-ocr page 1-
mm ttfZ-
_Z_-^Jö
.■■■
UB-ZUID
MEG
2-230
-ocr page 2-
-ocr page 3-
Vak 2                             **
^tclibz:
VAN ONZEN ^OcydtOVvA\'fiO. Jvi^J
ALLEEHEILIGSTEN VaDEE\'1
PAUS LÉO XIIl/^
; / :^::                         "
.Aan ónze Eerwaardige Broeders, de Patriar»
"■>. .elien* Primaten, Aartsbisschoppen en Bis-
/schoppen der katholieke wereld, die in de
gunst en gemeenschap zijn met den Aposto-
lischen Stoel
I<eo XIII, Paus.
Eerwaardige Broeders, heil en apostolischen zegen !
Zijne Heiligheid zegt op de eerste plaats, dat het
thans meer dan ooit noodig is, te herinneren aan
de wetten der Christelijke wijsheid, waarnaar het
leven, de zeden en de instellingen der volken zich
geheel moeten regelen. De bestemming van den mensch
is te verheven, dan dat hij zijn geluk zou doen
| bestaan in de zinnelijke goederen dezer aarde, welke
een stoffelijke beschaving hem in overvloed aanbiedt.
Zijn opperste goed kan hij alleen vinden in God.
—
En daarom zegt Zijne Heiligheid;
Terugkeer tot de beginselen des Christendoms en
hervorming van leven, zeden en volksinstellingen
naar de heilige voorschriften, door hetzelve gegeven,
i is een eisch des tijds; en met den dag doet zich
de noodzakelijkheid om eraan te voldoen met hooger
kracht gelden. Meer en meer heeft men zich van
, het Christendom vervreemd; en des te vreesekjker
verhief zich de stroom der kwalen, die ons bedreigt,
zóó zelfs dat alle weigezinden slechts met rrees aan
-ocr page 4-
het heden en met siddering aan de toekomst kun-
nen denken. — Weliswaar heeft onze tijd belangrijken
vooruitgang aan te wijzen op het gebied van stoffelijke
en zinnelijk waarneembare goederen; dan, hetgeen
onder het bereik valt der zinnen, natuurlijk ver-
mogen en aardsehe rijkdom, al mogen zij het leven
hierbeneden gemakkelijk en aangenaam maken, zijn
niet in staat des menschen geest, die naar hooger
en kostbaarder goederen vraagt, te bevredigen. Op
God moet onze blik zijn gevestigd, naar Hem al
ons streven zijn gericht. Ziedaar onze opperste
wet en het doel van ons bestaan. Naar Gods beeld
en gelijkenis toch zijn wij geschapen, en tot God
voelt zich van nature ons diepste wezen met kracht
getrokken. Nu zijn het echter geen lichamelijke
schreden, die ons Gode meer nabij brengen. Wij
worden tot Hem gebracht enkel door de daad der
ziel, die denkt en bemint: God immers is de eerste
en meest verhevene waarheid, en de geest slechts
erkent de waarheid; God is ook de meest verhevene
heiligheid, de samenvatting van alle goed, en de
wil alleen kan dit bezitten.
Ieder mensch, getuigt Zijne Heiligheid, tot welken
stand der maatschappij hij ook behoore, moet daarin
de middelen vinden om te komen tot zijn laatste einde,
dat God is. Elke maatschappij, die van dat einde
afwijkt, toijkt ook af van het natuurrecht.
Geldt deze waarheid, zoo zegt Zijne Heiligheid,
waar het den enkelen mensch betreft, eveneens geldt
zij waar spraak is van de menschelijke samenleving,
van het huisgezin, en niet minder ook van den Staat.
Want niet haar eigen einddoel is de maatschappij,
en niet ter wille dezer laatste bestaat de mensch;
maar doel van elk maatschappelijk verband is: dat het de
-ocr page 5-
3
menschen elk afzonderlijk behulpzaam zij om het hun
door God gestelde doel te bereiken. Een burgerlijke
samenleving derhalve, die wel erop bedacht was om
aardsch welzijn en wat het leven schoon en aangenaam
maken kan te bezorgen, maar daarbij in het bestuur
en alle openbare aangelegenheden God buiten be-
schouwing liet en de door God gegeven zedenwet
niet in acht nam, zou voorzeker haar bestemming
niet vervullen en zou dan ook slechts voor den
uiterlijken schijn, niet in werkelijkheid en naar
waarheid, een te recht bestaand maatschappelijk
verband kunnen heeten.
Vervolgens toont Zijne Heiligheid aan, dat het
materialisme en de goddeloosheid de treurigste gevolgen
hebben gehad voor het heil der zielen.
Nu is het echter onbetwistbaar, zegt Z. H., dat
de hoogere goederen des geestes, waarvan wij spraken,
en die zonder de beoefening van den godsdienst en
de gestadige eerbiediging der christelijke geboden niet
verworven kunnen worden, van dag tot dag min-
der achting en waardeering bij de menschen vinden;
en dit wel in die mate, dat, hoe grooter de voor-
uitgang is op het gebied des stoffelijken levens, zooveel
te grooter ook de achteruitgang en het verval zich
vertoonen op het gebied dier hoogere goederen.
Een geheel bijzonder kenmerkend bewijs hiervoor
zien wij in de menigvuldige bespottingen en sraaad-
heden, waarmede, juist in onze dagen, voortdurend
openlijk en naar algemeene bekendheid alles wordt
bejegend wat tot de katholieke Kerk behoort, —
spotternijen en smaadheden als vroegere, door den
geest van den christelijken godsdienst bezielde tijden
ze niet kenden en ook niet geduld zouden hebben. —
Het heil van veel zielen is daardoor aan het grootste
-ocr page 6-
4
gevaar blootgesteld; maar ook de Staten en Rijken
worden daardoor bedreigd en kunnen niet anders
dan daarbij schade lijden; immers, waar zeden en
instellingen niet langer den christelijken geest ademen,
daar wankelen de grondslagen van alle uiaatschap-
pelijke orde. Tot behoud en bescherming der openbare
orde en van den vrede voor de maatschappij blijft
daar niets anders over dan de toepassing van het
stoffelijk geweld. Dan, wie weet niet hoe machte-
loos dit is waar het niet wordt ter zijde gestaan
door de hulp van den godsdienst, hoe het wel in
staat is stoffelijke onderwerping tot stand te bren-
gen, maar geen vreugdevolle gehoorzaamheid kweekt,
ja, hoe het in zich-zelven de kiem draagt der
vreeselijkste omwentelingen? Reeds veel treurige
ervaringen heeft in deze onze eeuw opgedaan, en
wij weten niet of geen ergere ons staan te wachten. —
Onze plicht is het derhalve, — de tydsomstandig-
heden vorderen het zoo gebiedend mogelijk, — de
middelen tot redding te zoeken daar waar zij te
vinden zijn: in een levensopvatting namelijk, die
aan de leeringen des Christendoms, in een gedrag,
dat aan de christelijke zedenwet beantwoordt, zoowel
waar sprake is van eiken mensch afzonderlijk als waar
sprake is van de maatschappij. Dat alleen kan ons helpen
in de moeilijkheden, die ons kwellen; dat alleen
kan ons behoeden tegen de gevaren, die in de toe-
komst dreigen. Wij, Eerwaardige Broeders, van
onzen kant, mogen niets ongedaan en onbeproefd
laten wat geschikt is om die christelijke richting
in denken en bandelen der volken te herstellen.
Reeds bij andere gelegenheden hebben Wij menig-
maal de aandacht hierop gevestigd: het komt Ons
echter nuttig voor, in deze Onze Encycliek nog uit-
-ocr page 7-
5
voeriger deze aangelegenheid te behandelen, door
op meer volledige en grondige wijze de plichten te
bespreken, welke door de tijdsomstandigheden den
Katholieken worden opgelegd. Wij houden Ons
immers overtuigd, dat niets heilzamer zal werken op
het algemeen welvaren der volken, dan juist liet
getrouw nakomen dier verplichtingen. Alles, ook
waar het de gewichtigste en heiligste aangelegen-
heden betreft, schijnt in onze dagen te worden be-
twijfeld en bestreden, en daardoor kan het maar
al te licht gebeuren, dat men, in een of ander punt,
het slachtoffer wordt van dwaling of onzekerheid.
Onze taak, Eerwaardige Broeders, is het, naar
eisch der omstandigheden, te leeren en te verma-
nen, opdat niemand van den weg der Waarheid
afwijke.
Dat op de Katholieken vooral de plicht rust, om
zich tegen die wanorden te verzetten
, bewijst Zijne
Heiligheid als volgt:
Het lijdt geen twijfel, of de belijders van het
katholiek geloof hebben in de praktijk des levens
meer en gewichtiger plichten te vervullen dan zij,
die de hooge gave des geloofs of niet of slechts
ten deele bezitten. Toen Jezus Christus, onze Zalig-
maker, den Apostelen beval, het Evangelie te pre-
diken aan alle schepselen, toen heeft Hij ook aan alle
menschen den plicht opgelegd, het verkondigde woord
aan te nemen en te gelooven; en juist aan het in-
achtnemen dezer verplichting was het verkrijgen der
eeuwige zaligheid verbonden. »Wie geloofd zal heb-
ben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; wie niet
geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden." (1)
Dan toont Zijne Heiligheid aan, dat, zoo wij het
land moeten beminnen, waar wij geboren zijn, wij
-ocr page 8-
c
nog een meer vurige liefde moeten hebben voor de
Kerk, waaraan wij het onsterfelijk leven onzer zielen
te danken hebben.
