-ocr page 1-
^^ |-*35^2
Vak 162
.
/
-
■»
*
\'
•
i
•
.
-ocr page 2-
\',
5
-ocr page 3-
\'
f\'
-ocr page 4-
-ocr page 5-
• • DE-NATUUR-EN\'-* •
HAREiWONDEREN
POPULAIRWETENSCHAPPEbUKE
BIBLIOTHEEK
JLBVANDERMARCK
; DE WERELD VAN HET-
0NEINDI6KI F INF SAcrêffiËN
-ocr page 6-
Dl NATUUR I HARE W1DII
POPULAIR-WETENSCHAPPELIJK E-BIBLIOTHEEK.
Prijs per No. f 0.90. Geb. f 1.25.
CLODD, EDWARÜ. De Geschiedenis van den
Oorspronkelijken Mensch, met een woord
vooraf van Dr. B. C. Goudsmit.
GRANT ALLEN. Oe Plant en haar leven, met
een voorrede van Prof. Huuo de
Vries.
SNIJDERS, Dr. A. J. C. De Soheikunde in het
üagelijksch leven.
MARCK, L. J. B. van der. De Wereld van het
oneindig kleine,
(Bacteriën).
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000030571321B
3057 132 1
-ocr page 7-
-ocr page 8-
Gelatine-Plaatcultuur uit drinkwater.
(Verklaring in den tekst, bladz. 37 en 38).
-ocr page 9-
L. J. B. VAN DER MARCK. ïfi
n de Wereld van het
Oneindig Kleine.
(Bacteriën.)
MET VELE AFBEELDINGEN.
«M*
BiauoTHfXK De*
RUküO :-<lv£RS*TEIt
COLL THOMAASSI
ZUTPHEN ,
W. J. THIEME & Cie.
-ocr page 10-
,., f.
-ocr page 11-
VOORBERICHT.
De Bacteriologie, oorspronkelijk eene weten-
schap alleen door geleerden beoefend, heeft in
de laatste jaren eene zoo hooge vlucht genomen,
en zoo menigvuldige toepassingen op velerlei
gebied gevonden, dat zij allengs ook onder het
bereik van het groote publiek gekomen is.
Dagelijks komen wij in aanraking met produc-
ten, welke verkregen worden door de hulp der
mikro-organismen, of zien wij processen in de
natuur optreden, welke geheel aan hunne wer-
king moeten worden toegeschreven en voor den
leek zoo al niet geheel onbegrijpelijk, dan toch
altijd iets geheimzinnigs behouden.
Het leek mij dan ook niet ondienstig voor
hen, welke de leer van het „rerum cognoscere
causas" huldigen, in een zéér beknopten vorm
eene schets te geven van de levensvoorwaarden
en -verschijnselen dier laagste planten. Bij de
samenstelling daarvan steunde ik vooral op een
dergelijk werkje in het Engelsch verschenen onder
den titel „The Story of Germ life (Bacteria)" door
H. W. Conn.
Zooals gezegd, is deze schets zoo beknopt
mogelijk gehouden; teneinde den lezer niet te
-ocr page 12-
II                                     VOORBERICHT
vermoeien door bijzaken, is van alles zoo veel
mogelijk alleen de hoofdzaak aangestipt en het
meeste gewicht op de feiten gelegd, om zoo
weinig mogelijk in theorieën te vervallen. Het
was echter ondoenlijk deze geheel te vermijden,
waar zij dienen moesten tot verduidelijking der
feiten, zooals b.v. bij de bespreking van het
ontstaan der ziekten en de middelen tot tegen-
weer van het aangetaste organisme. Dat er tegen
de daar gegeven theorieën bedenkingen kunnen
geopperd worden, zal ik terstond toestemmen.
Wijl echter die theorieën loopen over een gebied
waarvan wij tot op dit oogenblik nog zoo bitter
weinig positief weten, heb ik niet lang geaarzeld
de behandelde aan te nemen, omdat zij mijns
inziens den leek nog het beste inzicht geven
in het proces dat hij ziet afspelen.
Moge het boekje bij velen er iets toe bijdra-
gen hunne kennis omtrent de zoo hooginteres-
sante plantenafdeeling der lagere Zwammen te
vermeerderen.
V. D. M.
-ocr page 13-
Inleiding
Gedurende de laatste twee tientallen van jaren
is onze kennis van geene enkele afdeeling der
planten zoo ontzachlijk vermeerderd, als die van
de Zwammen, en meer bepaald der onderafdee-
ling Splijtzwammen of Bacteriën. Die vooruit-
gang is zelfs zoo groot dat de studie dier orga-
nismen langzamerhand een afzonderlijken tak
van wetenschap is gaan vormen, nl. de bacteri-
ologie. Het is niet zoo zeer uit een botanisch
oogpunt dat deze groep uit het plantenrijk zoo
belangrijk is — maar wel de groote macht welke
deze nietige wezens ontwikkelen in hun voort-
durend hervormingswerk in de natuur.
Het zou dan trouwens ook uiterst moeilijk
vallen — in het geheele plantenrijk eene afdee-
ling of familie aan te wijzen, welke een zóó
overwegenden invloed in de huishouding der
natuur uitoefent als juist de bovengenoemde;
v. d. Marck, Bacteriën.                                    I
-ocr page 14-
2
zelfs kan zonder overdrijving gezegd worden dat
zij in belangrijkheid alle andere groene planten
te zamen evenaart. Hoe klein de organismen
dezer afdeeling ook mogen zijn, hunne kracht
kan moeielijk overschat worden ; want op hunne
onophoudelijke werkzaamheid is het voortdu-
rende bestaan van dieren- en plantenrijk geba-
seerd.
Na een zéér beknopt historisch overzicht
zullen we in \'t kort nagaan, waar deze planten
gevonden worden, hunne kweeking en vernieti-
ging ; de toepassing hunner biologische eigen-
schappen in de nijverheid en den landbouw;
de rol welke zij in de natuur spelen ; vooral als
oorzaak van vele ziekten en de middelen tot
hunne bestrijding.
Historisch overzicht.
Men kan zeggen dat de studie der bacteriën
zoo oud is als de uitvinding van het mikroskoop.
Reeds in 1675 zag onze landgenoot, Leeuwen-
hoek, met zijne vrij gebrekkige lenzen voor \'t
eerst de wezentjes welke wij thans bacteriën
noemen en wel duidelijk genoeg om ze te kun-
nen beschrijven ; veel licht werd door hem
evenwel niet ontstoken. In de volgende 150
jaren richtte wel menig natuuronderzoeker zijn
mikroskoop op deze organismen, maar de meer-
derheid van hen was reeds tevreden met eene
-ocr page 15-
3
eenvoudige beschouwing, zonder in het wezen
der zaak dieper door te dringen; slechts weini-
gen van meer wetenschappelijken aanleg, wijdden
er eenige aandacht aan o. a. von Gleichen,
Muller, Spallanzani en Needham. Allerhand spe-
culaties op het mogelijke verband tusschen mi-
kroörganismen en sommige ziekten, werden ge-
maakt ; het bleek echter onmogelijk ook maar
een schaduw van bewijs voor de juistheid dezer
onderstelling te vinden ; eindelijk liet men haar
varen en raakte zij geheel in vergetelheid, om
eerst in het midden dezer eeuw weder te ver-
rijzen. Niettemin werd toen reeds de zoo noodige
mate van juistheid en scherpte voor de studie
der mikroörganismen ingevoerd, en vinden wij
bv. Muller welke het gebruik der namen Monas,
Proteus, Vibrio, Kacillus, Spirillum enz. invoerde,
benamingen welke nog heden ten dage in ge-
bruik zijn, alhoewel met eenigszins gewijzigde
beteekenis. Muller leverde inderdaad een studie
voldoende om de verschillende vormen van el-
kander te onderscheiden, en trachtte er naar
deze te classificeeren, zij werden echter nog
steeds als van zeer ondergeschikt belang be-
schouwd. Dat deze geheele arbeid zoo weinig
belangrijks opleverde lag eensdeels aan de on-
toereikende uitrusting der mikroskopen in die
dagen, anderdeels aan een volslagen gemis aan
begrip der op te lossen vraagstukken. Wanneer
wij de kleinheid der bacteriën in herinnering
brengen, verder de onmogelijkheid de eene of
-ocr page 16-
4
andere onder hen langer dan eenige oogenblik-
ken te kunnen bestudeeren, slechts zoo lang als
zij onder het mikroskoop gevolgd kon worden ;
wanneer wij letten op de groote onvolkomenheid
•der samengestelde mikroskopen, die het aan-
wenden van sterke vergrootingen praktisch on-
mogelijk maakten, en bovenal de vage begrippen
in aanmerking nemen welke toen nog in de
hoofden der onderzoekers rondspookten, dan
kan het ons niet verwonderen dat de kennis
omtrent de bacteriën in de eerste helft dezer
eeuw zich niet ver verhief boven het naakte feit
dat er in verschillende in ontleding zijnde stof-
fen, uiterst kleine levende wezens gevonden
worden. Met de groote verbetering welke het
mikroskoop in de tweede helft dezer eeuw on-
derging, werd onze kennis meer en meer uitge-
breid ; Ehrenberg, Dujardin, Fuchs, Perty enz.
lieten overal de sporen na van hun arbeid op
bacteriologisch gebied.
Alhoewel Schwann, reeds toen met groote
scherpzinnigheid de gevolgtrekking maakte, dat
er een nauw verband moest bestaan tusschen
mikroörganisme en sommige gistings- en rottings-
processen, (eene gevolgtrekking op dat oogenblik
hevig bestreden, doch later als geheel juist be-
vonden), Fuchs bij zijn onderzoek van „blauwe
melk" de ontdekking deed dat de oorzaak een
mikroskopisch organisme was, dat hij nauwkeurig
bestudeerde, en Henle eene algemeene theorie
opstelde over de betrekking tusschen mikroörga-
-ocr page 17-
5
nismen en ziekten, en daarbij aangaf de wijze
waarop het oorzakelijk verband tusschen eenig
organisme en eene ziekte kon aangetoond wor-
den, lieten al deze theorieën toch slechts geringen
indruk achter. Eensdeels werden de bacteriën nog
niet herkend als eene afzonderlijke klasse van
organismen, zelfs werden zij niet eens van gist-
cellen of andere mikroskopische wezens onder-
scheiden en boezemden zij als zoodanig niet meer
belang in dan andere kleine plantjes of dieren ;
hunne beteekenis werd eenvoudig niet begrepen.
Anderdeels werd het verband dat er tusschen hen
en gistings- en rottingsprocessen bestond, geheel
over het hoofd gezien door den overwegenden
invloed van I.iebig die alle gisting en rotting als
processen van chemischen aard verklaarde. Hij
beweerde dat alle eiwitachtige lichamen in een
toestand van labiel evenwicht verkeerden, en aan
zich zelf overgelaten van zelf uit elkander vielen
zonder eenige hulp van mikroörganismen. De
macht van Liebig\'s autoriteit en de schitterende
wijze waarop hij zijne meeningen verdedigde leidde
tot de algemeene aanneming zijner theorie, waar-
door dus tevens de invloed der bacteriën enz. bij
die processen geheel genegeerd werd. De tegen-
werpingen tegen I.iebig\'s meening werden ter
nauwernood aangehoord, en de kracht van
Schwann\'s proeven eenvoudig geïgnoreerd. We
zien dus dat tot de eerste helft dezer eeuw de
bacteriën nauwelijks bekend waren ; slechts weinig
miskroskopisten waren met het steeds aangroeiend
-ocr page 18-
6
getal waarnemingen bekend, die op een verband
tusschen gisting en rotting en levende organismen
wezen, bij de meerderheid der wetenschappelijke
mannen waren zij onbekend. Eerst aan Louis
Pasteur was het voorbehouden, de bacteriën op
den voorgrond te brengen, en door zijne onder-
zoekingen werden deze organismen het voorwerp
van de algemeene aandacht. Het was Pasteur
die het eerst met goed gevolg de chemische
gistingstheorie bestreed door aan te toonen dat
eiwitstoften volstrekt geen neiging tot ontleding
vertoonen; die het eerst helder aantoonde dat
de mikroörganismen even als alle andere planten
en dieren in het leven geroepen worden langs
den gewonen weg der reproductie en niet plotseling
van zelf ontstaan, zooals vroeger beweerd werd;
die het eerst bewees dat zulk een gewoon ver-
verschijnsel als het zuur worden der melk, te
voorschijn geroepen wordt door mikroskopische
organismen welke in de melk groeien; die het
eerst er in slaagde aan te toonen dat sommige
soorten van mikroörganismen de oorzaak van
zekere ziekten zijn en tevens den weg aanwees
deze met gunstigen uitslag te bestrijden.
Al deze ontdekkingen volgden elkander snel
op; in de tien jaren dat zijn naam gehoord
werd in betrekking tot dit onderwerp, door de
geleerden, was het zoo snel vooruitgegaan, dat
het duidelijk bleek dat hier iets van belang was
ontdekt, zoo al niet voor het groote publiek
dan toch ten minste voor de geleerde wereld.
-ocr page 19-
7
We willen de overige groote ontdekkingen van
dezen geleerde voor dit oogenblik laten rusten ;
uit het voorafgaande blijkt ten duidelijkste dat
zijne aanspraak op den naam van stichter der
bacteriologie overal zal erkend worden. Niet om
dat hij de organismen het eerst ontdekte, noch
ze het eerst bestudeerde, noch het eerst het ver-
band tusschen hen en gistings- en ziekteverschijn-
selen aantoonde, maar omdat hij de eerste was
die het fondament legde waarop de geheele
wetenschap opgebouwd werd, en door streng
wetenschappelijke proeven liet bewijs leverde voor
de juistheid der theorieën van anderen.
Nadat het belang van het onderwerp door
Pasteur was aangetoond wijdden daaraan ook
anderen hunne aandacht om door proeven
zijne meening te bevestigen of haar te bestrij-
den. De vooruitgang was echter niet snel,
sinds het bleek dat bacteriologische experi-
menten tot de moeilijkste behoorden die bekend
waren. De bacteriën zelf waren nog niet eens
bekend als een groep van organismen, karakte-
ristiek genoeg om op zich zelf te staan; immers
Pasteur zelf verwarde ze in den beginne nog
met gistcellen, eerst Hoffman bracht in 1869
voor het eerst hen tot een afzonderlijke klasse en
sinds dien tijd kwam de naam Bacterie meer en
meer in zwang. Zoo moeielijk waren de onderzoe-
kingen dat gedurende jaren slechts enkele on-
derzoekers gevonden werden, welke het onder-
werp zóó meester waren dat hunne gevolgtrek-
-ocr page 20-
8
kingen den toets der waarheid in den loop des
tijds konden doorstaan. In de daarop volgende
dertig jaren vonden we behalve veel getwist en
verwarring weinig degelijks. De moeielijkheid
eene bepaalde soort van bacterie te verkrijgen
voor proefneming, onvermengd met andere soor-
ten zg. „reinculturen" maakte een vooruitgang
bijna onmogelijk. De verkregen resultaten waren
zóó tegenstrijdig, dat spoedig in het geheele
onderwerp eene hopelooze verwarring heerschte,
en slechts weinige stappen op zekere basis ge-
daan werden, alles het gevolg van het gebruik
van onzuivere cultures, zoodat iemand die zich
op het onderwerp toelegt en wenscht te weten
wat vroeger reeds er over geschreven is, ter
nauwernood verder behoeft terug te gaan dan
1880, omdat hij zich er van overtuigd houden
kan dat alles voor dat tijdstip gedaan, meer
dwaling dan waarheid bevat.
In de laatste vijftien jaren heeft er echter
een bewonderenswaardige omkeer plaats gegre-
pen ; zooals vroeger reeds opgemerkt lag de
moeielijkheid juist in de methode der kweeking
en deze werd eerst opgeheven door Koch\'s ont-
dekking en invoering der vaste voedingsbodems,
(zie pag. 36) hierdoor werd het ook mogelijk
voor hen, welke niet zulk een genie als Pasteur
waren met vrucht op dat terrein werkzaam te
zijn.
Hierdoor was het mogelijk op gemakkelijke
wijze zuivere cultures te verkrijgen en bijgevolg
-ocr page 21-
9
gelijke resultaten door verschillende onderzoekers.
Van het oogenblik af dat deze methoden werden
ingevoerd is de studie der bacteriën zoo enorm
snel vooruitgegaan, de daarbij opgedane erva-
ringen en feitenkennis zijn zoo overweldigend
groot dat er weer een chaos dreigde te ontstaan.
Er was eenvoudig geen tijd om al die ontdek-
kingen te ordenen en in hun verband te be-
schouwen ; zoo zijn nog heden ten dage eene
menigte feiten bekend, wier beteekenis nog alles
behalve duidelijk is. Doch voorzeker zal in de
toekomst het oogenblik komen dat ook die,
thans nog duistere dingen opgehelderd worden
en het geheel zich aan ons oog in het helderste
licht zal voordoen.
DE VORMEN\' DEK BACTERIËN.
Ofschoon de leek meer belang stelt in de
feiten welke hem een inzicht geven in de groote
macht door de bacteriën ontwikkeld in de Na-
tuur, en de vraag naar de verschillende vormen
waaronder zij zich aan ons oog voordoen, als
van ondergeschikt belang door hem geacht wordt,
is het toch onmogelijk een juist begrip zich te
vormen, zonder het geringste van hunne vormen
en vindplaatsen af te weten, daarom willen we
de beschrijving ervan vooraf laten gaan. In hun
vorm zijn de bacteriën wel de meest eenvoudige
lichamen die men zich voorstellen kan. Ofschoon
-ocr page 22-
IO
er honderden soorten bekend zijn, kan men deze
toch alle terug brengen tot drie hoofdvormen,
die men het best vergelijken kan met een bil-
lard-bal, een potlood en een kurkentrekker, dus
bollen, staafjes en spiralen.
De bollen mogen groot of klein zijn en op
verschillende wijze gegroepeerd; de staafjes mo-
gen lang of kort, dik of dun zijn ; de spiralen
steil of vlak gewonden, eene of twee of meer
windingen hebben en buigbaar of stijf zijn, toch
omvatten bollen, staafjes en spiralen alle vormen
In grootte is er eenig verschil, ofschoon dat
niet belangrijk is. Alle zijn buitengewoon klein
en voor het ongewapende oog onzichtbaar. De
diameter der bolletjes varieert tusschen 0,25 en
1,5 /u. 1). De staafjes varieeren tusschen 0,3 /u
— 2,5 u in dikte, en in lengte tusschen de
maat hunner eigene dikte en die van lange dra-
den, hetzelfde kan van de spiralen gezegd worden.
In hunne wijze van groei vertoonen zij alle
een gemeenschappelijken familietrek ; zij hebben
nl. algemeen het vermogen zich voort te plan-
ten door eenvoudige deeling of splijting, daar
van daan hun naam Splijtzwammen. Elk indi-
vidu verlengt zich, en deelt zich dan in het
midden in twee gelijke helften, welke ieder op
hunne beurt dat proces herhalen. Dit is dan ook
het karakteristieke kenmerk dezer planten, dat
hen onderscheidt van de gistplantjes ofSaccharo
1) 1 /j, = i(,-iT(T millimeter.
-ocr page 23-
11
myceten, welke zich voortplanten door een pro-
ces bekend onder den naam van knopvorming
of spruiting. (Zie figuur i.)
Terwijl alle bacteriën dus, zooals wij gezien
hebben zich door deeling vermenigvuldigen, doen
zich toch eenige kleine verschilpunten voor,
\\
-ocr page 24-
12
welke de oorzaak zijn, dat hun uiterlijke vorm,
zooveel variatie\'s vertoont. Beschouwen we eerst
den kogelvorm, dan vinden we
dat bij sommige soorten na de
deeling de twee helften loslaten
om ieder op hunne beurt het ♦
proces te herhalen. Bij beschou- FiK. 2. Kttervormende
wing onder het mikroskoop zien «aphylo coccus.
o                                                 i                       \\ erg!". """.
we dan in het gezichtsveld eene                   \'
menigte vrije bolletjes, deze soort wordt genoemd
Micrococcus. (Zie fig. 2.)
Andere daarentegen blijven na de deeling
samenhangen en vormen dubbeltallen welke
Diplococcen heeten.
Zie fig. 3. Heeft de
deeling voortdurend
in de zelfde richting
plaats en blijven de
stukken samenhangen
Fig. 3. Diplococcen ; bij a vrij.
b in ettercellen, c in epitheelcellen.
Vergr. üii\'
dan ontstaat als het
ware een ketting van
bolletjes, veel overeen-
komst vertoonende met een rozenkrans, zij dragen
den naam van Streptococcus. (Zie fig. 4.) Weder
andere verdeelen zich eerst in de eene richting,
daarna in eene loodrecht, daar-
         *~~*^i
op staande om zich ten slotte nog ft{ AL" _
eens in eene derde richting lood- J^ il *"\'V7"*\'^
recht op de beide voorgaande ... ,.
              ,
1                               °              ï ig. 4. tttervormenae
te verdeelen. De stukken blij-
Streptococcus.
Vergr. IM.
ven samenhangen en vormen
-ocr page 25-
*3
zoodoende [jakken van acht a 16 individuen,
welke met den naam Sarcina bestempeld wor-
den. Zoo spreekt men ook nog van Staphylo-
coccen
wanneer zij samenhangen in druifvorm.
Op dit uiterlijk voorkomen heeft men de ver-
schillende coccen verdeeld, daar elke soort in
hare wijze van deeling constant is. Dus alle
bacteriën welke zich naar de wijze der Sarcina
deelen behooren tot het geslacht Sarcina, die
welke Streptococcen vormen tot het geslacht
Streptococcus etc.
De staafjes-bacteriën vertoonen eveneens een
klein verschil in de wijze hunner deeling, al is
dit ook niet zoo groot als bij de coccen vorm.
Zij deelen zich altijd, volgens een vlak loodrecht
staande op de richting hunner grootste afme-
ting. Ook hier vinden wij sommige soorten
bij welke, na hunne deeling, de twee stukken
terstond van elkander loslaten en dus altijd zich
aan het oog als korte staafjes voordoen, terwijl
anderen in samenhang blijven en zoodoende
lange draden vormen. Zie fig. 5.
Sommige soor-
/ "^1 ^y^
                       ten schijnen zich
in \'t geheel niet
te verdeelen en
doen zich dus voor
aan \'t oog als
Fig. 5. Bacillen van het maligne oedeem. lange draden ; dat
Links uit de lever van een guineesch big- .            .               11*.
getje ; rechts uit de long van een muis. IS eCiltei* SleCutS
Vergr. -i-p.                    schijnbaar want
-ocr page 26-
\'4
onder zekere omstandigheden vallen ook deze
lange draden uiteen in korte stukken. (Zie
fig. 6.) In zeldzame gevallen kan zich een
staafje deelen volgens zijne lengteas. Hetzelfde
wat wij van de staafjesvormen mededeelden
kan ook gezegd worden van de spiraalvormen;
ook hier vinden we korte stukjes z. g. n.
komma-vormen en aan elkander hangende lange
spiralen de kur-
ketrekker vormen.
Zie fig. 7.)
< )fschoon al deze
mikroörganismen
door hunne ver-
bazende kleinheid
ieder op zich zelf
als een vrij on-
schuldig wezen
kunnen beschouwd
worden, dat tegen-
over de buitenwereld vrij machteloos staat zoo
wordt dat gebrek aan kracht van den eenling
geheel opge-
heven door
de massa en
daarom zijn
zij zoo sterk
door hunne
\'. «SJ0&
enorme pro-
ductiviteit
die aan het
Tig. 7. Cholera-spirillen meest alle in z. g. u,
kommavorm. Bij a echter lange spirillen.
Vergr. £ü-9.
-ocr page 27-
i5
ongeloofelijke grenst. Van sommige soorten is de
groei onder het mikroskoop nauwkeurig bestu
deerd, en is daarbij gebleken dat zij zich onder
gunstige omstandigheden elk half uur kunnen
deelen. Men kan hieruit afleiden hoe groot het
getal kan wezen dat in 24 uren tijds ontstaan
kan, van een individu.
Neemt men een uur als de gemiddelde tijd
noodig voor eene deeling dan volgt daaruit dat
in 24 uren uit een individu ruim zestien millioen
individuen ontstaan, en in twee dagen ca. 286\'/3
billioen. Intusschen hebben deze cijfers absuluut
geene waarde, omdat zij eenvoudig nooit voor-
komen. Want reeds lang voordat het cijfer der
nakomelingen in de millioenen gaat, houdt die
enorme vermenigvuldiging op, eensdeels, omdat het
hun aan voedsel gaat ontbreken, anderdeels omdat
hunne eigen stofwisselingsproducten hun nadeelig
zijn. Intusschen vertoonen de cijfers ons toch welk
eene onbegrensde macht aan deze organismen toe-
komt, ten gevolge hunner enorme vermeerdering.
Deze eigenschap hebben zij hoofdzakelijk te
danken aan het feit dat zij groeien op een sub-
straat dat reeds zeer gecompliceerde voedingsstof-
fen bevat, welke voor eene directe opname reeds
geschikt zijn, in tegenstelling met andere plan-
ten welke genoodzaakt zijn, hen eerst te vor-
men uit veel eenvoudiger samengestelde stof-
fen zooals koolzuur en water; om deze reden
kunnen zij dan ook al hunne energie aanwen-
den op den groei en de vermenigvuldiging en
-ocr page 28-
i6
zijn deze dus slechts afhankelijk van de snelheid
waarmede de voedingsstoffen opgenomen en ge-
assimileerd worden. Tengevolge van deze vitale
processen veroorzaken zij allerlei scheikundige
omzettingen in het substraat waarop zij voort-
woekeren en daarop berust dan ook de gewich-
tige rol welke zij in de natuur spelen.
Verschillende kenmerken van sommige
soorten vax bacteriën.
Terwijl de bacteriën dus zooals wij boven
zagen vrij eenvoudig van vorm zijn, vertoonen
verschillende soorten toch eenige kleine afwij-
kingen welke ons in staat stellen hen nader van
elkander te onderscheiden. Zoo zien sommige
staafjes bv. er uit als of zij met een mes recht
afgesneden zijn, andere zijn aan de einden meer
afgerond of eenigszins toegespitst, weder andere
zijn omgeven met eene dunne geleiachtige stof,
welke men capsule noemt. (Zie fig. 8.) Deze
capsule houdt hen als een soort
cement bijeen, en belet dus de
enkele individuen uit elkander te
vallen. Wanneer zulk een gelei-
achtige stof eene groote massa van
bacteriën samen houdt als een
Y\\z. 3. Diplococccn ,.          ,                  ,                    . ,          .
der Longontsteking, vlies dat op de oppervlakte der
Vergr. \'-p-. vloeistof waarin zij groeien drijft of
op den bodem doet zinken spreekt men van eene
Zoo.sfloea. Wanneer zij groeien op een vast sub-
-ocr page 29-
\'7
straat bv. op een voedingsvloeistof welke door
middel van gelatine tot stolling gebracht is, dan
verspreiden de nakomelingen van een enkel
organisme zich in verschillende wijze over de
oppervlakte of in de gelatine, daar zij niet in
staat zijn zich als in eene vloeistof in alle rich-
tingen te kunnen bewegen ; zij blijven bij elkander
en vormen zoodoende eene kolonie. En daar nu
de wijze van deeling en hunne groepeering voor
de onderscheiden soorten verschillend is, zullen
de verschillende kolonies ook een verschillend
uiterlijk vertoonen. (Zie fig. 9). Daar nu deze
Kig, 9. Uiterlijk voorkomen van verschillende bacterie-colonies
op een vasten voedingsbodem.
eigenschap voor de verschillende soorten stand-
vastig is, stelt zij ons menigmaal reeds in staat
met het bloote oog te bepalen met welke soort
wij te doen hebben.
V. D. MARCK, Bacteriën.
-ocr page 30-
i8
Sporenvorming.
Behalve door deeling kunnen sommige soorten
van bacteriën zich ook nog vermenigvuldigen
door vorming van sporen. Hieronder verstaat
men ronde of ovale lichaampjes welke uit het
protoplasma gevormd worden, en die in staat
zijn weerstand te bieden aan invloeden, welke
de gewone bacterie zouden vernietigen.
Men onderscheidt hierin twee soorten a: Endo-
gene sporen, b : Arthrogene sporen.
a Endosporen. Deze ontstaan in het lichaam
der staafjes- of spiraalvormen. In het begin doen
zij zich voor als lichte, korrelige massa of als
donkere stippen (Zie fig. 10) welke zich meeren
Fig. io. Miltvuur.bacillen met sporen
. i; -. ft
vergrooting ^—
meer differentieeren van de rest van het lichaam.
Soms vormt zich binnen in het staafje eene sterk
-ocr page 31-
19
lichtbrekende, heldere, ovale of ronde spore
welke eene doorsnede hebben kan, grooter dan het
staafje en dit op de plaats waar zij zich be-
vindt doet opzwellen. (Zie fig. n). Deze sporen
kunnen liggen midden in het staafje of aan de
uiteinden, zij kunnen het geheele protoplasma
(d. i. de eiwitachtige stof waaruit het lichaam der
bacterie is opgebouwd) verbruiken of slechts een
klein gedeelte er van, in dit geval kan het staafje
zijn gewonen groei voortzetten, niettegenstaande
de aanwezigheid der spo-
             _ «^
ren. Tengevolge van eene                ** .
altijd aanwezige kleine J^m c_            V
hoeveelheid water zijn zij                ^*J,            ^f
sterk lichtbrekend, en           f ê V^
verder nemen zij in tegen-         *^%\\*T
stelling met de bacteriën         , jf*^ to
aniline kleurstoffen zeer                       \\
moeielnk op, maar geven ...                 , .„
J l\'              °              rlg. ii. I etanus-bacillen met
«leze ook omgekeerd niet sporen, vergrootins ±-°JH>
zoo gemakkelijk af wanneer zij die eens vastge-
legd hebben. Naar het schijnt is dit het gevolg
van de dikke huid welke zij bezitten, en die hen
tevens in staat stelt weerstand te bieden aan
ongunstige invloeden, zooals droogte, hitte enz.
Gewoonlijk sterft het staafje af en komen de
sporen uit het lichaam te voorschijn.
b. Arthrosporen. (?) Door zekere soorten van
bacteriën worden lichaampjes gevormd welke
zich voordoen als zeer korte staafjes. Zoo ziet
men somstijds een lang staafje uit elkaar vallen
-ocr page 32-
20
in eene menigte kleine stukjes, aan de uiteinden
afgerond, geheel helder, welke het vermogen
schijnen te bezitten meer weerstand te kunnen
bieden aan schadelijke invloeden dan de oor-
spronkelijke staafjes Hetzelfde ziet men ook ge-
beuren bij de kogel vormen, welke slechts in
zeer zeldzame gevallen endosporen vormen. In
tusschen blijft het nog zeer twijfelachtig of de
hier opgenoemde verschijnselen wel eene echte
sporenvorming vertegenwoordigen. Zoo kan het
ook nog gebeuren, b.v. bij het geslacht Crenothrix
dat het protoplasma van een draad in eene me-
nigte korrels van gelijke of ongelijke grootte uit
elkaar valt, welke naar buiten komen. Aangezien
nu de sporenvorming, \'t zij op de eene of andere
manier, niet bij alle soorten plaats grijpt, (zoo
zijn er sommige, waarbij zij nooit is opgemerkt,
onder welke omstandigheden men hen ook bracht!
zoo heeft men hierin ook weder een zeer goed
herkenningsteeken voor het onderscheiden van
soorten, omdat ook deze eigenschap eene stand-
vastige is. Uit het medegedeelde zal het wel dui-
delijk zijn geworden dat het doel der sporenvor-
ming niets anders kan zijn dan instandhouden
der soort, in dagen van tegenspoed. Door hun
weerstandsvermogen tegen hitte en droogte hou-
den zij de soort in leven onder omstandigheden
waarin de gewone vormen spoedig te gronde zou-
tien gaan. Sommige sporen zijn in staat eene
hitte van i8o° C. gedurende korten tijd te weer-
staan, en kokend water zelfs gedurende langen
-ocr page 33-
21
tijd. Komen zij daarna weder in gunstige condi-
tie dan kiemen zij uit en vermenigvuldigen zich
alsof er niets gebeurd ware.
Beweging.
Sommige soorten van bacteriën hebben het
vermogen zich te kunnen bewegen en zelfs ver-
bazend vlug, zoodat men bij beschouwing onder
het mikroskoop het beeld van een dansenden
muggenzwerm krijgt. Deze beweging wordt ver-
oorzaakt door uiterst fijne, draadvormige aan-
hangsels, z.g.n. jlagella of zweepjes, welke in
nauw verband staan met het protoplasma. De
plaatsing en het aantal dezer zweepjes is zeer
verschillend. Sommige hebben één aan het einde,
of twéé aan ieder eind één, of meerdere aan een
eind, weder andere hebben vele zweepjes aan elk
einde, of over het geheele lichaam verspreid. Bij
de beweging maken deze draadjes eene golvende
beweging, waardoor het lichaam vooruitgedreven
wordt.
Inwendige bouw.
Hoe nauwkeurig ook het uiterlijk der splijt-
zwammen moge bestudeerd en beschreven zijn,
over hun inwendigen bouw weten wij nog uiterst
weinig en wat daaromtrent vermeld is geworden,
-ocr page 34-
22
is nog ver van uitgemaakt. Men meent gezien
te hebben dat zij eene huid hebben welke met
cellulose overeen komt, en die een protoplasma
klompje omsluit. In dit protoplasma beweren
sommigen een kern gezien te hebben, anderen
zijn de meening toegedaan, dat het geheele lichaam
één kern is zonder protoplasma. Feitelijk is onze
kennis op dit punt nog even ver als twee eeuwen
geleden, toen zij ontdekt werden, en zijn onze
beste mikroskopen van den tegenwoordigen tijd
nog niet in staat ons den sluier op te lichten,
welke dat gedeelte omhult.
Zijn bacteriën dieren of planten?
Over bovenstaande vraag is in den loop dezer
eeuw heel wat getwist en geschreven, wat ons
niet verwonderen kan wanneer wij in aanmer-
king nemen de uiterst lage plaats die zij in de
reeks der georganiseerde wezens innemen, onge-
veer daar, waar het dierenrijk en het plantenrijk
divergeeren, wanneer men volgens de tegen-
woordige beschouwing der levende natuur aan-
neemt dat beide rijken van een gemeenschap-
pelijken oervorm afstammen. De eigenschap zich
vrij te kunnen bewegen, welke zooals wij boven
zagen, aan zoovelen van hen toekomt, gevoegd
bij hun leefwijze op zeer samengestelde voedings-
stoffen zijn zonder twijfel geschikt hen onder de
dieren te rangschikken. Maar hun algemeene
-ocr page 35-
23
vorm, hunne wijze van groei, het vormen van
draden dat hun eene sprekende gelijkenis geeft
met sommige echte groene planten, bekend onder
den naam van Oscillaria, en eindelijk hunne
wijze van sporen vorming geven hun al de ken-
merken \'aan planten eigen. Men beschouwt hen
dan ook als lage planten van het Oscillaria type
die het chlorophyll (de kleurstof waaraan de
groene planten hunne kleur te danken hebben)
verloren hebben, en daarmede ook het vermogen
uit eenvoudige stoffen, zooals koolzuur en water,
zich zelf de organische voedingsstoffen te berei-
den voor den groei noodig, want juist aan het
chlorophyll hebben de groene planten die eigen-
schap te danken.
Uit het verlies van dit assimilatie vermogen
volgt verder dat zij gedwongen werden zich het
voedsel te verschaffen uit meer gecompliceerde
lichamen, waardoor zij de rol van Saprophyten
of van Parasieten moesten gaan vervullen. Zij
worden dan ook te samen gerangschikt in eene
groep, of liever familie, ten nauwste verbonden
met verschillende andere planten, welke alleen
bekend aan plantkundigen, voor het groote pu-
bliek van geene beteekenis zijn, terwijl de bac-
teriën door hun gemis aan chlorophyll en daar-
mede samenhangende leefwijze en eigenschappen
thans aan iedereen bekend zijn.
-ocr page 36-
24
Verdeeling dek bacteriën.
Terwijl men het thans wel algemeen eens is
dat de bacteriën tot het plantenrijk behooren,
is iedere verdere onderverdeeling in familiën, ge-
slachten en soorten eene uiterst moeielijke taak
gebleken, omdat het voor de onderzoekers zoo
bezwaarlijk is typische kenmerken te vinden voor
de verschillende groepen of familiën, wegens
hun buitengewoon eenvoudigen bouw. Hoezeer
zij echter ook op elkaar gelijken, toch is er
geen twijfel aan dat er vele verschillende soorten
bestaan, omdat zij bij onderzoek zoo zeer van
elkaar afwijkende eigenschappen vertoonen.
Maar volgens welke kenmerken moest die
verdeeling plaats hebben? Ziedaar de moeielijk-
heid. Moest er op het verschil in grootte, op de
wijze van voortplanting of vorming der sporen
gelet worden ? Zoo heeft men bv. tot het geslacht
bacillus gebracht alle staafjesvormige bacteriën
welke endogene sporen vormen. Voor de verdere
onderverdeeling van dit geslacht was er dus
volgens de zooeven vermelde wijze niet te
komen. Men heeft toen andere kenmerken te
hulp genomen, zooals den vorm in het uiterlijk
voorkomen der colonie op vaste voedingssub-
straten, zooals gelatine, agar, aardappels enz.
De eigenschap nitrieten in nitraten om te zetten,
dus het oxydeerend vermogen, verder of zij de
eene of andere ziekte kunnen doen ontstaan;
zooals men ziet alles meer physiologische en
-ocr page 37-
= 5
biologische . dan morphologische eigenschappen.
De gevolgen zijn dan ook niet uitgebleven;
door het gebruik maken van zoo variabele ken-
merken als de laatste zijn tot het determineeren
is heel wat verwarring gesticht en het vraagstuk
der classificeering tot heden nog verre van op-
gelost. Het aantal soorten, wier karakter zoo
scherp omlijnd is dat zij gemakkelijk herkend
kunnen worden, is zeer gering ; de groote meer-
derheid der mikroörganismen welke gevonden
zijn in den loop der onderzoekingen is nog zoo
slecht bestudeerd, en zijn hunne eigenschappen
nog zoo vaag bekend, dat het onmogelijk is hen
terstond van elkander te kunnen onderscheiden.
Gewoonlijk houden de bacteriologen dan ook
ieder eene lijst der organismen welke zij bij het een
of andere onderzoek tegenkomen, waarop zij
de opgemerkte eigenschappen noteeren. Uit den
aard der zaak heeft zoodanige lijst slechts waar-
de voor hem die haar samenstelde en is wegens
de onvoldoende gegevens voor een ander van
weinig belang. Zoo gebeurt het dan soms dat
verschillende soorten slechts door één onder-
zoeker zijn gevonden en beschreven, misschien
wel gedoopt; maar ook kan het gebeuren, dat
dezelfde soort door twee of meer onderzoekers
gevonden en beschreven is, en wel onder ver-
schillende narflen, omdat door de gebrekkige ge-
gevens de resultaten moeielijk te vergelijken
waren en de identiteit niet kon vastgesteld wor-
den. En wanneer dit proces eenige malen her-
-ocr page 38-
26
haalil is, kan de lezer zich voorstellen, welke
verwarring er heersenen moet in de nomen-
clatuur der bacteriën.
Het variëeren dek bacteriën.
Zagen wij in het bovenstaande reeds eenige
oorzaken, waardoor het determineeren der ver-
schillende soorten bemoeielijkt wordt, in nog
hoogere mate is dit het geval door de aan vele
toekomende eigenschap onder veranderde levens-
omstandigheden, hunne karakteristieke kenmerken
te veranderen. Er was zelfs een tijdperk in de
geschiedenis der bacteriologie, dat men algemeen
geloofde dat geene enkele soort standvastig was,
dat zij zich onder verschillende vormen kan
voordoen als coccus, bacillus etc. en verschillende
eigenschappen bezat. Het is duidelijk dat het
eene bij uitstek gewichtige vraag is, want daar-
mede staat en valt het geheele systeem, maar
zelfs tot op dit oogenblik is zij nog niet ten
volle beantwoord en is niet te voorspellen wat
het laatste woord daarin zal zijn.
Van sommige soorten is zonder eenigen twijfel
aangetoond dat zij in staat zijn hun physiologisch
karakter te veranderen. Ziekte veroorzakende
bacteriën b.v. verliezen die eigenschap onder
zekere omstandigheden ; andere, welke melk zuur
maken, of gelatine groen kleuren, of zelf kleur-
stoffen ontwikkelen, eveneens. En daar dit soms
-ocr page 39-
^7
hoofdkenmerken zijn, waarop hunne onderschei-
ding van andere, met hen overeenkomende
soorten berust, zoo springt het terstond in het
oog, dat er een groote verwarring en onzeker-
heid uit voortvloeit, om soorten te determineeren.
