MB z= MD door r voorstellen,                 if-ivfW ï (*■<"<\'-•\'} ;■
c.L
ME1 = >■\' - BE\', q-u
MF\' = r* — DF\'.
Daar nu BE en DF gelijk zijn, zijn de tweede leden der vorige
vergelijkingen gelijk; dus ook de eerste
ME1 = MF2 en
ME = MF.
Omgekeerd volgt uit ME = MF of ME\' = MF", dat de tweede
leden gelijk zijn; dus
         BE1 r: DF\' en
BE = DF.
§ 192. Stelling, In denzelfden cirkel of in gelijke cirkels ligt
van tuee ongelijke koorden de kleinste het verst van \'t middelpunt,
en omgekeerd.
Bewijs. Wij hebben, even als in de vorige §,
Fig. 122.                                MF\' = t* — DF\' en
ME1 = f* — BE1.
Indien nu CD < AB, dan is ook
DF < BE.
Het tweede lid der eerste vergelijking is
grooter dan het tweede lid der tweede ver-
gelijking; dus ook
MF\' > ME1 en
MF < ME.
Omgekeerd volgt uit MF > ME of MF\' > ME\'
r\' _ MF\' < r* — ME\' en dus
DF\' < BE\' of
DF < BE.
k
ONDERLINGE LIGGING VAN TWEE CIRKELS.
§ 193. Volgens § 175 kunnen twee cirkels geen drie punten ge-
meen hebben, zonder geheel samen te vallen, terwijl uit de derde
-ocr page 121-
117
opmerking van die § blijkt, dat twee cirkels twee punten kunnen ge-
meen hebben. Men zegt dan, dat de twee cirkels elkaar s n ij d e n in
die twee gemeenschappelijke punten. Men noemt deze snijpunten.
Cirkels, die een zelfde middelpunt hebben, heeten concen-
trisch.
Als de stralen van twee concentrische cirkels even lang zijn,
vallen de kromme lijnen geheel samen, zoo als in § 176 gebleken
is. Als de stralen verschillend zijn, kunnen de kromme lijnen geen
enkel punt gemeen hebben.
§ 194. Stelling. Als twee cirkels elkaar snijden, staat de lijn,
123.
                             die de twee middelpun-
ten verbindt, rechthoekig
op de lijn, die de twee
snijpunten vereenigt.
Bewijs. Het middel-
punt M ligt op gelijke
afstanden van A en B.
Hetzelfde geldt voor P.
De lijn door M en P is
dus de lijn, die AB rechthoekig middendoor deelt.
§ 195. Als twee cirkels twee punten A en B gemeen hebben,
Fig. 124.
                             dan kan men den eenen
zoodanig om een dier
snijpunten laten bewe-
gen , dat het andere
snijpunt tot A nadert.
Dit andere snijpunt
komt dan achtereenvol-
gens in C en D en zal
eindelijk met A samen-
vallen.
Bepalingen. Als de
snijpunten van twee
cirkels samenvallen, zegt men, dat de cirkels elkaar raken.
Het punt, waarin de snijpunten samenvallen, noemt men het
raakpunt der twee cirkels.
-ocr page 122-
116
Fig. 125.                       Indien de cirkels buiten elkaar vallen,
zooala in fig. 124, zegt men, dat zij
elkaar uitwendig raken.
Indien bij het samenvallen der snij-
punten de eene cirkel binnen den an-
deren ligt, zegt men, dat de cirkels
elkaar inwendig raken.
§ 196. Stellen wij ons voor, dat in
tig. 124 een lijn getrokken wordt door
de snijpunten der twee cirkels. Die lijn
is een snijlijn der beide cirkels; zij ligt eerst in den stand AB,
daarna in AC en AD. \'Wanneer de snijpunten der twee cirkels
samenvallen, dan vallen tevens samen de twee snijpunten van de
rechte lijn met den eenen cirkel en do twee snijpunten van dezelfde
rechte lijn met den anderen cirkel. De snijlijn van de twee cirkels
wordt dan een raaklijn van de beide cirkels. "Wij hebben dus de
STELLINO: Als twee cirkels elkaar raken, hebben zij in hun
raakpunt een gemeenschappelijke raaklijn.
§ 197. Stellino. Als twee cirkels elkaar raken, liggen hun
middelpunten en het raakpunt in i\'en rechte lijn.
Pi~ ].;g                                   Bewijs. Als de cirkels,
die M en N tot middelpunt
hebben, elkaar raken, heb-
ben zij volgens de vorige
stelling in hun raakpunt
A een gemeenschappelijke
raaklijn CD. Op deze lijn
staan AM en AN beide
rechthoekig, zoodat de hoek
MAN gestrekt is en M, A
en N in éon rechte lijn liggen.
Op dezelfde wijze toont men het gestelde aan voor twee cirkels,
die elkaar inwendig raken.
§ 198. Stellingen-. 1. Als van twee cirkels de eene geheel
buiten den anderen ligt, is de afstand van hun middelpunten
grooter dan dn som van hun stralen.
-ocr page 123-
119
2.    Als twee cirkels elkaar uitwendig raken, is de afstand der
middelpunten gelijk aan de som der stralen.
3.    Als twee cirkels elkaar snijden, is de afstand der middel-
punten kleiner dan de som en grooter dan \'t verschil der stralen.
4.    Als twee cirkels elkaar inwendig raken, is de afstand der
middelpunten gelijk aan H verschil der stralen.
5.   Ah de eene cirkel geheel binnen den anderen ligt, is de afstand
der middelpunten kleiner dan H verschil der stralen.
Bewijzen. 1. Men heeft
in fig. 127 MP = MA
AB BP, MP > MA
BP, waarbij MP de afstand
der middelpunten is, MA
een straal van den eenen
cirkel en BP een straal van
den anderen cirkel.
2. Als de twee cirkels
elkaar uitwendig raken, lig-
gen het raakpunt en de twee
middelpunten in dezelfde
rechte lijn. Dus is in fig. 128
MP = MA AP,
waarbij MP weder de afstand
dor middelpunten is, terwijl
MA en AP stralen zijn van
de twee cirkels.
3. Als de twee cirkels
elkaar snijden, vormt de
lijn, die de middelpunten
vereenigt, een driehoek
met de twee stralen van
een der snijpunten A.
In dien a MAP heeft
men
MP < MA AP en
MP > MA - AP.
-ocr page 124-
120
Fig. 130.                    4. Als de twee cirkels elkaar inwen-
dig raken, liggen de middelpunten M
en F in éen rechte lijn met het raak-
punt A. Men heeft dus
MP = MA —PA,
of in woorden: de afstand der middel-
punten is gelijk aan het verschil der
stralen.
Fig. 131.                       5. Men heeft in fig. 131
MP = MB — PB,
MP = MB-PA —AB,
MP < MB —PA,
of in woorden: de afstand der mid-
delpunten is kleiner dan het verschil
der stralen.
§ 199. Door toepassing van den algemeenen regel in § 43 heb-
ben wij onmiddelljjk de omgekeerde
Stellisgen: 1. Als de afstand der middelpunten van twee cir-
kels grooter is dan de som der beide stralen, zoo liyt de eeue cirkel
geheel buiten den anderen.
2.    Als de afstand der middelpunten gelijk is aan de som der
stralen, dan raken de cirkels elkaar uitwendig.
3.    Als de afstand der middelpunten kleiner is dan de som en
grooter dan
V verschil der stralen, zoo snijden de cirkels elkaar.
4.    Als de afstand der middelpunten gelijk is aan H verschil der
stralen, dan raken de cirkels elkaar inwendig.
5.    Als de afstand der middelpunten kleiner is dan V verschil
der stralen, zoo ligt de eene cirkel geheel binnen den anderen.
-ocr page 125-
121
OVER HET METEN VAN HOEKEN DOOR MIDDEL VAN
CIRKELBOGEN.
§ 200. Stellino. In denzelfden cirkel of in gelijke cirkels is
de verhouding van twee middelpuntshoeken gelijk aan de verhouding
der bogen, die tusschen de beenen der hoeken begrepen zijn.
Bewijs. Hierbij onderscheiden wij twee gevallen: de bogen zijn
onderling meetbaar of ze zijn onderling onmeetbaar.
1°. Als de bogen AB
en CD onderling meetbaar
zijn, bestaat er een derde
boog, die op de eerste
twee een geheel aantal
malen begrepen is. Zetten
wij dien derden boog op
AB en CD uit, dan wor-
den deze in gelijke stukken verdeeld, bijv. AB in drie en CD in
zes, en wij hebben
boog AB __ 3
boog CD -~" ~6~"
Trekken wij nu naar de doelpunten van AB en CD stralen, dai.
worden de middelpuntshoeken in evenveel deelen verdeeld als de
bogen, en al die deelen zijn volgens § 179 gelijk. Wij hebben
dus ook
L AMB _ 3 _ boog AB
L CND "" 1T "= boog CD\'
2°. Als de bogen onderling onmeetbaar zijn, kan men geheel
op dezelfde wijze handelen als in het tweede geval van § 114 of
in het tweede geval van § 157.
§ 201. In § 27 is gezegd, dat men tot het meten van hoeken
gewoonlijk als eenheid aanneemt een hoekgraad of een negen-
tigste gedeelte van een rechten hoek.
Om bogen van denzelfden cirkel of van gelijke cirkels te meten,
neemt men gewoonlijk als eenheid aan het driehonderdzestigste ge-
deelte van de geheele kromme of het negentigste gedeelte van een
-ocr page 126-
122
vierde deel van den cirkel. Die eenheid noemt men een booggraad.
Een zestigste van een booggraad noemt men een minuut en een
zestigste van een minuut een seconde.
Als door het middelpunt van een cirkel twee lijnen rechthoekig
op elkaar getrokken worden, verkrijgt men vier middelpuntshoeken,
die alle recht, dus onderling gelijk zijn. Dezelfde lijnen verdeden
derhalve ook den cirkel in vier gelijke deelen, zoodat met een
rechten middelpuntshoek overeenkomt een vierde gedeelte van den
cirkel.
Verdeelt men zulk een gedeelte der kromme lijn in negentig
gelijke deelen, dan is elk dier deelen een booggraad. Vereenigt
men alle deelpunten van den boog met het middelpunt, dan wordt
de rechte hoek aan \'t middelpunt in negentig gelijke deelen ver-
deeld, en elk dier deelen is een hoekgraad.
Met een hoekgraad aan \'t middelpunt komt dus overeen een
booggraad.
Als een bijzonder geval van de stelling der vorige § hebben wij
nu: de verhouding van een middelpuntshoek tot een hoekgraad is
gelijk aan de verhouding van den boog, die tusschen de beenen
van den eersten hoek ligt, tot een booggraad. De middelpuntshoek
en de boog, die tusschen zijn beenen ligt, worden dus door dezelfde
getallen uitgedrukt.
Men drukt deze eigenschap uit, door bij verkorting te zeggen:
Een middelpuntshoek is gelijk aan den boog, die tusschen zijne
beenen begrepen is.
"Wij zullen in het volgende dikwijls de oneigenlijke uitdrukking
gebruiken, dat een hoek en een cirkelboog gelijk zijn. Dat betee-
ken t dan telkens, dat zij door dezelfde getallen worden uitgedrukt,
als men tot eenheid der hoeken aanneemt een driehonderdzestigste
gedeelte van vier rechte hoeken en tot eenheid der cirkelbogen een
driehonderdzestigste gedeelte van den cirkelomtrek.
§ 202. Bepalingen. Een hoek, wiens hoekpunt in den omtrek
van een cirkel ligt en wiens beenen koorden zijn, noemt men een
omtrekshoek.
Men zegt, dat zulk een hoek staat op den boog, die tusschen
zijn beenen begrepen is.
De figuur, die gevormd wordt door een cirkelboog en de koorde,
-ocr page 127-
123
welke zijne uiteinden vereenigt, noemt men een cirkelsegment.
De figuur, die gevormd wordt door een cirkelboog en de stralen
van zijne uiteinden, heet een cirkelsector.
De helft van een cirkelomtrek met de middellijn, die zijn uit-
einden verbindt, vormt dus te gelijk een cirkelsegment en een
cirkelsector.
Een cirkelsector, wiens boog een vierde gedeelte van de kromme
is en wiens middelpuntshoek dus recht is, noemt men een cirkel-
quadrant.
Men duidt een cirkelsegment aan door het opnoemen van drie
letters, waarvan twee bij de uiteinden van den boog staan en een
Fi>. 133.
             bij een ander punt van den boog.
■ Men duidt een cirkelsector aan door het
opnoemen van drie of vier letters, waarvan
een bij het middelpunt van den cirkel staat
en twee bij de uiteinden van zijn boog. De
vierde letter dient om een ander punt van
den boog aan te wijzen. Zoo heeft men in
fig. 133 twee cirkelsegmenten ACB en AGB;
FMEG en FCEM zijn cirkelsectoren.
§ 203. STELLINO. Een omtrekshoek is gelijk aan de helft van
den boor/, waarop hij staat.
Bewijs. Hierbij zijn drie gevallen te onderscheiden. Vooreerst
kan het middelpunt van den cirkel in een der beenen van den hoek
liggen; ten tweede kan het middelpunt binnen den hoek liggen;
ten derde kan het middelpunt buiten den
hoek liggen.
1°. Vereenig het middelpunt M met het
punt B van het been, dat niet door \'t
middelpunt gaat. Nu is A BCM gelijk-
beenig en zijn buitenhoek
AMB = L B : C
L AMB — 2 L C.
Hoek C is de helft van L AMB, en
daar L AMB =z boog AB is, zoo is L C
ook de helft van boog AB.
-ocr page 128-
124
2°. Trek uit het hoekpunt B de middel-
lijn BE, dan heeft men volgens het eerste
geval
LA.BE = •/, boog AE,
L EBC = \'/\'8 boog EC.
Vie. 135.
L ABC =
boog AC.
3°. Trek weer uit; het hoekpunt^\'B de
middel lijn BD, dan heeft men volgens het
eerste geval
L DBC = •/« boog DC,
af             L DBA — ■/. boog DA.
L ABC = »/i boog AC.
Üevolg. Bi; denzelfden cirkel of bij gelijke cirkels zijn twee
omtrekshoeken gelijk, als de bogen, waarop zij staan, gelijk zijn;
en omgekeerd.
§ 204. De stelling der vorige § gaat door, hoe dicht de twee
punten ook bij elkaar komen, waarin een been van den hoek den
cirkel ontmoet. Laat men dus een der beenen om het hoekpunt
draaien, tot het bewegende been twee opeenvolgende punten met
den cirkel gemeen heeft, dan blijft de stelling doorgaan, zoodat de
hoek, die gevormd wordt door een raaklijn aan een cirkel en een
koorde, die door \'t raakpunt gaat, gelijk is aan de helft van den
boog, die binnen den hoek ligt.
jij 13y_                  Opmerking. Men kan dit bijzondere
geval der stelling van de vorige § ook
aldus bewijzen:
Zij BA een raaklijn en BD een mid-
dellijn, dan is boog BCD = 180° en
L ABD — 90°.
Dus        LXBD = V, boog BCD,
af           L CBD =: ■/., boog CD.
L ABC =s 7S boog BEC.
-ocr page 129-
125
Fig. 138.                 § 205. Men zegt van een omtrekshoek
ABC, dat hij in het cirkelsegment ACB
staat.
Stelling. Alle hoeken, die in een zelfde
cirkelsegment staan, zijn gelijk.
Bewijs. De hoeken ACB, ADB en AEB
zijn onderling gelijk, omdat ieder gelijk is
aan de helft van den boog AB.
Als een bijzonder geval van deze eigen-
Fig. 149.
schap hebben wij, dat alle hoeken, die in
een halven cirkel staan, zooals ABC en
ADC (fig. 139), gelijk zijn aan de helft
van den halven cirkel, dus gelijk aan 90 .
Alle hoeken, die in een halven cirkel
staan, zijn dus recht.
§ 206. Stellihg. Als twee evenwijdige
lijnen een cirkel snijden, dan zijn de twee
bogen, die tusschen de evenwijdige lijnen
liggen, gelijk,
en omgekeerd. (Zie fig. 140.)
Bewijs. Laat AB en CD evenwijdige lijnen zijn. Trek BC,
dan volgt uit de evenwijdigheid der lijnen, dat de verwisselende
binnenhoeken gelijk zijn.
L ABC = L BCD.
Fig. 140.
                       Deze zijn omtrekshooken, die
op de bogen AC en BD staan,
en volgens het Gevolg van § 203
zijn nu ook de bogen AC en BD
gelijk.
Bewijs van het omgekeerde.
Indien men weet, dat de bogen
AC en BD gelijk zijn, volgt hier-
uit (volgens § 203, Gevolg), dat
de hoeken ABC en BCD gelijk zijn.
En uit de gelijkheid van deze hoe-
ken volgt verder, dat AB en CD
evenwijdig zijn.
-ocr page 130-
126
Opmerking. De voorgaande eigenschap gaat door, hoe dicht de
twee snijpunten van een der snijlijnen bij elkaar liggen, en du»
ook wanneer zulk een snij lij n twee opeenvolgende punten met den
cirkel gemeen heeft, of m. a. w. als zij in een raaklijn overgaat.
Wij hebben dus als een bijzonder geval der vorige stelling: Als
een raaklijn en een snijhjn evenwijdig loopen, zijn de bogen, die
tusschen de twee lijnen liggen, gelijk,
en omgekeerd.
§ 207. Stelling. Een hoek, wiens hoekpunt binnen den cirkel
Fig. 141.
                 ligt, is gelijk aan de halve som van
twee bogen, waarvan de eene tusschen
de beenen van den hoek en de andere
tusschen de verlengden der beenen ligt.
Gestelde. L CAB rz \'/» boog BC ■ -
\'/, boog DB.
Bewijs. Trek DC, dan is de buiten-
hoek BAC van A DAC gelijk aan de
som der hoeken C en D. Deze beide
zijn omtrekshoeken, zoodat
C C = V, boog DE,
LD = \'/, boog BC.______________
Samen              l BAC = \'/s boog BC V, boog DE.
§ 208. Stellino. Een hoek, wiens hoekpunt buiten den cirkel
ligt en wiens beenen den cirkel snijden, is gelijk aan het halve
verschil der bogen, die tusschen de beenen van den hoek liggen.
Fij». 142.                     Gestelde. L A = \'/j boog BC —
\'/, boog DE.
Bewijs. Trek CD, dan is BDC een
buitenhoek van A ACD. Dus is
L A LO = BDC,
L A = L BDC — L C.
BDC en C zijn omtrekshoeken
waarbij
L BDC = \'/, boog BC, af
/ C = \'/. boog BE, blijft
L A. = \'/, boog BC — \'/5 boog DE.
-ocr page 131-
127
Opmekki.no. De voorgaande ttelling en het bewijs gaan door,
als een der snijlijnen of beide in raaklijnen overgaan.
