-ocr page 1-
103
-ocr page 2-
v»vn I35<S?
-ocr page 3-
.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
ZWITSERLawu in
___         JR
EEN REISVERHAAL
DOOR
ö. A. M. VAK DER KAKT, R. K. Pr.,
NIJMEGEN.
1898.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Zwitserland in vogelvlucht
Waarom dit opschrift gekozen? U begrypt, dat het in
ons niet is opgekomen Zwitserland te bezoeken als adelaars,
die, zwevend boven de toppen der Alpenreuzen, uit de
hoogte neerzien op hot schoonste land der wereld. Een
vogel vliegt hoog boven den grond, dat is waar;- maar
vergeet gy, dat een vogel ook snel kan vliegen?
Snel als de vlucht der vogelen zou onze tocht zyn; te
snel wellicht. Want, wat beteekenen veertien dagen in
een land, waar de natuur al haar schoonheden opeen heeft
gestapeld? Doch wy z\\jn gebonden aan tyd__en reizen
kost geld; twee machtige factoren, waarmede wy rekening
te houden hebben.
Gy hebt Zwitserland niet gezien? Welnu, misschien
mag ik er in slagen u soms in schaduwbeeld de grootsch-
heid van Gods schepping voor oogen te brengen. Soms
zeg ik. want niet allyd zal ik het wagen de natuurwon-
deren der Alpenwereld in teekening te brengen, overtuigd,
dat de stift in myn hand slechts krassen maakt en vorm-
looze lijnen, en op zyn best schaduwen teekent in plaats
van beelden. En als ik u een schetsje bied, denk dan
aan het product van een schooljongen, die in zes trekken
de beeltenis van den meester op de lei heeft gebracht.
Wat ik geven zal is niet beter.
Tyd en omstandigheden zyn u gunstig geweest en gy
hebt eens, misschien meermalen de Alpen bezocht. Dan
maak ik er «een aanspraak op u de schoonheid der bergen
beter te doen kennen, dan het oog ze u kennen deed;
maar stel my tevreden, zoo dit reisverhaal uw herinnering
en verbeelding wakker schudt. Gy\' zult dan genieten als
op den dag, toen gy vol bewondering uw blikken sloeg
-ocr page 8-
- 2 -
op de met sneeuw bedekte kruinen, of in de diepe lachende
dalen; want het zal u gaan als niïj, en teruggekeerd in \'t
eindeloos vlakke Vaderland, zult gy-telkens met voldoening
de beelden der majestueuze Alpeinvereld voor den geest
terugbrengen, zoo vaak de naam van berg of dal, van
waterval of meer vernoemd wordt. „Daar ben ik geweest!
Ja, dat heb ik gezien!" zult gü uitroepen; en Zwitserland
staat voor uw geest in zyn ongeëvenaarde pracht. „En
dat? En dat?" zult gij wrevelig vragen, omdat wy plaat-
sen niet bezocht hebben, die u misschien het meeste boeiden.
Ik begrijp uw vraag, maar alles zien in veertien dagen
is een onmogelijkheid. En als wij later terugkeeren naar
het vrije land der Helvetiërs, — dat plan maakt ieder,
bij wien het schoonheidsgevoel nog niet tot den laatsten
vonk werd uitgedoofd — zullen wij zien, wat wij nog niet
zagen en nog eens genieten, wat wy reeds eenmaal ge-
noten hebben. Gü zult het ons verwijten wellicht, niet
geweest te zijn op de plaatsen, die u zoozeer bekoorden,
doch uw verwijt is my reeds belooning genoeg, omdat ik
mijn doel bereikt acht, als ik Zwitserland voor uw ver-
beelding terug kan roepen.
I. Naar Bazel.
„Tres faciunt collegium", „men moet met zen drieën
zijn," zeggen de Ouden en die mannen van ondervinding
hebben gelijk. De derde man brengt de spraakzaamheid
mee ; dat weten ook de Hollanders. Doch met vier man
op reis is even goed met éen man te veel. als met twee
man met ëen man te weinig is. Een kapitaal verschil is
er slechts: met zen tweeën is altoos te weinig voor een
groote reis; met zen vieren, dat kan, indien het geheele
viertal in denzelfden vorm gekneed is. Deze philosophie
deed ons besluiten met zen drieën op reis te gaan, omdat
wy met tweeën niet wilden en met vieren niet konden.
Wie wy zijn? Och, dat doet zoo weinig ter zaak; denk
maar, dat wy Harry, Jan en Epi gedoopt werden, dan
hebt gij de plank niet ver mis. Alleen de wetenschap,
dat wij ons te recht tot de jongeren van jaren rekenen,
kan u mogelijk van dienst zyn. Zyt gü nieuwsgierig, dan
zal ik er nog byvoegen, dat Harry belast was met de
zorg voor de reis, Jan het loopend werk had en Epi als
Judas fungeerde.
Geruimen ty\'d te voren een Baedeker koopen, wie durft
dat laten? Hem niet bestudeeren, wie zal zoo eigenwijs
zyn? Juist is er een nieuwe uitgave verschenen; wy\'
-ocr page 9-
— 3 —
hebben dus het laatste nieuws uit de beste hand; dat
voorspelt wat goeds! — Zullen wjj hotelcoupons nemen?....
Daar is alles voor en weinig tegen, want gebruiken wy
ze niet, dan zenden wy ze terug. Lissone on Co maakt
ons het zaakje smakelijk. De coupons van „Gazo and
Sons" vragen wy by hem, teneinde ook een Amsterdamsche
firma een stuivertje te laten verdienen; immers vader-
landers moet men voortrekken ?
Men had ons tegen die kaarten gewaarschuwd; z*y waren
ondoelmatig en men werd met zoo\'n papiertje naar de
slechtste kamers verwezen en op de laagste plaatsen aan
tafel gezet. Dit is bepaald onwaar. Geen onvriendelijk
woord, geen onheusche blik is ons om de coupons ten deel
gevallen; zelfs hebben wy tot tweemaal toe juist om
„Gaze" betere kamers gekregen. Ik durf verzekeren, dat
er overdrijving schuilt in de bewering van de haters dezer
papiertjes; maar ook de circulaires, die ze u aanprijzen,
gaan wel een weinig aan hetzelfde euvel mank. Als gy
leest: .Merkelijke besparing van reiskosten," ot „Voordeel!
Kent uw voordeel!\'\' plaats dan gerust een vraagteeken
achter dien uitroep. Er zijn hotels waar ge uw kamer
duurder betaalt, waar het diner u hooger wordt aange-
rekend; maar regel is het niet. Toch zou ik ze een ieder
willen aanraden, tenminste wat de kamer betreft, of het
moest zyn, dat men liever marchandeert als een boertje
bjj de kraam van een marktjood. Kaarten voor diner of
lunch zyn over \'t algemeen te duur om ze aan te bevelen.
Er behoort ten rondreisbiljet te zyn voor zulk een tocht:
dat is makkelijk en goedkoop tevens. Neem er twee, zoo
ge voor een kleine moeite niet terugschrikt: één te Utrecht
en één te Bazel; want alle Zwitsersche lijntjes kennen
Holland het recht niet toe biljetten af te geven, die ook
door hen erkend worden. Die kleine hutjes willen zich
voornaam houden. Daarbij de postwagen in zyn natuur-
lijken afkeer van het stoompaard, weigert hardnekkig die
dingetjes aan te nemen, als ze een buitenlandsch tintje
dragen. Vier uurtjes voor Bazel is niet te veel; en meer
tyd wordt er niet gevraagd om een geel boekje samen te
stellen, dat u vrijen toegang geeft op alle sporen, alle
booten, ja op alle postwagens van het land der postkarren
by uitnemendheid.
Dat wisten wy niet, toen wy op den zonnigen morgen
van 24 Aug. 1895 met een Utrechtsche rondreiskaart in
den zak den tocht naar Bazel over Antwerpen, Brussel,
Luxemburg en Straatsburg aanvaardden. Dien dag zouden
wy by een familielid van een onzer te Antwerpen middag-
-ocr page 10-
— 4 -
malen, en vervolgens met den nachttrein Ostende—Bazel
naar Zwitserland opstoomen. Recht hartelijk was onze
ontvangst te Antwerpen. Wij beschouwden dit als een
gunstig voorteeken. Acht ons daarom niet bygeloovig,
want zoo wy dat geweest waren, zouden wy stellig nog
denzelfden avond naar huis teruggekeerd zijn, omdat er
een zwarte, onheilspellende vogel voor ons opvloog in de
nabijheid van den dierentuin, \'t Was niet een raaf uit
een der kooien losgebroken, \'t was „de snel," die op den
nachttrein te Brussel correspondeert, welke voor ons
heensnorde. Aan zulke voorteekens hechten wy geen
waarde, maar stellen ons liever de praktische vraag: Wat
nn aangevangen? In de stad overnachlen? Wy vinden
er een gastvrij dak. \'t Lokt ons wel aan, maar dan
moeten wy morgen reeds voor vy ven uit de veeren en dat
gaat niet, als men een vermoeienden dag in het vooruit-
zicht heeft. Naar Biussel dus. Waarom niet liever van
avond nog zoover wy kunnen komen? Dat denkbeeld is
niet slecht. Het half uurtje, dat ons nog rest vóór het
vertrek van den volgenden trein, is meer dan voldoende
om ons dit besluit te doen nemen. Geheel in goed humeur
verlieten wy de Scheldestad om een nachtkwartier te be-
trekken op de oevers van den Maasstroom in het lieve,
doch socialistisch gezinde Namen. Tot uw geruststelling
kan ik u mededeelen, dat wy in het rustig en goed „Hotel
Harscamp" niets van de roode tendenzen der bevolking
gemerkt hebben.
Goede kamers, goede bedden, goede spyzen! o ja, dat
hadden wy hier. dat zouden wy vinden overal, \'t Is myn
plan niet u binnen te leiden in elke kamer, u de menu
vóór te leggen van elke table d\'höte, want dan zoudt ge
spoedig meenen de reis te maken met gemakzuchtigen en
gastronomen van \'t echte soort. Slechts by uitzondering
zal ik u op onze kamers ontvangen en u aan tafel vragen.
Mocht gij echter in den waan verkeeren, dat er geen
goede keuken gevonden wordt buiten de grenzen van \'t
zalige Nederland, dan zal ik u by voorbaat verzekeren,
dat de koks van Zwitserland in de edele kookkunst geen
les meer behoeven te nemen bij hun Haagsche vakge-
nooten, en dat de keukenhoeken der Helvetiërs van evenvele
en even goede recepten voorzien zyn, als de Hollandsche.
Alleen het brood is nergens zoo goed en zoo smakelijk
als thuis, en de boter heeft dikwijls van dit hartelijk
voedingsmiddel niet meer dan den naam.
Twaalf uren sporens is vermoeiend en de beste voor-
bereiding voor zulk een tochtje is te vinden in de veeren
-ocr page 11-
— 5 —
van een ledikant, daaraan zal niemand twijfelen. Is het
ook vervelend ? Dat hangt af van het gezelschap en van
de streken die men doorreist. Beide waren ons gunstig.
Na een genoeglijk uurtje gesleten te hebben aan de ont-
byttatel met twee Hollanders, jong en opgeruimd als wy,
bracht de omnibus ons naar het station, waar reeds
een menigte vreemdelingen de komst van den trein af-
wachtte.
Mag ik u een familie voorstellen, die w\\j later nog een
paar malen ontmoeten zullen? \'t Is een deftig heer —
ik zou hem vyf en dertig jaren geven — en een zwaar-
lijvige jonge dame met al de allures aan de gemaaktheid
eigen. Zeker, zn\' worden gaarne gezien, maar hierin
zouden zij niettegenstaande hun piekfijne kleederen, vol-
gens de laatste modes in „Louvre" of\' „Printemps" ver-
vaardigd, niet geslaagd z\'ün, waren zü niet op den voet
gevolgd door een Italiaansche min ot kindermeid. Dat
schepsel trok aller oogen tot zich en indirect tot haar
meester en meesteres, achter welke zü zonder een oogen-
blik van onderbreking aanliep als een gedresseerde poedel.
„Drie pas achter" scheen het bevel en zij ging drie pas
achter, als mijnheer en mevrouw vlug liepen of zacht
verkozen te wandelen; en zy stond drie pas achter, als
een jachthond die wild ruikt, zoo dikwijls hare gebieders
goedvonden zich niet te bewegen, \'t Leek een harlekyn
in vrouwekleeren. Bont en gestreept was het kleed, dat
een passenden snit had voor de bewoners van een gekken-
huis Een mantel van effen zwarte stof was onder de kin
vastgemaakt, golfde over schouder en rug en sleepte de
draagster na over de steenen.
De kap, die tot beschutting van het hoofd haar dienst
presteeren moest, hing als een ongevulde blaasbalg tot
laag op den rug en was, om zeker de opmerkzaamheid
van het publiek te trekken, mot een menigte blinkende
strikken omboord. Zwart als haar mantel waren de
wenkbrauwen boven de groote donkere oogen; zwart het
hoofdhaar; zwart ook het met paarse linten versierde
hoofddeksel, dat wel eenig verwantschap verried met de
muts eener boerendochter van het platteland der Meiery ;
zwart ton laatste waren de breede linten, die bestemd
schenen het hoofddeksel vast te leggen onder de kin,
maar nu vry nedervielen langs de borst als zware anker-
kabels langs den boeg van een driemaster. Geen schoon-
heid zonder contrasten, scheen mevrouws stelregel en
daarom droeg deze zeer lange min een zeer klein kindje;
en was het lange dekkleed, over den kleine geslagen,
effen van kleur, omdat het kleed der min bont was; en
-ocr page 12-
- 6 -
hagelwit, omdat mantel en muts der Italiaansche kool-
zwart waren.
„Zeg eens," vroeg Ilarry, „zou dat geen goede linneu-
meid zijn voor onzen vriend J. ?" Deze had juist een
dienstmaagd noodig, en wij heloten ze hem bij onze thuis-
komst sierk aan te bevelen, onid.it zulk soort in Holland
niet te krijgen is. lioe dat schepsel heette weet ik niet
wij kenden ze niet anders dan onder den naam van Lin-
nenmeid.
Natuurlijk waren wy reeds lang gezeten, toen boven-
genoemd gezelschap nog plaats moest zoeken.
Hier zyn wy ingekwartierd voor een geheelen dag en
nemen daarom den waggon in bezit, alsof wy\' hem voor
weken en maanden gehuurd hadden. De vriendelijke
Franschman, die geen bagage by zich heeft en slechts
tot Metz medereist, heeft er niets tegen, en hij is de eenige
met wien wy den wagen deelen.
Daar gaat het de Maasbrug over. Wat ligt Namen
heerlijk op den hoogen oever van den stroom, door groene
heuvelen omgeven! Wat moet het sterk zyn in dien
gordel vestingwerken en forten! „Dat zegt men," zei
Harry, „en we zullen \'t maar gelooven." „Anders zou
ik \'t Belgische volk beklagen dat hier zyne millioenen
verspilde," vulde Jan aan.
De stoom spot niet afstanden: daar zyn de Ardennen
reeds. Onafzienbare, donkere wouden, slechts hier en daar
een groene weide op de zoomen van een snelstroomend
beekje, slechts nu en dan een jagershut of de woning
eens houthakkers, ziedaar wat de snelle vaart ons van
de Ardennen te aanschouwen biedt, \'t Is een sombere
schoonheid, die weldra plaats maakt voor de bekoorlijk-
heid der vruchtbare heuvelen van Luxemburg.
\'t Wekt aangename en tevens droevige herinneringen
op in het Hollandsche hart, wanneer een Nederlander de
grenzen van het Groothertogdom, zoolang en zoo innig
aan Hollands kroon verLonden, binnenstoomt, en hy\' be-
treurt het, dat deze parel aan de kroon der Oranjes ont-
vallen moest, omdat er geen mannelijke telg meer over
was uit het roemrijk Huis, welks hoofd de Koningswrong
der Vrije Nederlanden mocht dragen.
Ziet gij de hoofdstad van het Hertogdom daar liggen
tegen den heuvelrug, een lusttuin gelijk? Haast u, want
de spoortrein vliegt voorbij en gunt slechts een vluchtigen
blik op de landen, die hy doorloopt
Spoedig daagt het Ryksland op: Elz.is en Lotharingen,
zoo vruchtbaar en zoo schoon, van Frankryks konings-
kleed gescheurd om den Duitschen keizersmantel te sieren.
-ocr page 13-
- 7 —
Wy zijn op de kampplaats, waar voor een groot gedeelte
de strijd tusschen de twee machtigste volken beslist werd
in het bloedige jaar \'70.
Links, in de verte aan gene zy\'de der Moezel, de velden
van 14 Aug: Nouilly, Vantoux, (Joincy. Rechts, verborgen
achter de heuvelen, Gravelotte, Armanvillersen St. Piivat;
en een weinig bezuiden deze ltesonville, Vionville en
Mars-La-Tour, waar op 18 en 16 Aug. de Franschen het
aflegden voor de Duitsche dapperheid en Von Moltke\'s
krijgskunde.
Metz! Laat ons by den aanblik dezer stad de schim
van Maréchal Bazaine niet storen in haar rust, al komt
het ons onverklaarbaar voor, hoe een maarschalk van
Frankrijk wien 170.000 man gehoorzamen, den bevelheb-
berstaf kan toewerpen aan de Pruisen over de muren van
een onneembaar gewaande vesting.
Vergeten wjj voor een oogenblik den oorlog en zijn
verschrikkingen voor een vreedzaam diner.
Niettegenstaande mijn belofte, weinig of niet te speken
over diners, soupers en verdere modeartikelen der gastro-
nomie, begin ik reeds den eersten dag met een spijskaart
te vertoonen en oen middagdisch te beschrijven. Neem
het mij niet kwalijk, want zóo hebbon wy slechts eens
ons middagmaal genomen.
By\' de laatste halte voor Metz kwam de conducteur ons
vragen of wü in genoemde stad verlangden te dineeren.
«Alle drie?" „Ja, alle drie!" en hij schreef met krijt
een dikke 3 op de loopplank van het rijtuig.
„Wat of dat beduiden mag?" vroeg Jan.
\'.\' „Dat weet ik ook niet," zei ik en verzocht Harry eens
even na te zien, hoeveel tijd wij hebben zouden in Metz.
„Wel kerels!" riep Harry, „wij hebben slechts tien
minuten."
Nu is het my wel een raadsel hoe iemand uren en uren
tafelen kan, maar ook een even groot geheim hoe iemand
hetzelfde werk binnen de tien minuten klaarspeelt. Een
half uur voor het middagmaal in de eetzaal van een
station is genoeg, dat weten wy bij ondervinding, doch
10 minuten en dat als men g3eden appetijt heeft?....
„Ah (ja!" riep Jan, bly dat hy het gevonden had.
„Denkt eens aan die mandjes te St. Quentin. Ge weet
wel, toen wij verleden jaar naar Lourdes gingen: wy
hebben ze daar wel niet gskocht, maar toch gezien."
„Jau, ge zult gelyk hebben," zei Harry en Epi, en Jan
had gelyk ook; want nauwelijks stond de trein, of er
kwam een kind aandragen met drie langwerpigvierkante
-ocr page 14-
— 8 —
mandjes, behoorlijk genummerd en met een pinnetje ge-
sloten. Wij waren benieuwd naar den inhoud. Behalve
mes en vork vonden wy- een schaaltje, waarop een goede
portie „roastbeaf met doperwten, peultjes en een aard-
appeltje: nog een ander bo-djo :net niets minder dan een
li.tlve koude kip, waarbij war. harde sla, waarvan ik den
naam niet weet. Nog iets? Wy zullen eens verder zoeken.
Naast hot halve fleschje wyn ontdekken wy een sappige
peer en als wij het papieren vingerdoekje ontplooien, valt
daaruit een stukje taart en een. koekje.
Wy hadden een smakelyken en vroolyken disch. Naar
oud-Romeinsche zeden lagen wy nu eens aan de tafel, die
terzelfdertyd ons rustbed was, aan, en geleken een oogen-
blik later op een schoenpoetser, die op zijn bankje ge-
zeten, den maaltijd gebruikt uit het napje, door zyn
knieën vastgehouden. Gelijk het eekhorentje kastanjes
schilt, zoo werd de kip door de hand gedraaid en afge-
knaagd tot op het been, en brouwersknechts kunnen niet
gezelliger zitten in een bierkelder, dan wü hier zaten met
het fleschje in de linker- en het glaasje in de rechterhand.
Van zoo\'n diner zou ik tien instantaneetjes willen nemen.
Vóór wij de Vogezen bereikten is ons dineetje al af-
geloopen, de boel netjes ingepakt en aan een der stations
afgegeven. Even als van de Ardennen, zagen wü van
deze borgketen slechts weinig, maar wat wij er van zagen
is wel in staat een gunstigen indruk op ons te maken.
Hooger zyn de toppen der Vogezen dan de heuvelen van
Belgisch Luxemburg. In plantengroei wedijveren zij met
elkander. Maar hier meer afwisseling, meer woeste en
wilde partyen; hier steilere, en hoogere bergruggen, die-
pere dalen en onstuimigere bergstrooinen, dan in de
Ardennen. Hier meer lieve dorpjes en meer schilderach-
tige huisjes, die aan deze bergen een leven en vroolijkheid
bijzetten, welke byna geheel gemist wordt in de donkere
wouden van België, waar het oog geen levend wezen
ontwaart dan den baanwachter of een eenzaam jager.
De spoorlijn kronkelt zich als een slang door het ge-
bergte of wringt zich door de rotsen heen, tot zij wederom
een effen baan vindt in de vlakte. Een weinig tyds nog
en Straatsburg doemt op in de verte. Wederom komen
de droevige dagen van \'t jaar \'70 ons voor den geest
zoodra de slanke spits van den 142 meter hoogen Dom-
toren zichtbaar wordt. Van de stad zelve zien wy byna
niets: dat is het lot van een voorbyspoedende reiziger
Wat kunnen wy beter doen op de vlakte, die ons van
Colmar scheidt, dan een weinig keuvelen over de jaren
70—71. Wy hebben de Duitschers, die slechts zelden een
-ocr page 15-
- 9 —
fout begingen, den welverdienden lof niet onthouden en
de Franschen, wier fouten ontelbaar waren, diep beklaagd.
Menig aanvoerder van de legers der „Grande Nation" werd
scherp beoordeeld, maar op de schimmen van de twee
laatsten der heldenrjj, die den naam droeg van „Maréchal
de France", hebben wy geen blaam geworpen. Mac-
Mahon zwichtte voor de overmacht te Wörtn en Canrobert
zag zich geslagen te St. Privat, maar do Duitscher heeft
gevoeld, dat er een leeuwenhart sloeg In de borst dezer
krijgers, en dat in andere omstandigheden de oorlogskans
zich misschien ten hunner gunste gekeerd zou hebben.
Dit tweetal ten minste onze hulde! De hulde door den
keizer van Duitschland. by den dood aan beiden gebracht
spreekt even luid vóór hen als liet proces van landver-
raad getuigt tegen een wapenbroeder, die het zwaard voor
\'s vyands voet heeft neergelegd. Doch ook dezen veroor-
deelen wy niet.
Is er niets merkwaardigs te zien tusschen Straatsburg
en Bazel? \'t Is een vruchtbare landstreek, in \'t verre
verschiet begrensd door de in nevelen gehulde bergen van
Schwarzwald en Vogezen.
Zonder deze zou de vlakte volkomen geluk zyn aan
de lachende streken van Maas en Waal, aan de vruchtbare
gouwen van Holland en Friesland.
Colmar en Muhlhatisen beletten een gezellig praatje
zoomin als de volle trein ezels, die voor \'t station liol-
weiler de aankomst van den sneltrein afwacht om noord-
waarts te stoomen. Alleen het ondergaan der zon achter
de toppen der Vogezen trekt voor eenige oogenblikken
onze aandacht. En nauwelijks is ook de purperen gloed,
die haar ondergang vergezelde, mede ter ruste gegaan, of
torens en huizen van Bazel, het oude Colonia Auguain
Kauracoram,
worden zichtbaar aan den horizon. Weinige
minuten nog en wy hebben de grenzen van \'t vry Ilelvetiö
overschreden.
II. BAZEIi EN DE JuKA-SlMPLONUAAN.
Baedeker verhaalt, hoe deze stad Munacius Plancis als
haar stichter eert, hoe zij haar oorspronkelyken naam in
dien van Basilea veranderde en later Bazel genoemd is;
maar van het weldra ontaarde Concilie, van 1431 tot
1443 binnen haar vesten gehouden, wordt slechts even
met zeer kleine letters melding gemaakt. En toch, door
dit feit alleen is Bazel meer beroemd geworden in de ge-
schiedenis van Europa, dan door alle gebeurtenissen te
-ocr page 16-
— 10 —
zamen welke in den loop der eeuwen binnen haar wallen
hebben plaats gegrepen.
W\\j stappen uit en moeten gevisiteerd worden. De
Zwitser is gemoedelijk, tot zelfs op een douanenkantoor:
dat is zoo.
„Hoeveel sigaren?\' „Tachtig." „Negentig." „Vüftig."
Op de grootste getallen valt geen aanmerking op het
kleinste wel.
„Een Hollander maar 50 sigaren?" vroeg de beambte.
Hoe wist hy, dat wjj tot die natie behooren? \'t Is iny
nog onverklaarbaar. Of ik al volhield: „Ik heberheusch
slechts vüftig," hy geloofde my niet. „Wil je myn kof-
fertje nazien?" vroeg ik.
„Mynheer zal ze wel in den zak hebben."
„Ook myn zakken fouilleeren?"
„Niet noodig, mynheer; \'t is toch goed."
„Is dat nu gemoedelijk?" vraagt gij. Ja, want de ge-
heele scène werd lachend afgespeeld en de man wensen te
de drie Hollanders een prettige reis.
„Hotel Victoria" tegenover het station, dat kan niet
beter. De kamers, ons aangewezen, hebben wy goed be-
vonden, en een kellner biedt ons een strookje papier aan
om onzen naam te teekonen.
„Zal ik dat werk maar voor u mee verrichten?" vraag
ik Harry en Jan.
„Dat is niet noodig, mynheer," zegt de zwartgerokte
in zuiver Hollandse!), „één naam is genoeg."
„Wat nu? Een Hollander?"
„Ja, mynheer," was het antwoord op beide vragen.
„Wel, vriend, hoe komt u hier?"
De Haagscue jongen vertelt ons ziju levensloop. Hy
moet het vak leeren. Om later als „premier" te kunnen
optreden, zal hij dienst nemen in alle streken, waar de
zwermen toeristen bij voorkeur neerstrijken. Te Nizza en
Monte Carlo heeft hy reeds gediend; nu is Zwitserland
aan de beurt: Italië, Oostenrijk en Duitschland zullen
volgen. My dunkt, ik zie de hoteliers van Holland reeds
plukharen om dit jongmensch; want ver zal hy\' het bren-
gen in zyn moeielyk vak, daar ben ik zeker van.
Wy maken nog heden een wandeling door de merk-
waardige stad, want morgen reeds in de vroegte gaan wy
van hier, omdat wy der. verloren tyd moeten ingehaald
hebben vóór wy Geneve verlaten. Dat moet nu eenmaal
en dan blytt er ook niets anders over dan hier en daar
ons progiam een weinig te besnoeien; iets waarmede wy
in Bazel reeds beginnen.
-ocr page 17-
- 11 —
Natuurlijk het eerst Vader Rün onzen groet gebracht.
Op de reusachtige en fraaie „Wettsteinbrücke", hoog over
den stroom geslagen, blijven wy een oogenblik luisteren
naar het harmonieuze geluid, dat opstijgt uit de ontsui-
inige golven van den blauwen Rijn. Twee derde van al
de wateren, uit de Alpen voortgekomen, worden heen ge-
jaagd langs de machtige pijlers, die ons dragen. De oevers
van den stroom zijn schaars verlicht, maar juist dat
flauwe licht der weinige gaslantarens hult den vloed, die
de stad in twee helften verdeelt, in een fantastisch donker
en veroorlooft de beter verlichte Oude-Brug zich scherp
al te teekenen tegen den duisteren achtergrond.
Onder de dichte hoornen van de rechte Rynkade zullen
wy op een der vele banken, juist tegenover den ouden
Munster, plaats nemen om het maantje onder te zien gaan
achter de huizen en torens van Groot-Bazel. Tien tegen
een, dat het u onmogelijk is op te staan zoolang de Rijn-
stroom met het zachte maanlicht speelt: eerst als \'t
maantje onder is, gaat gij verder.
Langs de oevers zetten wij onze wandeling voort en
bestijgen de „Alte Brücke". Over het marktveld, langs
het oude stadhuis, de kerk der „Barrevoeters", in een
museum herschapen, bereiken wij de slanke gothische
„St. Elisabethkirche", en de bron aan dezelfde bemin-
nelijke Heilige van Tuuringen gewijd en belanden weldra
in ons hotel.
Wy hebben de rust verdiend, want de dag van heden
was vermoeiend; wy hebben ze noodig, want morgen is
het wederom vroeg dag voor ons.
Wel is het zien van steden geenszins ons doel, maar
toch, door de avondwandeling van gisteren verleid, kan
ik de bekoring geen weerstand bieden en verlaat geruimen
ty\'d vóór myn tochtgenooten liet bed om de stad by dag-
licht te doorkruisen. Ik zal u niet vragen my zoo vroeg
in de straten en op de boorden van de rivier te verge-
zellen: er is nog geen levend wezen te bespeuren dan de
hond, die den nacht onder den blooten hemel doorbracht
en de werkman, die zich naar de fabriek te Klein-Bazel
begeeft. Kom my een uurtje later vinden bij den Munster,
dan zullen wy te zamen dat belangwekkende gebouw, half
in Romaanschen, half in Gothischen styl opgetrokken,
bezichtigen. De twee torens vinden wy schoon, maar met
het bonte dak kunnen wy ons niet vereenigen: het lykt
geweven te zyn in een der Hollandsche bontjesfabrieken.
Stelt gy veel belang in onzen geleerden, halfslachtigen
landgenoot, den Grooten Rotterdammer Erasmus? Hier
ligt hy begraven, maar het niet onaardig grafschrift:
-ocr page 18-
- 12 —
Erasmus
Eras raus
Omnia rodere solitus
Nunc roderis a vermibus \')
staat niet op den zerk gebeiteld. Gaat uw bewondering
voor hem zoover, dat gij ook zijn sterfkamer bezoeken
wilt, dan zal ik u straks er henen voeren; nu gaan wh\'
een kijkje nemen op het terras achter de kerk.
„Wie is dat?\'\' vraagt gij, wijzend op een standbeeld.
„Laatons doorgaan: \'t Is Luthers leerling en vriend,
de Hervormer Oecolampadius, wiens grootste verdienste
het is zijn naam vertaald te hebben."
De oude. overwelfde zuilengangen, tot voor weinige
jaren als begraafplaats gebruikt, lokken mij meer aan dan
het beeld van een afvallige, en ik vind het gezicht van
het kleine lerras, op stroom en stad, waarachter de toppen
van het Schwarzwald in morgennevelen gehuld, zich ver-
toonen, vrij wat aantrekkelijker dan de steenen beeltenis
van een geloofsverzaker.
Gaarne zou ik uw gids zijn in de belangrijke musea en
de groote bibliotheek, maar de tyd gedoogt het niet en
beide zijn nog gesloten.
Klokke negen verlaten wij Bazel en de Jura Simplon-
baan, die de eer heeft ons te vervoeren, zal ons omtrent
het middaguur te Neuchatel afzetten.
„Aussichtwagens," waaraan Zwitserland zoo rijk moet
zijn, hebben wij niet eens aangetroffen. Mogelijk was het
seizoen voor deze luchtige voertuigen reeds verstreken,
al had de zomerwarmte het land nog niet verlaten. Wij
behelpen ons dus met een frewonen waggon Doch \'t is
geen Hollandsen model, \'t Zijn rijtuigen met geen of met
hoogstens één tusschenschot en hebben veel gelijkenis met
onze tram wagens. Als bij deze, bevindt zich do ingang
op het kleine balkon vóór en achter het rijtuig: ook de
raampjes zijn van hetzelfde model. Alleen de zitplaatsen
verschillen Zij zijn niet aangebracht in de lengte, maar
in de breedte. Een gangetje, dat van deur tot deur den
waggon doorloopt, verleent den toegang tot de twee aan
twee tegenoverelkander geplaatste bankjes.
Een prettige zitplaats voor vier en een nog prettiger
voor drie personen, die de bagage, waarvoor misschien
geen plaats genoeg is in het netwerk, boven hun hoofd
door sierlijke ijzeren stangen in de hoogte gehouden, op de
byna zeker open blijvende vierde plaats kunnen neerzetten.
1. Gij waart een muis, Krasmus, gewoon aan alles te kungen.
Thans knagen de wurmen aan u.
-ocr page 19-
— 13 —
De trein stond reeds op vertrekken, toen de linnenmeid,
— haar kennis maakten wy\' te Namen — voorafgegaan
door Monsieur et Madame, in alle haar waardigheid door
ons compartiment henen stapte, deftiger dan een haan
tusschen de kippen. Dit drietal scheen geen behoorlijke
plaats te kunnen vinden, vooraleer de lange trein in ge-
heel zyn lengte doorwandeld was, want het kwam uit den
wagen achter ons en ging over in dien voor ons. Zouden
zij het beter kunnen aanleggen, om zeker door allen ge-
zien te worden?
Den raad van Baedeker volgend hadden wy rechts plaats
genomen. Nauwelijks hebben wy Bazel verlaten of reeds
wy\'zen wy elkander op menig heerlijk landschap. Niet
grootsch, maar lief en schilderachtig zyn de heuvelen in
het groene kleed van struiken en boomen, van weiden en
veldgewassen. Wondervol harmonieeren de Zwitsersche
huisjes, over den zacht glooienden bergrug verspreid, met
de natuur die hen omgeeft; en schenken met de bouw-
vallen van hechte middeleeuwsche burchten, getuigen van
de vroegere macht en grootheid der Bazelsche bisschoppen,
aan geheel deze streek een bevallige bekoorlijkheid.
Mönchenstein herinnert ons aan de spoorwegramp van
17 Juli \'91; en als wy den blik vestigen op de brug, over
den bergstroom geslagen, schudden wy, aan de reuzen-
bruggen van Holland gewoon, bedenkelijk het hoofd en
vragen ons af: „Kan deze een spoortrein dragen?" Nog
menigmaal zullen wy die vraag herhalen, als de locomotief
ons pijlsnel voert over bergstroom en rotskloof. Wy zijn
geen ingenieurs en gelooven nog niet er ooit voor te zullen
doorgaan, waaruit volgt, dat wy wèl zullen doen met aan
haar hechtheid niet te twijfelen.
Als ik een opsomming maakte van alle dorpen, die wy
voorbij stoomden en van alle dorpjes, die wij van verre
zagen, zou myn verhaal niet ten onrechte den naam ver-
dienen van proeve eener aardrijkskundige les Alleen wy\'s
ik op het oude stadje Laufen, omdat wy aanstonds in een
eng en woudryk dal den doorgang aan de Birs en den
rijweg moeten betwisten, wat ons nooit gelukken zal, zoo
wy niet tweemaal een tunnel dóór- en tweemaal de rivier
overgaan. Wy blijven de Birs volgen langs Delémont en
betreden by liennendorf het Münsterdal, door de Franschen
Val Moutier genaamd. Hooge en steile rotsen van kalk-
steen sluiten het dal van beide zyden in.
De ruwe en woeste natuur is schoon in de grilligheid
der vormen, die zy gaf aan rotsen en kloven; en noodigt
den vreemdeling uit tot een wandeling door de vallei, die
-ocr page 20-
- 14 -
veeleer den naam van bergengte verdient te dragen, om
beter dan by de snelheid van een spoorwagen de schoon-
heid van deze streken te bewonderen. Hoe gaarne wjj
ook hare uitnoodiging zouden aannemen; wy mogen niet:
wy\' moeten voort.
Hoe heerlijk ligt ginds vóór ons de brug, die ons aan-
stonds voor de zooveel en zooveelste maal de Birs gaat
overvoeren; hoe stout zyn die menigvuldige tunneltjes,
waardoor het stoompaard ons zal voortslepen in zyn vaart!
Ach, daar is Munster reeds! \'t Moge een lief stadje zyn
in \'t groene dal gelegen, als witte schelpen tusschen de
lage plantjes van een mozaïkperk, by de woeste natuur
van het dal, dat zyn naam draagt, haalt het Munster in
schoonheid niet, en wy betreuren het deze bergklove ver-
laten te hebben. Nauwelyks is Moutier uit het oog ver-
dwenen, of daar gaat het de engten van de „Roches de
Court" binnen, die weinig of niet voor de zooeven verlatene
in schoonheid behoeft onder te doen. Thans nog eenige
tunnels door, nog eenige bebouwde en beplante heuvelen
langs vóór wy de „Pierre Pertuis" de Petra Pcrtusa der
Romeinen, door het harte varen.
Links van ons ligt een dorpje. Daar ligt een spoor-
weghalte by, wij zien het, want wy zyn hoog boven de
huizen. Wy dachten niet een kwartier later aan het
station te zullen stoppen, en toch het geschiedde zo3.
Langs den bergrug keert zich de weg in sterke kromming
en voert, na een halven cirkel beschreven te hebben om
het kleine dal, tot voor het station, straks door ons uit
de hoogte gezien.
De Birs hebben wy reeds te Tavannes verlaten en
krygen hier, in de Schüss een nieuwe reisgezellin, die ons
tot Biel zal begeleiden.
Zullen wy te Sonceboz uitstygen en over La Chaux-de-
Fonds Neuchatel bereiken? \'t Spyt ons, dat de tyd niet
toelaat dezen omweg te maken: men zegt, dat het een
der schoonste banen van Zwitserland is. Doch ook de
route, die wy volgen kan aanspraak maken op een goeden
naam en wedyvert met het door ons reeds afgelegde ge-
deelte. Dezelfde dichte wouden in enge, diepe bergkloven,
een zelfde woeste beek, die even dikwyls overbrugd moest
worden om den reiziger langs haar oevers opwaarts te
voeren. Vestig uw aandacht op den waterval der Schüss
met de ruïnen van \'t oude kasteel Eondechatel boven
dezen, zie de koene brug hoog over de klove, waarin de
bergstroom kookt, geslagen, en gy hebt een paar berg-
partytjes, die gy nimmermeer vergeet.
Ook Biel vergeet gy niet, want én de stad, die tegen
-ocr page 21-
- 15 -
den heuvel rust met den voet in de blauwe wateren der
„Bieler See"; èn de laaglanden, die het kalme meer om-
zoomen, moeten, zooals wy ze zien uit de hoogte, indruk
maken op hem, die niet alle gevoel voor de lieflijkheid
in de natuur heeft afgelegd.
Doch spoedt u voor het raam ter linker zyde, want
slechts een oogenblik wordt dit genot gegund: de trein
daalt af naar de stad en de oevers van het meer.
Wy hadden „Magglingen," een hotel op 900 meter hoogte
tegen het Juragebergte gelegen, op ons program geschre-
ven, om vandaar uit onzen eersten groet te brengen aan
de Alpen, doch het werd om twee redenen geschrapt.
Vooreerst wy wilden de vertraging van den eersten dag
inhalen en ton andere de lucht was niet helder.
En dat op een zomerschen dag? U is wellicht amateur-
photograat? want dat zaakjo begint by een goede op-
voeding te hooren, gelijk de flets. Welnu, dan zal u de
ondervinding geleerd hebben, dat by het zomerzonnetje
zelden een landschap te maken is, omdat doorgaans de
lucht alle doorschynendheid mist op zulke dagen.
Dat die stelling waarheid bevat, zullen wy\' spoedig be-
merken. „Schön ist am klaren Tage der Bliek über den
See aut die Kette der Berner Alpen," zegt Baedeker.
Geen bergtop hebben wy gezien aan gene zyde des meers,
wel een bewys, dat znlke zonnige dagen niet tot de hel-
dere te rekenen zyn. Wy zullen dat later nog beter
ondervinden.
Toch bleet, al moesten wy het gezicht op de bergen/
missen, de weg langs de oevers van het Bieler meer ons
lang een aangename afwisseling bieden en de tyd viel
ons kort.
Het boschryke „Petersinsel\'\' vonden wy schilderachtig,
al kunnen wy geenszins het gevoelen deelen van hen, die
dit eiland als een heiligdom beschouwen, omdat J. J.
Kousseau, de Philosoof van Genéve, daar vertoefd en
sophismen gesmeed heeft.
Neuveville (waarom zouden wy Neuenstadt schry ven ?
er wordt slechts Fransch gesproken) evenzoo de andere
kleine plaatsen langs den weg naar Neuchatel stoomen
wy te spoedig voorby om er byzondere aandacht aan te
kunnen schenken, Meer dan deze plaatsjes trok ons het
kleinere meer van Biel en zyn grootere nabuur van Neu-
chatel, die elkander zoo dicht naderen, dat de vlugge
trein in éen sprong van den eenen naarden anderen oever
schynt over te springen. Als het eene zich ontrekt aan
ons oog, doemt het andere reeds op. Dit zullen wy het
-ocr page 22-
- 16 -
halt uurtje stoomens, dat ons nog rest, ter linkerzijde houden,
terwyl de Juraketen zich ter rechter bluft voortzetten.
„Neuchatel!" ïoept men langs den trein De tram staat
klaar, die ons naar de stad opslerpen en brengen zal op
de Place du Port nabij de aanlegplaats der booten, en
wat óók iets zegt, nabij de „Brasserie Cambrinus", door
onzen reisgids aanbevolen.
Dat het niet koud was, had ons het helder zonnetje
reeds gezegd, maar de zucht van den trein, die zich
voortspoedde door lommerrijke bosschen en kille berg-
kloven, waarin de eerste zonnestraal dien dag nog niet
was doorgedrongen; zoowel als de koele bries, die de
meren ons tegenzonden, deed het ons lekker vinden in
den ruimen wagen. Nu eerst gevoelen wy hoe warm het
is. Als er ooit musschen van de hitte gapen in de dak-
goten, dan is het zeker vandaag Gelukkig is „Cambrinus"
maar eenige schreden verwijderd en als wy valiesje en
overjas daar geborgen en onze lunch besteld hebben,
zullen wy, met zonnescherm gewapend, onze voorgenomen
wandeling langs slot en kerk, langs kaai en stadstuin
aanvangen. Doch verder dan de aanlegplaats der booten
brengen wy het niet: het voorstel om stilletjes naar het
koele lokaal van „Cambrinus" terug te keeren, vindt geen
tegenstemmer en wy slenteren langs het Museum en het
nieuwe Postkantoor naar de restauratie, waar wy, na
goede bewijzen van appetijt gegeven te hebben, den
overigen tyd doorbrengen in gezelligen kout, onder het
rooken van een sigaartje en het ledigen van een rleschje
Neuchateller, geboren in \'t jaar \'84. \'t Schijnt port met
water verdund doch in werkelijkheid is \'t een overheerlijk
glaasje, dat geen fijnproever versmaden zou.
Tijdig - hoe kan het anders als men zooveel tyd heeft?
— hadden wij onze plaats op de boot, die de gemeenschap
tusschen de hoofdstad van het oude vorstendom Neuchatel
en Muiten onderhoudt, uitgekozen. Tien minuten na onze
komst gaf de stoomfluit het teeken tot vertrek De stad
wykt langzamerhand terug, wordt kleiner en kleiner en
is reeds lang in de nevelen schuil gegaan voor wij ankeren
by het lieve plaatsje St. lilaise. Die nevel speelt ons
leelijke parten. Het Alpeiiaussicht moet hier heerlijk zijn,
wy merken hun bestaan niet eens en het Juragebergte
vertoont zich slechts als dunne wolken aan den horizon.
Een zaak wordt ons voor het gemis van dit alles in ruil
gegeven; een weldadige koelte, die opstijgt uit de wateren.
Na St. Blaise steken wij in oostelijke richting het meer
over, teneinde het kanaaltje, dat de meren van Neuchatel
en Murten verbindt, binnen te varen.
-ocr page 23-
_ 17 _
Wie kon denken, dat wy hier Philemon en Baucis, die
voorbeeldige oudjes uit den tijd der oppermachtige goden,
ontmoeten zouden? Man en vrouw,— beiden telden meer
dan zeven kruisjes, — maakten met ons den overtocht
van St. Blaise naar Murten. De luchtstroom op het meer
was sterk en joeg de geweldige hitte weg van de opper-
vlakte des waters. Dat was juist ons verlangen; maar
het oude bloed is meer vatbaar voor tocht en wind, dan
het jonge en moet zich beschutten, waar het jonge zich
gaarne bloot geeft.
Philemon en Baucis, dien naam geven wy het paartje
reeds spoedig en die eerenaam was verdiend, want meer
bezorgd voor elkander dan deze, kunnen de oudjes uit
den voortijd voor elkander niet geweest zyn en in hulp-
vaardigheid stonden de laatsten zeker by hen achter.
Moeder maakte vaders overjas dicht alsof zy- een kind
bakerde, zette den fluweelen kraag zoo hoog mogelijk op
en knoopte een zijden das om den hals van haar
echtvriend. Hiermede niet tevreden, haalde z\\j een warme
wollen muts te voorschyn. drukte deze op het hoofd van
manlief tot diep over de ooren. Hij op zyn beurt was
moeder behulpzaam, wierp haar den zwarten, dikken doek
om het hoofd en sloeg één nog zwaarderen en grooteren
over de schouders der genoeglijk lachende vrouw. Wjj
hadden pret in deze gemoedelijke oudjes en geen wonder,
want Philemon en Baucis is een vry zeldzame verschijning
in onze dagen.
Al heeft de kapitein ons gezegd, dat wij den trein te
Morat zeer zeker zullen halen, toch zyn wjj van de waar-
heid zijner bewering niet overtuigd en staan met ons uur-
werk in de hand. \'t Zal gaan, nog tien minuten! O, wee!
daar is geen rijtuig aan de landingsplaats Te voet dan!
Een jongen zal twee onzer drie handkoffertjes dragen,
maar een is hem reeds te zwaar: wy zyn genoodzaakt ze
van hem terug te nemen of de kans is geheel en al ver-
keken, want de jongen kan onzen vluggen tred niet volgen
en tdyft spoedig achter. Met een overjas aan en een
koffertje in de hand onder de brandende zon een stagen-
den weg half loopend afleggen, om, byna aan den eindpaal
gekomen, den trein, als lachte hij ons uit, fluitend vóór
ons te zien heensnorren, dat stempelt ons beter tot toerist,
dan het koopen van een Alpenstok met zware ijzeren
punt. Op dat oogenblik lachten wy geenszins om het
geval, want het bezorgde ons twee uur wachtens hier en
anderhalf te Payerne, waardoor wij om elf in plaats van
om zeven uur te Lausanne aankwamen. Zoo het u over-
-ocr page 24-
— 18 —
kwam op een minder warmen dag, zou ik u den raad
geven Murten, of, geluk de Franschen liet oude stadje
noemen, Morat eens rond te wandelen. De oude muren
en torens, door Adriaan van Bubenberg met een handje
volks zoo dapper tegen Karel den Stouten verdedigd, z\'y\'n
een kijkje overwaard.
Misschien zult gij, door de herinnering aan die woelige
tüden gedreven, het slagveld bezoeken, waar de heersch-
zuchtige Hertog van Borgondië zijn leger veiloor en zijn
moed. \'t Ligt slechts een half uur buiten de stad, en
Karel is voor ons Nederlanders geen onbekende, want op
de schoolbanken reeds leerden wy van den ouden meester
het rijmpje :
Voor Gi\'andson verloor hij zijn goed,
Voor Murten zijn moed,
Vóór Nancy zijn bloed.
Als gij de marmeren zuil, welke aan den Moedigen slag
van 22 Juni 1476 herinnert, bezichtigd hebt, wordt het
tijd om naar de statie weer te keeren, want uw wachttijd
is voorbij.
Bij ons vertrek uit Murten gaat de zon reeds in bloe-
dige nevelen achter de verre toppen van het Juragebergte
onder en wordt de avond ingeluid door de Alpenklokjes,
vroolyk klingelend aan den hals der huiswaarts keerende
runderen. Voor het eerst op deze reis treft ons de har-
monieuze toon dezer kunstelooze klokjes.
Te Payerne vinden wij het gaslicht reeds hier en daar
ontstoken, maar de schemering vergunt ons nog in de
verte de laatste letters te lezen van een opschrilt, dat
wn\' zoeken. KS. alleen is zichtbaar, dat is genoeg! Wy
zijn er zeker van in het „Hotel de 1\'Ours" aan te landen.
De anderhalf uur, die wy hier wachtend moeten door-
brengen, zullen wij besteden met ons diner, of zoo dat
woord u tegenstaat — met ons souper te gebruiken.
Ik leid u binnen in de ruime en goed verlichte eetzaal,
niet om u getuigen te doen zijn van onzen eetlust, maar
om u een dertigtal artillerie-officieren van het Bondsleger
voor te stellen, die juist met het dessert beginnen. Vol-
gens rang hebben zij aan tafel plaats genomen. Zij zijn
beleefd, naar het schijnt, want allen, die onzen groet be-
merkten, hebben hem hoffelijk beantwoord. Wij worden
geplaatst aan een klein tafeltje zóó, dat wij de zonen van
Mars van top tot teen kunnen opnemen zonder den schijn
van plompe onbeleefdheid op ons te laden. Onder de
hoofdofficieren zijn kranige koppen: echte typen van een
-ocr page 25-
- 19 -
krygsman. De overste vooral schünt voor het commando
geboren: dat donker oog, die strenge blikken, dat breede
voorhoofd teekent den bevelhebber. Twee kapiteins uit
zijn naaste omgeving zijn reuzen, wien Frederik een eer-
volle plaats in zyn garde zou hebben aangeboden of op-
gedrongen. Ook de jongeren, op een paar uitzonderingen
na, zyn uit het Zwitsersche hout gesneden, dat goede
soldaten levert Geheel het corps maakte een uitsteken-
den indruk op de drie Hollanders, die ze zagen te Payerne
bij gelegenheid der najaarsmanoeuvres. Zelfs hun kleeding
was schilderachtig en mannelijk: alleen de pet was veel
te groot en kon in tyd van nood den ransel vervangen.1)
Madame, een goed, eenvoudig mensen kwam ons vragen
of wy tevreden waren over het diner. Wy antwoordden
volgaarne: „Ja," en hadden er alle reden voor. Dat deed
madame goed en en zulks toonde zy door ons met alle
bereidvaardigheid de inlichtingen te geven, die wy ver-
langden. Ik beloofde haar het „Hotel de 1\'Ours" aan de
Hollandsche vrienden te zullen aanbevelen Welnu, als
gy ooit in Payerne afstapt zult gy het goed hebben in
„Hotel Baren," wanneer dezelfde madame nog in leven, eu
het de tijd is der legeroefeningen.
Wjj hebben er veel op tegen in den avond gebruik te
maken van den spoortrein, want dat is in Zwitserland een
beleediijing van de natuur. Toch zullen wy haar tot
onze innige droefheid een kaakslag moeten geven, willen
wij nog heden avond Lausanne bereiken.
III. Om het Meer van Geneve.
Naar Geneve.
De aanblik van het „Lac Léman" moet overweldigend
schoon zijn, als men uit de duisternis van een lange tunnel
eensklaps wordt overgeplaatst in het volle daglicht, door
den azuren hemel neergezonden op het blauwe meer en
de aschgranwe bergen, die het omgeven. Wel zullen wy
later denzeltden weg opstoomend, het meer zien in al zyn
schoonheid, maar dan zal ons oog gewend zijn aan het
spel der kleurige golfjes, waarin de zonnestraal zich
brekend weerkaatst, alsof het water gouden vonken schoot.
De bergen, in een nevelachtig kleed gehuld, hebben wy
dan reeds van verre aanschouwd en in al hun vormen
bespied; de dorpen en steden, tusschen de groene wjjn-
(1) Ik schretf dit voor ruim twee jaar. Nu moest ik eigenlijk die
woorden doorhalen, want liet hoofddeksel onzer landsverdedigers is
bijn» van hetzelfde modi.
-ocr page 26-
— 20 -
bergen verscholen, elkander met den vinger aangewezen.
\'t Is zóó reeds heerlijk schoon, wat moet het dan zijn,
als de tooverroede van een plotselingen overgang ons
aanraakt, daar deze godin de macht heeft alle schoonheid
honderdvoudig te vergrooten.
Dat hier te moeten missen heeft ons leed gedaan. Mogen
wh\' dan niets van die schoonheid genieten? Wat moeten
wij het maantje dankbaar zyn, dat zyn zilveren lantaarn
aan de overzijde van het meer hoog boven Meillerio had
opgehangen. Al heeft het de kracht niet der zon om alle
schoonheid bloot te leggen voor ons oog, toch kunnen wij
ons, zy het slechts een flauw denkbeeld vormen van het
natuurschoon, dat den vreemdeling bij helderen zomrdag
geboden wordt op het oogenblik dat hy\' den tunnel van
Cully verlaat. Het geheimzinnige, wat het zonlicht mist,
kunnen wy\' bewonderen naar hartelust. Alsspookgestalten
houden bergen en rotsen de wacht aan het meer en werpen
hun lange, door den golfslag gebroken schaduwen ver
over den waterspiegel voort! Scherp teekent zich licht
en schaduw af op de witte huizen van Cully en Vilette
beneden ons, tusschen de wingerdrnnken en bladerkronen
door op de vruchtbare hellingen. De ontstoken lantaarns
van Lausanne z\'yn als dwaallichtjes, zwevend boven een
moeras, \'t Zou ons niet lang gevallen zijn, indien wy\' een
half uur later eerst de waarschuwende stem des conduc-
teurs vernomen hadden: .Lausanne aussteigen!"
W\\j nonen die waarschuwing ter harte en stijgen uit.
Tien minuten hadden de zwaargebouwde witte paarden,
die wij Walen zouden noemen, werk om den omnibus van
het „lïotel Richemont" den steilen weg op te sleepen tot
vóór de eerste verdieping van dat weelderig vreemaelin-
genverblijf. Dat wy als het ware per rijtuig in onze
slaapkamers gereden werden, — wij hadden ze nabij den
ingang — vonden wij heel aanlig; en heel vreemd, omdar,
wy bij avond niet bemerkt hadden, dat wij „au premier\'\'
aan land stapten. Dit zouden wij eerst den volgenden
morgen bij het openen onzer ramen, die toegang gaven
tot een balkon, ontdekken. Wij dachten op een terras te
komen en zetten den voet een zestal meters hooger dan
wy vermoedden, boven de bloemperken van het hotel.
„Richemont" is gelegen op de helling eens heuvels en
heeft het front in den tuin, die langs de steile glooiing
naar beneden loopt tot nabij het station Deze glooiing
verklaart lier, hoe de reiziger aan de achterzijde des
hotels waar de omnibus hem afzet, reeds do eerste ver-
dieping vindt, en zegt ons tevens, dat wy\' do eetzalen
beneden en niet by den ingang moeten zoeken.
-ocr page 27-
— 21 —
Niettegenstaande de vertraging te Murten ondervonden,
zou ons plan om met de morgenboot naar Ouchy, de voor-
stad van Lausanne, naar Qeneve te vertrekken, doorgaan.
De merkwaardigheden van het oude Lausonium zullen wy
by den terugkeer in deze plaats bezichtigen, hadden wy
gezegd.
De boot vertrekt reeds vroeg in den morgen uit Ouchy,
dus moesten wy vroeg uit de veeren. Wat maakt dat!
wij zyn jong en gewoon de zon te zien opgaan. Eest
nog de afrekening en wy vertrekken met bet rijtuig, dat
een kamerjongen voor ons zal halen, daar de omnibus nog
niet wakker is.
Als men iets kwaads van iemand of van iets gehoord
heeft, is men zoo licht geneigd iets van dat kwaad te
gelooven. Op lien menschenkundigen stelregel maken wy
geen uitzondering.
Met hotelcoupons wordt men altijd slecht behandeld,
had men ons gezegd Wij geloofden liet niet, maar toch,
\'t kon waar zijn en daarom van die dingetjes gezwegen
tot by\' de afrekening. Wel waarschuwde ons de omslag
van bet couponboekje te zeggen bij de aankomst: „Wy
zullen met „óaze" betalen," of iets dergelijks; doch juist
die waarschuwing deed ons het zaakje mistrouwen en wy
besloten te zwijgen tot het oogonblik der afrekening ge-
komen zou zijn. Te Bazel gelukte, wat wij een krygslist
dachten: \'t zal hier ook wel gaan. Ja wel! daar kwam
de rekening en de kamers waren zoo hoog mogelyk ge-
noteerd. Ik baalde „Gaze" voor den dag, doch die vlieger
ging niet op. de staart was te zwaar.
„Mijnheer", zei de portier, „u bad zulks gisteren avond
moeten zeggen "
— „Wel, mynheer," — speel zeker mynheer tegen een
portier in zulk geval — .dal hebben wij nog nooit gedaan."
„En toch het moet, mijnheer. Hier staat het," en hy
wees op den omslag van het boekje, waar het ook wer-
kelijk stond.
\'t Is toch feitelyk hetzelfde of het gezegd wordt of niet:
men zal er ons niet slechter om behandelen?
Op dit laatste moest de portier bet antwoord schuldig
blyven
„\'t Was toch zóo", herhaalde hy en voegde er doodleuk
by: „Enfin, un petit pourboire" en ik zal de zaak regelen."
Na eenige minuten in het bureau vertoefd te hebben,
bood hy ons de kwitantie aan en.... wachtte zijn fooitje.
Juist was de kamerjongen teruggekeerd met de verze-
kering, dat er nog geen rytuig te vinden was, waarop de
portier ons den goeden raad gat met den kabeltram naar
-ocr page 28-
— 22 -
de voorstad af te dalen. De jongen zou ons den weg
wyzen en de koffertjes dragen Wij kwamen juist tijds
genoeg om den tram in de tunnel te zien verdwijnen:
de boot waarop hij correspondeerde, konden wij met geen
mogelijkheid meer halen. Wat nu begonnen? liet station
van den spoorweg ligt aan de overzijde van het plein,
waarop wy ons bevinden. Daar zullen wij onze bagage
afgeven en de twee uren die er nog verstrijken moeten
vóór het vertrek van een geschikten trein naar Geneve,
besteden aan een stadswandeling, dan kunnen wy op onze
reis naar Bern Lausanne in \'t voorbijgaan groeten.
Kan men de stad in dien tijd zien? Neen, de hoofdstad
van het kanton Waadt, met zijn nauwe, morsige en steile
straten, met zijn onaanzienlijke, doch merkwaardige huizen
is in twee uurtjes niet te doorloopen; zelfs is het onmo-
gelijk de voornaamste punten der stad alle te bezoeken.
Daarom zullen wij, gewoon niet te veel hooi op de vork
te nemen, ons tot weinige bepalen, te meer daar het
zonnetje reeds warm op onze hoofden schijnt.
Gemakshalve laten wij ons door den kabeltram tot de
brug, naar den naam des ontwerpers „Pont Richard" ge-
noemd, optrekken. Denk u hier geen water op den berg-
rug, omdat er een brug is: \'t is een onbebouwde laagte,
die overbrugd wordt door dit gevaarte van graniet.
\'t Heet opletten hier, willen wij door dien doolhof van
straten en steegjes de markt bereiken. Zou dat de houten
trap zijn, die ons naar de hooggelegen kathedraal zal op-
voeren? wij moeten ze hier vinden. Hij is het. Hon-
derd zestig ongemakkelijke, onzindelijke treden gaan wij
bestijgen; en vóór de helft is afgelegd, verwensenen wij
de vindingrijkheid desgenen, die dit onding tot stand heeft
gebracht. Als stad ot kanton een rijken dwaas vindt,
die eenige millioenen te vermaken heeft, zal dit marteltuig
stellig door iets beters en fraaiers vervangen worden.
Een standbeeld voor den milden gever zal er wel op
- overschieten: er is nog plaats voor op de markt, waar
b\\j uitzondering nog geen standbeeld staat.
— Niet knorren, als ik u bidden mag. Op het terras
vóór de kathedraal zult gij de vermoeienis vergeten; want
op het oude kerkhof, onder de boomen, wier lommer den
trappenklimmer tot rust noodigt, vinden wij een prachtig
gezicht op stad en voorstad, op meer en bergen, indien
deze laatste zichtbaar zn\'n, wat heden slechts ten halve
gezegd kan worden. Zullen wij hetzelfde misschien wat
beter gaan zien op den toren der kerk, of bij het hooger
gelegen oud-bisschoppelijke slot? Zullen wij opstijgen naar
-ocr page 29-
- 23 —
„Signal"? Goed! maar ik vergezel u niet by een tropische
hitte, als die van heden, overtuigd dat daarboven het
gebergte evengoed in mist en nevelen gehuld blyft voor
het oog des bezoekers. Laat ons die moeite sparen en
ons hier verlustigen in het overheerlijk schoone panorama,
dat zich beneden ons uitstrekt. Als wij voldaan zyn,
wenden wy ons om en beschouwen het uitwendige der
streng Gothische kathedraal, eenmaal door Gregorius X
in tegenwoordigheid van Rudolph van Ilabsburg gewyd,
thans jammerlijk door de lleformatie ontheiligd.
liet kunstgewrocht der geloovige middeleeuwen wordt
gerestaureerd.
Of het, evenals ten onzent, ook hier den Protestanten
een doorn in het oog is, dat de kathedralen, die meester-
stukken van vroegere dagen, in katholieken zin gerestau-
reerd worden, heb ik den werklieden, die de laatste hand
legden aan de goedgeslaagde vernieuwing, niet durven
vragen. Hoe het zij, \'t is een troost voor de Nederland-
sche Hervormden, dat men zich in het land der hervormers
by uitnemendheid genoodzaakt ziet, katholiek te zyn tegen
wil en dank, zal de schoonheid dezer reuzenwerken niet
geheel te loor gaan.
Keeren wy naar het station terug. Wel is er nog tijd
in overvloed, maar wij zullen hem korten dooreen straatje
om te loopen en hier en daar stil te staan voor de ge-
kleurde en ongekleurde platen, afbeeldingen van wat er
heerlijks is in Zwitserland, by duizendtallen in rijke win-
kels ten toon gesteld. Eeeds hier maken wy keuze, welke
wy zeker koopen en als herinneringen op onze kamers
zullen ophangen in vergulde lijsten.
Zoo komen wy niet te vroeg. Zie, de trein staat reeds
voor: willen wy een plaatsje ter linkerzyde veroveren,
dan moeten wy ons haasten, \'t Geluk is met ons; wy
vinden, wat wij zoeken.
Weelderig groene weiden, vruchtbare akkers, tallooze
wijnstokken, als onze frambozenstruiken opgebonden, be-
dekken de vlakte tusschen Lausanne en Holle. Zwitsersche
huisjes wisselen af met kleinere en grootere villa\'s in
bloemen verscholen, \'t Schy\'nt hier het land van Flora
by uitnemendheid, het Haarlem van Zwitserland. Geen
huisje, dat niet door bloemperken wordt ingesloten; geen
houten balkon, geen trapje, dat tot verdieping of zolder
der huizen opvoert, of het wordt omlijst door bloemen en
slingerplanten. Zelfs de kleine stations, die wy by tien-
tallen voorbijsnellen, missen het kleed van bloemen niet.