Derhalve, zoo spreekt de Paus, is ieder die het
christelijk geloof, gelijk zijn plicht het meebrengt,
heeft aangenomen, reeds hierdoor alleen, zonder
meer, kind en onderdaan der Kerk en tevens lid-
maat van de schoonste en heiligste maatschappij ter
■wereld, een maatschappij, die door den roomschen
Paus, als stedehouder van het Onzichtbare Hoofd,
Christus Jezus, geleid en bestuurd moet worden. —
Zijn wij nu evenwel reeds jegens de gemeenschap,
in welke wij geboren werden en opgevoed, van
nature gehouden tot een geheel bijzonder gevoel van
gehechtheid, en dat wel in die mate, dat ieder
rechtschapen burger zijn Vaderland niet enkel moet
verdedigen, maar desnoods met vreugde bereid moet
zijn, voor hetzelve den dood te ondergaan, — hoe-
veel te meer is het dan de plicht van den Christen
in liefde en trouw te staan voor zijn Kerk!
Zij toch — de Kerk — is de heilige stad van den
levendigen God, de Dochter Gods op aarde, die,
terwijl zij hierbeneden haar pelgrimstocht voltrekt,
ook harerzijds de menschen voor God opvoedt en
tot de zaligheid des Hemels brengt! Moeten wij
alzoo ons aardsch Vaderland beminnen, dat ons het
sterfelijk leven gaf, wij zijn ontegenzeggelijk tot
veel grooter liefdebetoon gehouden jegens de Kerk,
aan welke wij het leven danken, dat geen einde
hebben zal; immers, het is alleszins billijk, dat wij
boven de goederen des lichaams die der ziel ver-
kiezen , en dat onze plichten jegens God ons nauwer
aan het hart liggen dan die, welke wij jegens de
menschen hebben te vervullen. — Bovendien mogen
-ocr page 9-
7
Wij hier niet buiten beschouwing laten, hoe de boven-
natuurlyke liefde tot de Kerk en de natuurlijke
liefde voor het vaderland in den grond der zaak
tweelingzusters zijn, en beiden één en denzelfden
Vader hebbeu, namelijk God-zelven. Strijd tusschen
deze beiden is derhalve, goed beschouwd, onmoge-
lijk. Wij mogen en moeten alzoo van den eenen
kant ons-zelven liefde toedragen , onzen medemensch
liefde betoonen, het Vaderland, dat ons zag geboren
worden, en onze overheid beminnen, maar wij mogen
daarom niet vergeten, de Kerk lief te hebben als
onze Moeder en God-zelven te beminnen met de
hoogste liefde, tot welke wij in staat zijn.
Daarna zegt Zijne Heiligheid, dat, zoo de wetten
van den Staat in strijd zijn met de wetten der Kerk,
men aan die wetten niet moet gehoorzamen, omdat
men Gode meer moet gehoorzamen dan den menschen,
Dit is, zegt Zijne Heiligheid, de natuurlijke or-
dening in de plichten, die wij hebben te vervullen.
Maar niet zelden komt het voor, hetzij door de ongunst
der tijden, hetzij door de boosheid der menschen,
dat deze ordening wordt omgekeerd. Het gebeurt
namelijk, dat de plichten, die de burgers jegens
den Staat hebben te vervullen, in tegenspraak schijnen
met de verplichtingen, die hun door den christe-
lijken godsdienst worden opgelegd. Dit vindt zijn
oorzaak hierin: dat degenen die aan het hoofd der
Staten zijn geplaatst, hetzij zich om dat heilige
gezag der Kerk niet bekreunen, of dit aan hun
doeleinden dienstbaar willen maken. Vandaar de
tweespalt. Menig karakter vindt hier zijn toetssteen
en beproeving. Tweeërlei gezag staat tegenover
elkaar; tweeërlei, onderling strijdig, voorschrift wordt
den staatsburgers gegeven; zij kunnen niet tezelfder
-ocr page 10-
8
tijd aan beiden gevolg geven, want » niemand kan
twee heeren dienen" (2); terwijl hij den eenen ter
wille is, moet hij den andere verwaarloozen. Maar
wien van de beide heeren moeten wij gehoorzamen,
waar hun geboden met elkaar in strijd komen? Het
kan aan geeu twijfel onderhevig zijn. Ongetwijfeld
mag men niet, ter liefde der menschen, aan de ver-
plichtingen jegens God ontrouw worden; het is zondig,
de wetten van Christus te overtreden, om aan een
aardsche overheid, welke ook, te gehoorzamen, of
de rechten der Kerk ten offer te brengen, ten einde
niet den schijn op zich te laden, als minachtte men
eenige wereldlijke wetsbepaling. »Men moet Gode
meer gehoorzamen dan den menschen" (3). In der-
gelijk geval moet iedereen steeds en zonder aarzelen
het antwoord geven, dat door Petrus en de andere
Apostelen gegeven werd aan de overheid, die het
ongeoorloofde van hen vorderde. Voorzeker mag,
noch in oorlog noch in vredestijd, een Christen, die
trouw staat in zijn overtuiging, zich door wien dan
ook laten overtreffen in liefde voor het Vaderland;
maar dit neemt niet weg, dat hij bereid moet zijn
om liever alles, zelfs den dood, te lijden , dan de
heilige zaak van God en Zijn Kerk te verraden. —
Degenen nu, die zulk een opvatting van den Chris-
tenplicht niet billijken, of zelfs alle trouwe Katho-
lieken, wanneer zij in overeenstemming ermede
handelen, als overtreders van hun plicht en als
oproerlingen brandmerken, weten niet wat eigen-
lijk de wetten zijn, van welke zij spreken, en
wat van rechtswege gevorderd wordt, opdat de
door hen bedoelde bepalingen inderdaad op wettelijke
kracht aanspraak mogen maken. Hetgeen door Ons
hier wordt aangestipt, is u bekend en werd reeds
-ocr page 11-
9
meermalen door Ons besproken. Een wet toch is
blijkbaar niet anders dan een beschikking, die door
het rechtmatig gezag, naar de grondstellingen der
rede, ten algemeenen nutte, wordt getroffen. Nu is
evenwel slechts dat gezag rechtmatig, hetwelk van
God komt, den eersten en oppersten Heerscher, Die
alleen aan den eenen nieusch over den anderen macht
verleenen kan; ook kan er — het is duidelijk —
geen spraak zijn van een inachtnemen van de be-
ginselen van een gezonde rede, waar men in ver-
zet komt tegen de waarheid en de goddelijke wet;
en eindelijk kan hetgeen in strijd is met het hoogste
en overanderlijke Goed, kan hetgeen de menschen
vervreemdt van Gods liefde, onmogelijk voor iemand
heilzaam zijn. Derhalve zijn wèl de macht en het
aanzien der wereldlijke overheid den Christen eer-
biedwaardig; wèl erkent hij in de dragers van het
wereldlijk gezag, ook dan wanneer zij, wat hun persoon
aangaat, geen aanspraak op achting zouden kunnen
maken, een zekere afstraling van Gods macht en
majesteit; wèl ligt het hèm vooral aan het hart, de
landswetten te eeren en na te komen, niet enkel
uit vrees voor straf, maar oin des gewetens wil,
»want niet den geest der vrees heeft God ons ge-
geven" (4); — maar — waar de wetten van den
Staat blijkbaar afwijken van de goddelijke wetten,
waar zij in tegenspraak komen met de wetten van
den christelijken godsdienst en van de Kerk, waar
zij het gezag van Jezus Christus-zelven in Zijn op-
persten Stedehouder en Hoogepriester beleedigen, —
daar is het onrecht, aan die wetten te gehoorzamen :
daar is het plicht ze te weerstaan, en dat niet enkel
in het belang der Kerk, maar ook in het ware be-
lang van den Staat-zelven , tot welks verderf immers
2
-ocr page 12-
10
alles strekken moet wat ten nadeele van den gods-
dienst plaats vindt. — Overigens blijkt ook hieruit,
koe onbillijk de hier ingebrachte beschuldiging heeten
moet; want het is duidelijk dat zij die zich aan de
bedoelde voorschriften niet houdeD, daarmee niet de
plichtmatige gehoorzaamheid weigeren aan de over-
heid en aan de wetten des Lands; alleen in zulke
zaken gehoorzamen zij aan die wetten niet, waarin
deze geenerlei kracht hebben, daar zij zonder be-
voegdheid van de zijde Gods en tegen den Wil Gods
zijn gemaakt, derhalve noch recht noch wet zijn.
Zooals gij weet, eerwaardige Broeders, is dit ook
de leer van den heiligen Apostel Paulus. In zijnen
brief aan Titus (5) vermaant hij de Christenen, »den
vorsten en overheden onderdanig te zijn en zich naar
hun gebod te gedragen"; maar hij voegt daar wel
degelijk aan toe, »dat zij tot elk goed werk bereid
moeten zijn", en geeft zoodoende te verstaan, dat,
zoo de wetten der menschen het geringste be-
vatten, wat tegen de wet Gods is, recht en plicht
gebieden, daaraan niet te gehoorzamen. Ook heeft
de Prins der Apostelen hun, die zijn vrijheid, om
het Evangelie te verkondigen, wilden verkorten,
vrij moedig geantwoord: » Oordeelt zelven, of het recht
is voor God, u meer dan Gode te gehoorzamen; wat
wij gezien en gehoord hebben kunnen wij toch on-
mogelijk verzwijgen" (6).
Ons aardsche Vaderland mogen en moeten wij
derhalve liefhebben, doch meer dan dat ons hemelsch
Vaderland; aan de wetten der menschen moeten
wij gehoorzamen, maar nimmer mogen wij daarbij
het geringste prijsgeven van de rechten Gods; dat
is de heilige plicht der Christenen, maar tevens als
de bron, waaruit alle andere plichten voortspruiten.
