-ocr page 1-
Vak 3
-2JJL
/y\\ y/\\ 13
*rii«-*0 *Hi-*$ «Hi-XtC*
cp ♦
f1.50
ö-tii^:
f^ROF. ÜR. SeYED fllBBING
0
SBXUEELE HYGIËNE
ü
n
u
*
u
n
en eenige harer
ethische consequenties
VIERDE DRUK
H
LEDEN
A.H. ADRIANI
«-H-» <t -a^\'MM^C •\'$ ^«l^««f
ffll
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
\'tt.
«*►
-ocr page 6-
2                                                                                  l
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000031439544B
3143 954 4
-ocr page 7-
SEXUEELE HYGIËNE
-ocr page 8-
Typ. Gebr. Nobels. — Haarlem.
-ocr page 9-
Sexueele Hygiëne
SN
EENIGE HA RER
ETHISCHE CONSEQUENTIES
DRIE LEZINGEN
DOOR
DR SEVIEID EIBBING
Professor aan de lloogeschool te Lund
LEIDEN
A. H. ADRIANI
1894
-ocr page 10-
-ocr page 11-
VOORWOORD.
Lc ministère sacrë du mëdccin,
en l\'obligeant a tout voir, lui
permet aussi de tout dire.
ÏARL1IEU.
In de lente van 1886 hield ik voor de leden van de „Vereeniging
der Lundsche academie" de lesingen die hier het publiek in boekvorm
worden aangeboden. Ik ga voornamelijk tot de uitgave over, omdat
de sexueele quaestie nog steeds in verschillende kringen op de dagorder
staat. Ik behoud den oorspronkelijken vorm, hier en daar verrijkt
met aanhalingen uit wat er later voor nieuws op dit gebied is ver-
schenen. Misschien zullen er zijn, die meenen, dat ik een bijzonder
ruim gebruik heb gemaakt van citaten, maar dit was noodzakelijk.
De citaten zijn mijne
pièces justilicatives, bewijzen dat mijne mee-
ningen geene onbekookte uitvallen zijn, geen uitingen van mijn subjectief
oordeel, maar dat zij volkomen overeenstemmen met de loetenschap-
pelijke resultaten waartoe de wetenschap van den tegenwoordigen tijd
is gekomen.
DE SCHRIJVER.
Lund, 5 October 1888.
-ocr page 12-
-ocr page 13-
VOORWOORD BIJ DEN DERDEN DRUK.
Niemand ziet zoo goed de gebreken van het werkje als de schrijver
zelf. Juist daarom was het zulk een genoegdoening voor mij dat liet
zoo goed werd ontvangen. Ik zal steeds de gunstige beoordeelingen in
dankbare lierinnering houden, die mij zoowel mondeling als schriftelijk
zijn geworden.
Ik weet zeer goed dat sommige gedeelten van mijn arbeid zeer
fragmentarisch zijn; ik heb getracht in deze uitgave zooveel mogelijk
aan te vullen. Ik kan evemoel niet beloven dat ik de beschouwingen
der geachte onderzoekers, die in menig socialistisch en wetgevend
opzicht andere meeningen dan ik zijn toegedaan, zal aannemen.
Indien mijne hier volgende, uitvoeriger uiteenzetting hun kon over-
tuigen, dat ik eerst na een grondig onderzoek van al het aanwezige
materiaal, ben gekomen tot de voor mij zelven nog niet eens definitieve
gevolgtrekkingen, zou ik meer dan tevreden zijn.
DE SCHRIJVER.
Lund, 20 Sept. 1889.
-ocr page 14-
-ocr page 15-
EERSTE LEZING.
Inleiding. — De literatuur over het geslachtsleven. — De soort
en indooling daarvan. — Het nut van sexueele kennis. — De indee-
ling der lezingen. — De sexueele hygiëne eene natuurweten-
schap. — Pessimistische opvatting van het geslachtsleven. —
De beteekenis van het geslachtsleven. — De anatomie en
physiologie der mannelijke geslachtsorganen. — De vrouwelijke
geslachtsorganen en hunne functies. — Geslachtsrijpheid. —
Soxueelo vroegrijpheid. — Bronst en menstruatie. — Vroege
huwelijken. — De paring der dieren en teeltverhoudingen. —
De sterkte der geslachtsdrift. — Het bedwingen daarvan bij do
dieren. — Het geslachtsleven en het genot van geslachtsgemeen-
schap by de menschen. — Leeftijd voor het huwelijk. — Statistieke
data daarover. — De leeftijd waarop de huwelijken in de ver-
schillende standen der maatschappij worden gesloten. — De
ontwikkeling van de instelling des huwelijks. — De numerieke
verhouding der geslachten. — De oorzaak van storingen in die
verhouding.
M. H. Het zal u niet verwonderen, wanneer ik u zeg,
dat ik niet dan na langdurige aarzeling heden voor u optreed.
Het onderwerp, dat ik zal behandelen, wordt namelijk zoo
zelden tot eene openlijke en tevens waardige bespreking
gekozen, dat menigeen een beslisten tegenzin voor elke poging
dienaangaande heeft. Enkele voortbrengselen der moderne
-ocr page 16-
2
belletrie noodzaken evenwel om zulk eene gereserveerde
houding te laten varen. Er is onlangs een boek verschenen,
dat, naar het heet, eene waarachtige schildering bevat van
het leven aan de Hoogeschool. \') Indien men dit als waar
mocht aannemen, zouden de oudere, meer ervaren lieden, wien
door den sexueel rijpen maar onervaren jongeling om raad
werd gevraagd, hem niet anders dan medelijdend kunnen
antwoorden: „Gij ook al, arme jongen?" wat hem zeker niet
tot troost en leiding zou zijn.
Gelukkig is menigeen in de gelegenheid om eenige betere
kennis op te doen, alhoewel men moet erkennen, dat de
literatuur, die den jongelieden over dit onderwerp wordt
aangeboden of hun in handen valt, in menig opzicht op
een dwaalweg voert. Ik zou die literatuur willen verdeelen
in literair-hervormende en medisch-lucratieve. Onder de eerste
versta ik hoofdzakelijk de uitgaven in novellistischen of
dramatischen vorm, waarin de schrijvers een speciaal punt
van het physische of psychologische gebied van het geslachts-
leven behandelen en, in den regel, verbitterd over de
tegenwoordige verhoudingen, hartstochtelijk ijveren voor veran-
dering van alle daarmee in verband staande wetten en zeden.
Zulk soort van literatuur is op zichzelf genomen niet te
veroordeelen; maar de ervaring leert, dat zij dikwijls van
schadelijken invloed is. Dit is in de eerste plaats hieraan te
wijten, dat de schrijvers of schrijfsters vervallen in de fout
der halfbeschaafden, om alleenstaande feiten te generalizeeren,
en uitgaande van zulke alleenstaande feiten, de geheele orde
der maatschappij, die zich regelde naar het groote aantal
normale gevallen en verschijnselen, willen omverwerpen.
De tweede soort van literatuur oversexueele onderwerpen
noem ik de medisch-lucratieve. Van welken aard deze is,
begrijpt gij het best wanneer ik u de titels dier boeken
noem: Zei f bewaring. — Amor en Hymen. — Raad-
gever voor jonggehuwden,
enz. Deze literatuur bloeit enkel
1) Erik Grano van O. af Geyerstam. Stockholm 1S85. bl. 113.
-ocr page 17-
3
en alleen omdat zij speculeert op de zinnelijkheid der jonge-
lieden en op hunne mispassen. Onder belofte van de geheimen
van het geslachtsgenot te ontsluieren, geeft zij eenige arm-
zalige, nietsbeteekenende schilderingen, benevens eenige raad-
gevingen voor geslachtsziekten en andere gevolgen van
uitspattingen, raadgevingen die gewoonlijk uitloopen op den
raad: zich tegen hoogen prijs bij een buitcnlandsch geneesheer
een geneesmiddel aan te schaffen, waarvan de uitwerking
wordt geprezen.
Wanneer er een enkele maal een werk van anderen aard
het licht ziet, zooals dit het geval was met Björnstjerne
Björnson\'s En handske (Svava) en Bet flager i byen ocj pact
haaien
(Godset), gebeurt het licht dat het krachtige tegenspraak
en eene vernietigende critiek vindt bij een schrijversbent, die
gevoed werd door lectuur van de eerst door mij genoemde
soort.
De denkbeelden die Björnson, ook mee op gezag van
Herbcrt Spencer, ten beste\' geeft, zijn ongetwijfeld ten volle
geldig, al valt er misschien iets af te dingen op den tijd en
de wijze waarop de kennis van het geslachtsleven aan de
jeugd moet worden medegedeeld.
Die kennis zooals ik haar zou willen mededeelen, is niet
nieuw. Zij is sinds eeuwen verspreid door protestantsche
geestelijken in hunne hoedanigheid van private zielenherders,
die op grond hunner eigene ervaring van het familieleven
raad geven aan de hun om raad vragende gemeenteleden.
Hoe goed hunne raadgevingen ook mogen zijn, ze worden
zelden gevraagd door de studeerende jongelingschap. Ook kan
de geestelijkheid onmogelijk de ontwikkeling der wetenschap
zoomin als de wisselende uitingen van het cultuurleven
volgen, en men zal dus gereedelijk willen toegeven, dat wij
als doctoren onze stem behooren te verheffen.
De aangenaamste, meest bevredigende zijde van de positie
eens medicus is zeker deze, dat zijn wetenschap het geslachts-
leven, dien hoofdfactor van het familieleven, beheerscht.
Aan de practische uitoefening der geneeskunst mogen vele
-ocr page 18-
\\
moeiten on bezwaren verbonden zijn, do kennis dor levons-
wetten schenkt voldoening en vertrouwen.
(ïaarne zou ik u, mijno hoorders, door deze lozingen iets
willen schenken van die kennis, en naar mijne meening
moet dit onderwerp onder beschaafde mannen worden behan-
deld, besproken met ernst en waardigheid, zonder dat daarbij
onzuivere beweegredenen in het spel komen.
Hot zon niet moeilijk wezen om aan dit onderwerp een
heel semester te wijden, maar ik mag niet zoo veel van uwen
tijd in beslag nemen; ik zal mij tot drie lezingen bepalen:
waai-van in
de. eerste de geslachtsorganen, de anatomie en de physio-
logie van liet geslachtsleven zullen behandeld worden;
de tweede zal het huwelijk ten onderworp hebben, en
de derde de ziekten, die uit geslachtsgemeenschap ontstaan.
Eerst nog wil ik mijnen toehoorders zeggen, dat men mij
mondeling of schriftelijk, persoonlijk of anoniem aanmerkingen
mag maken of vragen mag doen, die ik dan naar mijn beste
weten bij de volgende lezing hoop te weerleggen of te beant-
woorden. Daarentegen zou ik in dezen tijd gaarne bespre-
kingen in de gewone bladen over de voordracht en liaro
onderdeden willen voorkomen, liet kou n.1. zeer gemakkelijk
gebeuren dat de eene of andere opmerking een langer,
uitvoeriger, en om zoo te zeggen onverUoemder verdediging
eischte, dan ik lust heb in de gewone couranten te geven. \')
Bij voorbaat moet ik mijne hoorders voor éen ding waar-
schuwen. Ik zal geheel zonder voorbehoud en ronduit over
alle bijzonderheden van mijn onderwerp sproken; ik zal steeds
onverbloemd mijne mecning zeggen. Het is best mogelijk
dat zulk eene behandeling bij den een of ander physick
onwelzijn opwekt; zij dus die zich niet sterk genoeg gevoelen
doem het best zich te verwijderen.
Nog iets anders wil ik u in vertrouwen meedeelen. Het
1) Dit voorbehoud geldt natuurlijk niet meer, nu dezo lozingen in druk z(jn
Verschenen,
-ocr page 19-
5
zal mijn streven zijn in dozo lezingen zuiver empirisch, niet
doctrinair te wezen. Ik kan slechts beloven er naar te zullen
streven; de levensbeschouwing die wij uit de vele bronnen
der wetenschap hebben geput on zelf hebben uitgewerkt, kan
zeer goed hier en daar eens om een hoekje komen kijken,
en zij kan er bijgevolg geene aanspraak op maken om door
ieder te worden erkend; maar de empirie, de wetten en de
kennis van de natuur zullen wel door ieder worden aan-
genomen.
De sexucele hygiëne is immers ccne zuivere natuurweten-
schap; de ethische gevolgtrekkingen die er door mij uit
kunnen worden gemaakt, zullen tegenspraak moeten vinden
bij doctoren die op oen ander standpunt staan.
Misschien komt het menigeen als eeno onnoodige, ja,
nuttelooze onderneming voor om zich in zulke onderzoekingen
te verdiepen, daar er goede religieuze en philosophisch-cthischo
handleidingen bestaan voor de zedeloer van het geslachtsleven.
Ik ben van een tegenovergesteld gevoelen en meen dat wij
voor alles, oone Ethica naturalis sexualis noodig hebben.
Zulk eene wetenschap moet zich in de eerste plaats
kunnen beroepen op physiologische en pathologische erva-
ringen. Alles wat onnatuurlijk is, wat lichamelijk en gees-
telijk lijden veroorzaakt, moet als verwerpelijk worden
beschouwd en zoo mogelijk worden uitgeroeid. Maar omdat
de sexucele quacstie niet van een individueel standpunt af
kan worden opgelost, moet men stipt rekening houden met
de sociologische kennis, en aan haar dankt men do grond-
stelling: niemand heeft het recht zich genot to verschuilen
dat aan anderen verdriet on smart veroorzaakt; ja, liet is
zelfs een der eerste maatschappelijke plichten om op dit
gebied hot grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijk
aantal menschcn to bewerken.
-ocr page 20-
6
Het is meer dan eens gebeurd dat ernstige, welgezinde
menschen, die over de veelvuldige afdwalingen van het
geslachtsleven hadden gepeinsd, deze levensuiting als iets
ongelukkigs, verleidelijks, vernederends beschouwden; zij
hebben, misschien wel eenigszins overijld, den wensch uitge-
sproken dat de menschelijke voortplanting niet gebonden ware
aan sexueele paring.
Ook van eene geheel andere zijde is er een aanval gedaan
op deze natuurwet. August Strindberg heeft in zijne Utopieën
en werkelijkheid
de stelling opgeworpen dat de geslachtlooze
voortplanting een hooger stadium vertegenwoordigt dan de
geslachtelijke.
Wanneer men een oogenblik nadenkt zal men terstond
de beteekenis van geslachtelijke voortplanting inzien. Nemen
wij, al is het voor een oogenblik, de evolutietheorie aan,
dan zullen wij terstond zien, dat het „elkaar zoeken" der
beide geslachten, gaven en aanleg ontwikkelt, die anders
misschien zouden blijven sluimeren en ongebruikt te loor
gaan.
Een blik op het leven der natuur zal ons de uitgestrekte
beteekenis en de gevolgen van het geslachtsleven toonen.
Alleen daarom en daardoor bloeien de leliën op het veld,
geuren de rozen; alleen daarom zingen merels en nachte-
galen; uitsluitend daarvoor beijvert zich de dier- en planten-
wereld om zich steeds mooier kleuren en vormen toe te
eigenen; daardoor ontwikkelen mannen en vrouwen zich in
lichamelijk en geestelijk opzicht tot volmaking; geven sterkte
en schoonheid zich wederkeerig ten prijs. Zonder het geslachts-
leven zou het leven een akelige, doodsche woestenij zijn;
kunsten en wetenschappen, staatsleven en cultuur, ja zelfs
een deel van den godsdienst zou dan niet kunnen bestaan. \')
1) Vergel. Krafft-Ebing. Psychopathia sexualis. Stuttgart 1868. bl 2
-ocr page 21-
7
Het is onmogelijk zich eene meening te vormen en inzicht
te krijgen in het wezen van het geslachtsleven, zonder kennis
te bezitten van de anatomie en physiologie der geslachts-
deelen, en ik moet dus daarvan eene korte beschrijving
geven. Misschien zal zulk eene uiteenzetting menigeen droog
en vervelend voorkomen, misschien zullen sommigen vinden
dat zulk een onderwerp walging en verveling wekt, doch
voor ieder die niet aan de oppervlakte blijft hangen komen
juist hier vele van de bewonderenswaardigste trekjes der
natuur aan het licht.
Ik ben genoodzaakt om alle theorieën over het ontstaan
van het menschelijk geslacht met stilzwijgen voorbij te gaan,
alsmede de sexueele ontwikkeling van lagere vormen tot
hoogere, en begin terstond met eene schildering der manne-
lijke
geslachtsorganen.
In de eerste plaats zij opgemerkt dat deze in tegenstel-
ling met de vrouwelijke, zich hoofdzakelijk bevinden aan
de buitenzij der groote lichaamsholten, dat zij zichtbare
aanhangsels vormen aan het benedenste gedeelte van den
romp.
Naar hunne functionneele beteekenis worden zij in drie
categorieën verdeeld, al naar het hunne roeping is het sperma
te bereiden, dit in buisvormige organen voort ie leiden
of als
koppelwerktuig te dienen.
De nieuwe individuen vormende, mannelijke zelfstandigheid
wordt in de testikels of ballen bereid. Dit zijn twee in
grootte, vorm en ligging met elkaar overeenkomende, uit
fijne buisjes saamgestelde klieren, welker eigenaardige werk-
zaamheid in de periode der manbaarwording begint en in
den regel met den ouderdom ophoudt.
Een normaal gevormde testikel (bal) is ongeveer 5 c.M.
lang, 2,5 c.M. breed en 3 c.M. dik, weegt ongeveer 16
gram. Men kan uiterlijk zeer duidelijk twee deelen onder-
scheiden, de eigenlijke testikel die den vorm heeft van een
eenigszins platgedrukt ei en het 8/4 gedeelte van de geheele
testikelmassa uitmaakt, en de kleine of bijbal, een
-ocr page 22-
8
langwerpig, bijna cylindervormig aanhangsel, dat aan de
lange zijde van den eigenlijken testikel ligt. De beide testikels
en hunne bijorganen loopen uit in den zoogenaamden zak of
het scrotum, een huidzak die elk der beide testikels in een
afzonderlijke ruimte herbergt. Door dezen huidzak bedekt,
loopt van eiken bal de zoogenaamde zaadstreng (funiculus sper-
maticus) naar het lieskanaal (canalis inguinalis) waardoor het
in de bekkenholte treedt. De zaadstreng bestaat uit den buis-
vormigen zaadleider, uit slagaderen, aderen, lymphvaten en
zenuwen, welke onderling door bindweefsel worden verbonden.
Het zou te veel tijd vergen indien ik u alle holtetjes,
vliesjes en wandjes, enz. enz. wilde beschrijven; ik sla dit
dus over en bepaal mij tot die deelen welke tot de gewich-
tigste physiologische verrichtingen zijn geroepen.
De testikel bestaat voornamelijk uit eene massa op ver-
schillende manieren in elkaar loopende, uiterst fijne (\'/« m.M.
wijde) kanaaltjes, de zoogenaamde [zaadkanaaltjes (tubtdi
seminiferi),
welker gezamenlijke lengte in een volkomen
ontwikkeld orgaan niet minder clan 1200 voet uitmaakt.
In deze kanalen worden, als producten en veranderingen der
daarin bevatte cellen, de zoogenaamde zaadlichaampjes of
zaaddiertjes (spermatozoën) gevormd. Deze kunnen worden
beschreven als bijzonder kleine, 0,004 m.M. lange en half zoo
breede amandelvormige lichaampjes met een staart; deze
laatste is draadachtig en overtreft de grootte van het lichaam
van 7 tot 11 maal. Men krijgt misschien eene betere voor-
stelling van de kleinheid dier lichaampjes wanneer ik zeg,
dat elke vierkante kubieke millimeter zaadfluïdum vele honderd
millioenen
van die zaadlichaampjes bevat.
Bij microscopisch onderzoek ziet men dat zij bestaan uit
eene homogeene, paarlemoerachtige zelfstandigheid, die chemisch
waarschijnlijk uit eiwit, vet en phosphorzure kalk bestaat.
Eene bijzondere eigenschap der pas uitgestorte spermatozoën
is, dat zij steeds in levendig trillende, draaiende beweging
zijn, die veroorzaakt wordt door de golvingen van den staart.
Door deze bewegingen wordt het zaadlichaampje gewoonlijk
-ocr page 23-
9
in rechte lijn voorwaarts gedreven, en wel in de richting
waarnaar het spitse eind van het lichaampje wijst.
De snelheid der beweging wordt geschat op 4 m.M. in de
minuut.
In de vrouwelijke geslachtsdeelen gebracht, kunnen de
spermatozoën hun bewogingsvcrmogen 8—10 dagen behouden;
onder andere omstandigheden verliezen zij dit binnen eonige
uren na de uitstorting.
Zeer zeker maken de spermatozoën het eenige genereerende
bestanddeel van het mannelijk zaadvocht uit, dat door de af-
scheiding van vele kliertjes zeer vloeibaar gemaakt wordten
daardoor gemakkelijk in de vrouwelijke organen over te bren-
gen is. Wanneer er in het zaadvocht van den man nooit
spermatozoën gevonden worden, kan men met volle zekerheid
zeggen dat hij impotcns is om kinderen te verwekken, wat
evenwel niet altijd onvermogen tot paring of bijslaap
insluit.
De gevormde zaadjes hebben een voertuig noodig om naar
hun doel te worden gevoerd en dit bestaat uit den zooge-
naamden zaadgang, eene ongeveer 33 c.M. lange en zeer ge-
kronkelde buis, die uit eiken testikel door het lieskanaal naar
het bokken oploopt en uitmondt in het bovenste gedeelte van
de urinebuis.
De wanden van deze buis bestaan uit bijzonder dikke en
krachtige spierwanden, die in staat zijn om sterke peristal-
tische bewegingen te ontwikkelen. Dicht bij de plaats waar
de zaadgang uitmondt in de pisbuis is aan de eerste een
appendiculair blaasje gehecht, het zoogenaamde zaadzakje
(vesicula seminalis) dat als bewaarplaats dient voor de gereed
zijnde spermatozoën en mogelijk ook als afscheidingskliertje
voor eene vloeistof die er mee wordt vermengd.
Het mannelijke koppelorgaan (membrum virile, penis) dient
tot ongelijke doeleinden; in gewone omstandigheden tot het
loozen der urine; als geslachtsorgaan om in de vrouwelijke
scheede te worden gebracht en tot hot loozen der zaadjes.
Tengevolge daarvan is zijn physiologische toestand en
-ocr page 24-
10
voorkomen zeer afwisselend; onder gewone omstandigheden
is het zacht, slap, als saamgetrokken; onder de paring en bij
sexueele prikkeling daarentegen vast en stijf. De manier
waarop de natuur deze laatstgenoemde verandering bewerk-
stelligt is zeer opmerkelijk. Behalve het buisvormige leidings-
kanaal voor de urine, bestaat de penis uit drie langwerpige,
sponsachtige deelen, die uit eene menigte holtetjes en mazen
bestaan welke gevuld kunnen worden met bloed en op die
manier den penis snel van een urineleidend orgaan verande-
ren in een krachtig paringswerktuig.
Dit physiologisch proces heeft op de volgende wijze plaats:
Het is u bekend dat zielsaandoeningen van invloed zijn
op de bloedsverdeeling in het lichaam, waarvoor het verbleeken
en blozen der wangen een bewijs is. Welnu, zóó ongeveer
gaat het hier. Door het zien, het aanraken van of het denken
aan eene vrouw, wordt bij den man de begeerte gewekt om
zich lichamelijk met haar te vereenigen. Deze drang verbreidt
zich van uit de hersenen door het ruggemerg naar de zenu-
wen van de geslachtswerktuigen; hij begint dezen bloed toe
te voeren en tevens de wegvloeiing uit het mannelijke
lichaamsdeel te verhinderen; de holtetjes en mazen worden
meer en meer met bloed gevuld dat niet kan wegvloeien; de
gevulde mazen nemen eene grootere ruimte in dan de ledige,
en zijn in de algemeene holte zoo geplaatst, dat zij om zich
volkomen te kunnen uitbreiden, het mannelijke orgaan moe-
ten oprichten en het volumen er van naar alle kanten ver-
grooten. Wanneer nu de penis voldoende kracht heeft
gekregen om den meer of minderen tegenstand van de vrou-
welijke scheede te overwinnen, benevens het volumen om deze
te vullen, wordt er door het wrijven tegen de scheede eene
reilexbeweging opgewekt, die den zaadleider en de zaadblaasjes
in zulk eene beweging brengt dat zij hun inhoud in het
piskanaal uitstorten; daardoor plant zich weder eene reflex-
beweging in de spieren voort die de sponsachtige lichamen
van het mannelijke orgaan bekleeden en het zaadvocht wordt
door een serie van rhythmische stooten of samenpersingen van
-ocr page 25-
11
de met zaad gevulde pisbuis uitgespoten (geëjaculeerd).
Onder deze handeling is het loopen der urine naar de buis
en het inloopen van de zaadvloeistof in de blaas verhinderd
door de werkzaamheid van een klein ventielachtig orgaan
dat de gemeenschap tusschen die beide organismen afsluit.
Het geslachtswerktuig heeft nu zijne roeping vervuld,
de prikkeling houdt op, het bloed stroomt terug in de gewone
banen, de penis verslapt en herkrijgt zijn gewoon voor-
komen.
De vrouwelijke geslachtsorganen onderscheiden zich o. a.
hierdoor van de mannelijke, dat hunne meeste en belangrijkste
deelen liggen in het lichaam en hierdoor zoowel op de phy-
sischo als psychische functies der vrouw een zeer grooten
invloed uitoefenen. Het vrouwelijke geslachtsleven is daardoor
niet zoo momenteel als dat\' van den man. Terwijl dit zich bij
hem concentreert in de paring, blijft het bij haar zeer lang
werkzaam tot het vormen van een nieuw wezen.
De vrouwelijke geslachtsorganen bestaan in de eerste plaats
uit de eierstokken, twee in het bekken en wel in de nabijheid
van de baarmoeder gelegene, ovale organen, welker bestemming
het is de vrouwelijke geslachtsstof te rijpen en af te zonderen,
die bevrucht, d. w. z. vereenigd met de mannelijke, eene reeks
van ontwikkelingsprocessen kan doorloopen, waaruit een
nieuw wezen ontstaat.
De grootte van een eierstok is ongeveer 4 c.M. lang, 2,2
c.M. breed en 1,3 c.M. dik; zijn gewicht is gemiddeld 6
gram.
De eierstok zelf bestaat ten deele uit balkwerk dat het
orgaan steunt en bijeenhoudt, deels uit eene uit meer dan
duizend kleine blaasjes samengestelde massa, de zoogenaamde
Graafsche blaasjes. In deze laatsten kan men door middel
van het vergrootglas het memclwlijk ei ontdekken, een klein,
helder, wit, kogelvormig lichaampje, \'/7 m.M. in doorsnede.
Niettegenstaande zijne kleinheid bestaat het uit meerdere
deelen, eene dunne, zachte holte, eene vloeiende, fijnkorrelige
massa die overeenkomt met een dooier en daarin het vrucht-
-ocr page 26-
12
blaasje. Ook dit laatste is op zijne beurt niet enkelvoudig,
want in het binnenste ziet men de zoogenaamde vruchtvlek-
ken (macnla gertninativa),
eene soort van celkern 0,0037 m.M.
in doorsnede. Bij de menstruatie barst een Graafsch blaasje;
het daaruit komende ei wordt opgevangen door den buisvor-
migen cylinder of de moedertrompet en naar de baarmoeder
geleid waar het tot zijne volle ontwikkeling kan komen.
De baarmoeder of uterus maakt het centrale en zeer ge-
wichtige deel uit van de vrouwelijke geslachtsdeelen, omdat zij
gedurende het ontwikkelingsproces de vrucht omsluit niet
alleen, maar ook voor hare voeding en groei zorg draagt en
haar wanneer zij rijp is uitdrijft. De baarmoeder die in ledi-
gen toestand den vorm heeft van eene eenigszins platte peer,
kan onder de zwangerschap zich zoo vergrooten, dat zij
een of meerdere rijpe vruchten, met haren aanhang van
vruchtwater en moederkoek bergt. In dien toestand verdringt
zij zooals men weet, de overige buikorganen waardoor de
vrouwelijke buikwanden worden uitgezet, zoodat do gedaante
der vrouw verandert tot den karakteristieken vorm dien ieder-
een kent.
Tusschen de baarmoeder en de buitenste geslachtsdeelen
loopt de moederscheede (vagina), een buisvormig orgaan, be-
stemd om onder do paring het mannelijke geslachtsdeel in
zich op te nemen en bij de geboorte van het kind dezen tot uit-
gang te dienen. De uiterste monding der scheede is bij jonk-
vrouwelijke individuen ten deele gesloten door een ventiel-
achtige slijmhuid-duplicatuur van verschillenden vorm. Deze
huid, het jonkvrouwelijko huidje of hymen barst gewoonlijk
bij de eerste volkomene paring, onder eene lichte verbloeding.
De aanwezigheid en het onbeschadigd zijn van dit hymen
gold voorheen als onomstootelijk bewijs van jonkvrouwelijk-
heid; nu weten wij dat het soms bij maagden ontbreekt
en ook dat het tengevolge van grootere vastheid of elasti-
citeit nog aanwezig kan zijn na de paring.
Als ik hier nu nog bijvoeg dat tot de vrouwelijke organen
nog behooren de kittelaar of clitoris, een klein bijna op een
-ocr page 27-
J3
penis gelijkend orgaan, hetwelk onder den bijslaap het uit-
gangspunt is voor de wellustige gewaarwordingen der vrouw,
en ten deele de binnenste en buitenste schaamlippen, die de
scheede afsluiten, meen ik aan dit onderdeel zooveel tijd te
hebben gewijd als ik aan anatomische beschrijvingen mag
wijden, en u voldoende te hebben ingelicht om de physiologie
van het geslachtsleven te doen begrijpen.
Ik dien er alleen nog bij te voegen dat de vruchten gedu-
rende hare ontwikkeling in het moederlijf in den beginne
volkomen aan elkaar gelijk zijn; eerst in de 6" — 7a week kan
men verschil tusschen de geslachten erkennen, dat zich door onge-
lijke ontwikkeling van gelijksoortige oer-organen vormt. Men
kan daarom bij de vergelijking van de voortplantingswerktuigen
van den man en der vrouw zeer veel overeenkomst vinden
hoe verschillend dan ook zij naar het uiterlijke mogen zijn.
Voor bevruchting is eene materieele vereeniging van de
genereerende stoffen
noodzakelijk. \') Deze heeft plaats door-
dien een of meer spermatozoën door eene vooraf gevormde
opening, in het ei dringen; het hoofd- of kernbestanddeel
vereenigt zich met de kern der vrucht, smelt daarmee samen
en de op die wijze saamgesmolten kern kan nu aanvangen
zich in eene of meer kernen te verdeelen; er worden cellen
gevormd, deze schikken zich op eene bepaalde wijze, verdeelen
zich in ongelijksoortige weefsels, enz., enz.,... en de vrucht-
vorming is in vollen gang.
Om de tot de voortplanting van het geslacht vereischte
rijpheid en ontwikkeling te bereiken is er bij de hoogere dier-
soorten en den mensch eene zekere tijdruimte noodig. Deze
rijpheid treedt niet eensklaps in maar is het eind-resultaat
van een jarenlang voortgezet ontwikkelings-proces, de zoo-
genaamde puberteits- of manbaarheids-periode. Deze begint
1) Hermann. Handbucli der Physiologio. VI. 2, bl. 114.
-ocr page 28-
14
voor verschillende menschenrassen en individuen niet op
denzelfden leeftijd; eerder voor stedelingen dan voor buiten-
menschen; eerder voor studeerenden dan voor arbeiders. Bij
den jongeling kenmerkt zij zich door stem verandering (muta-
tie), het ontstaan van een baard en haargroei op de uitwen-
dige geslachts- en andere lichaamsdeelcn, benevens afscheiding
van zaad. Deze ontwikkelingsperiode begint tusschen 17 en
21 jaar.
Sommige schrijvers hebben de gewoonte aangenomen deze
periode als veel vroeger beginnend voor te stellen. August
Strindberg
schildert een jongeling die reeds op 13-, 14-jarigen
leeftijd sexueele gewaarwordingen heeft en 16 jaar oud ziek
wordt door zijn strijd daartegen.
Gustaf af Geyerstam\'s held in Erik Gram toont even-
eens zulk eene sexueele vroegrijpheid. Vóór zijn twaalfde jaar
reeds heeft deze tweeërlei soort van liefde-phantasieün; de
eene in betrekking tot eene bepaalde persoon, een meisje uit
den kring zijner kennissen; bij de zinnelijk erotische gedachten
daarentegen, die gewekt zijn door wat hij de knechts heeft
hooren zeggen, denkt hij aan eene groote, mooie keukenmeid
met eene frissche teint en volle lippen.
Deze beide schrijvers willen gaarne der wereld doen geloo-
ven dat zij schilders der werkelijkheid zijn. Bij een medisch
gevormd man, die hunne werken leest, komt onwillekeurig
de gedachte boven dat zij hunne in lateren tijd verworven
levensbeschouwing, met geweld pressen in de lijst van eene
soort schildering der werkelijkheid, of dat zij toevallig geheel
abnormale, individueele gevallen hebben waargenomen. Het
was dan hun plicht geweest de natuur en het wezen dier
abnormaliteit te onderzoeken, deze te vergelijken met de
normale gevallen en eerst daarna met hunne voorstellen tot
sociale veranderingen voor den dag te komen.
De abnormaliteiten moeten gewaardeerd en behandeld
worden als eene soort van ziekte, zij mogen nooit tot punt
1) Giftas I. Stockholm 1884. BI. 52, 78 en 7*.
-ocr page 29-
15
van uitgang worden genomen voor wetten ten behoeve der
gezonde meerderheid. En het is abnormaal dat een jongen
van 12—14 jaar bezocht wordt door erotische phantasieön.
Op dien leeftijd zijn aan zijn lichaam nauw de eerste tee-
kenen der puberteit merkbaar, en onder die omstandigheden
kan geen gezonde en normale jongeling zich bevinden in den
door novellenschrijvers beschreven toestand.
Ervarene medici kennen zeer wel voorbeelden van vroeg-
rijpheid zoowel bij jongens als bij meisjes, en het zou goed
zijn, indien de ouders of opvoeders bij die — eene uitzonde-
ring makende — individuen, den raad inriepen van een genees-
heer, in plaats van dezen tot het mikpunt te maken van
scherts en gelach, zooals nu dikwijls gebeurt.
De vrouwelijke puberteit kenmerkt zich eveneens door ver-
andering van de stem, door het ontwikkelen van het figuur
van het kinderlijke tot het volkomen vrouwelijke type. en
eindelijk door het intreden der menstruatie. Laten wij een
oogenblik stilstaan bij het laatstgenoemde verschijnsel. Zij
is een zeer eigenaardig en karakteristiek verschijnsel bij den
mensch; bij geen enkele diersoort komt iets dergelijks voor,
en zij heeft bestaan sinds de vroegste oudheid. In de oudste
medische oorkonde is van haar gewag gemaakt. \')
Men heeft de vrouwelijke menstruatie willen vergelijken
bij de bronst van het dier, maar eene volkomene gelijkheid
van deze beide verschijnselen bestaat niet. Onder bronst
behoort men te verstaan een voor verschillende diersoorten
op ongelijke, maar voor dezelfde diersoort op bepaalde tijden
intredenden toestand van sexueele prikkeling. Dit tijdstip
valt steeds op een oogenblik dat er bij de geboorte der jongen,
voor dezen zoowel als voor de ouders, ruimschoots voedsel
is te vinden. Zulk een bronsttijd bestaat voor de menschen
niet. In den bronsttijd ontstaat er bij de dieren behalve sexu-
eele prikkeling, congestie naar de uitwendige geslachtsdeelen
1) Real-Encykloptedio dor gesammton Heükundo. Wien und Loipzig 1881. Band
IX. BI. 3.
-ocr page 30-
16
en ovulatie (het rijp zijn en loslaten van het ei van den
eierstok) en daarom valt met deze perioden een duidelijk uit-
gedrukt conceptie-vermogen samen.
Het is daarentegen volstrekt niet noodzakelijk dat hetgeen
men menstruatie noemt (congestie naar en bloeding van de
baarmoeder) samenvalt met een bronstproces. Eene gelijkstel-
ling van bronst en menstruatie is wetenschappelijk onhoud-
baar, hetzij men de zuiver physische verschijnselen beschouwt
of acht geeft op de daarmee samengaande psychische stem-
mingen.
De menstruatie of de regel, de zuivering der vrouw, bestaat
in eene op gezette tijden terugkomende ovulatie, gevolgd door
eene bloeding der baarmoeder.
Tengevolge dezer veelvuldige eierafstooting kan de vrouw
ten allen tijde ontvangen en de geboorten dor menschon zijn
dan ook vrij gelijkelijk over alle jaargetijden en maanden
verdeeld. De bloeding der baarmoeder wordt veroorzaakt door
eene aanzwelling en bersting harer slijmhuid, waardoor het
blijven en groeien van het bevruchte ei in het moederlichaam
worden bevorderd. De bloeding kan worden beschouwd als een
gevolg eener natuurlijke entsnede op het organisme van den
moederlijken stam. Wordt het ei niet bevrucht, dan wordt
het gebroken en verdwijnt spoorloos. De menstruatie blijft
tijdens de zwangerschap en zelfs in de meeste gevallen onder
het zoogen weg. Over den zoogenaamden climacterischen
leeftijd zal ik later meer zeggen. In tegenstelling met de
bronstige wijfjes der dieren, hebben de vrouwen in den tijd
der menstruatie een tegenzin in sexueelen omgang; een
tegenzin die bij de vrouwen aller volken, zelfs bij die welke
op den laagsten trap der cultuur staan, voorkomt. \')
Ik heb zooeven gezegd, dat de geslachtsrijpheid bij verschil-
lende individuen en verschillende rassen niet op denzelfden
leeftijd wordt bereikt.
1) H. Hoss. Das Weib in der Natur- und Völkorkundo. II Aufl. Leipzig 1887
blz. 249.
-ocr page 31-
17
Sta mij toe eenigo cijfers aan to halen om het tijdstip
van den aanvang der menstruatie bij de vrouw in verschil-
lende landen on steden aan te toonen.
Als het gemiddeld getal van eone groote reeks onderzoe-
kingen heeft men gevonden dat dit gebeurt in:
Zwcedsch Lapland, met  18 jaar.
ühristiania,.......    1(1
Stockholm,...... „    15 .,
Kopenhagen,..... ..    1G
Göttingen,...... „    1(3 .,
Berlijn,........ ,,    15 ..
Manchen,....... ..    10
Weenen,....... ,.    15
Warschau,...... „    15 ,.
Manchester,..... ..    15 „
Londen, . . . tusschcn j   ^
7, ••                              i   15
Parijs,.... ... j   14
Monlpellier,.....met  14 ,,
Marscille,...... ,,    13 „ :
Corfu,........ .,    14
Madera,....... ..    14 .,
Culcutta,....... „    12 „
Egypte,........ ,    10 ..
Sierra Leone, .... „    10
9
mnd.
25
dagen
G
9
K
22
12
V
o
n
• >
„
i
tt
ö
n
5
..
12
..
8
»
15
n
1
23
"
1
9
»
l
i)
»
4
18
5
15
„
• >
1
1
11.
r
In hetzelfde land wordt ook nog verschil aangetroffen;
Israëlietische meisjes beginnen in den regel vroeger te
menstrueeren dan andere kinderen; die in de stad opgroeien
eerder dan de dorpskinderen, de dochters uit de hoogere
standen eerder dan die uit den arbeidersstand. \')
Ik loop misschien gevaar van u te vervelen, maar ik
1) PIoss, straks aangehaald work h\\/.. -222 on volg
-ocr page 32-
18
moet het nog eens herhalen dat: het begin der ontwikkelings-
periode niet hetzelfde is als het einde.
Het meisje is na hare
eerste menstruatie nog niet huwbaar. Uit een physisch oog-
punt alleen reeds wordt geëischt dat zij de regels minstens
twee jaar heeft gehad en dat het groeien in lengte bij haar
heeft opgehouden. \')
Na zulke kennis van de levenswetten en de natuur te
hebben opgedaan, vindt men de volgende voorstelling van
Strindberg weinig waar:
„Zij was eene veertienjarige vrouw; hare borsten stonden
zwellend hoog, alsof zij wachtten op kleine begeerige neusjes
en kleine pakkende handjes; zij liep zeer veerkrachtig, met
wiegende heupen, alsof zij, heden even goed als morgen, een
paar kleintjes onder heur hart zou kunnen dragen." 2)
Wij hebben hier met eene uitzondering te doen die wij
doctoren beter kennen dan ieder ander. Het komt mij evenwel
voor dat de dichters eene andere roeping hebben dan abnor-
maliteiten te schilderen, vooral ook wijl zij niet als zoodanig
worden beschouwd; het groote publiek vat hunne schilderingen
altijd op als hadden zij een doel, een zedekundige strekking,
als een „fabula docet".
Een huwelijk gesloten vóór de man of de vrouw volkomen
ontwikkeld is, is schadelijk zoowel voor de echtgenooten zelve
als voor de uit hun huwelijk geboren kinderen.
Het is een feit dat het weerstandsvermogen van gehuwde
lieden grooter is dan van ongehuwde; ten opzichte van hen
die zeer jong trouwen kan men een tegenovergesteld ver-
schijnsel waarnemen.
Van de 1000 mannen die tusschen de 14 en 20 jaar waren
gehuwd, stierven gedurende eene zekere periode 29,3; van
1000 ongehuwde in die zelfde tijdruimte slechts 6,7 procent.
In diezelfde periode was de sterfte onder de vrouwen in
Frankrijk de volgende:
1)   Vergelijk Klencke, Makan. 2de druk. Stockholm 1884. bl. 109 of 102.
2)   Giftas I bl. 285.
-ocr page 33-
19
van 1000 gohuwdo
van 1000 ongehuwde
15—20 jaar
oud 14,0
8,0
20-25 „
. 9,8
8,5
30-40 „
. 9,1
10,3
40-50 „
n 10,0
13,8
50-60 „
. 16,3
23,5
60-70 „
n 35,4
49,8 \')
stierven
Uit de onderzoekingen van een anderen Franschman blijkt
dat de sterfte onder de mannen, die gehuwd zijn tusschen
15 en 20 jaar, acht maal zoo groot is als onder ongehuwde
mannen van denzelfden leeftijd. De ouderdoms-klasse van 20—25
geeft voor de gehuwde mannen eene veel voordeeliger verhou-
ding, die bestendigd wordt in al de volgende ouderdoms-
groepen. De tabel over het vrouwelijk geslacht wijst eene
groote sterfte aan voor vrouwen die vóór haar 25ste jaar
huwen; maar het cijfer daalt voor de gehuwde vrouwen van
25 jaar en daarboven. Zelfs in Zweden is de sterfte onder
de zeer jong gehuwde vrouwtjes grooter dan onder de vrouwen
van rijperen leeftijd.2)
En het menschelijk geslacht staat in dit opzicht niet
alleen; de dierenfokkers in alle landen hebben opgemerkt
dat het moeder-dier volkomen ontwikkeld en krachtig moet
zijn, zullen de jongen flink wezen. Alhoewel de economie
eene vroege vruchtbaarheid eischt, als eene hoogere rente voor
het in de dieren gestoken kapitaal, heeft de physiologische
ondervinding, als ik het zoo eens mag noemen, den fokkers
geleerd dat ongeduld op schade uitloopt.
Het is u bekend dat Zweden, langen tijd geleden, genood-
zaakt was buitenlandsche fokdieren in te voeren ter verbete-
ring van de inheemsche rassen der huisdieren. Zou Zweden
dan een land zijn waar geen inheemsch en voor de natuur-
verhoudingen geschikt dier zich kan ontwikkelen en voortbe-
1)  Oosterlen, Handb. der med. Statistik. Tübingon 1874, bl. 193 en 194.
2)  Emil Svensc\'n. Kvinnofragan Stockholm 1888. bl. 147. 148 en 151.
-ocr page 34-
20
staan? Noen, de toestand had niet zoo behoeven te zijn;
maar het ligt in den volksaard om reeds vruchten te willen
plukken van hetgeen pas is gezaaid, en die vrucht heeft de
menschen verleid tot het bevorderen van vroegtijdige paring
der inheemsche huisdierrassen, waardoor deze bedorven zijn.
En nu was men genoodzaakt om tegen hooge prijzen van
andere, in dit opzicht verstandiger volken, zich materiaal
voor verbetering der rassen aan te schaffen.
In de vrije natuur ook kan men opmerken dat er vele
oorspronkelijke middelen zijn om eene al te vroegtijdige paring
te voorkomen; ten deele openbaart zich onder het bezige zoe-
ken naar voedsel en de verdediging tegen vijanden de sexu-
eele aandrift bij de vrijlevende dieren niet zoo vlug als in
de broeikasachtige stallen; en dan moeten de mannetjes in
den strijd om het bezit der wijfjes de kracht aan den dag
leggen die hen tot overwinnaars maakt; ook verkrijgen zij
door langzamer groei eerst allengs de vermogens en de schoon-
heid die hun de gunst van hot wijfje waardig maakt.
Maar de geslachtsdrift is sterk, zegt men, en om dat
te bewijzen worden er duizenden van waarnemingen opge-
somd, om aan te toonen dat het leven van het individu te
gering wordt geschat in vergelijking van de instandhouding
van het geslacht, en in het licht gesteld hoe de onbedwing-
bare Eros der natuur de organische wezens drijft om hunne
roeping te vervullen, zelfs op gevaar af van eigen onder-
gang. Men haalt Schiller aan:
„Einstweilen, bis den Bau der Welt
Philosophie zusammenhiilt,
Erhalt sie das Getriebe
Durch Hunger und duren Liebe."
en ik kan daartegen niets inbrengen; ik wil alleen maar doen
opmerken, dat deze geslachtsdrift, hoe sterk zij ook moge
zijn, toch niet onoverwinnelijk is, zelfs niet bij onze huisdieren.
Ik noem in het bijzonder de dieren waarvan ik het meeste
-ocr page 35-
\'21
weet, namelijk de paarden, en ik kan u verzekeren, wat gij
trouwens zelf zeer gemakkelijk zoudt kunnen controleeren, dat
men bij een hengst zoowel als merrie gedurende hun geheele
leven de bevrediging van geslachtsdrift kan verhinderen, en
dit niet alleen bij afgesloofde werkdieren, maar bij paarden
welke als weeldeartikel, onder de gunstigste omstandigheden,
in de stallen der rijken worden onderhouden.
Het middel daartoe is: behoorlijke voeding, betamelijke
arbeid en bestendig bezig zijn, zoodat de aandacht van het
beest (als ik het zoo eens mag noemen) niet te veel wordt
gevestigd op de gewaarwordingen der geslachtsdrift. Men
kan misschien in zulk een geval bij de dieren nu en dan
eenige onrust opmerken, eenige prikkelbaarheid, maar deze
worden overwonnen door vastheid en goedheid; allicht is
eene kleine tuchtiging noodzakelijk, doch het resultaat is bijna
altijd het gewenschte, en men verbaast zich hierover wan-
neer men denkt aan de oorspronkelijke sterkte der over-
wonnen aandrift.