Sty\'f als een modepop, in hooge boorden gevat, staan in
ons vaderland de plompe gebouwen langs den ijzeren weg
-ocr page 30-
— 24 -
en doen den reiziger denken aan een gevangenis. Hier
is dat anders. Niet zoo hecht en niet zoo groot zijn deze
halten, maar vroolijker, veel vroolijker dan de Hollandsche-
Om de ijzeren pilaren en tegen de gele muren slingeren
zich de groene of bruinende ranken van tammen en wilden
wingerd omhoog en vormen tusschen huis en spoorwegbaan
een dak van bladeren, waaronder de wachtende vreemde-
ling beschutting vindt tegen de zonnestralen. Het ge-
plaveide perron onzer Hollandsche stations is vervangen
door eenige goed onderhouden bloemperken, die de twee-
lingslijn mogen naderen, zoo dicht, als \'t mogelijk is
zonder de reizigers bij in- en uitstappen te hinderen. Gij
zult mü toegeven, dat liet prettig: spoort door zulke
streken, vooral wanneer bij do liefelijkheid van de natuur
zich het grootsche komt voegen; wanneer do \'lauwe
„See" en \'t nevelachtig gebergte, waarboven de Mont
JBlanc het eerbiedwaardige hoofd verheft, den achtergrond
vormt van dit bekoorlijk schilderijtje.
Ik zou dat Engelsch dametje, schuin tegenover ons,
het boek uit de hand willen rukken! Dat is onbeleefd,
ik weet het wel; maar is het geen beleediging van de
grofste soort, de natuur aangedaan, als ze haar schoonheid
met innig zelfbehagen ten toon spreidt, een boek te lezen
dat tot opschrift heeft: „The Woman at Home"? Een
rare wereld! Dat leest, liggend op divan of sofa, den
geheelen winter romannetjes; besteedt eenige uurtjes om
uit Baedeker een reisje door \'t Continent samen te stellen.
En als dan zoo\'n reis is opgemaakt en ondernomen, moet
de tijd gekort — want hij valt lang zelfs in Zwitserland
— met de studie van „De Vrouw te huis." Thuis moest
men leeren uit de boeken hoe men reizen; op reis hoe
men het huisgezin bestieren zal.... o neen! — ik vergis
mij, want zulks behoort niet meer tot een beschaafde op-
voeding — hoe men den naren tijd van kouden winter en
gure lente dooden kan op de meest aangename wijze.
Wanneer deze jonkvrouw op reis zoo goed zal leeren hoe
een vrouw zich in den huiselijken kring te gedragen heeft,
als zij thuis geleerd heeft met nut en voordeel te reizen;
dan beklaag ik dengene, die haar eenmaal de zorg over
linnenkast en provisiekamer met den huissleutel zal
overgeven.
«Maar, wat bazel je toch", zei Harry, „weet je dan
niet, dat een en ander langer uit de mode is dan crinoline
en korte broeken ?"
„Ik weet het we), al redeneer ik een weinig ouderwets,"
antwoordde ik; en Jan verbeterde mij zeggende: „Neen,
-ocr page 31-
— 25 —
heel ouderwets." Ik zweeg, want ik gevoelde, dat hij
geluk had.
Signal de Bougi en Dole moeten wy er voor deze reis
aan geven, wy hebben dus geen reden om te Holle uit
te stappen en sporen verder.
Bergachtiger wordt hier de streek en levendiger tevens.
Kleine steden en dorpen zijn er als gezaaid op den berg-
rug. Geen stad, geen dorp, of \'t heeft een kasteel of
buiten aan te wy\'zen, waaraan de naam van een historische
of literaire grootheid verbonden is.
Zwitsersche treintjes loopen langzaam en dat is niet in
ons nadeel. Immers wat maakt bet, of wy- een uurtje
vroeger of later aankomen op de plaats onzer bestemming,
zoo wy slechts genieten mogen van de schoonheden des
lands. En daar is gelegenheid voor. Vraagt ge niy of
ik Nyon of Oligny, Coppet of Versoix, Genthod of Pregny
het bekoorlijkste gevonden heb, dan moet ik u in alle
eerlijkheid het antwoord schuldig blijven, \'t Is zoo moei-
lijk keuze te maken tusschen juweeltjes als dez^l\' ;^.^^t>
Te Genbve.
Daar stoomen wij de stad van Calvijn binnen, en we-
derom ryst de vraag: waar zullen wy onzen intrek nemen?
Een vraag, des te gewichtiger, omdat wy hier langer dan
elders vertoeven zullen. Ons couponboekje geelt keus in
overvloed, maar het slaafs volgen van „Gaze" heeft zyn
keerzijde, gely\'k elke medaille. Wy vinden in Baedeker
een hotel, dat niet voorkomt op onze lijst. Behalve het
bekende sterretje is er bij aangeteekend: „von Deutschen
viel besucht." Dat zegt ons meer dan alle sterretjes der
wereld; want waar Duitsche trekvogels bij zwermen neer-
strijken is het goed azen voor Hollandsche meeuwen.
Daarom valt onze keuze op „Hotel de la Poste". Hoe
zullen wy er geraken? \'t Is ver van het station en den
omnibus van \'t hotel vinden wij niet.
«Een rytuig, heeren?" hooren wy ons toeroepen door
een deftig gegalonneerde, die gemerkt heeft, dat wy iets
zoeken, wat niet te vinden is.
„Uw tarief?" is onze vraag.
„Stijgt slechts in, heeren, aan \'t bureau wordt het u
gegeven."
Eenige stappen en ons voertuig houdt stil. Een man
met een notitieboekje in de hand en een groot potlood
achter het oor komt buiten en:
.Waarheen willen de heeren ?"
-ocr page 32-
- 26 -
„Naar \'t Hotel de la Poste."
Hy schrijft eenige regels en overhandigt ons daarna het
geschrevene met de woorden: „Dat hebt gij den koetsier
tb betalen." — „Hotel de Ia Poste" roept hij den voerman
toe en het rytuig zet zich in beweging. Daar gaat het
door de nieuwe en oude straten der stad, de ontstuimige
iihöne over en binnen het kwartier stappen wy af aan
het hotel onzer keuze.
Veeleischend zy\'n wy niet; indien wy slechts zindelijke
kamers hebben en goede bedden — \'t mag soms wat hoog zijn
— zullen wyniet klagen. Wy waren dan ook spoedig geholpen.
Table d\'hute zou aanstonds beginnen. Tot ons groot
genoegen bemerkte ons drietal, dat het hier goed was
aangeland. Do groote eetzaal was eivol en de taal der
gasten zei ons, dat liaedeker gelijk had mot te beweren,
dat vele bezoekers tot de Germaansche stammen behooren.
Toevallig had onder al die Duitschers ons gezelschap
rechts van zich een Franscho familie, bestaande uit papa
en mama, hun aardig jongske mot een zeer gorde maag,
plus een familielid, dat naar de trekken te oordeelen, de
zuster moest zijn van mama. Hun vaderstad Lyon hielden
zy\' in hooge eer. Geheel de familie had pret in het kind;
ook wy vonden den dreumes aardig en bewonderden in
hem vooral den eetlust, die een verbazende hoogte bereikt
had. Papa bediende hem goed van elk gerecht en het
opgedischte verdween telkens als sneeuw voor de zon.
Wijn was slecht voor hem; immers de bezorgde vader
nam het halve fleschje voor hem weg, zette het naast
zich neer en, — om zeker geen bekoring te wekken in
den kleine, — dronk het zelf uit.
De Franschman bemerkte, dat wij aardigheid hadden
in zy\'n lieveling en \'t deed hem goed. Een paar kleine
attenties, die men zijn buurman aan tafel altoos bewijzen
kan, stemden hem allergunstigst ten onzen opzichte en gaarne
mengde hy\' zich in ons gesprek. Hoe hy daarin slaagde?
Wij spraken onze moedertaal, waarvan hij, heel logisch
voor een Franschman, geen jota verstond, doch het woordje
Grand Salève lmdden wy een paar malen gebruikt en dat gaf
hem den gewenschten aanloop tot, zy\'n voorgenomensprong.
„Hebben de heeren den Grand Salève reeds bestegen?"
vroeg hij en raakte daarmede juist het punt onzer be-
raadslaging aan. Hy had het niet gelukkiger kunnen
aanleggen : ons gesprek vlotte van het eerste oogenblik.
Hy was er geweest en kon een bezoek niet genoeg aan-
bevelen. Dat was nu ons geschilpunt niet. De vraag
was slechts: gaan wij er vandaag nog heen of morgen.
„O, heeren, dan zult u wel doen dezen namiddag te gaan.
-ocr page 33-
- 27 -
Op dagen als deze is de tegenavond het meest verkieslijk!-\'
Dat deed ons besluiten: onmiddellijk na tafel zou ik voor
de kaarten zorgen, een zorg, die nog al te dragen is
daar ze in elk hotel verkrijgbaar zijn.
Hebt gij eenmaal een gesprek aangeknoopt niet een
Franschman, dan laat hij u, vooral als gij Hollander zyt,
niet los, voor hy op beleefde wyze te weten is gekomen,
wat hy van u verlangt te vernemen. Een Hollander is
in zijn oog een soort van Zoeloekafter en het verwondert
hen, zoo hij nog nimmer een Nederlander sprak, in deze
een niensch te ontmoeten, die beleefd en vriendelijk kan
zijn, geluk hij zelf dat is. Holland verstaat hij niet,
Pays-Bas kent hij niet; het eenige wat hij van ons vader-
land weet, leerde hij op de schoolbanken en is bevat in
het zinnetje, dat hij zich in zijn jeugd in het geheugen
pompte: „Amsterdam port de nier important." Wilt gij
een Franschman uit liet Zuiden duidelijk maken waar uw
wieg eens stond, spreek hem dan niet van Holland of
Nederland, maar zeg hem in of bij Amsterdam en gü hebt
kam van slagen. JJeze inwoner van Lyon stond ver boven
vele zijner landgenooten, want toen ik op zijn vraag of
wy Engelschen waren antwoordde: „Neen, Hollanders",
lachte hij. „Ah! ca! fromage de Ilollande!" Die had hy
wel geproefd en o! zoo lekker bevonden. Veel, heelveel
vroeg hij van Holland en zijn kolouiën, waarvan hy meende
ooit iets gehoord te hebben. Wederkeerig dacht ik ook
hem te mogen vragen, welke de stad zijner inwoning was:
tot heden wist ik dat nog niet. „Lyon", verzekerde hij
Wat stal ik zyn hart door aanstonds het gesprek te
werpen op de schoone boorden der Saöne, op „place
Belcour," op 1\'Ile Ste. Barbe, op N. D. de Fourvière
bovenal. Mevrouw en mevrouws zuster hadden tot dan
geluisterd en gezwegen, maar toen zij hoorden, dat de
Hollanders Lyon kenden en, wat nner is, bezocht hadden,
mengden ook zy zich in de conversatie, die daardoor niet
weinig aan levendigheid won. Wy waren het over alles
eens behalve over hot stukslaan der spiegelruiten bij
Cassati na den moord van Carnot, wat hij goed — en ik
afkeurde, al was het maar alleen, omdat wij in die res-
tauratie eens zoo overheerlijk geluncht hadden. Wy
stonden van tafel op als dikke vrienden en waarlijk ik
betreur het, dat de familie nog heden naar huis terug-
keerde. Ik weet zeker, dat zij, te huis gekomen, hun
bekenden menigmaal over de drie Hollanders met lof ge-
sproken hebben. Zyn adres ontging mij; anders zond ik
nog een Hollandsch kaasje voor mijnheer naar de stad
waar Rhöne en Saóne samenvloeien.
-ocr page 34-
— 28 —
De kaartjes voor „Treize Arbres", het eindstation op
den Grand Salève, had ik slechts bij den portier van het
hotel te halen. Kent gij dit species van hotelbedienden ?
\'t Loont de moeite er kennis mede te maken. Portiers
van hotels zijn gewoonlijk uiterst beschaafde, zeer vrien-
delijke en gedienstige geesten, die om den post hun toe-
vertrouwd, een airtje van voornaamheid meenen te moeten
aannemen, dat zij by eenige vertrouwelijkheid van den kant
der vreemdelingen spoedig afleggen, en hun niet belet
gaarne een tooitje aan te nemen. Als gij ze aan hun
manieren nog niet erkent, zult gij ze spoedig kennen aan
\'t gala-kostuum, dat zij nooit verlaten en meer nog aan
de groote pet, waarop in gouden of zilveren letters hun
waardigheid vermeld staat. Wilt gy kaartjes, plannen
of inlichtingen, dure sigaren of postzegels voor het bui-
tenland, dan moet gij by den portier züii, die dat alles
heeft in het kleine kamertje naas den ingang van het
hotel, waar hy troont.
In het „Hotel de la Poste" hebben wij te onderhandelen
met een langen, zwarten kerel, uiterlyk een barsch, on-
verdraaglijk schepsel, maar in werkelijkheid een man, die
voor de beleefdheid zelve kan doorgaan. Gaarne niet
alleen verkoopt hij kaarten en wat verder tot zijn depar-
tement behoort, ook inlichtingen en goede wenken geeft
hij met de grootste welwillendheid. Reeds bij ons eerste
onderhoud palmde hu* my dermate in. dat ik over vele
zaken, die niet op Genève en omstreken betrekking hadden,
bij hem op advies ging; en de uitkomst bewees, hoe kost-
baar zijn raadgevingen waren.
Tijd verbeuzelen op reis is zonde Daarom zullen wy
langs een omweg naar „Cours de Rive", vanwaar de tram
vertrekt, opwandelen. Een goed uur mogen wy aan die
wandeling besteden. Wh" gaan langs de Ilhöne, die Genève
in twee bijna gelijke deelen verdeelt, om den onstuimigen
vloed met krachtigen golfslag te zien henenspoeden langs
de fraaie kaden, die hem insluiten, onder de zes bruggen,
die zijn oevers verbinden. Al lokt de brug „des Bergues"
en vooral die van den „Mont-Blanc" ons aan om naar de
westelijke stadshelft over te steken, wy weerstaan aan
die bekoring, vertoeven een oogenblik voor de ryke win-
kels, nemen even plaats op een tuinbank bij het Nationaal
Monument, vanwaar wy terzelfder tijd het hemelsblauwe
meer bezichtigen kunnen en het gedenkteeken, opgericht
ter herinnering aan Genève\'s opname in den zusterbond
der Zwitsersche staten. Als wy den kunstig aangelegden
Engelschen tuin doorkruist hebben is het uur verstreken
-ocr page 35-
- 29 -
en wordt het tijd „Cours de Rive" te zoeken. Eén satrat
slechts scheidt ons van dit plein.
4
Even over de Grenzen.
De tram staat vertrekkens gereed. Wij nemen plaats
in den achtersten wagen met het gelaat stadswaarts ge-
keerd: zóo zullen wy naar onze berekening het beste uit-
zicht hebben. In den beginne stijgt de baan slechts
weinig en voert langs lieve buitens en bloemrijke tuinen,
voorbij het kleine Vilette, over de gele Arve naar Vervier,
op Fransch grondgebied, waar het stoompaard op stal
gezet en de electrische kracht te hulp geroepen wordt om
ons tegen de hoogte op te sleepen. Het stijgen begint.
Eerst vertoont zich het meer aan ons oog en weldra ook
de stad Genève. \'t Is een overheerlijk gezicht, dat tot
Monetier-Marie steeds in bevalligheid blijft toenemen, daar
de blik zich bij eiken slag der kamraderen van onzen
wagen verruimt. Hier vereenigt zich onze lijn met die,
welke van Genève over Etrembieres naar Treize-Arbres
opvoert. Wy zyn de minderen en moeten van trein ver-
wisselen.
Reeds is de Mont-Blancketen zichtbaar geworden en
trekt aller oogen tot zich, doch grootscher dan op de
helling zullen de Savoyer Alpen vóór ons liggen, wanneer
wy, afgestegen aan het eindstation een eindweegs op-
wandelen naar den hoogsten top van den Salève. De weg
daarhenen is niet steil en geen puntige steenen maken
het voetpad moeilijk begaanbaar.
Wn° staan meer dan tweeduizend meter boven de zee.
Aan onzen voet breidt zich het lachend dal der Rhöne
uit tot op de boorden van het onafzienbare meer. Genève,
de grooto stad, met de talrijke dorpjes, die haar omgeven,
ligt daar ver beneden ons als een uitgestrekt bloemperk
in een lustwarande. Ginds stort zich de gele Arve in de
blauwe Rhöne, maar de reine vloed wil zijn onreinen
broeder niet opnemen en weigert alle verbintenis, zoolang
de Arve niet rein wordt en helder gelijk hij zelve is.
Van hier uit zien wij het niet: morgen, als gij wilt, zullen
wü gaan terplaatse waar de prachtige Rhöne
de Arve wd aan- maar niet op-neemt,
E i niet met, olscboon nevens haar gaat.
Mijlm ver gaan ze inwillig te zamen,
De eene dIhuw, de aiidre grauw, gram te moed\'.
Tot ze op eenmaal riie koelheid zich. schamen,
Zich omarmen, en ééa zijn voor goed.
-ocr page 36-
— 30 —
Slaan w\\j thans den blik over het vruchtbare dal der
Arve, over de lagere bergen, waardoor deze vallei wordt
ingesloten, op de met eeuwige sneeuw bedekte kruinen.
Vran den Dent d\'Oche tot den Crête des Aravis vertoonen
de Alpen ons hun majestueuze grootheid. In \'t verre
Noorden de schrikwekkende top van Roche d\'Enfer, de
scherpe randen van Dent du Midi; dichterbij de statige
Aiguille Verte tusschen Aiguille d\'Argentiere en du Midi.
Tegenover ons de koning der bergen, de Mont-Blanc, de
reus onder de reuzen, die zyner majesteit bewust, het
fiere hoofd verheft ver boven den Mont Maudit en den
Döme du Gouter, welke hem als wachters omringen.
Het grootsche in al zyn verhevenheid aan de eene, het
bevallige in al zijn bekoorlijkheid aan de andere zijde,
maakt den Grand Salève tot een der meest bezochte
punten der aan schoonheden zoo ryke Alpenwereld.
Daar zaten vele vreemdelingen voor de nette restauratie
by het eindstation en niet minder by de meer landelijke,
eenige minuten van het station verwijderd. Vele ook
deden als wy en maakten een wandeling over den bergtop,
sommigen, wellicht vermoeid van een langeren tocht,
zaten neder onder de struiken en gebruikten in gemak-
kelijke, maar met de fijne etikette weinig strookende
houding de soijzen, die zij hadden meegenomen.
Hoelang wij ronddwaalden over den Salève weet ik
niet, want de tijd heeft meer dan vleugelen, als er zooveel
heerlijks te bewonderen gegeven wordt. Ik weet alleen,
dat de dorst ons terugdreef naar de restauratie. B\\j de
eerste de beste namen wij plaats onder een noteboom —
of er juist dertien boomen staan, niet meer of niet minder
durf ik niet beweren. — En daar wy hier dal en bergen
niet meer gelijktijdig zien konden, stelden wij ons tevreden
met den vrijen blik op het hooggebergte, waarvan ons
oog door niets was af te trekken.
Voor reizigers gelijk wij, die als zwaluwen door Zwit-
serland trekken, is een verblijf van drie uren op den
Grand Salève lang genoeg; geenszins te lang, want een
geheele dag zou nog kort schijnen op deze plaats.
Over Veyrier zijn wy gekomen, langs Etrembières zullen
wij stadwaarts keeren, Wij gaan vertrekken, want de
zon nijgt reeds ten ondergang.
De lieve plaatsjes Haut- en Bas-Mornex verdienen ten
volle onze opmerkzaamheid, doch als u gelijk ons, de
zeldzame gelegenheid geschonken wordt den Mont-Blanc
te zien in Alpengloeien, zult gij op hun schilderachtige
-ocr page 37-
— 31 —
ligging geen acht slaan, daar dit natuurverschijnsel alleen
uw aandacht vraagt.
Wat is Alpengloeien? Met die vraag brengt gij mij in
verlegenheid, daar ik bekennen moet geen verven op niyn
palet te hebben, die eenigszins de wonderbare schoonheid
van dit kleurengetoover kunnen weergeven. Men moet
gezien hebben hoe de witte sneeuwtoppen, zooeven nog
door den gouden gloed der volle zonnestralen overgoten,
hooger getint worden naarmate de zon aan den hemel
daalt; gezien hebben, hoe hel goud verandert in den blos
der rozen en wederom overgaat in de kleur van \'t versche
bloed; gezien hebben ten laatste hoe een purperen kleed
met goud en groen doorweven, wordt uitgespreid over de
sneeuwvelden. En dan zult gü my niet meer vragen:
„Wat is Alpengloeien;\'" overtuigd dat niemand het u
zeggen kan.
Geheel de wagen was bij dat schouwspel in opstand,
■ elk verdrong zich voor de raampjes, opdat niet de minste
kleurschakeering aan zijn oog ontsnappen zou. Eén slechts
bleef gevoelloos koud, als een beeld van steen, en ver-
waardigde zich niet óm te zien naar hetgeen de reizigers
betooverde \'t Was de bestuurder van het electrische
rijtuig, „üéfence de parler au conducteur!" stond er met
groote letters op de zwakke afscheiding, die hem van het
reizend publiek afsloot. Getrouw aan zijn consigne, bleef
hij koud, waar allen warm waren, en zweeg waar een
ieder luide zijn bewondering lucht gaf.
Een kromming van de baan plaatst den Petit Salève
tusschen ons en de gloeiende bergen. Wij znn te Etrem-
bières en moeten overstappen op den gewonen stoomtram,
\'t Is het werk van een oogenblik, want ieder haast zich
den Mont-Blanc weer te zien. Daar staat de koning der
Alpen wederom vóór ons; nu niet meer in het purperen
kleed zijner waardigheid, maar in een lijkwade gehuld.
De vale kleur des doods heeft den gloed van \'t leven
vervangen Heerlijk en zinrijk slot van \'t Alpengloeien,
dat deu beschouwer stemt tot diepe en zalige gedachten.
De huizen van Annemasse onttrokken weldra de bergen
aan onzen blik ; wij zouden de bebouwde straat tot Genève
niet meer verlaten, \'t Was een drukte langs den weg,
zooals deze alleen mogelijk is op een koelen avond van
een snikheeten dag, of wanneer een „standje" de buur-
vrouwen op de straatsteenen geroepen heeft. Natuurlijk
vormden laatstgenoemden het grootste contingent en het
luidruchtigste tevens; de mannen waren minder in getal
en stemmiger; de jongens evenals ten onzent de straat
tot speelplaats kiezend, hadden het meeste pret bü de
-ocr page 38-
- 32 -
openbare fonteinen, zooals onze jeugd zich liet best ver-
maakt l>ü de publieke pompen. \\Vee! do vrouwen, die
nog water haalden. Dat en ook de eigenaardig gebouwde
en nog eigenaardiger ingerichte huizen van Etrembières
bezorgden ons afleiding genoeg. Eu ware deze niet vol-
doende geweest, dan zou een halfbeschonken werkman
de zorg om ons bezig te houden alleen op zich genomen
hebben.
\'t Is voor een goed begrip noodig, dat ik u even den
plattegrond van onzen wagen teeken. Hy is aan de
waggons onzer stoomtram gelijk, indien de schotten tus-
schen voor- en achterbalkon worden weggenomen, het
middeldeel een handbreed wordt verhoogd en vier banken
gezet worden in de lengte, waar er bij ons slechts twee
staan. Onderscheid van klassen bestaat hier niet; het
groentevrouwtje van Thönex neemt plaats naast de mode-
poppen van Parijs en Londen. De zitplaatsen worden
aan de dames afgestaan.
Verbeeld u, de wagen zit vol als een harington en de
staanplaatsen zijn bijna alle bezet. Daar klimt de balf-
dronkene met moeite in het rijtuig juist vóór ons en zoekt
steun tegen de uiteinden der middelste banken. Hij begint
te rooken, heel, heel druk te praten tot groot genoegen
der heeren, die lachen met zyn vroolijk gesnap; tot er-
gernis der dames, die voor hem huiveren, maar vóór noch
achterwaarts kunnen, \'t Duurt niet lang of de beenen
hebben hun laatste kracht verspild in den strijd met de
lichte schommeling van den wagen en weigeren verderen
dienst. Hij heeft de kracht nog en het verstand zich
een weinig te verplaatsen tot tusschen de zitbanken.
Daar zet hij zich; neen, laat zich vallen in het midden
der twee rijen dames, welke met moeite den tijd vinden
hun teenen terug te trekken en te behoeden voor een
wisse verplettering. Een olectrische schok verwrong het
gelaat der dames en amist en ontzetting teekenden zich
op haar voorhoofd. Wet zouden zü gaarne vluchten!
doch daaraan viel niet te denken: een uitweg was on-
mogelijk te vinden in den overvollen wagen. Hij vond
zün zitplaats op het hoogere middelgedeelte uitstekend
en knipoogde lachend tegen de vier juffers, eigenaressen
der vier paar knieën en voeten, die zoo spontaan plaats
voor hem gemaakt hadden, als om haar te danken voor
de gedwongen wellevendheid. De heeren op het achter-
balkon van den waggon lachten, de dames waren alle
verontwaardigd, alsof het volkenrecht geschonden was.
-ocr page 39-
- 33 —
De gevoelens in ons rijtuig waren verdeeld, juist in
dezelfde verhouding als in den wagen voor ons.
Komisch was de handelwijze van den conducteur. By
de algemeene opschudding bleef by met onverstoorbaren
ernst en kalmte kaartjes uitdeelen en geld in ontvangst
nemen, alsof er niets gebeurde: hy verrichtte zyn werk
als een automaat zonder een spier van zyn stroef gelaat
te vertrekken.
Ons wynproevertje werd door een zyner vrienden, die
hem bij het instygen behulpzaam geweest was, vóór de
stad uit de tram geholpen, \'t Was goed ook, want de
aardigheid van deze verschijning moest voor de dames,
door hem gemolesteerd, nog komen; en voor de heeren
was zy reeds lang voorhy, daar hy, halfdronkener gewoonte,
spoedig door een zwymelroes overmeesterd werd, uit
welken hy slechts even ontwaakte, zoo dikwyls de tram
stilhield en hij, onderworpen aan de alles beheerschende
wet der traagheid, achteroversloeg en het hoofd stiet
tegen de knieën der verder zittende dames. Dat deze
telkens schrokken, begrypt een ieder.
„Et la morale de cette histoire" was voor ons, dat de
werkman ook hier zyn graantje pikt, en soms wat diep
in het glaasje ky\'kt.
Dat had ons den tyd merkelyk gekort en van de mooie
en minder mooie huizen en villa\'s van Chêne-Bourg en
Chêne-Bourgerie hadden wy weinig of niets gemerkt, en
konden er ook niet veel van merken, daar de duisternis
was ingevallen en de straatverlichting niet van weelde
getuigde.
Terug in Genève.
\'t Slaat acht uur op het oogenblik dat wy de stad
binnenstoomen. Wij hebben nog een eindweegs te voeteeren,
en dat gaat niet vlug al is de straat breed, want heel
Genève schijnt op de been en slentert door de straten.
Slechts langzaam en met moeite bereiken wy door de
aan- en aftiekkende menigte heen het Hotel de la Poste.
ïable d\'höte was reeds afgeloopen en wy waren ge-
noodzaakt „a la carte" te bestellen. Men verwees ons
naar een klein zaaltje naast de groote eetzaal. In een
hoek zat een jonggehuwd paartje, dat het leven in strengen
ernst scheen op te nemen. Zij lachten nooit, spraken
weinig en deden niet flauw gelijk anderen, die, in dezelfde
omstandigheden verkeerend, Zwitserland doorreizen. Het
laatste vinden wy zeer verstandig, maar dat zy ons de
vroolykheid misgunden, kan ik juist niet goedkeuren.
Wy en zy waren de eenige vreemdelingen in het lokaal,
-ocr page 40-
— 34 —
reden waarom wy dachten wat luider te mogen spreken.
Wachten op spijzen is vervelend, dat wisten wy en haal-
den daarom eenige guitenstreken op uit onze jeugd, met
het natuurlyk gevolg dat wy eens harteiyk lachten. Daar
was het ons juist om te doen. De drooglevers, die de
geheele lengte der kamer van ons scheidde, konden dat
niet verdragen en zagen ons aan als een fikhond de kat
van de buurvrouw, wisselden met elkander zeer korte
opmerkingen en keken, daardoor nangehitst, nog nydiger
naar ons op. Wy\' merkten het wel maar stoorden er ons
geenszins aan. Als de kat met krommen rug zit is de
aanval voor den hond gevaarlyk; dat schenen ook zy\' te
weten en schoon wy slechts door een enkelen blik onze
slagvaardigheid toonden, achtten zy het raadzaam ons
ongemoeid te laten en af te druipen.
Meen niet, dat ik u des avonds naar theater of balzaal
vergezellen zal: daar komen wy niet. Is er concert in de
kurzaal of in de tuinen, dan wil ik gaarne van de party
zyn, maar concert is er heden avond niet en daarom be-
sluiten wy, een uurtje op het balcon ons vroolyk gesprek
voort te zetten alvorens naar bed te gaan
Zal ik in korte trekken de geschiedenis dezer veelbe-
wogen stad verhalen? Onnoodig! Gy weethoededweep-
zieke en heerschzuchtige Calvyn op dertigjarigen leeftyd
herwaarts kwam en geholpen door de uit Frankryk ver-
dreven Hugenooten, Genève maakte tot „Den vasten Burcht
van het Calvinisme." Gy weet dat Voltaire en J. J.
Kousseau hier treurige herinneringen hebben nagelaten,
dat Genève nog altyd is, wat Calvyn het gemaakt heeft,
het toevluchtsoord van het schuim aller natiën. Maargy
weet misschien niet dat de klacht van Jacob van Lennep:
„Het laat zich aanzien dat te Genève, vroeger het brand-
„punt der Hervorming, en dat veelal het Protestantsche
„Rome genoemd werd, binnen weinige jaren de Katho-
lieken den boventoon hebben zullen," bewaarheid gaat
worden. Wat zou van Lennep, wien het een doorn in
het oog was, dat de Roomschgezinden een prachtige
kerk bouwden op het hoogste punt van Genève, gezegd
hebben, indien hij in \'Holland\'" vermelden moest, dat in
de „Giunta" den raad der stad, de Roomschen de meer-
derheid hebben. Dat een katholiek afgevaardigde van
Genève in den Bondsraad in naam der rechtvaardigheid
teruggave eischt van de kerken, door de volgelingen van
Herzog den Katholieken wederrechtelijk ontnomen? Het
antwoord dat het „door een yverige propaganda" zoover
-ocr page 41-
-35-
gekomen is, zullen wy\' voor zyne rekening laten: het
zegt niets.
Wy\' vertoeven hier geen acht volle dagen en zulleu ons
bepalen tot het bezoeken van eenige merkwaardigheden
slechts.
Of de bewering van Van Lennep, «dat (te Genève) alle
lieden van welke kunne of stand, met parapluies geboren
worden," waar is, weet ik niet. Zyn alle dagen zoo zon-
nig en warm als deze, dan kunnen zy dat gespannen doek
Lest gebruiken voor zonnescherm. gelyk wy\' dat genood-
zaakt z\\jn te doen.
Ons eerste bezoek geldt het Rousseaueilandje in het
midden van de Rhöne, waar deze het meer verlaat, ge-
legen. Over de hoekvormige brug „des Bergues" bereiken
wy dit heiligdom van Genève. Veel stelden wy ons voor
van het befaamde eilandje doch werden bitter teleurge-
steld. Alleen het gezicht op de beide stadshelften, op de
brug „du Mont-Blanc", met het blauwe meer daarachter
is overheerlyk. Het eilandje zelf heeft niets aantrekkelijks
en hetzelfde panorama genieten wy op de brug, die er
henen voerde. Het kleine plekje gronds, door zware
muren tegen den stroom beschut, is een regelmatige vyf-
hoek. Eenige lage boompjes en hooge populieren vergeten
daar hun bestemming, schaduw te werpen op deze voor
Genève zoo heilige plek, omdat er slechts weinig bladeren
geboren werden aan hun takken. Juist in het midden
staat het standbeeld van Rousseau, die zyn naam aan dit
ailandje gaf. De „Wy\'sger van Genève", in statige Iio-
meinsche toga gehuld, nam plaats in een zetel. De lin-
kerhand omklemt het boek, dat op zyn knieën steunt; de
rechter houdt, schryvens gereed, de stift; het oog is ge-
richt op het blauwe meer, als wilde het vragen aan de
golfjes, hoe hy\' „Emile\'\' moest scheppen 9n „Le Contrat
Social" samenstellen om de wereld gelukkig te maken.
Ziedaar het standbeeld van hem, «wiens groote verdienste
het is geschreven te hebben tegen een bedelvolk van
priesters" (!) Daar staat het op de plaats den inwoners
van Genève het meeste heilig.
„Pauvres gens de Genève!" roept de zooeven tot de
waarheid teruggekeerde schrijver der „Pèlerinages en
Suisse" voor dit standbeeld uit. „Pauvres gens de Ge-
nève! c\'ótait bien la peine de briser les saintes images,
d\'abolir la Messe et le culte des Saints, pour enseigner
a votre peuple, a vos femmes, a vos filles, le culte de
Jean Jacques Rousseau!"
Laat ons van hier gaan! ik beschouw liever de zwanen
-ocr page 42-
— 36 -
langs de brug in netwerk opgesloten. Haar onschuldige
trots heeft niets gemeens niet de verwaandheid van een
schaamteloos zedenhervormer, die het groote vraagstuk
der menschelijke samenleving oplost met de luchthartigheid
van een koordedanser.
Zetten wy onze wandeling voort naar den „Quai du Molt-
Blanc" waar den toerist een majestueuze blik gegund
wordt op den Koning der Bergen. Dit geldt alleen bij
doorschijnende lucht, dus heden niet, want ons gezicht is
beperkt tot de voorstad Eaux-Vivras, amphitheatersge-
wijze op den anderen oever van het meer tegen den heuvel
gebouwd
Ha! daar is het Monument Brunswjjk, waarvoor, de
graftombe der Scaligers te Verona als model gediend
heeft, \'t Is een prachtig geheel in den vorm eener kleine
kapel, in drie verdiepingen verdeeld. Ten einde het beter
te overzien zullen wij de kunstmatige hoogte, half rots
half kasteel bestijgen; zij ligt slechts weinige schreden
achter het monument. Doch eerst een blik geslagen in
het bekken aan haar voet, waarin een exemplaar van elke
vischsoort des meers zwemt door het kristalheldere water.
Waaraan heeft Hertog Karel van Brunswijk dit monu-
ment te danken? Wel, antwoordt ons Baedeker, omdat
hij de stad erfgenaam maakte van zijn fortuintje, dat het
bagatelletje beliep van twintig millioen franks.
Als er in Holland soms menschen zijn die hun geluk
zoeken in een standbeeld of monument, er zijn Zwitsersche
steden, waar geheel de wereld geweest is of komt, die
deze eer verkoopen voor ettelijke millioentjes. De duurte
van een winkelhuis hangt af van den stand. Genève ont-
ving twintig millioen en plaatste dit gedenkteeken, te
Neuchatel slaagde David de Purry voor vier en een half
millioen, misschien komt men op andere plaatsen nog goed-
kooper klaar. Nog een halve eeuw; en, wanneer wy een
standbeeld ontmoeten op de pleinen eener stad, zullen wij
gedwongen zijn te vragen: „Hoeveel heeft die vermaakt?"
Zwendel in ridderlintjes heeft niets vreemds meer; jammer,
dat zwendel in standbeelden nog raillioenen verslindt.
Doch ook dit kan goedkooper worden. Gelukkig de eer-
zuchtigen, die geld hebben in die dagen!
Stellig hebben wij te lang gerust bij de frissche fontein
in het vierkant tuintje tusschen de huizen en hotels van
Quai en Rue du Mont-Blanc, want de tram naar villa
Ariana en het buiten van Rothschild is bij onze aankomst
reeds van „de place des XXII Cantons" vertrokken. Het
spyt ons, niet omdat wij een bedevaart naar Ferney in
\'t zin hadden, want „Ie vieux et laid Voltaire, sous sa
-ocr page 43-
- 37 —
grande peruque, assis devant un portrait du roi de Prusse
et riniant ces platitudes comme un bouquet a mademoiselle
Sallé, (Pel. p 210) wien dezelfde schrijver slechts toekent
„ce miserable et déplorable talent de tont parodier, de
tout injurier, de tout salir," achten wij geen bezoek waard.
Voor den Patriarch van Ferney gevoelen wy niets dat
naar vereering of bewondering zweemt. Laat ons even
de fraaie kerk aan onze rechterzijde binnengaan om God
en Maria, wie deze tempel is toegewijd, eenig eerherstel
te bieden voor de onteeringen in en om Genève Jesus en
zijn Moeder aangedaan. Eerst later wisten wij dat dit
heiligdom het bedehuis is der Oud-Katholieken, die weder-
rechtelijk zich hebben meester gemaakt van dit fraaie
gebouw.
Langs de paleizen der millionnairs, langs de schoone
boek- en platenwinkels, langs de oogverblindende uitstal-
lingen der talrijke juweliers gaan wij voort en wagen
ons in de morsige en enge straten der stad om spoediger
de Rhóne-oevers te bereiken. Den stroom steken wy over
en nemen den kortsten weg naar de „Promenade des
Bastions," langs welke zich links de botanische tuin en
rechts het gebouw der Universiteit uitstrekt. Een bota-
nischen tuin vind ik altijd weinig aantrekkelijk voor een
leek op het gebied der plantenkunde en van de Hooge
School te Genève zijn alleen de bloemperken vóór het ge-
bouw de moeite der bezichtiging waard. „PalaisEIectoral"
en theater, beide in de nabijheid gelegen, getuigen meer
van smaak dan het stijve gevaarte, dat voor de hoogge-
leerde lessen bestemd is.
Ik weet niet of het u gaat als ons: panorama\'s gaan
wij niet gaarne voorbij. Dit stelt het beleg van Belfort
voor. Wy zullen er binnengaan. De Pruisen, staande
onder den wal op de bevroren gracht, de Fransche sol-
daten de kazematten verlatend op het sein des hoornblazers
zijn niet onverdienstelijk geschilderd.
Doch wjj mogen hier niet lang vertoeven, willen wy
ons vóór het diner nog een weinig opfrisschen en dat
hebben wjj noodig na zulke wandeling. Ik zal nnjn be-
lofte gestand doen en u geen spijskaart voorleggen, maar
ik moet u in \'t voorbijgaan zeggen, dat wij in de stad
van Calvijn uitstekend „maigre" gedineerd hebben, al
waren wjj de eenige bezoekers die den Vrijdag onder-
hielden. Wij zaten afzonderlijk aan een klein tafeltje.
Men keek wel eens naar de drie baardelooze vreemdelingen,
die visch aten en een zeer groot kruis maakten vóór den
maaltijd, doch liet ons volkomen met rust. Och, als men
ruiterlijk voor zyn geloof durft uitkomen, laat men u in
-ocr page 44-
— 38 -
deftige hotels geheel ongemoeid, al is het slechts, omdat
men denkt een katje voor zich te hebben, dat niet zonder
handschoenen is aan te pakken.
Ons vertrek op den tegenavond bepaald is vervroegd.
Wel zouden wy- gaarne de ,Villa Kothschild", die heden
middag toegankelijk is, bezoeken, maar de hitte is on-
draaglijk. Nog even kunt gy naar de oude kathedraal,
waarin de leerstoel bewaard wordt van Calvijn, die van
dit gestoelte de wereld en zichzelven bedroog. Mogelijk
is het zien van dat curiosum u geen 20 centimes waard
en blijft gij luisteren naar het orgel, dat zeer geroemd
wordt.
Om drie uur reeds verlaten wy de stad. Dat heeft
twee zaken voor: de warme uren van drie tot vyf brengen
wy door op het frissche water en wy komen te Freiburg
aan voor het invallen der duisternis.
Op het Meek.
De boot ligt reeds onder stoom als wy op de Mont-
Blanc-kade, de plaats der afvaart, aankomen. Wy hebben
den expres, die alleen Nyon, Thonon en Evian-les-Bains
zal aandoen, voor ons te Oucby weder aan wal te brengen.
Langzaam en statig drijft de stoomer voort in den meer-
boezem, die van beide zijden door de huizen der schoone
stad wordt ingesloten. By het gezicht van dit heerlijk
panorama begrijp ik de liefde van den inwoner van
Genève voor zyn geboortestad, op wier ligging hy recht-
matig groot gaat; maar hoe Beets van deze stad kon
schry ven:
,,\'k Weet dat er twee Gercves zijn:
Éen van Kousseau, een van Chlvijn.
Maar \'t zelfde, diepe, blauwe meer
Kesproeit ze beiden — God zij de eer!"
is my nooit duidelijk geworden.
Wat hebben wy goed gedaan met nu reeds te vertrek-
ken, want niet zoodra heeft de boot zich in beweging
gezet of de ondraaglijke hitte maakt plaats voor een wel-
dadige koelte. Niets konden wij meer wenschen op dezen
tocht dan een meer doorschijnende lucht. Had deze ons
gegund by de vele dorpjes en landhuizen op den rechter-
oever, ook de linkerboorden van het breede meer en de
hoogere toppen der Alpen te zien, wat zouden wy haar
dankbaar geweest zyn. Het watervlak zelve was vol
afwisseling en leven. Gele stoombooten kliefden het meer
en deden het water in schuim opspatten van onder hare
-ocr page 45-
— 39 —
breede raderen. Als een vlucht blanke meeuwen scheerden
de slanke bootjes met groote, puntige, witte zeilen over
den waterspiegel en dansten lustig op den lichten golfslag
af en aan.
„Mon lac est Ie premier!" riep Voltaire in bewondering
uit. Maar „Ie seigneur de Ferney se trompe", zegt
Veuillot „Son lac n\'est pas Ie premier, ni Ie second. ni
Ie troisième. Ce qui fait Ie charme d\'un lac c\'est Ie
sauvage des escarpements de ses rivages, c\'est Ie calme
et Ie silence virginal de ses eaux qui ne reflètent que les
ïnontagnes et les cieux, c\'est la solitude de ses bords,
chargós de vieux arbres ou fornuis d\'apres rochers." In
waarheid, ik begreep nog niet, hoe de Meester aldus kon
spreken; eerst op de meren van Thun en Brienz heb ik
den diepen zin dier woorden gevat en gevoelde ik waarom
hjj ,1e lac de Genève, entouru de villes, sillonnc de
vilages.......un grand fleuve marchand" kon heeten.
Al z\\jn wn\' thans ook geheel bewondering, daarom weet
ik nog niet, waarom „Lemans heilige boorden" den naam
mogen dragen van „Meer van Vrjjheid en Genie." Vrü-
heid heeft men er. sinds den tyd der Hervorming niet
gekend en het genie van een Voltaire en een Rousseau
waait ons gelukkig niet toe met de koele bries, die opstak
uit de wateren.
Men kent de toeiisten in Zwitserland en daarom is er
voor afleiding gezorgd op de boot. Een zestal heeren —
tenminste als de kleeren den man maken, waaraan wü in
in casu gegronde reden hadden te twyfelen — kwam ons
vergasten op een strijkorkest.gEen bultenaar bespeelde
de contrabas, een lange, magere kerel de violoncel en een
fielt plus drie anderen de viool.
„Zü spelen fameus goed," zei Jan, een goed muziek-
kenner, tot Harry die met grond staande mag houden,
dat óok h\\j wat van muziek weet. En Harry begon mee
te neuriën, want dat stuk had hy op z\\jn speeldoos, en
het volgende\'! nummer had hy er ook op, en het derde
had hij er wel niet op, maar hy kende het zeer goed; de
wüs niet alleen, ook de woorden. En ik, die nog aan de
Alpha ben der muziekkennis, ik zei tot rnnn muzikale
reisgenooten: „Wat strijken die kerels gek. Ziet, zn\' houden
de viool voor de maag. alsof ze speelden om hem te ver-
zorgen en niet onder de kin, gelyk onze vriend B. dat doet.
„Daar kyk ik reeds lang naar," antwoordde Jan. Ik
vat niet hoe die kerels zoo vlug met de hand werken en
zoo accuraat kunnen spelen op deze wiyze."
„Ik snap het ook niet," zei Harry. „Dan kan ik er
zeker geen hoogte van krngen," dacljj ik.
-ocr page 46-
- 40 —
Zoodra zy hun repertoire hadden afgespeeld, kwam er
één rond met een centenbakje en toen hy rond geweest
was, bogen allen voor \'t geëerd publiek en lieten de
planken vry voor een anderen kunstenaar.
Daar komt vóór ons staan een vry lange, zeer magere
man met gryzen snor en dito sik. Hu ontdekt het hoofd,
dat van boven geheel kaal, en waar het niet kaal, geheel
gry\'s van lokken is, buigt voor het gezelschap, gelijk dat
hoort; zet het mandje dat hy voor zich uit draagt, aan
zyn linkerzijde en neemt den bonten doek weg, die als deksel
dienst deed. De man lykt doofstom, want hy zegt niets
en schynt niets te hooren.
Zeker een marmotje te zien? Neen, heel wat anders.
Uit de mand komen te voorschijn drie oude biljartballen,
die hy opwerpt en weer opvangt in twee handen, eerst
langzaam dan vlugger en vlugger, tot hy niet vlugger
meer kan en bijgevolg die aardigheid ophoudt aardig te
zyn voor het publiek. Dan worden de drie ballen ver-
vangen door evenzooveel stokjes, waarvan hy er één
houdt in iedere hand, om daarmede het derde alle moge-
lyke en onmogelijke toeren en buitelingen te doen maken
om de twee. Als ook deze hun tijd gehad hebben, moeten
zy plaats maken voor een mes, een vork en een aardappel,
van welke voorwerpen het eerste zoo groot is als het be-
schuitmes van een bakker, het tweede als een aalscheer, het
derde als een suikerbiet. Met deze dingetjeswerkt hy lang en
aardig en vangt ten laatste den aardappel op vork en
mes, alsof hy hem wilde oppeuzelen, \'t Zou den mageren
stakker goed gedaan hebben. Tot slot komen er — altoos
uit dezelfde mand — drie kolossale dolken te voorschyn.
Dolk voor dolk wordt opgeworpen en altoos grypt de
hand het gevest hoe snel het gevaarlyke speelgoed door
elkander kringelt.
\'t Was een vertooning, die ons lachen deed, maar het
meest lachwekkend by dat alles was het komisch gezicht
des kunstemakers, die met onverstoorbaren ernst op het
rimpelig gelaat, hoofd en oogen al de bewegingen van
zijn speelgoed deed mede maken.
Hy eindigde zyn kluchtspel gely\'k zyn voorgangers. Of
hy meer dan zy ophaalde in zyn zakje, weet ik niet.
Mochten muziek en kunstenaarstoeren den vreemdeling
nog geen afleiding genoeg bezorgen, dan zullen de aanleg
plaatsen Thonon en Evian-les-13ains het ontbrekende aan-
vullen. Vóór de aankomst zal hy getroffen worden door
de heerlyke ligging dezer plaatsen met haar fraaie hotels,
haar lieve huizen, slanke torens en torentjes van kerken
-ocr page 47-
— 41 —
en landhuizen. En als de boot gemeerd ligt aan den
steiger, is het de zwerm toeristen, die zijn aandacht be-
zighoudt. Met moeite worden de wachtenden op den wal
bedwongen; en het koord, dat den toegang tot de boot
afsluit, zou zeker niet sterk genoeg zn\'n om den geweldigen
drang te doorstaan, zoo niet twee politieagenten nu en
dan vervaarlijk schreeuwden: „Reculez s. v. p.!\'\'
Eerst moet er afgestapt worden, iets wat altijd lang-
zaam gaat omdat er altijd nog een doos of parasol, een
eau-de-colognefleschje of een ruikertje vermist wordt
bijna door elke dame. Heeft eindelijk de laatste de
boot verlaten, dan valt de afsluiting, die de ongeduldig
wachtenden tegenhield en, alsof een regiment Pruisen
stormliep op een Fransch bastion, wordt de boot in let-
terlijken zin bestormd, niet om de vlag te planten op den
vyandeiyken wal, maar om een goed plaatsje machtig te
worden. — „Warempel!" riep ik teEvian-les-Bains, „daar
staat onze linnenmeid in haar zelfde kostuum, met haar
zelfde vracht, in de eerste rij, nu niet drie pas achter,
want, dat ging niet."
„Wij huren ze vandaag," zei Jan, maar Harry stelde
voor met het aanbieden van den huurpenning tot later te
wachten; volgens zijn oordeel zouden wij haar stellig nog
meermalen ontmoeten. Zijn oordeel faalde; na Ouchy
zagen wij ze, helaas! niet meer.
Van Évian steekt de boot in westelijke richting het
meer over naar Ouchy. Dat is slechts een wipje, denkt
gij, maar de bergen aan de overzijde bedriegen u en doen
de breedte des meers gering schijnen. Dat het niet zoo
is zullen wij spoedig bemerken, want veel langer dan wy
gedacht hadden duurde het voor Lausanne met zijn voor-
stad duidelijk zichtbaar werd. Ik durf niet zeggen, dat
deze stad met Napels in ligging kan wedijveren, er mede
vergeleken worden mag ze zeker, al is haar amphiteater
van witte huizen niet zoo breed en zoo hoog als dat aan
de azuren golf, die zich breekt op den voet van den
Vesuvius. Alles stroomt naar den boeg van den stoomer
om dit heerlijk tafereel te bewonderen, en er een beeld
van op te nemen in de verbeelding, gelijk de meester der
linnenmeid dat doet in zyn kleine handcamera.
De indruk van dit verrukkelijk panorama is voor een
oogenblik vergeten, zoodra wij voel aan wal zetten en
heeft plaats gemaakt voor de bezorgdheid tram en trein
te halen, \'t Kan juist, indien alles ons gunstig is. De
tram is er nog. Zal de trein er nog wezen ? Wij hebben
hoop, want de Zwitsersche treintjes nemen het met den
-ocr page 48-
- 42 —
tijd zoo nauw niet. Hy is er nog maar staat reeds op
vertrekken. Wjj hebben ons dus te haasten, willen wy-
een plaatsje machtig worden. By dien haast had een
onzer het ongeluk de teenen te stooten aan een paaltje
tusschen de eerste lijnen, die wy moesten oversteken, en
viel — gelukkig tusschen de rails in — plat ter aarde
op de fijne kiezels. Koffertje en valies buitelden vijf,
zesmaal over den kop, maar kregen nog minder letsel dan
de eigenaar, wiens broek aan de knie stuk was en wiens
rechterhand een gedeelte der huid verloor. De neus had
wel in \'t stof gebeten, doch bleef ongedeerd. Het ongeval
had geen verdere gevolgen, dan dat de broek te Freiburg
naar den kleermaker moest, en dat, bij gebrek aan iets
anders, gelaat en handen van den tuimelaar met eau-de-
cologne werden schoon gemaakt, zoodra wy gezeten waren.
Een half uurtje stoomens nog en wij zeggen de Genfer
See vaarwel. Daarom voor \'t laatst genoten wy\' van \'t
schoone meer en zyn schilderachtige omgeving; aanstonds
gaan wy den tunnel in en „Lac Léman" behoort tot de
meren, die wij gezien hebben.
IV. Naak \'t Berner Obeeland.
Freiburg.
Op weg naar deze stad niet meer de wilde en woeste
natuur, door ons bewonderd op de Jura-Simplonbaan. \'t
Is een schoonheid van geheel andere soort. Bergachtig
is ook hier de streek; maar het zijn geen naakte rotsen,
die allen plantengroei onmogelijk maken; geen toppen die
niets dragen dan donkere dennenwouden. Naast het weel-
derigst houtgewas voedt de bergrug den teederen wijnstok
en de veeleischende tabaksplant; terwijl malsche weiden
en vruchtbare akkers elkander afwisselen in de dalen.
De Freiburger-Alpen vormen den achtergrond van dit
landschap.
Palézieux, Oran, Vauderens zijn bevallige plaatsjes,
maar in het waarlijk schilderachtige worden zij ver over-
troffen door Romont, het eeuwenoude stadje op een heu-
veltop gelegen. De oude, hechte muren en wachttorens,
die het in vroegere tyden onneembaar maakten, omgeven
nog grootendeels de huizengroepen en hebben slechts
weinig geleden van den alles vernielenden tyd. Het oude
slot der Bourgondische vorsten, de oude Gothische kerk,
de oude ronde toren, dat alles drukt op dit stadje den
stempel eener eerbiedwaardige oudheid. Neem daarbij
zijn ligging op den hoogen, van alle zijden door laaglanden
-ocr page 49-
- 43
omgeven heuvel en Romont is een der meest pitoreske
plaatsen, die gy ooit zult aanschouwen. Jammer genoeg
dat een kromming der baan vry spoedig dit stadje aan
ons oog onttrok.
\'t Was omstreeks zeven uren toen wy in Freiburg aan-
kwamen.
Freiburg is een stad, die minder dan zy verdient, door
toeristen bezocht wordt. Hadden wy geen bedevaart ten
doel, wij zouden het Zwitsersche Rome waarschynlyk niet
hebben aangedaan, in de meening dat het de moeite van
een bezoek niet loonde. De dag van morgen zal ons
leeren dat het tegendeel waar is.
De bedevaart gold onzen gelukzaligen stadgenoot, den
grooten Nymegenaar, Petrus Canisius. Hier heeft de
Apostel van Duitschland vele jaren geleefd en gewerkt,
hier is zyn schoone en edele ziel van de aarde heenge-
gaan, hier rust zyn gebeente onder een altaar in de kerk
van den H Michacl, in de kerk van het college dat hy
gesticht heeft. Freiburg heeft het grootendeels aan zyn
woord en voorbeeld te danken, dat hier het geloof der
vaderen behouden bleef en de Hervorming geen vasten
voet kon zetten binnen deze wallen.
Nog dienzelfden avond meldden wy ons aan by de be-
stuurders van het bloeiend Seminarie, opgericht in het
huis door Canisius gebouwd, waaruit de Jezuïeten weder-
rechtelijk verbannen zyn.
Vriendelyk werden wy ontvangen door een vyftal pro-
fessoren, die bij den ingang onder gezelligen kout genoten
van de avondlucht. Het doel onzer komst werd bloot
gelegd en toen zy vernamen, dat drie Hollanders het graf
van hun landgenoot kwamen vereeren, steeg de welwil-
lendheid dier heeren ten top. Wij hadden slechts te kiezen
op welk uur wij de H. Mis wenschten te lezen; te zeggen
waar wij by voorkeur zouden celebreeren op het altaar
van den Gelukzalige of in zyn sterfkamer. Wy besloten
ons te verdeelen en zy verzekerden ons, dat wy op het
gekozen uur alles in gereedheid zouden vinden, zoo op
het graf als in de sterfkamer des Heiligen.
De sterfkamer van Canisius is een ruim en luchtig
vertrek, dat geheel zyn oorspronkelyken eenvoud verloren
heeft door de ryke betimmering en het fraaie schilderwerk,
daarin aangebracht.
Onze dankzegging was verricht en wy zouden ons naar
het hotel begeven om het ontbyt te gebruiken. Dit mocht
niet. De prefect van het Seminarie wachtte ons op in
den breeden kloostergang en noodigde ons allervriendelijkst
-ocr page 50-
— 44 —
uit te ontbijten in het huis. Waarom zouden wij het niet
aannemen? Het was een schoone gelegenheid om onze
nieuwsgierigheid te voldoen. Veel hadden wy te vragen
over de inrichting van het huis, over de studiën, over de
studenten, over de zusterkens die dienst deden alleen in
de keuken, in een woord «vü wenschten te weten hoe een
klein-seminarie in Zwitserland is ingericht. Met de meeste
bereidwilligheid werd ons op alles geantwoord. Het ko-
lossale huis hebben wy gezien van slaapzaal tot kelder,
doch het langste vertoefden wij voor een der bovenramen
van het gebouw, waar wij een overheerlijk schoon gezicht
hadden op de benedenstad en de schilderachtige omstreken.
— Is de nieuw opgerichte Universiteit te bezichtigen?"
vroeg ik onzen vriendelijken geleider.
„Zeker," zeide hy. maar ze is nog in\'t kantonaal museum
en daar het vacantie is, zult gij het slecht treffen, want
alles, zelfs de bibliotheek, wordt op het oogenblik schoon
gemaakt.
„Dus u zou ons een bezoek ontraden ?"
„Wat hebt gü tusschen een opeenstapeling van school-
banken?\' antwoordde hy met een wedervraag.
Dat in het schooljaar 95-96 de universiteit 324 leerlin-
gen tellen zou, van welke er 153 voor de Theologie, 65
voor de Rechten en 96 voor de Letteren zyn ingeschreven
en dat er 5 Hollanders waren onder deze, wist hij ons
reeds mede te deelen. Dat in Oct. 1896 de medische fa-
culteit in de natuurwetenschappen zal geopend worden,
scheen niet met zekerheid bepaald; en dat tot hoogleeraar
in den laatstgenoemden tak van wetenschap Dr. Daniels,
onze stadgenoot, een der verdienstelijke professoren van
het bloeiende Eolduc, benoemd zou worden, was nog een
geheim voor onzen cicerone op den dag van ons bezoek.
Alvorens neer te knielen bij het graf van den roemrijken
Geloofsverdediger, door wiens voorspraak wij God den
terugkeer der afgedwaalden in ons Vaderland kwamen
vragen, bedankten wij den prefect van het huis recht
hartelijk voor de ons betoonde welwillendheid.
Baedeker geeft een wandeling aan, die te maken is in
zes kwartier. Wy volgden den raad van dien ver trouw-
baren reisgids gaarne, maar spendeerden aan dit uitstapje
drie volle uren. Schrijf dat toe aan de tropische hitte,
niet aan onbeholpenheid of aan iets ergers nog.
„Folgender llundgang erfordert l\'r2 st." Daar staat
niet eens „lohnend" bij; en toch, de voortreffelijke reisgids
plaatst wel eens „sehr lohnend" waar het minder recht
heeft dan hier.
-ocr page 51-
— 45 —
Wjy volgden den weg, door hem aangegeven. Op de
markt vinden wy een oude linde, die den omvang zou
hebben van 4\'/i meter en wier takken onderschraagd
worden door granietblokken. Fraai is zij niet, maar voor
de vreemdelingen een curiosum, voor de inwoners een
heiligdom. De volgende sage verklaart de liefde van den
Freibuiger voor dezen boom. Toen de zege by Murten
bevochten was, liep een jong strijder, een zoon dezer
stad, van het slagveld om de blijde tijding der overwinning
te melden aan de achtergeblevenen in zyn vaderstad.
Zonder rusten liep bij voort, kwam op het marktveld en
onder den uitroep „Victorie! Victorie!" zakte hy in een
en was een l\\jk. De lindetak, dien hij ten teeken der
overwinning in de hand droeg, werd op de plaats zelve
geplant,9 schoot wortelen en is de boom geworden, door
geheel Freiburg in hooge eer gehouden.
Freiburg moet wel het Zwitsersche Rome zijn. Iloe
anders is het te verklaren, dat een pater — laat zijn
naam Girard zijn — een bronzen standbeeld werd waardig
gekeurd in een land, waar voor de standbeelden der
Hervormers de beste plaats wordt ingeruimd?
Zeker gaan wy een bezoek brengen aan de statige St.
Nicolaaskerk, die met haar rijzigen toren een gunstige
getuigenis aflegt voor de gothieke kunst der 13de eeuw.
Het beroemde orgel zullen wy hooren voor ons vertrek.
Slechts weinige schreden achter het koor der kerk voert
een hangende brug over het 247 meter breede en 50 meter
diepe ravijn waarin de Saane haar bedding vindt. Aardig,
maar voor nerveuze personen een weinig huiveringwek-
kend, is het op den „Grand Pont suspendu", wanneer een
zwaar met hout beladen wagen, door vier paarden ge-
trokken, voorbij rijdt en het gevaarte, door twee kabels
gedragen, doet buigen en trillen als dreigde het in te
storten.
Er is geen reden voor vrees: veilig bereiken wij de
overzijde. Menigmaal staan wij eenige minuten stil om
een blik te werpen op de schoone stad; ot om een praatje
te maken met een Zwitser over zyn sierlyk gebouwde en
sterke paarden, die een wagen graan opsleepen tegen de
hoogte; of wel om by de andere hangende brug, «Pont
de Gotteron" genaamd, naar het dal waarover zij geslagen
werd, eenige photographieën te koopen van een aardigen
jongen, die slag heeft den vreemdeling zyn koopwaren
aan te prijzen. Schoon is van hier uit het stadsgezicht,
maar schooner nog van het plateau bij de Loretokapel
en op den weg, die langs de oude Maltheser kerk dal-
waarts afvoert. Wij houden die lastige baan niet, maar
-ocr page 52-
— 46 -
volgen na een bezoek aan de kerk der Ridders van St.
Jan, die zeer r\\jk is aan reliquieën, het smalle voetpad
dat langs het klooster afdaalt op de oevers der Saane.
Hier zullen wij even rusten aan den koelen stroom; de
enge vallei in haar ruwe schoonheid dwingt onze bewon-
dering at en gedoogt niet dat wy zoo spoedig verdergaan.
Wij zijn niet ver meer van de stad al zien wy haar huizen
niet. Eenige schreden slechts en het dal keert zich met
scherpen hoek rechts; wy staan beneden Freiburg. Dat
bezorgt ons nog een lastig kwartiertje, want een smal
bruggetje voert ons over den vloed op een ruwen kiezel-
weg en na onze voeten op de puntige steenen van deze
gepijnigd te hebben, moeten wy om by het oude stadhuis
op de markt aan te komen een steile, trapvormige straat
beklimmen; alles onder een brandende zon.
Voldaan en meer dan warm kwamen wy in ons hol el.
Natuurschoon hadden wy gezien op dit uitstapje en daarby
het kinderlijk geloot van het vrome landvolk bewonderd.
Want toen wy niet ver van de Loretokapel by een twee-
sprong nederzaten tegenover een groot houten kruis, zagen
wy de landlieden, die stadswaarts gingen ot huiswaarts
keerden, allen even neerknielen voor het beeld des Ge-
kruisten en bidden met ontdekt of gebogen hoofd. De
voerman, die langs den wagen ging, onderbrak even het
l;ed dat hij zong of neuriede, ontblootte het hoofd en
sprak buigend een schietgebed.
Het wereldberoemd orgel, het eenige dat Mooser ge-
maakt heeft, moeten wij hooren. Ik ben geen kenner van
muziek en verhaal daarom wat ïny\'n muzikale reisgenooten
my verzekerd hebben: dat zy nooit voller en harmonieuzer
tonen gehoord hebben, dan hier getrokken werden uit het
orgel van 7800 pijpen met 67 registers.
In de Hoofdstad van Zwitserland.
De bergen wierpen reeds hun schaduwen in het dal
toen wy in Bern aankwamen en de hitte van den dag had
plaats gemaakt voor een meer gematigde temperatuur.