Verder heeft men opgemerkt dat sommige soor-
ten eene metamorphose vertoonen, door zich nu
eens als korte staafjes, of een lange draad voor
te doen, dan weder als ronde sporen; andere
zijn nu eens bewegelijk, dan weder geheel zonder
eigen beweging. Een bolvormige soort, kan zich
voor de deeling uitrekken en dan als een kort
staafje vertoonen, terwijl omgekeerd een kort
staafje terstond na de deeling den beschouwer
aan een spherischen vorm herinnert. Om al deze
redenen zal men zich wel niet er over verwon-
deren dat tot op dit oogenblik nog geene af-
doende classificatie der bacteriën bereikt is, en
dat verschillende onderzoekers het verre van
eens zijn over hetgeen er toe behoort om een
soort te karakteriseeren, of dat twee soorten iden-
tisch zijn of niet. In spijt van dat alles wordt
heden ten dage wel bijna algemeen erkend de
fundamenteele standvastigheid der soorten. Wan-
neer ook onder verschillende voorwaarden, eene
of andere soort verschillende eigenschappen ver-
toont, het staat toch vast dat zij onder dezelfde
voorwaarden dezelfde eigenschappen heeft; en
even als het onmogelijk is onder de hoogere
planten de eene soort in de andere om te zetten
zoo is het ook bij de bacteriën ; niettegenstaande
-ocr page 40-
28
hun groote geschiktheid tot variëeren, hebben zij
toch nog eene groote mate van standvastigheid
behouden. Voortdurend raken wij meer en meer
bekend met hunne eigenschappen, zoodat zij op
verschillende plaatsen door verschillende onder-
zoekers herkend kunnen worden en een ieder,
die zich er mede bezig houdt, krijgt dan ook de
innige overtuiging dat het slechts eene quaestie
van tijd is om tot eene classificatie te geraken
zoo nauwkeurig en volledig, dat de verschillende
soorten volkomen van elkander onderscheiden
kunnen worden.
Hoe onvolledig onze kennis ook zij, wij zijn
toch gedwongen sommige namen te gebruiken.
Gewoonlijk kiest men een, welke gebaseerd is
op hun uiterlijk voorkomen, bv. Micrococcus,
Streptococcus, Diplococcus etc. etc. Soms wordt
aan dezen geslachtsnaam nog een soortnaam toe-
gevoegd, welke betrekking heeft op een of ander
physiologisch verschijnsel b.v. Bacillus Typhosus
wordt het organisme genoemd dat den typhus
verwekt. Zulke namen zijn van zeer groot nut
wanneer de soort goed bekend en nog al veel-
vuldig voorkomt, maar van vrij twijfelachtige
beteekenis zoodra zij minder bekend is. Zoo
kan zich het geval voordoen dat een onderzoe-
ker eene studie maakt van alle bacteriën welke
op eene bepaalde plaats voorkomen en dan eene
heele reeks van soorten tegenkomt welke tot
op dat oogenblik onbekend waren ; het is dan
verkieselijker deze te nummeren dan hun namen
-ocr page 41-
«9
te geven, eensdeels omdat hij meestal niet in
de gelegenheid is alle verschenen bacteriologische
verhandelingen en tijdschriften op te diepen,
anderdeels omdat de beschrijving zelden zoo
nauwkeurig en volledig is dat daarop terstond
eene soort herkend kan worden. Deze methode
van nummeren heeft bovendien het voordeel dat
zij volstrekt geene verwarring schept, omdat zij
de mogelijkheid ontloopt eene zelfde soort met
twee of meer namen te doopen. Zijn naderhand
alle te bepalen kenmerken voldoende bekend,
dan kunnen zij vergeleken worden met wat door
anderen gevonden is en blijkt dan dat zij niet
er mede overeenkomen, dan is er nog steeds
tijd en gelegenheid te over tot het geven van
een naam.
Waar bacteriën gevonden worden.
In de geheele natuur is geene plant bekend
welke zoo algemeen en veelvuldig voorkomt als
de bacteriën, en juist aan deze eigenschap, ge-
paard met hun verbazingwekkend productiever-
mogen, danken zij hun grooten invloed in de
georganiseerde wereld. Zij komen bijna overal op
de oppervlakte der aarde voor; in den bodem,
vooral daar waar deze vochtig en veel organische
stof bevat, in groote hoeveelheid, hoewel slechts
tot op geringe diepte, slechts weinige soorten
leven dieper dan 1,5 M. Hun aantal wisselt af
-ocr page 42-
tusschen eenige honderden en honderd millioen
per gram. aarde; ruim een veertigtal soorten
zijn beschreven als overal voorkomend. Maar
vooral het water is hun element; zoowel aan de
oppervlakte als in groote diepten van den Oceaan
zijn ze gevonden, in het helderste bronwater zelfs
komen zij voor; zoowel in stroomend als stil-
staand, in het eerste zelfs in grooter aantal dan
in het laatste, eensdeels omdat dit voortdurend
toevoer van water ontvangt dat langs den grond
loopt en de daarin aanwezige bacteriën mee-
neemt, anderdeels wegens den toevoer van het
afval water der in de nabijheid zich bevindende
woningen der menschen, en verder door zijne
voortdurende beweging de bacteriën belet te
bezinken, zooals dat bij stilstaand water het geval
is. Dan vindt men hen in de lucht, voornamelijk
in bewoonde streken; het grootste aantal dicht
bij de oppervlakte der aarde, het kleinste in de
hoogere luchtlagen. Alles hetgeen stof veroor-
zaakt vermeerdert het getal bacteriën in de lucht
in hooge mate, zoo bevat b.v. de lucht in eene
besloten ruimte waarin zich vele personen be-
vinden een onnoemelijk aantal, door het opge-
worpen stof van hunne kleeren als anderszins.
Verder is hun getal legio in elke rottende materie;
mesthoopen, cadavers van dieren, vermolmde
boomen, vuil, faecaliën enz. krioelen van bacteriën
want juist daar vinden zij hun beste voedsel. Het
dierlijk lichaam bevat bacteriën in mond, maag
en darmkanaal in groot aantal; eveneens op de
-ocr page 43-
huid in elke plooi of beschutte plaats, onder de
vingernagels, in het haar, enz. In het gezonde
weefsel, in het bloed, de spieren, klieren of eenig
ander orgaan komen zij echter niet voor. In de
afscheidingsproducten zoo als melk en urine komen
zij voor, wanneer de kanaaltjes, welke die vloei-
stoffen van de klieren naar buiten afvoeren, door
hen tot woonplaats gekozen zijn, daar zooals
boven vermeld werd, de klieren zelf vrij van bac-
teriën zijn. En niet alleen de hoogere dieren ook
de lagere bevatten hen in meerdere of mindere
mate, zoo b.v. vliegen aan de pooten, bijen aan
de haren van het achterlijf enz. Kortom, waar
maar een plaats aan het stof geboden wordt om
zich af te zetten, daar worden ook bacteriën ge-
vonden. Op de meeste dezer plaatsen zijn zij in
wat men noemt „slapenden" toestand, of groeien
ten minste zeer weinig, zoo b.v. die, welke aan
het droge haar zitten of in zuiver water. Maar
zooals reeds vroeger vermeld werd, heeft elke
bacterie of spore het vermogen, wanneer slechts
de levensvoorwaarden gunstig zijn, terstond te
ontkiemen of zich verder te vermenigvuldigen,
en dat is wanneer zij vochtigheid en voedsel vin-
den ; dan beginnen zij terstond die kracht te
ontwikkelen welke slechts in toom gehouden
wordt door gebrek aan voedsel. Dit wordt hun
geboden door de lichamen van afgestorven dieren
en planten, of secretieproducten, of uit andere
bronnen. Hun groei en vermeerdering is dan
onbelemmerd tot dat het materiaal uitgeput is,
-ocr page 44-
32
of op andere wijze hun een halt geboden wordt.
Door hunne alom tegenwoordigheid en hun ver-
mogen scheikundige omzettingen teweeg te bren-
gen in hun voedingsmateriaal, veroorzaken zij
een voortdurende wisseling in de natuur. Alvorens
daartoe over te gaan, willen we echter in \'t kort
eerst een overzicht geven van de wijze waarop
zij gekweekt en geisoleerd worden, en hoe men
hen kan vernietigen.
KwEEKING I>ER BACTERIËN; ReINCULTURES ;
Kweekbedden.
Zooals reeds in de inleiding dezer schets werd
aangetoond, was eene der hoofdoorzaken der
groote verwarring en tegenstrijdigheid der resul-
taten bij bacteriologische experimenten verkregen,
de groote moeielijkheid eene bepaalde soort te
isoleeren en verder te kweeken onder zulke om-
standigheden, dat zij de haar oorspronkelijk toe-
komende eigenschappen behield en niet varieerde.
In het vorige hoofdstuk zagen we dat de mikro-
organismen overal op aarde voorkomen, zoodat
het geene verwondering kan wekken als men in
de een of andere materie een zeker aantal soor-
ten bij elkaar aantreft. Ten einde nu uit te ma-
ken welke van deze de oorzaak is van een of
ander opgemerkt verschijnsel, \'t zij het ontstaan
eener scheikundige verandering, het veroorzaken
eener kleuring of eener ziekte, is natuurlijk in de
-ocr page 45-
33
eerste plaats noodig de soorten van elkander te
isoleeren, dus eene reine cultuur zich te verschaf-
fen en deze verder te kweeken onder de voor
haar meest gunstige levensvoorwaarden. Pasteur
was de eerste welke met groot vernuft aan de
oplossing van dit vraagstuk begon, toen hij zijne-
zoo vermaarde proeven ging nemen omtrent de
oorzaak der gisting. Hij ging daarbij uit van het
idee dat ook in deze wereld van het oneindig
kleine de algemeene natuurwet zich deed gelden,
dat in den „Kampf um\'s Dasein" de macht van
den sterkste zegeviert. Immers, ook hier zal men
het verschijnsel als overal elders zien, dat zich
onder al die verschillende soorten sommige be-
vinden, wier leefwijze geheel aan de heerschende
omstandigheden is aangepast, die dus onder de
gunstigste voorwaarden verkeeren en dus het beste
zullen voortkomen. Andere kunnen zich moeie-
lijker in de omstandigheden schikken en tieren
dus minder welig, terwijl nog andere ter nauvver-
nood in leven blijven. De eerste zullen dus in
de gegeven materie het beste voortkomen, en
weldra de andere overwoekeren; het duurt dan
ook niet lang of zij zijn in aantal zoo toegeno-
men dat zij het voedsel aan de anderen onttrek-
ken, welke daardoor afsterven of tenminste slechts
een mager bestaan hebben. Neemt men nu uit
eene dergelijke, zich in volle werking bevindende,
cultuur een klein proefje, dan vindt men van de
een of meer soorten welke in goede conditie zijn,
b.v. eenige honderden of duizenden individuen
v. d. Marck, Bacteriën.                                          3
-ocr page 46-
34
tegen enkele van de in slechteren staat verkee-
rende. Brengt men nu dat proefje over in eene
nieuwe vloeistof, welke kiemvrij is, en de noodige
voedingsstoffen bevat voor die soorten, dan zul-
len zij zich terstond verder vermeerderen en bin-
nen korten tijd, de andere mede ingebrachte
soorten geheel verdringen, zoodat wij eene cul-
tuur overhouden welke slechts uit die soort be-
staat, welke onder de gegeven omstandigheden
het beste voortkomt. Men noemt deze methode
der cultiveering in vloeistoffen die der Massa-
cultuur.
Kon men bij de zooeven beschreven manier
van handelen met groote waarschijnlijkheid be-
sluiten, dat de zich in zoo groote overmacht be-
vindende organismen, ook wel de oorzaak zouden
zijn van het opgemerkte verschijnsel, b.v. gisting,
moeielijker wordt de oplossing van het vraagstuk
wanneer van een zeker aantal soorten geene
enkele eene overheerschende rol speelt, omdat
de levensvoorwaarden voor alle gelijk zijn. Men
kan dan wel trachten, door variëeren der aan-
geboden voedingsstoffen, de eene soort in gun-
stiger conditie dan de andere te brengen, even-
wel is de uitslag steeds hoogst twijfelachtig of
men wel juist die soort zal krijgen, welke de
oorzaak is van de teweeggebrachte verandering.
In dat geval kan men zijne toevlucht nemen tot
de zoogenaamde „één cel cultuur". De stof wordt
daartoe in kiemvrij water verdeeld en wel zóó
sterk verdund, dat in de hoeveelheid vloeistof
-ocr page 47-
35
welke telkens voor het enten van nieuwe kolfjes of
buisjes met kiemvrije voedingsvloeistof genomen
wordt slechts één organisme aanwezig is. Maar ook
dan blijft de uitslag steeds zeer twijfelachtig. Hoe-
veel kolfjes zouden er niet geënt moeten worden,
om met wiskundige zekerheid, volgens de leer der
waarschijnlijkheid, te kunnen voorspellen, dat er
minstens één bij is dat het gezochte organisme
bevat, vrij van alle andere soorten. Maar behalve
deze onzekerheid doet zich nog eene andere voor,
n.1. dat men soms eene hoeveelheid vloeistof
krijgt om te enten welke geen enkele kiem be-
vat, een ander maal eene welke twee of drie of
meer bevat. Het is en blijft steeds eene omslach-
tige, tijdroovende en zeer onzekere methode. Het
was dan ook reeds eene groote schrede voor-
waarts toen Schröter de vaste voedingssubstra-
ten invoerde in den vorm van kiemvrij gemaakte
aardappelschijfjes. Op deze vaste onderlaag wor-
den de bacteriën gedwongen op de eenmaal in-
genomen plaats te blijven, en kunnen zij zich
daar vermenigvuldigen. Zorgt men nu slechts bij
het uitstrijken van het entmateriaal dat dit zoo
goed verdeeld wordt dat de verschillende orga-
nismen elk eene afzonderlijke plaats innemen, te-
vens ver genoeg van elkander verwijderd om aan
de ontstaande koloniën ruimte te laten voor hunne
ontwikkeling, dan is men reeds vrijwel nabij de
oplossing. Slechts een nadeel hebben deze vaste
substraten, zooals aardappels, rijstbrij, enz. zij
zijn ondoorzichtig. Het kan zich dus voordoen
3*
-ocr page 48-
dat er kiemen tot ontwikkeling komen, welke
eene kolonie vormen in kleur zoo nabij komend
aan die van het substraat, en zich daarvan ook
bijna of in \'t geheel niet verheffend, dat het voor
het bloote oog onmogelijk is hen te onderschei-
den. Maar ook deze laatste hinderpaal werd weg-
genomen toen in 1878 Koch zijne doorzichtige
voedingssubstraten invoerde bestaande uit de vroe-
ger reeds gebruikte voedingsvloeistoffen door
middel van gelatine of agar-agar, tot een geheel
doorzichtige gelei gebracht, of wel uit bloedserum
dat door verwarming op eene bepaalde temperatuur
tot een geheel doorzichtige gelei gestold was, \'t
zij met of zonder toevoegsels. Juist door hunne
doorzichtigheid zijn deze stoffen zoo bij uitstek
geschikt als voedingsbodem, daar de kleinste
kolonie er terstond in waargenomen kan worden
zelfs met het bloote oog, en tevens bieden zij
het voordeel aan, dat de kiemen, welke door uit-
strijken over de oppervlakte, of wel er in vloei-
baren staat 1) in verdeeld zijn, bij het stollen
plaatselijk gescheiden blijven en zich dus elk
afzonderlijk kunnen ontwikkelen. Als voedings-
vloeistoffen worden gebruikt een oplossing van
wijnsteenzure Kali, suiker, phosphorzure Kali,
zwavelzure Magnesia, Chloorcalcium enz. in ge-
destilleerd water, melk of bouillon uit kalf- of
rundvleesch, of van visschen met pepton en keu-
1) Bij temperaturen boven 26" C. wordt de gelei
vloeibaar, met gelatine, die met agar boven 40O, bloedse-
rum evenwel in \'t geheel niet meer.
-ocr page 49-
37
kenzout; hierdoor wordt eene vloeistof verkregen
welke universeel gebruikt kan worden voor allerlei
soorten van organismen ; soms wordt hieraan nog
de een of andere stof toegevoegd wanneer zij
voor den groei van een bepaald organisme voor-
deelig is. Terwijl de vloeibare en vaste voedings-
substraten voor de meeste bacteriën zwak alka-
lisch gemaakt worden, houdt men die voor gist-
vormen en schimmels zwak zuur en neemt tevens
in plaats van bouillon mout-extract, zooals het
bij de bierbrouwerij verkregen wordt, of een moes
van pruimen, tamarinde enz. die van nature
reeds zuur reageeren. Heeft men nu deze voe-
dingsstoffen, volgens eene der later te beschrijven
methoden kiemvrij of z.g.n. steriel gemaakt, in
reageerbuisjes welke met een prop watten gesloten
zijn, dan gaat men bij het kweeken en isoleeren
der organismen als volgt te werk. Men maakt
den inhoud van een buisje voeding-gelatine bij
zachte warmte vloeibaar, voegt eene zeer kleine
hoeveelheid der te onderzoeken stof toe en ver-
deelt deze nauwkeurig in de vloeistof, welke
daarna uitgegoten wordt in platte glazen doozen
of wel op glasplaten, vooraf kiemvrij gemaakt.
Spoedig stolt de gelatine weder en zijn dus de
enkele mikroörganismen gefixeerd, welke zich
dan ontwikkelen kunnen tot kolonies. Na ver-
loop van eenigen tijd ziet men dan ook hier en
daar witte of gekleurde puntjes optreden, welke
zich min of meer uitbreiden, al naar mate hunne
groeiwijze is. (Zie titelplaat.) Deze geeft eene
-ocr page 50-
38
voorstelling van de ontwikkeling der in water
voorkomende soorten in natuurlijke grootte. De
kolonies met het cijfer i gemerkt doen de gela-
tine spoedig vervloeien, die met 2 doen het lang-
zamer, waarbij tevens de vervloeiing trechtervor-
mig plaats heeft; de kolonies 3 stellen den groei
eener coccensoort voor welke op de opper-
vlakte in den vorm van porseleinachtige glinste-
rende puntjes groeit, terwijl de soort met 4 ge-
merkt binnen in de gelatine slechts langzaam
opkomt. We kunnen dus reeds op grond van
deze uiterlijke kenteekenen vier verschillende
soorten onderscheiden. Verder ziet men bij ia
dat de eene soort eenige kolonies van eene
andere soort overwoekert, bij 2a en 30 zijn twee
kolonies in elkander gegroeid.
Men kan nu met behulp van een gegloeiden
platinadraad een spoortje van een dergelijke
kolonie nemen, op een klein dun glaasje in ge-
destilleerd water verdeelen, dit na verdamping van
het water door eene vlam halen, waardoor zij
aan het glaasje blijven kleven, en dan met be-
hulp van aniline kleurstoffen, die alle bacteriën
hardnekkig vasthouden, kleuren en onder het
mikroskoop bezichtigen. Of wel men kan ook de
vloeibaar gemaakte gelatine eerst uitgieten in een
glasdoos en daarna met behulp van een platina-
draad, de te onderzoeken stof er behoedzaam
over uitstrijken. Heeft men nu op de een of
andere wijze eene cultuur van de verschillende
soorten verkregen, en wil men van eene zekere
-ocr page 51-
39
specie de groei-
wijze nagaan bv.
in gelatine, dan
neemt men een
buisje met vaste
gelatine, verwij-
dert daarvan den
watten prop, na
de noodige voor-
zorgsmaatrege-
len tegen ver-
ontreinigingvan
buiten af geno-
men te hebben,
en steekt den
platinadraad er
in welke te vo-
ren even in de
te onderzoeken
kolonie gedoopt
is.(Zie figuur n).
Men krijgt zoo-
doende na ont-
wikkeling der
cultuur een
beeld van den
groei in gelati-
ne, soms een
Fig. i
Het enten van een buisje met
zeer merkwaar-
voedingsgelatine z.g.n. steekcultuur.
dig kenmerk
voor de identificeering van de eene of andere soort;
-ocr page 52-
4o
deze cultuurmethode noemt men Steekcultuur. Wil
men den groei aan de oppervlakte leeren kennen,
dan laat men het buisje, terwijl zijn inhoud nog vloei-
baar is, in hellenden stand bekoelen, (zie figuur i2j
en strijkt over de aldus verkregen groote opper-
vlakte iets van de kolonie uit de glasdoos;
men ziet dan het organisme in zijne
groeivvijze aan de oppervlakte z. g. n.
Streepcultuur. Men kan dit procédé nog
op velerlei wijzen variöeren, doch het
zoude ons te ver voeren die hier alle
op te sommen.
In het bovenstaande was reeds eenige
malen sprake van kiemvrij of steriel
gemaakte voedingsstoffen, we komen
hiermede tot het bespreken der metho-
den hoe de een of andere stof steriel
gemaakt kan worden, d. w. z. hoe men
de daarin of daarop aanwezige organis-
men kan dooden, want na al het aan-
gevoerde zal het wel duidelijk zijn, dat
men, om tot zuivere resultaten te ko-
Fig. 12. men, beginnen moet er voor te zorgen,
Cultuurbuisje                                               .             .
met voedings- dat geen vreemde kiemen in het onder-
schuinsche zoekingsmateriaal kunnen komen, dus
\'stoid voor in de eerste plaats, de voor de kwee-
streepculturen. ^ gebruikte stoffen vrij van le.
vende organismen moeten wezen. De methoden
om hiertoe te geraken kan men in \'t kort tot
vier rubrieken brengen. ie. De verhitting in droge
lucht tot op i6ö°—2oo° C. 2e. De verhitting in
-ocr page 53-
41
stroomenden waterdamp van ioo" C. en hooger.
3e. Door chemische middelen. 4e. Door filtratie.
Het is gebleken dat alle bakterién zonder uit-
zondering bij eene verhitting in droge lucht tot
op 160" zeker afsterven benevens hunne sporen,
welke, zooals wij vroeger zagen, zooveel meer
weerstand bieden aan ongunstige invloeden.
Alle voorwerpen, welke tegen deze manipulatie
bestand zijn, zooals metalen, glazen, porseleinen
etc, worden dus het eenvoudigst op deze wijze
steriel gemaakt. Is de stof daar echter niet tegen
bestand, zooals dit met de voedingsstoften het
geval is, dan neemt men zijn toevlucht tot stroo-
menden stoom van de gewone dampkrings-drukking
dus van ioo° C. of wat nog beter is, tot gespannen
stoom van 2 a 3 atmospheeren, dus van ruim 120°
C. Daar stoom beter doordringt, en de warmte
beter geleidt, worden bij die temperatuur ook de
sporen gedood. In toepassing wordt deze methode
gebracht bij de desinfectie-ovens waarin kleederen,
beddegoed enz. door lijders aan besmettelijke
ziekten gebruikt, bevrijd worden van de daarin
zich bevindende ziektekiemen, om verdere ver-
spreiding der ziekte te voorkomen.
De stoffen, welke tot de derde categorie be-
hooren, zijn legio, nog jaarlijks levert de ruste
looze scheikunde eenige nieuwe op, welke meestal
niet veel beter of slechter dan haar voorgangsters
zijn. Enkele van deze zijn hevige vergiften, en
daardoor is hun gebruik vrij beperkt, al moet
men toegeven dat zij, wat hunne kiemdoodende
-ocr page 54-
42
kracht aangaat, niet overtroffen worden, hiertoe
behooren voornamelijk de oplosbare kwikverbin-
dingen.
Tot de minder gevaarlijke rekent men de
lichamen welke uit den steenkolenteer verkregen
worden, met name het carbolzuur, de kresolen,
het salicylzuur enz. Als een uiterst werkzaam
desinfectiemiddel wordt in den laatsten tijd aan-
gewend, voor het desinfecteeren van geheele ver-
trekken met alles wat zich er in bevindt, het
Formaldehyde, dat naast zijne betrekkelijke on-
giftigheid (ten minste zoolang het niet ingenomen
wordt, de inademing is niet zoo gevaarlijk) het
groote voordeel heeft gasvormig te wezen en
daardoor overal in te dringen, wat voor de vloei-
bare middelen minder gezegd kan worden, en
van de vaste in het geheel niet. Bovendien
tast het meubels, tapijten en behangsel niet aan,
wat verreweg de meeste andere middelen wel
doen, soms zoo, dat een desinfectie met eene ge-
heele vernieling gelijk staat. Het lijdt dan ook
geen twijfel dat er voor het Formaldehyd nog
eene groote toekomst is weggelegd in de reeks
der kiemdoodende middelen.
Bij de methode der filtratie, waarvoor dus
alleen vloeistoffen in aanmerking komen, wordt
gebruik gemaakt van holle cylinders uit onver-
glaasd porselein of wel uit Diatomeeèn schalen
het z. g. n. Kieselguhr gebakken, welke in den
handel komen onder den naam Chamberland
bougies of Berkefeld filters. De poriën dezer
-ocr page 55-
43
materialen zijn zoo fijn dat de bacteriën, zelfs
de kleinste mikrococcen, er door teruggehouden
worden en alleen de vloeistof doorloopt. Zij
zijn voornamelijk in gebruik voor het zuiveren
van drinkwater; vooral bij het leger, in streken
waar het water zeer vervuild is en vaak besmet-
telijke ziekten epidemisch optreden, zooals cholera,
typhus enz., hebben zij onschatbare diensten be-
wezen.
HET GEBRUIK VAN BACTERIËN IN DE VER-
SCHILLENDE INDUSTRIËN.
Zooals wij vroeger zagen, komen de mikro-
organismen op de meest verschillende stoffen
voor, een bewijs dat zij in de keuze van hun
voedsel niet zeer kieskeurig zijn; inderdaad
kan elk product van dierlijken of plantaardigen
oorsprong in hunne behoeften voorzien. Sommige
soorten schijnen wel aan wat engere grenzen ge-
bonden en daardoor in hunne levensvoorwaar-
den meer beperkt te zijn, maar de meerder-
heid kan op de meeste verschillende stoffen van
organischen oorsprong voortkomen. Bij hunne
opname van het voedsel veroorzaken zij daarin
scheikundige omzettingen, welke de chemicus
ontleding noemt, zij breken de verschillende
samengestelde stoffen als het ware in stukken
van veel eenvoudiger samenstelling, z. g. n.
splitsingsproducten. Somtijds evenwel bezitten zij
naast het vermogen om af te breken ook dat
-ocr page 56-
44
van opbouwen, m. a. w. zij kunnen uit de meer
eenvoudige lichamen zulke van meer gecompli-
ceerden bouw vormen. In elk geval is het aan-
tal der stoffen, welke hun ontstaan te danken
hebben enkel aan den groei der mikroörganismen,
en de daarmede samenhangende stofwisseling,
enorm groot. En hoe klein elk organisme op
zichzelf wezen moge, door hun buitengewoon
groot voortplantingsvermogen zijn zij in staat in
korten tijd ingrijpende veranderingen te doen
plaats hebben in het substraat, dat zij bewonen, en
daarin eene menigte stoffen te doen ontstaan, welke
het gevolg van hun groei zijn ; en hieraan hebben
zij dan ook de belangrijke rol te danken welke
zij in de wereld spelen. Hunne macht om de
aangeboden voedingsstoffen in chemische betee-
kenis te kunnen vernietigen is op zichzelf reeds
van niet weinig belang, maar de nieuwe door hen
gevormde producten, \'t zij door op te bouwen
of af te breken, spelen een rol in de huishouding
der natuur, welke wij thans eerst van lieverlede
in haren vollen omvang beginnen te overzien.
Op het vermogen meer samengestelde stoffen te
ontleden is eene geheele rubriek van industrieën
gebaseerd, welke men met den naam van Mace-
ratieindustriën zou kunnen bestempelen, omdat
ternauwernood eenige dierlijke of plantaardige
stof aan hun verweekenden invloed kan weer-
stand bieden.
-ocr page 57-
45
Toepassing van het ontledingsvermogen
der bacteriën in de nijverheid.
Vlas. Hennip. Jute. Deze in de textiel-industrie
gebruikte stoffen zijn de bastvezels van planten
bij de botanici bekend onder de respectieve
namen Linum Usitatissimum, Cannabis sativa
en Corchorus capsularis. De Jute is in \'t neder-
landsch ook bekend onder den naam van gonje.
De stengels dezer planten bestaan echter op verre
na niet geheel uit deze vezels, maar bevatten nog
eene menigte kortere breekbare houtvezels, welke
voor de nijverheid geene waarde hebben In-
tusschen zijn deze twee soorten in de plant
zoo vast aan elkander verbonden, dat zij onmo-
gelijk langs mechanischen weg gescheiden kun-
nen worden. Al de plantencellen zijn namelijk
aan elkander gehecht door eene soort cement,
dat waarschijnlijk uit een kalkzout bestaat van
het pectinezuur. Wil men nu de, voor de techniek
geheel waardelooze korte houtvezels scheiden van
de langere en taaiere bastvezels, om deze verder
te kunnen bewerken, dan moet het bovenge-
noemde cement opgelost worden en hiertoe wor-
den de bacteriën te hulp genomen. Men stelt de
vezels daartoe bloot aan de inwerking van vocht
en warmte, waardoor spoedig een rijke bacteriën-
groei ontstaat; men kan dat doen door hen
uitgespreid op het land, aan dauw en regen bloot
te stellen, of wel door hen gedurende een paar
weken in stilstaand water onder te dompelen.
-ocr page 58-
46
Er heeft dan eene rotting plaats waarbij de kleef-
stof wordt opgelost, welke de vezels bij elkander
houdt. Het geheele proces is bekend onder den
naam van „roten" ; na droging worden dooreen
eenvoudig mechanisch procédé de twee soorten
vezels gescheiden. Het geheel is een typisch
gistingsproces; van de rottende vezels stijgen
uiterst onaangename geuren op, en het water
bevat na afloop der gisting eene groote hoeveel-
heid stoffen, welke als meststof gewaardeerd wor-
den. Nog niet zeer lang geleden is het geheele
proces eerst nauwkeurig bestudeerd geworden en
daarbij de bacillus gevonden, welke de oorzaak
is van de ontleding der pectinezure kalk. Tot
op dit oogenblik is nog geen enkel procédé ge-
vonden, dat op even doeltreffende wijze de beide
vezelsoorten scheidt, en ons dus van de hulp
der bacteriën ontslaat.
Wat voor de hierboven genoemde drie vezel-
stoffen gezegd werd, geldt ook voor cocosvezels,
welke verkregen worden van het omhulsel der
cocosnoten, hiervoor wordt een „rotings"proces
gevorderd van minstens zes maanden tot een
jaar. Dan zijn de vruchtvezels zoo week geworden
dat zij van elkander gescheiden kunnen worden
om verder de bewerking te kunnen ondergaan,
die hen geschikt maakt voor de fabricage van
vloermatten, vloerzeilen, borstels enz., alle zoo
hoog geroemd om hunne stevigheid. Natuurlijk
moet er bij het „rotings"proces maat gehouden
worden en kan men het niet willekeurig lang
-ocr page 59-
47
uitstrekken omdat dan de vezel te veel aangetast
werd; want het kan niet ontkend worden, dat
het reeds plaats grijpt gedurende den vrij korten
tijd der roting en het lijdt geen twijfel, dat,
wanneer er een mechanisch procédé bekend
werd, waarbij op even doeltreffende wijze de
twee vezelsoorten gescheiden konden worden,
een product verkregen werd, beter dan thans
het geval is. Ook bij de praeparatie der Sponzen
wordt gebruik gemaakt van de eigenschap der
bacteriën organische stoffen te ontbinden. De
sponzen zijn oorspronkelijk de woningen van
zeedieren ; de poriën, welke men er in vindt, zijn
gedurende het leven geheel gevuld met de weeke
deelen van het dier, welke vóór het gebruik ver-
wijderd moeten worden. Daartoe worden zij slechts
aan de zonnewarmte blootgesteld, en weldra treedt
de bacteriënvegetatie op, welke de weeke deelen
aantast; nadat dit plaats gehad heeft, worden
zij eenvoudig uitgewasschen en zijn dan voor
gebruik geschikt.
Nuttige toepassing der stofwisselings-
producten van bacteriën.
Van hoeveel belang enkel de ontledende kracht
der mikroörganismen ook moge zijn voor de in
het vorige hoofdstuk genoemde takken van nijver-
heid, nog veel belangrijker zijn de daarbij ge
-ocr page 60-
vormde splitsingsproducten of wel de uit deze
opgebouwde lichamen door de bacteriën, welke
dan als stofwisselingsproducten kunnen beschouwd
worden. Overal waar zij maar groeien op organi-
sche stoffen en daaruit hun voedsel trekken, kan
men er zeker van wezen, nieuwe scheikundige
verbindingen tegen te komen, gedeeltelijk door
splitsing der voorhandene, gedeeltelijk door ge-
heel nieuwe constructie ontstaan en wel van den
meest verschillenden aard. En niet alleen dat die
groote verscheidenheid afhangt van den aard
der voeding, ook van de bacteriën, zoodat ver-
schillende soorten, welke hetzelfde materiaal be-
werken, geheel verschillende lichamen te voor-
schijn roepen ; omgekeerd kunnen dezelfde bac-
teriën bij opname van verschillend materiaal ook
verschillende stoffen produceeren. Sommige van
deze nieuwe producten zijn vergiftig, andere
geheel onschadelijk ; eenigen zijn gasvormig, an-
dere vloeibaar. Verscheidene hebben een bijzon-
deren geur, zooals men kan opmerken aan een
stuk vleesch dat in ontbinding verkeert, terwijl
weder andere een eigenaardigen smaak hebben,
we herinneren slechts aan den wildsmaak, de z.
g. haut gout dien vleesch aanneemt in de eerste
stadiën van ontleding. Geheel langs empirischen
weg, lang voordat men bekend was met de rol
welke bacteriën hierbij spelen, had men reeds
geleerd op welke wijze het best deze stoffen
ontwikkeld kunnen worden, om er in \'t eene of
andere geval partij van te trekken. Geheele in-
-ocr page 61-
49
dustrieën wier producten naar duizenden en
duizenden kilo\'s tellen zijn gebaseerd op dit
vermogen der bacteriën, bij zeer vele misschien
zonder dat de mensch zich bewust was, welke
machtige bondgenooten hem ter zijde stonden.
De Mikroörganismen in de gistings-
[ndustrie.
De gistingsnijverheid heeft tegenwoordig in de
beschaafde wereld een zoo reusachtigen omvang
aangenomen, en is een zoo gewichtige factor ge-
worden, dat wij allereerst haar moeten behandelen.
Zij is voor het grootste gedeelte gebaseerd o]>
den groei eener klasse van organismen, welke wij
in het begin van deze schets reeds vermeldden
onder den naam van spruitzwammen of Saccha-
romyceten. Zij staan op een ietwat hoogeren trap
dan de echte bacteriën of Splijtzwammen. Zoo-
als reeds medegedeeld werd, bestaat hun verschil
in de wijze van vermenigvuldiging, nl. door knop-
vorming, terwijl zij door hun vermogen, schei-
kundige veranderingen teweeg te kunnen brengen
in het substraat waarin zij groeien, zeer nauw
verwant zijn met de bacteriën. Gewoonlijk is al-
kohol het begeerde product, en hoewel dit een
enkele maal ook door bacteriën wordt geleverd,
maakt men toch in de techniek slechts gebruik
van gist. Niettegenstaande dus gist de hoofdrol
speelt bij het gistingsproces, spelen bacteriën toch
v. D. Marck, Bacteriën.                                            4
-ocr page 62-
een belangrijke rol, daar zij soms een minder
gewenschten invloed uitoefenen, doordat zij het
geheele proces in de verkeerde richting kunnen
laten loopen. B.v. wanneer een bierbrouwer het
verkregen mout, of een wijnbouwer het druiven-
sap wil laten vergisten tot bier of wijn, wenscht
hij dat dit plaats grijpe enkel door zuivere gist
zonder bacteriën ; is dit het geval dan krijgt hij
een uniform en zuiver product. Maar reeds lang
was het dezen bekend dat er soms onregelma-
tigheden in het verloop der gisting optreden en
hoe ook gezocht werd, men kon de oorzaak niet
opsporen; eerst in de laatste jaren was het aan
de bacteriologen gegeven den sluier op te lichten
en dan ook het geneesmiddel aan te wijzen. De
hoofdoorzaak bleek meestal te liggen in de on-
zuiverheid der gist, welke met bacteriën besmet
was, wier invloed op het eindproduct bier of
wijn meer of minder zorgvuldig bestudeerd werd.
Sommige van hen maken het product zuur, andere
bitter; weder andere ontwikkelen eene slijmerige
stof, welke het bier of den wijn kleverig maken.
Ofschoon in de meeste gevallen de soorten welke
deze verschijnselen doen ontstaan voor bier en
wijn verschillend zijn, heeft men toch eenige ge-
vonden, welke zoowel in de brouwerij als bij de
wijnbereiding hun verderfelijken invloed doen
gelden. Het ligt in den aard der zaak dat heden
ten dage, nu onze kennis zoo vermeerderd is in
dit opzicht, zulke verkeerde gistingen veel minder
voorkomen dan vroeger, omdat men de methoden
-ocr page 63-
5\'
heeft leeren kennen hoe zij te vermijden zijn;
de wijnbouwer verkeert nog altijd in iets slech-
tere conditie dan de bierbrouwer, daar hij ge-
bonden is aan de specifieke gist welke op zijne
druiven voorkomt, terwijl de brouwer, met zijn
mikroskoop gewapend, terstond zijne gist kan
monsteren, daar hij slechts van twee soorten ge-
bruik maakt, de zoogenaamde Ondergist en Boven-
gist.
Zooals we zoo even zagen is de wijnbouwer
min of meer geheel gebonden aan de specifieke
gist welke op zijne druiven voorkomt; die gist-
cellen, hoewel zij onder elkander niet veel ver-
schil vertoonen bij beschouwing, zoowel in hunne
cultuur als onder het mikroskoop, leveren uiterst
verschillende producten bij de gisting en moet
daaraan voornamelijk worden toegeschreven het
verschil in geur en smaak der verschillende wijn-
soorten, het zoogenaamde „bouquet" van den wijn.
Wanneer dit eenmaal als vaststaande wordt aan-
genomen dan volgt logisch daaruit dat men in
staat zal zijn, bij overenting van die soorten,
welke een zeer bouquetnjken wijn opleveren, in
druivensap dat gewoonlijk wijn van inferieure
qualiteit geeft, men den verkregen wijn zeer zal
verbeteren, en werkelijk hebben de proeven in
die richting genomen zeer veel succes opgeleverd,
al is het ook niet in die mate als men wel ver-
wacht had; want de invloed van den bodem
zijne gesteldheid, bemesting, de soort der druif
enz. zijn allemaal factoren welke eveneens eene
4*
-ocr page 64-
5-
groote rol spelen en die veranderen natuurlijk
niet. De grootste aanwinst in de gistingsindustrie
is voorzeker wel de gebleken mogelijkheid zelfs
uit mout, dat anders slechts bier oplevert, wijn
te maken, zooals Sherry, Madera, etc, door het
onder zekere voorzorgsmaatregelen te laten ver-
gisten door de gist welke op de Xeres en Madera
druiven voorkomt, en welke wijnen thans in den
handel gebracht worden onder den naam Malton-
wijnen.
Azijn.
Het handelsbelang van den azijn, hoe groot
het ook zij, kan natuurlijk niet vergeleken worden
met dat van de producten der alkoholische gisting.
Onder azijn verstaat men eene slappe oplossing
van azijnzuur in water, soms nog in vereeniging
met andere stoffen welke aan de verschillende
azijnsoorten een typischen geur en eene kleur
geven, afhankelijk van het materiaal waaruit zij
bereid zijn. Steeds echter is de gewone alkohol
het uitgangsmateriaal; hij wordt eenvoudig door
zuurstof uit de lucht geoxydeerd. Hoewel ook
langs zuiver scheikundigen weg deze oxydatie
kan verkregen worden, b. v. door middel van
platinaspons, toch is deze methode practisch on-
uitvoerbaar.
