-ocr page 1-
Vak 14 Y
^m?.
§
% \'
■&.
k.
teetonatie werk
op Ijet Cüanö ^t. lattin,
*
�999999999999�
€t\\u Mtbalmbgtïp &otonic in
ÏB^3nöii
MÊMM
ffliiiiiiiiiiMiiiiaswiii\'iMianiii
^^f^"^^^
Wi$
h
telgegeven len voordeelc van de J^arodiic van den
3, J32ariinus op Iïcl eiland #i. jP.arlin. (12. @.)
t
____________________■
f=
m
m
UB-ZUID
MEG
14 -173
f, C. (81 lïïalmbnrg.
Ï898.
ïm
\'m*/*
*>&>\'
ïaS\'
-ocr page 2-
viy
v~S\\V**\\ )
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
MISSIONARIS-WERK
OP HET
Eiland St. MARTIN,
eene Nederlandsche Kolonie in Ïïest-Indië.
In onderhoudende brieven, gericht aan den Zeer Eerw. Redacteur
van „De Rozenkrans\'1.
Uitgegeven ten behoeve van de Parochie van den
H. Martinus op het eiland St. Martin (N. G.)
-~4*-* %4>-
NlJMEGEN.
L. C. G. MALMBERG.
1898.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Vak 14
\'f
Hiermede ben ik zoo vrij, U eenc uitgave aan te bieden van
eenigc BRIEVEN over St. MARTIN, eenc katholieke missie in
de West, aan mijne zorgen toevertrouwd. De lezing: van deze
gemeenzame mededeelingen zal U waarschijnlijk opwekken tot
het bijdragen van cene aalmoes voor mijne arme parochianen.
Volgens het spreekwoord ONBEKEND IS ONBEMIND heeft
St. Martin nog- niet DIE vruchten van de vaderlandsche
vrijgevigheid mogen genieten, als daarvan hadden kunnen
gehoopt worden, indien het eiland en de dringende behoeften
van zijne katholieke inwoners in uitgebreider kring waren
bekend geweest.
Er wordt veel, zeer veel voor de Katholieke missien geijverd
in ons Vaderland; iedere missie kan daartoe titels laten gelden ;
St. Martin echter heeft een bijzondere aanspraak op Uwe
mildheid, omdat het eenc NEDERLANDSCHE kolonie is, waar
armoede, onwetendheid, melaatschlieid en vele andere geestelijke
en lichamelijke kwalen de bevolking teisteren.
Op NEDERLAXDSCHEN bodem vooral dienen die vrecsclijke
rampen verwijderd of ten minste gelenigd te worden.
Barmhartige lezer, help mij dan in de verspreiding van dit
boekje, waarvan de opbrengsten voor de missie zullen besteed
worden. Moge het de harten en handen openen van allen, die
Nederland liefhebben en den godsdienst van Christus wenschen
te verspreiden in een land waar onze onlangs gekroonde, hoogst
vereerde en beminnelijke koningin den schepter zwaait.
3Ioge de goede God Uwe liefde en ijver bcloonen!
fr. P. L. SÜERMONDT, o. p.
Miss. Ap.
N.B. Bestellingen en vrijwillige giften kunnen gericht worden
aan mijn adres: BROERSKERK, NIJMEGEN.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
St, MARTIN (Nederi. ged.), 10 Jan. 1892.
Zeer Eerwaarde Pater Redacteur.
De toezending van de 12de aflevering des vorigen
jaargangs van ..De Rozenkrans" met uw opstel ,.In
memoriam" gewijd aan de nagedachtenis van onzen
wederzijdschen confrater en mijn steeds diep betreurden
voorganger, pastoor Onderwater, heeft de Zusters en
mij ten zeerste getroost.
Ik heb uw opstel aan onze goede Zusters voorgelezen
en nogmaals voorgelezen, en telkens kon geen van ons
zevenen zijn tranen bedwingen, zóó droevige herinneringen
kwamen weer voor onzen geest, zóó werden wij ge-
troffen door uw treffende taal en uw eigen bedroefd
gemoed.
Het was inderdaad troostend voor ons, wederom iemand,
en zóó iemand aan te treffen, wiens hart met het onze
bloedde over het verscheiden van zulk een beminnelijken
medebroeder, zulk een uitmuntenden missionaris, zulk een
moedig kamper voor de Moederkerk met woord en ge-
schrift, zulk een liefdevollen vader voor onze Zusters,
zulk oen ijverigen Herder van de arme parochie van
St. Martin.
Zelfs de Protestanten hebben zich omtrent onzen dier-
baren overledene niet onbetuigd gelaten in de bladen
van de West-Indiën. Met de meest waardeerende woorden
hebben zij Pastoor Onderwater herdacht. Een zekere
G. H. Percival, inwoner van St. Martin en algemeen
-ocr page 10-
4                  DOOD VAN DEN 1>ASTOOR ONDERWATER.
geacht handelaar, schreef aan de „Daily Express"\' van
St. Kitt\'s:
„Daar zijn tijden, waarin de dood wreede en meedoogen-
„looze aanvallen doet op de burgerij, en kostbare levens
„van haar wegrukt; gelijk gisteren avond het geval was.
„toen deze kleine stad het verlies moest betreuren van
„den beminden en hooggcwaardeerden Roomsch Katho-
lieken Pastoor. E. A. Onderwater, die na eene korte
„ziekte, ja plotseling, in Jezus ontsliep en heenging
„naar het verblijf der gezaligden.
„Deze droevige en aangrijpende gebeurtenis heeft al-
„genieene sympathie gewekt, daar de overledene bekend
„stond om zijne groote heuschheid en vriendelijkheid,
„hetgeen tegelijk niet andere uitnemende hoedanigheden,
„hem de achting, eerbied en genegenheid van alle leden
„dezer gemeente verworven had.
„Het scheen dat natuur niet karig was met hem in
„hare goede gaven, immers iedereen kende hem als een
„man van bekwaamheid, die door zijn geestesontwikke-
„ling in staat werd gesteld, diepe denkbeelden op te
„vatten en fijn, scherp te redeneereu.
„Zijn verlies wordt ten zeerste beweend door zijne
„kudde, waarvoor hij, naar men zegt. trouw en ijverig
„arbeidde, en voor welker welvaart hij de grootste bc-
„zorgdheid aan den dag legde.
„Ju hem verloren de armen een licfdevollen, hartelijken
„vriend, wiens hand steeds voor hen open was, wiens
„pogingen, om de lijdende menschheid verlichting te
„schenken, onophoudelijk en onvermoeibaar waren.
„Hij had de vervulling van vele zeer prijzenswaardige
„plannen in \'t vooruitzicht, maar helaas! zijn nuttige
„loopbaan werd al te vroeg tot einde gebracht door
„den onverbiddelijken dood, die zijn slachtoffer zoo over-
„haastig velde."
St. Maktix, 14 Oct. 1891.                         G. H. P.
-ocr page 11-
VOORGENOMEN BEDELREIS.                               5
Het zal u en uwen lezers niet onaangenaam wezen,
ZeerEerw. Pater, en eenmaal, hoop ik. aan de ,.zwartjes"
van St. Martin ten goede komen, als ik u een kort over-
zicht geef van die „vele zeer prijzenswaardige plannen",
waarover in de laatste zinsnede van voorgaand artikel
gesproken wordt. Dit zal u nog beter in staat stellen,
ten volle te begrijpen, wat wij hier aan Pastoor Onder-
water verloren hebben.
De parochie van St. Martin, door den volhardenden
arbeid van de Pastoors ten Brink en Xieuwenhuis opge-
bouwd, en met een kern van echte, diep geloovige katho-
lieken, zoowel blanken als zwarten, bevolkt, te midden
van ons minder gunstig gestemde protestanten en metho-
disten, had reeds een betrekkelijk hoogen graad van
bloei bereikt, toen zij onder het bestuur kwam van
Pater Onderwater. Pastoor Xieuwenhuis had geen waar-
diger opvolger kunnen hebben. Voortarbeidende in den-
zelfden geest, met nog jeugdiger krachten en niet een
bewonderenswaardigen kalmen moed en ondernemings-
geest, zag Pastoor Onderwater zijn vakantietijd te gemoet
als een tijdperk van vruchtbaren arbeid voor zijne
parochie. Wat de Pastoors Yincentius en Ludovicus Jansen
en Pastoor Frie voor hunne „zwartjes" gedaan hadden,
dat kon hij voor do zijnen doen. Hij wist, dat hij op de
sympathie van Nederland\'s katholieken voor het Vicariaat
van Cura<;ao kon rekenen.
Zeer veel was reeds ondernomen, maar nog veel, veel
was voor de toekomst bewaard. Reeds had hij de plechtig-
heden in de kerk, de avondoefeningen en de predicatien
aanzienlijk vermeerderd; reeds had hij het Angelus-klokje
laten luiden, om den katholieken driemaal daags aan de
groote weldaad der Monschwording te herinneren, — en
dat alles met zooveel tact en voorbereiding, dat deze
zoogenaamde „zinlooze uiterlijkheden" geen al te groot
opzien en niet te veel gemompel onder de protestanten
veroorzaakten. Reeds had hij het geluk gehad een Con-
-ocr page 12-
6
PLANNEN VAN PASTOOR ONDERWATER.
vent van zes Zusters Dominicanessen op te richten, en
aan de zorg dier moedige dochteren van St. Dominicus
een school toe te vertrouwen, die den eersten dag van
haar bestaan reeds door meer dan 150 kinderen bezocht
werd.
Doch Pater Onderwater had in zijn vierjarig verblijf
op dit eiland genoeg de behoeften van de katholieken
leeren inzien om gulweg te bekennen: „we gaan vooruit
maar we zijn nog niet daar waar we moeten komen."
In de twee en een halve maand, dat ik hem als zijn
kapelaan ter zijde stond in de bediening der parochie,
en hem voor de tweede maal in mijn leven tot leeraar
had — nu niet in Latijn of Grieksch gelijk op het on-
vergetelijk Nijmegen\'s College, maar om de hoogere
wetenschap der zielen en de kennis van de eigenaardig-
heden des volks van hem te leeren, — in dien tijd
heeft hij me meermalen onder het oog gebracht, wat er
nog aan de goede bezorging van zijn Parochie ontbrak.
Hij achtte eene stichting voor melaatschen meer dan
noodzakelijk. Die rampzalige zieken komen hier veel-
vuldig voor en moeten altijd met meer dan gewone liefde
en zorgzaamheid behandeld worden. Pater Onderwater\'s
hart brak, als hij aan den ongelukkigen toestand dier
zieken op St. Martin dacht. Hij had gelezen in de „An-
née Dominicaine", wat zusters op Trinadad vermogen
met zulke smartelijke zieken, wat balsem van troost zij
in hun hart kunnen storten, hoe gaarne de zieken zich
aan de reinigende handen der Zusters toevertrouwen, en
hij achtte zoo iets op St. Martin ten zeerste noodzakelijk.
Daar is inderdaad wel een soort van inrichting, maar
de melaatschen moeten daar zich zelven reinigen en be-
dienen. We zijn samen naar die afgelegen plaats heen-
geroeid. Pater Onderwater heeft me alles getoond, en
nogmaals zelf nauwkeurig alles opgenomen, maar voor
de zooveelste maal kwam hij tot de conclusie, dat de
onzindelijkheid en de walgingwekkende tooneelen meer
-ocr page 13-
ARME MELAATSCHEN !                                     7
dan ergerlijk waren. Geen wonder, dat zulk een verblijf
den zieken niet aanlacht, dat zij zich liever in hun
huisjes verschuilen en op genade van hun medemenschen
leven, dan op die wijze bezorgd te worden. „Neen, ver-
klaarde me Pater Onderwater, zoolang als die arme
zieken zich niet aan de liefderijke en reine handen van
Kloosterzusters kunnen toevertrouwen, zullen zij geen
verbetering in hun lot ondergaan. Opofferende liefde en
zindelijkheid zijn de twee groote voorwaarden voor de
verzorging der melaatschen, en waar anders vinden wij
die vereenigd dan in de katholieke Liefdezuster ?"
Met niet minder nadruk betuigde Pater Onderwater
de groote wcnschelijkheid van scholen op het land.
Onkatholieke scholen zijn op het land voldoende, katho-
lieke niet een enkele. Het bergachtige van het land, de
zware regens, die op eiken tijd van het jaar plotseling
komen neervallen, maken het voor de ouders moeilijk
hun kinderen naar de school in de stad te zenden.
Ook is de ijver der ouders niet groot genoeg; de gelegen-
heid moet gemakkelijk wezen; men moet de kinderen
daarenboven netter kleeden om ze naar de stad te zenden,
Om die klecderen te hebben moet er gespaard worden,
en de deugd van spaarzaamheid, duizendmalen gepredikt,
verstaat men nog niet, en waar men die begrijpt, heeft
men niets om te sparen. Pater Onderwater was overtuigd,
dat meer dan 200 kinderen, niet naar de school in de stad
kwamen, omdat ze geen klecderen hadden en geen voedsel.
Eindelijk moest er een toevluchtsoord voor jongelieden
gevonden worden, een gezellenvereeniging, in den trant
als er in Europa en in Cura^ao bestaan, om de jonge-
lingen van verleiding en kwade gezelschappen verwijderd
te houden en tot een christelijk, ernstig overdacht huwe-
lijk te brengen. Dit was het geliefkoosde denkbeeld van
Pater Onderwater. Hij sprak mij onophoudelijk van een
St. Jozef-Gezellenvereeniging, als een der grootste wel-
daden, die hij St. Martin brengen kon.
-ocr page 14-
8                       ST. JOZEF (tKZELLEN-VEKEEXIGING.
U kunt hieruit opmaken, ZeerEerw. Pater, hoc Pastoor
()nderwater zijn vakantie-tijd besteden wilde. Hij wensehte
fondsen te verzamelen, om zijn plannen te kunnen ver-
wezenlijken, en ik heb geen twijfel, zoomin als U, dat
zijn welsprekendheid en open karakter die middelen bij
Nederland\'s Katholieken zou gevonden hebben. Ja, hij
zou zelf zoover gekomen zijn, om een ziekenhuis aan zijn
melaatschen-huis te kunnen toevoegen, om zoo het heil
der katholieken op St. Martin in alle omstandigheden te
verzekeren.
\\u echter de goede God Pastoor Onderwater uit ons
midden tot zich geroepen heeft, bestaat er in de eerste
jaren geen vooruitzicht, zonder eenc buitengewone hulp
van den Hemel, om een van de opgenoemde verbeteringen
aan te brengen.
De katholieken van St. Martin zouden eene groote
schrede verder in welvaart en beschaving gevorderd zijn.
als zij hun herder slechts twee jaar langer hadden
mogen behouden.
