-ocr page 1-
M\'
V ^<
v-V».
5>/if - ^%;t\'*-
* /
■rf\'
t
*?
A
\'V"
4 \'-
v f\'
v*>
<
Kr
«
V
>
<4>:*
-ocr page 2-
Vy^vwx \\^>ÓZO
-ocr page 3-
H
\' i
<
-ocr page 4-
.
"
.
\'
/
; UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029498197B
2949 819 7
-ocr page 5-
\'. .^ -
J*
SCHETS
%
■I en f Ml GESCHIEDENIS.
NAAR HET HOOGDUITSttH
jderkiooster
W. PUTZ. ,nÜHaagweg
BEWERKT DOOK
Dr. E. ME HL EK.
ZESDE, HERZIENE DRUK
BEWERKT DOOR
J±. FEEITSTRA.
Leeretor a/d H. B. S. met fy\'ariffrii cursus te Gorinchem.
-—■ — >■■■»«■■» i
y£R
UTRECHT:
OOLt. thomaassC
•
GOttlNCHEM ,
J. NOOHDUYN en ZOON.
«•                               18 9 7.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
VOORBERICHT VOOR DEN ZESDEN DRUK.
De belangrijkste wijzigingen welke door de bewerking vau den
zesden druk aangebracht zijn, bepalen zich — behoudens kleine toe-
voegingen, weglatingen en veranderingen — voornamelijk tot een
uitvoeriger behandeling van Frankrijk en Engeland en een aanmerkelijke
besnoeiing van Duitschland. Ofschoon het mij, wilde ik niet een
geheel nieuwe Schets schrijven, niet altijd mogelijk was, de zaken zóó
voor te stellen als ik wel wenschelijk achtte, hoop ik toch, dat volgens
het oordeel van anderen, de Schets van Pütz door doze be-
werking in bruikbaarheid gewonnen heeft.
Gorinchkm, Sept. 1896.                                                         F.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
NIEUWE GESCHIEDENIS.
INLEIDING.
Op het einde der 15de en in het begin der 16de eeuw liepen
verschillende hoogst gewichtige gebeurtenissen samen, om den
staatkundigen zoowel als den zedelijken en maatschappelijken toe-
stand van Europa deels te wijzigen, deels geheel van aanzien te
doen veranderen ; daartoe behooren:
1)  De verovering van het Byzantijnsche rijk door de
Turken (voltooid in 1453), die nu voor langen tijd gevaarlijke
naburen voor het Zuid-Oosten van Europa werden. (Herleving
van de studie der klassieke letteren).
2)    De hervorming van het krijgswezen door het allengs alge-
meen wordend gebruik van het buskruit en de oprichting van
staande legers (het eerst in Frankrijk).
Reeds in de 13de eeuw was het gebruik van het bus-
kruit in verschillende gedeelten van Europa bekend, en de kennis
van het geschut, waarvan zich de Arabieren in Spanje reeds bij
het begin der 13de eeuw bedienden, kwam van daar het eerst
naar "Vlaanderen en voorts naar Frankrijk: hier leerden het de
Engelschen kennen, die met de Vlamingen tegen de Franschen
verbonden waren Onder Lodewijk XI werd in Frankrijk het
geschut verbeterd, iets later in Duitschland onder Maximiliaan I.
Daardoor verloor de persoonlijke dapperheid veel van haar waarde
en de ruiterij haar meerderheid; de infanterie won hoe langer
zoo meer in aanzien en belangrijkheid; zij bestond voornamelijk
uit burgers. Toen nu de massa\'s den oorlog begonnen te be-
slissen en deze in den dienst, en voornamelijk in de hanteering
van het geweer, geoefend moesten worden, ontstonden dien ten
gevolge de staande legers, het eerst in Frankrijk onder
Tütz, N. Gescb.                                                                     1
-ocr page 10-
2
K;i rol VII (1445. Francs Archers van de hun toegekende vrij-
heden), en weldra was iedere staat, die niet bij Frankrijk wilde
achterstaan, verplicht insgelijks tot het oprichten van staande
legers over te gaan.
3)   De uitvinding en spoedige verspreiding der boekdruk-
kunst deed wetenschappelijk verkeer tusschen de verschillende
natiën ontstaan, verspreidde beschaving onder alle klassen van het
volk en beveiligde de werken der letterkunde tegen den ondergang.
4)   Het herleven van kunsten (vooral der schilderkunst)
en wetenschappen en wel: a) van de klassieke letter-
kunde en de daarmede verwante wetenschappen, die door
Grieksche voor de Turken vluchtende geleerden naar het Westen
overgebracht, en door de boekdrukkunst verspreid werden, en
b) de toen eerst opkomende studie der natuurwetenschappen.
5)    De ontdekking van een nieuw werelddeel en van een
weg over zee naar de Oost-Indiën, die den wereldhandel
van landhandel (zoo als hij dat in de Middeleeuwen was geweest)
in zeehandel herschiep, en de hoofdzetels van dien handel ver-
plaatste. In stede van de aan de Middellandsche zee gelegen
landen, die in het vorige tijdvak hadden gebloeid, ging nu de
aldus gewijzigde wereldhandel op de volken over, die aan den
Atlantischen Oceaan woonden.
6)    De groote kerkhervorming, die zich over byna al
de staten van Midden- en Noord-Europa uitbreidde, werd door
een tijdvak van godsdienst- en burgeroorlogen gevolgd.
-ocr page 11-
EERSTE TIJDVAK
VAN DE ONTDEKKING VAN AMERIKA TOT AAN DEN
WESTKAALSCHEN (MUNSTERSCHEN) VREDE.
1492—1648.
§ 1, a.
Aardrijkskundig overzicht van Europa ten tijde der
Kerkhervorming.
1)    Portugal heeft het toppunt van macht bereikt: het bezit
onderscheiden zeesteden op de Noord-Westkust van Afrika; in
Azië stelt het zich in het bezit van de belangrijkste havens en
eilanden op de kusten van Indië, en zelfs van Macao in China,
en in Zuid-Amerika van Brazilië.
2)   In Spanje werden door het huwelijk van Ferdinand den
Katholieke en Isabella (1474) Arragon en Castilië vereenigd;
tot de Arragonsche landen behoorden ook de eilanden Sicilië en
Sardinië; daarbij kwamen (door verovering) Granada (1492), Napels,
Oran met de heerschappij over Barbarije, van de grenzen van
Marokko tot aan de groote Syrte, en het koninkrijk Navarre; de in
Amerika ontdekte landen (1493—1532) werden in bezit genomen
(behalve Brazilië) en het hertogdom Milaan werd bij het Spaansche
rijk ingelijfd. Daarenboven bezaten Karel V en zijn opvolgers
de Nederlanden met Luxemburg en het graafschap Bourgondië
(Franche-Comté). De meeste bezittingen op de Noordkust van
Afrika (1528—40) had men reeds aan de Turken moeten afstaan.
3)    In Frankrijk worden de twee nog van de kroon ge-
scheiden groote leenen Provence en Bretagne (1532) geheel met
de kroon vereenigd: Metz, Toul en Verdun (de drie Lotharingsche
bisdommen) aan het Duitsche rijk in 1552 ontnomen, en Calais
aan de Engelschen ontrukt (1558).
4)    In Duitschland, welks verdeeling in tien districten of
kreitsen later zal vermeld worden, bezat het huis Habsburg
de toen reeds bijkans erfelijk geworden keizerlijke waardigheid,
en waren van dat huis onmiddellijk afhankelijk: de geheele
-ocr page 12-
4
Oostcnrijksche kreits, het zoogenaamde Voor-Oostenrijk (Vorder-
oesterreich) aan den Boven-Rijn en in Zwaben, Bohemen
benevens Moravië, Silezië en de Lausitz, voorts tot op den afstand
van Karel V de Nederlanden met Luxemburg en Franche-Comté.
Daarbij kwam de kroon van Hongarije (1526): doch op de regee-
ring van dat land maakte eerst Johannes Zapolya aanspraak, en
na zijn dood (1540) handhaafden zich de Osmanen in het bezit
van een gedeelte daarvan, zoodat slechts het Noorden en het
Noordwesten aan Oostenrijk gehoorzaamden.
5)   Zwitserland had zich (bij den vrede te Bazel, 1499)
van het Duitsche rijk onafhankelijk verklaard, en het sedert het
midden der 14de eeuw uit 8 kantons bestaande bondgenootschap
werd in het N. vergroot door Solothurn, Schaff hausen, Bazel en
Appenzell, in het W. door Freiburg (13 kantons, die tot op het
laatst der 18de eeuw het eedgenootschap uitmaakten).
6)    Italië verkrijgt reeds, met betrekking tot de grenzen
zijner belangrijkste staten, allengs de gedaante, die het tot in
onze dagen had. Dat geldt voornamelijk van Beneden- en Midden-
ltalië, of van het koninkrijk Napels, den Kerkelij ken Staat,
Tos kan e en de republiek Lucca; Opper-Italië bevatte de her-
togdommen: Modena, Parma, Savoye benevens Nizza en
Piemont, Mantua met Montferrat en de republieken: a) Venetië,
dat ook het noordoostelijk gedeelte van Italië (terra firma, tot
Bergamo en Brescia) bezat, voorts Istrië, daarbij de kusten van
Dalmatië en Albanië, terwijl het zich tegen de Turken in het
bezit van de Ionische eilanden, Candia en Cyprus staande hield.
b) Genua, dat door Andreas Doria van de Fransche heerschappij
verlost word (1528), en van zijn buitenlandsche bezittingen alleen
nog Corsica behouden had. — Tot Spanje behoorden: Sicilië,
Napels (sedert 1504), later (sedert 1540) ook Milaan.
7)    Engeland met Ierland en de Normandische eilanden
(tot 1558 ook Calais).
8)  Schotland (1603 met Engeland vereenigd).
9)  Scandinavië was, ten gevolge van de ontbinding der Unie
van Calmar, in twee rijken verdeeld: a) Denemarken met
Noorwegen, het zuidelijk gedeelte van Zweden, Gothland en IJs-
land, b) Zweden benevens Finland.
10)   Oost-Pruisen kwam als wereldlijk hertogdom, doch als
-ocr page 13-
5
Poolsch leen, aan het huis Hohenzollern, dat tevens in Duitschland
de mark Brandenburg bezat.
11)  Lijfland, Koerland en Es th land vormden het gebied
van de Zwaard-orde.
12)  Polen en Litthauen met West-Pruisen was de
machtigste staat in het Oosten van Europa, en strekte zich van
de Oostzee tot aan de Zwarte zee uit.
13)  In Rusland hield zich van alle Tartaarsche staten nog
alleen het Khanaat van de Krim staande.
14)  Het rijk der Osmanen strekte zich in Azië tot aan de
Perzische golf uit, en won in Afrika Egypte en Barbarije; in Europa
bevatte het, behalve het grootste gedeelte van het Grieksche schier-
eiland, Moldavië, Wallachije en Zevenburgen als grensprovinciën,
en Hongarije, met uitzondering van het noordelgk en noordweste-
lijk gedeelte.
§ 1, b.
De ontdekkingen, veroveringen en volksplantingen der
Europeanen in vreemde werelddeelen.
Om aan de Arabieren en aan de republikeinen van Italië, vooral
aan de Venetianen, den handel op de Oost-Indiën te ontnemen ,
trachtten zoowel de Spanjaarden, als de Portugeezen een
weg over zee naar de Oost-Indiën te vinden. Beiden beproefden
dat in een tegenovergestelde richting, de eersten naar het Westen,
de laatsten naar het Oosten.
1) Ontdekkingen en veroveringen der Spanjaarden.
Reeds omstreeks het jaar 1000 was de oostkust van Noord-
Amerika (Newfoundland, Nieuw-Schotland en Nieuw-Engeland) uit
Groenland door Noormannen ontdekt, en nog in de 14de eeuw
bestonden er verbindingen tusschen Groenland en het Amerikaansche
„Winland". Ondanks die ondekking kon Christophorus Co-
lumbus (Colon, geb. 1456 te Genua) tijdens zqn verblijf op IJs-
land niets zekers van dat nieuwe vasteland in het westen vernemen.
-ocr page 14-
6
Ten gevolge van verschillende aanwijzingen in de werken der oud-
heid en der middeleeuwen vatte hij het ook reeds door anderen
geopperde plan op, door een vaart naar het Westen een nieuwen
weg naar het Oosten van Azië te zoeken. Maar noch bij de Por-
tugeezen, die met dergelijke ondernemingen dweepten, noch in
Genua kon hij voor dien tocht eenige ondersleuning vinden Nu
deelde hij zijn plan aan het Spaansche hof mede, en na gedurende
onderscheiden jaren veel vruchtelooze pogingen te hebben aangewend,
vond hij hulp bij koningin Isabella van Castilië (ten tijde van de
verovering van Granada) en kreeg hij tevens zijn benoeming tot
onderkoning van alle landen en eilanden, die hij ontdekken zou.
Met drie kleine schepen zeilde hij (3 Augustus 1492) van Palos ,
een haven van Andalusië, uit, landde na een gevaarlijken tocht
(den 12den October) op het eiland Guanahani (een der Bahama-
cilanden), dat hij San Salvador noemde, en ontdekte ook nog de
eilanden Cuba en Haïti (Hispaniola). Op zijn tweede re\'lS (1493—
1496) ontdekte hij sommige van de kleine Antillen , als ook Por-
torico en Jamaica; op de derde (1498 — 1500) het eiland Trinidad
en het vasteland aan den mond van den Orinoco. Maar in zijn
afwezigheid werd hij aan het hof belasterd , en de ridder Frans
van Bovadilla, die hem nagezonden was, deed hem (van Haïti)
in ketenen geklonken naar Spanje terugbrengen. Na zijn bevrij-
ding ondernam hij nog eene vierde reis (1502 —1504J, waarop
hij vruchteloos een doortocht naar de Zuidzee zocht, doch het
vasteland van Midden-Amerrka (bij kaap Honduras) ontdekte, dat
hij voor den oostelijken rand van Azië (Malakka) hield. Diep
gegriefd en gewond door de smart over de ondankbaarheid. die
hij ondervond, stierf hij te Valladolid (1506), en werd met zijn
boeien begraven.
Het nieuw ontdekte werelddeel verkreeg zijn naam naar den
Florentijn Amerigo Vespucci, die deels door de snoevende
berichten, welke hij in Duitschland en Frankrijk over zijn reizen
en ontdekkingen verspreidde, deels door de uitgave van de eerste
kaart der nieuw ontdekte streken aanleiding gaf, dat het nieuwe
land naar hem genoemd werd, ofschoon hij zelf nog, even als
Columbus, de door hem ontdekte kustlanden van Zuid-Amerika
voor een gedeelte van Oost-A zië hield (dat men een nieuw wereld-
deel en niet Oost-Indië gevonden had, werd eerst waarschijnlijk,
-ocr page 15-
7
toen in 1515 Balbóa de Zuidzee aan gene zijde der landengte van
Panama had gezien, en het werd metterdaad aangetoond door
Magelhaens, die de Zuidzee overstak).
De bewoners van Amerika waren in zeer vele verschillende
stammen, onder de aanvoering van Caziken, verdeeld. Boven de
anderen muntten uit:
1)    Het rijk der Azteken op het hoogland van Mexico, met
een schrander ontworpen, zuiver monarchale staatsregeling, voor-
treffelijk bebouwd land, uitgebreide nijverheid, beeldschrift en
nationale poëzie, maar ook een verschrikkelijken, talrijke men-
schenoffers eisenenden afgodendienst.
2)    Het rijk der Inkas op de hooglanden van Cuzco en
Quito (Peru) met een godsdienst vol streng ceremonieel, zeer ont-
wikkelde staatsinstellingen en bewonderenswaardige bouwwerken.
De Spanjaarden veroverden in 1511 Cuba. Van Cuba landde
Ferdinand Cortez (1519) in het rijk van Mexico, dat
door Montezuma geregeerd werd. Zonder tegenstand te ontmoeten,
drong hij tot in de hoofdstad dooi- en nam den koning gevangen.
Maar weldra maakten zich de Spanjaarden door hunne wreedheid
gehaat, en toen Cortez te stad verlaten had, om Narvaez, die
tot zijn opvolger benoemd was, te gemoet te gaan, vond hij bij
zijne terugkomst grooten tegenstand. Montezuma\'s dappere neef
en opvolger Guatimozin stond aan het hoofd der oproerigen.
Evenwel veroverde hij op nieuw de hoofdstad, en de provinciën
onderwierpen zich evenzeer (1521). Met dat op die wijze ver-
overde rijk vereenigde hij nog Guatamala, en werd door Karel V
met het stadhouderschap over al die gewesten bekleed, welke hij
Nieuw-Spanje noemde. Reeds ging hij zwanger van het plan,
om van hier een weg naar Oost-Indië op te sporen, toen Karel V,
naijverig op de macht van zijn stadhouder, haar verdeelde, en
aan Cortez slechts de leiding der krijgszaken in Nieuw-Spanje
overliet. Nadat hij nog het schiereiland Californié (1535) ontdekt
had, keerde hij naar Spanje terug, waar hij uit droefheid over
de ondankbare behandeling, welke hij van zijn meester ondervonden
had, te Sevilla stierf.
Intusschen had de Portugees Ferdinand Magelhaens, die
in Spaanschen dienst was, door de naar hem genoemde straat (de
straat Magelhaens) een doortocht naar de Zuidzee, die hij den
-ocr page 16-
8
stillen Oceaan noemde, gevonden. Hij werd op een der Philip-
pijnsche eilanden (Manilla-eilanden; hun nieuwen naam kregen zij,
toen zij onder Philips II door de Spanjaarden in bezit waren ge-
nomen) gedood, maar zijn manschappen (althans één schip) vol-
brachten de eerste reis rondom de wereld (1519—1522).
Nadat Balbóa het eerst (1515) de Zuidzee gezien had, ontdekten
en veroverden (1526—1531) Frans Pizarro en d\'Almagro
uit Panama het goudrijke Peru. (De rijken van Quito en Cuzco
waren toen vereenigd). In zijn plannen werd hij begunstigd door
een strijd om den troon tusschen twee broeders (Huascar en
Atahualpa). Hij legde de grondslagen tol een nieuwe hoofdstad,
later Lima genaamd. d\'Almagro ondernam (uit Cuzco) een
stouten en gevaarlijken tocht over de hoogvlakte tusschen de
Andesketenen en bereikte Chili. Hierbij voegde de in Spaanschen
dienst overgegane Cabot (z. bl. 10) de La Plata-landen. Sedert
1536 werden Venezuela en Nieuw-Granada, eindelijk ook Florida
en de naburige landen bemachtigd, zoodat de Spanjaarden aan
gene zijde van den Oceaan een zeldzaam rijk land van 200,000
vierkante mijlen bezaten, en, behalve Brazilië en Guyana, geheel
Zuid-Amerika aan zich onderworpen hadden.
Het bestuur over deze provinciën was in Spanje aan een »Raad
van Indië" opgedragen, die Ie Madrid zetelde, en in Amerika aan
twee, later drie onderkoningen (van Mexico, Peru en Nieuw-Gra-
dana). In \'t eerst bepaalde zich het voordeel, dat men van deze
veroveringen had, alleen tot de opbrengst der talrijke uiterst vrucht-
bare goud- en zilvermijnen. Sedert de edele Dominicaner-monnik
Las Casas als verdediger der rechten van de inlandsche Indianen
opgetreden was, bezigde men tot dat werk gekochte negers uit
Afrika. Alleen naar Spanje werden de voortbrengselen der kolo-
niën overgebracht, en omgekeerd ontving men in de volkplantingen
alleen uit Spanje (en wel uit de eenige haven Sevilla) de Euro-
peesche produkten. Door de opbrengsten der koloniën verblind ,
verloren de Spanjaarden uit hebzucht hun eigen belang uit het
oog, terwijl zij door de stelselmatige uitsluiting van alle kleurlin-
gen en de bemoeilijking der in de koloniën gevestigde Europeanen,
nijverheid en landbouw in hun buitenlandsche bezittingen ver-
waarloosden.
-ocr page 17-
9
2) Ontdekkingen en bezittingen der Portugeezen.
De lust tot ontdekkingsreizen wei-d bij dit volk vooral aange-
moedigd door den infant Hendrik den Zeevaarder. In 1415
bereikte men kaap liojador, in 1419 Madeira; vervolgens werden
de reeds bekende Canarische en de A/.orische eilanden bezet. Later
leerde men de Kaap-Verdische eilanden en de goudkust kennen ,
en in 1486 ontdekte Bartholomeüs Diaz de Stormkaap (Kaap de
Goede Hoop). Sedert werden onder koning Johan II geen pogin-
gen tot verdere ontdekkingen gedaan. Eerst op de tijding van
Columbus\' tochten en ontdekkingen vernieuwde koning Emanuël
de Groote de poging, om over zee naar de Oost-Indien te komen.
Die weg werd gevonden door Vasco de Gama, die in 1498
te Calicoet, op de kust van Malabar, landde. De Portugeezen
sloten daar met de kleine vorsten, die in onmin met elkaar
leefden, verbonden, waarbij deze het oppergezag van Portugal
erkenden, en de uitstekende onderkoningen Frans van Almeida
en Alfonsus d\'Albuquerque bevestigden door een reeks van
forten en handelsfactorijen (van de Oostkust van Afrika tot het
schiereiland Malakka en de Molukken) de Portugeesche heerschappij
in Oost-Indië, waarvan Goa het middelpunt was; de vloten der
Portugeezen beheerschten alle zeeën van West-Afrika tot de Zuidzee.
d\'Albuquerque stierf vergeten in 1515. Spoedig strekten zich hun
bezittingen zelfs tot de kust van China uit, waar hun Macao
werd afgestaan, en van hier wees een storm hun den weg naar
Japan (Nieuw-Guinea, Nieuw-Holland, 1540), dat zijn havens
bereidwillig voor den invoer van Europeesche en Indische waren
opende en welks bewoners (door Jezuiten, Franciscus Xaveiïus,
1549—1551) grootendeels tot het Christendom bekeerd werden.
Sedert de vereeniging van Portugal met Spanje begonnen de buiten-
landsche macht en de buitenlandsche handel zeer spoedig te dalen;
de Indische bezittingen werden grootendeels eigendom der Hol-
landers, die de Portugeezen ook uit Japan verdreven. — Naar
Brazilië, dat door Ga bral op een tocht naar de Oost-Indiën
door een afwijking naar het Westen toevallig ontdekt was (1500),
werden eerst later volkplantingen overgebracht.
3) Vestiging en veroveringen der Hollandsche Compagnieën.
Toen Philips II van Spanje, door de verovering van Portugal
-ocr page 18-
10
(1580), ook meester van de Portugeesche bezittingen gewor-
den was, en aan de Hollanders, die tegen de Spaansche heer-
schappij waren opgestaan, den tusschenlmndel in Oost-Indische
waren (uit Lissabon) verboden had , gingen deze zelven naar
Oost-Indië (Cornelis Houtman, Olivier van Noort. Aanvankelijk
vermeden zij de bezittingen der Portugeezen en landden op de
Soenda-eilanden. In 1602 ontstond de Oost-Indische com-
pagnie, een maatschappij, welke in den staat gevestigd, maar
daarvan grootendeels onafhankelijk was. Zij handelde in naam
van de Staten-Generaal, bezat het recht van oorlog en vrede (in
de Indische wateren), benoemde bevelhebbers, wierf krijgsvolk
en oefende op haar terrein een bijna onbeperkt gezag uit. Om
in alle voorkomende gevallen dadelijk te kunnen voorzien, en opdat
de belangen der compagnie in Oost-Indië zelve naar eisch zouden
worden behartigd, werd in 1610 de eerste Gouverneur-Generaal
benoemd (Pieter Both). Later werd Batavia, op de puin-
hoopen van Jacatra gesticht, de zetel van den landvoogd en het
middelpunt van den handel tusschen Europa en Indië (Jan
P i e t e r s z. Koen). Spoedig verdrongen de Hollanders de Por-
tugeezen uit de Indische wateren. Zy ontnamen hun de Molukken (
Malakka, Ceylon, Celebes, verdreven hen uit Japan, vervolgden
hen eindelijk tot op de kust van Malabar en Coromandel, en
veroverden daar hun aanzienlijkste plaatsen. Eerst veel later
(1778) kwam daarbij een gedeelte van de Westkust van Borneo. —
Omstreeks het midden der 17de eeuw ontdekten de Hollanders
ook het vasteland van Australië, de eilanden van Diemensland
(Tasmania) en Nieuw-Zeeland. In 1621 werd voor den handel
op de West-Indiën insgelijks een compagnie opgericht, die
zich echter niet tot de West-Indiën bepaalde, maar haar werk-
zaamheden ook tot Nieuw-Nederland, Brazilië en de Westkust van
Afrika uitbreidde en waaraan dezelfde voorrechten als aan de Oost-
Indische werden toegekend.
4) Be Venetianen Cabot (vader en zoon), die in Engelschen
dienst (Hendrik VII) waren, vernieuwden de ontdekkingen der
oude Noormannen en landden (1496—98) op de Oostkust van
Noord-Amerika (Labrador). Te vergeefs zoclit men uit Engeland
eene noordelijke doorvaart naar Oost-Indië: Brake eene noord-
westelijke, Hudson eene noordoostelijke.
-ocr page 19-
11
Koningin Elisabetli gaf in 1600 aan een vereeniging van Lon-
densche kooplieden het uitsluitend privilegie voor den handel op
Oost-Indië. Deze stichtten eenige koloniën op de kusten van
Malabar en Coromandel, later ook op de Indische eilanden. Onder
Jakobus I namen twee andere Engelsche maatschappijen de kolo-
nisatie van de kust van Noord-Amerika op zich (Virginië).
5) De Franse hen breidden hunne bezittingen in Nieuw-
Schotland en in Canada uit.
§2.
De kerkhervorming.
1) IN DUITSCHLAND.
De voornaamste aanleiding tot de groote kerkhervorming in
Duitschland gaf de ontevredenheid over de wijze, waarop de
Dominicaner-monnik Johan Tetzel, die op last van aartsbisschop
Albrecht van Mainz Duitschland doortrok, allaten verkocht. Het
geld voor die aflaten was door paus Leo X bestemd voor de
voltooiing der prachtige St. Pieterskerk te Rome. Dit misbruik
noopte Dr. Maarten Luther (geboren te Eisleben 1483, Augus-
tijner-monnik en sedert 1508 hoogleeraar in de godgeleerdheid
aan de pas gestichte hoogeschool te Wittenberg, in 1510 door
zijn orde naar Rome gezonden), om den 31 October 1517 aan
de slotkerk te Wittenberg vijf en negentig stellingen (theses)
aan te plakken (voornamelijk tegen de onwaardige en overdreven
aanprijzing van den aflaat), welke hij aanbood tegen iedereen te
verdedigen. De paus ontbood hem (binnen 60 dagen) naar Rome,
ten einde zich te verantwoorden, maar op voorspraak van den
keurvorst Frederik den Wijze en van de universiteit Wittenberg
gaf hij toe, dat de zaak in Duitschland , op den toen te Augs-
burg vergaderden rijksdag, door een pauselijk gemachtigde, den
kardinaal Cajetanus, zou worden beslecht. Maar deze kon Luther
niet bewegen zijn stellingen onvoorwaardelijk te herroepen, de
later gezonden kamerheer Karel van Miltitz kon hem slechts tot
de belofte brengen, dat hij over de betwiste leerstellingen zou
zwijgen, en ook een geleerde disputatie, welke Dr. Eek, hoog-
leeiaar in de godgeleerdheid te Ingolstadt, met Luther te Leipzig
-ocr page 20-
12
hield (1519), bracht geen toenadering te weeg: integendeel ver-
wijderde zich Luther al meer en meer van de leerstellingen der
katholieke kerk (uit dien tijd zijn zijn geschriften: „Aan den
Christelijken adel van Duitschland" en „Over de Babylonische
gevangenschap der kerk". Op voorstel van Eek verscheen nu
een bul, die 41 uit Luthers geschriften afgeleide stellingen als
kettersch verwierp, en hem met den kerkdijken ban bedreigde,
als hij zijn leer niet binnen 60 dagen herriep. Deze bul, bene-
vens het ius canonicum en de geschriften van Eek, werd
door Luther buiten de Elsterpoort te Wittenberg (10 Dec. 1520)
verbrand, waarop hij en zijne aanhangers nu werkelijk in den
kerkdijken ban werden gedaan. Toen Karel V zijn eersten rijks-
dag te Worms hield (1521), werd ook Luther onder verzekering
van vrijgeleide daarheen ontboden, en toen hij weigerde zijn leer
te herroepen, in den rijksban gedaan. Doch dit werd door het
edict van Worms eerst bekend gemaakt, toen Luther reeds op
den Wartburg bij Eisenach was aangekomen, waar hq zich bezig
hield met den Bijbel in het Hoogduitsch te vertalen.
Maar reeds had hij de harten des volks voor zich gewonnen,
en de rijksridders stelden hun wereldlijke en geestelijke wapenen
tot zijn beschikking (Ulrich von Hutten; Frans von Sickingen).
Maar zijn trouwste en voortreffelijkste helper bij het geheele werk
der hervorming was de geleerde Philips Melanchthon
(Schwarzerd).
Toen de onberaden ijver der volgelingen van Luther (Carlstadt
e. a.) onlusten verwekte en voornamelijk de te Zwickau ontstane
secte der wederdoopers aanleiding tot ergerlijke dwalingen gaf,
verliet Luther den Wartburg en gaf aan den eeredienst volgens
zijn leer een vasten vorm. Die nieuwe leer vond spoedig be-
lijders, eerst in het keurvorstendom Saksen, in Hessen en in
Pruisen, waar de grootmeester der Duitsche orde, Albrecht van
Brandenburg, door Luther zelven voor zijn leer gewonnen, en
zijn land (Oost-Pruisen) met toestemming van zijn leenheer, den
koning van Polen, in een wereldlijk hertogdom herschiep (1525).
Intusschen hadden de boeren in Zwaben en aan den Rijn (de
Bundschue in Elzas, de arme Koenraad in Zwaben), die
door heerendiensten en nieuwe belastingen zwaar gedrukt werden,
Luthers redeneeringen over evangelische vrijheid en gelijkheid ver-
-ocr page 21-
13
keerd begrepen. In de zoogenaamde twaalf artikelen verlangden
zij vrijheid van jacht, van visscherij, van houtkappen, afschaffing
van lijfeigenschap en van de nieuwe belastingen, het recht om
hun predikers te kiezen, enz. De afwijzing dier eischen verwekte
den boerenkrijg (1525), die zich even snel als vernielend uit
Zwaben over de Rijnstreken en Frankenland verspreidde. Eenige
adellijken werden door de boeren gedwongen hun de verlangde
rechten toe te staan. Luthers pogingen tot verzoening mislukten,
en toen de vorsten en de Zwabische bond hun welgeorderde
strijdbenden tegen hen overstelden, moesten de slecht gewa-
pende en ongeoefende boeren voor hen onderdoen, ofschoon
dappere ridders, zoo als Götz van Bedieningen met de yzeren
hand, deels gedwongen, deels vrijwillig, hun aanvoerders ge-
worden waren.
Op gelijke wijze leed de opstand des volks in Thüringen
schipbreuk, die door den fanatieken wederdooper Thomas Münzer
verwekt was. Deze maakte zich in Mühlhausen met behulp van
het gepeupel van de regeering der stad meester, plunderde de
kloosters, predikte afschaffing van vorsten, heeren en priesters,
gemeenschap van goederen en het recht der armen op onderstand
van de rijken. Maar de vorsten, die het eei-st bedreigd werden
(de hertogen van Saksen en Brunswijk en de landgraaf Philips
van Hessen), versloegen zijn aanhang, die op den bijstand des
hemels rekende, bij Frankenhausen, en de aanvoerders (ook
Münzer) werden gevangen genomen en onthoofd (1525). Deze
opstanden maakten wel angstigen en kortzichtigen afkeerig van
de hervorming, maar belemmerden haar vorderingen niet, ja zij
droegen er zeer veel toe bij, dat aan de gegronde klachten en
bezwaren van den minderen man door de hooger geplaatsten zelven
te gemoet werd gekomen. Ondertusschen breidde de hervorming
zich hoe langer zoo meer uit. Verscheidene vorsten en eenige
rijkssteden traden tot de hervorming toe en sloten het evangelisch
vorsten verbond van Torgau (1526).
Terwijl liuitenlandsche oorlogen het den keizer onmogelijk maak-
ten, den voortgang der hervorming te stuiten of zelfs te storen,
voltooide Lutlier de herschepping der kerk zelve. — De beelden-
dienst werd afgeschaft, eveneens het misoffer en het coelibaat
(Lulher zelf trad in 1525 in den echt met de non Katbarina van
-ocr page 22-
14
Bora) en tevens Hoogduitsche prediking en kerkgezang ingevoerd.
Christelijke kerken werden opgericht, de Catechismus van Luther
bevatte de grondstellingen der nieuwe leer, de goederen en in-
komsten der kerk werden met nauwgezetheid in het belang van
kerk en school besteed. De vorsten, die de hervorming hielpen
verbreiden, verkregen natuurlijk ook het kerkelijk opperbestuur.
Bij het uitbarsten van een oorlog met de Turken had Ferdinand,
des keizers broeder, een rijksdag te Spiers (1529) bijeenge-
roepen, deels om hulp tegen de Turken te verkrijgen, deels om
de godsdienst-aangelegenheden, althans voorloopig, te regelen.
Daar hier het edict van Worms bekrachtigd, en iedere afwijking
in kerkelijke of godsdienstzaken tot de eindbeslissing door een
algemeene kerkvergadering met nadruk verboden werd, leverden
de belijders der nieuwe leer een formeel protest in, naar hetwelk
zij in het vervolg den naam van Protestanten verkregen.
(Johan de Standvastige, na den dood van Frederik den Wijze,
de beschermer van Luther). In het volgende jaar (1530) keerde
de keizer eindelijk naar Duitschland terug, en riep een rijksdag
te Augsburg bijeen, om zijn broeder Ferdinand tot Roomsch
Koning te doen kiezen (en al\'/oo de keizerlijke waardigheid in zijn
huis te bestendigen), en de kerkelijke aangelegenheden te regelen.
Daar dienden de protestanten hun geloofsbelijdenis in, de door
Melanchthon opgestelde Augsburgsche Confessie (1530).
Van dien tijd af had de hervorming een stellig karakter.
Toen alle pogingen tot hereeniging zonder gevolg bleven, beval
een keizerlijk rijksbesluit de opheffing van alle nieuwigheden. Tot
de bijeenroeping van een algemeene kerkvergadering moesten allen
onvoorwaardelijk tot de leer en de gebruiken der katholieke kerk
terugkeeren. Maar de protestantsche vorsten (Philips van Hessen,
Johan de Standvastige van Saksen enz.) en rijkssteden (zooals
Maagdenburg) verbonden zich te Smal ka ld en (1531) tot weder-
keerige bescherming tegen de maatregelen, welke het rijkskamer-
gericht reeds begon te nemen, en weigerden den keizer alle
hulp tegen de Turken. Daardoor was deze wel genoodzaakt bij
den godsdienstvrede te Neurenberg (1532) het Augs-
burgsche rijksbesluit in te trekken en te bepalen dat er tot de
bijeenkomst van het concilie of den eerstvolgenden rijksdag vrede
-ocr page 23-
15
tusschen den keizer en de standen zou zijn. Van hun kant be-
loofden de protestanten den keizer hulp tegen de Turken.
Spoedig werd de rust andermaal door de wederdoopers ge-
stoord. Deze reeds bij het begin der hervorming ontstane secte,
die met de uitwendige vormen van den godsdienst de grondslagen
der burgelijke maatschappij dreigde te vernietigen, scheen sedert
den dood van Thomas Münzer uitgeroeid te zijn, toen zij plotse-
ling te Munster op een schrikbarende wijze weder voor den dag
kwam. Eerst had haar leer daar door den prediker Rottmann
ingang gevonden, met wien de bisschop in 1531 een soort van
godsdienstvrede had gesloten. Maar een profeet dier secte, de
bakker Jan Matthijsz. uit Haarlem, kwam met zijn trouwsten
apostel Jan Beukelszoon (vroeger kleermaker, later kastelein en
dichter) uit Leiden (1535) naar Munster; zij verdreven met hun
aanhangers de overheden, voerden gemeenschap van goederen in,
en maakten zich meester van de stad, die nu het tooneel der
ongehoordste losbandigheden en misdaden werd. Nadat Matthijsz.
bij een roekeloozen uitval uit de stad, die door den bisschop
belegerd werd, gesneuveld was, werd Beukelszoon tot koning van
het „nieuwe Sion" uitgeroepen. Deze zond zijn apostelen naar
alle kanten, en voerde nevens de gemeenschap van goederen ook
polygamie in. De bisschop, door eenige vorsten ondersteund,
veroverde de uitgehongerde stad; Beukelszoon met zijn volgelingen
Knipperdolling en Krechting werden na schrikkelijke folteringen
ter dood gebracht, en de katholieke godsdienst werd in de stad
hersteld.
Nadat Karel met Frankrijk vrede, en met de Turken een
wapenstilstand gesloten had, trachtte hij ook de eenheid in
Duitschland te herstellen. Het algemeen concilie, waarvan
men zoo veel gesproken had, werd eindelijk kort voor Luthers
dood (-J- 1546) te Trente geopend. Maar daar de protestanten
begrepen, dat de meerderheid der vergadering uit tegenstanders
der nieuwe leer zou bestaan, weigerden zij, op Luthers raad, het
te bezoeken, en verlangden een concilie van de Duitsche natie.
Toen de beide hoofden van het Smalkaldisch verbond, de keur-
vorst (Johan Frederik) van Saksen en de landgraaf Philips van
Hessen, den landvrede herhaaldelijk verbroken hadden, deed Karel
hen in dun ban, en begon, verbonden met den paus en met den
-ocr page 24-
16
hertog van Beieren en geholpen door den Lutherschen hertog
Maurits van Saksen, die hij door de belofte der keur-vorstelijke
waardigheid voor zich had weten te winnen , den S in a 1 k a 1
dischen Oorlog (1547). De besluitelooze vorsten volgden
tot hun eigen nadeel niet den raad van hun voortvarenden veld-
heer Schartlin op, die aan \'s keizers Italiaansche troepen den
toegang tot Duitschland wilde beletten. De keurvorst van Saksen
werd door den keizer en Al va bij Mü hl berg aangevallen (1547),
gevangen genomen en gedwongen de keurvorstelijke waardigheid
en de meeste zijner landen aan hertog Maurits af te staan. (Ca-
pitulatie van Wittenberg). Zoo ging de keurvorstelijke waardigheid
voor altijd uit de li nie van Ernst op die van Albert over (m. z.
pag. 17). Uit die deelen van het keurvorstendom, welke Maurits
aan de kinderen van den gevangen keurvorst moest overlaten
(Weimar, Jena, Gotha, Eisenach, Coburg), zijn later de tegen-
woordige Saksische hertogdommen ontstaan. Ook de landgraaf
onderwierp zich aan den keizer; te Halle wierp hij zich aan de
voeten van den keizer, bad om vergillenis, en behield zoo zijn
landen, doch moest, even als de keurvorst, den keizer als ge-
vangene (naar de Nederlanden) volgen. Alzoo was Karel, zoo hij
meende, op het toppunt van macht en luister aangekomen, en
wilde hij den protestanten het Interim (priesterhuwelijk en het
gebruiken van den beker bij het avondmaal geoorloofd, maar
behoud van de katholieke leer en kerkordening) opdringen (1548).
Toen evenwel de keurvorst Maurits den keizer te vergeefs ge-
smeekt had zijn schoonvader, den landgraaf van Hessen, uit zijn
gevangenschap te ontslaan, ging hij in stilte tot de partij zijner
geloofsgenooten over, en sloot een verbond met Hendrik II van
Frankrijk, die de tot het rijk behoorende Lotharingsche bisdommen
Metz, Toul en Verdun bezette. Door den keizer, die van zijn
ommekeer nog onbewust was, met de tuchtiging der stad Maag-
denburg belast, die het Interim niet had willen aannemen, sloot
hij een capitulatie met deze stad, maar behield onder eenig
voorwendsel het leger nog onder zijn bevel. Toen nu Hendrik II
in Lotharingen was binnengevallen, en de Turken een inval in
Hongarije deden, brak hij naar het Zuiden van Duitschland op.
Men beschuldigden den keizer, die zich te Innsbruck bevond, van
herhaalde schending zijner vroeger gesloten overeenkomsten en
-ocr page 25-
17
van onderdrukking der vrijheid van het rijk, en Maurits wilde
hem gevangen nemen. Ter nauwernood had Karel tijd des nachts
naar Villach in Karinthië te vluchten. Zijn broeder Ferdinand,
die de hoop, om de beide godsdienstige partijen door een concilie
te vereenigen, had opgegeven, bracht het verdrag te Passau
tot stand (1552); daarbij werd aan de belijders der Augsburgsche
confessie vrije uitoefening van hun godsdienst, tot op een alge-
meenen rijksdag, toegestaan, en de nog gevangen landgraaf in
vrijheid gesteld; ook de keurvorst, dien de keizer reeds bij zijn
vertrek van Innsbrück uit de gevangenis ontslagen had, werd van
den rijksban ontheven, en als hertog van Saksen hersteld.
frederik IL de Zachtmoedige, keurvorst,
1428—1464.
fbnestus , keurv. f 1486.                            ai.bert, f 1500.
FREDERIK de Wijze,                JOIIAN                 GEORG.                   HENDRIK.
keurv. f 1525.          de Standvastige, f1539.               f1541.
keurv. f 1532.
JOHAN FREDERIK,
keurv. tot 1547 , keurv. 1547—1553.
f 1552.
De poging des keizers, om Metz te herwinnen, bleef zonder
gevolg, en de tot 1556 voortgezette oorlog eindigde met een
wapenstilstand (te Vaucelles); daardoor werd Duitschland inderdaad
vernederd, dewijl de Franschen in het bezit van hun buit bleven,
dien zij door misleiding der Duitsche vorsten verworven hadden.
Op dat voetspoor is de Fransche veroveringszucht bijna driehonderd
jaren voortgegaan.
De beloofde rijksdag werd in 1555 door Karels broeder, den
Roomsch koning Ferdinand, te Augsburg geopend, en bij den
Augsburgschen godsdienstvrede werd aan katholieken
en protestanten (belijders der Augsburgsche confessie) gelijke vrij-
heid verzekerd; aan de rijksstenden werd het ius reformandi
toegekend, aan de overige onderdanen het recht om het land vrij
te verlaten en zich elders te vestigen; alleen over het zoogenaamde
Pütz, N. Gesch.                                                                         2
-ocr page 26-
18
geestelijke voorbehoud (reservatum ecclesiasticum) of de
vordering der katholieken, dat geestelijke rijksstanden, die tot den
protestantschen godsdienst overgingen, hun ambt en de daaraan
verbonden inkomsten zouden verliezen, kon men het niet eens
worden. De aanhangers van Zvvingli en de belijders der leer van
Calvijn waren van dezen vrede uitgesloten.
Het concilie te T rente, dat met twee vrij langdurige
tusschenpoozingen achttien jaren duurde (1545—1563), kon even-
min als vroegere vergaderingen de in de kerk ontstane scheuring
heelen. Reeds in de eerste zittingen werden de door de pro-
testanten voorgestelde hervormingen afgewezen en de punten van
geschil in den geest der oude leer beslist. Op den katholieken
godsdienst oefende dit concilie in zijn vijf en twintig zittingen
grooten invloed uit; maar in plaats van de partijen tot elkander
te brengen, maakte het de bestaande klove nog breeder. Sedert
dien tijd werd het een der voornaamste bemoeiingen van de orde
der Jezuïeten, om de besluiten dier vergadering overal te hand-
haven, en de uitbreiding van het protestantisme zooveel mogelijk
tegen te gaan. Deze orde was in 1534 door een Spaansch edelman,
Ignatius de Loyola, gesticht, en breidde zich tot de helft der
18de eeuw over al de katholieke landen van Europa (in Duitschland
sedert 1552) en over Spaansch-Amerika uit. Haar pogingen, om
het Brahmaisme en de leer van Boeddha in Azië te verdringen,
hadden weinig succes. De generaal der orde, alleen van den paus
afhankelijk, resideerde te Rome, onder hem stonden superieuren
en rectoren der provinciën en kreitsen, professi, coadiutores,
scholastici, broeders. Haar leden oefenden als predikers, biecht-
vaders en onderwijzers der jeugd een grooten invloed uit (reser-
vatio mentalis).
2) BUITEN DUITSCHLAND.
Ulrich Zwingli (geb. 1484), prediker te Einsiedeln en later
te Zurich, vond, evenals Luther, in den aflaathandel van den
minderbroeder Samson aanleiding, om tegen sommige gebruiken
in de Roomsche Kerk te ijveren. Spoedig volgden hevige aanvallen
op het coelibaat der geestelijken, de mis en de beelden der heiligen,
van welke aanvallen zijn aanhangers aldra tot dadelijkheden over-
-ocr page 27-
1!»
gingen. In het wezen zijner leer week Zwingli van Luther af
in het begrip omtrent het avondmaal, daar deze beweerde dat
Christus werkelijk daarbij tegenwoordig was, gene dat brood
en wijn het lichaam en bloed van Christus slechts symbolisch aan-
duidden. Een godsdienstgesprek tusschen Luther en Zwingli,
op verzoek van Philips van Hessen te Marburg gehouden (1529),
bleef zonder resultaat.
Tusschen de katholiek gebleven en de hervormde kantons kwam
het na veelvuldige wrijvingen tot een openlijken strijd. De inwo-
ners van Zurich werden (1531) bij Kappel door de katholieke
kantons verslagen, en Zwingli sneuvelde op het slagveld. Het
gevolg van deze overwinning der katholieken was, dat de nieuwe
leer in vele streken, waar zij reeds heerschte, uitgeroeid werd.
Spoedig verspreidde zich de hervormde leer ook over het Fransche
gedeelte van Zwitserland, en Genève werd haar hoofdzetel door
Johan Calvijn (in 1509 te Noyon in Picardië geboren).
Deze hield zich na zijn verdrijving uit Frankrijk meestal in Genève
op, en verkondigde een leer, die in haar wezen op verschillende
punten van de dogma\'s (voorbeschikking, avondmaal) en door de
op de souvereineteit der gemeente berustende regeling der kerk
van Luther en Zwingli afweek. De roem zijner geleerdheid lokte
een menigte leerlingen (Theodorus Beza) uit Frankrijk, Duitsch-
land, Nederland en Engeland naar Genève (universiteit sedert 1558),
en deze verkondigden zijn stellingen bij hun terugkomst in het
vaderland. Naar Nederland, dat om zijn ligging en zijn uitge-
breiden handel voor de nieuwe leer licht toegankelijk was, kwamen
vele Calvinisten uit Frankrijk. De pogingen van Philips II, om
er de alleenheerschappij van het katholicisme te herstellen, leden
schipbreuk.
De noordelijke helft van Duitschland, benevens Wurtemberg,
de drie Skandinavische rijken, Pruisen en Lijfland traden tot de
Augsburgsche confessie toe, een gedeelte van Zwitserland nam
Zwingli\'s leer aan. In Engeland en Schotland (John Knox, 1560)
vond de leer van Calvijn, die ook in Frankrijk vele aanhangers
had, Hugenoten genaamd, meer bijval. In Engeland viel Hen-
drik VIII, vroeger de bitterste vijand van Luther, van Rome af
en liet zich zelf tot opperhoofd der Engelsche kerk verklaren
(Thomas Morus). De hervorming van den godsdienst werd eerst
-ocr page 28-
20
voltooid onder Elizabeth. Maar al spoedig verdeelden zich de
protestanten in verschillende secten, en wel: a) de bisschop-
pelijke of anglicaansche kerk, welke de bisschoppen behield;
b) de Presbyterianen, een streng calvinistische secte, die
liet oppergezag der bisschoppen verwierp, en slechts oudsten
(Presbyters) als opperhoofden erkende. In later tijd kwamen
hierbij nog c) de lnd e penden ten , die ieder gemeente als
een kerk beschouwden, welke van de heerschappij van bisschop-
pen en synoden vrij moe«t zijn, en als algemeen menschelijk
recht verlangden, God naar de inspraak van het geweten te
mogen dienen, zonder aan kerkelijke symbolen gebonden te zijn.
De Engelsche regeering deed herhaalde pogingen, om ook in
Ierl and, dat sedert 1603 geheel aan de Engelsche kroon onder-
worpen was, het protestantisme met geweld in te voeren, doch
zonder gunstig gevolg. In de verbeurdverklaring van uitgestrekte
provinciën en het vestigen van Engelsche koloniën in Ierland
vonden Elizabeth en meer nog Jacobus I een meer afdoend middel,
om de godsdienstvrijheid te onderdrukken. Doch ondanks deze
gruwzame verdrukking bleven de Ieren hun godsdienst getrouw.
Van Duitschland breidde de hervorming zich uit over de landen,
die op de oostelijke grens gelegen waren: Polen, Lij f land,
Hongarije en Zevenburgen.
§ 3.
Duitschland, 1493—1648.
1) MAXIMILIAAN 1, 1493 —1519.
Maximiliaan, de eerste Roomsch koning, die den keizerstitel
aannam, zonder door den paus gekroond te zijn, stelde zich, toen
hij zijn vader Frederik III in de regeering opvolgde, voornamelijk
drie zaken ten doel: het beoorlogen der Turken, de herstelling
van het. aanzien der keizers in Duitschland en Italië, en de uit-
breiding der bijzondere bezittingen van het Oostenrijksche huis.
Maar dn uitvoering van het eerste plan leed schipbreuk op de weinige
deelneming, die hij bij zijn onderdanen vond, en de menigvuldige
-ocr page 29-
21
verwikkelingen, die zich in Italië" opdeden, toen hij zich in de
aangelegenheden van dat rijk had gemengd. De macht der
Turken groeide integendeel zoozeer aan, dat zij voor zijn
nakomelingen de gevaarlijkste naburen werden. De invloed der
keizers leed door twee omstandigheden: door de wanorde, die in
Duitschland zelf heerschte, en door het streven der Italiaansche
vorsten, zich van den keizer en het rijk onafhankelijk te maken.
De standen zelven noopten hem tot de herstelling van rust
en orde in Duitschland en ondersteunden hem daarin. Zij
weigerden iedere hulp tegen buitenlandsche vijanden, alvorens
vrede, recht en orde in het land zelf hersteld waren. Daarom
werd op den rijksdag te Worms (1495) tot onbepaalde
opheffing van het vuistrecht besloten en een eeuwige
landvrede afgekondigd ; wie dien verbrak, zou met den rijksban
gestraft worden; in plaats van door het vuistrecht, zouden de
oneenigheden der onmiddellijk van het rijk afhankelijke vorsten
in het vervolg door een rijkskamergericht worden beslist.
Daarmede verdween het aanzien van het veemgericht, dat buiten,
dien reeds in verval was geraakt. De zetel van het kamergericht
was aanvankelijk te Frankfort, daarna te Spiers en later te Wetzlar
(tot 1806). Om den landvrede beter te handhaven, en aan de
uitspraken van het kamergericht gemakkelijker uitvoering te geven,
verdeelde Maximiliaan op een rijksdag te Keulen het geheele
rijk in tien kreitsen. In ieder kreits werd een voorzitter met
eenige raadsheeren geplaatst, om voor de handhaving van den
landvrede te waken, en om de uitspraken van het kamergericht
uit te voeren.
Desniettemin barsten er nog overal in \'t land onlusten uit;
sommige ridders (Frans v. Sickingen, Götz v. Berlichingen) zetten
den strijd tegen vorsten en steden voort, en de zwaar geplaagde
boeren sloten verbonden tegen den adel.
In Italië deed de jonge koning Ka rel Vlü van Frankrijk, als
erfgenaam van het huis Anjou en geroepen dooi- Savonarola, een
eerste, maar door geen duurzame uitkomsten bekroonde poging,
om Napels te winnen.
Zijn opvolger Lodewijk XII deed behalve de oude aanspraken
der kroon op Napels ook nog persoonlijke rechten op het hertog-
-ocr page 30-
22
dom Miluan gelden; hij eischte dit als de (1) kleinzoon van
Valentine Visconti, hoewel bij de beleening der Visconti\'s met
Milaan de vrouwelijke lijn uitdrukkelijk uitgesloten was. Het viel
hem niet moeilijk, om, bijgestaan door de Venetianen, zich in
\'t bezit daarvan te stellen, daar de in Milaan regeerende, maar
gehate hertog Lodewijk Sforza, Moro genaamd, naar Duitschland
was gegaan, om hij keizer Maximiliaan, met wien hij verwant
was, hulp te zoeken.
Wel gelukte het Lodewijk Moro, aan het hoofd van Zwitsersche
huurlingen, om aan de algemeen gehate Franschen Milaan spoedig
weder te ontnemen, maar hij werd door zijn huurlingen verlaten,
op verraderlijke wijze gevangen genomen, en stierf in Frankrijk
in de gevangenis.
Toen Lodewijk, na Moro\'s val, zich in het veilige bezit van
Milaan achtte, ondernam hij ook de herovering van Napels. Den
hevigsten tegenstand vreesde hij van den kant van Ferdinand den
katholieke van Arragon, den oom van den koning van Napels.
Daarom verbond hij zich met hem tot een gemeenschappelijke
verovering. De door dit verbond verraste koning (Frederik II)
werd weldra door zijn partij verlaten en naar Frankrijk gebracht,
waar hij in 1504 stierf. Maar de Franschen en Spanjaarden
kregen twist over de verdeeling van den buit, de Spaansche veld-
heer Gonzalvo van Cordova versloeg de Franschen en noodzaakte
Lodewijk XII afstand te doen van Napels, dat nu 200 jaren (tot
1713) in bet bezit van Spanje bleef. Daarentegen werd Lode-
(1)                         KAREL V, koning van Frankrijk.
KAREL VI.
I
KAREL VII.
I
LODEWIJK XI.
I
KAREL VIII.
lodewijk van ürleans,
geh. met Valentine Visconti.
karel van Orleans.        johan van Angoulême.
lodewijk XII.          kakel v. Angoulême, geh.
niet Louise v. Snvoye.
I                                                                        I .
CLAUDIA.                                   FRANS I.
HENDRIK II,
geh. met catharina van Medici.
FRANS II, ELISABETH, KAREL IX, HENDRIK III, FRANS, JIAGARETIIA,
geh. met geh. met                            koning v. hertog v. geh. met
maria stuart. I\'HILIPS II.                            Polen. Alencon. HENDRIK IV.
-ocr page 31-
23
wijk XII bij het verdrag van Blois Hoor Maximiliaan in
1504 met Milaan beleend.
Maar toen Lodewijk ook Genua aanviel, dat vroeger van Milaan
was afhankelijk geweest, wilde Maximiliaan, op uitnoodiging van
paus Julius II (sedert 1503), hem den oorlog aandoen, maai-
de Venetianen beletten hem den doortocht door het land.
Dat eischte wraak, en alles keerde zich thans tegen Venetië.
In 1508 sloten Maximiliaan, de paus en Ferdinand van Spanje
de 1 i g u e te K a m e r ij k tot vernietiging der machtige repu-
bliek. Deze geraakte wel, niet door den in geldnood verkeerenden
keizer, maar door Frankrijk in groot gevaar; maar er kwam
uitkomst, toen in 1511 Ferdinand en de paus, beducht voor de
wassende macht der Franschen, tegen hen de heilige ligue
sloten, waarbij zich ook Hendrik VIII van Engeland en de Zwitsers
voegden. Hoewel de Franschen in 1512 bij Ravenna overwonnen,
verloren zij echter door den slag bij Novara (tegen de Zwitsers)
Milaan, dat aan Maximiliaan Sforza werd gegeven. Ook keizer
Maximiliaan sloot zich thans bij de vijanden van Frankrijk aan en
viel met Hendrik VIII in 1513, na de overwinning bij Guinegate,
in het noorden van dat land. Maar in hetzelfde jaar stierf paus
Julius II, wiens plan om de vreemdelingen geheel uit Italië te
verdrijven volkomen mislukt was; zijn opvolger Leo X sloot vrede
met Frankrijk , en bemiddelde ook den vrede met Venetië. Hem
volgde Ferdinand de katholieke, die Napels en Na varia ontving,
daarna Hendrik VIII, en zoo moest ook Maximiliaan, door al zijn
bondgenooten in den steek gelaten, in 1514 vrede sluiten.
Het best slaagde Maximiliaan in zijn derde plan, de uitbrei-
ding van de macht van zijn eigen huis, daar hij voor
zijn nakomelingen zeer voordeelige huwelijken wist te sluiten.
Zijn zoon Philips deed hij in den echt treden met .lohanna, de
(later waanzinnig verklaarde) dochter van Ferdinand den katholieke
en erfgename van Castilië. Hun zoon Ka rel werd na den dood
van Ferdinand den katholieke koning van het (sedert dien tijd tot
één rijk vereenigde) Spanje en de daartoe behoorende landen in
en buiten Europa. Zijn tweeden kleinzoon Ferdinand deed
Maximiliaan in het huwelijk treden met de zuster (Anna) van den
laatsten koning van Bohemen en Hongarije (Lodewijk II), waardoor
deze beide rijken voor altijd aan Oostenrijk kwamen.
-ocr page 32-
24
2) kabel V, 1519—1556.
Na Maximiliaans dood dongen zijn kleinzoon Ka rel I, koning
van Spanje en Napels, en Frans I, koning van Frankrijk, naar
den troon. Deze laatste vertrouwde daarbij op den roein zijner
krijgsdaden, zijn vriendschap met den paus, die voor een te groote
uitbreiding van de macht van Habsburg beducht was, en zijn
verbonden met sommige Duitsche vorsten; ook beloofde hij aan
de keurvorsten zeer aanzienlijke geldsommen en krachtige hulp
tegen de Turken. Maar door geld en beloften werden de keur-
vorsten tot andere gedachten gebracht, zoodat Karel (vooral op
raad van den keurvorst Frederik den Wijze van Saksen) aan den
vreemdeling voorgetrokken en met eenparige stemmen tot keizer
verkozen werd. Karel moest een verkiezings-capi t u latie
onderteekenen, welke o. a. inhield, dat de keizer slechts met goed-
vinden der keurvorsten een oorlog mocht beginnen of een deel
van \'t rijk afstaan, dat hij geen vreemd krijgsvolk in Duitschland
brengen mocht, geen rijksdag buiten de grenzen kon bijeenroepen
en geen belastingen mocht uitschrijven zonder de inwil
2
liging der
keurvorsten. Door de vereeniging der Spaansche met de Duitsche
kroon werden r\'rankrijks grenzen aan drie kanten door dezelfde
reusachtige macht bedreigd.
Over den Rijksdag te Worms z. m. bl. 12.
KARELS OORLOGEN.
Eerste Oorlog met Frans I (1521 — 1526). De oorlog
tusschen de beide mededingers naar de keizerskroon, die tevens
de twee machtigste vorsten van Europa waren, brak uit, toen
Karel de aanspraken van het huis Habsburg op het hertogdom
Bourgondië (dat Lodewijk XI aan Karels grootmoeder ontnomen
had) hernieuwde, en met paus Leo X een verbond sloot tot ver-
drijving der Franschen uit Italië. Deze verloren door de besluite-
loosheid van hun aanvoerder (Lautrec), die de vereeniging der
pauselijke, Zwitsersche en keizerlijke troepen niet belett\'e en
derhalve geslagen werd, het hertogdom Milaan, dat aan hertog
Frans Sforza gegeven werd. Wel is waar gelukte het Frans I
een gedeelte van het hertogdom te heroveren, maar weldra zagen
zich de Franschen tot den terugtocht genoodzaakt, waarop ook
-ocr page 33-
25
Bayard, de ridder zonder vrees en blaam (Ie chevalier sans
peur et sans re pr och e)" sneuvelde. De Connétable van
Bourbon, die door de moeder van Frans, Louise van Savoye, be-
leedigd was, ging tot den keizer over, en op zijn raad deed het
keizerlijk leger een inval in het Zuiden van Frankrijk, die echter
mislukte. Frans maakte van dat tijdstip gebruik, om een laatste
poging tot herovering van Milaan te doen. Hij trok zelf naar
Italië, nam Milaan in, bijna zonder eenigen tegenstand te ont-
moeten , en hield zich vervolgens met de belegering van het ver-
sterkte Pavia bezig. Intusschen was uit Duitschland een nieuw
leger tot ontzet der stad aangerukt, en dit behaalde bij Pavia
eene volkomene overwinning (1525). Frans zelf werd gevangen
genomen, en moest bij het verdrag te Madrid (1526) van
zijn aanspraken op Italië en van het hertogdom Bourgondië afstand
doen, en bij zijn ontslag uit de gevangenis zijn zonen als gijzelaars
achterlaten. Nauwelijks was hij weder in vrijheid, of hij ver-
klaarde dat hij een verdrag wilde noch kon houden, dat hem
door geweld was afgeperst, en sloot met den paus (Clemens VII)
en de overige op Karels macht jaloersche mogendheden (Engeland,
Venetië, Florence, Sforza) de zoogenaamde heilige ligue tot
bevrijding van Italië van de keizerlijke heerschappij. Zoo ontstond:
De tweede oorlog tusschen Karel en Frans (1527—1529).
De keizerlijke veldheer Karel van Bourbon voerde zijn losbandig
en plunderziek leger, omdat hij het niet betalen kon, tegen
Rome, en vereenigde zich onderweg met 12,000 Duitsche soldaten,
welke Frundsberg uit eigen middelen geworven en naar Italië ge-
voerd had. Rome werd stormerderhand ingenomen, en daar de
opperbevelhebber zelf bij het beklimmen van den muur gesneuveld
was, volgde een in die dagen bijna weergalooze plundering, waarbij
zich de Spanjaarden door hebzucht, wreedheid en gruwelen van
allerlei aard geducht maakten. De paus werd in den Engelenburg
belegerd, tot dat hij een verdrag aannam, dat hem zware schat-
tingen oplegde, en hem dwong een concilie tot hervorming en
herstelling der eenheid in de kerk bijeen te roepen. Koning
Frans I, wiens veldheer Lautrec in het volgende jaar het koninkrijk
Napels, met uitzondering der hoofdstad, snel veroverd, maar ook
spoedig weder verloren had (Andreas Doria herovert Genua en
voegt zich bij den keizer; pestziekte; Lautrec sterft van verdriet),
-ocr page 34-
K
B
i
—>
-8
v.
8
►o
-ocr page 35-
27
kreng bij Hen (door Karels tante Margaretha van Oostenrijk, en
de moeder van Frans, Louise van Savoye, tot stand gebrachten)
zoogenaamden da mes vrede te Ka me rijk (1529.) Bourgondië
terug, maar liet alle aanspraken op Italië en Vlaanderen varen.
Daarop kwam Karel zelf naar Italië, en ontving, tot teeken der
verzoening, te Itologna uit handen van den paus de Lombardische
en de keizerskroon. Hij was de laatste in Italië gekroonde keizer.
Ten gevolge van zijn langdurige (achtjarige) afwezigheid uit
Duitschland en van de oorlogen met Frans I en den paus kon
Karel de uitbreiding der kerkhervorming niet met kracht tegen-
gaan, en ook zijn broeder, die zich daarmede belast had, werd
daarin evenzeer verhinderd door den
Oorlog met de Turken (1526—1532).
Sultan Soliman II (1520—66) beschouwde de uitbreiding van
den Islam als zijn duursten plicht. In 1521 veroverde hij eerst
Belgrado; vervolgens moesten de Johanniters na dapperen tegen-
stand Rhodus overgeven, waarna zij door Karel V op Malta werden
opgenomen. In 1526 viel Soliman, op uitnoodiging van Frans I,
in Hongarije.
Lodewijk II, koning van Hongarije en Bohemen, werd in den
slag bij Mohacz (1526) verslagen en stikte op de vlucht in een
moeras onder zijn paard, dat op hem was nedergestort. Hij werd
opgevolgd door zijn zwager, den aartshertog Ferdinand, broeder
van Karel V, en wel in het bestuur der beide rijken, die ook
vroeger reeds eenmaal onder de heerschappij van keizer Albrecht II
vereenigd waren geweest. In Bohemen en de daarbij behoorende
landen, Silezië, Moravië en de Lausitz, werd Ferdinard ook door
de keus der standen erkend, maar in Hongarije was Johannes van
Zapolya, de Woiwode van Zevenburgen, gekozen. Ferdinand ver-
dreef wel is waar zijn mededinger door een nederlaag bij Tokay
naar Zevenburgen, maar deze vond bescherming bij sultan So-
liman II, die in 1529, vóór het sluiten van den vrede te Kamerijk,
den oorlog vernieuwde, in de hoop van de tegenstanders van
Karel V nog in vollen oorlog tegen dezen te vinden. Hij trok
(met 250,000 man) onder schrikkelijke verwoestingen en bijna
zonder tegenstand te ontmoeten door Hongarije, en sloeg het
-ocr page 36-
28
beleg voor Weenen. Maar zijn vruchtelooze pogingen om de stad
stormenderhand in te nemen, de tijding dat er een leger in
aantocht was om haar te ontzetten, en het gevorderde jaargetijde
noopten hem na drie weken dit beleg op te breken. Bij zijn
terugkeer naar Ofen gaf hij aan zijn beschermeling de zoogenaamde
kroon van den heiligen Stefanus, welke hem in handen gevallen
was, en Johannes bleef koning van Hongarije onder Turksch
oppergezag. Evenwel zag de Sultan van zijn lievelingsplan, om
den islam over de geheele wereld uit te breiden, nog niet af, en
verscheen, op de godsdiensttwisten in Duitschland steunende, in
1532 (wederom met 250,000 man) op nieuw in Hongarije; maar
de keizer had intusschen door den godsdienstvrede van Neurenberg
ook van de Protestanten hulp gekregen (m. z. pag. 14), en een
wel uitgerust leger bijeengebracht. Deze onverwachte omstandig-
heid , gevoegd bij den zeer grooten tegenstand, dien Soliman reeds
bij het beleg van kleine plaatsen ondervond, bewoog hem, vooral
ook na de berichten van Doria\'s overwinningen in de Ionische zee,
tot een spoedigen terugtocht.
Over de rijksdagen te Spiers en Augsburg z. m.
pag. 14.
Kavels tocht tegen Tunis (1535).
Muley Hassan, vorst van Tunis, was door Heyradin Barbarossa,
leenman van Soliman II en aanvoerder van zeeroovers, die zich
reeds vroeger in Algiers genesteld had, verdreven geworden. Hey-
radin maakte de kusten van Spanje en Zuid-Italië onveilig, en
overwon de hospitaalridders, aan welke Karel, na het verlies van
Rhodus, Malta, Gozzo en Tripoli in Afrika in leen had afgestaan,
onder voorwaarde dat zij bestendig oorlog zouden voeren tegen de
ongeloovigen en de zeeroovers. Daarom landde Karel met een
Spaansch-Italiaansche vloot van 420 schepen, bestormde Goletta,
de voornaamste vesting van Heyradin, sloeg met z\\jn leger het
beleg voor Tunis, veroverde de stad, voornamelijk door de hulp
der zich daar bevindende Christenslaven, die uit hun gevangenissen
waren losgebroken, gaf het binnenland aan Muley Hassan terug,
en behield voor zich zei ven Goletta en de kust.
-ocr page 37-
29
Derde oorlog met Frans I (1536—1538).
Toen Frans Sforza van Milaan kinderloos gestorven was en den
keizer tot zijn erfgenaam benoemd had, hernieuwde Frans I
zijn aanspraken op Milaan, trok onverwijld Savoye en Piemont
binnen en sloot een verbond met den Sultan van Turkije, om
den keizer gemeenschappelijk te beoorlogen. Karel viel met twee
legers in het Zuiden ven Frankrijk, doch hij moest, daar (ten
gevolge van den raad van den Connétable Montmorency) Provence
geheel verwoest was geworden, wegens gebrek aan levensmiddelen
terugkeeren, en sloot door bemiddeling van paus Paulus III met
Frans een wapenstilstand te Nizza (1538), waarbij ieder
behield, wat hij op dat oogenblik bezat (dus Frans een deel van
Savoye en Piemont). Karels zoon Philips verkreeg Milaan (1540).
Kdrels tocht tegen Algiers (1541).
Aanleiding daartoe gaven de schrikkelijke rooftochten, welke
Algiersche zeeroovers zich op de Spaansche en Italiaansche kusten
veroorloofden. Aanhoudende stortregens verijdelden iedere onder-
neming van het leger, dat geland was, zonder eenigen tegenstand
te ontmoeten; tot tweemaal toe vernielde een storm het grootste
gedeelte der vloot.
Vierde oorlog tegen Frans I (1542—1544).
In weerwil van de vriendschappelijke verhouding, die tusscheu
Karel en Frans nu scheen te bestaan (samenkomst te Aigues
Mortes; Karels reis naar Gent), was de wapenstilstand van Nizza,
welke voor den tijd van 10 jaren gesloten was, niet van langen duur.
De koning van Frankrijk hield den ongelukkigen tocht van den
keizer naar Algiers en het gelijktijdig oprukken der Turken tot
in Opper-Hongarije voor een gunstige gelegenheid, om met zijn
tot nog toe onbevredigde eischen op nieuw voor den dag te komen.
Twee zoogenaamde Fransche gezanten (eigenlijk onderhandelaren,
die zich heimelijk door Lombardije naar Venetië en Constantinopel
moesten begeven) waren door Spaansche troepen vermoord, en
daarin vond Frans een gewenschte aanleiding, om den oorlog, in
vereeniging met de Turken en met den hertog van Kleef) die
-ocr page 38-
30
vreesde dat het pas door hem verkregen Gelder hem door den
keizer zou ontnomen worden), te hernieuwen. Terwijl de Osmanen
Hongarije geheel veroverden, deden de Franschen een inval in de
Nederlanden; tevens plunderde en verwoestte een Turksch-Fransche
vloot de Westkust van Italië. Nadat Karel eerst den hertog van
Kleef (wiens vestingen zich na de inneming en verwoesting van
Duren, dat men voor onneembaar gehouden had, overgaven)
onderworpen en tot den afstand van Gelder gedwongen had,
drong hij door Champagne in de richting van Parijs (tot Soissons)
door. Hendrik VIII van Engeland zou, volgens een met den
keizer gesloten verdrag, uit het N. W. tegen Parijs oprukken,
maar in plaats daarvan belegerde hij Boulogne. Karel geraakte
in vrij moeilijke omstandigheden, waaraan een einde gemaakt
werd door den vrede te Crespy (1544), waarbij de beide
vorsten zich verbonden elkander bijstand te verleenen tot het her-
stellen van de eenheid der kerk , en den oorlog tegen de Turken
gemeenschappelijk te voeren; Frans deed wederom afstand van
Italië, Karel van Bourgondië, terwijl Karel beloofde den jongsten
zoon van Frans met Milaan te beleenen. Frans I en Hendrik VIII
zett\'en den oorlog voort tot 1546.
Over den Sma 1 ka 1 d isc hen oorlog en dien met Maurits
van Saksen z. m. pag. 16.
Oorlog met Hendrik II van Frankrijk (1552).
Hendrik II beloofde de protestantsche staten tegen den keizer
te zullen ondersteunen, en verkreeg daarvoor de bisdommen Metz,
Toul en Verdun. Een mislukte poging van Karel, om deze steden
te heroveren, werd gevolgd door een wapenstilstand (te Vaucelles)
voor vijf jaar.
Karels afstand.
Toen Karel, die zijn krachten voelde afnemen, zag dat al zijn
pogingen, om de twee groote in de kerk ontstane partijen te
vereenigen, schipbreuk leden, en dat hij de zoo vaak overwonnen
Franschen in het bezit moest laten van belangrijke gedeelten van
het rijk, gaf hij (te Brussel) Napels, de Nederlanden en in 1556
ook de kroon van Spanje aan zijn zoon Philips over, die reeds in
\'t bezit van Milaan was; van de keizerskroon deed hij afstand ten
-ocr page 39-
31
behoeve van zijn broeder Ferdinand, die hem steeds getrouw was
gebleven, en betrok in Spanje een woning bij het Hieronymieten-
klooster Yuste, waar hij zich met godsdienstige oefeningen,
muziek, tuinbouw en het vervaardigen van houten uurwerken
bezig hield. In zijn afzondering bleef hij levendig belang stellen
in staatkundige aangelegenheden, terwijl zijn kostbare hofhouding
bewees, dat hij de wereldsche genietingen nog geenszins ver-
smaadde. Hij stierf in 1558.
3) ferdinand I, 1556—1564.
Hij was door zijn gemalin koning van Bohemen en Hongarije
en reeds sedert 1531 Roomsch koning. Ofschoon paus Paulus IV
weigerde hem te erkennen, werd hij in de keizerlijke waardig-
heid bevestigd en bleef het keizerschap van nu af in de Duitsche
linie van het huis Habsburg. Hij regeerde verstandig en gema-
tigd ; zonder gevolg bleven al zijn bemoeiingen, om de drie
Lotharingsche bisdommen, welke Frankrijk in bezit had genomen,
met het rijk te hereenigen; en even als vroeger, was gedurende
zijn geheel volgend leven de verdediging van Hongarije zijn be-
langrijkste taak. Nochtans moest hij ten laatste bij een wapen-
stilstand (1562) aan de Turken alles afstaan wat zij in Hongarije
reeds bezaten.
Vruchteloos waren ook zijn pogingen, om de beide groote
partijen in de kerk tot elkander te brengen. Zijn natuurlijke
zachtmoedigheid en tevens zijn staatkundig belang noopten hem,
de protestanten te sparen; maar de invoering van de orde der
Jezuïeten in het katholieke Duitschland (in Weenen 1552, in
Beieren 1556) werkte de reactie in de hand, en door het concilie
van Trente werd de hereeniging onmogelijk.
4) maximiliaan II, 1564—1576.
Ofschoon Maximiliaan zoo verdraagzaam jegens de protestanten
was, dat men een tijd lang dacht dat hij zelf tot hun leer
zou overgaan, werd hij echter op de rijksdagen onophoudelijk met
godsdienstl>e7waren bestormd. Daartoe bevatte de godsdienstvrede
van Augsburg de kiem in zich. Aan de eene zijde wilde men het
recht van reformatie, aan de andere het geestelijk voorbehoud
-ocr page 40-
32
doen gelden. Daarbij kwam dat de Calvinisten, die in Duitsch-
land hoe langer zoo talrijker werden, van den godsdienstvrede
waren uitgesloten, en zoodoende niet alleen de katholieken, maar
ook de Lutherschen als hun tegenstanders beschouwden. Nog
grooter werd die spanning tusschen katholieken en protestanten
(hun hardnekkige weigering den Gregoriaanschen kalender aan te
nemen) onder zijn werkeloozen en droefgeestigen zoon
5) rudolf II, 1576—1612.
Reeds dadelijk dwong Rudolf, een zwak en besluiteloos vorst,
die in Spanje opgevoed was, de protestanten de Oostenrijksche
erflanden te verlaten. Enkele gebeurtenissen en omstandigheden
droegen er toe bij den wederzijdschen haat al grooter en grooter
te maken.
a) In Aken hadden de protestanten, orn hun godsdienst vrij
te kunnen uitoefenen, zich van de stedelijke regeering meester
gemaakt, maar zij werden (1598) door den keizerlijken ban uit
de stad verdreven.— b) Keurvorst Gebhard van Keulen huwde
gravin Agnes van Mansfeld en ging tot de calvinistische leer over,
zonder overeenkomstig het geestelijk voorbehoud de waardigheid
van aartsbisschop neder te leggen. Hij werd door den paus afge-
zet, en door Ernst, prins van Beieren, dien de meerderheid van
het domkapittel in zijne plaats gekozen had, verdreven (1584).
De wereldlijke keurvorsten hadden wel bij den keizer de zaak van
Gebhard verdedigd, maar feitelijke hulp had hij alleen bij den
paltsgraaf Johan Kasimir gevonden. — c) De protestantsche stad
Donauwörth werd, omdat men er tweemaal een katholieke
processie had gestoord, in den ban gediian, door den hertog van
Beieren veroverd, en van haar onmiddelijke afhankelijkheid van
het rijk (Reichsu nmi ttelbarkeit) beroofd.
Daar de protestanten bij al die gelegenheden het overwicht der
katholieken ondervonden hadden, verbonden zich de meeste protes-
tantsche vorsten, op raad van den calvinistischen keurvorst Fre-
derik IV van de Palts, tot een Unie (1608), om hun belangen
gemeenschappelijk te behandelen en te verdedigen. Tot deze unie
traden ook Straatsburg, Neurenberg en Ulm toe, en tijdens den
Gulikschen successie-oorlog knoopte zij zelfs onderhandelingen met
-ocr page 41-
33
Frankrijk aan. De bevreesde keizer onthief Donauwörth van den
rijksban. Tegenover de unie vormde zich de liga der katholieke
standen, onder leiding van hertog Maximiliaan van Beieren (1609).