§ 209. Stelling. De meetkundige plaats der toppunten van alle
driehoeken, die een gegeven lijn tot basis hebben, die een tophoek
van gegeven grootte hebben en wier toppunten aan een zelfden kant
der basis liggen, is een cirkelboog.
Bewijs. Zij AB de basis en C een punt, zoodat : ACB gelijk is
aan den gegeven hoek, dan is ABC een driehoek, die aan \'t ver-
eischte voldoet en C een punt der meetkundige plaats. Laat men
Fig. 143.
                      nu een cirkel gaan door A, B
en C, dan is voor ieder ander
punt van den cirkelboog ACB
L AÜB — L ACB.
Elk punt van dien boog is dus
het toppunt van een A , die AB
tot basis heeft en wiens tophoek
de vereisehte grootte heeft. Alle
punten van den cirkelboog be-
lmoren dus tot de meetkundige
plaats, en het gestelde zal be-
wezen zijn, als wij laten zien,
dat elk punt buiten den boog en aan denzelfden kant van AB,
als waar C ligt, niet aan het vereisehte voldoet. Voor een punt E
binnen het segment ACB is
L AEB = \'/, boog AB \'/, boog CD,
L AEB > Vs boog AB,
of
                      i AEB > L C,
zoodat E niet aan het vereisehte voldoet.
Voor een punt F buiten het segment heeft men
LW = »/i boo9 AB — 7s boo9 GH>
L F < \'/i boo9 AB, of
LF < C,
zoodat F niet aan het vereisehte voldoet.
Opmerking. Voor de meetkundige plaats der toppunten van
alle driehoeken, die aan dezelfde voorwaarden voldoen, maar aan
den anderen kant van AB liggen, vindt men een cirkelboog, die
-ocr page 132-
128
aan den anderen kant van AB ligt, dan waar C ligt. Vouwt men
de figuur om volgens de lijn AB, dan vallen de meetkundige
plaatsen samen.
Indien de gegeven hoek recht is, vindt men voor de meetkun-
dige plaats aan den eenen kant der hasis een halven cirkel, die de
basis tot middellijn heeft. "Voor de meetkundige plaats aan den
anderen kant van de basis vindt men ook een halven cirkel, die
de basis tot middellijn heeft. Die twee halve cirkels vormen samen
een cirkel, zoodat: de meetkundige plaats der toppunten van alle
rechthoekige driehoeken, die een gegeven lijn tot basis hebben, is
een cirkelomtrek, die de gegeven lijn tot middellijn heeft.
WERKSTUKKEN.
§ 210. Werkstuk. Een cirkel te beschrijven, die door drie
gegeven punten gaat.
Uit de stelling van § 175 blijkt, dat men, door tweemaal het
werkstuk van § 81 toe te passen, het middelpunt van den gevraag-
den cirkel vindt. Te gelijk is de straal van den cirkel bepaald.
In de opmerkingen van § 175 is tevens gebleken, dat het werk-
stuk onmogelijk is, als de drie gegeven punten in eene rechte lijn
liggen, en dat er altijd éen cirkel kan beschreven worden, als de
drie punten niet in eene rechte lijn liggen.
§ 211. Werkstuk. Een gegeven cirkelboog middendoor te deélen.
Fi 144
                      Eerste constructie. Vereenig de
uiteinden A en B van den boog met
het middelpunt en deel L ACB midden-
door. Als de deel lijn van den hoek den
boog snijdt in D, dan volgt uit de ge-
lijkheid der hoeken aan \'t middelpunt
ACD en BCD, dat de bogen AD en BD
gelijk zijn.
Tweede constructie. Maak een omtrekshoek van den cirkel,
-ocr page 133-
129
zoo dat die hoek op den gegeven boog staat. Deel dien hoek mid-
dendoor, dan zal (volgens § 203, Gevolg) de lijn, die den omtreks-
hoek middendoor deelt, ook den boog middendoor deelen.
Derde constructie. Deel de koorde, die den boog onderspant,
rechthoekig middendoor, dan zal, volgens § 185, de lijn, die de
koorde middendoor deelt, ook den boog middendoor deelen.
Bepaling. De rechte lijn, die het midden van een cirkelboog
•vereenigt met het midden van zijn koorde, noemt men de p ij 1
van het cirkelsegment.
§ 212. "Werkstuk.
Fig. 145.
Door een gegeven punt van een cirkel een
raaklijn aan de kromme te trekken.
Constructie. Vereenig het gegeven
punt A met het middelpunt M. Trek
door A een lijn Al!, die rechthoekig
staat op AM, dan is, volgens § 188,
AB een raaklijn.
In die zelfde § is gebleken, dat er
niet meer dan éen raaklijn mogelijk is
in hetzelfde punt A.
§ 213. "Werkstuk. Door een gegeven punt buiten een cirkel
een raaklijn aan die kromme te trekken.
Zij A het gegeven punt. Veronderstellen wij, dat het werkstuk
opgelost is en dat AB raakt in B. Vereenigen wij M met B en A,
dan is L B recht en het punt B ligt daarom op den omtrek van
Fig. 146.
                     den cirkel, die MA tot middellijn
heeft. Dat zelfde punt ligt ook
op den omtrek van den gegeven
cirkel. "Wij hebben dus de vol-
gende
Constructie: Vereenig A met
M en beschrijf op AM als middel-
lijn een cirkel, die den gegeven
cirkel snijdt in B. Trek daarna
een lijn door A en B.
AB is dan een raaklijn, omdat L B in een halven cirkel staat
en dus recht is.
J. versluys, Vlakke Meetkunde. 8e druk.                           9
-ocr page 134-
130
Opmerking. Daar M binnen en A buiten den gegeven cirkel
ligt, zal een cirkel, door M en A getrokken, den gegeven cirkel
tweemaal snijden, in B en in C; zdodat er altijd twee raakhjnen
zijn en nooit meer.
Gevolg. Daar de rechthoekige driehoeken ABM en ACM ctf
zijn, zoo zijn AB en AC even lang.
§ 214. "Werkstuk. Een gemeenschappelijke raaklijn te trekken
aan twee gegeven cirkels.
1°. Stellen wij ons voor, dat het werkstuk opgelost is en dat
AB een gemeenschappelijke raaklijn is, zoodat de twee cirkels aan
denzelfden kant van AB liggen. (Zie figuur 147.) Trekken wij nu
Yis. 147.
                            ae stralen MA en NB,
dan zijn _ A en i B
recht. Trekken wij ook
NC evenwijdig aan AB,
dan is L C recht, zoodat
NC een raaklijn is aan
den cirkel, die M tot
middelpunt en MC tot
straal heeft. Daar ABNC
een rechthoek is, heeft men AC — BN en dus MC rs MA — CA
r= MA — NB gelijk het verschil der twee stralen. Men heeft nu
de volgende
Constructie: Beschrijf uit M als middelpunt met het verschil
der stralen van de gegeven cirkels tot straal een hulpcirkel: trek
uit N een raaklijn NC aan dien hulpcirkel; trek door N en C de
lijn MA, en evenwijdig met die lijn NB; vereenig daarna A met B.
Omdat MC gelijk is aan \'t verschil der stralen, zijn AC en BN
gelijk; bovendien zijn deze lijnen evenwijdig, zoodat ABNC een
parallelograni is. En daar L C recht is, is ABNC een rechthoek.
De hoeken A en B zijn dus recht, zoodat AB raakt in A en in B.
2°. Zij AB een gemeenschappelijke raaklijn, zoodat de twee
cirkels aan verschillenden kant van AB liggen. Trekken wij de
stralen MA en NB, dan zijn L A en L B recht. (Zie figuur 148.)
Trekken wij NC evenwijdig met BA, dan is ook C recht, zoodat
NC een raaklijn is aan den cirkel, die M tot middelpunt en MC
-ocr page 135-
131
Fig. 14«.                   tot straal heeft. Daar ABNC \'een
rechthoek is, zijn BN en AC gelijk;
dus MC = MA AC = MA. BN
(de som der twee stralen). Wij heb-
ben nu do volgende
Constructie. Beschrijf uit M als
middelpunt, met de som der stralen
van de twee gegeven cirkels tot straal,
een cirkel; trek uit N een raaklijn
NC aan dien cirkel; trek door M
en C de lijn MA; trek NB even-
wijdig met MA en vereenig A met B.
Daar MC gelijk is aan do som der
stralen van de gegeven cirkels, zijn
AC en BN gelijk. Dowijl deze lijnen bovendien evenwijdig loopen,
is ABNC oen parallologram, en daar L C recht is, is ABNC een
rechthoek. De hoeken A on B zijn recht, zoodat AB raakt in A
en in B.
OPMERKING. De constructie in het eerste geval is onmogelijk,
als N binnen den hulpcirkel ligt; dus als de afstand van N tot M
kleiner is dan \'t verschil der stralen van de gegeven cirkels of als
(zie § 199, 5) een der gegeven cirkels geheel binnen don ande-
ren ligt.
Als N juist op den hulpcirkel ligt, kan door N een raaklijn aan
den hulpcirkel worden getrokken.
Men vindt dus éen gemeenschappelijke raaklijn in het eerste geval,
als de afstand der middelpunten van de gegeven cirkels gelijk is
aan \'t verschil der stralen of als (zie § 199, 4) de gegeven cirkels
inwendig raken.
Als N buiten den hulpcirkel ligt, kan men door N twee raak-
lijnen aan den hulpcirkel trekken. Men vindt dus ook twee gemeen-
schappelijke mak lijnen, als de afstand der middelpunten grooter is
dan \'t verschil der stralen; dus als de gegeven cirkels elkaar snij-
den, als zij uitwendig raken en ook als de eene geheel buiten den
anderen ligt.
De constructie in het tweede geval is onmogelijk, als N binnen
9*
-ocr page 136-
132
den hulpcirkel ligt; dus als de afstand van N tot M kleiner is dan
de som der stralen. Men vindt dus ook geen enkele gemeenschap-
pelijke raaklijn in het tweede geval, als de eene cirkel hinnen den
anderen valt, als zij inwendig raken of als zij elkaar snijden.
Als N in het tweede geval op den omtrek van den hulpcirkel
ligt, vindt men éen raaklijn door X aan den hulpcirkel. Men vindt
dus ook éen gemeenschappelijke raaklijn, als de gegeven cirkels
uitwendig raken.
Als K buiten den hulpcirkel ligt, zijn er twee raaklijnen aan
den hulpcirkel; dus ook twee gemeenschappelijke raaklijnen. De
gegeven cirkels vallen dan geheel buiten elkaar.
Vatten wij alles samen, wat op de twee gevallen betrekking heeft,
dan blijkt, dat men vindt
a.    Als de twee gegeven cirkels buiten elkaar liggen, vier ge-
meenschappelijke raaklijnen.
b.    Als de cirkels elkaar uitwendig raken, drie.
c.    Als de cirkels elkaar snijden, twee.
d.    Als de cirkels inwendig raken, éen.
e.    Als de eene cirkel geheel binnen den anderen valt, geen ge-
meenschappelijke raaklijn.
§ 215. Werkstuk. Op een gegeven lijn als koorde een cirkel-
segment te beschrijven, dat een gegeven hoek bevat.
Pig 149.                           Constructie. Zjj AB de
gegeven koorde en P de gege-
ven hoek. De hoek, dien de
raaklijn in B maakt met BA,
is gelijk aan de helft van den
boog, die tusschen de beenen
van dien hoek ligt, dus ook
gelijk aan den hoek, dien het
cirkelsegment moet bevatten,
dat is L P. Maak dus L ABE
= i.P, dan moet BE aan den
cirkel raken in het punt B.
Bicht men in B een lood lijn BM op de raaklijn op, dan moet het
middelpunt in die loodlijn liggen. Het middelpunt moet ook in de
-ocr page 137-
133
lijn DC liggen, die AB rechthoekig middendoor deelt, zoodat het
snijpunt M der twee loodlijnen het middelpunt van den gevraagden
cirkel is. MB zz. MA is de straal van dien cirkel, zoodat de con-
structie nu onmiddellijk uitvoerbaar is.
Opmerking. Door L P aan den anderen kant van AB te plaat-
sen verkrijgt men een tweede cirkelsegment, dat alleen in stand
van het eerste verschilt.
EVENREDIGE LIJNEN BIJ DEN CIRKEL.
§ 216. Stelling. De loodlijn, die men uit een punt van een
cirkelomtrek kan neerlaten op een middellijn, is middelevenredig
tusschen de twee stukken, waarin zij de
middellijn verdeelt.
Bewijs. Zij C het punt, waaruit de
loodlijn CD neergelaten is op de middellijn
AB. Vereenig C met A en met B, dan is
de hoek ACB recht, omdat hij in een
halven cirkel staat. Volgens een eigenschap
van den rechthoekigen driehoek is dus
AD : CD — CD : DB.
§ 217. Stelling. Als men uit een punt van een cirkelomtrek
een middellijn en een andere koorde trekt, is deze middelevenredig
tusschen de middellijn en hare projectie op de middellijn.
Bewijs. Als AB de middellijn is en AC de andere koorde,
vereenigt men C met B en laat men uit C de loodlijn CD neer.
Dan is a ACB rechthoekig, zoodat AC middelevenredig is tusschen
AB en AD.
§ 218. Stelling. Als men uit een zelfde punt van een cirkel-
omtrek een middellijn trekt en verschillende andere koorden, dan
zijn de vierkanten van al die koorden evenredig met hare projecties
op de middellijn.
Gestelde. AB\': AC\': AD1 = AE: AF : AG.
-ocr page 138-
184
Fig. 151.                  Bewijs. Volgens de vorige stelling heeft
men
AB\' = AE XAH,
AC» = AF XAH,
AD» = AG X AH.
Hieruit volgt
AB1 : AC\': AD1 = AE X AH : AF X AH :
AG X AH of AB1 : AC\' : AD\' =: AE :
AF : AG.
§ 219. Stelling. Als twee koorden elkaar binnen den cirkel
snijden, is het produkt der stukken van de eene koorde gelijk aan
\'t produkt der stukken van de andere koorde.
Fig. 152.                 Gestelde. AE X BE = CE X DE.
Bewijs. Vereenig B met C en A met
D, dan heeft men
L A = L C = \'/, boog BD,
L D = L B =r V» boog AC.
De driehoeken ADE en BCE zijn dus
cv, zoodat
AE:CE = DE: BE, of
AE X BB = CE X DE.
§ 220. Stellino. Als men door een punt buiten een cirkel twee
snijlijnen trekt, worden van elk. dezer lijnen, van haar gemeen-
schappelijk punt af gerekend, door den cirkel twee stukken afge-
sneden, zóo dat het produkt der stukken van de eene snijlijn gelijk
is aan het produkt der stukken van de andere.
Gestelde. AB X AC = AD X AE.
Fig. 153.
Bewijs. Vereenig B met E
en C met D, dan heeft men
C C = L E = Vf boog BD.
Bovendien hebben de driehoe-
ken ADC en ABE den hoek BAD
gemeen, zoodat zij cv zijn. Hier-
uit volgt
AB:AD = AE:AC,
AB X AC = AD X AE.
-ocr page 139-
135
Gevolg. Deze stelling en haar bewijs gaan door, als een der
snijlijnen in een raaklijn overgaat; dus als men door een punt
buiten een cirkel een raaklijn en een snijlijn trekt, is de raaklijn
middelevenredig tusschen de stukken der snijlijn.
WERKSTUKKEN.
§ 221. Werkstuk. De meetkundig middelevenredige tusschen
twee gegeven lijnen te construeeren.
Fig. 154.                Eerste constructie. Plaats naast elkaar
op dezelfde lijn twee stukken AD en DB,
respectievelijk gelijk aan de twee gegeven
lijnen. Beschrijf op AB als middellijn een
halven cirkel en richt in het punt D, waar
de twee lijnen bij elkaar komen, de loodlijn
DC op, dan is deze, volgens § 216, middel-
evenredig tusschen AD en DB.
Tweede constructie. Plaats de kleinste der twee gegeven lijnen
in AD op de grootste AB; beschrijf op AB als middellijn een hal-
ven cirkel; richt de loodlijn DC op en vereenig C met A , dan is
AC, volgens § 217, middelevenredig tusschen AD en AB.
Gevolg. Met behulp van deze constructie kan men elk paral-
lelogram en eiken driehoek veranderen in een vierkant van gelijk
oppervlak.
§ 222. Werkstuk, Een veelhoek te beschrijven, die gelijk is
aan een veelhoek
P en gelijkvormig met een veelhoek Q.
Constructie. Noemen wij den gevraagden veelhoek X; zij q
«en zijde van den veelhoek Q en x de zijde van X, die gelijk-
standig is met q. Volgens § 166 heeft men
«f, daar X gelijk moet zijn aan P,
P — x1\'
-ocr page 140-
136
Verander nu Q en P in twee vierkanten a\' en b\', dan is
_^1 — JL -t a — g
6\' — ** \' ° b — x ■
Construeer nu een vierde evenredige tot «, b en q, dan heeft
men x. Beschrijf op x als zijde een veelhoek, die gelijkvormig is
met Q, zóo dat x gelijkstandig is met q, dan heeft men X.
§ 223. Werkstuk. Twee rechte lijnen te construeeren, als men
hare som en haar produkt kent.
Zij BC de gegeven som en A een rechte lijn, wier vierkant
gelijk is aan \'t gegeven produkt. Veronderstellen wij , dat het
vraagstuk opgelost zij en dat BF en FC de gevraagde lijnen zijn.
Fig. 155.
               Als men op BC als middellijn een halven
cirkel beschrijft, zal de loodlijn FE middel-
evenredig zijn tusschen BF en FC, en bij-
gevolg gelijk aan A. De lijn, door E even-
wijdig met BC getrokken, zal dus van de
loodlijn in B een stuk BD afsnijden, dat
gelijk is aan A. Uit het voorgaande vloeit
voort de volgende
Constructie: Beschrijf op de som BC als middellijn een halven
cirkel; richt in B een loodlijn BO op, gelijk aan A; trek DEE\'
evenwijdig met BC en laat uit E en E\' de loodhjnen EF en E\'F\'
neer. De\'^twoe gevraagde lijnen zijn BF en FC, of, wat op het-
zelfde neerkomt, BF\' en F\'C.
Opmerking. Uit het bovenstaande blijkt, dat er niet meer dan
éen oplossing is. De constructie is mogelijk, als de evenwijdige lijn,
die door D getrokken wordt, een punt met den cirkel gemeen heeft;
dus als A niet grooter is dan de straal van den cirkel, of m. a . w.
als A niet grooter is dan de helft der gegeven som., K/-. ^
Gevolg. In de vierkantsvergelijking              \' r 2 ,
1 -».- 1 i K-
x1 — mx n\' = 0 •\'( 3 ~i           \'
stelt m, de som der wortels voor en »\' het produkt. Het werkstuk
van deze § leert dus de wortels construeeren van bovenstaande
vergelijking.
§ 244. Werkstuk. Twee rechte lijnen te construeeren, ahornen
haar verschil en haar produkt kent.
