-ocr page 1-
Z */381
m3X7CM)SB0EKMDE,
WAALWIJK,
-ocr page 2-
y**\\nr\\ l 3$£p
-ocr page 3-
-ocr page 4-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029504986B
2950 498 6
-ocr page 5-
DE GELOFTEN en DE R
rfüJ ^v W
Jrzacfioc/ie Q/oesc/unitviiuren ten aeoiutK»
e/er Qsle/ïaiensett,
/
DUOIt
o • .
Pater P. MAILLY. c. ss. u.
TOLLE ET LEGE
NEEM EN LEES (Conf. S. Aug.)
Kerkelijk goedgekeurd.
Waalwijk,
Witlox\' Boekhandel.
1893.
I
-ocr page 6-
BIBLIOTHEEK
DEK
RUK8UNIVJ
EIT
ut;
COLL TK
33t
-ocr page 7-
.
IMPRIMATUR.
(FRANSCHE UITGAVE).
y F. L.. Caed. GOOSSEXS, Aren. de Malines.
Malixes, Ie 14 Jur.let 1893.
J. HUBERLAND,
Chanoine Censeur des Livres.
Toüexai, 25 Juin 1893.
ERN. DUBOIS, c. ss. e.
Sun. Prov. Belg.
14 Juin 1893.
IMPRIMATUR.
(NEDERLATÏD3CHE UITGAVE).
L. BERKYENS, Lib. Cens.
Haaeen, 30 Septembris 1893.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
Aan de Bruiden van Jesus Christus.
Schoone en groote paarlen zijn zeldzaam en hoog
in prijs. Dusdanig zijn die, o mijne zusteren in
Jesus Christus, welke de Goddelijke Meester u
aanbood, toen Hij, door eene bijzondere gunst, u riep,
om, door de beoefening der Evangelische Baden,
zijne schreden te volgen; dusdanig, zeldzaam en hoog
in prijs, u-aren die paarlen, welke uw schat werden,
toen gij, te zijner liefde, gelofte cleedt van armoede,
zuiverheid en gehoorzaamheid. Ja, die heilige ge-
loften zijn in waarheid schoone paarlen, helaas! in
onze eeuw door te weinig jeugdige personen op haar
rechte waardij geschat. Het zijn overheerlijke paarlen,
oneindig kostbaarder dan die, waarmede vorstinnen
en andere hooge vrouwen der wereld zich gaarne
tooien. De paarlen toch, door mij bedoeld, sieren
-ocr page 10-
6
geenszins een ster/vlij!; lichaam, doch eene onsterj\'elijke
zich en zij verleencit haar eene zoo verrukkelijke
schoonheid, dat zij Ja-t voorwerp wordt van Godes
bewondering en van <lie der Engelen.
Maar ach! zelf* Linnen de gewijde muren des
kloosters weet men. ten minste in de praktijk, die.
paarlen niet altijd te waardeeren. Meermalen treft
■men religiensen aan. die zich met ijver aan zekere
bijzondere devotiën hechten, doch wien eene getrouwe
naleving harer geloften moeilijk valt. Waar zulks aan
aan toe te schrijven? Zonder twijfel hieraan, dat zij
niet genoegzaam zijn doordrongen van de verheven
schoonheid dier geloften, en dat zij de plichten, daar-
door opgelegd, niet wel begrijpen. Jk hoop van harte,
mijne zusters, dat gij niet behoort tot het getal dier
religiensen; veeleer wensch ik, dat gij, innig overtuigd,
dat uwc godsvrucht zich in de eerste plaats moet
openbaren in de getioaice naleving niver geloften,
geene zorgen, geene moeite spaart, om u van dien plicht
naar behooren te kivijten. Daarom heb ik mij ten
ten taak gesteld, lr een juist begrip van die geloften
te geven, u derzelver hoog gewicht aan te toonen, en
u eene \'oprechte liefde daarvoor in te boezemen.
Ziedaar het onderwerp van deze kleine verhandeling.
Ik heb haar lang genoeg gemaakt, om u een duidelijke
-ocr page 11-
7
verklaring te r/eren van alles, wat met uwe geloften
in betrekking staat: niettemin zijn ze beknopt genoeg,
om ii op >le dagen run afzon/lering tot geestelijke
lezing te strekken. Il: héb er eene beschouwing over
ii iv regel aan toegevoegd, over dien regel, welke de
schatkist moet worden geacht, waarin de heerlijke
paarlen uiver geloften worden bewaard en waarin
zij. verborgen voor het oog van den weréldling, altijd
hare verheven schoonheid behouden.
Veroorloof mij ten sloffe, u het woord te herhalen,
door den Engel tot St. Aitgustinus gericht:
Tolle
kt lege, neem m lees. Ja, neem en lees dit boeksken,
maakt er van het voorwerp uwer overwegingen, en
wanneer het. zooals il: door de liefde nies lirnidegoms
durf hopen, eenigermate bijdraagt tot uwe geestelijke
volmaking, da ui: er dan Jesus voor, den oorsprong
van alle goed, en gedenk den schrijver in uw gebeden,
in rail voor den kleinen dienst, welken hij door Gods
hulp u bewees.
-ocr page 12-
-ocr page 13-
DE GELOFTEN EN DE REGEL.
PRACTISCHE BESCHOUWINGEN\'
TEN\' GEBRUIKE DER RELIGIEUSEN.
OVER DE GELOFTEN IN HET ALGEMEEN.
Er zijn. naar luid der H. Schrift, twee soorten
banden, welke de zielen omstrengelen: de banden
tier ondeugden en slechte hartstochten, welke de
ziel aan de heerschappij der zonde onderwerpen,
en deze banden zijn schandelijk, vernederend; het
zijn zware ketenen, welke den mensch tot een slaaf
van satan en de hel verlagen. Doch er zijn andere
banden, banden, waarlijk eervol en zoet, de ban-
den der genade en der deugden, welke ons hech-
ten aan het liefelijk-zachte juk van Jesus Christus.
Bedoelde banden zijn die van alle rechtvaardigen,
welke zich met liefde aan Jesus\' dienst hebben
-ocr page 14-
KI
gewijd. (Wh moer nog in het bijzonder van die
bevoorrechte zielen, welke zich, door de klooster-
geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid,
als bruiden van zijn Hart aan Hem verbinden. De
roligieuso vooral kan het den Profeet nazeggen:
..H\'t lot /ras mij buitengewoon gunstig, want God
zelf werd mijn erfdeel\'.
.Men onderscheidt twee soorten van klooster-
geloften: de plechtige geloften, welke sleclits in de
eigenlijke kloosterorden worden gedaan, en de een-
voudige geloften, hetzij tijdelijke, hetzij altijddurende,
welke in de religieuze Congregatiën in gebruik zijn.
Hoewel de Kerk aan depleclitirjegeloften zekere
gevolgen verbindt, welke de eenvoudige geloften niet
medebrengen, toch wijden deze, wanneer zij altijddu-
rend zijn, de ziel geheel en al aan den dienst van God,
evengoed als de plechtige geloften. Zij vormen eene
volmaakte akte van liefde, waardoor eene ziel zich
geheel en al en voor altijd aan den dienst van
Jesus Christus, haar Bruidegom, toewijdt.
Dusdanig zijn de geloften, die in het algemeen
door de religieusen worden afgelegd; bij hare
professie doen zij eenvoudige en altijddurende geloften
van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid.
Het is voor haar van het hoogste gewicht,
-ocr page 15-
1 !
dat zij den omvang on do verplichtingen dier geloften
Avel begrijpen.
Mogen zij dan do volgende hoofdstukkon aan-
dachtig lezen en overwegen; die hoofdstukken toch
handelen over de verplichtingen, welke uit de geloften
voortvloeien, en welke alle religieuse Congrcgatiën
met elkaar geineen hebben. Ik zeg: „welke alle
religieuse < \'ongregatiën met elkaar gemeen hebhen"
\',
want, — het is noodig reeds nu tlit te verklaren. —
hoewel de verplichtingen, door de eenvoudige klooster-
geloften opgelegd, in beginsel dezelfde zijn voor alle
religieuse stichtingen, toch is de omvang dier verplich-
tingen niet immer dezelfde. Daarom zal elke religieuse,
teneinde met juistheid, de eischen
<•» den omvang
harer geloften, te kennen, vooral wanneer het de
gelofte van armoede geldt, haren regel raadplegen,
die is goedgekeurd door den Bisschop of den Paus.
-ocr page 16-
-ocr page 17-
Eerste Hoofdstuk.
Over de geloften van Armoede.
I. Over de geloften van armoe in liet algemeen. II. Over ile gelofte
van armoede in betrekking tot de patriinunale goederen. III. Over de
gelofte van armoede in betrekking tot de goederen der Communiteit.
IV. Over de geloften van armoede in betrekking tot het gebruik
van eenig tijdelijk goed, en over de fouten tegen de gelofte van
armoede. V. Over de deugd van armoede. VI. Gelukzaligheid der
Evangelische armoede.
I.
Over de gelofte van armoede in het algemeen.
Do heiige armoede wordt met recht hot bolwerk
van don religieusen staat en de beschermster van
allo religieuse deugden genoemd.
Indien de religtause bare heilige instelling
bemint en zich met ijver en liefde op bare eigen
volmaaktheid toelegt, zal zij geone moeite sparen
om zich getrouw te kwijten van de verplichtingen,
baar door de gelofte van armoede opgelegd.
Het heilig Concilie van Trente verklaart, dat
men, gelofte van armoede bobbende gedaan, geen
-ocr page 18-
14
tijilciijk goed in eigendom mag bezitten: Nihil habeat
proprium. De H. Ai.phoxsus verklaart die woorden
volgendenvijze: ..De roligieuse armoede eischt, dat
oen kloosterling afstand doe van het eigendomsrecht
van alle tijdelijke goldswaardige goederen, of ten
minste van het recht om daarover op vrije, onafhan-
kelijke wijze te beschikken."
Door deze woorden wijst de Heilige op het
verschil, dat er bestaat tusschen de eigenlijke
kloosterorden, waarin men plechtige gelofte van
armoede doet. en de roligieuse Congregatiên, waarin
men gewoon is, eenvoudige gelofte van armoede
af te leggen.
De leden der eigenlijke kloosterorden doen door
hunne gelofte onvoorwaardelijk en noodzakelijker-
wijze afstand van alle eigendomsrecht en reut elk
onafhankelijk gebruik
der tijdelijke goederen. De
religieusen niet eenvoudige geloften daarentegen
kunnen het eigendomsrecht over hunne goederen
behouden, doch ze zijn verplicht, evenals zij, die
plechtige geloften hebben gedaan, geenerlei onafhan-
kelijk gebruik
er van te maken, zoodat zij, evengoed
als de kloosterlingen mot plechtige geloften, inderdaad
niets in eigendom bezitten, niets, dat hun toebehoort
oi» zulke wijze, die hun veroorlooft, voor hen zelven
-ocr page 19-
of voor andoren naar willekeur er "Ver te beschikken.
Na deze bemerkingen kan het niet moeilijk
vallen te bepalen, waarin de verplichtingen der
religieuson bestaan, ten opzichte dor eenvoudige
gelofte van armoede, zooals zij doorgaans in liet
klooster wordt uitgesproken, l\'it kracht harer gelofte
van armoede, zijn de Zusters niet verplicht afstand
te doen van alle eigendomsrecht over hare goederen.
Zoolang zij daarvan ton behoeve harer verwanten
of van hare communiteit geen afstand hebben gedaan,
behouden zij den blooten eigendom, d. w. z. don
eigendom, ontbloot van liet anders natuurlijke recht,
hare bezittingen zelf te behoeren en er naar wille-
keur over te beschikken. Dit recht wordt haar
ontnomen door de gelofte van armoede, die haar
verplicht, ze\'.fs ten opzichte van hare eigen goodereu,
geenerlei akte van eigendom te verrichten, en over
niets te beschikken, tenzij met oorlof van haar regel
en met goedkeuring van hare ()versten.
Ziedaar in het algemeen do strekking en den
omvang harer gelofte van armoede.
-ocr page 20-
il.
OVER DE GELOFTE VAN ARMOEDE IN BETREKKING
TOT DE PATRIMONIALE GOEDEREN.
Zooals wij reeds hebben gezien, kunnen de
religieusen met eenvoudige.\' geloften den blooten eigen-
dom behouden van de goederen, die tot haar patri-
monium behooren, dat wil zeggen van alle goederen,
welke zij vóór hunne professie reeds feitelijk bezaten,
of op welker bezit zij toen een gegrond vooruitzicht
hadden, door erfrecht of\' schenking. Zij kunnen ook
afstand doen van den eigendom harer goederen, en,
zooals in verschillende communiteiten gebruikelijk
is, vóór hare professie, een accoord sluiten niet hare
familie, uit kracht waarvan zij haren verwanten den
eigendom harer goederen afstaan, op voorwaarde,
dat zij haar een uitzet of eene bepaalde som gelds
-ocr page 21-
17
zullen geven, en eenc lijfrente ten behoeve dor
Congregatie, waarvan zij lid zijn. Deze uitzet en
lijfrente zijn toegestaan ten behoeve der Congregatie,
zoodat de religieuse onder geen voorwendsel zich
dezelve mag toeeigenen, zoolang zij door hare geloften
gebonden blijft, l\'itzet en rente vallen onder het
beheer der communiteit; de Overste moet de inkom-
sten ontvangen en ze gebruiken voor de behoeften
van het Huis.
Wanneer eene religieuse hare Congregatie ver-
laat, treedt zij, door het feit-zelf, weder in het
bezit van hare lijfrente, en haar uitzet wordt haar
in zijn geheel teruggegeven, of wel gedeeltelijk,
wanneer de communiteit voor haar bnitengewone
onkosten heeft moeten maken; in dit geval, zooals
in vele andere, kan men zich gevoegelijk tot den
Bisschop wenden. Tedere Overste is verplicht, in
alles, wat de gelofte van armoede aangaat, het
Bisschoppelijk gezag te raadplegen, in alle gevallen,
waarin de regel of de statuten van het diocees dit
voorschrijven.
Opdat de uitzet eener religieuse haai\' altijd
kunne worden teruggegeven, wanneer zij de Congre-
gatie verlaat, heeft de wijsheid der Kerk verordend, dat
die uitzet eerst na haar dood kan worden vervreemd.
2
-ocr page 22-
18
In afwachting moet do uitzet in solide, rentegevende
fondsen worden belegd; daarom mag dezelve niet
in vaste goederen bestaan, doch in geldspecie of
daarmee gelijkstaande geldswaarden: terwijl de
interesten van den uitzet moeten worden gebruikt
ten behoeve der communiteit. Merken wij hier op,
dat het zeer billijk is, dat de Zusters, wanneer zij
kunnen, aan hare communiteit, die haar voedsel en
kleeding verschaft, een uitzet schenken; het bedrag
daarvan wordt gewoonlijk bepaald in de statuten
der Congregatie.
De Zusters, die over aanzienlijke goederen be-
schikken, zullen zich gelukkig achten, (mits het zonder
bezwaar kunne geschieden.) meer te geven, dan den
bepaalden uitzet; zoo handelend, maken zij voor-
zeker een lofwaardig gebruik van haai\' vermogen.
J)aar het onmogelijk is in deze zaak, door omstandig-
heden zoo vaak gewijzigd, bepaalde sommen aan te
geven, zal iedere Zuster, voor wat betreft haar uitzet,
handelen overeenkomstig het gevoelen harer Overste,
die in dit teére punt zich hoeft te houden aan de
statuten en goedgekeurde gebruiken, en, zoo noodig,
den raad des J5isschops moet inwinnen.
Zooals wij hooger reeds zeiden, staat het den \'
Zusters vrij, ten behoeve harer verwanten afstand
-ocr page 23-
lil
te doen van den eigendom harer goederen; (*) maar
het is haar ook geoorloofd die te behouden, zoowel
als derzelver inkomsten. Is dit laatste het geval, —
1 linnen welke grenzen mogen zij er dan over
beschikken ?
Het antwoord (>i> deze vraag kan niet twijfel-
achtig zijn: iedere religieuse moet over hare goederen
beschikken niet inachtneming van alle bepalingen,
voorkomende in de Regelen en Statuten harer Con-
gregatie. Iedere zuster moet derhalve nel toezien,
nat haar regel veroorlooft.
In het algemeen kunnen
de religieusen op de volgende manier over hare
goederen beschikken:
1". Ten behoeve harer verwanten, hetzij bij
testament, hetzij met toestemming der Overste bij eene
rechtsgeldige akte, of wel in den vorm eener gewone
sehenking.
•2°. Ten behoeve harer Congregatie of com-
muniteit.
3\'. Zij kunnen er ook over beschikken oin
voor zich-zelven zielenlissen te laten lezen, of ook
«in H. Diensten te laten opdragen voor de levende
of afgestorven leden harer familie.
(*) Het is evenwel niet aan te raden, dat zij den eigendom harer
goederen geheel afstaan.
-ocr page 24-
20
4°. Eindelijk ten behoeve van eonig godsdien-
stig werk, doch dit alleen met verlof harer Overste,
welk verlof volstrekt noodig is na de professie.
Maar nog eens: elke religieuse moet, voor wat betreft
de beschikking harer goederen, zich honden binnen
de grenzen, haar door den regel afgebakend, en de
bepalingen van dien regel nauwkeurig naleven.
Daar de gelofte van armoede den religiensen verbiedt,
zelf het beheer over hare goederen te voeren, moeten
allen, binnen het tijdverloop door den Regel bepaald,
vóór de aflegging harer altijddurende geloften, op
ongezegeld papier eene voor het geweten geldige
akte schrijven, waarin haar wil wordt uitgedrukt. Wat
betreft de burgerlijke akten, misschien door de wet
geëischt, deze kunnen zij later passeeren met verlof
van hare Oversten, welk verlof haar nooit zal worden
geweigerd.
Zij behooren volgenderwijze haren wil te ver-
klaren: 1. Willen zij ten bate harer bloedverwanten
afstand doen van den eigendom harer goederen, en
zich slechts een uitzet en eene lijfrente ten profijte
harer congregatie voorbehouden, dan zullen zij dezen
haren wil in schrift brengen, zich te gelijkertijd
verbindende, nooit eonig deel van dien uitzet of die
lijfrente voor haar-zelven te eischen, zoolang zij door
-ocr page 25-
21
hare geloften gebonden blijven;de interesten behooren
aan de communiteit.
2. Willen zij het eigendom harer goederen
behouden, dan moeten zij. in aanmerking genomen,
dat de gelofte van armoede haar verbiedt, zelf het
beheer te voeren of het vruchtgebruik te genieten,
zich schriftelijk verbinden:
Ten eerste, om het beheer harer goederen aan
een vertrouwd persoon af te staan. Doorgaans ver-
trouwt men dat beheer toe aan de Overste der
communiteit.
Ten tweede moeten zij zich verbinden, slechts
in zooverre als de regel het toelaat te beschikken
over het vruchtgebruik of de inkomsten harer goederen;
want zij mogen er voor geene andere doeleinden
gebruik van maken, dan voor die, welke haar door
den Regel worden aangewezen. Zij moeten ook, —
tenzij de Regel haar toelaat anders te handelen, —
hare inkomsten gebruiken, zoodra zij dezelve hebben
ontvangen; het is haar niet geoorloofd interesten op
interesten te stapelen om die aan het kapitaal toe
te voegen, en evenzeer is het haar verboden, de
interesten voor eigen gebruik te bewaren. Elk bewaren
van geld, met het doel, daarvan overeenkomstig
een zeker algemeen verlof, naar willekeur gebruik
-ocr page 26-
22
to maken, is wat men peculium noemt. Het peculium,
zegt een geacht schrijver, is het persoonlijk bezit
van een som gelils of van andere dingen, zooals
boeken, eetwaren, enz., met algemeen verlof om
daarvan naar goedvinden r/ebrui\'k te maken.
Hoewel
nu een dergelijk bezit niet onvoorwaardelijk in strijd
is met de gelofte van armoede, daar het altijd eene
zekere afhankelijkheid van de Overste veronderstelt
en het door de Kerk wordt geduld ter plaatse, waar
het eenmaal in gebruik is gekomen, toch moet een
dergelijk bezit eene schending van de volmaaktheid
der armoede worden geacht. Het bevordert den
hoogmoed, de afgunst, de zinnelijkheid, de begeerte
naar ijdele, overbodige dingen, de bezorgdheid en
de liefde voor wereldlijke zaken, in één woord,
talrijke misbruiken tegen de religieuse tucht: de
ondervinding heeft zulks geleerd. Daarom is het
peculium den religieusen in het algemeen verboden,—
in elk geval daar, waar het „vita communis" is
ingevoerd.
Wij zullen het weldra zien. \'
De Zusters moeten vóór hare professie haren
wil, in betrekking tot hare goederen, duidelijk
verklaren, en op de hooger omschreven wijze afstand
doen van het beheer en het vruchtgebruik dier
-ocr page 27-
23
goedoren. Teneinde nochtans op alle gebeurtenissen
voorbereid re wezen, kunnen zij. bij het doen van
dien afstand, zich liet recht van herroeping voor-
behouden : mochten intussehen ernstige beweegredenen
haar nopen, later verandering te brengen in datgene,
war ze te dien opzichte vóór hare professie hebben
bepaald, dan kunnen zij dit slechts doen niet uit-
drukkelijke goedkeuring van den Paus.
Alles, wat wij hier hebben medegedeeld, is
ook toepasselijk op de goederen, welke aan de Zuster
na hare professie rechtens toekomen: ouderlijk erfdeel.
legaten en schenkingen, ten doel hebbende haar
patrimonium te vergrooten, hetzij die legaten of
schenkingen komen van de zijde harer bloedverwanten,
hetzij van die eens bevrienden persoons, welke haar
vóór de professie zou hebben beloofd, haar later
een legaat of eene schenking te zullen verleenen.
Deze soort van goederen toch, komen haar rechtens
toe, en maken deel uit van haar patrimonium, wijl
ze reeds vóór hare professie een gegrond vooruitzicht
op het bezit dier goederen had. Zij kan dus dezelve
wettig ontvangen. Maar, zooals een bevoegd schrijver
opmerkt, voor het aannemen van andere legaten en
schenkingen dan die, waarvan wij hooger hebben
gesproken, is een verlof van de overste noodzakelijk.
-ocr page 28-
24
Overigens moeten de zusters voor wat betreft hare
patrimoniale goederen, en alles wat daarmede in
betrekking staat, haren regel raadplegen, teneinde
met juistheid te weten, wat haar is geoorloofd of
verboden. Daarom wenseh ik, als practisch besluit
van dir artikel, lT de woorden van een beroemd
en scherpzinnig godgeleerde te herhalen: ..Daarde
gelofte van armoede in de verschillende Congregaties
min of meer beperkt kan zijn, vooral ten opzichte
van het gebruik der goederen en van het beheer en
de beschikking over dezelve, moet elke religieuse zich
nauwkeurig houden aan hetgeen de liegel haar te
dier zake voorschrijft\'\'.
Voegen wij hieraan toe, dat, wanneer eene Zuster
komt te sterven zonder een testament te hebben
gemaakt.hare gocdcren,volgens de burgerlijke wetten,
het eigendom harer familie worden.
-ocr page 29-
�9999999999999999�
nr.
OVER DE GELOFTE VAN ARMOEDE IN BETREKKING
TOT DE GOEDEREN DER COMMUNITEIT.
De Goddelijke Heester, die hier beneden de
armoede voor zijn deel verkoos, teneinde, naar
St. Paulus\' woord, ons allen door zijne armoe niet
de rijkdommen der genade te overstelpen, heeft niet-
temin, zooals het Evangelie ons mededeelt, in ge-
meenschap met zijne discipelen het geld en andere
dingen willen bezitten, noodig voor het onderhoud
des levens. Het is derhalve,zoo verklaart de H. Thomas,
zeer wel met de evangelische armoede, waarvan Jezus
Christus zich tot een volmaakt voorbeeld heeft ge-
steld, overeen te brengen, dat de religieusen, voor
hen-zelven niets bezittende, niettemin in gemeen-
schap met elkander, tijdelijke goederen in eigendom
-ocr page 30-
26
hebben, teneinde, vrij van alle aardschc zorgen, zich
gerustelijk aan liet gebed en aan hunne bezigheden
te kunnen wijden. Deze goederen bestaan uit alles,
wat de religieusen aan hun klooster schenken, be-
nevens uit datgene, wat het klooster-zelve door
legaten, schenkingen, of op elke andere manier van
buiten ontvangt. Dit alles vormt om zoo te spreken,
het patrimonium der communiteit, zoodat het woord
communiteitsgoederen hier alleszins terecht wordt
gebezigd; in volle werkelijkheid toch zijn die goederen
het eigendom der communiteit en geenszins dat van
de Oversten. De Oversten zijn slechts de beheerders
van die goederen, en zij moeten dezelve beheeren
overeenkomstig de wetten der religieuse armoede.
Daarom kunnen zij er nooit als meesters en eigenaars
over beschikken; het is hun niet geoorloofd, naar
willekeur de conununiteitsgoederen te vervreemden
of ze op buitensporige wijze te vermeerderen, en
evenmin mogen zij er zich van bedienen voor dwaze,
nootlelooze uitgaven. Nog zwaarder zouden zij zich
schuldig maken, wanneer zij de goederen hunner
communiteit aan hunne bestemming onttrokken en
ze gebruikten om hunne tamilie te verrijken. Zij
moeten, als getrouwe beheerders, de conununiteits-
goederen bewaren, dezelve behoorlijke interesten
-ocr page 31-
•27
doen opbrengen en ze gebruiken overeenkomstig de
voorschriften van denRegel hunner orde of( \'ongregatie.
Een doorluchtig prelaat, Z. E. Kardinaal
Dechamps, geeft te dezer zake in zijne diocesane
instructién een zeer wijzen raad aan de Oversten,
die belast zijn met het beheer der goederen harer
communiteit. Wij achten het nuttig, dien raad hier
mede te doelen:
„Dat de Overste, zoo spreekt hij, zorg drage,
dat het den Zusters aan geene noodzakelijke dingen
ontbreke; doch het is haar niet geoorloofd schatten
te verzamelen. Op de eerste plaats moet zij van de
inkomsten der communiteit de gelden afzonderen,
noodig voor het onderhoud der Zusters en van het
Klooster, en het overige behoort zij te gebruiken
om de armen bij te staan en goede werken te
steunen."
Men moet onder armen niet alleen dezulken
verstaan, die aalmoezen vragen, maar op de eerste
plaats de Zusters van andere huizen, die onderstand
noodig zouden hebben; en onder goede werken
behoort men niet slechts de gewone werken van
godsvrucht, zooals het versieren van kerk en kapel
te rangschikken, maar ook elk ander goed werk,
waartoe de statuten machtiging verleenen, b. v. het
-ocr page 32-
28
vergrooten van een huis ot van cenc school der
Congregatie, enz. Deze regel getuigt van wijsheid
en voorzichtigheid: te eener zijde voorkomt hij eene
te groote opeenstapeling van rijkdommen, doordat
hij de Oversten vermaant geene schatten te verga-
deren, anderzijds geeft hij de wijze aan, hoe men
de goederen van het klooster overeenkomstig de
wetten der religieuse armoede kan gebruiken. Wat
nu betreft de manier, waarop de religieusen voor
hen-zelven gebruik moeten maken van de goederen
der communiteit, het heilig Concilie van Trente heeft
te dier zake duidelijke wetten uitgevaardigd: ,.De
religieusen mogen goederen in gemeenschap bezitten,
doch hun huisraad moet overeenstemmen met de
armoede, zoodat niets van hetgeen zij of het klooster
gebruiken, in strijd zij met den staat van armoede,
dien zij vrijwillig hebben omhelsd. De religieusen
moeten alles hebben, wat hun noodzakelijk is, maar
niets overbodigs.\'\' In deze woorden wordt Oversten
en onderhoorigen duidelijk gezegd, dat zij geene
weeldeartikelen of voorwerpen van groote waarde
voor hun gebruik mogen hebben. Natuurlijk: weelde
en kostbaarheid passen slechts aan de rijken der
aarde. Het is hun evenmin geoorloofd, voor hun
gebruik werkelijk onnoodige dingen te hebben; want
-ocr page 33-
29
ook tlit is strijdig met den staat van armoede, waartoe
zij beuooren. Naar hot gevoelen van don H. Alphoxsus
zou oen Overste zondigen, niet slechts tegen de deugd,
maar ook tegen de gelofte van armoede, wanneer
Lij aan zijne onderhoorigeu aanmerkelijk of aan-
zienlijk overbodige dingen toestond.
,.Xotabili excessu". Dat een Overste aan zijne onder-
hoorigen datgene toestaat, wat men ..noodzakelijke
gemakken" kan noemen, — het zij zoo; dat hij hun
sommige dingen vergunt, wolke niet strikt noodig
zijn, — hij zoude hierdoor hoogstens eene kleine
font tegen do deugd van armoede bedrijven; maar
iets te hunner beschikking stellen, wat door den
Regel der Orde als geheel overbodig wordt be-
schouwd, — dit ware hem niet geoorloofd. Dit is
een misbruik van macht en een zonde togen de
gelofte van armoede. Ziedaar de onderiehtingon dor
Heiligen en van het concilie van Trente ten opzichte
van do kloosterlijke armoede: de religieusen mogen
niets te hunnen gebruiko hebben, wat naar woelde
zweemt, niets wat hoog in prijs, niets wat werkelijk
overtollig is.