Zoo stonden dus de hoofden der beide liniën van het huis Wit-
telsbach, die van Beieren en die van Keurpalts, als aanvoerders
der beide godsdienstige partijen tegenover elkander. Daar Rudolf
in zijn droefgeestigheid en onverschilligheid het bestuur des rijks
aan onverdragelijke gunstelingen overliet, vormde zijn oudste broeder
Matthias het plan hem van den troon te stooten en de protes-
tanten door de voorspiegeling van godsdienstvrijheid voor zich te
winnen. De keizer stond hem, toen hij dit merkte, Hongarije,
Moravië en Oostenrijk af, en schonk, om Bohemen niet insge-
lijks te verliezen, door den majesteitsbrief aan de drie
standen der heeren, der ridders en der koninklijke steden met
hun onderdanen volkomen vrije uitoefening van godsdienst
(1609). — Guliksche successie-oorlog. Toen de
katholieke hertog Jan Willem van Gulik, Kleef en Berg in 1609
gestorven was, maakten Keur-Brandenburg en Palts-Neuburg aan-
spraak op zijn bezittingen. Zonder er zich aan te storen, dat
de keizer in 1610 ten gunste van Keur-Saksen besliste, namen
Johan Sigismund van Brandenburg en Wolfgang Willem van Palts-
Neuburg (bij het verdrag van Dortmund, 1609) gemeenschappelijk
bezit van het land. Toen er van een schikking tusschen deze
beide vorsten niets kwam, ging de eerste in 1613 tot de calvi-
nistische, de laatste tot de katholieke kerk over, en beiden trachtten
door buitenlandsche hulp (de keurvorst vond die bij Nederland,
de katholiek geworden paltsgraaf bij Spanje) de geheele erfenis te
bemachtigen. De twist eindigde met het verdrag te Xanten,
1614, waarop eerst in 1666 de tormeele verdeeling volgde
(Kleef, Mark en Ravensberg bij Brandenburg, Gulik en Berg bij
Palts-Neuburg).
Nadat Rudolf ook nog Bohemen aan zijn broeder had moeten
afstaan, en de keurvorsten reeds den dag voor de keuze eens
Roomschen konings bepaald hadden, stierf hij en werd opge-
volgd door
Pütz, N. Gesch.
3
-ocr page 42-
34
Vv
keur
IOHAN
gehi
Ë
<
—
7?
o
*3
3
sen.
3
—.
REDE
o.
3
p
B
(B
s
IK,
r-*
<
a
M
CR
B
g
huwd
«
H
§
«j
3
B*
t-H
»
F
>
I
<l
O
a
tw
I <
>
c
C3
Bra
z
ehu
5*
1 1
_
09
f0
nde
SIGI
3
o.
>• 1
Pru
ertog
a
E;
s
r.
3
■* 1
i i"
3
3
O.
1
e
1 ?
W
50
3
(ft
r
r
•5
r*
g
M
o
O
50
>
-5
te
ff
15
3-.
2-
B
3
re
CP
er
e
21
te
B
cr
c
ff
3Q
o
p
o
0q
I
CM -a §
E
o
Si
a
co
I 1
3
i—\'
E
C5
r
O
en
co
-~
-ocr page 43-
35
6) MATTHIAS, 1612 — 1619.
Daar de keizer en zijn broeders geen kinderen hadden, moesten
de bezittingen van het Oosten rij ksch e huis, welke sedert den dood
van Ferdinand I verdeeld waren geweest, vroeg of laat in handen
komen van zijn neef Ferdinand (hertog van Stiermarken, Karinthië
en Krain). Nu reeds deden evenwel de beide broeders van Matthias
afstand van hun rechten op de erfopvolging, en zoo werd Ferdi-
nand koning van Bohemen en Hongarije.
DE DERTIGJARIGE OORLOG, 1618—1648.
A. BOHEEMSCH-PALTSISCHE OORLOG , 1618—1623.
Ofschoon in den majesteitsbiïef van Rudolf II het bouwen van
protestantsche kerken alleen aan de drie wereldlijke standen in Bo-
hemen was toegestaan, maakten desniettemin ook protestantsche
onderdanen van Roomsche vorsten (geestelijke standen) voor zich
gebruik van deze bevoegdheid. Zoo bouwden zij een kerk in de
stad Klostergrab, die tot het aartsbisdom Praag behoorde, en
in Braunau, dat onder het bestuur van den abt van Braunau
stond. Deze laatstgenoemde kerk werd op bevel van Ferdinand
gesloten, de eerste omvergehaald en de deswege ingeleverde klachten
vonden geen gehoor. De verbittering klom nog hooger, toen
Matthias het bestuur van Bohemen aan tien stad houders opdroeg,
waarvan zeven katholiek waren, en toen zich het gerucht ver-
spreidde, dat een aangaande die geschillen uitgevaardigd keizerlijk
bevel door de stadhouders vervalschl was. Een deputatie van de
utraquistische standen begaf zich, onder aanvoering van graaf
Matthias van Thurn, tot de stadhouders, om onderzoek naar die
zaak te doen, en twee hunner (Martinitz en Slawata, benevens
hun geheimschrijver" Fabricius) werden uit de vensters van den
keizerlijken burg te Praag geworpen, zonder evenwel door den
val het leven te verliezen. De opstandelingen maakten zich meester
van de regeering, welke zij aan dertig directeuren opdroegen,
brachten een leger op de been en benoemden van Thurn en
Ernst van Mansfeld, die tot het protestantisme was overgegaan,
tot veldheeren. Beiden versloegen de keizerlijke troepen; graaf
Thurn rukte zelfs tot onder de muren van Weenen, en bedreigde
-ocr page 44-
36
koning Ferdinand in zijn burg, maar keerde op de tijding van
een volslagen nederlaag, die graaf Mansfeld bij Budweis ge-
leden had, naar Bohemen terug. Inmiddels was Matthias ge-
storven; hij werd opgevolgd door zijn neef
7) Ferdinand II, 1619—1637.
Op het zelfde tijdstip, dat hij te Frankfort tot keizer gekozen
werd, verklaarden hem de in Praag vereenigde standen van Bo-
hemen , Moravië, Silezië en de Lausitz vervallen van de Boheemsche
kroon, en verkozen in zijn plaats den keurvorst Frederik V van
de Palts, het hoofd van de unie en van het Duitsche Calvinisme.
De wenseh van zijn eerzuchtige gemalin Elizabeth, de dochter van
Jacobus I van Engeland, en van de gereformeerden bewoog hem,
de kroon aan te nemen, die hij niet in staat was te verdedigen.
De unie beloofde hem slechts voor het geval van een aanval op
de Palts haar hulp; veelbelovend was daarentegen de verbinding
met Bethlen Gabor van Ze venburgen, die begeerige
blikken op Hongarije sloeg en reeds Presburg had veroverd. Maar
door zijn zwakheid en besluiteloosheid en tevens door blinde in-
genomenheid met de gereformeerde kerk, verbeurde hij de liefde
en de getrouwheid der Bohemers.
Intusschen verbond zich de (Luthersche) keurvorst van Saksen,
die de uitbreiding van het Calvinisme in Bohemen afkeurde, met
den keizer en onderwierp voor hem Silezië en de Lausitz, terwijl
Spinola met Spanjaarden in Keur-Palts viel. De keizer had ook
Maximiliaan van Beieren voor zijn plannen welen te winnen
en zich nauwer met Spanje verbonden. Bethlen Gabor zag zich
daardoor, dat men Sigismund van Polen tot een inval in Hongarije
wist te bewegen, genoodzaakt dit land te verlaten (vrede met hem
in 1622). Met de ligistische armee onder Tilly dwong Maximiliaan
eerst Boven-Oostenrijk tot volslagen onderwerping en maakte dan
door den slag aan den Witten berg (bij Praag), 1620, aan
het koningschaj) van Frederik van de Palts een spoedig einde
(winterkoning). Een langzamerhand, maar met de grootste con-
sequentie doorgedreven tegenreformatie roeide het protestantisme
in Bohemen uit.
Frederik werd dooi\' den keizer, zonder raadpleging der vorsten
-ocr page 45-
37
van het rijk, in den rijksban gedaan, en zou zijn zaak voor goed
als verloren hebben moeten beschouwen, zoo niet stoute legerhoofden
pogingen tot zijn herstel hadden gedaan, vooral de reeds in den
Boheemschen oorlog genoemde Ernst v. Mans f e ld, markgraaf
Georg Frederik van Baden-Durlach en de avontuurlijke
hertog Christiaan van Brunswij k-Wolfenbuttel. Mans-
feld behaalde wel in 1622 bij Wiesloch een overwinning op Tilly,
maar bij Wimpfen werd de markgraaf van Baden en bij Höchst
Christiaan van Brunswijk verslagen. Frederik legde na een nieuwe
overwinning van Tilly op Christiaan (bij Stadtlohn in Westfalen) de
wapenen neder en vertrok naar de Nederlanden. De Palts werd
door Tilly bezet en verwoest. De kostbare, door de keurvorsten
van de Palts bijeenverzamelde bibliotheek te Heidelberg werd door
Maximiliaan aan den paus ten geschenke gegeven. Maximiliaan
verkreeg op een rijksdag te Regensburg (1623) de opengevallen
keurvorstelijke waardigheid, terwijl de keurvorst van Saksen de
Lausitz ontving. Alzoo had het katholicisme de meerderheid in
den raad der keurvorsten.
B. Deensch-Noordduitsche Oorloo. Restitutie-Edict.
1625—1629.
Daar Tilly met het ligistische leger in Hessen bleef en men
verdere vervolgingen tegen de protestanten vreesde, vereenigden
zich de protestantsche standen van den Neder-Saksischen kreits,
kozen Christiaan IV van Denemarken, den zwager van
Frederik V (als hertog van Holstein en bezitter der bisdommen
Bremen en Verden Duitech rijksvorst) tot hun kreitsoverste en
sloten een verdrag met Jacobus I van Engeland, waarbij deze zich
verplichtte hen met geld te ondersteunen. Mansfeld kreeg last
naar Bohemen op te rukken en zich met Bethlen Gabor te ver-
eenigen , op wiens bijstand men rekende.
Intusschen besloot de keizer, om niet meer van de liga en
Maximiliaan afhankelijk te zijn, een eigen leger op de been te
brengen. Hem zelven ontbrak het daartoe aan middelen, maar
zij werden hem aangebracht door Albrecht van Waldstein
of Wallenstein, vorst, later hertog van Friedland (in
Bohemen), die met een op eigen kosten spoedig geworven leger,
-ocr page 46-
38
waarover hij het onbeperkt opperbevel voerde, tot ondersteuning
van Tilly Neder-Saksen binnenrukte, graaf Mansfeld (bij de brug
van Dessau) versloeg, en hem (ondanks groote verliezen, welke
hij zelf leed) door Silezië tot in Hongarije vervolgde, waar Mans-
feld zich met vorst Bethlen Gabor van Zevenburgen wilde ver-
eenigen , om met dezen een inval in Oostenrijk te doen. Bethlen
Gabor sloot vrede en Mansfeld stierf op weg naar Venetië. Even
gelukkig waren de wapenen van de liga onder Tilly, die op het
Deensche en Neder-Saksische leger onder Christiaan IV bij Lutter
aan den Ba renberg in het Brunswijksche een overwinning
behaalde (1626), en zich met Wallenstein, die uit Hongarije was
teruggekeerd, vereenigde, om gezamenlijk de landen van den
koning van Denemarken aan te vallen. Vereenigd veroverden zij
Holstein, en Wallenstein alleen nam Sleeswijk en Jutland.
Op gelijke wij/e weiden de beide hertogen van Mecklenburg
uit hun landen verdreven, omdat zij aan de Denen eenige hulp
hadden verleend, en werd de hertog van Pommeren genoodzaakt
zijn land, dat tot nu toe rust en vrede genoten had, aan de
troepen van Wallenstein prijs te geven. Alleen de goed versterkte
Hanzestad Stralsund verzette zich tegen het opnemen eener keizer-
lijke bezetting, en stond, door Denemarken en Zweden ondersteund,
eene hevige belegering van zes maanden en de herhaalde aan-
vallen harer vijanden gelukkig door. — Om echter een vereeniging
van Zweden en Denemarken te voorkomen, werd met koning
Christiaan IV de voor dezen zeer voordeelige vrede te Lubeck
(1629) gesloten, waarbij hij al zijn verloren landen terugkreeg
en alleen moest beloven geen bondgenootschap tegen den keizer
aan te gaan. Als tegemoetkoming in de voor den oorlog ge-
maakte kosten had de keurvorst van Beieren de Opper-Palts en
een gedeelte van de Beneden-Palts op den rechter Rijnoever, en
Wallenstein het hertogdom Mecklenburg verkregen.
Van deze op de protestanten behaalde schitterende overwinning
wilde de keizer gebruik maken, om het protestantisme te onder-
drukken , zoo als hem dat in zijn erflanden reeds na den slag aan
den Witten berg gelukt was. Dientengevolge vorderde hij op
voorstel der vier katholieke keurvorsten bij het restitutie-
edict (1629) al de geestelijke goederen, die sedert het verdrag
-ocr page 47-
39
van Passau in het bezit der Lutherschen gekomen waren, terug (1),
en bepaalde tevens dat de voordeelen van dien godsdienstvrede
alleen voor de belijders der Augsburgsche confessie gelden, en dat
andere sekten in het rijk niet geduld zouden worden. Dit edict
werd nu door Wallenstein in vereeniging met de troepen der Liga
met groote wreedheid, bij gemis aan krijgstucht in het leger,
ten uitvoer gelegd. Op den rijksdag te Regensburg, dien de
keizer belegd had, om zijn oudsten zoon Ferdinand tot Roomsch
koning te doen kiezen, hieven de katholieke en protestantsche
standen, en voornamelijk Maximiliaan, zoo luide klachten aan over
het gebrek aan tucht in het leger van Wallenstein en over
Wallenstein (den „dictator van Duitschland") zelven, die om zijn
spoedige verheffing en zijn onbeperkte macht algemeen gehaat
was, dat de keizer zich genoodzaakt zag dien veldheer te ontslaan.
Een deel van het keizerlijk leger werd insgelijks ontslagen, maar
het grootste gedeelte onder het opperbevel van Tilly gesteld.
C. ZWEEDSCHE OORLOG, 1630—1635.
Terwijl de protestanten, wier moed slechts door de verdeeldheid
der katholieke partij en des keizers aarzelen bij het tenuitvoer-
leggen van het restitutie-edict weder eenigszins was toegenomen,
in dien benarden toestand verkeerden, gevoelde Gustaaf Adolf,
koning van Zweden, zich genoopt hen bij te staan. Reeds vroeger
waren er tusschen de protestanten in Duitschland en dezen vorst
onderhandelingen aangeknoopt, en thans nam hij hun belangen
ter harte, deels uit ijver voor den Lutherschen godsdienst, deels
wegens de verdrijving der met hem verwante hertogen van Meck-
lenburg en de door Wallenstein aan Sigismund van Polen ver-
leende ondersteuning, ook omdat men zijn tusschenkomst bij
den vrede te Lubeck geweigerd had. Nadat hij door Frankrijks
bemiddeling in 1629 een wapenstilstand voor 6 jaar met Polen
had verkregen, landde hij, juist 100 jaar na de indiening der
Augsburgsche confessie, op 24 Juni 1630, met 15000 man (Zwe-
den , geen huurlingen) op de kust van Pommeren. Maar de
Duitsche vorsten traden hem in den beginne, met uitzondering
(1) Daartoe behoorden twee aartsbisdommen, Maagdenburg en Bremen,
twaalf bisdommen en bijna alle Noord-Duitsche stichten en kloosters.
-ocr page 48-
40
van den landgraaf van Hessen-Kassel en de hertogen van Saksen-
Weimar, vooral den voortreffelijken Bernard, met wantrouwen,
ja vijandelijk te gemoet (samenkomst te Leipzig; gewapende neu-
traliteit). Hij moest de hertogen van Pommeren tot de inruiming
hunner steden dwingen, terwijl de hertogen van Mecklenburg in
hun landen terugkeerden. Maagdenburg, dat geweigerd had des
keizers zoon Leopold Willem als aartsbisschop aan te nemen,
begroette des konings komst met blijdschap. Maar de stad werd
door Tilly, die thans ook het opperbevel over het keizerlijk leger
voerde, en Pappenheim belegerd. Wel is waar rukte Gustaaf Adolf
aan, om de stad te ontzetten, maar de keurvorst van Saksen,
die onzijdig wilde blijven, weigerde hem den doortocht door zijn
land, en terwijl men hierover onderhandelde, werd Maagden-
burg stormenderhand ingenomen en geplunderd
(1631); de stad werd voor het grootste gedeelte in de asch gelegd,
waardoor Tilly\'s plan, haar tot het middelpunt zijner verdere krijgs-
verrichtingen te maken, verijdeld werd. Om nu het voorwaarts-
dringen der Zweden te beletten, meende Tilly zich allereerst van
Keur-Saksen te moeten verzekeren, en begon derhalve dit te on-
derwerpen ; dit bewoog den keurvorst van Saksen, die tot nu toe
geaarzeld had, hulp bij de Zweden te zoeken. Daarom verscheen
Gustaaf Adnlf op zijn beurt in Saksen, en sloeg met de vereenigde
Zweedsch-Saksische legers de keizerlijken onder Tilly bij B r e i t e n-
feld (nabij Leipzig; 1631). Deze ééne nederlaag ontrukte den
keizer plotseling alle voordeelen van den geheelen oorlog. De over-
winnende koning sprak met den keurvorst van Saksen af, dat
deze den keizer in zijn erflanden, en wel het eerst in Bohemen,
zou aanvallen, terwijl hij zelf het westelijk en zuidelijk gedeelte
van Duitschland doortrekken, en de liga ten eenenmale vernietigen
zou. Zoo drong hij, bijna zonder tegenstand te ontmoeten, terwijl
de Saksen onder Arnim de keizerlijken versloegen en Praag innamen,
door Thuringen en Frankenland tot Mainz door, en trok van daar
in \'t volgende jaar naar Beieren, terwijl hij aan zijn veldheeren,
en voornamelijk aan hertog Bernard van Weimar, het voortzetten
der veroveringen aan den Rijn overliet. Op de grens van Beieren
betwistte hem Tilly den overtocht over den Lech, doch stierf aan
een in liet gevecht ontvangen wond, waarna Gustaaf Adolf geheel
Beieren bezette, en het gansche rijk met uitzondering van de
-ocr page 49-
41
Oostenrijksche erflanden in zijne macht had. Door rechtvaardigheid
en zachtheid won hij aller harten; maar zijn groote voorspoed en
zijn door hem zelven weinig bemanteld voornemen, om zich door
een Duitsch land voor zijn opofferingen schadeloos te stellen, deden
den ijver zijner bondgenooten, vooral van Johan Georg van Saksen,
verflauwen, en zelfs Frankrijk, waaraan door den keizer eenige
concessiën waren gedaan, aarzelde te vervullen, hetgeen bij het
in 1631 met Zweden gesloten verdrag was vastgesteld.
Intusschen had Wallenstein zich door groote beloften (hij zou
o. a. opperste leenheer van alle te veroveren landen worden) laten
bewegen een nieuw leger (40,000 man) te werven, waarover hem
het onbeperkte opperbevel gegeven was. Hij verdreef de Saksen
bijna zonder slag of stoot uit Bohemen, vereenigde (bij Eger) zijn
leger met dat van den keurvorst van Beieren en ontmoette den
Zweedschen koning voor Neurenberg. Tien weken lagen hier de
beide groote veldheeren in verschanste legerplaatsen tegen over el-
kander , daar elk van beiden hoopte den vijand door gebrek aan
levensmiddelen uit zijn stelling te verdrijven. Eindelijk keerde
Gustaaf Adolf na een vruchteloozen aanval op de legerplaats van Wal-
lenstein naar Beieren terug, in de hoop dat de vijand hem zou
volgen. Wel trok de keurvorst van Beieren zuidwaarts om zijn
land te verdedigen en verliet ook Wallenstein zijn legerplaats,
doch keerde zich niet tegen de Zweden, maar tegen den keur-
vorst van Saksen, ten einde hem te dwingen het bondgenootschap
met de Zweden te laten varen, terwijl hq in de volgende lente het
noordelijk gedeelte van Duitschland, voornamelijk Mecklenburg,
heroveren wilde, om zoodoende den koning den terugtocht af te
snijden. Op het dringend verzoek van den keurvorst van Saksen
ijlde de koning naar Saksen, vernam daar dat Wallenstein zijn
troepen reeds in de winterkwartieren verdeeld en een afdeeling
onder Pappenheim tot ontzet van Keulen naar den Rijn gezonden
had, drong den vijand tot den slag bij Lützen (1632), en
sneuvelde in het gevecht. Reeds waren de Zweden aan het
wankelen gebracht, toen de tijding van den dood des konings hun
moed op nieuw aanwakkerde, zoodat zij onder aanvoering van
Bernard een schitterende overwinning behaalden, welke hun bij
de komst van Pappenheim, die spoedig van Halle was terugge-
roepen, niet kon ontrukt worden. Ook Pappenheim werd doodelrjk
-ocr page 50-
42
gewond. Eenige dagen daarna stierf Frederik V te Mainz; de
Zweden gaven aan zijn kinderen de Rijnpalts terug.
Zweden, waar C h r i s t i n a haar grooten vader opvolgde, moest
den strijd voortzetten, wanneer het niet van iedere belooning
voor zijn inspanning wilde afzien; Frankrijk wenschte het voort-
duren van den oorlog, om zijn doel, de vernedering van Oostenrijk
en het bezit van Lotharingen en den Elzas, te bereiken. De
Zweedsche kanselier Axel Oxenstierna belastte zich met de
leiding der zaken in Duitschland, en sloot met de protestanten
van Zuid-Duitschland de conventie van Heilbronn, en met Frankrijk
een nieuw verdrag, waarbij subsidie beloofd werd. De kerkelijke
belangen traden nu hoe langer zoo meer op den achtergrond.
Terwijl Bernard van Weimar Frankenland veroverde en
Gustaaf Hom, die onder de leiding van Gustaaf Adolf tot
een voortreffelijk veldheer gevormd was, bijna den geheelen Elzas
bezett\'e, maakte Wallenstein geen het minste gebruik van de
verwarring, welke na den dood van den Zweedschen koning was
ontstaan; integendeel, overtuigd zijnde dat hij geen der erflanden
van den keizer tot belooning voor zijn diensten te hopen had,
en dat zijn talrijke vijanden hem niet als vorst van het rijk
naast zich zouden dulden, trad hij met Frankrijk in onderhan-
deling, om de kroon van Bohemen voor zich te winnen. Van
deze omstandigheden en van zijn raadselachtig gedrag tegenover
de Duitsche protestanten en de Zweden, met welke hij nu eens
oorlog voerde, dan weder onderhandelde (onder voorwendsel dat
hij de vereeniging der vijanden wilde beletten), en van de
zoogenaamde samenzwering te Pilsen (waar op aanzoek van Wal-
lenstein het meerendeel zqner generaals zich onder eede verbonden
hem in het opperbevel te zullen handhaven) maakten zijn vijanden
aan het hof gebruik, om hem bij den keizer in verdenking te
brengen, en te bewerken dat hij ontslagen werd; de generaals
trachtte men door de belofte, dat aan hun eischen zou voldaan
worden, van hem te vervreemden. Hij trok met zijn getrouwe
aanhangers van Pilsen naar Eger, om zich met de Zweden en
Saksen te vereenigen, en zich zoodoende staande te houden; maar
op de tijding dat de Zweden in aantocht waren, liet de overste
Buttler Wallenstein en zijn aanhang vermoorden (1634).
In zjjn plaats kwam de oudste zoon des keizers, Ferdinand,
-ocr page 51-
43
koning van Hongarije en Bohemen, dien Gallas ter zijde stond.
Deze verdreef de Zweden uit Beieren, en versloeg, verbonden met
het Beiersche leger, bij N ö r d 1 i n g e n de beide Zweedsche veld-
heeren, die oneenig onder elkander waren; Bernard vluchtte naar
den Rijn, Hom werd gevangen genomen; de keizerlijken bezett\'en
Zwaben, Frankenland en de Palts. Zoo was de dreigende over-
macht van Zweden in Duitschland verbroken, en werden de prote-
stanten in het zuidwestelijk gedeelte van Duitschland genoodzaakt
zich bij Frankrijk aan te sluiten. De keurvorst van Saksen, de
smadelijke afhankelijkheid van buitenlandsche mogendheden moede,
knoopte met den keizer onderhandelingen aan, die tot den vrede
te Praag (1635) leidden, waarbij voor Saksen de ten uitvoer-
legging van het restitutie-edict voor veertig jaren werd geschorst.
Allengskens traden al de protestantsche standen van Midden- en
Noord-Duitschland (met uitzondering van den landgraaf van Hessen-
Kassel) tot dit vredestractaat toe, en van nu af houdt de oorlog
op een oorlog om godsdienstige beginselen of om godsdienstvrijheid
te zijn. Het doel, waarmede Zweden den krijg voortzett\'e, was
hel bezit van een provincie in Duitschland , tot vergoeding z\\jner
oorlogskosten; Frankrijk, dat Oostenrijks overmacht begon te
duchten, begeerde den Elzas, Bernard van Weimareen hertogdom.
D. ZWEEDSCHE EN FRANSCHE OORLOG, 1635 —1648.
Sedert Frankrijk openlijk aan den krijg deel nam, werd deze
voornamelijk aan den Rijn en in Noord-Duitschland voortgezet, en
ontaardde, bij gebrek aan een goed plan, al meer en meer in
doelloos moorden en plunderen. Terwijl Bernard van Weimar
zich (bij het verdrag van St. Germain) geheel in de armen der
Franschen wierp en de keizerlijken in den Elzas bezig hield, her-
stelde Banér door een overwinning op het thans vereenigde
Saksisch-keizerlijke leger (bij Wittstock in Brandenburg, 1636)
het overwicht van Zweden in Noord- en Midden-Duitschland.
8) ferdinand III, 1637—1657.
Daar de nieuwe keizer, die, vrij van den invloed van Spanje
en de Jezuïeten, zich de beëindiging van den moorddadigen oorlog
-ocr page 52-
44
tot taak had gesteld, ook Gallas van den Rijn terug riep en tegen
Banér zond, kon Bernard van Weimar den Rijn weder over-
trekken; doch toen hij in 1639 plotseling gestorven was, bemach-
tigden de Fransehen door omkooping der aanvoerders de door
hem gemaakte veroveringen, en hielden zijn leger in hun dienst.
Op het noordelijk oorlogstooneel had Bon ér in 1637 Pom-
meren bezet, terwijl George Willem van Brandenburg de keizer-
lijken in de vestingen van zijn land opnam. In 1639 drong hij
Saksen binnen, dat hij op vreeselijke wijze verwoestte, en toen hij
in 1641 gestorven was, nam de zieke maar dappere Torstenson
het opperbevel over. Tn 1642 deed deze een inval in Silezië en
Moravië, en liet zijn onderbevelhebber Wrangel zelfs tot in de
nabijheid van Weenen voortrukken. Vervolgens keerde hij, om
versterking op te doen, terug, versloeg de keizerlijken onder
Piccolomini, die hem volgde, bij Leipzig, en bedreigde Weenen
voor de tweede maal. Bij het uitbarsten van een oorlog tusschen
Zweden en Denemarken, dat jaloersch was op Zwedens toenemende
macht, werd hij wel voor korten tijd uit Duitschland terugge-
roepen, maar spoedig keerde hij (nadat hij alle Deensche bezit-
tingen op het vasteland bezet had, waarop al spoedig de vrede
te Brömsebrö volgde) voor de derde maal in de keizerlijke erflanden
terug en drong tot in de nabijheid van Weenen door, doch moest
wegens ziekte het opperbevel neerleggen, dat nu in handen van
Wrangel overging. Zijn overwinningen hadden althans dit ge-
volg , dat men er nu ernstig aan dacht, de vredesonderhandelingen,
die reeds in 1640 begonnen waren, weder op te vatten. Wrangel
vereenigde zich twee malen met de Franschen (Turenne) om
Beieren aan te vallen; de tweede maal drongen zij tot aan de
Isar door, maar werden gedwongen naar den Lech terug te trekken.
De Zweedsche generaal Königsmark scheidde zich van het hoofd-
leger, viel in Bohemen, en had reeds de zoogenaamde kleine
zqde van Praag ingenomen, toen na onderhandelingen van vijf
jaren de vrede tot stand kwam.
E. WESTPHAALSCHE VREDE.
Het sluiten van dien vrede werd lang vertraagd door de steeds
klimmende eischen der Zweden en Franschen, maar eindelijk kwam
-ocr page 53-
45
in 1648 het vredestractaat tusschen Duitschland en Frankrijk te
Munster, en dat tusschen Zweden en de protestanten aan de
eene en den keizer en de katholieken aan de andere zijde te
Osnabrück tot stand.
Vredesvoorwaarden.
a)    Kerkelijke aangelegenheden. Het verdrag van
Passau en de Augsburgsche godsdienstvrede werden bekrachtigd,
en ook tot de Calvinisten of „gereformeerden" uitgestrekt. Voor
het behoud dor wereldlijk gemaakte geestelijke goederen en voor
het ius reformandi der vorsten van Duitschland werd het jaar
1624 als richtsnoer aangenomen. In haar betrekking tot het rijk
zouden de beide godsdienstige partijen gelijk staan.
b)   Staatkundige aangelegenheden. Als schade-
vergoeding verkreeg: 1) Frankrijk de Oostenrijksche bezittingen
in den Elzas, en de bevestiging in het bezit der (reeds sedert 1552
bezette) bisdommen en steden Metz, Toul en Verdun. 2) Zweden
kreeg Voor-Pommeren met Rügen, een gedeelte van Achter-Pom-
meren, Wismar, en als wereldlijke hertogdommen de wereldlijk
gemaakte bisdommen Bremen en Verden (allen evenwel als leenen
van het Duitsche rijk), en eindelijk nog 5 millioen daalders voor
oorlogskosten. 3) Brandenburg kreeg het oostelijk gedeelte
van Achter-Pommeren en Maagdenburg. 4) Mecklenburg
kreeg voor het verlies van Wismar de bisdommen Schwerin en
Ratzeburg als vorstendommen. 5) Beieren behield de Opper-
Palts en de keurvorstelijke waardigheid, maar moest de Beneden-
Palts teruggeven aan den zoon van Frederik V, die vroeger in
den rijksban was gedaan; deze zou tevens de achtste keurvorst
van het rijk zijn. Al de overige onroerende goederen en rechten,
die sedert het begin van den oorlog of ten gevolge daarvan ver-
loren waren, moesten aan de vroegere bezittere worden terugge-
geven De reeds lang bestaande onafhankelijkheid van Zwitserland
en de Vereenigde Nederlanden met betrekking tot het Duitsche
rijk werd erkend, Frankrijk en Zweden waarborgden de vervulling
dei\' voorwaarden van den Westfaalschen vrede, en bleven daardoor
in de gelegenheid, om zich ook weder in de aangelegenheden van
Duitschland te mengen. De paus weigerde de bepalingen van den
vrede te erkennen.
Ook met betrekking tot het staatsrecht werden verschillende
-ocr page 54-
46
nieuwe bepalingen gemaakt: over wetgeving, oorlog en vrede,
belastingen, werving van troepen, het sluiten van verbonden enz.
mocht de keizer geen besluit nemen dan op een rijksdag, in
overleg en met toestemming van al de rijksstanden; de rijksstan-
den, die zoodoende een beslissende in plaats van eene raadgevende
stem verkregen hadden, zouden in hun staten met het hoogste
gezag bekleed zijn, en zelfstandig beschikken over de wijze van
rechtspleging en belasting, over politie en legerorganisatie, en het
recht hebben met elkander en met vreemde vorsten verbonden te
sluiten, evenwel niet tegen den keizer en het rijk.
De overmacht van het huis Habsburg in Europa was verbro-
ken , Frankrijk en Zweden waren de invloedrijkste mogendheden
geworden. Alom heerschte wantrouwen, en de daardoor nood-
zakelijk geworden staande legers vermeerderden de behoeften der
regeering en werkten het absolutisme in de hand.
Duitschland had aan grondgebied verloren en was in een aantal
van slechts los met elkaar verbonden staten verbrokkeld. Hier-
door, door de vreeselijke verwoestingen van den oorlog, en de
stremming van het verkeer werd Duitschland afhankelijk van het
buitenland en onvrij in zijn binnenlandsche betrekkingen.
Frankrijk stond dreigend aan den Üoven-Rijn bij den ingang
van het weerlooze rijk , en Zweden , in het bezit der monden van
de Oder en de Wezer, gebood in Noord-Duitschland.
§ 4.
Spanje.
1) Ferdinand de katholieke van Arragon (1479—1516)
en Isabella van Castilio\' legden door hun huwelijk den grond
tot de vereeniging der tot nu toe gescheiden rijken van Arragon
(waartoe ook Sicilië, Sardinië en de Balearische eilanden behoorden)
en Castilië, benevens de Canariscbe eilanden en Granada (sedert
1492). Daarbij kwam nog Napels, dat de Franschen en Span-
jaarden gemeenschappelijk veroverd hadden, maar dat bij den
strijd over de verdeeling van den buit in het bezit van Spanje
gebleven was; voorts nog de veroveringen op de noordkust van
Afrika en die in Amerika, eindelijk nog Navarre. De ontdekking
van Amerika, het uitmuntend beheer van den kardinaal Ximenes,
-ocr page 55-
47
die als staatsman, veldheer en geleerde even uitstekend was, en
de roem der Spaansche wapenen onder aanvoering van Gonzalvo
van Cordova, den veroveraar van Granada en Napels, verhoogden
den luister van Ferdinands regeering.
Na den dood van Isabella (1504) kwam in Castilië haar dochter
Johanna met haar echtgenoot Philips I, zoon van keizer Maxi-
miliaan, aan de regeering, en toen deze na twee jaren (1506)
stierf en zijn gemalin waanzinnig verklaard werd, wist Ximenes
de standen van Castilië te bewegen aan Ferdinand den katholieke
het regentschap op te dragen; hij werd door de stoute maatre-
gelen van den kardinaal Ximenes in beide rijken opgevolgd door
den zoon van Philips I, Karel I (1516—1556).
Ferdinand en Karel I (V in Duitschland) streefden beiden er
naar, de koninklijke macht zooveel mogelijk onafhankelijk te
maken van den adel en de hooge geestelijkheid. Het grootmees-
terschap der drie geestelijke ridderorden werd daarom met de
kroon verbonden en haar inkomsten ter onmiddellijke beschikking
des konings gesteld. Tevens begunstigde Ferdinand de opkomst der
steden en beschermde ze tegen de roofzucht van den adel. De
vernieuwing der inquisitie had niet zoo zeer ten doel de ketters
te straffen, als wel de vijanden der kroon uit den weg te ruimen
en voor deze nieuwe bronnen van inkomsten te openen (verdrij-
ving der Joden).
Kardinaal Adriaan van Utrecht, die gedurende Karels
verblijf in Duitschland het regentschap bekleedde, wekte door de
steeds drukkender belastingen den toorn der steden van Castilië
op. Zij verbonden zich tot de heilige Junta, en brachten een
leger op de been onder aanvoering van Don Juan de Padilla,
die in 1521 bij Villalar verslagen, gevangen genomen en gedood
werd. Karel schonk bij zijn terugkomst algemeene amnestie;
maar de privilegiën der kroon werden op kosten van de vrijheid
des volks gehandhaafd; de Cortes bleven bestaan, maar verloren
alle macht en invloed.
Een groot gedeelte der Mooren verliet, om aan het bevel tot
aanneming van het Christendom te ontkomen, het land.
Reeds van zijn voorgangers ontving Karel geheel Spanje, de
Nederlanden, de Oostenrijksche staten (behalve Bohemen en Hon-
garije) , Sicilië, Sardinië en Napels, de nieuw ontdekte West-
-ocr page 56-
48
Indische eilanden, de koloniën op de noordkuat van Afrika en de
Canarische eilanden; daarbij kreeg hij de Duitsche kroon, het
hertogdom Milaan, en de Bourgondische erfenis met Utrecht,
Overijsel, Friesland , Groningen en Gelderland. In de nieuwe
wereld liet hij de grootste en rijkste landen: Mexico, Peru met
Quito, Chili, Nieuw-Granada, voor zich in bezit nemen. De
groote schatten, die uit die landen naar Spanje stroomden, werden
voor een goed deel aan Karels buitenlandsche oorlogen besteed en
de ontwikkeling der algemeene welvaart door de onevenredig groote
bezittingen der geestelijkheid belemmerd. Zijn uitgestrekt gebied,
met uitzondering van Duitschland en de Oosten rij ksche staten,
droeg hij over op zijn eenigen zoon
3) Philips II (1556 —1598), den gemaal van koningin
Maria van Engeland, die door zijn somber, achterhoudend en
trotsch karakter de liefde zijner onderdanen verloor, en door zijn
voorliefde voor Spanje volstrekt niet in staat was het vertrouwen
der overige landen te winnen. Met de hulp van Engeland (dat
in dezen oorlog Calais verloor) zett\'e hij den oorlog tegen Frankrijk ,
dien zijn vader begonnen had, voort. Na twee overwinningen,
die Lamoraal van Egmond bij St. Quentin (ter herinnering
aan deze overwinning liet Philips volgens een gedane belofte het
Escuriaal bouwen) en Grevelingen behaalde, eindigde de krijg
met den vrede te Cha tea u-Cam bresis (1559). Daarbij
kreeg Philips tegen den afstand zijner in Picardië gemaakte ver-
overingen verscheidene grensvestingen, gedeeltelijk in Italië, ge-
deeltelijk in de Nederlanden. In dien tijd had Spanje, welks
hoofdstad thans Madrid was, liet toppunt van staatkundige macht
en ontwikkeling bereikt, waarop het zich echter niet lang wist
staande te houden.
Ferdinand de katholieke had een vervolging tegen de
Mooren begonnen, Karel V had die voortgezet, en Philips her-
nieuwde ze door zijn bevel dat de Mooren niet alleen hun godsdienst,
maar ook zeden, kleeding, taal enz. moesten veranderen. Hierdoor
werd een tweejarige burgeroorlog (1568—70) in het leven ge-
roepen, waarin van beide kanten allerlei wreedheden gepleegd
werden en waardoor Spanje het nijverste gedeelte zijner bevolking
verloor. Duizende Mooren werden vermoord of als slaven ver-
-ocr page 57-
49
kocht; vele werden uit het land verdreven. (Don Tan van Oostenrijk
en Don Louis de Requesens).
De zeemacht der Turken, die de plundering der
Italiaansche en Spaansche kusten door de Afrikaansche roofstaten
begunstigden, en Cyprus aan de Venetianen ontnomen hadden,
werd door de overwinning bij Lepanto (1571), die de
natuurlijke broeder van Philips, Don .Tan, behaalde, vernietigd,
maar door Philips, die op den roem zijns broeders naijverig was,
werd van die zegepraal geen partij getrokken. Een aanzienlijk
verlies leed Spanje door den afval van de zeven vereenigde pro-
vinciën der Nederlanden (m. z. § 5). Daarentegen liet
Philips, na het uitsterven van de Bourgondische dynastie in Por-
tugal (1580, m. z. § 6), dat rijk, waarop hij als kleinzoon van
Emanuel den Groote (en dus van moeders zijde) aanspraak maakte,
door den hertog van Alva voor zich in bezit nemen. De ver-
eeniging met Spanje was oorzaak, dat Portugals welvaart ver-
nietigd werd en een deel zijner buitenlandsche bezittingen verloren
ging. — Toen de protestantsehe koningin Elizabeth van Engeland
de vereenigde Nederlanden tegen Spanje ondersteunde, en tevens
de Spaansche koloniën in Amerika aanviel, rustte Philips de
armada of zoogenaamde onoverwinnelijke vloot (van 150
schepen) uit, die door de Engelschen, met de Nederlanders ver-
eenigd, ten deele te Duinkerken ingesloten, ten deele bij Plymouth
verslagen en voor het grootste gedeelte door storm vernield werd
(1588). Terwijl het moederland door ongelukkige oorlogen en
den afval zijner rijkste bezittingen zware verliezen leed, was de
opbrengst der koloniën, ten gevolge van slecht en wreed beheer,
geenszins geëvenredigd aan haar omvang.
Philips wilde als onbeperkt gebieder regeeren (vernietiging der
vrijheden van Arragon). Het doel zijns levens was de ketterij
overal uit te roeien, doch hij stierf met het bewustzijn dit doel
gemist te hebben en liet zijn rijk verarmd achter aan zijn zoon
(Don Carlos, een zoon uit zijn eerste huwelijk, was in de ge-
vangenis gestorven).
4) Philips III (1598—1621). Deze was een zwak vorst,
die in \'t geheel geen eigen wil bezat; hij liet de regeering over
aan den hertog van Lerma. De verdrijving der Morisco\'s (ge-
Pütz, N. Gesch.                                                                      4
-ocr page 58-
50
doopte Mooren, 1609) bespoedigde het verval van Spanje; ook
was Philips genoodzaakt in hetzelfde jaar met de Nederlanden het
twaalfjarig bestand te sluiten.
5) Philips IV (1621 — 1665). Onder hem verviel Spanje
nog meer. De handelingen van zijn werkzamen en schranderen
minister Olivarez (invoering van een voor alle bezittingen gelijk-
vormig stelsel van administratie) waren niet in staat de gebreken
in het bestuur te verhelpen , maar hadden den afval van Portugal
(1640) en den opstand der Cataloniërs ten gevolge. Na zijn
ontslag werd het niet beter. De opstand der Napolitanen (1647;
Masaniello), veroorzaakt door de invoering eener nieuwe belasting,
werd gedempt, maar de koning was gedwongen bij den West-
phaalschen vrede de republiek der Vereenigde Nederlanden te erken-
nen. De oorlog met Frankrijk, die in 1635 uitgebarsten was,
eindigde met den Pyreneeschen vrede, 1659.
§5.
De Nederlanden.
De Nederlanden behoorden tot 843 bij het Frankische rijk en
na de verdeeling van het Frankische rijk bij Midden-Frankenland,
later bij het hertogdom Neder-Lotharingen, welks bezitters zich
hertogen van Brabant noemden. Deze verloren allengs de heer-
schappij over de graafschappen, heerlijkheden en bisdommen van
het hertogdom Neder-Lotharingen, die onafhankelijk waren en
eerst in de 15de eeuw weder tot een staatslichaam verbonden
werden door de hertogen van Bourgondië uit de Fransche dynastie
der Valois. Hun land was, niet in uitgestrektheid, maar in be-
volking en welvaart, een der rijkste landen van het toenmalige
Europa. Karel de Stoute bezat ten laatste twaalf Nederlandsche
provinciën, welke door het huwelijk zijner dochter Maria met
Maximiliaan I aan Oostenrijk kwamen , en door Karel V nog met
Utrecht, Overijsel, Groningen, Friesland en Gelderland vermeer-
derd werden. Het Oostenrijksche huis verkreeg voor de Neder-
landen als Bourgondischen kreits zitting en stem op den rijksdag.
(Tractaat van Augsburg 1548). Reeds onder de Bourgondische
hertogen hadden de Nederlandsche Staten aanzienlijke privilegiën
weten te verkrijgen (zonder hun toestemming mochten belastingen
-ocr page 59-
51
geheven noch troepen geworven worden), en bij zijn inhuldiging
zwoer Philips II die privilegiën te zullen beschermen en in stand
houden. Toen hij na den vrede te Chateau-Cambresis de Neder-
landen verliet, gaf hij het opper-stadhouderschap over die gewesten
aan zijne natuurlijke zuster, de hertogin Margaretha van
Par ma (1559—1567j, een Nederlandsche vrouw, welke hjj
Granvelle, bisschop van Atrecht, als raadsman ter zijde stelde;
de voornaamste edelen der natie, Willem van Nassau, vorst
van Oranje, en Lamoraal, graaf van Eg mond, kregen zitting
in den raad van State en het Stadhouderschap in een of meer
provinciën, de graaf van Hoorne werd admiraal der Nederland-
sche zeemacht. Maar de voorliefde des konings voor Spanjaarden,
de veelvermogende invloed van Granvelle, het achterlaten van
Spaansche troepen, de oprichting van (15) nieuwe bisdommen en
(3) aartsbisdommen, waarvan het voornaamste (Mechelen) aan
Granvelle (die ook spoedig den kardinaalshoed ontving) gegeven
werd, maar vooral de tegen de protestanten gerichte vervolgingen
gaven aanleiding tot menigvuldige klachten , en zóó groot werden
de haat en de verbittering tegen den vreemden Granvelle, dat de
landvoogdes zelve op zijn terugroeping aandrong. Op geheim
bevel des konings verliet hij de Nederlanden, maar het werd er
niet beter op, want in Madrid bleef zijn invloed op den koning
onverzwakt.
De invoering der besluiten van het concilie van Trente, de
bloedplakkaten en de inquisitie gaven aanleiding tot het verbond
der edelen (het Compromis), dat den grond legde tot de Neder-
landsche vrijheid (Marnix van St. Aldegonde). Ongeveer drie
honderd edelen (Geuzen) overhandigden, 5 April (1566), aan de
landvoogdes te Brussel een smeekschrift (Hendrik van Brederode;
Lodewijk van Nassau), waarbij zij aandrongen op verzachting der
plakkaten (openbare prediking). De beeldenstorm, Augustus 1566,
deed de vereeniging van Roomschen en niet-Roomschen uiteengaan
en gaf aan de landvoogdes haar overmacht terug. Zy schreef een
nieuwen eed voor, waarop de prins van Oranje het land verliet.
De beeldstormers werden streng gestraft, het verbond der edelen
was vernietigd, en vóór het einde van April 1567 was de onder-
werping algemeen. De koning echter, wiens toorn eenmaal op-
gewekt was, zond een Spaansch leger onder beval van den hertog
-ocr page 60-
52
van A1 v a, waarop vele protestanten de Nederlanden verlieten.
Toen Alva zonder toestemming der langvóogdes Egmond, Hoorne
en andere edelen in hechtenis liet nemen en geheel eigenmachtig
handelde, nam Margaretha haar ontslag, en bracht het overige
van haar leven meestal in Italië door. Nu kreeg Alva het geheele
bestuur in handen (1567—1573), en begon met de oprichting
van den »Raad van Beroerten", door het volk met den naam
van »bloedraad" bestempeld. Voor dezen raad werden de (naar
Dillenburg in Nassau vertrokken) prins van Oranje en allen die
het compromis onderteekend en aan den beeldstorm deel genomen
hadden , gedaagd ; zij, die niet verschenen, werden verbannen en
hun goederen verbeurd verklaard. Egmond, Hoorne en vele andere
edelen werden als saamgezworenen te Brussel ter dood gebracht.
De tachtigjarige vr ij heidsoor log 1568 — 1648.
Toen Willem van Oranje de verbeurdverklaring zijner bezittingen
in de Nederlanden vernam, maakte hij zich met zijn broeder
Lodewijk van Nassau tot een aanval op de Nederlanden gereed;
Lodewijk behaalde wel is waar bij Heiligerlee een overwinning
op de Spanjaarden onder Aremberg, maar werd met zijn muit-
zieke troepen door Alva bij Jemmingen verslagen, en Willem
werd spoedig na zijn stouten inval over de Maas tot den terug-
tocht on door geldgebrek tot de ontbinding zijns legers gedwongen.
De invoering eener nieuwe belasting, den >)hondersten, twin-
tigsten en tienden penning," gevoegd bij het verbod van den
handel met Engeland, bracht de Nederlanders tot opstand.
Zij sloten zich bij den prins van Oranje aan, toen in April 1572
Brielle gelukkig door de Watergeuzen was ingenomen, en erkenden
hem op een vergadering der staten van Holland (te Dordrecht)
als wettig stadhouder des konings over Holland (1572). Alva
vroeg nu zijn ontslag (1573).
Hopeloos scheen de toestand der opstandelingen gedurende het
korte bestuur zijns opvolgers, Requesens (slag op de Mooker-
heide; Leiden ontzet). Doch toen na diens dood, Maart 1576,
de Spaansche soldaten aan het muiten sloegen (Spaansche furie),
verbonden zich de overige gewesten met Holland en Zeeland tot
het verdrijven der Spanjaarden, November 1576 (pacificatie van
Gent). De opvolger van Requesens, Don Jan van Oostenrijk
(1576—1576), nam eerst de pacificatie aau (eeuwig edict), doch
-ocr page 61-
53
verbrak die later, waardoor de krijg tusschen hem en de Al-
gemeene Staten uitbarstte. (Oneenigheden tusschen de staten.
Matthias van Oostenrijk; de hertog van Anjou). De vrees voor
Franschen invloed en de woelingen der ultra-gereformeerden te
Gent deden de pogingen van den prins van Oranje, om vereenigd
Spanje wederstand te bieden, mislukken. Na Don Jans dood werd
de zoon van Margaretha, de voormalige landvoogdes der Neder-
landen, de verstandige en krijgskundige Alexander Farnese
van Parma, tot stadhouder benoemd (1578-—1592). Deze ont-
wierp een geheel ander plan dan zijn voorgangers. De staat der
kerkelijke en godsdienstige zaken zou dezelfde zijn als onder de
regeering van Karel V, maar alle staatkundige vrijheden en voor-
rechten , die de Nederlanders het recht hadden te vorderen,
zouden hun teruggegeven worden. Daardoor won hij dadelijk de
Waalsche gewesten (Unie van Atrecht). Maar de noordelijke
gewesten, waar allentwege de hervorming ingevoerd en be-
vestigd was, vereenigden zich als een ondeelbaar geheel bij de
Unie van Utrecht (1579) tot wederkeerige ondersteuning
tegen Spanje. Nog altijd bleef men Philips als heer erkennen,
maar nadat de prins van Oranje, Juni 1580, in den ban was
gedaan (Apologie), bleek het dat alle uitzicht op verzoening met
den koning verdwenen was, en zij zwoeren hem plechtig af.
Eerst werd het landsheerlijk gezag opgedragen aan Frans van
Anjou (1580), maar deze, niet tevreden met de beperkte voor-
waarden , waarop hij dit gezag aanvaard had, deed een aanslag
op Antwerpen (Fransche Furie). Reeds stonden de staten van
Holland en Zeeland op het punt om aan Willem van Oranje de
grafelijke waardigheid over de Nederlanden, erfelijk in zijn familie,
op te dragen, toen de prins te Delft door Balthasar Gerards ver-
raderlijk vermoord werd (1584). Bij zijn dood scheen de nieuwe
staat zijn ondergang nabij; de regeering werd aan een Raad
van State opgedragen, aan welks hoofd Willems dappere zoon
Maurits geplaatst werd (1585—1625). Daar Alexander van
Parma allengskens Gent, Brussel, Mechelen, Nijmegen en na
een voor beide partijen roemrijke belegering ook Antwerpen
(1585) veroverde en daardoor de onderwerping der zuidelijke Ne-
derlanden besliste, droeg de Unie de souvereiniteit te vergeefs
-ocr page 62-
54
op aan den koning van Frankrijk , en zocht vervolgens hulp
bij de koningin van Engeland. Elizabeth zond den graaf van
Lei ces ter. Leicesters bewind (1585—1587) was een tijdperk
van overgang. De tegenkanting, die hij voornamelijk bij de Staten
van Holland (Oldenbarnevelt) ondervond, deed hem de Nederlanden
verlaten. Door zijn vertrek was de grondslag tot een republiek
gelegd. Philips II, meenende dat de republiek zich niet zou
kunnen staande houden, zoodra maar eerst Engeland veroverd was,
rustte de Armada uit. Maar de vernietiging der Armada door
stormen en door de dapperheid der verbonden vijanden (1588),
en de daaruit ontstane uitputting van de Spaansche schatkist gaven
aan den oorlog een geheel onverwachte wending. De republiek,
die haar ondergang nabij was en tevens door binnenlandsche on-
lusten hevig geschokt werd, verhief zich thans tot zulk een
schitterende hoogte, dat zij den oorlog tegen Alexander van Parma
aanvallenderwijze kon voeren, en, door Frankrijk en Engeland
ondersteund, zette zij dien door het krijgsbeleid van Maurits tegen
Alexander Farnese en diens veel zwakkere opvolgers (slag bij
Nieuwpoort, 1600) zóó gelukkig voort, dat zij eerst een wapen-
stilstand voor twaalf jaren (twaalfjarig bestand) verkreeg (1609),
en eindelijk aan Spanje bij den Westphaalschen vrede de erken-
ning harer onafhankelijkheid afperste. (Frederik Hendrik,
1625—1647. Willem II, 1647—1650).
Tijdens het twaalfjarig bestand ontstonden onder de protestanten
in Nederland twee partijen, de Arminianen of Remon-
stranten, die Calvijns praedestinatieleer verwierpen, en de streng
Calvinistische Gomaristen of Contraremonstranten. —
Synode te Dordrecht, 1618. Terechtstelling van Oldenbarnevelt. —
Vervolging van Hugo Grotius.
§ 6.
Portugal.
Portugal beleefde zijn gouden eeuw onder de laatste vorsten uit
het Bourgondische huis, voornamelijk onder Emanuel den Groote
(1495—1521). Door de ontdekking van een nieuwen weg over
zee naar Indië, door veroveringen en de vestiging van handels-
-ocr page 63-
55
factorijen in Azië verhief zich dit kleine volk in roem en macht
boven de meeste staten van Europa, en werd de markt van
Lissabon de eerste van Europa. Johan III, 1521 —1557. Nadat
zijn kleinzoon koning Sebastiaan in een oorlog tegen Fez en
Marokko bij Alkassar (1578) een veldslag en het leven (?) ver-
loren had (valsche Sebastiaans), en zijn oudoom, de kardinaal
Hendrik, die op zes en zestigjarigen leeftijd den troon beklom,
na twee jaren gestorven was, dongen verscheiden pretendenten
naar de kroon van Portugal; maar alle weken spoedig voor de
overmacht van den koning van Spanje, en Portugal werd een
Spaansche provincie (1581—1640). Als zoodanig verloor
het niet alleen de meeste zijner buitenlandsche bezittingen, maar
ook zijn privilegiën en rechten, die Philips II gezworen had te
zullen handhaven; alle staatsambten werden door Spanjaarden be-
kleed , de welvaart was door de stremming van den handel en
de drukkendste geldafpersingen vernietigd, de kroongoederen ver-
vreemd , de vestingen ontmanteld. Aan deze slavernij werd een
einde gemaakt door een omwenteling, die bijna zonder bloedver-
gieten werd tot stand gebracht. Hertog Jan van Braganza
(afstammeling van een onechten zoon van Johan I) werd met
ondersteuning van Frankrijk onder den naam van Johan IV op
den troon verheven 1640, en alle pogingen der Spanjaarden om
het verloren koninkrijk te heroveren, bleven vruchteloos.
§ 7.
Frankrijk.
A. Onder het huis Valois (jongere linie) 1498 tot 1589.
Frankrijk, welks grenzen ten Noorden en Oosten zich toen nog
niet zoo ver uitstrekten als thans (Vlaanderen en Artois, Lotha-
ringen , Franche-Comté en de Elzas behoorden er niet toe. Bretagne
kwam door huwelijk aan de Fransche kroon. Anna v. Bret.,
eerst gehuwd met Karel VIII, daarna met Lodewijk XII), werd,
spoedig nadat de honderjarige oorlog met Engeland geëindigd was,
in een langdurigen en bloedigen krijg met het Oostenrijkscho
huis gewikkeld. De eerste aanleiding tot misnoegen tusschen deze
-ocr page 64-
56
beide mogendheden gaf de vereeniging der Bourgondische provinciën
met Oostenrijk; maar het voorwendsel tot den oorlog, waarvan
vooral Italië het tooneel was, waren de aanspraken, welke Karel VIII
als erfgenaam van het huis Anjou op Napels en Lodewijk XII
als kleinzoon van Valentine Visconti van Milaan op dat hertogdom
maakten. Beide koningen konden echter hun veroveringen in
Italië niet behouden, en Frans I (1515—1547), die met dezelfde
aanspraken als zijn beide voorgangers optrad (overwinning bij
Marignano, 1515), moest daarvan na vier oorlogen met keizer
Karel V (m. z. pag. 24 volg.) bij de vredestractaten te Madrid,
Kamerijk, Nizza en Crespy telken reize afzien. Napels en Milaan
werden niet de Spaausche monarchie vereenigd. — Frans I, de
slaaf zijner zinnelijke genietingen, was geheel vervuld met de
gedachte dat hij als ridder en held moest schitteren; ondertusschen
verwaarloosde hij het inwendig bestuur en de ware belangen van
zijn rijk (Louise van Savoye) en den bloei van kunsten en weten-
schappen (père des lettres) geenszins. Het hertogdom Bre-
tagne werd door huwelijk bij de kroon van Frankrijk gevoegd;
de machtigste vazallen maakte hij , door hun bedieningen aan
\'t hof te geven, van den troon afhankelijk; bij een concordaat
met den paus werd hem de keus der hoogere geestelijken opge-
dragen. De staatkundige macht van het Parlement van Parijs
beperkte hij op alle wijzen. Terwijl hij in zijn eigen land het
protestantisme en vooral het (democratische) calvinisme niet duldde
en vervolgde, verbond hij zich met de belijders der nieuwe leer
in Duitschland tegen den keizer. De volgende koning Hendrik 11
(1547—1559), geheel beheerscht door Diana van Poitiers en de
Guises (Frans hertog van Guise en Karel, kardinaal van Lotharin-
gen), viel het Oostenrijksche huis in Duitschland aan, hernieuwde
als bondgenoot van den keurvorst Maurits van Saksen den oorlog
tegen Karel V (m. z. pag. 30), won Metz, Toul en Verdun en
stierf aan een wond, hem bij een steekspel (een lanssplinter
was hem in het oog gedrongen) toegebracht (1559). Onder de
zwakke regeeringen zijner drie elkander opvolgende zonen Frans II
(echtgenoot van Maria Stuart, 1559 — 1560), Karel IX (1560—
1574) en Hendrik III (1574—1589) verwekten de partijen
der Guises en Bourbons, welke om de hoogste plaatsen aan het
hof, in het bestuur en in het leger streden, acht malen in
-ocr page 65-
57
2 §£
-ocr page 66-
58
36 jaren een godsdienst- en burgeroorlog (1562—1598).
De zaak der hervorming werd in Frankrijk daardoor bedorven,
dat haar belijders in den strijd der staatkundige partijen betrokken
werden; want daar het uitsterven van het huis Valois te wachten
stond, vormden zich: o) de partij der rechtmatige erfgenamen,
der Bourbons van Navarre, die door de Hugenoten gesteund
werden (onder de leiding van prins Lodewijk van Condé en den
admiraal Coligny), b) de partij der Guises (hertogen van Lotha-
ringen) , die, op de katholieken steunende, den troon hoopten te
bemachtigen. Katharina de Medici, de weduwe van Hendrik II,
wist van die oneenigheden partij te trekken, en door nu de eene
dan de andere partij te begunstigen, zich zelve een grooten invloed
op de regeering te verzekeren. In de eerste drie oorlogen (de
aanleiding tot den eersten oorlog was het bloedbad, door Frans
de Guise te Vassy aangericht) werden de Hugenoten wel is waar
in alle veldslagen (slag bij Dreux, 1562; slag bij Jarnac, 1569;
de oude Condé sneuvelt; slag bij Moncontour, 1570) overwonnen,
maar door de uitputting der katholieken, wier schranderste aan-
voerder, Hertog Frans de Guise, reeds in 1563 door sluipmoord
was omgekomen, verkregen zij bij den vrede telkens de bekrach-
tiging hunner godsdienstige vrijheid en ten laatste ook (behalve
4 plaatsen in het Z. van Frankrijk, waarin zij bezetting mochten
leggen) het recht, om aan het staatsbestuur door de bekleeding
van overheidsposten deel te nemen. De vrede scheen na drie
oorlogen voor goed verzekerd te zijn, daar men zeer veel aanzien-
lijke Hugenoten (admiraal Coligny) naar het hof lokte, vooral
ook omdat een huwelijksverbintenis tusschen den protestantschen
koning Hendrik van Navarre en Margaretha, de zuster van Karel IX,
tot stand kwam. Katharina de Medici was met dit huwelijksplan
zeer ingenomen; want zij koesterde de hoop, dat de beminnelijk-
heid van haar dochter en de genoegens van het hofleven den
koning van Navarre — en door hem ook zijn aanhang — meer
onderworpen zouden maken. Doch dit huwelijksfeest eindigde met
den verraderlijken moord der Hugenoten, onder den naam van
Bartholomeusnacht bekend (23—24 Augustus 1572). Dit
verraad werd door de koningin-moeder, haar derden zoon, Hendrik
van Anjou, en de prinsen van Guise met toestemming van den
zwakken koning gesmeed, om Coligny, op wiens toenemenden
-ocr page 67-
59
invloed aan het hof men naijverig begon te worden, uit \'s konings
raad te verdringen. Het kostte aan Coligny en aan vele duizende
protestanten, maar ook aan menigen katholiek het leven. Hendrik
van Navarre en de jonge Condé vermochten zich slechts door den
overgang tot de katholieke kerk te redden. Om dien gruwel te
rechtvaardigen, wendde men voor, dat door Coligny en zijn aan-
hang een samenzwering tegen het koninklijke huis beraamd was.
Daar men aan de Hugenoten nu ook hun vaste plaatsen wilde
ontnemen, begonnen de godsdienst- en burgeroorlogen op nieuw
(Guises); zij duurden onder de geheele regeering van den hoogst
verachtelrjken Hendrik III voort.
In den 5den godsdienstoorlog plaatste Hendrik van Navarre,
nadat hij reeds lang de hem opgedrongen geloofsverandering voor
nietig had verklaard, zich weer aan het hoofd der Hugenoten
en dwong aan zijn tegenstanders vrijheid om zijn godsdienst uit
te oefenen en 8 versterkte plaatsen af. De Guises richtten daar-
tegen de «heilige" ligue op, aan welker hoofd zich de koning
zelf plaatste, om zoodoende steun te vinden; de uitoefening van
den protestantschen godsdienst werd op nieuw verboden. In den
6den en 7den oorlog handhaafden de Hugenoten hun rechten.
Moeielijker werden de zaken, toen in 1584 de laatste erfgenaam
der Valois, de in Nederland welbekende Frans van Anjou, stierf.
De koning wist zich slechts daardoor staande te houden, dat hij
nu de eene, dan de andere partij omhelsde. Hij verzoende zich,
beducht voor de overmacht der Guises, met Hendrik van Navarre,
maar keerde weldra wantrouwende tot zijn oude partijgenooten
terug, waarop een nieuwe, wederom door de protestanten met
geluk gevoerde oorlog (»de oorlog der drie Hendrikken") uit-
barstte. Toen nu echter de Guises de ligue de seize stichtten,
met het doel om met Spanje\'s hulp den koning van den troon
te stooten, zag Hendrik III zich tot de vlucht naar Chartres
genoodzaakt. De sluipmoord, dien hij bij een samenkomst te
Ulnis op den hertog Hendrik de Guise en den kardinaal Lodewijk
van Lotharingen deed plegen, bewoog de katholieke partij, hem
te verlaten en Karel van Mayenne tot stadhouder van het koninkrijk
te benoemen. Hendrik erkende nu (Katharina de Medici f 1589)
de Bourbons als opvolgers, maar werd, toen hij met de Huge-
noten Parijs belegerde, in de legerplaats door den Dominicaner-
-ocr page 68-
fiO
monnik Jacques Clement vermoord (1589). Bij zijn dood gaf hij
den raad Hendrik van Navarre uit het huis van Bourbon tot zijn
opvolger te benoemen.
B. Onder het huis Bourbon (afstammende van Robert,
vijfden zoon van Lodewijk IX), 1589—1792.
1) Hendrik IV (1589—1610). Hij sloeg de ligue bij Ivry
(te Parijs was de kardinaal van Bourbon tot koning uitgeroepen,
die evenwel kort daarna stierf; plan tot verheffing der Spaansche
prinses Isabella op den Franschen troon; verzet van Mayenne;
Salische wet); doch eerst nadat hij tot de katholieke leer was
overgegaan, kon hij zijn intocht in Parijs doen (1594), en werd
hij, ten gevolge van z\\jn verstandige en verzoenende maatregelen,
in het geheele rijk erkend. (Vrede te Vervins met Spanje, 1598).
Door het edict van Nantes (1598) gaf hij aan de protestanten
het recht van bijna geheel vrije godsdienstoefening en den toegang
tot alle staatsambten, en maakte op die wijze een einde aan de
godsdienstoorlogen, die 36 jaren geduurd hadden; de Hugenoten
bleven in het bezit van 4 versterkte plaatsen, hetgeen, daar zij
aldus een staat in den staat bleven vormen, later een nieuwen
strijd in \'t leven moest roepen. Dien tijd van rust gebruikte hij
tot het herstellen der welvaart; de door oorlogen, slordig bestuur
en oneerlijkheid uitgeputte schatkist werd door zijn edelen vriend
en minister S u 11 y in beteren staat gebracht; handel en nijverheid
begonnen weder te bloeien; steden en dorpen herrezen uit hun
puinhoopen. Zijn lievelingsplan was het vernederen van het huis
Habsburg in Oostenrijk en Spanje (zijn betrekkingen met de unie)
door de oprichting van een algemeene Europeesche republiek van
vijftien even machtige staten (6 erfelijke en 5 kieskoninkrijken,
en 4 republieken, waarvan een eeuwige vrede het gevolg zou zijn.
Zijn voornaamste bondgenooten zouden Engeland en Nederland,
Spanje\'s bitterste vijanden, zijn. De Guliksche successie-oorlog
(m. z. pag. 33) scheen hem de gelegenheid aan te bieden, om
zich in de zaken van Duitschland te mengen, maar dat plan kwam
niet tot uitvoering, daar hy op een rit door Parijs door Ravaillac
vermoord werd (1610). Hq werd opgevolgd door zijn minder
jarigen zoon
Lodewijk XIII (1610—1643), in den beginne onder de
-ocr page 69-
61
voogdijschap zijner moeder Maria de Medici (Concini — Markies
d\'Ancre, de Luynes), in 1614 meerderjarig verklaard (vergadering
der ctats généraux, de laatste vóór die van 1789), later geleid
door Jean Armand du Plessis, kardinaal en hertog van R i-
chelieu, die door zijn verstandige werkzaamheid al de ver-
raderlijke pogingen der koningin-moeder Ie keer ging en aan den
staat, die door verkwistingen en hofkabalen tot verval begon te
geraken, een nieuw leven schonk. Gedurende zijn achttienjarig
bestuur (1624—1642) streefde hij: a) naar verheffing der
koninklijke macht in Frankrijk. Aan de Hugenoten
ontnam hij, ondanks de hulp, die zij van Engeland ontvingen,
in 1628 de vesting la Rochelle na een hardnekkige belegering,
en kort daarna ook hun overige vestingen, en liet hen niet
meer als staatkundige, maar alleen als kerkelijke partij bestaan
(edict van Nimes, 1629); hij vernietigde den invloed van den
hoogen adel (1632, onderdrukking van den opstand van Gaston
van Orleans en Karel van Lotharingen; 1642, terechtstelling
van Cinq Mars), riep de rijksstanden niet meer bijeen en vernie-
tigde den invloed van het parlement van Parijs (lit de justice).
b) Naar uitbreiding van den politieleen invloed
van Frankrijk buitenslands. Dezen invloed wist hij
zich in Zweden en in Italië (Mantuaansche successie-oorlog) te
verwerven, en in Duitschland en de Nederlanden te vernieuwen.
Daartoe ondersteunde hij de vijanden van het huis Habsburg
(de Nederlanders, de Zweden en de Duitsche protestanten),
welks macht hij zoowel in Duitschland als in Spanje wilde ver-
zwakken, en begunstigde ook den afval der Cataloniërs en Portu-
geezen van de Spaansche kroon. Door hem verkreeg Frankrijk
de leiding der Europeesche staatsbelangen, die in de middeleeuwen
en zelfs nog tijdens de reformatie in handen van den paus waren
geweest. In zijn alles omvattende werkzaamheid was hij bedacht
op de vermeerdering der zeemacht, de uitbreiding van den handel,
de bescherming der koloniën, het maken van kanalen, de ver-
fraaiing van Parijs; ook de Académie Francaise, welke op
de ontwikkeling der letterkunde een zoo grooten invloed heeft uit-
geoefend, is hem haar ontstaan verschuldigd (1635).
Weinige maanden na den dood van Kichelieu stierf ook Lode-
wijk XIII. Zijn vijfjarige zoon Lodewijk XIV erfde het ryk.
-ocr page 70-
32
§8.
Engeland onder het huis Tudor, 1485 — 1603,
en
Schotland onder de Stuarts.
De dertigjarige burgeroorlog der beide rozen nam onder Hen-
drik VII Tudor, den laatsten afstammeling uit het huis van Lan-
caster, een einde. Door zijn huwelijk met Elizabeth, de laatste
erfgename van het huis York, vereenigde hij de aanspraken en
rechten van beide partijen, en van dien tijd af verhief zich Engeland
in macht, welvaart en beschaving. Het eenige doel zijner staat-
kunde was het behoud van den vrede, waaraan Engeland na de
langdurige burgeroorlogen zoo groote behoefte had.
Hendrik VIII (1509—1547). Eerst verdedigde hij in een
door hem zelven opgesteld geschrift de katholieke leer der zeven
sacramenten tegen Luther, maar wreekte zich later op den paus,
die hem de toestemming tot een echtscheiding (hij was gehuwd
met Katharina van Arragon, zijns broeders weduwe) geweigerd
had (Wolsey), daardoor, dat hij alle betrekkingen met Rome af-
brak , kloosters ophief, en (ondersteund door Cranmer, aartsbis-
schop van Canterbury) zich door de geestelijkheid en het Parlement
tot opperhoofd der Anglicaansche kerk liet benoemen (eed van
suprematie). Hij bleef aan zijn vorigen afkeer van de protestantsche
leer getrouw en hield dus voor het overige de voornaamste grond-
stellingen der Roomsche kerk in stand.
Deze kerkregeling, bij welker invoering hij zich even streng en
wreed betoonde jegens zijn volk, als in zijn huiselijk leven jegens
zijn zes gemalinnen (Katlnirina van Arragon, verstooten; Anna
Boleyn terechtgesteld; ■}■ 1537; Jane Seymour; Anna van Kleef,
door hem verstooten; Katharina Howanl terechtgesteld; Katharina
Parr wist zich door schranderheid te handhaven), kon zich onder
de regeering zijner drie op elkander volgende kinderen niet
staande houden.
Onder zijn zoon, den minderjarigen en ziekelijken Eduard VI
(1547—1553) had eerst Somerset, en vervolgens de hertog van
Northumberland (graaf Warwick) het bestuur in handen. Een
korte oorlog tot bevordering van het huwelijk van Eduard met
-ocr page 71-
63
Maria Sluart mislukte. Eduard, een ijverig voorstander der her-
vorming, liet een nieuwe geloofsbelijdenis (de 42 artikelen van
Cranmer; het commonprayerbook) opstellen, waarin vele stellingen
van Luther, Zwingli en Calvijn opgenomen werden, en benoemde
kort voor zijn dood Jane Grey, de schoondochter van Northum-
berland, tot zijn opvolgster.
HENDRIK VII, f 1509.
MARGARETIIA,                         MARIA
gehuwd met.) acobvs i V eerst geh. met lok. xii
Stuart van Schotland. v. fr., daarna met
CHARLES HRANKON,
ARTIIUR ,
f 1502.
HENDRIK VIII,
t 1547.
MARIA, ELIZABETH, EOUARD VI,
f 1558. f 1603 f 1553 jacobusv. margaretha. hertog v. Sufiblk,
t 1542.
francisca, geh. met
graaf grey, hertog
van Sufiblk.
JANE grey, geh. met
GUILFORK DUDLEY,
zoon van den hertog
van Northumberland,
f 1584.
HENKRIK
KARNLEY
MARIA
STUART
JACOBUS VI.
f 1625
elizabeth, geh. met
keurvorst frederik v
va*n de Palts.
KAREL I,
t 1649.
Maria Tudor (1553—1558) volgde haar broeder op (Jane
Grey legde na negen dagen de regeering neder; zij stierf, even
als Northumberland, op het schavot); zij herstelde (bisschop Gardiner)
op een bloedige wijze den katholieken godsdienst en de betrekking
tot Rome en liet de hoofden der Reformatie (Cranmer, aartsbis-
schop van Canterbury en anderen) op den brandstapel sterven;
Maria\'s zuster Elizabeth werd in den tower opgesloten. Cranmers
opvolger was de kardinaal-legaat Reginald Pole. Haar huwelijk
met Philips van Spanje wikkelde haar in een oorlog met Frankrijk,
waarin Calais verloren ging. Maar haar opvolgster en halfzuster
Elizabeth (1558—1603) schafte op nieuw het pauselijk gezag
in Engeland af. Zij behield echter de instelling van bisschoppen,
en gaf aan de Engelsche kerk den vorm, welken deze thans nog
bezit. (Anglicaansche of episcopale kerk: de 39 artikelen, wat
den dogmatischen inhoud betreft weinig van de Luthersche leer
verschillend, terwijl in den vorm de anglicaansche kerk door de
leer van het bisschoppelijk gezag van de hervormde aanmerkelijk
afwijkt). Gelijktijdig werd in Schotland door John Knox het
zuivere Calvinisme (hier ook Presbyterianisme of Puritanisme ge-
-ocr page 72-
64
naamd) gepredikt, en de uitoefening van den katholieken gods-
dienst verboden (Covenant); aan de koningin Maria Stuart
werd de vrije uitoefening van haar godsdienst niet veroorloofd.
Toen de tweede echtgenoot dezer koningin, graaf Darnley, met
het buiten, waar hij ziek lag, in de lucht gesprongen was, en
zij daarna graaf Bothwell huwde, die door het volk als de moor-
denaar van Darnley werd aangewezen, werd zij uit haar rijk
verdreven en vluchtte naar Engeland. Hier vond zij echter, deels
omdat men haar van medeplichtigheid aan Darnley\'s dood be-
schuldigde , deels omdat zij Elizabeths voorstel, afstand te doen
van haar aanspraken op den Engelschen troon en zich van elke
verstandhouding met de katholieken in Engeland, alsmede met
het Fransche en Spaansche hof te onthouden, niet wilde aannemen,
een negentienjarige gevangenisschap en werd, onder beschuldiging
van deel genomen te hebben aan een samenzwering tegen het
leven van Elizabeth, in haar kerker (te Fotheringhay in Northum-
berland) onthoofd (1587). — Bij den langdurigen vrede en de
binnenlandsche rust, waarin zich Engeland onder Elizabeths re-
geering en onder het wijze bestuur van haar raadslieden, Bacon
en William Cecil, mocht verheugen, bloeiden kunsten en weten-
schappen , alsmede de landbouw en de door gevluchte Nederlanders
uitgebreide en op beter voet gebrachte nijverheid, ontdekkings-
reizen (m. z. pag. 10), de vestiging in Noord-Amerika (Virginia)
en de oprichting der Oost-Indische Compagnie gaven aan den
buitenlandschen handel en de scheepvaart grooter uitbreiding\'(Drake
en Sir Walter Raleigh); de oorlog met Spanje (m. z. pag. 54)
en de vernieling der onoverwinnelijke vloot gaven aanleiding tot
het vormen eener Engelsche zeemacht, en onder Elizabeth verhief
zich Engeland tot een mogendheid van den eersten rang. — De
koningin bleef ongehuwd (Essex); zij benoemde Jacobus VI van
Schotland (den door de Schotten in de protestantsche leer opge-
voeden zoon van Maria Stuart en Henry Darnley), haar naasten
mannelijken erfgenaam, tot haar opvolger op den Engelschen troon,
en zoo voerde deze het eerst den titel van koning van Groot-
Britannië en (het in de laatste levensdagen van Elizabeth, na
een mislukten opstand , als veroverde provincie aan Engeland toe-
gevoegde) Ierland.
-ocr page 73-
65
§9-
Groot-Britannië en Ierland onder de beide eerste Sluarts,
1603—1649.
Schotland was sedert 1371 door vorsten uit het huis Stuart
geregeerd; van vijf, Jacobus genaamde koningen werden twee door
hun onderdanen vermoord, twee vielen in oorlogen tegen Engeland,
Jacobus V werd krankzinnig en liet bij zijn dood een dochter
achter, een kind van acht dagen, de ongelukkige Maria Stuart.
Haar moeder, Maria v. Guise, bestuurde Schotland, en zij huwde
den dauphin van Frankrijk (Frans II), na wiens dood zij naar
Schotland terugkeerde. Na den dood van Maria Tudor nam zij
den titel aan van koningin van Engeland. In 1568 werd zij
opgevolgd door haar zoon Jacobus VI, die den Engelschen troon
beklom als
1) Jacobus I (1603—1625). Onder de regeering van
Jacobus zijn drie feiten vooral belangrijk: het buskruitverraad,
het Spaansche-huwelijksplan en de toenemende oppositie
van het parlement. Afkeerig van de Schotsche presbyterianen,
wier democratische beginselen in strijd waren met zijn despotische
neigingen, toonde hij aanvankelijk sympathie voor de katholieken.
Om hen gunstig voor zijn troonsbestijging te stemmen, had hij
hun beloften gedaan, die hij echter niet nakwam. Zoo ging hij
als koning voort met het hellen van het hoofdgeld, dat Elizabeth
aan de katholieken opgelegd had en liet hij priesters, die den eed
van suprematie weigerden, in de gevangenis werpen. Hierover
verbitterd, beraamden zij in 1605 het plan om den koning en
de leden van het parlement door middel van buskruit, dat zij in
de kelders van het parlementsgebouw gebracht hadden, in de
lucht te doen springen. Echter werd de aanslag door een waar-
schuwing, welke een katholiek lid ontving, verijdeld. De hoofd-
schuldige, Guy Fawkes, werd gevat en ter dood gebracht.