-ocr page 141-
137
Zij EF het gegeven verschil en A de rechte lijn, wier vierkant
gelijk is aan \'t gegeven produkt. Veronderstellen wij, dat het
vraagstuk opgelost zij en dat DE en DF de gevraagde lijnen
zijn. De raaklijn, uit D aan den cirkel getrokken, die EF tot
middellijn heeft, zal middelevenredig zijn tusschen DE en DF en
bijgevolg gelijk aan A. En daar die raaklijn rechthoekig staat op
de middellijn BC, die gelijk is aan \'t gegeven verschil, zoo heeft
men de volgende
Fie. 156.                Constructie: Neem op de beenen van een
rechten hoek een stuk BO, gelijk aan de
helft van \'t gegeven verschil, en BD rz A;
beschrijf uit O als middelpunt, met OB als
straal, een cirkel; trek vervolgens door D
en 0 een lijn, die den cirkel snijdt in E en
F, dan zijn DE en DF de gevraagde lijnen.
Opmerking. De constructie is altijd moge-
lijk en er is maar éen oplossing.
Gevolg. In de vierkantsvergelijking
a;* — tnx — n\' := 0
stelt m het verschil der volstrekte waarden van de wortels voor
en ii\' het produkt van die waarden. Het voorgaande werkstuk
leert dus de wortels construeeren van de bovenstaande verge-
lijking.
§ 225. "Werkstuk. Een lijn te bepalen, zöo dat de verhouding
van haar tweedemacht tot de tweedemacht van een gegeven lijn
A
gelijk is aan de verhouding van twee
gegeven lijnen
B en C.
Constructie. Neem DE gelijk aan B
en EF gelijk aan C; beschrijf op DF als
middellijn een halven cirkel. Richt nu do
loodlijn EG op en trek lijnen door G en
D en door G en F, dan is
GD\' = DE X DF,
GF\' == FE X DF, dus
Fig. 157.
GD\'
_ DE _ _B_
GF* — FE — C "
-ocr page 142-
138
Neem GH gelijk aan de gegeven lijn A en trek HK evenwijdig
met FD, dan is
GK _ GD
Dus
GH — GF\'
GK\'
GH\'
GK1
GD1
B
C
of
GF\'           A\'
zoodat GK de begeerde lijn is.
Gevolgen. 1. Als in plaats van de twee lijnen B en C gegeven
waren twee getallen, kon men twee lijnen bepalen, die tot elkaar
staan als die getallen, zoodat men de voorgaande constructie ook
kan toepassen, als de verhouding der tweedemachten door twee
getallen wordt aangewezen.
2. Daar de oppervlakten van twee gelijkvormige veelhoeken tot
elkaar staan als de tweedemachten van twee gclijkstandige zijden,
zoo leert de voorgaande constructie ons ook: de zijde van een
veelhoek te vinden, die gelijkvormig is met een gegeven veelhoek,
zoo dat de oppervlakten der Uree veelhoeken tot elkaar staan als
twee gegeven lijnen of getallen.
Fig. 158.
§ 226. Werkstuk. In-
dien een lijn ah eenheid
gegeven is
, andere lijnen
te construeeren
, wier leng-
ten worden uitgedrukt door
\\/
2, \\/ 3, \\/ 5, enz.
Constructie. Beschrijf
een halven cirkel en plaats
daarin Ali— 1; laat uit B
de loodlijn BG neer en neem GH = HK — KL = LM r= AG,
dan^heeft men, volgens § 218,
AB\': AC2: AD1: AE\' : AF\' = AG : AH : AK : AL : AM,
1 : AC\': AD\': AE\' : AF\' =: 1:2:3:4:5.
De eerste termen van de twee leden zjjn gelijk; dus ook
AC\' — 2 of AS = y/ 2,
AD\' = 3 of AD = y/ 3, enz.
§ 227. Bepali.no. Als een lijn zoodanig in twee deelen verdeeld
is, dat het vierkant van \'t grootste stuk gelijk is aan \'t produkt
-ocr page 143-
189
van de geheele lijn met het kleinste stuk, dan zegt men, dat de
lijn in de uiterste en middelste reden verdeeld is.
Werkstuk. Een gegeven lijn in de uiterste en middelste reden
te verdeelen.
Pij, i;,9.                     Constructie. Zij AB de gegeven
lijn. Richt in haar eene uiteinde, B,
eene loodlijn BC op, gelijk aan de
helft der gegeven lijn. Beschrijf uit C
als middelpunt, met CB als straal,
een cirkel. (Deze zal AB raken.) Trek
de lijn AC, die den cirkel snijdt in D,
en neem AF — AD, dan is F het
gevraagde deelpunt.
Bewijs. Verleng AC tot in E, dan heeft men, omdat AB een
raaklijn is,
AB : AB = AB : AD.
Volgens een eigenschap der evenredigheden
(AE — AB): (AB — AD) = AB : AD.
Daar DE = 2BC = AB, hoeft men AE — AB = AE — DE =
AD — AF. Ook is AB — AD = AB — AF = BF, zoodat de voor-
gaande evenredigheid wordt
AF : BF = AB : AF, waaruit volgt
AF* = BF X AB.
Berekening van de stukken eener lijn, die in de uiterste en mid-
delste reden verdeeld is.
Zij AB zz o, dan is BC = j- a, en volgeus het theorema van
Pythagoras vindt men hieruit
AC = j a v7 5.
Af                                   CD — \\ a.__________
AD — > « (^ 5 — 1).
BF = AB — AF = a — J- a (y/ 5 — 1) = !c a (b — v\' 5).
-ocr page 144-
140
VEELHOEKEN, BESCHREVEN IN OF OM EEN CIRKEL.
§ 228. Bepalixgen. Als de hoekpunten van een veelhoek in
een cirkelomtrek liggen, zegt men, dat de veelhoek in den
cirkel beschreven is en dat de cirkel om den veelhoek
beschreven is.
Als al de zijden van een veelhoek raken aan een cirkel, zegt
men, dat de veelhoek om den cirkel beschreven is en
dat de cirkel in den veelhoek beschreven is.
§ 229. Stelling. Om en in eiken driehoek kan een cirkel be-
schreven worden.
Bewijs. Daar de drie hoekpunten van een driehoek niet in éen
rechte lijn liggen, zoo is het eerste gedeelte der stelling reeds in
§ 175 bewezen.
Als er binnen den driehoek een cirkel ligt, die raakt aan de zijden
des driehoeks, dan is de afstand van het middelpunt van den cirkel
tot de zijden des driehoeks gelijk aan den straal des cirkels. De af-
standen van het middelpunt tot de zijden des driehoeks zijn dus gelijk.
Fis 160.
                     Het middelpunt moet daarom lig-
gen in de lijnen, die twee hoeken
B en C van den driehoek midden-
door deelen. Omgekeerd zal het
snijpunt M van die twee doellijnen
op gelijke afstanden van de drie
zijden liggen en dus het middel-
punt zijn van een cirkel, die de
drie zijden aanraakt. Daar de twee
genoemde deel lijnen elkaar slechts
in één punt kunnen snijden, is er niet meer dan éen cirkel mogelijk,
die binnen een driehoek ligt en de zijden van dezen aanraakt.
Daar L ABC L ACB < 180", is ook
L MBC L MCB < 180", zoodat de lijnen, die twee hoeken
van een driehoek middendoor deelen, elkaar (volgens § 33, Gevolg)
moeten snijden. Hieruit volgt, dat er altijd éen cirkel is, die binnen
den driehoek ligt en de zijden van den driehoek aanraakt.
-ocr page 145-
141
§ 230. Den straal van den omgeschreven cirkel eens driehoeks te
berekenen, als de drie zijden gege-
ven zijn.
Zij BC = a, CA = b, AB = c
en noemen wij den straal r. Trek
door hetzelfde hoekpunt A de lood-
lijn AE en de middellijn AD en
vereenig B met D. Die A ABD
staat in een halven cirkel en is
dus rechthoekig. Verder is
L C = L D = i boog AB.
De rechthoekige driehoeken ACE
en ADB zijn dus cv.
Daaruit volgt
AC : AE = AD : AB,
i:AE
2r: c,
bc = 2rX AE,
vermenigvuldigd met
a — 2X i <*,
abc = ir X O,
waarbij O het oppervlak van dien driehoek voorstelt. Men heelt dus
abc _
                       abc
\' \' 10 ™ 4 y/ s (s — «) (s — 6) (s — c)\'
§ 231. Den straal van den cirkel te berekenen, die de zijden
van den driehoek aanraakt en binnen den driehoek ligt, als de
zijden van den driehoek gegeven zijn.
Men heeft (zie fig. 160) MD = ME = MF = r.
A BCM = i BC X DM = \\ a X »\',
A CAM = i CA X FM = } b X r,
A ABM -^ABXEM = |cX\'\'.
A ABC = i (o b c) X r = s X \'--
O = s X r.
O . V s (s — °) (s — b) (s — c
§ 232. Behalve de cirkel, die de zijden van een driehoek aan-
raakt en binnen den driehoek ligt, zijn er ook cirkels, die de
zijden aanraken en buiten den driehoek liggen. Den eersten noemt
men meer bepaald den ingeschreven cirkel en de andere, ter onder-
scheiding, aangeschreven cirkels.
-ocr page 146-
142
Deelt men namelijk twee buitenhoeken A en C van den driehoek
middendoor, dan is
L F AC : FCA < 180%
zoodat de twee deellijnen elkaar noodzakelijk snijden in een punt F.
Dit punt ligt op gelijke afstanden van de zijden des driehoeks en
is dus het middelpunt van een cirkel, die aan de zijden raakt en
buiten den driehoek ligt, dus van een aangeschreven cirkel.
Fig. 162.
Door de buitenhoeken A en B middendoor te deelen, vindt men
een aangeschreven cirkel, die G tot middelpunt heeft. Door de
buitenhoeken IJ on C middendoor te deelen, vindt men een aange-
schreven cirkel, die E tot middelpunt heeft. Zoo vindt men in \'t
geheel drie aangeschreven cirkels.
§ 233. De stralen der aangeschreven cirkels te berekenen, als d
zijden van den driehoek gegeven zijn.
-ocr page 147-
143
Zij EK zr EO = EP = K, en merken wij op, dat
A ABC = A EAB A ECA — A EBC.
Verder A EAB = }ABXEK= }cXR,
A ECA = i CA X EP = J i X Ri
— A EBC = — 1BC X EO = — } a X R:
A ABC = }• (c b — a) X Ri
O = (s — a) R!
1 s — a
Op dezelfde wijze vindt men
FS = R. — -
— b
O
GQ = R, =
Verband tusschen de stralen der in- en aangeschreven cirkela.
Uit de voorgaande formulen vindt men
1 1 1 1 * - g~a 1 s_
6 , 8 — C
R, \' R3 \' R3 — 0 \' 0
1 0 _
3s — (a 4- 6 c)
0
rf 1 . 1 . 1 _ • __ 1
R, T Rj Rs ~~ 0 ~~ r \'
2». r X B, X R5 X Rs = -~ X 7^"
0 0
x 8 _ 6 A « _ c —
A -o
o„ - Us\'
of V/»\'XK,XR2XK3 = O.
§ 234. Daar een cirkel door drie zijner punten volkomen be-
paald is, zal het in \'t algemeen onmogelijk zijn, een cirkel te
beschrijven, die door vier willekeurige punten gaat. Slechts in
bijzondere gevallen kan men dus een cirkel beschrijven om een
vierhoek, vijf hoek, enz.
Daar een cirkel door drie zijner raakljjiien bepaald is, geldt het-
zelfde voor de ingeschreven cirkels.
-ocr page 148-
144
/
Fig. 163.                      Stellino. Als een vierkant in
een cirkel beschreven is, is de som
van twee overstaande hoeken gelijk
aan een gestrekten hoek.
Bewijs. Men heeft
L A = \\ boog BCD
L C = j boog DAB_________
L A L C = i cirkelomtrek.
U iC= 180°.
Evenzoo vindt men
L B -f L D = 180°.
Stelling. Als een vierhoek niet in een cirkel is beschreven,
d. i. als een cirkel, die door drie zijner hoekpunten gaat, niet
door het vierde gaat, dan is de som van twee overstaande hoeken
verschillend van een gestrekten hoek.
Bewijs. Als een cirkel beschreven wordt door C, D en A,
dan zal het vierde hoekpunt buiten dien cirkel vallen, zooals in
fig. 164a, of binnen dien cirkel, zooals in fig. 164&.
Fig. 164a.
                  Fig. 1646.
In het eerste geval heeft men (zie fig. 164a)
L A L DCE = 180°, dus
LX L DCB > 180°, waaruit volgt
L D L B < 180°.
In het tweede geval heeft men (zie fig. 164&)
L A L DCE = 180°, dus
L A • ■ L DCB < 180°, waaruit verder volgt
Ll> L ABC > 180°.
§ 235. Passen wij nu den algemeenen regel van § 43 toe, dan
blijkt, dat de omgekeerde stellingen van de vorige ook waar zijn; dus
-ocr page 149-
145
1°. Als de som van twee overstaande hoeken eens vierhoek» gelijk
is aan een gestrekten hoek, kan om dien vierhoek een cirkel beschre-
ven worden.
2°. Als de som van twee overstaande hoeken eens vierhoeks ver-
schillend is van een gestrekten hoek, kan om dien vierhoek geen
cirkel beschreven worden.
Fig. 165.                  § 236. Stelling. Als een vierhoek om
een cirkel beschreven is, zijn de sommen
der overstaande notUen even groot.
Bewijs. Volgens § 213, Gevolg, heeft
men
AE = AH
BE = BF
CG = CF
DG — DH
samen AB CD z= BC DA.
Stelling. De sommen der overstaande zijden van een vierhoek
zijn verschillend, als de vierhoek niet om een cirkel kan beschreven
morden, d. i. als een cirkel, die
drie zijden aanraakt, niet tevens
de vierde aanraakt.
Bewijs. Zij ABCD de vier-
hoek, waarvan drie zijden DA,
AB en BC door een cirkel aan-
geraakt worden. Er kan even-
wijdig met CD een lijn KL ge-
trokken worden, die wel aan den
cirkel raakt.
Volgens de voorgaande stelling
heeft men dan
AB -f- KL = AK BL.
Ook is DC < DK CL KL.
En dus AB DC \'< AD BC,
waarmee het gestelde bewezen is.
Evenzoo wanneer de vierde zijde niet, zooals CD, geheel buiten
den cirkel ligt, maar den cirkel snijdt.
J. verslüys, Vlakke Meetkunde. 8e druk.                         10
-ocr page 150-
146
§ 237. Door toepassing van § 43 blijkt, dat de omgekeerde van
de twee vorige stellingen waar zijn; dus
1°. Als de sommen der overstaande zijden van een vierhoek gelijk
zijn, kan in dien vierhoek een cirkel beschreven ivorden.
2°. Als de sommen der overstaande zijden van een vierhoek onge-
lijk zijn, kan in dien vierhoek geen cirkel beschreven worden.
§ 238. Stelling. Als een vierhoek in een cirkel kan beschreven
worden, is het produkt der diagonalen gelijk aan de som der pro-
dukten van de overstaande zijden.
Fig. 167.                  Bewijs. Trek DE zóo, dat L ADE
= L BDC. Daar L DAE = L DBC =
\\ boog CD, hebben de driehoeken DAE
en DBC twee hoeken gelijk; zij zijn
dus cv, zoodat
DA:AE = DB: BC, of
DA X BC = AE X DB.
Door bij elk der gelijke hoeken ADE
en BDC op te tellen L BDE, vindt men
L ADB = L EDC.
Ook is / ABD = L ECD = * boog AD.
De driehoeken ABD en ECD hebben dus twee hoeken gelijk,
zoodat zij cv zijn. Hieruit volgt
AB:BD = EC:CD, of
ABXCD = BDXEC; opgeteld bij
___________DA X BC = BD X AE.________
AB X CD DA X BC = BD X (AE EC).
AB X CD DA X BC = BD X AC.
Opmerking. De vorige stelling wordt het theorema
van Ptolemeus genaamd, naar een Grieksch meet- en
sterrenkundige, die haar heeft toegepast op het berekenen
der koorden van hoeken aan \'t middelpunt vun 0° tot lso .
-ocr page 151-
147
REGELMATIGE VEELHOEKEN*.
§ 239. Bepaling. Een veelhoek, waarvan alle zijden en alle
hoeken gelijk zijn, noem men een regelmatigen veelhoek.
8tellingen. Als een cirkelomtrek in een willekeurig aantal ge-
lijke cirkelboyen verdeeld is, dan vormen de koorden van die bogen
een regelmatigen ingeschreven veelhoek, en de raaklijnen, in de
deelpunten aan den cirkel getrokken, vormen een regelmatigen om-
geschreven veelhoek.
Bewijs. 1°. Als de bogen AB, BC, CD enz. gelijk zijn, dan
V\\e. 1H8.
               zÜn hunne koorden ook gelijk , zoodat de
zijden van den veelhoek, die in den cirkel
beschreven is, gelijk zijn. Verder is
L ABC =: i boog AD J boog DC
L BCD = i boog AD } boog BA.
Daar de bogen BA en DC volgens de
onderstelling gelijk zijn, zijn ook de hoe-
ken ABC en BCD gelijk. Op dezelfde wijze
toont men aan, dat de andere hoeken van
den ingeschreven veelhoek gelijk zijn. Deze heeft bovendien de
zijden gelijk en is dus regelmatig.
2°. Om aan te toonen, dat de omgeschreven veelhoek regelmatig
is, merke men vooreerst op, dat de driehoeken EAB, FBC, GCD,
enz. gelijkbeenig zijn, omdat de twee raaklijnen, die men uit een
punt buiten een cirkel naar dien cirkel kan trekken, gelijk zijn.
Bovendien zijn al die gelijkbeenigo driehoeken £^, daar men heeft
AB = BC = CD = enz.
L E AB = L EBA =: > boog AB = L FBC = L FCB = } boog BC = enz.
Uit de gelijk- en gelijkvormigheid van die driehoeken volgt:
1°. dat de hoeken van den veelhoek E, F, G, enz. gelijk zijn;
2°. dat de zijden EF, FG, enz., ieder gelijk aan twee beenen
van de gelijkbeenige driehoeken, onderling gelijk zijn.
Opmerkingen. 1. Als men een cirkelboog in gelijke deelen ver-
deelt, dan blijkt op dezelfde wijze, dat de koorden van die deelen
een gebroken lijn vormen, die uit onderling gelijke rechte lijnen
10*
-ocr page 152-
148
bestaat, welke twee aan twee gelijke hoeken met elkaar maken.
Die ingeschreven gebroken lijn noemt men regelmatig. Even-
eens vormen de raaklijnen in de doelpunten van den cirkelboog
een regelmatige omgeschreven gebroken lijn.
