-ocr page 1-
yviy/i I36(6ö
544
GESCHIEDENIS
I
-
VAN
.
de landen Van Overmaas
sedert den vrede van Munster
tot aan het Partage-tractaat
^1648-1662
DOOR
"
-A.I/FIR/EiTJ HABETS
Doctor in de Wijsbegeerte en Letteren.
,
ste
GEDEELTE.
OVERGEDRUKT UIT DE
PUBLICATIONS DU LIMBOURG,
:«:* jaargang; 1806/99.
- *
1
1 1 n t *-
J
JW.
Vak 150
....
-ocr page 2-
-ocr page 3-
GESCHIEDENIS
VAN
de landen Van Overmaas
sedert den vrede van Munster
tot aan het Partage-tractaat
1648-1662
DOOR
J±lLjJFtt-E}JD HABETS
Doctor in de Wijsbegeerte en Letteren.
-1 *ie GEDEELTE.
OVERGEDRUKT UIT DE
PUBLICATIONS DU LIMBOURG,
»3« jaai\'gang 1806/97.
-ocr page 4-
INLEIDING.
De landen van Overmaas bestonden uit het hertogdom Lim-
burg, het graafschap Daihem en de heerlijkheden Valkenburg en
Herzogenrade (1).
Het is aan hunne ligging, „over de Maas" ten opzichte van
Brabant, waarmede zij naderhand vereenigd werden, dat zij hun-
nen naam te danken hebben. Sedert de tweede helft der XVIIde
eeuw evenwel wordt onder de landen van Overmaas dikwijls
alleen verstaan het graafschap Daihem en de heerlijkheden Val-
kenburg en Herzogenrade (2). Dit onderscheid is toe te schrijven aan
(1) Het land van Herzogenrade werd ook wel het land van Rolduc j-\'ei\'oonul naai\' de abdij
van dien naam.
[ii De Nexy, Mémoires historlques et politiques des i\'ays-lias aiittichiens. I\'. 153.
1
-ocr page 5-
— 4 —
twee verschillende opvattingen, eene Spaansche en eene Staatsche,
zooals wij later zullen zien. Van Spaansch standpunt waren de
landen van Overmaas vier in getal, van Hollandsen standpunt
drie, benevens het hertogdom Limburg (1). Wat er ook van zij,
wij zullen ons in deze schets aan de gewone opvatting die er vier
aanneemt houden.
Het hertogdom Limburg werd begrensd ten Noorden door de
heerlijkheid Herzogenrade, ten Zuiden door het prinsdom Luik
en Stavelot, ten Oosten door het hertogdom Gulik en het
grondgebied van Aken, ten Westen door het graafschap Dalhem
en het prinsdom Luik (2).
Het bestond uit vier hoofdbanken : Baelen, Walhorn, Monzen
en Herve, benevens het Waalsch kwartier; daarenboven uit negen
heerlijkheden en het vrije land van Bolland. De negen heerlijk-
heden waren Sprimont, Esneux, Baugnié, La Rimière, La Chapelle,
Tavier en Villers-aux-Tours, Lonzen en Wodemont.
Het graafschap Dalhem grensde ten Oosten en ten Zuiden aan
de bank van Herve en het hertogdom Limburg, ten Westen aan
het Luikerland, ten Noorden aan Valkenburg en Herzogenrade.
Het bevatte, behalve de hoofdstad Dalhem, de banken van Che-
ratte, Aubel, Trembleur, Bombaye, Feneur, Olne, Gadier en
Oost (3).
De heerlijkheid Valkenburg werd begrensd ten Noorden en ten
Oosten door het hertogdom Gulik, ten Oosten en ten Zuiden door
de heerlijkheid Herzogenrade en het graafschap Dalhem, ten vVes-
ten door de Maas. Zij bevatte de hoofdbanken Meerssen, Beek,
Heerlen en Klimmen, die weer in onderbanken werden verdeeld
te zamen 38 dorpen.
De heerlijkheid Herzogenrade of Rolduc werd ingesloten ten
Noorden door het land van Valkenburg en het graafschap Gulik,
dat ook de Oostelijke grens vormde, ten Zuiden door Dalhem,
ten Westen door Valkenburg. Zij bevatte de hoofdplaats van den-
zelfden naam benevens 16 dorpen (4).
(1) Dit dienc ter opheldering mui Noot 2, \\>. 37: Luzac. "De landen van Overmaze. — Nietto-
tenstaande werd er latei\' altijd gesproken van Limburg en de landen van Overmaze".
(t) llecueil des anciennes coutumes. — coutumes du duehé de Limbonrg, par Coxsy. Cahier
et l,ouis Crahay. Préface i.
(3!. Luzac, De landen van Overmaze p. 2.
(4) Ernst, Histolre dn Linibourjr, t. I, i>. p. 28 en volg.
-ocr page 6-
Deze vier, op den rechteroever der Maas gelegen landen, waren
achtereenvolgens in het bezit gekomen der hertogen van Brabant.
In 124;$ had Hendrik II, hertog van Brabant, het graafschap Dal-
hem gekocht voor eene jaarlijksche rente van honderd marken
Keulsch (1). Door den slag van Woeringen, den 5 Juni 1288, kreeg
Jan I het hertogdom Limburg en de heerlijkheid Herzogenrade,
terwijl Wenceslaus van Brabant en de Hertogin Joanna ten slotte
in 1364 de heerlijkheid Valkenburg kochten, waarvan zij nochtans
eerst in 1381 het volle genot kregen.
Sedert dien tijd waren de lotgevallen van de vier landen onaf-
scheidelijk met die van het hertogdom Brabant verbonden. Deze
band was evenwel van dien aard, dat zij wel aan den hertog,
maar niet aan Brabant zelf onderhoorig waren (2). Het opperge-
recht dezer landen droeg dan ook den naam van Raad van Bra-
bant en van de landen van Overmaze, als van twee verschillende
gewesten.
Na den dood van Hertogin Joanna hebben de Overmaasche lan-
den gestaan onder de volgende vorsten van het Burgondische huis:
Antoon van Burgondië 14015—1415, Jan IV 1415—1427, Philips
graaf van St. Pol 1427—1430, Philips de Goede 1430—14(57. Karel
de Stoute 14G7—1477, Maria van Burgondië 1477—1482; van het
Üostenrijksche huis onder Maximiliaan van Oostenrijk, weduwe-
naar van Maria van Burgondië, als regent en voogd van zijn zoon
Fhilips den Schoone 1482—1492, Philips de Schoone 1494—150G,
Karel V 1506—1555; van het huis van Spanje onder Philips II
1555—1598, Philips III, overleden in 1621, (de aartshertogen Albert
en Isabella, dochter van Philips II, 1698—1621 en Isabella alleen
1621 1633). Eindelijk onder Philips II tot aan de verdeeling dezer
landen in 1662 (3).
Ofschoon in den tachtigjarigen oorlog de landen van Overmaas
reeds vroeger veel te lijden hadden, waren zij nog gedurende zestig
jaren in het bezit gebleven van hunnen wettigen vorst. Willem van
Oranje had in 1568 getracht den hertog van Alva van vier zijden
(1) liui.Ki\'.NK, Trophées |>. 233. Kntln notre Duc acquist par cette voye In propriété do In
Comté de Dal hem, auquel paravant il n\'avait eu que la souveralneté, extendant par co moyen
soa donialne par dela la Mouse."
(?) Pblkrix, BeschrUviuge van hot Staatsland van Overmaze, p. 10.
(3) Ubachs, Korte schets der geschiedenis van Valkenburg, i>. 40.
-ocr page 7-
— 6 —
tegelijk aan te tasten. Hij zelf wilde met het hoofdleger eenen
inval doen in Brabant, die evenwel mislukte. De graaf van Kui-
lenburg beproefde de krijgskans in het zuiden aan de Maas. Hier
schenen de opstandelingen in het eerst beter te zullen slagen. De
graaf maakte zich meester van zijn eigen kasteel te Wittem,
waarvan hij de Spaansche bezetting, die Alva er gelegd had, ver-
dreef. Een tweeduizendtal avonturiers, onder bevel van Jan van
Montigny, Heer van Villers en Hoei, die het beleg van Roer-
mond wilden ondernemen, werden verdreven. Intusschen was Alva
in de gelegenheid geweest, om een leger op hen af te sturen onder
den graaf van Lodron en Don Sanclio d\'Avila. Deze versloeg de
opstandelingen bij Dalhem en nam verschillende bevelhebbers,
waaronder Jan de Montigny gevangen. Het gevolg was, dat van
den Maaskant voorloopig niets gewichtigs meer tegen Alva on-
dernomen werd (1). Deze nam kort hierop Valkenburg (2). Na
den slag bij Gemblours, den 31 Januari 1578, besloot de toenma-
lige Spaansche regeering de landen van Overmaas weer voorgoed
aan de Spaansche kroon te hechten, om de indringers van den
kant van Duitschland af te weren. Deze taak werd toevertrouwd
aan Alexander Farnese. Limburg, Valkenburg en Dalhem waren
spoedig in zijne macht.
Wel is waar gingen nu de landen van Overmaze in deze jaren erg
gebukt onder de bij te dragen contributies, zoowel aan de Span-
jaarden als aan de legers der opstandelingen, en hadden daarenbo-
ven veel te lijden van inkwartieringen van Spaansche troepen, doch
zij bleven nu weer geruimen tijd verschoond van den oorlog (3).
De strijd tusschen koning en onderdanen in de Hollandsche pro-
vinciën duurde lang. De penningen, de nervus belli, werden hoe
langer hoe schaarscher. Een gevolg hiervan was de talrijke lijsten
van „faulten" of achterstallige belastingen, die op den dag van
heden nog niet voldaan zijn (4).
Na het twaalfjarig bestand, dat den 9 April 1G21 ten einde liep,
werden de vijandelijkheden van weerszijden hervat. Voor de lan-
(1)  Waoenaar, Vaderlandsche Historie, II. p. aso.
(2)  Lu/.ai\'. Do landeD van Overmaze, p. 45, zegt van Valkenburg, dal het de party van oranje
gekozen had. Ons dunkt, dat hier van partij kiezen moeilijk sprake kan zijn, aangezien het in
die zoogenaamde keuze gedwongen werd.
(3)  LUZAC, id. p. 4ü en volg.
,4) Slanghen, Bijdragen tot de Geschiedenis van hot Hertogdom Limburg, Ili p. 38.
-ocr page 8-
— 7 —
den van Overmaas liepen de krijgsgebeurtenissen na het bestand
uit op het voordeel der Hollanders onder Frederik Hendrik. Venloo
en Straelen gaven zich over aan de Staatsche troepen in 1632.
Roermond capituleerde den 5 Juni van datzelfde jaar, Maeseijck
en Sittard werden ingenomen, Maastricht ging aan Frederik Hen-
drik over den 8 September 1632, na een beleg van eenige maan-
den. Limburg, Valkenburg en Dalhem deelden weldra in hetzelfde
lot, zoodat het geheele land van Overmaas in handen van den
prins van Oranje viel, die er in 1633 tot gouverneur benoemd
werd (1).
Wij zullen zien welke de toestand was, na de komst der Hol-
landers in Overmaze en hoe zij zich in dit land hebben weten
te vestigen.
il) Resolutie der Slaten Oeneraal, 23 April 1033,
Alfred HABETS.
-ocr page 9-
HOOFDSTUK I.
De toestand der landen van Overmaas
van 1632 tot 1648,
Bij de overgave van Limburg, den 8 September 1032, werd van
wege den prins van Oranje o. a. het volgende bepaald: „Dat in de
stad Limburg ende door degansche provincie over de Mase blijven
zal de openbare exercitie van de Catholijcke, Apostolijcke ende
Roomsche religie in de kerken, ende kloosteren ende overal, gelijck
deselve is geweest tot nog toe, sonder eenigh verhinderen" (1).
Het spreekt ven zelf, dat hier onder de „stad Limburg ende
door de gansche provincie over de Mase" het geheele gebied der vier
landen moest verstaan worden. De Staatschen hadden zich overi-
gens vóór de inneming van de stad en hoofdplaats Limburg nog niet
als volkomen bezitters van het land van Overmaas beschouwd.
Nu zij echter niet alleen de bizondere stedekens, maar eindelijk
ook de hoofdstad bezaten, rekenden zij zich volkomen meester van
het geheele land, eene stelling, die zij, zoo als verder zal blijken,
hebben verdedigd, zoolang als zij hun te pas kwam.
Als bezitters van het land hadden zij nu natuurlijk ook het recht,
om er de orde van zaken te regelen, zooals zij wilden. Zoo werd
bij plakkaat van den 8 Maart 1034 aan de inwoners, onder bedrei-
ging van als rebellen behandeld te worden, verboden, om nog
langer in appel te gaan bij den raad van Brabant te Brussel; deze
(Ij Zie Ait/.kma. Zaken van Staat en Oorlog in. p. 50.
-ocr page 10-
9 —
zou vervangen worden door het Brabantsch leenhof te s-Graven-
hage. Dit is later ook het hof van appel gebleven voor het Staatsch
gedeelte van Overmaas (1).
Den 31en dierzelfde maand werd bij plakkaat ieder, die eenige
heerlijkheid of goederen in de landen van Overmaas bezat, en ze
van den koning in admodiatie of pandschap had, verplicht, om er
binnen drie maanden de titels van op te geven aan de griffie der
Staten Generaal te \'s-Gravenhage, op straffe van nulliteit (2).
Deze maatregelen vloeiden voort uit de omstandigheid, dat de
ingezetenen, volgens de Staten Generaal, niet meer gehouden waren
de ordonnantiën en instellingen van den koning van Spanje te
volgen. De Staten gingen hierin zoover, dat zij „allen en een
yegelijcken der Ingezetenen van de voorschreve Stadt en andere
landen van Overmaze, van wat staet, qualiteit of conditie deselve
souden mogen zijn, notificeerden, dat sij niet gehouden zijn te
vijeren eenige andere Feestdagen, als bij de Gereformeerde religie
worden gevijert en geobserveert" (3). Dit vonden de inwoners vrij
onaangenaam, aangezien zij verplicht werden zich op die Protes-
tantsche feest- en biddagen te onthouden van allen zwaren arbeid
en hunne winkels te sluiten. Zij gebruikten dien tijd, om hunne
kleeren te stoppen en te lappen. Vandaar de uitdrukking: Geuzen
biddag, boeren lapdag (4). Zij hielden zich niettemin aan hunne
eigene katholieke feestdagen.
Bij die gelegenheid werd ook bepaald, dat in de voornaamste
vlekken en dorpen predikanten zouden worden aangesteld. Deze
maatregel liep evenwel op niets uit, ten gevolge van de herovering
van de stad Limburg en een gedeelte van het Overmaasche door
de Spanjaarden in 1635. De versch aangestelde predikanten waren
genoodzaakt een goed heenkomen te zoeken. In \'t vervolg zullen
wij zien, hoe de nu herderlooze landen (5), die volgens Luzac niet
tevreden schenen met de heimelijke bediening der Maastrichtsche
leeraren, nog eens beproefden de protestantsche classis te her-
stellen.
il) I\'ublications de la Soc hlstor. et archéol. dans Ie duché de Umbourg, Tomé XXI, p. tlO.
(2)  üroot Plakaatboek I, p. 249.
(3)  Kerkelijk Plakaatboek Dl. s, tliel 8, p. 502.
(4)  .(os. Harf.ts, Houthem St. Gerlaeh i>. 20.
(5)  Hier worden de Protestantsche herders bedoeld.
-ocr page 11-
- 10 —
Aan de hand van eene nog onuitgegeven Maastrichtsche kroniek
van het einde der 17de eeuw zullen wij in groote trekken de ge-
beurtenissen tot K34H volgen (1).
„Anno 1684 den 20 Junij is sconincx volck gearriveert tot
elven (2) boven eijsden bij haer hebbende over de hondert stuc-
ken geschuts, al waer sy hebben eene brugge geslagen, op wek-
ken dag heeft het garnisoen van Maestricht op allen de omlig-
gende dorpen allen de beesten ingehalt, vreesende, dat sij souden
belegert worden. — Den 12den hebben alle de officiers onder haer
allen de beesten gedeijlt, die sij den eersten July ingebracht haddden."
Beneden Maastricht, tusschen Hocht en Reckhem, hadden de
Spanjaarden eene brug geworpen over de Maas. Het doel was de
insluiting van Maastricht. Men begon evenwel met Valkenburg
aan de Staatschen afhandig te maken, dat, volgens onze kroniek,
den 2 Augustus door graaf Jan van Nassau, generaal der Spaan-
sche ruiterij, werd ingenomen „met apointement" (3). Het Staatsch
garnizoen trok zich terug naar Maastricht en het kasteel kreeg
Spaansche bezetting. Het beleg van Maastricht werd evenwel den
7 September door de Spaanschen opgegeven. Zij trokken zich
naar Brabant terug.
Wat de landbouwers te lijden hadden door de menigvuldige
krijgsbedrijven in deze jaren, toonen ons hier en daar eenige re-
gels uit bovenbedoelde kroniek aan : „Anno 1G34 in Julio ende
Augusto heeft het garnisoen van Maestricht allen het cooren wat
in \'t veldt was ingehaelt ende al pris gemaekt wat sij hebben
kunnen bekomen, met oock allen de beesten van alle omliggende
dorpen (4).
Ook de stadsbewoners ondervonden den invloed eener Staat-
sche bezetting. Den 3 September 1034 deed zij te Maastricht alle
(1) Deze kroniek verdient voor zoover wy, uit andere gelijkluidende gegevens hebben kunnen
r.ugaui), allo v< rtrouwen.
(2; Klve of Elve <>r Navagno, lu \'t laliju Novagium, was een versterkt kamp op de Maas,
tegenover het dorp Mouland. Zie over Navagne : Caumartin, Promenades dans les envlrons de
Vifé, p. 13 en volg.
(3)  WIJ staan niet in voor de juistheid van den datum 2 Augu tus. Zie Public, du I.imb. XV.
p. 419, waar als datum 13 Augustus staat opgegeven. Zie ook Jos. HABKT8, Bisdom Roermond.
II. p. 175.
(4)  De schrijver toekent verder de duurte der tijden door de volgende prijsopgaven : «In die
selve maenden vereocht men een pont boter 10 ende 13 stuyvers, een broot van (> ponden negen
st., ern kecre coolen 18 ende ]!> rhVsdaelders, tenen bessen! om te keyren 3 ende 4 stuyvers,
een vat terve vier guldens ende "> st., een pont kertsen 10 st., den hollandtsgen kees 8 ende
12 st. het pondt,
-ocr page 12-
— 11 —
ambachten vergaderen om te vernemen, hoeveel geld en zilverwerk
ieder bezat, ten einde de troepen te kunnen betalen. Den 5den dier
maand werden alle kloosters onderzocht en werd alles wat zij
bezaten, tot betaling der soldaten, opgeschreven. In den nacht van
15 September haalden eenige protestantsche burgers en soldaten de
Heiligen beelden neer, die de straten versierden, zoo o. a. aan de kerk
van St. Servaas, aan die van St. Catharina, aan het Gasthuis en
bij de Preekheeren.
Men mag gerust aannemen, dat de Maastrichtenaren niet erg
met de Staatschen sympathiseerden, en van den anderen kant niet
erg door deze vertrouwd werden. Den 13 Juli 1634 werd „de
borgerie" verboden „op de vesten te gaan ende moesten terstondts
allen haer geweir op stadt huys bringen" (1).
Den 20 Juni 1634 verscheen er een zeer streng plakkaat tegen
de Katholieken. Ondanks de verdragen, op dat punt aangegaan bij
de overgave van Maastricht en Limburg, werden alle vroegere
vrijheden, aan de Roomschen toegestaan, met voeten getreden.
Gewapend krijgsvolk werd uitgestuurd, om geestelijken op te lich-
ten, voor wier vrijheid de Staatschen dan een losprijs vroegen,
volgens het aanzien van den persoon.
Deze drakonische strikken, zooals de schrijver van de geschiede-
nis van het bisdom Roermond ze terecht noemt, werden den 2
Februari en den 2 December 1636 hernieuwd. Is het te verwon-
deren, dat tengevolge hiervan voor het einde des jaars 1636 de
deken en bijna al de pastoors van het land van Valkenburg of op
de vlucht, of in de handen der Hollanders waren? (2).
Wij laten hier een oogenblik den schrijver der Annales rodenses,
Nicol. Heijendal, aan het woord, bij de beschrijving van het be-
stuur van den 29sten abt van Kloosterrade, Balduinusab Horpusch.
„Omnes enim", zoo schrijft hij, „non modo monasterii nostri reli-
giosi, sed omnes omnino provinciae Limburgensis (3) pastores et
praesbyteri sese ad tuta loca receperant, vel dissimulato habitu in
latebris incogniti degebant, ne videlicet captivi abducerentur ab
Hollandis, qui eo praetextu quod aliqui ex eorum ministris seu
praedicantibus ab Hispanis male habiti et Bredam abducti, ibidem
fl! Kroniek van Maastricht (M. S.).
;t) Archief van het kasteel Haag bij Helder.
13) Hierdoor moeten do vier landen van Overmaas verstaan worden.
-ocr page 13-
— 12 —
ab eis detinerentur; etiam ipsi suis militibus in mandatis dederant,
ut retorsionis loco, quos possent catholicorum in provincia Lim-
burgensi sacerdotes caperent, quod nominatim de abbatibus Ro-
densi et Vallis Dei decretum fuerat".
Wij zouden talrijke bewijzen hiervan kunnen geven uit de kerk-
registers, die in deze jaren slecht of niet bijgehouden zijn. De
pastoor van Hoensbroek bijv. motiveert in 1636 aldus de gapingen
in zijn register: „Tempore retorsionum multi hinc inde sunt bap-
tizati pro meliori commodo et securitate subditorum, quorum
omnium nomina non sunt in hoc libro".
Zooals wij boven zagen, hadden de Spaansche troepen in Sep-
tember 1634 het beleg van Maastricht opgegeven. Zij waren
nauwelijks uit de omstreken van Maastricht verdwenen, of de
Staatschen namen wederom bezit van Valkenburg. Zij waren nu
voor de tweede maal, maar slechts voor korten tijd, meester van
al de sterkten van de landen van Overmaas. Wij zullen zien, hoe
zii van hunne heerschappij wisten gebruik te maken, „Den 12 Sep-
tember is de ruyterie met een deel voetvolck uyt geweest ende
hebben het huys van Geul geplundert, ende allen het cooren, dat
de huysliedens daer gesalveert hadden, ingebracht, daer in boven\'t
meesten deel van de schoone bomen ir. haren bossche aftgecapt
ende ingebracht, om tot brandt te gebruycken, dat jamer was
sulcke houdt te branden, het hoy, stroy, cooren, al wat sy crygen
cunnen, al verdestrueert (1).
Den 18 Sept. 1634 gebood de Hertog van Bouillon, destijds
gouverneur van Maastricht, aan alle omliggende dorpen al het stroo
en hooi, dat zij hadden, in de stad te brengen, „hebbende daaren-
boven alle huyslieden tenemael berooft, dat sy niet een grain coorens
behalden hebben" (2).
In den loop van het jaar 1635 trachtten de legers des konings
zich wederom meester te maken van de landen van Overmaas.
De stad Limburg werd den 15 October belegerd en den 30 dier
maand stormenderhand ingenomen. Ook Valkenburg, Dalhem en
Herzogenrade gingen kort daarop aan Spanje over, zoodat de
\'1) Iioopreplsters ilor parochie Hoeusbroek.
(2)  Dit huis van Geul was het kiisteol van Ulrlrli, praat Tvan Hoensbroek—Geul, den stad-
houder ilcr Valkenburgsche leenen, die voor al te zeer Spaanschpezind gehouden werd.
(3)  Kroniek van Maastricht (M. S.).
-ocr page 14-
— 13 —
inwoners, in weerwil van de zware inkwartieringen, zich wederom
wat vrijer konden bewegen (1).
De koning was nu weer in het bezit zijner landen en bleef
het tot 1644. Alleen Valkenburg is hem in dien tusschentijd
nog eens afhandig gemaakt: den 8 November 1G3G namelijk trok
de hertog van Bouillon aan het hoofd van 800 man tegen Valken-
burg op, dat zich den llden tegen vrijen aftocht van het garnizoen
overgaf (2). Stad en kasteel werden evenwel in diezelfde maand
November weer heroverd door den markgraaf van Lede, Spaansch
gouverneur der landen van Overmaas. Het Hollandsch garnizoen
trok zich terug naar Maastricht (3).
De koning maakte van het bezit dezer landen gebruik, om in
zijn geldgebrek te voorzien, door verscheidene dorpen tot heerlijk-
heden te verheffen en ze dan aan Spaanschgezinde heeren te ver-
koopen of te verpanden. Het in pand geven van dorpen en heer-
lijkheden was een hulpmidddel, waarop de koningen van Spanje,
als Hertogen van Brabant, meer dan eens bedacht waren geweest.