Verleende het parlement den koning in deze aangelegenheid
steun, het was misnoegd over zijn buitenlandsche politiek. Het
verlangde, dat de koning zijn schoonzoon, Frederik V, keurvorst
van de Palts en koning van Bohemen (zie blz. 36), en dus tevens
Pütz, N. Gesch.                                                                      5
-ocr page 74-
66
de protestanten in Duitschland bestand zou verleenen. Jacobus
liet echter den winterkoning aan zijn lot over, ten einde met
Spanje op goeden voet te blijven; want hij hoopte op het tot
stand komen van een huwelijk van zijn zoon Karel met een
Spaansche prinses. Dit huwelijk, waarvan de Engelschen even
afkeerig waren als de Spanjaarden, kwam door de verwijdering,
die er tusschen de ministers Buckingham en Olivarez ontstond,
niet tot stand.
De tegenstand, welke den koning door het parlement geboden
werd, nam gaandeweg in kracht toe. De willekeurige belasting-
heffing droeg hiertoe het meest bij. Herhaalde ontbinding van
het parlement mocht niet baten.
Karel I (1625—1649) streefde naar onbeperkt gezag, maar
daar hij, ondanks veel goede hoedanigheden, vastheid van karakter
miste, stortte hij door zijn gedurig, aan oneerlijkheid grenzend
weifelen het land en zich zelven in gevaar. Hij ontbond het met
stouter eischen voor den dag komend parlement, maar gebrek
aan geld noodzaakte hem het op nieuw bijeen te roepen. Het
parlement van 1628 stelde de petition of right op, volgens
welke de heffing van door de vertegenwoordiging niet goedge-
keurde belastingen als een vergrijp aan den bijzonderen eigendom
werd beschouwd, stond echter, toen Karels onwaardige gunste-
ling, de hertog van Buckingham, door Felton vermoord was, de
verlangde belasting toe, doch slechts voor een jaar, hetgeen ont-
binding ten gevolge had.
Om zonder parlement te kunnen regeeren, sloot Karel vrede
met Spanje en met Frankrijk en liet hij alzoo zijn zwager Fre-
derik V van de Palts en de hugenooten aan hun lot over. Om
aan geld te komen, verkocht hij monopoliën en stelde hij een
nieuwe belasting op de huizen in, het scheepsgeld genoemd. Een
vermogend parlementslid, John Hampden, weigerde deze belasting
te betalen, wat algemeen toegejuicht werd. In Engeland bleef
men in dien tijd van staatkundige en godsdienstige reactie kalm,
maar in 1637 liet de koning zich door den aartsbisschop Laud
verleiden om de Anglicaansche liturgie in Schotland in te voeren,
hetgeen eerst een plechtige protestatie (Covenant), en daarna een
gewapenden opstand ten gevolge had, die door het verdrag van
Dunbar, 1639, niet geëindigd werd, en den van de middelen tot
-ocr page 75-
67
voortzetting van den oorlog ontblooten koning noodzaakte op nieuw
een parlement samen te roepen. Dit zoogenaamde lange par-
lement, waarin vele Puriteinen zitting hadden, dwong hem zijn
toestemming tot de terechtstelling van den gehaten minister Straf-
ford (1641) en van Laud (1645) te geven. Toen in 1641 5000
Engelschen en Schotten door de katholieke Ieren waren vermoord
geworden, gaf men de schuld daarvan aan den koning, die vol-
komen onschuldig, maar door zijn huwelijk met Henriette van
Frankrijk verdacht geworden was. De haat tegen hem en zijn
aanhangers, de cavaliers en bisschoppen, nam bij den dag toe.
Het puriteinsche parlement gevoelde zich krachtig genoeg, om in
1642 de uitsluiting der bisschoppen van liet Hoogerhuis en zoo-
doende de opheffing van het voorrecht der episcopale kerk te
eischen. De koning beging de onvoorzichtigheid, om de inhech-
tenisneming van de vijf hoofden der oppositie (John Hampden,
Pym enz.) te beproeven, hetgeen de wapening van het volk, de
oprichting eener militie door het parlement onder bevel van graaf
Essex, en zoodoende de uitbarsting van den burgeroorlog ten
gevolge had. De schotten vereenigden zich met het parlement
tot den oorlog tegen den koning. Het leger van het parlement
aangevoerd door Olivier Cromwell en Fairtax, behaalde
bij Marstonmoor (1644) en bij Naseby (1645) de overwinning op
de troepen des konings, die een toevlucht bij de Schotten zocht, maar,
toen hij weigerde hun eischen in te willigen, aan het Engelsche
Parlement uitgeleverd werd (1647). Dit vond echter een onver-
wachten tegenstand bij zijn eigen leger, want\' de godsdiensttwisten tus-
schen de Presbyterianen en Independenten (m. z. bl. 20)
waren ook tot het leger doorgedrongen. De laatsten maakten zich van
den persoon des konings, die te vergeefs naar Frankrijk poogde
te ontvluchten, meester; hun aanvoerder Cromwell versloeg de
Schotten, die ten behoeve van Karel in Engeland waren gevallen,
drong met zijne troepen in het Lagerhuis en verwijderde de Pres-
byterianen (die zich tegen de afzetting des konings verklaarden)
uit het parlement, dat van toen at het Rompparlement
heette. Dit benoemde, zonder op de tegenkanting van het Hoo-
gerhuis acht te slaan, een gerechtshof van Independenten, dat
den koning als »tyran, moordenaar, verrader en oorzaak van al
het vergoten bloed," ter dood veroordeelde. In 1649 werd hq
-ocr page 76-
68
open\'ijk onthoofd en daarop volgde het uitroepen der Engelsche
republiek.
§ 10.
Scandinavië.
Sedert 1397 waren Denemarken, Noorwegen en Zweden dooi-
de Unie van K a 1 m a r tot één rijk verbonden. Maar de
koningen der unie uit het huis Oldenburg, die door de Denen
gekozen waren, werden in Zweden dikwijls niet erkend. Toen
Christaan II (1513—1523), om zijn gezag in Zweden, dat, geheel
onafhankelijk van Denemarken, door door den rijksbestuurder Sture
geregeerd werd, te herstellen, vierennegentig der Zweedsche geeste-
lijken, edelen en burgers had doen vermoorden (het bloedbad van
Stockholm, 1520), plaatste zich G u s t a a f W a s a, gesteund door de
hanse en door Lübeck, aan het hoofd van den opstand, en werd eerst
tot rijksbestuurder, en daarna (in 1523) tot koning gekozen. Deze
bevrijdde aldus Zweden van de Deensche heerschappij en ontbond
de Unie van Kalmar. Christiaan II, wegens zijn tyrannieke
regeering ook door de Denen in den steek gelaten, ontvluchtte naar
de Nederlanden. Ook in Denemarken (waartoe Noorwegen, het
Zuiden van Zweden, Gothland en IJsland behoorden) verloor het
huis Oldenburg door zijn pogingen, om zich een onbeperkte
macht te verzekeren, den troon, en kwam het huis Holstein
(Frederik I, die Gustaaf Wasa als koning van Zweden erkende)
aan de regeering (1523). Christiaan IV stichtte Christiania,
mengde zich in den dertigjarigen oorlog (m. z. bl. 31), en voerde
met Zweden een oorlog, die in 1645 met een voor hem nadee-
ligen vrede eindigde.
In Zweden volgde op de bevrijding van de Deensche heer-
schappij de invoering der Luthersche leer. De koning kreeg de
beschikking over de kerkelijke en de kloostergoederen, en zoodoende
de middelen tot het stichten eener zeemacht, de uitbreiding van
den handel en het mijnwezen. Gustaaf 1 Wasa bewoog de standen
door zijn herhaalde verklaring, dat hij de kroon wilde nederleggen , de
troonsopvolging in zijn geslacht erfelijk te maken. Zijn kleinzoon Sigis-
mund kreeg door zijn moeder, een Jagelloon, ook Polen (1587),
maar verloor Zweden (1598), daar hq de katholieke leer met
-ocr page 77-
69
geweld wilde herstellen. De uitstekendste vorst uit het huis Wasa,
dat tot 1654 regeerde, was Gustaaf Adolf II (1611—1632), die
aan de Russen (tijdens twisten over de opvolging na het uitsterven van
het huis Rurik) hun bezittingen aan de Oostzee, aan de Polen Lijfland
ontnam, en zijn schitterende loopbaan in Duitschland op het
slagveld bij Lützen eindigde (m. z. bl. 41). Zijn geleerde dochter
en opvolgster Christina liet den oorlog in Duitschland door
veldheeren uit de school van Gustaaf Adolf voortzetten, en kreeg
bij den Westfaalschen vrede aanzienlijke bezittingen in Duitschland
(m. z. bl. 41). Ook een oorlog met Denemarken had een voor
Zweden gelukkig einde. Maar door den omgang met de grootste
geleerden van haar tijd, die zij aan haar hof riep, verloor zij
den lust om te regeeren; daarbij kwamen de algemeene klachten
van het volk, dat zij haar tijd en haar schatten aan onwaardige
gunstelingen verspilde. Zij deed derhalve afstand van den troon
ten behoeve van haar neef Karel Gustaaf, paltsgraaf van Twee-
bruggen (1654), ging daarna tot de katholieke kerk over, en
bracht haar laatste levensjaren in Rome door (-J- 1689).
§ IL
Polen.
Polen (met Litthauen en West-Pruisen) bereikte onder de laatste
Jagellonen zijn grootsten omvang, zoodat het zich van de Oostzee
tot de Zwarte zee, en van de Oder tot aan gene zijde van den
Dnjepr uitstrekte. Maar bij dien uiterlijken schijn van macht was
reeds de grond tot het verval van dit rijk in het Oosten van
Europa gelegd. De aanmatigingen van den adel, die door zijn
afgevaardigden het geheele volk vertegenwoordigde, namen al meer
en meer toe, de koninklijke macht en de rechten van den burger-
en boerenstand werden hoe langs zoo meer beperkt, en eindelijk
kreeg de adel van den laatsten der Jagellonen (Sigismund II
Augustus) het recht, om telkens den koning te kiezen en hem
bij de keuze voorwaarden te stellen.
Sedert Polen een kiesrijk en de adel de eenige heerschende
stand was, brachten inwendige partyschappen en buitenlandsche
oorlogen het rijk ten val. De verheffing van het huis Wasa
(1587—1669), die de vereeniging der beide voornaamste kronen
-ocr page 78-
70
van het Noorden ten doel had, veroorzaakte een langdurigen
oorlog met Zweden, welke eerst in 1660 door den nadeeligen
vrede te Oliva eindigde, waarbij Lijfland aan Zweden afgestaan,
en Pruisens onafhankeijkheid erkend moest worden.
§ 12.
Rusland.
Na de bevrijding van de heerschappij der Mongolen, onder Iwan
den Groote (1462—1505), verhief zich de macht en ontwikkelde
zich de beschaving van Rusland onder de laatste vorsten uit het
huis Ru rik. Siberië werd bij het rijk gevoegd, het corps der
Strelitzen opgericht en een handelsverdrag met Engeland gesloten.
Maar na het uitsterven van dat huis (1598) werd Ruslands macht
door verdeeldheden wegens de opvolging op den troon en door
buitenlandsche oorlogen, waarin Polen en Zweden onderscheidene
vroeger verloren landen heroverden, zwaar geschokt. Daarna kwam
het huis Romanow, dat met de Ruriks verwant was, op den
troon (1613 — 1762). Dit huis wist zich weldra een onbeperkte
erfelijke macht te verschaften.
§ 13.
Het Turksche Rijk.
Het rijk der Osmanen, dat Selim 1 (1512—1520) door ver-
overingen in Perzië en Mesopotamië en door de onderwerping van
Aegypte uitbreidde, bereikte het toppunt zijner macht onder
S o 1 i m a n II den Groote (ook de prachtlievende genaamd)
(1520—1566), den beroerndsten der Turksche sultans, die met
zijn geduchte legers en vloten de veroveringen zijner voorgangers
voortzett\'e. Het eerst werd het eiland Rhodus, dat door de
St. Jansridders bezet gehouden werd, ingenomen; de ridders (de
grootmeester la Valette) bedongen, na een hardnekkige verdegiging
(40,000 Turken sneuvelden) en nadat hun stad in de asch was
gelegd, vrijen aftocht en verkregen van Karel V het eiland Malta.
Soliman trok zelf naar Hongarije (1526), deels om buit
te behalen en veroveringen te maken, deels om de vorsten van
Zevenburgen in hun aanspraken op Hongarije te ondersteunen.
Toen Ferdinand van Oostenrijk de ontruiming van Hongarjje
-ocr page 79-
71
eischte, sloeg Soliman het beleg voor Weenen (1529). Nog
vijf malen herhaalde hij zijn tochten naar Hongarije; op den
laatsten tocht stierf hy. Bij zijn dood strekte het rijk zich uit
van Algiers tot aan den Tigris en van de Karpaten tot Zuid-
Egypte en Arabië uit.
Daar de opvolgers van Soliman zich van de aanvoering der
legers en de leiding der staatsaangelegenheden terugtrokken, en,
terwijl zij zelven in het serail een verwijfd leven leidden, afhankelijk
werden van de Janitscharen, terwijl zij tevens met trotsehe ver-
achting het aannemen van Europeesche beschaving, staatkunde
en krijgskunde versmaadden, kwam het rijk, dat uit zoo vele onge-
lijksoortige bestanddeelen was samengesteld , tot verval; de nederlaag
bij L\'epanto (1571) vernietigde ook de Turksche zeemacht, de
meeste vestingen in Hongarije gingen verloren, en een voort-
durende, trouwens niet ongelukkige oorlog met Perziö maakte
iedere onderneming in en tegen Europa onmogelijk.
/
-ocr page 80-
TWEEDE TIJDVAK.
VAN DEN WESTPHAALSCHEN VREDE TOT AAN DE FBANSCHE
OMWENTELING. 1648 —1789.
§ 14, a.
Aardrijkskundig overzicht van Europa omstreeks het
midden der zeventiende eeuw.
1)    Portugal had zich, na gedurende 60 jaren van Spanje
afhankelijk geweest te zijn (1580—1640), weder vrijgemaakt.
2)   Tot Spanje behoorden behalve het Pyreneesche schier-
eiland: Napels en Sicilië, Sardinië, Milaan, de (Spaansche) Neder-
landen en (tot 1674) Franche Comté.
3)  Bij den Westphaalschen vrede waren aan Frankrijk Metz,
Toul en Verdun, de Oostenrijksche bezittingen in den Elzas, en de
vesting Breisach afgestaan.
4)   Groot-Britannië en Ierland vormden (sedert 1603)
één staat.
5)    Van de beide Scandinavische rijken had Zweden door
gelukkige oorlogen tegen Denemarken, Polen, Rusland en in
Duitschland, aanzienlijke landstreken gewonnen (Schonen en het
eiland Gothland , Esthland , Lij Hand , Carelië, Ingermannland, een
groot gedeelte van Pommeren, Bremen, Verden, Wismar) en
zich daardoor voor eenigen tijd tot een groote mogendheid verheven.
6)    In Duitschland had het huis Habsburg zijn westelijke
bezittingen verloren: de Guliksche erfenis was tusschen de huizen
Hohenzollern en Wittelsbach verdeeld, en hët eerste ontving bij
den Westphaalschen vrede een schadeloosstelling, omdat het Pom-
meren niet gekregen had (m. z. bl. 45).
7)  en 8) De republiek der Vereenigde Nederlanden en
Zwitserland, reeds lang van het Duitsche rijk gescheiden,
werden bij den Westphaalschen vrede als onafhankelijke staten
erkend.
9) In Italië hebben geen belangrijke veranderingen van grond-
gebied plaats gehad. Venetië had Cyprus aan de Turken verloren.
-ocr page 81-
73
10)   Evenzeer bleef de omvang van het rijk der Osmanen
dezelfde; alleen kreeg het nog Cyprus van de Venetianen.
11)    Polen, dat sedert 1572 met Litthauen verbonden was,
hield zich tot aan den vrede van Oliva (1660) op het toppunt
zijner macht staande.
12)   Rusland herstelde zich onder de heerschappij van het
huis Romanow van de verliezen, die het gedurende de tusschen-
regeering geleden had; de onderwerping van Siberië werd voort-
gezet; de Oekraine onderwierp zich vrijwillig; zelfs trokken de
Russen over de Beringstraat en onderwierpen een gedeelte van
de westkust van Noord-Amerika.
§ 14, b.
Frankrijk onder Lodewijk XIV, 1643—1715.
A. Lodewijk XIV onder de leiding van mazarin,
1643—1661.
Daar Lodewijk XIV bij den dood zijns vaders eerst vijf jaar
oud was, kreeg zijn moeder Anna van Oostenrijk (een dochter
van Philips III van Spanje) de onbeperkte voogdij, welke zij
echter geheel aan den kardinaal Mazarin afstond, die door
Etichelieu aanbevolen was. Een twist tusschen Anna en het par-
lement deed onlusten ontstaan, bekend onder den naam van de
onlusten der Fronde (1648—1653). Toen het parlement
van Parijs geweigerd had nieuwe belastingen te registreeren, liet
Mazarin verscheidene leden van het parlement in hechtenis nemen,
maar het volk richtte barricaden in de straten van Parijs op en
bevrijdde de gevangenen. De Fronde (zoo heette de het hof
vijandige partij) begon den oorlog tegen het hof en Mazarin, die
heimelijk Parijs verlieten, maar door de omsingeling dier stad
door den prins van Condé in staat werden gesteld om op eervolle
wijze terug te keeren. Toen Condé, trotsch op de verdienste,
den koning en diens minister naar Parijs te hebben teruggebracht,
zich zeer aanmatigend gedroeg en zich in alle aangelegenheden
begon te mengen, liet Mazarin hem in hechtenis nemen; maar
hij werd door een nieuwen opstand gedwongen hem te ontslaan,
en moest zelf Frankrijk verlaten. De beleedigde Condé trad nu
-ocr page 82-
74
nog trotscher en aanmatigender op en begon, met Spanje in ver-
bond, den oorlog tegen zijn inmiddels meerderjarig geworden
koning. Na een bloedig maar onbeslist gevecht in de voorstad
St. Antoine tusschen Condé en de koninklijke troepen onder
Turenne, verliet Condé de hoofdstad en vluchtte naar Spanje, om
als Spaansch veldheer den oorlog tegen zijn koning voort te zetten.
Mazarin keerde aan het hot terug.
De oorlog tegen Oostenrijk werd door den Westphaalschen
vrede en die met Spanje door den vrede der Pyreneën
(1659) geëindigd. Bij die beide vredestractaten werden de be-
zittingen van Frankrijk wederom uitgebreid, want behalve hetgeen
bij den Munsterschen vrede aan dat rijk werd afgestaan, won het
bij den Pyreneeschen vrede het graafschap Roussillon benevens
Artois en onderscheidene plaatsen in Vlaanderen, Henegouwen en
Luxemburg. — Lodewijk XIV huwde Maria Theresia, oudste
dochter van Philips IV, die op de plechtigste wijze moest ver-
klaren, zoowel voor zich als voor haar nakomelingen afstand
te doen van elke aanspraak op de Spaansche kroon. Dood van
Mazarin (1661).
B. FRANKRIJKS OVERWICHT IN EUROPA GEDURENDE DE
REGEERING VAN LODEWIJK XIV ZELVEN,
1661—1715.
Lodewijk trachtte zich zelven een volkomen onafhankelijk ge-
zag en aan zijn rijk den eersten rang en een zeker oppergezag
in Europa te verschaffen. Dit doel bereikte hij: a) door de
verzwakking der naburige staten en het verminderen der macht
van het huis Habsburg, sedert den Westphaalschen en den Pyrenee-
schen vrede; b) door het overwicht der Fransche beschaving;
c) door het schrandere bestuur van zijn minister van financiën,
den grooten Colbert (-J- 1683), die ondanks de kostbare oorlogen
en de verspilling van het hof door de bevordering van handel
en nijverheid de inkomsten vermeerderde, vele misbruiken in het
financie-wezen afschafte, een aanzienlijke zeemacht schiep, de
rechtspleging en politie verbeterde enz.; d) door het geluk der
Fransche wapenen onder een reeks van voortreffelijke veldheeren
als: Turenne, Condé, Luxembourg, Catinat, Villars, Vendóme,
-ocr page 83-
75
Vauban, en onder de leiding van een zoo bekwaam en werkzaam
minister van oorlog als Louvois. Heerschzucht en begeerte naar
roem spoorden Lodewijk XIV weldra aan, om van dat overwicht
van Frankrijk over de andere staten van West-Europa tot verove-
ringen gebruik te maken.
Eerste (devolutie-) oorlog tegen de Spaansche Ne-
derlanden (1666—1668). Het hoofddoel van Lodewijks buiten-
landsche staatkunde was het winnen der Spaansche monar-
chie voor liet huis Bourbon. Nadat hij te vergeefs pogingen
had gedaan, om langs minnelijken weg de afstandsverklaring zijner
echtgenoote te doen intrekken, trachtte hij onder het voorwendsel
van rechtmatige aanspraken de belangrijkste bezittingen van Spanje
te bemachtigen. Na den dood van zijn schoonvader Philips IV van
Spanje maakte Lodewijk XIV, ondanks de plechtige verklaring,
zijner gemalin, krachtens het zoogenaamde devolutie-recht aanspraak
op haar moederlijk erfdeel in de Nederlanden, en nam onder-
scheidene vestingen in de Spaansche Nederlanden weg, maar de
(door den Hollandschen Raadpensionaris Johan de Witt in het
leven geroepen) triple-alliantie tusschen Holland, Engeland
en Zweden, en de vrees dat het aantal zijner vijanden nog zou
toenemen, bewoog hem den vrede te Aken te sluiten (1668)
en zich met de veroverde plaatsen in Vlaanderen te vergenoegen.
Tweede oorlog tegen de Nederlanden (1672—1678).
Om de Nederlandsche republiek te vernederen of te vernietigen en
zoo doende wraak te nemen voor het sluiten der triple-alliantie,
wist Lodewijk door omkooping Engeland en Zweden (benevens Keulen
en Munster, om de oostelijke grens der Nederlanden te bedreigen) voor
zijn belangen te winnen. Het viel met twee legers in de landen der
door partijschappen geteisterde republiek en veroverde spoedig drie
provinciën, doch de Hollanders zett\'en het land onder water en
belett\'en hem zoo verder door te dringen. Nu traden de keurvorst
Frederik Willem van Brandenburg en spoedig ook de keizer en
de koning van Spanje in het belang van de republiek op. De
Nederlanders bleven overwinnaars in den strijd ter zee (de Ruijter).
Engeland sloot met de republiek vrede, maar hoe groot ook het
aantal der vijanden van Frankrijk was, het hield zich staande en
behaalde zelfs eenige voordeden. In het jaar 1674 bracht Lodewqk
drie legers in \'t veld; het eene onder het opperbevel van den
-ocr page 84-
76
koning zelven veroverde Franche-Comté; het tweede onder Condé*
streed (bij Senef) tegen den prins van Oranje, zonder dat aan
een van beide zijden eene beslissende overwinning behaald werd,
terwijl het derde onder Turenne in dit en het volgende jaar op
de beide oevers van den Boven-Rijn onderscheidene schitterende
overwinningen bevocht. Hierdoor belette Turenne de verovering
van den Elzas door den keizerlijken veldheer Montecuculi en den
keurvorst van Brandenburg, totdat hij bij het dorp Sasbach, ter-
wijl hij op verkenning uit was door een kanonskogel gedood werd.
(Dood van de Ruijter, 1676, bij Messina, dat tegen Spanje in
opstand was gekomen). Te gelijk gelukte het Lodewijk zijn ge-
vaarlijksten vijand de verdere deelneming aan den oorlog tegen
Frankrijk te beletten, daar hij de Zweden tot een inval in Bran-
denburg wist te bewegen. Door dezen inval werd de keurvorst ge-
dwongen met zijn leger naar zijn eigen land terug te keeren; de
Zweden werden bij Fehrbellin (1675) verslagen, en verloren zelfs
Vóór-Pommeren. In de beide laatste jaren werd de oorlog nog
in de Spaansche Nederlanden zonder gunstigen uitslag voortgezet,
en werden te gelijker tijd vredesonderhandelingen te Nijmegen
aangeknoopt. Daarbij volgde Lodewijk XIV de verstandige politiek
om met iederen vijand afzonderlijk vrede te sluiten, zoodat de
alliantie tegen hem hoe langer zoo kleiner werd, en de achterblij-
venden zich telkens ongunstiger voorwaarden moesten laten welge-
vallen. Zoo verloor Holland, dat het eerst den vrede sloot, niets;
maar Spanje 14 plaatsen (waaronder vestingen in de Nederlanden)
en Franche-Comté, dat nu van het Duitsche rijk (waartoe het als
bestanddeel van den Bourgondischen kreits had behoord) gescheiden
werd. De keurvorst van Brandenburg, thans door zijn bondge-
nooten (behalve Denemarken) verlaten en door de Franschen in
zijn bezittingen aan den Rijn en in Westfalen bedreigd, moest bij
den vrede te St. Germain en Laye (1679) aan de Zweden
verreweg het grootste gedeelte zijner veroveringen terug geven.
De hereenigingskamers {chambren de réunion) (1680—
1684). Nadat Lodewijk door een achtjarigen , gelukkig gevoerden
oorlog niet alleen zijn rijk uitgebreid, maar opk tegenover de
andere mogendheden het standpunt had ingenomen, naar welks
bereiking hij sedert het begin zijner regeering streefde, vond hij
een middel, om ook gedurende den vrede veroveringen te maken.
-ocr page 85-
77
Onder den naam van hereenigingskamers stelde hij drie gerechts-
hoven (te Metz, Breisach en Besancon) in, om te onderzoeken wat
vroeger tot de landen en plaatsen behoord had, die hem bij de
vier laatste vredestractaten waren afgestaan. Dat alles nam h\\j
dadelijk in bezit, bezette ook de vestingen Straatsburg (1681) en
Luxemburg, en bood den keizer een wapenstilstand voor twintig
jaren aan, welke door dezen (voor het rijk en voor den koning
van Spanje) werd aangenomen, om den oorlog tegen de Turken,
die inmiddels was uitgebroken, te kunnen voortzetten (m. z. bl. 79).
De hereenigde landstreken en de beide belangrijke vestingen bleven
in het bezit der Franschen.
Gedurende dezen wapenstilstand hief Lodewijk het edict
van Nantes op (1685), terwijl hij aan de gereformeerden iedere
uitoefening van hun godsdienst verbood (dragonades), en beval
hun kerken omver te halen. (Madame de Maintenon; Louvois;
Ie Tellier; vervolging der Jansenisten). Ofschoon de uitwijking
der protestanten verboden werd, en de grenzen bezet waren, ont-
vluchtten toch velen (50000 families) naar proteslantsche landen
(Brandenburg en de Nederlanden), waarheen zij hun nijverheid
overbrachten. Geschillen met de pauselijke regeering, 1662 en 1687.
Derde oorlog (1688— 1697). Toen de keizerlijke veldheeren
de Turken, BVankrijks oude bondgenooten, uit Hongarije verdreven
hadden, zoodat zelfs de voornaamste vesting Belgrado ingenomen
was, en Willem van Oranje in 1686 te Augsburg een verbond tegen
Lodewijk XIV tot stand had gebracht, werd deze door Louvois,
die zich onmisbaar wilde maken , er toe gebracht, om den wapen-
stilstand te verbreken. Lodewijk maakte voor zijn broeder Filips
van Orleans, die met eene Paltsische prinses gehuwd was, aan-
spraken op een deel van de Palts. De oorlog begon met een
schrikkelijken plunderingstocht in de Palts, die, nadat de inwoners
langen tijd aan de buitensporigste eischen der Franschen gehoor-
zaamd hadden, in een volslagen wildernis veranderd werd (Melac);
Heidelberg, Mannheim, Spiers, Worms en de meeste plaatsen aan
beide oevers van den Rijn, van Trier tot aan de grens van den
Elzas en tot Oiïenburg, werden in de asch gelegd (1689); de
inwoners werden met koelbloedige wreedheid uitgeplunderd en
mishandeld; zelfs was het hun niet geoorloofd te vluchten, tenzij
op Fransch grondgebied. Daar in 1688 Willem van Oranje (III)
-ocr page 86-
78
den Engelschen troon beklommen had, en de door hem verdreven
Jacobus II in Frankrijk een wijkplaats vond, traden ook Engeland
en de Republiek tot het verbond (Duitschland, Spanje, Savoye)
tegen Frankrijk toe. De oorlog ter zee eindigde met de nederlaag
der Franschen bij Kaap la Hogue, 1692, maar des te roem-
rijker was de oorlog in de Nederlanden, waar Luxembourg drie
schitterende overwinningen (Fleurus, 1690, Steenkerken, 1692,
Neerwinden, 1693) behaalde. Savoye, welks hertog zich op aan-
dringen van zijn neef, prins Eugenius van Savoye, insgelijks bij
de groote alliantie had aangesloten, werd door Catinat dermate
in \'t nauw gebracht , dat zijn vorst gaarne den vrede te Turijn,
1696, sloot, waarbij hij al zijn landen terugkreeg. De uitputting
der financiën en de plannen , die de Fransche koning bij den
naderenden dood van den kinderloozen Karel II aangaande het
bezit van de Spaansche monarchie smeedde, aan den anderen kant
het onderlinge wantrouwen der verbonden mogendheden bespoe-
digden den vrede te Rijswijk (1697); Duitschland verloor
daarbij Straatsburg en den Elzas; Spanje kreeg het meeste terug,
daar Lodewijk binnen kort de geheele monarchie langs een vreed-
zamen weg dacht te verwerven. Willem III werd als koning van
Engeland door Lodewijk XIV erkend.
Over den Spaanschen Successieoorlog z. m. § 19.
§ 15.
Duitschland tot aan den Spaanschen Successieoorlog.
Ferdinand III werd, daar de poging van Lodewijk XIV, om
ook de kroon van Duitschland te bemachtigen, mislukt was,
opgevolgd door zijn jongsten zoon Leo po ld I (1658—1705).
Deze was tot op dien tijd koning van Hongarije en Bohemen
geweest, en moest zich bij zijn verheffing tot keizer onderscheidene
nieuwe beperkingen der keizerlijke macht laten welgevallen. De
rijksdag, waarop toen 240 standen vertegenwoordigd waren, werd
sedert 1663 niet meer ontbonden, en bestond uit een permanent
congres van afgevaardigden te Regensburg. Leopold werd gedu-
rende zijn regeering met een drievoudigen oorlog bezig gehouden,
terwijl hij öf door de veroveringszucht van Frankrijk, of door de
-ocr page 87-
70
Turken, die op nieuw het christelijk Europa bedreigden, öf door
de misnoegde Hongaarsche magnaten ten strijde uitgedaagd werd.
Eerste oorlog tegen de Turken (1664).
De grootvorst van Zevenburgen verbond zich met den keizer,
om zich tegen een door de Turken (Achmet Köprili) op zijn troon
geplaatsten mededinger staande te houden. De keizer, voor wien
het toenemen van den Turkschen invloed in Zevenburgen evenmin
aangenaam kon wezen, opende dientengevolge onderhandelingen
met de Porte, die echter tot geen uitkomst leidden. Integendeel
rukten de Turken in Hongarije binnen. Doch na een schitterende
overwinning, welke Montecuculi in 1664 op de Osmanen behaalde,
werd een wapenstilstand voor 20 jaren gesloten. De door de Tur-
ken in Zevenburgen benoemde grootvorst bleef echter, en het
eenige voordeel des keizers bestond daarin, dat hij de herschepping
van Zevenburgen in een Turksche provincie verhinderd had.
De eerste oorlog tegen Lodewijk XIV (1674—1678)
m. z. bl. 75.
Tweede oorlog tegen de Turken (1683—1699). Ter-
wijl in het Westen Lodewijk XIV den Elzas wegnam, maakten
zich in het Oosten de Turken nog eenmaal geducht. Zoowel de
ongunstige vrede na den vorigen oorlog met de Turken gesloten
als het achterblijven van Duitsche troepen in Hongarije en de
hernieuwde onderdrukking der protestanten gaven aanleiding tot
een samenzwering der Hongaarsche magnaten tegen de Duitsche
heerschappij, die echter ontdekt en met de terechtstelling der
vier hoofden gestraft werd. Het belangrijkste gevolg hiervan
was, dat de keizer een Duitscher tot stadhouder benoemde. Nu
barstte een nieuwe opstand uit, aan welks hoofd zich graaf Tökely
plaatste. Te laat trachtte de keizer door het herstellen der oude
staatsregeling en door godsdienstvrijheid de gemoederen te doen
bedaren; Tökely wendde zich om hulp tot den Sultan. Deze,
tevens door den Franschen gezant opgehitst, zond zijn grootvizier
Kara Mustapha met meer dan 200,000 strijdbare mannen tegen
Weenen (1683). Maar de hoofdstad hield zich staande, totdat
een Duitsch-Poolsch leger onder aanvoering van den Poolschen
koning Jolian Sobieski tot ontzet opdaagde, het Turksche leger
-ocr page 88-
80
op de vlucht sloeg, en zoodoende het lot van Oostenrijk en
Duitschland besliste. Hongarije, waar de aanhang van Tökely
spoedig verminderde, werd door hertog Karel van Lotharingen
voor het grootste gedeelte van het Turksche juk bevrijd (1687
overwinning bij Mohaez) en op een rijksdag te Presburg (1687)
werd aan de mannelijke lijn van het Oostenrijksche huis de erfop-
volging op den Hongaarschen troon verzekerd.
Nadat de oorlogen tusschen Oostenrijk en de Turken gedurende
honderd vijftig jaren op Hongaarschen bodem gevoerd waren,
vielen nu Karel van Lotharingen , markgraaf Lodewijk van Baden,
de keurvorst van Beieren en prins Eugenius van Savoye in Bosnië
en Servië, en zett\'en den oorlog met zoo gelukkig gevolg voort,
dat men na de inneming van de voornaamste vesting Belgrado
reeds aan een verdeeling der Turksche provinciën schijnt gedacht
te hebben. (Overwinning van Lodewijk van Baden bij Salankemen).
Ook de Venetianen, bondgenooten des keizers, behaalden belang-
rijke voordeelen.
De staatkunde van Frankrijk evenwel en voornamelijk de derde
veroveringsoorlog van Lodewijk XIV belett\'e de verdrijving der
Turken uit Europa. De keizer moest zijn legers en veldheeren
over twee oorlogstooneelen verdeelen, en kon daarom op geen
van beiden iets beslissends ondernemen, zelfs heroverden de Tur-
ken Servië met Belgrado. Maar de schitterende overwinning,
door prins Eugenius van Savoye bij Zenta, waar de Sultan de
Theiss wilde overtrekken (1697), behaald, gaf aanleiding tot het
sluiten van den vrede te Karlowicz (1699), waarbij de keizer
Zevenburgen behield, dat de grootvorst reeds in 1696 aan hem
als zijn beschermer had afgestaan; van Hongarije behielden de
Turken alleen het gedeelte op den linkeroever van den Maros en
de Theiss, zoodat ook Slavonië, dat vóór 1526 tot Hongarije be-
hoorde en in dezen oorlog heroverd was, bij OostêVirijk bleef.
Zoo doende was de Oostenrijksche staat met een derde van zijn
vorigen omvang vermeerderd, en telde, de erfelijkheid der Hon-
gaarsche kroon mede in aanmerking genomen, voortaan onder
de groote mogendheden in Europa mee. Aan Venetië stond de
Porte het door haar veroverde schiereiland Morea af.
Over den tweeden oorlog met Frankrijk z. m.
bl. 77.
-ocr page 89-
81
Vermeerdering der macht van sommige Duitsche
vorsten.
1) Hannover werd tot negende keurvorstendom verheven
(1692) tot belooning voor de hulp, die het in den oorlog tegen
Frankrijk verleend had, en om het tot verdere diensten in den
aanstaanden successieoorlog te verplichten. 2) Na den dood van
koning Johan Sobiëski werd de keurvorst van Saksen onder
den naam van August II tot koning van Polen gekozen (1697),
en ging dientengevolge tot de katholieke kerk over. 3) Over
de verheffing van den keurvorst van Brandenburg tot koning van
Pruisen (1701) z. m. § 16.
§ 16.
Brandenburg en Pruisen tot 1701.
In 1417 beleende keizer Sigismund den burggraaf Frederik van
Hohenzollern met de Brandenburgsche mark.
Uit het huis Hohenzollern volgden 12 keurvorsten, van
welke de achtste, Joachim Frederik, het regentschap in
Oost-Pruisen, dat sedert 1525 wereldlijk gemaakt was, voor den
krankzinnigen hertog Albrecht Frederik verkreeg. Dit regentschap
ging op zijn zoon en opvolger in Brandenburg Johan Sigismund,
over, die de dochter van den ongelukkigen hertog huwde, en na
diens dood Pruisen met Brandenburg vereenigde(1618).
De zoon en opvolger van Johan Sigismund, de tiende keurvorst,
George Wilhelm (1619—1640), nam slechts weinig aandeel
aan den dertigjarigen oorlog, en toen Saksen met den keizer te
Praag vrede sloot, trad Brandenburg tot dien vrede toe (1635).
Zijn zoon
Frederik Wilhelm, de groote keurvorst (1640—
1688), moest bij den Westphaalschen vrede Voor-Pommeren met
Rügen en een gedeelte van Achter-Pommeren aan de Zweden laten,
en zich met het overschot van Achter-Pommeren en het aarts-
bisdom Maagdenburg vergenoegen. Den vredestijd maakte hij zich
ten nutte, om den inwendigen toestand van den staat, die veel
te wenschen overliet, te verbeteren.
Hij legde den eersten grondslag voor een staand leger, dat, in
Pütz, N. Gesch.                                                                     6
-ocr page 90-
82
sterkte en geoefendheid in den wapenhandel al meer en meer
toenemende, niet weinig er toe bijdroeg, om aan den staat een
steeds klimmenden invloed op de aangelegenheden van Europa te
verschaffen. Voor iedere door den keurvorst gewenschte belasting
en heffing werd, voor dat die werkelijk kon geschieden, de toe-
stemming der standen vereischt. Frederik Wilhelm ontnam aan
de standen dat recht, trachtte in de geheele huishouding van den
staat en voornamelijk in de financiën orde en regelmaat te brengen,
en de zware opbrengsten door eene billijke verdeeling dragelijk
te maken. Door kolonisten (door het opnemen der uit Frankrijk
gevluchte protestanten, m. z. bl. 77) liet hij het verwoeste land
bebouwen; hij maakte het binnenlandsche verkeer gemakkelijk
door de verbinding van de Oder met de Spree, en van de Havel
met de Elbe; door doeltreffende maatregelen wist hij de opbreng-
sten van de domeinen te vermeerderen, den bloei van handel en
nijverheid, kunsten en wetenschappen te bevorderen, en overal
nieuwe bronnen van welvaart (zelfs door volkplantingen op de
kust van Guinea) te openen.
In den oorlog tusschen Zweden en Polen, waartoe de aanspraken
van de in Polen regeerende lijn van het huis Wasa op de Zweedsche
kroon aanleiding gaven (m. z. § 11), dwong Karel X Gustaaf, koning
van Zweden , den keurvorst hem (1656) in den veldslag bij Warschau
(die drie dagen duurde) bij te staan, waarvoor hij hem tot souverein
hertog van Pruisen verklaarde. Na den aftocht van Karel X
ging hij weder op de zijde van Polen over, waarvoor hij (bij het
verdrag te Welau, 1657) ook van den Poolschen koning de erken-
ning zijner sou vereiniteit over Pruisen verkreeg, welke bij
den vrede te Oliva bekrachtigd werd. Over zijn deelneming aan
den oorlog tegen Frankrijk, de overwinning bij Fehrbellin
(1675), de verovering van Pommeren, en den vrede van St. Ger-
in ii in en Laye z. m. bl. 76. Zijn zoon
Frederik III (keurvorst (1688—1701)) ondersteunde de
Oostenrijkers in den oorlog tegen Frankrijk en de Turken, waar-
voor de keizer de souvereiniteit van Pruisen erkende. Hij ver-
grootte en verfraaide Berlijn, stichtte de universiteit te Halle,
en te Berlijn de academie van wetenschappen. Met toestemming
van den keizer, wien hij de levering van 10,000 soldaten voor
het rijksleger in den Spaanschen successie-oorlog beloofde, verhief
-ocr page 91-
8B
zich Frederik bij manifest tol koning van Pruisen, en zett\'e
zich en zijn gemalin (1701) te Koningsbergen de kroon op.
§ 17.
Groot-Britannië en Ierland.
A. republiek, 1659—1660.
Na de terechtstelling van Karel I (in. z. bl. 67), werd het
Hoogerhuis ontbonden, het koningschap afgeschaft, en Engeland-
door het Lagerhuis tot republiek verklaard; het gezag werd in
handen gesteld van den Raad van State, die uit 41 voor een jaar
gekozen leden bestond; maar inderdaad was het gezag in handen
van het leger en het legerhoofd, Ülivier Cromwell. De opstand
in Ierland was gedempt (bloedbad van Drogheda). Alle pogingen
van Karel II (zoon van Karel I), om uit Schotland Engeland te
veroveren mislukten (Montrose); twee malen (bij Dunbar en
Worcester) werd zijn leger geslagen, en te midden van vele ge-
varen ontvlood hij zelf naar Normandiè. Cromwell wikkelde
Engeland in een geduchten zeestrijd met de republiek der Ver-
eenigde Nederlanden (1652—1654), die met een voor Engeland
voordeeligen vrede eindigde. (Driedaagsche zeeslag. Blake, Tromp;
Nederland erkent de acte van navigatie van 1651 en verdrijft de
voortvluchtige Stuarts en hun aanhangers uit het land). In een
oorlog met Spanje (1658) vielen Jamaica en Duinkerken in han-
den der Engelschen. Zeker van zijn leger, dreef hij het Romp-
parlement (in. z. bl. 67), dat zich tegen zijn plannen verzett\'e,
met geweld uiteen (Barebone-Parlement), en liet zich door zijn
officieren tot protector der republiek Groot-Britannië
(1653—1658) benoemen. De protector met een uit 25 militairen
bestaanden Raad van State had het uitvoerend bewind, een om
de drie jaar bijeenkomend Parlement (echter zonder hooger huis)
de wetgevende macht. Na een opstand van royalisten verdeelde hij
het land onder elf majoors-generaal. Hij bevorderde Engelands
handel door de acte van navigatie (waarbij bepaald werd dat niet-
Europeesche goederen alleen op Engelsche, Europeesche alleen op
Engelsche schepen of op de schepen van het produceerende land
mochten ingevoerd worden) en maakte dat de republiek gedurende
-ocr page 92-
84
zijn protectoraat bij alle naburen in groot aanzien stond, maar
zijn onvermoeide pogingen om de kroon te verkrijgen, leden op
den tegenstand zijner officieren schipbreuk. Herhaalde samen-
zweringen en aanslagen tegen zijn leven vervulden hem met onop-
houdelijke vrees, die zijn dood verhaastte (1658). Hij werd op-
gevolgd door zijn zoon Richard Cromwell, die in het gevoel
zijner zwakheid spoedig (na acht maanden) de waardigheid van
protector nederlegde. Aan de daarop volgende regeeringloosheid
werd door den generaal M o n k, opperbevelhebber in Schotland,
een einde gemaakt. Deze rukte, onder voorwendsel van de wa-
penen voor het herstelde Romp-parlement te willen opvatten,
Londen binnen en riep een nieuw parlement, uit de beide huizen
bestaande, tyjeen, dat Karel II op den troon herstelde (1660).
B. ONDER DE BEIDE LAATSTE STUARTS, 1660—1688.
Karel II (1660—1685) kondigde een algemeene amnestie af,
benoemde Clarendon tot zijn eersten minister en herstelde de
episcopale kerk in Schotland en Engeland. Maar zijn zedeloos-
heid en lichtzinnige spilzucht, het verkoopen van Duinkerken aan
Frankrijk (1662), een om nietigheden ondernomen en schandelijk
geëindigde oorlog met Holland (1665—1667, vierdaagsche zeeslag;
de Ruyter op de Theems; vrede van Breda) en het ontslag van
Clarendon beroofden den koning spoedig van de liefde zijns volks.
Hij liet zich overhalen met de republiek der Vereenigde Neder-
landen eene Triple-Alliantie te sluiten (Temple; de Witt; 1668),
doch betoonde zich weldra een slaafsch dienaar van Lodewijk XIV, die
hem in 1670 bij \'t verdrag van Dover omkocht. Deze wik-
kelde hem in een oorlog met de Nederlanden (1672—1674; slagen
bij Solebay en Kijkduin). Het parlement echter en het volk nood-
zaakten Karel tot den vrede. Toen het Cabalministerie (Clifïord,
Ashley, Buckingham, Arlington, Lauderdale) de rechten der kroon
hoe langs zoo meer wilde uitbreiden, en \'s konings neiging lot de
katholieke kerk ontevredenheid verwekte, dwong het parlement
hem in 1673 door de Test-act, die tot 1829 van kracht bleef,
de katholieken en dissenters van het bekleeden van openbare
ambten uit te sluiten. De Test-act hield in, dat ieder burgerlijk
of militair ambtenaar minstens eens in \'t jaar het kerkelijk
-ocr page 93-
85
avondmaal op Anglicaansche wijze moest gebruiken. Dit voor-
schrift werd in 1678 door de Parliamentary test-act ook tot de
parlementsleden uitgestrekt, zoodat de katholieke lords geen zit-
ting meer in het hoogerhuis mochten nemen. Alleen \'s konings
broeder, de hertog van York, kreeg dispensatie. In 1679 werd
de H a b e a s-c o r p u s-a c t uitgevaardigd, welke willekeurige inhech-
tenisneming verbood. Het lagerhuis eischte daarenboven van den
koning dat zijn broeder, de katholieke hertog van York, van den
troon zou worden uitgesloten (samenzwering van Shaftesbury en
Monmouth); doch terwijl hier de verdedigers van de uitsluitings-
bill, die den naam van Wighs verkregen, over hun tegenpartij,
de Tories, zegepraalden, werd de bill door het huis der lords
verworpen.
Jacobus II, 1685—1688. Landing en dood van Monmouth,
natuurlijken zoon van Karel II. Jacobus\' plan, om zich een onbe-
perkt gezag te verschaffen, en het katholicisme in Engeland te
herstellen, leed op gebrek aan voorzichtigheid en beleid schipbreuk.
Toen bij de geboorte van een kroonprins de hoop verdween, dat
zijn protestantsch opgevoede dochter Maria hem zou opvolgen,
barstte het misnoegen in de zoogenaamde Engelsche revolutie
van 1688 los. De benoeming van katholieken tot gewichtige
betrekkingen, de poging tot vernietiging der Test-act, de inhech-
tenisneming van 7 bisschoppen, die zich legen des konings willekeur
verzetten, hadden ten gevolge dat niet alleen de Whigs, maar
ook het meerendeel der Tories den stadhouder van Holland,
Willem van Oranje, \'s konings schoonzoon, tot bescherming
van hun godsdienst en hun staatsregeling te hulp riepen. Bij de
landing van Willem gingen de Engelsche troepen allengs tot hem
over, en toen Jacobus II naar Frankrijk vluchtte, werd de troon
door het parlement voor opengevallen verklaard, en Maria met
haar gemaal Willem III tot de regeering geroepen (1689; bill
of rights). Voor het geval dat zij zonder nakomelingen stierven
zou prinses Anna op den troon opvolgen.
C. HET HUIS VAN ORANJE, 1689—1702.
Willem III, 1689—1702, had een zwaren strijd met de aan-
hangers der Stuarts in Schotland en Ierland te strijden, die op
-ocr page 94-
86
staatkundig en godsdienstig gebied reactie wenschten en in de
hand werkten. Zijn verheffing wikkelde Engeland in een oorlog
met Frankrijk; Willem verijdelde de pogingen van Jacobus II
("j" 1701), om met Fransche huip den troon te herwinnen (slag
bij de Boyne, 1690, en bij kaap la Hogue, 1692) en behield tevens
zijn erfelijke stadhouderlijke waardigheid in de Hollandsche republiek.
Het voornaamste doel zijns levens was de uitbreiding van Frankrijks
macht tegen te gaan en het protestantisme te beschermen. Der-
halve stak hij meermalen naar het vasteland over, om in persoon
den oorlog tegen Lodewijk XIV te voeren, en bij den strijd over
de Spaansche erfopvolging was geheel zijn streven daarop gericht,
om het staatkundig evenwicht onder de mogendheden van Europa
in stand te houden. Binnenslands regeerde Willem op echt
parlementaire wijze (verantwoordelijkheid der ministers, meer
vrijheid van drukpers, onafhankelijkheid der rechters) en legde
den grond tot de verdere roemrijke ontwikkeling van Engeland.
De toleration-act, 1689, maakte een einde aan de godsdienst-
twisten, en de act of settlement, 1701, waarbij het protes-
tantsche geloof tot voorwaarde der opvolging op den troon werd
gemaakt, maakte verdere pogingen tot reactie van den kant der
katholieken onmogelijk.
Kort na de uitbarsting van den successie-oorlog stierf hij (1702).
§ 18.
Het Noord-Oosten van Europa.
Even als Frankrijk in het Westen en Zuiden van Europa, zoo
hield Zweden onder de eerste drie koningen uit het huis van
Twee bruggen zich in het Noorden als mogendheid van den
eersten rang staande, waartoe het zich reeds sedert den dertig-
jarigen oorlog door het bezit van de beste havens aan de Oostzee
verheven had.
Karel X Gustaaf (1654—1660) trachtte zijn rijk door veroveringen
uit te breiden. Hij vond in de aanspraken, welke de in Polen
regeerende lijn van het huis Wasa op Zweden maakte, een ge-
wenscht voorwendsel tot den oorlog tegen de Polen, die hij, bij-
gestaan door den grooten keurvorst, in den driedaagse hen
veldslag bij Warschau (1656) versloeg, en trok vervolgens
-ocr page 95-
87
es 2
S S «•
c
c
-S
\'S
o
K
■<
E
m
■r-
<
p
H
«2
o
I
r
s
OS g
CC 00
j =
«"E
1 T*l
1—t
g* 1
>»" ■
i&|
—1 1 -
— co
co
W "
J !
j \'
H S
E co
PH
■■<
~*
rf
S^
a _
QC
£ s*
0
QQ
co
9
|
Wal
t-
e
jj
OS
t~
> .
0
co O
\'II
■BS
H
t*-
O
ï<*
03
s
i
o
O
^^
O
00
-
3
-e
b
w
w
Q
f.
o .
o -
r5fe
<! H C
;;b
ir1 ^ 03
91"
35 • .
>■ ►
§
bc
0
■«.■Sa
M M>S
B c
a-*W
o c O
u O
O "
D Cd
riï
g P |
U M ^
1
* I
02
ca
O
O
■<
1-D
a"g -
ca
o
s
H
8
I
I
fcc
-ocr page 96-
SS
toen er een verbond tot instandhouding van het evenwicht in het
Noorden was ontstaan, tegen de Denen op, stak de bevroren
groote en kleine Belt over, en dwong Frederik III bij den vrede
van Roes kilde, Schonen en Blekingen benevens eenige eilanden
af te staan (1658). Hij verbrak in \'t zelfde jaar dien vrede,
landde op Zeeland en belegerde Kopenhagen. Frederik werd ge-
red door de hulp der Hollanders (Wassenaar-Obdam, de Ruyter)
en den grooten keurvorst. De dood van Karel X maakte een
einde aan den krijg. Zijn opvolger Karel XI (1660—1697)
sloot vrede met Denemarken te Kopenhagen (grootendeels een
bekrachtiging van den vrede van Roeskilde en met Polen te
Oliva, waarbij Lijfland en Esthland aan Zweden werden afgestaan.
Door de deelneming van Karel XI aan de oorlogen van Lode-
wijk XIV tegen Holland en Brandenburg verloor Zweden ten
gevolge der nederlaag bij Fehrbellin (1675) zijn bezittingen in
Duitschland, maar kreeg die voor het grootste gedeelte bij den
vrede te St Germain en Laye (1679) terug (m. z. bl. 76). Daar
de rijksraad gedurende de minderjarigheid van Karel XI zich een
uitgebreid gezag had aangematigd en de hooge adel zich meester
had gemaakt van de meeste goederen der kroon, droegen de
standen aan den koning, toen hij meerderjarig was geworden,
allengs een bijna onbeperkt gezag op, waarvan deze in de eerste
plaats gebruik maakte om de verkochte of weggeschonken goe-
deren der kroon te hernemen. Zoo was het hem mogelijk aan
zijn zoon Karel een bloeiend rijk en een gevulde schatkist na te
laten. Echter brachten de gewaagde en avontuurlijke onderne-
mingen van Karel XII (1697—1718) Zweden tot de plaats terug,
welke het uit zijn aard geroepen was onder de mogendheden van
Europa in te nemen (m. z. § 20).
Sedert den tijd, dat Polen in een kiesrijk (na het uitsterven
der Jagellonen 1572) herschapen en de wetgevende macht in
handen van den adel was overgegaan, sedert het liberum veto
zelfs aan één lid van den landdag veroorloofde door zijn verzet de
besluiten der overige leden te vernietigen, toont ons dat rijk,
toen nog een der grootste van Europa, het beeld van inwendige
dwingelandij der aristocraten, en van steeds toenemende verzwak-
king tegenover en door de andere Europesche mogendheden. Daarbij
kwamen herhaalde verliezen van land in de ongelukkige oorlogen
-ocr page 97-
89
met de Zweden , Russen en Turken; zelfs de dappere koning
Johan Sobieski was bij zijn geringe hulpmiddelen en de verdeeld-
heid der Polen genoodzaakt den bijstand der Russen tegen de
Turken met zware opoll\'eringen te koopen. Eerst zijn spilzieke
opvolger August II, tegelijk keurvorst van Saksen, ein-
digde den oorlog met de Turken door den vrede te Karlowitz
(1699), waarbij Polen door den invloed van Oostenrijk Podolië en
de Oekraine terugkreeg.
Rusland werd eerst onder de verstandige en krachtige czaren
uit het huis Romanow (1613—1762) van een Aziatisch rijk in
een Europeesch veranderd. Michaël Romanow vestigde de dynastie
door een wyze en zachtmoedige regeering. Alexei nam de onder-
werping der Kozakken aan en ontrukte aan de Polen een deel
hunner veroveringen. Ook was hij de eerste, die buitenlandsche
beschaving naar Rusland overbracht; hij liet o. a. het eerste Rus-
sische koopvaardijschip bouwen. Hij had drie kinderen, Feodor,
Sophia, Iwan, uit zijn eerste huwelijk, en één zoon, Peter, uit
zijn tweede. Feodor liet de Rosraed-boeken, waarin de
voorrechten van den adel opgeteekend stonden, verbranden. Hij
stierf na een korte regeering kinderloos. Op hem volgden Iwan
en Peter, die te zamen heetten te regeeren, terwijl Sophia
gedurende hun minderjarigheid regentes was. Iwan echter heeft
nooit iets uitgevoerd, en Peter wist zich spoedig aan de voogdij
zijner zuster te onttrekken, door haar, naar aanleiding eener
samenzwering, in een klooster op te sluiten. Peter I, de
Groote (1689—1725), begon, nauwlijks 17 jaren oud, onder
de leiding van Lefort uit Genève, zijn regeering met een hervor-
ming van het leger, dat hij op den voet van een Europeesch leger
wist te brengen (verovering van Azow, 1696), en met de vorming
eener zeemacht. Om de Europeesche beschaving van nabij te
leeren kennen en zijn onverzadelijke weetgierigheid te bevredigen,
reisde hij (1697), het voortzetten van den oorlog met de Turken
aan zijn generaals overlatende, in het gevolg van een gezantschap,
aan welks hoofd Lefort stond, door Duitschland naar Holland,
waar hij als eenvoudig scheepstimmerman te Zaandam den scheeps-
bouw leerde; vervolgens bezocht hij Willem III in Engeland, en
was op zijn terugreis door Duitschland van plan Italië te gaan
zien, toen een opstand der Strelitzen, die door zjjn hervormingen
-ocr page 98-
90
veel van hun aanzien verloren hadden, hem in allerijl naar Moskou
terugriep. Na de schuldigen streng gestraft en het geheele corps
ontbonden te hebben, vormde hij een nieuw, door buitenlandsche
officieren geoefend leger, richtte scholen op, voerde vreemde
zeden (Duitsche kleeding) in, en vereenigde door de afschaffing
der patriarchale waardigheid de hoogste geestelijke en wereldlijke
macht in zijn persoon. Het plan om Rusland tot aan de Oostzee
uit te breiden, wikkelde hem in den grooten Noordschen oorlog
(m. z. § 20).
§ 19.
De Spaansche Successie-oorlog, 1701—1714.
Daar Karel II, koning van Spanje, zoon van Philips IV en
laatste mannelijke afstammeling van het Spaansch-Oostenrijksche
huis, den dood nabij en kinderloos was, werd op de Spaansche
monarchie aanspraak gemaakt door : 1) L o d e w ij k XIV (als
gemaal der oudste zuster van den gestorvene) voor zijn tweeden
kleinzoon Philips, hertog van Anjou, waarbij de afstand zijner
gemalin (m. z. bl. 74) voor haar nakomelingen verklaard werd
niet verbindend te zijn, 2) Leopold I (als gemaal der jongste
zuster van den gestorvene, die geen afstand had gedaan) voor
zijn jongsten (niet uit dat huwelijk gesproten) zoon Karel, 3) den
keurprins van Beieren als kleinzoon der jongere zuster van
den erflater.
Hoewel Willem III van Engeland, de voorstander van het staat-
kundig evenwicht, een verdeeling der Spaansche monarchie onder
de pretendenten wenschelijk achtte, en voor dit plan ook Lo-
dewijk XIV had weten te winnen, benoemde Karel II bij zijn
testament den (zevenjarigen) zoon van den keurvorst van Beieren,
en, toen deze nog vóór hem stierf, Philips van Anjou tot universeel
erfgenaam zijner landen, en deze trad ook spoedig na Karels dood
als Philips V in Spanje op. Maar de zeemogendheden (Willem III)
verbonden zich met den keizer, om de Spaansche bezittingen in
de Nederlanden en in Italië voor Oostenrijk te redden en nimmer
te dulden dat Spanje en Frankrijk tot één rijk ver-
bonden werden. Om de aanspraken van den keurvorst van
Beieren, die toen stadhouder der Spaansche Nederlanden was,
-ocr page 99-
91
"O
=
—
1  3
3  2
O    |
_   s
il
« : dSf
P-
slslls
o. -55W
iifpi!
i=s is
o
tfii
"35
er. o
— _
HH - «S
« SM
ia .2 .•
(fc JU .
H .-o
go m -
ö si
\'3
a|S
w
4
<!
> Sn
- "o «
, H ,3 <
SP 2 B
H c! Q
B .H OS
7,
<
rj c- ■
— ■" i
9
—
-"sa-S
£-3s
"£a§.
me* ta
- >
S i
IJ
s
e
e
\'(
S *<
f*
o
o-
Oh-
P
O
_:
rt
o
o
—*
co
00
&
X
O
in
%
m
a Sol
11
m
pr
<2
3 BS
a. r- «
* .e
> *
R B
g
5
P
— > >.s
o «
•II
: 3-i
60»-
.2 ►
2 J
CS -
ME
a
ut
te*
ft
SI»
i
li
«1
M Pa—"— . .
E .f a* 3
» *■ s
M <! S
p
O .1-1 |
-«3 tf
«•
«i: SS
w
-ocr page 100-
92
te bevredigen, werd hem door Lodewijk XIV het bezit dier landen
toegekend. Hij koos derhalve met zijn broeder, den keurvorst
van Keulen, de partij van Frankrijk.
A. OORLOG IN ITALlfc EN DUITSCHLAND , VOORNAMELIJK
OM MILAAN, 1701----1704.
1)   In Italië. De keizer, ondersteund door de beide Duitsche
vorsten, die hem hun verheffing te danken hadden, den koning
van Pruisen en den keurvorst van Hannover, zond een leger naar
Italië, waar reeds een Fransch leger onder Catinat was aange-
komen. De keizerlijken werden aangevoerd door prins Eugenius
van Savoye, die zich reeds bij het ontzet van Weenen, in de
daarop volgende oorlogen met de Turken en in den derden Fran-
schen oorlog als een uitstekend veldheer had doen kennen. Na
een stouten tocht over de Tyroolsche Alpen opende Eugenius den
oorlog met twee overwinningen op de Franschen (bij Carpi en
Chiari) onder Villeroi, maar streed vervolgens zonder beslissend
voordeel tegen den hertog van Vendóme, die over veel grooter
macht beschikte.
2)    In Duitschland. De Engelschen (kort voor den dood
van Willem III had het parlement een leger en een vloot voor den
oorlog tegen Frankrijk toegestaan) begonnen den oorlog in de Spaan-
sche Nederlanden onder den graaf, later hertog van Marlborough.
Deze vereenigde zich in 1704 onverwachts met Eugenius, en beiden
behaalden bij Höchstadt aan den Donau (en Blendheim) een
zoo beslissende overwinning op de Beieren en Franschen, dat
nauwelijks een derde gedeelte van het Fransche leger den Rijn
bereikte; geheel Beieren werd bezet en gedwongen de benoodigd-
heden voor den volgenden veldtocht te leveren, de keurvorsten
van Beieren en Keulen werden afgezet, en door den keizer
jozef I, 1705—1711,
met toestemming van het collegie der keurvorsten in den rijksban
gedaan; de keurvorst van de Palts kreeg de hem in den dertigjarigen
oorlog ontnomen Opper-palts terug.
-ocr page 101-
93
B. OORLOG IN SPANJE, DE NEDERLANDEN EN ITALIË OVER
DE GEHEELE
SPAANSCHE MONARCHIE, 1704—1711.
1)    In Spanje zelf (waar Philips V als koning was erkend)
begon de oorlog eerst in 1704, toen de aartshertog Karel op de
kust van Portugal landde. In het eerste jaar werd alleen Gibraltar
door de Engelschen en de Nederlanders genomen, maar toen vier
provinciën (Catalonië, Valencia, Arragon en Navarra) zich voor
Karel III verklaarden, ontbrandde een vreeselijke burgeroorlog,
die met afwisselend geluk voortduurde totdat Karel na den dood
van zijn broeder, keizer Jozef I, naar Duitschland terugkeerde (1711).
2)  In de Zuidelijke Nederlanden en Italië. Eugenius
en Marlborough hadden zich na de overwinning bij Höchstadt
weder van elkander gescheiden; gene trok naar Italië, terwijl deze
naar de Nederlanden terugkeerde; beiden streden met onverwacht
geluk en veroverden de belangrijkste bezittingen van Spanje. Door
de schitterende overwinning bij Ramillies (1706) verijdelde
Marlborough het plan der Franschen, om een inval in Holland te
te doen. Nog belangrijker was de veldtocht van Eugenius in
Italië. De Franschen hadden Piemont bezet, wilden Turijn veroveren,
en zoodoende den hertog van Savoye dwingen, om het bondge-
nootschap met den keizer te verbreken. Maar met de Pruisen
onder Leopold van Dessau vernietigde Eugenius het Fransche leger
bij Turijn, verdreef de Franschen uit geheel Lombardije, en liet
ook hier Karel III huldigen.
Toen de oorlog in Italië geëindigd was, vereenigde zich Euge-
nius weder met Marlborough, die in,Vlaanderen op nieuw door
een Fransch leger in het nauw was gebracht. Beide veldheeren
versloegen dat leger bij Oudenaarden aan de Schelde (1708)
en veroverden de voor onneembaar gehouden vesting Rijssel (Lille).
Lodewijk XIV, na zoo vele ongelukken uitgeput (binnen \'s lands
woedde de opstand der protestanten, camisards, onder Cavalier
in de Cevennen) en door den volgenden buitengewoon strengen
winter van de middelen tot een nieuwen veldtocht beroofd, knoopte
in den Haag vredesonderhandelingen aan, en had zich reeds bereid
verklaard van de geheele Spaansche monarchie af te zien, en aan
ieder der verbonden mogendheden nog bijzondere voordeden toe
te kennen. De geallieerden eischten echter, door zqn toegevend-
-ocr page 102-
04
heid bemoedigd, al meer en meer, en verlangden dat hij zelf de
troepen zou leveren, om zijn kleinzoon uit Spanje te verdrijven;
Lodewijk brak de onderhandelingen af, en bracht met de uiterste
krachtsinspanning een nieuw leger onder het bevel van Villars op
de been. Nadat ook dit leger door Eugenius en Marlborough bij
Malplaquet (1709) geslagen was, knoopte Lodewijk nieuwe
vredesonderhandelingen aan, en verklaarde zich reeds bereid een
aanzienlijke som gelds tot verdrijving van zijn kleinzoon te betalen,
toen drie belangrijke gebeurtenissen samenliepen, om hem uit
dien hachelijken toestand te redden.
C. DE KANS KEERT, VREDE TE UTRECHT, RASTADT EN
BADEN, 1711—1714.
De val van het ministerie Marlborough (het hoofd der Whigs)
en het optreden der Tories in het kabinet van koningin Anna
van Engeland, de dood van keizer Jozef, die door den aartshertog
Karel als erfgenaam der Oostenrijksche provinciën en als keizer
werd opgevolgd, en de overwinningen van den hertog van Vendöme
in Spanje, werkten samen, om aan Lodewijk XIV op het einde
zijns levens nog op het onverwachtst een gunstigen vrede te ver-
schaffen. Nadat zijn leger in 1712 bij Denain een overwinning
op Eugenius behaald had, sloot hij met de zeemogendheden (En-
geland en de Nederlanden), die de vereeniging van de Oosten-
rijksche provinciën met de Spaansche monarchie even gevaarlijk voor
de rust van Europa achtten als de vereeniging van Frankrijk en
Spanje, den vrede te Utrecht (1713). Philips V werd als koning
van Spanje en de bezittingen van dat land buiten Europa erkend,
onder voorwaarde dat de kronen van Frankrijk en Spanje nooit
vereenigd zouden worden. Engeland kreeg van Spanje Gibraltar
en Minorca benevens een privilegie van slavenhandel (het assiénto-
tractaat), van Frankrijk de landen aan de Hudsons-baai, New-
Foundland en Nieuw-Schotland. Pruisen werd met (het tot dusverre
Spaansche) Boven-Gelder vergroot en algemeen als koninkrijk
erkend; Savoye kreeg Sicilië als koninkrijk, doch moest het spoedig
tegen Sardinië ruilen. Te Rastadt (1714) trad de keizer tot
dezen vrede toe; hij verkreeg de Spaansche Nederlanden, Napels,
Milaan en Sardinië; Frankrijk gaf aan het Duitsche rijk Breisach,
Freiburg en Kehl terug; de keurvorsten van Beieren en Keulen,
-ocr page 103-
05
die in den rijksban waren gedaan, werden in hun waardigheid
hersteld. Het Barrière-tractaat (1715) gaf aan de republiek
der Vereenigde Nederlanden het recht, in eenige vestingen van
de Oostenrijksche Nederlanden bezettingen te leggen. De vrede
van Rastadt werd bij een te Baden geteekend tractaat ook voor
het Duitsche rijk verbindend gemaakt.
Het politieke overwicht van Frankrijk was verbroken, doch de
macht van Oostenrijk was door dezen zoowel als door de Turksche
oorlogen weer toegenomen.
§ 20.
De Noordsche oorlog, 1700—1721.
August II, koning van Polen en keurvorst van Saksen, verbond
zich met Rusland en Denemarken (vooral door de intriges van
den voortvluchtige^ Lijflander Patkul), om van de jeugd van
Karel XII partij te trekken, en hem te noodzaken al de pro-
vinciën terug te geven, welke Zweden aan de Russen, Polen en
Denen ontnomen had, en zoodoende Zwedens gezag op de Oostzee
te vernietigen.
I. DE DEENSCHE OORLOG, 1700.
De oorlog begon met een inval der Denen in Sleeswijk (dat in
de 16de eeuw bij een verdeeling van Denemarken van dat land
gescheiden was en toen aan den zwager van Karel XII, den hertog
van Holstein-Gottorp, toebehoorde), en der Saksen in Lij Hand.
De jeugdige koning keerde zich het eerst tegen de Denen, en
dwong Frederik IV door een stoute landing op Zeeland , bij den
vrede van Travendahl (1700) zich aan het bondgenootschap tegen
Zweden te onttrekken de bij den vrede van Roeskilde, 1658,
verkregen souvereiniteit van den hertog van Holstein-Gottorp te
erkennen en hem al het veroverde terug te geven. Maar ter
zelfder tijd trad ook de Czaar als derde vijand tegen hem op.
2. DE RUSSISCH-SAKSISCHE OORLOG, 1700—1706.
Peter trok met een groot leger op, om den koning van Polen,
die in Lijlland gevallen was, bij te staan en belegerde Nar va.
Maar door een schitterende overwinning (1700), die Karel op
-ocr page 104-
96
de veel grootere Russische krijgsmacht behaalde, welke Narva
belegerde, ontzett\'e hij de stad en verdreef ook de Saksen uit
Lijdand. Nu drong bij als overwinnaar Polen binnen, wees alle
vredesvoorstellen van de hand, en dwong de Polen August II van
den troon te stooten en den hein genegen Woiwode Stanis-
laus Leszinsky te kiezen (1704 —1709), dien hij ook door
nieuwe overwinningen op de Saksen algemeen in die waardigheid
deed erkennen. Terwijl hij aan zijn gevaarlijksten vijand, den
Czaar, tijd liet, om zijn veroveringen op de kust der Oostzee te
hernieuwen, en door het stichten eener nieuwe hoofdstad van zijn
rijk (Petersburg, 1703) op Zweedsch grondgebied die overwin-
ningen te bestendigen, dwong hij August II door een inval in
Saksen om bij den vrede van Altranstüdt, Stanislaus Leszinsky als
koning van Polen te erkennen, en het bondgenootschap met den
Czaar te verbreken. (Patkul uitgeleverd en te recht gesteld).
3. RUSSISCHE OORLOG TOT 1709. DE KRIJGSKANS KEERT.
Al de vruchten van deze schitterende overwinningen gingen
spoedig door Karels hardnekkigheid en onbezonnenheid weder ver-
loren. Langen tijd zwierf hij zonder plan in Polen en Saksen
rond, en eindelijk vormde hij, door zijn verachting der Russen
daartoe aangemoedigd, het plan, den Czaar, dien hij wegens zijn
wreedheid haatte, van den troon te stooten. Reeds was hij door
moerassen en wouden tot over den Dnjepr gedrongen, en bedreigde
Moskou, toen hij zich door Mazeppa, den hetman der Kozakken,
die zich met zijn hulp van den Czaar onafhankelijk wilde maken,
overreden liet, om in plaats van rechtstreeks tegen Moskou op te
trekken, een omweg door de Oekraine te nemen, om zich daar
met hem te vereenigen. Ofschoon Mazeppa door zijn eigen troepen
verlaten werd en als vluchteling in het leger des konings kwam,
bleef Karel, ondanks alle pogingen om hem van zijn besluit af te
brengen, bij zijn voornemen volharden, om midden in de strengsten
winter voorwaarts te rukken; maar hij werd, daar hij geen be-
redeneerd operatieplan had gemaakt en bij volslagen gemis aan
materieel en proviand, door een veel aanzienlijker Russisch leger
bij Pultawa (1709) zoo geheel verslagen, dat hij slechts met
een klein gevolg naar Turkjje kon ontsnappen.
-ocr page 105-
97
4. KAREL XII IN TURKIJE, 1709---1714.
Van Karels vijfjarig verblijf in Turkije maakten zijn vijanden
gebruik, om hun bondgenootschap te vernieuwen. August II
verdreef koning Stanislaus uit Polen en nam dat rijk weder in
bezit; de Denen ontnamen Sleeswijk aan den hertog van Holstein-
Gottorp, dien zij ook uit Holstein verdreven, en veroverden de
Zweedsche hertogdommen Breinen en Verden; maar Peter had
het grootste voordeel, daar hij de Zweedsche provinciën Lijfland,
Esthland, Ingermannland, Karelië en Finland veroverde. Na lange
onderhandelingen had Karel XII den sultan tot den oorlog tegen
Rusland bewogen (1710); Peter trachtte den inval der Turken te
voorkomen, doch werd aan de Pruth mét zijn leger ingesloten en
slechts door een gekochten vrede (zijn gemalin Katharina had den
groot-vizier omgekocht) gered, waarbij Rusland Azow aan Turkije
moest teruggeven. Desniettegenstaande bleef Karel in Turkije de
hoop koesteren, dat hij het vredestractaat zou doen vernietigen,
en verzett\'e zich met geweld, toen de Turken hem wilden dwingen
naar zijn rijk terug te keeren. Zij bestormden zijn versterkt huis
bij Bender, en namen hem gevangen, tot dat hij eindelijk (tegen
het einde van het jaar 1714) op de tijding dat de adel in Zweden
aan zijn jongere zuster Ulrika, ondanks het beter recht van Karel
Frederik van Holstein, den zoon eener oudere zuster, de regeering
wilde opdragen, zich genoopt zag met avontuurlijken spoed naar
zijn staten terug te keeren.
5. KARELS AANVAL OP NOORWEGEN EN ZIJN DOOD.
Intusschen hadden zich ook Frederik Wilhelm I, koning van
Pruisen, en George [, keurvorst van Hannover en koning van
Engeland, bij de vijanden van Zweden aangesloten, dat nu zijn
laatste bezittingen in Duitschland (Stralsund, Wismar) verloor.
Terwijl Karel door vredesonderhandelingen met Peter den Groote
dezen den tijd in werkeloosheid deed doorbrengen en ontwerpen
smeedde, die geheel Europa in rep en roer zouden brengen (Görtz),
verspilde hij de laatste krachten der natie aan de ijdele poging,
om Noorwegen aan de Denen te ontrukken en zich door verove-
ringen voor het verlorene schadeloos te stellen. De eerste veld-
Pütz, N. Gesch.                                                                     7
-ocr page 106-
98
tocht werd door de ongunstige weersgesteldheid verijdeld; on den
derden tocht werd Karel in de loopgraven van Frederikshald door
een kogel doodelijk getroffen (1718). De regeering werd opge-
dragen aan Karels zuster, Ulrika Eleonora, de gemalin van den
erfprins van Hessen-Kassel, omdat deze zich bereid verklaarde, zich
een beperking der koninklijke rechten te laten welgevallen.
6. DE OOKLOG WORDT DOOR VERSCHILLENDE VREDESVER-
DRAGEN MET DE VIJANDEN VAN ZWEDEN GEKINDIGD.
1) Denemarken won een gedeelte van Sleeswijk en verkocht
Bremen en Verden aan Hannover; bovendien kreeg het het recht
der heffing van den Sond-tol van Zweedsche schepen. 2) Pruisen
kreeg Voor-Pommeren, benevens Stettin en de eilanden Usedom
en "Wollin. 3) De Russen wisten door herhaalde verwoestingen
op de kusten van Zweden dat rijk bij den vrede te Nystadt
(1721) te dwingen, om Lijfland, Esthland, lngermannland en een
gedeelte van Karelië af te staan, waartegen zij Finland teruggaven.
Zoo verloor Zweden zijn overwicht in het Noorden, en Rusland
trad als een der groote mogendheden van Europa in zijn plaats.
De door iedereen verlaten Stanislaus Leszinsky was eerst naar
Tweebruggen gevlucht, en ging na Karels dood naar den Elzas,
met behoud van den koningstitel.
§ 21.
Keizer Karel VI, 1711 — 1740.
1)   In een oorlog met de Turken (1714—1718), dien
de keizer tot ondersteuning der uit Morea verdreven Venetianen
voerde, spreidde prins Eugenius van Savoye zijn bekwaamheid
andermaal op schitterende wijze ten toon. Hij behaalde twee
zoo beslissende overwinningen, dat de Turken bij den vrede (te
Passarowitz) den keizer in het bezit van al zijn veroveringen (het
Banaat, een gedeelte van Servië en Wallachije) moesten laten.
Een zoo voordeeligen vrede had Oostenrijk nog nooit met de Turken
gesloben.
2)   De Quadruple•alliantie (1718). Tusschen de beide
hoofd pretendenten naar den Spaanschen troon was het nog niet
-ocr page 107-
99
tot een schikking gekomen: Karel VI wilde Philips V nog niet
als koning van Spanje erkennen, van den anderen kant ontwierp
de Spaansche minister-kardinaal Alberoni liet plan de Italiaansche
bezittingen weer bij de Spaansche kroon te voegen, en liet, terwijl
de keizer door den oorlog met de Turken werd bezig gehouden,
Sardinië en Sicilië bezetten. Daar Philips V ook naar de Fransche
kroon streefde, trok Frankrijk zich de belangen van Spanje niet
meer aan, en sloot met Groot-Britannië en den keizer, onder voor-
waarde van het toetreden van Nederland, een quadmpl e-alliantie
tot handhaving van den vrede van Utrecht.
