-ocr page 1-
*v         1 .TVi
./**^ \\
} -*
^                      *f : f* —4
-ocr page 2-
"2-6\'^
-ocr page 3-
VOOR DE JEUGD,
INZONDEIUIEID TEN GEBRUIKE UU
HU ISO ND E RW IJS
KN VuOIl DB
BIJZONDERE R. K. SCHOLEN,
DOUU
0r W. J. F NUYENS,
.
üerkelük goedgekeurd.
^CHTSTE pRUK.
__
C. i.. VAN LANGKNHUYSEN,
tk. AMSTERDAM.
-ocr page 4-
.
\' il»

-
-ocr page 5-
w i l|\\
i
VOOR DE JEUGD, ,\'
INZONDERHEID TEN GEBRUIKE BIJ
HUIS0NDERW1JS
EN VOOR DE
BIJZONDERE R. K. SCÏÏ0TEN,
DOOR
Dr W. J. F. NUYENS
IQ. O. S. O. X.
Kerkelijk goedgekeurd.
------------------------------;--------
Achtste Druk.
O. L. VAN LANGKNHTJÏSBN,
te AMSTERDAM.
-ocr page 6-
GOEDKEURING.
De Vadcrlandsche Geschiedenis aoor de Jeugd, bewerkt door den
verdienstvollen NüYENs, wordt niet alleen gaarne door ons goed-
gekeurd, maar tevens, om de vele voortreffelijke eigenschappen,
voor het gebruik op de R. K. Scholen bijzonder aanbevolen.
Haahlem, 19 Sept. 1870.                          H. VAN BEEK.
lib. eens.
-ocr page 7-
VOORREDE.
Een mijner vrienden, een man, die onder de katholieken
een algemeen en welverdiend vertrouwen geniet; een man,
die zich van de onderwijskwestie eene studie heeft gemaakt,
en in eene der aanzienlijkste steden des lands, het katho-
liek onderwijs op alle mogelijke wijze behartigt en bevor-
dert: die vriend zeide tot mij , ruim een jaar geleden: • Schrijf
een dergelijk boekje (bij had de vaderlandsche geschiedenis
van het ISut van \'t Algemeen in de hand) voor onze katho-
lieke schooljeugd en ge doet er nog meer nut mede, dan
met nwe Geschiedenis der Nederlandsche Beroerten."
Ik dacht daarover na: ik overwoog rijpelijk, hoe de geschiede-
nis aan eene jeugd, die katholiek en Nederlandsen te gelijk is,
diende onderwezen te worden: ik overwoog het rijp en ge-
ruimen tijd. Toen nam ik het besluit, in een boekje, van
circa veertien vel klein 8°, eene schets van de vaderland-
sche geschiedenis te schrijven voor mijne eigene kinderen ,
voor twee knapen van tien tot twaalf jaar. Ik beproelde wat
zij begrepen , of wat hun zonder moeite begrijpelijk kon ge-
maakt worden.
Zoo is dit boekje ontstaan.
Ik heb het als vader voor mijne eigene kinderen geschre-
ven , met het voornemen, om het onder bereik van geheel
de katholieke jeugd in Nederland te brengen.
In dit kleine boekje heb ik, voor kinderen , alles zoeken
neder te leggen , wat een langdurige beoefening van de ge-
schiedenis in het algemeen, en die mijns vaderlands in het
bijzonder, mij geleerd had daarin op den voorgrond te moe-
ten stellen , en naar de methode, die mij als de beste is
toegeschenen.
Ik zal hier mijne zienswijze beknopt uiteen zetten.
De \'wereldgebeurtenissen (ss geschiedenis), worden geleid
-ocr page 8-
IV
door Gods voorzienigheid: de mensch kan, door zijnen vrijen
■wil Gods raadsbesluiten voor een oogenblik zoeken tegen te
■werken; maar God leidt de gebeurtenissen, ondanks des men-
schen verkeerdliedeu, gelijk Hij besluit.