-ocr page 13-
11
Onze goddelijke Verlosser heeft immers ook van
Zich-zelven gezegd: »hiertoe ben Ik geboren, en
hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, om getuige-
nis van de Waarheid te geven." (7) En verder:
»Ik ben gekomen, om het vuur op de aarde te
brengen, en wat wil Ik anders dan dat het ontsto-
ken worde." (8) De kennis van deze waarheid is
het heerlijkste sieraad van den menschelijken geest,
en bet blijde omvatten van dit gebod is het hoogste
goed van den menschelijken wil. En daarin juist
zijn ook het ware leven en de echte vrijheid van
den mensch gelegen. De bescherming van deze
waarheid en van dit kostbare goed nu, is door Jezus
Christus voor alle tijden toevertrouwd geworden aan
de Kerk, en met moederlijke, met de teederste
liefde kwijt de Kerk zich voortdurend van deze
hare taak.
Vervolgens wordt in de Encycliek eene beschrijving
gegeven van de verwoedheid, waarmede men de Kerk
den oorlog aandoet. Daaromtrent zegt onze II. Vader:
Wat hevige en menigvuldige aanvallen de Kerk
heeft te verduren, is hier nauwelijks noodig te ver-
melden ! De menschelyke wetenschappen hebben in
onze dagen menige zaak, welke tot dusver in het
duister was gehuld, ontdekt, en menige zaak uit-
gevonden, die voor ons aardsche leven nuttig zijn
kan. Toen hebben de menschen in hun waan ge-
loofd, dat zij het voortaan zonder een hoogere macht,
dus ook buiten de goddelijke wet konden stellen.
Derhalve hebben zij gemeend de heerschappij, die
aan God alleen toekomt, zich te mogen aanmatigen;
in zich-zelven en in de natuur-alleen hebben zij
gemeend, het middel en de richtsnoer voor de kennis
van alle waarheid te vinden; alle godsdienstige plichten
-ocr page 14-
12
hebben zij beweerd dat uit de natuur alleen moesten
worden afgeleid en tot haar alleen moesten worden
teruggebracht. Zij erkennen derhalve geen boven-
natuurlijke goddelijke openbaring; zij willen niets
weten van gehoorzaamheid aan eene christelijke
zedenwet en aan de Kerk; zij kennen aan de Kerk
geen wetgevende macht en geen rechten toe, ja, in
de inrichtingen der Staten is volgens hen voor de
Kerk geen plaats. In deze gezindheid geven zjj zich
alle moeite, in het openbare leven aanzien en positie
te verkrijgen en de openbare ambten naar zich toe
te halen, wijl zij overtuigd zijn dat het hun daar-
door te eer gelukken zal, de wetten en zienswijzen
en zeden der volken naar hun gezindheid te her-
vormen. Openlijk of in het geheim treden zij bij-
gevolg ook tegen den katholieken godsdienst op, en
terwijl zij aan alle, zelfs aan de verderfelijkste
dwalingen elke mogelijke vrijheid laten, leggen zij
maar al te dikwijls de belijdenis van het christelijk
geloof aan banden en boeien.
Na de bovenstaande uiteenzetting gaat Z. H. er toe
over, de verschillende plichten aan te toonen, welke de
Katholieken, tegenwoordig vooral, te vervullen hebben.
Na in den aanhef van Zijne Encycliek gewezen
te hebben op God als het einddoel van den mensch,
als het einddoel ook van huisgezin en staat; na Zijne
bezorgdheid betuigd te hebben over de toenemende
afwijking, die in het bijzonder- zoowel als in het
maatschappelijk leven is waar te nemen; na de nood-
zakelijkheid te hebben aangetoond om tot de leefregelen
der Christelijke wijsheid terug te keeren,gaat Leo XIII
nu de plichten der Katholieken nauwkeuriger om-
schrijven; en wel op de eerste plaats de plichten van
den Katholiek als kind der Kerk.
-ocr page 15-
13
De eerste plicht nu van den Katholiek als kind
der Kerk is: zich te doordringen van de kennis der
geloofswaarheden en zich te versterken en te bevesti-
gen in het geloof.
Bij dezen treurigen toestand van zaken, zoo zegt
de Paus
, moeten alle Christenen vóór alles er op
bedacht zijn en er zorg voor dragen, dat zij het
heilig geloof met angstvallige zorgvuldigheid in hun
eigen harten bewaren, en dat zij inzonderheid tegen
de drogredenen van een valsche wetenschap steeds
gewapend zijn. Het schijnt ons vooral nuttig en als
voortreffelijk beantwoordend aan de tijdsverhoudingen
toe, hier alleen, naar de mate der hun door God
verleende talenten, een vlijtige studie van de geloofs-
waarheden en van alles, wat op eenigerlei wijze
daarmede samenhangt, alleraangenaamst aan te be-
velen. En wijl het geloof in onze harten niet slechts
ten allen tijde bloeien, maar ook bestendig groeien
moet, herinneren Wij eraan, dat wij niet mogen
verzuimen, met de Apostelen deemoedig en vurig
den Heer te smeeken: »Vermeerder ons geloof!" (9)
Bij dezen eersten plicht voegt de Paus een tweede
verplichting, namelijk: het geloof te verdedigen tegen
de aanvallen, waaraan hetzelve blootstaat en het bij
anderen te verspreiden.
In betrekking hiermede nu, zoo spreekt wederom
de Paus,
zijn er plichten, die allen Christenen te
allen tijde na aan het hart moeten liggen, maar
ook zulke, welke in onze dagen ons in het bijzonder
ter harte moeten gaan. — Was het namelijk steeds
de taak der Kerk, de eer Gods te zoeken en het
heil der menschen te bevorderen, derhalve de waar-
beid te verkondigen en alle dwaling uit de harten
te verwijderen, inzonderheid is dit het geval in onze
-ocr page 16-
14
dagen, waarin valsche en verkeerde meeningen van
eiken aard zich in zoo breeden kring verspreid
hebben. Inderdaad is thans de verdediging van het
geloof op de eerste plaats de zaak van hen, welke
God tot overheden in zijne Kerk heeft aangesteld;
»maar ook ieder, ook de eenvoudige geloovige, is
verplicht, het geloof te belijden, anderen daarin te
onderrichten of te versterken en de aanvallen der
ongeloovigeu af te slaan" (10). Voor den vijand te
wijken, of te zwijgen, waar tegen de waarheid aller-
wegen een zoo luid geschreeuw weerklinkt, dat ver-
raadt lafhartigheid of twijfel aan de waarheid. Doch
wat naam men er ook aan moge geven, het is
smadelijk en een beleediging God aangedaan, verderfe-
lijk voor het zielenheil der menschen afzonderlijk en der
maatschappij, slechts voordeel aanbrengende aan de
vijanden des geloofs, wier moed en driestheid door
zulk een houding worden versterkt. Het is immers
ook meestal gemakkelijk, de valsche beschuldigingen
tegen de Kerk en alle vooroordeelen tegen haar te
wederleggen; met eenige moeite gelukt dit altijd.
Des te onverantwoordelijker is derhalve de nalatig-
heid, waarvan Wij spreken. En verder, is het niet
de plicht van ieder, met vrijmoedigheid en openlijk
te belijden, wat hij als Christen erkent en gelooft?
Dikwijls is deze vrijmoedigheid alleen reeds voldoende,
om den overmoed der vijanden te breken. Eindelijk,
de Christen is ook tot den strijd geboren, en hoe
heeter de strijd, te zekerder is met Gods bijstand
de zegepraal. »Vertrouwt, ik heb de wereld over-
wonnen" (11). Het is inderdaad waar, dat Hij, die
die de Kerk gegrondvest heeft en haar onderhoudt,
Jezus-Christus, om haar ter overwinning te voeren,
de hulp der menschen niet noodig heeft; desniettemin
-ocr page 17-
15
heeft Hij gewild, dat wij om de vruchten des heils,
welke Hij verschafte, te verwerven, ook onzerzijds
moeten medewerken. En dat is geenszins een teeken
van Zijn zwakte, maar een bewijs van Zijn oneindige
goedheid.
Deze plicht vordert op de eerste plaats van ons,
dat wij het katholieke geloof openlijk en vrijmoedig
belijden, en er naar de mate van onze krachten
voor ijveren, dat ook anderen het leeren kennen.
Het is immers bekend, dat er voor de waarheid van
het christelijk geloof geen erger vijand is dan de
onbekendheid ermede. Het is meestal voldoende,
dat het verkondigd en juist begrepen worde, om
tot de zegepraal te geraken; elke eenvoudige en van
vooroordeelen vrije geest is genoodzaakt met het
christelijk geloof in te stemmen. Weliswaar is het
geloof-zelf een bijzondere gave der genade en goed-
heid Gods, doch de waarheden, welke het tot voor-
werp heeft, worden ten slotte naar de gewone orde
der zaken slechts hierdoor bekend, dat ze verkon-
digd worden. »Hoe zullen zij hem gelooven, dien
zij niet gehoord hebben? Of hoe zullen zij hooren,
wanneer er niemand is, die verkondigt ?...... Het
geloof komt dus uit het gehoor, het hooren echter
door het Woord Gods." (12)
Wijl derhalve het geloof voor de zaligheid vol-
strekt noodzakelijk is, zoo is het ook noodzakelijk
dat het Woord Gods verkondigd worde. Alleszins
nu rust de zorg, te prediken en te onderrichten,
krachtens het goddelijk recht, op de leeraren der
Kerk, op hen, »die de H. Geest heeft aangesteld
om de Kerk Gods te regeeren" (13), met name op
den roomschen Paus, den stedehouder van Christus,
den oppersten machthebber in de Kerk van Christus
-ocr page 18-
1G
en den leeraar van datgene, wat wij te gelooven en
te doen hebben. Intusschen moet niemand meenen,
dat niet ook de gewone geloovigen en op de eerste
plaats zij, wie God met bijzondere gaven des geestes
heeft begiftigd, verplicht zijn , hun talenten en zielen-
ijver te dien einde aan te wenden en, zoo noodig,
zonder zich het ambt der eigenlijke leeraars aan te
matigen, toch als ware het de echo te worden van
datgene wat zij zelven hebben gehoord, en het aan
anderen over te brengen. Dit daadwerkelijk op-
treden en deze werkzaamheid der gewone geloovigen
voor de verkondiging van het geloof scheen immers
ook den vaderen van het Vaticaansch Concilie niet
slechts nuttig en wenschelijk, maar zelfs noodzake-
lijk toe. »Alle Christenen," aldus spreken zij,
»manen wij aan, en in het bijzonder hen, die op
eenigerlei wijze een voorrang innemen, of als onder-
wijzers werkzaam zijn, — Wij bezweren hen om
de liefde van Christus en bevelen hun krachtens
het gezag van denzelfden Heer en Verlosser, zich
te beijveren en zich alle moeite te geven, om elke
dwaling van de heilige Kerk verwijderd te honden
en het zuivere licht des geloofs te verspreiden." (14)
Ook mogen Wij hier niet vergeten, dat allen in
staat zijn, op de eerste plaats door het eigen voor-
beeld van een naar het geloof ingericht leven en
door de eigen belijdenis des geloofs het katholieke
geloof te verbreiden. Onder de plichten derhalve,
welke wij ten opzichte van God en de Kerk heb-
ben , staat deze bovenaan, dat wij allen naar ver-
mogen en bekwaamheid ons beijveren, de christelijke
waarheid te verspreiden en haar tegen de aan haar
tegenovergestelde dwalingen te verdedigen.