De geallieerden
noodzaakten Philips V door een korten oorlog (in Sicilië en Spanje)
Alberoni te ontslaan, Sicilië en Sardinië te ontruimen en afstand
te doen van de Spaansche Nederlanden, waartegen hij door den
keizer als koning van Spanje werd erkend. Savoye, dat de zijde
van Philips had gekozen, moest den keizer Sicilië afstaan, en
daarvoor Sardinië in ruil nemen. Sedert nam de hertog van
Savoye den titel van koning van Sardinië aan.
3) De pragmatieke sanctie. Het Huis Habsburg stond
toen op het toppunt van zijn macht. Door den aanwas, dien het
sedert den vrede van Utrecht gekregen had, was Oostenrijk meer
dan ooit het middelpunt van Europa geworden, daar het aan den
eenen kant aan de oostelijke staten grensde, en aan den anderen
door Italië en de Nederlanden in een zoo nauwe verbinding met
West- en Zuid-Europa kwam, dat het in iedere belangrijke ge-
beurtenis noodzakelijk betrokken moest worden. De voornaamste
zorg van Karel gedurende den overigen tijd zijner regeering was,
om bij gebrek aan mannelijke nakomelingen deze massa van landen,
die uit zoo veel verschillende en ver van elkander verwijderde
deelen bestond, ook na zijn dood voor zijn huis te behouden,
daar geen wet de ondeelbaarheid van het rijk bepaald waarborgde.
Te dien einde stelde hij de erfopvolging vast onder den naam
van pragmatieke sanctie. Daarbij werd bepaald, dat alle
landen, die tot de Oostenrijksche monarchie behoorden, bij ont-
stentenis van mannelijke nakomelingen, zouden komen aan de
dochters van Karel en haar mannelijke nakomelingen volgens het
recht van eerstgeboorte. Karel hoopte deze pragmatieke sanctie
zoowel in als buiten zijn staten te doen erkennen.
-ocr page 108-
100
4) Oorlog wegens Polen en Italië, 1733—1738.
Toen August II, koning van Polen, gestorven was, wist Lode-
wijk XV van Frankrijk een groot gedeelte van den Poolschen
adel te bewegen zijn schoonvader Stanislaus Leszinsky weder op
den troon te verhelïen, terwijl een andere partij, die door Rusland
en den keizer ondersteund werd, den zoon des overleden konings,
den keurvorst van Saksen, August III, verkoos. De keizer ver-
klaarde zich voor August III, ten einde diens erkenning van de
pragmatieke sanctie te verkrijgen. Stanislaus werd door een Rus-
sisch-Saksisch leger verdreven, maar Lodewijk XV en de met hem
verwante koningen van Spanje en Sardinië trokken zieh zijn zaak
aan, en verklaarden aan den keizer den oorlog, waarvan Italië
en de Boven-Rijn nu het tooneel werden. Na lange onderhande-
lingen kwam de vrede te Weenen (1738) tot stand; Stanislaus
zag af van den troon en kreeg als schadeloosstelling Lotharingen
en Bar, onder voorwaarde dat deze hertogdommen na zijn dood,
als het erfdeel zijner dochter, aan Frankrijk zouden komen; Frans
Stephanus, hertog van Lotharingen, kreeg het groothertogdom
Toskane, welks kroon door liet uitsterven van het huis Medici in
1737 openviel; de keizer stond het koninkrijk der beide Sicilién
(onder voorwaarde evenwel dat die landen nooit met Spanje
mochten vereenigd worden) aan den infant Don Carlos tegen
Parma en Piacenza af, waarvoor Frankrijk zich verbond de prag-
matieke sanctie te handhaven.
§ 22.
Pruisen onder de beide eerste koningen, 1701 —1740.
1)   Frederik I, als koning 1701 —1713, ondersteunde den
keizer en zijn bondgenooten in den Spaanschen successie-oorlog.
Als zoon van de oudste zuster van koning Willem III van Enge-
land kreeg .hij uit de erfenis van Oranje het prinsdom Oranje,
dat hij in 1712 aan Frankrijk afstond, in ruil tegen het grootste
gedeelte van Gelder. Zijn zoon
2)    Frederik Willem I (1713—1740) voerde dadelijk de
grootste eenvoudigheid en spaarzaamheid in zijn hofhouding in,
en besteedde hetgeen hij op die wijze uitzuinigde, aan de aan-
vulling en verbetering zijner legers; hij legde den grond tot een
-ocr page 109-
101
nieuw stelsel voor het financie- en rechtswezen, verzamelde aan-
zienlijke schatten, en veroorloofde zich geen onnoodige uitgaven
dan voor zijn lijfwacht van reuzen, die ten deele zelfs met geweld,
uit alle landen van Europa was bijeengebracht. De bevolking
vermeerderde door het ondersteunen van vreemde uitgewekenen,
nieuwe steden werden gebouwd en oude, voornamelijk Berlijn en
Potsdam, uitgebreid en verfraaid. Bij den vrede te Utrecht kreeg
hij Opper-Gelder; in den Noordschen oorlog sloot hij zich bij de
vijanden van Zweden aan, en won Voor-Pommeren met Stettin.
Jeugd van F rede rik den Groot e. Evenzeer als Frederik
Willem I in karakter van zijn vader verschilde, even groot was
het contrast tusschen hem en zijn zoon Frederik. Al de pogingen
des vaders, om dezen voor de toen gebruikelijke wapenoefeningen
smaak in te boezemen, waren vruchteloos, en de vader wanhoopte
evenzeer van zijn zoon een dapper soldaat als een degelijk en
spaarzaam vorst te maken. De zich reeds vroeg ontwikkelende
neiging van den kroonprins voor de schoone kunsten en weten-
schappen was den koning onaangenaam, en hun uiteenloopende
karakters gaven den vader herhaaldelijk aanleiding om zijn zoon
te mishandelen. Deze besloot derhalve naar Engeland te ont-
vluchten , maar dit plan werd verraden, de prins in hechtenis
genomen en naar Küstrin in dé gevangenis gebracht, onder welker
vensters zijn vriend en vertrouwde, de luitenant von Katte, ont-
hoofd werd. Slechts door de voorspraak van de aanzienlijkste
officieren en onderscheidene vreemde hoven werd de prins van de
doodstraf gered. Doch spoedig daarna verzoende hij zich, door
zijn huwelijk met eene Brunswijksche prinses, met zijn vader,
en kreeg van dezen een slot bij Rheinsberg, waar hij in het ge-
zelschap van uitstekende geleerden (Voltaire) tot aan zijn troons-
beklimming voor de wetenschappen leefde. In het jaar 1740
volgde hij zijn vader op, die hem een geoefend leger en een
gevulde schatkist naliet.
§ 23.
De Oostenrijksche successie-oorlog, 1740—1748, en de
beide eerste Silezische oorlogen,
1740—1745.
Toen met den dood van Karel VI de mannelijke linie van
het huis Habsburg uitstierf en zijn dochter Maria Theresia,
-ocr page 110-
102
1740—1780, de regeering in Oostenrijk, Hongarije en Bohemen
aanvaardde (zij regeerde steeds alleen, hoewel zij haar gemaal Frans
Stephanus van Lotharingen—Toskane tot mederegent had aange-
nomen), maakte de keurvorst Ka rel Albert van Beieren,
als een nakomeling van Anna, de dochter van Keizer Ferdinand I,
aanspraak op de Oostenrijksche landen. Ondanks de pragma-
tieke sanctie ondersteunden de hoven van Spanje en Frankrijk
deze aanspraken, om eensdeels aan Maria Theresia de Duitsche
keizerskroon te betwisten, en anderdeels het Duitsche rijk af-
hankelijk te maken van Frankrijk. Van dit tijdstip trok Fre-
derik II de Groote van Pruisen (1740—86) partij, om
oude aanspraken van zijn huis op de Silezische hertogdommen
Brieg, Liegnitz en Wohlau (en op het vorstendom Jagerndorf) te
doen gelden. Hij viel in Silezië (eerste Silezische oorlog, 1740—
42), veroverde door de overwinning bij Mollwitz (1741) het
land, en zond een gedeelte van zijn leger naar Moravië, terwijl
hij met het andere in Bohemen viel. De vrede van Breslau
(1742), waarbij aan Pruisen Opper- en Neder-Silezië benevens het
graafschap Glatz afgestaan werden, maakte aan den eersten Sile-
zischen oorlog een einde.
Karel Albert verbond zich met Frankrijk en Spanje te Nym-
phenburg (1741), om Oostenrijk te vernederen en aan het huis
Habsburg de keizerskroon te ontrukken. Keur-Saksen (dat insge-
lijks met de erfopvolging steunende aanspraken voor den dag kwam),
de Palts en Keulen traden toe., en Frederik II sloot met Frankrijk
een soortgelijk verdrag. George II van Engeland, in een
oorlog met Spanje gewikkeld, wapende zich wel om voor de
instandhouding der pragmatieke sanctie te strijden, rnaar zag zich,
daar een Fransch leger zijn erfland Hannover bedreigde, tot het
sluiten van een neutraliteits-verdrag gedwongen.
De Oostenrijksche Successie-Oorlog. Een Beiersch
en een Fransch leger rukten snel tegen Weenen op, en Karel
Albert liet zich te Praag als koning van Bohemen huldigen,
terwijl hij zich te Frankfort als keizer Karel VII (1742—45)
deed kronen. Maar juist toen hij het doel zijner wenschen be-
reikt had, keerde het geluk. Maria Theresia was in persoon op
een rijksdag te Presburg verschenen, en had daar de geestdrift
der Hongaren dermate weten op te wekken, dat zij dadelijk twee
-ocr page 111-
103
legers in \'t veld brachten, waarvan het eene Bohemen en het
andere Oostenrijk heroverde, terwijl de Oostenrijkers Karel VII
zelfs uit Beieren verdreven.
Nadat de Oostenrijkers het leger der vijanden in Praag hadden
ingesloten, sloot Saksen met Maria Theresia vrede en een ver-
bond. In 1743 trad George II, die het neutraliteitsverdrag had
opgezegd, als kampvechter op voor Maria Theresia, om Oostenrijks
oppergezag op het vasteland te herstellen en de Bourbons voor
altoos onschadelijk te maken. Een Fransch leger, dat over den
Midden-Rijn was doorgedrongen, werd door de (uit Engelschen,
Hollanders, Hannoveranen en Hessen bestaande) zoogenaamde prag-
matieke armee bij Dettingen aan den Main verslagen.
De Franschen trokken over den Rijn terug, en aan Maria Theresia\'s
zijde schaarden zich als nieuwe bondgenooten Sardinië, Nederland
en later ook Rusland.
Deze plotselinge ommekeer deed Frederik den Groote vreezen,
dat men wel niets onbeproefd zou laten, om hem de in tijden
van nood afgestane landen weder te ontrukken. Hij nam daarom
andermaal de wapenen op (tweede Silezische oorlog,
1744—1745), sloot een verbond met Karel VII en Frankrijk,
viel in Bohemen en veroverde Praag, werd echter, toen Keur-
Saksen de wapenen voor Oostenrijk opvatte, tot den terugtocht
gedwongen.
Hoewel het nu door den aanval van Frederik aan Karel VII
mogelijk werd gemaakt, om Beieren met Frankrijks hulp te her-
overen , achtte echter zijn zoon en opvolger Maximiliaan Jozef
het meer geraden, in 1745 den vrede te Füssen te sluiten,
waarbij hij afstand deed van iedere aanspraak op Oostenrijk en
beloofde de keuze van Maria Theresia\'s gemaal tot keizer te
zullen steunen. Deze beklom dan ook den troon als:
frans I, 1745—1765.
De Oostenrijkers (Karel van Lotharingen) hadden de Pruisen
niet alleen uit Bohemen verdreven, maar waren ook tot in Opper-
Silezië doorgedrongen. Zij werden evenwel door Frederik bij
Hohenfriedberg overwonnen, naar Bohemen vervolgd en hier
ten tweede male bij Sorr verslagen. Ook hun plan om met de
-ocr page 112-
104
Saksen een inval in de landen des konings te doen, werd door
de overwinningen van Ziethen bij Hennersdorf (nabij Bautzen) en
den ouden vorst van Dessau bij Kesselsdorf verijdeld, en de
vrede van Dresden bevestigde Frederik II, die bevreesd was
voor de vereeniging van Rusland met Oostenrijk en wiens middelen
uitgeput waren, in het bezit van Silezië en Glatz. Alleen Frankrijk
en Spanje zetten den oorlog nog voort (George II werd in zijn eigen
land bezig gehouden), Frankrijk in de Oostenrijksche Nederlanden,
waar de Fransche troepen, aangevoerd door Maurits van Saksen,
het pragmatieke leger onder Cumberland versloegen bij Fontenai
in 1745 en bij Raucoux in 1746, en beide mogendheden geza-
menlijk in Italië, maar zonder blijvend gevolg. Daarentegen streden
de Engelschen en Nederlanders gelukkig op zee, en na den dood
van Filips V trok Spanje zich uit den oorlog terug. Toen nu ook
de Russische keizerin Elizabeth zich met Oostenrijk verbond en
een leger van 30,000 man naar den Rijn zond, kwam de vrede
te Aken tot stand (1748), waarbij Frankrijk alle veroveringen
terug gaf.
Oostenrijk stond Parma en Piacenza aan den Spaanschen In-
fant (Don Filips) en enkele landstreken aan Sardinië af.
De oneenigheden over de koloniën tusschen Engeland aan de
eene en Frankrijk en Spanje aan de andere zijde bleven voort-
bestaan.
§ 23.
De derde Silezische of zevenjarige oorlog, 1756—1763.
Geheele omkeer in de Europeesche staatkunde.
Daar Maria Theresia in het bondgenootschap met Engeland
weinig baat voor de bereiking harer bedoelingen vond, zoo
trachtte zij nevens het reeds gedurende den vorigen oorlog met de
keizerin Elizabeth van Rusland, die door Frederiks spotternijen
beleedigd was, gesloten verbond ook Frankrijk voor haar belangen te
winnen; ook het Saksische hof (Brühl), door naijver op Pruisens
verheffing gedreven, trad op Oostenrijks zijde; Engeland daaren-
tegen , dat over de bepaling der grenzen van het bij den Utrecht-
schen vrede verkregen Nieuw-Schotland in een oorlog met Frankrijk
-ocr page 113-
105
gewikkeld was (§ 21), begon al meer en meer, ook met het oog
op zijn Duilsche bezitting Hannover, Pruisen als zijn natuurlijken
bondgenoot te beschouwen. Na gedurende verscheiden jaren
voortgezette pogingen van Maria Theresia en haar minister Kaunitz
werd eindelijk op de tijding, dat Engeland, tot dusverre de
bondgenoot van Frankrijk, een neutraliteitsverdrag met Frederik
had gesloten, op 1 Mei 1756 (te Versailles) het verbond tusschen
de twee grootste katholieke mogendheden, Oostenrijk en Frankrijk,
geteekend en door Rusland een plan tot on verwijlden aanval en
tot de verdeeling van Pruisen ontworpen.
Het jaar 1756. Frederik, die van het tegen hem gesmede
plan vernomen en tevens de zekerheid verkregen had, dat in dat
jaar noch Frankrijk noch Rusland aan den oorlog zouden deel
nemen, voorkwam den aanval zijner vijanden. Nog in den herfst
van hetzelfde jaar viel hij onverwachts in Saksen, bezette Dresden
en sloot een in haast bijeengebracht Saksisch leger in zijn ver-
sterkte legerplaats bij Pirna in, om het door honger tot de over-
gave te dwingen. Toen een Oostenrijksch leger onder Browne
aanrukte om de Saksen te bevrijden, trok hij dezen met een
gedeelte van zijn leger naar Bohemen te gemoet, versloeg hem
bij Lowösitz aan de Elbe, maar keerde naar Saksen terug, om
het leger onschadelijk te maken, dat nog achter hem stond. Hij
noodzaakte de ingesloten Saksen zich als krijgsgevangenen over te
geven, overwinterde in Saksen en liet tot rechtvaardiging van zijn
handelwijze de bewijzen van de aanslagen zijner vijanden tegen
hem, die hij in de vertrekken des konings gevonden had, bekend
maken.
Het jaar 1757. Uithoofde van den inval in Saksen werd
aan Frederik van rijkswege de oorlog verklaard, en Maria Theresia
had nu de gewenschte aanleiding, om de hulp van haar bond-
genooten (Frankrijk en Rusland) in te roepen, waarbij ook nog
Zweden kwam, dat het in 1720 verloren gedeelte van Voor-
Pommeren hoopte te herwinnen. Frederik liet het aan zijn weinig
talrijke bondgenooten (Engeland, Hessen-Kassel, Brunswijk en
Gotha) over, om de Franschen tegen te houden (observatieleger
onder den hertog van Cumberland), en zond een gedeelte van
zijn leger de Russen en Zweden te gemoet. Maar zijn grootste
macht keerde hy tegen Oostenrijk, rukte op het onverwachtst
-ocr page 114-
106
andermaal in Bohemen en won den veldslag bij Praag. Het
grootste gedeelte van het verslagen leger redde zich met zijn aan-
voerder, den door Frederik reeds driemaal verslagen prins Karel
van Lotharingen, naar Praag, dat door Frederik belegerd werd.
De veldmaarschalk Daun rukte nu aan, om Praag te ontzetten,
Frederik trok hem te gemoet, viel hem in zijn vaste stelling bij
Kollin aan, maar werd voor de eerste maal geslagen, en moest
het beleg van Praag opbreken en uit Bohemen naar Saksen terug-
trekken.
Deze nederlaag des konings bewoog ook de tot nu werkelooze
bondgenooten van Oostenrijk een beslissenden veldslag te wagen;
de Franschen trokken over de Weser en sloegen op den rechter
oever van die rivier de bondgenooten van Frederik bij H as ten-
beek; het observatieleger werd ontbonden, daar Engeland al zjjn
troepen voor den oorlog in Amerika noodig had. De Russen vielen
in Oost-Pruisen en behaalden een overwinning bij Grossjagern-
dorf, maar kregen (de grootvorst Peter, de opvolger op den
Russischen troon, was een warm bewonderaar van Frederik)
eensklaps bevel om uit Pruisen terug te keeren (naar men voor-
wendde, uit gebrek aan levensmiddelen). Toen Frederik vernam
dat het rijksleger naderde en ook een Fransch leger aanrukte,
om Saksen te bevrijden, ging hij hen met 22,000 man tegemoet
en versloeg in een slag van nog geen twee uren het vijandelijk
leger (64,000 man), dat uit de meest verschillende bestanddeelen
was samengesteld en door oneenige veldheeren werd aangevoerd,
bij Rossbach aan de Saaie (Seydlitz). Na zich aldus van het
bezit van Saksen verzekerd te hebben, ijlde de koning met zijn
overwinnend leger naar Silezië, waar zijn overige troepen inmid-
dels verliezen geleden hadden. Met 34,000 man (de P o t s-
damsche wachtparade) sloeg hij bij Leuthen het 80,000
man sterke Oosten rij ksche leger onder Karel van Lotharingen en
Daun. Silezië, met uitzondering van de vesting Schweidnitz, was
weder in de macht van Frederik.
De oorlog van het jaar 1758 werd in het Oosten door
den koning zelven tegen de Oostenrijkers en Russen, wier ver-
eeniging hij tot op het einde van den veldtocht wist te ver-
hinderen , en in het Westen door zijn bondgenooten onder
hertog Ferdinand van Brunswijk, tegen de Franschen gevoerd.
-ocr page 115-
107
De Russen vielen met een geducht leger in Brandenburg, waar
zij op verschrikkelijke wijze huis hielden. Frederik ijlde hen
te gemoet en ontmoette ze bij Z o r n d o r f. Niet dan na een
woedenden strijd behaalde hij de overwinning op de overmacht
van den vijand. Intusschen waren de Oostenrijkers tot onder-
steuning der Russen tot in de Lausitz voortgerukt. Toen de koning
hier zijn door Daun in het nauw gebracliten broeder Hendrik te
hulp snelde, werd hij in zijn ongunstige stelling bij Hochkirch
des nachts door de Oostenrijkers omsingeld, en na een gevoelig
verlies gedwongen om terug te keeren. Evenwel bleef deze neder-
laag zonder verdere gevolgen. Frederik vermeed Daun , verdreef
de vijanden eerst uit Silezië, daarna ook uit Saksen, en had tegen
het einde van het jaar al zijn landen terug, behalve Pruisen,
dat nog door de Bussen bezet was.
Het jaar 1759 was voor den koning het ongelukkigste van
den geheelen oorlog. Alleen de oneenigheid der tegen hem ver-
bonden mogendheden maakte het hem mogelijk zich staande te
houden. De naar de Oder opgerukte Russen vereenigden zich
met de Oostenrijkers onder Laudon, een veldheer, die, vroeger
door den koning met minachting aangezien, evenzeer diens ge-
vaarlijkste tegenstander werd, als Eugenius van Savoye dit van
Lodewijk XIV geweest was. Het vereenigde leger viel den koning
bij Kunersdorf aan; reeds had hij met zijn door den marsch
vermoeide soldaten den linkervleugel der Russen verslagen, toen
Laudon, die zijn medewerking en zijne krachten tot het beslissend
oogenblik gespaard had, den aanval begon en hem de overwinning
ontrukte. Ook Frederiks bondgenooten, onder hertog Ferdinand
van Brunswijk hadden in het begin van het jaar ongelukkig tegen
de Franschen gevochten, maar later alle voordeden aan den vijand
weder ontnomen.
Het jaar 1760 begon insgelijks ongelukkig voor Frederik,
wiens krachten allengs uitgeput raakten. Na een nederlaag van
een zijner generaals ging de koning zelf naar Silezië en zette zich
neder bij Liegnitz aan de Katzbach, waar hij door het ver-
anderen van legerplaats de vijanden misleidde, en het tweemaal
grooter leger van Laudon geheel en al versloeg. Zoo was de
bedoelde vereeniging der Oostenrijkers en Russen nogmaals ver-
ijdeld, en Silezië gered. Inmiddels was Saksen prysgegeven, doch
-ocr page 116-
108
na de overwinning bij Torgau op de Oostenrijkers, werd het door
Frederik hernomen.
Ook liet jaar 1761 begon ongelukkig voor Pruisen. Terwijl
Oostenrijk zich meester gemaakt had van de vestingen Glatz in
Silezië en Dresden in Saksen en de kas van Frederik uitgeput
was, werden — tot overmaat van ramp — de Engelsche subsidiën,
na het optreden van Bute in het ministerie van George III, niet
meer verstrekt. Pruisen scheen thans den ondergang nabij. Doch
evenals in den Spaanschen successie-oorlog het jaar 1711 Lode-
wijk XIV onverwachts uitredding bracht, kwam het jaar 1762
plotseling verandering brengen in den schier hopeloozen toestand
van Frederik. Die verandering werd teweeggebracht
door het overlijden van keizerin Elizabeth. Toen haar
opvolger, Peter III, een hartstochtelijk bewonderaar van Frederik II,
den Russischen troon beklommen had, kreeg Pruisen niet alleen
vrede (waartoe ook Zweden toetrad), maar ook ondersteuning van
Rusland. Peter werd reeds na een regeering van zes maanden
vermoord, en zijn opvolgster Katharina II liet de Russen terstond
uit Silezië terug trekken; maar Frederik bediende zich ten minste
nog van hun tegenwoordigheid in den slag van B u r k e r s d o r f
(niet ver van Schweidnitz) om Daun te overwinnen. Toen ook
prins Hendrik het rijksleger en de Oostenrijkers bij Fr ei berg
overwonnen had, werd na korte onderhandelingen in 1763 op
het Saksische jachtslot Hubertsburg de vrede tusschen Pruisen,
Oostenrijk en Saksen geteekend, waarbij de zaken in denzelfden
toestand bleven, waarin zij vóór den oorlog geweest waren, en
Pruisen een plaats verkreeg onder de groote mogendheden van
Europa.
Over den zeeoorlog tusschen Engeland en Frankrijk z. rn. § 27.
§ 25.
Keizer Jozef II, 1765—1790. — Frederik de Groote na den
zevenjarigen oorlog tot aan zijn dood.
1786.
1) De eerste verdeeling van Polen (1772). De voor-
naamste oorzaken van Polens ondergang waren: 1) oneenigheid
en verwarring binnenslands, vermeerderd a) door het egoïsme
-ocr page 117-
109
van den adel, die alle macht voor zich begeerde en van den
koning een werktuig zonder wil en kracht maakte; b) door de
onderdrukking der lijfeigenen door den adel; c) door de onder-
drukking van het niet-katholieke gedeelte der bevolking, dat sedert
1736 van alle openbare ambten was uitgesloten. 2) het zich
mengen in buitenlandsche aangelegenheden, vooral onder de regee-
ring der Saksische koningen.
Den eersten stap tot gewelddadige inmenging in de zaken van
Polen deed de Russische keizerin Katharina, toen zij in 1763
tot bescherming van haar gezant, een leger in Polen achterliet.
Hierdoor gesteund bewerkte zij, door Frederik bijgestaan, dat
na den dood van August III (1763) haar vriend graaf Sta nislaus
Poniatowski tot koning van Polen gekozen werd, en dat
de geloofsgenooten der beide vorsten, de dissidenten (protestanten
en Grieken) gelijke rechten met de katholieken verkregen, ter-
wijl zij vroeger van alle ambten uitgesloten waren, omdat zij
tijdens den Noordschen oorlog voor aanhangers van Zweden ge-
houden werden. Daar zich tegen dezen maatregel een confe-
deratie (te Bar) vormde, brak er in Polen een burgeroorlog
uit, terwijl te gelijkertijd de Turken, den invloed van Rusland
in Polen willende verminderen en opgehitst door Frankrijk, een
oorlog met Rusland begonnen, die echter zeer in hun nadeel
uitviel (zie § 31). Even ongelukkig was de uitkomst van den
strijd voor het door Frankrijk slechts zwak ondersteunde Polen.
Toen Pruisen en Oostenrijk zich bezorgd begonnen te maken over
den voorspoed van Rusland in den oorlog tegen de Turken, bracht
eerstgenoemde staat bij het Russische hof de verdeeling van Polen
ter sprake. Frederiks plan vond een gunstig onthaal en de
eerste verdeeling van Polen had reeds in 1772 plaats. Polen
moest een derde gedeelte van zijn grondgebied aan Rusland,
Pruisen en Oostenrijk afstaan.
2) Successieoorlog in Beieren (1778 en 1779).
Toen Maximiliaan Jozef, de zoon van den ongelukkigen keizer
Karel VII en laatste keurvorst van Beieren uit de jongere lijn
van het huis Wittelsbach, zonder nakomelingen gestorven was
(1777), wilde keizer Jozef diens erfgenaam, den keurvorst Karel
Theodoor van de Palts, dwingen aan Oostenrijk Beieren af te
staan en daarvoor de Oostenrijksche Nederlanden in ruil te nemen.
-ocr page 118-
110
Op raad van Frederik II trad hertog Karel van Palts-Tweebruggen,
de vermoedelijke erfgenaam van Karel Theodoor, tot die overeen-
komst niet toe. Het binnenrukken van Pruisische troepen in
Bohemen en de bedreiging der keizerin van Rusland, dat zij
Pruisen zou ondersteunen, bewogen den keizer (of veeleer de
keizerin Maria Theresia) bij den vrede te Teschen (1779)
van zijn aanspraken op Beieren af te zien; alleen het land tus-
schen Inn, Donau en Salzach kwam aan Oostenrijk (het zooge-
naamde Innviertel), dat daardoor onmiddellijk aan Tyrol grensde.
3) Regeering van Jozef II (1780—1790).
Jozefs moeder, Maria Theresia, had haar gemaal en later haar
zoon wel tot mederegenten aangenomen, maar zij leidde met
vorst Kaunitz zelve de zaken in haar erflanden, koos met buiten-
gewone scherpzinnigheid haar raadslieden, maakte vele doelmatige
inrichtingen (vereenvoudiging der rechtspleging, afschaffing der
pijnbank, verzachting der lijfeigenschap enz.), en wist met moed
en nadruk de positie van Oostenrijk in het statenstelsel van Europa
tegen haar in den beginne menigvuldige vijanden te handhaven.
Eerst na haar dood kon Jozef II met zijn plannen tot hervor-
ming (gelijkheid van alle burgers voor de wet, centralisatie van
het bestuur der door zeer verschillende natiën bewoonde gedeelten
van het rijk enz.) voor den dag komen. Ongelukkig was zijn
voortvarende ijver voor alles, wat hij voor goed hield, niet door
genoegzame voorzichtigheid getemperd. Het diepst grepen zijn
veranderingen in de kerkelijke aangelegenheden in (tolerantie-
edict, het verleenen van burgerlijke rechten aan de protestanten
en Joden, opheffing van de meeste kloosters, beperking der ge-
meenschap van de geestelijken met Rome), hetgeen hem in
twisten met paus Pius VI wikkelde. Deze kon hem zelfs door
een bezoek te Weenen niet bewegen zijn hervormingen in te
trekken, ofschoon in de uitvoering menige beperking werd toe-
gelaten. Daar hij bij de verschillende volken, die tot zijn rijk
behoorden, dezelfde staatsinstellingen wilde grondvesten, kwetste
hij het nationale gevoel, zoodat Hongarije (waar hij de Duitsche
taal als officieele taal invoerde) met afval dreigde en België
inderdaad afviel. Daarom herriep hij vóór zijn dood al zijn her-
vormingen , met uitzondering van de opheffing der lijfeigenschap
en van het tolerantie-edict.
-ocr page 119-
111
Van zijn geliefkoosd plan, Beieren te winnen en daardoor zijn
staten in \'t W. af te ronden, deed Jozef geen afstand.
Daarom stelde hij aan den keurvorst Karel Theodoor voor,
Beieren aan Oostenrijk af te staan en daarvoor de Oosten rij ksche
Nederlanden onder den titel van „koninkrijk Bourgondië" in ruil
te nemen (z. bl. 109). De keurvorst nam hiermede genoegen,
maar de hertog van Palts-Tweebruggen keurde het plan af en
wendde zich tot Frederik II, die tegenover de uitbreidingsplannen
van Jozef II een verbond der drie protestantsche keurvorstendom-
men onder den naam van het Duitsche vorstenverbond
plaatste (1785). De tijding van Jozefs ruilplannen verwekten in
de Nederlanden zelven groote ontevredenheid, en Jozefs her-
vormingen ontmoetten hier openlijken en ernstigen tegenstand.
Opheffing van het barrière-tractaat (1783). Opening der Schelde
(1784 — 1785). Toen men zich tegen enkele maatregelen begon
te verzetten, voornamelijk tegen de veranderingen in het bestuur
der kerk, vond de keizer (1789) daarin aanleiding om Brabant
zijn staatsregeling en al zijn privilegiën te ontnemen. Dit had
een door den advocaat van der Noot geleiden algemeenen afval
van alle provinciën behalve Luxemburg ten gevolge, in denzelfden
tijd toen Oostenrijk met Rusland in een oorlog tegen de Turken
gewikkeld was. Jozefs broeder en opvolger Leopold II (1790—
1792), tot dusver groothertog van Toskane, eindigde den oorlog
tegen de Turken met het teruggeven van al de gemaakte ver-
overingen , en den opstand van »het vereenigde België" door
geweld van wapenen, maar tevens door de herstelling der staats-
regeling en der privilegiën.
4) Bestuur en dood van Frederik II.
Even groot als vroeger in den oorlog was Frederik in den
vrede, dien zijn beleid in staatszaken drie en twintig jaren wist
te bewaren. Het beste middel om zich in den spoedig verkregen
rang onder de Europeesche staten tegenover den naijver der groote
mogendheden te handhaven en aan zijn rijk een duurzamen vrede
te verzekeren, vond hij in een aanzienlijke uitbreiding zijner
krijgsmacht en een daartoe strekkende verhooging zijner inkomsten.
Daarom zorgde hij voornamelijk voor het vormen van een degelijk,
geoefend, goed gedisciplineerd leger (van 200000 man), dat steeds
gereed stond ten strijde te trekken, en vulde de schatkist door
-ocr page 120-
112
de vermeerdering en strenge invordering der indirecte belastingen,
door talrijke koninklijke monopoliën, en door de staatsloterij.
Daarbij trachtte hij door bespoediging der rechtspleging en het
invoeren van een nieuw wetboek aan zijn onderdanen een beteren
rechtstoestand te verzekeren, en bevorderde hij den welstand zijner
uitgeputte en verwoeste landen door uitbreiding en verbetering
van den landbouw, door de bevordering van alle takken van
nijverheid. Bij zijn dood (1786) liet hij aan zijn neef Frederik
Willem II (1786—1797) een rijk na, dat hij met Silezië, Oost-
friesland en West-Pruisen vermeerderd en tot den rang der groote
Europeesche mogendheden verheven had.
§ 26.
Frankrijk.
LODEWMK XIII
, t
1643.
LODEWIJK XIV,
t 1715.
philips, hert. v. Orleans,
t 1701.
lodewmk dauphin,
t 1711.
philips v. Orleans,
de regent, f 1723.
lodewijk, v. Bourgondië, PHILIPS V.
t 1712. v. Spanje.
LODEWMK PHILIPS V.
Orleans, f 1752.
LODEWIJK XV, f 1774.
LODEWMK JOZEF PHILIPS,
Egalité, f 179S.
lodewmk dauphin, f 1765.
LODEWMK XVI, LODEWMK XVIII,
f 1793. f 1824.
KAREI. X, Koning LODEWMK
f 1836. Philips, t 1850.
LODEWMK XVII, LODEWMK van KABEL FERDINAND
f 1795.              Angoulême.        v. Berry, f 1820.
Op Lodewijk XIV, die aan zijn door lange oorlogen uitgeput
land een schuld van ongeveer 3000 millioen livres naliet, niet-
tegenstaande al de inkomsten van het land reeds op twee jaar
vooruit waren verpand, volgde zijn achterkleinzoon
Lodewijk XV (1715—1774). Deze stond in den beginne
onder de voogdij van den schranderen maar zedeloozen hertog
(Philips) van Orleans. Orleans trachtte gedurende zijn bestuur
door allerlei middelen het dreigende staatsbankroet te voorkomen
-ocr page 121-
113
(Dubois; Law, Mississippi-Compagnie, 1720). Later liet Lodewijk,
die met de dochter van den van zijn troon beroofden Stanislaus
Leszinsky in het huwelijk was getreden, aan zijn onderwijzer,
den kardinaal Fleury, de leiding der zaken over. Deze poogde
door zuinigheid Frankrijks welvaart te herstellen en met den Engel-
schen minister Walpole streefde hij er naar den vrede in Europa te
bewaren, maar na zijn dood (1743) kreeg de oorlogzuchtige partij
de overhand. Had men vroeger slechts partij voor Karel VII
getrokken, nu werd aan Engeland de oorlog verklaard, de Preten-
dent ondersteund, en in 1745 rukte Maurits van Saksen (natuur-
lijke zoon van August II) de Oostenrijksche Nederlanden binnen.
Na Fleury\'s dood werd de koning door den omgang met zedelooze
vrouwen (zooals de markiezin de Pompndour [1745 — 1764],
gravin Dubarry enz.), die hem geheel beheerschten, hoe langer hoe
onbeduidender (»après nous Ie déïuge"). Van zijn aandeel aan
den Poolschen en Oostenrijkschen successie-oorlog is reeds hierboven
melding gemaakt. Pompadour bewerkte een verbond met Oostenrijk
(Kaunitz) en wikkelde daardoor Frankrijk in den zevenjarigen
oorlog met Pruisen, gelijktijdig met den ongelukkigen zeven-
jarigen oorlog ter zee met Engeland (m. z. blz. 115), die de
vernieling der Fransche marine, het verlies der belangrijkste bui-
tenlandsche bezittingen, en van Frankrijks hegemonie in Europa
ten gevolge had. Nog verderfelijker dan deze oorlogen werkten
het verval der zeden en van den godsdienst, waartoe de zooge-
naamde school der philosofen (Voltaire, Jean .lacques Rousseau,
d\'Alembert, Diderot) medewerkte, welke al het bestaande in
kerk en staat met de wapenen van spotternij en sophismen be-
streed. Van hun voornaamste vijanden, de Jezuïeten, wisten zij
zioh te ontslaan, door bij het Parijsche parlement en den koning
de verbanning van de orde der Jezuïeten door te drijven
(1764). Choiseul. Pascal. Jansenisten. — Lotharingen werd met
Frankrijk vereenigd (1766) na den dood van Stanislaus Leszinsky,
terwijl Corsica door Genua aan Frankrijk verkocht werd (1768). —
De zinnelooze verkwisting van het hof had de staatsschuld tot zulk
een hoogte opgevoerd, dat ondanks de drukkendste belastingen
een staatsbank roet op handen was, toen de ellendige koning stierf,
tot groote vreugde des volks, dat zijn kleinzoon en opvolger,
Pütz, N. Gesch.
                                                                      8
-ocr page 122-
114
Lodewijk XVI (1774—1792), met den bijnaam van Ie désiré
begroette. Maar de goedheid en eerlijkheid van dien vorst konden
zijn gebrek aan scherpzinnigheid niet vergoeden; herhaalde veran-
deringen in het ministerie van financiën (Turgot, Necker, Calonne,
ürienne), het onvoorzichtig gedrag en de verkwistingen van de
koningin Marie Antoinette en de deelneming aan den Amerikaan-
schen vrijheidsoorlog tegen Engeland (m. z. blz. 118) vermeer-
derden de staatsschuld en brachten een onherstelbaar tekort te
weeg, dat met de revolutionaire beginselen, die door de philosofen
verkondigd en door den Noord-Amerikaanschen oorlog nog meer
aangekweekt werden, aanleiding gaf tot het uitbreken van de
groote staatsomwenteling. Ten laatste zag de koning zich ge-
noodzaakt, den raad van Necker te volgen en de Staten-generaal
bijeen te roepen.
§ 27.
Groot-Britannië.
Op Willem III volgde zijn schoonzuster Anna (1702—1714).
Over de deelneming aan den Spaanschen successieoorlog en het-
geen Engeland bij den vrede te Utrecht verwierf z. m. § 19.
De vereeniging van Schotland en Engeland (1706) bevestigde de
inwendige rust (één parlement, maar het verschil in de kerke-
lijke inrichting blijft bestaan). De leiding der zaken werd door
Anna aan het Whigministerie overgelaten, maar de Tories (Oxford,
Bolingbroke) deden dit ministerie vallen (1710; Marlborough ver-
wijderd) en Engeland in den Spaanschen successie-oorlog van hou-
ding veranderen. Anna stierf kinderloos (van haar 13 kinderen
was er niet één in leven gebleven), en dewijl ondanks de pogingen
van Anna en de Tories, om haar stiefbroeder, den pretendent
Jacobus III, tot haar opvolger te doen kiezen, de katholieke
leden van het huis Stuart van de opvolging uitgesloten werden
(act of settlement), werd in 1714
HET HUIS HANNOVER
op den troon verheven. De eerste vorst uit dat huis was George I
(1714—1727), keurvorst van Hannovcr en achterkleinzoon (van
-ocr page 123-
115
moederskant) van Jacobus I. George koos spoedig een Whig-
ministerie (Walpole), daar hij de Tories wantrouwde, die liever
den Pretendent op den troon hadden gezien. Ook Schotland trok
partij voor den Pretendent .lacobus III (1715), doch alle pogingen,
die deze aanwendde, mislukten. Onder des konings zoon
George II (1727—1760) leed de laatste poging, door Frankrijk
aangewend, om de Stuarts op den Engelschen troon te herstellen,
schipbreuk door de volslagen en beslissende nederlaag van den
pretendent Karel Eduard (zoon van Jacobus III) bij Culloden
in Schotland (1746 — laatste slag op Britschen bodem). Terwijl
Engeland (William Pitt 1756—1761), als bondgenoot van Fre-
derik II in den zevenjarigen oorlog in Duitschland tegen de met
Oostenrijk verbonden Franschen streed, voerde het terzelfder tijd
een zevenjarigen oorlog tegen Frankrijk (1756—1763) en
tegen Spanje (wegens het Bourbonsch familieverdrag van 1761
met Frankrijk). De oorlog was een gevolg van oneenigheden,
die onstaan waren over de bepaling der grenzen van Nieuw-
Schotland , waarvan Frankrijk bij den vrede te Utrecht ten gunste
van Engeland afstand had gedaan. Engeland maakte behalve op
Nieuw-Schotland ook aanspraak op Nieuw-Brunswijk. Ook was
Engeland misnoegd over het bezetten door Frankrijk van enkele
kleine West-Indische eilanden, welke bij den vrede van Utrecht
voor onzijdig verklaard waren. De verovering van Canada werd
door de schitterende overwinning van den dapperen generaal Wolfe
bij Quebec beslist (1759). De poging der Franschen om den
oorlog door een landing in Engeland te beslissen, werd door hun
nederlaag bij liet schiereiland Quiberon verijdeld. Engeland ver-
overde op Frankrijk Martinique, St. Domingo, Tabago enz., op
Spanje Havanna en Manilla.
George III (1760—1820) verlangde naar het einde van een
oorlog, die de nationale schuld (zij was sedert 1742 van 49 tot
144 millioen pond sterling geklommen) van Engeland aanmerkelijk
had doen aangroeien. Hij ontsloeg Pitt, die ook den oorlog tegen
Spanje, dat met Frankrijk verbonden was, wilde beginnen, en
dewijl ook Frankrijk behoefte aan den vrede gevoelde, was men
het spoedig eens over de voorwaarden, waarop die zou gesloten
worden. Rij den vrede te Parijs (1763) werd bepaald, dat
Frankrijk afstand zou doen van geheel Canada, van zijn bezittingen
-ocr page 124-
116
aan den Senegal en van verscheidene eilanden in West-Indië.
Spanje moest. Florida afstaan en verkreeg daarvoor van Frankrijk
Nieuw-Orleans en een gedeelte van Louisiana. Spanje kreeg Havanna
en Manilla terug. Engeland verwierf omtrent denzelfden tijd ook
groote en belangrijke bezittingen in Oost-Indië (m. z. bl. 119) en
had liet toppunt zijner macht bereikt. In 1801 werden Groot-
Brittannië en Ierland onder één parlement vereenigd.
V>E NOORD-AMERIKAANSCHE VRIJHEIDSOORLOG ,
1775—1783.
De meer dan eenig ander land der aarde tot woonplaats voor
een handeldrijvend volk geschikte Oostkust van Noord-Amerika
werd om de schijnbare ruwheid van den grond en het klimaat en
wegens de krijgszuchtige woestheid der Indianen gedurende langen
tijd door de Europeanen veronachtzaamd. Ook de eerste vesti-
gingen der Engelschen (Walter Raleigh) hadden geen voorspoed
en waren bijkans weder verdwenen, toen sedert het begin der
17de eeuw in Engeland uitgebarsten kerkelijke en staatkundige
twisten velen aanspoorden, buiten Europa een nieuw vaderland
te gaan zoeken. Nu geraakten de koloniën, dewijl de vrije be-
weging niet even als elders door monopoliën belemmerd werd, tot
een rasschen bloei en zij verkregen een groote uitgestrektheid.
Van 1607—1631 werden onderscheidene gesticht, in 1664 werd
de geheele kuststreek bezet en de aldaar gevestigde Nederlanders
(New-York) en Zweden noodzaakte men zich bij de Engelschen aan
te sluiten. In 1681 stichtte Penn de kolonie Pennsylvanië. Het
karakter der (omstreeks 1750) 3 millioen inwoners werd bepaald
daardoor, dat 1) velen ontevreden en misnoegd het vaderland hadden
verlaten, 2) de Puriteinen hun denkbeelden naar de nieuwe wereld
overbrachten, 3) verscheidene kerkelijke secten bestonden, 4) in
het Noorden de landbouw bloeide, terwijl het Zuiden het land der
(door negerslaven bewerkte) plantages was. Door de Engelschen
werden de Indianen deels teruggedrongen, deels met geweld uit-
geroeid , deels gingen zij, eens met de beschaafde wereld in
aanraking gekomen zijnde, van zelf te gronde.
De koloniën waren tot dusver aan geen beperking — want dat
zij alleen met het moederland mochten handel drijven, beschouwden
-ocr page 125-
117
zij niet als zoodanig — noch aan het betalen van belasting onder-
hevig geweest. De groote oiïers echter, welke de verdediging der
koloniën in de tijden van oorlog geeischt hadden , brachten in het
moederland velen op het denkbeeld door het opleggen van belasting
haar die opofferingen mede te doen dragen, en in 1764 nam het
Engelsche Parlement de door den minister Grenville voorge-
stelde wet tot invoering van gezegeld papier in de koloniën aan.
Maar dewijl de koloniën hardnekkig weigerden een belasting te
betalen, over welker oplegging zij niet waren geraadpleegd
(Benjamin Franklin), werd in 1766 die wet wel inge-
trokken, maar tevens het recht gehandhaafd om voor de koloniën
verbindende wetten te geven, en belasting gelegd op den invoer
van enkele artikelen van consumptie, vooral op thee (1767).
Door het welslagen van hun eerste verzet bemoedigd, besloten
de kolonisten den invoer dier goederen te vermijden, en in 1771
toonde het parlement zich voor de tweede maal toegevend, terwijl
het grootste gedeelte dier belastingen werd opgeheven. Des te
meer verbittering wekte het, dat de belasting op de thee niet
slechts in stand gehouden, maar ook aan de Engelsche Oost-In-
dische Compagnie de vrqe uitvoer van dat artikel naar de koloniën
werd toegestaan. Nu kwam men spoedig tot feitelijk verzet.
In 1773 werden in de haven van Boston de ladingen der met
thee bevrachte schepen over boord geworpen; de regeering gelastte
de sluiting van de haven, en toen op een congres der koloniën
te Philadelphia in 1774 besloten werd geen Engelsche goederen
meer in te voeren, volgden in het Engelsche parlement voorstellen
tot onderdrukking der rebellie. De Amerikaansche vrijheidsoorlog
begint met de gevechten bij Lexington en Bunkershill, welke,
zooals licht te begrijpen valt, door de nog ongeoefende Amerikanen
verloren werden. Doch George Washington, die aan het hoofd
van het leger trad en zich reeds in den zevenjarigen zeeoorlog
onderscheiden had, slaagde erin langzamerhand goede soldaten van
hen te maken. Reeds in den winter dwong hij de koninklijke
troepen Boston te verlaten. Toen Engeland, in plaats van een
schikking in der minne te zoeken, zich op nieuw tot den oorlog
uitrustte (Duitsche troepen), verklaarden zich in 1776 de
13 vereenigde staten van Noord-Amerika van En-
geland onafhankelijk.
-ocr page 126-
118
De omsingeling van generaal Bourgoyne bij Saratoga, 1777,
nog meer het door Benjamin Franklin in 1778 gesloten verbond
met Frankrijk, Spanje\'s oorlogsverklaring aan Engeland in 1779,
dit alles verhoogde den moed der Amerikanen, en zelfs de thans
door de Engelschen behaalde voordeden waren niet in staat dien
moed te verzwakken. De gevangenneming van generaal Cornwallis
met zijn leger in Yorktown (1781) vormde het beslissende
keerpunt van den oorlog.
De Engelschen hadden in Europa wel is waar door de in 1780
bij S t. V i n c e n t op de Spaansche vloot behaalde overwinning
zich in hun hegemonie ter zee gehandhaafd, maar het in hetzelfde
jaar tusschen Rusland, Zweden en Denemarken gesloten neutra-
liteitsverdrag, waarbij de genoemde mogendheden zich ver-
plichtten het vrije binnenvaren en uitzeilen hunner vaartuigen in
en uit de geblokkeerde havens door oorlogschepen te beschermen,
dreigde Engelands maatregelen tegen den handel zijner vijanden
in duigen te doen vallen of het land in een oorlog met alle zee-
varende natiën te wikkelen. Moedig aanvaardde het Engelsche
volk den strijd en verklaarde terstond den oorlog aan Nederland,
dat plan had tot het neutraliteitsverdrag toe te treden (ontwerp-
tractaat tusschen Amsterdam en de Vereenigde Staten). Minorca
ging wel in 1781 verloren, maar Rodney behaalde in 1782 bij
Guadeloupe een schitterende overwinning op de Franschen, en
Elliot sloeg zegepralende een aanval op Gibraltar af. Des-
niettemin was men bij het gedurig klimmend cijfer der nationale
schuld (257 mill.) genegen tot den vrede, vooral nadat het En-
gelsche leger onder Cornwallis in 1781 door Washington en
Lafayette omsingeld en gevangen genomen was. Bij dezen vrede,
die in 1783 te Versailles gesloten was, erkende Engeland de
onafhankelijkheid der Noord-Amerikaansche koloniën, stond aan
Spanje Floiïda en Minorca, aan Frankrijk Tabago af. Met Ne-
derland sloot Engeland vrede te Parijs in 1784, waarbij Engeland
vrije vaart kreeg in den Oost-Indischen Archipel en in het bezit
kwam van Negapatnam.
De koloniën gaven zich nu in 1787 een staatsregeling,
volgens welke zij een confederatie van elk voor zich volkomen
onafhankelijke staten vormden (United States). De wetge-
-ocr page 127-
119
vende macht berustte bij een congres, dat uit twee huizen
bestond. De voor vier jaar gekozen president (Washington, 1789—
1797, was de eerste) heeft een beperkt recht van veto.
De gevolgen van den Noord-Amerikaanschen onafhankelijkheids-
oorlog waren zeer gewichtig. Het voorbeeld was aan Amerika
gegeven, om zich nu ook verder van de afhankelijkheid van
Europa los te maken, en eerst nu werd Amerika eigenlijk een
zelfstandig werelddeel. Het voorbeeld der Vereenigde Staten was
al dadelijk van invloed op het ontstaan der Fransche omwente-
ling.
De oorlog in O o s t - 1 n d i ë (1767—1784). Het groote
Mongoolsche rijk was door den afval der Nabobs van den Grooten
Mogol in een aantal onafhankelijke stadhouderschappen ontbonden
(1739), en de Europeanen, eerst de Franschen en later de En-
gelschen, trachtten van de onderlinge twisten dier vorsten party
te trekken, om hun eigen macht uit te breiden. De Engelschen
verkregen door de overwinningen en veroveringen van Clive niet
slechts het overwicht op de Franschen, maar wisten ook den Grooten
Mogol te bewegen, dat hij hun Bengalen afslond. "Weldraechter —
het was juist in den tijd dat Frankrijk zich met Noord-Amerika tegen
Engeland had verbonden — dreigde Hyder AH, de sultan van
Mysore, geholpen door de Maratten, de heerschappij der Engelschen
in Oost-Indië te vernietigen, en de Oost-Indische Compagnie had
haar behoud alleen te danken aan het beleid en de dapperheid
van Warren Hastings (Tippo-Saib, de opvolger van Hyder AH,
was na herhaalde pogingen om zijn gezag te herkrijgen, bij de
overgave zijner residentie gedood), die tot eersten Gouverneur-
generaal van Indië benoemd, maar om zijn gedrag teruggeroepen
werd, 1772—1785.
In 1784 werd de Oost-Indische wet van den jongeren
Pitt aangenomen, die het oppertoezicht over alle staats- en oor-
lcgsaangelegenheden in handen der regeering stelde, terwijl de
compagnie den handel bleef behouden.
Nieuwe voordeelen ontstonden voor de Engelschen uit de reizen
van James Cook (1768—1780). Deze beroemde zeeman voer
driemalen de wereld rond. Op zijn eerste reis ontdekte hij de
oostkust van Australië.
-ocr page 128-
120
§ 28.
Portugal onder het huis Braganza sedert 1640, en Spanje
onder de Bourbons, sedert
1713.
Ondanks de schatten, die uit de goudmijnen van het herwonnen
Brazilië voor Portugal opgedoken werden, was het land door de
verkwisting, die aan liet hof (van Johan V) heerschte, tot een
toestand van volslagen machteloosheid, ja zelfs tot armoede ver-
vallen. Met onverschrokkenheid en schranderheid trachtte de Markies
de Po m bal (1750—1777), eerste minister van Jozef I Emanuel,
het verval van het koninkrijk te keeren; maar hij was noch recht-
vaardig, noch bezadigd genoeg, om die moeilijke taak met in
ieder opzicht gelukkig gevolg ten uitvoer te leggen.
Den geschokten handel en de nijverheid trachtte hij te gemoet
te komen door den in- of uitvoer van zekere producten te ver-
bieden; om den landbouw te bevorderen, liet hij een groote
menigte wijnbergen vernielen; hij wenschte Portugal te ontheffen
van den druk, die door Engeland daarop werd uitgeoefend; het
westelijk gedeelte van Lissabon, dat 1755 door een verschrik-
kelijke aardbeving (waarbij 30,000 menschen het leven verloren)
was vernield geworden, deed hij prachtiger en regelmatiger weder
opbouwen. De Jezuïeten, die hem in de uitvoering zijner plannen
belemmerden, vervolgde hij met hartstochtelijker! ijver. (Strijd
over Paraguay, waar de Jezuïeten een soort van staat gesticht
hadden). Er was een aanslag op het leven des konings gedaan,
en hij bediende zich daarvan, om zich èn van zijn vijanden onder
den adel te ontslaan, èn de Jezuïeten te verdrijven. Deze maat-
regel werd door andere landen nagevolgd (m. z. blz. 113), zoodat
eindelijk Clemens XII zich genoodzaakt zag de orde op te
lieffen (1773). De Jezuïeten werden beschuldigd den aanslag
te hebben begunstigd, veroordeeld en in 1759 uit al de Portu-
geesche staten verdreven. Na Jozefs dood, onder zijn dochter
Maria, ■}• 1816, werd Pombal ontslagen, en de meeste zijner
instellingen werden opgeheven. De pogingen der Jezuïeten echter,
om het vonnis, waarbij zij uit Portugal gebannen waren, te doen
herroepen, bleven vruchteloos.
In Spanje regeerde Philips V, een uitermate zwak regent, be-
-ocr page 129-
121
heerscht door zijn tweede gemalin Elizabeth van Parma, en vooral
door haar vertrouwden raadgever, den kardinaal Alberoni. Hun
plan, om de provinciën, die Spanje bij den vrede van Utrecht
verloren had, te heroveren en aanspraken op den troon van
Frankrijk te doen gelden, mislukte.
Ferdinand VI (1746—1759), uit het eerste huwelijk van Philips V,
werd opgevolgd door Kar el III (1759—1788) van Napels, die
zyn derden zoon, Ferdinand, tot zijn opvolger in Napels be-
noemde. Familieverdrag met Frankrijk 1761. Verdrijving der
Jezuïeten. De ministers Aranda, Olavides en Florida Blanca wisten
ondanks den tegenstand der geestelijkheid vele verbeteringen in
het bestuur des lands te brengen. Onder Karel IV (1788—1808)
was Spanje, ten gevolge der Fransche revolutie, aan hevige be-
roeringen prijs gegeven.
§ 29.
Denemarken.
Na het einde van den Noordschen oorlog genoot Denemarken
(benevens Noorwegen en IJsland) de zegeningen van een tachtig-
jarigen vrede, en verhief zich onder het voortreffelijke bestuur
van den minister graaf van Bernstorf tot een hoogen trap van
bloei en welvaart. Onder de regeering echter van den naar geest
en lichaam ziekelijken Christiaan VII (1766—1808) werd
Bernstorf uit zijn betrekking ontslagen. Struensee, de lijfarts des
konings en de gunsteling der koningin (Karoline Mathilde, een
zuster van George III), werd zijn opvolger. Zonder met behoor-
lijke kennis der Deensche wetgeving, staatsregeling, ja zelfs der
Deensche taal te zijn toegerust, regeerde hij nagenoeg alleen het
land. Maar zijn instellingen en hervormingen verwekten alge-
meene ontevredenheid; aan het hof vormde zich een partij tegen
hem en na een nauwlijks tweejarig bestuur werd hij ter dood
veroordeeld en onthoofd, en het huwelijk tusschen Christiaan en
Karoline Mathilde ontbonden (1772). Gewapende neutraliteit der
Noordsche mogendheden (178U).
De twisten tusschen Denemarken en de hertogelijk Gottorpsche
linie werden geëindigd, doordat Denemarken tegen Holstein
-ocr page 130-
122
Oldenburg afstond, dat tot een hertogdom verheven en aan de
jongere Gottorpsclie linie (de oudere had den Russischen troon
beklommen) werd toegekend.
§30.
Zweden sedert het einde van den Noordschen oorlog.
Zweden had door den Noordschen oorlog zijn beste provinciën
verloren, en werd door gedurige twisten der aristocraten (Hoeden
en Mutsen, de laatsten begeerden de verootmoediging des konings
en waren door Rusland omgekocht, de eersten verlangden een
krachtig koninklijk gezag en steunden op Frankrijk) hoe langer zoo
meer verzwakt. De overwinning der Hoeden, 1741, leidde tot
een oorlog van Ulrika Eleonora, de zuster van Karel XII, met
Rusland, en de vrede (te Abo) werd door Elizabeth van Rusland
gesloten onder voorwaarde, dat haar bloedverwant uit het huis
Holstein-Gottorp tot erfgenaam der Zweedsche kroon zou benoemd
worden.
De heerschappij van den adel duurde ook nog voort, toen het
huis Holstein-Gottorp, welks aanspraken op de regeering men
vroeger niet had willen laten gelden, op den troon verheven was
(1751—1818), nadat Ulrika\'s echtgenoot, Frederik I van Hessen,
van 1720—1751 geregeerd had.
De macht van den koning, Adolf Frederik, 1751—1771 werd
al meer en meer beperkt, en de deelneming aan den zevenjarigen
oorlog, waarin de Zweden zoo weinig roem geoogst hadden,
bracht aan de buitendien reeds geschokte financiën van het rijk
een nieuwen gevoeligen slag toe. Eindelijk vernietigde de moedige
en eerzuchtige koning GustaaflII, (1771—1792), door een leger
geholpen, den invloed van den adel; die revolutie had een veran-
dering in de staatsregeling tot onmiddelijk gevolg (1772). Het
uitvoerend bewind was bij den koning, die de wetgevende macht
in de handen der standen stelde. Uit eigen beweging had hij dus
van een gedeelte der vroegere rechten van de kroon afstand gedaan.
Hij behartigde de belangen van het volk, en won door vrijzinnige
instellingen (hervorming der rechterlijke organisatie) evenzeer als
door zijn vriendelijkheid en minzaamheid de liefde en het vertrouwen
-ocr page 131-
123
van zijn onderdanen. Handel en nijverheid namen een nieuwe
vlucht, kunsten en wetenschappen werden beschermd en met ijver
beoefend (hij stichlte een academie van wetenschappen); alom ver-
toonden zich de duidelijke sporen van welvaart en voorspoed.
Alleen de adel, welks privilegiën hij vernietigd had, droeg hem
geen goed hart toe. Een oorlog tegen Rusland (en Denemarken),
die met vreeselijke inspanning van krachten te land en ter zee
gevoerd werd en de nationale schuld op zorgwekkende wijze ver-
grootte , zonder dat daardoor eenig voordeel behaald werd,
vervreemdde van den koning ook de harten van hen, op wier
getrouwheid hij gemeend had onvoorwaardelijk te kunnen rekenen.
De adel smeedde een samenzwering tegen hem; op een gemaskerd
bal werd hij door een der saamgezworenen, Ankerström, verra-
derlijk vermoord (1792).
§ 31.
Rusland.
Peter de Groote, die na het einde van den Noordschen
oorlog den titel van keizer aller Russen had aangenomen,
stierfin 1725 aan de gevolgen zijner uitspattingen en zijner onma-
tigheid. Volgens een door hem gegeven wet had ieder Russisch
keizer het recht zelf zijn opvolger te benoemen, een bepaling, die
telkens na den dood van den regent bloedige revolutiën in den
schoot der keizerlijke familie verwekte. Na den dood van Peter
regeerde zijn weduwe Katharina (1725—1727), die geheel door
Peters gunsteling Menschikow geleid werd. Deze wilde zijn dochter
Maria aan Peter II, kleinzoon van Peter I, uithuwelijken, doch
werd wegens zijn heerschzucht door den keizer gehaat en naar
Siberië gezonden. Peter regeerde 1727—1730. Toen volgde Anna
(1730—1740), de jongere dochter van Iwan, den broeder van
Peter I. De grooten lieten haar een soort van constitutie onder-
teekenen , maar door Ostermann, Münnich en Biron wist zij te
bewerken dat meer dan 6000 edelen haar uit naam van de geeste-
lijkheid , den adel en het volk verzochten deze constitutie weder
in te trekken. Zij deed dit en liet zich vervolgens door Biron
leiden, dien zij ook het hertogdom Koerland bezorgde, maakte
Ostermann tot kanselier en voorzitter van den geheimen raad en
-ocr page 132-
124
Mürmich tot veldmaarschalk, verijdelde in den Poolschen successie-
oorlog de pogingen van Frankrijk, om Stanislaus Leszinsky op den
troon te herstellen (m. z. blz. 100), en van dien tijd af dagteekent
de invloed van Rusland op de Poolsche aangelegenheden. Ver-
volgens voerde zij met Oostenrijk een oorlog tegen de Turken.
Rusland verwierf in dien oorlog Azow en de erkenning van het
Russische keizerlijk als zoodanig van den kant der Porie. (Toe-
nemende bloei van den handel, Ladoga-kanaal; handelsverdrag met
China). Onder Elizabeth (1741 — 1762), de jongste dochter
van Peter I, vertoonde zich voor het eerst de geweldige invloed,
dien Rusland geroepen was in het vervolg op de aangelegenheden
van Europa uit te oefenen. Als bondgenoote van Maria Theresia
zond zij een leger naar den Rijn, en bespoedigde daardoor den
vrede van Aken (m. z. blz. 104). De persoonlijke haat, dien zij
Frederik den Groote toedroeg, bewoog haar in den zevenjarigen
oorlog zich nog nauwer bij Oostenrijk aan te sluiten. Tot haar
opvolger benoemde zij den zoon harer zuster, Peter, hertog van
Holstein-Gottorp.
HET HUIS HOLSTEIN-GOTTORP, SEDERT 1762.
Peter III (1762) bewonderde en beminde Frederik II evenzeer,
als Elizabeth hem haatte. Nauwlijks was hij aan de regeering
gekomen, of hij sloot vrede en later zelfs een verbond met Pruisen,
waardoor hij aan den zevenjarigen oorlog een geheel anderen keer
gaf. Daar hij echter dadelijk na het aanvaarden zijner regeering
met groote plannen tot hervorming optrad (afschaffing der pijnbank,
legerorganisatie op Pruisischen voet), die hij met onvoorzichtige
drift trachtte door te drijven, en terwijl hij om zijn grove harts-
tochten gehaat en veracht was, verloor hij reeds na 6 maanden
troon en leven ten gevolge eener samenzwering, aan welker hoofd
zijn eigen gemalin Katharina van Anhalt-Zerbst (Panin, de graven
Orlow) stond. Zij bemachtigde den troon, en onder
Katharina II (1762—1796) begon Rusland reeds een zekere
suprematie over de staten van het Noorden te verkrijgen. De
keizerin, die zich tegenover de rechtmatige aanspraken van twee
pretendenten, Iwan (deze werd vermoord) en haar zoon Paul, op
den troon wist te handhaven, volgde het voetspoor van Peter den
-ocr page 133-
125
Groote, en vestigde het oog vooral ook daarop, dat de uiterlijke
pracht harer regeering en de schitterende hofhouding aan den
omvang van haar rijk, dat het grootste der aarde was, beant-
woordden. In de eerste plaats wist zij zich in de aangelegenheden
van Polen een overwegenden invloed te verschaffen. Zij behan-
delde dat land, waarin verschillende partijen elkaar den voorrang
betwistten, volkomen als Russische provincie, en rustte niet, voordat
haar gunsteling Stanislaus Poniatowski tot koning verkozen
was (1764—1795). Verbeteringen in de staatsregeling trachtte
zij op alle wijzen te belemmeren, en onder voorwendsel van de
rechten der dissidenten (niet-katholieken) te willen beschermen, ver-
wekte zij een vreeselijken burgeroorlog (de rechten der dissidenten
op den rijksdag bekrachtigd. — Confederatie te Bar, 1768,
tot bescherming van Polens onafhankelijkheid). De Russen over-
wonnen de opstandelingen in verscheiden gevechten; de hulp van
Frankrijk, waarop men gehoopt had , bleef uit, maar het gelukte
aan de Polen de Turken tot den oorlog tegen Rusland aan te
zetten.
In dezen eersten Russisch-Turkschen oorlog (1768—
1774) hadden de Turken ten opzichte van het aantal hunner
troepen verreweg de meerderheid; maar de Russen wonnen het
van hen in bekwaamheid en krijgstucht, zij gaven de Krim aan
een van hen afhankelijken Khan, en brachten de Grieken tot
een opstand, waarvoor deze zwaar moesten boeten. De Turksche
vloot werd bij het eiland Scio door een Russische, die naar den
Archipel gezonden was, geheel en al verslagen en verbrand (1770).
Na zulke verliezen wendde de Porte zich tot Oostenrijk en Pruisen,
om door tusschenkomst van die mogendheden een vrede met Rus-
land te sluiten, dat de onafhankelijkheid van de Krim en de
Donau-vorstendommen van Turkije eischte. Er kwam ook wezenlijk
een wapenstilstand tot stand, waarbij Rusland zich met de onaf-
hankelijkheid van de Krim tevreden stelde, maar nauwlijks waren
die beide mogendheden door de eerste verdeeling van Polen
(1772, waartoe het plan door Frederik II gemaakt was; m. z.
blz. 109) tevreden gesteld, toen de oorlog weer op nieuw uit-
barstte. De Russen waren in het eerst ongelukkig, maar het
gehikte hun bij Schumla den Groot-Vizier met zijn troepen te
omsingelen, en dit verschafte hun de gelegenheid in 1774 een
-ocr page 134-
126
voordeeligen vrede, te Kutschuk Kainardge, te sluiten, waarbij zij
vrije scheepvaart op alle Turksche wateren en eenige Turksche
vestingen verkregen; de Tartaren in de Krirn werden vrij ver-
klaard en onderwierpen zich later aan Rusland. Moldavië en
Wallachije kwamen onder bescherming van Rusland. De opstand
der over de vele wervingen van troepen ontevreden Donsche
kozakken onder Pugatschew (pseudo-Peter III) had het sluiten
van den vrede bespoedigd.
Van de talrijke gunstelingen, door welke de keizerin zich be-
heerschen liet, was de machtigste de gemeene en onbeschaamde
Po tem kin. Van sergeant-majoor bij de garde had hij het tot
minister van oorlog en Duitsch rijksvorst (Jozef II had hem daar-
toe benoemd) gebracht, en hij behandelde niet slechts de grooten
van het rijk, maar zelfs zijn keizerin met de brutaalste onbe-
schaamdheid, en vierde met buitensporige verkwisting der gelden
van den staat en meedoogenlooze opoffering van het leven der
onderdanen aan al zijn luimen bot. Hij ontwierp het stoute en
door Katharina II met geestdrift opgevatte plan, om de Turken
uit Europa te verdrijven en een nieuw Grieksch of
Oostersch keizerrijk te stichten, en begon de tenuitvoer-
legging daarvan met de Krim, die sedert den laatste vrede onaf-
hankelijk was, bij Rusland in te lijven. De thans weder Taurië
genoemde provincie werd onder zijn bestuur gesteld; zijn wille-
keur en wreedheid veranderden het bloeiende en rijke gewest
weldra in een woestijn. Door het grofste bedrog trachtte hij, bij
een reis der keizerin door liet Z. van Rusland, haar te over-
tuigen , dat alom geluk en voorspoed heerschten, en verkreeg van
haar den bijnaam van den Tauriër.
Katharina II had op haar reis door de Krim te Cherson een
bijeenkomst met Jozef II. De Porte, vermoedende, dat op die
bijeenkomst een plan tot verdeeling van het Turksche rijk tusschen
de beide monarchen was beraamd geworden, verklaarde aan de
Russen den oorlog, waarin zij hoopte door andere, op de uit-
breiding van Ruslands macht naijverige mogendheden (Engeland,
Pruisen, Zweden) te zullen worden geholpen. In den aldus ont-
stanen tweeden Russisch-Turkschen oorlog (1787—
1792) bevochten de met de Oosten rij ksch e verbonden Russische
legers in Wallachije twee groote overwinningen op de Turken en
-ocr page 135-
127
veroverden verscheidene hunner vestingen. Maar na den dood van
Jozef II sloot Oostenrijk, daar ook Pruisen ziel» met de Porte
verbond, vrede, en te gelijker tijd viel Gnstaaf III van Zweden
in Russisch Finland. De oorlog met Zweden werd wel is waar
S|K>edig ten einde gebracht, maar na den dood van Potemkin sloot
Katharina, wier middelen door die gedurige oorlogen uitgeput waren,
met de Porte (te .Tassy) een vrede, waarbij de Turken haar alleen
het land tusschen den Bug en den Dnjestr moesten afstaan. Met
den vrede van Karlowitz (1699) was het verval van het Turksche
rijk zichtbaar geworden. Van de vroegere krijgshaftigheid der
Osmanen was geen spoor meer overgebleven ; de Janitscharen
waren verwijfd en ontzenuwd. De oorlogen, vooral tegen Rusland,
waren dan ook meestal ongelukkig en het Turksche rijk had zijn
behoud grootendeels aan de ijverzucht der andere Europeesche
mogendheden op Ruslands macht te danken.
Met niet minder zorg en ijver dan op de regeling der buiten-
landsche aangelegenheden, legde Katharina zich toe op de ver-
betering van het inwendig bestuur van haar rijk, hoewel
menige nuttige hervorming slechts begonnen, en niet ten einde
gebracht werd. In haar jeugd ingenomen met de Fiansche phi-
losofie der verlichting (haar plan om een algemeen wetboek volgens
de grondstellingen van Montesquieu in geheel haar rijk in te
voeren), kreeg zij op later leeftijd, door de gebeurtenissen in
Frankrijk, een afschuw van de begrippen van vrijheid en volks-
geluk. Onder haar verkreeg het rijk een nieuwe en meer doel-
matige verdeeling in kleine gouvernementen; zij beperkte het
gezag der gouverneurs, terwijl zij hun de rechtspraak en de
inning der belastingen ontnam, verzachtte het lot der lijfeigenen,
vermeerderde het getal der steden, waarin zij ook vreemde,
vooral Duitsche volkplanters opnam en aan welke zij nieuwe vrij-
heden schonk. Zij begunstigde de nijverheid, liet mijnen ontginnen,
opende door den eersten vrede met de Turken het geheele Zuiden
van Europa voor den Russischen handel, bevorderde het hooger
en lager onderwijs, stichtte een academie van wetenschappen,
verbeterde Ruslands land- en zeemacht, en verleende aan alle
godsdienstige partijen gelijke bescherming.
-ocr page 136-
NIEUWSTE GESCHIEDENIS.
EERSTE TIJDVAK.
HET TIJDVAK DER REVOLUTIE (1789—1815).
1. TOT OP DE STICHTING DER EERSTE FRANSCIIE
REPUBLIEK (1792).
§ 1. «•
Aardrijkskundig overzicht van Europa omstreeks
het jaar
1789.
1.     Op het Pyreneesche Schiereiland vertoont zich sedert
het vorige tijdvak geen verandering. Spanje had in 1713 zijn
overige bezittingen in Europa verloren; Engeland had Gibraltar
verkregen.
2.     Frankrijk had Lotharingen en Corsika gewonnen, daaren-
tegen belangrijke bezittingen buiten Europa verloren.
3.     Groot-Hritanniê (en Ierland) had Gibraltar verkre-
gen, Minorca en een zeventigjarig (1713—1783), Florida na een
twintigjarig (1763—1783) bezit weder verloren. In Noord-Ainerika
hadden 13 provinciën zich van Engeland onafhankelijk gemaakt,
daarentegen hadden de Engelschen Canada verkregen en in Oost-
Indië (Bengalen en eenige kuststreken van het schiereiland Dekan)
veroveringen gemaakt.
4.     Van de Duitsehe mogendheden bezat Oostenrij k
thans geheel Hongarije, Zevenburgen en Slavonië, van de Spaansche
erfenis had het nog Milaan, Mantua en de Zuidelijke Nederlanden
aan zich gehouden. Silezié had het moeten afstaan, daarentegen
verkreeg het bij de eerste verdeeling van Polen, Gallicië en Lodornirië
en van Beieren het »Inn-Viertel". De Pruisische macht was
aanmerkelijk uitgebreid door (Opper-)Gelder en een gedeelte van
Voor-Pommeron, door de verovering van Silezië, door Oost-Friesland
-ocr page 137-
129
en door de herwinning van West-Pruisen. Bij het uitsterven van
den Beierschen tak van het huis Wittelsbach waren de Palts-
Beiersche landen in hun geheelen omvang aan het Paltsische
huis gekomen.
5. Denemarken (benevens Noorwegen en IJsland)
behield Sleeswijk, dat het in den Noordschen oorlog bezet had.
6.     Zweden had zijn overwicht in het Noorden, en behalve
belangrijke bezittingen aan de kust, die de Russen wegnamen,
zijn meeste Duitsche landen verloren.
7.    Ruslands macht was in ruime mate uitgebreid door ver-
overingen op Zweden, Turkije en Polen.
8.    Polen had bij de eerste verdeeling aanmerkelijke verliezen
geleden.
9.     Het Osmanische rijk had Morea herwonnen, zijn be-
zittingen in Hongarije en Zevenburgen daarentegen aan Oostenrijk
verloren.
10.     Italië bleef nagenoeg op dezelfde wijze in verschillende
rijken verdeeld, als in het vorige tijdvak. Alleen waren in de
vroegere Spaansche landen en in Mantua (m. z. hij 4) en Toskane
(dit kreeg. na het uitsterven van het huis Medici, eerst Oostenrijk,
later Leopold, 2de zoon van keizer Frans) andere dynastieën aan
de regeering gekomen.
§ 1, 6-
Oorzaken en aanleiding tot de Fransche omwenteling.
I. Voornaamste oorzaken. 1) De tot een ontzettend
cijfer aangegroeide nationale schuld, die, ontstaan door de
schitterende, maar uiterst kostbare regeering van Lodewijk XIV,
onder Lodewijk XV door ongelukkige oorlogen en weergalooze
verkwisting een verbazende hoogte bereikt had en onder Lo-
dewijk XVI door de schitterende hofhouding der koningin Marie
Antoinette, en de deelneming aan den Noord-A merikaanschen vrij-
heidsoorlog nog aanmerkelijk was vermeerderd geworden. Het hof
verteerde een vijfde deel van het inkomen van den staat (in
\'s konings stallen stonden 4000 paarden) en de deelneming aan
den Amerikaanschen vrijheidsoorlog had de inkomsten van drie
jaren verslonden.
Pütz, N. Gesch.                                                                      9
-ocr page 138-
130
2)    De ongel ij kmatige verdeeling der belastingen,
die bijna uitsluitend op de burgers en boeren drukten, waartegen
de adel en de geestelijkheid, hoewel in het bezit der hoogste en
voordeeligste staatsbedieningen , betrekkelijk zeer weinig op te bren-
gen hadden. Deze bevoorrechting van den adel was in vroegere
eeuwen , toen hij met uitzondering van andere standen opgeroepen
werd voor den krijgsdienst, gemotiveerd, doch sedert de derde stand
ook krijgsdienst moest verrichten was zij een onbillijkheid gewor-
den. Op den grond der plattelandsbevolking (\'ƒ4 van Frankrijks
oppervlakte) drukten de zwaarste lasten. Ook moest die bevolking
hooge accijnsen op zout en wijn betalen. Bovendien hadden de
boeren van de opbrengst hunner landerijen nog tienden aan de
geestelijkheid te betalen en werden zij gekweld door de heerlijke
rechten (jachtrecht), welke de adel op die landerijen deed gelden.
3)   De bemoeiingen der rationalistische schrijvers, om alle gezag
in staat en kerk te ondermijnen en omver te werpen. Op de
verandering van denkwijze van een groot deel der Fransche natie
hebben inzonderheid Voltaire en Rousseau grooten invloed uitge-
oefend. Terwijl de eerste zijn aanvallen vooral tegen de Christelijke
kerk richtte, bestreed de laatste in zijn »contrat social" vooral
de leer van het absolute koningschap. Ook Montesquieu en de
encyclopaedisten hielpen door hun geschriften het bestaande af-
breken.
4)    De geduchte indruk, dien de overwinning der politieke
vrijheid in Noord-Amerika op het beschaafde gedeelte der
Fransche bevolking maakte, en de verspreiding van democratische
denkbeelden door invloedrijke mannen (La Fayette), die uit
Amerika terugkeerden.
5)    De diepe verachting, waarmede men het absolute
koningschap, tengevolge van de zedeloosheid en verkwisting
en de weinig roemvolle staatkunde van Lodewijk XV, beschouwde
en ook nog onder Lodewijk XVI bleef beschouwen, daar het hem,
bij de beste bedoelingen, om het verval van het rijk tegen te
gaan, daartoe aan energie en beleid ontbrak.
6)    De slechte toestand der rechtspleging en ten gevolge
daarvan grenzenlooze willekeur der rechterlijke ambtenaren.