2. Als de zijden van een veelhoek, die in een cirkel beschreven
is, gelijk zijn, dan zijn de bogen, die door de zijden onderspannen
worden, ook gelijk, en de veelhoek is dus regelmatig.
§ 240. Stelling. Om en in eiken regelmatigen veelhoek kan een
cirkel beschreven worden.
Bewijs. Om aan te toonen, dat om den regelmatigen veelhoek
ABCDEF een cirkel kan beschreven worden, zullen wij bewijzen,
Y\\„ igg
                        dat een cirkel, die door drie
opeenvolgende hoekpunten A,
B en C gaat, door alle andere
gaat. Zij M het middelpunt van
den cirkel, die door A, B en
C gaat, dan heeft men
MA = MB = MC.
Daar ook AB — BC, zijn
MAB en MBC *». Dus zijn
L MBA en i MBC onderling
gelijk en derhalve ieder gelijk
aan de helft van een hoek van
den veelhoek. Nu is L MCB, die gelijk is aan MBC, ook gelijk
aan de helft van oen hoek van den veelhoek, en bijgevolg ook
L MCD. Dus is
1MCD = £MCB,
MC = MC,
CD = CB;
zoodat de driehoeken MCB en MCD ~ zijn. MBC is gelijkbeenig;
dus ook MCD. Daar MD =z MC, zal de cirkel, die door A, B en
C gaat, ook door D gaan. "Verder kan men geheel op dezelfde
wijze aantoonen, dat MDE ~ is met MCD, MEP met MDE en
MFA met MEF. Men heeft dus MD = ME = MF, zoodat de
punten D, E en F op den omtrek van den cirkel liggen, die door
A, B en C gaat.
-ocr page 153-
149
2°. Laat men uit M loodlijnen neer op A8, BC, CD, enz., dan
volgt uit de gelijk- en gelijkvormigheid van de driehoeken MAB,
MBC, MCD, enz., dat al die loodlijnen gelijk zijn:
MG = MH = MI = MK = ML = MN.
Beschrijft men dus uit M als middelpunt met MG als straal een
cirkel, dan raakt deze aan al de zijden van den veelhoek.
Opmerking. De cirkels, die men om en in een regelmatigen
veelhoek beschrijven kan, zijn geljjkmiddelpuntig.
§ 241. Bepalingen. Het gemeenschappelijk middelpunt van de
cirkels, die om en in een regelmatigen veelhoek kunnen beschreven
worden, noemt men het middelpunt van den veelhoek.
Den straal van den omschreven cirkel noemt men den straal
van den veelhoek.
Den straal van den ingeschreven cirkel noemt men het apothema
van den veelhoek.
De hoeken van den veelhoek noemt men polygoonshoeken.
Een driehoek, die gevormd wordt door een zijde van den veel-
hoek en de stralen van hare uiteinden, noemt men een middel-
pantsdriehoek. Volgens de vorige § zijn alle middelpuntsdrie-
hoeken gelijkbeenig en onderling ~.
Een tophoek van zulk een gelijkbeenigen driehoek noemt men
een middelpuntshoek van den veelhoek. Volgens de vorige
§ zjjn alle middelpuntshoeken van denzelfden veelhoek gelijk, en
voor een n-hoek dus gelijk aan ------.
§ 242. Stelling. Twee regelmatige veelhoeken van hetzelfde
aantal zijden zijn gelijkvormig.
Bewijs. Daar de grootte der hoeken van een regelmatigen veel-
hoek alleen afhangt van \'t aantal zijden, zoo zijn de hoeken van
twee regelmatige veelhoeken van \'t zelfde aantal zijden gelijk.
Bovendien zijn de zijden van den eenen veelhoek evenredig met
die van den anderen, zoodat de twee veelhoeken volgens § 147
gelijkvormig zijn.
Stelling. De zijden van twee regelmatige veelhoeken van het-
zelfde aantal zijden staan tot elkaar als de stralen of de apothema\'s
der veelhoeken.
-ocr page 154-
150
Fig. 170.
Bewijs. Bij twee regel-
matige «-hoeken beeft men
360°
LAMB = Lamb
De gelijkbeenige driehoe-
ken AMB en amb zijn dus
c\\s, zoodat
AB : ab — AM : am r: MG: mg.
Gevolgen. 1. De omtrekken van twee. regelmatige veelhoeken
van \'t zelfde aantal zijden staan tot elkaar als hunne stralen of
als hunne apothema\'s.
(Zie § 150.)
2. De oppervlakken van twee regelmatige veelhoeken van \'t zelfde
Fisr 171
                   aantal zijden staan tot elkaar als de
vierkanten van hunne apothema\'s. (Zie
§ 166.)
§ 243. Stellikg. Het oppervlak
van een veelhoek om een cirkel be-
schreven is gelijk aan den omtrek
,
vermenigvuldigd met den halven straal
van den ingeschreven cirkel.
Bewijs. Noemen wij den straal
van den cirkel li, dan is
MG = MH = MI = MK — R.
A MAB = J E X AB.
MF
A MBC =
AMCD =
A MD E =
A MEA =
R X BC.
B X CD.
B X DE.
B X KA.
veelhoek ABCDE zz J- R (AB BC enz.),
veelhoek ABCDE = } R X omtrek.
Samen
-ocr page 155-
151
WERKSTUKKEN EN BEREKENINGEN.
§ 244. Werkstuk. Een vierkant in een cirkel te beschrijven.
Fig. 172.
                      Constructie. Trek twee middel-
lijnen AC en BD rechthoekig op
elkaar en vereenig A met B, B met
C, C met D en D met A, dan volgt
uit de gelijk- en gelijkvormigheid
van de rechthoekige driehoeken OAB,
OBC, OCD en ODA:
AB = BC = CD = DA.
ABCD is dus een vierkant. (Zie §
239, Opmerking 2.)
Berekening. Zij R de straal van den cirkel, dan ia in den
rechthoekigen driehoek OAB:
AB\' = OAa -f- OB* = 2R\'.
AB = R a/2.
Werkstukken. Door de bogen AB, BC, CD en DA midden-
door te deelen, verkrijgt men volgens § 239 de hoekpunten van
een regelmatigen achthoek.
Door de bogen middendoor te deelen, die door de zijden van een
regelmatigen achthoek onderspannen worden, kan men een regel-
matigen zestienhoek
in den cirkel beschrijven.
Fig. 173.                     Zoo voortgaande kan men dus in
een cirkel achtereenvolgens regelma-
tige veelhoeken beschrijven van 4, s,
16, 32, 64, .... en, in \'t algemeen,
van 2» zijden.
§ 245. Werkstuk. In een cirkel
een regelmatigen zeshoek te beschreven.
Onderstellen wij, dat ABCDEF een
regelmatige zeshoek zij, in een cirkel
beschreven. De middelpuntshoek A.M 1!
!s dan gelijk aan —-— r= 60°. De driehoek AMB is dus gohjkzij-
b
-ocr page 156-
152
dig, zoodat AB — AM, of in woorden: de zijde van den zeshoek
is gelijk aan den straal van den cirkel.
Om den zeshoek te construeeren, moet men dus den straal als
koorde in den cirkel uitzetten.
Werkstukken. Door drie niet opeenvolgende hoekpunten van
den regel matigen zeshoek te vereenigen, verkrijgt men een regél-
matigen driehoek,
in den cirkel beschreven: ACE bijv.
Door de bogen middendoor te deelen, die door de zijden van den
zeshoek onderspannen worden, verkrijgt men de hoekpunten van
een regelmatigen ingeschreven twaalfhoek.
Op die wijze kan men voortgaan, zoodat men in een cirkel
regelmatige veelhoeken kan beschrijven van 3, 6, 12, 24, ... en,
in \'t algemeen, van 2" X 3 zijden.
Berekening van de zijde des ingeschreven regelmatigen drie-
hoeks.
Daar boog EF = boog FA zz boog AB = 60°, zoo is
boog BAB = 180° rs een halven cirkelomtrek.
De lijn, die door B en E gaat, is dus een middellijn. De A ABE
is derhalve rechthoekig en AB =r B, BE = 2B.
AE* = BE1 — AB1
AE\' = 4R\' — E1 = 3R\'
AE = R </3.
§ 246. \'Werkstuk. In een gegeven cirkel een regelmatigen tien-
hoek te beschrijven.
Zij AB de zijde van een regelmatigen tienhoek, in den cirkel
Fig. 174.
            beschreven, dan is de middelpuntshoek
AOB = ^f = 36°-
lOAB = 1800-86° = 72°.
Deelt men l A middendoor door de lijn AC,
dan is
L BAC = L OAC = 36°.
L ACB = 180° — L B — L CAB = 180° — 72° — 36° = 72°.
Daar de hoeken B en ACB ieder 72° bevatten, is A ABC gelijk-
beenig of AC = AB.
-ocr page 157-
153
Daar de hoeken O en OAC ieder 36" bevatten, is & OCA gelijk-
beenig of AC = OC.
Dewijl L OAB middendoor gedeeld is, beeft men in \\ OAB
OA: AB = OC : CB.
OB: OC = OC: CB.
OC1 = OB X CB.
De straal OB is dus door het punt C in de uiterste en middelste
reden verdeeld, zoodat OC het grootste stuk is. En daar OC =: AB,
zoo is de zijde van den ingeschreven regelmatigen tienhoek gelijk aan
H grootste stuk van den in de uiterste en middelste reden verdeelden
straal.
Om dus een regelmatigen tienhoek in een cirkel te beschrijven,
moet men den straal van den cirkel in de uiterste en middelste
reden verdeelen en het grootste stuk als koorde in den cirkel uit-
zetten.
Berekening. Volgens de berekening in § 227 heeft men onmid-
dellijk
AB = OC = i R (— 1 v\'ö).
§ 247. Werkstuk. Een regelmatigen vijfhoek in een cirkel te
beschrijven.
Constructie. Verdeel den omtrek van den cirkel volgens de
vorige § in tien gelijke deelen en ver-
Fig. 175.
eenig de deelpunten om het andere,
dan verkrijgt men een vijfhoek, wiens
zijden ieder \'/s gedeelte van den cirkel-
omtrek onderspannen en die dus regel-
matig is.
Berekening van de zijde des ingeschre-
ven regelmatigen vijfhoeks.
Zjj AB = BC = OG de zijde des inge-
schreven regelmatigen tienhoeks, dan is
AC die van den vijfhoek. Daar OB den
hoek AOC middendoor deelt, staat OB rechthoekig op het
midden der basis AC van den gelijkbeenigen A AOC. En
daar a ABO gelijkbeenig is, deelt de loodlijn AP de basis BG
middendoor; dus PB = PG. BG is gelijk aan \'t kleinste stuk
-ocr page 158-
154
van den in de uiterste en middelste reden verdeelden straal;
dus (zie § 227)
Bö = i R (3 — s/b).
BP = } R (3 — v/5).
AB = l R (— 1 \\/5).
AP2 = AB\'
BP1 = -g- (10-2 v/5).
AP = —- \\/(10 — 2 v/5).
4
R
~2~
AC = 2AP ==
v/(10— 2 v/5)-
Werkstukken. Als men de bogen middendoor deelt, die door
de zijden van een regelmatigen tienhoek onderspannen worden,
vindt men de hoekpunten van den regelmatigen ingeschreven twin-
tighoek.
Zoo kan men voortgaan om den ingeschreven regelmatigen
veertighoek enz. te construeeren, zoodat men in een cirkel regel-
matige veelhoeken kan beschrijven van 5, 10, 20, 40, 80, ... en
in \'t algemeen van 2» X 5 zijden.
§ 248. Werkstuk. Een regelmatigen vijftienhoek in een cirkel
te beschrijven.
Fig. 176.
Wij moeten T\'5 gedeelte van den cirkel-
omtrek bepalen, en daar ^ — J- — fy,
zoo moet men slechts ,\'. en ,■„ gedeelte
van den cirkelomtrek van elkaar aftrek-
ken. Als dus AB de zijde van den
regelmatigen zeshoek en AC de zijde
van den tienhoek is, zal BC de zijde
van den regelmatigen ingeschreven vijf-
tienhoek zijn.
Berekening. Trek de middellijn AD en vereenig B en C met
D, dan heeft men
AB = R, AD = 2R,
AC = i R (— 1 v/5).
Verder is
BD1 = AD\' — AB* = 4R\' — R\' = 3R*,
BD = R v/3.
-ocr page 159-
155
Ook is                                                                  »
CD\' — AD2 - AC\' = 4R\' — -51 (6 — 2 s/b) — ~ (10 2 v/5).
4                                 4
CD = -|- v\'(10 2 v/5).
Nu zijn van den vierhoek ACBD de diagonalen bekend en drie
zijden: AD, BD en AC. "Volgens het theorema van Ptolemeus is
AC X CD = AC X DB DA X BC.
R X ~ • (10 2 \\/5) = ~ (- 1 \\/5) . R y/H 2R . BC,
waaruit men vindt
BC = ^(\\/l0 2 v/5 v/3 — v/15)-
4
Werkstukken. Met behulp van den vijftienhoek kan men in
denzelfden cirkel een regelmatigen dertighoek beschrijven, enz.,
zoodat men in een cirkel regelmatige veelhoeken kan beschrijven
van 15, 30, 60, ... en, in \'t algemeen, van 2n X 15 zijden.
§ 249. Als men in de hoekpunten van een regelmatigen inge-
schreven veelhoek raaklijnen aan den cirkel trekt, ontstaat daar-
door een omgeschreven veelhoek, die volgens de stelling van §
239 regelmatig is. Als men dus een regelmatigen veelhoek van
een bepaald aantal zijden in een cirkel kan beschrijven, dan kan
men een regelmatigen veelhoek van hetzelfde aantal zijden om dien
cirkel beschrijven.
Opmerking. De regelmatige veelhoeken, waarvan tot dus-
verre gesproken is, zijn niet de eenige, die men in een cir-
kel kan beschrijven. Gauss heeft in 1796 ontdekt, dat men,
met behulp van passer en liniaal, een cirkelomtrek in n ge-
lijke deelen kan verdeelen, als n ondeelbaar is en als tevens
n — 1 een macht van 2 is. Als n ondeelbaar is en n — 1 niet
een macht van 2, kan men, alleen met behulp van passer en
liniaal, den cirkelomtrek niet in n gelijke deelen verdeelen.
Zoo bestaat er geen constructie voor den 7-hoek, maar wel
voor den 17-hoek, 257-hoek, 65537-hoek.
Met behulp der bovengenoemde veelhoeken kan men weer
andere beschrijven, wier aantal zijden deelbaar is. Even als
\'
-ocr page 160-
156
een constructie voor den 15-hoek afgeleid is uit die voor
6-hoek en 1 O-hoek, kan men den 51-hoek construeeren met
behulp van H-hoek en 17-hoek. Men heeft nl.
1
         5 _ 2
3         17 ~ 51\'
De volgende 37 getallen duiden de aantallen zijden aan
van de regelmatige veelhoeken, die minder dan 300 zijden
hebben en die men in een cirkel kan beschrijven: 3, 4, 5,
6, 8, 10, 12, 15, 16, 17, 20, 24, 30, 32, 34, 40, 48, 51,
60, 64, 68, 80, 85, 96, 102, 120, 128, 136, 160, 170,
192, 204, 240, 255, 256, 257, 272.
§ 250. Bij de volgende berekeningen duiden wij den straal van
een cirkel aan door r; de zijden van een regelmatigen veelhoek,
in dien cirkel beschreven, door er; de zijden van den regelmatigen
veelhoek van evenveel zijden, om dien cirkel beschreven, door A,
en de zijde van den regelmatigen veelhoek, die in den cirkel be-
schreven is en het dubbel aantal zijden heeft, door b.
Als de straal van een cirkel bekend is en de zijde van een
ingeschreven regelmatigen veelhoek, de zijde te berekenen van den
regelmatigen ingeschreven veelhoek van het dubbel aantal zijden.
Fig. 176a.
                    Zij AB = a, AC = 6.
Men heeft
MA = MC = r en CE = \'Ir.
De koorde AC is middelevenredig
tusschen CE en CD = CM — DM; dus
b1 = 2r {r — DM) = r(2r— 2DM).
In den rechthoekigen /\\ MAD is
DM* = AM\' — AD» — r\' — -J a\\
DM = V(r\' — i «*) = i W** — «*)•
Hierdoor wordt
/>\'
= \'ir\'— r Vïr\' — a\'
b — <^(2r* — r \\/4r* — a\').
Deze formule noemt men gewoonlijk de formule voor het dubbel
aantal zijden.
§ 251. Als men de lengte der zijde van een regelmatigen inge-
schreven u-hoek kent, dan kan men, door herhaalde toepassing
-ocr page 161-
157
van de voorgaande formule, achtereenvolgens de zijden en bijgevolg
de omtrekken, berekenen van een regelmatigen ingeschreven veel-
hoek van \'in, in, Hn, .... zijden.
Als de straal van een cirkel 1 is, vindt men voor de zijde van
het ingeschreven vierkant \\/2. Voor de zijde van den ingeschreven
regelmatigen 8-hoek vindt men
W - ■v/2).
De zijde van den 1 G-hoek is
v/J2--v/(2-(-v/2)J. •
De zijde van den 32-hoek is
V^P-•/( 2 V (2 ^2)1 ]•
Als r =z 1 is, is ook de zijde van den ingeschreven regelmatigen
6-hoek 1. Voor de zijde van den 12-hoek vindt men, met behulp
der formule voor het dubbel aantal zijden,
V(2 - ^3).
Hieruit vindt men voor de zijde van den ingeschreven 24-hoek
V j 2 - V (2 V 3) j •
Voor de zijde van den 48-hoek vindt men
^[2-^(2 4-^(2 ^3)1].
§ 252. Als de straal van een cirkel en de zijde van een inge-
schreven regelmatigen veelhoek gegeven zijn, de zijde van den omge-
schreven regelmatigen veelhoek van hetzelfde aantal zijden te bere-
kenen.
Fig. 177.                   Als de = A en DE =z a, heeft men
rfE = i A, EG = i a.
De rechthoekige driehoeken MGE en
M Kr/ hebben den scherpen hoek KMG
gemeen, zoodat zij e\\s zijn.
Daarom is
MG : GE = ME : Erf, of
MG: i a = r: i A.
A - —
A - MG"
In den rechthoekigen A MGE is
MG = ^(ME1 - GE\') = y/lf» — -è a\').
-ocr page 162-
158
Door deze waarde yoor MG in de plaats te stellen, komt er
_
           ar           __          2ar
— y/ (,•> _ x a1) "" y/ (4)J — «»)"
Met behulp van deze formule vindt men voor de zijde van den
omgeschreven regelmatigen 6-hoek, als r =z a = 1 is,
2            2
7Ï = T^
DE METHODE DER LIMIETEN.
§ 253. Stelling. Als eenige veranderlijke grootheden ieder tot
een bepaalde limiet naderen
, dan heeft hare som tot limiet de som
der limieten, waartoe de verschillende grootheden naderen,
of m.a.w.
als X nadert tot A, IJ tot B, Z tot C, dan nadert X IJ Z
tot A B C.