Teneinde zooveel mogelijk misbruiken te her-
stellen en eiken overvloed buiten do muren des
kloosters te bannen, bobben de heilige Ordestichters
-ocr page 34-
30
met grootc zorg getracht het gemcene leven (,. Vita
Communis")
in hunne kloosters in te voeren. En
inderdaad, is het gemeene leven niet een uitstekend
middel om in de Congregatiën de heilige armoede
te handhaven? Kan het worden betwijfeld, dat het
„Vita Communis", door alles te regelen wat met het
huisraad, de kleeding en het voedsel der religieusen
in betrekking staat, misbruiken voorkomt, ongeregelde
begeerlijkheden onderdrukt, en de religieusen krachtig
helpt om zich binnen de grenzen der heilige armoede
te houden? Dat de religieuse communiteiten zich
derhalve gelukkig achten in het bezit van die kost-
bare parel des gemeenen levens, welke, ter meerdere
glorie van God, te huidigen dage bijna overal schittert.
De H. Alphoxsus, die in zijne werken met
den grootsten lof over het „Vita Communis" spreekt,
schenkt ten opzichte hiervan den Oversten wijze
raadgevingen, welke ons de verplichtingen, door het
Vita Communis opgelegd, zeer duidelijk verklaren.
I.    De Oversten zullen wèl toezien, dat hunne
onderhoorigcn in hunne cel, voor hun eigen en tville-
lceurig
gebruik, geen geld bewaren, en evenmin
dranken of ectwarcn,zooals wijnen, likeuren, vruchten,
suiker, chocolade en andere lekkernijen.
II.    De Oversten moeten eischen, dat alles,
-ocr page 35-
31
wat van buiten in het klooster wordt gebracht,
betzij nu geld of andere dingen, hun worde ter band
gesteld, teneinde liet onmiddellijk niet de goederen
der Communiteit te vereenigen. De Oversten zelf zijn
onderworpen aan de dubbele wet, niets voor eigen
gebruik te bezitten, en datgene, wat zij persoonlijk
ontvangen, bij de goederen der Communiteit te voegen;
want ieder Overste eencr Communiteit is tevens lid
dier Communiteit, en als zoodanig verplicht, evenals
de andere leden geenerlei eigendom te bezitten. Het
gemeene leven eischt onvoorwaardelijk, zooals bet
woord zelve aanduidt, dat niemand. Overste noch
onderdaan, iets in zijn bezit, en te zijnen vrijen,
onafbankelijken gebruike hebbe, wat de anderen niet
hebben.
\'i. Eindelijk moeten de Oversten zorg dragen,
bunnen onderhoorigen in ruime mate alles te geven,
wat bun noodzakelijk is en vergund door den regel.
Daarenboven moeten zij goedhartig en liefdevol
degenen, die bijzondere behoeften blijken te hebben,
ter hulp komen. Maar wanneer de Oversten hierin
te kort bleven, zouden de onderhoorigen misschien
van elders zich het noodige trachten te verschaffen,
en op die wijze zou de heerlijke parel van het ge-
meene leven weldra met voeten worden vertreden."
-ocr page 36-
32
Dit zijn in hoofdzaak de woorden van den
H. Alphonsüs over het gomeene leven. Die woorden
zijn bij uitstek nuttig voor de Oversten der Com-
muniteiten. In liet bijzonder durf ik de Oversten
der Zusters vrijmoedig aansporen, rekening te houden
met de raadgevingen des heiligen Bisschops, en ze
in praktijk te brengen, willen zij niet, dat de ijver
in hare kloosters verflauwe.
-ocr page 37-
IV.
OVER DE GELOFTE VAN ARMOEDE IN BETREKKING
TOT HET GEBRUIK VAN EENIG TIJDELIJK GOED.
Het heilig Concilie van Trente zegt, dat de
gelofte van armoede den religieus verbiedt iets in
eigendom te hebben : Nihil habeat proprium ; geen
tijdelijk goed mag hij bezitten of onder zich houden,
als behoorde het hem toe. Door deze woorden ontzegt
het heilig Concilie van Trente den kloosterlingen
met eenvoudige geloften, zoowel als denzulken, die
plechtige geloften hebben gedaan, uitdrukkelijk elke
uitoefening
van eigendomsrecht, over welk voorwerp
het zijn moge. Het bijzondere karakter en het
onderscheidende kontoeken van den eigendom is de
macht om op vrije en onafhankelijke wijze over
eenig voorwerp te beschikken, de macht om er zich
3
-ocr page 38-
34
van te bedienen, het weg\' te geven of naar wille-
keur te vervreemden.
De handeling, door welke uien aldus over
eenig voorwerp als eigenaar op vrije en onafhan-
kelijke wijze beschikt, is eene uitoefening van het
eigendomsrecht, en die uitoefening is den religieusen
door de gelofte van armoede te eenenmale ontzegd.
Wat moet een religieus doen om nooit als
eigenaar te handelen ? Slechts één ding: over niets
beschikken, tenzij overeenkomstig den regel en
den wil der Oversten. Op de eerste plaats overeen-
komstig den Kegel,
want de Kegel is de eerste
Overste, aan wiens gezag Oversten en onderhoorigen
volstrekt zijn onderworpen. Het is dus voor eene
religieuse, die geene fout tegen de armoede wenscht
te begaan, geenszins voldoende een verlof van hare
Overste te hebben ontvangen ; dat verlof-zelve mag
niet strijdig wezen met de algemecne wetten der
armoede of met de bijzondere wetten der Congre-
gatie. Elk verlof der Oversten, strijdig met die
hoofdwetten, is ongeldig; het is van geene waarde;
en door zulk een verlof toe te staan zondigt de
Overste tegen hare gelofte van armoe, terwijl de
ondorhooiïgo, die, wetende, dat zulk een verlof
ongeldig is, er niettemin gebruik van maakt, even-
-
-ocr page 39-
35
eens plichtig wordt. Dusdanig.ongeldig en waardeloos,
zou elk verlof wezen, dat de Oversten "aveu in
- strijd met hetgeen wij in paragraaf II ten opzichte
run de patrimoniale goederen
hebben gezegd; de
bepalingen des Kegels, in betrekking tot die goe-
deren zijn streng verplichtend, voor Oversten zoowel
als voor onderdanen. Eveneens zon elk verlof, door
de Oversten gegeven, nietig zijn, wanneer het niet
strookte met de bepalingen van het Concilie van
Trente, opgenomen onder paragraaj III:
Het is
aan gvcn enkel lid der communiteit geoorloofd in
zijne kamer voor een vrij, persoonlijk gebruik, geld,
eetwaren, wijn of likeuren te hebben: het is hem
niet geoorloofd, weelde-art Hielen, kostbaarheden of
werkelijk onnoodige zaken te gebruiken.
Maai\' "t is niet voldoende, dat do Zusters zich
<uithouden van het gebruik dier zaken, welke de
Regel voor een ieder strijdig\' met de gelofte van
armoede verklaart, de Zusters moeten ook voor alle
dingen, waarvan de Kegel het gebruik toestaat,
een verlof van de Oversten hebben. DeH. Ai.phoxsus
zegt nadrukkelijk: ,.AUes. wat zonder verlof der
Overheid geschiedt, is eenc fout tegen de gelofte van
armoe".
Zich grondende op dezen algemeenen regel,
geven de schrijvers de verschillende gevallen aan,
-ocr page 40-
36
waarin een religieus tegen zijne gelofte zondigt;
bij elk dier gevallen wordt verondersteld, dat men
onafhankelijk van de Oversten, d. w. z. zonder hun
verlof, handelt. (Merhen wij hier op, dat de fouten
tegen de gelofte van armoe fouten hunnen zijn tegen
het religieuse leven alleen, of wel tegelijkertijd tegen
het religieuse leven en de rechtvaardigheid. Zoo,
verklaart Pater
Meynakd, zou men, zonder verloj
over zijne patrimoniale qoederen beschikkende, slechts
eene zonde tegen de gelofte begaan, terwijl men, over
eenig goed, dat aan de Communiteit of aan een
vreemdeling toebehoort, beschikkende, zoowel tegen
de. gelofte als tegen de rechtvaardigheid zondigt).
Ziehier, volgens de meest bevoegde schrijvers,
de verschillende gevallen, waarin eene religieuse
tegen de gelofte van armoe zondigt:
1.   Eene religieuse zondigt tegen hare gelofte
van armoede, wanneer zij zonder verlof eenige
zaak, welke het ook zijn moge, aan hare mede-
zusters geeft; nog zwaarder is zij plichtig, wanneer
zij zonder verlof iets aan een vreemdeling geeft.
2.   Een religieuse zondigt tegen hare gelofte,
door zonder verlof iets te ontvangen, betzij van
eene medezuster, hetzij vooral van een vreemden
persoon. Zij kan en moet zelfs, tenzij het haar
-ocr page 41-
37
bekend is, dat de Oversten Let tegenovergestelde
verlangen, niet voor naar-zelve, maar uit liefde
voor bare communiteit, alle geschenken in geld of
in andere dingen aannemen, welke men baar zoude
aanbieden. Alle giften en schenkingen, welke men
baar uit dankbaarheid, toegenegenheid of bij wijze
van aalmoes zoude aanbieden, behooren rechtens
aan de Communiteit.
3.  Eene religieuse zondigt tegen hare gelofte,
wanneer zij zonder verlof van iemand of aan iemand
iets leent. Is dit slechts het geval voor een kort-
stondig gebruik, dan zal de fout minder zwaar
wezen, of zelfs niet bestaan, wanneer hot gebruik
die handeling veroorlooft, b. v. het leenen van een
boek of van een brevier voor eenige oogenblikkcn,
wanneer eene Zuster die noodig heeft. Men veron-
derstelt alsdan, dat do Overste daartoe verlof geeft.
4.   Eene religieuse zondigt tegen hare gelofte
van armoe, wanneer zij zonder verlof eenig voorwerp
koopt of verkoopt, zelfs dan, wanneer zij het voor
de Communiteit zoude doen; want op die wijze
zoude zij optreden als eigenares van het geld, dat
zij uitgeeft om te koopen en van het voorwerp,
dat zij verkoopt. Dit ware eene feitelijke uitoefening
van het eigendomsrecht.Ook handelt men als eigenaar,
-ocr page 42-
38
wanneer men zonder verlof eenig voorwerp ruilt.
5. Eene religieuse zondigt tegen hare gelofte
van armoe, wanneer zij. een verlof hebbende veronder-
steld, zonder goedkeuring van de Overste datgene
houdt, wat zij heeft genomen. Ook begaat zij eene
fout tegen hare gelofte, wanneer zij een voorwerp
gentimen tijd bewaart, nadat het verlof zijne kracht
heeft verloren, of ook wanneer zij het terng houdt
met een geest van eigendom, b.v. wanneer zij het voor-
werp verbergt, opdat de Overste het haar niet ontneme.
<i. Eene religieuse zondigt tegen hare gelofte.
wanneer zij zich de vrucht van haar arbeid toeeigent,
of wanneer zij weigert het loon van dien arbeid te
ontvangen.
Het is b.v. aan eene onderwijzeres niet
geoorloofd het salaris te weigeren, haar, voor het
gegeven onderwijs verschuldigd door de ouders der
leerlingen. Evenmin mag eene Zuster het billijke
loon weigeren voor eenig werk, dat zij voor een
persoon buiten het klooster volgens den wil der
Overste heeft verricht, —tenzij de Overste zelf haar
beveelt, dat loon niet te ontvangen. Alles, wat eene
religieuse door haar arbeid verdient, behoort aan de
Communiteit en moet aan de Communiteit worden
ter hand gesteld.
Eene religieuse zondigt tegen de gelofte van
-ocr page 43-
39
armoe, wannoor zij iots voor andere doeleinden
aanwendt dan die, welke de Overste of do Regel
heeft bepaald. Wannoor de Overste haar eenig gold
gooft om cono reis to doen of iots aan te koopen,
of wol ecnige voorwerpen, welke zij voor de uitoefe-
ning harer bediening noodig heeft, dan moet zij dat
gold of die voorwerpen gebruiken, zooals do Regel on
deOverstc hot willon en niot andors.Kon ander gebruik
ware eenc uitoefening van een valsoh eigendomsrecht.
8. Eene religieuse zondigt togen do gelofte
van armoede, wanneer zij door hare schuld, iots. wat
haar is toevertrouwd, verloren laat gaan, bederven,
of in u-aarde laat verminderen. Dit betreft vooral die
Zustors, welke de voornaamste bedieningen in hot
Huis uitoefenen. Eeno religieuse, die met do koukon
is bolast, mot do zorg voor de linnenkamer of wol,
als econome, met don aankoop van huishoudelijke
dingen, zou kunnen zondigen en zelfs zwaar, wannoor
zij, door eene schuldige nalatigheid, oorzaak word
van eene belangrijke schade. Iedere zustor, aan wie
eene bediening in het Huis is toevertrouwd, moet
zich naar bost vermogen kwijten van do taak, haar
opgelegd; zij moot niet angstvallig, doch verstandig
waken, opdat niets van hetgeen haar is toevertrouwd,
verloren ga of bederve.
-ocr page 44-
40
9.    Eenc religieuse zondigt tegen de gelofte
van armoede, wanneer zij, almoezen ontvangende,
bestemd voor de armen of voor goede werken, welke
niet nader zijn aangeduid, over die almoezen zonder
verlof der Overste naar ivtttékeur beschikt.
Een ander
geval ware het, wanneer de weldoener zelf de armen
of de goede werken had aangewezen, te wier behoeve
de aalmoezen moeten worden gebruikt. De religieuse
zou dan slechts do uitvoerster van den wil des
gevers zijn, en bijgevolg niet op vrije en onafhanke-
lijke, met hare gelofte strijdige manier over het geld
beschikken. Maar in beide gevallen kon zij eene
fout begaan tegen de gehoorzaamheid, wanneer de
Kegel of de Overste niet wil, dat men zich met die
aalmoezen belaste.
10.    Eenc religieuse zondigt tegen hare gelofte,
wanneer zij, op hare verantwoordelijkheid voor anderen
een voorwerp of geld in bewaring neemt. Wanneer
het slechts gold, voor een korte wijle en zonder
eenige verantwoordelijkheid voorwerpen of geld te
bewaren, en wanneer die voorwerpen of dat geld
verloren gingen, dan zou de religieuse niet tegen
hare gelofte zondigen. Toch konde zij in dit geval
te kort schieten aan de gehoorzaamheid jegens do
Oversten, die gemeenlijk niet willen, dat men soort-
-ocr page 45-
41
gelijke bewaringen op zich neme. Wanneer de Overste
om ecne bijzondere reden, b.v. om een weldoener
van dienst te zijn, aan cene religieuse veroorlooft
geld of voorwerpen in bewaring te nemen, dan mag
zij die niet in hare eel honden, doch moet ze ter
hand stollen aan de Overste, die ze zal bewaren,
tot men ze terugvraagt.
11. Eenc religieuse zondigt ook tegen hare
gelofte van armoede, wanneer zij zonder verlof aan
hare bloedverwanten of aan een ander persoon van
buiten eenig geschenk of geld vraagt voor een bepaald
doeleinde, hetzij voor anderen, hetzij voor haar-zelven,
b.v. om eene reis te doen of om versterkende middelen
aan te schaffen.
12. Eene religieuse zondigt tegen hare gelofte
van armoede, wanneer zij geld of iets anders, wat
aan de Communiteit behoort,
wegneemt met het doel
om het zich toe te eigenen; dit ware natuurlijk een
diefstal van eens anders goed; dit ware een diefstal
van de bezittingen der Communiteit, en wel een
heiligschennende diefstal, omdat de goederen der
Communiteit tot de gewijde goederen belmoren. En
evenals elke andere diefstal moet hij worden hersteld,
hetzij door van eigen goederen zooveel terug te geven
als men gestolen heeft, hetzij door voor de Commu-
-ocr page 46-
\\-l
nitoit meer te arbeiden, dan men verplicht is. hetzij
door aan de Overste kwijtschelding van de schuld
te vragen. Hare zonde is zwaai\' of licht naar gelang
de materie. Wanneer is een dergelijke misslag zwaar?
Hiervoor is moeilijk een algemeene regel aan
te geven. Ziehier, wat Pater Meyxakd dienaangaande
zegt: „De godgeleerden stemmen hierin overeen, dat
voor eene doodzonde tegen de gelofte van armoede
minstens dezelfde hoeveelheid noodig is als bij een
gewonen diefstal. Maar om de zwaarte eener zonde
tegen de gelofte met ecnige zekerheid te kunnen
bepalen, is het volstrekt noodzakelijk, dat men
rekening hondc met do zeer talrijke omstandigheden,
welke de begane fout zwaarder of lichter kunnen
maken. Is de communiteit arm of rijk ? Is er geld
gestolen V of wel eet- of drinkwaren ? Heeft men
het ten voordeele eens vrcemdelings gedaan, of wel
om er zelf gebruik van te maken ? Heeft men iets
gestolen om het zich toe te eigenen, of wel om er
slechts eenigen tijd gebruik van te maken ? enz.
Ziedaar verschillende omstandigheden, welke men
nauw keurig heeft te wikken bij de beoordeeling van
eeno fout". Zonder twijfel begaat men spoediger eene
doodzonde, wanneer de communiteit arm is, of wanneer
men het gestolene aan een vreemdeling geeft, dan
-ocr page 47-
43
wanneer men liet voor zieh-zelf of voor een medelid
der communiteit gebruikt: men zondigt zwaarder,
wanneer men geld steelt, dan wanneer men levens-
middelen wegneemt: de fout is ernstiger, wanneer
men zich liet gestelene toeeigent, dan wanneer men
het slechts eenigen tijd in gebruik wil houden.
Over het algemeen zal de zonde slechts dage-
lijksch zijn, wanneer men eet- of drinkwaren weg-
neemt, waarvan de communiteit zich bedient. Deze
regel is ook toepasselijk bij een diefstal van eenig
voorwerp van groote waarde, dat men wegneemt
niet het doel. om het eenigen tijd te gebruiken en
het daarna terug te geven. Doch welke omstandig-
heden ook aanwezig moeten zijn om eene doodzonde
tegen de armoede te vormen, — de Zusters zullen
nooit eenig ding. groot of klein, zonder verlof weg-
nemen, daar in elk geval, waarin het verlof ontbreekt,
de Zuster als eigenaresse optreedt en daardoor
tenminste eene dagelijksche zonde begaat. Alles, wat
zonder voorkennis en toestemming der Oversten
geschiedt in zake het zich toeéigen van —, of het
naar .willekeur besehikken over eenig voorwerp, is
strijdig met de gelofte van armoede.
De religieusen moeten er zich eene gewetenszaak
van maken, niets zonder verlof te nemen, en dat
-ocr page 48-
44
verlof\' behoorcn zij niet te veronderstellen, doch moeten
het inderdaad bezitten. Ongetwijfeld is het in zekere
buitengewone gevallen, waarin het onmogelijk of
moeilijk is, zich tot de Oversten te wenden, niet
verboden, een verlof te veronderstellen, wanneer
men met reden oordeelt, dat de Overste, in aanmer-
king genomen de omstandigheden, waarin men zich
bevindt, het verlof werkelijk zonde toestaan. „Een
verondersteld verlof is deugdelijk en goed. zegt een
schrijver, wanneer een ondergeschikte, alle eigen-
liefde ter zijde stellende, in den geest openhartig
zijne belangen aan den Overste blootlegt,\' en dan
handelt, zooals hij voor zijn geweten meent, dat men
hem zonde bevelen. De Oversten moeten van hun
kant zorg dragen, zooveel mogelijk voor hunne
onderhoorigen toegankelijk te zijn, opdat dezen
gelegenheid vindon, een verlof te vragen, wanneer
zij het noodig hebben. De Oversten zullen geen
algemeen
verlof geven, tenzij in die gevallen, waarin
een onderhoorige voor kort eren of langeren tijd een
voorwerp, of eene uitzondering ten opzichte van het
voedsel, het drinken enz. zoude noodig hebben.
Dit is gewoonlijk het geval met de zieken. Maar
de Oversten moeten zorg dragen, dat bedoelde
dispensatiën niet langer duren, dan noodig is.
-ocr page 49-
05080909101067100810061005061006100505060607071010040810110404100507060406
OVER DE DEUGD VAN ARMOEDE.
Do deugd van armoede is eene Evangelische
deugd, welke ons losmaakt van de liefde tot de
goederen der aarde, en welke ons de rijkdommen
en de eerbewijzen, daaraan verbonden, doet verachten;
die onthechting4 en die verachting zijn, volgens den
H. Thomas, noodzakelijk om die armoede des geestes
te bezitten, welke de Verlosser gelukzalig prijst.
De enge grenzen, dio ik mij bij het schrijven van
deze kleine verhandeling heb gesteld, laten mij niet
toe, breedvoerig over deze deugd te spreken; daarom
zal ik mij tot eenige practische beschouwingen bepalen.
1, Tusschen de gelofte en de deugd bestaan
meerdere punten van verschil; ziehier de beide,
voornaamste:
De gelofte heeft voor onmiddelijk en recht-
-ocr page 50-
46
streekseh voonvoip do uitwendige onthechting van
de goederen der aarde; de deugd daarentegen heeft
tot onmiddelijk en rcchtstrccksch voorwerp de
inwendige onthechting en losmaking van die goederen.
De deugd is derhalve in nog hoogere mate voortreffelijk
dan de gelofte, omdat men zich uitwendig slechts
van zijne goederen berooft, om te gemakkelijker
de armoe des geestes, de deugd van armoede te
verkrijgen.
De gelofte gaat. strikt genomen, niet verder
dan hetgeen geboden is; neem het gebod weg, en
de stof, die wezenlijk onder de belofte valt, ontbreekt.
De deugd daarentegen strekt zich niet alleen uit
tot datgene, wat verplichtend is, maar ook tot
datgene, wat aangeraden wordt, wat tot de volmaakt-
heid behoort.
2 Tusschen gelofte en deugd bestaat een nauw
verband, en wel het volgende: telkens wanneer men
in strijd met de gelofte handelt, begaat men ook
eene fout tegen de deugd, omdat de verplichtingen,
door de gelofte opgelegd, tegelijkertijd door de
deugd worden geboden: deze laatste moet zich vooral
toeleggen op eene getrouwe vervulling der door de
gelofte opgelegde verplichtingen. Met de gelofte
is het niet zoo. Tegen de laatste misdoet men niet
-ocr page 51-
47
altijd, wanneer men een font begaat tegen de deugd,
om de eenvoudige reden, dat de deugd, zooals wy
gezien hebben, zich veel verder uitstrekt dan de
gelofte. Wij kunnen echter met Gaithelet in
waarheid zeggen, dar men, zij het ook niet onmid-
delijk, toch, de gelofte aanrandt, wanneer men misdoet
tegen de deugd, wijl men deze als het bolwerk dei-
gelofte van armoe kan beschouwen : I Mkwijls fouten
begaan tegen de deugd is de gelofte ondermijnen:
de deugd getrouwelijk betrachten, is de gelofte met
borstweringen omringen.
3 Maar zal een religieuse mij vragen, zijn wij
ook verplicht, de deugd van armoede te beoefenen ?
Zeer zeker mijne Zuster. Toen gij uwe gelofte deedt,
wildet gij eene aan Jezus aangename daad verrichten,
niet waar? Hij fluisterde aan het oor uws harten
hetzelfde woord, dat Hij tot den rijken jongeling
van het Evangelie richtte: ,.Ga, verkoop alles wat
gij bezit, en volg Mij, en ik beloof U een schat
in den Hemel". Wat hebt gij toen gedaan ? Getrouwer
nog dan die jongeling, leendet gij gehoor aan de
roepstem van Jcsus; met vrijen wil verliet gij, ter
Zijner liefde, Uwe aardsche goederen, om Hem, uw
Bruidegom, op de bane der armoe te volgen. Daarom
is uwc armoede geenszins eene onvrijwillige, zooals
-ocr page 52-
48
die van behoeftigen der aarde, doch veeleer een
armoede, uit vrije keuze door U aanvaard. Zij moet
niet enkel bestaan in de uitwendige losmaking van
het aardsche, doch voornamelijk in de inwendige
onthechting van uwe goederen, waarvan gij, om
Jesus\' liefde, metterdaad hebt afstand gedaan,
tegelijkertijd pogende, ook de genegenheid tot die
vergankelijke dingen uit uw hart te rukken. Welnu,
juist hierin bestaat de deugd van „Evangelische
armoede". Die deugd moet gij dus beoefenen, dewijl
zij een noodzakelijk uitvloeisel van de gelofte is.
4. Ziet hier, mijne Zusters cenige beschouwingen
over de deugd van armoede. \'Wat betreft de beoefening
dier deugd, hiervoor beveel ik u do volgende
middelen aan:
a. Vermijd zorgvuldig, gelijk de H. Thekesia,
nutteloozo, overtollige dingen in uwe kamer te
bewaren. — Ken uitstekend middel om niets over-
tolligs te hebben bestaat hierin, dat men, (in zooverre
de staat der gezondheid dit veroorlooft,) voor wat
betreft meubelen, klceding en voedsel, zich stiptelijk
houdt aan betr- \'.•n door het Vita Communis wordt
voorgeschrev .. .Mocht het „gemeene leven" U somtijds
zwaar vallen, zegt dan met den Heiligen Berchmans:
„Mijn grootste penetentie is het gemeene leven1.
-ocr page 53-
4!»
b.   Wanneer ?ij verschillende voorwerpen der
Communiteit moet gebruiken, vergenoegt U dan
gaarne met hetgeen minder goed of minder gemakkelijk
is. - ,.In de bedieningen, welke ik met anderen
moet deelen".
zegt de Gelukzalige Broeder Gerahdus,
leerling van den H. Alphoxscs, „zal ik het mij
tot een regel maken, nooit het eerst en op de leste
plaats te gaan zitten, of de beste werktuigen te nemen;
ik zal integendeel de beste plaats en de beste werk-
tuigen aan mijne medebroeders overlaten, en slechts
dat nemen, wat God behaagt mij te geven. Op deze
manier zullen allen tevreden zijn, en ik ook\'\'.
c.   .Mocht u soms iets ontbreken, vooral wat
botreft het voedsel, weet dan van die gelegenheid
gebruik te maken om U te verstorven, of tenminste,
gaat u daarover niet beklagen. Men zon zich belachelijk
maken in de oogen van Engelen en mensehen,
sprak
de gelukzalige Salomo van de orde der Clarissen,
wanneer men arm wilde wezen, en zich over een of
ander ging beklagen.
d.  Daar de deugd van armoede voornamelijk
bestaat in de onthechting des harten, moet gij op
de eerste plaats zorg dragen, dat geen enkel voorwerp
u boeie. Isjhet niet treurig, religieusen te vinden,
die, na wellicht aanzienlijke rijkdommen te hebben
4
i
-ocr page 54-
50
verlaten, zich dan. wanneer haar eerste ijver begint
te verflauwen, aan nietige dingen hechten, als: een
klein meubelstuk, eene pen. een mes, een prentje
en andere soortgelijke beuzelarijen? Handelt daarom
wijs, on verbreekt die kleine banden, welke, zooals
de H. Alphonsus zegt, u altijd tegenhouden op den
weg der volmaaktheid. Breekt niet alles, wat u, ook
slechts eenigermate zou kunnen verhinderen, Jesus
(\'hristus. uw Bruidegom, uit geheel uw hart te
beminnen.
Mijne Zusters, ik heb u in korte trekken verklaard
al hetgeen betrekking heeft op de religieusearmoede.
Ten slotte weusch ik, om u aan te sporen haar
met edelmoedigheid te beoefenen, u het een en
ander te zeggen over do onschatbare voordeden,
die zij aanbrengt.
\'^C^JgP^
-ocr page 55-
Jg^
«€#
■#§# ##
VIII.
GELUKZALIGHEID DER EVANGELISCHE ARMOEDE.
Voorzeker, de evangelische armoede legt menige
ontbering, menige onderwerping op. waartegen de
natuur, altijd belust op gemak en vrijheid, zich
menigmaal hevig verzet. Beschouwt men de Evan-
gelische armoede slechts met de oogen des vleesehes,
dan heeft zij een hard en terugstootend uiterlijk;
en daarom, zegt de H. Alphonsus, krijgen de
wereldlingen medelijden met ons en noemen ons
ongelukkig, wanneer zij ons een zoo arm, zoo
verstorven leven zien leiden. Maar alles neemt een
ander voorkomen aan, wanneer wij de Evangelische
armoede niet de oogen des geloofs beschouwen! Zij
*s, jubelt de H. Fkanciscls, door hare goddelijke
schoonheid eene Yrouice, eene Vorstin, die aller
verbeivijzingen verdient.
Zij is^door^heur waarde die
-ocr page 56-
52
kostbare steen des Evangelies, om welken te bezitten.
degene, die hem gevonden heeft, niet vreugde alles
verkoopt, wat liij zijn eigendom kan noemen; de
Evangelische armoede is, naar des Verlossers woord,
eene ware gelukzaligheid. „Zalig zij, die arm van
geest zijn; want hun behoort het Bijk der Hemelen P^
Ja, mijne Zusteren, gelukzalig zijt gij, omdat die
verheven en tegelijkertijd lieflijke armoede uw deel
werd! Ontslaat ons die armoede niet van elke zorg
voor huisvesting, voedsel en kleederen? Terwijl,
zooals Jesus zegt. de wereldlingcn, altijd bekommerd
om hun lichaam, zich onophoudelijk afvragen: „Wat
zullen wij eten? wat zullen wij morgen drinken,
waarmede zullen wij ons kleeden?" — zijt gij, die,
om aan uw Bruidegom te gehoorzamen, allereerst
zijn Koninklijk zoekt, van alle zorg voor die dingen
bevrijd. Gij verlaat u, evenals de vogelkons, geheel
op de barmhartige Voorzienigheid van uw heuielseheu
Vader, en evenals zij, vindt gij altijd uw disch door
zijne vaderhand bereid; eiken dag vindt gij het
voedsel, dat- gij noodig hebt. Is het woord des Evan-
gelies in u niet bewaarheid? Voorzeker, Jesus Christus
heeft het recht tot u, evenals tot zijne Apostelen,
te zeggen: Heeft n ooit liet noodzalidijlie ontbroken
sedert ge Mij zijt gevolgd?