Daarbij kwam nog dat in Frankrijk blind bijgeloof nevens fanatiek
ongeloof\' heerschto, en dat het alle zedelijkheid verzakende en ver-
-ocr page 139-
131
aehtende despotisme in schreeuwende tegenspraak verkeerde met
de denkbeelden door de philosofen der verlichting verkondigd, dat
dus een bedorven aristocratie en geestelijkheid en een hard verdrukt
en misleid volk in trotsche aanmatiging en verbitterden haat tegen-
over elkander stonden.
II. De aanleiding tot het uitbarsten der omwenteling was
de moeilijkheid om een staatsbank roet te voor-
komen. Kort na zijn troonsbeklimming had Lodewijk XVI den
bekwamen staathuishoudkundige, Turgot, en Malesherbes tot minis-
ters benoemd. Zij stonden een zuinig beheer voor en gaven
van hun hervormingsgezindheid blijk door aan te dringen op
afschaffing der verouderde privilegiën, welke op
belastinggebied bestonden. Hun plannen om langs dien weg het
evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven te herstellen, vonden
echter zoo grooten tegenstand bij adel en geestelijkheid, dat zij
reeds in 1776 genoodzaakt werden hun ambt vaarwel te zeggen.
Als minister trad nu op Necker, bankier te Genève. Maakte
de omstandigheid, dat hij vreemdeling, protestant en niet-adellijke
was, het hem al moeilijk om veel tot stand te brengen, zijn positie
werd geheel onhoudbaar, toen hij in een »compte ren du" den
toestand der geldmiddelen openbaar maakte. De ontevredenheid
der hoogere standen noopte ook Necker ontslag te vragen (1781).
Na hem kwam Calonne, die voor geen uitgaven terugdeinsde,
zoodat thans de schatkist geheel uitgeput raakte. Daar zijn
bestrijder, Lomenie de Brienne, die hem verving, evenmin verbe-
tering kon aanbrengen, werd in 1788 aan Necker voor de tweede
maal het bestuur der geldmiddelen toevertrouwd. Op zijn raad
werden de (sedert 1614 niet meer vergaderde) Etats-généraux
bijeengeroepen, om te beraadslagen, op welke wijze in het
jaarlijksch tekort zou kunnen worden voorzien.
De vergadering, welke 1200 leden telde (300 afgevaardigden van
den adel, 300 van de geestelijkheid en 600 van den derden stand)
werd 5 Mei 1789 te Versailles geopend. Maar reeds bij het onder-
zoek van de geloofsbrieven en de bespreking van de wijze van stem-
ming ontstonden er geschillen tusschen den adel en de geestelijkheid
aan den eenen, en de afgevaardigden van den derden stand aan
den anderen kant, dewijl deze er op aandrongen dat niet elke
stand als geheel, maar dat ieder afgevaardigde een stem zou uit-
-ocr page 140-
132
brengen. Na vele vruchtelooze onderhandelingen gaf de derde
stand zich (17 Juni) den naam van nationale vergadering
(assemblee nationale), en verklaarde niet te zullen
heengaan, voordat de nieuwe staatsregeling voor
het koninkrijk voltooid was; en dezen maatregel mag men
als het eigenlijke begin der revolutie beschouwen (Mirabeau,
Sieyès). Tevergeefs beval de koning aan deze vergadering, dat zij
zich zou ontbinden; haar voorzitter Bailly leidde zelfs de afge-
vaardigden, toen. zij liet lokaal, waar zij gewoon waren te verga-
deren, wegens een op handen zijnde koninklijke zitting gesloten
vonden, naar een andere vergaderplaats, de zaal van de kaatsbaan
(20 Juni) en liet hen zweren dat zij in een ontbinding niet zouden
toestemmen, alvorens zij aan Frankrijk een nieuwe staatsregeling
gegeven hadden. Ook de kiesvergadering van Parijs was bijeen-
gebleven, en deed haar invloed meer en meer gelden.
§2.
De Constitueerende nationale vergadering.
(17 Juni 1789—30 Sept. 1791.)
De koning, bevreesd geworden, beloofde hervormingen in
vrijzinnigen geest, maar bleef er op aandringen dat er naar standen
zou gestemd worden. Mirabeau\'s welsprekendheid in de konin-
klijke zitting (23 Juni), belett\'e de ophanden zijnde afscheiding
en de koning zag zich genoodzaakt de beide eerste standen tot
een vereeniging met den derden uit te noodigen. Maar de natio-
nale vergadering beschouwde niet de oplossing der financieele
kwestiën, maar veeleer het ontwerpen eener nieuwe staatsregeling
als haar taak en het voornaamste doel harer werkzaamheden. Het
hof, voor nieuwen tegenstand beducht, trachtte zich door troepen
te beveiligen, die tusschen Parijs en Versailles gestationeerd werden;
Necker moest aftreden. Maar deze beide handelingen deden een
opstand van het door redenaars, als Camille Desmoulins (nationale
kokarde), Marat e. a. opgeruide Parijsche gemeen geboren worden,
die de oprichting eener nationale garde (La Fayette bevelhebber)
en de bestorming en verwoesting der ba stil Ie tot
eerste gevolg had (14 Juli). De koning beloofde de troepen
-ocr page 141-
133
torug te doen trekken, en kwam naar Parijs en Necker werd in zijn
waardigheid hersteld. Terwijl velen van de hofpartij, o. a. \'s konings
broeder, de graaf van Artois (Karel X), het land verlieten en
zich te Turijn en Coblenz vestigden (emigranten), woedde het
gewapende volk tegen de bezittingen der adellijken en rijken.
Nadat de boeren reeds in verschillende streken van het land de
wapenen hadden opgenomen en tegen schuldigen en onschuldigen
hun woede keerden, begon de nationale vergadering haar werkzaam-
heden met het leenstelsel (4—5 Aug.) en alle privilegiën van
den adel, de geestelijkheid, de provinciën, steden en corporatiën,
zonder eenige schadeloosstelling, op te hellen. Nu eerst volgden
de handelingen over de constitutie zelve, en er werd besloten, dat
de nationale vergadering permanent zou zijn, dat zij slechts
uit é é n kamer zou bestaan, welker leden alle twee jaren op
nieuw moesten gekozen worden. De kamer zou uitsluitend de
wetgevende macht bezitten en niet onder, maar naast den koning
staan. Aan den koning werd slechts een (suspensief) veto voor
4 jaren toegestaan, en hij werd gedwongen aan deze besluiten zijn
goedkeuring te verleenen. Tot de verdere besluiten der vergadering
gaf de koning slechts gedeeltelijk en voorwaardelijk zijn toestem-
ming , en dewijl tevens geruchten verspreid waren , dat het hof
zich bezig hield met plannen tot onderdrukking der revolutie,
ontstond in Parijs een nieuwe gisting, die in een opstand los-
barstte, toen de angst van het volk voor een te wachten hongers-
nood ten top was gestegen (5 Oct.). Een bende van (8000)
vrouwen stoof op naar Versailles, het gemeen bestormde (6 Oct.)
het paleis, en de koninklijke familie moest met de opgeruide
menigte naar Parijs trekken, waarheen zij gevolgd werd door de
nationale vergadering, die een groot aantal (meer dan 200) harer
leden verloren had, daar vele afgevaardigden van den adel en de
geestelijkheid zich onttrokken. Sedert werd het lot van Frankrijk
niet meer door de nationale vergadering, maar door het grauw
en zijn leiders bepaald.
Thans hield de nationale vergadering zich onledig met de rege-
ling van de vertegenwoordiging des volks en van het
binnenlandseh bestuur. Door de beraadslaging over deze
beide onderwerpen werd men er toe gebracht om de verdeeling
van Frankrijk in provinciën, zoo als die tot dusverre had bestaan,
-ocr page 142-
134
op te heften. Met liet provinciaal bestuur vervielen van zelf ook
de voorrechten en vrijheden, die aan de bijzondere provinciën
vroeger of later waren verleend geworden. Parijs werd in 48
secties en het geheele land in 83 departementen, en
deze werden weder in districten en kantons verdeeld, opdat
de provinciale rechten vernietigd en de centralisatie voltooid zou
worden. De grenzen der verschillende departementen trachtte
men vooral door rivieren en bergen te bepalen. De municipale
besturen werden zelfstandig, en dat van Parijs matigde zich weldra
een bijna onbeperkte macht aan.
Tot de uitoefening der staatsburgerlijke rechten werd zoowel
een bepaalde leeftijd (25 jaar) als een bepaald vermogen ver-
eischt. De Joden waren in den beginne daarvan uitgesloten. In
de (uit telkens 600—900 burgers bestaande) kiesvergaderingen
werden kiezers, en door deze de (745) afgevaardigden voor de
wetgevende vergadering (voor 2 jaren) gekozen.
Om den verontrustenden toestand der financiën te verbeteren,
werden alle kerkelijke goederen (ter waarde van 2000
millioen francs) ter beschikking van de natie gesteld
(sécularisalion), waartegen deze de verplichting had in de be-
zoldiging der geestelijken te voorzien. Ten einde over de opbrengst
dier goederen zoo veel te spoediger te kunnen beschikken, voerde
men op raad van Mirabeau de zoogenaamde assignaten, een
soort van muntbiljetten, in, die, nadat voor 45,000 millioen
daarvan in omloop was gebracht, hun waarde geheel en al ver-
loren. Bij een nieuw besluit werden alle monnikkenorden,
met uitzondering alleen van die, welke zich met het onderwijs
der jeugd en de verpleging der zieken bezig hielden, opgeheven.
De geestelijkheid werd tot een burgerlijke inrichting gemaakt
(conslution civile du clergé; elk departement vormt een diocese,
de kiezers van elk district benoemen hun pastoor, de kiezers van
het departement den bisschop). De geestelijken moesten den eed
doen aan de natie; wie dit weigerden, mochten geen dienst doen.
Ook in de rechtspleging werd een hervorming gebracht. De
rechterlijke macht werd van de administratieve gescheiden, in
crimineele zaken werd door jurés uitspraak gedaan, en over het
geheele land werden vrederechters aangesteld. De gemeenten
hadden het recht haar bestuurders en ambtenaren zelven te kiezen.
-ocr page 143-
185
Weldra werd ook de adel met al zijn titels en uiterlijke teeke-
nen, als wapens, livreien enz. afgeschaft. De koning, wien men
bijna al zijn domeinen en het uitsluitend recht, om over vrede
en oorlog te beslissen, ontnomen had (hij zou het voorstel tot een
oorlog mogen doen, het besluiten daartoe was aan de wetgevende
vergadering; ten opzichte van het sluiten van vrede was het
tegenovergestelde bepaald), moest al deze nieuwigheden bekrach-
tigen en goedkeuren, en werd gedwongen op het plechtige jaarfeest
van de verwoesting der bastille op het veld van Mars den eed
op de nieuwe staatsregeling af te leggen.
Onder de leden der nationale vergadering vormden zich clubs,
waarin men zich tot de debatten voorbereidde, en overeenkwam
omtrent de wijze, waarop men over de verschillende ter tafel
te brengen ontwerpen en voorstellen zou stemmen. De belang-
rijkste dier clubs waren de (naar een klooster der Jacobiten te
Parijs, de vergaderplaats der leden, aldus genaamde) club der
Jacobijnen (oorspronkelijk slechts afgevaardigden uit Bretagne;
Robespierre), en de club der Cordeliers (Danton, Marat). Zij
correspondeerden met soortgelijke vereenigingen, die in de provinciën
ontstaan waren, en weldra werd over hetgeen in de nationale
vergadering ter tafel zou komen, in hun bijeenkomsten niet slechts
vooraf gedebatteerd, maar ook reeds bij voorbaat beslist.
De Republikeinen kwamen intusschen met hun bedoelingen hoe
langer zoo duidelijker voor den dag, vooral ook verbitterd door
de woelingen der emigranten, die den persoon des konings meer
en meer blootstelden. De gematigde partij behaalde menige over-
winning, maar slechts tijdelijk. Mi ra beau was op weg een
toenadering en verzoening met den koning te weeg te brengen,
maar hij stierf 2 April 1791. De koning, die reeds lang met
tegenzin zijn goedkeuring aan de besluiten der nationale vergadering
gehecht had, trachtte zich aan de ondragelijke positie, waarin de
omstandigheden hem geplaatst hadden, door de vlucht naar een
op de grens gestationeerd leger te onttrekken, om van daar krach-
tige maatregelen tot demping van den opstand te nemen. Aanvan-
kelijk gelukte het plan; maar te Varennes werd hij (door den
postmeester Drouet) herkend, en op bevel van La Fayette gevangen
naar Parys teruggebracht (Barnave). De koninklijke macht werd
geschorst, maar de meer gematigde leden der vergadering dreven
-ocr page 144-
136
door, dat het constitutioneele koningschap in stand gehouden, des
konings persoon onschendbaar verklaard, en Lodewijk in zijn waar-
digheid hersteld werd. De koning onderteekende de thans voltooide
constitutie, en de nationale vergadering, die haar taak als afgedaan
beschouwde, ging uiteen (30 Sept. 1791). Op voorstel van Robes-
pierre werd besloten, dat de leden der constitueerende vergadering
niet verkiesbaar zouden zijn voor de wetgevende. De Jacobijnen
zorgden dat zij door posten in Parijs schadeloos gesteld werden.
§ 3.
De Wetgevende vergadering.
(1 Oct. 1791-21 Sept. 1792).
De constitueerende vergadering werd vervangen door een wet-
gevende (assemblee législalive, één kamer met 745 leden), die
met de invoering der nieuwe constitutie belast, maar even als
de vorige vergadering in verscheiden partijen verdeeld was. De
voornaamste dier partijen waren: de Keuillants, een klein aantal
afgevaardigden, die verklaarde voorstanders der constitutioneele
monarchie waren; de veel talrijker leden der Gironde (d. i. de
afgevaardigden uit de departementen der Garonne en Gironde,
Brissot, Vergniaud enz.), gematigde republikeinen, en voor een
groot gedeelte uiterst bekwame en welsprekende mannen; eindelijk
de Jacobijnen, heete republikeinen, wier eerste taak de omver-
werping der pas voltooide constitutie was.
De reeds vroeger begonnen emigratie breidde zich uit; velen,
vooral adellijken, namen de wijk buitenslands, ook \'s konings
broeder, de graaf van Provence (Lodewijk XVIII). Niet weinigen
vereenigden zich gewapender hand, om met geweld in Frankrijk
terug te keeren en de revolutie te stuiten.
De eerste botsing ontstond, toen de koning tegenover de besluiten
der vergadering over de vervolging der priesters, die den eed op
de constitutie weigerden te doen, zqn veto plaatste. De Gironde,
bijgestaan door de Jacobijnen, bewerkte den val van het ministerie,
en de koning zag zich genoodzaakt een ministerie uit de democratische
partij der Girondisten (benevens Dumouriez, het zoogenaamde
«ministerie Roland") te vormen, dat hem tot de oorlogsverklaring
-ocr page 145-
137
aan Frans II »koning van Hongarije en Bohemen" drong, daar
Oostenrijk schadeloosstelling voor de Duitsche rijksvorsten wegens
het verlies der souvereiniteitsrechten in Klats en Lotharingen, en
voor den paus wegens de verbeurdverklaring van zijn grondgebied
te Avignon eischte.
Toen de koning weigerde zich, in plaats van aan zijn garde,
aan de bescherming van een jacobijnsch leger (van 20,000 man)
toe te vertrouwen en tegenover een besluit, dat deportatie der
priesters eischte, die den eed op de constitutie weigerden, zijn
veto gesteld had, volgde, daar Lodewijk aan het Girondijnsche
ministerie het gevraagde ontslag verleende, de eerste aanval op
den troon. Op 20 Juni 1792 bestormden 30 a 40,000, met pieken
gewapende mannen uit de voorsteden, onder aanvoering van den
bierbrouwer Santerre, het paleis der Tuileriën, zonder evenwel
den koning de bekrachtiging der genomen besluiten" te kunnen
afpersen. Sedert stelden de Jacobijnen alle pogingen in \'t werk
om de afzetting van den koning en de ontbinding der wetgevende
vergadering te verkrijgen. Rij een tweeden storm op de Tuileriën
(10 Aug.) vluchtte de koning in den schoot der wetgevende ver-
gadering, die tot de bijeen roeping eener nationale conventie besloot
en voorloopig de koninklijke macht schorste. De koning
werd met zijn familie naar den Temple gebracht en streng bewaakt.
Dan ton werd minister van justitie in het nieuwe ministerie,
maar inderdaad was hij de eigenlijke bestuurder van Frankrijk.
De nationale vergadering droeg aan den uit de woedenste Jaco-
bijnen gevormden gemeenteraad de uitvoerende macht op, en het
eerate revolutionaire gerechtshof werd gevormd.
De eenige poging tot verzet tegen de demagogen van Parijs deed
La Fayette, die zich bij het leger op de grens (bij Sedan) be-
vond ; hij deed zijn troepen op nieuw den eed van getrouwheid
jegens de grondwet en den koning zweren, maar toen die troepen
desniettemin tot de Republikeinen overliepen, trok hij de grens
over, viel in handen van Oostenrijksche voorposten en bleef Oos-
tenrijksch gevangene (het laatst te Olmütz) tot op den vrede van
Campo Formio.
Toen de verkiezingen voor de conventie aanstaande waren, ont-
wierp de heerschende partij der Jacobijnen het plan, zich door
inhechtenisneming en moord van het grootste gedeelte harer po-
-ocr page 146-
138
litieke tegenstanders te ontdoen en zoodoende aan zich zelven de
heerschappij te verzekeren.
De tijding, dat Verdun in de handen der Pruisen was gevallen,
gaf aan de Jacobijnen (Danton, Hebert, Billaud Varennes) de ge-
wenschte gelegenheid, om het in geestdrift en woede ontstoken
gemeen van Parijs tot nieuwe gruweldaden aan te zetten. Allen,
die men beschuldigde van de ten gevolge der revolutie ingevoerde
hervormingen af te keuren (vooral adellijken en den eed weigerende
geestelijken), waren reeds lang in hechtenis genomen; thans
richtte men onder hen te Parijs, te Versailles, te Lyon enz. een
vreeselijk bloedbad aan, dat 5 dagen (2—7 Sept.) duurde. De
wetgevende vergadering, welke door haar zwijgen deze gruwelen
scheen goed te keuren, werd ontbonden, zonder voor de stoffelijke
en intellectueele belangen der natie iets van eenig gewicht te
hebben verricht. In haar plaats kwam de (uit 749 nieuw ge-
kozen afgevaardigden bestaande) nationale conventie, die
met het ontwerpen eener nieuwe staatsregeling belast werd.
II. DE REPUBLIEK, 1792—1804.
§4.
De nationale Conventie.
(21 Sept. 1792—26 Oct. 1795).
1) PROCES EN TERECHTSTELLING VAN DEN KONING.
De nationale conventie bestond uit twee vijandig tegenover elkaar
staande partijen, de gematigde Girondisten en de woedende
bergpartij (montagnards), welker leiders Robespierre, Danton
en Marat waren. Terstond in de eerste zitting werd de k o n i n k-
lijke waardigheid afgeschaft en Frankrijk verklaard te
zijn een eenige en ondeelbare republiek. Te vergeefs
beijverden zich de Girondisten, het plan der Montagnards, welke
den dood des konings, die ook volgens de nieuwe constitutie
onschendbaar was, eischten, in duigen te doen vallen. Desniet-
temin werd Louis Capet, zoo als men hem noemde, voor de
nationale conventie gedaagd, welker leden te gelijk party en
-ocr page 147-
139
rechter waren. Al zijn regeeringsdaden sedert de schorsing der
nationale vergadering (20 Juni 1789) werden hem als misdrijven
en hoogverraad aangerekend; met een aanzienlijke meerderheid
(683 van 721) werd hij schuldig verklaard aan «samenzwering tegen
de vrijheid der natie en poging tot verstoring der rust en veilig-
heid van den staat," maar slechts 361 afgevaardigden (juist de
volstrekte meerderheid) waagden onbepaald het doodvonnis over
hem uit te spreken. Te vergeefs eischten \'s konings verdedigers
(Malesherbes en Desèze) een beroep op het volk; het vonnis werd
(op de place Louis XV of de la Concorde) in Januari 1793
voltrokken.
De terechtstelling van den koning verwekte aan de republiek
nieuwe vijanden, zoowel bui ten als in Frankrijk. De Fransche
gezanten werden uit Engeland en Spanje gebannen; de «ationale
conventie verklaarde uit dien hoofde aan beide landen en aan den
stadhouder der Vereenigde Nederlanden (die de Engelsche staat-
kunde billijkte en tot richtsnoer nam) den oorlog. Tevens barstte
er binnenslands een hevige opstand los. Het volk in de departe-
menten ten Z. van de Loire, en vooral in de Vendée, deelde niet
in de gevoelens, die het overige Frankrijk in rep en roer brachten,
en toen er een nieuwe lichting van recruten bij hen zou plaats
hebben, nam men de wapenen tegen de jonge republiek op (Stofflet,
Laroche-Jacquelin, Charette), en hield zich in het moerassige en
moeielijk toegankelijke land een geruimen tijd tegen de ongeoefende
troepen der conventie staande, die onder de leiding van onbe-
kwame aanvoerders nederlaag op nederlaag leden.
2) VAL DER GIRONDE.
In den schoot der nationale conventie zelve ontstond na den
dood van den koning een strijd op leven en dood tusschen
de Montagnards en de Girondisten. Het plan om den
hertog Philips van Orleans, achterkleinzoon van den Regent (m. z.
§ 26), die zich thans Philips Egalité noemde, tot protector der
republiek uit te roepen, leed schipbreuk, en de conventie droeg
geheel het uitvoerend bewind aan een commissie van 9 leden
(comité du salut. public) op. Om zich van hun lastige tegen-
standers, de Girondisten, te ontdoen, moedigden de Montag-
-ocr page 148-
140
nards, gebruik makende van den heersclienden hongersnood, het
gemeen van Parijs tot een opstand aan. Men omsingelde de zaal,
waarin de leden der conventie vergaderd waren (1 en 2 Juni),
en 34 Girondisten werden in hechtenis genomen. Anderen ont-
snapten naar de westelijke en zuidelijke departementen, en ver-
wekten in die streken een vrij algemeenen opstand des volks tegen
het schrikbewind, dat thans een aanvang neemt.
3) HET SCHRIKBEWIND SEDERT DEN VAL DER OIRONDE.
(2 Juni 1793—28 Juli 1794).
De troepen der republiek hadden tegen de buitenlandsche
vijanden met alles behalve gelukkig gevolg gestreden, en ook
binnenslands verzette het volk zich op onderscheidene plaatsen
tegen de nieuwe regeering. Nadat het ontwerp van een nieuwe,
nu zuiver democratische staatsregeling voltooid was, hield de
conventie zich vooral bezig met de onderdrukking van den Giron-
distischen opstand binnenslands en met de aanklacht der in hech-
tenis genomen en der nog in de vergadering toegelaten Girondisten.
Marat werd (16 Juli 1793) door Charlotte Corday vermoord, maar
die daad bespoedigde slechts den val der Gironde. De constitutie
werd door de meerderheid der Gironde goedgekeurd, maar haar
invoering »tot den vrede" uitgesteld. In deze hachelijke omstan-
digheden beproefde Carnot, terstond nadat hij in het comité had
zitting genomen, een lichting van alle mannen van 18 tot 25 jaar
die in staat waren de wapenen te dragen (levêe en masse). Korten
tijd na de uitvaardiging daarvan stonden 14 legers (van te
samen 1,200,000 man) onder de wapenen, en zoo gelukte het
aan de republikeinen weldra zoowel hun binnen- als buitenlandsche
vijanden te overwinnen.
Lyon werd door den gewezen tooneelspeler Collot d\'Herbois
verwoest, Toulon na hardnekkigen strijd , waarin Napoleon
Bonaparte, geboren in 1769 te Ajaccio, zijn eerste lauweren
oogstte, aan de Engelschen, wier vloot men de haven had
laten binnen loopen, weder ontnomen; de bewoners der Vendée
werden, ondanks heldhaftigen tegenstand, verscheidene malen ver-
slagen , en de overwonnenen op de meest wreede en onmenschelijke
wijze (de noyades van Carrier te Nantes) vermoord; het land
werd te vuur en te zwaard verwoest. De republikeinsche legers
-ocr page 149-
141
bevochten intusschen onder aanvoering van jonge en voor het
grootste gedeelte nog onbekende veldheeren op de grenzen van het
land verscheidene overwinningen op de tegen hen verbonden mo-
gendheden (m. z. § 5), terwijl het revolutionaire bewind zich van
z\\jn vijanden en van hen, die verdacht werden zijn vijanden te
zijn, door even talrijke als overhaaste terechtstellingen ontdeed.
Men begon met de aanzienlijkste slachtoffers der toomlooze woede
uit te kiezen; de koningin Marie Antoinette (de sweduwe Capet"),
de in hechtenis genomen Girondisten, de hertog van Orleans wer-
den te Parijs terecht gesteld, en ook het grootste gedeelte der
gevluchte Girondisten kwam in dien tijd om het leven. Het voor-
beeld van Parijs werkte op de departementen. In de meeste ge-
meenten van eenig belang vormde men insgelijks commissiën (haar
cijfer steeg tot 52,000), aan welker handen men het uitvoerend
bewind toevertrouwde; gewapende benden, uit dieven, roovers en
moordenaars bestaande, trokken met guillotines het land door,
om de vonnissen ten uitvoer te leggen, die de revolutionaire ge-
rechtshoven tegen de «samenzweerders tegen de revolutie" gewezen
hadden. Een nieuwe constitutie werd op 10 Aug. afgekondigd,
maar weldra tot den vrede geschorst.
De geheele maatschappij moest omgekeerd, iedere herinnering
aan den vroegeren staat van zaken uitgewischt worden; een nieuwe
tijdrekening, beginnende met den 22sten September 1792, den
eersten dag der republiek, werd aangenomen; men voerde een
nieuwen, republikeinschen kalender in, met veranderde namenen
een nieuwe verdeeling der maanden en dagen. Elk spoor van
godsdienst werd vernietigd , de kerken werden geschonden en ge-
plunderd , de Christelijke godsdienst afgeschaft, en in zijn plaats
de dienst der rede plechtig afgekondigd en ingevoerd. Van-
dalisme tegenover kunst en wetenschap ging met de vernietiging
van den godsdienst hand aan hand; de graven der koningen in
de abdij St. Denis werden vernietigd, de lijken der koningen op-
gedolven en mishandeld.
Nadat aldus de bergpartij een volledige overwinning had be-
haald , begonnen ook in haar midden zich partijen te vormen,
a) de Jacobijnen onder Robespierre, die door schrik het
drogbeeld van republikeinsche deugd trachtten te bereiken; 6) de
alles vernielende en plunderende Hebertisten (Hebert, Chau-
-ocr page 150-
142
mette), en c) de gematigde Dantonisten. Door arglistig
bedrog wist Robespierre, conspiratie met het buitenland en aristo-
cratisme tot voorwendsel gebruikende, aan de beide andere partijen
den ondergang te berokkenen (28 Maart 1794 terechtstelling der
Hebertisten, 5 April van Danton), en nu eerst bereikte het
schrikbewind het toppunt van woede.
Een wet werd gegeven, waarbij men bepaalde dat de overtui-
ging der jurés voldoende was, om over de schuld of onschuld der
voor het gerechtshof gedaagden te beslissen (Fouquier Tainville);
men behoefde de feiten niet door getuigen te staven. Men von-
nisde en guillotineerde de beschuldigden thans troepsgewijze.
Ten laatste kwam het misnoegen over Robespierre\'s willekeurig
bewind in de nationale conventie zelve tot uitbarsting. De ge-
wone beschuldiging, dat hij een samenzwering tegen de republiek
smeedde, werd ook tegen hem gericht; hij werd zonder dat
men zijn verdediging wilde aanhooren, in hechtenis genomen,
en, na korten tegenstand, reeds den volgenden dag (27 Juli,
9 Thermidor) met 22 zijner aanhangers (St. Just, Couthon),
geguillotineerd.
4) DE REACTIE.
Nauwelijks was het hoofd van het schrikbewind gevallen, of de
revolutionaire beweging nam een geheel tegenovergestelde richting.
In de conventie heerschte de partij der gematigden (Thermido-
risten). Tot haar behoorden de beide commissiën, ten behoeve
van het openbaar welzijn (comité de salut public) en der
openbare veiligheid ingesteld. De club der .lacobijnen werd
ontbonden, de (73) Girondisten, die nog in leven waren, werden
in hun burgerlijke rechten hersteld en teruggeroepen; er werd
op nieuw vrijheid van godsdienstoefening en drukpers gegeven, en
men benoemde een commissie tot het ontwerpen eener nieuwe
grondwet op minder democratische grondslagen. Aan het hoofd
dier commissie stond Sieyès. Rij deze nieuwe (derde) grondwet
werd het uitvoerend bewind aan1 een directoire opgedragen, dat
uit 5 leden bestond; de wetgevende macht stelde men in handen
van twee kamers, den raad der Vijfhonderd, die de wetten
voorstelde en onderzocht, en den raad der (250) Ouden, die
ze onderzocht en onveranderd aannam of verwierf).
-ocr page 151-
143
Intusschen hielden de Royalisten zich ijverig onledig met de
herstelling van het koningschap. Lodewijk XVII was (ten gevolge
van wonden, die hem door den schoenmaker Simon toegebracht
waren) op tienjarigen leeftijd in den Temple overleden (1795).
Erfgenaam zijner aanspraken op den Franschen troon was de graaf
van Provence, die den titel van Lodewijk XVIII aannam. Op
Engelsche schepen landde een leger van uitgewekenen bij Quiberon
in Bretagne. Zij vereenigden zich met de chouans in de Vendce,
maar weiden door den republikeinschen generaal Hoche verslagen.
Zoodoende werd een einde gemaakt aan den oorlog in de Vendée.
§ 5.
De eerste coalitie tegen Frankrijk, 1792—1797.
1. BEGIN VAN DEN OORLOG MET OOSTENRIJK EN PRUISEN, 1792.
Op een bijeenkomst bij den keurvorst van Saksen, te Pillnitz,
Aug. 1791 , hadden keizer Leopold II en koning Frederik Wil-
helm Il zich reeds bereid verklaard den koning van Frankrijk uit
zijn gevangenschap te verlossen. Toen zij vervolgens een formeel
verbond gesloten hadden, teneinde zich te verzetten tegen de in-
breuk , die Frankrijk op de rechten van het Duitsche rijk had
gemaakt, zag Lodewijk XVI zich door zijn krijgslustig Girondijnsch
ministerie genoodzaakt aan Frans II, den opvolger van Leopold,
den oorlog te verklaren. Van den kant der Duitschers werd die
oorlog door den bondgenoot van Frans, Frederik Wilhelm II,
gevoerd, die uit België en van den Bovenrijn door Oostenrijksche
legerafdeelingen zou ondersteund worden. Onder aanvoering van
den hertog Ferdinand van Brunswijk rukte het Pruisische leger
langs den linker oever van den Moezel Champagne binnen.
Toen de Pruisen Longwy en Verdun genomen hadden, werd
Dumouriez tot opperbevelhebber van het Fransche leger benoemd.
Hij belette het door ziekte en gebrek verzwakte Pruisische leger
(na den vruchteloozen aanval bij Valmy) het verdere voortrukken,
dat bovendien nog door aanhoudende stortregens bemoeilijkt werd.
Custine drong naar den Rijn door en bemachtigde Mainz, en toen
de Pruisen den terugtocht over den Rijn hadden aangenomen,
keerde Dumouriez zich tegen de Oostenrijkers en veroverde,
-ocr page 152-
144
na Hen slag bij J e m a p p e s (nabij Mons), waar hij op de vijanHen
een beslissende overwinning behaalde, de Oostenrijksche Neder-
landen. De Franschen drongen over Aken tot aan de Roer door.
Op Sardinië, dat zich bij de geallieerden had aangesloten, werden
Savoye en Nizza veroverd.
2. UK OORLOG TOT OP DEN VREDE TE BAZEL, 1793—1795.
Na de terechtstelling van Lodewijk XVI vereenigden zich alle
Europeesche mogendheden, met uitzondering van Zweden, Dene-
marken , Turkije en het Zwitschersch bondgenootschap, tot een
groote Coalitie tegen Frankrijk, aan welker hoofd Engeland
stond (Pitt). Rusland trachtte den oorlog in \'t westen op alle
wijzen te voeden, om zoodoende vrij spel tegenover Polen te krijgen.
a. DE OORLOG IN BELGIË, AAN DEN BENEDEN-RUN EN
IN HOLLAND.
De Oostenrijkers openden den veldtocht van 1793 met een
groote overwinning op Dumouriez bij Neer wind en, die de
herovering van België tot onmiddellijk gevolg had; de
Pruisen heroverden Mainz. De overwinnaars drongen tot in Fransch
Vlaanderen door. Dumouriez, die het plan koesterde door de ver-
heffing van den hertog van Chartres, den zoon van Philips Egalité,
een einde aan de verwarring te maken , zag zich gedwongen (1793)
met een aantal der zijnen tot de Oostenrijkers over te gaan; hij
stierf in 1823 in Engeland. Sedert dit verraad van Dumouriez
vergezelden commissarissen der conventie de legers.
Toen echter de Franschen door de algemeene lichting, waarvan
boven gewaagd is, legers bijeenbrachten, die de vijandelijke in
aantal verreweg overtroffen, werden de Oostenrijkers door .lourdan,
na de beslissende nederlaag bij Fleurus (1794), uit de Nederlanden
over den Rijn teruggedreven. De overwinnende vijand achtervolgde
hen tot aan den Main; maar bij Höchst werd .lourdan verslagen
en tot den terugtocht over den Rijn gedwongen. Van België drong
Pichegru, door een buitengewoon feilen winter begunstigd, Hol-
land binnen. Het land werd, nadat de stadhouder de vlucht
had genomen, in een Bataafsehe republiek herschapen,
-ocr page 153-
145
1795—1806 en genoodzaakt een verbond tot wederzjjdsche be-
scherming en verdediging aan te gaan.
b. OORLOG AAN DEN BOVEN- EN MIDDENRUN.
In den oorlog aan den Boven- en Middenrijn bleven
de Franschen ongelukkig, zelfs nadat het aantal hunner troepen
door de algemeene lichting zoo aanmerkelijk was toegenomen. Eerst
toen de Pruisen verscheidene afdeelingen van hun leger naar Polen
moesten zenden, en de Franschen het leger aan den Rijn met dat
aan de Moezel verbonden, terwijl de Pruisen met de Oostenrijkers
in onmin waren geraakt, werden de geallieerden genoodzaakt,
over den Rijn terug te wijken. Toen het schrikbewind van Robes-
pierre zijn einde had bereikt en het directoire aan het hoofd der
aangelegenheden van Frankrijk trad, sloot Pruisen, welks financiën
uitgeput waren en dat door een geheim verbond tusschen Oostenrijk
en Rusland in zijn Poolsche bezittingen bedreigd werd, een af-
zonderlijken vrede te Bazel, 1795, waarbij de Pruisische
bezittingen op den linker Rijnoever (de helft van Kleef, Gelder en
Meurs) tot op het sluiten van een algemeenen vrede met het
Duitsche rijk in de handen der Franschen bleven. Spanje volgde
spoedig het voorbeeld van Pruisen.
C. OORLOG TER ZEE.
Alleen in den oorlog ter zee waren de Franschen tegen de
meerdere krijgskunst der Engelschen niet opgewassen. Deze ver-
nietigden door de overwinning bij Ouessant de zeemacht der
Franschen en veroverden de meeste Fransche en Hollandsche koloniën
in Oost- en West-Indië.
3. VOORTZETTING VAN DEN OORLOG TEGEN OOSTENRIJK, HET
DUITSCHE RIJK, NAPELS EN SARDINIË, 1796 en 1797.
VREDE TE CAMPO FORMIO.
Om aan Oostenrijk en het Duitsche rijk een voordeeligen vrede
af te persen, hernieuwde het directoire den oorlog (volgens een
door Carnot met veel schranderheid ontworpen plan). Twee legers,
onder Jourdan en Moreau, vielen in het voorjaar van 1796 in
Pütz, N.Gesch.                                                                    10
-ocr page 154-
146
Duitschland, terwijl een derde leger onder Napoleon Bonaparte
naar Italië gezonden werd, om van daar door Tyrol de Oosten-
rijksche staten binnen te dringen en zich met de beide andere
legers te vereenigen.
In Duitschland was de krijgskans in den beginne voor de
Franschen gunstig, maar weldra nam hun onderneming een voor
lien schandelijk einde. Aartshertog K a r e 1 (een broeder van
Keizer Frans II) ontweek in den beginne een treffen met Jourdan,
en verkreeg daardoor gelegenheid, om zijn strijdkrachten hoe
langer zoo meer te concentreeren en van verscheidene kanten ver-
sterkingen te ontvangen. Toen eerst begon hij, en wel aanval-
lender wijze, zich met zijn krijgsmacht tusschen de beide vijande-
lijke legers in werpende, zijn wapenen tegen Jourdan te keeren.
De Fransche generaal leed twee zoo geduchte nederlagen, dat hij
van zijn waardigheid als opperbevelhebber afstand deed. De aarts-
hertog trok thans tegen Moreau op, die insgelijks reeds tot in
Beieren was doorgedrongen. Bevreesd voor de meerderheid der
vijandelijke strijdkrachten, vermeed Moreau een slag, en redde
zijn leger door een meesterlijken terugtocht naar den Boven-Rijn.
In 1797 trokken Hoche en Moreau nog eenmaal den Rijn (bij
Neuwied) over; maar op de tijding, dat Napoleon reeds een wapen-
stilstand had gesloten, staakten zij hun tocht.
Zoo veel te schitterender was het geluk en de roem der Fransche
wapenen in Italië. Met een leger van 45000 man, dat zijn
ontbinding nabij was, dat gebrek had aan het meest noodzakelijke,
maar misschien juist daarom met zoo veel te meer wanhopige
geestdrift den strijd te gemoet ging, begon de nauwlijks 27jarige
Napoleon Bonaparte den Italiaanschen veldtocht. Hij dwong
koning Victor Amadeus van Sardinië van het bezit van Savove en
Nizza en de belangrijkste vestingen van Piemont ten behoeve van
Frankrijk afstand te doen, vervolgde de Oostenrijkers over den
Po, bevocht (bij Lodi) met heldhaftige dapperheid den overtocht
over de Adda, trok Milaan binnen en belegerde de door de natuur
niet minder dan door de kunst versterkte vesting Mantua.
Viermaal trachtten de Oostenrijkers door een uitval die belangrijke
vesting te redden; eindelijk zag de generaal Wurmser zich ge-
noodzaakt haar bij een eervolle capitulatie voor den vijand te ont-
ruimen (1797). Den hertog van Modena ontnam Napoleon zijn
-ocr page 155-
147
land, omdat hij een met hem gesloten wapenstilstand geschonden
en Mantua van levensmiddelen voorzien had; met Napels, Parma
en den paus sloot hij vrede.
Na zich aldus tegen iederen aanval in den rug te hehben be-
veiligd , trok Napoleon tegen den aartshertog Karel op, die van
den Rijn teruggeroepen en aan het hoofd van een nieuw leger
geplaatst was. Hij dreef hem terug en drong door Karinthië en
Stiermarken over de Alpen tot Judenburg door. In dien nood
besloot Oostenrijk tot eene algemeene lichting van de bewoners
van Bohemen en Tyrol, en riep ook den Hongaarschen adel onder
de wapenen. Dientengevolge sloot Napoleon, die zich ook in den
rug door de bewoners van het Venetiaansche gebied bedreigd zag,
na het preliminair verdrag van Leo ben, den vrede te Campo
Formio (1797). De keizer deed afstand van de Oostenrijksche
Nederlanden en — in \'t geheim — van den linker Rijnoever ten
behoeve van Frankrijk, en van Lom bard ij e ten behoeve der Cisal-
pijnsche republiek, welke gevormd werd uit het gebied,
in Italië veroverd. Hij verkreeg daarentegen Venetië. Op een
congres te Rastadt zou de vrede met het Duitsche rijk gesloten
en geteekend worden. Ook Genua had niet kunnen beletten, dat
men zijn staatsregeling vernietigde en den staat in een zooge-
naamde Ligurische republiek herschiep.
De oorlog met Engeland werd wegens den slechten toe-
stand der Fransche marine met weinig ijver voortgezet.
§6.
De tweede en derde verdeeling van Polen.
Toen Rusland gemeenschappelijk met Oostenrijk in een oorlog
met Turkije (m. z. bl. 126), en te gelijker tijd in een tweeden
oorlog met Zweden gewikkeld was, meenden de Polen zich dat
gunstige oogenblik ten nutte te moeten maken, om aan de in-
menging van Rusland in hun aangelegenheden een einde te maken.
Zij voerden een nieuwe staatsregeling in, waarbij het Uberum veto
afgeschaft, en de erfopvolging op den koninklijken troon aan de
familie van den keurvorst van Saksen (als opvolger van Stanislaus
Poniatowski) verzekerd werd. Nauwlijks had Rusland met de
Porie vrede gesloten, of de Russen rukten Polen binnen, ten
-ocr page 156-
148
einde de oude staatsregeling te herstellen, en de slecht georgani-
seerde Poolsche legers onder Jozef Poniatowski (een neef des
konings) en Kosciuszko trachtten te vergeefs zich tegen de
meerderheid der Russische macht te verzetten. Pruisen liet zijn
legers insgelijks Polen binnen rukken, en verbond zich met Rusland
tot de tweede verdeeling van Polen (1793). Pruisen
verkreeg Posen, benevens de steden Dantzig en Thora, Rusland
nam nagenoeg de helft van Litthauen. De Poolsche rjjksdag, die
op bevel der keizerin vergaderd was, zou van die provinciën
plechtig en formeel afstand doen; maar men kon hem daartoe
niet dwingen , en nam het zwijgen der afgevaardigden voor toe-
stemming aan.
Reeds in het volgende voorjaar dreef de wanhoop de Polen tot
een tweede poging om het Russische juk af te schudden. De
Russische bezetting te Warschau werd gedeeltelijk vermoord, ge-
deeltelijk gevangen genomen; aan het hoofd der opstandelingen
werd Kosciuszko geplaatst. Koning Frederik Willem II overwon
wel is waar Kosciuszko en veroverde Krakau, maar moest wegens
een opstand in Zuid-Pruisen het beleg van Warschau opbreken.
Doch toen ook Oostenrijk een leger Polen deed binnen rukken en
te gelijker tijd twee Russische legers in aantocht waren, eindigde
de strijd na een nederlaag van Kosciuszko met de capitulatie van
Warschau. De koning Stanislaus Poniatowski moest afstand doen
van den troon, en omtrent de derde en laatste verdeeling
van Polen, 1795, werd door de drie belanghebbende mogendheden
bepaald, dat de Weichsel de grens zou vormen tusschen Pruisen
en Oostenrijk, de Bug tusschen Oostenrijk en Rusland, de Niemen
tusschen Pruisen en Rusland (Warschau kwam aan Pruisen).
§ 7.
Het Directoire,
(27 Oct. 1795—15 Dec. 1799.)
In Frankrijk volgde op de heerschappij van het gemeen
militair despotisme. Tegenover het directoire stonden aan den
eenen kant de Royalisten, aan den anderen de naar een volslagen
communisme strevende, thans onder de leiding van Babeuf staande
-ocr page 157-
149
Hebertisten. De vestiging van een ministerie van politie, 1795, en do
beperking van de vrijheid der drukpers waren de eerste middelen,
welke de regeering tot haar eigen beveiliging aanwendde. Een
poging tot opstand had den ondergang van Babeuf en zijn party
ten gevolge. Tegen de Royalisten waren natuurlijk allen gekeerd,
die van de herstelling van het koningschap verliezen van mate-
rieelen aard of de vernietiging van eerzuchtige bedoelingen moesten
duchten; maar er troffen toch omstandigheden en misslagen der
regeering samen, om deze partij meer en meer veld te doen winnen.
Daartoe moet men, behalve de opname van Barthélemy in het
directoire, in de eerste plaats rekenen den bedroefden toestand
der financiën. De ontzaglijke sommen, die men aan het buitenland
afperste, werden in lichtzinnige verkwisting verspild, en het crediet
werd dermate ondermijnd dat het nieuwe papieren geld (territoriaal-
mandaten , ten bedrage van 24 millioen) weldra alle waarde had
verloren. In Juli 1796 was het staatsbankroet geconstateerd,
dewijl de regeering weigerde haar eigen papieren geld tot de oor-
spronkelijke (nominale) waarde aan te nemen. Onvoorzichtig was
het ook, dat de regeering een vijandige houding tegenover het
katholicisme aannam (La Reveillère-Lepaux wilde een volkomen
heidenschen eeredienst invoeren). Zelfs mannen als Carnot en
Pichegru schaarden zich nu aan de zijde van de vijanden der
regeering. Toen beraamden de drie meest vastberaden leden van
het directoire de middelen, om zich met geweld in het gezag te
handhaven. Bonaparte trad met hen in overleg, zond Augereau
als bevelhebber der gewapende macht, en vervolgens een gedeelte
van het Italiaansche leger onder Bernadotte naar Parijs. In Sept.
1797 volgde de beslissing. De verkiezingen van 53 departementen
werden vernietigd, Merlin en Francois in plaats van Carnot en
Barthélemy in het directoire opgenomen, en 193 tegenstanders van
het actueel bewind, waaronder Pichegru, gedeporteerd; Carnot
ontkwam naar Zwitserland.
Er was, om het volk van de binnenlandsche aange-
legenheden af te leiden, behoefte aan buitenlandsche
oorlogen. Met Engeland was men reeds begonnen onderhandelin-
gen over een te sluiten vrede aan te knoopen; maar die onderhan-
delingen werden geschorst, en het besluit genomen een „Engelsche
armee" te vormen en Bonaparte met het opperbevel daarvan te
-ocr page 158-
150
belasten. Men had daarmede het beoogde doel bereikt en was er
tevens in geslaagd den geduchten veldheer uit Frankrijk te verwij-
deren. Terwijl men uit groote toerustingen in alle krijgshavens
van het noordwestelijk Frankrijk meende te moeten opmaken, dat
men een landing in Engeland wilde beproeven, bereidde Napoleon in
het geheim in de zuidelijke havens een onderneming tegen Egypte
voor. Dit land, eens veroverd en tot Fransche kolonie gemaakt,
zou dan het steunpunt der tegen de bezittingen der Engelschen
in Oost-Indië te ondernemen krijgstochten worden.
bonaparte\'s tocht naar egypte, 1798—99.
In het voorjaar van 1798, stak Bonaparte met 35,000 der
dapperste soldaten en de generaals Berthier, Kleber en Desaix ,
en een aantal uitstekende geleerden en kunstenaars van Toulon
in zee, nam (niet zonder dat verraad er bij in het spel was) aan
de Johanniters Malta af, landde in de nabijheid van Alexandria,
dat hij stormenderhand veroverde, trok onder ontzaglijke rampen
en gevaren door de woestijn tegen de hoofdstad Kaïro op, en
slaagde er in die na twee overwinningen (de tweede bij de Pyra-
miden) op de Mamelukken (een door sultan Selim als tegenwicht
tegen de Janitscharen gevormde militie, wier Beys, Ibrahim en
Murad, onder het oppergezag der Porte, over Egypte heerschten)
te bemachtigen. Desaix drong nog tot de zuidelijke grens van
Egypte, tot Syene, door. Reeds hield hij zich onledig met de
organisatie van het veroverde land, toen hij de tijding ontving
dat de Engelsche admiraal Ne Is on in den grooten zeeslag bij
Abukir (1 Aug.) de geheele Fransche vloot vernietigd en daar-
door aan het Fransche leger de verbinding met en den terug-
tocht naar het vaderland belet had. Een opstand van het over
de afpersingen en wreedheden der Franschen verstoorde volk te
Kaïro werd door een vreeselijk bloedbad onderdrukt. De Porte
verklaarde, uithoofde van den inval in Egypte, aan Frankrijk den
oorlog, en de pacha van Syrië maakte zich gereed met een leger
Egypte binnen te rukken. Bonaparte wachtte zijn komst niet
af, en trok hem (in Februari 1799) naar Syrië te gemoet, be-
stormde .lall\'u, maar kon er niet in slagen den sleutel van het
land, de (door den Engelschen commodore Sidney Smith verde*
-ocr page 159-
151
digde) vesting Acre in zijn macht te krijgen. Vele malen poogde
hij te vergeefs de stad te bestormen en moest ten laatste, dewql
ook in Egypte een opstand uitgebarsten en de Turksche vloot
eindelijk daar aangekomen was, er toe besluiten met zijn door
ziekte geteisterd en gedund leger door de Syrische woestijn den
terugtocht naar Egypte aan te nemen.
Hij versloeg bij Abukir het intusschen ontscheepte Turksche
leger, en keerde vervolgens op de tijding van den hachelijken
toestand, waarin de Fransche republiek verkeerde, den generaal
Kleber als opperbevelhebber in Egypte achterlatende, naar Frankrijk
terug, ook ditmaal zonder door de Engelsche vloot te worden
opgemerkt. Kleber streed even dapper als gelukkig, totdat hij in
1800 door den kogel van een sluipmoordenaar werd getroffen.
Zijn opvolger Menou (een Mohammedaan) werd door een Engelsch
leger verslagen en het land vervolgens door de Franschen ontruimd.
STICHTING VAN NIEUWE REPUBLIEKEN.
Door een reeks van gewelddadige omwentelingen riep het direc-
toire , dat wel oorlog moest voeren, om de met roem bedekte
generaals en soldaten bezig te houden, een nieuwe coalitie der
Europeesche mogendheden tegen Frankrijk in het leven. De moord
op een Fransch generaal, bij een opstand der republikeinen te Rome
gepleegd, was een voorwendsel, om den Kerkelijken Staat (door
Berthier) in een Romeinsche republiek te veranderen (1798);
paus Pius VI werd naar Frankrijk overgebracht, waar hij (1799)
stierf. Even willekeurig veranderde men het Zwitsersch bondge-
nootschap (bij gelegenheid van geschillen tusschen Bern en het
kanton Waadtland, waarin de Franschen de hand hadden) in een
Helvetische republiek (1798). Napels (de koning had zich
bij de coalitie aangesloten, maar was bij het naderen van het
gevaar naar Sicilië gevlucht) verhief men tot een Parthenopeïsche
republiek. De koning van Sardinië werd genoodzaakt van
Piemont afstand te doen, en de groothertog van Toskane (omdat
hij een verbond met Napels had gesloten) uit zijn land verdreven.
Zoo was de republikeinsche regeeringsvorm in geheel Italië in-
gevoerd.
-ocr page 160-
152
Over den oorlog der tweede coalitie tegen Frankrijk,
z. m. § 8.
ONTBINDING VAN HET DIRECTOIRE.
Hoe minder eensgezindheid er onder de leden van het directoire
heerschte, hoe onbeschaamder zij aan hun hebzucht bot vierden,
hoe drukkender de staat der financiën werd, zoodat zelfs de legers,
die voor het bewind moesten rooven, over gebrek aan het meest
noodzakelijke klaagden, zooveel te grooter werd het verlangen
naar een verandering der staatsregeling. De opneming van Sieyès
in het directoire, de eisch dat men van het gouvernement inlich-
tingen en rekening en verantwoording verwachtte, het gedwongen
aftreden van drie directeuren, dat alles waren dreigende stappen,
door de oppositie in het wetgevend lichaam gedaan. Wel werd
van den kant der regeeringspartij een nieuwe lichting gehouden,
een gedwongen leening gedecreteerd, en tegen de Royalisten de
beruchte wet op de gijzelaars uitgevaardigd (de in Frankrijk levende
bloedverwanten der geëmigreerden werden voor de handelingen van
dezen in het buitenland verantwoordelijk gemaakt); maar noch deze
maatregelen noch de sluiting van een Jacobijnschen club en de
onderdrukking van verscheiden royalistische opstanden waren in
staat de kreten om herziening der grondwet te smoren. Toen
keerde in 1799 Bonaparte naar Parijs terug.
Van de 5 directeuren wist hij de beide bekwaamste (Sieyès en
Roger-Ducos) over te halen tot de vernietiging der bestaande
staatsregeling, en zijn vrienden bewerkten het leger voor zijn
plannen. Barras nam zijn ontslag, de beide andere directeuren
werden op 18 Brumaire (9 Nov. 1799) gevangen genomen. Op
den volgenden dag ontstond in den naar St. Cloud verplaatsten
Raad der 500, waarvan Lucien Bonaparte toen president was,
een heftige strijd tusschen de republikeinen en de partij van
Bonaparte, totdat deze de zaal door soldaten deed ontruimen.
Hij en de beide met hem verbonden directeuren lieten zich door
hun aanhang in de beide Raden het voorloopig regeeringsgezag
opdragen en door een commissie een nieuwe grondwet ontwerpen.
Door opheffing der wreede wetten tegen de geëmigreerden en de
priesters won Bonaparte het volk, dat onder deze militaire revolutie
vrij onverschillig was gebleven.
-ocr page 161-
153
De door Sieyès ontworpen nieuwe grondwet sprak niet meer
van mensehen- en burgerrechten, noch ook van vrijheid van
drukpers; er was een senaat met 80 voor hun leven gekozen
leden, een permanent tribunaat van 100 leden tot beoordeeling,
en een uit 300 leden bestaand wetgevend lichaam tot bekrachti-
ging der wetten (eenvoudige stemming, zonder discussie). Aan
het hoofd van den slaat stonden drie consuls (voor 10 jaar)
met een Raad van State. Deze werd door den eersten consul
benoemd, die ook over alle andere staatsambten beschikte en de
wetten afkondigde, dus eigenlijk monarch was. Bonaparte werd
eerste, Cambacéri\'s tweede, Lebrun derde consul. Op 7 Febr.
1800 nam het volk bijna eenstemmig de nieuwe staatsregeling
aan. Bonaparte vestigde zyn residentie in de Tuileriën.
§ 8.
De oorlog der tweede coalitie tegen Frankrijk, 1799—1802.
Omtrent den tijd dat Bonaparte zich tot zijn tocht naar Egypte
gereed maakte en het directoire de Ieren tegen Engeland op-
stookte, kwam door de bemoeiingen van Engeland eennieuwe,
gedeeltelijk althans onnatuurlijke, coalitie tegen Frankrijk tot stand.
Behalve Engeland namen er aan deel de Russische keizer Paul I
(dien de Maltezerridders tot grootmeester hunner orde verkozen
hadden), de Porte (wegens den aanval op Egypte), Oostenrijk
(wegens de verandering van Zwitserland en den Kerkdijken Staat
in republieken) en Napels. Het plan der verbonden mogendheden
was, door middel van drie legers de Franschen uit Italië, de
Nederlanden, het Zuiden van Duitschland en Zwitserland te ver-
drijven. De Napolitanen begonnen onder aanvoering van den Oos-
tenrijkschen generaal Mack den oorlog met een overhaasten en
onvoorzichtigen inval in de Romeinsche republiek, doch werden
binnen hun grenzen terug gedreven. De koning nam de wijk
naar Sicilië, de Franschen bezett\'en Napels, en veranderden het
koninkrijk in eene Parthenopeische republiek (1799)
(m. z. blz. 151).
De groothertog van Toskane, die een afdeeling Napolitanen in
Livorno had opgenomen, werd insgelijks van zijn land beroofd.
-ocr page 162-
154
1) De Franschen voerden in 1799 den oorlog in Italië
tegen de Oostenrijkers en Russen (Kray en Suwarow) met zulk
een ongelukkig gevolg, dat zij bijna al hun Italiaansche bezittin-
gen verloren , en niet konden beletten, dat de door hen gestichte
republieken weder ontbonden werden (de Romeinsche en Parthe-
nopeische voor goed; Pius VII werd tot paus verkozen). Maar
in 1800 trok Napoleon over den grooten St. Bernhard om het
overwicht van Frankrijk in Noord-Italië te herstellen, wat hem
door de overwinning bij Mar eng o gelukte. In dit jaar voerde
Moreau den oorlog in Duitschland met niet minder geluk dan
Bonaparte in Italië. Na de beslissende zege bij Ho hen linden
op aartshertog Johan rukte hij Oostenrijk binnen. Thans was
Oostenrijk geneigd vrede te sluiten. De vrede van Lunéville
(1801) bevestigde dien van Campo-Formio en Frankrijk bleef
derhalve in hel bezit van den linker-Rijnoever. De schade, welke
hierdoor aan sommige Duitsche staten berokkend werd, zou worden
vergoed door secularisatie en mediatiseering. Met de uitvoering
van deze zaak werd een Duitsche rijksdeputatie belast, die
in 1803 met haar werk gereed was.
Met Frankrijk sloot Rusland in 1801 vrede te Parijs, aan Turkije
beloofde het de ontruiming van Egypte en aan den oorlog met
Engeland kwam een einde in 1802 door den vrede van
A m i ë n s, waarbij aan de Bataafsche republiek, vertegenwoordigd
door Schimmelpenninck, alle veroveringen, behalve Ceylon, terug-
gegeven werden.
§9-
Napoleon Bonaparte eerste consul.
(9 Nov. 1799—18 Mei 1804.)
De eerste consul redd\'e Frankrijk niet slechts door een reeks van
roemrijke oorlogen en voordeelige vredestractaten uit de gevaren,
die het van buiten bedreigden, maar herstelde ook binnenslands
rust en orde. Met schranderheid en voorzichtigheid trachtte hij
eene toenadering tusschen de verschillende partijen tot stand te
brengen. Echter vertoonde zich ook nu reeds zijn streven naar
-ocr page 163-
155
autocratisch gezag. Van de mislukte poging (der Chouans), om
hem van het leven te berooven, bediende de consul zich als van
een voorwendsel, om de republikeinen uit zijn nabijheid te ver-
wijderen; de meeste uitgewekenen werden teruggeroepen, de
katholieke godsdienst werd door een met den paus gesloten con-
cordaat op nieuw geregeld; ook de protestantsche kerk kreeg een
nieuwe regeling, en voor het onderwijs werd gezorgd door de
école polytechnique; onder oppertoezicht van den consul werd een
nieuw wetboek, de Code Napoléon, ontworpen en ingevoerd,
door een verstandig en geregeld financiestelsel werd het crediet
van den staat hersteld. Weldra echter bleek uit maatregelen,
over welker strekking men niet in het onzekere kon blijven, dat
hij van het plan zwanger ging, het consulaat in een absolute
monarchie te herscheppen. Door de stichting van een nieuwe
ridderorde, het legioen van eer, werden de grondslagen voor een
toekomstigen nieuwen adel gelegd. In 1802 liet hij zich tot
consul voor zijn leven benoemen, en bij een nieuwe (vijfde)
grondwet werden hij en de geheel en al van hem afhankelijke
senaat met de meest onbeperkte macht (ook het recht om zijn
opvolger te benoemen) bekleed.
Met evenveel willekeur gedroeg hij zich in zijn buitenlandsche
politiek. Hij vereenigde Elba, Savoije, Piemont en Parma met
Frankrijk, liet zich tot president der Italiaansche (Cisal-
pijnsche) republiek benoemen, noodzaakte Zwitserland een
verbond met Frankrijk aan te gaan, en besliste over de nieuwe
organisatie en verdeeling van het Duitsche rijk door zich in de
zaken der rijksdeputatie te mengen (z. bl. 154). Zelfs de tegen
hem gesmede samenzwering, aan welker hoofd Pichegru en George
Cadoudal stonden, die met 40 anderen op Engelsche schepen
geland en langs geheime wegen naar Parijs gekomen waren, om
den eersten consul te vermoorden, was aan zijn bedoelingen be-
vorderlijk, en noopte hem tot nieuwe beperkingen der vrijheid.
Pichegru stierf in de gevangenis (waarschijnlijk beroofde hij zichzelf
van het leven), Cadoudal werd ter dood gebracht; Moreau werd
van de deelneming aan de samenzwering beschuldigd en tot bal-
lingschap verwezen; den hertog van Enghien (den laatsten prins
der Condésche linie van het huis Bourbon) trachtte men voor het
hoofd en den leider der samenzwering te doen doorgaan; hij werd,
-ocr page 164-
156
in strijd met de bepalingen van het volkenrecht, op Badensch
grondgebied gevangen genomen en te Vincennes dood geschoten,
zonder dat men eenig bewijs kon bijbrengen voor het feit, waarvan
men hem beschuldigde. De moord op Enghien moest aan Frankrijk
het bewijs geven, dat Napoleon in geen geval aan de herstelling
van de Bourbonsche monarchie dacht.
Eindelijk, 1804, werd Napoleon Bonaparte door het tri-
bunaat (alleen Carnot verzette zich tegen dit besluit) en den senaat
tot erfelijk keizer van Frankrijk benoemd. Den 2 Dec.
van hetzelfde jaar werd hij door den paus gezalfd en zette hij zich
zelf en zijn gemalin de kroon op. In de grondwet werden nieuwe
wijzigingen gebracht; een vertegenwoordiging van het volk bestond
slechts nog in naam.
III. het keizerrijk, 1804—14 en 1815.
§ 10.
De derde coalitie tegen Frankrijk, 1805.
Wederzijdsche klachten over het niet naleven der bij den vrede
te Amiëns bepaalde punten (Frankrijks inmenging in de zaken van
Zwitserland en het wegnemen van Piemont, van den kant van
Engeland het bezetten van Malta en het leggen van embargo op
alle Fransche en Nederlandsche schepen) hadden reeds in ] 803 tot
nieuwen strijd tusschen Frankrijk en Engeland (Pitt) geleid. Ook
de keizer van Rusland, sedert 1801 Alexander I, begreep allengs
dat hij door Napoleon louter als een werktuig werd gebruikt, en
had na den dood van den hertog van Enghien alle betrekkingen
met Frankrijk afgebroken. Toen het Britsche kabinet den oorlog
had verklaard, bezett\'e Napoleon Hannover en verbood den invoer
van Engelsche waren en koloniale goederen in Frankrijk (begin
van het continentaalstelsel). Ook Spanje, door aanvallen van
den kant van Engeland tot een verbond met Frankrijk genood-
zaakt, verklaarde op \'t einde van 1804 den oorlog aan Engeland.
Te Boulogne werd alles tot eene landing in gereedheid gebracht;
dewijl Napoleon nu ook met voorbeeldelooze willekeur de Cisal-
pjjnsche republiek in een koninkrijk Italië had veranderd,
-ocr page 165-
157
waarvan hij zelf koning werd en waarvan hij zijn stiefzoon Eugène
Beauharnais tot onderkoning benoemde, gaf dit aanleiding
tot het sluiten eener derde coalitie tusschen Engeland, Rus-
land , Oostenrijk en Zweden. Napoleon liet zijn troepen naar den
Rijn mareheeren, de vorsten van Beieren, Baden en Wurtemberg
sloten zich bij hem aan ; Pruisen weigerde, ondanks verleidelijke
aanbiedingen.
I. DE OORLOG IN DUITSCHLAND, 1805.
In Oostenrijk was het door den aartshertog Karel ontworpen
plan tot een nieuwe organisatie van het leger niet tot rijpheid
gekomen, evenmin juichte men het denkbeeld omtrent de vorming
eener schutterij toe, dat vooral door aartshertog Johan met warmte
werd voorgestaan. Desniettegenstaande waren twee Oostenrijksche
legers gereed orn uit te trekken; het eene (van 120,000 man)
onder aanvoering van den aartshertog Karel, Oostenrijks uitste-
kendsten veldheer, trok naar Italië, waar Napoleon verwacht
werd; het andere (van 70,000 man) trok onder leiding van den
onbekwamen generaal Mack door Beieren, dat met Frankrijk ver-
bonden was, naar Zwaben tot aan den voet van het Schwarzwald.
Napoleon zond Masséna naar Italië, en koos Duitschland tot het
tooneel zijner eigen daden. Na een reeks van kleine gevechten
en schermutselingen vielen de Franschen in Beieren, gedeeltelijk
over Pruisisch grondgebied; Mack, in den rug aangevallen, werd
te Ulm ingesloten, en gaf, radeloos en wanhopend, reeds na
4 dagen de vesting en het leger aan den vijand over. Het Rus-
sische leger onder Kutusow, dat reeds bij den Inn stond, werd
hierdoor genoodzaakt naar Moravië terug te trekken om daar op
versterking te wachten. Napoleon rukte nu, bijna zonder tegen-
stand te ontmoeten, Oostenrijk binnen; Murat bezette Weenen,
terwijl de verspreide overblijfselen der Oostenrijksche armee bij
het Russische leger een schuilplaats zochten. Inderdaad vereenigden
zich de Oostenrijkers in Moravië met de Russen t en deden een
aanval op het Fransche leger om Napoleon van Weenen te ver-
wijderen en naar het Noorden te dringen, maar deze behaalde
op de verbonden legers in den zoogenaamden driekeizersslag
b\\j Austerlitz (op den verjaardag zijner kroning, 2 Dec. 1805)
-ocr page 166-
158
een zoo beslissende overwinning, dat keizer Frans, zonder de hulp-
troepen af te wachten, die reeds onderweg waren, na een mond-
gesprek met Napoleon in diens bivouak, een wapenstilstand en
kort daarna (26 Dec.) den nadeeligen vrede te Presburg sloot.
Bij dien vrede moest hij van liet Venetiaansche gebied, dat hij bij
den vrede te Campo Formio had verkregen, afstand doen ten
behoeve van het koninkrijk Italië; Tyrol kwam aan Beieren, de
Oostenrijksche bezittingen in Zwaben vielen aan de niet Napoleon
verbonden vorsten van Beieren, Wurtemberg en Baden, die tevens
tot souvereine vorsten (Beieren en "Wurtemberg tot koninkrijken,
Baden tot een groothertogdom) verheven werden. Pruisen, dat
tot de Oostenrijksch-Russische coalitie slechts voorwaardelijk was
toegetreden en met een oorlogsverklaring gedreigd had, moest
eenig gebied aan Frankrijk afstaan en Hannover (zonder Engelancls
toestemming) in ruil daarvoor aannemen. Napoleon trok van die
overwinningen partij om zijn bondgenoolen te beloonen en om zijn
verwanten en getrouwste en bekwaamste dienaren met bezittingen
en titels te verrijken. Omdat Napels de landing eener Russisch-
Engelsclie vloot gedurende den oorlog niet bad belet, verklaarde
Napoleon den koning van Napels van zijn waardigheid vervallen,
en schonk bet rijk aan zijn oudsten broeder Jozef weg. Aan
zijn jongeren broeder Lodewijk gaf hij de Bataafscbe republiek,
als een koninkrijk Holland; aan zijn zwager Joachim
Murat de door Pruisen en Beieren afgestane hertogdommen Kleef
en Berg. De door Napoleon met kronen begiftigde bloedverwanten
moesten het familie-statuut bezweren.
In 1806 nam ook het Duitsche Rijk een smadelijk einde»
Zestien vorsten van zuidelijk en westelijk Duitschland (Beieren,
"Wurtemberg, Baden, Hessen-Darmstadt, Kleef en Berg) scheurden
zich van het rijk los en stichtten te Parys het Rijnverbond,
waarvan zij Napoleon tot Protector benoemden. In Builschland
stond aan het hoofd van dit verbond, waarbij zich ook Noord-
duitsche vorsten en de keurvorst (sedert koning van Saksen) m. z.
bl. 160) aansloten, de (geestelijke) vorst-Primaat Karel van Dalberg.
De leden namen de verplichting op zich Frankrijk in iederen ooi log
dien het op het vasteland zou ondernemen, met een contingent
te hulp te komen. Frans II, die reeds in 1804, ten einde in
rang voor Rusland en Frankrijk niet te moeten onderdoen, den
-ocr page 167-
159
titel van erfelijk keizer van Oostenrijk, onder den naam
van Frans I, had aangenomen, hield op opperhoofd van het
Duitsche rijk te zijn. Het rijkskamergericht te Wetzlar, de
rijkshofraad te Weenen en de rijksvergadering te Neurenberg
werden ontbonden. Vele tot dusver onmiddelijk van het rijk
afhankelijke standen werden gemediatiseerd en aan de souveroini-
teit der leden van het Rijnverbond onderworpen. (De boekhan-
delaar Palm doodgeschoten).
2. OORLOG TER ZEE MET ENGELAND.
Frankrijks pogingen tot een landing in Engeland waren volkomen
mislukt; men kon het kanaal niet overkomen, een storm teisterde
de vloot en admiraal Villeneuve, die de Fransche en Spaansche
schepen (onder Gravina) noordwaarts zou brengen, werd door
den slag bij Finisterre genoodzaakt Cadix binnen te loopen.
Nelson lokte namelijk de gecombineerde vloot (onder Villeneuve
en Gravina) door een geveinsden terugtocht uit de haven van
Cadix, en versloeg haar bij het voorgebergte Traf al ga r (1805),
maar sneuvelde zelf in den slag. Napoleon zag nu van zijn plan,
Engeland rechtstreeks aan te vallen, af, maar wilde het door de
onderwerping van het vasteland van iedere verbinding met het
overige Europa afsluiten; daarom bracht Engelands overwinning
aan het vasteland niet slechts geen verlichting, maar zelfs nog
zwaarderen druk.
§ 11.
De vierde coalitie tegen Frankrijk, 1806 en 1807.
Sedert de stichting van het Rijnverbond en ten gevolge van
herhaalde aan den staat toegevoegde beleedigingen heerschte in
Pruisen, dat na den vrede van Bazel niet meer gestreden had,
een oorlogzuchtige stemming. De koning besloot aan Frankrijk
den oorlog te verklaren, toen Napoleon trouweloos genoeg was
geweest, om bij de met Engeland aangeknoopte vredesonderhan-
delingen aan dien staat de herstelling in het bezit van Hannover
te beloven, ten einde op die wijze de door Pruisen bedoelde stichting
van een Noordduitsch verbond te keer te gaan. In aller \\jl en onge-
-ocr page 168-
160
merkt trok Napoleon, gebruik makende van Pruisens aarzeling en
voor dat het hulp van zijn bondgenooten kon verkrijgen, aan den
Main een leger van 200,000 man samen en overwon de beide
hoofddeelen van het Pruisische leger in den dubbelen slag bij
Jena en Auerstadl (1806). Hij zelf overwon bij Jena den vorst
van Hohenlohe, terwijl zijn maarschalk Davoust bij Auerstadt het
hoofdleger versloeg, welks aanvoerder, de twee en zeventigjarige
hertog Ferdinand van Brunswijk, terstond bij het begin van den
slag een doodelijke wonde ontving. De keurvorst van Saksen, die
Pruisen bijstand verleend had, verkreeg een vrede en de koninklijke
waardigheid, waartegen hij, even als de Saksische hertogen, zich
bereid verklaarde tot het Rijnverbond toe te treden. He verspreide
afdeelingen van het overwonnen leger legden op verschillende
plaatsen de wapenen neder; de belangrijkste vestingen vielen, zonder
dat er bijna tegenstand geboden werd, in handen van den vijand.
Weldra trok Napoleon Herlijn binnen. Nog in 1806 vaardigde
hij hier het continentaalstelsel uit, dat allen handel van
Engeland met het vasteland verbood. Zoo hoopte hij Engeland
ten onder te brengen.
De Polen, die langs dien weg de herstelling hunner onafhan-
kelijkheid hoopten te verkrijgen, kozen de zijde van Frankrijk,
en met hen viel Napoleon de met het overschot van het Pruisische
leger versterkte Russen, die door den invloed van Frankrijk ook
in een oorlog met Turkije gewikkeld waren, aan. Na verscheidene
hardnekkige en bloedige, maar niet beslissende gevechten werd
(1807) bij Pruisisch-Eylau een hoogst moorddadige veldslag
geleverd. Ook deze maal bleef het onbeslist aan welken kant de
overwinning was. Beide partijen verlieten uitgeput en verzwakt
het slagveld, en betrokken voor de tweede maal de winterkwar-
tieren. Te vergeefs trachtte Napoleon door vredesvoorstellen den
koning van Pruisen van het verbond met Rusland afkeerig te
maken. Vier maanden lang rustten de wapenen. In dien tijd
ontving Napoleon hulptroepen uit Polen, van het Rijnverbond en
zelfs uit Spanje. Eindelijk werd de oorlog beslist door Napoleons
overwinning op de Russen en Pruisen bij Friedland. Na een
bijeenkomst van Alexander en Napoleon werd de vrede te
Tilsit met Rusland en Pruisen gesloten. Pruisen verloor zijn
Poolsche provinciën, die als hertogdom Warschau aan den
-ocr page 169-
161
koning van Saksen kwamen, moest afstand doen van het land
tusschen Rijn en Elbe, waaruit het koninkrijk Westphalen
onder Napoleons jongsten broeder, J ë r ó m e, gevormd werd en
zag zich bovendien nog gedwongen tot liet betalen van een groote
oorlogsschatting. Het Rijnverbond werd tot over Mecklenburg uit-
gestrekt, en bevatte thans geheel het voormalige Duitsche rijk,
met uitzondering van Oostenrijk, Pruisen (dat, behalve het eigen-
lijke Pruisen, alleen nog de Marken, Pommeren en Silezië bezat)
en Holstein. Rusland ontruimde Moldavië en Wallachije en sloot
vrede met de Porte; Zweden, dat uit verbittering over den vrede
van Tilsit de gezanten van Rusland en Pruisen wegzond en den
oorlog met Napoleon voortzett\'e, verloor zijn laatste bezittingen
in Duitschland, Rügen en Stralsund, aan Frankrijk.
§ 12.
De oorlog in Portugal en Spanje, 1808—1814.
Portugal had, als oude bondgenoot van Engeland, zich om
het continentaalstelsel niet bekreund. Dit was voor Napoleon reden
genoeg, om een Fransch leger onder .luiiot derwaarts te zenden;
de Portugeesche koning Joan VI ontweek het onheil en stak met
zijn familie naar Brazilië over.
Maar Napoleon meende zijn geliefkoosd plan, Engeland van alle
gemeenschap met Europa af te scheiden, niet te kunnen door-
drijven, alvorens hij ook Spanje van zich had afhankelijk ge-
maakt. Een twist tusschen den zwakken koning Karel IV en
diens zoon Ferdinand verschafte hem de gewenschte gelegenheid,
om zich in de aangelegenheden van dat schiereiland te mengen.
Terwijl al meer en meer Fransche troepen Spanje binnenrukten,
eischte Napoleon voor de in Spanje verblijf houdende Franschen
gelijke rechten met de inboorlingen, en verlangde afstand van de
zuidelijke hellingen der Pyreneeën in ruil voor een deel van Por-
tugal. Het plan, om het koninklijke gezin naar Amerika te doen
vluchten, werd door den opstand van het volk verijdeld. Karel IV
deed nu afstand van den troon, maar trok dit besluit weer in,
toen Murat Madrid binnengerukt was. Napoleon, als scheidsrechter
tusschen vader en zoon, lokte hen (benevens de koningin en haar
Pütz, N. Gesch.                                                                   11
-ocr page 170-
162
gunsteling Godoy, den vredevorst) naar Bayonne, en noodzaakte
hen een verdrag te onderteekenen, waarbij zij beiden afstand deden
van Spanje ten behoeve van Napoleons broeder Jozef, den koning
van Napels. Tot koning van Napels werd Murat benoemd. De
geheele natie liep verontwaardigd te wapen, ten einde den koning,
dien men hun door list en geweld had opgedrongen, uit het land
te verdrijven. En inderdaad zag deze zich ook genoodzaakt, kort
nadat hij zijn intrede in de hoofdstad van Spanje had gedaan,
haar weder te verlaten. Te gelijker tijd verdreef een Engelsch
leger de Franschen uit Portugal. Op die tijding ijlde Napoleon,
die op een samenkomst met keizer Alexander te Erfurt (1808)
van dezen de verzekering had ontvangen , dat hij in geval van een
oorlog met Oostenrijk op zijn hulp kon rekenen, aan het hoofd
van een geducht leger (350,000 man) zelf naar Spanje, en trok
na verscheidene gelukkige gevechten Madrid binnen. Nadat hij
koning Jozef schier ondanks zich zelven op den troon had hersteld
en de Engelschen gedwongen had Spanje te verlaten, keerde hij
zelf naar Frankrijk terug, daar een nieuwe oorlog met Oostenrijk
te wachten was. Toen ook de vesting Saragossa, ondanks held-
haftige verdediging, voor de macht der vijanden was bezweken,
scheen het dat Spanje insgelijks bestemd was het juk der vreemde
overheersching te dragen. Maar koning George III sloot een ver-
bond met Spanje, en zijn leger onder Wellington behaalde bij
Talavera (1809) op koning Jozef een twijfelachtige overwin-
ning, die zonder belangrijke gevolgen bleef. De Franschen, door
licht gewapende benden (guerilla-benden) onophoudelijk ver-
ontrust en gekweld, trokken al verder en verder naar het Zuiden
van het schiereiland; maar alle pogingen, om het door een Spaansch-
Engelsche vloot gerugsteunde Cadix te nemen, bleven vruchteloos,
en de schitterende overwinning van Wellington bij Salamanca
(op maarschalk Marmont) gaf aan den oorlog een voor Spanje zoo
gunstige wending, dat Jozef zich genoodzaakt zag Madrid voor
eenigen tijd te verlaten. Het beleg van Cadix (dat 2x/2 jaar
o-eduurd had) werd opgebroken. Na den ongelukkigen veldtocht
in Rusland riep Napoleon een gedeelte van zijn leger uit Spanje
terug, en een tweede groote overwinning, die Wellington bij
Vittoria in 1813 op Jourdan behaalde, besliste het lot van
Spanje. Koning Jozef ontsnapte naar Frankrijk. Een nieuw Fransch
-ocr page 171-
163
leger (onder Soult) werd door Wellington over de Pyreneeën
teruggedreven. Ferdinand VII keerde, toen Napoleons heerschappij
reeds haar einde had bereikt, naar Spanje terug.