Bewijs. "Wij moeten slechts laten zien, dat het verschil tus-
schen A B C en X IJ Z ten laatste kleiner wordt dan
eenige te denken grootheid. Wij kunnen stellen
X rz A x,
waarin x positief of negatief is en tot 0 nadert. Evenzoo
IJ = B y,
waarin y tot 0 nadert, en
Z = C z,
waarin z tot 0 nadert. Door optelling der drie voorgaande vergelij-
kingen vindt men
X IJ Z = A B C aj y 2.
x-\\-y-\\-z drukt het verschil uit tusschen A B C en X IJ Z.
Elk der grootheden x, y en z nadert tot 0; hare som wordt dus
ten laatste kleiner dan eenige te denken grootheid, of m. a. w.
X IJ Z heeft tot limiet A B C.
Opmerking. De eigenschap gaat door, als éen of meer der
grootheden negatief zijn, en ook voor het verschil van twee
grootheden.
-ocr page 163-
159
§ 254. Stelling. Als twee veranderlijke grootheden ieder tot
een bepaalde limiet naderen, dan zal haar produkt tot limiet heb-
hen het produkt der limieten van de twee factoren,
of: als X tot
limiet heeft A en IJ heeft tot limiet B, dan zal XIJ tot limiet
hebben AB.
Bewijs. Stellen wij, even als in de vorige §,
X = A x, IJ = B y,
waarin x en y tot 0 naderen, dan heeft men
XIJ = AB Ay Bx xy.
Omdat // tot 0 nadert, zal ook Ky tot 0 naderen. Evenzoo
Bx en xy. De som van Xy, Bx en xy heeft daarom ook tot
limiet 0, zoodat het verschil tusschen XIJ en AB ten laatste
kleiner wordt dan eenige te denken grootheid, of m. a. w. XIJ
heeft tot limiet AB.
Opmekking. Op dezelfde wijze toont men deze eigenschap aan
voor drie of meer factoren.
§ 255. Stelling. De limiet van \'t quotiënt van twee verander-
lijke grootheden is gelijk aan \'t quotiënt van de limieten, waartoe
deeltal en deeler naderen,
of als X tot limiet heeft A en IJ heeft
tot limiet B, dan zal X : IJ naderen tot A : B.
Bewijs. Wij stellen, even als vroeger, X ~ A x en IJ =
B y, dan is
IJ _ A x
X - B y
IJ           A
en wij moeten aantoonen, dat het verschil tusschen -^p- en -=-
tot 0 nadert. Men heeft
X _A_ _ A x___A_ _ Bx — Xy
IJ        B _= B -r- y B " (B -f- y) B\'
Van de laatste breuk nadert de teller tot 0, terwijl de noemer
tot limiet heeft B\'. Maar als de teller van een breuk tot grens
heeft 0, terwijl de noemer niet tot 0 nadert, dan nadert ook de
breuk zelve tot 0, zoodat het gestelde bewezen is.
Bijzonder geval. Als X tot limiet heeft A, zal —— tot limiet
A
hebben 1.
:
-ocr page 164-
160
§ 256. Als de overeenkomstige waarden van twee veranderlijke
grootheden steeds gelijk zijn en de eene grootheid nadert tot een
limiet, dan zal de andere grootheid blijkbaar tot dezelfde limiet
naderen. De twee veranderlijke grootheden kunnen de twee leden
eener vergelijking zijn.
Bestaat er een vergelijking tusschen eenige veranderlijke groot-
heden , waarbij deze verbonden zijn door optelling, aftrekking,
\'vermenigvuldiging of deeling, en naderen de veranderlijke groot-
heden tot bepaalde limieten, dan zal, volgens de voorgaande opmer-
king en de eigenschappen der drie voorgaande §§, hetzelfde verband
bestaan tusschen de limieten, waartoe de veranderlijke grootheden
naderen.
Als het moeilijk is, het verband op te sporen tusschen eenige
grootheden, geraakt men dikwijls tot dat verband, door die groot-
heden te beschouwen als de limieten van andere, meer eenvoudige.
Vindt men een betrekking tusschen deze, dan gaat de vergelijking,
die de betrekking aanwijst, ook door voor de grootheden, die de
limieten zijn der meer eenvoudige. (Zie § 264, waar wij het opper-
vlak van een cirkel beschouwen als de limiet, waartoe het opper-
vlak van een ingeschreven regelmatigen veelhoek nadert, wanneer
het aantal zijner zijden voortdurend aangroeit.)
Wanneer men het verband tusschen twee of meer grootheden
opspoort, door ze te beschouwen als de limieten van andere groot-
heden, gebruikt men de methode der limieten.
OVER DE LENGTE VAN DEN CIRKELOMTREK.
§ 257. Wij hebben vroeger gezegd, dat twee rechte lijnen gelijk
of even lang
genoemd worden, als zij elkaar kunnen bedekken.
Wanneer de eerste rechte slechts een gedeelte van de tweede kan
bedekken, dan zegt men, dat de tweede langer is dan de eerste.
Op dezelfde wijze kan men een gebroken lijn met een rechte ver-
gelijken, door de deelen, waaruit de gebroken lijn bestaat, naast
elkander af te passen op de rechte. Maar men kan niet op dezelfde
-ocr page 165-
161
wijze handelen bij kromme lijnen in \'t algemeen; deze kunnen
slechts in bijzondere gevallen op elkaar worden gelegd , zooals wij
hebben gezien bij cirkelbogen, die met gelijke stralen zijn beschre-
ven. Cirkelbogen van verschillenden straal, alsmede cirkelbogen en
rechte lijnen kunnen nooit op elkaar worden gelegd. Om nu ook
de laatste met elkaar te kunnen vergelijken ten opzichte van hunne
lengte, geven wij de volgende definitie:
De lengte van een cirkelboog is de limiet, waartoe een regelmatige
gebroken lijn nadert, die met hare hoekpunten in den cirkelboog ligt,
als het aantal deelen der gebroken lijn aanhoudend verdubbeld wordt.
Maar om deze definitie te mogen geven, moeten wij in de eerste
plaats bewijzen, dat er zulk een limiet bestaat, en in de tweede
plaats, dat er slechts êen limiet mogelijk is.
1°. Zij acf een cirkelboog, waarin de gebroken lijn abcdef be-
schreven is. Kiest men nieuwe punten S, T, U, V, W van
den Cirkelboog en vervangt men de eerstgenoemde gebroken lijn Jf\'
«SiTcUrfVeW/-, dan is elke lijn zooals ab vervangen door twee
andere, aS en Sb. De gebroken lijn, die in den cirkelboog besehre-
Fig. 178.
ven is, is dus grooter geworden, en zal steeds grooter worden,
als het aantal punten in den cirkelboog toeneemt. Hoe groot het
J. versluys, Vlakke Meetkunde. 8e druk.
                         11
-ocr page 166-
162
aantal punten ook genomen worde, de ingeschreven gebroken lijn
blijft kleiner dan een andere gebroken lijn aABCDEF/-, die haar
geheel omsluit (zie § 83). De ingeschreven gebroken lijn wordt dus
hij het vermeerderen der hoekpunten steeds grooter, maar blijft
kleiner dan «ABCDEF/-; zij nadert daarom tot een bepaalde limiet
(zie § 130, Opmerking).
Opmerking. De omgeschreven gebroken lijn ABCDEF is gelijk
aan de omgeschreven gebrokon lijn, die ontstaat, als men raak-
1 ij in\'ii trekt ina, b, c, d, e en f. De laatste omsluit elke inge-
schreven gebroken lijn en is dus grooter dan een ingeschreven
gebroken lijn. Een omgeschreven lijn, zoo als ABCDEF, is grooter
dan elke ingeschreven lijn.
2°. Men merke vooreerst op, dat de lengten der gebroken lijnen
abcdef en ABCDEF, wier deelen twee aan twee parallel zijn, tot
elkaar staan als Ms en MS. Wanneer het aantal hoekpunten der
gebroken lijnen grooter wordt, nadert het verschil MS — M« =
sS < aS hoe langer hoe meer tot 0, omdat aS ten laatste kleiner
wordt dan eenige te denken lijn. De verhouding van MS en Ms
nadert dus tot 1 en de verhouding der gebroken lijnen eveneens,
of\' m. a. w.: de gebroken lijnen naderen tot dezelfde limiet
Xu zullen wij aantoonon, dat alle gebroken lijnen, die in den
cirkelboog beschreven zijn, tot dezelfde limiet naderen, door te
laten zien, dat er onmogelijk twee verschillende limieten kunnen
zijn. Waren namelijk in den cirkelboog twee gebroken lijnen be-
schreven, waarvan de eerste tot limiet heeft K en de tweede K -f- k,
dan zouden de omgeschreven gebroken lijnen, wier deelen twee aan
twee evenwijdig zijn met die der ingeschreven lijnen, tot dezelfde
limieten naderen. Men kan het aantal hoekpunten der eerste omge-
schreven gebroken lijn zóo groot nemen, dat zij minder dan J k
verschilt van hare limiet K en dus kleiner is dan K \\ h. Even-
eens zou men het aantal hoekpunten der tweede ingeschreven ge-
broken lijn zóo groot kunnen nemen, dat zij minder van hare limiet y
K -\\- k, verschilde dan J K en dus grooter was dan K -f k— J k ~
K -J- 5 k. Wij zouden alzoo hebben
een omgeschreven gebroken lijn < K -\\- $ k, en
een ingeschreven gebroken lijn > K -|- J k.
-ocr page 167-
163
De eerste dier lijnen zou kleiner zijn dan de tweede, en dat ia
onmogelijk (zie Opmerking, 1). Kr zijn dus geen twee verschillende
limieten mogelijk.
§ 258. Ten aanzien van de regelmatige in- en omgeschreven
lijnen, die, even als hierboven, tusschen dezelfde twee stralen, Ma
en Mf, liggen, maken wij nog de volgende
Opmerkingen : 1. Bjj het vermeerderen der hoekpunten worden
de ingeschreven gebroken lijnen steeds langer, en zulk een lijn is
daarom korter dan de limiet, waartoe de ingeschreven gebroken lijn
nadert, of m. a. w.: een ingeschreven gebroken lijn is korter dan
de cirkelboog.
2.     Zoo veel te meer is de koorde, die den boog onderspant,
kleiner dan de boog.
3.    Een omgeschreven gebroken lijn is langer dan een ingeschre-
ven gebroken lijn. Dit blijft waar, hoe groot ook het aantal hoek-
punten der ingeschreven lijn genomen worde en dus ook wanneer
deze tot hare limiet nadert, of m. a. w.: een omgeschreven gebro-
ken lijn is langer dan de cirkelboog.
4.     Al wat hierboven gezegd is van een cirkelboog, gaat door
voor den geheelen cirkelomtrek. Door de lengte van den cirkel
verstaat men dus de limiet, waartoe de omtrek van een ingeschre-
ven regelmatigen veelhoek nadert, als het aantal zijner hoekpunten
voortdurend grooter wordt.
§ 259. Stelling. De lengten van twee cirkels staan tot elkaar
als hunne stralen.
Bewijs. Moet de verhouding bepaald worden van de lengten L
en l van twee cirkels, dan stelt men zich eerst voor, dat in die
cirkels regelmatige veelhoeken beschreven zijn van hetzelfde aan-
tal zijden. Deze zijn gelijkvormig en hunne lengten Nen» staan
tot elkaar als de stralen der omgeschreven cirkels R en r (zie §
242); dus
N _ R
n
             r \'
Laat men nu het aantal zijden der twee regelmatige veelhoeken
al grooter en grooter worden, dan blijft het tweede lid van boven-
staande vergelijking onveranderd; het deeltal in het eerste lid nadert
11*
-ocr page 168-
164
tot L en de deeler tot l. En daar de limiet van een quotiënt gelijk
is aan de limiet van deeltal, gedeeld door de limiet van deeler,
zoo is
N _ lim. N _ L _ R^
n \' lim. n
           l            r \'
waardoor het gestelde bewezen is.
§ 260. 1. Als men in twee cirkelbogen, wier middelpuntshoeken
gelijk zijn, regelmatige gebroken lijnen van \'t zelfde aantal hoek-
punten beschrijft, dan zijn die gebroken lijnen °.v en hare lengten
staan tot elkaar als de stralen der cirkelbogen. Daardoor kan op
de twee cirkelbogen dezelfde redeneering toegepast worden, die hier-
boven voor twee cirkelomtrekken gevolgd is. Twee cirkelbogen, wier
middelpuntshoeken gelijk zijn, staan dus tot elkaar als hunne stralen.
2.    Uit de vorige eigenschap en de eigenschap, dat twee cirkel-
bogen, die met gelijke stralen beschreven zijn, tot elkaar staan als
hun middelpuntshoeken, volgt, dat twee cirkelbogen, wier stralen
en wier middelpuntshoeken ongelijk zijn, samengesteld evenredig zijn
met hunne stralen en hunne middelpuntshoeken.
L           R
3.    Uit de vergelijking — — ---- volgt
/           r
-^~- —----, of in woorden:
R           r
De verhouding van een cirkelomtrek tot zijn straal is een stand-
vastig getal.
Dat getal wordt gewoonlijk voorgesteld door 2tt, zoo-
dat voor eiken cirkel
L = 2tR.
Opmerkingen. Het teeken iz is de Grieksche letter p,
de eerste van een woord, dat omtrek beteekent.
Het getal - is onmeetbaar; dit is in 1761 bewezen door
lambert. Later heeft leoendre aangetoond, dat de tweede-
macht van - ook onmeetbaar is.
Ofschoon men - zoo nauwkeurig kan bepalen als men wil,
is het niet mogelijk om, met behulp van een eindig aantal
rechte lijnen en cirkels, een rechte lijn te construeeren, die
zoo lang is als een gegeven cirkelomtrek. Dat dit onmogelijk
is, werd in 1882 bewezen door Prof. lindemann.
-ocr page 169-
165
§ 261. Benadering van het getal ir. Als de straal van een cir-
kel 1 is, stelt re zijn halven omtrek voor. Beschrijft men in en om
dien cirkel regelmatige veelhoeken, zoo is de halve omtrek van den
cirkel grooter dan de halve omtrek van den ingeschreven veelhoek
en kleiner dan die van den omgeschreven veelhoek, rr ligt dus
tuBschen de getallen, die de halve omtrekken van de twee veel-
hoeken voorstellen. In zooveel decimalen als de halve omtrekken
der veelhoeken met elkander overeenkomen, in evenveel decimalen
komen zij met ir overeen. Voor den ingeschreven regelmatigen 6-
hoek vindt men 3, voor den omgeschreven 3,46 ..., dus minder
dan 4, zoodat n tusschen 3 en 4 ligt.
Met behulp der vroeger ontwikkelde formules vindt men voor de
halve omtrekken
Aantal                  Omgeschreven                Ingeschreven
zijden.                      veelhoek.                        veelhoek.
12                           3,21540                           3,10582
24                           3,15967                           3,13262
48                           3,14609                           3,13935
96                           3,14272                           3,14103
192                           3,14188                           3,14145
Al deze halve omtrekken zijn onmeetbare getallen. De getallen
der tweede kolom zijn alle grooter dan de halve omtrekken, maar
zóo, dat zij minder dan een honderdduizendste te groot zijn. De
getallen der derde kolom zijn alle te klein, maar zóo, dat zij
minder dan een honderdduizendste verschillen van de omtrekken
der ingeschreven veelhoeken.
Uit de halve omtrekken der 12-hoeken blijkt, dat w ligt tusschen
3,21540 en 3,10582.
Uit de halve omtrekken der 24-hoeken blijkt, dat n ligt tusschen
3,15967, 3,13262, enz.
Uit de 24-hoeken blijkt dus, dat de geheelen en de eerste deci-
maal van Tc zijn
3,1.
Uit de 96-hoeken blijkt, dat de geheelen en twee decimalen van
ir zijn
3,14.
-ocr page 170-
166
Uit de 192-hoeken blijkt, dat men tot in drie decimalen nauw-
keurig heeft
- =z 3,141.
Deze benadering kan men voortzetten om zooveel decimalen van
ir te berekenen als men wil. Voortgaande zou men vinden
tc = 3,14159265358979323846___
Bij berekeningen heeft men dikwijls noodig
— = 0,31830988618379067153.. ..
log. » = 0,49714987269413385435___
§ 262. Door middel van kettingbreuken vindt men
22
it ~ -=-, \'°* \'n *wee decimalen nauwkeurig,
Jt — ttz, tot in vier decimalen nauwkeurig,
355
it — ——, tot in zes decimalen nauwkeurig.
119
Opmerking. Het getal n is het eerst met eenige nauw-
keurigheid bepaald door archimedes , die te Syracuse leefde,
287—212 v. C. Hij berekende de omtrekken van een om- en
een ingeschreven regelmatigen 96-hoek en vond daardoor,
dat n tusschen 3f en 3|; ligt. De eerste van deze waarden,
of 22:7, wordt gewoonlijk de verhouding van Archi-
medes genoemd.
Onze landgenoot metiüs bepaalde omstreeks het jaar 1550
de verhouding 355 : 113, die men gewoonlijk de verhouding
van Metius noemt.
Onze landgenoot ludolph van ceülen zette de benade-
ring veel verder voort (1586) en berekende door herhaalde
worteltrekkingen het getal n eerst tot in 20 en later tot in
32 decimalen nauwkeurig. Naar hem wordt jt dikwijls het
Ludolphiaansche getal genoemd.
In den laatsten tijd heeft men, met bebulp der hoogere
algebra, de benadering veel verder voortgezet en tt zelfs tot
in 530 decimalen berekend.
-ocr page 171-
167
§ 263. Volgens het voorgaande kan men den omtrek vati een
«irkel berekenen, als men zijn straal kent. Volgens een vroeger
bewezen eigenschap staat een cirkelboog tot den geheelen omtrek,
als het aantal graden van den middelpuntshoek, die op den boog
staat, tot 360, of ook als het aantal booggraden van den boog tot
360. Als dus de straal van een cirkel gegeven is en een middel-
puntshoek, dan kan men eerst den geheelen cirkelomtrek berekenen
en daarna den boog, die tusschen de beenen van den hoek ligt.
Men heeft, als n het aantal graden van een boog voorstelt en /
zijn lengte,
360 ^                180
Indien de lengte van een cirkelboog gegeven is en de straal van
den cirkel, dan kan men de lengte van den geheelen cirkelomtrek
berekenen en daarna ook het aantal graden van den boog. Men
heeft dan
2Rn:l zz 360 :n, of
180/
Rir \'
Voorbeeld. Het aantal graden te berekenen van een cirkelboog,
die even lang is als de straal.
R X 180° _ 180c
= 57" 17\' 44", 80 ...
Rit
HET OPPERVLAK VAN DEN CIRKEL EN VAN DEELEN
VAN DEN CIRKEL.