Van daar dat de geschiedenis der maatschappijen, en de
geschiedenis van den godsdienstigen toestand der maatschap-
pijen niet van elkander kunnen gescheiden worden.
In de geschiedenis des Nederlandsclien volks is, sinds de
reformatie, het katholiek element te veel over het hoofd
gezien, de katholieke traditie vergeten of achterwege ge-
schoven.
In eene geschiedenis der Nederlanden, moet evenzeer ge-
let worden, op de Zuidnederlandsche gewesten van Neder-
landschen stam : b. v. op Brabant, Limburg , Vlaanderen ,
als op de Noordnederlandsche , Holland enz. Dit is in nage-
noeg alle boekjes voor de jeugd veronachtzaamd.
De geschiedenis moet niet uitsluitend zijn , de geschiede-
nis van vorstenhuizen , of van oorlogen , maar van alles wat
den maatschappelijken toestand eener natie belangt.
Dit alles kan evenzeer tot grondslag strekken voor een
klein boekje voor de jeugd, als voor een uitgebreide geschie-
denis des Nederlandschen volk.
Ziedaar den draad mijner gedachten , bij het schrijven van
dit boekje.
Een ieder weet, dat de wijze -waarop de geschiedenis des
Vaderlands, op niet-Katholieke scholen werd onderwezen,
eene der groote grieven der katholieken sinds jaren geweest
is, en nog is.
Wil men zich zelven gelijk blijven, dan moet men, ook
vooral bij het onderwijs der geschiedenis, den godsdiensti-
gen grondslag in het oog houden. Daarom is een schoolboek,
waarin alleen gezorgd wordt voor het niet kwetsen der
Roomsch-Katholieken onvoldoende.
-ocr page 9-
HOOFDSTUK I.
WAT DE GESCHIEDENIS IS.
1.   De geschiedenis noemt men liet verhaal van hetgeen vroe-
ger niet eenen persoon, met eene stad of mrt een geheel
volk is voorgevallen. De geschiedenis van eenen persoon noemt
men levensbeschrijving; de geschiedenis van eene stad stads-
geschiedenis ;
terwijl de geschiedenis van landen genoemd
wordt, bij voorbeeld. Engeliche, Fransche, Duitsche geschie-
denis.
Men heeft ook andere geschiedenissen, zooals de
Algcmeene geschiedenis, die de gebeurtenissen verhaalt van
alle volken der wereld; de Bijbelsche geschiedenis, die het
verhaal geeft van de gebeurtenissen, in het Oude en Nieuwe
Testament vermeld; de Kerkelijke geschiedenis, die verhaalt
wat er voorgevallen is met onze heilige Kerk. sinds de
Zaligmaker in de wereld verscheen. Van al deze geschiede-
nissen willen wij u thans niet spreken. Wij willen u onder-
houden over de geschiedenis van ons vaderland, van het
tegenwoordige koninkrijk der Nederlanden. Wij noemen die
vaderlandsche geschiedenis.
2.   Het is van zeer groot belang voor u, mijne kinderen!
daarvan althans iets te weten. Hoe zoudt gij zoo onver-
schillig kunnen zijn, dat gij u niet bekomraerdet omtrent
hetgeen in vroegere tijden is geschied met het land, waarin
de goede God u heeft laten geboren worden? Het is een
heilige plicht voor ieder mensch, zijn vaderland te beminnen.
Groote, vrome mannen, van wie de H. Schrift spreekt,
beminden hun land met innige liefde. Hoe beminde koning
David zijn vaderland! Hoe treurden profeten, als Isaïas, om
het ongeluk van hun dierbaar land, van Judea! Hoe offerde
1
-ocr page 10-
■1
de vrome held Judas de Machabeër zijn leven op voor zijn
vaderland\' Dit alles zult gij vel in de bijbelsche geschiede-
nis geleerd hebben of\' gij zult bet nog loeren. Wij zullen
u evenwel een nog oneindig heiliger voorbeeld van belde
voor het vaderland geven. Hoe beminde onze aanbiddelijke
Heiland tiet land, waarin bij op de wereld was verschenen;
hoe weende hij over het lot van Jeruzalem, dat hij in zijne
goddelijke wijsheid vooruit kende!