-ocr page 57-
53
Is liet niet die gelukzalige armoede, welke u
bevrijdt van een der grootste hinderpalen voor uw
eeuwig geluk, den rijkdom \'f Heeft Jesus Christus,
tot de aalmoes aansporende, niet gezegd: Maalt u
door uwe rijkdommen van ongerechtigheid vrienden
in den Hemd?
Waarom noemt Hij ze: „rijkdommen
van ongerechtigheid"? Omdat ze al te dikwerf de
oorzaak van zonden worden. ..Laten wij tevreden
zijn,
vermaant I\'aalas zijn leerling Thimotheus, als
wij het noodzakelijke hebben om ons te voeden en
ons te kleeden. Laten wij niet meer verlangen: want
de rijkdom geeft den mensehen eene menigte nutte-
looze, verderfelijke begeerten in, die zijn eeuwig
ongeluk veroorzaken." Dankt dus God, o mijne Zusters,
omdat Hij eene zoo groeten hinderpaal voor uwe
zaligheid uit den weg heeft geruimd. Is het niet de
gelukzalige armoede, welke, n bevrijdende van alle
aardsche zorg en van de gevaren des rijkdoms, u
mildelijk gelegenheid biedt, om rustig en onverpoosd
aan uw heil, aan uwe volmaking te arbeiden? Terwijl
de rijkdommen voor degenen, die er zich aan hechten,
doornen zijn, welke hen altijd hinderen en hen
beletten, ernstig aan God en aan hunne ziel te
denken, zijt gij tevreden en gelukkig in uwe armoede,
en kunt gij altijd aan God denken, altijd u met God
-ocr page 58-
54
bezighouden, altijd verlangen naar het hemelsehe
Vaderland.
Is het ook niet die gelukzalige armoede, welke,
naar de belofte van Jesus, u het hondordvond schenkt
van alles, wat gij te Zijner liefde hebt verlaten?
Welk is dat „honderdvond", door den Zaligmaker
beloofd? vraagt de H. Hieruxy.mi:s. Dat zijn de
geestelijke rijkdommen, de rijkdommen der genade,
welke dnizendmalen meer waard zijn, dan alle stoffe-
lijke goederen te samen. Maar vooral moet de
Evangelische armoede n dierbaar zijn, omdat de
goddelijke Zaligmaker n op zoo heerlijke wijze
belooft: het honderdvoud in deze wereld en het eeuwige
leren in \'t andere.
O, welk een onbeschrijfelijk zoete
belooning! het eeuwige leven! mijne Zusters, — dat
is de Hemel met al zijne schatten, zijne heerlijkheden,
zijne wellusten! dat is het Koninkrijk Gods in al
den luister zijner glorie! Ja, ziehier, wat Jesus u
belooft: Zalig zij, die arm zijn van geest; want hun
behoort het Koninkrijk der Hemelen.
Vereert dus, vereert, bemint en bewondert die
lieflijke armoede, welke voor u zoovele en onschat-
bare rijkdommen in zich besluit. Schroomt niet, hare
livrei te dragen; want Jesus-zelf, de Koning des
Hemels, heeft Zich het eerst daarmede bekleed. Hoe
-ocr page 59-
55
arm was die goede Meester bij zijne geboorte, hoe
arm gedurende zijn loven, hoe arm vooral bij zijn
dooil: als eene aalmoes moet Hij van zijne Leerlingen
den Lijkdoek ontvang-en tot dekking- van zijne leden,
en her graf. waarin zijn H. Lichaam moet rusten!
O, hoezeer meet dat verheven, goddelijke voorbeeld
u aansporen, mijne Zusters, om met liefde die kleine
otters te breng-en. welke de gelofte van armoede u
oplegt.
Gebed van den H. Fbancisccs v.vx Assisiió
tot Jesvs, Koning deh armen.
0 Heer! toon mij de wegen der armoede, trant
\'k brand uit liefde tot haar, en -onder haar vind
Vi- geene raste. 11; zie haar door iedereen veracht,
verlaten gelijk eene arme weduwe. Zij, icier roeping
en taal; het is haar te beminnen, verivaarloozen en
begeren haar, en toch,
— zij is eene Koning\'nine, de
heerscheres over alle deugden; ome Koninginne, zoo
voortreffelijk schoon, dat Gij, o Heer, van het hoogste
der Hemelen op aarde zijt afgedaald, om U door
onverbreekbare banden met haar te vereenigen. OJesas,
bij uwe geboorte door de armoede ontvangen, op geheel
Uw levenspad door haar vergezeld, door haar met
-ocr page 60-
56
grove nagelen, ontkleed op het Kruishout geklonken,—
wie zon. mee voorbeelden beschouwende, zich niet
met hart en ziel aan die armoede heelden\' O mijn
Jesus, die de armoede reeds roor de-e wereld geluk-
zalig preesf, Gij, die haar zegevierend ten Hemel deedt
opklimmen, geel mij die heerlijke deugd tot erfdeel,
teeken mij met haar zegel. Amen.
-ocr page 61-
-ocr page 62-
-ocr page 63-
Hoofdstuk II.
OVER DE GELOFTE VAN ZUIVERHEID.
1. Schoonheid der maagdelijke zuiverheid. - Verplichtingen,
opgelegd door de gelofte van kloosterlijke zuiverheid. 3. Algemeene
middelen oiu de zuiverheid te bewaren. 4. Bijzondere middelen om
haar te behouden en te vermeerderen. 5. Voorrechten der Zuiverheid.
I.
SCHOONHEID DER MAAGDELIJKE ZUIVERHEID.
De gelukzalige Broeder Gtekabdus Majella.
de engel in menschengedaante, die zich door zijne
onschuld aan hot Goddelijk lam zoo dierbaar heeft
gemaakt, riep in zijn liefde tot de zuiverheid uit:
„O mijn God! onder alle deugden, die ik lief heb,
is mij fjeene dierbaarder dan de zuiverheid, de goddelijke
onschuld".
Deze kreet van bewondering en liefde
moet ook de uwe zijn, mijne Zusteren, omdat gij,
evenals die heilige religieus, het geluk hebt gehad,
uwe maagdelijke zuiverheid aan God te wijden.
-ocr page 64-
60
Inderdaad, niets is zoo schoon als de maagdelijkheid,
..zij is de liefelijkste der bloemen\'", zegt de H.
(tbegobius, ..zij is eene bloem, die prijkt in den
tuin ilcs goddelijken Bruidegoms". De zuivere ziel,
de heilige ziel is naar het woord van den H. Geest
zelven. eene lelie, die te midden dezer wereld, door
zooveel ongerechtigheden bezoedeld, met weerga -
loozen luister schittert. Sieut UU urn inter spinas.
Deze vergelijking geeft ons een juist en treffend
denkbeeld van de maagdelijke zuiverheid.
Meermalen hebt sij ongetwijfeld de koningin
der bloemen, de smettelooze lelie, beschouwd, die
in de maanden Juni en Juli niet liefelijke majesteit
in onze tuinen praalt. Hebt gij toen opgemerkt,
hoe zij, in tegenstelling niet andere bloemen, welke
langs den grond kruipen, haren stengel met tierheid
verheft? hebt gij hare witheid bewonderd, zoo
rijk, zoo glanzend, dat, gelijk Jesus Christus-zelf
verklaart, Salomon nooit zoo schittrend eene kleedij
heeft gehad, als die, waarmede natuur haar hooft
getooid? En welk een geur verspreidt zij om zich
heen, een geur. die den geheelen tuin doorwasemt.
Welnu! ziehier het volmaakte zinnebeeld eener
zuivere ziel: gelijk eene lelie fier haren stengel
verheft, zoo richt de zuivere ziel al hare gedachten,
-ocr page 65-
61
al hare genegenheden ten hemd, waar zich bet
voorwerp haver liefde bevindt; zij praalt voor het
oog der mensehen nier een zoo goddelijkeii glans,
dat allen, zelfs degenen, die den moed niet bezitten
kuiseb. te zijn, haar bewonderen; zij verspreidt om
zieh heen den welriekenden geur van Jesus (\'hristus,
en die geur is zoo hemelsei., dat hij het hart van
al degenen, welke het geluk hebben met haar om
te gaan. niet den zoetsten balsem vervult. Men
verhaalt van de H. Theresia, die bewonderens-
waardige maagd, dat men zieh nimmer met haar
kon onderhouden, zonder zich beter en meer tot
de deugd aangetrokken te voelen.
Kan het u dan nog bevreemden, dat de heilige
Vaders met zooveel lof spreken over de maagdelijke
zuiverheid. Nooit is hunne weldsprekendheid grooter
en edeler, dan wanneer zij handelen over de maagde-
lijkheid : zoozeer verrukt hen deze deugd. I )e
H. Joannes Chrysostomus zegt, dat zij zooverre
boven het huwelijk is verheven, als de Hemel boven
het aardrijk. De H. Athaxasius noemt haar een
onuitputbaren schat, eene altijd frissche lauwerkroon,
een kostbare parel, de woonplaats des H. Geestes.
St. Augustixus verklaart, dat de maagden de bloem
van Christus\' Kerke zijn, en de H. Ctpbianüs ziet
-ocr page 66-
62
in haar het edelste deel der kudde van Jesus.
St. Ambrosiüs verheft de maagdelijkheid in de
heerlijkste bewoordingen: Hare schoonheid, zegt
de Heilige, wordt door geene ziekte geschonden,
verwelkt niet door den ouderdom, kan door den
dood niet worden weggenomen. St. Bekxardus zegt
op zijne beurt: De maagdelijkheid is iets zoo uitnmn-
tends, dat God. teneinde hare waardij niet te
verminderen, van haar geene verplichting heeft
gemaakt; zij is zoo bekoorlijk, dat zij het Harte
heeft verrukt van het Goddelijke Woord, dat van
den Hemel is nedergedaald, om de menschheid aan
te nemen in den schoot van Maria, de zuiverste
der Maagden. En is het niet diezelfde liefde voor
de zuiverheid, welke Hem dringt, Zich nog thans
als de goddelijke Bruidegom te vereenigen met de
maagdelijke zielen, vooral met dezulken, die Hem
in het religieuse leven hare maagdelijkheid hebhen
verpand? Zeker, alle zielen, die in staat van genade
verkeeren, zijn bruiden van Jezus Christus, maai-
de religieusen, die zich met ziel en lichaam aan
Hem toewijden, zijn het op eene gansch bijzondere
wijze. Duidelijk zeggen dit de ceremoniën, die op
den dag hater professie plaats hebben. Waarom
ontvangt de geprofeste religieuse op dien dag eenen
-ocr page 67-
63
ring en oenen sluier? Waarom biedt men haar
alsdan een kruisbeeld en eene brandende kaars aan?
Dat alles is zinnebeeldig\'; dat alles zegt ons, dat zij
(ip plechtige wijze niet Jezus (\'hristus, baar Bruidegom,
een goddelijken bond beeft gesloten; dat zij, als
Zijne bcvoorrerlite bruid, Hem gebeel moet toebe-
booren, aan Hem gebeel moet onderworpen zijn, dat
zij moet branden van lietde tot Hem, en dat Hij
eens, wanneer zij getrouw blijft, baar eenmaal eene
krone van glorie op de slapen zal drukken. Inderdaad,
niets is grooter, niets schooner dan deze maagdelijke
reinheid, welke aan de ziel zulke glorierijke voor-
rechten verleent en baar tot de waardigheid van
Bruid van Jesus Christus verheft. Derhalve niet
zonder redenen, hebben de Heiligen als om strijd
haren lof verkondigd. O hoe schoon zijn kuische
zielen met luister van deugd! Hoe rein is hare
glorie! Quampulchra est castageneratio cum elaritate!
Sap. 4, I.
-ocr page 68-
-ocr page 69-
ir
\'Verplichtingen, opgelegd door de gelofte van
zuiverheid in het religieuse leven.
Do gelofte van zuiverheid verplicht ecne
religieuse, liet celibaat te bewaren en zich van
eiken misslag tegen de zuiverheid te onthouden.
1. Dezr f/elofte verplicht tot het celibaat.
Tot de religieuse ziel werd meer in het bijzonder
het woord dos Apostels gericht: Ik heb u aan
een éénigen Bruidegom verloofd, aan Jezus < \'hristus,
opdat gij Hem moget worden voorgesteld als ecne
geheel reine maagd. Aan deze hoofdverplichting
te kort blijven, dit ware tegelijkertijd eene heilig-
schennis, en ecne snoodo trouweloosheid, omdat
de religieuse aan Jezus Christus heeft beloofd, nooit
een anderen bruidegom te zullen toebehooren. Op
bittere wijze verwijt de H. Basiutxs aan eeno
ontrouwe maagd zulk cenc trouweloosheid, teneinde
5
-ocr page 70-
66
haar te doen inzien, hoe plichtig zij was: „Herinner u
dien godenkwaardigen dag. waarop gij in tegen-
woordigheid van Engelen en van menschen u aan
God hebt toegewijd. Wat waart gij toen gelukkig
en blijde! En welke gunsten hebt gij toen van Jesus
Christus, uw hemelschen Bruidegom, ontvangen! Eu
thans, helaas! hebt gij voor een kortstondig genoegen,
dat u voortaan bitterder zal zijn dan gal, dien
Bruidegom verlaten. Ach! ontrouwe bruid, van u
hoeft God door den mond zijns prophcten gesproken:
„Hebt gij gezien, welken smaad de dochter Israèls
J\\Iij heeft aangedaan? Ik had haar tot mijne bruid
verkozen, en bleef baar trouw; doch zij, zij heeft
zich niet geschaamd, iiij te verlaten, om hare liefde
aan vreemdelingen te schenken."
L2. Door deze gelofte verplicht zich een
religieusc de zuiverheid van haar lichaam en hare
ziel ongerept te hewaren.
Elke inwendige of uitwendige
daad. verboden door het zesde en negende gebod,
zoude voor haar niet slechts een misslag tegen de
zuiverheid wezen, maar ook eene heiligschennis,
daar geheel haar persoon aan Jesus Christus is
toegewijd. In tegenstelling niet de geloften van
armoede en gehoorzaamheid, waarin de deugd verschilt
van de gelofte, is de gelofte van zuiverheid zoo
-ocr page 71-
67
nauw verbonden met de dengd. dat het onmogelijk
is tegen de deugd te zondigen, zender tegelijkertijd
een misslag tegen de gelette te begaan. Eeno
religieuse, die op dit punt ontrouw is. begaat dus
altijd eene dubbele zonde: cene zonde tegen de
zuiverheid en eene zonde tegen de dengd van
godsdienstigheid. Daarenboven begaat zij, naar de
H. Alphonsus zegt, eene zware zonde tegen do
liefde, wanneer haar uitwendige misslag van dien
aard is. dat zij de Communiteit met schande overdekt.
3. Eene derde verplichting, rechtstreeks voort-
vloeiende uit de beide andere, bestaat hierin, dat elke
religieuse de noodige middelen moet gebruiken, om
hare maagdelijke zuiverheid te behouden. Ik zal in
het bijzender wijzen op die middelen, welke de
regel gemeenlijk aangeeft. Er zijn twee soorten:
de eene hebben voornamelijk ten doel, de religieuse
tegen de drie grootste vijanden harer zuiverheid te
beschermen, haar voor eiken val te behoeden: de
andere zijn bestemd, om in hare ziel die schoone
deugd diepe wortelen te laten schieten en haar steeds
nieuwe groeikraeht te verleenen. Ik zal over beide
soorten van middelen spreken, doch slechts kort, en
op de practische wijze, die ik mij bij het schrijven
van dit werkje heb voorgesteld.
-ocr page 72-
-ocr page 73-
•% $P& €§§# %% #%
III.
ALGEMEENE MIDDELEN OM DE ZUIVERHEID
TE BEWAREN.
1. Al\'ZONDElUXG VAX DE WeKELD.
De Kerk heeft zich te allen Tijde eene trouwe
hoedster getoond van de zuiverheid der aan God
toegewijde personen. Daarom heeft zij het zooge-
naamde ..slot" ingesteld, waarbij den uiannelijken of
vrouwelijken religieusen wordt verboden, zich buiten
de kloostermuren te begeven, en den wereldlijken
personen, de ruimte, door het ,.slot" afgebakend,
te overtreden. Allo religieuse orden met plechtige
geloften zijn uit kracht der professie verplicht,
het ..slot", ook Pauselijk slot genoemd, te bewaren;
tegen de overtreding van het Pauselijk slot worden
strenge kerkelijke straffen bedreigd. Met de Con-
gregatiën, waarin eenvoudige geloften worden gedaan,
is het niet zoo gelegen. Niet door hare geloften,
-ocr page 74-
.11
maar uit kracht van haar Regel of ook wel ter
oorzake van ecne Bisschoppelijke verordening zijn
zij verplicht het slot te bewaren. Derhalve moeten
de religieusen te dezer zake zich houden aan den
Regel en aan den wil van den Bisschop.
Het eigenlijk gezegde slot. het slot in den
vollen zin des woords, schrijft voor, dat de vertrekken
des kloosters geheel moeten zijn afgescheiden van
die, welke men voor de vreemdelingen bestemt, en
dat de religieusen met laatstgenoemden niet mogen
spreken of eenigerlei gemeenschap hebben, tenzij
door de traliën en het bekende „draaikastje" der
spreekkamer. Doch er zijn tal van Congregatiën en
religieuse communiteiten, die. zich op het onder-
wijs der jeugd en de liefdewerken toeleggende,
hoogergenoemd slot moeielijk kunnen aannemen.
Daarom neemt de Bisschop altijd de zorg ter harte,
dan, wanneer de regel hierin niet genoegzaam voor-
ziet, een zeker slot voor te schrijven, dat, overeen-
komstig den geest der Kerk, de religieusen zooveel
mogelijk van de gemeenschap met de buitenwereld
afscheidt. Dit slot bestaat voornamelijk in twee
punten: het verbiedt den religieusen hare kloosters
te verlaten, met uitzondering van die gevallen,
waarin de Regel heeft voorzien; en het verbiedt
-ocr page 75-
7]
ook clou wereldlijken personen, zekere afgescheiden
plaatsen van her klooster te betreden. Onder deze
plaatsen zijn op de eerste plaats de cellen en
slaapzalen der Zusters begrepen; verder in liet
algemeen die vertrekken, welke voor liet bijzondere
gebruik der religieusen zijn bestemd, zooals refter,
keuken, cómmuniteitszaal, kapittelzaal, enz. Dusdanig
zijn de voorbehoedmiddelen, door de Kerk voorge-
schreven om de zuiverheid der religieusen te bewaren;
allen moeten wel doordrongen zijn van dezen geest
der Kerk. en in zich de overtuiging vestigen, dat
zij niet de wereld geene andere betrekkingen mogen
onderhouden dan die. welke door hare roeping
noodzakelijk worden gemaakt. — en dan nog uitslui-
tend ter meerdere glorie van God. Eene religieuse
hoeft ter liefde van Jezus Christus de wereld, hare
ouders en bloedverwanten verlaten. Zij moet dus,
naar het woord van den Zaligmaker, niet meer
achterwaarts zien: zij behoort zich niet meer bezig
te houden met hetgeen in hare vroegere omgeving
voorvalt: het is haar niet geoorloofd, naar bezoeken
van wereldlijke personen, zelfs naar die van hare
ouders, te verlangen, veel minder nog naar die
bezoeken te vragen of ze uit te lokken. Door hare
professie is zij der wereld afgestorven; derhalve
-ocr page 76-
12
moet zij do wereld ten eenenmale vergeten, ze uit
haar hart bannen, zich geheel er van afscheiden.
In deze algcheele afscheiding van de wereld bestaat
de geest van het slot, waarvan elke goede religieuse
moet zijn doordrongen. .Maar \'t is niet voldoende,
dat de religiensen doorliet kloosterslot van de wereld
zijn afgescheiden; zij belmoren, en vooral dan,
wanneer zij in de spreekkamer bezoeken van wereld-
lijke personen ontvangen, zich met de grootste
voorzichtigheid wapenen. Hoe moet men over de
spreekkamer denken? Eenige aanhalingen uit de
geschriften der Heiligen zullen u aantoonen, hoezeer
eene religieuse die vertrekken moet schromen.
..In de spreekkamers," zegt een groot asceticus,
„loopt de gelofte van zuiverheid het meeste gevaar;
in deze plaatsen des kloosters staan de religieusen
er het meest aan bloot, een deel der volmaaktheid,
die zij zich hebben verworven, te looi1 te zien gaan,
of zelfs hare zaligheid in de waagschaal te stellen.
Door de spreekkamers dringt de geest der wereld
de kloosters binnen, en verlaat de religieuse geest
de gewijde muren. Daar worden de geesten gemeen-
zaam, daar worden vriendschapsbanden aangeknoopt,
daar wordt de kostbare tijd verkwist, daar worden
de harten verdeeld en verstrooid, daar verdwijnen
-ocr page 77-
73
de goede gedachten, daar verzwakken meer en meer
de gevoelens van godsvrucht. Men verlaat de spreek-
kamers niet slechte gesteltenissen en een afgetrokken
geest."
„YVecst overtuigd, zegt de H. Alphoxsus, dat
de lucht der spreekkamer ongezond is voer de
religieusen; ademen zij in het koor de reine, verster-
kende lucht van het Paradijs in. in de spreekkamer
worden /ij dikwijls bedwelmd door de verpestende
Inclit der hel. Mijne Zusters, sprak de eerbiedwaardige
Zuster Faexese tot hare religieusen, wij hebben
ons binnen vier muren opgesloten, niet om te zien
of te worden gezien, maai- om ons-zelven in de oogen
van God zonder vlek te bewaren."
..Het was voor mij een groot ongeluk", — aldus
de H. ïheeesia, in een klooster te zijn getreden,
waarin men het slot geenszins nauwgezet onderhield,
en waarvan de spreekkamers het voornaamste deel
uitmaakten. Het is een groot euvel, wanneer de
vrouwenkloosters openstaan voor wereldlijke personen;
zulke kloosters worden voor de religieusen veeleer
een middel om zich te verdoemen, dan om aan hare
zaligheid te arbeiden en om hare zwakheid ter hulp
te komen. Ik had het ongeluk behageu te scheppen
in de gesprekken met wereldlijke personen: en daar
-ocr page 78-
74
het in mijn klooster vrij dikwijls gebeurde dat men
bezoeken ontving, dacht ik er niet aan. dat die
gesprekken mij schadelijk konden worden. Maar op
zekeren dag, toen ik mij weer in de spreekkamer
bevond, verscheen mij Jezus Christus, en zijn blik
was zoo gestreng, dat ik zeer verschrikt was, en
nu gemakkelijk begreep, aan welk gevaar ik mij
blootstelde". Dit zijn in hoofdzaak de woorden der
H. Theuesia. Deze woorden en de andere, die ik u
hel» medegedeeld, toonen u genoegzaam aan. mijne
Zusters, hoezeer gij de spreekkamers moet vreezen.
Vlucht ze derhalve, wanneer gij uwe zuiverheid
wilt bewaren ; gaat er slechts dan heen, wanneer
de gehoorzaamheid het u beveelt. Waagt u nooit
alleen in die vertrekken, vooral dan niet, wanneer
gij met personen der andere kunne moet spreken.
Denkt er wel aan, wanneer gij u daar bevindt, dat
God u ziet, en vertoeft er zoo kort mogelijk. Een
kloosterling had op de deur zijner cel geschreven:
„Wanneer ik u zonder reden, te dikwijls, voor te
langen duur of zonder geldig verlof verlaat, ben ik
verloren". Handel eveneens, schrijf die woorden,
zooalniet op de deur uwer cel. dan toch op die van
uw hart, teneinde u altijd in herinnering te brengen,
dat eene religieuse alles te vreezen heeft, wanneer
-ocr page 79-
75
zij gaarne in de spreekkamers vertoeft; dat zij,
prijsstellende op hare zuiverheid, elk noodeloos
gesprek met wereldlijke personen moet vermijden.
zich van t/ie personen zooveel mogelijk behoort af te
scheiden,
en dat zij op de eerste plaats haar geluk
moet zoeken in de weldoende eenzaamheid des
kloosters en in vertrouwelijke gesprekken met Jesus,
haar Bruidegom, aan de voeten des tabernakels.
•2. Dk Vebstobvexheid.
Het is eene waarheid des geloofs, dat de
erfzonde geheel ons wezen heeft verlaagd. Zij strooide
in onze ziel bet zaad van alle boosheid, en deelde
aan ons lichaam die noodlottige begeerlijkheid mede.
welke deur den H. Joaxxes „begeerlijkheid des
vleesches" wordt genoemd, omdat zij den niensch
onverpoosd tot ongeregelde, vleeschelijke genoegens,
tot de afschuwelijke ondeugd der onzuiverheid be-
koort. Vandaar de plicht der versterving, door
het H. Evangelie met zooveel nadruk opgelegd,
door den H. Paulus in zijne epistelen en door
alle Heiligen in hunne schriften zoo dringend
voorgehouden. Alwie, spreekt de Zaligmaker, in
-ocr page 80-
76
deze wereld zijn leven bemint, liet zinnelijke,
vleesehelijke leven, zal zijn ware leven, zijn goddelijk
leven voor de eeuwigheid, verliezen. Versterf uwe
ledematen op deze aarde, zegt de H. Paulus, slechts
zij. die hun vleesch met al zijne ondeugden en
begeerlijkheden hebben gekruisigd, behooren aan
Jesus Christus. Daarom, voegt de H. Ali>honsus er
bij, moeten wij eene beslissing nemen : willen wij
ons van zonde bewaren, dan moeten wij onze slechte
hartstochten overwinnen, ons lichaam dooi\' de ver-
sterving in bedwang houden ; doen wij dit niet, dan
zal het lichaam de ziel met voeten treden en haar
ter helle sleepen. De schoone lelie der zuiverheid
bloeit slechts te midden van de doornen der verster-
ving. Welke zijn de verstervingen, die gij, mijne
Zusters, moet beoefenen, om uwe zuiverheid vlek-
keloos te bewaren ?
1. Op de eerste plaats en boven alles moet
gij u-zelven geweld aandoen, om nooit te zwichten
voor de aanvallen van den onzuiveren geest, al
moest gij daarvoor, gelijk de H. Bexedictus en de
H. Maddalexa di Pazzi, u in doornen en distels
wentelen. Maar God vergt zulke buitengewone
verstervingen niet van u; Hij eischt alleen, maar dit
ook onvoorwaardelijk, dat gij onmiddelijk en krachtig
-ocr page 81-
77
aan uwen vijand wederstand zult bieden, en met
vurigheid en volharding\' bidden. Indien, zegt do
H. Alphonsus, de bekoring\' bij liet eerste gebed
niet wijkt, dan moet gij een tweede doen, een derde,
een vierde, en wanneer zij dan nog aanhoudt,
dan moet gij niet verzuchtingen en tranen bidden,
den Heer lastig\' vallen. Hem als \'t ware dwingen
n de overwinning te verleenen. Dit geweld om aan
de zonde te weerstaan, een geweld, dikwijls harder
aan de natuur dan alle boetwerktnigen, wordt door
.lesns in het Evangelie uitdrukkelijk bevolen: het
Rijk der Hemelen lijdt geweld, en slechts de gewel-
digen zullen het veroveren.
2. Om onze lichamen in zuiverheid te bewaren,
is het noodzakelijk ze te onderwerpen aan zekere
bepaalde verstervingen, aan zekere pijnlijke kastij-
dingen, opdat zooals de Kerk ons bij het begin van
don Vastentijd zegt, onze lichamen door de boetvaar-
digheid afgemat zijnde, onze harten zich niet meer
verzadigen met de spijze der zonde. Om dit doel te
bereiken heeft de Kerk voor alle geloovigen- zekere
vasten- en onthoudings-dagen aangewezen, en met
hetzelfde inzicht legt de Regel den religieusen nog
andere verstervingen op, opdat hunne ziel zich meer
en meer aan de dienstbaarheid van het lichaam
-ocr page 82-
78
onttrekke en zich door eene geheel zuivere liefde
vrijer tot (rod kunne verheffen, (üj zijt verplicht,
mijne Zusters, elke vasten en elke onthouding, u
door den Kegel en vooral ook door de Kerk opgelegd,
te eerbiedigen. Indien uw leeftijd of de staat uwer
gezondheid u niet veroorlooft zulks te doen, weet
dan tenminste uwe ziekelijkheid of zwakte in den
geest van boetvaardigheid aan te nemen. Eindelijk
is het in de Communiteiten gebruikelijk, zich eenige
vrijwillige verstervingen op te leggen, hetzij b.v. in
"t bijzonder door het dragen van een boetegordel,
hetzij gemeenschappelijk aan tafel, door zich het
gebruik van eenige spijze of van eenigen drank
te ontzeggen. Eene religieuse moet die versterving
niet achterwege laten. Hoe meer men de zuiverheid
met de doornen der versterving omringt, des te
veiliger kan zij bloeien.
3. Voegen wij hier echter bij, dat eene religi-
euse te vergeefs het voornemen zou maken hare
zuiverheid onbesmet te bewaren, wanneer zij aan
hare verstervingen niet eene ware ootnioedigheid
paaide. JJe droevige geschiedenis van onzen eersten
vader levert ons hiervan een overtuigend bewijs.
Was niet, zooals de H. Schrift ons mededeelt, de
opstand van zijn geest tegen God, door den hoogmoed,
-ocr page 83-
,\'.)
do onmiddelijkc oorzaak van den opstand van zijn
vleesch tegen zijn geest? Derhalve, mijne Zusters,
wilt gij zuiver blijven, weest dan nederig\', versterft
in u den hoogmoed: deze versterving is de meest
noodzakelijke. Terwijl God de lioogmoedigen verlaat
en in liet slijk laat vallen, ondersteunt bij de
ootmoedige ziel en doet baar over de bekoringen
zegevieren.
