-ocr page 1-
-ocr page 2-
II
1
]
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
3«*T ?T//3v£-
rnm
DE
Heilige Martelaren yan Gorcum.
Geschiedkundige Beschrijving
DOOR
f*
M. H. S.
Co!lege„St.Willibrord" 4
J
KATWIJK a/d RIJN §
G. MOSM
iien« Provincie K.
MinJ«rbroederslcl««
-ocr page 6-
-ocr page 7-
VOO KW OORD.
De dwaalleer van Calvijn had zich met
betreurenswaardige snelheid over Europa ver-
spreid en dnizende aanhangers verworven, die
in hun overmoed eene groote rol speelden in de
geschiedenis, gedurende de
tivee.de helft der zes-
tiende eeuw. Ook tot in Nederland was de
dwaling doorgedrongen, en met haar kwam het
geweld, door hare volgelingen gepleegd, die, onder
den naam van Geuzen, de oproersvaan opstaken,
de Katliolieken met onmenschelijke woede ver-
volgden, doch bovenal de priesters en klooster-
lingen tot doel wd kozen van lam wreeden moedwil.
Na eerst in plnndertochten het platte land,
te hebben afgcloopen, en het spoor van htm
doortocht door geweld te Jtebben geteekend. tast-
ten zij allengs ook de steden aan, ivaar de
geestelijken het vooral moesten misgelden. Zij
wilden den katholieken godsdienst met wortel
en tak uitroeien bij onze vrome voorouders: God
echter leefde en maakte hunne hélsche plannen
te schande, want Hij sterkte de zijnen op won-
derbare, wijze.
-ocr page 8-
VOORWOORD
IV
De eene plaats na de andere viel den gewel-
denaars in Juinden, en onder anderen was ook
Goraon weldra in hunne macht. Hier vond
hun godsdiensthaat rijke stof om zich te koelen,
want talrijk waren hier de personen, die zich
aan God hadden toegewijd. Evenwel, om zich
niet noodeloos aan de woede dier bende bloot
te stellen, waren de beide pastoors en eenige
kloosterlingen uit het Franciskaner-klooster van
Gorcum naar de citadel gevlucht; doch die
voorzorg baatte hun niet. Want toen de stad
zich overgegeven had, drongen de vijanden ook
de schuilplaats der dienaren Gods binnen, en
sloegen aan hen hunne lieiligsclwnnende handen.
Talloos waren nu de pogingen, in het werk
gesteld om de geloofshclden aan het wankelen
te brengen: bitter en wreed ivas de gevange-
nisstraf, waaronder zij zuchtten; afgrijselijk
waren de pijnigingen van hun strijd en lang-
zamen dood. Ja! zóó gruwzaam was dat alles,
dat de pen, ons in de vingeren beeft. Maar
zij beefden niet, want Christus was met hen;
zij stonden als rotsen in den strijd en stierven
als helden, om als overwinnaars gekroond te
worden.
Die onbezwekcn strijders waren de bovenge-
melde twee pastoors en kloosterlingen, en eenige
-ocr page 9-
VOORWOORD
later aangehoudene priester*, te zamen negen-
tien die den roemvoUen naam dragen van
m art el a r e n v an Go r c u m.
Martelaren van Goreum! een
naam die ons het hart van geestdrift moet doen
kloppen: trant z ij n w ij I: i n d eren v a n
uil e heiligen, wij zijn het op gansch
bijzondere wijze van deze negentien bloedgetui-
gen, die b ij n a all e n zonen naren van
hetzelfde Vaderland, en allen op Nederland-
sehen grond den martelpalm gepluld hebben.
Om die geestdrift te doen stijgen, sóhreven
wij de navolgende bladzijden, die het verhaal
van hun lijden en sterven bevatten, en waarvan
ivij de stof uit verschillende schrijvers bijeen-
verzameld hebben. Neemt die edele zucht, om
•de voetstappen van hunne broeders in \'t geloof
te drukken en ook dezer eeredienst luisterrijker
te doen zijn. bij onze lezers toe, dan zal door
■de vermeerdering hunner godsvrucht jegens die
Martelaren hun heil bevorderd worden, terwijl
tevens het verlangen van ons hart voldaan
zal zijn.
-ocr page 10-
De Heilige Martelaren van Gorcum
Geschiedkundig-e Beschrijving.
hot plegen van eenige zcerooverycn,
die hij echter had willen verbergen onder
den dekmantel, den Spaanschgezinden afbreuk
te doen, was A\\"illem van Lumey. graaf van
der Mark,
(1) verplicht geweest met zijne
schepen een goed heenkomen in Engeland te
zoeken. Deze veilige schuilplaats was voor
zijne zeeschuimers, over welke hij als Admi-
raal van den Prins van Oranje het bevel
voerde, van korten duur, daar hem plotseling
door Koningin Elisabeth (2) gelast werd, haar
rijk te verlaten. Lumey, niet wetende waar-
De cyfers (1) <2) enz. verwijzen naar do geschiedkundige
aanteckeningen ; zie de drie laatste bladzijden.
-ocr page 11-
8
heen koers te zetten, werd door Willem Blois
van Treslong, die zich onlangs niet twee
schepen bij hem had gevoegd, en Jacob Si-
monszoon de Kijk, henovens andere hoof-
den der vloot, aangezocht om op meerwaar-
dige wijze iets tot welzijn hunner zaak te
ondernemen. Men sloeg toen het oog op Enk-
huizen
of op eene of andere stad in het Noor-
derkwartier van Holland.
Lumey werd, hoewel ongaarne, genoodzaakt
aan dit aanzoek gehoor te geven en zette
(Maart 1572) koers naar Texel, met het oog-
merk om er de Spaansche schepen aan te
tasten. Tegenwind verijdelde echter zijn voor-
nemen, en hij was verplicht, den mond der
Maas in te loopen, met bedoeling een aan-
slag op de stad BriéUe te ondernemen. Om
alle hinderlagen te voorkomen, zond hij twee
schepen vooruit, onder • bevel der hoplieden
Marinus Brandt en Üaam van Haren, en volg-
de weldra met zijne geheele vloot, die uit
vier en twintig schepen bestond. (3)
Zoodra hij daarmede tot voor de stad was
genaderd, liet hij haar opeischen in naam
van den Prins van Oranje, als stadhouder des
Konings van Spanje.
De Magistraten, zich
niet kunnende te weer stellen, daar de stad
-ocr page 12-
9,
zonder bezetting was, bleven het antwoord
hierop schuldig. Dit lange verwijl moede, over-
weldigde Treslong\' de Zuidpoort, terwijl Lu-
niey door den Hopman Roobol de Xoordpoort
liet openlopen, waarop beiden nog denzelfden
dag (l April 1572) des avonds tusschen 8 en
f) ure met 250 man de stad binnentrokken.
Dit feit werd door Lnmey op een hem
waardige wijze ten uitvoer gebracht, daar hij
niet het aanbreken van den volgenden dag
bevel gaf, alle kloosters en kerken binnen
de stad te schenden en te berooven. Met veel
moeite bewerkten de hoofden Treslong, Entes,
de Rijk en Dirk Duivel, dat het opzet van
Lumey de geheelc stad leeg te plunderen en
ze dan te verlaten, niet werd volvoerd.
Zoo hadden dan eenige uitgewekenen, die
zich zelven met den verachtelijken naam van
Watergeuzen bestempelden, zich het eerst en
met goed gevolg tegen de Spaansche heer-
schappij verzet.
Daarna stroopten Lumey\'s woeste soldaten
den omtrek rond en maakten zich weldra
meester van Delfsluxven, Maassluis en Schie-
dam.
Later vielen Vïissingen, Enkhuigen en
Alkmaar in handen der opstandelingen en
-ocr page 13-
1(1
eindelijk lag Gorinehem of Oorcum in het
land van Arkel (4) aan de beurt.
Den 25 Juni, daags na de overgave van
Dordrecht, kwam de reeds genoemde Marinus
Brandt des ochtends ten 8 ure voor Oorcum
en eisehtc de stad op. Daar de burgerij, die
gedeeltelijk kettersgezind was. onderling zeer
verdeeld was, ging de stad den 26 derzelfde
maand over. Doch de Drossaard CasparTurk
week naar het kasteel en bood daar iedereen, die
hem volgen wilde, eene veilige schuilplaats aan,
totdat zijn zoon Willem Turk met de noodige
versterking zou zijn aangekomen. Ook boe-
zemde hij den Katholieken, welke zich bin-
nen het kasteel begeven hadden, moed in
door een brief van den graat Bossu, den
Spaanschen opperbevelhebber, die hem hulp
toegezegd had.
Onder degenen, welke hem gevolgd waren,
bevond zich Pater Nicolaas Pieck, Gardiaan
van Oorcum, met zestien broeders, die hunne
priesterkleederen en andere kerksieraden met
zich namen. Drie andere broeders wilden
hem niet volgen en bloven in het klooster.
Inmiddels hadden Leonardus van Vechel en
Nicolaas Poppel, Pastoors te Gorcum, het
kasteel verlaten, beproevende het volk te
-ocr page 14-
11
vermanen, en de Katholieke burgers waar-
schuwende, om zich binnen hot kasteel te
begeven.
Nadat Brandt met zijne Geuzen do stad
was binnengetrokken, liet hij al de inwoners
op de markt bijeenkomen, deed hun den eed
van getrouwheid aan Willen van Nassau, Prins
van Oranje, (5) afleggen en luidkeels roepen:
„heven de Henzen:" Terstond loste Turk van
het kasteel twee kanonschoten op de Geuzen.
Brandt vaardigde nu een der in de stad ge-
bleven Franciscanen naar hem af met een
brief, dien Turk echter weigerde aan te ne-
men, üe kloosterling las evenwel den brief
voor, waarin vrije aftocht beloofd werd voor
Turk en voor allen die zich in het kasteel
mochten bevinden, doch het aanbod werd van
de hand gewezen. Onmiddelijk maakte Brandt
zich tot de bestorming gereed, waarmede hij
nog denzelfden avond begon. Turk verde-
digde zich manmoedig, hoewel hij slechts 20
bezoldigde knechten ter zijne beschikking had.
De Geuzen waren echter spoedig van het voor-
plein meester, waarop hij met de zijnen naar
het sterkste gedeelte van het kasteel, de
Blauwe Toren genaamd, terugweek. Doch
het aanvankelijke verlies had zijn kleine be-
-ocr page 15-
12
zottin,»\' zoo ontmoedigd, dat zij de wapens
wegwierpen.
Brandt deed nu nogmaals het kasteel op-
eischen. terwijl hij onder eed beloofde, dat
allen, die er op waren, zoowel wereldlijken
als geestelijken, vrijen aftocht zouden genieten,
evenwel met achterlating van de goederen,
welke er verborgen waren. Turk wachtte
tot middernacht, en geen hulp ziende opda-
gen, gaf hij; het kasteel den il Juni aan
de Geuzen over. Als de geestelijken, die zich
op het kasteel bevonden, de overgave ver-
namen, voorzagen zij. dat hunne geestelijke
klceding hen wellicht zou doen herkennen,
zij trokken derhalve hunne kloosterkleederen
weder aan, en gingen bij elkander te biech-
ten, terwijl de eerwaarde Pastoor Nicolaas
hun vervolgens de H. Communie uitreikte.
Bij het binnentrekken der sterkte reikte
Brandt de hand aan Hesselius Estius, die aan
den ingang stond, en sprak: „Vrees niet! wat
ik beloofd heb, beloof ik nog, en ik bevestig
mijn trouw onder eede." Nauwelijks was de
woeste schaar binnen, of de gevangenen en
de geestelijken vooral ondervonden dat het op
hen gemunt was, daar de Geuzen op hen aan-
vielen en hunne kleederen doorzochten om
-ocr page 16-
13
geld bij hen te vinden. De Onder-gardiaan
Hieronyiiius, een eerbiedwaardig grijsaard had
veel van hen te lijden. Zij grepen hem bij
de borst en mishandelden hem ten einde hein
geld af te persen, dat de goede man, volgens
de regels zijner orde, niet bezat.
Nadat de namen der gevangenen waren
opgeschreven, verweet Brandt aan Gaspar
Turk den dood van twee inwoners, die deze
had laten onthoofden, omdat zij de kettersche
predikers in hun huis opgenomen en begun-
stigd hadden. Turk verdedigde zijn recht,
verklarende niets anders gedaan te hebben
dan hetgeen waartoe zijn ambt als Drossaard
hem recht gaf; van dit oogenblik af begon
het beschimpen en bespotten der gevangen
priesters, hetgeen zij echter met bewonde-
renswaardig geduld verdroegen. Zeker burger
van Gornim bood den Gardiaan, aan om hem
vrij te koopen; maar do edele Nicolaas Pieck
weigerde volstrekt zijne broeders te verlaten
en sprak hun zelfs moed en vertrouwen in.