§ 13.
Opheffing der wereldlijke macht van den paus, 1809.
Reeds kort na zijn kroning had Napoleon het plan opgevat
den paus van zijn wereldlijke macht te berooven, den zetel van
de pauselijke regeering naar Parijs over te brengen, en zich van
den persoon van den paus te bedienen als van een middel, om
zijn gezag over Europa nog meer te versterken en uit te breiden.
Toen de paus hardnekkig bleef weigeren om tot het continentaal-
stelsel toe te treden en met Napoleon althans een verbond tegen
de Turken en de Protestantsche mogendheden te sluiten, zond
Napoleon een leger naar Rome, en bepaalde bij een keizerlijk
besluit de opheffing der wereldlijke macht van den
paus en de vereeniging van den Kerkdijken Staat met het Fransche
rijk. Pius VII sprak over allen, die dien gewelddadigen maatregel
beraamd en ten uitvoer gelegd hadden, den banvloek uit. Napoleon
liet hem gevangen nemen en naar Savona overbrengen, waar hij
drie jaren lang werd gevangen gehouden. Ondanks verscheidene
voorstellen, die men deed, bleef hij standvastig weigeren, om van
zijn wereldlijk gezag afstand te doen en den zetel zijner regeering
naar Parijs over te brengen. In den zomer van het jaar 1812
werd hij naar Fontainebleau gebracht, ten einde een nieuw con-
cordaat met den keizer te sluiten, en eerst in 1814, na den val
van Napoleon, keerde hij naar Rome terug.
§ 14.
Oostenrijk in oorlog met Napoleon, 1809.
Toen Napoleon na den vrede te Tilsit in een oorlog met Spanje
gewikkeld was en door zijn twisten met den paus ook nog van
een anderen kant werd bezig gehouden, geloofde men te Weenen
het gunstige tijdstip gekomen om nog eens een ernstige po-
ging tot herstel der vrijheid van Europa aan te wenden. Dat
Oostenrijk daartoe het initiatief nam, zou aan dien staat weder
-ocr page 172-
164
zijn oud staatkundig gezag in de aangelegenheden van Europa
verschaffen. Met dat doel dus legde zich aartshertog Karel met
voorbeeldigen ijver er op toe, om in de organisatie van het krijgs-
wezen belangrijke verbeteringen te brengen. Men rekende op het
toetreden van Pruisen, waar Stein toen aan het hoofd stond , maar
deze werd door Napoleon in den rijksban gedaan en zoo stond
Oostenrijk alleen. Toen Napoleon, die van deze oorlogstoerustingen
niet onkundig bleef, de vorsten van het Rijnverbond uitnoodigde
hun contingenten te wapen te roepen, besloot het hof te Weenen
den aanval der Franschen te voorkomen. De broeders van den
keizer, de aartshertogen Karel en Johan, riepen, als opperbevelheb-
bers van het tegen Beieren en Italië oprukkende leger, de volken
van Duitschland bij alom verspreide proclamatiën op, om aan den
strijd deel te nemen, dien Oostenrijk op het punt was voor de
vrijheid van het Duitsche vaderland te aanvaarden. Maar hun stem
vond (behalve in Tyrol) geen weerklank in Duitschland. Het leger,
dat onder aanvoering van aartshertog Karel, Beieren was binnen-
gerukt, werd door Napoleon na vijf dagen van bijna onophoudelijk
voortdurende gevechten (Eckmühl) teruggedreven, en Weenen
voor de tweede maal door de Franschen ingenomen. Zonder te
vertoeven, ijlde Napoleon den aartshertog Karel, die (helaas te laat)
tot ontzet aansnelde, te gemoet, en leed na een strijd, die twee
dagen duurde, bij Aspern, de eerste nederlaag. Hij ver-
eenigde zich met de Italiaansche armee, die zich onder bevel van
Eugène Beauharnais bij hem voegde, trok voor de tweede maal
over den Donau, en behaalde in den veldslag bij Wagram een
beslissende overwinning op aartshertog Karel, die hij tot in
Moravië vervolgde. Nu werd er een wapenstilstand gesloten, die,
na een vergeefsche landing der Engelschen op Walcheren, ten
einde de aan de monden der Schelde gelegen Fransche vloot te
vernielen, gevolg werd door den zoogenaarnden Ween er vrede
(geteekend te Schönbrunn). Oostenrijk moest zijn leger tot op
150000 man verminderen, een oorlogscontributie van 85 millioen
francs betalen en de Tyrolers, die onder aanvoering van Andreas
Hof er drie malen de Franschen en Beierschen uit hun land ver-
dreven hadden, zagen een deel van hun grondgebied weer aan
Beieren teruggegeven. Een ander deel werd gevoegd bij den nieuwen
staat der zeven lllyrische provinciën, dien Napoleon
-ocr page 173-
165
zelf nam. Hofer werd — in strijd met de uitspraak van den
krijgsraad te Mantua — op bevel van Napoleon doodgeschoten (1810).
Verscheidene pogingen, om de Duitsche natie tot een algemeenen
opstand tegen de Franschen aan te zetten, leden schipbreuk op
de vrees der vorsten en de besluiteloosheid en loomheid van het
volk, en strekten hun, die aan het hoofd van dergelijke onder-
nemingen stonden, tot verderf. De Pruisische majoor v o n S c h i 11,
een der heldhaftige vaderlanders en bevelhebber van een corps,
dat hij zelf (1806) gevormd had, verliet met een regiment huzaren
van 600 man Berlijn, en noodigde zijn onderhoorigen uit met hem
uit te trekken, ten einde Duitscldand van de vreemde overheersching
te bevrijden. Maar daar op hetzelfde tijdstip de tijding van Napoleons
overwinningen bij den Donau aankwamen, vond hij nergens tot de
uitvoering van zijn heldhaftig plan de hulp, waarop hij gerekend
had. Hij sneuvelde met het grootste gedeelte zijner manschappen
te Stralsund, waar hij op de Engelsche vlooi een schuilplaats hoopte
te vinden; 11 zijner officieren werden gevangen genomen en te
Wezel door de Franschen dood geschoten.
§ 15.
Napoleon op het toppunt zijner macht, 1810—1812.
Napoleon wenschte zijn heerschappij nog meer te bevestigen
door haar erfelijk te maken en tevens aan zijn dynastie door de
verbinding met een oud vorstelijk geslacht een soort van legitimiteit
te verschaften. Te dien einde liet hij zich van zijn eerste gemalin,
de edele Josephine de Beauhamais, scheiden, en trad (1810) in
den echt met Maria Louisa, de dochter van keizer Frans I.
Uit dat huwelijk werd een zoon geboren in 1811, die den titel
van koning van Rome verkreeg.
Des keizers broeder Lodewijk, huiverig om door stipte en strenge
naleving der bepalingen van het continentaalstelsel het land, waar-
over hij gesteld was, te gronde te richten, deed afstand van de
kroon ten behoeve van zijn zoon. Maar Napoleon weigerde dien
maatregel door zijn goedkeuring te bekrachtigen, en vereenigde
«eheel Holl and (»een aanslibsel van Fransche rivieren") met
Frankrijk (1810). Onder hetzelfde voorwendsel en ondanks de
herhaalde verzekering, dat hjj den Uijn niet zou overtrekken,
-ocr page 174-
166
werden ook de op de noordelijke kust van Duitschland gelegen
landen (een groot gedeelte van het koninkrijk Westphalen, de
Hansesteden, het groothertogdom Berg, Oldenburg en Oostfriesland)
bij het keizerrijk ingelijfd. Hetzelfde was reeds vroeger ten opzichte
van Toskane, den Kerkdijken Staat, en het op zich zelf staande
kanton Wallis (later het departement Simplon) bepaald. Gus-
taaf IV van Zweden (1792—1809) bleef ook na den vrede
van Tilsit in oorlog met Frankrijk, maar werd aangevallen door
Rusland en Denemarken. De verkeerde maatregelen der regeering
hadden een opstand van het leger ten gevolge, die met de ont-
troning des konings eindigde. De hertog van Südermanland,
Karel XIII, werd koning, Christiaan Augustus van Holstein en
Augustenburg kroonprins. Finland kwam aan Rusland. Nadat de
kroonprins in 1810 plotseling gestorven was, koos men den Franschen
maarschalk Bernadotte, die tot den Lutherschen godsdienst
overging en de namen Karel Johan aannam, tot opvolger, op den
troon (m. z. later).
Het keizerrijk bevatte, na deze nieuwe uitbreiding zijner grenzen,
130 departementen, en strekte zich langs de kusten van het
westelijk en zuidelijk Europa uit van Lubeck en den mond der
Elbe tot Triest en Corfn. Oostenrijk en Pruisen waren machteloos.
§ 16.
Napoleons veldtocht tegen Rusland, 1812.
Op Katharina II was in 1796 haar zoon Paul gevolgd, die tot
1801 regeerde. Deze vorst had veel goeds, maar ook zeldzame
grillen. Hij zond Suwarow tegen Frankrijk, doch riep hem weder
terug, omdat de Russen in Holland en Zwitserland tegenspoed
hadden gehad, en Suwarow niet genoeg door de Oostenrijkers
geëerd werd. Vervolgens liet hij zich door het teruggeven der
in Noord-Holland gevangen genomen Russen tot vriendschap met
Napoleon bewegen, en werd eindelijk door de grooten, die hem
krankzinnig en een ramp voor Rusland noemden, vermoord. Hij
werd opgevolgd door zijn zoon Alexander I (1801—1825).
Deze hielp Oostenrijk en Pruisen tegen Napoleon en deed Rus-
sische troepen deelnemen aan de veldslagen bij Austerlitz, Eylau
en Friedland. Vervolgens sloot hy vrede met Napoleon te Tilsit;
-ocr page 175-
167
hij kreeg oorlog met fle Turken, doch eindigde dien spoedig (vrede
te Bucharest), omdat hij aan Napoleons gestrenge eischen aan-
gaande het continentaalstelsel niet wilde voldoen. Ruslands handel
werd daardoor op verontrustende wijze belemmerd, en toen Na-
poleon een nog stiptere naleving der dienaangaande uitgevaardigde
bepalingen eischte, wees men zijn aanzoek van de hand, en begon
zich tot den oorlog gereed te maken. Daarbij kwam de vergroo-
ting van het hertogdom Warschau met West-Galliciè, en de ge-
welddadige wijze, waarop Napoleon den hertog van Oldenburg,
die met het Russische hof door nauwe familiebanden verbonden
was, van zijn land beroofd had.
Napoleon, wien door Oostenrijk en Pruisen op de vorstenver-
gadering te Dresden hulp was beloofd, begon in Juni 1812 den
oorlog aan het hoofd van een leger van ten minste 600,000 man,
waartoe bijna al de volken van Europa hun contingenten hadden
geleverd. Met zijn gewone voortvarendheid trok hij Litthauen
binnen, en dreef de Russen, die op hun tocht alles vernielden en
verwoestten, tot Smolensko terug. Hij ontmoette geen tegen-
stand van belang, maar reeds nu begon zijn leger door de ver-
moeiende tochten en door gebrek aan levensmiddelen uitgeput te
raken. Bij Smolensko en bij Borodino aan de Moskwa (Ney)
versloeg hij de Russen, doch leed zelf een even groot verlies als
de overwonnen vijanden. In September hield hij zijn intocht in
de door haar bewoners verlaten hoofdstad Moskou, die eenige dagen
later door een vreeselijken, waarschijnlijk door den gouverneur der
vesting (Rostopschin) zelven aangestoken brand, voor het grootste
gedeelte in de asch gelegd werd.
Desniettegenstaande vertoefde Napoleon, door vredesonderhande-
lingen om den tuin geleid, nog 5 weken binnen de puinhoopen
van Moskou. Te laat besefte hij dat men hem lagen gelegd had.
In October begon hij den noodlottigen terugtocht langs denzelfden
weg, waarop hij Rusland binnengekomen was; want zijn plan
om een zuidelijken weg te nemen, was door den slag bij Malo-
Jaroslawetz verijdeld. Het leger, door volslagen gebrek aan levens-
middelen, door ziekten van menschen en paarden en een buiten-
gewoon vroegen en feilen winter geteisterd, door de gedurige
aanvallen der Russen en Kozakken gekweld, werd op den terug-
tocht door onbeschrijfelijke ellende geteisterd. Nagenoeg een half
-ocr page 176-
168
millioen soldaten was met Napolon den Niemen overgetrokkon,
en nauwelijks 30,000 daarvan keerden na den overtocht over
de Beresina (geleid door Ney en Oudinot) naar hun vaderland
terug. Maar die overtocht was ook het laatste schitterende wa-
penfeit van het Fransche leger. Er was van geen geregelden
terugtocht meer sprake; ieder trachtte zich te redden zoo goed
hij kon, vooral toen Napoleon, aan de mogelijkheid om zulke ver-
liezen te herstellen, wanhopende, naar Parijs teruggeijld was, waar
zijn tegenwoordigheid noodzakelijk vereischt werd tot onderdruk-
king eener samenzwering, aangegaan tot herstelling der republiek.
Generaal York, die aan het hoofd der Pruisische hulptroepen stond,
en den terugtocht van Macdonald zou dekken, scheidde zich van
de Franschen, en sloot met den Russischen generaal Diebitsch een
neutraliteitsverdrag te Tauroggen. Napoleon trachtte later deze
capitulatie als een laagheid en trouweloosheid, en als den eigen-
lijken grond van zijn ongeluk voor te stellen.
§ 17.
De groote vrijheidsoorlog der geallieerden tegen Napoleon,
1813 en 1814.
Napoleon merkte de capitulatie van generaal York als verraad
aan, en gebruikte haar als voorwendsel, om een nieuwen oorlog
tegen de Pruisen te ondernemen. Koning Frederik Willem III
riep te Breslau (Berlijn was nog door de Franschen onder Augereau
bezet) door een proclamatie allen die in staat waren de wapenen
te dragen, tot bevrijding van het vaderland op. Met geestdrift
gaven volk en leger aan die uitnoodiging gehoor. Alles snelde te
wapen, en de blijde moed, waarmede men den aanstaanden oorlog
te gemoet zag, was de eerste waarborg voor de herstelling van
Duitschlands vrijheid en zelfstandigheid. De koning van Pruisen
sloot (te Kalisch) een verbond met Rusland tot herstelling der
Pruisische monarchie (van vóór 1806). Ook Zweden en Engeland
traden tot dit verbond toe, en in Maart werd aan Frankrijk de
oorlog verklaard (Landwehr; Scharnhorst; Gneisenau).
Met een nieuw leger, dat echter voor het grootste gedeelte uit
jonge en ongeoefende troepen bestond, verscheen Napoleon reeds
in het voorjaar van 1813 in Saksen en overwon de Pruisen en
-ocr page 177-
10»
Russen eerst bij Lützen of Grossgörschen en daarna bij
Bautzen. Toen echter de geallieerden den terugtocht niet inde
richting van Berlijn, maar naar Silezië aannamen, ten einde van
de verbinding met Oostenrijk niet afgesneden te worden, sloot de
overwinnaar, om de vereeniging der drie mogendheden te beletten,
een wapenstilstand, die echter noodlottig voor hem werd.
Een vredescongres te Praag leverde volstrekt geen uitkomsten
op. Ook Oostenrijk verklaarde Napoleon den oorlog en wees
diens latere voorstellen, om al de eischen van Oostenrijk in te
willigen, van de hand. De verbonden mogendheden hadden zich
den tijd van den wapenstilstand ten nutte gemaakt, en wonnen
het nu ook in aantal van troepen van hun tegenstander. Door
Engelsch geld ondersteund, hadden zij over minstens 500,000 man
te beschikken, die, van Teplitz tot Hamburg, in drie hoofdlegers
verdeeld waren: 1) Het groote Boheemsche leger onder
Schwarzenberg (in wiens kamp zich ook de drie verbonden monar-
chen en de generaal Moreau bevonden). 2) Het Silezische
leger onder Blücher. 3) Het noo rdelijke leger onder den
Zweedschen kroonprins Karel Johan Bernadotte. Tegenover die
geduchte macht kon Napoleon 440,000 man stellen, die langs
de Elbelinie van de grens van Bohemen tot Hamburg geplaatst
waren en waarmede hij zijn tegenstanders hoopte te verslaan.
In de nabijheid der Pruisische hoofdstad bij Grossbeeren,
werd de eerste slag in dezen nieuwen veldtocht geleverd. Berna-
dotte, die eigenlijk in de nationale zaak der üuitschers weinig
belang stelde, wilde wel terugtrekken, maar Bülow viel den
vijand aan en versloeg hem. Drie dagen later behaalde Blücher
een overwinning bij de Katzbach op Macdonald, doch Schwar-
zenberg leed bij Dresden een nederlaag tegen Napoleon. De
slag bij Dresden was de laatste groote slag op Duitsch grondgebied,
die door Napoleon gewonnen werd. Toen Napoleon voor eeu
vereeniging der drie legers achter zijn rug begon te vreezen,
verliet hij Dresden om niet van Frankrijk afgesneden te worden
en vereenigde zijn macht bij Lei pzig, waar hij in den driedaag-
schen volkenslag (16—18 October) door de overmacht der
geallieerden een beslissende nederlaag leed. De Beieren hadden even
g vóór den slag de zijde der geallieerden gekozen, terwijl \'t Wur-
tembergsche leger gedurende het gevecht overliep. Een poging
-ocr page 178-
170
van het Beiersclie leger om den Franschen troepen liet overtrekken
van den Rijn te beletten, mislukte, door Napoleons overwinning
bij Ilanau.
De onmiddellijke gevolgen van de nederlaag bij Leipzig waren
nog belangrijker dan die der Russische catastrophe, te weten:
1) de ontbinding van het Rijnverbond; 2) de ontbinding van het
koninkrijk Westphalen. 3) De ontruiming der nog door de Fran-
schen bezette vestingen. 4) Het bezetten van Holland door Bülow.\'
Denemarken, dat een verbond met Napoleon had gesloten, werd
door den kroonprins van Zweden na een korten veldtocht bij den
vrede van Kiel (1814) gedwongen Noorwegen af te staan. 5) Illyrië
en het Zuiden van Tyrol kwamen na een reeks van bloedige ge-
vechten weder in de macht der Oostenrijkers. Zelfs Murat liet
zijn zwager Napoleon in den steek, en koos de zijde der geallieerden.
Wellington drong, November 1813, Frankrijk in het Zuiden binnen.
DE GEALLIEERDEN VALLEN IN FRANKRIJK, 1814.
Met het begin van het jaar 1814 verschenen de geallieerden
in Frankrijk; het hoofdleger onder Schwarzenberg was tusschen
SchafThausen en Bazel den Rijn overgetrokken; het leger van
Blücher trok in den nieuwjaarsnacht bij Mannheim, Caub en Coblenz
die rivier over. Beide legers drongen, op hun tocht de vestingen
vermijdende, tot Champagne door. Napoleon trachtte de vereeniging
der beide legers te voorkomen, wat hem echter niet gelukte.
Na de nederlagen bij L a o n en bij A r c i s vatt\'e hij nog het
stoutmoedige plan op, den weg naar Parijs voor.de vijandenopen
te laten, hen (door een tocht naar Lotharingen) in den rug te
vallen, de bezettingen uit de oostelijke vestingen mobiel te maken
en bij zijn leger te voegen, en het volk tot den oorlog aan te
zetten. Doch de geallieerden trokken echter met niet mindere
vermetelheid tegen de hoofdstad op, bestormden de hoogten van
Montmartre, en hielden, met keizer Alexander, koning Frederik
Willem en vorst Schwarzenberg aan het hoofd, op 31 Maart,
ten gevolge eener capitulatie, hun intocht in Parijs. De
senaat (geleid en gepresideerd door Talleyrand) verklaarde Napo-
leon en zijn familie vervallen van de heerschappij.
Deze kwam slechts eenige uren te laat, en deed te Fontainebleau
-ocr page 179-
171
voor zich en zijn erfgenamen afstand van iedere aanspraak op
Frankrijk, Italië of eenig ander land; daarentegen ontving hij van
de geallieerden het eiland Elba als souverein vorstendom, benevens
een jaarlijksche rente van 2 millioen francs, door Frankrijk te
voldoen ; zijn gemalin verkreeg de hertogdommen Parma en Piacenza.
Aan Napoleons zoon en verwanten werden pensioenen toegekend.
Denzelfden dag, waarop Napoleon te Elba landde, deed Lodewijk XVIII
zijn intocht te Parijs. De nieuwe koning sloot met de geallieerden
den vrede te Parijs (30 Mei), waarbij bepaald werd dat Frank-
rijk , op een kleine uitbreiding in het Oosten (Avignon, Venaissin
en stukken van Savoye) en Noordoosten (gedeelten van België) na,
zijn oude grenzen zou herkrijgen, zoo als die in Jan. 1792 waren
geweest.
Tot definitieve bepaling en regeling der Europeesche en vooral
der Duitsche aangelegenheden werd een groote bijeenkomst ge-
houden , bekend onder den naam van het
Congres van Weenen (Nov. 1814—Juni 1815). De mach-
tigste vorsten van Europa (de keizers van Oostenrijk en Rusland, de
koningen van Pruisen, Denemarken, Beieren en Wurtemberg) en
vele andere vorsten, diplomaten en veldheeren waren hier vergaderd.
De voornaamste leden van het congres waren: Metternich voor
Oostenrijk, Talleyrand voor Frankrijk, Castlereagh voor
Engeland, Nesselrode voor Rusland, Hardenberg voor Pruisen.
Na langdurige beraadslagingen (vooral over het lot van Napoleons
bondgenooten en dat van Polen en Saksen), die ten laatste door
de tijding van Napoleons terugkeer bespoedigd werden, was het
volgende vastgesteld:
1)  Oostenrijk kreeg de Illyrische provinciën, Tyrol en Salz-
burg terug, maar niet de Zuidelijke Nederlanden, waarvoor het
het Lom bard ijsch-Venetiaansche koninkrijk bekwam.
2)   Rusland, waaraan men, om het niet te verbitteren,
stilzwijgend het grondgebied, dat het gedurende het tijdvak der
revolutie op Turkije en Zweden had veroverd, liet behouden,
ontving het grootste gedeelte van het hertogdom Warschau als
een afzonderlijk koninkrijk Polen. Krakau werd een gemeenebest.
3)    Aan Pruisen kwamen het westelijk gedeelte van het
hertogdom Warschau (thans de provincie Posen), zqn vroegere
-ocr page 180-
172
bezittingen in Westphalen, de Beneden-Rijn, het groothertogdom
Berg en de grootste helft van Saksen.
4)  Beieren verkreeg voor de aan Oostenrijk teruggeven landen
(Tyrol, Salzburg, het «Innviertel") de Palts op den linker Rijn-
oever.
5)    Engeland bleef in het bezit van Malta, Helgoland, een
gedeelte van de veroverde koloniën en het beschermheerschap over
de republiek der 7 Ionische eilanden. George III kreeg het
vroegere keurvorstendom Hannover, met Oostfriesland en stukken
van Westphalen vergroot, als koninkrijk terug.
6)   Nederland werd met de vroegere Oosten rij ksche Neder-
landen en het bisdom Luik vereenigd en tot een koninkrijk
der Nederlanden verheven onder Willem I, zoon van den
voormaligen stadhouder.
7)   In de plaats van het Duitsche rijk trad het Duitsche
verbond. De 38 nog souvereine Duitsche staten zonden tot
iKMaadslaging over onderwerpen van algemeen belang hun afge-
vaardigden naar de permanente bondsvergadering te Frankfort aan
den Main, waarvan de keizer van Oostenrijk voorzitter was. Zij
waren onafhankelijk van elkander en zelfstandig; Wei mar, Meeklen-
burg-Schwerin en Strelitz werden tot groothertogdommen verheven;
Luxemburg werd een groothertogdom onder Willem I, koning
van Holland, die daardoor lid van het Duitsche verbond was.
Frankfort aan den Main, Lubeck, Hamburg en Bremen bleven
vrije rijkssteden. Het doel van het verbond was voor Duitschlands
veiligheid te waken en zorg te dragen voor de onafhankelijkheid
en onschendbaarheid der bijzondere staten.
8)  Denemarken deed afstand van Noorwegen ten behoeve
van Zweden, en verkreeg daarvoor van Pruisen, Lauenburg. — De
Bourbons in Spanje en Napels, de paus, de koning van Sar-
dinië, waarbij Genua gevoegd werd, de groothertog van Toskane,
en de hertog van Mode na werden in hun vroegere waardigheden
en bezittingen hersteld. Maria Louisa, de gemalin van Napoleon,
kreeg Par ma en Piacenza. Zwitserland kreeg nog 3 nieuwe
kantons, zoodat er nu 22 kantons waren. — Polen (met uit-
zondering van Krakau, en het bij Pruisen gevoegde Polen) werd
als een afzonderlijk rijk en met een eigen staatsregeling door een
»personeele unie" met Rusland verbonden.
-ocr page 181-
173
§ 18.
Napoleon keert terug. Laatste strijd der geallieerden legen
hem.
, 1815 (de honderd dagen).
Misstappen der regeering, aanmatigingen der prinsen, en het
trotsche gedrag der bevoorrechte standen hadden in Frankrijk al
spoedig na den val van Napoleon bij liet volk en vooral bij het
leger algemeen misnoegen verwekt. Hierop steunende en ver-
trouwende op de gehechtheid van het leger aan zijn persoon, had
Napoleon, niet onbekend met de moeilijkheden, die zich op het
congres te Weenen (vooral ten opzichte van de Poolsche aange-
legenheden) voordeden, aan de dringende uitnoodigingen zijner
aanhangers gehoor gegeven, en was 1 Maart 1815 met ongeveer
1000 man te Cannes aan wal gestapt. Al de troepen, die tegen
hem afgezonden werden (Ney), gingen tot hem over, en reeds
op 20 Maart hield hij onder het gejuich der menigte zijn plechtigen
intocht in de Tuileriën. Lodewijk XVIII had de wijk naar Gent
genomen.
Te vergeefs trachtte Napoleon met Oostenrijk en Rusland onder-
handelingen aan te knoopen. Het was zijn ongeluk dat het congres
te Weenen nog niet geëindigd was. De aldaar vergaderde vorsten
deden hem, als verstoorder van rust en vrede, in den rijksban,
vernieuwden hun alliantie tot handhaving der rechten van Lodewijk
XVIII, en spanden al hun krachten in (er werd een leger van
900,000 man bijeengebracht), om aan den nieuwen strijd een
spoedig en gewenscht einde te maken. Napoleon had geen tijd
zich behoorlijk tot den oorlog uit te rusten. Vier groote legers
der geallieerden werden op de Fransche grenzen, van Zwitserland
tot aan de Noordzee, bijeenverzameld.
De koningen uit het huis Bourbon hadden op het congres van
Weenen geweigerd Murat als koning van Napels te erkennen.
Deze vatte derhalve na Napoleons herstelling de wapenen op, om
zich op zijn troon staande te houden, en noodigde tevens de volken
van Italië uit zich met hem te verbinden, ten einde aan de over-
heersching der vreemdelingen in Italië een einde te maken Hij
rukte naar de Po op, werd echter door de Oostenrijkers ver-
scheidene malen verslagen, en vluchtte naar Frankrijk. Toen h\\j
-ocr page 182-
174
in October een nieuwe avontuurlijke poging deed om zijn troon
te herwinnen, werd hij bij een landing in Calabrië gevangen ge-
nomen en ter dood veroordeeld.
DE LAATSTE STRIJD DER GEALLIEERDEN TEGEN NAPOLEON.
15—18 Juni 1815.
Napoleon besloot den vijand aan te vallen, en door één
grooten slag, België in zijn macht te brengen. Hij was voor-
nemens om den over België verspreiden rechter vleugel der ge-
allieerden (Engelschen , Hollanders , Belgen , Hannoveranen, Bruns-
wijkers en Nassauers onder Wellington, Pruisen onder Blücher)
te overvallen en de vereeniging der beide legers te beletten. Met
zijn hoofdleger verraste en overwon hij het nog niet geheel bijeen
verzamelde Pruisische leger onder Blücher bij Ligny (16 Juni),
terwijl Ney in een noordelijke richting tot Quatrebras optrok,
om Wellington te beletten, dat hij Blücher te hulp kwam. De
slag tusschen Ney en Wellington bleef onbeslist (hertog Frederik
Willem van Brunswijk sneuvelde). De Pruisen, in plaats van naar
Namen terug te trekken, om de verbinding met den Rijn open
te houden, zoo als Napoleon vermoedde, trachtten over Wavre
het leger van Wellington te bereiken. Te laat zond Napoleon
hen zijn veldheer Grouchy achterna, terwijl hij zelf zich met zijn
hoofdmacht tegen Wellington wendde. Bij Waterloo (de slag
wordt ook die van Mont St. Jean of la Belle Alliance ge-
noemd) ontmoetten de beide legers elkaar (18 Juni). Tot laat in
den avond hield Wellington zich tegen de Franschen staande, en
reeds begon de slagorde der Engelschen te wankelen, toen juist
op het gevaarlijkste oogenblik Blücher op het slagveld aankwam.
Engelschen en Pruisen deden nu een nieuwen aanval (vooral het
corps van Bülow) op de gelederen der Franschen, en die aanval
besliste de overwinning. Onvermoeid vervolgden de Pruisen (onder
Gneisenau) het Fransche leger, dat in de grootste wanorde zich
op de vlucht had begeven. Zoo trokken zij tot Parijs voort, waar
Napoleon reeds voor de tweede maal (22 Juni) ten behoeve van
zijn zoon afstand van de kroon had gedaan. Hij was voornemens
naar Amerika scheep te gaan, en begaf zich, toen de Pruisen hem
(te Malmaison) wilden gevangen nemen, niet dat doel naar Rochefort.
-ocr page 183-
175
Maar hij kon niet uitzeilen, zonder Engelsche schepen te ontmoeten ,
en vertrouwde zich derhalve aan de grootmoedigheid der Engelsche
regeering toe. Maar ten gevolge van een bepaling der geallieerden
werd hij als krijgsgevangene naar St. Helena overgebracht, waar
hij in 1821 aan kanker overleed.
De geallieerden trokken met Lodewijk XVIII Parijs binnen
(Talleyrand wordt minister van buitenlandsche zaken). Hier sloten
de door de vrome Mevrouw Von Krüdener beheerschte keizer van
Rusland, de keizer van Oostenrijk en de koning van Pruisen de
heilige alliantie (26 September), tot welke later alle Euro-
peesche mogendheden toetraden met uitzondering van Engeland,
den Kerkelijken Staat en Turkije. Daarbij werd bepaald dat zij
elkaar bij iedere gelegenheid hulp en onderstand verleenen, en hun
volken in den geest van den Christelijken godsdienst regeeren zou-
den. De dood van Alexander (1825) maakte een einde aan deze
alliantie, die weldra een middel was geworden om het regeerings-
gezag tegenover de eischen der volken te handhaven en elk streven
naar democratische staatsvormen te verijdelen. De invloed van
Metternich, den geslepen diplomaat, gaf aan het verbond spoedig
een reactionaire richting (congressen te Aken, Troppau, Laibach,
Verona). Bij den tweeden vrede te Parijs (20 November)
werden de besluiten van het Weener congres bevestigd, en Frank-
rijks grenzen hersteld, zoo als zij in 1790 (niet meer 1792) waren
geweest. Frankrijk moest eenig grensgebied aan de Nederlanden,
aan Pruisen, aan Beieren en aan Sardinië afstaan, 700 millioen
francs aan oorlogskosten betalen, en in zijn op de grens gelegen
provinciën een leger (van 150,000 man) der geallieerden (ge-
durende hoogstens 5 jaar) opnemen en onderhouden. De door
Napoleon in Duitschland en Italië geroofde kunst- en letterkundige
schatten moesten teruggeven worden.
-ocr page 184-
176
TWEEDE TIJDVAK.
GESCHIEDENIS VAN ONZEN TIJD, 1815 —1871.
§ 19-
Frankrijk.
A. De restauratie onder de Bourbons, 1815—1830.
Lodewijk XVIII, 1815—1824, die zijn herstelling op den
troon slechts aan de verootmoediging van Frankrijk te danken
had, wenschte door zachtheid en vergevensgezindheid de harten
van het hem weinig genegen volk te winnen. Maar de met hem
teruggekeerde partij der emigranten, met zijn jongeren broeder,
den graaf van Artois, aan het hoofd, was met de begeerte ver-
vuld , bloedige wraak op haar tegenstanders te nemen. Bij de ver-
kiezingen behaalde de partij der »Ultraroyalisten" de overwinning
(la chambre introuvable), en de koning zag zich genoodzaakt
een ministerie van royalisten (onder den hertog van Richelieu) te
vormen. Dit begon met de vervolging van hen, die zich bij
Napoleons terugkeer bij dezen hadden aangesloten. Maarschalk
Ney, die van Lodewijk XVIII het opperbevel tegen den van Elba
terugkeerenden Napoleon had overgenomen, werd als afvallige ter
dood veroordeeld en door voormalige wapenbroeders gefusilleerd
(het witte schrikbewind). De aanhangers van Napoleon
zoowel als de leden der voormalige nationale conventie, welke
vóór den dood van Lodewijk XVI hadden gestemd (de régicides),
werden voor altijd uit Frankrijk verbannen.
De rust scheen ook weldra genoegzaam verzekerd te zijn, zoodat
de hertog van Richelieu het voorstel tot ontruiming van het land
en verwijdering van het occupatieleger kon doen; dit werd door
de op het congres te Aken vereenigde monarchen, 1818, in-
gewilligd, op voorwaarde dat Lodewijk, wien ook nog een aanzienlijk
deel der achterstallige oorlogscontributie werd kwijtgescholden, tot
de heilige alliantie zou toetreden. De moord , op den hertog van
Berry (zoon van den graaf van Artois en vermoedelijke opvolger
op den troon) gepleegd in 1820, werkte de reactie in de hand.
Een ministerie, uit de hoofden der ultra-reactionaire partij (onder
Villèle) samengesteld, aanvaardde de op het congres te Verona
besloten herstelling van het absolute koningschap in Spanje. De
-ocr page 185-
177
gelukkige afloop dier onderneming deed de reactie hopen, dat zij
er in slagen zou ook in Frankrijk de laatste sporen der revolutie
te vernietigen en de bevoorrechte standen in hun vroegeren luister
te herstellen. Naar de bereiking van dit doel streefden zij onder
Karel X, 1824—1830, met blinden ijver. Zoo werd bij een
wet 1000 millioen francs als schadeloosstelling aan de emigranten
toegekend. Aan de generaals van het keizerrijk werd ontslag
gegeven. Het gevolg daarvan was, dat de gematigde royalisten
zich met de liberale oppositie verbonden, om het ministerie Villèle
te doen vallen. Na een ministerie Martignac, dat slechts korten
tijd aan het bewind was en concessiën aan het liberalisme deed,
zonder een der beide uiterste partijen te kunnen bevredigen,
benoemde Karel X een ministerie Polignac (de vertegenwoor-
diger van het ancien régime), welks leden als bepaalde tegenstanders
der constitutie beschouwd werden, en deed zoo de verbittering
der liberale partij ten top stijgen. De meerderheid der kamer
verklaarde in 1830 aan den koning, dat de politieke bedoelingen
der regeering in strijd waren met de wenschen des volks. Te ver-
geefs trachtte de koning door een oorlog tegen Algiers, welks
dey den Franschen consul bij een openbare audiëntie mishandeld had,
de aandacht der natie naar het buitenland af te leiden; de snelle
en gemakkelijke verovering van Algiers (door den gehaten
minister van oorlog, Bourmont) werd door het volk koel opge-
nomen , en bij de nieuwe verkiezingen behaalde de oppositie,
ondanks de manoeuvres der regeering en een rechtstreeksche waar-
schuwing des konings, op nieuw de overwinning. Het ministerie
besefte thans dat het bij het bestaande kiesstelsel de meerderheid
in de kamer niet kon verkrijgen, en bewoog daarom den koning,
door middel van drie ordonnantien, de vrijheid der druk-
pers, die hij bij het begin zijner regeering hersteld had, op te
heffen, de nieuw gekozen kamer te ontbinden en de
verkiezingen op een andere wijze te regelen. Deze
ordonnantiën hadden de
Juli-revolutie, 27 Juli—7 Aug. 1830, ten gevolge. Toen
namelijk de tenuitvoerlegging der ordonnantiën op den gewapenden
tegenstand van het volk van Parijs schipbreuk leed en de konink-
lijke troepen in een driedaagschen strijd (27—29 Juli) deels uit
Pütz, N. Gesch.                                                                    12
-ocr page 186-
178
de hoofdstad verdreven werden, deels tot het volk overgingen,
deed Karel X voor zich en zijn zoon, den hertog van Angoulème,
afstand van den troon ten behoeve van zijn kleinzoon Hendrik V,
hertog van Bordeaux (zoon van den in 1820 vermoorden hertog
van Berry). Inmiddels hadden de pairs en afgevaardigden hertog
Lodewijk Philips van Orleans, den zoon van Egalité (m. z. de ge-
slachtslijst op bl. 112) tot stadhouder-generaal van het koninkrijk
benoemd, en pogingen, om de republiek af te kondigen, hadden
weinig bijval gevonden. De hertog van Orleans haalde den koning
over om naar Schotland te vertrekken, waarop de kamers hem
zelven onder den naam van Lodewijk Philips tot erfelijk
TiKoning der Franschen" benoemden (7 Aug.). De nieuwe »bur-
gerkoning" deed den eed op de nieuwe, naar het beginsel der
volkssouvereiniteit gewyzigde grondwet (de charte van 1830),
waarbij het erfelijk pairschap afgeschaft en door de verlaging
van den census het aantal kiezers meer dan verdubbeld werd.
Toch bleef het kiesrecht beperkt tot de bourgeoisie, zoodat er
niet meer dan een half millioen kiezers waren. La Fayette werd
nog eens (even als in 1789) bevelhebber der nieuw opgerichte
nationale garde, maar nadat hij door zijn ijverige pogingen om de
door het hof der pairs tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde
oud-ministers van Karel X te redden, zijn populariteit had ver-
loren , werd hij door den koning bewogen het opperbevel neder te
leggen, om aan het nieuwe koningschap te gemakkelijker de
erkenning der builenlandsche mogendheden te verschaffen. Karel X
ging naar Schotland en later naar Oostenrijk (hij stierf 1836
te Görz).
B. Onder het huis Orleans, 1830 — 1848.
De eerste zorg van Lodewijk Philips was, om zijn troon,
door bewaring van rust binnenslands en van vrede met het buiten-
land , stevig te schragen. Dat hij zijn verheffing niet als een uit-
vloeisel der volksgunst, maar enkel als legitieme erfopvolging (van
de jongere lijn der Bourbons na den val der oudere) deed voor-
komen , verschafte hem wel spoedig de erkenning van den kant
der biiitenlamlsche kabinetten, maar verwekte ook ontevredenheid
bij het volk, die zich in herhaalde opstanden uitte. Zijn elkaar
spoedig opvolgende ministerièn leefden in voortdurenden strijd zoo-
wel mot de aanhangers der oude dynastie (de Legitimisten) als
-ocr page 187-
179
met de Republikeinen, tegenover wie Casimir Périer (1831—32)
en na hem Guizot het stelsel van het juste milieu handhaafden,
dat aan de uiterste partijen allen invloed zocht te ontnemen en
op het centrum der kamer (tiers-partij) steunde. Inderdaad ver-
liet de regeering langzamerhand het juste milieu en helde zij meer
naar den kant van het absolutisme over.
De Legitimisten, die Hendrik V als hun wettigen vorst be-
schouwden, vonden (evenals in 1793) een grooten aanhang in
de Vendée, waar de hertogin van Berry zelve de beweging ten
behoeve van haar zoon leidde en hier en daar opstanden verwekte,
die echter zeer gemakkelijk onderdrukt werden. Haar gevangen-
neming en verbanning beveiligden de regeering van Lodewijk
Philips niet minder dan zijn overwinningen op de Republikeinen.
Door samenzweringen (te Parijs, te Lyon en elders) trachtten
dezen opstanden tegen het aan het roer zijnde ministerie, ja
zelfs tegen den troon te organiseeren, en telkens weer hoorde
men van mislukte aanslagen op het leven des konings (aanslag van
den Corsikaan, Fieschi, in 1835). Het gevaar, dat dezen van
den kant der Bonapartisten bedreigde, scheen voorgoed geweken,
toen Napoleons eenige zoon, de hertog van Reichstadt (zie bl. 165),
in 1832 te Weenen stierf; echter vertoonde het zich op nieuw,
hoewel voorbijgaande, toen Lodewijk Napoleon, de zoon van
den voormaligen koning van Holland, als erfgenaam der rechten
van zijn oom optrad (te Straatsburg 1836, te Boulogne 1840).
Den vrede met het buitenland trachtte Lodewijk Philips door
het stelsel van non-interventie in stand te houden, hoewel enkele
uitzonderingen hierop, als de bezetting van Ancona (als tegenwicht
tegen het binnenrukken der Oostenrijkers in Italië) en de hulp,
aan de Belgen tegen Noord-Nederland verleend, moesten toegelaten
worden, om de telkens herhaalde klachten in de kamers over de
verkeerde buitenlandsche politiek te doen ophouden of bedaren.
Lodewijks verhouding tot de andere vorsten van Europa werd beter,
naarmate hij meer tot hun reactie-systeem overhelde. De hevigste
aanvallen richtte Thiers tegen de buitenlandsche staatkunde der
regeering. Hij drong er op aan, dat Frankrijk in den strijd tus-
schen Turkije en Egypte, voor laatstgenoemd land partij zou kiezen.
Dit had de benoeming van een ministerie Thiers ten gevolge
(1840), maar toen dit het land in een oorlog dreigde te wikkelen
-ocr page 188-
180
met Turkije\'s bondgenooten (quadruple alliantie: Engeland,
Rusland, Oostenrijk en Turkije), benoemde Lodewijk Philips het
ministerie Guizot, dat de vriendschappelijke verhouding met de
overige mogendheden spoedig herstelde.
De nieuwe kolonie Algiers werd door veroveringen uitgebreid,
maar ook voortdurend door den naburigen stam der Kabylen ver-
ontrust, vooral in het Westen door Abd-el-Kader, den emir
der Arabische stammen in de provincie Oran, die een opstand van
alle stammen tegen de Franschen, van de grens van Marokko tot
aan de stad Algiers, trachtte te verwekken. Abd-el-Kader werd
gedwongen een schuilplaats op Marokkaansch grondgebied te zoeken;
Bugeaud volgde hem daarheen, waardoor Frankrijk in oorlog
geraakte met den keizer van Marokko (1844). Bugeaud overwon
in den bloedigen slag bij de rivier Isly, terwijl de prins van
Joinville met een eskader op de kust van Marokko verscheen, en
de vestingwerken van Tanger en Mogador vernielde. De oorlog
had echter (door den invloed van Engeland) geen verdere gevolgen,
dan dat Marokko moest afzien van de verdere ondersteuning van
Abd-el-Kader. Deze trachtte te vergeefs een nieuwen opstand
tegen Frankrijk te organiseeren en gaf zich (1847) aan generaal
Lamoricière over. Het geheele gebied van Algiers werd aan
Frankrijk onderworpen.
Lodewijk Philips deed, hoezeer hij naar eigen gezag streefde
en zijn persoonlijke belangen behartigde (het huwelijk van den
hertog van Montpensier met de zuster der koningin van Spanje),
echter niets zonder toestemming van de meerderheid der kamer,
die ook zijn geliefkoosd plan, de versterking van Parijs, goedkeurde-
De meerderheid werd echter dikwijls door omkooping en knoeierij
verkregen. Daarom wenschte de oppositie (Lamartine, Ledru-Rollin)
in haar machteloosheid, door een nieuwe kieswet een op andere
wijze samengestelde kamer te verkrijgen, bij welke wet vooral
(naar het voorbeeld van Engeland) de ambtenaren niet verkiesbaar
zouden zijn. Voor deze nieuwe kieswet werd nu gedeeltelijk door
zoogenaamde reform-banketten gewerkt. Het ministerie
Guizot verbood die banketten, en He bedreiging een dergelijke
bijeenkomst met geweld te zullen beletten, gaf aanleiding tot de
Febru ar i-revolutie (22—24 Febr.) van 1848. Toen de
nationale garde met het geschreeuw om hervorming en het ontslag
-ocr page 189-
181
van Guizot instemde, trad het ministerie af en werd graaf Molé
met de vorming van een ander belast. De rust scheen hersteld,
toen op den avond van den 23sten een door een onbekende hand
uit het midden der volksmenigte voor het paleis van Guizot gelost
schot door de troepen werd beantwoord, waarop de opstand zoo
veel te heviger ontbrandde en door de opstandelingen, ten deele
door de besluiteloosheid van het hof, de overwinning werd behaald
(24 Febr.). Lodewijk Philips deed afstand ten behoeve van zijn
kleinzoon, den graaf van Parijs, maar een poging der hertogin
van Orleans, om onder haar eigen regentschap de kroon voor haar
zoon te behouden, leed schipbreuk op het verzet der legitimisten
en republikeinen in de kamer der afgevaardigden. Een gewapende
menigte drong de vergaderzaal binnen, en noodzaakte tot de af-
kondiging der republiek en de instelling van een voorloopig
bewind (waarvan Lamartine de ziel was). Lodewijk Philips vluchtte
naar Engeland, waar hij op een aan zijn schoonzoon, den koning
van België, toebehoorend buiten, Claremont, in 1850 stierf.
C. De tweede Fransche republiek, 1848—1852.
Even als de eerste, vormde ook de tweede Fransche republiek
slechts den overgang tot het keizerrijk. De partijtwisten tusschen
de (gematigde) constitueerende vergadering en het voorloopig be-
wind aan den eenen en de socialisten (onder Louis Blanc, Barbès,
Albert) aan den anderen kant, baanden aan Lodewijk Napoleon
(die tot dusverre als balling te Londen had geleefd) den weg
tot den troon. Het besluit der nationale vergadering, waarbij
de in Februari opgerichte nationale werkplaatsen op-
geheven en de jongere werklieden uit Parijs verwijderd werden,
had een buitengewoon bloedig gevecht in de straten van de
hoofdstad ten gevolge (23—26 Juni), waarin de aartsbisschop van
Parijs vermoord werd en generaal Cavaignac slechts door voortdurende
samentrekking van troepen uit de departementen eindelijk de
overwinning behaalde. Maar toen nu na de voltooiing der nieuwe
grondwet (met één kamer) een president der republiek moest
verkozen worden, behaalde Napoleon een schitterende overwinning
op zijn voornaamsten mededinger Cavaignac. Door de belofte van
vermindering van lasten had Napoleon vooral het platteland gunstig
voor zich weten te stemmen.
Daar Napoleon volgens de grondwet niet kon herkozen worden,
-ocr page 190-
182
stelde hij een herziening dier grondwet voor, en toen de nationale
vergadering zich daartegen verklaarde, waagde hij, gesteund door
St. Arnaud en De Morny een coup d\'état. Hij liet (in den nacht
van 2 Dec. 1851) de uitstekendste leden der oppositie in alle
stilte in hechtenis nemen, de nationale vergadering sluiten en zich
zelven bij algemeene stemming van het volk (met 7 millioen stem-
men) het presidentschap voor 10 jaar opdragen. Maar
reeds na verloop van een jaar (keizersrede te Bordeaux: 1\'empire,
c\'est la paix) nam hij, tengevolge van een nieuwe stemming van
het volk, den keizerstitel en den naam van Napoleon III
aan (2 Dec. 1852).
D. Het tweede Fransche keizerrijk, 1852 — 1870.
Nauwlijks was Napoleon door de overige souvereinen als keizer
erkend, of hij trachtte aan Frankrijk zijn vroegere positie en zijn
scheidsrechterlijk en bemiddelend gezag in de aangelegenheden van
Europa terug te geven. Een conflict tusschen Rusland en Turkije gat
daartoe de gewenschte aanleiding. In den Krim-oorlog maakte
het Fransche leger zich verdienstelijk, en tot het sluiten van den
vrede kwamen de vertegenwoordigers der groote mogendheden van
Europa in Frankrijks hoofdstad te zamen (1856). Nog hooger klom
de luister en het gezag van het tweede keizerrijk door de roem-
rijke deelneming aan den tweeden Lombardischen oorlog,
1859 (m. z. § 28), waarin Napoleon voor zijn bondgenoot Victor
Emanuel II van Sardinië in een veldtocht, die slechts twee maanden
duurde, Lombardije tot aan den Mincio veroverde, en daarvoor
van dezen Savoye en Nizza ontving (1860). Hij beteugelde met
geweld de binnenlandsche woelingen, versierde Parys, bevorderde
het zeewezen (haven van Cherbourg), trad toe tot het stelsel van
vrijen handel, maar voerde ook het cijfer der staatsschuld tot een
onrustbarende hoogte op. Ook buiten Europa gelukte het Frankrijks
gezag te doen eerbiedigen. Met Engeland (zijn bondgenoot in den
Krim-oorlog) verbonden noodzaakte Napoleon door twee oorlogen
(1857- —1858 en 1860) China zijn havens voor de Europeesche
handelsvloten open te stellen, en den tijd tusschen die beide oor-
logen besteedde de Fransche vloot, om in Achter-Indië (wegens
vervolging der Christenen) het koninkrijk Annam te veroveren en
in Cochin-China een Fransche kolonie te stichten.
Waren alzoo de eerste regeeringsjaren van Napoleon voorspoedig,
-ocr page 191-
183
na het jaar 1860 begon liet hem tegen te loopen. Een der eerste
schokken bracht de ongelukkige afloop der Frunsche interventie in
Amerika aan zijn gezag toe. De burgeroorlog, die in 1816 in Noord-
Amerika was uitgebarsten, scheen een gunstige gelegenheid aan te
bieden, om aan de verdere uitbreiding der unie naar het Zuiden door
de vestiging van een keizerrijk in Mexico perken te stellen. Een
Fransch leger (onder Forey) veroverde een deel van het land be-
nevens de hoofdstad, en aartshertog Ferdinand Maximiliaan van
Oostenrijk (de oudste broeder van keizer Frans Jozei) liet zich
verleiden de kroon van Mexico aan te nemen. Maar de Fransche
troepen (onder Bazaine, den opvolger van Forey), waren niet in
staat den president der voormalige republiek, Juarez, tot ontrui-
ming van het land te dwingen, en toen de unie haar burgeroorlog
gelukkig ten einde had gebracht (1865), moest Napoleon op haar
eiscb (Monroe-leer: Amerika voor de Amerikanen) de Fransche
troepen uit Mexico doen terugtrekken. Hiermede was het lot van
het nieuwe keizerrijk beslist; Maximiliaan geraakte door verraad
in handen van Juarez, die hem deed fusilleeren en de republiek
herstelde (1867). — Over Napoleon als bemiddelaar van den vrede
in den Duitschen en Italiaanschen oorlog van het jaar 1866,
z. m. § 22.
De werkeloosheid van Napoleon tegenover de wassende macht
van Pruisen en de ontwikkeling van het Noord-Duitsche verbond ,
vooral nadat de militaire conventies met de staten van Zuid-
Duitschland waren bekend geworden, werden door de pers en in
het wetgevend lichaam (door Thiers, Jules Favre e. a.) luide en
herhaaldelijk afgekeurd, en een zoogenaamde chauvinistische partij
dreef op oorlog aan, om »wraak te nemen voor Sadowa.".
In plaats van Oostenrijk in den oorlog van 1866 bij te staan
tegen Pruisen, was Napoleon, die zich door de Mexicaansche
expeditie te veel verzwakt gevoelde, onzijdig gebleven. Voor die
onzijdigheid was hem door Bismarck hoop gegeven op schadeloos-
stelling in grondgebied. Doch toen Napoleon in 1867 Luxemburg
wilde koopen van Willem III, koning van Nederland en groot-
hertog van Luxemburg, ten einde zijn volk — door een vergrooting
van grondgebied als tegenwicht tegen de uitbreiding van Pruisen
in 1866 — te bevredigen, kwam Bismarck tusschenbeide. Het
gevaar voor oorlog werd afgewend, doordien de zaak op een c o n-
-ocr page 192-
184
ferentie te Londen ten einde gebracht werd. In die bijeen-
komst, waar, behalve de groote mogendheden, ook Nederland en
België vertegenwoordigd waren, werd bepaald, dat Luxemburg
een onzijdige staat zou zijn, dat de Pruisen hun bezetting uit de
hoofdstad zouden terugtrekken en dat de vestingwerken dier stad
zouden worden gesloopt.
Het prestige van Napoleon had onder dit alles niet weinig ge-
leden en de afkeer van zijn persoonlijk bewind nam met
den dag toe. Om den tegenstand te verzwakken, stelde hij in
1869 de verantwoordelijkheid der ministers voor, wat blijkens den
uitslag van het in 1870 gehouden plebisciet veel bijval vond. Dit
schonk Napoleon nieuwen moed.
Nadat hij een reorganisatie van het leger (door den maarschalk
Niel) in \'t werk gesteld had, om het tegen Pruisen en het Noord-
Duitsche verbond te kunnen opnemen, achtte hij, omstreeks het
midden van 1870, het geschikte tijdstip gekomen, om door een
plotselingen aanval de Pruisische landen op den linker Rijnoever
te winnen, het Noord-Duitsche verbond te ontbinden, en daardoor
de achting van het Fransche volk te herwinnen. Maar geheel
Duitschland stond tegen hem op en voorkwam door een even
snellen als krachtigen aanval de arglistige bedoelingen van den
vijand. De beide keizerlijke hoofdlegers onder de maarschalken
Bazaine en Mac-Mahon leden binnen vier weken een reeks van
nederlagen en moesten van den strijd in \'t open veld afzien, dewijl
het eene in Metz werd opgesloten, en het andere bij Sedan capi-
tuleerde. Napoleon zelf gaf zich krijgsgevangen, en Wilhelmshöhe
bij Kassei werd hem als verblijfplaats aangewezen. In Frankrijk
proclameerde de zoogenaamde regeering der nationale ver-
dediging terstond
E. de derde Fransche republiek, 4 Sept. Daar
Frankrijk niet terstond nieuwe legers in \'t veld kon brengen,
volgde op die groote krijgsopcratiën in de eerste plaats de inslui-
ting en belegering der talrijke vestingen in het Noord-Oosten van
Frankrijk, het oprukken der Duitschers tegen Parijs, en de om-
singeling dezer sterk bevestigde stad. De nieuwe regeering (Jules
Favre, Gambetta enz.), die haar zetel eerst te Tours en later te
Bordeaux had gevestigd, poogde door nieuw gevormde legers de
belegerde hoofdstad te ontzetten. Dit leidde tot nieuwe groote
-ocr page 193-
185
krijgsverriehtingen op vier verschillende oorlogstooneelen, maar de
Duitsche legers behaalden ook de overwinning in iederen strijd
tegen de tot ontzet aanrukkende legers in het Zuiden, Westen en
Noorden, dwongen bijna al de belegerde vestingen tot capitulatie
(Straatsburg 27 Sept., Metz 27 Oct. enz.), sloegen eveneens de
uitvallen uit Parijs af en verijdelden ten laatste nog de poging van
het oostelijk leger (onder Bourbaki) tot herovering van Elzas en
Lotharingen, terwijl zij het noodzaakten op neutraal grondgebied
de wapenen neer te leggen. De capitulatie der forten van Parijs
leidde eindelijk tot een wapenstilstand, gedurende welken een
nationale vergadering tot het sluiten van den vrede zou
gekozen worden. Deze (te Bordeaux) plaatste den vroegeren mi-
nister Thiers aan het .hoofd van het uitvoerend bewind en keurde
de door hem in het Pruisisch hoofdkwartier te Versailles voorloopig
verkregen vredesvoorwaarden goed. Hierbij moest Frankrijk den
Elzas (zonder Belfort) en Duitsch-Lotharingen benevens de ves-
ting Metz aan het inmiddels herboren Duitsche rijk afstaan, en
5 milliarden francs aan oorlogskosten betalen; tot dat deze voldaan
waren, zou het Noorden van Frankrijk door Duitsche troepen bezet
blijven. (Men verg. § 22).
Nauwlijks was de oorlog met Pruisen geëindigd, of in Frankrijk
brak een bloedige burgeroorlog uit. Toen de Duitsche troepen
Parijs verlieten, maakte de in 1848 door Cavaignac bedwongen,
maar sedert weder krachtig geworden socialistische partij, zich
op 18 Maart 1871 met behulp van de nationale garde van de
hoofdstad meester. Het bestuur der garde werd aan een centraal-
comité,
dat van Parijs, aan een nieuw gekozen gemeenteraad of
Commune (Delescluze, Rigaut) opgedragen; beide stonden in
contact met de Internationale (sassociation internationale des tra-
vailleurs"). Het scheen, alsof onder dit moderne schrikbewind de
gruwelen van het jaar 1793 zouden terugkeeren. De generaals
Lccomte en Thomas werden door de opstandelingen gegrepen en
vermoord, en toen Mac-Mahon op last der Nationale Vergadering
Parijs belegerde en de val der Commune onvermijdelijk werd,
begoten zij de Tuilerieën en andere aanzienlijke gebouwen met
petroleum en staken ze daarna in brand. De aartsbisschop Darboy,
die zich als bemiddelaar had willen opwerpen, werd gefusilleerd.
Eerst tegen het einde van Mei was het leger het oproer meester.
-ocr page 194-
186
De Nationale Vergadering te Versailles benoemde Tliiers tot
president der republiek. Hij verzette zich in de Nationale Verga-
dering met kracht tegen de pogingen der monarchale meerderheid
(Legitimisten, Orleanisten en Bonapartisten), die op een herstelling
der constitutioneele monarchie hoopte. Reeds was het verban-
ningsdecreet tegen de familie Orleans herroepen en waren haar
de in 1851 door Napoleon verbeurd verklaarde goederen terugge-
geven. De republiek scheen in gevaar te komen, toen de Or-
leanisten en Legitimisten een fusie of ineensmelting hunner be-
langen trachtten tot stand te brengen. De fusie werd echter
onmogelijk gemaakt door het manifest van den graaf van Chambord,
den pretendent der Legitimisten, die zich te Frohsdorf in Oos-
tenrijk ophield. Na zijn dood (1883) werd de graaf van Parijs,
een kleinzoon van Lodewijk Philips, als het hoofd der Orleanisten
en Legitimisten erkend. Thiers werd in 1873 door oneenigheid
met de kamers tot aftreden genoopt. Zijn presidentschap was voor
Frankrijk belangrijk geweest; hij had met kracht de hervorming
van het leger naar het voorbeeld van Duitschland en de afbetaling
der oorlogsschuld ter hand genomen.
Na Thiers kwam de maarschalk Mac Mahon, wien het bestuur
voor zeven jaren werd opgedragen. In die jaren ontbrak het niet
aan pogingen om de monarchie te heretellen; doch de republi-
keinsche partij won langzamerhand in kracht. De republikein
Gambetta ( 1882) herinnerde Mac Mahon eraan, dat hij de
republikeinsche meerderheid der kamers had te eerbiedigen (»se
soumettre ou se demettre"). Mac Mahon maakte dan ook plaats
voor den republikein Grévy (1879—1887), evei.als Thiers een
gematigd man. Onder hem werd Tunis bezet (1881), wat de
Italianen zeer verbitterde en werd aan de pretendenten en hun
oudste zoons het verblijf op Franschen bodem ontzegd (1885).
In 1886 moest Grévy met kracht optreden tegen den minister
van oorlog, Boulanger, die wraak voor Sedan wilde nemen. Na
een korten tijd lid der kamer geweest te zijn, werd Boulanger
verbannen. De positie van Grévy werd eindelijk onhoudbaar door
de knoeierijen van zijn schoonzoon, Wilson, die ridder-orden ver-
kocht. Na hem kwam Sadi Carnot, welke in 1894 te Lyon door
een Italiaansch anarchist vermoord werd. Thans wordt de hooge
-ocr page 195-
187
waardigheid van president der Fransche Republiek bekleed door
Felix Faure.
Frankrijks geschiedenis der laatste jaren is rijk aan koloniale
ondernemingen (Tongkin, Dahomev, Madagaskar). In de buiten-
landsche politiek zoekt Frankrijk tegenover het drievoudig verbond
van Midden-Europa toenadering tot Rusland.
§ 20.
Nederland en België.
Slechts 15 jaar hield de (op raad van Engeland) op het con-
gres te Weenen besloten vereeniging der Oostenrijksche Neder-
landen (België) met Noord-Nederland tot een koninkrijk der
Nederlanden onder Willem I, stand, die tot schadevergoeding
voor de landen, welke het huis van Oranje in Duitschland had
afgestaan, Luxemburg als Duitscb groothertogdom verkreeg. De
scherpe tegenstelling in het karakter der beide volken, het ver-
schil van godsdienst en taal, stelden aan een door de regeering
bedoelde samensmelting der Nederlanders en Belgen tot één volk,
onoverkomelijke hinderpalen in den weg. Er vormde zich een
dubbele oppositie, een liberale en een clericale, die, hoewel
onderling in gevoelen verschillende, overeenkwamen in haar haat
tegen de regeering. Menigvuldig en niet allen ongegrond waren
de grieven der Belgen. De zware schuldenlast van Noord-Neder-
land drukte in gelijke mate op de zuidelijke provinciën, de Neder-
landsche taal werd aan de Zuid-Nederlanders opgedrongen, en men
klaagde dat de vrijheid van onderwijs ten nadeele van de katho-
lieken geschonden was. De ontevredenheid en spanning namen
meer en meer toe, vooral door de maatregelen van den minister
van Maanen. Het misnoegen barstte los in een naar het voorbeeld
van de Juh-revolutie georganiseerden opstand van het door de
geestelijkheid opgestookte volk te Brussel, 25 Augustus 1830.
Men verlangde scheiding der beide landen in wetgeving en bestuur.
Voordat nog hierover door de Staten-Generaal een besluit was
genomen, had de samentrekking van Nederlandsche troepen tus-
schen Brussel en Antwerpen een nieuwen opstand in Brussel ten
gevolge, en op 20 September werd een voorloopig bewind ingesteld.
Ondanks alle pogingen van den prins van Oranje, om door ver-
-ocr page 196-
188
gevensgezindheid en zachtheid vroegere misstappen te doen vergeten
en België voor zijn dynastie te redden, moest hij na een vier-
daagschen bloedigen strijd (23—26 September) Brussel verlaten en
naar Antwerpen terugtrekken. Met geestdrift vatten nu de Noord-
Nederlanders de wapenen tegen de rebellen op (Cliassé, Dibbets,
van Speijk). Te vergeefs wendde de koning zich tot de mogend-
heden, die tot de vereeniging der beide landen hadden medege-
werkt ; op een nationaal congres te Brussel werd, in overeenstem-
ming met de besluiten, door de vijf groote mogendheden op een
conferentie te Londen genomen, de onafhankelijkheid van
België geproclameerd en het huis Oranje-Nassau van den troon
vervallen verklaard. Er werd een nieuwe, zeer vrijzinnige con-
stitutie (1831) vastgesteld en tot erfelijk koning der Belgen, nadat
Lodewijk Philips de hem voor zijn tweeden zoon, den hertog
van Nemours, aangeboden kroon geweigerd had, verkozen prins
Leo po ld van Saksen-Coburg (1831—65). Nu brak koning
Willem I alle onderhandelingen af, en het Nederlandsche leger,
aangevoerd door den prins van Oranje, rukte België binnen, maar
het naderen van een Fransch leger onder Gérard noodzaakte het
tot den terugtocht, nadat het zegepralende (Hasselt, Leuven) tot
in de nabijheid van Brussel was doorgedrongen (tiendaagsche veld-
tocht). Nieuwe onderhandelingen met de mogendheden leidden tot
geen doel. De Koning weigerde volstandig de »24 artikelen" aan
te nemen. Nu werd op de Hollandsche schepen in de Fransche
en Engelsche havens beslag gelegd, en de citadel van Antwerpen
(Chassé) na hardnekkigen en heldhaftigen tegenstand door een
Fransch leger onder Gérard veroverd (1832). Het embargo
bleef voortduren, totdat Willem, Mei 1833, zich verbond tot aan
de sluiting van een definitief tractaat de vijandelijkheden niet te
vernieuwen. Nog vijf jaren lang hield Willem zijn leger op de
grenzen en bleef bij zijn weigering volharden. Eindelijk, toen de
verbazende uitgaven, welke die toestand vereischte, belastingen en
nationale schuld op verontrustende wijze opdreven, gaf hij toe en
verklaarde in 1839 de bepalingen der 24 artikelen aan te nemen.
Maar hij genoot de liefde en het vertrouwen van zijn volk niet
meer, en daar de wijzigingen, die hij in de grondwet bracht,
aan de verwachtingen niet beantwoordden, deed hij in 1840 af-
stand van den troon ten behoeve van den prins van Oranje, die
-ocr page 197-
189
hem als koning Willem II opvolgde (1840—1849). Onder zijn
regeering kwam de gewenschte herziening der grondwet
tot stand (1848; Thorbecke, Luzac; rechtstreeksche verkiezingen,
ministeriëele verantwoordelijkheid, de tweede kamer krijgt het
recht van amendement en enquête). Hij werd opgevolgd door Wil-
lem III (1849—1890) onder wien verscheiden onderwerpen, tot
uitvoering van grondwettige bepalingen, bij de wet geregeld werden
(provinciale wet, gemeentewet, wet op het lager, middelbaar en
hooger onderwijs; rechterlijke organisatie). Willem III werd op-
gevolgd door zijn dochter Wilhelmina, wier moeder, de koningin-
weduwe, het regentschap voert.
België genoot sedert 1831 ondanks den strijd tusschen de
liberale en de clericale partij een onafgebroken rust; handel en
nijverheid bloeiden, en de jonge staat is een der bloeiendste op
het vasteland van Europa geworden. De wijsheid van koning Leo-
pold wist ook gedurende de stormen der omwenteling van Februari
1848 de rust in België te bewaren. (Stichting der universiteit te
Brussel tegenover het pauselijk collegie te Leuven; voortdurende
strijd tusschen liberalen en clericalen). In 1865 kwam Leopold II
aan de regeering, die in 1885 voor zijn persoon souverein werd
van den Kongo-staat. Door de nieuwe kieswet van 1894, welke
het meervoudig kiesrecht invoerde, heeft de socialistische partij
een aantal kamerzetels veroverd.
§ 21.
Engeland.
Engeland kon met trots terugzien op den strijd, dien het gevoerd
had tegen de eerste Fransche Republiek en tegen Napoleon I,
wiens plannen het schipbreuk had doen lijden. De opgestane Ieren
werden van hun zelfstandigheid beroofd en zagen zich in 1801
met Engeland onder één parlement vereenigd. Engeland had de
heerschappij ter zee en zijn handel en nijverheid hadden een ver-
bazende vlucht genomen. Toch was er bij al dien voorspoed veel,
dat verbetering behoefde. De zware schuldenlast en de ongelijke
vcrdeeling der belastingen maakten den middelstand en de lagere
klassen ontevreden. Zij hoopten door een gewijzigd kiesrecht meer
invloed in het parlement te krijgen; doch de prins-regent (de
-ocr page 198-
190
latere George IV) en zijn minister Castlereagh, die de beginselen
van Metternich toegedaan was, hielden hervormingen tegen. De
ontevredenheid nam steeds toe en gaf aanleiding tot oproerige
meetings, waartegen de regeering met kracht optrad (bloedbad
van Manchester, 1819).
In 1820 kwam de, wegens zijn slecht gedrag geminachte prins-
regent als George IV (1820—1830), aan de regeering. Een zijner
eerste daden na de troonsbestijging was het echtscheidingsproces
tegen zijn echtgenoot Karolina van Brunswijk. Na den zelfmoord
van Castlereagh begon voor Engeland, met de optreding van George
Canning als minister (1822), een nieuw tijdvak in de binnen-
landsche zoowel als in de buitenlandsche politiek. Canning be-
reidde de emancipatie der katholieken voor, erkende de onafhan-
kelijkheid der van Spanje afgevallen koloniën in Zuid-Amerika en
sloot met Rusland en Frankrijk een verdrag tot ondersteuning
van de Grieken tegen de Porté. Hij nam de uitstekendste Whigs
in het ministerie op, en verschafte zoodoende aan de gevoelens
en wenschen der volkspartij grooter invloed op het bestuur.
Daarom achtte het volgende (Tory) ministerie Wellington—Peel
zich verplicht zelf de emancipatie der katholieken voor
te staan, toen de lersche advocaat O\'Con nel tot parlementslid
verkozen was, en zijn uitsluiting wellicht een burgeroorlog in
Ierland zou ten gevolge hebben gehad. De in \'t huis der Ge-
meenten reeds meermalen aangenomen emancipatie-wet kreeg ein-
delijk (1829) ook in het Hoogerhuis de meerderheid en verschafte
aan de katholieken, wien door de test-act (zie bl. 84) het be-
kleeden van ambten en door de Parliamentary test-act (zie bl. 85)
het zitting nemen in \'t parlement verboden was, gelijke rechten
met de protestanten. De koninklijke sanctie aan deze wet te
geven, was een der laatste handelingen van George IV, die op-
gevolgd werd door zijn broeder, den hertog van Clarence, als
Willem IV (1830—1837).
De Juli-omwenteling bleef ook voor Engeland niet geheel zonder
gevolgen; zij bespoedigde de hervorming van het parle-
ment, waarvoor de Whigs reeds lang gekampt hadden, en die
zij als een geneesmiddel tegen misbruiken en onrechtvaardighe-
den in het binnenlandsche bestuur beschouwden. Niet dan na
langen en zwaren strijd werd de reform-bil 1 in 1832 aange-
-ocr page 199-
191
nomen. Volgens haar verloren de in verloop van tijd ontvolkte en
vervallen vlekken (rotten boroughs) het recht om afgevaardigden
te benoemen, welk recht aan de tot dusver niet vertegenwoordigde
fabrieks- en handelssteden werd toegekend, tengevolge waarvan de
middelstand meer invloed kreeg. Hierdoor was de weg voor tal-
rijke andere hervormingen geopend en aan de Whigs voor een tijd
lang de heerschappij verzekerd. Zoo werd in 1833 de slavernij
in de West-Indische koloniën afgeschaft (Stanley, Wilberforce).
In 1834 verloor de Oost-Indische Compagnie het recht van alleen-
handel. Ook Lord Pal merston erkende, toen hij voor de eerste
maal als minister van buitenlandsche zaken optrad (1830—1841),
dat de heerschappij der Tories haar einde nabij was, en sloot
zich dus bij de Whigs aan; hij nam tegenover de absolutistische
pretendenten in Spanje en Portugal een vijandige houding aan,
beschermde de Porte tegen de veroveringsplannen van Rusland
en Egypte, en herstelde den in de laatste 10 jaren door de
Russen verminderden invloed van Engeland in het Zuiden van Azië.
Willem IV werd in Engeland opgevolgd door zijn nicht Victoria
(dochter van den overleden hertog van Kent), terwijl Hannover,
waar het stelsel der Salische wet heerschte, aan zijn broeder
Ernst August kwam.
Victoria (1837 tot heden) omgaf zich nog wel met een Tory-
ministerie onder het voorzitterschap van Robert Peel. maar toen
deze, in strijd met de wenschen van den adel, het schaalrecht op
graan in 1846 deed vallen (Richard Cobden en de Anti-co rn-
law-league, aardappelziekte in Ierland), verwierpen de aristo-
craten zijn wetsvoorstellen aangaande de regeling der aangelegen-
heden van Ierland (O\'Connel ; repeal), en noodzaakten hem aldus
zijn ontslag te nemen. Ook in andere opzichten heeft Peel zich
voor Engeland verdienstelijk gemaakt (incometax, bankwet). Na
de afschaffing der graanrechten werd in 1849 de acte van navigatie
opgeheven.
Onder de nog steeds voortdurende regeering van koningin Victoria
hebben de handelsbelangen verschillende oorlogen noodzakelijk ge-
maakt. Evenwel is Engeland in zijn optreden tegenover het buiten-
land niet altijd van onrechtvaardigheid en hebzucht vrij te pleiten
(het «perfide Albion"). Het eerst werd Engeland in een oorlog
met Afghanistan gewikkeld. Toen de bevolking van dit land,
-ocr page 200-
192
opgestookt door Rusland, in opstand kwam tegen haar Emir, welke
met Engeland bevriend was, werd in 1842 een leger gezonden
om de Afghanen te tuchtigen. De Engelsche troepen zagen zich
echter spoedig tot terugkeer genoodzaakt. Een hernieuwde poging
in 1878, om Afghanistan, dat een scheidsmuur vormt tusschen
Russisch Centraal-Azië en Britsch-Indië en dat de wegen naar het
Russische gebied beheerscht, van Engeland afhankelijk te maken,
leidde tot een niet ongunstig verdrag met den Emir. De spoedig
daarop gevolgde moord op het Engelsche gezantschap in Kaboel
veroorzaakte wederom strijd.
Het verbieden van den invoer van opium door de Chineesche
regeering, wat voor Britsch-Indië zeer noodlottig was, deed den
opiumoorlog ontstaan (1840—1842). China was tegen de
Engelsche troepen niet opgewassen. Na de bestorming van Canton
sloot het vrede, waarbij Hongkong werd afgestaan, de invoer
van opium werd toegelaten en vijf havens opengesteld moesten
worden voor vreemde handelsschepen. Een tweede oorlog, door
Engeland in vereeniging met Frankrijk begonnen in 1860, liep
voor China even slecht af. Nadat de Takoe-forten genomen waren
en \'s keizers zomerpaleis, Palikao, door den Franschen generaal
de Montauban verwoest was, kwam de vrede van Peking tot stand,
die, behalve schadeloosstelling, het openen van nog meer havens
voorschreef.
Meer gevaarlijk dan de verwikkelingen met China was de opstand
der sepoys (inlandsche soldaten) in Voor-Indië. De haat tegen
de Oost-Indische Compagnie, die enkel het behalen van winst op
het oog had, deed hier in 1857 ernstige onlusten ontstaan. De
naaste aanleiding tot de uitbarsting gaf de uitdeeling van patronen,
waarin varkensvet aanwezig was; zoowel de Brahmanen als de
Mohammedanen ergerden zich hieraan. Ook had het niet ontzien
van het Brahmaansche kastenbegrip — de Brahmanen moesten
uit denzelfden pot eten als de paria\'s — er liet zijne toe bijge-
dragen. De opstand, begonnen door een regiment te Meiroet,
breidde zich snel over geheel Bengalen uit. Alleen de Seiks
in Pendsjab bleven Engeland getrouw. Onnienschelijke gruwelen
werden door de opstandelingen gepleegd. In Cawnpore vermoord-
den zij het geheele garnizoen. Doch de Engelsche legers onder
Havelock en Ou tram hernamen Delhi en Lucknow en waren
-ocr page 201-
193
spoedig het verzet meester. De Compagnie verloor nu alle staatkun-
dige macht, terwijl Indië rechtstreeks onder de Engelsche regeering
kwam, vertegenwoordigd door een onderkoning te Calcutta. De
koningin van Engeland voert sedert 1876 den titel van keizerin
van Indië.
In 1868 moest Engeland een veldtocht ondernemen tegen keizer
Theodorus van Abessinië, die Britsche zendelingen gevangen ge-
nomen had. De overwinning van Napier en de inneming der
bergvesting Magdala (waar men keizer Theodorus dood vond)
maakte aan den oorlog spoedig een einde.
In 1853 had Engeland, bevreesd voor Ruslands toenemende
macht op het Balkan-schiereiland, aan den Krimoorlog deelgeno-
men. Daar deze oorlog, noch in de Oostzee, noch voor Sebastopol
met bijzonderen voorspoed of in \'t oog loopende bekwaamheid ge-
voerd werd, kwam het kabinet ten val. Palmerston kwam nu
aan het hoofd van het ministerie. Hij bewerkte, dat in de eerste
jaren na den Krimoorlog, Engeland en Frankrijk samengingen.
Hij behoort met Peel, Disraëli of lord Beaconsfield en Gladstone
tot de beroemdste staatslieden, die Engeland tijdens de regeering
van Victoria voortgebracht heeft. Na den dood van Palmerston
in 1865 vervingen Whigs en Tories elkaar beurtelings. De eer-
sten hadden een bekwamen leider in Gladstone, de laatsten ver-
trouwden hun belangen aan Disraëli toe. Gladstone heeft de Ieren
aan zich verplicht door in hun land de Anglicaansche kerk als
staatskerk af te schaffen, waardoor het betalen van tienden aan
die kerk ophield. In 1874 moest Gladstone plaats maken voor
het Tory-ministerie Disraëli. Als gewoonlijk onder de heerschappij
der Tories trokken nu de buitenlandsche aangelegenheden vooral
de aandacht. Disraëli poogde Afghanistan te veroveren (zie bl. 192)
en lijfde Transvaal in. Toen na zijn aftreden in 1880 Gladstone
wederom het roer in handen kreeg, werden de Engelsche troepen
uit Transvaal, waar zij tegen de boeren (Langnek, Spitskop) het
onderspit hadden moeten delven, en uit Afghanistan teruggeroepen.