De natuur is tegenover den mensch bijzonder onbekrompen
geweest. Zij heeft zijn geslachtsdrift en hare bevrediging
niet gebonden aan een korten tijd in het jaar. De man en
vrouw kunnen ten allen tijde geslachtelij ken omgang genieten.
Dat de statistiek op twee maxima van geboorten kan wijzen,
waardoor een grooter conceptievermogen in de lente en in
den laatsten tijd van het jaar wordt aangetoond, is niet zoo
zeer het gevolg van eene verhoogde geslachtsdrift en meerderen
omgang der geslachten in die perioden, maar veeleer hiervan
dat de vrouw onder de rust en mindere bezigheid, die voor
haar op het kerstfeest volgt, en onder het ontwakende leven
der natuur het gemakkelijkst ontvangt.
De natuur heeft echter het geslachtsleven niet gegeven
als een op zich zelf staanden vorm van genot; neen, bij het
dier zoowel als bij don mensch is het yeslachtsgenot innig
verbonden met de voortplanting en de zorg voor het nageslacht.
-ocr page 36-
22
De ontwikkeling en beschaving hebben, wat den mensch
betreft, met dezen samenhang rekening gehouden; met den
verhoogden eisch naar alle gemakken des levens zijn er
nieuwe factoren ingetreden, waardoor de huwelijken over het
algemeen later worden aangegaan. De kerkelijke en wette-
lijke bepalingen bij het sluiten van een huwelijk, de plechtige
viering der bruiloft, de bruidsschat, het streven om de toe-
stemming der ouders te verwerven en meer andere dingen
hebben daartoe zeker het hunne bijgedragen. Als het sluiten
der huwelijken niet al te lang wordt opgeschort, valt er tegen
de late huwelijken niets te zeggen. De beschaafde mensch
kan niet een huwelijk aangaan en gaat dit niet aan op den-
zelfden leeftijd als een wilde; onze geheele ontwikkeling of
liever cultuurstaat zou daardoor op het spel worden gezet.
Beiden, de man en de vrouw, hebben een langen tijd van
ontwikkeling noodig om hunne zedelijke vermogens tot rijp-
heid te laten komen.
Den meesten menschen ontbreekt, helaas, alle kennis
omtrent den leeftijd waarop de huwelijken werkelijk worden
gesloten, en ik zie mij daarom genoodzaakt eenige dorre
getallen op te sommen, omdat wij anders een bepaald uit-
gangspunt voor onze redeneering zouden missen. Ik weet
zeer goed dat men over de onvertrouwbaarheid der statistiek
spreekt, maar ten opzichte van zulk een eenvoudig, duidelijk
gebied als de bevolkings-statistiek kan daarvan bijna geen
sprake zijn. Menigeen verkeert in den waan dat de leeftijd
waarop de huwelijken bij ons worden gesloten, van jaar tot
jaar stijgt; dit is echter niet het geval. Wel zijn de huwe-
lijken van mannen en vrouwen onder de vijfentwintig jaar
sedert 1830 verminderd, maar deze vroege huwelijken maken
bij ons nog 36 pet. van het geheele aantal uit, terwijl zij in
Engeland en Sardinië meer dan 50 pet. uitmaken. Beieren
daarentegen kan slechts op 21 pet. wijzen. \')
1) Hellstenius. Studier i jomi\'örandc befolkningstatistik. Stockholm 1874, bl. 95.
-ocr page 37-
23
De gemiddelde leeftijd bij het aangaan van de huwelijken
is in het laatste vierendeel der eeuw geweest als volgt:
voor mannen,
voor vrouwen.
1861
30,91 ,
jaar.
28,49 jaar.
1862
30,92
n
28,48
B
1863
30,93
n
28,43
•>
1864
30,81
n
28,26
ff
1865
30,87
n
28,47
n
1866
30,86
••
28,32
n
1867
30,73
n
28,07
tt
1868
30,78
n
28,20
n
1869
30,80
n
28,23
tt
1870
31,15
•\'
28,47
tt
1871
31,15
"
28,53
■•
1872
31,22
n
28,56
•\'
1873
31,11
n
28,41
n
1874
31,17
n
28,40
r>
1875
31,14
n
28,38
n
1876
31,15
n
28,34
**
1877
30,89
n
28,20
r
1878
30,80
n
28,02
1879
30,72
n
27,85
n
1880
30,33
n
27,58
»
1881
30,19
n
27,47
7\'
1882
30,30
<i
27,60
n
1883
30,23
•\'
27,47
n
1884
30,22
n
27,57
n
1885
30,03
n
27,40
•\'
1886
30,12
..
27,45
n \')
Het zou mij te ver voeren indien ik hier uitweidde
over de oorzaken die tot het stijgen of dalen van de aan-
gevoerde cijfers hebben meegewerkt, ik wijs er in het
voorbijgaan slechts op dat deze tabel geen ontmoedigenden
1) Sveriges offlciela stutistik.
-ocr page 38-
24
indruk mag maken. Wij zien er toch uit dat ondanks cene
verhooging in het midden, de leeftijd voor het sluiten van
de huwelijken in een kwarteeuw voor de mannen is gedaald
met bijna oen geheel jaar, en voor de vrouwen met meer
dan een jaar.
Nog eenigc zulke perioden en wij zullen het doe] onzer
wenschen zijn genaderd. Men moet bij deze cijfers wel in
het oog houden dat zij slaan op alle aangegane echtverbin-
tenissen, ook op de tweede en derde, en dat het er voor
een sociaal-ethisch doel vooral op aankomt om den leeftijd te
weten waarop de eerste huwelijken werden gesloten. De cijfers
hiervoor zijn in ons land niet nauwkeurig berekend, maar
vakmannen nemen aan dat de gemiddelde leeftijd twee jaar
vroeger is dan die der algemeene lijst. Bij het sluiten van een
eerste huwelijk zou dus een Zweedsche man gemiddeld pi. m.
28, eene Zweedsche vrouw pi. m. 25| jaar zijn, een leeftijd
dien men niet ongunstig kan noemen.
Ter vergelijking deel ik hier eenigc cijfers van andere
landen mee:
Huwelijksleeftijd:
in het algemeen, b/h.sl.v\'h. Ie huwelijk,
Mannen         Vrouwen               . Mannen      Vrouwen
Frankrijk, 30,17          26,07              28,40      25,30\')
Engeland, 28,01          24,42               26,00       24,07
Denemarken, 31,50          28,50              26,00      23,10
Do cijfers licteckenen natuurlijk do jaren.
In Denemarken is sedert 1885 de gemiddelde leeftijd onaf-
gebroken gedaald.
Het is zeker niet onmogelijk dat voor ons volk do Engel-
sche en Deonsche cijfers bereikt zullen kunnen worden; en
wanneer later elke trouwlustige jonkman eene huishouding
kan opzetten op 26-jarigcn leeftijd, en ieder jongmeisjo
1) Natioual-oekonomlsk Tidskrill Band XVI, bl. uo.
-ocr page 39-
25
de bruid kan worden met 23 a 24 jaar, dan zie ik geone
reden om in die richting groote veranderingen te wenschen.
Maar, aldus zegt men, dit zijn nu de verhoudingen voor
het land en het volk in het algemeen; wanneer er echter
eprake is van de zoogenaamde beschaafde klassen, wanneer
de gemiddelde leeftijd eens uitgerekend werd voor de studee-
renden, voor de academisch ontwikkelde mannen en de met
hen gel ijkgestelden, dan zou men zien dat het huwelijk niet
wordt aangegaan dan tusschen het dertigste tot en met het
veertigste jaar. \')
Om deze tegenwerping te beantwoorden, kunnen wij ons
niet beroepen op offlcieele statistieke opgaven.
Ik heb mij daarom van een ander middel bediend, dat
hoe langer zoo meer toegepast, op deze en soortgelijke vragen
een antwoord zal vermogen te geven. Men kan zich namelijk
uit particuliere historische aanteekeningen en uit geslachte-
boeken van verschillende families, een uitgebreid statistisch
materiaal verschaffen en dit op verschillende wijzen bewerken.
Ik zelf heb ten dien einde enkel de kerkboeken van het stift
Lund, „De geschiedenis der Zweedsche doctoren" 2) en den
kalender van den adel van 1888 bestudeerd.
Voor het personeel van den geestelijken stand, van het
stift Lund, dat zich zooals men weet, in het algemeen niet
in de gunstigste omstandigheden bevindt tot het aangaan van
vroegtijdige huwelijken, heb ik bevonden, dat van de 244
gevallen, die ik naging, de gemiddelde leeftijd waarop het
eerste huwelijk werd gesloten, op 35,9 jaar moet gesteld worden.
Van de meegedeelde huwelijken zijn er 52 vóór het 303te
jaar, 145 voor het 40,te, 38 voor het 50,le en 9 later dan het
50s,e jaar aangegaan.
Van de 570 Zweedsche geneesheeren traden er 105 vóór
het 30,te jaar, 395 voor het 40ste, 67 voor het 50\'le en 9 na
het 50,te jaar in het huwelijk.
1)    Vergelijk Styrbjörn. Btarke Mannen» aktenskapsaliler. Stockh. 1888, bl 8,
2)   Vervolg. Uitgegeven door Wistrund, Bruzelius en Edling. Stockholm,
-ocr page 40-
26
De gemiddelde leeftijd bij het sluiten van het huwelijk was
34,2 jaar.
In den kalender van den adel wordt de ouderdom opgegeven
van 2073 mannen, waarop zij voor de eerste maal in het
huwelijksbootje stapten.
847 deden dit vóór het 30,te, 1001 tusschen de 30 en 40, 201
tusschen 40 en 50, en 24 op of na de 50 jaar. De gemiddelde
leeftijd was 31,5 jaar.
Als wij nu de hierboven meegedeelde cijfers eens wat
nauwkeuriger nagaan, vinden wij, dat de gemiddelde leeftijd
bij het aangaan .van het eerste huwelijk, voor al de berekende
bevolkingsgroepen stijgt tot een hooger cijfer dan voor de
bevolking in het geheel. Dit is trouwens eene zeer natuurlijke
verhouding. De mannen die tot grondslag hebben gediend
voor de gegevene speciale berekeningen, moesten zich door
eene meer of minder langdurige studie voorbereiden tot het
ambt, den dienst, het beroep dat zij zich uit neiging of met
het oog op familie of geslacht hadden gekozen. Daarbij komt
nog dat de in staatsdienst tredende jongelieden, nu eens wat
langer dan weer wat korter, zich in zeer afhankelijke omstan-
digheden bevinden, die het aangaan van een huwelijk beletten,
zelfs al zou het vermogen van de jongelieden dit toelaten.
Eene vergelijking van de ongelijke groepen brengt aan het
licht, dat de leeraarsstand (althans in het stift Lund) zich in
de ongunstigste positie bevindt. Met de Zweedsche doctoren
is het iets beter gesteld, ja, in aanmerking genomen den
leeftijd waarop het laatste examen wordt afgelegd, moet men
hunne positie eene gunstige noemen. Twee, drie jaar toch
nadat men zelfstandig werkzaam is opgetreden, eene familie
te kunnen onderhouden, mag men niet „slecht" noemen.
De jonge adellijke lieden huwen nog eerder. Mogen al som-
migen daartoe in staat gesteld worden door het vermogen
dat de familie nog bezit, zeer zeker geldt dit niet voor allen,
ja zelfs niet voor het meerendeel; door eene nauwkeurige
bestudeering van genoemden kalender zal men zien dat de
huwelijken even goed worden aangegaan door jonge mannen
-ocr page 41-
27
die in zeer bescheidene omstandigheden leefden, als door de
rijke erfgenamen. Het kan echter niet worden ontkend dat er
op al die berekeningen een storende invloed wordt uitgeoefend
door personen die eerst op zeer hoogen leeftijd gaan trouwen.
Wanneer het eerste huwelijk niet gesloten wordt voor
tusschen de 50-67 jaar, dan heeft men niet het recht de
maatschappelijke verhoudingen daarvan de schuld te geven,
vooral niet als de mannen, die zoo lang wachtten, overste,
directeur-generaal of proost waren.
Op grond van de gegevens die ik in sommige kringen heb
verzameld, vind ik vrijheid om te zeggen, dat de jongelieden
van den tegenwoordigen tijd eerder huwen dan die van het
vorige geslacht. Ik heb zelfs voor de beschaafde standen geene
verhooging van den gemiddelden leeftijd kunnen opmerken,
maar — op statistieke gegevens voor bovengenoemde meening
kan ik nog niet wijzen.
Hij die vragen behandelt der sexueele hygiëne, moet
natuurlijk bereid zijn om op eene duidelijke wijze zijne mee-
ning te zeggen over monogamie en polygamie.
Vele schrijvers hebben getracht te bewijzen dat de natuur
van de geslachtsverbintenissen zich uit de promiscuïteit of
het algemeen hetaerisme, tot wettelijke polygamie en eindelijk
tot monogamie heeft ontwikkeld. In betrekking tot de alge-
meene geldigheid van dezen regel, blijven zij ons echter het
bewijs schuldig.
De vergelijkende ethnographie is zoowel in betrekking tot
het geslachtsleven als tot andere vragen een nog zoo weinig
bewerkt veld, dat men daaruit nu nog niet den stamboom
van het huwelijk mag construeeren. \')
Uit reeds nu toegankelijke gegevens wordt bewezen dat de
geschiedenis van het huwelijk zich bij verschillende, menig-
1) Vergel. H. Hoffding, Etik. Kjöbenhavn 1887. bl. 171.
-ocr page 42-
28
maal zelfs bij verwante en op denzelfden graad van cultuur
staande stammen, in zeer ongelijke richting heeft ontwikkeld;
dat men bij den een de huwelijken zeer goed geregeld, en
trouw in hoogen graad aanwezig vindt, terwijl bij den ander
op dit punt de grootste lichtzinnigheid heerscht.
In een onlangs uitgegeven werk van C. N. Starcke wordt
op grond van een veelomvattend materiaal aan detailkennis
beweerd, dat slechts uit onbekendheid met de levenswijze en
aard der wilden de theorie kan worden verkondigd, dat deze
voortdurend aan geslachtshartstocht lijden, om dan daarop de
leer der promiscuïteit als de oorspronkelijke geslachtsverhouding
te bouwen. Naar de meening van dienzelfden schrijver kwa-
men monogamische huwelijken reeds voor ondenkbare tijden
veelvuldig voor, en deze regelmatige verbintenissen waren
een natuurlijk gevolg der noodzakelijkheid om als man en
vrouw den arbeid te deelen, en uit de behoefte: éene huis-
houding te vormen. De promiscuïteit in de geslachtsverhou-
dingen blijkt een later bijkomende toestand te zijn, eene
uiting van de meer ontwikkelde familie- of ctoii-geest, die nu
en dan in het huwelijk het eigendomsrecht der contractanten
op elkanders persoon betwist.
Als wij, om te beginnen, de natuur naar hare meening
vragen, dan antwoordt zij in de eerste plaats, dat zij onder
bijna alle normale verhoudingen er naar streeft het evenwicht
tusschen de geslachten te bewaren. Dit doet zij niet zóó dat
zij van beide geslachten evenveel leden schept, maar dat zij
met het oog op de grootere sterflijkheid der jongens, deels
onder de verlossing, deels in latere perioden, eerst een groot
aantal mannelijke vruchten teelt; het overwicht is zoo
beteekenend, dat ondanks het meerdere gevaar voor de jon-
getjes om tijdens de verlossing te sterven, de levend geborene
toch in alle landen en bij alle bekende volken het aantal
kinderen van het vrouwelijk geslacht overtreffen. Er is bijna
geene statistieke wet meer van alle kanten bewezen en be-
vestigd dan deze: dat er meer jongens dan meisjes worden
geboren. Dit geldt in het algemeen, en voor zoover betrouwbare
-ocr page 43-
29
opgaven strekken, voor alle landen, alle klimaten, alle rassen. \')
De verhouding der levend-geborenen staat van 105,83
jongens tot 100 meisjes, van de dood- en levendgeborenen
van 106,30 jongens tot 100 meisjes. Gaat men de getallen der
dood-geborenen na, dan vindt men in Frankrijk: 145 jongens
tegen 100 meisjes, in Holland 129 jongens tegen 100 meisjes.
In Zweden is de verhouding 131 tegen 100. Men heeft tevens
opgemerkt dat het hoogere jongenscijfer der levend-geborenen
geenszins constant is op verschillende plaatsen. Zoo staat b. v.
in Zweden Jemtlandsleen ver boven aan, met 1064 jongens
tegen 1000 meisjes, in Stockholm is het verschil het kleinst:
1014 tegen 1000. In den regel is het jongenscijfer boven dat dei-
meisjes in de dorpen het grootst, in de groote steden het kleinst.
Daarop is onder meer in de steden ook het groote aantal
onechte geboorten van invloed, want daaronder zijn betrek-
kelijk zeer weinig jongens.2)
Op die eigenaardige verschijnselen zijn natuurlijk eene
menigte hypothesen gebouwd. Men heeft over de oorzaken
van dit verschil gepeinsd en gedacht sinds de wetenschap
nog in hare windselen lag. Het is misschien niet raadzaam
van de vele verklaringen die men heeft trachten te geven,
er meer dan een aan te halen. Ik kies daartoe de Hofacker-
Sadlersche hypothese volgens welke de oudste der echtge-
nooten aan het kind zijn geslacht zou geven, zoodat in een
huwelijk waar de vader het oudst is, de jongens, waar de
moeder de meerdere in jaren is, de meisjes de overhand zou-
den hebben.
Deze opvatting is evenwel door nadere, nauwkeurige sta-
tistieke opgaven niet bevestigd.
Noirot, Legoyt en Breslau zijn door hunne onderzoekingen
tot een juist tegenovergestelde slotsom gekomen. 3)
Mij komt het op zoölogische en andere analogieën zeer
1)    Hollstenius aangoh. werk, bl. 103.
2)   Hellstenius aangoh. werk, bl. 104.
3)   Oosterlon, aangoh. werk, bl. 109.
-ocr page 44-
30
waarschijnlijk voor dat in een gegeven conceptie-geval door
den sexueel sterkste der echtgenooten het geslacht van het
kind wordt bepaald, onder dien verstande evenwel dat er,
wanneer de man het sterkst is, een meisje wordt geboren en
omgekeerd bij een sterkere vrouw een jongen. \')
Zeer eigenaardig is het streven der natuur om het ver-
broken evenwicht in de getalssterkte der geslachten te herstellen.
De grootste invloed wordt hierop natuurlijk door den oorlog
uitgeoefend en na een verderflijken krijg is dan ook de ver-
houding zeer verschillend van die welke bij de vorige volks-
telling werd vastgesteld.
Nooit was in Zweden de wanverhouding grooter dan na
den oorlog onder Karel XII, toen er naar men meent, 1250
vrouwen op 1000 mannen werden gevonden.
Het evenwicht werd weer hersteld door een veel grooter
aantal geboorten van het mannelijk geslacht, zoodat er gevon-
den werden in
Mannen.
Vrouwen.
het jaar
1760
1000
1120
» J!
1770
1000
1097
!) »
1780
1000
1081
I! !!
1790
1000
1090 2)
» n
1800
1000
1084
» »
1810
1000
1097 s)
n n
1820
1000
1085
n »
1830
1000
1076
» »
1840
1000
1070
» »
1850
1000
1064
» »
1860
1000
1059
ïj n
1870
1000
1067 2)
Hetzelfde verschijnsel wordt door statistieke opgaven van
andere landen geconstateerd.
1)   Vergel. Ploss aangoh. werk, 1)1. 471.
2)   Oorlog tusschenbeide gekomen.
3)   Na landverhuizing op grooto schaal.
-ocr page 45-
31
Zoo waren er in Frankrijk na de Napoleontische oorlogen:
Mannen.             Vrouwen.
1000                1059
[ 1836 1000 1037
In de jaren 1859 1000 1010
( 1861 1000 1001
De in 1872 gehouden volkstelling gaf weer 1000-1008.
Duitschland had in
het jaar 1864, 1000 mannen  tegen 1018 vrouwen.
„ „ 1867, 1000 ,          „ 1026
„ „ 1871, 1000 „          „ 1037 „
Vele soortgelijke voorbeelden zou men kunnen aanvoeren.
Ik heb gezegd, dat van de geboorten het aantal jongens
het grootst is; maar wij zien bij do volkstelling steeds
dat de vrouwen de mannen in getalssterkte overtreffen. Er
moeten dus van het mannelijk geslacht meer sterven
of door andere oorzaken uit het land worden verwijderd.
Behalve den oorlog werken daartoe deels de gevaarlijker beroe-
pen mee, die de man uitoefent (visschen, zeevaart, mijnwerk)
deels de emigratie, waaraan het meest door jongelingen wordt
deelgenomen.
Toch is de verhouding in Zweden zóó dat het mannelijke
geslacht in de jaren van 15 — 20 een klein overwicht heeft:
1000 tegen 997. Eerst in het volgende stadium van den leef-
tijd tusschen de 20 — 25 jaar zijn er 104,9 vrouwen tegen 100
mannen, en dit overwicht wordt vervolgens steeds grooter. \')
Zweden is een der landen waar de verhouding der getals-
sterkte tusschen de geslachten het ongunstigst is.
1) Hollstonius aangoh. werk, M 40.
-ocr page 46-
82
Gerekend naar de laatste volkstellingen werden gevonden in:
Mannen.                  V r o u w o n.
Bc Engelache Monarchie, . . 1000                      1046
Het Duitsche Rijk,......1000                      1037
Noorwegen,...........1000                      1036
Denemarken,..........1000                     1026
Frankrijk,...........1000                      1008
België, .............1000                       999
Italië,..............1000                       998
Noord-Amerika,........1000                       978
Indien men in Zweden de numerieke verhouding tusschen
de geslachten wilde verbeteren, zou men er naar moeten
streven het aantal onechte geboorten tot een minimum te
beperken, om het verschil in leeftijd tusschen hen die met
elkaar in het huwelijk treden te verminderen, verder zorgen
voor eene betere lichamelijke opvoeding van het vrouwelijke ge-
slacht, en tevens aanmoedigen tot landverhuizing van vrouwen.
Daar dit numerieke verschil der geslachten niet constant
is, en het kleinst in plaatsen waar men eenvoudiger en
zedelijker leeft dan in de groote steden, mogen wij veilig
aannemen dat wij hier, evenmin als in betrekking tot de
cijfers voor het sterftegeval van groote kinderen, niet te doen
hebben met eene orde der natuur maar met een maatschappe-
lijken factor.
De oorzaak van dit verschijnsel is deels te zoeken in de
ziekten van de genitaliën, waarover ik in mijne tweede
lezing zal spreken, deels ook in de verwoestingen door den
alcohol veroorzaakt, die voor het tegenwoordige niet het doel
van onze onderzookingen uitmaken.
Dat deze twee plagen van het geciviliseerde leven de
eigenlijke oorzaak zijn der stoornis in de natuurlijke nume-
rieke verhouding der geslachten, is geen los vermoeden maar
een door de statistiek bewezen feit.
-ocr page 47-
TWEEDE LEZING.
De zoogenaamde polygamische neigingen van den man. —
Onderzoek daaromtrent. - De verhouding in Islamietischo landen.
Typen van sexueelen hartstocht. — Do gevolgen van polygamie. —
Het bedwingen dor geslachtsdrift cone cultuurkracht. — Shake-
speare\'s beschouwing daarover. — Do positie der vrouw als jong-
gehuwde. — Natuurlijke onderbreking. — Echtelijke omgang. —
Onderbreking door ziokte. — Echtelijke trouw. — Kegelen voor
jonggehuwden. — Do verkoerdo opvatting der vrouw over hare
positie als echtgenoote. — Echtelijke levensregelen. — Het moor
of minder intensieve vermogen om geslachtsgenot to smaken. —
Verschillende vrouwen-typen. — De leefwijze van ongehuwde man-
nen. — Citaten uit de tegenwoordige literatuur. — Ziekten door
onthouding. — De invloed van do literatuur op de zeden. — Een
bewijs voor die stelling. — Onzedelijke invloeden van andere
soort. — Verlovingen. — Proventievo middelen. — Onderzoek van
die middelen. — Vermeerdering der bevolking.
Wij hebben in de vorige lezing gezien, hoe volhardend de
natuur er naar streeft om het numerieke evenwicht tusschen
de geslachten te herstellen en zoodoende de eerste voorwaarde
genoemd voor eene werkelijke monogamie. Ik wil daarmee
niet zeggen dat het noodzakelijk was hiervoor het empirisch
bewijs te leveren. Ik zal andere bewijzen bijbrengen, maar
eerst wil ik de opmerkingen die er tegen gemaakt zijn
beantwoorden.
3
-ocr page 48-
84
Van verschillende kanten hoeft men hooren beweren dat
de man van nature poltjgamisch, do vrouw daarentegen mono-
gamisch
zou zijn.
Uitstekende geesten hebben zich tot tolk gemaakt van die
opvatting, en onnadenkende napraters hebben haar als tot
een onweerlegbaar geloofsartikel verheven. Als prototype der
eersten noem ik den wijsgeer Schopenhauer. Deze tracht
zijne stelling onder anderen door de volgende tirade te bewij-
zen, die ik het liefst in zijne eigene taal weergeef.
„Die Liebe des Mannes sinkt mcrklich von dem Augenblick
an, wo sic Befriedigung erhalten hat; fast jedes andere Wcib
reizt ihm mehr, als das welches er schon besitzt; er sehnt
sich nach Abwechslung. Die Liebe des Weibes hingegen steigt
von eben jenem Augenblicke an. \')
Schopenhauer meent dat dit een vaststaande natuurorde
is, die bovenal de instandhouding van het geslacht beoogt.
De man kan, namelijk bij verschillende vrouwen, een
honderd kinderen in het jaar verwekken, de vrouw maar aan
één het leven schenken.
Het sophistische en phraseachtige dier geheele redenecring
valt bij eene nauwkeurige beschouwing terstond in het oog.
Schopenhauer ziet heel eenvoudig de numerieke gelijk-
heid der geslachten voorbij. Werden er oorspronkelijk dubbel
zoovele vrouwen gevonden als mannen, dan zou men genoopt
worden eens over de mogelijkheid van het geval na te denken,
maar onder de bestaande verhoudingen kan de polygamische
drang van den man naar afwisseling, indien hij door de
groote meerderheid natuurlijk werd bevredigd, enkel leiden
tot promiscuïteit of hetaerisme, iets waardoor de vruchtbaarheid
en het weerstandsvermogen van het geslacht niet zouden worden
bevorderd. Toch kan niet worden ontkend dat het groote
verschil tusschen de mannelijke en vrouwelijke geslachtsdrift
zeer onnatuurlijk schijnt.
Wij zien polygamische en monogamische dieren, maar
1) Die Welt als Wille umi Vorstellimg Loipzi?, Broekhuis 1SS4. II. lil. M3.
-ocr page 49-
85
overal komen de mannetjes en vrouwtjes in hunne driften
en begeerten met elkaar overeen. De hinden van het kroon-
hert verteren wederkeerig niet van jaloezie: zij maken niet
uitsluitend aanspraak op zijn gezelschap on bescherming. De
ooievaar, do nachtegaal en vele andere vogels hebben geene
behoefte aan afwisseling en zuchten niet om de heerlijkheden
van een harcmleven. Het zoude dus alloen bij de menschen
zijn, bij de meest ontwikkelde diersoort der schepping dat
de natuur de mannetjes en vrouwtjes met zulke verschillende
driften had begiftigd dat er geene verzoening mogelijk ware.
Ondanks alle gekruiste erfelijke eigenschappen van vader
op dochter, van moeder op zoon, ondanks eenc gemeenschap-
pelijke opvoeding en ontwikkeling, zou dit verschil steeds
blijven bestaan en een bijzonder, niet uit te wisschen ken-
merk der geslachten zijn! De voortplanting zou voor do
vrouw behalve de gevaren en pijn, een voortdurenden drang
naar echtelijke trouw meebrengen, die nooit kon worden
bevredigd. De monoyame man zou in dat geval moeten
beschouwd worden als eenc onnatuurlijke uitzondering en de
eerste natuurlijke ethische cisch zou zijn hem aan te sporen
tot het zoeken van galante avonturen.
In trouwe! zonder te denken aan de doelmatigheid der
natuur, vreezen wij toch, dat het menschelijk geslacht, door
zulk eene onverzoenlijke scheiding ver verwijderd zou raken
van het pad waarop verbeteringen mogelijk zijn, waarop wij
eene wel toegeruste soort zouden krijgen, die kans had in
den strijd om het bestaan te zegevieren.
Ik ben van oordeel, dat Schopenhauer zoowel door de
straks aangehaalde tirade, als door zijne overige wijsgeerige
beschouwingen over de sexueele verhoudingen, eerlijk het
oordeel heeft verdiend dat daarover door tot oordeelen bevoegde
personen is geveld, namelijk, dat zij altemaal foutief zijn en
onsmakelijk in hare consequenties.
Er wordt verteld dat Napoleon eens gezegd heeft, dat
ééne vrouw onmogelijk voldoende kan zijn voor één man.
Zij kon zijne vrouw niet zijn (d. w. z. geen sexueele gemeen-
-ocr page 50-
36
schap met hem oefenen) wanneer zij menstrueerde, zwanger
was, of ziek, enz. enz. en daarom behoorde een man meerdere
vrouwen te hebben.
Gaat men van zulk een standpunt uit, dan is het nood-
zakelijk dat de man zich een harem aanschaffe, groot genoeg
om zeker te zijn dat ten minste ééne zijner sultanes niet aan
bovengenoemde beletselen lijdt, iets wat misschien niet zoo
gemakkelijk te verkrijgen zou zijn.
Onder de Mohammedanen heerscht polygamie; de Mormonen
hebben een poging gedaan haar onder beschaafden vorm te
doen herleven; maar bij de eersten is het bijna uitsluitend
een voorrecht van stand en rijkdom, bij de laatsten was het
slechts een privilegie voor de hoogste geestelijke waardigheids-
bekleeders.
In de Turksche maatschappij waar een groot deel der
bevolking in polygamie leeft, merkt men vele stoornissen op
in de numerieke verhouding der geslachten. Er worden veel
meer jongens geboren
dan in andore beschaafde landen, en aan
den door de zeden gebillijkten huwelijkseisch kan niet worden
voldaan zonder roof of koop van vrouwen, of het castreeren
(eunuchen) van mannen. \')
Zij, die zooveel praten over polygamie en polygamische
driften van den man, behoorden toch in dat opzicht ook
rekening te houden met de wenschen der vrouw, niet met den
drang der vrouw naar trouw, maar met den zuiver physieken,
sexueelen eisch, n.1. of zij zich wil en kan vergenoegen met
een deel van den man in plaats van een geheelen man, en als
men ten dien opzichte te rade gaat met de ervaring, zal
men zien dat voor verreweg het meerendeel één man en ééne
vrouw het best met de wenschen der beide echtgenooten
overeenkomt.
Het verdient opgemerkt te worden dat het huwelijk eene
soort van eigendomsrecht insluit dat nimmer tot volle ont-
wikkeling kan komen in polygamische verhoudingen, \'t zij
1) Vergel. Oostorlen aangeh. werk, bL 164. — Hoal-Encyklop. der med. Wiss. Bnd.
IV 1)1. 32G.
-ocr page 51-
37
deze zich voordeden onder den vorm van polyandrie of poly-
gynie (veelmanneri.j en veelwijverij). Er bestaat eene zeer
natuurlijke en gerechtvaardigde ijverzucht, d. w. z. een drang
naar het uitsluitend echtelijk recht op den persoon met wien
een huwelijk werd aangegaan.
De sterkte der monschelijke geslachtsdrift, de eischen ten
opzichte van het voorwerp om die drift te bevredigen, ver-
toonen in bijzondere gevallen groot verschil.
In de geschiedenis vindon wij gewag gemaakt van personen
die met eene enorme geslachtsdrift waren begiftigd. Zij zijn,
de eene zoowel als de andere, niet maathoudend geweest. Als
ik onder hen eenige vertegenwoordigers moest noemen, zou
ik onder de mannen keizer Nero kunnen kiezen en onder
de vrouwen keizerin Messalina. In hoeverre deze beiden
normaal waren kan ik hier met stilzwijgen voorbijgaan. De
maatlooze begeerte is zelfs opgenomen en tot onderwerp
gemaakt niet alleen in de mythologie dor verschillende landen,
maar ook in allerlei volkssagen.
Ik herinner hier enkel aan de typische Don-Juan-sage en
zijn tegenhanger in de Tannhiiuser-episode. In de eerste wordt
do onmatigheid van den man, in de laatste die der vrouw
geschilderd; maar terwijl Don Juan als een echt mensch
van vleesch en bloed wordt voorgesteld, is de Venus uit de
Tannhiluser een wezen van eene andere soort. Misschien
spreekt hieruit een schemerig bewustzijn dat eene vrouw
meer nog dan een man haar wezen moet verkrachten om
tot zoo iets te vervallen.
Ik heb straks gezegd dat de menschelijke geslachtsdrift
niet aan zekere jaargetijden en omstandigheden is gebonden,
dat de natuur don mensch, zeer royaal, in staat heeft
gesteld om ten allen tijde te genieten door hare bevredi-
ging. Maar daaruit volgt geenszins dat de mensch steeds
bereid moet zijn om zich dat genot te verschaffen. In tegen-
-ocr page 52-
38
deel schijnt een voortdurend voldoen aan de geslachtsdrift
nadeelig te zijn voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid
van den mensen.
Dit wordt b. v. opgemerkt bij de vermogende heeren in
Turkije. Zij onderscheiden zich in dit opzicht in hoogen graad
van do massa der bevolking; de mannen van het volk dragen
den stempel van gezondheid en kracht, maar men ziet het
den Turkschen effcndi\'s aan dat zij ontzenuwd en bloedarm zijn.
Door hun vroegtijdig begonnen harempraktijk hebben zij het
vermogen verworven om de physiokc voorrechten en gebreken
der vrouw op te merken, een vermogen waarop een Wcster-
sche roiu\' ijverzuchtig zou kunnen worden, maar levenslust
en levenskracht hebben zij verloren.
Van het private leven wordt die zwakheid in het open-
bare als overgebracht, en het lijdt geen twijfel dat de zieke
mannen „minder zwak zouden zijn, indien de zonen van het
land iets van de inexhausta pubertas bezaten, die Tacitus
schildert als een der uitstekendste trekken van de oude
Germanen."
Ook in andere landen worden dezelfde verschijnselen waar-
genomen. In de vroegere slavenstatcn van Noord-Amerika
was, naar vele vertrouwbare reizigers mededeelen, de kracht
der mannelijke jeugd doorgcslachtsomgang verteerd en bedorven.
In Brazilië merkt men, volgens hetgeen een Scandinavisch
medicus mij op het medisch congres in 1884 vertelde, even-
eens eone soortgelijke degeneratie van het mannelijke geslacht
op, terwijl het vrouwelijke geslacht, dat tengevolge der tradi-
tioneels levensbeschouwing zijne lusten moest beheerschen,
physisch en psychisch eene oneindig betere gezondheid geniet.
De Europccschc schrijvers die zoo vurig ijveren voor
vroegtijdigen geslachtsomgang, zullen zich wel geen bete-
ren staat van zaken kunnen denken dan dat eene frissche
slavin tot genotvoorwerp wordt gegeven aan een jongen man.
De ervaring echter spreekt in een anderen toon. De
natuur wil dat de man de gunst eener vrouw zal winnen
en verdienen. Wanneer de maatschappelijke verhoudingen
-ocr page 53-
39
haar hom schonken zonder conigen strijd, wordt er gezondigd
tegen de natuur, en de eigenaar der slavin lijdt daarbij mis-
schien meer schade dan de slavin.
Aangaande polygamie dient vorder nog te worden opge-
merkt dat indien het eigendomsrecht, het opvoeden der
kinderen, enz. in het vervolg ook aan do familie gebonden
zouden zijn, de polygamie enkel con voorrecht der rijken
en der hoogere standen zou kunnen wezen, terwijl het toch
niet zeker is dat de sexueele lusten en driften van een man
steeds in ceno bepaalde verhouding tot zijne maatschappelijke
positie zouden staan.
Dit is door den uitersten vleugel der socialisten reeds duidelijk
ingezien. Zij ijveren daarom, zeer consequent, voor de ophef-
fing der huwelijken; zij willen dat de verbintenis der ge-
slachten alleen zal worden geregeld naar de min of meer
vluchtige grillen der individuen, en tevens dat alle kinderen
zullen worden opgevoed in publieke gestichten.
Een schrijver van anderen rang en school dan de zooeven
genoemde volksleiders, Georg Brandes, heeft niet geaarzeld
den volgenden wensen uit te spreken: dat de erotische echte-
lijke verhouding een geheel private aangelegenheid mocht
worden en de ontwikkeling zoo ver mocht komen dat niemand
zijn eigen kind in den steek liet, \')
Door zulk eene phrase toont de schrijver dat hij de ont-
wikkelingsgang der cultuur geheel verkeerd opvat. Hij wordt
een reactionnair van de ergste soort, een reactionnair, die in
deze speciale quaestie duizenden van jaren bij zijnen tijd ten
achter is, ja ten achter bij de kindsheid der menschelijke
maatschappelijke samenleving.
In onzen tijd, die, met recht, hecht aan de leer der erfe-
lijkheid, is het zeker een atavisnie de gemeenschap der
geslachten tot eene zuiver private aangelegenheid te willen
maken.
Dit vloeit voort uit de valsche opvatting dat goslachtsgenot
1) Püskueren. II bl. 502.
-ocr page 54-
10
behoort tot do algemeen menschelijke rechten, eone opvatting
die een vluchtige blik in het leven der natuur moest hebben
uitgeroeid.
In tegenstelling met hetgeen Georg Brandes zegt, leg ik
klem op de volgende stelling die door de ervaring niet wordt
gelogenstraft:
Evengoed als het bestaan der geslachtsdrift eene groote
natuurlijke kracht tot ontwikkeling is, is de tijdelijk (ja, zelfs
de volstrekt) bedwongene geslachtsdrift eene zedelijke cultuur-
kracht van buitengewone beteekenis.
Indien ik mij in dit opzicht op een gezaghebbende zou
willen beroepen, zou ik zeker niemand beter kunnen aanhalen
dan William Shakespeare.
In „Cymbeline", een zijner beste drama\'s, komt misschien
de mooiste vrouwentype voor, die hij heeft geteekend, Imogen,
de koningsdochter, gehuwd met Leonatus Posthumus. Van
haar geeft de echtgenoot de volgende verklaring:
—  Mij weordo zij het wettige genot,
—  En bad vaak haar te sparen; deed dit mot
—  Een schaamteblos zoo lieflyk, dat zelfs de oude
—  Saturnus waar\' verwarmd,
(2e Bedrijf 5e Tooneel.)
Ik weet ternauwernood welk een groot gewicht ik zou
willen hechten aan die regels on de daarin vervatte levens-
beschouwing.
Shakespeare, die meer dan ooit eenig ander dichter zich
ten tolk maakte van der liefde eisch en drang, hij wijst er
hier op, dat een onbepaald bezit gevaar kan meebrengen voor
het karakter; dat het genieten van hetgeen men zijn eigen
noemt, moet worden beheerscht en beteugeld door een fijn-
gevoeligheid, die het eerst ontspruit bij de vrouw, maar
waaraan de edele, begaafde man zijne gehoorzaamheid niet
weigert. Hij, de dichter, toont zelfs aan, dat enkel de zóó
behandelde vrouw kracht bezit om in den tijd van beproe-
ving staande te blijven, en waard is den zege te behalen.
-ocr page 55-
41
De moderne, hervorming-eischonde literatuur begaat in dit
opzicht eene groote fout. Zij spreekt over de noodzakelijkheid
van vroegtijdige huwelijken, opdat de man zijnen hartstocht
zal kunnen beheerschen en beperken, maar zij vergeet geheel
en al, dat het huwelijk niet hetzelfde is als eene onafgebroken
gelegenheid tot geslachtelijke gemeenschap. Vat men het
huwelijk zoodanig op, dan kan men er zeker van zijn, dat
het juist daardoor ongelukkig zal worden.
Eene fijngevoelige voorzichtigheid en beperking zijn noodza-
kelijk, in de allereerste plaats in den aanvang van het huwelijk
De jonge vrouw die als reine maagd een huwelijk sluit,
is niet zoo voorbereid op hetgeen komen zal als haar echt-
vriend. In elk geval boezemen de nieuwe verhoudingen in
welke zij zich bevindt, haar vrees in: de sexueele omgang
wekt bij haar door het bersten van het hymen en het verwijd
worden der scheede pijn en dit niet enkel onder de paring,
deze houdt somwijlen dagen en nachten aan en kan ontaarden
in een werkelijke ziekte, die verdere paring volkomen ver-
hindert.
Zelfs onder normale omstandigheden kan het zenuwgestel
der vrouw worden aangetast en krampaanvallen van verschil-
lenden aard en karakter het gevolg er van worden.
Men moet niet uit het oog verliezen dat deze verandering
van leven het zieleleven der vrouw op het innigst treft; zij
heeft kalmte en rust noodig om er zich aan te gewennen,
om haar in overeenstemming te brengen met hare ethische
en godsdienstige beschouwingen, om tot het inzicht te ko-
men dat:
„Der trouwe liefde vreugd is louter onschuld." \')
Tallooze mannen hebben door onkunde en onoplettendheid
in de wittebroodsweken hun echtelijk geluk verstoord.
Is men de zooeven genoemde bezwaren gelukkig te boven,
en verheugt men zich in het volle en onverdeelde bezit van
1) Romoo on Julia, Bedrijf III, tooneel 2.
-ocr page 56-
42
elkander, dan pleegt in de meeste gevallen voor de vrouw
zwangerschap in te treden. Opnieuw is voorzichtigheid en
terughouding noodig; want, alhoewel sexueele omgang bij de
menschen tijdens de zwangerschap der vrouw niet als onna-
tuurlijk behoeft te worden beschouwd, is toch, vooral in den
eersten tijd, groote behoedzaamheid en een nauwkeurig acht
geven op den toestand, plicht. Het is namelijk eene bekende
zaak dat vele jonge vrouwtjes, vooral uit de hoogere standen,
wier opvoeding vertroetelend was, grooten aanleg hebben tot
miskramen (abortus) en deze worden niet zelden opgewekt
door voortgezette geslachtsgemeenschap gedurende de zwan-
gerschap. Zeer dikwijls heb ik in gevallen waar jaar op
jaar abortus plaats vond en de hoop op flinke nakomelingen
bijna geheel was opgegeven, ferme kinderen zien geboren
worden, nadat de ouders van het eerste oogenblik der zwan-
gerschap af, volstrekte onthouding hadden in acht genomen.
De zwangerschap vindt natuurlijk haar einde in de geboorte
van het kind; maar ook dan volgt er eene periode waarin
de vrouw zich van sexueelen omgang moet onthouden. Reeds
in de oudheid rekende men dat tijdperk op zes weken, waarna
de kerkgang plaats heeft en de vrouw hare echtelijke plichten
hervat; deze vrije tijd is zeker beter dan geene, maar hij is
geheel ontoereikend. Vele van de tegenwoordig zoo veelvuldig
voorkomende vrouwenziekten worden veroorzaakt doordien
de vrouwelijke genitaliën na de bevalling geene rust genoeg
hebben.
Onder het zoogen is concipieeren bij de vrouw in den
regel uitgesloten, maar zekerheid dat zij niet bevrucht zal
worden, bestaat er niet. Het is algemeen opgemerkt, dat eene
nieuwe zwangerschap onder het zoogen schadelijk is voor de
moeder, het zoogkindje, of de nieuwe vrucht. In een gynae-
cologisch tijdschrift zag ik onlangs eene berekening van den
tijd dien eene vrouw tijdens hare zwangerschap en na hare
bevalling behoorde vrij te zijn van sexueelen omgang.
Eerst de 9 maanden zwangerschap, dan do 12—14 maan-
den van het zoogen en eindelijk nog 3 — 6 maanden om de
-ocr page 57-
13
organen tot den normalen toestand terug te brengen, dus te
zamen een tijd van 2 — 2J jaar.
Alhoewel zulk een rusttijd niet dikwijls wordt geschonken
en misschien zelfs niet geëischt wordt, is hij toch altijd nuttig
en in menig geval volstrekt noodzakelijk ter bewaring van
de gezondheid der vrouw.
Het is een zeer gewoon geval, dat de jonge man den
dokter verklaart dat zijne vrouw veel te zwak is om zelf haar
kind te zoogen, maar zelden ziet diezelfde man er bezwaar
in om haar een paar maanden na de eerste bevalling weer
in zwangeren toestand te brengen.
Daar de vrouwen uit de hoogere standen hiertoe in den
regel de kracht missen, beginnen zij na hare tweede
bevalling te sukkelen, hare schoonheid verwelkt, zij heeft
een bron- of badkuur noodig of eene andere soort van lang-
durige, kostbare medische behandeling, de economie der huis-
houding lijdt hieronder en in den regel is het huwelijksgeluk
verstoord.
Blijken in sommige gevallen de gezondheid en kracht dei-
moeder bestand tegen het snel op elkander baren, men
bedenke dat de kinderen die vlug op elkaar volgen, minder
weerstandsvermogen tegen ziekten bezitten dan zij, die met
langere tusschenruimten ter wereld kwamen.
In het belang van de te baren kinderen behoort dus aan
de moeder, na hare bevalling, rust te worden gegund; de
duur dier rust moet in elk bijzonder geval naar de omstan-
digheden worden afgemeten.
Voor hen die zich voorstellen dat het huwelijk eene
aaneenschakeling zal worden van geslachtsgenot, is dit eene
harde uitspraak, en nu heb ik nog geen woord gerept van abnor-
male hinderpalen die de geslachtsgemeenschap kunnen storen.
Daartoe behooren in de eerste plaats chronische ziekten,
waarvan zelden iemand die niet tot den medischen stand
behoort, eenig begrip heeft.
Wanneer men bedenkt dat misschien een vierde deel der
vrouwen in den geslachtsrijpen leeftijd lijdt aan tuberculose
-ocr page 58-
44
in den een of anderen vorm, onderbuikskwalen, zenuwziekten
en m, a., dat zielsziekten in aantal toenemen en eene lang-
durige behandeling eisenen, of dat zij eerst na eene reeks van
jaren, op grond van ongeneeslijkheid leiden tot scheiding;
wanneer men dat alles bedenkt, ziet men gemakkelijk in,
dat het sluiten van een huwelijk groote gevaren meebrengt,
dien alleen de zichzelf beheerschende, de zich matigende man
in staat is het hoofd te bieden. Wanneer men zich. herinnert
dat de dood vele huwelijken verbreekt, dat wet en zeden het
aangaan van een nieuw, niet dan na eenigen tijd toestaan,
en dat persoonlijke consideraties van de eene of andere soort
een tweede huwelijk verhinderen, moet men toegeven dat
het geslachtsleven wettig geen recht heeft tot den eisch eener
voortdurende normale uitoefening.