Dat dit middel in deze tijden nog al graag ter hand genomen
werd, blijkt uit de lijst der heerlijkheden, die in dezen tijd ver-
pand of beleend werden (4). Ofschoon de koning als wettig sou-
verein dezer gewesten volkomen recht hiertoe had, werd door de
Staatschen bij plakkaat van 2(3 Mei 1G43 verboden, goederen of
heerlijkheden van den koning te koopen of in leen te nemen, en
den 17 October van hetzelfde jaar werd verboden leenen te Brussel
te verheffen (5). Het gevolg hiervan was, dat sommige leenbezit-
ters, niet wetende bij wien zij hun leen moesten gaan verheffen,
eenvoudig thuis bleven en het niet verhieven.
Dat de Spaansche regeering in deze tijden ontzaglijke geld-
sommen noodig had, behoeft geen betoog. Voor de üvermasche
inwoners kwam er dit nog bij, dat, al had ook eene partij,
hetzij Spanjaarden, hetzij Hollanders, het land in hare macht, de
andere toch niet ophield hare jaarlijksche bede op te vorderen,
ll) Jos. Haiikts. Geschiedenis van het leenhof en de leenen van Valkenburg, p. BI.
(2) Kron. van Maastricht (M. SJ.
(3; Publleations du Limb. XV, p. 425 eu slanuhen, Marktgraafsehap Hoensbroek, p. 2-27.
(4)  zie hierover Slanoiif.n, Bijdragen tot de Geschied, van Limb., III, i>. 123 en Jos. Haukts,
1,1ste des eugageres des domaincs de I.imuourg et des trois paya d\'Outremeuse (Publlcat. de la
Soc. aren. XXVI, i>. 3(16).
(5)  Groot Plakaalboek I, p. 1435 en 14ü4.
-ocr page 15-
— 14 —
dikwijls nog verzwaard door buitengewone contributies. „Zoo wer-
den de Overmasche landekens", zegt Slanghen terecht, „op eer-
lijke en ook op slinkschc wijze tot den laatsten penning uitgeput.
De ingezetenen behielden ter nauwernood hun leven, zefs de nood-
zakelijke eetwaren waren voor geld niet veil" (1). De landman kon
zijne akkers slechts ten halve inzaaien en de opbrengst zijner vee-
teelt werd hem door roofzieke soldaten ontnomen.
Daarbij kwam, dat de gewone opbrengsten der koninklijke
domeinen — eene belangrijke bron van inkomsten in tijd van vrede —
slechts ten halve of niet konden geheven worden. Wij vinden
hieronder in een „Avertissement" (2) in de rekeningen van Fre-
denk de Randenraedt (3), rentmeester van \'s konings domeinen
in \'t quartier van Valkenburg en Dalhem, o. a. het volgende:
„Alzoo den Rendant verzien is geworden in het jaar 1636 van
dezen ontfanck in eenen tijt, dat de rigoureuse Placcaten van de
Staeten der vereenigde provinciën tegen des conincs officieren
werden ingevoerd beneftens de confusiën, ravagiën ende desolatie
van het lant van Overmaze, waer door de casteden van Valcken-
burg ende Daelhem tot diverse reijsen sijn ingenomen ende geoc-
cupeert geworden, van d\'eene sijde ende d\'andere, soo en heeft
den rendant (4), die noyt in paisibele administratie van sijnen
ontfangk is geweest, noyt vollen ontfanck konnen hebben, noch
de gewoenlijcke gerequireerde documenten tot sijn ontlastinghe."
Tot nu toe waren de Spaanschen in het bezit gebleven der
hoofdsteden der vier landen van Overmaas, behalve in dat der
stad Limburg. In 1644 nam dit bezit evenwel grootendeels een
einde. Het was in den loop van dat jaar, dat de stad en het kas-
teel van Valkenburg andermaal in de macht kwamen der Hollan-
ders. Zij lieten in de maand September het kasteel, de stadspoor-
ten en een deel der muren onbruikbaar maken en omver halen.
Hout, ijzer en leien werden naar Maastricht vervoerd. Blijkens
een brief opgenomen door Slanghen in zijne bijdragen (5) moest
(1)  Zie litj Slanoiien, Bedragen enz. een brief van den heer van Geul, gericht aan den Raad
van staten te \'s Gravenhnge.
(2)  M. S. In ons bezit.
(3)  Krederik de Randenraedt is waarsehyniyk van spaubeek geboortig. H(J was gehuwd met
Isabella Boons. Hunne dochter Catharlna Angellna huwde met Jan, Thomas Baron de Negri.
eene andere dochter huwde met den advokaat Cornells Waterschap.
;4) Frederik de Itandenraedt.
(5) Slanohen, BUdragen tot de Gesch. van Limburg, III. p. 110.
-ocr page 16-
— 15 —
het verarmde land van Valkenburg ook nog de kosten bestrijden,
die de Staatsche soldaten aan het afbreken en verwoesten van zijn
fier en eeuwenoud kasteel hadden besteed. Ook de kasteelen van
Dalhem en Herzogenrade vielen den Staatschen in handen, zoodat
Limburg alleen nog aan den koning bleef (1)
Nu begonnen met de Staatsche krijgslieden ook weer de Staat-
sche ambtenaren, zooals drossaards, stadhouders der leenen, ont-
vangers, predikanten enz. voor den dag te komen. De Spaanschen
verzetten zich hiertegen niet alleen manu militari, maar ook langs
diplomatischen weg. Zij beweerden, dat zoolang Limburg, de
hoofdstad der vier landen, in hunne macht was, men geene ver-
andering mocht brengen in de landen, die van de hoofstad afhin-
gen ; te meer daar de Staatschen zelf, zooals wij reeds zagen, zich
ook niet volkomen meester van het land geacht hadden, voordat
zij de hoofdstad Limburg bezaten. Hierin hadden HH. Mog. de
St. Gen. hetzelfde stelsel gevolgd als in de Meierij van \'s Herto-
genbosch, bewerende, dat door het bezit van den Bosch de geheele
Meierei onder hun gebied was gekomen.
Deze rechtsquestie over het bezit en het beheer der landen van
Overmaas werd eerst in Den Haag zeer hoog opgenomen „maar
de Raad van State", zegt Aitzema, „van meening zijnde, dat de
landen van Overmaas in dezen deele (2) dependeerden van Lim-
burg en met Limburg op- en afgingen, en dat deze zake ten
opzichte van de Meijerije mocht geven prejudicie, zoo is den 17
Juni (1645) geresolveerd en diensvolgens den gouverneur en anderen
aangeschreven, om alles te laten in statu, gelyck het was voor de
reductie en demolitie van Valkenburg, Dalhem en Herzogenrade" (3).
Men zag in Den Haag zeer goed de redeneering der Spaan-
schen in, en om de Meijerij met zekeren schijn van recht te kun-
nen behouden, lieten zij in de landen van Overmaas hetzelfde stelsel
toe. Wij zullen zien hoelang dat duurde.
Middelerwijl had de kerkeraad der Nederlandsche hervormde
kerk te Maastricht aan H. H. Mog. de Staten Gen. geschreven, om,
met het oog op het bezit der sterkten van Valkenburg, Dalhem
\'1) Jaarboekje voor het land van Valkenburg 1871, p. t:>.
(8) n. wat betreft de gewone jurisdictie.
(3) Aitzema. Saken van Staat en Oorlogh in ende omtrent de vereenigde Nederlanden.
\'s uravenhage ann. 16Ö9, Dl. III, p. 4.
-ocr page 17-
— 16 —
en Herzogenrade, de voornaamste plaats van het platte land „in
dewelcke men presumeert, dat men de meeste toehoorders sal
cuunen crygen" te voorzien met predikanten
De Raad van State hierover gehoord zijnde, adviseert, dat de
ijver, die de heeren uit Maastricht toonen te hebben voor de voort-
planting van\'s Heeren woord, zeer prijselijk is, maar dat het wel te
betreuren was, dat men aan hun verzoek niet kon voldoen Dat
in 1033 eerst na de overgave van Limburg, zijnde de hoofdstad
der landen van Overmaas, werd overgegaan tot het aanstellen van
predikanten, en dat men van den anderen kant sedert de verove-
ring van Limburg door de Spaanschen, nooit meer had getracht
„publiekelyck" predikanten in te voeren, aangezien men niet meer
in het bezit was van de hoofdstad des lands. En indien men al over
deze beweegredenen heenstapte, dan zou dit „een crachtigh
argument" zijn tegen de Republiek nopens de Meierij van \'s Her
togenbosch. Daarenboven zag de Raad ook niet in, hoe de predi-
kanten in Valkenburg, Dalhem en Herzogenrade zouden te „main-
teneeren" zijn, aangezien de sterkten waren afgebroken" (1).
Men ziet, dal het antwoord op deze aanvraag in nauw verband
staat met de zienswijze, die H. H. Mog. huldigden ten opzichte
van het beheer der drie landen van Overmaas na de verovering
hunner sterkten in 1G44, namelijk „in statu, gelijck het was voor
de reductie en demolitie van Valkenburg, Dalhem en Herzogen-
rade". De raad van State, de juistheid van de redeneering der
Spaansche regeering erkend hebbende, had bij resolutie van 17 Juni
1(545 verboden nieuwe ambtenaren te plaatsen en nog verdere con-
tributies te vorderen. Dit was gebeurd ondanks het betoog van
den heer van Gent, Hollandsch stadhouder der leenen van Val-
kenburg (2), die in een uitvoerig schrijven trachtte aan te toonen
(1! Algemeen Rijksarchief te Brussel — spaansche secretarie — I.iasse 231.
(•2) Ziehier oen karakterschets van den luier nog dikwijls voorkómenden heer van Gent,
geschreven door den Zweedschen gezant, Appelbom, die hem omstreeks 1050 in den Haag heeft
gekend :
>-M. vim Gent, gentilhomme, veut passer pour Baron ; il est agé de 47 ans, passableinenl
prudent et éloquent, a blen étudlé, surtout 1\'histoire, parle coulamment ie francais, ;i épousé
line demoiselle de la familie de Ripperda, a cinq on six petits enfants, tient equipage et
men.? uu assez gr.\'ind train; est estlmé riche de 200,000 llorins. c\'est 1111 lioimne plein d\'es-
prit et lianli dans ses discours et ses propres opinions. A cau.se do ses enfants il est Hé avec
Ie prince d\'Orange. Auparavant il a éié bien affeclionné a la couroune de Suède, et a celle
de Franco, mais malntenant on Ie croit indifférent a ces puissances, on plutót un pen Incltné
pour Ie Danemark. Il visite souvent la prlncesse doualrière (Amalia van solms) qui est regar-
des comme bien affectionnée a la couroune de Danemark et d\'Espagne. (Vreede, NeUerl.
Diplom. III, 139.)
•
-ocr page 18-
— 17 -
dat Limburg niet het minste recht van superioriteit bezat over de
steden en landen van Valkenburg, Dalhem en Herzogenrade.
Ook de inwoners zelf waren in dezen rechtstrijd niet van het
gevoelen van den heer van Gent. Zij lieten H. H. Mog. door twee
gecommitteerden zeggen, dat, hoewel zich hierin neutraal houdende,
zij in de beschrijving der Staten altijd in eenen adem met Lim-
burg werden genoemd. Daarenboven kon er van een feitelijk in
bezit hebben der drie landen door de Staatschen geen spiake
wezen. De vestingen waren „teenemael geraseert" (1) en de Spaan-
sclien zelf bezaten in het land van Valkenburg nog een versterkt
kamp, Navagne of Elve. Hunne soldaten kwamen daarenboven
dagelijks ook in de andere steden en het verwoeste kasteel van
Dalhem was zelfs weer door hen hersteld en bezet geworden (2).
Wat er ook van zij, men was blijde over het gunstige advies,
gevolgd door de nog meer gunstige resoluties betreflende de lan-
den van Overmaas. Het moest evenwel niet lang duren. Nauwelijks
was den Hollandschen plenipotentiarissen te Munster bekend, dat
over de betwiste landen een statu quo zou worden uitgesproken,
of de Staten Generaal stapten over hunne vroegere resolutie heen,
en bevalen den 15 Januari 1647 de door den Raad van State
verleende schorsing der beden op te hellen en gelastten aan hunne
ambtenaren, om zoo spoedig mogelijk hunne respectieve posten
te gaan bekleeden. Den commandant van Maastricht werd opge
dragen aan de officieren, zoo noodig de „sterke hand te ver-
leenen" (3).
Zoo begonnen de Staatschen al dadelijk met in de betwiste lan-
den, vooral in dat van Valkenburg, nieuwe hoofdambtenaren aan
te stellen of het den bestaanden titularissen lastig te maken.
De luitenant Drossaard van Valkenburg, Wouter van Meer (4),
opvolger van Frederik de Randenraedt, zag zich diengevolge genood-
zaakt de schepenen der hoofdbanken van Valkenburg te doen
vergaderen op het fort Leuth, ter bespreking van verschillende
(1) Kroniek van Maastricht (M. s.)
■,2) Aitzema, Zaken van staat en Oorlogh. Dl. II, l>. 080 en volg.
(3)  Pelerin, Beschrijving van het staatsland van Overmase, p. 1-2.
(4)  Wouter van Meer was van eene vrljheerHike ramilie van Meer, een dorp van dien
naam l>y Tongeren. HU stond bekend als een der getrouwste dienaren des koulngs. Hij was
de zoon van Reinlur van Meer, ontvanger des lands, en van Elisatetli Weustenraedt, dochter
van Matti. Weustenraedt, schollis te Hoensliroek. (Jos. Haiikts, Houthem-St. Gerlach, p. 25).
-ocr page 19-
— 18 —
punten, rakende \'s konings dienst, \'s lands welvaart of het beheer
der Justitie. (1)
Zoozeer de Staatschen de ambtenaren ontsloegen en er van
hunne partij in de plaats stelden, even zoozeer beijverden zich de
Spaanschen, om er hunne bedieningen te handhaven (2). Deze
laatsten hadden hierover den 2 September 1647 een plakkaat uitge-
vaardigd, waarop terstond van de andere zijde een tegenplakkaat
verscheen, waarin o. a. gezegd werd „dat hiermede wel expresse-
lijk werd belast ende bevolen aen de ghestelde officieren van dezen
Staet over de voorschreven\' landen van Valkenburg, Daelhem en
\'s Hertogenrade, heur door \'t voorschreven plakaet niet te laten
afschrikken van heure bedieningen, maer heur daerinne te houden,
ende dezelve te exerceren volgens ende in conformiteyt van heure
respectieve commissien" (3). Dit had tengevolge, dat van Staatsche
zijde in ieder land een drossaard verscheen, een stadhouder der
leenen, met zijne schepenen, leenmannen en andere ambtenaren.
Bij plakkaat van 24 September 1647 werd den ingezetenen ver-
boden naar iemand anders te luisteren, dan naar de Staatsche
officieren op poene van arbitaire straf (4). Dat dit alles gepaard
ging met de noodige dwangmiddelen, behoeft geen betoog. Staaltjes
in overvloed zijn hiervan te vinden in Slanghen\'s Bijdragen, Dl. III.
De Heeren Gedeputeerden van wege de provincie Holland ver-
zetten zich evenwel tegen al deze feitelijkheden. Ondanks dit verzet
zond de Prins van Oranje den Rijngraaf, naderhand gouverneur
van Maastricht met een voldoend aantal paarden en voetvolk, om
te gaan „logheren" in het land van Overmaas, en aldaar te blijven
liggen, totdat de vrede zou geteekend zijn.
De Spanjaarden hadden onder den Prins de Ligne in de omstre-
ken van Namen, in het overkwartier van Gelder en ook langs de
Demer een aanmerkelijk aantal troepen liggen. Deze waren op het
punt om ook in Overmaas te komen „logheren". „Maar sy hebben
(1)   Slanghkn, nydragen tot de Geseh. van Limburg, 111 p. 144 en volg.
(2)  Zoo werd ook uit zyn dienst ontzet de stadhouder der Valkenburgsehe leenen, Gonrad
Ulrieh, baron vnn Hoensbroek-Geul. ZUn eerste optreden in \'s lands dienst dagteekende van
1617, toen hU door de landsstaten van Valkenburg en Herzogenrade en, by afzonderlijke com-
missie, door die van Dalhem, naar Brussel werd afgevaardigd. Deze dertigjarige diensttijd
verhinderde niet, dat hU uit z(jn ambt werd ontzet. (Slanoben, Bijdragen enz. Hl p. 141\',
(3)  Groot Plakaatboek Dl. II p. 1179 en 1180.
(4; Jos. Habets, De leenen van Valkenburg p. 04.
-ocr page 20-
— 19 —
haar te veel laten gelegen syn, om het groote werk van den afzon-
derlycke vrede daer door gheen krak te geven" (1).
Het gevolg van dit alles was eene grenzenlooze verwarring. Ker-
ken en pastorieën werden den eenen dag met pastoors, den volgen-
den dag met predikanten bezet, de ambtenaren waren Roomsch
of Hervormd, naarmate de Hollanders of de Spanjaarden meester
waren (2). Daarenboven werden van de verarmde ingezetenen
voortdurend zware offers geëischt, nu eens van Brussel of Limburg
uit, dan weer uit \'s Gravenhage of Maastricht, soms uit al die
plaatsen te gelijk. Niet alleen beden en subsidiën, maar ook
pachten en renten van achterstallige domeinen werden van de
twee kanten geëischt en onverbiddelijk ingevorderd (;>). Handel
en welvaart gingen bijna te niet en van weerszijden werd het
landvolk uitgeput.
Den G Januari 1648, op Driekoningendag, werd Dalhem, dat,
zooals wij zagen, weer in de handen der Spanjaarden was geraakt,
door den gouverneur der stad Maastricht, den graaf van Solms (4),
met zes stukken geschut en een mortier sterk beschoten, waarop het
Spaansch garnizoen zich in den avond van den volgenden dag overgaf.
Den 17\'len deden de Hollanders het kasteel springen (5). Valkenburg
werd in het begin van 1G48 door hen opgebouwd, en met garnizoen
voorzien. Hunne rechtbanken aldaar en die op het platte land werden
door deze garnizoenen „gemainteneerd". Om meer kracht aan dit
alles bij te zetten, lieten zij het garnizoen van Maastricht van tijd
tot tijd op de dorpen logeeren. Zoo trok den 21 Jan. 1048 de
Rijngraaf Frederik-Magnus, prins van Salm, uit Maastricht met 30
compagnieën ruiterij en 30 compagnieën voetvolk uit de stad „ende
hebben allen daghen op die dorpen gelegen omtrent de stadt ende
hebbent teenemael verdestruert ende van die dorpen, daer het volck
niet gelegen en heeft, hebben den rijngrave syne borse wel ver-
sien, soo dat thj over de 4 tonnen schats ontvangen heeft (6).
De regeering des konings, die nog steeds in het bezit bleef van
(1) Aitzkma, Zaken van Staat en Oorlogh III, p. 241.
(i) Lij/.ai\', Bijdrage lot de Geschiedenis der landen van Overmaas, u. 154.
(3)  Publiuatlous de la Soc. d\'Archéologle du Linib. XV, p. 449.
(4)  Johan-Albei\'t, graaf van Solms tot Hraunsfels, zwager van prins Krederik-Hendrik, over-
leed te Maastricht den r> October 1U4S. Men vergel. Public, etc. duduché de Limb. 111, p. 18,
(5)  Kroniek van Maastricht (M. S.).
(ö) Idem.
2
-ocr page 21-
— 20 —
Limburg, vestigde van haren kant, om hare rechten te doen gel
den, in Febr. 1048 rechtbanken te Leuth, een leengoed van Val-
kenburg, te Elve (Navagne) en te Rimburg (1).
Dit was de toestand, waarin zich de twee partijen bevonden,
toen den 5 Juni binnen Maastricht en door het geheele land de
vrede tusschen den koning van Spanje en de Republiek werd aan-
gekondigd. De hier bedoelde vrede van Munster, die den 30 Jan.
1648 tot stand kwam, bevatte onder art. 3: „Wat aangaat de drie
kwartieren van Overmaze, te weten : Valkenburg, Daalhem en
\'s Hertogenrade, zullen dezelve blijven in den staet, zooals zij
zijn, en in geval van dispuit en controversie, zal deselve verzonden
worden aen de chambre mi-partie om te worden gedecideert" (2).
Wij zullen zien, welke de gevolgen waren van deze bepaling.
(1) l\'llblicalions ilc lu Soc. d\'Aii-hi\'o!. du UmbOIII\'K Dl. XXI |>. •>!."..
,T AiT/.KMA. Zaken van Slaat en Oorloch.
-ocr page 22-
HOOFDSTUK II.
1648 en 1649.
De gevallen van „dispuit en controversie" over het bezit der 3
landen van Overmaas, deden zich spoedig voor. Het uti possidctis
werd van beide zijden op verschillende manieren opgevat.
De Staatschen beweerden, dat zij op het oogenblilc, dat de vrede
geteekcnd werd, meester waren der drie landen, dat de koning er
geen voet gronds meer bezat en zij ze dus krachtens artikel 3 van
den Munsterschen vrede konden behouden (1). Hier dient evenwel
opgemerkt te worden, dat, al hadden de Staatschen even voor het
sluiten van den vrede en juist in het vooruitzicht van dien vrede,
de ontmantelde drie hoofdsteden weer halsoverkop ingenomen en
de vestingwerken hersteld en herhaaldelijk ook het Maastrichtsen
garnizoen op de dorpen doen logeeren, de Spaanschen van hunnen
kant het fort Navagne in het land van Valkenburg nog bezaten, het
fort Leuth, een leengoed van Valkenburg, benevens Rimburg in
het land van Herzogenrade; dat de Spaansche ambtenaren ook
herhaaldelijk excursies in de landen gedaan hadden en daarbij
hunne officieren, de rechtbanken, hoewel met moeite, hadden
weten staande te houden. Wij zien dus, dat de rechtsquestie,
ondanks het betoog van den Prins van Oranje (Willem II), die
met den raad van State in 1G49 in de Staten Gen. beweerde, dat
de landen van Overmaas aan de Staten behoorden en men niet
(1) Ait/.f.ma, Zakpu van Staat en Oorlof III p. 2\'«\'.
-ocr page 23-
— 22 —
„disputabel moest maken \'tgeene klaer was", in werkelijkheid niet
zoo klaar was.
Het voornaamste argument, dat de Spaanjaarden gebruikten, om
hun recht op de drie landen van Overmaas te doen gelden, was
juist datgene, waarop de Hollanders zich ten opzichte van dezelfde
landen beroepen hadden, na de inneming van Limburg in 1032, en
waarop zij zich nog steeds beriepen ten opzichte van de Meierij van
Den Bosch. Reeds in de instructie door de Staten Gen. aan de Pleni-
potentiarissen voor den Munsterschen vrede, den 28 October 1045
gegeven, lezen wij onder art. VIII: „Ende diensvolgens wert wel ende
terecht verstaan, dat de Meijerije van \'s Hertogenbosch, als van
dezelfde stadt dependerende, aen deze zijde behoort ende moet
volgen" (1).
Zooals wij in ons vorig hoofdstuk zagen, was dit ook het geval
geweest met Limburg, na 1632. Nu evenwel dit argument door
de Spanjaarden, die Limburg, de hoofdstad der vier landen, beza-
ten, ten hunnen voordeele werd gebruikt, keerde de kaart om :
de Staatschen wilden van deze redeneering niets meer weten, en
trachtten door allerlei spitsvondigheden te weerleggen, wat zij
vroeger, toen het hun te pas kwam, bij de inneming van de stad
Limburg in 10)32, als zeker hadden aangenomen. Zij trachtten
namelijk te bewijzen, dat Limburg niet de hoofdstad was der vier
landen, dat door de landen van Overmaas alleen Valkenburg, Dal-
hem en Herzogenrade verstaan werd.
In ieder geval, wat er ook van zij, ondanks het uti possidetis
van den Munsterschen vrede, bleef het recht op het bezit der
landen van Overmaas nog altijd onbeslecht. Ook Aitzema bekent,
dat de landen questieus bleven. Ondanks dit alles, stelde de
Voorzitter der St Gen. in het laatst van Febr. 1048 voor, aan
zijne Hoogheid den Prins van Oranje commissie te geven als Gou-
verneur en Kapitein-generaal over de drie landen, met een tracte-
ment van drie duizend gulden (2). Eerst hadden de afgevaardigden
van de provincie Holland zich tegen dit voorstel verzet, maar in
het begin van Maart legden zij er zich bij neer.
Beide partijen beperkten zich niet alleen tot een bloot theore-
tischen rechtstrijd, de feitelijkheden moesten spoedig volgen en
(1) Aitzema, Zaken van Staat en Ooi-log, III, p. 510.
(J) Idem p. 246.
-ocr page 24-
— 23 —
wel het eerst van den kant der Staatschen. Al waren nu deze
landen ook questieus gebleven, dan hadden zich de Staatschen toch
geen feitelijkheden mogen veroorloven, aangezien in artikel 3 van
den vrede was opgenomen dat „in cas van dispute en controver-
sie sal deselve gherenvoyeert worden aan de Chambre-mi-partie,
om me aldaer te worden gedecideert." Deze „cas van dispute en
controversie" bestond wel degelijk. Wat was er nu eenvoudiger
dan, volgens de overeenkomst, terstond une chambre-mi-partie op
te richten en haar de zaak te laten beslissen? Maar dat was \'t niet,
wat de Staatschen wilden.