Brandt, wien men het verbreken van zijn
woord verweten had, verdedigde zich met te
zeggen, dat hij niets verder mocht uitrichten
zonder de bevolen van Lumey. Evenwel wer-
den eenige dagen later door bemiddeling van
-ocr page 17-
14
sommige burgers do gevangenen vrijgekocht,
met uitzondering der geestelijken en klooster-
brocders en nog een Katholiek burger, Gor-
dianus de Vosse of van Vossc geboete. Deze
werd toch later op aanhoudend aanzoek zijner
vrouw in vrijheid gesteld en niet hem een
zeker priester, Godefridus van Duyncn of\'
Van Duin, die een weinig krankzinnig was.
Doch toen deze de gevangenis verliet, zeide
een der Geuzensoldatcn: ,.Zoo die verstand
heeft om God te dienen, dan heeft hij ook
verstand om opgehangen te worden." Op dit
gezegde voerde men hem weder naar de
gevangenis terug en later onderging hij met
de anderen den marteldood.
Nadat de burgers vertrokken waren, werd
de Gardiaan met al de zijnen in een ondcr-
aardschen kerker geworpen, waar de beide
Pastoors reeds met een anderen Priester ge-
bracht waren. Zij waren uitgeput van ver-
moeidheid en van den smaad, dien men hun
had aangedaan en hadden groeten honger.
Hoewel het Vrijdag was, bracht men hun
vleesch, doch geen hunner wilde daarvan
nuttigen. Slechts één priester vergat zich en
gebruikte van de voorgezette spijs.
Eenigen tijd daarna kwamen soldaten langs
-ocr page 18-
15
een ladder de gevangenis der geestelijken
binnenstormen, uitroepende: ,.Laten wij hun
neus en ooien afsnijden en hen dan kruisigen!"
Zij wilden hen op de ladder binden om hen
te geoselen, doch juist toen men daarmede
wilde beginnen, kwam een der .soldaten be-
lichten, dat Willem Turk met een bende
Spaansch krijgsvolk in aantocht was. Nu
spoedden zij zich naar de muren om den
Spanjaarden weerstand te bieden, doch hen
niet ziende opdagen, begaven zij zich op nieuw
onder de gevangenen, die nu niets anders
dachten dan ter dood gebracht te zullen
worden.
Leonardus trad manmoedig vooruit, en
knielde neder, zeggende: ,.ïk ben bereid.\'\'
Hij ontblootte zelf hoofd en hals, maar men
antwoordde, dat hij hun de kloosterschatten
moest aanwijzen. Hij bewaarde echter het
stilzwijgen, waarop de soldaten op Godefridus
aanvielen. Ziende dat zij met dezen krank-
zinnige niets konden uitrichten, keerden zij
zich naar Nicolaas Poppol, den jongstea4*astooj-,
hielden hem een ge]aden^^óöli"~V{wir\'
mond en wilden hem dwm^n,,hun\'t£,29g!geif
waar de schatten vej^6^gen",-w#ren^iïDlke//
vreesaanjagingen venflia$Jtó$n r^iéts "(jps\'
-ocr page 19-
16
gemoed, waarop zij een der Minderbroeders
het gordelkoord afrukten; zij wierpen het
om Poppels hals, haalden het over de deur
van den kerker, en begonnen hem op en
neder te trekken, zoodat hij bijna verworgd
werd. Toen hij op het punt was den geest
te geven, hielden zij nogmaals bij hem aan.
Daar zij echter niets van hem konden ver-
nemen, de man kon niets ontdekken of geven
aangezien hij niets te ontdekken of te geven
had stieten zij hem voor dood van zich. Voor
hij den dood onderging\', waren de lidteekenen
der koorden aan zijn hals nog zichtbaar.
Toen wierpen zij zich weder op de Minder-
broeders en vooral op de jongsten, wien zij
door kaakslagen de tanden uit den mond
sloegen. Een der broeders, die insgelijks
mishandeld werd, zeide: „Ik weet niets van
verborgen schatten, dat gaat den Gardiaan
aan." Men greep toen Hieronymus den
Vicaris, meenende dat hij de Gardiaan
was. Zij zetten hem een dolk op de borst
en herhaalden hun bedreigingen. De Vicaris
had met een enkel woord het gevaar kunnen
af wenden, doch hij wachtte geduldig den
dood af. Pater Nicolaas maakte zich nu be-
kend als Gardiaan, de beulen vielen toen
-ocr page 20-
17
verwoed op hem aan, doch hij antwoordde:
..Gij weet, dat de gewijde kelken en ver-
sierselen in het kasteel zijn gebracht en zeker
wel door u gevonden zullen zijn.\'\' Zij sloegen
geen acht op zijne woorden, wierpen hem
insgelijks het gordolkoord om den hals en
sleurden hem naar de deur der gevangenis,
waar zij hem begonnen te pijnigen. Doch door
het gedurig op en ncêr wrijven over den
scherpen kant der deur, brak het koord en
de heilige Martelaar viel bijna levenloos neer.
Thans onderzochten de beulen of hij dood
was, en zetten hom in eene zittende houding
tegen den muur. Daar hij geen teeken van
leven meer gaf, hielden zij hem een flambouw
onder het voorhoofd, verbrandden zijne haren
en blakerden hem hoofd, mond, wangen, kin
en neus. Ook hielden zij hem de vlam onder
de neusgaten, om die tot de hersenen te doen
doordringen. Dit nog niet genoeg zijnde, wron-
gen zij hem den mond open en staken er de
brandende toorts in, waardoor de tong en het
gehemelte verschroeiden en hem tot aan zijn
marteldood toe de smaak benomen was.
Toen zij ten gevolge dezer folteringen geen
leven meer in hem bespeurden, schopten zij
hem met den voet, zeggende: „Het is maar
Makt. Gorc.                                                             2
-ocr page 21-
18
een monnik!"\' en lieten hein liggen. Toen hij
weder tot zich zelven was gekomen, uitte hij
niet de minste klacht over zijne onbeschrijfe-
lijke smarten, maar vermaande zijne broeders
tot volharding in hun lijden.
Daarop kwamen de beulen met een bijl
terug, voornemens om hem in stukken te
houwen, doch ziende dat hij nog leefde, trap-
ten zij hem op de borst en in de zijde en
riepen : „Leeft de monnik nog ?" Zij beschimp-
ten hem op nieuw, schopten en trapten hem
en verlieten de gevangenis onder de ijselijkste
venvcnschingen.
Den volgenden nacht kwamen de Geuzen-
soldaten weder in de gevangenis der geeste-
lijken en een van hen, een Fries, gaf hun
allen den een na den ander zulke geweldige
kaakslagen, dat het bloed zich met geweld
door neus en mond een uitweg baande. Der-
gelijke tooneelen herhaalden zich telkens
en meestal des nachts. De beulen brachten
somtijds gasten mede, onder anderen een
Waalsch krijgsman. Een der Minderbroeders,
in hem een landgenoot herkennende, dacht
zich op hem te kunnen beroepen, doch in
plaats van hem te antwoorden, nam de Waal
z^jn mes en sneed hem over het aangezicht,
-ocr page 22-
19
zoodat het bloed met stroomen nit de wond
gudste, zeggende : „Omdat gij mijn landge-
noot zijt, zal ik u ophangen."
De soldaten knielden ook voor de priesters
neder, alsof zij wilden biechten, en fluisterden
hun allerlei onreine taal in de ooren, waarna
zij hen sloegen en schopten. Willohadus, een
stokoud kloosterling, antwoordde op eiken slag
met een „God zij gedankt!" en toen eender
Geuzen hem vroeg: ..Wat antwoordt gij op
hetgeen ik gebiecht heb ?" sprak de vrome
man: „Ik zal God voor u bidden." De Geus
bracht hem op dit gezegde zulke hevige
slagen toe, dat de grijsaard ia zwijm viel.
Den 30 Juni, den derden dag na hunne
gevangenschap, werden er twee burgers van
■Gorcum opgehangen, Theodorus Bommer en
Arnoldus de Koning, de eerste, omdat hij de
Geuzen in het voorbijvaren voor kerkroovers
had uitgemaakt, en de andere, omdat hij in
naam des konings in de omliggende plaatsen
krijgsvolk had aangeworven. Brandt had den
Pastoor Leonardus verlof gegeven, hen in
hunne laatste oogenblikken bij te staan. Op
voorspraak der burgers en onder belofte om
„vrijzinnig te zullen prediken" bleef Leonardus
sedert in de stad. Met behulp van den neef
-ocr page 23-
20
des Gardiaans wist hij te bewerken, dat men
dezen een heelmeester toevoegde, die zijne
wonden kwam verbinden. Op het gezicht der
barbaarsche mishandeling kon de heelmeester
zijne tranen niet weerhouden; hij bleef de
geestelijken dan ook dagelijks bezoeken
Den 1 Juli, daags voor den feestdag der be-
zoeking van de H. Maagd Maria, verscheen
in de gevangenis Johannes Omalius, (ti) een
afvallig kanunnik der Luiksche Kerk, doch
thans in dienst van Lumey, en berichtte hun
dat hij door den graaf van der Mark was
gezonden om hen allen op te hangen. De
Vicaris antwoordde hem: „Handel met ons
naar uw welgevallen, bij ons is geen uitstel,"
waarop Omalius hen allen opnieuw met scheld-
woorden overlaadde.
Dcnzelfden dag ontvingen zij het bezoek
van een beul, die hun de koorden toonde,
zeggende: „Ziet gij, wat ik hier heb\'?" en
de Gardiaan antwoordde met blijdschap: „God
zij gedankt, dat wij zoover gekomen zijn!"
De beul rukte hun toen de kappen van het
habijt af, en nam die mede, doch de terecht-
stelling bleef vooralsnog achterwege.
\'s Nachts drongen er ecnige beschonken
soldaten den kerker der Martelaren binnen,
-ocr page 24-
21
bonden hen twee aan twee en plaatsten hen
achter elkander, uitroepende: „Zingt nu, mon-
niken, «ij gaat in processie ter dood!" Zij
volgden hen gewillig onder het aanheffen van
het Tc Dcum Lattdaimts, naar het bolwerk,
waar verscheidene Geuzen-soldaten om een
welvoorziene tafel zaten. Zij gaven hun een
bak met dobbelsteenen, hun toevoegende:
„Werpt nu. wie het eerst zal opgehangen
worden!-\' waarop Nieolaas Picck ten antwoord
gaf: ,.Het is niet noodig, dat wij die teer-
lingen werpen, ik bied mij zelven het eerst
aan." Xa eenige bespotting bracht men hen
echter zonder verdere kwellingen naar hun
kerker terug.
Den volgenden dag begaf Pastoor Leonar-
dus zich naar de parochiekerk en beklom
den predikstoel. Doch die daar gekomen wa-
ren om hem „vrijzinnig\'\' te hooren spreken,
vonden zich deerlijk te leur gesteld, daar hij
de zuivere leer tegen de ketters predikte.
Sedert dien tijd stond men hem op onder-
scheidene wijzen naar het leven, maar eenige
Katholieke inwoners beschermden hem. Zijne
pogingen om zijn ambtgenoot Nicolaas Poppel
vrij te koopen, leden echter schipbreuk. Ook
werd hij ten gevolge zijner prediking uit de
-ocr page 25-
22
stad gebannen. Toen hij de stad wilde ver-
laten, hielden de Geuzen-soldaten hem aan.
En toen eenige burgers hem ontzetten wilden,
schreeuwden de soldaten luidkeels „dat hij een
verrader was. die zonder paspoort de stad
had willen verlaten!" Dit was een leugen, hij
had integendeel een vrijgeleide verkregen,,
doch de brief was hem door een der soldaten
heimelijk afhandig gemaakt. Daar hij dus
geen bewijs kon toonen, kreet men hem voor
een verrader uit en voerde hem naar de ge-
vangenis terug. Marinus Brandt gaf terstond
bevel hem van zijn kleederen te ontdoen en
op de pijnbank te leggen, doch voor het tot
de uitvoering kwam, herriep hij zijn bevel,
zonder dat men weet waarom. Evenwel werd
Leonardus, onder den schijn, dat hij verrade-
lijke bedoelingen koesterde, weder in den
kerker bij zijne verlatene broeders geworpen..