Aanvaard, bid ik U, ZeerEerwaarde Pater, de betui-
ging mijner hoogachting en erkentelijkheid voor den
troost, die U ons met Uw ,.In memoriam" geschonken
hebt. Vaarwel.
Uw dw. Dienaar en Confr.,
fr. P. L. SUER.MONDT.
MlSSlON\'-Al\'OST.
-ocr page 15-
^T Hm^^ \'H*^; W^ ? Ups. S ï i**
St. MARTIN\' (Ned. ged.), 21 Aug. 1892.
Zeereerw. Pater Redacteur.
Met uw vereerend verlof kom ik nogmaals uwe vrome
lozers en lezeressen een oogenblik onderhouden over de
parochie van St. Martin. De Pastoors Nieuwenhuis en
Onderwater hebben zoovele welwillende vrienden in
Nederland voor deze parochie verworven, dat het onredelijk
en ondankbaar zijn zou in mij, hun opvolger, indien ik
die vriendschap en belangstelling niet trachtte gaande
te houden en zelfs aan te wakkeren, door gebruik te
maken van de gelegenheid, die u mij geeft, om cenige
bijzonderheden over de parochie van St. Martin het
Nederlandsen publiek aan te bieden.
Doch waarheen zullen we ons \'t eerst wenden ? Zullen
we een tocht gaan ondernemen naar de blanke doch
zonderlinge bevolking van Sanipson\'s baai? Of gaat gij
liever met mij een bezoek brengen aan de „zwartjes"
van de „qnarter"? Zullen wc den „Marigot hill" gaan
bestijgen en hier of daar afstappen om een kijkje te
nemen in de negerhutten? Of is het beter met u in de
vlakke, langwerpige ,.town" te blijven en u langs de
uitgestrekte zoutpannen te voeren, en met u die hooge
rotsachtige zouthoopen te bewandelen, op een oogenblik
dat er een brik of schoener in de baai ligt om zout in
te nemen, en de ,.zwartjes" bezig zijn, om onder prettig
gejoel als kleine duiveltjes die zoutheuvelen te slechten,
-ocr page 16-
10
AI/TIJD VOORUIT.
door hunne ouders en oudere broeders en zusters in den
..oogsttijd" opgetrokken?
Wel, ik denk u het eerst te voeren, waarheen mijn
hart zich het meest getrokken gevoelt___ naar de
scholen van onze Zusters Dominicanessen.
Doch laat mij eerst eenc bladzijde wijden aan den
godsdienstigen toestand van het Nederlandsen gedeelte
van St. Martin, om u de groote waarde dier scholen
beter te laten beseffen.
Eerst sedert 1840 begon de katholieke Missionaris
hier voor goed te arbeiden. Pastoor A. E. ten Brink
vond hier weinig meer dan een tiental Katholieken.
Alles was protestant: niet weinigen _ Anglican," het grootste
gedeelte „Wesleyan Methodist." Deze volgers van John
Weslcy hadden hier reeds geijverd van 1818; en door
hun succes werden andere sekten genoodzaakt het eiland
te verlaten.
De ijver van de methodistische „ministers" is op verre
na niet te vergelijken met dien van eenige andere pro-
testantsche sekte van mijn kennis. In preeken en bidden
zijn ze onvermoeid; in het houden van ,.meetings\'\' geloof
ik dat zij hunsgelijken niet hebben. Daarbij bezitten zij
veel takt om het volk voor zich te winnen en geld te
laten opbrengen voor hunne Missiën. Een Zondagsschool
dient om de kinderen aan het leidsel te houden.
Ondanks deze geduchte tegenstrijders en mededingers
waren er volgens de opgave van het doopboek reeds
meer dan 200 Katholieke Doopsels toen Pastoor ten
Brink in 1852 het eiland verliet; en na het meer dan
dertigjarig pastoraat van den Z.Eenv. Heer S. J. J. Xieu-
wenhuis is het aantal toegediende H.H. Doopsels tot ver
boven de 1600 en het aantal communicanten tot 150
gestegen. Pastoor Nieuwenhuis heeft den tijd nog gekend
en is hem glansrijk te boren gekomen, dat de Katholieken
nauwelijks hun kerkboek publiek durfden dragen wanneer
zij kerkAvaarts gingen. Maar weldra had men onderzijn
-ocr page 17-
11
DE BEWAARSCHOOL.
wijs en krachtig bestuur moed genoeg om zijn Katholiek
geloof te toonen, de methodistische „chapel" voorbij te
trekken en de kinderen Katholiek te laten doopen. Hij
richtte op zijn beurt een Zondagsschool op en hield
daarmede een groot gedeelte van de Katholieke jeugd
onder zijn toezicht.
Sinds jaren en jaren koesterde Pastoor Nieuwenhuis
het denkbeeld om het onderwijs der kinderen in handen
van Zusters te stellen. In het parochiaal archief berust
een brief, dien hij aan Mgr. Niewindt schreef met verzoek
om Zusters. De omstandigheden schenen echter zulk een
voordeel voor de parochie niet te veroorlooven. De ijverige
herder liet het denkbeeld niet varen, en al zou hij zelf
het geluk niet meer mogen beleven, zijn schapen onder
do veilige hoede te zien van vrouwelijke Missionarissen,
niets kon hem beletten een groot gedeelte van zijn
persoonlijke bezittingen aan de opvoeding der zwartjes
te wijden. Door zijne milddadigheid werd Z. D. H. Mgr.
«Toosten in staat gesteld aan de parochie van St Martin
eene Zusterschool te verbinden.
Pastoor Nieuwenhuis mocht na den langen arbeid zijn
eerbiedwaardig hoofd te ruste leggen in het zalig
bewustzijn, dat hij voor zijne parochianen gedaan had
wat hij doen kon. Zijn leven en zijn goederen had hij
er aan gewijd.
Niemand had echter zulk een succes met die scholen
mogen verwachten. Na nog geen twee jaren van onderwijs
bleek dat de scholen te klein begonnen te worden; en
de behoefte van een bijschool op \'t land laat zich thans
meer en meer gevoelen.
Doch laat mij U bij \'t jonge volkje introduceeren.
Het lokaal, waar Zuster Helena hare liefderijke zorgen
aan de kleinen besteedt, is niet al te groot, maar bevat
toch niet minder dan een honderd kleine, guitige, zwarte
en bruine, enkele blanke kopjes. Gelukkig, dat het
milde klimaat veroorlooft alle ramen en deuren open te
-ocr page 18-
12                DK ZWARTJES ZIJN ZOO LEELI.JK NIET.
houden. In elk ander geval zouden al die geurige honig-
bijtjes in dien korf bepaald minder voordeelig op elkanders
en onze gezondheid werken.
Mocht het toevallig" al een beetje woelig\' en rumoerig
wezen en de helle stemmetjes u in de verte al tegen-
klinken, zoodra ..the Father" binnenkomt en vooral als
hij een vreemdeling meebrengt, is alles eerbiedig stil.
Zuster Helena laat nu de gewone manoeuvres maken;
zij klapt in haar hand en allen staan in ?t gelid. Een
tweede klap geeft het sein voor een algemeen ..good
morning" of „good aftornoon\'\' dat steeds met een beleefde
titel, met een bevallige buiging en een vriendelijk lachje
vergezeld gaat. Een derde klap brengt allen terug op
hun zitplaats met de handen netjes op de bank.
Xu hebt ge een goed overzicht. Een enkele blik om
u heen is voldoende om u te laten weten, dat gij hier
met weinig meer dan eene bewaarschool te doen hebt;
laat ik zeggen: niet eene ..meer uitgebreide" bewaar-
school. Het uitzicht is er niet te minder liefelijk om.
Wat schitterende zwarte oogjes, wat lachende mondjes,
wat sierlijke kopjes! Gij maakt al aanstonds de opmer-
king, dat deze gezichtjes weinig of niets gemeen hebben
met die der Afrikaansche negers, ofschoon de voorvaderen
dezer lievelingetjes zonder twijfel als slaven- van Africa\'s
stranden hier in de West-Indiën aangevoerd zijn. Of
\'t heerlijke klimaat, of wel cenig Europccseh bloed hierop
invloed gehad heeft, daarover zou uien misschien kunnen
twisten; wat de oorzaak zijn moge, \'t is zeker, dat enkel
wat kroeshaar u den Afrikaanschen neger van prenten
uwer jeugd herinnert, niet zoozeer de gelaatstrekken.
Ook valt u het verschil op tusschen het gelaat dezer
zwartjes en dat der koperkleurige Indianen, waarvan
ge in de boeken gelezen hebt, of die u nog van eene
of andere wereldtentoonstelling bijhangen. Deze afstam-
melingen van de oorspronkelijke bewoners van Amerika
vertoonen een gelaat, dat de spiegel hunner ziel niet
-ocr page 19-
DE NEÖEHS ZIJN NIKT STERK IX (IKTAU-KN.            L3
zijn kan: genot, droefheid, afwachting, bewonderin.ir,
zachtzinnigheid, wraak vinden volstrekt geen uitdrukking
in hunne trekken. Maar deze negerkopjes staren u tegen
met een mengeling van verrassing, nieuwsgierigheid,
vriendelijkheid en zedigheid; welke laatste uitdrukking
misschien wel toevallig- een gevolg is van de vrees
om ondervraagd te worden door zulke groote blanke
heeren.
Xa deze bespiegelingen, waarvoor gij natuurlijk geen
halve minuut noodig hadt, waagt gij het toch een ge-
sprek aan te knoopen met een dier kleinen, al bestaat
er grond voor de vrees, dat het nederig kopje tusschen
de handjes op de bank zal wegzinken, ook al tracht gij
nog zoo zachtjes te spreken. Xa eenige lofprijzingen ter
aanmoediging, als: „dat is een brave meid!" of: „kijk
eens wat een groote jongen!" wilt ge gaarne ook eens
hun stemmetje hooren. Gij stelt een vraag gemakkelijk
genoeg om er een antwoord op te kunnen verwachten :
„Hoe oud zijt gij, littlo fellow?".....Ach, Heer! dat
hadt gij van dat geestige kopje niet verwacht: daar ver-
dwijnt het verlegen tusschen de handjes op de bank; mis-
schien verstaat ge juist nog: „don*t know, sir." Gij stelt
dezelfde onschuldige vraag aan een ander kind en nog
aan eenige anderen, maar het eene hoofdje zinkt na het
andere zwijgend omlaag. Intusschen ziet gij om naar
Zuster Helena, die alles reeds had zien aankomen en de
zaak voor u opheldert met de bemerking, dat uwe be-
doeling goed, maar uwe vraag wel wat moeilijk was.
omdat de kinderen hier hun ouderdom niet kennen zoo
min als de ouders. De Zuster zal u meteen verhalen,
dat kneuters, die nauwelijks de broek aan hadden, als tien-
jarigen werden aangemeld, en dat opgeschoten meiden
van 12 a 14 jaar zich zonder blikken of blozen aandien-
den met den aanvalligen leeftijd van 4 jaren.
In getallen zijn de lieden hier niet sterk; ook opge-
groeide en ondervindiugrijke negers, mot cylinderhoed op
-ocr page 20-
14 EEN ONDERZOEK NAAR \'t VADERSCHAP.
en slipjas aan, hebben nog een zeer primitieve wijze van
rekenen. En in rt algemeen zijn speculatieve koppen hier
zeer schaarsch!
Maar gij wilt de kleinen toch aan het praten hebben.
Gij denkt, hun eigen naam zullen ze dan toch wel ken-
nen. ,.Hoe heet je. kleine meid?" Vol moed antwoordt
het kind: ,.Miss, mijnheer!" Miss? Miss wie? Miss wat? De
kleine meid is verwonderd, dat gij haar niet begrijpt en
zwijgt verlegen. Eene andere zal u helpen: „no, sir, she
name Mary Elisabeth Washington, but they call her
Miss!"\' (\') — Dat korte Miss herinnert u aan de gewoonte
van Engelschen. om een korte naam aan iets te geven,
en ook aan.....het tegenovergestelde geval van den
Noord-Brabantschen boer, die zijn zoon Jan voor het ge-
mak Bartholomeeuwske noemde! — Nu regent het ophel-
deringen: „no, sir, Washington is she father name; she
mother name Williams, she call Mary Elisabeth Willi-
ams;" (2) — een ander zegt: ,.no sir, she father gone;"
(8) -- een ander: „she father dead; (4) en eindelijk brengt
een vierde u geheel op de hoogte van alles: „she had never
no father, sir!" (5)
Met een ernstig gezicht gaat gij uwe onderzoekingen
voortzetten, en onder meer andere goede namen verneemt
ge er ook als Mamsel, Lady, Mother, Mamma, Brother,
Baby, Pappa. Gij moogt om deze bijnamen lachen; doch
zijn ze niet veel beter en huiselijker dan de eigenlijke
namen van sommige slavenkinderen in de West-Indiën
als deze : Duchesse. Duke, Prince, Princess, April, Novem-
ber, October enz. enz.
Maar daar ik bang ben, dat gij onwilkeurig wederom
onderzoekingen naar het vaderschap zult gaan instellen,
O) „Neen, mijnheer, haar naam is Mary Elisabeth Washington, maar
ze noemen haar Miss."
(2)  „Neen, mijnheer, Washington is haar vaders naam ; haar moeder is
een Williams ; haar naam is Mary Elisabeth Williams."
(3)  „Haar vader is van \'t eiland af."
(4)  „Haar vader is dood."
t">) „Zij had nooit een vader."
-ocr page 21-
15
SNOEPPARTIJTJE.
en gij nu toch de kinderen een weinig hebt hooren bab-
belen in hun eigenaardig Engelsch, stel ik de Zuster voor
de kindertjes eens te laten zingen. Dat gaat beter; en
corps
gevoelen ze zich moediger. Zuster heeft somtijds
moeite om te voorkomen dat ze het niet met alle macht
uitschreeuwen. Dat liedje ter eere van den H. Joseph
is liefelijk. Dat Kerstliedje klinkt inderdaad charmant.
Terwijl ze dit zingen, fluister ik u in \'t oor, dat ik ver-
leden jaar op Kerstfeest een uur vóór de Nachtmis met
dit liedje alleraangenaamst uit mijn slaap werd opgewekt.
De beste stemmen ook van oudere kinderen hadden zich
vereenigd om me die verrassing te brengen. Het refrein:
Gloria in excelsis Deo kon in den mond der Engelen zelf
in de stilte van den eersten Kerstnacht haast niet schooner
geklonken hebben. Overigens zijn aangename verrassin-
gen bitter zeldzaam hier.
Na het zingen zal de Zuster er eenigen uitpikken om
te bidden. Daar rolt het Our Father, Ba il Mary, IbelieveQ)
helder en duidelijk van hun lipjes, met neergeslagen
oogen, gevouwen handjes, devote gezichtjes, smeekende
stemmetjes. Gij zijt verrukt en wenscht me geluk met
zulke veelbelovende parochiaantjes. Helaas ! uiterlijkheid
zegt nooit veel, maar nergens minder dan onder de ne-
gers, waar het somtijds zelfs het tegendeel zegt!