Dat zou ons goed te stade komen, want vóór het onder-
gaan der zon wenschen wij meer dan één der bekende
punten van Zwitserlands hoofdstad te bezoeken
Willen wy ons plan verwezenlijken, dan mogen wy
slechts onze koffertjes brengen op de kamers die ons in
het Hotel „Pfistern" of „des Boulangers" worden aange-
wezen.
-ocr page 53-
— 47 —
Het oude Bern is gebouwd op een schiereiland, door de
Aare gevormd.
Een vijftal groote, voor een oude stad opvallend breede
straten, loopen paralel met de armen van den stroom, die
ze omsluit. Het karakter van ouda stad heeft Bern won-
derwel behouden en dit maakt een wandeling door do
straten genotvol, zoo men niet het gladde plaveisel onder
de booggewelven, die de vooruitspringende verdiepingen
der huizen schragen, maar de wel wat ongemakkelijke
straatsteenen tot wandelpad kiest. Wilt gy de prachtige
winkels zien van Spital-, Kram- en Gerechtigkeitsgasse
neem dan de kelderachtige gewalven voor de plaats uwer
avondwandeling, want het daglicht dringt slechts flauw
door de uitstalling en bij avond zijn deze rijk verlicht,
in tegenstelling met de straten, wie meer licht b\\] avond
niet schaden zou.
\'t Is de beste tijd van den dag om onzen eersten groet
te gaan brengen aan het hooggebergte. De „Kirchenfeld-
brücke" ligt in de nabijheid van ons hotel; daarheen het
eerst onze schreden gericht.
Overweldigend is de eerste aanblik, ons hier op de
bergen van \'t Oberland geschonken. Van Wilgerstock en
Schwarzhorn tot Doldenhorn en Bettfluh scharen zich de
reuzen in \'t witte kleed van sneeuw en ys rond hun ko-
ningin, de onvergelijkelijk schoone Jungtrau. Wel is de
afstand, die ons van hen gescheiden houdt, aanzienlijk,
maar duidelijk teekenen zij zich af tegen den staalblauwen
hemel, alsof zij vóór ons lagen, geëtst door de stift eens
kunstenaars. Met de kaart in \'de hand wijzen wij elkander
eiken bergtop aan en noemen hem bn° zijn naam. Ziedaar
Jungfrau, Mönch en Eiger, het schoone drietal, dat bijna
altoos het middelpunt zal vormen van de grootsche na-
tuurtafereelen, die het Oberland eenig maken op de
wereld. Lang vertoeven wy op het kleine „Klosterhof"
naby de brug, voor wn\' deze zelve onze aandacht waardig
keuren. Al wordt zij door twee reusachtige ijzeren bogen
gedragen en verheven dertig meter boven den vloed, de
stoute werken van \'s menschen hand zijn zonder schoonheid
bij Gods heerlijke schepping en klein bn\' den kleinsten
top der Oberlanden.
Wij gaan verder. Om nu reeds te scheiden van hetgeen
wij zoo heerlijk vinden ? O, neen! op de terrassen by het
„Bundeshaus," onder de lommerrijke boomen van de
„Kleine-" en in den Bloemtuin der „Grosse Schanze" vin-
den wy ze allen terug. Op de „Grosse Schanze" zullen
wij het ondergaan der zon afwachten en het Alpengloeien.
De menigvuldige banken schijnen voor dat doel hier neer-
-ocr page 54-
— 48 —
gezet. Wij hebben de schoone stad geheel aan onzen
voet en achter de torens van Munster en kerken verheft
zich het trotsch gebergte, \'t Zal nog een kwartiertje
aanloopen voor de zon ter ruste gaat en dien wachttyd
brengen wy door met Bern en zyn omgeving den lof te
schenken, waarop het rechtmatig aanspraak heeft; met
de smaakvol aangelegde en keurig onderhouden wandel-
plaatsen in en om de stad te prijzen, boven alles, wat wy
zagen van dien aard. De zon daalt en de schaduw op het
lager gebergte ryst snel: nog geen gloed op de sneeuw-
velden. \'t Zal beginnen, want de laatste zonnestraal
nadert de sneeuwlinie, dachteiv en zeiden wy"; maar het
Alpenrood bleef uit en het hemellicht werd gedoofd zonder
de bergen in gloed gezet te hebben.
p]en ^weinig teleurgesteld staan wy op en dalen af naar
de stad.
Morgen is het Zondag en in het protestantsche Bern
kan het wel eens noodig zijn tydig te zorgen, willen wy
de II. Mis lezen; want die kleine kantteekening van
Baedeker: „Römisch-Katholischer Gottesdienst Wochentags
in der Kapelle Gerechtigkeitsgasse 64, Sontags 6—8 in
der Franzüsischen Kirche," begrypen wy niet. Nog dezen
avond zal ze ons duidelyk worden, als wy ons aanmelden
by\' den Pastoor.
Wy vragen aan de eigenaresse des hotels, waar in de
stad een Katholieke kerk te vinden is. Schoon tot de
Protestantsche Gemeente behoorend, stond zij en haar
dochter ons welwillend te woord. Zy vertelden ons, dat
„les bons Catholiques" slechts een kapelletje hadden in de
straat schuin tegenover, dat dit bedehuis des Zondags
veel te klein was en dat daarom op dien dag de Protes-
tantsche kerk, de Fransche genaamd, tot tien uur was
afgehuurd door den pastoor. In de kapel was des Zon-
dags geen dienst. Wy vonden het vreemd en vroegen:
„Hebben dan de Katholieken niet ééne kerk in Bern?"
„Vroeger hadden zy een schoone," antwoordde de dochter,
„maar die hebben „les Catholiques, qui se sont séparés\'\'
in bezit genomen. Wel wilden deze — dat zy de Oud-
Katholieken bedoelde, zal u duidelijk zijn — het gebruik
der kerk met „les bons Catholiques" deelen, doch dat verko-
zen de laatsten niet en huurden daarom (les Zondags voor
eenige uren de Fransche kerk. Madame gaf ons den raad
naar hetkapelletje te gaan; mogelyk was de koster nog daar.
„En zoo niet, heeren," vulde de dochter aan: „der Ka-
tholische Ptarrer" woont Gerechtigkeitsgasse no. 62. Van
hieruit links."
-ocr page 55-
— 49 —
De koster was er niet meer en wy begaven ons naar
no. 62 van de aangeduide straat. I)e deur stond open;
toch schelden wy. Een oude meid stak achter in den
gang hoofd en schouders buiten de deuren zei niets. Vrij,
als reizigers dat soms wezen moeten,\' stapten wy de
lange gang in en op onze vraag of de pastoor te spreken
was, ontvingen wy een ontkennend antwoord. Misschien
kon zy ons terecht wijzen.
„Wy zouden morgen graag Mis lezen."
„O! de kapelaan is thuis, kom boven, Hoeren."
Zy ging vóór en wij volgden, maar moeiten wachten by
een glazen deur. Dacht ze misschien met inbrekers to
doen te hebben? Best mogelyk. De kapelaan kwam ons
aanstonds vinden
\'t Was een kranige kerel, die ons wel niet ontving
met de gulle gastvrijheid welke de Hollandsche geeste-
lijkheid tot eer strekt, maar toch op een wyze, die in den
vreemde meer dan beleefd te noemen is.
liet verhaal zooeven uit den mond der dames vornomen,
hadden wy aangenomen onder benificie van inventaris,
doch Mynheer verzekerde ons, dat wy ds zuivere waar-
heid hoorden.
De diensten waren in de Fransche kerk: de vroegmis
om halfzeven, de hoogmis om halfnegen. Wy konden
over het een;g altaar beschikken van 7 tot 8\'/2.
„Iloe is zoo\'n treurige toestand mogelyk?" vroegen wy.
„Wat zal ik u zeggen?\'\' was het antwoord. „Wy tel-
len vierduizend katholieken en do Oud-Katholieken kunnen
slechts elfhonderd volgelingen aanwijzen, maar het gou-
vernement is tegen ons. Wij deden ons recht gelden op
onze kerk, die ook door de nieuve sekte als de hare be-
schouwd en gebruikt werd, doch de Staat vaardigde een
besluit uit, volgens hetwelk wij het gebruik der tempels
broederlijk moesten deelen. Wat bleef er ons anders over
dan heengaan uit ons eigendom?"
„Ts er dan geen mogelijkheid om een nieuwe te bouwen?"
„Voor het oogenblik niet, heeren. Onze Katholieken
zyn op weinige uitzonderingen na, allo onbemiddeld. De
weinig gegoeden, die wy vroeger hadden, zijn tot het
Oud-Katholicisme overgegaan. Daarby wy hebben hon-
derden franks huur te betalen voor het gebruik der Fran-
sche Kerk, welke wij onmogelijk missen kunnen."
„Zou een kerk dan zooveel kosten P" was onze natuur-
lijke vraag.
„Heeren," sprak hij, „indien gij bedenkt dat het terrein
alleen — willen wij een eenigszins geschikte plaats vinden
-ocr page 56-
- 50 -
— zestig a tachtig duizend franks zal verslinden, dan
behoef ik u niets te zeggen. Toch heb ik hoop." \')
Waarlyk het is een eeuwige schande voor het kanton
Bern, de schoone kerk, door het geld der geloovigen van
alle landen gebouwd, z00 schaamteloos, alle wetten van
recht en billijkheid verkrachtend, in handen gespeeld te
hebben van een troepje onwillige stijfhoofden.
De welwillendheid des kapelaans en onze weetgierigheid
deden ons verder vragen:
«Bloeit hier het Oud-Katholicisme?"
Hij lachte. „Zij hebben onze kerk en onze beneficiën
en daarmede is de zaak verklaard. Van bloei kan er geen
spraak zijn. Om eenigszins den schijn van leven te kunnen
aannemen, maken zij gemeene zaken met de Jansenisten
in uw vaderland en met de ongelukkige volgelingen van
den diep rampzaligen Loyson. Dezen zomer hebben zü
een nieuwen bisschop gewijd en er waren geen 60 hunner
geloovigen bjj deze plechtigheid tegenwoordig."
Daarop verhaalde hij ons, hoe geheel de H.-Bisschops-
wyding in het Duitsch geschied was, met uitzondering
juist der woorden, die tot het wezen dezer wijding be-
lmoren. Teneinde zeker spel te spelen en den Katholieken
alle mogelijkheid te ontnemen, om aan de geldigheid dezer
heiligschennende daad ook maar te kannen twijfelen, wer-
den deze woorden in \'t Latijn uitgesproken. De Katho-
lieke priesters, die op last van hun bisschop, buiten weten
der sektarissen, de wyding hebben bijgewoond, ontdekten
niets onregelmatigs in de bisschopszalving, zoodat de
nieuwgewijde geldig, maar op ongeoorloofde wijze is op-
genomen in de rij der opvolgers van do Apostelen.
Treurige toestanden alleen door eer en hebzucht ver-
klaarbaar.
Wij dankten den vriendelijken kapelaan en keerden na
een wandeling door de slecht verlichte straten naar ons
hotel terug.
Des morgens vond men ons op den vastgestelden tyd
in de Fransche Kerk. \'t.Is doodseh ei stil binnen de
naakte wanden van een Protestantschen tempel; dat ge-
voelt elk Katholiek, die den drempel overschrijdt; dat
gevoelt beter nog de priester, als hij de negen trappen
van de houten estrade bestijgt, waarop voor enkele uren
een armoedig noodaltaar is opgeslagen; als hij over de
(I) In M;inrt \'9i vond i< iH een onz r daftbliidftii vernn 1,1, dit er
TKi-Aa in il t jmr een b-g n genaakt ZjU wo\'üen niet i.eii houw e:i,rr
Katbulirke Kerk. Of zij rte s tultooiJ is weet ik nitt.
-ocr page 57-
— 51 -
kaarsenbanken van het outer heen het oog slaat op den
grauwen, met spinrag overdekten muur, die tien meter
verder de grens vormt van dit bedehuis.
Men kan zicli aan alles gewennen Zie eens hoe de
vrome Katholieken van Bern op de lastige zitbankjes, of
den kouden vloer vol eerbied en godsvrucht zijn neerge-
knield, blydo dat zij nog een tweede, een derde II. Mis
kunnen bijwonen. Dat treft en sticht ons en het doet
ons vergeten, dat het Heilig Offer wordt opgedragen bin-
nen de muren, die straks wellicht den spot hooren dry ven
met hetgeen er thans geschiedt, die straks getuigen zullen
z\'yn van de godslasterende nabootsing van Christus\' Lief-
demaaltyd. \'t Is heden Avondmaal voor de Hervormde
Gemeente.
üm den pastojr, die gaarne den zang zou dirigeeren,
daar zyn koordirecteur afwezig was, ter wille te zijn,
zong de oudste der Hollanders de Hoogmis, in tegenwoor-
digheid van den toenmaligen President van den Bonds-
raad, een goed en praktiseerend Katholiek.
„Deze Hoogmis zal ik nooit vergeten," sprak later de
celebrant.
De Katholiek heeft zyn plicht gedaan en de toerist
komt weer boven. Wij hebben nog een paar schoone
punten van Bern te bezoeken.
Om „Schlinzli", den heuveltop op den anderen oever der
Aare te bereiken, hebben wij hij het uitgaan der Kerk de
„Kornhausplatz" over te steken. Achter deze voeren ge-
makkelijke voetpaden naar beneden tot aan het stroomnat
van den vlood, door de „Krornhausbrücke" overbrugd.
Dat aan de overzijde de steile weg en het nog steilere
voetpad schaduwrijk is, komt ons goed te stade, want
even warm als de vorige dagen is deze. Nu reeds bezaait
de hitte ons voorhoofd met parelen, voor wy\' op den heu-
veltop aankomen; wat zou het geweest zyn, indien de
zonnegloed vrij tot ons was doorgedrongen?
Klaagt niet, zult gy\' zeggen, want gij wordt schadeloos
gesteld door het natuurschoon, u op „Schanzli" geboden.
Indien het laatste gevonden wordt klagen wjj nooit: nu
hebben wy reden. De stad beneden ons zien wy vry\' wel,
doch het gebergte is geheel en al onzichtbaar door den
sluier van nevelen, die het bedekt. Naar het terras van
de Munster behoeven wij ons voor hetzelfde doel niet te
begeven, zoo besluiten wy terecht; doch wilt gij den
statigen Gothischen bouw dezer kerk en de talrijke beeld-
houwwerken, die haar uiterlijk rijk maken, gaan zien, dan
wil ik u wel vergezellen mits gy mijn voorstel, om nog
-ocr page 58-
— 52 —
voor den middag naar Thun te vertrekken, bystemt. Een
weinig spoed is noodig zoo wy tydig willen aankomen
aan het station, op de scheiding van oude en nieuwe stad
gelegen.
V. In \'t Oberland.
Naar Inlerlaken.
Een uurtje slechts heeft het stoompaard noodig om ons
stroomopwaarts langs de Aare naar Thun te voeren.
De lucht intusschen is meer doorschijnend gewordon en
Blüudizalp laat zyn breeden sneeuwrug voor ons oog
schitteren in de stralen der zon. Jungfrau, Münch en
Eiger steken even het witte hoofd uit boven de bergen,
aan de boorden van \'t Thunner meer als voorposten der
hooglanden uitgezet. Wy stoomen het schilderachtige
Thun voorbij en stijgen af aan het station Scherzligen
waar de Aare het meer verlaat. Hier is de aanlegpiaats
der booten, die Thun met Interlaken verbinden. Ten einde
geen last te hebben niet onze bagage kiezen wij deze
plaats om spoor met boot te verwisselen.
Waarheen? Naar het kerkhof in de stad, vanwaar „la
vue est si belle que c\'est a donner 1\'envie d\'être enterré
la", tenminste als er minder ankers, die den mensch zelfs
na den dood aan de aarde schijnen ta kluisteren, en meer
kruisen, teekens van hoop en blijde verwachting, geplaatst
waren op de graven; —of wel gaan wy naar Jacobshübeli?
AVij hebben keus te maken want er liggen slechts drie
uren tusschen onze aankomst en het vertrek van de boot.
Wij zien het paviljoen op den heuvel en het „Kurhaus
Obere Wart" vóór ons liggen aan de overzijde der Aare;
dat bepaalt onze keuze: daar willen wij heen.
\'t Is hoogstens een kwartiertje meent gy, doch gy be-
driegt u, want wü vinden hier brug noch boot, die ons
op den anderen oever overzet en zijn genoodzaakt het
breede voetpad, dat langs den stroom stadwaarts leidt,
te volgen. Dat brengt ons een weinig uit ons humeur,
doch spoedig beknorren wij den Thuner gemeenteraad niet
meer, omdat hij het bereiken van Jaeobshübeli niet ver-
gemakkelijk t door een brug te slaan over de Aare. De
wandeling toch langs den blauwgroenen stroom is een der
schoonste, welke wy gemaakt hebben. Ik zal u niet
zeggen hoe dikwijls wij stilhielden, hoe dikwijls wy ons
omkeerden, want het zou u ongelooflük voorkomen en gij
zoudt mij van overdrijving beschuldigen, indien gü zelf
dezen weg niet gemaakt hebt.
-ocr page 59-
— 53 —
Een sluis houdt het ontstuimige water der Aare tegen
om de opvaart voor de booten tot nabij de stad mogelijk
te maken en deze sluis is tevens ingericht tot overdekte
brug, welke meer gelijkenis toont met het stoffig magazijn
van een houthandelaar, die in jaren niets verkocht, dan
met een confortabel middel om toeristen van den eenen
naar den anderen oever over te voeren.
Wy zyn voor een weinig stof niet bevreesd en steken
ze over. Pas op, dat ge de beenen niet breekt over de
menigvuldige balken en houtblokken, hier opgestapeld.
Voorzichtig dat ge niet struikelt op het smalle, uitge-
sleten trapje, dat het hooger en lager gedeelte der brug
verbindt.
Wy zyn heelhuids op den anderen oever. Den grooten
rijweg door Hofstatten volgen wij niet, maar het smalle
pad langs den stroom. liet gemis van fraaie huizen en
ryke hotels, wordt ruimschoots vergoed door het schil-
derachtige der Aare, met haar weelderig eiland, door het
gezicht op het smaragdgroene meer en den kegel van den
Niessen.
Een steil en slecht onderhouden voetpad, dat elke
schaduw mist voert naar het doel onzer wandeling. Dat
doel te bereiken viel ons zwaar onder een brandende zon
en vijtmaal stonden wy stil om een weinig adem te schep-
pen en den zakdoek te brengen aan het meer dan warme
voorhoofd. Wij kwamen aan in „Obere Wart" vermoeid
en afgebeuld als postpaarden. Een weinig rust was zaak;
en waar zouden wy\' die beter vinden dan in de koele
gaanderij voor deze restauratie bij de beschouwing van \'t
wonderschoone meer en de bergen, die het omgeven.
De hotelier van „Obere Wart" is een zwaarlijvige per-
soonlijkheid met stuursche trekken en boersche manieren,
die tevergeefs tracht vriendelijk te zyn en beleefd. „In
magnis voluisse sat est" zegt de Latijn en de Hollander
vertaalt: het pogen zelfs is schoon in \'t worstelperk der
eer. Met dit fraai klinkend axioma moet mynheer zich
tevreden stellen, want zyn pogen blijft pogen, waartoe
zeker de weinig aanbevelenswaardige eigenschap dat hy
slechts plat Zwitsersch spreekt, veel bydraagt. Zijn
echtgenoot e, die de teugels van het bewind — en dat is
goed ook — in handen heeft, is juist zyn tegenbeeld.
Waar hij poogt vriendelijk en innemend te zyn, maar
plomp blyft als een turftrapper, daar is zy de wellevend-
en innemendheid zelve zonder voor beide een enkele poging
aan te wenden. Haar zit het in \'t bloed; by hem zal \'t
er nooit in komen.
-ocr page 60-
— 54 -
Wy gaan bediend worden door een der kellnerinnen,
een niet alledaagsch exemplaartje. Zy houdt het midden
tusschen groot en klein, docli helt sterk over tot het
zwaarlijvige. Het schilderachtig kostuum der Oberlanden
staat haar foeileelyk, want wijnrood is haar plat gelaat,
wijnrood zijn de dikke ontbloote armen. Bedrijvig, vlug
en zelfs gedienstig is zü en dat doet haar lijden van de
warmte zóo, dat zij puft en blaast als de stoompyp eener
locomotief. „Een echt „Bobbeltje blaas op, moeder bak
bollen" zegt Ilarry. Dat alles kunnen wij haar vergeven,
doch dat ellendige, op zangerigen en slependen toon uit-
gebracht: „Owie Monsieur" vergeef ik haar nooit; want
menigmaal daarna hoorde ik dat flemige „Owie" tot in
mijn droom.
Madame komt ons vragen of wij tevreden zijn. Wy zyn
blyde haar vraag bevestigend te mogen beantwoorden,
waarna gij blij is ons water te kunnen geven om ons een
weinig op te frisschen; blij ook, ons een beter voetpad
te mogen wyzen, dat naar de stad voert. Die weg leidt
langs het paviljoen. In dat vroolyk, open tentje vinden
wy niet alleen het gezicht weder op meer en bergen;
maar, dewijl het gebouwd is juist op de kromming van
den heuvel, ligt ook het schoone Thun geheel vóór ons.
Een kwartiertje mogen wy hier vertoeven, langer niet;
want gaven wy toe aan de bekoring, die ons tot blijven
aanzet, dan zouden wy de boot missen en dat mag niet.
Dalen wij af: het voe pad, ons aangewezen, loopt door
dichte dennenbosschen, voorbij het Engelsch kerkje en
komt op den grooten straatweg nabij het kolossaal groote,
en kolossaal dure hotel „Thunerhof." Een weinig verder
vinden wy onze overdekte brug weer en steken deze
andermaal over, bewandelen denzelfden weg, dien wij ge
komen zyn en vragen slechts vijf minuten voor de aan-
komst van de boot onze koffertjes terug aan den beambte
van het station Scherzligen, met de zorg over de bagaadje
belast.
Weldra klieft de boot de wateren van \'t kleine en
schoone meer, aan welks oever de kluis van den Heiligen
Beatus gestaan heeft. Geen betere plaats kon de vrome
kluizenaar uitkiezen, om Gods grootheid en majesteit to
overwegen, dan deze boorden, waar men de almacht des
Scheppers leest in de smaragdgroene golfjes, op de naakto
en grillige rotsen, op de schitterende sneeuwvelden van
Bliimlisalp en Jungfrau.
Hier begrypen wy de klacht van Veuillot, als hij de
stoomboot verwenschend, terug verlangt naar den tyd,
-ocr page 61-
— 55 —
.toen nog de roeiers hun slanke bootjes deden heenglijden
over het watervlak; en de stuurman, neergezeten bij het
roer, zyn lustige liederen zon», terwijl het witgevieugeld
vaartuig door een zachte bries werd voortgedreven over
het meer, als het zilveren wolkje langs den blauwen hemel.
Oberhofen wedijvert met Spiez in bevalligheid en het
oude slot van Spiez doet in schilderachtigheid niet onder
voor dat van Oberhofen. Maar \'t zijn niet de witte huizen
die deze plaatsen bekoorlijk maken: \'t is het kristalhel-
dere meer. welks golfjes spelen aan haar voet; \'t zijn de
grauwe rotsen, die zich beschermend boven haar verheften
en den azuren hemel dragen, als een kleed over het kalme
meer en zyn bekoorlijke boorden uitgespannen
Te spoedig stevent de stoomer het kanaal binnen, dat,
langs de onbevaarbare Aaro gegraven, aan de booten ge
legenheid geeft nabij liet spoorwegstation van Interlaken
te landen. Is het kleine meer vol poëzie en leven, het
kanaal is eentonig en doodsch. De rotsen, welke het
smalle dal insluiten zijn minder woest en schoon dan het
reusachtig drijfwerk van graniet, dat liet meer omzoomt;
en het water in de kunstmntigo bedding van basalt
schijnt u minder helder en groen dan de golfjes van den
vrijen plas.
Wij zullen onze koffertjes en verdere reisbenoodigdheden
bijeenzoeken, want aanstonds vallen wij de kleine haven
van Interlaken binnen.
Interlaken.
Wy zu\'n in het hartje der toeristen wereld! Als gij het
nog niet zaagt aan de menigte passagiers op de boot,
onder welke een Hollandsche Jodenfamilie. bestaande uit
de ouders met een drietal dochters; zult ge \'t nu bemer-
ken aan den zwerm pakjesdragers en hotelbedienden, die
de vreemdelingen afwachten, hun bagage overnemen en
hun den weg wijzen naar de onafzienbare ry omnibussen
vóór de statie geposteerd. Aan den man met blauwen
rok en blinkende knoopen, die in groote, zilveren letters
het woord »Jungfrau" draagt op den band der eveneens
blauwe pet, reiken wij onze valiesjes over en volgen hem
naar den wachtenden omnibus. Nog een paar andere
vreemdelingen stijgen na ons in, en voort gaat het naar
„Hotel Jungfrau", aan den Hüheweg in een weelderig
rijken bloemtuin gelegen.
Als even zoovele vorstenwoningen staan de talrijke
hotels ter linkerzijde langs den ilüheweg, de beroemde
oude notenlaan, geschaard en wedijveren met elkander in
-ocr page 62-
— 56 —
grootte en weelde. Drie, vier lakeien wachten ons aan
de breede met tapyten belegde trap en klampen onze
bagage aan als dieven een effectentrommel. Een vrien-
delijk heer, met hooge boorden op het hagelwitte, laag
wegstervende overhemd, staat ons te woord.
Drie kamers? Goed heeren!.....„Antoine! les numéros"
en bij noemde den huisknecht zoo hooge nummers, dat wy
elkander aanzagen, tin\' bemerkte dit en zei, dat er niets
beters open was. Doch willen de heeren zich tevreden
stellen met twee kamers op het Chalet, eerste verdieping?
Gaat u ze eerst zien, heeren! U heeft vrije keuze....
Antoine douze et dix " De kamerknecht, luisterend naar
dien naam, ging ons voor en bracht ons in een schilder-
achtig Zwitsersch huisje, geheel uit hout opgetrokken,
dat, naast het hotel gelegen, als dependance dienst deed.
Juist wat wy verlangden!
De grootste der twee kamers had uitzicht op den van
vreemdelingen wemelenden llöheweg, op de groene vlakte,
op de bergen, die het dal van Interlaken aan de zuidzijde
insluiten, en door een groote klove in dit gebergte op de
sneeuwvelden der Jungfrau, die zich hier in al haar ko-
ninklijke majesteit vertoont. Wat zaten wij spoedig op
het houten balkon, voor ons raam uitgebouwd, en wat
zaten wij er lang! nu eens het oog gevestigd op de Ko-
ningin der Alpen, dan weer op de vreemdelingen, slen-
terend over de breede straat. Wij zullen aanstonds doen
als zy, maar eerst de brieven gehaald, die zeker onze
komst reeds afwachten, \'t Zijn de eerste berichten uit
het vaderland Goddank, alles gaat wel! Een voor ons
gewichtig nieuwtje bleef nog uit, dat spijt ons! Doch die
spijt vergeten, en „en route."
De oude bijna bladerlooze noteboomen langs den weg
hebben meer beroemdheid dan ze verdienen, \'t Zijn afge-
leefde grijsaards, die slechts weinige lentes nog aan-
schouwen zullen : vele zijn er reeds gevallen door den
dood ten teeken, dat de andere hen weldra volgen zullen.
Meer aantrekkelijkheid hebben de tuinen voor de hotels,
overladen, zou ik haast zeggen, met de fijnste bloemen,
met de sierlijkste planten, uit warme gewesten hier heen
gevoerd, om den vreemdeling te verlustigen by het aan-
schouwen hunner waaiervormige takken en bladeren.
Bronzen en marmeren fonteinen in allerlei vorm en ge-
daante zenden in het midden dier bloemengaarde haar
fijne of breedere stralen ruischend omhoog; en het kris-
talheldere water valt neder als een regen van diamant
in de sierlijke bekkens, of op bloemperken en groene zoden.
-ocr page 63-
— 57 —
Achter de hotels stroomt de Aare, en van uit haar
stroomnat verheffen zich op den anderen oever steile met
weelderig houtgewas bedekte bergen, om het dal van
Interlaken te beschutten tegen den guren Noordenwind.
Waar ter rechterzijde van den Höheweg de vlakte zich
uitbreidt, belet geen enkel huis het gezicht op de Jung-
frau-groep. \'t Schijnt verboden daar hotels te bouwen
en dat verbod is wijs, want deze weg zou geheel zijn
aantrekkelijkheid verliezen, zoo de bouwlust zich meester
maakte van de weiden. De enkele kleine huisjes echter
en het armoedige kerkje in het midden der vlakte gelegen,
wel verre van het grootsch panorama te benadeeïen, zet-
ten het schoone geheel leven en liefelükheid bij.
Vreemdelingen van alle natiën in de meest vreemdsoor-
tige kleederdracht: deftige, bedaagde heeren met gouden
knop op den zwarten of donkerbruinen wandelstok, wiens
steun zy behoeven; fatjes met ruwen knuppel, te zwaar
voor een rotting, te licht voor een weversboom; oudere
dames met kindermeid en kinderen; jongere dames, die
het er in kleederdracht en manieren op aanleggen om
gezien te worden, dat alles trekt langzaam af en aan en
wemelt door elkander als een gonzende muggenzwerm.
Ik weet geen betere benaming voor den Höheweg dan
parade der behaagzieke ijdelheid, maar ik moet bekennen
de plaats is met smaak gekozen.
Wij zyn de „Kursaal" genaderd. Van den kunstig aan-
gelegden en met zorg onderhouden Engelschen tuin staan
de poorten ver open. Laten wij he:<n even rondwandelen;
van avond als zalen en tuinen baden in het witte licht
der electrische boog- en gloeilampen, zullen wy de rijke
schakeering der bloemperken, thans het schoonste in de
gulden stralen der dalende zon, moeten missen
Dan zetten wij ons neder op een der vele banken langs
den Höheweg geplaatst, waar Van Lennep de dichtregelen
schreef, in zijn „Dagboek\' aan de Jungfrau gewijd:
„P/achtig en statig vertoont gij u weder,
Boven nlle nnd\'ren bekoorlijke Maagi! \')
Vriendelijk ziet ge op de bergvlakte neder,
Gij, van wier schoonbeid heel \'t Obetland. waagt.
Ja, gij zijt schoon en volwaardig te prijzen.
Majesteit paart eij aan weel\'diigen zwier,
\'t Zij dat een liclitkrans uw scbedel ve\'sier.
Waar zich de zon in weerspiegi-lt bij \'t rijzen;
\'t Zij dat ge \'t voorhoofd, met rozen getooid,
Vroolijk verheft uit het nachtelijk duister,
Wijl om uw schoud\'ren, in zilveren luister.
.Kijk en bevallig uw mantel zich plooit."
i. Jungfrau.
-ocr page 64-
- 58 —
Op dat Alpengloeien wachten wy met spanning, maar
wederom maakt liet zonlicht plaats voor de avondsche-
mering zonder de sneeuwvelden te kleuren. Hoe komt
het, vragen wy ons af, dat al spoedt zich eiken dag de
zon langs een wolkeloozen hemel, zij ons nimmer meer de
weelde gunt van den brand der sneeuwtoppen?
De menigte daar vóór ons trekt langzaam af naar de
hotels waar het diner hen wacht. Nog een half uurtje
eu ook in „Jungfrau" zal de table d\'hóte beginnen. Wach-
ten wy in den tuin van ons hotel het belletje, dat de
vree.ndelingen aan tafel roept, af: do tijd zal ons niet
lang vallen bij het beschouwen der wemelende monschen-
massa.
Als mannen van de klok begeven wy ons op het eersle
teeken naar de eetzaal Wy vinden er nog slechts enkele
gasten en kunnen vrij een blik werpen om ons heen. \'t
Is een, of liever \'t zyn twee byna onafzienbare zalen, rijk
beschilderd, fijn gemeubeld. Groote, veelkleurige elec-
trische lichtkronen werpen haar gloed over de lange, met
smaak gedekte en versierde tafels. Een heirleger zwart-
gerokte bedienden staat te wachten op de bevelen van
den Oberkellner, die peinzend by het buffet de wacht
houdt, met een zwartlederen notitieboekje in de hand en
een gouden potlood achter het oor: een generaal vóór de
bestorming.
Wij krygen een plaats, die ik voor geen vyffrankstuk
wil afstaan: juist tegenover de „porte d\'entrée" met het
gelaat naar deze gekeerd. Nog geen tien personen zijn
er gezeten, wy hebben dus gelegenheid in overvloed de
dames en heeren der groote wereld hun „entree de salon\'\'
te zien maken. Dat is een kijkje waard! Alleen lacht
niet: \'t zal somtyds moeite kosten ons in te houden.
Dames en heeren verschijnen op dit ander paradeveld,
als de soldaten op de verjaardagen van het koninklyke
Huis, in groot tenue. Daar komen een paar heeren, die
den mannelyken leeftyd reeds lang zijn ingetreden. Zy
zyn van den echten stempel. Bedaard gaan zy voort
onder hun druk en ernstig gesprek: zy schynen te mee-
nen, dat zij een wandeling maken door het eenzame veld,
waar geen vreemdeling hen bespiedt, en gaan de zaal
door in geheel haar lengte, alsof zij zich bevonden
in eigen werkkamer Men heeft het hun in alles kun-
nen aanzien, dat zy gewoon zyn zich in groote kringen
te bewegen, en er zich thuis gevoelen als een visch in
het water.
Twee dames, echtgenooten dier heeren, volgen hen op
-ocr page 65-
— 59 —
den voet, gaan gearmd en spreken zachter met elkander,
doch haar gekeuvel is er niet minder druk om. Ook zij
bewegen zich gemakkelijk en ongedwongen, al betrappen
wij haar nu en dan op een blik, die vragend rondziet
door de zaal en uit wil vorschen, of er wel attentie ge-
schonken wordt aan haar optreden.
Oud;, matronen zijn geen zeldzaamheid, en vele dezer
zijn nog even behaagziek als in den tijd, toen zij pas
twintig lentes telden. Daar komt juist een drietal binnen,
\'t Zjjn geen nichten, nog minder zusters, al hebben zij de
armen zoo stevig in elkander gestrengeld en al dringen
z\\j zich tegen elkaar aan, als wilden zn\' alle aanwezigen
toonen, dat zij graag 66a van lichaam zouden worden
gelyk zü één zijn van ziel. — Bij deze metamorphose zou
niet één van haar iets winnen of verliezen. De middelste
toch is wit van haar en heeft een tronie als een puk,
die den neus brandt aan een warme schotel. De dame
aan haar rechterzijde heeft een haartooi te jeugdig van
kleur om echt te zijn, iets wat foei leelijk staat boven
een gelaat, waarvoor ik geen waardig evenbeeld vind dan
bjj een dog, door een mug in zijn middagdutje gestoord.
Een smous, wanneer hij een hondenwagen nablaft, kan
niet vervaarln\'ker kijken dan de dame aan de groene zyde
en, mts liy wit gewassehen is, kan zijn haar met dat van
mevrouw wedijveren in kleur.
\'t Zou schande zijn voor ons, indien haar ouderdom ons
achen deed; maar zoo wy het belachelijk vinden, dat dit
drietal in kleederdracht en houding wil goed maken, wat
haar aan jeugd en schoonheid ontbreekt, dan zullen er
misschien zelfs dames gevonden worden, die ons gevoelen
deelen.
Wie kan zich op een wereld-rendez-vous mama\'s ver-
beelden zonder huwbare dochters? Heeren zijn er veel,
mama\'s nog meer en de verhouding van beiden te zamen
staat tot de dochters als één staat tot drie. Wij hebben
dus overvloed van stof om de houding der jeugdigen te
bespieden als zü haar intrede doen in de zaal, waar z\'u\'
zeker niet van de eersten verschijnen. Bij al dien over-
vloed wordt de stof eentonig, want de eenige afwisseling
is de onuitputtelijke variatie der kleederdracht, die, wat
snit en vorm betreft, vrijwel bij allen hetzelfde is, maar
in kleur en onderdeelen op geen andere gelijken mag,
tenzij de draagsters gezusters zijn. Hot binnenkomen van
allen houdt het midden tusschen schuchterheid en pedan-
terie:! n het eerste toonen zü nog niet geheel haar natuur
verloochend te hebben en in de tweede bewijzen zy er
van overtuigd te zyn, dat zulk optreden imponeeren mo:t.
-ocr page 66-
- 60 —
Hoe jammer voor haar, dat er zoo weinigen zijn, op wier
belangstelling zy het by voorkeur gemunt hebben.
De défilé der dames wordt bepaald vervelend. Een
kleine krullebol brengt afleiding. Huppelend en springend
niet al de ongedwongenheid, aan de onschuldige jaren
eigen, komt hy\' de vleugeldeuren binnen. Wat maakt het
hem of alle oogen op hem gevestigd worden? wat geeft
het hem zoo niemand zich verwaardigt op hem neer te
zien? indien slechts de Oberkellner, zijn vriend notitie
neemt van zyn lieve verschijning. Met een vroolyk kreetje
loopt hy toe op den stuurschen man, die het kleine handje,
hem toegestoken, in de zijne vat, terwijl een gulle lach
de wangen plooit van hem dien wij koud waanden en
gevoelloos als een beeld. De kleine heeft zijn vertrouweling
een rbal te laten zien, eerst lieden hem door mama ge-
kocht; hy heeft hem te vertellen waar hy met papa ge-
weest is, wat deze hem beloofde en als hij in kinderlijke
stoutheid den bal zacht opgeworpen heeft naar het gelaat
van zyn vriend, schatert hij het uit van pret, als deze
onwillekeurig schrikt bij dien onverwachten aanval.
Dreigend heft de zwart-gerokte den wijsvinger op tegen
den knaap, maar doet zijn bedreiging van een lach ver-
gezeld gaan. Ik zou het hem kwalijk genomen hebben,
indien hy anders gehandeld had. De snaak wetend, wat
waarde hy te hechten heeft aan zulk dreigement, maakt
zich gereed den aanval, nu wat krachtiger, te herhalen
en zou zyn plan zeker ten uitvoer gebracht hebben, zoo
niet juist mama binnen gekomen was en zijn hand ge-
grepen had. Is het wonder dat mama den vriend van
haar lieveling een groet waardig keurde en dat de kleine
nog driemaal omzag en met het handje wuifde vóór hy
gezeten was?
Een schrille tegenstelling met dit kinderlyk tafereeltje
vormt het echtpaar, dat thans de zaal binnentreedt. Zie
dat kleine heertje, wien de fortuin eerst gisteren de deuren
van een deftig gezelschap ontsloot, en in staat stelde
met zyn onbeholpen, maar des te pretentieuzere echtgenoote
Interlaken met een bezoek te vereeren. Alles verraadt
den parvenu: rijke kleederen en schitterende lijfsieraden,
gang en houding, taal en gebaren. Ik heb eerbied voor
den man, die zich door wilskracht en volharding groot
maakte in de wereld; maar indien zulk een zijn onbehol-
penheid wil verbergen achter de allures van een voor-
naamheid, welke hy zichzelven niet geven kan, dan is hy
een gans onder de pauwen, meer niet.
De laatste dergenen, die het schoon vinden zoo laat
mogelyk aan taiel te verschynen, is binnen gekomen en
-ocr page 67-
— 61 -
de vleugeldeuren worden gesloten, het diner begint.
„Bon appetit."
\'t Is heden avond concert in de tuinen der Kurzaal;
zullen wij er henen gaan? Bepaald zeker, want er staan
nummers op het program, die tot de lievelingsstukken
mijner muzikale vrienden behooren. Daarby de avond is
heerlijk en gij weet: de Kurzaal is de magneet, die alle
vreemdelingen tot zich trekt.
De beste plaatsen waren by onze komst reeds bezet en
wy vergenoegden ons met een tafeltje achteraf, waar
volgens onze burekening de muziek tot on2e ooren het
best zou doordringen. Wij hadden buiten den waard ge-
rekend!
Een Duitsche familie zat vóór ons en deze familie be-
stond uit vijf wezens: mama, drie dochters en een af-
schuwelijk schoothondje, dat imj, al ben ik een vriend van
honden, den steen voor het verdrinken niet waard zou
zyn, maar door de matrone geliefkoosd werd, meer dan
de drie dochters te zamen. Zy\' hadden het erg druk over
modeartikelen; over het kleed der dame, welke daar en
daar aan tafel zat; over den hoed der freule welke zy
op de wandeling langs den Höheweg ontmoetten, en over-
stemden alle „piano\'s" en „pianissimo\'s" van het strijk-
orkest.
Ha! \'t zal beter worden! De oudste dochter, de snap-
achtigste van het gezelschap, verwy\'derde zich. Dat be-
loofde stilte en bracht deze in werkelijkheid; doch slechts
voor weinige oogenblikken. Want daar komt zy terug,
en niet alleen. Zy heeft in haar gevolg een jongeheer
van vyf en twintig en een jonge dame, die een jaar jonger
is; jongeheer en jongedame zijn blijkbaar broeder en
zuster.
Beiden worden door dochterlief aan mama voorgesteld,
en na de gebruikelijke complimenteering namen de nieuw
nangekomenen plaats: de jongeheer tegenover mama, de
jongedame tusschen de twee oudste zusters. Het schoot-
hondje had even geblaft by de kennismaking, maar de
vriendschap ziende, welke den vreemdelingen van den
kant der dochters zyner meesteres te beurt viel, sliep het
rustig in op den schoot van mevrouw. Stemmig als
„Mopje" gedroeg zich het jongste kind, een tenger, zie-
kelijk meisje van zeventien, achttien jaar, dat de vreemden
beleefd had gegroet, zicli nederzette op dezelfde plaats
en handelde of zy niet by het gezelschap behoorde. Was
het misschien, omdat zy evenals mama geen enkel woord
verstond van het gesprek, dat — luidruchtig genoeg om
-ocr page 68-
— 62 —
twintig tafeltjes in het rond alle muzikaal genot te ont-
nemen — in het Fransch werd gevoerd door de jongelui?
Of was zij, haar minderheid bewust, beleefd genoeg do
oudere zusters «alleen het woord te gunnen P Zeker is
het, dat zij gunstig afstak by deze, die om strijd er zicli
op toelegden de attentie des jonkmans te trekken en zich
uitputten in voorkomendheid, toen hy haar beleefd maar
koel bleef behandelen. Mama zag haar dochters aan met
een gevoel van trots en, gaarne op de hoogte blijvend
van het gesprek, richtte z\\j het woord tot den jonkman,
zoo vaak zij tusschenbeide kon komen. Had zij dat
geluk, dan antwoordde haar overbuur in vloeiend Duitsch;
had zü dat geluk niet, dan zocht zü haar troost in het
streelen van haar onooglijk schoothondje.
Menigeen wierp een norschen blik op het luidruchtige
viertal, maar het gezelschap zag het niet, begreep het
niet, of wilde het zien noch begrijpen. De wrevel luchtte
zich luid genoeg om door de betrokken personen gehoord
te worden in vrij scherpe opmerkingen, waarvoor zij Oost-
Indisch doot bleven.
«Faire bonne mine a mauvais jeu", dacht Jan en zei:
„Nu Harry! vertel de geschiedenis nog eens van de ont-
dekking van Amerika"; en Harry begon: „Daar was eens
een man, die eieren overeind kon zetten en Cioinbumbus
heette"....
Voor het koddig jongensopstel, dat voor eenige jaren
in alle nieuwsbladen van Holland de rondte deed, en een
weinig later door de phonograaf van Mr. Marius werd
naverteld, half geëindigd was, had de vroolijkiieid de
kwade luim verjaagd en waren wij vertrouwd geraakt
met het zonderlinge denkbeeld: op een concert niets te
hooren van de schoone muziek en uien te moeten tappen
om zich niet te vervelen. Ue jongelingsgrappen onzei
jeugd werden voor de zooveelste maal herhaald, en als
Jan verteld had, hoe meester P. eens in de klas een
episode had voorgelezen, en het gelezene den leerlingen
als opstel gat, met het gevolg, dat een zyner klasgenooten
het verhaal begon met de woorden: „Episode was oen
aardig man"; dan hadden wij pret „nóg zoo;" en het
gevolg dier aardigheid was, dat voortaan elk vreemd-
soortig heer of dito dame door ons met den eerenaam
van „Episode" betiteld werd. En „Episodes" van beider
geslacht ontmoet men in Zwitserland bij honderdtallen.
Hebben wij dan niets genoten van de muziek, die zoo
heerlijk beloofde te zijn? Jawel! bij het derde en laatste
gedeelte van het program, kwam er plaats in de nabijheid
-ocr page 69-
— 63 —
van liet muziektempeltje. Wy waren zoo vry een der
opengevallen banken te bezetten. Harry en Jan waren
bepaald enthousiast, en ik wist niet, dat ik by zoo weinig
muzikale ooren zooveel voor de muziek kon gevoelen, als
ik toonde hy de uitvoering van „Andreas Hofer." Wie
niet enthousiast was? de directeur van \'t orkest, \'t Werd
rumoerig overal, en het gestommel, dat tot hem doordrong,
deed hem omzien, waardoor hy\' in de treurige, onge-
wenschte gelegenheid kwam, de helft der aanwezigen
onder het eerste stuk van het laatste gedeelte te zien
heengaan. Bij herhaling keerde hy zich naar de heen-
gaanden, als wilde hy ze electriseeren, maar \'t baatte
niet; men stoorde zich niet aan zijn machtelooze woede,
die zeer natuurlijk groot geweest moet zyn, omdat hy
overtuigd was, dat de muzikanten onder zijn directie be-
roemde stukken van groote meesters onverbeterlijk speelden.
Wy waren zoo wreed niet als de groote menigte, bleven
ten einde toe en klnpten al harder naarmate er meer-
deren opstonden en zich verwijderden.
Vraagt gy my by het heengaan, wat ik denk van een
concert te Tnterlaken, dan zal ik u antwoorden: ,Daar
wordt heerlijke muziek onberispelijk uitgevoerd in een
ryken tuin voor\' een ontzaglyke menschenmenigte, van
welke weinigen luisterend genieten, velen komen om te
zien, nog meer om gezien te worden en byna allen om
den avond te korten."
\'t Was by uitzondering laat geworden vóór wy ons op
onze kamers bevonden en toch wy moesten vroeg op.
Een enkelen keer kan dat geen kwaad, als men jeugdig
bloed in de aderen heeft.
Ingedommeld onder den nagalm van Hofer\'s „Gebed
gedurende den Slag", schrok ik wel eens wakker by het
door de muziek zoo natuurlijk nagebootste salvo, dat den
Held van Tyrcl deed vallen, bij de zachte en treurige
melodie die volgde op zyn val:
„Vlit iUm i<;is Luid Ty-ol.
Mit ihm d.is Lnml Tyrul" ;
doch het was slechts een droom, wat ik hoorde en spoedig
sliep ik wederom in.
Een halve dag.
Onze reis zou een vogelvlucht zyn, ik zeide het reeds;
en zoo gij hiervan tot nu toe nog niet overtuigd zyt, zult
gy het stellig heden worden. Ons program gaf het vol-
gende uitstapje aan voor één dag. \'t Zou gaan over
-ocr page 70-
- 64 -
Lauterbrunnen naar Mürren en wederom terug naar dal
en dorp, vanwaar wy per spoor over Wengernalp naar
Grindelwald dachten te stoomen om des avonds wederom
in Interlaken te wezen. Uit mijn reisgids meende ik de
mogelijkheid van dit later onmogelijk gebleken plan te
kunnen bewijzen.
\'t Zou wel een vermoeiende dag zijn, maar de ver-
moeienis zou niet geteld worden by het genot.
Een weinig na zeven bevonden wij ons reeds aan het
Ooststation van Interlaken en stapten in den trein voor
Lauterbrunen.
\'t Gaat in zuidelijke richting door de lachende vlakte
tot by Wïlderswyl-Gsteig, waar de spoorlijn de oevers
der Ltitschine betreedt, en om den rijweg te ontvluchten
den ontstuimigen bergstroom overschrijdt, ten einde op
den anderen oever zich een weg te banen door de donkere
dennenwouden, die op den steilen bergrug welig tieren.
Gy kent liet aardige liedje, \'door den schepper der
«Camera" aan den bergstroom gewijd.
„De l.ütschiuen, Witte en Zwarte,
Giaan elk haar eigen pad."
De Witte vrangt haar wateren aan de gletschers der
Jungfraugroep, en na het dal van Lauterbrunnen door-
loopcn te hebben, vereenigt zy zich met de zwarte, die
haar voedsel ontvangt van de ijsbergen om Grindelwald
en het dal van dien naam voor haar doortocht uitkoos.
Van beide is het evenzeer waar:
„Zij maken ren vreeselijk leven
Kn schuimen als \'k weet niet wat.
Zij schuimen, bruiser, branden
Vervaarlijk om stronk <n steen,
Maar komen elkander steeds nader
Kn stroomen ten laatste ineen.
Aan dat punt zijn wij nog niet gekomen, w\'y\' zullen
beider vereeniging eerst zien by het station Zweiliitschinen,
hier geldt het nog:
„En als nu vervolge s die beiden
Vereend zijn van lichaam en geest,
Dan zet ik bet u te onderscheiden.
Wie wA en wie zwart is geweest."
Maar wat de dichter niet bezingt en de reisgids niet
aangeeft is, dat de vlakte van Interlaken baar schoonheid
en gunstig klimaat dankt aan het werk der Augustijner
monniken der 13e eeuw, die de Lütscliine, welke zich toen-
maals in de Aare stortte en door veelvuldige overstroo-
-ocr page 71-
e.»
mingen <le vlakte in een moeras herschiep, gedwongen
hebben haar wateren door de kunstmatige bedding uit te
storten in het meer van Brienz Van dit reuzenwerk
zegt Veuillot: „De tels projects ne se formaient alors
que dans les cloitres, et ne trouvaient que Ia des volontrs
capables de les accomplir." Waar de Zwarte en Witte
Lütschinen elkaar omlielzen, splitst de spoorlijn zich in
twee takken en volgt de beide bergstroomen. Ons doel
is Lauterbrunnen; wij houden dus de hoorden der Wcisso
Liitschine.
liet dal van Lauterbrunnen, hoogstens een kwartiertje
breed, en door hooge, steile rotswanden ingesloten, gelijkt
meer op een bergkloof dan op een dal Slechts weinig
uren dringen de stralen der zon door tot op zijn bodem,
zelfs in de zomermaanden. De ontembare stroom jaagt
kokend en razend zijn grijze golven over de rotsblokken
in zijn bedding gezaaid, of over de boomstammen, die zijn
woede ontwortelde.
Wat tegenstelling niet dezen vormen spoorbaan en
rijweg, die beiden, zacht stijgend, vreedzaam naast elkander
voortgaan door de nauwe vallei, op vele plaatsen door
nienschenhanden verbreed om beide een doortocht te ver-
leenen. Donkere dennen en lichtgroene heesters bedekken
den voet der bergen aan beide zijden als met een tapijt
van diepe en stemmige kleuren, dat heerlijk uitkomt op
de grauwe rotsen, waarboven do Jungfrau met haar
schitterende Silberhorn het witte hoofd, door de zon be-
schenen, statig verheft hoog in de blauwe lucht. De felle
zon die daarboven op de toppen speelt en de blanke
sneeuw volden en de getande rotsen doet schitteren in het
gouden licht harer stralen; het plechtig halfdonker in hot
dal, waar diepe, stille vrede heerscht, spreidt een voor
ons tot heden ongekende bekoorlijkheid uit over dit kleine
plekje der Alpenwereld.
Langzaam sleept ons de locomotief naar Lauterbrunnen
op, maar de weinige spoed is ons een te groote snelheid
by zulk genot. Da trein stopt veel te spoedig.
Haasten wij ons, want de kabeltram. die ons naar het
plateau van Miirren zal opvoeren, is gewoonlijk overvol.
Wu zijn vlug als de gemzen en komen het eerste aan.
De beste plaats is zeker de achterste bank van den
wagen, als men zich met den rug naar de hoogte keert:
waarom zouden wij ze niet innemen P
„De electrische tram, die in aansluiting met dezen naar
Miirren loopt, is defect," wordt ons door den conducteur
gezegd. Toch opstijgen en te voet naar Miirren, is ons
besluit. De helft der inmiddels toegestroomde vreemde-
-ocr page 72-
66
lingen denkt er over als wij; de andere helft geeft de
genomen kaartjes terug en blyf\'t beneden.
Snel wykt de vallei terug en Lauterbrunnen ligt weldra
vóór ons als een bouwdoos, maar de bergen nemen toe in
trotsche majesteit hoe meer wij stijgen.
Onze wandeling vangt aan over het smalle voetpad,
dat de lijnen der electriscbe baan volgend in een goed
uur naar het doel van onzen tocht voert. liet plateau is
niet breed in den beginne, maar breidt zich meer en meer
uit. Een weelderig graskleed bedekt het en groote kud-
den lichtbruine runderen grazen vreedzaam op de weide
by het eentonig en toch zoo melodieuze geklingel der
Alpenklokjes. Itoe jammer, dat hier de beschaving reeds
menig gegoten klokje heeft binnen gesmokkeld, welks
tonen, zoo welsprekend op de tinnen van landelijke kerkjes
en kapellen, een wanklank zijn in de heilige stilte, die
op de bergen rust.
Vindt gü het niet aardig, dat die beesten — geen vrees,
want kwaadaardig zijn ze niet — in troepjes op ons aan-
komen, in onze nabijheid stil staan en het nieuwsgierig
domme oog vestigen op den vreemdeling, die hun weide
betreedt, als wilden zij hem vragen: „Vanwaar komt gü
ea wat doet gij hier?"
Men is hoog, zeer hoog boven de zee op het plateau
van Mürren, toch was het er meer dan warm en er stond
byna geen enkele pijn langs het onettene voetpad om ons
te beschutten tegen de verzengende zonnestralen. Dit
was de oorzaak, dat wy\' slechts langzaam voort gingen,
de oorzaak ook, dat wy tot het plaatsje Mürren niet zyn
doorgedrongen, en na een wandeling van drie kwartier
besloten ons neer te zetten in de schaduw van een drietal
jonge dennen, om daar naar hartelust te genieten van het
natuurtafereel, dat vóór ons lag. Wel zagen wy reeds
van het oogenblik, dat wy het plateau bestegen, het
hooggebergte; wel stonden wy reeds menigmaal in be-
wondering stil op onzen tocht, maar hier op de kromming
der hoogvlakte genoten wij meer en beter.
Slechts het smalle dal, meer dan 300 meter beneden
ons, scheidt ons van den „Schwarzen Mönch," den voet
der Jungfrau.
Van Eiger tot Breithorn staan daar de reuzen van \'t
Berner Oberland in majestueuze pracht en weergalooze
grootheid,
„Met eeuwig ijs en sneeuw belekt,
Ontzaglijke reuzenknoppen,
Wier aanblik tot aanbidding wekt."
-ocr page 73-
67 —
Ik waag het niet u van het .panorama der wit be-
sneeuwde toppen" een schets te maken. Ik beken mün
onmacht: daarin is geen schande gelegen.
Wy zagen reeds nu de onmogelijkheid in van ons plan
om naast den Staubbach ook Trummel- en Schmadribach-
fall te bezoeken, want bet was tien uur en klokke twee
zou de trein naar Grindelwald vertrekken. Laat ons af-
dalen, zoo besloten wij, en doen wat wy ki;nnen. Wy
hadden tyd in overvloed voorde tram naar Lauterbrunnen
vertrok en dat was goed ook, want anders lagen myne
jumelles mogelijk nog heden op de plaats, waar wy gerust
hadden. Ik vergat ze daar in het hooge gras en ge-
getroostte my ter wille van het goed instrument een vry
snellen tocht van meer dan een half uur door de bran-
dende hitte. Myn reisgenooten vond ik terug onder eenige
boomen by het beekje dat van de hoogte tuimelend als
een stofwolk te Lauterbrunnen nedervalt.
\'t Was niet ver meer van het middaguur, toen wy door
de smalle schilderachtige straat van Lauterbrunnen den
weg naar den Staabbach insloegen.
Van de menigte bedelaars, „byna zoo naakt als de rot-
sen," die Van Lennep ingenieur deed spelen om zich van
dat lastig volkje te ontslaan, en Veuillot de ware en
kernachtige spreuk in de pen gaf: „LagémTOsitó ne peut
rien gucrir a des plaies si profondes, il faudrait la charité,"
hebben wy geen overlast gehad. „Waarschynlyk," zou
de eerste zeggen, indien hij zulks vernam, „waarschynlyk
verwachtte men regen dien dag en heeft daarom school
gehouden." Wel vonden wij bijna in elk huis een winkel;
waar de producten en curiosa dezer streken verkocht
worden — mag men de handelaars, die den vreemdeling
komen uitnoodigen, wat te koopen in hun magazyn, ge-
looven — voor een prikje; wel werden wy op straat na-
geloopen door de lieve jeugd, die snuisteryen en rariteiten
ons wilde opdringen, maar het patent der bedelary scheen
opgeheven, ten minste voor dien dag.
Een van die kleinen trok ons onwillekeurig aan. Meer
dan acht jaren telde hy niet. Hij was vry groot en stevig
gebouwd, had blauwe oogen in het ronde hoofd, waarom
het weinig verzorgde, blonde krulhaar een krans had
geslagen.
„Niets koopen, heeren?\' vroeg hy zoo lief en zag ons
daarby zoo geestig aan, dat wy aardigheid kregen in dien
krullebol en stil stonden.
„Zoo vrindje, wat hebt gy te koop?"
Daar volgde een opsomming van voorwerpen, die hij
-ocr page 74-
— G8 —
met zich voerde in liet houten bakje, van voorwerpen, die
hy binnen weinige minuten halen kon. Het vlugge handje
nam elk stuk, dat genoemd werd, uit zyn draagbaar
magazijn, hield het ons even voor de oogen en legde het
aanstonds weder op z\\jn plaats om een ander te nemen.
De pryzen van elk voorwerp werden nog vlugger genoemd.
«Vrindje, ge zijt niet goedkoop!"
Hy lachte: „Gaat eens in de magazynen en ge betaalt
meer, jao!"
„Wat kost dit boekje?" vroeg Harry en nam een Iti-
cordo uit het bakje.
„Ein frank.... jao, ein frank."
„En dat?" vroeg Jan.
„Vier franken!"
„Vier francs, zegt gy?" vervolgde dezelfde.
„Jao, vier franken, jao!"
„En dat slechts één. Hoe klopt dat, vrindje?" vroeg
ik op myn beurt.
De guit lachte en keek mij zoo schalks aan, dat ik het
antwoord in zijn heldere oogen las: „Dommerik, dat je
het verschil niet ziet." Het antwoord dat de kleine lippen
gaven, was beleefder.
„Sind auch allen Photographiön, jao.... vier franken,
jao vier! und diese sind kein Photographiön.... ein
frank, jao ein.
Wü bewonderden den snaak en noemden hem voortaan
„Kaufmann," wat hij zich graag liet noemen. „Frank" en
„Franken" met het onafscheidbare „jao" hebben wü hem
wel honderd maal doen herhalen, omdat die kleine mond
deze gewestelijke woorden zoo mannelijk en tevens zoo
guitig wist uit te spreken. Meer uit aardigheid dan uit
kooplust kochten wy- eenige kleinigheden van den jeugdigen
„Kaufmann." Hoe dankbaar hij daarvoor was, bewees hij
later. Want, toen wy van den Staubbach terugkeerden,
vonden wij hem, zittend in het raam van een in aanbouw
zijnde woning, zyn sober middagmaal gebruiken; hü zette
het napje naast zich neder, zoodra hy ons bemerkte,
groette met de hand en riep: „Leben Sie wohl, Herren!"
Nauwelijks was onze negotie geëindigd, of wy kwamen
in het gezicht van den beroemden Staubbach. Doch om
den val in geheel zijn schoonheid te overzien moeten wij
ons plaatsen op het heuveltje in zyn onmiddellijke nabij-
heid. De twintig centimes die men te betalen heeft, wil
men daar komen, zyn goed besteed.
Van de driehonderd meter hooge. een weinig vooruit-
springende rots stort zich de beek naar beneden. Boven,
-ocr page 75-
- 69 -
zoo schijnt het u toe, is zij een zilverdraad, over den
scherpen rotswand gebogen. Golvend op den adem van
den wind, daalt zy langzaam noder en spreidt haar wa-
teren uit in haar val. Breeder en breeder, ijler en ijler
wordt haar waterpluim en, voor zij neervalt op den rots-
achtigen bodem, is zy in een dichten stofregen herschapen.
De damp van het neervallende water stijgt op als de
rook van een smeulend vuur en de stralen der middagzon,
in die nevelen gebroken, spannen regenboog op -boog over
den waterval.
Ons blyft de Staubbach schoon, al ziet Van Lennep in
de tuimelende wateren slechts de „rook, die uit den
schoorsteen eener raffinaderij naar beneden slaat: wij zouden
hem liever, in minder triviale beschouwing, als Byron
„bij den golvendeu staart van een wit paard" vergelijken.
De brandende hitte deed zich duchtig gevoelen en om
verkoeling te vinden beklommen wij de gaanderij, achter
den Staubbach in den rotswand uitgehouwen. De regen-
droppen van den waterval vingen wij op op ons hoofd:
dat deed ons goed. Als gij doorwarm hier aankomt,
handel dan als wij, maar vergeet niet uw aandacht te
vestigen op de beek, die in waterdroppels voor u heenvalt:
zü is door de zon in een regen van schitterende diamanten
herschapen.
Trümmelbach en Schmadribachfall zullen wij, hoe on-
gaarne ook, er aan geven, of het moet zijn dat uw maag
zijn rechten niet doet gelden, \'t Is reeds één uur en
sedert half zeven heeft hy gevast. In „Hotel Steinbock"
gaan wij ons sterken voor den verderen tocht.
Hier komen wü niet meer want behalve de weinig
aanbevelenswaardige eigenschap „te duur\', vinden wy er
een ellendige bediening. Is het er altijd zoo geschapen,
dan zal deze „Steinbock" spoedig zijn vlugge naamge-
nooten volgen en uit de Alpen verdwijnen.
\'t Is nog wel geen tijd, maar om een goed plaatsje te
bemachtigen, begeven wü ons reeds naar het station. Er
is nog keuze genoeg. Gelukkig of ongelukkig — hoe zal
ik het zeggen? — komt de conducteur tijdig onze kaarten
nazien. Wij hadden plaats genomen in den wagen, die
over Wengernalp naar Grindelwald voert. Zóo was dan
ook ons plan en geen haar op ons hoofd dacht er aan,
dat onze biljetten niet in orde waren; wy hadden ze zoo
goed besteld, meenden wij. Dat was niet het geval, naar
het scheen, want wy moesten den trein verlaten en vóór
wy beraadslagen konden, wat te doen — een kaart bij-
nemen of wel over Zweilutschinen naar Grindelwald op-
-ocr page 76-
- 70 -
stoomen, gelijk ons boekje aangaf — vertrok de wagen
voor Wengernalp. Ons bleef dus niets anders over dan
te gehoorzamen aan ons „Fahrscheinheft". Dat een
drietal Duitschers ons ongeluk deelde, was wel een troost,
maar een troost magerder dan de koeien van Pharao,
daar de woorden van Beets volkomen op ons toepasselijk
blijven:
„Hij die geen Sc\'eideck heeft beklommen:
Óeen Wengernalp-weg in mocht slaan,
Is \'t heiligste der heiligdommen
Van \'t überland niet dno-gegaan."