Het is derhalve uw plicht dat gij uw vaderland bemint.
En iioe zou men iets beminnen, wat men niet kent? En boe
zou men niet wdlen weten wat er vroeger is geschied niet
degenen, die men bemint? Vraagt gij soms niet met belangstel-
ling naar de vroegere lotgevallen uwer ouders? En zoudt
gij niet met belangstelling vragen naar de vroegere lotge-
vallen van uw vaderland?
3.   (iij moet dus, zeg ik, nw vaderland beminnen; gij moet,
omdat gij het bemint, de geschiedenis van dat land begeeren
te kennen. Maar omdat gij uw vaderland bemint, behoed
gij niet alle daden van onze voorouders, dat is van de
ïnenscheii, die vroeger in ons vaderland geleefd hebben , goed
te keuren, (iij weet dat de mensch gemakkelijk kan dwa-
len, dat bij niet altijd (iod en (jods geboden voor oogen
houdt, dat bij vaak in groote zonden vervalt. Xu zijn
onze voorouders meer dan eenmaal in groote verkeerd-
bedeu vervallen, evenals dit nu nog dagelijks met vele
volken geschiedt. Zulke verkeerdheden moet men niet goed-
keuren, al hebben onze voorouders die ook begaan. Kwaad
blijft altijd kwaad, door vvicn of bij welke gelegenheid het
wordt bedreven. De daden van vele Nederlanders, die vroeger
loeiden, inag men daarom veilig afkeuren, men moet het
doen wanneer zij kwaad zijn. De geboden Gods moeten
voor ons de maatstaf wezen, waaraan wij toetsen of iets
geoorloold of ongeoorloold is.
4.   Wat meer is: mocht bet geschied zijn dat soms uit kwade
daden heilzame gevolgen voortsproten, mag men evenwel
nog niet zeggen dat die daden goed waren, wijl zij goede
-ocr page 11-
3
uitkomsten opleverden. Goed hlijft goed en kwaad blijft
kwaad. Het is de oneindige goedheid Gods, die meermalen
iels, wat de menschen verkeerd doen, ten goede doet uit-
komen; maar liet is dan de wijze beschikking Gods, die
het goede veroorzaakt, niet de kwade daad der menschen.
Dit moet gij bij het leeren van de geschiedenis van uw
vaderland altijd in het oog houden.
len tweede moet gij niet vergeten dat gij uw vaderland
moet beminnen, al hebben onze voorouders ook soms ver-
keerde daden bedreven.
5.   Er is nog iets, mijne kinderen ! wat gij nooit uit het oog
moet verliezen. Dal punt is zelfs van zulk groot gewicht, dat ik
enkel daarom voor ulieden deze geschiedenis schrijl. lleL is
het volgende: de menschen stellen maar al te dikwijls zaken
en daden, die in vroegere eeuwen zijn voorgevallen, geheel
anders voor dan zij inderdaad geschied zijn. Dit is vooral het
geval geweest met de voorstelling van de geschiedenis van
ons vaderland.
De eerste oorzaak daarvan is de volgende: men heelt sinds
vele jaren de geschiedenis van ons vaderland beschouwd,
zooals die vroeger door voorname protestantsche man-
nen werd beschreven. Maar die mannen beschouwden de
zaken geheel anders als wij. Zij erkenden de roeping van
de heilige katholieke Kerk niet. Zij vermeldden niets van
de ongerechtigheden, welke onze katholieke voorouders
hebben ondergaan. Nog meer: velen van hen stelden de
zaken in een geheel verkeerd licht. Door al te groote lielde
voor de Protestanten van vroegere eeuwen gedreven, duid-
den zij alles, wat die gedaan hadden, ten goede. Door al te
groote vooroordeelen tegen de Katholieken verblind, duid-
den zij alles, wat die gedaan hadden, ten kwade. Nu was
daarvan het gevolg, dat vele kinderen reeds in hunne prille
jeugd eene geheel verkeerde voorstelling van de gebeurte-
nissen , die in vroegere eeuwen in ons vaderland geschied,
zijn, verkregen.