Wij zullen zien, hoe zij steeds verkozen in troebel water te
visschen. Zij achtten zich daarenboven genoegzaam overtuigd van
hun «recht op de drie landen en handelden er mede, alsof zij er
de wettige souvereinen van waren.
Ook waren zij niet weinig verwonderd, dat de koningvan Spanje
nog na 1648 doorging met het heffen van de beden in de landen,
die, naar zij meenden, hun toebehoorden, ofschoon in al die voor-
afgaande jaren, waarin de landen afwisselend inde handen of van
deze of van gene partij geweest waren, steeds eene dubbele con-
tributie, eene Staatsche en eene Spaansche, was geé\'ischt (1). De
Staatschen waren zelfs zoo verontwaardigd over dat uitschrijven
van beden in „hunne" landen door de tegenpartij, dat de raad
van State adviseerde, dat men met evenveel recht belastingen kon
heffen in het Hertogdom Limburg, dat altijd buiten questie geble-
ken was en den koning toebehoorde. De raad was derhalve van
meening, dat den ontvanger van Ylem behoorde gelast te worden
contributie in het hertogdom Limburg op te eischen, zoolang, tot
dat men van de andere zijde zou ophouden met het heffen van
beden in de drie andere landen, alleen om te bewijzen „dat
men de Souverainiteyt van deser zyde (2) daerover begeerde
te mainteneren". Ondanks het protest van de provincie Holland
werd hiertoe ook werkelijk besloten en Aitzema voegt er heel
ernstig bij dat „dese dinghen daernae tot executie komende, hebben
veel disputen veroorzaekt".
Hoe de Staatschen handelden met de geestelijke goederen in de
„questieuse" landen, blijkt uit het plakkaat van 11 Juni 1G49, waar-
mede de geestelijkheid werd verrast.
(1) Aitzema, Zaken van Staat en Oorlogh III, p. 279.
(*) nl. van de zyde der Staatschen.
-ocr page 25-
— 24 —
Ten gevolge hiervan werd zekere Peit van den Blauwenstein
belast met de ontvangst en het beheer der geestelijke goederen
Hem moesten de origineele fïmdatiebrieven en verdere stukken,
op straf van lijfsdwang, overgelegd worden; ook de pachters van
zulke goederen, indien zij niet eene arbitraire straf wilden be-
loopen, waren verplicht hunne pachtverdragen te toonen en hunne
gehuurde landerijen, tienden enz. op te geven (1).
De dorst naar kerkelijke inkomsten was zoo groot, dat deze Peit
van den Blauwenstein zijne handen zelfs niet kon afhouden van
goederen, die aan het kapittel van St. Servaas toebehoorden. Het
gold namelijk de goederen en de inkomsten van de pastorie van
Berg (bij Valkenburg). Op eene klacht van den Deken en van het
kapittel van St. Servaas aan H. H. Mog. werd de Staatsche ont-
vanger in het ongelijk* gesteld en hem werd bevolen, dat hij den
bezitter zijne goederen zou laten genieten (2).
De opvolger van den ontvanger Blauwenstein, een zekere Adolf
van Padtborch, ging nog verder en nam aanzienlijke renten en
pachten in beslag, toebehoorende aan de huiskapel van het kasteel
Hoensbroek (3).
Deze inkomsten werden grootendeels gebruikt, om de predikan-
ten te bezoldigen. Den 9 Dec. 1048 hadden die der Duitsche en
Waalsche gemeenten te Maastricht weer eene missive gezonden
aan de St. Gen. met verzoek om in de drie hoofdplaatsen der
Overmasche landen predikanten aan te stellen. „Waarop gedcli-
bereert zijnde is goedgevonden ende verstaen, mitsdien te versoec-
ken den raed van State, dat deselve willen adviseeren, waeruyt
dat het tractement van de voornoemde drie op nieuws aan te stel-
len predicanten soude kunnen gevonden worden" (4).
In Maastricht was de verdrukking niet minder groot. Tien dagen
na de afkondiging van den vrede van Munster (10 Juni) besloten
de Staten Gen., dat alle abten, prelaten, papen, monniken en andere
geestelijkheid uit Maastricht en het graafschap Vroenhof moesten
vertrekken. Kloosters, kerken en kapellen werden van beelden en
andere paapsche sieraden ontdaan en zouden gesloten blijven op
(1) Sl.ANGHEN, Bijdragen enz., p. 147 (Ml volg.
(2? Rijksarchief ie Maastricht. Rpsol. van H. II. Mog. 1040—lüttf. Extracten 2de 1)1.
(3)  St.ANtiiiEN, Het Markgraafschaii Hoensbroek, p. Dl.
[4)  Rijksarchief Maastricht. Resolutie van mi. Mog. KöO-ieüt. Extracten 2" Dl.
-ocr page 26-
— 25 —
straf van 1000 gulden (1). „Den 27 Juni hebben die Staten alle
pastoors verdreven van de dorpen, die vroenhoffs zijn, ende heb-
ben predicanten ofte ministers in plaetse gesteld" (2). Die dorpen
waren Wilre, Montenakcn en Heukelom, benevens een gedeelte
van Maastricht zelf.
Sommige onzer hedendaagsche geschiedschrijvers (3) zijn gewoon
dergelijke maatregelen te verontschuldigen met te zeggen, dat de
geest des tijds daar de schuld van droeg en dat men overal zoo
deed. Ons dunkt, dat, indien personen van dezelfde partij steen
en been klagen over de gewelddadigheden hunner eigene ptrtij-
genooten, dit genoeg zegt : In een rapport van 35 artikelen,
gezonden door de gewezen commissarissen-deciseurs van Maas\'richt,
de heeren Bronckhorst en Bicker (4), aan de Staten Gen., gedag-
teekend den 20 Sept. 1648, zegt art. 19: „Ende sullen U Hoogm.
gelieven expresselijkh te belasten aen alle officieren van de landen
van Overmaeze, dat sij haer gesag ende authoriteijt niet verder
extenderen, dan sij mogen te doen. Alsoo wij hebben bevonden
persoonen, sonder forme van procedure, te worden opgehaelt,
gearresteert ende weder ontslagen, selfs in gerechtsbanken van
andere Heeren, dat oock de Ingesetene, onder andere Heeren-
bancken gehoorende, van de Officieren tot exactiën worden geprest,
ende op eene pene, soo de Ingesetene niet weinig beswaerlijck
valt" (5).
Wij verlaten de verscheurde landen van Overmaas voor een
oogenblik om te zien, welk werk de heeren diplomaten intusschen
van de geschillen maken. Wij treffen als bemiddelaar en verte-
genwoordiger van wege de Spaansche regeering te Brussel den
bekenden raadsheer Petrus Stockmans aan, en als gezant van den
koning van Spanje bij de Republiek, sedert 1049, den heer Antoine
Brun. Deze werd den 24 Juni in den Haag met de noodige eer-
bewijzen ontvangen (G").
De heer Stockmans beklaagde zich, dat de Staten verscheidene
O1 Oroot Plakaatboek II p. 23*.
(f) Kroniek van Maastricht (M. SJ
f3) Siirikoar, Bijdrage tot de kennis van don regeeringsvorm vnn Maastricht, |>. 117.
\'V lic Bloker\'s wnren eono machtige Amsterdamsche burgemeesters-familie.
;?>) Algemeen Rijksarchief \'sGravenhnge. i.okotkas 42.
(f>) ArrzEMA lil p. 311. Betrekkelijk den geloofsbrief, dien dn gezant van zenmeester ontving,
zie Attzema nip. 409.
-ocr page 27-
— 26 —
Brabantsche geestelijken, wonende op het gebied van Zijne Majes-
teit, beroofd hadden van hunne tienden en andere goederen, gelegen
in de Meierij van Den Bosch — dat zij het gebied der Meierij te
ver uitstrekten — dat zij dorpen, tot het kwartier van Antwerpen
behoorende, bij het markgraafschap van Bergen-op-Zoom zochten
te voegen — dat de Staatsche ambtenaren in die oorden veel
geweld pleegden, zich alles toeeigenden, wat zij konden machtig
worden en de geestelijkheid met meer strengheid behandelden,
dan in de Republiek zelf (1).
Stockmans voegde er bij, dat dit geenszins strekte om de ruiling
van het overkwartier van Gelderland te bevorderen, vooral omdat
de Staten in de landen van Overmaas handelden, alsof zij hunne
eigene rechters waren, in plaats van de uitspraak der Chambre-
mi-partie af te wachten (2).
Op al deze klachten en op een brief van den aartshertog
Leopold over hetzelfde onderwerp, antwoordden de Staten Gen.
„dat sy in alle \'t geene voorsz. is wel ende te rechte waren bevoecht,
sonder dat syn Hoogheyt (— aartshertog Leopold) ofte yemant
anders ter werelt haer dienaengaende met recht ofte fundament
soude konnen verdencken, ende en konden syne Hoogheyt niet
verbergen, dat de constitutie ende gelegenheyt van desen staet
ende den dienst van deselve niet kon lyden dat daer inne eenighe
de allerminste verandering ofte alteratie werde gedaen ofte
gebracht" (3).
Dit gold evenwel grootendeels de Meierij en de andere Bra-
bantsche generaliteitslanden. In Overmaas schoten de Staatschen
echter dikwijls in hunne maatregelen te kort. Zij hadden er „tot
maintien van \'s lands souvereiniteyt" in de drie hoofdplaatsen als-
mede in de gewone banken van justitie de kerken voor de Her-
vormden toegankelijk gesteld, zij hadden talrijke orders aan hunne
officieren gegeven, en verschillende plakkaten doen uitvoeren „na
ghelegenhijt van den tijdt ende saeken aldaar voorghevallen" en
toch moet Aitzema, zichtbaar geërgerd, bekennen, dat alles van
(Ij (\'out. K. van Hoogstraten, Proeven eer.er Chambre-my-iiartie; Waukxaar. Vaderland-
sche historie, Dl. XII, p i\'> en volg.; Wioquefort, Histolrc des prov. unies, IJvrc II, p, 107
en ION. Kd. vun 1710, en Aitzema, Zullen van slaat eu Oorlogb III, p. \'M4.
(2j Zie Wahenaak, ibld. Over d? zending van stockmans, tzi<.\' Britz, Mémoire sur 1\'uialen
droit Belgcique, p. 800, (Toine XX dos Mémoires couronnés de 1\'acad. roy. des se. de Belg.)
(3) ait/ema in, u. ;sif> 3ü5.
-ocr page 28-
— 27 —
„satanisch effect ende uytslach" misslag was geweest, indien men zich
had voorgesteld, dat de officieren van den koning „opiniastreer-
den" in hunnen eed en hunne ambten in weerwil van alle drei-
gementen, bleven vervullen. Zij bleven zich steeds beroepen op den
inhoud van het vredestractaat, volgens hetwelk alles moest blijven
zooals het was, totdat de Chambre-mi-partie zou hebben beslist.
Aan deze zouden allerlei geschillen over Godsdienst, Landsbeden,
Domeinen en Leenen en „voorts wat de Hoogheijt ende Souver-
eijniteijt van de Landen eenighsints was concernerende" moeten
onderworpen worden. De Spaansche partij hield zich zoo goed
staande in Overmaas, zonder zich te storen aan alle Hollandsche
plakkaten en bedreigingen, dat de raad van State „aengemerckt dese
extremiteyt ende incompatibiliteyt van Proceduyren van wederzijst
officieren, naer ghehoudene communicatie met syne Hoogheyt, haer
devoyr hadde geacht HH. Mog. voor te stellen, of deselve nieten
souden goet vinden te dencken op eenigh ander middel, om de
Souverainiteyt van de voors. 3 Landen van Overmaas in seecker-
heyt te brengen (1).
Ook de gezant van Spanje bij de Staten Generaal, de heer
Antoine Brun, liet niet na om evenals Stockmans zich te bekla-
gen over de groote aanmatiging der Staten in de landen van Over-
maas In een schrijven van 2 Aug. 1G49 zegt hij, dat hij zich
waarschijnlijk naar Frankrijk zal moeten begeven, om tegenwoor-
dig te zijn bij het vredesverdrag tusschen de Fransche en Spaan-
sche kroon misschien eenigen tijd afwezig zal blijven.
Het is met het oog hierop, dat hij H.H. Mog. nogmaals ant-
woord vraagt op het vertoog, dat hij den 13 Juli van dit jaar tot
hen gericht heeft betreffende verschillende punten, waarin de
Staten tegen den vrede gehandeld hadden en waarin tot nog toe
niet de minste verbetering gebracht was. „Et cependant" zoo
zegt de gezant, „la confusion et les plaintes croissent touiours de
plus en plus pour la continuation des voyes de fait et spoliation,
dont 1\'on use contre les anciens possesseurs, que Pon privé non
seulement du revenu de leurs fonds, mais encore de leurs biens
mobiliaires, comme il a été pratiqué depuis peu a Pendroit des
religieux du couvent de Huybergen." Dit had plaats gehad op het
(1) Aitzema, Zaken van Staet en Oorlogh, III, y. 35a.
-ocr page 29-
— 28 —
grondgebied van den koning van Spanje. Al was er nu oneenigheid
over de grenslinie, dan was het toch niet geoorloofd, zoo zegt de
gezant, met zulke ruwe maatregelen te werk te gaan, maar wel
door deputaties van beide kanten, zooals iedereen in dit geval zou
handelen, en zooals het overigens in den vrede van Munster is
voorgeschreven. Hij hoopt, dat zulke proceduren, in strijd met de
eer van de Republiek, zullen ophouden, daden, „contraires non
seulement audit traite de Paix, mais a toute sorte de droits, qui
ne pcrmettent pas, que 1\'on oste mesmé d\'abord les aliments a
des anciens possessurs et de bonne foy, ny que les parties se
fassent justice d\'elles mesme et beaucoup moins qu\'un souverain
exerce aucun acte de iurisdiction a 1\'endroit d\'un autre" (1).
Na het vertrek van den Heer Antoine Brun kwam de raadsheer
Straetmans, gedeputeerde van den aartshertog Léopold, in Decem-
ber van dit jaar 1H40, weer met nieuwe klachten voor den dag
Wij zullen ons hier beperken tot degene, die uitsluitend betrek-
king hebben op de landen van Overmaas. Hij drong nogmaals
ernstig aan op de oprichting van de Chambre-mi-partie „om aldaer
alle quaestiën over de non-executie van het tractaet, alsook de
contraventiën van dien \'t examineren ende daer op te disponeren
ende uvt te spreecken" (2). Dit was, zeide hij, in overeenkomst
met den vrede van Munster en wel bijzonderlijk met het 21ste
artikel van den vrede.
H. H. Mog. trachtten echter steeds de oprichting der tweeledige
Kamer, zooals ze Wagenaar noemt, te vertragen. Zij wilden liever
de punten, waar men oneens over was, langs diplomatischen weg
met den gezant afmaken Dit kwam hun waarschijnlijk voordeeliger
voor, aangezien de Staatsche diplomatie in dezen tijd zeer bekwaam
was en de Spaansche niet tegen haar was opgewassen.
Ofschoon de Spaansche gezant, Antoine Brun, doorging voor „een
homme subtil et sage, courtois et éloquent" (3), moeten wij toch
in aanmerking nemen, dat hij vroeger procureur-generaal bij een
provinciaal gerechtshof geweest zijnde, als vreemdeling moeielijk
(]) Algemeen Rtlksarchief te Brussel. — Spaansche Secrelnrle, IJnsse ->li. »Mémoire présenté
par M\' l\'Ambassudenr d\'Espagne nux Mats oénér. a l;i Haye touehant sou départ pour Bru-
xellcs aitx Iraités <lc Paix, el Ie convent de Huybergen. (2 Ang. 1649).
(T Aitzeha, Zaken van Staat en Oorlogh III, |). X>3.
(31 Uit eene schets van den zweedschen commissaris Appelbom, omstreeks 1650 geschreven
(Vreede, Inleiding tot de geschiedenis .lpr Nederi. diplomatie, 1)1. II, p. 136).
-ocr page 30-
— 29 —
de ware bedoelingen van het Hof van Madrid kon weten en er
evenmin het volle vertrouwen van kon genieten (1). Ook zullen
wij naderhand zien, dat hij door een Spanjaard werd opgevolgd.
De Staatsche diplomaten en gezanten, al hadden zij in dezen tijd
niet zooveel gewicht meer in de Europeesche weegschaal te leg-
gen, waren „als Balancemaekers van de conquesten en glorie van
alle Princcn en Koningen" gevreesd en ontzien (2).
In ieder geval zijn de Hollanders steeds tegen de oprichting
der Chambre-mi-partie geweest, terwijl de Spaanschen er op aan-
drongen. Stockmans zegt met betrekking hierop aan de Staten
Gen. „dat alzoo de voltreckinghe van dezelve Chambre nu was
dcpenderende van H. H. Mog. hij niet redelijck vondt, dezelve
dilayeerendc, ondertusschen in alles zijn zelven te rechten bij fey-
telijcke aenslaginghe van hetgene dagelijcx voorviel" (3); dat
bijv. in de drie kwartieren van Overmaas, de Staten verschillende
resoluties hadden genomen, vol allerlei nieuwigheden; — dit was in
strijd, zeide hij, met het derde artikel van den vrede, -—dat daaren-
boven het iccht van bezit van Zijne Majesteit op de landen van
Overmaas „in \'t gesichte van de geheele werelt\' tot nog toe was
blijven doorgaan, en dat gedurende den vrede door feitelijkheden
niet mag veranderd worden wat van te voren bestond.
Hij dringt er derhalve op aan, dat de toestand in die landen
worde gelaten, zooals hij er was, en dat de geschillen, die hierover
gerezen zijn aan de tweeledige kamer worden overgelaten Daar
hij evenwel voorziet, dat het nog wel een tijdje kan aanloopen
vooraleer die kamer wordt opgericht — zooals werkelijk is ge-
beurd — zoo stelt hij voor te beramen „eenighe provisionele mid-
delen tot conservatie van dezelve landen, sonder prejuditie van
de gerechtigheyt, ten wederzeyden gepretenteert," en dit vooral
met het oog op de „verdruckinghe der arme ondersaten" (4).
De heer Stokmans schijnt niet veel voldoening gehad te
hebben van zijne klachten, want in Januari van het volgend jaar
verliet hij reeds de Republiek „genoeg met miscontentement" (5).
De onrust in de landen van Overmaas ging intusschen nog altijd
(1; WirQUEKORT, L.ambassadeur el sos fonetions, II, p. i.
(2)  Brieven van de Wit, IV 818: Hriet van Juhan lioreei uit Kngeland, 7 Sept. 1ÜC8.
(3)  Aitscma, Zaken van staat en Oorlogh III p. 3.">3.
(4)    ld. p. 354.
5) ld. p. 379.
-ocr page 31-
— 30 -
voort- Retorsies en contre-retorsies volgden de eenc op de andere.
Hier dient evenwel gezegd te worden, dat wat deze buitensporig-
heden betreft, de provincie Holland zich steeds zeer moderaat
betoonde. Wij moeten de oorzaak hiervan zoeken in de Hollandsche
politiek van dien tijd. Van alle provinciën had Holland den
grootsten afkeer van den oorlog; zij had er overigens ook de
grootste lasten van te dragen. Zij was zeer ijverzuchtig op
de voortdurende overwinningen van Frankrijk, waar zij meer
voor beducht was, dan voor het verwijderde Spanje (1).
Klachten, zooals hierboven vermeld, kwamen evenwel niet alleen
van Spaanschen kant, ook de Staatschen hadden verschillende
beschuldigingen tegen de andere partij in te brengen. Zij klaagden
dat Spanje tollen op de Maas hief en het daardoor den koop-
handel belemmerde, in strijd met art. 12 van den Vrede.
Hier dient met lof vermeld te worden, dat de Republiek
in het algemeen meer bezorgd was voor de vrijheid van den han-
del dan Spanje, dat in al die tollen, licenten en andere belemme-
ringen eene rijke bron van inkomsten zag. „Bi) resolutie van 31
Mei werden de ingezetenen der stad Maastricht, mitsgaders alle
andere met dezelve trafiquerende ontlast van de betaling van
licenten van goederen, waren en koopmanschappen, die uit de
naburige en andere landen binnen Maastricht werden gebracht en
opgelegd, mits zij van daar weer naar andere neutrale steden en
plaatsen gevoerd werden" (2).
Kort daarop werd niettemin in Maastricht weer zeker veilgeld
geheven en in Overmaas het licentgeld, uit hoofde van den
Engelschen oorlog, waardoor de handel weer werd gestremd (3).
Den 4 Dec. 1694 verzoekende Hoogschouten, Burgemeester, Sche-
penen en raad der stad Maastricht HH. Mog. om zoo spoedig
mogelijk te willen disponeren op de afschaffing der Licenten, die
van wegen dezen staat in de Landen van Overmaas worden gehe-
ven en gevorderd van alle uit- en doorgaande goederen en koop-\'
manschappen, zelfs op het eigen gewas van een ieder. Hierop
gedelibereerd zijnde, is goedgevonden en verstaan, dat copie van
(1)  Wicquefort, 1\'Ainbassadeur el ses foiicüons, L. II Seutlon XII. l>es Traites de Munster et
d\'Osnatrück, 2\' Parlie p. 320.
(2)  Pelerin, Beschaving van het StaaHand van Overmaas y. 39.
(3; tiroot Plakaatboek, Dl. I, p. iUO.
-ocr page 32-
— 31 —
voornoemde missive gezonden zou worden aan het College der
admiraliteit te Rotterdam, met verzoek om binnen acht dagen na
ontvangst hierover hun advies te willen geven (1). Het is slechts
na de oplossing der twistvragen over de verdeeling der drie Lan-
den, dat de Staten Gen. hunne aandacht voor goed vestigden op
den kwijnenden toestand van het handelsverkeer in deze streken (2).
De grootste grief, die de Staten hadden was het aanrukken van
de benden van den hertog van Lotharingen en het bezetten en
plunderen van eenige grensplaatsen, die evenwel Duitsch of Luiksch
waren. Toen schreeuwden de Staten luid over miskenning vanden
vrede, over verdrukking van het land, over het rooven en branden
der vijandelijke troepen (3). De Lotharingers stonden onder aan-
voering van den Prins van Salm. Aartshertog Leopold zond naar
HH. Mog. een zekeren Rousselot de Herival, zijn raadsheer, om
uitlegging te geven. Deze beweerde, dat de Hertog de Staten
geenszins zocht schade te doen, maar dat hij slechts zijne troepen
wilde logeeren in plaatsen, die van het Duitsche Rijk waren (4).
Ook de Spaansche gezant had het over deze zaak, die de Slaten
zeer hoog hadden opgenomen, sterk te verantwoorden. In een
schrijven aan H. H. Mog. van 18 Dec. 1G49 „pour les ascurer que
les Lorrains ne feront aucun dommage aux terres de eet Estat
(Republiek) et demander des députés pourconférer sur ce subject\'
zegt hij den 15 van deze maand vernomen te hebben, dat de
Lotharingers de grenzen der republiek naderden, om er te komen
logeeren. Hij had toen terstond geschreven aan den Hertog van
Lotharingen en den graaf de Peneranda, om te verhinderen, dat
deze legerbenden iets zouden doen „qui put tant soit peu donner
de mécontentement ny outrage a LL. Seigneuries" (5). Uit deze
missive blijkt verder dat deze Lotharingers niet meer als Spaan-
sche troepen konden beschouwd worden, aangezien zij zich sedert
den laatsten veldtocht heelemaal van \'skonings troepen hadden
afgescheiden (6).
Den 24 Dec. van ditzelfde jaar vinden wij weer een schrijven
(1)  Rijksarchief te Maastricht. Resoluties. — Extracten.
(2)  Zie hierover Luzac, De landen van Overmaas, p. 117 en 1 In.
(3; Jos. Haukts, Geschiedenis van hel bisdom Roermond, II p. 181.
(4)  Ait/.kma, Zaken van Slaat en Oorlogh. III p. 390.
(5)  nl. H. n. Mog. de staten Generaal.
(6)  Koninklijk Archief te Brussel. Spaansche Secretarie. I.iasse 223.
-ocr page 33-
— 32 —
van den gezant over hetzelfde punt. De Lotharingers waren tot
grooten schrik en ergernis der Staten in het land van Ravenstcin
gevallen. De gezant beweerde evenals vroeger, dat de plunderingen
en gewelddadigheden der Lotharingers niet op rekening van den
koning moesten gebracht worden, aangezien het zijne troepen niet
waren en zij overigens slechts vertoefden op Duitsch en Luiksch
grondgebied. Indien zij aan de Staatsche inwoners schade hadden
gedaan, was hij bereid dien te vergoeden Wij zullen zien, hoe de
Lotharingers later in Overmaas aankomen en er niet weinig ver-
warring en schrik veroorzaken (1).