Nu zal misschien iemand zeggen dat de wettelijke grenzen
in zulke gevallen altijd of ten minste veelal worden over-
schreden, dat zulk eene gedwongene onthouding zelden voor-
komt, en dat het van een al te naïef optimisme getuigt om
aan haar bestaan te gelooven. Ik verklaar hier echter met
nadruk, dat alhoewel ik de wegen en vormen der sexueele
buitensporigheden en de echtelijke ontrouw ken, ik toch
de nu behandelde bijzonderheid, bij ons, werkelijk als een
lichtpunt beschouw.
Niet alleen de man die kuisch in het huwelijk trad, maar
zelfs zij, die toen zij ongegehuwd waren geen aanspraak konden
maken op die deugd, leggen dikwijls als echtgenoot of weduw-
naar eene bewonderenswaardige trouw en zelfbeheersching
aan den dag.
Dit bewijst o. a., dat wanneer eene werkelijke liefde, „la
grande passion", zooals de Franschen het noemen, bezit heeft
genomen van een menschelijk wezen, deze het vermogen
heeft hem te louteren, en het onreine te verwijderen, dat al
zijne edele eigenschappen bedekte.
Met dit hoogere motief gaan andere van lagere orde
samen, die toch naar hetzelfde doel streven, zooals conside-
raties voor de maatschappelijke positie, de vrees voor de
-ocr page 59-
45
ijverzucht der echtgenoote, de angst de familie te besmetten
door venerische ziekten en m. a.
Men kan in een quasi-medisch gesprek over de sexueele
verhoudingen, menigmaal zeer verschillende beschouwingen
en voorstellingen hooren. Zoo meenen bij voorbeeld sommigen
dat de gewoonte van den echtgenoot, geslachtsgemeenschap
te genieten, hem bijzonder ongeschikt maakt om zich aan
onthouding te onderwerpen. Ik kan dit niet toestemmen.
Wanneer de echtgenooten elkaar waarachtig liefhebben, en
de vrouw in gezonde dagen zonder nukken en zelfzucht aan
de wenschen van den man voldoet, zal de man zich zonder
bezwaar schikken in alles wat door den gezondheidstoestand
zijner vrouw gebiedend wordt geëischt.
Onthouding is dus mogelijk en somwijlen noodzakelijk;
maar zelfs waar man en vrouw zeer gezond zijn en van
hunne rechten kunnen genieten, zijn voorzichtigheid en fijn-
gevoeligheid eerste vereischten. Zoo behoort de man in dit
opzicht nooit iets van de vrouw te eischen, maar steeds te
vragen. Hij moet haar ontzien, niet enkel in bovengenoemde
omstandigheden, maar ook wanneer zij smartelijke ondervin-
dingen heeft of psychisch ontstemd is. Bijzonder moeten wij
onzon landslieden op het hart drukken er voor te zorgen, dat
zij nimmer in een meer of minder volkomen roes zich in de
armen werpen van hunne vrouwen. Veel echtelijk geluk is
daardoor verstoord. De toegenegenheid der vrouw wordt in
den diepsten grond aangetast, omdat de handeling die
moest zijn
Een onderpand van harte\'s neiging,
De bloem der liefde, zalige droom,
Het beeld van \'t huwelijk der zielen... \')
omdat de handeling die in liefde en schoonheid haar motief
moest vinden, hare driften haalt uit het glas, uit eene soort
van vergiftiging, uit een vernederenden stimulans.
1) Robert Burns.
-ocr page 60-
4G
Hier eene uitvoerige gedragslijn voor de vrouw te geven,
is minder noodzakelijk. Alleen zij opgemerkt dat, daar er
met de echtelijke verhouding twee personen gemoeid zijn, de
gemeenschappelijke aangelegenheden niet kunnen worden uit-
gemaakt door één der beiden. Dat de vrouw onder andere
omstandigheden dan de bovengenoemde haar echtgenoot den
toegang tot het huwelijksbed ontzegt, kan men noch verstan-
dig noch rechtvaardig noemen.
Een Engelsch geneesheer, W. Acton, die bijzonder do me-
dische zijden van het geslachtsleven heeft bestudeerd, ver-
haalt in een wetenschappelijk werk, \') dat sedert er zoo veel
sprake is „van de rechten der vrouw", vele gehuwde mannen
zich bij hem hebben beklaagd, dat hunne vrouwen zich zelve
beschouwen als martelaressen, zoodra de man van haar de
vervulling begeert harer echtelijke plichten.
Hij voegt er bij, dat deze verkeerde stand van zaken ver-
ergerd is, sedert John Staart Miïï zijn werk over de Sub-
jcttion of ivomen
in het licht gaf, en hij haalt ten bewijze
het volgende voorbeeld aan :
Ik had onlangs een gesprek met eene dame die zóó op
hare rechten als vrouw stond, dat zij haren man elke stem
ontzegde in de beslissing der vraag: of zij echtelijke gemeen-
schap zouden oefenen. Zij verklaarde beslist, dat „daar de
vrouw de gevolgen, den last der negen maanden zwangerschap
moest dragen, en genoodzaakt werd al hare genoegens en
maatschappelijke verbintenissen op te geven, en zij tevens
al het gevaar en de pijn bij de geboorte van het kind moest
lijden, de gehuwde vrouw volkomen in haar recht was,
om echtelijke gemeenschap te weigeren aan haren man". Ik
waagde de opmerking, dat ik zulk eene weigering van een
medisch standpunt beschouwd, hoogst schadelijk vond voor
de gezondheid van haren echtvriend, vooral daar deze een
bijzonder zinnelijk gestel had. Zij verkoos de geldigheid van
mijn argument niet te erkennen en antwoordde: „dat een man
1) On the reproductivc organs, Oth Ed. London, Churchill bl. 142.
-ocr page 61-
47
die zijne driften niet kon beheerschen, had moeten trouwen
met een straatslet en niet met eene intellectueel ontwikkelde
vrouw, die haren tijd kon noch wilde wijden aan bezigheden,
passend voor eene min of kindermeid".
Dezelfde schrijver zegt ook dat hij dikwijls het huwelijks-
geluk door die zelfde oorzaak heeft zien bederven, ja, dat zij
dikwijls reden is geweest tot aanvrage om scheiding.
Op eene andore plaats in zijn boek deelt hij mee:
Als tegenhanger voor zulke leeringen zou ik het vrouwelijk
geslacht liever raden het voorbeeld te volgen van de frissche,
vroolijke, gelukkige huismoeders, die in plaats van ingebeelde
bezwaren te overdrijven — — — het haar grootsten lust
en geluk achten den man te behagen, en die inzien dat
de vrouw geschapen is om de hulpe van den man te zijn.
Ongetwijfeld kan menig medicus, evenals ik, in zijne
herinnering vele zelfbeschuldigingen terugroepen van gehuwde
vrouwen, die in berouwvolle oogenblikken hebben erkend, dat
gemis aan sympathie en liefde van haren kant het eerst
hebben geleid tot eene koele verhouding en eindelijk tot eene
volkomene verwijdering van den man, wiens verdiensten zij
te laat hadden leeren waardeeren.
Ik hoop dat niemand tegenspraak zal vinden in hetgeen
ik aanhaalde van Acton en wat ik zelf heb gezegd. Juist
omdat ik zeer veel vrijheid eisch voor de vrouw en zoo veel
zelfbeheersching van den man, juist daarom mag ik eisenen
dat de vrouw niet uit een nuk de zwarigheden vermeerdere,
die elk gehuwd paar in dit opzicht wachten.
Ik kan niet ontkennen dat ik, alles in aanmerking geno-
men, elke vrouw, die van plan is te gaan huwen, gaarne de
waarschuwing zou willen toeroepen, die Sonderegger in betrek-
king tot het intreden in den doktersstand geeft: „Als gij van
iemand hoort die dokter wil worden, waarschuw hem zeer
ernstig; volhardt hij desniettegenstaande in zijn voornemen,
geef hem, als deze iets waard is, uwen zegen, want hij zal
er behoefte aan hebben."
Menigeen zal misschien zulk eene opvatting zeer pessi-
-ocr page 62-
mistisch vinden en zich er over verwonderen dat misverstand
en ongeluk zoo gemakkelijk kunnen ontstaan in zulk eene
natuurlijke verbintenis als het huwelijk.
Een der oorzaken van het misverstand ligt hierin dat onder
de tegenwoordige maatschappelijke gewoonten, in vele standen
de beide geslachten gedurende eene lange reeks van jaren niet
vertrouwelijk en gewoon met elkander kunnen omgaan.
Studenten, handwerkslieden, stadsarbeiders en vele anderen,
brengen dikwijls een groot gedeelte van hunnen leertijd in
een volkomen jonggezellenleven door, en de vrouwen uit
diezelfde klassen blijven thuis zonder in de gelegenheid
te zijn iets van de levensvoorwaarden te leeren kennen
waaronder hare mannelijke standgenooten leven. Bij het
aangaan van een huwelijk zijn zulke personen in veel ongun-
stiger omstandigheden dan de boeren en de arbeiders, wijl
bij de laatsten het gemeenschappelijke leven en werken in
staat stellen elkaar persoonlijk beter te leeren kennen, dan
ergens elders het geval is.
Voor zoover mij bekend is, vindt men ook in dien stand
de minste ongelukkige huwelijken.
Doctoren en moralisten hebben ten allen tijde er over
nagedacht, hoe dikwijls man en vrouw onder volkomene
gezondheid, echtelijken omgang met elkaar kunnen hebben.
In oude godsdienstige en zedekundige boeken, alsmede in
wetten kan men de eigenaardigste voorschriften met betrekking
tot deze zaak vinden, nu eens om de vrouw te vrijwaren
tegen te groote aanspraken van den man, dan weer om haar
te bevredigen door een minimum te bepalen. In het tweede
geval is men allicht uitgegaan van de gedachte dat er gezonde
kinderen bchooren verwekt te worden.
Zoroaster eischte van den man slechts ééne omhelzing in
negen dagen, Solon driemaal in de maand, Mohammed een-
maal in de week; indien dit niet werd nagekomen, had de
-ocr page 63-
49
vrouw het recht scheiding te vragen. Overeenkomstig oude
Rabbijnsche voorschriften werd er ten opzichte van het aantal
gunstbewijzen onderscheid gemaakt tusschen de mannen van
verschillende standen; jonge, krachtige mannen zonder bepaalde
bezigheid, waren hunnen vrouwen dagelijkschen geslachtsom-
gang schuldig, handwerkslieden eens in de week, mannen
die zich bijzonder moesten inspannen, na een of meer maan-
den tusschentijd.
Van de voorschriften in zulk soort van zaken, die het
meest bij ons bekend zijn, verdient Luthers raad, om twee
malen in de week zijn echtelijke plichten te vervullen, te
worden genoemd.
Het lijdt geen twijfel of Luther heeft door dit voorschrift
en door hetgeen hij over het huwelijk heeft geschreven zich
zeer verdienstelijk gemaakt ten opzichte der ethisch-sexueele
ontwikkeling. De sterke hartstochten der middeleeuwen en der
renaissance werden door zijne leer en zijn machtig voorbeeld
getemperd, eene tempering waaraan zij groote behoefte hadden.
Het zou voor menig huwelijk beter zijn, indien men Luthers
voorschrift opvolgde. In volkomen normale omstandigheden
behoeft men echter zulk eene beperking niet te eisenen; men
kan gerust in de tijdperken waarin echtelijke omgang niet
door redenen van psychischen of physieken aard wordt verboden,
3 of 4 malen in de week geslachtsgemeenschap oefenen. Men
bedenke evenwel dat een algemeen geldende regel niet kan
worden gegeven. De gestellen der mannen en vrouwen wisselen
tot in het oneindige; een zelfde wet kan onmogelijk geldig
zijn voor allen.
De omgang der geslachten is eene natuurlijke zaak, men
wordt tot dien omgang aangemoedigd door de stem der natuur
zelve, en hij die zijn gemoed zuiver heeft bewaard, die tevens
geleerd heeft in het vuur van den hartstocht de gevoelens zijner
vrouw te ontzien, loopt het minst gevaar op een dwaalweg
te geraken. Geheel tegenovergesteld aan de inzichten die ik
dikwijls hoorde verkondigen, houd ik het voor volkomen
gerechtigd en juist dat de echtgenooton echtelijken omgang
• 4
-ocr page 64-
50
hebben, wanneer physieke of psychische neigingen hen daartoe
aansporen. Ik zou geen enkele reden weten waarom men
in de korte, dikwijls onderbroken tijdperken waarin men van
de geneugten des geslachtelijken omgangs kan genieten, dit
niet zou doen ; waarom men zich zou laten binden door iets
anders dan den eisen van lichamelijk en zedelijk welzijn. \')
De proefsteen voor echtelijke hygiëne is, dat de beide
echtgenooten zich den dag na den coïtus volkomen frisch,
krachtig, opgewekt naar lichaam en ziel gevoelen, zoo mogelijk
meer nog dan na andere nachten. Wanneer dat bewijs ont-
breekt, zijn er excessen, buitensporigheden begaan. Misschien
vindt menigeen het hard om van excessen te spreken in
betrekking tot de huwelijkssponde, maar deze worden dikwijls
begaan niet enkel in de wittebroodsweken maar zelfs na een
veeljarig huwelijk.
De physieke en psychische kwalen van den eenen echtgenoot
zoowel als van den andere, kunnen dikwijls tot zulk een
oorzaak worden teruggebracht en veelal vergeet de arts bij
zijn onderzoek naar de oorzaak der ziekte, om zich op dit
punt te vergewissen. In onzen zenuwachtigen tijd mag daarop
wel met nadruk worden gewezen. Acton heeft dunkt mij wel
zeer terecht er aan herinnerd, dat in het bijzonder gehuwde
mannen, die moeilijken intellectueelen arbeid hebben te ver-
richten en daarb j in groote steden wonen, met hunne krach-
ten moeten te rade gaan, en hij staat denzulken niet vaker
dan eens om de 7 — 10 dagen echtelijken omgang toe.
Ik herinner mij uit mijn school- en studententijd dat de
jeugd dikwijls praatte over echtelijke verhoudingen en o. a.
ook de vraag opwierp wie der beide echtgenooten bij den
coitus het meest genoot.
1) „Wij kunnen den nectar Daar welgevallen drinken, de natuur zelve houdt
ons den beker voor de lippen, zij zelve mengt hem ; als wij te veel drinken schenkt
zü water, dan gal on eindelijk doodel(jk vergif." Pomeroy, Ethics of marriage.
Now-York and Londen 1888, lil. 80.
-ocr page 65-
51
Eeno gevolgtrekking die algemeen bijval vond. luidde:
als de man zooveel te lijden had als de vrouw door het
baren, zou hij na het eenmaal te hebben ondervonden liever
van het echtelijk verkeer afstand doen dan zich opnieuw aan
zulk een pijn bloot te stellen. De vrouw trotseert herhaalde
malen de barenssmart, ergo geniet zij meer dan de man; —
wat moest bewezen worden.
Er spreekt niet veel kennis der vrouw uit deze naïeve
kwajongenspraatjes; ik zou dit, zoowel als heel deze speciale
quaestic onbesproken hebben kunnen laten, indien zij niet
ware opgewekt door de novellistische schilderingen en
de publieke discussies, die naar aanleiding der moderne
literatuur worden gevoerd tusschen voor vrije liefde pleitende
mannen en voor de zedelijkheid ijverende vrouwen. Men heeft
daar hooren beweren, dat de vrouw zeer weinig neiging heeft
tot zinnelijk genot, dat uit dit gebrek huwelijksverdriet voor
den man voortvloeit, en dat de opvoeding der vrouw behoorde
geleid te worden in eene andere richting, zoodat hare begeerten
krachtiger, levendiger werden.
Het zal wel bijna niemand ontgaan dat uit deze klacht
do wrok der Bohémiens spreekt, omdat niet elke vrouw, zoo-
dra zij begeerd wordt met een even sterken hartstocht als
van den man zich hem in de armen werpt.
Geslachtsdrift en goslachtsgenot wisselen bij de vrouw zeer
af. Jk veroorloof mij voor die bewering een bewijs bij to
brengen. Als proef van positieve ontwikkeling kies ik een
uittreksel uit Heloïse\'s brief aan Abelard; dit luidt:
„In tantum voro illao, quas pariter exercuimus, amantium
voluptatcs dulces mini fuerunt, ut nee displicere mini nee vix
a memoria labi possint: Quocumque loco me vertam, semper
se oculis meis cum suis ingerunt desideriis — — — — —
Quae cum ingemiscere debiam commissis, suspiro potiusde
amissis. Nee solum quae egimus, sed loca pariter et tempora,
in quibus haec egimus, ita tecum nostro inflxa sunt animo,
ut in ipsis omnia tecum agam, nee dormiens etiam ab his
-ocr page 66-
52
quiescam. Nonnumquam ex ispo motu corporis animi mei cogi-
tationes deprchenduntur nee a verbis temperant improvisis." \')
Bij het lezen van zulk een eigenaardige ontboezeming
moet men wel indachtig zijn dat Heloïsc geen courtisane was,
integendeel, dat zij uitblonk door trouw jegens haren minnaar,
en dat zij zeer begaafd was en ontwikkeld. Ware Heloïse
in plaats van van Abelard gescheiden te worden met hem
gehuwd, en had zij hem eene schare kinderen geschonken,
dan is het nauwelijks denkbaar, dat zulk een brief het licht
zou hebben gezien.
Laat mij als tegenhanger daarvan een modern geval aanhalen.
In 1851 werd ik om raad gevraagd door een advocaat,
ongeveer 30 jaar oud; hij wilde weten of hij sexueel zwak
was. Bij het kruisverhoor dat ik hem liet ondergaan, kwam
ik te weten, dat hij een jaar gehuwd was geweest, dat er
in dat jaar ééne poging tot paring had plaats gehad, maar
dat het twijfelachtig was of die poging als gelukt mocht
worden beschouwd.
Hij had zijne cchtgenoote meegebracht, omdat deze, naar
hij zei, met mij wenschte te spreken.
Het vrouwtje bleek een fijn beschaafd, bijzonder gevoelig
persoontje te wezen. Zij sprak met eene vrijheid, die even
ver van brutaliteit als van preutschheid was verwijderd; zij
beschouwde het als haren plicht om mij te consulteeren. Zij
bloosde noch stamelde terwijl zij haar verhaal deed, en ik
vind het jammer, dat mijne woorden niet de liefheid weten
te schilderen waarmee zij hare bekentenis deed.
Haar man en zij hadden elkaar sinds hunne jeugd gekend,
zij waren samen opgegroeid, hadden zich wederzijds aan elkaar
gehecht en waren gehuwd. Zij had reden te veronderstellen
dat hij zwak was, maar, zij was er van overtuigd, niet ten-
gevolge van uitspattingen. Zij beschouwde die zwakte als
zijn natuurlijken toestand. Zij was innig aan hem gehecht
en zou er nimmer toe gekomen zijn mij om raad te vragen,
1) Cit. uit H wasser, Om aktonskapsot. Upsala 1841, bl. 69.
-ocr page 67-
5:5
indien zij niot voor hèm naar een kind verlangde dat hun
gemeenschappelijk geluk nog zou kunnen verhoogen. Zij ver-
zekerde mij, dat zij niet de geringste sexueele begeerte kende;
als zij aanleg had voor zulk genot, moest deze nog sluimeren.
Hare liefdo voor haren echtgenoot was van platonischen aard ;
zij was er ver van af, dat zij zijne gevoelens wilde aanvuren;
zij betwijfelde of dit wel goed was. Zij beminde hem zooals
hij was, zij zou hem nooit anders wenschen, indien niet de
hoop haar had bezield een kindje te zullen krijgen.
Ik beschouw deze dame als een typisch exemplaar van eene
Engelsche huisvrouw en moeder, teeder, zorgvuldig, zelfop-
offerend en verstandig, zoo rein van hart dat zij geene
geslachtsneiging kende, maar zoo onbaatzuchtig aan den
man gehecht, dat zij bereid was, ter wille van hem, hare
eigene gevoelens en wenschen te verzaken.
Tusschen deze beide uitersten in beweegt zich het gevoels-
leven der normale vrouw. Daar buiten treft men enkel de
meer of minder abnormale. Voor ons doel hebben wij ons
het meest bezig te houden met de negatieve zijde, met het
gemis aan geslachtsdrift bij de vrouw.
Onder de zoogenaamde naturae frigidae worden vrouwen
gevonden, die in elk mogelijk opzicht toonbeelden zijn van
echtgenooten en moeders, maar die dikwijls zich niet kunnen
onthouden van haar tegenzin, ja afschuw voor hare echtelijke
verplichtingen aan den dag te leggen, somwijlen zelfs wei-
geren hieraan te voldoen. Deze gevallen gaan altijd gepaard
met eene soort van ziekte, die veelal door geneeskundige
behandeling kan worden genezen.
Wanneer wij de uitersten daarlaten en ons bepalen tot
den breeden middenweg, zullen wij zonder eenigen twijfel
ontdekken, dat de man, die uur en tijd kiest naar zijn wel-
gevallen, in den regel veel meer geniet dan do vrouw, die
door herhaalde bevallingen, storingen in den onderbuik, ge-
woonlijk hoe langer hoe ongevoeliger en onverschilliger wordt
voor geslachtsgemeenschap.
Voor het overige komt hot grootendcels op den man zelf
-ocr page 68-
54
aan hoe zijne vrouw hem in het huwelijksbed zal ontvangen.
Indien de eerste het gemeenschappelijk samenleven verbindt
en omgeeft met alles wat lief on teeder is, zal hij stellig
andere ervaring opdoen dan wanneer brutaal egoïsme zijne
handelingen bestuurt.
* »
*
Wij komen nu tot eene gewichtige vraag, de gewichtigste
van alle die wij gemeenschappelijk hebben behandeld: Wat
zal een man doen in de tijdperken waarin echtelijke omgang
hem is ontzegd? Zal hij zich sexueelen omgang met anderen
verschaffen, of niet?
. Wij willen eerst zien, hoe de verhoudingen zijn en hoe zij
geschilderd kunnen worden. Eenige auteurs van den tcgen-
woordigcn tijd hebben hunne meening over dit punt gezegd,
en ik veroorloof mij eerst hunne uitspraken te onderzoeken.
Max Nordau, die door sommigen als een leider wordt
vereerd, verkondigt wel niet direct de leer en den eisch van
polygamische verbintenissen, maar de tendenz van zijne bewijs-
voering loopt toch menigmaal daarop uit; hij vindt dat de
feiten cone taal spreken, die niet kan worden misverstaan.
„De mensch is feitelijk geen monogamisch dier" — „volstrekte
trouw ligt niet in de menschheid, deze is geen physiologisch
uitvloeisel der liefde." „De jonge mannen hebben van de
maatschappij stilzwijgend verlof gekregen om zich omgang
met vrouwen te verschaffen, hoe en waar zij dit kunnen;
zij betitelt hunne zelfzuchtige genietingen als „succes" en
omgeeft hen met eene soort van poëtische glorie." „Onderde
honderdduizend mannen is er ternauwernood één, die op zijn
doodsbed er op kan zweren dat hij zijn gansche leven niet
meer dan eene vrouw heeft gehad."
Gustaf af Geycrstam heeft in zijn „Erik Grane", in zijne
brochure tegen Lektor Personne en eindelijk in zijne nu
onlangs verschenen voorlezingen verklaard dat sexueele
omgang in den jongelingstijd eene noodzakelijkheid kan zijn.
De heldin in „Erik Grane" heeft zich vertrouwd gemaakt met
-ocr page 69-
du gedachte, dat zij niet de minste aanspraak er op mag maken
dat haar man zedelijk rein zij; zij is niet jaloersch op het ver-
leden, zij ziet in dat de mannen in dit opzicht allen gelijk zijn.
August Strindberg komt op bijna eiken regel van zijne
laatste werken zeer onstuimig tegen den eisch van onthou-
ding op, en tracht te bewijzen dat de gezondheid, het wel-
behagen en de levenslust van den jongen man worden bevor-
derd door gcslachtelijkcn omgang.
Een andere schrijver van geringeren naam heeft, ternau-
wernood den schoolbanken ontgroeid, een werk in het licht
gegeven waarin de held, terwijl hij op het punt staat zich te
verloven, o. a. aan zijne geliefde het volgende schrijft:
„Ik zal nu niet uitweiden over de vraag of een man tusschen
de twintig en dertig jaar kan en mag leven zooals een jong meisje
nu eenmaal moest doen om eene eerbare vrouw te worden
genoemd; ik zeg alleen maar, dat bijna niemand het doet,
niemand ten minste die geestelijk en lichamelijk normaal is."
Zoo gaat het!
Een jongeling wien het aan alle kennis, behalve die hij op
school opdeed, ontbreekt, treedt hier met de heel categori-
sche verklaring op dat alle mannen onzedelijk leven. Indien
zij het al konden laten, zou het zeer de vraag zijn of zij het
behoorden te laten. Daar de ervaring evenwel leert, dat er
wel degelijk jongelingen gevonden worden die zich van ge-
noemden omgang onthouden, maakt men zich van hen af
door te zeggen, dat zij naar lichaam of geest abnormaal zijn.
De frissche en gezonde jongeling handelt anders.
De geringste kennis der cultuurgeschiedenis en der ethno-
logie zou hem hebben geleerd dat de verschillende godsdienst-
vormen, de zedeleer, de volkseigcnaardigheden steeds hebben
en nog bestaan; dat deze alle in den een of anderen vorm
onthouding eisenen, dat aan dien eisch in meerdere of min-
dere mate steods is voldaan, en dat er in de geschiedenis
geen regel voorkomt die een volk aanwijst \'twelk aan
kuischheid is ten onder gegaan, maar wel vele leerzame
hoofdstukken, die het tegendeel verkondigen.
                       •
-ocr page 70-
56
Den laatstgenoemden schrijver komt evenwel de eer toe dat
hij de vrouw niet zoo onverschillig te dezen opzichte schildert als
de jonge vrouw in „Erik Grane" van af Geyerstam blijkt te zijn.
Ofschoon men niets hoort over den afloop van het aanzoek,
doet de gedane bekentenis het meisje bitter verdriet.
Laat ons nu eens naar de ervaring luisteren die de medici
hebben opgedaan.
De psychiatrist Krafft-Ebing zegt: „Tallooze normaal ge-
construeerde menschen zijn in staat afstand te doen van
hunne begeerten, zonder dat die gedwongen onthouding van
schadelijken invloed is op hunne gezondheid." \')
Acton geeft in zijn dikwijls reeds aangehaald boek als zijne
meening te kennen, dat volstrekte onthouding kan en behoort
uitgeoefend te worden door jonge mannen, en dat dit zonder
eenig nadeel voor hunne gezondheid kan geschieden. u).
De hygiönist Oesterlen verklaart:
„Alleen zelfbeheersching kan menig ongeluk voorkomen, als
zij gegrond is op zedelijke fijngevoeligheid, op kuischen zin,
op kennis, beschaving, behoorlijke levenswijs, op een zedelijk
reine omgeving en voorbeeld.
Iedereen behoorde te wachten en zich teleeren beheerschen
tot zijn tijd is gekomen. Het zou alles zooveel gemakkelijker
gaan, indien de jongelieden er levendig van werden overtuigd
dat hun geluk in de toekomst, in het bijzonder hun huwelijks-
geluk, afhankelijk is van hun gedrag in die kritieke periode,
en dat ieder door het behoud zijner gezondheid en het groote
genot van frisschen levensmoed en kracht zoowel als door een
goed geweten, ruimschoots wordt schadeloos gesteld voor zijne
zelfbeheersching en zijne opofferingen." 3) En om de oorzaken
te verklaren van de deugd zoowel als van de zonde in dit
opzicht, voegt hij er aan toe: „Kuischheid is evenwel slechts
mogelijk bij eene redelijke, matige levenswijze. Zij bloeit
1)   Psychop. scx. bl. 104.
2)    Vergel. hoofdstuk Continenco, bl. 12, Ineontinence, bl. 83.
3)   Handbucli dor Hygiëne. Tübingeti 1870, bl. 728, 72».
-ocr page 71-
57
daarom zelden in paleizen on op andere plaatsen waar men
van jongs af zich gewent in dit opzicht alles te doen wat
men wil, en waarom men nog daarenboven wordt bewonderd
door velen, verontschuldigd door allen. Maar die heerlijke
deugd gedijt evenmin, waar gebrek aan beschaving, ruwheid
en armoede hcerschen."
Lionel S. Bealc, professor aan het Kings College te Londen,
schrijft:
„De tegenwerping dat wanneer er om eene of andere reden
geen huwelijk kan worden aangegaan, het op physiologische
gronden noodzakelijk is zich schadeloos te stellen, is geheel
foutief en ongegrond.
Het kan niet nadrukkelijk genoeg worden verklaard dat
de strengste onthouding en reinheid evenzeer in overeenstem-
ming zijn met de physiologische als met de zedenwetten, en
dat een toegeven aan wenschen, begeerten en hartstochten
op physiologische en physieke gronden evenmin gerechtvaar-
digd kan worden als op zedelijke en godsdienstige. \')---------
Duizenden worden geboren, leven en sterven zonder dat zij
door het kwaad, dat zich steeds in hunne nabijheid bevond,
meer worden besmet dan indien het niet had bestaan.
En indien dit bij menigeen het geval kan zijn, waarom
dan niet bij velen of allen ? Is het als noodzakelijk bestem-
pelde kwaad slechts noodzakelijk voor een deel, een gering
deel der bevolking ? Indien dit zoo ware moesten wij trachten
te ontdekken in welk opzicht die kleine minderheid zich zoo-
zeer van de meerderheid onderscheidt, dat voor haar het
voortbestaan van een vloek, die voor de meerderheid in het
geheel niet bestaat, — noodwendig is.
Durft de ergste fatalist beweren dat het kwaad onveran-
derlijk bestendigd wordt door eene geheimzinnige kracht, die
hij „wet" noemt?
1) Our\'morality and tlio moral quostion. Chiofly from tho modical sido. London
Cliurchill 1887. bl. 47.
-ocr page 72-
58
Hij mout erkennen dat het erger kan zijn dan hot is,
maar als zijn verstand hem niet geheel en al in den steek
heeft gelaten, moet hij óok toestemmen, dat het beter kon
wezen." \')
In zedekundige en godsdienstige boeken die dit onderwerp
behandelen, vindt men dikwijls opgegeven dat de doctoren
den jongelieden geslachtsomgang moesten aanraden vóór en
buiten hot huwelijk; nog vaker hoort men in gesprekken
deze bewering uiten op gezag van doctoren van naam.
Wanneer in een afzonderlijk gesprek geuite woorden
door steeds meer personen worden herhaald, dan valt het
moeilijk ze te bevestigen of te weerleggen ; daarenboven is
misverstand mogelijk. Zoo heb ik b. v. eens door een patiënt
hooren vertellen, dat een beroemd dokter in Stockholm hem
buiten-echtelijke geslachtsgemeenschap had aanbevolen. Wijl
ik den dokter zeer speciaal kende, kon ik niet anders denken
dan dat mijn patiënt mot of zonder opzet den dokter ver-
keerd had begrepen. Ook mag men het geen doktersraad noe-
men wanneer de een of andere lichtzinnige medicinao stu-
diosus zijne kameraden tot een los leven zoekt te verleiden
door het argument dat geslachtsgemeenschap goed is voor de
gezondheid.
Ik heb reeds eenigc verklaringen van de beste vertegen-
woordigers mijner speciale wetenschap aangehaald en ik kon
hiermee tot in het oneindige voortgaan, doch dit zou u allicht
beginnen te vervelen. Ik wil enkel nog meededen dat ik een
groot deel dor wetenschappelijke lectuur over dit punt heb
bestudeerd, maar nergens eene directe aansporing van den
een of anderen geneesheer heb gelezen tot onwettigen ge-
slachtsomgang, behalve de volgende passage uit een artikel
over onanie (zelfbevlekking):
„Bij vele jongelieden houden de onanistische gewoonten op
zoodra zij intiemcn omgang krijgen met eene vrouw. - —
Zonder beslist in al die gevallen den coïtus aan te raden, zal
1) Aangeh. werk, W. 67.
-ocr page 73-
59
men dezen misschien moeten aanraden, in gevallen waarin
het geldt een jongmensch te ontrukken aan een kwaad dat
hem de eenzaamheid doet zoeken en dat zich meer en meer
van hem meester maakt. Doch de meesten vinden zeer goed
uit zich zelf dit geneesmiddel; slechts zelden komt het voor
dat men het moet aanbevelen." \')
Hoe ik over deze speciale vraag, de wijze van behandeling
denk, zal ik later meededen; nu wil ik aan het bovenstaande
nog toevoegen dat ik uit do tweede hand door Niemeyer
heb gehoord, dat er werken bestaan van schrijvers, wier
namen hij evenwel niet noemt, die zwakke en onrustige
jonge mannen aanmoedigen om zich door liederlijke vrouwen
in hunne sexueele functies te laten onderrichten.
Verder heb ik in geen enkel medisch werk iets soortgelijks
gevonden, maar wèl krachtige betoogen van tegenovergestelden
aard. Ik veroorloof mij nog eenmaal Acton te citeeren;
„Afgescheiden van zedelijke gronden ben ik volkomen over-
tuigd dat een dokter op geen physiologischen of anderen grond
gerechtigd is om een promiscueusen of systematischen omgang
met vrouwen aan te raden." 2)
Hij voegt er bij „dat professor Neicman, emeritus aan het
University College, die den doctoren in eene pas uitgegeven
brochure verwijt, dat zij de ontucht aanbevelen, uit onware
en onwetenschappelijke boeken zijne beschuldiging heeft
geput, — eene beschuldiging waartegen ik op hot krachtigst,
protesteer." "•) Verder vestigt hij de aandacht op hot onbe-
schaamde spel dat in Londen door de kwakzalvers wordt
gedreven, op hunne schadelijke voorschriften en hunne geld-
afpersingen.
Lioncl S. Beaïe deelt het volgende mee:
De bisschop van Truro verklaarde in de Stifts-vcrgadering
van Truro: „Ik zou voorbeeld op voorbeeld kunnen noemen
1)    Nouveau Dicllonnairo do módicino et do chirurgie. Tomo XXIV, p. 49-i.
2)    Handb. der spec- Pathologie und Therapie. 7te Au(l. hl. 107.
3)   Aangeh. work. hl. 33.
-ocr page 74-
60
waarin een dokter een jongmensch heeft aangemoedigd om
te zondigen — schande over hem! teneinde zijne gezondheid
te bewaren." Het is bedroevend dat mannen van eeno positie
als de bisschop van Truro zich zulke krenkende oordeelvel-
lingen durven veroorloven — „voorbeeld op voorbeeld I" Is
het geoorloofd te vragen: hoe vele ? Gedurende vijfendertig
jaar, waarin ik bijzonder goed in de gelegenheid was om
met zulke „voorbeelden" bekend te worden, heb ik er mis-
schien twee of drie ontmoet; maar niet éen van zulk een
duidelijken aard dat ik mij gerechtigd zou geacht hebben om
aan den dokter te schrijven of te zeggen: „Daar u N. N. hebt
aangemoedigd eene onzedelijkheid te begaan, zult gij wel zoo
goed willen zijn mij de gronden mede te deelen waarop gij
zulk eeno raadgeving kunt verantwoorden ?" De medische stand
is heel dikwijls op bedekte wijze valschelijk van zulke en
andere schaamtelooze dingen beticht.
Misschien zal de een of ander mij tegenwerpen dat ik
geen genoeg aandacht heb geschonken aan een werk, getiteld:
„Samhallslarans grunddrag" \') (De elementen der sociale
wetenschap), dat door een dokter heet geschreven te zijn. Ik
neem de gelegenheid hier te baat om te verklaren dat ik het
boek zeer goed ken, maar dati ik zelden eene rijker verzame-
ling van fouten en valschc/ opgaven onder de oogen heb
gehad. Ik laat de moraal /van het boek geheel en al onbe-
sproken, ik zal mij, als ik straks eenige van de opgaven ga
weerleggen, uitsluitend tot het medische gedeelte bepalen;
indien men dat boek critiscl: wilde doorloopen en alle fouten
aanteekenen, zou men eene angere lijst krijgen dan deze mijne
voorlezingen in druk beslaan.
Een deel der fouten moet ongetwijfeld hieraan worden
toegeschreven dat het oorspronkelijk is geschreven in 1854,
en dat bij de volgende uitgaven niet behoorlijk rekening is
gehouden met de vorderingen die de medische wetenschap sedert
dien tijd heeft gemaakt; sommige opgaven van feiten in het
1) „Saiuhallslarans Grunddrag", m. m. 2a uppl. Stockholm 1880.
-ocr page 75-
61
boek zijn altegader lichtzinnige gevolgtrekkingen. Voor het
overige veroorloof ik mij tusschen twee haakjes eene opmer-
king. De schrijver is anoniem en hij verdedigt zijn anonie-
miteit op grond dat hij door het noemen van zijnen naam
een bloedverwant diep zou bedroeven. Het is den schrijver
zelfs gelukt een anoniemen vertaler te vinden, ja ook een
eveneens onbekend persoon, die verklaart de Zweedsche uit-
gave te hebben gelezen en de vertaling, voor zoo verre hij
er over kan oordeelen, voortreffelijk bevonden te hebben.
Toch heeft de onbekende criticus vooral in het medisch ge-
deelte vele verbeteringen aangebracht.
Er zijn echter zoo vele noodzakelijke verbeteringen ongedaan
gebleven, dat het werk, als geheel genomen, kan beschouwd
worden als een voorbeeld van onvertrouwbaarheid. Nog een
enkel woord: het is een feit dat de geschiedenis der letter-
kunde uitstekende werken aanwijst waarvan de schrijvers
bij hunne tijdgenooten niet bekend waren en het bij het na-
geslacht niet zijn geworden, Waar anoniem uitgegeven weten-
schappelijke werken zijn mij Wet bekend.
De anonieme personen diellrier als wetenschappelijke leer-
aren on sociale hervormers «ptreden, hebben geen recht om
vertrouwd en geloofd te worden. Eene courant met „gekochte
verantwoordelijkheid" is achtenswaardiger dan de pas genoemde
in het donker sluipende personen; de redacteur van eene
courant blijft op den duur niet onbekend en het publiek stelt
hem in dat geval zedelijk verantwoordelijk voor hetgeen hij
schrijft en opneemt in zijn blad.
Nu ik een overzicht heb gegeven van de positie, die de
medische literatuur tegenover de vraag „onthouding of niet ?"
inneemt, zij het mij veroorloofd nog eene tegenwerping te
maken ten opzichte van Styrbjöm Starke. Hij meent, dat — wijl
de mecningen der doctoren uiteenloopen — „het beantwoorden
-ocr page 76-
n-2
der vraag aan do toekomst moest worden overgelaten, die
haar misschien kan beantwoorden." \')
Ik meen bewezen te hebben, dat de werkelijke doctoren
het over dit punt vrij wel eens zijn, en dat men bijgevolg
niet op eene toekomstige beantwoording behoeft te wachten.
Ik ken trouwens, met uitzondering van de grondstellingen
der wiskunde en logica, geene enkele leer, die door iedereen
als juist word beschouwd. In do medische wereld bestaat de
homceopathie naast de wetenschappelijke geneeskunst, en soms
gebeurt het dat medisch ontwikkelde personen opkomen tegen
de vaccinatie, enz. Maar niettegenstaande dat alles, vind ik
toch dat de wetenschap hare positie heeft ingenomen, on dat
het publiek duidelijk kan weten waar zij gevonden wordt.
Zonder het maatschappelijk succes aan te hangen, meen ik
toch dat men reden heeft zich te scharen aan die zijde waar
men in deze zaak de knapste mannen van den tegenwoor-
digen zoowel als van den verleden tijd vindt, niet bij de
tegenovergestelde, waar eene kleine groep stand houdt die
zich door excentriciteit, gebrek aan kennis en vijandschap tegen
de cultuur, kenmerkt.
In het zooeven besproken werk wordt eene hcele groep van
nieuwe kwalen en ziekten genoemd, aan welke men den naam
gegeven heeft: ziekten door onthouding, een naam die in do
medische wereld geheel onbekend is. Wat de mannen betreft,
zouden deze ziekten bestaan in een verzwakt voortplantings-
vermogen, zaadvloeiing en hypochondrie; voor vrouwen in
hysterie, bleekzucht en storingen in de menstruatie.
Vele moderne schrijvers zijn, in overeenstemming met dat
boek, van gevoelen, dat de vrouw behoort ontheven te worden
van den druk die haar verhindert even ongegeneerd te genieten
van buiten-cchtelijk geslachtsgenot. Kordau wil haar „heur
natuurlijk aandeel in het menschelijk liefdeleven toedeelen";
Georg Brandes heeft zich ook de zaak der arme ongehuwde
vrouw aangetrokken en verklaart, dat „het ascetisme, het-
1) Aangeb. werk, blz. 20.
-ocr page 77-
03
welk tegenwoordig door het grootste gedeelte der ongehuwde
vrouwen in de hoogere standen wordt beoefend, een ongeluk
is, een tegennatuurlijk iets, een offer dat menigeen brengt
aan een onzinnig vooroordeel." \')
Op eene andere plaats zegt dezelfde schrijver:
„Worden geestelijke voorrechten soms te duur gekocht door
een offer van reinheid en onschuld, zoo kan de werkelijke
reinheid, niet minder dan de bloot schijnbare, ook duur
worden gekocht wanneer zij een smartelijk gevoel van gemis
en al de bekrompenheid der onvruchtbaarheid en der onder-
drukte begeerten meebrengt."
Het is zeer belangwekkend op te merken dat Brandes,
wanneer hij de ongelukkige gevolgen van het celibaat dei-
vrouwen schildert, steeds spreekt over het schrijnend gevoel
van gemis en de onvrijzinnigheid die de ongehuwde vrouw
kenmerkt.
Nu zou men kunnen vragen of het zulk een groot ongeluk
is dat de vrouw, om dit te ontgaan, moet opofferen — niet
hare gemoedsrust en maatschappelijke positie, want zulke
begrippen hebben geene waarde in de oogen van den schrijver —
maar haar veilig, bijna eenzaam bestaan, hare kalmte en
rust. Eene vrouw die hare gunst schenkt aan een vluchtig
haar het hof makenden sultan, wint zelfs in eene goede
economische positie geen enkele van de physieke en psychische
voorrechten der gehuwde vrouw.
Het is voor mij het natuurlijkst, van al die ingebeelde
kwalen, de zoogenaamde ziekten door onthouding ter nadere
behandeling te kiezen. Wat de voor de mannen eigen-
aardige vormen betreft: verzwakt voortplantingsvermogen,
zaadvloeiing en hypochondrie — wel, deze komen zelden of
nooit voor als gevolgen van onthouding, maar worden integen-
deel veroorzaakt door tegennatuurlijke ondeugden en erflijke
dispositie. In mijne laatste lezing zal ik daarop terugkomen.
Wat de ziekten der vrouwen aangaat, die uit soortgelijke
1) Tilskuercn II, bl 22.
-ocr page 78-
64
oorzaken zouden voortvloeien, kan ik het oordeel inroepen
van beroemde wetenschappelijke mannen; dit is misschien
beter dan wanneer ik spreek uit eigen naam.
Krafft-Ebing zegt over de hysterie:
„De in de niet medisch ontwikkelde kringen bestaande
opvatting, dat deze ziekte zou ontstaan omdat de vrouw niet
kan voldoen aan hare natuurlijke functies, is een geheel
ongerechtvaardigd vooroordeel. Als oudejongejuffrouwen dik-
wijls hysterisch zijn, bestaat daarvoor geene physieke, maar
wel eene zedelijke reden. De ongehuwde vrouwen, die ernstige,
ziel en gemoed innemende bezigheden hebben, b. v. liefdezusters
en opvoedsters, worden hoogst zelden hysterisch." \')
En op eene andere (plaats:
„Het getuigt van een bedroevend gebrek aan hygiënische
beschaving, dat zelfs nu en dan doctoren in het huwelijk een
geneesmiddel tegen zenuwziekten, en in het bijzonder tegen
hysterie zien, en (hunnen patiënten zulk een stap aan-
raden." 2)
                1
De Amerikaanschel neuroloog Hammond laat zich als volgt
over dit punt uit: J
„Naar mijne meening is de grootere aanleg voor hysterie
van do ongehuwde vrouwen niet te zoeken in onbevredigde
geslachtsdrift of in werkeloosheid der voortplantingsorganen,
maar eerder in het gemis van een levensdoel, in het steeds
denken aan en acht geven op zich zelve, dat onafscheidelijk
aan de tegenwoordige positie der ongehuwde vrouw is ver-
bonden. De ongehuwde vrouwen die zich zelve door de wereld
helpen, zijn naar mijne ervaring niet meer onderhevig aan
hysterie dan de gehuwde vrouwen." 3)
In een speciaal over hysterie handelend werk verklaart
professor Jolly het volgende: \'
1)   Ucbor gesimde und kranke Nerven, 1)1.123.
2)   Aangeh. work, 1)1 80.
3)   A troatisc on tho diseases of the norvous systom, 7th Ed. London 1882
bl. 759.
/
-ocr page 79-
65
„Scanzoni vond dat van een groot aantal hysterische
patiënten 75 pet. kinderen hadden gehad en 65 pet. zelfs
meer dan drie. Dat de ziekte een „virginum et tnduarumaffectio"
zou zijn, wordt daardoor weerlegd. Sexueele onthouding kan
eene enkele maal bij jonge vrouwen de oorzaak van hysterie
zijn, evenals bij vrouwen met impotente mannen, maar veel
vaker dan sexueele onthouding is sexueele overprikkeling de
oorzaak dezer ziekte." \')
Slaan wij nu een blik op de bleekzucht, dan leert de
wetenschap en de dagelijksche ervaring ons, dat zij aangeboren
kan zijn, en verder, dat zij bij beide geslachten en op alle
leeftijden voorkomt, zoodat het verband dezer ziekte met de
functies der genitaliën zeer twijfelachtig wordt; en tevens dat
zij, in het tegenwoordige cultuurleven, ontelbare oorzaken heeft.
Stoornissen in de menstruatie komen zoowel bij gehuwde
als ongehuwde vrouwen voor; zeer dikwijls staan deze in
verband met bloedarmoede of met ziekelijke veranderingen
der baarmoeder, die niet afhankelijk zijn van hare natuur-
lijke functie of rust; zij staan met sterkere of zwakkere
geslachtsdrift of onthouding in geenerlei verband.
Ik wil door alles wat ik zooeven heb gezegd het feit niet
ontkennen, dat eene vrouw, die met een gezonden en sexueel
krachtigen man is gehuwd, betere gezondheid kan genieten
dan zij als meisje had, beter ook dan ongehuwde vrouwen
van haren leeftijd; evenmin, dat de statistiek ons leert dat
er minder gehuwde dan ongehuwde vrouwen sterven, maar
hieruit volgt nog geenszins dat er ziekten zijn die door onthou-
ding ontstaan, of dat de lichamelijke en geestelijke toestand
der vrouw zou verbeteren, indien zij in een Nordau\'sche of
Brandes\'sche maatschappij naar aandeel kreeg in het liefde-
leven der menschheid en bevrijd werd van het ascetisme.