6.   Maar nu vraag iku, mijne kinderen! zoo iemand uit on»
-ocr page 12-
i
wetendheid of\' uit boosheid zeer veel kwaad van uwe moe-
der, dit\' gij zoo bemint en die gij verplicht zijt zoo te be-
minnen , vertelde, zoudt gij het dan willen gelooven? Neen. —
Ik zal nog meer zeggen: gesteld eens, zeer vele menschen ver-
telden u van haar zooveel kwaad, dat gij het inderdaad
begont Ie gelooven, zoudt gij dan nog diezelfde achting aan uwe
moeder blijven schenken!\' Gij zoudt haar willen blijven be-
minnen, omdat zij uwe moeder was, doch gij zoudt haar
minder achten, omdat gij meendet dat zij dikwijls zeer kwa-
lijk gehandeld had. Maar zoo er nu iemand kwam, die u
zeide: al het kwaad, wat men van uwe moeder gespro-
ken heeft, is onwaar: ik zal u do zaak eens .\'echt duidelijk,
kort en bondig vertellen: zoudt gij dan niet opgetogen van
vreugde zijn.\'
Welnu, men heeft meermalen vroeger aan kindereu ver-
teld dat onze moeder, de heilige Kerk, in de Nederlanden
verkeerd gehandeld had: dit was eene dwaling. Vrome en
verstandige mannen wisten het wel beter. Zij hebben dan
ook gezorgd dat men u, kindereu! een onderwijs zou
geven, waardoor gij de waarheid zoudt hooren en opgeleid
«orden tot deugd en plichtsbetrachting. Die mannen, die
zooveel zorg voor uw welzijn dragen, die onderwijzers, die
u zooveel nuttigs en zooveel waars loeren, moet gij hoogach-
ten en hunne lessen moet gij in uw geheugen prenten. Gij
zult er u wel bij bevinden.
Na u dit als eene kleine inleiding gezegd te hebben, zal
ik thans overgaan tot de eigenlijke geschiedenis van ons va-
derland.
II.
OVER DEN STAAT VAN ONS VADERLAND IN DE
VROEGSTE TIJDEN.
1. Ons vaderland, zooals gij op de kaart kunt zien, ligt
aan den noordwestelijken uithoek van het vasteland van
-ocr page 13-
5
Europa. Het wordt ten noorden en ten -westen begrensd
door de Noordzee; ten oosten grenst liet aan Duitscliland,
ten /.uiden aan België. Het wordt van aile kanten door-
sneden niet rivieren, die uit andere landen naar ons vader-
land komen en zich daar in de zee uitstorten. De Rijn,
de Maas en de Schelde zijn de voornaamste dier rivie-
ren: hare verschillende zijtakken zullen wij niet noemen;
gij zidt ze uit de aardrijkskunde leeren kennen. De rivieren
nu, welke uit hoogere bergstrekcn van het tegenwoordige
Zwitserland en Frankrijk haren loop naar het noordwesten
nemen, hebben daar voor een lal van eeuwen, nog voor de
komst van onzen Heiland op deze aarde, telkens haar
slib achtergelaten, Zoo heeft zich later een groot gedeelte
van den bodem van Nederland gevormd. De vruchtbare klei-
streken van Holland, de zeeuwsche eilanden en andere ge-
deelten van ons land zijn op die wijze gevormd geworden.
Met recht kan men zeggen dat de grond van de Nederlanden
eerst door de wateren gevormd, toen door de wateren
overstroomd en later weder aan die wateren ontroofd is
ge v orden.