Laten wij, voor dat wij ons Hoofdstuk eindigen, nog een blik
werpen op den administratieven toestand van de questieuse lan-
den. In het land van Valkenburg ontmoeten wij op dit tijdstip
een geschil over het recht van de beschrijving der Staten.
Wij moeten niet vergeten, dat er, om zoo te zeggen, in ieder
land twee besturen waren, twee soorten van ambtenaren, Spaan-
schr; en Staatsche.
HH. Mog. hadden in het land van Valkenburg de volgende
hoofdolHcieren : de baron van Gent, stadhouder en voogd; Hans
Willem van Till, drossaard; de licenciaat Johan Pesters, luite-
nant-stadhouder en voogd; Rutger van Ylem, ontvanger, Martijn
de Quaede, griffier.
Van Spaanschen kant waren het: de graaf van Grobbendonk,
baron van Wezemael, opvolger van den graaf van Wilz, als gou-
verneur en kapitein-generaal van Overmaas; de baron van Hoens-
broek-Geul, stadhouder en voogd; Wolter van Meer, luitenant-
drossaard, tevens belast, sedert het ontslag van Peter Boviers, met
den post van ontvanger; Lambert Soons, griffier (2).
De landen van Overmaas hadden onder de regeering van de
vorsten uit het Bourgondische en Oostcnrijksche huis steeds een
bijzonderen gouverneur gehad. De Spanjaarden hebben steeds dit
ambt in stand gehouden. Ook de Staten Gen. schijnen het oor-
spronkelijk te hebben willen behouden, want kort na de eerste
verovering dezer landen in 1632 gaven zij last tot het ophalen van
eene gewone bede van 72000 gld. en eene buitengewone van 30000
(1) Mem Liasse 214.
(8) Publlcatlons de la Soc. Archéolog. du Umbourg, XV p. 487.
-ocr page 34-
— 33 —
gld., de hoofdofficieren „hebbende alsnoch de provisionele admi-
nistratie" en „bij manquemcnt van een gouverneur" (1).
De gouverneur — de Spaansche en de Hollandsche, ieder in zijn
gebied — stond aan het hoofd van het bestuur. Hij beschreef\' de
algemeene Staten en had het bewind van elk land in \'t bijzonder (2).
Den 23 April 1033 werd prins Frederik Hendrik benoemd tot
gouverneur-generaal der landen van Overmaas. Eenige maanden
later werd hij aangeschreven, om order te stellen op het bijeen-
roepen der landsstaten (3).
Onmiddelijk na de inneming van Valkenburg, stelden de Hol-
landers een stadhouder der leenen aan in den persoon van Hans
Willem van Till, kapitein in het Staatsch leger. Een jaar later
kreeg hij ook nog den titel van Drossaard. Als zoodanig moest
hij Frederik de Randenraedt, luitenant-drossaard van Valkenburg,
vervangen, die de Spaansche zaak al te zeer was toegedaan.
Van Till, ofschoon op dat oogenblik stadhouder, beweerde, dat
alleen den Prins van Oranje, als gouverneur en kapitein-generaal
dezer landen, het recht toekwam, om de Valkenburgsche stenden
bijeen te roepen, en niet den stadhouder der leenen (4).
Van Till mocht van zijn stadhouderschap niet lang genot heb-
ben, want de heer van Geul, Conrad-Ulrich van Hoensbroek,
kwam tegen hem in verzet. Deze had dit ambt „cum titulo oneroso"
steeds erfelijk bezeten. De Staten Gen. zagen het onrecht, den
heer van Geul aangedaan, in, kwamen in Juli 1G33 op hun besluit
terug, en beloofden hem het pandschap gedurende zijn leven te
laten genieten (5). De belofte werd evenwel niet gehouden. Pelerin
zegt, dat hem reeds in 1047 was aangeschreven, om zich met de
waarneming van zijn ambt niet meer te bemoeien (0). Wij vinden
hem nochtans in 1049 nog in Staatschen dienst. Dat jaar hadden
de Staten gen. echter het voornemen opgevat om — in weerwil
van hunne belofte — zijne goederen aan te slaan en hem uit zijne
betrekking van voogd en stadhouder te zetten. Hij heeft zich, zooals
wij zullen zien, nog langen tijd hiertegen verzet, maar te vergeefs (7).
(1) Resolutie van de bt. Oen. i\'J Jan. lt>33.
(8) Sciilakgkn, liet Murkgraahjchap Hoensbroek, i>. 288.
(3) Resolutie der Stat. Gen., 11 Oct. WSi.
;4) Publicat. de la Soc. d\'Archéol. du Limbourg, XV, p. 404.
5) Idem p. 480.
(0) Annales de la Soe. de Maestrieht, 1. u. 61.
7) Jos. Haiif.ts, De leenen van Valkenburg o. 71.
-ocr page 35-
— 34 —
De Valkenburgsche landdagen werden uitgeschreven door de
Hoofdofficieren en de vergaderingen werden onder hun voorzitter-
schap gehouden.
Over dit recht van convocatie en van voorzitterschap was er
een geschil ontstaan tusschen den Baron van Gent, den nieuwbak-
ken stadhouder en voogd , ter vervanging van Ulrich van Hoens-
broek, en den Drossaard van Till (1). Het was niet de eerste
keer, dat van Till zich had willen meester maken van een recht,
dat hem niet toekwam (2). Dit geschil nu tusschen, deze twee
Staatsche ambtenaren werd bij de H. H. Mog. aangebracht, die
den 21 Febr. 1049 lieten weten, dat van Till mag „continueren in
de convocatie ende beschrijvinghe van de Staten ende Leden van
het landt van Daelhem\'\', een recht, dat hem, naar het schijnt, ook
betwist werd, ofschoon het hem als drossaard van het land van
Dalhem ten volle toekwam. Immers in de landen van Dalhem en
Herzogenrade was maar één Hoofdofficier, de Drost. Hij ver-
eenigdc in zijn persoon zoowel het civiele als het crimineele,
beschreef de stenden en presideerde hunne vergaderingen (3).
In datzelfde schrijven van de Stat. Gener. vorderen H.H. Mog.
van de heeren van Till en van Gent, om schriftelijk „verbael in
te brengen en te rescriberen binnen den tijd van 3 weecken" (4).
Het toen ingestuurde „verbael" van den heer van Till „raekende
ditlérentiale pointen wegens de convocatie van de Staten van den
landen van Overmaes" begint met te zeggen, dat de stadhouder
der leenen (van Gent) zich verzet heeft tegen het recht van con-
vocatie der landstaten, dat van Till als drossaard van het land
meent te hebben.
Van Till zegt verder, dat de qualiteit van stadhouder en voogd
slechts het recht geeft, om „op voorige nominatie" schepenen aan
te stellen; dat het stadhouderschap der leenen per se en sui natura
niets meer noch iets anders in zich heeft, dan kennis te nemen
van het behoorlijk verheffen der leenen; dat het voogdambt niet
veel meer is dan een schoutambt en slechts het recht geeft sche-
[1)  Pelkrin, ReschrQving van het staatsland van Overmaas p. 54.
(2)  Zie hierover Si.anhukn\'s Bijdragen lil p. loo eu volg. en Slanohbn : Markgraafschau
Hoensbroek p. -22S.
[3)  Janecon, De Republiek der Ver. Nederl. Dl. III p. 420-430 en I.uzac, De landen van
Overmaas p. 105,
(4)  Algemeen Rijksarchief, \'s Gravenhage. — Loketkas 34.
-ocr page 36-
— 35 —
penen aan te stellen. Maar het drossaardambt „is van allen ouden
tijden, ende in alle landen, steden en graefschappen, baronniën en
heerlichheden een ambt representerende den souverain, ofte wel
den opperheer van de plaetse, daerover den drossaerd is gesteld."
Wie kan nu, zegt van Till, beter en waardiger den souverein of
opperheer vertegenwoordigen, dan degene, die op die plaats na
hem de eerste is, namelijk hij zelf, van Till (1)?
Onze brave drost is evenwel ver van de waarheid in zijn betoog.
De voogd is de eerste officier van het land van Valkenburg. Inge-
volge zijne commissie is hij in het algemeen gehouden de rechten,
hooglieden en domeinen van den Souverein binnen Valkenburg te
bewaren, leenmannen, schepenen en andere rechters te manen, en
ieder, die het van hem begeert, in zaken te zijner kennis behoo-
rende, goed recht en justitie te doen. (2) Hij was de vertegen-
woordiger van den heer des Lands in de gerechten der vier
hoofdbanken en beval er de schepenen recht te spreken en zorgde
voor de uitvoering der vonnissen (3).
De tweede hoofd-officier in het land van Valkenburg is de Dros-
saard. Hij is de crimineele officier in de banken en dorpen, die
geene particuliere heerlijkheden zijn, en in die hoedanigheid heeft
hij de vervolging van alle misdaden en vergrijpen, die tot de
crimineele justitie behooren.
De Drossaard heeft niets te zeggen over de particuliere politie
en de finantieele huishouding der banken. In zijne commissie is
hem in het algemeen aanbevolen de conservatie der rechten,
hoogheid en heerlijkheid van den Souverein (4). Hij stond ook
in betrekking tot het leenhof. Hij was ambtshalve verplicht, om
gelijk de stadhouder, de nalatige leenverhellers te vervolgen en
tot verheffing te dwingen (5).
Pelerin zegt, dat de drost met den voogd \'s Landsstaten bijeen-
roept en de heer Luzac in zijne „Landen van Overmaas", zegt
het hem na (6). Dit was nu wel het geval in het Staatsche land
(1) Algemeen Rijksarchief \'s Gravenhage. — Lokctkas 34.
(2; Pelerin, Beschrijving van hot Staatsland van Overmaas p. 59. Adrinau Pelerin is de
laatste luitenant-voogd van Valkenburg geweest (1775-1794,.
(3)  Jos. Haiiets, Geschiedenis van het Leenhof en de loenen van Valkenburg p. 51.
(4)  Pelerin, Beschrijving van liet staatsland van Overmaas, p. 61.
(5)  Jos. Haiiets, Geschiedenis van het leenhof en de leeuen van Valkenburg, p. :i9.
6) PELERIN, Peschrljv, enz., p. 61, en Luzac. Gesch. enz., p. 105
3
-ocr page 37-
— 36 —
van Valkenburg en dat nog slechts ten gevolge van eene overeen-
komst, door de kuiperijen van van Till tot stand gekomen. In
de andere landen, waar de Drost de eenige hoofdofficier was,
bestond dit ook; maar de Spaansche drost had nooit die bevoegd-
heid gehad. In het land van Valkenburg geschiedde de beschrijving
door tusschenkomst van den stadhouder en voogd, die het recht
beweerde te hebben de Staten van dit land, zonder iemands voor-
kennis, te kunnen beschrijven, wanneer en zoo dikwijls als de
omstandigheden het vorderden (1).
Tot staving onzer woorden vonden wij eene missive van de
commissarissen der ridderschap van Valkenburg, Adriaan, baron
van Hoensbroek, en Stellen van Eynatten, door dezen en door
den griffier Soons onderteekend en gericht aan de H. Mog. H.
Staten Gen. (1649). Hierin staat „dat de drossarten dezes lants,
noyt noch immermeer voor desen macht ofte authoriteyt hebben
gehadt, beschrevingen oft ordonnantiën van ridderschap des voors.
lants te plegen, veel min dat sij in die qualiteyt hebben vermogen
eenige repartitiën oft omslagen van bede, contributiën ofte ander-
sints over den voors. lande te doen oft bij te woonen" (2).
Ook in eene memorie van 1634 van graaf Ulrich van Hoens-
broek-Geul, stadhouder, die zich ook dat recht betwist zag, eerst
door van Till en later door de heeren Walraf van Schellart en
Stephen van Eynatten vinden wij hieromtrent: „In het land van
Valkenburch hebben die Raedsheeren ofte Gouverneurs geschreven
aen den Stadhouder der leenen ende voogd, om te beschrijven
die ridderschop ende banken, maekende den staet des lants Val-
kenborch. — Tot Daelhem en \'s Hertogenrade hebben sij geschre-
ven gehadt, om die beschryvinghe te doen aen de Drossaerts der
voorschreven landen, diewelcke alsdan beschreven hebben die gees-
telycke, ridderschappe ende bancken, maekende den Staet dezer
twee landen" (3).
Dat de convocatie van \'s landsstaten naar oude gewoonte moest
geschieden door den Stadhouder, bij uitsluiting van anderen, blijkt
ook nog uit de omstandigheid, dat de stadhouders het altijd zoo
gedaan hebben, zooals overigens Ulrich van Hoensbroek aan de
(1 slanuhen, Hel Mark graafschap Hoensbroek, p. 228.
(2)  Algemeen Rijksarchief te \'s (jravenhage. — Lokelkas \'M.
(3)  Publications de la Soc, d\'Archéol. du Umb. XV, p. 413—315,
-ocr page 38-
— 37 —
Staten schrijft; verder hieruit, dat Ulrich van Hoensbroek dat ambt
bezit bij titel van pandschap, gedurende zijn geheel leven, zonder
dat het pand mocht gelost worden (1).
De verbalen van de heeren van Till en van Gent, berustende in
het Rijksarchief te \'s Gravenhage, zijn niet zonder belang. Eene
resolutie van 14 Juni 1649 geeft te kennen, dat de stukken van de
beide heeren in handen zijn gesteld van de HH. Linteloo, Loo
en anderen „om te visiteren, ende daervan rapport te doen" (2).
De Staten Gen. hadden wel den 11 Juni van dit jaar reeds een
besluit genomen ten gunste van den baron van Gent, doch dit had
slechts betrekking op de repartities en omslagen der beden. (Zie
Bijlage n° 1.)
De twist over het recht van convocatie bleef nog langen tijd
duren, totdat eindelijk tusschen den stadhouder en den drossaard
een vergelijk tot stand kwam, dat in October 1655 door de Staten
der Vereenigde Provinciën werd goedgekeurd. Volgens deze over-
eenkomst moest de gewone en ook de buitengewone beschrijving
uitgevaardigd en geteekend worden door den Stadhouder en den
Drossaard met dien verstande, dat deze het laatst, gene het eerst
teekende. In dezelfde orde namen zij ook zitting in de vergade-
ring. Ook zouden beide Hoofdofficieren elkander de te behandelen
punten mededeelen en geen hunner zou een lid van den Staat,
hetzij ridderschap, hetzij hoofdbanken beschrijven, zonder de inwil-
liging van den andere.
Na den dood van den Baron van Gent werd Jonker Hans van
Till met het drossaard- en stadhoudersambt tegelijk bekleed, zoo-
dat hij toen de Landsstaten alleen kon beschrijven, een recht dat
ook voor zijne opvolgers is blijven doorgaan (3).
,1) Idem.
lï; Algemeen Rijksarchief, \'s Gravenhage. - Lokelkas 34.
(3) Pklerin, Geschiedenis van het Staalsland van Overmaas p. 39. Voor de overeenkomst
tusschen den Heer baron van Gent, stadhouder dor leenen en voogd, en den heer Hans,
Willem van Till, Drossaard, zie Pelerin. Bijlage n* ü; zie; ook Slanuhen, Hel Marktgraaf-
schap Hoensbroek p. 228.
-ocr page 39-
HOOFDSTUK III.
1650.
Zooals wij in ons vorig Hoofdstuk zagen, werden sedert 1048
van den kant van Spanje de klachten over overtredingen van den
vrede van Munster hoe langer hoe dringender en menigvuldiger.
Den 13 Jan. 1(550 bevond zich de Spaansche gezant Antoine
Brun weer in de vergadering der Staten Generaal. Hij had het
ditmaal over vier punten van overtreding. Het eerste betrof het
gevangen nemen van geestelijken, die de grenzen over wilden bij
Sas van Gent Dit was tegen het 2de art. van den vrede van Munster.
Het tweede punt betrof de landen van Overmaas. Daar waren
\\
                    de feitelijkheden eerder toe- dan afgenomen door toedoen der offi-
cieren van HH. Mog.; vroegere eigenaars hadden hunne bezittin-
gen verloren, het onderhoud der gevangenen was buitengewoon
hoog geschat, zaken, die aan de tweeledige Kamer hadden moeten
onderworpen worden, waren door de Staatsche officieren afge-
daan zonder kennis van zaken; retorsies waren uitgevoerd ge-
worden niet alleen in de drie landen van Overmaas, maar ook
in het hertogdom Limburg, dat zonder twijfel aan den koning
behoorde. Wat overigens die drie landen betreft, „ils ne sont pas
compris entre les places et lieux dont ce Haut et puissant Etat
(Republiek) doit demeurer saisi et iouir effectivemeut, mais au
contraire sont-ils exclus et séparés de telles possessions en termes
bien clairs et spécihques" (1,).
\'1) Koninklijk Archief te Brussel. — spaansche secretarie. I.iasse iiü.
-ocr page 40-
— 39 —
Het derde punt handelt over de chambre-mi-partie, wier oprich-
ting het 21stl! art. van den vrede van Munster breedvoerig beschrijft.
De gezant verwijt de Staten Gen. hun voortdurend uitstellen en
zegt. dat men juist hiermede had moeten beginnen „pour Ie bien
et Ie soulagement de toutes parties".
Op de vierde plaats spreekt de gezant over eene miskenning van
art. 43 van den vrede. Hierin was namelijk bepaald, dat de ker-
kelijke goederen, gelegen in de Republiek, maar afhangende van
kerken, beneficies of colleges, gelegen op het grondgebied van den
koning, zouden teruggegeven worden. Dit artikel was niet alleen
voor de Staten Gen. eene doode letter gebleven, maar er waren
veel daden gepleegd regelrecht in strijd met dit artikel, zooals
bijv. ten opzichte van tienden, behoorende aan de Hooge school
van Leuven, aan de abdij van Tongerloo en andere (1).
De Staten antwoordden op hunne beurt hierop met klachten
tegen de Spaansche regeering. Het onderscheid was gewoonlijk,
dat de Hollanders of niet of zeer laat antwoord gaven op de
vertoogen van den Spaanschen gezant en meestal toch hun gang
gingen, alsof er niets gebeurd was.
Van den anderen kant zien wij de Spaanschen zich beijveren,
om zooveel mogelijk eiken steen des aanstoots uit den weg te
ruimen. Zoo hadden H. H. Mog. zich bij den gezant beklaagd, dat
zekere baron van Böhmer, slotheer van Rimburg, in het land van
Herzogenrade, met zijne troepen aanmerkelijke schade aanrichtte
in de naburige bosschen. In eene memorie van den gezant aan de
Staten Gen. van 21 Maart 1650, zien wij dat de gezant hierin door
den aartshertog Leopold heeft laten voorzien, en hij ook zelf hier-
over aan von Böhmer geschreven had (2).
Ook hadden H. H. Mog. van hem gevorderd, dat hij behoorde
te zorgen voor de teruggave van de goederen of van de waarde
daarvan aan Henry Clungers, een staatsch onderdaan, die door de
Lotharingers was beroofd geworden. De gezant antwoordt, dat
ook hierin voldaan is geworden. Verder zegt de gezant van de
Staten een ontwerp voor de instelling van de chambre-my-partie
(1; Koninklijk Archief te Brussel—Spaansche secretarie l.easse tiO.
(-2) \\v\\j vonden werkelijk een order door Leopold Willem Aartshertog van oostenrijk.
gouverneur der Nederlanden, aan baron de Böhmers, om de bosschen niet meer te plunderen,
gedagteekend 11 Maart 1650 (Koninkl. Archief te lirussel-spaansche secretarie Liasse 202J.
-ocr page 41-
— 40 -
ontvangen te hebben. Hij keurt dit ontwerp in hoofdzaak goed,
hij zou nochtans enkele wijzigingen van mindere beteekenis willen
aangebracht zien. Hij hoopt evenwel, dat dit de oprichting niet
zal vertragen (1).
Wij vinden onder de contraventiën van de Spaanschen tegen
den vrede ook het verzoek tot afschaffing van- den tol te Navagne,
aan de Maas. Dit was, zeiden de Staten, tegen den duidelijken
tekst van het 9de en 12de artikel van den Vrede „dicterende, dat
den koning van Spangien, noch Haer H. Mog. buyten haer res-
pectieve Limiten ghein lasten te Landen ofte Water mochten
opstellen noch ontfangen" (2).
Intusschen was men in de drie questieuze landen nog steeds met
feitelijkheden doorgegaan. Beide partijen trachtten hun recht op
het bezit dier landen staande te houden, hetzij door bezettingen,
inkwartieringen of executies, hetzij door plakkaten. Zoo verscheen
er den 2.3 Maart 1G50 een plakkaat van de Spaansche regeering
„ordonneerende en bevelende bij dezen de Leenen binnen veertien
daghen, naer de publicatie dezer, te komen verheffen, metter ydeler
handt, ten respecte van Leenen daer van vooralsnoch geen verhef-
fek en ronde verschenen zijn, ende met gevulde handt, ten res-
pecte van Leenen daervan de verheffer souden moghen verschenen
zijn, ende dienvolgende betalende de rechten daertoe staende, op
pene van die selve hunne Leenen ipso facto te verbeuren" (3).
Dit betrof, zooals wij in ons vorig Hoofdstuk zagen, de leenen,
wier verheffing beide partijen elkander betwistten. Over de buiten-
gewone lasten, die de Staten, Generaal terstond na den vrede van
Munster hadden geheven en steeds bleven verhoogen, zegt het-
zelfde plakkaat, dat het verboden is „aan alle onse ondersaeten ende
inncgezetenen der voorsz onze drije landen, van wat staet, condi-
tie ofte qualiteyt dieselve oock souden moghen wesen, soodanighe
onbehooalycke impositiën ende omstellinghen naer te komen, oft
deselve te betaelen in eenigher manieren, op pene van hiervoor
gestraft te worden als overtreders onzer ordonnantiën, ende sun-
derlinghe soo verbieden wij aen de Staten derselve drye Landen
daerover eenighe repartitiën omme te stellen, op pene van daerover
il! Koninklijk Archief ie Brussel. — suaansche Secretarie. Liasse -214.
;-2) Ait/.kma, Zaken van staat en Oorlogh III u. 473.
3 Koninklijk Atvh\'ef Ie Brussel. — Spaansche secretarie. — Liasse -233.
-ocr page 42-
— 41 —
ghestraft te worden als maineedige personen ende overtreders van
onse Princelycke bevelen (1).
De Staten Generaal lieten zich echter niet op de teenen trap-
pen en de raad van Brabant te \'s Gravenhage vaardigde in Novem-
ber een plakkaat uit „teghen het middel van contradictie ende appe-
latie aen andere Bancken ofte Leenemannen als aen haere Hooft-
stadt" (2).
Dit had, zooals wij reeds hebben opgemerkt, eene grenzenlooze
verwarring in het verheffen der leenen ten gevolge. In het algemeen
gingen de meeste edellieden zooals vroeger bij den Spaanschen
stadhouder hunne leenen verheffen. De Staatsche ambtenaren von-
den hierin aanleiding om die goederen in beslag te nemen.
Als een staaltje hiervan diene het volgende:
De markies de Tasignies te Brussel beklaagt zich bij den gezant
van Spanje over zekeren Pesters, wonende te Maastricht. In zijne
hoedanigheid van luitenant-stadhouder van wege de Stat. Gen.
wilde deze den markies twee tienden, die hij te Oensel, in het
land van Valkenburg, bezat, doen verheffen bij de Staten, ofschoon
hij ze sedert acht of negen jaar bij den koning verheven had. Bij
de weigering van den markies had Pesters de hand op diens goe-
deren gelegd en ze tot de zijne gemaakt, „ce qui est contre toute
raison", zegt de markies, „puisque par Ie traite de paix la dispute
pour Ie pays de Fauquemont est remise a la Chambre mi-partie
et que, pendant ce, rien ne devrait être innové" (3). Eene andere
reden, waarom hij zich niet aan de bevelen van Pesters gestoord
had, was, dat van Meer, ontvanger voor den koning, hem verbo-
den had, zijne leenen te verheffen bij de Staten. Bij gevolg ver-
zocht hij den gezant, om hem in die zaak bij te staan en voor te
spreken, aangezien in ieder geval de vasal geene verheffing behoeft
te doen, zoolang de souvereinen elkander het recht van verheffing
betwisten.
Wat ons het levendigst den inwendigen toestand van de lan-
den van Overmaas in dezen tijd schildert, zijn de particuliere
brieven van enkele personen. Wij laten er hier eenen volgen van
fl) Koninklijk archief te Brussel, spaansche Secretarie. Llasse 233.
(2\' Aitrma, Zaken van Staat en Oorloch. III, p. 4S9.
(3) Koninklijk archief te Brussel. — Spaansche Secretarie. Llasse 233. Brief van den Markies
de Trasijjnies aan den gezant Briin, gedagteekend nlt Brussel den 27 Maart 1650,
-ocr page 43-
— 42 —
Adriaan, baron van Hoensbroek, die werkelijk het lezen waard is.