Doch keeren wij tot de mannen terug. Bestaan er voor
den ongehuwden, geslachtsrijpen man geen nadeelen? Ja,
1) Handbuch der spec. Pathologie und Therapie, herausgcg. v. H. v. Ziemsen.
XII. 2 Aufl. Leipzig 1877, bl. 533 en vlgd.
5
-ocr page 80-
die bestaan zeer zeker. Ik wil hier wederom Acton aan het
woord laten:
„Er heerscht op dit punt een bijna oneindig verschil van
meeningen, waarvan de uitersten zijn dat een jongmensch geen
geslachtsverlangen kan hebben — ten minste niet in een
lastigen graad — en dat hij dus geen voorzichtigheidsmaat-
regelen behoeft te nemen of tegen het opwekken van geslachts-
drift gewaarschuwd behoeft te worden; en de leer dat de
bezwaren aan de kuischheid verbonden zoo groot zijn dat zij
onkuischheid rechtvaardigen of althans verontschuldigen.
Mijn idee is, dat wanneer er zorg is gedragen voor de
opvoeding van den jongen man, en zijne ziel niet vernederd
is door onnatuurlijke gewoonten, het dan in den regel
eene betrekkelijk gemakkelijke zaak is om kuisch te zijn, dat
daarvoor geene groote of buitengewone inspanning noodig is,
en dat met elk jaar van vrijwillig opgelegde kuischheid het
hem door gewoonte gemakkelijker zal vallen hieraan trouw
te blijven.
Toch kan het moeilijk worden ontkend dat een zeer aan-
zienlijk getal van de meer of minder reinen somwijlen niet
geringen last ondervinden.-------_______ __
De ten deele zich onthoudende mannen, de mannen die
den beteren weg zien en toejuichen, maar den sleahteren
somwijlen volgen, — de mannen die de koelbloedigheid van
den verstokten sensualist en de sterkte van den nauwgezet
kuischen man missen, verduren én de kwelling van zelfverlooche-
ning én het berouw over hunnen val.
De feiten die de waarheid van het bovenstaande bewijzen
zijn talloos, en kunnen zoowel op de jeugd toegepast worden,
over wie ik nu in het bijzonder spreek, als op bejaarde
mannen.
Het komt dagelijks voor patiënten te hooren klagen dat
onthouding na verloop van zekeren tijd een prikkelbaren
toestand van het zenuwgestel veroorzaakt, dat zij onbekwaam
zijn hunne gedachten bij iets te bepalen ; studeeren is onmoge-
-ocr page 81-
67
lijk, de student kan niet stil blijven zitten; bezigheden waarbij
dit wordt vereischt zijn onverdraaglijk, en de gedachtengang
van den patiënt wordt telkens door voorstellingen van sexueelen
aard onderbroken.
Als ik naar zulk een klacht luister, weet ik in den regel
wat er volgen zal: eene bekentenis die tevens het symptoom
verklaart. Ik ben er natuurlijk op voorbereid te hooren dat
het zelfgekozen middel zeer goed heeft geholpen, dat geslachts-
omgang den student in staat heeft gesteld zijne studies te
hervatten; de dichter kan weer dichten; de verflauwende
phantasie van den schilder heeft hare kracht en gloed her-
nomen, terwijl de schrijver die gedurende vele dagen onbe-
kwaam was om twee zinnen te schrijven, na het voldoen
aan den lust, tot alle werkzaamheid in staat was.
Bij zulk soort van individu\'s brengt onthouding zeer zeker
den prikkelbaren toestand mee. Toch mag geen enkel zoodanig
symptoom, hoe levendig ook geschilderd, een dokter er toe
verleiden om zelfs schijnbaar het voortdurend gebruik maken
van het schadelijke middel, dat de ziekte slechts bestendigt,
goed te keuren.
Met den meesten ernst protesteer ik er tegen dat een dok-
ter zulk een middel behoort toe te passen. Het is voor een
jongeling beter een onthoudend leven te leiden.
De volstrekt onthouders hebben weinig of in het geheel
niet van die prikkelbaarheid te lijden, terwijl het zeker is
dat de onkuische op de eene of andere bovengenoemde wijze
stoornis zal ondervinden, zoodra eriilethora seminalis (zaadvolte)
intreedt, en dat de bevrediging der lusten, in plaats van een
werkzaam geneesmiddel te zijn, herhaling eischt zoodra de
bezwaren zich weer voordoen. — — — — —— — — —
De waarheid is, dat vele lieden, in het bijzonder jonge
lieden, dikwijls maar al te blij zijn in het vinden eener
verontschuldiging voor het toegeven aan hunne zinnelijke
driften, in plaats dat zij deze trachten te regelen en te be-
heerschen.
-ocr page 82-
68
Het is bij mij aan geen twijfel onderhevig, of dit sexu-
eele lijden wordt zeer overdreven, zoo niet voorgewend om een
zeker doel. \') — — — — — — — — — — — — — — _
Wanneer een jongmensch zich het zwaarste sexueele lijden
op don hals wenschtc te halen, zou hij geene betere methode
kunnen aannemen dan onkuisch te worden, met het plan zich
weer te onthouden, zoodra hij „zijn wilde haver" had gezaaid.
De moeite om te breken met eene gewoonte, die zoo spoedig
zich op het innigst verbindt met eiken vezel van het men-
schelijk lichaam, is zóó groot, dat het onze roeping kan zijn
zulk een jongeling, die de eerste schrede wil zetten op het
pad der ondeugd, toe te roepen: „Gij slaat een weg in, waarvan
gij nimmer zult terugkeeren."s)
De zuiver physieke bezwaren, die de onthouding zoowel
bij den jongeling als bij de volwassene, gehuwde mannen en
weduwnaars meebrengt, uiten zich bij gezonde individu\'s
enkel door een gevoel van volblocdigheid, spanning, druk in
de organen van het onderlijf, zoowel als in andere lichaams-
deelen; zij zouden niet zoo lastig wezen, indien de gevoelens,
vooral bij de eerstgenoemden, niet zoo dikwijls tot een onna-
tuurlijkcn graad werden verhit door boeken, beelden, phan-
tasieön, enz. Ik heb, sedert ik openlijk mij met dit onder-
werp ben gaan bezighouden, verklaringen gehoord van naar
lichaam en ziel gezonde studenten, en zij hebben mij gezegd
dat ik nog niet sterk genoeg de klem had gelegd op de
1) Het kan belangwekkend zün tegenovor deze verklaring van de medische züde
die van af Geyerstam te plaatsen: „Weet gij dat de man die zijn loven wijdt aan het
vervullen van dien eisen, ternauwernood in staat is nog iets anders te verrichten?
Zjjne kracht wordt verbruikt in die kolossale zelfplagerij, en zijno bosto jaren gaan
voorby in een pijnlijken strijd, over welks verlammende]}, om niet te zeggen
vernietigonden invloed alleen hü kan meespreken dio zelf eenigc maanden hom
heeft ondergaan. — — —------_______------_____------__
En wanneer men dan daarenboven weet, welke gevaarlijke govolgen do zoo
geprezen reinheid kan meebrengen, behoorde men zich waarlijk wel tweemalen to
bedenken, voor ; men zich tot rechter in dozo quaestie opwerpt." (Stridsfragor
bldz. 53. 54.)
2i Aangehaald werk lil. 17 on volg
-ocr page 83-
69
gcmakkclijkheid, waarmee de zinnelijke begeerten konden
worden beheerscht en overwonnen.
Ik heb in mijn twintigjarigen doktcrsloopbaan velen, vooral
zeer vele jongelingen uit do meest verschillende standen, ten
opzichte van geslachtsvragen geleid en bij ziekte behandeld;
daaronder waren er van wijd uiteenloopende beschouwingen
wat moraal en godsdienst betrof, mannen met en zonder een
schuldeloos verleden; maar nog nooit heb ik er een aange-
troffen die, vooropgesteld dat de wil aanwezig was, zelfbe-
heersching onmogelijk vond.
Ik heb gezegd dat de geslachtsdrift wordt geprikkeld door
boeken; dit is werkelijk in hoogen graad het geval.
Voor ik mijne eigene ervaring in dit opzicht schilder, zal
ik het woord geven aan een Franschman, maar ik verzoek
u, er wel op te letten dat hij geen clericaal of een streng
moralist eener andere school is. Zijn naam is Charles Mauriac,
syphilidoloog
en schrijver van een artikel waaruit ik reeds den
raad aan onanisten heb aangehaald om te trachten door ille-
gitiemen geslachtsomgang herstel te vinden. Hij zegt:
„Gedurende de achttiende eeuw werden de gemoederen meer
dan door iets anders beziggehouden door de gedachte aan de
f liefde, vooral in haar physiek karakter. Men had den moed
alles te denken niet alleen, maar ook uit te spreken onder
»*fc allerlei vormen."
Dit was trouwens niets dan eene afspiegeling en de uitdruk-
king van een zedenbederf, grooter dan in eenig ander verleden
tijdperk.
Aan dat bederf, hetwelk zich in alle standen der samen-
leving verbreidde, had ongetwijfeld het temperament een
groot aandeel, alhoewel het minder geweldig, minder vcel-
eischend schijnt geweest te zijn dan in de 14do eeuw en in
den tijd der Romeinsche keizers.
Maar al waren de uitspattingen niet zoo brutaal of zoo
-ocr page 84-
70
vreemd, zij waren meer planmatig, om zoo te zeggen weten-
schappelijk. Men leefde niet tevergeefs in den tijd der
encyclopaedie en der nivelleering. De ondeugd gaf zich geen
moeite meer om zich te verbergen; zij toonde zich in het
volle licht als om zich te wreken over de huichelarij, waartoe
zij in de laatste jaren van Lodewijk XIV was gedoemd
geweest. Men heeft daarenboven gezegd, dat zij behoefte had
met zich zelve in het reine te komen en school te maken.
Karakteriseert dit niet? Behoort men niet aan de cynische
pedanterie — waarvan men zelfs bij de voornaamste auteurs
meer of minder sprekende trekken vindt — de opkomst toe
te schrijven van eene obscene literatuur, waarin de abnorma-
liteiten en dwalingen der zinnen werden beschreven, meege-
deeld met eene mengeling van krankzinnigheid en verstandelijke
methode, waarvan men tot dien tijd toe nog geen voorbeeld
had beleefd? Deze eigenaardige obsceniteiten die in Frankrijk
en het buitenland openlijk werden verspreid, waren in het
Fransen geschreven. Het was de meest verbreide taal en daar-
enboven de taal die er zich het best toe leende.
Deze geschriften overstroomden Europa en de geheele wereld.
Nu zijn er slechts enkele exemplaren meer van over. Voort-
brengselen van het zedenbederf, formuleerden zij dit in de
afkeurenswaardigste vormen en — men verspreidde deze met
den ijver van proselietenmakers.
De uitspattingen der achttiende eeuw gaven geboorte aan
eene medische en wetenschappelijke literatuur, die zich ten
doel stelde ze te bestrijden; het verkrijgen van de werken
werd zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt, een noodzakelijk
iets, zouden zij gelezen worden door de massa die behoefte
had aan verbetering. \')
Het komt mij voor dat wat ik over de Fransche literatuur
der 18de eeuw zei, in menig opzicht toepasselijk is op die
welke zich in do laatste kwarteeuw in ons land tracht baan
te breken. Wij willen hopen met minder succes.
1) Nouveau dictionnaire do módociuo ot do chirurgie. Torae XXIV, pago i94.
-ocr page 85-
71
Ik ben over mijn oordeel aangaande de moderne literatuur,
zoowel mondeling als schriftelijk, dikwijls hard gevallen. Heb
ik daarover slechts beknopt gesproken, nu wil ik het iets
uitvoeriger doen.
Het is mrj niet onbekend dat er in alle tijden werken
bestonden die de lusten der menigte prikkelden. Mijne tijdge-
nooten die hunne verbeelding wonschtcn te bezoedelen, lazen
als gymnasiasten en studenten: Boccacio, Casanova, Faublas,
Paul de Koek
e. a.
Tegenwoordig behoeft men de studeerende jongelingschap
niet meer tegen de producten dier heeren, die nu in de lees-
bibliotheken door de mindere standen worden gevraagd, te waar-
schuwen. De studeerende jongelingschap gaat met haren tijd
mee en houdt zich bij Zola, Strindberg, Krohg, Garborg en
anderen. Hoe gevaarlijk do eerstgenoemde literatuur ook was,
ik houd de laatste voor nog gevaarlijker, niet zoozeer om
haar zelfswil, maar omdat hunne aanhangers zich van een
groot deel der literaire critiek hebben meester gemaakt in
de periodieke pers, en hunne voortbrengselen en levensbe-
schouwingen daarin worden uitgebazuind als uitstekend en
navolgenswaard. Zoo iets gebeurde in mijne jeugd niet met
de eerstgenoemde werken. Integendeel, de pers meende over
hen een veroordeelend vonniste moeten vellen. Wanneer men
het waagt op te [komen tegen de schrijvers van onzen tijd,
dan wordt men allicht op zeer energieke wijze tegengesproken,
en die literatuur verdedigd. Vooral Gustaf af Geyerstam
neemt dien tak der letterkunde, welke de „zinnen" heeft gewekt,
in bescherming, „want „kennis, weten", is de eerste voor-
waarde tot vooruitgang, \'t zij dan dat er sprake is van zede-
lijkheid of van iets anders." \')
Oskar Levertin treedt zoo pas in de arena voor de mannen
van het Fransche modernisme on verklaart dat Zola\'s „Nana",
„La fllle Élise" van de Goncourts on Maupassant\'s „Bel-Ami"
groote literaire kunststukken zijn, trillend van vurig leven,
1) Hvad vill Loctor Personne bL 20
-ocr page 86-
72
bevend van levenswarmte, zoo volkomen op de hoogte van
artistiek meesterschap, dat geen lezer met eenig oordeel het
ooit in de hersenen zal komen om deze werken als strijdend
met de zedelijkheid te beschouwen. \')
Ik wil niet beweren dat één dier schrijvers zijne werken
schreef direct in het belang der ondeugd; maar zij leggen
zeer weinig menschenkennis aan den dag, wanneer zij niet
inzien dat die boeken de verleiders der jeugd worden. Ik vraag
met nadruk: in hoeverre Zola en zijne uitgevers hiervan
kunnen worden vrijgesproken, wanneer zij „Nana" geïllustreerd
uitgeven, en deze uitgave onder de jeugd verspreiden. •
Bij Levertin heet het verder, dat hij, die zich om Garborg\'s
„Ungdom" (jeugd) of Strindberg\'s Ett dockhem"(Een poppen-
huis) bekruist, of een pharizeër is, of — een zeer te beklagen
persoon. — — — ____________ _"
Ik beken ronduit dat deze beide werken mij stuiten, stuiten
vooral als onwaar.
Tot welk soort van menschen de heer Levertin mij nu zal
rekenen, laat mij volkomen koel. Dat deze beide schrijvers in den
laatsten tijd te ver zijn gegaan met de uitvoering van hun plan,
zoodat vele vroegere aanhangers hun afvallig zijn geworden, is
van algemeene bekendheid, ten minste wat Strindberg betreft.
Om Garborg goed te beoordeelen behoef ik slechts een
klein citaat van hem aan te halen:
„Donnerwetter, wat een meisje! Ik wil er om wedden niet
ver over de zjstien. Kon ik vat op haar krijgen dan zou ik
mij niet langer ergeren aan mij vriend Sullich — — — Hm,
als ik het eens met het meisje beproefde ? Ik zou de fabriek lastig
vallen om mijn salaris te verhoogen, want royaal moet men
wezen... Als Rasmus zich maar niet reeds op haar geabon-
neerd heeft. Dat varken doet zich zoo heilig voor; ik sta hem
geen duit. Nu, ik geloof dat ik het maar eens zal probeeren...
zestien jaar! Als \'t wat meeloopt kan zij nog maagd zijn!" *)
1)   1886 Eevy i literara och socialer fragor, bl 151.
2)   Ungdom, berattelser, üfvers. af G, af Goyerstam.
-ocr page 87-
73
Ik wil nog eenige woorden aanhalen van oen schrijver die
ook tot het zoogenaamde „jonge Zweden" behoort, en het
aangehaalde zal stellig iedereen in staat stellen om te oor-
deelen over den geest, die hem zijn werk heeft gedicteerd.
Ola Hansson schrijft onder anderen het volgende:
„Ik heb nu slechts nog één ding waarvoor ik belang-
stelling gevoel, het geslachtsleven te bestudeeren en te
genieten." \') — — — — _ _ _ _ — ______
„Ik heb die studie en dat genot gemaakt tot eene lekkere
kunst, en ik hob geen ander doel noch begeerte dan deze
kunst tot Yolmaaktheid te brengen. Ik leg haar op de ont-
leedtafel voor mij2) en dring vorschend met mijne gedachte
in haar door."-----______________
„Wat helpt het of wij beproeven ons leven als op te
bouwen, daar wij beheerscht worden door machten, die wij
niet kennen, en wij niets meer weten van ons inwendig
gevoelsleven dan de kiemen en knoppen, die nu zwellen en
om ons heen ontbotten, weten hoe hunne cellen worden
gevormd."
„En toen trouwde ik met haar zonder meer van haar te
houden dan van andere vrouwen, die mijnen weg hadden
gekruist, enkel omdat ik hare toegevendheid zoo aandoenlijk
vond, omdat ik medelijden met haar had en mijne jonggezellen-
avontuurtjes mij begonnen te vervelen." -- — — — — —
„Ik heb zeer dikwijls in betrekking gestaan tot vrouwen,
voor het meerendeel van „de gocdkoope soort"; een paar maal
uit werkelijke toegenegenheid; steeds was het doel hetzelfde
en het einde hetzelfde. Wanneer ik haar zoover had gebracht
als ik wilde, was de geschiedenis uit; — lust, eene brutale
handeling, verslapping, gewoonlijk walging, in de beste ge-
vallen een flauwe weemoed bij de herinnering, voila tout. *)
1)   Sensitiva amorosa. Helsiugborg 1887, W. 3.
2)   Genoomd werk blz l.
3)   Allemaal aanhalingen uit het straks gonoemde werk.
-ocr page 88-
74
Ik vind dat de heer Ola Hansson in bovenaangehaalde
regelen zoo goed en duidelijk over zich zelven heeft gesproken,
dat eene analyse of wederlegging mij noodeloos voorkomt. Ik
wijs er slechts op, dat het oude, psychologisch ware voor-
schrift: geene vrouw aan te zien om haar te begeeren, geheel
wordt geïgnoreerd, ja, dat hij het tegenovergestelde tot zijn
levensdoel maakt. Ik vraag aan ouders en voogden der jeugd,
of zulk een individu het recht mag hebben om zich vrij in
het leven te bewegen, en of hij niet ten bate van zich zelven
en de maatschappij behoorde opgesloten te worden in een
verbeterhuis.
Toen eens een Zweedsche courant werkelijk er geen
doekjes omwond en Sensitiva amorosa de haar toekomende
plaats aanwees, sprongen dadelijk de hulptroepen van den
schrijver te voorschijn, in de eerste plaats Georg Brandes,
die in hyperbolische woorden aan zijne bewondering voor
den schrijver lucht gaf, en voorts Stclla Kleve, die het werk
verklaart voor — „een boek, dat zoo innig is doorweven
van die bijna ascetische schaduw — ik zou willen zeggen:
aetherisch schoonc opvatting van het hoogste wezen der
liefde." \')--------------------------------------------------------------
In eene reclame-annonce voorkomende in het Stockholmsch
Dagblad
kan men zelfs een uittreksel lezen uit een artikel
der Neue freie Presse, waarin onder anderen wordt gezegd,
dat de grondtoon van het boek onthouding, eene kuischheid
van bijna ziekelijke gevoeligheid, leeraart.
Nu zou men kunnen zeggen dat niemand die eenig oordeel
bezit, zich door dergelijke pogingen om do menschen te mis-
leiden, van den weg laat brengen; maar de onervaren jeugd
weet in den beginne niet waaraan zij zich te houden heeft
en wordt later gemakkelijk een prooi der verleiders.
1) Skanska Aftonbladot, 21 Dec. 1887.
-ocr page 89-
7--)
Wel hoort men nu en dan beweren dat de literatuur
weinig of geen invloed uitoefent, dat niet zij de zeden schept,
maar de zeden de boeken \'), doch die dit meenen onderschatten
de beteekenis van een der machtigste werktuigen tot goed en
kwaad in de wereld.
Ieder ervaren geneesheer kent maar al te wel den invloed
dien de literatuur, juist in betrekking tot het punt dat ik
behandel, bezit; op grond van eigen ervaring kan ik mee-
deden dat elk opzienbarend boek van de soort als b. v.:
„Samhallslarans grunddrag", of „Giftas", den dokter het bezoek
van een grooter of kleiner aantal jonge mannen verschaft,
die hem ongeveer de volgende bekentenis doen:
„Dokter, ik heb tot hiertoe een onthoudend leven geleid",
of, „ik heb gedurende geruimen tijd uwen raad opgevolgd en
mij van sexueelen omgang onthouden, doch nu heb ik gelezen
dat het zeer schadelijk is voor de gezondheid, en wanneer ik
nauwkeurig acht geef op mij zelf, dan voel ik, enz. enz." —
In zulke gevallen moeten dokter en patiënt dikwijls weer
van voren af aan den langen, vermoeienden weg van over-
reding afleggen, wat geheel overbodig zou geweest zijn, indien
zulk een boek niet eerst geprikkeld en tot recidive aanleiding
had gegeven.
Beale teekent den invloed der letterkunde in de volgende
woorden:
„Van al het kwade waartegen het goede in zijn strijd om
terrein te winnen, te kampen heeft, is zij «de onzedelijke lite-
ratuur) het grootst en het moeilijkst om uit te roeien. Er
bestaat geene maatschappelijke klasse, geen beroep, geen
bedrijf wier leden niet in den een of anderen vorm overstroomd
worden door het kwaad, dat uitgaat van de drukpers. Zelfs
de jeugd wordt niet verschoond. Het is maar al te duidelijk
dat een slecht boek het geduldige en zorgvuldige werk van
vele rechtgeaarde menschen kan teniet doen. 2)
1) Geyerstam: Hvad vill Lector Personne? bl. 21.
) Aangeh. werk, bl. 84.
-ocr page 90-
76
Dezelfde schrijver doet het voorstel om do literatuur uit
een oogpunt van zedelijkheid te laten onderzoeken door een
comité van een half dozijn personen, zooals ook een too-
neelstuk nagezien en ingeval van onzedelijkheid verboden wordt.\')
Inmiddels schijnt de schrijver zelf niet aan de mogelijkheid
van zulk eene instelling te gelooven, en daarin heeft hij, wat
de tegenwoordige maatschappij betreft, volkomen gelijk. Des
te beter kan men instemmen met hetgeen hij laat volgen:
„dezen overstroomenden, gevaarlijken vloed af te leiden door
directe inspanning is, naar wij vreezen, even onmogelijk als
de zee te dammen of het eeuwig voortschrijden der gletschers
te verhinderen. Het is te vreezen, dat de eenige weg om het
kwaad te stuiten bestaat in het langzame proces: tot een
tegenovergestelden smaak op te wekken. Op die wijze kan
de vraag naar verleidende, demoraliseerende literatuur worden
verminderd, en wanneer zij geen debiet meer hebben, zal
het voor zulk soort van schrijvers en uitgevers niet de
moeite meer loonen de wereld te besmetten. Om op de hulp te
hopen van de kerk, de wet, den staat, schijnt tevergeefs.
De regecring is feitelijk machteloos. De smaken moeten
bevredigd worden, zoolang deze niet veranderen moet men
aan hunne begeerten voldoen." 2)
Niemand moet echter gelooven dat hij, die ijvert voor
sexueele hygiëne en moraal, zich bepaalt tot een aanval op
de tegenwoordige literatuur. Hij weet maar al te goed, dat
er nog andere middelen tot verleiding bestaan, b. v. de dub-
belzinnige operettes, de geheele café-chantantwereld, enz.
Tegen haar zijn wel dikwijls stemmen opgegaan, maar zij
zh\'n overstemd door de bh\'valsbetuigingen van hare begun-
stigers ; de periodieke pers schijnt wat die soort van dingen
betreft gecapi tulcerd te hebben en geleerd haar te beschouwen
als een gerechtvaardigd of ten minste als een onvermijdelijk
bestanddeel van het leven eencr groote stad.
1)   Aangeh werk, bl. 87.
2)   Aangeh. werk, bl. 85.
-ocr page 91-
77
Hij die er tegen ijvert wordt aangezien voor een pharizeër
of voor een zwartgalligen rigorist (strengen zedenleeraar).
Indien de heer Gustaf af Gcycrstam en consorten met ons
gemeene zaak wilden maken om deze schandel ij kneden uit
te roeien, zouden zij daarvoor onzen oprechten dank verwerven. \')
Wij behooren hier ook te wijzen op de, de zinnelijkheid prikke-
lende beelden. Ik kan u verzekeren dat het op een geneesheer
een droevigen indruk maakt, wanneer hij bij een bezoek op
een studentenkamer of die van een andoren jongeling de wan-
den en de schrijftafel bedekt vindt met meer of minder naakte
vrouwenbeelden. Ik spreek niet van werken als de „Vonus"
van Milo, Hasselberg\'s „Sneeuwdrop", maar ik heb het oog
op photographieën van mademoiselle X en Y, kunst-rijderessen
of café-chantantzangeressen, gekleed en ongekleed, in do ongc-
loofelijkste houdingen. Denkt men daarbij aan alle andere
obscene beelden die in sigarenkokers, berloques, stokken en
op duizenderlei andere manieren worden binnengesmokkeld,
of openlijk in de couranten worden geadverteerd, enz., dan
vindt men dat het kwaad langs verschillende wegen voort-
woekert. Ik kan mij nooit genoeg verbazen dat menschen
hun geld voor zulke prullen willen opofferen, die toch ten
slotte niets anders vertoonen dan naakte vrouwen, een aan-
blik dien men zich in elke anatomie-zaal kan verschaffen.
"Wij stappen nu van de literatuur en de beeldende kunst
af, om onze aandacht te vestigen op eene andere gewichtige
oorzaak tot verleiding en val — de vergiftiging door alcohol.
Deze heeft groote, een zeer groote schuld aan de slavernij
der jeugd onder illegitiemen geslachtsomgang. Ik kan niet met
cijfers aantoonen welk een aandeel in soortgelijke gevallen
haar moet toegemeten worden, maar zeker is het dat men
steeds als antwoord op zijne vragen het stereotiepe antwoord
1) VergeL Ilvad vill Loctor Porsonno? bl. 30.
-ocr page 92-
78
krijgt: „Ik was natuurlijk dronken." In een roes gewent men
zich aan verhoudingen waartegen men zich anders zou hebben
verzet, en wanneer de ingevingen der traditie en schuchter-
heid zijn overwonnen, bedrijft men het kwaad als uit gewoonte
en tracht men zich zei ven diets te maken, dat het eene be-
hoefte is. De gevallen waarin de jongeling zich in koelen
bloede, met onbenevclde hersenen, en het bepaalde voornemen,
in de armen der prostitutie wierp, zijn weinig talrijk in ver-
gelijking van de keeren dat dit gebeurt in een roes.
Een Engelsch militair dokter heeft door cijfers aangetoond
dat geslachtsziekten veel zeldzamer zijn bij hen die volstrekt
geen gebruik maken van sterken drank dan onder de overige
manschappen. \')
Ik heb in het bovenstaande vele getuigen en voorbeelden
aangehaald van de mogelijkheid der onthouding, en van haar
werkelijk bestaan niet alleen bij ongehuwde mannen, maar
ook bij gehuwden, die het als hunnen plicht beschouwden
hunnen vrouwen een rusttijd te schenken. Ik kan in dit
verband, heel gemakkelijk overgaan tot het bespreken der
verhouding in den verlovingstijd en haar uit een hygiënisch
oogpunt beschouwen. Over verlovingen is reeds zooveel voor
en tegen gezegd dat het onderwerp uitgeput zou zijn, ingeval
mijn gezichtspunt gewoon ware, maar dit is niet het geval.
Laat mij eerst zeggen, dat de verloving zooals zij onder de
Germaansche volken in den regel bestaat, de bewondering
heeft gewekt van Eomeinsche moralisten, en dat zij van
oneindig groote beteekenis is voor het huwelijksgeluk. Waar
zij werd opgevat als eene formeele huwelijksbelofte of als een
wederzijdsche proeftijd, heeft zij zeer veel goeds uitgewerkt.
In betrekking tot de sexueel hygiënische zijde van het
1) Parkes. A manual of practical hygiëne. Ed. by F. De Chaumont. London
1878, pago 502
-ocr page 93-
79
huwelijk moet ik er nu op wijzen dat wanneer een jonge-
ling die niet door en door cynisch is, zich voor de eerste
maal aan een meisje hecht, haar vraagt, en zich met haar
verlooft, het sexueele in den beginne geheel uitgesloten blijft.
Later, wanneer de verloving een tijd heeft geduurd en hij de
voorrechten geniet die onze zeden schenken aan den verloofde,
en er hoop bestaat dat hij eerlang met het meisje zijner keuze
zal worden vereenigd, worden er bij den man voorstellingen
gewekt van het bruidsbed en het genot dat hem daar wacht.
Daar valt niets dan goeds van te zeggen.
Het gevoelsleven van het meisje beweegt zich niet in
dezelfde richting, maar zij gewent zich aan de persoonlijke
nabijheid en de intieme rechten van haren bruidegom, zoodat
hij, wanneer het huwelijk is gesloten, haar niet voorkomt
als een vreemde man, die met geweld haar lichaam in bezit
wil nemen.
Dat dit laatste gevoel zeer dikwijls ongeluk in het huwelijk
veroorzaakt, wordt op duizenderlei manieren door de Fransche
moralisten en romanschrijvers geschilderd.
De voordeelen die dus uit eene verloving voortvloeien,
kunnen niet genoeg worden gewaardeerd, maar — zij moet
niet te lang duren. Eene bepaalde grens te stellen, uitgere-
kend in maanden en jaren, is natuurlijk onmogelijk; deze ver-
houdingen wisselen naarmate er personen zijn en hangen
saam met leeftijd, aard, ontwikkeling, bezigheden, of zij in
elkaars onmiddellijke nabijheid wonen of niet, enz., enz. Over
het geheel kan men evenwel zeggen dat verlovingen, die vier
of vijf jaren duren, niet goed of raadzaam zijn.
Onder zekere omstandigheden kunnen geheime verlovingen
voor de verloofden nuttig wezen. Ik bedoel hiermee zulke, met
toestemming der ouders gemaakte afspraken, dat twee jonge-
lieden na verloop van een proeftijd officieel verloofd zullen
worden. Zulk eene regeling brengt voor den-jongen man het
voordeel mee, dat hij aan een geliefd meisje zijne gevoelens
mag verklaren, zich van haar antwoord mag vergewissen en
tevens dat niemand anders hem bij haar voor zal zijn; dan
-ocr page 94-
80
werkt hij om cene huishouding te kunnen opzetten, en de
geheime verloving is een sterkere spoorslag om vooruit te
komen dan de dadelijk publiek gemaakte, die hem dikwijls
door allerlei familiepartijtjes veel van zijnen tijd rooft. Naar
opmerkingen door mij zelven gemaakt kan ik zeggen, dat
verreweg het meerendeel der mannen zich gedurende hunne
verloving van allen onwettigen geslachtsomgang onthouden.
Ik kan dus Wicksell\'s meening, dat „zulk eene verbintenis
voor den man slechts een geringe waarborg is tegen de ver-
leiding om in do armen der gekochte liefde te zoeken wat
de zeden hem verbieden te vinden bij de vrouw die hij lief-
heeft", niet deelen. \')
Ik sprak onlangs met een collega, die pessimistischer is
dan ik, over dit onderwerp ; hij bepaalde zich er toe als zijne
meerling te kennen te geven, dat de verloofde jonge mannen
die vóór hunne verloving geslachtsomgang hadden gehad
maar van de syphilis waren verschoond gebleven, zich in
den regel van geslachtelijken omgang speenden, uit vrees van
door die ziekte later de familie te besmetten, maar dat zij,
wanneer zij zelve reeds besmet waren, dikwijls met hunne
gewoonten niet braken. Er ligt stellig veel waarheid in die
uitspraak, zij hot dan ook dat zij wat te veel gegeneraliseerd
is. Ik herhaal haar hier met genoegen omdat zij onder ande-
ren bewijst, dat de beteugeling van geslachtsdrift in hoogen
graad afhangt van den wil des mans.
Door geslachtsomgang worden nieuwe individu\'s gebo-
ren, die het monschelijk geslacht vermeerderen, de aarde
bevolken. De kracht en snelheid der vermeerdering heeft
menig denker schrik aangejaagd ; de vrees voor overbevolking
was hem een cauchemar; door gebrek aan voedsel zou
1) Knut Wicksoll, Om pro9titutionen. Stockholm 1887, bl. 53.
-ocr page 95-
81
een meer of minder groot aantal menschen den hongerdood
moeten sterven.
De beroemde onderzoeker, de priester Malt hits, gaf nu
reeds eene eeuw geleden aan die vrees een wetenschappelijken
vorm, en hij verdedigde met geheel zijne energie de stelling,
dat het aantal mensehen in veel sterkere evenredigheid aan-
groeide dan er levensmiddelen konden worden voortgebracht.
Afgescheiden van de natuurlijke oorzaken die de volksvermeerde-
ring kunnen stuiten, wenschte hij den menschen grondstellingen
in te prenten, die naar hetzelfde doel leidden, en deze grond-
stellingen heetten: late huwelijken en strenge onthouding.
In de laatste jaren is er eene school ontstaan, in hoofd-
zaak van nationaal-economen, die Malthus\' meening aan-
gaande het gevaar van overbevolking deelen.
Deze Nieuiv-Malthusianen, zooals zij zich noemen, meenen
echter, dat de eisch om laat in het huwelijk te treden en
strenge onthouding te zwaar zijn voor gewone stervelingen,
dat de geslachtsomgang binnen zijne wettelijke vormen, vrij
behoort te worden genoten, maar dat er toch aan de ver-
meerdering der bevolking paal en perk moet worden gesteld
door zoogenaamde preventieve middelen. Wat dit laatste punt
betreft, sluiten vele andere schrijvers zich bij de Nieuw-
Malt husianen
aan, die er voor ijveren dat de wettige vormen
voor geslachtsomgang zullen worden vermeerderd, en natuur-
lijk hebben ook de aanhangers van illegitiemen geslachts-
omgang met vreugde deze meeningen over preventieve middelen
begroet, waardoor zij kunnen worden gevrijwaard voor de
sociale consequentie, die de bevrediging hunner lusten soms
medebrengt.
Van een dier beide gezichtspunten zijn de mannen en
vrouwen uitgegaan die in de laatste jaren hebben getracht
door populaire geschriften de kennis der preventieve middelen
te verbreiden.
Onder hen moeten in de eerste plaats worden genoemd
wijlen het bekende parlementslid Charles Bradlaugh, mevr.
Annie Besant, de door mevr. A. C. Leffler (geb. Edgrcri)
ü
-ocr page 96-
82
aan de Scandinavische lezers voorgestelde en warm aanbevo-
len Engelsche Dominees vrouw, benevens den phil. cand. Knut
Wicksell,
die door eene menigte geschriften en voorlezingen
heeft beproefd propaganda te maken voor zijn lievelings-denk-
beeld.
Tot hen behooren verder de onbekende schrijver en ver-
taler van „Samhallslarans Grunddrag", verder een Zweedsch
schrijver, die zoo zorgvuldig zijn pseudoniem heeft trachten
te waarborgen, dat hij op den titel een valsch beroep schijnt
aangegeven te hebben, \') en een Engelschman, Henry Arthur
Albutt,
die in Londen door een onbekenden persoon een boek
heeft laten vertalen en drukken, getiteld: „Handboek der vrou-
wen", waarin het gebruik van preventieve middelen wordt mee-
gedeeld en voorgeschreven. De schrijver is evenwel naïef
genoeg om te verklaren, dat zijn boek enkel is voor de
gehuwde vrouw en geen lectuur bevat voor onzedelijke
vrouwen. 2)
In mijne bespreking van de preventieve middelen zal ik
eerst nagaan wat het Zweedsche boek ons daarover vertelt,
voornamelijk wijl er uit blijkt, dat de voorschriften gegeven
in „Samhallslarans Grunddrag", zoowel als in Annie Besant\'s
„Wet voor de volksmeerdering", verouderd zijn.
Het eerste van deze middelen is periodieke onthouding
van geslachtsomgang. Sommige schrijvers meenen namelijk
dat er tusschen twee menstruatie-perioden een tijdpunt gevon-
den wordt, waarin de vrouw niet kan worden bevrucht.
Vele schrijvers die op een zeer verschillend ethisch standpunt
staan, hebben toegegeven dat zulk een middel niet zoo stui-
tend zou zijn als allerhande kunstmiddeltjes. Inmiddels
o
1)   Fürsigtighetsmatt i aktenskapet, af en lakare; mod fürord af Knut Wicksell.
3e uppl. Stockholm 188G.
2)    In dit book wordon overigens slechts mechanische on pharmaceutische
middelen aangegeven, die de schrijver onder den naam „Malthusiaansche
middelen" aanprijst. Het kan niet genoeg worden gegispt dat men een achtens-
waardigeu naam heeft verbonden aan een praktijk die do drager zelf tydons zijn
loven ten strengste zou hebben veroordeeld.
-ocr page 97-
S3
{% blijken de waarnemingen, die men aangaande dat punt ge-
maakt had, foutief te zijn.
De meeste vrouwen kunnen ten allen tijde tusschen twee
menstruaties in bevrucht worden. Daarom heeft men eene
onderbreking van den bijslaap aanbevolen; de man zou
zich moeten verwijderen voor het zaad werd uitgestort en
zoo verhinderen dat daarvan iets doordrong in de geslachts-
deelen der vrouw. Zal deze methode niet falen, dan dient de
man niet te lang te wachten en er voor te zorgen dat hij
met zijn orgaan geene reeds uitgestorte spermatozoën in de
vagina brengt, met andere woorden, dat hij niet te dikwijls
eene paring beproeft. Er behoeft maar één van de milliarden
zaadlichaampjes het vrouwelijk ei te bereiken, en de bevruchting
is daar.
Eene andere voorgestelde methode is dat de vrouw terstond
na de paring zal opstaan om zich uit te spuiten, waardoor
het zaad zou worden verwijderd en de levensvatbaarheid der
zaadjes vernietigd. Op dat middel is niet te vertrouwen,
omdat onder de paring een deel van het sperma wel te ver
kan zijn binnengedrongen om te kunnen worden weggespoeld,
en daarenboven kan het zenuwgestel der vrouw door den
bijslaap zoo worden aangegrepen dat zij niet terstond dit
middel kan toepassen.
Verder heeft men nog eene soort van capsules, d. w. z.
groote pillen die kinazout bevatten en in de vrouwelijke
scheede worden aangebracht. Deze zouden door de lichaams-
warmte worden opgelost en door de kinine de zaadlichaampjes
worden gedood. Om aan dat doel te beantwoorden moeten
deze pillen of capsules van uiterst teer maaksel zijn, anders
kan het gemakkelijk gebeuren, dat zij niet op het juiste
oogenblik smelten; verder moeten zij zoo goed en vertrouwbaar
geplaatst worden dat zij gedurende den bijslaap niet breken
of verschuiven, altemaal eischen waaraan niet zoo heel
gemakkelijk is te voldoen.
Men gebruikt zelfs condoms, een veilig omhulsel voor het
mannelijk geslachtsdeel — tegen het breken waarvan men
6*
-ocr page 98-
SI
niet kan instaan — en sponsjes die in de vrouwelijke scheede
worden aangebracht om den ingang naar de baarmoeder af
te sluiten. Dit middel, dat in de aangehaalde werken als het
beste wordt geroemd, hoeft toch in vele gevallen niet aan do
verwachting beantwoord, hetzij dan dat het sponsje niet goed
werd geplaatst of gedurende den bijslaap werd verschoven.
Eindelijk heeft de gynaecoloog dr. Mensinga te Flcnsburg
een zoogenaamd pessarium occlusivitni vervaardigd, een elas-
tieken ring overspannen met een fijn velletje dat eveneens den
ingang tot het moederkanaal moet versperren en het voordeel
heeft eenigen tijd op dezelfde plaats te kunnen blijven. \')
Het onderzoek der preventieve middelen uit een nationaal-
economisch en uit een zedelijk oogpunt, laat ik aan vak-
mannen over, maar behoud mij zei ven het medisch hygiënisch
oordeel voor.
Mijne waarschuwing tegen het gebruik dier middelen berust
op tweeërlei grond: Zij zijn onbetrouwbaar en schadelijk voor
de gezondheid.
Onbetrouwbaar omdat de natuur, die de levende wezens
heeft begiftigd met een sterke paringsdrift, de processen die
tot het bevruchtingsleven behooren eveneens innerlijke, zij
het dan ook onmerkbare, krachten heeft geschonken. In de
vele gevallen der misvormingen en ziekten der vrouwelijke
geslachtsdeelen kan de dokter zich niet genoeg verwonderen
over de zonderlinge wegen, waarlangs de spermatozoën hun
doel, het vrouwelijk ei, bereiken.
Het schijnt bijna alsof zij met verstand begaafd zijn en
kunnen denken, want zij dringen door de nauwste gangetjes,
de meest bochtige kanaaltjes en langs de eigenaardigste
omwegen, dikwijls slechts om in abnormale gevallen de
vrouw in levensgevaar te brengen of haren dood te veroor-
zaken.
1) Ueber facultative Sterilit.lt, von C. Hasso.
ilk vestig do aandacht van hot publiok op hot foit, dat zolfs dr. Mensinga
t>ü da behandeling van dit onderworp bovenstaand pseudoniem voor zjjn werk
gebruikte.)
-ocr page 99-
85
Ook weet elke dokter die oen ecnigszins groote praktijk
heeft, van gevallen te spreken, waarin zulke preventieve
middelen, die op eigen hand of naar aanwijzing van boeken
werden gebruikt, nutteloos waren. ■) Diezelfde kennis kan
men opdoen door de prostitutie-statistiek der meeste
Europeescho steden. Ofschoon de omgang der prostituees met
verschillende mannen de bevruchting tegenwerkt, ofschoon de
syphilitische ziekten hiervoor een hinderpaal zijn, ofschoon
zij allen zeer geoefend zijn in het gebruik van preventieve
middelen en eiken schroom tegen het gebruik maken daarvan
missen, wordt er jaarlijks toch een meer of minder groot
aantal zwanger.
De middelen zijn dikwijls schadelijk voor de gezondheid.
Zij zijn het ten deele omdat zij de natuurlijke functies
storen, en grof en lomp zijn, maar vooral niet het minst
omdat vrouwen die hiervan gebruik maken, niet den noodigen
rusttijd genieten, die uit zwangerschap, partus en menstruatie
pleegt voort te vloeien.
Zij zijn niet zelden oorzaak van vrouwelijke geslachts-
ziekten, zooals de Amerikaansche gynaecoloog Gaillard Thomas
in zijn werk mededeelt. 2)
Ik heb een specialist in een onzer naburige landen zelf
hooren zeggen, dat hij niet zelden door Zweedsche vrouwen
werd opgezocht die aan de bovengenoemde kwalen leden,
wraaruit hij de gevolgtrekking had gemaakt, dat deze en de
oorzaken er van in Zweden zeer algemeen waren.
Door de nationaal-economische schrijvers worden do pre-
ventieve middelen aangeprezen om het krijgen eener groote
1)   Vergolijk de uitspraak van vele Zweedsche doctoren die lid zün van het
Nederlandsen genootschap in het vorslag over dat genootschap van het jaar
ISS\'2, bl 47, 48.
2)    Middelen die\'worden gebruikt om conceptie te verhinderen zün dikwijls
oorzaak van baarmoederkwalon. Daarover verwondert zich niemand die de
gevaarlijkheid der middelen kent. Do werkzaamheid der natuur is in dit, even-
als in ieder ander physiologisch proces, al te volmaakt, te harmonisch on te
fijn geregeld om zich niet sterk te verzetten tegen zulke lomiie, onbehoorlijke
pogingen die er in het werk worden gestold om hare watten te verstoren.
-ocr page 100-
86
familie te voorkomen; door Mensinga b. v. om eencziekelijke
en verzwakte moeder eenige rust te schenken in het kinderen
krijgen: Wicksell legt de klem op iets anders, n.1. op de
behoefte van den jongen man aan geslachtsomgang en op het
wenschelijke dat jongelieden van beiderlei kunne zich tot
paren konden verecnigen, als echtgenooten leven, maar door
preventieve middelen bevruchting en partus voorkomen, tot-
dat hunne economische verhoudingen toelaten om kinderen
te verwekken.
Is het reeds moeilijk de genoemde middelen aan te wenden
bij vrouwen, die reeds aan éen of meer kinderen het leven
schonken, de moeilijkheden stijgen bijna tot onmogelijkheid,
zoodra er sprake is van maagdelijke individu\'s, van jonge
meisjes. Men haalt gevallen aan van X., Y. en Z., waarin de
zaak schijnt gelukt; deze apocryphe gevallen beteekenen in
elk geval weinig in vergelijking met de vele malen dat zij
mislukten. Ieder die het onderscheid kont tusschen de virginale
onvrouwelijke genitaliën, moet toestemmen, dat elk mechanisch
middel in de eerste niet dan zeer moeilijk aan te brengen is,
en ternauwernood kan gelukken aan een gynaecologisch
ontwikkeld en geoefend persoon.
Indien Wicksell in de gelegenheid ware om in eene
ontvangkamer van een geneesheer eenige jonge zwangere
vrouwen te onderzoeken, indien hij hare wanhopige uitroe-
pingen kon hooren, wanneer zij de diagnose vernemen: „Neen,
dokter! Dat is onmogelijk, hij heeft mij zoo verzekerd dat er
nooit iets van komen zou," dan zou hij allicht niet zoo zeker
zijn van zijne zaak.
In publieke voorlezingen en debatten heeft hij gezegd dat
een leven zooals hij voorstelt, op Malaga voorkomt, en hij
noemde als bron waaruit hij zijne wetenschap had geput,
een geschrift van H. Wachtmeistcr. Het eenige wat ik
omtrent dit punt bij dien schrijver heb kunnen vinden, luidt
als volgt:
„De jonge meisjes trouwen hier dikwijls op twaalfjarigen
leeftijd met jongens van veertien h, vijftien jaar; daar dezen in
-ocr page 101-
87
den regel niet in staat zijn hunne vrouwen te verzorgen,
brengt het algemeene gebruik mee dat het jonge echtpaar
een of twee kamers huurt, maar voor \'t overige beiden naar
het huis hunner ouders terugkeeren om hunne maaltijden
te gebruiken, in afwachting van den tijd dat zij zich zelve
kunnen redden. \')
Meer heb ik in dat boek niet kunnen vinden. Hut is
jammer dat er geen nauwkeuriger onderzoek bestaat over dit
eigenaardig, interessant, sexueel-physiologisch en sociaal
gebruik; maar dat het een bewijs zou zijn voor de bruikbaar-
heid der Wicksett\'sche theorieën, daarvoor bestaat geen zweem
van bewijs.