Ook de Kaffers, tegen wie de in Engelschen dienst zijnde zoon van
Napoleon III in 1878 gesneuveld was, werden met rust gelaten.
Toch meende Engeland zich wel met Egypte te moeten be-
moeien. De slechte toestand der geldmiddelen van Egypte en het
gevaar, waarin de schuldeischers verkeerden brachten teweeg,
Pütz, N. Gesch.                                                                    13
-ocr page 202-
194
dat Engeland en Frankrijk het toezicht op de financiën eischten.
Ontevreden over de inmenging van vreemden stonden de Egypte-
naren onder aanvoering van Arabi-Pacha op, doch Juin poging om
zich aan de heerschappij van vreemdelingen te onttrekken, werd
niet met succes bekroond. Een Engelsche vloot bombardeerde in
1882 Alexandrië en de troepen van Arabi-Pacha werden door
generaal Wolseley bij Tel-el-Kebir totaal verslagen. Even later
moest Engeland, dat voortdurend een leger in Egypte houdt, dit
land beschermen tegen den Mahdi, een valschen profeet, die
Soedan van Egypte losmaakte. Een expeditie naar Chartoem kostte
aan generaal Gordon het leven (1886).
De meeste last wordt Engeland tegenwoordig bezorgd. door het
lersche vraagstuk. Nadat de Ieren door de emancipatie der katho-
lieken in 1829 vertegenwoordigers in het Engelsche parlement
gekregen hebben, rusten zij niet, voordat zij hun doel: verbe-
tering der agrarische toestanden en home rule of
zelfbestuur, bereikt hebben. In hun streven naar losmaking van
den band met Engeland (repeal-beweging) werden zij eerst
geleid door O\'Connell en later door Parnell (f 1891). Om hun
wenschen vervuld te zien, deinzen zij voor geen middelen terug
(Eenians, boycotten). Een poging, om aan de Ieren de begeerde
zelfstandigheid te geven, noopte Gladstone in 1886 af te treden.
Zijn val was liet gevolg van het vereenigd optreden van conser-
vatieven en unionisten of voorstanders van de eenheid des rijks.
In 1892 keerde Giadstone nog voor een paar jaren aan het hoofd
van het ministerie terug.
§ 22.
Duitschland.
Pruisen, waar reeds vóór en nog meer gedurende den vrijheids-
oorlog niet slechts een reorganisatie van het leger, maar ook
onder den minister vrijheer von Stein en den staatskanselier
Hardenberg menigvuldige verbeteringen in het inwendig bestuur
tot stand waren gekomen, stelde bij de beraadslagingen over
de „bondsacte" volksvertegenwoordigingen (Landslande) voor alle
bondstaten voor. Dewijl de hoop op herstelling der staatkundige
eenheid verdwenen was, trachtten de afgevaardigde staten elk
voor zich de vervulling der beloften, d. i. een constitutioneele
-ocr page 203-
195
staatsregeling (nieuwe organisatie van het stedelijk bestuur, gelijk-
matiger verdeeling der belastingen enz.), te verkrijgen. De meeste
gouvernementen meenden door de herstelling der oude landsstanden
aan hun beloften te hebben voldaan; de groothertog van Saksen-
Weimar was de eerste, die zijn volk een vrijzinnige grondwet
schonk. Zijn voorbeeld werd gevolgd door de vorsten van het
voormalige Rijnverbond in Zuid-Duitschland. Alleen de beide
groote staten bleven weigeren. In Oostenrijk deed de staals-
kanselier Metternich zijn best om den ouden toestand te herstellen,
en zijn invloed op Pruisen bracht te weeg dat de gedane beloften
ook hier voorloopig onvervuld bleven. Uit verwekte misnoegdheid,
vooral onder de academische jeugd, waarvan een groot deel
den strijd voor het vaderland had medegestreden. De plechtige
viering van den gedenkdag van den slag bij Leipzig op het
Wartburgfeest (18 Oct. 1817) en de moord, door den student
Ludwig Sand op den Russischen staatsraad van Kotzebue te Mann-
heim gepleegd (1819), waren slechts te duidelijke symptomen van
de bestaande gisting. Men trachtte die tegen te gaan door de
zoogenaamde Karlsbader besluiten (1819), waarbij de druk-
pers onder censuur gesteld, een streng toezicht op de academiën
gelast (ontbinding der bu rschenschaften of studentengenoot-
schappen) en een centrale commissie ingesteld werd , om de dema-
gogische woelingen op het spoor te komen en te onder-
zoeken. Ondanks alle gestrengheid slaagde men er niet in, een
slechts in het brein der onderzoekenden bestaande samenzwering
tot omverwerping der besluiten van het Weener congres op het
spoor te komen.
Terwijl de bondsvergadering, door den invloed van Metternich
beheerscht, iederen vooruitgang op staatkundig gebied tegenhield
en tegenwerkte, deed Pruisen alleen een eersten stap door de
instelling van provinciale landdagen (tot beraadslaging over wets-
ontwerpen, 1823) en door voorstellen tot een algemeen Duitsch
tolverbond (1829).
De Parijsche Juli-omwenteling vond weerklank in die Duitsche
Staten, waar ontevredenheid met de bestaande toestanden het
verlangen naar verandering had opgewekt. Ten gevolge van volks-
opstanden verkregen Saksen, Hannover en Keur-Hessen consti-
tutioneele staatsregelingen, in Brunswijk werd de om zijn wille-
-ocr page 204-
196
keurig bestuur gehate hertog Karel II genoodzaakt de vlucht
(naar Engeland) te nemen, en in zijn plaats kwam zijn jongere
broeder Willem, die den wensch van het volk vervulde. Een
democratische demonstratie in Rijn-Beieren, het verjaarfeest der
Beiersche constitutie op het Hambacher slot (1832), noopte de
bondsvergadering tot strenge besluiten tegen staatkundige ver-
eenigingen en vergaderingen. Zoo onstond bij de ontevredenen
het plan de bondsvergadering met geweld uiteen te drijven, maar
het zoogenaamde attentaat van Frankfort mislukte (1833), en op
een conferentie te Weenen (1834) worden de maatregelen der
reactie voltooid, die reeds op het congres der ministers te Karls-
bad van 1819 begonnen waren.
Toen in 1837 Hannovers vereeniging met Engeland door den
dood van koning Willem IV ophield, daar in Hannover vrouwen
van de regeering waren uitgesloten, en Ernst August den troon
beklom, trok deze, een heftig Tory, de constitutie van 1833,
waardoor de koninklijke domeinen in eigendom van den staat ver-
anderd waren, in.
In Pruisen had koning Frederik Willem IV (1840-1861)
de leden der 8 provinciale landdagen tot een zoogenaamden ver-
eenigden landdag bijeengeroepen en aan die vergadering de be-
slissing over nieuwe belastingen en leeningen toegekend. Maar
de eerste op die wijze vergaderde vereenigde landdag wei-
gerde deze instelling als de vervulling der in 1815 gedane be-
loften te erkennen.
De Februari-omwenteling in Frankrijk had voor Duitschland de
revolutie van Maart (Maart-ministeries) ten gevolge, welker
doel voor de radicale partij de verandering van Duitschland in
een republiek naar het voorbeeld van Noord-Amerika, voor de
constitutioneele een hervorming van het Duitsche verbond rnet monar-
chale staatsregeling was. In de kleinere Duitsche staten werden
de geeischte hervormingen (vooral vrijheid van drukpers en volks-
wapening) door de, ten gevolge van volksopstanden, verschrikte
regeeringen terstond ingewilligd, in Hannover en Beieren eerst op
de tijding dat te Berlijn en te Weenen de revolutie was uitgebarsten.
Tevens deed koning Lodewijk I van Deieren afstand van den troon
ten behoeve van zijn zoon Maximiliaan II.
Hel hevigst geschokt werden Duitschlands beide grootste staten,
-ocr page 205-
197
Oostenrijk en Pruisen. Te Weenen had een opstand van het
volk (13 Maart) de vlucht van Metternich (naar Engeland) ten
gevolge, tevens de belofte eener constitutie en de onmiddelijke
verleening van drukpersvrijheid en volkswapening. Te Berlijn gaf
de koning, ten gevolge van talrijke adressen uit alle deelen des
lands en van samenscholingen van het volk in de hoofdstad , hoop
op een hervorming van het Duitsche verbond en een constitutie
voor Pruisen (het zoogenaamde patent van 17 Maart). Maar even
als te Parijs, hadden ook hier twee des avonds door een onbekende
hand geloste schoten een vernieuwing van den opstand en een zeer
bloedigen nachtelijken strijd met de troepen ten gevolge, totdat de
koning (18 Maart) de militairen gelastte de hoofdstad te verlaten.
De (tweede en laatste) vereenigde landdag vergaderde enkel, om
de bijeenroeping eener constitueerende vergadering, die zich met
het gouvernement over een nieuwe staatsregeling zou verstaan,
voor te bereiden.
Tot hervorming van het Duitsche verbond kwam een con-
stitueerende vergadering van afgevaardigden van geheel
Duitschland (ook van de Pruisische provinciën Oost- en West-Pruisen,
het Duitsche gedeelte van Polen en Sleeswijk) te Frankfort
aan den Main (president Hendrik von Gage in) te zamen. Zij
benoemde tot rijksbestuurder aartshertog Johan van Oostenrijk,
die door middel van een aan het Duitsche parlement verantwoor-
delijk ministerie (Schmerling enz.) de functiën van de thans
ontbonden bondsvergadering zou uitoefenen. De vergadering hield
zich, onder heftigen strijd der partijen, tot het einde van het
jaar onledig met de beraadslaging over de «grondrechten van het
Duitsche volk", en toen zij eindelijk haar hoofdtaak, het ontwer-
pen eener staatsregeling voor Duitschland, aanvaardde, stelde de
naijver der beide Duitsche groote mogendheden haar de grootste
hinderpalen in den weg. Koning Frederik Willem IV, niet blind
voor de vijandelijke houding van Oostenrijk en de staten van
Midden-Duitschland, die Pruisens toenemend gezag met leede oogen
aanzagen, weigerde de hem door een groote meerderheid van het
parlement aangeboden keizerskroon aan te nemen, omdat daartoe
»de vrijwillige toestemming der Duitsche vorsten en der vrije
steden vereischt werd". De meeste parlementsleden begrepen, dat
de poging tot herstelling van Duitschlands eenheid mislukt was,
-ocr page 206-
198
en namen hun ontslag; de volhardende radicalen hrachten den
zetel der vergadering naar Stuttgart over en benoemden een regent-
schap van 5 leden, maar het geweld der wapenen maakte een
einde aan hun bijeenkomsten. Opstanden in de Beiersche Palts
en Baden (Mei 1849) werden, hoewel ondersteund door Beiersche
en Badensche troepen, die de zijde der opstandelingen kozen, door
Pruisische legerafdeelingen (in Baden onder het opperbevel van den
prins van Pruisen, Wilhelm, den lateren keizer) en eenige batail-
lons rijkstroepen spoedig onderdrukt. Aartshertog Johan deed
(Oct. 1849) afstand van zijn rijksbestuurdersclmp, en na vergeefsche
pogingen van Pruisen, om een vereeniging der Duitsche staten zon-
der Oostenrijk tot stand te brengen, aanvaardde de bondsvergade-
ring in 1851 op nieuw haar sinds 1848 gestaakte werkzaamheden.
De eerste proef, om Pruisen de hegemonie in Duitschland te
verschaffen, was mislukt, maar het land had toch een soort van
constitutie verkregen. Het schoone plan, dat vertegenwoordiging
en gouvernement zich over de hoofdtrekken der grondwet zouden
verstaan, werd wel niet uitgevoerd, want de geest der vergadering
behaagde der regeering zoo weinig, dat zij die, ten gevolge van
herhaalde samenscholingen van het volk, eerst (8 Nov.) naar Bran-
denburg verplaatste en dan ontbond (5 Dec); maar er werd een
nieuwe constitutie met twee kamers aan het volk geschonken
(geoctroijeerd), en deze in 1850, nadat beide kamers haar herzien
hadden, door den koning, de afgevaardigden en de burgerlijke
ambtenaren bezworen. Over den eersten oorlog in Sleeswijk-
Holstein z. m. § 29.
Veel moeilijker was de strijd tegen de revolutie in Oostenrijk,
dewijl de verschillende onder des keizers scepter vereenigde volken
(Italianen, Hongaren en Slaven) pogingen deden om tot nationale
zelfstandigheid te geraken. Op de tijding van Metternichs vlucht
vielen de Lombarden af, en Karel Albert, koning van Sardinië,
snelde hen ter hulp, de Venetianen herstelden (na de capitulatie
der Oostenrijksche bezetting) hun oude republiek; aan de Hongaren
werd een nationaal ministerie (Batthyani, Kossuth) toegestaan;
de Bohemers wilden, na de afscheiding van Italië en Hongarije,
van Oostenrijk een Slaven-rijk (panslavisme) maken en stelden reeds
een voorloopig bewind aan, dat wel aan den keizer, maar niet
aan diens (Uuitsch) ministerie wilde gehoorzamen. Maar Bohemen
-ocr page 207-
199
werd door Windischgratz, Lombardije door den 82jarigen veld-
maarschalk Radetzky weder onderworpen. Tegen de Hongaren
bediende de regeering zicli van de oppositie der Croateii, die
weigerden zich aan de besluiten van den Hongaarschen rijksdag
te onderwerpen, terwijl de Hongaren steun vonden bij de Duitsche
democraten. Toen dus de Croaten onder hun ban Jellachicb tegen
de Hongaren optrokken, trachtten de democraten in Weenen het
vertrek der troepen te beletten, die den ban te hulp werden
gezonden en verwekten een opstand, waarin de minister van oorlog
(Latour) op wreede wijze vermoord werd. Daarom kwam Win-
dischgratz van Praag tot onderwerping van Weenen, dat een beleg
van verscheidene dagen (23—29 Oct.) doorstond, maar capitu-
leerde, toen de hoop op ontzet door de tot aan de grenzen van
hun land genaderde Hongaren bleek ijdel te zijn. De constitu-
eerende vergadering werd van Weenen overgebracht naai\' Kremsier
in Moravië, en keizer Ferdinand 1 (1735 — 1848) deed afstand
van de kroon ten behoeve van den oudsten zoon van zijn broeder
Frans Karel, aartshertog Frans Jozef (2 Dec). Een nieuw
ministerie onder Schwarzenberg ondernam de herstelling der mo-
narchie door voortzetting van den strijd tegen de Hongaren, die
weigerden den nieuwen keizer te erkennen, dooi- de ontbinding
der constitueerende vergadering en door het octroijeeren eener
staatsregeling voor de geheele monarchie, met terzijdestelling van
alle bijzondere constitutiën en besturen (-4 Maart 1849).
Windischgratz rukte, een legerkorps voor de vesting Komorn
achterlatende, zonder tegenstand van belang te ontmoeten, Pest
binnen; de Hongaarsche rijksdag verplaatste zich naar Debreczin,
om het Oostenrijksche leger naar het binnenland van Hongarije
te lokken. Zoo kon Görgey zijn leger den Oostenrijkers in den
rug plaatsen, Komorn ontzetten, en Windischgratz noodzaken naar
de Oostenrijksch-Hongaarsche grens terug te trekken. Kossuth
maakte van dezen keer, dien de winter-veldtocht had genomen,
gebruik, om het huis Habsburg door den rijksdag van de heer-
schappij over Hongarije vervallen te doen verklaren, en zich zelven
tot gouverneur-president van dat land te doen benoemen. Maar
na de herstelling van de heerschappij over Italië kon Oostenrijk
een deel van het Italiaansche leger (onder Haynau) naar Hongarije
zenden, en toen nu keizer Nicolaas van Rusland, van de gevolgen
-ocr page 208-
200
<ier Hongaarsche revolutie gevaar voor Polen vreezende, den jongen
keizer een leger van 130000 man onder Paskewitsch over de
Karpaten te hulp zond, kon de alloop van den zomerveldtocht van
1849 niet meer twijfelachtig zijn. Kossuth nam bij het naderen
der Russen met den rijksdag de wijk naar Szegedin en legde zijn
dictatuur neder; Görgey nam die over en eindigde den oorlog
door de capitulatie bij Vilagos. Hongarije verloor zijn oude
constitutie en was voortaan (tot 1867) slechts een der kroonlanden
van de Oostenrijksche monarchie. Kossuth verliet het land.
De geoctroijeerde staatsregeling van 4 Maart 1849 werd in
Oostenrijk, ten gevolge van het tegenstreven der verschillende
nationaliteiten, reeds in 1851 weder afgeschaft en het absolutisme
hersteld; enkele vrijheden op sociaal gebied (afschaffing van hee-
rendiensten) waren het eenige resultaat der bloedige revolutie.
Na den ongelukkigen Italiaanschen oorlog van 1859 (rn. z. § 28)
trachtte Oostenrijk de sympathie van het Duitsche liberalisme te
winnen en Pruisens dalenden invloed geheel te vernietigen. Men
keerde dus tot het constitutionalisme terug (het diploma van 1860
en het patent van 1861), maar de hernieuwde poging, om aan
het geheele rijk een en dezelfde staatsregeling te geven, leed
schipbreuk op het verzet der Hongaren. Nadat de ongelukkige
alloop
van den oorlog van 1866Sr^t vertrouwen in zijn macht
geschokt had, zwichtte de keizer. Hij liet zich in 1867 tot koning
van Hongarije kronen, en Hongarije verkreeg een afzonderlijk
ministerie en een eigen Hongaarschen rijksdag.
In Pruisen, dat door de inlijving der vorstendommen Hohen-
zollern-Hechingen en Sigmaringen (1849) ook eenigen invloed op
Zuid-Duitschland begon uit te oefenen, beklom Wilhelm I, die
reeds sedert 1858 voor zijn, door zware ziekte gesteisterden broeder,
het regentschap bekleedde, na diens dood in 1861, den koninklijken
troon. Duitschland onder de leiding van Pruisen tot een machtig
ryk te maken, dat was het, wat hij als zijn üiak beschouwde.
Daartoe moest in de eerste plaats leiden de door hem zelven ont-
worpen en door zijn minister van oorlog von Roon uitgewerkte
nieuwe legerorganisatie, waarvan de voortreffelijkheid later op zoo
schitterende wijze is gebleken. De meerderheid der (2de) kamer
weigerde de middelen daartoe en dwong het ministerie Schwerin
om af te treden. Maar de nieuwe president-minister (sedert 1862)
-ocr page 209-
201
v. Bismarck-Schönhausen verschafte, terwijl hij voor de
voorstellen der regeering de toestemming van liet heerenhuis vol-
doende verklaarde, niet slechts de middelen voor de herschepping
van het leger, maar trachtte ook door buitengewone schranderheid
en weergalooze diplomatieke behendigheid Pruisen den weg tot
macht en grootheid te banen.
Ook na de herstelling der bondsvergadering (1851) gaf men het
plan tot hervorming der bondsconstitutie niet op.
Keizer Frans Jozef noodigde (1863) de Duitsche vorsten op een
congres naar Frankfort, en bood daar een ontwerp tot hervorming
(met een direotorium van 6 stemmen onder voorzitterschap van
Oostenrijk) aan, dat door Pruisen, dat aan het congres geen deel
nam, beantwoord werd met den eisch van gelijkstelling met Oos-
tenrijk ten opzichte van het voorzitterschap. Toen nu de dood
van koning Frederik VII van Denemarken, Pruisen de gelegenheid
aanbood, om door inmenging in den strijd over de opvolging op
den Deenschen troon zijn positie in Duitschland te versterken,
nam ook Oostenrijk deel aan den tweeden oorlog wegens Sleeswijk-
Holstein (m. z. § 29). Denemarken moest de beide hertogdom-
men, benevens Lauenburg, afstaan; dit laatste kreeg Pruisen,
terwijl het aan Oostenrijk een geldelijke schadeloosstelling ver-
strekte ; de veroveraars bestuurden, volgens de conventie van
Gastein, Sleeswijk-Holstein gemeenschappelijk. Terwijl het nu bleek
dat Pruisen de annexatie der hertogdommen op het oog had en
Oostenrijk zich voor de rechten van prins Frederik van Augusten-
burg in de bres stelde, nam de spanning tusschen de beide
Duitsche groote mogendheden dermate toe, dat men zich reeds
van weerszijden op een eventueelen oorlog begon voor te bereiden.
Eensklaps kwam graaf Bismarck met een nieuw plan tot her-
vorming der bondsconstitutie voor den dag. Hij stelde aan de
bondsvergadering de bijeenroeping van een Duitsch parlement
voor, dat volgens de voorstellen der Duitsche gouvernementen
over de hervorming der bondsconstitutie zou beraadslagen. Maar
voordat nog over dit voorstel beslist was, leverde de Sleeswijk-
Holsteinsche kwestie een nadere aanleiding op tot het uitbar-
sten van den oorlog. De Oosten rij ksche stadhouder (von Gablenz)
riep namelijk, zonder Pruisen daarin te kennen, de standen van
Holstein b\\jeen, om te beslissen over het lot van het land; Pruisen
-ocr page 210-
202
verklaarde dit voor een schending der conventie van Gastein, en
liet troepen (onder Manteuiïel) Holstein biiinenrnkken, om de
vergadering der standen te beletten. De Oostenrijkers ontruimden
Holstein, en trokken door Hannover naar Zuid-Duitschland terug;
Pruisen aanvaardde nu ook de regeering in Holstein.
DE OOSTENRI.IKSCH-PRUISISCIIE OORLOG, 1866.
Op de tijding, dat Pruisische troepen Holstein waren binnen-
gerukt, deed Oostenrijk bij de bondsvergadering het voorstel, om
de niet-Pruisische bonds-contingenten mobiel te maken. Toen dit
voorstel door de meerderheid werd aangenomen, verklaarde Pruisen,
dat zich van de stemming onthouden had, de bondsvergadering
voor ontbonden en deelde de grondslagen voor een nieuw Uuitsch
verbond, zonder Oostenrijk, mede. Nadat Pruisen ten laatste de
overige staten van het Duitsch verbond nog te vergeefs tot neu-
traliteit had uitgenoodigd, bezette het ten spoedigste de landen
van de aan zijn eigen grondgebied grenzende tegenstanders, Saksen
(opdat dit niet door Oostenrijk tot basis zijner krijgsverrichtingen
zou gekozen worden), Hannover en Keur-Hessen (omdat
beiden Pruisens verbinding met zijn westelijke provinciën konden
bemoeielijken).
Het Saksische leger ontruimde ijlings het land en trok naar
Bohemen terug, om zich met het Oostenrijksche te vereenigen;
aan de Keur-Hessische troepen gelukte het zich door snellen
terugtocht op Hanau met de Zuidduitsche bondstroepen te ver-
eenigen ; maar de Hannoveranen werden in hun poging, om zich
den weg tot de Beieren te banen, door de Pruisen gestuit, en
hoewel zij aan deze bij Langensalza zware verliezen toebrachten,
nam toch koning George V, toen de Pruisen aanzienlijke versterking
hadden ontvangen, de hem aangeboden capitulatie aan, volgens
welke het Hannoversche leger (de officieren uitgezonderd) ontwa-
pend werd, en hij zelf zijn land moest verlaten; hij begaf zich
naar Weenen; Hannover en Keur-Saksen werden terstond onder
Pruisisch bestuur gesteld.
Nadat de Noordduitsche coalitie tegen Pruisen binnen 14 dagen
geheel uiteen was gedreven, kon dit zijn geheele macht tegen
Oostenrijk (en Saksen) en Oostenrijks Zuid-Duitsche bondgenooten
keeren. De oorlog werd nu op twee plaateen gevoerd, in het
-ocr page 211-
203
Oosten van Bohemen, waar het Oostenrijksche snoorderleger"
onder Benedek zich met de Saksen had vereenigd, en aan den
Beneden- en Midden-Main, waar zich de Zuid-Duitsche bondstroe-
pen hadden geconcentreerd.
Reeds op 23 Juni begon liet Pruisische hoofd-leger den aanval
op Bohemen, terwijl het van drie kanten tegelijk door de berg-
passen binnenrukte. Nadat de vereeniging der drie legers geluk-
kig was tot stand gekomen , behaalde het Pruisische leger onder
aanvoering van den kroonprins Frederik en \'s konings neef Frederik
Karel (von Moltke was chef van den generalen staf) een beslissei.de
overwinning op het Oostenrijksch-Saksische noorderleger onder Be-
nedeck tusschen Kóniggratz en Sadowa (L866).
Om na de volslagen nederlaag van het Noorderleger het zui-
delijke leger tot beveiliging zijner hoofdstad uit Italië te kunnen
ontbieden, stond keizer Frans Jozef, hoewel hij in den strijd
tegen den koning van Italië zoowel te land (Custozza) als ter
zee (Lizza) de overhand had, Venetië aan keizer Napoleon af
(m. z. § 28), tevens met het doel, om de/en het neutrale stand-
punt , dat hij tot dusver had ingenomen , te doen verlaten en de
Pruisisch-Italiaansche alliantie te verbreken. Maar Napoleon maakte
gebruik van dit aanbod, om niet slechts den vrede tusschen Italië
en Oostenrijk, maar ook tusschen Pruisen en Oostenrijk tot stand
te brengen. Terwijl dus het overwinnend Pruisisch leger, bijna
zonder tegenstand te vinden, geheel Bohemen en Moravië bezette
en zelfs zijn voorposten tot in de nabijheid van Weenen vooruit
schoof, werd door de bemiddeling van Frankrijk een wapenstil-
stand gesloten (bij Nikolsburg op de grens van Moravië). Koning
Wilhelm wilde van zijn overwinning vooral partij trekken tot
hervorming van Duitschland. Daarom eischte hij geen afstand van
Oostenrijksch grondgebied te zijnen behoeve (zijn bondgenoot Victor
Emanuel kreeg Venetië), maar wel dat Oostenrijk zijn toestem-
ming zou geven tot een reorganisatie van Duitschland (benevens
de Elbe-hertogdommen), waarin Oostenrijk zelf niet zou zijn opge-
nomen; ook Saksen bleef »op Oostenrijks wensch" in het bezit
van zijn geheele grondgebied. Op deze voorwaarden werd de
vrede te Praag gesloten.
Terwijl de strijd op het oostelijke krijgstooneel reeds binnen
ééu week beslist was, kweet ook het Pruisisch Main-leger
-ocr page 212-
204
onder generaal Vogel von Falkenstein en later onder generaal von
Manteuffel zich gelukkig van zijn taak. De wapenstilstand van
Nikolsburg maakte ook aan den oorlog in het Westen een einde.
Bij de afzonderlijke vredestractaten met de staten van Zuid-Duitseh-
land verloren Beieren en Hessen-Darmstadt kleine bezittingen op den
rechter Mainoever, maar allen moesten een (in \'t eerst geheim)
offensief en defensief verbond met Pruisen aangaan.
De inlijving van Hannover, Keur-Hessen, Nassau, Frankfort,
de beide Klbe-hertogdommen en het voormalig landgraafschap Hessen-
Homburg, benevens de kleine Beiersche en Darmstadtsche bezit-
tingen , was voor den Pruisischen staat niet slechts een hoogst
belangrijke aanwinst, maar hij had daardoor ook een onafgebroken
verbinding van de oostelijke met de westelijke provinciën en voor
zijn marine verscheiden havens deels aan de Noordzee (waar tot
dusver de krijgshaven aan de Jahde-golf hun eenig, trouwens zeer
geïsoleerd vaste punt was geweest), deels aan de Oostzee verkregen.
Tevens kreeg Pruisen de diplomatische en militaire leiding van
geheel Noord-Duitschland in handen door de oprichting van het
Noord-Duitsche verbond, dat de gezamenlijke 21 staten
van Noord- en Midden-Duitschland benevens de provincie Opper-
Hessen omvatte. Een bij rechtstreeksche verkiezingen met alge-
meen stemrecht bijeenverzamelde (constitueerende) rijksdag (1867)
keurde het aan zijn oordeel onderworpen ontwerp tot organisatie
van een Noord-Duitsch verbond behoudens onbeduidende wijzigin-
gen goed, en dit besluit werd door de vertegenwoordigingen der
afzonderlijke staten bekrachtigd. De regeering van het Noord-
Duitsche verbond berustte bij den koning van Pruisen, die met
den rijksdag en den bondsraad de wetgevende macht moest deelen.
President van den bondsraad was de bondskanselier. Bismarck
werd alszoodanig benoemd.
DE FRANSCH-DUITSCHE OORLOG, 1870—1871.
Napoleon III, die, als bondgenoot der overige groote mogend-
heden van Europa, Rusland door den Krimoorlog, Oostenrijk door
de verovering van Lombardije ten behoeve van het koninkrijk Italië
verzwakt had, was in den oorlog van Pruisen tegen Oostenrijk
(1866) onzqdig gebleven, in de zekere veronderstelling dat de
kleinste der groote mogendheden den strijd tegen den machtigeren
-ocr page 213-
205
tegenstander niet zou kunnen volhouden, of dat beiden door hun
worsteling elkanders krachten zouden uitputten. Het onverwachte
succes van Pruisen in dien oorlog noopte hem niet slechts, zich
in de onderhandelingen over dien vrede te mengen (m. z. bl. 203),
maar hij eischte ook een compensatie voor de zonder Frankrijk
tot stand gekomen uitbreiding van Pruisen (het afstaan van een
Duitsche bondsvesting, eerst Mainz, later Luxemburg), en trachtte
Pruisen tot een alliantie met Frankrijk over te halen, waarbij Prui-
sen voor de uitbreiding van het Noord-Duitsche verbond ook over
Zuid-Duitschland (zonder Oostenrijk) de Franschen het neutrale
België zou helpen veroveren. Pruisen deed afstand van zijn recht,
om bezetting in Luxemburg te leggen, maar wees alle andere
eischen af (zie bladz. 183). Daarom drong de oorlogzuchtige (chau-
vinistische) partij in Frankrijk keizer Napoleon tot het besluit,
om, zoo niet met Pruisens bijstand, dan door strijd tegen Pruisen
de grenzen van Frankrijk tot aan den Reneden-Rijn uit te breiden
en een einde te maken aan het Noord-Duitsche verbond, voordat
dit tot een algemeen Duitsch verbond was aangegroeid. Een voor-
wendsel tot den oorlog vond men , toen de troon van Spanje aan
Leopold van Hohenzollern , een verren bloedverwant van het re-
geerend huis in Pruisen, werd aangeboden. Maar toen deze uit
eigen beweging het aanbod afwees en dit voorwendsel dus niet
meer kon te baat genomen worden, eischte de Fransche gezant,
Benedetti, op last van zijn keizer, van koning Wilhelm (te Ems)
de schriftelijke belofte, dat hij tot die candidatuur, zoo zij ooit
weder ter sprake mocht komen, nooit zijn toestemming zou geven.
Ten gevolge van de even bepaalde als waardige afwijzing van dezen
vernederenden eisch werd door het Fransche ministerie in over-
eenstemming met de kamer, die door den invloed der oorlogzuchtige
partij beheerscht werd, met onbezonnen haast de oorlog aan Prui-
sen verklaard (15 Juli).
Terstond greep niet slechts het Noord-Duitsche verbond, maar,
naar het voorbeeld van Beieren, ook Zuid-Duitschland, op welks
neutraliteit (als ook op den afval der door Pruisen geannexeerde
landen) Napoleon gerekend had, naar de wapenen, om gezamen-
lijk de eer en de onafhankelijkheid des vaderlands te verdedigen.
Koning Wilhelm aanvaardde het opperbevel over de gezamenlijke
strijdkrachten van Duitschland.
-ocr page 214-
20H
A. De strijd tegen de keizerlijke legers (2 Aug. tot 2 Sept.).
Napoleon wilde twee bij Straatsburg onder Mac-Mahon en bij
Metz onder Bazaine geconcentreerde legers vereenigen, en dit zoo-
genaamde »Hijn-leger" zou, snel over den Boven-Rijn voortruk-
kende, de strijdkrachten van Noord- en Zuid-Duitscliland van elkander
scheiden; tevens koesterde hij de hoop dat »na de eerste gunstige
wending" Oostenrijk, Italië en Denemarken niet langer onzijdig
zouden blijven. Maar dewijl Frankrijk tot het voeren van een zoo
geduchten oorlog volstrekt niet voorbereid en uitgerust was, be-
paalde de geheele aanval zich tot een onbelangrijk voordeel, dat
zij behaalden, toen drie Fransehe divisién de Pruisische bezetting
noodzaakten Saarbrücken te ontruimen (2 Aug.). Ten gevolge
toch van de met ongeloollijke snelheid volbrachte mobielmaking
verschenen weldra twee Noord-Duitsche legers (onder generaal
v. Steinmetz en onder prins Frederik Karet) en een uit Noord-
en Zuid-Duitsche troepen gemengde armee (onder den kroonprins
van Pruisen), in \'t geheel nagenoeg 450000, op de grenzen van
Frankrijk en brachten door een even snellen als schranderen aanval
den oorlog op Fransch grondgebied over.
tn de eerste plaats rukte de kroonprins uit de Beiersche
Kijnpalts den Elzas binnen, met het plan om . na vernietiging
van den rechter vleugel der Franschen (Mac-Mahon), door een
wending naar het Noorden den linker vleugel (Bazaine) in den
rug te komen. Hij bestormde (4 Aug.) de grensstad Weis-
senburg, waarop Mac-Mahon, het Rijndal prijs gevende, zijn
leger aan den voet der Vogezen bij W ö r t h concentreerde.
Hier leed hij (6 Aug.) een zoo volslagen nederlaag, dat hij den
Elzas ontruimen en in aller ijl naar Champagne moest terugtrek-
ken. Op denzelfden dag bestormden de Noord-Duitsche legers,
de voor onneembaar gehouden vaste positie van generaal Frossard
op de, slechts langs een zeer steile helling te bereiken, hoogten
van Spicheren bij Saarbrücken, waar alleen de invallende nacht
aan de vervolging van den vluchtenden vijand een einde maakte.
De kroonprins liet eenige korpsen achter, om de vestingen in
den Elzas, vooral Straatsburg en Belfort, te belegeren, en drong,
Mac-Mahon achtervolgende, tot Nancy door, terwijl de Noord-
Duitsche troepen tegen Metz oprukten. Nu nam Bazaine, die
-ocr page 215-
207
begon te vreezen flat hij met zijn zoogenaamd Noorderleger in
Metz zou opgesloten worden, hetgeen ook wezenlijk de bedoeling
van den chef van den Pnisischen generalen staf, von Moltke,
was, den terugtocht van den Moezel op de Maaslinie aan (bij
Verdun), om zich met het (bij Chèlons sur Manie) uit het over-
schot van de Zuider-armee en nieuwe troepen gevormde leger van
Mac-Mahon te vereenigen. Het gelukte echter aan den vijand
dien terugtocht te beletten. Reeds de voorhoede van prins Fre-
derik Karel en generaal Steinmetz dwong in het uiterst moord-
dadige gevecht bij Mars-la-Tour (of Vionville, 16 Aug.), dat
12 uren werd voortgezet, Bazaine, om van zijn plan af te zien,
zonder dat zij evenwel in staat waren hem weder geheel naar
Metz terug te dringen. Dit gelukte eerst aan het geheele, onder
des konings persoonlijke leiding vereenigde leger door den slag bij
Gravelotte op 18 Aug., zoodat de omsingeling van Bazaine\'s
leger in Metz thans voltooid en dit van alle communicatie met
Parijs afgesneden was.
Mac-Mahon trok met zijn nieuw gevormd leger niet, zoo als
men verwachtte, naar Parijs terug, om deze stad tegen het
3de leger en een nieuwgevormd 4de (het Maasleger onder den
kroonprins van Saksen) te beschermen , maar deed, gehoorzamende
aan een bevel van graaf Palikao, den nieuwen minister van oorlog,
door een noordoostelijke wending (naar de Belgische grens) een
poging, om Metz te ontzetten en zich met Bazaine te vereenigen.
Maar hij werd bij Beaumont op den linker oever van de Maas
verslagen (30 Aug.) en te Sedan ingesloten. Eveneens mislukte
Bazaine\'s poging zich tot hem door te slaan, dewijl zijn (eerste)
uitval uit Metz zegepralend werd afgeslagen. Daar Mac-Mahon in
de kleine grensvesting Sedan voor zijn talrijk leger ruimte noch
proviand had, zag hij zich genoodzaakt een poging te doen, om
zich met geweld een weg te banen, maar deze poging werd zoo
volkomen verijdeld , dat Mac-Mahons plaatsvervanger, generaal
Wimpffen (2 Sept.), een in de historie ongehoorde capitulatie
moest sluiten, waarbij zijn geheele nog overige leger (86000 man,
behalve 25000, die in den slag zelven waren gevangen genomen\'»
krijgsgevangen werd gemaakt, en keizer Napoleon, die zich bij
het leger van Mac-Mahon bevond en »den dood, dien hij zocht,
-ocr page 216-
208
niet had kunnen vinden," zich zelven als krijgsgevangene ter be-
schikking van den overwinnaar stelde.
B. De strijd tegen de republikelnsche legers. Na de capitulatie
van Sedan werd hoofdzakelijk om de drie vestingen, Straatsburg,
Metz en Parijs gestreden. De tocht naar Parijs werd hervat, terwijl de
Noord-Duitsche legers achterbleven, ten einde Bazaine in Metz te om-
singelen. Tevergeefs deed Bazaine herbaalde uitvallen. Door honger
en gebrek werd hij eindelijk (27 October) genoodzaakt, zich met zijn
geheele leger over te geven. In hoeverre Bazaine schuld had aan
het verlies van Metz is moeilijk uit te maken; doch een krijgsraad
veroordeelde hem in 1873 ter dood, welk vonnis door de regeering
in twintigjarigen dwangarbeid veranderd werd. Nog eerder dan
Metz was Straatsburg gevallen, in weerwil van de wakkere ver-
dediging van generaal Uhrich. Omstreeks dien tijd was ook Parijs
geheel ingesloten geworden. Ten einde de hoofdstad van Frankrijk
te ontzetten vormde het na den val van het keizerrijk opgetreden
gouvernement der nationale verdediging, dat Gambetta naar Tours
verplaatste, door een volkswapening vier nieuwe legers: het Noor-
derleger, het Loire-leger, dat van Centraal-Frankrijk en dat van
Oost-Frankrijk. Meer dan een millioen Franscheu (ook vreemde-
lingen, als Garibaldi, snelden te hulp) werden onder de wapenen
gebracht, doch de gebrekkig uitgeruste en slecht aangevoerde
Fransche legers waren tegen de voortreffelijke Duitsche niet opge-
wassen. Het Noorder-leger werd in Januari 1871 in den slag bij
St. Quentin vernietigd; het Loire-leger was in dezelfde maand bij
Le Mans uiteengejaagd. De laatste hoop was gevestigd op het
leger van Oost-Frankrijk, aangevoerd door Bourbaki. Dit leger
zou de belangrijke vesting Belfort ontzetten en naar den Rijn
voortrukken, ten einde de verbinding van de Duitsche legers met
Duitschland af te snijden. Maar ook Bourbaki moest het onderspit
delven en toen een van Parijs aangekomen Duitsch leger hem den
terugtocht afsneed, werd hij gedwongen zich op Zwitsersch grond-
gebied te begeven, waar zijn troepen ontwapend en verpleegd
werden.
Parijs bleef gedurende den winter van 1S70 op 1871 ingesloten.
De moeite, door Thiers in het buitenland gedaan, om hulp van
den vreemde te verkrijgen, had geen gevolg. Zoo zag zich
ook eindelijk Frankrijks hoofdstad, toen er gebrek aan levensmid-
-ocr page 217-
209
delen kwam en alle pogingen tot ontzet mislukten (uitvallen onder
Ducrot en Trochu), genoodzaakt te capituleeren en een wapenstil-
stand te sluiten. Bij de conventie van Versailles werd
bepaald, dat de forten, die Parijs omgeven, door de Duitsche
troepen zouden worden bezet en dat gedurende drie weken de
wapenen zouden rusten. Tijdens dien wapenstilstand moesten de
verkiezingen plaats hebben voor een nationale vergadering
te Bordeaux, welke ten behoeve van den te sluiten vrede
werd ingesteld.
Geheel mislukt was de poging, om met een deel der Fran-
sche vloot (7 gepantserde schepen) de Duitsche kust aan de
Noord- en Oostzee te bedreigen en, door Denemarken geholpen,
Duitschland te noodzaken, om een groot leger in het Noorden
te plaatsen, ten einde de landing van Fransche troepen te beletten.
De vloot verrichtte niets anders dan dat zij eenige Duitsche havens
blokkeerde en enkele Duitsche koopvaardijschepen opbracht.
Na afloop van den inmiddels verlengden wapenstilstand werden
tusschen den door de nationale vergadering te Bordeaux benoem-
den »chef van het uitvoerend bewind der Fransche republiek",
Thiers, en graaf Bismarck de vredes-preliminairen vastgesteld.
Frankrijk zou den Elzas zonder Belfort en Duitsch-Lotharingen
met Metz (en Thionville) aan het vernieuwde Duitsche rijk afstaan
en binnen 3 jaar 5 milliarden francs aan oorlogskosten betalen.
De nationale vergadering te Bordeaux keurde met een overgroote
meerderheid (546 tegen 107) deze bepalingen goed (1 Maart),
welke ook den grondslag vormden van den te Frank fort op
10 Mei gesloten definitieven vrede.
Slechts een klein gedeelte van het Duitsche leger was, om de
ratificatie van de vredes-preliminairen door de nationale verga-
dering te bespoedigen, het westelijk gedeelte van Parijs binnen
gerukt, maar had dit op den dag na de teekening van den vrede
weder verlaten ; de forten op den rechter Seineoever en ver-
scheidene departementen evenwel bleven voorloopig door Duitsche
troepen bezet.
De staatkundige eenheid van Duitschland was het eerste gevolg
van dezen oorlog, waarin het Noorden en het Zuiden tot de over-
winning van den gemeenschappelijken vijand zich hadden verbonden.
Pütz, N. Gesch.                                                                    14
-ocr page 218-
210
Krachtens afzonderlijke verdragen met de vier Zuid-Duitsche staten
werd de Noord-Duitsche bond tot een Duitschen bond uitgebreid,
en daaraan , op voorstel van koning Lodewijk II van Beieren, de
naam van Duitse h rijk gegeven, terwijl koning Wilhelm, die
aan het hoofd daarvan stond, den titel van D u i t s c h keizer aan-
nam. De kroning van keizer Wilhelm had plaats in de spiegelzaal
van Lodewijk XIV te Versailles. De eerste Duitsche rijksdag keurde
de door den rijksraad ontworpen staatsregeling voor het
Duitsche rijk goed, waarvoor de in 1867 tot stand gebrachte
regeling van den Noord-Duitschen bond tot grondslag diende.
De overwinning op de Franschen behaald, verzekerde aan Duitsch-
land de eerste plaats in Europa. De vijf milliarden hebben het
echter niet gelukkig gemaakt; want de overdreven verwachting,
die zq opwekten, leidde tot het oprichten van tal van nieuwe
ondernemingen (gründerperiode), hetgeen een geweldige handels-
crisis na zich sleepte. Ofschoon Duitschland na 1870 geen oorlog
heeft behoeven te voeren, heeft het er in de binnenlandsche
politiek niet aan strijd ontbroken, waartoe allereerst de C u 11 u r-
karnpf het zijne bijdroeg. De Culturkampf was een strijd tus-
schen den staat en de kerk, die ontbrandde, toen de clericale
partij zich teleurgesteld zag in haar hoop dat het nieuwe kei-
zerrijk het herstel van den paus zou helpen bevorderen. Van dien
tijd af vormde deze partij (het centrum, Windthorst) met
andere ontevreden bestanddeelen (Welfen, Polen, Elzas-Lotharin-
gers, sociaal-democraten) de oppositie in de vertegenwoordigende
lichamen. In haar optreden tegen de kerk ging het de regeering
niet voorspoedig. Nadat in 1872 de Jezuïeten uit Duitschland
verdreven waren, kwamen in het volgende jaar de Pruisische
Mei-wetten tot stand (minister Falk). Deze wetten maakten
de geestelijken van de regeering afhankelijk en verboden vele
kloosterorden. De storm, dien zij deden opsteken en de krachtige
tegenwerking van het in macht toenemende centrum hebben evenwel
veroorzaakt, dat Bismarck geneigd was toe te geven en de wetten
te verzwakken, inzonderheid nadat Leo XIII den pauselijken zetel
ingenomen had.
Werd Bismarck in den kerkelijken strijd door het centrum
tegengewerkt, in zijn streven naar bescherming van landbouw en
nijverheid had hij vooral de aanvallen der Fortschritts-party (Richter)
-ocr page 219-
211
te verduren. Ondersteuning kreeg hij doorgaans van de conser-
vatieven en de nationaal-liberalen, vooral in den strijd tegen de
sociaal-democratie. Een paar aanslagen op het leven van den
keizer bewogen de regeering tot het nemen van strenge maatre-
gelen en het indienen der socialist en-wet, welke de vrijheid van
drukpers en het recht van vereeniging en vergadering niet weinig
beperkte. Deze wet vermocht echter den wassenden stroom der
sociaal-democratie niet te keeren en zij heeft in 1890 opgehouden
te bestaan. Intusschen had de regeering niet stilgezeten en door
het verplichtend stellen van oprichting van ziekenkassen en ver-
zekering tegen ongelukken en ouderdom, verbetering in arbeiders-
toestanden gebracht. In den Rijksdag neemt het aantal leden
der sociaal-democratische partij (Bebel, Liebknecht) met elke ver-
kiezing toe.
Herhaalde malen kwam de regeering met de volksvertegenwoor-
diging in geschil over de steeds toenemende verhooging van de
uitgaven voor oorlog. Daar na \'70 echter meer dan eens gevaar
voor het uitbreken van oorlog bestond, kreeg de regeering ge-
woonlijk haar zin. Het eerst dreigde de vrede verstoord te worden
in 1874, toen in Frankrijk sommige partijen oorlog wenschten.
In 1879 nam Rusland, uit ontevredenheid over de op het Congres
van Berlijn gemaakte bepalingen, een verontrustende houding aan.
Dit had tot naaste gevolg het defensief verbond van Duitsch-
land en Oostenrijk, dat sedert 1884 — door de toetreding van
Italië, hetwelk verbitterd was op Frankrijk vanwege de verovering
van Tunis — een drievoudig verbond is.
Keizer Wilhelm stierf in 1888 in den hoogen ouderdom van
91 jaren. Nog in hetzelfde jaar overleed zijn zoon en opvolger
Frederik III, na wien de keizerlijke waardigheid aan Wilhelm II
kwam. Dismarck heeft den jongen keizer slechts korten tijd
terzijde gestaan; want kort na diens optreden nam hij ontslag als
rijkskanselier en minister-president.
§ 23.
Zwitserland.
Tegen de aristocratische regeering, die in 1815 was gegrond-
vest , had zich een oppositie gevormd, waarvan het doel de o in-
-ocr page 220-
212
verwerping der oligarchie en een hervorming van het
verbond was. De .lulirevolutie gaf aanleiding tot algemeene
invoering van democratische staatsregelingen, zoo als die in de
8 oude kantons reeds lang bestaan hadden. Slechts in het kanton
Bazel gaf de aristocratie niet toe; er ontstond een burgeroorlog,
die de scheiding van het kanton in Bazel-stad en Bazel-land (elk
met een halve stem op den landdag) ten gevolge had (1832).
Nieuwe onlusten verwekte van den eenen kant de door de radicale
regeering in Aargau gelaste opheffing der kloosters en confiscatie
der kerkelijke goederen, van den anderen kant de val der radicale
regeering in Luzern en de komst der Jezuïeten, aan wie door het
nieuwe bewind de zorg voor het onderwijs werd opgedragen. Een
mislukte aanval van y>Freinchaaren" op Luzern had een verbond
der zeven katholieke kantons ten gevolge, dat door den landdag
voor onwettig (Sonderbund) verklaard werd en waaraan door een
executieleger onder Dufour een einde werd gemaakt (1847). De
radicale partij maakte, onder den invloed der Parijsche Februari-
omwenteling, van deze overwinning gebruik tot een hervorming
der bondsconstitutie (1848). De uitvoerende macht werd aan een,
telkens voor één jaar, gekozen president opgedragen. Het jaar
1848 maakte ook een einde aan de souvereiniteit van den koning
van Pruisen over Neufchatel, dat den Pruisischen gouverneur
verdreef.
         •
§ 24.
Rusland.
Alexander I (1801—1825) breidde niet slechts het grond-
gebied van Rusland uit door de verovering van Finland (1809),
door Bessarabië en een deel van Moldavië ten gevolge van den
vrede van Bucharest (1812), als ook door het koninkrijk Polen,
maar hij gebruikte ook den tijd van vrede zoowel vóór als na den
grooten oorlog met Napoleon tot verbetering van den inwendigen
toestand van zijn rijk. Op een zijner vele reizen verraste hem
de dood te Taganrog. Daar zijn oudste broeder Constantijn (uit-
hoofde van zijn tweede huwelijk met een Poolsche gravin) reeds
vroeger van de opvolging afstand had gedaan, beklom
Ni co laas I (1825—1855) den troon, waarvan hij zich het
-ocr page 221-
213
bezit door de onderdrukking eener samenzwering onder het leger
ten gunste van Constantijn moest verzekeren (dekabristen-oproer).
De Russisch-Perzische oorlog (1826—1828). Overdreven
berichten omtrent inwendige onlusten in Rusland bewogen den
Perzischen kroonprins (Abbas-Mirza) tot een inval in Transkaukasië,
om eenige vroeger aan de Russen afgestane landstreken te her-
overen. Hij werd door Paskewitsch overwonnen, de voor on-
neembaar gehouden vesting Eriwan werd veroverd en bij den vrede
Ruslands grondgebied met Armenië verrijkt.
De Russisch-Turksche oorlog, 1828—18^9.
Om gedurende den Griekschen opstand een gelijktijdigen oorlog
met Rusland te vermijden , stond sultan Mahmoud II voor Moldavië
en Wallachije een onafhankelijk bestuur toe; de positie van het
vorstendom Servië werd bijna evenzoo onafhankelijk, en daaren-
boven verkreeg Rusland vrije vaart in alle Turksche wateren.
Daarentegen wees de Porte iedere interventie der Europeesche mo-
gendheden in de zaken van Griekenland van de hand (m. z. § 25);
toen deze toch tusschenbeide kwamen en die tusschenkomst de
vernietiging der Turksch-Egyptische vloot bij Navarino ten gevolge
had, brak de Sultan elk verkeer met de drie mogendheden, die zich
in de Grieksche aangelegenheden gemengd hadden , af en noodzaakte
Rusland hem den oorlog te verklaren. Deze moest voor de Porte
te moeilijker worden, omdat de Sultan zich kort te voren door
de vernietiging der muitende Janitscharen zelf van de kern van zijn
leger beroofd had. Echter ontmoetten de Russen, toen zij in
1828 onder den ouden vorst Wittgenstein den Uonau waren over-
getrokken, bij de Turksche vestingen Schumla en Silistria meer
tegenstand dan zij verwacht hadden; slechts de zeevesting Varna
werd na een krachtig beleg, vooral ten gevolge van de oneenig-
heid onder de bevelhebbers der bezetting, ingenomen. Veel spoe-
diger gelukte het Paskewitsch in Azië verscheiden vestingen te
veroveren. In 1829 wist Diebitsch (de opvolger van "Witt-
genstein) de Turken tot een veldslag, dien zij in het vorige jaar
met het oog op hun pas gevormd leger vermeden hadden, te
dwingen en behaalde in de nabijheid van de Balkan vesting Schumla
een zoo schitterende overwinning op de ongeoefende Turksche
-ocr page 222-
214
troepen, dat hij (toen ook Silistria was bezweken) den Balkan
overtrekken en Adrianopel kon binnenrukken, zonder tegenstand
te ontmoeten, terwijl Paskewitsch, na de inneming van Erzeroem,
de hoofdstad van Armenië, reeds Trapezunt bedreigde. Maar de
diplomatie maakte aan den schitterenden tocht der beide legers
spoedig een einde, en een door bemiddeling van Pruisen gesloten
wapenstilstand werd weldra gevolgd door den vrede van Adri-
anopel (1829), waarbij Rusland van de gemaakte veroveringen
slechts de door de Donau monden gevormde eilanden en in Azië de
op de kust van de Zwarte zee gelegen plaatsen behield. De Porte
erkende de onafhankelijkheid van Griekenland.
De opstand der Polen, 1830—1831.
Het door het congres te Weenen nieuw gevormde koninkrijk
Polen had in 1815 door Alexander I een vertegenwoordiging en
een zelfstandig bestuur verkregen. Maar de van den grootvorst
Constantijn, den opperbevelhebber van het Poolsche leger, afhan-
kelijke regeering verwekte ontevredenheid bij den adel, die zich
in hevige oppositie op de rijksdagen uitte en het ontstaan van
geheime genootschappen tot herstelling van Polens onafhankelijk-
heid ten gevolge had. Eindelijk vertoonde zich ook hier de invloed
der Parijsche Juli-omwenteling, welke hoop gaf op hulp van
Frankrijk. Een in 1830 begonnen opstand tegen den grootvorst
Constantijn te Warschau breidde zich weldra over het geheele land
uit. Het huis Romanow werd vervallen verklaard van den troon
(1831) en een voorloopig bewind ingesteld, aan welks hoofd vorst
Czartoryski stond. Met een groot leger rukte Diebitsch tot onder-
werping van Polen over den Boeg tot voor Praga. Bij Grochow
overwon hij, maar de ingevallen dooi verhinderde hem van zijn
overwinningen partij te trekken, en weldra zag hij zich door
achter zijn rug uitgebarsten opstanden van Rusland afgesneden.
Maar de inwendige verdeeldheid der Polen en hun nederlaag onder
Skrzynecki bij Ostrolenka maakte een einde aan den opstand.
Diebitsch stierf wel is waar weinige dagen na zijn overwinning
aan de cholera (die ook den grootvorst Constantijn wegrukte),
maar zijn opvolger Paskewitsch trok dicht bij Thorn de Weichsel
over en omsingelde het aan de westzijde zwak bevestigde Warschau,
dat nog daarenboven het tooneel van bloedige anarchie werd en
-ocr page 223-
215
capituleerde. Polen verloor door het organieke statuut van
1832 zijn constitutie, maar bleef een afzonderlijk bestuur behouden
onder een door den keizer benoemden stadhouder (de eerste was
Paskewitsch). De Poolsche vluchtelingen verspreidden zich over
het Westen van Europa, en voortaan leverde bij iedere poging,
om de bestaande orde van zaken in Europa omver te werpen,
Polen een groot contingent.
De Krimoorlog, 1854—1856.
Toen in het jaar 1853 de Sultan aan de Fransche en Oosten-
rijksche regeeringen concessiën ten gunste der Latijnsche Christenen
in zijn rijk (te Bethlehem en Jeruzalem, als ook in Montenegro)
had gedaan, eischte Rusland door zijn buitengewonen gezant,
vorst Menschikoll\', niet slechts hetzelfde voor de Grieksche Chris-
tenen, maar ook erkenning van Ruslands beschermheerschap over
de Oostersehe kerk in Turkije. Op den raad der Westersche
mogendheden , die hierin het begin eener onderwerping van Turkije
door Rusland en daarom een ernstig gevaar voor het staatkundig
evenwicht in Europa zagen, wees de Porte deze op onbetamelijke
wijze gedane eischen van de hand, maar verzekerde tevens aan
de binnen haar gebied gevestigde Christenen (vooral de Grieksche)
op nieuw al hun rechten en priviligiën, om hierdoor te toonen, dat
deze geen andere bescherming noodig hadden. De Russen onder
Gortschakoff bezetten Moldavië en Wallachije. De pogingen tot
bemiddeling, door de mogendheden aangewend, die te Weenen
tot een conferentie samen gekomen waren, leden schipbreuk;
de vloten van Engeland en Frankrijk vertoonden zich in de
Aegaeische zee, maar kort daarna werd een Turksche vloot bij
Sinope door een Russische overvallen en na korten strijd ver-
nield. Toen nu de vereenigde vloot der Westersche mogendheden
de Zwarte zee binnenliep, en deze de ontruiming der Donauvor-
stendommen eischten, trokken de Russen onder Paskewitsch den
Donau over en belegerden Silistria, echter zonder gevolg; een door
Pruisen ondersteunde Oostenrijksche interventie bewoog hen de
Donauvorstendommen weder te ontruimen. Maar de Westersche
mogendheden zetten den oorlog voort, niet meer voor de onschend-
baarheid van het Turksche grondgebied, maar om door de veroot-
moediging van Rusland de onderlinge vei houding der groote
-ocr page 224-
216
mogendheden van Europa te wijzigen. De Franschen (onder St.
Arnaud) en de Engelschen (onder Lord Raglan) landden op de
westkust van de Krim, en na een overwinning op de Russen
(onder Menschikoff) bij de rivier de Alma (1854) belegerden zij
Sebastopoi, langen tijd zonder gunstige uitkomst. Echter sloegen
zij onder Canrobert (den opvolger van St. Arnaud, die gestorven
was) een aanval der Russen op de Engelschen bij I n k e r m a n af.
De groote verliezen, welke de verbonden mogendheden vooral ten
gevolge van den strengen winter geleden hadden, werden althans
gedeeltelijk vergoed door het toetreden van Sardinië, dat generaal
Lamarmora met 15000 man naar de Krim zond. Inmiddels stierf
keizer Nicolaas en werd opgevolgd door
Alexander II (1855—1881). De geallieerden zetten (onder
Pelissier, den opvolger van Canrobert) het beleg van Sebastopoi
voort. Zij leden ontzaglijke verliezen zoowel in den strijd zelven
als door de cholera, tot dat eindelijk de bestorming van den op
een hoogte gelegen Malakofltoren onder Mac Mahon de verovering
der in puin geschoten stad, welke dapper door Tottleben verdedigd
was, besliste. Daar echter de Russen zich in de Krim in een
door den vijand onaantastbare positie staande hielden en de voor
onneembaar gehouden Turksche vesting Kars in Armenië verover-
den, terwijl de tochten der Engelsche vloot in de Oostzee hoege-
naamd geen resultaten opleverden, waren alle partijen tot den
vrede geneigd, die in 1856 te Parijs gesloten werd op de
volgende voorwaarden: Rusland staat de Donaumonden met een
klein gedeelte van Bessarabië aan Moldavië af en geeft aan Turkije
Kars terug; de Porte verkrijgt een forrneele erkenning der on-
schendbaarheid van haar grondgebied, nadat zij aan haar christelijke
onderdanen gelijke staatsburgerlijke rechten met de mohammedaansehe
heeft toegekend. De Donauvorstendommen worden onder de be-
scherming der gezamenlijke groote mogendheden van Europa (in
plaats van Rusland alleen, zoo als het tot dusver geweest was)
gesteld, en onder één vorst vereenigd (1861, onder den naam
van Roemenië). De vaart op de Zwarte Zee werd ten opzichte
van oorlogsschepen verboden.
Na den vrede van Parijs was het voornaamste streven van
Alexander II, Rusland op de hoogte te brengen van de beschaving
in het Westen van Europa. De belangrijkste zijner talrijke her-
-ocr page 225-
217
vormingen was de opheffing van de lijfeigenschap (1861), waar-
door millioenen boeren de vrijheid verkregen en bovendien nog in
de gelegenheid gesteld werden, landbezit te verwerven. Ook Polen
werd door den czaar niet vergeten, maar de bevolking betoonde
zich voor de ingevoerde hervormingen weinig dankbaar. Zij merkte
de mildheid van Alexanders bestuur als een bewijs van zwakheid
aan. De gisting onder de Polen nam met den dag toe, wat
vooral toe. te schrijven was aan het voorbeeld van Italië en aan
de hoop op hulp van Frankrijk en op sympathie van West-Europa,
ingeval zij pogingen aanwendden, om het Russische juk af te
werpen. De toenemende onrust deed Alexander besluiten weer
recruten aan te werven in de steden van Polen, wat in de laatste
jaren niet gebeurd was. Toen dit besluit met geweld ten uitvoer
gelegd werd, stonden de Polen op (1863). Een Nationaal
Bewind wierp zich als leider der beweging op, die echter geen groote
afmetingen aannam, zoodat het verzet spoedig een einde nam. De
generaals Murawiell\' en Berg waren reeds in 1864 het oproer
meester. Rusland had daarbij den steun genoten van Pruisen, en
het is niet onwaarschijnlijk, dat Rusland om die reden in 1870
een gunstige gezindheid jegens Pruisen aan den dag legde.
Tijdens den Fransch-Duitschen oorlog had Rusland, in strijd met
de bepalingen van den vrede van Parijs van 1856, met gunstig
gevolg aanspraak gemaakt op het recht om een onbepaald aantal
schepen in de Zwarte Zee te mogen stationeeren (verdrag te Lon-
den, 1871). Gedurig had ook Rusland de ontevredenheid der
Christenen in Europeesch-Turkije gevoed en aangewakkerd, de
Serviërs in hun opstand tegen de Turken (1876) ondersteund en
hen door bemiddeling van een wapenstilstand van den ondergang
gered. (Jm Ruslands invloed op het Balkan-schiereiland te ver-
nietigen en een einde te maken aan de wreedheden, door de
Turken op de in opstand gekomen Boelgaren gepleegd, noodigde
Engeland tegen het einde van 1876 de groote mogendheden tot
een conferentie te Constantinopel uit. Deze zou aan Turkije het
behoud van zijn grondgebied in Europa verzekeren, maar tevens
op een zelfstandig bestuur over Bosnië, Herzegowina en Boelgarije
aandringen. Toen de Porte dit geweigerd had, bewoog Rusland
de groote mogendheden bij haar eisch te volharden.
Nu kon keizer Alexander, als het ware als de gemachtigde
-ocr page 226-
218
der neutraal blijvende groote mogendheden, tegen sultan Abdoel
Hamid II optreden. Hij sloot een verdrag met Roemenië ten
behoeve van vrijen doortocht, later een offensief verbond, waarbij
zich gedurende den oorlog Montenegro en Servië aansloten.
De oorlog »tot bevrijding der Christenen van het Turksch
fanatisme" begon met het gelijktijdig binnenrukken der Russen in
Roemenië onder des keizers broeder, grootvorst Nicolaas, en
in Armenië onder generaal Loris-Melikoff (1877). De Russische
troepen rukten met goed gevolg Boelgarije binnen, maar werden
door Osman Pacha weken lang bij P1 e w n a tegengehouden. Toen
echter Tottleben in het Russische leger kwam, werd het Turksche
leger door nauwe insluiting ten laatste gedwongen te capituleeren.
Op het einde van December trokken de Russen, onder Goerko,
den Balkan over en verleenden na hun intocht in Adrianopel aan
de Turken een wapenstilstand (Jan. 1878), tijdens welken over
het sluiten van den vrede werd beraadslaagd.
Daar de door Rusland gestelde vredesvoorwaarden nadeel toe-
brachten aan de belangen van Europa en het Russische leger al
meer en meer Constantinopel naderde, stelden Engeland en Oos-
tenrijk zich voor Turkije in de bres. Engelsche oorlogschepen
liepen de zee van Marmora binnen, en Oostenrijk drong op een
congres tot regeling der Oostersche kwestie aan. Terzelfder tijd
barstten op Creta, in Epirus en Thessalië opstanden tegen Turkije
los, en dreigde Griekenland met een oorlogsverklaring. Echter
werden bij den vrede van San Stefano (1878) aan de Russen
hun veroveringen in Armenië en op het Balkan-schiereiland ver-
zekerd ; slechts zou het laatstgenoemde veroverd gebied een nieuw,
aan den Sultan schatplichtig vorstendom Boelgarije met de zuide-
lijke grens tot Adrianopel vormen. Ook de Russische bondge-
nooten kregen onafhankelijkheid van de Porte en uitbreiding van
grondgebied. De groote mogendheden wilden alle bepalingen van
dezen afzonderlijken vrede op een congres in overweging nemen,
terwijl Rusland weigerde over andere vraagstukken te beraadslagen
dan die »van Europeesch belang" waren. Gelijktijdig nam het een
vijandige houding tegenover Roemenië aan, omdat dit weigerde
Bessarabië tegen de Dobroedscha te ruilen. Daarom maakte En-
geland zich gereed tot den oorlog; het liet troepen uit Indië naar
Malta overbrengen, terwijl ook Oostenrijk met den oorlog dreigde.
-ocr page 227-
219
Aan de bemoeiingen van den kanselier van het Duitsche rijk,
vorst Bismarck, had men eindelijk het tot stand komen van het
congres te Berlijn te danken, dat in zijn vergaderingen van
13 Juni tot 13 Juli 1878 over de Oostersche kwestie, doorgaande
in den geest der vredesbepalingen van San Stefano, besliste.
Rusland krijgt Kars en Batoem, het laatste als vrije haven,
voorts Bessarabië zuidelijk tot aan den Kilia-arm der Donau-monding;
Boelgarije wordt een christelijk vorstendom, schatplichtig aan
Turkije, maar zelfstandig met betrekking tot zijn bestuur en zijn
leger, de vorst wordt door de Boelgaren gekozen, en die keuze
door de Porte met toestemming der groote mogendheden bekrach-
tigd. De Balkan vormt de zuidelijke grens van het vorstendom.
Het land ten Zuiden van den Balkan blijft als Oost-Roemelië,
een Turksche provincie met zelfstandig bestuur onder een christe-
lijken stadhouder. Montenegro, Servië en Roemenië wor-
den onafhankelijk van de Porte, Rusland krijgt Bessarabië, terwijl
Roemenië de Dobroedscha ontvangt. Al de staten verleenen hun
onderdanen vrijheid van godsdienst. De Turksche provinciën Bosnië
en de Herzegowina worden, totdat daarover nader zal zijn
beschikt, door Oostenrijk in bezit genomen en bestuurd »om de
woelingen der Slaven aan de Oostenrijksche grens tegen te gaan."
De zaken van Creta en de overige, niet vermelde provinciën van
Turkije, als ook van Armenië zullen nader geregeld worden;
ook de vaststelling der grenzen van de Porte en Griekenland, in
het belang van dit laatste, blijft aan nadere bepalingen voorbehou-
den. De oude Donauvestingen worden gesloopt, de stroom blijft
van de ijzeren poort tot aan zijn monden onzijdig terrein. —
Perzië krijgt de stad en het gebied van Khotoer (Armenië). —
Tijdens het congres deed Engeland de mededeeling van het sluiten
van een Engelsch-Turksch verbond van 4 Juni 1878, volgens het-
welk aan Engeland het bestuur over het eiland Cyprus en
het beschermheerschap in Klein-Azië werd opgedragen. Hierdoor
kreeg Engeland de heerschappij over het oostelijk deel van de
Middellandsche Zee.
In Midden-A zie hebben de Russen sedert het jaar 1865 hun
heerschappij over een deel van Toeran uitgebreid, en uit de veroverde
landen het generaal-gouvernement Turkestan gevormd. In 1878
werd ook het khanaat van Khokand bij het Russische rijk ingelijfd.
-ocr page 228-
220
Rusland was ontstemd over de schikkingen van het congres van
Berlijn en kon het moeilijk verkroppen, dat Bosnië en Herzego-
wina aan Oostenrijk afgestaan waren. Bij liet misnoegen der
panslavisten over den ongunstigen afloop van den Russisch-Turkschen
oorlog kwam nog het gevaarlijk optreden der nihilisten. De
stichter van het nihilisme (nihil = niets), Bakoenin , verwacht geen
heil van de theoriën der socialisten, welke moeilijk in praktijk te
brengen zijn, maar wil de geheele bestaande maatschappij afbreken,
derhalve alle banden van familie, godsdienst, staat, enz. vernieti-
gen. De nihilisten, die onder alle standen en klassen der Rus-
sische maatschappij aanhangers gevonden hebben, deinzen voor
geen middelen terug, om hun tegenstanders uit den weg te rui-
men. Nadat reeds hooggeplaatste ambtenaren vermoord waren,
viel in 1881 Alexander II als slachtoffer hunner aanslagen. Ook
op Alexander III (1881 — 1894) werden aanslagen beproefd. Na
1894 regeert Nicolaas II. In de laatste jaren wordt het binnen-
landsche bestuur van Rusland vooral gekenmerkt door verschillende
maatregelen tot russificeering (Jodenvervolging, vernietiging van
het Duitsche element in de Oostzee-provinciën).
§ 25.
Het Osmaansche rijk en Griekenland.
Het Osmaansche rijk had, even als in de vorige eeuw, zoo ook
onder Mahmoed II (1808 —1839) zijn behoud alleen te danken
aan de onderlinge jaloezie der Europeesche groote mogendheden,
voor welke het bestaan van dat rijk een waarborg voor de instand-
houding van het staatkundig evenwicht was. De (erfelijke) stad-
houders der provinciën, vooral van de ver van de hoofdstad
verwijderde, bekommerden zich weinig om de bevelen van den
Sultan, en de pacha\'s van Janina en Egypte regeerden als onaf-
hankelijke vorsten. Daarenboven waren de Sultans geheel afhankelijk
van de overmoedige (sedert 1363 bestaande) Janitscharen, totdat
zij zich in 1826 met geweld van die teugellooze troepen ontdeden,
nadat deze in buitenlandsche oorlogen en laatstelijk nog in den
strijd tegen Griekenland weinig blijken van moed en bekwaamheid
hadden gegeven.
-ocr page 229-
221
De vrijheidsoorlog der Grieken, 1821—1828.
Steunende op de zwakheid der Porte en op Rustands hulp,
als ook op een gelijktijdigen opstand van AH Pacha van Janina,
die in Albanië een Epirotisch rijk wilde stichten, trok Alexander
Ypsilanti de zoon van een gebannen vorst van Moldavië en hoofd
van de hetaerie der onderling bevrienden (een over
Griekenland en de Grieksche eilanden verspreid geheim genoot-
schap), met gewapenden over den bevrozen Pruth Moldavië binnen,
en vaardigde te Jassy een proclamatie uit, waarbij hij de Grieken
tot afval van de Turksche heerschappij opriep, 1821. Maar dewijl de
Russische hulp uitbleef viel de «heilige bende" van Ypsilanti door
verraad in de handen der (van drie kanten de Donaulanden binnen-
rukkende) Turken en werd bij Dragetschan vernietigd; hij zelf
redde zich door de vlucht op Oostenrijksch gebied (hij stierf in
1828 te Weenen). De tachtigjarige Ali Pacha liet zich door be-
driegelijke beloften uit zijn vesting lokken en werd doodgestoken;
zijn hoofd en de hoofden van drie zijner zonen werden te Constan-
tinopel tentoongesteld.
Het spoedig einde van den opstand in het Noorden bevorderde
het uitbarsten daarvan in het eigenlijk Griekenland; want dewijl
de Turken niet slechts op de afgevallen, maar ook op de getrouw
gebleven Grieken met ongehoorde wreedheid (de patriarch van
Constantinopel, het hoofd der Grieksche kerk, werd met verscheiden
aartsbisschoppen op Paaschdag aan den hoogsten toren zijner kerk
opgehangen enz.) wraak oefenden, verspreidde de opstand zich
spoedig over Morea, Hellas, Thessalië en vele eilanden van den
Archipel. Op een nationaal congres te Epidaurus (on-
der de leiding van Alexander Maurokordates) werd in 1822 de
onafhankelijkheid der Grieksche natie uitgesproken en
een constitutie aangenomen, waarbij tot op het einde van den
strijd een republikeinsche regeering (van 5 leden) werd ingesteld,
die haar zetel te Corinthe had. Nadat beide volken zich uitgeput
hadden in een strijd, die twee jaren duurde maar tot geen be-
slissing leidde (1822, 1823), zagen beiden naar bondgenooten uit.
De Porte kreeg weldra hulp van haar vazal Mehemed Ali, Pacha
van Egyple, die zijn stiefzoon Ibrahim met de Egyptische land-
en zeernacht naar Morea zond. Eerst toen deze, ondersteund door
-ocr page 230-
222
de inwendige tweedracht der Grieken, Creta en bijna het geheele
schiereiland Morea onderworpen en verwoest, en de heldhaftig
verdedigde vesting Missolonghi door honger tot de overgave had
gedwongen (1826), verbonden zich Engeland (onder Canning) en
Rusland met Frankrijk bij het verdrag van Londen (1827)
tot de «pacificatie" van Griekenland. Dit verkreeg, trouwens onder
het oppergezag van den Sultan, een zelfgekozen bestuur, aan welks
hoofd de voormalige Russische minister van staat, graat\' Johan
Capodistrias, als president stond. De Grieken hadden de
hulp van Engeland en Frankrijk vooral te danken aan de geestdrift
der philhellenen (Lord Byron, Normann, Eynaud, Chateaubriand).
De veranderde houding van Rusland dagteekende van het jaar
1825, toen Nicolaas aan de regeering kwam.
Nadat door den val der acropolis van Athene ook het Oosten
van Hellas (gelijk het Westen door de inneming van Missolonghi)
onderworpen was en toen de Divan de vredesvoorstellen der drie
bemiddelende mogendheden op beleedigende wijze van de hand had
gewezen, zonden deze een vloot (onder de admiraals Codrington,
van Heyden en de Rigny) naar Morea, welke (zonder last van
hun gouvernementen) de Turksch-Egyptische in den slag bij
Navarino (1827) vernietigde. Het vertrek van een Fransch
leger onder Maison naar Morea bewoog den onderkoning van Egypte
zijn stiefzoon Ibrahim terug te roepen, waarop Maison de nog
door de Turken bezette torten in Morea innam, zonder tegenstand
te ontmoeten.
De drie verbonden mogendheden verklaarden in 1830, dat
Griekenland een onafhankelijk koninkrijk zou zijn,
bepaalden als grens daarvan ten laatste eene lijn van de golf van
Volo tot aan de golf van Arta en benoemden, nadat Capodistrias
(die om de gestrengheid zijner politiemaatregelen en de minachting,
waarmede hij de hoofden der Grieksche troepen behandelde, zeer
gehaat was) door sluipmoord was omgebracht (1831), prins Otto
van Beieren tot erfelijk koning van Griekenland
nadat Leopold van Saksen-Coburg, voornamelijk wegens de grens-
regeling, de hem aangeboden kroon geweigerd had.
Nauwlijks was de oorlog met Rusland geëindigd of er barstten
in verscheiden provinciën opstanden der naar onafhankelijkheid
strevende stadhouders uit, waarvan die van den onderkoning
-ocr page 231-
223
van Egypte, Mehemed AH, de gevaarlijkste was (1831—1833).
Steeds hadden de beheerschers van Egypte (het laatst nog Napo-
leon I) naar het bezit van Syrië gehaakt, en ook Mehemed Ali
begreep hoe belangrijk de verovering van een land was, dat het
zijne aan den zwaksten kant dekte. Daarom begeerde hij als be-
looning voor zijn tegen de Grieken bewezen diensten het bestuur
over Syrië, maar verkreeg slechts het stadhouderschap op Creta.
Toen nu de Westersche mogendheden door de Juliomwenteling
bezig gehouden werden, zond hij zijn zoon Ibrahim Pacha naar
Syrië, die de hoofdvesting Akka of St. Jean d\'Acre innam, Da-
mascus bezette, naar Klein-Azië oprukte en den Grootvizier bij
Kon ia (Iconium) overwon en gevangen nam. Reeds bedreigde
liij Constantinopel, toen Rusland, dat liever den zwakken Sultan
dan den machtigen Pacha tot nabuur wilde hebben, een vloot ter
bescherming van Constantinopel naar den Bosporus zond. Deze
houding van Rusland noopte Frankrijk en Engeland den vrede te
Koetajeh te bewerken (1833). Mehemed Ali kreeg Syrië in leen,
en voor Russische oorlogschepen werd bij \'t verdrag van Is-
k e 1 e s s i de straat der Dardanellen geopend; voor die van andere
natiën bleef zij gesloten.
Steunende op de ontevredenheid der Syriërs met fbrahims des-
potische regeering, trachtte de Sultan in het laatste jaar zijner
regeering (1839) nog eenmaal den naar volledige onafhankelijkheid
strevenden Mehemed Ali, die zijn macht ook over het Zuidwesten
van Arabië (Yemen) had uitgebreid, mede aan zich te onderwerpen,
maar het Turksche leger leed door Ibrahim Pacha een volslagen
nederlaag bij Nisib aan den Euphraat. Mehemed Ali, die zich
door het verraad van den admiraal ook meester had gemaakt van
de Turksche vloot, eischte, op Frankrijks hulp steunende, van
den volgenden (eerst 16 jaar ouden) Sultan
Abdul Medjid (1839—1861) dat hij hem al de door hem
geregeerde landen als erfelijke leenen zou afstaan, maar verkreeg
ten gevolge der gewapende interventie van de overige groote
mogendheden van Europa (Syrië werd door de Oostenrijkers en
de Engelschen veroverd) alleen de erfelijke heerschappij over Egypte.
Over den oorlog met Rusland van 1854—1856 z. m. § 24. In
\'t jaar 1861 werd de Sultan opgevolgd door zijn broeder Abdul-
Aziz. Het Turksche rijk in Europa is in de laatste helft dezer
-ocr page 232-
224
eeuw zeer achteruitgegaan. Tengevolge van den Russisch-Turkschen
oorlog en het daarop gevolgde congres van Berlijn beslaat het
thans maar een kleine oppervlakte en heeft het zijn voortbestaan
alleen nog aan de oneenigheid der groote mogendheden te danken.