Bij het binnenkomen smeekte hij hun om
vergiffenis, zoo hij door zijne gedragingen
misschien hun lot verzwaard had.
De eenigste, die de gevangenen getrouw
bleef bezoeken, was de heelmeester Theodorus.
Hij verbond hunne wonden en ried den Gar-
diaan dikwerf aan. om de vrijkooping aan te
nemen die hem aanboden was, doch deze
-ocr page 26-
23
antwoordde dat hij als herder zijne schapen
niet verlaten mocht.
Intusschen werkten eenige voorname raads-
lieden aan de vrijlating der gevangenen en
zonden daartoe een bode aan den Prins van
Oranje af. In dien tusschentijd deden de
Geuzen aanzoek bij Lumey, die zich te Brielle
bevond, om do gevangenen ter dood te bren-
gen, vóór het antwoord van den Prins daar
kon zijn. Reeds vroeger had Lumey den
luitenant Omalius afgezonden om de gevan-
genen in oogenschouw te nemen en dan naar
Bommel te trekken, voor welke stad Omalius
echter een groote nederlaag leed. Dit bericht
verbitterde Lumey nog meer tegen de gevan-
genen; en daar hij bij afwezigheid van den
Prins een onbepaalde macht uitoefende, gaf
hij bevel tot hunne terechtstelling.
Den 3 Juli keerde Omalius van zijne neder-
laag voor Bommel terug. Eenige ijverige
Katholieken wilden bij den woestaard beproe-
ven om de geestelijken door geld van hem
vrij te koopen, maar men ried hun valschclijk
dit voornemen af, voorgevende, dat hij door
geld toch niet te verbidden was. Hij vond
het echter niet geraden om hen te Gorcum
in het openbaar ter dood te brengen, daarom
-ocr page 27-
24
liet hij hen in den nacht van den 6 Juli naar
de Menvede brengen, na hen eerst van hunne
bovenkleederen beroofd te hebben. Zij, die de
wocstelingen smeekten, hun den mantel te la-
ten, werden met kaakslagen beantwoord.
Ten een ure na middernacht werd hun be-
volen, in een schuit te stappen, die hen naar
Brielle zou overvoeren. De schipper was een
Gorcumnier. Leonardus herkende hem en
vroeg: „Wel, Rochus, zijt gij het die ons
naar de g-alg moet voeren ?" en hij antwoordde:
„Ja. helaas, ik moet dit nu alzoo doen." In
de schuit bevonden zich negentien gevang-e-
nen, zestien Priesters en drie leekebroeder.s
van het Jlinderbrocderskloostcr. Van dit getal
waren er eerst drie afgevallen, maar door Gods
beschikking\' was het weder tot negentien
aangegroeid, zooals bij tien aanvang hunner
gevangenschap, doordat drie andere lijdensg\'e-
nooten hun werden toegevoegd.
Xadat de Martelaren eenigen tijd de rivier .
afgevaren waren, moesten zij in een mossel-
sloep overgaan, en de walgelijke uitwasemin-
gen en de bekrompen ruimte deden hen bijna
stikken. Pater Xicasius van Heeze had geluk-
kig eenig geestrijk vocht bij zich, dat hij van
den heelmeester in den kerker te Oorcnm ont-
-ocr page 28-
25
vangen had. Hiervan deelde hij zijne broedere
mede, hetgeen hen weder ecnigszins tot zich
zelven deed komen. Hun verblijf in dit
verpestende vaartuig was echter van korten
duur. daar zij weldra in een vrachtschip
overgeplaats werden, dat hen naar Dordrecht
bracht, waar zij des Zondags morgens ten
negen ure aankwamen. Terwijl zij voor den
wal lagen, kwam een menigte menschen uit
de stad hen bezichtigen, alsof het wilde dieren
waren. Daarbij liet men hen den gehcclen
dag zonder eten of drinken, en daar de toeloop
van menschen, die hen kwamen bespotten,
steeds aangroeide, lieten de wachtdoende
f»filaten niemand op het schip, dan tegen
etaTrhg.
Toen het water tegen den middag begon
te wassen, gaf Omalius bevel, naar Briélle
te varen. Onder weg gaf de schipper hun een
weinig te eten, er bij voegende : „Ik ken geen
mensch die mij voor deze weldaad een stuk
broods zou geven." Op omtrent een uur af-
stands bleef het schip liggen. Den geheelen
nacht waren zij ten prooi aan honger en
koude, en werden eindelijk met het aanbreken
van den dag, 7 Juli, naar Briélle vervoerd.
Hier moesten zij bijna een uur voor de poort
-ocr page 29-
26
vertoeven, tot dat Lumey zelf te paard aan-
kwam en de poort voor hen liet openen.
Lang beschouwde Lumey hen met een
grijnzenden lach en liep eindelijk sarrend uit:
..Wat komt gij hier uitrichten? Zijt gij hier
gekomen uni verraad te plegen, of om ons
van onze zetels te werpen ? Waarom niet te
huis gebleven om uwc missen te lezen!" Xu
beval hij zijnen soldaten, hen uit het schip
te halen en hen te dwingen, voor hem neder
te knielen, terwijl hij hun in het Latijn toe-
voegde : „Surffite Dmninif ..Staat op Heeren!"
Toen werden zij twee aan twee gebonden. Den
leekebrocder Henricus gaf men een gewijden
standaard in de hand, dien men uit eene dei-
kerken geroofd had, en liet hem voor zijne
medegezellen uitgaan. Zoo liet men hen drie-
maal onder de galg doorloopen. om. volgens
het zeggen der soldaten, „de beloften hunner
bedevaart te volbrengen."\' terwijl het volk
hen met smaad- en schimpwoorden op de
galg wees, zeggende: „Ziedaar uw kerk en
kerkhof!" Daarna beval men hun, onder de
galg te knielen en eenige lofzangen ter eerc
der H. Maagd te zingen, waarop de beul zich
gereed maakte om hen op te hangen. Doch
deze toebereidselen geschiedden alleen om
-ocr page 30-
27
hen vrees aan te jagen. De beul nam Henricus
den standaard uit de hand en plaatste zich
vooraan, terwijl de soldaten hen niet stok-
slagen voortdreven en Lumey zelf hen met-
een boomtak in het aangezicht sloeg.
Zoo voerde men hen naar de markt, waar
zij weder onder een galg werden geplaatst.
Hier gebood men hun. de Litanie van alle
Heiligen en van de H. Maagd Maria overluid
te bidden, hetgeen door de omstanders op
spottende wijze beantwoord werd. Na al deze
versmadingen bracht men hen in een kerker,
waar zij nog twee priesters opgesloten von-
den. Andreas Wouters. Pastoor van Heinoort
en Adrianus. Pastoor van Maasdam. Een halt
uur later werden er nog twee monniken bin-
nengebracht : Adrianus van Beek (of Hilva-
renbeek) en Jacobus Lacops.
Na tot drie ure in den namiddag in dien
vochtigen kerker vertoefd te hebben, werden
zij naar het Stadhuis gebracht, waar eenige
personen met Lumey aan het hoofd eenige
vragen tot hen richtten, betreffende het ge-
loof, en die alle door Leonardus in gezonde
taal beantwoord werden. Toen dit verhoor
was afgeloopen, werden zij naar hunne gevan-
genis teruggevoerd. De Pastoor van Maasdam,
-ocr page 31-
28
de kanunnik van Goraim en de Minderbroe-
der Henricus werden, wellicht omdat zij uit
vrees voor den dood hun antwoorden naar
den zin hunner ondervragers gegeven hadden,
van hunne broeders gescheiden en in een
betere gevangenis overgeplaatst, waar men
hen van brood en water voorzag.
Den volgenden dag (8 Juli) ondergingen
zeven van hen een nieuw verhoor, waarbij
hun tevens afgevraagd werd, of zij hun ge-
loof wilden afzweren. De voornaamste dezer
zoogenaamde rechters, was een schipper van
Gorctn». Cornelius genaamd, die, ziende dat
niets hen kon doen wankelen, gedurig uitriep:
..Hang hen maar op." Daarna werden zij we-
der naar hun kerker teruggebracht.
Intusscheu was de gevraagde schutsbrief
van den Prins van Oranje aangekomen. Hij
was gericht aan Marinus Brandt, die er een
afschrift van ter hand stelde aan een ijverig
voornaam burger, welke tot de bevrijding der
geestelijken had medegewerkt. (Om welke
reden Brandt het oorspronkelijk stuk niet
heeft gegeven, is mij niet gebleken uit de
echte bronnen, waaruit deze beschrijving ge-
put is; wellicht omdat het een bevel gold,
aan alle oversten en stadhouders gericht, om
-ocr page 32-
29
de Katholieke medeburgers volgens dezelfde
rechten en vrijheden te behandelen als de
andersdenkenden. Wellicht heeft Lumey zich
ook later trachten te verantwoorden met voor
te geven, dat het bevel niet. uitsluitend aan
hem gericht was, alhoewel hij in dezen tijd
den Prins van Oranje niet als opperhoofd
erkende, maar zich veeleer met hem gelijk-
stelde.)
Den daaraan volgenden dag zond de raad
van Oorcum iemand naar Lumey, met de copie
van het bedoelde bevelschrift tot vrijlating der
gevangenen. Deze bode moest tevens voor
Leonardus een losgeld van 10.000 ducaten
bieden, namens diens zuster, welke haar broe-
der tot eiken prijs wilde vrijkoopen. Ook was
de bode van een vrijgeleide van Brandt voor-
voorzien, luidende: „Mijnheer Marinus Brandt
beveelt aan alle dienaars der republiek, dat
zij dezen N. N. gerust kunnen laten reizen,"
enz. Luincy ontving den v bode zeer trotsch
en lachte bij het inzien van het vrijgeleide,
omdat Brandt, die vroeger een zeer gering
personaadje was, zich zelve daarin „Mijnheer"
noemde. Daarop overhandigde de afgevaar-
digde den brief van den Eaad van Oorcum,
waarin de geestelijken als onberispelijke lic-
-ocr page 33-
30
den werden geschetst, die nooit iets ten na-
deele van de Repnbliek hadden uitgericht,
maar zich integendeel verdienstelijk hadden
gemaakt voor de burgerij.
Deze brief mocht, evenmin als de verdere
redcneeringen van den afgevaardigde, iets uit-
werken op den wreedcn verwaten Lumey.
Kortaf gaf hij ten antwoord: ..dat hij het
bevel van den Prins van Oranje niet erken-
de, als staande zoo goed als deze aan het
hoofd der Republiek, en dat hij van niemand
bevelen afwachtte. Wat de gevangenen be-
trof, op hen wilde hij den dood der Graven
van Erjmond en Hoorne en zoo vele ande-
ren wreken ; hieraan viel niets te verande-
ren." Hoe ook Treslong en andere bevelheb-
bers ten voordcele der ongelukkigen spraken,
Lumey\'s partij behield de overhand, vooral
daar zijn gekrenkte trotschheid over het
bevelschrift van den Prins van Oranje hem
telkens in vernieuwde woede deed uitbarsten.
Hij had de Briellenaars op hunne terechtstel-
ling willen vergasten en hij mocht hun dit
vermaak niet ontrooven: in het kort, noch
geld, noch beden mochten iets baten en de
afgevaardigde keerde onverrichter zake naar
■Gorcam terug.
-ocr page 34-
:\'.1
Nicolaas Pieck werd den volgenden dag
nogmaals voor een raad geroepen, die hem de
vrijlating van al zijn lotgenooten voor sloeg,
indien zij slechts den Paus van Rome wilden
afzweren. Men meende, zoo hij slechts daarin
toestemde, dat zijn invloed al zijn broeders
daartoe zon overhalen; doch hij weigerde be-
slist. Ook bood men hun een avondmaal
aan, om hun geest daardoor wellicht zwakker
te maken, doch alle stemden met hun Gardi-
aan overeen, die den rechters te kennen gaf,
„dat hij zijn broeders en medegezellen in
leven of dood nimmer verlaten zou. noch in
eenig punt aan het wankelen zou brengen,
want dat zij allen eenparig besloten hadden
niet het geringste punt van hun geloof te
verzaken, maar liever gewillig den dood te
gemoet gingen."
Zoodra aan Lumey het antwoord was be-
kend gemaakt, gaf hij bevel tot de terecht-
stelling, waarop de martelaren ten elf ure uit
hun slaap gewekt werden en hun do voltrek-
king der doodstraf werd aangekondigd. Pater
Nicolaas antwoordde daarop gelaten: „Hetgeen
de Heer heeft gegeven, kan ik niet weigeren."