§ 264. Wij hebben reeds gezien, hoe de oppervlakken van ver-
schillende rechtlijnige figuren vergeleken worden. In dit hoofdstuk
zullen wij het vergelijken der oppervlakken van kromlijnige figuren
onderling en met rechtlijnige terugbrengen tot het vergelijken van
rechtlijnige figuren met elkaar.
Beschouwen wij een cirkelsector MAHB met de in- en omge-
schreven veelhoeken MACDEB en Macdeb. De ingeschreven veel-
-ocr page 172-
168
hoek bedekt een gedeelte van den cirkelsector en is dus kleiner
dan deze. De omgeschreven veelhoek wordt gedeeltelijk door den
sector bedekt en is dus grooter dan deze. De cirkelBector is der-
halve grooter dan de ingeschreven en kleiner dan de omgeschreven
veelhoek, en dit blijft waar, als men het aantal deelen der gebro-
ken lijnen ACDEB en acdeb voortdurend laat aangroeien. Daarbij
wordt de ingeschreven veelhoek steeds grooter en de omgeschreven
steeds kleiner. Voor het oppervlak O van veelhoek MACDEB vindt
men, als AC := CD zz DE = EB is, de lengte "B- der ingeschre-
Fig. 179.
ven gebroken lijn vermenigvuldigd met de helft van het apothema
MP = a. Dus
O = \\ «XL
Wordt het aantal deelen der gebroken lijn steeds grooter, dan
vindt men
lim. O = Hm. (JoXL) = lim. ± o X l>m. L = \\ R X boog AB.
Evenzoo is het oppervlak o van den omgeschreven veelhoek gelijk
aan de lengte l der omgeschreven gebroken lijn, vermenigvuldigd
met den halven straal
o = i R X l-
Wordt het aantal deelen der omgeschreven gebroken lijn steeds
grooter, dan heeft men
lim. o — lim. (J R X 0 = i R X 1\'m. I = i R X boog AB.
-ocr page 173-
169
De oppervlakken der in- en omgeschreven veelhoeken naderen
dus tot een gemeenschappelijke grens (i R X boog AB), en het
verschil van die oppervlakken kan dus zoo klein gemaakt worden,
als men wil. Maar dan kan ook het verschil van het oppervlak des
sectors met een der veelhoeken, bijv. met den ingeschreven veel-
hoek , zoo klein gemaakt worden, als men wil, of m. a. w.:
Men kan het oppervlak van een cirkelsector beschouwen als de
grens van het oppervlak des ingeschreven veelhoeks, of als de grens
van het oppervlak des omgeschreven veelhoeks.
Evenzoo kan men het oppervlak van een cirkel beschouwen als de
grens van het oppervlak van een ingeschreven regelmatigen veelhoek
of van een omgeschreven regelmatigen veelhoek.
Uit de voorgaande beschouwingen blijkt tevens de waarheid der
Stellingen. 1. Het oppervlak van een cirkelsector is gelijk aan
de lengte van zijn boog, vermenigvuldigd met den halven straal.
2. Het oppervlak van den cirkel is gelijk aan zijn omtrek, ver-
menigvuldigd met den halven straal.
§ 265. Stellino. Het oppervlak van een cirkel is gelijk aan tt ,
vermenigvuldigd met het vierkant van den straal.
Gestelde. OrR\'Xn.
Bewijs. Volgens de voorgaande stelling is
OrjRX omtrek.
Volgens een vroeger bewezen stelling is
omtrek — 2R X * i dus
0= lRX2BXi = R\'X^
§ 266. Stelling. De oppervlakken van twee cirkels staan tot
elkaar als de vierkanten hunner stralen.
Bewijs. Als O en o de oppervlakken van twee cirkels zijn, R
en /■ bun stralen, dan heeft men
O r R1 X " en o = i\' X ™ i waaruit volgt
O : o = R= : r\'.
§ 267. Stellingen. 1. De oppervlakken van twee sectoren van
denzelfden cirkel staan tot elkaar als hun bogen of als hun middel-
puntshoeken.
2. De oppervlakken van twee sectoren, die gelijke middelpunts-
hoeken hebben, staan tot elkaar als de vierkanten hunner stralen.
-ocr page 174-
170
Bewijzen. Laat O en o de oppervlakken van twee cirkelsecto-
ren voorstellen, K en r hunne stralen, L en l hunne bogen, dan
heeft men volgens § 264
-2- - AyI
In het eerste geval zijn R en r gelijk, zoodat men heeft
_°_ — L
o - l !
en daar nu de verhouding van L en / gelijk is aan de verhouding
der middelpuntshoeken, zoo is de eerste stelling bewezen.
In het tweede geval kan men, volgens § 259, voor de verhouding
van L en l in de plaats stellen de verhouding van Ben r; dus
0_RL_RR_R\'
o — r X l ~~ r X r ~~ r1 \'
§ 268. Het oppervlak van een cirkelsegment te berekenen. AU
het segment kleiner is dan een halve cirkel, zooals het segment
CGD in tig. 110, dan is het gelijk aan \'t verschil van een cirkel-
sector MCGD en een driehoek MCD.
Als het segment grooter is dan een halve cirkel, zoo als het
segment CED in flg. 110, dan is het gelijk aan de som van een
cirkelsector MCED en een driehoek MCD.
Het oppervlak van den sector kan men berekenen, als men den
boog kent en den straal. Om het oppervlak des driehoeks te bere-
kenen moet men, behalve den straal, nog de koorde van den boog
kennen. Om dus het segment te berekenen moet men den straal
kennen, den boog van \'t segment, en de koorde van dien boog.
-ocr page 175-
VRAAGSTUKKEN.
§ 15—§ 28.
1.    Van een cirkel is de straal 3 cM., terwijl een punt 25 mM.
van het middelpunt verwijderd is. Zal dat punt binnen of buiten
den cirkel liggen?
2.    Bereken het supplement van een hoek, die gelijk is aan
25° 37\' 21".
3.    Bereken het complement van denzelfden hoek.
4.    Van een hoek is het complement 31" 27\'; hoe groot is zijn
supplement ?
5.    Van een hoek is het supplement 100\' 12\'; hoe groot is zijn
complement ?
6.    Hoeveel bedraagt het verschil tusschen het supplement en
het complement van een hoek?
7.    Welken hoek maken de lijnen met elkaar, die een hoek en
zijn supplement middendoor deelen ?
8.    "Welken hoek maken de lijnen met elkaar, die een hoek en
zijn complement middendoor deelen? , " \'
9.    Van de vier hoeken, die ontstaan door snijding van twee
lijnen, is er éen gelijk aan 42° 17\'8". Bereken de andere hoeken.
§ 36-§ 47.
10.    Kunnen de hoeken van een driehoek zijn 37°, 50° en 48°?
11.    Twee hoeken van een driehoek zijn 50" en 72°. Hoe groot
is de derde hoek ?
-ocr page 176-
172
12.    Van driehoek ABC is : A = 52% iB = 48\'. Hoe groot is
een buitenhoek bij het hoekpunt C?
13.    Van een driehoek ABC is een buitenhoek bij C 94% terwijl
L A 50" bevat. Hoe groot is L B ?
14.    Van een driehoek is een binnenhoek 37° 12\' en een buiten-
hoek 84" 25\'. Hoe groot zijn de andere binnen- en buitenhoeken ?
15.    Bereken de hoeken van een gelijkzijdigen driehoek.
16.    Van een gelijkbeenigen driehoek is de tophoek 75c. Hoe
groot zijn de hoeken aan de basis?
17.     Van een rechthoekigen driehoek is een der scherpe hoeken
37° 15\' 12". Hoe groot is de andere scherpe hoek?
18.    Van een driehoek is L A r= 30° en L B = 70D. Welke
hoeken maken met elkaar de lijnen, die /. A en L B middendoor
deelen ?
19.    Kunnen de zijden van een driehoek zijn 15 cM., 7 cM. en
6 cM. ? Of kunnen ze zijn 7 cM., 10 cM. en 3 cM. ?
20.    Bewijs, dat de lijn, die den nevenhoek van den tophoek
van een gelijkbeenigen driehoek middendoor deelt, evenwijdig loopt
met de basis.
21.    Bewijs, dat de som der supplementen van de hoeken van
een driehoek twee gestrekte hoeken bedraagt.
22.    Bewijs, dat de som der complementen van de hoeken van
een scherphoekigen driehoek eon rechten hoek bedraagt. <■• A ft -
23.    Als men een punt binnen een driehoek vereenigt met de
hoekpunten, is de som der drie vereenigingslijnen kleiner dan de
omtrek van den driehoek en grooter dan de halve omtrek. Bewijs
die twee eigenschappen.
24.    Hoe groot is een hoek van een driehoek, als hij gelijk is
aan de som der twee andere hoeken.
25.    Een driehoek is rechthoekig, als de lijn, die een zijner
hoekpunten met het midden der overstaande zijde verbindt, gelijk
is aan de helft van die zijde. Bewijs dit.
26.    Een hoek van een driehoek is stomp, als de lijn, die zijn
hoekpunt verbindt met het midden der overstaande zijde, kleiner
is dan de helft dier zijde. Bewijs dit.
-ocr page 177-
173
§ 47-§ 68.
27.    De loodlijnen, die men uit de uiteinden der basis van een
gelijkbeenigen driehoek kan neerlaten op de overstaande zijden,
zijn gelijk.
28.    De loodlijnen, die men uit de uiteinden eener zijde van een
driehoek neerlaat op de lijn, die het midden dier zijde met het
overstaande hoekpunt verbindt, zijn even lang.
29.    Een driehoek is gelijkbeenig, als de loodlijnen, die men uit
twee hoekpunten op de overstaande zijden kan neerlaten, even
lang zijn. Bewijs dit. /^Wmi-wv»*-m.T
30.    Een driehoek is gelijkzijdig, als zijn drie loodlijnen even
lang zijn. Bewijs dit.
31.    Twee gelijkzijdige driehoeken zijn gelijk en gelijkvormig,
als de hoogte van den eenen driehoek gelijk is aan die van den
anderen.
32.    De lijn, die een hoekpunt van een driehoek verbindt met
het midden der overstaande zijde, is kleiner dan de halve som der
twee andere zijden.
33.    De lijnen, die de hoekpunten van een driehoek verbinden
met.de middens der overstaande zijden, zijn samen kleiner dan de
omtrek van den driehoek.
34.    Als men uit het midden eener zijde van een driehoek lijnen
trekt, evenwijdig aan de andere zijden van dien driehoek, dan
ontstaan twee driehoeken, die gelijk en gelijkvormig zijn.
35.    Als men door de hoekpunten van een driehoek lijnen trekt,
evenwijdig met de overstaande zijden, en die lijnen verlengt tot zij
elkaar snijden, dan ontstaan drie driehoeken, die gelijk- en gelijk-
vormig zijn met den gegeven driehoek.
36.    De lijnen, die de hoeken aan de basis van een gelijkbeeni-
gen driehoek middendoor deelen, zijn even lang.
37.    De lijnen, die de uiteinden der basis van een gelijkbeenigen
driehoek verbinden met de middens der overstaande zijden, zijn
even lang.
38.    Bewijs, dat de drie lijnen, die de zijden van een driehoek
rechthoekig middendoor deelen, door éen punt gaan.
-ocr page 178-
174
39.     Bewijs, dat de drie lijnen, die de hoeken van een driehoek
middendoor deelen, door éen punt gaan.
40.     De som der loodlijnen, die men uit een punt der basis van
een gelijkbeenigen driehoek kan neerlaten op de heenen, is gelijk
aan de loodlijn, uit een uiteinde der basis neergelaten op de over-
staande zijde. Bewijs dit.
41.     Als een hoek van een rechthoekigen driehoek 30 bevat, is
de zijde tegenover dien hoek de helft der hypotenusa. Bewijs dit.
§ 68—§ 83.
42.     Construeer driehoeken, wier zijden respectievelijk zijn:
24, 3 en 5 cM.;
24, 27 en 30 mM.;
2, 3 en 5 cM.;
18, 21 en 40 mM.
43.     Construeer een gelijkzijdigen driehoek, wiens zijden 3 cM.
lang zijn.
44.     Construeer een driehoek, als een zijde gegeven is en als gij
weet, dat de aanliggende hoeken 45° en 60° zijn.
45.     Construeer een rechthoekigen driehoek, als een rechthoeks-
zijde en de schuine zijde gegeven zijn.
46.     Construeer een gelijkzijdigen driehoek, als zijn hoogte ge-
geven is.
47.     Verdeel een hoek in vier gelijke deelen.
48.     Verdeel een rechten hoek in drie gelijke deelen.
Opmerking. De constructie: een willekeurigen hoek in
drie gelijke deelen te verdeelen, kan niet verricht worden
met behulp der postulaten in de planimetrie. De Grieksche
meetkundigen hebben verschillende kromme lijnen uitgedacht
om de vraag te beantwoorden Latere wiskundigen hebben
afzonderlijke werktuigen vervaardigd om een willekeurigen
hoek in drie gelijke deelen te verdeelen.
Evenmin kan men met de gewone hulpmiddelen: passer en
liniaal, een willekeurigen hoek in 5, 6, 7, 9 enz. gelijke
deelen verdeelen. De verdeeling kan alleen uitgevoerd worden,
als het aantal deelen 2° is.
-ocr page 179-
175
49.    Een punt te vinden, dat op gelijke afstanden ligt van drie
gegeven lijnen.
50.    Een punt te vinden, dat op gelijke afstanden ligt van drie
gegeven punten.
51.    In een gegeven lijn een punt te bepalen, dat op gelijke
afstanden ligt van twee gegeven punten.
52.    Construeer een gelijkbeenigen driehoek, als zijn basis en
zijn hoogte gegeven zijn.
53.    Construeer de hoeken aan de basis van een gelijkbeenigen
driehoek, als zijn tophoek gegeven is.
54.    Construeer een driehoek, als zijn hoogte en zijn opstaande
zijden gegeven zijn.
55.    In een gegeven lijn een punt te bepalen, dat op gelijke
afstanden ligt van twee andere gegeven lijnen.
56.    Construeer een gelijkbeenigen rechthoekigen driehoek, als
zijn hoogte gegeven is.
57.    Een driehoek te beschrijven, waarvan gegeven zijn: een
hoek, een aanliggende zijde en de som der twee andere zijden
(zie flg. 23).
§ 83—§ 109.
58.    Hoeveel diagonalen kan men trekken uit éen hoekpunt van
een vijt\'tienhoek ? . - £ •.- . i .
59.    In hoeveel driehoeken wordt een twaalfhoek verdeeld door
de diagonalen, die men uit éen hoekpunt kan trekken? ■»? : IQ
60.    Hoeveel diagonalen kan men trekken in een tienhoek ?tt/to~}] o<
61.    Bereken de som der hoeken van een vierhoek.
62.    Hoeveel bedraagt de som der hoeken van een vgftienhoek?*>?^#«;\'-0
63.    Van een vijf hoek zijn vier der hoeken 137° 12\', 48°, 62° en
162° 15\'. Hoe groot is de andere hoek?
64.    Van een zeshoek staan de hoeken tot elkaar als 2, 3, 5,
6, 7, 1. Bereken elk der hoeken. ■?>>* * * &~ --?f >- {lo-tf-fa
65.    Aan hoeveel gestrekte hoeken is de som der supplementen
van de hoeken eens tienhoeks gelijk?
66.    Hoeveel bedraagt die som bij een «-hoek?
-ocr page 180-
176
67.    Als een diagonaal twee hoeken van een vierhoeK middendoor
deelt, staat zij rechthoekig op het midden der andere diagonaal.
68.    Bewijs het omgekeerde der vorige stelling.
69.    Wat is het omgekeerde van de stelling 36 ? (Hier wordt
naar de stelling gevraagd en niet naar een bewijs. Twee bewijzen
van het omgekeerde der stelling in 36 vindt men in mijn werkje:
Methoden bij het oplossen van meetkundige vraagstukken.)
70.     Door een gegeven punt een lijn te trekken, waarvan twee
evenwijdige lijnen een stuk van gegeven lengte afsnijden.
71.    Verdeel een gegeven rechte lijn in drie gelijke deelen.
72.    Hoeveel zijden heeft een veelhoek, als de som zijner hoeken
zeven gestrekte hoeken is? ■ i \\ .
73.    Construeer een ruit, als hare diagonalen gegeven zijn.
74.    Beschrijf een parallelogram, waarvan een zijde en de diago-
nalen gegeven zijn.
75.    In een scheefhoekig parallelogram is die diagonaal de lang-
ste, welke de hoekpunten der scherpe hoeken verbindt.
76.    De stukken, waarin de diagonalen van een gelijkbeenig
trapezium elkaar verdeelen, vormen met de zijden van het trape-
zium vier driehoeken. Twee daarvan zijn gelijkbeenig en de twee
andere zijn gelijk en gelijkvormig.
77.    Het verschil tusschen de evenwijdige zijden van een trape-
zium is grooter dan het verschil tusschen de twee beenen.
78.    Beschrijf een trapezium, als zijn vier zijden gegeven zijn.
79.    Van een lijn, die men door het snijpunt der diagonalen van
een parallelogram trekt, worden door dat snijpunt en twee even-
wijdige zijden gelijke stukken afgesneden.
80.    Verdeel een gegeven rechte lijn in vijf gelijke deelen.
81.    De loodlijnen, die men uit de uiteinden der basis van een
gelijkbeenig trapezium kan neerlaten op de beenen van het trape-
zium, zijn even lang.
82.    Bewijs ook het omgekeerde van de vorige stelling.
83.    Twee trapeziums zijn gelijk en gelijkvormig, als de even-
wijdige zijden van het eene gelijk zijn aan die van het andere
en als tevens de beenen van het eene gelijk zijn aan die van bet
andere.
-ocr page 181-
177
84.    Een ruit wordt door hare diagonalen in vier driehoeken
verdeeld, die gelijk en gelijkvormig zijn.
85.    De lijn, die de middens der evenwijdige zijden van een
gelijkbeenig trapezium vereenigt, staat loodrecht op de evenwijdige
zijden.
86.    In een vierkant ABCD wordt door A een lijn getrokken,
die BC in E en CD in F snijdt. Een loodhjn uit D op AE neer-
gelaten, snijdt BC in G en AB in H. Bewijs
AE =: DH en AF = DG.
87.    In een vierkant ABCD is P een punt in AB en Q een
punt in CD. Een lijn, die rechthoekig op PQ staat, snijdt BC in
R en AD in S. Bewijs                                                               Ja»\'
PQ = RS.
88.    Een vierkant te beschrijven, welks zijden achtereenvolgens
door vier gegeven punten gaan. (Een oplossing van dit vraagstuk
vindt men op bl. 73 van den eersten jaargang van mijn Tijdschrift
voor de Beginselen der Wiskunde.)
89.    Een lijn, die door het snijpunt der diagonalen van een
parallelogram getrokken wordt, verdeelt het parallelogram in twee
trapeziums, die gelijk en gelijkvormig zijn.