Nu zijt ge zoo ingenomen met de kleinen, dat ge uw
flesch „drops"\' en andere zoetigheden niet langer verbergen
kunt. Overtuigd aller harten te winnen heft gij zege-
vierend de flesch om hoog. Daar kraaien ze het uit van
pret. Hun ongeduld is duidelijk en gij vraagt de Zus-
ter om ze onmiddelijk uit te deelen. De Zuster, die weet
dat de kinderen eenigszins onwelvoegelijk met het sui-
kergoed zullen omspringen en u een walgelijk gezicht
besparen wil, vraagt u beleefd, of het niet beter zijn
zou wegens enkele ongeriefelijkheden om eerst na school-
tijd tot de uitdeeling over te gaan. Maar gij staat er
(1) Onze Vader, Weesgegroet, Ik geloof.
-ocr page 22-
bah!
1(i
(), FOEI! —
op, hun blijdschap volkomen te zien. Ook ik tracht n
naar buiten te brengen, om den goeden indruk dien
gij van mijne parochiaantjes gekregen hebt, niet aan
gevaar bloot te stellen.... maar, neen! gij wilt de uit-
werking van uwe raildadigheid zelf zien!
Nadat de uitdecling met l)ehulp van een paar vaardige
handen geschied is, gebruikt de Zuster een andere krijgs-
list om het fatsoen van haar kinderen op te houden.
Onder het zingen van een liedje met vragen en ant-
woorden, moeten de kinderen op commando verschillende
bewegingen maken met handen, voeten en hoofd. Daar
zwaaien de handen en knikken de bollen en stommelen
de bloote voetjes. Terwijl gij de bewegelijkheid hunner
lichaamptjes bewondert, ziet gij echter, dat zeer velen
volstrekt niet met de algemeene exercitie nieê doen.
Het suikergoed heeft hen geheel geabsorbeerd in een
zinnelijk, onaanzienbaar genieten. Vreezende dat het
genot te spoedig over zal wezen of met het voornemen
iets voor broertje te bewaren gaat het zuurtje, de gom-
bal of do suikeramandel, reeds tot de helft geslonken,
in den broekzak of in een gedeelte van de jurk. Xog
geen seconde later komt men tot andere gedachten en
.begint het gesmul opnieuw. De Zuster, die altijd notr hoop
heeft de kinderen in orde te houden, spoort hen aan om
mede te zingen en te grimassen op de maat. Ik tracht
uwe aandacht ook al af te leiden van die snoeperij door
u op het gevoel voor maat te wijzen, dat in die kinde-
ren zit, maar niettemin bemerkt ge, dat sommige
wellustelingetjes op hun schat gaan zitten en anderen
het onder hun voetjes verbergen, waarschijnlijk uit
een natuurlijk instinct om hun bezittingen tegen de aan-
geboren diefachtigheid hunner makkertjes te beveiligen.
De zuster maakt van hare autoriteit gebruik, gebiedt
stilte, laat u en mij door de kinderen alweer op com-
mando vriendelijk groeten en brengt ons naar de deur
lachend vragende: U zult toch wel begrijpen, dat we ons
-ocr page 23-
DEN MOED NIET OPCiKGEVEN, ZÜSTEKs!                 17
best gedaan hebben de kinderen lief te houden? Kleine
ondeugden, niet waar?
De goede Zusters doen haar best genoeg; mogen ze
er de vruchten van beleven en een tweede geslacht
onder hun hoede zien opgroeien!
Nu zoude ik u nog gaarne naar de twee andere armen-
scholen geleiden en zelfs naar de betalende school, waar
Priorin Regina aan het hoofd staat, doch ik geloof reeds
een aardig getal bladzijden gevuld te hebben en neem
daarom beleefdelijk afscheid van u en uwe lezers tot
eene volgende gelegenheid.
Aanvaard, enz.
fr. P. L. SUEBMOXDT,
Miss. Apo8T.
2
-ocr page 24-
St. MARTIN, (Xed. ged.), 2] Jan.. 1894.
Zeer Et-r naarde Pater Redacteur.
Uw zeei- onderhoudend, wel geredigeerd maandschrift,
dat de glorie verbreidt van de Koningin van den Aller-
heiligsten Rozenkrans en zoo ontzaggelijk veel goed doet
voor het heil der zielen, beeft reeds meermalen belangeloos
medegewerkt ter ondersteuning van eene godsdienstige
onderneming.
Vooral waar het de Missie van Curacao gold, hebben
u en uwe lezers zich steeds bijzonder mild betoond en
ijverig voor de eere van den H. Godsdienst en de ver-
breiding daarvan op Nederlandschen bodem. Mijn zuidelijke
buur van Saba, Pastoor Mulder, heeft daar eene gelukkige
ondervinding van ; bijna eiken Zondag herinnert hij zijne
parochianen aan den plicht van dankbaarheid jegens de
honderden gevers uit het Moederland, die hem in staat
hebben gesteld, zijn kerkjes tegen de veelvuldige orkanen
en stortvloeden te beveiligen.
Hier, op St. Martin, is Natuur een weinig milder, en
wij kunnen daarom volstaan met houten kerkjes. We
kunnen ze desnoods, op zijn Amerikaansch, met een
ketting over het dak en twee ankers in den grond
onwrikbaar maken voor den wind. Doch, hoe weinig we
ook behoeven, kerkjes en scholen hebben we noodig.
Iets moet er wezen. Zonder twijfel, Hij, die voor ons in
eenen stal wilde geboren worden en in het verachte
Xazareth leefde, heeft voor zich zelven geene tegenwer-
-ocr page 25-
IX ZWARTE JAS EX BIJLAABZEX.                       19
ping om onder de armste en meest onbekende bevolking
van dit eiland te verschijnen en den troost van Zijn
Evangelie aan te brengen; — nochtans, al maakt Zijne
liefde geene moeilijkheid, het zou ons tegen de borst
stuiten, eene gelegenheid te laten voorbijgaan om Hem
eene meer gepaste woonplaats aan te bieden.
Met gretigheid maak ik daarom gebruik van de gelegen-
heid, die u mij geeft, ZeerEerwaarde Pater Redacteur,
om door middel van uw maandschrift mij te richten tot
alle vrome Nederlanders met de bede om ecnige geldelijke
bijdragen ter oprichting van een kerkje op Sampson\'s
Baai, een smalle strook lands aan den westkant van
St. Martin.
De 93 katholieken van die Baai zijn bijna allen blank;
er is dus veel meer hoop op beschaving en echten gods-
dienstzin, dan wanneer men enkel met zwarten te doen
had. Het is onzeker, of de bevolking zijn oorsprong dankt
aan Iersche of Schotsche nederzettingen, maar hoogst-
waarschijnlijk aan één van beide. Hun wnig bestaan is
de vischvangst, waarin ze dan ook buitengewoon
vaardig zijn.
Sedert de laatste 22 jaren zijn deze goede lieden van
alle godsdienstige hulp verstoken geweest, tengevolge
van de afbranding van de kapel St. Rosé in 1872 en
vooral ook ter oorzako van de moeielijkheid, de Baai te
bereiken of ze te verlaten.
Sedert do laatste drie jaren breng ik elke veertien dagen
een bezoek aan die armsten en meest verlatenen mijner
parochie. Maar alles, wat ik op geestelijk gebied doen
kan, is catechismus houden, preeken en een liedje zingen,
en dat alles in zwarte jas en rijlaarzen, als was
ik een Dominé of een Moravische Broeder. Geen
wonder, dat het volk vurig verlangt naar eene echt
katholieke godsdienstoefening en vooral naar de H. Mis.
Doch daartoe moet eene gepaste plaats wezen, om te
kunnen overnachten en om een altaar te kunnen opslaan.
-ocr page 26-
20                                    EEN KERKJE, DAN !
Voor het een noch het ander is gelegenheid. Zelfs
gegeven, dat er eene plaats was, waar ik op eene
fatsoenlijke manier kon overnachten, al zou het ook in
gezelschap wezen van eenig ongedierte, ik zou er toch
de H. Mis niet kunnen lezen omdat de huisjes te klein
en te slecht zijn en de boomen, de ecnige die er groeien,
te vergiftig. Onder den blooten hemel een godsdienst-
oefening te houden van eenigcn duur, is in deze tropische
gewesten volstrekt onmogelijk, tenzij het vóór zonsopgang
of na zonsondergang kan geschieden, en er geen wind is.
Eens had ik bij een buitengewonen toeloop van volk
een groot zeil laten spannen aan den zonnekant van het
huis van de goede oude dame Miss, Ruth, waar ik
gewoonlijk de gemeente vergader. Juist onder een vrij
pathetisch gedeelte van mijn sermoen brak er eene
stortbui los, die alle effect van mijn woorden letterlijk
wegwaschte. Noch het huis van juffrouw Ruth, noch het
zeil kon den regen weerstand bieden; het eene bleek
een vergiet, het andere een doorslag.
Verbeeld u, dat zoo iets onder de H. Mis gebeurd was!
Ik hoop dan, Zccreervv. Pater Redacteur, dat ik niet
al te vrijpostig ben met bij uw lezers aan te kloppen
om een offertje ter verheerlijking van den godsdienst en
ten hehoeve van Xederlandsche onderdanen.
Ik reken op de bijzondere hulp van al die vrienden
en kennissen, wier offervaardigheid mij reeds van vroeger
bekend is, gelijk ik hier nogmaals met erkentelijkheid
betuig.
Als we een kerkje kunnen bouwen op Sampson\'s
Baai, zal de vreugde en de dankbaarheid der arme
visschers geen grenzen kennen. Uit hun naam beloof ik
vele en hartelijke gebeden voor het tijdelijk en eeuwig
welzijn van alle goede gevers.
Hiermede enz.
fr. P. L. SUERMOXDT,
Miss. Apost.
-ocr page 27-
St. MARTIN, (N\'ed. geel), 3 Febr. 1894.
Zeer Eerwaarde Pater Redacteur.
Niet velen uwer lezers hebben ooit kennis gemaakt
met Methodisten. Deze volgelingen van John Wesley
zijn in Holland weinig of niet bekend. Het zal echter
voor hen, die het ontworpen kerkje van Sampson\'s
Baai willen steunen, volstrekt niet van belang ontbloot
zijn, te vernemen, wie en wat de grootste tegenstanders
zijn van mijn evangelie-werk onder de visschersbevolking
dier plaats.
De Katholieken van het Moederland, die aan de werke-
loosheid en het ongeloof van Hollandsche protestanten
gewoon zijn, kunnen zich moeilijk een denkbeeld vormen
van den ijver en de krachtsontwikkeling, van het geloovig
gedweep en den welberekenden strijdlust van deze
zoogenaamde „Wesleyan Methodists." En niet enkel de
„Bedienaren" zelf, maar allen, die zich als lidmaat hebben
laten opnemen, zijn met een instinctmatig streven ter
verbreiding van het Methodisme bezield. Dat preekt en
dat bidt, dat loopt en dat trekt, dat geeft en dat bedelt,
dat zingt en dat scheldt er zoo lustig op toe in hun
kerken en buiten hun kerken, als was het om een
Turkschen hemel te doen. Toch is dit alles de grootste
ernst en geschiedt niet enkel om de zondaren tot be-
keering, de Heidenen tot het Evangelie, maar bovenal
om de Katholieken uit hun Roomsen e duisternis tot het
Engelsche licht te brengen! „Priesterbedrog", „bijgeloof"
-ocr page 28-
22
HET METHODISME.
on soortgelijke uitdrukkingen moeten telkens tegen de
„Komisch Papists" dienst doen, als er voor hunne missiona-
rissen moet gebedeld worden, of als de katholieken nu
en dan blijken grond te winnen.
Het zij tot uw troost gezegd, dat de Methodisten geen
ongeloovigen zijn. De zielen zijn in ieder geval beter
aan hen toevertrouwd dan aan onze moderne Dominees.
Zij gelooven in de H. Drievuldigheid, in de Godheid van
den Verlosser, in Verzoening door Zijn bloed, in een
vrijen wil tot Pclagianisme toe, en in de noodzakelijkheid
der goede werken. Deze leerstukken worden door hen
met vuur verdedigd, maar, helaas! zij schromen niet er
elke mogelijke en onmogelijke verklaring aan te geven,
als ze er maar een zieltje mede kunnen winnen voor
het Methodisme. Hunne leerstellingen worden zoo niet
veel meer dan wassen neuzen. Hetzelfde is het geval
met de „Regels", die John Wesley voor zijn volgers
heeft neergelegd: men onderhoudt ze, als, en waar, en
in zoover het van pas komt. Veertig of vijftig\' jaar geleden
zou een vrouwelijk lidmaat van het Methodisme zich
geschaamd hebben een gouden halsketting of kostbare
oorversierselen te dragen, of op een bal te verschijnen.
Thans is het eerste algemeen en met het andere begint
men erg \'t voetje te lichten. Uitwendig decorum, druk
bezoek in hun kerken, milde bijdragen voor hun missie-
werk, tegenkanting der Roomschen, ziedaar de vier
wezenlijke eigenschappen van den Methodist; op geloofs-
artikelen komt het minder aan. Niettemin is hun invloed
ten goede niet te onderschatten. Ten gevolge van hunne
vurige en opgewekte predikatiën, van hunne buitengewone
populariteit en vooral ook ter oorzake van hunne
afschaffersmanieren houden zij zeer velen van groote
ondeugden terug en brengen niet weinigen tot beter
inzicht.
Deze mannen nestelden zich op St. Martin reeds sedert
1818, ongeveer 22 jaren vóór dat zich de eerste Pastoor
-ocr page 29-
•>■\'>
CONCURRENTIE.
op St. Martin vestigde. Geen wonder dan ook, dat de
Katholieken nu nog nauwelijks een derde deel der bevol-
king uitmaken.
Op Sampson\'s Baai echter hebben de Methodisten zeer
weinig gewerkt. Daar viel niet veel te bedelen. Wat
fondsen konden ze van die arme menschen verwachten?
De kapel van St. Rosa in Koolbaai, dicht bij Sampson\'s
Baai, bracht bijna de helft tot den schoot der Katholieke
Kerk terug. Doch die kapel is sedert twintig jaren een prooi
der vlammen geworden en noch Pastoor Xieuwenhuis.
noch Pastoor Onderwater waren sedert in staat op
Sampson\'s Baai zelve te gaan werken.