Bij de bereiding gaat men uit van verschillende
slappe oplossingen van alkohol door gisting ver-
-ocr page 65-
53
kregen, zooals mout, wijn, cider en soms van
slappen alkohol waaraan wat suiker en mout toe-
gevoegd is. Wanneer\' deze oplossingen gedurende
eenigen tijd aan de lucht zijn blootgesteld, worden
zij langzamerhand zuur, doordat de alkohol van
lieverlede in azijnzuur overgaat en dus ten slotte
geheel verdwenen is. Evenwel niet alle alkohol
wordt als azijnzuur teruggewonnen, omdat de
oxydatie niet stil blijft staan bij dit punt. Het
azijnzuur kan namelijk nog verder geoxydeerd
worden en daarbij overgaan in koolzuur en water,
waarvan het eerste gasvormig ontwijkt. Dit oxyda-
tie-proces nu wordt veroorzaakt door den groei
van bacteriën in de vloeistof; wanneer het regel-
matig verloopt vindt men aan de oppervlakte
eene dikke viltachtige massa, bekend onder den
naam van „azijnmoer", en bestaande uit eene
groote menigte bacteriën die de eigenschap heb-
ben de zuurstof uit de lucht over te dragen op
den alkohol. In den beginne dacht men dat
slechts ééne soort dit verschijnsel teweeg bracht,
welke men Mycoderma aceti noemde, doch latei-
onderzoek bewees dat verschillende soorten hier-
aan deelnemen, ofschoon zij nog op verre na
niet alle nauwkeurig bestudeerd zijn. ledere
soort schijnt onder bepaalde omstandigheden het
best te werken, de eene doet het langzaam, de
andere vlug; de eerste leveren echter aan het
eind het grootste bedrag aan azijnzuur. Er moeten
evenwel zekere grenzen in acht genomen worden
zoowel wat het alkohol-gehalte als het bereikte
-ocr page 66-
54
zuurgehalte aangaat; is het eerste te hoog dan
groeien de bacteriën niet, daar hij doodend
werkt in die sterkte, heeft het zuurgehalte eene
zekere hoogte bereikt, dan werkt het eveneens
doodelijk op de organismen, die dan sterven in
hun eigen stofwisselingsproduct en de nog aan-
wezige alkohol blijft verder onaangetast; de grens
van het zuurgehalte ligt bij ongeveer 15 °/0.
Gewoonlijk neemt men hiervoor hooge cylinders,
gevuld met houtkrullen, waarover men langzaam
alkohol laat druppelen; nadat de alkohol er over
heen geloopen is komt aan den bodem eene
vloeistof te voorschijn welke voor het grootste
gedeelte uit azijnzuur bestaat, en dan een tweede
vat in dezelfde wijze passeert, totdat alle alkohol
geoxydeerd is. Men heeft nu wel getracht het
geheele proces als van zuiver scheikundigen
aard voor te stellen daar de alkohol over een
zoo groote oppervlakte verspreid wordt, doch dit
is eene dwaling. Want men is genoodzaakt de
houtkrullen eerst te drenken met warmen azijn ;
laat men den alkohol er zoo terstond over heen
loopen, dan heeft geene azijnvorming plaats, en
kan men dus niet anders aannemen dan dat het
proces zijn ontstaan te danken heeft aan den
groei tier bacteriën.
Evenals in de brouwerij en de wijnbereiding
ziet men soms ook hier ongewenschte neven-
verschijnselen optreden : het gevolg van de aan-
wezigheid van vreemde bacteriën, wier werking
zich uit door verandering van den smaak en
-ocr page 67-
55
den reuk van het product, en hoewel de azijnfa-
brikanten niet zoo kieskeurig zijn in hun uit-
gangsmateriaal als de brouwers, heeft toch het
experiment geleerd dat met zuivere cultures de
beste resultaten bereikt worden.
Melkzuur en uoterzuur.
De bereiding dezer beide zuren heeft op verre
na niet dien omvang als de azijnfabricage. Beide
worden in de techniek weinig gebruikt, alleen
als geneesmiddel en grondstof voor de bereiding
van vruchten aroma\'s hebben zij eenige betee-
kenis. Ook hier is de mensch weder geheel op
de bacteriën werking aangewezen, want hoewel
ook langs scheikundigen weg deze zuren te ver-
krijgen zijn, zoo is dat procédé toch te omslach-
tig en kostbaar om er technisch van gebruik te
kunnen maken.
Het melkzuur is zooals we later zien zullen
het zuur, dat gevormd wordt bij het zuur worden
der melk; en hieraan neemt niet slechts ééne
bepaalde soort van organismen deel, want zooals
het onderzoek geleerd heeft zijn er verscheidene
in staat uit allerhande stoffen dit zuur te pro-
duceeren; in elk proefje zuur geworden melk
zal men dus eene menigte van deze organismen
kunnen aantreffen. Bij de fabricage kan men
dus uitgaan van melk, maar om spoediger tot
een zuiverder product te geraken neemt men
-ocr page 68-
56
meestal rietsuiker, welke door verwarming met
een zuur omgezet wordt in invertsuiker. en dan
bedeeld wordt met eene kleine hoeveelheid zure
melk of rottende kaas. Natuurlijk voert men bij
deze handelwijze ook eene menigte bacteriën in,
welke geheel andere omzettingen zouden teweeg-
brengen, zoo zij niet door de zeer snel groeiende,
melkzuur vormende soorten overwoekerd en
verdrongen werden, omdat deze ten eerste in
overheerschend aantal aanwezig zijn en ten
tweede in de vloeistof in de gunstigste conditie
geplaatst worden. Het enten met eene zuivere
cultuur zoude dus in dit geval niet zeer veel
verschil in het eindproduct opleveren. Nu zijn
er van het melkzuur, waarop wij het oog hebben,
drie verschillende modificatie\'s bekend, welke
zich van elkander voornamelijk onderscheiden
door de werking welke zij op het gepolariseerde
licht uitoefenen. Eene soort draait namelijk het
polarisatie vlak naar rechts, eene tweede draait
het naar links, terwijl de derde optiscli onwerk-
zaam is, omdat het zuur feitelijk bestaat uit eene
vereeniging van de rechts en links draaiende
modificatie. Deze eigenschap, het polarisatie vlak
te draaien, is alleen het gevolg van de verschil-
lende rangschikking der atomen in het molecule,
en nu is het merkwaardig dat men door uit te
gaan van verschillende soorten van bacteriën
uit dezelfde grondstof de verschillende soorten
van zuur kan verkrijgen.
Zoo produceert de Mikrococcus acidi paralac-
-ocr page 69-
57
tici het rechts draaiende zuur, de Bacillus acidi
laevolactici het links draaiende, terwijl de Ba-
cillus acidi lactici het optisch onwerkzame zuur
levert; dat echter door hoogere Schimmels zoo-
als Penicillium glaucum ontleed kan worden in
zijne twee componenten ; de schimmel gebruikt
hierbij het links draaiende zuur als voedsel, en
laat het rechtsdraaiende onaangetast, zoodat het
ten slotte overblijft.
Het Boterzuur wordt op dezelfde wijze ver-
kregen, daarbij wordt ook eerst melkzuur ge-
maakt, doch dan treden andere mikroörganismen
in werking, welke het gevormde melkzuur verder
tot boterzuur omzetten.
Indk;oiiereidixg.
Zooals men weet verstaat men onder Indigo
de donkerblauwe kleurstof, welke uit het sap
van planten gemaakt wordt, die hoofdzakelijk
tot het geslacht Indigofera behooren. Daartoe
brengt men de gekneusde planten in gemetselde
bakken, stampt ze er vast in en laat hen ver-
volgens aan de zeer spoedig intredende gisting
over, gedurende veertien dagen. Bij deze gisting
heeft het volgende plaats: in het plantensap
komt eene stof voor welke Indican genoemd
wordt en vrij samengesteld van bouw is : door
de werking van eene specifieke bacteriënsoort,
welke reeds op de bladeren der plant voorkomt,
-ocr page 70-
58
wordt dit Indican gesplitst in de eigenlijke blauwe
kleurstof Indigo en eene suikersoort, genaamd
Indigglucine. Door de reduceerende kracht der
suikersoort, of misschien tengevolge van andere
processen welke nog plaats vinden in de gistende
massa, wordt de Indigo, welke in water onoplos-
baar is, omgezet in eene kleurlooze verbinding,
welke wel oplost. Men laat dan de vloeistof
afloopen in een tweeden bak, waarin zij vlijtig
omgeroerd wordt. De zuurstof der lucht zet dan
de kleurlooze verbinding weder om in de blauwe
Indigo, welke bij rustig staan bezinkt en ver-
zameld wordt. Dat het proces bepaald verloopt
op de aangegeven wijze, dus een echt fermen-
tatie-proces is door de werking der bacteriën
is bewezen geworden, door steriel gemaakte
planten in steriel water te plaatsen, er heeft
dan geene indigovorming plaats. Brengt men er
dan eene kl eine hoeveelheid der bacteriën in, zoo
begint de gisting reeds spoedig en verschijnt de
indigo kleurstof.
Bacteriën hij de fermentatie der Tabak.
Een analoog proces, hoewel van eenigszins
anderen aard als bij de indigobereiding, heeft
plaats bij de bewerking welke de Tabak onder-
gaat eer zij geschikt is om gerookt te worden.
In de tabaksbladen komt namelijk, evenals in
alle andere planten, eene vrij groote hoeveelheid
-ocr page 71-
59
eiwitstoften voor. Wanneer deze nu niet ver-
wijderd werden, zouden de bladen bij liet bran-
den, in plaats van de welriekende geuren, welke
zij na de toebereiding afgeven, een lucht van
brandend hoorn ontwikkelen, dus verre van aan-
genaam. Maar behalve deze verandering spelen
nog zeer vele andere factoren daarbij mede, ten
deele processen van scheikundigen of physischen
aard. Gewoonlijk worden de tabaksbladen, na
afgesneden te zijn, zorgvuldig gedroogd, dan laat
men hen weder vochtigheid opnemen uit de
atmospheer, en zet hen daarna op hoopen. Reeds
zeer spoedig ziet men de temperatuur in den
hoop rijzen, eene aanwijzing dat er een gistings-
proces plaats heeft; na verloop van zekeren
tijd worden de hoopen omgezet, zoodat al wat
eerst boven op lag, dan onder komt, en dus alle
deelen gelijkmatig door het proces veranderd
worden. Is dit hoofdproces afgeloopen, dan wordt
de tabak naar de verschillende fabrikanten ver-
zonden, waar zij nog eene verdere bewerking
ondergaat, afhankelijk van het product dat men
er van krijgen wil, \'t zij rook- of snuiftabak.
Maar in elk geval zijn het gistingsprocessen ;
zoo wordt b.v. de snuiftabak aan een veel meer
gecompliceerde bewerking onderworpen dan rook-
tabak; soms wel, na gemalen en met sommige
ingrediënten vermengd te zijn, aan twee of drie
verschillende bewerkingen, welke weken of maan-
den kunnen duren. Gedurende het laatste gis-
tingsproces wordt de bijzondere reuk en kleur
-ocr page 72-
6o
der snuif ontwikkeld, evenals bij de oorspronke-
lijke of opvolgende gisting die van rooktabak.
Intusschen heeft de tabakplanter ook met eene
menigte organismen rekening te houden, welke het
geheele proces kunnen doen mislukken. Wanneer
gedurende het drogen en het fermenteeren de
temperatuur, de vochtigheid en het toetreden dei-
lucht niet zorgvuldig geregeld worden, ontstaan
terstond ziekten in het product, welke zijne waarde
kunnen doen dalen of zelfs geheel vernietigen ;
dit schijnt door verschillende organismen ver-
oorzaakt te worden, hij moet dus voortdurend
op zijne hoede zijn tegen deze vijanden en daar-
om is de geheele bereiding der tabak, van het
oogenblik dat zij geoogst wordt af, tot dat zij
geheel geschikt is voor gebruik, eene zeer moeite-
volle operatie, welke licht mislukt, indien niet
de grootste voorzorgen genomen worden. Zooals
iedereen bekend is, hangt de waarde van de
tabak in de eerste plaats af van de geur die zij
bij het branden ontwikkelt en ten tweede van
de kleur; en aangezien het bewezen is dat deze
zich gedurende de gisting ontwikkelen, tengevolge
van de levensprocessen der bacteriën, zoo lag
het voor de hand te besluiten, dat de verschil-
lende, qualiteiten der tabak grootendeels toege
schreven moesten worden aan de werking van
verschillende soorten van mikroörganismen. Het
getal bacteriënsoorten, welke op de tabaksbladen
gevonden worden, is dan ook zeer groot. En dit
is geene zaak van ondergeschikt belang; tot op
-ocr page 73-
6i
zekere hoogte heeft de proefneming bewezen,
dat bepaald de waarde der tabak afhankelijk is
van de soort van organismen welke aan het
gistingsproces deelnemen.
Uitgaande van deze onderstelling, hebben som-
mige bacteriologen getracht, tabak, welke onder
gewone omstandigheden eene inferieure qualiteit
oplevert, te laten fermenteeren met organismen,
gecultiveerd van bladen, welke eene zeer supe-
rieure qualiteit geven. En naar zij berichten zijn
hunne proeven met succes bekroond. Het gaat
hier evenwel mede als met de verbetering van
wijn, door gistsoorten te gebruiken, welke de
beste wijnen opleveren ; evenals daarbij nog alles
verre van volledig bekend is, zelfs de scheikun-
dige verbindingen welke het bouquet van den
wijn veroorzaken, onbekend zijn, om te zwijgen
van de wijze waarop zij ontstaan, zoo ook bij de
tabak. De specifieke aroma\'s welke bij het rooken
zich ontwikkelen, zijn geheel onbekend, evenmin
de stoffen waaruit zij ontstaan, en zoolang dit
niet voldoende opgehelderd is, kan er ook geen
sprake zijn eene rationeele fermentatie in te
voeren door middel van zuivere cultures, juist
omdat men niet weet welke stoffen ontwikkeld
moeten worden en welke niet.
Hierbij zoude dan nog komen dat het groote
aantal bacteriën, dat op de tabaksbladeren voor-
komt, volledig bekend zoude moeten zijn in al
zijne biologische en physiologische eigenschap-
pen. Zoodra echter onze kennis in dit opzicht
-ocr page 74-
62
wat meer vooruitgegaan zal zijn, zal er onge-
twijfeld ook hier eens eene geheele hervorming
optreden, zooals deze reeds heeft plaats gehad
in de brouwerij en spiritusfabricage. Geheel en
al zal echter het verschil in qualiteit nooit op-
geheven kunnen worden ; de verscheidenheid in
anatomischen bouw der bladen, in scheikundige
samenstelling, als gevolg van de botanische soort
of van invloeden van den bodem en het klimaat
kunnen nooit geheel gecompenseerd worden door
eene fermentatie met andere bacteriën.
Ongewenschte gistingen en ontledingen.
Voor dat wij van dit onderwerp afstappen,
willen we nog even een en ander opmerken
over sommige veel last en moeite veroorzakende
gistingen en omzettingen, welke in verschillende
takken van nijverheid optreden, welke bizondere
methoden vereischen, soms zelfs eene geheele
industrie wederom in het leven geroepen hebben,
om hun optreden te verhinderen. Als de oor-
zaak van alle ontledingen kunnen de bacteriën,
hoe gewenscht hunne aanwezigheid soms ook
moge zijn, toch vaak ook veel last doen ont-
staan wanneer zij in materiaal geraken dat men
juist tegen deze ontledingen en gistingen wil
vrijwaren. Juist omdat zij zoo overvloedig overal
voorkomen, kan men er vast staat op maken,
dat geene stof, voor gisting geschikt en blootge-
-ocr page 75-
63
steld aan de lucht of aan water, van hun aanval
verschoond blijft. Daar vandaan dat het onmo-
gelijk is vruchten, vleesch, groenten enz. gedu-
rende langen tijd te bewaren, zonder hulp van
bizondere methoden. Geconserveerde vleesch wa-
ren of groenten of vruchten, zijn dus niets anders
dan vleesch of groenten beschut tegen de in-
werking van mikroörganismen. Op grond van
het vroeger aangeroerde over de levensvoor-
waarden en het dooden der kiemen is de zaak
buitengewoon eenvoudig in theorie. Of men
verwarmt het te conserveeren materiaal tot op
eene hooge temperatuur waardoor de aanwezige
kiemen gedood worden, en sluit het hermetisch
af van de lucht terwijl het nog heet is, zoodat
geen nieuwe organismen kunnen toetreden. Op
deze wijze wordt aan de zuurstof, door de verwar-
ming uitgedreven, het weder binnendringen belet
en daarmede een hoofdfactor voor bacteriëngroei
uitgesloten. Of wel men onttrekt het voor iederen
groei zoo noodige water, men droogt dus de stof uit
(gedroogde groenten, vleesch enz.) of men brengt
haar in eene ruimte waar de temperatuur dicht
bij het vriespunt ligt in ijskelders en ijskasten,
waaraan de geheele kunstmatige ijsindustrie hare
opkomst te danken heeft of men stelt haar bloot
aan den rook van smeulend hout, waardoor de
bacteriën gedood worden door de in dien rook
voorkomende dampen van scheikundige verbin-
dingen welke als sterke kiemdoodende middelen
bekend zijn, nl. phenol en zijne homologen.
-ocr page 76-
64
Tevens wordt hierbij het eiwit in de buitenste
lagen voorkomend, in een onoplosbaren staat
gebracht, waardoor het dan tevens eene beschut-
tende laag vormt tegen latere indringing van
nieuwe kiemen en tegen de verdamping van het
water waardoor het vleesch geheel zoude uit-
drogen binnen korten tijd. Of wel men legt het
vleesch in eene sterke zoutoplossing (pekel)
welke ook eene groote antiseptisehe kracht bezit.
Het is nu toch een merkwaardig feit dat de
meeste dezer methoden om vleesch te conser-
veeren reeds lang in de praktijk toegepast waren
voor men iets van den samenhang wist tusschen
rotting en bacteriën en de praktijk dus een heel
eind vooruit was op de theorie.
Soms echter zijn de bacteriën van waarde in
onze voedingsmiddelen; zoo zouden de liefheb-
bers van haut-goiit aan wild zich daarvan moeten
spenen zonder bacteriën ; onze huismoeders geen
zuurkool krijgen zonder hunne hulp omdat zij
slechts ontstaat door eene melkzuur gisting, wij
allen den zoo hooggewaardeerden fijnen smaak
der boter en der verschillende kaassoorten mis-
sen zonder hunne assistentie; hierover zullen
we in een volgend hoofdstuk nog een en ander
mededeelen.
-ocr page 77-
65
De rot. der Bacteriën in de Zuivel-
i5ereiding.
Deze tak van nijverheid is wel een der oud-
ste, welke de mensch beoefend heeft; van het
oogenblik af dat hij zich huisdieren hield is hij
er mede vertrouwd geworden, en heeft gedurende
al die eeuwen welke ons van dat tijdstip schei-
den, louter door ervaring, de meest geschikte
bereidingswijzen leeren kennen, zonder dat hem
de oorzaken, het waarom en hoe bekend waren.
Uit den aard der zaak was deze nijverheid in
vroegere tijden, bij de slechte middelen van ver-
voer, de minder dichte bevolking enz. van veel
minder belang, daar zij slechts het product in
beperkten kring kon afzetten. Maar sedert de
aanwas der bevolking in de steden zoo reusach-
tig toegenomen is en aldaar geene of niet noe-
menswaardige zuivelbereiding plaats heeft, de
middelen van vervoer oneindig veel verbeterd
zijn, zoodat het mogelijk is de producten in ge-
schikte transportmiddelen over groote afstanden
te verzenden, heeft zij eene uitbreiding en be-
teekenis gekregen welke moeielijk overschat kan
worden. Tegelijkertijd bleek het meer en meer
dat de oude empirische methoden, waarbij zoo
vaak allerlei onverwachte tegenspoed ondervon-
den werd, zonder dat de oorzaak kon opge-
spoord worden, op een meer wetenschappelijke
basis behoorden opgebouwd te worden. En zoo-
doende leerde men allengs dat die nieuwe me-
V. D. Marck, Bacteriën,                                             5
-ocr page 78-
66
thoden, alleen door toepassing der ontdekkingen
op bacteriologisch gebied, konden gevonden
worden ; het bleek dan ook al ras dat de fabri-
kanten der melkproducten meer afhankelijk zijn
van de bacteriën en hunne werking dan misschien
eenige andere klasse van industriéelen. In de
hedendaagsche zuivelbereiding speelt dan ook
het tegengaan van den groei der mikroörganis-
men in melk, en het bevorderen van den groei
in room, boter en kaas eene hoofdrol.
OORSPRONC; DER BACTERIËN IN MFXK.
Om te beginnen willen wij opmerken dat de
melk op het oogenblik van afscheiding in de
uiers der gezonde koeien, geheel vrij van bacte-
riën is. Zooals wij reeds in een der vorige
hoofdstukken zagen worden de bacteriën, hoe
zeer zij ook overal verspreid zijn, niet gevonden
in het bloed en de lymphe van gezonde dieren
en worden zij niet afgescheiden door hunne
klieren; daarom is de melk, afgescheiden door
de melkklier, vrij van bacteriën.
Het heeft lang geduurd eer het bewijs voor
dit feit geleverd werd, doch ten slotte is men
er in geslaagd het onomstootelijk vast te stellen.
In de tweede plaats heeft men aangetoond dat
alle veranderingen welke in de melk plaats grij-
pen na hare afscheiding veroorzaakt worden
door den groei van bacteriën. Dit werd even-
-ocr page 79-
67
eens langen tijd ontkend, zelfs lange jaren, nadat
men de rottings- en gistingsprocessen had leeren
kennen als een gevolg van den groei van bac-
teriën, zonderde men de verschijnselen in de melk
optredende, van dezen regel uit.
Het standvastige voorkomen van het zuur
worden, en de groote moeielijkheid of liever
schijnbare onmogelijkheid, dit te voorkomen,
leidde tot het geloof dat het zuur worden van
melk iets normaals is, iets voor haar karakte-
ristieks, evenals het gerinnen van bloed is. In-
tusschen brak zich ook hier ten laatste, de
waarheid baan en werd er glashelder aangetoond
dat, afgezien van eenige onbeduidende verande-
ring van scheikundigen aard zooals verdamping
en oxydatie van het botervet, de melk geene
verandering ondergaat indien zij vrij blijft van
bacteriën en dus altijd haar zoeten smaak be-
houdt.
Maar het is absoluut onmogelijk melk steriel
van de koe te verkrijgen, tenzij men voorzorgs-
maatregelen neme welke in de practijk echter
onuitvoerbaar blijken. Op de wijze zooals de melk
gewoonlijk behandeld wordt, kan men er zeker
van zijn, dat zij besmet wordt met bacteriën,
zelfs zóó, dat zij vaak op het oogenblik dat zij
in den emmer terecht komt een half of heel
millioen bacteriën per cc bevat; hoe ongelooflijk
het ook schijnt, het is meermalen proefonder-
vindelijk bewezen. Aangezien deze bacteriën nu
in de afgescheiden melk niet voorkomen, moet
5*
-ocr page 80-
68
hunne herkomst buitenaf gezocht worden, en
wel vindt men die in het volgende :
In de eerste plaats in de koe zelf; want terwijl
hare melk steriel wordt afgescheiden en haar
bloed eveneens kiemvrij is, is zij zelf de meest
overvloedige bron voor bacteriëninfectie ; ten eer-
ste zijn de melkkanaaltjes, welke de melk naar
buiten voeren, vol organismen. Na iedere melking
blijft er een weinig melk in die buisjes zitten
en die geeft natuurlijk aan tal van bacteriën een
uitnemend voedingssubstraat, zoodat zij, eenmaal
van buiten af er ingekomen, \'t zij uit de lucht
of op andere wijze, zich terstond er enorm in
vermenigvuldigen; tegen den tijd der volgende
melking krioelen die kanaaltjes van organismen
welke door den eersten spat uitgedreven worden
en wanneer deze opgevangen wordt in den melk-
emmer, hun groei in de melk kunnen voort-
zetten.
Verder is er overvloed van bacteriën op de
huid der koe; elk haar, elk ingedroogd deeltje
vuil is een broeinest voor hen. Het achterge-
deelte vooral verkeert gewoonlijk in minder
zuidelijken staat, omdat de boer zijne koeien
zelden roskamt, en door de bewegingen welke
zij gedurende het melken maakt door het slaan
met haar staart enz. raakt een niet onbelangrijke
hoeveelheid van dat vuil los en komt in den
melkemmer terecht. De melkboer heeft dit zelf
reeds ingezien, en laat daarom de melk door
eene zeef loopen. Deze houdt wel het vuil terug
-ocr page 81-
6g
maar niet de bacteriën, daar deze, wegens hunne
kleinheid door de mazen heen gaan. Dan zijn
de melkemmers verre van schoon in bacteriolo-
gischen zin ; hoe zorgvuldig ook gewasschen en
geboend steeds blijven in kleine scheurtjes of
naden van de metalen of houten emmers eene
menigte bacteriën nog aanwezig, welke terstond
weder hun groei beginnen zoodra er melk in
den emmer komt. En dan vooral niet den mel-
ker of de melkster te vergeten als bron van ver-
ontreiniging ; van zijne of hare vuile handen
en kleederen komen niet weinig organismen in
de melk, hoewel dit aantal verre achterstaat bij
het vroeger opgenoemde. Dal de lucht ook vele
bacteriën oplevert is zeker, vooral wanneer het
vee zich voor het melken met stoffig hooi ge-
voed heeft. Wanneer men nu in het oog houdt
dat melk een uitstekend voedingssubstraat is voor
deze organismen, dat zij warm afgemolken wordt,
dus op eene temperatuur zeer gunstig voor den
groei, dan zal het geene verwondering wekken
als men verneemt dat er, op het oogenblik dat
zij aan de markt komt, een paar honderd mil-
lioen per cubieken centimeter in voorkomen kun-
nen, dat hun aantal, na verloop van een dag,
soms niet te berekenen is. Tevens zal men dan
inzien dat eene dergelijke macht met haar vermo-
gen omzettingen te weeg te brengen — diep ingrij-
pende ontledingen in de melk kan doen ontstaan
welke zoowel in het voor- als nadeel van den
zuivelbereider zijn — in het nadeel van den
-ocr page 82-
melkslijter omdat zij zijn product  soms onver-
koopbaar maakt, in zijn voordeel
   daar zij het
afscheiden der boter en het rijp
   worden der
kaas bevorderen.
Invloed der Bacteriën op Melk.
Onder melk verstaat men eene uiterst fijne
verdeeling van het botervet in eene oplossing van
eiwitstoffen, melksuiker en anorganische bestand\'
deelen in water. De hoofdmassa der eiwitstoffen,
•de Caseïne, wordt in oplossing gehouden door
de alkalisch reageerende phosphaten der alkali-
metalen, hoofdzakelijk het Kalium phosphaat.
KjHPO,.
Voegt men aan de melk een zuur toe, dat het
Kalium-phosphaat overvoert in KH2P04 of zelfs
vrij Phosphorzuur doet ontstaan, dan is het
oplosmiddel der Caseïne weggenomen : zij wordt
neergeslagen, de melk slaat om.
Door de werking van sommige bacteriën wordt
zooals vroeger vermeld werd, melksuiker omge-
zet in Melkzuur; hieraan heeft de melk dan ook
bij bacteriëngroei haren zuren smaak te danken,
en tevens dat de Caseïne niet meer opgelost blijft
doch uitvalt. Maar nadat dit zuur in eene zekere
hoeveelheid geproduceerd is, werkt het zelf ver-
derfelijk op den verderen groei der bacteriën,
en houdt voorloopig gedurende eenigen tijd ver-
dere ontleding tegen. Men beschouwde langen
-ocr page 83-
7i
tijd dit zuur worden als een verschijnsel dat
overal hetzelfde was, en wel veroorzaakt door
een mikroörganisme genaamd Bacillus acidi
lactici, dat in melkinrichtingen veelvuldig voor-
komt zoowel in Europa als elders. Maar spoedig
bleek bij een zorgvuldig onderzoek, dat er nog
meer organismen aan deel nemen. Ja zelfs dat
de vermelde Bacillus geheel afwezig zijn kan.
Het aantal soorten dat deze eigenschap heeft is
in den loop des tijds reeds tot over de honderd
gestegen. Zij tasten wel niet alle de melk op
dezelfde wijze aan, er zijn kleine verschillen in
de soort zuur en het bedrag er van, doch ver-
anderen doet de melk zeker; en ofschoon er dus
verscheidene soorten zijn welke de melk op deze
wijze veranderen, toch blijft de Bacillus acidi
lactici de hoofdrol onder hen spelen. Maar be-
halve de genoemde verandering kunnen er nog
eene menigte andere plaats hebben, alle door
verschillende organismen veroorzaakt. Soms slaat
de melk om zonder dat zij zuur wordt, dan we-
der wordt zij bitter, of krijgt een zeep- of verf-
smaak, of wel zij wordt slijmerig, dit kan soms
zoo erg worden dat zij zich na verloop van
eenigen tijd in lange draden laat uittrekken.
Eene zoodanige infectie kan dan vrij wat last
en schade veroorzaken, want soms weerstaat zij
elke poging om haar te keer te gaan en blijft
voortdurend in gang. Wordt de smaak dus vaak
veranderd door bacteriën niet minder is dit met
het uiterlijk der melk het geval. Zoo wordt zij
-ocr page 84-
\'
72
soms blauw op het oogenblik dat zij zuur wordt,
of wel zij krijgt een roode of gele kleur. In al
deze gevallen heeft het bacteriologisch onderzoek
geleerd dat mikroörganismen de oorzaak dezer
verandering waren en slaagde men er in de
schuldigen met zekerheid aan te wijzen. Dat deze
verschillende veranderingen zoo wel voor den
producent als consument grooten last en onaan-
genaamheid opleveren zal niemand ontkennen,
de bacteriën zijn van het begin tot het einde er
de oorzaak van, en dat de producent zoowel als
ieder die met melk te doen heeft, hen liefst
zoo veel mogelijk tracht te ontwijken ligt voor
hand. Omdat hij op hen voorbereid is, kan de
melkboer hen betrekkelijk gemakkelijk ontgaan,
zoodra hij de oorzaak van een of ander onge-
wenscht verschijnsel heeft opgespoord, zoodat het
dan slechts op eene zorgvuldige behandeling van
het product aankomt. Met de wetenschap, dat
al deze ongewone verschijnselen slechts veroor-
zaakt worden door ongewone soorten van bacteriën
(die dus niet zoo veelvuldig voorkomen), en bij
oplettende behandeling buiten gesloten kunnen
worden, valt het hem niet moeielijk het geheele
bedrijf onder controle te houden. Al de in het
begin van dit hoofdstuk vermelde bronnen van
infectie, van het vuil aan de uiers, of aan de
haren of van zijne handen, of van het stof van
het hooi enz. afkomstig, behoort hij te vermijden
wat zonder veel moeite te bereiken is, alleen
door de noodige reinheid te betrachten en ver-
-ocr page 85-
73
der de melk koel te bewaren, want eene lage
temperatuur is ook een machtige factor in het
tegengaan van den bacteriëngroei. Zuivere zoete
melk te verkrijgen is dus enkel eene quaestie van
zorg, maar dat wil ook zeggen van arbeid en
kosten. Zoolang het publiek nog steeds blijft
dwingen om goedkoope melk, zoolang zal het ook
nog steeds voorzien worden met minder zuivere
melk. Zoodra het echter geleerd zal hebben dat
ook hierin de zuinigheid de wijsheid bedriegt,
dat goedkoope melk feitelijk dure melk is, en het
zich eene kleine uitgave meer wil getroosten,
zal ook aan dat volksvoedingsmiddel bij uitne-
mendheid meer zorg besteed en een zuiverder
product verkregen worden.
Bacteriën bij i>e Boterbereiding.
Wanneer wij thans overgaan van de melk tot
de boter vinden wij dat juist het tegenoverge-
stelde het geval is, nl. hoe ongewenscht zij zijn
in de melk, zoo gezocht zijn zij bij de boterfa-
brikage; zijn zij dus als vijanden te beschouwen
voor den melkslijter, voor den boterfabrikant zijn
zij ware bondgenooten. Reeds zoolang boter ge-
maakt wordt, hebben de boterfabrikanten gebruik
gemaakt van de hulp der bacteriën zonder zich
er van bewust te zijn.
Wanneer de melk gedurende eenigen tijd aan
zich zelf overgelaten wordt, stijgen de vetbolle
-ocr page 86-
74
tjes door hun geringer soortelijk gewicht lang-
zamerhand naar de oppervlakte en vormen daar
eene meer of minder dikke laag, welke men
room noemt, en natuurlijk evenals de melk eene
groote hoeveelheid bacteriën bevat, welke er ge
makkelijk in groeien. Slechts zelden wordt deze
room, terstond nadat zij zich afgescheiden heeft,
gekarnd; op eenige plaatsen is er vraag naar
boter uit zoete room, op de meeste evenwel ver-
langt men boter van andere kwaliteit en laat
men daartoe de room een rijpingsproces onder-
gaan, eene verzuring, eer zij gekarnd wordt.
Hiertoe laat men de afgeschepte room gedu-
rende een halven tot twee a drie dagen in bak-
ken staan, naar gelang van omstandigheden,
waarbij dan eene zekere verandering er in plaats
grijpt. De bacteriën, oorspronkelijk in de melk
aanwezig en dus ook in de room, groeien daarin
even goed, zoodat zij na korten tijd in enorm
aantal er in voorkomen; dientengevolge veran-
deren zij hare samenstelling zij krijgt een
zuren smaak, wordt lijviger, doordat de ca-
seïne zich begint af te scheiden, en bovenal
krijgt zij door de werking der mikroörganis-
men, een bizonderen smaak en aangenamen
geur, welke de versche room niet bezat. Dan
wordt zij gekarnd. Alleen gedurende het rijp
worden der room oefenen de bacteriën deze
gunstige werking uit, want nadat de boter een-
maal gekarnd is, wordt een groot gedeelte ver-
wijderd in de karnemelk, en het waschwater,
-ocr page 87-
75
waarmede de boter uitgekneed wordt. Van hen,
die nog in de boter blijven, sterft een groot deel
spoedig af omdat zij er geen geschikten voedings-
bodem vinden, en zij die er nog in blijven,
groeien nog een tijdlang, doch oefenen dan in
plaats van eene gunstige werking een verderfe-
lijken invloed uit op de boter, zij zijn n.1. de
hoofdoorzaak van het rans worden.
Het hoofddoel dat met het rijpingsproces be-
oogd wordt, is in de eerste plaats de room meer
geschikt te maken voor het karnen. De boter-
fabrikant wist reeds lang door ervaring dat rijpe
dus zure room veel vlugger en beter gekarnd
kan worden dan versche en dat hij tevens eene
grootere opbrengst aan boter verkrijgt. Maar
vooral geschiedt het om er dien bizonderen geur
en smaak in te ontwikkelen, welke zoo zeer ge-
waardeerd wordt en dien de boter uit versche
room bereid geheel mist, en welke dus tevens
de waarde van het product bepalen.
Het geheele rijpingsproces is door de bacteri-
ologen zeer nauwkeurig bestudeerd geworden ;
daarbij is gebleken dat het een gistingsproces is,
juist als bij andere takken van nijverheid voor-
komt. Een gedeelte der organismen tast de melk-
suiker aan en vormt er melkzuur uit; een ander
deel werkt op het botervet in en brengt daarin
kleine veranderingen teweeg, terwijl nog andere
de eiwitstoffen ontleden. Het eindresultaat van
al deze omzettingen is dus het optreden van eene
menigte bijproducten, welke het verschil uitmaken
-ocr page 88-
76
tusschen versche en zure room. Ofschoon nu
gewoonlijk het ontstaan van dergelijke ontledings-
producten in voedingsmiddelen als minder ge-
wenscht beschouwd wordt, toch is dit bij de
room niet het geval, wanneer het proces niet te
lang duurt; want dan treden ook in de room
producten op, welke als schadelijk voor de ge-
zondheid aangemerkt worden, vooral is dat het
geval met de producten uit de eiwitstoften ontstaan.
Maar evenals bij de vroeger vermelde gistings-
processen, door de inwerking van ongewenschte
soorten van bacteriën, het geheele product be-
derven kan, zoo ook bij het rijpingsproces der
room. Somtijds ziet de boterfabrikant, zonder
eenige naspeurlijke reden het geheele proces in
ongewenschte richting verloopen; in plaats van
den fijnen geur en smaak treedt een onaange-
name bittere smaak op of wel de kleur verandert,
en daalt daarmede de waarde van het product.
Zoo heeft de ervaring verder geleerd dat som-
mige boterfabrikanten niet in staat zijn een goed
product te verkrijgen uit hunne melk, terwijl dit
bij anderen met dezelfde zorg en moeite wel het
geval is; de bacteriologie heeft ook dit punt
opgehelderd. Zooals wij reeds gezien hebben ko-
men in de melk en dus ook in de room ver-
schillende soorten van bacteriën voor ; bovendien
kunnen op verschillende plaatsen weder andere
soorten optreden; al naarmate nu de eene of
andere soort zich in de room ontwikkelt zal ook
de plaatsgrijpende verandering een verschil ver-
-ocr page 89-
77
toonen, en hieraan is het dus alleen toe te
schrijven of de boter een meer of minder aan-
genamen smaak zal hebben. Zelfs de verschillende
jaargetijden laten hun invloed gelden ; de bacte-
riën welke in de maand Juni in de room gevon-
den worden zijn andere dan die men in Januari
er in aantreft, waaraan men dan ook gedeeltelijk
het verschil in smaak tusschen zomer en winter-
boter toeschrijft. Bevat de melk een groot aantal
bacteriën der goede soort, dan verloopt het rij-
pingsproces normaal en krijgt men boter van
uitstekende hoedanigheid in het tegenovergestelde
geval wordt zij van mindere kwaliteit, soms zelfs
geheel ongenietbaar.
Gelukkigerwijze brengen de meeste soorten
van bacteriën, welke in de room gewoonlijk voor-
komen slechts eene gunstige verandering teweeg,
of ten minste geene schadelijke; daarvandaan
dat de mislukking van het rijpingsproces niet
zoo veelvuldig voorkomt, en hetzelve meestal
het gewenschte verloop neemt, wanneer slechts
de noodige zindelijkheid heerscht in stallen en
melkkamers en alle werktuigen zooals karnen,
emmers, bekkens enz. zoo schoon mogelijk ge-
houden worden. Alleen op gezette tijden wanneer
in de voedingswijze van het vee verandering ge-
bracht wordt b. v. bij den overgang van stalvoe-
dering tot groen voeder dus tegen den zomer, of
omgekeerd tegen den winter verloopt het proces
in het begin abnormaal. De room schijnt dan
vele soorten van organismen te bevatten, welke
-ocr page 90-
ongewenschte processen te weeg brengen, er is
dan weinig tegen te doen.
Zoo lang de boter op elke boerderij uit de
daar verkregen melk werd gemaakt, was de mis-
lukking van het product nu en dan voorkomend
eene zaak van niet zoo heel groot gewicht, om-
dat er bij de bereiding eens of twee malen per
week, slechts enkele ponden mede gemoeid waren.
Maar sedert allerwege de roomboterfabrieken
verrezen, \'t zij al of niet op coöperatieven grond-
slag, waar dagelijks duizenden liters melk op
boter verwerkt worden, is de al of niet misluk-
king van het product eene zaak van het hoogste
gewicht geworden waarvan de bloei of ondergang
der onderneming geheel afhangt en waarbij reeds
eenige stuivers verschil op den prijs, dien de
fabrikant bedingen kan, eene groote rol spelen.
Duurt dit mislukken eenige weken lang, zooals
het kan voorkomen, dan wordt de onderneming
geheel geruïneerd. Geen wonder dus dat er al-
door naar middelen wordt omgezien om het
verloop van het rijpingsproces in de hand te
houden, intusschen tot nu toe met een betrek-
kelijk gering succes. Aan deze fabrieken is men
gebonden aan de melk welke door de verschil-
lende boeren geleverd wordt; zij wordt eenvou
dig bij elkander gegoten en door middel van room-
afscheiders machinaal ontroomd. Bevinden zich
nu onder de verschillende monsters een of meer
afkomstig van eenen leverancier welke minder
zindelijk of slordiger is met zijne melk dan de
-ocr page 91-
79
overigen, dan loopt het geheel groot gevaar, door
deze minderwaardige producten bedorven te
worden en daar tegenover staat de fabrikant
machteloos. Daarom wordt er steeds zoo aan-
gedrongen, om tot een rationeel bedrijf te komen,
dat de boeren in alles de meest mogelijke zin-
delijkheid in acht nemen. Dat zij hun vee, hunne
stallen, hun vaatwerk zoo rein mogelijk houden,
dat zij het voeder voor het vee steeds onder
opzicht hebben, de melk zoodra zij gemolken is
zoo spoedig mogelijk aan de fabriek afleveren,
waar zij uit den aard der zaak, beter behandeld
kan worden dan op de boerderij. Hoe meer dus
al de opgesomde voorzorgen genomen worden,
des te beter zal het verkregen product zijn, en
zal eene mislukking tot de groote zeldzaamheden
gaan behooren.