Deze Adriaan van Hoensbroek werd in 1631 met de helft der
heerlijkheid Hoensbroek beleend. Hij was in 1006 student aan de
Leuvensche Hoogeschool en erfde later van zijn oom Arnold
van Boedberghe de Haagsche goederen bij Geldern, benevens
het erfmaarschalkambt van Gelderland. Hij was het ook, die om-
streeks het jaar 1644 het tegenwoordige kasteel Hoensbroek op-
bouwde. Wij zien hem als commissaris der Ridderschap dikwijls
in \'s lands aangelegenheden voorkomen (1). Den 4den Mei 1650
schrijft hij van het fort Navagne uit aan den Spaanschen gezant,
met wien hij op vertrouwelijken voet scheen te staan: „Samedy
qui vient et lequel sera Ie 14 de ce mois toute la noblesse est
appelée par un certain Pesters (qui est Lieutenant du Lieutenant
des fiefs, scavoir Ie baron van Gent) dans la ville de Faucquemont
pour y choisir un greffier de 1\'Estat qui soit de la religion (2)
et tout a fait dependant de leurs volontés. Le meme veuillent-ils
faire des commissaires de ce pays qui sont tousiours estez choisis-
parmi la Noblesse, et ont eu toutte direction, dans touttes les
affaires qui se sont presentées dedans 1\'Estat. Enfin tout cela ne
tend qu\'a un bouleversement général, nous ne souhaitons qu\'un
prompt establissement d\'une chambre-my-partie ou quelque autre
remede que Dieu voudra apporter a un desordre si sensible et
important Apparement ne parroistra personne (a la convocation)
et il semble qu\'il n\'y sera apporté pour remede qu\'une protes-
tation contre toutes les nouveautés. Considérez, je vous prie, a
quoi nous sommes reduits. Cv-devant on n\'a donné entree dans
noz estats qu\'a une Noblesse cognue pour te\'le, adhéritée et pos-
sessionnée de noble-tenants dedans ledit pays, dont on a choisi
aussy les officiers, en suite du privilege de Brabant, dont nous
avons touiours fait un membre, comme chacun scait. Asteur un
Pesters, d\'un bourgeois de Maestricht qui a esté faiseur de
cordes, et a oublié celle que son fils a merite par ses inouies et
violentcs exactions, et qui n\'a un pied de terre icy, et peut-ètre
ailleurs fort peu de chose, nous gouverne a la baguette et tranche
tout d\'un Souverain. Enfin ils ne s\'étudient qu\'a nous serrer la
bourse et a nous coupper le chemin et 1\'avenue des moiens avec
i\'l) sr.ANdKN, Hei mui\'kgruafsrhap Hoensbroek, p. 157.
(2) Van don hervormden godsdienst.
-ocr page 44-
— 43 —
lesquels nous nous pourrions deffendre. Le temps nous dira ce
qu\'en arrivera et nous attendrons avec patience les succes ulté-
rieurs et ce que Dieu parsadivine providence y voudra déterminer.
Voicy une nouvelle sorte de vexation. Ils ont trouvé une inven-
tion d\'entretenir ou de donner retraite dedans la ville de Maes-
tricht a des soldats de la France, lesquels troussent et font prison-
niers tous ceulx qui en ce pays se sont faict soldat a Navagne et
se sont laissé engager dedans le service de Sa Majesté, pour le
pouvoir faire plus librement par les officiers y residens de sa part.
Voila bien une paix plastrée. Et laquelle met plusieurs de nous
autres en de plus grandes peines, que nous ne sommes pas esté
auparavant, et mème osté la communication des Provinces obcis-
santes, avec plusieurs autres, comme vous pouvez aisément consi-
dérer. O Dieu! comment crieraient ces Messieurs, si le Roy, par
des inventions semblables, lesquelles seraient peut-estre fort facilles
a estre trouvées, ou dedans une ville de Limbourg, ou autre de la
Meuse (leur suscitant quelque ennemi qui n\'aurait rien a craindre
ny a perdre d\'eux (1), troublait de la facon le repos de leurs
subjet^; une querelle d\'allemand serait bientost faicte, si la dispo-
sition le permettait. Ils crieraient au meurtre. Nous sommes des
brebis, ils sont des loups. Ils nous manguent, et moy je demeure
votre tres humble etc. (2).
Wij zagen in het begin van den brief, dat den 14 Mei de
geheele adel door zekeren Pesters, luitenant-stadhouder van den
baron van Gent, stadhouder, was opgeroepen tot het kiezen van
een staatschen griffier. Van deze vergadering was te Valkenburg
weinig terecht gekomen. Twee hollandsche ambtenaren, de ge-
naamde Pesters en de Drost van Till, hadden er twist gekregen
en zich dien ten gevolge tal van scheldwoorden naar het hoofd
geslingerd. Men vreesde zelfs, dat zij handgemeen zouden worden.
Er was overigens van den adel niemand opgekomen. Slechts twee
of drie hervormde schepenen waren aanwezig. Pesters had wel is
waar eenen griffier benoemd, maar — volgens het oordeel van
Baron van Hoensbroek — zou hij moeite hebben om hem in het
bezit van dat ambt te handhaven, aangezien hij evenmin het recht
(IJ WaarsrhQuiUk eeue zinspeling op do Lotharingen.
[i] Konmknik Archief te Brussel—spoansche secretarie, Liasse 159 en 231,
-ocr page 45-
— 44 —
had om hem te benoemen als dat van den adel bijeen te roepen (1).
Over dat niet-opkomen van den adel en van de meeste schepenen
ontstond er eene briefwisseling tusschen gemelden heer Pesters
en Johan van der Stock, scholtis van Geleen, te dezen gecommit-
teerd door de heeren Daniel van Hoensbroek en Stephan van
Eynatten, commissarissen des lands van Valkenburg (2).
Het jaar te voren hadden de Staatschen veel leven gemaakt
over de bezetting van eenige Rijkslanden door Lotharingsche troe-
pen, die zij voor Spaansche hielden. Iets dergelijks had dit jaar
plaats van den kant der Spaanschen over Fransche troepen, die
door het garnizoen van Maastricht vrijgelaten en zelfs gesteund
werden in het plunderen en berooven der Spaanschgezinde bewo-
ners van Overmaas. Wij vinden hierover in een brief van Baron
de Lamboy aan den Spaanschen gezant, van 1 Maart 1650 het
volgende : „Je crois que vous scavez que quelques uns, se disant
francois, se retirent dans les trous aux sablons de Maestricht, et
que bien souvent ils se trouvent dans la ville mème (selon cc
qu\'on m\'écrit de la) supportés par ceux, qui y ont du pouvoir
d\'ou ilz incommodent extrêmement lesgentils-hommes et sujets du
Roy au Pais de Limbourg et ailleurs, dont aucuns s\'étonnent qu\'a
Navagne et autres places du Roy on ne leur fait autrement la
guerre, et que d\'ailleurs 1\'Archiducq en fait faire plainte a MrS
les Est. Gén. du support que les ennemis recoivent a Maestricht
contre Ie traite entre Ie Roy et Mrs les Est. gén" (3).
Het was waarschijnlijk tengevolge van deze missive, dat de
gezant zich de zaak meer bijzonder aantrok en in eene redevoe-
ring, die hij in de Stat. Gen. bij zijne terugkomst uit Brussel den
11 Mei 1G50 hield, er in uitdrukkelijke termen op neerkwam. Hij
nam de Staten vooral kwalijk, dat al deze strooperijen — in Lim-
burg bedroeg de schade meer dan 300 000 gulden — gebeurden
onder de bescherming van het garnizoen van Maastricht. Hij hoopt
dat de Staten spoedig zullen voorzien in een „abus si peu tolléra-
ble de part er d\'autre". Spanje zou van zijn kant, zegt de gezant,
nooit dulden, dat door zijn toedoen zulk een schade geleden werd
1) Koninklijk Archief te Brussel. — Spaansche secretarie. — Llasse 159. Hrief van Baron
van Hoensbroek aan den Gezant, gedatrteekend Navagne den 19 Mei 1(550.
(2)  Slanghen, Bijdragen lot de Gesch. van Limburg p. 154.
(3)  Koninklijk Archief te Brussel. — Spaansche Secretarie. Llasse 332, (fetltuleerd «Pièces
envoyées a l\'ambassadeur Brun a La Haye de K548--1650.
-ocr page 46-
— 45 —
door de Republiek „dont nous désirons Ie bien et Pavantage, tant
s\'en faut que nous en voulussions attirer les incommodités".
Behalve deze Franschen kwamen ook de Lotharingers nu het
kwartier van Overmaas afloopen en plunderen, zoodat meerge-
noemde Adriaan van Hoensbroek terecht in een zijner brieven
(9 Oct. 1650) uitroept „Quando Deus his quoque dabit finem ! (1)"
„Les Lorrains," zegt hij verder, „continuant a ranconner tout ce
quartier, les francais commencent a declarer tout ces pays de
bonne prise, jusqu\'a tant qu\'on ne leur contribuera, ou qu\'on ne
payera plus aucune ayde ou autre chose au Roy. Les dits Fran-
cais voltigent avec grosses parties a 1\'entour de Maeseyck et
Stockhem. Le temps nous rendra sages de ce qu\'en arriverat et
je demeure etc."
Op de herhaalde klachten van den gezant over de invallen der
Franschen, kwam eindelijk als antwoord van de zijde der Staten,
dat zij de zaak in overweging zouden nemen en er rapport over
zouden vragen aan den Rijngraaf, garnizoenscommandant van
Maastricht (2). Zij gingen dus bij medeplichtigen vragen wat de
anderen misdaan hadden.
Na nogmaals, maar weer vruchteloos, den 11 Juni 1650 eene
memorie aan de Staten Gen. over inbreuken op den vrede in de landen
van Overmaas te hebben ingeleverd (zie bijlage n" 2) besloot de
gezant meer doeltreffende maatregelen te nemen. Om tot eenig ver-
gelijk (accommodement) te komen stelde hij voor, om bij wijze van
Interim en in afwachting, dat de hoofdzaak betreffende den eigendom
zou afgehandeld zijn, de volgende preliminaire artikelen voor:
1° Dat men van weerszijden zich te onthouden zou hebben van
alle retorsies en executies, om zoodoende de reeds lang gekwelde
bewoners rust te gunnen.
2° De onderdanen zullen zoowel in het algemeen als in het bijzon-
der in het genot blijven van hunne goederen, gebruiken, vrijheden
en voorrechten, op denzelfden voet als vroeger, met name de
geestelijkheid, de adel en de landsstaten.
3° Dat voorloopig bedoelde onderdanen hunne gewone beden
zouden te betalen hebben, en wel eene helft aan hare Cathol.
Majesteit, de andere aan de Staten Gen.
:l) Koninklijk Archief te Brussel—Spaansche Secretarie. Masse 150.
(2) Aitzema, Zaken van Staat en Oorloah III p. 473.
-ocr page 47-
— 46 —
4° Dezelfde verdeeling zou plaats hebben met de domeinen.
5° De justitie zou uitgeoefend worden, een maand door de offi-
cieren van HH. Mog., een andere maand door die van den Koning,
ofwel van twee op twee maanden.
6° Dat de processen voor een officier begonnen, voor denzelfden
moesten ten einde gebracht worden.
7° Hetzelfde zou plaats hebben met betrekking tot het leenhof.
S° Dat de loopende tractementen der hoogere officieren in gelijke
helften zouden verdeeld worden en dat de leenverheffing van de
twee kanten zou gebeuren, door aan iedere partij de helft der
rechten te betalen.
0° Dat de wisselvallige of onvaste tractementen aan de officie-
ren zouden toekomen, die maandelijks aan het bestuur zouden zijn.
10° Dat op de goederen der kerk eene som van 2400 gulden
jaarlijks zou geheven worden; eene som, die de Staten zouden
kunnen besteden aan Protestantische predikanten, die zij in de
drie landen zouden willen aanstellen (1).
Dit voorstel, dat ons zeer billijk voorkomt, schijnt door de pro-
vincie Holland, die graag zoo spoedig mogelijk een einde aan dien
Overmaasschen twist had gezien, tamelijk gunstig te zijn opgeno-
men. Voor de andere provincies integendeel werd het water, dat
zij tot nu toe steeds hadden weten troebel te houden, volgens hun
zin te helder. Zij verklaarden er zich tegen.
Om de beweegredenen hiervan en vooral om de aanleiding tot
het schrijven van een brief van HH. Mog. aan de Heeren Staten
der provincie Holland beter te doein inzien, dienen wij een oog te
werpen op den toestand der partijen in de Republiek der Veree-
nigde Nederlanden.
Wij vinden er in dezen tijd twee machtige partijen tegen over
elkander staan : de Staatsgezinden, wier centrum de provincie
Holland was, en de stadhoudersgezinden, de partij namelijk van
den jongen stadhouder Willem II met zijn aanhang. Beiden
streefden er naar om zooveel mogelijk invloed op \'s lands zaken
uit te oefenen. De Staatsgezinden trachtten den vrede te behou-
den, de Stadhouders gezinden vormden de oorlogspartij.
Nog voor het sluiten van den Munsterschen vrede had de pro-
(1) Koninklijk archief lc Brussel, Suaansche Secretarie. — I.iasse 127.
-ocr page 48-
— 47 —
vincie Holland den Prins, die tegen iederen vrede met Spanje
was, in zijne plannen gedwarsboomd. De Staatsgezinde partij be-
greep zeer goed, dat de voortduring van den oorlog de macht
van den Stadhouder zou vergrooten, iets wat de stedelijke aristo-
cratie volstrekt niet wenschelijk voorkwam en waarin velen den
ondergang van de „vrijheid dezer landen" zagen.
De Nederlandsche Staatkunde in den loop der jaren 1648—lGi">U
staat in zeer nauw verband met die van Frankrijk en Engeland,
die toen door partijschappen en burgeroorlogen verscheurd wer-
den. De Prins van Oranje en de Staatsgezinden werden, of door
geestverwantschap, of door eigenbelang, ieder tot eene verschillende
partij aangetrokken.
Frankrijks minister Mazarin had gaarne in de zeven Provinciën
den stadhouder met meer macht bekleed gezien, mits hij een
werktuig bleef van de Fransche staatkunde. De stedelijke regenten
van de provincie Holland zagen in dien Franschen autocraat hun-
nen natuurlijken vijand. Zij waren mannen van den aanzienlijken
burgerstand en leden van machtige gilden. Zij stelden zich der-
halve te weer tegen het stelsel van wilkeurige belastingen, van
vorstelijk absolutisme en van overwicht van den militairen stand.
Na den vrede van Munster verwachtten de Fransche staatslieden
van Willem II, dat zoo ooit Holland gemeene zaak met Spanje
wilde maken, hij dit zou verijdelen. Mazarin wilde zelfs de ver-
eenigde provinciën, terwille van Frankrijks vergrootingspolitiek,
in een nieuwen oorlog tegen Spanje wikkelen. Hiertoe rekende
hij op den stadhouder en op de gezindheid der oorlogspartij. De
staatsgezinden wilden evenwel van geen oorlog weten, omdat Hol-
lands handel er door benadeeld werd, omdat men in Frankrijk
een gevaarlijken nabuur begon te zien en omdat de oorlog de macht
des Stadhouders, de vrede daarentegen de macht der Staten bevor-
derlijk zou wezen.
Tegenover Engeland trok de Stadhouder partij voor Karel I,
zijn schoonvader, de Staatsgezinden voor het Parlement.
Wij zien dus, dat in het algemeen Hollands wachtwoord rust
en vrede was. De Staten Generaal hadden gedurende den tachtig-
jarigen oorlog een leger op de been gehouden, dat op den duur
ver de krachten der Republiek te boven ging. De schuldenlast
der zeven provinciën was ontzaglijk toegenomen. Hij bedroeg
-ocr page 49-
— 48 —
meer dan 140 millioen, daarenboven 30 millioen vlottende schuld.
De provincie Holland moest meer dan de helft in de lasten dragen,
en daarbii kwam nog, dat de kleine provinciën herhaaldelijk achter-
stallig bleven in het opbrengen van hun aandeel of telkens uit-
vluchten zochten om niet te betalen. Ook is het niet te verwon-
deren, dat de provincie Holland, vooral met het oog op den
handel, er steeds op uit was om alle hangende geschillen uit den
weg te ruimen.
Met betrekking op het Overmaasche geschil had deze provincie
zich dan ook steeds zeer vredelievend betoond en slechts met
weerzin ingrijpende maatregelen willen nemen. Zij keurde de
retorsies en feitelijkheden, die er op last van zijne Hoogheid den
Prins van Oranje genomen werden, meestal af.
Met het oog op dit voorstel nu van den gezant, Antoine Brun,
om een voorloopig vergelijk (accommodement) te treffen in de
landen van Overmaas, vreesden de Staten Gen. dat de Staten van
Holland maar al te geneigd zouden zijn het aan te nemen. Daarom
besloten zij de Heeren van Holland eens recht het geheugen op te
frisschen en hun het recht, dat de Republiek op de landen van
Overmaas bezat, duidelijk aan te toonen. Wij laten dit kapitale
schrijven onder Bijlage n° 3 volgen.
Het is waarschijnlijk, dat de Hollandsche Staten zich door dit
stuk, ofschoon verscheidene onjuistheden bevattend, hebben laten
misleiden en het voorstel van den gezant hebben afgeslagen (1).
Wij moeten evenwel den ommekeer in de Hollandsche opinie ten
opzichte van Overmaas niet uitsluitend aan de schoonklinkende
woorden en uitleggingen van dit stuk toeschrijven. Hij staat in
verband met de vermeerdering van den invloed der oorlogspartij
in de Republiek. De prins van Oranje had in zijne zucht naar
militarisme en absolutisme aan de tegenpartij juist in dezen tijd
een gevoeligen slag toegebracht. Wij bedoelen hier de gevangen-
zetting van de zes Hollandsche raadsheeren op Loevestein en den
aanslag op Amsterdam. Het gevolg hiervan was, dat Holland zich
bij de meerderheid der Staten Generaal aansloot.
De triomf der Stadhouderspartij moest evenwel niet van langen
duur wezen. Het doel van den Stadhouder om ter wille van zijne
\'1) Vergel. dit. stuk met hetgeen \\vy hierover «ezegd hebben in het begin van Hoofdst. II.
-ocr page 50-
— 49 —
dynastieke belangen de Republiek in eenen nieuwen oorlog te
wikkelen, was genoeg bekend. Zijn plannen werden vooral gewan-
trouwd door hen, die tegen eene uitbreiding van het stadhouderlijk
gezag waren. Men vermoedde, dat hij naar de souvereiniteit streefde.
Intusschen was het de Fransche regeering- er om te doen,
de Republiek in den oorlog mede te sleepen, welken het nog altijd
tegen Spanje voerde, ten einde den Munsterschen vrede ongedaan
te maken. De Fransche gezant d\'Estrades ontwierp met Willem II
een verdrag, dat het volgend jaar 1651 in werking zou treden.
Willem II zou Spanje den oorlog verklaren en met 14000 man
Antwerpen belegeren. Hij zou met den koning van Frankrijk aan
Karel Stuart, zoon van Karel I, hulp verleenen om den Engelschen
troon te herwinnen. Was Antwerpen genomen, dan zou de koning
den prins als erfelijk eigenaar van het markgraafschap Antwerpen
erkennen. Daarna zouden zij gezamenlijk Brussel en Henegouwen
aanvallen. Voor het overige zou men zich houden aan het verdee-
lingstractaat van 1G35.
De staatkundige toestand in de tweede helft van dit jaar 1650
was dan ook zoo, dat men lichtelijk tot een oorlog met Spanje
had kunnen geraken. In de Staten Generaal werd voorgesteld,
aan de Spaansche regeering ronduit te kennen te geven, dat men
den prins van Oranje aangaande zijne particuliere belangen be-
hoorde te voldoen, zoo niet dan zou men retorsies gaan uitoefe-
nen op de goederen der Prelaten, die voor die voldoening waren
borg gebleven (?)
Een ander voorstel was, dat de Republiek zich als scheidsrechter
zou aanbieden tusschen Frankrijk en Spanje en dat, indien Spanje
weigerde, men van nu af ronduit zou verklaren, dat men in
geval van oorlog zich met Frankrijk zou verbinden.
Maar de Hollandsche remmachine aan den stadhouderlijken oor-
logswagen deed zich wederom gevoelen. Men stelde zich op voor-
stel der provincie Holland tevreden met den gezant over het eerste
punt „eene ernstighe vermaningh sonder dreygement" te doen. Wat
het tweede punt betreft, hieromtrent werd den gezant Boreel last
gegeven om den koning van Spanje de mediatie der Republiek
aan te bieden, zonder meer. Zij werd door het Spaansche hof
afgewezen, omdat de Paus zich reeds sedert 1637 met die ge-
-ocr page 51-
— 50 —
schillen had bemoeid en tot scheidsrechter was toegelaten met de
Republiek van Venetië (1).
Al was nü de invloed der provincie Holland nog altijd geldend,
zooals wij zagen, de oorlogspartij behield toch zichtbaar de overhand.
Het was alsof men \'een onweer voelde naderen. Ook in
Overmaas werd men dit alles gewaar en men koesterde er de hoop,
dat misschien door een oorlog de Overmasche knoop zou
worden doorgehakt. „Une eendre douteuse", schrijft Adriaan van
van Hoensbroek, „comme un feu, qui pourrait bien un de ces jours
s\'allumer plus fort que jamais. Et ainsi mon opinion est de froisser
tant qu\'on peut nos affaires et qu\'il vault mieux de souffrir encore
quelque convulsion, pour grande qu\'elle pourrait estre, plustot que
de se laisser perdre pour jamais (2).
Deze crisis werd opgelost door den onverwachten dood van
Willem II. De 2öjarige prins werd op zijn jachtslot te Dieren
aangetast door de pokken; in den Haag teruggekeerd, stierf hij
aldaar den 6 November KióO. De dood van den stadhouder kwam,
én aan eene politieke partij in de republiek én aan Spanje zoo zeer
te stade, dat er van misdaad gemompeld werd. Er bestaat evenwel
niet de minste grond om zulks te vermoeden (;5).
„Cette perte du prince", schrijft Hoensbroek aan den gezant,
„portera un grand changement dans la Respublique et ne vous puis
bonnement dire ou bien oser tier au papier cc que Ie Pays d\'Ou-
tremeuse en doit esperer" (4).
Het zijn waarschijnlijk deze veranderingen veroorzaakt door den
dood van den prins, die den Spaanschen gezant, Antoinc Brun,
noopten om op reces te gaan bij den aartshertog Leopold te Brussel.
Hij kondigt dit in eene memorie van 2 November 1(550 aan de
Staten Generaal aan. Hij belooft evenwel niet lang te zullen weg-
blijven, aangezien hem er veel aan gelegen is, zoo zegt hij, om de
conferenties over de nog hangende geschillen ten einde te brengen (5).
De overwinning der Staatsgezinde partij in Holland door den
,1) Aitzema, Zaken van siaal en Oorlogh UI p. 474.
[t] Koninklijk Archief Ie Brussel. — Spuansche secretarie. — Uiisse 159: brief van A. van
Hoensbroek aan Men gezant. gedatfteekeu i uil Roermond den 2l> September 1050.
(3)  Vergel. Bilderdijk, Geschiedenis des vaderlands, Dl. IX.
(4)  Koninklijk Archief te Brussel, Spaansche secrelarie. I.iasse 159. Brief uit Haa^r Gelden»;
van 21 Nov. 1650.
(5)   Koninklijk Archief ie Brussel-Suaansche Secretarie. I.iasse 214.
-ocr page 52-
— 51 —
dood van den Prins van Oranje, werkte niet ongunstig in
Overmaas. Wij zagen hoc vroeger de provincie Holland slechts
met moeite de voorgestelde punten van Interim van den Spaanschen
gezant had verworpen. Nu doen de Staten zelf voorstellen tot
een Interim; maar dit gebeurde, naar het scheen, buiten den gezant
om, want wij vonden in de correspondentie van Hoensbroek eene
geruststelling hieromtrent: „On continue" zoo schrijft hij, „a nous
faire des propositions pour 1\'Interim, tant de la part de Cutem-
borg que d\'Erpicum; nous y faisons la sourde oreille, parceque
nous scavons bien que cette affaire doibt nécessairement passer par
les mains de son Excellence." Verder zegt hij: „Je m\'imagine que
Pon sera plus sage, et veux croire que les Etats de Hollande,
venant a gagner Ie dessus, on commencera aussi a tiler plus doux
.par delii" (1).
De schrijver bedroog zich echter in zijne verwachtingen, ten
minste zeker wat de gebeurtenissen van dit jaar in Overmaas
betrof. De Staatschen gingen er met hunne gewone gewelddadigheden
te werk. De kleinere ambtenaren stoorden zich niet erg aan de
wisselvalligheden der hoogere politiek, en gingen door met de
exploitatie der aan hunne zorg toevertrouwde gewesten. Wij zullen
onder de talrijke baldadigheden, die zij pleegden, slechts een feit
aanhalen.