Intusschen wonnen de Methodisten grond. Thans zijn
er op de 200 bewoners slechts 93 katholieken. In de
laatste twee jaren werden echter alle nieuw geboren
kinderen katholiek gedoopt. Een dozijn opgegroeide
Methodisten komen ijverig ter catechismus om weldra
het Katholicisme te omhelzen; er is een krachtige
strooming naar onzen kant ondanks alle kuiperijen der
Methodisten. De eenige, groote teleurstelling voor de
katholieken is, dat ze in een ellendig visschershuisje
moeten samenkomen om hun godsdienstoefening bij te
wonen, en dat hun kinderen met boek en lei op de knie
moeten zitten bij gebrek aan schoolbanken. Deze laatste
moeilijkheid zou zulk een vaart niet nemen, als de
Methodisten niet zoo goed voorzien waren. Zij hebben
een ruim gebouw tot hun dispositie voor kerk en school,
aan hen afgestaan eenige maanden geleden door een
vurigen en rijken Methodist. Zoodra zag men niet, dat
de katholieken veld wonnen op Sampson\'s Baai, of daar
stond het geheele Methodisme overeind om de lang
vergeten verwaarloosde Baai te gaan „gospelen."
Wat blijde kreet zal er opgaan uit den mond der
katholieken, als ik hun zal kunnen aankondigen dat we
weldra kerk en school zullen gaan optrekken! Met wat
kinderlijke dankbaarheid zullen ze de goede gevers van
-ocr page 30-
24
DANKBAARHEID BIJ VOORBAAT.
het Moederland zegenen! Met wat erkentelijke vreugde
zullen ze hunne gebeden ten hemel zenden voor al die
milde weldoeners!
Niet noodig u te zeggen, Zeer Eerwaarde Pater, dat
ook de ondergoteekende met blijde verwachting in de
toekomst blikt, en dat het oogenblik der inzegening van
de kerk op Sampson\'s Baai een der gelukkigste van zijn
leven zijn zal.
Glorie en dank aan God, die het weldoen ons zoo
zoet maakt!
Aanvaard, Zeer Eerw. Pater, enz.
fr. P. L. SUERMOXDT.
Miss. Apost.
-ocr page 31-
Brief van Priorin Regina.
St. MARTIN (Ned. gei.), 14 April, 1894.
Zeer Eerwaarde Pater Bedacteur.
Met genoegen voldoe ik aan het verlangen van onzen
Eerw. Pastoor om aan de lezers van Uw geëerd maand-
schrift een beschrijving te geven van eenige bezoeken,
die wij aan de bewoners van Sampson\'s Baai hebben
gebracht.
Nadat onze ZeerEervv. Pastoor gedurende ruim een
half jaar alle 14 dagen Sampson\'s Baai bezocht had,
ea daar den sluimerenden godsdienstzin door zijn onver-
moeide pogingen weer wat had opgewekt, dacht ZEerw.,
dat een bezoek der Zusters niet anders dan heilzaam
werken kon op die bevolking, die haar verlangen dan
ook reeds had geuit, de Zusters eens te zien en te
leeren kennen. Tot dat einde werd de gouvernements-
boot ter cnzer beschikking gesteld, die ons na 2 uur
roeiens aan Sampson\'s Baai bracht. Rekent men het
onpleizierige van de zeeziekte niet mede, dan was het
tochtje aangenaam te noemen, waartoe het ongewone en
nieuwe, en de schoone natuurtafereelen het hunne bij-
droegen. De boot voerde ons tot op ongeveer 20 stappen
afstands van wal: door de ondiepte kon zij niet verder
gaan, zij was reeds eenige minuten door twee der roeiers,
die in het water gesprongen waren, voortgetrokken.
Verwonderd zagen wij elkander aan, en in ieders oog
lazen wij de vraag „hoe komen wij aan wal?" O! geen
nood! Zeer beleefd komt een der visschers aan en geeft
-ocr page 32-
2H                              .miss ruth\'s huis.
ons te verstaan, dat hij op zijn sterk gespierde armen
makkelijk zulk een lastje door het water draagt en ons
behouden aan wal zal zetten. „All right!" l) is het
antwoord, en daar gaat de ongewone processie: Zusters
gedragen door visschers. Dat zoo iets onze lachlust
opwekte, valt niet te betwijfelen en dat wij even vrees-
den, dat onze dragers zouden misstappen en hun lastje
doen uitglijden is ook niet te verwonderen; doch wij
werden behouden aan wal gezet, waar wij door klokgelui
verwelkomd werden. Door klokgelui? vraagt de lezer
wellicht, want onwillekeurig denkt men bij het woord
klokgelui ook aan een kerkgebouw, doch ik zal U zeggen,
dat de klok er reeds is, doch dat zij geduldig wacht,
totdat de Hollandsche weldadigheid haar een kerkje
heeft gebouwd; inmiddels doet zij toch reeds dienst en
roept de geloovigen bijeen, als hun Herder komt; zij
hangt echter zeer armzalig aan eenige palen, bij een
grooten boom voor het huis van Miss Ruth.
De pastoor doet dus eenigszins als de jongen deeil,
die in het bezit was van een horlogeglas; hij vroeg zijn
vader hem een horloge onder dat glas te koopen. ZEerw.
nu heeft een klokje op Sampson\'s Baai, en vraagt zijn
katholieke landgenooten er hem een kerkje onder te
bouwen. Moge het antwoord voor Z.Eerw. gunstiger zijn,
dan het voor den jongen was!
Onder klokgelui dan werden wij door do katholieke
bevolking, die in hun Zondagsche plunje was samenge-
stroomd, naar het huis van Miss Ruth gebracht. Behalve
de kleine bedroom 2) heeft dat huis slechts één vertrekje.
De vloer is meer dan half vermolmd, hier en daar een
dansende plank en verscheidene openingen groot genoeg,
dat de voet er door heen zakt. Op de houten muren is
toch eenige versiering aangebracht; bont gekleurde prent-
jes zijn er zonder eenige regelmaat of smaak opgeplakt,
afgewisseld door een stukje modeplaat of iets dergelijks,
1) „Tn orde." 2) Slaapvertrek.
-ocr page 33-
27
ONTBIJT.
tenvijl door de overal te vinden cockroaches (kakker-
lakken) hier en daar een gedeelte van de plaat of het
prentje weggegeten is. Aan zolder en in hoeken zijn ook
de noodige spinnewcbben aanwezig. Dat is echter niets
ongewoons voor St. Martin, want hoewel de bewoners
Nederlandsche onderdanen zijn, kennen zij volstrekt de
Hollandsche zindelijkheid niet.
Miss Euth was overgelukkig de Zusters in haar huis
te mogen ontvangen, tranen rolden over de ingevallen
wangen en een eerbiedig, meermalen herhaald: „Praised
be the Lord!"\' L) viel haar van de lippen. Wij gingen
spoedig aan het werk, hielden catechismus, richtten
enkele andere vragen tot de kinderen, waarop een be-
leefd „Yes Ma\'am-\' of „No Ma\'am", het antwoord was;
het Rozenkransgebed werd uitgelegd en geiteden, terwijl
alles werd afgewisseld door eenige Engelsehe gezangen,
hun reeds vroeger door den ZeerEerw. Pastoor niet veel
moeite en inspanning geleerd. Zoo brachten wij een paar
uren door en gingen toen ons breakfast -) gebruiken,
dat wij zelven bij ons hadden, want men is daar te arm
om gasten iets voor te zetten. Onder een grooten, zich
wijd uitspreidend en boom werd een tafel gedekt, waar
wij goed konden zitten, terwijl een uitgespannen zeil
ons tegen de felle zonnestralen beschutte. In den na-
middag werd weer wat gebeden en gezongen, prentjes
uitgedeeld en rozenkransjes gegeven aan groot en klein,
terwijl de kindergezichtjes van vreugde straalden, toen
daarbij voor hen nog wat sweetmeats 8) werden ge-
voegd. Wij werden tot aan de boot gebracht, en er werd
gewuifd en gegroet tot wij uit het gezicht verdwenen.
Een tweede bezoek had nog een ander doel: nl. een
examen en prijsuitdeeling te houden op de Zondagsschool,
die daar door den Eerw. Pastoor is opgericht. Examen
en prijsuitdeeling! wat een grootsch idee! Stelt u echter
geen Hollandsch examen en vooral geen Hollandsche
1) .,Dc Heer z\\\\ gezogond." \'-\') Ontbijt. .-I) Suikergoed.
-ocr page 34-
28
ALWEER OP REIS NAAR DE BAAI.
prijsuitdecling voor, waar prachtige boeken in groot aan-
tal als prijzen worden gegeven. Neen! alles was „a la
Sanipson\'s Baai"; de prijzen hielden in schoonheid en
waarde gelijken tred met het prachtig schoollokaal. De
Pastoor had ons uitgenoodigd die prijsuitdecling bij te
wonen, wat wij gaarne deden. Onverwachts werd ZEerw.
verhinderd bij de prijsuitdecling voer te zitten en nu
werd die eer op ons overgedragen. Wij deden dezen keer
het reisje te voet, het is een wandeling van omstreeks
2V2 uur, en men moet een vrij steilen berg over; het
is dus wel te begrijpen, dat vrouwen en kinderen van
Sampson\'s Baai niet licht naar town l) kunnen komen,
vooral omdat zij niet zoo krachtig zijn als het sterke
negerras, dat voor een marsch van 4 a 5 uur daags
niet terugdeinst, zelfs niet al dragen zij een vracht op
het hoofd, waaraan een sterke sjouwerman genoeg heeft.
Onderweg deed een regenbui ons vreezen, dat de prijs-
uitdecling in het water zou vallen, daar het huisje van
Miss Ruth, zooals de Pastoor reeds schreef, veel heeft
van een vergiet. Doch de regen bepaalde zich dien dag
bij een enkele bui. Bij onze aankomst waren er reeds
verscheidene Katholieken uit Philipsburg, die aan het
verlangen van den Zeereerw. Pastoor hadden voldaan
om bij de prijsuitdeeling tegenwoordig te zijn. Het school-
lokaal is den lezer nu bekend: de kinderen zitten, voor
zoover er zitbanken zijn, langs de muren, de overige
zetten zich maar plat op den grond neer; wij zitten op
stoelen in het midden van het vertrek met nog eenige
belangstellenden, terwijl de overige genoodigden zich
maar buiten behelpen en om wat te zien of te hooren
het hoofd door deur of vensters steken; de onderwijzer,
Mr. Edward de Weever, staat in een klein hoekje
tusschen muur en tafel. Ach! ach! wat een behelpen;
onwillekeurig maakt men een vergelijking tusschen de
prachtige, ruime en aan zoovele eischen voldoende
1) Naar stad.
-ocr page 35-
EXAMEN EN PRIJSÜITDEELING.                         29
schoollokalen van het Moederland en het armoedig ver-
trekje, waarmee men zich hier behelpt; doch laat ons
hopen op een betere toekomst.
Het examen begint; do kinderen lezen met heldere
stem, en zonder eenige verlegenheid te doen blijken
antwoorden zij op de hun gestelde vragen. Sommigen
geven vrij goed den inhoud weer van hetgeen zij ge-
lezen hebben; de onderwijzer stelt hen in staat nog
andere blijken van hun kennis te geven en ook het
onderzoek in de catechismus geeft volkomen reden tot
tevredenheid. Wat ons ook vooral treft is de goede
verstandhouding tusschen leerlingen en onderwijzer; op
het eerste gezicht bemerkt men vertrouwen en liefde
eenzerzijds, goedheid gepaard met ernst anderzijds. Wij
gaven onze tevredenheid te kennen en spoorden de kin-
deren aan tot vlijt en goed gedrag; en nu kwamen de
prijsjes voor den dag. O! hadt ge die oogen eens kun-
nen zien, toen een der bont gekleurde platen met breed
vergulden rand werd getoond; en toen er eenige boekjes
te voorschijn werden gebracht kwam er aan de uitroe-
pen van vreugde bijna geen einde. De meest gevorderde
leerlingen kregen zoo\'n boekje, een beknopt verhaal der
Bijbelsche geschiedenis, allen ontvingen zulk een rijk
vergulde plaat, zoo juist geschikt voor Sampson\'s Baai,
een ander een klein schilderijtje en een rozenkrans; en nog
blijder werden de gezichtjes toen het suikergoed werd
rondgedeeld. Wij waren voldaan over hetgeen wij onder-
vonden hadden met betrekking tot onderwijzer en leer-
lingen, en getroffen over de tevredenheid der be-
woners, die met hun armzalig schooltje reeds hoogst
gelukkig zijn.
Moge dit schrijven eenigszins bijdragen om de belang-
stelling van Xederland\'s Katholieken voor onze arme
Missie nog te verhoogen, wier geldelijke bijdragen, zoo-
als wij hopen, den Zeereerw. Pastoor spoedig in staat
zullen stellen om ook aan die schapen der hem toever-
-ocr page 36-
30                         EXAMEN EN PKIJSUITDEELING.
trouwde kudde te kunnen geven, wat zij zoo zeer noodig
hebben.
Aanvaard. Zeereerw. Pater Redacteur, enz.
Zuster M. REGINA,
Pbiohin.
-ocr page 37-
St. MAKTIX (Xed. ged.) 23 Mei 1894.
Zeereerw. Pater Redacteur.
Menige groote en bloeiende kerk in de Missielanden
is aangevangen niet het oprichten van een Angelus-
klokje. Waar de middelen nog te kort schoten een ge-
bouw op te trekken ter vereeniging der geloovigen, daar
riep hen reeds de helderklinkende Angelus-klok tot ge-
meenschappelijk gebed; waar hoogst zelden een priester
kon verschijnen om de Blijde Boodschap te verkondigen,
daar predikte reeds de Angelus-klok met metalen stem
de Menschwording van Gods Woord voor de verlossing
der wereld; daar noodigde het reeds driemaal daags
tot dankbaarheid aan den Verlosser voor de grootste
aller weldaden.
Deze overweging gaf mij in, mijn arbeid onder de
verlaten visschers van Sampson\'s Baai met het oprich-
ten van een Angelus-klok aan te vangen. Dat was recht
op het doel afgaan: de prediking van Jezus aan een
onwetende en ongevoelige bevolking; dat was voor hen
de aanwijzing van een vercenigingspunt, dat later on-
der den zegen der Moeder Gods tot een net dorpskerkje
moest aangroeien.
De kerk van Philipsburg, de hoofdplaats der kolonie,
had twee klokken, waarvan de eene rechtens toebehoor-
de aan het Koolbaai-district, waartoe ook Sampson\'s
Baai behoort. Bij het afbranden der kapel van St. Eosa, in
het Koolbaai-district was alleen de klok gespaard ge-
-ocr page 38-
32
DE KLOK.
bleven. Naar Philipsburg overgevoerd, werd zij aanstonds
om hare deugdelijkheid iu gebruik genomen, terwijl aan
de andere klok het zwijgen werd opgelegd, als van
minder gehalte en niet in harmonie met de nieuwe.