Het is evenwel niet genoeg de physieke bezwaren tegen
zulk eene zaak aan te voeren. Ik wil nu spreken over de
psychische. Deze gelden zoowel de mannen als de vrouwen.
De meeste welopgevoede Europeesche huisvrouwen voelen er
zich in haar hart door gekrenkt, wanneer zij meer als een middel
tot genot worden beschouwd dan als personen. Ik stem direct
toe, dat die gedachte het allereerst zal opkomen bij de vrouw
die keer op keer, zonder rust of tusschenpoos tot moeder
wordt gemaakt, ja, zelfs niet zooveel wordt ontzien als een
goed teeldier wiens leven en gezondheid men altijd pleegt
te sparen. Geldt dit voor alle vrouwen, zeer zeker in het
bijzonder voor de echtgenooten van arbeiders, wien het in
zulke moeilijke tijden veelal aan eene helpende hand ont-
breekt. Voor zulk eene kruisdraagster zou het heerlijk wezen,
indien werkelijk haar man zedelijk en verstandelijk zóó ont-
wikkeld kon worden dat hij een onoplioudelijken sexueelen
omgang met zijne vrouw niet natuurlijken noodzakelijk vond.
De schijnbare philanthropie die te dezen opzichte door de
Nieuw-Malthusianen wordt uitgeoefend, treft bijna nooit doel.
De vrouwen lijden zeer door alle tegennatuurlijke middelen,
terwijl zij, misschien wel tengevolge van overgeërfde beschouw-
1) Turlstmlnnen. Stockh. 1885, bL 16.
-ocr page 102-
SS
ingen, gaarne al de phases van het geslachtsleven willen
doorloopen maar zeer ongaarne voorkomen.
Voor den man is de zaak gevaarlijk, doordien hij gemak-
kelijk tegenzin kan opvatten voor eene vrouw, die af en toe
op zijn eigen aanraden zich bezighoudt met de techniek van
het geslachtsleven, op eene wijze, die voor zijn instinct strijdt
tegen het onmisbare, tegen de kuischheid en reinheid, die
elk man eischt in zijne wettige echtgenoote. \')
Indien ik door een beslist oordeel de geheele Nieuw-Mal-
thusiaansche leer wilde afmaken, dan behoefde ik dat in geonen
deele zelf te formuleeren; ik kon dan eenvoudig het woord
geven aan Max Nordau en instemmen met een zijner ver-
klaringen, eene verklaring, die niet alleen bewijst dat de
vijanden der tegenwoordige maatschappij het verre van eens
zijn, maar ook dat deze schrijver, waarschijnlijk tengevolge
zijner Israëlietische afstamming, niettegenstaande al zijne
afdwalingen, een open oog heeft behouden voor de gezonde
sexueele hygiëne, die eeuwenlang de kracht heeft uitgemaakt
van zijn volk.
Zijne woorden luiden aldus:
„Wanneer een ras of natie tot dit punt van verval is
genaderd, verliezen zijne leden den lust om gezond en
natuurlijk lief te hebben. Het gevoel voor de familie gaat
te loor. De mannen willen niet huwen omdat zij het
bezwaarlijk vinden voor nog een ander te moeten zorgen dan
voor zich zelve. De vrouwen zien tegen de pijn en de onge-
makken die het moederschap meebrengen op, en streven zelfs
in het huwelijk door de onzedelijkste middelen naar kinder-
loosheid. Het voortplantings-instinct dat niet langer de voort-
planting ten doel heeft, verdwijnt bij sommigen en ontaardt
bij anderen tot de zonderlingste en onverstandigste afdwa-
lingen. De geslachtsomgang, de voornaamste functie van het
organisme — — — — — — — — — — — — — — — —
1) Een goedo fljngevoolige huwoltjksdieptttiek vindt men in Kloncke\'s
Makan, De eehtgonooto, 2de druk, Stockholm.
-ocr page 103-
89
wordt vernederd tut een onwaardig genot en wordt niet langer
uitgeoefend in het belang van het geslacht, maar uitsluitend
uit het oogpunt van een voor de maatschappij nut- en waar-
deloos individueel genoegen." \')
Ik heb vroeger als mijne meening te kennen gegeven dat
de middelen om zwangerschap te voorkomen onzeker, onver-
trouwbaar zijn, dat men om zeker te wezen, het krijgen
van groote huisgezinnen te voorkomen, een ander middel
aangrijpt, dat zelfs door de Nieuw-Malthusianen als ongeoor-
loofd wordt beschouwd, namelijk vruchtafdrijving, en ik kan
mijn beweren staven door bewijzen, in Amerika bijeengebracht.
Maar in plaats van mijne eigen meening hierover te zeggen,
zal ik het woord geven aan twee ervarene schrijvers, de een
is een Engelsch socioloog, de ander een Amerikaansch ge-
neesheer voor vrouwen.
De uitspraak van den eersten, William II. Dixon, luidt
als volgt:
„Wat ik zelf gedurende mijn verblijf in dit land heb ge-
hoord en gezien, heeft mij op het vermoeden gebracht, dat er
eene even zonderlinge als wijdvertakte samenzwering bestaat
onder de vrouwen der hoogere standen — eene samenzwering
zonder aanvoerders of leiders, zonder secretarissen en hoofd-
kwartier, die nergens vergadert, — — — — — — — — —
en die toch eene conspiratie is onder de vele koninginnen
der mode — eene conspiratie waarvan het eindresultaat —
indien het kon worden bereikt — in waarheid dit treurige
wezen zou, dat er van tentoonstellingen van kleine kinderen
in dit land nooit meer sprake kon zijn."
Dixon haalt in verband hiermee eene uiting aan van eene
Amerikaansche dame:
„De eerste plicht eener vrouw isy in de oogen van den
man aangenaam te zijn, zoodat zij\'iets aantrekkelijks voor
hem heeft en een goeden invloed/op hem kan uitoefenen,
maar volstrekt niet om zich af tobben door het bestuur
1) Couvcntioncüle leugens.
-ocr page 104-
90
dor huishouding, in du kinderkamer, keuken of leerkamer.
Aan alles wat hare schoonheid kan schaden en dus strijdig
is met haar waarachtig belang, mag zij zich onttrekken,
even goed als een man protesteert tegen eene onwettige
belasting op zijne eigendommen. De eerste zorg der huis-
vrouw moet hierin bestaan, dat zij het haren echtgenoot
gezellig make, en tevens zich zelve als zijne levensgezellin.
Niets mag worden toegelaten dat de echtgenootcn van elkaar
kan verwijderen. — — — — — — ________
De kinderen nemen den tijd der moeder in beslag, bena-
deelen hare gezondheid en maken haar oud vóór den tijd.
Als gij de straten doorloopt zult gij honderden mooie,
jonge meisjes zien, die zoo pas de kinderschoenen hebben
uitgetrokken. Binnen een jaar zijn zij waarschijnlijk gehuwd;
over tien jaar zijn ze oud en verwelkt. Geen man bekom-
mert zich meer om haar ter wille harer schoonheid. Hare
mannen zullen niet langer glans vinden in ;hare oogen of
frischheid op hare wangen. Zij hebben reeds dan haar leven
opgeofferd voor hare kinderen."
Dixon voegt er bij, dat voor zoover hij over haar kan oordeelen,
de moeders in het Westen er over het algemeen trotsch op
zijn een talrijke familie te bezitten. — — — — — — — —
Maar hier in New-England, in New-York zijn de verhoudingen
geheel anders. \')
De Amerikaansche vrouw kent even goed als hare Fransche
zuster het gebruik der preventieve middelen en maakt er zoo
dikwijls gebruik van dat hare gezondheid er onder lijdt; doch
zij stelt zich enkel daarmee niet tevreden maar neemt,
wanneer zij desniettegenstaande zwanger is geworden, hare
toevlucht tot een der professioneele mannelijke of vrouwelijke
1) Var tids Amerika.
-ocr page 105-
\\n
vruchtafdry* vers, die in de groote steden van Amerika in
menigte zijn te vinden.
De Amerikaansche vrouwendokter Gaillard Thomas deelt
over deze zaak het volgende mede:
„Een statistiek die het bewijs kan leveren van den omvang
der strafbare vruchtafdrijving is nog niet geschreven en zal
ook wel niet geschreven worden, want dit misdrijf onttrekt
zich aan de controle der menschelijke maatschappij en om
bijzondere redenen zelfs aan den arm der rechterlijke macht.
Ik weet dat het hard klinkt wanneer ik er op wijs, dat de
wet met onverbiddelijke gestrengheid dengene vervolgt die
zijn medemensen vermoordt, maar dat zij volle vrijheid laat
aan hen, die het kind in het moederlijf dooden; toch is het
waar. Ik zal eenige feiten aanhalen om de waarheid mijner
bewering te staven en daarenboven aantoonen, dat deze
misdaad schrikbarend veel voorkomt. Op mijne tafel ligt op
dit oogenblik een der populairste, meest geachte en best
geredigeerde bladen van New-York, dat zeker zijnen weg vindt
in de hooge standen der maatschappij en door alle meisjes
en vrouwen van het gansche land gelezen wordt.
In zijne kolommen tel ik vijftien annonces, die zonder
eenigen twijfel ingezonden zijn door beroepsmatige vruch taf-
drijvers, — mannen en vrouwen die kindermoord tot hun
beroep hebben gemaakt.
Het is mogelijk dat deze zaak onbekend is aan de uitge-
vers, die als achtenswaardige mannen bekend staan, evenals
aan de politie, maar aanneembaar is dit bijna niet, daar vele
advertenties in vrij onverbloemde taal spreken; er wordt o. a.
in gezegd, dat men afzonderlijke vertrekken heeft waarin de
patiënten kunnen worden geholpen, dat ééne consultatie vol-
doende is om tot een gewenscht resultaat te komen en wel
zonder gebruikmaking van levensgevaarlijke of der gezondheid
schadelijke middelen.
Het Amerikaansche medische congres loofde bij zijne
laatste samenkomst in New-York een prijs uit voor eenc
korte en gemakkelijk te begrijpen verhandeling om de straf-
-ocr page 106-
92
baarheid en schadelijkheid der vruchtafdrijving in het licht
te stellen en die men onder het vrouwelijk geslacht zou
kunnen verspreiden.
De uitgeloofde prijs werd toegekend aan prof. H. B. Storer,
uit Boston, voor eene uitstekende verhandeling, getiteld
Why nol. \')
Th. A. Emmet laat zich over deze zaak aldus uit:
„Met het oog op het behoorlijke, kunnen wij hier enkel
spreken over de preventieve middelen en do schandelijke
menigvuldigheid van misdadige vruchtafdrijving. Kan iemand
die als wij gewoon is vrouwenziekten te behandelen, in
waarheid getuigen dat wij overdrijven, wanneer wij zeggen
dat wij op één dag meer leed en ellende zien voortvloeien
uit dat schandelijk misbruik van den echtelijken staat, dan
ons in een maand onder de oogen komt tengevolge van ge-
zonde, ongestoorde bevallingen?" 2)
Dr. H. S. Pomcroy uit zich als volgt:
„Ik geloof dat het dooden van ongeboren leven bij uitne-
mendheid eene Amerikaansche zonde is en dat dit, zoo hieraan
geen paal en perk wordt gesteld, vroeg of laat ons ongeluk
zal bewerken.
Ik wend mij tot de middelklasse omdat zij de algemeene
opinie schept en ook omdat in haar het grootst aantal schul-
digen wordt gevonden.
Het zou moeilijk zijn een plekje heide op het land of eene
straat in een stad te vinden waar niet ongeboren kinderen
zijn gedood door lieden die in de eerste plaats door goddelijke
en menschelijke wetten geroepen waren om hen te beschermen
en te behoeden. Maar wanneer de wet eene doode letter
blijkt, wanneer het slechtste deel van den medischen
stand staat aan de zijde van het kwaad, en het betere deel
meestal zwijgt, wanneer de pers en de kerk het voorbeeld
1)   Leihlmch der Frauenkrankhciten von T. Uaillard Thomas, übersotzt von
Max Jacquet. Berlin 1871.
2)   The principles and practloo of Gynaccoloïy, III Ed. Lond. 1885.
-ocr page 107-
98
van den Leviet volgen en voorbijgaan — — — wat kan er
dan gedaan worden?
Indien de voortplanting als schoon, geoorloofd, eervol werd
beschouwd zooals zij dat verdient, zouden waarachtige deugd
en kuischheid zich ontwikkelen, de maatschappij zou bevrijd
worden van vele gevaarlijke, verderfelijke zonden, die uit
onwetendheid voorkomen, en afdoende geestelijke, zedelijke
en lichamelijke verbetering zou er het gevolg van zijn. De
Schepper heeft tot zekere doeleinden elk lid van het menschelijk
geslacht zekere instincten en hartstochten ingeplant. —-----
Deze zijn onwaardeerbare bedienden, maar slechte heeren.
Zij moeten zorgvuldig worden bewaakt en geleid, anders
kunnen schade en val niet uitblijven.
En toch verklaren onze maatschappelijke zeden dat deze
instincten en begeerten gedurende hunne geheele ontwikke-
lingsperiode moeten worden geïgnoreerd.
Wij treffen in ons beroep vrouwen aan, die aarzelen
zouden een vlieg te dooden, maar die erkennen een half dozijn
of meer van hare ongeboren kinderen te hebben gedood, en
daarover spreken als gold het \'t verdrinken van een paar
jonge katjes." \')
Ik laat het aan de nationaal-economen over om de vraag
van overbevolking uit te maken; ik wil mij bepalen om op
enkele middelen te wijzen waardoor de natuur zorgt tegen
een al te sterken aanwas der bevolking. En in de eerste
plaats wijs ik dan op wat iedereen weet: op de eigenaardige
1) Aangehaald werk.
In een brief aan laatstgenoemden schrijver schrüft Th. A. Ernniet: „Ik Wensen
oprecht dat gy slagen moogt in uwen kruistocht togen de zonden van ons volk,
maar er kan niots worden uitgevoerd wanneer wü geene hulp krijgen van do
protestantscho geestelijkheid. Ztj moest do toekomstige generatio in hare be-
scherming nomon.------— Ik vroes dat er mot hot tegonwoordige geslacht nieta
te beginnen valt.\'\'
-ocr page 108-
94
grens die er bestaat voor het vrouwelijk voortplantingsver-
mogen.
Dit duurt niet zoo lang als haar leven, gezondheid en
kracht; het wordt afgesloten door wat men climacterische
periode
noemt, die in den regel tusschen de 45 en 50 jaren
valt. Haar tijd tot voortbrenging bepaalt zich dus ongeveer
tot 30 jaren, en ofschoon zij na dien tijd nog gedurende vele
jaren eene goede gezondheid kan genieten, geeft zij toch niet
meer het leven aan kinderen, ondanks voortgezetten geslachts-
omgang. Door deze in de dierenwereld geheel onbekende,
voor het menschelijk geslacht eigenaardige regeling, heeft de
natuur in de allereerste plaats een schotje willen steken tegen
al te snelle vermeerdering en tevens het opgroeiend men-
schenkind de zorg en opvoeding der moeder willen verzekeren
tot hij zelfstandig zou zijn en zich zelf zou kunnen redden.
Deze eigenaardigheid der vrouw kan langs natuurlijken weg
bij de toekomstige geslachten, in geval er werkelijk overbe-
volking mocht dreigen, zeer zeker ontwikkeld worden door
de climacterische veranderingen successievelijk op jeugdiger
leeftijd der vrouw te doen intreden.
Een ander middel der natuur wordt misschien meer ver-
moed dan gekend. Het bestaat hierin, dat wanneer eene
bevolking, in verhouding tot de hulpbronnen van het land,
te groot is geworden, er zich eene zekere neiging openbaart
om in de geboorteplaats te blijven en door huwelijken zich
te verbinden met buren, wier economische omstandigheden
uitmuntend zijn; bij zulke volksgroepen zijn de huwelijken
minder vruchtbaar dan elders.
De grootste vermeerdering komt in den regel voor na land-
verhuizingen, het kruisen van rassen, enz. enz. Zoo is b. v.
de Fransch-Canadeesche vrouw veel vruchtbaarder dan hare
Iersche of Engelsche landgenoote.
De kennis aangaande de vruchtbaarheid der huwelijken
is zelfs bij personen die werken schrijven over sociale quaesties
uiterst gering. Zoo schat bijvoorbeeld de schrijver van het
reeds dikwijls aanvoerde boek „Samhallslarans Grunddrag"
-ocr page 109-
95
het getal door elk paar verwekte kinderen op 10 — 12, daar-
onder begrepen de misgeboorten en doodgeborenen.
Dit is eene grove fout. Want dit getal — gemiddeld 10 —
kan slechts als vruchtbaarheids-mogelijkheid genomen worden
voor paren, waarvan de vrouw bij het aangaan van het
huwelijk 20 jaar is en het huwelijk 25 jaar duurt. Zulk een
gemiddeld getal alle paren betreffend, is nog nooit gevonden,
in geen enkel land. Ongeveer 18 — 20 procent der huwelijken
is onvruchtbaar; vele worden door ziekte of dood gestoord,
zoodat het vruchtbaarheidscijfer van versphillende landen is
als volgt:
Nederland.....  op  eik  paar   4,88
Noorwegen.....    „    „     „      4,70
Pruisen......    „    „     „      4,60
Beieren ......    „    „     „      4,55
Zweden......    „    „     „      4,52
Saksen ......    „    „     „      4,35
Engeland......    „    „     „      4,33
België.......    „    „     „      4,23
Denemarken....    „    „     „      4,18
Frankrijk.....    „    „      „      3,46\')
Al deze opgaven zijn ontleend aan éen en hetzelfde werk,
en zeker zijn de cijfers op dezelfde wijze en naar gelijktijdige
waarnemingen berekend.
Neemt men andere, het liefst nieuwere en kortere tijden
van waarneming of onderzoek, dan krijgt men cijfers die
van de bovenstaande verschillen en gewoonlijk lager zijn. Zoo
wordt b. v. van Pruisen de echtelijke vruchtbaarheid in den
laatsten tijd geschat op 4,114 pet., waarvan 3,957 levend- en
0,157 doodgeborenen;2) voor Engeland in de laatste 25 jaar
1)  Hellstenius aangeh. werk. bl. 98.
2)  Real-Encyclop. d. m. Wiss. Bd. V, bl. 551 on vlgd.
-ocr page 110-
90
op 4,10 \'), voor België op 4,12, voor Frankrijk op 2,9 en
voor vele Oostelijke Staten van Noord-Amerika op cijfers die
wisselen tusschen 2,5 en 3,0. *)
Van zekere zijde is op de waarschijnlijkheid gewezen dat
onder de beschaafde standen de vruchtbaarheid geringer zou
zijn tengevolge van het gebruik van preventieve middelen. Door
een door mij voorgesteld onderzoek zou men zich op dat
punt in wijder omtrek dan de tijd mij toelaat te bestudeeren
zekerheid kunnen verschaffen. Ik deel hier de cijfers mee die
ik uitgerekend heb voor den kerkelijken staat van Land,
4,17 kind op elk huwelijk; voor deZweedsche doctoren 3,5.3)
Deze cijfers slaan enkel op levendgeborenen. Door toevoeging van
die der doodgeborenen zouden de cijfers natuurlijk hooger zijn.
Sadler heeft door eene berekening van de verhouding bij
Engelsche paren gevonden, dat wanneer de huwelijken vroeg-
tijdig worden gesloten, de vruchtbaarheid niet onder maar
boven het gemiddelde cijfer der natie staat. Was de moeder
jonger dan 26 jaar, dan was het gemiddelde getal kinderen 5,13;
was zij 2ö—36 jaar, dan bedroeg het getal 3,50; was zij over
de 36 jaar, dan 2,89. Voorts dat mannen die vóór hun 26*te
jaar huwen, gemiddeld 5,11; kinderen verwekken; zij die
trouwen tusschen 26—35 jaar 4,43 en boven de 36 jaar 2,84. *)
In zijn straks door mij aangehaald werk beweert
Drysdalc, dat de vermogende klassen haar uiterste best doen
om het aantal kinderen te beperken, terwijl de arme families
zich gewoonlijk verheugen in eene talrijke kinderschare, waar-
door de eersten arbeidskrachten verkrijgen tegen goedkoopen
prijs.
De eerste bewering wordt onbarmhartig door de statistiek
1)  Mulhall. Fifty yoars of nat. progress. London 1887 bl. 113.
2)   J. V. Tallquist. Kech. stat. sur la tendance ii uno moindro fécondité. Hel-
singfors. 1886 p. 12, 13.
3)  Drysdale. Westm. Ecview. Mai 1889.
4] Het lagere cüfer voorden doktersstand vindt waarschijnlijk zijne verklaring
in den korteren duur van het huwelijk, veroorzaakt door den vroegtijdigen dood
van den man.
-ocr page 111-
97
der meeste landen weerlegd; de tweede is veelal, o. a. in ons
land niet geldig. Men kan hier veelal bij de welgestelde klassen
de zucht opmerken om de vroegtijdige huwelijken onder de
arbeiders tegen te gaan, omdat eene al te sterke vermeerde-
ring van het proletariaat groote geldelijke offers eischt voor
armenzorg.
Dezelfde schrijver hoopt, dat in de toekomst elke familie
die meer dan een zeker aantal kinderen verwekt (b.v. 4) door
den smaad en verachting zijner medeburgers zal worden
getroffen, ja, hij is van meening dat dit van rechtswege
moest worden verboden. De schrijver zegt niet hoe er gehan-
deld zou moeten worden, wanneer in het vierde kraambed
een twee- of drieling werd geboren. Maar afgescheiden van die
laatste tegenwerping, veroorloof ik mij op het bespottelijke
en onnatuurlijke van zulk een verbod te wijzen.
Geschiedde dit, dan zou b. v. eene welgestelde familie, die
de maatschappij kon verrijken met vele gezonde, zedelijke,
welopgevoede, arbeidzame nakomelingen, het mikpunt worden
van aanmerkingen, die niet de paren zouden treffen welke
een geringer aantal ziekelijke, naar lichaam en ziel bedorven
kinderen verwekten. Het zal altijd eene moeilijke zaak blijken,
en hoogstwaarschijnlijk onmogelijk om de publieke opinie en
de wet te mengen in zulke teedere privaat-aangelegenheden.
Een blik op de laatste tabel zou tot verschillende beschou-
wingen aanleiding kunnen geven. Wij zien dat het onderscheid
tusschen Nederland en Denemarken even groot is als tusschen
dat land en Frankrijk, en toch heb ik de Deensche vrouwen
nooit hooren beschuldigen van preventieve middelen te ge-
bruiken, Er moeten dus andere oorzaken van invloed zijn op
de vruchtbaarheid van het huwelijk.
Bij de bevolkingsquaestie mag men niet uit het oog ver-
liezen, dat er vele dingen op haar influenceeren, zooals het
7
-ocr page 112-
98
aantal huwelijken, hunne vruchtbaarheid, de meerdere of min-
dere sterfte der kinderen, de algemeene levensduur, benevens
landverhuizingen naar en uit een gegeven land.
De Fransche maatschappij zou tengevolge van de geringere
vruchtbaarheid der vrouwen en de groote kindersterfte, aan
bevolking verliezen, indien niet de toevoer van vreemdelin-
gen \') het evenwicht herstelde, een feit dat, tusschen twee
haakjes gezegd, de meeste zedenmeesters, politici en doctoren
met ernstige gedachten vervult, en wel van een geheel anderen
aard dan die over het nemen van revanche.
Ik heb u, mijne hoorders, op eenige feiten uit de physio-
logie van het huwelijk gewezen. Ik vraag verlof er nog iets
aan toe te voegen. Hoe ter wereld kan men zich voorstellen
dat het leven, \'twelk in zoo menig opzicht onze verwachtin-
gen beschaamt, het sexueele genot onaangetast zou laten?
Indien, of liever daar het huwelijk eene vergoeding en een
troost is bij al de misrekeningen, die de strijd om het bestaan
noodzakelijk meebrengt, vervult het huwelijk zijne missie door
nog iets beters en hoogers te geven dan wat de slaaf van
zinnelijke begeerten daarvan verwacht.
Ten slotte eene anecdote:
Het is ongeveer een kwart eeuw geleden dat eenige jonge
studenten bijeen waren, en zooals dikwijls geschiedt, een ge-
sprek voerden over het huwelijk.
In die zaak hebben wij een woordje mee te spreken, meende
een theoloog (een tegenwoordige bisschop). Niemand sprak
hem tegen.
Er is ook eene zijde die ons uitsluitend aangaat, voegde
1) In Frankrijk wonen 1,525,000 vreemdelingen, of 3 procent van het aantal
inwoners. De analoge cijfers z(jn voor Engeland 0,4 pet., voor Duitsehland
0,0 pet.
-ocr page 113-
99
een jurist er bij (.tegenwoordig rechter bij een koninklijk
gerechtshof). Eveneens algemeene bijval.
Maar ook wij hebben ten opzichte van het huwelijk eene
zekere roeping to vervullen, opperde ik, deeenig aanwezende
medicus.
„Ja, doch de laagste van alle," riep men in koor.
Ik kwam hier niet tegen op. Geschillen over rang zijn
nooit mijne liefhebberij geweest — maar ik zeg, dat wanneer
het huwelijksgeluk tengevolge van eene algemeene nalatigheid
ten opzichte zijner physiologische en psychologische zijde,
— ons domein — is verspeeld, het dan noch door den
kerkdijken zegen, noch door het familierecht of de eigendoms-
gemeenschap kan worden hersteld.
-ocr page 114-
DERDE LEZING.
Sexueele ziekten. — Onanie. — Hare schadelijkheid. — Pol-
luties. — Pederastie. — De geschiedenis der Romeinsche keizers. —
De meeningen van moderne schrijvers. — Medische huwelijken. —
Venerische ziekten. — Middelen tegen hare verspreiding. —
Prostitutie. — De federatie. — Een kritiek op de agitatie tegen de
reglementeering van het huwelijk. — De meening van den me-
dicus over de ziekte en haar verband met zonde tegen de zede-
lijkheid. — Noodzakelijke maatschappelijke hervormingen. —
Slotwoord.
M. H. Ik heb u tot nog toe slechts de anatomische en
physiologische grondtrekken van het sexueele leven geschil-
derd, benevens de voorwaarden voor zijne normale functies
in het huwelijk. Heden is het mijn doel u bezig te houden
met de stoornissen van het sexueele leven, met de ziekten
van het geslachtsleven. Deze zijn reeds eeuwen van jaren
bekend en beschreven niet alleen door medici maar ook door
moralisten en satirici.
Hoort men tegenwoordig altijd spreken over de schade,
die rust der geslachtsorganen zou meebrengen, in vroegeren
tijd had men meer oog voor de schadelijke gevolgen van
overspanning. Reeds bij Hippocrates vindt men eene schilde-
ring van de kwalen die daaruit kunnen ontstaan; de moderne
-ocr page 115-
101
werken leveren daartoe steeds nieuwe bijdragen. De symp-
tomen der ziekte zijn van zeer verschillenden aard al naarmate
de individueele verhoudingen, maar enkele trekken hebben toch
de geslachtsziekten gemeen. Daartoe behooren o. a. zwakheid,
eene bleeke gelaatskleur, lusteloosheid, slecht humeur, tril-
lingen en pijnlijke trekkingen in de benedenste extremiteiten,
slapheid der organen voor urineloozing, plotseling uitbrekend
zweet, sexueele zwakheid of impotentie. Deze symptomen
zijn een gevolg van misbruik der geslachtsorganen, hetzij dit
op natuurlijke of op onnatuurlijke wijze is geschied.
De reden van het een zoowel als van het ander kan in
een der allergewoonste ziekteverschijnselen gelegen zijn, in
de zoogenaamde sexueele neurasthenie, eene ziekte, die een
nauwgezet geneesheer niet gaarne bij zijne patiënten zich
ziet ontwikkelen, maar die daarentegen voor den kwakzalver
eene welkome zaak is, omdat hij weet, dat hij den lijders
aan die kwaal mooi wat geld uit den zak kan kloppen.
In een voordracht als deze behoort in de eerste plaats te
worden gewezen op de, oorzaken der ziekte, minder op hare
speciale symptomen en\' behandeling, en ik begin u daarom
onmiddellijk een der oorzaken van sexueele storingen te
schilderen, en dit te liever, omdat zij van algemeen hygië-
nische beteekenis is, die niet behoort gekend te worden door
doctoren alleen.
De quaestie geldt de onanie (zelfbevlekking).
Over haar zijn zoovele artikelen en verhandelingen geschre-
ven, dat het op dit punt niet aan wetenschappelijk-literaire
bronnen ontbreekt, maar vele dezer geschriften zijn in het
een of ander opzicht foutief, zoodat zij geschikter zijn de lezers
op een dwaalweg te brengen dan hen voor te lichten.
Onder onanie verstaat men een handeling waardoor een
persoon door middel van manipulaties, door werktuigelijke
verrichtingen, of enkel door de phantasie, zijn geslachtsor-
ganen prikkelt, zoodat het nerveuze spasme, dat op geslachts-
omgang volgt, daaruit ontstaat.
Deze dofinitie is op beide geslachten en op alle leeftijden
-ocr page 116-
102
van toepassing; bij de mannelijke individu\'s wordt ditspasme
natuurlijk door uitstorting van zaad gevolgd.
Er is veel gesproken en geschreven over de vraag of zij
veel of weinig voorkomt; ik zal niet beproeven u daarvan
eenige statistieke opgaven te doen, ik stem toe, dat zij in
de beschaafde landen zeer gewoon is, ofschoon ook al weer
niet zóó algemeen als sommigen der Bohémien-schrijvers
gelieven te beweren.
Wanneer jongelieden met deze ondeugd of verkeerde
gewoonte beginnen, kan men de aanleiding daartoe in den
regel hierin vinden, dat zij verleid zijn door kameraden, door
gewetenlooze dienstboden of andere personen, die ouder zijn
dan zij. Daarbij kan zij als opgeroepen worden door eigen-
aardige, toevallige gedachten en gevoelscombinaties, door
zekere lichaamsoefeningen, b. v. door klauteren, rijden, door
het rijden op schokkende voertuigen, enz. enz. Bij kinderen
die het gevaar dier zaak niet kennen, bij karakterzwakke
lieden die de verleidingen van het genot niet kunnen weer-
staan, dat zich hier schijnt aan te bieden, ontwikkelt zich
uit de toevallige en dikwijls zedelijk onschuldige aanleiding
eene slechte gewoonte.
De gevolgen laten zich vroeg of laat gelden. Alhoewel het
volstrekt niet zeker is, dat een geoefend oog den onanist bij
den eersten oogopslag vermag te diagnostiseeren, kan het
niet worden ontkend dat de lijder dier gewoonte den duide-
lijken stempel ervan op zijn gelaat en voorkomen draagt.
Ingezonken oogen, neergeslagen blik, zeer bleeke gelaats-
kleur, koude, vochtige handen, verslapt geheugen, prikkel-
baarheid, luiheid en dagdroomerij behooren veelal tot de
symptomen.
Ingeval men niet voorzichtig is of den patiënt laat
behandelen, kunnen daaruit ernstiger stoornissen van het
zenuwstelsel ontstaan, sexueele neurasthenie, onmacht,
verval van krachten, tering, hartziekten en m. a. Wat krank-
zinnigheid als gevolg van onanie betreft, hierover loopen de
meeningen onder de vakgeleerden zeer uiteen; sommigen zijn
-ocr page 117-
103
van gevoelen dat het een zeer gewoon verband is, anderen
dat het slechts zelden voorkomt.
Zoo zegt b. v. Esquirol:
„De onanie, die geeselroede van het menschelijk geslacht,
is, vaker dan men denkt, de oorzaak van krankzinnigheid,
vooral bi.i de rijken." \')
Een ander psychiatrist, Guislain, meent:
„De quaestie der onanie in verband met krankzinnig-
heid is zeer moeilijk uit te maken. — — — — — — — —
Wij mogen die oorzaak slechts bij drie of vier patiënten
onderstellen, die in het laatste jaar in het gesticht zijn
opgenomen.
— — — — En toch is die ondeugd onder de verpleegden
zeer algemeen, maar men dient niet te vergeten, dat velen
van hen zich er niet aan schuldig maakten vóór hunne
opsluiting." 2) — — — —
In die laatste opmerking hebben wij werkelijk een leid-
draad voor de juiste opvatting der zaak. Bij het publiek
heerscht vrij algemeen het geloof, dat vele gevallen van
krankzinnigheid en idiotisme worden veroorzaakt door onanie,
terwijl toch de oorzaak te zoeken is in het een of ander
overgeërfd letsel aan de hersenen.
De kansen om een onanist weer gezond en tot een normaal
leven terug te brengen zijn, over het geheel genomen, niet
ongunstig. Het publiek en in het bijzonder de lijders zelve,
zijn door slechte, onwetenschappelijke, zij het dan ook met
goede bedoelingen geschreven literatuur zoo onthutst, dat het
dikwn\'ls de moeilijkste taak van den dokter is, niet om de
stoornissen op te heffen, maar om alles te wederleggen wat
de patiënt er over heeft gelezen.
Ik vind het passend om dit mijn oordeel te staven door
1) Citaat van Acton, aangehaald werk, bl. 62.
2i Nouveau Dictionnaire de raéd et chir. XXIV, bl. 494.
-ocr page 118-
104
een citaat van een alleszins bevoegd beoordeelaar. Prof.
W. Erb, in Heidelberg, schrijft:
„Gewoonlijk wordt onanie als veel gevaarlijker beschouwd
dan de natuurlijke prikkeling door geslachtsomgang. Dit komt
ons niet waarschijnlijk voor. De uitwerking op het zenuw-
stelsel moet toch in hoofdzaak dezelfde zijn, hetzij de prikkeling
op het orgaan wordt uitgeoefend door de vrouwelijke scheede
of door iets anders; de zenuwachtige schokken bij de ejaculatie
blijven dezelfde; eerder zou men nog kunnen aannemen, dat
deze grooter moest zijn bij den geslachtsomgang. Toch,ligt in
de prikkeling der onanie, die dikwijls op zeer jeugdigen leeftijd
begint en vaak wordt herhaald, een groot gevaar, en het
lijdt geen twijfel dat het bij de onanisten heerschend en
gerechtvaardigd gevoel: eene laagheid te begaan, en de voort-
durende strijd tusschen bovenmatige drift en zedelij ken plicht,
aangrijpend en verzwakkend voor het zenuwgestel is; daar-
door worden de schadelijke gevolgen van onanie verergerd.
De invloed van deze ondeugd op de zedelijkheid hebben
we hier niet te onderzoeken." ■)
Ik heb steeds er voor gewaarschuwd en ik waarschuw
ook nu met den grootsten nadruk, dat gij niet moet meenen
dat ik de onanie verontschuldig of verdedig; wanneer sommige
critici beweren dat ik dezen vorm van sexueele afdwaling
te flauw behandel, komt dit waarschijnlijk omdat zij werken
hebben gelezen waarin de gevolgen der onanie om de een of
andere reden, in de zwartste kleuren worden afgeschilderd.
Ik wil geenszins verhelen dat andere, zeer eerbiedwaardige
schrijvers, een veel ongunstiger oordeel in deze zaak vellen,
maar ik stel naast het hunne mijne eigene veelomvattende
ervaring op dit punt, die mij heeft geleerd dat de meeste
onanisten door hygiënische, zedelijke of godsdienstige mid-
delen werkelijk hun treurig lijden kunnen overwinnen, zonder
1) Handbuch dor spec. Pathol. u. Thor horausgogeben v. H. v. Zicmsson XI
II. Krankheiten des Rückonmarks, v. "W. Erb. II. Aufl Loipzig 1878 S. 163
u. folg.
-ocr page 119-
105
daarvoor in onwettig of wettig geslachtsverkeer genezing te
zoeken. Ten bewijze dat de onanie zelden de in populaire
geschriften zoo dikwijls geschilderde zielsziekten veroorzaakt,
veroorloof ik mij uit de officiëele statistieke rapporten van
Zweden en Engeland de volgende cijfers aan te voeren.
In de gezamenlijke hospitalen van Zweden werden opge-
nomen in:
ziekten tengev,
V.
onanie.
1883 een getal
van
643 pat.
25
1884 „ „
»
704 „
19
1885 „ . ,
B
744 „
22
1886 „
»
741 „
35
1887 „
n
791 ,
35
Totaal 3,623 pat.                  136
wat aan lijders door onanie 3,7°/0 geeft. In deze berekening
zijn al de gevallen opgenomen waar de onanie eene bijko-
mende omstandigheid was, maar geenszins als de eenige
oorzaak van krankzinnigheid mocht worden beschouwd.
De cijfers die over de drie laatste jaren omtrent Engeland
openbaar werden gemaakt zijn:
opgenomen in
ziekten waarvan de
het hospit.
onanie
als oorzaak wordt
beschouwd.
1885
13,158 pat.
160
1886
13,624 „
163
1887
14,336 „
203
en hier is het procentgetal voor het jaar 1885 1,2 pet. van het
geheel (2,2 bij mannen, 0,3 bij vrouwen\'); voor 1886 1,1 pet.
van het geheel (2,0 bij mannen, 0,3 bij vrouwen); voor 1887
1,4 pet. van het geheel (2,6 bij mannen, 0,2 bij Yrouwen),
-ocr page 120-
106
Daar ik weet dat er eene groote schare van mannen bestaat,
voor het meerendeel niet medisch\') ontwikkelde personen,
die uit alle macht de onzedelijkheid, onnatuurlijkheid en
schadelijkheid der onanie op den voorgrond plaatsen en haar
willen genezen door onwettigen geslachtsomgang, vind ik het
mijn plicht tegen dergelijke averechtsche voorstellingen op
te komen.
Deze beschouwingen hebben eene bepaalde uitdrukking ge-
vonden in het polemisch geschrift van den heer Gustaf af
Geyerstam
tegen Lector Personne. De eerste verklaart, dat
wanneer iemand tot onanie is vervallen, het noodzakelijk\'1)
voor hem is de werkelijkheid aan te grijpen om aan de hallu-
cinaties van de verbeelding te ontkomen. s) Hij keert zich
daarom met de grootste scherpte tegen Personne en zegt
verder:
„Ik voor mij vind zelfbevlekking het walgelijkste van alles,
en als men hare uitwerking kende op het karakter en de
zielshoedanigheden, zou men niet geneigd wezen om eene
rangregeling te maken als de groote zedelijkheids-cijferaar P.
zich veroorlooft. De opvoeders en psychologen hebben juist
hunne geheele opmerkzaamheid en al hunne krachten te
richten op het uitroeien van de onanie. Want eerst wanneer
zij ophoudt regel te zijn, wat nu het geval is, is het denk-
baar dat de mannelijke physiek kracht genoeg zal krijgen om
onregelmatige driften te beteugelen.
Wil men een tendenz in mijn boek zoeken dat enkel eene
vertelling uit het leven is, dan mag men haar hierin zoeken.
Eene andere strekking behelst het niet." 4)
1)   Zonderling genoeg heeft een dokter, P. Mantegazza, schrijver van de „Phy-
siologio der Liefde", zich als een der hunnen doen kennen; hü zegt o. a. „dat
men in plaats van de onanie, honderd malen liever do kwalen der kuischheid,
ja zolfs de prostitutie mot haar vuil moet kiezen". De vereeniging van kuisen
heid en hot vuil der prostitutie is hier zeer eigenaardig.
2)   Kurs. af S. R.
3)   Aangeh. werk bl. 24.
4)   „Erik Grane", af G. af G,
-ocr page 121-
107
Door phrasen als bovenstaande wordt er jaarlijks vrij wat
kwaad gesticht onder de jeugd. Men versterkt haar in de
noodlottige dwaling dat zij, niet alleen om de onanie te be-
strijden, maar ook tegen elke kleine stoornis der gezondheid,
die een raadgevende lichtmis aan onanie toeschrijft, in
onwettigen geslachtsomgang genezing moeten zoeken.
Ik wil hier nog bijvoegen, dat naar mijne ervaring, uiterst
zelden een onanist, na zich aan een samenleven met prostituees
te hebben gewend, tot een zedelijk leven is teruggekeerd. Is
hij eens zoo dwaas geweest tot dat geneesmiddel zijn toevlucht
te nemen, dan verbeeldt hij zich altijd, dat zijn toestand een
voortdurend gebruik er van vereischt.
In bovenstaande regelen heb ik een half toestemmend
oordeel aangehaald van een Fransch geneesheer, maar ik ben
verplicht te zeggen, dat men overigens in al de medische
literatuur niets van zoodanigen aard vindt. Ik kan daar een
citaat van Sir James Paget tegenoverstellen:
„Velen van uwe patiënten zullen u vragen doen aangaande
het sexueele leven, in de hoop dat gij hun ontucht zult
voorschrijven." — — — — — _________
„Kuischheid schaadt ziel noch lichaam; hare discipline is
uitstekend; men kan gerust met het huwelijk wachten; en
onder de vele zenuwachtige, zwaarmoedige patiënten, die
met mij over ontucht hebben gesproken, heb ik niet één
hooren beweren dat hij door geslachtsomgang frisscher of
gezonder was geworden." \')
Mijne eigene ervaring stemt volkomen met die van Paget
overeen. Evenmin als ik een don Juan zou raden zijn toe-
vlucht te nemen tot onanie, evenmin zal ik een onanist den
raad geven in ontucht genezing te zoeken.
De heer Geyerstam is op dit punt al te onwetend en te
onkundig om eenigen raad aan leeraren en opvoeders te
1) Citaat van Beale. Aangeh. werk bl. 99,
-ocr page 122-
108
mogen geven. Hij vervalt in dezelfde fout die hn\' Personne
verwijt, n.1. eene rangregeling te geven van het kwaad, maar
hij doet het in eene tegenovergestelde richting. Wanneer men
in het groot de sociale, nationaal economische en persoonlijke
schade vergelijkt, die aan den eenen kant door onanie, aan
den anderen door ontucht en de daaraan verbonden ziekten
wordt veroorzaakt, dan daalt de weegschaal oneindig lager
voor de laatste.
Dat de opvoerders in dit opzicht eene groote missie hebben
te vervullen, begrijpt de heer Personne vrij wat beter dan de
heer Geyerstam, want de eerste komt met de grondbeginselen
der godsdienstige ethiek en den eisch tot zelfbeheersching; de
laatste rukt enkel in het veld met de leer: over het nut van
de natuurlijke genietingen.
Het is dunkt mij zoo natuurlijk hier den wensch uit te
spreken, dat alle ondeugden en afdwalingen, die op dit punt
bestaan, ter genezing of liever ter behandeling werden over-
gelaten aan doctoren en opvoeders. Ik overschat de roeping
der zieleherders niet; ik weet dat er geen grooter drijfkracht
bestaat dan de godsdienstige, ik beschouw het als een religieus-
ethisch streven „zich rein te bewaren voor het oog van God
en dat hot oprecht gebed om kracht daartoe, ontegenzeggelijk
de beste waarborg is voor de zedelijkheid"; maar door boven-
staand heb ik de grenzen der inmenging van de geestelijk-
heid in deze zaak bepaald. Tengevolge van het onderwijs en
de opvoeding, die hare leden tegenwoordig ontvangen, eene
opvoeding waarin van practische psychologie geen sprake is,
die hun niet leert eene menigte abnormale zielstoestanden,
waarvan de oorzaken op physisch-psychisch terrein zijn te
zoeken, te begrijpen en te beoordeelen, is het den geeste-
lijken stand onmogelijk om alzijdig eene quaestie als deze te
beoordeelen. Het zou daarom gemakkelijk kunnen gebeuren,
dat een om raad gevraagde zieleherder, bij eene bekentenis
van de straks aangeduide soort, iets als eene zware zonde
beschouwt, waaraan de patiënt niet de geringste schuld had.
Indien do geestelijken in het algemeen zooals enkele leden van
-ocr page 123-
109
hunnen stand dit doen, inzagen dat de dokter in zulk soort van
zaken een woord heeft mee te spreken, en dan daarenboven
op de raadvragenden invloed wilden uitoefenen door zedelijke
middelen, hun den weg wijzend en hunne krachten sterkend
in den zwaren strijd met den vijand, dan zou door zulk eene
samenwerking het heil der jeugd worden bevorderd. Het is
verleidelijk hier eene uitvoerige beschrijving te geven van
al de middelen en raadgevingen waardoor men de jeugd
van het verderf der zelfbevlekking zoekt te redden, maar dit
zou mij te ver voeren en ik moet mij daarom bepalen tot de
verzekering, dat ieder tot dit doel meewerkt, die zijne zorg
wijdt aan de lichamelijke en zedelijke gezondheid der jeugd.
Een frisch en gezond leven, voldoende lichaamsbeweging,
niet te veel stil zitten, een voedend maar niet prikkelend
diöet, matigheid in het gebruiken van stimuleerende genot-
middelen, tamelijk harde bedden (nooit veeren), licht dek,
vroeg opstaan, koude wasschingen en soortgelijke middelen
maken de hoofdzaak uit zoowel bij eene behandeling die
zoekt te voorkomen als die tracht te genezen.
Wat de zedelijke zijde der quaestie betreft, — — — is
vertrouwelijkheid tegenover de ouders het voornaamste, en van
de zijde der ouders: een verstandige verklaring dor geslachts-
organen, van hun doel en de zorg er voor. \')
De manbare jongeling en de volwassen man die geen
geregelden geslachtelijken omgang genieten, ontkomen zelden
geheel aan nachtelijke zaadvloeiingen (polluties). "Wanneer
deze niet al te dikwijls voorkomen, behoeft men ze niet
als kwaad of schadelijk te beschouwen, maar veeleer
als een hulpmiddel der natuur om het orgaan te bevrijden
1) Een Amerikaansch geneesheer verklaart dat de Indiaansche kinderen byna
nooit zich schuldig maken aan zelfbevlekking. (Beare & Eockwell: „Sexueele Neu-
rasthenie". Wien. 1855 S. 65). en dr. H. Weber zegt in eene rede over het school-
leven in Engeland, dat dit kwaad zeldzamer voorkomt dan op hot Continent, een
resultaat dat hy aan do vele lichaamsocfeningon der Engelschen toeschrijft.
-ocr page 124-
110
van het onaangenaam gevcel dat met te groote plethora
samengaat.
Hoe dikwijls zulke vloeiingen kunnen plaats hebben zonder
schade voor het organisme, is niet door algemeen geldige
cijfers te bepalen. Komen ze niet vaker voor dan om de 10,14
nachten, dan behoeft men zich niet te verontrusten, zelfs
niet al voelt men zich een paar dagen daarna eenigszins
slapper, minder opgewekt en krachtig dan gewoonlijk. De
natuur brengt na zulk een verlies alles weldra weer in het
evenwicht. Deze vloeiingen kunnen geheel van zelf komen;
de zenuwwerkzaamheid die daarvoor noodig is, kan loopen
van en naar het ruggemerg als eene zuivere reflexbeweging,
zonder dat de centra in de hersenen van het voorstellings-
vermogen of van den wil, er iets mee te maken hebben.