En nu toont de H. Vader aan, dat men, om het
-ocr page 19-
17
geloof te verbreiden, niet volstaan kan met ieder voor
zirh-zelven daarnaar te streven, maar dat men daar-
toe in vereeniging zijne beste krachten moet inspannen.
Hooren wij wederom het woord van den Opperpriester;
Willen wij evenwel deze onze plichten naar be-
hooren vervullen dan mogen wij niet afzonderlijk en
van elkander gescheiden ons op het terrein van den
strijd begeven. Jezus Christus heeft namelijk voor-
speld, dat de tegenspraak en de vijandige bejege-
ning, welke Hij-zelf heeft ondervonden, ook van
het door Hem gegrondveste werk, van de Kerk het
deel zal zijn. Daarom stelde Hij zich ook niet te-
vreden met eenige op zichzelf staande aanhangers
van Zijn leer, maar wilde Hij hen tot een maat-
schappij vereenigen, tot een Lichaam samenvoegen,
»dat de Kerk is," (15) wier Hoofd Hij-zelf is.
Aldus stroomt het leven van Christus door Zijn ge-
heel mystiek Lichaam; het geeft leveu aan de af-
zonderlijke ledematen en voedt ze; het verbindt ze
onderling en stelt ze in staat aan hun bestemming
te beantwoorden, ofschoon de verschillende ledematen
een verschillende dienst verrichten. (16) De Kerk
van Christus is dus een in zich-zelve volmaakte maat-
schappij en bovendien verhevener dan elke andere
maatschappij. Haar goddelijke Stichter zelf heeft
het ook gewild, dat zij tot heil der menschen
vooruittrede, met eenheid en »als een geordend
legerkamp." (17) Deze inrichting en vorming der
christelijke Kerk zijn onveranderlijk; ook mag nie-
mand binnen haar naar eigen goeddunken leven en
naar zijn opvatting de wijze van strijd willen vast-
stellen; want wie niet met de Kerk en Jezus Christus
vergadert, die verstrooit, en wie niet met God en
Zijn Kerk strijdt, treedt in waarheid tegen God
zei ven op. (18)
                                                    3
-ocr page 20-
18
Verder wordt ons in de Encycliek er aan herin-
nerd, dat het, om tot die samenwerking te geraken,
noodzakelijk is dat er eendracht en eensgezindheid
onder de Katholieken heersche, eenheid vooral in
leering en in geloof. En daarom zegt de Paus:
Tot deze overeenstemming der gemoederen en
eenvormigheid van handeling, welke door de vijanden
van den katholieken godsdienst niet zonder grond
worden gevreesd, is op de eerste plaats gelijkheid
der meeningen noodzakelijk. Hiertoe vermaant de
apostel Paulus de Korinthiërs dringend met de vol-
gende hoogst gewichtige woorden: »Ik vermaan u,
broeders, in den naam van onzen Heer Jesus Chris-
tus, dat gij allen hetzelfde spreekt en er onder u
geen scheuringen zijn , maar dat gij volkomen zijt
in denzelfden zin en in dezelfde meening." (19) De
wijsheid dezer aanmaning is licht te bevroeden. De
handelingen vinden namelijk haren oorsprong in den
geest; derhalve kan geen overeenstemming in den
wil en geen gelijkvormigheid in het handelen heer-
scheu, zoo de geesten verschillende meeningen zijn
toegedaan. Diegenen echter, welke alleen het ver-
stand volgen, kunnen zeer bezwaarlijk gelijke ziens-
wijzen hebben. Want het kennen van de zaken is
zeer moeielijk; de geest daarentegen, van nature
zwak, wordt door de verscheidenheid der meeningen
en door inwerkingen van buiten niet zelden bedrogen;
daarbij komen de hartstochten, welke de geschiktheid,
om het ware te kennen, dikwijls ontnemen of min-
stens verzwakken. Op dezen grond geschiedt het,
dat in de leiding der Staten dikwijls getracht wordt,
diegenen, welke in meening met elkander niet over-
eenstemmen, door geweld bijeen te houden. Geheel
anders is het bij de Christenen gesteld. Dezen
-ocr page 21-
19
ontvangen hun geloof van de Kerk, en zij zijn
zeker, dat zij onder haar gezag en haar leiding de
waarheid hezitten. Wijl er derhalve slechts één Kerk
is, zooals er één Christus is, bestaat en mag op
den ganschen aardbol slechts één leer voor alle
Christenen bestaan. »Eén Heer, één geloof." (20)
>Daar zij echter denzelfden geest des geloofs heb-
ben" (21), bezitten zij op de eerste plaats dat,
waaruit voor allen overeenstemming in willen en
handelen voortspruit.
Intusschen moet die overeenstemming, zooals ook
de Apostel Paulus vermaant, een volkomene zijn. —
Het christelijk geloof steunt niet op menschelijk,
maar op goddelijk gezag. Wat echter God ons
openbaart, houden wij voor waar, niet wijl wij met
het licht des verstands de innerlijke waarheid der
zaken kennen, maar omdat God-zelf tot ons spreekt,
die niet kan bedrogen worden en niet bedriegen kan.
Daaruit volgt, dat wij aan elke en iedere waarheid\'
van welke het zeker is dat zij door God werd ge-
openbaard, gelijkelijk ons moeten onderwerpen. Indien
wij een dezer waarheden niet aannamen, het zou
gelijk staan met het verwerpen van alle. Zij derhalve
ondermijnen de grondslagen des geloofs, die loochenen
dat God tot de menschen heeft gesproken; en dat
doen zij evenzeer als degenen die aan Gods oneindige
waarheid en wijsheid twijfelen.
Dat daarenboven met die eenheid van geloof eene
volmaakte onderwerping aan Paus en Bisschoppen
moet samengaan, betuigt onze H. Vader als volgt:
Welke leeringen nu door God geopenbaard werden,
heeft de Kerk uit te maken, aan welke God de
hoede en de vertolking Zijner openbaringen heeft
opgedragen. En de opperste Leeraar in de Kerk is
-ocr page 22-
20
de roonische Paus. Nu vordert de overeenstemming
der gemoederen niet slechts overeemstemming in
hetzelfde geloof, maar ook volkomen onderwerping
van den wil aan het gezag der Kerk en van den
roomschen Paus als aan het gezag van God. Maar
evenals het geloof-zelf, zoo is ook deze door het
geloof gevorderde onderwerping van den wil slechts
dan volmaakte en ware gehoorzaamheid, wanneer zij
onverdeeld is; en juist in die onverdeeldheid des
geloofs en der gehoorzaamheid, die stiptelijk alles
aanneemt en nakomt wat God geopenbaard en ver-
ordend heeft, pleegt men het karakteristiek onder-
scheid te zien tusschen Katholieken en niet-Katho-
lieken. Zeer schoon wordt deze waarheid toegelicht
door den H. Thomas van Aquinen, en wel met de
volgende woorden: »Het formeele voorwerp des ge-
loofs — zoo zegt hij — is de opperste waarheid,
in zoover deze zich openbaart in de H. Schriftuur
en de uit deze opperste waarheid zelve voorkomende
leer der Kerk. Niemand derhalve, die weigert zijn
geloof van het onfeilbaar leerambt der Kerk te ont-
vangen, kan van zich getuigen, dat hij de gave
des geloofs bezit; de afzonderlijke waarheden des
geloofs mag hij bezitten, maar geenszins het geloof
zelf.... Erkent iemand echter de leer der Kerk als
onfeilbaren regel en leiddraad van zijn geloof, dan
neemt hij alles aan wat de Kerk leert; want indien
hij naar zijn eigen goeddunken een schifting wilde
maken in de leeringen der Kerk, om deze aan te
nemen, gene te verwerpen, dan zou hij blijkbaar
de leer der Kerk als onfeilbaren geloofsregel verlaten,
ten einde zijn eigen wil te volgen (23). De geheele
Kerk heeft slechts één geloof, naar het woord van
den Apostel (I Cor. I): » dat gij allen hetzelfde spreekt
-ocr page 23-
21
en er niet onder u scheuringen zijn". Dit evenwel
ware onmogelijk, indien voorkomende vraagstukken
omtrent de waarheid des geloofs niet konden worden
opgelost door het Hoofd der gansche Kerk, wiens
beslissing door de geheele Kerk moet worden aan-
genomen. Daarom staat het alleen aan het gezag
van den Paus, een nieuwe geloofsbelijdenis vast te
stellen en verder al datgene te doen wat de belangen
betreft der gezamenlyke Kerk" (24).