We hadden dus niet ver naar een klok te zoeken,
toen het plan opkwam om het volk van de „Baai" het
„Engel des Heeren" te laten bidden. Door de meer ijveri-
gen mijner parochianen werd het denkbeeld aanstonds
krachtig toegejuicht; en zij wilden zelf aan de oprich-
ting deel hebben.
Op een frisschen December-morgen, vóór nog de zon
over de bergen voor Philipsburg was opgegaan, verlie-
ten een dertigtal reizigers langs verschillende wegen
het sluimerend stadje. De middelen van vervoer waren
niet voor allen dezelfde. Sommige bereden een fijnen —
geleenden -- telganger; anderen roeiden over zee naar
de plaats van bestemming; de meesten achtten zich het
veiligst met den grond onder hun voeten en gingen dus
„per pedes Apostolorum" den tocht over de bergen on-
dernemen. Ik zelf besteeg mijn trouwen Hektor, die ge-
zwind en galant met me wegijlde.
De heldin van den dag, de klok, werd aan de zorgen van
den meester timmerman George Stephens toevertrouwd,
die haar in zijn eigen boot kon vervoeren, en die een
gestoelte zou oprichten om haar in te hangen. De lunch
ging in dezelfde boot: brood, eieren, thee en suiker.
Die het een weinig beter stelden voorzagen zich ook van
eenige „blikjes" zalm, gezouten vleesch of ham.
Op Sampson\'s Baai is volstrekt niets, ook niet
voor goud te krijgen. Zelfs regenwater moesten we in
ontzaggelijk groote flesschen van bijna 10 liter inhoud
— hier „demijohns" genoemd — met ons medevoeren.
Het welwater, dat de werkzame bewoners der baai in
schuiten voor zich zelve aanvoeren, is zóó zwaar voor
iemand die er niet aan gewoon is, en zóó onaangenaam
werkend op een vreemden maag, dat het ongetwijfeld iets.
-ocr page 39-
MET DE KLOK OP REIS.                               33
in ons zou te voorschijn geroepen hebben, wat onvoor-
zichtige bezoekers der Rotte-stad vroeger den ,.Rotter-
daminer\'\' plachten te noemen.
Eenmaal in het Koolbaai-distrikt aangekomen, is men
nog niet zonder moeite op Sampson\'s Baai. Twee wegen
staan open, maar beide stuiten op het water, dat Samp-
son\'s Baai van Koolbaai scheidt. De eene weg is goed
gebaand en kort, maar brengt u naar een plek, waar-
van twee puike roeiers u in geen twintig minuten naar
de Baai brengen. De andere weg voert u naar een plaats,
waar de overtocht per boot in een halve minuut geschie-
den kan. Maar deze weg heeft het ongerief van dik-
wijls door het getij te worden overstroomd, zoodat hij
u de keuze laat door zijn water en modder te plassen
of hem links te laten liggen en door de doornige strui-
ken te worstelen, hetgeen men er zelden zonder kleer-
scheuren en bloedvergieten afbrengt.
Bij deze gelegenheid waren echter de meeste voet-
gangers verstandig genoeg geweest een extra-paar kou-
sen en schoenen mede te nemen, zoodat ze naar harte-
lust door den modder konden hotsen en klotsen. Als ik
hier aan mijn reisgezellen het bezit van kousen en schoe-
nen toeschrijf, dan moet u daaruit en passant opmaken,
dat ik de élite van mijn parochie bij me had. Dergelijke
weelde-artikelen treft men bij drie vierden mijner
geloovigen niet aan.
In ieder geval, de ruiters en de voetgangers bereikten
eerder de Baai dan de boot met de zeevaarders, de klok
en de provisie. De zeereis was niet al te voorspoedig
geweest. De eerste passagier, de klok, die reeds een halve
eeuw aan slingeren gewoon was en weer en wind
weerstaan had, was natuurlijk geheel frisch gebleven,
en had als ballast krachtig medegewerkt, de schomme-
lingen der boot te verminderen tot grooten troost der
ongeoefende zeereizigers. Niettemin waren de meesten
van de „ladies" zeeziek geworden. Ze hadden wel geen
3
-ocr page 40-
34 HET HOFJE VAX RUTH: KKN TIMMERMANS WINKEL.
zccbeenen noodig gehad op hun zitplaatsje in de nauwe
boot, zeemagen hadden hun beter van pas gekomen.
Hoe groot belang men ook stelde in de klok, het
middelpunt en het doel onzer onderneming, de voetgan-
gers waren zóó vermoeid en de zeereizigers zóó ontdaan,
dat het eerste uur na de aankomst vrij saai besteed
werd met het zetten van thee en het maken van toilet.
In hun eigenaardige West-Indische natuur hadden som-
migen zelfs voor vijf minuten spijt, dat ze ooit gekomen
waren en wenschten ze zich maar dood: zoo slap en
hangerig, zoo lusteloos en zwaarmoedig had de reis hen
gemaakt. Deze zelfden waren later op den dag, merk-
waardig genoeg, het ijverigste in het zingen der „hymns*\'
en het ophijschen der klok.
Wie er mocht luieren, niet George de timmerman en
de jongelui die hem hielpen bij het oprichten van den
houten klokkestoel. Hamer en beitel, zaag en schaaf,
planken en balken, spaanders en krullen, hadden in
een oogenblik het hofje van .Miss Ruth in een timmer-
manswinkel herschapen! Daar was ook haast bij: het
was intusschen al negen uur geworden, en om twaalf
uur moest het eerste Angelus geluid worden.
Ik zat zelf ook niet stil. Ik liep onder de schaduw der
giftappelboomen mijn plan de campagne nog eens te
overdenken, dat ik dagen te voren reeds doordacht had.
Om te voorkomen, dat mijn jeugdige gemeentenaren van
beider kunne de godsdienstige onderneming van den dag
in een pknic, of in een spree zouden verkeeren, moesten
ze worden bezig gehouden niet door lange maar door
vele oefeningen. We zouden daarom vijfmaal vergaderen:
om half tien, om elf uur, om half één, om twee en vier
uren. En om de klok het uitgangspunt te maken van
elk sermoen, begon ik met haar aan het volk van
Sampson\'s Baai voor te stellen als verkondigster van de
Verlossing door de Menschwording — wat op een uitleg
van den „Engel des Heeren" neerkwam — en als prediker
-ocr page 41-
35
HIJ VIEL VAN BOVEN NAAK BENEDEN !
van do groote dingen der toekomst: dood, oordeel, hel,
hemel, waaraan zij ons telkens herinneren moet.
Ik zal u niet vermoeien niet de verdere uitwerking-
van dit program. Nog een enkel woord over de wijze
waarop de klok in haar plaats kwam, en het ongeval
dat zich daarbij bijna voordeed.
George had de klokkegalg om half twaalf kant en
klaar. Niet zoo spoedig hadden de kranige jongens van
de Baai uitgevonden waarvoor al dat getimmer diende,
of ze zaten met halve dozijnen boven op het houten
gevaarte. Eén van hen had zelfs de stoutheid te doen
als of hij de klok was, en hing slingerend met een paar
vingers van elke hand aan de plaatsen, waar de as der
klok moest aangebracht worden. Het waagstuk gelukte
echter niet volkomen, en de jongen viel, schijnbaar met
groot geweld, dooi\' de balken heen op den grond. Weinigen
onzer waren op de plaats tegenwoordig, maar een kreet
van ontzetting- weerklonk door het dorpje. Toen ik me
naar de plaats spoedde, vanwaar het geluid kwam, snelde
de oude Scbastiaan, Ruth\'s echtgenoot, me tegemoet met
den uitroep : ,.o Father, daar is een jongen in de klok
geklommen, en hij viel van boven naar beneden ; gij kunt
begrijpen, dat hij zich bezeerde."
Terwijl ik als een andere Dominicus, die bij den gevallen
verver geroepen werd, ernstig plan had eventjes een
mirakel te gaan doen, kwam me de jongen al tegenloopen
met den vroolijken uitroep: „\'t airC nottiri, \'t is niets,
alleen een wond aan mijn hoofd en wat bloed aan den
neus; ik ga van me leven geen klokje meer spelen."
Later gaf me dit geval een gereede aanleiding tot
de stof, hoe de klok ons moet herinneren aan den
dood.
Toen het naar twaalf uur liep, was de geheele kudde
bij elkaar, om de klok in haar plaats te zien hijschen
en het eerste „Angelus" te bidden. Toen echter George
met zijn werklui de klok begon te lichten, rees er van
-ocr page 42-
NAAK BOVEN !
36
alle kanten een levendig protest: zij waren met den Father
medegegaan om de klok op te richten, zij wilden allen
een werkzaam deel in den arbeid hebben; zij moesten
mede ophijschen; als het touw te kort was om allen
gelegenheid te geven tot trekken, moest men er maar
een stuk aanknoopen; allemaal moesten ze mee doen.
George en ik zelf zagen onmiddellijk in, dat de gedachte
nog zoo onredelijk en onaesthetisch niet was; en na
minder dan twee minuten stonden een dertigtal Philips-
burgers aan het touw, gereed om de commando\'s op te
volgen van George, die intusschen naar boven geklommen
was om den gang der klok te richten en haar in heur
plaats te brengen. Al die handen maakten het werk
licht. Al die ,.ladies" en „gentlemen" van de families
Stephens, Rozea en De Weever (wier namen ik hier
dien te vermelden) hadden in katholiek enthousiasme de
klok en de geheele Baai wel hemelhoog willen opvoeren.
De klok vloog dan ook met zulk een vaart om-
hoog, dat ze met geweld tegen het bovenstel van het ge-
stoelte stiet, en de arme George bijna naar beneden
tuimelde.
Alhoewel, de klok kwam tot rust, een rust waarin ze
blijven, zal totdat het Xederlandsch publiek me in staat
stelt, ze boven het ontworpen kerkje te verplaatsen.
Toen mijn horloge (een practisch geschenk van een
Vaderlandsche weldoenster) twaalf uur aanwees, zou het
eerste „Angelus" geluid worden; en als de eerste klare
tonen der klok kalm en zacht over de hoofden der
aanwezigen heen vloeiden, vielen allen op hunne knieën
in het zand, hunne harten verheffend tot Jezus en Zijn
H. Moeder.
Laat ik hier sluiten, ZeerEerw. Pater Redakteur, met
u en uwe vrome lezers de verzekering te geven, dat ik
nooit een godvruchtiger „Angelus" gebid heb of zien
bidden.
God geve, dat door de milddadigheid vnn Neêrland\'s
-ocr page 43-
37
DE KLOK TIJDELIJK OP HAAR PLAATS.
katholieken deze klok weldra moge slingeren boven
een kerkje !
Ik heb de eer mij te noemen van U,
ZeerEerwaarde Pater,
Den onderdanigsten Dienaar en Confrater,
ir. P. L. SUERMONÜT.
•
                                               Miss.-Apost.
-ocr page 44-
St. MARTIN, (Ned. ged.), 19" Juni 1894.
Zeer Eer waarde Pater Redacteur.
Het goede volk van Sampson\'s Baai kon niet langer
op zijn kerkje en school wachten. Toen ik hun het
bericht overbracht, dat ter eere van de Koningin van
den heiligen Rozenkrans reeds 250 gulden uit de hand
der milde Hollandsche burgers was gevloeid, dachten ze
wel in staat te wezen met den bouw te kunnen aanvangen.
Het loont de moeite hunne opmerkingen mede te deelen.
Voor een steenen gebouw konden ze niet instaan, want
ze waren geen metselaars en hadden geen steenen langs
de geheele Baai, maar timmeren konden ze uitstekend,
dat deden ze dagelijks aan hun booten.
Ik moest hun echter aan \'t verstand te brengen, dat het
gebouwtje, dat ik op \'t oog had, juist geen negerhutje
of visschershuisje moest wezen, en dat het ook niet bij
den eersten orkaan de beste in de zee mocht geslingerd
worden, en verder dat we daar geen scheepstimmerlui,
als zij waren, maar een volbloed timmerman voor noodig
hadden. Zij erkenden gereedelijk de juistheid mijner
opmerkingen, en gaven vooral gaarne toe, dat zij nog
nooit een houten huis hadden opgetrokken ; ofschoon toch,
zoo vervolgden ze, de bouw der visschersbooten zeer
veel bekwaamheid van den kant des werkmans veronder-
stelde, en dat toch, alles wel beschouwd, het eenige
verschil tusschen een schip en een huis een verschil van
stand was; ik had maar een plankenhuis om tekeeren,
-ocr page 45-
„SPEECH" VAN SEBA8TIAAN.
39
de ramen en reten dicht te kalefateren, om te zien hoe
het dak de kiel en de vloer het dek van een schip
werd, aanstonds gereed om van stapel te loopen; zoo
ook zoude een omgekeerde schoener, op \'t land gehaald
en van ramen voorzien, een zeer „comfortable" huis
kunnen worden, tot betrekken gereed.
Al zulke verstandige redeneeringen leidden mij er toe,
om den knoop maar door te hakken, en hun beslist te
zeggen, dat ik reeds onderhandelingen met een bekwaam
timmerman had aangeknoopt, denzelfden, die den klokken-
stoel gebouwd had, George Stephens, hun allen welbekend.
De brave lieden riposteerden nu niet langer, maar
zouden toch gaarne weten of ze hopen mochten op een
spoedig begin met den bouw.
Dat was juist de moeilijkheid. Kon ik den bouw aan-
vangen vóórdat de fondsen bereikbaar waren ? Of m. a. w.
kon ik \'t vel verkoopen vóórdat ik den beer geschoten
had ? Wat waren 250 gulden voor een gebouw, dat 1000
a 1500 gulden zou moeten kosten ? De oude, bijna blinde,
maar wijze Sebastiaan trachtte me uit mijn twijfel te
helpen met de volgende „speech" :
„Reverend Father Triest (sic), de grauwe staar heeft
bijna alle licht uit mijn oogen verbannen, maar ondanks
dat, of misschien zelfs ten gevolge daarvan, blik ik altijd
met vertrouwen in de toekomst. Ik heb jaren en jaren,
nacht op nacht de zee bevaren en op diepten van niet
zelden 200 vademen mijn vischkorven uitgeworpen en op
gehaald. Al dien tijd landde ik mijn vangst aan de baai
van Philipsburg, juist achter uwe kerk en pastorie; en
als ik dan uren en uren te wachten had. totdat de visch-
vrouwen mijn waar aan den man hadden gebracht, dan
zat ik uren en uren naar uw kerk op te kijken en stelde
me honderden malen de vraag of zoo\'n Godshuis nu nooit
op onze eigene baai zou kunnen verrijzen. Ruth, mijn
vrouw, dacht en zei steeds, dat we zoo iets nooit meer
zouden beleven. Maar ik was altijd vol vertrouwen, ik
-ocr page 46-
4<)
PLANNEN VAN SEBASTIAAN.
zond altijd een apart gebedje daarvoor ten Hemel. Een
kerkje, zoo zei ik altijd, zal de eerste stap zijn tot den
bloei van onze Baai. Als het gouvernement dan nog
eenige kalkrotsen laat springen en een paar honderd-
duizend ton zand uit do baai en \'t meer laat graven, dan
krijgen we hier een prachtig droog dok, waarbij dat van
\'t eiland St. Thomas maar kinderwerk zal zijn. Er zullen
dan groote koopvaardijers en oorlogsbodems hier ter reede
komen. Elk plekje grond van deze zandige landstreek
wordt dan kostbaar bouwterrein. Sampson\'s Baai wordt
dan een stad, en wij allen worden reedcrs, kapiteins of
stuurlui. Maar, zei ik altijd, de zegen moet met een
kerk beginnen. Zoo lang we nog geen goede Christenen
zijn, behoeven we op dien voorspoed niet te rekenen."