Zooals we hierboven reeds vermeldden, wordt
er nog steeds getracht in het boterbedrijf, het
rijpingsproces geheel in de hand te hebben, ten
einde steeds eene boter te verkrijgen van onbe-
rispelijke kwaliteit en zoodoende tegen groote
geldelijke verliezen gevrijwaard te blijven. Nadat
eens voor altijd uitgemaakt was dat de bacteriën
hierbij de hoofdrol spelen lag het voor de hand
in de eerste plaats die soorten van organismen te
bepalen welke het gewenschte gunstige effect te
weeg brengen en daarna te trachten deze soor-
ten zuiver te kweeken om met hulp dezer rein-
culturen het rijpingsproces tot stand te brengen;
dus op dezelfde wijze als bij de eigenlijke gis-
-ocr page 92-
So
tingsindustrie geschiedt. Wat het eerste punt be-
treft is de bacteriologie in staat gebleken eene
voldoende opheldering te geven, de practische
toepassing echter laat nog veel te wenschen over.
Immers, zooals wij bij de bespreking der melk
zagen, komen daarin groote hoeveelheden bacte-
riën voor, hoe zorgvuldig zij ook behandeld wordt.
Voegt men nu aan deze melk zoo als zij is eene
flinke dosis der reinculturen toe, dan blijven de
oorspronkelijk aanwezige soorten toch de over-
hand behouden en zullen dat ook blijven doen
bij den groei; de room wordt dan niet rijp al-
leen onder den invloed der zuivere cultures,
doch ook de andere werken daartoe mede, de
uitslag blijft vrij twijfelachtig.
Men ziet dus dat de toevoeging der cultures,
zooals zij in den handel verkrijgbaar zijn van
de bacteriologische laboratoria, en gewoonlijk
uit een mengsel van meerdere soorten bestaande,
niet voldoende is, wanneer de in de melk aan-
wezige organismen niet eerst verwijderd worden.
Men heeft toen getracht de melk door verwar-
ming op circa 700 C. grootendeels kiemvrij te
maken, uitgaande van de wetenschap, dat de
meeste bacteriën door verhitting op die tempe-
ratuur gedood worden, en daarna de reincultures
toe te voegen. Deze methode, hoewel ook haar
nog vele nadeelen aankleven, is gebleken nog
de beste resultaten op te leveren; zij werd
dan ook reeds in verscheidene fabrieken inge-
voerd. Eene schaduwzijde is dat zij nog al kost-
-ocr page 93-
8i
baar en omslachtig is, omdat zij vrij wat aan
brandstof vereischt om zulke groote hoeveelheden
vloeistof als in de boterfabrieken verwerkt wor-
den tot op de gewenschte temperatuur te ver-
warmen. Tevens worden door dit proces de op
losbare eiwitstoffen, welke de melk buiten de ca-
seïne bevat, tot stolling gebracht en laat zich de
room moeielijk karnen. Men is daarom weder
teruggekeerd tot een procédé, reeds door Pasteur
bij zijne eerste proeven over de gistingsverschijn-
selen toegepast, n.1. om eene zóó groote hoeveel-
heid der gunstig werkende soorten in de room
te brengen, dat zij het aantal organismen, daarin
oorspronkelijk aanwezig, verre overtreft. In den
strijd om het bestaan zullen zij dan, omdat
zij in even gunstige conditie verkeeren als de
anderen, deze overwoekeren en ten slotte hen
geheel verdringen. Daartoe maakt men gebruik
van ten naastebij zuivere culturen, welke ver-
kregen worden door eene portie room, afkomstig
uit eene melk welke bij ervaring de fijnste boter
oplevert, te laten verzuren.
Die room, welke op dat oogenblik enorme
hoeveelheden der goede bacteriën bevat, wordt
dan aan de te verwerken room toegevoegd, en
meestal het gewenschte resultaat verkregen. Het
zal echter wel duidelijk zijn, dat deze methode,
wat de zekerheid van een goed product betreft,
nog verre achterstaat bij de vorige, waarbij de
melk eerst gepasteuriseerd wordt door verwar-
ming In de praktijk is echter gebleken dat zij
v. D. Marck, Bacteriën.                                          6
-ocr page 94-
82
voldoende resultaten oplevert en men het voor-
deel heeft de geheele omslachtige bewerking der
vorige bereidingswijze te kunnen ontgaan.
De invoering der bacteriologie in de boterbe-
reiding is feitelijk nog van te jongen datum om
een oordeel over hare praktische waarde te kun-
nen uitspreken, en valt het moeielijk te zeggen
wat de toekomst in dit opzicht zal opleveren.
Zoodra evenwel de bezwaren welke thans nog
bij de toepassing ondervonden worden, opgehe-
ven zijn, is het meer dan waarschijnlijk dat ook
door de boterfabrikanten algemeen gebruik zal
worden gemaakt van zuivere uitgangscultures
door bacteriologen gekweekt, evenals thans reeds
het geval is in brouwerijen en spiritusbranderijen,
zoodat zij daardoor een middel hebben het ge-
heele rijpingsproces der room in de hand te
houden en zich op die wijze te verzekeren van
het verkrijgen een er boter welke aan de hoogste
eischen aan geur en smaak voldoet.
Bacteriën in dk Kaasmakerij.
Nog meer dan de boterfabrikage afhankelijk
is van de hulp der bacteriën, is het de kaas-
makerij, omdat de fabrikant hierover bijna in
\'t geheel geene controle kan uitoefenen. Bij het
maken der kaas wordt de kaasstof of caseïne
der melk meestal door middel van leb, een fer-
ment verkregen uit de lebmaag van jonge kal-
-ocr page 95-
83
veren, gestremd, daarna van de wei, waarin de
melksuiker en de anorganische bestanddeelen
opgelost blijven, afgescheiden en verder door
persing van het grootste gedeelte aanhangend
vocht bevrijd, en in den gewenschen vorm ge-
bracht. Deze versche kaas, welke een allesbe-
halve aangenamen smaak heeft, wordt dan voor
eenige weken of zelfs maanden ter zijde gezet
om een rijpingsproces te ondergaan, waardoor
dan die bizondere smaak en reuk worden ontwik-
keld, welke karakteristiek zijn voor het volkomen
rijpe product en een groot verschil opleveren
met die van het versche product.
Voor den kaasmaker ligt nu juist in dit rij-
pingsproces de grootste moeielijkheid der kaas-
bereiding, omdat hij er bijna geene controle over
uitoefenen kan. Zelfs wanneer aan alle voor-
waarden voldaan is en de grootste zorg en moeite
er aan besteed zijn, gebeurt het nog zeer vaak
dat de rijping geheel abnormaal verloopt en het
product waardeloos wordt. Tegenover deze on-
regelmatigheid staat de kaasmaker geheel mach-
teloos, omdat hij niet weet waar de oorzaak te
zoeken en dus ook geene maatregelen kan ne-
men om het effect op te heffen.
Die abnormale rijping kan zich op verschil-
lende wijzen voordoen ; nu eens wordt de kaas
uiterst poreus, zij vertoont van binnen groote
gaten, welke haar doen opzwellen en het volume
zeer doen toenemen; dan weder vertoont zij
blauwe of zwarte vlekken, of wel zij verkrijgt
6*
-ocr page 96-
S4
een zeer onaangenamen smaak en reuk. Derge-
lijke ziekten kunnen zich soms gedurende langen
tijd blijven handhaven en den fabrikant groote
schade berokkenen. Dat hij dus voortdurend naar
middelen omziet zulke onaangename gebeurtenis-
sen te voorkomen ligt voor de hand en reeds vele
proefnemingen zijn dan ook gedaan om hem in staat
te stellen het rijpingsproces te kunnen contróleeren.
De bacteriologen der landbouw-proefstations
hebben heel wat studie gemaakt van het verloop
der rijping ; dat het een proces is, geheel door
den invloed van bacteriëngroei tot stand komend,
wordt door allen toegestemd. Het berust feitelijk
alleen op scheikundige omzetting van de eiwit-
achtige lichamen, waarbij de temperatuur eene
groote rol speelt, want zooals wij vroeger zagen
hebben de organismen eene zekere hoeveelheid
warmte noodig om te kunnen groeien. Verder
vertoonen de ontstaande smaak en reuk eene
nauwe verwantschap met die van stofwisselings-
en ontledingsproducten van bacteriën. Wij willen
hier slechts aan de bekende Limburger kaas
herinneren. Bij een nauwgezette studie van het
geheele proces zien wij dat de rijping afhangt
van verschillende factoren, zooals de wijze van
bereiding, het watergehalte dat in de kan aan-
wezig is, den warmtegraad enz., maar vooral van
het aantal en het karakter der aanwezige bacte-
riën. Zoo gebeurt het dat kaas, langs verschillende
wegen bereid, op verschillende manier rijp wordt
maar men vindt ook vaak dat twee kazen,
-ocr page 97-
«5
op dezelfde wijze bereid, toch nog aan het einde
van het rijpingsproces een hemelsbreed verschil
in smaak en reuk vertoonen. Zoo is het aan
iedereen bekend, welk een groot verschil er tus-
schen de onderscheiden kaassoorten bestaat en
dat niet alleen het gevolg kan zijn van de wijze
van bewerking der grondstof.
De groote overeenkomst die er echter in het
geheele proces bij de verschillende soorten be-
staat, n.1. dat het een gistingsproces is onder den
invloed van bacteriën, leidt er ons van zelf toe
de opgemerkte verschillen toe te schrijven aan
den groei en de daardoor plaatsgrijpende veran-
dering van verschillende soorten mikroörganismen.
Het bewijs voor deze stelling is ook ge-
makkelijk te leveren, door namelijk kaas te
maken uit melk, welke te voren door sterilisatie
of pasteurisatie kiemvrij gemaakt is. Wanneer
deze kaas, behandeld op de gewone wijze, wordt
weggezet wordt zij eenvoudig niet rijp maar be-
houdt den reuk en den smaak dien zij van den
aanvang af had. Ofwel, men kan het eene of andere
desinfectiemiddel toevoegen, dat eiken bacteriën-
groei tegenhoudt, ook dan wordt de kaas niet rijp.
Verder vindt men bij mikroskopisch onderzoek
van kaas, gedurende de rijpingsperiode, steeds
bacteriën in vollen groei, hoe langzaam die ook
plaats hebbe; want uit het vroeger aangevoerde
omtrent de gunstige voorwaarden voor het leven
der organismen, blijkt dat de condities in de
kaas niet zoo bizonder gunstig zijn voor eene
-ocr page 98-
86
snelle ontwikkeling. Wel is er .overvloed van
voedsel in de eiwitstoften, maar door het geringe
watergehalte, een gevolg der sterke uitpersing,
en vooral het gebrek aan zuurstof, missen de
bacteriën twee hoofdfactoren, vochtigheid en lucht,
onmisbaar voor hunne goede ontwikkeling. Daar-
vandaan dan ook het groote verschil in groei-
vermogen in kaas en room, in de laatste zijn
alle voorwaarden voor een snelleren groei ver-
eenigd; en daaraan is het dan ook toe te
schrijven dat het rijpingsproces der kaas zoo veel
tijd vordert eer het geheel beëindigd is, terwijl
het in de room in een paar dagen afloopt.
Toen men er nu toe overging, het aandeel dat
elk der bacteriënsoorten, aan het proces heeft,
nader te bestudeeren, stuitte men op groote
moeielijkheden. Dat de verschillende smaak aan
verschillende soorten moest toegeschreven worden
was bekend, als men in aanmerking neemt dat
verschillende organismen ook verschillende ont-
ledingsproducten opleveren; ook het isoleeren
der aanwezige species in rijpende kaas scheen
niet zoo heel moeielijk, om aldus te komen tot
het kweeken van die soorten welke een gunsti-
gen invloed uitoefenen. Intusschen de praktijk
leerde spoedig wat anders. Eene menigte soorten
werden van de verschillende kaassoorten verkre-
gen, één bacterioloog vond alleen wel tachtig
species en anderen misschien nog meer. Daarna
zijn met de meeste entingsproeven genomen om
uit te maken, welke van hen eene gunstige wer-
-ocr page 99-
«7
king op het rijpingsproces uitoefenen. Men maakte
voor dat doel kaas van melk, welke op eene of
andere manier van hare bacteriën ontdaan was
en vermengde de kaas met eene ruime hoeveel-
heid der te onderzoeken organismen. Tot nu toe
is het succes dezer experimenten slechts gering
geweest: in sommige gevallen scheen de kaas in
\'t geheel niet rijp te worden, in andere was dat
wel het geval, maar had de verkregen kaas een
bizonderen smaak in niets gelijkende op dien
welke men verkrijgen wilde. In den laatsten tijd
zijn echter proefnemingen gedaan, welke op meer
succes kunnen bogen ; er werden daarbij eenige
soorten bacteriën gebruikt, welke na aan de ge-
steriliseerde melk te zijn toegevoegd, de ver-
kregen kaas op eene wijze deden rijp worden,
welke aan het origineel vrij nabij kwam.
Al werd nu ook bij deze proeven nog niet ten
volle het gewenschte doel bereikt, toch hebben
zij dit nut gehad, dat er voldingend bewezen is
geworden, dat de abnormale verschijnselen nu
en dan in de kaas opgemerkt, geheel op reke-
ning van den groei van ongewenschte bacteriën
soorten gesteld moeten worden. Immers vaak is
het voorgekomen dat kaas bij de kunstmatige
infectie, rijp werd op eene wijze geheel overeen
komende met die welke soms gezien wordt in
de kaasmakerij. Zoo vond men sommige soorten
welke de kaas deden rijzen en haar een spons-
achtig voorkomen geven — andere deelden er een
onaangenamen reuk of smaak aan mede of ver-
-ocr page 100-
88
oorzaakten er gekleurde vlekken in, kortom het
staat thans vast dat de oorzaak van al die ziek-
teverschijnselen alleen te zoeken is in den groei
van bacteriën, en van deze is eene lange lijst
onderzocht en beschreven geworden. Ofschoon
de bacteriologie den kaasmaker nog niet geheel
in staat gesteld heeft deze ziekten tegen te gaan,
toch heeft zij wel iets aan de hand gedaan om
eenigszins controle te kunnen uitoefenen, n.1.
door met de melk eene kleine voorproef te ne-
men, en daaruit af te leiden of zij al of niet
geschikt is voor de kaasbereiding. Men neemt
daartoe eene kleine hoeveelheid melk en laat
deze op de gewone wijze verzuren; heeft dit
plaats op normale wijze dan wordt zij als ge-
schikt voor de bereiding aangezien. Wanneer
zij echter een groot aantal gasbellen vertoont,
of wel een onaangename reuk of smaak optreedt
dan heeft de ervaring geleerd dat zij organismen
bevat welke ook de kaas in bederf zouden doen
overgaan ; die melk wordt dus uitgesloten. Hoe
gebrekkig zij ook moge zijn, toch blijkt zij op
dit oogenblik nog de eenige praktische methode
te wezen welke den kaasmaker in staat stelt
zich tegen ernstige geldelijke verliezen te vrijwaren.
Wij hebben dus gezien dat ook in dit product
der zuivelbereiding de bacteriën eene groote rol
spelen, misschien nog meer dan in melk en
boter. De voedingswaarde der kaas is alleen af-
hankelijk van het eiwitgehalte en het vet. Even-
wel wordt de verkoopswaarde geheel door den
-ocr page 101-
8g
smaak bepaald en deze wordt enkel door bac-
teriëngroei ontwikkeld ; de kaasmaker hangt dus
geheel van hen af. Wanneer dus in de toekomst
de bacteriologie het nog eens zoo ver brengt,
dat zij ons in staat stelt vooruit te kunnen zeg-
gen, welk product verkregen wordt bij het ge-
bruik van de eene of andere soort organismen
dan zal de kaasmaker het geheel in zijne macht
hebben, naar verkiezing de eene of andere kaas-
soort te bereiden met behulp eener zuivere cul-
tuur van eene of meer soorten, van welke gebleken
is dat zij den gewenschten smaak doen ontstaan.
Omzettingen door Schimmels.
Al ligt het ook eenigszins buiten het bestek
dezer schets, in welke we ons hoofdzakelijk wil-
den bezig houden met de eigenschappen der
bacteriën, toch kunnen we de zeer interessante
omzettingen door de echte schimmels veroor-
zaakt, niet geheel met stilzwijgen voorbij gaan,
daar zij in vele opzichten eene nauwe verwant-
schap vertoonen met die der bacteriën, en vooral
in tropische gewesten eene groote toepassing er
van gemaakt wordt in de praktijk. Vooraf
willen we hier er even de aandacht op vestigen
dat we het woord schimmels niet in de beteeke-
nis welke het bij de plantkundigen heeft, op-
vatten, doch meer bepaald in die welke het
leekenpubliek er aan hecht, n.1. die van draad-
zwammen, zooals zij overal op aarde aangetrof-
-ocr page 102-
fen worden, vooral op stoffen rijk aan koolhydraten.
Hoe betrekkelijk eenvoudig ook de eischen
zijn welke de bacteriën stellen aan hun levens-
onderhoud, zij worden in dat opzicht nog verre
overtroffen door de schimmels; deze vegeteeren
nog in oplossingen van minerale stoffen, welke
geen spoor van koolstof houdend materiaal bevat-_
ten, al moet men ook toegeven dat hun bestaan
daar verre van schitterend is. Beter komen zij
voort in suikerhoudende vloeistoffen, op vruchten,
brood enz.; voor zoover deze stoffen niet oplos-
baar of ongeschikt voor de directe opneming
zijn, brengen zij hen door afgescheiden fermen-
ten in een toestand waarin zij voor assimilatie
geschikt zijn, en vormen dan daaruit hoofdzake-
lijk organische zuren, waaronder het zuringzuur
eene voorname plaats bekleedt. Zorgt men er
voor dat zich in het voedingssubstraat eene stof
bevindt welke het geproduceerde zuringzuur ter-
stond kan binden, b.v. krijt, dan krijgt men ten
slotte eene aanzienlijke hoeveelheid van zuring-
zure kalk ; wordt het zuur echter niet gebonden,
dan ziet men na verloop van eenigen tijd, als
het tot een zeker percentage gestegen is, het
weder verdwijnen, de schimmel verwerkt het
verder tot koolzuur en water, het dient dus
feitelijk als ademhalings materiaal. Nadat dit feit
eens bekend was, werd door een toeval eene
schimmelsoort ontdekt, welke ook een groot
zuurvormend vermogen bezit, doch bij nader
onderzoek bleek het zuur geen zuringzuur doch
-ocr page 103-
9i
citroenzuur te zijn. Deze schimmel Citromyces
genaamd, en na verwant aan den alom beken-
den gewonen schimmel, Penicillium, is zelfs in
staat in druivensuiker oplossing eene hoeveel-
heid van 4 °/0 citroenzuur te vormen, terwijl de
zuringzuur vormende reeds bij de aanwezigheid
van \'/2 °/0 zuur te gronde gaan. Wanneer men
ook hier zorgt het gevormde citroenzuur door
krijt weg te nemen is men in staat ruim de helft
der verbruikte glucose als zuur terug te winnen,
wat met het oog op de prijzen der gebruikte
ruwe druivensuiker uit aardappelenstroop en het
verkregen citroenzuur een aanzienlijk geldelijk
voordeel oplevert, en is dit procédé dan ook reeds
aan eene fabriek gepatenteerd. \')
Behalve de bovengenoemde omzetting van kool-
hydraten in oxaalzuur, veroorzaakt de bekende
schimmel, door de botanici Aspergillus niger ge-
noemd, de splitsing van het in galnoten voorkomen-
de Looizuur in Galluszuur, van welke eigenschap
gebruik wordt gemaakt bij de bereiding van „Tjan-
doe" d. i. opium, geschikt om gerookt te worden.
Het heulsap in den origineelen toestand is daar-
toe ongeschikt, en moet vooraf eene zeer lang-
durige gisting ondergaan, waarbij de aanwezige
eiwitachtige stoffen door bacteriën ontleed worden;
l) In den jongsten tijd zijn behalve deze schimmelsoort
nog twee andere gevonden, welke eveneens citroenzuur
vormen, en wel 1\'enieillium luteuin en Mucor piriformis.
Beide soorten staan echter in dit vermogen verre achter
bij Citromyces.
-ocr page 104-
92
de hoofdrol speelt echter de schimmel. Zij
zet n.1. het aanwezige looizuur om in gallus-
zuur en de koolhydraten in oxaalzuur. Nadat dit
proces is afgeloopen wordt uit het opium een dik
extract bereid door uitkoking met water, dat
onder den naam Tjandoe verkocht wordt. Door
opzettelijke enting van het opium met de schim-
mel, welke gewoonlijk toevallig er op komt, kan
met het proces zeer bekorten.
Een veel belangrijker gebruik wordt evenwel
gemaakt van het vermogen der schimmels onop-
losbare koolhydraten in oplosbare om te zetten of
wel meer gecompliceerde stoffen in zulke van een-
voudiger structuur te veranderen, eene splitsing,
bij de scheikundigen bekend onder den naam
hydrolytische splitsing daar zij plaats vindt onder
opname van een of meer moleculen water. Zoo
wordt b.v. Rietsuiker omgezet in druiven- en
vruchtensuiker; Inuline, eene stof voorkomende
in vele geslachten der samengesteldbloemige
planten, wordt in eene suikersoort omgezet welke
door gist in alkoholische gisting kan gebracht
worden enz. Het zijn juist deze hydrolytische
splitsingen welke eene zoo ruime toepassing
vinden bij de Aziaten voor de bereiding van
allerlei spijzen en dranken, waarvoor we eenige
voorbeelden zullen aanhalen, welke tevens weder
een bewijs leveren van de groote opmerkings-
gave der natuurvolkeren, waardoor zij zich orga-
nismen weten dienstbaar te maken, wier bestaan
zij niet eens vermoeden.
-ocr page 105-
9.;
Zij, die korteren of langeren tijd in Insulinde
vertoefden zullen waarschijnlijk wel eens kennis
gemaakt hebben met een produkt bestaande uit
platte balletjes van een gedroogde meelbrij, dat
den naam „Raggi" draagt. Deze raggi, hoofdza-
kelijk uit rijstmeel bereid dat met eenige specerijen
gemengd en met lemmetjessap [eene vrucht na
verwant aan de citroen) tot een deeg gekneed is,
waaruit de balletjes gevormd worden, welke na dek-
king met rijststroo in de zon gedroogd worden, is
het uitgangsmateriaal voor verschillende praepa-
raten. Zoo wordt gekookte rijst met raggi poeder
bestrooid, reeds na een dag geheel week, smaakt
rinsig zoet, en is na een paar dagen in een
dunne brij veranderd, die gegeten wordt, en den
naam „Tapej" draagt. Het sap, dat uit deze tapej
kan geperst worden, bestaat hoofdzakelijk uit eene
oplossing van druivensuiker die, na indamping
tot een dikke stroop, in peperhuisjes gegoten
wordt en daarin kristalliseert. Die peperhuisjes
worden als snoepgoed verkocht onder den naam
„Brem." Verder dient de Tapej voor de bereiding
van Rijstwijn, Arak, en de Indigo ververij op
chineesche wijze.
De geheele bereiding van dit product komt
slechts neer op het blootstellen van het zetmeel
der rijst aan de inwerking der schimmels, welke
eene stof afscheiden, die het zetmeel in druivensui-
ker omzet. Om nu deze schimmels er in te brengen
wordt het rijstmeel met rijststroo gedekt, of wel
stukjes er van in de balletjes gestoken, want het
-ocr page 106-
\'M
onderzoek heeft geleerd dat hierop eene massa
sporen der schimmel voorkomen. Tevens wordt
nu het gebruik van lemmetjessap bij het maken
van het deeg duidelijk, het heeft geen ander doel
dan de bacteriën, welke zooals wij vroeger zagen
voor hun groei een neutraal of alkalisch reagee-
rend substraat eischen, in hunne ontwikkeling
tegen te gaan, daar de schimmels van het aan-
wezige zuur geen hinder hebben.
Behalve in Indië is het praeparaat Raggi ook
bekend bij de Chineezen onder den naam Peh-
Khak d. i. Witte Khak (in tegenstelling met een
ander praeparaat dat wij straks zullen leeren
kennen en Ang-Khak of roode Khak genoemd
wordt) en bij de Japaneezen als „Kóji" zij het
dan ook met zeer kleine verschillen in de be-
reidingswijze, en de daarbij gebruikte schimmel-
soort.
De Köji wordt in Japan eveneens gebruikt
voor het vervaardigen van eene soort Rijstwijn,
welke den naam „Sake" draagt, en voor verschil-
lende Soya-praeparaten. Men laat daartoe ge-
kookte rijst met Kóji versuikeren onder voort-
durend omroeren ; hierbij worden tevens vele
gistcellen welke uit de omgeving er in vallen in
de vloeistof verdeeld en beginnen de gevormde
suiker in alkohol om te zetten, waarbij na ver-
loop van eenige dagen eene vloeistof verkregen
wordt, die 12 % alkohol bevat en de Sake
vormt, den meest populairen drank in Japan. Deze
wijze om zetmeel bevattende materialen in al-
-ocr page 107-
95
koholische gisting te brengen, wordt thans reeds
in Amerika in \'t groot toegepast.
Behalve de omzetting van zetmeel en suiker,
kan de schimmelsoort bij de Kójibereiding ge-
bruikt, ook de stof waaruit de cehvanden van
vele planten bestaat, de cellulose, welke bijna
onverteerbaar is, in eene modificatie omzetten,
die geheel in het darmkanaal kan opgenomen
worden. Zoo worden de zaden van de plant
Soja hispida, welke gewoonlijk waardeloos zijn als
voedsel, omdat de dikke cehvanden de opname
van den eiwitrijken inhoud beletten, in eene
voedingsstof van groote waarde omgezet, door
de gekookte Sojaboontjes met Kójipoeder te be-
strooien en langeren of korteren tijd er mede
in aanraking te laten ; zij vormen dan een voed-
sel onder den naam „Miso" bekend. Laat men
de Sojaboonen half gaar gestoomd met tarwe en
keukenzout langen tijd vergisten door Kóji, een.
proces dat van een tot vijf jaren duren kan.
dan krijgt men ten slotte na uitpersing en filtratie
eene vloeistof, in Japan als „Shoyu" en ten onzent
als Soja bekend en als toevoegsel bij verschil-
lende gerechten in gebruik.
Ten slotte willen we nog even de werking der
schimmel Monascus purpureus releveeren, welke
voor de bereiding der Ang-Khak, d. w. z. roode
Khak gebruikt wordt, en bestaat uit rijstkor-
rels van donker roodbruine kleur, welke geheel
doorgroeid zijn met de draden der schimmel,
die in \'t begin wit zijn, doch later eene roode
-ocr page 108-
96
kleurstof afscheiden, en waaraan zij haar gebruik
te danken heeft. Zoo dient zij voor het kleuren
van rijstwijn, koekjes, gebak en van de saus der
in Indië zoo bekende „roode Vischjes."
Bacteriën bij Processen in de Natuur.
Landbouw.
Tot dusver hebben wij bij de beschouwing der
betrekking die bestaat tusschen het menschdom
en de bacteriën, alleen het oog gehad op de
takken van bedrijf, waarin zij eene zoo hoogst
belangrijke rol spelen zoodat we kunnen zeggen
dat er nauwelijks een oogenblik in ons leven is,
waarop wij niet een of ander product gebruiken,
waarbij de mikroörganismen niet direct of indi-
rect betrokken zijn.
Thans willen wij echter een blik slaan op eene
zaak van nog meer belang, namelijk op de rol
welke zij in de natuur vervullen ; want wanneer
wij zekere processen, welke ten nauwste samen-
hangen met het leven van dieren en planten,
nauwkeurig bestudeeren, vinden wij, dat zij ge-
heel gebaseerd zijn op de macht der bacteriën.
In de levende natuur is geen begin en geen
einde; de levensprocessen kennen geene grenzen,
zij hebben plaats gegrepen sedert duizenden jaren
met eene kracht zonder wedergade, en zulks
alleen ten gevolge van zekere werkingen van de
kleinste der levende wezens. Want na eenig
-ocr page 109-
97
overleg zal het ons terstond duidelijk worden,
dat het voortduren van het leven op aarde een-
voudig onmogelijk zoude worden wanneer hunne
werking voor een tijdlang opgeheven werd; het
is er ten eenenmale geheel van afhankelijk.
De zuivering der aarde door de Bacteriën.
In de eerste plaats willen we dan aanstippen
de groote waarde, welke zij hebben als reinigers
der aarde, waardoor zij deze steeds in een toe-
stand houden, welke geschikt is voor den groei
van dier en plant. Een groote boom b. v. sterft
af in het bosch en valt op den grond ; gedurende
korteren of langeren tijd blijft hij liggen, totdat
eindelijk langzaam eene verandering in hem
plaats grijpt. Zijne schors raakt los van het hout
en dit zelf verliest meer en meer van zijne hard-
heid ; het wordt door insecten aangetast, ver-
molmt langzamerhand, totdat het ten slotte in
een bruin poeder uit elkaar valt en geheel met
den grond gelijk wordt; Mossen en andere plan-
ten groeien er overheen, kortom de geheele
boomstam is van den aardbodem verdwenen. Op
analoge wijze wordt het cadaver van gestorven
dieren langzamerhand gesloopt. De weekere weef-
sels verdwijnen reeds zeer spoedig, de beenderen
worden met aarde overdekt en na verloop van
tijd verdwijnen ook zij geheel en al. Het geheele
proces is dus eene ontbinding, waarbij de vaste
v. D. Marck, Bacteriën.                                             7
-ocr page 110-
bestanddeelen van de plant of het dier geheel
ontleed worden. En zal men vragen waarin zijn
zij ontleed ? In het antwoord op deze vraag ligt
juist het geheim der eeuwigdurende frischheid
der natuur. Een gedeelte namelijk ontwijkt in
den vorm van gassen en waterdamp, een ander
deel verandert van samenstelling en wordt in
den grond opgenomen. Wij zien dus dat in het
ontledingsproces van alle organische stoften bac-
teriën de hoofdrol vervullen ; wel is waar wordt
bij het sloopen van den boomstam, het hout
het eerst door schimmels aangetast, omdat deze
groep van planten alleen in staat schijnt, eene
zoo harde massa met goed gevolg te kunnen aan-
grijpen, maar daarna treden de bacteriën in hunne
plaats ; aan de ontleding van het dierlij ke lichaam
nemen zij echter geheel alleen deel. Wanneer we
de geheele zaak slechts uit een zuiver mechanisch
oogpunt beschouwen, dan kan de reinigingsdienst
welke zij hier op aarde verrichten moeielijk
overschat worden. Denken we ons slechts eens
voor een oogenblik in welken toestand de op-
pervlakte der aarde zoude verkeeren, wanneer
dergelijke factoren niet aanwezig waren welke
haar voortdurend zuiverden van de afgestorven
resten van planten en dieren, zij zoude in één
woord reeds sedert lang onbewoonbaar zijn. In-
dien de lichamen van dieren en planten uit lang
vervlogen tijdperken zich voortdurend opgehoopt
hadden, tot op den huidigen dag, zouden zij
door hunne massa het geheele aardoppervlak
-ocr page 111-
99
bedekken, zoodat er geen plaats meer overbleef
voor verdere levende wezens. Wij kunnen dus
zeggen dat bacteriën onmisbaar zijn om de op-
pervlakte der aarde voortdurend in goeden staat
te houden, zoodat het leven er ongestoord op
voortgaat.
De invloed der Bacteriën op den
kringloop der voedingsstoffen.
Er is echter behalve het boven aangehaalde,
nog veel meer waarbij de bacteriën onschatbare
diensten aan het menschdom bewijzen. Wanneer
wij eens een oogenblik er over nadenken, dan
moeten wij ons in de hoogste mate verbazen,
hoe de aarde gedurende de millioenen jaren van
haar bestaan in staat is geweest voortdurend
nieuwe planten en dieren te kunnen voortbren-
gen. Immers zoowel dier als plant heeft voedsel
noodig, waarbij het eerste geheel afhangt van de
laatste ; hoewel nu de planten een groot deel hun-
ner voeding uit de lucht opnemen, eene nog groo
tere hoeveelheid wordt echter uit den bodem opge-
nomen, en zoo dringt zich van zelf de vraag op,
hoe het dan mogelijk is dat die bodem niet
reeds lang uitgeput is. Hoe kan die bodem jaar
in jaar uit maar steeds voortgaan met het voort-
brengen van nieuwe planten en dat reeds sedert
duizenden jaren, en toch even vruchtbaar blij-
ven als altijd ? Het antwoord op deze vraag ligt
7*
-ocr page 112-
IOO
in het feit dat hetzelfde voedsel een kringloop
maakt, dus voortdurend weder gebruikt wordt;
eerst door de plant, dan door het dier en daarop
wederom door de plant, en dit proces zal steeds
door blijven gaan zoolang de zon onze aarde
met hare stralen koestert en daardoor het noo-
dige arbeidsvermogen levert om den kringloop
in gang te houden. Een klein onderdeel van
dezen cirkelgang kan wel als aan iedereen be-
kend verondersteld worden, n.1. het feit dat het
dierlijk organisme bij zijne ademhaling zuurstof
opneemt, en deze met koolstof verbonden als
koolzuur weder afgeeft. Door de plant wordt het
koolzuur opgenomen en in zijne componenten
ontleed, waarbij de zuurstof weder gasvormig
ontwijkt en de koolstof in min of meer samen-
gestelde verbindingen wordt vastgelegd. Wij zien
dus dat elk der twee afdeelingen der levende
natuur gebruik maakt van de afgescheiden pro-
ducten der andere, een proces dat tot in het
oneindige kan doorgaan zoolang er tusschen
beide afdeelingen eene zekere verhouding aan-
wezig is, de zuurstof doorloopt dus voortdurend
een kring van de plant naar het dier en omge-
keerd. Maar wat voor de zuurstof geldt is even-
eens waar voor alle overige voedingsmiddelen, al
is het proces daar ook van minder eenvoudigen
aard en zijn er meer schakels noodig om de
keten te sluiten. Het is een der meest belang-
rijke ontdekkingen der moderne wetenschap welke
ons een inzicht heeft gegeven in dezen kringloop
-ocr page 113-
IOI
der voedingsmiddelen, hoe zij van den toestand
waarin zij alleen geschikt zijn als plantaardig
voedsel, overgebracht worden in een staat dat
zij voor het dierlijk organisme geschikt zijn en
weder terug tot den eersten toestand, en zooals
wij zullen zien, zijn het de bacteriën welke bij
dit proces de hoofdrol spelen. Ter illustreering
van het bovenstaande diene het bijgevoegde
diagram waarvan hieronder de toelichting volgt :
Onder aan den cirkel in fig. 13 bij A vinden
PRODUCTEN VAN HET DIERLIJK LEVEN
BODEM-NITRATEH
Flg. 13. Diagram aangevende den kringloop der voedingsstoften in de
natuur ; verklaring in den tekst.
we aangegeven de verschillende stoffen welke in
den bodem voorkomen en plantenvoedsel uitma-
ken; een gedeelte wordt bovendien nog uit de
-ocr page 114-
102
lucht opgenomen n.1. koolzuur en water. Onder
de eerste nemen de nitraten eene eerste plaats
in, omdat zij de voornaamste stikstofbron voor
de planten zijn, en van alle het gemakkelijkst
opgenomen worden. Er zijn nog wel andere ver-
bindingen in den bodem, welke voor de plant
onmisbaar zijn, zooals die welke Kalium, IJzer,
Phosphorus bevatten, doch ter wille der een-
voudigheid zullen we die buiten beschouwing
laten. Wij zien dus in fig. 13 bij A de stoffen
welke de plant uit de lucht en den bodem op-
neemt, en met behulp van het arbeidsvermogen
door de zonnestralen geleverd, omzet in meer
samengestelde verbindingen, zooals in B is voor-
gesteld. Die producten bestaan uit suikersoorten,
zetmeel, cellulose etc, welke samen de groep
der koolhydraten vormen, verder vetten en eiwit-
stoffen, welke dus alle uit de opgenomen enkel-
voudige verbindingen geconstrueerd worden.
Deze stoffen nu vormen het voedsel voor het
dierenrijk, en ook hiermede alleen kan het dier-
lijk lichaam in stand gehouden worden, omdat
het door zijne hooge organisatie niet in staat is
zijn voedsel uit bodem of lucht direct op te
nemen.
Bij de opname in het dierlijk lichaam, vallen
sommige bij de verbranding die er plaats heeft
terstond uiteen in koolzuur en water, zooals de
koolhydraten en vetten, en worden dus weder
teruggebracht tot den toestand, waarin zij weder
kunnen dienen als voedsel voor de plant. Zij
-ocr page 115-
103
gaan dus weder terug naar den voet van den
cirkel, zooals de pijltjes aanwijzen. Meer samen-
gesteld is evenwel het verloop der ontleding
der eiwitstoffen, zij worden niet meer afge-
scheiden in een toestand, waarin zij weder
direct kunnen geassimileerd worden door de
plant. Een gedeelte der stikstofhoudende stoffen
wordt omgezet in nieuwe eiwitstoffen, een ander
deel wordt in eene veel eenvoudiger verbinding
afgescheiden, bekend onder den naam van Ureum,
en waarin het grootste gedeelte der opgenomen
stikstof door het dierlijk lichaam wordt afgeschei-
den. Maar deze stof is geheel ongeschikt als plan-
tenvoedsel, omdat de meeste planten niet in staat
zijn haar zonder meer op te nemen. Evenmin
kunnen zij dat met de verbindingen, welke het
dierlijke lichaam vormt uit de opgenomen stik-
stof en die bij den dood van het dier overblijven.
Zij zijn niet ir. staat zich te voeden met spier-
weefsel, vetten, beenderen enz. die verbindingen
zijn veel te samengesteld. Hier zijn wij dus
op het punt gekomen, waar de enkelvoudige
stoffen aan den voet van den cirkel voorko-
mende, gaandeweg in meer samengestelde zijn
omgezet; wij hebben den top bereikt. Tot nu
toe is er van al het opgenomene, behalve een
gedeelte der koolstof en zuurstof, nog niets we-
der afgegeven in een toestand waarin het als
voedsel voor de plant dienstig is; om hiertoe te
kunnen geraken en zoodoende den kringloop te
sluiten, is het dus noodzakelijk dat deze zeer
-ocr page 116-
104
samengestelde lichamen weder in meer eenvou-
dige gesplitst worden. En hiermede zijn wij op
het punt aangekomen, waar die factoren eene
rol beginnen te spelen, waarop wij in den aan-
vang van dit hoofdstuk een blik geslagen heb-
ben, n.1. de ontleding door bacteriën. Zooals wij
reeds vroeger zagen, zijn deze organismen overal
te vinden in de lucht, in de aarde, in water en
altijd op hun post om elke organische stof aan
te tasten en als voedsel te gebruiken, om \'t
even of het spierweefsel, vetten of koolhydraten
zijn of afscheidingsproducten uit het dierlijk or-
ganisme zooals Ureum, en daarin de vroeger
reeds opgesomde scheikundige veranderingen te
doen plaats hebben. Hierdoor worden de hoog
gecompliceerde lichamen allengs tot meer een-
voudige terug gebracht en eindelijk zoo volko-
men gesplitst dat zij weder als plantenvoedsel
kunnen dienen. De mikroörganismen vormen dus
een belangrijken schakel in de keten, om het
dierlijke lichaam of zijne afscheidingsproducten
weder met den grond in verbinding te brengen;
dit geschiedt door het te ontleden in stoffen
welke door ■ de plant weder opgenomen kunnen
worden. Maar de zooeven opgenoemde ontle-
ding kan ook te ver gaan, zoodat sommige
der splitsingsproducten te eenvoudig van samen-
stelling worden voor de plant om gebruikt
te kunnen worden als voedsel. Zooals eene
beschouwing van fig. 13 D ons leert wordt
een gedeelte der stoffen, in het dierlijk orga-
-ocr page 117-
i°5
nisme aanwezig, omgezet in koolzuurgas en
water, en kunnen dus weder terstond opgenomen
worden door de plant, met behulp der in alle
groene deelen voorkomende kleurstof het Chlo-
rophyll. Zoodoende heeft dus de koolstof en
zuurstof den geheelen kringloop volbracht, en
zijn weder op hetzelfde punt van den cirkel
aangekomen waarvan wij uitgingen. De stikstof
bevattende stoffen worden echter gewoonlijk zoo
ver ontleed dat zij ongeschikt zijn voor de
directe opname, zoo wordt een groot gedeelte
der stikstof als Ammoniak in vrijheid gezet of
wel als Salpeterigzuur dat zich dan met metalen
of met het Ammoniak verbindt tot zouten welke
Nitrieten genoemd worden; alles verbindingen
van te eenvoudigen bouw, dan dat de plant er
van gebruik zoude kunnen maken om er hare
behoefte uit te kunnen dekken, want zooals wij
reeds zagen zijn het veel meer de Nitraten, welke
haar de noodige stikstof leveren, zij bevatten
tevens eene aanmerkelijke hoeveelheid zuurstof.