Tot zoo ver kunnen zij dus volkomen onafhankelijk, ja zelfs
tegen den zin van den persoon in quaestie ontstaan. Toch
dient er aan herinnerd, dat alleen hij, die in sexueele zaken
zijne wilskracht tracht te stalen, in dezen volkomen onschul-
dig is. Wanneer men zich over dag verdiept in erotische
phantasieön, en zijne ziel vult met allerlei zinnelijke beelden,
die eene prikkelende lectuur aanbiedt, dan heeft men voor een
groot deel het zichzelven te wijten dat deze zaadvloeiingen
zoo dikwijls komen dat zij gezondheid en kracht in gevaar
brengen.
De studeerende jongelingschap staat in dit opzicht aan
grooter verleiding bloot dan hij die met zijn lichaam werkt.
Bij de eersten kan men in den regel, ondanks goede hygiëne
en zedelijke zelfopvoeding, de polluties niet tot zulk een
gering aantal beperken als by de laatsten. De physieke en
psychische gezondheidsmaatregelen, die men moet nemen om
bovengenoemd verschijnsel te leiden, blijken duidelijk uit het-
geen reeds is gezegd.
Bijzondere stoornissen behooren natuurlijk aan het oordeel
Yan een geneesheer te worden onderworpen.
-ocr page 125-
111
Ik kan dit onderwerp niet laten varen zonder de afdwa-
lingen van de geslachtsdrift te bespreken, alhoewel het noemen
en beschrijven daarvan stuitend is voor het gevoel. Ik meen
de storingen in het lichaams- en zieleleven, die men perverse
of contraire geslachtsdrift heeft genoemd, en die zich in
vervlogen tijden vrij sterk heeft geuit in pederastie.
Deze laatstgenoemde uiting van onnatuurlijke drift maakt
voor de crimineele wetgeving en de psychiatrie de gewich-
tigste vorm uit van eene menigte verschillende onnatuurlijk-
hedeu; zij wordt verdeeld in actieve en passieve; in de eerste
tracht de man in plaats van eene vrouw, een man of jonge-
ling te gebruiken, die hem ter vervanging van de vrouwelijke
scheede zijn endeldarm aanbiedt. Het is een in de Grieksche
geschiedenis bekend feit, dat de Grieken, ja zelfs velen van
hunne grootste mannen, zich aan deze walgelijkheid bezon-
digden. Uit de Romeinsche satirische dichters blijkt dat zij
onder den tijd van het Romeinsch verval, in dat rijk bekend
was, en zich uitbreidde. Het kan voor u zeer leerzaam zijn
een deel dier geschiedenis te zien, verlicht door den fakkel
der medische wetenschap en ik kies daartoe den Romeinschen
keizertijd.
Ik wil u geen in marmer gehouwen Romeinsche keizers
voorstellen, gebeiteld door hof-artisten die met talentvolle
meegaandheid, aan het nageslacht de beelden dier mannen
hebben nagelaten, wel gestempeld door natuurgetrouw
realisme, maar ook door idealiseerende vleierijen; het zijn
menschen van vleesch en bloed en daarenboven van zeer
bedorven vleesch en bloed, die ik zal teekenen.
Hier vindt men de meest gecompliceerde, onder de gun-
stigste verhoudingen zich ontwikkelende vormen van sexueele
abnormaliteit. Aangeboren neiging, verkeerde opvoeding, onzede-
lijke omgeving, in één woord alles wat het ontstaan van de
akeligste, meest verschillende vormen van afwijking der
geslachtswerkzaamheid begunstigde. En desniettegenstaande
kan men bij eene nauwgezette bestudeering van uitstekende
personen, die door eigen talentvolle tijdgenooten werden
4
-ocr page 126-
112
geschilderd, in algemeene trekken de karakteristieke eigen-
aardigheden voor de door ons ontworpen hoofdtypen her-
kennen.
„Van Julius Caesar tot en met Diocletianus hebben wij eene
serie pathologische sujetten die met het oog op de geslachts-
werkzaamheid uiterst belangwekkend en leerrijk zijn. \')
Julius Caesar was verwant aan Marius, den overwinnaar
der Kimbren en Teutonen, die aan de gevolgen van dronken-
schap bezweek. Caesar zelf leed, zooals bekend is, aan
vallende ziekte en had eene zeer sterk ontwikkelde geslachts-
drift waarvan zijne vele liefdesavonturen getuigenis afleggen. *)
Hij was in dat opzicht zóó bekend, dat zijne soldaten
spotliedjes op hem zongen en Cicero epigrammen schreef, die
overal werden verspreid. Toen hij, oud geworden, impotens
was, werd hij een passieve pederast, waarom „Curio pater
quadam eum oratione omnium mulierum virum et omnium
virorum mulierem appellat".
Augustus had tal van buitenechtelijke geslachtsverbinte-
nissen en brak gedurende geruimen tijd de huwelijkstrouw,
wat door zijne vrienden verontschuldigd werd door de bewe-
ring, dat hij geen ontrouw beging uit hartstocht, maar omdat
hij den vrouwen het gemakkelijkst de plannen van zijne
tegenstanders kon ontlokken. Desniettegenstaande had hij de
brutaliteit op zijn sterfbed tot zijne vrouw te zeggen: „Denk
aan ons gelukkig huwelijk!"
Tiberius was oen drinker, wat hem den bijnaam van
Biberius bezorgde; zijn leven is een kennelijk type van een
zedelijk verlaagd persoon, die zijn leven eindigt in dementia
senilis
(sufheid).
1)   Tarnowsky. Die krankh. Erschei mingen des Geschlochtssinnos. Berlin
1886, S. 93.
2)    De bronnen voor deze en volgende opgaven de Homeinsche geschiedenis be-
treffende zijn C Suetonii Tranquilli quae supersunt omnia ree. C. L. Botli, Lips.
MDCCCLXII; Petronü Arbitri satirarum reliquiae ex recens. Francisci Bueclieleri,
Bcrolini MDCCCLXII. Taciti Annales, Juvenalis, Martialis e. m. a.
-ocr page 127-
113
Tijdens zijn verblijf op Capri kwamen duidelrjk de akelige
trekken aan het licht, die in vele gevallen door sexueele
perversiteit ontstaan. Bij menigten werden de lijken van
doodgemartelde jongens en meisjes uit de woning van den
krankzinnigen tiran verwijderd om uit den weg geruimd te
worden.
Caligula is een soortgelijk wezen; met zijne zieke zenuwen
vervalt hij tot sexueele buitensporigheden; huwelijken en
scheidingen wisselen in zijn leven af, tot ook hij ten slotte
pederast wordt.
Claudius was een drinker en kon zich zeker voor zijne
sexueele extravagances op zijn ongelukkig huwelijk beroepen ;
toch merkt men in de afschuwelijke straffen die hij voor mis-
dadigers uitdacht en de wijze waarop hij de gladiatoren ter
dood liet brengen, een pathologischen trek, die aan zijn ge-
slacht en voorgangers herinnert.
Nero had eene hartstochtelijke, zinnelijke natuur. Zijne
geheele ontwikkelingsperiode getuigt van liederlijkheid en toch
had hij eene zekere mate van beschaving. — Eerst verkracht
hij eene Vestaalsche maagd, later laat hij Sporus castreeren,
zich plechtig met hem in den echt verbinden en geeft daar-
door aanleiding tot het bekende gezegde: bene agi potuisse
cnm rebus humanis, si Domitius pater talem habuisset uxorem.
Hij mishandelt zijne minnaressen met de geraffineerdste wreed-
heid en tegelijkertijd geeft hij zich alspassiefpederastaaneen
vrijgelaten slaaf, om van andere buitensporigheden te zwijgen.
Galba en Vitellius zijn eveneens pederasten. Vespasianus
drinkt en leidt een loszinnig leven. Titus heeft twee ken-
merkende karakterfouten: onmatigheid en wreedheid. Om ons
niet op te houden met al die uiterlijke bijzonderheden van
de geheele volgende keizersschaar, wil ik hier alleen nog
meedeelen dat Hadrianus\' neiging voor Antonius volstrekt niet
van platonischen aard was. Het bekende humeur openbaart
zich ook weer bij dezen keizer, waarom hij zelfs in eene
schildering door een zijner trjdgenooten als volgt wordt
geteekend:
8
-ocr page 128-
114
„Het goede wisselt bij hem af met het kwade: nu eens
is hij zacht dan weer onmenschelijk wreed; hij is goedaardig
maar prikkelbaar en wraakzuchtig ; de ondeugd wordt gevolgd
door berouw, nederigheid door uitingen van ziekelijke ijdel-
heid, rechtvaardigheid door bestialiteit."
„Zulke tegenstellingen in het karakter, die zóó sterk uit-
komen dat zij door de geschiedschrijvers van dien tijd werden
opgemerkt, beantwoorden volkomen aan de pathologische
gevolgen van psychische degeneratie." — — - — — — —
„In dezen afgrond van alle denkbare zinnelijke buiten-
sporigheden behouden de pathologische typen hunne zuiver-
heid en wekken belangstelling door de gelijkvormigheid waarmee
zij zich openbaren. De almachtige Romeinsche keizers leggen
bij hun geslachtsverkeer dezelfde abnormaliteiten aan den dag
als een individu in onze dagen, die nooit van de Romeinen
of van sexueele perversiteit heeft gehoord." \')
Bij de behandeling van onderwerpen als het onderhavige
moeten de menschen van de negentiende eeuw bedenken
dat die akelige phenomenen zijn te beschouwen als symp-
tomen van reeds ontwikkelde of in staat van ontwikkeling
zijnde zielsziekten; ik wil mij hier niet in bijzonderheden
verdiepen, die van het grootste belang zijn voor psychiatristen
en rechtsdoctoren; ik wil alleen er maar op wijzen dat pede-
rastie en andere sexueele afdwalingen somwijlen hare oorzaak
vinden in aangeboren psychose, in epilepsie, in dementia senilis
en dergelijke. Voor het groote publiek, dat zich meer heeft bezig
te houden met hygiëne en zedenkunde dan met medische
bijzonderheden, hebben toch de niet erfelijke pederastie en
daarmee verwante vormen de grootste beteekenis.
Letterkundige auteurs, zooals August Strindberg, in zijn
„Giftas" en in de vertaling „Dygdens Ion", trachten hunnen
tijdgenooten diets te maken dat deze vormen voortspruiten
1) Tarnowsky. aangeh. werk. Bi. 95, 9Q.
-ocr page 129-
115
uit het beletsel van natuurlijken geslachtsomgang. Zulk eene
ontwikkeling behoort in onze vrije maatschappij tot de grootste
zeldzaamheden; daarentegen zijn er dikwijls geheel andere
redenen, die ik door woorden van vakmannen zal toelichten.
Tarnowsky zegt: „Bij zinnelijke personen maakt niet zelden
de geslachtsfunctie gedurende eene zekere periode het hoofd-
moment van het leven uit — — — — — — — — — —
Maar wanneer zulk een individu, die het grootste deel van
zijn leven in veelvuldige geslachtsgemeenschap met vrouwen
doorbrengt en voor niets belangstelling heeft dan voor het-
geen met het geslachtsleven in verband staat; wanneer
tengevolge van voortgezette excessen, onmatig geslachtsgenot
en andere oorzaken, ondanks zijne sterke lusten, zijn
geslachtsdrift vermindert, grijpt hij naar andere, steeds meer
prikkelende middelen, — — — hij grijpt soms de passieve
pederastie als een nieuwen stimulans aan." — — — — —
Een ander wetenschappelijk man schrijft over deze zaak
het volgende:
„Eene tweede categorie van pederasten maken de oude
wellustelingen uit, die oververzadigd van gewoon geslachts-
genot, in de pederastie een middel vinden om hunne begeerten
te prikkelen. — — — — — — — — — — — — — —
Daarmee herstellen zij voor een tijd hunne somatisch en
psychisch zeer verminderde potentia. — — — — — — —
Dit soort van pederasten is voor de maatschappij het
gevaarlijkst, omdat zij jacht maken op jongens en dezen naar
lichaam en ziel bederven." \')
Tot dezelfde meening komt, op grond van zijne ambts-
ervaringen, een politiebeambte van hoogen rang in Parijs. 2)
Men zou zeggen dat elk gezond menschenkind zich met
1)   Krafft-Ebing. Psychopath. soxual. S. 106.
2)    Carlier. Les deux prostitutious. Parus 1887, p. 4G7.
6*
-ocr page 130-
116
afschuw en smart zou afwenden van deze donkere zijden
des levens, waar de bedorven ellendelingen in nacht en
donker hun spel spelen. Dit is echter niet het geval. De
wijsgeer Schopenhauer die vóór een der anderen van zijne
speculeerende kameraden, de pederastie in verband met ouder-
dom en lichaamsgesteldheid bestudeerde, kon het niet over
zich verkrijgen deze ziekelijke stoornissen en dit zedenbederf te
laten gelden voor hetgeen zij zijn. Hij kon den lust niet
weerstaan zijne opmerkingen dienaangaande in zijn philoso-
phisch systeem in te lasschen. Hij meent, dat daar de
natuur meer werkt voor het behoud der soort dan voor dat
van het individu, deze zelve de pederastie heeft gekozen als
een uitweg, om het verzwakken der soort te verhinderen
door een schotje te steken voor den invloed van te oude vaders
op de bevolking. \')
De werkelijkheid wederlegt deze opvatting van den excen-
trieken philosoof. In de eerste plaats heeft hij slechts ééne
zijde der zaak, of den senielen vorm, zijne aandacht geschon-
ken, en ten tweeden heeft hij voorbijgezien, dat deze zoowel
als alle andere vormen het menschengeslacht groote schade
toebrengt door het bederven van jongens en jongelingen,
en dit juist wat hun gezondheid en generatie-vermogen
betreft.
Onze literatoren der nieuwe school hebben natuurlijk dit
onderwerp niet kunnen laten rusten.
Sirindberg\'s voorstelling van de zaak in zijne vertelling
„Het loon der deugd" is reeds genoemd. Dezelfde schrijver
heeft later eene beschrijving gegeven van de pederastie in de
moderne maatschappij, en alhoewel hij zich in onduidelijke
woorden en phrasen uitdrukt, schijnt men er toch uit te
moeten opmaken, dat hij geene gezonde opvatting heeft van
de physische en psychische zijden dezer afdwalingen. 2)
1)   Die Welt als Wille und Vorstellung. II Aufl. Nouo Ausgabe. Leipzig 1888.
BI 643 en vlg.
2)   Giftas II Berattolscn. Don brottsliga naturen.
-ocr page 131-
117
De heer Ola Ilanson geeft ook eene proeve over dit onder-
werp ten beste.
Hij erkent, o zeker, dat zulk eene verbintenis tusschen
twee individu\'s van hetzelfde geslacht — in heel hare geslach-
telijke grofheid, iets akeligs, zwijnachtigs is, maar later komt
hij met de schildering voor den dag dat een man zeer intiem
kan worden met een individu van zijn eigen geslacht door
een gevoel dat niet het grofzinnelijke is, maar toch iets ge-
heel anders en veel dieper dan gewone vriendschap. Wanneer
men dan te hooien krijgt, dat het voorworp dier warme ge-
voelens een jonge kellner is, wordt de zaakkundige nog wan-
trouwender en voelt hij den lust bij zich opkomen, den held
van Ola Hanson op het innigst aan te raden dit gevoel niet te
vertroetelen als een psychologisch feit, maar er tegen te
stijden als tegen eene psychopathische stoornis.
Vele schrijvers van zeer verschillende richtingen hebben
zich voor \'t overige zeer verontwaardigd getoond over de
steeds toenemende verkrachtingen en aanvallen op meisjes.
Het is eigenaardig op te merken dat het meerendeel van die
misdaden wordt begaan tegenover minderjarigen. Tardieu kon
in Frankrijk tegen 4.360 aanslagen op vrouwelijke indivi-
du\'s boven de 14 jaar niet minder dan 17.657 stellen, begaan
op kinderen onder dien leeftijd; de rechtsmedische schrijvers
Casper en Liman in Berlijn, vonden dat in hun land 84 pet.
van de verkrachte meisjes ternauwernood den kinderschoenen
was ontwassen. \')
Bij het beoordeelen van dit stuitend feit moet men niet
vergeten, dat de oorzaak er van dikwijls dient gezocht te
worden in eene soort van ziekelijken toestand. Idioten, half
1) Real-Encyklopaedio d. mod. Wiss. II BI. 98 e. vlg.
-ocr page 132-
118
gekken en ouden van dagen begaan dikwijls dergelijke hande-
lingen; verder, geblaseerde wellustelingen, die hunne zinnen
willen prikkelen door meer ongewone en minder natuurlijke
middelen; bij ons in Zweden hebben dikwijls gewelddadige
aanrandingen plaats, omdat de ellendelingen in de door de
traditie bewaarde meening leven dat zij eêne zekere vene-
rische ziekte kwijt zullen raken, als zij haar kunnen over-
brengen op eene reine maagd. En voor do zekerheid kiest
men dan een kind. De onbeteugelde maar natuurlijke ge-
slachtsdrift kiest zelden minderjarigen voor haar doel.
Tot goed begrip van al deze dingen zijn misschien de
volgende woorden van Krafft-Ebing van toepassing:
„De crimineele statistiek toont het treurige feit aan, dat
sexueele misdaden in ons moderne leven meer en meer toe-
nemen.
De moralist ziet in deze droevige feiten niets dan een
verval der algemeene zedelijkheid en komt eindelijk tot de
gevolgtrekking, dat de al te zachte straffen, die op sexueele
misdaden zijn gesteld, in vergelijking met die, welke in
vorige eeuwen werden toegepast, daarvan ten deele de schuld
hebben.
De medische onderzoeker kan de gedachte niet weren dat
dit verschijnsel in het moderne leven in verband staat met
de hand over hand toegenomen zenuwachtigheid der laatste
geslachten. De omstandigheden brengen het als het ware mee
dat de jongelieden zenuwachtig worden en het sexueele leven
wordt geprikkeld, waardoor als van zelf geslachtelijke mis-
bruiken ontstaan die bij blij venden lust en verminderde potentia
leiden tot tegennatuurlijke sexueele handelingen. - - — — —
De rechterlijke en wetgevende macht blijken nog geringe
kennis te bezitten van deze door psycho-pathologische onder-
zoekingen ontdekte feiten.
-ocr page 133-
119
— — - Het gebeurt daarom dikwijls dat een misdadiger
die voor de maatschappij gevaarlijker is dan een moordenaar
of een wild dier, tot eene lichte gevangenisstraf wordt
veroordeeld, en zoodra hij die heeft uitgezeten in de maat-
schappij terugkeert, terwijl wetenschappelijke onderzoekingen
zouden hebben kunnen leeren dat de bedrijver een krank-
zinnige, een sexueel ontaard mcnsch was, dien men voor altijd
onschadelijk moest maken, maar die niet bestraft moest
worden. \')
Uit de geschiedenis blijkt keer op keer dat tegennatuurlijk
sexueel leven tot staats-oplossing leidt, tot ondergang van
een volksstam. Het zoo hoog begaafde Grieksche ras verloor
zijne macht na verloop van slechts eenige geslachten; het
Romeinsche volk ging eveneens ten gronde nadat het ontrouw
was geworden aan zijne eenvoudige zeden die voorheen zijne
sterkte uitmaakten. Toen Paulus voor zijne geloofsgenooten
een bewijs wilde bijbrengen, dat het heidendom had afgedaan,
dat er iets nieuws in de plaats moest komen, koos hij, met
recht, de ontaarding van het geslachtsleven...... „want de
vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het
gebruik tegen nature.
En insgelijks ook de mannen — nalatende het natuurlijk
gebruik der vrouw — zijn verhit geworden in hunnen lust
tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrij-
vende, en de vergelding van hunne dwaling, die daartoe
behoorde, in zich zelf ontvangende." 2)
In bovenstaande regelen heb ik meer dan eens de sexueele
zenuwachtigheid genoemd. Vóór ik van dit onderwerp afstap,
1)   Psychopath. sex. S. SM, 95.
2)    Bom. I: 26. 27.
-ocr page 134-
120
vind ik het mijnen plicht, er aan te herinneren, dat het
publiek, evenals sommige doctoren, meent, dat voor dit lijden
hulp is te vinden in het huwelijk. Dit is eene dwaling en
eene gevaarlijke dwaling. Ik weet zeer goed, dat vele zenuw-
achtige lieden onder een natuurlijk echtelijk samenleven een
vroeger gestoorde gezondheid herwinnen, maar ik weet óók,
dat zeer velen daardoor nog erger zijn geworden. Behalve
aan de physisch-hygiönische zijde, heeft men ook aan de psy-
chische te denken. Deze eischt dat een huwelijk gesloten
worde in volkomen sympathie en bij overeenstemming van
karakters, zoodat men op toekomstig geluk mag rekenen.
Wanneer nu een zenuwachtig man van een geneesheer den
raad krijgt: te gaan trouwen, haast hij zich allicht om dien
raad op te volgen, en ten einde geen blauwtje te loopen of
om te voorkomen dat het huwelijk te lang wordt uitgesteld,
zoekt hij dikwijls eeno vrouw uit een lageren stand, die naar
hij vertrouwt niet zal aarzelen de zijno te worden. Ik zou
voorbeelden kunnen aanhalen van mannen die direct na de
consultatie naar huis gingen, aanzoek deden om eene jonge
dochter, trouwden en misschien een of meer jaren bevrijd
waren van hunne zenuwachtigheid; maar vroeg of laat wordt
deze door gebrek aan overeenstemming, door onrust en
verdriet over gestoorde familiebetrekkingen, flnancieelen
druk, enz., enz. weer opgewekt. Ik voor mij raad nooit
een huwelijk aan; ik tracht enkel bij zulke schepselen de
hoop levendig te houden, dat zij eens in staat zullen zijn
echtelijk geluk te genieten, maar ik laat hun tevens voelen
dat dit van veel strengere voorwaarden afhangt, dan men
gewoonlijk meent.
Ik zal nu een ander kapittel behandelen, namelijk de
venerische ziekten.
Ik herinner mij dat ik eens te Lundagard met twee jon-
-ocr page 135-
l-\'l
gere medeburgers der academie wandelde. Het gesprek viel
op dit onderwerp.
„Zou men," zei een van hen „de gevolgen van
deze ziekten niet als zóó gevaarlijk kunnen voorstellen, dat
de jeugd daardoor werd afgeschrikt, zich aan haar bloot te
stellen?"
„Dit zou misschien mogelijk zijn," was mijn antwoord,
„maar het is niet zeker of het nuttig en goed zou zijn, want
wij doctoren hebben ook te strijden met de wanhoop die zich
somwijlen van lijdende of niet lijdende jongelingen meester
maakt. Daarom is het goed dat wij de gevolgen niet met al
te sterke kleuren hebben gemaald. Het beste is zuiver en
eenvoudig de waarheid te geven."
Ik herinner met voordacht aan dit gesprek, omdat ik mij
in hetgeen volgt stipt aan dat grondbeginsel zal houden.
Van de venerische ziekten noem ik het eerst: het druipen
(gonorrhoe).
Dit is eene door bacteriën veroorzaakte ontstoking in de
uiïnebuis (of in de scheode der vrouw) die zich openbaart
door uitvloeiing, pijn, scherpte bij het urineeren, enz. enz.
Alhoewel dit door lichtmissen als eeno kleinigheid wordt
beschouwd, kunnen de gevolgen erg genoeg zijn. Zij kan
in de eerste plaats bijzonder hardnekkig worden en niettegen-
staande eene juiste behandeling, van zeor langen duur zijn.
Ten tweeden kan zij aanleiding geven tot ontsteking in de
bijballen, tot het zoogenaamde druiper-rheumatisme, een hevig,
dikwijls jarenlang lijden, dat gevaarlijke vernauwingen der
urinebuis ten gevolge kan hebben; zij kan door het oog te
besmetten dit geheel verstoren; zij kan in het huwelijk,
wanneer de ziekte bij den man bijna overwonnen schijnt, bij
de vrouw den grond leggen voor een hevig dikwijls levens-
lang onderbuikslijden (ontsteking der eierstokken, salpingitis);
het druipen kan zich zelfs op den ouden dag nog weer open-
baren in den vorm van ziekten en storingen in de urinewegen ;
zij kan verder door voortdurende ontstekingen de geslachts-
organen van den man verzwakken, zoodat deze zeer geschikte
-ocr page 136-
122
punten van aanval worden voor de steeds overal aanwezige
tuberkel-bacil. Menigeen is als man ten offer gevallen aan
urogenitale tuberculose, waaraan hij stellig niet zou bezweken
zijn, indien niet de kiem daarvoor was gelegd door vroegere
ontstekingen in de urinebuis en bijballen.
Nu moeten wij eenige aandacht wijden aan den oen-
voudigen sjanker (ulcus venereum simplex). Deze is op zich
zelf niet moeielijk te genezen, maar er komen niet zelden
lastige complicaties bij voor, die bestaan in hardnekkige, etto-
rige klierontstekingen, welke soms uiterst moeielijk zijn te
genezen, een langdurigen, ziekelijken toestand kunnen ver-
oorzaken, ja, dikwijls eene pijnlijke operatie noodzakelijk
maken.
Als tegenstelling van de tot nu toe genoemde ziekte-
vormen kan de syphilis worden genoemd. Deze is nooit
plaatselijk, maar altijd constitutioneel. Alhoewel zij zich meer
bijzonder in het eene of andere orgaan openbaart, doordringt
zij toch het geheele lichaam met al zijne weefsels en spieren.
Men houdt het voor waarschijnlijk dat ook de syphilis door
eene bacil of microbe wordt veroorzaakt, maar weten doet
men dit nog niet. In dat geval zou men te doen hebben met
eene bacil van buitengemeene taaiheid, een organisme, dat
gedurende het geheele leven in het eens door hem aange-
grepen menschelijk lichaam blijft, eene bacil die wel verzwakt
en verlamd kan worden, maar niet gedood door de middelen
die de medische wetenschap tegen haar heeft aangewend.
Ofschoon er eene menigte lichte syphilisgevallen voorkomen,
geldt als regel hel woord van een Engelsch geneesheer:
„syphilis once, syphilis ever", want zelfs hij die gedurende
vele tientallen van jaron frisch en gezond was en geen
enkel symptoom meer bespeurde, kan op zijn ouden dag
door den een of anderen ziektevorm er aan worden herinnerd
dat de smetstof niet geheel was verdreven.
Als gij wenscht te weten hoe syphilis zich openbaart,
kan ik dit slechts zeer kortelijk doen, want zoodra ik ook
maar cenigszins uitweidde, zou dit te veel tijd kosten. Zij
-ocr page 137-
123
vertoont eerst een oorspronkelijke zweer met hardachtigcn
bodem (sclerosis primaria), de eigenlijke ingangspoort der
ziekte, verder huiduitslag van verschillenden vorm en voor-
komen, ontsteking van de slijmvliezen, het uitvallen van het
haar, beeneter in verschillende vormen, opzetting van de lever,
uitzettingen en andere veranderingen in de hersenen en het
ruggemerg, dikten in de ballen, enz., enz.
In het bovenstaande zijn enkel de meest voorkomende
ziekelijke veranderingen opgesomd; men kan er nog bijvoegen,
dat bijna elk orgaan van het lichaam op de eene of andere
wijze door syphilis kan worden aangetast. Dit zijn echter
slechts de middellijke gevolgen der ziekte. Maar syphilis
heeft eene menigte onmiddellijke gevolgen, dat wil zeggen,
zij kan in meerderen of minderen graad het lichaam voor-
beschikt maken tot andere groote storingen, en daaronder
noem ik in de eerste plaats ruggemergslijden (tabes dorsalis)
en eene algemeene verzwakking der zinnen (paralysis pro-
gressiva).
Het schuldenregister der syphilis ten opzichte van secon-
daire, daaruit ontstane ziekten, is nog niet voltooid. Hoe
meer de medische wetenschap zich ontwikkelt, hoe meer er
op dat register wordt aangeteekend. Men begrijpt dus gemak-
kelijk dat syphilis gevaarlijk kan worden, maar de graad, de
uitgebreidheid van het gevaar zoudt gij zeker het liefst door
eenig cijfer zien uitgedrukt. Dit kan ik u evenwel niet geven.
De sterftecijfers der hospitaalstatistiek zijn veel te laag omdat
de patiënten daar gewoonlijk wat herstellen en het zieken-
huis in zulk eene opschortingsperiode verlaten; ook de alge-
meene statistiek der sterfgevallen deugt niet, omdat de dood
dikwijls veroorzaakt wordt door eene van de als secondair
genoemde kwalen, die ook uit andere oorzaken kunnen voort-
komen. Ik zal ulieden daarom eenige cijfers modedeelen
van de Zweedsche Levensverzekering-Maatschappij. Deze heeft
steeds verliezen geleden door lijders aan syphilis, die den
levensduur der deelnemenden verkortte; dientengevolge nam
zij het besluit, dat ieder die aan syphilis lijdt en lid wil
-ocr page 138-
124
worden, moet worden ingeschreven drie jaren ouder dan hij is.
En dan nog moet de ziekte in de laatste tien jaren een
goedaardig karakter hebben gehad en in de laatste twee jaren
zich niet hebben geopenbaard; men eiseht dat zij voortdurend
worde behandeld en de verzekerde een verstandig leven zal
leiden.
Zij bij wie de ziekte steeds weder optreedt of die niet
gaarne zich laten binden door genoemde voorwaarden, worden
öf in het geheel niet öf slechts met eenige jaren „toegift" op
hunnen leeftijd aangenomen.
De maatschappij der levensverzekering die de feiten enkel
uit een oogpunt van „zaken" beschouwt, is dus van oordeel,
dat de zachtste vorm van syphilis het leven der menschen
mot drie jaar verkort; de ergere vormen daarentegen met
vele jaren meer.
Maar de syphilis heeft nog eene andere eigenaardigheid; zij
bepaalt zich niet alleen tot den besmette, zij gaat zelfs onder
zekere omstandig lieden over op de kinderen van den zieke.
Er bestaat dus een erfelijke syphilis die even goed van
den vader als van de moeder kan worden overgeërfd. De
wijze waarop de overgeërfde syphilis zich openbaart verschilt
niet veel van die der primaire syphilis; maar behalve dat
syphilitische ouders hunne kinderen door die ziekte kunnen
besmetten, kan hunne ziekte bij de kinderen ook oorzaak
worden van andere kwalen en gebreken, zooals b. v. klieren,
Engelsche ziekte, oog- en oorlijden, enz. De zwakheid en
gebrekkigheid die door syphilis in eene familie ontstaan,
worden dikwijls niet dan in het derde of vierde geslacht
opgeheven. Het kan belangwekkend voor u zijn het voorkomen
en de uitbreiding dier ziekte in ons land te kennen, in
vergelijking met andere landen. Voor deze berekening heeft
men natuurlijk slechts gebruik kunnen maken van de publieke
cijfers, d. w. z. van de getallen der in ziekenhuizen verpleegde
syphilis-patiönten. Deze cijfers waren gedurende de laatste
jaren als volgt:
-ocr page 139-
125
in Zweden...........0,48°/Oo
„ Noorwegen.........l,27°/oo
„ Finland........., . l,43°/00
„ Denemarken 1886 — 1887 . 0,60°/00 der bevolking.
Het lage cijfer voor Zweden heeft doen gissen dat van ons
volk een betrekkelijk groot aantal zieken zich in huis laat
behandelen. \') Ik geloof niet dat dit het geval is. Het Zweed-
sche hospitaalwezen is in de laatste twintig jaar sterk vooruit-
gegaan en zoo populair geworden in de dorpen dat ik eerder
geloof dat er in vergelijking van andere landen in Zweden
een grooter, ja, het grootste aantal zieken in openbare inrich-
tingen wordt verpleegd.
Deze bewering kan ik trouwens met cijfers staven.
Er worden jaarlijks
in het Zweedsche leger 13,8°/Oo 2)
„ „ Finsche
        „ 81,4°/oo
„ „ Engelache „ 81,0/0o
„ „ Deensche „ 2,2°;oo 3)
van de troepenmacht aan syphilis verpleegd.
Daar het van belang kan zijn de variaties gedurende ver-
schillende jaren en nog meer de verschillende oorzaken
van de uitbreiding te kennen, voeg ik hier de volgende
tabel bij:
1)   K. Wicksell zegt in zün werk „Over de prostitutie" bl. 21 op gezag van een
ander, dat in eon groep van personen, die hun loven wilden verzekeren, 9.10
godeelte lijdende was aan lues. Wicksell hoopt dat dezo opgave overdreven mag
zijn, on dit kan ik als doktor eener verzekferingmaatschappü hem gelukkig ver-
zekeren. Indien zün zogsman had gezegd: 1,10 procent zou hö der waarheid meer
nahy gekomen zün.
2)   Eira 1881, No. 12.
3)   Upg. af G. Carlsen. De lage cijfers van Denomarken vinden hun ooi-sprong
hierin dat zij berekend zgn naar het aantal dienstplichtigen en niet zooals in de
overige landen naar het getal van het goheele leger.
-ocr page 140-
126
Jaartal. Erfelijke Ontstaan door andere door geslachts-
syphilis.
door zoogen.
oorzaken.
gemeenschap.
1867
191
70
331
1,693
1868
135
65
306
2,087
1869
131
70
432
2,955
1870
153
96
502
2,626
1871
127
87
426
2,265
1872
149
81
432
1,850
1873
116
69
371
1,417
1874
113
30
337
1,312
1875
<)8
67
229
1,342
1876
89
45
276
1,310
1877
97
40
252
1,116
1878
83
40
259
1,447
1879
90
28
234
1,829
1880
85
38
193
1,903
1881
103
65
177
1,903
1882
195
31
170
1,980
1883
90
29
196
2,015
1884
92
43
218
2,016
1885
86
71
182
1,533
1886
63
2,286
24
1,092
185
1,430 \')
5,698
36,029=45,115
Esne nauwkeurige beschouwing dier tabel kan ons veel
belangrijks leeren. In de allereerste plaats zien wij dat de
syphilis over het geheel genomen, ondanks tijdelijke vermeerde-
ring van het aantal lijders, eene neiging heeft om af te
nemen. Deze afname ziet men het regelmatigst uitgedrukt in
de drie eerste groepen der tabel, dus bij de ziekte door over-
erving, zoogen, of op andere secondaire wijze ontstaan. Al
1) Die opgaven zijn ontleend aan de offïcieele Zweedsche statistiek. Helso och
Sjukvarden (Gezondheid on ziekenverpleging, 1867-1886.)
-ocr page 141-
127
die vormen, welke van het geheele getal slechts een weinig
meer dan \' /•, of 20 pet. uitmaken, kunnen worden beschouwd
als zoogenaamde onschuldige syphilis (syphilis insons), waar-
mee evenwel niet de aard wordt aangeduid, maar alleen
dat zij niet is ontstaan door onwettigen geslachtsomgang.
Onder de gevallen, die uit geslachtsomgang ontstaan, zijn
er zeker niet weinige waarin de eene echtgenoot door den
anderen wordt besmet. Uit bovenstaande tabel blijkt zelfs,
dat er jaarlijks 464 patiënten met onschuldige syphilis in de
ziekenhuizen worden verpleegd, en als er oene groep van de
syphilis-patiönten in de openbare statistiek te klein schijnt,
dan komt dit deels omdat zij die zich onwetend aan de
besmetting blootstellen, soms niet dan na zeer langen tijd
op de gedachte komen aan welke kwaal zij lijden en dus
daarvoor geene hulp zoeken, deels omdat de doctoren
de patiënten van wie zij overtuigd zijn dat zij de besmet-
ting niet verder zullen verspreiden maar eene zeer nauw-
gezette voorzichtigheid in acht zullen nemen, liever in huis
behandelen.
De syphilis heeft eene eigenaardige geschiedenis. Waar
zij vandaan is gekomen? Niemand die het weet. Dat zij
reeds in den ouden tijd bestond is niet zeker; maar dat zij
sedert 1493 in Europa heerscht wèl. De syphilis en de vrees
voor hare besmetting hebben van lieverlede de algemeene
vormen van het maatschappelijke leven veranderd, maar
vóór zulk eene verandering geheel was bewerkstelligd, kon
de ziekte op groote schaal haren verstorenden invloed uit-
oefenen. Zonder dit te bedenken zou men de bijzondere pro-
phylactische en therapeutische maatregelen, ten haren opzichte
in de wetten der landen voorgeschreven, niet verstaan.
Wanneer de ziekte een land naderde en meer in het
bijzonder eene onbeschaafde bevolking, breidde zij zich zeer
snel uit, en bij gebrek aan behandeling en inzicht der zaak
werden de vormen waarin zij zich openbaarde steeds erger en
lastiger. In verschillende landen was zij onder verschillende
populaire benamingen bekend; in Noorwegen b. v. heette zij
-ocr page 142-
128
radesygge, in Zweden saltfluss, in Nederland de vrouwen-
ziekte.
Als om u door een voorbeeld te toonen, hoe die ziekte
zich kan uitbreiden, weet ik niet beter te doen dan u te
vertellen dat men bij een algemeen onderzoek in een dorp
van Zuidelijk Europa op eene bevolking van 39.000 personen
14.000 ziektegevallen vond, waarvan 6000 van ernstigen aard.
Ofschoon Zweden nooit in die mate besmet is geweest,
heeft die verfoeielijke ziekte er toch wel zóó geheerscht dat
zij de aandacht trok van de gezaghebbenden in den Staat.
Dientengevolge kunnen wij sedert het begin dezer eeuw op
eene menigte voorzorgsmaatregelen wijzen. O. a. heeft het
Zweedsche volk voor het uitroeien van deze smetstof zich
eene persoonlijke belasting opgelegd, de zoogenaamde kuur-
huisbelasting \'), die o. a. wordt gebruikt voor kostelooze
behandeling van syphilis-patiënten; ook zijn er een kuurhuis
en kuurhuis-afdeelingen opgericht, enz., enz.
Vele geschriften, bekendmakingen, circulaires, enz., enz.
zijn ook al naar aanleiding hiervan door de regeering des
lands en de stedelijke besturen in het licht gegeven. Ik vind
het evenwel beter voor mijne mededeelingen, niet hare
paragrafen woordelijk te herhalen, maar haren inhoud mee
te doelen in verband met hetgeen Babenius zegt. 2)
Voorzorgen tegen venerische besmetting.
Dit zijn in de eerste plaats de algemeene voorzorgsmaat-
regelen, die de Kon. autoriteiten, zoodra zich de besmetting
in eene plaats openbaart, aan de provinciale doctoren kunnen
gelasten. Na zulk een bevel behoort de dokter — — — —
aan den voorzitter van den gemeenteraad eene lijst te geven
van de door de besmetting aangetaste personen, die dan door
de zorg van de autoriteiten ter behandeling worden gezonden
naar het naastbijzijnde „kurhns". De voorzitter van den
1)   Do naam is in de laatste jaron veranderd in ziokonverplGgings-belasting,
maar do bestemming is dezelfde.
2)   Handbok i Svoriges gallande farvaltningsratt. II Upsala 1871 § 50 bl. 83.
-ocr page 143-
129
gemeenteraad is, nadat de zieke is ontslagen verplicht van
tijd tot tijd zich op de hoogte te stellen van zijn gezondheids-
toestand, opdat wanneer de ziekte zich opnieuw mocht open-
baren, zij zorgvuldig behandeld worde. Wanneer in eene private
praktijk een geval van venerische ziekte voorkomt, moet de
dokter trachten uit te vinden waar de besmetting werd opge-
daan, en dit ter kennis brengen van den gemeente- of
gezondheidsraad, op het land bij de kroonbeambten, in de
steden bij de politie, opdat hem wien men verdenkt de oorzaak
der besmetting te zijn, verzocht kan worden zich te laten
onderzoeken. "Weigert de verdachte dit, dan wordt de zaak
in den gemeenteraad gebracht, die het recht heeft een alge-
meen onderzoek uit te schrijven, wat het recht schijnt in te
sluiten om ook één persoon te mogen dwingen zich te laten
onderzoeken.
Tot hetzelfde doeleinde heeft men verder bevolen dat wan-
neer troepen zich vereenigen om uit te rukken, of wanneer
zij in veldlegers of kazernen bijeen zijn, er een onderzoek naar
de gezondheid der manschappen op dit punt plaats moet
hebben. Verder mogen landloopers zich niet naar markten
en kermissen begeven zonder dat zij na een gedaan onderzoek
een gezondheidspas hebben gekregen, een maatregel die, nu
de verplichting van een pas bij zich te hebben niet meer
bestaat, ook niet meer kan worden toegepast.
Andere verordeningen betreffen het onderzoek van minnen
en van de kinderen, die uit kinderhuizen en andere openbare
inrichtingen tot verzorging en opvoeding aan particulieren
worden toevertrouwd. Op de havenbesturen ligt de verplich-
ting toe te zien dat de ziekte niet door de zeelieden worde
overgebracht.
Aan al deze voorzorgsmaatregelen heeft ons volk veel te
danken. De syphilitische ziekten zijn veel minder talrijk dan
voorheen, ofschoon zij nog genoeg heersenen om eene groote
uitbreiding te kunnen erlangen, zoodra men met de voorzorgs-
maatregelen de hand lichtte.
Nog steeds ondernemen de dorps- en provincie-doctoren
9
-ocr page 144-
130
jaarlijks reizen, teneinde groote of kleinere bevolkingsgroe-
pen, waaronder de besmetting zich hoeft uitgebreid, te onder-
zoeken, en ik heb nog nooit gehoord dat de lieden uit 1 et
volk zoo iets in strijd vonden met hun gevoel van vrijh iid
of dat zij er door beleedigd waren. De personen die op
onschuldige wijze door de ziekte werden besmet, zijn integen
deel dankbaar voor de maatregelen die het bestuur neemt.
Deze dingen kunnen evenals vele andere, aanleiding geven
om er eene zekere rechtzaak of liever gelijkhebberij-zaak van
te maken. Men kan vooropstellen dat zulke middelen worden
toegepast op de armen, enz., enz. Maar zulke beweringen zijn
evenwel slechts in schijn juist. In het rijks-hospitaal (kurhus)
worden jaarlijks eene groote menigte jonge mannen, ja zelfs
vrouwen uit de welgestelde klassen verpleegd. In deze quaestie
hebben de maatregelen waardoor men de verspreiding wil voor-
komen, geen beteekenis van straf voor begane zonden, zij
worden eenvoudig genomen ter algemeene beveiliging.
Een gegoed burger kan thuis worden verpleegd en behoeft
dus niet naar het hospitaal te worden gezonden, wat wèl
noodzakelijk is waar het een soldaat in kazerne of leger geldt.
Een teer kind met overgeërfde syphilis, evenals eene eerbare
vrouw, kan in den regel thuis worden opgepast, eene
prostituee evenwel niet. De bekwame syphilis-doctoren hel-
len hoe langer hoe meer tot de meening over, dat in huis
enkel zulke patiënten mogen behandeld worden, die een nauw-
gezet, vertrouwbaar karakter hebben en den wil en de kracht
bezitten om verspreiding der ziekten te voorkomen. In dit
opzicht maakt de syphilis geene, uitzondering. Een dokter mag
met toestemming van het bestuur een lijder aan typhus of
pokken ten zijnen huize behandelen, maar geen dokter zou
de verantwoordelijkheid willen dragen, dat een poklijder
in eene kleermakerswerkplaats lag, of een typhus-zieke in
eene melkinrichting. Ik geloof niet dat men met recht
iets kan inbrengen tegen de bevelen — uitgevaardigd in
het belang der algemeene gezondheid — om [zulke patiën-
ten ter verpleging naar hospitalen te zenden en evenmin
-ocr page 145-
181
dat protesten er tegen bij de meerderheid ingang zouden
vinden.
Eenigen van mijne collega\'s hebben gezegd dat alle moeilijk-
heden ten opzichte van syphilitische ziekten spoedig zouden
overwonnen zijn, indien men haar behandelde als andere
besmettelijke ziekten.
Ongelukkig leggen de natuurlijke verhoudingen deze manier
van handelen hinderpalen in den weg. Andere besmettelijke
ziekten, zooals typhus, cholera, enz. hebben sterk sprekende
symptomen; zij komen snel op; de lijders daaraan zijn niet
in staat om te werken of met menschen \'om te gaan; zij
worden op hun eigen verzoek verpleegd en na hunne her-
stelling en desinfectie, wanneer zij dus de besmetting niet
verder kunnen brengen,
naar huis gezonden.
Tot op zekere hoogte geschiedt dit met lijders aan druiper
en sjanker. "Wanneer dezen het „kurhus" verlaten, kan de
dokter er voor instaan, dat zij vrij van smetstof zijn en dus
onschadelijk voor de maatschappij. Met syphilis is het even-
wel een geheel ander geval. Zij kan besmettelijk zijn gedu-
rende perioden van 2 — 7 jaar, maar zij is het nooit al dien
tyd. Na tijden van betrekkelijke gezondheid en onschadelijk-
heid, komen er weer tijden, die een paar maanden duren,
waarin zulk een patiënt zeer gevaarlijk is voor zijne omge-
ving. Deze verergerings-perioden kenmerken zich evenwel niet
altijd door lichamelijk onwel zijn, en bijgevolg haalt men eerst
een dokter, wanneer men weet of vermoedt dat men zulk een
ziekte in het bloed heeft.
De onschuldige heeft geen reden om zoo iets te ver-
moeden en de lichtzinnige minacht de ziekte en houdt zich
op den grootst mogelijken afstand van doctoren, omdat
hij weet dat hij dan een tijdlang in een ziekenhuis wordt
opgesloten. Uit een practisch oogpunt beschouwd, is dus
de overeenkomst tusschen syphilis en andere ziekten zeer
gering.
In een vroeger aangehaald werk verwijt de heer Wicksell
den doctoren dat dezen somwijlen zich bijna verplicht of
9*
-ocr page 146-
182
gerechtigd houden, personen die aan geslachtsziekten lijden
met onverholen tegenzin te behandelen.
Bij nadere overweging behoorde de heer Wicksell in te
zien, dat deze tegenzin niet de ziekte betreft maar wel den
aard en het karakter der patiënten. Ik heb nooit gehoord
dat de syphilitische kindertjes minder lief behandeld wer-
den dan andere zieke kinderen, of dat onschuldig besmette
vrouwen het innig medelijden van haren arts niet opwekten;
als de heer Wicksell een oogenblik nadacht over het cynisme
en de onvertrouwbaarheid, die de adepten der zoogenaamde
vrije liefde kenmerken, waarvoor hij trouwens op eene andere
plaats \') zelf bezwijzen bijbrengt, dan zou hij misschien wel
anders over de opvatting der doctoren gaan denken.
Wanneer men bewijzen verlangt van de waarheid mijner
bewering, dan behoeft men enkel de syphilis in verband met
het huwelijk te bestudeeren. 2)
Tot dusverre M. H., heb ik bij het behandelen der geko-
zen onderwerpen geen ernstig protest gevonden. Ik ontveins
mij evenwel de groote moeilijkheid niet die eene behandeling
van de speciale quaestie der prostitutie — waartoe wij nu
genaderd zijn — voor mij medebrengt.