Een volgende reis zal dit verwet ons niet meer treffen.
Vijf minuten later spoorden wij naar Zweilütschinen,
waar de trein voor Grundelwald onze aankomst wachtte.
Het dal van Grindelwald behoeft in schoonheid voor-
dat van Lauterbrunnen niet onder te doen: als tweeling-
broeders gelijken z\\j op elkander. Wat de Jungfrau is
voor Lauterbrunnen, is de Wetterhorn voor Grindelwald.
Wel is deze niet zoo hoog als de koningin der Oberlanden
en minder stout in vormen en lijnen, wel is zy*n kruin met
minder sneeuw en ijs bevracht; maar vrijer is hier de
blik op den van rimpels doorploegden driehoofdigen dra-
kenkop des Wetterhorns, dan ginds op de majestueuze
toppen der Jungfrau, die zich gedeeltelijk verbergt achter
den donkeren rug van den Schwartzen Mönch.
Wederom teleurstelling! Slechts twee kleine uurtjes
en de laatste trein voor Interlaken zal vertrekken. Dat
is niet genoeg om den Obern Oletscher en zijn kunst-
matige grot te bezoeken. Hadden wjj slechts eenige reis-
benoodigdheden, vooral hadden wij slechts onze brevier
medegenomen, dan zouden wij spoedig de vraag: „Wat
nu begonnen?" beantwoord hebben met een: „Wel hier
blijven." Nu zullen wij naar den gletscher opwandelen
zoover de tijd het toelaat.—
Waarom niet te paard geklommen? men verzekert ons
toch, dat wy tijdig terug zullen zijn. Maar wij weten,
hoeveel waarde wy te hechten hebben aan de verzekering
van huurhouders, die gaarne met hun kleppers de acht
francs verdienen en daarom slaan wij geen acht op hun
opdringende wellevendheid. Daarbij wij zijn zondags-
ruiters en vreezen geheel Grindelwald op straat te brengen,
indien wij, de manen van het paard voor teugel gebrui-
kend, door het oude Gydesdorf voorthobbelen.
Onze weg voert door het lieftallige, na den brand van
1892 geheel nieuw uil zijn asch herrezen Grindelwald tot
voorbij de kerk, waar wij het pad vinden, dat ons voeren
-ocr page 77-
— 71 —
zal tot aan den voet van den door twee gletschers inge-
sloten Wetterhorn. Verder dan een eindweegs over de
Schwarze Lütchine durven wij ons niet wagen.
Laat ons van hieruit de blauwende ijsmassa beschouwen,
welke van de onafzienbare ijszee daarboven nederdaalt,
en dan den terugtocht aanvaarden.
Denzelfden weg te volgen heeft altijd iets onaangenaams
en daarom besluiten wij een ander voetpad in te slaan,
dat naar onze berekeningen in de nabijheid van het station
op den rijweg moet uitloopen. Prachtvol vertoont zich
hier de Wetterhorn. Lichte wolkjes, die de avondzon met
purper omboordt, spelen om het rimpelig hoofd van den
grimmigen reus. Zie, hoe zy aangroeien en zich met
elkander vereenigen; zie, hoe zij geheel den top als in
een dichte rookwolk hullen. De berg gelijkt een fabrieks-
schoorsteen, die zware, zwarte wolken uitstoot. Vóór de
restauratie bij het station blijven wij het aangroeien der
wolkenmassa met oplettendheid gadeslaan en komen tot
de overtuiging dat er een onweer opsteekt.
Een onweer in de bergen! dat heb ik altoos verlangd!
dat doet mij de teleurstellingen van dezen dag voor een
groot gedeelte vergeten, \'t Was duidelijk bij het instijgen,
dat het onweer niet lang meer kon uitblijven, maar, dat
de wolken zich zoo spoedig boven het, enge dal tusschen
de bergtoppen zouden samenpakken, hadden wij niet gedacht.
In volle pracht stond de ondergaande zon boven de
vlakte van Interlaken en wierp haar hooggekleurde stralen
óp en dóór de verschillende wolkenlagen, die boven onze
hoofden door elkander woelden. Een meer betooverend
en tevens huiveringwekkender lichtspel heb ik nooit aan-
schouwd. Het was alsof de hemel een dak van gloeiend
ijzer over ons had uitgespannen; en deze feeërieke schoon-
heid werd nog verhoogd door den rossen lichtgloed, dien
de wolken afstraalden op de naakte rotswanden, op de
toppen der dennen en op de schuimende Lütschine, als
in een gloeienden lavastroom herschapen.
Men dacht aan geen vrees in den vollen wagen en allen
staken het hoofd buiten de ramen om zich te verlustigen
in de ongekende pracht. De enkele, zwakke donderslagen,
die het uitbarsten des onweers voorafgingen, dreven ons
niet naar binnen: eerst toen er een volslagen duisternis
op het dal was neergedaald en de regen bij stroomen
uit den hemel viel, trokken wij het hoofd terug; en zouden
nog de raampjes niet gesloten hebben, zoo de wervelwind
ons het water niet met kracht in het aangezicht had
gejaagd.
-ocr page 78-
- 72 -
Het onweer was minder hevig, clan ik gedacht en ge-
hoopt had. Maar 1och, \'t is ontzagwekkend, als de blik-
sem door de duisternis schiet en, een oogenblik het dal
verlichtend, de diepste schuilhoekeu bloot legt voor uw
oog; als de donder knalt en de rotswanden z\\jn machtige
stem weerkaatsen, totdat hij in dott\'o klanken wegsterft
in de verte.
Wie had gedacht, dat wy hier nog een man ontmoeten
zouden, een „Episode", zooals wy hem noemden, met wien
de oudste van ons gezelschap een niet onaardige episode
beleefde? Onderweg was mijnheer, een Hink en net Zwitser,
mogelijk een vijftiger, in den trein gestapt en had plaats
genomen bij ons drietal naast Harry. Aanstonds knoopte
hij met ons een gesprek aan, deed vele weervoorspellingen
— misschien voor een inboorling niet moeilijk — die goed
uitkwamen; onder meer, dat het te Interlaken niet zou
regenen, en trachtte ons, maar het meest zichzelven gerust
te stellen voor liet onweer, dat even na zijn binnenkomen
de grootste hevigheid bereikte.
Ilij had, zoo verhaalde hij, voor het weer moeten schui-
len. Nu, dat kon wel, maar zeker niet lang, want de
eerste donderslagen hoorden wij nog geen kwartier gele-
don en de stortregen dwong ons nu eerst de raampjes te
sluiten. De lucht werd benauwd in den gesloten waggon
en de benauwde lucht deed den landwijn, die mijnheer iu
zijn schuilplaats wat haastig naar binnen sloeg, in gisting
komen, waardcor zijn hersens beneveld en zijn tong onvast
on moeilijk in h-ar beweging werd. Dronken was hij
niet, zeker niet vrijwillig; maar de hitte, die.in den wagen
de perken der draagbaarheid overschreed, had hem „be-
vangen". Ilij bromde: „Tst Gewitter" en na een paar
seconden wederom: „Tst Gewitter" en dan weer: Nein,
kein Gewitter". Daar richt hij zich op uit zijn hal f sla-
pende houding, wondt zich tot zijn buurman, zegt dat hn\'
hem een Hinken kerel vindt, steekt hem de hand toe en
prevelt: Ewige Kreundschaft.... Ewige, Ewige." Wat
kon do buurman boter doen dan de hem toegcstoken hand
nemen; halfdronkenen toch in goed humeur moet men toe-
geven, wat men kan, daar ze zoo licht van het een in
het andere uiterste overslaan. Wij, die met de eeuwige
vriendschap niets hadden uit te staan, wij proestten het
uit van \'t lachen; hij merkte daar niets van en sprak op
slaperigcn toon: „Is er geen knyp in de buurt om onze
vriendschap in te wateren?" Dat was te veel voor Jan.
\'t Eegende nog, maar hy opende het raampje om, half
buiten liggend, eens hartelijk te kunnen uitlachen. Gaarne
-ocr page 79-
- 73 -
zou ik zyn voorbeeld gevolgd hebben, doch in de onmo-
gelijkheid verkeerend bij het raam te komen, maakte ik
gebruik van mijn zakdoek, dien redder in alle hachelijke
omstandigheden, waarin verlegenheid en lachlust den
mensch kan brengen. Harry intusschen was alle moge-
lijkheid van opstaan ontnomen, daar de nieuwe vriend
met beide handen zyn rechter omkneld hield, terwijl hij
neuriede met lange tusschenpoozen en onder vele herha-
lingen: „Du ... du .. . du ... liegst... mir ... am ... am
Herzen," totdat eindelijk zyn hoofd in de kussens terug-
viel en ziju handen, machteloos geworden, de hand van
onzen reisgezel vry lieten. Hy sliep als een os, en in zijn
zwyinelroes bromde hy nog: „Gewitter ... kein Gewitter,"
of neuriede andermaal: „Du ... du ... du ...;" doch verder
dan „du" bracht hy het niet.
Wy hadden ontzaglijk veel pret, maar zouden dat niet
gehad hebben indien de man schuld had aan zyn toestand.
11 y was blykbaar bevreesd voor het onweer en had, om
zich een hart onder den riem te steken, een potje landwyn
gedronken. De warmte in het rijtuig beving hem, maakte
hem vroolyk en vertrouwelijk en bezorgde hem ten laatste
een zwijmelroes.
By onze aankomst te Interlaken sliep hij nog rustig.
Natuurlijk lieten wij het den conducteur over hem wakker
te schudden. Ik heb later niet gehoord, dat hy bij het
terugkeeren naar zyn hotel iemands teenen belaagd heelt;
ik weet zeker dat hy na zijn slaapje weer frisch man was.
De voorspelling, door mijnheer gedaan, werd letterlijk
bewaarheid; te Interlaken bleef de hemel wolkeloos en
geen regendrup konden wy bespeuren op de dikke stof-
laag van den Ilölieweg. De onweersbui had zich tot het
dal van Grindelwald bepaalden voorbij Zweiliitschinen was
er slechts een enkel waterdruppeltjo gevallen.
Al hebben wy dezen dag goed besteed en meer genoten,
dan wij zeggen kunnen, toch is en blijft, het een halve
dag, omdat wy zooveel schoons niet gezien hebben, omdat
wy zoo menige teleurstelling ondervonden. Dit hebben
wy heden geleerd: er zijn drie dagen noodig om goed te
zien, wat wij in éón dag wilden bezoeken.
Een heerlijke morgen.
De volgende morgen zag ons op hetzelfde uur als gis-
teren aan hetzelfde station om gedeeltelijk denzelfden weg
te maken: wy spoorden naar Wilderswyl-Gsteig en ons
dool was Schynige Platte.
-ocr page 80-
-- 74 -
Langzaam worden wü tegen den bergrug opgetrokken
door de dichte dennebosschen, die, hier en daar een opening
latend, den vreemdeling van uit de hoogte een blik gunnen
op Interlaken, op zyn vallei, en de beide smaragdgroene
meertjes van Thun en Brienz. Lieflyker en bevalliger
landschap, dan hier beneden ons ligt, hebben wy nooit
gezien. Telkens meer omvattend, telkens schooner wordt
het vergezicht naar mate men stijgt, \'t Is een waar
genot zulk een weg te mogen afleggen in den koelen
morgenstond van een helderen dag. Dit panorama alleen
is een Zwitsersch reisje waard en zaagt gy niets anders
dan deze heerlyke natuur, gij zoudt geld en tijd goed
besteed achten. Maar er is meer nog dan dit. Een wei-
nig voorbij de halte Breitlauenen — tot nu toe zagen wy
niets van het hooggebergte — gaat de trein een kleine tun-
nel door en als bij tooverslag ligt byna geheel het Berner
Oberland vóór ons in al zijn majestueuze grootheid en
weergalooze pracht.
De koningin der bergen leunend op den Schwarzen
Mönch, omgeven van haar hofstoet, van Schnee- en Sil-
berhorn, wier sneeuwkleed schittert in de stralen der
morgenzon, staat vóór ons als een vorstin in het midden
harer ryksgrooten, alle overtreffend in majesteit en luister.
Mönch en Eiger, Ebene Fluh, Mittag Gros en Breithorn
scharen zich om den troon hunner koningin en wedijveren
met elkander, wie hunner in het heerlijkste gewaad ver-
schijnt aan het hof van hun gebiedster.
Oogverblindend en hartverheffend tevens is het, als
voor onze oogen
... \'t panorama der besneeuwde toppen, die
Als reuzenfecër, vast bedeeld met macht en leven,
Ons aanzien, — zich verheft in tooverglan3 en gloed ;
en
. . . „Op der bergen kruin, daar wij den Heer verwachten,
Een nieuwe wereld van gezichten en gedachten
Zich opent voor den geest en diingt iu ons gemoed."
Nooit beter dan hier hebben wy de groote majesteit
Gods gevoeld; hier waar wij
der bergen sneeuwwit voorhoofd blozen
zagen, ....
Daar de uchtendzon ben zacht bescheen
Met gloor van verich ontloken rozen."
Wat by\' het zien dier reuzengevaarten in
„Bun onveranderlijke vormen
Hun ongenaakbre majesteit,
Ten trots van eeuwen, schokken, stormen
En wetten der verganklijkheid."
-ocr page 81-
- 75
zich met geweldigen drang meester maakte van ons ge-
moed is met geen woorden weer te geven. De dichter
heeft gelijk!
„Maar dichterlijke schilderingen,
Maar lied\'reu hooggestemd ea luid . , .
Neen, ga, mijn zwijgen voor mijn zingen !
tiet drukt het best mijn eerbied uit!"
Want \'t is vergeefs
„De kleurdoos der verbeelding plondren,
Én overspannen kunst en kracht,"
daar elke schildering in kleuren en lynen het in verre hy
de werkelijkheid niet halen mag.
Aan het einde der baan gekomen, vertoeven wij een
tijdlang op het plateau vóór het hotel, dat ook hier niet
ontbreken kan. Wat verdringt men elkander daar bij
den grooten kijker! Wat of de oorzaak van die drukte
wezen mag? Ér z\\jn menschen te zien op den top der
Jungfrau. Met het bloote oog zoekt gij ze tevergeefs.
Uw jumelles genomen! Z\\j mogen goed zijn, uw kijkglazen,
de afstand is te groot om die onverschrokken bergbe-
klimmers te onderscheiden. „Zij dalen," zegt de een.
„Neen! zij stagen," beweert een ander. „Zü zijn met
touwen aan elkander verbonden," getuigt de derde. „Dat
is niet waar," houdt een vierde staande. „Ik zie duideli\'k
hun korte bijltjes," meent een Franscbman. „Ziet ge ook
de spijkers niet onder hun schoenen?" vraagt een Zwitser.
Het gezelschap lacht en de Pranschman wordt boos. \'t
Is tyd dat wij ons verwijderen; \'t kon wel eens op een
kloppartijtje uitloopen. Wij zouden niet graag in dat
gevecht betrokken worden en beginnen onze wandeling
over de Schynige Platte.
Wij gaan naar „Daube," een der verhevenheden van
dezen bergrug. Al missen wy voor een tijd den aanblik
van het hoog gebergte, het pad daarhenen biedt ons door
de donkere, smalle kloven, waarin de pijnboom tiert, do
heerlijkste gezichten in het dal der Lütschine, die de vallei
doorsnijdt als een draad van witte zijde; en op „Daube"
zelf vinden wij het panorama der Alpen weder, terwijl de
vlakte van Interlaken en de beide meren van Thun en
Brienz aan onzen voet liggen uitgespreid als een kleed
van azuur.
Diep beneden ons, want wy zijn 2100 meter boven den
zeespiegel ligt het dal en
„Hoog van de Alpen, bij de stralen
Van den morgen zien wij neer
Op het lustoord in de dalen,
ïusschen ïhuns en Brienz\' meer;
-ocr page 82-
- 76 —
\'t Lustoord met zijn rij paleizen,
Waar der be\'gen hoogen gast,
Moe van \'t onvermoeide reizen,
Pracht en weelde zoet verrast.
Waar liet goud >an \'t rijke Noorden,
Dat <ca armen ZwiUer boeit
Meer dan Lémnns heil\'ge boorden,
Als een smalle bergstroom vloeit."
Interlaken en de dorpjes, die liet omgeven, schenen
ons toe
„Opgezet door kinderhanden
Uit een Neurenberger doos."
Doch neen! \'t is geen bouwdoos, door een kind van drie
jaren in een oogwenk opgezet, \'t is een mozaïekwerk van
de hand eens kunstenaars, die jaren en jaren gearbeid
heeft aan zijn meesterstuk. De paleizen van Interlaken,
de huizen van Unterseen zijn de kleine kleurige steentjes,
waaruit dit kunstwerk is samengesteld. Matten en Bönigen,
wier lieve huisjes zich scharen langs de zilveren kruis-
wegen, kunnen wedijveren met de „Duifjes\'\' van het
Kapitool en wat er heerlijks voortgebracht wordt door
de beroemde werkplaatsen van het Vaticaan. — Het meer
van Thun, maar vooral het nog kleinere meertje van
Brienz, dat naakte, hemelhoogo rotsen van alle zijden
omsluiten, doet u denken aan een reusachtiger! smaragd,
in glinsterend goud gevat, wanneer, gelijk thans, de zon
haar vollen gloed afstraalt op de glimmende toppen van
graniet.
Geruimen tijd vertoefden wij op „Daube" al dwongen
de zonnestralen ons schaduw te zoeken onder het uitge-
spreide regenscherm. Zulke plekjes verlaat men met
weerzin; en beeft men ze verlaten, dan staan ze onuit-
wischbaar in de verbeelding gegritt.
Wij bleven te lang op „Daube" om nog een anderen
top der Schynige Platte, den „Gummihorn" te bestijgen;
en zelfs wanneer wij tijd in overvloed hadden, zouden wy
nog geen lust gevoelen langs de ladder van touw naai-
den top van dezen rotsklomp, die den vorm heett van een
grooten fantasiehoed, op te klauteren.
De weinige oogenblikken, die ons nog scheiden van het
vertrek des treins, zullen wij doorbrengen op het terras
vóór het hotel in de beschouwing van het hooggebergte,
waaraan ons oog zich niet kan verzadigen.
Stout zijn de bergen, maar stout ook is \'s menschen
geest. Ziet gij den Jungfiaufirn en weet gij dat hjj 8100
meter hoog zich opwerpt in de blauwe lucht?
Voor weinige jaren slechts is de eerste voetzool ge-
-ocr page 83-
77
drukt in de eeuwige sneeuw, die hem dekt. Nog één jaar
en het menschelijk vernuft heeft een weg gebaand door
rotsen, ijs en sneeuw, en de „vurige Salamander" beklimt
de Jungfrau langs zijn tweelingslijn. Nog één jaar en de
lucht daarboven, aan geen ander geluid gewoon, dan aan
de stem des donders, hoort de schrille stoomfluit, en waar
de lichte wolkjes zoo gaarne stoeien, hangt de zware
kolendamp, door een locomotief uitgestooten. De Koning
der Alpen draagt ten minste een sterrewacht; de Koningin
van \'t Oberland zal gedwongen zijn op haar hoofd te
torsenen een spoorwegstation en... een restauratie.
Schoone Jungfrau, dat hadt gij nooit gedacht! Doch
troost u met de gedachte, dat men reeds plannen ont-
worpen heeft om den Mont-Blanc in uw vernedering te
doen deelen.
Dalen gaat vlugger dan sty\'gen, ook bij een spoorweg.
Toch ging het naar één uur, toen wij te Interlaken aan-
kwamen niet hongerige maag. Onze eerste zorg was dien
schreeuwer het stilzwijgen op te leggen door hein zyn
zin\'.te\'geven, want de maag is als oen kind, dat schreeuwt
zoolang het niet voldaan is. Voor table d\'hote in .Jung-
frau" is het te laat, wy zijn dus genoodzaakt ons anker
op een andere plaats uit te werpen. Doch waar? Een
uithangbordje by het „Hotel St. Georges" geeft antwoord
op die vraag Wy lezen: „Dejeuners, Diners a prix fixe."
Dat is juist wat wij zochten; want „a la carte" is het
wel goed, omdat men bekomt, wat men verlangt, maar
peperduur ook.
In den tuin van het hotel nemen wij plaats en spoedig
komt ons een kellnerin bedienen in het kostuum der
Oberlanden.
De mode put zich uit in vindingrijkheid om de dames
te steken in een kleed, dat aan de eischen van kunst en
smaak voldoende, tevens de ijdelheid van het schoone
geslacht bevredigt. Hierin is zy tot heden niet geslaagd
en zelf bekent zy hare onmacht door te veranderen met
de bladeren der boomen. Wat moeite zy zich gaf, tot
heden is het haar niet gelukt een schilderachtiger kleed
te vinden, dan hier gedragen wordt door de dochters van
het schilderachtigste land der wereld.
Stemmig valt het altoos donkere kleed in vele plooien
van het midden neer tot op den voet en behoeft geen
strik ot zoom om bevallig te zijn. Van zwart fluweel is het
korset, dat het midden omsluit, over den rug loopt, de
schouders bedekt en in een kraag eindigt onder de kin.
Op dezen kraag zyn zilveren rozetten aangebracht en
-ocr page 84-
78 -
maken elk halssieraad overbodig. Grooter dan deze zyn
de rozen van hetzelfde metaal, op beide schouderbladen
en tusschen hals en armen op het kleed gehecht omdat
zy de twee paar zilveren kettinkjes, die, onder de armen
doorloopend, vry en los nederhangen tot aan de heup, op
rug en borst moeten vastleggen. Blank als de sneeuw
der bergen is het linnen kleedje, dat in vele regelmatige
plooien de opening sluit tusschen kraag en middel; blank
ook zyn de enge mouwen, die niet verder nederdalen dan
de ellebogen, blank ten laatste zyn de stuf gestreken
kapjes, die by do schouders beginnend, nedervallen tot
waar de korte mouwtjes eindigen.
De schitterende en weelderige toiletten van „Louvre"
of „Printemps\' met goud betaald, mogen veler oogen en
harten bekoren, mij kan geen dezer, niet zelden van wan-
smaak getuigende kostuums bevallen als het eenvoudige,
maar schilderachtige kleed der hooglanden.
Niet onaardig is het, dat in de eetzaal van menig hotel
de kellners door „Oberlanderinen" vervangen worden. En
tot haar eer zeg ik gaarne, dat zy uiterlyk ten minste,
stemmig zijn als het kleed door haar gedragen.
Naak en bij den Giesbach.
\'t Was ons plan eerst tegen den avond naar dezen be-
roemden waterval te vertrekken; den namiddag zouden
wy doorbrengen in de schoone omgeving van Interlaken.
Of wy den kleinen Rugen met Heimwehfluh, ofdengrooten
met den Abendberg tot het doel onzer namiddagwandeling
zouden kiezen, of mogelijk tot Unspunnen of Beatenberg
doordringen, was niet bepaald. Zelfs indien ons program
op dit punt ware uitgewerkt, zouden wij nog het nummer
geschrapt hebben, daar de hitte bepaald ondraaglyk ge-
worden, ons de onmogelijkheid van die uitstapjes deed
begrypen.
Wederom staan wy voor de moeielykheid: Wat nu ge-
daan ? Er is geen Alexander noodig om dezen Gordi-
aanschen knoop door te hakken. Wy gaan een uiltje
vangen op onzo kamers, dat hebben we goed verdiend na
de vermoeienissen der laatste dagen en vertrekken een
paar uurtjes vroeger naar den Giesbach. Op \'t water is
\'t altoos koel en by den val kan men den lust tot wan-
delen vryen teugel geven.
Op den weg van „St Georges" naar „Jungfrau" pas-
seeren wy\' de „Bureaux de Renseignements" en gaan er
binnen om eonige inlichtingen in te winnen voor onze reis
-ocr page 85-
van Meiringen over Gletsch naar Güscbenen. Die „Bu-
reaux\'\' zijn onbetaalbare vraagbaken voor den vreemdeling.
Men vindt ze in elke plaats van gewicht en gratis wordt
u met de meeste bereidwilligheid op al uw vragen ge-
antwoord. Niet alleen werd ons hier het vertrek van den
postwagen aangegeven, maar ook zei mijnheer dat wy
zeker «Coupé", of „Banquet" moesten nemen; en gaf ons
den raad, wilden wy zeker zün de verlangde plaatsen
door anderen niet te zien ingenomen, een postwissel naar
Meiringen en Gletsch te zenden. Eu voor dat alles nam
de vriendelijke man niet eens een fooitje.
Na het welverdiende uurtje rust begaf ik mij vergezeld
van Jan naar het postkantoor. Of de hitte ook groot
was! Op den anders van vreemdelingen wemelenden
Höheweg ontmoetten wij slechts enkele wandelaars en
behalve de omnibussen reed geen enkel rijtuig over de
stoffige straat.
Belgisch papier wordt niet gebeurd aan Zwitsersche
postkantoren en men verwees ons naar een wisselaar.
Gelukkig woonde er zoo\'n geldman in de buurt Gelukken
en ongelukken wissselen elkander af in het menschelijk
leven. Ik schreef 75 waar 65 staan moest, verknoeide
een kaart van vyf en twintig centimes en kon wederom
vooraan beginnen.
\'t Waren slechts kleinigheden, maar ze brachten de
parels op mijn voorhoofd. Hoe gaarne nam ik het voor-
stel van Jan aan om een potje te nemen in esn der bier-
kneipen op onzen weg: het gerstenat maakte mij een
geheel ander mensen.
De „diëten\'\'\' zou oom Brasig zeggen, waren in „Jung-
frau" betaald, en wy bevonden ons tijdig aan de lan-
dingsplaats der booten. Er was reeds een menigte volks
op het dek, en allen zonder uitzondering hadden het oog
gevestigd op een jonge dame, die waarschijnlijk haar
huwelijksreis maakte, \'t Was waarlijk geen wonder, want
zoowel haar persoonlijkheid als haar kleederdracht —
maar deze toch op de eerste plaats — was zoo opzich-
tig mogelijk. Het zijden kleed had de kleur van afge-
vallen kastanjebladeren na een stortregen. Het onderste
gedeelte, veel te ruim en te lang voor de dikste en
langste dame der wereld, was opgesmukt met zwarte
linten en sleepte haar na, alsof zij het schoonvegen dei-
booten had aangenomen. Hoe het bovendeel plus de
mouwen in elkaar geknutseld waren, bleef — ik geloof
het vast — voor alle aanwezige dames een geheim: \'t
was een mengelmoes van gele en zwarte en witte zijde.
-ocr page 86-
- so -
Alleen een Hottentotsche zou zoo iets schoon kunnen
vinden. De hoed — dat spreekt — had de kleur van het
kleed en ging, al behoefde hy in omvang niet onder te
doen voor het hoofddeksel onzer maaiers, geheel verloren
onder een étalage groote lussen en strikken, alweer van
veelkleurige zijde. Geen dunne, byna onzichtbare voile
dekte het gelaat, maar een kantwerk in crêmekleur, te
zwaar voor een staatsiegordijn, spande zich van den rand
des hoeds tot ver over den kraag, die bepaald de ooren
moest hinderen in hun beweging. Als gij de bedorven
vlaskleur van het vrjj korte onverzorgde haar bemerken
kunt door den dichten sluier, die op het achterhoofd
eindigt in een knoop, zult gü niet vragen, waarom zy
juist zulke kleur voor haar kleed gekozen heeft. Dat zü
geen handschoen draagt aan, maar wel in de hand, is te
wyten aan een tiental vingerringen, die niet bedekt mogen
worden omdat de briljanten willen schitteren, en niet
bedekt hunnen worden tenzij door den ruimen want van
een daglooner.
Voor vogelverschrikker had zij best kunnen doorgaan;
geen spreeuw zou op den kerseboom neerstrijken, waarin
iets dergelijks geplaatst was.
Brutaal en onbeschoft stapte zij door de menigte heen,
als een dorpsveldwachter langs do koekkramen op een
kermis; en stoorde zich evenmin aan de algemeene vroo-
lykheid, als de dienaar van vrouw Justitie aan het gelach
der straatjeugd.
AVij stoomden reeds door de wateren van \'t Brienzer-
meer, vóór wij het dwaze kleed van het nog dwazere
schepsel in al zyn onderdeden gezien en tot elkander
gezegd hadden: „De dwazen zyn nog niet allen opge-
sloten in gekkenhuizen."
Onze eerste aanlegplaats is het lieve Bönigen, gebouwd
waar de Lütschine haar aschgrauwe golven met zooveel
kracht voortstuwt in het blauwgroene meer, dat eerst
op vele meters van den oever beider wateren zich met
elkander vermengen, als de melk, wolkjes scheppend in
de thee.
Nauwelijks lagen w\\j voor het kleine plaatsje, of daar
komt een bedaagd heerschap op ons drietal af en vraagt,
op Interlaken wijzend:
&\'„Welke plaats is dat?"
„Interlaken," werd hem geantwoord.
„O!" zei h\\j en vervolgde: „Hebben de heeren die dame
gezien, die gele?"
\'t Is duidelijk: \'t was hem om een praatje te doen met
-ocr page 87-
- 61 -
de drie vreemdelingen, want Interlaken, zoo verhaalde
hij ons later, had hij reeds vijf en dertig maal bezocht,
en van de dame repte hu niet meer, toen hy merkte dat
we niet ongenegen waren een gesprek met hem aan te
knoopen.
\'t Zou onbeleefd geweest zijn het gemoedelijk en vrien-
delijk heertje onschuldige inlichtingen te weigeren.
Kan hy het op ons aangezicht lezen welke betrekking
wy bekleeden, welke de ouderdom was van ieder onzer P
Ik ben geneigd het te gelooven, want geen onzer beste
vrienden zou het beter geraden hebben. Dat wy Hollan-
ders waren wist hy niet, doch nauwelijks had hy dit ver-
nomen of hij overstelpte ons met vragen van allerlei
soort. Het meest verwonderd zag hy ons aan toen wy
hem mededeelden, dat elk der vijf bisdommen van Neder-
land twee druk bezochte Seminariën en Holland meer dan
tfón college heett door priesters of broeders bestuurd.
Holland was byna geheel Protestant, meende hy, en hij
begreep niet, dat de Oostenryksche couranten hem nog
nooit verteld hadden, wat hy van ons te weten kwam.
„Want, ziet u," zei hy, „ik ben Oostenrijker en niet
van de jongsten. Willen de heeren eens raden hoe oud?"
„Vyf en vyftig," dacht de een.
„Mogelijk zesti?," zei de tweede.
„Neen, zóo oud nog niet," meende de derde.
„Nu, heeren, dan ga ik het u zeggen: al vyf en zestig.
En nog flink, hè!"
Flink was hij en daarvan gaf hij ons een sprekend be-
wys. Want als een jongen van vijftien jaar huppelde hy
eensklaps van ons weg en ging een praatje maken niet
den kapitein van de boot, die zelf aan het roer stond.
Wij hadden Bönigen en Niederried reeds achter den
rug, eer wij ontslagen ven den Oostenrijker, onze onver-
\'" deelde aandacht konden wyden aan het overschoone meer
van Brienz en zyn omgeving.
Klein is het meer van Brienz, maar de natuur heeft
zich als \'t ware uitgeput om het te omringen met al haar
bekoorlijkheden. Hemelhooge rotsgevaarten omgeven den
waterplas en laten slechts hier en daar een bescheiden
plekje vry voor het schilderachtige Ringgenberg, Nieder-
ried en Iseltwald. Onvergelijkelijk schoon steekt het
sinaiagdgroene water af op het donkergroene kleed der
wouden, die het omgeven; en deze op de naakte rotsen,
die glinsterend in de zonnestralen, een kantwerk gelyken
op den azuren mantel der lucht Hier „Ie cMme et Ie
silence virginal (des) eaux qui ne reflètent <iue les mon-
tagnes et les cieux"; hier „la solitude (des) bords, chargés
-ocr page 88-
- 82 -
de vieux arbres (ou) formés d\'après rochers," die de
schoonheid uitmaken van Zwitserlands meren.
Te spoedig landen wy by den Giesbach, den beroemden
waterval, welken — zoo zegt men — de toerist zien
moet om Zwitserland gezien te hebben. Is het omdat
myn verwachting zoo hoog gespannen was, dat ik in dezen
val de ongeëvenaarde schoonheid, die anderen in hem
ontdekken, niet mocht vinden?
Een kabeltram voert ons den bergrug op tot by de
hotels, waar de toerist een goed, maar geen goedkoop
onderkomen vindt. „Niemand vertrekke van hier zonder
de verlichting der vallen gezienjjte hebben," zoo {waar-
schuwt ons reeds by de aankomst een plakkaat met
kapitale letters. Wij zullen dien raad volgen en, omdat
die verlichting te half tien plaats heeft, hier overnachten.
Doch voor de duisternis invalt, hebben wy nog tijd in
overvloed, welken tyd wy\' besteden gaan aan het bezich-
tigen van den waterval.
Driehonderd meter hoog tuimelt de beek in zeven
sprongen van den rotswand. Zes van die stoute spron-
gen overzien wy van het terras naast ons hotel. Geen
beter plaats dan deze om den Giessbach to bewonderen.
En bewondering verdient hy, want hij is schoon, als hij
van rots tot rots in schuim en stof zich in de diepte
stort, maar zyn schoonheid dankt hij vooral aan de heer-
lijke omgeving, aan de dichte bosschen, die den geheelen
bergrug aan het oog onttrekken. Kap de dennen en
beuken, de eiken en platanen weg, die hem omsluiten, en
geen vreemdeling zal op deze plek langer vertoeven dan
bij een kunstmatige fontein. „Pauvre cascade, bien infé-
rieure aux cascatelles de Ti vol i," zegt Veuillot en hij
heeft gelijk. Maar al mag deze waterval het niet halen
by de reuzensprongen, die de Anio maakt in de Villa
Gregoriana van het beroemde Tivoli, dan nog durf ik
niet besluiten met den schrijver der „ ïèlerinayes" „qu\'il
ne vaut point qu\'on Taille chercher." Wy hebben do
wandeling gemaakt langs byna alle paden, die het woud
doorkruisen ; wy hebben gestaan op elk brugje, over den
val geslagen en genoten by het vergezicht op het meer;
en \'t heeft ons geenszins verwonderd dat er aantrekkings-
kracht uitgaat van den Giessbach en zyn omgeving.
Ty\'dig een goed zitplaatsje zoeken op het terras naast
„Hotel Giessbach" is zaak, willen wy de verlichting vol-
komen zien. Nog een kwartiertje en de vuurpylen, op-
schietend uit het donkere woud, geven het teeken, waarop
de Bengaalsche vuren ontstoken worden. Plotseling ver-
-ocr page 89-
— 83 —
andert de in duisternis gehulde beek in een gloeienden
lavastroom, bosch en berg met brand en vernieling be-
dreigend. «Verbazend schouwspel, dat maar een oogenblik
duurt, doch waarvan de indruk immer bijblijft!" roept
„Tony" uit. Het doet mij genoegen, dat ook h\\j klaagt
over don korten duur der verlichtingen. Slechts enkele
seconden en de watervallen zijn weer door dikke duister-
nis omgeven. Geen mogelijkheid om ze in al hun onder-
doelen te bespieden Een algemeene en vage indruk
slechts blijft u b\\j van dit waarlijk grootsch en toover-
achtig kleurenspel.
Men vraagt den vreemdelingen geld genoeg aan den
Giessbach om de verlichting eenige seconden langer te
laten voortduren.
Bij uitzondering hebben wij ons morgen niet te haasten
bij het opstaan; daarom heden avond nog een uurtje
saamgebleven. liet is zoo heerlijk in de koele avondlucht
gebalsemd door den frisschen geur.die opstijgt uit de dennen.
Hebben wy deze een tijdlang ingeademd met volle longen,
dan weet ik zeker, (lat wij na een rustigen nacht den
morgen met opgewektheid zullen begroeten. Besluit gü
uit ons lang samenzijn, dat w\\j ons moeten haasten om
den volgenden morgen de boot van half tien niet te missen,
dan moet ik u zeggen, dat wij in de morgenkoelte, door
het meer ons tegengczonden, bijna geheel de wandeling
van gisteren herhaalden alvorens naar Meiringen te ver-
trekken; langslapers z\'ün wjj niet.
Meirogen.
\'t Is maar een wipje van Giessbach naar Brienz, het
lieve plaatsje aan den voet van den Brienzer Rothhorn,
dien wy een volgende reis zeker zullen bestijgen. Nu
hebben wy daarvoor den tijil niet, want de trein voor
Meiringen wacht ons nabij de landingsplaats.
Groeten wij nog even het schoone meer voor de stoom-
fluit het teeken tot vertrekken geeft.
Waar liet mogelijk is en geen omstandigheden de wen-
schelijkheid van het tegenovergestelde bepleiten kiezen
wü ons hotel in de nabijheid van het station. Te Mei-
ringen vinden wij „Hotel Baren" tegenover de statie en
slechts twee minuten van het postkantoor; volgens onzen
stelregel zullen wij dus hier onzen intrek nemen.
Mevrouw zegt, dat er een koetsier van Göschencn te
Meiringen is, die ons voor denzelfden prijs als de post-
wagen over Grimsel en Furkapas zal voeren. Hadden
w\'n\' onze plaats niet aangevraagd en betaald, dan zouden
-ocr page 90-
— 84 -
wij mogelijk voor dat aanbod te vinden geweest zyn.
Mogelijk slechts? Ja, want rijtuigen hebben onderweg
geen gelegenheid om van paarden te verwisselen en wie
weet wanneer men dan in Göschenen landt! Wij hebben
nu eenmaal opgezet: morgen avond in Göschenen en dat
moet. Met den postwagen zijn wy° zeker van onze zaak
en daarenboven wy stonden er sterk op ook eens in een
postwagen gereden te hebben. Daarom bedankten wy
mevrouw en den koetsier voor hun aanbod en stapten de
straat van Meiringen op met het doel de „Aareklamm"
of „Slucht" te bezoeken; iets wat volgens verklaring van
bovengenoemde mevrouw nog juist voor table d\'hote ge-
schieden kon.
Meiringen, de hoofdplaats van het Haslidal. is evenals
Grindelwald bijna geheel nieuw, omdat het een jaar vroeger
eenzelfde lot onderging, geheel afbrandde en herbouwd
werd. Hoe zulke branden mogelijk zijn, behoef ik u niet
te verklaren. Laat het zyn, dat gij Zwitserland niet be-
reisd hebt, met den bouwtrant en de samenstelling eener
Zwitsersche woning zijt gy bekend reeds van uwe kinder-
jaren af: gü hebt ze leeren kennen door prenten en bouw-
doozen. Steen is hier een kostbare bouwstof en hout
staat er als \'t ware voor \'tgrypen. Meei steen gebruiken
dan hoog noodig is, wordt als een soort van weelde be-
schouwd, die zelden verder gaat dan eenige meters boven
den grond. De rest der woning is hout, tot zelfs het dak
en zyn bedekking. Want pannenbakkeryen kent men niet,
— waar zou men de grondstof halen ? — en is daarom
genoodzaakt nogmaals zyn toevlucht te nemen tot dennen
en beuken. De Zwitser der hooglanden maakt plankjes
in den vorm onzer leien en legt van deze een dikke laag
op het weinig hellend dak. Een paar sparren en een
massa keisteenen, die hij voor \'t rapen heeft in de bedding
van eiken bergstroom, worden er op geworpen en beletten
den wind met de kleine plankjes te spelen als met dorre
blaren. Zoo maakt de bergbewoner zyn schilderachtig
huis wel goedkoop, maar lang niet brandvrij.
In Zwitserland den weg te vinden naar een beroemd
pnnt is niet moeilijk, want tal van handwijzers en plaatjes
geven de richting aan, die gij te volgen hebt. De Aare-
klamin zou volgens Baedeker, slechts 25 minuten verwijderd
zijn van het station, doch Baedeker schijnt ook de IIol-
landsche distantieberekening te kennen, want wy hebben
een kwartiertje meer noodig om over den stoffiger), scha-
duwloozen rijweg de Slucht te bereiken.
Moeten wij dan overal betalen om de natuurwonderen
-ocr page 91-
- 85 —
te zien? Och ja, Zwitserland heft een tol van de vreem-
delingen, overal waar het mogelijk is. Daar is niets op
tegen, want de vereenigingen, die wegen onderhouden en
aanleggen, voetpaden maken, grotten uithouwen en door-
gangen boren, hebben geld noodig voor die werken; en
dat geld is niet te vinden by den armen bergbewoner,
maar wel by den toerist, by den Engelschman en Yankee,
die er het meest van profiteert. Maar dan is ook niet
te veel gevorderd, als de vreemdeling verlangt, dat de
wegen begaanbaar zyn ook voor niet-acrobaten, en de
leuningen langs de afgronden niet bezwijken, gelyk ver-
leden zomer te Chamounix gebeurde, als een dame zich er
over buigt om een blik te werpen in de diepte. Te Mei-
ringen hebben wy daarover niet te klagen en betalen
gaarne den gevorderden frank.
In waarheid gesproken, wist ik niet recht, wat ik door
een „Slucht" te verstaan had. Wel had ik gelezen, dat
de Aare hier in een 1400 meter lange bergkloof zich een
weg baant door den Kirchet, den bergrug die het Beneden-
en Boven-Haslidal van elkander scheidt; wel was myn
verwachting groot, doch dat ze overtroffen kon worden,
had ik nooit gedacht.
\'t Is alsof de rots met reuzenkracht vaneen gescheurd
we-d om een doorgang te verleenen aan de Aare, die
kokend en schuimend haar grauwe golven voortjaagt langs
de steüe wanden der klove. In keeren en wendingen
wringt zich de stroom door den kronkelgang, die zich nu
eens verbreedt tot drie vier meter, dan weer zich byna
sluit en nauwelyks ruimte gunt aan de smalle balustrade,
door y\'zeren in den rotswand bevestigde stangen gedragen,
die het den vreemdeling mogelijk maakt deze „Slucht" te
doorwandelen. Geen zonnelicht dringt tot ons door, alleen
de blauwe hemel, die, waar de rotsen torenhoog eindigen
boven onze hoofden, schynt te rusten op den bergrug,
kaatst zyn schemering terug tot op den vloed, hult stroom
en kloof in een geheimzinnig halfdonker, schept fantas-
tische beelden op den grilligen rotswand en toovert voor
ons oog met licht en schaduwen.
Sla uw blik naar boven en zie hoe de zon speelt met
de groene bladeren der struiken op den rand van dezen
afgrond, met de takken van den en eik, die neerblikken
in de diepte, als dreigen zy duizelig te worden en neer
te storten in de schuimende wateren.
Hier heeft zich de kloof verbreed tot een ronden koepel.
Alsof zy een Pantheon wilden vormen in hun midden,
sluiten zich de wanden boven ons en laten het daglicht
-ocr page 92-
- 86 -
slechts neder door één opening, die gij met de hand kunt
overspannen. Daar stort een kleine waterval zich van
de hoogte neer, alsof een dakgoot water spuwt b\\j hevige
stortregens. Ginds, waar de bergkloof eindigt, verrast
in het volle zonlicht de statige Kitslihorn met zijn schit-
terende gletschers voor den uitgang der schemerende
engte. Geheel de natuur werkt samen om van de Aare-
schlucht een majestueuze schoonheid te maken, zooals gy-
er wellicht geen tweede vinden zult op uwe reizen.
Van bewondering opgetogen kwamen wy- in ons hotel
terug. Is het verklaarbaar, dat wij het laatste plaats
namen aan de open tafel ?
Wederom dwingt ons de brandende hitte de middaguren
door te brengen op de koele kamers ot in een gemak ke-
lyken tuinstoel in de schaduw vóór ons hotel. Dat is
noodzakelijk als men een vermoeiend bergtochtje in het
vooruitzicht heeft. Zulk bergtoclije wacht ons want wy
gaan de watervallen van den lleichenbach zien.
Denzelf\'den weg dien wy- dezen morgen bewandelden,
volgen wy tot over de Aare, waar een handwijzer op den
kruisweg ons zegt, dat w\\j rechts moeten inslaan. Langs
het hotel „Reichenbach" stijgt het breede bergpad op,
dat over llosenlaui naar Grindelwald voert en den vreem-
deling gelegenheid biedt den bovensten val der beek te
bereiken. Al schijnt de weg gemakkelijk en goed onder-
houden, de puntstok doet goeden dienst en menigmaal
worden wy gedwongen even te rusten, want geoefende
bergbeklimmers zijn wij niet. Hieraan zal het toch wel
toe te schrijven zijn, dat wy niet eerder de hut bij den
beroemdsten val van den Ileichenbach ontwaarden.
Een smal voetpad leidt er heen over de weide. Nog
eenige minuten hebben wij af te leggen vóór wij by het
huisje aankomen en zijn nu reeds gedwongen het scherm,
dat wy zooeven gebruikten tegen de zonnestralen als
regenscherm te bezigen. Is er dan plotseling een onweers-
bui boven ons losgebroken? Neen, de hemel is wolkeloos,
doch van het neervallende water gaat een stofregen uit,
die den geheelen omtrek bevochtigt. Bij de kleine res-
tauratie is \'t geen stofregen meer, doch een regenjacht,
gelyk wy Hollanders die kennen, als November of Maart
ons met een bezoek vereeren.
\'t Was een goede gedachte hier een houten huisje te
bouwen, want zonder dit zou liet onmogelijk zyn den
majestueuzen waterval, waar hy \'t schoonste is, te over-
zien. Hier by de kleine raampjes kunnen wy hem be-
wonderen en droog blijven.
-ocr page 93-
— 87 —
Denk niet, dat hier de overvloedige wateren in schui-
mende golven voor u henen tuimelen, het zijn geen water-
stralen maar honderdtallen raketten, die van de hoogte
neerschieten niet de snelheid des bliksems, met het geluid
eens geweldigen donders. De rotswand aan de overzijde
verhoogt de sombere pracht van dezen val, die, door het
volle daglicht niet beschenen, geen zilver schijnt, maar
gesmolten lood.
De hut is ons niet ruim genoeg; wij willen hem zien in
geheel zijn omvang en wagen ons op de rots voor het
huisje, \'t Is alsot wij dit heiligdom niet betreden mogen.
De rotswand schudt en beeft. De regen van boven neer-
gedaald, de damp uit de kokende diepte opgestuwd, de
wervelwind, die het water ons in het aangezicht jaagt,
dat alles werkt samen om ons huiverig deze plaats te
doen ontvluchten.
Daar is, een twintigtal meters hooger, een gaanderij,
waar men den waterval meer van boven beschouwen kan.
Natuurlijk bezoeken wij deze. Al vinden wjj hier de
woeste schoonheid, die wij by de hut aanschouwden, niet
ten volle weder, toch blijven wn\' geruimen tyd, leunend
op de ijzeren balustrade, staren op het vuurwerk van
water, dat voor ons wordt afgestoken, en luisteren naar
het geloei, dat opstijgt uit den dampenden kolk.
Hier wordt het ons eenigszins duidelijk, hoe de val zich
tot een waterpluini als deze kan uitspreiden. De beek
schiet van een kleine hoogte haar water in een ondiepe
rotsholte en stuwt het daarna met geweldige kracht over
den rand van dit natuurlijk gevormde bekken door de
nauwe opening der rots. Ver over den steilen wand ge-
dreven, breidt de watermassa zich uit als vallende stof
en vormt in zijn val een pluim van vele meters middellijn.
Onze terugweg brengt ons wederom bij hetzelfde huisje;
nog eens gaan wjj het binnen. Hier wordt een landelijke
restauratie gehouden door moeder en dochter, die gaarne
eenige verfrisschende drankjes verkoopen, benevens photo-
graphieën en houtsneewerk, dat door den zoon des huizes
— volgens moeder een echt kunstenaar — is uitgestoken.
Tot onze verbazing hooren wij moeder zeggen, dat wy
Hollanders zijn. Op onze vraag, hoe zij dit weten kon,
kregen wy ten antwoord: »°ch, mijnheeren, wy houden
dit buffet reeds zoovele jaren en hebben hier al zoovele
duizenden vreemdelingen ontvangen, dat wij ons niet licht
meer vergissen in hunne nationaliteit, vooral niet als het
Russen zijn of Hollanders. „Niet waar, Marie " zoo ver-
volgde zij, zich tot haar dochter wendend, „toen ik deze
heeren zag aankomen, heb ik gezegd: „Dat zyn Hollanders."
-ocr page 94-
— 88 —
Marie knikte bevestigend en wft vroegen: «Waaraan
hebt gij dat gezien ?"
«Wel heeren. de Hollanders hebben iets slanks en bij
hun slankheid een vroolykheid, die hen aanstonds verraadt."
Oy zult lachen, als ik dit verhaal, want gij weet hoe
ongunstig wij op dit punt by- al onze buren staan aange-
schreven. Maar ook een Hollander is liever gefopt dan
geklopt en, ronduit gesproken, het compliment smaakte
ons als een wafel, met een weinig te veel suiker bestrooid.
Wjj zetten dan ook een suikerzoet gezicht, en — al zagen
wy in het gezegde van moeder slechts een speculatie op
onze ijdelheid en onze beurs — kochten eenige van de
door haar zoo geroemde kunstwerken haars zoons.
Uit zullen de meeste bezoekers vanden Eeichenbachfall
doen gelyk w\\j, maar weinigen zullen ons voorbeeld volgen
en, buiten gekomen, het water, dat uit de dakgoot stroomt,
opvangen in de holle hand. Dat wy er van dronken was
een aardigheid, meer niet: \'t is water geluk alle water.
Zooals ons voornemen was, sloegen wij het pad in, dat
den waterval volgend naar beneden kronkelt. Door mal-
sche weiden loopt het voetpad en ontmoet slechts hier en
daar een groepje boomen en heesters op den boord der
vallende beek. Maakt het schaarsche houtgewas de mid-
delvallen van den Reichenbach minder schoon, het ver-
gezicht op het Neder-Haslidal, hespoeld door het meer
van Brienz, omsloten door hooge bergen, vergoedt ruim-
schoots het gemis van pynen en beuken.
Wel is de Kesselfall, de middelste der drie groote wa-
tersprongen, een kijkje overwaard, \'t Is een ketel door
de natuur uit rotsen gevormd, waarin de beek zich neer-
stort en schuimt en raast als kokend water. Doch, al
kunnen wh\' hem geen schoonheid ontzeggen, in woestheid
blyft liy ver beneden den waterval, dien wh\' zooeven
zagen, en in bevalligheid mag hy bet niet halen by zijn
lageren broeder, dien wij aanstonds zullen zien.
Wy hebben een kleinen omweg te maken, daar het
alleen voor klipgeiten mogelijk is, den rechten weg naar
beneden zonder beenbreken te volgen.
Weldra bevinden wij ons weder by het hotel Reichen-
bach en hebben slechts weinige minuten den rijweg te
houden, om te komen waar wy wezen willen.
Waarlyk de bergstroom heeft zijn naam van Reichen-
bach verdiend. In brcede, rijke golven springt het water
van de ongelijke hoogte, spat op de onregelmatig voor-
uitstekende rotsblokken met kracht uiteen en valt als een
zilveren regeu in de breede bedding.
Verwenscht gy de ellendig houten waterleiding niet
-ocr page 95-
- 89 -
die een zaagmolen dry ft, op vijftig passen van den water-
val gelegen? De plompe goot, die het strooranat der
beek afvoert, bederft op vele punten het gezicht op de
vallende wateren. Pas op, waag u er niet onder, want
zy is lek op menige plaats en het onwillige water springt
telkens over de lage wanden.
De Zwitser weet nut to trekken uit de watervallen,
waaraan zyn land zoo ryk is; zij leveren hem de kracht,
die molens en fabrieken drijft. Maar, dat een der schil-
derachtigste cascades ontsierd wordt door zoo\'n ellendig
afvoerkanaaltje, vind ik jammer.
Als wy ons uurwerk raadplegen bevinden wy\', dat het
meer dan tijd is hotelwaarts te keeren, willen wij niet
andermaal te laat aau tafel verschijnen. Daarbij wij
hebben ons v )or te bereiden voor den vermoeienden rit, die
ons morgen wacht. By het eerste gekraai van den haan
moeten wy de legerstede verlaten en besluiten daarom
ons wat vroeger dan gewoonlijk in de armen van den
slaap te werpen. Na tafel gaan wy eenige sigaren koopen
by een coiffeur in de buurt en eenige platen bij twee oude
dames, en sluiten daarmede den welbesteden dag van heden.
Toch gevoelden wy later spijt de Aareklamm niet gezien
te hebben by het veelkleurig bengaalsche licht, dat telken
avond in de kloof ontstoken wordt. Het verlangen naar
rust speelt den meest onvermoeide soms parten. Wel zal
hij later berouw hebben over zyn zwakheid, maar wat
baat hem dit, indien de begane fout niet meer te hor-
stellen is?
VI. Grimsel- en Fukkapas in één Dag.
De Grimsel, as.
Zijt mij gegroet, gij Reus der Aarde!
Die op de oijgelegen bergen,
Als op een handvol ijdle dwergen,
Wet koelen glimlach nedcrstaart;
Rondom wiens kruin het wolkgevuart\'
Ten grauwen tulbiind zich vergaart,
Rondom wiens fors gespierde sclioudren
De sneeuw haar blanken mantel plooit,
Eu die, met ecuwig ijs getooid,
Niet weet van waukleu of veroudren!
Gegroet, gij Grimsel!
(Ahasv op den Grim II z )
Aldus zong Ten Kate. Wellicht hebben in vroegere
jaren sommige mijner landgenooten, die Zwitserland be-
-ocr page 96-
- 90 —
zochten, door dezen groet begeesterd, den pinstok ter
hand genomen en langs het oude bergpad den Griniselpas
bewandeld.
Maar de weg was moeilijk en lang en heeft menig
Hollander, gewoon aan elfeneen gladde banen, afgeschrikt,
al voelde hij in zijn hart het verlangen geboren worden
den woesten Grimsel van nabij te aanschouwen. — Wat
zh\'n de tijden veranderd! Want was het voor een drietal
jaren een weelde, welke zich alleen geoefende sportmannen
veroorloven konden; thans ligt het niet meer boven de
kracht van een gewoon menschenkind, ja zelfs de zwaar-
lijvigste dame kan de pashoogte van den Grimsel bestijgen
zonder de zachte kussens van landauer of postwagen te
verlaten.
Men kent de toeristen in Zwitserland en weet hun ge-
makzucht ter wille te zijn en daarom heeft men van
Meiringen tot Gletsch, waar de besturing van den Furka
begint, een heirbaan aangelegd, welke aan alle gemak-
zuchtige eischen van een bewoner der Lage Landen
beantwoordt.
\'t Was een stoute opzet van ons drietal Hollanders
Grimsel- en Furkapas beiden in één dag — wat men
noemt — te maken.
Keurt gij dien opzet af? Ik zal met u over het al of
niet afkeurenswaardige van ons plan niet redetwisten:
straks geef ik u mogelijk gelijk. Maar kom, wees eens
onvermoeid als wy en onderneem met ons de reis van
Meiringen naar Göschenen.
Wilt gü?___ Dan vroeg uit de veeren, want klokke
vn\'f wordt er vry hard op onze kamerdeur getikt. Wij
springen op van onze legerstede als hazen bij een schot.
„Hoe is het weer?" is onze eerste gedachte, en aanstonds
snellen wij naar het raam om de lucht te ondervragen,
\'t Is bladstil en een lichte nevel hangt over het Haslidal:
dat voorspelt een zonnigen dag, zooals September van het
jaar 1895 gewoon was met zich te voeren.
Men had ons vrees op het lijf gejaagd voor den
„Grimsel bar en hoog" en meer nog voor den Furka, die
nog hooger is en weinig minder bar. Men had ons gezegd,
zware en warme overjassen mede te nemen, zelfs reisdekens
en plaids had men ons aangeraden; maar in jeugdigen
overmoed hadden wy dien raad in den wind geslagen en
slechts een dun overjasje in den reisriem gerold. Toch
moet ik bekennen, dat onze raadgevers wijze menschen
zyn, want treft g\\j geen dag als deze, dan zult gü uwe
roekeloosheid duur betalen.
-ocr page 97-
— 91 —
Men was bezig de paarden vóór te spannen, toen wij
aan hst postkantoor kwamen.
Laat ons zoo\'n Zwitserschen postwagen eens goed op-
nemen, wij hebben daarvoor den tijd en de gelegenheid.
Een Zwitsersche postkar is geen gewoon rijtuig, geen
voertuig gelijk aan dat, hetwelk ten onzent nog op den
dag van heden de afgelegen dorpjes en vlekjes met de
groote wereld verbindt. Met dit laatste heeft de wagen,
dien wij bestijgen zullen, slechts twee zaken gemeen. De
kleur van beide is geel met een enkel zwart biesje af-
gezet, en beider aankomst in het dorp is een evenement,
groot genoeg om de belangstelling van jong en oud op
te wekken, zóo zelfs, dat dag en werk geregeld wordt naar
de aankomst en het vertrek van dit middel tot snel verkeer.
De Zwitsersche postwagen bestaat eigenlijk uit drie
rijtuigen plus een bok, doch er zijn slechts vier stevige
raderen noodig om het geheele samenstel te dragen. Het
middelgedeelte van dit driestel is een landauer in optima
fmna
met gebloemde kussens van rooden trijp, die vier
reizigers een zachte en ruime zitplaats bieden. Achter
dit makkelijk rijtuig is een tilbury aangebracht, waarin,
dat spreekt, slechts plaats is voor twee personen. Omdat
deze tilbury uitsteekt boven de kap des landauers, als
het palfreniersbankje boven een panier, en deels bloot-
gesteld is aan weer en wind, zijn de trijpen kussens door
bruinlederen vervangen Dit is niet noodig in het Coupe,
yóor aan den landauer gehecht, daar dit, zooals alle ge-
lijknamige rijtuigen, aan de voorzijde geheel van glas is.
Niets is er dus tegen dat wü hier dezelfde kussens van
den „Intérieur" terugvinden. De bouw van landauer en
tilbury is bij alle postkarren vrijwel hetzelfde; by het
Coupé is eenige variatie. Daar zijn er vierkant als een
houtbak, daar zijn er rond aan de voorzijde als een hoe-
dedoos, daar zijn er — en zoo is de onze — vijthoekig
als een doodkist. Doch om het op het verblijf van een
doode niet geheel te doen gelijken, gaf men het onderdeel
den vorm van een scheepsboeg met naar de paarden ge-
keerden spriet. — Waar de bok geplaatst is? Wel boven
het Coupé om den reizigers het vrije uitzicht niet méér
te benemen, dan door de beenen van koetsier of conducteur,
die nu en dan voor de raampjes bengelen als gordijnkwasten.
Brieven en wat verder aan de post wordt toevertrouwd,
bergt de conducteur in de groote kist achter den landauer
en onder de tilbury. Pakjes en koffertjes der reizigers
vinden hun plaats op den imperial boven het Coupé en
gedeeltelijk boven den „Intérieur."
Het zware en toch in werkelijkheid schilderachtige ge-
-ocr page 98-
— 92 -
heel wordt getrokken door vyf paarden, waarvan door-
gaans de drie voorloopers kleiner en vlugger en de twee
achterloopers grooter en sterker zyn.
De koetsier — dat mag niet anders — draagt behalve
het blauwe pak met blinkende knoopen, een opgesierd,
glimmend hoofddeksel in den vorm van een fantaisiehoed,
die vy\'f modes ten achter is. De lange zweep in zyn hand
is even onmisbaar als de horen aan zyn zyde. Zyn buur-
man, de conducteur, is in eenzelfde pak gestoken, doch
heeft voor hoofddeksel een kolossale pet, heeft natuurlijk
geen ryzweep, en heeft heel natuurlyk een groote tasch,
waar de eerstgenoemde een horen heeft.
Meer dan 20 personen vervoert de post niet. Nu zult
gij berekend hebben, dat deze wagen slechts voor acht
reizigers ruimte heeft, waaruit volgt, dat de twaalf
overigen ergens anders geborgen moeten worden. Voor
hen is plaats in twee bywagens, van heel wat minder
gehalte. Ook bij deze vinden wy\' landauer en tilbury
terug, doch de laatste is niet meer achter, maar vóór aan
den wagen, een weinig hooger dan de bok van den koetser,
wiens troon zoo laag mogelyk is opgeslagen, om over zyn
schouders heen het vrye uitzicht te laten aan den vreem-
deling. Daar is slechts één coupé en wy zyn met z\'n
drieën, reden waarom wy ons verdeelen moeten: ik zal
plaats nemen in de tilbury of — zooals de ofiicieele naam
luidt — op het Banquet.
De klok van \'t postkantoor zegt ons, dat het uur van
vertrek daar is : zy wyst 6.20 In de hooge tilbury heeft
reeds een heer plaats genomen. Dat hy\' de veertig nog
niet haalt, dat hi> lang, slank en blond is, zelfs dat de
snor naar het rossige zweemt, is iets wat my aantrekt
noch afstoot. Maar dat de blauwe oogen my vriendelyk
tegenstaren, dat hy mij allerbeleefdst een goeden morgen
wenscht by het opstygen, is voor mij van het hoogste
belang; immers ik,ga zeven uren in zyn gezelschap door-
brengen en dien tijd kan een goed buurman veel verkorten
en veraangenamen.
Een groet kan het begin zyn van de vriendschap, dat
ondervond ik hier: want nauwelyks had ik zyn beleefdheid
beantwoord, of de conversatie met myn buurman was
aangeknoopt en in vollen gang vóór den horen van den
postiljon het sein tot vertrekken gaf. Eenige minuten echter
werd ons gesprek onderbroken daar wy in gestrekten draf
door Meiringen rydend, elkander onmogelyk konden be-
roepen bij het rammelend geluid van den wagen; doch
nauwelijks begon de styging op den Kirchet of ons gesprek
werd voortgezet.
-ocr page 99-
- 93 -
Ik deelde hem mede, dat wy Hollanders waren die voor
het eerst Zwitserland doorkruisten. Hy van zyn kant
wist my te zeggen dat hij Zwitser was en Oltenaar, dat
hy jaarlyks een tochtje deed door de bergen en dit jaar
juist den Grimselpas gekozen had, ofschoon hy hem reeds
tweemaal wandelend maakte, vooreerst omdat hy dezen
zomer het eerst bereden werd en ten tweede omdat een
klein ongemak aan het been hem het bergenklimmen be-
lette. Op myn vraag: «Dus u kent den Grimsel?" luidde
zyn antwoord: „O j\', zeer goed!" en daarvan gaf hy my\'
menig bewys.
„Zie eens om," zeide hy, »wat een wonderschoon gezicht
op Meiringen, op het dal en op het meer." Ik zag om
en ik moet bekennen dat hy gelyk had.