Waar men de grenzen zal bepalen van de onder-
werping, daar meene niemand dat men aan de herders
der Kerk, in het bijzonder den roomschen Paus,
slechts te gehoorzamen heeft in die dingen, welke
tot de geloofswaarheden behooren, welker hardnek-
kige verwerping bepaaldelijk ketterij moet genoemd
worden. Zelfs is het nog niet voldoende, dat men
ook die leeringen oprecht en vastelijk aanneemt,
welke weliswaar nog niet in een plechtige definitie
zijn vastgesteld, maar toch door de leerende Kerk
als door God geopenbaard zijn voorgesteld te gelooven,
van welke het Vaticaansch Concilie getuigt, dat zij met
Katholiek en goddelijk moeten worden aangenomen.
Christenplicht is het bovendien, dat de geloovigen
zich over het geheel laten leiden en besturen door
de Bisschoppen, en met name door den roomschen
Paus. Immers, wat in de goddelijke openbaring
vervat is, heeft ten deele betrekking op God, ten
deele op den mensch, ten deele op de dingen, die
voor het eeuwig heil des menschen noodig zijn. Nu
worden naar goddelijk recht, zoowel in betrekking
tot datgene wat wij hebben te gelooven, als tot
datgene wat wij hebben te doen, door de Kerk
voorschriften gegeven, en wel, wat de algemeene
Kerk betreft, door den roomschen Paus. Vandaar
-ocr page 24-
22
dat de Paus moet kunnen beslissen, wat inderdaad
goddelijke openbaring is, welke leeringen met haar
overeenstemmen , en welke van haar afwijken; maar
evenzoo moet hij kunnen aanwijzen wat geoorloofd
en wat verboden is, wat wij te doen en wat wij te
laten hebben, ten einde tot ons eeuwig heil te ge-
raken. Ware dit niet het geval, dau zou hij den
menschen geen vertrouwbare tolk zijn van Gods
Woord, noch een vertrouwbaar leidsman des levens.
Doch Wij moeten nog dieper doordringen in het
wezen der Kerk. Zij is geen toevallige vereeniging
van Christenen, maar een door God gestichte maat-
schappij , die ten doel heeft aan de zielen vrede en
heiligheid te verschaffen. Daar zij alleen door de
goddelijke genade de noodzakelijke middelen daartoe
bezit, heeft zij bepaalde wetten, bepaalde bedienin-
gen, en in de leiding der Christen-volken volgt zij
den weg, die met haar eigen wezen in overeen-
stemming is. Intusschen, deze leiding heeft haar
moeilijkheden Want de Kerk leidt volkeren, die
over den ganschen aardbodem verspreid zijn, verschei-
den in zeden en gebruiken, volkeren, die in ver-
schillende Staten naar eigen wetten leven, volkeren,
die met de gehoorzaamheid aan het gezag der Kerk
onderwerping aan hun burgerlijke overheid moeten
vereenigen. Beide plichten rusten op dezelfde per-
sonen; en al behoeven zij met elkaar niet in strijd
te zijn, zij mogen niet met elkander worden verward;
immers, de laatstgenoemde doelen op het welzijn
van den Staat, de andere op het heil der Kerk,
beiden streven zij naar de vervolmaking der menschen.
Na alzoo de plichten ran den Katholiek als kind
der Kerk uiteengezet te hebben, bespreekt Zijne Hei-
ligheid de verhouding tusschen Kerk en Staat en de
-ocr page 25-
23
verplichtingen, welke op ons rusten als onderdanen
van den Staat.
Vooreerst wordt gezegd, dat de Kerk den Staat
volkomen vrijlaat in
zijn bestuur; maar dat alléén
de Kerk belast is met de leiding en het bestuur der
zielen;
— dat de Kerk verder zich niet richt naar
staatkundige partijen, noch zich inlaat met de vraag,
welke regeeringsvorm de voorkeur verdient. Ziehier
deswege de woorden van den Paus:
Naar deze bepaling der rechten en plichten is het
duidelijk, dat de bestuurders der Staten vrij zijn in
hun kring, en dit niet enkel ondanks de Kerk,
maar met haar oprechten en weigemeenden steun.
Daar toch de Kerk als haar hoogste doel nastreeft,
dat de ware vroomheid gepleegd worde, die niets
anders is dan een erkenning en eerbiediging van de
rechten Gods, zoo vordert zij juist daarom van haar
kinderen rechtmatige erkenning en eerbiediging van
het gezag der overheid. Maar dit neemt niet weg,
dat de macht van de wereldlijke overheid haar meerdere
vindt in de macht der Kerk, welker doel het is de
menschen te leiden tot »het zoeken van het Rijk
Gods en Zijne gerechtigheid" (25). Zonder schip-
breuk te Inden in zijn geloof, kan niemand er aan
twijfelen, dat de leiding der zielen alleen aan de
Kerk werd opgedragen en dat het gezag van den
Staat geenerlei recht daartoe bezit; want niet den
Keizer, maar aan Petrus heeft Christus de sleutelen
toevertrouwd van het Rijk der Hemelen. — Met
deze leer van het gezag van den Staat en dat der
Kerk is evenwel nog een ander onderwerp van geen
geringe beteekenis verbonden. Wij willen daarom-
trent hier het stilzwijgen niet bewaren.
De Kerk is onderscheiden van elk politiek ver-
-ocr page 26-
24
band. Al heeft zij ook een zekere overeenkomst
met een koninkrijk, haar oorsprong, haar doel,
haar gansche wezen maakt haar tot iets geheel
anders dan alle aardsche Rijken. De Kerk heelt
dientengevolge het recht om naar haar eigene en
met haar wezen overeenkomende wetten en instel-
lingen te leven. En daar zij verder niet enkel een
in zich volmaakte maatschappij is, maar ook elke
andere menschelijke maatschappij te boven gaat, is
het te eenenmale onbillijk, van haar te vorderen,
dat zij zich richte naar het drijven van staatkundige
partgen en aan de veranderingen, door staatsom-
wentelingen te voorschijn geroepen, haar rechten
opoffere. Om dezelfde reden verder is der Kerk,
hoe naijverig zij ook zijn moge op haar eigen rechten,
het recht van een ander eerbiedwaardig en heilig.
Zij is er verre af, ter gunste van een bijzonderen
vorm van staatsbestuur en tegen een anderen zich
te verklaren en in de inrichting van zuiver burger-
lijke en staatkundige verhoudingen der Christenvolken
te willen ingrijpen: met alle staatsvormen en staats-
inrichtingen kan zij zich vereenigen, die aan geloof
en zeden geen hindernis in den weg leggen. — Naar
het voorbeeld der Kerk behooren zich de geloovigen
ieder voor zich in hun zienswijze en handelwijze te
richten. Voorzeker is het hun geoorloofd, ook op
staatkundig gebied hun werkzaamheid te ontwikkelen
en, in zoover door hen niets geschiedt tegen de
waarheid en de gerechtigheid, het in den politieken
strijd daarheen te leiden, dat de richting, van welke
zij te algemeenen nutte het meeste heil verwachten,
ook de overwinning wegdrage. Maar het zou den
godsdienst misbruiken zyn, wanneer men de Kerk
wilde dienstbaar maken aan partybedoelingen en op
-ocr page 27-
25
haar hulp aanspraak zou willen doen gelden tot
vernietiging van politieke tegenstanders. Verre van
dergelijken toeleg verwijderd, moeten alle kinderen
der Kerk de belangen van den godsdienst boven
alles stellen. Ook in staatsaangelegenheden, die
immers van de wet der zeden en van den godsdienst
niet kunnen worden gescheiden, moeten zij altijd en
vóór alles in het oog houden wat voor den gods-
dienst en voor de Kerk nuttig en heilzaam zij. En
waar het belang der Kerk in gevaar komt, daar
moeten zij zelfs alle onderlinge verdeeldheid ter zijde
stellen en één van zin en ziel de groote zaak, die
gevaar loopt tot de hunne maken en verdedigen;
want in haar bestaat hun hoogste goed, en naar
haar moet al het andere sich richten. — Het komt
ons nuttig voor, nog eenigszins nader hierop in
te gaan
En dan zegt de Paus, dat de Kerk niet onver-
schiüig kan blijven aan toetten, door den staat uitge-
vaardigd
, in zooverre die wetten inbreuk maken op
de rechten der Kerk;
— dat de Kerk, onder diegenen
die met bestuur van den Staat belast zijn, hen moet
begunstigen, die gezonde denkbeelden hebben omtrent
de verhouding tusschen Kerk en Staat,
— en dat
ook de Katholieken dezulken moeten steunen.
— Wij
laten de eigene woorden van Z. II. hier volgen :
Kerk en Staat hebben beiden op hun wijze een
souvereiniteit. Vandaar is in de aan elk van beiden
eigenaardige aangelegenheden en binnen de grenzen,
door elks eigenaardig doel gesteld, noch de Kerk
aan den Staat, noch de Staat aan de Kerk onder-
worpen. Hieruit echter volgt geenszins, dat beiden
van elkander gescheiden moeten bestaan, en nog veel
minder, dat zij vijandig moeten staan tegenover
-ocr page 28-
2G
elkander. — Naar den eisch toch der natuur-zelve
hebben wij niet enkel eenvoudig te bestaan, maar
wij hebben te bestaan als beschaafde en zedelijke
menschen. De staatsburgerlijke orde heeft daarom
ten plicht, al datgene te bezorgen wat noodig is om
den burgers van den Staat niet enkel het leven,
maar ook genoegzame bescherming te verzekeren,
ten einde zich zedelijk te volmaken door het na-
streven der waarheid niet alleen, maar ook, en wel
voornamelijk, door de beoefening der deugd. De
Kerk van haar zijde heeft tot taak, al datgene te
verschaffen, wat noodig is, om te leven naar de
voorschriften van den godsdienst en de godsvrucht,
die, omdat zij alles tot God terugbrengen, de aan-
vulling en bekroning mogen heeten van alle deugd.