§ 114—§ 123.
90.    Van een lijn worden door drie evenwijdige lijnen twee stuk-
ken afgesneden, 7 en 9 eenheden lang. Het grootste stuk, dat de
drie evenwijdige lijnen van een andere lijn afsnijden, is 11 eenheden;
hoe lang is het kleinste stuk, dat van die zelfde lijn afgesneden
wordt ?
91.    Twee zijden van een driehoek zijn lang 11 en 15. Door een
lijn evenwijdig aan de derde zjjde wordt de eerste verdeeld in twee
stukken, lang 4 en 7. In welke stukken wordt de tweede zijde
verdeeld ?
92.    Een zijde van een driehoek is lang 10. Evenwijdig aan die
zijde wordt een lijn getrokken, die een zijde van den driehoek
verdeelt in twee stukken, 5 en 7. Hoe lang is de evenwijdige lijn?
93.    Van een trapezium zijn de evenwijdige zijden 13 en 15.
Hoe lang is de lijn, die de beenen middendoor deelt?
j. VBESLUYS, Vlakke Meetkunde. 8e druk.                         12
-ocr page 182-
178
94.    Als men do punten vereenigt, die de zijden van een drie-
hoek middendoor deelen, ontstaan vier driehoeken, die gelijk en
gelijkvormig zijn. Bewijs dit.
95.    Als men de zijden van een willekeurigen vierhoek midden-
door deelt en de doelpunten der opeenvolgende zijden vereenigt,
ontstaat een parallelogram. Bewijs dit.
96.    Welke soort van parallelogram ontstaat, als men in plaats
van een willekeurigen vierhoek neemt
een vierkant,
een ruit,
een rechthoek,
een parallelogram?
97.    Bewijs het omgekeerde der stelling van § 118.
98.    Van een driehoek zijn de zijden 15, 16 en 17 cM. Bereken
de stukken, waarin elke zijde verdeeld wordt door de lijn, die den
overstaanden hoek middendoor deelt.
99.    Construeer twee rechte lijnen, als hare som en hare ver-
houding gegeven zijn.
100.    Construeer een driehoek, waarvan gegeven zijn de stukken,
waarin de basis verdeeld wordt door de lijn, die den tophoek
middendoor deelt, benevens een der opstaande zijden.
§ 123—§ 130.
101.    Een trapezium wordt door zijn diagonalen in vier driehoe-
ken verdeeld, waarvan twee gelijkvormig zijn.
102.    Van een driehoek zijn de zijden 7, 11 en 13; van een
tweeden driehoek, die gelijkvormig is mét den eersten, is de groot-
ste zijde 30. Bereken de andere zijden van dezen driehoek.
103.    Als het kleinste der beenen van een rechthoekig trapezium
middelevenredig is tusschen de evenwijdige zijden, dan staan de
diagonalen rechthoekig op elkaar.
104.    Bewijs het omgekeerde der vorige stelling.
105.    Twee loodlijnen van een driehoek maken een evenredigheid
met de zijden, waarop zij neergelaten zijn. Bewijs dit.
106.    Van een driehoek zijn de zijden 8, 11 en 13; van een drie-
-ocr page 183-
179
hoek, die met den eerstgenoemden gelijkvormig ia, is de omtrek 72.
Bereken de zijden van den laatsten driehoek.
107.    Kunnen de loodlijnen van een driehoek zijn 1, 2 en 3 cM. ?
108.    In twee gelijkvormige driehoeken zijn de loodlijnen evenredig.
109.    Twee driehoeken zijn gelijkvormig, als de loodlijnen van
den eenen evenredig zijn met die van den anderen.
110.    Van een driehoek zijn de loodlijnen 7, 8 en 9 ; van een
gelijkvormigen driehoek is de loodlijn op de grootste zijde 14.
Bereken de twee onbekende loodlijnen van dezen driehoek.
111.    In een parallelogram is de afstand van het grootste paar
evenwijdige zijden kleiner dan de afstand van het andere paar
evenwijdige zijden. Bewijs dit.
§ 136—§ 143.
112.    "Van een rechthoekigen driehoek is de schuine zijde 15 cM.
en de eene rechthoekszijde 13 cM. Bereken de stukken, waarin de
hypotenusa verdeeld wordt door de loodlijn.
113.    Bereken ook van den driehoek in het vorige vraagstuk de
loodlijn en de andere rechthoekszijde.
114.    De schuine zijde van een rechthoekigen driehoek wordt
door de loodlijn verdeeld in twee stukken, lang 8 en 15 cM.
Bereken de rechthoekszijden in honderdsten van millimeters nauw-
keurig.
115.    Van een rechthoekigen driehoek zijn de rechthoekszijden
7 en 8. Bereken de hypotenusa in drie decimalen nauwkeurig.
116.    Van een rechthoekigen driehoek is de eene rechthoekszijde
10 en de schuine zijde 15. Bereken de andere rechthoekszijde in
duizendste deelen nauwkeurig.
117.    Bereken de loodlijn van den vorigen driehoek in honderd-
ste deelen nauwkeurig.
118.    Van een driehoek zijn de zijden 8, 9 en 10 cM. Bereken
de projectie van de grootste zijde op de kleinste.
119.    Twee zijden van een driehoek zijn 11 en 13 cM., en de
projectie van de eerste op de tweede is 5 cM. Hoe lang is de
derde zijde, in tienden van millimeters nauwkeurig?
12*
-ocr page 184-
180
120.    Als a, b en c de zijden van een driehoek voorstellen,
vraagt men in elk der volgende gevallen te berekenen, of de drie-
hoek rechthoekig, scherphoekig dan wel stomphoekig is;
a ~ 5, b rz 7, c r= 9;
a = 10, b = 8, c = 6;
a z= 13, 6 = 14, c = 15;
a =: 15, è = 20, c = 25;
o = 13, 6 = 17, c = 20.
121.    Bereken de loodlijnen van een driehoek, als zijn zijden zijn
13, 14 en 15 cM.
122.    Van een gelijkbeenigen driehoek is de basis 7 en de hoogte 6.
Bereken de opstaande zijden in twee decimalen nauwkeurig.
123.    De diagonalen van een ruit zijn 5 en 14 cM. Bereken de
zijde tot in millimeters nauwkeurig.
124.    Van een gelijkzijdigen driehoek de hoogte te bepalen, als
de zjjde o is. o
         *
125.    Bepaal de iijde van een gelijkzijdigen driehoek, als zijn
hoogte 6 is. Jl"» j
126.    Bereken, in twee decimalen nauwkeurig, de hoogte van
een trapezium, als zijn evenwijdige zijden 9 en 12 cM. zijn en de
beenen 12 en 13 cM.
§ 143-§ 154.
127.    Twee veelhoeken zijn gelijkvormig, als de hoeken op éen
na van den eenen gelijk zijn aan de hoeken op éen na van den
anderen, als de zijden op twee na van den eenen evenredig zijn
met de zijden op twee na van den anderen, en als bovendien de
gelijke hoeken en de evenredige zijden in de twee veelhoeken in
dezelfde volgorde voorkomen. BewijsVdü.
128.    Twee parallelogrammen zijn gelijkvormig, als twee zijden
en de diagonaal, die in hetzelfde hoekpunt samenkomen, in het
eene parallelogram evenredig zijn met de overeenkomstige lijnen in
het andere. Bewijs dit.
129.    Bewijs, dat in twee gelijkvormige veelhoeken een paar ge-
lijkstandige lijnen evenredig is met een paar gelijkstandige zijden.
-ocr page 185-
181
130.    Twee ruiten zijn gelijkvormig, als zij een hoek gelijk hebben.
131.    Wanneer zijn twee rechthoeken gelijkvormig?
132.    Twee trapeziums zijn gelijkvormig, als de zijden van het
eene evenredig zijn met die van het andere.
133.    Als men een willekeurig punt P vereenigt met de hoek-
punten van een veelhoek ABCDE en op de vereenigingslijnen pun-
ten A,, B,, C,, 1>, , E, neemt, zóo dat
PA, _ J^B, _ PCl _ PD, _ PE,
PAT TB
           PC — PD            PE \'
dan zijn de veelhoeken ABCDE en A, B, C, D, E, gelijkvormig.
§ 154—§ 169.
134. Verander een parallelogram in een rechthoek van hetzelfde
oppervlak.
135. Verander een scherphoe
gen van gelijk oppervlak. Doe
driehoek.
yift
iftdfc
driehoek in een rechthoeki-
lfde met een stomphoekigen
\\
136.
Door een punt H van
de diagonaal AC van een paral-
lelogram worden (zie fig. 180)
lijnen getrokken, evenwijdig met
de zijden van het parallelogram.
Bewijs, dat de parallelogrammen
BEHK en DFHG gelijk zijn.
137. Van twee parallelogram-
men , die gelijke oppervlakten
hebben, staan de bases tot elkaar als 4 tot 5. Bepaal de verhou-
ding der hoogten.
138.    Twee driehoeken hebben gelijke oppervlakken. De basis
en de hoogte van den eenen zijn 10 en 12 cM. De hoogte van den
anderen is 15 cM.; bereken zijn basis.
139.    Een vierhoek wordt door zijn diagonalen in vier driehoeken
verdeeld, wier oppervlakken een evenredigheid vormen.
140.    Elke ruit is de helft van een rechthoek, wiens zijden
gelijk zijn aan de diagonalen der ruit.
-ocr page 186-
182
141.    Twee driehoeken hebben gelijke oppervlakken, als zij twee
zijden gelijk hebben, terwijl de ingesloten hoeken el kaars supple-
menten zijn.
142.    Als x de zijde voorstelt van een gelijkzjjdigen driehoek,
waaraan is dan het oppervlak gelijk ? , - ..
143.    Van een gelijkzjjdigen driehoek is het oppervlak 15; bere-
ken zijn zijde, tot in twee decimalen nauwkeurig.
144.    Bereken, tot in honderdste deelen nauwkeurig, de zijde
van een gelijkzjjdigen driehoek, die even groot is als een driehoek,
waarvan de zijden 17, 20 en 23 zijn.
145.     Van een ruit zijn de diagonalen 7 en 11 cM. Bereken haar
oppervlak.
146.    Een parallelogram is een ruit, als de afstand van het cene
paar evenwjjdige zijden gelijk is aan den afstand van het andere paar.
147.    Bereken het oppervlak van een vierhoek, als zijn diago-
nalen rechthoekig op elkaar steun en 12 en 21 cM. lang zijn.
148.    Een rechthoek is de helft van een anderen, wiens zijden
de diagonalen der vierkanten zijn, die men op twee aanliggende
zijden van den eersten rechthoek kan beschrijven.
149.    De driehoek, die gevormd wordt door een der beenen van
een trapezium, en de lijnen, die zijn uiteinden verbinden met het
midden van \'t andere been, is de helft van het trapezium. Bewijs dit.
150.    De vierkanten, die men kan beschrij ven op de schuine
zijde en de rechthoekszijden van een rechthoekigen driehoek, zijn
evenredig met de schuine zijde en de projecties op deze van de
rechthoekszijden.
151.    Bereken het oppervlak van een trapezium, als de evenwij-
dige zijden 7 en 9 zijn en de opstaande zijden 4 en 5; in drie
decimalen nauwkeurig.
152.    Het oppervlak van een trapezium is gelijk aan een der
opstaande zijden, vermenigvuldigd met de loodlijn, op die zijde
neergelaten uit het midden der overstaande zijde.
153.    Bereken het oppervlak van den veelhoek in lig. 104, als
gegeven zijn: LN = 3, NO = OP = PE = RS = 2, SV = 3,
VZ = 21, ZC = 2i, MN = 5, OK = 6, PP = 7, SE = 7*,
ZD = 9, AR — 8, BV = 7.
-ocr page 187-
18a
Fig. 104.                            154. Beschrijf een vierkant,
dat gelijk is aan de som van
drie gegeven vierkanten.
155.  Beschrijf een vierkant,
dat de helft is van een gege-
ven vierkant.
156.  Beschrijf een vierkant,
dat gelijk is aan een derde
gedeelte van een gegeven
vierkant.
157.    Verdeel een driehoek
in vier gelijke deelen, door lijnen te trekken uit één hoekpunt.
158.    Verdeel een driehoek in twee gelijke deelen, door een lijn
te trekken uit een gegeven punt in een der zijden.
159.    Een trapezium wordt middendoor gedeeld door de lijn, die
de evenwijdige zijden middendoor deelt. Bewijs dit.
160.    Verdeel een driehoek in vier gelijke deelen, door lijnen te
trekken uit een punt in een der zijden.
§ 172—§ 187.                          . (
161.    Bepaal het middelpunt van een gegeven cirkel.
162.    Met een gegeven lijn als straal een cirkel te beschrijven,
die door twee gegeven punten gaat.
163.    Bepaal de grootste en de kleinste lijn, die men uit een
gegeven punt naar eenig punt van een cirkel kan trekken.
164.    De kleinste koorde, die men door een punt binnen een
cirkel kan trekken, wordt in dat punt middendoor gedeeld.
165.    Bepaal de meetkundige plaats der toppunten van alle drie-
hoeken, die een gegeven basis hebben en waarvan de lijn, die het
toppunt met het midden der basis vereenigt, een gegeven lengte
bezit.
166.    Als twee gelijke koorden van een cirkel elkaar snijden,
zijn de stukken der eene koorde gelijk aan die der andere.
167.    Door een punt A buiten een cirkel, wiens middelpunt O
is, trekt men een snijlijn ACD, waarvan het deel AC, dat buiten
-ocr page 188-
184
den cirkel ligt, gelijk is aan den straal. Bovendien wordt de mid-
dellijn AOB getrokken. Bewijs, dat L COA het derde gedeelte is
van L DOB.
168.    De stralen, die een koorde in drie gelijke deelen verdeelen,
verdeden den kleinsten boog, die door de koorde onderspannen
wordt, in drie deelen, waarvan het middelste verschilt van de twee
andere. Bewijs dat.
169.    Door een punt, dat binnen een cirkel gegeven is, een koorde
te trekken, die in dat punt middendoor gedeeld wordt.
§ 187—§ 193.
170.    Bepaal de meetkundige plaats der middelpunten van de
cirkels, die een gegeven lijn in een gegeven punt raken.
171.    Beschrijf een cirkel, die een gegeven lijn in een gegeven
punt aanraakt en door een gegeven punt gaat.
172.    Bepaal de meetkundige plaats der middelpunten van de
cirkels, die een gegeven lijn aanraken en een straal van gegeven
lengte hebben.
173.    Bepaal de meetkundige plaats der middelpunten van alle
koorden van een cirkel, die een gegeven lengte hebben.
174.    Beschrijf een cirkel, die door een gegeven punt gaat, een
gegeven lijn aanraakt en een straal van gegeven lengte heeft.
175.    In een cirkel, wiens middellijn IL centimeters is, heeft
men een koorde getrokken van 5 centimeters. Bereken den afstand
van het middelpunt tot die koorde, in millimeters nauwkeurig.
176.    Bepaal de kleinste lijn, die een punt van een cirkel ver-
bindt met een punt van een rechte lijn, die den cirkel niet snijdt.
177.    Beschrijf een cirkel, waarvan de straal gegeven is, en die
twee gegeven rechte lijnen aanraakt.
§ 193—§ 200.
178.    Yan twee snijdende cirkels is de afstand der middelpunten
11, en zijn de stralen 5 en 7. Bereken de gemeenschappelijke koorde
in 2 decimalen nauwkeurig.
-ocr page 189-
185
179.    Er zijn twee cirkels gegeven, die elkaar niet snijden. Men
vraagt de kortste en ook de langste lijn te bepalen, die een punt
van den eenen cirkel met een punt van den anderen kan verbinden.
180.    Bepaal de meetkundige plaats der middelpunten van alle
cirkels, die een gegeven cirkel in een gegeven punt aanraken.
181.    Beschrijf den cirkel, die een gegeven cirkel in een gegeven
punt raakt en door een ander gegeven punt gaat.
182.    Bepaal de meetkundige plaats der middelpunten van de
cirkels, die een straal van gegeven lengte hebben en een gegeven
cirkel aanraken.
183.    Beschrijf een cirkel, die een gegeven lijn en een gegeven
cirkel aanraakt en een straal van gegeven lengte heeft.
184.    Beschrijf een cirkel, die twee gegeven cirkels aanraakt en
een straal van gegeven lengte heeft.
185.    Een cirkel rolt langs de buitenzijde van een anderen, wiens
straal tweemaal zoo groot is. Bepaal de meetkundige plaats van
het middelpunt van den rollenden cirkel.
186.    Indien de afstand der middelpunten van twee cirkels aan-
geduid wordt door a, hunne stralen door B en r, vraagt men den
onderlingen stand der cirkels te bepalen in elk der volgende gsvallen:
a = 17, R = 9, >• = 8.
a=14,R = 7,r = 5.
a = 3, R = 7, r = 5.
a = 4, R = 8, /• = 4.
a = 2, R = 7, ;■ = 6.
a = 5, R = 5, »• — 5.
187.    Van twee cirkels, die elkaar snijden, is de afstand der
middelpunten 20 centimeter, terwijl de straten 11 en 13 centimeters
zijn. Bereken den afstand van do snijpunten der twee cirkels, tot
in tienden van millimeters nauwkeurig, /jj, £ :
/ )
§ 206—§ 216.
188.    Hoe groot is een middelpuntshoek van een cirkel, als de
boog, waarop de hoek staat, s/8 is van den cirkelomtrek?
189.    Hoe groot is de omtrekslioek, die op denzelfden boog staat?
-ocr page 190-
188
190.    Bewijs, dat de hoek ABC in
fig. 181 gelijk is aan de helft van den
boog AGBFD.
191.    Hoeveel graden moet de boog
\'jjyjM^F^PjfiaB van <!inl cirkelsegment bevatten, opdat
É^KH^^Ö^\'A1 een \'lll(!\'<i die \'n (\'at segment staat,
IIH BI scherp of stomp /.ij \'.-
jyW^&frffllrSJRÉ 192. Aan welken boog is hoek BAC
gelijk, als BA een raaklijn is (zie fig.
182)?
193.   Als twee evenwijdige raaklijnen
aan een zelfden cirkel getrokken zijn,
wordt de omtrek van dien cirkel door
de raakpunten in twee gelijke deelen
verdeeld.
194.    Als van een zeshoek, wiens
hoekpunten in den omtrek van een cirkel
liggen, de eerste zijde evenwijdig loopt
met de vierde en de tweede met de
vijfde, dan zal ook de derde zijde even-
wijdig loopen met de zesde.
195.    Bepaal de meetkundige plaats der punten, die de koorden
van een cirkel middendoor deelen, welke door éen zelfde punt van
den cirkelomtrek gaan.
196.    Evenzoo als dat punt binnen of buiten den cirkel ligt.
197.    Een driehoek te beschrijven, als de basis, de tophoek en
de hoogte gegeven zijn.