Het Ammoniak, een der rottingsproducten, is
daarvan geheel vrij en het Salpeterigzuur bevat
een derde minder zuurstof dan het Salpeterzuur,
willen zij dus niet grootendeels verloren gaan
als voedingsmateriaal, dan moeten zij geoxydeerd
d. i. met zuurstof voorzien worden.
Om dit proces te doen plaats hebben, treedt
eene nieuwe klasse van bacteriën op, wier wer-
king ons eerst in de laatste jaren is duidelijk
geworden, en den naam van Nitrificeerende bac-
-ocr page 118-
io6
terien : d. i. Salpetervormencle draagt. Men vindt
hen in eiken vruchtbaren grond, waar zij leven
op de daarin voorkomende stoffen. Zij spelen
ongeveer dezelfde rol ten opzichte der eenvou-
dige stikstofverbindingen, als de organismen
welke uit den alkohol azijnzuur vormen, dus als
overdragers der zuurstof.
Naar het schijnt bestaan er verschillende soor-
ten van Nitrificeerende bacteriën met eene ver-
schillende werking. Zoo kunnen sommige het
Ammoniak direct met zuurstof vereenigen, zoo-
dat er eene opvolgende reeks van producten
ontstaat welke al meer en meer zuurstof bevat-
ten, waarvan de hoogste term het Salpeterzuur
en zijne zouten zijn. Andere kunnen alleen reeds
geoxydeerde verbindingen zooals de Salpeterig-
zure zouten hooger oxydeeren tot Salpeterzure.
Deze klasse van organismen is dus de laatste
schakel in de keten welke het planten- en die-
renrijk verbindt. Want eerst nadat zij hunne
werking hebben volbracht, is de stikstof weder
in dien toestand gekomen waarin zij door de
wortels der plant kan worden vastgelegd, om
opnieuw haren kringloop te volbrengen. Wij zien
dus aan de eene zijde de planten, met hun ver-
mogen samengestelde lichamen op te kunnen
bouwen, als middelaars tusschen den bodem en
het dierenrijk optreden, en aan de andere
zijde de bacteriën tusschen dierenrijk en den
bodem, door hunne groote macht de samen-
gestelde stoffen in meer eenvoudige te split-
-ocr page 119-
io7
sen. De kringloop zoude dus even onmogelijk
zijn zonder de werking der groene plant, als
zonder die der bacteriën.
En toch is met het vorenstaande nog niet
alles opgehelderd en verklaard, want bij ver-
scheidene rottingsprocessen wordt een gedeelte
der stikstof geheel van verdere medewerking
uitgesloten, zij verlaat den cirkelgang in fig. 13
voorgesteld door eene raaklijn naar E. Deze
stikstof ontwijkt namelijk als zoodanig gasvormig
in de lucht, en dit proces kan overal, waar
stikstofhoudende organische stoffen een rottings-
proces ondergaan, waargenomen worden. Dit ge-
deelte is nu geheel verloren gegaan als voedsel
voor de groene plant, omdat zij niet in staat is
vrije stikstof uit de lucht in die mate op te
nemen als zij voor haren groei noodig heeft; de
voorraad stikstofhoudende voedingsstoffen zoude
dus voortdurend verminderen zoowel voor het
planten- als dierenrijk en ten slotte geheel uit-
geput worden. Maar behalve deze bron van stik-
stofverlies zijn er nog andere. In de eerste plaats
het draineeren van den bodem als gevolg van
eiken plantengroei; hierdoor worden de stikstof-
verbindingen langzamerhand door het grondwater
uitgewasschen en naar den oceaan afgevoerd. Ver-
der de stikstof der overblijfselen van alle afgestor-
ven dieren en planten welke in de rivieren terecht
komen, en dus ook voor den bodem verloren is.
Terwijl nu het verlies door bodemuitwassching be-
trekkelijk niet zoo groot is, enorm kan het daaren-
-ocr page 120-
io8
tegen genoemd worden, wat in onze hedendaagsche
maatschappij geleden wordt, sedert alle stikstof-
verbindingen van den bodem naar de groote
steden worden gebracht, in den vorm van land-
bouwproducten, en van daar uit eenvoudig afge-
voerd worden in de rivieren, waaraan de meeste
steden gelegen zijn, door het meer en meer
overhand nemen van het systeem „tout a 1\'égoüt."
De steden met hun doorspoelingssysteem voeren
jaarlijks ongelooflijk groote hoeveelheden van
stikstof uit den bodem naar den oceaan af. Ver-
der is er nog een groote bron van verlies van
samengestelde stikstofverbindingen voor de plan-
ten, n.1. die welke voor allerlei technische doel-
einden gebruikt worden, voornamelijk als spring-
middelen en in de chemische industrie. Buskruit,
Nitroglycerinum, Dynamiet enz., bijna alle spring-
stoffen over de geheele wereld voor aller-
lei doeleinden in gebruik, zijn derivaten van
het Salpeterzuur. Wanneer zij ontploften ont-
wijkt de stikstof gasvormig, \'t zij als zooda-
nig of in verbinding met andere elementen. De
grondvorm waarvan zij kunnen worden afgeleid,
het Salpeterzuur is echter even veel waard als
bemestingsmiddel als voor buskruit. De produc-
ten welke na de ontploffing overblijven zijn
gassen welke voor de plant geene waarde heb-
ben ; derhalve is elke explosie eene verspilling
van stikstofmateriaal welke aan den voorraad
van plantenvoedsel ontnomen wordt.
Al de opgenoemde factoren werken samen om
-ocr page 121-
109
het bedrag aan voedingsmateriaal, dat in den
kringloop der natuur circuleert, voortdurend te
verminderen, en aldus onvermijdelijk den onder-
gang van alle leven op aarde ten gevolge te
hebben; want zoodra de bodem geheel aan
stikstof bestanddeelen is uitgeput, houdt spoedig
alle plantenvegetatie op, met het noodzakelijke
gevolg dat ook alle dierenleven tot ondergang
veroordeeld is. Daar vandaan de jacht welke de
landbouwer op meststoffen maakt, om zooveel
mogelijk het verlies door vorige oogsten geleden
te herstellen.
In de laatste jaren is evenwel aangetoond
geworden, dat ook hier weder de bacteriën als
hulptroepen van den mensch optreden, om zoo-
veel mogelijk het verlies bij al die processen geleden
te herstellen, en voor zoover thans met zekerheid
bekend is, ten minste op twee verschillende wijzen.
In de eerste plaats heeft men gevonden dat
grond welke geheel vrij is van gewone groene
planten, maar zekere soorten bacteriën bevat,
in rijkdom aan stikstofverbindingen langzaam
maar zeker toeneemt, mits hij slechts aan de
lucht is blootgesteld. Deze stikstof wordt enkel
vastgelegd door de bacteriën in den bodem aan-
wezig, want zonder bacteriën heeft het proces
niet plaats, wel wanneer zij in voldoende hoe-
veelheid en de geschikte soorten aanwezig zijn.
Naar het zich laat aanzien is eene enkele soort
hiertoe niet voldoende, doch moeten minstens
twee of drie samenwerken. Men heeft zekere
-ocr page 122-
IIO
combinatie\'s gevonden, welke te zamen werkende
de stikstof konden vastleggen, terwijl elk der
soorten op zich zelf daartoe niet in staat was.
Aangezien dit feit nog niet zoo heel lang
bekend is, zijn alle bizonderheden nog verre van
opgehelderd; wij weten dus ook niet in welke
mate deze organismen in den bodem verspreid
zijn, noch hoe groot het bedrag der stikstof is
dat op deze wijze gewonnen wordt. Toch zijn wij
reeds zooveel te weten gekomen dat het niet
onbelangrijk zijn kan, en bepaald door de bac-
teriën in den bodem eene voorname rol ge-
speeld wordt bij het vastleggen der gasvormige
stikstof in de atmospheer aanwezig.
Bij de tweede wijze, waarop bacteriën de vrije
stikstof kunnen binden heeft er eene samen-
werking plaats tusschen zekere soorten van mi-
kroörganismen en sommige der groene planten.
Zooals reeds meermalen hierboven werd betoogd
zijn de gewone planten niet in staat vrije stikstof in
eenigszins belangrijke hoeveelheid teassimileeren.
Niettegenstaande dat werd eenige jaren geleden het
feit geconstateerd dat sommige planten, voorname-
lijk de groote familie der Vlinderbloemige gewas-
sen, waartoe de erwt, boon, klaver, enz. behoort, in
staat zijn, wanneer zij in een bodem groeien welke
arm is aan stikstofverbindingen, toch stikstof op te
nemen, welke dan uit eene andere bron afkomstig
moet wezen. Wanneer eene erwt ontkiemt en
zich verder ontwikkelt in eene grondsoort, ge-
heel vrij van stikstofverbindingen, welke gedrenkt
-ocr page 123-
III
wordt met stikstofvrij water, dan vindt men na
verloop van zekeren tijd dat de plant een aan-
merkelijk bedrag aan stikstof in hare weefsels
heeft vastgelegd. De eenige plaats van herkomst
kan dus niet anders dan
de lucht wezen welke de
bladen en de wortels
in den grond omgeeft.
Dit feit in den beginne
tegengesproken, maar later
als volkomen waar erkend,
bleek bij nader onderzoek
te berusten op eene sa-
menwerking tusschen de
plant en zekere soorten van
bacteriën. Men vindt aan
de wortels van deze planten
kleine knobbeltjes, bekend
onder den naam van wor-
telknolletjes of tuberkels :
zij variëeren in grootte
tusschen een speldekop en
eene groote erwt of nog
meer zie fig. 14. Wanneer
men deze lichaampjes on-
derzoekt met het mikros-
koop vindt men hen ge-
Fig. 14. Wortel der I.upine
met wortelknolletjes.
vuld met geheele nesten
van bacteriën fig. 15. Door
het indringen van deze vreemde lichamen wordt
het celweefsel in de omgeving in hooge mate ge-
-ocr page 124-
112
prikkeld en heeft er op
die plaatsen een leven-
dige groei plaats, waar-
door de bovengenoemde
knolvormige lichaampjes
ontstaan. Maar tevens
wordt het ingedrongen
mikroörganisme tot ver-
meerderden groei aange-
15. Dwarsche doorsnede   zet z00dat 0p die plaat-
door een wortelknolletje, f is
                            L           L
de vaatbundel. Daaromheen    sen een groote Opeen-
/iet men de me» bacteriën ge-                               °                     L
vulde ruimten.            hooping van eiwitstoffen
ontstaat, daar de bacteriën immers zooals we
vroeger zagen, grootendeels uit protoplasma be-
staan. In een latere periode gaan de bacteriën
te gronde en wordt de van hen afkomstige
eiwitachtige stof door de plant opgenomen;
men vindt dan de ruimte waarin zij zich eerst
ontwikkeld hebben geheel ledig fig. 16. Dat deze
knolvormige gezwellen alleen
hun ontstaan te danken heb-
ben aan het indringen der
bacterie wordt bewezen door
het laten kiemen van zaden
in gesteriliseerden grond, de
wortels groeien dan normaal
als van andere planten. Het
inbrengen eener kleine hoe-
veelheid niet gesteriliseerden rb. i6. Dwarsche door-
grond is echter somtijds reeds kno?fetjedo°na reïorJÏSe
voldoende om die organen van dl:n
inhoud\'
-ocr page 125-
"3
weder te voorschijn te roepen. Het is dus zooals
men ziet een veelvuldig voorkomend organisme
Behalve bij de Vlinderbloemige gewassen vindt
men dergelijke tuberkels nog bij de familie der
Elaeagnaceae en Amentaceae, waartoe de bekende
Els behoort; ofschoon hier de zwam geen splijt-
zwam is doch een draadzwam.
Hierin hebben wij dus een zeer voornamen
factor voor het vastleggen der atmospherische
stikstof. De plant groeit op de gewone wijze
verder, al door stikstofverbindingen in wortels,
stam en bladeren opstapelend; nadat zij hare
rol heeft vervuld sterft zij af, de verschillende
deelen vallen op den grond, worden er mede
bedekt en dan door gewone rottingsbacteriën
ontleed. De opgenomen stikstof ondergaat de
reeds opgenoemde veranderingen, waarbij zij als
eindproduct nitraten levert, welke dan weder in
den kringloop opgenomen, dezen geheel volledig
maken. Beginnende dus met de minerale be-
standdeelen van den bodem, gaat het voedings-
materiaal over op de plant, van daar op het
dier om eindelijk door bemiddeling van ver-
schillende soorten van bacteriën weder tot den
bodem terug te keeren. Want de stikstof welke
door de eene soort bacteriën uit den cirkel langs
eene raaklijn ontwijkt, wordt door eene andere
soort er langs eene tweede raaklijn weder inge-
bracht. Voor dezen nooit ophoudenden omloop
van het voedingsmateriaal levert de zon alleen
het arbeidsvermogen; zoolang zij hare stralen
v. u. Marck, Bacteriën.                                              8
-ocr page 126-
H4
naar de aarde uitzendt, bestaat er geene enkele
reden, waarom hij ooit op zou houden; zij is
het dus ook, welke door haar afgezonden arbeids-
vermogen, in den vorm van warmte en licht,
middellijk het voortduren van het leven mogelijk
heeft gemaakt gedurende de millioenen jaren dat
de aarde reeds bestaat. Maar tevens zien wij er
uit hoe in dien kringloop al de raderen nauw-
keurig in elkander moeten grijpen, wil het ge-
heele werk niet stilstaan. Neem een der factoren
uit den kring weg en het bestaan der andere is
onmogelijk, zelfs valt hierbij aan de bacteriën
misschien wel het leeuwenaandeel toe, want zon-
der hunne hulp werd het dierlijke organisme en
zijne afscheidingsproducten nooit meer binnen
het bereik der plant gebracht, en kunnen wij
dus gerust zeggen dat alleen van hunne werking,
zoowel vernietigende als opbouwende, het be-
staan der hoogere planten en der dieren geheel
afhangt.
Uit het bovenstaande en het vroeger reeds
aangehaalde blijkt ten duidelijkste van welk over-
wegend belang de bacteriën voor den landbouw
zijn; hoe er bijna geen enkele werkzaamheid in
het boerenbedrijf te vinden is, waar zij niet in
meerdere of mindere mate eene rol in spelen, al
moge dat dan ook in de meeste gevallen aan
den leek niet zoo terstond in het oog springen.
Bij de bemesting der akkers, het kiemen van
-ocr page 127-
"5
het gezaaide, de ontwikkeling der plant, bij de
bereiding van boter en kaas, het bewaren van
groen voer voor het vee, overal zien wij dat zij
hunne werking doen gevoelen, \'t zij dat deze den
mensch ten goede komt of benadeelt, waarvan
wij hier nog eenige voorbeelden zullen aanhalen.
In de eerste plaats noemen we dan de voeder-
pers, wier gebruik voor den boer een belangrijk
vraagstuk uit de bacteriologie vertegenwoordigt.
Wanneer hij tracht het groene voeder, in dien
toestand te bewaren voor den winter, ondervindt
hij de grootste moeielijkheid; want in dien voch-
tigen toestand, waarin het verzameld wordt,
ondergaat het zeer spoedig eene ontleding dooi-
de gewone bacteriën, het zoude in korten tijd
geheel verrotten. Daarom worden sommige voe-
dersoorten eenvoudig gedroogd, zooals het hooi;
maar zoo dit ook bij eenige gelukt, bij andere
is dat niet het geval omdat zij te veel in waarde
verminderen of voor het vee ongenietbaar wor-
den. Zoo is bijv. het groene koren of de maïs
in verschen toestand een voeder van uitnemende
waarde, in gedroogden echter bijna onbruikbaar.
Door ervaring en zijne groote opmerkingsgave
heeft de boer echter een wijze van bewaring ge-
vonden, welke hem in staat stelt aan de onaan-
gename gevolgen van den bacteriéngroei voor
zijn voeder te ontkomen en wel door het aan-
wenden der voederpers. Hieronder verstaat men
eene groote, stevig gebouwde kist, waarin het
groene voeder vast op elkaar gepakt wordt onder
8*
-ocr page 128-
n6
aanwending van een tamelijk grooten druk,
zoodat de lucht binnen in geheel afgesloten is,
en alleen de oppervlakte er mede in aanraking
komt. Onder deze voorwaarde blijft het voeder
zijne vochtigheid behouden, zonder de gewone
gisting en rotting te ondergaan, en kan aldus
maanden lang bewaard worden, zonder zijne
waarde te verliezen. Wel is waar heeft het ook
veranderingen ondergaan, doch deze zijn van
niet zoo ingrijpenden aard als bij de rotting
plaats grijpen, zoodat het onbruikbaar zoude
worden, integendeel, het wordt met graagte door
het vee genuttigd.
Wij zijn tot op dit oogenblik nog wel onbe-
kend met den aard der verandering welke het
voeder ondergaat bij zijn verblijf in de pers;
tegen gisting is het klaarblijkelijk niet gevrijwaard.
Wordt het slechts los op elkaar gepakt, zonder
aanwending van druk, dan ziet men spoedig een
energische werking plaats grijpen, waarbij de
temperatuur tot 700 C. rijzen kan. Deze groote
hitte wordt voortgebracht door de werking van
sommige soorten bacteriën, welke gemakkelijk
groeien juist bij deze hooge temperatuur. 1) Bij de
gisting wordt de nog aanwezige lucht verbruikt
tot een zeker bedrag, en heeft tengevolge dat
het materiaal nog vaster op elkaar pakt, waar-
door het opnieuw indringen van lucht uitgesloten
1) Deze groep van organismen worden met den naam
Thermophüe bacteriën aangeduid.
-ocr page 129-
ii7
wordt. Deze eerste gisting houdt spoedig op en
het voeder blijft naderhand in vrij wel denzelfden
toestand. Daarna beginnen sommige zuurvor-
mende bacteriën langzaam te groeien, en maken
het persvoeder, door het gevormde melkzuur en
azijnzuur etc, in lichte mate zuur. Maar het af-
sluiten van de lucht, de vaste pakking en het
betrekkelijk geringe gehalte aan vochtigheid,
benevens de zwak zure reactie van het materiaal
schijnen den groei der gewone rottingsbacteriën
te beletten, waardoor het voeder zoo langen tijd
goed bewaard blijft. Hetzelfde wordt bereikt door
het z.g.n. inkuilen van sommige voederstoffen.
In elk geval is het gewenschte resultaat, de ma-
terialen aan de inwerking der rottingsbacteriën
te onttrekken, voornamelijk door onttrekking van
zuurstof en water. De vast opeengepakte massa
levert eenige overeenkomst op met de sterk ge-
perste kaas, waarover boven een en ander mede-
gedeeld werd, ook daar werden de mikroörga-
nismen zoo zeer in hun groei belemmerd door
gebrek aan lucht en vochtigheid, dat zij het
anders zoo gunstige voedingsmiddel niet kunnen
aantasten.
Hoe onvolledig ook onze kennis nog zijn moge
omtrent de plaats grijpende veranderingen, zoo
veel is toch gebleken, dat het geheele gebruik
der voederpers alleen op bacteriologischen grond-
slag berust.
-ocr page 130-
n8
• De vruchtbaarheid van den grond.
Het eenige doel dat de boer voortdurend in
\'t oog houdt is zooveel mogelijk voedingsstoffen
aan den grond te ontwoekeren, \'t zij dat hij dit
doet onmiddellijk door te zaaien en te oogsten, \'t zij
dat hij het middellijk bereikt door veefokkerij,
welke weder van planten voedsel afhangt. In ieder
geval is het welslagen zijner onderneming in de
hoogste mate afhankelijk van de vruchtbaarheid
van den bodem, en dus indirect van de bacteriën.
Reeds bij de vorming van den „bodem" spelen
zij een rol. Zooals bekend ondersteld mag wor-
den, hangt de vorming van den grond ten nauw-
ste samen met het uit elkaar vallen der rotsen
en bergen, wat men gewoonlijk verweeren noemt.
Dit proces, hoofdzakelijk een gevolg van de in-
werking van vochtigheid en koude op de ge-
steenten, en nog geholpen door de oxydeerende
werking der lucht, is dus voornamelijk een van
physischen en chemischen aard. Niettemin spelen
bacteriën hierbij ook eene rol, al moet toegegeven
worden dat zij, in vergelijking met de andere fac-
toren, eene kleine is. Sommige soorten van mikro-
organismen kunnen, zooals wij vroeger zagen,
groeien op zeer eenvoudige voedingsstoffen; zij
zijn reeds in staat uit vrije stikstof en koolzure
zouten volkomen in het noodige voor hun levens-
onderhoud te voorzien. Deze organismen schijnen
nu te leven op de kale oppervlakte der gesteen-
ten, waarbij de door hen afgescheiden producten
-ocr page 131-
ii9
van zuren aard, uit de vrije stikstof en het op-
genomen koolzuur gevormd, de natuur te hulp
komen in haar vernielingsproces.
Intusschen worden voor de vorming van een
vruchtbaren grond nog meer ingrediënten ver-
eischt dan de verweerde gesteenten kunnen le-
veren, in de eerste plaats zijn dat de zwavelzure
zouten, welke een voornaam bestanddeel van alle
plantenvoedsel uitmaken. Deze Sulfaten schijnen
ten minste gedeeltelijk gevormd te worden dooi-
de werking der bacteriën. Bij de ontleding van
eiwitachtige lichamen ontstaat onder anderen
steeds Zwavelwaterstof, daar alle eiwitten zwavel
bevatten. Dit gas, dat meestal ook in de atmos-
pheer wordt aangetroffen, wordt langzamerhand
door bacteriën geoxydeerd tot Zwavelzuur, dat
zich met de metalen verbindt tot zwavelzure
zouten. Op dezelfde wijze is waarschijnlijk de af-
zetting van phosphorzure en kiezelzure verbin-
dingen, vooral die met ijzer, aan bacteriëngroei
te danken. Ofschoon, zooals gezegd, de hoofdrol
bij deze veranderingen der aardoppervlakte, wel
door invloeden van physischen en chemischen
aard gespeeld wordt, toch kan de medewerking
der bacteriën hierbij niet ontkend worden.
Een nog belangrijker factor voor de vrucht-
baarheid van den bodem is zijn gehalte aan stik-
stof houdende stoffen, want zonder deze is hij
geheel onvruchtbaar. Gedurende langen tijd is
de vraag naar hunne herkomst onbeantwoord
gebleven: overal waar men den bodem, welke
-ocr page 132-
120
zich als zeer vruchtbaar toonde, onderzocht, vond
men dat hij salpeterzure zouten en andere stik-
stof-verbindingen bevatte ; op sommige plaatsen
der aarde vindt men zelfs uitgestrekte lagen van
nitraten, zooals de Salpeterbeddingen in Chili.
Dat deze uit de stikstof der lucht zijn gevormd,
schijnt vast te staan, doch over de wijze waarop
dat proces plaats greep, loopen de meeningen
nog zeer uiteen. Zoo nemen b.v. sommigen aan,
dat electrische ontladingen in de atmospheer,
waarbij steeds kleine hoeveelheden van verbin-
dingen der stikstof met de zuurstof ontstaan,
er de oorzaak van zouden zijn, welke zich dan
met de in den bodem voorkomende metaal-
verbindingen, zooals koolzure, phosphorzure zou-
ten zouden omzetten tot nitraten, maar het valt
zeer moeielijk, eene dergelijke stelling vol te
houden. Hoe zouden, om maar iets te noemen,
juist op dat punt der aarde de nitraten in een
zoo enorme hoeveelheid gevormd worden, terwijl
overal elders van hunne aanwezigheid, ten minste
in eenigszins aanmerkelijke quantiteit, niets ge-
bleken is; de onweders zouden er niet van de
lucht moeten zijn om dergelijke salpeterlagen te
kunnen vormen. Meer waarschijnlijk is dan ook
de oplossing, dat er in vroegere aardperioden
door stormen en watervloeden groote massa\'s
zeeplanten in dat bekken zijn aangespoeld, welke,
bij hun ontleding door bacteriën, die enorme
hoeveelheden salpeterzure verbindingen uit hun
eiwit, hebben doen ontstaan. Intusschen, hoe dit
-ocr page 133-
121
ook zij, een feit is het, dat de gewoonlijk in
eiken ook maar eenigszins vruchtbaren grond
voorkomende salpeterzure verbindingen, voor-
namelijk hun ontstaan te danken hebben aan de
werkzaamheid der aardbacterien, welke in staat
zijn de vrije stikstof te assimüeeren en om te
zetten in Nitrieten en Nitraten, \'t Zij alleen,
\'t zij in verbinding met hoogere planten, zooals de
Vlinderbloemige gewassen, waardoor deze in staat
worden gesteld de stikstof in hunne wortels en
stengels te verzamelen, waardoor de bodem be-
hoed wordt tegen uitputting, welke door de
voortdurende onttrekking door de planten on-
vermijdelijk zoude plaats grijpen. Wij zien dus
dat de bacteriën naar alle waarschijnlijkheid als
de hoofdfactor te beschouwen zijn, welke den
maagdelijken grond van den beginne af met
stikstof voorzien hebben, en aldus voor een groot
deel tot zijne vruchtbaarheid hebben bijgedragen.
Hoe belangrijk de zoo even behandelde stik-
stofverbindingen voor den landbouw ook mogen
zijn, het voornaamste deel van den grond is ech-
ter dat wat wij Humus noemen, en waarvan de
vorming geheel en al op bacteriënwerking berust.
Deze humus is een zeer gecompliceerde stof
en verschillend van samenstelling in de verschil-
lende grondsoorten. Zij bevat een overvloed van
stikstofverbindingen, verder zwavelzure en phos-
phorzure zouten, Koolhydraten en nog eenige
andere stoffen welke het karakter van zuren
hebben; zij is het welke het verschil tusschen
-ocr page 134-
122
vruchtbare teelaarde en den onvruchtbaren heide-
grond uitmaakt. Wanneer de bodem jaar op jaar
voor cultuur gebezigd wordt, raken zijn voedende
bestanddeelen langzaam maar zeker uitgeput,
want telkens wordt iets van de humus verbruikt,
en zal de bodem eindelijk niet meer in staat
zijn plantenleven te onderhouden, wanneer dat
verlies niet intijds gedekt wordt. De landbouwer
is dus gedwongen, wanneer hij zijn oogsten niet
wil zien verminderen, voortdurend meer of min-
der gebruik te maken van meststoffen, met an-
dere woorden zijne verbouwde gewassen te voeden.
Voor eiken boer is de hoofdbron dezer voedings-
stoffen wel de verkregen mest van zijn vee, daar
zonder dat geen rationeel landbouwbedrijf is uit
te oefenen. De reden, waarom juist deze mest
zulk uitstekend voedsel voor de plant afgeeft,
ligt voor de hand, omdat zij grootendeels bestaat
uit het onverteerde gedeelte van het door de
dieren opgenomen voedsel vermengd met al het
afgescheiden Ureum en andere producten der
•dieren, en dus, behalve verschillende minerale
bestanddeelen, al de in het dierlijke organisme
verbruikte stikstof bevat. In dien toestand, waarin
zij wordt gevormd, is de mest echter nog niet
veel waard als plantenvoedsel. De landbouwer
heeft door ervaring geleerd, dat zij eerst nog een
soort van rijpingsproces moet ondergaan, voor
zij hem van nut is op zijne akkers. Jonge mest
wordt nu en dan wel aangewend, maar oefent
eerst later zijne gunstige werking uit op den
-ocr page 135-
123
plantengroei. Daarvandaan zet de boer zijne
mest gewoonlijk voor langeren tijd op hoopen,
om haar tijd te laten langzamerhand de ge^
wenschte omzettingen te ondergaan, waardoor zij
als voedingsstof zoo hooge waarde krijgt. Dit
rijpingsproces kan gereedelijk verklaard worden
uit de vroeger reeds aangehaalde feiten; daar het
inderdaad uit niets anders bestaat dan uit de
ontleding der meer gecompliceerde stikstofverbin-
dingen in de dierlijke excretieproducten in meer
enkelvoudige. De eiwitachtige stoffen vallen uit
elkaar, en de daarin aanwezige stikstof gaat ten
slotte over in Salpeterzuur, Ammoniak en zelfs
vrije Stikstof, vooral het Ureum wordt bijna ge-
heel gesplitst in Ammoniak en Koolzuur. Daarna
treedt een tweede proces in werking, ook reeds
hier boven genoemd, waarbij de lagere stikstof-
verbindingen, zooals het Ammoniak en zijne de-
rivaten, de Nitrieten enz., langzamerhand geoxy-
deerd worden tot Salpeterzuur, kortom, het ge-
heel is zoowel een reductie- als oxydatieproces,
waarbij eerst eene ontleding en dan eene syn-
these plaats grijpt. Onder de inwerking der bac-
teriën wordt dus de composthoop, waarop allerlei
afval, zoowel dierlijke als plantaardige, geworpen
wordt, voor den boer de groote bron van planten-
voedsel. Het is dus eene cultuur van verschil-
lende bacteriënsoorten op reusachtige schaal.
Maar de volledige kennis van dit rijpingsproces
stelt den landbouwer ook in staat elke verspilling
van de voor hem zoo kostbare materialen tegen
-ocr page 136-
I24
te gaan. Wanneer hij het geheel aan zijn lot
overlaat, zonder er naar om te zien, zal hij spoedig
kunnen bemerken, dat een niet onbelangrijk ge-
deelte der stikstof verloren gaat in de lucht,
hetzij in den vorm van Ammoniak, hetzij als vrije
Stikstof. Zelfs de nitraten kunnen aldus verloren
gaan door de werking der bacteriën. Die stik-
stof is voor hem onherroepelijk verloren, en
kan hij dat verlies alleen vergoeden door toe-
voeging van kunstmeststoffen, zooals Chilisalpeter,
of door het uit de lucht terug te winnen met
behulp van de organismen, welke in staat zijn
gasvormige stikstof te assimileeren.
Zooals gezegd, is de hoofdbron van het stik-
stofverlies het vervluchtigen van het Ammoniak-
gas in de lucht, maar de wetenschap doet hem
ook hiertegen het middel aan de hand; door
toevoeging n.1. van sommige chemicaliën, welke
zich gemakkelijk met ammoniak vereenigen, kan
hij bijna alle stikstof behouden in den vorm van
ammoniakzouten, welke, nadat zij eens gevormd
zijn, geen neiging tot vervluchtigen vertoonen.
De gewone Gyps of Superphosphaat en dergelijke
binden het Ammoniak gemakkelijk, en stellen
hem dus in staat het verspillen van stikstof
grootendeels te keer te gaan en zoodoende alle
aan den bodem onttrokken stikstof, door zijne
daarop verbouwde gewassen, en door zijn vee-
stapel verder verbruikt, aan den grond terug te
geven. De planten vormen uit de nitraten enz.
eiwitten, waarmede de dieren zich voeden, en
-ocr page 137-
i25
hem óf melk, èf vleesch óf mest er voor in de
plaats geven. De bacteriën eindelijk zetten deze
producten langs den een of anderen weg in zijn
composthoop weder om in nitraten, welke dan den
kringloop weder van voren af kunnen beginnen.
Deze zoude natuurlijk tot in het oneindige kun-
nen doorgaan, wanneer er niet met twee feiten
rekening gehouden moest worden, n.1. het verlies
aan stikstof dat geleden wordt door den verkoop
van melk, granen vleesch enz., en dat wat onver-
mijdelijk bij alle rottingsprocessen optreedt, n.1. de
stikstof welke in de lucht verdwijnt, hoe goed de
mest ook behandeld wordt, die hoeveelheden zijn
voor den boer niet terug te winnen. Maar ook
dit verlies kan ondervangen worden door een
wijze van grondbemesting waarbij de bodem zeer
verrijkt wordt met stikstofverbindingen, n.1. de
groene bemesting. Daartoe wordt het land be-
zaaid met die planten, welke door hunne samen-
leving met bacteriën de stikstof direct kunnen
opnemen. Zoodra zij eene flinke hoogte bereikt
hebben, worden zij niet geoogst, maar direct
ondergeploegd of de toppen worden afgesneden
om als voeder te dienen, en de rest direct als
meststof gebruikt. Dit materiaal kan dus alleen
geleverd worden door planten, welke door hunne
symbiose direct stikstof assimileeren, welke later
bij het rottingsproces, dat er in den bodem plaats
grijpt, naast de minerale bestanddeelen, door den
grond wordt vastgehouden op de wijze zooals
wij vroeger reeds vermeldden.
-ocr page 138-
I2Ó
We zien dus ook hier weder, dat het geheele
stikstofvraagstuk, het hoofdmoment voor de
vruchtbaarheid van den bodem, ten slotte slechts
neerkomt op een zuiver bacteriologisch vraag-
stuk, welks oplossing de boer geheel in de hand
heeft, door steeds te zorgen dat hij zijne bond-
genooten, de mikroörganismen, op een gegeven
oogenblik aan het werk kan zetten om hem het
geleden verlies in zijn bedrijf te helpen vergoeden.
Rol dkr bacteriën bij de Steenkoolvorming.
In nog een zeer belangrijk proces in de natuur
hebben bacteriën eene groote rol gespeeld, n.1.
bij de vorming der steenkool, welker enorme be-
teekenis in het hedendaagsche leven wel onnoodig
zal zijn nog nader in \'t licht te stellen. Afgezien
van haar gebruik als brandstof, waarop onze
moderne verwarmingswijze geheel gebaseerd is,
levert de steenkool ons eene onafzienbare reeks
van producten van onberekenbare waarde. Zoo
wordt uit haar het lichtgas gestookt, waarnaast
het ammoniak als bijproduct verkregen wordt,
benevens de koolteer, welke de grondstof is voor
eene geheele reeks van scheikundige verbindingen,
alle even belangrijk voor de techniek, en waarvan
we slechts aanstippen willen, het Carbolzuur, en
andere Phenolen, benevens de schitterende aniline
kleurstoffen, in alle mogelijke kleurschakeeringen.
Ofschoon nu aan de vorming van al deze stof-
-ocr page 139-
127
fen de bacteriën wel geen aandeel hebben, daar
zij geheel langs technischen weg verkregen wor-
den, zijn toch de mikroörganismen grootendeels
de bewerkers van het oorsprongmateriaal der
steenkool geweest. Zooals wel algemeen bekend
kan voorondersteld worden, is de kool een over-
blijfsel van den overweldigenden plantengroei uit
een lang vervlogen geologisch tijdperk. Zij stelt
dus voor eene aequivalente hoeveelheid koolzuur
gas, door de toen levende planten aan de at-
mospheer onttrokken. Terwijl deze dus onmid-
delijk het hoofdmateriaal voor de steenkool op-
leverden, namen de bacteriën op twee verschil-
lende wijzen deel aan dat proces. In de eerste
plaats schijnt het vrij wel vast te staan, dat zij
de planten met stikstof voorzien hebben, wanneer
we ten minste uit hetgeen heden ten dage plaats
heeft, een besluit kunnen trekken tot hetgeen
vroeger gebeurde. Zonder een voorraad van vast-
gelegde stikstof in den bodem zouden deze steen-
koolleverende planten nooit hebben kunnen
groeien, zooals in het vorige hoofdstuk uiteen-
gezet werd. Op grond van het daar aangevoerde
bestaat er vrij groote zekerheid, dat toen, even-
als nu, de bacteriën wel de hoofdrol zullen ge-
speeld hebben bij het assimileeren der stikstof
uit de atmospheer, en welke op dit oogenblik
nog grootendeels teruggevonden wordt in de kool.
Maar in eene latere periode van steenkoolvorming
hebben zij ongetwijfeld eene groote rol gespeeld.
Kool is niet enkel maar opgehoopte plantengroei.
-ocr page 140-
128
Wanneer men de verschillende soorten onder-
zoekt, vindt men dat er een groot verschil be-
staat tusschen hare scheikundige samenstelling
en die van het hout, waaruit zij gevormd is. Zij
bevat een veel hooger percentage aan koolstof
en veel lager aan waterstof en zuurstof dan de
levende plant. De omzetting van deze laatste in
steenkool ging vergezeld van een trapsgewijze
verlies aan waterstof en zuurstof en bijgevolg
een verhoogd percentage aan koolstof. Aan deze
verandering heeft de kool hare grootere dichtheid
en hare hoogere waarde als brandstof te danken
boven het hout. Omtrent de wijze, waarop de
steenkool langzamerhand uit het hout is ontstaan,
bestaat op dit oogenblik weinig twijfel meer,
daar wij het dagelijks nog kunnen waarnemen in
onze venen, zij het dan ook niet geheel ten einde
toe. De afgestorven boomstammen, takken, bla-
deren, maar vooral de mossoorten welke tot het
geslacht Sphagnum behooren, hoopen zich lang-
zamerhand op, en beginnen in gistenden toestand
over te gaan, zoodra de voorwaarden ten op-
zichte der temperatuur en vochtigheid slechts
gunstig zijn. Onder gewone omstandigheden zoude
de inwerking der bacteriën eerst ten einde zijn,
zoodra de koolstof geheel geoxydeerd geworden
ware en de organische stof geheel uit elkander
gevallen. Wanneer echter die plantenmassa door
water en slib van de lucht wordt afgesloten en
de temperatuur eene zekere hoogte bereikt, loopt
het proces in eene andere richting en heeft er
-ocr page 141-
129
bij lange na niet zulk eene volledige splitsing
plaats. Want de waterlaag belet de toetreding
der zuurstof uit de lucht, waardoor de oxydatie
der koolstof tot koolzuur bijna geheel wordt op-
geheven, de geheele massa verandert dus alleen
van samenstelling; onder den invloed van deze
langzame gisting wordt zij allengs dichter en
vaster in hare consistentie, door den op haar
rustenden druk waarschijnlijk nog geholpen. Haar
oorspronkelijk karakter gaat meer en meer ver-
loren, er heeft voortdurend verlies aan waterstof
en zuurstof plaats. Wel is waar gaat er ook kool-
stof verloren, want men ziet er voortdurend gas-
bellen in opstijgen, welke uit moerasgas bestaan,
eene verbinding van koolstof en waterstof, doch
dat verlies kan bij lange na niet vergeleken wor-
den met dat der eerste twee. Daarvandaan dat
het percentgehalte der laatste voortdurend stijgt,
en dat der andere vermindert. Evenwel treedt
deze wijze van gisting niet overal en in alle
plantenmateriaal, dat er aan blootgesteld wordt,
op; daartoe schijnen bepaalde omstandigheden,
en misschien ook nog bepaalde organismen aan-
wezig te moeten zijn, en vooral eene zekere tem-
peratuur te moeten heerschen. De vorming van
veen heeft niet in alle streken der aarde plaats.
In warme klimaten en daar waar de planten aan
de lucht zijn blootgesteld, zij het ook maar voor
zekeren tijd, gaat het ontledingsproces zoo ver,
dat het materiaal geheel vernietigd wordt. Alleen
in de koudere luchtstreken, waar het water nooit
v. D. Marck, Bacteriën,                                          9
-ocr page 142-
i3°
geheel verdampt, zal men dus turfvorming kun-
nen aantreffen.
De vorming van veen schijnt echter slechts
een eerste stap te wezen tot de omzetting van
plantenweefsel in steenkool. Hoe langer het boven
beschreven proces duurt, zoo vaster en rijker aan
koolstof wordt de stof. Wanneer wij eene veen-
laag op verschillende diepten onderzoeken vinden
wij dat zij al vaster en vaster wordt, op den
bodem is zij soms steenhard, zeer donker van
kleur en vertoont nog slechts sporen van hare
oorspronkelijke samenstelling. Zij is dan reeds
overgegaan in een toestand, dien men Bruinkool
noemt. Deze bevat meer koolstof dan turf, doch
minder dan steenkool en stelt dus een tusschen-
vorm tusschen deze beide. Gaat het proces nog
verder dan verkrijgen wij Steenkool en eindelijk
Anthracit.
Wanneer het zoo even beschrevene een juist
beeld ontwerpt van de steenkoolvorming, dan
zien we ook hier weder een proces waaraan de
mikroörganismen een groot en belangrijk aan-
deel hadden. Helaas verkeeren wij echter nog
zeer in het onzekere omtrent de juiste toedracht
der processen, welke er bij plaats grijpen. Zoo
weten wij nog niets van de soorten van bacteriën
welke er eene rol bij spelen, evenmin als van de
wijze waarop het gistingsproces verloopt, omdat
tot nu toe nog geen turf is verkregen geworden
langs kunstmatigen weg. Men heeft het gewoon-
lijk beschouwd als een langzaam voortgaande
-ocr page 143-
i3i
scheikundige verandering, maar de groote over-
eenkomst die er bestaat tusschen dit en andere
gistingsprocessen, wijst ons er als van zelf op,
dat wij het hoofdzakelijk op rekening der bac-
teriën moeten schrijven. Er bestaat geen enkele
reden om te twijfelen of in die geologische peri-
oden, toen de steenkool ontstond, bacteriën be-
stonden met dezelfde eigenschappen als zij nu
bezitten, en zoo kunnen wij waarschijnlijk het
langzaam voortgaande proces, waarbij de steen-
kool gevormd, toeschrijven aan die soorten van
mikroörganismen, welke kunnen groeien bij af-
wezigheid van zuurstof, de z.g.n. Anaërobe
bacteriën.