Nu werden de gevangenen twee aan twee
gebonden en onder den toeloop van een me-
-ocr page 35-
32
nigte volks onder do vreeselijkste bespottingen
buiten de poort, geleid. Hier voegde zich
weder bij hen de Leekebroeder Henricus,
die vroeger van hen was afgescheiden, ter
oorzake wellicht van eenige verloochening
in den Katholieken godsdienst. Hij toonde
daarover dan diep berouw en uitte den wensch
om niet hen de martelaarskroon te verwerven,
wanneer hij door zijne medebroeders weder
in genade werd aangenomen, zoodat het getal
van hen, die ten dood geleid werden, weder
tot een en twintig was gestegen.
Buiten de stad, voerde men hen naar een
klooster, Ten Rogge of Rugge genaamd, dat
aan de H. Elisabeth was toegewijd. Weleer
was het door kanunniken van de orde van den
heiligen Augustinus bewoond, doch zij hadden
het verlaten, voor dat de Geuzen liet verwoest
hadden. Hier bevond zich eene schuur, die
vroeger tot berging van turf gebruikt was;
zij was onderstut door twee dwarsbalken,
en dit achtte men eene geschikte gelegenheid
om de geestelijken op te hangen.
Zoodra zij daar gebracht waren, biechtten
zij elkander hunne zonden en bevalen hunne
zielen aan God. De Gardiaan werd het eerst
ter dood geleid. Hij omhelsde beurtelings zijne
-ocr page 36-
33
broeders en vermaande en smeekte hen. „den
strijd voor hot Katholieke geloof tot den
laatsten snik kloekmoedig te volstrijden." Met
deze woorden klom hij blijmoedig de ladder
op en ging steeds voort, met hen tot stand-
vastigheid te vermanen, tot dat hem de keel
was dichtgestropt.
Toen de Gardiaan hing, namen de edele
Hieronynins en Nicolaas Poppel het woord en
vermaanden hunne medgezellen, hun zalig
uiteinde te verzekeren, want een Calvinistisch
predikant wendde nog gedurig, vooral bij de
jongsten, pogingen aan, om hen tot verzaking
van hun geloof over te halen. Zijn woorden
hadden echter op niemand uitwerking dan
op den jongsten, den achtienjarigen Novice
Henricus, die alles deed wat hem bevolen
werd, ten einde het leven te behouden.
Moediger gedroeg zich de Vicaris Hierony-
nius. Onder het bestijgen van do ladder, zeidc
hij tot den predikant, „Het smart mij niet,
te sterven, maar wel, dat een onervaren jon-
geling uit vrees voor den dood gehoor aan
uwe woorden gegeven heeft." Door deze tegen-
spraak werden de soldaten woedend en vielen
op den geestelijke aan, hem met hunne mes-
sen het aangezicht kervende, Zelfs toen hij
Mart. Gorc.                                                              3
-ocr page 37-
34
reeds gehangen was. ging hunne barbaarsch-
heid nog zoo verre, dat zij het kruisteeken,
hetwelk hij oj> borst en rechterarm geprikt
had, uit het vleesch sneden.
Hem volgden de Minderbroeder Nicasius
en Pastoor Xicolaas in den dood. Vóór zij
stierven, voegden zij hun medebroeder ecnige
woorden in het Latijn toe, die evenwel dooi-
den Novice Henricus (aan wien wij voorna-
melijk de geschiedenis van hunne laatste
oogenblikken te danken hebben) niet begrepen
werden, omdat hij te weinig van die taal
verstond. Een Franciscaner, Guliëlmus of Wil-
lem geheeten, sprak voor zijne terechtstelling
ecnige woorden met de Waalsche soldaten,
die zijne landgenooten waren; waarop men
de touwen, waarmede hij gebonden was, los-
sneed en hem wegvoerde. Hij had zijn geloof
verzaakt.
Godefridus van Morvel, die bewaarder der
heilige Vaten was, behield tot den laatsten
snik het geheim waar die schatten verborgen
waren, en bediende zich, toen hij de ladder
beklommen had, van de woorden des Zalig-
makers: „Heere, vergeef het hun, want zij
weten niet wat zij doen!"
Leonardus, ten dood geleid wordende, ver-
-ocr page 38-
35
maande zijne broeders nogmaals, en sprak;
„Ik ben niet bedroefd, omdat ik den dood
te gemoet ga, doch ik laat eenc moeder en
een zuster achter, en om harentwil ben ik
menschelijk bewogen, want ik weet dat zij,
mijn dood vernemende, innig bedroefd zul-
len zijn."
Godefridus van Duynen of van Duin, was
nu aan de beurt. Onder het bestijgen van
<le noodlottige ladder, zeide hij tot zijn beulen:
„Haast u. opdat ik mij met mijne broeders
vereenige. Indien ik u ccmg leed heb gedaan,
zoo bid ik ter liefde Gods, mij dit te ver-
geven.*\' Toen hij hing. schenen zijne beulen
eenijr medelijden met hem te gevoelen, want
een hunner zeide: „Zoo wij dien krankzinnige
gespaard hadden, zou hij de Paapsche bijge-
loovigbeid wel verzaakt hebben."
Al de H.H. Martelaren waren den dood
ingegaan, doch allen hadden nog niet den geest
gegeven, want hunne onhandige beulen deden
den een het stropkoord bijna ouder do kin,
terwijl zij bij de anderen den strop niet. dicht
haalden, waardoor het leven nog zeer lang
in hen bleef. Zoo werd Nicasius. die het touw
van den strop in den mond had, ;de*$ morgens
nog ademende gevonden/ "ftif\'tót het uitvoeren
COiiege„St. Wiüibrore
KATWIJK a/d RUN
-ocr page 39-
36
van deze onhandige strafoefoning waren de
beulen omtrent twee uren bezig geweest en
Avel in den nacht van den 8 op den 9 Juli
1572 van 2 tot 4 ure.
Volgens getuigenis van den afvalligen Hen-
ricus, die daarbij tegenwoordig was, waren
er sommigen nog in leven, toen men met
kannibaalschc wreedaardigheid de lijken be-
gon te mishandelen. Ieder trachtte als om
strijd een der ledematen, een neus of oor der
martelaren machtig te worden, om het als een
zegeteeken op borst of schouders weg te
dragen. De verwoedheid ging zelfs zoover,
dat men het vet der Martelaren als genees-
middel verkocht. Het lijk van Hieronyiuus
werd geopend, en het hart en de ingewan-
den aan de nieuwsgierigen verkocht.
Aldus was het roemrijk uiteinde van die
negentien mannen, bekend onder den naam
van „de heilige Martelaren van Gorcitm" een
naam dien niemand hun zal betwisten.
De lichamen der heiligen werden den vol-
genden dag begraven op aanvraag van een
voornaam inwoner van Gorcum, wiens naam
niet bewaard is gebleven. Men wierp hunne
verminkte overblijfselen in twee putten, waar
zij verbleven tot September 1615, wanneer
-ocr page 40-
37
zij. door toedoen van den aartshertog Alber-
tus van Oostenrijk en zijne vrome iremalin
Isabella, heimelijk naar Brussel werden ovcr-
#cvoerd. Daar werd het heilig- gebeente den
18 Octobcr 1618 in kasten ten toon gesteld,
nadat het eerst door Matthias Hovius. Aarts-
bisschop van Mechelen, in processie door de
stad was gevoerd. Hieraan schreef men toe.
dat de pestziekte, die toen te Brussel woedde,
aanmerkelijk verminderde. Ook zond men ge-
deelten dezer reliquiën aan de Minderbroe-
ders van Leuren, Mechelen, Antwerpen, Thie-
nen, St. Truijen. Ath, Binelie, Doornik, Rijssel,
Doitai, Valenciennes, Bergen. Nijvel, Kamen
en Keulen, alwaar jaarlijks de J» Juli. de dag
van hun Marteldood, luisterrijk gevierd wordt.
Paus (\'leniens X verklaarde hen den 14
November 1675, allen als Zalige Martelaars.
In 1772 werd hier te lande het tweede eeuw-
feest in alle E. K. kerken gevierd, zoo als
ook nog ten- huidigen dage op iederen 4 Juli
het feit dor marteling van de 19 heilige Mar-
telaren kerkelijk wordt herdacht, vooral in
•de kerken van Brielle en Oorcum.
Den 14 November 1804 werd aan de H.
Congregatie der Kerkgebruiken de vraag voor-
gelegd: „Kan men reüig tot de plechtige hei-
-ocr page 41-
38
lig verklaring dezer gelukzaligen overgaan ?" —
Het bevestigend antwoord der heilige Verga-
dering werd den 6 Januari I86f> door Z. H.
Pius IX bekrachtigd. Den -J» Juni 1866 ver-
klaarde Z. H. in een openbaar Consistorie
zijn inzicht om weldra de heiligverklaring\'
uit te spreken. Den 8 December van hetzelf-
de jaar deed Z. H. alle Bisschoppen uitnoo-
digen tot het bijwonen van twee half-open-
bare Consistorièn, in Juni 18(57 te houden.
Ruim 500 bisschoppen gingen op naar de
eeuwige stad. en zoo had den 29 .luni 1867
de heiligverklaring plaats, met nog grooter
godsdienstige praal dan vijf jaren te voren
die der Martelaren van Japan. Dien eigen
dag verleende de Paus een aflaat van 7 jaren
en 7 quadraircnen voor degenen, die op den
feestdag der roemrijke bloedgetuigen te Brielle
hunne voorspraak zouden komen inroepen.
Keeds de eerstvolgende 9 Juli werd in die
stad «evierd als nooit te voren. Men was
juist sedert eenigen tijd in het bezit gekomen
van de ware plaats, waar de Heiligen hun
strijd hadden volstreden. en het bezoek der
vrome geloovigen nam toen voor het eerst
de verhouding eener ware bedevaart aan.
Meer dan 600 pelgrims, sommigen van vrij
-ocr page 42-
39
afgelegen plaatsen gekomen, zag men dien
dag met de Brielsche katholieken bijeen in
en rondom de parochiekerk (*), die veel te
klein bleek om allen te bevatten. Van jaar
tot jaar nam die godsvrucht toe, en weldra
werd de toevloed van pelgrims zoo groot,
dat het onmogelijk werd, dat ook slechts de
helft dergenen, die wenschten te komen, op
den feestdag zelven geregeld te Briellc hunne
devotie konden houden. Reeds had Z. H. de Paus
den 3 Mei 18<>K een vollen aflaat aan die
godvruchtige oefening verbonden; doch in den
immer aanwassendcn stroom van pelgrims
vond Z. H. aanleiding om die gunst, aanvan-
kelijk voor den 9 Juli toegestaan, eerst uit
te breiden tot de gcheele maand Juli en later
tot de drie maanden Juni, Juli en Augustus:
terwijl buitendien den 12 Mei 1878 door Z. H.
Leo XIII een aflaat van 7 jaren en 7 maal
veertig dagen werd toegestaan voor allen, die,
op welken dag des jaars ook, eenige oogen-
blikkcn bij het graf der H. H. Martelaren
zouden komen bidden. Is het wonder, dat
voortdurend meerderen zich opgewekt gevoel-
den om dien bedeweg te doen?... In 1878 zag
(*) In 1831 gebouwd en Oodc toegewijd onder aanroeping der
H. Catbarina en der Ucliikzaligo Martelaren van Gorciim.
-ocr page 43-
40
uien in de maanden Juni — Augustus niet
minder dan 28 verschillende processiën, met
133 priesters en 9410 pelgrims te Brielle
aankomen, en in het jaar 1880 bedroeg het
aantal dezer laatsten over de 11000, waarbij
men een 160tal priesters opmerkte.
Wij zeiden boven, dat men tijdens de heilig-
verklaring sedert eenige tijd met zekerheid in
het bezit was gekomen van de kampplaats
der bloedgetuigen. Tot opheldering diene het
volgende. De overlevering omtrent de ware
plaats van den marteldood was in den beginne,
ook toen de plaatsen reeds nagenoeg onken-
nelijk waren geworden, nauwgezet onder de
katholieken van Brielle bewaard ; in het ver-
loop echter der 17e of 18° eeuw moet zij
zijn verloren gegaan, zoodat het mogelijk werd,
— wat inderdaad geschiedde, —• dat men,
door een gelijkluidenden naam misleid, latei-
de schuur eener boerderij, het huis ten Rugge
genaamd, voor de martelplaats aanzag. Deze
grond werd indertijd door Z. D. H. Mgr. 0.