Bij alle voorschriften en wetten moet derhalve ook
acht geslagen worden op de verplichtingen, die den
mensch in de zedelijke en godsdienstige orde zijn
opgelegd; geen gebod en geen verbod mag worden
gegeven, waarbij niet in het oog wordt gehouden
wat eiken mensch als burger en Christen dienstig is.
Derhalve kan het ook de Kerk niet onverschillig
zijn, welke wetten in de verschillende Staten gegeven
worden en van kracht zijn. Die wetten moeten het
voorwerp zijn van haar toezicht, niet in zoover zij
wetten zijn van den Staat, maar wel in zoover zij
misschien de grenzen van de staatsbevoegdheid o ver-
schrijden en ingrijpen op het rechtsgebied der Kerk.
Zou zich hier het geval voordoen, dat de wetten
der burgerlijke overheid in strijd kwamen met de
heilige belangen van den godsdienst, dan is het de
taak door God aan de Kerk opgedragen, de invoering
van zulke wetten naar gelang harer krachten tegen
te gaan, gelijk zij in het algemeen verplicht is, het
-ocr page 29-
27
daarheen te leiden, dat alle wetten en regelingen
der volken tot stand komen in overeenstemming met
den Geest des Evangelies. En daar voorts de voor-
spoed en de welvaart van den Staat op geheel bij-
zondere wijze afhankelijk zijn van de deugdelijkheid
en rechtschapenheid dergeuen die met de leiding
van den Staat zijn belast, spreekt het vanzelf, dat
de Kerk haar bescherming en haar gunst nimmer
kan verzekeren aan hen, van wie zij weet dat zij
door hen vijandig zal behandeld, dat haar rechten
door hen zullen verkort worden, of dat zij zullen
beproeven de godsdienstige en staatkundige orde,
die naar haar wezen met elkaar verbonden zijn, uit
elkaar te rukken. Daarentegen zal zij plichtmatig
handelen door diegenen te begunstigen, welke, in
rechtmatige waardeering van de godsdienstige en
burgerlijke belangen, hun krachten inspannen om
de vertegenwoordigers van beiden, de Kerk en den
Staat, tot weder zij dschen zegen, in vrede en een-
dracht te doen werkzaam zijn. — Hiermee is tegelijk
het richtsnoer aangegeven, dat iedere Katholiek in
het openbare leven heeft te volgen. Voor zoover
de Kerk haar kinderen toestaat deel te nemen aan
het openbare leven, moeten zij vóór alles aan mannen
van beproefde rechtschapenheid en christelijken zin
hun gunst en steun schenken; in geen geval kan
het hun echter geoorloofd zijn, aan de vijanden van
den godsdienst boven de eersten de voorkeur te geven.
Uit het hier gezegde volgt van hoeveel belang het
is, de eensgezindheid te bewaren, vooral daar in
onze dagen het Christendom met groote behendig-
heid en list bestreden wordt. Zy allen, die trouwe
aanhangers willen heeten van de Kerk, die »een zuil
en grondvest is der waarheid" (26), zullen zich
-ocr page 30-
28
zorgvuldig wachten voor valsche leeraars, die hun
vrijheid beloven, ofschoon zij-zelven »slaven zijn des
verderfs" (27); ja, zij zullen, als de Kerk-zelve,
tegenover list wijsheid stellen en kloekmoedigheid
tegenover geweld. — Het is hier de plaats niet, om
na te gaan, of en in hoever de traagheid en de on-
eenigheid der Katholieken schuld hebben aan de
tegenwoordige omstandigheden; maar zeker zouden
de goddeloozen minder stoutmoedigheid aan den dag
gelegd en minder puinhoopen op elkander gestapeld
hebben, indien alle goedgezinden waren bezield ge-
weest door een sterk geloof, »dat door de liefde
werkzaam is" (28); en ook zou dan de door God
gegeven zedenwet niet dermate in verval geraakt
zijn als wij haar nu aanschouwen. Mocht de her-
innering aan het verleden de menschen wijzer maken
voor de toekomst!
In het laatste gedeelte der Encycliek spreekt onze
H. Vader Leo XIII vooreerst van hen
, die aan de
behandeling der staatkunde deelnemen
, en hij wijst
hen op
twee gebreken, waarvoor zij zich moeten
wachten, en waarvan het eene zich den naam aan-
matigt van voorzichtigheid, het andere in vermetelheid
opgaat. Luistert naar het waarschuwende woord
van den Paus:
Diegenen echter, welke zich met publieke belangen
willen bezighouden, moeten zich bovenal voor twee
fouten in acht nemen, waarvan de eerste den schijn
aanneemt van voorzichtigheid, de tweede uitloopt
op vermetelheid. Immers, er zijn er misschien, die
het voor onverstandig houden, het onrecht en de
goddeloosheid, waar deze machtig en invloedrijk zijn,
openlijk te wederstaan, wijl, naar zij voorgeven, de
vijand door tegenspraak nog meer verbitterd wordt.
-ocr page 31-
29
Of deze vóór of tegen de Kerk zijn, kan onzeker
schijnen; immers zij verklaren, wel is waar, Katholiek
te zijn, maar niettemin zijn zij de meening toege-
daan, dat de Kerk wèl zou handelen, met deze en
gene van de kerkelijke leer afwijkende meeningen
ongestraft toe te laten. Zij jammeren en klagen
erover, dat het geloof vermindert, dat de onzede-
lijkheid toeneemt, maar zij denken er niet aan,
zelven naar verbetering te zoeken; ja, niet zel-
den gebeurt het, dat zij zelven het zijn, die door
te groote toegevendheid en door een valsche ver-
draagzaamheid het kwaad in de hand werken. Zij
willen, dat niemand twijfel e aan de welwillende
gezindheid, die hen ten opzichte van den Apostoli-
schen Stoel bezielt, doch steeds zijn zij, als het den
persoon der Pausen-zelven betreft, gereed om aan-
merkingen te maken. De wijsheid van dezulken is
geen andere dan die welke de Apostel Paulus de
aardsche wijsheid en den dood der ziel noemt, omdat
zij zich niet aan de goddelijke wet onderwerpt en
zich aan deze niet kan onderwerpen (29). Niets
echter is minder geschikt om aan de tegenwoordige
jammeren een einde te maken, dan juist deze valsche
wijsheid. De vijanden der Kerk toch verzwijgen
geenszins, ja, zij stellen er een eer in, openlijk te
bekennen, dat hun doel is den katholieken godsdienst,
den alleen waren, van den aardbodem te doen ver-
dwijnen. Hun onbeschaamdheid en vermetelheid
kennen geen grenzen. Zij houden zich overtuigd
dat zij des te eerder hun doel zullen bereiken,
naarmate het hun gelukt, den Katholieken vrees
aan te jagen. Het gevolg hiervan is, dat zjj die
de aardsche wijsheid beminnen, die er niet van
hooren willen, dat ieder Christen een soldaat van
-ocr page 32-
30
Christus moet wezen , die meenen de voor den strijd
toegezegde belooning te kunnen verwerven door een
wereldsch leven, zonder arbeid, niet alleen niet
helpen, om den stroom der ongerechtigheden tegen
te houden, maar integendeel zelven ertoe bijdragen,
dien stroom steeds hooger op te zetten.
Velen, van den anderen kant, door valschen ijver
vervoerd of, wat nog erger is , dit voorwendende,
mengen zich in zaken, die hun niet aangaan. Zij
zouden verlangen, dat de Kerk geregeerd werd zoo-
als zij het goed en oorbaar achten, en gaan daarbij
zóó ver, dat zij zich aan maatregelen, die tegen
hun eigen meening strijden, slechts met tegenzin
onderwerpen. Dit is een dwaze hoogmoed, die even-
zeer afkeuring verdient als de handelwijze der lieden,
van welke Wij zooeven gewag maakten. Zij, die
zóó denken, volgen niet hun rechtmatige oversten,
maar willen hen leiden; zij keeren de verhouding
om tusschen oversten en ondergeschikten en ver-
breken de orde, die God van allen in Zijn Kerk
heeft verlangd, en die derhalve door niemand on-
gestraft kan worden geschonden.
Zij daarentegen verdienen geprezen te worden,
die zoo dikwijls het verlangd wordt, gaarne en met
blijdschap zich in het strijdperk begeven, in de
vaste overtuiging, dat onrecht en geweld ten slotte
voor het recht van onzen heiligen godsdienst moe-
ten wijken. Zij toonen den moed te bezitten van
de eerste Christenen, doordien zij er een eer in
stellen, den godsdienst te beschermen en te ver-
dedigen tegen die overmoedige en gewelddadige
partij, welke zich de vervolging van het Christendom
ten doel stelt, den Paus in haar macht heeft weten
te brengen en niet ophoudt hem te vervolgen;
-ocr page 33-
31
daarbij echter is steeds hun streven erop gericht,
gehoorzame zonen der Kerk te zijn, en doen zij
niets tegen den wil van hun geestelijke overheid.