Dus ook hier vinden wij een ontzaglijk rijke
bron in de natuur ons door de kleinste aller
levende wezens verschaft. Hoeveel invloed water
en daarmede gepaard gaande druk ook op de
vorming gehad mogen hebben, het was op den
keper beschouwd toch slechts de bijzondere soort
van gisting waaraan het plantenmateriaal bloot-
stond, die de scheikundige verandering teweeg
bracht, waardoor het overging in steenkool. De
plantengroei der steenkoolperiode was in de
eerste plaats afhankelijk van de stikstof, door
de bacteriën in den bodem vastgelegd, en aan hen
hebben wij het tevens te danken, dat die vegetatie,
als \'t ware een accumulator van de energie der
zonnestralen uit lang vervlogen tijdperken, voor
ons in den schoot der aarde opgeborgen bleef.
9*
-ocr page 144-
132
Bacteriën en hunne betrekking tot de
besmettelijke ziekten.
Hoe weinig, bij de meeste leeken op bacterio-
logisch gebied, ook bekend moge wezen van al
de goede eigenschappen welke de mikroörganis-
men bezitten, en waarvan we in het voorafgaande
een beknopt overzicht gegeven hebben, des te
meer heeft de minder aangename eigenschap van
sommige hunner, ziekte te kunnen veroorzaken,
aan de geheele klasse van individuen eene zoo
groote reputatie bezorgd, dat zij bij iedereen be-
kend zijn geworden, ten minste bij name. Feite-
lijk zijn zij alleen door deze eigenschap het voor-
werp der algemeene aandacht geworden, in deze
richting het best bestudeerd, en is de betrekking
welke tusschen hen en het ontstaan van velerlei
ziekten bestaat zoo druk besproken, dat de meeste
lezers bij het hooren van den naam bacterie, de
gedachte aan eene of andere ziekte daaraan vast-
knoopen, zoodat de woorden bacterie en ziekte
voor hen ongeveer synoniem zijn geworden.
Daarvandaan de hedendaagsche bacteriënjacht;
wanneer de een of andere fabrikant voor een
door hem gefabriceerd of verkocht artikel reclame
wil maken, voornamelijk wanneer het consumptie-
artikelen zijn, dan wordt het allereerst nadruk
gelegd op de afwezigheid van bacteriën; het is
dan ook reeds voldoende voor een artikel er
mikroörganismen in aan te kunnen toonen, om
het voor verdacht te houden; er is op dit ge-
bied niet weinig overdrijving.
-ocr page 145-
133
Zooals we reeds gezien hebben, zijn de bacte-
riën eer als vrienden, dan als vijanden van den
mensch te beschouwen. Want al moet toegege-
ven worden dat er sommige vormen zijn welke
het menschelijk lichaam direct of indirect kun-
nen schaden, hun aantal is in werkelijkheid
uiterst klein tegenover de groote menigte der
geheel onschadelijke soorten. De eerste, welke
zich als echte parasieten gedragen, hebben den
naam Pathogene bacteriën gekregen, daar zij
onder bepaalde omstandigheden, in het men-
schelijk of dierlijke lichaam gebracht, eene ka-
rakteristieke ziekte doen ontstaan. De nietpa-
thogene soorten zijn geheel onschuldig al worden
zij ook bij duizenden opgenomen ; zij leven niet
parasitisch en zijn niet in staat in de weefsels
van het menschelijke lichaam te groeien. Hunne
aanwezigheid gaat zelfs geheel samen met eene
volmaakte gezondheid, en er zijn zelfs redenen
om te gelooven dat zij daaraan veelal bevor-
derlijk zijn. Het is dus geheel onjuist alle bac-
teriën te veroordeelen, omdat sommige nu en
dan ons overlast veroorzaken.
Het dierlijke lichaam kan op verschillende
wijzen den nadeeligen invloed dezer pathogene
bacteriën ondervinden, want alle werken niet op
dezelfde manier. Reeds dadelijk kan men deze
afdeeling van mikroörganismen in twee klassen
scheiden, welke echter door tusschenvormen
verbonden blijven. De eerste omvat diegene welke
niet streng parasitisch leven doch vrij in de
-ocr page 146-
r34
natuur voorkomen, dus alleen hun parasitisch
karakter toonen zoodra hun daartoe de gelegen-
heid aangeboden wordt en voor \'t overige dus
als Saprophyten leven ; in de tweede komen dan
alleen die vormen welke streng parasitisch leven,
dus alleen in het lichaam van mensch en dier
voorkomen. Daar buiten zijn zij niet in staat
zich te ontwikkelen. Voor het juiste begrip dezer
twee klassen, zullen we eerst de manier nagaan
waarop bacteriën in \'t algemeen ziekte veroor-
zaken.
Wijze waarop Bacteriën ziekten doen
ontstaan.
Sedert het oogenblik dat men duidelijk had
aangetoond, dat sommige bacteriénsoorten de
oorzaak zijn van verschillende ziekten, rees van
zelf de vraag op welke wijze dat in zijn werk
ging, hoe hunne aanwezigheid in het lichaam de
symptomen der verschillende ziekten kon te
voorschijn roepen. En op deze vraag zijn in
vroeger tijd heel wat antwoorden gegeven. De
een meende dat zij door hun groei het lichaam
van zijn voedsel beroofden en dus uitputten;
een ander daarentegen hield hunne werking voor
eene oxydatie of reductie van de weefsels van
het lichaam, terwijl een derde wederom de mee-
ning was toegedaan dat zij den bloedsomloop
belemmerden. Geene enkele van deze oplossin-
-ocr page 147-
i3S
gen is evenwel steekhoudend bevonden. Het
was eerst aan de laatste jaren voorbehouden op
deze zaak het noodige licht te kunnen laten
schijnen ; thans staat vast dat de bacteriën bij
hun groei in het lichaam vergiften produceeren,
welke dan hun verderfelijken invloed doen gel-
den op de verschillende weefsels. Immers vroe-
ger zagen we reeds hoe bij de ontwikkeling der
organismen in verschillende voedingssubstraten
een groot aantal ontledingsproducten ontstaan,
waaronder zeer vele van vergiftigen aard waren,
en van zoo hevige werking dat zij bij het in-
brengen in het dierlijk lichaam vergiftiging en
den dood ten gevolge hebben. We behoeven
ons de pathogene bacteriën slechts voor te stel-
len, als zulke vergiften bij hun groei producee-
rend, en we hebben terstond eene verklaring
der manier waarop zij ziekten doen ontstaan.
Deze voorstelling der zaak is echter meer dan
louter theorie, zij is in zeer vele gevallen ook
experimenteel bewezen. Men heeft gevonden dat
de bacteriën welke Diphtherie, Wondkramp, Ty-
phus, Tering enz. veroorzaken, zelfs wanneer zij
groeien in de gewone voedingsmedien, vergiften
ontwikkelen van uiterst hevigen aard. Bij in-
brenging in het lichaam van een of ander dier
ziet men dezelfde verschijnselen optreden, als
wanneer de bacteriën zelf in het lichaam para-
siteerden ; het eenige verschil dat men opmerkt
bestaat alleen in de snelheid waarmede het dier
sterft. Wordt het vergift als zoodanig ingespoten
-ocr page 148-
136
<lan ziet men reeds korten tijd daarna de ver-
giftigingsverschijnselen optreden : worden daaren-
tegen de bacteriën in het lichaam gebracht, dan
kan het soms dagen of weken duren eer men
iets van hunne werking bespeurt, in elk geval
niet voor dat de bacteriën zich hebben kunnen
voortplanten in het lichaam en eene hoeveelheid
vergift produceeren, voldoende om het effect te
weeg te brengen. Hoewel deze wijze van wer-
ken voor sommige soorten bewezen is langs
experimenteelen weg, en voor andere zoo goed
als zeker schijnt, blijven er toch nog vele over
wier werking op het organisme tot op dit oogen-
blik nog geheel onopgehelderd is. Intusschen
stelt ons deze verklaring van hunne werking, in
staat een duidelijk inzicht te krijgen in de be-
trekking tusschen de bacteriën en de door hen
veroorzaakte ziekten.
Pathogene Bacteriën welke niet streng
Parasieten zijn.
Wanneer men het feit in aanmerking neemt
dat verschillende bacteriën vergift kunnen vor-
men, is het gemakkelijk in te zien dat zij nog
geen parasieten behoeven te wezen om het dier-
lijk en menschelijk organisme ziek te kunnen
maken. Gewoonlijk worden zij gevonden zoo als
wij vroeger zagen in allerlei rottende stoften in
de natuur, en aullen zij of de door hen afge-
-ocr page 149-
137
scheiden vergiften, dus uit den aard der zaak
zelden in de gelegenheid wezen in het mensche-
lijke lichaam te geraken. Die toxische producten,
welke in \'t eerste rottingsstadium optreden en
eene nauwe verwantschap met het Ammoniak
vertoonen, worden even als dit laatste in latere
stadion verder geoxydeerd tot geheel onschul-
dige stoften. Mocht het echter door een of ander
toeval gebeuren, dat een of meer soorten van
deze bacteriën gelegenheid vonden gedurende
een zekeren tijd, zich krachtig te ontwikkelen
in organisch materiaal dat later als menschelijk
voedsel diende, dan zouden natuurlijk de daaruit
voortkomende schadelijke gevolgen niet kunnen
uitblijven, omdat het geheele organisme terstond
vergiftigd wordt. Het resultaat hangt slechts af
van de opgenomen hoeveelheid ; is die groot
dan kan het effect zoo hevig wezen dat de patiënt
het grootste gevaar loopt het leven er bij in te
schieten ; kleine hoeveelheden, ook al worden zij
vaker opgenomen, zullen slechts lichte onge-
steldheden zij het ook van langeren duur ten
gevolge hebben. Juist deze laatste gevallen ko-
men veelvuldig voor, ofschoon ook de zwaardere
gevallen juist geen zeldzaamheden zijn. Als voor-
beeld willen we slechts noemen de herhaaldelijk
waargenomen intoxicatie met vanilleijs, kaas,
melk enz. en de zoo beruchte vleesch en worst-
vergiftiging, welke reeds zoo vele slachtoffers
geeischt heeft. In al deze gevallen hangt het
verloop slechts af van de meer of minder groote
-ocr page 150-
138
hoeveelheid opgenomen vergift; is het lichaam
in staat weerstand te bieden aan de werking,
dan komt de patiënt het na korter of langer
poos te boven — in het tegenovergestelde geval
is het verloop bijna absoluut doodelijk. Zoo kan
het ook nog voorkomen dat de hoeveelheid ver-
gift welke wordt opgenomen, te klein is voor
eene werking van eenige beteekenis te voorschijn
te roepen, tenzij de hoeveelheid herhaaldelijk
ingebracht wordt. Zoo kan het gebeuren dat de
bacteriën welke in voedingsmiddelen groeien,
zelfs nog na de opname in het menschelijk or-
ganisme hunnen groei voortzetten zooals dat vooral
van de melkbacteriën bekend is. Onder deze
omstandigheden zijn de bacteriën niet parasitisch
in de strenge beteekenis van het woord, omdat
zij eenvoudig leven en groeien op hetzelfde
voedsel dat zij ook buiten het menschelijke
lichaam verwerken, en zich niet voeden op de
weefsels. De vergiften welke zij afscheiden wor-
den natuurlijk zoo lang ontwikkeld als de bac-
teriën in hun groei doorgaan, hetzij dit in eene
melkkan, of in de maag of het darmkanaal
plaats heeft. Die vergiften worden opgenomen in
het lichaam en zullen dan eene meer of mindere
hevige ongesteldheid veroorzaken van korteren
of langeren duur, naarmate hetzelfde voedsel en
dezelfde bacteriën worden opgenomen. Tot deze
categorie van ziekten behoort onder anderen de zoo
zeer gevreesde Cholera infantum, zoo vaak voor-
komende onder kinderen welke met koemelk ge-
-ocr page 151-
139
voed worden in het warme jaargetijde, en waarvan
de oorzaak gemakkelijk kan begrepen worden,
wanneer wij ons slechts herinneren het groote
aantal bacteriën in melk voorkomende in het
warme jaargetijde, en rekening houden met het
teêre gestel van het jonge kind, dat reeds door
kleine giften van het ontwikkelde vergift geheel
van streek raakt, terwijl het zooveel sterkere
gestel van den volwassene er geen hinder van
zoude hebben. Tevens wordt dan duidelijk dat
de ziekteverschijnselen terstond zullen ophouden,
wanneer slechts zorg gedragen wordt het kind
niets anders dan gesteriliseerde melk te geven.
Toe op dit oogenblik zijn wij op verre na niet
volledig bekend met al de ziekten welke door
bacteriën op deze wijze veroorzaakt worden.
Uit den aard der zaak, zullen zij wel hoofdza-
kelijk verbonden zijn met onze voedingsmidde-
len, en derhalve voornamelijk, ofschoon niet
altijd stoornissen in het darmkanaal veroorzaken.
Zoo is het meer dan waarschijnlijk dat verschei-
dene gevallen der z. g. n. zomerdiarrhoeen
daarin hare oorzaak hebben, en bij nauwgezet
onderzoek in de vergiften, door bacteriën ge-
vormd voor of na de opname in het voedsel,
de bron van al die ongemakken zouden gevon-
den worden. In het warme jaargetijde, wanneer
bacteriën overal overvloedig voorkomen en zoo
snel groeien, is het onmogelijk aan dergelijk
gevaar te ontkomen, zonder de uitoefening eener
keuring van alle voedingsmiddelen welke door
-ocr page 152-
140
hunne samenstelling de mogelijkheid tot vergift-
vorming aanbieden. Die keuring zoude dan even-
wel zoo streng behooren te zijn, dat zij bijna
onuitvoerbaar zoude blijken. Nogmaals willen we
er echter op wijzen, dat in de eerste plaats de
melk en de daaruit bereide producten, benevens
alle eiwitrijke lichamen de meest gewone en
gevaarlijke bron voor dergelijke intoxicaties op-
leveren, en is het daarom raadzaam in het warme
jaargetijde dergelijke spijzen niet te nuttigen,
tenzij zij versch bereid of door koking van de
daarin voorkomende organismen bevrijd zijn.
FACULTATIEVE EN OISLIGATE PARASIETEN.
In het vorige hoofdstuk werd eene verdeeling
der Bacteriën in Parasieten en Saprophyten ge-
noemd, welke zag op de verschillende biologische
eigenschappen der onderscheidene soorten, n.1.
of zij in staat zijn, bij invoering in het dierlijke
of menschelijke organisme, daarin zich verder te
kunnen ontwikkelen of niet. Die verdeeling kan
voor de parasitische vormen nog verder voort-
gezet worden en wel in Facultatieve en Obligate
parasieten. Onder de eerste rekent men die vor-
men, welke zich buiten het levend organisme
volkomen kunnen ontwikkelen, en dus alleen bij
toeval daarin geraken, de laatste omvat de vor-
men welke uitsluitend daarin voorkomen. We
zullen thans in \'t kort een overzicht geven van
-ocr page 153-
141
de voornaamste representanten dezer twee klas-
sen en der door hen uitgeoefende werking.
Zoo geeft fig. 17 een beeld van den bacillus
welke de bekende en gevreesde keelziekte Diph-
j*> ^^             therie veroorzaakt. Hij groeit
«Ss-15^^ 1 op de slijmhuid of even onder
. °^ \\ de oppervlakte, en geeft daar
t,\'\'°b aanleiding tot de ontwikkeling
^ <====>              der z. g. n. valsche membra-
SLl\'ijSSMdJS nen- In d«e vliezen- ontstaan
vormen. Vergr. \'2I>". uit transsudaten, groeit hij ui-
terst snel onder vorming van zeer hevig wer-
kende vergiften welke met den algemeenen term
Toxinen bestempeld worden, en bij opname in
den bloedsomloop de ziekteverschijnselen veroor-
zaken. Het zelfde geldt voor den Tetanusbacillus
de oorzaak van den wondkramp waarvan fig. 18
ons een beeld geeft. Ge-
                     ...
woonlijk wordt deze soort              1 ^
in de aarde gevonden »j»               \\ y
en van daar, door een          *^ "Vj.              ^
er mede besmet voor-            „ *\\ ^
werp, in de eene of         4^5^
andere wond overge-               Jr*^
bracht. Hierin groeit hij • • f f
zeer gemakkelijk maar
                          "
blijft beperkt tot den Fi«- l8- Tetanus-badllen met
, j
                  ,          , sporen. Vergrooting — B
omtrek, dus zonder de                                 \'
overige weefsels aan te tasten. Ook hij geeft
aanleiding tot de vorming van vergiften welke
tot de hevigst werkende behooren die bekend
-ocr page 154-
142
zijn, en bij de opname in het organisme die
vreeselijke verschijnselen teweeg brengen welke
bij de lijders opgemerkt worden. De spieren
worden zoo sterk gespannen dat de patiënt b.v.
den mond niet openen kan ; het geheele lichaam
wordt gekromd als een boog enz., de spanning
kan zelfs zoo sterk worden dat de pezen scheu-
ren ; de ziekte heeft dan ook bijna regelmatig
een doodelijk verloop. Evenals de beide voor-
gaande werkt het organisme dat de ziekte der
Aziatische Cholera veroorzaakt. Fig. 19. Deze
bacillus groeit in het darmkanaal, zich voedende
gedeeltelijk
                                      a
met de daar-           \\
in aanwezige             \\ >             ■SJn&*\'iï^\'
voedingsstof-          ~~~i»w__r Afifr *"
fen, gedeel-           C<t vv&\'$&&*\'
telijkmetde S. ^j^
afgescheiden \' " ^^^
Stoffen dOOr Fig. 19. Choiera-spirillen meest alle in z. g. n.
kommavorn;. Bijna echter lange spirillen.
het lichaam.                      veigr. """.
Hij komt
voor op de slijmhuid en in het vlak daaronder
•liggende weefsel, zooals doorsneden onder het
mikroskoop beschouwd ons leeren; ook deze
soort vormt zeer vergiftig werkende stoffen, welke
de oorzaak van den dood der patiënten zijn.
Waren de tot nu toe behandelde vormen vrij
beperkt wat hunne groeiplaats betreft, de vol-
gende zijn meer verspreid in het lichaam, som-
mige komen zelfs in elk orgaan voor. B.v. het
-ocr page 155-
143
organisme dat de Typhusziekte veroorzaakt, de
bacillus Typhosus zie fig. 20 groeit behalve in
het darmkanaal ook nog
in sommige klieren zoo-
als lever, milt enz. Doch
hier schijnen zij geene
bizonder gunstige voor-
a mV V<f i"a "* waarden te vinden, ten
minste zij vermeerderen
Fig. 20. Tvphusbacillun uit                       • l            • . 1
•\' «00            er zich niet buitenge-
cultuur. Vergr. —j— •
woon sterk; ook komen
zij niet overal in genoemde klieren voor, doch
blijven meer beperkt tot kleine groepjes. Daar
waar zij groeien scheiden zij echter een vergift
af de z. g. n. Tvphotoxine, waaraan men het
optreden der koorts bij de lijders toeschrijft.
Eveneens is het gesteld wat betreft zijn voor-
komen, met den Bacillus dien men algemeen
als de oorzaak der longtering en analoge ziek-
ten beschouwt, den Bacillus Tuberculosis. Of-
schoon dit organisme zeer veelvuldig voorkomt
zoowel bij menschen als bij het vee waar hij de
bekende „parelziekte" veroorzaakt, en in staat is
allerhande organen aan te tasten, blijft hij toch
gewoonlijk vrij wel over een klein gebied gelo-
caliseerd, zooals eene enkele klier, eene kleine
plaats in de longen- of in het middenrif, terwijl
de overige organen van het lichaam vrij blijven.
In dat geval blijft dus de ziekte ook vrij be-
perkt en sleept voor den patiënt geene ernstige
gevolgen met zich. Breken echter door de eene
-ocr page 156-
144
of andere oorzaak de bacillen uit om zich meer
of minder vlug door het geheele lichaam te
verspreiden, dan is bijna regelmatig de dood
het gevolg. Daarvandaan dat de ziekte niet
per se doodelijk is; wanneer het slechts gelukt
de organismen te beletten uit hun groeiplaats
zich te verspreiden, zoodat zij daar latent blij-
ven, misschien wel op den duur geheel afsterven,
is genezing zeer goed mogelijk. Fig. 21 geeft
eene afbeelding van Tuberkelbacillen in sputa
door teringlijders opgegeven, waar men hen
ziet liggen als smalle staafjes tusschen cellen-
en andere weefselele-
menten.
In tegenstelling met
deze vormen versprei-
den andere zich na
hunne opname in het
lichaam zeer snel,
daar zij in den bloed-
stroom geraken en
Fig. 2:. Sputum met tuberkui. zoodoende overal heen
bacillen. Vergroot <±M.          worden gevoerd, ZOO-
dat eene algemeene infectie van alle weefsels
plotseling optreedt, waarvan ons de Miltvuur of
Anthrax bacillus een sprekend voorbeeld ople-
vert. Hij komt bij menschen vrij zelden voor,
des te meer echter onder runderen en schapen.
Men behoeft slechts eene kleine hoeveelheid
bloed der aangetaste dieren op een dekglaasje
uit te strijken, en na kleuring met Aniline kleur-
-ocr page 157-
145
stoffen onder het mikroskoop te brengen — om
tien- tot honderdtallen bacillen te zien meestal
in den vorm van lange draden. Bij overenting
op eene vaste voedingsstof b.v. agar en plaatsing
in eene broedstoof ziet men reeds na korten tijd
den bacillus overgaan tot sporenvorming; men
bemerkt dan in het lichaam der staafjes een of
meer sterk lichtbrekende bolletjes, welke men
door geschikte kleuringsmethoden afzonderlijk
kan tingeeren. Fig. 22 en 23 geven eene voor-
stelling van den Miltvuurbacillus zonder en met
sporen. Wat voor
dit organisme geldt,
is ook zeer waar-
schijnlijk voor ver-
schillende andere
soorten, welke de
oorzaak zijn van
die nog vrij on-
volledig bekende
ziekten, die men
met den naam van Fig. «. MUtvuurAnthrax.baciileii uit bloed.
Bloedvergiftiging               Vergrooting ^-tt.
bestempelt en welke het gevolg zijn van de
verspreiding van zekere soorten bacteriën door
het bloed in het geheele lichaam, waarbij waar-
schijnlijk ook weder afgescheiden vergiften eene
hoofdrol spelen. In \'t kort samengevat zien we
dus dat de z.g.n. bacteriënziekten het gevolg
zijn van de inwerking op het lichaam van ver-
giften door de bacteriën gedurende hunne ont-
V. D. MARCK, Bacteriën.                                                 10
-ocr page 158-
146
wikkeling afgescheiden. Het verschil in werking
der onderscheidene vergiften heeft natuurlijk ook
Fig. 23. Miltvuur-bacillen met sporen
8 "1 O
vergrooting \' .
een verschil in het karakter der ziekte tengevolge
en daarmede samenhangend een groot onderscheid
in hun verloop en de waargenomen verschijnselen.
Welke ziekten worden veroorzaakt door
Bacteriën ?
Het is uit den aard der zaak eene vraag van
het grootste gewicht, welke ziekten door bacte-
riën veroorzaakt worden, zoowel bij menschen
als dieren, en toch is het tot op dit oogen-
blik niet gemakkelijk zelfs nog onmogelijk, haar
geheel afdoende te beantwoorden. Het is eene
zeer moeielijke taak te bewijzen dat de eene of
andere ziekte door bacteriën veroorzaakt wordt,
zoodat geen twijfel meer mogelijk is. Daartoe
-ocr page 159-
147
behoort in de eerste plaats het aantoonen van
een specifiek organisme in alle ziektegevallen,
waarvan de afwezigheid bij gezonde menschen
en dieren bewezen is ; in de tweede plaats moet
dan nog eene methode om het te cultiveeren
gevonden worden, en last not least het overtui-
gend bewijs geleverd dat het gevonden organisme
ook bepaald de ziekte doet ontstaan wanneer
gezonde dieren er mede ingeënt worden. Elk
dezer eischen biedt reeds zijne bizondere moeie-
lijkheden, maar vooral de laatste, ten minste
wanneer het menschelijke ziekten betreft, omdat
experimenten op personen gewoonlijk onmogelijk
zijn, en zoodoende de laatste schakel in de keten
meestal blijft ontbreken. Heeft men dus eene
of andere specifieke bacteriënsoort bij eene zekere
ziekte gevonden, dan kunnen de verdere proef-
nemingen slechts op dieren plaats hebben. Maar
nu zijn dieren vaak geheel onvatbaar voor som-
mige menschelijke ziekten, en wanneer dat ook
al het geval is, is het steeds nog eene zeer
twijfelachtige zaak of de verschijnselen bij het
dier te voorschijn geroepen overeenkomen met
die bij den mensch opgemerkt, afgezien nog van
het feit dat verschillende diersoorten op geheel
verschillende wijze kunnen reageeren bij inenting
met hetzelfde mikroörganisme. Bijgevolg zal
het bewijs dat de eene of andere ziekte door
besmetting ontstaat, nu eens onomstootelijk vast
staan, een ander maal niet meer dan eene groote
waarschijnlijkheid blijven. Het is derhalve op dit
-ocr page 160-
148
oogenblik geheel ondoenlijk eene volledige en
juiste opsomming te geven van die bacteriën
welke bij den mensch ziekten doen ontstaan.
De moeielijkheid eene dergelijke lijst te geven
wordt nog vergroot door het in de laatste jaren
bekend geworden feit dat sommige soorten der
pathogene bacteriën verschillende verschijnselen
teweeg brengen, wanneer zij onder verschillende
voorwaarden gebracht worden. In het begin toen
men het verband leerde kennen dat tusschen
bacteriën en infectieziekten bestaat, meende men
dat elke bepaalde soort ook eene bepaalde ziekte
te voorschijn riep en omgekeerd dat elke ziekte
haar bepaalde bacterie had. Intusschen is het in
de laatste jaren gebleken dat deze redeneering
niet geheel opgaat voor alle gevallen ; wanneer
men ook al gevonden heeft dat b.v. Miltvuurbacil-
len altijd Miltvuur doen ontstaan, hoe en waar
zij ook in het lichaam gebracht worden, zoo zijn
er toch ook eene menigte andere vormen bekend ge-
worden wier werking niet zoo nauwkeurig omschre-
ven is, doch afhankelijk is van omstandigheden, b.v.
van het orgaan dat aangetast wordt, den toestand
waarin de patiënt zich bevindt enz. enz. Zoo
zijn, om iets te noemen, verschillende soorten van
bloedvergiftiging bij de deskundigen bekend on-
der den naam Septicaemie, Pyaemie, Gangraen
etc. etc, kortom eene geheele reeks van ziek-
ten van eene lichte ettervorming af tot eene
ernstige en levensgevaarlijke vergiftiging toe,
welke alle waarschijnlijk veroorzaakt worden door
-ocr page 161-
149
bacteriën, zonder dat het mogelijk is met juist-
heid te kunnen zeggen, die of die ziekte wordt
door deze of gene bacterie te voorschijn geroe-
pen. Zoo heeft men drie zeer gewone coccen-
vormen constant gevonden bij allerlei etterings-
processen, welke vormen overal voorkomen, ook
in en op het lichaam in gezonden toestand, in
de kleeding, op de huid enz., zonder dat zij
eenigen overlast veroorzaken. Doch zoodra zij in
open wonden komen, ziet men terstond hunne
vijandige eigenschappen te voorschijn treden;
de waargenomen verschijnselen varieeren echter
naar gelang van het aangetaste individu en de
soort. Is de patiënt op dat oogenblik in goede
gezondheid dan kunnen zij bij de opneming in
wonden vaak niet veel kwaad doen, terwijl
bij een minder gunstigen gezondheidstoestand,
allicht ernstiger gevaar dreigt. Zoo is het een
bekend verschijnsel dat sommige menschen tel
kens bij het kleinste wondje last hebben van
ettervorming en ontsteking, terwijl bij anderen
dergelijke en zelfs veel grootere wonden genezen
zonder eenige complicatie. Beide categorieën
staan zonder twijfel bloot aan dezelfde kansen
tot infectie, maar de een kan er weerstand aan
bieden en de ander niet; de leek redt zich dan,
om eene verklaring van het verschijnsel te geven,
met het gezegde „dat het bloed niet goed is",
eene phrase welke niemand veel opheldering
geeft en waarmede hij in den grond der zaak
toch misschien gelijk heeft. Nog kan het geval
-ocr page 162-
i5°
zich voordoen dat dezelfde soort op verschillende
tijdstippen eene andere werking uitoefent. Zoo
ziet men somtijds organismen welke gewoonlijk
in het darmkanaal gevonden worden en daar
geheel onschuldig zijn, onder nog onbekende
omstandigheden in de overige weefsels overgaan
en dan zeer ernstige soms doodelijk verloopende
ziekten veroorzaken. Uit het bovenstaande blijkt
dus duidelijk, dat er nog andere factoren in het
spel komen om de aanwezigheid of het verloop
eener ziekte te bepalen, dan enkel de aanwe-
zigheid van een bizondere soort van pathogene
bacterie, en daarom is eene opgave van deze
organismen zoo onvolledig en onzeker zooals we
boven reeds aanhaalden. Voor zoover thans be-
kend, vindt men in onderstaand lijstje eene op-
somming van de ziekten, wier ontstaan met
zekerheid moet toegeschreven worden aan de
daarachter staande organismen.
Naam der ziekte.              Naam van het organisme
welke de ziekte veroorzaakt.
Miltvuur.......    Bacillus Anthracis.
Cholera.......    Spirillum Cholerae asiaticae.
Croupeuse longontsteking .    Micrococcus I\'neumoniae.
Diphtherie......    Bacillus Diphtheriae.
Kwade droes.....    Bacillus Mallei.
<ionorrhoea......    Micrococcus gonorrhoeae.
Influenza.......    Bacillus Influenza.
Melaatschheid.....    Bacillus Leprae.
Intermitteerende koorts . .    Spirillum Obermeieri.
Wondkramp......    Bacillus Tetani.
Tering en verwante ziekten    Bacillus Tuberculosis.
Typhus.......    Bacillus Typhi Abdominalis.
-ocr page 163-
i5i
Verschillende wondinfecties met inbegrip der
vroeger reeds opgenoemde ziekteprocessen, welke
met den naam Bloedvergiftiging worden aange-
duid, en Huidroos worden veroorzaakt door eenige
soorten van mikrococcen, welke onder elkander
eene sterke gelijkenis vertoonen en slechts weinig
verschilpunten opleveren. Zij zijn bijna onaf-
scheidelijk van deze ziekten, ofschoon geen en-
kele onder hen precies kan aangewezen worden
deze of gene ziekte te veroorzaken, met uitzon-
dering misschien van den Mikrococcus Erysipe-
latis, welke gezegd wordt de Roos te veroorza-
ken. De gewone ettervormende organismen brengt
men tot drie soorten n.1. Staphylococcus pyogenes
aureus, Staphylococcus pyogenes en Streptococ-
cus pyogenes, waarvan fig. 2 en 4 eene voor-
stelling geven; deze drie zijn de meest voorko-
mende, naast welke soms nog andere gevonden
worden.
Behalve de hier opgenoemde ziekten wier ont-
staan door mikroörganismen ontwijfelbaar bewe-
zen is, zijn er nog eenige andere welke vermoed
worden nauw samen te hangen met bacteriën,
n.1. Bronchitis, Mazelen, Kinkhoest, Buikvlies-
ontsteking enz., ten minste men heeft bij ver-
scheidene een typisch organisme gevonden, zon-
der dat het nog voldingend bewezen kon worden
dat daarin de éénige oorzaak te zoeken was.
Eveneens heeft men bij onze huisdieren eene
heele reeks ziekten geconstateerd, door mikro-
örganismen veroorzaakt. Het miltvuur, vlekziekte,
-ocr page 164-
152
runderpest, longziekte, kippencholera etc. zijn
eenige voorbeelden uit de groep, waarvan het
organisme meer of minder goed bekend is, ter-
wijl van andere zooals mond- en klauwzeer,
slechts de samenhang met eene of andere bac-
terie vermoed wordt.
Verder heeft men in den loop van verschil-
lende onderzoekingen van allerlei stoffen zooals
faecaliën, rottend bloed enz. verscheidene orga-
nismen gevonden, welke bij nauwkeurige bestu-
deering hunner biologische en physiologische
eigenschappen de gave toonden te bezitten bij
inenting in dieren, deze ziek te maken, doch
waarvan niets met zekerheid bekend is, of zij
wel ooit onder gewone omstandigheden in de
gelegenheid komen, die werking uit te oefenen.
Misschien dat zij eenig verband houden met die
ziekten welke aan giftige voedingsmiddelen toe-
geschreven worden, doch daarom kunnen zij
nog niet als eigenlijke ziektekiemen aangemerkt
worden.
Veranderlijkheid der pathogene eigen-
schappen.
Zooals reeds opgemerkt werd, hebben onze
theorieën van de betrekking der bacteriën tot
ziekten een geheelen omkeer ondergaan van het
oogenblik af dat zij voor het eerst opgesteld
werden, en hebben wij sedert dien tijd eene
-ocr page 165-
i53
menigte andere factoren leeren kennen welke in
het spel komen, buiten de aanwezigheid van een
of ander organisme.
Die factoren kunnen we in \'t kort in twee
groepen samenvatten n.1. i° de veranderlijkheid
der bacteriën, en 20 de veranderlijkheid der
aangetaste individuen wat betreft hunne ontvan-
kelijkheid. De eerste vereischt slechts eene korte
uiteenzetting, omdat hierover reeds in een vroe-
ger hoofdstuk (zie pag. 26) gedeeltelijk gespro-
ken is.
Reeds langen tijd was het bekend dat een zelfde
organisme op verschillende tijdstippen een groot
verschil in kracht kan vertoonen; de genees-
kundigen deden reeds lang voor de bacteriën
bekend waren, de ervaring op dat eene zelfde
ziekte nu eens een goedaardig karakter had, dan
weder een zéér kwaadaardig, zoodat het sterfte-
cijfer in het laatste geval veel hooger was dan
in bet eerste. Uit proeven bleek naderhand dat
die ziekmakende kracht welke met het woord
„Virulentie" wordt aangeduid, door verschillende
omstandigheden kan gewijzigd worden. Zoo vond
men dat de bacillus Tuberculosis door cultivee-
ring op de gewone voedingssubstraten welke
Glycerine bevatten, binnenkort zijne virulentie
verliest, eveneens de Streptococcus welke de roos
veroorzaakt. Het valt gemakkelijk in te zien dat
dit verschijnsel voornamelijk bij die soorten zal
gevonden worden, wier leefwijze hoofdzakelijk
eene parasitische is; daarvandaan ook dat
-ocr page 166-
\'54
het vaak zoo moeielijk is, soms zelfs ondoenlijk,
eene bepaalde soort, welke bij de eene of andere
ziekte gezien wordt in mikroskopische praepara-
ten, te cultiveeren op onze kunstmatige voedings-
bodems in het laboratorium. En zoo dit al ge-
lukt, haar zoo te kweeken dat zij alle hare eigen-
schappen in volle kracht behoudt. Somwijlen
kan de ziekmakende kracht, welke het organisme
verloor, weder aan het zelve terug gegeven wor-
den, door inenting in een daarvoor zeer gevoe-
lig dier.
Verder heeft ook de temperatuur waarbij men
kweekt een grooten invloed; zoo vinden we b.v.
dat Miltvuurbacillen welke zeer virulent zijn,
door blootstelling aan hoogere temperatuur dan
40° C. zeer verzwakken en wel des te meer naar
mate de temperatuur rijst, natuurlijk binnen ma-
tige grenzen, daar anders de dood zoude intre-
den. De organismen worden door deze proeven
niet verzwakt in hun groei, integendeel ziet men
dezen soms nog vermeerderen, alleen hunne
pathogene eigenschappen zijn verminderd. Het
overenten in dieren welke minder gevoelig zijn
heeft hetzelfde tengevolge. De bacteriën der
varkensziekte worden b.v. sterk aangedaan bij
enting in konijnen ; het virus der hondsdolheid
verzwakt wanneer het in apen overgebracht wordt;
maar omgekeerd kan ook langs dezen weg eene
vergrooting der virulentie verkregen worden, door
inbrenging in nog gevoeliger dieren dan die
welke er gewoonlijk aan lijden. Zoo worden de
-ocr page 167-
155
bacteriën der kippencholera, welke door de eene
of andere oorzaak hunne virulentie verloren,
weder op hunne natuurlijke sterkte gebracht
door overenting in kleine vogels, zooals onze
huismusch, en wordt de bacterie der varkens-
ziekte enorm giftig in duiven evenals het gif der
hondsdolheid in konijnen. Deze variatie\'s zijn
vooral van belang voor de in een later hoofdstuk
te bespreken vaccinaties en van uit een biolo-
gisch oogpunt, omdat zij ons eenigermate een
inzicht geven hoe gewone saprophytische vor-
men, welke voor den mensch geheel onschadelijk
zijn, successievelijk kunnen overgaan in para-
sitische vormen, in hunne werking varieerende
tusschen een gewoon absces en eene doodelijk
verloopende bloedvergiftiging. Hieruit valt dan
ook gemakkelijk af te leiden dat het varieeren
der mikroörganismen een hoofdfactor is welke
in hooge mate de hevigheid eener epidemische
ziekte beheerscht, welke aan bacteriën moet
toegeschreven worden.
Individueele gevoeligheid.
Met de groote wijziging onzer vroegere ziens-
wijze in alles wat de bacteriën betreft, kon het
niet uitblijven dat ook onze begrippen omtrent
het weerstandsvermogen dat het individu tegen-
over eene infectie met bacteriën openbaart, eene
verandering moesten ondergaan. Reeds van den
-ocr page 168-
i56
beginne af had men opgemerkt dat er een groot
verschil bestaat in gevoeligheid tusschen het een e
individu en het andere, zoodat de een van eene
ziekte vrij blijft, terwijl de ander wordt aange-
tast, niettegenstaande voor beiden de kansen
gelijk waren, en zijn er tot verklaring van dit
feit eene menigte ontdekkingen gedaan, welke
ons allengs een duidelijker inzicht in het wezen
dezer zaak gegeven hebben.
Nadat de blootstelling aan de besmetting heeft
plaats gehad, volgt eene periode van korteren of
langeren duur gedurende welke men geene zicht-
bare verschijnselen waarneemt, het z. g. n. In-
cubatietijdperk. Dan ziet men de ziekte optreden
en zich ontwikkelen tot aan een keerpunt de
Crisis, waarna of de dood intreedt of genezing
volgt. We zullen deze drie tijdperken achter
elkaar in \'t kort beschouwen en daarvoor be-
ginnen met
iü. De wijze waarop de infectie plaats grijpt.