L. Baron van Wijkerslooth, Heer van Schalk-
wijk, Bisschop van Curium i. p. i., aangekocht,
en er werd een lokaal tot kapel ingericht,
alwaar nog voor weinige jaren de godvruch-
tige pelgrims op hun terugweg van het ware
-ocr page 44-
41
martelveld naar do stad eenige oojrcnblikken
plachten te komen bidden. Gods Voorzienig-
heid, die deze. dwaling had toegelaten, had
echter tevens gezorgd, dat de middelen om
die te herstellen, bewaard, bleven, en ten
gesrhikten tijde de aandacht trokken van den
Warmondschen hoogleeraar J. \\V. 1-. Smit,
die reeds te voren in menig degelijk opstel
in het verdienstelijk maandschrift „De Katho-
Ut\'li"
verschillende punten, de geschiedenis
onzer Martelaren betreffende, tot klaarheid
had gebracht of met nieuwe bewijzen gestaafd.
Door zijne onvermoeide en scherpzinnige
nasporingen, door vergelijking der oude plaats-
beschrijvingen en oorkonden. (*) werd het
boven allen twijfel verheven, dat het klooster
St, Elisabeth ten Rngge, in welks turfschuur
de 19 Martelaren waren ter dood gebracht,
een ander was dan dat. waarvan het Huis
ten Rugge een overblijfsel kon wezen, en aan
de overzijde van den weg moest zijn gelegen;
i*) Zoo li. v. wordt ia de actestukken van het onderzoek, naar
ilc echtheid der Reliquiën in 1619 gedaan, niet alleen de afstand
der voormalige (toen reeds geslechte) turfschuur van het parocli.
ialc kerkhof en van de kloosterkerk, en hare ligging naast
den vischvu\'vcr (thans nog eene sterk begroeide waterkom) nauw-
keurig opgegeven, maar is er zelfs een dubbele plattegrond
bijgevoegd, waarvan één zooals die in 1619 zich bevond, (zie
de aanteekeningen van P. Sollicr in de Artn SS.. 9 .lulijt.
-ocr page 45-
12
en men kon zelfs nauwkeurig uit onbetwist-
bare gegevens den omtrek der turfschuur
afpalen. Hulde zij hier gebracht aan den
Zcereerw. Heer Smit, en tevens aan de Bis-
schoppelijke commissie, door wier toedoen
deze zaak tot klaarheid is gekomen, en het
bezit der heilige plaats aan de katholieken
is verzekerd. (*) Heden is. door de zorgen
dier zelfde commissie, het martelveld versierd
met eene schoone, ruime en doelmatige bede-
vaartskerk, Avaaruit men. ook bij ongunstig
weder, door een breeden overdekten omgang
in processie achter de martelplaats om kan
trekken om weder in de kerk terug te keeren.
Ken woord over elk der Martelaren
in het bjyzonder.
1. MKOLAAS PIECK werd den 298tc»
Augustus 1834 te Gorcum geboren uit zeer
vrome ouders, Johannes Pieck en Hendrica
Oalve geheeten. Vurig katholiek en hoogst
godvruchtig als zij waren, voedden zij Nico-
laas van zijne teoderste jeugd af met de
(*\'■ Bij het omwoelen van den grond der voormalige turfschur
werden nog eenige vrij aanzienlijke gebeenten opgcdolvcn.
-ocr page 46-
43
grootste zorgvuldigheid in de vreeze des
Hoeren op. en liet kind beantwoordde reeds
vroegtijdig aan de verwachting der ouders.
Nauwelijks begon zijn verstand zich te ont-
wikkelen, of hij werd afkeerig van de ijdele
praal der wereld, en gevoelde een hevig
verlangen naar de christelijke volmaaktheid;
en zoodra zijn leeftijd het toeliet, omhelsde
hij te \'s-Hertogenbosch. alwaar hij zich met
een gelukkigen uitslag op de lagere studiën
had toegelegd, het religieusc leven in de
beroemde orde van den H. Franciscus. Nu
gaf hij aan zijn edele ziel de volle vlucht, en
legde de hechte grondslagen der verheven
deugden, die later zoo schitterend in hem
uitblonken. Niet alleen echter zijne groote
deugden, maar ook de uitstekende gaven van
zijn geest deden de schoonste verwachting
van hem koesteren. Zijne oversten zonden
hem dan ook naar I iouven waar de Orde een
klooster bezat, dat uitmuntte door godsvrucht
en stipte onderhouding der regeltucht, en
tevens\' beroemd was door den bloei der ge-
wijde letteren. Daar leeraarde toen do zoo
geleerde pater Adam Kasbouth, die uitmunt
onder de hoogstbedrevene leeraren in de
H. Godgeleerdheid, welke dat huis tot sieraad
-ocr page 47-
44
verstrekt hebben en waaronder er. zooals
pater Kasbonth zelf, in geur van heiligheid
gestorven zijn. Onder dien bekwamen meester
legde de toekomstige martelaar zich niet allen
ijver op de goddelijke wetenschappen toe, tot
het heilig priesterschap de kroon zette op
zijne grondige .studiën. Xn werd hij een ijverig
werktuig in de handen zijner oversten, die
hem naar verschillende streken der Neder-
landen zonden om met kwistige hand het
zaad van \'s Hecren woord te strooien. ()nver-
moeid was hij; dikwijls predikte hij driemaal
daags, en overal waar hij optrad, verwierf hij
zich een grooten naam door zijn vurig en
zalvend woord, dat voorzeker rijke zegeningen
in de zielen zal hebben uitgewerkt. O! wat
heerlijk tafereel zouden wij kunnen schetsen
van die heldhaftige deugden, die hem tot een
volmaakt en heilig kloosterling vormden.
Wijzen wij echter nu slechts ter loops op
zijne onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan
zijne oversten; op zijne omzichtigheid om de
lelie der maagdelijke zuiverheid onbesmet te
bewaren; op zijn diepen ootmoed, waardoor
hij zich én als ondergeschikte èn als overste
kenmerkte; eindelijk op zijne liefde tot de
versterving en armoede die hij tot eene zeer
-ocr page 48-
45
hoog\'e volmaaktheid opvoerde. Brandend van
ijver voor de deugd, was hij als overste
natuurlijk nauwlettend in het handhaven der
kloosterlijke rcgeltucht en krachtdadig in het
uitroeien van misbruiken. In die bediening
was hij den zijnen een levend voorbeeld van
hun heiligen regel. Doch niet slechts trachtte
hij voor zijne Broeders alles voor allen te
zijn, ook voor de geloovigen van Gorcum was
hij een verstandige gids en een van zielenijver
gloeiend Apostel. Met raad en daad wakkerde
hij hen aan om onwrikbaar pal te staan in hun
geloof, en zijn ijver klom naarmate het gevaar
Gorcum meer van nabij bedreigde. Kort voor
de vervolging voor de ongelukkige stad aan-
brak, hield hij zijne twee laatste piedikatièn
voor het volk, waarin en zijn vurige ijver èn
zijn diepe godsvrucht doorstraalden. In de eerste
bewees hij vol gloed en overtuiging de waar-
achtige tegenwoordigheid van Jesus in het
allerheiligste Sacrament, in de laatste wekte
hij met al het vuur zijns harten de geloovi-
gen op tot eene groote getrouwheid en eene
standvastige belijdenis van het alleenzaligma-
kende geloof, dat zij nimmer mochten ver-
loochenen. Dat dubbel sermoon was de laat-
ste vrucht van zijn onvermoeiden ijver, en de
-ocr page 49-
46
laat.stc waarschuwende kreet zijner Apostolische
ziel; en wat hij toen met den mond lceraarde,
zoude hij weldra door zijne heldhaftige daden
bevestigen. Spoedig toch daarop geraakte hij
in de macht zijner vijanden, steunde door
Avoord en voorbeeld zijne broeders, en beze-
gelde eindelijk na onuitsprekelijk lijden de
leer die hij verkondigd had. door zijn held-
haftigen dood. dien hij in den ouderdom van
nog geen volle acht en dertig jaren onderging.
TI. HIEKONYMUS VAN WEERT, wiens
familienaam onbekend is en die naar zijne
geboorteplaats Weert genoemd wordt, was
Vicaris in het Klooster en volgde in rang op
den gardiaan. In het jaar 1522 geboren,
gevoelde hij reeds zeer vroeg een hevig ver-
langen naar het religieuze leven, dat ook hij
omhelsde onder de zonen van den H. Fran-
ciscus. Begaafd met alle hoedanigheden in een
waar kloosterling vereischt, was hij een stich-
tend voorbeeld voor zijne medebroeders. Een
tijd lang had hij behoord tot. het klooster
zijner orde te Jeruzalem, waarom hij niet
zelden de Jeruzalemsche pelgrim werd bij-
genaamd. In het vaderland teruggekeerd, gaf
hij zijn ijver voor het heil der zielen den
vrijen teugel en was een volijverig arbeider in
-ocr page 50-
47
den wijngaard des Heeren. Onvermoeid en
onbevreesd verkondigde hij het woord des
Heeren; en groot zullen de vruchten geweest
zijn, die hij door Gods genade in de zielen
voortbracht, wijl hij eene groote gave van
welsprekendheid bezat.
Hij was vijftig jaren, toen hij den palm
der overwinning plukte.
III. Het geboortejaar van den derden
martelaar, THEODORIOÜS of THEDORUS
VAN DER EEM of VAN\' DEN EMBDEX,
van Amersfoort, is onzeker. Hij was gesproten
nit eene voorname familie, waarvan cenige
leden er op uit waren om voor hem eene
hooge priesterlijke betrekking te verwerven.
Maar omtrent hunne plannen ingelicht zijnde,
verijdelde hij alles wat zij met dat inzicht
reeds gedaan hadden. Hierna drongen zijne
vrienden er op aan, eene groote waardigheid
in zekere abdij te aanvaarden, waar vele
voordcelen aan verbonden waren; maar ander-
maal sloeg hij ook dit voorstel met eene
heilige verontwaarding af, en koos de armoede,
in den kloosterregel van de Minderbroeders-
Observantijnen, om den armen Christus meer
van nabij te volgen. Om zijne uitstekende
bekwaamheid werd hij aangesteld tot geeste-
-ocr page 51-
4K
lijk bestierder der zusters in het klooster van
de H. Agnes te Gorcum, en hij vervulde die
bediening vol ijver tot een ver gevorderden
leeftijd. Toen sloeg het uur der vervolging,
ook hij werd mot zijne lotgenooten in de
citadel gevangen genomen, en God beloonde
de deugden van zijn edelmoedigen dienaar
met de martelkroon.
IV. NICASIUS VAN HEEZE, wiens familie
JANSSEXS heette, maar die gewoonlijk onder
den eersten naam wordt aangeduid, kwam,
in het jaar lr>22 te Heeze, een dorp bij
Eindhoven, ter wereld. Voor hij het ordes-
kleed aanvaardde, had hij verscheidene jaren
aan de Univereiteit van Leuven doorgebracht,
alwaar hij zijne voorbereidende studiën deed,
verder in het college van Adriaan VI de
theologie beoefende en eindelijk den graad
van Baccalaureus won. Daarna trad hij in
den religieusen staat. Hij was ongemeen be-
dreven in de mystieke theologie, en had zich
met zulk een ijver op de studie der H. Schrift
toegelegd, dat hij ze voor een groot gedeelte
van buiten kende. Om voor het heil van velen
werkzaam te zijn, vertaalde hij uit het Latijn
verschillende werkjes, die hij bijzonder ge-
schikt oordeelde om de godsvrucht te voeden,
-ocr page 52-
49
en deelde ze aan dezen en genen uit, die
zich aan zijne leiding toevertrouwden.
Nadat de eerste onlusten der Geuzen in
1566 onderdrukt waren, en de Kerk in Neder-
land tot eene betrekkelijke rust was terug-
gekeerd, rees Nicasius op, als niet een
profetischen geest bezield, en kondigde den
naderenden storm van den Calvinistischen
opstand, en de bange geloofsvervolging van
1572 met volle zekerheid aan. Hij wilde
waarschuwen om zich met allen ijver voor
te bereiden tot den strijd, doch men sloeg
geen geloof aan zijn woord en zelfs waren
er die den spot met hem dreven. De uitkomst
echter bewees hoe juist hij gezien had; en
toen nu de ketterij al meer en meer voort-
gang maakte, bedroefde Nicacius zich daar-
over, doch gaf nimmer cenig blijk van ver-
wondering of buitengewone verslagenheid;
immers, hij had lang te voren door den Geest
Gods voorzien, dat dit alles zoude geschieden.