„Zoo aanstonds komen wy op den top van den bergrug",
waarschuwde myn buurman, „en dan ligt het Opper Has-
lidal vóór u met Intertkirchen en lm Hof. Een wonder-
schoone vlakte."
Het woordje wonderschoon lag den goeden Oltenaar op
de punt der tong en telkens als hy my een nieuw natuur-
tafereel toonde, gebruikte hy het niet ééns, maar wel
tien maal.
Wy bereikten de hoogte en eensklaps overzagen wy de
geheele vlakte van Intertkirchen. \'t Is een amphitheater
gelyk; de groene weide is de arena en de bergen, die het
ovale dal omgeven, vormen de muren en zitplaatsen van
dit door de natuur gevormd worstelperk. Schilderachtig
liggen Iai-Hof en Intertkirchen op den boord der wilde
Aare en geven aan het dal een bevallige levendigheid.
\'t Gaat in draf naar beneden en weldra staan wy voor
het postkantoor der laatstgenoemde plaats.
„Hier," zoo verhaalde de Zwitser, op het hotel in de
nabyheid wijzend, „hier kwam ik voor drie jaar aan na
een borgtocht van achttien uren, en op dien Irap daar
viel ik in zwym van vermoeienis en uitputting."
„Ik heb geen trek zulke tochtjes te ondernemen," zei ik.
„Zy zyn wonderschoon, mynheer, en \'t is jammer dat u
geheel het Oberland niet doorwandelt;" ontving ik ten
antwoord.
„Zeker om hals of beonen te breken," lachte ik. „Ik
pas er voor, mynheer."
De vlugge postwagen heeft het kleine dal spoedig
doorloopen en wederom begint het stygen. Kunstig is de
ryweg aangelegd. Mag ik spreken van aanleggen? Aan-
leggen zegt te weinig, want de baan is uitgehouwen in
de harde rots. Met de kronkelingen eener spiraalveer
-ocr page 100-
- 94 —
kromt zij zicli over den bergrug, die met onberekenbare
kosten en inspanning gedwongen werd de ruimte van
eenige meters af te staan aan rijtuigen en postkarren.
Hier een tunneltje waarover een waterval zich afstort in
de diepe Aare, daar een hooge brug over den bergstroom,
ginds een afgrond aan onze zyde. Altoos afwisseling,
altoos nieuwe schoonheid.
\'t Gaat wederom in vollen draf door een kleine vlakte.
De paarden vertragen hun loop niet bij het groepje ar-
moedige huisjes, waar een vrouw het pakje opvangt haar
door den conducteur toegeworpen en den groet van deze
beantwoordt.
„Arme bevolking,-\' sprak mijn reisgezel, „zie eens wat
woningen!" Inderdaad zij zijn meer dan armoedig. Uit
ruwe planken, soms zelfs als de Sennhütten uit onbewerkte
boomstammen vervaardigd, hebben zij voor opening slechts
een enkel deurtje en een enkel raampje. Ik had mede-
lijden met die arme menschen, welke volgens mijn buurman,
het geheele jaar geen ander voedsel kennen dan melk
met brood of\' brood met melk. Een stukje kaas daarbij
is noodig om de maag te prikkelen en den eetlust gaande
te houden. Ik was blij, dat wij de brug over waren en
wederom stegen in sterke wendingen, want het doet pyn
nienschelijke ellende te zien in het midden van de
prachtigste natuur. Wèl zullen wij op de helling door
de reeds schaarsch wordende en doodsche pijnen heen nog
menigen blik werpen op het armoedige Im-Boden, doch
dan treft slechts het schilderachtige van het huizengroepje
ons oog en de ellende der bevolking is by dien aanblik
vergeten.
„Waarop houdt u de jumelles gericht, mynheer?" vroeg
ik mijn reisgezel.
„Wel," was zijn antwoord, „ik wil eens zien of er geen
gemzen grazen ginds boven op die weitjes tusschen de
rotsen. Dat is hun geliefkoosde plaats en niet zelden
bespeurt men ze daar."
„Is er nog veel van dat vlugge goedje?"
„O! mijnheer, nog overvloed. Er wordt veel jacht op
gemaakt, dat is zoo; doch dat wild is te schuw en te
vlug. Hun grootste vyand is de winter; want dikwijls
worden zy door den honger naar de dalen gedreven tot
in de nabijheid der huizen; en gij weet dat de Zwitser
goed schutter is Dat heeft ook de steenbok ondervonden:
de laatste is gevallen door zyn lood."
„Valt de winter hier vroeg in?" vervolgde ikenwangdo
het mijn vraag zeil te beantwoorden meteen: „Misschien
wel op einde October."
-ocr page 101-
— 95 -
„De eigenlijke winter, ja; maar deze koning der Alpen
zendt zijn lakeien vóór zich uit om zyn komst aan te
kondigen. En als deze de toppen betreden zoekt de
mensen de dalen op. Andere jaren jagen de sneeuwstor-
men menschen en vee reeds in September van de liooge
Alpenweiden. Van \'t jaar hebben wy- in deze maand een
weertje zoo zomersch, dat geen Zwitserse» geheugen zich
een warmeren September herinneren kan.
De conducteur scheen met zyn goedaardig gelaat, door
zwarte bakkebaarden omlijst, van moeder natuur uitste-
kende gehoorzenuwen ontvangen te hebben; want niette-
genstaande den vry grooten afstand, die ons van hem
scheidde, wendde hy zich by de laatste woorden van zyn
landgenoot om en vervolgde met hem in Zwitsersch dialect
het gesprek, dat wy begonnen waren. Ik luisterde nauw-
keurig toe, doch de taal van den conducteur verstond ik
in \'t geheel niet, die van den Oltenaar zou ik vrijwel
verstaan hebben, indien ik van liet Koeterwaalsch des
eersten slechts eenige woorden begrepen had, doch by
alle inspanning slaagde ik daarin niet.
Myn buurman was echter zoo beleefd niy later de voor-
naamste punten van hun onderhoud mede te deelen, dat
in hootdzaak hier op neerkwam. De Grimselpas werd dit
jaar voor het eerst door de post bereden: dat wist ik.
Hier was in drie weken geen drop regen gevallen en geen
wolkje gezien: dat kon ik best gelooven. De winter was
hier koud: dat begreep ik. De postwagen zou in de win-
termaanden den ürimsel niet overtrekken; en ik vroeg:
„Waarom niet?" „Omdat sneeuwstormen en lawinen zelfs
voor een slede den overtocht gevaarlijk maken," werd my
geantwoord en het waarom was mij duidelijk.
Hoe dikwijls ons gesprek door myu buurman onder-
broken werd om my te wijzen op een bergparty, die hy
wonderschoon vond, weet ik niet; alleen weet ik, dat wy
de huizen van het vrij aanzienlijke dorp Gultannen een
half uur vroeger voor ons zagen, dan ik verwacht had.
Hier zou van paarden verwisseld worden, dat gaf ons
een kwartiertje oponthoud. Dit was de eerste halte van
eenige beteekenis. De Zwitsersche postiljons hebben het
met onze huurkoetsiers niet geineen, dat zij in elk dorp
en in elk gehucht even moeten aanleggen om hun paarden
een stuk brood en zichzelven een loorrel te geven. De
paarden hebben van Meiringen tot hier zwaar werk ver-
richt en water noch brood geproefd en toch zien ze er
veel heter en minder droomerig uit dan de kleppers van
menige Ilollandsche stalhouderij.
\'t Zal in niemands brein opkomen na een ritje van drie
-ocr page 102-
- 96 -
a vier «ren niet uit te stygen. Vertrouw echter by het
afklauteren van de hooge tilbury uw beenen niet te veel,
want zij zyn styf en stram geworden. Het zou u erger
kunnen gaan dan mü, die het aan een gelukkigen greep
der handen te danken had, dat myn hoofd niet op onzachte
wyze met den trap van het hotel, waarvoor wy\'stilhielden
in aanraking kwam,
Myn eerste werk is natuurlijk het opzoeken myner Hol-
landsche vrienden. Wy\' hebben elkander in een paar
uurtjes niet gezien en dat valt lang in den vreemde, want
men deelt elkander zoo gaarne zyn gewaarwordingen mede
Dat zullen wy\' doen wandelend voor de restauratie en
de remise. Eerst wanneer het bloed weer vry\' door alle
ledematen stroomt, gaan wy de drooge keel bevrijden van
het stof. Dat zoo iets in een gelagkamer pleegt te ge-
schieden is geen geheim.
By\' het opstijgen neem ik wederom myn l.ooge zitplaats
in, en zoodra my\'n buurman heeft plaats genomen, schettert
de horen, knalt de zweep en vooruit gaat het in sterken
draf door het dorp.
Na Guttannen worden de huizen schaarscher dan witte
raven: een eenzame jagershut en de hotel-by Handeggfall
en Grimsel zyn de eenige woningen, welke wy nog ont-
moeten zullen op dezen pas.
Wilder en woester wordt de natuur, die ons omgeeft.
Slechts hier en daar heeft, nog een don wortels geschoten
in de spleten der rots. Grimmig zien de getande Gelmer-
hörner op ons neer, onheilspellend spreiden de Engelen-
hörner hun grauwe vleugelen uit boven onze hoofden, als
dreigden zy ons te verpletteren met een enkelen slag.
De gletschers ter linker en ter rechterzy\'de glinsteren in
het licht der zon, de Aare huilt beneden ons, vertoornd
op den mensch, diedeTschingel-enSchwarzbrunnerbrücke
over haar bedding heeft geslagen.
„Ziet gy\' die duizende steenblokken in de diepte en op
de helling?" vroeg myn buurman „Welnu, dat zyn te
pletter geslagen rotspunten, die door lawinen van den
berg zyn losgescheurd; dat zyn granietklompen door on-
tembare watervloeden van den rotswand gebroken en
meegesleurd of het stroohalmen waren."
Ik huiverde bh\' het aanschouwen dezer getuigen van de
ontzettende kracht der natuur en het verwonderde my\'
niet, dat de mensch in \'t barre jaargety\'de zulke oorden
vlucht.
„Nog deze hoogte op," sprak myn Zwitser, „en do
„Handeggfalls" zyn bereikt." Doch ik sloeg er weinig
acht op, want wij hadden reeds zoovele grootere en
-ocr page 103-
- 97
kleinere watervallen gezien, dat de twee sterretjes van
Baedeker mij ongeloovig deden lachen, overtuigd dat ons
slechts teleurstelling wachten zou. Ik kon myn gevoelen
voor myn compagnon niet verbergen, maar hij bleef ze
„wunderschön" noemen en verzekerde my, dat ik straks
geheel anders zou spreken. Hy had volkomen gelijk.
Styg met my af gelyk alle reizigers, en beschouw de
vallen. Vóór u werpt de grauwe Aare met donderend
geweld haar woeste wateren van den zeventig meter
hoogen rotswand. Een weinig ter rechterzijde spuwt de
kleinere, maar niet minder woeste Aerlenbach haar zil-
verwit stroomnat in denzelfden afgrond. Beider wateren
schieten beurtelings door en over elkander, maar het
zilveren vermengt zich niet met het grauwe voor beide
op de rots gestooten, in kokend schuim uiteenspatten en
neerploffen in de brullende diepte, waaruit dichte damp-
wolken opgestuwd worden langs de rotsen, die beide
vallen omsluiten.
Gaarne zouden wy hier nog een uurtje vertoefd hebben,
maar postwagens zyn als treinen en wachten niet, ten-
minste niet lang.
Nog twee uurtjes vóór wij aan \'t uriiuselhospiz aan-
komen. Geen nood, dat do weg u lang zal vallen al gaat
het stapvoets over de baan, want telkens ontmoet gy
nieuwe schoonheden, telkens komen nieuwe en hoogere
bergen zicli aan uw oog vertoonen.
Zoudt gij vermoeden dat die hooge toppen ter linkerzijde
een meertje omsluitend De waterval, dien gy van den
berg ziet komen, werpt het overtollige water van de
„Gelmersee" uit in de Aare.
Hier geen boomen meer! zoover het oog draagt niets
dan rotsen in uuizenderlei vormen en gedaanten, die op
hun voet, door liet water bevochtigd, bij wylen nog voedsel
bieden aan een handvol vunzig mos en enkele Alpenrozen,
maar eiken struik hardnekkig weigeren te dragen.
Toch was ik blij dat wy in \'t Grimselhospiz aan tafel
zaten, want vermoeid van het rusteloos staren op die
ruwe pracht dor bergen, hadden myn oogen rust noodig
en vonden die rust in de eenvoudige eenigszins duistere
eetzaal van het goede hotel, waar nog een ander gewichtig
lichaamsdeel dan de kijkers bevredigd werd.
Als nieuwe mcnschen stonden wij van tafel op en ge-
voelden ons volkomen in staat de vermoeienis, die ons
nog wachtte, te trotseeren. Vroolyk en opgewekt be-
klommen wij wederom den postwagen.
Het klein en somber meertje, de „Grimselsee\'\', behoeven
wy niet om te ryden, een dyk en een brugje voeren ons
-ocr page 104-
- 98 -
door het stille water tot aan den voet der eigenlijke
pashoogte. Langzaam trekken de sterke paarden het
zware voertuig op tegen den steilon weg, welke zich als
een slang opwaarts kronkelt. Grimselliospiz wordt kleiner
en kleiner en neemt de verhoudingen aan van de houten
huisjes uit de speeldoos onzer kinderjaren; het meertje is
een waterplas gelijk, door den re:en op een dorpstraat
achtergelaten. Daarentegen verruimt zich het panorama
der Alpen.
Boven de geweldige toppen die het Haslidal omgeven,
verheffen Schreck- en Finsteraarhorn hun witte kruinen
hoog in de lucht. Als de oceaan, door wilde stormen
opgezweept golven de toppen der bergen en rotsen door
elkander, \'t Is alsof hier een zee versteende in haar
felste branding.
Lang mag de reiziger zich verlustigen in dat schouw-
spel, want het stijgen gaat langzaam en de menigvuldige
kronkelingen van dien weg maken het hem mogelijk, dit
weergaloos ruwe en woeste panorama van steenen, ijs en
sneeuw, van alle zijden nauwkeurig te beschouwen.
«Ziet ge dat bergpad op den Niigelisgratli," vroeg mijn
buurman.
«Heeft u dat bewandeld?" was mijn natuurlijke vraag.
„Zeer zeker; maar \'t is niet om die reden, dat ik er u
opmerkzaam op maak. Ik wil u slechts mededeelen, dat
nog geen veertien dagen geleden een onzer bergbataljons
in volle wapenrusting dit bergpad is afgedaald."
De zichtbare trots, waarmede hij dit verhaalde, was
rechtmatig, want zelfs een Hannibal zou zulk regiment een
eereplaats hebben toegekend onder zijn onverschrokken
Carthagers.
De pashoogte is bereikt. Wij zyn op een hoogte van
2164 meter en vierhonderd meter beneden ons ligt het
Ehönedal, een reusachtigen ketel gelijk.
Bij den Rhönegletsoher.
Steiler dan op den bergrug, door ons bestegen, kronkelt
zich de weg naar beneden tot op de oevers van den
stroom. De paarden zetten zich in draf bij het knallen
der lange zweep van den postiljon Als door een
wervelwind aangegrepen, wordt de postwagen van de
helling geslingerd, een wolk van stof verwekkend, die
elk uitzicht bij wijlen onmogelijk maakt.
\'t Zou menigeen op mijn hooge zitplaats duizelig ge-
maakt en angst in den boezem gejaagd hebben. Ik had
-ocr page 105-
- 90 -
geen tyd my met bangmakerij, die trouwens geheel over-
bodig is, af te geven, daar ik meer dan genoeg werk had
met neus en mond tegen de dwarrelende stofwolk te be-
schermen.
Van boven naar beneden: „\'t Is maar een wissewasje,"
zou de papegaai zeggen, want, eerder dan gy berekend
hebt, houdt de postwagen stil bjj het hotel „lm Gletsch".
Wat wy deden, zoodra wy elkander wederzagen, raadt
gy nooit. Wy proestten het uit van \'t lachen. En de
reden? Netjes in \'t zwart opgestegen, stonden wy thans
tegenover elkander, alsof wy een vollen dag op een stof-
figen korenmolen hadden doorgebracht. Een dikke stof-
laag overdekte niet alleen my, maar ook Harry en Jan,
dis in het Coupe" geenszins van deze plaag bevrijd waren
gebleven, en even goed als ik met een ouden meelzak
omhangen schenen.
„Nu zien we er uit als echte toeristen," lachte ik.
„Is me dat een stuiven," zei Harry die met den zak-
doek zyn hoed van gry\'s wederom zwart trachtte te maken.
„Ik heb wel een Alp stof geslikt."
„Wel," vervolgde Jan, „dan gaan wy dien Alp door-
spoelen met Beicrsch."
„\'t Kan noodig zyn, want het zal er straks niet beter op
worden," was mijn gevoelen.
Zonder de minste afspraak waren er drie zakdoeken te
voorschyn gekomen, welke drie ruggen en drie paar schou-
ders begonnen te geeselen, dat het een aard had. Intus-
schen waren onze koffertjes van onder het groote, zwarte
zeildoek te voorschyn gehaald en reeds door de gedienstige
kamerbedienden vau „Tm Gletsch" aangeklampt, als de
postduif door een valk. Doch toen zy h orden, dat wy
aanstonds weder vertrokken, zetten zy ze vry onzacht
neer en liepen heen. — Heel natuurlyk, maar niet heel
beleefd.
üeeds stonden wy in de deur der restauratie, welke in
de benedenverdieping van „lm Gletsch" gehouden wordt,
toen Harry de opmerking maakte, dat het beter zou zyn
eerst voor de plaatsen te zorgen. Goed, zeiden wy en
begaven ons naar het postkantoor, \'t Zyn slechts tien
stappen. De post van Brieg was nog niet aan en op
deze moest de directeur wachten om ons kaarten te
kunnen geven. Gelukkig kwam hy spoedig en een oogen-
blik later hadden wy drie plaatskaarten in bezit, twee
„Coupé" en een „Intérieur".
Met dien schat in den zak, stapten wy de restauratie
binnen en dronken er een glaasje gerstenat, dat ons
-ocr page 106-
100
smaakte als nektar; doch een nasmaak kreeg, zuurder
dan azyn, niet omdat liet brouwsel slecht was, maar om-
dat wy den drank duurder moesten betalen dan de fijnste
peper. Indien ik u zeide hoeveel men ons vroeg met het
brutaalste gezicht der wereld, zou ik alle geloofwaardig-
heid verliezen en dus: „Schwamm drfiber !"
Gaan wy liever te zamen naar den liln\'negletscher, wy
hebben daarvoor nog juist den tyd.
Op den anderen oever van den jongen stroom leidt een
goede weg tot aan den voet van den ijsberg.
Hoe zoo\'n gletscher in elkander zit. Ja, dat is in twee,
drie woorden niet te zeggen. En hoe hy de rivieren
voortbrengt, zal ik u mededeelen, zoodra de geleerden op
dit punt tot volkomen eenstemmigheid gekomen zyn.
Waaraan het toe te schrijven is, dat deze, gelijk al zyn
Zwitsersche broeders, jaarlüks een weinig terugwijkt; en
of hij nog eenmaal het dal zal vullen tot aan het hotel,
zooals hij dat, volgens een kaart, welke ons getoond werd,
deed in het jaar 1835? ziedaar twee vragen, aan welker
beantwoording ik mij niet durf wagen. Wel kan ik u
verzekeren, dat deze gletscher neg eeuwenlang de Rhóne
zal voeden; want, tusschen twee bergen gevat, stye:t hy
bijna loodrecht vierhonderd meter naar boven en verliest
zich daar in de onafzienbare ysvelden van llhóne- en
Dammastock-
Om den weg te verkorten gaan wy\' regelrecht op den
voet des Gletschers aan. \'t Valt wel wat tegen, want
— en dit hadden wy niet verwacht — het water stroomt
overal tusschen de steenmassa door. Maar wy zyn nog
jong en lenig en daarom zien wy er niet tegen op van
steen tot steen voort te springen met de nagebootste
behendigheid eener klipgeit,doch tevens met de voorzichtig-
heid van een ezel, die het steile bergpad beklimt. Be-
hendigheid en voorzichtigheid zyn beide noodig willen wy
niet struikelen of water scheppen in onze schoenen.
Verder gaan wy niet: wy staan slechts eenige meters
van den ysberg verwyderd en kunnen hem hier in al zyn
onderdeden goed overzien.
De zon schynt brandend op ons hoofd, alsof wij onder
de keerkringen wandelden en dwingt ons schaduw te
vragen aan onze zonneschermen; op weinige schreden
vóór ons ijs, niets dan ys, alsof wij op Nova Zembla
waren overgeplaatst en onder ons een doorweekten bodem
alsof het dagen en weken gestortregend had in het dal.
Wondere contrasten alleen in het hooggebergte mogelyk.
Duizenden spleten en scheuren geven de grilligste vor-
-ocr page 107-
101
men aan dezen ijsklomp en doen een onvergelijkelijk schoon
lichteffect geboren worden op zijn breeden rug. De zil-
veren ijskleur der vooruitstekende randen loopt in de
kloven onmerkbaar over tot het zuiverst ultramarin. In
het midden van dit, in zijn onregelmatigheid fantastisch
gevaarte, is een grot van aanzienlijken omvang uitge-
houwen, waarin hetzelfde kleurenspel zich vertoont als in
de spleten en op de randen. Van onder dezo grot springt
de Khóne met kracht te voorschijn. Het ijs, in den gloed
der zonnestralen smeltend, zendt overvloedig water vóór
en in de grot neder als een slagregen van groote droppen;
en deze door het zonnelicht beschenen, schitteren op de
azuren zijwanden, als paarlen op een kleed van hemels-
blauwe zyde.
Willen wü den postwagen te Gletsch nog aantreffen,
dan moeten wij, hoe ongaarne ook, den terugtocht aan-
vaarden. Wel kunnen wy het steile bergpad inslaan en
den wagen boven opwachten, doch de warme zon schrikt
ons af en wij kiezen de minst vermoeiende wandeling.
Misschien hebt gij reeds gevraagd of ik mijn Oltenaar
wel bedankte voor zijn aangenaam gezelschap? Of ik wel
afscheid van hem nam ? Nog niet, maar wij komen hem
hier tegen en zullen het bij deze gelegengeid doen, daar
hu\' in Gletsch blijft overnachten en wij hem niet meer
zien zullen.
De paarden trappelen reeds voor den wagen bij onze
terugkomst en men verzoekt ons in te stijgen. De rollen
worden anders verdeeld. Harry en mijn persoontje zouden
het Coupé betrekken, Jan zich met den Intérieur behelpen.
„Willen de heeren niet met drieén in het Coupé plaats
nemen?" vroeg de conducteur, meenend ons een dienst te
bewyzen. Wij dankten feestelijk voor dat aanbod: \'t zou
binnen toch warm genoeg zijn, dachten wij en de uitkomst
bewees, dat wy goed hadden gedacht.
Gletsch hadden wy spoedig achter ons, want de plaats
bestaat slechts uit het postkantoor, waarnaast de remise,
uit één hotel en twee huizen, woningen, zoo ik meen, der
postbeambten en postiljons. Even mochten de paarden
draven; even slechts, want aanstonds begon wederom het
stijgen.
\'t Is een vervelende rit, al is het uitzicht op het Rhöne-
dal schoon op zichzelve, want de schoonheid is niet van
dien aard, dat wij ons meer dan twee uren kunnen ver-
lustigen in het beschouwen van dit ketelvormige dal; en
wh\' zijn blij, dat de bestijging van den „Langisgrat" achter
den rug is en het voertuig stilhoudt vóór een kleine
-ocr page 108-
— 102 -
herberg in de nabijheid van den top des Khönegletschers.
Wy zullen die rust benuttigen om een kijkje te gaan
nemen in de ijsgrot, uitgehouwen ter plaatse waar de
ijsberg zich neerstort in het dal.
Hebt gü ooit cezien hoe onze groote rivieren in strenge
winters ijsschotsen opeenkruien en haar oppervlakte her-
scheppen in een woest veld van ijsblokken ? \'t Is slechts
kinderspel bij hetgeen zich hier aan onzen blik vertoont.
Zoover het oog draagt een onafzienbare ijszee. Hier een
diepe spleet en naast deze verheft een pklomp zich
torenhoog, daar een opeenstapeling van reusachtige
vormlooze schotsen. Men huivert by den aanblik.
Dwazen, dacht ik bij het zien dier ruwe vlakte, die het
leven waagt om te kunnen zeggen: „Ik heb gletschers
beklommen en ijsmeren bewandeld,\' ik vergezel u niet op
uw gevaarvollen tocht. Als ik de grot, door menschen-
handen in het ys uitgehouwen, bezocht heb, ben ik tevreden.
Pas op en val niet, want de ijsblokken zyn glad en
hun randen zijn hard en scherp, \'t Zal niet blijven bij
een gescheurde broek, indien uw knieën er mede in aan-
raking komen.
Wy staan zonder ongevallen aan den ingang der ijsgrot.
De grot is een in den gletscher uitgehouwen gang, die
twee of driemaal draait om het binnendringen van het
daglicht in het diepste gedeelte anders dan door de ijs-
wanden mogelijk te maken. Een schemerend licht valt
door de ijskristallen en kleurt ze hemelsblauw. De zachte
gloed die tot ons doordringt neemt het rood onzer wangen
weg en geett ons gelaat de tint van getemperd ultramarin.
\'t Is alsof wij, opgeheven van de aarde, niets meer rondom
ons zien, dan den eindeloozen, blauwen hemel: azuur is
het ter rechter- en ter linkerzijde, vóór en achter ons,
een azure hemel rust op onze hoofden, onze voeten wan-
delen op azuur.
Dit betooverend schouwspel doet ons het onaangename
van den weg op den „Lüngisgrat" geheel vergeten, en
blijmoedig zoeken wij wederom onze plaatsen op in den
postwagen, brengen hier onzen laatsten groet aan den
Khönegletscher en gaan de pashoogte van den Furka op.
De Fükka.
Van alle zijden verruimt zich het gezicht. Eeeds hier
en daar vertoonen zich de hoogste toppen der Berner en
Walliser Alpen. Nog een, weinig geduld en op de pas-
hoogte van den Furka, 2436 meter boven den zeespiegel,
ter plaatse waar men gemeend heeft een fort te moeten
opwerpen om den vgand, die zich wagen zou in het hoog-
-ocr page 109-
— 103
gebergte een krachtig ,Halt I" toe te roepen, zult gy het
geheele panorama overzien.
Waartoe u de namen genoemd van alle Alpenreuzen,
die wü hier uit de verte aanschouwen, van den schrik-
wekkenden Matterhorn tot den imposanten Finsteraarhorn,
gel\\jk een der medereizigers van den Tntérieur onzen reis-
genoot, Jan, vergastte op den naam van elke kruin, op
de hoogte van eiken top, nauwkeuriger opgegeven dan
door het beste leerboek der geographie.
Al vind ik nu juist een aardrijkskundige les bijzonder
vervelend, toch zou ik heel graag met Jan een uurtje
van plaats verwisseld hebben, want bjj had een aardig
gezelschap gevonden, bestaande: lo uit het zwaarlijvig
heerschap, dat zoo nauwkeurig de hoogte der bergen
bepaalde alsot het voortbrengselen waren zijner fabriek,
die een weldaad is voor het werkvolk van Brieg, waar
zij stond en hij woonde; 2o uit een heer en zijn echtge-
noote, die by minder topographische kennis en minder
bespraaktheid den inwoner van Brieg in beleefdheid
evenaarden.
Niet dat wü ons in het Coupe- ook maar een oogenblik
verveelden, — wü hadden genoeg te zien links en rechts en
vóór ons uit, en praat kwamen wy daarbij niet te kort,
— maar de kennis dezen morgen met den Oltenaar aan-
geknoopt, deed mü naar de kennismaking van onzen
Briegenaar verlangen. Doch Jan stond zyn plaats niet
af: iets wat ik ook niet gedaan zou hebben.
Onze paarden hebben de rust wel verdiend, \'t Is waar-
lijk geen kleinigheid een grooten zwaren postwagen drie
uren lang den berg te moeten optrekken. Wij zijn er
niet moe van, dat spreekt, maar het kwartiertje rust is
ons hoogst welkom, want onze keel was wederom droog
en dorstig, en een mezzo fiasco Italiaansche landwyn ver-
drijft het stof op aangename en zekere wijze. Een frissche
keel hebben wy noodig, want zoo langzaam wij de hoogte
zijn opgesleurd, zoo snel gaan ons de versche paarden
dalwaarts voeren met het onvermijdelijk gevolg, dat wy
wederom gehuld zullen worden in een wolk van stof.
De bergstroom kiest natuurlijk de dalen en even na-
tuurlijk kiest de mensch, waar hy kunstwegen aanlegt
door het gebergte, de oevers der stroomen, wyl deze
doorgaans effen zyn of het gemakkelijk gemaakt kunnen
worden.
Hebben wy tot den Grimsel de Aare stroomopwaarts
gevolgd tot in de nabyheid der gletschers, die haar voort-
brengen; van den Furka afdalend, zullen wy een weinig
-ocr page 110-
- 104 -
vóór Itealp de boorden der Eeuss bereiken en langs dezen
stroom onzen tocht vervolgen Aan onze rechterzijde in
het diepe Garschendal schuimen reeds de beekjes, door
de ijsbergen van Mutten-Alp voortgebracht, welke de
Iiealper Reuss biji hun samenkomst vormen. Nog honderden
meters moeten wn\' dalen: doch dalen gaat spoedig.
Lustig trappelen de paarden over den glooienden weg,
door het maargcluid van hun hoefbeslag op den harden
bodem en door het geknal der zweep van den postiljon
aangezet tot sterken drat.
Daar wordt ons den doortocht betwist — verbeeld u
— door een kalf, dat, met al de domheid aan deze dieren
eigen, midden op den smallen weg blijft staan en den
postwagen aankijkt met zijn groote domme oogen alsof
liet zeggen wilde: „Wat kom jü hier doen? ik wijk niet
nit.\'\' „Dat zullen we eens zien," schenen de paarden te
antwoorden en verhaastten hun loop. Voor stilhouden
was het te laat, voor uitwijken was geen plaats, en het
domme dier stond in zijn volle lengte midden over den
weg. Wij vreesden een zeker ongeluk voor het kalf en
een waarschijnlijk voor ons, want als het dier onder de
hoeven der paarden en de raderen van het zware rijtuig
geraakte, was het kostbare leven van de koe in spe wis
verloren, en het onze zou zeker gevaar loopen, daar paar-
den bij dergelijke ongevallen op hol plegen te slaan. En
hollen op een slingerend perdpad, nauwelijks vijf meter
breed, dat rechts begrensd wordt door een afgrond, links
door een rotswand, behoort, geloof ik tot de meest hals-
brekende toeren der hedendaagsche sport.
De postiljon bewaarde gelukkig de kalmte van geest
en hoofd, zoo kostbaar in hachelijke oogenblikken, en
bracht met zijn lange zweep den droomer een geduchten
slag toe op den kop, waardoor hij wakker geschud werd
en met een sprong links uitweek voor de paarden. Nog
een slag der rijzweep en nog een sprong en het kalf stond
op een rotsblok naast den weg. De raderen gingen ra-
kelings langs zijn huid, doch het was gered. Kalm bleef
het staan waar het zoo gelukkig en tijdig terecht kwam,
en keak ons na of wilde het ons vragen: „Hoe kom ik
nu eigenlijk hier?" \'t Stond er nog toen de bij wagens
voorbijreden en scheen aan elk dezer de vraag te herhalen;
want zijn domme hersens konden het raadsel niet oplossen,
tenminste niet in zoo\'n korten tijd.
\'t Gaat vlug over de baan, doch wij zullen nog sneller
dalen. Daar ligt het Urserendal in de diepte voor ons.
„Hoe komen wij er?" vragen we elkander af, want wij
zien geen helling, die het afstijgen mogelijk maakt. Geen
-ocr page 111-
— 105 -
nood! Gelyk het van den Grimsel ging, zoo zal het ook
hier gaan. Verontrust u niet, aanstonds bespeurt gy den
steilen bergrug en op dezen de kronkelingen van den
ry\'weg, die ons naar llealp afvoert. Sla uw blik liever
op de lange smalle vallei, die zich uitstrekt tot Hospenthal
en Andermatt.
Al ziet gy er geen hoornen, geen struiken, toch zultgy
het Urserendal niet eentonig vinden, want Realp ligt er
zoo schilderachtig op den oever der zilveren Reuss en
langs den bronsachtig gekleurden ryweg, die — een uit-
zondering in de bergen — kaarsrecht het dal doorsnijdt.
Het grastapyt, dat geheel de vlakte en den voet der
rotsen dekt, lacht u zoo frisch, zoo vroolyk tegen, en de
kleine groepjes witte huizen, over de weide verspreid,
schynen u madeliefjes toe, in het groen der lieve Meimaand
ontloken.
Gy hebt te lang uw oog gevestigd op dat heerlyk land-
schap om te bemerken, hoe wy in duizelingwekkende
vaart van de hoogde zyn neergedaald. En zelfs indien gy
die snelheid hebt opgemerkt, dan nog behoeft gy niet te
vreezen. Ja! ik ben er zeker van, dat gij niet den minsten
angst gevoelen zult, zoo gij er slechts even acht op slaat,
hoe rustig de paarden draven, hoe zeker zy den hoef
slaan op den vasten bodem, met wat omzichtigheid zy de
sterkste bochten maken. Rakelings langs den rotswand
der grootste kromming loopend, nemen de drie voorste
den draai zoo groot mogelijk, het achterste tweespan wijkt
een weinig minder uit en de wagen beschryft een halven
cirkel, zoo zuiver als een passer hem trekken kan.
Doch, zoo de vreesachtigheid u in het bloed zit en de
zenuwen, geheel negentiende-eeuws, zich sterk bij u ontwik-
kelden, zoodat gy huivert by de snelheid van het voertuig;
wees gerust! het vreesachtig trekje om den mond
zal by de aankomst te Realp plaats maken voor een
vroolijk lachje.
Jong en oud wacht ons op, voor elk huis staat een
groepje nieuwsgierigen en uit de ramen der herberg, voor
welke wy, daar zy tevens postkantoor is, stilhouden,
steken weldra een twintigtal hoofden. De straatjeugd —
kunt ge \'t u anders voorstellen? — is talrijk vertegen-
woordigd en gaapt ons aan alsof zjj nooit een vreemdeling
gezien hadden. Ieder toerist schy\'nt hun een soort van
wonderdier, dat van top tot teen dient bekeken. Eén
voor één worden wy zwijgend gemonsterd, als paarden
voor de remonte-commissie. Is de keuring geschied, dan
raken de tongen los; en \'t is den snaken aan te zien, dat
zy elkander den uitslag van hun onderzoek mededeelen.
-ocr page 112-
- 106 -
Dat onderzoek schijnt voor één van het reizend gezelschap
niet Igunstig te zijn uitgevallen, want eensklaps barsten
de guiten in een schaterend lachen uit
Had de postwagen langer getoefd, dan zou het weldra
duidelijk geworden zijn, wie het voorwerp was van deze
jongenspret, zij zouden hem spoedig met den vinger hebben
aangewezen. Wü waren blij dat de wagen afreed, want
allen liepen wü gevaar eenige morsige vingers op ons
gericht te zien, doch het meest verheugde zich de zwaar-
lijvige inwoner van Brieg, overtuigd als hij was, dat hem
om meer dan een reden het grootste gevaar bedreigde.
De zon was achter de bergen gedoken en de sche-
mering viel
„Op het dal der Alpen mot zijn diepen stillen vrede."
Schoon zijn de dalen in het gouden licht der lieve zon,
maar schoon ook, als de avondschemering ze hult in een
geheimzinnig halfdonker, en de bergen spookgestalten
schijnen, die langs de groene vlakte ten rei gaan op
het maatgeluid der Alpenklokjes, klingelend aan den hals
der huiswaarts keerende runderen, op het gedruisch van
den wilden bergstroom, die voortspoedt door zijn met
steenen bezaaide bedding.
Zoo denken er ook de talrijke vreemdelingen over, die
Hospenthal tot hnn verblijfplaats kozen en in groepjes
den rijweg op en af wandelen.
Van uit de hotels van het bevallige Hospenthal straalt
ons reeds de gloed der electrische lampen tegen, otschoon
het dorp zelf en de meeste zijner eenvoudige huizen zich
de weelde van het kunstlicht nog niet veroorloven. Niet
langer dan hoog noodig is houden wij hier stil; wü zuilen
toch reeds meer dan een kwartier te laat in Andermatt
aankomen. De paarden hebben wel hun best gedaan om
den verloren tijd in te halen, doch het is hun niet gelukt.
\'t Was ook niet noodig, want meer dan een half uur
moeten wü wachten aan het postkantoor op de markt te
Orsèra
Andermatt heeft, zooals andere steden in het gebergte,
zün nut getrokken uit den bergstroom, wiens kracht het
in staat gesteld heeft een goede en goedkoope straatver-
lichting te onderhouden. Dat maakt het ons mogelyk iets
van de eigenaardigheid van het echt Zwitsersche stadje,
met zijn enge straten en onregelmatige huizen te zien.
De oude kerk en het oude slot, is ons verzekerd, zijn
een bezoek overwaard, doch het late avonduur ontzegt
ons den toegang tot beide.
-ocr page 113-
- 107 -
Wandelend zullen wy onzen wachttijd doorbrengen op
het pleintje, \'t Beloott niet onaardig te zyn, want als
dorre bladeren by een wervelwind, zoo dwarrelen mannen
en vrouwen, jongen en ouden door elkander. Ik weet niet
of men in Zwitseiland de ruwe uitspanning, die wy\' in
Holland kermis noemen, kent: ik zou het gelooven, indien
ik kraampjes en tenten vond op het marktveld. Doch
daar ik niets van dat kermisgoedje bemerk, ben ik meer
geneigd aan te nemen, dat de inkwartiering van een der
bergbataljons deze levendigheid aan het stadje bezorgd
heett.
Geen oud vrouwtje is by haar spinnewiel gebleven, ge-
heel Andermatt schynt toegestroomd om by de gewichtige
gebeurtenis van den dag, de aankomst en het vertrek der
verschillende postwagens tegenwoordig te zyn. Wy
begeven ons onder de menigte, \'t Is een mengelmoes van
talen. De inwoners spreken Hoog- of Zwitsersch-Duitsch
met de soldaten; soms ook zyn zy genoodzaakt zich van
het Italiaansch te bedienen. De officieren drukken zich
uit in het Fransch, maar bewyzen ook het Duitsch machtig
te zyn, zoo dikwyls zy hun oppassers iets te bevelen
hebben Engelschen spreken de taal van Albion altyd en
overal, en wy gebruiken het Hollandsch zoolang de nood-
zakelijkheid ons niet dwingt onze toevlucht te nemen
tot vreemde klanken. Slechts drie onder de menigte
verstaan de taal der Nederlanden, en deze drie spreken
ze luid genoeg om door de voorbijgangers gehoord te
worden. „Wat taal is dat?" vraagt men hier in\'t Duitsch,
daar in \'t Italiaansch ot in \'t Fransch; maar niemand kon
op die vraag een afdoend antwoord geven. De meesten
verdenken ons van tot het ryk des Tsaren te be\'iooren,
allen zien ons aan en blyven ons nastaren; doch niemand
hindert ons en daarom zetten wy onze wandeling rustig
voort tot er geroepen wordt: „Göschenen einsteigen!"
Het maantje stond helder en hoog aan den hemel als
een electrische booglamp, en daaraan hebben wy het te
danken, dat de schoonheid van den weg tusschen Ander-
matt en Göschenen niet geheel voor ons verloren ging.
Wat hadden wy spoedig berouw het voorbeeld niet ge-
volgd te hebben van monsieur et madame uit den „In-
terieur\'. die in Andermatt den nacht doorbrachten. Doch
wy zaten in den postwagen en moesten mee; van ophouden
kon geen spraak zyn; van uitspringen nog minder, want
meer dan driehonderd meter daalt de ry weg om Göschenen
te bereiken. Steil gaat het naar beneden langs hemelhooge,
kale rotsen, die niet zelden zich dreigend buigen over
-ocr page 114-
- 108
onze hoofden. Ontstuimig kookt en huilt de Reuss tus-
schen de rotsblokken, die nedervielen in haar ondiepe
bedding. Vooral de „Schuilenen", het lange, smalle ravijn,
waardoor de woedende Reuss zicli baanbreekt. en de
rijweg zich kronkelend tusschen de rotsen heenwringt als
een slang, deed ons spijt gevoelen over ons hardnekkig
doordrijven om dezen nacht in Göschenen onze tenten op
te slaan.
Nauwelijks bespeurden wy, hoe de postkar ons voort-
sleepte door tunnels en langs uitgehouwen rotswanden,
nu eens op dezen, dan weer, na een koene brug over-
schreden te hebben, op genen oever van den stroom. Van
de beroemde Duivelsbrug, die de mensch, als om de natuur
te tarten, in (\'én boog gebouwd heeft meer dan dertig
meter boven de golven der Reuss, waar deze haar wateren
van een rotshoogte schiet; van dit reuzenwerk en de rijke
natuur, die het omgeeft mochten wij slechts een flauw
beeld in onze herinnering opnemen, \'t Is hier wellicht
het schoonste punt der trotsche Schuilenen. Hoe gaarne
hadden wij de gevaarten van graniet in hun eindelooze
afwisseling van vormen en gestalten bespied, hoe gaarne
den zilveren stroom in al zijn heerlijkheid zien neertui-
melen in de diepte, hoe gaarne het stroomnat, dat de
Duivelsbrug altoos bevochtigt en in een nevel hult, als
stofwolken zien opstijgen uit den kolk; docli het maan-
licht was niet krachtig genoeg om de rotsen te verlichten,
gelijk wij dat gewenscht hadden, en drong niet door tot
den overwelfden stroom en zyn schoonen waterval.
„Hoe jammer," zei ik voor de tiende maal, „dat wij
niet te Andermatt zijn gebleven."
En Harry antwoordde met den Trompetcr von Süchingen:
„Es war zu schön gewesen." Wat kon ik beter doen dan
aanvullen : „Es bat nicht sollen sein."
Daar lag Göschenen diep beneden ons. De talrijke
lichtjes flikkerden ons tegen als sterren bij helderen win-
ternacht, \'t Zou nog lang duren voor wij er aankwamen,
dachten wij, maar de paarden schenen vleugelen te hebben
en de eerste huizen des dorps draafden zij weinige minuten
later voorbij. Op het plein vóór het station van de St.
Gothardbaan hield de postwagen stil; het was bijna negen
uur in den avond.
Dertig paarden hebben er gestaan voor den wagen, die
ons in veertien uren van Meiringen naar Göschenen voerde
Wel hebben \\vy geleden van het stof, dat onze kleederen
in meelzakken herschiep, wel vonden wij eens het stijgen
eentonig, omdat het uren duurde, in. ar als ge mg vraagt,
-ocr page 115-
- 10!)
of ik dit ritje nog eens wil maken, dan antwoord ik
zonder aarzelen: ,Gaarne." Doch indien ik meer tyd
heb, zal ik beter profiteeren. Ik zal doen gelijk velen.
Den Grimsel wandel ik geheel en den Furka bijna geheel,
dan zal ik nog meer genieten, dan ik heden genoten heb.
„Die zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht,"
zegt het spreekwoord. Welnu! gebruik ons dan als het
voorwerp, waaraan gy u spiegelen kunt; en bega nooit
de onvergeeflijke dwaasheid het avonduur te kiezen voor
den tocht van Andermatt naar Göschenen, zelfs niet by\'
maanlicht.
VIT. Göschenen en de Sï.-Gotha.hdba\\n.
Wij hebben den postwagen met den omnibus van het
hotel „Rüssli" verwisseld. Wat akelige dingen, die om-
nibussen. Een dag in den postwagen is mij niet te lang
geweest; één uur in dit rammelende en rinkelende voer-
tuig zou mij twee uren te lang zijn. Gelukkig staan w\\j
binnen weinige minuten voor het hotel.
Hier schijnt een oude tante don huiselijkon schepter te
voeren over allo kellners en kamermeisjes, zelfs over
mevrouw en haar dochter. Zy is het die ons de kamers
aanwijst en ons de noodige inlichtingen verschaft.
Ons eerste werk bestaat natuurlijk in het hanteeren
van borstel en handdoek, die wij te hulp roepen om onze
kleederen zwart, en ons aangezicht en handen blank te
maken. Ilarry en ik slagen in beide zaken zonder moeite.
Jan is minder gelukkig, want met wat zorg hij zoekt en
nog eens zoekt, het sleuteltje van zijn handkotfer is in
geen zijner zakken te vinden. Wat, aangevangen-\' Geen
zwarigheid voor den tijd. Borstels zijn or nog twee en
een smid zal Göschenen wel rijk zijn.
Wy bleven kalm bij dat zaakje en gingen naar de eet-
zaal : om den smid was reeds gezonden. Het avondmaal
smaakte uitstekend en het sleutelincident was reeds ver-
geten, toen men ons kwam boodschappen, dat de smid
naar Andermatt was, en wie weet hoe laat? zou thuis komen.
„Is hy dan de eenige smid in Göschenen?" vroeg ik.
„Ja de eenige," werd mij geantwoord.
„\'t Is wat moois," bsgon Jan, en ik trachtte hem te
overtuigen, dat ik het zonder smid wel klaar zou spelen.
„Stuk slaan kan ik het ook wel," zei hij en werd kor-
zelig, niet op mij, maar op den verloren sleutel en den
smid die zoo laat thuis kwam.
„Ik zal niets stukslaan, één pinnetje uit het slot en uw
koiforlje ligt open."
-ocr page 116-
- 110 -
„Mooie praat!" bromde liy, doch op my\'n herhaalde
verzekering van geen stukken te maken, gaf hy my verlof
my\'n kunst te beproeven.
„Dan maar aanstonds aan den slag," zei ik en ging
Jan vóór naar het bureau, waar het handkoffer gebracht
was. Madame hield daar schrijvend de wacht. Wy vroe-
gen haar sleutels en op haar bevel stormde er een drietal
bedienden plus de oude tante de gangen van het hotel
door om te zoeken, wat wy verlangden. Drie sleutelbossen
lagen weldra op de schrijftafel, maar, zooals dat gewoon-
lijk gaat, niet één sleuteltje van geheel die collectie paste.
Daarom vroeg ik een hamer, een nijptang en een stevigen
klinknagel. \'t Had wat in vóór die gereedschappen by\'
elkander gezocht waren. Ellendige instrumenten ! Een
hamer zoo rond als een beugelbal! een nijptang, die pakt
als het gebit van jonge kalveren! en spijkers, groot en
plomp genoeg om een volwassen den aan de rotsen vast
te klinken, of te klein voor het toenagelen van een siga-
renkistje. Na lang zoeken kwam er uit het houten bakje
een nagel te voorschijn, die den verlangden dienst kon
bewyzen.
Zooals de meeste reiskoffertjes, was ook dat van Jan
van een klepslotje voorzien. Wij zouden beproeven het
yzeren pinnetje, waarom het klepje speelt, uit de schar-
nieren te dry ven: dan lag het valies open.
Alle beginselen zyn moeilijk! \'t Wilde niet vlotten,
want het pinnetje was omgeklonken en een vyl was niet
te krijgen. Opeens daar schuift het. Een scharnier is
vry. Nog één en ons inbrekerswerk is verricht Of de
baard der sluitpen of wel onze onhandigheid de oorzaak was,
dat wy niet verder kwamen, durf ik niet beslissen; zeker
is het, dat wy na een kwartier nog geen millimeter ge-
vorderd waren.
Madame bracht in overmaat van gedienstigheid nu dit,
dan dat aan; had nu weer dit, dan dat voorstel. My ver-
veelde dat gezeur gruwelijk en Jan bracht het in zoo\'n
slecht humeur, dat ik een lachbui kreeg en een standje
van Jan bovendien. Hij kon het niet belachelijk vinden,
zei hy, en ik kon het niet helpen, dat ik lachen moest
om zyn booze gril.
Eindelijk, daar pakt de nyptang, het pinnetje laat los,
het koffertje is open en de eigenaar lacht weer.
«Kom Epi," zei hy, „laat ons nu de flesch gaan ledigen:
wij hebben het goed verdiend." Daar kon ik niet op
tegen hebben en volgde hem in de eetzaal, waar wy onze
flesch nog meer dan halfvol dachten weer te vinden.
„Wel parbleu!" riep hy en was weer zoo slecht ge-
-ocr page 117-
- 111 -
mulst als ooit, „daar hebben ze me waratjes den heelen
boel opgeruimd. Waarom heeft hy\' er niet op gepast?
Waar is liy?" Door hjj werd natuurlijk Harry bedoeld.
„Boven denk ik," was myn antwoord. Doch Harry was
niet te vinden, noch boven, noch beneden: hy wandelde
door de straten.
„Ik moet hem vinden!" knorde Jan.
„Zoek hem dan. Ik wensch u goed succes en een goe-
den nacht.
Met deze woorden ging ik naar boven: en sliep lekker
dien nacht; o, zoo lekker! en droomde van (irimsel en
Furka, van de dertig paarden, die wy dien dag hadden
moegereden en doorleefde den gansehen das? nog eens in
mün slaap. Door het zonnetje gewekt, stond ik vroolyk
op. Jan kwam eenige oogenblikken na mij beneden en
ook h\\j was in prettige stemming, want hjj had rustig
gerust en zün koffertje was reeds by den slotenmaker,
die nu thuis was.
Nog ruim een uur vóór het vertrek van den trein. jWjj
laten niet gaarne tyd verloren gaan en besluiten, zooals
ieder in onze plaats doen zou, tot een wandeling. De
St.-Gothardtunnel passeeren wij niet, maar wij willen hem
toch zien. Gij stelt u heel iets voor van dit reuzenwerk:
14912 meter door het hart der bergen! een werk, waaraan
vijfduizend paar handen zeven jaren gearbeid hebben en
het bagatelletje van zeven en vijftig millioen franks be-
steed is! En wat ziet gij? De pijp, door een mol ge-
maakt in het kunstmatig heuveltje, waarop uw prieeltje
staat, schijnt u grooter dan de tunnel van den St. Gotthard,
al is zü meer dan acht meter breed. Doch indien gy
weet, dat de sneltrein meer dan driehonderd meter onder
Andermatt en meer dan duizend meter onder de kleine
Sellasee heenstoomt, zult gij by\' den aanblik dier kleine
opening de vindingrijkheid bewonderen van \'s menschen
geest, al is zijn werk slechts kinderspel by de ber-
gen, het maaksel van \'s Heeren hand.
Wilt gij natuurschoon zien, beschouw dan de bergen,
die Göschenen omgeven van alle zijden; sla dan uw Hik
op de gletschers daarboven, schitterend in den glans der
morgenzon; ga dan, als wy, den weg naar Andermatt op,
tenminste zoover de tyd het toelaat, en gy vindt wat
gy zoekt.
Te vroeg moesten wy den terugweg aannemen, om ons
tydig aan het station te bevinden. Daar kon ik het niet
nalaten in de restauratiezaal, zoo te recht beroemd by
alle Hollanders, die een bedevaart naar Kome maakten,
-ocr page 118-
112
mijn reisgezellen het tafeltje te wijzen, waar toen drie
jaren geleden vier ons welbekenden dineerden met een
eetlust, die hun Franschen buurman in stomme verbazing
bracht.
De omtrek dreunt als het reusachtige stoompaard, de
tunnel verlatend, langzaam zijn vaart vermindert en stil-
staat om ons op te nemen.
Ik had mijn tochtgenooten zooveel beloofd van Wasen;
en daar worden wij in een coupé gestopt, bijna zoo vol
als een vijgenmandje. Dat maakte mij verdrietig, want
ik wist bij ondervinding, dat, willen wij hie- waarlijk ge-
nieten, het noodzakelijk is, van de eene zijde des waggons
naar de andere over te loopen. Dit zou niet gaan, daar
alle zitplaatsen waren ingenomen.
liet netwerk lag reeds meer dan vol met alle noodige
en onnoodige reisbenoodigdheden, daarom verzocht iemand
van ons gezelschap een bedaagd heer zijn koffertje, ter
plaatse, waar hij gezeten was, onder de zitbank te mogen
bergen, \'t Werd hem onder knorren en brommen toe-
gestaan; en dit ofschoon meer dan één reden het vermoe-
den wettigde, dat het groote handkotfer onder de zitplaats,
welke tegenover hem voor onzen compagnon nog was vrij
gebleven, aan dien knorhaan zelven toebehoorde. Meende
dit heerschap, dat zijn kamerbediende vijf minuten te laat
het ontbijt binnenbracht ? Ik meen zeker te weten, dat
het gebrom van dien doghond niet onbeantwoord zou ge-
bleven zijn, hadden alle reizigers niet zoo luidruchtig ge-
lachen, als wilden zij den eigenaar van het valiesje zeggen:
„Ziezoo nu krijg jjj den wind eens van voren; wij hebben
onze beurt reeds gehad." Hij begreep zulks en ging be-
daard zitten tegenover den bullebak.
Nauwelijks waren wy gezeten, of de conducteur, wien
wy om een goed plaatsje verzocht hadden, kwam ons de
blijde boodschap brengen, dat er nieuwe wagens werden
aangehaakt. Niets was ons meer welkom. Doch het
koffertje moest weggehaald worden van onder de pooten
van dien geduchten waakhond. Beleefd werd hem de
daartoe strekkende vraag gesteld.... nieuw en luid gegrom.
Bedaard, maar met klem op ieder woord, werd de vraag
herhaald. Dat hielp. Zijn beenen weken zoover uit, dat
het koffertje juist tusschen den poot der bank en de
kuiten van den knorrepot kon genomen worden. Doch hij
zoo min als onze vriend had rekening gehouden met den
scherpgepunten gemzenhoren van den bergstok, die op
het koffertje bevestigd was. Die horen pakte bij het
haastig te voorschijn halen broek en been van het „Kruidje-
roer-mij-niet" en het scheelde slechts weinig of hij werd
-ocr page 119-
- 113 -
van de bank getrokken. Hij liet de tanden zien als een
getergde bloedhond. Doch dat sloeg den eigenaar van
den stok niet uit het veld Eenigszins geraakt beet hü
hem toe: „Mijnheer, met een weinig meer beleefdheid van
uw kant, zou het ongeval niet gebeurd zün." De omzit-
tenden keurden lachend het antwoord goed, de bullebak
daarentegen bromde nog sterker bü hun gelach, overtuigd,
naar het scheen, dat de heldhaftige moed, waarmede hü
een jongere was te lyf getrokken, instemming vond bü de
aanwezigen.
Tot bezinning gekomen, zal hü de overtuiging hebben
opgedaan, dat Hollanders beleefd zün op reis, maar zich
niet als loopjongen van den eersten den besten mynheer
laten gebruiken.
De plaats, ons aangeboden, deed ons reeds spoedig de
onaangename ontmoeting vergeten. Wij hadden de gebeele
ruimte, voor 32 personen bestemd, slechts te deelen met
ééne dame en haar vijfjarig dochtertje. Als kippen in een
ruimen ren, mochten wü rondloopen door den wagen. Dat
was juist, wat ik verlangde.
„Ziezoo! jongens," zei ik, „dat kon niet beter. Nu op-
gepast: wü zün er aanstonds. De trein zet zich reeds in
beweging en slechts de tunnel, die wü binnenstoomen,
scheidt ons van de vallei van Wasen."
Ziet ge dat witte kerkje, zoo schilderachtig gelegen op
het heuveltje in het midden der groene vlakte ? Dat is
het kerkje van Wasen en de groep lieve huizen aan zün
voet het dorp: beide liggen nog ver beneden ons. Kom
ter rechterz\'yde en geniet de schoonheid van het lachende
dal door hooge rotsen tegen de stormen beveiligd, \'t
Gaat een tunnel in, doch slechts even, want de trein moet
over de bergkloof, waarin de Meien Éeuss bruist, henen-
springen om den eerste der groote keertunnels te be-
reiken. Spoeden wü ons voor de raampjes links, want
wü beschrüven een halven cirkel in da ingewanden der
rots van Leggistein, en wanneer wü wederom uit die in-
gewanden worden uitgeworpen, hebben wü aan onze rech-
terzijde de steile berghelling en Wasen met zün schilder-
achtig tempeltje is naar links verschoven. Een tweede
maal de Meien Reuss over en wü zün tot het dorp afge-
daald, waar wü bü het station even stil houden. Het
kerkje blikt reeds van den heuveltop op ons neer. —
Keeren wü naar Güscbenen terug? Zeker niet. De baan
kromt zich reeds, steekt de Reuss over en verdwünt we-
derom in \'t hart eener rots, en wanneer wü de tunnel
van Wattingen uitkomend, de Reuss andermaal oversteken,
-ocr page 120-
- 114 -
zien wy Wasen eerst een oogenblik rechts, en aanstonds
weder links vóór ons liggen, doch nu niet meer beneden
ons of met ons geluk, maar hoog boven ons hoofd. En
honderd meter hooger dan de huizen van het dorp stoomt
de trein, die tegelyk met ons, maar in andere richting het
station van Wasen verliet, op naar het hoogdal van
Göschenen. Eeeds tweemaal voerde ons een brug over
de Meien Reuss, en nog eens zijn wy\' genoodzaakt over
denzellden bergstroom, waar hy door zyn ouderen broeder
wordt opgenomen, van de eene tunnel in de andere
over te springen. Wasen verdwynt; het kerkje alleen is
nog zichtbaar, doch ook dit zal spoedig aan ons oog
onttrokken worden. Als de baan by het dalen haar
laatsten cirkel beschreven heeft in de granietlagen van
Pfaffensprung en op den oever der Reuss wederom de
tunnel verlaat, is het witte kerkje nog even zichtbaar
boven de rotskloof, die aan den bergstroom een doortocht
verleent
Tweemaal reeds heb ik om het lieve dorp en \'t schil-
derachtige heiligdom de kronkelingen gevolgd van de
spoorbaan; een derde reis zou ik Wasen nog beter zien
en van zijn schoonheden nog meer en nog beter genieten.
Ons drietal was van bewondering opgetogen. Al had
het Reussdal geen ander natuurschoon dan dit geboden,
dan nog zouden wy het betreurd hebben, dit gedeelte van
de St.-Gothardbaan niet in ons reisplan te hebben opge-
nomen.
Het geheele Reussdall is rijk aan wat Zwitserland
Zwitserland maakt. Een groene vruchtbare vlakte met
dorpjes bezaaid, ingesloten door rotsen, wier voet de
donkere pynen draagt en wier aschgrauwe kammen zich
verheffen tot in het ryk der wolken; een schuimende berg-
stroom, die zyn bruisende wateren woedend voortjaagt
langs rotsblokken en boomstammen, of als vloeibaar zilver
van een hoogte schiet; daarby het reuzenwerk van\'s men-
schen hand, die het graniet doorboorde en bruggen sloeg
torenhoog over den geweldigen vloed. Ziedaar wat dit
dal tot een der heerlykste van Zwitserland maakt, vooral
als de Sage de oude torens en vervallen burchten voor
uw geest bevolkt met de heldengestalten uit het roemryke
tydperk der Urkantoneu.
\'t Gaat u te vlug langs Amsteg, waar Gessler woonde
in dien ouden toren; langs Attinghausen, waar vryheer
Werner van dien naam stierf in de adellyke burcht van
zyn roemruchtig geslacht; langs Altilorf, dat getuige ge-
weest moet zyn van Gesslers wreed bevel en Tells ge-
lukkig schot.
-ocr page 121-
- 115 -
„Nu reeds te Fltielen?" vraagt g\\j den conducteur, die
„aussteigen" roept langs den trein, \'t Is Flüelen en hier
gaan wy het spoor met de boot verwisselen: zy ligt reeds
onder stoom ter plaatse waar de tweelingslijn de boorden
der Urnersee betreedt.
VIII. Het Viekwaldstüttermeer en zijn omgeving.
Op het Meer.
Le lac des Waldstetten esfe une étoile tombce au mil-
lieu des montagnes, entre lestiuelles il etend ses branches
étincelantes, comme pour procurer a cette noble nature
le plaisir de se mirer et de voir elle même sa splendeur,
roept Veuillot in bewondering uit. In waarheid het sma-
ragdgroene water der Urnersee is een vlekkelooze spiegel
waarin de gouden zon en de grauwe rotsen, die loodrecht
opstygen uit de wateren, zich weerkaatsen, en zichzelf
bewonderen.
Overweldigend is de aanblik van het kalme meer van
alle zyden ingesloten door steile en ruwe rotsen. En
wanneer de boot van wal steekt en b\'y den blik op \'t
meer, zich het onvergelijkelijk schoone panorama van het
Keussdall voegt, omgeven door Urirotstock en Brunnistock
met hun schitterenden gletscher, door Bristenstock en de
beide Windgiillen, waant gy u in het Paradijs verplaatst.
Hoe gaarne zouden wjj dit schouwspel langer genoten
hebben, dan zulks op de boot geschieden kon. Wat heer-
lijke uurtjes moet de wandelaar smaken, die, minder gejaagd
dan wij, de „Axenstrasse" volgend van Flüelen naar
Brunnen zyn schreden richt.
Waarom dezen weg niet gedeeltelijk bewandeld? Dat
gaat niet. Wie een half uurtje deze baan heeft gevolgd,
wordt met onweerstaanbare kracht gedwongen tot Brunnen
door te gaan. En dat gedoogt de tijd niet; jammer genoeg.
Wy hebben de boot genomen en komen reeds een kwar-
tier na de afvaart aan de Tellskapel tusschen het welig
geboomte, dat den Axenberg bekleedt, met den voet in
de azure golven gebouwd. Fraai op zichzelve is het
kapelletje niet; maar toch, ik zou geen ander tempeltje
willen op de plaats, waar Teil, gedurende den storm uit
de boot des landvoogds springend, aan do wraakzucht
van den tyran ontkwam; want schilderachtiger gebouwtje
kon in deze omgeving niet worden uitgedacht. Het rood
pannen dak, het slanke torentje, de twee ronde bogen,
door traliën afgesloten, die de voorzijde uitmaken der
kapel en een vrijen blik gunnen op het klein altaar; dat
alles heeft in zyn eenvoud iets aangrypends en verhevens,
-ocr page 122-
- 116 -
dat zelfs de zinrijkste Gothiek op deze plaats niet zou
weergeven
Ik zal nijj wel wachten uit te maken of er ooit een
Teil geleefd heeft; maar toch zou ik mü volgaarne aan-
sluiten b\'ü de talrijke scharen, die op Vrydag na\'s Heeren
Hemelvaart, in versierde bootjes zich hierheen begeven
om den zegen des hemels af te smeeken over de Urkan-
tonen en geheel het Vaderland. Hoe indrukwekkend moet
het z\\jn, als de priester het H. Misoffer opdraagt aan het
kleine altaar in de open kapel; als in het zacht geruisch
der spelende golfjes zich de tonen mengen der zilveren
schel, die de komst des Zaligmakers verkondigt; en de
vrome bevolking, neergeknield op den steenen vloer of in
de booten, bidt en zingt, met de innige godsvrucht aan
de bergbewoners eigen.