De reeds besproken Padburg, rentmeester der Staten over de
geestelijke goederen, voerde, bijgestaan door eene afdecling ruiters
uit Heerlen, gevankelijk weg zekeren Hendrik Schepers, na hem
aan den staart van een paard gebonden te hebben. Niettegenstaande
Schepers op het kasteel van Navagne in militairen dienst des konings
was, werd hij naar Maastricht gevoerd. Daar werd hij zonder
voedsel of drank in eene enge gevangenis opgesloten, ja, hij werd
zelfs met de galg bedreigd. Om hem niet van honger te laten
omkomen, moest van Meer, de ontvanger van\'s konings domeinen,
hem het noodige onderhoud verschaffen, wat hem op eene uitgave
van 400 gulden te staan kwam, eene som, die hij aan Padburg
daarvoor had uitbetaald. Deze was daar evenwel niet mede tevreden
en eischte meer. Dit alles was gebeurd, omdat genoemde Schepers,
in gezelschap van Jacob Speckers te Heerlen, in het land van
(1) Idem. Liasse 159. Briet van baron van Htvnsbroelv aan den gezant van Spanje in
cljferschritt.
1
-ocr page 53-
— 52 —
Valkenburg, de tienden hadden laten „versamelen ende gadeslaen",
tienden, die den Persoon van Heerlen toekwamen
Padburg was daarna het geheele land met ruiters doorgetrokken,
om overal de geestelijke tienden te verpachten. Hij liet ze dan
schuren en uitdorschen, en trok er alle voordeden van aan zich,
zoodat de geestelijken zich zonder levensmiddelen bevonden. Dit
was des te erger, wijl de geestelijkheid in dezen tijd zelden
andere middelen om te leven bezat, en de tienden om zoo te
zeggen hunne hoofdinkomsten waren. Padburg dwong daaren-
boven de rentmeesters der geestelijke goederen tot betaling, bin-
nen drie dagen, op straf van militaire executie. Hij vorderde
daarbij twee schellingen voor elke sommatie en eenen patacon
voor de executie.
Zoo iets kon de Spaansche regeering, die zeer gevoelig was,
wanneer het gold de geestelijkheid, niet langer dulden. Van
Meer, bevel gekregen hebbende om door alle mogelijke middelen
het inkomen der geestelijke goederen te handhaven, liet Padburg
door eene afdeeling van het garnizoen van Navagne op een zijner
dienstreizen nazetten en nam hem, na eene vervolging van drie
dagen, gevangen en zette hem op het kasteel Navagne „om den-
zelven van zoodanige onbehoorlijke wegen van proceduren te doen
ophouden" (1).
De gevangenneming van zoo\'n ambtenaar veroorzaakte altijd een
luid geschreeuw in het kamp der Staatschen. Ook had van Meer
zich hierop verwacht en om den Spaanschen gezant bij eene derge-
lijke interpellatie in de Staten Gen. niet met den mond vol tan-
den te laten staan, schreef hij Zijne Excellentie de ware toedracht
van eene daad „die door alle onderdanen \'s landts genoegsaem sal
geprobeert worden" (2).
En waarlijk een der meest rechtschapen inwoners van Overmaas,
de reeds meer genoemde baron Adriaan van Hoensbroek, schrijft
in een zijner brieven uit Hoensbroek (18 Dec. 1G50) hierover aan
den gezant: „Vendredi passé ceux de Navagne ont amené Ie re-
cepteur des biens ecclésiastiques Patbroeck (sic) vers Ie lieu de leur
garnison. Par icy on est ayse que Ie Roy commence a vivre"(3).
(1)  Koninklijk archief te Brussel. — spaansche Secretarie. Liasse 202. Brief van wouter van
Meer aan den gezant van Spanje in Uen Haaf,\', geschreven uit Navagne.
(2)  ibidem.
(3)  ibidem. - asse 159 in clJfersehrlft,
•
-ocr page 54-
— 53 —
Werden de Spaansche gezant en de regeering te Brussel door
hunne ondergeschikten goed op de hoogte gehouden van de gebeur-
tenissen in Overmaas, de Staatsche ambtenaren bleven hierin niet
achter. Zoo gebeurde het, dat in 1G50 Casparus Duchweiller, de
30te abt van Rolduc, kwam te overlijden. Op reis naar Keulen,
werd hij in het klooster Mariëndaal door de koorts aangetast en
stierf aldaar, in het 14d,: jaar van zijn bestuur, den 12 Dec. 1650 (1).
Reeds den 17 Dec. schreef Robcrt van Ittersum (2), drost van
van Herzogenrade, van Maastricht uit, aan de Staten Generaal,
dat hij vernomen had, dat de prelaat of abt van Cloosterrade voor
eenige dagen was overleden in het land van Gulik. Dit was,
beweert hij, zes of acht dagen geheim gehouden. Maar nu hij het
nieuws weet, kan hij niet nalaten het H. H. Mog. te „adverteeren,"
om te weten „hoe ick mij daerinne sal draegen, endc ofl\' ick sal
permitteren, dat bij de geestelyckheyd eenen anderen sal worden
gecosen, off nyet, waarop verwachtende in alle onderdanichheyt
IJ Hoog Mooghende Resolutie en de ordre waer naer ick my
sal hebben te reguleren" (3^).
De kapittelheeren hadden evenwel lont geroken en haastten zich
om terstond, na den dood van Casparus Duchweiller, eenen nieu-
wen abt te benoemen in den persoon van Winandus Lamberti,
den coadjutor van den vorigen. Daar deze zich op het oogenblik
in den Haag bevond om met de Staten Gen. zaken te regelen
betreffende de abdij, zond het kapittel terstond zijnen secretaris
naar den Haag, om hem met zijne benoeming bekend te maken.
„Exhorruit primum", zegt de annalist van Rolduc, maar zich over-
gegeven hebbende aan Gods wil, reisde hij terstond met een be-
geleidend schrijven van den Spaanschen gezant, in het hartje van
den winter, naar Brussel, waar hij 15 dagen na den dood van zijn
voorganger, zonder moeite, in zijne benoeming bevestigd werd.
Het was tijd, want de Staten, het overlijden van den abt
vernomen hebbende, verboden een nieuwen abt te kiezen,
(1)  hkvgndal, Annales Rodenses p. 142.
(2)  Deze Robert van Ittersum werd in de s(. Janskerk te Maastricht begraven. Hij lid
eone verzameling boeken na, die hij aan de stadsbibliotheek van Maastricht schonk. Zie
hierover Flament : Catalogus dor stadsbibliotheek van Maastricht, ui. l p. 2U. — Zie ook
Aimuaire du LUnbourg van 1850 p. 264. Voor zijn grafschrift, zie Annales de 1\'Académle
d\'Archéologie de Belglque 111 p. 146.
(3)  Algemeen Rijksarchief te \'s Gravenhage-I.oketkas 37.
-ocr page 55-
— 54 —
daar zij van plan waren de abdij langzamerhand te laten uitsterven.
Zij kregen tot antwoord, dat de zaak reeds afgedaan was, en dat
zij voor vijf jaren eenen coadjutor hadden aangesteld, om, in geval
van overlijden, op te volgen (1).
(1! Heykndai., Aiumles Ifodonses |>. 143 i>n 144 en zie Bijladen ir 4: Brief van Rol ert van
Ittcrsuni aan de stnton Gen.
-ocr page 56-
HOOFDSTUK IV.
1651.
Zooals wij boven zagen,was de Spaansche gezant, Antoine Brun,
op hét einde van verleden jaar naar Brussel gereisd, waarschijnlijk
om instructies in te winnen voor zijne te volgen gedragslijn, na den
dood van den Prins van Oranje. Hij was inmiddels teruggekomen;
maar den 1 Maart van dit jaar 1G51 weer op het punt zijnde om
naar België te vertrekken, schrijft hij aan de Staten Generaal, dat
hij een nieuwen brief van den aartshertog heeft ontvangen, en dat
hij zijne reis niet meer mag uitstellen. Hij zou trachten niet lang
afwezig te blijven (1). En werkelijk den 29sten van diezelfde maand
vinden wij hem weer terug in den Haag. Dien dag schrijft hij
eene memorie aan de Staten Gen. over het land van St. Donas
(Zeeland), over de grenzen van Vlaanderen in Brabant en over de
retorsies in Limburg.
Met betrekking tot dit laatste punt verzoekt de gezant H. H.
Mog. om aan hunne ontvangers te verbieden, in het vervolg in
het land van Limburg retorsies uit te oefenen. Dit gebeurde, zegt de
gezant, onder voorwendsel, dat de koning beden heft in het land
van Valkenburg, een land dat nochtans „en dispute et controverse"
is, terwijl het land van Limburg, zooals aan ieder bekend is, aan
den koning toebehoort. H. H. Mog. hieven overigens in de drie
quaestieuse landen dezelfde en zelfs nog grootere beden dan de
(1) Koninklijk Archief te Brussel. — Spaansche Secretarie. — Liasse 214.
-ocr page 57-
— 56 —
koning, zoodat er geen reden bestond, om de onderdanen van den
koning in het land van Limburg lastig te vallen. Zulke daden
konden alleen geacht worden te zijn „des actes de violenee et de
hostilité". De gezant hoopt, dat hieraan een einde zal komen, en
wel in overeenstemming met de memories van 13 April van ver-
leden jaar. Hij van zijnen kant biedt zich aan, om ingeval er
klachten rijzen tegen Zijne Majesteit, er zoo spoedig mogelijk in
ie voorzien (1).
Deze lieten dan ook niet op zich wachten. Eene der voornaamste
betrof de gevangenhouding van den bekenden Padburg (2). Aan
den eisch der Staten Gen. om hem in vrijheid te stellen, had de
gezant voldaan. In de mededeeling .van deze invrijheidstelling aan
H. H. Mog. koesterde de Heer Brun de hoop, dat bedoelde amb-
tenaar in het vervolg met zijne onrechtvaardige handelingen zou
ophouden.
Zijne hoop was evenwel ijdel Nauwelijks in vrijheid gesteld, had
Padburg weer de tienden laten heffen van de geestelijke goederen
over het jaar 1650, en hij had de geestelijken „en termesgénéraux
et sans réserve" bekend gemaakt, dat hij gedurende het loopende
jaar hunne goederen zou opeischen.
Het gevolg hiervan, volgens de eigen woorden van den gezant,
zou zijn „que lesdits ecclésiastiques par tel moyen ne sauraient
plus subsister, ny avoir de quoy entretenir Ie reste de leur triste
et languissante vie, qui est une inhumanité, qui crie vengcance
devant Dieu et devant tout Ie monde".
Ook de Drossard van Till handelde niet minder verkeerd, door
in het land van Herzogenrade allerhande nieuwigheden in te voe-
ren in strijd met verschillende rechten en voornamelijk in strijd
met art. 3 van den Vrede, die bepaalde, dat de toestand der drie
quartieren moest blijven in statu quo en dat in geval van geschil de
zaak aan de Chambre-my-partie moest onderworpen worden.
Wat deze tweeledige kamer betreft, hierover zegt de gezant,
dat hare oprichting altijd door de Stat. Gen. is vermeden gewor-
den, tot groot nadeel van de bewoners der questieuze landen en
in weerwil van de beloften en verplichtingen, die de Staten op
dit punt te vervullen hadden. Hij van zijn kant had nochtans al
(1)  Koninklijk Archiel te Brussel — Spaansc\'he Secretarie — IJasse 214.
(2)  Zie Hoofdstuk 111.
-ocr page 58-
— 57 —
het mogelijke gedaan om tot hare oprichting te geraken, zooals
uit hunne wederzijdsche correspondentie blijkt. Hij verzocht der-
halve nogmaals om, in afwachting van de oprichting der Kamer,
de nieuwigheden, attentaten en feitelijkheden te doen ophouden
en de bewoners der betwiste landen in het rustige bezit te laten
van hunne goederen, voorrechten en vrijheden, zooals die vóór den
vrede waren (1).
Zou men iemand iets ontnomen hebben, zoo behoorde dit terug-
gegeven of vergoed te worden. Geen van beide partijen immers had
de bevoegdheid om zich zelven recht te verschaffen. Behalve dat dit
alles in strijd was met het algemeen volkenrecht, was dit ook nog
in strijd met eene bijzondere en specifieke overeenkomst, bekrach-
tigd door een plechtigen eed. Indien de Staten Gen. na zoo dik-
wijls herhaalde instanties op dit punt, zich hiertoe niet zouden
laten bewegen, dan moest het H. H. Mog. niet verwonderen, zegt
de gezant, indien Zijne Majesteit zou overgaan tot middelen, die
zulke buitensporigheden voor goed zouden beletten (2).
Ook de ridderschap van het land van Valkenburg had in het
begin van dit jaar eene poging aangewend, om de onophoudelijke
retorsies, een gevolg van de overdreven zware Staatsche beden
te doen ophouden. Zij zond een uitvoerig schrijven hierover aan
H. H. Mog. gedagteekend uit Vaesrade, in het land van Valkenburg,
(9 Febr. 1651). Zij beklaagde er zich o. a. over, dat vreemdelingen,
die geen voet land hier bezaten, de hooge betrekkingen kwamen
innemen, in strijd met de privilegiën van het land, en dat belas-
ting op belasting werd geheven, zonder de toestemming van
\'slands Staten (3).
Deze missive kwam den 2den Maart ter dispositie van den Raad
van Staten, waarop na beraadslaging, de Staten Gen. den 14den
van die maand het oude deuntje van vroeger opdreunden, dat nl.
H. H. Mog. vrij waren te doen, wat zij wilden en dat zij zich aan
niets behoefden te storen (4).
(1)  Koninklijk archief te Brussel. — Spaansche secretarie. — Liasse -214. Memorie aan de
St. Genez van 26 April 1651.
(2)  Koninklijk Archief te Brussel. — Spaansche secretarie. — Liasse 214. Memorie van 26
April 1651.
(3)  idem — Liasse 203. In dit pak bevond zich ook een schrijven van maarschalk Hoens-
broek, van den 20sten dezer maand over ditzelfde onderwerp.
(4)  Koninklijk Archief te Brussel. — Spaansche Secret. — Liasse203
-ocr page 59-
— 58 —
Toen dit alles niet geholpen had, achtte de Spaansche regeering
van haren kant het oogenblik gekomen, om doortastende maatre-
gelen te nemen, zooals overigens de gezant het in zijne laatste
memorie had doen verstaan. Om hun recht van souvereiniteit in
de drie landen van Overmaas te behouden, besloot zij :
1° De naburige garnizoenen, zooals dat van Navagne, van Gulik
en dat van Rimburg, in het land van Herzogenrade, te versterken,
ten einde het garnizoen van Maastricht en de Staatsche ambtenaren
van Overmaas beter in toom te houden.
2° Een streng bevel te geven aan de Gouverneurs der genoemde
plaatsen, om de Drossaarden der drie quartieren bij te staan.
3° De beden der drie quartieren te gebruiken om de troepen van
genoemde plaatsen te voorzien van amunitiebrood en verder onder-
houd.
4° Zich meester te maken van de staatsche ontvangers en anderen,
die zich het beheer der kerkelijke goederen wederrechtelijk aan-
matigden.
5° De boeren, die geestelijke goederen zouden huren, gevangen
te nemen.
6° Zijne Hoogheid den aartshertog te verzoeken, om aan 2 of 3
zijner raadsheeren, zooals bijv. den heer fiskaal Stockmans, last
te geven, om op de landen van Overmaas te letten, opdat er niets
verloren zou gaan van het recht van souvereiniteit en hierin niets
zou verwaarloosd worden. Ook zou aan deze raadsheeren de be-
voegdheid moeten gegeven worden, om te kunnen voorzien in de
klachten der inwoners, zonder dat het noodig was zich tot den
geheelen raad te wenden, iets wat slechts vertraging zou kunnen
veroorzaken.
7° Een plakkaat uit naam van Z. Majesteit te doen uitvaardigen,
inhoudende het verbod aan de inwoners in het vervolg gees-
telijke goederen in pacht te nemen, tenzij van de geestelijken
zelf, en de opbrengst aan niemand anders dan aan de geestelijken
te betalen (1).
Terwijl deze maatregelen genomen werden, ging de diplomatie
haren geregelden gang. Van Spaansche zijde rezen nog altijd
klachten over inbreuken op den Munsterschen vrede. Eene memo-
(1 Koninklijk arolilel te Brussel. - Spaansche secretarie. — IJassc tos. — Mémoire pour la
conservalion des I\'ays il\'Outre-Meuse, donné ie 21 May 1(151.
-ocr page 60-
— 59 —
rie van Antoine Brun van den 5 Juni 1(551 aan de Staten Gener.
handelt over de abdij van Postel, de commanderie van Getïiert
en een plakkaat tegen de geestelijken.
Ter verklaring van dit laatste punt moeten wij er op wijzen,
hoe de Predikanten, door HH. Mog. in de landen van Overmaas
aangesteld, alles behalve welkom waren; het volk had zich met
geweld tegen hunne vestiging verzet (\\). Daarom verscheen reeds
den 14Apr. Ifi49 een plakkaat, waarin verboden werd, de aange-
stelde predikanten te storen of te hinderen in hunnen dienst „op
pene van, naar exigentie der zaken, als perturbateurs van de ge-
meene rust bestraft te worden" (T). Een plakkaat van dienzelfden
dag wees de Pausgezinde geestelijken nogmaals het land uit en
verbood „het houden van paepsche scholen, conventiculen en col-
lecten " Op verbeurte van 100 pond Vlaamsch werd verboden,
een Roomsch geestelijke te huisvesten. Degene, dien men driemaal
op overtreding van dit verbod betrapte, werd uit het land ge-
bannen (3).
Dit jaar had de groote Staten-vergadering van \'sGravenhage
plaats, die op aandringen der provincie Holland was bijeengeroe-
pen. In deze vergadering werd sterk aangedrongen op de hand-
having en vernieuwing der plakkaten vooral tegen de paapsche
superstitiën. Er werd zelfs voorgesteld om de vreemde gezanten
aan te zeggen, dat zij niemand tot de godsdienstoefeningen in
hunne kapellen mochten toelaten, dan de personen van hun gevolg ("4).
De provincie Holland was wel geneigd, om in het belang van den
koophandel het een en ander door de vingers te zien, maar het
ontzag der predikanten, die zich reeds met staatszaken begonnen te
bemoeien, besliste het anders.
Er werd dan in deze groote Staten-vergadering besloten, dat men
de plakkaten zou handhaven en dat alle provinciën voor de uit-
voering ervan zouden zorg dragen; dat ook de besluiten omtrent
de invoering der gereformeerde leer in de Meierij van \'s Herto-
gcnbosch — en het is niet te verwonderen, dat het land van
Overmaas hierin moest meedoen — zouden ten uitvoer gelegd
(11 .los. Hahkts, GcschleiiPnls van li"t bisdom Roermond. II, p. lflO.
(2) Kerkeiyk Plakaatboek 1)1. s p. r>fi3.
;31 T.uzac, De huiden van Overmaas )>. 157.
(4) Nuijens, Algemeene Geschiedenis. Dl. XII p. 44.
-ocr page 61-
— 60 —
worden (1). Het is dan ook waarschijnlijk, dat, met het oog op
deze maatregelen, de Spaansche gezant in eene memorie van 5 Juni
1651, handelende over de abdij Postel, de commanderie van Ge-
mcrt en het Plakkaat tegen de geestelijken, met betrekking tot dit
laatste punt zegt, dat hij nog altijd op een antwoord wacht op
zijn schrijven van 13 April van verleden jaar; dat men hem reeds
lang had beloofd de terugtrekking van een plakkaat „par lequel
est defendue 1\'entrée et fréquentation en ces Pays aux ecclésiasti-
ques, subjects de sa Majesté, contre les conventions expresses du
traicté de Paix, laquelle response il (de gezant) est d\'autant plus
obligé de presser, que sur 1\'assurance qu\'il a donnée. qu\'ilyserait
pourveu de la part de L.L. Seigneuries, on a retardé jusques a
maintenant du costé de sa Majesté a faire un contreplacart contre
les Ministres et Prédicants de eet Estat (Republiek), qui iusquesa
cette heure ont esté receus aux Provinces de la dite Majesté et y
ont hanté et frequente avec route liberté (2).
De Staten Generaal lieten van hunnen kant ook weer klachten
hooren. De Raad van State verzocht den 6 Juni van dit jaar
H. H. Mog. om met den gezant van Spanje of op de wijze, waarop
het H. H. Mog. mocht behagen, te onderhandelen over de afschaf-
fing van de Spaansche tollen op de Maas te Navagne en te Roer-
mond. Van Staatschen kant was te Maastricht de tol reeds opge-
heven.
Tengevolge hiervan zonden H. H. Mog. Gedeputeerden naar
Maeseyck ten einde hierover met afgevaardigden van wege den
koning in conferentie te treden. Hunne instructie bevatte boven-
dien plannen voor de afschaffing der tollen te Urmond en te Gen-
nep f.3), die onderscheidenlijk tot Gulik en Kleef behoorden. Wij
zullen later weer op die tollenquaestie terugkomen.
Het bovengenoemde plakkaat van 1G49, waarin de verdrijving
van pastoors en priesters uit het land van Overmaas werd bevolen,
werd den 10 Februari 1G31 andermaal afgekondigd onder het valsch
voorwendsel, dat deze landen van gelijken aard waren als de
Meierij van \'s Hertogenbosch. Ook hadden de H. H. Mog. beslo-
ten om op kosten der inwoners de kerk van Vaals te vergrooten,
jl) Nuukns, Algemeene Geschiedenis, Dl. XII, p. 44.
(tl Koninklijk Archief te Brussel — Spaansche Secretarie-Llasse 214.
(3) Koninklijk Arehiel te Brussel — Spaansche Secretarie — Liasse, 203.
-ocr page 62-
— 61 —
opdat deze zou dienen tot bedehuis voor de Protestanten van Aken,
Borcette en omstreken.
Deze beide verordeningen waren, volgens een Spaansch plakkaat
van 23 Maart 1(351, nieuwigheden, in strijd met het derde artikel
van den vrede van Munster. Daar de Staatschen hier geen acht op
sloegen, droeg de Spaansche commandant van Limburg aan eene
afdaeling soldaten op, de Protestanten, die uit Aken naar Vaals
ter kerke kwamen, te overvallen. En zoo werden op zekeren dag
deze kerkgangers beroofd van een goed getal mantels, hoeden „ende
andere plunderingli, sooveel sy (de soldaten) kosten becomen, son-
der iemant aentesien, selfs den Prediger diese, naer eenigh quaed
tractement, den mantel hebben ontrukt". (Zie bijlage n° 50).
Eene Staatsche resolutie van 20 Mei 1G51 gelastte dientengevolge
de Paapsche geestelijkheid zorg te dragen, dat de schade, dezen
kerkgangers aangedaan, zoo spoedig mogelijk, door hen of door den
kommandant der stad Limburg, vergoed zou worden en dat, bij
gebreke hiervan, de schade bij retorsie op hen of op hunne goe-
deren zou worden verhaald (1).
Het schijnt evenwel, dat de Spaanschen zich aan al deze voor-
schriften weinig gestoord hebben, want den 21 Juli daaropvolgende
beklagen zich de Staten Gen. aan den gezant over eene tweede
dergelijke overrompeling der gereformeerde kerkgangers te Vaals
„dont ils en ont blessé quelques uns mortellement, qui courrent
grand risque de leurs vies; et quelques uns, tant hommes que
femmes, dépouillés, tout nuds, lesquels ils ont traite fort barbare-
ment, chose, pour la vérité, mal accordante avec la charité chré-
tienne et moins encore avec Ie dit Traicté de Paix, que nous
prenons grandement a cceur (!). Dit had plaats gehad \'s Zondags
den 1(3 Juli (2).
Dit was waarschijnlijk geschied tengevolge van de strenge maat-
regelen, door de Spaansche regeering genomen, om hare souve-
reiniteit te handhaven, en verder omdat men zich aan het
protest der Staatschen niet gestoord had. Maar nu schreeuwden
deze ook uit alle macht over foules, exacties en executies van
wege den koning in de landen van Overmaas. Ook H. H. Mog.
verzochten zijne Excel, den gezant „tres affectueusement qu\'il leur
(1) Jus. IIahkts. Geschiedenis van hel bisdom Roermond Dl. II p. 1U0.
>tj KoninklUk Atvliief (e Brussel. Spaansche secretarie.
-ocr page 63-
— 62 —
plaise de contribuer ses soings et meilleures offices, afin que les
dites violences contre et au prejudice des dits reformez, comme
aussi la continuation des dites foules et exactions dans les 3 pa}^
d\'Outremeuse, puissent cesser réellement et de faict a Tavenir."