3. De Waakzaamheid en het Gebed.
De wereld is een geduchte vijand onzer zuiver-
beid, en wij moeten baar overwinnen door de vlucht,
d.w.z. door er ons zooveel mogelijk van te verwijderen.
Hot vleesch is een nog geduchter vijand, en over
dezen moeten wij door do versterving zegepralen;
maar de vijand,, dien wij bet meest hebben to
schromen, is Satan, die het geheele menschdom in
in het slijk dor zonde wist neder te werpen. Zijne
boosheid kent geene grenzen, en tot handlangers
dier boosheid beschikt hij over de wereld en ons
eigen vleesch. waarvan bij zich bedient om ons te
boeien en in bet verderf te storten. Een leeuw
door zijne sterkte, is hij, volgens de H. Schrift,
-ocr page 84-
80
eene slang\' door zijne listen, en wij weten, hoe hij
onze moeder Eva bedroog, om haar tot de zonde te
verleiden. Wij moeten dns tegen dezen vijand de
grootste waakzaamheid in acht nemen. Dit middel,
gevoegd bij het gebed, moet ons, naar het woord
van Jezus Christus-zelf, de overwinning bezorgen:
,, Vigilate et orate, waakt en bidt. Waakzaamheid
over onze verbeelding, waakzaamheid over onze
zinnen, waakzaamheid over onze genegenheden,
waakzaamheid in een aanhoudend gebed. ziedaar
het groote middel, dat wij. naar des Apostels
vermaning, moeten gebruiken, om den duivel geene
gelegenheid te verschaffen ons te bekoren en ons
in het eeuwige ongeluk te storten.
1. Waakzaamheid over ile verbeeldhifj.
De duivel oefent cene groote macht over deze
blinde faculteit, welke geenerlei kennis draagt van
de wetten der rede: van de verbeelding bedient hij
zich, om ons te misleiden en in ons binnenste het
vuur der kwade hartstochten te ontsteken. De ver-
beelding heeft de heiligste zielen op een dwaalspoor
gebracht. Wat zullen wij doen, om ons tegen hare
-ocr page 85-
8]
begoochelingen en tegen hare uitspattingen te vrij-
waren? (>i> de eerste plaats moeten wij haar
zorgvuldig regelen ; ons heil is daarvan afhankelijk.
Gelukkig degenen, wordt in ..de Geestelijke Strijd"
gezegd, die, alvorens hunne achting en liefde aan eenig
voorwerp te schenken, naar best vermogen trachten,
door de rede en vooral ook door het licht van den
H. Geest te weten, wat zij er van denken moeten.
Indien wij, verleid door de hartstochten, door onze
dwaze verbeelding, liefde opvatten voor- of haat
tegen datgene, wat zij ons voorstelt, zullen wij
nimmer juist over de zaken kunnen oordeelen;
wij zullen dan een wezenlijk kwaad voor iets goeds
beschouwen, en als een euvel datgene aanzien, wat
werkelijk goed voor ons is, en op deze manier zullen
onze beide edelste faculteiten, het verstand en de
wil, door de verbeelding misleid, van dwaling in
dwaling, van afgrond tot afgrond storten. Ziedaar
het ongeluk van zoovele wereldlingen, die, misleid
door hunne verbeelding en door hunne slechte
hartstochten, slechts achting en liefde voor de
goederen der aarde hebben, de hemelsche goederen
geene opmerkzaamheid waardig keuren en zich voor
eeuwig ongelukkig maken. Op de eerste plaats dus
moeten wij niet zorg onze verbeelding regelen, volgens
6
-ocr page 86-
82
de raadgevingen van geloof en rede; ziedaar bet
hoofdmiddel om zich van hare begoochelingen te
vrijwaren. Het tweede middel bestaat hierin, dat
wij voeden onzen geest met heilige gedachten, met de
gedachte aan de verplichtingen, ons door zoo heilig
een roep opgelegd, met de gedachte aan de eeuwige
waarheden, met de gedachte aan Jesus en Maria.
Op deze manier zullen wij er het best in slagen, de
deur onzer ziel voor den duivel te sluiten. Het
derde middel eindelijk, en wel een middel, tot welks
toepassing wij streng zijn gehouden, bestaat hierin,
dat wij de slechte gedachten en de onreine herin-
neringen, welke Satan in onze verbeelding zou
wakker roepen, ijlings uit onze ziel verbannen. Het
ware zeer vermetel met die gedachten te spelen :
men moet ze afschudden, gelijk men het eene vonk
doet, welke op onze hand komt vallen.
2. De waakzaamheid over de zinnen.
Deze waakzaamheid is niet minder noodzakelijk
dan de eerste, daar het den duivel vooral door de
zinnen gelukt, onzen geest on onze verbeelding met
kwade gedachten op te vullen. Mogen de religieusen
-ocr page 87-
83
dan met de grootste zorg alles ter harte nemen, wat
de heilige Regel haar voorschrijft in zake de waak-
zaamheid over de zinnen. Ik zal mij bepalen tot
eene beknopte uiteenzetting van de eisenen der
reliffieuse zedigheid, door de Heiligen zoo hoog
gehouden en warm aanbevolen. De Apostel spoorde
reeds de eerste Christenen dringend aan tot eene
getrouwe beoefening van die sehoone deugd der
zedigheid. Handelt zoo, schreef hij aan de Philip-
peners, dat uwe zedigheid allen menschen bekend
zij, dat uwe woorden, uwe blikken, uw gang, kortom
uw geheel voorkomen en de geheele manier, waarop
gij leeft en handelt, dermate door zedigheid uitmunten,
dat allen, die u zien, gesticht door uwe voorbeelden,
tot een heiligen levenswandel en tot de liefde van
Jesus Christus worden aangetrokken. Voorzeker,
mijne Zusteren, deze aanbeveling richt zien tot u,
nog meer dan tot de eerste Christenen. De zedigheid
is de deugd, als \'t ware onafscheidelijk verbonden
met het begrip der maagdelijkheid. De maagd moet
zedig zijn in geheel haar persoon : zedig in hare
houding, vermijdende alle trotsche en gemaakte
manieren, en vooral ook de eigenaardige onverschil-
ligheid van de personen der wereld, zedig in haar
spreken, overvloed van woorden en schaterend gelach
-ocr page 88-
S4
passen geenszins aan eene maagd. Zij moet weinig
en op zachten toon spreken; hare taal moet nederig
zijn, en nooit map: zij in gesprekken een toon van
gezag aannemen, altijd moet zij voorzichtig en
terughoudend zijn in hare woorden. Mocht liet
gebeuren, dat in haren onverinijdelijkon omgang met
de personen der wereld eenig woord hare reine
ooren kwetste, dan behoort zij. tenminste door de
uitdrukking van haar gelaat, te toonen, in welke
mate dat woord haar onaangenaam is. ...laag die
beide vrouwen uit de spreekkamer, die u mot
wereldsehe beuzelarijen komen lastig vallen, en u
onderhouden over banden van aardschc liefde, aard-
sche toewijding!" zoo klonk, door Gods toelating,
de stem eener heilige Ordestichtster na haren dood.
Zedig in haren gang: geene lichtzinnigheid, geene
overhaasting, welke dikwerf de uiting zijn van een
onrustig zieleleven. De gang eener maagd moet de
kalmte en klaarheid harer ziel weerspiegelen. — Zedig
in hare Meedij,
daarin vermijdende die kleine, schijn-
baar geringe ijdelheden, welke men zelfs bij religieuse
personen, nu en dan opmerkt. Zedig bij het opstaan
en het zich ter ruste hegeven,
er aan denkende, dat
de Engel-bewaarder aan hare zijde staat, en dat
Gods oog haar altijd ziet. — Zedig in neheel hare
-ocr page 89-
85
Tianiléltcijze, zoowel ten opzichte der medezusters
als der leerlingen, vermijdende elk handenspel, lief-
koozingen en in het algemeen elke misplaatste
gemeenzaamheid Ze<li>/. en <Ht vooral, in hare oog-
slagen.
In den Regel en Constitutiën wordt met
hoogen ernst gewezen op het noodzakelijke van de
zedigheid der oogen. Onze oogen zijn als twee deuren,
en, <>in de uitdrukking des H. Gcestos te bezigen,
de twee vensters, door welke de dood onze zielen
binnentreedt! Het kan voldoende wezen, zoo verklaren
de Heiligen, één enkelen minder zedigen oogslag op
een persoon der andere kunne te werpen, om in de
ziel een vuur te ontsteken, dat haar zal verteeren.
Eene waarlijk zuivere kloosterlinge moet zelfs ver-
mijden, hare eigen medezusters met nieuwsgierigheid
aan te zien. De H. Ignaths berispte eens gestreng
een zijner leerlingen, die hem te strak in het gelaat
blikte. Waak dus nauwlettend op uwe oogslagen,
mijne Zusters, wanneer gij niet eenmaal diep ramp-
zalig het verlies uwer zuiverheid wilt beweenen.
Maak van de zedigheid uwer oogen de hoedster
uwer ziel, uw waar slot, hetwelk den duivel eiken
toegang verhindert en hem zoodoende belet u te
bekoren en u in het verderf te storten.
-ocr page 90-
86
3. De waakzaamheid over de genegenheden.
Mijne Zustors, gij hebt van nature een hart,
dat weet lief te hebben, dat gevoelig is voor ontvangen
weldaden. Maar. indien gij deze gave, u door den
Heer geschonken om in Hem alles te beminnen,
niet tot God terugvoert, dan kan zij u verderfelijk
worden en de oorzaak van uw eeuwig ongeluk. Door
de neiging-zelve van uw hart. hecht gij u zoo licht
aan een persoon, in wien gij schoone, natuurlijke
hoedanigheden opmerkt, of wiens smaak en karakter
met de uwe overeenstemmen, en dit vooral, wanneer
die persoon l\' bijzondere bewijzen heeft gegeven van
gehechtheid, dienstvaardigheid en toewijdin<r. Van
stonde af aan hecht zich uw hart onwillekeurig en
sterk aan dien persoon, en gevoelt gij behoefte hem
uwe genegenheid te bewijzen. Welnu! mijne Zusters,
indien gij niet op uwe hoede zijt, ligt voor u juist
daarin een groot gevaar en misschien het grootste
van alle. De geest der onzuiverheid, zegt de „Geeste-
lijke Strijd", besteedt somtijds geruimen tijd. om de
werktuigen zijner boosheid in gereedheid te brengen,
maar de slagen, die hij u toebrengt zijn te vroese-
lijker. en de wonden, welke hij u slaat, te gevaarlijker,
omdat hij de kunst verstaat, zich te vermommen en
-ocr page 91-
87
al vleiende u den genadeslag te geven. Wanneer
men. onder sehoonklinkende voorwendselen van
bloedverwantschap, dankbaarheid, of van deugd en
verdienste van den kant des beminden persoons,
voor hem eene bijzondere, eene te natuurlijke
vriendschap opvat, dan mengt zich dra de onzuivere
geest daarin door te lange gesprekken, door onbe-
scheiden genieenzaaniheden ; en eindelijk bereikt het
doodelijke git\'het hart. liet verstand wordt verduisterd
in die mate, dat men onbescheiden blikken, teedero
woordjes, vrije gesprekken en ongepaste aardigheden
als niets beschouwt; en toch ontspruiten uit dat
alles bekoringen, zwaar en uiterst moeilijk t» over-
winnen. Vlucht dus niet zorg die gelegenheid tot
zondigen, want ge zijt als stroo bij een hevig vuur;
vlucht die teedere, te dikwijls herhaalde gesprekken,
waardoor de zinnelijke liefde wordt gevoed. Doet
gij zulks niet. stelt gij u-zelven vermetel bloot aan
zoo groot een gevaar, dan is uw val waarschijnlijk,
en zult gij met den eeuwigen dood worden gestraft
voor uw blind vertrouwen in uw eigen krachten.
De ondervinding getuigt met hoogen ernst van de
waarheid dezer woorden. Breekt dus, mijne Zusters,
wanneer gij u-zelven niet in het verderf wilt storten,
met al die te natuurlijke genegenheden, hetzij jegens
-ocr page 92-
88
uwe medezusters, hetzij jegens uwe leerlingen, hetzij
jegens uwc zieken, hetzij vooral jegens een persoon
van het andere geslacht, ware hij ook uw bloedver-
want. Al die vriendschapsbanden zijn. naar het woord
der H. ïhekesia, een vergif en eene pest, en de
H. Joanna de Cuantal voegt er bij, dat eene
Overste verplicht is een spoedig en krachtigwerkend
geneesmiddel aan te wenden, wanneer zulk een
gevaarlijk euvel hare Communiteit is binnengeslopen.
4. Het Gebed.
Eindelijk, mijne Zusters, waakt vooral in het
gebed. Het gebed, ziedaar het groot e middel om alle
bekoringen tegen de zuiverheid te overwinnen. Ik
zou u daarover breedvoerig willen spreken; maar,
omdat ik mij binnen zekere grenzen moet houden,
en omdat men u dikwerf spreekt over het gebed,
vergenoeg ik mij u deze drie woorden te zeggen:
Denkt er aan, dat de zuiverheid eene gave is
van God, en dat gij haar niet kunt verwerven dan
door het gebed: nisi Deus tiet.
Denkt er aan, dat de duivel eene slang is door
zijne arglistigheid, en dat hij meer dan eens de
-ocr page 93-
89
meest verlichte zielen wist te verleiden. Waakt dus
in liet gebed, teneinde niet in zijne strikken te vallen:
vigilantes in oratione.
Denkt er aan, dat de duivel een leeuw is door
zijne sterkte; wapent u dus niet het schild des
gobods; roept de namen van Jesus en Maria aan;
biedt hem krachtig- wederstand door uw vertrouwen
in het gebed: Cui resistite fortes in fide.
Nog rest mij u te spreken over drie machtige
middelen om uwe zuiverheid te beschermen en haren
luister in uwe zielen te verhoogen. Die middelen
zijn u wel bekend: daarom zal ik er slechts in het
kort over spreken.
-ocr page 94-
-ocr page 95-
IV.
Bijzondere middelen om de deugd van zuiverheid
in zich te bewaren en te volmaken.
1. De veelvuldige Biecht.
Hebt de meeste achting, mijne Zusters voor
de veelvuldige Biecht. De Biecht dient niet slechts
om den zondaren de vriendschap van God terug: te
schenken, zij heeft ook de strekking\', de rechtvaardige
zielen van de kleinste vlekken te louteren, en haar
een altijd grootere reinheid van geweten te ver-
schaffen. Om dit doel te bereiken moet gij, mijne
Zusters, u minder bezighouden niet het onderzoek
uwer fouten, dan met de zoig- u daarvan te beteren.
Verwek over uwe dagelijkschc fouten, en vooral
ook over de zwaardere misslagen van uw voorgaand
leven, een akte van waar berouw, vergezeld door
een goed voornemen; op deze wijze zullen uwe
biechten uwe smart over begane fouten steeds toen
-ocr page 96-
92
toenemen, en u het vermijden van nieuwe misslagen
verg»\'makkelijken. Hierin bestaat wat men noemt
de sacramentoele genade der Biecht. Om zich met
deze genade te verrijken, om oene groote reinheid
van geweten te verwerven, zegt de H. Alphoxsus,
hadden een groot getal Heiligen de gewoonte aan-
genomen, dagelijks hunne Biecht te spreken. Legt
uwe Biecht af in denzelfden geest, dan zullen uwe
Biechten voor u, evenals voor de Heiligen, een
machtig middel zijn, om uw hart steeds reiner en
reiner te maken.
2. De Communie.
Hebt nog hoogere achting voor de H. Communie.
Gij ontvangt daarin, naar het getuigenis van uw
geloof, Jesus Christus, de zuiverheid zelve: zij is,
zoo jubelt de propheet, de tarwe der uitverkoornen,
de wijn, die Maagden voortbrengt. Wanneer gij de
H. Communie met de vereischte gesteltenissen ontvangt,
zegt de H. Alphonsus, brengt zij u wonderbare
vruchten voort: zij vermeerdert in u de heilig-
makende genade, zij bewaart u tegen doodzonden,
zij wischt al uw dagelijksche fouten uit, door de
-ocr page 97-
93
akten van berouw en liefde, die gij verwekt; zij
schenkt u een zeer groote geestelijke zoetheid; zij
vereenigt u op de nauwste wijze niet Jesns Christus,
en is voor u, naar zijne belofte, het onderpand
eener gelukzalige verrijzenis. Ontelbare malen gezui-
verd en geheiligd door dat hemelsche Brood, zullen
uwe lichamen als "t ware schitteren met de onbe-
schrijfelijke zuiverheid van het Lichaam van Jesus
Christus. Maar om deel te hebben aan al die kostbare
uitwerkselen der H. Communie moet gij zorg dragen,
haar met de meeste zorg te ontvangen. Bereidt u
voor door akten van geloof, ootmoed, berouw,
vertrouwen en liefde, en door een vurig verlangen,
om u met Jezus Christus te vereenigen. Draagt ook
zorg. telkens na ontvangst der H. Communie een
vurig dankgebed te verrichten.
3. De Godsvrucht tot Maria.
Eindelijk, mijne Zusters, wilt gij uwe maagde-
lijke zuiverheid ongeschonden bewaren, haren luister
in uwe zielen verhoogen. hebt dan innig en warm
Makia lief, de reinste onder de Maagden. Door
Haar beschermd, hebt gij niets te vreezen. Is zij
-ocr page 98-
94
niet het zuiverste en knischte van alle schepselen?
De H. Ambrosiüs noemt haar de Standaard-draagster
der maagdelijkheid; de H. Epiphanus: de Vorstinne
der maagdelijkheid; de H. Joannes Damascenus: de
Koninginne, de Moeder en de Glorie der Maagden;
de Kerk: de allerzuiverste Moeder, de Maagd der
Maagden, de Onbevlekte Maagd. O gij allen, die
maagden zijt, roept de H. Chbysostomus uit, vertrouwt
toch aan die zeer heilige Maagd, aan de Moeder
Gods, de parel uwer maagdelijkheid: zij zal u door
hare machtige bescherming in het zeer schoone,
zeer kostbare, onbederfelijke bezit daarvan handhaven.
Deze woorden, mijne Zusters, zijn voldoende, om
u het groote gewicht van de godvrucht tot de H.
Maagd te bewijzen, wanneer het geldt den schat
uwer zuiverheid te bewaren. Bemint dus van ganscher
harte de allerheiligste Maagd Mahia, beveelt u
onophoudelijk in hare bescherming en laat vooral
niet na, in uwe bekoringen, hare hulp af te smeeken,
haar H. Naam met dien van Jesns biddend uit te
spreken.
-ocr page 99-
;^;ii:i!::::[\' .=:HSiinH«!j:iHr:;hi:ii:(i!!ihSijUUHiH:!|:;ri!/"vM!j::/"::U!!];i:!i::,:!nliï"
M^
�999999999999999��
v
VOORRECHTEN DER MAAGDELIJKE ZUIVERHEID.
Zij zijn groot en kostbaar, zeggen ons de
Heiligen, de voorrechten der maagdelijkheid! Ik zal
er mij toe bepalen, mijne Zusters, u de voornaamste
dier voorrechten op te noemen, opdat gij Jesus
Christus danket, die zulk een gelukkig lot uw
deel liet worden.
1.   Uwe maagdelijkheid vrijwaart u van die
ongerustheden, van de gewetensangsten en van de
zielsgovaren, waaraan eene gehuwde vrouw in do
wereld altijd bloot staat. In zijn heerlijk boek over
de ware bruid van Jesus Christus, wijst de H.
Alphonsus met nadruk op de hooge waarde van
dit eerste voorrecht.
2.   De maagdelijkheid vergemakkelijkt u zeer
het verkeer mot God in het gebed. Terwijl de
gehuwde vrouw dagelijks te nauwernood eenige
-ocr page 100-
96
oogenblikken ka» afzonderen, om zich met God en
bet heil harer ziel bezig te honden, denkt de
maagd, vrij van alle aardsche beslommeringen, er
slechts aan. zich zuiver naar lichaam en geest te
bewaren, teneinde welgevallig te zijn aan haren
God, en op iederen stonde van den dag kan zij
Hem de wierook van haar gebed aanbieden. Zoo
spreekt de H. Paulüs. En inderdaad, groot en
kostbaar is dit voorrecht, daar niets voor uw eeuwig
geluk noodzakelijker is dan het gebed.
3.    De maagdelijkheid schenkt aan de ziel
eene wonderbare geestelijke vruchtbaarheid. Van
wie bedient zich Jesus Christus om in de wereld
de wonderen zijner genade te wrochten, de bekcering
en heiligmaking der zielen te bewerken? Van de
maagdelijke personen: van de priesters, van de
kloosterlingen van beider kunne. Welk een eer
voor u, mijne Zusters, uwe hulp te leenen bij een
zoo goddelijk werk.
4.    De H. Joannes, de maagdelijke discipel en
de welbeminde van Jesus, heeft van den Zaligmaker
drie groote voorrechten ontvangen; zeer diep mocht
hij in de kennis Zijner godheid doordringen, hij
mocht rusten aan het Goddelijke Hart, en hij ontving
Jesus\' Moeder tot erfdeel. Tot hem richtte Jesus,
-ocr page 101-
117
aan het Kruis genageld, dit woord: ..Ziedaar uwe
Moedor". Do maagdelijke zielen deelen in dit drie-
voudig voorrecht: zij ontvangen van God, vooral in
het gebed, een helder licht om Jesus Christus en de
geheimen der Menschwording te kennen; zij zijn
bijzonder dierbaar aan het Hart van Jesus, en het
voorwerp van de teedere liefde zijnor goddelijke
Moeder.
5.    De maagdelijke zuiverheid doet ons deel
hebben aan de natuur der Engelen, en schenkt ons
eene groote gelijkenis niet God, de oneindige zuiver-
heid. De maagden, zegt St. Augustixus, zijn de
Engelen der aarde.
6.    De maagdelijkheid wordt in den Hemel
met eene geheel bijzondere gloriekroon gesierd. Dit
woord drukt ons de hooge eer en vreugden uit, welke
den maagden in den Hemel zijn weggelegd, en
volgens den H. Augustinus bestaan die eer en die
glorie hierin, dat de maagden zich in de eindelooze
reeks der eeuwen in Jesus Christus, den Bruidegom
der maagdelijke zielen, met Jesus Christus, door
Jesus Christus en in het gevolg van Jesus Christus
mogen verblijden.
In verrukking gebracht door zulke groote
voorrechten, roept de H. Epheem uit: O zuiverheid,
7
-ocr page 102-
98
engelachtig leven! o zuiverheid, welke degenen, die
u bezitten met vreugde overstelpt! O zuiverheid, die
den raensch wieken leent om zich te verheffen tot
in de spheren van het goddelijke! o zuiverheid, wagen
van Elias, gij voert de zielen naar den Hemel!
Bemint dus, mijne Zusters, en hebt warm lief
deze heerlijke deugd, welke geheel uwe glorie vormt.
Doch vergeet niet, dat gij, om haar te bewaren,
gebruik moet maken van alle voorbehoedmiddelen,
door mij aangeduid. Zij is eene tedere deugd, eene
schoone lelie, welke door het kleinste windje der
wereld kan worden geknakt; zij is eene broze deugd,
welke gij, naar Paulus\' woord, als een schat in een
aarden vaas, uw lichaam, moet dragen; \'t is eene
engelachtige deugd, welke Satan, de gevallen engel,
onophoudelijk tracht u te ontrooven; het is eene
goddelijke deugd, waarin God alleen door zijne genade
u kan bewaren. Vraagt dus met den Wijze aan God
deze liefelijke deugd, smeekt ze van Hem af door
vurige aanhoudende gebeden.
-ocr page 103-
99
Gebed van\' den H. Thomas van Aquino om de
GENADE DEK HEILIGE ZUIVERHEID TE VERKRIJGEN.
Dierbare Jesus, ik weet. dat elke volmaakte
gave, en in het bijzonder die der heilige zuiverheid,
ten eenemale en alleen a/hangt van uwe genade.
Zonder U vermag liet schepsel niets. Ik bid en smeek
u, mijne ziel en mijn lichaam in zuiverheid te bewaren.
Mocht ik ooit eenigen zinnelijke)) indruk ontvangen,
bekwaam om in mij die liefelijke deugd te schaden,
ivil dan, o Opperste Gebieder van mijne vermogens,
tot het laatste spoor van dien vervloekten indruk
wegvagen, opdat mijn hart, zuiver en van het zinne-
lijke onthecht, zich tot u verheffe, en opdat ik. kuisch
tot aan mijn laatst en snik, mij elk oogenblik op het
altaar uwer goddelijke Majesteit slachtoff\'ere. Amen.
-ocr page 104-
-ocr page 105-
Hoofdstuk III.
OVER DE GELOFTE VAN GEHOORZAAMHEID.
Eerbied, a»n de Oversten en aan hun gezag verschuldigd. —
Macht der Oversten : ]«. Macht nis Overste. 2U. Macht, voortvloeiende
uit de Gelofte. 3". On lerscheid tusschen deze twee machten. —Grenzen
dier machten. — Over de noodzakelijke gehoorzaamheid. —■ Over de
volmaakte gehoorzaamheid. — Onschatbare voordeden der volmaakte
gehoorzaamheid.
Paus Joannes do XXIIs,e, over do klooster-
geloften sprekende, heeft dit merkwaardige woord
geuit: „Groot is de armoede, grootcr nog do zuiver-
heid, doch de gehoorzaamheid overtreft alles. Grooter
dan zij wordt er in het roligieuse leven niets gevonden.
De gelofte van gehoorzaamheid bekleedt dus
den voorrang boven de twee andere geloften; de
reden hiervan is duidelijk, zegt de H. Thomas; hoe
kostbaarder de goederen zijn, die men ter liefde van
Jesus Christus opoffert, des te voortreffelijker het
-ocr page 106-
102
het offer. Welnu, door de gelofte van gehoorzaamheid
wijdt de religieus aan C<od de inwendige goederen
der ziel, datgene, wat hem liet dierbaarst is: zijne
vrijheid, en zijn wil. Hij brengt Hem het grootste,
bet volmaakste otter, dat bij kan brengen. De
religicuso gehoorzaamheid is de brandofterande,
waar het offer geheel en zonder voorbehoud wordt
opgedragen ter meerdere glorie van God.
(ieen verwondering kan het dus baren, dat
do Heiligen in hunne geschriften aan de gehoor-
zaamheid zulk een grooten lof\' bebben toegezwaaid.
Zij verklaren, dat de gehoorzaamheid de uitinun-
tendste, de noodzakelijkste deugd is voor den kloos-
terling : dat zij de beoefening van allo andere
religieuse deugden in zich besluit, dewijl het voldoende
is waarlijk gehoorzaam te zijn om zo alle te beoefenen.
De gehoorzaamheid, zegt St. Augustinus, is do
moeder van alle deugden.
De Heiligen verklaren verder, dat de gehoor-
zaamheid geheel de kracht en het leven van cone
religieuse Instelling uitmaakt; dat zij de ziel is,
die haar doet loven, do wortel die baar voedt en
vruchten doet dragen, het fundament, waarop zij
steunt, de spil, waarom zij zich beweegt, het gebint,
dat al hare doelen onderling aaneen hecht, zoodat,
-ocr page 107-
103
wanneer de gehoorzaamheid ontbreekt, zij onver-
mijdelijk tot een puinhoop zal instorten.
Derhalve, is in het religiense leven niets meer
noodzakelijk dan de gehoorzaamheid. Daarom heb
ik gemeend, dit onderwerp met eene meer dan gewone
zorg te moeten behandelen.
-ocr page 108-
-ocr page 109-
I.
OVER DEN EERBIED. AAN DE OVERSTEN EN AAN
HUN GEZAG VERSCHULDIGD.
De H. [gxatius sprak dikwijls tot zijne religi-
euseii: „Broeders, ieder uwer logge zich met al zijn
kracht er op toe, in eiken overste, wie hij zijn
moge, onzen Heer Jesus Christus te beschouwen,
om Hem in den persoon der Oversten allen eerbied
en alle gehoorzaamheid te bewijzen, welke men
aan zijne Goddelijke majesteit verschuldigd is".
Naar het gevoelen van dien grooten Heilige is dus
de eerste plicht van een religieus ten opzichte van
zijnen Overste, hem te eerbiedigen. Hoe dikwijls
herinnert God in hot Oude Verbond de Joden aan
die wet van eerbied jegens de Oversten!
Niet tegen u, sprak de Heer tot Mozes, niet
tegen u heeft dat volk gemord en zich verzet, het
-ocr page 110-
106
was togen Mij-zelve; daarom zal Ik liet straffen in
mijne verbolgenheid. God beschouwt dus elke belee-
diging, den Oversten aangedaan, als tegen Hem-zelf
gericht. En heeft Josus Christus dit niet met nog
meer nadruk gezegd, toen Hij zijnen Apostelen
verklaarde: „Die u versmaadt, versmaadt Mij"?
Eono religieuse moet zich dus wel wachten, te kort
te blijven aan den eerbied haren Oversten verschuldigd.
Waagt liet niet, zegt de Hoer. uwe hand uit te.
steken naar mijne Gezalfden
; spreekt geen kwaad
van hen, velt geen oordeel over hen, sta niet tegen
hen op; want Ik laat die beleedigingen niet ongestraft.