Ik zal niet trachten een schetsje te maken van Bauen
of Sisikou, van Seelisberg of Morschach, die met elkander
wedijveren in aantrekkelijke schoonheid. De natuur heeft
om de Urnersee haar schatten samengebracht en ook de
mensen heeft zijn best gedaan om de plaatsjes, welke hij
bouwde, waar de bergen zulks gedoogen, in overeenstem-
ming te brengen met de betooverende pracht, waarin zij
gelegen zün.
Het oog kan zich aan deze natuur niet verzadigen.
Men wendt zich rechts, men wendt zich links, richt den
kijker op het Eeussdal achter zich, op de beide Myten
vóór zich. Geen dorp, geen landhuis zelfs of het trekt
de aandacht en wekt de bewondering. Niets van al die
bekoorlijkheid mag aan het oog ontsnappen. Vandaar die
bedrijvigheid, dat rusteloos heen- en weerloopen van allen
die met ons den zuidelijken arm van het Vierwaldsatter-
meer bevaren.
Van allen, zeg ik? Dat dacht ik, ja; maar in werke-
lijkheid is het anders. Zie die twee Engelschen aan hun
maaltijd. Voor de natuur hebben zij oog noch gevoel,
maar des te meer attentie bewijzen /ij aan de spijzen,
welke men hun heeft voorgezet. Of zij les geven in de
anatomie, ontleden zij elk stukje vleesch; of zij eieren
van larven, bijna onzichtbaar voor het ongewapend oog,
zoeken in de bladcellen van kers en sla, wordt elk blaadje
dezer groenten uitgeplozen en onderzocht.
Een drietal paartjes jonggehuwden hebben het te druk
met elkander om zich met natuurschoon te kunnen inlaten:
de poëzie van een Zwitsersch landschap schijnt het niet
te kunnen halen bij de wittebroodsdagen. Ik heb niets
tegen buwelijksreisjes maar heelveel tegen de flauwe
-ocr page 123-
— 117 -
aardigheden, waardoor pasgehuwden op hun tocht aan
geheel het reizend publiek meenen te moeten toonen, wat
hechte banden hun sinds weinige dagen aan elkander
verbinden, \'t Schijnt zóo de mode, doch ik vind deze
walgingwekkend en ongepast.
\'t Is reeds te veel, dat ik uw aandacht gevraagd heb
voor personen, die Gods heerlijke natuur stellen beneden
een stuk vleesch of een misplaatst bewijs van vriendschap.
Sla liever uw blik op de twee rotsblokken, die aan den
voet van den Seelisberg zoo bevallig opstijgen uit het
midden der wateren. Mythenstein heet de eerste, Schil-
lerstein werd de andere genoemd, \'t Was een gelukkige
gedachte van de bewoners der Urkantonen een dezer
steenklompen te wijden aan den onsterfelijken zanger van
hun onsterfelijken Teil. Weinig monumenten zjjn in hun
eenvoud zoo welsprekend als dit ruw graniet.
Brunnen in \'t gezicht! Laat hier geen seconde ver-
loren gaan, want b\\j deze plaats hebben wij het schoone
meer het schoonst gevonden. Vóór ons het schilderach-
tige dorp in eengroenen lusttuin,besproeid door de vrucht-
bare wateren der Muota, en beschermd tegen de gure
winden door de beide Mythen, die schutsengelen gelijk,
de vleugelen uitbreiden over Brunnen en zyn kleine vlakte.
Rechts de Urnersee, die wij gaan verlaten, met al de
betooverende pracht, welke de natuur in rotsen en bergen
scheppen kan. Links het Vierwaldstattermeer in rotsen
gevat als een parel in \'t fijnste goudsneewerk der mid-
deleeuwen.
Het meer is niet breed, doch juist in zijn geringe
breedte, in zijn menigvuldige bochten en krommingen,
waardoor het zich van andere onderscheidt, ligt zijn
groote aantrekkelijkheid. In elke bocht vertoonen zich
meer en bergen in andere gedaanten, bij elke kromming
rijst een geheel nieuw en even heerlijk landschap op uit
de wateren.
Geniet naar hartelust — zoo ergens dan kunt gij het
hier — maar geniet spoedig want weldra onttrekt de
kam van Seelesberg de Urnersee geheel aan uw oog.
Maar ook dan nog zijn het schilderachtige dorpen en
dorpjes, overal waar de rotsen niet loodrecht oprijzen uit
het meer. Gesau, Beckenried en Buochs met hun kleine
bevallige huisjes, met hun groote en statige hotels, in
bloemtuinen gebouwd, die den vreemdeling aanlokken tot
een langdurig verblijf. Ik kan my goed verklaren, hoe
een geldman, die zijn schaapjes op het droge heeft, voor
weken en weken kan neerstrijken op deze boorden en
-ocr page 124-
— 118 —
rondfladderen van dorp tot dorp, als de vlinder van roos
tot roos, want een vluchtige blik heeft ons niet bevre-
digd: „Hier zou ik dagen willen doorbrengen," roepen wy
elkander toe en die kreet komt uit het hart.
Wü maakten ons boos op de Engelschen, die nog steeds
dooraten zonder een enkelen blik te werpen verder dan
het tafeltje en den kellner, die de spijzen aandroeg. Zij
gingen op reis, omdat reizen een modeartikel is evengoed
als hun onnatuurlijk hoogo boorden en onnatuurlijk kleine
hoeden; zü schijnen bevredigd, wanneer z\'y by hun tehuis-
komst aan de vrienden in de club zeggen kunnen: „daar
en daar en daar ben ik geweest." Hun meest aethe-
tische beschouwing bepaal zich tot de beoordeeling
van hotels en restaurants, tot kritiek over concerten en
opera\'s in de centra van het vreemdelingenverkeer ge-
geven, om de duizenden een welkome afleiding te bezorgen.
Als wy te Vitznau aankomen kan men op hun aange-
zichten lezen: „Gelukkig reeds zoover!" Wy daarentegen
vragen elkander: „Is dit Vitznau reeds? Ja, \'t is het
lieve dorpje aan den voet van de Kigigroep. Hier zullen
wy de boot verlaten op het voorbeeld van de meeste
onzer tochtgenooten. Doch al bestijgen zü allen den Rigi
langs de Zahnradbahn, wy\' houden ons aan het vastge-
stelde plan en bezoeken dezen namiddag den Pilatus. Rigi
blijft bewaard voor morgei, indien het weder gunstig is.
Een andere boot zal ons hier na een half uurtje komen
opnemen om ons naar Stanz-Stad te voeren. Dien wachttijd
zullen wy doorbrengen, wandelend langs de met kastanjes
beplante kade of zittend in het lommer dezer dichte boomen.
Zoo een half uurtje wachtens op de boorden van dit be-
koorlijke meer u lang valt — wat ik nooit.gelooven kan —
zal de lieve jeugd u den tijd verkorten. De landskinderen
arm, maar zindeüjker dan gij verwacht had, gekleed, komen
u edelweis en alpenrozen te koop aanbieden op een wijze
zóo bevallig en zoo lief, dat gü het niet van u verkrijgen
kunt, ze heen te zenden zonder een tuiltje van hen ge-
kocht te hebben. Gij hebt het donzig zilveren bloempje
reeds op den hoed; doch wat maken u weinige centimes;
gij maakt die kleinen gelukkig en later wellicht een vriend
in het Vaderland, die verzot is op een sterretje der
sneeuwvelden.
Kinderen uit den vreemde spelen onder toezicht van
kindermeid of gouvernante langs den oever. Een dier
kleinen werpt by toeval een stukje brood in het water
en de kleine visschen komen by honderdtallen aanschieten
op het lekker aas. Dat wekt de pret der jeugd. Vyf,
zes stukken wittebrood dry ven er in een ommezien op het
-ocr page 125-
- 119 -
water. Alsof er „verzamelen" geblazen wordt in een
legerkamp, zoo komen de kleine visschen in dichte drom-
men opdagen, aangevoerd door eenige grootere, hun
officieren. Een zestal van het grootste soort, de generale
stat, die de bestorming leidt, bluft op den achtergrond.
Is het kinderachtig, dat ook w\\j ons in dien stormloop
verlustigen, geluk de kleinen? Dat beurtelings aanvallen
en beurtelings vluchten van \'t kleine goedje, het geduld,
waarmede de grootere diep in het water het zinken der
doorweekte korsten afwachtten, om op hun beurt op deze
aan te vallen, was zóo aardig, dat gij er evenzeer ver-
maak in scheppen zoudt, als wy en de jeugd. En zelfs
al ontmoet ik in u een man van zaken, die dit beuzel-
achtig vindt, dan nog vestig er uw aandacht op; want
hier eerst bemerkt gy ten volle, hoe doorschynend het
smaragdgroene water van Zwitserlands meren is. \'t Is
of zü geen geheimen hebben voor den mensch en geheel
de reinheid van hun hart willen blootleggen voor zijn oog.
Men zegt dat de reclamewereld zich deze eigenschap
ten nutte wil maken, om er de duizenden vreemdelingen,
die jaarlijks het meer van Lucern bevaren, aan te herin-
neren, dat Meunier de meeste Chocolade en Blooker de
beste Cacao produceert, dat Ileidsich de fijnste Champagne
is en Kaapsche wn\'nen in den smaak vallen van lekker-
bekken. Men zal groote, witte borden met roode of
zwarte letters aanbrengen op den bodem, waar het meer
ondiep is, of vastankeren waar het een grootere diepte
heeft.
De Ster van Zwitserland wordt een reclamebord, dat
weldra beplakt zal zyn met onooglijke aankondigingen en
marktberichten van alle deelen der wereld \'t Ware te
wenschen. dat, zoo de Vier Kantons deze ontheiliging ge-
doogen, de visschen alle kabels doorbyten en alle affiches
konden begraven onder het zand, dat den bodem bedekt;
want men zal verder gaan en, reclame zoekend in de
reclame zelf, concurrentie voeren tot in de wijze van
reclameeren toe. Men zal ten laatste de rotsen koopen,
die oprüzen uit het meer. men zal ze polijsten en er op
schilderen in duidelijk schrift, dat coupeuse die en die de
fijnste damesmantels maakt, en Mr. tailleur zus en zoo de
wijdste en elegantste broeken. Waar is dan nog plaats
voor natuurschoon ?
Doch geen jeremiaden voor den tyd. Laat ons ver-
trouwen dat de Zwitser de heerlijke natuur van zyn land
niet zal verkoopen voor een handvol banknoten.
Daar komt de boot welke ons naar Stans-Stad zal
-ocr page 126-
— 120 -
voeren, jaagt de visschjes uit elkander, neemt ons in en
steekt wederom van wal.
Het meer wordt breeder, het gezicht verruimt zich,
maar is minder schoon. De Pilatus in zün fantastische
vormen is in nevelen gehuld, van Lucarn geen spoor te
ontdekken, de Kustnachter See schijnt oeverloos. De
ondoorschijnende lucht speelt ons booze pa Hen. Alleen
de beide „Nasen", die hun kale en steile rotswanden ver
vooruitschuiven in het meer, zün nog een oogenblik zicht-
baar in hun sombere pracht, doch verliezen zich weldra
achter de woudrüke hellingen van Bürgerstock.
\'t Was de tweede maal wachten te Stans-Stad, maar
ook voor de tweede maal verkozen wü den wachttijd op
de oevers van het meer door te brengen, om ons te ver-
lustigen in het gezicht van de rijke natuur en de koelte,
die het water strandwaarts zond, op te vangen.
Daar verlaten twee booten gelijktijdig de aanlegplaats:
de eene voor Lucern, de andere voor Vitznau. Statig als
zwanen, en vlug als meeuwen drijven de gele vaartuigen
een tijdlang naast elkander voort, als gingen zij een wed-
strijd aan, wie hunner het meeste schuim zou opwerpen
van onder de steenroode raderen De witte stoomvlokken
worden goud in de stralen der middagzon en de zwarte
damp der steenkolen teekent donkere schaduwen op het
heldere watervlak. Nog staren wüt ze na, wanneer zij
ter rechter en ter linkerzijde uitwijken, totdat de een
verdwijnt achter den rug van Bürgerstok, de andere achter
de rots van Spisseneg. Had ik een handcamera te mijner
beschikking, wie weet hoe dikwijls ik de peer der moment-
sluiting zou toegeknepen hebben.
Wat is het goed, dat men geen schroetbooten in de
vaart brengt op de Zwitsersche meren. Ik zou dat donzig
schuim, dat dartel spel der fel bewogen wateren, die
raderslagen niet gaarne vervangen zien door de onzicht-
bare schroef, die het water minder in beweging zet, en
het vaartuig niet zwemmen doet als in het zachte dons
van blanke zwanen.
Misschien zijt gij het met mij niet eens op dit punt.
Ik wil niet redekavelen; daarom de loopbrug over en een
plaatsje gezocht op de boot voor Alpnach-Stad, die juist
voor de landingsplaats ankert Neem het zoo nauw niet,
want het meer van Alpnach is klein, en wü hebben slechts
een kwartiertje door te brengen onder het uitgespannen
zeildoek van den voorsteven: niet lang genoeg om den
trotschen Pilatus aan onze rechterzüde en den statigen
Stanzerhorn, die aan onze linkerzüde den kegel boven
den Rotsberg verheft, voldoende aandacht te schenken.
-ocr page 127-
— 121 -
Op den Pilatus.
Wij schijnen veroordeeld om telkens te wachten, want
wedeiom hebben wy drie kwartier te Alpnach-Stad voor
de trein den berg beklimt. Zal ik u gedurende dien
wachttyd verhalen, hoe de naam van den rechter,
die Christus op onrechtvaardige wyze tot den kruisdood
verwees, aan deze berggroep gegeven werd ? Ik zal kort zijn.
„Mons Fractus". Gebroken Berg hebben de Latijnen
niet ten onrechte deze, als \'t ware van elkander gebroken
toppen genoemd. Die benaming heeft in „Frakmünd" een
bastaardvertolking gevonden, welke bij een gedeelte der
bevolking dezer streken nog niet in onbruik schijnt De
naam Pilatus is eerst in de laatste helft der vorige eeuw
algemeen geworden.
Er is ren klein somber meertje op den berg waarin het
stoffelijk overschot van den landvoogd Pilatus rust; daar-
over is de Sage het eens. Niet zoo over de wyze, waarop
de godsmoordenaar hier zijn laatste rustplaats gevonden
heeft.
Aan sommigen heeft zij verhaald, dat Pilatus, op ver-
zoek derzelfde Joden, om wier gunst te winnen hy de
Onschuld nagelde aan het kruis, uit zyn ambt ontzet, met
wroeging in het hart als een verstooteling rondzwierf
over de aarde en, op dezen berg gekomen, aan zijn ramp-
zalig bestaan een einde maakte door den dood te zoeken
in dit meer.
Anderen hebben dit meer dichterlijk verhaal uit haar
mond vernomen. Om rust te zoeken voor zijn gefolterd
geweten, sloeg Pilatus, in Rome teruggekeerd, de schen-
dende hand aan zichzelven. De gezochte rust vond zelfs
zijn lichaam niet, want de aarde weigerde het lijk des
onrechtvaardigen rechters te ontvangen in haar schoot:
het werd nedergeworpen in den Tiber als het kreng van
een hond, doch ook de Tiber weigerde het te bewaren in
zijn bedding. Vreeselijk woedden de golven en geen schip
was veilig meer in zijnstroomnat; slechts toen het lichaam
uit zy"n water was opgevischt, hernam de stroom zijn
vroegere kalmte. Een heuveltje bij Vienne in Gallië werd
het graf van Pilatus. Doch stormen, onweders en aard-
bevingen maakten den omtrek onveilig en onbewoonbaar
vele eeuwen lang. Men wiep het Ijjk in de Rliöne, maar
deze deed wat de Tiber gedaan had en men zag zich ge-
noodzaakt het overschot van den landvoogd een andere
rustplaats aan te wijzen. Naar Lausanne werd het ver-
voerd, maar ook Lausonium stiet het uit en Karel de
Groote deed het vervoeren naar dezen berg.
-ocr page 128-
— 122 -
Ook hier woedde Pilatus en bij hem voegde zich Herodes,
de koning, Caïphas, de Hoogepriester en Judas, de ver-
rader. De plaats was in de macht der hel, totdat een
vroom monnik, wien God macht gegeven had over de
booze geesten, deze bezwoer in den naam des Heeren.
Vreeslyk was de stry\'d ! de aarde beefde, de bergtop
scheurde vaneen; doch Pilatus en zyn aanhang werd
overwonnen en de godsmoordenaar stortte zich neder in
het kleine meer
Kalmte en rust keerden terug in deze streken, zoolang
het oord van schrik en weeën. — Doch, wee hem nog
thans, die het waagt aan de oevers van het meer de
schim van Pilatus te hoonen, of een steen te werpen in
het sombere water.
Ontegenzeglijk is de Pilatusbaan tot heden de stoutste
van Zwitserland. Fen dubbel stel kamraderen pakt aan
beide zijden den getanden stang, in het midden der spoor-
staven bevestigd, en voert met een gemiddelde stijging
van 23° de reizigers in anderhalf uur over ravijnen en
kloven, door tunnels en spleten meer dan tweeduizend
meter op tot aan den voet van den Ezel.
Wat de baan in stoutheid vóór heeft op haar Zwit-
sersche zusters, dat hebben velen dezer op haar voor in
schoonheid. Wel is ook zy niet onbevallig, waar zy
opstygt tusschen dichte wouden, of een blik gunt op het
meer van Alpnach; wel kan zij belangwekkend zijn voor
archeologen in de zoo duidelijk te onderscheiden steen-
lagen des bergs; maar in natuurschoon kan zy niet inde
schaduw staan der banen, die den toerist opvoeren naar
den Grand Salève of de Schynige Platte.
Ware zy met een dezer te vergelijken, dan zou het ge-
zelschap eener Lucernsche familie niet zoo aangenaam
geweest zyn, want waar te genieten valt, hebben wy
geen belang in de conversatie met vreemden en zoeken
ze zeker niet.
Ik stel u de familie voor. Mr. Falck-Crivelli, firmant
van het bankiershuis van dien naam en Britsch consulair-
agent te Lucern, gaat met echtgenoote en dochter den
nacht op den Pilatus doorbrengen. Mijnheer is een zes-
tiger, mevrouw slechts weinig jonger en mejuffrouw heeft
den leeftijd bereikt, waarop dochters stemmig worden of
het reeds zyn.
De eerste vraag, die wy elkander stelden zonder een
goede oplossing daarop te vinden, werd aanstonds door
mijnheer beantwoord. Hü scheen genegen met ons een
gesprek aan te knoopen, en dat sloegen wy niet af, of-
-ocr page 129-
- 123 -
schoon het onze gewoonte niet, is, ons met den eersten
vreemdeling den besten in te laten. Hier meenden wjj
een uitzondering te mogen maken. Hü wist, wat w\\j
waren en zocht onze conversatie: dat zegt al veel, maar
nog niet genoeg. Doch wy° hadden bemerkt met wat on-
derscheiding hjj behandeld werd op de boot, door den
stationchef, door den conducteur, die voor hem uitliep
om hem het schuifdeurtje van den wagon te openen, die
de pet afnam en boog toen hy insteeg, en het deurtje
dichtschoof zoodra hü had plaats genomen, \'t Was dus
een goed bekende en blykbaar een man, die aanzien en
achting genoot.
Het aangeknoopte gesprek deed ons spoedig bemerken,
dat wy in gezelschap waren van een zeer ontwikkeld man,
katholiek avan\' tout, die voor zy"ne meening en de goede
zaak ruiterlijk dorst uit te komen. Voor een vreemdeling
was hy uitstekend op de hoogte van de Hollandsche toe-
standen. Wat hy niet wist vroeg hy met belangstelling;
en waar hij, steunend op de geloofwaardigheid der niet-
Hollandsche dagbladpers, een weinig dwaalde, liet hy zich
gaarne terechtwijzen. Ook wy vroegen hem naar den toe-
stand der Katholieken in het vrije Helvetiö. Rooskleurig
is het er voor onze geloofsgenooten niet, al valt er in de
laatste jaren eenige verbetering waar te nemen. Doch
naar zyn meening dragen zy zelven daarvan eenigermate
de schuld.
„Wy zyn te flauw, mijnheer", getuigde hy. „Er zit geen
pit in ons zoo als in u, wij zyn niet georganiseerd, wy
hebben geen hoofden. Geef ons één Schaepman en gy zult
zien, wat wy kunnen. Na drie jaren kent gy Zwitserland
niet meer."
\'t Gesprek kwam als vanzelf weer op Holland en zijne
politieke toestanden. Wy stonden verwonderd over \'s mans
kennis en vroegen hem:
„U is zeker in Holland geweest."
„Nsen", antwoordde hy, „dat niet."
„U schijnt toch onze taal eenigszins machtig, immers
u heeft ons geantwoord op eene vraag, die wy elkander
in \'t Hollandsch stelden."
„O ja!" lachte hy, „ik heb eenige weken in Blanken-
berghe doorgebracht, en daar zooveel van uwe taal op-
gevangen, dat ik een preek over den „Achterklap" vrywel
kon volgen."
„Hollandsch en Vlaanisch is wel zuster en broertje,
maar \'t is niet hetzelfde. Zoo is byvoorboeld achterklap
Vlaamsch en kwaadspreken Hollandsch," merkten wy
hem op.
-ocr page 130-
— 124 —
Daarmede waren wy- van het politiek terrein op het
gebied der taal.
Hij vond kwaadspreken hard en achterklap veel zoet-
vloeiender: iets wat ik ook vind.
„U logeert zeker op Pilatus-Kulm?" vraagt mijnheer
eensklaps een andere wending aan het gesprek gevend.
„Pardon; wy denken nog hedenavond naar Lucern te
vertrokken."
„Doet dat niet, heeren Blyf vannacht boven, dan reizen
wij morgen samen, en ik zelf zal uw Cicerone zijn in
my\'n geboortestad."
Het voorstel lokte ons wel aan, maar ons plan stond
vast, op den vooravond van Maria\'s Geboorte moesten
wy Éinsiedeln bereiken. Wy bleven het allervriendelijkst
aanbod van Mr. Falck afslaan, al werd het tot tienmaal
toe herhaald.
„Dan gaan de Hollandsche stijf hoofden zeker hun intrek
nemen in \'t Unions-Hotel ?"
Juist, daar moesten wij zyn; een Hollandsch vriend,
die te Rome vertoeft, had het ons aanbevolen, doch de
naam was ons ontgaan en wij hadden reeds besloten het
fijnste hotel te nemen, dat ons couponboekje aangaf Wij
bekenden dit openlijk aan Mijnheer.
«Dan zal ik boven eens even voor u telephoneeren,"
zei hij, „ik ben daar geen vreemde. Laat dit kaartje
zien en men zal u goed ontvangen." Dit zeggende pous-
seerde hy ons zijn naamkaartje.
Toen wü wisten met wien wrj te doen hadden, speet
het ons wel, dat wy heden onmogelijk van ons plan
mochten afwijken.
Mevrouw en dochter waren ons voorgesteld. Wy had-
den haar zeer beleefd gegroet, welke groet door beiden
gracieus was beantwoord, doch in het gesprek heeft
mevrouw zich slechts tweemaal, mejuffrouw zich niet
eens gemengd.
Het stijgen was ons kort gevallen. Kort ook was de
tijd, dien wy op den Pilatus konden doorbrengen, want
na twee uren vertrok de laatste trein.
Slechts twee uurtjes voor een punt dat zoo geroemd
wordt ? Dat kan niet voldoende zyn, zegt gy. En toch
voor ons was het meer dan genoeg, want wy zagen daar
slechts zooveel als er gevorderd wordt om te bewijzen,
dat men er een overweldigend schoon panorama van de
Alpenwereld aanschouwt, wanneer de lucht doorschijnend
is. Deze noodzakelijke eigenschap voor een goed verge-
zicht miste zij geheel: \'t was een lucht nevelachtig, als
die er hangt boven het moerassige vaderland by brandende
-ocr page 131-
- 125 -
zomerhitte. Ternauwernood konden wü den breeden rug van
Blümlisalp, het statige hoofd der Jungfrau en de lans-
vormige spits van den Finsteraarhorn onderscheiden. De
heuvelen der kantons Lucern, Aargau en Solothurn waren
slechts als mistbanken aan den horizon zichtbaar. Van
\'t meer van Zug slechts een flauwen weerschnn. Alleen
Lucern en den meerboezem, waaraan de stad gelegen is,
zagen wij vrij duidelijk beneden ons; maar nietzooalswy
neerblikten op Genève van den top van den Grand Salève
of op de vlakte van Interlaken van de Schynige Platte.
Wat zouden wjj na deze teleurstelling nog op „Tomlis-
horn", den hoogsten top van den Pilatus, zoeken? Laat
ons op den „Ezel" blijven; het druk .geklap" van een
Gentsch kunstenaars-gezelschap, zal ons uitstekend ver-
maken. De goede Vlamingen geraken in verrukking bij
het schemerend vergezicht en luchten hun bewondering
in luide uitroepen. Hebben zn\' nog niets van Zwitserland
gezien, of wel klopt in hun boezem een warmer hart voor
de natuur, dan in ons? Indien het laatste waarheid is,
wenschte ik eens met hen op een helderen morgen het
plateau van Mürren te bezoeken om daar hun ontboeze-
ming te hooren.
Met een geïllustreerden reisgids in de hand wijzen zij
elkander berg- na bergtop aan en zweren, als gij \'t wilt,
dat Blümlisalp de Jungfrau en Gspaltenhorn de Mönch
is. Lach om hun talrijke vergissingen, maar stoor hen
niet, al kunt gij hun enthousiasme niet deelen Zie liever,
hoe die zwaarlijvige dame, beurtelings rood en bleek
van angst, zich waagt op de bovenste trede van \'t ruwe
trapje, en ondersteund en vastgehouden door haar tengeren
echtgenoot, door den grooten kijker de vreemdelingen be-
spiedt vóór de hotels op den Rigi gezeten.
\'t Wordt wat al te druk op het kleine plateau van den
Ezel. Er is bijna geen standplaats meer te veroveren.
Wij zullen afdalen naar het hotel: de leuning mocht eens
bezwijken bij het gedrang der opgetogen Vlamingen.
Mr. Falck zag ons afstijgen en kwam aanstonds op ons
aan met de boodschap, dat men ons wachtte in het
Unions Hotel.
Nogmaals bedankten wü mijnheer voor zijn betoonde
en aangeboden welwillendheid en stapten in den gereed-
staanden trein.
De avondschemering begon reeds te vallen. Gelukkig
gaat bet dalen heel wat spoediger dan het stijgen, want
het horten van den wagen by eiken slag der kamraderen
zou ons zeeziek doen worden. Daarbij schijnen de zit-
plaatsen op de middelbare stijging berekend, iets wat ons
-ocr page 132-
- 126 -
een lastige positie bezorgt, waar de glooiing het minst
merkbaar is. Doch wy kunnen nogal tegen een stootje
en komen heelhuids beneden.
Zyn wy\' dan altyd tot wachten gedoemd ? \'t Schijnt
zoo, want wederom is het een half uur. Wat waren wy\'
bly, dat de roode lichten van een stoomer zichtbaar wer-
den in de engte, die het meer van Alpnach met dat van
Lucern verbindt! want het is zoo vervelend wacht te
moeten houden by de bagage op den steiger, vooral als
het reeds duister wordt en weinig lantaarns de landings-
plaats verlichten. Wy waren dan ook de eersten die aan
boord sprongen, mogelyk omdat wy ons het meeste ver-
veeld hadden.
Van de weinige passagiers zyn wy de eenige, die boven
blyven. Er is geen licht op het dek maar by den zachten
gloed van \'t zilveren maantje vinden wy de spyzen, die
voor ons staan, zonder moeite.
Ons avondmaal vonden wy, wat men noemt, idyllisch,
al bestond het slechts uit brood en kaas. De sterren-
hemel ontvouwde al zyn pracht, de waterspiegel speelde
met de stralen der zachte maan, somber stak Pilatus en
Stanzerhorn af tegen den verlichten hemel, de kunstlichtjes
van Stanz-Stad dansten ons vroolijk voorby, en de reflector
op den top des Stanzerhorns zond, hoog over onze hoofden
heen, zyn lichtbundel uit nu eens naar Lucern, dan weer
naar den Rigi of den Pilatus, soms ook op het meer.
Rechts een menigte electrische lampjes tusschen het ge-
boomte op den Biirgerstock, of het groote hotel van dien
naam in vlammen opging; een zwenking links en wy\'
stoomen den meerboezem van Lucern binnen.
Als by tooverslag ligt de stad vóór ons, badend in den
gloed van duizenden en duizenden gloeilampen en boog-
spitsen. Onvergetelijk is die aanblik. Lucern schynt een
amph theater van licht. De golfjes van het zacht be-
wogen meer weerkaatsen eiken lichtstraal honderd maal,
het water schynt een vuurzee. De muziek mag niet ont-
breken. Voortgedragen door een zachte bries zweven de
tonen van het orkest, dat speelt in de tuinen van Kur-
zaal en „Schweizerhot" over het stille meer, en treffen
reeds in de verte ons oor.
Van het meer uit gezien is Lucern heerlyk schoon by\'
dag, op een avond als deze is het betooverend.
Als om ons gelegenheid te geven naar hartelust van
dit schouwspel te genieten, stevent de boot naar de
rechter meerkade, zweett als een bevallige zwaan langs
do rijke hotels, beschryft langzaam een.halven cirkel vóór de
„Seebriïcke" en landt aan den linkeroever nabyhet station.
-ocr page 133-
- 127 -
Een dag te Lucern.
Welgemoed verlieten wij de boot, waarop w\'n een paar
onvergetelijke uurtjes hadden doorgebracht. Een omnibus
of huurrytuig was er niet te vinden: een pakjesdrager
wel. Dat was ons welkom boven het beste voertuig,
want na een zitdag als deze verlangen de beenen naar
beweging.
„Unions- Hotel!" —Tracht niet in Baedeker dit hotel te
zoeken; \'t wordt niet opgegeven in de lange lijst. — De
Katholieken hebban zich in een der breede zijstraten, die
uitloopen op „Quai National" een Tehuis gebouwd. Groote
zalen voor uitvoeringen en vergaderingen, benevens een
restaurant, waar de deftige van Lucern des avonds z\\jn
Schoppen komt drinken, en de militair een toevluchtsoord
vindt en goeden, goedkoopen drank. AVat niet bestemd
is voor deze doeleinden, werd tot vreemdelingen verblijf
ingericht. Ziedaar het „Unions Hotel". Zeer goed zijn de
kamers, zeer goed is de tafel, maar de levendige bedrij-
vigheid der groote hotels vindt men er niet. Is het u
niet te doen om te zien ot gezien te worden, neem dan
op ons voorbeeld uw intrek in dit hotel, dat Baedeker
niet, doch elke koetsier en pakjesdrager wel kent, en gij
zult tevreden zyn.
Onze dagtaak is nog niet ten einde want het plan de
campagne voor den volgenden dag moet nog opgemaakt.
Wh\' gaan dat doen in de restauratie van het hotel,
waar nog een achttal burgers kaarten en een zestal
vreemdelngen praten in het hoogere gedeelte der door een
balustrade in tweeën gesplitste zaal, terwijl zich een
twintigtal soldaten in het lagere vroolijk maken.
Ons eerste besluit is: niet den Rigi op als het morgen
is als heden.
„Wat doen wij dan bij zoo\'n ondraaglijke hitte in de stad?"
vroeg Jan en stelde daarom voor een treintje vroeger
naar Einsiedeln te stoomen.
»Mü goed," antwoordde Harry.
,Ik heb er niets op tegen," zei ik, en verzocht Harry
zijn reisgids eens voor den dag te halen.
„\'t Zal spoedig gevonden zijn," meende hg en begon
reeds te bladeren in het dikke boek. Hü zocht en zocht
tot het zweet hem op het voorhoofd parelde.
„Heb je \'t ?" vroeg ik Harry na eenige minuten.
«Och laat mü mot rust," bromde hij.
Jan en Epi achtten het raadzaam hem niet meer te
storen en spraken met elkander over koetjes en kalfjes,
tot onze zoekende reismakker verklaarde:
-ocr page 134-
— 128 -
„Ik kan er niet uit."
Ik meende hem van dienst te kunnen zijn en vroeg:
,Laat my eens zien!" doch werd op myn nummer gezet
met het harde maar ware woord: «Dan kun jij het
zeker niet." \'t Was raak, want in het opzoeken van
dergelyke zaken ben ik al zeer onhandig. Jan hielp my
uit den brand, en sprak, zinspelend op myn voorliefde
voor portiers:
«Zeg eens, Epi, als je je vriend den portier eens in
den arm naamt?"
Ik had geen tijd daarop te antwoorden, want met de
woorden: „Dat zal ik wel doen," was Harry reeds opge-
staan. Nu waren wy spoedig op de hoogte en konden
ons hoofd zonder zorg te rusten leggen, iets waarmede
wy niet lang meer wachtten, want het was laat geworden.
De kleine stad Lucern, aan het Vierwaldstilttermeer
gelegen, waar de blauwgroene Reuss als een krachtige
bergstroom het meer verlaat, is gebouwd op de beide
oevers van stroom en „See". De schoone ligging en de
heerlyke omgeving hebben Lucern gemaakt tot een mid-
delpunt van het vreemdelingenverkeer, dat met Interlaken
kan wedyveren.
Geen wonder, dat hier by het natuurschoon al, wat
den vreemdeling aantrekt en ontspant, aanwezig is Hotels
en restaurants van den eersten rang, wandelwegen en
tuinen, pcnorama en diorama, kurzalen en kiosken, ryke
winkels en weelderige magazynen. Wat kan een toerist,
die met tyd en geld geen raad weet, meer verlangen?
Wij behooren niet onder bedoelde klas en zullen daarom
al het opgenoemde niet bezoeken,
„Den Leeuw toch wel ?" Zeker, daarheen richten wy
het eerst onze schreden. Onderweg worden wy behendig
een diorama binnengelokt. Een kwartje is wel niet veel,
maar toch zeker wel genoeg voor het zien van drie mid-
delmatige tableau\'s
„Gletschergarten!" riepen een paar jongens en stopten
ons groote papieren in de hand. Waren wy in het diorama
niet zoo teleurgesteld, dan zouden wy zeker dien zooge-
naamden gletschertuin zyn binnengegaan, nu kon niets
er ons toe bewegen, overtuigd, dat ook deze aardigheid
de moeite van een bezoek niet zou loonen. Later hebben
wy vernomen, dat ons oordeel ongegrond was. By een
volgend bezoek aan Lucern zal ik den Gletschergarten
zeker gaan zien, want hij moet belangwekkend zyn.
Wy hebben het doel onzer wandeling bereikt. Een rots-
wand van boven met struiken en klimop bekranst, is
-ocr page 135-
- 129 -
loodrecht afgehouwen. Aan zün voet ligt een klein vy-
vertje in den vorm van een halven cirkel, dat door bloem-
en grasperken omgeven wordt. Een waardige plaats
voor dit gedenkteeken. In de groote nis van den vlakken
wand ligt de beroemde Leeuw van Thorwaldsen, het ge-
denkteeken, opgericht voor de trouwe Zwitsersche gardes,
die b\\j de bestorming der Tuilerieên (Aug. 1792) den hel-
dendood vonden.
De reusachtige Leeuw is niet in deze grot geplaatst,
maar er in uitgehouwen uit den aschgrauwen steenklomp
der rots zelve. De koning ligt stervend ter neder. De
speer, die hem het hart doorboorde steekt nog in z\\jn
znde. De lansstoot moet geweldig geweest zün, want de
schacht brak af by het staal. Zelfs in den dood verlaat
hem de waardigheid des konings niet: kalm, met gesloten
oogen, rust de fiere kop op de machtige klauwen, die be-
schermend het schild bedekken, het schild, dat de Lelie
van Frankryk draagt.
De leeuw, dien gü ziet, is niet van de hand des grooten
meesters zelf, wel het model, geborgen in den winkel,
tegenover het monument. Wist Lucern — zoo vraagt gü
bp het heengaan u zelven af — geen betere plaats voor
dit kunststnk, dan een magazijn van houtsneewerken en
photographiün?Zou het niet eervoller en gepaster geweest
zijn, het een plaats aan te wyzen in het kleine kapelletje
naast den tuin, waar de wapenrustingen der vermoorden
met heiligen eerbied bewaard worden?
Wilt gü het panorama zien? \'t Ligt op onzen weg.
Het Fransche leger in het jaar \'70 de Zwitsersche gren-
Z3ii overtrekkend, wordt erop niet onverdienstelijke w\\jze
voorgesteld. Of trekt het u minder aan dan de schilder-
achtig op een hoogte gelegen kerk, aan den H. Leode-
gardus, den schutspatroon der stad, gew\\jd? De twee
slanke torens der oude Stiftkerk dwingen u dezen tempel
ie bezoeken. Al wist gü niet, dat het kunstige houtsnee-
werk van altaren en koorstoelen een bezoek overwaard
is, dan nog zoudt gü de breede trap, die naar de kerk
opvoert, bestijgen om van het plein voor den ingang een
kijkje te nemen op de stad en de woelige „Schweizerhof
Quai."
Eerst hierna zult gy afdalen naar de „Quai National"
en onder de lommerrijke boomen langs den meeroever uw
wandeling voortzetten. Langzaam gaat gü verder, want
het meer aan uw zijde, de groene heuvelen, die de linker
stadshelft insluiten en den in nevelachtig waas gehulden
Pilatus vindt gü zoo schoon in het licht der morgenzon,
dat gü geen acht slaat op de honderden vreemdelingen.
-ocr page 136-
130 -
die langs de groote hotels van Schweizerhof-Quai af- ett
aantrekken.
Wat? wilt gij over de „Seebrücke", die gij zooeven tnj
de aanlegplaats der booten bewonderdet, naar den linker
oever van stroom en meer oversteken?
„Dat nooit! Wij nemen de Kapelbrugof ikganiet mee."
Als om den spot te drijven met\' de onstuimige
kracht van de Reuss, die zooeven het meer verliet, is
deze brug wigvormig over den stroom geslagen. Alles
is hout; de pijlers, die haar dragen; de leuning, die den
wandelaar beveiligt; de stutten, die het dak onderscbragen;
behalve de verweerde pannen, die de zonnestralen en
den regen beletten te schaden aan de fresco\'s, tusschen
de dakbalken aangebracht. Laat het zijn, dat de kunst-
waarde dezer schildering gering is; \'t zou te bejammeren
wezen, indien deze oude, eerbiedwaardige afbeeldingen,
welke de roemrijke f.iten uit de geschiedenis der stad
en het wondervolle leven van haar beide Schutsheiligen,
Leodegardus en Mauritius, weergeven, blootgesteld aan
weer en wind, binnen weinige jaren moesten verdwijnen.
Zóo beschut, hebben zij reeds eeuwen getrotseerd en
weinig geleden.
Van ouderen datum dan brug en fresco\'s is de water-
toren, die ter plaatse, waar de brug haar kromming heeft,
uit den vloed opstijgt, \'t Zijn niet de architectonische
lynen, — gij zoekt ze tevergeefs — die dit bouwwerk
belangrijk maken in ons oog, maar wel de omstandigheid
dat deze toren den naam van Lucern aan de stad zou
gegeven hebben. Zijn oorspronkelijke bestemming, zoo
verhaalt de Sage, was als lichttoren (lucerna) te dienen
voor schepelingen en visschers, die in den nacht het meer
bevoeren. De bestemming van den bouw gaf de naam
aan de stad, welke in zyn nabijheid verrees.
Wij volgden den linker Reussoever om een vrijen blik
te kunnen werpen op hot oude Raadhuis en den ouden
ringmuur, die de glooiing der heuvelen volgend, de rechter
stadshelft omsluit en eindigt in den schilderachtigen
Nöllitoren, wiens voet rust in de wateren van den stroom.
Wü worden gedwongen de boorden van de rivier te
verlaten, want hier rijzen de huizen op uit den vloed.
De straat die wij inslaan voert naar de „Drahtseilbahn"
van „Gütsch" en het station is niet ver meer.
„Giitsch", een kasteelvormige restauratie op de woud-
rijke helling van Gütschwald, is de geschiktste plek om
stad en meer <e overzien, en daar do zeskante toren van
het gebouw zich vrij boven het geboomte verheft, zullen
-ocr page 137-
- 131 -
wy hem bestijgen. Schrik niet terug voor de warmte,
want boven vinden wy een lift, die ons brengt op het
platte dak van het gebouw Daar bluft ons slechts een
makkelijk te beklimmen houten trap over. Die kleine
moeite wordt ruimschoots beloond.
Lucern ligt beneden ons met al de pracht zyner ge-
bouwen, doorsneden door de Eeuss, omgeven door lachende
heuvelen. Om dit panorama te maken tot een der schoonste,
die onze verbeelding zich scheppen kan, behoeft de lucht
slechts doorschijnend te zyn, doch dat is zy wederom
heden niet. Pilatus rechts en lligi links zyn slechts
flauwe schaduwbeelden. Den Stanzerhorn onderscheidt
het oog nog even, het hooggebergte, dat het Vierwald-
stiittermeer als omlijst, is geheel onzichtbaar gemaakt
door den (lichten sluier, welke zich over het meer ont-
rolde. Toch gevoelen wy ons getrokken een half uurtje
uit te rusten op het terras der kleine restauratie, naast
het kasteel, waar in het lommer der dichte kastanjes de
blik bijna even omvattend is als op den toren, dien wij
zooeven verlieten.
„Wat dezen namiddag?" was de vraag, die in stemming
gebracht werd. „Naar den Rigi, of niet?" Spoedig
waren wij het eens, overtuigd, dat w\\j heden op Iligi-
Kulra minder zouden zien van de Alpenketen, dan wy
gisteren op Pilatus zagen.
Gü zult het afkeuren, dat wij den Eigi niet bezocht
hebben, maar ik verklaar u niet te begrijpen, wat men
doet op de toppen van deze berggroep, indien er niets te
zien is. Ik voor my acht het de verstandigste party om,
wanneer de middaghitte de lucht verlaten heeft, over
Rothkreuz naar Einsiedeln op te stoomen, en dat vinden
mijn reisgezellen ook.
Dat gij weinig lust gevoelt om ons in de middaguren
op een stadswandeling te vergezellen, verwondert my niet,
en ik zou u zelfs niet verhaald hebben, dat wy de hitte
van den dag trotseerden om Lucern te doorkruisen, ware
het niet, dat zich op onzen tocht een incident voordeed,
in staat om alle winkeliers der stad in discrediet te
brengen.
Wy waren een winkel binnengegaan en hadden weldra
fienige zaakjes uitgezocht, die wy aan vrienden en be-
ken len in het vaderland als souvenir dachten te geven.
Dj rekening weid opgemaakt, en — ofschoon wy met
grond meenden dat een paar voorwerpen hooger genoteerd
stonden, dan eerst bedongen werd — wy betaalden na
eenig tegenstribbelen. Mijnheer had gemerkt, dat wy ze
hebben wilden.
-ocr page 138-
Deze kleinigheid is eigenlyk de vermelding niet waard,
maar wel hetgeen er volgde. Een onzer liet by ongeluk
zyn kyker achter op de toonbank van den winkel en be-
merkte zulks eerst, toen wy in ons hotel aan tafel zaten,
\'t Is niets, dachten we, we hebben hem slechts voor het
halen. Na den maaltyd togen wy uit en bevonden ons
weldra in denzel\'den winkel. Mynheer kwam ons zeker
met het vergeten voorwerp in de hand reeds te gemoet?
Dat zoudt gij meenen, maar \'t was niet zoo. Integendeel!
By hoog en by laag hield hy vol, dat er geen jumelles
waren achtergebleven en toen hjj ons daarvan niet kon
overtuigen, beweerde hy, dat er zooveel volk in zyn ma-
gazijn geweest was na ons vertrek.
Verlegen zyn is juist geen eigenschap van reizende
Hollanders. Wy hielden voet by stuk, en toen een juf-
frouw, door ons niet gezien by het eerste bezoek, met
soortgelijke verzekeringen, als wy van mynheer reeds
hoorden, de zaak in ons oog verdachter kwam maken,
gaven wy den eigenaar ten antwoord: „Dan zullen wy
zoo vry zyn te zoeken, want, indien u den kyker niet
gezien heeft, moet hy nog staan, waar hy neergezet werd."
„Dat is goed," zei mynheer en mevrouw, „wy zullen
helpen." Zy hielpen ook doch zochten op plaatsen waar
hy zeker niet te vinden was.
„Hier heb ik hem gezet," sprak de eigenaar van het
vermiste voorwerp. De vogel echter was gevlogen.
„Dus u ziet wel, dat iemand hem heeft meegenomen,"
was het woord van den magazynhouder.
„Wy zullen nog eens verder zoeken," ontving hy ten
antwoord, „want dan moet hy nog hier zyn."
Wat mag die stofdoek verbergen ? daar, dicht by\' den
lessenaar! Jawel, daar komt de aap uit den mouw.
„Wel verdraaid!" vloekte Jan, — grootere vloeken kent
hy niet — „hier is hy!"
„Hoe komt hy daar verzeild?" riepen huisheer en huis-
vrouw met geveinsde bewondering.
„Kunnen wij dat beantwoorden?" wordt hem toegebeten
met veel kracht op het kleine woordje wy. Zy begrepen
heel goed onze bedoeling en waren bly, dat die lastige
Hollanders afdropen.
Gelukkig voor de Lucernsche winkeliers gaat het „ab
uno disce omnes, kent ge er een, dan kent ge ze alle",
niet op.
IX. Tek Bedevaart.
Naar Einsiedcln.
Ik zweer by portiers die een goed fooitje verwachten
-ocr page 139-
— 133 —
of ontvangen hebben, en daarom namen wy den trein door
den portier van \'t Unions Hotel aangegeven, ofschoon wy
niet recht wisten hoe wy op de bedevaartplaats zouden
aanlanden. Tot meerdere zekerheid vroegen wy aan den
conducteur vóór het instygen: „Is dit de trein voor Art-
Goldau" en ontvingen het geruststellend antwoord: , Ja,
heeren! te liothkreuz overstappen." „Dan eerst?" vroe-
gen wy elkander ironisch af, want Itothkreuz ligt slechts
een boogscheut van Lucern.
\'t Was zoo. Wy moesten er uit met pak en zak; en
de portier van \'t station zeide ons, dat wy twintig mi-
nuten te wachten hadden.
Een rare kerel, die portier. Boven het lange, zeer ge-
zette lichaam stak een hoofd uit, dat veel gelykenis ver-
toonde met een grooten rooden lampion in volle verlichting
of met een uitgeholde pompoen, waarin een kaarsje brandt
Zwart en aan de toppen bruin was de lange knevel,
zwarter nog waren de te groote wenkbrauwen en het
gladde haar, dat door een enorme pet bekroond werd.
Van zyn waardigheid bewust, liep hij door de wachtende
menigte, die het kleine perron vulde, op eu neer, met
hooge schouders en de handen samengevouwen op
den rug, statiger dan de haan tusschen zyn kippen.
Hebt gy\' ooit acht geslagen op het waarschuwend ge-
roep van de portiers onzer stations? Dan zal het u op-
gevallen zyn, hoe niet een dezer gewichtige personages
zyn liedje, dat hy beter van buiten kent dan de beste
kraaier het zijne, zingt op dezelfde wys. Door duidelijk-
heid munten zy doorgaans niet uit. Doch zoo\'n onver-
staanbaar geroep als deze uitstiet, heb ik myn leven
nog niet gehoord. Van twee of drie lange opsommingen
met stentorstem door hem uitgekreten, terwyl hy kalm
bleef voortwandelen, verstonden wy niet een enkele syllabe,
en van een andere, die méér dan lang was, slechts den
laatsten naam, Aargau. Lutzee-e e-ern, Basel, Bee e e-ern!"
gezongen volgens alle regelen, door het Gregoriaansch
voor eenlettergrepige sluitwoorden van een zin in het
Evangelie aangegeven, verstond eenieder, maar ook een-
ieder lachte er mee.
Zyn landgenooter. verstonden hem al evenmin als wij
en by den laatsten uitroep zei een dezer tot den portier:
„Ziezoo, dat verstaan we nu eens."
\'t Eaakte hem in zyn eer, en zyn oog schoot vonken,
toen hy den opmerker toebeet: „Het andere was toch
ook Duitsch." Van het raarste soort," vulde een onzer
in \'t Hollandsch aan. Wat was ik blij, dat hij het niet
-ocr page 140-
- 134 -
verstond. Na de hem gemaakte opmerking zong hy zyn
lied nog harder en nog onduidelijker tevens.
Doch ook zonder den onverstaanbaren portier vonden
wy in den trein voor Goldau een plaatsje.
Weldra komen wy op do boorden van \'t Zugermeer.
Ik weet niet of ik u de rechter- of de linkerzijde van
den wagen zal aanraden, want het meer van Zug is
schilderachtig, maar ook het landschap ter rechterzyde,
vooral by Kusnacht, waar „Le Lac des quatre Cantons"
de „Zuger See\'\' nadert is heerlyk schoon. Welke uw
keuze ook zij het zal u kort vallen tot Art-Goldau.
Doch hier wordt het weer bepaald vervelend, want het
is andermaal uitstygen en wachten.
De aankomst van den trein van Itigi Kulm geeft eenige
afleiding. Onder de aangekomen toeristen vinden wy
eenige bekenden terug van de boot tusschen Flüelen en
Vitznau. Van de vele jonggehuwden echter slechts een
paartje, en dat paartje gaat met ons den 8sten September
in Einsiedeln vieren. Niet weinig stijgen zij daardoor in
onze achting, die gisteren tot het vriespunt gedaald was,
en nog meer zullen zy stygen, wanneer wy ze morgen
naar de Hoogmis zien gaan met een kerkboek in de hand
en een bidstoeltje aan den arm, Dat is cordaat voor een
jong Brusselsch „propiétaire" en zyn niet meer jeugdige
echtgenoote.
Wij hadden niet gedacht, dat het landschap na Goldau
zooveel afwisseling zou bieden. Hechts wordt de „Lowerz
See" met de lachende vlakte aan haar boorden even
zichtbaar by Steinerberg; verder ligt het pittoreske plaatsje
Sattel nabü het kleine, kalme meer vau Egeri.
„Biberbritcke! umsteigen fiir Einsiedeln: Zuk\'s wek!"
Wat roept die conducteur toch? \'t is of hij onze vraag
gehoord heeft, want hy herhaalt hetzelfde nog eens en
spant daarby al de kracht zyner longen in.
„Wat praat je toch?" vroegen wij hem, is de trein voor
Einsiedeln weg?"
„\'s Wek! da geht er!" riep hy en wees op den trein,
die in de richting der bedevaartplaats opstoomde.
Een mooie grap! Zouden wy nu voor de derde maal
moeten wachten? en dat liefst drie uren? en dat in \'t
arme dorpje liiberbrücke, waar hoegenaamd niets te zien is?
\'t Was loos alarm want de trein rangeerde slechts en
kwam ons en een vyftigtal bedevaartgangers behoorlyk
opnemen. Doch waar zullen wy plaats vinden: de weinige
wagens zitten reeds overvol. Hoe alle reizigers er in
gekomen zyn, weet ik niet; ik weet alleen, dat wy byna
-ocr page 141-
- 135 -
geradbraakt uitstapten aan het station van Einsiedeln.
Men schijnt hier te denken, dat de mensch zich als haring
of bokking verpakken laat.
Daar stond aan de statie een omnibus zoo groot, dat
do twee stevige appelgrauwtjes moeite zouden hebben het
logge meubel door de straten voort te sleepen, zells al
had op de lange bank geen sterveling plaats genomen.
Toch werd eerst na het instygen der vijftiende persoon-
lijkheid, een pretentieuze dame met alle de allures eener
echte Xantippe, de wagen vol verklaard. Wij waren wat
haastig geweest en die overijling was de schuld, dat wy
tot onder den bok des koetsiers werden terug gedrongen.
Op dien loggen wagen stond met kapitale letters
„Hotel du Paon", men had beter gedaan er „In de Slak"
boven te schilderen; want in uitwendige pracht had het
logge vaartuig hoegenaamd geen gelijkenis met den trot-
schen vogel van Juno, en in vlugheid behoeft het krui-
pende dier, zoo juist genoemd, voor hem niet onder te
doen. De voetgangers waren reeds lang ingekwartierd,
toen wy nog moesten aankomen.
Drie kamers? Wat blieft u?" vroeg verwonderd de
eigenaar van het hotel „Pfau". — „Alles is hier bezet,
mogelijk is er nog een kamer bij particulieren beschikbaar.
Willen de heeren even wachten?" De eigenaar, met al
de lenigheiJ, welke de ltidders van de Naald verraadt,
al steken zij in een officiersuniform, sprong op een paar
dames toe, boog voor haar als een knipmes met gebroken
veer, doch had heel wat werk om de pretentieuze uit den
wagen, die met twee koffers, drie parasols en twee para-
plu\'s aan het hotel was afgezet, ten halve te bevredigen.
Nu was het onze beurt om geholpen te worden. Nu
eens keek mijnheer dóór, dan weder over de glazen van
zijn gouden pince-nez, met het bedenkelijk gezicht van
een kleermaker, die een onmogelijk stuk lapwerk bekijkt;
eindelijk sprak hü met de vreugde in het oog, als een arme
drommel, die een goudmijn ontdekt: „Nog juist twee kamers
en drie bedden bij een winkelier in de straat hiernaast."
„Goed, maar wy wenschen ze eerst te zien."
„U kunt ze zien: de omnibus zal er u brengen. Willen
de heeren instappen?\'
De heeren stapten in en vonden in het rijtuig mevrouw
Xantippe, plus monsieur Ie propridtaire N. et femme. Xan-
tippe klaagde haar nood aan de Brusselsche, die haar
geduldig aanhoorde; de propidtaire (zoo had mijnheer zich
ingeschreven in het vreemdelingenboek) doorbladerde zijn
reisgids, en Jan vroeg: „Wanneer zyn wy\' in de straat
-ocr page 142-
- 136 -
hiernaast?" Waarop Epi zei: „Dat is al de derde, die wy
inrijden," welke opmerking Harry deed voorstellen de
straat onzer bestemming „Uit de buurt" te noemen.
Het rijtuig houdt stil en de dame der koffers wordt
met deze afgezet; nog een paar straten en wij verliezen
ook het gezelschap der jonggehuwden, dan nog twee
steegjes en wy zyn in de straat „Hiernaast".
„Zeg eens, vriend," vroeg Harry by het afstygen onzen
geleider, „hoever zyn wy van \'t hotel?"
„Geen twee minuten," was het antwoord, waarop van
onze zyde een ongeloovig: „Loop rond" volgde. Doch
toen ook de eigenaar des winkels het woord van den
conducteur kwam bevestigen, moesten wy het wel
aannemen. Wy hadden byna alle straten van \'t kleine
stadje doorkruist en bevonden ons in de nabyheid van
ons hotel, op het plein vóór het beroemde heiligdom van
Notre Dame des Ermites gelegen.
Dit heiligdom was het doel onzer reis en met opzet
hadden wy den schoonen feestdag van Maria\'s Geboorte
als den dag onzer bedevaart uitgekozen.
Verlangend de plaats te bezoeken, waar de Moeder des
Heeren reeds meer dan duizend jaar zoovele wonderen
wrocht, zoovele hemelgunsten uitdeelde, spoedden wy
ons naar den tempel, om neergeknield voor haar wónder-
beeld, de Koningin van hemel en aarde onze hulde te
brengen en ons, onze bloedverwanten, onze vrienden en
het vaderland onder haar machtige bescherming te stellen.
\'t Lag niet in myn plan mij in dit reisverhaal als kro-
niekschryver of historiograaf op te werpen; en het is
daarom, dat ik de geschiedenis der streken, welke wy
bereisden, niet verhaalde, hoe belangryk zy my niet zel-
den voorkwam
Voor Einsiedeln meen ik, dat gy een uitzondering ver-
langt. De geschiedenis van zyn ontstaan en de voor-
naamste gebeurtenissen, welke hier hebben plaats ge-
grepen, verlangt gy te weten. Welnu ik ga uw weet-
gierigheid voldoen, doch ik moet my beperken.
De H. Meinbad.
De H. Meinrad of Meginrad(\'), de jongste der twee
zonen van Berchtold uit het geslacht van Zollern of
Hohenzollern (2), werd op het landgoed zyner moeder, de
1)    Beteekent Machtigen Raad.
2)    Van Meinrnds ouderen broeder stamt het machtige, thans kei-
zerlijke huis van Hohenzollern af. Niet alleen de katholieke ook de
protestantsche tak van dit roemrijk geslacht houdt Meinrad in hooge
eer: menig vorstelijk geschenk getuigt het.
-ocr page 143-
— 137 -
dochter des graven Sülchen, in Zwaben geboren, \'t Was
in het jaar 797, dat Meinrad, „un de ces hommes de foi
sublime comme Dieu en faisait naïtre en ce temps-la,"
ter werelü kwam. Zyn godvreezende ouders zonden hem
op jeugdigen leeftyd naar de abdij der Benedictijnen
op Reichenau, het groene eiland in de wateren van
\'t Zeiler meer. Als de eiken en olmen van dien vrucht-
baren bodem groeide de jeugdige Meinrad op in deugd
en wysheid.
De toekomst lag open voor den zoon uit het machtige
geslacht, dat vermaagschapt was aan de vorstenhuizen
van het Christelyk Europa Meinrad „pouvait prctendre
a tout: il se fit bénédictin", want zyn jeugdig hart had
hy aan den Heer verpand en de grootheid der wereld was
hem ijdelheid en kwelling des geestes. Onder de zeven-
honderd kloosterlingen van Reichenau was er niet ócn,
die den jongen monnik in deugd en wisheid overtrof;
weldra zelfs werd hij aller toonbeeld.
Te Bollingen aan het bekoorlijke meer van Zürich had
de abdy van Reichenau een kleine stichting, waar twaalf
harer zonen werkten aan het heil van \'t landvolk. Daar-
heen werd Meinrad gezonden en zyn hart was verheugd
den Heer te mogen dienen in de eenzaamheid. Doch ook
hier was hü niet beveiligd tegen de aanlokselen der
wereld, want „du rang dont il était, et savant comme il
avait su Ie devenir au fond du cloïtre, la gloire, les
hommes, Ie bruit pouvait encore venir Ie chercher: il se
fit ermite."
In de wildernis van den berg Etzel bouwde hy zich
een kluis, ver van de menschelfjke samenleving. Niet lang
mocht hy de genoegens der eenzaamheid smaken, want
zvn hut werd ontdekt en het eenvoudige, vrome landvolk
stroomde van alle zyden naar den Etzel om troost en
raad te vinden bij den heiligen kluizmaar
Wel sloeg Meinrads hart warm voor den beproefden
broeder, maar vuriger nog blaakte in zyn boezem de liefde
tot de eenzaamheid. Was de nederige beducht, dat de
hoovaardy zich mengen zou onder de menigte, die tot
hem kwam, en binnen sluipen in zyn cel P----
Meinrad had den Etzel verlaten en niemand wist, waar-
heen hy zich begeven had. Toen weinige maanden later
een timmerman uit Wolleran verdwaalde in het „Finster-
wald", aan den voet des Etzels gelegen; verdwaalde in
het woud „si noire et si profonde que les chasseurs eux-
mêmes en craignaient les aventures", vond hy den klui-
zenaar in gebed in het kapelletje, dat hy gebouwd had
-ocr page 144-
— 138 --
naast z\'n\'n hut. Spoedig zag de Heilige zich wederom
omringd van allen, die troost en steun behoefden: het
„Finsterwald" had op eens al zyn verschrikkingen voor
het landvolk verloren.
De heilige kluizenaar erkende in deze tweede ontdekking
de hand Gods, en aanvaardde de taak, hem door den
Hemel opgelegd, de taak van leidsman en vader van de
duizenden, die tot hem kwamen om voorlichting en ver-
troosting. Meginrcul, „een Machtigen llaad" was hij voor
grooten en kleinen.
De naam van den grooten raadsman verbreidde zich
over het land en Hildegardis, de dochter van koning
Lodewijk, den Duitscher, de eerste abdis van het groote
„Vrouwenmunster" te Zürich, liet den vromen vereerder
van Maria een kapel bouwen en bracht aan het hoofd
van haar maagdenstoet een Mariabeeldje in het nieuwe
bedehuis van Meinrad. Dit zou het wonderbeeld worden,
waarvoor de pelgrim nog heden ten dage neerknielt.
Als een vader bemind, als een heilige bewonderd en
vereerd, leefde Meinrad in zijn kluis.
Doch hoe stegen liefde en bewondering beide, toen men
van een ooggetuige, een kloosterling van Keichenau, die
hem menigmaal bezocht, vernam, hoe te middernacht, als
Meinrad bad bij het beeld van Jesus\' gezegende Moeder,
een hemelsch licht de kapel vervulde, en een beeldschoon
kind naast den kluizenaar knielde om met hem het officie
van Maria te bidden.
Drie en dertig jaren bleef Meinrad de raadsman van
allen, en niemand kon vermoeden, dat dit kalm en vreed-
zaam leven van den vaderlijken grijsaard zou eindigen
met den marteldood.
Daar moesten schatten gouds gevonden worden in de
cel van den zoo hoog gevierden kluizenaar, dachten god-
vergeten roovers en zij besloten den grijsaard te ver-
moorden, om zich van de schatten meester te maken. Als
naar gewoonte ontving Meinrad de booswichten — Itichard
en Peter noemt ze de kroniek — gastvrij, ofschoon hij
door goddelijke ingeving hun booze plannen kende. „Gij
zult my niet dooden, sprak hy, „zonder myn zegen ont-
vangen, en het woord van vergeving vernomen te hebben
uit nnjn mond." „En," zoo vervolgde Meinrad, die zelfs
voor zyn moordenaars een Machtigen Raad wilde zün,
„wanneer gij mij gedood hebt, ontsteekt dan deze kaarsen,
plaatst de eene aan mijn hoofd-, de andere an mijn voet-
einde en vlucht spoedig, want men zal myn lichaam wel-
dra vinden."
De Heilige viel door het staal, maar de roovers vonden
-ocr page 145-
- 139 —
niot wat zij zochten. Ook de kaarsen ontstaken zij niet
en plaatsten ze niet, waar de kluizenaar het hun geboden
had. Een onzichtbare hand verrichtte dit werk. De
booswichten, dit ziende, namen ijlings de vlucht naar
Zürich en zouden zeker ontsnapt zijn aan de menigte,
welke den dood naars vaders weldra ontdekte en de
moordenaars achtervolgde, zoo niet twee raven, door
Moinrad tam gemaakt en verzorgd, vóór de achtervolgers
voorivitgevlogen, en bh* het huis gekomen, waar de boos-
wichten zich verscholen hadden, de woning waren binnen-
gedrongen. Zij werden ontdekt in hun schuilplaats,
bekenden hun gruwelstuk en boetten het aan de galg.
Boven den schandpaal zweefden de raven van Meinrad,
den martelaar.
De Heilige stierf in het jaar 861. Zijn lichaam werd
naar de abdij van lleichenau overgevoerd, doch later naar
Einsiedeln teruggebracht.
Maria-Einsiedeln.