Hij die in vrede en rust wil leven doet het best dat
vraagstuk niet aan te roeren. De meeningen hierover zijn
zoo verschillend en uiten zich menigmaal zeer scherp. Ik mag
haar evenwel niet voorbijgaan in eene serie van lezingen
over sexueele hygiëne en hare ethische gevolgen. Het zou
heerlijk, weldadig zijn, wanneer het eens zóó ver kwam, dat
dit vraagstuk verstandig en kalm, zonder eenige hartstochte-
lijkheid kon worden behandeld.
1)   Aangehaald werk, blz. 22, 26.
2)   Vergelijk Alfred Fournier, „Syphilis och Aktenskap", overs. af. K. Malmston.
Stockholm 1882.
-ocr page 147-
133
De doctoren interesseeren zich in de eerste plaats voor de
prostitutie, omdat venerische ziekten onafscheidelijk aan haar
zijn verbonden. Ik zeg niet, dat die ziekten het natuurlijk
gevolg zijn van onwettigen geslachtsomgang, maar wel, dat
door het lichtzinnige, zorgelooze leven \'t welk zich aan illegi-
tiemen geslachtsomgang gewoonlijk paart, zulke ziekten het
gemakkelijkst kunnen opgedaan worden en het hardnekkigst
blijven bestaan.
Indien de geheele wereld als door een tooverslag veranderd
kon worden in behoorlijke families, dan zou het niet onmo-
gelijk zijn om de syphilis in 4, 5 geslachten geheel en al uit
te roeien, maar onder de tegenwoordige omstandigheden heeft
de ziekte een toevlucht in de prostitutie, ja deze kan als
eene broeikas voor haar worden beschouwd.
Onder vrouwelijke prostitutie verstaat men dat eene vrouw
handel drijft met haar lichaam; dat zij voor geld of geschen-
ken hare gunst schenkt aan wien haar begeert, zonder ook
zelfs maar gedurende eenigen tijd trouw te zijn aan één man.
De maïtresse en de grisette kunnen daarom in den strengsten
zijn van het woord niet tot de klasse der prostituees worden
gerekend. Ik behoef u zeker niet te vertellen dat zij reeds
bestond in de vroegste tijden waarvan de geschiedenis gewaagt.
Zij werd evenwel niet bij elke natie, in elke maatschappij
gevonden. Integendeel kon men en kan men nog heden ten
dage op kleine maatschappijen wijzen, wier leden zeer een-
voudig leven en bij wie dit maatschappelijk kwaad geheel en
al onbekend is. — — — — — — — — — — — — — —
Hoe de prostitutie moet worden opgevat is eene andere
vraag.
De godsdienstonderwijzers zeggen: „De prostitutie is eene
zonde, eene zware zonde." „Zij is de kanker, het bederf dei-
maatschappij," leeraren de moralisten en sociologen.
Wicksell vereenigt zich in hoofdzaak met de laatsten; ook
o
een ander jeugdig schrijver, Axel Lundegard, stemt dit toe in
de volgende uitdrukking:
-ocr page 148-
134
.Het kan niet worden ontkend dat onze maatschappij vaart
met een lijk tot ballast; dat lijk is de prostitutie. Maar onder
de tegenwoordige omstandigheden kan het lijk niet overboord
worden geworpen. Dit bewijst ten duidelijkste dat de verhou-
dingen onnatuurlijk zijn." \')
In bijna volkomen overeenstemming daarmee is eene
meening die V. Augagneur als volgt uitdrukt:
„Zij — de prostitutie — is het constante bewijs dat onze
wetten en de eisenen der natuur niet in overeenstemming
zijn." 2)
Het werk „Samhallslarans Grundlag", dat in vele op-
zichten een handboek is geweest voor lichtzinnigen en voor
de onrijpe ijveraars voor hervorming, zegt van de prostitutie:
„Zij behoort beschouwd te worden als een surrogaat voor
een beteren toestand. Zij is verre te verkiezen boven volstrekte
onthouding, want zonder haar zou, zooals ik bewezen heb,
elke man en elke vrouw een zeer natuurlijk leven leiden."
Ik wil een nog gunstiger meening over de prostitutie
laten hooren; deze wordt verkondigd door den Engelschen
historicus Leckij in de volgende woorden:
„De hoogste type der geprostitueerde ondeugd, is terzelfder
tijd het zekerste behoedmiddel der deugd. Zonder haar zou de
reinheid van vele huisgezinnen worden bevlekt. — — — —
Het is dit vernederde en verachte schepsel dat alle harts-
tochten bevredigt, die anders de wereld met schande en
ellende zouden vervullen. Terwijl geloofsleeren en cultuur-
vormen elkaar opvolgen en verdwijnen, blijft deze eeuwige
priesteres der menschheid, bezoedeld door de zonden dei-
volken." -1)
Eene schrijfster van den tegenwoordigen tijd uit zich op
de volgende wijze:
„Ons tegenwoordig tweeling-systeem van huwelijk en
1)   1886. Rovy etc. bl. 96.
2)   Archivos de 1\'Anthropologio criminollo. III nr 15.
3)   Citaat uit de „Sedlighetsvannen".
-ocr page 149-
185
prostitutie moet van verschillende kanten worden aange-
vallen ; de aanvallen moeten aanhoudend zijn, de slagen hard
en snel op elkaar volgen. De prostitutie is van de tegenwoor-
dige huwelijksvormen even onafscheidelijk als de schaduw
van het lichaam. Zij zijn twee zijden van hetzelfde schild,
maar de diepste kloof die ooit menschelijke wezens scheidde
kan niet verhinderen dat de gloeiende, onzuivere dampen uit
dien Inferno der vrouw, opstijgen tot hoogere sferen, —
waar nog eerbaarheid woont, — of dat zij beletten den
geheelen dampkring te verpesten.
Practische lieden houden die hel voor noodzakelijk en bewe-
ren dat gelukkige huwelijken droombeelden zijn, die nooit
verwezenlijkt worden. Zij meenen dat dit tweeling-systeem, —
deze verdeeling van vrouwen in twee klassen, waarvan de
eene geheel verstoken blijft van hoop en hulp, althans voor
zooverre de deftige lieden {the society) er iets in te zeggen
hebben — noodzakelijk is en in alle eeuwigheid zal blijven
bestaan."
Voor ik die uiteenloopende meeningen aan een nauwkeuriger
onderzoek onderwerp, ben ik zoo vrij er aan te herinneren,
dat er in onzen tijd eene beweging op touw is gezet tegen de
prostitutie en al het akelige, onwaardige dat daarmee gepaard
gaat. Dat streven vond zijne uitdrukking in het stichten van
het Enrjelsch-Earopeesch verbond tot opheffing der ivettige en
gedulde prostitutie",
den 9ien Maart 1875. \') Dit gezelschap heeft
in meer dan een opzicht eene buitengewone werkzaamheid
ontwikkeld, geschriften uitgegeven, vergaderingen gehouden
enz.; enz. Mannen en vrouwen van zeer uiteenloopende levens-
beschouwing, Christenen en vrijdenkers zijn tot den bond
toegetreden. Wicksell beweert dat het geringe resultaat en de
tot hiertoe aan den dag gelegde zwakheid te wijten zijn 2) aan
het Christelijk element en dat de eenige zegepraal waarop
1)    De oorspronkolüko naam van dezen bond drukt uit dat hy ten doel heeft
to strijden tegen do prostitutie, „envisagóe principalement lomme légitime ot
tolt\'róe".
2)   Aangeh. werk. bl. 26.
-ocr page 150-
136
men kan bogen, in Engeland werd behaald onder krachtigen
bijstand vooral van de vrijdenkers. \')
Naar mijne meening moet de godsdienstige meerderheid in
dit gezelschap zich tot op zekere hoogte onaangenaam getroffen
gevoelen door deze bewering van eene zijde, die duidelijk ge-
toond heeft van het geslachtsleven eene ongezonde en onna-
tuurlijke opvatting te hebben. Maar de slechte gedachten van
o
heeren als Wickscll, Lundegard, Garborg, Krohg, Hans Jaeger
met hun gevolg, geven nog geene kracht.
De vereeniging heeft ook eene fout begaan. In plaats van
voor de uitroeiing in het algemeen te werken, heeft zij een
al te groot gewicht opgelegd op de woorden: wettige o f gedulde,
en in haar streven heeft zij goede hulp gekregen van de zoo
pas genoemde heeren, die ach en wee roepen over de prosti-
tutie, terwijl zij van dingen als verkrachting, verleiding, kin-
dermoord, concubinaat, trouwbreuk, onnatuurlijke ondeugden
enz., enz. in het geheel niet spreken.
Laat mij een oogenblik de woorden wettig of geduld eens
wat nader bekijken en zien wat zij beteekenen. Om niet al
te wijdloopig te worden zal ik mij in hoofdzaak bij deZweed-
sche wetten bepalen.
Op vergrijpen tegen de zedelijkheid die op het gebied der
prostitutie behooren, bestaan er in onze wetgeving slechts
twee paragrafen, n.1. deels Kap. 18 § 11:
„Wanneer iemand ontuchtig leven bevordert door koppelarij,
of een huis houdt waarin ontucht wordt gedreven, wordt hij
van 6 maanden tot en met 4 jaren dwangarbeid veroordeeld.
Vrouwen die zich in zulke huizen laten gebruiken, worden
met eene gevangenschap van ten hoogste 2 jaar gestraft;"
deels Kap. 18 § 13:
„Iemand die geschriften, schilderijen, teekeningen ofbeelden
verspreidt, kwetsend voor de zedelijkheid, wordt gestraft met
boeten of eene gevangenschap van hoogstens zes maanden.
Diezelfde straf wordt toegepast wanneer men op andere wijze
11 Mona Caird. Westminstor Review, Nov. 1888.
-ocr page 151-
137
de tucht en de zedelijkheid kwetst, zoodat ieder er zich over
ergert of dat er gevaar bestaat dat anderen er door verleid
zullen worden."
Vergelijkt men deze paragrafen met § 9 van hetzelfde
Hoofdstuk, dan ziet men dat in den regel de ontucht van
een ongehuwd man met eene ongehuwde vrouw gestraft
wordt met boeten, maar toch enkel in die gevallen waarin
den man na eene aanklacht der vrouw of van haren raad-
gever wordt opgelegd: onderstand te geven aan de kinderen,
die hij bij haar heeft verwekt. Men ziet duidelijk dat er vele
vergrijpen tegen de zedelijkheid begaan kunnen worden,
zonder dat de staat met zijne straffen ingrijpend optreedt.
Dit stemt overeen met de algemeene rechtsgeleerde grond-
stelling, dat de wet enkel moet straffen waar het recht is
gekrenkt, maar geene zonden zijn begaan. Ten opzichte van
het onderhavige vraagstuk, is het evenwol dikwijls uiterst
moeilijk de twee categorieön van elkaar te scheiden, en
daaraan is het dan ook te wijten dat er op dit punt in de
wetten der moderne staten, verschil wordt gevonden.
Zooals ik zooeven heb gezegd zijn vele vergrijpen tegen de
zedelijkheid in Zweden niet strafbaar. Als een prostituee b.v.
haar beroep uitoefent in hare woning, als zij geen publiek
schandaal maakt, als zij in de gemeente waar zij woont
behoorlijk is ingeschreven op het bevolkingsregister en daar
officieel als lid der eene of andere familie of als arbeidster
leeft, zou ik niet weten wat men. met de Zweedsche wet in
de hand, tegen haar zou kunnen uitrichten. Er is gezegd,
dat de wet op de landloopers een wapen tegen de prostitutie
inhield; dit is slechts bij uitzondering juist. Eene wet welker
grondbegrippen zoo onbepaald zijn, kan, zooals de ervaring
heeft bewezen, van weinig nut zijn ten opzichte van haar oor-
spronkelijk doel en nog veel minder ten opzichte van andere
dingen. Een deel der zedelijkheids-vrienden van ons land ziet in
dat de genoemde paragrafen geene voldoende zekerheid tegen
de onzedelijkheid aanbieden; dit blijkt mij o. a. hieruit, dat
zij eenigen tijd geleden het plan hebben ontworpen eene petitie
-ocr page 152-
138
aan den koning te richten met het verzoek: beroepsmatige
ontucht als misdrijf te willen straffen.
Naar de Deensche en Noorsche wetten kan eene vrouw die
tegen betaling een ontuchtig leven leidt — \'t zij dan met of
zonder voorafgaande waarschuwing — gedurende een zekeren
tijd worden gestraft met gevangenis of dwangarbeid. Naar
de Zweedsche wet treft zulk eene straf enkel de vrouw die
in een bordeel zich tot ontuchtige doeleinden laat gebruiken.
De apart levende vrouwen van dat soort kunnen enkel tot
verantwoording worden geroepen wegens het veroorzaken van
algemecne ergernis, of omdat zij, zonder erkende middelen
van bestaan,
eene levenswijze voeren diegevaar kan opleveren
voor de algemeene veiligheid, orde en zedelijkheid.
De Italiaansche verordeningen van 29 Maart 1888, die
door de vrienden der federatie geprezen worden als eene
schrede vooruit op den weg der humaniteit, zijn dit misschien
in betrekking tot de verhoudingen van het land zelve, maar
een Zweedsch wetgever of een menschenvriend zal er niet
op roemen. Daarin wordt aan de burgerlijke autoriteiten
aanbevolen om toezicht te houden op de bordeelen, die zich
wel niet door uiterlijke teekenen kenbaar mogen maken, of
in de nabijheid van scholen en kazernen mogen worden opge-
richt, maar die toch van de gemeente vergunning krijgen om
te bestaan. Het verzoek om een bordeel te mogen houden
moet tot het hoofd der politie worden gericht, en daar moet
bijgevoegd zijn: eene beschrijving van het huis, het bewijs
van toestemming van den eigenaar, eene lijst van de reeds
in het huis opgenomen vrouwen, enz. De politic heeft op welk
oogenblik het haar ook goeddunke, het recht zulk een huis
binnen te gaan niet alleen, maar ook den gezondheidstoestand
der vrouwen te laten onderzoeken.
Ik kan Giersing geen gelijk geven als hij in een „Vliegend
blaadje ter bevordering der zedelijkheid" zegt, dat deze wet
onvoorwaardelijk de inschrijving van offlcieele prostituees
verwerpt; de inschrijving geschiedt nu in plaats van op de
primaire lijsten op die van den bordeelhouder.
-ocr page 153-
139
De vraag in hoeverre de prostitutie (de beroepsmatige on
tucht) als ondeugd moet worden beschouwd, heeft steeds de
meest bevoegde beoordeelaars van dit onderwerp in alle lan-
den beziggehouden. De medische academie van Frankrijk die
de vraag in hare vergaderingen had behandeld, heeft daarover
rapport aan hare regeering uitgebracht. Zij gaat in dat rap-
port uit van het beginsel dat de prostitutie gevaar oplevert
voor de maatschappij en dat het opwekken van geslachtsdrift
in het publiek (la provocation publique), dat de eenige manier
is waarop de prostitutie kan werken in het openbaar en
waarop de politie haar kan betrappen, behoort te worden be-
streden en in hare verschillende vormen gefnuikt. \') Awjag
neur
zegt:
„Om de prostitutie consequent tot „misdaad" te kunnen
stempelen, moeten eerst onze wetten luide verkondigen dat
elke geslachtsverbintenis buiten die van het wettelijk huwe-
lijk als een crime zal worden beschouwd. Nu goed! Wij
herhalen het, dat enkel eenc wet, gebaseerd op eene gods-
dienstige levensbeschouwing, ons zulk eene formule kan bren-
gen. Wie zou haar echter onder de tegenwoordige maatschap-
pelijke verhoudingen kunnen voorstellen?"
Misschien dat dit in de toekomst niet onmogelijk blijkt. Er
kan een tijd komen, waarin de sociologische kennis meer is
verspreid en men hare leer beter zal waardecren. Dan zal
men op empirisch-anthropologischen grond wetten kunnen
voorstellen, die onze tegenwoordige maatschappij zeer zon-
derling zou vinden; dan zal het geslachtsleven, waarop alles
berust, waarom alles zich draait, verzorgd en beschermd
worden door betere bevelen dan de strenge strafparagrafen
van den tegenwoordigen tijd, maar dan zal de wetgeving ook
alzijdiger aan den eisch der rechtvaardigheid voldoen.
Na deze uitweiding keer ik tot mijn onderwerp terug. Wij
1) Prophylaxic publique de la syphilis par Alfred Foumier. ltapport fait au
nom de 1\'Acadcmio médic. Paris. 1887.
-ocr page 154-
HO
herinneren ons de bekende uitdrukking der federatie: wettig
en getolereerd.
Zou die eerste uitdrukking juist wezen, dan moest de pro-
stitutie door een wetsartikel erkend zijn als een bedrijf, iets
wat in Zweden althans niet het geval is. Het woord getolereerd
kan verschillend worden opgevat; beteekent het — en zoo
wordt het door velen vertaald — dat de wet de prostitutie
wel zou kunnen en mogen straffen, maar haar door de vin-
gers ziet, dan past dit begrip evenmin, want in de Zweed-
sche wet komt geen enkel wetsartikel voor, waarin onwettige
geslachtsomgang met straf wordt bedreigd. Het is dus veel
nauwkeuriger, wanneer men voor die beide bijvoeglijke naam-
woorden het woord gereglementeerd gebruikt en eene lans
breekt tegen het daarin vervatte begrip; dan heeft men ten
minste een bestaand iets om togen te strijden en behoeft men
dit niet te doen tegen denkbeeldige zaken.
Dat er een reglement op de prostitutie bestaat, is ontegen-
zeggelijk waar. En ik ben van meening dat dit moet blijven
bestaan zoolang de prostitutie bestaat. Ik zou evenwel geen
kans zien, zulk een reglement zóó te ontwerpen, dat het aan
alle eisenen der zedelijkheid, hygiëne, der maatschappelijke
orde en aan die van het humane medelijden zou voldoen; ik
wil niet alle middelen verdedigen, die in dit opzicht te Stock-
holm, Kopenhagen on Parijs zijn voorgeschreven, maar op
iets wil ik toch de aandacht vestigen. Wanneer er groote
menschonmassa\'s op eene plaats samenkomen, wanneer er
stadsleven ontstaat, dan vindt men dat de naleving dei-
wetten en verordeningen niet wordt verzekerd enkel door
rechtbanken en algemeene aanklacht, maar dan schept men
eene politiemacht. Aan haar worden zekere dingen opgedragen,
hoofdzakelijk om de orde te bewaren op publieke plaatsen,
on een der eerste middelen daartoe is zorg te dragen dat
lichte vrouwen niet op eene manier optreden die storend kan
zijn voor de orde. Tot dat doel moeten de hoofden der politie
aan hunne onderhoorigen zekere voorschriften gevon, d. w. z.
een reglement, eene handleiding b. v. wat als ergernis wek-
-ocr page 155-
141
kend, aanstootgevend moet worden beschouwd, welke gevolgen
zulke eene zaak behoort te hebben, enz. Ik geloof niet dat men
tegen zulk een reglement iets in het midden kan brengen.
Maar nu gaat men verder: het publiek meent dat de beroeps-
matige ontucht door de ziekten die er het gevolg van zijn
gevaarlijk kunnen worden voor de maatschappij, en daarom
verordent de gemeente, gesteund door § 24 van het Reglement
ter bevordering der gezondheid, dat vrouwen, die bekend staan
zulk een leven te leiden, op geregelde tijden door de zorg der
politie zich bij een geneesheer vervoegen om haren gezondheids-
toestand te laten onderzoeken. Daarin ligt het zwaartepunt
van het geheele reglement, hierop richt ook de federatie haren
aanval. Ten opzichte hiervan heeft de federatie in het Engelsche
parlement eene overwinning behaald, eene overwinning waar-
over Wicksell zich verheugt, eene overwinning die ten gevolge
heeft dat de arme gevallen vrouwen met niemand in aan-
raking behoeven te komen dan met hare meesters en toeval-
lige bezoekers, eene zegepraal die haar steeds gevangen houdt
binnen de muren van het bordeel, eene zegepraal, die maakt
dat voor ziekten zoo laat mogelijk genezing wordt gezocht.
Hem die meent dat door de opheffing van dat onderzoek
in Engeland de humaniteit winst heeft behaald, mag wel
even worden herinnerd aan de bekende artikelen der „Pall-
Mall-Gazette." Deze leveren de beste commentaar, want in
Londen is de prostitutie steeds geheel vrij geweest zelfs in
den tijd toen dit in andere garnizoensplaatsen niet het geval
was. Het is voor mij onbetwistbaar zeker, dat wanneer
doctoren en politie in naam der maatschappij eischen, dat
de bordeelen al hunne geheimen openbaren, dat alle bewoners
geregeld worden onderzocht, dat dan ten minste de vrouwen
die met geweld en door bedrog in zulk een huis worden vast-
gehouden, kunnen worden gered en bevrijd.
De doctoren, zelfs zij die de prostitutie met geheel andere
oogen beschouwen dan ik, zouden gaarne aan hunne zijde
vertegenwoordigers van een philanthropisch gezelschap hebben
die door raadgevingen, aanwijzingen en vermaningen aan de
-ocr page 156-
142
ongelukkigen een kans schonken om tot een eerbaar leven
terug te keeren.
Personen minstens even zoo warm van hart, even zoo
philanthropisch, even zoo vrijzinnig en met oneindig veel
meer ervaring dan de leden der federatie, hebben zich tegen
het streven verzet om het kwaad aan zich zelf over te laten.
Samucl S. Beale schrijft:
„De wet op besmettelijke ziekten verlichtte en verhaastte
niet alleen de behandeling der ziekten, zij verzekerde niet enkel
den ongelukkigen patiënten behoorlijke zorg en humane behan-
deling gedurende hare ziekte, maar zij deed indirect ook zeer
veel tot verbetering der zeden. Door hare weldadige tusschen-
komst zijn er niet weinigen uit haren vernederenden staat
opgeheven, van dood en verderf gered; hoop en werk werden
spoedig gevonden daar waar voorheen slechts wanhoop en het
uitzicht op dieper ellende hadden geheerscht."
Men kan niet ontkennen dat de gedwongen behandeling
van venerische patiënten, zelfs van de prostituees, een eisch
der humaniteit is jegens de armen zelve. Dat zij te onwe-
tend en te zorgeloos zijn om zelve zulke hulp te zoeken,
verandert de zaak niet. Wanneer men weet welke stoornissen
zulke ziekten kunnen veroorzaken indien er geene hulp wordt
ingeroepen, wanneer men inziet dat zij een vroegtijdigen
dood ten gevolge kunnen hebben of invaliditeit, \'ongeschikt-
heid tot eerlijken arbeid, afschuwelijke kwalen, enz., enz., dan
schijnt het mij onmogelijk dat men zulk een humanen maat-
regel gering kan achten.
Ten opzichte van dit punt staan de leden der federatie en
de doctoren naar het schijnt onverzoenlijk tegenover elkaar.
De leus der eersten is:
Het is ongeoorloofd kwaad Ie doen, opdat er iets goeds uit
moge ■voortkomen.
De laatsten juichen meest allen toe wat er in het Maart-
nummer 188G van „The Lancet" stond:
Het is geoorloofd goed te doen (n.1. door onderzoeking en
behandeling de voorrechten der geneeskunst te verzekeren aan
-ocr page 157-
148
haar die daarop misschien het minst van allen recht hebben)
zelfs indien daaruit iets kwaads kon voortspruiten. (Een geruster
en daardoor misschien menigvuldiger gebruik van de gelegen-
heden door de heeren der schepping.)
Die meening is onder anderen ook Parkes toegedaan.
Hij is van meening dat de Engelsche wet in vele andere
opzichten dan het zuiver medische veel goed deed. De
mogelijkheid bestond dat verdwaalde vrouwen naar hare
familie werden teruggebracht, de afschuwelijke kinder-prosti-
tutie hield bijna op, en bij de in ziekenhuizen opgenomen
vrouwen werd niet zelden de zin tot eene betrekkelijke
fatsoenlijkheid gewekt.
De zoo dikwijls besproken Engelsche wet (Contagious
diseases Acts) werd eerst in 1864 uitgevaardigd, maar werd
geheel of gedeeltelijk herzien in de jaren 1860, 1869 en 1872.
Men kan dus niet aannemen dat zij door list of bij verrassing
het licht zag.
Bij de behandeling die hare aanneming voorafging, schatte
lord Holland het getal dergenen die jaarlijks door de syphilis
in Groot-Britannië worden besmet op 1.652.500. Alhoewel dit
getal misschien overdreven is, blijkt toch uit alles, dat het
parlement die ziekten als een groot maatschappelijk kwaad
beschouwde.
De verbindende artikelen (compulsory clauses) dier wet
werden bij de parlementsstemming van Mei 1883 afgeschaft, met
182 tegen 110 stemmen, cijfers die aantoonen dat de grootste
helft der parlementsleden geen belang stelde in de zaak. De
geheele wet werd in 1886 afgeschaft.
Men heeft mij verweten dat ik grove fouten had gemaakt
in de opgave van syphilis-procenten in het Engelsche leger,
en dat ik alle venerische gevallen voor syphilis had laten gel-
den. Dit is evenwel niet het geval. Het zijn in werkelijkheid
mijne critici die de Engelsche opgaven verkeerd hebben
begrepen, wat zeer licht gebeuren kan door hen die geen
medische opleiding hebben genoten.
De Engelsche doctoren verstaan in de meeste gevallen
-ocr page 158-
144
onder „primary veneral sore" hetzelfde als onder primaire
syphilis en in lateren tijd schrijven zij dit ook.
In het pas aangehaalde boek van Parkes wordt het aantal
der syphilis-patiënten op de gecontroleerde stations op 6,280/00
geschat en op de niet-gecontroleerde op 103%o van de troe-
penmacht.
Op de eerste stations lijden 115°/oo aan gonorrhoe en op
de laatste 211,9°/ooo. Hierbij moet worden opgemerkt dat
de door gonorrhoe besmette vrouwen uit gebrek aan plaats
in geen enkel ziekenhuis werden opgenomen. Ik zal mij wel
wachten het voor en tegen van verplicht onderzoek op sta-
tistieke gegevens te behandelen, ik wil alleen maar de
laatste cijfers aanhalen van het Engelsche leger-departe-
ment.
Volgens de offlcieele rapporten, die niet best weerlegd kun-
nen worden, werden er in 1888_ in de militaire hospitalen
van elke 1000 man behandeld wegens:
primaire syphilis..........93,2
secundaire „ ..........40,2
gonorrhoe...............91,1
Te zamen 224,5
Van de Engelsche troepenmacht lagen dus meer dan 18
pet.
ongeschikt voor den dienst in de ziekenhuizen. (Lancet
1889. July 6. pag. 76.)
Men heeft ook gezegd dat ik had beweerd dat de
venerische ziekten in Engeland op dezelfde wijze werden
behandeld als andere besmettelijke ziekten. Ik heb in het
bovenstaande aangetoond hoe moeilijk, om niet te zeggen
onmogelijk, dit is met syphilis. Ik voeg er bij dat de wet
op de administratieve behandeling aangaande besmettelijke
ziekten in Engeland nog op lange na niet is tot stand ge-
komen. Zeer gewichtige en heftig bestreden wetsontwerpen
-ocr page 159-
145
aangaande dit punt worden nu in het Engelsche parlement
behandeld. Eene soort van afzondering voor besmettelijke
koortsziekten (typhus, pokken, enz.) bestaat reeds, maar
voor zoover ik weet, bestaat zoo iets wat syphilis betreft, niet.
Ik zelf heb gezien dat patiënten, lijdende aan een zeer
besmettelijken vorm van syphilis, policlinisch werden
behandeld, zonder dat de dokter eene enkele vraag deed over
hunne familie-aangelegenheden of hen opmerkzaam maakte
op de middelen, die zij konden en moesten gebruiken teneinde
verspreiding te voorkomen, ja, zonder dat hij hun met een
enkel woord inlichtte over den aard hunner ziekte.
Ik moet hier bijvoegen dat er in Londen zeer groote
behoefte bestaat aan ziekenhuizen en zieken-afdeelingen voor
venerische ziekten.
Ik schat de Engelsche natie zeer hoog; ik ben geen
bewonderaar van Parijsche en Brusselsche zeden, ik verdiep
mij niet in de vraag of Londen meer of minder onzedelijk is
dan deze steden; ik neem evenwel de vrijheid er aan te her-
inneren dat vrienden der Engelschen dikwijls en luide hebben
verklaard, dat er op het continent niet eene stad is waar de
jeugd aan zoo vele verleiding is blootgesteld als in Londen;
en hem die in Londen is geweest, herinner ik aan de ontel-
bare schare van gevallen vrouwen, die des avonds door
Londens straten zwerven, en door meer of minder grove
middelen de mannen trachten te vangen.
In de Engelsche hoofdstad zijn daarenboven tal van
bordeelen; in een officieel rapport werd hun aantal in 1864
op 1.332 vastgesteld. Wel is later eene wet uitgevaardigd
waarbij het houden van een bordeel strafbaar werd gesteld,
maar de onschendbaarheid van het home speelt zulk eene
groote rol in de Engelsche maatschappij dat er zeer veel moet
gebeuren voor de Engelsche politie tot huiszoeking over-
gaat. Voor het overige wordt er niets gedaan om de schan-
dalen der prostitutie te voorkomen of te verhinderen, tenzij
men hiertoe wil rekenen, dat een man, die op de openbare
straat door eene vrouw van onzedelijk bedrij f wordt aangehou-
10
-ocr page 160-
140
den, haar kan laten arresteeren, en zij in geval van voldoend
bewijs, voor den rechterstoel der politie kan worden gedaagd.
Ik wil mijn hoorders geenszins de woorden mijner tegen-
standers onthouden:
In de Sedlighetsvünnen (De vriend der zedelijkheid) kan
men b. v. lezen: het is bewezen dat de reglementeering der
prostitutie een groot beletsel is voor elke poging tot redding,
omdat het inschrijven bij de politie en het onderzoek der
doctoren strijden tegen elk gevoel van vrouwelijke schaamte,
dat nooit bij eene vrouw, hoe laag ook gezonken, geheel is
uitgewischt; die beide maatregelen zijn belemmerend voor liet
plan ter verbetering, waarop bij iedere vrouw, hoe diep
zij ook gevallen moge zijn, kan en moet worden gehoopt.
Mrs. J. Buttler, een van de leidende personen der Federatie,
koestert zulk eenen afschuw voor elke soort van onderzoek
omtrent don gezondheidstoestand eener vrouw, dat zij dit voor
tyranniek, onbehoorlijk, ja, voor schandelijk verklaart.
Mrs. Buttler is zoo consequent, dat zij geen onderscheid
maakt tusschen de beide geslachten.
„Elke wet, iedere bepaling," zegt zij, „die der politie en
den doctoren recht geeft tot een onbehoorlijken aanval op
mannen of vrouwen, welke tegen de kuischheid hebben gezon-
digd, moet als verwerpelijk worden beschouwd, en de man,
al is hij dan ook een door den staat officieel aangesteld per-
soon, die op deze wijze eene vrouw krenkt, krenkt of belee-
digt daardoor zijne moeder. \')
Ik moet bekennen dat ik niet goed de bedoeling van Mrs.
Buttler vat. Indien zij elk gedwongen onderzoek van een
persoon „een onbehoorlijken aanval" op zulk een persoon
noemt, dan heeft zij daarmee eene absurditeit uitgesproken,
die door hare overdrijving zich zelve veroordeelt. Ik kan de
1) Flyveblad till Sadeligheds Prcmmo nr. 6, bl.7 (Vliegende Blaadjes tot bevor-
dering der zedelijkheid.)
-ocr page 161-
147
gedachtengang der „zedelijkheids-vrienden" die het preventieve
onderzoek van lichtzinnige vrouwen verafschuwen, volgen,
maar dezen tegenzin ook toe te passen op een verplicht onder-
zoek van den gezondheidstoestand, met het oog op geslachts-
ziekten, komt mij èn onrechtvaardig èn in elke maatschappij,
welke ook, onuitvoerbaar voor.
Wanneer een als onzedelijk bekend staande man of vrouw
door de wetten van zijn of haar land veroordeeld wordt tot
gevangenisstraf, dan ligt het toch voor de hand dat de genees-
heer der gevangenis den gezondheidstoestand van den gevan-
gene onderzoekt om uit te maken of hem eene plaats toekomt
in de ziekenafdeeling van de gevangenis dan wel in de gewone
werk- en slaapzalen. Ik wil hier nog bijvoegen, dat ik zoowel
hier te lande als buitenslands, vrouwen heb zien onderzoeken;
soms geschiedde dit met blijkbaren tegenzin van haren kant,
maar nog nooit heeft iemand mij verklaard dat het onderzoek
een beletsel was om op den goeden weg terug te keeren, wat
het feitelijk dan ook niet is.
Gij kunt nu kiezen tusschen de verschillende meeningen,
mijne hoorders. Ik heb mijn eigen standpunt aangetoond. Ik
meen hier nog te moeten bijvoegen, dat elke heer of dame
die met vurigen ijver tracht te bewerken dat de prostituees
niet aan een onderzoek behoeven onderworpen te worden,
bedenken moet of hij het niet zeer verkeerd zou achten eene
min in dienst te nemen zonder van haar een attest van een
geneesheer te vragen, waaruit blijkt dat zij juist hetzelfde
onderzoek heeft ondergaan, \'twelk men zoo vernederend vindt
voor de arme prostituees.
Het is een genoegen te zien, dat onder de hartstochtelijke,
van weinig zaakkennis getuigende bespreking, vele philanthro-
pische schrijvers de noodzakelijkheid toegeven van een onder-
zoek der onzedelijke vrouwen. \')
Wanneer nu in Zweden de wet werd veranderd, zoodat een
1) Styrbjurn Starke, aangeh. work, bl. 19. Personae, Svar till i\'oderationon. Stockh
1888. BI. 12 m. m. H. Westergaard, Ugeskrifc, f. LiBgor, 4do Biekko bd. XVI bl. 554.
10\'
-ocr page 162-
148
geregeld onderzoek der geprostitueerde vrouwen werd verbo-
den, dan zou men voor de volgende eigenaardigheid geplaatst
worden.
De wet meent dsLt eene schare ongehuwde mannen, van
wie het meerendeel zich aan niets straibaars heeft schuldig
gemaakt, toch, door de geslachtsziekten waaraan zij lijden,
een gevaar oplevert voor de maatschappij, en zij beveelt dus
dat de manschappen geregeld zullen worden onderzocht.
Zij beveelt dit onderzoek wel niet opdat de vele vrouwen
in garnizoensplaatsen, die tijdelijk met militairen zich verloven,
zulke verbintenissen kunnen sluiten met het minst mogelijk
risico, maar het kan niet worden ontkend, dat de zekerheid
welke het onderzoek der manschappen geeft, het „verkeer"
bevordert.
Het preventieve onderzoek wordt nu niet meer zoo ver
uitgestrekt als vroeger, alhoewel militairen, minnen, land-
loopers en meisjes van pleizier er aan onderworpen zijn.
Indien het nu der Federatie gelukte haren wensch door te
drijven, dan werd de laatstgenoemde klasse van dit onder-
zoek vrijgesteld; maar het kan toch niet de bedoeling wezen
van de Federatie, dat de prostituees een voorrecht zullen
genieten boven alle andere inwoners, dat zij zich ten allen
tijde aan een onderzoek kunnen onttrekken. Wanneer er aan
de bevoegde macht wordt gerapporteerd, dat iemand, wie het
ook moge zijn, verdacht wordt op de eene of andere manier
venerische ziekten te verspreiden, dan kan hij of zij, met de
wet in de hand, gedwongen worden zich te laten onderzoeken
en te behandelen, en die wet zal zeker in hare algemeene
strekking blijven bestaan.
H. Westergaard, hoogleeraar in de staathuishoudkunde, die
wel door niemand zal verdacht worden dat hij zich in medische
dogma\'s gevangen heeft gegeven, geeft in zijn straks aange-
haald werk eenige wenken waarmee naar ik geloof verreweg
het meerendeel der doctoren zal kunnen instemmen.
Hij toont aan dat de al of niet noodzakelijkheid van het
onderzoek moet worden uitgemaakt van een hygiënisch stand-
-ocr page 163-
149
punt, dat het in principe voor vrouwen niet vernederender
is dan voor soldaten en anderen, dat hot in stand blijven of
afschaffen er van niet noodzakelijk is verbonden aan de
positie die de maatschappij voor het overige tegen de prosti-
tutie inneemt.
Men kan de beroepsmatige ontucht straffen en de meisjes
onderzoeken. Het ideaal in een zedelijken staat schijnt hom
te wezen dat de ontucht tegen betaling worde gestraft, en
dat het toezicht der politie op lichtzinnige vrouwen hetzelfde
blijve als voor andere verdachte personen. Deze meening stemt
bijna geheel overeen met die door de Fransche medische
academie uitgesproken: „De verleiding in het openbaar behoort
gestraft en de bestrafte onderzocht te worden."
Na verloop van eenigen tijd wordt dikwijls aan de onder-
zochte vrouw een attest gegeven waarin zij voor het oogenblik
gezond wordt verklaard. Deze attesten worden door menigen
„zedelijkheids-vriend" beschouwd als eene uitnoodiging en ver-
zekering aan de mannen dat zij zonder eenig gevaar kunnen
zondigen. Maar van zoo iets is in het attest geen sprake,
zoo iets kan nooit worden beloofd. Het attest is enkel een
bewijs voor de politie, dat de onderzochte niet naar een
„kurhus" behoeft gebracht te worden, eene mededeeling dus,
die echter naar mijne wijze van zien op eene andere manier
behoorde te geschieden.
Bij de bespreking van dit onderwerp hoort men van som-
mige zijden beweren, dat de lichtzinnige man verdiende nog
meer gevaar te loopen, dat hij de ziekte waaraan hij lijdt of
zal lijden dubbel verdient.
Men vergeet de besmetting van onschuldigen.
Het committö van de Fransche academie der geneeskunst
vraagt:
Kan men b. v. de — dikwijls voorkomende — syplülis als
verdiend beschouwen bij eerlijke en gehuwde vrouwen, die
besmet werden door hunne echtgenooten — — — ?
Kan men het „verdiend" noemen, wanneer — wat zeer
dikwijls gebeurt — de minnen besmet worden door hare
-ocr page 164-
150
voedsterlingen, om op hare beurt haar eigen man en kinderen
of andere zuigelingen te besmetten ?
Is het „verdiend" wanneer zuigelingen — wat veel minder
dikwijls voorkomt — besmet worden door hunne minnen?
Mag men van „verdiend" spreken in het oneindig aantal
gevallen dat de kinderen besmet ter wereld komen?
En eindelijk, mag men dat woord gebruiken wanneer er
sprake is van besmetting langs anderen weg dan dien van
geslachtsgemeenschap, b. v. als gevolg van inenting? of
wanneer doctoren, studenten en vroedvrouwen er door worden
getroffen in de uitoefening van hun beroep, soms door eene
toevallige, eenvoudige aanraking?
Ik weet wel, en heb dit in het voorgaande \') aangetoond,
dat men somwijlen uit vrees van besmet te worden zich laat
afhouden van onwettigen geslachtsomgang, maar ik geloof
niet dat zelfs bij nog grooter gevaar, velen er van zouden
worden afgehouden, vooral geen jeugdige, door den drank
benevelde personen.
Het is van bijzonder gewicht om de oorzaken van de prosti-
tutie en hare uitbreiding op te sporen. Hierover zou veel te
zeggen zijn, maar ik kan mij daarmee hier niet al te lang
bezighouden. Dat zij in zekeren zin berust op onze cultuur,
hare wetten en zeden, is ontegenzeggelijk. Wij hebben ons
ver van de natuur verwijderd en nog geen anderen modus
vlvendi
gevonden, die voor onzen cultuurtoestand en zijne
cischen past. De strijd om het bestaan is moeilijker en meer
gecompliceerd geworden, de gelegenheden tot pleizier zijn
1) Prophyl. puW. do la syphilis, p. 73.
In datzelfde artikel bl. 19 wordt gezegd dat do syphilis zich van de steden zóó
erg ovor de dorpen verspreidt, dat in oonige departementen een dorde deel der
• dienstplichtigen er door was bosmet.
-ocr page 165-
151
vermeerderd, de jeugd is ijverig in de weer om te genieten
van de voorrechten die aan ryperen leeftijd toekomen; naar
bijval dorstende verleiders trachten der jeugd op alle mogelijke
manieren diets te maken dat zij niet behoeft te wachten,
dat zij slechts moet nemen wat haar bevalt; een ziekelijk
zenuwleven hoerscht onder alle klassen der maatschappij —
ziedaar eenige der oorzaken.
Ik beschouw mij als gerechtigd om te protesteeren dat de
quaestie der prostitutie gemaakt worde tot eene sociaal-politieke
quaestie, zooals Wicksell wil doen. Het is bepaald onwaar
dat de prostitutie het gevolg is van overmacht van de eene
klasse der maatschappij op eene andere. \')
De heer Wicksell voert als bewijs daarvoor aan, dat de
Parijsche commune de prostitutie had afgeschaft en dat deze
met de burgerlijke maatschappij zegevierend binnen Parijs
terugkeerde. Hij geeft toe dat de hartstochten vrijer speel-
ruimte krijgen onder politiek oproerige tijden, 2) maar hij be-
schouwt de schilderingen der ontuchtigheden tijdens de com-
mune voor partijdige, overdreven verhalen.
Op grond van zijne tegen mij gerichte aanmerking moet
ik hier mededeelen, dat ik bronnen van ongelijke kleur en
van verschillenden aard heb geraadpleegd, dat ik na den val
der commune te Parijs ben geweest en dat ik daar hot geluk
had te kunnen proflteeren van eene bijzonder goede bron
om allerlei inlichtingen te verkrijgen aangaande de zieken en
de ziektegeschiedenissen der Parijsche hospitalen. Door zulke
ervaring gesteund, waag ik het de sexueele deugden der com-
munemannen te betwijfelen.
Maar niet alloen ten opzichte van de Fransche revolutie
in verband met de prostitutie heb ik bij Wicksell tegenspraak
gevonden; hij beweert, dat mijne opvatting van de verhou-
ding waarin deze tot de maatschappij staat, getuigt van eene
1)   Aangoh. werk, bl. 37.
2)  Prostitutionen och don veneriska smittan tiUv&xta under den första revolutionon,
under invasionon 181.1, uudcr revolutionair 1830 och 1818. Colier aangeh. werk, hl. 117.
-ocr page 166-
152
bij een hoogleeraar in de medicijnen bijzonder verrassende
onwetendheid; dat ik blijk geef: niet op de hoogte te zijn van
hare statistiek en alles wat daartoe behoort, eene statistiek,
die wij in de eerste plaats te danken hebben aan de veel
omvattende onderzoekingen van Parent-Duchatelet, en die naar
hij meent, door latere onderzoekingen niet zijn wederlegd. l)
Nu behooren zulke epitheta als de bovenstaande, niet tot
de zaken, die men gaarne wil behouden en waarmee men
voor zijne medeburgers als te pronk wil loopen; daarom zal
ik eene poging wagen mij van die „verrassende onwetendheid"
te bevrijden.
Allereerst deel ik mee, dat ik Parent-Duchatelet voor ruim
20 jaar heb gelezen en dat ik hier tot algemeene voorlichting
zijn tabel van de oorzaken der prostitutie laat volgen.
Armoede, tengevolge van lichtzinnigheid en
andere oorzaken................... 1,441
Verlaten maïtresses.................. . 1,425
Verlies van ouders, wegjaging uit het ouderlijk
huis, volkomen verlatenheid............ 1,255
Naar Parijs gelokt en daar door hare minnaars
verlaten........................ 404
Door hare meesters verleide on daarna afge-
dankte dienstboden................. 289
Uit de provincies aangekomen om zich te Parijs
te verschuilen.................... 280
Om oude of ziekelijke ouders te ondersteunen
(allen te Parijs geboren).............. 37
Als oudsten der familie om broeders, zusters of
andere verwanten te onderhouden........ 29
Weduwen om hare familie te onderhouden .... 23
Te zamen 5,183 2)
1)   Aangeh. werk, bl. 40.
2)   La prost. etc. Ille Ed. T. ïl. p. 170 etc.
-ocr page 167-
153
Diezelfde schrijver deelt aangaande het beroep der prosti-
tuees bij hare inschrijving, het volgende mee.
1,559 waren naaisters in mode- of andere winkels.
849 vrucht- en bloemenverkoopsters.
285 weefsters.
283 hoedennaaisters.
98 koop vrouwen in snuisterijen.
23 artistes.
7 winkelmeisjes.
3 vroedvrouwen.
3 vrouwen die van hare renten leefden.
„Uit deze tabel blijkt," zegt Parent-Duchatelet, „dat het
grootste aantal prostituees uit de werkplaatsen komt, deze
broeiplaatsen van zedebederf, welker schadelijken invloed men
moet betreuren hoezeer men ook hare overige producten moge
bewonderen."
Men heeft voorts getracht zich door een onderzoek naai-
den graad van beschaving der prostituees, eene voor-
stelling te vormen van hare opvoeding, en gevonden dat van
de 4,470 in Parijs geborene en opgevoede vrouwen, die zich
aan de prostitutie overgaven, 2332 niet konden schrijven; 1780
schreven zeer slecht en 110 schreven mooi.
Alvorens andere feiten aan te voeren moet ik iets zeggen
tot opheldering van de zooeven meegedeelde cijfers.
Parent-Duchatelet\'s onderzoekingsmateriaal dateert uit het
eerste derde gedeelte dezer eeuw. De ontwikkeling der vrouw
stond toen op veel lageren trap, zoodat men uit het al of
niet kunnen schrijven zich geen oordeel kan vormen over
den economischen toestand der huisgezinnen waarin de prosti-
tuees opgroeiden.
De schrijver zegt trouwens zelf, dat de vrees voor de
politie bij velen teweegbracht dat zij zich onwetender en
onbeschaafder voordeden dan zij in werkelijkheid waren.
De tabel der beroepen bewijst ook niet erg veel; zij geeft
-ocr page 168-
154
het beroep aan dat liet meisje bij de inschrijving had, maar
dit is in vele gevallen niet hetzelfde als waartoe de gepro-
stitueerde werd opgeleid en dat zij behouden zou hebben,
ware zij niet verleid geworden.
Parent-Duchatelet maakt zelf de opmerking, dat het zeden-
bederf uitgaat van de werkplaatsen en in dat geval zijn ge-
woonlijk de kameraden der arbeidsters de schuldigen.
Van do tabel der oorzaken zou men vele rubrieken moeten
verwijderen, zooals b. v. die der lichtzinnige armen, de ver-
laten maitresses, de uit huis gejaagden, de naar Parijs
gelokten en verlatenen, de uit dorpen in de stad gekomenen
en anderen. "Waar staat geschreven dat die vrouwen allen
behoorden tot de laagste klassen, dat hare verleiders tot
do zoogenaamd betere standen behoorden, of dat dezen de
oorzaak zijn dat zij in de ellende der prostitutie blijven leven?