Maar het is niet genoeg mijne Zusters, elke oneer-
biedigheid tegen uwe Oversten te vermijden, gij
moet haar, volgens het in alle welgeregelde commu-
niteiten aangenomen gebruik, ook zichtbare bewijzen
van uwen eerbied geven. Dien eerbied zijt gij vooral
schuldig aan uwe eerste Overste. Wanneer zij u
voorbij gaat, wanneer zij u op hare kamer ontbiedt,
of u eenig voorwerp geeft, groet haar dan mot con
buiging van uw hoofd; indien zij op een plaats
komt, waar gij u reeds bevindt, staat dan op en blijft in
staande houding, totdat zij-zelf zich heeft nedergezet;
wanneer zij spreekt, onderbreekt haar niet, en
veroorlooft u nooit haar tegenspreken; wanneer zij
-ocr page 111-
107
des morgens of dos avonds u haren zegen geeft,
ontvangt die zegening dan in don geest dos geloofs.
In één woord, koestert voor uwe Oversten en voor-
namelijk voor uwe eerste < >verste. don diepst on
eerbied; geeft haar alle bewijzen van eerbied, door
don Regel geeischt, en schroomt niet hierin ver te
gaan: kan men Josns Christus wel te voel eerbied
betuigen? De eerbiedwaardige Oliek, stichter van
hot Seminarie St. Si/lpick te Parijs, maakte oen
kniebuiging telkens, wanneer hij de cel van Pater
de Coxdken, zijn Ovoi\'sto. voorbijging. Toen men
hem vroeg, waarom hij aldus handelde, antwoordde
hij: ..niet Pater Condren is daar, maar Jesus
Christus in Pater Coxdben." Ziedaar don geost der
Heiligen! Zoo handelt elke goede religieus: nooit
moot hij in zijne Oversten den mensch beschouwen
niet zijn deugden of natuurlijke, gebreken, maar
alleenlijk Jesus Christus, teneinde Hem in den persoon
der Oversten den eerbied te bewijzen, waarop Hij-zelf
recht heeft. Maar de Oversten zijn niet slechts de
vertegenwoordigers van Jesus Christus door hunne
waardigheid, zij zijn dit ook, en op de eerste plaats,
door het gezag, waarmede Hij hen heeft bekleed.
Hooien wij, wat de H. Paülus te dezer zake in
zijne Epistelen beveelt. Nadat hij heeft gezegd:
-ocr page 112-
108
„Geeft uwen Oversten de eer, die bun toekomt,
y.Honorem cui honorenï\', voegt bij er bij over de
gehoorzaamheid, bun verschuldigd: „Woest bun
onderdanig: Mant zij waken als die rekenschap
moeten geven voor uwe zielen". Het is dus niet
voldoende, den persoon der Overste te eeren; men
moet bun vooral ook gehoorzamen: Obedite pracpositis
restris".
Over deze gehoorzaamheid zal ik in de
volgende artikelen spreken, en teneinde vooral
duidelijk te zijn, zal ik een aanvang maken door
de gronden dier gehoorzaamheid aan te geven,
gronden welke ten eenenmale samensmelten niet de
macht, den Oversten verleend, om over ons te bevelen.
-ocr page 113-
II.
Macht der Oversten: 1". Macht als Overste, 2". Macht voort-
vloeiende uit de gelofte, 3". Onderscheid tussehen deze twee soorten
van macht.
Do Overste eener Communiteit heeft twee wel
onderscheiden soorten van macht over hare mede-
zusters :
De eerste soort van macht bezit zij in hare
hoedanigheid vau hoofd des religieuscn huisgezins.
Deze macht is door de Zusters erkend en aangenomen
vóór hare professie, door het feit-zelf, dat zij, de
begeerte uitdrukkende van in het klooster te worden
opgenomen, hebben aangeboden om, naar de voor-
schriften des Kegels, onder haar gezag te leven.
Van toon af is zij hare wettige Overste geworden
en werden de Zusters hare onderhoorigen, zij werd
de moeder en de Zusters werden hare dochters; en
hierdoor verwierf zij de macht om, overeenkomstig
den Regel, over haar te bevelen en over haar en
hare daden te beschikken voor het welzijn der
-ocr page 114-
110
Communiteit. Uit deze macht vloeit, zelfs voor do
novicen, de verplichting\' voort, aan de bevelen der
Oversten te gehoorzamen. Zulks wordt door een
geleerd Asceticus in de volgende woorden gezegd:
De Novicen zijn verplicht de voorschriften des Regels
te onderhouden en aan hunne Oversten onderdanig
te zijn. en deze verplichting spruit voort uit de
overeenkomst, ten minste zwijgend tusschen haar en
de Orde of de Congregatie aangegaan, door het feit
zelf van hunne intrede on toelating.
De andere soort van macht der Overste spruit
voort uit de gelofte van gehoorzaamheid, door de
Zusters op den dag harer professie afgelegd. Deze
gelofte besluit, volgeus den H. Thomas, twee beloften
in zich, eene aan de Oversten, de andore aan God:
aan de Oversten, de belofte van hun te gehoorzamen;
aan God (en deze is de eigenlijke gelofte) de belofte
van steeds do gehoorzaamheid te bewijzen, aan de
Oversten beloofd. Welke verplichtingen volgen uit
die beloften! Uit kracht der eerste belofte (en ook,
zooals de H. Alphonsus zegt, uit kracht van de
schenking van haar-zelven, door de professie aan de
Orde gedaan,) verbindt zich de religïeuse, de deugd
van gehoorzaamheid
ten opzichte van hare wettige
Oversten te beoefenen. Uit kracht der tweede belofte
-ocr page 115-
111
(en deze is nog ernstiger en nog strenger bindend),
verplicht zij zich aan hare Oversten te gehoorzamen,
telkenmale, wanneer dezen haar iets zullen bevelen
uit kracht der r/élofte.
Tusschen de macht, voortvloeiende uit de gelofte,
en die, welke uit liet ambt van Overste voortvloeit,
bestaan punten van verschil, die het noodzakelijk
is wel te kennen.
1. De eerste soort van macht, uit de gelofte
geboren wordende, behoort slechts aan de titeldragende
Oversten, aan de eerste Oversten, de tweede macht
daarentegen behoort weliswaar in eigendom aan de
eerste Overste, maar deze deelt hare macht aan
ondergeschikte Oversten mede, door het feit-zelf,
dat zij haar in bediening stelt, — en men moet aan
de ondergeschikte Overste gehoorzamen, in even-
redigheid der mate van gezag, haar toevertrouwd.
Do volmaakte gehoorzaamheid vraagt zelfs, dat men
gehoorzame aan elke Zuster, die in hot Huis mot
eonige waardigheid is bekleed; daarom wordt in
sommige Regels bepaald, dat, wanneer eene Zuster
aan eene andere in derzelver bediening tot hulp
wordt toegevoegd, do eerste aan do laatste onderge-
schikt moet wezen voor wat betreft datgene, wat
met de bediening in betrekking staat.
-ocr page 116-
112
■2. Do eerste soort van macht strekt zich
klaarblijkelijk alleen uit tot de geprofeste Zusters,
omdat slechts dessen gcloflo van gehoorzaamheid
hebben gedaan: de tweede soort van macht daaren-
tegen, welke de Overste bezit in hare hoedanigheid
van hoofd der Communiteit strekt zich uit tot alle
leden der Communiteit, zoowel tot de postulanten en
de novicen als tot de geprofesten.
3.    Do eerste soort van macht heeft slechts de
bevelen, de voorschriften der Oversten tot voorwerp;
de tweede echter niet slechts hare bevelen, maar
ook haar eenvoudigen wil en hare wcnschcn. Het
is de moederlijke macht, die haar veroorlooft over
hare Zusters te beschikken, gelijk eene moeder over
hare kinderen ten dienste van het huisgezin. Alles
wat zij voorschrijft op grond van die macht is
daarom nog niet verplichtend, want het is doorgaans
in gecnendeele de bedoeling eener moeder, haar
kind op straffe van zonde iets te bevelen; zij bepaalt
er zich schier immer toe, haren wil kenbaar te maken.
De eerste macht daarentegen verplicht altijd op zonde.
4.    Eindelijk, de eerste macht is aan do
Oversten verleend, om te eischen, dat hare Zusters
zich kwijten van hare gelofte van gehoorzaamheid;
de tweede macht om hare Zusters de deugd van
-ocr page 117-
113
gehoorzaamheid wel te doen beoefenen, (tot welke
zij zich ook door hare gelofte hebben verbonden.)
En beide soorten van macht hebben tot gemeen-
schappelijk doel de heiligmaking der religieusen.
Ziedaar de beide machten van eene Overste
over hare onderdanen. De oorsprong en de natuur
dier machten, alsmede de punten van verschil, welke
tusschen dezelve bestaan, en het doel, dat zij beoogen,
zullen u tbans duidelijk zijn.
,*r^^§^fr*"
8
-ocr page 118-
111.
GRENZEN DEZER BEIDE MACHTEN.
Do grenzen dier beide machten zijn slechts die,
welke de goddelijke wetten en de Kegel der Orde
of Congregatie hebben afgebakend, zoudat eene
Overste zich slechts van hare machten kan bedienen
voer het welzijn harer Zusters en overeenkomstig
den Kegel. Hieruit volgt:
1. Het is duidelijk, dat de Overste nooit iets
mag bevelen, waardoor God zou beleodigd worden;
in dusdanig geval waren de Zusters nooit verplicht
haar te gehoorzamen. Maar te dezer zake maakt
de H. Alphonsus eene belangrijke bemerking: Eene
Zuster mag slechts dan aan hare Overste gehoor-
zaamheid weigeren, wanneer \'t geen geboden is,
klaarblijkelijk eene doodzonde of dagelijksche zonde
zoude vormen. Bestaat er twijfel,\'dan moet zij gehoor-
zamen.
Het is haar zeker niet verboden, dan, wanneer
-ocr page 119-
11.)
zij in het gegeven bevel eene zonde meent te zien,
een hooger gezag, haar Biechtvader b.v. te raadplegen;
maar de verplichting van te gehoorzamen blijft
zoolang bestaan, als zij niet diep is overtuigd, dat
haar eene zonde wordt geboden.
2. Het is der Overste geenszins geoorloofd,
iets te bevelen, dat in snijd is met den Regel, want
de Zusters hebben zich slechts tot gehoorzaamheid
verbonden overeenkomstig den Regel, dien zij hebben
aanvaard; doch men lette er wel op, dat eene
weigering slechts dan is gerechtvaardigd, wanneer
het gebodene klaarblijkelijk met den Regel in strijd is.
Ook zon een Zuster, die uitsluitend aan het
onderwijs was gewijd, niet verplicht zijn te ge-
hoorzamen, wanneer de Overste van haar eischte,
dat zij geregeld de zieken gin»- verplegen in een
gasthuis. Evenmin zon zij gehouden zijn dage-
lijks buitengewone werken van boetvaardigheid te
doen. die niet door den Regel zijn voorgeschreven,
dewijl zij zich daartoe geenszins verbonden heeft;
maar indien de Overste haar beveelt een harer
kranke medezusters te verplegen, of wanneer zij
haar eene bijzondere boetedoening oplegt voor een
beganen misslag, dan moet zij gehoorzamen. Zij
moet ook gehoorzamen, wanneer de Overste haar
-ocr page 120-
116
vrijstelt van oen oefening, door den Regel voorge-
schreven ; zij moet zich dan overtuigd houden, dat-
de Overste eone gegronde reden heeft om haar
daarvan dispensatie te verleenen, en dat (iod alsdan
niet dit> oefening van haar verlangt, maar de gehoor-
zaamheid. Wanneer men zegt, dat de Oversten bevelen
moeten geven volgens den Regel, bedoelt men hier
niet alleen die zaken, uitdrukkelijk in den Regel
vermeld, maar ook die, welke, schoon niet uitdruk-
kelijk vermeld, er toch in vervat zijn, en die kunnen
bijdragen tot bevordering der religieuse tucht of
van het ware welzijn der communiteit.
3. Eene Overste heeft de macht op dagclijksche
zonde eene ernstige zaak te gebieden, tot welke
men uit andere oorzaken reeds was verplicht; maar
zij kan geenszins eene onder alle opzichten lichte
zaak op doodzonde bevelen. De reden hiervan is,
dat voor de gehoorzaamheid, evenals voor de andere
geboden, eene ernstige materie moet aanwezig zijn,
om eene ernstige verplichting te kunnen vormen.
Merken wij hierbij op, dat eene op zich-zelf lichte
zaak door bijkomende omstandigheden van ernstigen
aard kan worden. Zoo is het verbreken der silence
eene kleine zaak op zich-zelve, maar indien eene
Zuster, door veelvuldige overtredingen op dit punt,
-ocr page 121-
117
•oorzaak is. dat de andere Zusters de stilzwijgendheid
niet mear bewaren en die regel in verval komt,
krijgt de zaak een ernstig karakter, en de Overste
kan die Zuster dan zelfs op doodzonde verplichten,
de silence in acht te nemen.
^^^^^
-ocr page 122-
-ocr page 123-
IV.
OVER DE NOODZAKELIJKE GEHOORZAAMHEID.
De H. Thomas onderscheidt drie soorten van
gehoorzaamheid : onvoorzichtige gehoorzaamheid,
noodzakelijke gehoorzaamheid, volmaakte gehoor-
zaamheid. Dezo verdeeling is volledig en verklaart
ons zeer duidelijk al hetgeen met de gehoorzaamheid
in betrekking staat. Do onvoorzichtige gehoorzaamheid
is die, welke zich tot ongeoorloofde zaken uitstrekt.
Zooals wij in het voorgaande artikel hebben gezien,
is dezo gehoorzaamheid nimmer geoorloofd: nooit
mag eene religieuse gehoorzamen aan een gebod,
dat klaarblijkelijk eene doodzonde- of dagelijkscho
zonde in zich zoude bevatten.
De noodzakelijk- gehoorzaamheid is die, welke
alle geoorloofde geboden der Overste tot voorwerp
heeft, en waaraan men niet zonder zonde kan te
kort blijven. De volmaakte gehoorzaamheid is die,
welke zich uitstrekt tot alle wenschen der Oversten,
-ocr page 124-
12(1
on die deze vvenschen blijmoedig en op verstandige
wijze uitvoert. Zij smelt saam met de deugd van
gehoorzaamheid, in hare gchoele uitgestrektheid
beschouwd, en met al derzelver hoedanigheden.
De deugd van gehoorzaamheid, verklaren de godge-
leerden, volmaakt onze gehoorzaamheid.
In dit artikel wordt alleen de noodzakelijke
gehoorzaamheid behandeld, die slechts de geboden
van de Overste tot voorwerp heeft en de strenge
verplichting welke zij oplegjren. Zij betreft op de
eerste plaats en uit het wezen der zaak de bevelen,
door de Oversten krachtens de gelofte gegeven;
zij betreft verder de geboden, welke zij geven uit
kracht van hun ambt, in hunne hoedanigheid van
Oversten. Thans gaan wij de noodzakelijke gehoor-
zaamheid uit beide oogpunten beschouwen.
§ I.
Over de noodzakelijke gehoorzaamheid in betrekking tot de
bevelen, welke de Oversten geven uil kracht der geloften; —zonden,
welke men begaat door tegen die gehoorzaamheid te handelen.
1. Over de (lelofte en deneher verplichtingen.
"Wat is de gelofte van gehoorzaamheid ?
De gelofte van gehoorzaamheid, verklaren de
godgeleerden, is eene aan Ood gedane belofte van
-ocr page 125-
11>1
te gehoorzamen aan zijne Oversten in alles, irat zij
overeenkomstig den lier/el zullen bevelen.
Voegen wij
de uitlegging bij elk dezer woorden.
Het is eene aan (tod gedane belofte; dus beveelt
ons de deugd van godsdienstigheid, haar te onderhou-
den, want de gelofte is eene daad van godsdienstigheid.
Het is eene aan God gedane belofte van te gehoor-
zamen aan zijne Oversten; derhalve, de belofte wordt
wel aan (iod gedaan, maar de verplichting welke
zij oplegt, bestaat in het bewijzen van gehoorzaamheid
aan de Oversten, die ons in Zijne plaats bestieren.
Het is eene belofte van te gehoorzamen aan
de bevelen der Oversten : dus bestaat het voorwerp
der gelofte alleenlijk in het gebod van de Overste;
hierin is de gelofte onderscheiden van de deugd,
die den wil der Oversten in deszelfs geheele uitge-
strektheid tot voorwerp heeft, zelfs hun eenvoudige
verlangens. Eindelijk voegt de godgeleerde definitie
er bij: „In alles wat zij bevelen overeenkomstig den
Regel".
Dit laatste woord is bereids uitgelogd in
het vorige artikel. .Maar welke zijn voor eene reli-
gieuse die Oversten, aan wie zij moet gehoorzamen
uit kracht harcr gelofte ?
De ascetische godgeleerden antwoorden:
Op de eerste plaats de Paus, eerste Overste
-ocr page 126-
]-22
van allo mannelijke en vrouwelijke religieusen.
De Bisschop, voor alle Communiteiten of reli-
gieuse Congregatiën, die liij-zelf zou hebben goed-
gekeurd. In dat geval, ze«t Oaituelet, is bij de
ware Overste, en alle religieusen moeten hem
gehoorzamen, vooral dan, wanneer hij uit kracht
der gelofte beveelt.
In de andere Communiteiten of Congregatiën,
zijn de religieusen ook verplicht hom uit kracht
der gelofte te gehoorzamen, in alle gevallen, waarin
de Regel of de voorschriften der Kerk hot eischon.
Overigens kan het alle betoog missen, dat de reli-
gieusen, wie of wat zij wezen mojrcn, evenals do
andere geloovigen verplicht zijn, in alles, wat do
kerkelijke tucht betreft, aan de Bisschoppen te
gehoorzamen.
Eindelijk de Overste van een Communiteit of
van ecno religieuse Instelling. Maar, zegt de vrome
en geleerde Meynaed in zijn boek over het bestier
der religieusen, daar een formeel «rebod van gehoor-
zaamheid altijd eenc ernstige zaak is, en daar men
van dit middel slechts met de «rrootste voorzichtigheid
mag- gebruik maken, wordt de macht om uit kracht
dor gelofte te bevelen door de Constitutiën gemeenlijk
slechts verleend aan do Algomoene Overste in de
-ocr page 127-
123
Congregatiën; en in de onafhanMijke Communiteiten
moet de Overste in het algemeen den raad des
Bisschops inwinnen, alvorens van hare macht gebruik
te maken.
Thans, mijne Zusters, kent pij de verplichtingen
door de gelofte opgelegd, en de Oversten, aan wie
eene religieuse uit kracht harer gelofte moet gehoor-
zamen.
2. Zonden tegen d<- (lclofte.
Wanneer bedrijjt eene Zuster een» doodzonde
tegen hare gelojte ?
Naar het algemeen gevoelen dor godgeleerden,
zondigt eene religieuse zwaar in drie gevallen :
a)   Wanneer zij weigert een bevel uit te voeren,
eene zaak van voldoend gewicht betreffende, dat de
eerste Oversten haar in de volgende woorden geven :
In den naam van Jesus Christus, of wel: op uwe
(jelofte van gehoorzaamheid,
beveel ik u, verbied
ik u.....
b)   Wanneer zij, in zake de gehoorzaamheid,
op formeele wijze het gezag miskent eener Overste,
zelfs eener ondergeschikte Overste, die niet kan
bevelen uit kracht der gelofte, maar alleen in hare
-ocr page 128-
124
hoedanigheid van Overste. De formeéle miskenning
van het gezag- is altijd eene ernstige zaak. strijdig
met de gelofte.
Men moet hier echter bemerken, dat het voor
eene formeéle miskenning niet genoeg is, dat men
gehoorzaamheid weigert, dewijl het bevel n niet
welgevallig is of dewijl de Overste, als privaat
persoon beschouwd, u mishaagt; doch de misken-
ning-zelf van haar gezag als Overste moet de reden
zijn der ongehoorzaamheid. God beware u, mijne
Zusters, voor eene verregaande afwijking van de
heilige geloften, door u vrijwillig afgelegd! Voorzeker,
zulk een geest van opstand is hoogst zeldzaam. Om
zulke buitensporigheden te vermijden, moeten de
Zusters zich gewoon maken, aan elk ontvangen
bevel te gehoorzamen, ook dan, wanneer het bevel
mishaagt, ook dan, wanneer de Overste niet in den
smaak valt.
c) Eindelijk wordt er eene zware zonde begaan,
ten minste tegen de liefde of de rechtvaardigheid,
wanneer de ongehoorzaamheid eene groote ergernis
teweeg brengt in de oogen der Zusters of van
wereldlijke personen, of wanneer de ongehoorzaam-
heid een groot tijdelijk of geestelijk nadeel voor de
Communiteit of voor anderen ten gevolge heeft.
-ocr page 129-
125
Ziedaar do gevallen, waarin eenc religieuse
zwaar zoude zondigen, door niet te gehoorzamen aan
de bevelen van hare Oversten. Hieruit meen ik
terecht te mogen besluiten, dat een religieuse slechts
zelden eene doodzonde tegen hare gelofte van gehoor-
zaamheid bedrijft: omdat slechts zelden eene Overste
uit kracht der beloofde gehoorzaamheid beveelt;
omdat slechts zelden een kloosterling of eene klooster-
linge /onwel het gezag van hun Oversten miskennen;
omdat slechts zelden de ongehoorzaamheid ernstige
gevolgen na zich sleept, waarvan wij hebben gespro-
ken. Doorgaans, zegt een godgeleerde, zijn de zonden
van religieuse personen tegen de gehoorzaamheid
slechts dagelijksche zonden.
Wanneer bedrijven de réligieusen eene dagelijk-
sche zonde tegen hare gelofte \'f
Algemeen zeggen de schrijvers, dat men eene
dagelijksche zonde begaat, wanneer men een gebod
overtreedt, in deze woorden gegeven: ..ik gebied,
ik beveel, ik verbied; maar, aldus de bemerking
van een godgeleerde, deze gebiedende woorden geven
niet altijd te kennen, dat eene Overste de bedoeling
heeft, de Zusters in geweten te verplichten, en deze
bedoeling wordt vereischt, opdat er een gebod van
gehoorzaamheid zij. Men moet dus onderscheid maken:
-ocr page 130-
I2fi
Wanneer de Oversten zien van deze woorden bedionen,
sprekende tut de gehoele Communiteit, om een voor-
schrift des Regels te bevelen, kunnen de Zusters
aannemen, dat de Overste, indien zij niet uitdruk-
kelijk het tegendeel te kennen «reeft, geenszins de
bedoeling heeft, haar een gebod van gehoorzaamheid
te geven, doch haar slechts sterk wil aansporen
oni niet meer nauwgezetheid de kloosterlijke tucht
te onderhouden. Zoo de Overste daarentegen diezelfde
woorden richt tot een e Zuster in het bijzonder,
hetzij om haar iets te verbieden, hetzij om haar
iets op te leggen, b.v. om een of andere betrekking
te verbreken, of dit of dat werk te verrichten,
bedoelen zij gewoonlijk eene ernstige verplichting,
vooral, wanneer de Overste zeido: „Ik beveel u
dringend, ik verbied u volstrekt", en nog meer,
indien zij zeide: „Ik verplicht u op zonde om...."
Want dan is het duidelijk, dat de Overste gehoor-
zaamheid eischt op zonde, doch slechts op dagelijksche
zonde, omdat zij zich niet bediend heeft van de
woorden: „uit kracht der geJworzaamlieid" hetwelk
altijd een ernstig gebod van gehoorzaamheid aanduidt.
Merken wij hier twee dingen op: ten eerste,
men begaat eene dubbele fout, wanneer men tegen
de gelofte zondigt: eene fout tegen de gelofte-zelf
-ocr page 131-
ï\'27
en ceno fout tegen de deugd van gohoorzanmhcid;
ten tweede, het is algemeen gebruikelijk, dat do
()vcrsten niet op zware zonde bevelen, tenzij krachtens
de gelofte.
Daar het evenwel onbetwistbaar is. dat in
de Succursaalhuizon de Oversten, welke slechts macht
hebben, voortvloeiende uit bun ambt, somtijds,
wegens liet ernstige van het geval, toch konden
bevelen op doodzonde, en daar zij altijd macht hebben
oin op dagelijksche zonde iets te gebieden, is het
noodzakelijk de verplichtingen te vorklaren, welke
de Oversten kunnen opleggen uit krach* van haar
ambt.
Over Je noodzakelijke gehoorzaamheid iu betrekking tot\'de
bevelen, door de Oversten gegeven a/t kracht ra,t hatir ftmbt • —
zonden, welke men bedrijft, door aan die gehoorzaamheid te kort
te blijven.
1. Over de bevelen, door Oversten uit ln-acht van
haar ambt gegeven.
Wanneer de Oversten bevelen als Oversten,
d. i. krachtens hun ambt. zijn de Zusters verplicht,
haar evengoed te gehoorzamen, als wanneer zij iets
-ocr page 132-
128
bevelen krachtens de gelofte; slechts de beweegreden
om te gehoorzamen verschilt. De deugd van gods-
dienstigheid
verplicht haar te gehoorzamen, wanneer
de Oversten krachtens de gelofte bevelen, terwijl
de deugd van gehoorzaamheid niet recht cischt, dat
men gehoorzame, wanneer zij een bevel geven als
Oversten. In beide gevallen, zegt P. (tautkelet, is
het voldoende om zich van zijne verplichting te
kwijten, m. a. w. oni niet te zondigen tegen het
bevel, is het genoeg, dat men de geboden uitwendige
handeling verricht. Door een bevel te geven, hetzij
krachtens, de gelofte, hetzij krachtens zijn ambt,
beveelt de Overste niet, dat uien liet gebodene om
deze of gene beweegreden verrichte: zij legt alleen
op. het gebodene te doen. en bijgevolg zoodra men het
bevel volvoert, heeft men zich van de eigenlijke
verplichting gekweten.
2. Zonde)), die men bedrijft, als men het hevel
der Oversten overtreedt.
a) Voor de geprofeste Zusters is het een zwaar-
dere of lichtere zonde tegen de deugd van gehoor-
zaamheid, in groote of geringe mate te kort te komen
aan hare yelofte, door ongehoorzaam te zijn aan
-ocr page 133-
129
degenen, (lic het recht hebben uit kracht dier gelofte
over haar te bevelen.
b.) Eene geprofeste Zuster, die de voorschriften
eener ondergeschikte Overste overtrad, zou zondigen,
niet tegen hare gelofte, maar tegen de deugd van
gehoorzaamheid, omdat de eerste Oversten door-
gaans de eenigen zijn. die het recht hebben krachtens
de geloften te bevelen. Evenwel, zegt Pater .Mky.vard,
zou eene ondergeschikte Overste het ook kunnen
doen, wanneer zij daartoe eene buitengewone mach-
tiging ontvangen had van de eerste Overste (hetzij
plaatselijke, liezij algemeene), of ook wel, wanneer
bijzondere statuten der Instelling haar daartoe het
recht gaven. Hierin en in alles, ivat de macht dar
Oversten en de verplichting van haar te gehoor-
zamen betreft, zullen de Zusters haren Regel raadplegen.
e.) Wat den postulanten en novicen aangaat,
door het feit-zelf, dat zij door geene gelofte gebonden
zijn, is het duidelijk, dat zij slechts dan tegen de deugd
van gehoorzaamheid zondigen, wanneer zij de bevelen
harer wettige Oversten overtreden.
Eindigen wij dit artikel met eene zeer prac-
tische opmerking, die ons tevens tot overgang zal
dienen tot de behandeling der volmaakte gehoorzaam-
heid. Er is geen sprake van doodzo>ule of darjelijksche
9
-ocr page 134-
130
zondr van ongehoorzaamheid, tenzij er een hevel
der Overste aanwezig is. Wil dit nu zeggen, dat
eene Zuster geen zonde kan doen, wanneer de
Overste haar niets beveelt? Neen. zegt de H.
Alphoxsl\'s. Het is met de eenvoudige wenschen
der Oversten juist gesteld als niet de overtredingen
der Hegels. Schoon zij niet uit zicli-zelven op zonde ver-
plichten, evenmin als de Kegels (die, met uitzonderin»\'
van hetgeen de geloften betreft, doorgaans niets op
zonde bevelen,) is het moeielijk ze te overtreden,
zonder zich schuldig te maken aan eenige fout.
Waarom ? Omdat, wanneer eene Zuster haren wil
boven dien der Overste stelt in zaken, welke niet
geboden zijn, zij gemeenlijk zal handelen met eenig
verkeerd oogmerk of ten gevolge van eenen kleinen
ongeregelden hartstocht. Dit nu is ccne dagelijksche
zonde, voorzeker niet tegen de gehoorzaamheid,
(tenzij men uit eene beweegreden handele, formeel
in strijd met deze deugd,) maar tegen de deugd,
die men door die handeling kwetst. Bijvoorbeeld,
eene Zuster zal, in weerwil vau de herhaalde aan-
sporing harer Overste om toch beter den Regel te
onderhouden, des morgens niet bij het eerste teeken
opstaan, zij zal door haren lust tot praten de silence
verbreken, zij zal tegen de liefde zondigen door
-ocr page 135-
131
kwaadsprekendheid. Ongetwijfeld is dat alles cene
dagelijksche zonde ; want waarom heeft zij die fouten
begaan ? Omdat zij «•een rekening heeft gehouden
met de aanbevelingen haver Oversten en van haren,
Regel.
Indien het den Zusters dus ter harte gaat,
élke dagelijksche zonde te vermijden, moeten zij het
als een heiligen plicht beschouwen, de wenschen
harer Overste te vervullen. Zij moeten, gedreven
door het verlangen om Jesus (\'rtistus te behagen,
haar in alles, en wel met hart en geest gehoorzamen.
Hierin bestaat de rólmaaktt\' gehoorzaamheid, welke
wij thans gaan behandelen.
-ocr page 136-
-ocr page 137-
««
08110307110708100506060406070604060603060605040606
\'ÉllliHiilillf
V.