De Spaansche regeering had dit gedaan om op hare beurt eens
de tanden te laten zien. Zij liet dan ook niet na baar recht te
handhaven. Daarenboven schijnen deze maatregelen getroffen te
ziin, om pressie uit te oefenen op de oprichting der Chambre-
mi-partie, die de Staatschen altijd trachtten uit te stellen. Wij
merken den weerslag van dit optreden in de vriendelijkheid, waar-
mede de Staten Gener., na alles wat tegen hunne geloofsgenooten
is voorgevallen, aan den gezant over dit punt schrijven : „Nous
n\'avons pas voulu mancquer de vous donner part de notre résolution
prinse dans nostre assemblee générale touchant 1\'érection de la
dite Chambre Cmi-partie\\ ainsy que nous Pavons cy devant fait
communiquer a Votre Excellence, n\'avant point en icelle fait
aucun changement essentiel, mais ajusté aucuns articles avec de
petites remarques, que nous estimons, que ne vous seront pas
desiTjréables. Nous serons bien avse de voir Votre Excellence bien
tost icy de retour pour pouvoir concerter avec elle sur ledit sub-
ject, luy ascurants que nous ne manquerons pas de nostre part
de contribuer tout ce qui pourra tendre a vuider et oster touts
les différents, tout en ce qui touche les trois pays d\'Outremeuse
que les autres, qui ont trotté depuis quelques temps et que nous
si avons d\'autre intention que d\'observer poinctuellement et reli-
gieusement Ie traicté de paix, fait entre Ie Roy d\'Espagne et nous,
dont nous espérons que Votre Excellence demeurera longues
années en ces pays tesmoing oculaire" (1).
Dit vriendelijk schrijven was het antwoord op eene dringende
nota van den gezant, gedagteekend 10 April 1751, waarin hij
nogmaals de oprichting der Chambre-my-partie eischt „pour Ie
bien commun des deux parties, tant en général que pour leurs
subjects et vasseaux en particulier". Hij meent, dat er geene enkele
reden meer bestaat, om uit te stellen, aangezien de koning het
ontwerp, door de Staten gen. opgemaakt, heeft goedgekeurd, zoo-
dat er niets meer te doen valt, dan dat ontwerp uit te voeren.
(1) Koninklijke Archieven te Brussel. Secretarie van Spanje. Brief van 21 Juli 1661.
-ocr page 64-
— 63 —
Van den kant des konings was men hiertoe al sedert lang bereid (1).
Intusschen vlogen zich in Overmaas de partijen over allerlei
punten in het haar. Zoo liet Robert van Ittersum, slotheer, dros-
sard en ambtman van het kasteel, stad en land van Herzogenrade,
bij wijze van plakkaat bekend maken, dat de bewoners zich niet
moesten storen aan de bevelen van Antoon Gocx, een Spaansch
ambtenaar, die de landsprocessen voor zijne „nieuw opgeworpene
rechtbancke" te Rimburg „pretenselyck" avoceerde. Hij herinnert
de subalterne bancken, ingezetenen en geërfden aan een plakkaat,
op dat stuk geëmaneerd. (Zie Bijlage n° 5.)
Van meer gewicht was echter de twist, die losbrak over het
recht van afschalling van den tol op de Maas te Eijsden. Het genot
van dezen tol bezat namelijk de heer de la Margelle, baron van
Eijsden, wiens voorgangers hem sinds twee eeuwen gehad hadden.
Eenige Luiksche kooplieden kwamen hiertegen in verzet en maak-
ten omstreeks 1030 een rechtsgeding aanhangig bij de schepenen van
Maastricht, die hierin nochtans incompetent waren.
De raad van Brabant, aan wien de zaak werd voorgelegd, gaf
dan ook den 22 Nov. 1031 eene interdictie aan de schepenen van
Maastricht en aan de procureurs van de eischers. Dit gebeurde
dus in den tijd, dat Maastricht nog in het bezit van den koning
was. Toen Maastricht het volgende jaar tot de Hollanders over-
ging, brachten de eischers het proces voor de commissarissen-
deciseurs der stad, die hierin nog veel minder competent waren.
De kooplieden kregen hier natuurlijk gelijk, waarop de baron weer
zijne toevlucht nam tot den raad van Brabant te Brussel, die de
eigenlijke bevoegdheid tot rechtspraak bezat, en het vonnis van
Maastricht weer vernietigde. De raad verzocht daarenboven de com-
missarissen-deciseurs zich verder niet met de zaak in te laten (2).
Langen tijd bleef het proces als het ware dood, toen na 20
jaren tegen den baron van Eysden over dezelfde zaak eene nieuwe
procedure werd aangegaan en hij den 31 Mei van het jaar 1651
per contumaciam werd veroordeeld om een groot deel dier tollen
terug te geven, met interest en kosten van het proces, sedert 1051,
(1)  Koninklijk archief te Brussel, Spaansche Secretarie, L. 214. Memorie van ilen Ambass.
aan de Staten gen. van 10 April 1651, gedagteekend uit den Haag.
(2)  Koninkl. Rijksarchief te Brussel, Spaausche Secretarie, Liasse 214. Memorie van den
Ambass,, aan de st. cien. van 20 seut. 1601, gedagteekend uit Den Haat;.
-ocr page 65-
— 64 —
geschat op eene buitengewoon groote som. De baron nam weer zijne
toevlucht tot den raad van Brabant in Brussel, en verkreeg weer cas-
satie van het vonnis, op grond dat volgens den vrede van Munster
alle aanhangige processen voor denzelfden rechter moesten uitge-
maakt worden, als voor wiet) zij begonnen waren: dit nu was
begonnen voor den raad van Brabant, blijkens de interdictie van
22 November 1G31.
Dit waren de redenen, waarom de aartshertog zoo dringend
aan den Spaanschen gezant in den Haag schreef, om H. H. Mog.
het ongelijk van de heeren van Maastricht aan te toonen, en indien
deze niettemin nog meenden recht te hebben, de zaak aan het
oordeel der Chambre-my-partie over te laten. Daarenboven gelastte
de aartshertog den gezant te zorgen, dat er surséance zou gegeven
worden aan de executie, die de Brabantsche (Staatsche) schepenen
van Maastricht gewapenderhand tegen den baron wilden uitvoeren.
Van Spaanschen kant zou dan ook surséance gegeven worden aan
de executies, die toegestaan waren op de goederen der Luiksche
kooplieden binnen het hertogdom Brabant. De Staatsche troepen
hadden namelijk den 19 Sept. van Maastricht uit het kasteel van
Eijsden willen overrompelen. Zij waren tot op de basse-cour door-
gedrongen en hadden er al het vee meegenomen, dat zij gevonden
hadden, en zouden het kasteel zijn binnengedrongen, indien niet
bijtijds de valbrug was opgetrokken (1).
De Staatsche toestemming tot het verleenen van surséance schijnt
zich evenwel te hebben laten wachten, want de gezant dringt er
nogmaals op aan, in een schrijven van 30 Sept. 1651. Hij grondt
ditmaal de billijkheid van zijn verzoek op de omstandigheid, dat
Baron de la Margelle onderdaan is van den Koning en dat zijne
goederen, zonder den geringsten twijfel, op Spaansch grondgebied
lagen (2), iets wat wij evenwel betwijfelen, aangezien Eijsden in het
land van Valkenburg lag, dat wel is waar in statu quo moest blijven,
maar waarvan het bezit nog altijd betwistbaar was.
Wij geven evenwel toe, dat de Staatsche manier van handelen
in dit opzicht „contre tout style et coutume" was, zooals de ge
zant zich in een volgend schrijven van 13 Nov. van dit jaar uit
drukt. Hieruit vernemen wij ook, dat deze eindelijk over het ge
;i) Koninklijk Archief ie Hrussel. Spaansche scei\'. L. 214.
(2) Idem.
-ocr page 66-
— 65 —
schil te Eysden van H. H. Mog. verscheidene stukken ontvangen
had en dat hij bezig was ze te onderzoeken Hij verneemt echter
tegelijkertijd, dat de gewelddadige executies tegen den heer van
Eysden intusschen zouden voortgezet worden, executies zegt hij, „qui
se trouveront par après irréparables". Hij gevoelt zich derhalve
verplicht om er tegen op te komen, dat, terwijl men bezig is van
weerszijden eene zaak te onderzoeken, men tot zulke gewelddadig-
heden overgaat. Hij verzekert H. H. Mog. dat zijn verzoek tot
surséance niet is „pour éluder ou supprimer 1\'affaire", maar „pour
la vider a Pamiable et de bonne sorte" (1).
Den 3 Dec. hieropvolgende heeft de gezant de stukken van
beide partijen onderzocht en is tot de conclusie gekomen, dat de
heer van Eysden volkomen in zijn recht is, dat de kosten en boeten
van het proces, zijnde 39000 gld., buitensporig hoog zijn, en dat
ze hem opgelegd zijn, zonder in de gelegenheid te zijn geweest,
iets ter verdediging te kunnen bijbrengen.
Hij verzoekt derhalve nogmaals H. H. Mog. in het belang van
den vrede de executie te doen ophouden, den heer de la Mar-
gelle in het kasteel van Eysden te laten terugkeeren, en hem
zoowel zijne roerende als zijne onroerende goederen terug te geven,
in afwachting dat de zaak heelemaal zal uitgemaakt zijn. Hij stelt
daarenboven voor, aangezien het een geding over de rechtspraak
is, de zaak aan de Chambre-my-partie over te laten (2).
De Staten Gen. wilden hierop maar niet ingaan en bleven
hun zoogenaamd recht op den tol van Eysden handhaven. Deze
hardnekkigheid moet, naar ons inzien, voornamelijk toegeschreven
worden aan de verschillende klachten van de lager gelegen Maas-
steden, die hierin eene handelsbelemmering vonden. Zoo vinden wij
in het Rijksarchief te Maastricht eene dergelijke klacht van Bur-
gemeesters, Schepenen en Raden van Nijmegen over dezen tol. Zij
noemen hem „eene onlijdelijke vexatie van de ingezetenen en de
koopluiden deser landen, op de riviere de Maze tratiquerende" en
verzoeken H. H. Mog. in overweging te nemen, of Eysden, dat
eene pandheerlijkheid is, onder het souverein ressort van den
(1)  Koninklijk Archief ie Brussel, Sn. secret. Musso 214.
(2)  Koninklijk Archief te Brussel, secr. Espagn. : Mémoire de Monsieur 1\'Ambass. aux Est.
Gén. a ia Haye, Ie 3* de Dec. 1651, touchant les Uitérests du baron d\'Eysden.
-ocr page 67-
— 66 —
Nederlandschen Staat (1), niet behoorde opgelost te worden. Dit
was volgens hen een middel, om van de voorschreven vexatiën
ontheven te worden (2).
Ten slotte vinden wij, dat op het einde van dit jaar in eene
resolutie van de Staten gen. in hunne vergadering is gelezen
„seekere memorie van de Heer Agent van der Veecleen, raekende
de executie die bey de Heer van Eysden werd gecontinueert van
deszelfs pretensen Thol op de Maze, waerop gedelibereert sijnde,
is goedgevonden en verstaan, dat de voorschrevene memorie gestelt
sal worden in handen van de Heeren Huygens ende andere Hee-
ren H. Mog. Gedeputeerden totte conferentiën, omme metten ge-
melten Heer Ambass. daerover alsnogh te spreecken, ende de
saecken daerheen te dirigeeren, dat de koopluyden, trafiquerende
op de voorschreve riviere, eenmael het effect mogen genieten van
de sententie, dienaengaende \'t haeren voordeel, in den jaere 1636
geobtineert, ende daerna in den jaere 1642 nogh nader gecontïr-
meert" (3).
De zaak werd dit jaar niet verder gebracht; zij bleef, zooals wij
later zullen zien, nog langen tijd een twistpunt tusschen beide
partijen.
Terwijl dit in Eijsden voorviel, ondervond de abt van Klooster-
rade en den anderen uithoek van Overmaas, onaangenaamheden
van een anderen aard. Zooals wij vroeger zagen, had de abt
Winandus Lamberti met de Staten Gen. reeds moeielijkheden
gehad bij het overnemen van het bestuur van zijn voorganger (4). Dit
niet kunnende verhinderen, hadden de Staatsche ambtenaren ge-
tracht den prelaat het beheer zijner goederen te ontnemen en de
cijnsplichtige dorpsbewoners verboden, voortaan hunne tienden nog
langer aan de abdij te betalen; zij zouden dit voortaan aan den
Staatschen ontvanger Marcellus Thiens moeten doen. De abt had
een jaar lang onderhandeld om weer in het genot zijner rechten
te komen, maar het was hem niet gelukt. De afgevaardigden van
zes provinciën hadden besloten de abdij te laten uitsterven. Die van
Holland en Westfriesland waren echter hiertegen. Deze hadden ver-
(1)  Eysden was in 1051 »disputabel".
(2)  Rijksarchief te Maastricht. Uesotut. dos Ktats-üón. sabbat 10 Déc. 1050.
(3)  Kljksurchiol\' van Maastricht. Resolutie van 17 Dec. 1051.
(4)  Zie Hoofdstuk III, p. 185.
-ocr page 68-
— 67 —
nomen uit de brieven van een hunner officieren, Culemborch,
welke onrechtvaardigheden Marccllus Thiens en anderen er pleeg-
den, welke giften en geschenken zij van de inwoners hadden weten
te verkrijgen. Door toedoen dezer afgevaardigden werd Winandus
Lamberti naar den Haag ter verantwoording geroepen, na hem eerst
schriftelijk volle veiligheid beloofd te hebben. Wel wetende, dat het
niet de eerste keer was, dat de Hollanders aan hun gegeven woord te
kort waren gekomen, en niet veel vertrouwen in hun gegeven
woord stellende, begaf hij zich eerst naar Maximiliaan, keurvorst
van Keulen en liet zich door dezen tot „consiliarius honorarius"
benoemen, door welken titel hij met eenige aanbevelingsbrieven
op meer veiligheid meende te kunnen rekenen.
In den Haag aangekomen werd hij door den Amsterdamse hen
burgemeester liicker en andere afgevaardigden vriendelijk ontvan-
gen, en hem werd vervolgens uitlegging gevraagd over de zaken
van Kloosterrade, die hun reeds eenigszins door Culemborch
bekend waren. Hij moest beloven op al hunne vragen naar waar-
heid te zullen antwoorden, hetgeen hij deed, onder voorwaarde
dat zij van hun kant zouden zorgen, dat hij het vrije beheer
zijner goederen zou terug krijgen. Ook dit werd beloofd. Hij
kweet zich bij het verhaal van het bestuur en de handelwijze der
Hollandsche ambtenaren zoo goed van zijne taak, dat de afgevaar-
digden hem verzekerden, dat zij er het hunne zouden toe bijdragen
opdat hij in zijne rechten zou hersteld worden (1). Dit gebeurde
blijkens eene resolutie van 20 Dec. van dit jaar, die wij in onze
bijlagen onder n° 7 laten volgen; nochtans „non sine gravissimo
onere" zegt onze annalist: de abdij moest namelijk ieder jaar 80U
imperialen opbrengen tot bezoldiging van de hervormde predi-
canten, schoolmeesters en kosters. Deze som moest gestort worden
in de handen van den rentmeester Thiens (2).
De abt had dus in den Haag, tot groote ergernis van den Dros-
saard van Herzogenrade, Van Ittersum, en den ontvanger Marcellus
Thiens, zijn pleit gewonnen. Nu zij hem in dit opzicht niet meer
konden aanvallen, beproefden zij het van een anderen kant. De
Staten hadden namelijk in bovengenoemde resolutie tevens te ken-
nen gegeven, dat zij in de pandheerlijkheden Merkstein en Kerk-
;1J Zie HiiUENUAL, Aui.ttles Uodenses p. M4 eu 145.
(2) Algemeen Hijksarchioi\' ie \'s Gravenhage, Loketkas 37.
5
-ocr page 69-
— 68 —
rade begeerden meester te blijven, iets waar zij geen recht toe
hadden, aangezien de Prelaat van Kloosterrade de heer van die
plaatsen was. Toen nu deze in het begin van 1652 (den 8 en 9 Jan.)
in eigen persoon aldaar met zijne officianten de voogdgedingen had
voorgezeten, en daarenboven een „schat" (belasting) had omgeslagen
van 12 stuivers Brabantsch op iederen morgen land, werd hij des-
wege door de Staatsche ambtenaren bij de Staten generaal aange-
klaagd (zie Bijlage n° 8).
De woede der Staatschen tegen den machtigen en invloedrijken
abt was zoo groot, dat zijn leven in gevaar kwam. Toen hij eens
met eenige personen door het Akerbosch kwam, loste een zekere
Jan Bouschet, een soldaat uit Aken, die zich in het struikhout
verscholen had, een schot op hem, zonder hem evenwel te treffen.
Door de bedienden van den abt gegrepen, ontkende hij eerst zijne
misdaad, maar te Aken gevangen gezet, bekende hij door eenige
hervormden, wier namen hij niet wilde noemen, omgekocht te zijn,
om deze daad te volvoeren. Men had hem hiervoor nieuwe kleeren
en eene zekere som gelds beloofd. Hij zou zeker ter dood veroor-
deeld geworden zijn. indien de abt niet verzocht had zijn leven
te sparen. Hij werd door de rechters uit het land gebannen (1).
Wij zullen in het vervolg nog meermalen in de gelegenheid
zijn, om de moeielijkheden, die Rolduc met de Staten Gen.
ondervonden heeft, te vermelden.
(1) Heyendul, Annales Kodonses. p. 145 en 146.
-ocr page 70-
\\
HOOFDSTUK V.
1652.
Indien men in het begin van dit jaar de zitting der Staten Gen.
in den Haag had bijgewoond, toen HH. Mog. en de gezanten der
vreemde vorsten elkander met de oogenschijnlijk bestgemeende
nieuwjaarswenschcn begroetten (l), zou men gemeend hebben, dat
de republiek op den besten voet met alle vorsten stond; \'t was
enkel politiek en diplomatie. Tal van adders schuilden in het gras.
Ailzema zegt in \'t algemeen, sprekende van de onderhandelingen
gedurende dit jaar, dat Brun ernstige klachten uitte over de „exces-
sen ende violentie, die hij seide te worden begaen bij de officieren
van desen Staet (Republiek) in de landen van Overmase". Wij
zullen eens nagaan, waarin deze buitensporigheden bestonden.
Reeds den 15 Jan. beklaagde zich de gezant over de buitenge-
wone gewelddadigheden, die in het land van Overmaas door van
Till en andere van H.H. Mog. Officieren, meest behoorende tot
het garnizoen van Maastricht, bedreven werden. Op Kerstdag van
verleden jaar waren deze, gedurende de godsdienstplechtigheid,
gewapenderhand in de kerk van Houthem (in het land van Val-
kenburg) binnengedrongen. Zonder eerbied voor plaats noch plech-
tigheid, kwamen zij eenige particulieren gevangen nemen, die
vroeger schepenen geweest waren, in dienst van Z. Maj. den Koning.
Zij hadden nochtans dit ambt sedert twee jaar vrijwillig opgege-
;i) Alge:n. Rijksarchief ie Brussel. — sji. secr. n. 25$, betiield : convsii. rl\'Anioiiin Kruii,
ambass. ,-\'i la Haye, avec les Est. oén. 1648-1652.
-ocr page 71-
— 70 —
ven, om in rust te kunnen leven. De Staatschen gingen hierbij zoo
ruw te werk, dat zij 4 of 5 personen in de kerk verwondden.
Daarenboven had genoemde van Till, vergezeld van de ontvan-
gers Padburch en Donder, verschillende koninklijke officieren in
het overige land van Overmaas doen gevangen nemen en anderen
genoodzaakt zich op neutraal gebied terug te trekken.
Den 27 Dec. 1. 1. had zich een troep soldaten van Maastricht,
aangevoerd door den luitenant van de compagnie van den Rijn-
graaf, vergezeld van een trompetter, naar Heerlen, in het land van
Valkenburg, begeven, waar zij in de herberg van Jean Paesken
vijf Spaansche officieren van het garnizoen van Navagne aantroffen.
Deze werden met stok en sabel zoodanig door hen toegetakeld,
dat er een hunner, Antoon Raphaël, korporaal van de kompagnie
van den baron de Clerval, \'s konings onderdaan, het met den dood
moest bekoopen.
Dit waren, zegt de gezant terecht, „procédures et actes insup-
portables", te meer omdat zij voorafgegaan waren door zooveel
andere geweldplegingen, vooral ten aanzien van de geestelijk-
heid, die grootendeels, en nog wel zonder eenige reden, van hunne
goederen waren beroofd geworden. Zij waren toch ook onderdanen
van den koning, merkt hij op (1). Met het oog op de spoedige
oprichting der „Chambre-my-partie" was deze handelwijze dan
ook niet te verdedigen.
De Staatschen waren niet tevreden met hunne tyrannie in de
drie „disputabele" landen uit te oefenen, zij wilden die ook nog
tot het land van Limburg uitstrekken. Zoo schrijft ten minste,
omtrent dien tijd, Wouter van Meer aan den gezant. Zij waren
namelijk van plan, het land van Limburg te doen bijdragen in
de beden en domeinen. De ijverige ambtenaar raadt daarom den
gezant aan wederkeerig retorsies uit te oefenen in het land van
Herzogenrade, ten einde de Staatschen hiervan te doen afzien. Van
Meer zelf had zijn huis moeten verlaten, dat verschillende keeren
van meubels en vee beroofd werd. „Bref", zegt hij, „je suis per-
sécuté a toute outrance et continuellement menacé de mort" (2).
De Staatsche ontvanger Padburch ging zelfs zoover, dat hij, met
eenige officieren van het Maastrichtsch garnizoen en een honderdtal
(1) Aljf. mjksarch. te Br., Sp. Secr., L. 214. Mem. van 15 Jan. 1652.
,2) Algem. Rljksarcu. te Br. Sp, Secr. L. 234 (30 Jan. 1652).
-ocr page 72-
— 71 —
soldaten, voorzien met houweelen en andere werktuigen, zich naar
Heerlen (land van Valkenburg) begaf, om er eenige kerken af te
breken, altaren omver te halen en andere kerken van hare beelden
en sieraden te berooven, — een ware beeldenstorm—een vergrijp,
zegt de gezant, „non seulement contraire aux bonnes institutions
de LL. SS., mais encore au traite de paix et mesme aux confé-
rences comencées et a 1\'approche de la Chambre mi-partie. De
gezant verzocht HH. Mog., dat, indien het gebeurd was tegen hun-
nen wil, zij de daders zouden straffen en de schade herstellen,
doch indien het op hun bevel geschied was, zij hem hiervan mede-
deeling zouden doen; dan zouden ook van den kant van den koning
afdoende maatregelen tegen zulke procedures genomen worden.
De Staatsche Marcellus Thiens verscheen ook weer op het
tooneel. Hij werd namelijk beschuldigd van eene menigte re-
torsies uitgeoefend te hebben in het land van Limburg, dat
zonder twijfel Spaansch was. Hij liet er de cijnsen, renten en
inkomsten van de koninklijke domeinen opeischen, onder voor-
wendsel dat de koning hetzelfde deed in de drie andere kwartieren
van Overmaas, die evenwel nog disputabel waren. De gezant
verzocht H.H. M. hieraan een einde te doen maken; want, indien
de koning van zijnen kant de retorsies in die landen zoover wilde
drijven als zij, dan zouden de zaken zeer slecht staan. De handel-
wijze der Staatschen in het land van Limburg zou dan hetzelfde
zijn, alsof de koning gewapenderhand de domein-opbrengsten en
andere inkomsten in de Meierij van \'s Hertogenbosch zou willen
heffen, ressorteerende onder Staatsche jurisdictie (2).
H. H. Mog. schijnen op die verschillende klachten niet te hebben
kunnen of te hebben willen antwoorden, want den 9 April daar-
opvolgende dringt de ambassadeur aan op een antwoord op zijne
memorialen, betreffende de geweldplegingen van Padburch te
Heerlen en van Thiens in Limburg.
In de maand Mei had de gezant eenige dagen doorgebracht te
Brussel bij den Aartshertog Leopold. Hi) was er ophelderingen en
instructie gaan vragen over de voornaamste punten van geschil
tusschen den Koning en de Republiek, waarschijnlijk met het oog
op de spoedige oprichting der Chambre-my-partie. Het gevolg van
(1)  Ibid. L. 214 {22 Maart 1052).
(2)  Als. KUksarch. lirussel I.. 214 (Memor. v. 27 Maart 1652).
-ocr page 73-
dit bezoek was een hernieuwd aandringen van den gezant om de
punten van geschil zoo spoedig mogelijk uit den weg te ruimen
„soit par voye d\'accord, soit de iustice" (1).
Vooral voor het laatste middel, „voye de justice", waren de
Staten niet te vinden. Zij gingen voort met hunne stukken op het
Overmaasch schaakbord vooruit te schuiven, zonder zich veel aan
de wetten der rechtvaardigheid te storen. De ontvanger Thiens
vergreep zich aan het geld, voortkomende uit de Calamine, in het
land van Limburg, onder voorwendsel dat de bewoners geweigerd
hadden de koninklijke Domeingelden te betalen. Van Ittersum met
den schout Reye, van Herzogenrade, joeg particulieren, die sedert
jaren in dienst van den koning waren, met vrouw en kind als
bandieten uit het land, enz. Voor verdere geweldplegingen in dit
jaar zie men Slanghen, Een blik op Valkenburg enz., bl. 158 en
volg. (2).