Deze onderworpenheid, gepaard aan moed en stand-
vastigheid is voor alle Christenen noodzakelijk, op-
dat zij in geenerlei omstandigheden iets te kort
schieten. (30) Daarom wenschen Wij ten vurigste,
dat in alle harten de wijsheid van den H. Geest
moge wonen, van welke de H. Paulus spreekt. (31)
Zij maakt dat bij al onze handelingen, de juiste mid-
denweg worde in acht genomen, dat men niet
lafhartig vertwijfelt en ook niet in overmoed zijn
verwachtingen te hoog stelt. Daar bestaat echter
verschil tusschen de wijsheid, die het openbare
welzijn en de wijsheid, die het particuliere leven
moet besturen. De laatste regelt het leven van iederen
mensch persoonlijk volgens verstandig overleg; de
eerste moet gezocht worden bij de oversten, en vóóral
bij de vorsten, aan wie is oplegegd, anderen te
regeeren. Vandaar bepaalt zich de wijsheid ten op-
zichte van het openbare leven van den gewonen
Christen daartoe, de bevelen der rechtmatig gestelde
overheid trouw te gehoorzamen. (32) Een zoodanige
orde is des te meer noodig in de Kerk, naarmate de
wijsheid van den Paus op meer zaken heeft acht te
geven; immers, hem is opgedragen, niet alleen de Kerk
te besturen, maar hij moet ook in het algemeen de
handelingen van de afzonderlijke leden ervan zoodanig
weten te leiden, dat zij mogen hopen, het Eeuwige
Leven te erlangen. Hieruit volgt dan ook onmiddelijk,
dat het de plicht is van alle Katholieken, niet slechts
in hun gezindheid en hun handelingen eendrachtig
te zijn, maar ook in bijzonderen eerbied te toonen
voor de hooge wijsheid, welke de Kerk bij het
-ocr page 34-
32
ordenen en regelen van openbare zaken aan den dag
legt. De leiding en het bestuur nu der kerkelijke
aangelegenheden is op de eerste plaats de zaak van
den Paus en, na deze, van de bisschoppen. Immers,
hoewel zij niet de hoogste macht van het kerkelijk
bestuur bezitten, bekleeden zij toch in de kerkelijke
hiërarchie een vorstelijken rang; zij besturen de
hun toevertrouwde kerken; zij zijn als de hoogste
bouwmeesters van den geestelijken tempel. (33). De
taak der overige geestelijken is, hen met raad en
daad bij te staan. Naar deze instellingen der Kerk,
welke geen mensch kan veranderen, behoort een
ieder zijn handelingen in te richten. Derhalve, ge-
lijk de bisschoppen hunnerzijds bij de waarneming
van hun ambt moeten verbonden zijn met den H.
Stoel, zoo moeten ook alle overigen, geestelijken
en leeken, steeds handelen en arbeiden in nauwe
verbinding met hun bisschoppen.
Het moge voorkomen, dat in de handelingen der
bisschoppen het een of ander worde aangetroffen
wat minder prijzenswaardig schijnt of in hun meeningen
het een of ander wat geen algemeene instemming
vindt, maar ook in dat geval mag geen leek het
onderstaan, zich op te werpen als rechter van zijn
bisschop. Rechter over dezen is alleen degene dien
Christus, onze Heer, als herder over Zijn schapen
heeft aangesteld. Niemand moge de wijze vermaning
van Paus Gregorius den Groote vergeten, waar hij
schrijft: »De ondergeschikten behooren er aan her-
innerd te worden, dat zij, zelfs als zij in de handelingen
van hun oversten iets zouden ontdekken wat blaam
verdient, toch over dezen niet vermetel mogen von-
nis strijken; immers, als zij, misschien niet zonder
grond, zich gerechtigd achten een of ander af te
-ocr page 35-
33
keureu, zou lichtelijk uit zoodanige aanmatiging
grooter kwaad kunnen geboren worden. Zij mogen
wel bedenken, dat voorkomende gebreken en fouten
van hun oversten hun geenszins het recht geven,
zich tegen dezen te verzetten. En zelfs indien zij
iets dat hoogst verkeerd was, bij dezen zouden opmerken,
behoorden zij dit voor zooveel als mogelijk was, te
verontschuldigen, en zouden zij nooit of te nimmer
den eerbied en de gehoorzaamheid, door God-zelven
onder strafbedreigingen hun opgelegd, moge|wei-
geren. Zelfs als de handelingen der overheden werkelijk
berisping verdienen, behooren de tongen der onder-
hoorigen zich te hoeden voor vermetel oordeelen". (34)
Aan deze woorden voegt de H, Vader nog toe,
dat de pogingen der Katholieken niets zullen baten
,
indien hun leven niet geregeld is naar de Christelijke
zedeleer: want de zonde is de oorzaak van het on-
geluk der volken. En daarom wijst Z. H. op de
noodzakelijkheid van het gebed en van het beoefenen
der deugden
, die den goeden uitslag verzekeren van
alles, wat voor de verdediging van het geloof en van
de Kerk ondernomen word.
— Ziehier de woorden
van Z. H.:
Doch weinig zou dit alles baten, indien het leven
der Katholieken niet tevens volgens de grondstel-
lingen van het christelijk geloot werd ingericht. Van
de Joden wordt in de H. Schrift gezegd: »Zoo lang
zij niet zondigden voor het aangezicht des Heeren,
ging het hun wel, want hun God haat de onge-
rechtigheid... Doch toen zij afgeweken waren van
den weg, dien God hun had voorgeschreven om te
bewandelen, zijn zij door veel volken met oorlogen
ten verderve gevoerd" (35). Het joodsche volk nu
was de voorafbeelding der Christenheid, en in het-
-ocr page 36-
34
geen met de Joden geschiedde, zien wij vaak de
afspiegeling van toekomstige gebeurtenissen. Daarbij
komt, dat God in Zijn goedertierenheid ons, Christenen,
met veel grootere voorrechten en genaden dan de
Joden heeit verrijkt, en dat derhalve de zonden der
Christenen een veel zwaarder mate van ondankbaarheid
in zich sluiten.
Weliswaar wordt de Kerk nooit en op geenerlei
wijze door God verlaten, en heeft zij derhalve van
de boosheid der menschen niets te vreezen; doch
diezelfde gerustheid voorwaar kaïi niet worden be-
zeten door die volken, welke van den weg der christe-
lijke deugd zijn afgeweken ; immers, » de zonde maakt
de volken rampzalig" (36). Terwijl alle vroegere
eeuwen de waarheid dezer uitspraak ondervonden
hebben, hoe zou dan aan onze eeuw dezelfde ervaring
gespaard blijven? Veel teekenen kondigen aan, dat
de verdiende straffen niet lang meer zullen uitblijven;
hetzelfde worden wij gewaar, als wij acht geven op
den toestand der verschillende Staten, van welke wij
verscheiden door binnenlandsche woelingen den val
nabij gebracht, geen enkelen geheel buiten gevaar
aanschouwen. Als toch de goddelooze partyen stout-
moedig op den ingeslagen weg voortgaan, als het
haar gelukt door de schandelijke hulpmiddelen, bij
nog schandelijker bedoelingen, waarvan zij zich tot
dusver bediend hebben, hun macht en invloed te
versterken, dan zal het inderdaad te duchten staan,
dat zij alle Staten van de grondslagen, welke hun
door de natuur gesteld zijn, zullen losscheuren.
En inderdaad kan dergelijke vreeselijke toekomst
niet door menschelijke macht worden voorkomen, en
dit vooral wijl de groote, van het christelijk geloof
afgevallen menigte daardoor de rechtvaardige straf
-ocr page 37-
35
ondergaat voor haar hoogmoed, terwijl zij in haar
verblinding, de waarheid zoekt, waar die niet te
vinden is, dan valschen schijn voor waarheid aanziet
en zich verbeeldt, wys te zijn, als zij »het kwade
goed en het goede kwaad noemt, en sils zij »de
duisternis in licht en het licbt in duisternis" doet
verkeeren (37). Daarom is het noodig, dat God ons
Zijn hulp verleent en , Zijn barmhartigheid gedachtig,
zich over de menschelijke maatschappij ontfermt.
Daarom ook hebben Wij u bij een andere gelegen-
heid vermaand, met bijzondere ijver en standvastig-
heid uw smeekingen tot God te verheffen, opdat de
goddelijke barmhartigheid op ons nederig en vurig
gebed moge afdalen, en de deugden, welke tot een
christelijken levenswandel behooren, tot ons mogen
terugkeeren. Vóór alles echter zijn noodig de ver-
levendiging en de aankweeking van de christelijke
liefde, die een uitmuntenden steun vormt van het
christelijk leven , en zonder welke in het geheel geen
christelijke deugden of in elk geval slechts zoodanige,
welke onvruchtbaar blijven, mogelijk zijn. Daarom
vermaant ook de H. Paulus de Colossensen, dat zij
elke zonde zullen ontvlieden en zich den lof van
velerlei deugden mogen waardig maken; en hij voegt
erbij: »Boven alles echter bewaart de liefde die
de band is der volmaaktheid" (38). In waarheid,
een band der volmaaktheid is de christelijke liefde,
wijl zij degenen, welke zij omstrengelt, op het innigst
met God-zelven verbindt en hen ertoe brengt, hun
geestelijk leven te putten uit God, het te leiden met
God en het terug te brengen tot God. De liefde
tot God moet echter met de liefde tot den naaste
verbonden zijn, wijl alle menschen deelen in de
oneindige liefde Gods en Diens beeld in zich om-
-ocr page 38-
36
dragen. »Dit gebod hebben wij van God ontvangen,
dat ieder, die God bemint, ook zijn broeder zal lief-
hebben" (39). »Wie zegt, dat hij God bemint, doch
zijn broeder haat, is een leugenaar" (40). En dit
gebod betreffende de liefde heeft de goddelijke Insteller
ervan zelf een »nienw" gebod genoemd, niet omdat
niet reeds vroeger eenig gebod of zelfs de mensche-
lyke rede den plicht had voorgeschreven, dat de
menschen elkander onderling zouden beminnen, maar
wijl deze christelijke wijze van beminnen nieuw en
te dien tijde geheel onbekend was. Want met de
liefde, waarmede Jezus-Christus bemind wordt door
Zijn Vader, heeft Hij-zelf ook de menschen bemind,
en diezelfde liefde heeft Hij ook Zijn leerlingen en
navolgers ingestort, opdat zij met Hem-zelven één
hart en één ziel zouden hebben, gelijk Hij één van
natuur is met den Vader. Hoe diep van den aanvang
af dit gebod geprent is geweest in de harten der
Christenen, en hoeveel en hoe rijke vruchten van
eensgezindheid, onderlinge welwillendheid, vroomheid,
geduld en sterkte het heeft voortgebracht, is aan
iedereen bekend. Waarom bevlijtigen wij ons niet,
de voorbeelden van onze voorouders na te volgen?