Wel was na den dood des heiligen Meinrads de kluis
verlaten, maar het landvolk kwam bidden bij het Maria-
beeld, in de kapel van zijn vermoorden raadsman en
vader, gelijk het dat tijdens diens leven gedaan had. De
naam van „Finsterwald" veranderde weldra in dien van
„Meinradzell" en vrome pelgrims kwamen van heinde en
Terre de voorspraak van Maria inroepen op deze plaats,
waar de Moeder des Heeren door mirakelen en rijke
hemelgunsten haar macht op bijzondere wijze toonde.
Onder deze pelgrims bevond zich Benno, uit het koninklijk
huis van Borgondiü gesproten. Aan den voet van Maria\'s
beeld geknield, vormde hij het besluit het kluizenaars-
leven van Meinrad te omhelzen op de plaats zelve, waar
deze geleefd had. Zijn waardigheid van kanunnik van
Straatsburg legde hij neer, verkocht zijn vaderlijk erfdeel,
deelde de opbrengst uit onder de armen en bouwde zich
een cel nabij de kluis van Meinrad. Zijn brandende ijver
en zijn stichtend voorbeeld wist eenige mannen van geloof
te bewegen eenzelfde leven van boetvaardigheid te aan-
vaarden.
Benno werd tegen zijn wil uit de eenzaamheid geroepen
en geplaatst op den bisschoppelijken zetel van Metz, waar
zijn ijver hem menig machtig vijand bezorgde Benige
dezer booswichten ontzagen zich niet om de hand te
slaan aan den gezalfde des Ileeren, overvielen hem ver-
raderlijk en staken hem beide oogen uit. Met vreugde in
het hart deed hij afstand van zijn bisdom en keerde naar
-ocr page 146-
- 140 -
zyn kluis in de eenzaamheid terug, waar hij den dood
der heiligen stierf.
De grondslagen voor de beroemde abdy waren gelegd,
en reeds had de kluis van Meinrad den naam van Ein-
siedeln aan deze plaats gegeven, toen Eberhard, domproost
van Straatsburg, het erfdeel van Meinrad en Benno aan-
vaardde. Gesteund door den hertog van Zwaben, bouwde
hy- om de cel van Meinrad een abdy en over de kapel en
haar Mariabeeld een fraaie kerk.
Conrad, de heilige bisschop van Constanz, zou den
nieuwen tempel wy\'den op den 14en Sept. van het jaar
948. Doch toen h\\j den nacht vóór de plechtigheid opstond
om te bidden met de kloosterlingen, hoorde men engelen-
stemmen de gezangen aanheifen en de gebeden uitspreken,
welke de Kerk voorschrijft by de wijding des tempels.
Op aandringen der aanwezige graven en heeren zou de
bisschop, schoon voor zichzelven overtuigd, dat de wijding
reeds door hemelgeesten voltrokken was, tot de heilige
plechtigheid overgaan, toen een stem, door allen gehoord
van boven tot driemaal toe weerklonk: „Broeder, laat af,
want zy is door God gewijd."
Zóo overtuigend was dit feit bewezen, dat paus Leo
VIII de hemelsche wijding openlijk erkende en eiken bis-
schop verbood tot een nieuwe wijding over te gaan.
Nog jaarlijks wordt dat wonder te Einsiedeln herdacht
en het feest der „Engelenweihe" met luister gevierd.
Veertien September is sinds dien tyd de groote feestdag
van Maria-Einsiedeln.
Niet weinig droeg dit wonder by om het getal pelgrims,
dat Maria hier kwam vereeren te doen aangroeien. Keizers
en koningen, hertogen en graven zag men er neerknielen
naast den eenvoudigen burger en den armen lijfeigene.
Wel brandden in den loop der eeuwen kerk en abdij tot
viermaal toe af, maar telkens herrezen zy uit haar asch
luisterrijker dan te voren. Maria zelve zorgde voor haar
schatten, want, wat de vlammen ook verteerden, de kapel
met haar wonderbeeld deerden zy niet.
Nimmer verflauwde de liefde der vrome Zwitsers voor
hun heiligdom, onwrikbaar bleven zy vertrouwen op de
machtige bescherming hunner Moeder zelfs in de ure van
gevaar. Hier belegden zy met voorliefde hun vergaderingen,
toen zij streden voor de vrijheid hunner bergen; hier
wapperden de banieren der bondgenooten voor het beeld
van Haar, door wier voorspraak zy den zegen des hemels
afsmeekten en verhoopten over hun wapenen. Was het
Maria-Einsiedeln, die de helden uit het roemvolste tijdperk
van Helvetië bezielde?
-ocr page 147-
- 141 -
Maria gedoogde niet, dat de kille aderc der Hervorming
tot dit haar heiligdom doordrong. Tot zelfs in het woe-
ligste dier tijden kwamen talrijke scharen neerknielen
voor haar wonderbeeld; en niet zoodra was de rost in
Europa wedergekeerd, of de bedevaartgangers stroomden
wederom van alle zijden naar dit genadenoord.
Markus Sillikus, bisschop van Salzburg, deed in 1632
de kapel van Meinrad met marmer omkleeden, vorsten en
steden zonden ryke geschenken en Einsiedeln beleefde een
tijd van zegen en rust, totdat de Revolutie losbarstte
over Frankrijk. Ook Zwitserland werd door de woeste
horden overstroomd en Einsiedeln bleef niet gespaard
door de plunderzieke benden. Doch het onweer was aan-
gekondigd door de zwarte wolken, die opstaken uit het
Westen en tijdig hadden de zonen van Benedictus den
grooten schat, hun door Meinrad nagelaten, het wonder-
dadige Mariabeeld, in veiligheid gebracht, \'t Was slechts
een nagemaakte beeltenis, die Schauenburg opzond naar
Parys De genadekapel werd door de woestaards met
den grond gelijk gemaakt.
Te hevig was de storm losgebroken om lang te kunnen
woeden. Nauwelijks had b\\j uitgewoed of de Benedictijnen
keerden in hun abdij terug en Maria Einsiedeln deed
wederom haar intrede in het eerbiedwaardige heiligdom.
Dit geschiedde in het jaar 1803. Een der eerste zorgen
der vrome monniken was het herstel van Meinrads kapel
en sinds 1817 staat zij wederom bn\' den ingang van den
luistervollen tempel op de plaats waar vóór meer dan
duizend jaren de heilige martelaar zijn bedehuis stichtte.
Het aantal pelgrims neemt nog jaarlijks toe en in bet
jaar 1861, het groote jubeljaar van Einsiedeln, telde men
er niet minder dan 210000 (\'oramuniën.
Pelgrim en Toerist.
Richten wij onze schreden naar het heiligdom, waarin
reeds Adelheidis, de heilige gemalin van Ot.to II en
Hendrik, de heilige keizer van Duitschland, nederknielde;
waarin Elisabeth, de beminnelijke heilige van Thuringen
en Nicolaas van Flu«, de zalige en vaderlandslievende
Zwitser bad; waarin Carolus Barromeus, de tweede Am-
brosius van Milaan, en Labre, de groote pelgrim, Maria
loofde, waarin koningen en prinsen zonder tal de be-
scherming afsmeokten van de Koningin van hemel en aarde.
\'t Is reeds duister in den tempel en het oog bespeurt
den rijkdom van het inwendige niet meer. Een menigte
volks brengt Maria den avondgroet. Hier zingt men by
-ocr page 148-
— 142 -
het licht der waskaarsen een dier Duitsche liederen, zoo
vol melodie en henielsche zalving, welke elk geloovig hart
weldadig aandoen en tot bidden en lotzingen stemmen.
Paar bidt een groep met luider stem den rozenkrans.
Een dichte menigte ligt in stil gebed verzonken voor het
beeld der Moeder Gods, dat, omgeven door een zee van
licht, als uit den hemel schynt neder te dalen, \'t Zyn
niet oude vrouwjes slechts, welke wy aantreöen in deze
nederige houding. De rüken en grooten schromen zich
niet neer te knielen op den kouden vloer naast den lan-
delyken bewoner van St. Gallen, naast den armen herder
van Zweitz. Met moeite slagen wy er in door te dringen
tot het yzeren hek, dat de kapel afsluit.
i,i Kniel neder voor het wonderbeeld en leg de verlangens
van uw hart aan de voeten uwer machtige Moeder.
Duizend duizenden hebben hier verhooring gevonden; ook
ons gebed zal door Haar niet versmaad worden
Zwart is het beeld der Moeder Gods, en heeft het met
byna alle mirakuleuze beelden gemeen, dat de hand eens
kunstenaars het niet heeft voortgebracht. Maria heeft
haar goddelijk Kind op den arm en de kleine Jesus houdt
een vogeltje op de hand. AVat er aan kunst ontbreekt,
heeft de dankbare liefde van Maria\'s kinderen in rykdom
duizendvoudig vergoed. Het kleed der Madonna schijnt
niet uit zijde, maar uit paarlen geweven. Er kan goud
zyn aan de kroon der Koningin, maar diamanten en edel-
gesteenten maken het onzichtbaar voor ons oog. De
omgeving beantwoordt aan kroon en kleed.
llyk is de troon van de gezegende onder alle vrouwen;
ryk het altaar, waarvoor de groeven van Carrara haar
zuiverste marmer leverden; rijk is het inwendige der kapel,
met kostbare exvoto\'s overdekt; ryk het uitwendige, de
marmeren muren, die het heiligdom omkleeden.
Aan den tempel, waarin Meinrads kapel bewaard wordt
— wy zullen het morgen zien — zyn geen kosten ge-
spaard. Gy zult den Style Flamboyant afkeuren, als wy,
by kalmer beschouwing; al heeft het oog by den eersten
aanblik door overschittering verblind, het rykvergulde
stukadoorwerk van gewelven en wanden, onovertreffelyk
gevonden; gy zult het betreuren, dat vele schilderingen
dezer kerk slechts weinig kunstwaarde bezitten; maar by
dat alles bewondert gy het geloof en de offervaardige
dankbaarheid van Maria\'s kinderen; die aan den luister
van het bedehuis, Haar toegewijd, schatten gouds ten
offer brachten.
Hoe gaarne zouden wy op het altaar, waarop het won-
-ocr page 149-
- 143 -
derbeeld der Moeder Gods geplaatst is, in Meinrads kapel,
het H. Misoöer hebben opgedragen Wy\' hadden ons
schriftelijk gewend tot den abt van het Benedictijner
klooster___ \'t Was te laat, vel n waren ons reeds vóór
geweest. Dit is de eenige teleurstelling onzer reis, welke
nog niet werd vergeten.
De pelgrim heeft voor heden zijn plicht gedaan.
Laat keeren wü in „De Pauw" terug, maar de dag was
zoo warm en de avondkoelte zoo frisch. Daarom nog een
uurtje doorgebraclit op het kleine terras vóór het hotel.
Slechts éen tafeltje bleef onbezet. De plaats werd zeker
voor ons bewaard, denken wij en nemen ze in.
Het gezelschap, dat ons omringt, bestaat voor het
meerendeel uit welgestelde Zwitsers, met hun vrouwen
zonen en dochters. Zy zy"n in stemmige vröolykheid,
zooals men dat altyd is op bedevaartplaatsen, en spreken
luid. Ook wy verkeeren in dezelfde stemming en hebben
ongemerkt luid genoeg gesproken om aan de tafeltjes in
onze omgeving gehoord te worden.
Vanwaar die betrekkelijke stilte plotseling om ons heen?
Men heeft de taal van Holland gehoord en zwijgt en luistert.
Of er een electrische schok ging door de nekspieren der
Zwitsers, wenden zich hun hoofden naar de plaats, waar
de drie Hollanders gezeten zijn. Niet de minste notitie
was van onze komst genomen; nu worden wij op meer of
minder beleefde wyze bekeken van top tot teen, alsof wij
poppen waren uit het spel van Jan Klaassen, koddiger
gedachtenis. Wat konden wy beter doen dan deze me-
chanieke mannetjes en eens hartelijk lachen om de klucht.
De stilte wordt weldra gevolgd door een gesprek, drukker
dan te voren door hen gevoerd was; ivij hadden de stof
geleverd, en \'t scheen een rijke stof.
„Wat zouden er dat voor zyn? zoo hoorden wy vragen.
„Kussen," zei een heer. „Amerikanen,\'meende zyn magere
wederhelft. „Die spreken Engelsch, moeder," verbeterde
de dochter van beiden, „en dit is geen Engelsch." „Dan
moeten het Polen zijn," veronderstelde oom. Bepaald
Spanjaarden," hield neefje lief, die nimmer ooms gevoelen
scheen te deelen, staande. Dat het Hollanders konden
zyn, daaraan dacht niemand. En hoe zouden zy er aan
kunnen denken, daar de meesten niet eens wisten dat
God Hollanders geschapen had.
Zy hadden eens moeten weten, dat wy niet de eenige
aanwezige Hollanders waren! Wat zouden zij vreemd
hebben opgezien! Doch wat zy niet wisten, weten ook
wy nog niet; dat die twee heeren, aan het andere uit-
-ocr page 150-
- 144 -
einde van het terras gezeten, onze landgenooten zyn.
Morgen eerst zullen wy tot die aangename ontdekking
komen.
Wel rees er eenig vermoeden in ons op toen wy en zy
alleen achtergebleven waren op het terras, maar tot
zekerheid konden wü niet geraken, omdat wy elkanders
gesprek, op zulken afstand niet vermochten te beluisteren.
By het heengaan groetten wij hen uitermate beleefd, want:
„Het moest eens zijn," zei Epi; „Het kan goed zyn," zei
Jan, en Harry zei: „Ik geloof het stellig."
De haan moest zyn eerste liedje nog kraaien, toen wy
opstonden en ons naar de kerk begaven. Wy waren de
eersten niet, reeds werd op vele zyaltaren de H. Mis
gelezen, reeds knielden vele geloovigen voor het wónder-
beeld van Maria of aan de tafel des Heeren.
Na Mis en dankzegging besloot ik, van geen verbod
bewust, het eigenlyke heiligdom binnen te gaan. De
menigte, welke zich om de kapel geschaard had, liet my
gewillig door. Aan de ijzeren poort gekomen maakte ik
deze open en knielde, omdat het achttal zitplaatsen binnen
de wanden der miraculeuze kapel bezet waren, op de
treden van het altaar. De broeder-koster liet my begaan
en ik bemerkte niet, dat ik den indringer speelde, voor-
aleer eenige binnenkomende dames den broeder een kaartje
overhandigden, dat den stempel van den abt droeg. De
misstap was begaan en ik besloot te blijven, waar ik
onschuldig gekomen was. Ik meende er zelfs eenig recht
op verkregen te hebben, door aan het beleefd verzoek
van den als misdienaar fungeerenden novice bereidwillig
te voldoen en gedurende zyn afwezigheid de H. Mis te dienen.
Hoelang ik in het heiligdom vertoefd heb, weetik niet,
maar de tyd scheen vleugelen gehad te hebben, want het
sloeg reeds acht uur, toen ik aan de ontbyttafel in het
hotal plaats nam. Jan volgde my op den voet. Harry
liet zich nog wachten.
Na het ontbyt een sigaartje rooken, dat staat vaster
dan een paal. Daarom naar de lees- en rookzaal.
Kyk, daar zitten aan den hoek der middeltafel de heeren,
die wy gisteren avond zoo vriendelijk groetten. Wy
groetten ze weer, doch gaan hen zwi\'gend voorby en nemen
plaats in de vensterbank van het open raam. De oudste
der twee heeren schryft een brief, de jongste slaat ach-
teloos een blik in een der couranten, beiden rooken echt
Hollandsch!
„Zouden wy ze niet eens aanspreken?" vraagt Jan.
„Goed," zeg ik, „maar hoe zal ik myn aanloopje nemen?"
-ocr page 151-
— 145 —
Dat behoefde niet genomen te worden, want nauwelijks
hadden wy die woorden, waarvan sommige tot hen waren
doorgedrongen, gesproken, of de jongste der twee (ik zal
hem F. noemen) legde zijn courant op tafel en kwam met
uitgestoken hand op ons aan met de woorden:
„Zoo! heeren collega\'s! een waar genoegen uwe kennis
te mogen maken."
De andere heer (daar komt een G in zyn naam) was
by het hooren dier woorden van zyn schryfwerk opge-
staan, begroette ons minzaam en zei: „Ky\'k, kijk! dan zyt
u de heeren, wier namen w|j lazen in het register der
kerk. Waar blijft de derde van uw gezelschap?"
Die kwam juist de leeszaal binnen en was al even ver-
heugd als wü Hollanders, en wat meer is zulke Hollanders
te ontmoeten. De naam van collega verdienden wy slechts,
indien het woord in zeer ruime beteekenis genomen wordt;
maar dat neemt men ruim in den vreemde.
Wy zaten weldra in gezelligen kring by elkander en
vertelden wederkeerig onze reis en onze plannen, \'t Is
prettig landgenooten te ontmoeten in den vreemde, zelfs
dan nog, wanneer men in uitstekend gezelschap reist: \'t
bezorgt u aangename uren; wy hebben het ondervonden.
De kraampjes gaan zien op een bedevaartplaats, vind
ik altijd aardig en interessant, zoowel om de voorwerpen
die er verkocht worden, als om de oude vrouwtjes, die
ze verkoopen. Dus daarheen voor den aanvang der
plechtige Hoogmis; wij vinden deze winkeltjes by tien-
tallen onder de arcades op het plein der kerk. De prach-
tige magazynen van het beroemde huis Benziger & Co.
mogen wij zeker niet vergeten. Wy kunnen er even in-
loopen, doch men zal ons aanstonds verzoeken den winkel
te verlaten, daar men te Einsiedeln des Zondags onder
de plechtige diensten sluit. Na de Hoogmis zullen wy
er wederkeeren.
Statig en plechtig klinkt de metalen stem der 13 klok-
ken van de hooge torens en roept de pelgrims ter kerke.
Onze nieuwe vrienden en wy mengen ons onder de menigte,
die van alle zijden naar het heiligdom optrekt, en vatten
post op het bovenplein by den ingang des tempels om de
processie te zien voorbijtrekken. De schoolkinderen, be-
geleid door hun onderwijzers en onderwijzeressen openen
den stoet, de kloosterlingen volgen met den celebrant in
hun midden, en achter deze heeft zicb een byna onafzien-
bare menigte van geloovigen aangesloten. Gebed en zang
wisselen elkander at. Enkele grootere en kleinere vanen
worden mee rondgedragen, maar de pracht en rykdora
-ocr page 152-
— 146 —
onzer processiën schy\'nt men hier niet te kennen. De
stoet trekt heen langs klcoster en kerk, daalt af naar
het benedenplein, bestygt wederom de andere glooiing en
verliest zich ten slotte door de hoofddeur in de groote
kerk.
Indien wy hen gevolgd waren, hadden wy zeker het
priesterkoor niet bereikt. Nu gelukte het ons langs een
omweg en door een paar gangen te komen waar wy wezen
wilden, in de koorstoelen aan beide züden van het hoog-
altaar geplaatst,
Niemand onzer had by de Benedictijnen, zoo innig ge-
hecht aan de strenge en stemmige kerkmuziek, een
theatrale mis verwacht als deze, die slecht gezongen en
door snaren en koper kermisachtig geaccompagneerd werd.
\'t Had meer van een straatzangersconcert door een draai-
orgel begeleid, dan van den vollen, stemmigen toon der
Gregoriaansche muziek. Dat is het oordeel van meer
hevoegden dan ik.
De plechtigheid duurde lang. By het verlaten der
kerk volgden wy het vroom gebruik der pelgrims en
dronken aan een der veertien kraantjes van de zwart
marmeren fontein op het benedenplein, die tot voetstuk
dient voor het met goud gekroonde beeld van Maria-
Einsiedeln.
Alvorens wy andermaal de magazijnen van Benziger
binnentreden, zullen wy op het uiteinde van het plein een
blik werpen op den imposanten bouw van kerk en klooster.
Het front strekt zich uit over een lengte van 135 meter,
waarvan de 38 middelste door den voorgevel der voor-
uitspringende kerk worden ingenomen. Twee slanke
torens beschermen en versieren den ingang des tempels.
Kerk en klooster liggen op een hoogte. Voor de hoofd-
deur van het heiligdom verbindt een broeden trap beneden-
en bovenplein, naast welken zachtglooiende hellingen in
groote halve cirkels op- en afwaarts voeren. Met het
reusachtige klooster, dat haar omsluit, met de twee
pleinen, de arcades en de bron aan haar voet vormt de
kerk een indrukwekkend en schoon geheel.
Al hebben de zonen van Benedictus een seminarie en
een lyceum opgericht in de abdy, toch vinden zy in den
bouw nog ruimte voor groote ontvangstzalen en voor de
belangrijke bibliotheek, die meer dan 26000 boekdeelen
bevat.
Gaarne zouden wy deze bezocht hebben, maar des Zon-
dags is zy voor allen gesloten. Niet alzoo de vorstenzaal,
aldus genoemd naar de portretten, welke de wanden be-
dekken. Om twee uur in den namiddag wordt deze voor
-ocr page 153-
— 147 -
de bezoekers opengesteld, doch dan is het juist ons uur
van vertrekken.
Wanneer wij na de inkoopen, noodzakelijk op een bede-
vaartplaats, gedaan te hebben, middagmalen en, afscheid
nemend van onze landgenooten, bepalen, waar en hoe wij
elkander in Zürich zullen wedervinden, is het meer dan
tijd om ons naar het station te begeven.
X. Buiten het Program.
Tot heden hebben wy gereisd volgens het tehuis vast-
gestelde plan, thans meenden wy een uitzondering te
moeten maken. „Acht September tegenavond naar Zürich",
stond er op ons program, doch een paar vrienden in het
vaderland hadden de laatste dagen voor ons vertrek
Ragaz zoo hoog opgehemeld, dat wy het onverantwoor-
delijk vonden er niet heen te gaan. Ook mijnheer G. en
mijnheer F. zetten er ons toe aan, en wü reisden af naar
die plaats met het voornemen op den middag van den
volgenden dag in de stad van Zwingli aan te landen.
\'t Was wederom warm; en Jan kreeg het aan het station
zóo warm, toen de conducteur eenige gesloten wagens
niet openen wilde, al waren de andere reeds meer dan
bezet, dat hy hem zijn warmte in malsche bewoordingen
deed voelen. De vent scheen er echter geen gevoel voor te
hebben, en zou zeker drie warmtestralen in het aangezicht
gekregen hebben, zoo niet juist de chef bevel had gegeven
de wagens te openen.
„Tant de bruit pour une ommelette," mochten wij wel
zeggen, want in Biberbrücke moesten we reeds van trein
verwisselen Te Pfiiffikon was het alweer hetzelfde
deuntje. Daarbij er moesten kaarten genomen worden.
„Kagaz, drie kaartjes, retour!"
„Geen tyd om ze te schrijven. Te Wesen nemen!"
Wie het ondervonden heeft hoe onaangenaam het is in
alle haast plaatskaarten te moeten nemen aan een vreemd
station, zal begrijpen hoe vroolijk m\\j dat gezegde stemde.
De koele bries, die het meer van Zürich ons tegenzond,
verjoeg echter mijn booze luim, en het gezicht van \'t
lieflijk schoone meer deed mij weldra de onaangename
ontmoeting van zooeven vergeten, en ik dacht er niet
meer aan, dat eenzelfde onaangenaamheid mü te Wesen
wachtte. BÜ den tocht door deze heerlijke landstreek
was ik in zoo opgeruimd eene stemming gekomen, dat
ik te Lachen in de restauratie van het station, het voor-
stel van Jan, om Harry, die in den trein gebleven was,
met een vla te verrassen, machtig aardig vond.
Daar stond een pruimenvla op het buffet — een echte
-ocr page 154-
- 1-18 -
Limburgsche! Zij zag er even smakelijk uit, als het
fijnste gebak van dien aard, dat de beste bakker van
Maastricht of Roermond op feestdagen tentoonstelt voor
ijn winkelraara. Zij was groot — dat moet een Lim-
burgsche zyn — te groot voor drie; maar in acht gelijke
deelen verdeeld.
„Laat ons ze half koopen," zei ik, „dat is voor ieder
één stuk."
„En om het vierde zullen we vechten als honden,"
vulde Jan aan.
De halve vla, in een papieren vingerdoekje gewikkeld
werd door ons den wagen binnen gedragen. Wy zetten
daarbü een gezicht, als de burgemeester eener kleine ge-
meente, wanneer hij den gouverneur complimenteert, en
Jan overhandigde Éarry ons geschenk met de woorden,
die alle voorwerpen eener bedevaartplaats sieren ot
ontsieren:
„Te Lachen heb ik aan u gedacht
En dit tot aandenken meegebracht."
Een algemeene vroolijkheid volgde op de plechtige aan-
bieding. Ieder kreeg zyn deel van de lekkernij, en om
het vierde stnk werd eerlijk.... gevochten; want ieder
nam een hoek tusschen de vingers en wat hjj trekkende
veroverde was zyn wettige buit.
Wij waren de eenige reizigers in den wagen en het
stuk speelde „entre nous."
Het lekker beetje deed mn\' bijkans het kaartjes-halen
te Wesen smakelijk vinden, tenminste ik bromde niet
meer, zooals ik dat te Pfiiffikon gedaan had.
Er volgde een overheerlijk uurtje. Veel droeg daartoe
bü de plaats door ons ingenomen. Wjj bevonden ons op
de achterste bankjes van den laatsten wagen, met den
rug naar het stoompaard gekeerd. Daardoor hadden wij
niet alleen het vrije uitzicht rechts en links, maar ook
de baan, welke wy aflegden, overzagen wij in haar geheel
door de glasruiten van het achterschot. Op de boorden
der Walen See is zoo\'n zitplaats onbetaalbaar.
Op de kaart gezien is dit meer een augurk, een weinig
te dun voor zijn lengte; in werkelijkheid is het een
meertje dat in natuurschoon nauwelijks voor de meren
van Thun, Brienz en Lucern behoeft onder te doen. Hier
dezelfde smaragdgroene golf jes, dezelfde rotsen, opstijgend
uit het water in eindelooze verscheidenheid, doch het
watervlak is minder breed en de rotsen zijn minder hoog
en woest.
-ocr page 155-
- 149 -
Wat een heerlijk gezicht op de talrijke tunneltjes, welke
wy doorstoomden; op de lieflijke dorpjes tusschen de
rotsen verscholen als vogelnesten; op de ranke bootjes,
als zwaluwen zwevend over den waterspiegel. De inge-
nieur, die de plannen voor dezen spoorweg ontwierp, lieett
het jammer gevonden de toeristen te dwingen maar één
oogenblik de oevers van het meer te verlaten; we zijn er
hem dankbaar voor. Minder dankbaarheid echter zijn wij
verschuldigd aan de vlugge locomotief, die spoediger dan
wij wenschen het vruchtbare Seezdal bereikt en langs
den kleinen bergstroom Seez ons naar Sargans voortsleept.
Laat de bergen, die het groene dal omringen; laateenige
ruïnen op de heuveltoppen en het kerkje van St. Georges,
hoog op een rots gebouwd, het landschap schilderachtig
maken; de schoonheden van het meer vinden wy hier
niet terug.
Van Sargans, waar onze baan zich met de lijn, welke
van het meer van Constanz komend het ltyndal doorsnijdt,
vereenigd heeft, gaat het kaarsrecht — iets zeldzaams
in het gebergte — vooruit. Wederom hebben wij het aan
onze plaats te danken, dat wy een heerlijken terugblik
genieten op het lange dal en de bergruggen, die het
insluiten. Een weinig nog en wij z\\jn op de plaats onzer
bestemming.
Eagaz, het zindelijke kleine stadje, schijnt door vreem-
delingen veel bezocht, althans de hotels telt men er by
dozijnen. Doch gij begrijpt dat deze het niet zijn welke
ons herwaarts deden komen. Noch de stad zelve, noch
Wartenstein noch het bekoorlijke Kijndal zouden bh\'
machte geweest zijn verandering te brengen in ons reis-
plan. De Taminaschlucht by Bad Pfafers was het doel
onzer komst, was de magneet die ons trok.
Eeeds is het vyf uur in den namiddag, de warmte heeft
voor de koelte plaats gemaakt en een wandeling zal ons
goed doen. Zyt gy wel ter been, dan verbied ik u uit
naam van al wat schoon is een wagen te bestijgen. Doe
zooals wij gedaan hebben: neem uw stok ter hand en
wandel de Tamina langs over den goeden rijweg, \'t Zal
u niet berouwen, want nauwelijks hebt gy het stadje
verlaten ot gij komt in een enge bergkloof. Links schuimt
en kookt het ontstuimig beekje aan den voet der vijf-
honderd meter hooge kalksteenrotsen, rechts zijn de rots-
wanden niet minder hoog en niet minder ruw.
Meer ruimte dan er noodig is voor beek en rijweg heeft
de natuur op de meeste plaatsen niet gelaten; dikwijls
zelfs was zy zoo vrijgevig niet en heeft het houweel zy\'n
kracht moeten toonen aan de harde steenen. Hier en
-ocr page 156-
- 150 —
daar, waar de bergengte zich kromt, is een bescheiden
plaatsje gegund aan een tiental dennen en eenige struiken
die iets droevigs hadden in hun bladerkroon, slechts een
paar paar uren daags door de zon beschenen.
Wel is de afstand van de stad tot de eigenlijke klove
slechts drie kwartier, doch ik zou met u een weddenschap
durven aangaan, dat gü meer dan een nur besteed hebt
aan uw wandeling, wanneer gü door een tunnel het oud3
badhuis bereikt. Er zjjn zoovele punten, waar gü even
vertoefd hebt, waar gü straks wederom bluft stilstaan!
Het badhuis heeft meer van een oud klooster, dan van
een badinrichting, zooals ze heden de verwende wereld
verlangt, \'t Zal hieraan wel toe te schrüven zyn, dat de
bevolking van dit herstellingsoord grootendeels uit lieden
bestaat, die niet tot de hooge kringen der maatschappij
behooren. Toch is er alles zindelyk en frisch, zoover wü
bemerken kunnen bü het doorgaan van de lange, over-
welfde kloostergangen, waarin handwyzers ons den weg
naar de Schlucht vergemakkelyken.
Aare- en Taminaschlucht zyn broeder en zuster, \'t
Valt niet moeilük die verwantschap te bewüzen; moeilük
valt het keuze te maken tusschen beide, want elk heeft
haar eigenaardigheden, die op elk een geheel bijzonder
zegel drukken.
Te Meiringen scheurde de Kirchet loodrecht, hier is de
rots in schuine richting gekloofd; hier bluft op den linker
oever der beek een smal voetpad vry, waarlangs de be-
zoeker veiliger gaat dan ginds over de zwakke balustrade
boven den stroom in de Aareklamm. De Aare vult de
geheele kloof, de Tamina schiet voor dat werk in kracht
te kort. Wel wordt op vele punten te Meiringen het
gezicht geschaad door de noodzakelyke loopplanken en
de gemeniede leuningen, maar het maakt op ons een
grootscheren indruk, wanneer de golven van een reeds
machtigen stroom woedend heen schieten onder onze voeten,
dan wanneer een kleine beek raast aan onze zyde. De
natuur bleet hier ongeschonden, en woester op menig punt
is de Taminakloof om de schuine richting, welke de rots-
spleet aannam; maar geen plaats dezer kortere „Schlucht"
kan het in majestueuze grootheid halen by den koepel,
door de Aareklamm in haar midden gevormd. Somber
valt hier het weinige licht door de smalle opening in de
diepte, en de hemel boven onze hoofden is niet zichtbaar;
dat geeft iets huiveringwekkends aan deze bergkrocht,
maar ontneemt haar tevens het bekoorlijke lichteffect,
dat in de Aareschlucht uw oog betooverde.
-ocr page 157-
- 151 -
Komt gü ter plaatse, waar de Tamina de ingewanden
des bergs binnentreedt, dan ziet gy- vóór u een naakten
rotswand en niet een schitterenden Kitzlihorn in zijn
hermelijnen kleed ven sneeuw en ijs.
Wordt ,myn oordeel gevraagd over beide, dan zal ik
ronduit myfl gevoelen zeggen: de Aareklamm is grootscher,
de Tamiuaschlucht is woester; en er bijvoegen, dat de
eerste een machtiger indruk op mij gemaakt heeft dan
de laatste. Werpt gü mij tegen, dat by\' omgekeerd be-
zoek de indruk mogelijk anders zou goweest zijn: dan
antwoord ik u volgaarne: „Niet onmogelijk."
Waar de Tamina haar „Schlucht" binnenstroomt, is
een gfot, welke geen vreemdeling onbezocht zal laten;
want reeds het woord van Baedeker: „Man legt Hut und
Üeberkleider ab und tritt in einen engen mit Darapfwolken
angefüllten Stollen," maakt een ieder verlangend dit na-
tuurwonder te bezoeken. Overkleederen hadden wij in
\'t. hotel achtergelaten; „hoeden af\' zal wel voor de dames
zijn, dachten wy en hielden de onze op. Wee u! zoo ge
een bril draagt! want aanstonds by het intreden van het
smalle gangetje veranderen de helderste kykglazen in het
dofste matglas, door den damp die er zich op vastzet:
gy zyt genoodzaakt uw oogassistenten voor eenige oogen-
blikken van hun functie te ontslaan of tastend uw weg
te vervolgen naar de warme bron, die een twintigtal
schreden verder in het hart der rots ontspringt. Vóór
wy daar aankomen zijn onze kleederen tot op het lichaam
door de warme vochtige lucht doortrokken. Dat is akelig,
zegt gy en huivert misschien reeds bij de gedachte alleen,
alsof men u een emmer koud water over de leden uit-
stortte. Dat is niet akelig: het pakt u weldadig aan en
gy haalt vrij en diep adem in de met damp gevulde lucht.
Dit natuurlijk inhalatietoestel werkt verkwikkend op de
longen.
In het binnenste gedeelte der grot borrelt het warme
water van uit de diepte op in het groote door de natuur
gevormde steenen bekken, van waar het door buizen naar
het badhuis wordt afgevoerd. De bewaker, die ons ver-
gezelt en voorlicht, neemt een glas, schept van het dam-
pende vocht en biedt het ons te drinken aan. Jteeds by
die beleefdheid alleen dacht ik wederom het water te
proeven van Akens heilbron en bedankte; doch op de
verzekering mijner vrienden, die na gedronken te hebben,
verklaarden, dat het reuk- en smaakloos was, bracht ook
ik myn lippen aan het glas, en vond den drank lekker in
zoover smakeloos water lekker kan wezen.
Door dien dronk gesterkt nemen wy\' den terugtocht
-ocr page 158-
— 152 -
aan. Een weinig te laat komen aan de table d\'hote is
geoorloofd, want voor de meesten is veel te laat komen
regel.
Aan het midden der tafel werd ons een plaats aange-
wezen. Als overburen hadden wij twee dametjes, een
mijnheer en óen mevrouw. Een der dames meende geestig
te zijn met haar zuster aan te stooten en op ons wyzend
te lachen, toen wy als altijd, bedaard ons kruisteeken
maakten en baden. Die aardigheid bleef niet onopgemerkt
en ook niet onbeantwoord, want het kruis na het korte
gebed sloegen wij veel grooter en veel langzamer dan het
eerste en zagen daarbij het dertigjarig nufje zooveel be-
teekenend in de fletsche oogen, dat z\\j de kijkers neersloeg
en rood werd tot achter de ooren Toen was het onze
beurt van lachen
Waarom zij niet meer dan driemaal haar zuster aan-
sprak gedurende den maaltijd, weet ik niet: wel weet ik,
dat ons gezelschap haar ver van aangenaam was.
Om by mama troost te zoeken, daarvoor werd haar de
gelegenheid niet gegeven, want deze was in zoo druk
gesprek met een heer, die naast mij zat, dat de dochter
het niet wagen dorst tusschenbeiden te komen. Papa
hoorde in zwijgende bewondering, gelijk het een pantoftel-
held past, zijn echtgenoote aan. Had ik in mijn jeugd beter
geleerd de teekenstift te hanteeren, ik zou dit pretentieuze,
rimpelige gezicht van mama op papier gebracht en opge-
zonden hebben aan de „Wegende". Ik weet zeker, dat
het geestige blad tot heden geen waardiger type van een
schoonmama heett afgedrukt.
Zy maakte op ons den indruk van een gewezen opera-
zangeres, want al wat zij sprak ging over theaters, opera\'s
en concerten. Parijs, Londen, Nizza, Blankenberghe,
Baden, Berlijn, daar zong de baryton A. en B., daar
kweelde Miss C. en D. lieflijker dan een nachtegaal. —
Sara Bernhardt en Patti zongen hemelsch, maar toch....
toen zü jong was.... Zou ze zich verraden? Ö, neen! zy
kuchte even en kuchte nog eens en vulde dan aan : „Ik heb
voor jaren te Weenen Miss Die (misschien noemde zy haar
eigen naam) gehoord: wat timbre in die stem! wat rijk-
dom! wat volheid! Hebt gij haar gehoord, mijnheer?....
Nooit?.... Dat spijt mü, mijnheer! gij moest ze gehoord
hebben."
En zoo ging het onafgebroken voort geheel den tijd dat
wy aan tafel zaten. Alleen werd het gezwets onderbroken
om bij ieder nieuw gerecht, dat zeer goed en zeer sma-
kelijk was, den neus op te halen en het hoofd te schudden,
gelyk een hond, wanneer de hem voorgezette aardappelen
-ocr page 159-
— 153 -
nog te warm zyn voor zyn kouden snuit. Dat bluf slaan
met muziekkennis konden wü verdragen, want wellicht
was ze een vroegere grootheid van de planken, maar die
verwaande ongegronde op- en aanmerkingen over alles,
wat er werd opgedischt, was ons onuitstaanbaar. Wan-
neer zal dit soort van bedillers eens leeren, dat juist
hun afkeuringen bewijzen, dat zij niet gewoon zün aan
een goede tafel?
Eonduit gesproken, wü waren blij van tafel te kunnen
opstaan, want zoo\'n schepsel vergalt den besten schotel.
Als we ze straks, een koningin gelijk, hebben zien wan-
delen voor het hotel, nu en dan bevelen gevend aan de
gargons van „Schweizerhof\', waar zn\' zoo goedkoop mo-
gelijk „en pension" is, als aan lakeien, dan zullen wy gaan
rusten in de overtuiging de kennis gemaakt te hebben
van een der meest onuitstaanbare wezens onder de zon.
XI. De Twee laatste Dagen.
Aan het meer van Zurich.
\'t Is morgen. Een dichte nevel hangt op dal en bergen,
en dwingt ons van het opstijgen naar Wartenstein af te
zien. Een morgenwandeling door de Kurgarten en de
tuinen achter het badhuis zal onze uitspanning zyn ge-
durende den tijd, die ons nog overblijft vóór het vertrek
van den trein van Ragaz naar Ziirich.
Zoo\'n drukte op dit zijlijntje hadden wij niet verwacht.
De wagens waren goed bezet en het kostte ons moeite
een plaatsje te vinden voor ons, maar vooral voor onze
kleine bagage, \'t Minste druk was \'t in den eersten
wagon: daar stegen wy in. Zitplaatsen waren er nog
minstens zes, doch ruimte voor onze kleine koffertjes was
er niet meer in de netten, die dreigden te scheuren onder
het gewicht van groote handkoffers en pakken, \'t Leek
een verhuiswagen. Een hoekje voor vier personen was
nog vrij: drie zitplaatsen voor ons, de vierde voor onze
reisbenoodigdheden. Wü waren gezeten, maar niet heel
gerust, want menigmaal hebben wü opgezien naar de
zware lading, die gevaarlyk als het zwaard vanDamocles,
boven onze hoofden heen en weer schommelde in de
zwakke netten.
„Wien mag deze winkel toebehooren?" vroeg Jan aan
Epi, en deze antwoordde: „Dat is moeilük uit te maken."
Harry vond dat niet en zei: „Ik wed aan dien kerel
achter ons." „Hoe kom je daaraan ?" \'t Was wederom
Jan, die de vraag stelde en hü ontving ter. antwoord: „Kük
den vent maar eens onder de oogen en ge zult my toe-
-ocr page 160-
- 154 -
geven, dat alleen zoon „frp/só/e" met zoo\'n boel koffers
op reis kan gaan. Hebt ge bem niet gezien bij het bin-
nenkomen P"
„Neen! maar ik wil hem zien," zei ik, „want ik ben
nieuwsgierig."
Daar is een plaatsje vrij aan de andere zijde van het
gangetje, dat den wilgen verdeelt; ga ik daar zitten dan
fcle ik hem en ook gijn echtgenoote reeht in het gelaat,
zoo dacht ik, en ik zat er reeds.
\'t Was een kerel bijna, twee meter lang, groot én grof
geschouderd; Boven de forsche schonken stak een hoofd
tiit, vóór zoo\'n lichaam veel te klein, dat, waar het niet
mèt haar begroeid was, de kleur vertoonde van onge"
brande koflie. Haar, pikzwart haar had dat artistenhoofd
op drie plaatsen: onder den neus niet genoeg en te borstelig,\'
boven de dogen te veel, en op den schedel meer dan té
teel ën meer dan te lang, want het viel neder tot over
de schouders en plaatste liet kleine hoofd als in een nis
van ebbenhout. Om de schoonheid verdiende het gelaat
die eereplaats niet want de pokken, de vijand der be-
valligheid, hadden het gelijk gemaakt aan een pas ge-
strooiden grindweg. Zelfs de flambard, wiens randen
groot genoeg waren om als zeilen op een koopvaardijer
dienst te doen, vermocht het niet de oneffenheden van
voorhoofd en wangen in zijn schaduw te verbergen. Om
zeker niet alledaagsch te zijn had de kunstenaar — gij
hebt reeds lang begrepen, dat hij daarvoor wil doorgaan
— den zwaren pellerine-overjas, een vrachtje voor een
kruier, niet behoeven aan te trekken op een snikheeten
dag als als deze
Neem een stuk perkament, frommel dat tien, twintig-
maal tusschen de beide handen, beproef dan er een men
schelijk gelaat van te vormen, zet ten laatste op hetgeen
gÜ neus zult noemen, het grootste lorgnet, dat gij vinden
kunt in \'t magazijn „Den Gouden Bril" en ik weet zeker
dat dit beeld van mevrouw, des kunstenaars ega, uit-
stekend zal lijken.
„Sargans!. Sargans!\' riep de conducteur met forsch en
diep geluid „Gepacktrager!" riep de kunstenaar met fijne
zwakke stem en stak het hoofd buiten het raam. . Er
kwam niemand opdagen. . „Gepacktrager!" riep het kin-
derstemmetje van den langen kerel tienmaal heel vlug
achter elkander... Er kwam nog niemand en mijnheer
werci boos en bleef roepen, en hoe boozer hij werd, hoe
fijner ook zijn fijne stem.„Sind dann kein Gepacktrager hier?"
vroeg hij den wagen rondziende en stampte daarbij zoo
hard op den planken vloer, dat deze dreunde. Dacht hij
-ocr page 161-
— 155 —
het gezelschap te kunnen engageeren óin hém over te
huizen? Zoo ja, dan heeft h(j zich deerlijk bedrogen,
want niemand stak de hulpvaardige hand uit. Pakjes-
dragers verschenen èr ook niet Wisten zij wellicht, dat
hier paardenwerk te verrichten was voor weinige pfen-
liingen? Wat bleef hem anders over dan zelf de handen
Uit de mouw te steken? Hij stapte uit en mevrouw gaf
hem door het raam het een stuk na het andere aan: vier
zware handkoffers, één groote reiszak, twee valiezen, twee
hoededoozen en even zooveel wandelstokken, bergstokken,
paraplu\'s en parasols.
Menigeen stond op om van de verhuizing getuigen te
zijn. Mynheer was sterk en dat kwam hem uitmuntend
te pas, want behalve de valiezen over den schouder,
droeg hy aan iedere hand twee koffers, en dat werk viel
hem lichter dan mevrouw het dragen van reiszak, hoede-
doozen, schermen en stokken. Hoe alles werd ingeladen
in den trein voor Altsü\'ltten hebben wy niet gezien, want
wij stoomden verder eer het inschepen begon; Laat ons
hopen, dat mijnheer in \'t vervolg GepÜcktrüger vinden
zal.... of thuis blijven.
De lijn door ons gisteren gevolgd langs het heerlijke
Walenmeer, langs Wesen en Lachen volgen wij ook heden,
maar wy genieten niet gelijk wij toen genoten. Te Lachen
bereiken wy het meer van Zürich, welks boorden wij tot
de stad, die haar naam gaf aan de groote See, niet
zullen verlaten.
Ik hoop, dat gij nooit genoodzaakt wordt op Zwitsersche
lijnen supplementen te nemen, gelijk wij het werden van
Pfüffikon tot Wadensweil, daar ons voor dit kleine routje
door den conducteur niet minder dan twaalf kaarten in
de hand werden gestopt, lleeds had ik myne reisgezellen
medegedeeld, dat het mijn plan was van deze zonderlinge
collectie op mijn kamer een waaiervormig tropeetje te
maken, gelijk dames dat toen nog deden van cacaoplaatjes;
maar helaas! ik moest te Wiidensweil geheel de verza-
meling roode, blauwe, groene en oranjekleurige papieren
gratis teruggeven aan hem, van wien ik ze tegen betaling
van eenige francs ontvangen had.
Gaarne geloof ik, dat het meer van Zürich een der
bekoorlijkheden van Zwitserland uitmaakt, maar het ge-
tuigen kan ik niet, want heldere dagen schijnen wy niet
te mogen beleven, wanneer ze ons het meest welkom
zouden zijn. Ternauwernood teekenden de heuvelen op
den anderen oever zich in flauwe lynen dor de nevelen af;
van de kleine steden en lieve dorpen, op den voet dier
heuvelen gezaaid, was geen enkel landhuis, geen enkel
-ocr page 162-
- 156 -
torentje zichtbaar. Toch kan ik my voorstellen hoe be-
koorlijk de overzijde wezen moet, want ook op dezen
oever zyn de dorpen talrijk en schilderachtig is hun lig-
ging- tegen den groenen bergrug. Ginds zal het niet
anders wezen.
Doch \'t is een geheel andere schoonheid, dan die wy
gevonden hebben aan de Walen See, wier boorden wy
zooeven verlieten, aan de meren van Thun, Brienz en
Lucern. Het meer van Zürich vertoont veel gelijkenis
met de wateren, die den naam dragen van Bieïer en
Neuchïlteller See, doch overtreft deze in bevalligheid.
Zürich, de stad, streeft wel Genève en Lucern, in zie-
lental voorbij, maar of ligging en omgeving de stad van
Zwingel schooner maakt dan haar zustersteden blijft voor
velen een open vraag. In menig opzicht gelijkt dit drie-
tal op elkander als tweelingen. Gelegen aan een der
schoone meren van Helvetië, breiden zy zich uit langs
beide oevers der „See"\', waar Bhóne, Eeuss en Limraat
met woest geweld de meren verlatend b\\j haar wederge-
boorte de steden in bijna gelijke helften verdeelen Wel
mag er eenig verschil zijn in de pracht van huizen en
hotels, in de vormen en bogen van bruggen, de algemeene
indruk door de steden zelve op den vreemdeling gemaakt,
als hy over het meer de zusters nadert, is vrijwel dezelfde.
Wat het Rousseau-eilandje is voor Genève en de oude
watertoren voor Lucern, dat zyn de nieuwe „Tonhallen"
voor Zürich. Eenigszins anders echter wordt de indruk,
indien wy" deze steden mèt haar omgeving beschouwen.
Van het meer uit kan Zürich in ligging wedijveren met
Lucern, doch moet voor \'t minste een weinig onderdoen
voor Genève, door hoogere bergen en rotsen nauwer in-
gesloten. Als wy straks uitrusten op het Stadhuisplein
oj stil staan op de Quaibiücke, zal de onderlinge verhou-
ding zich nogmaals wijzigen. Slaan wij van daar uit een
blik op het meer dan zullen wü hier veel overeenkomst
vinden met het vergezicht ons geboden op de brug van
den Mont Blanc, doch het Lucerner strand boven beide
verkiezen.
„Gij houdt Zürich voor de minst bevallige der zusters?"
Vraagt gij mnn gevoelen ronduit? Dan antwoord ik u:
„Ja," en voeg er by dat ik Lucern stel boven Genève.
„Gn spreekt stout," hoor ik u zeggen. „Weet gjj dan
niet dat de schoonheid ie pretentie maakt objectief te
zyn? Dat weet ik, maar ik weet ook, dat by de beoor-
deeling der schoonheid de subjectiviteit in het midden der
gezworenen zit. Gy vraagt my\'n meening, ik zal u niet
dwingen ze als de uwe te aanvaarden
-ocr page 163-
- 157 -
Volgens afspraak met onze vrienden te Einsiedeln ge-
maakt, nemen wy onzen intrek in \'t „Züricherhof"; zy
zouden in het tegenover gelegen? „Hotel Bellevue" een
kamer vragen. Gaan wy zien of zy thuis zyn.
„Twee Hollanders? Ingenieurs zeker?.... Ja, ja, die zün
hier,\' antwoordde de portier op onze vraag. Over de
veronderstelling dat onze bekenden tot [het corps der
ingenieurs behoorden, stonden w\'y\' geenszins verbaasd,
daar ook de eigenaar, zoowel als de portier van ons
hotel, ons reeds gevraagd had: „Zeker gekomen voor
het Congres?"
Nu moet gy weten, dat er juist een congres — natuur-
lijk een internationaal, want andere verdienen dien naam
niet meer, — van ingenieurs te Ziirich gehouden werd,
welk congres zyn zittingen had in „Bellevue", voor die
gelegenheid uit- en inwendig in feestdosch gestoken.
De Hollandsche ingenieurs werden ons genoemd en het
mogen specialiteiten zyn in hun vak, tot onze schande
moet ik bekennen, dat hun namen ons geheel vreemd in
de ooren klonken. Andere landgenooten waren er niet,
doch men had gisteren een veertigtal vreemdelingen
moeten afwyzen.
„Dan hebben zij hun intrek genomen in ons hotel," zoo
redeneerden wy. \'t Was spoedig gevraagd. Ja, er waren
twee Hollanders. Hoe was hun naam? De portier rad-
braakte de Hollandsche eigennamen zoo erbarmelijk, dat
wjj meenden wederom naast het net te visschen, doch
by den eersten blik in het vreemdelingenboek erkenden
wy de handteekening onzer vrienden.
Zij zijn natuuriyk uitgegaan, ook wy zullen het doen,
want de stad is wel een wandeling waard. Het eerste
curiosum dat wy aantreffen is het bronzen standbeeld van
Zwingel.
Daar heeft slechts één goede gedachte voorgezeten by
het plaatsen van dit beeld: dat het buiten de kerk staat.
In de kerk zelve is het de plaats niet voor een hervormer,
die duizenden van de Moeder-Kerk heeft losgescheurd.
Stond het op een marktveld of tusschen kermistenten, de
Blaats zou er te beter om zyn Beschouw het beeld zelve
>e herder heeft de 1 herderstaf weggeworpen en een
zwaard in handen genomen. Het kleed verraadt den
herder, het zwaard den krygsman; maar een herder voert
geen degen en een krygsman draagt geen priesterkleed.
Dit kleed om de lenden des mans, die van zichzelven
schryven dorst: „Indien men zegt, dat ik zondig door
hoovaardy, door gulzigheid en door wellust; geloof het
gerust, want ik wordt door die ondeugden en door nog
-ocr page 164-
— 158 —
andere beheerscht," is een godslastering; het zwaard in
de vuist eens krygers, die slechts uit vrees zich stak in
de uitrusting van een soldaat, is een bittere ironie en
een kaakslag voor de helden aller eeuwen. Godslastering
en ironie is in my\'n oog het standbeeld van Zwingli
achter het koor der Wasserkirche.
Laat ons verder gaan en een kykje nemen in de oude
stad met haar enge straten en schilderachtige, oude huizen;
in de nieuwe wijken, waar de rijkdom woont in weelderige,
styve paleizen; zoo zullen wy na een paar uurtjes zwer-
vens het station der Uetlibaan bereiken. Daar moeten
wy heen, want wig hebben het overal gelezen: in elk
station, in elk hotel, in elke restauratie stond het met
groote letters op kleurryke affiches: „GaatdenUetliberg
zien! hy is eenig in Zwitserland!" Hoe zouden wy ons
verantwoorden, indien wy er niet geweest waren?
Den botanischen tuin, die zoo goed onderhouden heet,
loopen wij even door, niet omdat wy plantenkenners zyn,
maar om niet gedwongen te worden een halt uur te
wachten aan het kleine station Nauwelijks is de groote
poort achter ons dichtgeslagen en bevinden wy ons we-
derom op de straatsteeneu ot wy loopen in den letterlyken
zin des woords onze twee Hollanders op het lyf, die nu
eerst terugkomen van hun tochtje, dat door hen vóór
zeven in den morgen reeds is aangevangen, \'t Wasbyna
vyf, toen wij elkander ontmoetten en de afspraak maakten:
om half acht aan table d\'hote. Dat kan nog juist, dach-
ten wy, maar dat kon niet, bemerkten wy al spoedig. Op
het bepnalde uur zouden wy eerst beneden zyn en het
hotel lag niet in de buurt der statie. Een weinig te laat\'
wat maakt dat? Wij vertrekken.
Schooner en lieflijker in menig opzicht en op menig
punt is de Uetlibaan dan die, welke ons den Pilatus op-
voerde; doch bij de banen van Grand Salève en Schynige
Platte kan zij het niet halen, al wordt ons nu en dan een blik
gegund op de ryke stad Of het vergezicht op den top
des Uetlibergs en op den yzeren toren by de restauratie
vergeleken kan worden by de panorama\'s, die op ge-
noemde bergtoppen den vreemdeling in verrukking brengen,
weet ik niet; want tot onze bittere teleurstelling was de
lucht zoo nevelachtig, dat niet een enkele kruin der
hooge Alpen zichtbaar was en Wollishofen noch Zollikon
zyn bestaan verried. Zürich alleen en een smalle strook
van \'t groote meer lag vry duidelyk voor ons. Wy zullen
niet afdingen op de heerlyk schoone ligging der stad,
doch of het waar is wat Baedeker zegt, dat Uetliberg
„von den, den Alpen niiher gelegenen Höhen an Lieblich-
-ocr page 165-
— 159 —
keil nicht erreicht" wordt, kunnen wy\' niet beoordeelen.
„Lieve hemel," zei Harry, „moeten wy hier twee uren
doorbrengen ? Dat is te lang."
„Wat dan gedaan?" vroeg ik.
„Wel," antwoordde Jan, „laat ons beginnen met een
potje Beiersch. Dat geeft vroolyke hersenen, en vroolyke
hersenen maken goede plannen."
„Zou je donken? Vooruit dan."
\'t Bestijgen vordert twee uur, beweert onze reisgids.
Dan het afdalen geen anderhalf voor jonge beenen, zoo
besluiten wij; en dat brengt er ons toe om. met opoffering
van het retourbiljet, te voet stadwaarts te keeren.
\'t Was een prachtige wandelweg en een frissche avond-
koelte. „\'t Gaat goed," zeiden wy tot elkander; „wij komen
nog tydig aan tafel." \'t Zou niet gebeuren, want de
Hollandsche distantierekening schijnt ook hier in zwang:
de weg was langer dan wij gedacht hadden. Een enkel
straatje hebben wij mogelijk oingeloopen, maar dwalen
deden wij niet, al moesten wy hij liet licht der gaslantaarns
den weg zoeken door Schnau en Zürich.
Een rytuig zou ons de route een half uur verkort heb-
ben en de tram een kwartier, doch het eerste vonden wy
niet en de laatste was telkens meer dan vol.
Vermoeid van de lange wandeling en slecht gemutst
omdat wy de gasten reeds aan het dessert vonden, kwa-
men wy in „Ziïricherhof" aan. Onze vrienden hadden zoo
trouw en zoolang mogelijk plaats bewaard, en moesten
nu voor belooning wachten, tot ons avondmaal gebruikt
was. Zy waren gelukkig in goede stemming en wy kwa-
men er in, zoodra zy by ons aan een zijtafeltje plaats
namen.
„Hebt ge de jonggehuwden opgemerkt, die tegenover
ons aan tafel zaten?" vroeg de jongste der twee.
„Ja," zei ik. „\'t Zyn Hollanders, want toen wy by\' u
kwamen, hoorde ik ze tot elkander zeggen: „Daar heb
je er nog drie."
»Nu," zoo vervolgde hij, „dat paartje had de kennelijke
bedoeling ons in het ootje te nemen. Zy bekeken ons,
fluisterden, lachten, knipoogden tegen elkander en bewezen
ons alle liefelijkheden, die van spotlust getuigden. Ik had
eenige hunner woorden, in het Hollandsch gesproken,
opgevangen en, ofschoon zeer goed begrijpend, dat daar
de knoop niet zat, zei ik, luid genoeg om byua door ge-
heel de tafel verstaan te worden: „Collega, merk je \'t
wel ? onze overburen schijnen het Hollandsch spreken be-
lachelijk te vinden." De aardigheden hielden op.
\'t Is opmerkelijk dat ons soort van menschen juist door
-ocr page 166-
- 160 -
eigen landgenooten in den vreemde het meest gebrutali-
seerd wordt. Erger staaltjes, dan dit, zijn mij bekend.
Hebben wij misschien minder recht op nette behandeling
dan andere natuurgenooten, of meent men dat het schoon
en mannelijk staat een publiek bewijs te leveren, dat men
het eeiste artikel van het wetboek der burgerlijke wel-
levendheid nog moet leeren?
Doch laat ons het geval vergeten; ik houd te veel van
al wat Hollander is om er langer by stil te staan. Ver-
gezel ons liever naar het meer: er is ter eere der con-
gresleden een gondeloptocht georganiseerd.
Met moeite vinden wy een goed standplaatsje, want al
wat leven ontvangen heeft in de stad is naar de kaden
gestroomd. Achter elkander, als trekkende ganzen, drin-
gen wü door de menigte heen en komen in de eerste ge-
lederen. Onafzienbare rijen veelkleurige lampions en
glaasjes slingeren zich op beide oevers tusschen het ge-
boomte en golven zacht op den adem der avondkoelte,
of volgen de bogen en lijnen van brug en pijlers, van
huizen, vensterramen en dakgoten.
Het bengaalsch licht hult beurtelings Eaadhuis en Beurs,
„Neue Tonhalle" en beide Paleizen in rooden, groenen of
purperen gloed en doet die prachtige en weelderige ge-
bouwen tooverachtig uitkomen tegen den donkeren hemel.
Een stoomboot, die uit licht gebouwd schijnt, drijft statig
door den meerboezem. Als jonge zwaantjes, spelend om
de moeder, zweven honderden verlichte roeibootjes om den
stoomer, en die kleine vaartuigen dansen lustig op den
lichten golfslag. De duizenden lichten weerspiegelen zich
in het watervlak, de zachte rimpeling des meers verme-
nigvuldigt die lichtbronnen en speelt er mede, gelijk de
hemel bij helderen zoipernacht soms speelt met vallende
sterren.
Had de vermoeiende wandeling van dezen namiddag
ons niet gedwongen rust te zoeken, misschien zouden wy
van onze toegangskaarten tot de zalen en tuinen der
oude „Tonhalle" geen gebruik gemaakt hebben. Nu be-
sloten wy een plaatsje te zoeken onder de bonte menigte,
die, gezeten langs het hek, waardoor de hooger gelegen
tuin van de kade gescheiden wordt, een by\'na even vry
uitzicht had op het meer, als wy in het eerste gelid op
de kade. Wy zouden daarin echter niet geslaagd zyn,
had de vriendelijkheid van eender fooitjes jagende Jans ons
geen tafeltje bezorgd. By het genot van heerlijke muziek,
by den aanblik van \'t in toovergloed gehulde meer,
brachten wy den meest genoeglijken avond van ons Zwit-
sersch reisje door, en schrokken by de ontdekking, dat
-ocr page 167-
— 161 -
voor den dag van heden de laatste stond reeds was
aangebroken. Maar het uurtje nachtrust, aan zoo genot-
vol een avond ten otfer gebracht, zal ik nooit betreuren.
Daar was ook geen reden voor, want niets belette ons
den volgenden morgen wat later op te staan. Vóór het
vertrek, dat op elf uur gesteld was, een bezoek te bren-
gen aan de oude. ontwijde Mnnsterkerk, aan het Arboretum
en het Belvoirpark, aan het Panorama van den slag by
Mürten; zelfs, als gy wilt, aan het Polytechnicum, is een
gezonde wandeling, meer niet. Doch dan wordt liet tijd
afscheid te nemen van onze Hollandsche vrienden, die
over Lucern de terugreis naar het vaderland aanvaarden,
en onze koffertjes te pakken.
Bij den Kun val.
De trein voor Schaöhausen — leg den klemtoon op de
voorlaatste lettergreep, of men lacht u uit — zal ons
medenemen langs Winterhur. Nog wordt ons ter rechter-
zijde een blik gegund op de verre bergen van St. Gallen,
maar in onze nabijheid zijn de hoogten reeds lager, en
wanneer wy te Winterhur, de fabriekstad van Zwitserland,
van trein verwisseld hebben, vinden wij op onzen weg
slechts heuvelen, oogenschijnlijk minder hoog dan de
Ardennen en niet ongelijk aan die, welke de bekoorlijk-
heid uitmaken van het land tusschen Maastricht en Aken.
Zy\'n in het Geuldal de toppen .voor het meerendeel in ge-
lijkmatige vierkanten verdeeld als een schaakbord, waar-
van het goudgele koren de witte en het donkergroene
loof van aardappelstruik of klaver de zwarte vakjes
vormt; hier wisselen bosch en weide elkander af in
grootere verscheidenheid. Zelfs de adelaar schijnt deze
streken nog te bezoeken: daar drijft hü op breeden wiek
boven een dennenbosch!
In weinig tijd brengt het vlugge spoor den toerist van
het Züricher meer op de boorden van den „Grootvorst
van Europa\'s stroomen." Daar is Dachsen reeds! Op-
gepast! aanstonds zullen wy den waterval even te zien
krijgen. Even slechts! want nauwelijks heeft het oog do
vallende wateren aanschouwd, of de trein snort een tunnel
in, onder het slot Laufen door, over de steenen brug,
die een vijftigtal meters boven den val de beide oevers
verbindt. Eenige minuten nog en „Schaffhausen! Schaff-
hauson!" klinkt het langs den wagen.
Waarom niet te Dachsen, of in een der hotels bij den
waterval overnacht? Daar meenden wy afdoende reden
-ocr page 168-
- 1C2 -
voor te hebben. Wilt gy ze hooren? Welnu! Met den
trein van halfnegen ondernemen wy morgen de terugreis
naar het vaderland, \'t Is dus zaak vroeg by de pinken
te zyn, en hoe dichter het hotel by het station gelegen
is, hoe beter in zulk geval.
„Hotel Muller" voldoet aan dit vereischte en staat
bovendien in ons couponboekje, \'t Ziet er tamelijk een-
voudig uit en schijnt heel wat minder dan de vreemde-
lingenverblyven, welke wij gewoon zijn te bezoeken. Doch
met dien eenvoud zün wy spoedig verzoend, daar wy nette
kamers hebben en een tatel beter en smakelijker, dan
men in menig hotel van den eersten rang ziet opgedischt.