Voor de ontwikkeling eener bacteriënziekte is
noodzakelijk dat het betrekkelijke organisme in
het lichaam geraakt, en dit kan plaats hebben
langs verschillende wegen, \'t zij door den mond,
den neus, de huid, of soms ook langs de uit-
voerkanalen. Die welke door den mond in het
lichaam komen, worden opgenomen met spijs
en drank; die welke door den neus bij de
ademhaling binnentreden moeten in de lucht
gesuspendeerd zijn, terwijl die organismen welke
door de huid zich een weg banen, meestal door
-ocr page 169-
157
aanraking met een of ander besmet voorwerp,
zooals het lichaam van een lijder, zijne kleede-
ren, voorwerpen welke hij gebruikt heeft enz.,
worden opgenomen. In sommige gevallen welke
echter vrij zeldzaam zijn en beperkt tot slechts
weinige ziekten, kan het gebeuren dat ook door
de huid organismen uit de lucht worden opge-
nomen. Hierbij zijn twee punten van uiterst
belang goed in \'t oog te houden, en wel i° dat
het gevaar voor besmetting door de lucht, zooals
zooeven werd opgemerkt zeer gering is en slechts
voor eenige weinige ziekten bestaat zooals pok-
ken, tuberculose, rood vonk etc. en 2° dat de
ongeschonden gave huid en slijmhuid meestal
eene zekere bescherming geeft tegen bacteriën-
infectie, zoodat wanneer zich daarin geene sneden
of andere wonden bevinden, de organismen
slechts zelden er door heen zullen kunnen drin-
gen. Deze twee punten zijn daarom van zoo
groot belang, omdat wij tegenover de luchtin-
fectie slechts uiterst weinig vermogen te doen,
en de grootste moeite hebben de huid op eene
afdoende wijze te beschutten tegen mogelijke in-
dringing van bacteriën. Ons voedsel, zoowel spijs
als drank, kunnen wij gemakkelijk bevrijden van
mogelijk aanwezige pathogene bacteriën door
het te steriliseeren, \'t zij door verhitting of fil-
tratie. Maar het is onmogelijk voor een tijd lang
niet te ademen, en ondoenlijk de in te ademen
lucht vooraf te steriliseeren, en zij welke zieken
te verplegen hebben lijdende aan infectieziekten,
-ocr page 170-
i58
kunnen het eveneens niet vermijden met den
lijder of diens besmette kleeding enz. in aan-
raking te komen. Uit het hier opgesomde
volgt van zelf dat de kansen tot het oploo-
pen eener besmettelijke ziekte afhangen van
den meer of minder zindelijken staat der klee-
ding enz., de zorgvuldige behandeling van be-
smette voorwerpen, en eveneens de nauwkeu-
rige reiniging der handen na het hanteeren van
dergelijk materiaal; verder van het eten van
spijzen in gekookten of rauwen toestand, en van
den toestand der huid en slijmhuid daar elke
wond, ook de kleinste, de besmettingskansen ver-
hoogt. Zoo zullen lichte ongesteldheden als gevatte
koude en dergelijke, welke ontsteking der slijm-
huid veroorzaken, het weerstandsvermogen ver-
minderen en het individu meer ontvankelijk
maken voor het opnemen van ziektekiemen.
Zooals men ziet spelen reeds eene menigte fac-
toren van enkel physischen aard eene groote rol
bij de individueele gevoeligheid.
2U. Weerstandsvermogen van het lichaam
gedurende het Incubatietijdperk.
Wanneer het nu langs den een of anderen
weg hierboven beschreven, ook al gelukt is aan
eene zekere soort organismen in het lichaam te
dringen, dan is het nog verre van zeker, dat zij
er vasten voet krijgen en hunne pathogene eigen-
schappen kunnen ontvouwen, want dan begint
er een strijd op leven en dood tusschen de in-
dringers en de machtige hulptroepen welke het
-ocr page 171-
159
lichaam tot zijne beschikking heeft om hen te
verdrijven en te vernietigen. Velen van hen leg-
gen het in den strijd spoedig af, en meermalen
gebeurt het dat alle reeds vernietigd zijn eer zij
er vasten voet gekregen hadden; in dat geval
ondervindt het lichaam natuurlijk volstrekt geen
nadeel.
In het tegenovergestelde geval dat het lichaam
niet bij machte is de indringers te overweldigen,
behoeft de reden nog niet gelegen te zijn in
hunne numerieke sterkte. Zij strijden slechts om
een vast punt te krijgen waar zij groeien en zich
vermeerderen kunnen. Er zijn dan slechts eenige
weinige exemplaren voldoende om reeds spoedig
eene ontelbare menigte nakomelingen te produ-
ceeren. Het lichaam is dus gedwongen tot zelf-
behoud elk organisme te vernietigen of ten
minste buiten staat te stellen zich te kunnen
vermenigvuldigen. Natuurlijk hebben de bacteriën
door hunne enorme productiviteit een grooten
voorsprong in dezen wedloop, maar ook om deze
te kunnen ontvouwen is tijd noodig. Er gaat dan
een tijdperk in, het Incubatietijdperk, waarin de
weinige bacteriën zich vermeerderen en het li-
chaam tevens gelegenheid heeft zijne krachten
te verzamelen op dat punt, om weerstand te kun-
nen bieden aan den aanval en hem glansrijk af
te slaan. Ofschoon wij op dit oogenblik nog ver
verwijderd zijn van het punt om alle krachten,
welke het lichaam in dezen strijd te zijner be-
schikking heeft, te kunnen overzien, toch zijn
-ocr page 172-
ióo
wij in staat ons nu reeds eene voorstelling te
maken van sommige zijner strategische methoden,
om den indringenden vijand schaakmat te zetten.
Vooraf zij opgemerkt dat de meeste bacteriën
niet in staat zijn te groeien in het dierlijke of
menschelijke lichaam; de honderden soorten
welke aan de bacteriologen bekend zijn vinden
voor verreweg het grootste deel in de levende
weefsels voorwaarden, welke met hunne levens-
wijze zóó lijnrecht in strijd zijn, dat hun bestaan
daar geheel onmogelijk is.
Hoe uitstekend ook vleesch en bloed van het
doode lichaam voor hen zijn, zoo nadeelig werkt
het op hun groei wanneer het lichaam nog leeft
en dan zijn vernietigenden invloed op hen kan
uitoefenen. Die weinige soorten echter welke
daarvan geen nadeel ondervinden, en de groep
der pathogene bacteriën vormen, zijn alleen
in staat daar te leven en zich te vermenig-
vuldigen en de ziekte te voorschijn te roepen.
Het feit dat de groote meerderheid der bacteriën
niet kan tieren in het levende organisme, toont
zoo duidelijk mogelijk dat er in die levende
weefsels toestanden moeten bestaan, welke de
existentie der bacteriën uitermate bemoeielijken,
en er dus ook geen twijfel mogelijk is, dat deze
toestanden het lichaam in staat stellen aan een
aanval der pathogene bacteriën met gevolg het
hoofd te kunnen bieden.
Welke zijn dan die krachten tegen deze in-
dringers in het veld gebracht ?
-ocr page 173-
i6i
Naar het zich laat aanzien schijnc de geheele
strijd zich te richten op de productie van ver-
giften en tegengiften. Op dit oogenblik schijnt
het een onloochenbaar feit te zijn, dat het eer-
ste middel van het levend organisme, om de
bacteriën te verdrijven daarin bestaat, hen als
\'t ware te overgieten met zekere vergiften welke
hen in hun groei belemmeren. In het bloed en
de lymphe van mensch en dier komen zekere
producten voor, welke een direct vernietigenden
invloed op den groei der mikroörganismen uit-
oefenen, zooals verschillende proeven in die
richting ondernomen, ontwijfelbaar bewezen heb-
ben. Welke die stoffen zijn en hoe hunne samen-
stelling is, weet tot op dit oogenblik nog niemand,
maar hunne doodelijke eigenschap voor de
bacteriën is bekend. Men heeft hen genoemd
Alexinen en gevonden dat zij in het levende
weefsel gevormd worden, op welke wijze die
vorming plaats heeft ligt nog in het duister.
Met behulp dezer Alexinen kan het lichaam den
groei van de meeste bacteriën in zijne weefsels
tegengaan, omdat zij als het ware als antisepti-
sche middelen werken, zoodat de gewone bac-
teriën daarin dus evenmin kunnen leven, als in
elke andere vloeistof welke een of ander vergif
bevat. Mocht dus ook al de eene of andere soort,
welke overal in de natuur voorkomt in melk,
water, lucht enz. en daar op organisch dood
voedsel welig tiert, er in slagen in de weefsels te
dringen, dan wordt haar terstond een haltgebo-
v. D. Marck, Bacteriën.                                        il
-ocr page 174-
IÓ2
den door deze alexinen welke hen vernietigen ;
zulke soorten kunnen dus nooit pathogeen wor-
den en het lichaam nadeel berokkenen. Het ligt
nu voor de hand dat slechts die weinige soorten,
welke in staat zijn dezen eersten aanval der
alexinen te weerstaan, vasten voet in het lichaam
kunnen krijgen, om daarna zich te vermenig-
vuldigen en hun nadeeligen invloed te doen
gelden. Zij vormen de groep der pathogene
bacteriën.
Nu doet zich terstond de vraag voor, op welke
wijze zij dan in staat zijn den verderfelijken
invloed te kunnen keeren, welke de andere bac-
teriën terstond vernietigt ? Beide groepen vinden
toch in het bloed deze alexinen en voor beide
zijn die stoften nadeelig, alhoewel in verschil-
lende mate; de pathogene soorten schijnen deze
alexinen te neutraliseeren door de afscheiding
van tegengiften.
Terloops zij hier opgemerkt dat de voorstelling
der zaak, zooals zij hier gegeven wordt, eene
zuiver hypothetische is, omdat men tot op dit
oogenblik noch de Alexinen noch de door de
pathogene soorten afgescheiden stoffen, welke eene
tegenovergestelde werking uitoefenen, experimen-
teel heeft kunnen aantoonen ; de in de vorige
zinsneden voorkomende termen vergiften en
tegengiften, gelieve de lezer dus cum grano salis
op te vatten. Dat alles neemt intusschen niet
weg, dat door deze hypothese een vrij goed
inzicht in de zaak verkregen wordt. Die stoffen
-ocr page 175-
163
welke men zich voorstelt dat door de pathogene
bacteriën worden geproduceerd om de hun zoo
nadeelige Alexinen te neutraliseeren heeft men
Lysinen genoemd ; deze zijn dus voor ons nog
even raadselachtig als de Alexinen. Is nu een-
maal het schadelijke effect der Alexinen voor de
Lysinen opgeheven, dan staat er aan de bacte-
riën niets meer in den weg om zich verder in
het lichaam te kunnen vermenigvuldigen, en te
beginnen met de productie hunner stofwisse-
lingsproducten, de voor het lichaam zoo verder-
felijke Toxinen waaraan het ziekteproces, dat
dan optreedt, zijn ontstaan te danken heeft. We
zien dus dat volgens de gegeven voorstelling de
pathogene soorten zich van de niet pathogene
onderscheiden door het vermogen Lysinen te
kunnen produceeren.
Maar al kunnen de bacteriën ook den weer-
stand der Alexinen overwinnen, daarom is het
lichaam nog niet geheel weerloos aan hen over-
geleverd, want dan blijft nog een middel tot
verdediging aan het lichaam over om hun verder
voortdringen te beletten, dat in werkzaamheid
zeker niet achterstaat bij het vorige, het misschien
wel overtreft. Dit verdedigingsmiddel bezit het
lichaam in den vorm van eene menigte levende
cellen welke uit protoplasma bestaan, en in het
bloed en de lymphe voorkomen ; zij dragen den
naam van witte bloedlichaampjes of Leukocyten.
Het zijn cellen welke in staat zijn hun vorm te
veranderen, en bewegingen uit te voeren door
-ocr page 176-
164
het uitzenden van fijne draden bestaande uit
protoplasma en Pseudopodien genoemd; daar-
door kunnen zij zich ook verwijderen uit de
bloedbaan, waar zij zich gewoonlijk ophouden.
Vaak ziet men, bij beschouwing onder het mi-
kroskoop, dat zij in hunne lichaamssubstantie
zeer kleine voorwerpen hebben opgenomen, met
het doel deze voor het lichaam prikkelende
objecten op te ruimen, door hen op de eene of
andere plaats af te zetten of wel geheel naar buiten
te brengen. En aangezien de bacteriën nu voor het
lichaam als zulke vreemde voorwerpen beschouwd
moeten worden, trachten zij ook deze bij hun aan-
val zoo spoedig mogelijk onschadelijk te maken,
door hen als \'t ware geheel op te nemen en uit
de bloedbaan te brengen. Men ziet dan ook
gewoonlijk op die plaats van het lichaam, waar
de bacteriën binnendrongen, eene groote opeen-
hooping van Leukocyten, welke daar heen gelokt
worden, naar het schijnt, door sommige stoffen,
welke door de bacteriën worden afgescheiden;
een verschijnsel dat bij de bacteriën zelf ook
wordt waargenomen en met den kunstterm Chemo-
taxis (\') wordt aangeduid.
Uiterlijk is deze opeenhooping van Leukocyten
op eene bepaalde plaats reeds waar te nemen
(1) Zoo worden vrije eellen enz. ook aangelokt door eene
bepaalde temperatuur, welke voor hun groei bizonder
geschikt is, men spreekt dan van Thermotaxis, of wan-
neer er stoften, voor hunne voeding zeer voordeelig, in
het spel zijn van Trophotaxis.
-ocr page 177-
i6S
omdat daar het verschijnsel optreedt dat in \'t
dagelijksch leven ontsteking genoemd wordt. Dat
die bloedlichaampjes een zeer werkzaam aandeel
in den strijd nemen kan als vaststaande beschouwd
worden, alleen omtrent de wijze waarop dat plaats
heeft, bestaat nog eenig verschil van opinie. Sommi-
gen zijn de meening toegedaan dat zij de bacteriën,,
zonder vorm van proces geheel opnemen in het
protoplasma en vervolgens verteren, welke voor-
stelling aanleiding gegeven heeft tot de theorie
der Phagocytose en waarom de leukocyten ook
den naam Phagocyten verkregen. In de laatste
jaren is echter die voorstelling, welke aan be-
knoptheid niets te wenschen overlaat, toch gaan-
deweg eenigszins gewijzigd, zoodat het proces
meer en meer het karakter kreeg van chemischen
aard te wezen. In tegenstelling met de vorige
zienswijze waarbij de levende bacteriën werden
opgenomen meenen sommigen thans dat er nog
een bedrijf aan die opname voorafgaat n.1. dat
door de Leukocyten, welke zich ophoopen ron-
dom de indringende bacteriën, uit hun proto-
plasma stoffen afgescheiden worden, welke doo-
delijk werken op de mikroörganismen; stoffen
dus wier effect met dat der Alexinen overeen
komt, en welke met deze gecombineerd optre-
dende, den groei der bacteriën spoedig geheel
belemmeren. Duidelijkheidshalve zij hier opge-
merkt dat de processen welke hier achter elkan-
der voorgesteld worden, feitelijk naast elkander
loopen, zoodat de steeds in het bloed voorhanden
-ocr page 178-
i66
Alexinen hunne werking kunnen paren aan die
der producten door de Leukocyten afgescheiden.
Worden de bacteriën overwonnen, dan worden
zij door de witte bloedlichaampjes opgenomen,
en na overgang in den bloedstroom op de eene
of andere plaats afgezet om van daar verwijderd
te worden uit het lichaam. Maar dikwijls worden
van de Leukocyten ook vele gedood en hoopen
zich op om in den vorm van etter door de huid
heen geëlimineerd te worden.
Blijven dus in dezen strijd de Leukocyten heer
en meester van het slagveld dan merkt het in-
dividu van den aanval weinig of niets; is zich
meestal niet eens bewust aan welk gevaar het
bloot gestaan heeft.
Maar het geval kan zich ook voordoen dat de
bacteriën de overhand behouden, door dat zij
zich zoo snel vermenigvuldigen dat de Leuko-
cyten geen weerstand kunnen bieden en deze
zelfs verdreven worden door afscheidingsproduc-
ten der bacteriën. Want, ofschoon de witte bloed-
lichaampjes, zooals we hierboven vermeldden,
gewoonlijk worden aangetrokken door producten
der bacteriën, (positieve Chemotaxis) gebeurt het
toch ook dat sommige soorten andere stoffen
produceeren, welke hen afstooten (negatieve
Chemotaxis). Zij kunnen zich dan onbelemmerd
voortplanten en over het geheele lichaam in alle
weefsels verspreiden, met al de nadeelige gevol-
gen voor het indivudu daaraan verbonden.
Uit het boven aangehaalde zien we dus dat
-ocr page 179-
167
het lichaam op verre na niet hulpeloos staat
tegenover eene bacteriëninvasie, doch integen-
deel een krachtigen weerstand kan bieden. Nog
eens zij hier herhaald, dat de gegeven voorstel-
ling op verre na niet eene experimenteel bewe-
zene is; integendeel er is nog veel wat duister
is, doch wanneer we in \'t oog houden dat het
geheele onderwerp eerst in de laatste jaren meer
nauwkeurig is bestudeerd geworden, kan ons dat
niet verwonderen; de toekomst zal misschien
veel verandering brengen in die hypothese, zoo-
dra de bacteriologen over meer feitenkennis
beschikken dan thans het geval is, doch in hoofd-
zaak kunnen we ons thans toch wel overtuigd
houden van hare juistheid.
In \'t kort samengevat heeft het lichaam dus
verschillende zeer werkzame middelen te zijner
beschikking, om den groei der meeste bacteriën
in zijne weefsels te beletten. Die middelen be-
staan eensdeels uit vergiften door het lichaam
afgescheiden, de Alexinen, anderdeels uit speciale
levende cellen, de Leukocyten of Phagocyten,
waarvan we de juiste werking tot op dit oogen-
blik nog niet weten, doch slechts vermoeden.
Omdat nu deze krachten aan het individu
eigen zijn zullen zij daarmede ook variëeren
m. a. w. zal hunne grootte afhankelijk zijn van
den algemeen en toestand waarin zich het individu
bevindt. Eene stevige gezondheid, een lichaam
dat goed doorvoed, sterk en krachtig is, zal na-
tuurlijk de beste kansen opleveren om met suc-
-ocr page 180-
i68
ces een bacteriënaanval af te slaan, terwijl een
verzwakt gestel, door ziekte of onvoldoende voe-
ding, de minste kans zal hebben. Of iemand zal
aangetast worden door eene bacteriënziekte,
hangt dus niet enkel af van de twee voorwaar-
den i° of hij zich blootstelt aan besmetting, en
2° of de bacteriën binnen het lichaam kunnen
dringen, maar is daarop van minstens even sterken
invloed of zijn lichaam in zoo goeden wel-
stand verkeert dat het in staat is de noodige
hoeveelheid Alexinen en Phagocyten te kunnen
produceeren, om een eventueelen aanval ter-
stond te kunnen afslaan. En moge er reeds veel
gewonnen zijn door verbetering der hygiënische
toestanden om een aanval te voorkomen, toch
mag niet over het hoofd gezien worden, dat, bij
het open blijven der kans daarop, van evenveel
gewicht is, het bezit van een krachtig lichaam
dat op alles voorbereid is.
3°. Het weerstandsvermogen van het lichaam
gedurende het ziekteproces.
Hoe groot de weerstand ook moge zijn welke
het lichaam kan bieden aan de bacteriën, door
de. zoo even geschetste hulpmiddelen, toch blijkt
het vaak dat hij nog onvoldoende is, en de
mikroörganismen in den strijd de overhand be-
houden. Zij krijgen dan vasten voet, kunnen
zich onbelemmerd vermenigvuldigen en van het
geheele lichaam bezit nemen. Zoodra zij talrijk
genoeg worden, en hunne afgescheiden vergiften
allengs zich beginnen op te hoopen, bespeurt
-ocr page 181-
169
men hun verderfelijken invloed, de Incubatiepe-
riode is dan voorbij en de ziekte breekt uit.
Meer en meer ziet men haar verergeren, tot
dat een zeker hoogtepunt bereikt wordt, dat
met den naam Crisis wordt aangeduid; dan ziet
men haar óf langzamerhand verminderen en ge-
nezing intreden, öf wel wanneer de vergiftiging
zeer hevig is, een doodelijk verloop nemen. Als
van zelf dringt zich thans de vraag aan ons op
waarom eene dergelijke ziekte niet steeds doode-
lijk verloopt ? Wanneer eenmaal de bacteriën
het lichaam in hunne macht gekregen hebben,
waarom vermenigvuldigen zij zich dan niet zoo
sterk en produceeren zij niet eene zoo groote
hoeveelheid vergif dat het leven onherroepelijk
wordt vernietigd ? Een zoo noodlottig verloop
wordt wel is waar vaak waargenomen, doch in
verreweg de meeste gevallen, treedt genezing in,
zoodat de gevolgtrekking voor de hand ligt, dat
er nog meer middelen aan het lichaam ten
dienste staan eene infectieziekte te boven te
komen.
Hoe verzwakt het ook moge zijn tengevolge
der vergiftiging, en hoe zeer het lijdt onder de
ziekte, toch geeft het den strijd niet op, maar
bereidt zich langzamerhand voor op een nieuwen
aanval op de indringers. Men ziet dan dat zij
na een tijd lang zich onbelemmerd te hebben
vermenigvuldigd langzamerhand in hun loop ge-
stuit worden ; hunne kracht neemt af, hun aan-
tal vermindert en eindelijk worden zij geheel
-ocr page 182-
170
uit het lichaam verdreven. Ook van dit weer-
standsvermogen, van het lichaam weten we nog
uiterst weinig. Alleen heeft men uit ervaring
gezien, dat na genezing hetzelve in hooge mate
vermeerderd is, soms zelfs zoo dat de patiënt
onvatbaar geworden is voor dezelfde ziekte wat
men aanduidt met den kunstterm „immuun."
Die immuniteit kan van blijvenden aard zijn
voor lange jaren of zelfs voor het geheele leven,
zooals men b.v. ziet na het doorstaan van Rood-
vonk, of zij kan slechts tijdelijk zijn zooals bij
Diphtherie; eene zekere mate van immuniteit
wordt echter steeds verkregen. Dit weerstands-
vermogen tegen den verderfelijken invloed der
bacteriën schijnt eerst op te treden en verhoogd
te worden gedurende het ziekteproces, en zoo
het slechts groot genoeg wordt, de parasieten te
vernietigen eer zij den dood veroorzaakt hebben,
zoodat dan genezing volgt. Van welken aard
deze weerstand is, kan nog niet met voldoende
zekerheid verklaard worden ; alleen schijnt dit
vast te staan, dat de cellen van sommige weef-
sels van het lichaam in verschillende ziekten de
eigenschap hebben stoffen te produceeren, welke
als tegengift werken op de vergiften door de
bacteriën afgescheiden. Die tegengiften worden
genoemd Antitoxinen. Zij zijn specifiek voor
elke ziekte en worden daarnaar nader aange-
duid. In het geval b.v. dat een patiënt
lijdt aan Diphtherie, wordt in het lichaam door
de bacteriën het Diphtherie-toxine geproduceerd,
-ocr page 183-
i7i
wat de oorzaak der opgemerkte ziekteverschijn-
selen is; na verloop van een zekeren tijd schei-
den dan de cellen in het lichaam het tegengift
af dat de werking der toxine opheft. Dit tegen-
gift is geïsoleerd uit het bloed van dieren en
menschen, welke juist eene zoodanige ziekte te
boven zijn gekomen, en wordt genoemd Diph»
therie Antitoxine, waarop we later nog terug-
komen.
Maar hiermede is het genezingsproces nog
niet volledig verklaard. Immers de afgescheiden
Antitoxine doet niets meer dan de werking der
toxine neutraliseeren ; maar bovendien neemt
men waar dat de bacteriën tevens ook verdre-
ven worden, er moet dus nog een andere factor
in \'t spel komen, welke deze macht bezit, en
juist daarin ligt het duistere punt, waarvan nog
geene verklaring kan gegeven worden.
In het voorafgaande hebben we in ruwe om-
trekken getracht den lezer eene voorstelling te
geven van den tegenwoordigen stand van het
vraagstuk der infectieziekten. Natuurlijk zullen
de verschillende zich voordoende gevallen on-
derling zeer groote verscheidenheid vertoonen
en is geen algemeen geldende regel vast te stel-
len. Zoo hebben we reeds vroeger gezien dat de
verschillende bacteriën, niet alleen wat de plaats
betreft waar zij zich in het lichaam nestelen, en
de wijze waarop dat geschiedt zich van elkander
onderscheiden, maar ook in de soort vergift,
welke zij afzonderen en de daarmede gepaard
-ocr page 184-
172
gaande intoxicatie-verschijnselen. Verder kan er
groote verscheidenheid opgemerkt worden in den
aard en het verloop der ziekte, naarmate de
diersoort welke door het organisme aangetast
wordt; zelfs zijn er organismen bekend, welke
standvastig aan eene bepaalde diersoort gebon-
den zijn. Zoo kent men sommige, welke alleen
bij den mensch voorkomen, andere welke bij
den mensch en eenige dieren gevonden worden,
nog andere welke alleen bij dieren doch niet
bij den mensch zijn aangetroffen. Zoo kent men
eene soort, welke alleen in de veldmuis, doch
niet in de gewone muis kan leven; sommige
zijn alleen schadelijk voor paarden of voor gevo-
gelte, of voor warmbloedige zoogdieren enz. enz.
Bovendien heeft men van alle soorten opge-
merkt, dat zij op verschillende tijdstippen een
groot verschil in hunne ziekmakende kracht
kunnen openbaren, m. a. w. meer of minder
virulent kunnen zijn. Kortom, er worden zooveel
variaties bij hen waargenomen, dat er geene
algemeen geldende wetten vastgesteld kunnen
worden, welke op alle zonder uitzondering toe-
passelijk zijn en het dus ook wel een hopelooze
onderneming is, een algemeen geldende methode
te willen zoeken, om zich tegen hen te vrijwa-
ren of om hen te verdrijven.
-ocr page 185-
AANHANGSEL.
Besmettelijke ziekten welke veroorzaakt
worden door andere organismen
dan bacteriën.
Behalve de in de vorige hoofdstukken genoemde
ziekten, kent men nog eenige andere, welke in
hunne wijze van voorkomen en hun verloop zóó
sterk aan door bacteriën veroorzaakte infectie-
ziekten herinneren, dat men een tijd lang ook
bepaald deze organismen als de oorzaak er van
beschouwde, tot dat ten slotte een nauwgezet on-
derzoek de ware oorzaak aan \'t licht bracht.
Sommige dezer parasieten zijn gebleken evenals
de Bacteriën tot de klasse der Zwammen te be-
hooren, meer bepaald tot de Draadzwammen, ter-
wijl andere herkend zijn als behoorende tot het
dierenrijk en wel de eenvoudigste representanten
er van, de Protozoen. Van elk dezer zullen we
een paar voorbeelden aanhalen, welke zeker op
algemeene belangstelling kunnen rekenen, en
daarvoor met een voorbeeld van dierlijke para-
sieten beginnen, nl. de
-ocr page 186-
174
Malariakoorts, de geesel der tropische gewesten,
welke vooral in de nabijheid van moerassige stre-
ken, voor den Europeaan als voor den inboorling
een ware plaag kan zijn; soms zelfs worden de
grootere dieren er door aangetast. In de koelere
klimaten komt zij zeldzamer voor, daar de meeste
beschaafde landen, onder die kringen liggende,
door hunne betere hygiënische toestanden, den
bodem in zoo\'n toestand gebracht hebben, dat
de ziekte er geen vasten voet houden kan, want,
zooals gezegd, komt zij voornamelijk daar voor,
waar de bodem slecht gedraineerd is en door
stagnatie van het grondwater in een moeras ver-
andert ; zoo heeft men zelfs plaatsen, vroeger vrij
van malaria, zien besmet worden met de ziekte,
door het aanvoeren van veel water, o. a. in
Algiers, waar zij, door den aanleg van drie arte-
sische putten, ontstond, op een plaats diep in
de Sahara woestijn gelegen.
Reeds sedert de oudste tijden bekend, maakte
zij voortdurend een punt van studie uit voor de
geneeskundigen; men schreef haar langen tijd toe
aan de giftuitwasemingen van den bodem, aan
Miasma\'s, totdat de bacteriologie hare intrede
deed in de geneeskunde en daarmede ook de
jacht op den malaria bacillus begon.
Eindelijk meende men het organisme gevonden
te hebben, in een staafjes bacillus doch al ras
bleek, dat deze ontdekking, evenals zoo vele
andere op bacteriologisch gebied, op eene ver-
gissing berustte, totdat ten slotte in het jaar 1880
-ocr page 187-
i75
Laveran voor het eerst de waarneming deed, dat
een dierlijke parasiet de oorzaak is, welke be-
hoort tot de groep van eencellige dieren, welkt-
den naam Amoeben draagt, volgens anderen
echter zou hij tot de Gregarinen behooren —
eene klasse van dieren welke in ontwikkeling
iets hooger staan dan de vorige. Omdat dit or-
ganisme buiten het lichaam nog niet gekweekt is
geworden, is zijne ontwikkelingsgeschiedenis nog
niet geheel bekend; voor zoover de tegenwoor-
dige stand der wetenschap het toelaat, zullen we
een korte beschrijving er van trachten te geven.
Waar de parasiet in de natuur gevonden wordt
en op welke wijze hij in het lichaam binnen-
dringt, ligt nog in \'t duister ; ook alweer omdat
men hem nooit in andere stoffen ontdekt heeft.
Alleen schijnt met eenige zekerheid het drink-
water als drager beschouwd te kunnen worden,
ofschoon ook de lucht als transportmiddel moet
gelden, want reeds de Ouden wezen op de „ver-
giftige uitwasemingen" van den bodem.
Eenmaal in het lichaam, geraken de parasieten
spoedig in den bloedsomloop en kiest elk orga-
nisme een rood bloedlichaampje uit, waarin hij
zich nestelt. Zie fig. 24 a. Hierin groeit de parasiet
spoedig, tot dat hij het geheele bloedlichaampje
vult, fig. 24 b, c, waarbij men tevens opmerkt,
dat de massa, waaruit hij bestaat, een gegranu-
leerd aanzien verkrijgt, tengevolge van eene pig-
mentvorming. Daarna ziet men het geheele or-
ganisme zich in verschillende sectoren verdeden,
-ocr page 188-
176
Fig. 24. Malaria parasiet. Bij a kort na het indringen in het roode
bloedlichaampje, /» verdere ontwikkeling, c de parasiet vult het ge-
heele bloedlichaampje en treedt frigmentvormend op, d deeling van
de parasiet in segmenten, e na vernietiging van het roode bloed-
lichaampje wordt de parasiet vrij en vallen de segmenten uit elkander.
fig. 24 d, welke eindelijk uit elkander vallen en
uit het bloedlichaampje treden. Deze deelen,
sporen genaamd, fig. 24 e, blijven een tijd lang
in den bloedstroom rondzwemmen, waarna elk
weder een rood bloedlichaampje binnen dringt,
om daarin hetzelfde proces te herhalen, dat zoo-
doende herhaalde malen achter elkander zich
voordoet. Het is gemakkelijk in te zien, dat een
aanzienlijk aantal parasieten en een lang aan-
houdend verblijf in den bloedstroom eene totale
vernietiging der bloedcellen ten gevolge zal heb-
ben en het leven ernstig bedreigd wordt, zoodat
ten slotte de dood\' zeker intreedt. In verband
met de wordingsgeschiedenis van den parasiet,
staat het typische kenmerk der malaria, nl. het
intermitteeren der koorts, d. w. z. dat er op
koortsperioden koortsvrije volgen, welke dus met
elkander afwisselen. Immers, wanneer de koorts
haar hoogste punt bereikt heeft, dat is op het
oogenblik dat de sporen uit de bloedlichaampjes
te voorschijn treden en vrij rondzwemmen, be-
gint zij langzamerhand te verminderen omdat de
sporen dan weder een nieuw bloedlichaampje
-ocr page 189-
177
opgezocht hebben, en zoolang zij daarin hun groei
voortzetten, het lichaam bevrijd blijft van den
koortsaanval, tot de dan volgende Sporulatie. Er
schijnen nu van dezen parasiet eenige soorten te
bestaan welke zich onder elkander alleen onder-
scheiden door den tijd waarin zij hunne ontwik-
keling ten einde brengen. Zoo heeft de eene twee
dagen noodig om zich in eene bloedcel te nes-
telen en weder tot sporen uit elkaar te vallen,
die soort heet Tertiaan-parasiet, terwijl een an-
dere daarvoor drie dagen vereischt, de z. g. n.
Quartaan parasiet. In het eerste geval heeft het
lichaam dus na eiken koortsdag twee koortsvrije
dagen, in het tweede drie vrije dagen. Zoodra
echter eene besmetting heeft plaats gehad met
beide parasieten is het verloop der koorts on-
regelmatig, omdat op het oogenblik dat de tweede
nog opgesloten is in de bloedlichaampjes de
eerste uitbreekt, dus koorts optreedt, en als
deze verdwenen is, eene nieuwe koortsperiode
aanbreekt door het uittreden der sporen der
tweede soort. Eene zelfde onregelmatigheid kan
men waarnemen, wanneer het bloed slechts met
eene parasietensoort besmet is, doch in verschil-
lende ontwikkelingsstadiën, zoodat achter elkan-
der verschillende broedsels vrij komen.
Gelukkig staat de mensch niet geheel mach-
teloos tegenover deze verderfelijke wezens, welke
in korten tijd het krachtigste lichaam kunnen
sloopen; zij schijnen uiterst gevoelig te zijn voor
Chinine, waarvan eene zeer kleine hoeveelheid
V. D. MARCK, Bacteriën.                                        12
-ocr page 190-
i78
reeds doodelijk voor hen is; hierop berust dan
ook de hooge geneeskrachtige waarde der Chi-
nine tegen Malaria-parasieten. Aangezien deze,
zoolang zij nog in de bloedcellen besloten zijn,
weinig hinder hebben van deze stof, heeft de
arts slechts te zorgen, door nauwkeurige obser-
vatie, juist het oogenblik te treffen voor de toe-
diening der Chinine, dat deze in den bloedstroom
circuleere wanneer de sporen uitbreken en dan
terstond er door gedood worden. Eene kleine
hoeveelheid op het rechte oogenblik gegeven,
heeft meer nut dan groote quantiteiten op tijden
dat geen enkele parasiet vrij in den bloedstroom
te vinden is.
In een opzicht vertoont de Malariaziekte een
voornaam verschil met alle andere infectieziek-
ten, n.1. dat de organismen welke haar veroor-
zaken, niet op de eene of andere wijze door het
lichaam worden afgescheiden hetzij met secretie-
of excretieproducten, en van hieruit hun weg
naar een ander individu nemen. Van daar dat zij
niet besmettelijk is. Wel is de mogelijkheid niet
uitgesloten, dat zij door den beet of steek van
insecten, zooals muggen bv. zou kunnen over-
gebracht worden van den eenen mensch op den
anderen. Wanneer nl. een mug een malarialijder
eenig bloed onttrekt door een steek waarbij aan
de monddeelen steeds eenige bloedlichaampjes
blijven hangen, en spoedig daarop eene tweede
gezond individu een steek toebrengt, en daar-
mede de besmette bloedlichaampjes onder de
-ocr page 191-
179
huid voert, dan kunnen, na opname in den
bloedstroom, de zich daarin bevindende ontwik-
kelingsvormen van den parasiet, ongestoord ver-
der groeien, om eindelijk na de Sporulatie vrij
te worden, en aan de ziekte verdere uitbreiding
geven. Sommigen zijn zelfs zoo ver gegaan de
muggen als tusschen-gastheer te beschouwen,
waarin zich de parasieten zouden ontwikkelen
tot op zekere hoogte, en daarna in het men-
schelijk lichaam eerst geheel volkomen worden.
Intusschen is deze wijze van overbrenging in de
praktijk nog niet waargenomen, zelfs niet bij
opzettelijk genomen proeven in die richting.
Behalve dit mikroskopisch diertje, dat bepaald
eene ziekte teweeg brengt, heeft men nog eenige
andere gevonden, ook tot dezelfde afdeeling
der Amoeben behoorende, van welke met ze-
kerheid gezegd kan worden, dat zij in verband
staan tot een ziekte-proces, waarvan de Amoeba
coli een voorbeeld is. Deze vindt men, vooral
in warmere klimaten, in den darm van Dysente-
rielijders bij duizenden, terwijl gezonde personen
hen niet beherbergen; het directe bewijs door
inentingsproeven is echter nog steeds niet ge-
leverd.
Van de hoogere zwammen, en wel meer be-
paald de groep der Schimmels worden sommige
representanten aangetroffen, als oorzaak van
verschillende huid- en haarziekten. Bij hun groei
onder de huid zenden zij hunne draadvormige
vertakkingen naar alle richtingen uit tot in het
12*
-ocr page 192-
i8o
onderhuidsche weefsel, waardoor ontstekingen
der huid ontstaan, welke de oorzaak zijn van
moeielijk te genezen wonden; tevens veroorza-
ken zij het uitvallen der haren, daar de wortels
aangetast worden, en zijn zij moeielijk te ver-
nietigen wanneer zij eenmaal vasten voet ge-
kregen hebben onder de huid. Het zijn voor-
namelijk vertegenwoordigers van de geslachten
Oïdium, Monilia en Actinomyces, welke als de
oorzaak der gemelde ziekten herkend zijn.
Methoden ter bestrijding der parasitische
Bacteriën.
Een der eerste vereischten, tot het bestrijden
der besmettelijke ziekten, is natuurlijk dat men
alle eigenschappen nauwkeurig bestudeerd heeft
van het organisme, dat men als de oorzaak der
ziekte heeft leeren kennen, om dan op deze
wetenschappelijke basis den weg te bepalen, vol-
gens welken men de meeste kans zal hebben de
verderfelijke werking, dien het op het mensche-
lijk organisme uitoefent, te kunnen paralyseeren.
In vroegere jaren berustte de studie en kennis
der onderhavige ziekten op zuiver empirischen
grondslag en werd er uiterst weinig gedaan met
volledige kennis van het betreffende onderwerp,
zooals we dat reeds in de Inleiding nader aan-
toonden. Eerst in de laatste kwart eeuw, sedert
de bacteriologie hare intrede deed in de genees-
-ocr page 193-
i8i
kunde, werden hare beoefenaren in staat gesteld,
met hoop op een goeden uitslag aan de oplos-
sing van vraagstukken te beginnen waarbij de
kennis der mikroörganismen eene hoofdrol speelde.
Meer in het bizonder begon men zich toen toe
te leggen op de opsporing van middelen om de
infectieziekten te voorkomen, z. g. n. preventieve
middelen en zoo zij uitgebroken zijn hen te ge-
nezen.
Het onderstaande zal den lezer een kort over-
zicht geven van de resultaten welke de bacterio-
logie zoowel direct als indirect op dit gebied
heeft opgeleverd.
Preventieve Geneeskuni >e.
Was in vroegere tijdperken het hoofddoel der
geneeskunde het ontdekken van methoden, ziek-
ten te genezen, tegenwoordig zoekt zij meer hare
kracht in het voorkomen derzelve ; deze richting
heeft zij eerst in de laatste jaren ingeslagen en
is geheel gebaseerd op onze verkregen kennis
der bacteriën. Zoo ergens, dan is hier de waar-
heid van het spreekwoord gebleken „Un homme
averti en vaut deux." Nadat vele van onze be-
smettelijke en epidemische ziekten van een bac-
teriologisch standpunt bestudeerd werden, bleek
het niet alleen mogelijk de oorzaak op te sporen,
maar ook hoe de besmetting plaats greep en bij
-ocr page 194-
182
gevolg hoe zij vermeden kon worden. Zoo leidde
b. v. de studie der bacteriologie in den beginne
de geneeskundigen er toe, de Tuberculose voor
verdacht te houden eene besmettelijke ziekte te
wezen, wat later werkelijk bleek een feit te zijn,
en van dat oogenblik af spanden zij al hunne
krachten in haar zooveel mogelijk te beteugelen,
waarvan men allengs de goede vruchten ziet
door den langzamen maar gestadigen achter-
uitgang van het sterftecijfer. Verder heeft de
bacteriologie aangetoond dat bij het woeden
eener choleraepidemie een voorname bron der
infectie in het drinkwater te zoeken is; en niet-
tegenstaande Europa, sedert het bekend worden
van dit feit, twee malen door die ziekte bezocht
is geworden, heeft zij toch nergens vasten voet
kunnen krijgen of aanleiding gegeven tot een
ernstige epidemie, behalve op een paar plaatsen,
waar de grootste zorgeloosheid op hygiënisch
gebied heerschte. Het is in de hoogste mate
leerrijk liet verloop van dergelijke epidemiën in
vroegere perioden te vergelijken met dat in de
laatste jaren. Toen werden geheele landstreken
door haar bezocht en bleven van de inwoners
slechts weinigen gespaard, terwijl ze in de laat-
ste jaren beperkt bleef tot slechts enkele op zich
zelf staande gevallen, ofschoon zij zich toch in
menige stad in Europa vertoonde, behalve in die
enkele plaatsen, waar alles wat de bacteriologie
ons geleerd heeft, als niet bestaande werd be-
schouwd.
-ocr page 195-
i83
Niettegenstaande de studie der Hygiëne nog
in de kinderschoenen staat, heeft zij toch reeds
groote dingen tot stand gebracht. Zij heeft den
eersten stoot gegeven aan onze moderne sanitaire
maatregelen, tot het bouwen van hospitalen, de
behandeling der zieken in isoleerbarakken, om
zooveel mogelijk de verdere besmetting door de
patiënten te voorkomen; zij heeft ons geleerd
welke ziekten besmettelijk zijn en op welke wijze
de infectie plaats heeft, zoodat tegen eene ver-
dere verspreiding der ziekte kan gewaakt wor-
den. Het beste kan men het groote nut dat zij
heeft opgeleverd, afmeten naar het voortdurende
afnemen van het sterftecijfer, sedert hare grond-
begrippen meer en meer ingang vinden, en naar
het feit dat de tegenwoordige epidemiën van veel
minder hevigen aard zijn dan in vroegere jaren,
en dat veel minder individuen aangetast worden,
terwijl vroeger bijna niemand verschoond bleef.