OVER DE VOLMAAKTE GEHOORZAAMHEID.
Do noodzakelijke gehoorzaamheid is, zooals
wij gezien hebben, die gehoorzaamheid, welke slechts
de bevelen der Oversten tot voorwerp heeft, en
waartegen men niet kan misdoen, zonder eene
zonde te bedrijven; daarom noemt men dezelve
noodzak el ijl;. Maar deze gehoorzaamheid, welke alleen-
lijk bestaat in het slechts uitwendig ten uitvoer
brengen van de bevelen der Oversten, schoon vol-
doende om niet uitdrukkelijk tegen de gehoorzaamheid
te zondigen, is geenszins voldoende om er zich goed
van te kwijten. Zij verdient nauwelijks met den
naam van gehoorzaamheid bestempeld te worden;
ja zelfs, de H. Ambrosjus zegt het ons, die uitwendige
gehoorzaamheid is niets, zoolang zij niet gepaard
gaat aan de inwendige; het is eene zuiver natuur-
lijke gehoorzaamheid, een gehoorzaamheid als die
van een slaaf.
-ocr page 138-
Ui
Ook de slaaf moet gehoorzamen, als zijn meester
zulks vordert; maar hij gehoorzaamt slechts uitwendig\',
omdat hij moet, zonder inwendige onderworpenheid,
en terwijl hij in zijn hart weerspannig is en mort;
zijne gehoorzaamheid heeft slechts den schijn van
gehoorzaamheid. Dusdanig- ook is de gehoorzaamheid
van een religieus, die slechts dan gehoorzaamt,
wanneer hij door het bevel zijner Oversten daartoe
gedwongen is, en dat bevel ten uitvoer brengt,
zonder inwendige onderwerping. Zijne gehoorzaam-
heid heeft waarde, noch verdienste in de oogen van
Ood, \'t is eene gedwongen gehoorzaamheid. Maar
wij zijn niet Christen en veel minder nog religieus, om
op deze wijze te gehoorzamen. Nadat Jesus (\'hristus
ons de vrijheid der kinderen Oods heeft geschonken,
hebben wij, zegt de H. Paulus, aan onze Oversten
niet meer te gehoorzamen als slaven, maar in den
waren geest des geloofs, als ware dienaars van
Jesus Christus: Ex animo. Wij moeten ons niet
tevreden stellen met te gehoorzamen, wanneer zij
bevelen, doch wij moeten hun gehoorzaamheid betoo-
nen in alles, wat zij als hun wil te kennen geven:
Per omnia. Want dit is aangenaam aan God. Wij
moeten niet gehoorzamen met wrevel en weerzin,
doch met liefde, blijmoedig, bereidwillig, alsof wij
-ocr page 139-
135
aan Jesus Christus-zelven gehoorzaamden ; dit maakt
onze gehoorzaamheid waarlijk bovennatuurlijk en
verdienstelijk voor den Hemel: ..Cum bona volun-
tate sicut Domino"
(Eph. VI. Col. III.) Ziedaar, wat
geëischt wordt voor eenc volmaakte vervulling van
de gelofte en voor eene getrouwe beoefening van
de deugd van religieuse gehoorzaamheid.
De volmaakte gehoorzaamheid vordert, dat wij,
naar de schoone uitdrukking van den Prins der
Apostelen, kindereu van gehoorzaamheid zijn : Filii
obcdientiac. Het kind, dat vervuld is met eerbied
en liefde voor zijne ouders, heeft eigen wil, noch
eigen oordeel. Het doet immer, wat zijne ouders
van hem vragen, en het doet zulks niet vreugde.
Dusdanig moet de gehoorzaamheid eener goode
religieuse zijn. Dan is het waarlijk de gehoorzaamheid
in geheel hare uitgebreidheid en in geheel hare
volmaaktheid. Doch, om nauwkeuriger te spreken,
laten wij onderscheid maken tusschen hetgeen tot
het wezen der deugd on datgene, wat tot de volma-
king
der deugd behoort.
Laat ó\'ns eerst over het wezen der deugd
spreken. De gehoorzaamheid, zegt de II. Thomas,
is eene deugd, die deel uitmaakt van de rechtvaar-
digheid, en onze ziel genegen maakt, óm ons te
-ocr page 140-
136
onderwerpen aan den wil der Oversten. Het eigen-
lijke voorwerp van dezelve is het stilzwijgend of
uitdrukkelijk gebod der Oversten: het eigenlijke
karakter der deugd van gehoorzaamheid bestaat in
de inwendige onderworpenheid aan de bevelen der
Oversten. Uitwendig liet gebod opvolgen mag vol-
doende zijn om niet tegen liet bevel-zelf te zondigen,
zooals wij hooger reeds hebben gezien, het is geenszins
voldoende om de deugd te beoefenen. I )e deugd
vordert volstrekt de onderwerping des icite aan de
bevelen der Overste)!,
en die onderwerping van den
wil is geheel vervat in de volmaakte gehoorzaam-
heid, ja. deze strekt zich nog verder uit.
Volgens den H. Thomas, bestaat de volmaakte
gehoorzaamheid hierin, dat men gehoorzame in alle
geoorloofde zaken, hetzij geboden, hetzij niet geboden:
In omnibus licitis. Deze volmaaktheid kan onder
drievoudig oogpunt worden beschouwd: ten eerste,
in hare betrekking tot de bevelen-zelf der Oversten
is de gehoorzaamheid volmaakt, zegt deH.Aia\'Hoxsus,
wanneer zich bij de onderwerping van den wil de
onderwerping van het oordeel voegt.* Ten tweede,
wanneer men met dezelfde onderwerping van hart
en geest de eenvoudige wcnschen en verlangens
der Oversten als bevelen aanneemt, dan is de gehoor-
-ocr page 141-
137
zaamheid volmaakt in de geheele uitg\'cstrekthcid
van haar voorwerp: tlit is de algeheele, onbegrensde
gehoorzaamheid. Ten derden eindelijk, is de gehoor-
zaamheid meer of minder volmaakt, naar gelang
men de ontvangen bevelen met meer of minder
ijver en spoed uitvoert.
Ziedaar in hoofdzaak datgene, wat liet wezen-
zélf
der gehoorzaamheid en de volmaaktheid van die
deugd betreft. Zien wij nu in liet bijzonder, wat
wij hebben te verstaan door onderwerping van wil
en oordeel en door de algeheel e gehoorzaamheid.
Tevens
/uilen wij dan een woord in het midden brengen
over de wijze, waarop men moet gehoorzamen.
§ I.
ONDERWERPING VAN WIL EN OORDEEL
1. Onder werping van den 117/.
Waartoe kan het cene roligieuse baten, haren
bloedverwanten, haren rijkdommen en wereldsche
grootheid vaarwel te hebben gezegd, en aan de ge-
makken des levens te hebben verzaakt, wanneer zij
in het klooster haar eigen wil bewaart? Dat alles
-ocr page 142-
138
zal haar van weinig nut zijn, verzekert de H.
Am\'hoxsus, wanneer zij niet geraakt tot de algohecle
onthechting en tot de gehcelo verloochening van haren
wil. Dit wordt door .Tesus Christus op de eerste
plaats van hare lietde gevraagd, dit offer behaagt Hein
het meest. Dus, o Bruiden van Jesus, behoort gij
met alle kracht u er op toe te leggen, om u inwen-
dig\' te onderwerpen aan de bevelen uwer Oversten,
om u met haar wil geheel en al te vercenigen, en
dien wil stiptelijk uit te voeren. Deze vereeniging
van uw wil met dien uwer Oversten is van zulk
een hoog gewicht, dat. wanneer zij ontbreekt,
uwe gehoorzaamheid niet aangenaam kan wezen in
de oogen van den Heer. Haar kostbaarste bestand-
deel, het hart, ontbreekt dan.
Maar, zoo luidt de bemerking van den H.
Bernakdus, deze vereeniging van onzen wil met
dien onzer Oversten is niet gemakkelijk. Adam heeft
door zijne ongehoorzaamheid aan \'sHeeren gebod
al zijnen nakomelingen eene groote en betreurens-
waardige liefde voor hun eigen wil ten erfdeel gela-
ten, zoodat sedert zijn val, de mensch zeer moeilijk
aan zijn eigen wil verzaakt om dien van een ander
te vervullen. Aan geene zaak, zegt de H. Thomas,
hechten wij meer waarde dan aan onzen eigen wil.
-ocr page 143-
139
Daar wij dus door de neiging van onze gevallen
natuur dermate verkleefd zijn aan onzen eigen wil,
moeten wij daartegen strijden.
Wij moeten onzen eigen wil bestrijden niet
alle geestkracht, waarover wij beschikken; wij moeten
hem bestrijden altijd en in alle omstandigheden,
anders zal hij ons van den rechten weg doen afdwa-
len en ons al onze verdiensten ontrooven. Vergeten
wij nooit, dat niets van hetgeen wij uit eigen wil
verrichten, zelfs geen vasten, geen nachtwaken, geen
aanhoudend gebed Godo welgevallig kan zijn, noch
verdienstelijk voor ons-zelven.
Ik heb uw wil in uwe vasten gevonden, zegt
de Heer, en daarom heb ik er mijne blikken van
afgekeerd, en heb zo veracht.\'Welk een ongeluk,
roept de H. Beenaedus uit, is de eigen wil, want
hij is oorzaak, dat het goede, dat wij verrichten,
geene weldaad voor ons is!
De religieusen moeten dus wel toezien, dat
zij niets verrichten, tenzij overeenkomstig den wil
van hare Oversten. Wanneer zij dien wil kennen,
moeten zij met zorg vermijden, zich daartegen te
verzetten, hem tegen te spreken, of hem te wijzigen,
niet behulp van duizend kleine middelen trachtende,
den wil uwer Overstee voor uw eigen wil to doen
-ocr page 144-
140
zwichten. Alwie, verklaart do H. Bernardcts, op (k\'ze
wijze handelt, teneinde zijne Oversten te nopen,
datgene te bevelen, wat hij-zelf wenscht, bedriegt
zich ; Hij gehoorzaamt >iiet aan den Overste, maar
de Overste gehoorzaamt hem.
Gij, mijne Zusters, behoort u in rechtzinnig-
heid en eenvoud als kinderen te regelen naar den
wil uwer Oversten. Merken wij hier echter met den
H. Alphoxsus op. dat zelfs de meest volmaakte
gehoorzaamheid eene religieuse, die een bevel van
hare Overste ontvangt, of wie eenige arbeid of
eenige bediening wordt opgedragen, geenszins ver-
biedt, dan, wanneer zij het goed oordeelt, doch steeds
met nederigheid en eerbied, aan hare Overste de
bezwaren bloot te leggen, welke zij in den haar opge-
dragen last mocht zien : want de Overste, die geen
Engel is, maar een eenvoudige stervelinge. kan
natuurlijk niet alles weten, en moet worden ingelicht
nopens hetgeen haar onbekend is.
De religieuse echter behoort zich, alvorens
hare moeilijkheden bloot te leggen, geheel te onder-
werpen aan de beslissing der Oversten. Wanneer
deze, na van alles kennis te hebben genomen, haar
gebod bevestigt, dan moet de ondergeschikte die
beslissing\' zonder tegenspraak of morren aannemen.
-ocr page 145-
141
Dat hare ootmoedige onderwerping ook uitwendig
blijke, opdat de Overste hierdoor worde getroost
en de Zusters gesticht.
Alle Zusters behooron er zich op toe te leggen,
altijd haar goeden wil in zake de gehoorzaamheid
te toonen. en zulks niet om aan de menschen te
behagen, maar om, zooals de H. Paulus zegt, aan
Jesus Christus welgevallig te zijn : Gum bona vo-
luntate sicut Domino.
2. Onder werping van het Oordeel.
De volmaakte gehoorzaamheid, zegtMADDALUNA
Di Pazzi, eischt eene ziel zonder uil en een wil
zonder Oordeel.
Het\'is dus niet genoeg, onzen wil
te verloochenen, wij moeten ook ons oordeel aan de
Oversten onderwerpen, m. a. w. wij moeten hun eene
blinde gehoorzaamheid bewijzen.
Wat wil dit zeggen ? Beduidt het, dat wij geene
eigen, persoonlijke meening mogen hebben? Neen,
antwoordt do H. Alphoxsus, dit is geenszins strij-
dig met de deugd, maar wèl in strijd met de deugd
is de gehechtheid aan onze meeningen.
Betcekent het, dat wij moeten gehoorzamen
zonder eenige voorzichtigheid, zonder eenig onder-
-ocr page 146-
142
scheid te maken ? Noen. luidt het antwoord van
den H. Beenardus. De volmaaktste gehoorzaamheid
ontneemt ons in geenen deele het recht, na te gaan,
of er misschien eenige zonde in het bevel ligt opge-
sloten, en het bevel te verachten, zoo het duidelijk bleek.
dat zulks het geval was. Doi\'li zoodra men er niet
duidelijk eene zonde in ziet, dan moet de voorzich-
tigheid der slang aanstonds plaats maken voor den
eenvoud der duive; dan moeten wij te eenenmale
ongevoelig blijven voor alle bezwaren, die onze
geest zou inbrengen tegen het gegeven bevel, om
slechts te denken aan de gehoorzaamheid. Ziedaar
de blinde gehoorzaamheid, zoo dringend door de
Heiligen aanbevolen! Die algeheele verloochening
van ons oordeel in de gehoorzaamheid, zegt de H.
Joanxes Climacus, is een overvloed van oordeel en
tvijsheid !
Eerstens, het is zeker, dat niemand op zijn
eigen oordeel mag afgaan : niemand, zegt het spreek-
woord, is een goed rechter in zijn eigen zaak;
vervolgens, de ondergeschikte heeft slechts oog en
oor voor die zaken, welke hem en zijn bijzonder
belang aangaan, terwijl de Overste met vele andere
omstandigheden rekening houdt, die hem in staat
stellen, een beter oordeel te vellen.
-ocr page 147-
14:5
Eindelijk wordt de Overste door God op eene
geheel buitengewone wijze bijgestaan in het bestuur
harer Ooiiininniteit, en ontvangt een bijzonder licht,
dat de ondergeschikten missen.
Dit alles toont duidelijk aan, hoe verstandig
het is, zich blindelings aan de Oversten te onder-
werpen. Die blinde gehoorzaamheid is noodzakelijk,
zegt do H. Bernabdüs ; hij voegt er zelfs bij, dat
gen novice, die zijne gehoorzaamheid naar zijn eigen
verstand wil regelen, niet kan volharden in de
communiteit. De Zusters moeten zich dus oefenen
in de blinde gehoorzaamheid. Hare gehoorzaamheid
moet blind zijn, èn ten opzichte der Overste, die
beveelt,
en ten opzichte van heigene zij heveelt, èn
ten opzichte ook van de wijze, waarop zij beveelt.
De religieusen moeten nooit weerhouden wor-
den door de beschouwing van de hoedanigheden der
Overste.
Is zij bekwaam, verstandig, voorzichtig,
godvruchtig, heeft zij een goed karakter ? Die be-
beschouwingen mogen nooit invloed uitoefenen \'op
de gehoorzaamheid, haar verschuldigd. De Overste
is de plaatsbekleedster van God, dit moet voor de
Zusters voldoende zijn ; dit is de cenige grondslag
voor hare gehoorzaamheid.
Evenmin zullen de kloosterlingen stilstaan
-ocr page 148-
144
bij de beschouwing van hetgeen de Overste haar
Vereelt.
De Overste moge baar dingen bevelen, ge-
makkelijk of niet gemakkelijk, aangenaam of onaan-
genaam, noodzakelijk of nutteloos, redelijk of dwaas
schijnend, (zooals het bevel, dat de H. Franciscus
aan een novice gaf, van de kooien met de wortels
in de hoogte te planten,) het doet niets ter zake;
als er in het gebod maar niets is, dat strijdt met
de wet van God of met den Ecgel, dan moeten de
Zusters haar gehoorzamen, evenals aan God-zelvon.
Eindelijk, zij moeten ook geen rekening houden
met de wijze, waarop de Overste Vereelt. Er moge
weinig of veel verstand in hare bevelen liggen, zij
moge met strengheid gebieden of met zachtheid,
met minzaamheid of hardheid, met kalmte of met
ongeduld, de volmaakte gehoorzaamheid moot haar
de oogen voor dat alles doen sluiten, en haar voor-
deel doen trekken uit de gelegenheid, haar door de
Overste geschonken, om zich in de deugd te oefe-
nen. De H. Gehtiutua bad eens den Heer, dat Hij
de Abdisse mocht genezen van het haar eigen ge-
brek, dikwijls ongeduldig te worden. God antwoordde
haar, dat Hij het aldus toeliet voor het welzijn
der Abdis-zelve, opdat zij ootmoedig zou blijven,
-ocr page 149-
145
en ook voor liet welzijn der religieusen, om des
te meer verdiensten te kunnen vergaderen.
Hebt ji\'ij- mijne Zusters, die kostbare onder-
richting\' begrepen ? Vordert dan ook niet, dat uwe
Overste geene gebreken liebbe ; doch sluit uwe oogen
voor die, welke haar mochten aankleven, en doet
uw voordeel met de golcgenlieden, die God u
schenkt, om uwe gehoorzaamheid te oefenen op eene
wijze, des te verdienstelijker, naarmate zij meer
bovennatuurlijk is. Uwe Overste vertegenwoordigt
bij u door haar gezag Jesus Christus-zelven; dit
moet u voldoende wezen, om haar als ware dochters
van gehoorzaamheid steeds onderworpen te zijn naar
geest en hart: Ex animo.
§ IL
Algeheele gehoorzaamheid, of onderworpenheid
aan alle Oversten, aan al hare verlangens en wenschen.
1. Onderworpenheid aan alle Oversten.
De kloosterlinge, zegt de H. Maddalena di
Pazzi, heeft baren wil weggeschonken, niet aan de
menschen, maar aan God; zij heeft hem gegeven,
10
-ocr page 150-
146
niet verbrokkeld en bij gedeelten, maar geheel en
al. Nu is het niets anders dan hem gedeeltelijk
geven, wanneer men hem schenkt aan ééne Overste
en niet aan eene andere, of wanneer men hem
schenkt op dit of dat punt, doch op andere punten
niet. De volmaakte gehoorzaamheid laat die verdee-
ling niet toe; wij moeten gehoorzaam zijn aan al
onze Oversten en aan al hare verlangens,
zonder
onderscheid. Hierop moeten de Zusters bijzonder
acht geven.
Het gebeurt maar al te dikwijls dat men
onderscheid maakt tussehcn de verschillende Oversten.
Men zal gemakkelijk gehoorzamen aan den eenen,
omdat hij in onzen smaak valt. men zal moeilijker
gehoorzamen aan een anderen, omdat hij onze sym-
pathie niet bezit; men zal gehoorzamen aan een
eersten Overste, die ons eerbied inboezemt door
zijne waardigheid, en men zal er nauw aan denken,
te gehoorzamen aan een ondergeschikten Overste,
die niet over zooveel gezag beschikt.
Waarvan is dit een bewijs? Dat men niet den
waren geest van gehoorzaamheid heeft, zegt de
H. Alphonsus. Bij de gehoorzaamheid aan de eerste
Oversten komt zoo gemakkelijk het menschelijk
opzicht, het verlangen hun te behagen of hunne
-ocr page 151-
147
pimstcn te verkrijgen in het spel; wanneer men
echter gehoorzaamt aan dr ondergeschikte Oversten,
is het minder te vreezen, dat wij onze gehoorzaamheid
bederven door menschelijke beweegredenen, en ons
vertrouwen in de gehoorzaamheid komt des te beter
uit. Ook do H. Franciscus leerde dit aan zijne
religieusen. ..Mijne zen- dierbare Broeders", zoo
smak hij eens. „gij moet er bij uwe gehoorzaamheid
niet op letten, wie uw Overste is, maar alleen dat
hij uw O versie is,
door God aangesteld om u te
besturen. Ik zal u openhartig zeggen, dat, onder
alle genaden, die de goede God mij beeft geschonken,
deze een der voornaamste is: dat ik mij bereid gevoel
om met evenveel zorg, onderwerping en eerbied te
gehoorzamen aan den jongsteri novice, indien deze
als Gardiaan over mij gesteld werd, als aan een
bejaard en ervaren Pater".
De Zusters moeten dus hij de gehoorzaamheid,
die zij aan hare Oversten bewijzen, wie deze Oversten
ook zijn mogen, slechts acht geven op Jesus Christus,
om wiens liefde zij gehoorzamen. Hare gehoorzaamheid
zal des te ootmoediger en des te verdienstelijker
wezen, naarmate de Oversten, aan wie zij gehoor-
zamen, minder in waardigheid zijn.
-ocr page 152-
148
2. Onderwerping aan de minste verlangens en
ivenschen der Oversten.
De Zusters moeten ook gehoorzamen aan alle
verlangens harcr Oversten, hetzij die verlangens in
den vorm van een bevel worden uitgedrukt, hetzij
dezelve niet worden geuit, ja zelfs aan hare eenvou-
digste wonschen. Daarin bestaat vooral de volmaakte
gehoorzaamheid.
De liefde wacht niet, tot men haar bcvele;
zoodra haar de wil der Oversten bekend is, haast
zij zich dien te volbrengen. Ziedaar de volmaakte
gehoorzaamheid, de kinderlijke gehoorzaamheid, welke
het hart der Oversten verblijdt en haar, die ze
beoefent, met schatten van verdiensten verrijkt. Het
is die gehoorzaamheid, welke doorgaans door de
Regels en Constitutiën van do religieusen verlangd
wordt, in het bijzonder ten opzichte harer eerste
Overste. Zij moeten zich dus met kinderlijke gehoor-
zaamheid aan de verlangens der Overste onderworpen.
Zij moeten zich zoozeer beijveren haar te gehoor-
zamen, alsof Jesus Christus-zelf door haren mond
gesproken had: een enkel wooid, een eenvoudige
wenk van haren kant moet den Zusters genoeg zijn
om te doen hetgeen zij verlangt, zonder dat zij het
-ocr page 153-
149
uitdrukkelijk beveelt. Mogen zij bet zich dan. als
ware kinderen van gehoorzaamheid, ten plicht achten,
om ook aan de minste verlangens van hare Over-
heid te voldoen, omdat zij hare Moeder is.
Maken wij te dezer zake eene bemerking\', die
hier juist op hare plaats is. Hoogst zelden zal de
Overste krachtens de gelofte bevelen, ja, zij zal
slechts zelden in hare hoedanigheid van Overste op
zonde gebieden. Zij handelt aldus om twee redenen:
om aan hare Zusters geene gelegenheid te geven
tot zondigen tegen de verplichting van gehoorzaam-
heid, die de gelofte en de rechtvaardigheid haar
opleggen, wanneer de Overste van hare religieusen
gehoorzaamheid eischt; en tegelijkertijd, opdat hare
Zusters te bereidwilliger hare verlangens zouden
ten uitvoer brengen, omdat zij haar dezelve niet
wil opleggen, doch alleenlijk te kennen geven. Zoo
zoude ook eene moeder doen, die, de gehoorzaamheid
van haar kind kennende, tot hetzelve zeide: Mijn
kind, bewijs mij dezen dienst, doe dat werk, om
mij pleizier te doen, ga naar dien persoon". Welk
kind zou zijn naam waardig zijn, dat zich niet haastte
datgene te doen, wat zijne moeder zoo minzaam
vroeg? Welnu, dusdanige gehoorzaamheid zijn de
Zusters ook aan hare Oversten verschuldigd. De
-ocr page 154-
150
Overste is de Moeder, tle Zusters hare dochters;
het moet dezen voldoende zijn, dat die Moeder haar
verlangen te kennen geeft, ja, haar eenvoudige wensch
zij den religieusen genoeg, om aanstonds en met
liefde te gehoorzamen, zonder te wachten, totdat zij
het beveelt. Zoo eischt het de volmaakte gehoor-
zaamheid !
Die volmaakte gehoorzaamheid vordert ook,
en dit met nog meer klem, dat men zich nooit
eenig gemor tegen de Oversten veroorlove. Wij
zouden U hierover lang kunnen onderhouden ; zeggen
wij alleen, dat het uitwendig gemor eene ergernis
voor de anderen is, en meer dan eens door God op
zichtbare wijze is gestraft,
on, dat het inwendig
gemor de rust der ziel verstoort. ,, Indien gij inwendig
mort, zegt de H. Bernardus, is uw werk niet eene
oefening van deugd, doch een soort van sluier,
waarmede gij uwe onwilligheid bedekt."
§ UI.
Manier van te gehoorzamen of vaardige, blijgeestige
en moedige onderwerping.
Deze eigenschappen der gehoorzaamheid zijn
breedvoerig behandeld en uitgelegd door de ascetici;
ik stel mij tevreden ze hier in \'t kort aan te halen.
-ocr page 155-
151
1. Vaardige onderwerping.
De gehoorzaamheid moet vaardig zijn. Wat
wil dat zeggen? Dat wil zeggen, dat cene religicuse
zonder uitstel en zonder tegenwerping de verlangens
haver Overste moet volbrengen. Er zijn er, die eerst
na vele tegenwerpingen en verontschuldigingen van
hare zijde, en na herhaald verzoek van den kant
harer Overste tot gehoorzaamheid kunnen besluiten.
Anne religieusen! Zoo handelt niet de waarlijk
gehoorzame ziel; zij kent gwn dralen, wanneer
het de gehoorzaamheid geldt, zegt de H. Bernabdus,
zij stemt dadelijk in met het haar gegeven bevel,
steekt aanstonds hare handen naar het werk uit
en gaat zonder toeven heen om het ten uitvoer te
brengen, zoodat voor haar het bevel van hare Overste
ontvangen en volvoeren hetzelfde is.
De Gelukzalige Broeder G-ebaedüs Ma.jella,
dien de- Kerk op hare altaren vereert, bezat in zoo
hooge mate deze eigenschap der gehoorzaamheid,
dat hij, zelfs vóór dat de Oversten hadden gesproken,
zijn best deed om hun wil ten uitvoer te brengen.
God schept er behagen in, die zoo groote en vaardige
gehoorzaamheid met schitterende mirakelen te beloo-
nen. Het is de gehoorzaamheid der Engelen, die,
-ocr page 156-
152
zooals do heilige koning David in een zijner Psalmen
zingt, steeds bereid zijn, daar heen te snellen, waar
God ben roept: „Engelen dos Hoeren, zegent Hem
allen, gij, die altijd gereed zijt om naar zijne stom
te luisteren en zijne bevelen te volbrengen."
2. Blijgecrfige Onderwerping.
Wanneer men zich slechts met moeite, niet
neerslachtig gelaat, met droevig en verdrietig uiter-
lijk aan de gehoorzaamheid onderwerpt, is dit, volgens
de gedachte van een godvruchtig schrijver, oen
duidelijk toeken, dat de wil niet onderworpen is,
en dat men slechts morrende en niet weerzin het
juk der gehoorzaamheid draagt. Het is een duidelijk
teekon, dat men niet veel liefde hoeft voor Jesus
Christus. Mag men zich droevig of ongelukkig
toonen, wanneer men het geluk hooft Jesus* stem
te hooren en zijn wil te volbrengen? Welnu, het
geloof zegt ons, dat Jesus door den mond onzer
Oversten tot ons spreekt, en dat wij, religieusen,
zijn wil doen, wanneer wij den Oversten gehoorzamen.
Deze gedachte maakte de Heiligen zoo gelukkig,
deze gedachte maakte hen zoo blijde van geest in
-ocr page 157-
153
de gehoorzaamheid. O Heer, zeide Pater Alvabbz,
laat uwe stom in mijne ooren weerklinken; de tonen
der gehoorzaamheid zijn mij een genot, zij vervullen
mijn hart met eene weldadige vreugde.
Doordringt dan u-zelven, mijne Zusters, van
deze gedachte en altijd zult gij met vreugde gehoor-
zamen. Die heilige vreugde zal u de gehoorzaamheid
zoet en licht maken,
zij zal uwen medezusters tot
stichting zijn, en uwen Oversten tot een zeer grooten
troost.
3. Moedige en standvastige onderwerping.
Het valt niet te betwijfelen, zegt een Heilige,
dat de gehoorzaamheid eene moeielijke zaak is voor
onze natuur. Dikwijls grieft zij ons gemoed, onze
gevoelens, en is strijdig met onze inzichten. Zij
verlangt dat wij voortdurend blijven in die gestel-
tenis, welke ons toelaat zonder morren datgene te
doen, waarvan wij een afkeer hebben, en in vrede
te dulden, dat men ons datgene weigert, wat wij
wenschen.
Ja, de gehoorzaamheid vergt gewis veel moed
on edelmoedigheid. Zij gebiedt ons, alle grillen onzer
eigenliefde to onderdrukken, alle uitwendig gemor niet
-ocr page 158-
154
alleen, maar ook inwendig gemor tot zwijgen te
brengen; zij verplicht ons, datgene, wat ons liet
meest dierbaar is, op te offeren: onzen wil, ons
oordeel, en wel alle dagen, tot aan onzen laatsten
snik. De Heiligen aarzelen dan ook niet te zeggen,
dat de gehoorzaamheid met het martelaarschap kan
vergeleken worden, en dat heiligheid en gehoorzaam-
heid op het innigst aan elkaar zijn verwant. Wie
zal u, mijne Zusters, den moed geven om dat lang-
durige martelaarschap te verdragen? Vooral hierover
zal ik u bij liet eindigen van dit hoofdstuk spreken.
-ocr page 159-
PJiiMÉIllllllilllllllllllllllilW
9999999999999999999999999999
VI.
ONSCHATBARE VOORDEELEN DER VOLMAAKTE
GEHOORZAAMHEID.
De heilige gehoorzaamheid besluit zoovele en
zulke kostbare voordeden in zich, dat liet onmogelijk
is, haar niet lief te hebben, wanneer men die voor-
deden kent.