Er is nog eene andere manier waarop men de statistiek
verkeerd kan gebruiken.
Een jong meisje van welgestelde familie ontvlucht het
ouderlijk huis met een man, die haar beloofd heeft te trouwen ;
hij laat haar aan haar lot over, zij zoekt en vindt met moeite
werk om in haar eigen onderhoud te voorzien, zij neemt
misschien een anderen minnaar aan, die eveneens beweert
goede plannen te hebben, zij gaat op dien weg verder en
laat zich eindelijk op de lijst der geprostitueerden inschrijven,
Wanneer zulk een schepseltje naar haar bedrijf wordt gevraagd,
geeft zij natuurlijk dat op hetwelk zij het laatste bij de hand
heeft gehad, en op de vraag naar de reden waarom zij inge-
schreven wenscht te worden: armoede.
Mag men zulk een geval — zeer gewoon nog wel — toe-
schrijven aan het domineeren van den eenen stand boven
den anderen?
Een ander schrijver zegt aangaande dit punt het volgende:
„Eindelijk dient men er op te wijzen dat er onder de
ingeschreven vrouwen een zeker aantal ongelukkigen is,
wier opvoeding en beschaving haar voor zulk een einde
hadden moeten vrijwaren. Daaronder zijn onderwijzeressen,
-ocr page 169-
155
leeraresson in muziek en teekenen, wier geschiedenis men
zich kan denken, wier afdwalingen men gemakkelijk begrijpt;
verder actrices en geömployeerden aan de Parijsche en provin-
ciale schouwburgen, die door verlies van hare stem, een
faillissement van een directeur of de behoefte aan een
zekere welvaart, die zij zich zelve niet kunnen verschaffen,
in de armen der prostitutie worden gedreven." \')
Wij kunnen aangaande dit punt ter schole gaan bij onze
inheemsche statistiek.
Den 31 Dec. 1871 bedroeg het getal vrouwen die verplicht
waren zich aan een onderzoek te onderwerpen in Stockholm
322. De stand en het beroep harer ouders blijkt uit de
volgende tabel.
Gehuwde arbeiders.................   64
„ handwerkers...............  102
„ boeren en huisbezitters.........   23
„ keuterboertjes..............   22
„ fabrikanten................    11
„ kooplieden................    15
„ zeelieden..................   15
„ dienstboden................     4
„ ambtenaren en dienstmannen.....     5
„ onderwijzers...............     2
„ officieren.................     1
„ onderofficieren..............     5
„ soldaten..................    13
„ wachters.................    14
Ongeh. vrouwen...................     4
Onbekende ouders..................   22
Te zamen- 322
]) L. Keuss, La prostitutior. etc. Paris 1889, p. 22.
-ocr page 170-
156
Een soortgelijke statistiek betreffende Göteborg, slaande
op denzelfden tijd, ziet er als volgt uit:
Gehuwde arbeiders.................   71
„ handwerkers...............   38
„ boeren en huisbezitters.........    11
„ fabrikanten................     1
„ kooplieden.................     1
„ huiseigenaren...............     1
„ onderofficieren..............     3
„ soldaten..................    18
„ zeelieden..................    12
„ dienstboden................     1
„ opzichters.................     1
Ongehuwde vrouwen................    13
Onbekende ouders..................     4
Te zamen 175
Kullberg meent dat werkelijke nood, die door de
vrouwen meestal als de oorzaak van haren val wordt opge-
geven, zelden de eenige oorzaak is. Als bewijs voor zijne
meening voert hij onder anderen aan, dat in het politiebureau
te Göteborg zeer dikwijls jonge meisjes worden geroepen van
tusschen de 13—14 jaar, die een lichtzinnig leven leiden. De
meesten dier meisjes woonden bij hare ouders, van wie
eenigen in zeer welvarende omstandigheden verkeerden. \')
Ik kan ook de meening van vele buitenlandsche schrijvers
meedeelen over de oorzaken der prostitutie.
„IJdelheid, groote zinnelijkheid, pronkzucht, ongeluk en
honger maken de vrouwen tot prostituees," zegt Acton; „soms
ook is nood, ruwheid, hulpeloosheid een hoofdoorzaak van
beroepsmatige ontucht, en menige in zonde en schande ver-
worven penning diende om familie te ondersteunen. Doch
van meer gewicht zijn de wisselende karakterfouten en zwak-
1) A. P. Kullberg. Om prostitutionen etc. Sv. Lak. SiUlsk. Nya Handl. Ser. II.
Delen V 1.
-ocr page 171-
157
heden, lichtzinnigheid, zinnelijkheid, gebrek aan zelfbeheer-
sching en zedelijke kracht; — niet de flinke, bescheidene,
maar de veeleischende, genot- en pronklievende armoede." \')
Ik kan nog veel uitvoeriger opgaven meedeelen van een
geneesheer, die jarenlang in de gelegenheid was om van zeer
nabij het prostitutiewezen te bestudeeren. Deze schrijver
wijst er op dat de vorm van buitenechtelijken geslachtsom-
gang in de laatste tientallen van jaren geheel is veranderd.
Zoo zegt hij o. a. „dat de eigenlijke „grisette" niet meer
bestaat, zij is opgegaan in het niet ingeschreven meisje van
pleizier." 2)
„De „onderhoudene vrouw" bestaat niet meer. De ontucht-
speculatie (Ie proxénéüsme) is een bijna erkend en een publiek
uitgeoefend bedrijf." (Hetzelfde werk.)
Over den val der meisjes zegt de schrijver het volgende:
„De bals der voorsteden en die in de groote binnenwijken
van Parijs zijn beide schadelijk voor de algemeene zedelijkheid,
maar de gevaren die zij meebrengen zijn niet van dezelfde
soort. De jonge arbeidster debuteert steeds op de bals in de
voorsteden. In den beginne wordt zij daarheen getrokken
door het genot van te dansen; zij bezoekt die plaatsen van
haar vijftiende jaar af, zonder dat hare ouders of meesters
dit weten. Daar ontmoet zij haren eersten minnaar. Wan-
neer zij na herhaalden val er toe komt om haar ouderlijk
huis en hare werkplaats te verlaten, wanneer zij op aanma-
ning en op eisch van haren minnaar met familiegewoonten
en geregelden arbeid breekt om zich te wijden aan hetschandelijk
beroep, is het dansen voor haar geene zaak meer van genoegen
maar eene quaestie van bestaan.
Dan verlaat zij de bals in de voorsteden, bezoekt die binnen
Parijs, die niets anders zijn dan tentoonstellingen van levende
koopwaar, publieke prostitutie-markten, waar men, evenals
1)   Oesterlen. Hygiëne S. 748.
2)   Carlier. Les deux prostitutions. Paris 1887 bl. 21. Ik kan hun die zich mot
de prostitutie-quaestio bezighouden, niet genoeg aanbevelen om dit en andere op
ervaring gegronde werken te lezen.
-ocr page 172-
158
in de huizen der ontucht, dingt om den prijs. En deze
markten zijn veel beter voorzien, want de jongeheeren (les
petits messieurs) der betere standen, hebben hunne goedkeu
ring er aan gehecht en bezoeken haar dikwijls.
Het is eene algemeen verbreide meening dat rijke mannen
arme meisjes verleiden en dat de speculatie der ontucht
alleen bestaat ten gerieve der bourgeoisie. Deze meening is
echter ten eenenmale valsch. — — — — — — — — — —
Onder de regeering van Lodewijk Philip stelde eens iemand
op eene vergadering voor, dat men eene conscriptie zou houden
voor de prostitutie, als het eenige middel om te voorkomen
dat de dochters der armen eene prooi zouden worden van
de lusten der rijken. Een ander kwam tegen dit voorstel
op en motiveerde zijne meening in de volgende woorden:
„Les riches n\'ont que nos restes, nous Ie savons tous."
Van de 100 aanslagen op de eerbaarheid worden er zooals
uit de verslagen der rechtbanken blijkt, 80 pet. gepleegd door
arbeiders. \')
Het is ten behoeve der arbeidersklasse dat de meisjes den
eersten voet zetten op dien glibberigen weg. Naaisters, wasch-
vrouwen en anderen voeren, dikwijls met geweld, hare help-
sters in de armen van vrienden van haren minnaar of in
die van den minnaar zelf." 2)
Nog een ander Fransch auteur zegt over dit punt het
volgende:
„De „rijke mijnheer" die door de legende als de oorzaak
wordt beschouwd van den val van het arme meisje, bestaat
niet of bestaat ten minste uiterst zelden zooals Maxime du
Camp
terecht aanmerkt. „De dochters van het volk vallen door
het volk." Het zijn hare gelijken, arbeiders als zij zelve, die
het geschenk van hare jeugd en schoonheid aanvaarden." 3)
1)   Aangeh. werk, hl. 38.
2)         „           „ „ 39.
3)   Eeuss aangoh. work, bl. 41.
-ocr page 173-
159
Ik wil evenwel ook een mijner tegenstanders aan liet
woord laten.
Augagncur neemt ook aan dat 9o°/u der geprostitueerden
voortgekomen zijn uit de laagste standen der maatschappij,
maar hij maakt van de zaak niet enkel eene sociale quaestie,
hij gaat de zedelijke oorzaken na. Hij zegt:
„Do ellende, de zedelijke zoowel als de materieele, mondt
in de prostitutie uit. Het meerendeel der prostituees is als
voor de prostitutie opgeleid, sinds het oogenblik der huwbaar-
heid. Er is nooit gewerkt op haar zedelijkheidsgevoel---------
zij prostitueeren zonder berouw, zonder schaamte. Zij zijn
geen eerlijke vrouwen kunnen worden door gemis aan zedelijk
onderwijs, door gebrek aan goede voorbeelden en de waakzame
zorgvuldigheid harer moeders."
De heer Wicksell tracht een groot onderscheid te maken
tusschen verleide meisjes en geprostitueerden, en wil den
lezer in den waan brengen, dat de armoede den verleider en
de verleide uit den arbeidersstand verhindert om te huwen.
Indien dit waar kan zijn van sommige gevallen, de uit-
sluitende oorzaak van de zaak waarmee wij ons bezighouden,
is zij niet.
Eene verleide en verlatene vrouw wordt gemakkelijk eene
prostituee; en maar al te dikwijls wil de verleider niet
trouwen maar haar liever tot een gewoon meisje van pleizier
maken en mee genieten van het geld dat zij op die wijze
verdient.
De heer Wicksell heeft geheel de maatschappelijke klasse
voorbijgezien, die men „Alphonses" noemt; hij heeft voorbij-
gezien de door novellisten, reisbeschrijvers en moralisten
geschilderde talrijke klasse, die veel liever als parasieten der
prostitutie hun „vie facile" leiden, dan eerlijken arbeid ter
hand nemen. Dat dus de arbeidersstand niet onschuldig is
aan het zedenbederf, hebben wij reeds aangetoond.
Tevens herinner ik er hier aan, dat er ook dochters uit
den gegoeden burgerstand tot prostitutie vervallen.
Ik heb behalve de annalen der statistiek van de publiek
-ocr page 174-
160
gecontroleerde prostitutie, de jaarverslagen en notulen van
„Reddingsmaatschappijen", philanthropische vereenigingen,
enz. bestudeerd. In hare mededeelingen en verslagen vindt
men niet zelden opgegeven dat hare beschermelingen doch-
ters waren van dominees, dokters, officieren, kooplieden e. a.
De weg om te vallen voor een meisje uit die klasse, is: in
den beginne te luisteren naar een minnaar van de Wicksell\'sche
school, naar iemand dus die het genot der liefde belooft maar
niet wijst op de mogelijke gevolgen. Wanneer hij haar heeft
verlaten, zinkt zij al dieper en dieper.
De heer Wicksell verkeert in eene dwaling wanneer hij
meent dat vrouwen uit de zoogenaamd betere standen slechts
bij uitzondering vallen, en het is evenzeer eene dwaling,
dien val toe te schrijven aan sexueele perversiteit en vooraf-
gaande armoede. Dezen kunnen de oorzaak zijn, maar meestal
is zij een gevolg van het minachten der wetten en zeden
waarop het geslachtsleven berust.
Ik wil overigens niet ontkennen dat het meerendeel der
ingeschreven prostituees leden zijn der laagste standen maar
dat is niet noodzakelijk het geval met de groote schare van
geheime prostituees, waarmee de mannen en vrouwen in
aanraking komen, die pogingen in het werk stellen om alle
gevallenen te helpen en te steunen. Het komt mij niet
onwaarschijnlijk voor dat bij de Germaansche rassen, waai-
de vrouw in alle standen grootere vrijheid heeft om zich te
bewegen, de dochters der burgerklasse grooter gevaar loopen
dan in Frankrijk b. v. waar klooster opvoeding en huwelijken
op het initiatief der ouders tot de dagelijksche dingen be-
hooren. \')
Op grond van alle inlichtingen die ik sedert jaren heb
ingewonnen, durf ik verzekeren dat de heer Wicksell in de
meeste opzichten dwaalt.
Het schuldenregister der gegoede klassen is in betrekking
tot die der arme klassen groot genoeg; men behoeft het niet te
1) Dat echter de huwelijkstrouw dientengevolge op lagoren trap staat dan
In hot Germaansch Europa is van algemeene bekendheid.
-ocr page 175-
161
vergrooten door ongegronde verwijten. Aan zoo iets maakt
men zich enkel schuldig als middel tot opruiing. \')
Hij die de tegenwoordige verhoudingen der menschelijke
maatschappij bestudeert, komt gemakkelijk tot het inzicht,
dat de prostitutie op eene beklagenswaardige wijze wortel
heeft geschoten. Bestudeert men daarbij ook de geschiedenis
der zeden, de ethnographische bijzonderheden van de vormen
waarin het geslachtsleven zich openbaart, dan zal men,
wanneer men een eerlijk onderzoeker is, inzien dat, hoe innig
men dit ook moge wenschen,
het kwaad niet door een toover-
slag is uit te roeien, niet door het toevoegen of weglaten
van een paar wetsartikelen.
Maar ik kan er met den besten wil niets onzedelijks in-
zien dat men het kwaad zoekt te verminderen. Verzoeking
en verleiding te voorkomen, het geven van aanstoot te ver-
hinderen is een bekend doel der wetgeving. Aan de politie
zij het opgedragen dat die artikelen worden nageleefd, niet
aan eene eigenmachtige politie evenwel, maar aan eene die
onder het toezicht staat der rechtbanken. Het ligt in den
aard der zaak dat de agenten bij het beoordeelen van hetgeen
als „aanstootgevend" wordt beschouwd, zich moeten laten leiden
door inzicht en ervaring. Zij moeten het oogenblik van ingrij-
pen juist kiezen, doch een zekere vorm voor discretionnair
geweld,
zooals Bismarck zich in verband met de Meiwetten
uitdrukte, moet ten bate van de openbare orde worden toe-
gestaan.
Zeer ervarene zaakkundigen meenen dat er onder de
tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen naast de gewone
1) Er komen meer dingen voor in het dikwijls aangehaalde werk van den heer
Wicksoll, dio scherp gehokeld moesten vvordon, o. a. zijne bewering dat monogamio
enkel bestaat in betrekking tot de vrouwen uit do boschaafde standen. Dit is
eene beleediging voor de talrijke zedelijke mannen en vrouwen uit den arbeiders-
stand, waarvoor zy den heer W. niet dankbaar zullen zyn.
11
-ocr page 176-
1G2
politic cone zedelijkheidspeil)üe \') moest bestaan, geheel afge-
scheiden van de eerste zoowel als van de detectieve politie.
Hare roeping moest het zijn: publieke schandalen te ver-
hinderen; zorg te dragen voor de algemeene gezondheid;
zekerheid van lijf en leven te waarborgen aan hen die
in een beneveld oogenblik of uit plicht verzuim een slecht
befaamd huis hadden bezocht; de families te verdedigen
tegen de afpersingen der ontucht-speculaties; de jongelieden
te vrijwaren voor de verleiding van hunne eigene hartstochten;
de kinderen naar huis terug te brengen, die, door hunne
vroegrijpe hartstochten gedreven, het hadden verlaten; onzede-
lijke beelden te vernietigen, of het verkoopen en verspreiden
daarvan te beletten, de pederastic en onnatuurlijke geslachts-
genietingen uit te roeien. 2)
Ik vind dat zoo iets inderdaad door de maatschappij
moest worden beproefd en gewaardeerd en in dat geval de
uitoefening dier politie aan een bijzondere klasse van ambte-
naren moest worden toevertrouwd.
1)    Onzo jeugd wordt op eene bedroevende wijze verleid, want de prostitutie
loert op eiken hoek der straten. Hoe veel men ook mogo hebben togen de politie-
reglementen, moet men toch oischen dat er aan het tegenwoordige systeem met
zijne verleidingen een eind worde gemaakt. — — — Er is gezegd dat onzo politio-
voorschriften in dit opzicht voldoendo zgn; dit is evenwel nooit gebleken; in
geen enkel land van Europa steekt de prostitutie zoo onbeschaamd het hoofd
op als in Engeland. (Parkes, aangeh. werk, bl. 502.)
2)   Carlior zegt in zün aangehaald werk, bl. 493: Ik zou tot haro werkzaam-
heden ook gaarne zien gebracht dat zü hulp verschafte aan ongonooslijko zieken,
idioten en zwakhoofdigen, die anders in den regel tot do prostitutie vervallen.
Indien iomand de moeite wilde doen om onze moening over dit punt in te
winnen en vroeg, woik systeem een dokter wenschto toegepast to zien wanneer
een hem lieve persoon werd geprostitueerd, zou deze in elk geval hem antwoor-
don dat li|) dankbaar zou zün voor het bestaan van eeno redelijke zedenpolitie,
van wie men opsporingen, pogingen tot redding en beschorming tegen de ergste
vormen van lichamelijk lijden zou kunnen en mogen verwachten.
De pas in Christiania ingevoerde maatregel, om do prophylaxis tegen de syphilis
aan een stedelijken raad van gezondheid op te dragen, kan voor het tegenwoordige
alleen in kleinere steden als proefneming dienst doen.
Het komt mij zonderling voor dat men het onmiddellijk ingrijpen der politie
en doctoren wil vermijden, als men toch een gedwongen onderzoek van verdachte
jndiyidu\'s moet toelaten.
-ocr page 177-
163
Mochten al enkele leden van genoemde federatie tegen
zulke maatregelen zijn, met de meeste zal dit niet het
geval wezen.
Ik kan met den besten wil niet inzien dat het bestaan
van eone gereglementeerde zedelijkheidspolitie hetzelfde zou
beteekenen als: eene noodzakelijkheid dat de man zijne zin-
nelijke lusten moet bevredigen.
Men kan worden gedwongen tot de erkenning van het
bestaan der sexueele buitensporigheden, en alhoewel voor het
oogenblik onmachtig haar uit te roeien, toch de schade
trachten te verminderen, de verleiding te verzwakken.
Alhoewel men de overtuiging bezit dat de zoogenaamde
zedelijkheidspolitie tot hiertoe dikwijls hare plichten niet op
bevredigende wijze heeft vervuld, komt het mij toch gewaagd
voor om haar met Yces Guiot als volkomen ongeschikt,
burgerlijk dood te verklaren. De uiterlijke regeling is niets
dan eene administratieve quaestie, maar het principe door
Carlier aangegeven, komt mij juist voor, n.1. dat de ervaring
heeft geleerd dat het zedelijkheids-politietoezicht niet kan
worden opgedragen aan gewone politie-agenten en nog minder
aan de grove misdadigers opsporende detectieven.
Ook Westergaard is deze meening toegedaan; hij hoopt
dat voor dit doel een met zorg gekozen en goed bezoldigd
personeel zal worden aangesteld.
Het meermalen genoemde Fransche committé dat hare
goedkeuring niet hecht aan de tegenwoordige controle
der prostitutie, erkent dat de slapheid der controle, die een
gevolg was van de herhaalde aanvallen op het gezag der politie,
veroorzaakt heeft dat de prostitutie tot een ongekende hoogte
is gestegen. Dat zelfde committé wil de uitdaging (la provo-
cation) zelfs als strafbaar beschouwd hebben. Welke straf de
provocatrice moet treffen, beslisse de rechter; maar de dokter
moet het recht eischen haar te onderzoeken en zoo noodigte
behandelen. De meeste leden van het committé willen niets
weten van het recht der onderzochte vrouwen om in het
openbaar haar bedrijf of hare bedoelingen kenbaar te maken.
11*
-ocr page 178-
104
Bij schrijvers, die de prostitutie als noodzakelijk en afzonder-
lijke wetten daarop als volkomen gerechtvaardigd beschouwen,
kan men evenwel humane denkbeelden vinden, op zulk eene
krachtige wijze uitgedrukt, dat zij de zoogenaamde zedelijk-
heids vrienden volkomen moeten bevredigen.
Zoo heeft b. v. Augagneur een wetsartikel voorgesteld
waarbij aan een minderjarig meisje verboden werd zich aan
de prostitutie over te geven; zij die tegen dit artikel zondigden,
moesten voor den tijd van twee jaren in een verbeter-
huis worden geplaatst, en, in geval van herhaling, totdat zij
meerderjarig is. Philanthropische vereenigingen, die zich op
gepaste wijze over de ongelukkigen ontfermen, zouden in
verband met zulke verbeterhuizen veel goeds kunnen uitwer-
ken. De heer Augagneur meent dat de prostitutie door dien
maatregel zeer zou verminderen — quand une femme ne
s\'est pas prostituee avant 21 ans, elle ne se prostitue pas
plus tard — en vooral een harer akeligste vormen, — het
zich verkoopen van wezentjes die pas den kinderschoenen zijn
ontwassen, een vorm die nu afschuwelijk veel voorkomt.
In den tegenwoordigen tijd zijn er vele schrijvers opgestaan,
die ontegenzeggelijk door philanthropische redenen gedreven
er voor ijveren dat de prostitutie begrensd worde binnen
bepaalde lokalen, in casu bordeelen.
Ik wil hier nog eene meening van een dier heeren aanhalen:
„Zij (de bordeelen n.1.) benadeelen zoo min mogelijk de
openbare veiligheid en zedelijkheid doordien de straatprosti-
tutie, het zondigen tegen de welvoeglijkheid en de verleiding
van mannen en onschuldige meisjes zooal niet verhinderd
dan toch verminderd wordt. De vrouwen in zulke bordeelen
als opgesloten, zullen minder vaak haar leven als boos-
doensters, koppelaarsters of met een zelfmoord eindigen
dan dit het geval is met de in veel ongelukkiger omstandig-
heden verkeerende, alleen wonende prostituees, omdat zij
betrekkelijk beter verzorgd zijn. De ervaring leert dat juist
de meisjes uit een bordeel soms tot een ordentelijk leven
terugkceren en weer in de maatschappij worden opgenomen.
-ocr page 179-
1G5
Misdadigers, die bij de geheime prostitutie de beste
wijk- en schuilplaatsen vinden, zouden wanneer er enkel
bordeelen bestonden gemakkelijker worden ontdekt. Door het
bordeel-systeem wordt de syphilis betrckkelijkcrwijze beperkt,
daar het geneeskundig onderzoek hier het best kan plaats
hebben en de vrouwen zelve door hare gunstiger materieele
positie en door meer ervaring en kennis zich beter voor
besmetting kunnen vrijwaren.
Dit is onmogelijk voor de veel ongelukkiger, onkundige,
alleenwonende straatmeisjes, die door den nood worden ge-
dwongen om zich aan den eerste den beste over te geven."
Westerguard heeft in zijn boven aangehaald werk gezegd,
dat, nu men eenmaal moet kiezen tusschen twee kwade
dingen, het beter is bordeelen te hebben, dan overal verspreid
wonende prostituees, vooral ook omdat de laatsten eene veel
gevaarlijker verzoeking zijn voor de in hare nabijheid
wonende families.
Van een theoretisch standpunt beschouwd is dit in zekeren
zin juist, maar prof. Westergaard moet toch inzien dat er
ook waar bordeelen zijn, altijd nog zoogenaamde geheime
prostituees worden gevonden. Daar dus het beoogde goede
niet tot stand zou komen, komt het mij niet wenschelijk
voor der ontucht eene meer gelegaliseerde positie te geven, die
zij door publieke bordeelen zou krijgen.
Gedurende mijn geheele loopbaan als dokter ben ik op
grond onzer Zweedsche wetten een tegenstander geweest van
zulke inrichtingen, zelfs toen zij nog meer onder het toezicht
stonden van geneesheeren dan nu het geval is.
Het oordeel van het Finsche geneeskundige gezelschap
dient naar mijne meening in wijderen kring te worden ver-
breid. Dit luidt als volgt:
„Het kan toch aan geen twijfel onderhevig zijn dat zelfs
enkel administratieve middelen tot een beteren toestand
kunnen medewerken, terwijl in geval van ondoelmatige rege-
ling de vrije geslachtsomgang kan worden bevorderd, ja, deze
hem algemeener kan maken. Dit gezichtspunt mag derhalve bij
-ocr page 180-
106
het nemen en beoordeelen der maatregelen, niet uit het oog
worden verloren of hieraan eene te geringe beteekenis worden toe-
gekend. Het is op grond hiervan dat de inrichting van streng
onder toezicht staande bordeelen, — tot hiertoe beschouwd als
de beste en doelmatigste wijze om de voor de gezondheid
nadeelige gevolgen te beperken — zelfs niet uit een hygiënisch
oogpunt wordt verdedigd, terwijl allerlei andere bedenkingen
zich op den voorgrond dringen. Men kan er van verzekerd
zijn, dat zulke inrichtingen, doordien zij gemakkelijk toegan-
kelijk zijn en velerlei verleiding aanbieden, de lichtzinnigheid
en eene meer algemeene uitoefening van buitenechtelijken ge-
slachtsomgang zouden bevorderen.
En dit weegt mijns inziens meer dan tegen de voordeelen
op, die zouden voortvloeien uit een door deze regeling mogelijk
gemaakt strenger toezicht op een deel der prostituees." \')
Het schijnt mij veel raadzamer om op de voorhanden
zijnde basis, de Zweedsche wetten uit te werken en te
verbeteren, dan de artikelen te versterken die de oprichting
van bordeelen verbieden.
Voor hem die in de prostitutie enkel eene uiting ziet van
eene natuurdrift, verhoogd of versterkt door onze gekun-
stelde maatschappelijke verhoudingen, zou ik op het bekende
feit willen wijzen dat de prostitutie voorbeschikt maakt tot
tegennatuurlijke handelingen, en dat misdadigers en allerlei
soort van vijanden der maatschappij als hare bondgenooten
moeten worden beschouwd. 2)
Mijne hoorders, tot zoo ver zijn wij nu gekomen. Zullen
wn\' het oordeel van Leckey, Mona Caird e. a. over de prostitutie
onderschrijven? Neen, dat is ons onmogelijk. Al verhindert
1)   Bedenkingen geopperd door het Finsch medisch genootschap, bl. 30.
2)   Poderastio en vrouwelijke prostitutie zün welbeschouwd éen en hetzelfde,
Carlter. Aangoh, werk, bl. 467.
-ocr page 181-
167
het bestaan der „lichte meisjes" ook eens een enkelo maal
dat de sexueele hartstochten van den man hem drijven tot
gewelddadigheden tegenover eene eerbare vrouw, de prostitutie
steunt en ontwikkelt toch het kwaad, zij vergiftigt en bederft
duizendmaal duizend mannen, onteert en benadeelt vrou-
welijke wezens, verleidt kinderen, bedreigt en bezoedelt het
huwelijk en vormt een maatschappelijk kwaad par préfé-
rence.
dat oneindig gevaarlijker is te achten dan socialisme
en communisme.
Het is bij eenige maatschappelijke hervormers mode
geworden om de prostitutie voor te stellen als eene noodza-
kelijke aanvulling van het huwelijk (zie b. v. het citaat uit
Mona Caird bl. 191).
Zulk eene opvatting is enkel mogelijk bij hem, die de
vraag niet in den grond heeft bestudeerd, of die met meer
of minder eerlijke middelen de instelling van het huwelijk
wil bestrijden. Eene bewering als bovenstaande blijft even
ongerijmd, \'t zij men de historische ontwikkeling der zaak
nagaat of den tegenwoordigen stand der quaestie beschouwt.
Wanneer men ziet dat in een dorp waar de zeden een-
voudig zijn, da prostitutie onbekend is en het huwelijk heilig
wordt gehouden, wat moet men dan zeggen van de verhou-
ding waarin het huwelijk en de prostitutie tot elkander staan ?
Of — om een voorbeeld te nemen ontleend aan het stadsleven
onzer dagen — hoe is het mogelijk de prostitutie te beschou-
wen als eene veiligheidsklep voor het huwelijk, wanneer men
weet dat de buitenechtelijke geslachtsomgang op alle denkbare
manieren lokt en in het bijzonderde mannelijke leden van het
huisgezin ten verderve voert?
Ten opzichte van dit punt heeft eene vrouw met een
gewoon gezond verstand eene veel helderder opvatting dan
de zoogenaamde geniale vrouwen der moderne samenleving.
De eerste ziet in dat zij tengevolge der prostitutie in het
huwelijk kan treden met een man wiens zedelijke reinheid is
bezoedeld, wiens gezondheid is ondermijnd, wiens gewoonten zijn
verslaafd, wiens trouw onbetrouwbaar is, wiens schoonheids-
-ocr page 182-
16S
zin besmet, wiens echtelijke liefde is beroofd van alle jeugdige
frischheid; zij ziet in dat hare kinderen gevaar loopen reeds voor
de geboorte aangetast te zijn door overgeërfde ziekten, dat zij
van den kant des vaders slechts sexueele driften kunnen
erven; dat zij in zulk een geval voor hare zoons onophoude-
lijke gevaren en verzoekingen heeft te vreezen en voor de
dochters de bitterste teleurstellingen en kwalen.
In trouwe, ik kan niet inzien dat zij aan de prostitutie
iets te danken heeft. Het is een los praatje dat buitenechte-
lijke geslachtsomgang een waarborg zou zijn voor geweldda-
digheden tegenover eerbare vrouwen.
Wanneer geslachtsgenot als een op zich zelf staand doel
icordt nagejaagd,
wanneer het in geen verband meer staat
met liefde, huiselijk leven, verantwoordelijkheid, enz., dan
wordt het niet meer door natuurlijke middelen bevredigd, dan
ontstaat er behoefte aan kunstmatige prikkeling en de afge-
leefde, geblaseerde wellustelingen verlangen naar afwisseling
en vinden vermaak in het onteeren van jeugdige schepseltjes.
Mijne opvatting strookt in dezen geheel met die van Parkes
wanneer hij zegt:
„Ik deel geenszins de meening van hen die in de prosti-
tutie niet alleen een noodzakelijk iets maar een goed iets
zien — een voorbehoedmiddel tegen ergere ondeugden, eene
zekerheid tegen aanvallen op huwelijkstrouw. — - — Hoe
meer de prostitutie zich ontwikkelt, hoe meer nadeel er wordt
toegebracht aan het huwelijk, die beschermende macht der
menschheid."
Het is daarom volkomen juist dat de tegenwoordige tijd
haar zelf in den vorm van associatie tracht te bestrijden.
Toch heb ik tegen zekere associatie bedenkingen te opperen.
„Caveant consules ne quid detrimenti capiat respublica"
(mogen de volksleiders zich wachten om op dwaalwegen te
geraken) — over den onrechtvaardigen strijd tegen den arbeid
der doctoren heb ik reeds gesproken, — mogen zij inzien dat
zedelijke verbetering der maatschappij een langdurig, geduld-
eischend, moeilijk werk is, niet tot een goed einde te brengen
-ocr page 183-
169
door gepraat, en zelden, uiterst zelden, door het wekken van
agitatie.
Mogen de hoofden en leden der vereonigingon tot bevor-
dering der zedelijkheid inzien, dat getwist, gepraat, rede-
voeringen, bezoeken van enkele leden aan de meisjes van
slechte zeden, het doen van vragen naar haar beroep of
physiologische redeneeringen en artikelen geen middelen zijn
om het doel, waarvoor zij zich moeite getroosten, te bevorderen.
Mogen zij ook een helderder inzicht verkrijgen, wie hunne
vrienden, wie hunne vijanden zijn. Indien zij eerlijk van ons
willen leeren — proflteeren van de ervaring door de medici
opgedaan, dan zullen zij in ons veel betere bondgenooten
vinden dan in een deel van hunne nieuwe associé\'s — de
bohémiens.
Niemand wordt een vriend der zedelijkheid, door te roepen:
"Weg met de zedenpolitie !
Ik weet wel dat men in het laatstgenoemde leger, onder
de Sadduceeën der revolutie, evengoed als onder de Farizeeën
der reactie, mannen aantreft voor wie elke vrouw vogelvrij
is, bij wie elke gehuwde of ongehuwde vrouw bloot staat
aan beleedigingen, altijd voor zooverre zulke kerels het durven
wagen uit vrees voor de tuchtiging van haren mannelijken
beschermer.
Door de inmenging van zulke personen wint de zaak der
zedelijkheid noch aan sterkte, noch in aanzien.
Een zeer geacht criticus heeft tegen vele van mijne hier
uitgesproken beschouwingen protest aange teekend, die ik mij
verplicht gevoel te beantwoorden.
Ik heb volstrekt niets tegen het bestaan en het doel der
federatie, maar ik vind dat zij door hare krachtige oppositie
tegen het gebruikelijk onderzoek, op eene onvergeeflijke
manier krachten verspilt, die beter tot positieven verbete-
ringsarbeid konden gebruikt worden; ik vind, dat zij, althans
wat Zweden betreft, de afdwalingen van het geslachtsleven
te eenzijdig heeft opgevat als een onrecht van den man
tegenover de vrouw; clat een beter onderzoek naar en critiek
-ocr page 184-
170
van de hoedanigheden der vrijwillige arbeiders, de zaak zeer
ten goede zouden komen. Wanneer de geachte criticus meent,
dat mijn boekje niet gelezen behoort te worden door vrouwen
onder de vijf en twintig jaar, dan zal hij het zeker billijk
vinden dat ik persorfen van dien leeftijd — ja, vele oudere
ook — niet geschikt acht, om strooptochten te ondernemen
in de holen van ontucht, teneinde pogingen tot redding te
ondernemen. Voor zulk een zendelingswerk met al zijne
moeilijkheden en gevaren, die ik hier niet kan opsommen,
wordt een bijzonder talent vereischt, dat slechts zelden bij
een man of vrouw aangetroffen wordt. Alle verkeerd ont-
worpene en uitgevoerde pogingen zijn nadeelig voor de goede
zaak, schadelijk voor de personen die er mee annex zijn.
Wanneer ik, gesteund door het getuigenis der geschiedenis,
verklaar, niet aan eene plotselinge en geheele bekeering van
sexueele zonden te gelooven, vind ik dit eerlijk en meer
waar, dan om zijne hoop te vestigen op redding door eenige —
hervormingen op papier.
Hieruit volgt volstrekt niet dat ik de prostitutie in stand
teil houden. Ik verdedig
het systeem niet, ik wil niets
toeten van verlof-attesten,
ik houd enkel vast aan het recht
der maatschappij om zich tegen ziekten door de prostitutie
te beschermen.
Het groote publiek heeft moeite om de roeping van de
medici in deze quaestie zoowel als in andere te begrijpen.
Wij moeten menschen genezen, wij moeten ziekten uitroeien
zonder onder de behandeling te vragen, of zonde en misslagen
de oorzaken zijn.
Wij willen gaarne iets bijdragen tot de zedelijke verbete-
ring van het menschelijke geslacht, maar de ziekten onge-
hinderd te laten voortwoeden, is onzes inziens een verkeerd
middel.
Indien wrj aan de wereld een middel konden schenken
waardoor alle geslachtsomgang volkomen onschadelijk werd,
wij zouden niet aarzelen dit te doen. Maar zoo iets
bestaat niet.
-ocr page 185-
171
Wanneer een arts is aangesteld om ten behoeve van het
vaderland te waken over den gezondheidstoestand van leger
en vloot, dan kan hij, bij gebrek aan reinheid der zeden,
weinig anders doen dan op reinheid van lichaam aandringen
— meer niet.
Mijne hoorders, ik behoef nu nog enkel eenige gevolgtrek-
kingen te maken.
Wat wil ik? Wil ik meewerken tot het verkrijgen vaneen
hoogere geslachtsmoraal? Het antwoord daarop zal wisselen
naar het standpunt van den vrager.
Indien ik voor de rechtbank der zedelijkheid word gedaagd,
waar personen rechtspreken als Geyerstam, Strindberg,
o
Lundegard, Levertin, Ola Hansson, Garborg, Krogh, Hans
Jaeger, Georg Brandes, Amalia Skram, Stella Kleve, Erna
Juel-Hamen
en anderen, dan kan ik niet anders dan een
veroordeelend vonnis verwachten.
Ik heb misschien de minste tegenspraak te vreezen wan-
neer ik zeg dat het mijne bedoeling was: eenige trekken in
het licht te stellen van de natuurleer der monogamie, te wijzen
op de gezondheid bevorderende kracht die er voor de menschen
naar lichaam en ziel voortvloeit uit eene werkelijke en eer-
lijke monogamie.
Nu, niets dan dat! zal misschien menigeen uitroepen;
zulke vermaningen hooren wij meer dan genoeg; de raad om
tevreden te zijn mei. de bestaande wanverhoudingen is ge-
makkelijk te geven, wat wij noodig hebben is hervorming.
Dat wil ik niet ontkennen. Ik wensch vuriger dan mis-
schien een van u allen: hervorming, maar geen reactionnaire
hervormingen, geen atavistischen terugval, maar werkelijken
vooruitgang. Onze opvoeding moet er op aangelegd worden
om ons lichaam gezondheid te geven; wij moeten ons lichaam
in overeenstemming trachten te brengen met de eisenen van
den tegenwoordigon cultuurtoestand; wij moeten meer kracht
zien te krijgen om minder last van onze zenuwen te hebben;
wij moeten vooral ons best doen om het toekomstige geslacht
in een atmospheer van grootere geestelijke reinheid op te voeden,
-ocr page 186-
172
Ik kan slechts eenige van de middelen die tot zulke her-
vormingen leiden, aanwijzen.
Wij moesten de verwoesting door alcohol schuwen; ik mag
den eisch niet stellen dat ieder zich geheel onthoude van alle
gegiste dranken, maar wèl, dat ieder nuchter zij, waar ik
onder versta, dat men nooit zoo veel alcohol drinke dat daaruit
eenige verandering naar lichaam of geest voortvloeit.
Wij moeten de psychische middelen, literatuur, beelden, too-
neelspelen, enz. die de zinnelijkheid prikkelen, vermijden.
Wij moeten ons best doen om eene grootere natuurlijkheid in
den omgang te bevorderen. Laten mannen en vrouwen elkaar
meer ontmoeten, elkaar meer zien onder gewone omstandighe-
den dan tegenwoordig het geval is, nu de jeugd enkel samenkomt
om de genoegens van een bal te smaken, waarbij al te veel
sommige grenzen worden overschreden. Ik behoef slechts te
wijzen op het verderflijke van te laag uitgesneden japonnen. \')
Ik voor mij hoop op verbetering van zeden door goed geleide
opvoeding der massa, die zoowel mannen als vrouwen ten
goode komt. Al naarmate het kind meer ontwikkeld wordt,
zal men het op de hoogte brengen van hot geslachtsleven.
De kennis daarvan zal, wanneer zij langs den weg van onder-
wijs tot de jeugd komt, goeddoen, terwijl zij tegenwoordig,
door de geheime manier waarop zij verkregen wordt, verder-
felijk werkt.
Aan het onderwijs moest een cursus in anatomie verbonden
zijn, demonstreerend op lijken van menschen, eene methode,
1) Hoc weinig ik ook met do togenwoordigo bals dweep, moet ik toch m\\jno
verbazing to kennen geveu, dat een man als Tolstoï durft beweren: dat aangezien
vrouwen uit zijnen kring, hare dochters naar bals geleiden om haar aan den man
te brengen, y.\'ij in dat opzicht niet beter zijn dan eene oude koppelaarster, die
handel dreef\' met het lichaam harer dertienjarige dochter, en dat het bijgevolg
eeno der grootste inconsequenties is, zulk eene vrouw hare dochter te ontnemen om
die to laten opvoodon door zulke dames. (Wat wij noodig hobbon bl. 58.)
Het is to dwaas om hot verlokken van één man tot een huwelijk gelijk te
stollen met het prysgevon van oen kind aan vele mannen.
Hij die (/een zin heeft voor relatieve verbeteringen, moet zich nimmer met maat-
schappelijke hervormingen bezighouden.
-ocr page 187-
173
die naar mijn idee de nieuwsgierigheid zou fnuiken, welke
nu dikwijls zulk een schadelijken invloed uitoefent.
Verder moeten wij in ons dagelijksch leven eene grootere
zuinigheid aan den dag leggen. Ik weet bijna geen klasse,
die op dit punt meer zondigt dan de Zweedsche zoogenaamd
beschaafde jongelingsstand. „Ik ontzeg mij natuurlijk niets,"
zei mij onlangs een student, die leefde op kosten van zijn
vader, en hij meende dat hij daarmee volkomen in zijn recht
was. Studieschulden, dikwijls verbazend hoog, zijn een
specifiek Zweedsch (?) maatschappelijk ongeluk, waarvan de
druk zich van geslacht op geslacht overplant. Daarover zou
van verschillende standpunten zeer veel zijn te zeggen, maar
ik bepaal er mij toe er op te wijzen, dat het „schulden heb-
ben" dikwijls een beletsel is om een huwelijk aan te gaan,
den engagementstijd verlengt, vele huwelijken van elkaar
passende personen verhindert en de gezelligheid van menigen
huiselijken haard vernietigt.
Om eene vrouw uit de beschaafde klassen geschikter te
maken voor eene goede echtgenoote en goede moeder van
het toekomstige geslacht, wordt in do eerste plaats eene
betere gezondheid vereischt, grootor arbeidsvermogen en
minder aanspraak op de gemakken des levens.
Ik weet niet of het juist is, maar voor mij is de sexueele
quaestie zoowel de wortel als de bloem, het begin en het
einde van alle moraal.
Al werkt men dag en nacht voor het heil der mensch-
heid, al offert men zijn leven en vermogen, alles komt mij
nutteloos voor indien men het sexueele leven, de zich eeuwig
verjongende elementaire school der natuur voor een waarachtig
altruïsme onteert, besmet en vernedert.
Gij kent allen de oude spreuk: Bewaar uw harte boven
alles wat te bewaren is, want daarin zijn de uitgangen des
levens. Ik zou deze sententie willen aanvullen en toepassen
op de behandelde quaestie. Daar alle menschelijk leven en
bestaan zijn oorsprong vindt in geslachtsomgang, kan zij
beschouwd worden als het hart des menschdoms. Wordt
-ocr page 188-
174
zijne werkzaamheid verstoord, dan lijden alle deelen der
menschheid.
Er bestaat eene van Frankrijk uitgegane levensbeschouwing,
die uitdrukking gevonden heeft in het spreekwoord: Oh est la
femme?
Waar is zij, dat in den regel zoo demonisch,
sirene-achtig wezen, waaraan geen mannelijke kracht, geen
mannelijk karakter weerstand kan bieden, het geheimzinnig
onbegrepen natuurmedium dat onweerstaanbaar eiken man
benevelt, verwart, verlaagt, vernietigt?
Dat spreekwoord is aangevuld en luidt:
Tuez-la, vóór zij u zelf heeft ten onder gebracht. \')
Kiezen wij liever bij elke schrede die wij voorwaarts gaan,
bij elke moeilijkheid die wij moeten overwinnen, bij elke
veredeling die wn\' wenschen, de ware, empirisch-ware leus:
Bas ewig Weibliche zieht itns an!
1) Vergel. Alox Dumas fils, „Jean Richopin" en meer andere modernoschrüvers.
-ocr page 189-
ihsthiottid-
Blz.
EERSTE LEZING..................1
Do literatuur over het geslachtsleven.........2
De soort en indeeling daarvan............2
Het nut van sexueele kennis............3
De indeeling der lezingen..............4
Do sexueele hygiöno eene natuurwetentschap......5
Pessimistische opvatting van het geslachtsleven.....6
De beteokonis van het geslachtsleven.........6
Do anatomie en physiologie der mannelijke geslachtsorganen. 7
De vrouwelijke geslachtsorganen en hunne functies. ... 11
Geslachtsrypheid.................13
Sexueele vroegrijpheid...............14
Bronst en menstruatie...............15
Vroege huwelijken.................18
De paring der dieren en teeltverhoudingen.......19
De sterkte der geslachtsdrift.............20
Het bedwingen daarvan bij de dieren.........21
Het geslachtsleven en het genot van geslachtsgemeenschap
bij de menschen................21
Leeftijd voor het huwelijk..............22
Statistieke data daarover..............23
De leeftijd, waarop de huwelijken in do verschillende standen
der maatschappij worden gesloten.........25
De ontwikkeling van de instelling des huwelijks.....27
De numerieke verhouding der geslachten........28
De oorzaak van storingen in die verhouding......30
TWEEDE LEZING.................33
De zoogenaamde polygamische neigingen van den man . . 34
Onderzoek daaromtrent..............-35
De verhouding in Islamietische landen.........36
Typen van soxueelen hartstocht...........37
De gevolgen van polygamie.............38
Het bedwingen der geslachtsdrift eene cultuurkracht ... 40
Shakespeare\'s beschouwing daarover..........40
De positie der vrouw als jonggehuwde.........41
-ocr page 190-
Blz.
Natuurlijke onderbreking..............42
Echtelijke omgang.................43
Onderbreking door ziekte..............43
Echtelijke trouw..................44
Regelen voor jonggehuwden.............45
Do verkeerde opvatting der vrouw over hare positie als
ochtgenoote.................     40
Echtelijke levensregelen..............     48
Het meer of minder intensieve vermogen om geslachtsgenot
te smaken..................     49
Verschillende vrouwen-typen............     51
De leefwijze van ongehuw 3e mannen.........     54
Citaten uit de tegenwoordige literatuur........     54
Ziekten door onthouding.............     62
De invloed van do literatuur op de zeden.......     71
Een bewijs voor die stelling............     72
Onzedelijke invloeden van andoro soort.......     77
Verlovingen...................     78
Preventieve middelen..............     81
Onderzoek van die middelen............     83
Vermeerdering der bevolking. . . :........     93
DERDE LEZING.................   100
Sexueele ziekten.................   100
Onanie.....................   101
Hare schadelijkheid...............   102
Polluties....................   109
Pedorastio...............- . . .   111
De geschiedenis der Romeinsche keizers.......   111
De meeningen van moderne schrijvers........   115
Medische huwelijken...............   120
Venerische ziekten................   121
Middelen tegen hare verspreiding..........   128
Prostitutie...................   132
De federatie...................   135
Critiek op de agitatie tegen de reglementeering van het
huwelijk...................   140
Do meoning van den medicus over de ziekte en haar verband
mot zonde tegen de zedelijkheid.........   146
Noodzakelijke maatschappelijke hervormingen.....   161
Slotwoord...................   171