De studie der preventieve geneeskunde omvat
verschillende factoren, welke alle ten nauwste
samenhangen met de bronnen der infectie en
de wijze waarop zij plaats grijpt. Zij zijn in \'t
kort samen gevat de volgende :
i". Oorzaak der besmetting. Het is bewezen
geworden dat voor alle infectieziekten, de lijders,
de hoofdbron voor besmetting zijn en dus altijd
daarop het eerst acht geslagen moet worden.
Zooals vroeger reeds vermeld werd worden dooi-
de patiënten de pathogene bacteriën langs den
een of anderen weg afgescheiden, \'t zij met de
-ocr page 196-
184
faeces, in sputa, door de huid enz. Wanneer dit
feit in \'t oog gehouden wordt is het betrekkelijk
niet moeielijk voorzorgsmaatregelen te nemen
tegen hunne verspreiding.
2°. Wijze van verspreiding. De pathogene
bacteriën moeten in de eerste plaats overgebracht
worden van de oorspronkelijke bron op een nieuw
individu dat er vatbaar voor is. Aangezien zij
geene eigen beweging vertoonen, behalve in vloei-
stoffen, moeten zij dus passief overgedragen wor-
den. Daar zij echter wegens hunne kleinheid
zoo gemakkelijk overgebracht kunnen worden op
velerlei wijze, zal het onderzoek daarvan ons
zeer te stade komen de besmetting tegen te gaan.
In de eerste plaats moet dan het opgenomen
voedsel als hoofdbron van besmetting genoemd
worden, \'t zij die plaats greep door waschwater
of afvalwater, of door huishoudelijke artikelen
welke door lijders gebruikt zijn. Maar in nog
hoogere mate is dit het geval met onze dran-
ken, vooral het drinkwater en melk. Uit de ge-
nomen proeven is overtuigend gebleken dat het
drinkwater eene groote verspreiding van Typhus
en Cholerakiemen in de hand werkt, terwijl de
melk door hare samenstelling een uitstekenden
voedingsbodem oplevert voor ongeveer alle pa-
thogene bacteriën met name Typhus, Tuber-
lose, Diphtherie, Roodvonk enz. En letten we er
op dat melk, door een slijter in tientallen huis-
gezinnen verkocht wordt, dan kan men nagaan,
hoe groot het gevaar is dat een zoo bij uitstek
-ocr page 197-
i«5
geschikt transportmiddel voor al de genoemde
infectieziekten, kan opleveren.
In de tweede plaats kan besmetting plaats
hebben door kleederen, beddegoed of huishou-
delijke artikelen van lijders afkomstig, verder
door aangetaste dieren, door insecten, en in som-
mige gevallen, zooals Tuberlose, en misschien
ook Roodvonk en Pokken, door de lucht. De
kennis van al deze besmettingswijzen kan ons
van veel nut zijn voor het ontdekken van de
oorzaak van vele ziektegevallen, welke anders
geheel onbegrijpelijk zouden blijven.
3U. Wijze waarop de bacteriën in het lichaam
binnendringen.
In een vorig hoofdstuk werd aan-
getoond op welke verschillende wijzen de onder-
scheiden soorten van pathogene bacteriën in het
lichaam opgenomen worden, en hoe zij elk op
de hun aangewezen plaats terecht moeten komen,
om eenige kans te hebben er vasten voet te
kunnen krijgen. Daarbij zagen we dat de Ty-
phusbacillus b. v. den mond moet binnendringen
om in het darmkanaal te komen en de ziekte te
weeg te brengen; dat de Tuberkelbacillus in de
ademhalingsorganen moet komen, terwijl de soor-
ten welke bloedvergiftiging veroorzaken, slechts
door huidwonden kunnen opgenomen worden.
Al deze feiten welke de bacteriologie ons aan de
hand deed, toonen ons tevens den weg hoe wij
met kans op gunstigen uitslag, aan het besmet-
tingsgevaar kunnen ontkomen ; hoe meer zij dus
in wijder kring bekend raken, des te minder zal
-ocr page 198-
i86
de kans op infectie worden. De Hygiëne leert
ons dus wat er van de ziektekiemen wordt,
wanneer zij het lichaam van een lijder verlaten
hebben ; hoe zij nog gedurende langeren tijd in
hunne volle kracht blijven, of wel in een of
ander medium kunnen blijven voortleven zij het
ook in latenten toestand, misschien zelfs er zich
in vermenigvuldigen. Zij geeft ons de middelen
aan de hand, hoe wij deze kiemen, welke in
hinderlaag liggen, om, zoodra de kans schoon
is, hun slag te slaan, kunnen vernietigen door
de verschillende desinfectiemethoden, vooral door
ons er op te wijzen wanneer en hoe wij deze
gebruiken moeten. Aan haar hebben wij het te
danken dat menige dreigende epidemie reeds in
hare geboorte verstikt is door de vernietiging
der kiemen, en het gevaar op besmetting bij
zeer vele andere tot een minimum is terug ge-
bracht. Wij verkeeren dan ook in vrij wat gun-
stiger omstandigheden dan het voorgeslacht, dat
bij het woeden eener besmettelijke ziekte in stille
berusting de dingen die komen zouden moest
afwachten, terwijl wij ons terstond tot krachtige
tegenweer kunnen aangorden, zoodat epidemiën
tegenwoordig slechts een kort bestaan hebben.
Na al hetgeen we hierboven aangestipt hebben
omtrent het groote nut der preventieve genees-
kunde, zal het wel geen nader betoog behoeven dat
de verspreiding van hare kennis in steeds wijderen
kring een zaak van het uiterste gewicht is. Want
of een persoon ook al hare theoriën in toepassing
-ocr page 199-
i87
brengt, terwijl zijn buurman daarvan onkundig
zoo zorgeloos mogelijk is, kan absoluut geen
effect opleveren. Elke epidemie welke thans nog
de menschen bezoekt is een sprekend bewijs,
hoe noodig de groote massa nog onderwezen
moet worden in zulke betrekkelijk eenvoudige
dingen als de bronnen te kennen waaruit de
besmetting voortkomt, hoe de ziektekiemen ver-
spreid worden, en de wijze hoe zij onschadelijk
gemaakt kunnen worden.
Bacteriën in de Heelkunde.
Op geen enkel gebied kan de bacteriologie
op zulke schitterende resultaten wijzen, welke
het menschdom zoo direct ten goede zijn geko-
men, als in de heelkunde. Van het oogenblik
af dat de geneesheeren zich op het doen van
operaties hebben toegelegd, hadden zij te kampen
met twee moeielijkheden. De eerste was de schok
dien het organisme ondervond als gevolg van de
operatie, die natuurlijk afhankelijk is van het
meer of minder diep ingrijpen, en onvermijdelijk
is. De tweede was het optreden van secundaire
verschijnselen na de operatie, zelfs al was zij
volkomen gelukt, welke bekend stonden onder
den naam van wondkoorts, ontsteking, koud
vuur, bloedvergiftiging etc, welke zeer vaak den
dood van den lijder ten gevolge hadden, niette-
staande hij den eersten schok der operatie lang
-ocr page 200-
i88
te boven was gekomen. Die secundaire verschijn-
selen werden beschouwd als een onvermijdelijk
euvel, als een integreerend deel van het heelen
der wond. Soms scheen het wel dat naar mate
de zorg voor den patiënt grooter was, de kans
op een doodelijk verloop toenam. Den soldaat b.v.
welke op het slagveld onder de primitiefste om-
standigheden eene operatie onderging en verder
in een geïmproviseerd veldhospitaal verpleegd
werd, zag men de zwaarste verwondingen door-
staan, terwijl zijn makker, wien het voorrecht (?)
te beurt viel in een werkelijk hospitaal behandeld
te worden, waar uit den aard der zaak meer
zorg voor hem gedragen kon worden, veel lich-
tere verwondingen met den dood bekoopen moest,
tengevolge van het optreden van koudvuur. Al
deze feiten waren aan de heelkundigen bekend,
maar door onbekendheid met hunne oorzaak,
stonden zij er machteloos tegenover en waren zij
gedwongen bij elke te ondernemen operatie er
rekening mede te houden.
Toen door de experimenten was aangetoond
dat elke rotting en ontleding van organische
stoffen door bacteriën wordt veroorzaakt en door
Pasteur bewezen werd dat de bekende ziekte
der zijdewormen aan eene bacterie moest toe-
geschreven worden, begon men te begrijpen dat
deze organismen ook hoogstwaarschijnlijk de oor-
zaak waren der verschijnselen welke na elke
operatie optraden, te meer daar beide op ver-
schillende punten groote overeenkomst vertoon-
-ocr page 201-
189
den. Natuurlijk stonden in den beginne gedu-
rende eene reeks van jaren, nog eene menigte
moeielijkheden in den weg om voor die theorie
het doorslaande bewijs te leveren, n.1. om de
karakteristieke soorten van bacteriën op te sporen
welke het een of ander proces veroorzaakten.
Maar dat kan ons thans niet verwonderen, wan-
neer we in het oog houden het geen hier boven
gezegd is omtrent dit punt. Daar zagen we im-
mers dat er bij die processen vele soorten van
organismen in het spel komen, maar dat tot nu
toe geene enkele specifieke soort gevonden is,
welke op zich zelf eene bepaalde soort van ont-
steking veroorzaakt. Maar toch eer het voldin-
gend bewijs geleverd was, had de praktijk zich
de theorie ten nutte gemaakt door het invoe-
ren der antiseptische en later aseptische wond-
behandeling.
Antiseptische heelkunde is enkel gebaseerd op
het feit aan mogelijk aanwezige bacteriën in de
nabijheid der wond het binnendringen daarin te
beletten, door deze met kiemdoodende middelen
te omgeven. En uit de feiten is gebleken dat
de theorie juist was, want na hare toepassing
met al de aangebrachte verbeteringen, beginnen
de wonden te heelen zonder eenig nevenver-
schijnsel van ontsteking enz. zooals dat vroeger
plaats had, toen de bacteriën nog vrijen toegang
hadden ; meer en meer heeft zich die wijze van
wondbehandeling eene plaats veroverd in de
geheele wereld, niettegenstaande den heftigen
-ocr page 202-
190
weerstand welke zij in den beginne ondervond.
Maar van dat oogenblik af werd er door de
chirurgen ook meer en meer gelet op de herkomst
der wondbacteriën om zooveel mogelijk te trach-
ten hen geheel buiten te sluiten. Aanvankelijk
dacht men dat het voornamelijk de lucht was,
welke het grootste contingent leverde, doch het
bleek spoedig dat deze slechts eene kleine min-
derheid der schadelijke kiemen bevat. Daarna
werd de aandacht gevestigd op de instrumenten
welke gebruikt worden, de handen, kleederen
enz. van den operateur, sponzen en verband-
stoffen welke met de wond in aanraking komen,
de huid van den lijder enz. Al deze punten
moeten in het oog gehouden worden, omdat de
bacteriën overal tegenwoordig zijn en slechts de
gelegenheid afwachten om in de wond te gera-
ken. Daarvandaan dat men van lieverlede er toe
overging alles wat maar eenige kans op besmet-
ting aanbood te verwijderen of te steriliseeren.
Zoodoende ontstond de tegenwoordige Aseptische
wondbehandeling, te meer daar het op den duur
bleek dat de stoffen, welke als desinfectiemid-
delen in de verbandstoffen en op de wondvlak-
ten dienst deden, vaak ongewenschte prikkelingen
zelfs vergiftigingen veroorzaakten. Bij de anti-
septische methode worden dus de aanwezige
bacteriën gedood, bij de aseptische worden zij
geheel geweerd, zoodat het dooden niet noodig
is en het lichaam geen hinder ondervindt van
de daartoe aangewende chemicaliën. Het resul-
-ocr page 203-
ipi
taat van dit alles heeft begrijpelijkerwijze een ge-
heelen omkeer in de operatieve heelkunde te
weeg gebracht. De secundaire verschijnselen van
vroeger zijn thans geheel verdwenen, zoodat hun
optreden een bewijs is van zorgeloosheid van den
operateur. De chirurg van den tegenwoordigen tijd
weet dat hij, door de noodige voorzorgsmaatre-
gelen te nemen, niets anders behoeft te duchten
dan de operatie zelf, en volstrekt geen rekening
heeft te houden met naderhand optredende
wondkoortsen, koudvuur enz. welke het opkomen
van den patiënt twijfelachtig zouden maken ;
men kan zeggen dat bij de hedendaagsche wijze
van opereeren de heelkundigen ternauwernood
weten wat al die infectieziekten zijn.
En daar zij die secundaire processen niet
meer te vreezen hebben zijn zij hoe langer zoo
stoutmoediger geworden. Operaties waaraan zij
vroeger niet durfden denken worden thans zon-
der eenige aarzeling ondernomen; het openen
der buikholte b.v. welke vroeger als bijna on-
mogelijk geacht werd, ten minste voor zoo
levensgevaarlijk gold, dat zij slechts als laatste
redmiddel werd aangezien, wordt thans ternau-
wernood als iets van belang beschouwd. Zelfs de
opening der schedelholte wordt meer en meer
in praktijk gebracht. Er is wel eens beweerd
geworden, dat de chirurgen, zich sterk voelende
door hunne tegenwoordige wijze van opereeren,
misschien wel wat te zeer in het andere uiterste
vervallen zijn en soms wel wat te vlug met het
-ocr page 204-
192
mes bij de hand zijn. Maar hoe dat ook zij, de
groote diensten welke zij aan het menschdom
bewezen hebben door hunne kunst, kunnen
moeielijk overschat worden, wanneer men nagaat
hoeveel lijden zij verzacht of zelfs voorkomen,
en hoeveel menschenlevens zij gered hebben
alleen door hunne aseptische operatiemethoden.
Het voorkomen van Ziekten door Inenting.
Op blz. 170 werd reeds gesproken over de
Immuniteit of onvatbaarheid welke het lichaam
verkreeg voor een tweeden aanval eener bacte-
riënziekte wanneer het die eens had doorstaan,
hoewel de immuniteit, wat haren duur en om-
vang betreft, tusschen wijde grenzen schommelen
kan. Zoo zijn er ettelijke ziekten waar van immu-
niteit ternauwernood sprake kan wezen b.v. de
Tuberculose, terwijl zij bij andere van zeer lan-
gen duur en grooten omvang kan zijn, zooals
bij Pokken en Roodvonk. Bovendien is zij ver-
anderlijk met het individu ; terwijl sommige per-
sonen eene zeer groote onvatbaarheid schijnen
te verkrijgen, door eens eene ziekte te boven te
komen, verdwijnt zij bij anderen vrij spoedig,
zoodat zij gemakkelijk een tweede maal aange-
tast worden. Niettegenstaande dat, kan het be-
staan van zoodanige onvatbaarheid niet geloo-
chend worden ; zeer waarschijnlijk heeft de ge-
nezing van elke infectieziekte tot gevolg dat het
-ocr page 205-
193
lichaam tot op zekere hoogte gevrijwaard wordt
tegen een tweeden aanval. Natuurlijk zal bij die
ziekte, waardoor het geheele organisme wordt
aangetast, uit den aard der zaak de immuniteit
van grooteren omvang en langeren duur zijn
dan bij die waar slechts enkele orgaandeelen wor-
den aangedaan. Tuberculose b. v. welke zooals
wij vroeger zagen meestal slechts beperkt blijft
tot enkele deelen van het lichaam, zal bijna
geene immuniteit te voorschijn roepen, terwijl
eene ziekte zooals Roodvonk of Pokken, welke
zich over het geheele organisme uitstrekt, eene
groote immuniteit ten gevolge hebben.
Eene dergelijke beschutting is reeds sedert
langen tijd bekend, en werd in vroegere jaren
met opzet te voorschijn geroepen, door op tijd-
stippen, dat de eene of andere besmettelijke
ziekte in zeer lichten graad heerschte, zich aan
de besmetting vrijwillig bloot te stellen. Men
deed dit om voor het geval dat dezelfde ziekte,
maar van veel ernstiger karakter, mocht optre-
den, voor besmetting behoed te worden, omdat
het doorstaan eener infectieziekte in lichten graad
even goed immuniteit met zich brengt, als wan-
neer zij een gevaarlijker karakter heeft, moge
het dan ook zijn dat de omvang der verkregen
beschutting in het eerste geval iets minder groot
is dan in het laatste. Maar deze wijze van han-
delen, welke nog vaak in China gevolgd wordt ten
opzichte der pokken, is ongetwijfeld eene zeer
gevaarlijke, vooral wanneer de leek zich er aan
V. D. Marck, Bacteriën,                                            13
-ocr page 206-
194
gaat wagen te beoordeelen of eene infectieziekte
een goed- of kwaadaardig karakter heeft, en moet
daarom ten sterkste afgekeurd worden. Daarom
wordt van het bovenvermelde feit op eene andere
meer logische wijze partij getrokken, welke veel
minder gevaren met zich brengt.
Voor het eerst werd zij toegepast om de men-
schen tegen de zoo gevreesde Pokziekte te vrij-
waren. Bijna twee eeuwen geleden werd door
Lady Montagu naar Westelijk Europa eene me-
thode overgebracht welke zij in het Oosten had
leeren kennen ; daarbij werd door inenting van de
pokstof van lijders op gezonde personen, bij
dezen de ziekte te voorschijn geroepen; men
had n.1. opgemerkt, dat zij dan veel minder
gevaarlijk was, dan de van zelf ontstaande. Die
methode kreeg den naam van Variolatie. Maar
sinds het meer en meer bleek dat de mensche-
lijke pokken ten nauwste verwant waren aan de
koepokken en het doorstaan der laatste, onvat-
baarheid voor de eerste met zich bracht, terwijl
de laatste een veel minder gevaarlijk karakter
dan de eerste had, kwam men er van zelf
toe de menschen in te enten met de smetstof
der koepokken, Vaccinatie, welke operatie Jenner\'s
naam voor altijd onsterfelijk gemaakt heeft.
Deze ontdekking geheel langs empirischen weg,
bleef meer dan eene halve eeuw alleen voor die
ziekte van toepassing, totdat in de tweede helft
dezer eeuw Pasteur, bij zijne onderzoekingen over
miltvuur, de idee welke eraan ten grondslag ligt
-ocr page 207-
i95
weder opvatte. En daar intusschen het principe
beter begrepen werd, door de opgedane kennis,
dan in de dagen van Jenner toen alle proeven
op zuivere empirie berustten, was het te voorzien
dat zijne experimenten groote kans op een goe-
den uitslag hadden. Ook bij de miltvuurziekte
had hij opgemerkt, dat de weinige dieren welke
haar te boven kwamen, voor een tweeden aan-
val onvatbaar geworden waren. Dit leidde hem
als van zelf er toe te trachten eene methode
te vinden, waardoor de dieren de ziekte in een
lichten graad verkregen, zoodat zij tegen de meer
gevaarlijke soort beschermd waren. Intusschen
was het geen gemakkelijke taak eene zoo ver-
zwakte smetstof te verkrijgen van deze meestal
doodelijk verloopende ziekte. Door slechts enkele
bacillen in het organisme te brengen kon het
doel nooit bereikt worden, omdat deze zich al
spoedig zouden vermenigvuldigen tot een onnoe-
melijk aantal, er moest dus getracht worden
hunne virulentie te verminderen, en Pasteur
maakte daartoe gebruik van de methode welke
hierboven reeds werd aangehaald (zie pag. 154),
n.1. door de bacillen te kweeken bij verhoogde
temperatuur. Hierdoor werden zij zoo verzwakt,
dat zij zonder gevaar bij runderen en schapen
konden ingeënt worden ; deze dieren kregen dan
de ziekte slechts in den lichtsten graad, waarvan
zij spoedig herstelden, en toch onvatbaar waren
geworden voor den aanval der zeer virulente soort.
Hiermede was de eerste stoot gegeven aan de
13*
-ocr page 208-
196
later met zooveel vrucht beoefende inentings-
techniek ; er was voldingend door bewezen dat
het mogelijk was, enkel door laboratoriumsme-
thoden, de smetstof van eene infectieziekte zoo
te verzwakken in hare virulentie dat zij een
geschikt middel bleek te wezen de dieren tegen
eene zoo gevreesde ziekte te kunnen vrijwaren,
en wat voor onze huisdieren mogelijk bleek,
moest toch ook mogelijk zijn voor de mensche-
lijke ziekten; in hunne eerste opwinding zagen
de geneeskundigen reeds alle infectieziekten in
de toekomst verdwijnen.
Intusschen heeft de methode niet aan de ver-
wachtingen beantwoord, welke men er van koes-
terde ; reeds zeer spoedig rezen er gewichtige
bedenkingen tegen eene algemeene toepassing
dezer geneeswijze, waaronder in de eerste plaats
dient genoemd te worden het vrij groote gevaar
dat zij voor den patiënt oplevert. Wanneer men
bedenkt dat de vaccinatie tegen pokken, welke
nog de minst gevaarlijke is, somwijlen door on-
voorziene omstandigheden een noodlottig gevolg
kan hebben, dan ligt het voor de hand aan
welk groot gevaar de lijder blootstaat, wanneer
op hem geëxperimenteerd wordt met zoo heroï-
sche middelen, als de pathogene bacteriën zijn,
zelfs in verzwakten toestand. In de tweede plaats
moet rekening worden gehouden met den onwil
van het publiek, dat zich niet gaarne aan den
last eener operatie, hoe betrekkelijk klein die
ook wezen moge, wil onderwerpen wanneer het
>
-ocr page 209-
i97
nut, dat zij afwerpt, relatief gering is, omdat
het ziekten betreft, welke zelden voorkomen. Bij
de vaccinatie tegen de pokziekte bestaat dit ge-
vaar niet, omdat die ziekte zoo veelvuldig voor-
komt, zoo gevaarlijk en zoo buitengewoon be-
smettelijk is, terwijl de gevaren aan de inenting
verbonden daartegenover geheel in \'t niet ver-
zinken, en de methode proefondervindelijk als
geheel deugdelijk gebleken is. Maar zich te laten
inenten tegen eene ziekte als b. v. Wondkramp,
vond het publiek onnoodig, omdat zij zoo zelden
voorkomt, hoe uitstekend die methode overigens
ook moge zijn, zooals de proeven op dieren ge-
nomen, bewezen hebben. Derhalve zal de aan-
wending dezer methode wel altijd beperkt blijven
tot die ziekten, welke zeer vaak of op gezette tijden
wederkeeren, en met ernstig levensgevaar gepaard
gaan, zoodat het publiek er meer gereedelijk toe
over zal gaan, zich er tegen te laten inenten,
omdat het dan meer beducht is op lijfsbehoud.
In de derde plaats is er nog een factor, welke
eene algemeene toepassing in den weg staat n.1.
dat de aldus verkregen immuniteit van vrij kor-
ten duur isj de dieren waarvan hier boven sprake
was en tegen miltvuur ingeënt, bleken slechts
voor enkele maanden beschut te zijn, zoodat zij,
wilde men er absoluut zeker van wezen, herhaalde
malen dienden gevaccineerd te worden. Hoe lang
de onvatbaarheid voor verschillende ziekten bij
den mensch langs dezen weg verkregen, zoude
duren is tot op dit oogenblik niet uitgemaakt,
-ocr page 210-
198
maar naar alle waarschijnlijkheid zoude zij bij
hem ook niet voor zijn geheele leven gelden, en
valt er dus niet aan te denken, hem alle oogen-
blikken nu eens voor deze, dan weder voor gene
ziekte te immuniseeren.
Van praktische waarde is de methode dus tot
op dit oogenblik nog niet geweest. Behalve bij
de pokken is zij in de laatste jaren slechts toe-
gepast geworden in Indië tegen Cholera, waarbij
haar te stade kwam dat juist daar al de epide-
miën zoo hevig woeden en de kans op besmet-
ting zoo groot is, alles het gevolg van de groote
achterlijkheid op sanitair gebied waarin die lan-
den verkeeren. De bacteriologen hebben langen
tijd gezocht naar eene methode om eene ver-
zwakte entstof te verkrijgen, en naar het zich
laat aanzien zijn zij er vrij wel in geslaagd, zoodat
de inenting eene even afdoende beschutting op-
levert als die teggen Pokken. Of die methode
echter ooit in ons werelddeel burgerrecht zal ver-
krijgen is zeer twijfelachtig, daar Europa met
zijne veel betere hygiënische maatregelen in staat
is eene dreigende Cholera-epidemie af te weren,
en het voorkomen eener ziekte is meer waard
dan haar te genezen.
Er is nog eene ziekte waartegen de inenting
gebruikt wordt al berust zij ook op eene andere
basis, n.1. de Hondsdolheid of Watervrees, door
de deskundigen met den kunstterm Hydrophobie
aangeduid. Ook voor haar geldt wat boven reeds
gezegd werd; door dat zij zoo zelden optreedt
-ocr page 211-
i99
zal niemand zich vooraf er tegen laten inenten,
maar is hij eens gebeten door een aan de ziekte
lijdend dier, dan zal hij wel bereid gevonden worden
om elke inenting op zich te laten toepassen, ook
de gevaarlijkste, alleen om die vreeselijke ziekte af
te wenden. Omdat nu hier de behandeling eerst
plaats grijpt nadat de smetstof in het lichaam ge-
bracht is, moest zij dus ook daarop ingericht wor-
den ; waarbij haar de gelukkige omstandigheid te
stade kwam dat de ziekte een lang incubatietijd-
perk heeft. De methode door Pasteur gevonden,
gaat uit van het feit dat het organisme langza-
merhand gewend kan worden aan een of ander
vergift, door dit allengs in steeds stijgende doses
toe te dienen, waarbij natuurlijk begonnen wordt
met eene zóó kleine gift, dat zich slechts zeer
lichte intoxicatieverschijnselen voordoen. Hierin
ligt nu ook het verschil tusschen deze methode
en de vaccinatie tegen pokken, miltvuur, cholera
enz. Bij de laatste wordt eene verzwakte smet-
stof ingevoerd, waardoor de ziekte in lichten
graad wordt te voorschijn geroepen en daardoor
eene zekere immuniteit verkregen, terwijl bij de
eerste het vergif, dat later de symptomen der
ziekte veroorzaakt, in steeds stijgende doses wordt
ingebracht, zoodat het organisme, op het oogen-
blik dat de kwaal uitbreekt, reeds aan eene zoo
hooge vergiftdosis is gewend, dat het van de
dan geproduceerde hoeveelheid geen hinder on-
dervindt.
Pasteur nam tot dit doel stukjes ruggemerg
-ocr page 212-
200
van een konijn dat aan de ziekte bezweken was,
en waarin het vergift hoofdzakelijk voorkomt; hij
verzwakte de kracht er van door het langzamer-
hand uit te drogen, daar hem bij onderzoek
gebleken was, dat door deze behandeling het
vergift gaandeweg in sterkte verliest.
Van deze stof, wier werking nauwkeurig ge-
controleerd wordt op dieren, worden allengs groo-
tere doses ingespoten, tot het bekende effect
bereikt is. En van welk groot nut deze genees-
wijze voor de menschheid geworden is, blijkt
afdoende uit de jaarlijks verschijnende statistie-
ken door het Instituut Pasteur gepubliceerd. De
ziekte welke vroeger ongeneeslijk was, eischt
tegenwoordig een zoo gering aantal slachtoffers
dat hun aantal nauwelijks 0.2 °/0 bedraagt.
Wanneer we thans nog eens in \'t kort vragen,
hoe het komt dat het doorstaan van een enkelen
aanval eener infectieziekte, immuniteit met zich
brengt, dan zien we dat deze eensdeels veroor-
zaakt wordt door de afscheiding van scheikun-
dige verbindingen welke of de toxinen neutrali-
seeren of als bacteriën doodende middelen wer-
ken, en anderendeels door de directe vernieti-
ging der mikroörganismen door de werking van
bizondere cellen, de Phagocytose. Die invloe-
den, welke in het eene geval de indringers
hebben teruggedreven, zijn nog aanwezig in
hun volle kracht om een tweeden aanval der-
zelfde soort af te slaan. De tijdruimte, gedu-
rende welke zij hunne volle werking kunnen
-ocr page 213-
201
uitoefenen, geeft derhalve den duur der immu-
niteit aan.
Antitoxinen.
Al de nadeelen welke de methode der vacci-
natie tegen besmettelijke ziekten aankleven, en
welke in het vorige hoofdstuk ontwikkeld zijn,
brachten de bacteriologen er toe te trachten eene
andere wijze van beschutting te vinden, Welke
al de voordeelen maar niet de nadeelen der in-
enting bezit, en naar de thans reeds verkregen
resultaten te oordeelen schijnen zij uitnemend te
zullen slagen. Zij gingen daarbij uit van de vroe-
ger reeds vermelde theorie omtrent het weer-
standsvermogen van het lichaam tegenover de
vergiften welke de bacteriën als stofwisselings-
product afscheiden (zie pag. 170). Daar zagen
we dat er in het organisme zekere celgroepen
bestaan welke de eigenschap bezitten eiwitach-
tige stoffen te kunnen afscheiden die de verder-
felijke werking der Toxinen geheel kunnen op-
heffen de z. g. n. Antitoxinen. De afscheiding
van die stoffen in aanmerkelijke hoeveelheid
heeft echter alleen plaats wanneer die celgroepen
geprikkeld worden door het optreden der Toxinen
in den bloedsomloop. Het lag dus voor de hand,
wanneer het gelukte in den bloedstroom van een
lijder aan de een of andere infectieziekte, eene
zekere hoeveelheid dier neutraliseerende stoffen
-ocr page 214-
202
te brengen, dat het mogelijk zoude zijn hem
van de vergiftiging door de Toxinen te redden.
De groote vraag was slechts waar vandaan het
bloed verkregen moest worden, waarin die An-
titoxinen in voldoende hoeveelheid aanwezig
waren. Om verschillende redenen kan er van
aftappen bij menschen geen quaestie zijn. Er
schoot dus niets anders over dan op zoogdieren
te experimenteeren, en wel moesten die aan drie
voorwaarden voldoen, wilde de methode kans
van slagen hebben. i°. Moest hun bloed voor
den mensch onschadelijk zijn, 2°. moesten zij
zelf vatbaar zijn voor de betrekkelijke ziekte en
3°. moesten de gevormde Antitoxinen in zoo
ruime mate in hun bloed optreden, dat bij in-
spuiting eener niet al te groote dosis de hoe-
veelheid voldoende was om de toxinen welke de
bacteriën, zelfs bij het hevigste ziekteproces,
kunnen p\'roduceeren volkomen geneutraliseerd
konden worden. Nadat de methode praktisch
uitvoerbaar gebleken was voor twee ziekten nl.
Diphtherie en Tetanus, bij kleinere dieren werd
zij toegepast op den mensch, en werd het paard
gekozen om het benoodigde serum te leveren,
dat de Antitoxinen bevat. Behalve dat dit dier
geheel voldeed aan de drie bovengenoemde
eischen had men nog het voordeel, dat het door
zijne grootte uitstekend het aftappen van eenige
liters bloed kon verdragen, waardoor op eens
eene groote hoeveelheid serum kon verkregen
worden. De wijze van handelen daarbij is als
-ocr page 215-
203
volgt: men kweekt Diphtherie ofTetanusbacillen
in een vloeibaar cultuur medium, daarin blijven
de vergiften door de mikroörganismen afgeschei-
den opgelost. Na verloop van zekeren tijd als
de hoeveelheid Toxine het maximum bereikt
heeft, worden de aanwezige bacillen er uit ver-
wijderd door filtratie door een Chamberland-
bougie, welke de toxine doorlaat doch de bacil-
len tegenhoudt. Met de verkregen vergiftoplossing
wordt een paard in steeds stijgende hoeveelheid
ingespoten tot dat het niet meer reageert, wat
men constateert door het uitblijven van tempe-
ratuursverhooging in het lichaam. De Toxinen
hebben natuurlijk op het lichaam van het dier
denzelfden invloed als of het lijdende was aan
de ziekte; het reageert er op door afscheiding
der neutraliseerende Antitoxinen in zijn bloed,
zooals proeven daarmede uitgevoerd, voor en
na de inspuitingen, bewezen hebbe\'n. Daarna
wordt eene aderlating gedaan, het bloed opge-
vangen en rustig weggezet, waarbij het zich in
twee lagen scheidt, eene bovenste heldere vloei-
bare van lichtgele kleur, het z. g. n. Serum, en
eene onderste donkerroode vaste massa, de z.
g. n. Bloedkoek. De bovenste heldere laag, het
serum, welke de Antitoxinen in oplossing bevat
wordt dan voorzichtig afgeheveld, en onder de
noodige voorzorgsmaatregelen tegen bederf, in
kleine fleschjes gevuld, en op zijne sterkte on-
derzocht. De wijze waarop dit geschiedt, te
beschrijven zoude ons echter te ver voeren.
-ocr page 216-
204
Dit serum bij lijders aan de betreffende ziekte
ingespoten, is dus niet direct een geneesmiddel
in den eigenlijken zin van het woord, doch het
neutraliseert de geproduceerde toxinen zoodat
het lichaam onverzwakt blijft en al zijne kracht
kan concentreeren op de andere middelen welke
het ten dienste staan, om de bacteriën te ver-
drijven, en welke in een der vorige hoofdstuk-
ken beschreven werden (zie pag. 165).
Het zal wel geen nader betoog behoeven, dat
de aldus kunstmatig opgewekte immuniteit niet
te vergelijken is met die langs natuurlijken weg
verkregen, vooral wat haar duur betreft, en de
waarde die zij voor den patiënt heeft. Immers in
het laatste geval wordt zij verkregen door eigen
activiteit van het organisme, door dat bepaalde
celgroepen geprikkeld worden tot vermeerderde
afscheiding der antitoxinen, zoodat met reden
verwacht kan worden, dat het lichaam van een
tweeden aanval der ziekte verschoond zal blij-
ven, zoolang die celgroepen in staat blijven de
antitoxinen in voldoende hoeveelheid af te schei-
den.
Bij het invoeren op kunstmatige wijze van die
stoffen nemen de aangewezen celgroepen er geen
deel aan, zij blijven passief zoodat, wanneer de
antitoxinen na verloop van zekeren tijd uit de
circulatie verdwenen zijn, gelijk werkelijk gebeurt,
het lichaam weder in dezelfde conditie verkeert
als voor den bacteriénaanval, die immuniteit is
dus zeer vergankelijk, terwijl de eerste van vrij
-ocr page 217-
205
wat standvastiger natuur is. Daarvandaan dat bij
het preventief gebruik maken van Serum, in
tijden van dreigende epidemien, de inspuiting
met betrekkelijk korte tusschenpoozen moet her-
haald worden. De bereiding van Sera is niet be-
perkt tot bacteriönziekten, doch kan toegepast
worden op alle, door vergiftiging met stoffen van
dezelfde natuur als de Toxinen, ontstaande ziek-
ten. Zoo kan men dieren immuun maken tegen
Abrine en Ricine, twee eiwitachtige hevige ver-
giften, respectievelijk voorkomende in de zaden
van Abrus precatorius, de bekende Paternoster
erwt en het Ricinus zaad, en, wat van meer
praktische beteekenis geworden is, tegen het Slan-
gengift. Dit wordt verkregen uit de giftklier door
de dieren te laten bijten op porceleinscherven,
waarbij het gift uitgespoten wordt en na verza-
meling dient tot inenting van paarden. Zijn de
dieren eens geheel giftvast, dan bevat hun bloed
eene zoo groote hoeveelheid antitoxinen, dat het
met gunstigen uitslag gebruikt kan worden bij
lijders, welke anders een wissen dood te gemoet
zouden gaan.
Het gebruik der antitoxinen in de geneeskunde
is nog van zoo jongen datum dat het onmogelijk
is thans reeds een definitief oordeel te vellen
over zijne waarde of onwaarde. Bij Diphtherie en
Slangenbeet is het proef houdend gebleken, min-
der bij Tetanus, wat echter het gevolg kan zijn
van het niet hoog genoeg immuniseeren der die-
ren. Over de geheele wereld wordt het vraagstuk
-ocr page 218-
20Ó
door vele kundige bacteriologen met rusteloozen
ijver bewerkt; hoe ver hunne experimenten ons
nog voeren zullen is thans met geene mogelijk-
heid te bepalen, en zal eerst de toekomst moe-
ten leeren. Ook hierop is het woord van den
dichter van toepassing:
„Nicht Kunst und Wissenschaft allein,
Geduld will bei dem Werke sein.
Ein stiller Geist ist Jahrelang gesch&ftig,
Die Zeit erst macht die feine Gahrung krftftig."
-ocr page 219-
STER.
R E G I
Conserveering v. voedings-
middelen 63
Crisis 169
Cultuur, één-cel 34
------ plaat 36
-------steek 39
------streep 40
D.
Diphtherie 141
Diplococcen 12
Dysenteiie 179
E.
Endosporen 18
F.
Filters 42
Flagella 21
6.
Gangraen 148
Gevoeligheid, individ. 155
Gist 51
Gistingstheorie v. Liebig 5
II.
Haut gout 64
Heelkunde 187
Hennip 45
Hondsdolheid 198
Humus 121
Hydrophobie 198
Hygiëne 183
I.
Immuniteit 170
Incubatietijdperk 156
Indigglucine 58
Indigo 57
Inenting 194
luie 45
H.
Kaas 82
Koch\'s plaatcultuur 36
Kóji 94
Kolonie 17
Kringl. d. voedings,stoff. 101
A.
Abrine 205
Actinomyces 180
Alexinen 161
Alkohol 49
Amoeba coli 179
Ang-khak 95
Antisepsis 189
Antitoxinen 170, 201
Arthrosporen 18
Asepsis 190
Aspergillus niger 91
Assimilatie d. stikstof 109,111
Azijn 52
B.
Bacillen 13
Bacillus acidi laevolactici 57
------ ------ lactici 57
------ Anthracis 144
—— Diphtheriae 141
------ Tetani 141
------Tuberculosis 143
------Typhosus 143
Bacteriën, beweging der 21
------ grootte der 10
------        vormen 10
Bacteriën nitrilïceerende 105
------        pathogene 133
------ thermophile 116
Bemesting groene 125
Berkefeld filters 42
Bloedvergiftiging 148
Boteraroma 75
Boterzuur 55
Brem 93
c.
Capsule 16
Chamberland bougies 42
Chemotaxis 164
------            negatieve 166
------            positieve 166
Cholera asiatica 142
------ kippen 155
------ infantum 138
Citromyces 91
-ocr page 220-
REGISTER
Kweekbedden 3G
L.
Leucocyten 103
Lysinen 163
91.
Malaria 174
------parasiet 176
------------------ Quartaan 177
------------------ Tertiaan 177
Melk 76
------bittere 71
—-— blauwe 72
------ roode 72
------slijmerige 71
------verandering der 71
Melkzuur 55
Micrococcen 12
Micrococcus acidi paralactici
56
Micrococcus erysipelatis 151
Miso 95
Monascus purpureus 95
Monilia 180
Mycoderma aceti 53
O.
Oïdium 180
Opium 92
P.
Parasieten, facultatieve 140
------           obligate 140
Peh-khak 94
Penicillium 91
Phagocyten 165
Preventieve inenting 195
Pyaemie 148
R.
Raggi 93
Ricine 205
Roten 46
s.
Sake 94
Salpeterbeddingen 120
Saprophyten 134
Sarcina 13
Septicaemie 148
Serum 203
Shoyu 95
Slangengift 205
Snuif bereiding 59
Soya 95
Spirillen 14
Spirillum choler. asiat. 142
Staphylococcen 13
Staphylococcus pyogenes 151
Staphylococcus pyogenes
aureus 151
Steenkool 126
Steriliseeren 41
Stikstof assimilatie 110
------verlies 107
Streptococcen 12
Streptococcus pyogenes 151
T.
Tabak 58
Tapej 93
Thermotaxis 164
Tjandoe 92
Toxinen 163
Trophotaxis 164
Typhotoxine 143
V.
Vaccinatie 194
Varieeren der bacteriën 26
Variolatie 194
Veenvorming 129
Vergift, d. bacteriën gev. 163
Vermenigvuldigingssnelh. 15
Virulentie 153
------          verzwakking 154
Vlas 45
Vlinderbloem. gewassen 111
Voederpers 115
w.
Weerstandsvermogen 158
Wortelknolletjes 111
Wijn 50
Z.
Zoogloea 16
Znringzuur 90
Zuurkool 64
-ocr page 221-
-ocr page 222-
^^\\
?~\\
o « ^S
. 0
\\^
^W-JTHIEME & C* ZUTPHEN*