De zooeven aangeraakte Calamine-zaak was de volgende: De
Calamine- of Calmes-berg, in het .land van Limburg, leverde reeds
in dezen tijd eene aanzienlijke hoeveelheid koper op, die de koper-
slagers uit de Rijkssteden, Aken, Stolberg en Cornelismunster, aldaar
kwamen opkoopen. De opbrengst behoorde tot de Domein-inkom-
sten van het land. Marcellus Tiens legde beslag op dit koper, onder
voorwendsel, dat Z. Majesteit zich had laten domeingelden betalen
in de landen van Valkenburg, Dalhem en Herzogenrade. Zijn voor-
ganger van Ylem, wonende te Maastricht, had in zijn tijd slechts
uit het land van Limburg door retorsie doen halen wat de koning
aan beden had geheven in de andere landen van Overmaas. Thiens
ging evenwel zoo ver, dat hij tot een bedrag van GOOÜO gld. uit de
inkomsten der Calamine wegroofde, terwijl de koninklijke beden
in het land van Overmaas destijds slechts ongeveer 15000 gld.
bedroegen (3).
Ondanks herhaalde klachten was hierin van wege de Staten
den 2.\'3 Nov. nog geen verandering gebracht. Thiens ging door
met zich meester te maken van de inkomsten der kopennijnen
en met de inwoners te molesteeren; „une procédure", zegt de
(1; ibld. (Mom. vim 1 Juni 1652).
■!\' Wi.i jjiivpn boveiiKPuoemilo retorsies, ontJiil wij ze hij geen schrijver hebben ver-
meld
gevonden.
(:;; \\ig. ltijk< Aivli. Ur. sp. scvr. I.. £14, (Meinnr. van 10 Sept. 1(S0,\\
-ocr page 74-
— 73 —
gezant, „qui nc peut estre autrement interprétée que par une pure
hostilité, puisqu\'elle est accompagnée de violences en un Pais ap-
partcnant sans contradiction a Sa Maj\'% dont ledit Ambassadeur
a déja tant de fois reclame, sans que pourtant il voye aucun effect
de ses plaintes en chose si iustes." Hij verzoekt hierbij, dat men
hem zegge, of dit alles van H. H. Mog. zelf uitgaat of niet. In het
eerste geval zal hij hen niet meer met memoriën lastig vallen, maar
handelend optreden, in het tweede, zouden zij goed doen, het
geroofde zoo spoedig mogelijk terug te geven en Thiens verhin-
deren om door te gaan met proceduren, die strijdig waren met
den vrede van Munster (1).
De Heeren Raden van Brabant en de advokaat fiskaal hadden
goedgevonden de van oudsher bestaande schepenen in de landen
van Overmaas ter „ordinarie vergaderingen en respectieve ge-
nachten" te dagen, zooals dit gebruikelijk was, voor dat de twist over
deze landen ontstond. Aangezien dit evenwel destijds niet zonder
gevaar en schade plaats kon hebben, hadden zij besloten de ge-
daagde schepenen schadevergoeding te verzekeren voor het nadeel
dat hun, ter zake der verschijning in de vergadering, eventueel van
den kant der Staatschen kon worden toegebracht. Het was aan dezen
maatregel te danken, dat de schepenen ondanks de vervolgingen,
waaraan zij uit dien hoofde van de zijde der Staatschen voortdurend
blootstonden, steeds trouw in de hoofdbanken opkwamen.
De gevolgen bleven natuurlijk niet uit. Den 13 October 1G52 werd
Karel Schutgens (2), schepen der hoofdbank Meerssen, door zekere
Fransche soldaten, waarvan wij hierboven melding maakten, gevan-
gen genomen, en in „berghen en speloncken" vervoerd, zegt Wolter
van Meer in zijn dagboek. Na lang zoeken kwam men op zijn
spoor; na lange onderhandelingen en tegen een losgeld van 5158
gld. 5 st., werd hij uit zijne gevangenschap verlost (3).
Willem Stassen, bediende en boschwachter van Zijne Majesteit,
en Lemmen Raemaeckers ondergingen hetzelfde lot. Zij werden
gedurende 12 dagen in „berghen en speloncken" opgesloten, hevig
geslagen en verwond. Hunne invrijheidstelling geschiedde slechts ten
koste van groote sommen gelds, deels voor bodeloonen, deels voor
(1) Algemeen Rijksarchief Hr. (-eer. Esp. tU Mem. van 23 Nov. 1651.
(2! Slanghen noemt hem Schngens. AVij helben evenwel den naam Schutgens in verschillende
snikken geschreven gevonden.
(3) Kene memorie van den Sp. gezant, gedagteekend 12 Nov. 105Ï, zegt, dat het rantsoen van
SchMtgens 300 pistolen bedroeg.
-ocr page 75-
— 74 —
soldij der soldaten van Maastricht, door den Gouverneur dezer stad uit-
gezonden, om hem te zoeken. Zoo ging het ook met Mr Peter Franssen
en Nelis van Clermont, vaceerende ten platten lande in dienst van
Z. Maj. in de bank van Heerlen. Deze werden acht dagen gevan-
gen gehouden en moesten 80 patacons betalen voor rantsoen, dat
hun door den Spaanschen thesaurier generaal de 1\'Abbeye werd
verstrekt (1).
„Het was ook te dezer tijd", zegt meergemelde Slanghen, „dat
Jan Xijsten en Willem van Oensel, beiden schepenen der bank
Beek, op last van den luitenant voogd Pesters, binnen Maastricht
op het stadhuis in de gevangenis werden gezet.
„In ditzelfde jaar 1GÓ2 kreeg de schepen G. Wijnants van zijne
ambtgenooten last, om te \'s Gravenhage proces aan te hangen
tegen den drossaard van Till, tot afwering der feitelijkheden, die
deze was drijvende, zoo tegen gemelden Wijnants, als tegen zijne
mede-Schepenen, ambtgenooten en andere officieren van Zijne
Majesteit. De zoon van den schepen Wijnants had te dezer zake
drie volle maanden te \'s Hage gevaceerd en het zoo ver gebracht,
dat den drossaard van Till bij vonnis werd aanbevolen den sche-
pen Wijnants en anderen te laten ongemolesteerd".
Bij wijze van revanche namen de Spaansche officieren toen van
hunnen kant ook Staatschen gevangen en zetten hen op water en
brood. Dit had nochtans weinig uitwerking, aangezien de Staat-
schen er dan nog meer gevangen namen en daarbij door het sterke
garnizoen van Maastricht steeds op krachtigen steun konden reke-
nen (2). Deze gingen nog verder en dreigden met gevangenneming
van alle ambtenaren, die den eed van gehoorzaamheid aan de Repu-
bliek zouden weigeren. (3)
Wij zullen nu het tooneel van verwarring en ellende, die er in
Overmaas heerschte, voor eene korte wijle verlaten, om een blik
te slaan op de diplomatische verwikkelingen.
De spil, waar alles om draaide, was de oprichting der Cham-
bre my-partie. Voor de eene partij scheen zij een schrikbeeld, voor
de andere een reddende engel.
(1) SLANDURN, Ken blik op Valkenburg, p. 101 en i«2.
[tl mjüonderhpden hierover zijn (o vinden in slaxuuen : Ken blik op Valkenburg, p, 157
en vdIl\'.
(3\' Alir. RUksarsch. Br. t,. 214. Mem. van 12 Nov. 105Ï.
-ocr page 76-
— 75 —
De Staten generaal, ten einde de oprichting der gevreesde Kamer
nogmaals op de lange baan te schuiven, deden het voorstel, om te
voren eenige punten in der minne af te doen (1).
Reeds in het begin van dit jaar, den 16 Febr., schrijft de ge-
zant met betrekking hierop aan de Staten: „Il semble au sous-
signé Ambassadeur d\'Espagne sur la proposition et ouverture a
luy faitte par les SS1\'" députés de Mess. les Etats Gen. lundy
dernier, 12e du présent mois et an, de vouloir réciproquement
aviser, quelles difticultés de celles, dont Ie iugement doit estre
remis a la Chambre mi-partie, pourraient estre préalablement
traitées a 1\'amiable et par voye d\'accord" (2).
Onder deze vooraf te behandelen punten bevond zich ook de
questie over de landen van Overmaas „tant au possessoire, qu\'au
pétitoire" (3).
Het proefschrift over de Chambre-my-partie, door Van Hoog-
straten, is wel is waar niet onverdienstelijk, maar in vele opzich-
ten zeer onvolledig. Wij zullen trachten zijne gegevens zooveel
mogelijk aan te vullen.
In Maart drong Brun wederom aan op het oprichten der twee-
ledige kamer. In zijne toespraak tot de Staten Gen. in het
begin van het jaar had hij reeds gezegd, dat hij deze inrichting
beschouwde „comme un canal par oü nous pourons faire couler
et décharger toutes les mauvaises humeurs, qui autrement estant
retenues pouraient peut-ètre altérer en quelque facon la bonne
constitution de la paix" (4).
De Staten, zooals wij reeds zeiden, hadden evenwel geen oor
voor deze schoone woorden. Hij herinnerde daarom den 20 Febr.
de Heeren nogmaals aan hunne belofte, hem in hunne laatste
bijeenkomst gedaan, om namelijk zoo spoedig mogelijk af te doen
wat er nog te verrichten viel voor de volledige oprichting der
Kamer. Hij voegde er aan toe, dat hij van wege den koning, zijn
meester, nooit iets achterwege had gelaten, om de oprichting te
bespoedigen „d\'un ouvrage si salutaire et nécessaire (5).
il) Over doze punten zie Van Iloogestraten : Proeve eeuer geschiedenis der Chumbre-my-par-
tie. p. ïl.
{i; Algemeen Rijksarchief: ür. L. 214. Mem. van 1<> Jan. lo:>2.
13) Idem.
(4\' Ryksaivli. Br. I.. 228.
;r>) Al;;. Hyksaivh. Br. L. 214. Uit stuk behelsde ook eene klacht omtrent eenige goederen,
-ocr page 77-
— 76 —
Na nog eens den 27 April op de oprichting van de „Chambre-
my-partie" te hebben aangedrongen en gevraagd, dat men er de
instructie van opmake, werd deze eindelijk, zoowel als het leden-
tal en de eedsformulieren, den 12 Juli van weerszijden vastge-
steld (1) De rechters werden echter nog niet benoemd, noch de
Kamer opgericht, hoewel, nu de Instructie er was, de kans daartoe
gunstiger scheen. .
Vooral op aandringen der Staten Generaal, die steeds, wat de
Kamer betrof, uitstel verlangden, besloot men „7 poincten ende
articulen differentiael, voorcomende uyt het tractaet van vreede,
by amicabele conferentie tusschen den heer Ambassadeur van
Spaigne ende de Heeren Gedeputeerden van haere H. Mo." af te
doen (2).
Nummer één dezer punten zou zijn, volgens de St. Gen. zelven,
„de dispute ende controversiën ontstaen ende geresen ten opzichte
van de drie landen van Overmaze, te weeten Yalckenburgh, Dael-
hem en \'s Hertogen rade, die volgens het 3de articul van het trac-
taet van vreede souden moeten gerenvoyeert worden aen de „Cham-
bre-my-partie" omme aldaer gedecideert te worden (3).
Ofschoon de Gezant in het begin niet ongenegen was aldus
eenige zaken uit den weg te ruimen, betoonde hij ten slotte eeni-
gen tegenzin. De/,e ontsproot uit de weinig loffelijke manier van
handelen der Staatschen, die hunne ontvangers alweer gelast had-
den, om er de tienden en den eerstvolgenden oogst der kerkelijke
goederen in beslag te nemen. Hij vraagt, dat de H. H. Mo. dit
zouden verbieden, of wel „trouver quelque temperament pour y
subvenir (namelijk aan het onderhoud der geestelijken) attendant
toebehorende u:iu de abdij Sle <;<■ rlniiile Ie Leuven. Zij luidde als vols,\'! :
Pinalement Ie dit Ambassadeur prle cncorc I.I.. ss. de voulolr pour Ie bien de Justice, <t
ensiiite du traite\'1 de 1\'aix, ordonner que les biens et fruit?, qui en out esté levés, situés
dans leur jurisdii-tioti et drpeiidant de 1\'abbaye de Sle Gerlrude a I.ouvain, soyent relachés
et mis hors d\'uunotattou au profil de ladlte Abbaye. d\'aiiiaut plus que Ie Prélat d\'icellé a
fait voloutaire\'ment des oltïes livs avantajjeuses pour la stisientatiou des mhnstros predi-
cants, (pii pourruieut est re establis sar uucunes parties desdits biens; desorte qu\'il n\'y peut
avoir In nioindre difflrulté eu la restitution pretenduc piir ledit I\'relat selon les titres el
docunients par luy exhlbés, que ledit Ambassadeur a voulu voir el examiner attentative-
inent etc........
(1)  En niet, zooals do Heer Pelerln op bl. 13 van zijn reeds genoemd werk zegt, den 40
July 1653.
(2)  Als. RUksarch., Br. L. 204.
van Hoogstr. iu zijn genoemd proefschr. spreekt maar van (> punten.
(3)  ld.
-ocr page 78-
— 77 —
que la caus? soit décidée au principal par la Chambre-my-partie,
dont 1\'establissement et 1\'ouverture doit se faire en peu de iours" (1).
De gezant dacht misschien, dat, wijl de instructie voor de zoo lang
gewenschte Kamer vastgesteld was, deze zoo spoedig mogelijk in
werking zou treden, maar hij rekende buiten den waard. De
H. H. Mo. bleven aandringen op eene voorafgaande afdoening
van eenige punten.
Hij gaf daarop den 29 Juli te kennen, dat hij wel bereid was
dit voorafgaand accoord aan te nemen, zoodra H. H. Mo. de
landen van Overmaas in den toestand zouden gebracht hebben,
waarin zij waren, op het oogenblik, dat de vrede van Munster ge-
teekend werd ; „ce qui estant restabli, on pourra composer la dis-
pute et controverse survenue, avant que de la renvoyer a ladite
Chambrcmy-partie, pour y estre décidée"(2). Hij zegt, dat hij dit
doet, aangezien de commissarissen van H. H. Mo, die zich te
Maastricht bevonden, voornamelijk de heer Raesveltd, zooveel
nieuwigheden bij hunne aankomst hebben ingevoerd, o. a. dat
zij al de edelen van het land van Valkenburg wilden dwingen
den eed van trouw aan H. H. Mog. af te leggen, en dat zij de
kerkelijke goederen tegen eene niet meer af te koopen som in
admodiatie of pandschap gaven. En dat dit alles — hij noemt
daarbij het beslag op de inkomsten van de Calamine (3) —
gebeurt op het oogenblik, dat juist de beste maatregelen op afdoe-
ning der geschillen genomen zijn Hij voegt er dan ook terecht
aan toe „Que si sur semblables dispositions et incidcnts qui ren-
versent 1\'esscnce et nature du principal, il entrait en accomodement,
sans aucun remede préliminaire, il en pourrait estre blasmé et
désavoué" (4).
Wat er ook van zij, H H. Mog. hebben die voorafgaande ver-
gadering van gecomiteerden weten door te drijven. Zij had plaats
te Mechelen en had niet alleen ten doel de beslissing van het
Overmasche geding, maar ook ue regeling van het tarief der
rechten van dzn kant van Spanje en Nederland, te hellen op de
Schelde en in Vlaanderen.
(1) Als. Ki.jltsaivli.  Br. U. 211, Mem. van 15 .hini  105?.
[V Al:., lüjks.uvh.   Unix. Iblil. Mem. mui 21> Juli   ir,.v».
;3! Z\'e hier voren.
(li Al;,\'. Uljksaich.  M\\ I.. 214, Mem. van 20 .luli  1652.
-ocr page 79-
— 78 —
Deze vergadering verdient wel eenige aandacht, aangezien zij
van den eenen kant eene voorloopster is geweest van de eigenlijke
Chambre-my-partie en van den anderen kant weinig of geen licht
over haar bestaan en hare verrichtingen verspreid is. Wagenaar
alleen zegt van haar : „zij verrichtte weinig, omdat men elkande-
ren niet verstaan kon over de wijze van handelen".
Dat zij weinig of niets uitrichtte is juist; dat bekent Van Hoog-
straten ook, maar wat niet juist is en waar Van Hoogstraten over
zwijgt, dat is de reden, waarom zij niets uitrichtte. Laten wij, om
de zaak op te helderen, eerst de leden en de strekking dezer ver
gadering aangeven
Volgens een rapport, door Van Hoogstraten in het Rijksarchief
te \'s Gravenhage gevonden, zouden door de Staten generaal geco-
mitteerd geworden zijn de volgende vijf heeren : Jhr Amelis van
der Bouckhorst, heer van Wimmenum, Baljuw en Dijkgraaf van
Rijnland, eerste curator van de Leidsche Hoogeschool; Nicolaas
Verbolt, burgemeester van Nijmegen; Pieter de Huijbert, Raad en
Thesaurier van Middelburg; Jhr Alexander van der Capellen tot
Budeloff (Boedelhof) en Meervelt, heer van \'s Heeraartsbergeren,
Rigter der stad en van het ambt Doesburgh, en Al wijs van Hale-
wijn, oud-Raad der stad Dordt en gedeputeerde ter vergadering
van de Staten van Holland (2).
Wij betwijfelen echter de juistheid dezer lijst. Onzes inziens
behoort de heer Verbolt hier niet in aanmerking te komen.
Vooreerst komt zijn naam niet voor onder de handteekeningen
aan het slot van het rapport. Vervolgens zou het vreemd zijn, dat
tegenover vier Spaansche afgevaardigden vijf Staatsche zouden
staan, iets wat niet overeenkomt niet de verklaring van den
gezant in eene memorie aan de St. Gen. van 30 Sept. 1G62,
waarin hij woordelijk zegt, dat de conventie was „du nombre de
quatre de chacun cósté" (3).
Tegenover deze vier Ncderlandsche gedeputeerden stonden de
volgende vier Spaansche: Antoine PHermite, president van den
Grooten Raad van Mechelen; Johan Baptista de Stucker, Raads-
heer in het Hof van Gelderland; Verheijen, Raadsheer in den
(11 Waiikxaak. Ned. Hit>t. p. 87li.
(2)  Al de anderen waren Gedeput. der Stalen (ien.
(3)  Alg. R(Jksarch. Br. Secr. Esp. L. 214.
-ocr page 80-
— 79 —
Grooten Raad en Sponraey, Raadsheer en gewoon lid van de
Rekenkamer.
Blijkens het „pouvoir" door H. H. M. aan hunne Gedelegeerden
mede gegeven, dienden hunne conferentiè\'n „tot bevordering van
de ontlasting der rivieren, als anderszins" of zooals het „pouvoir"
van den Aartshertog Leopold het juister en meer omstandig uit-
drukte „pour y traicter par ensemble sur la cessation des charges,
qui durant les guerres passées ont esté imposées sur les rivières
de ces provinces, comme aussy sur Fégalité de celles des portes de
Flandres avec 1\'Escaut, et autres bouches de mer". Toen de Staat-
sche afgevaardigden de opmerking maakten, dat dit laatste „pouvoir\'\'\'
uit naam van den Aartshertog Leopold en niet uit dien des
Konings was afgegeven, zooals aan het hoofd ervan te lezen stond,
bewilligde de Aartshertog in het verzoek der Nederlandsche Ge-
deputeerden, om dit te veranderen.
De reden, waarom deze bijeenkomst tot niets leidde, was de
volgende : Nauwelijks was de vergadering bijeengekomen, of de Hol-
landsche afgevaardigde, de heer Awys van Halewijn, vertrok plotse-
ling, zonder de anderen hiervan kennisgegeven te hebben,„quoyqu\'ils
1\'ayent traicté avec toute sorte de civilitez (1). Twee andere Staatsche
afgevaardigden trokken ook naar huis, zoodat de Heer van Wimme-
num (Cornelis van Bouckhorst) nog overbleef. Deze verklaarde wel,
dat hij voldoende volmacht bezat, om alleen te onderhandelen, maar
aangezien er te voren bepaald was, dat er vier van weerszijden moes-
ten tegenwoordig zijn, hielden zich de Spanjaarden hieraan en wilden
niet met de onderhandelingen voortgaan. Daarenboven had de pro-
vincie Zeeland, tegen hare vroegere beloften en besluiten in, ver-
klaard, dat zij zich aan de besluiten dier Mechelsche vergadering
niet zou onderwerpen; zij had dien ten gevolge ook geenen afgevaar-
digde gestuurd, ofschoon zij in dit alles betrokken was. In deze
omstandigheden onderhandelen „ce serait traicter avec peu de cer-
titude et sécurité", zegt de gezant terecht (2). Hij verzocht H. H.
Mo. hunne afgevaardigden spoedig terug te zenden en de Spaanschen
te Mechelen niet zoo lang tevergeefs te laten wachten; dat indien
de vergadering ontbonden werd, dit de schuld zou zijn van
H. H. Mo. zelven, die ondanks hunne zoowel mondeling als
il) Alg. lUjksareh. Br. L. 214 Mem. van 30 Sept. 1G52.
[tj Alyem. Rljksarch. Br. L. 214. Mem. van 20 Sept. 1652.
-ocr page 81-
— 80 —
schriftelijk gesloten overeenkomst, dit het eerst gezocht hadden (1).
Zoo gebeurde het, en de bijeenkomst liep op niets uit. Den
29 Maart namen de Gedeputeerden, die nog over waren, van elkan-
der afscheid „en zijn wij", zoo luidt bovengemeld rapport, „alzoo
wederzijds met veel complimenten en gewoonlijke beleefdheden,
in zulke occasie gebruikelijk, van elkander gesepareerd, om aan
onze heeren principalen te refereren het gepasseerde in de voorz.
conferentie\'\'.
                                                                    •
Met de oprichting der Chambrc-my-partie zelve kwam het dit
jaar niet verder dan tot eenige „kleine remarques", die de heer
van Wimmersum den 2-4 Junij 1652 ter tafel van H. H. Mo.
bracht. Deze aanmerkingen waren door den secretaris van den
heer Brun gemaakt op de bewoordingen der Instructie en der
Commissie-formulieren. De Staten Gen. stemden toe hieraan te
voldoen (2).
Gedurende al deze onderhandelingen waren de Hollanders door-
gegaan met op hunne welbekende manier de drie landen van Over-
maas te besturen. Ofschoon de partijen in den Haag en te Mechelen,
voor dien tijd ten minste, ver van het betwiste terrein verwijderd
waren, werden zij nochtans van weerszijden goed ingelicht. De
Spaansche gezant scheen zelfs gewichtige inlichtingen over Over-
maas te ontvangen van een Hollandsen ambtenaar, Cuijlenbourg
genaamd, die naderhand, naar men meent, op aandringen en op de
aanwijzing van den ontvanger Padburg, werd gevangen genomen.
Men ziet uit een brief, dien de gezant hierover aan Wouter van
Meer schrijft, dat hij met die gevangenneming tamelijk in verle-
genheid geraakt is. ^Zie Bijlage n° !)). Deze wordt daarom verzocht
het gezantschap over de Overmasche gebeurtenissen op de hoogte
te houden, „en narrant Ie faict, comme il se sera passé, sans
exagération" (3).
De Staatschen hadden er een leger van hoogere en lagere amb-
tenaren, die steeds met de pen gereed stonden, indien er iets was
over te brieven, tot de commissarissen-deciseurs van Maastricht
toe, die den 23 Sept. van dit jaar in het 18de art. van hun rap-
port in bedenking gaven „of \'t regt van \'t kleynzegel niet en
(1 Ibidem.
(2) Va\\ Hooustkatkx. Proeve eener Gesch. eennr «Ch.-my-partle", p. 25.
(8) zie BUlage n. o.
-ocr page 82-
— 81 —
behoort ingevoert te worden in de landen van Overmaas, tot profyt
van een Protcstantsch Weeshuis te Maastricht (1).
Ook omtrent hèt financieele beheer der Spaanjaarden in de
landen van Overmaas, lieten de Staten zich nauwkeurig inlichten.
Zij richtten hiernaar de slotsom hunner eigen beden in die steeds
aanmerkelijk hooger waren dan die der tegenpartij (2) Als een
staaltje van dergelijke informatie geven wij als bijlage eene „om-
lage ende repartitie" over het land van Daelhem, op naam van den
Koning van Spanje, sedert 2 Mei 1652 tot 22 Üec. 1654 (\'zie Bijlage
n° 10). Zij kan als aanvulling dienen van hetgeen Slanghen op dit
punt uitgegeven heeft over het land van Valkenburg.
Dit rapport over de finantië\'n van het land van Daelhem werd
door Hans Willem van Till, staatsch Drossaard van dit land,
ingeleverd aan H. H. Mo., die het ter kennisgeving in handen
stelden „van hunne gedeputeerden tot de zaken van Overmaas „om
te visiteren, examineren ende daervan rapport te doen" (3).
( Wordt vervolgd).
\\\\) Rljksarch. Maastr. Resolut. 23 sept. 16M.
•2) Zie hiervoor Slanourn : «len blik op Valkenburg*\'.
(1) Alg. Rljksarch. \'sQruvenhoge Loketkns 44.