Hier hield de grijsaard op, terwijl zijne doffe oogen
voor een oogenblik een glans aannamen van blijde hoop.
Ik wilde zelf niet spreken, om den goeden indruk niet
weg te nemen van de onwillekeurige preek van den
ouden heer.
„Maar om op Uw moeilijkheid neer te komen, Reverend
Eather Priest," ging de Patriarch eindelijk voort, „U
durft met 250 gulden het werk niet te beginnen. Is
er dan niemand in Marigot die U een duizend gulden
wil voorschieten ? De rijke lui van dit eiland weten toch
zeer goed, dat ze op een woord uit \'t Moederland ver-
trouwen kunnen. Ik voor mij heb een onbeperkte hoop
op de Koningin van den heiligen Rozenkrans; en dat
dunne groene boekje met Haar beeltenis en dat van den
grooten Paus op \'t front, als het U in de drie eerste
maanden al 250 gulden aanbrengt, zal zeker in 8 of 9
maanden voor 1000 gulden instaan."
,. Alles zeer schoon gezegd en gepland," sprak ik tot
den vurigen oude, ,.maar als de verantwoordelijkheid
heelemaal op U neerkwam, zoudt gij ook wel wat voor-
zichtiger wezen."
,.Zeer zeker, de Father heeft gelijk, viel Ruth in
-ocr page 47-
JA, DIE SPANJAARDEN !                                41
zich tot Sobastiaan keerendc, „g-ij zoudt den Fathor in
moeilijkheden brengen. Verbeeld je, dat de collecte om
een of andere reden niet tot stand kwam, of het geld
onderweg verloren ging, wat ramp zou dat wezen! Hoe
dan de geleende 1000 gld. terugbetalen? Kennen wij
■de groote heeren en geldvoorschieters niet bij onder-
vinding ? Ze zouden den Father uitverkoopen en op straat
zetten! O, die Franschen, \'t zijn Portugeezen, \'t zijn
Spanjaarden!"
Zoo zeide de zachtzinnige Ruth, die met elk woord
luider en toorniger sprak. Sebastiaan, anders de verper-
soonlijkte goedheid en zachtheid, knikte nu goedkeurend
bij eiken uitval van Ruth, fronste zijn groote grijze
wenkbrauwen, en verviel toen in een mijmering over
die „Spanjaarden", van wie hij niet veel goeds scheen
ondervonden te hebben.
Al die bonte woorden hadden me tijd en moed genoeg
gegeven om een plannetje op te maken, dat strookte
met alle regels der voorzichtigheid en met het vurig
verlangen van \'t volk. Ik zei hun, dat ik er niet tegen
op zag om met een gedeelte van de kerk te beginnen
en dat ik wel iemand zou weten te vinden die mij op
de inschrijvingen in „De Rozenkrans" 500 gulden wilde
voorschieten. We konden dan beginnen met een gebouwtje
van 12 bij 18 Engelsche voet, waarin minstens 40
kinderen konden schoolgaan en nog plaats zou overblijven
voor een altaartje of liever voor een langwerpige tafel,
want van een eigenlijk gezegd altaar kan nog geen
spraak zijn. Dan hadden we een plaats voor school en
godsdienstoefening, die al tweemaal grooter was dan die
we tot nog toe gebruikten. Later, als de collecte meeviel,
konden we er de andere helft bijbouwen; ja zelfs, als
de som tot 1200 gld. zou stijgen konden we bij Pastoor
Frie op Santa Rosa een gepolychromeerd altaar bestellen,
dat gedurende den schooltijd door een gordijn van de
rest van het gebouw kon gescheiden worden.
-ocr page 48-
42              MET HET 00(i OP EX IX VERBAND MET.
Toen er nu een gocdkeivrend gemompel uit de aan-
wezigen opging, ontwaakte Sebastiaan uit zijn mijmering
en riep gemelijk uit: „Ja, die Spanjaarden!" De goede
oude heer was zoozeer verdiept geweest in zijne over-
wegingen omtrent histories die hij vroeger met „die
Spanjaarden" gehad had, dat ik hem tot groot vermaak
der aanwezigen, al mijn voornemens opnieuw moest
mededeelen.
Toen ik kort daarna in \'t bootje gezeten de Baai
verliet, klonken er luide kreten van vreugde en bijval
over het meer.
Dus, Zeereerw. P. Redakteur, met het oog op en in
verband met de goede gaven van de vrienden in het
Moederland, begin ik al vast een gebouwtje op te slaan
dat ik later verdubbelen kan.
Uw dienstiaardige Dienaar en Confrater.
fr. P. L. SUERMOXDT.
Miss. Apost.
-ocr page 49-
St, MARTIN (Ned. gei), 8 Maart 1897.
Zeer Eerwaarde Pater Redacteur.
Het is me ontgaan of ik U al eens geschreven heb
over het halve kerkje van Sampson\'s Baai en de wijze
waarop het dienst doet voor mijn arme visschers.
Ik vrees werkelijk, dat ik den schijn gehad heb te
kort geschoten te zijn in dankbaarheid, en dat ik in
Uwe oogen al te lang gewacht heb met U over genoemd
kapelletje te onderhouden, waarin U en zoovelen Uwer
lezers zulk een edelmoedig belang stellen.
Als eenige verklaring van mijn gedrag kan ik aan-
voeren, dat mijn werk op Sampson\'s Baai voor een langen
tijd op eene allcrdroevigste wijze is verijdeld geworden:
iets dat ik U natuurlijk niet graag mededeelde. Nu alles
weer in orde is, durf ik er wel van spreken.
Mijn volkje heeft niet al te best opgepast. Het heeft
er gespannen op de Baai. Er is gevochten, gevloekt,
bloedgestort; men heeft mekaar bestookt met palen,
blokken, steenen, roeispanen, zeehoornen; dat alles om-
dat men in elkaar\'s vischwater gekomen was.
De vrouwen en kinderen mengden zich in den strijd:
oudjes van over de 70 jaren huilden en jankten van
machtelooze woede.
De wilde kreten en verwenschingen van mannen en
vrouwen klonken me een mijl ver over het „Simpson\'s
Bay Lagoon" in de ooren. Want het geval wilde, dat
ik juist op dien vermaarden Woensdag achtermiddag,
-ocr page 50-
KEN KLOPPARTIJ. RECHTSOMKEERT!
44
4 Maart, op het punt stond het meer over te steken,
om \'s avonds te preeken en des anderen daags de H. Mis
te lezen en Catechismus te houden, volgens gewoonte.
Toen ik daar in stomme verbazing van de hoogte van
mijn paard over het meer naar \'t ellendig strookje gronds
heen staarde, waarvan die onmiskenbare geluiden kwamen,
stelde ik me de vraag of ik geen haast zou maken, de
gemoederen te gaan bedaren. Maar ziende, dat er nie-
mand was om mijn paard over te nemen, en man
noch muis om me over te roeien (allen, compleet allen,
zelfs die aan den oever woonden, waar ik stond, waren
met hun booten naar het slagveld overgestoken) en verder
overwegende van den eenen kant, dat mijne tusschen-
komst vruchteloos mocht zijn zoolang de gemoederen
derwijze kookten, waardoor ik in prestige kon ver-
liezen, en van den anderen kant, dat ik zelf geen held
was, aangezien snorrende projectielen en zwiepende
stokken en gramstorige menschen me altijd op een eer-
biedigen afstand hielden, maakte ik eenvoudig rechts-
omkeert, de zaak aan de Voorzienigheid aanbevelende.
Weinige dagen later vond ik uit, dat ik in mijn vrees
wijselijk gehandeld had. De brieschende toorn van mannen
en vrouwen, van kinderen en oudjes was alle perken te
buiten gegaan. Ze toonden dat in deze tropen hun huid
wel blank gebleven was, maar dat alle kwaadaardige
venijnigheid en ziedende drift van tropische volken hun
in \'t gemoed was gevaren.
Tegen den haat en nijd op dezen éénen dag ont-
stoken, heb in over \'t jaar moeten vechten. Den duivel
van haatdragendheid had ik hier nog weinig ontmoet.
Het is een ondragelijke gast. De duivel van dronken-
schap wordt hier alleen omtrent Kerstmis en Nieuwjaar
waargenomen. De duivel van ontucht vaart altijd wel
rond, maar hij overschrijdt de perken der natuur niet,
hier op Sampson\'s Baai.
Geen enkel mijner communicanten, — ik had er nog
-ocr page 51-
„BROMMEN."
45
maar 13 — hebben dit jaar hun paaschplichten kunnen
waarnemen.
Men klaagde elkaar voor den rechter aan; en in elk
nieuw proces vond de haat versch voedsel. Alle partijen
werden op hun beurt veroordeeld, en het verloop der
zaak veroorzaakte gedurig nieuwe uitvallen van ver-
woeden haat. En nadat de veroordeelingen waren uit-
gesproken en in Cura<jao geratificeerd — ze hadden
natuurlijk allemaal eenigen tijd te „brommen" — gaf
het heengaan naar en het terugkeeren uit de gevangenis
wederom nieuwe aanleiding tot gevoelens van diepe af-
keerigheid en innig gemeende verwenschingen.
Die haatdragendheid hield aan, ondanks mijn preeken
en bidden. Alle veertien dagen, als ik de plaats ging
bezoeken, kon ik me voorbereid houden op verhalen van
nieuwe uitvallen, van lasteren, kwaadspreken, schelden
en vervloeken. Ik beb alle moeite aangewend dien angel
van den haat uit hun hart te rukken. Volgens het Chris •■
telijk beginsel, zalig zijn de zachtmoedigen, want zij
zullen de aarde bezitten,
trachtte ik die echt apostolische
deugd zoo volkomen mogelijk in mijn omgang met hen
te beoefenen; in mijn preeken heb ik hen bezworen,
bedreigd en tegen hen gebulderd als een profeet. Alles
bleef zonder eenig zichtbaar gevolg. Dat ik hun de H.
Communie weigerde, had misschien nog den meesten
indruk, zelfs op diegenen, die nog geen communicanten
waren.
Tijd, die groote dokter, bracht ook hier genezing aan.
Ik durf zelfs zeggen, dat de zaken er op verbeterd zijn.
Mijn volstrekte onpartijdigheid, en mijn voortdurend aan-
dringen op liefde en vergevensgezindheid, heeft de
heiligheid van een echt Christelijk leven in hunne oogen
verhoogd, en hen meer aan den Priester verknocht.
Nu na den storm de lucht is opgeklaard, durf ik weer
met vertrouwen in de toekomst blikken en mijn volkje
in Uwe gunst recommandeeren.
-ocr page 52-
46
MIJN MISDIENAAR JOHN GEORGE.
Misschien zal het niet ongevallig zijn eene beschrijving
te vernemen van mijn tochten naar Sampson\'s Baai. Laat
ik mijn laatste bezoek daar als type nemen, dan weet
U juist wat soort van weik ik daar alle 14 dagen doe.
Het is Woensdag in den namiddag. De hitte der zon
neemt af. De Thermometer geeft binnen nog altijd 80
graden aan, maar de intensiteit der hitte in de zon
neemt af. Het wordt ongeveer tijd, dat men zijn buiten-
werk weer beginnen kan, dat wil zeggen, werk dat men
tot dien tijd kan uitstellen. Het is hier een vorkeerde
politiek, veel in de zon uit te gaan. Tusschen lo en 4 uur
is het voorzichtig zoo veel mogelijk binnen te blijven,
ten minste voor Europeanen.
Kon ik nu maar in een tilbury gaan, dan had ik
schaduw en rust, maar den steilen heuvel te voet te
beklimmen, het paard leidende, is zeer vermoeiend, dus
maar liever te paard langs een korteren weg, ofschoon
over een hoog maar minder steil bergpad, niet geschikt
voor een voertuig. Ik ben niet alleen; mijn kleine
misdienaar, John Georgo Molensteijn, 9 a 10 jaar oud
heeft den pony beklommen, voor den dienst van Sampson\'s
Baai door een milde hand geschonken. Mijn kleine
kameraad heeft groot vermaak in den tocht. In zijn zielen-
ijver zou hij gaarne in de stad al gaan galoppeeren. Hij
kijkt naar rechts en links, vooruit en achteruit, of men
wel ziet, dat hij een goed ruiter is, en dat hij een voorname
post bekleed in de kerkelijke hiërarchie. Iedereen weet
wat groote diensten hij presteert, hoe gemakkelijk hij
zijn latijn spreekt, en het volk is gulhartig genoeg om
den „altarboy" zijn volle waarde toe te kennen.
Jammer dat Koolbaai-berg in den weg ligt, anders
konden we in 20 minuten den oever bereiken. Op den
vlakken weg kan men galoppeeren, draven en passen of
telgaan, maar bergop gaan beduidt stappen, eeuwig
langzaam stappen, zigzag over het pad. Ik weet niet
wat de muilen doen in de Alpen: onze paarden of liever
-ocr page 53-
GEEN fJKVAAIi OP HET MEEH.                         47
paardjes loopen zigzag heuvelen op en af, en de voor-
zichtigste methode is maar, om hen aan hun lot over
te laten, je kunt je gerust aan hen toevertrouwen. Ook
het paard breekt niet graag zijn nek, volgens de aan-
moediging van Pastoor Mulder van Saba.
Ik weet niet of het de moeite waard is hier even te
verhalen, dat ik op Saba zonder den minsten twijfel mijn
hals of ruggegraat zou gebroken kebben in den val van
Pastoor Mulders kleine ,..Tane"\', als ze vallende in haar
zigzag-gang, niet naar den berg, maar naar den afgrond
gekeerd geweest was. Ik weet positief, dat „Jane" zich
later dood heeft geloopen op Statius en dat haar veulen
zelfmoord pleegde, met halverwege over een heining te
springen, waarbij het arme dier zich het lijf verscheurde.