2. Immers toen zich eenmaal in den loop van eeuwen , door
de aanslibbing der groote rivieren, de grond van het tegen-
woordige Nederland, althans voor een groot gedeelte, had
gevormd, bleven diezelfde rivieren toen, evenals nog heden,
langs onze landen haren weg naar de zee volgen. Nu geschiedde
het dikwijls dat die rivieren overstroomden; bij die gele-
genheid vormden zij poelen, moerassen, ja. gehcele meren
Die overstroomingen moeten in vroegere eeuwen zeer dikwijls
plaats gehad hebben. Zooals u bekend is, bestaat ons va-
derland voor een belangrijk gedeelte uit droog gemaakte nie-
ren, en die meren hebben zich voor eeuwen herwaarts , vooral
door overstroomingen vanden Rijn, gevormd. Een ander ge-
deelte van ons vaderland, zooals een aanzienlijk deel der
provincie Limburg, is echter niet door die aanslibbingen der
rivieren gevormd geworden; ook is dat geen land, dat men
later droog gemaakt heeft; integendeel, het is van veel oudere
-ocr page 14-
(i
dagteekening. Het is land, dat reeds aanwezig was, toen mis-
schien Holland en Zeeland nog niet bestonden.
Daarentegen is ook veel van hetgeen vroeger land was
later weder zee of water geworden. Wat thans de Zuider-
zee is, \'«as voor achttien eeuwen voor een groot gedeelte
land. De Rijn stroomde niet verschillende takken door dat
land heen en liep hij Texel en Vlieland in de Noordzee uit.
Midden in dat land, wat thans de Zuiderzee is, lag het meer
Flevo (of Vliemeer). Allengs heeft de zee het land verzwolgen;
het meer Flevo heelt zich vereenigd met de wateren der zee, en
zoo is allengs de Zuiderzee ontstaan. Dit is niet op eens, maar
misschien in den loop van verscheidene eeuwen geschied.
In het jaar 12!>0 bestond de Zuiderzee geheel en al; twee-
honderd jaren vroeger was er nog een zeer groot hosch,
■waar in 1250 reeds alles water was.
Zoo heeft zich ook de Dollart in de provincie Groningen
gevormd, waar vroeger land was. Zoo is ook in het jaar
1412 de Biesbosch, tusschen Zuid-Holland en Noord-Brabant,
door eene verschrikkelijke overstrooming gevormd geworden.
3.   De bodem van ons vaderland heeft derhalve, in den loop
van meer dan achttien eeuwen, eene zeer groote verandering
ondergaan. Waar thans zeer schoon en vruchtbaar land is.
■was toen water. Zeer veel land van vroegere eeuwen is
thans water. Maar ook in andere opzichten hebben zeer
groote veranderingen plaats gehad. Voor negentien eeuwen
waren er nog geen e steden en dorpen. Geheel het land was
overdekt met groote en dichte bosschen, waarvan het Haag-
sche bosch en de Haarlemmerhout nog overblijfselen zijn.
Ook waren er zeer uitgebreide moerassen. In dat boschrijke
en moerassige land leefden misschien niet eens zooveel men-
schep, als thans in de stad Rotterdam alléén.
4.  Nog lang voor de geboorte van Christus leefde in het tegen-
woordige Drenthe een volk, dat de Kiinbren wordt ge-
noemd. Deze hebben die groote steenhoopen gemaakt, bekend
onder den naam van hunnebedden en waaronder waar-
schijnlijk hunne opperboolden begraven werden. Later werden
-ocr page 15-
7
de verschillende gedeelten van ons vaderland door andere
volksstammen bewoond, die alle onder den gemeenschappe-
lijken naam van Germanen bekend geworden zijn. Die Ger-
manen bewoonden alle landen, die thans Duitschland, de
Nederlanden en België vormen. De Germanen varen in ver-
schillende kleinere volkeren of\' volksstammen verdeeld. De
grond van het tegenwoordige koninkrijk der Nederlanden
werd voornamelijk bewoond door drie volksstammen : de Frie-
zen, de Batavieren en de Menapiërs.