Sedert 1876 is Abdoel Hamid II sultan.
Boelgarije koos in 1879 Alexander van Battenberg, een neef
van den czaar, tot vorst. Zijn al te groote zucht naar zelfstan-
digheid deed hem bij Alexander III van Rusland in ongenade
vallen, zoodat hij in 1886 afstand van den troon moest doen. In
1887 werd Ferdinand van Coburg vorst van Boelgarije. Zijn
minister, Stamboelof, die hem zijn bijstand tegen Rusland ver-
leende, viel, kort na zijn aftreden als minister (1895), door
sluipmoord.
Koning Otto van Griekenland werd door een opstand der
«nationale" partij (1843) genoodzaakt de Üuiteche ambtenuren
te ontslaan en een nationale vergadering bijeen te roepen, die
aan het land een gematigd liberale grondwet gaf. In 1862 nood-
zaakte een revolutie den koning het land te verlaten en door een
overeenkomst der tot Griekenlands bescherming verbonden mogend-
heden werd prins Willem George van Denemarken als koning
George I tot zijn opvolger benoemd. Tevens werden de Ionische
eilanden bij het koninkrijk Griekenland ingelijfd. Echter ging het
onder den nieuwen koning niet beter; de financiën bleven slecht
en alom heerechte ontevredenheid (opstand op Creta, en ten ge-
volge daarvan langdurige strijd ; Engelsche interventie). Het congres
van Berlijn heeft Griekenland aan de noordzijde vergroot.
§ 26.
Spanje.
Ferdinand VII (1814—1833) vernietigde, zoodra hij op
den troon terugkeerde, de gedurende zijn afwezigheid ingevoerde
constitutie van 1812, welke tijdens de Fransche overheersching
te Cadix opgesteld was, herstelde de absolute monarchie en on-
derdrukte alle tegenovergestelde pogingen der liberalen, vooral
enkele militaire opstanden , met bloedige gestrengheid. Deze restau-
ratie voltooide den afval der meeste Spaansche bezittingen in
Amerika, die reeds in 1810, nadat hun verzoek om gelijke rechten
-ocr page 233-
225
met het moederland door het regentschap te Cadix was geweigerd
(m. z. § 41), den strijd voor hun staatkundige onafhankelijkheid
aanvaard hadden, en dien nu tegen den koning met gelukkig
gevolg voortzetten. In het leger, dat bijeengebracht was, om ze
weder te onderwerpen, barstte in 1820 een militaire revo-
lutie uit, die den koning tot herstelling der constitutie van 1812
en (nadat een poging tot een militaire tegen-revolutie mislukt
was) tot benoeming van een ministerie uit de radicale partij (de
»exaltados") noodzaakte. Maar het voorbeeld eener door voorspoed
bekroonde militaire revolutie scheen aan de Europeesche mogend-
heden te gevaarlijker toe, omdat het ook in Portugal en in Italië
navolging had gevonden. Op een congres te Verona werd
besloten het absolutisme in Spanje met geweld te herstellen, en
Frankrijk, waar, evenals in Spanje het huis bourbon regeerde,
nam de uitvoering van dit besluit op zich. Een Fransch leger
(van 100000 man) onder den hertog van Angoulème trok door
Spanje, bijna zonder tegenstand te ontmoeten, en gesteund door
de onverschilligheid van het volk en het verraad der constitutio-
neel generaals, tot Cadix, waarheen de Cortes den koning reeds
vóór het begin der interventie hadden overgebracht. De Cortes
werden ontbonden, en de herstelling van den vroegeren staat van
zaken ging, ondanks de belofte eener amnestie en niettegenstaande
de waarschuwingen van bevriende mogendheden, van talrijke in-
hechtenisnemingen, terechtstellingen en verbanningen vergezeld.
Deze tweede restauratie in het moederland had den geheelen afval
der Amerikaansche koloniën ten gevolge.
Ferdinand VII liet aan zijn volk een strijd over de opvolging
en een burgeroorlog na, door de opheffing der Salische wet
(welke Philips V in 1713 met toestemming der Cortes had inge-
voerd) en door de herstelling der oude Castiliaansche erfopvolging
in de mannelijke en vrouwelijke lijn, waartoe hij op raad zijner
vierde gemalin (Maria Christina, eene zuster der hertogin van
Berry) bij een pragmatieke sanctie besloten had. Toen
nu zijn 3jarige dochter
Isa bel la II (1833—1868) onder de voogdijschap van haar
moeder den troon beklom, nam haar oom Don Carlos den titel
van koning Karel V aan, en werd als zoodanig in de Baskische
Pütz, N. Gesch.                                                                   15
-ocr page 234-
226
provinciën erkend, die van liet liberale regeeringsstelsel een be-
perking hunner oude vrijheden (fueros) vreesden. Zoo begon een
bloedige burgeroorlog (1833—1840), waarin de Christinos
(onder Mina, Espartero), ondersteund door Engelsche vrijwilligers
en een Fransch vreemdenlegioen, maar in \'t nauw gebracht door
het klimmend gebrek aan geld en de opstanden der progressisten
ten behoeve der constitutie van 1812, tegen de Carlisten (onder
Zumalacarreguy, Cabrera enz.) met afwisselend geluk streden. En-
geland en Frankrijk hadden met de wettige regeeringen van
Spanje en Portugal een quadruple alliantie gesloten. De Basken
verlieten na een zesjarigen vergeefschen strijd de zaak van Don
Carlos en onderwierpen zich aan de koningin, die beloofde hun
fueros te zullen eerbiedigen. Het overschot der Carlistische troepen
moest in 1840 over de Fransche grenzen terugtrekken. Eerst in
1845 deed Don Carlos afstand van zijn aanspraken op den troon
van Spanje, echter ten gunste van zijn oudsten zoon.
Na het einde van dezen successieoorlog bleef de strijd tusschen
de beide partijen, de moderados en de progressisten, voortwoeden.
De eerzucht en de afgunst der generaals bleek uit verscheiden
»pronunciamento\'s." Espartero (hertog van Vittoria) had door
het gelukkig ten einde brengen van den burgeroorlog zoodanig
aanzien verworven, dat hij de koningin-moeder uit het regentschap
kon verdringen, maar reeds na 2 jaar (1843) werd hij zelf door
zijn ouden mededinger Narvaez overwonnen, waarop koningin
Christina terugkeerde. In verstandhouding met Lodewijk Philips
zocht deze Spanje in het bezit der Bourbons te doen blijven door
liet huwelijk harer beide dochters met Bourbonsche prinsen (m. z.
de geslachtslijst). Ook na den val der Bourbons in Frankrijk
bleef de strijd tusschen Moderados en Exaltados voortduren. Narvaez
moest verscheiden malen voor de Progressisten (Prim) onderdoen,
maar keerde telkens aan het roer van den staat terug en werd
ten laatste de leider en bewerker eener niets ontziende reactie.
Hij kon zijn willekeurig gezag slechts door zoogenaamde veilig-
heidswetten in stand houden. Maar na zijn dood (1868) kon dit
absolutistische regeeringsstelsel niet langer blijven bestaan; de hoofden
der verschillende oppositiepartijen verbonden zich tot het omver-
werpen der in voortdurende weifeling verkeerende regeering; de
troepen der koningin bezweken in den strijd met de generaals
-ocr page 235-
227
der opstandelingen (Serrano, Prim en admiraal Topete) en de
zoogenaamde Septemberomwenteling van 1868 eindigde met de
vlucht van koningin Isabella op Fransch grondgebied. Een voor-
loopig bewind riep een constitueerende vergadering bijeen, die tot
een nieuwe monarchale staatsregeling besloot. De kroon werd
aan Leopold van Hohenzollern aangeboden en, nadat deze bedankt
had, koos men gedurende den oorlog tusschen Frankrijk en Duitsch-
land (1870) Amadeus, hertog van Aosta, een zoon van Victor
Emanuel II. Door den tegenstand der Carlisten werd hij het
regeeren moede en deed hij in 1873 vrijwillig afstand van den
troon.
De tweede republiek heeft maar twee jaren (1873—1875) be-
staan. Presidenten waren Castelar, Serrano, Figueras e. a. Een
opstand der Carlisten en socialistische woelingen brachten haar in
gevaar. In 1875 werd door een pronunciamento van generaal
Martinez Campos het huis Bourbon in Spanje hersteld. De kroon
kwam aan Alphonsus XII, oudsten zoon van Frans van Assisi en
Isabella. Alphonsus regeerde tot 1885, in welk jaar hij door zijn
minderjarigen zoon Alphonsus XIII werd opgevolgd. Een expeditie,
kort geleden naar Marokko ondernomen, had het gewenschte ge-
volg. Maar het opgestane Cuba heeft het nog niet kunnen onder-
werpen.
§ 27.
Portugal.
Het door Spanje gegeven voorbeeld eener militaire revolutie
vond navolging in Portugal, waar het leger den overwegenden
invloed van Engeland afkeurde, die van vreemde overheersching
weinig verschilde. Koning Joh au VI, die ook na de verdrijving
der Franschen uit Portugal voortdurend in Brazilië was gebleven,
had namelijk de heerschappij over het moederland in naam aan
den patriarch van Lissabon, maar in der daad aan den Engelschen
generaal Lord Beresford opgedragen. Eerst na een tweede, tegen
Beresford (1820) te Oporto uitgebarsten militaire revolutie voelde
de koning zich genoopt naar Lissabon terug te keeren, waar hij
de inmiddels ontworpen democratische constitutie moest goedkeuren
•
-ocr page 236-
228
en bezweren. Maar hij werd (na het binnenrukken der Franschen
in Spanje) door de hofpartij, aan welker hoofd zijn gemalin (een
zuster van Ferdinand VII) en zijn tweede zoon Dom Miguel stonden,
genoodzaakt die weer in te trekken. Zijn oudste zoon Dom Pedro,
dien hij in Brazilië had achtergelaten, moest Brazilië, om de heer-
schappij over dat land aan het huis Braganza te verzekeren, voor
een van Portugal onafhankelijk keizerrijk verklaren en den titel
van keizer van Brazilië aannemen, 1822. Na den dood van
zijn vader (1826) deed Dom Pedro afstand van de kroon van
Portugal ten gunste van zijn minderjarige dochter
Maria da Gloria (1826—1853), welke met zijn broeder
Dom Miguel verloofd werd, dien zij ook het regentschap in Portugal
opdroeg. Maar deze riep de zoogenaamde oude Cortez bijeen, d. i.
een vergadering der drie standen, verklaarde zich met hun toe-
stemming absoluut koning, 1828, en handhaafde zich op den
troon, totdat Dom Pedro, die ten gevolge van een revolutie afstand
had gedaan van de kroon van Brazilië ten gunste van zijn minder-
jarigen zoon Dom Pedro II, onverwachts naar Europa kwam en,
door een Engelsche vloot (onder Napier) bijgestaan, Portugal voor
zijn dochter heroverde (1833); Dom Miguel deed afstand en vertrok
naar Italië. Na den dood der koningin volgde haar oudste zoon
Pedro V (1853—1861), de eerste koning uit het huis Braganza-
Coburg, en op dezen zijn broeder Lodewijk I (1861 —1889).
Sedert 1889 regeert Karel I.
§ 28.
Italië.
Italië had aan de Fransche overheersching vele voortreffelijke
verbeteringen in het bestuur en de wetgeving te danken, die na
den terugkeer der oude heerschers weder verloren gingen; vooral
was de koning van Sardinië (Victor Emanuel I) er op uit elk
spoor der Fransche heerschappij in zijn land te vernietigen en de
oude toestanden te herstellen. Ook Sicilië, dat het juk der Fransche
heerschappij niet had behoeven te dragen, had (op aandrang van
Engeland) een constitutie gekregen, maar koning Ferdinand (IV),
die zich als koning der beide Siciliën Ferdinand I noemde, had
die weer ingetrokken. De misnoegden vonden een vereeiiigingspunt
-ocr page 237-
229
in het geheime democratische genootschap der Carbonari. Dit
had zijn oorsprong te danken aan den haat tegen de vreemde
overheersching, maar was na haar val blijven voortbestaan en had
alle elementen der oppositie in zich vereenigd. Hun zinnebeeld
was een kroon met een dolk doorboord. De in Spanje uitgebarsten
militaire revolutie van 1820 vond navolging zoowel te Napels
(generaal Pepe) als in Sardinië en de vorsten van beide landen
werden door opstanden genoodzaakt tot het aannemen der Spaansche
constitutie. Maar op een door Metternich georganiseerd congres
te ïroppau, dat later naar Laibach verplaatst werd, besloot men
tot herstelling der oude orde van zaken in Napels, en dit besluit
werd door een Oostenrijksch leger zonder veel moeite ten uitvoer
gelegd. Ook in Sardinië werd de revolutie spoedig onderdrukt.
De Parijsche Juliomwenteling van 1830 wekte ook in Italië
de revolutionaire partij tot nieuwe ondernemingen op, en had
vooral in de Romagna een poging ten gevolge, om zich aan het
wereldlijk gezag van den paus te onttrekken. (Lodewijk Napoleon,
de latere keizer der Franschen, en zijn broeder waren in dien
opstand betrokken). Oostenrijksche troepen herstelden de heer-
schappij van den paus; Lodewijk Napoleon ontsnapte vermomd
aan de waakzaamheid der Oostenrijkers, en begaf zich naar Polen,
om zich daar aan het hoofd der revolutie te plaatsen, maar ver-
nam reeds in Saksen dat Warschau gevallen was (m. z. pag. 214).
Bij de tweede interventie der Oostenrijkers bezetten de Franschen
Ancona.
Veel belangrijker gevolgen had voor Italië de Parijsche Februari-
omwenteling van 1848. Reeds voor dat deze uitgebarsten was,
vertoonde zich op het geheele schiereiland het hevig verlangen
naar verandering en hervorming.
Paus Pius IX had zich in het begin zjjner regeering (1846)
toegevend jegens de liberale partij betoond (opheffing der militaire
rechtbanken en der strenge censuur, volkswapening, bijeenroeping
eener vergadering van notabelen tot beraadslaging over de wet-
ten enz.). Ferdinand II van Napels gaf ten gevolge van een
opstand op Sicilië (Januari 1848) aan zijn geheele rijk een op de
leest der Fransche charte geschoeide constitutie; maar de Sicilianen
namen die niet aan; zij kozen een Parlement volgens de constitutie
van 1812, en benoemden den jongeren zoon van koning Karel
-ocr page 238-
280
Albert van Sardinië tot hun koning. De koning van Sardinië zelf,
die reeds toen er aan dacht zich aan liet hoofd van Italië te plaat-
sen, wilde voor Napels niet onderdoen en haastte zich (8 Febr. 1848)
aan zijn volk een grondwet te geven; zijn voorbeeld werd ge-
volgd door den hertog van Toskane (Leopold II) en den paus.
Na de uitbarsting der Parijsche Februari-omwenteling en de
verdrijving van Metternich, deed Lombardije een poging, om,
bijgestaan door Ka rel Albert van Sardinië, van Oostenrijk at
te vallen. Karet Albert hield zijn intocht te Milaan, maar
moest na Radetzky\'s overwinning bij Custozza Lombardije ont-
ruimen.
Zyn poging (Maart 1849) om Lombardije te heroveren, werd
verrjdeld door Radetzky\'s inval in Sardinië en diens overwinning
bij No va ra, waarop Karel Albert ten gunste van zijn zoon
Victor Emanuel II de regeering nederlegde; deze sloot door
de bemiddeling der Westerscbe mogendheden met Oostenrijk op
dragelijke voorwaarden vrede.
De weigering van den paus, om deel te nemen aan den oorlog
tegen Oostenrijk, ooopte de revolutionaire partij het gezag te
Rome te bemachtigen, nadat Rossi, de eerste minister van den
paus, vermoord en de paus zelf naar Gaeta gevlucht was. Een
^constituante", die onder leiding van Mazzini vergaderde, om
de bondsconstitutie van Italië vast te stellen , proclameerde de
Romeinsche republiek, waarbij na de verdrijving van den groot-
hertog ook Toskane werd ingelijfd. Opdat Oostenrijk niet door
een interventie in Midden-Italië nog meer macht en invloed op
het schiereiland zou verkrijgen, besloot de president der Fransche
republiek tot een Fransche interventie in Rome (onder Oudinot),
die na een kort beleg der stad (waar Garibaldi de verdediging
leidde) de pauselijke heerschappij herstelde, 1849. Ook hoopte
Napoleon, door hulp aan den paus te geven, de Fransche geeste-
lijkheid voor zich te winnen. Ook de groothertog van Toskane
keerde in zijn l^nd terug en Ferdinand II ontdeed zich (reeds in
Mei 1849) met geweld van de hem opgedrongen heerschappij van
het volk.
Graaf Cavour, sedert 1852 eerste minister in Sardinië, liet
niets onbeproefd om Italië\'s eenheid en onafhankelijkheid tot stand
te brengen, waarvoor buitenlandsche hulp noodig was. Dewijl
-ocr page 239-
231
Sardinië in den Krirnoorlog Frankrijks bondgenoot was geweest,
wist hij op een bijeenkomst te Plombières, Napoleon tot de ver-
nietiging der Oostenrijksche heerschappij in Italië te bewegen.
Napoleons komst werd door den aanslag van Orsini nog bespoedigd.
Oostenrijk trachtte door een vernieuwden inval in Sardinië, 1859,
zijn tegenstanders te voorkomen, maar na de komst der Franschen
(ook van Napoleon) trokken de Oostenrijkers over den Tessino
terug, de Franschen achtervolgden hen zoo snel, dat Mac Mahon
de Oostenrijkers onder Giulay bij Magenta versloeg, nog voor
dat deze zijn leger geconcentreerd had. Oostenrijk moest niet
slechts Lombardije ontruimen, maar ook zijn bezettingen uit Mid-
den-Italië naar het hoofdleger doen oprukken, en alom barstte
achter hen de revolutie los (in de Romagna, in Modena, Parma,
Toskane). Toen keizer Frans Jozef met aanzienlijke versterkingen
(meestal uit Hongarije) bij het leger was aangekomen, deed hij
als opperbevelhebber een poging om Lombardije te herwinnen,
maar de uitermate bloedige slag bij Solferino (1859) eindigde
met de overwinning der Franschen; slechts Benedeck had zich op
den rechtervleugel tegenover de Sardiniërs staande gehouden.
Daar Engeland en ltusland stappen deden om de oorlogvoe-
renden tot het sluiten van den vrede te bewegen, Duitschland
daarentegen, vooral Pruisen, zich gereedmaakte om Oostenrijk bij
te staan, nam Napoleon. ook met het oog op de onaantastbare
positie der Oostenrijkers binnen den vesting-vierhoek aan gene zijde
van den Mincio, genoegen met den afstand van Lombardije tot
aan den Mincio ten behoeve van Sardinië (bij den wapenstilstand
te Villa franca, die door den vrede te Zurich bekrachtigd werd).
Bij volksstemming verklaarden (1860) ook de door hun vorsten
verlaten staten Toskane, Modena en Parma zich voor de inlijving
bij het koninkrijk Sardinië, dat daarentegen Savoye en Nizza aan
Frankrijk afstond. Oostenrijk behield in Italië alleen nog Venetië
met Mantua.
Van een nieuwen opstand op Sicilië (1860) trok Gari-
baldi partij, om de denkbeelden van de herstelling van Italië\'s
eenheid ook in het Zuiden ingang te doen vinden. Van zijn eiland
Caprera stak hij over naar Sicilië. Na de verovering van Sicilië
(ten gevolge der capitulatie van Palermo en Messina) vertoonde hij
zich op het vasteland en trok Napels binnen; koning Frans II,
-ocr page 240-
232
die zijn vader Ferdinand II (j* 1859) in de regeering was opge-
volgd , ging scheep naar Gaëta. Garibaldi aanvaardde de dictatuur
namens Victor Emanuel II, »koning van Italië."
Ook in den Kerkdijken Staat begon het onrustig te worden,
hoewel er geen bloed werd vergoten; men verklaarde zich voor
een unie met Sardinië en riep de bescherming van dat land in;
de door generaal Lamoricière gereorganiseerde pauselijke troepen
werden bij Castelfidardo verslagen en moesten te Ancona capitu-
leeren. Eindelijk verklaarde ook Napels zich bij volksstemming
voor de annexatie bij Sardinië. Toen Victor Emanuel II zelf te
Napels kwam, legde Garibaldi het gezag, dat hij tot hiertoe
bekleed had, in diens handen neder; Frans II moest te Gaëta na
een geducht beleg capituleeren en vond een schuilplaats te Rome.
Victor Emanuel riep het eerste »Italiaansche Parlement" bijeen,
en nam met goedkeuring van dat lichaam den titel aan van
koning van Italië (1861). Cavour zag in, dat voorloopig
vrede een eerste eisch was, wilde men het verworvene bevestigen.
Hoewel hij reeds in 1861 stierf, bleef men toch den door hem
ingeslagen weg volgen. Om die reden hield men den heethoof-
digen Garibaldi, die onstuimig op Rome lostrok, ten einde het
te veroveren en tot hoofdstad van het nieuwe rijk te maken,
tegen. Ook de goede verstandhouding met Napoleon eischte dit.
Garibaldi werd door Cialdini bij Aspromonte verslagen (1862).
De door Napoleon geëischte verplaatsing der residentie naar Flo-
rence werd tot vestiging der eenheid van Italië ook door het
Parlement noodzakelijk geacht.
Nog ontbraken Venetië en Rome aan het nieuwe koninkrijk,
dat zich volgens Napoleons verklaring tot aan de Adriatische zee
moest uitstrekken. Evenals Lombardije, werd ook Venetië door
een vreemde mogendheid voor Victor Emanuel veroverd ; ditmaal
trouwens indirect, door Pruisen, waarmede hij in 1866 een ver-
bond tegen Oostenrijk had gesloten. Ondanks de nederlagen der
Italianen te land (bij Custozza) door aartshertog Albrecht en ter zee
(bij het eiland Lizza) door admiraal Tegethoiï, kreeg Victor Emanuel,
ten gevolge van de overwinningen zijner bondgenooten in Duitsch-
land en door Napoleons bemiddeling, Venetië (bij den wapen-
stilstand te Nikolsburg en den vrede te Praag, m. z. pag. 203).
Eveneens verschafte Pruisens verdedigingsoorlog tegen Frankrijk
-ocr page 241-
233
(1870) en het daardoor veroorzaakte vertrek der Fransche troepen
(in 1867 onder Failly binnengerukt tegen Garibaldi; deze bij
Mentana verslagen en gevangen genomen) uit Rome aan de Ita-
liaansche regeering de gelegenheid, om het overgeblevene van den
Kerkdijken Staat (als «provincie Rome") bij het koninkrijk Italië
in te lijven en hiermede de eenheid van Italië te voltooien,
die met het tot stand komen der eenheid van Duitschland een
paar van de belangrijkste gebeurtenissen dezer eeuw uitmaakt.
Bij de waarborgingswet werden aan paus Pius IX volkomen
onafhankelijkheid en alle voorrechten van een Souverein verzekerd.
Het hem toegekende jaarlijksch inkomen van l1^ millioen francs
heeft hij geweigerd aan te nemen.
Na den dood van Victor Emanuel in 1878 is zijn zoon Humbert
koning van Italië geworden. In hetzelfde jaar beklom Leo XIII
den pauselijken stoel. Paus en koning staan nog steeds vijandig
tegenover elkaar. De toetreding tot het drievoudig verbond, uit
wrok over Tunis, heeft, met het oog op de verbetering van het
leger, zware offers van Italië geëischt. Vandaar, dat het met
financiëele moeilijkheden te kampen heeft, die aan Crispi heel wat
last bezorgd hebben. Op dit oogenblik is Italië in een geduchten
kolonialen oorlog met Abessinië gewikkeld.
§ 29.
Zweden en Denemarken.
Gustaaf IV, die Finland aan Rusland had moeten afstaan, was
door een samenzwering van den adel en het leger (1809) genood-
zaakt de regeering neder te leggen, waarop in strijd met het
erfrecht zijn oom Karel XIII (1809—1818) op den troon werd
verheven. Terstond na zijn troonsbeklimming verkreeg Zweden een
nieuwe constitutie, bij welke de volksvertegenwoordiging naar vier
standen met onderling gelijke rechten geregeld en verdeeld was:
adel, geestelijkheid, burgers, boeren. Daar voor gewone wetten
de overeenstemming van minstens 3, voor veranderingen in de
staatsregeling die van alle 4 standen en wel op 2 rijksdagen ver-
eischt werd, was de ontwikkeling der wetgeving buitengewoon
bemoeielijkt.
-ocr page 242-
234
Na den plotselingen dood van den (door Karel XIII geadopteerden)
kroonprins bepaalden de standen, gedeeltelijk uit vrees en ontzag
voor Napoleon, dat de Fransche maarschalk Bernadotte, (zij hadden
hem als stadhouder in het noorden van Duitschland van eene
gunstige zijde leeren kennen), dien de koning adopteerde, tot
opvolger werd benoemd.
Het huis Bernadotte sedert 1818.
Bernadotte, die bij zijn troonsbeklimming den naam van Karel
XIV Johan aannam, heeft door groote en wezenlijke verbeteringen
in alle takken van het staatsbestuur het vertrouwen der natie,
die hem op den troon verheven had, gerechtvaardigd. Hem volgde
(1844) zijn zoon Oscar I en dezen (1859) zijn zoon Karel XV
(1859— 1872), die de volksvertegenwoordiging naar 4 standen
ophief; hij ontwierp een nieuwe constitutie met een vertegen-
woordiging in 2 kamers, welk ontwerp door den stand der burgers
en boeren bijna eenstemmig, en eveneens door de meerderheid
van den adel en de geestelijkheid goedgekeurd werd. Om evenwel
aan dit ontwerp een gunstige opname te verzekeren, moest men
aan de publieke opinie die concessie doen, dat slechts protestanten
verkiesbaar en kiesgerechtigd zouden zijn. Op Karel XV volgde
zijn oudste broeder, Oskar II.
Denemarken (dat als een schamele schadeloosstelling voor het
verlies van Noorwegen, Lauenburg verkreeg) verheugde zich onder
de regeering van Frederik VI (1808—1839) in een onafge-
broken rust binnenslands en vrede met het buitenland. Zijn neef
en opvolger Christiaan VIII (1839—1848) wilde de bij den dood
van zijn kinderloozen zoon te wachten afscheiding van Sleeswijk-
Holstein (waar slechts opvolging in de mannelijke lijn bestond)
van Denemarken voorkomen door inlijving der beide hertogdommen
bij den Deenschen staat, waar (sedert 1665) vrouwen van de op-
volging niet uitgesloten waren. Voor het meest geschikte middel
tot de bereiking van dit doel hield men de uitvaardiging eener
gemeenschappelijke nieuwe constitutie voor Denemarken en Sleeswijk-
Holstein. Maar nog voor dat dit plan tot uitvoering kwam, stierf
-ocr page 243-
235
Christiaan VIII en zijn zoon Frederik VII (1848—1863), de
laatste mannelijke spruit, kondigde terstond de door zijn vader
voorbereide gemeenschappelijke staatsregeling af, om zoo Sleeswijk-
Holstein op den duur met Denemarken te vereenigen. De door
dezen stap van de opvolging in Sleeswijk-Holstein uitgesloten hertog
van Augustenburg (een lijn, die zich reeds in de 16de eeuw van
de koninklijke familie had afgescheiden) vond terstond ondersteu-
ning bij Pruisen.
De eerste oorlog wegens Sleeswijk-Holstein. 1848—1850.
Versterkt door bondstroepen bezetten de Pruisen onder generaal
Wrange! (na de bestorming van de zoogenaamde Dannewirke)
Sleeswijk en dreven in 1849 de Denen (na de bestorming der
Düppeler verschansingen) naar het eiland Alsen. Maar de landing
van een groot aantal Denen ten N. van Kolding verschafte dezen
het overwicht, generaal Bonin werd werd bij Fredericia overvallen
en na bloedigen strijd verslagen; de Pruisen verlieten Sleeswijk,
tengevolge van een te Berlijn met Denemarken gesloten vrede,
waarvan de opheffing der oude verbinding tusschen Sleeswijk en
Holstein de grondslag was. Nog trachtten de Holsteiners alleen
den oorlog tegen Denemarken voort te zetten, maar leden een
nederlaag. De beide hertogdommen kregen nu afzonderlijke staats-
regelingen voor de bijzondere aangelegenheden van ieder land,
maar bleven ten opzichte van leger, financiën en buitenlandsche
zaken aan het opperbestuur over de geheele monarchie onderge-
schikt. Een door de groote mogendheden, alsmede door Zweden
en Denemarken ontworpen en geteekend protokol verzekerde (1852)
de opvolging aan hertog Christiaan van Glücksburg.
De tweede oorlog wegens Sleeswijk-Holstein. 1864.
Toen na den dood van Frederik VII diens opvolger Chris-
tiaan IX, gedwongen door de overheerschende »Eider-Deensche
partij" in Kopenhagen, de inlijving van Sleeswijk door de afkon-
diging eener gemeenschappelijke staatsregeling voor Denemarken
en Sleeswijk beproefde, eischten de beide Duitsche groote mogend-
heden , die het Londensche protokol mede geteekend hadden, de
-ocr page 244-
236
intrekking dier constitutie, en toen Denemarken weigerachtig bleef,
rukten Pruisisch-Oostenrijksche troepen onder het opperbevel van
den Pruisischen veldmaarschalk Wrangel de hertogdommen binnen.
De Pruisen (onder Prins Frederik Karel) bestormden de Düppeler
verschansingen, en bezetten na een stouten tocht over de Alsener
zeeëngte het eiland Alsen; beide legers drongen tot Noord-Jutland
door. Toen ook Kopenhagen van den zeekant bedreigd werd,
stond de koning van Denemarken, by den vrede te Weenen,
Sleeswijk-Holstein en Lauenburg aan de verbonden groote mogend-
heden af; Lauenburg werd eigendom van Pruisen, en ten gevolge
van de conventie te Gastein kreeg Pruisen het bestuur van Slees-
wijk, Oostenrijk het bestuur van Holstein, totdat de Duitsche
oorlog in 1866 aan Pruisen het onbetwist en onverdeeld bezit van
beide hertogdommen verschafte.
§ 30.
DE STATEN VAN AMERIKA.
1. De Vereenigde Staten van Noord-Amerika waren
sedert hun afscheiding van Engeland deels door vrijwillige aanslui-
ting van nieuwe gewesten, deels door koop (b. v. Louisiana van
Frankrijk in 1803, Aljaska van Rusland in 1867) en verdragen
(afstand van Florida door Spanje, 1819), eindelijk ook door een
oorlog met Mexico (over de bepaling der grenzen van Texas),
waardoor het goudrijke Californië en Nieuw-Mexico veroverd en
daardoor de communicatie met den Grooten Oceaan verzekerd was,
steeds in omvang en uitgestrektheid toegenomen. Niet minder
dan in omvang en bevolking namen zij ook toe in inwendige
kracht. De beschaving rukte al verder en verder van het Oosten
naar het Westen voort, en door voordeelige handelsverdragen
strekten zij hun handel over alle zeëen uit, zoodat zij na Engeland
de eerste handeldrijvende staat der wereld werden. In alle materieele
takken van beschaving, als stoom vaart, spoorwegen, streefden de
Amerikanen de bewoners der oude wereld ver voorbij. De bevol-
king der Vereenigde Staten, die in 1775 drie tot vier millioen
bedroeg, was in 1870 tot over de twee en veertig millioen
aangegroeid. Tot de merkwaardigste presidenten moeten gerekend
-ocr page 245-
237
worden Thomas Jefferson (1801 —1809), James Monroe
(1817—1825; de leer van Monroe) en James Buchanan
(1857—1861). De leer van Monroe dagteekent van het jaar 1823.
Toen er sprake van was, dat het Heilig Verbond Spanje wilde
steunen in den strijd tegen zijn opgestane Amerikaansche koloniën,
verklaarde Monroe, dat Amerika geen inmenging van Europa in
zijn aangelegenheden kon dulden.
Tusschen de noordoostelijke en zuidoostelijke staten der unie
vormden zich allengs staatkundige en maatschappelijke tegenstel-
lingen. De bevolking in het Zuiden (van Romaanschen oorsprong)
liet de bebouwing der (suiker-, katoen-, rijst-, tabak- enz) plan-
tages aan slaven over, die zij meende niet te kunnen missen; in
het Noorden daarentegen had zich een nijvere en schrandere be-
volking (van Germaansch ras) gevestigd en deze was, daar de
stroom der volksverhuizing zijn weg vooral naar het Noorden nam,
spoedig toegenomen. Maar door de partijtwisten der republikeinen
(radicalen) en democraten (gematigden) in liet Noorden was het
voor de slavenstaten niet moeilijk, bij de verkiezingen voor de
kamers zoowel als van een president, hun belangen te doen zege-
pralen, totdat zij in 1860 door de verkiezing van Lincoln tot
president een zoo gevoelige nederlaag leed, dat (1861) elf slaven-
staten zich van de unie afscheidden en zich als g e c o n f e d e r e e r d e
stalen van Amerika (onder den vroegeren minister van oorlog
Jelïerson Davis als president) constitueerden.
De Burgeroorlog, 1861 — 1865.
De betrekkelijk zwakke krachten, waarmede het in bevolking
zoo veel sterkere Noorden (22 millioen blanken tegenover 5£ mill.
blanken en \'6\\ millioen slaven, wier getrouwheid twijfelachtig was)
den oorlog begon, en de geringe energie, waarmede de oorlog
gevoerd werd, toonden genoegzaam dat men ten opzichte van des
vijands kracht in een noodlottige dwaling verkeerde. Deze daaren-
tegen stelde van den beginne aan alle pogingen tot krachtige
verdediging in \'t werk, zoo zelfs, dat men in \'t eerst van den
kant van het Noorden den oorlog niet aanvallenderwijze kon voeren.
Wel gebood Lincoln na den eersten tegenspoed een lichting van
500000 vrijwilligers, maar zoowel door al te groote verbrokkeling
-ocr page 246-
238
van krachten over een oostelijk, centraal en westelijk tooneel van
den oorlog, als ook tengevolge van partijtwisten volgde in 1862
een nieuwe reeks van nederlagen, zoodat de overwinning der ge-
confedereerden waarschijnlijk en een herstelling der unie meer
dan twijfelachtig scheen. Evenwel behaalde het Noorden te water
een overwinning, toen de gepantserde oorlogsschepen, de Monitor
van \'t Noorden en de Merrimac van \'t Zuiden op de Jamesrivier
slaags geraakten.
Maar in 1863 kwam er verandering in het stelsel van talmen,
dat men tot dusver te Washington had gehuldigd. Lincoln ver-
klaarde de slaven, die zich in de vijandelijke staten bevonden,
vrij, het congres stond een leening van 900 millioen dollars en
vermeerdering van het papieren geld toe, alsmede het werven
van negers voor den dienst te land en ter zee. Aanvankelijk bleef
de overwinning evenwel nog aan den kant der geconfedereerden,
z\\j wonnen (onder Lee) een driedaagschen slag bij Frederiksburg,
maar bij het begin van de tweede helft des jaars keerde de kans;
Lee verloor den insgelijks driedaagschen slag bij Gettysburg in
Pennsylvaniö (1—3 Juli). De toenemende uitputting der geconfe-
dereerden, die in Tennessee (waar in den herfst de oorlog vooral
gevoerd werd) wel een tweedaagschen slag wonnen, maar een
vierdaagschen verloren, had een wapenrust van verscheiden maanden
ten gevolge.
Eerst in Mei 1864 hervatten de beide legers hun operatiën;
het zuidelijke leger kon de in zijn gelederen ontstane gapingen
zelfs door de wreedste lichtingen niet aanvullen; het noorden had
eindelijk begrepen dat de oorlog slechts dan gelukkig ten einde
kon gebracht worden, wanneer de leiding daarvan aan één man
werd toevertrouwd, en droeg het opperbevel over alle afdeelingen
van het leger aan generaal Grant op, die door de gelukkige
uitkomst zijner ondernemingen (laatstelijk in Tennessee) het alge-
meene vertrouwen verworven had. Hij staakte de operatiën op
die plaatsen, welke voor de beslissing van den strijd minder be-
langrijk waren en concentreerde zijn troepen op de voor dat doel
gewichtigste punten. Onder onophoudelijke, meestal bloedige maar
weinig beslissende gevechten met zijn voornaamsten tegenstander,
generaal Lee, kwam hij tot voor Petersburg (niet ver van Rich-
mond), en liet gelijktijdig zijn onderbevelhebber Sherman, Georgië
-ocr page 247-
239
binnen dringen, om de daar sedert het begin van den oorlog op-
gerichte fabrieken en militaire werkplaatsen als ook de spoorwegen
te vernielen en zoodoende het Zuiden de middelen tot voortzetting
van den oorlog te ontnemen. In 1865 bleef Lee slechts nog
daarom tegenstand bieden, omdat hij hoopte, als hij onder de
wapenen bleef, dragelijker vredesvoorwaarden te zullen verkrijgen.
Grant tastte de verschansingen van Petersburg in haar geheele
uitgestrektheid aan, en een vijfdaagsche slag bij Peters-
burg (29 Maart tot 2 April) besliste den val van deze stad en
de ontruiming van Richmond, den zetel van de regeering der
geconfedereerden. Grant sloot bij een persoonlijke ontmoeting een
capitulatie met Lee onder zachter voorwaarden dan deze kon ver-
wachten , en de aanvoerders der overige korpsen verkregen dezelfde
voorwaarden. De strijd eindigde met de emancipatie der negers,
aan wie in 1870 ook stemrecht werd toegekend. (Lincoln ver-
moord in 1865; Johnson, tot dusverre vice-president, volgt hem
op; deze wordt in 1869 opgevolgd door Grant, die in 1872 her-
kozen werd. Regeling der Alabama-kwestie te Genève in 1872).
2.   Van Haïti had Spanje het westelijk gedeelte reeds bij den
vrede van Rijswijk (1697) aan Frankrijk afgestaan. Door een
negeropstand werden de Franschen verdreven (1803); uit de
Fransche kolonie ontstond een negerstaat, en daarnevens later een
Mulatten-republiek in het Zuiden, totdat beiden in 1820 tot één
republiek verbonden werden, waarbij zich (in 1822) ook het ooste-
lijke, voorheen Spaansche gedeelte van het eiland aansloot, zoodat
het geheele eiland de republiek Haïti vormde. Maar in 1844
scheidde zich het vroeger Spaansche Domingo weder af als afzon-
derlijke republiek Domingo.
3.     Ook op het vasteland van Amerika verloor Spanje
zijn bezittingen, welke het slechts in eigen belang exploiteerde en
aan welke het gelijke staatkundige rechten met het moederland
hardnekkig bleef weigeren.
Niet dan Spaansche schepen mochten haar havens binnenloopen,
haar producten mochten slechts aan Spanje verkocht, en alleen
uit Spanje zwaar belaste koopwaren ingevoerd worden; niet eens
onder elkander mochten de koloniën handel drijven; de in Amerika
geboren Spanjaarden (Creolen) waren van alle staatsbetrekkingen
uitgesloten. Desniettemin hadden de koloniën aan de uitnoodiging
-ocr page 248-
240
van Napoleon I om zich aan zijn broeder Jozef als belieerscher
van liet moederland te onderwerpen (in welk geval zij gelijke
staatkundige rechten zouden verkrijgen), geen gehoor gegeven en
diens stadhouders weggejaagd. Zooveel te eer verwachtten zij dat
de Cortez, die te Cadix een nieuwe constitutie voor de geheele
Spaansche monarchie ontwierpen , haar gelijke staatkundige rechten
niet het moederland zouden verleenen. Deze stonden ook aan de
Amerikanen, even als dit in \'t moederland het geval was, telkens
een afgevaardigde voor 50000 zielen toe; maar toen nu bij de
uitvoering van dit besluit bleek, dat de Amerikaansche afgevaar-
digden naar dien maatstaf de meerderheid zouden hebben, ver-
klaarden de Cortez dat niemand, die uit Amerikaansch bloed ge-
sproten was, burger zou mogen zijn, dus verkiesbaar noch kiezer
was. Dit besliste den afval dier provinciën van het vasteland;
er ontstonden republieken, die haar onafhankelijkheid in den strijd
met de wel beter gedisciplineerde, maar verbrokkelde en over
verscheiden landen verspreide Spaansche troepen handhaafden, of,
zoo zij al voor een korte poos weder onderworpen werden, toch
onder stoute en bekwame aanvoerders, zooals Simon B o 1 i v a r
en San-Martin, spoedig de vrijheid herkregen.
Daar het den Spaanschen Creolen te zeer aan staatkundige ont-
wikkeling ontbrak, om de pas verkregen vrijheid op een verstandige
wijze te kunnen genieten, behelst de geschiedenis van bijna alle
republieken van Midden- en Zuid-Amerika tot op den jongsten tijd
bijna niets anders dan een reeks van partijtwisten (Democraten en
Republikeinen, Federalisten en Unitariërs) en geschillen van eer-
zuchtige veldheeren, voortdurende revolutiën en burgeroorlogen in
den boezem der republieken, oorlogen der naburige staten onder-
ling, en tengevolge daarvan staking van handel en verkeer, en
alom berooide financiën.
Mexico, de belangrijkste van alle Spaansche koloniën, stond,
met gunstig gevolg tegen Spanje op onder den generaal Itu rbide
(1820), die in 1821 tot erfelijk keizer uitgeroepen, maar reeds
na een korte regeering door een ander generaal, Santa Anna,
van den troon gestooten, naar Europa overgebracht, en toen hij
vermomd was teruggekeerd, doodgeschoten werd (1824). De
svereenigde staten van Mexico" vormden nu (1824—1864) een
confederatie, uit 1 bondsdistrict, 27 staten en verscheiden
-ocr page 249-
241
territoriën bestaande. De republiek werd door onophoudelijke
partijtwisten geschokt, waarvan vooral Santa Anna bij de verkiezingen
der presidenten de bewerker was (26 presidenten in 40 jaar);
h\\j zelf bekleedde driemaal dit hoogste gezag; maar zijn eigenlijk
doel, de onbeperkte alleenheerschappij, vermocht hij niet te
bereiken. Mexico\'s machtige nabuur, de Noord-Amerikaansche
Unie, trok van deze binnenlandsche oneenigheid partij, om niet
slechts het van de confederatie afgevallen Texas te winnen, maar
ook om deze in een oorlog, die twee jaren duurde (1846—1848),
tot den afstand van Nieuw-Mexico en Opper-Californië te dwingen.
Het overmoedig gedrag van den president Juarez tegenover de
Europeesche mogendheden (Europeanen werden met geweld voor den
krijgsdienst geprest, Europeesche consuls willekeurig in hechtenis
genomen, alle betalingen aan het buitenland gedurende 2 jaar
gestaakt enz.) veroorzaakte den val der republiek. Frankrijk, En-
geland en Spanje verbonden zich tot een gemeenschappelijke expeditie
tegen Mexico, 1861. Napoleon III had met den door Juarez uit
het land gebannen generaal Almonte het plan beraamd, Mexico in
een monarchie te herscheppen; toen de Noord-A merikaansche Unie
door den burgeroorlog feitelyk ontbonden was, achtte hij het
geschikte tijdstip hiervoor gekomen. Spanje en Engeland weigerden
hiertoe mede te werken en hun troepen verlieten weldra Mexico.
Maar de Franschen streden, nadat zij (onder Forey) belangrijke
versterkingen uit Frankrijk ontvangen hadden, met zoo gunstige
uitkomst (inneming van Puebla, 1863), dat Juarez de hoofdstad
verliet. Forey trok Mexico binnen, en liet door een vergadering
van notabelen het besluit tot vestiging eener erfelijke monar-
chie nemen. Ferdinand Maximiliaan, de broeder van keizer Frans
Jozef van Oostenrijk, werd tot keizer gekoze\'n. Deze nam (1864)
de kroon aan, hoewel meer dan de helft van het land nog niet
onderworpen was. Zijn eerlijke pogingen, om de orde binnenslands
te herstellen, ontmoetten onoverkomelijke hinderpalen, dewijl de
financiën in den treurigsten toestand verkeerden en een verzoening
der kerkelijke en der liberale, der keizerlijke en der republikein3che
partijen onmogelijk bleek te zijn. Na een nauwlijks driejarige
regeering viel hij door verraad te Queretaro in de handen van zijn
tegenstander Juarez, die hem volgens kiïjgsreehterlyk vonnis liet
Pütz, N.Gesch.
                                                                    16
-ocr page 250-
242
fusilleeren en de republiek herstelde, 1867. Juarez werd herkozen
en bleef president tot. 1872; zijn opvolger was Lerdo de Tejada.
In Z u i d-A m e r i k a begon de afval van de Spaansche heerschappij
in het noorden, en wel (1810) te Caracas, de hoofdstad van
het Spaansche generaalcapitanaat Venezuela, en werd van daar
overgebracht naar Ni e uw-G ra n ad a. Beide republieken werden
door de Spanjaarden weder onderworpen, maar door Bolivar
op nieuw bevrijd.
Bijna gelijktijdig met het Noorden begon ook de opstand in het
Zuiden. Van Buenos Ayres, de kolonie, waar de meeste
blanken gevestigd waren en die door het moederland het meest
veronachtzaamd werd , verspreidde de opstand zich over alle provinciën
aan den La Plata; zij verklaarden zich in 1816 als Argen-
tijnsche republiek (in \'t eerst als »Vereenigde staten van
Zuid-Amerika") onafhankelijk. Daar Buenos Ayres zich zekere
suprematie over de andere gewesten wilde aanmatigen, scheidden
Paraguay en Uruguay zich daarvan af en vormden zelfstandige staten.
In het Westen verklaarde Chili zich onafhankelijk, werd ver-
volgens door de Spanjaarden heroverd, maar bevrijd door San-Martin
(1818) na diens stouten en gevaarlijken tocht over de Andes. Van
Chili ondernam San-Martin (ondersteund door eene kleine vloot
onder Lord Cochrane) een aanval op Peru, waar de Spanjaarden
zich het langst hadden staande gehouden; hij veroverde de meeste
landschappen van Peru, maar eerst Bolivar, die uit Columbia te
hulp werd geroepen, voltooide de onderwerping van het land (1824).
Brazilië scheurde zich in 1822 van Portugal los. Van 1824 tot
1889 was het een keizerrijk. In laatstgenoemd jaar werd Pedro II
uit Brazilië verdreven, waarmee de republiek der Vereenigde Staten
van Brazilië een aanvang neemt.
-ocr page 251-
CHRONOLOGISCHE TAFEL.
NIEUWE GESCHIEDENIS.
EERSTE TIJDVAK.
1492—1648. VAN DE ONTDEKKING VAN AMERIKA TOT DEN
WESTPHAALSCHEN VREDE.
1492. ONTDEKKING VAN AMEHIKA DOOR CHRISTOPHORUS
COLUMBL\'S.
1493-1519.    Keizer Maximiliaan I.
1495.    Eeuwige land vrede. Rijkskamergericht.
1498.    Ontdekking van een weg ter zee naar Oost-Indië, door
Vasco de Gama.
1512.    Verdeeling van Duitschland in tien kreitsen.
1515-1547.    Frans I, koning van Frankrijk.
1517.    Begin der hervorming. Luthers 95 stellingen.
1519-1521.    Cortez verovert Mexico.
1519-1556.    Karel V keizer.
1520.     Magelhaens vindt den weg naar de Zuidzee
1521.     Luther wordt op den rijksdag te Worms in den rijksban
gedaan.
1521-1526. Eerste oorlog tusschen Karel V en Frans I.
1523-1560. Gustaaf Wasa: 1) Bevrijding van Zweden. 2) Her-
vorming. 3) Erfelijkheid der kroon.
1525.     De boerenkrijg in Duitschland. Nederlaag der boeren bij
Frankenhausen.
„ Pruisen een wereldlijk hertogdom.
„ Frans I wordt in den slag bij Pa via gevangen genomen.
1526-1532. Oorlog van Karel V met de Turken.
1526.     Slag bij Mohacz. Hongarije en Bohemen komen aan
Oostenrijk.
1527-1529. Tweede oorlog tusschen Karel V en Frans I. Rome
wordt ingenomen en geplunderd.
1529.     Damesvrede te Kamerijk.
n Weenen wordt door de Turken belegerd.
n Rijksdag te Spiers (Protestanten).
1530.     Rijksdag te Augsburg. — Augsburgsche Con-
fessie.
-ocr page 252-
244
1530.     Laatste kroning van een Duitsch keizer door den paus.
1531.     Het Schmalkaldisch verbond.
1532.     Godsdienstvrede te Neurenberg.
1534.     Ignatiua van Loyola sticht de ordo der
Jezuïeten.
1535.     De wederdoopers te Munster.
» Gelukkige tocht van Karel V naar Tunis.
1536-1538. Derde oorlog tusschen Karel V en Frans I.
1541. Ongelukkige tocht van Karel tegen Algiers. Calvijn te
Gem\'ve.
1542-1568. Maria Stuart, koningin van Schotland.
1542-1544. Vierde oorlog tusschen Karel V en Frans I.
1545-1563. Het concilie te Trente.
1547. Schmalkadische oorlog tusschen Karel V en het Schmal-
kaldisch verbond.
1547. De keurvorst van Saksen wordt bij Mühlberg verslagen.
De keurvorstelijke waardigheid komt aan de All>er-
tijnsche linie.
1552. De keizer door Maurits van Saksen te Innsbruck over-
vallen. — Verdrag van Passau.
1552-1556. Oorlog van Karel V met Hendrik II van Frankrijk. —
Metz, Toul en Verdun gaan verloren.
1555.     Godsdienstvrede te Augsburg. — Rosor-
vatum ecclesiasticum.
1556.     Karel staat aan zijn zoon
1556-1598. Philips II de kroon van Spanje en aan zijn broeder
1556-1564. Ferdinand I de keizerskroon af.
1558-1603. Klizabeth van Engeland.
1562-1598. Godsdienstoorlogen in Frankrijk.
1564-1576. Maximiliaau II keizer.
1566. Inval der Turken in Hongarije; Soliman II sterft voor
Sigeth.
1567-1573. De Hertog van Al va bevelhebber in de Nederlanden.
Egmond, Hoorne e. a. terechtgesteld.
1568-1648. Tachtigjarige oorlog.
1571.     Don Juan van Oostenrijk overwint de Turken bij Lepanto.
1572.     Polen een kiesr ijk.
ii De Bartholomeusnacht.
1576-1612. Ru dol f II keizer.
1579. Unie van Utrecht. Afval der 7 noordelijke pro-
-ocr page 253-
245
1581-1640. Portugal onder Spaansche h o or se h a ppij.
1581. De Nederlanders zweren Filips af.
1587.     Terechtstelling van Maria Stuart.
1588.     De Spaansche Armada vernietigd.
1589-1792. Het huis Bourbon in F r a n k r ij k.
1598. Edict van Nantes.
n In Rusland sterft het huis Rurik uit.
1603-1649. Het huis Stuart inGroot-Britannië en
Ierland.
1608.     Unie der protestantsche vorsten in Duitschland.
1609.     Majesteitsbrief voor de Boheerasche en Silezische Pro-
testanten. Keizerlijke liga.
1610-1643. Lodewijk XIII. — Regentschap van Maria de Medici.
1612-1619. Matthias keizer.
1613-1762. Het huis Roman ow in Rusland.
1618.     Pruisen met Brandenburg vereenigd.
ii Opstand in Praag wegens de schending van den ma-
jesteitsbrief.
1618-1648. Dertigjarige oorlog in Duitschland.
1618-1623. Boheemsch-Paltsische oorlog.
1619-1637. Ferdinaud II keizer.
1619.     De protestantsche standen van Bohemen kiezen keurvorst
Frederik V van de Palts tot hun koning.
1620.     Frederik wordt bij den Witten berg verslagen, on Bohomen
onderworpen.
1624-
-1642
1625-
-1629.
1626
1629.
1630
1630-
-1635
1630
1631
R i c h e 1 i e u , eerste minister in Frankrijk.
Deensche oorlog.
Wallenstein overwint graaf Mansfeld (bij de Dessausche
brug) en Tilly koning Christiaan IV bij Lutter aan
den Barenberg.
Vrede te Lubeck in et Denemarken; restitutie-edict.
Rijksdag te Regensburg, Wallenstein ontslagen.
Zweedsche oorlog.
Landing van Gustaaf Adolf in Pommeren.
Maagdenburg verwoest.
ii Gustaaf Adolf verslaat Tilly bij Breitenfeld nabij Leipzig,
en trekt naar het Westen en het Zuiden van Duitschland.
1632. Gustaaf Adolf en Wallenstein in het legerkamp voor
Neurenberg.
1632. Slag b ij L ü t z e n. Gustaaf Adolf en Pappenheim sneu-
velen.
-ocr page 254-
246
1634.    Wallenstein te Egor vermoord. Overwinning der keizer-
lijke troepen bij Nürdlingen op Bernard van Woimar
en Gustiiaf Horn.
1635-1648. Zweedsch-Fransche oorlog.
1635.    Vrede te Praag.
1637-1657. Ferdinand III, keizer.
1640-1688. Frederik Willem, de groote keurvorst.
1640. Portugal scheidt zich van Spanje. Verheffing van het huis
Braganza.
1642. Torsteusons overwinning op de keizerlijken bij Leipzig.
1643-1715. L o de wijk XIV, koning van Frankrijk.
1643-1661. Mazarin, eerste minister van Frankrijk gedurende de
minderjarigheid van Lodewijk XIV.
1648. De Westphaalsche vrede.
TWEEDE TIJDVAK.
VAN DEN WESTPHAALSCHEN VREDE TOT DE FBANSCHE
REVOLUTIE, 1648—1789.
1649. Terechtstelling van Karel I, koning van Engeland.
1649-1660. Engeland eene ropubliek.
1653-1658. Olivier Cromwell, protector van Engeland.
1651—1751. Het huis Tweebruggen in Zweden.
1655-1660. Zweedsch-Poolsche oorlog.
1656. De slag bij Warschau. De Zweden, ondersteund door
den grooten keurvorst, overwinnen de Polen.
1658-1705. Leopold I, keizer.
1659. Pyreneesche vrede tusschen Frankrijk en Engeland.
„ Richard Cromwell legt na 8 maanden het protectoraat
neer. Monk.
1660-1688. Engeland onder de beide laatste Stuarts. Karel II en
Jakobus II. Test-Act. Habeas-Corpus-Act.
1661-1683. Colbert, Fransch minister.
1664. De Duitsche rijksdag wordt in een permanent congres van
afgevaardigden veranderd.
1666-1668. Eerste oorlog van Lodewijk XIV tegen de Spaansche
Nederlanden. Triple-alliantie. Vrede te Aken.
1672-1678. Tweede oorlog van Lodewijk XIV tegen Holland. Ont-
binding der Triple-alliantie.
1675. Frederik Willem van Brandenburg overwint de Zweden,
die in Brandenburg gevallen zijn, bij Fehrbellin.
-ocr page 255-
247
1678.     Vrede te Nijmegen.
1679.     De groote keurvorst moet bij den vredo te St. Germain
en Laye afstand doen van al hetgeen hij op Zweden
heeft veroverd.
1680-1684. De hereenigingskamers van Lodewijk XIV.
1683. Laatste belegering van Weenen door de Turken. Johan
Sobiëski.
1685. Ophetting van het edict van Nantes. Uitwijking van vele
Protestanten.
1687.     Hongarije , een erfrijk.
1688-1697. Derde oorlog van Lodewijk XIV. Verwoesting van de Palts.
1688.    Engelsche revolutie. Verdrijving der Stuarts.
1689-1725. Peter de Groote, alleenheerscher der Russen.
1697. Vrede te Eijswijk.
n Overwinning van prins Eugenius op de Turken bij Zenta.
1689-1702. Het huis Oranje in Engeland. Willem II.
1697-1718. Karel XII, koning van Zweden.
1697. Vrede met de Turken te Karlowitz.
1700-1721. De Noordsche oorlog.
1700.    Denemarken door eene landing vau Karel XII op Seoland
tot den vrede te Travend ahl genoodzaakt.
w Overwinning van Karel XII op de Kussen bij Narva.
» Karel II, laatste vorst uit het huis Habsburg in Spanjo,
sterft.
1701.     Verheffing van den keurvorst van Bran-
denburg tot koning van Pruisen.
1701-1713. Frederik I, koning van Pruisen.
1701-1714. De Spaansche Successie-oorlog.
1701. De oorlog begint in Italië.
1703.     Stichting van Petersburg.
1704.     Stanislaus Lesczinski, koning van Polen.
w Gibraltar wordt door de Engelsehen ingenomen.
w Prins Eugenius van Savoye en Marlborough overwinnen
de Eranschen bij Höchstildt.
1706-1711. Jozef I, keizer.
1706. Marlborough overwint bij Ramillies, Eugenius bij Turin.
1708.     Eugenius en Marlbourough overwinnen bij Oudenaarden.
Vredesonderhandelingen.
1709.     Eugenius en Marlbourough overwinnen bij Malplaquet.
n Karel XII, bij Pultawa overwonnen , wijkt naar Turkije.
-ocr page 256-
248 •
1709-1714. Verblijf van Karel XII in Turkije. Verovering der Zweed-
sche Oostzeeprovinciën door Peter. Peter wordt bij de
Pruth omsingeld, maar bevrijd.
1711-1740. Karel VI, keizer.
1711. Val van bet Whig-ministerie. Overwinningen der Fran-
scben in Spanje.
1713-1740. Frederik Willem I, koning van Pruisen.
1713.     Vrede te Utrecbt. Pbilips V wordt als koning van Spanje
en de Spaansche bezittingen buiten Europa erkend.
1714.     Vrede te Bastadt en te Baden. Karel VI verkrijgt de
Spaansche bezittingen in Europa (behalve Spanje zelf
en Sicilië).
n Verheffing van het huis Hannover op den
Kngolschen troon.
1714-1718. Oorlog der Turken togen Venetië en Oostenrijk.
1715-1774. Lodewijk XV, koning van Frankrijk.
1718. Karel XII sneuvelt bij de belegering van Priedrichsball.
u De Quadruple alliantie togen Philips V.
1721. Vredo te Nystiidt tiisschon Rusland en Zweden.
1733-1738. De Poolsche successieoorlog.
1736-1739. Oorlog der Turken tegou Rusland en Oostenrijk.
1738.     Vrede te Weenen. Stanislaus doet afstand van den troon
van Polen en verkrijgt Lotharingen, benevens Bar.
1739.     Vrede te Belgrado.
1740-1780. Maria Theresia, keizerin.
1740-1786. Frederik II, de tiroote, koning van Pruisen.
1740-1748. De Oostenrijksche successieoorlog,
1740-1742. De eerste Silezische oorlog.
1741.     Verovering van Silezië en Frederiks overwinning bij
Mollwitz.
1741-1762. Elizabeth, keizerin van Rusland.
1742.    Vrede te Breslau.
1742-1745. Keizer Karel VII. Maria Theresia krijgt op den rijksdag
te Presburg hulp van de Hongaren. Karel VII verliest
Beieren.
1744-1745. De tweede Silezische oorlog.
1745. Na den dood van Karel VU doet zijn zoon bij den vrede
te Füssen afstand van iedere aanspraak op de Oosten-
rijksche erfenis.
1745-1806. Het huis Lotharingen in Duitsohland en
Oostenrijk.
-ocr page 257-
24»
1Ï*0
-X/DO
1745,
ii
1748.
1751
-1818.
1756-
-1763
1756-
-1763.
1756.
Frans I, keizer.
Overwinningen van Frederik II bij Hoheufriedberg,
Sorr en Kesseldorf.
Vrede te Dresden tusschen Oostenrijk en Pruisen.
Vrede te Aken tusschen Oostenrijk en Frankrijk.
Het huis Holstein-Gottorp in Zweden.
De derde Silezische of zevenjarige oorlog.
Oorlog ter zee tusschen Frankryk en Engeland.
Frederiks inval ia Saksen, insluiting van het Saksische
leger, overwinning bij L o w ö s i t z in Bohemen.
1757.    Overwinning van Frederik bij Praag; zijne nederlaag bij
K o 11 i n. Overwinning der Franschen bij H a s t e n-
beek, der Russen bij Grossjiigerndorf. Ne-
derlaag der Franschen en der rijks troepen bij Ros s-
b a c h , der Oostenrijkers bij L e u t h e n.
1758.    Nederlaag der Franschen bij Crefeld, der Russen bij
Zorndorf, der Pruisen bij H o c h k i r c h.
1759.    Overwinning der Oostenrijkers bij Kunersdorf. Fink
wordt bij M a x e n gevangen genomen.
1760-1820. George III, koning van Engeland.
1760.    Frederiks overwinningen bij Liegnitz en bij Torgau.
1761.    Frederik in het leger bij Buntselwitz.
1762-1796. Katharina II.
1762.    Frederik overwint bij Burkersdorf, zrjn broeder
Hendrik bij F r e i b e r g.
1763.    Vrede te Hubertsburg.
w Vrede te Parijs tusschen Frankrijk en Engeland.
1765-1790. Keizer Jozef II.
1767-1784. Oorlog der Engelschen in Oost-Indië.
1768-1774. Russisch-Turksche oorlog.
1772.    De eerste verdeeling van Polen tusschen Oostenrijk, Rus-
land en Pruisen.
1773.    Paus Clemens XIV heft de orde der Jezuïeten op.
1774-1792. Lodewijk XVI, koning van Frankrijk.
1775-1783. De Noord - Amerikaansche vrijheidsoorlog.
1776. Dertien Noord-Amerikaansche provinciën verklaren zich
onafhankelijk van Engeland.
1778-1779. De Beiersche successieoorlog.
1780-1790. Hervormingen in den Oostenrijkschen staat door Jozef II.
1785. Het verbond der Duitsche vorsten tegen Oostenrijk.
-ocr page 258-
250
178f>-1797. Frodorik Willem II, koning van Pruisen.
1787-1792. Oorlog der Porte met Euslanil en Oostenrijk.
1788-1790. Oorlog tusschen Zweden en Rusland.
NIEUWSTE GESCHIEDENIS.
EERSTE TIJDVAK.
HET TIJDVAK DER REVOLUTIE, 1789—1815.
1789. Vergadering der standen in Versailles.
1789-1791. De constitueerende nationale vergade-
ring. Opheffing van liet leenstelsel, de monniken-
orden en den adel. De koniug vlucht.
1790-1792. Keizer Leopold II.
1791-1792. De wetgevende vergadering.
1792-1806. F r a 11 s II, keizer.
1792-1804. Frankrijk eene republiek.
1792—1795. De nationale conventie.
1792.     Dumouriez overwint bij Jemappes en verovert geheel België.
1793.     Terechtstelling van Lodewijk XVI. Comité du salut
public. Val der üironde.
1792-1797. Eerste coalitie tegen Frankrijk.
1793. Overwinning der Oostenrijkers bij Neerwinden. Herovering
van België.
1793-1794. Schrikbewind. Tweede constitutie. Algemeene op-
roeping tot den strijd met de binuenlandsche (de Vendée)
en buitenlandsche vijanden.
1793.     Tweede verdeeling van Polen tusschen Pruisen en Rusland.
1794.     De Franschen veroveren na de overwinning bij Fleurus
België op nieuw. — Val van Robespierre.
1795.     Derde verdeeling van Polen tusschen Rus-
land , Pruisen en Oostenrijk.
„ Vrede der Franschen met Pruisen te Bazel.
1795-1806. Holland eene Bataafsche republiek.
1795-1799. Regeering van het directoire in Frankrijk.
1796.     Aartshertog Karel strijdt gelukkig tegen Jourdan en Moreau.
1796-1797. Napoleons veldtochten in Italië. Over-
winningen bij Montenotte, Millesimo, Mondovi, Lodi.
Inneming van Mantua. Vrede te Campo Formio. Cisal-
pijnsche en Ligurische republiek.
1797-1840. Frederik Willem III, koning van Pruisen.
1798-1799. Napoleons veldtocht naar Egypte en Syrië.
Inneming van Malta. Overwinning bij de Pyramiden.
-ocr page 259-
251
Vernietiging der Franscho vloot door Nelson bij Abukir.
Bestorming van Jafla. Vergeefscho belegering van St. Jean
d\'Acre. Overwinning op het Turksche leger bij Abukir.
1798.     Helvetische en Roraeinsche republiek.
1799-1802. De oorlog der tweede coalitie tegen
F r a n k r ij k.
1799.     Val van het directoire. Napoleon eerste consul.
Vierde constitutie.
// Napels, eene Parthenopesche republiek.
n Ongelukkige oorlog der Franschen in Duitschland, Zwit-
serland en Italië.
1800.     Napoleon herneemt door de overwinning bij Marengo
Opper-Italië. Moreau\'s overwinning bij Hohenlinden
heeft den
1801.     Vrede te L u n e v i 11 e tusschen Frankrijk en Oostenrijk
ten gevolge. Ontruiming van Egypte.
1801-1825. Alexander I, keizer van Rusland.
1802.     Vrede te Araiens tusschen Frankrijk en Engeland.
ii Napoleon consul voor zijn leven.
1804-1814. Napoleon er f el ij k keizer der Franschen.
1805.     Napoleon koning van Italië. Eugène Beauharnais onder-
koning.
// De derde coalitie tegen Frankrijk.
Mack capituleert te Ulm. Nelson overwint en sneuvelt
bij Trafalgar. Murat in Weenen. Slag bij Aus-
t e r 1 i t z.
ii Vrede te Presburg. Beieren en Wurtemberg worden
koninkrijken. Tirol komt aan Beieren.
1806-1808. Jozef Bonaparte, koning van Napels.
1806-1810. Lodewijk Bonaparte, koning van Holland.
1806.     Ontbinding van het Duitsche rijk.
1806-1813. Het Rijnverbond onder het beschermheerschap van
Napoleon.
1806-1835. Frans I, keizer van Oostenrijk.
1806. De vierde coalatie tegen Frankrijk.
1806. Nederlaag der Pruisen bij Jena en Auerstiidt.
1806.     Het Vastelandstelsel.
1807.     Onbesliste slag bij Eylau.
ii Nederlaag der Russen bij F r i e d 1 a n d.
i, Vrede te T i 1 s i t met Rusland en Pruisen. Hertogdom
Warschau.
-ocr page 260-
252
1807-1813. Jerörae Bonaparte, koning van Westphalen.
1807. Portugal door de Pranschen bezet. De koninklijke familie
begeeft zich naar Brazilië.
1808-1814. Oorlog der Pranschen in Spanje. Jozef
Bonaparte, koning van Spanje. Murat, koning van
Napels.
1809.    Oostenrijks oorlog tegen Napoleon. Weenen
voor de tweede maal veroverd. Napoleons eerste neder-
laag bij Aspern. Overwinning bij W a g r a m. Vrede
te Weenen.
n Opheffing van de wereldlijke macht van den paus.
1807-1810. Opstand in Tirol; Hofer te Mantua doodgeschoten.
1810-1814. Holland met Frankrijk vereenigd.
1810.    Napoleon treedt in den echt met Maria Louisa, aartshertogin
van Oostenrijk.
1810-1813. Grootste omvang van het Pransche keizerrijk.
1810-1824. Afval der Amerikaansche provinciën van Spanje.
1812. Napoleonsveldtochttegen Rusland. Over-
winningen bij Smolensko en Borodino. Brand van
Moskou. Terugtocht en vernietiging van het Fransche
leger. Ney en Oudinot overwinnen nog voor het laatst
bij de Beresina.
1812.    Wellingtons overwinning bij Salamanca.
1813.    De groote vr ij heidsoorlog der geallieer-
den tegen Napoleon.
ii Napoleon overwint de Pruisen en de Russen bij Gross-
görschen of Lützen, vervolgeus bij Bautzen. Wapen-
stilstand. Napoleon overwint, nadat ook Oostenrijk tot
de alliantie is toegetreden, nog eens bij Dresden. Zijne
veldheeren worden verslagen: Oudinot bij Grossbeeren
door Bülow, Macdonald door Blücher. Beslissing
door den grooten veldslag bij Leipzig.
Strijd bij Hanau.
1813.    Wellingtons overwinning bij Vittoria.
1814.    De geallieerden vallen in Frankrijk. Blücher ovorwint
bij la Rothière en bij Laon. Parijs wordt ingenomen;
Napoleon vertrekt naar Elba.
K Eerste vrede te Parijs.
ii Congres te Weenen. Het Duitsche verbond.
1815.    Napoleon keert terug. De honderd dagen. De
laatste strijd der geallieerden tegen Na-
-ocr page 261-
253
poleon. Bliicher bij Ligny verslagen, Ney bij Quatrebras.
Overwinning van Wellington en Blücher bij Waterloo.
Napoleon op St. Helena.
TWEEDE T IJ D V A K.
1815 tot heden.
1815-1830.    Herstelling der Bourbons.
„       De tweede vrede van Parijs. Heilige alliantie.
1818.    Vorstencongres te Aken.
u       Het huis Bernadotte in Zweden.
1820.     Revolutie in Spanjo, Portugal en Italië.
1821.     Napoleon sterft op St. Helena.
1821-1828. Afval der Grieken van de Turksche heer-
schappij.
1822.     Brazilië scheidt zich af van Portugal.
1827. Slag bij Navarino.
1828-1829.    Russisch-Turksche oorlog. Vrede te Adrianopel.
1829.     Emancipatie der Katholieken in Engeland.
1830.     De Franschen veroveren Algiers. Julirevolutie.
1830-1848.
    Lodewijk Philips koning der Franschen.
1830.    Afval van België. Dynastie Saksen-Coburg.
1830-1831.    Poolsche revolutie.
1832-1834.    Dom Pedro\'s strijd met Dom Miguel.
1833-1840.    Successieoorlog in Spanje.
1835-1848.    Ferdinand I, keizer van Oostenrijk.
1837.     Hannover van Engeland gescheiden.
1840-1861.    Frederik Willem IV, koning van Pruisen.
1848.     Proclamatie der tweede Pransche repu-
bliek.
ii Nationale vergadering te Frankfort.
ii Ferdinand I doet afstand ten gunste van Frans Jozef.
1848-1852. Louis Napoleon, president der Fransche re-
publiek.
1848-1849. Oorlog van Lombardije en Sardinië tegen Oostenrijk.
Karel Albert verslagen bij Novara.
ii Opstand der Hongaren.
1848-1850. Eerste oorlog tegen Denemarken wegens Sleeswijk-Holstein.
1849.     Ontbinding van het parlement te Frankfort. Onlusten in
Saksen, de Palts, Baden.
1852-1870. Napoleon III, keizer der Franschen.
-ocr page 262-
254
1854-1856. Ruslands oorlog met Turkije, Frankrijk en Engeland.
Vrede te Parijs.
1859.     Oorlog van Napoleon III en Victor Ëraanuel II tegen
Oostenrijk; overwinning der Franschen en Italianen
bij Magenta en Solferino. Sardinië krijgt Lorabardije.
1860.    Frankrijk krijgt Savoye en Nizza.
i, Het koninkrijk Italië.
1861.     Wilhelm I, koning van Pruisen,
1861-1865. Burgeroorlog in Noord-Amerika.
1864. Tweede oorlog van Pruisen (en Oostenrijk) tegen Dene-
marken wegens Sleeswijk-Holstein.
1864-1867. Maxiiniliaan I, keizer van Mexico.
1866.     De Duitsche oorlog. Overwinning bij Koning-
g r ü t z. Uitbreiding van Pruisen. Vrede te Praag.
» Venetië komt bij het koninkrijk Italië.
1867.     De Noord-Duitsche bond.
1870-1871. Duitsch-Fransche oorlog.
1870.     Overwinningen der Duitschers bij VVoissenburg, Wörth,
Spichern, Mars la Tour, Gravelotte, Sedan.
ff De 8do Fransche republiek wordt gepro-
clameerd.
w Omsingeling van Par ij s. Capitulatie van Straats-
burg.
ii Rome bij het koninkrijk Italië ingelijfd.
1871.     lierstelling van het Duitsche keizerrijk.
Capitulatie van Parijs, wapenstilstand.
Vrede te Frankfort.
1873. Spanje wordt een republiek. Nieuwe Carlistenoorlog.
1875. Alfonsus XII, koning van Spanje.
1875-1876. Opstand der Christenen in Bosnië, Servië en Mon-
tenegro. Conferentie te Constantinopel.
1877-1878. Oorlog tusschen Rusland en Turkije.
Vrede te San Stefano.
1878.     Congres te Berlijn.
1879.     Opstand van Arabi-Pacha.
1882. Bombardement van Alexandrië en slag bij Tel-el Kebir.
1885.     Oprichting van den Kongo-Staat.
1886.     Gordon sneuvelt te Chartoem.
1888. Wilhelm II wordt keizer van Dnitschland.
1891. Vernieuwing van de triple-alliautie.
1895. Stamboelof vermoord.
-ocr page 263-
INHOUD.
Bladz.
. I.
Inleiding
E E R S T E T IJ D V A K.
Van de ontdekking van amebika tot aan den westpiiaalsciien
(munsterschen) vrede , 1492—1648........3.
I 1, o. Aardrijkskundig overzicht van Europa ten tijde der Kerk-
hervorming. — §1,4. De ontdekkingen , veroveringen on
volksplantingen der Europeanen in vreerade werelddeelen. —
§ 2. Kerkhervorming. — §3. Duitschland. — § 4. Spanje. —
§5. De Nederlanden. — §6. Portugal. — §7. Frankrijk.—
§8. Engeland onder het huis Tudor, en Schotland onderde
Stuarts. — § 9. Groot-Britanië en Ierland onder de beide
eerste Stuarts. — § 10. Scandinavië. — § 11. Polen. —
§ 12. Rusland. — § 13. Het Turksche rijk.
TWEEDE TIJDVAK.
Van uen westphaalschen vrede tot aan de fransche omwen-
teling, 1648—1789..............72
§14, a. Aardrijkskundig overzicht van Europa omstreeks het
midden der 17de eeuw. — § 14, b. Frankrijk onder Lo-
dewijk XIV. — § 15. Duitschland tot aan den Spaanschen
Successieoorlog. — § 16. Brandenburg en Pruisen tot 1701. —
§ 17. firoot-Britannië en Ierland. — § 18. Het Noordoosten
van Europa. — § 19. De Spaansche Successieoorlog. —
§ 20. De Noordsche oorlog. — § 21. Keizer Karel VI. —
§ 22. Pruisen onder de beide eerste koningen. — § 23. De
Oostenrijksche Successieoorlog en de beide eerste Silezische
oorlogen. — § 24. De derde Silezische of zeven jarige oorlog.—
§ 25. Keizer Jozef II. — Frederik de Groote na den zeven-
jarigen oorlog tot aan zijn dood. — § 26. Frankrijk. —
§ 27. Groot-Britannië.
         § 28. Portugal onder het huis
Braganza en Spanje onder de Bourbons. — § 29. Denemar-
ken. — § 30. Zweden sedert het einde van den Noordschen
oorlog. — § 81. Rusland (Polen).
-ocr page 264-
INHOUD.
NIEUWSTE GESCHIEDENIS.
EERSTE TIJDVAK.
Bladz,
Het tijdvak der revolutie, 1789 — 1815........128.
I.      Tot op de stichting der eerste Fransche re-
publiek, 1792...............128.
§ 1, a. Aardrijkskundig overzicht van Europa omstreeks het
jaar 1789. — § 1, b. Oorzaken en aanleiding tot de Fransche
omwenteling. — § 2. De constitueereude nationale vergade-
ring. — § 3. De Wetgevende vergadering.
II.     De republiek, 1792—1804..........138.
§ 4. De nationale Conventie. — § 5. De eerste coalitie tegen
Frankrijk. — § 6. De tweede en derde verdeeling van Polen. —
§ 7. Het Directoire. — § 8. De oorlog der tweede coalitie
tegen Frankrijk. — § 9. Napoleon Bonaparte eerste consul.
III.   Het keizerrijk, 1804—14 en 1815.......156.
$ 10. De derde coalitie tegen Frankrijk. — §11. De vierde
coalitie tegen Frankrijk. — § 12. De oorlog in Portugal en
Spanje. — § 13. Opheffing der wereldlijke macht van den
paus. — § 14. Oostenrijk in oorlog met Napoleon. —
§ 15. Napoleon op het toppunt zijner macht. — § 16. Na-
poleons veldtocht tegou \'Rusland. — § 17. De grooto vrij-
heidsoorlog der geallieerden tegen Napoleon. — § 18. Napoleon
keert terug. Laatste strijd der geallieerden tegen hem.
TWEEDE TIJDVAK.
Geschiedenis van onzen tijd......176.
§ 19. Frankrijk. — § 20. België en Holland. — § 21. Groot-
Britannië. — § 22. Duitschlaud. — § 23. Zwitserland. —
§ 24. Rusland. — § 25. Het Osraaansche rijk en Grieken-
land. — § 26. Spanje. — § 27. Portugal. — § 28. Italië. —
§ 29. Zweden en Denemarken. — § 30. Staten van Amerika. —
§ 31. De merkwaardigste gebeurtenissen der laatste jaren.
Chronologische tafel...........243.