Hij troostte dan ook zijne vrienden met hun
te zeggen, dat het den wil des Allcrhoogston
was waaraan zij zich moesten onderwerpen.
Zelf bewaarde hij te midden van de gevan-
genschap eene wonderbare kalmte en gerust-
heid des gemoeds, en was hij in een aan-
Mart. Gorc.                                                      4
-ocr page 53-
50
houdend gebed verslonden. Moedig en vol
ijver voor het heil zijner broeders, onderging
hij in den ouderdom van vijftig\' jaren den
marteldood.
V. WILLEHADUS DE DEEN overtrof al
zijne medemartelaren verre in ouderdom; hij
bereikte den leeftijd van ongeveer negentig
jaren. De edele en beminnelijke grijsaard was
zeer hoog van gestalte, wat zijne verschijning
nog indrukwekkender maakte. Hij was in Dene-
marken geboren en had aldaar het klooster-
leven omhelsd. Doch de vervolging der nieuw-
gezinden, die in zijn vaderland was uitgebro-
ken, had hem genoodzaakt dit te verlaten en
naar Nederland uit te wijken, alwaar de
Gorcumsche Franciscanen hun medebroeder
met, liefde in hun klooster opnamen. Spoedig
had hij de Nederlandsche taal aangeleerd en
besteedde nu veel tijd aan het biechthoorcn,
dat hij met bijzondere vrucht verrichtte, daar
de faam van zijn heilig leven steeds eene
groote menigte tot hem voerde. Toen de
woede der ketters hem in boeien geslagen
had, konden noch de wreedste mishandelingen,
noch het schelden der vijanden zijn inwen-
digen omgang met God onderbreken. Hij bad
voortdurend totdat hij, onwankelbaar in zijn
-ocr page 54-
51
levendig geloof, den Heer blijmoedig het offer
van zijn leven bracht.
VI. GOVERT of GODEFKIEDUS VAN
MERVEL, of juister nog, VAN MERVKLEN,
wordt zoo geheeten naar het dorpje, dat Iaatst-
genielden naam draagt, en bij Sint-Truiden,
in België, gelegen is. Hier werd onze marte-
telaar, wiens familienaam (\'oart of Ooacrt is,
omstreeks het jaar löü geboren en leven
thans nog verschillende afstammelingen zijner
bloedverwanten (*). Daar de uitstekende man
groote konnis bezat en een uitmuntend ziel-
bestierder was, vonden velen in hem een
verlichten raadsman en gids. Lieten zijne
werkzaamheden hem eenige vrije «ogenblik-
ken, dan hield hij zich onledig met het tee-
kenen van plaatjes, die Christus of .sommige
heiligen voorstelden. In groote menigte liet
hij ze verder drukken en verspreidde ze dan
onder de geloovigen tot voeding hunner gods-
vrucht. Onwankelbaar vast stond ook hij in
(*) Niet slechts van Uodefridus, maar ook van anderen
onder onze H. H. Martelaren, loven er in België nog verschil-
lende familieleden. Zoo bestaan er nog bloedverwanten van
Franciscus do Roye of van Rode en van Petrus van der Slagmo-
lcn; en voor cenigc jaren overleed een zeker pa ter Jozef Pieck
in het klooster der Minderbrocders-Capucn\'nen te Velp, in
Noord-Brabant.
-ocr page 55-
52
zijn geloof, tot hij in den ouderdom van zestig-
jaren zijn leven gaf voor Jesus.
VII. ANTONIUS VAX WEERT, evenals
de vicaris Hieronymus, aldus naar zijne ge-
boorteplaats geheeten, was een uitstekend
lid der orde van den H. Franciscus. Hem was
voornamelijk het verkondigen van Gods woord
opgedragen, en dikwijls ging hij van dorp
tot dorp om in naam van zijn Meester het
geestelijk zaad in de harten te strooien. Voor
het voedsel der zielen, dat hij hun rijkelijk
uitdeelde, schonken de godvruchtige landbe-
woners hem, op hunne beurt, milde aalmoezen
om in het onderhoud zijner arme klooster-
broeders te voorzien. Om zijne hooge deug-
den stond hij in grooto achting bij de ge-
loovigen en vrome Katholieken; en zijne vrij
gestrenge versterving, die hij echter zorgvul-
dig door eenc gepaste vroolijkheid bedekte,
had hem zelfs de achting van vele Calvinis-
ten verworven. Deze laatsten spaarde hij ech-
ter niet, maar hij waarschuwde met onver-
schrokken moed tegen de opkomende ketterij,
die hij met de onverwinnelijke wapenen van
het Evangelie bestreed. In zijne laatste onder-
richting voor het volk wekte hij de geloovigen
met ernst en nadruk op om zich in een vurig
-ocr page 56-
53
gebed tot God te wenden, wijl de dagen bang
en boos waren en een dringend smeekgebed
meer dan ooit noodzakelijk maakten. Zclt\' voor
zijn heilig geloof gevangen genomen, beleed
hij het manmoedig en standvastig tot in den
marteldood.
YI!I. ANTONIUS VAX HOORNAAK, wiens
eigenlijke naam ons mede onbekend is gebleven,
wordt aldus genoemd naar een gering dorpje,
op ruim een uur afstand van Gorcum gelegen.
Zijne ouders waren arm aan aardsche goede-
ren, doch zeer godvreezend, en rijk aan
schatten des hemels. Zij voedden den jongen
Antonius met groote zorg in hun heilig geloof
op. God zegende hunne pogingen, want de
godvruchtige jongeling gevoelde allengs een
vurig verlangen tot het priesterschap. Over-
tuigd, dat de beperkte middelen zijner ouders
ontoereikend waren voor de kosten zijner
studiën, wendde hij zich tot de Minderbroe-
ders, en werd door dezen bereidvaardig in
hun orde opgenomen. Priester gewijd, spande
hij zich onvermoeid in voor het heil van zijn
evenmensen. Zelfs de diepste vraagstukken
der Christelijke leer wist hij hoogst eenvou-
dig en duidelijk uit te leggen, zoodat ook het
weinig ontwikkelde volk hem gemakkelijk
-ocr page 57-
54
kon volgen. Den cenvoudigen vriend der
armen en ecnvoudigen werd door den Vriend
der armen bij uitnemendheid het heerlijkst
loon geschonken in de genade van een roem-
rijken marteldood.
IX.    FRANCISCUS VAN RODE of DE
ROYE was in het jaar 1549 geboren. Slechts
korten tijd had hij het ordeskleed der Min-
derbroeders aangenomen, toon zijne oversten
hem naar het klooster van Gorcum zonden.
Even als Nicasius legde hij zich met ijver
toe op do studie der H. Schrift, waarin hij
spoedig zoo ervaren werd, dat hij met uit-
stekend gevolg het woord (iods verkondigde.
De Heer echter riep den jeugdigen priester,
zeer kort na diens H. wijding, tot den mar-
teldood, en bestemde hem om, niet met de
gave des woords. maar met het otter des
levens zijn glorie op aarde te verkondigen.
X.   PETRUS VAN ASSCHE, aldus gehee-
ten naar een dorp, tusschen Brussel en Aalst
gelegen, maar wiens geslachtsnaam VAN
DER SLAGMOLEN was, werd geboren uit
ouders, die meer met hemelsche dan met
aardsche goederen gezegend waren. Van zijne
eerste jaren at\' prentten zij hem de vreeze
des Heeren in, en hun godvruchtig kind trad
-ocr page 58-
55
nog zeer jong, als leekcbroedcr, in do Orde
van den H. Franciscns. Vol ijver in het stre-
ven naar hooge deugd was hij uiterst stipt
in liet onderhouden der regeltucht, en volbracht
de geringste verordeningen zijner oversten
met de grootste nauwgezetheid. Hij had. toen
het uur van zijn dood sloeg, nog slechts een
korten tijd in het klooster te Gorcum geleefd,
doch werd daar reeds, behalve om zijne deugd.
op hoogen prijs gesteld, wijl hij zijne bedie-
ning, het besturen der tijdelijke zaken van
het klooster, steeds met beleid en getrouw-
heid vervulde.
XI. CORXELIUS VAN WIJCK ontleent
dezen naam aan het stadje AYijk-bij-Duurstede.
op circa 4 uren afstand van Utrecht gelegen.
Ook hij behoorde als Leckebroeder tot de
orde der Minderbroeders. Hij was een goed
en eenvoudig man, wien in het klooster te
Gorcum de huiselijke werkzaamheden waren
opgedragen, die hij met stichtenden ootmoed
volbracht. Evenals bij zijn medebroeder, Pe-
trus van Assche, Avas eene volmaakte en
blinde gehoorzaamheid steeds een karakteris-
tiek teeken zijner deugd. Op zekeren dag,
toen hij nog tot het klooster te \'s-Hertogen-
bosch behoorde, riep zijn Gardiaan hem en
-ocr page 59-
56
zeidc: ..Broeder Oornelius. gij moet naar
Utrecht gaan"; hij begaf zich aanstonds op
weg, zonder zijn overste verder om inlich-
ting te vragen. Toen hij te Utrecht was aan-
gekomen, vroeg hem de Gardiaan wat de
reden was zijner komst, en gaf hij, in zijn
eenvoud, ten antwoord, dat men hem te \'s Bosch
bevolen had naar Utrecht te vertrekken, zon-
der ei\' verder iets bij te voegen. Dien kin-
derlijk eenvoudigen man wilde de goede God
ook reeds op aarde verheerlijken door de
onschatbare gunst van den marteldood.
Deze elf Martelaren belmoren allen tot de
orde der Minderbroeders, wier glorie zij door
een roemvollon dood geworden zijn. Toen zij
uit Gorcum afvoeren, waren zij twaalf in
getal, want Hcnricus, de dertiende die het
habijt droeg, kon er nog niet toe gerekend
worden, wijl hij nog in zijn proeftijd was.
De twaalfde echter, de ongelukkige Guliel-
mus de Franschman, werd afvallig even als
Judas onder de twaalf Apostelen. In zekeren
zin nochtans werd hun getal een groot jaar
later, den 4den September 157:], weder aan-
gevuld door den Minderbroeder Gulielmus van
-ocr page 60-
57
Gouda, die te Geertruidenberg zijn geloof
kloekmoedig door den dood bezegelde.
XII. LEONAEDUS VAX VECHEL, de
oudste pastoor van Gorcum, werd in 1527 te
\'s-Hertogenbosch geboren. Zijne ouders, hoogst
aehtingswaardige lieden en vurig katholiek,
gaven hem eene opvoeding, die geheel in
overeenstemming was met hunne beginselen,
en rijke vruchten droeg. Na zijne voorberei-
dende studiën aan de gunstig bekende Latijn-
sehe school zijner geboortestad volbracht te
hebben, vertrok hij naar Leuven, alwaar hij
in bet College „de Valk\'\' met schitterenden
uitslag meer ernstige wetenschappen bestu-
deerde, tot hij in het College van Adriaan
VI werd aangenomen en zich bijna negen
jaren onafgebroken op de H. Schriftuur en
Theologie toelegde. Zijn schrandere geest, vol-
hardende vlijt en gelukkig geheugen deden
hem zulke vorderingen maken, dat hij onder
de beste thcologanten gerekend werd: en hij
overtrof menigeen, die tot het Doctoraat ver-
heven werd, in bekwaamheid. Later heeft bij
zelf op het punt gestaan, zich voor het ver-
Averven van een der hoogere graden van
-ocr page 61-
58
Gorcum naar Leuven te begeven, maar God
wilde liet niet: en juist de 8e Juli, die voor
hem bepaald was om tot licentiaat te promo-
veeren, was de laatste dag van zijn strijd
op aarde, en den volgenden nacht werd hij
met de eeuwige glorie dei\' Martelaren ge-
kroond. — Doch laat ons de geschiedenis niet
vooruit loopcn.