1. De gehoorzaamheid beschermt eene religieuse
tegen elke misleiding des geestes en maakt haar
in zekeren zin ongenaakbaar voor do zonde. De
H. Thkresia was dermate van die waarheid over-
tuigd, dat zij sprak: Wanneer alle Engelen mij een
bevel gaven, doch mijn Overste mij het tegendeel
gebood, zoude ik bij voorkeur het bevel van mijn
Overste volgen; want de gehoorzaamheid is door
God geboden, zij kan mij niet bedriegen.
2.  De gehoorzaamheid beveiligt eene religieuse
tegen de aanslagen van al hare vijanden; want
-ocr page 160-
156
God ondersteunt do gehoorzame ziel, Hij dekt haar
met zijn wapenschild en doet baar in alle strijden
zegevieren. De gehoorzame niensch, zegt de H. Geest.
zal zich altijd in de overwinning kunnen verheugen.
3.  De gehoorzaamheid doet op eene religieuse
en 0]> hare werken den zegen Gods afdalen. Daar
zij altijd den Wil van God vervult, is alles, wat
zij verricht, vruchtbaar voor haar-zelf en voor den
naaste.
4.   De gehoorzaamheid verrijkt onophoudelijk
eene religieuse met verdiensten voor den Hemel.
Zij heeft do verdienste van alle deugden, welke
zij door do gehoorzaamheid beoefent en kan zelfs,
naar beroemde schrijvers met Suabez verzekeren,
de verdienste harer gelofte genieten in de kleinste
daden van gehoorzaamheid, welke zij verricht. Dit
heeft plaats, wanneer zij de geringste verlangens
en de wenschen harer Oversten als bevelen ontvangt,
en ze uitvoert met het oogmerk om op meer vol-
maakte wijze hare gelofte te vervullen. De gehoor-
zaamheid verandert dus, naar het woord van een
vroom schrijver, alles, wat men doet, in goud en
kostbare gesteenten.
r>. De gehoorzaamheid verschaft aan een goede
religieuse voortdurend een zoete vreugde en groote
-ocr page 161-
157
kalmte. Zij is, zegt de H. Joannes Climacus, eeno
bewoging zonder gejaagdheid en zonder onrust,
eeno veilige scheepvaart, welke men als in een
sluimering doet.
6. Maar het kostbaarste voordeel, dat de heilige
gehoorzaamheid oplevert, is, dat zij in hooge mate
den overgang van tijd naar eeuwigheid verzacht,
on dat zij als \'t ware den dood van al de afgrijse-
lijkheden ontdoet, waarmede hij zich omkleedt.
Een lookobroeder uit het klooster van Clairvaux
gevoelde bij zijn dood zoodanig eene vreugde, dat
hij verklaarde: Ik ben er zeker van, het Paradijs
te zullen binnengaan. Zijn Overste, de H. Bkknardus,
meenende in deze woorden ecnigo verwaandheid te
zien, begon hem te berispen on te vernederen. De
broeder antwoordde met vrede on gerustheid op
het gelaat: Mijn vader, alles, wat gij zegt, is waar:
maar hebt gij niet dikwijls gezegd, dat de gehoor-
zaamheid de weg is naar den Hemel? Doordien ik
het u zoo dikwerf hoorde herhalen, heb ik het
diep in mijnen geest geprent, en heb ik er mij uit
alle kracht op toegelegd, de gehoorzaamheid te
beoefenen. Heb ik derhalve geen reden om nuj-zelven
met zekerheid den Hemel te beloven? Door dit
antwoord in verrukking gebracht, zeide hem de
-ocr page 162-
158
Heilige: Gelukkig zijt gij, mijn broeder, want
vleescli, noch bloed heeft u die wijsheid geleerd,
maar de Hemelsehc Vader, die uwe schreden
langs de rechte paden der deugd heeft gevoerd.
Sterf dan gom stel ijk: de poort des levens staat open!
Ziehier de kostbare voordcelen der gehoor-
zaamheid.
Zij vervult de religieuse ziel met alle soorten
van rijkdommen gedurende dit leven, en schenkt haar
in den dood als "t ware een zeker onderpand van
hare gelukzalige eeuwigheid. Maar, mijne Zusters,
om u van die onschatbare voorrechten der gehoor-
zaamheid te verzekeren, moet gij, evenals de heilige
religieus, van wien wij hooger spraken, haar uit
al uwe krachten en zoo volmaakt mogelijk beoefenen.
AYat moet gij daarvoor doen? Welke middelen moet
gij bezigen ? Ik antwoord met deze drie woorden:
Wecst nederig, zeer nederig.
.Maakt u gewoon, altijd Jents Christus te zien
in uwe Oversten.
Bovenal, bemint Jesus Christus met groote
vurigheid
!
Deze drie middelen, gepaard aan het gebed,
zullen u onfeilbaar eene volmaakte gehoorzaamheid
verwerven, zullen u alle heerlijke belooningen
-ocr page 163-
lö\'t
waardig maken, die God daaraan verbonden heeft.
Gebed om du genade der gehoorzaamheid.
. Mijn Jesus, welke heerlijke voorbeelden van
gehoorzaamheid hebt f/ij mij gegeven! Uit gehoor-
zaamheid zijtgij uit den Hemel op aarde nedergedaald,
terwijl gij n van het eerste oogenblik uws lérens
aan uu-en Vader aanboodt. om Zijn Wil volmaakt
te volbrengen. Uit gehoorzaamheid hebt (lij u te
Nazareth tot aan den ouderdom van dertig jaren
opgesloten, u steeds onderdanig toonende aan Maria
en Joseph, als het nederigste der kinderen. Uit
gehoorzaamheid hebt gij niet geaarzeld u aan het
wreedste lijden te ondenrerpen: gij hebt (\'alvarië
heklommen, gij hebt a laten rast nagelen op een kruis:
en op het punt uwen geest te geren, hebt gij gezegd:
Consommatüm Esï! Alles is volbracht, ik heb den
Wil mijns vaders geheel vervuld.
Geheel uw levensmijn Zaligmaker, is dus slechts
een leven van gehoorzaamheid geweest, en tl/atis, o
nog heerlijker wonder, wilt gij dat leven van gehoor-
zaamheid voortzetten, in uw heilig Sacrament van
Liefde, waarin gij dagelijks duizenden malen op de
stem uwer dienaren op onze altaren nederdaalt.
O, onuitsprekelijk wonder van de gehoorzaamheid
-ocr page 164-
160
van mijn God.\' Veroordeel streng alle tegentverping
mijns harten, strijdig met de gehoorzaamheid, en
leer mij die heilige deugd vurig beminnen en vlijtig
beoefenen !
Mijn Jesus, het is gedaan, ik ben besloten deze
deugd te uwer liefde te beoefenen
! Ik heb berouw
uit den (/rond mijns hui ten over al mijne -vroegere
ongehoorzaamheden. Schenk mij, ik smeek er u om,
een ware genegenheid voor de gehoorzaamheid, (leef
mij de genade, voortaan volmaaktelijk aan mijne
Oversten ie gehoorzamen, te gehoorzamen met hart
en geest, te gehoorzamen met blijdschap en vaardig-
heid, te gehoorzamen in alles en altijd, tot aan den
laatsten snik mijns levens.\' Stervende aan uw kruis,
liebt gij gezegd:
Consommatüm est, (dies, wat mijn
Vader van mij verlangde, heb ik volbracht. O, mijn
Verlosser, geef, dat ik in mijne laatste stonde ook
kan zeggen:
Consommatum est: Alles, wat mijne
Oversten van mij gevraagd hebben, heb ik gedaan,
ik kan dus in vrede sterven. Deze genade vraag ik,
door de verdiensten uwer verheren gehoorzaamheid,
door de verdiensten der gehoorzaamheid van uwe
goddelijke Moeder en van die cd uwer Heiligen. Amen.
-ocr page 165-
11
-ocr page 166-
-ocr page 167-
liilillllllilllllllil!illliiii;;!!IWIiilll!\'llffil!lll!lll;:! Blllll\'lllifillllllllliiil
99999999999999999999999999�
et ■■,:rf,^iii_ .:.:iLl\'._l!./.-li..!ï^\'\' ■ :■■ - "fe\' ^"^ ^iiiiiiiiiiiiiiaiiiiiiiiiiiil
Hoofdstuk IV.
OVER DEN H. REGEL
I. Wat is Je Regel. II. Over de verplichting van den Regel te
onderhouden. III. Hoe verplicht de Regel? IV. Achting, die eene
religieuse voor haren heiligen Regel moet koesteren. V. Vurigheid en
volharding in het onderhouden van dm Kegel.
Wanneer eene religieuse tot de Professie in
eene door de Kerk goedgekeurde Instelling wordt
toegelaten, legt zij hare gelofte af volgens den
Regel, die in hare Instelling van kracht is. De
geloften vormen het eigenlijke wezen van het kloos-
terleven, maar de Regel bepaalt met juistheid den
zin en de strekking der geloften, en toont tegelijkertijd
den Zusters de wijze aan, waarop zij die in ver-
vulling moeten brengen, om gemakkelijk het doel
harer roeping\' te bereiken.
Eene ziel, in eene religieuse Communiteit of
Congregatie Gode toegewijd, moet haren Regel boven
-ocr page 168-
164
alles liefhebben. De Regel kan inderdaad, naar bet
gevoelen der Heiligen, het Evangelie des klooster-
linge worden genoemd; bet Evangelie, dat hem
steeds duidelijk zejrt, wat hij moet doen om aan
Jesus Christus te behagen, om tot de heiligheid te
•reraken en. overeenkomstig zijne roeping, met vrucht
te arbeiden aan het heil des naasten.
Mogen de Zusters dan aandachtig de volgende
bladzijden lezen, die in weinig woorden de voor-
naamste zaken van den Regel samenvatten, waar-
mede elke religieusc moet bekend zijn.
-ocr page 169-
I.
WAT IS DE REGEL?
Een godgeleerde merkt op, dat onder den
naam Regel verstaan worden alle Kogelen en t\'on-
stitutiën eener religieuse Instelling; wat zijn voor
de kloosterlingen hunne respectieve Regelen en
Constitutiën ? Ziedaar de vraag, welke wij allereerst
moeten beantwoorden.
De physieke wereld, het heelal, dat wij aan-
schouwen, heeft wetten, die het besturen en het
onfeilbaar voeren tot het doel van zijn bestaan:
ons de wijsheid, de macht en de goedheid van God
te prediken: De hemden en de aarde, zegt de Propheet,
spreken ons onophoudelijk van de heerlijkheid Gods.
De zedelijke wereld, de menschelijke maat-
schappijen, hetzij algemeene, hetzij bijzondere, hebben
hare wetten; en wanneer deze wetten getrouw worden
nageleefd, helpen zij die maatschappijen haar tijde-
-ocr page 170-
166
lijk doel bereiken. Ook de religieüse wereld, de
religieusc Congregatien, met éénzelfde, doch veel
edder doel voor oogen, — het doel, geen aardsche,
maar hemelschc goederen te erlangen, — moeten haar
wetten hebben om dat verhoven doel te bereiken.
Alle heilige Ordestichters hebben dit begrepen;
daarom hebben allen de zorg" ter harte genomen,
hunnen onderdanen wijze wetten voor te schrijven,
om hen op de wegen der volmaaktheid te geleiden.
Welnu, die wetten zijn de Regels, welke zij hebben
ingevoerd. Inderdaad, „BegeV is afgeleid van een
Latijnsch woord, dat beteekent rcf/eeren, besturen,
geleiden.
Door zijne afleiding-zelve duidt dit woord
derhalve reeds aan, welk eene gewichtige beteekenis
een religieus daaraan moet hechten: eene wet, dienende
om hem te besturen, om hem naar zijn doel te geleiden,
hetwelk is: de volmaaktheid, de heiligheid. De Regel
of de Eegelen (en onder dezen naam, moet men,
zooals wij reeds zeiden, ook de Constitutien verstaan,)
de Regelen zijn dus niet enkel bloote raadgevingen,
doch wezenlijke wetten, voorgeschreven aan een of
andere religieusc Vcreeniging, om de daden der
kloosterlingen te regelen, overeenkomstig het doel
der Instelling. Xa deze eenvoudige bemerkingen
valt het gemakkelijk te bepalen, wat de Zusters
-ocr page 171-
167
onder hare heilige Regelen en Constitutien moeten
verstaan. Het zijn wetten, heilige wetten, bekrachtigd
door de Kerl,-, met vrijen wil door de religieusen
aanvaard op den dag van hare professie, en bestemd
om de tucht in hare Instelling te bewaren, en haar-
zelven te geleiden op de wegen der religieust vol-
maaktheid.
Dit is liet denkbeeld, dat, de Zusters zich moeten
vormen van hare heilige Regelen en Constitutien.
k\'^^ê>^\'\'\'
-ocr page 172-
-ocr page 173-
(&&\'#%%#(%&&\'*\'&*)\'%&$&* !&\')&&
II.
OVER DE VERPLICHTING VAN DEN REGEL
TE ONDERHOUDEN.
Zijn de religiousen verplicht haren Regel
getrouw te onderhouden ?
Zonder twijfel, en wel om eene drievoudige
reden.
1. Zij zijn verplicht hare heilige Regelen en
Constitutien te onderhouden, omdat /ij het op den
dag harer professie hebbeu beloofd.
Op het oogonblik harer intrede in het klooster,
heeft men haar den Regel voorgelegd, heeft men
haar het gewicht en de uitgestrektheid van denzelven
onder het oog gebracht. Wanneer zij eene fout tegen
den Regel begingen, heeft men er haar zorgvuldig
op gewezen; men heeft haar zeer dikwijls aanbe-
volen, getrouw acht te geven op de geringste voor-
schriften van dien Regel. En op het oogenblik. waarop
-ocr page 174-
170
zij haar verheven offer zouden voltrokken, hebben
zij beloofd, voortaan geheel overeenkomstig hare
Regelen en Constitutien te leven. Op deze voor-
waarde zijn zij aangenomen als leden der Instelling:
zij zijn dus gehouden, hare belofte gestand te doen.
\'2. Zij zijn verplicht hare heilige Kegelen en
Constitutien te onderhouden, omdat zij zich door
hare kloostergeloften hebhen verhouden, naar de vol-
maaktheid te streven.
Welke andore bedoeling hadden zij hij het
uitspreken harer geloften, dan een leven te leiden,
volmaakter dan het gewone leven van een Christen?
Welnu, de Repelen en Constitutien zijn het
krachtigste middel om tot de volmaaktheid te geraken.
Zij zijn, volgens een godvruchtig schrijver, zelfs
het eenige middel, door de Goddelijke Voorzienigheid
te harer beschikking\' gesteld, om inderdaad tot die
volmaaktheid te komen; en daarom zegt de H.
Aiii\'HONsrs, „dat eene religieuse die uit gewoonte
ook maar den kleinsten regel overtreedt, nooit zal
vorderen in de volmaaktheid, al legt zij zich overi-
gens nog zooveel boetplegingcn, nog zooveel gebeden
of andere geestelijke oefeningen op".
3. Eindelijk, uit het feit-zelf, dat de Zusters
gehoorzaamheid hebben beloofd aan hare wettige
-ocr page 175-
171
Oversten, blijkt duidelijk, dat zij verplicht zijn do
H. Regelen en Constitutien te onderhouden. Waarop
wordt door de Oversten vaker en niet meer nadruk
aangedrongen, dan op het nauwgezette onderhouden
van den Regel? Hiervoor alleen zijn zij Oversten:
hare wenschen, hare verlangens, hare bevelen, hebben
geen ander voorwerp dan den Regel. Handelen tegen
den Kegel is dus handelen tegen de gehoorzaamheid,
aan de Oversten verschuldigd; het is te kort blijven
ten opzichte van Jesns (\'hristus-zelven en aan de
gehoorzaamheid, welke men Hem in den persoon
der Oversten heeft beloofd.
Om alle bovengenoemde redenen, zullen do
Zusters het zich ten plicht rekenen, hare H. Kegelen
altijd met de meeste nauwgezetheid te onderhouden.
t»-
HS^^^"
-ocr page 176-
-ocr page 177-
in.
HOE VERPLICHT DE REGEL?
Hot is van groot gewicht deze vraag duidelijk
to beantwoorden, opdat de Zustors nauwkeurig bekend
worden met alles wat tot haren Regel in betrekking
staat.
Wanneer de religieusen hare gelofte van gehoor-
zaamheid volgens den Regel afleggen, verbinden zij
zich tot twee zaken: eerstens, zij verbinden zich,
on wel op straffe van togen de gelofte te misdoen,
aan hare wettige Oversten to gehoorzamen, telkens,
wanneer dezen, overeenkomstig den Regel, haar iets
bevolen, niet de bedoeling haar in geweten te ver-
plichten. Dit hebben wij reeds uitgelogd, toen wij
over do gelofte van gehoorzaamheid spraken.. Twee-
dons, zij verbinden zich, en wel op straffe van to
misdoen tegen de belofte, altijd volgens den Regel te
leven, de tucht te eerbiedigen, zoouls zij in de
-ocr page 178-
174
Instelling heerscht. Hierover gaan wij thans nader
uitweiden.
De Regelen zijn, wij hebben het hooger reeds
gezien, heilige wetten. Maar evenals in eene wet
zaken voorkomen, welke gestreng en op zonde
worden geboden, terwijl andere dingen er in worden
voorgeschreven bij wijze van maatregel van orde
of bestier, zijn er in een Regel punten, welke op
zonden verplichten, en andere, welke dit niet doen.
Vandaar het onderscheid, dat een geleerd schrijver
maakt tusschen Regelen, die op doodzonde verplichten,
op dagelijksche zonde of wel slechts op de straf,
tegen de overtreding van dezelve bedreigd. Doch wan-
neer bedrijven de religieusen eene doodzonde of dage-
lijksche zonde? Altijd begaan zij eene zonde, wanneer
zij regelen overtreden, die hare geloften tot voorwerp
hebben ; en zij bedrijven eene doodzonde of dage-
lijksche zonde, naar gelang de fout tegen de geloften-
zelven zwaar of licht is. Hare fout tegen den Regel
vormt dan als \'t ware één geheel met de fout, welke
zij tegen hare geloften begaan. Wanneer een punt
des Regels ware opgelegd bij wijze van formeel of
stellig gebod, dan zouden de religieusen ook verplicht
zijn, dat punt te volbrengen. Wanneer echter de
Regel geen enkel formeel gebod oplegt en zelfs
-ocr page 179-
17.5
verklaart, dat hij niet op zonde wil gebieden, dan
verplicht hij slechts tot het ondergaan der penitentie,
aan de overtreding verbonden. Dit nu is voor de
religieusen in \'t algemeen het geval: doorgaans wordt
in hare < \'onstitutien gezegd, dat de lier/el uit zicli-
zelven niet op zonde verplicht.
Hare H. Stichters
hebben dit in hunne wijsheid bepaald, ten einde
baar niet bloot te stellen aan het gevaar, dikwijls
zonde tegen de gehoorzaamheid te begaan, en opdat
de Regel voor haar niet een juk van vreeze, maar
een juk van liefde
zij. Wil dit zeggen,, dat de Regelen
tot niets in geweten verplichten, en dat men ze
ongestraft mag overtreden ? Zulks te denken ware
eene grove dwaling.
1.  Ten eerste, de Kegelen dragen nooit, zooals
wij hebben gezien, het karakter van bloote raad-
gevingen of van een eenvoudig en levensregel voor
godvruchtige personen, die tot niets in geweten
verplicht; zij behouden altijd haar karakter van
wetten en verplichten steeds de religieuse, die er,
zij bet ook slechts uit achteloosheid, aan te kort
is gebleven, tot het ondergaan der penitentie, welke
de Overste baar oplegt: de Kegel verplicht dan bij
wijze van strafwet.
2.  Daarenboven zal eene religieuse bijna altijd
-ocr page 180-
17<;
eene dagelijksche zonde begaan, wanneer zij den
Kegel overtreedt.
Maar hoc is dat mogelijk, vraagt mij wellicht
eene Zuster, daar onze [tegel en onze Constitutien
niet o]i zonde verplichten? Zeer goed. Maar gij
zondigt dan niet, omdat de Kegelen uit zich-zelf
op zonde verplichten, maar omdat, zooals de H.
Ai.i\'iioxsis duidelijk aantoont, wanneer gij den Kegel
vrijwillig en zonder voldoende en wettige reden
overtreedt, gij
ten eerst/\' de middelen verwaarloost om de
volmaaktheid te bereiken, naar welke gij verplicht
zijt te streven ;
ten tweede, omdat gij, zoo doende, een slecht
voorbeeld geeft en de goede orde in do Communiteit
verstoort;
ten derde, eindelijk, en dit is do voornaamste
reden, omdat gij, eenig punt van den Kegel over-
tredende, uit eigenliefde handelt en afwijkt van
Gods H. Wil. Deze overtreding is zeker geone
deugdzame handeling, en evenmin kan men zeggen,
dat zij eene onverschillige daad is, daar zij tot
beginsel de eigenliefde, den eigen wil heeft, den
anderen leden der Communiteit ergernis geeft en
nadeelig werkt voor do kloostertucht. En als nu
-ocr page 181-
177
zulke overtreding noch goed, nocli onverschillig is,
dan is zij slecht. Wanneer, zegt de H. Alphoxsi\'s,
eene kloosterlinge mij zeido: Het is mij voldoende,
dar ik, door den Regel te overtreden, geene dood-
zonde bega, dan zonde ik haar antwoorden, dat
zij op een gevaarlijken weg is, die haar ten verdervc
zal voeren, wanneer zij zich niet in acht neemt.
Hieruit besluit de Heilige, dat eene religiensc het
zich ten heiligen plicht moet achten, nooit haar
Regel en Constitutien te overtreden, daar het zeer
moeielijk is zulks vrijwillig te doen. zonder tenminste
eene dagelijksche zonde te begaan. Hij zegt: tenminste
eene dagelijksche zonde te begaan; want het kan
gebeuren en gebeurt ook wel, dat eene religieuso,
door dikwijls hare H. Regelen en Constitutien te
overtreden, ongelukkig genoeg is eene doodzonde
te begaan. Eene rolijjicuse zou eene doodzonde bejraan
in de volgende vier gevallen:
a). Wanneer zij, door dikwijls herhaalde over-
treding van den Regel, zoover kwam, dat zij denzelven
formeel verachtte, want die forineolc verachting van
den Kegel en ook het versmaden van de bevelen
der Oversten is do verachting van het gezag van
(iod-zelven.
V). Wanneer zij door hare overtredingen zich-
12
-ocr page 182-
178
zelf vrijwillig: blootstelt aan het naaste gevaar van
in eene doodzonde te vallen. Dit zou b.v. Let geval
wezen, wanneer eene Zuster, gcenc rekening- houdende
met den Kegel, door hare intieme en veelvuldige
betrekkingen met wereldlijke personen, zich met
vrijen wil eraan blootstelde, in eene zonde van
onzuiverheid te vallen.
c). Nog zou zij eene doodzonde begaan, indien
zij, door hare veelvuldige overtredingen, de tucht
aanmerkelijk ondermijnde, of zich met genoegzame
kennis er aan blootstelde, uit de Congregatie te
worden weggezonden.
cl). Eindelijk, wij hebben zulks hooger gezien,
het is duidelijk, dat zij, die liegels overtredende,
welke hare geloften tot voorwerp hebben, eene
doodzonde of dagolijksche zonde bedrijft, naar gelang
zij in meer of mindere mate tegen hare geloften
zondigt.
Laat ons dit gewichtig punt der verplichting,
door Regel en Constitutien den Zusters opgelegd,
in twee woorden samenvatten.
Zeker, Avanneer iiaar Kegel niet het tegendeel
zegt, legt hij, uitgezonderd voor wat betreft de
geloften, geen enkele verplichting op doodzonde, of
zelfs maar dagolijksche zonde op. Niettemin zullen de
-ocr page 183-
179
Zusters den Regel niet overtreden zonder eenc zonde te
bedrijven, en zulks om de verschillende hooger-
genoeinde redenen, door den H. Alphonsüs aangehaald
en verklaard. Het algemeen gevoelen dor Kcrklcoraren
is, zegt de Heilige, dat na de aflegging der geloften
de overtreding van oenigen regel, bij moge nog zoo
klein wezen, tenminste eenc dagelijkschc zonde is,
wanneer die overtreding niet door eenc voldoende
reden is gewettigd; en zoo dezelve oen aanmerkelijk
nadeel ten gevolge bad of der Communiteit in groote
mate tot schande werd, dan zou die overtreding de
religieuse zelfs plichtig kunnen maken aan doodzonde.
Nog eerder zou zulks het geval zijn, indien de
Zuster den H. Kegel formeel verachtte. God verhoede,
dat bet met eene religieuse zoover kome! Moge zij,
om dat ongeluk te vermijden, zich nooit de geringste
vrijwillige fout tegen den Regel veroorloven.
«—x—_«-ao;^.-^-^ »
-ocr page 184-
-ocr page 185-
IV.
Over de achting, weike eeie religieuse voor den
H. Regel moet koesteren.
Do.-h hot is niet voldoende, dat de Zusters
eene nauwkeurige kennis bezitten van haren Regel
en van de verplichtingen, dom- dezen opgelegd; zij
moeten vooral ook een hoog denkbeeld daarvan
hebben, zij moeten haren Kegel hoogschatten, teneinde
er zich niet liefde aan te hechten en hem getrouw
te onderhouden.
Welke achting moet dan eene religieuse voor
hare Regelen en t\'onstitutiën hebben?
1. Zij moeten Kegelen en Constitutiën even
hoogachten als den goddelijken wil, waarvan dezelve
de reine en getrouwe uitdrukking zijn.
Eene religieuse, die haren H. Regel nauwgezet
onderhoudt, kan evenals de Zaligmaker zeggen: lic
doe altijd, wat mijnen Vader hehaayt.
Zoodanige
Zuster is Gode aangenaam in alles, wat zij verricht.
-ocr page 186-
182
Do H. Maddalena di Pazzi was zoozeer van deze
waarheid overtuigd, dat zij liever aan don minsten
regel wilde gehoorzamen, dan in de verhevenste
beschouwingen verzonken zijn. Schat uw. Regelen
hoog,
zeide zij tot hare Zusters, gelijk gij God--elven
hoogschat.
2. Do religieuson moeten Kegelen en (\'onstitutiën
even hoogachten als het gezag der Kerk, die dezelve
goedkeurde. Den Paus en den Bisschop komt hot
recht toe, zegt Pater Meynard, do Constitutie!) dor
religieusc communiteiten goed te keuren: den Paus
in do goheele Kerk, den Bisschop in zooverre betreft
do communiteiten binnon zijn diocees. Hij heeft ook
hot recht, voor die communiteiten overeenkomstig do
grondregels van het Canonieke recht (\'onstitutiën te
hervormen en goed te keuren. Wanneer deze goed-
keuring door oen Bisschop, en oerder nog, wanneer
zij door den Paus aan een Regel is gehecht, is zij
als \'t ware eene heilige bekrachtiging, dio don
religieuson zielen do zoete overtuiging schenkt, dat
dien Bepfcl voor haar do uitdrukking is van Cods
Wil: dat hij voor haar de boste weg is om tot de
volmaaktheid on heiligheid te komen. Zoo is het
volmaakte onderhouden van den Regel voor eene
religiouse het onfeilbare middel om zich te heiligen
-ocr page 187-
183
en naar den Hemel te gaan. Dit zegt haar genoeg,
welk eene achting zij voor dien Kegel moet koesteren.
:$. De Zusters moeten haren Kegel even hoog-
schatten als hare H. Instelling, die God haar heeft
bereid als eene arke des heils; want naar het zeegen
van talrijke Heiligen hangt het leven en de bloei
der religieuse Instellingen af van het onderhouden
des Kegels. De schending der Kegelen onteert en
verlaagt de communiteiten en richt ze ten gronde.
Zoolang de communiteiten, merken de ascetische
schrijvers op, alle zorg besteedden aan het onder-
houden van haren H. Regel, genoten zij het hoogste
aanzien; zij doorwasemdeii de H. Kerk met don
zoètsten geur; zij verheerlijkten God en bewezen
den menschen voortreffelijke diensten. Maar zoodra
de verslapping ingang vond, werden die communi-
teiten een voorwerp van verachting: zij onteerden
God, strekten der Kerk tot schande en werden niet
alleen onnut, maar ook schadelijk.....
4. Eindelijk moeten de Zusters haren Kegel
even hoog schatten, evenveel beminnen als haro
zaligheid en hare volmaaktheid.
Zij zijn het klooster slechts binnengetreden,
om aan de strikken en gevaren der wereld te
ontsnappen, om overvloedige genaden ter heiliging
-ocr page 188-
184
te vinden on hare zaligheid to verzekeren. De
H. Maddalkna di I\'azzi nu zegt, dat de zaligheid
dei- religieusen afhangt van liet onderhouden baars
Kegels. Tevergeefs zoude ecne Zuster haar geluk,
hare heiliging en hare zaligheid elders willen zoeken.
„Hij. die de tucht verwerpt, zegt de H. Geest, zal
ongelukkig wezen, zijne werken zullen zonder vrucht
zijn en hij zal sterven, omdat hij de tucht heeft
veracht." Inféliscest, labores sine fructii. ipse morietur
quia non habnit disciplinam.