5. De Friezen bewoonden het land , dat nu Noord-Holland,
Friesland, Groningen, Overijsel en Drenthe wordl gehecten,
en het land waar thans de Zuiderzee is. Ook bewoonden zij
een gedeelte der tegenwoordige provinciën Zuid-Holland,
Utrecht en Gelderland. De Bataven woonden vroeger in
Duitschland, in de streek, die thans Hessen wordt gehee-
ten. Ongeveer eene eeuw voor de geboorte des Zaligmakers
verlieten zij dat oord en vestigden zich in het land tus-
schen den Rijn, de Waal en de Maas. Dat land noemden zij
Bal-ouwe, wat in hunne taal goeden grond beteekende. Zij
zelveu heetten Batouwen, en de Betuwe, tusschen de Maas en
de Waal in Gelderland , heeft naar hen haren naam behouden.
De Bataven (ook Batavieren gefieeten) bewoonden derhalve
een gedeelte van hetgeen nu de provincie Zuid-Holland ,
Utrecht en Gelderland is. De Menapiërs woonden ten zuiden
van den Rijn en de Maas: in het land, dat thans de provinciën
Zeeland, Noord-Brabant en een deel van Limburg vormt.
Deze Menapiërs behoorden tot een grooter volk. dat ook
meerendeels van gerinaanschen oorsprong was en Belgen
werd genoemd. Het koninkrijk België, dat ten zuiden van
ons vaderland ligt, heeft van die volken, welke vroe-
ger dat land bewoonden, zijnen naam verkregen. Behalve
de Friezen, de Batavieren en Menapiërs, woonden er op
onzen vaderlandschen grond nog eenige andere kleine volks-
stammen, waarover wij u evenwel niet behoeven te spre-
ken, wijl zij gering in getal waren en in het lot der drie
grootere volken deelden.
-ocr page 16-
8
6.   De bewoners van den Nederlandschen grond varen voor
negentien eeuwen nog zeer ruw en onbeschaaid. Zij hadden
liet ongeluk den waren (iod niet te kennen en daardoor
misten zij ook de ware beschaving.
Zij waren Heidenen. Zij aanbaden de krachten der na-
tuur en de belden van • hun voorgeslacht. Die hulden
hielden zij \\oor -ware goden, die over den hemel, de
aaide, de zee en alle natuurkrachten regeerden. Duuar (in
het Noorden Thor gehcetenj was de god1 des donders; VVoden
(ot Wodan) de god des oorlogs; Freya (want die ongelukkige
heldenen meenden dat er godinnen waren evenzeer als
goden) was de godin, die de vruchtbaarheid schonk. Behalve
deze, hadden zij nog zeer vele andere goden en godinnen,
wien zij uur bewezen. Zij gelooidcn dat de dappere mannen,
die op hel slagveld stierven, naar cene plaats, het Walhalla,
gingen, dat hun hemel was en waar de grootste gelukzalig-
heid bestond in maaltijden en gevechten.
De hemel dier arme Heidenen was dus, naar hunne meeniiig,
niet de beloouing van vroomheid, deugd en zell\'verlooche-
ning, maar tan dapperheid in den oorlog\' De boozen gingen
naar eeue plaats van duisternis.
Du Friezen, Batavieren 1S1 \' Jlenapiërs vereerden hunne
goden te luidden van groote bosschen, in zoogenaamde heilige
plaatsen. - Dikwijls brachten zij hun offers van ïncnscheii.
Op zulk een dwaalspoor had de booze geest hen ge-
bracht! Zij hadden priesters, wien zij groote eer bewe-
zen en die zij als waarzeggers beschouwden. Ook bewezen
zij groote eer aan du mannen, die de daden der dappere
helden bezongen. Die mannen noemden zij barden.