Wy ondervonden zulks aan table d\'hote, die by onze
aankomst begon; wij ondervonden het beter nog des
avonds, toen wy „a prix fixe" een avondmaal bereid vonden,
dat lekkerbekken zou doen watertanden, Hoe de eigenaar
voor dien matigen prys drie personen zooveel en zooveel
goeds kan voorzetten, is my nog een raadsel. Als dezelfde
Muller op dezelfde wyze zijn gasten blijft bedienen, zou
ik alle Hollanders, die deze stad bezoeken, by hem willen
binnen leiden.
Toen wy opstonden van tafel kwam Jan eensklaps tot
de ontdekking, dat hy zyn overjas in den trein had ach-
tergelaten. Goede raad is duur, zegt men soms; doch
dat geldt niet in zulk geval, daar er slechts een raad
goed is, en wie kent hem niet? Aanstonds naar het sta-
tion en de zaak den chef in handen gegeven. Deze ver-
wees ons naar een beambte en eer het vyf minuten later
was, wist men te Singen en mogelyk te Frankfort reeds,
dat in waggon die en die een demi-saison vergeten werd.
Vanavond of morgen vroeg is hy hier, verzekerde men
ons: wy zouden eens komen hooren.
Het doel van ons bezoek aan Schaffhausen is natuurlijk
de waterval. Daarheen richten wy dan ook het eerst
onze schreden, De weg, dien wy volgen, brengt ons in
de nabijheid der beroemde waterwerken, welke alle fa-
brieken der stad dry ven. Zoo ik er niet zeker van was
my te vergrijpen aan de wetten der mechanica, zou ik
my\' verstouten u eenigen uitleg te geven van het ver-
nuftig werk van Mozer, die de kracht van den stroom
wist over te breDgen in talrijke werkplaatsen. Thans
mag ik niet verder gaan dan u wyzen op de vele raderen
en drijfriemen, door de wateren van den Ityn in beweging
gebracht.
Op den rijweg van Schaffhausen naar Neuhausen, het
plaatsje by den waterval gelegen, weten wy slechts een
-ocr page 169-
- 163 -
zaak af te keuren, namelijk het gemis van alles wat
eenige schaduw kan bieden aan de toeristen, die hem be-
wandelen op een warmen dag als dezen. In het dorpje
aangekomen, vinden wy een handwijzer, welke ons het
voetpad aanwijst dat men te volgen heett om de spoor-
brug te bereiken. De toegang tot het steenen gevaarte
is vrij. Lang vertoeven wij er niet, want de wilde vaart
des Rijns door zijn rotsachtige ondiepe bedding is het
eenige wat hier onze aandacht vraagt.
Het slot „Laufen", hoog boven den vallenden stroom
tusschen het dichte struikgewas gebouwd, is in tien mi-
nuten te genaken.
Slot en omgeving is er op ingericht om den machtigsten
waterval van Europa in al zijn grootheid aan den vreem-
deling te toonen. Een frank slechts en wy\' bestijgen het
balkon, vanwaar wij hem uit de hoogte overzien. Wilt
gÜ nu reeds weten hoe het bengaalsch vuur dezen avond
de wateren zal kleuren, volg my dan in het torentje
naast het kleine plateau, en door de groene, roode en
gele vensterramen zal het u toeschijnen, dat het veel-
kleurige kunstlicht speelt met het ontstuimig stroomnat.
„Ze hebben natuur gezien," denkt onze practische ge-
leider, „nu zal ik ze eens kunstwerk toonen. Mogelijk
verdien ik nog een stuivertje aan die heeren, want zy\'
schijnen gevoel te hebben voor het schoone.
„Hoe nu?" vraagt gij. Met uw welmeenen, vriend!
denk u „Lauten" niet als het verblijf eener prinselijke
familie. Het uiterlijke verraadt wel het kasteel, maar
het inwendige is een magazijn en de toerist, die kooplust
gevoelt, heeft keus en keur. Doeken en paneelen in elke
grootte stollen den waterval voor op alle momenten van
dag en nacht; by zon- en maanlicht, bü den gloed van
het kunstvuur, bü den weerschijn des bliksems.
Houtsneewerken en speeldoozen, musiceerende stoeltjes
en bankjes, honderden snuisterijen, in den wintertijd door
den armen, maar handigen Zwitser vervaardigd, worden
ons aangeboden, doch wy hebben geen lust 500 franks te
besteden voor een middelmatig doek, of 200 voor een
stoeltje, dat deuntjes speelt, zoodra de bezoeker er zich
op nederzet.
Wij hebben genoeg van deze kunst en gaan weer ge-
nieten van een natuur, waarbij geen kunst mag
halen. Welnu, dalen wy de helling af en het Paviljoen,
maar vooral het Kiinzeli, het punt waar men de vallen in
al hun schoonheid het best overziet, zal ons geven wat
wy verlangen. Van de ontzettende kracht der neerplof-
fende wateren wenscht gy u te overtuigen? Dan zal ik
-ocr page 170-
— 164 -
u voorgaan naar de y\'zeren balustrade, — „Fischetz"
noemt haar de Zwitser — waar de afgeschoten water-
massa\'s met donderend geraas langs ons henen van den
rotswand springen. De plek, waar wij staan, dreunt of
een aardbeving de rotsen bewoog en het ijzer, dat ons
draagt, trilt of het dreigde te breken. Niet het woest
geweld van den vallenden Ry\'n verdrijft ons van deze
plaats, maar wel de fijne regendroppon, die opgestegen
uit do branding, zich als pareltjes vastzetten op ons
kleed en ons gelaat.
„Men geeft er regenmantels," zegt Baedeker. .Soms,"
vul ik aan, want heden hebben wy daarvan niets bemerkt,
hier noch bij het houien veerhuisje op den oever van den
stroom, waar bootjes gereed liggen en roeiers zittend
wachten om de vreemdelingen over te brengen naar Schloss
Worth of naar de rots in het midden van den val.
Nog bleef u b\\j het beeld van woestheid en ongekende
kracht, dat zich op de balustrade in uw geest heeft ge-
vormd en het schijnt u levensgevaarlijk toe op te roeien naar
het midden van den waterval. Er is echter niet het minste
gevaar. Volg ons gerust, want het bootje is sterk en de
hand des roeiers is krachtig en geoefend. Wel zullen wy
dansen op de golven, alsof het schuitje een notedop ware,
maar in de branding komen wy niet. Al slaat een booze
golf nu en dan tegen den boeg van ons vaartuig met de
kracht en het geluid van een zwaren hamer, al schokt en
schudt, de boot by dien slag; vrees niet! want wij komen
behouden aan den voet der rots. Wordt gij echter door
de zenuwen geplaagd, dan neem ik u niet mede, want al
is uw gezelschap my\' nog zoo aangenaam, van zenuwtoe-
vallen houd ik niet.
Is hier iets nieuws, iets schooners te zien, dan wy op
„Laufen" zagen? Neen: om nieuwe schoonheden te ont-
dekken, behoeven wy niet herwaarts te komen. Fr zyn
plaatsen, waar men geweest moet zyn, en tot deze behoort
de rots, waarop wy staan. Wilt gij een nieuw gezichts-
punt, steek dan met ons over naar het slot Würth. Op
het terras vóór deze restauratie overziet gij niet alleen
den waterval in geheel zijn breedte, maar ook de schil-
derachtige omgeving. Vóór u den Kynval, door een groo-
tere en kleinere rots in drie deelen verdeeld. Rechts van
dezen „Laufien" op de boschryke hoogte. Links de groote
fabriek van waggons met het lieve dorpje Neuhausen.
De spoorbrug en de groene heuvelen van den rechter
stroomoever vormen den achtergrond van dit heerlijke
landschap.
Wy schijnen meer vatbaar voor bewondering dan Van
-ocr page 171-
— 165 —
Lennep, wiens enthousiasme zich hier lucht geeft in deze
woorden: „De watermassa, die zich hier van de hoogte
neerstort, is zeker aanzienlijk, en de opstijgende wolken
schuim doen een fraaie uitwerking, maar ongelukkig zijn
de oevers aan weerszijden van de plaats, waar de rivier
nedervalt, zeer laag, en is er bijna geen achtergrond;
zoodat aan de schilderij een behoorlijke lijst ontbreekt."
De iyst van dit tableau — ik moet het bekennen — is
niet van de breedste, maar er zijn schilderstukken, die
geen breed kader behoeven om schoon te zijn.
„Wie beschreef er ooit de «rondren van \'t Hclvetisch land,
Die niet, \'t zij in rijm of omrijm, of verheven trant
Viin \'t ïiiituurtnfereel gewaagde, dat de Rijnstroom biedt,
Waar liet helderstroomend water vnn zijn snellen vliet
Plotseling van \'t aelondo schoapshuis neerstort van omhoog?"
Zoo rijmt Vader Jacob een bladzijde verder; hij zal \'t
ons dus niet kwalijk nemen, dat wij ons, al hoorden ook wij
„van zoo meen\'gen bergstroom reeds het golfgcklots,"
aan de zijde dier bewonderaars scharen, en méór aan-
trekkelijks vinden in de Kijncascade dan de „zielsver-
rukkend zoete" idee:
„Elke blanke waterdroppel.......
.......moet door Neerland gaan."
Want dit laatste kunnen wij met evenveel recht toe-
passen op de wateren van Aare en Eeuss, en als dit de
eenige aantrekkelijkheid van „Der Laufen" was, zou zelfs
geen Nederlander te Schaffhausen afstappen.
Doch wü zullen met Van Lennep niet langer redeka-
velen en ons nederzetten voor Würth in het vrije gezicht
van den majestueuzen waterval.
Iets gebruiken is de entrcekaart van een restaurant:
\'t komt ons goed te pas, want de keel is droog en dorstig
geworden. Een kellnerin in Oberlandscu kostuum, vraagt
wat de heeren verlangen en antwoordt op onze bestelling
in zoo zuiver Meijerijsch dialect: „Jao gèr," dat geen
boerendeerne onzer dorpen het verbeteren zou. Wij vin-
den het aardig de landstaal van Brabant te hooren uit
den mond eener Zwitsersche schoone en zijn geneigd Van
Lenneps gewaagde hypothese, als zou de krachtige volks-
stam der Oberlanden eenzelfde bloed in de aderen hebben
als wy, Hollanders, aan te nemen: altijd, dat spreekt,
onder beneficie van inventaris.
-ocr page 172-
— 166 -
Stadwaarts terugkeeren over „Hohfluh" om daar een
afscheidsgroet te brengen aan de Alpen, zou ik Inj hel-
deren hemel eenieder aanraden. Op een dag als heden
is de korste weg over Neuhausen te verkiezen:
Al beviuden wy ons een uurtje later in Schaffhausen,
toch wü hebben nog geen afscheid genomen van den
Rijn val.
Mons Muller kwam ons boodschappen, dat een weinig
na klokke negen een tweespan vóór zou komen, waarvan
wy, natuurlijk tegen betaling, gebruik konden maken,
indien wij de verlichting van den val wenschten te zien.
Niets natuurlyker dan dit. Wy stegen op: „te laat"
dachten wy, maar zóo juist wist de koetsier den draf
zijner paarden te regelen, dat wy aankwamen toen de
eerste vuurpijlen het teeken voor de verlichting gaven.
Een electrische reflector werpt zyn sterken stralenbun-
del beurtelings op een der drie deelen van den val, op
de geheele watermassa of het schilderachtige slot, dat de
rots bekroont. Van den rotsblok in het midden der val-
lende wateren, van de tinnen en uit de tuinen van
„Laufen" schieten vuurpijlen en raketten als staartsterren
op naar den donkeren hemel. De bengaalsche vlam begint
haar tooverspel op het donzige schuim. Eood als een
vuurzee schijnt de Rijn van de hoogte neer te vallen en
de stofwolk die hy opzendt is als de rosse gloed van een
machtigen brand. Plotseling valt de duisternis op de
wateren. Daar staat Laufen in brand! de steenen van
torentjes en trapgevels lijken doorschijnend rood als
gloeiend glas. Het geloei der vallende wateren verhoogt
het feërieke van dit schouwspel. Een oogenblik nog en
ook deze baden zich wederom in het volle licht en zyn
een reusachtigen regenboog gelyk, wanneer de veelkleurige
gloed van het kunstvuur de vallen afwisselend verlicht.
Lang duurt dat kleurengetoover niet; lang genoeg even-
wel om in uw verbeelding een onuitwischbaar beeld te
prenten van Neuhausens schoonen waterval.
Zoodra de duisternis voorgoed zich over den stroom
had uitgespreid, namen wy afscheid van den laatsten en
grootsten waterval van Zwitserland.
De grootste is hy zeker, al valt hij slechts 18, of vol-
gens een al te gunstige berekening 30 meter; want niet
één zyner broeders is breed en machtig, als hy. Is hy
de schoonste? Een moeielyke vraag, omdat vergelyken
meer dan moeielyk, wellicht onmogelijk is.
„De Rijnval is grootscher, de Staubbach hooger, de
Reichenbach woester, nergens is het tafereel zoo volledig,
zoo harmonisch, zoo verrukkend schoon als by den Gies*
-ocr page 173-
- 167 —
bach," zegt Toni/, maar VeuiUot deelt geenszins zyn be-
wondering. „Pauvre cascade, bien inférieure aux casca-
telles de Tivoli!" hoorden wjj hem uitroepen op de rots
aan \'t meer van Brienz Wie heeft gelyk? of zondigen
beiden door overdrijving? \'t Blyft een open vraag, welk
landschap het schoonste is, dat vóór ons ligt, wanneer
wy staan by Wörth, of dat, hetwelk wy" zagen van het
terras by het „Hotel Giessbach." Ginds heeft de natuur
iets sombers en eentonigs in haar rijken, maar door niets
afgewisselden plantengroei; hier rust de blauwe lucht
lager op de heuvelklingen, terwijl Laufen en Neuhausen
leven en vroolijkheid geven aan den Rynval; iets, wat gy
tevergeefs zoekt by den Giesbacb. De Rynval stemt tot
lustige opgewektheid, de Giesbach tot sentimentalitiet:
by den eersten zou een dichter verzen schrijven vol gloed
en levenslust, by den laatste zingen in tonen ziekelijk
week.
By het beoordeelen dezer twee, zeker de meest bezochte
watervallen, vraagt gy ons, welke van de menigvuldige
cascades die wy bezochten; naar onze meening de heer-
lijkste is. „Z)e gustibus non at disputandum": over smaak
moet men niet twisten, zeiden de ouden, en dat is nog
heden waar. Tony\'s grootsten lof voor den Staubbach is
„dat hy hooger is"; Van Lennep spot met den roem van
Lauterbrunnen, waar hij h3m noemt: „Een dier wonderen
waar het meeste beweging over gemaakt wordt, en die
over het algemeen teleurstelling brengen by den be-
schouwer"; en hem vergelijkt met „den rook, die uit den
schoorsteen eener raffinaderij naar beneden gaat." Dat
wordt al te erg! Wy zien liever met Byron in zyn gol-
ving den staart van \'t witte en fiere ros, of meenen met
Beets in de beek, die den sprong van duizend voet waagt,
weer te vinden
„(Het) beeld van ben, die God verzoeken,
(Wier) scblttrend wa;igstuk wordt ten spot.
Het dal ziet van de roekloos kloeken
Zelfs geen elloudig overschot."
Zulke idéé zal ude Giessbach niet opwekken in het hart.
Daar is het de omgeving, niet de waterval zelf\' welke
deze plaats aantrekkelijk maakt. Hak de welige bosschen
om, die den bergrug aan Brienz\' meer bekleeden en de
woorden van Veuilot: „q.u\'t ne vaut point qu\'on Taille
chercher," zullen bewaarheid wórden. Op de om-
geving ding ik niets af, maar de Giessbach zelf moet in
schoonheid ver onderdoen voor den ryken benedenval van
Meiringens Ryke Beek.
-ocr page 174-
- 168 -
Een zaak slechts heeft de eerste op den Reichenbach
voor; dat men al de vallen van den Giesbach met uit-
zondering van den laatsten overziet op het plateau
des hotels.
De bovenval van den Reichenbach en de Handeggfals
stel ik ver boven alle cascades, welke wy in Zwitserland
zagen. Al schiet de Ityn tienmaal meer water af dan
beide te zamen, al is de Staubbach hooger en de Gies-
bach beroemder dan dit tweetal; nergens zijn de neer-
stortende wateren zoo woest, nergens is de natuur zoo
ontembaar wild, als te Meiringen en op den Handegg.
Deze en dergelijke bespiegelingen maakten w\\j, zittende
voor ons hotel in de avondkoelte. \'t Was de laatste
avond van ons verblijf in Zwitserland en een onzer vierde
zjjn verjaardag. Dat scheen ons reden genoeg om niet
met de kippen naar bed te gaan, al moesten wy met het
gevederde volkje den nieuwen dag begroeten om de stad
te kunnen doorkruisen voor ons vertek. Wat maakt het
wanneer men jong is? De oude abdijkerk, in welker
toren de klokke hangt met het opschrift: „Vivos voco,
mortuos plango, fulgura frango"\'j dat Schiller zijn on-
sterfelijk „Lied von der Glocke" deed zingen, zoowel als
het „Ritterhaus" is een bezoek waard.
XII. Naar Honk.
En nu: „Adieu Zwitserland!.... Neen! au revoir!"
Wij verlaten uw grenzen, maar komen, God geve het,
nog eens, nog meermalen terug om \'s Heeren groote
majesteit te lezen, in ijs en sneeuw op de bergen geschre-
ven; om de macht te prijzen van de hand Desgenen, d:e
uw reuzen vormde. — Magnus Dominus in operibus suis:
de Heer is groot in zyn werken! Dat wisten wü vóór
wij den bodem van Helvetic betraden, doch beter gevoelen
wy het, na een gedeelte van het schoonste land der
wereld doorkruist te hebben.
De veertien volle dagen, die wy rondzwierven in deze
streken, zijn zoo kort gevallen, dat wy ons met de hand
aan het voorhoofd afvragen, alsof wy te vroeg ontwaken
uit een zoeten droom, »Is ons programma nu reeds aan
zyn slotnummer?" Al wenschten wy het anders, de wer-
kelijkheid antwoordt: „Ja." Wy moeten terug naar de
Lage Landen aan de Noordzee.
Door het Schwarzwald en langs den Rijn zal de tocht
naar onze huisgoden in twee dagen volbracht worden.
1) De levenden roep ik, de dooden beween ik, de bliksems breek ik.
-ocr page 175-
— 109 —
Ik zie dat dit ons leisplan u het hoofd doet schudden
en glimlachen om onze onnoozelheid. Gy hebt gelijk,
indien gy meent, dat w\\j beproeven zullen beide in dien
tijd — wat men noemt — te zien. Zwitserland was ons
hoofd- en einddoel: de rest was bijzaak en is bijzaak ge-
bleven. Doch niemand zal het ons euvel duiden, dat wy
den aangenaamsten weg genomen hebben, al is het mis-
schien niet de kortste. De schoone bergen van Baden
en de bekoorlijke oevers van Vader Ry"n vormen een
waardig slotnummer van een Zwitsersch reisje. Zoo re-
deneerden wy, toen wij te Schati\'hausen op den sneltrein
stapten.
Natuurlijk had Jan reeds gisteren avond voor den
eersten en nu voor den tweeden keer gevraagd, of zijn
jas was aangekomen. „Nog niet," luidde het ook heden-
morgen en men gaf hem den raad, aan elk station, waar
het mogelijk was, naar het kleedingstuk te vragen. De
beambte zou er op gezworen hehben, indien wy het ver-
langden, dat onderweg de demi-saison ons in de hand zou
vallen, als de gebraden kwakkels in den mond der be-
woners van Luilekkerland. Doch hoe Jan de hand ook
uitstak om den vliegenden vogel te vangen, \'t was te
vergeefs. Eerst te Ottenburg waar hy een lange lyst,
een soort van politiesignalement van den gedeserteerde,
moest invullen, kwam er een eind aan de eindelooze in-
formatie. De jas zou aan het opgegeven adres gezonden
worden, zei men; maar ons vertrouwen was klein, \'t Had
groot moeten zyn, want na weinige dagen werd er een
pakje uit Frankfort op de kamer van Jan bezorgd, \'t
Was \'t vermiste kleed, dat uit het papieren omhulsel te
voorschijn kwam.
Hebt gy wellicht dezen nacht niet lang genoeg geslapen,
knap dan na Schaffhausen een uiltje! Te Schetzlingen,
waar de eerste toppen der Badensche bergen zichtbaar
worden, zal ik u wekken. „Niet te Donaueschingen ?"
Als ik u van uit den trein den oorsprong kon aanwijzen
van den Donau, dien „afkeerigen broeder" des Rijns, zou
ik u zeker wakker schudden; maar de heer op het bankje
achter ons, die in deze streken een goed bekende schijnt,
poogt tevergeefs zyn reisgezelschap en ons de geboorte-
plek des strooms te wijzen. Wy\' zien niets en laten u
rustig doorsluimeren, tot de trein het Schwarzwald ge-
naderd is.
Niet ten onrechte is de naam van Zwarte Woud aan
deze keten gegeven. Byna alle heuvelen en bergen zyn
met donkere wouden bedekt en die onafzienbare bosschen
-ocr page 176-
— 17 J -
golven door en over elkander als de reusachtige baren
eeuer opgezweepte zee. — Triberg en Homberg! Waarom
kunnen wij niet eenige dagen ronddolen om deze heerlijk
schooue plaatsen, in het hart der bergen gelegen? —
Vinden wij hier de keertunnels van Wasen weer? Als
een slang kronkelt zich de ijzeren weg, dien w\\j volgen,
door het gebergte, door tunnels en wouden, langs beek
en groenen bergrug Staande vóór de raampjes bewon-
deren wü de rijke natuur in haar eindelooze schakeeringen;
den zonnegloed, die speelt op de kruinen; de stille scha-
duw, die als een sluier hangt over dalen en ravijnen.
Doch al deze bekoorlijkheid moet onderdoen voor het
eenige Wasen.
Te spoedig stopt de locomotief bij Appenweiler en zegt
ons, dat wy het gebergte van Baden verlaten hebben.
Het stoompaard heeft z\'Jn rust voor heden verdiend. Wij
hebben geen zwaar werk verricht en maken daarom nog
geen aanspraak op rusten. Vooruit dus! daar-wacht ons
de sneltrein Bazel—Keulen reeds! Da trein is over-
vol! stellen wy ons tevreden met de drie plaatsen, die
in het hoekje van den doorloopenden wagen nog onbezet
zijn. Gij zijt tocli niet bevreesd voor den jongenheer, die
de vierde plaats in beslag heeft genomen?
\'t Is een Engelschman, die nog te weinig haartjes heelt
onder den arendsneus om ze tot snor te laten aangroeien.
Kan hü 23 zomers tellen? Meer niet, zou ik meenen.
Zijn kleederen getuigen in de hoogste mate van non-
chalance; alleen voor de gele puntschoenen schijnt hij iets
te gevoelen wat naar liefde zweemt, want zoo juist heeft
hü ze met den zakdoek van \'t weinige stof, dat er zich
in den waggon op nederzette, bevrijd, en thans beschouwt
hy ze met welgevallen. Een kijkje zyn ze waard, dat
beken ik gaarne, want ze zijn puntig als de els, die ze
maakte, en daarom onnatuurlijk lang als de hoef eener
koe, welke in jaren het vunzige stroo van haar stal niet
verliet. Tegen de heerschende mode in was het vlas-
achtig haar lang en lag gladgestreken op het hoofd,
gladder dan de beste waschvrouw zyn blauwe-roode boor
den kan strijken. Gy kunt het elk oogenblik zien, al is
het grootendeels gedekt door een stroohoed, die vroeger
wit geweest is, maar sinds lang de kleur van het haar
heeft aangenomen; want om de minuut licht zijn linker
het hoofddeksel even op, om aan de lange magere vingers
zijner rechter gelegenheid te geven het haar zoo mogelijk
nog gladder te strijken.
Dat leek het eenig verzet van den alleen reizenden
Engelschman. Toch scheen hy geen droogstoppel, want
-ocr page 177-
- 171 -
reeds lang zocht liij blykbaar een goede gelegenheid om
met ons een praatje aan te knoopen
Mynheer zat aan mijn rechterzijde en wij waren juist
in een zeer druk gesprek, natuurlijk in het Hollandsch
gevoerd, gewikkeld.
„Do you speak English?" vraagt hij mij op \'t onver-
wacht, en zonder te bedenken, dat een zoon van het
trotsche Albion het ver beneden zich acht, Hollandsch te
kennen, gaf ik hem kortweg ten antwoord: „Neen." Dat
antwoord bezorgde myn reisgenooten een lachbui, maar
klonk den jongenheer als een donderslag in de ooren. Ik
had volmaakt berouw over mijn schuldlooze onwellevend-
heid en zou zeker mijn excuus gemaakt hebben, indien ik
de taal onzer naburen beter machtig geweest ware. Nu
heeft hu\' ons te Oos verlaten, een slechten dunk mede-
nemend naar Baden-Baden van de drie Hollanders, die hü
bepaald onhoftelijk gevonden heeft.
\'t Was omstreeks vier uren ia den namiddag, toen
wü de sterke vesting Mainz binnenstoomden.
Laat het ons plan niet geweest zijn, toch zullen w\\j
den tijd, die er nog verloopen moet voor het vallen van
den avond, besteden aan een wandeling door de straten
der nieuwe en oude stad. De breede, met boomen en
struikgewas beplante Kaizerstrasse lokt ons aan haar de
voorkeur te geven, wanneer wü, zooals ons voornemen
is, onze schreden richten naar de oevers van den Ryn.
Wat heeft de stroom een verandering ondergaan! Deze
morgen nog zagen wü hem te Schaffhausen in jeugdige
dartelheid, thans trekt hy ons voorbij met de rustige
kalmte des mannelijken levens. Blauw waren ginds zyn
golfjes, die in de ondiepe bedding speelden tusschen de
groene heuvelen; hier sleept de stoomboot een vijftal tot
zinkens toe geladen schepen stroomopwaarts door de
geelgrauwe wateren van breeden en rustigen vloed.
Ginds was het natuur, hier handel en bedrijvigheid; ginds
waagde hy in speelschen overmoed als een kind een stou-
ten sprong, hier gaat hü voort langs de hooge Rijnkade,
statig als een vorst, die door zijn lusttuin wandelt.
Toch is hü bevallig, ook hier, want Peters Aue, het
groene eiland, ter linkerzüde, en Kastel, de voorstad van
Mainz, met de monumentale brug, die beide verbindt,
bieden u van de kade een vroolük en levendig landschap.
Dat gü hier verlangt te genieten van de weldadige
koelte, die de stroom strandwaarts zendt, verwondert mjj
niet; ik neem zelfs volgaarne naast u plaats, indien gü
bedenken wilt, dat wü vóór den avond nog een bezoek
-ocr page 178-
- \\Ï2 -
aan den Dom schuldig zijn. Want indien elk vreemdeling
zich getrokken voelt tot dit hoogst merkwaardig kerk-
gebouw, hoeveel meer dan de Hollander, die weet, dat
de uitmuntend geslaagde restauratie door een landgenoot,
door Dr. -Tos. Cuypers, den bouwmeester van zoo menig
kunstjuweel in ons vaderland, geleid is op een wijze,
welke de bewondering afdwingt van den meesteischenden
onder de Duitsche kunstbroeders.
Majestueus verheit\'en de torengroepen van het oostelijk
en westelijk koor zich boven de huizen, die de kerk —
jammer genoeg — bijna van alle zijden ommantelen.
Z\\j tenminste hebben zich niet te storen aan dien gordel
zonder sieraad, want vrij schieten zy op in de vrije lucht.
Niet zoo gelukkig zijn muren en ramen van schip en koor,
die, voor een groot gedeelte door huizen omgeven, hun ranke
leest gestoken zien in het keurslijf, dat een mismaakte
past. Een mismaakte is de Dom van Mainz in geenen
deele. Of gij zijn uitwendig aanschouwt, ot door den
byna onvindbaren hoofdingang zijn woud van 56 pijlers
binnentreedt, gij wordt altoos getroffen door de harmo-
nieuze proportu\'in van geheel en onderdeden; en de stoute
lijnen van gewelven en koepels dwingen u meer bewon-
dering af dan de talrijke gedenkteekenen, op de graven
van bisschoppen engrooten, die hier hun laatste rustplaats
vonden, opgericht.
De schemering is reeds gevallen en maakt het u onmo-
gelijk de opschriften dezer gedenkteekenen te lezen. GÜ
zult buiten gekomen zelfs moeite hebben het hoogklinkend
lofdicht te ontcijferen, dat de dankbare stad op het voet-
stuk van Gutenbergs standbeeld heeft neergeschreven.
Als wy door de „Grosse lileiche", de Kalverstraat van
Mainz, ons hotel bereikt hebben, heeft men er de lichten
reeds ontstoken, en de tafel wacht ons. Daarna nog een
uurtje praten en dan.... ,Vrienden, rust wel!"
Geen haar op ons hoofd dacht aan weersverandering.
Vijftien dagen lang was de hemel als van staal gesmeed;
geen wolkje zagen wij drijven boven ons en geen regen-
drop viel op ons neer; alleen het onweer in het dal van
Grindelwald uitgezonderd. Doch heden zyn de bakens
verhangen. De lucht is betrokken en van uit het Noord-
Westen blaast een sterke wind. Alles voorspelt regen.
Is het wonder, dat ik naar buiten ziende mijn reisgenooten
toesprak: B\'k Verwacht water vandaag"
„\'t Zal koud zijn op den Kijn," meeude Jan en stelde
daarom voor tot Bingen het spoor te nemen.
„Dat heeft twee zaken voor!" zei onze Nestor. «Dan
-ocr page 179-
173 -
kunnen wy een uur later vertrekken en behoeven ons op
het water aan de morgenkoelte niet bloot te geven."
Zoo\'n wijzen raad slaau wy niet in den wind, te meer,
daar wjj weten, dat eerst te Bingen de Ryn zijn schoonen
mantel omslaat.
Nog was de stoomer niet in het gezicht, toen wy te
Bingen aan de landingsplaats der booten den trein ver-
lieten, doch elk oogenblik kon hij opdagen. Dat was de
reden, waarom wy het voorbeeld der talrijke reizigers,
die met ons waren afgestapt, volgden en op den steiger
de wacht bleven houden by onze bagage De lucht was
minder druilig dan in den vroegen morgen en de wind,
wel hevig nog, werd d >or den liuppertsberg belet om tot
ons door te dringen.
„Wy kunnen \'t er heden wel zonder regen afbrengen,"
zoudt gij gezegd hebben, en dan was uw voorspelling
uitgekomen.
\'k Vraag niet uw aandacht voor de woelige menigte,
die door het killige weder onrustig gemaakt, door elkander
wemelt; noch zelfs voor den woordentwist, ontstaan tus-
schen een deftig heer en een goedaardig oud vrouwtje,
dat naar mynheers zeggen een halven Mark meer vorderde
voor een kistje heerlyke druiven, dan zy eerst bedongen
had. Waarom niet? Wel, ik zie een lachje om uw lip-
pen spelen, nu gy ons daar ziet staan in volle bewon-
dering voor het schilderachtige Küdesheim, den Muizen-
toren, Binger Loch en de ruïnen van Ehrenfels, terwijl
de linkerhand een druiventros houdt en de rechter de
koele vruchten plukt om ze te brengen aan den mond.
Doch zie eens, hoe bijna alle vreemdelingen doen als wy
en gy zult ons by" het genot der schoonheid die „den
Grootvorst van Europa\'s stroomen" hier ten toon spreidt,
de zoete vruchten door .Vader Ryn" ons aangeboden,
niet uit de handen rukken. Gij doet zooals wy: daar
ben ik zeker van.
\'t Ligt niet in myn plan u te wijzen op al het natuur-
schoon, dat aan deze boorden het oog der duizenden
vreemdelingen bekoort; noch zal ik u verhalen wat
de dichterlijke Sage van de vele bouwvallen aan het
nageslacht verhaalt in. bekoorlijke taal. \'t Lokt my wel
aan, maar ik moet aan de bekoring weerstand bieden,
omdat onze reis langs den Ilyn slechts „era i>assant\'\'\'\' is
en geen hoofdzaak mag worden. Doch als het waar is,
wat de dichter zegt:
„Wie oft sein Name wiedcrkehrt,
Man nat ihu nie gcnug gehort."
-ocr page 180-
- 171 -
dan mogen wü niet achterbleven den schoonen Ryn een
woord van lof te wüden.
Wat zou de onsterfelijke zanger van „De Bijnslroom"
zeggen, die den
„Papiermaker"
toeriep:
„Schaf p;ipier,
Daer ik uw glori op mngli schrijven:
Uw water dat ontvonckt mijn vier!"
indien de nazaat koud bleef tnj het verheven schoon van
zijn Ryn? van den stroom van welken hy zingt:
Gliii slingert als een Grieksche slang,
Uw blaeuwc krullen om do struycken,
En groene berg«u, breed en lang,
En swellight in soo veele kruycken
Van stroomen, dat uw lichacm swelt
Vim watersuclit, en p;irst de planten,
En schuurt soo mcnigh vruchtbaar veld,
En kabbelt aan de ruyge kanten,
Nu tusschen berg en krommen bult,
Nu door een dal, met wijn gevult."
liet gebeente van den Grooten Zoon des Ryns zou geen
rust vinden in de Nieuwe Kerk aan de Amstelboorden,
indien z\\jn „treckende geboortestroom" ons koud liet als
den beurtschipper eener trekschuit, die zich voortbeweegt
tusschen het hooge riet onzer binnenwateren.
Doch Vondel, indien hy, gehjk wü de streken bezocht
had, waar de Ryn
„streckt de voeten aan \'t geberght,
W.-ier zich de Zwitsers in beschurmen,"
zou het met ons eens geweest z\\jn, als wü beweren, dat,
wil men de schoonheid dezer oorden in al haar volheid
genieten, men den Ryn niet moet afzakken, als men zoo
juist uit het land der Alpen wederkeert. Want zoolang
de grootsche beelden van het schoonste land der wereld
nog zoo versch in het geheugen geprent staan, maakt de
RUn op den toerist dien machtigen indruk niet. Dat doet
wel geen afbreuk aan de lieflijkheid dezer boorden zelve,
maar dat vermindert toch het genot, dat de vreemdeling
smaakt, die langs Assmannshausen en Heinbach, langs
Lorch en Bacharach, aan den voet der heuvelen in wyn-
bergen gevat, voortstoomt naar Coblenz. — Wil ik daar-
mede zeggen, dat wy niets genieten? \'t Zü verre! Want
als wü zien hoe die groene bergen met de lieflijke dorpjes
aan hun voet, die grauwe rotsen met de trotsche bouw-
-ocr page 181-
- 175 -
vallen bekroond, zich weerspiegelen in den stroom, dan
genieten w\\j veel en zingen niet den ouden Vondel zoo
gaarne den Rijnstroom toe:
„Ghij schijnt een aardsche regenboogh,
Gekleed niet levendige kleuren,
En tart den hemelschen onihoogh,
Die hierom nijdigh schijnt te treuren."
Neen! o Rijn! uw grootste bewonderaar heeft niet te
veel lof van u verkondigd, want
„De blaeuwe en purpre en witte druif
Vcrciert uw stcdckroon en locken,
En muskadcllu wingerdknyf!"
\'t Zjjn overheerlijke uren, welke wij doorbrengen op den
koninklijken vloed,
„Die, van der Alpen top gedaald,
De stranden kust of scheurt de dijkeu,
De wereld splitst in koninklijken
En \'t vorst\'lijk rechtsgebied bepaalt."
En al blaast de wind ons nog zoo scherp in het aan-
gezicht, ons dwingen den kraag op te zetten van de
overjas, dat kan hij; maar ons noodzaken af te dalen in
de kajuit, dat vermag hij niet. De poëzie spreekt te luid
uit do heerljjke natuur, die ons van alle zijden omgeeft;
uit de bouwvallen der groote en hechte burchten van
roofridders en keurvorsten, als arendsnesten op de rotsen
gebouwd
Daarbij de historie raakt ons aan met haar tooverroede.
Gij waant u verplaatst in de riddertijden, en de eeuwen
heugende burchten worden voor uw geest bevolkt met
de in ijzer gekleede krijgers, die hun rooversnest Sooneck
gaan verdedigen tegen Rudolf van Habsburg en Fran-
kenburg tegen de legers door den Rijnlandschen Staten-
bond, onder Philips van Hohenfels uitgezonden.
Hier sticht Adolf van Habsburg zijn Clemenskapel, of
wordt koning Adolf gedwongen den Rijntol te betalen,
als bij ter kroning naar Aken optrekt. Daar bij de ruïne
van Fiirstenberg, bjj de reusachtige bouwvallen van
Stahlech, bij de vier zware en schilderachtige torens,
overblijfselen van Schönburg, herleeft voor u de woelige
17de eeuw, en het schijnt u toe dat de Fransche leger-
benden vreugdevuren ontsteken op de puinen der door
hen veroverde en vernielde kasteelen. Straks bü het
verwoeste Lanneck, en het in eero herstelde Stolzenfels
ziet gü dezelfde vuren branden.
-ocr page 182-
1TG —
Te Caub op den oever staat Blücher, de oude veldheer.
Schaper heeft goed gedaan met het bronzen beeld de
houding te doen aannemen van den onversaagden veldheer
op het oogenblik, dat bij in den nacht die de jaren 1813
en 14 met elkander verbond, den zijnen bevel gaf den
Rijn over te steken.
Bet „Nationaldeukmal" op de helling des Niederwalds
heeft ons....
Doch laat ons de ooren sluiten voor het betooverend
lied, dat de Historie aan deze boorden zingt, om het oog
te openen voor de schoone natuur, die ons omgeeft.
Zij is een behaagzieke dame en wil gezien en bewon-
derd worden. Daar heeft zij recht op! Sla, om u te
overtuigen, een blik op het lieflijke Assmannshausen,
waar de Borgondische druif een ander vaderland vond;
op het lachende Lorch, waar een „Schuljunkerschaft ein
Leben wie im Paradiese" leiden kon; op „Rheinstein" en
„Heimburg\', de uit hun puin herrezen kasteelen. En zoo
u dat van haar rechten nog niet overtuigd heeft, dan
zult gy u gewonnen geven, wanneer het bekoorlijke
Bacharach, waarvan de Duitscher zingt:
„Zu Bacharach am Rhcin
Hal)\' ioh in meincn Th gen
Gar oftmals horen s;igen,
Soll\'n sein die besten Weiu\',"
met zijn talrijke torens en kerken, met zijn trotsche ruïne
„Stahleck" vóór u ligt.
En als wij bij het oude Oberwesel, omringd door hechte
eeuwenheugende muren, bekroond door den grootschen
bouwval van Schönberg, een der meest dichterlijke land-
schappen van de dichterlijke oevers des Ityns bewonderd
hebben, noodig ik u uit te luisteren naar den klaagzang
der „Zeven Maagden", die de Rijngod roofde en in klippen
herschiep; en naar het Sirenenlied, dat de roofzuchtige
Maagd op de rots van Lurlei zingt. Wellicht klinkt het
u tegen:
„Ich weiss nicht was soll es bedouten,
Das icli so trnurig bin!"
Doch geef u geen moeite de trekken van den eersten
Napoleon weer te vinden, in de grillige lijnen van Lurlei\'s
rotswand, want zoo uw oog, door groote verbeeldings-
kracht geholpen, na lang turen daarin slaagt, dan hebt
gij het verwijt verdiend de schoonheid, die de Rijn hier
tentoonspreidt, opgeofferd te hebben aan een nietswaardige
-ocr page 183-
- 177 -
beuzelarij. Vestig liever uw volle aandacht op St. Goar
en St. Goarhausen, zoo schilderachtig tegenover elkander
gelegen, en op het kleinere, maar niet minder lieftallige
Wellmich: ze zy\'n het overwaard.
Wat mag het beduiden, dat deze met groen en vlaggen
getooide booten stroomopwaarts van Camp naar Nieder-
Kestert stevenen. Vanwaar die lustige tonen van het
koper, die door den stroom voortgedragen, reeds uit de
verte onze gehoorzenuwen weldadig treffen ? Die vraag
besterft ons op de lippen, als wy vernemen, dat een tal-
rijk gezelschap oud-strijders, die in \'t groote en vrije
Amerika een nieuw vaderland vonden, in het oude het
zilveren feest hunner overwinningen komen vieren. Is
het verklaarbaar, dat zy, die de „pinnen van de Euro-
peesche tent" hebban uitgerukt, niet terug willen keeren
naar het land waar men
„van historie en ruïne zich k;in spenen
Voor louter menschheid en nituur,"
zonder hun Duitschen Rijn, aan historie en ruinen zoo
rp, gegroet te hebbtn ?
Hoed af! zoo gy myn vriend wilt blijven. Hoed at
voor de Hollandsche vlag, die op een eervolle plaats van
elk der booten wappert.
Het doet den Nederlander goed. als hij in den vreemde
zijn kleuren groeten mag. Dat kan hem zelfs aangenamer
stemmen, dan het gezicht op het schoone, door de Ro-
meinen reeds gekende Boppard, of op het lieve stadje
Braubach met zyn Marksberg, het eenige der tallooze
kasteelen op den oever des Rijns, dat door ty"d noch
oorlogsgod verwoest is.
Nog Rheus met zyn „Koningsstoel" en de beide be-
drijvige Lahnsteinen, waar de kleine Lahn zich uitstort
in den grooten Rijn, voorbij, en by het eiland Oberwerth
dagen d9 torens van Coblenz op in het nevelige verschiet.
Een half uurtje en de boot ligt voor de machtige ves-
ting een weinig beneden het keizerlijk paleis. Huizen en
torens der deftige stad trekken ons minder dan Ehren-
breitstein, het Gibraltar van Duitschland, welks stalen
vuurmonden onheilspellend op ons neerzien; minder dan
de plaats waar de blonde Moezel zich huwt^aan den
fleren Ryn.
Nauwelijks heeft de schroef zich wederom in beweging
gezet, of het belletje van den hofmeester doet zich hoqren
en roept de vreemdelingen aan tafel. Al zal het er eivol
zijn in het salon, wij behoeven ons niet te haasten, want
-ocr page 184-
- 173 -
wij hebben onze nummers gekregen en de voor ons be-
stemde plaatsen durft niemand innemen.
Heb ik u wel eens doen kennismaken niet onze tafel-
buren, heden stel ik u niemand voor; noch den hofmeester,
een prachtigen kerel, noch den Hinken Franschman, wiens
meer dan reusachtige eclitgenoote aan allen een „Hé!"
ontlokt. Een verzoek slechts: Maak het niet te lang
aan tafel, want te Neuwied zou ik u gaarne weder op
het dek zien, niet zoozeer omdat de hupsche, nijvere stad
wel een kijkje waard is, alswel omdat hier een prinses
der NederL nden gelukkig leeft aan de zijde van haar
echtgenoot, den Vorst van \'t kleine Wied. Daar woont
zij op het schoone slot in dat heerlijke park; ik moet het
u even wijzen.
Schenen bij Coblenz de heuvelen voor goed van den
Rijnoever heen te vluchten, bij het lieflijk gelegen An-
dernach naderen zij wederom den stroom om hem te om-
sluiten met hun groene armen.
De schoonheid der beide oevers wordt verhoogd door
de schilderachtige kleine steden en dorpen met hun ver-
vallen burchten en eerbiedwaardige oude tempels, getuigen
van vroegere macht en rijkdom. Meer dan Hönningen en
Linz trekt ons het door vreemdelingen zoo druk bezochte
Eemagen, en vooral de hoog boven dit stadje gelegen
tempel, aan don II Apolinarus gewijd. De vier slanke
torens van dit bedehuis, zoowel als de heerlijke natuur,
die stad en kerk omgeeft, noodigen ons uit tot een lang-
durig verblijf in dezen lusthof. Doch wij mogen niet
luisteren naar de verlokkende stem der bekoring, zelfs
dan niet wanneer Erpel en Unkel een krachtig woordje
meespreken: wij moeten voort.
Mogen de boorden des Rijns van Bingen tot Coblenz
„Het land der Ruïnen" genoemd worden, hier zou de
naam van het „Land der Villa\'s" hen beter passen. Zie
slechts hoe talrijk zij gezaaid werden op de heuvelruggen,
die Oberwinter omsluiten, en over de kleine vfakte van
Rheinbreitbach. Doch ook hier ontbreken de bouwvallen
niet geheel, en ook hier huist de lieflijke Sage tusschen
de brokstukken van ringmuren en torens. Rolandseck
ligt betooverend schoon in dien gordel van lachende land-
huizen; maar zonder de „Rolandsbogen", de laatste over-
blijfselen van Roelants burcht — al staan ze daar, somber
en doodsch op de hooge granietrotsen — zou er minder
poëzie en leven uitgaan van deze plaats, die voor geen
andere aan den Rijn in bekoorlijkheid behoeft onder
te doen.
De ruïnen daarboven herinneren ons aan den verraderlijk
-ocr page 185-
gevallene van Ronceval: o, neen! zegt de Rynsage, want
„kein Schwert konnt ihn besiegen" — aan den in klui-
zenaar herschapen held, die telkendage, wanneer het
. kloosterklokjo van Nonnenwerth de godgewyde maagden
ter metten riep, aandachtig luisterend neerzat vóór zyn
kluis, als
„Da scholl von grüner Insel der Nonncnsnng empor."
Waarom zoo aandachtig by den koorzang die zacht tot
hem doordrong?
„Die holde Slimme wiinut er zu horen nus dom Clior,"
de stem van Hildegunde, zyn bruid, die den sluier aan-
nam, toen de mare van Ronceval tot den Rijnstroom was
doorgedrongen.
Wat zouden wij gaarne het steile bergpad beklommen
hebben om van de plaats waar eertyds de machtige
Hertog der Acquitaniers bad en treurde, het landschap
in zyn geheel te overzien. Reeds van den stroom uit is
het schoon, wat moet het dan zyn, daarboven, waar geen
groene booraen van de eilanden Nonnen- en Gravenwerth,
Honnef en het Siebengebirge aan ons oog onttrekken.
Al gevoelen wy dat gemis, toch slaat ons de stoomschroef
te vlug door het water, want links steekt Mehlem zyn
nieuwe kerk zoo bevallig uit boven de daken en torentjes
der villa\'s van den geldadel der steden Bonn en Keulen;
en rechts ligt het schilderachtige Rhöndorf aan den voet
van den Drachelfels. De beroemde bouwval op de rots,
in nevelig waas gehuld, steekt spookachtig at tegen de
aschgrauwe lucht en drukt op het landschap den stempel
der geheimzinnigheid.
Een kwartiertje nog, en op de halve hoogte van den
rotsklomp, dien het Siebengebirge vooruitschoof tot in
den vloed, zullen wy het hol zien, waarin de draak belust
op menschenotfers, in overoude tijden huisde,
\'t Is heden een Christenniaagd, die het monster ten
ofier gebracht wordt. Met bloemen omkranst staat zy
daar aan den ingang der rotsklove, het verbluf des
monsters, en wacht met heldenmoed den dood.
„Der Drach\' aus seiner Hühlo kam,
Ein Kreuzlein von der Brast sie nuhm.
Der Drache sah\'s — dn floh er fort
Und fiel zum tiefsten Höllenort."
En zyn dood was het einde des heidendoms in deze
streken, want
„Da bogen alle ilire Knie,
Die schone Jungfran taufte sie,"
-ocr page 186-
- 150 —
A. J. de Buil zal het my niet euvel duiden, dat ik de
kernachtige Duitsche versregels boven zijn waterachtige
rijmen heb aangehaald; want gaf ik den Hollandschen
poëet de voorkeur, dan zou ik by de landingsplaats te
Köningswinter — \'t is slechts een steenworp van hier —
nog niet aan het einde zy\'n.
Te Koningswinter stappen wy- aan wal om er het laatste
bivouak buiten het vaderland op te slaan. Daarvoor
gelegenheid in overvloed. Het eerste hotel dat Baedeker
aangeeft, zal wel het slechtste niet zy\'n: dus daar onze
kamers gevraagd, en dan, voor de avond valt, den Dra-
chenfels op.
— Trammen of rijden? De stemmen zyn verdeeld:
twee zijn voor den klepper van vleesch en been, één voor
het stoompaard.
„Geen bezwaar," zegt Harry. „Beklimt jelui een sa-
menstel van knoken en pezen, ik zal boven op je wachten."
Harry had ongelijk te smalen op de paarden van Kö-
ningswinter, want die wy\' bereden waren zoo slecht niet
en zaten goed in \'t vleesch. Met het kermis-photogra-
phietje, dat wij, zooals eenieder die den Drachenfels
beklimt, lieten nemen, in de hand kan ik het u bewijzen.
• Niet alleen miste Harry deze aardigheid, maar wat
erger is: de schoonheid van dit landschap heeft hij niet
zoolang en niet zoo goed genoten als wy. Het eenig
voordeel van den stoomwagen is, dat hjj u heel wat
vlugger boven brengt. Wy vonden dan ook onzen reis-
gezel by\' onze aankomst reeds op het plateau, doch in
zyn opgetogen bewondering over de heerlijke ligging van
Honnef bemerkte hy onze aanwezigheid niet, vooraleer
wy hem even op den schouder tikten.
Ik kan my zulks goed verklaren: Want als een tapyt
van groen en bloemen ligt het Schmelzerdal met het be-
koorlijke Honnef tot middelpunt aan onzen voet. Ginds
omsluit de zilveren stroom de donkergroene eilanden
Nonnen- en Gravenwerth, en lloelandsech beschouwt van
uit zijn bloemhof die beide smaragden met evenveel wel-
gevallen, als de „Boelandsbogen" van hun hoogen zetel
neerblikken op het geheele landschap.
Lang hebben wy gestaan by de steenen borstwering,
voor wy opklommen naar de ruïne der oude riddersterkte,
die de rots bekroont; en zoozeer trok ons het plateau,
dat wy, na daarboven een blik geslagen te hebben op
Köningswinter en Melilem, er wederkeerden en plaats
namen aan een der tafeltjes vóór het hotel.
«Zeg eens, kellner heb je nog Drakenbloed?"
„Bepaald, heeren! gisteren nog zoo\'n beest geslacht."
-ocr page 187-
- 181
Schrik niet, want de kellner schept het gevraagde niet
uit de riolen van eeii slachthuis, maar haalt dien drank
in de welvoorziene kelders des hotels, \'t Is een goed
wijntje, wat ons wordt voorgezet; een wijntje, dat aan
z\\jn hoogroode kleur en aan de omstandigheid dat het
op den berg zelven groeit, den naam van Drakenbload
dankt.
Waarschijnlijk zijn wij de laatsten, die te voet zullen
afdalen. Alle paarden en ezels zijn weg of maken zich
tot den aftocht gereed, ten teeken. dat het ook onze tyd
is. Wjj wandelen want het weer is heerlijk en de avond
heeft het laatste wolkje van den hemel verdreven en de
grooie sterren lachen ons reeds tegen.
\'t Gaat wel wat vlug naar beneden en daarom ben ik
recht bly oven te kunnen stilstaan om te luisteren naar
het harmonicaspel van een blinde, die op onze vraag
gaarne het onding speelt, dat men de Nederlanders als
volkslied heeft opgedrongen. Ik schaam mü haast, als
ik in den vreemde het lied, dat nationaal gemaakt is,
hoor spelen. „Wil men dan,\' heb ik mijzelven meer dan
eens afgevraagd: „Wil men dan de wereld op de uitvaart
der Hollandsche natie verzoeken. Het heeft er veel van,
want het geheel kon met een kleine wijziging best als
ouverture van een marche-funèbre dienst doen. Geheel
anders klinkt het .Wilhelmus", zelfs uit een harmonica.
„Daar speelman! dat is voor uw laatste lied:"
Waarom zouden wy nog stilstaan bij de poort van het
groote nieuwe slot? de toegang is ons ontzegd en de
duisternis begint reeds te vallen. Zoo spoedig hadden
wij die niet verwacht. Doch onze misrekening komt
ons ten goede. Köningswinter te zien bij avond loont
wel de moeite, want de duizenden kunstlichten van stad
en spoorwegbanen zijn als evenzoovele sterren, door een
toovergodin in de vlakte beneden ons gezaaid.
Dat er vele Hollanders deze streken bezoeken, hebt gü
reeds opgemerkt uit het feit, dat een straatmuzikant hun
volkslied speelt, doch daarvan zult gij nog beter over-
tuigd worden, indien gjj bemerkt, dat de oberkellner van
het hotel ons met een niet gering airtje van zelfvoldoe-
ning in gebroken Hollandsch blyft aanspreken. Men
schynt hier nog al oenige notitie van de Hollandsche taal
te nemen. „Natuurlijk om het Hollandsch geld," zegt g*n\\
Doch ik kan niet gelooven, dat die twee Duitschers, even-
als wij aan een tafeltje in de open gaanderij van ons
hotel gezeten, het gemunt hebben op de rijksdaalders van
-ocr page 188-
- 182 -
den inwoner van Terneuzen, die de voortreffelijkheid onzer
moedertaal tegen hen op eigenaardige en luidruchtige
wijze verdedigt.
Luister! Wij verstaan elk woord, al scheiden twee
tafels ons van dit drietal en al heeft de Fransche reuzin
van de boot haar lichaam als een klankscherm tusschen
ons en hen geplaatst. Rijnwijn schijnt heldere hersens en
krachtige longen te geven, immers onze Hollander is
onuitputtelijk in spitsvondige redeneeringen, welke hjj nu
eens in slecht Fransen, dan weer in nog slechter Duitsch
met welluidende stem aan de markt brengt zonder zich
eenigszins te vermoeien.
Het Fransche echtpaar ging zijn kamer opzoeken. Ook
wy zouden dat in andere omstandigheden gedaan hebben,
maar wy meenden reden te vinden het heden avond niet
zoo spoedig te doen, want: lo. \'t was de laatste avond
onzer reis; 2o. \'t was zoo heerlijk op den oever van den
stroom, waarop de lichten van booten en schepen, van
grootere en kleinere vaartuigen zoo vroolijk dansten; en
3o. — wij zeggen het mijnheer van Terneuzen na — de
Rijnwijn smaakt goed.
„Kerels!" zei Harry. »we zilten hem uit!" en wij be-
grepen dat door „hem\'\' de altoos doorbabbelende Zeeuw
bedoeld werd.
„Ik ben benieuwd, hoe dat taalkundig lesje afloopt,"
sprak Jan.
„Niet minder ik, als het maar niet te laat wordt."
„Geen nood!" was Harry\'s geruststelling, „vóór het
half uur vol is komt hy au bout de sou lal\'m en dan kart
hü op; gij zult het zien."
\'t Kwam juist zoo uit. Wij waren de laatst overge-
blevenen, zaten nog een kwartiertje en gingen (raag het
nog gezegd worden ?) ons werpen in de armen van Morpheus.
Wat of dat leven op de gang beduidt? Zou er brand
?Üu? Spoedig! spoedig naar boven! Doch spoediger dan
de angst zich van ons meester gemaakt had, verdween
hij om plaats te maken voor een byna Homerischen lach.
Daar stond de Terneuzenaar, luid schreeuwend by ge-
weldige gebaren, in het midden der twee Duitschers,
beiden voor twee derde in nachttoilet. Ik geloof zelfs,
dat de een de slaapmuts reeds over de ooren getrokken
had. \'t Kostte onzen landgenoot heel wat moeite de half
slapende Germanen aan \'t verstand te brengen hoe hy,
ua tien minuten lang vergeefs zyn kamer gezocht te
hebben, ten einde raad, geen beter middel wist, dan het
met zijn krachtige stem op een schreeuwen te zetten;
wellicht zou er dan hulp komen opdagen. Dat het nu
-ocr page 189-
— 183 -
juist zyn vrienden wezen moesten! Wat gelukkig toeval!
Zü zochten te zameii en hebben, naar het schijnt, met
drieën gevonden, wat voor ét5n niet te vinden was: ten-
minste wn\' hebben geen geschreeuw meer gehoord.
Ot de philologische les mijnheer nog door de hersens
woelde? of was wellicht de Rijnwijn de hoofdschuldige
in de netelige zaak? Niemand onzer durfde het uitmaken.
Zeker is \'t, dat wy er ons het hoofd niet mede gekweld
hebben. Wy sliepen als een roos en waren den volgenden
morgen reeds op weg naar het station van Mehlem, toen
de Zeeuw nog aan geen opstaan dacht.
\'t Gaat thans naar honk mot spoed Bonn stoomen wij
voorbij en Keulen zullen wij slechts even aandoen. Slechts
een goed uur stoomens en wy staan binnen de wallen van
„Mijn Agrippijn, gbcniytert niet Drie Krooucn."
Die plek trekt ons aan, want
„Hier klinckt iu \'t liedt, hier op de tongh der klockcu
De lofzangh rond van d\'eerstcn Godsgezant,
Die tot Gods eer in \'t iïcmclsche opgetrokken,
Alhier den staf van Petrus plant.
Hij hoeft geblocit in vruchten wuert te roemen !
En de waardste en edelste vrucht onder de vele
vruchten, die het geloof heeft afgeworpen in Keulen,
„Een stadt vol voleks, vol kloosters eu vol kcrckcu,"
die fier op het martelbloed, dat stroomde in haar straten,
„u toont den w.ipenschilt,
Het bloedig velt gewijt niet goudc Kroonen;"
gij ziet ze vóór u, want
„Hoog heft de dom vim Keulen
Zijn dubb\'len toren op."
Denk niet, al geldt ons bezoek den Dom, dat ik het
wagen zal u den lof te verkondigen van dit meesterstuk
der zielverheffende Gothiek. Zulk kunstgewrocht bewon-
dert men, maar men beschrijft het niet. Plaats u waar
gij wilt: vóór den ingang, op het Domplein, op de Rijn-
brug of voor het nieuwe station; wandel onder de hooge
gewelven, of kniel neder in het priesterkoor en gy zult
het met mü zeggen, dat de beste beschrnving slechts een
schaduwbeeld is.
-ocr page 190-
— 184 —
Kinderwerk schijnt u by dit reuzengevaarte het groote
station, dat gij zooeven verliet; kinderwerk het omvang-
rijke, in gothischen stijl opgetrokken museum, dat wy
bezoeken gaan. Is het misschien aan den machtigen in-
druk, dien de Dom op ons maakte, toe te schrijven, dat
de rijke verzameling, daar bewaard, ons klein en onbe-
duidend voorkomt? Ik ben geneigd het te gelooven.
Zeker is het, dat wy zoo vroeg in de restauratiezalen
der statie wederkeerden, omdat de tyd ons lang viel
tusschen die opeenstapeling van oudheden.
En zeker zou ook hier de tijd ons lang gevallen zijn,
zoo niet juist de twee heeren, wier kennis wij te Einsiedeln
maakten, de zaal binnengekomen waren. Met hun komst
verdween zelfs het gevaar voor verveling, en wy hadden
nog een recht genoeglijk uur voor wy van elkander af-
scheid namen en langs verschillende wegen naar het va»
derland opstoomden.
De avond vond ons in den huiselyken kring, waar fa-
milieleden en vrienden luisterend nederzaten om de rei-
zigers, die na een afwezigheid van ruim drie weken,
opgetogen en vol bewondering, uit Zwitserland weder-
keerden.
„Zoudt gy nog naar Zwitserland terug willen, jongen?"
vroeg vader voor wy scheidden.
„Zeker, vader, en als het kon morgen reeds " antwoordde
ik zonder aarzelen.
Ik weet niet of men myn reisgenooten dezelfde vraag
gesteld heeft, maar ik weet zeker dat op dezelfde vraag
hetzelfde antwoord gegeven zou zyn door beiden.
-ocr page 191-
INHOUD
Voorwoord...........pag. 1.
I    Naar Bazel ...........      ,. 2.
II    Bazel en de Jura-Simplonbaan ....      .. 9.
III    Om het meer van Genève.
Naar Genève.........      ., 19.
Te Genève..........      ,. 25.
Even over de grenzen......      ,, 29.
Terug te Genève........      „ 33.
Op het Meer..........      - 38.
IV    Naar \'t Berner Oberland.
Freiburg...........      „42.
In de Hoofdstad van Zwitserland. .      .. 46.
V In \'t Oberland.
Naar Interlaken........      „ 52.
Interlaken............55.
Een halve Dag.........      „ 63.
Een heerlijke Morgen......      ,, 78.
Naar en bij den Giesbach. ....      „ 78.
Meiringen.\'..........      „83.
VI Grinsel- en Turkapas in één Dag.
De Grinselpas.........      ,, 81».
Bij den Rhönegletscher........98.
De Furka...........      „ 102.
VII Göschenen et de St.-Gothardbaan ...      ., 109.
VIII Het Vierwaldstattermeer en zijn omgeving.
Op het Meer..........      ,, 115.
Op den Pilatus. ........      „120.
Eén Dag te Lucern.......      ,, 127.
IX    Ter Bedevaart.
Naar Einsiedeln........      „ 132.
De H. Meinrad.........      „ 136.
Maria-Kinsiedeln........      „ 139.
Pelgrim en Toerist.......      „ 141.
X    Buiten het Program........      „142.
XI De twee laatste Dagen in Zwitserland.
Aan het Meer van Zürich ....      „ 153.
Bij den Rijnwal..........161.
XII Naar Honk............      „ 168.
-ocr page 192-
T=>. S.
Als do Schoolmeester zijne Natuurlijke historie voor de jeugd
behoorlijk heeft ingeleid, zegt h\\j:
„Ontbreekt voorts aan dozen of genen regel somwijlen een
[voet.
Anderen hebben er zoo veel te meer: dat\'s door elkander goed."
In zekeren zin kan ik hetzelfde zeggen van de letters in dit
reisverhaal, want op menige plaats staat oeno n te veel, die goe-
den dienst op eene andere bewijzen zou, of viel eene letter uit,
wrevelig wellicht omdat z[j overtolligen arbeid verrichten moot
weinige regels te voren. Een staaltje slechts! In onstuimig staat
zesmaal eene t te voel, in schlucht daarentegen werd driemaal ch
vergoten. Past nu uwe welwillendheid op dit Reisverhaal den re-
gel van don Schoolmeester toe dan is het „door elkander goed."
Eenige ietwat zinstorondo fouten meen ik te moeten aangeven:
3
reg.
33
staat:
luitjes lees:
luidjes.
9
••
36
Muna<
ius Plancis ..
tius Plancus.
17
ff
11
staat:
geven „
gaven.
21
„
2
naar
van.
2
,.
15
lauwe „
blauwe.
20
Jt
1
satrat ,
straat.
44
••
22
lees:
.,en die natuurv
•etenschappon zou
76
■*
8
staat
smalle lees
snelle.
94
ff
34
weitjes „
weidjes.
104
"
26
»
perdpad „
bergpad.
106
••
31
»j
zuilen „
zullen.
114
ff
4
h
Werner van ..
Werner, de laat-
ste van
137
"
27
ft
hommes „
honneurs.
172
33
Piheus r
Rhens.