Zooveele en zulke machtige redenen moeten de
Zusters ongetwijfeld ten volle overtuigen van het
gewicht der kloostertucht: zij moeten haar niet diepe
achting en groote liefde vervullen voor hare Kegelen
en Constitutien, en haar doen besluiten om dezelve
steeds en met de grootste nauwgezetheid te onder-
houden. Toen <!od den .loden zijne heilige wet had
gegeven, sprak Hij tot hen door zijn dienaar Mozes:
„Ik wil, dat Mijne woorden, die woorden, welke gij
zooeven gehoord hebt. in uw hart zijn. dat gij die
overweget, zittende of gaande uws weegs, des avonds
u naar bed begevende, en des morgens, wanneer gij
opstaat; dat gij die als een teeken lezet in uwe hand,
en dat gij ze herhalet aan uwe kinderen, opdat ook
zij dezelve onderhouden." .luist deze woorden richt
-ocr page 189-
185
God, naar de gedachte van een theoloog, tot de
religieusc ziel.
De II. Regel, niet al de verordeningen, die hij
bevat, is voor eene religieusc die heilige wet, dat
gewijde boek, hetwelk God-zelf haar door de Overste
in handen heeft gegeven op den dag harer professie;
toen Hij het haar gaf, sprak de Heer tot die religi-
eusc: Ik wil, dat alle woorden van dit boek tot op
den. bodem uws harten doordringen, dat gij die
woorden overal en altijd overwcget, dat gij ze
onophoudelijk in uwe handen draagt, opdat zij uwe
schreden geleiden en uwe daden bestieren, en dat
gij eindelijk, door uwe goede voorbeelden en door uw
ijver in het onderhouden van die woorden, ook in
het hart uwer medezusters de liefde voor uwen
heiligen Kegel overstort. \'Mogen alle Zusters deze
schoone woorden tot gedragslijn nemen: dan zal
God verheerlijkt, de Kerk gesticht, hare communiteit
en al hare werken gezegend worden; zij-zelven
zullen geheiligd worden en hare gedachtenis zal
immer in zegening blijven.
-ocr page 190-
-ocr page 191-
V.
Over de Vurigheid en de Volharding in het
onderhouden van den Regel.
Wij hebben gezien, dat de gunsten, welke God
schenkt aan de religieusen, die den Regel getrouw
onderhouden, groot en menigvuldig zijn. Door dit
nauwgezette onderhouden des Regels trekken zij Gods
zegen op hare Communiteit af en verschaften zich-
zelven eone zoete gerustheid aangaande hare zaligheid;
want alle Heiligen verzekeren, dat de heiliging
eener religieuse ziel afhangt van het onderhouden
van den Regel. „Men wijze mij, zegt een groot Paus,
eenon religieus aan, die altijd zijn. Regel heeft
onderhouden, en ik zal hem canoniseeren." Maar,
om die goddelijke zegeningen ten volle te genieten
en zich derzelver bezit te verzekeren, is het noodig,
dat de religieuse al hare Regels, tot zelfs de geringste,
met eene standvastige vurigheid onderhoudt. Pater
Saint Juke verhaalt, dat Pater Oviedo, belast niet
-ocr page 192-
188
het bestuur van hot Jesuicton-G\'ollege te Napels,
streng\' toezag-, dat de Regelen stipt onderhouden
werden, tot zelfs in de kleinste bijzonderheden toe;
maar Pater Koabdilla beweerde, dat het niet paste,
de religieiisen aan zooveel kleinigheden te onder-
werpen, en zoodoende was die Pater oorzaak, dat
de eerste tucht verslapte. De toekomst bewees, dat
hij ongelijk had; want het misbruik eener te groote
vrijheid verminderde de vurigheid, zoo zelfs, dat
verscheidenen, de Regels. *t zij kleine of groote,
niet meer onderhoudende, de Sociëteit van Jesus
verlieten. De II. Igxatius, van deze gebeurtenis
onderricht, beval, dat men alle Regelen stiptelijk
zou onderhouden, en de tucht was hersteld. De
H. Alphonsüs, die deze gebeurtenis verhaalt in zijn
heerlijk bock „De "Ware Bruid van Christus", besluit
daaruit, en met reden, dat eene Zuster zich wel
moet wachten ooit zich te willen rechtvaardigen met
ijdele verontschuldigingen, die lauwe rcligïeusen
steeds aanvoeren, wanneer zij eenige punten des
Regels niet wcnschen te onderhouden. Ziehier de
gewone gezegden, zooals bij-zelf ze aangeeft en
wederlegt:
a) Sommige religieusen verontschuldigen zich
door te zeggen, dat de Regels, die zij overtreden,
-ocr page 193-
189
van weinig- belang zijn. Ik antwoord haar, zeg
ilc heilige Kerkleeraar, dat in liet klooster gcon
enkele Regel als een beuzeling kan worden be-
schouwd, waarmede men geen rekening behoeft te
houden.
Alle Kegels moet men als zaken van groot
gewiekt beschouwen, hetzij omdat zo alle door (ïod
zijn bevolen en door de Kerk goedgekeurd, als
middelen om tot de volmaaktheid te komen, waarnaar
de Code toegewijde personen steeds moeten streven:
hetzij ook omdat de overtreding van de Regels, zelfs
van de geringste, wanneer dezelve niet door eene
voldoende reden is gewettigd, niet is vrij te spreken
van dagelijksche zonde, en daarbij geheel de klooster-
lijke tucht verstoort. De lauwe religieusen. voegt de
Heilige er bij, achten de kleine zaken niet; maar
Jcsus Christus houdt er wel rekening mede en straft
die Zusters niet dorheid in het gebed, bij de H. Com-
munie en bij al hare oefeningen van godsvrucht.
()ok de duivel houdt er rekening mede. De H. Gertkuda
zag, hoc Satan alle vlokjes wol, die zij liet vallen,
en al de lettergrepen, die zij in het < d\'ticie verkeerd
uitsprak, bijeenverzamelde.
b) Andere religieusen, van meer gevorderden
leeftijd, verontschuldigen zich, zeggende, dat zij niet
-ocr page 194-
190
met die strengheid kunnen leven, welke men van
de jongeren kan eisenen.
In zich-zelvcn beschouwd is de ouderdom geene
reden tot dispensatie van een regel; iedere religiousc,
betzij oud of jong, zegt de H. Ali\'hoxsus, die
aan haren Kegel te kort blijft of dien overtreedt,
scbaadt zich-zelve. Daarenboven zijn de oudere
religieusen nog meer dan zij, die pas bet klooster-
leven hebben omhelsd, verplicht tot een nauwgezet
onderhouden van den Regel, toneerste omdat zij reeds
meerdere jaren aan de kloostertucht zijn gewoon,
en ten tweede omdat haar voorbeeld krachtig op de
jonge religieusen werkt, hetzij op eene goede, hetzij
op eenc slechte manier. De oudere religieusen zijn
fakkels, die haar licht over de communiteit verbreiden;
ze zijn kolommen, die het gewelf des Kegels onder-
steunen.
c) Eindelijk vindt men andere religieusen, die
nalaten de permissies, door den Kogel gevorderd,
aan hare Oversten te vragen; zij zeggen: „Ik val
mijne goode Oversten niet gaarne zoo dikwijls lastig."
In zake deze ijdele verontschuldiging verklaart
de H. Alphonsus: ,.Dat is een onwaardig voorwendsel;
want wel verre van zich daardoor gehinderd te
gevoelen, worden zij gesticht door het gedrag der
-ocr page 195-
191
roligieusen, die haar stiptelijk alle permissies koinon
vragen, welke zij noodig hebben. Hoc zouden zij dit
haren religieusen euvel kunnen duiden, wetende, dat
zij niet anders mogen handelen? Vraag dus eene
permissie, telkenmale wanneer de Regel het oordeelt;
en wanneer de Overste u eenige dispensatie weigert,
teneinde do observatie beter te handhaven, word
dan niet toornig, doch blijf kalm, dank haar en
wees getroost.
Verlicht door het woord van den grooten
Kerkleeraar, wiens raadgevingen de Kerk ten zeerste
prijst, moeten alle Oversten nauwlettend toezien,
dat de Kegel in hare Communiteiten trouw worde
nageleefd: en de religieusen-zelven moeten, wanneer
zij den zegen Gods op hare personen en op hare
Communiteit willen aftrekken, niets meer ter harte
nomen dan de zorg om alle punten des Regels
zonder uitzondering getrouw te onderhouden. Mogen
allen, Oversten zoowel als ondergeschikten, in zich
de heilige overtuiging vestigen, dat zij, op de minste
punten des regels geen of weinig acht slaande, zich
ondankbaar toonen ten opzichte van den goeden God,
die haar binnen de gewijde muren eene schuilplaats
bereidde, waar zij gelegenheid vinden om van zich-
zelf heiligen te maken, waardig om te worden gesierd
-ocr page 196-
\\\\)-2
met die heerlijke kroon, welke, naar de H. Alphonsus
zegt, bereid is voor haar, die tot aan haar jongsten
snik in de getrouwe naleving van haren Kegel
hebben volhard.
Bruiden van Jesus Christus, Godc toegewijde
zielen, stelt dus op hoogen prijs uwe heilige roeping,
welke u gelegenheid schenkt om, door de getrouwe
naleving van uw Regel, uwe verheven bestemming
zoo gemakkelijk te bereiken. „O!
         roept de
H. Fkaxciscls vax Sales uit, zich tot de Religieusen
der Visitatie richtende, om haren ijver aan to
wakkeren - - „hoe gelukkig zyt »ïj, mijne Zustcren,
in vergelijking met wereldlijke personen! Wanneer
wij naar den weg vragen, zegt ons de eene: Ga
rechts,
— de andore: öa links; en schier altijd
worden wij bedrogen. Maar gij, <rij hebt u slechts
te laten dragen. Gij gelijkt denzulken, die over de
baren der zee wandelen: het vaartuig draagt hen,
en zij hebben daarom niets te vreezen. Al rustende,
gaan zij vooruit, en zij behoeven zich niet te verge-
wissen, of zij in de goede richting voortstevenen.
Dat is de taak der zeelieden, die altijd het firmament,
dat kompas der zeevarenden, boven zich ziende,
weten, dat zij op den «roeden weg zijn, en tot dogenen,
die zich op het vaartuig bevinden, zeggen: Moed
-ocr page 197-
193
behouden! gij zijt in de gewenschto richting, —
woest zonder vreeze! Dat goddelijke kompas is Jesus
Christus: het vaartuig is de Kegel; degenen, die
liet besturen, zijn uwe Oversten, die tot u spreken:
Voorwaarts, mijne Zusteren, voorwaarts door de
getrouwe observatie van uw Regel, — en gij zult
gelukkig God bereiken" .... Welke schoone woorden!
Gij allen, mijne Zusters, die ze hebt geboord,
ontvangt ze, smeek ik u, in een hart, vervuld met
den zoeten geur van liefde en dankbaarheid voor
uw heiligen roep.
n                            _________
Gebed, getrokken uit de werken van den H. Al-
PHONSüS, OM VURIGHEID EN GETROUWHEID IN DE
NALEVING VAN DEN ReGEL TE VERWERVEN.
O mijn Zaligmaker, ik dank U uit geheel
mijn hart voor de onschatbare genade mijner roeping.
Ik dank U, dat Gij u hebt gewaardigd, mij boven
zoovele anderen te roepen, om bestendig te blijven
in de gezegende nabijheid van Uw Tabernakel, waar
Gij dag en nacht te mijner liefde vertoeft. Maar,
ongelukkige, die ik ben! Door zoo vaak mijn Regel
te overtreden, welke de uitdrukking is van Uw
13
-ocr page 198-
194
heiligen Wil, heb ik door beleedigingen on ondank-
baarheid Uwe liofdo beantwoord__Mijn .(esus, van
harte doet mij zulks leed, en ik smeek U mij drie
bijzondere genaden te willen toestaan: de eerste,
van mij al Jiet misnoegen te vergeven, dat ik Uheb
veroorzaakt;
de tweede, mij Uive liefde te schenken,
opdat ik u voortaan beminne, niet met die koude
liefde, welke ik U tot dusverre toedroeg, doen uit
geheel mijn hart, en volmaaktelijk Uw heiligen wil
vervullende; de derde, van te mogen volharden in
Uwe heilige liefde.
Mijn Jesus, Gij wenscht dat ik
U geheel toebehoore, en ik, ik wenseh de Uwe te
zijn voor tijd en eeuwigheid. Ik wil niet weer, dat
mijn wil in mij leve, doch slechts de Uwe; daarom
beloof ik l\', voortaan alle liegels van mijn klooster
getrouw na te leven,
zelfs de kleinste, wetende, dat
alle l\' behagen. O liefde! o liefde! zal ik met do
H. (Jatharina van Gexua uitroepen, voortaan geene
zonden meer! Ik smeek U, o Jesus, geef dat ik U
beminne, of dat ik sterve: of beminnen, óf sterven!
Maria, mijne lieve Moeder, spreek te mijnen gunste
bij Uw goddelijken Zoon, en verkryg voor mij de
genade: of te beminnen, of te sterven. Amen.
-ocr page 199-
BESLUIT.
Mijne Zusters, g-ij bobt thans, naar ik durf
vertrouwen, ecu juist begrip van de achting, welke
gij uw heiligen Regel moet toedragen, alsmede van
de verplichtingen, welke uit den regel voortvloeien
en van de onschatbare voordeden, die eene getrouwe
observatie u aanbrengt. Om deze, verhandeling te
besluiten rest mij alleen, u in den naam van Jesus
Christus ootmoedig te smceken, te zijner liefde met
vurigheid en standvastigheid tot zelfs de geringste
bepalingen uws Regels na te leven. Drie redenen
moeten u hiertoe aansporen: de dankbaarheid, welke
gij Onzen lieer Jezus Christus verschuldigd zijt
wegens uwe heilige roeping, uw glorierijke naam van
Bruiden van Jesus Christus, en de overheerlijke
belooning, aan uw standvastigheid toegezegd.
1. Het is zeker, mijne Zusters, dat Jesus
Christus u met eene groote liefde boven anderen
heeft bemint. Niet slechts heeft Hij u het licht des
-ocr page 200-
196
Geloofs geschonken en u door het Doopsel geheiligd,
maar om uwe zaligheid nog meer te verzekeren,
heeft Hij u aan den noodlottigen invloed des tijds
ontrukt, bevrijd uit die wereld, waarin dagelijks
zoovele jeugdige personen schipbreuk lijden, en
waarop dreigend de vloek des Eeuwigen rust: Wee
der wereld, ter oorzaak van hare ergernissen
! Ziedaar
eene geheel bijzondere gunst, welke gij aan Jcsus\'
liefde schuldig zijt. en waarvoor gij Hem eene
gronzelooze dankbaarheid moet toedragen. Wat zult
gij doen, om Hem uwe erkentelijkheid te betuigen? Toon
Moses het Joodsche volk herinnerde aan alle wel-
daden, waarmede God hetzelve sedert den uittocht
uit Egypte had overstelpt, voegde hij er bij: „En
thans, Israël, wat vraagt God de Heer meer van u
in ruil voor al zijne weldaden, dan dat gij wandelet
oj) zijne wegen, dat gij Hem dienet uit geheel uw
hart, dat gij vervullct zijne geboden en zijn wil"?
Mijne Zusters, (iod vraagt van u geene andere
dankbaarheid dan van zijn uitverkoren volk; Hij
begeert slechts, dat uwe dankbaarheid nog veel
grooter zij, geëvenrcdigd aan de onschatbare wel-
daden, in uw heiligen roep u bewezen. Door dien
roep heeft Jcsus Christus u ontrukt aan eene slavernij,
erger dan die van Egypte, — aan de slavernij der
-ocr page 201-
197
wereld, waarin Satan over de zielen een despotisch
geweld uitoefent. God heeft n verrijkt niet urn\'doren,
oneindig kostbaarder dan die, welke Hij in (ie
Sinaïsche woestijn aan het Joodsche volk schonk,
en Hij heeft u geplaatst op oen weg, die voert naar
een land, beter dan het Beloofde Land: naar don
Hemel. Kan God dan niet niet recht spreken: „En
thans, o Israël, bevoorrechte van mijn hart, bewandel
mijne wegen, heb Mij lief, breng in trouwe mijn
wil ten uitvoer, waarvan uwe Geloften en de Regel
do vertolking zijn"? .... O zeker, mijne Zusters, Jezus
heeft dit recht; Hij kan niet recht dien tol van
dankbaarheid van u eisehcn, en gij zijt verplicht,
Hem denzelven alle dagen uws levens te betalen.
•>. (ïij zijt, mijne Zusters, de Bruiden van .lesus
Christus. Die eervolle naam werd u in de heilige
professie geschonken: in uwe hoedanigheid van
Bruid ontvingt gij den verlovingsring, heeft men u
den sluier op het hoofd geplaatst, welke u voor
immer aan het zoete juk van Jesus Christus onder-
wierp, - heeft men u de brandende Kaars in de
handen gegeven, als het zinnebeeld der liefde, waar-
van uw hart voor Hem moet ontstoken zijn. Eindelijk,
omdat gij eene Bruid waart, de Bruid van Jesus
Christus, heeft de priester, rekenende op uw getrouw-
-ocr page 202-
198
heid aan don Bruidegom uwer ziel, n eene f\'eestkroon,
eenc kronc der blijdschap, op het hoofd geplaatst.
Overgelukkig- en in de vervoering uwer liefde
riept gij toen uit: Ik heb aan de wereld en al
hare pomperijen verzaakt ter liefde van Jesus, dien
ik heli leeren kennen alsdenbeminnelijksten Bruidegom.
Daarom heb ik mij uit liefde aan Hem verbonden;
Hem schonk ik r/eheel mijn liefde, op Hem stel ik
mijne hope"!
Zoo ongeveer luidden de woorden,
die gij op don dag uwer professie licht uitgesproken.
Het is voor u derhalve niet meer voldoende, mijne
Zusters, .lesus niet een gewone liefde te beminnen,
door zijn geboden te onderhouden, (tvj zijt de bevoor-
rechte Bruiden van zijn hart, gij moet Hem met
eene sterkere liefde beminnen, met eene teedere,
toegewijde, onverdeelde liefde; want Hij is een
naijverig Bruidegom, die in het hart zijnor Bruiden
niet de minste genegenheid duldt, die niet Hom-
zelven tot voorwerp heeft.
.luist daartoe hebt gij u door uwe gelofte
verbonden, aan alles verzakende, om geheel en
onverdeeld uwen Jesus toe te behooren. Blijft dus
getrouw in uwe belofte; toon aan Jesus, door een
zeer trouwe naleving van uwe geloften, dat gij
Hom inderdaad uit geheel uw hart bemint.
-ocr page 203-
199
:s. Jesus is getrouw, ïnijno Zuster. Tc zijner
liefde Jicht gij alles verlaten, hebt srij alles opgeofferd
om u onverdeeld aan zijn dienst te kunnen wijden.
Welk loon is u daarvoor weggelegd ? Jesus hoeft
het u gezegd, en Hij zal woord houden: Het honderd-
voudige in deze tveréld,
door den overvloed zijner
genaden, en hiernamaals het eeuwige leren. Welk
eene belooning! Haar beschouwende, roept de H.
FnAxciscrs vax Assisiï: uit: De rijkdommen, welke
ik daarboven wacht, zijn zóó groot, dat alle weder-
waardigheden hier beneden mij geneugten toeschijnen.
.Maar het is niet gemakkelijk, een Hemel te winnen,
zich het bezit daarvan voor eeuwig te verzekeren.
Men moet zich daarvoor geweld aandoen, moedig
zijn: want de lafhartigon gaan den Hemel niet
binnen, zegt de H. -Ioannes. Men moet vurig
zijn van geest en standvastig in den dienst van
God; want slechts hij zal gekroond worden, zegt
de H. I\'aulks, die ten einde toe moedig heeft
gestreden. Weest dan moedig, mijne Zusters, weest
vurig in den dienst van Jesus: ferrentes spiritu.
De ongelukkige tijden, waarin wij leven, maken ons
daarvan een nog dringender plicht. Toen de H.
Alphünsus de Kerk en zijne Congregatie in nood
en vervolging zag, hield hij niet op zijne Broeders
-ocr page 204-
200
tot vurigheid in de observatie des Regels, tot
een hartelijk gebed en tot een wanne liefde voor
Jesus (\'hristns aan te sporen. Ziehier de schoonc
woorden, voortgekomen uit zijn hart. dat brandde
van liefde voor .lesus Christus: ik herhaal u die
woorden, overtuigd als ik ben, dit boekje niet beter
te kunnen besluiten: „Beminnen wij Jesus Christus
beminnen wij Hem veel en vurig; want Hij is
waardig te worden bemind, vooral door ons, reli-
gieusen, die Hij meer heeft liefgehad dan de anderen.
Verlevendigen wij ons geloof, door er aan te denken,
dat wij slechts korten tijd in deze woestijn des
levens moeten rondzwerven,
          waarna ons de
eeuwigheid wacht. Wij moeten niet meer leven voor
ons en voor de wereld, maar slechts voor de eeuwig-
heid, om heiligen te worden. Laten wij .lesus Christus
vurig beminnen op deze aarde, om daarna gezamen-
lijk Hem te gaan beminnen in het Vaderland, in
het Paradijs. Laten wij toch zorg dragen, niet die
kroon te verliezen, welke ik gereed zie voor hen,
die tot aan de ure van hun dood in de getrouwe
observatie des Regels volharden\'. Amen.
Gelooft zij Jesus Christus.
Linde.
Cmpbimatüb,
                          L. BERKVENS,
Haaren, 8 Nov. 1893.                                      Libr. Censor.
-ocr page 205-
I.
INHOUD.
GOEDKEURINGEN.
VOORWOORD.
OVER DE GELOFTE NT IN HET ALGEMEEN.
Eerste Hoofdstuk.
Over de gelofte van armoede.
                              13.
I. Over de gelofte van armoede in het algemeen. 13.
II. Over de gelofte van armoede in betrekking tot de
patrimoniale goederen.                                           16.
III. Over de gelofte van armoede in betrekhing tot de
communiteitsgoederen.                                             25.
IV. Over de gelofte van armoede in betrekking tot het
gebruik van eenig tijdelijk goed.                           33.
V. Over de deugd van armoede.                                  45.
VI. Gelukzaligheid der evangelische armoede. Gebed
van den H. Franciscus van Assisiè\' tot Jesus,
den Koning der armen.
                                        51.
-ocr page 206-
IL
Tweede Hoofdstuk.
Over de gelofte van zuiverheid.
                              59.
I. Schoonheid der maagdelijke zuiverheid.                      59.
ir. Verplichtingen, opgelegd door de kloostergelofte
van zuiverheid.                                                         (15.
III.     Algemeenc middelen om de zuiverheid te bewaren. 69.
IV.     Bijzondere middelen om de deugd van zuiverheid
in zijne ziel te bewaren en te versterken.               91.
V. Voorrechten der maagdelijke zuiverheid. Gebed
van den H. Thomas van Aquine om de gave
van zuiverheid te verkrijgen.
                                    95.
Derde Hoofdstuk.
Over de gelofte vau gehoorzaamheid.
                   101.
I. Over den eerbied, aan de Oversten en aan hunne
macht verschuldigd.                                                 105.
II. Macht der Oversten: lo Macht als Overste:
2o Macht, voortvloeiende uit de gelofte :
3o Onderscheid tusschen deze twee soorten van
macht.
                                                                     109.
III.     Grenzen dier machten.                                              H-I.
IV.     Over de noodzakelijke gehoorzaamheid.                • 119.
V. Over de volmaakte gehoorzaamheid.
                         133.
VI. Onschatbare voorrechten der volmaakte gehoor-
zaamheid. Gebed om de genade der gehoorzaamheid
te verkrijgen.
                                                          155.
-ocr page 207-
III.
Vierde Hoofdstuk.
Over Jeu H. Kegel.
                                 x
I. Wat is de Regel.
II. Over de verplichting van den Regel te onder-
houden..
III.     Op welke manier verplicht de Regel \'.\'
IV.     Over de achting, die een Religieus voor zijnen
II\'. Regel moet koesteren.
V. Over de vurigheid en de volharding in het onder-
houden des Regels. Gebeden, getrokken uit de
werken van den H. Alphonsus, om vurigheid
en getrouwheid in liet onderhouden van den
Regel te venverven.
BESLUI ï.
cj
-ocr page 208-
[V.
BIJ DEZELFDE UITGEVERS:
De Kinderlijke Omgang met den Heer, (luxe-uitgaaf),
fijn gebonden f 0,60, gebrocheerd i\' 0,40.
De Parel der Deugden, woorden van ernst en liefde tot
de Christelijke Jeugd, gebonden f 0,50, gebrocheerd f 0,35.
De Engelenspijze, nieuwe Communieoefeningen in vertrouice-
lijke samenspraken met Jezus, (luxe-uitgaaf, 17e duizendtal)
keurig gebonden f 0,40, gebrocheerd f 0,20.
De Keuze van een Levensstaat, (door den schrijver van
//PAREL DER DEUGDEN"); fijn gebonden\' t\' 0,50,
gebrocheerd f 0,30.
De Getijden der onbevlekte Ontvangenis, opnieuio in
Ned. Verzen overgebracht, (Volledig handboekie voor den
ZATERDAG); fiju gebonden f 0,40, gebrocheerd f 0,20.
Het Leven v. d. H. Aloysius van Gonzaga, door
R. Bliavk s. j. (rijk geïllustreerd); fijn gebonden f 1,40,
gebrocheerd f 1,—
Het Leven van Mevrouw Le Gras, Stichteres van de
Congregatie der Liefdezusters, gebonden f 1,25, gebrocheerd
f 0,90.
Overwegingen der H. Theresia, (met echte Staabj ravure)
door v. Mruuss. J.; fiju gebonden f 0,55, gebrocheerd
f 0,35.
De Engelbewaarder, maandschrift waarvan nog coinpleetc
stellen beschikbaar zijn (S Jaargangen); per jaargang,
gebonden f 1,20, gebrocheerd f 0,90.
De Strijd tegen de Gebreken, een geschenk voor Christelijke
Jongelieden, door A. A. B, pr. en rector, fraai gebonden
f 0,60, gebrocheerd f 0,40.
De Kluis van Vader Beatus, (nieuwe, fraaie uitgave);
fraai gebonden f 1,60, gebrocheerd f 1,20.
De H. Joseph, gedurende eeue maand aangeroepen als
Schutspatroon der Kerk (luxe-uitgaaf): fijn gebouden
f 0,60, gebrocheerd f 0,40.
-ocr page 209-
V.
Novene en andere Oefeningen, ter eere van den H.
Machutus, patroon tegen zenuwkwalen en kinderziekten:
gebrocheerd f 0,20.
Het H. Vormsel, catechetisch onderricht, in 21 lessen, door
A. A. B.. pr. en reetor: gebrocheerd f 0,15.
Grondspreuken van, en Novene tot de H. Theresia
gebrocheerd f 0.20.
Het Lij densuurwerk van O. H. J. Chr. gebrocheerd
f 0,lu.
Pastoor Kneipp, zijn leven en zijn verken in \'t belang der
menschheid (met portret); gebrocheerd f\' 0,40.
Michaud, Geschiedenis der Kruistochten, (met 100
platen vau Gustave DokÉ; rijk gebonden f 6,50.
Alexis en Iwan, of de Overwintering op Spitsbergen, een
verhaal voor de Jeugd; gebrocheerd f\'0,80, fraai gebonden
t\' 1,20.
Mariëtta, de Vondelinge der Thermen, gebrocheerd f 0,70,
fraai gebonden f l.—
Vóór 100 Jaren in Suriname, Tafereden uit het Planters-
leven,
fraai gebonden f 1,—, gebrocheerd t\' 0,70.
Cassilda, de Moorsche Prinses, gebonden f 0,80.
Poolsche Honden, Gruwelen eens modernen Césars, geb.
f 1,50.
De Ster van Ecija. gebonden f 0,65.
Zwaard en Olijftak, (fraai historisch verhaal), gebonden
f 1,40.
Juanino, Tafereelen int Mexico, gebonden f 0,80.
De Gelukzoekers, een Verhaal voor de Jeugd; gebonden
f 0,80.
Tebsima. de Banneling der Woestijn: gebonden 1,—.
De Wrake van Donna Maria, (fraai historisch verhaal);
gebonden f 0,85.
Catechismus van het bittere Lijden en de glorievolle Verrijzenis
van O. IJ. J. Chr.: door A. A. B, pr. en rector;
gebrocheerd t 0,10
Op Gods genade, of de Weezen van Savoye, gebonden
-ocr page 210-
VI.
f 0,65, en andere werken van a^cetischen of belletria-
tischen inhoud, alle onvoorwaardelijk ten gebruike der
Katholieken geschikt, en voor het meerendeel kkiikri.uk
GOEDGEKEURD.
WITLOX\' BOEKHANDEL, WAALWIJK,
SPECIALITEIT IN
FRAAI GEBONDEN WERKEN,
geschikt voor de prijsuitdeelingen op R. K. scholen;
de catalogus bevat meer dan 400 niet zorg
en bevoegdheid gekozen werken.
WITLOX- BOEKHANDEL. WAALWIJK\', staat
zeeü voordeelige coNDiTiËN toe aan inrichtingen
van onderwijs en aan allo groote afnemers.
Alle handels- boel;- <■» steendruktverk, kantoor- en
schoolbehoeften.
Specialiteit in boekwerken, geschikt voor
de puijsuitdeelingex op r. k. scholen.
Plaatwerk, óléographiën, catechismusprentjes.
Specialiteit
in fljne Arabische wierooksoorten.
-ocr page 211-
VIL
Speciale inrichtingen tot het binden van Missalen,
Breviers, enz.
ASCETISCHE EN WETENSCHAPPELIJKE
UITGAVEN.
SCHOOLBOEKHANDEL.
Aankoop vax Fondsen en Manuscripten*,
Kerkelijke en profane muziek.
Liturgie van Pustet, Dessain, Desclée en anderen.
Steeds voorhanden: de nieuwste uityaven der Kath. Letterk.
Directe Correspondentie met alle landen.
CATALOUEN FRANCO.
> fa^ïC - l**OgSs^-r