198.    De hoek, die gevormd wordt door twee raaklijnen, welke
men uit een punt buiten den cirkel aan dien cirkel kan trekken,
bevat 50" 20\'. Hoeveel graden bevat elk der deelen, waarin de
cirkel door de raakpunten verdeeld wordt ?
199.    Verdeel een cirkelboog in vier gelijke deelen.
200.    Aan een gegeven cirkel een raaklijn te trekken, die even-
wijdig loopt met een gegeven lijn.
201.    Aan een gegeven cirkel een raaklijn te trekken, die recht-
hoekig staat op een gegeven lijn.
-ocr page 191-
1ST
202.    Aan een gegeven cirkel een raak lijn te trekken, die een
hoek van 60 graden maakt met een gegeven lijn.
203.    Een driehoek te beschrijven, als gegeven zijn de basis en
de loodlijnen, die men uit de uiteinden der basis op de overstaande
zijden kan neerlaten.
204.    Een rechte lijn te beschrijven, die door een gegeven punt
gaat, en waarvan een gegeven cirkel een koorde van gegeven
lengte afsnijdt.
205.    Een rechte lijn te beschrijven, die raakt aan een gegeven
cirkel en waarvan door een anderen gegeven cirkel een koorde van
bepaalde lengte wordt afgesneden.
206.    Een rechte lijn te beschrijven, waarvan twee gegeven
cirkels koorden van gegeven lengten afsnijden.
§ 216—§ 228.
207.    Construeer een vierkant, dat gelijk oppervlak heeft met
een gegeven rechthoek.
208.    Construeer een vierkant, dat gelijk oppervlak heeft met
een gegeven driehoek.
209.    Als in fig. 153 gegeven zijn AD = 7, DE=z9, AB:=7,2,
vraagt men te berekenen BC en AF tot in 3 decimalen.
210.    Als p en q gegeven lijnen voorstellen, vraagt men een lijn
x te construeeren zoo dat
x = V(P°\' M 2q°)-
211.    Een cirkel te beschrijven, die door twee gegeven punten
gaat en een gegeven rechte lijn aanraakt.
212.    Als een lijn van 9 centimeters in de uiterste en middelste
reden verdeeld wordt, vraagt men de twee stukken te berekenen
in honderdsten van millimeters nauwkeurig.
213.    Construeer een vierkant, dat evenveel oppervlak heeft, als
een gegeven trapezium.
214.    Construeer een rechthoek, waarvan de zijden tot elkaar
staan als \\/2 : \\/;(, indien de diagonaal gegeven is.
215.    Als AB en CD elkaar snijden in P, volgt uit
PAXPBz: PCX PD,
dat A, B, C en D op den omtrek van een zelfden cirkel liggen.
-ocr page 192-
188
216.    Als een driehoek met een hoek van 60" gegeven is, vraagt
men een gelijkzijdigen driehoek te construeeren, die gelijk opper-
vlak heeft.
217.    Verander een willekeurigen driehoek in een gelijkzijdigen.
218.    Als AE in tig. 159 in de uiterste en middelste reden ver-
deeld wordt, is het grootste stuk gelijk aan AB. Bewijs dit.
§ 228—§ 239.
219.    Om elk gelijkbeenig trapezium kan een cirkel beschreven
worden. Bewijs dit.
220.    Als een trapezium in een cirkel beschreven is, is het ge-
lijkbeenig. Bewijs dit.
221.    Kan men een cirkel beschrijven om een parallelogram, om
een ruit of om een rechthoek ?
222.    Kan een cirkel beschreven worden in een scheefhoekig
bngelijkzijdig parallelogram, in een ruit of in een rechthoek?
223.    Van een driehoek zijn de zijden 7, 8 en 9; bereken de
stralen van de in- en omgeschreven cirkels, tot in drie decimalen
nauwkeurig.
224.    Bereken de stralen der aangeschreven cirkels van denzelfden
driehoek, met dezelfde nauwkeurigheid.
225.    Als de diagonalen van een vierhoek, waarom men een
cirkel kan beschrijven, rechthoekig op elkaar staan, is het opper-
vlak van den vierhoek gelijk aan de halve som van do produkten
der overstaande zijden.
226.    Bereken den straal van den cirkel, die kan beschreven
worden in een ruit, wier diagonalen 6 en 8 centimeter zijn.
§ 239—§ 253.
227.    Een veelhoek is regelmatig, als men in en om hem concen-
trische cirkels kan beschrijven.
228.    Is een veelhoek regelmatig, als hij in een cirkel beschreven
is en zijn hoeken onderling gelijk zijn?
-ocr page 193-
139
229.    Bereken de zijde van den ingeschreven regelmatigen twin-
tighoek, als a de straal is.
230.    Bereken de zijde van den omgeschreven regelmatigen vijf-
hoek, als de straal 1 is.
231.    Bereken den omtrek van den ingeschreven 32-hoek in twee
decimalen nauwkeurig, als de straal 7 is.
232.    Als B den straal voorstelt en A een zijde van een omge-
schreven regelmatigen veelhoek, vraagt men een formule te bepalen
voor de zijde van den ingeschreven regelmatigen veelhoek van het-
zelfde aantal zijden.
233.    Waaraan is de zijde van een regelmatigen veelhoek gelijk,
als p zijn straal en q zijn apothema voorstelt?
234.    Op een gegeven lijn als zijde een regelmatigen achthoek
te beschrijven.
235.    Bereken het oppervlak van een regelmatigen twaalf hoek,
als zijn apothema 12 is, in twee decimalen nauwkeurig.
236.    De diagonalen van een regelmatigen vijfhoek verdeelen
elkaar in de uiterste en middelste reden, zoo dat hun grootste stuk
gelijk is aan de zijde van den veelhoek.
237.    Op een gegeven lijn als zijde een regelmatigen vijfhoek te
beschrijven.
§ 259—§ 264.
238.    Van een cirkel is de middellijn 12; bereken den omtrek
in 3 decimalen nauwkeurig.
239.    Van een cirkel is de straal 5 centimeters; bereken den
omtrek tot in millimeters nauwkeurig.
240.    Van een cirkel is de omtrek 88; bereken den straal tot
op een honderdste nauwkeurig.
241.    De omtrek van een cirkel is 742; bereken den straal in
twee decimalen nauwkeurig.
242.    Hoe groot is een boog van 36 , als de straal 106 is? (In
twee decimalen nauwkeurig.)
243.    Hoeveel graden, minuten en seconden bevat een cirkelboog
van 9 centimeters, als de straal 7 centimeters is?
-ocr page 194-
190
§ 264—§ 268.
244.    Hoe lang is de middellijn van een cirkel, als zijn omtrek
en zijn oppervlak door hetzelfde getal worden voorgesteld?
245.    Als de straal van een cirkel 7,2 is, vraagt men het opper-
vlak in drie decimalen nauwkeurig.
246.    Als een cirkelboog van 32 graden 5 centimeters lang is, hoe
lang is dan zijn straal, in honderdsten van millimeters nauwkeurig.
247.    Bereken het oppervlak van een cirkelsector, als zijn straal
7 is en zijn middelpuntshoek 25\', tot in 2 decimalen nauwkeurig.
248.    Van een cirkelsector is de omtrek 25 en de middelpunts-
hoek 36°. Bereken den straal in 2 decimalen.
249.    Bereken het oppervlak van een cirkelsegment, welks koorde
gelijk is aan den straal R.
250.    Bereken het oppervlak van een cirkelsegment, welks koorde
gelijk is aan de zijde van den ingeschreven regelmatigen vijfhoek.
GEMENGDE VRAAGSTUKKEN.
251.    In een gegeven driehoek een vierkant te beschrijven.
252.    Een cirkel te beschrijven, die door een gegeven punt gaat
en twee gegeven lijnen aanraakt.
253.    De produkten der loodlijnen, die men uit een punt van
een cirkel kan neerlaten op de overstaande zijden van een inge-
schreven vierhoek, zijn gelijk.
254.    Als twee evenwijdige lijnen door een derde gesneden wor-
den, loopen de lijnen, die twee overeenkomstige hoeken middendoor
deelen, evenwijdig.
255.    Een cirkel te beschrijven, die een anderen cirkel in een
gegeven punt aanraakt en bovendien raakt aan een gegeven rechte
lijn.
256.    De lijnen, die twee hoekpunten van een driehoek verbinden
met de middens der overstaande zijden, verdeelen elkaar in stuk-
ken, die tot elkaar staan als 1 tot 2.
-ocr page 195-
19!
257.    De lijnen, die de drie hoekpunten van een driehoek ver-
binden met de middens der overstaande zijden, gaan door éen
punt.
258.    In een gegeven cirkelsegment een vierkant te beschrijven.
259.    Als een rechte lijn en twee punten daar buiten gegeven
zijn, vraagt men in die lijn een ander punt te bepalen, zoo, dat
de som van zijn afstanden tot de twee gegeven punten zoo klein
mogelijk zij.
260.    Yerdeel een gegeven cirkel in drie gelijke deelen door
concentrische cirkels.
261.    Verdeel een driehoek in vijf gelijke deelen, door lijnen te
trekken, evenwijdig aan een der zijden.
262.    De som der vierkanten van twee lijnen, die een willekeurig
punt verbinden met twee overstaande hoekpunten van een recht-
hoek, is gelijk aan de som der tweedemachten van de lijnen, die
hetzelfde punt met de andere hoekpunten verbinden. Bewijs dit.
263.    De lijnen, die de middens der overstaande zijden van een
vierhoek vereenigen, deelen elkaar middendoor. Bewijs dit.
264.    Beschrijf een driehoek, als gegeven zijn: de basis, de
tophoek, en de opstaande zijden.
265.    In een driehoek ABC een lijn DE te trekken, die even-
wijdig loopt met AP., zoodat DE gelijk is aan AD.
266.    In een driehoek ABC een lijn DE te trekken, zoo dat
DE = AD BE.
267.    Construeer een driehoek, waarvan de omtrek en twee hoeken
gegeven zijn.
268.    Twee concentrische cirkels gegeven zijnde, uit een punt
in den omtrek van den grootsten cirkel een koorde te trekken,
die door den kleinsten cirkel in drie gelijke deelen verdeeld wordt.
269.    Door een gegeven punt een rechte lijn te trekken, zóo,
dat de som der afstanden van twee andere gegeven punten tot die
rechte lijn een gegeven grootte heeft, kleiner dan de afstand der
twee punten en dat de twee punten aan weerszijden van die lijn
liggen.
270.    Beschrijf een driehoek, waarvan gegeven zijn de basis, de
tophoek en het verschil der opstaande zijden.
-ocr page 196-
192
271.    Beschrijf een vierhoek, waarvan gegeven zijn de diagonalen,
de lijn, die de middens van een paar overstaande zijden verbindt,
en twee aanliggende zijden.
272.    Het vierkant der lijn, die het toppunt van een gelijkbee-
nigen driehoek verbindt met een punt der basis, is gelijk aan het
vierkant van een opstaande zijde, verminderd met het produkt der
stukken, waarin de basis door genoemd punt verdeeld wordt.
273.    De som der loodlijnen, die men uit een punt binnen een
gelijkzijdigen driehoek kan neerlaten op de zijden, is gelijk aan
de hoogte van den driehoek.
274.    De loodlijnen van een driehoek deelen de hoeken midden-
door van den driehoek, die ontstaat, als men de voetpunten der
loodlijnen van den eersten driehoek twee aan twee vereenigt.
275.    Construeer een driehoek, als de voetpunten van zijn drie
loodlijnen gegeven zijn.
276.    Construeer een rechthoek, die gelijk is aan een gegeven
vierkant, en wiens omtrek door een gegeven rechte lijn wordt
voorgesteld.
277.    Construeer twee lijnen, als haar verschil en hare verhou-
ding gegeven zijn.
278.    Als alle zijden van een vierhoek even lang zijn, is hij een
ruit of een vierkant. Bewijs dit.
279.    De meetkundige plaats der middelpunten van de ingeschreven
cirkels van alle driehoeken, die in een zelfde cirkelsegment staan,
is een cirkelboog. Bewijs dit.
280.    Beschrijf een driehoek, waarvan gegeven zijn een zijde en
de stralen van den in- den omgeschreven cirkel.
281.    Een cirkel en een rechte lijn gegeven zijnde, vraagt men
een andere rechte lijn te construeeren, zóo dat de cirkel er een
koorde van gegeven lengte afsnijdt en dat het gedeelte tusschen
den cirkel en de gegeven rechte lijn een bepaalde lengte heeft.
282.    Twee cirkels gegeven zijnde, een rechte lijn te construeeren,
zóo dat de eene cirkel er een koorde van gegeven lengte afsnijdt,
terwijl het stuk, dat tusschen de twee cirkels ligt, ook een be-
paalde lengte heeft.
283.    Door de uiteinden van een gegeven koorde van een cirkel
-ocr page 197-
VJ-.i
twee andere onderling evenwijdige koorden te trekken, wier gom
gegeven is.
284.    Het oppervlak van een rechthoek in 25 vierkante centi-
meters en zijn omtrek 21 centimeters. Bereken de zijden in twee
decimalen nauwkeurig.
285.    Van een cirkelsector, wiens oppervlak gelijk is aan twee-
maal het vierkant van den straal, vraagt men den boog te berekenen
tot in tienden van sekonden.
286.    Bepaal de meetkundige plaats der middens van alle rechte
lijnen, die men uit een gegeven punt kan trekken naar de ver-
schillende punten van een gegeven rechte lijn.
287.    Beschrijf een cirkel, die raakt aan de stralen en den boog
van een gegeven cirkelsector.
288.    Als twee koorden van een cirkel elkaar rechthoekig snijden,
is de som der tweedemachten van de deelen der koorden gelijk aan
het vierkant der middellijn. Bewijs dit.
289.    Twee cirkels hebben stralen van 7 en 4 centimeters, terwijl
de afstand tusschen de twee middelpunten 13 centimeter is. Bereken
de lengte van een uitwendige gemeenschappelijke raaklijn, gemeten
tusschen de twee raakpunten. (In tienden van millimeters nauw-
keurig). Evenzoo voor een inwendige gemeenschappelijke raaklijn.
290.    Bereken bij dezelfde cirkels den afstand van een der mid-
delpunten tot het snijpunt der twee uitwendige gemeenschappelijke
raaklijnen. Bereken ook den afstand van het snijpunt der twee
inwendige raaklijnen tot de twee middelpunten.
291.    Beschrijf op de hypotenusa van een rechthoekigen driehoek
een halven cirkel, die door \'t hoekpunt van den rechten hoek gaat;
beschrijf ook halve cirkels op de rechthoekszijden naar de buiten-
zijde van den driehoek; dan ontstaan twee figuren in den vorm
van halve manen. Bewijs, dat de som der oppervlakken van die
twee figuren gelijk is aan het oppervlak van den driehoek.
292.    Als een cirkel rolt langs de binnenzijde van een anderen,
wiens straal tweemaal zoo groot is, dan beschrijft een punt van
den eersten cirkelomtrek een rechte lijn. Bewijs dit.
Opmerking. Daar het middelpunt van de bewegende kromme
lijn een cirkelomtrek doorloopt, terwijl een van hare punten
J. versluys, Vlakke Meetkunde. 8e druk.
                         13
-ocr page 198-
194
een rechte lijn beschrijft, zoo kan de voorgaande eigenschap
toegepast worden, om een cirkelvormige beweging te ver-
anderen in een rechtlijnig heen- en weergaande.
293.    In een driehoek is een vierkant beschreven. De zijde van
den driehoek, langs welke een zijde van \'t vierkant valt, is 33
centimeters, en de lood lijn op die zijde van den driehoek neerge-
laten is 27 centimeters. Bereken de zijde van het vierkant.
294.    De som der tweedemachten van de diagonalen van een
parallelogram is gelijk aan de som der tweedemachten van de zijden.
295.    De lijn, die de middens der diagonalen van een trapezium
verbindt, is gelijk aan \'t halve verschil der evenwijdige zijden.
296.    Als men uit het toppunt van een driehoek een loodlijn
neerlaat op de basis, wordt deze in twee deelen verdeeld, zóo dat
het verschil dier deelen staat tot het verschil der opstaande zijden,
als de som der opstaande zijden tot de basis.
297.    Een punt doorloopt een rechte lijn, als het zich zoo be-
weegt, dat het verschil der vierkanten van de afstanden van dat punt
tot twee gegeven punten niet verandert. (Opgelost in Methoden, § 58).
298.    Beschrijf een vierhoek, waarvan gegeven zijn een diagonaal,
de lijnen, die de middens van elk paar overstaande zijden verbin-
den, en twee aanliggende zijden. (Opgelost in Methoden, § 60)
299.    De meetkundige plaats der middelpunten van de cirkels,
die de omtrekken van twee gegeven cirkels middendoor deelen, is
een rechte lijn.
300.    Beschrijf een cirkel, die de omtrekken van drie gegeven
cirkels middendoor deelt.
-ocr page 199-
INHOUD.
Blz.
Inloiding....................      5
Lijnen....................     7
Vlakken....................      9
De cirkel...................    11
Hoeken....................    12
Evenwijdige lijnen................    16
Eenvoudigste eigenschappen van den driehoek......    23
Gelijk- en gelijkvormigheid der driehoeken.......    28
Toepassingen van de eenvoudigste eigenschappen van de gelijk-
en gelijkvormigheid der driehoeken . \'.......
    32
"Werkstukken..................    38
De eenvoudigste eigenschappen der veelhoeken......    47
Parallelogram en trapezium.............    51
Gelijk- en gelijkvormigheid der veelhoeken.......    57
Verhouding...................    62
Evenredigheid van lijnen..............    65
Werkstukken..................    69
Gelijkvormigheid der driehoeken...........    72
De limieten en de bewerkingen met onmeetbare getallen. . .    76
Betrekkingen tusschen lijnen in een driehoek......    82
-ocr page 200-
Blz.
Gelijkvormigheid der veelhoeken...........86
Werkstukken.............        ... 92
Vergelijken der oppervlakken van parallelogramiiieu en drie-
hoeken ...................
      94
Het berekenen der oppervlakken...........      98
Vergelijken van oppervlakken............    10U
Werkstukken.................    103
De eenvoudige eigenschappen van den cirkel......    105
Onderlinge ligging van een cirkel en een rechte lijn. . . .    113
Onderlinge ligging van twee cirkels.........    116
Over het meten van hoeken door middel van cirkelbogen . .    121
Werkstukken.................    128
Evenredige lijnen bij den cirkel...........    133
Werkstukken.................    135
Veelhoeken beschreven in of om een cirkel.......    140
Regelmatige veelhoeken..............    147
Werkstukken en berekeningen...........    151
De methode der limieten..............    158
Over de lengte van den cirkelomtrek.........    160
Het oppervlak van den cirkel en van deelen van den cirkel .    167
Vraagstukken............. ... 171
Gemengde vraagstukken..............190