Tegen het einde zijner studiën begon hij
met grooten ijver het woord Gods te Leuven
te verkondigen, en toen reeds bleek het,
wat groot man hij eens worden zoude. Om-
streeks dien tijd geraakte de aanzienlijke
parochie Gorcum zonder herder, en wendde
men zich tot Leuven om een waardig en be-
kwaam man te zoeken voor de gewichtige
betrekking. Niemand werd daarvoor geschik-
ter geoordeeld dan onze Leonardus, doch in
zijn ootmoed weigerde hij dien last op zich
te laden, dien hij voor zijne schouders te zwaar
achtte. Eindelijk echter zwichtte hij voor
den aandrang zijner vrienden, en met name
den beroemden Euardus Tapper, zijn leer-
meester, die in zijne openbare lessen meer
dan eens tot zijne leerlingen gezegd moet
hebben: „Daar zijn er onder u, die om
„Christus en des geloofs wille ter dood ge-
-ocr page 62-
59
„bracht zullen worden." Jammer, dat plaats-
gebrek ons dwingt, menige wetenswaardige
bijzonderheid aangaande den roemrijken Mar-
telaar stilzwijgend voorbij te gaan. Kort na
zijne aankomst te Gorcuni bad de waardige
priester zich, zonder dat te zoeken, een groot
gezag bij zijne parochianen verworven. Weldra
wist men zijn stichtenden levenswandel en
godgeleerde kennis hoog te schatten; zijne
ongemeene welsprekendheid werd overal ge-
prezen, en de roem van zijn naam was spoe-
dig tot in de omliggende steden en dorpen
doorgedrongen. Zijne diepe kennis werkte
onder den zegen des Hemels, verschillende
bekeeringen uit, en bevestigde vele wanke-
lenden in het katholiek geloof\'; hij bediende
zich zóó van zijne geleerdheid, uat zijne ver-
maningen en leerlingen altijd de harten der
zijnon troffen, en tevens was hij zoo gevat,
waar \'t gold do waarheden des geloofs tegen
de nieuwe leeringen te verdedigen, dat weldra
niet één ketter zich langer met hom durfde
meten. — Groot was dan zijne wetenschap,
maar veel grooter en verhevener nog was
zijne deugd. Hij maakte zich bemind door
zijn ootmoed, voorzichtigheid en eene groote
zedigheid en vriendelijkheid jegens een ieder,
-ocr page 63-
60
zoodat allen vrijmoedig tot hem durfden
komen; doch zijne minzaamheid wist hij steeds
zoo te regelen, dat zij geenszins schaadde aan
zijn herderlijk gezag. Verder was hot al-
gemeen bekend hoe onbekrompen Leon-irdus
de gastvrijheid beoefende, en hoe zijne rech-
terhand niet wist wat zijne linker deed;
daarom dan ook kende de stedelijke raad
hem eene jaarlijkschc toelage toe van honderd
kronen, wijl het inkomen der pastorie te ge-
ring was voor zijne groote milddadigheid.
Des zomers sloeg hij geregeld een voorraad in
van levensbehoeften en deelde die des win-
ters onder de armen uit; vooral trachtte hij
diegenen uit te vorschen, die de nood het
dringendst knelde, en men was getuige, hoe
hij al wat hij had, aan de armen ten beste
gaf. - Maar zoo goed en liefdevol hij jegens
anderen was, zoo hard was hij jegens zich
zelven, en zijne liefde voor de versterving
bleek bij de veertigdaagsche vasten, die hij
zoo streng doorbracht, dat in de laatste dagen
de vermagering zijns lichaams een ieder, die
hem zag, tot een diep medelijden bewoog. —
Met de grootste waakzaamheid en bezorgd-
heid nam hij de herderlijke bediening waai-
en wel zoo, dat de pastoors der omliggende
-ocr page 64-
fil
plaatsen zijn gedrag: tot voorbeeld namen.
Hij beschouwde het biechthoorcn als de
moeielijkstc van alle zijne bedieningen, noch-
tans wijdde hij zich altijd daaraan met de
bereidwilligste vaardigheid en ijver. Moest
hij ondeugden te keer gaan, of misbruiken
uitroeien, dan trad hij onverschrokken en
vrijmoedig op, zonder cenig aanzien van per-
sonen. Zijne vredelievendheid was algemeen
bekend, en dikwerf vermaande hij zijne
parochianen dringend, toch geen processen te
voeren dan in de hoogste noodzakelijkheid,
daar de naastenliefde er altijd voel bij leed.
Wat hem zelven aanging, zoo verzekerde hij
herhaalde malen, dat hij een geschil liever
voor de helft zoude afmaken, dan het voor
eene rechtbank brengen. En die vreedzame
en geduldige liefde betoondde hij niet slechts
aan de goede en vrome Katholieken ; maar
ook de dwalende schapen waren er het voor-
werp van, alsmede do ketters, zoolang er nog
maar de minste hoop overbleef om hen tot den
schaapstal van Christus terug te brengen. Dan
vermaande en onderrichtte hij, volgens de les van
den Apostel, zachtmoedig en met verduldiirheid;
werd hij met woord of daad belecdigd, wat
hem meermalen van de ketters overkwam,
-ocr page 65-
62
dan leed hij het gelaten met liefde, en (loot-
die inschikkelijkheid won hij het hart van
verscheidene kotters, die in de armen hunner
Moeder, de H. Kerk, terugkeerdon. Maar
ijverde hij onophoudelijk en onvermoeid om
de dwalenden tot Christus terug te voeren,
hij verdubbelde zijne herderlijke zorgen, als
de ziekte hen aan den rand des grafs bracht
en zij op het punt stonden van voor eeuwig
in satans klauwen te vallen. Dan snelde hij
tot hen en bad en smeekte, ja bezwoer hen
menigmaal l£> de knieën, van toch niet on-
boetvaardig uit de wereld te scheiden. Zijn
leven, dat hij later voor zijn geloof zoo edel-
moedig ten offer bracht, waagde hij te voren
reeds om zijn herderlijken plicht te vervullen.
Immers, in het begin van den aanval dei-
ketterij op de Kerk van Nederland, kwamen
er ook te Gorcum Calvinistische predikanten
aan, die echter buiten de stad in ecne schuur
hunne vergaderingen moesten houden. Leonar-
dus liet hen vragen Avie hen gezonden had,
en toen zij voor antwoord gegeven hadden,
dat zij van den Allerhoogste gezonden waren,
eischtc hij de bewijzen hunner zending. Na-
tuurlijk hadden zij die niet, maar ondanks die
beschaming gingen zij voort met hunne heil-
-ocr page 66-
<;:;
looze leeringen te verspreiden. Op zekeren
Zondag nu, was er eene talrijke menigte
ketters en muiters met wapenen onder hunne
kleedercn in de kerk samengestroomd. Leonar-
dus had het bemerkt, hij begreep, dat zij hem
•schrik wilden aanjagen en versterkte derhalve
zijn hart door een vurig gebed tot God.
Daarna beklom hij den predikstoel, nauwelijks
zonder eenige hoop van dien weder levend te
zullen verlaten, en begon onverschrokken zijn
sermoon. God hield echter de hand der god-
deloozen tegen en de pastoor ontkwam het
gevaar ongedeerd. — Hij zag maar al te
duidelijk, dat de naderende vervolging het
hevigst zonde woeden tegen do priesters, en
daarom wakkerde hij den moed van zijn mede-
pastoor Xikolaas Poppel nog verder aan. On-
bevreesd en vol vertrouwen op God zag hij
dat gevaar onder de oogen en wilde voor
niets ter wereld van zijn post wijken, toen
zijne zuster uit \'s-Hertogenbosch tot hem
kwam om hem te smeeken, zich aan de nade-
rende vervolging te onttrekken. Hij weigerde
beslist, en volhardde in zijne opofferende zorg
voor de zijnen, hoewel hij misschien eene
aannemelijke reden had kunnen vinden voor
zijne vlucht, daar hij zich toen juist naar
-ocr page 67-
64
Leuven moest begeven om don graad van
Licenciaat te venverven. (*) Hij bleef dan.
bleef getrouw tot in de gevangenschap en
den dood, gelijk wij zagen, en slechts die
dood vermocht dien vurigen en welsprekendcn
mond te sluiten, waarvan nog- tijdens het
dispuut te Briclle sommige ketters zelven
zeiden: ..Hoe is bet te betreuren; dat zulk
„een tong\' weldra sprakeloos moot worden."
De voorbeeldige herder onderging den mar-
teldood oj) den leeftijd van ongeveer vijf en
veertig- jaren.
XIH. XIKOLAAS POPPEL of VAX POP-
PEL of wol VAX POPPELEN, de tweede
pastoor van Gorcum, werd in 1532 geboren
te Weelde, op twee uren afstand van Turn-
hout gelegen. Zijne deugdzame ouders gaven
hem een godsdienstige opvoeding, en toen
de jongeling zijne lagere studiën had vol-
bracht, werd hij te Leuven in het Standonksche
College opgenomen, waar hij met gunstigen
uitslag de hoogere wetenschappen beoefende.
Toen hij de heilige wijding ontvangen had,
riep pastoor Leonardus den jeugdigen priester
(*) Dio schijnreden verwierp hg, maar dat h\\j Gorcum later
verliet om z;jne stervendo moeder te troosten, zal wel door
niemand als een laffe vlucht beschouwd worden.
-ocr page 68-
65
naar Gorcum om hem in de zielzorg1 ter zijde
te staan. Later werd " de parochie in twee
deelen gesplitst, en Nikolaas als tweede pas-
toor met de herderlijke bediening" belast. On-
vermoeid spande hij zich in voor het heil van
zijn evenmensch en de glorie des Hoeren; wel
was hij bleek van gelaat en scheen hij voort-
durend in diepe gedachten verzonken, maar toch
had hij een lichaamsgestel, dat hem tegen elke
vermoeienis bestand maakte. Hij spaarde zich
dan ook zoo weinig, dat men hem om zijne
nederige en rustelooze werkzaamheid Jiet
slaefkeri\'
placht te noemen, welken toenaam
hij zich gaarne liet welgevallen; hij had zells
meermaals de spreuk in den mond: Hijslaeft
wel, die in Godt slaeft.
En met recht: welke
eervoller dienstbaarheid toch is er, dan zich
edelmoedig op te offeren voor Gods eer? —
Nikolaas bezat niet die schitterende gaven,
waardoor Leonardus uitmuntte; maar zijn
zuivere en blakende ijver vulde dit gemis
aan. Hij had eenc bijzondere voorliefde voor
de nederigste bedieningen, zooals het onder-
wijs dor kinderen in do christelijke leering,
waarvoor hij noch tijd noch kosten spaarde.
Hij kon niet zoo ruim als Leonardus zijn
milddadigheid aan de armen betoonen; zijne
Mart. Gorc.                                                               5
-ocr page 69-
66
moederlijk erfdeel had hij ter beschikking zijns
vaders gelaten, en hij zag zich nog\' verplicht,
dezen iets van zijn overschot toe te leggen,
om in diens behoeften te voorzien; nochtans
van het weinige, dat hein ten dienste stond,
hielp hij onbekrompen al wie onderstand
behoefde.
Zeven jaren had hij met veel zegen te
Gorcntn gearbeid, toen hij het voornemen op-
vatte om in het Gezelschap van .lesus te
treden ; doch zijn medepastoor en een godvree-
zonde kanunnik, wiens raad hij inwon, wezen
hem met nadruk op de gevolgen, welke deze
stap voor Gorcum hebben kon, daar er in de
gegeven omstandigheden ernstig gevaar be-
stond, dat zijne plaats wellicht kon ingenomen
worden door iemand, die voor de herderlijke
bediening in zulk een tijd niet berekend was.
Voorloopig dus legde hij zich daarbij neder.
Om zijne groote godsvrucht tot het H-
Altaargeheim beeldt men den H. Nikolaas van
Poppel gewoonlijk af met het Allerheiligste
in de hand.
Zijne moeder, die hij reeds vroeg verloor,
bleef altijd in zijn godvruchtig aandenken
voortleven, en menigmaal verzocht hij van
den predikstoel voor zijne moeder de gebeden
-ocr page 70-
117
der geloovigen. Reeds boven stipten wij aan,
dat hij zijn behoeftigen vader naar vermogen
bijstond. Deze genegenheid ontaardde noch-
tans nooit, in zwakke toegevendheid. Toen
kort voor de gevangenneming de vader van den
Heiligen, van het dreigend gevaar verwittigd,
naar Gorcuni kwam, en zijn zoon smeekte,
voor een tijd de stad te verlaten, stond deze
tegen alle smeekingen pal, hij behoorde aan
zijne kudde, zeide hij, en herinnerde zich het
woord des Hoeren : Wie vader of moeder meer
bemint dan Mij, is Mijnor niet waardig.