Reeds de tijdsomstandigheden-zelven behooren voor
ons een krachtige spoorslag te zijn, om de christe-
lijke liefde te beoefenen. Terwijl de goddeloozen
hunnerzijds den ouden haat der goddeloosheid tegen
Jezus-Christus opnieuw hebben aangestookt, behooren
de Christenen vóór alles erop bedacht te zijn, de
liefde tot Jesus-Christus en de nauw met haar ver-
bonden naastenliefde, die de oorsprong is van al
wat er groots gevonden wordt, in hun harten te
vernieuwen. Aan alle tweedracht, waar die mocht
bestaan, worde derhalve een einde gemaakt. Het
-ocr page 39-
37
zwiigen worde opgelegd aan alle geschillen welke
slechts dienen om de krachten der strijders te ver-
splinteren, en die aan de godsdienst-zelven geen
voordeel doen. Eén van geest door het geloof,
nauw vereenigd van wil door de liefde tot God en
tot onze naasten, móeten wij door het leven gaan.
Ten slotte, B. G., geeft Leo XIII nog eene bij-
zondere vermaning, om vooral toch te zorgen voor
de opleiding der jeugd: omdat het heil der maat-
schappij grootendeels daarvan afhangt. En daarom
zegt de Paus:
Bij deze gelegenheid willen Wij niet nalaten, in
het bijzonder de huisvaders te vermanen, geheel hun
huiselijk leven, en de opvoeding van hun kinderen,
volgens de door Ons ontwikkelde beginselen in te
richten. Immers, het huisgezin is de grondslag van
eiken Staat, zoodat van den bloei van het familie-
leven ook de welvaart der Staten afhankelijk is.
Daardoor ook laat het zich verklaren, en is het van
hun standpunt zeer verstandig, dat degenen welke
het Christendom uit het staatsieven willen verdrin-
geh, bij den wortel beginnen en dat zij het huis-
ëeziu trachten te ontkerstenen en te bederven,
\'oor niets laten zij zich bij dit streven terug-
houden ; zelfs slaan zij geen acht erop, dat zij
bovenal een groot onrecht begaan jegens de ouders-
zelven. Van natuurswege toch hebben de ouders
het heilige recht, om de kinderen, die zij voort-
brachten, op te voeden, met den plicht er voor
te zorgen, dat de geheele opvoeding en het geheele
onderricht van hun kinderen in overeenstemming
zijn met het einddoel, waartoe God hun kinderen
heeft geschonken. De ouders derhalve moeten al
hun krachten in het werk stellen en mogen niet
-ocr page 40-
38
rusten vóór zij uit den weg hebben geruimd al wat
op dit gebied hen in de uitoefening hunner rechten
zou belemmeren, en vóór zij verkregen hebbeu, dat
zij hun kinderen, gelijk hun plicht medebrengt,
overeenkomstig de grondstellingen van den christe-
lijken godsdienst kunnen opvoeden. Bepaaldelijk en
bovenal moeten zij op hun hoede zijn tegen scholen,
iu welke do zielen der kinderen gevaar loopen, het
vergift der goddeloosheid in te zuigen. Als het de
opvoeding en het onderwijs der jeugd betreft, mag
geen arbeid te zwaar geacht, geen moeite ontzien
worden. Met groote geldelijke opofferingen en prij-
zenswaardige standvastigheid hebben de Katholieken
in verscheiden landen voor hun kinderen eigen scholen
opgericht en daardoor de bewondering van allen
gewekt. Overal waar gelijke omstandigheden het
noodig maken, behoorde dit voorbeeld gevolgd te
worden. Waar aan de jeugd de lessen van oprechte
braafheid worden ingeprent en waar zij te huis een
school van christelijke deugden vindt, daar zijn ook
de beste waarborgen voorhanden voor het welzijn
der Staten.
Wij hebben, naar het Ons voorkomt, hiermede
ongeveer alles besproken wat \'de Katholieken in onze
dagen vooral te doen en te laten hebben. Er blijft
alleen nog over, en dit zal uw voornaamste zorg
zijn, Eerbiedwaardige Broeders, alles in het werk
te stellen wat mogelijk is, opdat deze Onze woorden
en vermaningen overal doordringen, en opdat allen
van het onschatbare gewicht en de beteekenis ervan
overtuigd worden. De vervulling der plichten, van
welke Wij gesproken hebben, is niet zwaar: immers,
het juk van Jesus Christus is licht, en Zijn last is
gemakkelijk. Zouden intusschen ergens of te eeniger
-ocr page 41-
30
tgde bijzondere moeilijkheden het opvolgen Onzer
vermaningen in den weg staan, dan zult gij met uw
gezag en door uw voorbeeld de aan uw herderlijke
zorgen toevertrouwde geloovigen voorgaan, opdat
deze alle krachten mogen inspannen en opdat ieder
van hen in den strijd overwinnaar moge blijven.
Gij moet in herinnering brengen, gelijk Wij-zelven
dit ook reeds meermalen gedaan hebben, dat hoogst
en voor ons meest noodzakelijke goederen op het
spel staan, waarvoor wij gaarne alle moeite en arbeid
op ons moeten nemen en dat voor de moeite en
arbeid, die het christelijke leven met zich brengt,
het heerlijkste loon is toegezegd. Overigens is het
duidelijk, dat wie niet voor Christus strijdt, tegen
Hem strijdt, terwijl Hij-zelf verklaart: »Wie Mij
verloochent voor de menschen, dien zal ik verloo-
chenen voor Mijn Vader, die in den Hemel is (41).
Wat Ons betreft — en dit geldt ook van u allen —
zal het, zoo lang Wij leven, niet kunnen gezegd
worden, dat wij het Onzerzijds in dezen strijd ooit
aan raad, toespraak en vaderlijke zorg lieten ont-
breken. Zoo lang de strijd voortduurt, zal ook de
Heer noch aan Zijn kudde, noch aan haar herders
Zijn bijzondere hulp onthouden.
Gesterkt door dit vertrouwen, verleenen Wij, Eer-
biedwaardige Broeders, aan u en aan de geestelijkheid
en aan alle geloovigen, over welke gij gesteld zijt,
als onderpand der hemelsche goederen en als bewijs
van Onze bijzondere welwillendheid, van ganscher
harte den apostolischen zegen.
Gegeven te Rome bij Sint-Pieter, den 10n Januari
1890, van het Pausschap het twaalfde.
LEO XIII, Paus.
-ocr page 42-
40
(1) Mare. XVI, 16. (2) Matth. VI, 25. (3) Act. V, 29. (4) Timoth. I, 7.
(5) Tit. III, 1, 6. (6) Act. IV, 19—20. (7) Joës XVIII, 37. (8) Luc. VII,
49. (9) Luc. XVIII, 5. (10) Summa, 2a 2ae quaest. III, art. II ad 2. (11)
Joës XVI, 33. (12) Rom. X, 14, 17. (13) Act. XX, 28. (14) Constlt, Dei
Filius,
sub fine. (15) Coloss. I, 24. (16) Want geluk wjj in ééa lichaam
veel leden hebben, doch niet alle leden dezelfde verrichting hebben: zoo. zijn
wy, de velen, een lichaam in Christus en, elk afzonderlek, zijn wn\' leden
van elkander. Rom. XII, 4, 5. (17) Hoogl. VI, 9. (18) Die niet mei Mjj
is, is tegen Mjj; en die met My niet verzamelt, verstrooit. Luc. XI, 23.
(19) I Cor. I, 10. (20) Ephcs. IV, 5. (21) II Cor. IV, 13. (22) Consüt.
Dei Filius, cap. 3. (23) 2a 2ae Quaest. V art. III. (24) Ibid. Quaest. I art.
X. (25) Matth. VI, 33. (26) I Tim. III, 15. (27) II Petr. II, 1, 19. (28)
Galat. V, 6. (29) Het betrachten van het vleesch is vijandig aan God: want
het is der Wet Gods niet onderworpen, want het kan ook niet. Rom. VIII.
6, 7. (30) Jac. I. 4. (31) Rom. VIII, 6. (32) »De wijsheid heeft haar zetel
in het verstand. Nu is het juist een zaak, welke het verstand aangaat,
anderen te besturen en aan anderen te gebieden. Daarom behoort ieder
schranderheid en wisheid te bezitten naarmate hij geroepen is, anderen te
besturen of te leiden. Voorts is het duidelijk , dat het niet aan de onder-
danen toekomt, voor zooverre /ij onderdanen zjjn, en aan de dienaren,
voor zoover zij dienaren zijn, anderen te leiden en te regeeren, maar wel
zelven door anderen geleid en geregeerd te worden. De wn\'sheid als zoodanig
komt dan ook niet den dienaren en onderdanen toe, voor zoover zij dienaren
en onderdanen zijn; een en ander neemt niet weg, dat ieder mensch, voor
zoover h\\j een met rede begaafd wezen is, in de wijsheid van zijn wil ook
zekere heerschappij bezit, welke hij zonder wijsheid niet kan uitoefenen.
Hij de oversten zijn dus wijsheid en oordeel in hoogere mate noodig dan hij
de ondergeschikten; hij eerstgenoemden zijn zij, gelijk in het zesde boek
der Ethica gezegd wordt, op gelijke wijze als de kunst hij de kunstenaars,
luj laatstgenoemden daarentegen meer op de manier waarop de kunstvaar-
digheid wordt gevonden bfl diegenen, welke de werken der kunstenaars met
hun handen uitvoeren. St.-Thomas II. 2. Quaest. 47. Art,. 42. (33) S. Tho-
iuas. Quodlib. I Art. 14. (34) Reg. Pastor, p. III. Cap. IV. (35) Judith V,
21, 22. (36) Proverb. XIV, 34. (37) Isaias V, 20. (38) Coloss. III, 14.
<39) Joh. IV, 21. (40) I Joh. IV, 20. (41) Luc. IX, 26.
Snelpersdruk, Eduard van Wees, Breda.