Ik vertel dit alleen maar om u te doen zien, dat er
hier gevaren zijn te land; van gevaren ter zee maak ik
liefst geen melding. Pastoor Kors van St. Eustatius
weet daar meer van, als hij eens bij een nabuur wil
overstappen, om te gaan biechten. De zeereis duurt
niet heel lang, maar om er u een idéé van te geven,
durf ik het vergelijken met een tocht over de Zuiderzee,
in een boot van 6,a 7 ton, met één mast en een goede bries.
Geen gevaar nu hierop „Sampson\'sBaai Lagoon"; geen
ziekte geen zeeën, geen brekers. De eenige hatelijke
liefhebberij hier is het spatten van de golfjes, die sterk
genoeg zijn om je in de 20 minuten van den tocht on-
pleizierig nat te maken, Mijn kleine vriend, de misdienaar
is hier op eens van een ruiter in een zeeman herschapen.
Enkel schijnt hij minder op zijn gemak; een zeeg paardje
is meer waard dan een lekkend en spattend bootje, zoo
denkt hij, te oordeelen aan zijn krullende lippen,
Mag ik hier een punt zetten? Over 14 dagen hoop ik mijn
verhaal te vervolgen. Intusschen bied ik u, Z.Eerw. Pater,
mijne gevoelens van hoogachting en dankbaarheid aan.
Uw toegenegen Confrater,           fr. P. L. Suehmondt.
Miss. Apost.
-ocr page 54-
St. MARTIN (Ned. ged.), 21 Juni 1897.
Zeereerw. Pater Redacteur/
Het is onnoodig er doekjes om te winden: het vervolg
van mijn brief komt veel te laat. Als eenig, maar ook,
hoop ik, afdoend excuus kan ik aanvoeren, dat ik in mijn
haast geen copie bewaard had van het eerste gedeelte,
en zoo den draad van mijn verhaal kwijt was. Ik wist
niet meer of ik nog op Koolbaai-berg was of al in het
kerkje zelf. Er zat dus niets anders op dan wachten tot
dat de brief gedrukt in mijn handen kwam, gelijk van
daag geschied is. En nu haast ik me, vóór het vertrek
der mail naar Europa, U mijn vorig schrijven in het
geheugen terug te roepen en mijn verhaal te vervolgen.
In mijn vorigen brief, heb ik u een overzicht gegeven
van de ongelukkige vijandschappen op Sampson\'s Baai,
die mijn werk daar zoo lang verijdeld hebben. In dien
zelfden brief heb ik ook eene beschrijving begonnen van
mijn twee-wekelijksch werk op dat zonnige en drooge stukje
grond, onder mijne blanke visschers en hunne familiën.
Hiermede ga ik nu voort.
Voor dat we voet aan wal zetten — ik en mijn Mis-
dienaar John George en Gustave, de roeier — dringt
ons de geur van droogende vischnetten, verdaagde visch
en rottend zeewier tegen den wind in den neus. Dat
Gustave het ruikt, durf ik niet beweren; hij is in die
atmospheer geboren en getogen. Mijn misdienaar is al
diplomaat genoeg om geen teekenen van afkeer te toonen.,
-ocr page 55-
GEEN BLOOHEID.                                       49
die tot niets zouden baten; ik zelf, na ondervinding-,
veroorloof me de weelde van eene sigaar tegen deze*
bekoring- tot een gevoel van landelijke zeeziekte.
Een juichende en dansende rij schoolkinderen ontvangt
ons. Mijn aankomst is steeds eene gebeurtenis van belang.
Voor andere vreemdelingen, als ze al een paar malen in
een jaar hier vertoeven, loopt men gewoonlijk zoo hard
niet. Ofschoon zij wel weten, dat men hun armoede
kent, willen zij die liever toch niet toonen. Daar is in
dit volk een edele trots, om hun armoede niet be-
schimpt te willen worden. Het is een formeele leugen te
zeggen, gelijk sommigen hier doen, dat het volk van de
Baai schuw is en weg schuilt als zich een vreemdeling
vertoont. Dat men voorzichtig is, vooral met vreemde
gasten en dat men zich liefst netjes voordoet, zijn een
paar van de vele eigenschappen, die dit volk sieren.
Ik heb vroeger ook met anderen gedacht, dat hunne
gereserveerde houding aan blooheid was toe te schrijven,,
tot dat ik hen zelf leerde kennen en door hun genisten
oogopslag, hun frisschen blik en gereed antwoord tot
het tegendeel moest besluiten.
Het kerkje is niet ver van de landingsplaats, nog geen
50 meter. Miss Ruth (die ik bij een vorige gelegenheid
bij u heb ingeleid) heeft de deuren en ramen al geopend,.
den vloer geveegd, de banken (schoolbanken) geschrobd,
de spinnewebben van staties en beeldjes verwijderd en
de kaarsen gesnuit. Jammer dat zij ook niet met de
lampen overweg kan!
Na mijn zwart reizigerspakje met het habijt verwisseld
te hebben, dat ik er daar op na houd, is mijne voorname
zorg de lampen na te zien. Een lamp met een glas er
op en met eene ronde pit is hier iets onbekends, zulk
een pit wel te bereiden een onmededeelbaar geheim.
O, wat eene ellendige ondervinding heb ik al van die
lampen. Wat eene nietigheid toch al in staat is om
iemand in verlegenheid te brengen, boos te maken en
4
-ocr page 56-
O, DIE LAMPEN!
50
schrik aan te jagen. De lampen op Sampson\'s Baai hebben
me meer besogne gegeven dan eenige andere mogelijke
omstandigheid. Met glazen heb ik mijn handen open-
gereten, mijne oogen bijna geruïneerd en zijn de bloote
voetjes der schoolkinderen verscheurd, met petroleum heb
ik mijn habijt bemorst, den vloer gedrenkt, de lucht
verpest, mijn boeken bespat, het geheele kerkje haast
in brand gezet! De hemel vergeve mij mijn onwilkeurige
uitboezemingen van toorn en mijn egoïstisch verzuchten
om behoud en medelijden.
Ik ben er zeker van. dat u er den gek mee scheert,
dat ik het nazien van lampen een missionariswerk schijn
te noemen, maar ik verzeker u, dat ik liever een preek
maak en een tocht van twee uren in de zon onderneem,
dan 4 lampen in orde te brengen en op genade van die
lampen een avonddienst te houden. Wat een treurige
zaak. na alle beste zorgen op eenmaal in het volle van
den dienst de kerk vol walm te zien, terwijl zwarte
vlokken als zwarte sneeuw neerdalen op het hagelwit
altaarlinnen. Wat aangename verrassing, als plotseling
in den gang van uw sermoen een lampeglas in stukken
barst en rinkelend zich over den vloer verspreidt, waar
de ongedekte voeten geen grooter vijand kennen dan
glasscherven! Zelfs wanneer je reden hebt te denken,
dat nu ten minste alles tamelijk goed zal afloopen, dan
komt er een onverwachte windvlaag uit het zuiden onder
den pathos der peroratie, die de gemeente in duisternis
hult. Tableau! Ik kan niet helpen, dat die lieden een
gevoel voor incongruiteit hebben en dat ze bij zulke ge-
legenheid onder de preek lachen. Ik doe zelf mee als
iemand die kiespijn heeft.
U vraagt me misschien waarom ik me zoo lang met
die onverkwikkelijke lampengeschiedenis bezig houd?
Wel, alleen om mijn gal eens uit te storten, en om u en
uwe lezers te doen zien, dat het wezenlijke harde van
het missionariswerk altijd niet ligt in het verdragen van
-ocr page 57-
51
LUISTERGKAAG.
het klimaat, in het maken van lange tochten, in de hard-
heid der harten, waaraan men allemaal spoedig gewoon
wordt, maar in duizende kleine ongeriefelijkheden, die
zich onophoudelijk in nieuwen vorm voordoen. Om u er
echter niet te veel mede te vermoeien, zal ik ze verder
maar verkroppen.
Ik ga clan van mijn stokpaardje af, waaraan ik blij ben
na vier jaren zwijgens eens den breidel te hebben kunnen
vieren. Ik weet dat sommigen mijner oude kennissen in
Holland me zullen uitlachen om mijn ongeduld en on-
ridderlijkheid in zake de lampen, maar ik heb mijn hart
eens lucht gegeven, ik gevoel me er te beter om. Mijn
liefderijke wensch is, dat niemand uwer ooit zulke on-
aangenaamheden op lampengebied moge ontmoeten, als
ik gedaan heb.—
Wat mijne goede lieden op Sampson\'s Baai betreft,
gelijk andere Engelsch sprekende rassen, houden zij
ongeloofelijk veel van avondpreken. Van \'s morgens
vroeg af tot 5 a 6 uur \'s avonds zijn ze vol „business";
daarna verwaardigen ze zich wel eens aan hun ziel te
denken, maar liefst, echt gereformeerd, langs den lijde-
lijken weg van luisteren. Op het punt van zaken en
ondernemingen toonen ze veel oorspronkelijkheid, maar
op het meer geestelijk gebied van vrome gevoelens en
godsdienstige overdenkingen leggen ze veel minder eigen
aandrift en vanzelfheid aan den dag, ofschoon ze er zeer
gevoelig voor zijn als ze hun van den preekstoel komen
aanwaaien.
Dit geldt bijna als algemeene regel voor de Protestanten,
en is ook veelal doorgedrongen of overgebleven bij hen
die nu Katholiek zijn. Voor zoover deze opmerking
St. Martin betreft, kan ik dit door eigen ondervinding
staven, voor andere landen kan ik me beroepen op
schrijvers in zulke eminent katholieken bladen als de
Tablet en de Weékly Register.
Hierna begrijpt u waarom ik me de moeite moet
-ocr page 58-
52
GESNEDEN BROOD.
geven om op de Baai avondpreeken te houden. Maar ik
mag het haast geen moeite noemen, want dit werk is
verre van onaangenaam. Voor eerst is er geen lange
voorbereiding noodig voor het houden dier preeken, daar
ik hun een geestelijk brood breek reeds eenige dagen
te. voren hier in de stad Philipsburg wel versneden.
Andere jonge predikanten, dunkt me, moeten het ook
ondervonden hebben, dat zulk een preek een tweede maal
veel beter van stapel loopt, vooral als men in een
vreemde taal moet spreken! Een andere zaak, die het
preeken op Sampson\'s Baai mij niet moeilijk maakt, is
de afwezigheid van alle kritiek. Voor letterzifters is daar
geen plaats. Als nijvere bijen neemt het volk gretig het
goede op. Dit is eene ware verlichting, ten minste voor
mij. Overal elders sinds mijn verblijf op de Bovenwindsche
eilanden, moest ik vreezen schimpers en afdingers in
mijn gehoor te hebben. Hier op de Baai kan men zijn
vleugelen vrij ontplooien; wat de vlucht ongetwijfeld
grootelijks bevordert.
Lach nu niet om die „vlucht"; deze ongeletterde
visschers zijn ten hoogste ingenomen met wat „vuurwerk\'\',
waaraan de methodistische „local preachers\'\' hen vroeger
gewoon gemaakt hebben. U weet wel dat St. Paulus
voor de Grieken op Grieksche wijze sprak, zoo moet ik
me ook wat accommodeeren naar den smaak van mijn
gehoor. Ik ben blij, dat ik het na zes jaren ver genoeg
gebracht heb, om hierin aan wie dat verlangen eenigs-
zins te gemoet te komen.
De avonddienst wordt opgeluisterd met tal van popu-
laire gezangen, waarvan zich de jongelui hier met vlug-
heid meester maken. De in Amerika meest gezochte
liederen ter eere van het H. Hart, de H. Maagd, St.
Joseph enz. enz. kennen ze allen van buiten. Ik heb hen
ook de Litanie van alle Heiligen en de zeven boetpsal-
men koorgewijze leeren bidden met enkele andere ver-
heven gebeden der kerk. Het is een lust ze die psalmen
-ocr page 59-
53
RECEPTIE.
te hooren reciteeren, met een godsvrucht, een regelmaat
en nadruk, dat er alleen een paar flinke basstemmen
schijnen te ontbreken om u aan een koor van oude
monniken te herinneren.
De afwezigheid van het H. Sacrament maakt deze
avondoefening koud voor iemand die aan een geregeld
bediende kerk gewoon is, maar onze goede visschers
zijn reeds uiterst voldaan met een plechtigheid zoo
indrukwekkend als de Benedictie met het heilig Kruis.
Na den dienst is de kerk onmiddelijk in eene re-
ceptiekamer veranderd. Uitgesterkte handen en handjes
stuwen om me heen. Ik neem plaats in den schommel-
stoel, waarin John George gedurende de preek getroond
was en de heele vergadering passeert de revue. Ik heb
die receptie zelf niet ingevoerd of uitgelokt; men is er
niêe begonnen uit beleefdheid en ik kan en wilde het
zoo botweg niet afschaffen. De vriendelijk toegestoken
handen zijn misschien niet juist geheel besmettingloos,
want het is hier een blaar- en builachtige streek. Als
de bijbouw gereed is, is alle moeilijkheid daaromtrent
over, clan marcheer ik deftig zonder groeten af te wachten
de sacristie in, alsof ik in vol ornaat een hoogaltaar
verliet.
Het gebouwtje heeft vandaag al gediend voor school
en kerk en voor salon; nu wordt het in een eetkamer
ja zelfs in een keuken herschapen, want ik houd er
hier een petroleum-machine op na om thee te zetten,
melk van microben te zuiveren en tinnen bussen
met spijs te verwarmen. Om niet al te huiselijk te
worden, laat ik u alleen nog zeggen, dat ik na een
sigaar en een avondgebed, weldra in mijn hangmat lag te
schommelen.
In het dorpje is het zeer stil gedurende den nacht.
Eatten en hanen zijn hier van een bijzonder rustige
natuur; zelfs de visschers die om twee of drie uur reeds
naar hun vischkorven uitzeilen, zijn onhoorbaar. Rondom
-ocr page 60-
54
JACHT OP VARKENS EN BOKKEN.
is alles kalm, alleen van beneden komt de rustverstoring;
de geiten en varkens geven aanleiding tot ontevredenheid.
Die onverstandige dieren zoeken \'s nachts een ligplaats
onder de kerk, die nog altijd maar op palen staat. Hun
huid en hoornen schuren en trommelen ze tegen den
vloer. Deze muziek vlak onder mij, zeer harmonieus
samenstemmend met hun geknor en geblaat, levert eene
fanfare waarbij strijk- en trommelgeluiden met andere
instrumentale en vocale klanken wedijveren om me kittel-
oorig te maken, vooral als ik in mijn eersten slaap ge-
stoord word.