Op den dag, dat hij naar het kasteel van
Gorcnm de wijk nam. had hij \'s morgens vroeg
de H. Offerande opgedragen, en zich \'/elven
daarbij den Heer aangeboden, om alles te
lijden wat zijn H. Wil over hem mocht be-
schikken. Een burger, die hem in zijn beste
klcederen naar het kasteel zag gaan, riep
hem toe : „Wel, heer Pastoor, men zou zeggen,
dat gij naar een bruiloftsmaal gaat!" — „Zeker,"
hernam de heilige, „zoo komt het mij ook voor.
O, hoe gelukkig ware ik, zoo ik voor het
katholiek geloof mijn bloed mocht vergieten!"
— Weinige dagen later was die wensch ver-
vuld, en zijn schoone ziel ging- aan het eeuwig
bruiloftsmaal des Hemels deelnemen, Nikolaas
-ocr page 71-
68
was omstreeks 40 jaren oud. toen hij den
martelpalm behaalde. —
XIV. GODEFRIDUS VAN DUIN werd in
1502 te Gorcum geboren. Zijn vader, Dirk
genaamd, was zeer in aanzien om zijn oprechte
godsvrucht; hij had, voor een goed deel uit
eigen middelen, en verder uit daartoe inge-
zamelde penningen, onder Gorcum eene kapel
ter eer der H. Maagd gesticht. De jonge
Godcfridus werd voor zijne hoogere studiën
naar Parijs gezonden, waar hij met eenige
medestudenten eene vereeniging vormde, die
meer op eene kloosterlijke gemeente dan
op een letterkundig genootschap geleek. Na
eenige jaren ontving hij op aandringen van
een zijner ooms, die zelf Priester was en
te Parijs woonde, de H. Wijdingen. Kort
daarna werd hij in eene stad aan de Belgische
grenzen tot pastoor benoemd; zijn oom be-
diende eene pastorij in eene andere Fransche
stad. Weldra echter wisten eenige benijders
den laatste verdacht te maken van verstandhou-
ding met de krijgsmacht van Karel V in de
Nederlanden, zoodat hij in hechtenis werd geno-
men. Zijn neef Godcfridus ook was weldra in zijn
eigen huis niet meer veilig. Wel is waar kwam
de ongegrondheid dier vermoedens na eenigen
-ocr page 72-
69
tijd aan het licht, en werd zijn oom weder
op vrije voeten gesteld, maar Godefridus,
overigens een weinig zwak van hoofd, werd
door deze gebeurtenis zoozeer gekrenkt, dat
hij zijne herderlijke bediening moest neder-
leggen en naar zijn geboorte stad terug keerde.
Hij vastte iederen Woensdag en Vrijdag; hij
schuwde met schier overdreven zorg al wat
slechts de schaduw eener vlek op de rein-
heid zijns harten had kunnen werpen. De
ketterij verafschuwde hij als de pest. en
schroomde niet, dit bij elke gelegenheid te
doen blijken. Hij was omtrent 70 jaren oud,
toen hij als Martelaar zijn leven eindigde.
XV. JOANNES VAN OISTERWIJK, aldus
genaamd naar zijne geboorteplaats in de Meierij
van \'s-Bosch, behoorde tot het Premonstra-
tenzerklooster ten Rogge bij den Briel, en
was van daar door zijne overheid naar Gor-
cum gezonden, waar hij met veel zegen een
Nonnenklooster van dezelfde orde bestierde.
In de lente van 1572 vernam hij, hoe bij
de plundering en vernieling van het klooster
ten Bugge een zijner medebroeders na gru-
welijke Mishandelingen door de Geuzen was
vermoord. „O, riep hij daarop uit, mocht God
ook mij zulk een dood laten sterven!" Eene
-ocr page 73-
70
der zustors, Ursula genaamd, hoorde dit, en
sprak: „God beware u, Pater! Ik hoopte ten
minste, dat gij niet zult opgehangen worden;
dat ware al te smadelijk." Doch .loannes her-
haalde: „Och. dat Ood mij die gunst bewees!"
Zijn wensch werd verhoord; hij onderging
den gewenschton marteldood, en wel op de
plaats zelve, waar hij zijn kloosterlijk leven
had begonnen.
XVI.   JOANNES, PASTOOR VAN HOR-
XAAR. behoorde tot de Keulsche provincie
van de orde der Predikheeren. Hij bediende
met veel ijver zijn heerlijk ambt, toen Gor-
cum in handen viel. Vernomen hebbende, dat
de geestelijkheid dier stad in het kasteel werd
gevangen gehouden, kwam hij van tijd tot
tijd in Gorcum, om er de H.H. Sacramenten
toe te dienen. Eens dat hij voor laatstgc-
meldc bediening derwaarts op weg was, werd
hij door eenige Geuzen aangehouden, die hem
nu bij de andere belijders opsloten.
XVII.   ADETANUS, te HILVARENBEEK
omstreeks 1532 geboren, had omstreeks 1547
in de abdij van Middelburg, van de Orde van
Premonstreit, het kloosterleven omhelsd. Vijf
en twintig jaren leefde hij daar als een voor-
beeld van deugd, door al zijne medebroeders
-ocr page 74-
71
bemind. Toen. door het afsterven van een
anderen Adrianus. uit dezelfde Abdij, de pasto-
rij te Monster openkwam. werd hij, omstreeks
l\'aschen 1H72. als pastoor derwaarts gezonden.
Slechts kotten tijd mochten de trouw geble-
ven katholieken van Monster zich in het be-
zit van den waakzamcn herder verheugen:
in den nacht van den <> op den 7 Juli werd
hij met zijn kapelaan in de pastorij opgelicht
en naar den Briel vervoerd, waar hij al zijne
lotgenooten dooi\' zijn voorbeeld stichtte.
XVIII. De kapelaan van Monster, die met
pastoor Adrianus gevangen werd genomen,
was JACOBUS IACOPS, van Oudenaarde in
Vlaanderen, waar hij omstreeks 1542 het eerste
levenslicht aanschouwde. Nog jong zijnde, was
hij te Middelburg in de abdij getreden, waar
zijn goed verstand, zijne innemende manieren
en zijn zacht karakter de beste verwachtin-
gen deden opvatten; doch hoogmoed en licht-
zinnigheid brachten hem weldra tot diepen
val. In 1566 liet hij zich door de ketters ver-
leiden, verliet spoedig daarop het klooster,
werd predikant bij de sekte en gat een kwaad-
aardig schimpschrift tegen het katholiek ge-
loof in het licht. Niet lang echter duurde
zijne verblinding: Gods genade verlichtte zijn
-ocr page 75-
12
geest, en na weinige maanden zag men Ja-
cobus als een ootmoedig boeteling aan de
poort van zijn klooster aankloppen, waar hij
de ketterij afzwoer. Hij schreef, om de ge-
geven ergenis eenigszins goed te maken, eenige
werkjes tegen de dwalingen der ketters. La-
ter werd hij als kapelaan geplaatst bij zijn
broeder Adrianus, die de parochie van Mon-
ster bediende. Na diens dood bleef hij in
dezelfde betrekking bij den nieuwen Pastoor
Adrianus van Hilvarenbeek, met wien hij
weinig tijds daarna den roem van den mar-
telaarschap zou deelen.
XIX. ANDEBAS WOUTERS, pastoor te
Heinoord bij Dordrecht, werd door eenige
Geuzen, die den omtrek afstroopten, gevat en
naar den Briel vervoerd. Ook hij had afdwa-
lingen van vroegere jaren te betreuren; zelfs
in zijne parochie was hij een steen des aan-
stoots geweest. Hij wischte, door het edel-
moedig offer van zijn leven de zware fouten
uit, waarmede bij zich voorheen had bezoedeld.
Het is voorzeker geen gewoon verschijnsel,
dat mannen als Lacops en Wouters de mar- l
telkroon verwerven; echter levert ook de ge- V
schicdenis der eerste ecuwen van het chris-
tendom meer dan een soortgelijk voorbeeld
-ocr page 76-
73
op. God stelt ons soms zulke voorbeelden
voor oogen, opdat niemand, hoe rampzalig
ook, ooit wanhope, nog een erfgenaam des
hemels, ja wellicht een heilige te worden;
terwijl daarentegen de treurige afval van
enkelen, die aanvankelijk bij onze Martelaren
behoorden, ons herinnert, dat niemand ver-
metel op eigen kracht of deugd moet bouwen,
maar dat hij, die staat, wel toezie, dat hij
niet valle.
Geschiedkundige Aanteekeningeii.
(1) Willem van Lumey, (ook Lummen
"bijgenaamd) graaf van der Mark, een Luiksch
edelman, was in 1572 vrijheer van Servahi,
Borselen
en Mindcrleit, erfvoogd van Fran-
chemont
en stadhouder van Holland. In 1568
had hij zich bij het leger van Willem van
Nassau gevoegd met eenige ruiters, die onder-
ling gezworen hadden, hun hoofden niet te
zullen scheren, voor dat zij den dood der
\\ graven van Egmond en Roorne gewroken
*. hadden. Hij maakte zich dan ook weldra door
zijne wreedheden zoo berucht, dat hij na den
■moord van den geleerden Cornelius Muys te
Leyden, door de staten gevangen genomen en
-ocr page 77-
74
op het slot te Gouda gezet werd. Kort nadat
hij zijn kerker had weten te ontvluchten,
werd hij op nieuw gevat en op het kasteel
Honingen bij Rotterdam opgesloten. Hij wist
echter op nieuw te ontsnappen, doch nu werd
hij in 1574 door de Staten van zijn ambten
vervallen verklaard en het land uitgebannen.
Hij begaf zich toen naar Duitschland en stierf
in 1577 of 1578 door vergif, of wel volgens
anderen aan den beet van een dollen hond.
\'Pc Luik vindt men zijn grafschrift, door een
onbekend dichter vervaardigd:
De grave van der Mark lcit in dit graf begraven:
Hij zwelgde ïnensehcnbloed, o gruwel, als de raven :
Hij is gestorven van een dollehondcnbeet:
"t «ïaat wel, als d\' eene bond die dol is. d\' ander eet.
Men noemde hem en Diderik Sonoy, een
van *s prinsen legerhoofden en die even wreed
was als hij, ..de beulen der Inquisitie van
het Noorderkwartier van Holland."
(2) Elisabeth, koningin van Engeland." be-
ducht, dat de aangeknoopte vredesonderhan-
delingen met Spanje zouden afgebroken wor-
den, en vreezende. dat de koning van dat
rijk op zijn beurt de oproerige Schotten zoude
ondersteunen, ontzegde den Watergeuzen het.
verblijf in de Engelsche havens, waar Willem
-ocr page 78-
10
Blois van Treslong en Jacob Simonszoon de
Rijk oven van te voren waren aangekomen
en dus genoodzaakt waren, zich naar elders
te begeven.
(3)    De voornaamste hoofden dier vloot
waren Willem, heer van Lumey en graaf van
der .Mark. Barthold Enter van Mentheda als
onder-admiraal. Willem Blois van Treslong.
Cornelis Gerolfszoon Roobol, Jacob Simons-
zoon de Rijk. Marinus Brandt, Daam van
Haren, Jonkheer Lancelot van Bredcrode,
Jhr. Adr. van Zwieten, Nieolaas Kuichaver,
Jan Klaaszoon Spicghel, Dirk Duivel, Jonkheer
Jacob Kabeljaauw, Willem graaf van Gent,
Wouter Franszoon Fokko. Jan Abelszoon, de
hoplioden Eloi. Gillain on Ielmer, Maarten
Morons, (iilles Steltman. Jaeques Hennebert,
Hendrik Thomaszoon. Ellert Vlierhop. Bruin
van Utrecht, (\'ornelius Louwszoon van Ever-
dingen, Jacob Anthoniszoon en Simon van
der. Heere.
(4)  Aldus destijds genaamd.
(5)   Die eed hield in: „Getrouwheid aan
den koning en don koninklijken bevelhebber
dei- Xederlandsche provinciën Willem van
Nassau, prins van Oranje, dat zij weerstand
zouden bieden aan den hertog van Alva en
-ocr page 79-
43>K*
76
de nieuwe Evangelische leer zouden voorstaan."
(6) Johannes Oinalïus, luitenant van Lu-
mey, was vroeger kanunnik te Luik en
had slechts één hand. De andere had hij
in een gevecht tegen de Spaansche schepen
verloren.
I M P RI M A T ü R.
Buscoduci 13 Octobris 1897.
J. J. Versterken, Rector,
ad hoc délegatiitt.
Uituave vax O. MOSMANS SEXion, Veni.oo.