Hoe menigmaal heb ik in nachtkostuum rond het
kerkje geloopen, met een lange lat gewapend, en er
overal die onnoode gasten mee uitgepord. Nooit heeft
ooit porder in \'t moederland driftiger geweld gemaakt
dan ik bij het wekken van dat ellendig gespuis; noch
heb ik ooit ongezeggelijker en hardnekkiger ras van
schepselen ontmoet dan die geiten en varkens hier op
de Baai. Tot vier malen toe op een nacht hebben ze
me vervolgd en getergd en was ik genoodzaakt ze met
stokken en steenen achterna te zitten en in het dorp te
verspreiden. Ik zou een brief kunnen vullen met de
tooneelen, die zich bij die nachtelijke excursies in mijn
mijn ziel en buiten mijn ziel hebben voorgedaan.
Inwendig heb ik me moeten „verknijpen" en uitwendig
ben ik over biggen gerold en slaags geweest met weer-
barstige bokken.
Ik zal maar eindigen, anders mocht ik wederom eens
uit mijn humeur raken gelijk met de lampengeschiedenis.
Laat ik alleen nog zeggen dat mijn kleine tochtgenoot
John George, ofschoon hij op den vloer slaapt, niets,
noch van het leven der dieren, noch van mijn geweld
bemerkt. Die jongen slaapt den heelen nacht door, al
zou er een orkaan waaien; hij is trouwens nooit ver-
standiger en bedaarder dan op zijn sprei en zijn oor-
kussen.
-ocr page 61-
55
JACHT OP VARKENS EN BOKKEN.
Met broederlijke groeten heb ik de eer en het ge-
noegen mij te noemen,
ZeerEerw. Pater Redacteur,
Uw toegen. Cfr.
fr. P. L. SUERMOXDT, Miss. Apost.
-ocr page 62-
St. MARTIN (NederL ged.), 7 Juli 1897.
ZeerEeerw. Pater Redacteur/
Het kerkje van Sampson\'s Baai moet te genioet komen
aan verschillende behoeften. In den loop dezer brieven
heeft het al verscheidene gedaanteverwisselingen onder-
gaan, gelijk gij U, hoop ik, nog herinnert. Op één dag
werd het van school kerk, van kerk keuken, van keuken
eetkamer, van eetkamer slaapvertrek. In mijn vorigen brief
nam ik afscheid van U in mijn hangmat, meen ik, terwijl
de kleine John George al op den vloer lag te droomen.
Heel vroeg in den ochtend, lang vóór dat de jongen
er aan denkt zijn oogen uit te wrijven, schrijd ik in
een zwart klerikaal badkostuum voorzichtig door de
giftige manzinellen struiken naar de groote waschkom,
de zee, nog geen heele minuut loopens van de kerk
verwijderd. Geen betere vergoeding voor regenwater en
zeep, dan de zee en het zachte schelpzand, geen frisschere
wassching dan in den strijd met de branding. Een
kwartier uurs later begin ik bij de lamp mijn Metten
en Lauden. Als ik bij de Primen kom kan ik rekenen,
dat het begint te schemeren en het tijd wordt voor mijn
kameraad om zijn morgengebed te beginnen. De vreemd-
heid der omgeving, die hij in zijn droomen geheel ver-
geten had, spert zijn oogen spoedig open en maakt hem
geheel wakker. Hij wascht zich terdege in een glas water
en droogt zich af met een zakdoek, die zijn moeder hem
voor die plechtige gelegenheid heeft meegegeven.
-ocr page 63-
57
METAMORPHOSEN.
Het is wonderlijk te zien, hoe plotseling nu het ge-
bouwtje weer in een kerk wordt omgetooverd. Mijn hang-
mat is in twee seconden opgerold en in een hoekje
verdwenen, waar ook John zijn sprei en oorkussen heen
brengt. Terwijl de jongen met dienzelfden beruchten
zakdoek de plassen wegveegt, door zijn wasschen op
de banken en den vloer veroorzaakt, breng ik de trousseau
voor den dag, door de Amsterdamsche Vereeniging voor
arme kerken geschonken, en in één, twee, drie is het
altaar gereed en zijn de h. gewaden klaar gelegd. Alles is
zeer klein maar zeer geriefelijk. Ik zend den jongen om
een veger bij den naasten buur en terwijl ik alle blinden
opengooi, jaagt hij met den veger heel wat stof de
ramen en weinig vuil de deur uit.
Nu ga ik de klok luiden, de fameuse klok, waarvan
ik U in een vorigen jaargang van De Rozenkrans de
geschiedenis hebt medegedeeld. Tien jonge lieden en twee
oudere verschijnen bijna onmiddellijk in de kerk. Zij
nemen plaats in de schoolbanken en gaan met de handen
in hun haar zitten. Het is duidelijk dat ze ernstig na-
denken. Geen geprevel van lippen, geen kerkboeken,
geen rozenkransen, alleen diep gepeins en nu en dan
«en zucht. Het is mijn dozijn communicanten. John
George begrijpt het wel; het is biecht hooien van mor-
gen. Hij heeft ook al eens een paar maal in zijn leven
gebiecht, hij verstaat zeer goed waarom die menschen
daar zoo ernstig gestemd zijn en is blij, dat hij zelf niet
van de partij zal wezen.
Terwijl ik mijn Terts en Sext loop te bidden en
pastoorsgewijze nu en dan op zie om de orde in de kerk
te handhaven, betrap ik John George op verscheiden
ongeregelde bewegingen. Hij gaapt alle menschen onfat-
soenlijk aan en vertoont alle soorten van gewaarwordingen
op zijn kinderlijke tronie. Er vertoonen zich nu en dan
een soort van vraagteekenen om zijn mond, alsof hij zich
•afvroeg, of de menschen daar hun voorbiecht en hun akte
-ocr page 64-
58        DE KLEINE MISDIENAAR VERGALLOPEERT ZICH.
van berouw wol zouden weten op te zeggen en hoe zo
zouden antwoorden als ze eens ondervraagd werden
omtrent „de noodzakelijkheden des middels en des gebods."
Op eenmaal knielt hij neder en begint heftig zijn lippen
te roeren, — klaarblijkelijk met het doel zich te verge-
wissen of hij zijn eigen puntenblaadje wel zou kunnen
opzeggen.
De Kerk gaat nu weldra een biechtstoel worden. Ik
noodig de lieden uit zich naar buiten te begeven, want
de kerk is zoo klein, dat, om geen biechtgeheimen te
vernemen, de gemeente zoo lang de lucht in moet gaan;
geen opener en luchtiger biechtstoel is mij bekend dan
die van de Baai. Toen mijn Misdienaar voor de eerste
maal dezen algemeenen uittocht waarnam, wilde hij niet
meê naar buiten, in de meening, op het gezicht van mijn
Stool, dat ook hier latijnsche antwoorden te geven waren,
totdat de eerstaankomende penitent hem met een blik
van verontwaardiging letterlijk de deur uitkeek. Ik zelf
had hem een tceken van heengaan moeten geven maar
ik had den kleinen dreumes geheel vergeten of dacht,
dat hij zich reeds verwijderd had. Toen ik hem nu ook
een toornigen blik nazond, zag hij alles terstond in, en
ging heel beschaamd op een afstandje staan pruilen met
een gezicht, als of hij stond te berekenen, wat soort
van zonde en schande hij wel had ingeloopen, met zijn
bemoeizucht en nieuwsgierigheid. Het biechten gaat nu
vlot van de hand. Na ontzettend veel onderricht begrijpt
men er de meening, het doel en de gesteltenissen van.
Wel kostte mij dat onderricht veel moeite, maar met
Gods genade ben ik deze te boven gekomen.
Er begint zelfs hier en daar een bloempje van Gods-
vrucht te bloeien. Er zijn op de Baai nu eenige opge-
schoten jongens, die een goed figuur zouden maken,,
zelfs in een stichtende parochie van het moederland.
Als zedelijk beschavend en tot godsvrucht opwekkend
middel ondervind ik, dat het aanhoudend spreken over
-ocr page 65-
DE H. MIS. CATECHISMUS. NAAK HIIS.                  591
de eigenschappen Gods, geïllustreerd niet de voorbeelden
van J. E. Schmid allermilddadigst werkt op gemoederen
zonder gekultiveerden bodem.
Nogmaals gaat er een bel. en binnen een kwartier
uurs sta ik op \'t altaar gereed de H. Handeling te
beginnen. Heel veel opgegroeide mannen en vrouwen
komen er niet bij. Het is een werkdag. De eene moet
met de zegen uit, de andere met den korf, een derde
moet beet gaan vangen. Het is als van ouds, de eene
heeft een „boerderij" gekocht, de andere „een paar ossen",
en een ander iets anders en daarom kan men niet komen,
— ten minste niet zoo gemakkelijk als in een avond-
dienst. Kinderen komen er genoeg, zij rollen bijna de
volgepropte banken af. Sommigen zijn zelfs zóó klein
dat ze nu en dan een vroolijk of een nijdig gekraai
laten hooren al naar omstandigheden. De moeders kunnen
dan ook die kleinen niet alleen thuis laten.
Kort na de H. Mis houd ik Catechismus en trek dan
weer naar de stad vóór de zon te hoog is.
Ik ben blij UEd. nog te kunnen mededcelen dat we
weldra een aanvang zullen maken met den bijbouw en
de Sacristie.
Aanvaard etc.
Uiv toegen. Cf):
f): P. L. SUERMOXDT,
Miss. Apost.
-ocr page 66-
St. MAETIN, (Ned. ged.) 29 Oct 1897.
Zeer Eerwaarde Patei:
Er is een lange tijd verloopen sedert ik U mijn laat-
sten brief zond over het kerkje van Sampson\'s Baai. De
reden van mijn uitstel was, om U in een slotbrief de
blijde tijding- te kunnen brengen, dat het kerkje en de
sacristie nu geheel volbouwd zijn, ja zelfs geverfd en
beschilderd.
Een drietal jaren geleden beschreef ik in Uwe blad
zijden de overbrenging van een Angelus-klok naar de
Baai van Sampson. Met de volgende woorden ving ik
die beschrijving aan:
„Menige groote en bloeiende kerk in de Missie-landen
,.is aangevangen niet het oprichten van een Angelus-
,. klokje. Waar de middelen nog te kort schoten eenge-
,.bouw op te trekken ter vereeniging der geloovigen,
„daar riep hen reeds de helderklinkende Angelus-klok
„tot gemeenschappelijk gebed; waar hoogst zelden een
„priester kon verschijnen om de Blijde Boodschap te
„verkondigen, daar predikte reeds de Angelus-klok met
„metalen stem de Menschwording van Gods Woord voor
„de verlossing der wereld, daar noodigde het reeds drie-
„maal daags de geloovigen tot dankbaarheid aan den
„Verlosser voor de grootste der weldaden.
„Deze overweging gaf mij in, mijn arbeid onder de
„verlaten visschers van Sampson\'s Baai met het oprichten
„van een Angelus-klok aan te vangen. Dat was recht
-ocr page 67-
DANK! DUIZENDMAAL, DANK !
«1
„op het doel afgaan; de prediking van Jezus aan een
„onwetende en ongevoelige bevolking; dat was voor hem
„de aanwijzing van een vereenigingspunt, dat later onder
„den zegen der Moeder Gods tot een net dorpskerkje
„moest aangroeien."
Aan het slot van dien brief sprak ik den wensch uit:
„God geve, dat door de milddadigheid van Nêerland\'s
„Katholieken deze klok weldra moge slingeren boven
„een kerkje!"
Die bede is nu verhoord! Elke katholiek aan de Baai
ziet nu met trots op naar het grootste en schoonste ge-
bouw van het dorp, met zijn kleinen doch sierlijken uit-
bouw, de sacristie, en zijn vriendelijke klokkespits. Men
beschouwt het als een uitgangspunt van een nieuw leven op
geestelijk en maatschappelijk gebied. Men verwacht van
die kerk verjeugdiging van geloofskracht, versterking
in deugd en een middenpunt van eensgezindheid. Als
een schoolgebouw geeft het hun uitzicht op beter onder-
wijs en ontwikkeling van hun ondernemingsgeest, waar-
aan de jongeren groote behoefte hebben.
Het valt me moeilijk om goede woorden te vinden
ter uitdrukking hunner innige dankbaarheid aan de vele
milde gevers, waaraan ze hun kerkje danken. Vooral
dat lieve gothieke altaartje, fijn afgewerkt en gepoly-
chromeerd op het atelier van het Weeshuis van Santa
Rosa, is een schat in hun oog.
O, als de moederlandsche goede gevers eens konden
inzien, hoe erkentelijk, hoe kinderlijk verblijd onze West-
Indische armen voor zulke schoone gaven zijn, zij zouden
nog meer genoegen vinden in hun aalmoezen, en ze nog
op ruimere schaal aan hen toekennen. Een kinderhand
is spoedig gevuld, en lieden van ontluikende beschaving
vinden het eenvoudig schoone, het gocdkoope schoone
reeds overschoon.
Voor 1500 gulden kan men juist geen groote en schoone
kerk optrekken, vooral niet op zulk een afgelegen plaats
-ocr page 68-
■62 DAXKBAAKHEID IS DE SLEUTEL TOT NIEUWE WELDADEN.
als Sampson\'s Baai, en toch zijn onze goede visschers
daar met hun kerk en altaar meer ingenomen dan de
Bosschenaren met hun St. Jan, of de Keulenaren met
hun Dom. Ik geloof, dat deze hartelijke en dankbare
gevoelens van mijn katholieken op de Baai de beste be-
looning zijn zal voor de liefdevolle otters in Holland aan
hen gebracht.
Laat ik hier ook mijn eiiren persoonlijken dank bij-
voegen: op de eerste plaats aan U, Zeer Eerwaarde
Pater Redacteur, die mij zoo trouw ter zijde stondt, en
verder aan allen, die zoo minzaam tot den bouw der
kerk hebben bijgedragen en daardoor mijn apostolisch
werk zoo krachtig hebben gesteund.
Met gevoelens van diepe hoogachting en erkentelijk-
heid verblijf ik,
Zeer Eerwaarde Pater Redacteur,
Uiv onderdanifjste Dienaar en Confrater:
Fb. P. L. SUERMOXDT.
N. B. De onkosten van den bijbouw en de sacristie
van Sampson\'s Baai bleken een paar honderd gulden
grooter dan oorspronkelijk geschat. Zelfs de mannen van
het vak maken geen nauwkeurige berekeningen hier.
God geve dat ik de schuld van het kerkje mag ver-
effenen, als ik het aanstaand jaar op mijn vacantiereis
weer eens bij de vrienden van Godsdienst en Vaderland
om een almoes voor de armen van St. Martin kom aan-
kloppen.
-ocr page 69-
/
/
IMPRIMI PERMITTIMUS.
fr. LUD. THEISSLING.
Pr. Prov.
HUISSEN, 19 Aitff. \'98.
IMPRIMATUR.
BUSCODUCI 12 Augusti 1898.
J. J. VERSTERREN, Rector.
ad hoc deleffatus.