7.   De Friezen, Batavieren en Menapiérs woonden niet in
steden of dorpen, gelijk wij. Zij woonden bieren daarlangs
den zoom der rivieren of\' der bosschen. Op die plaatsen,
waar zij voor overstroomingen te vreezen hadden, bouwden
zij hunne woningen op hoogten, die terpen genoemd wer-
den. Zij kenden nog zeer weinig handel. Zij hadden geene
fabrieken, geene winkels, leder moest in zijne eigenu be-
-ocr page 17-
9
hoeden en in die van zijn gezin voorzien. Zij hadden zelfs
nog weinig akkerbouw. Zij leefden voornamelijk van de vee-
teelt, van de jacht en van de visscheiij, Hunne woningen waren
niet anders dan tenten, vervaardigd van boomstaken en aan
elkander genaaide beestenvellen. Hunne kleeeding bestond
insgelijks uit beestenvellen en zeer grof gewevene stolfen.
Üe jacht, de visscherij en veeteelt waren derhalve de
voornaamste bezigheden dier volken. Maar geen minder voor-
name bezigheid voor hen was de oorlog. Zij loetden in
voortdurenden strijd met hunne naburen. Zij waren zeer
dapper en geschikt tot het uitstaan der grootste vermoeie-
nissen en onverschrokken te midden der gevaren, lleeds
van hunne jongste jaren af werden zij in het paardrijden,
zwemmen, schieten met pijl en boog en worstelen geoefend.
Zoodoende werden zij geharde soldalen. Zij trokken te
velde onder opperhooldeu, die later nu eens koningen dan
weder hertogen genoemd werden. Deze opperhoofden hadden
zoolang de krijgstogt duurde het bevel over het geheele volk;
maar in vredestijd hadden zij weinig gezag. De strafl\'en, op over-
tredingen gesteld, waren niet vele. en de meeste misdaden
werden met boeten in vee of\' andere zaken van waarde ge-
straft. Gelijk alle volkeren, die het goddelijke licht des
Evangelies niet kenden, werden vele menschen. hetzij als over-
treders der wetten, hetzij als krijgsgevangenen, in slavernij ge-
bragt. Deze arme slaven werden, gelijk het redelooze vee,
als hel eigendom hunner meesters beschouwd, die hen kon-
den mishandelen en als een os of paard verkoopen.
8. De heidensche bewoners van onzen vaderlandschen
grond maakten zich vooral ook schuldig aan het misbruik
van sterke dranken, die zij uit koren en gerst brouwden.
Zij gaven zich over aan eene schandelijke dronkenschap
en aan een\' niet minder schandelijken hartstocht voor
dobbelspelen. Zij ontzagen zich niet om have en goed, ja
vrouw en kinderen te verdubbelen. Want bij die ongeluk-
kige heidenen hadden de vaders het recht, hunne eigene
vrouwen en kinderen te verkoopen! Aan het Christendom
-ocr page 18-
10
alléén hebhen wij het te danken. dat alle menschen. arm
of rijk. mannen, vrouwen of kinderen, beschouwd worden
als gelijken, als -kinderen van onzen Vader, die in den
hemel is. allen verlost door den Zaligmaker!"
De heidenen bezaten evenwel ook vele natuurlijke deug-
den. Zij waren oprecht en getrouw aan hun woord. De kin-
deren eerden hunne ouders en allen eerden den ouderdom.
De vrouwen waren zedig en ingetogen. Zij werden zeer
hoog geschat en niet. zooals hij andere meer beschaafde
heidenen, geminacht of dikwijls mishandeld en verstoten. Zij
waren dan ook zeer arbeidzaam en huiselijk. In een woord:
hoe ruw en onbeschaafd onze heidensche voorouders waren .
zij muntten over het algemeen toch in vele opzichten uit
boven andere heidensche volken, die vóór en omtrent de
geboorte van Christus leefden.
II!.
DE KOMST DER ROVÏF.TNEN IN ONS LAND.
1. In die tijden, toen ons land nog met bossrhen was be-
dekt, de grond voor een gedeelte nog niet anders was dan
moeras, toen eenige weinige ruwe en woeste bewoners er
slechts met moeite hun levensonderhoud vonden . heersehte
een machtig volk reeds overeen groot gedeelte van Europa,
Azië en Afrika. Dat volk heette de Romeinen Hunne hoofd-
stad was Rome in Italië. Even als alle andere volken,
de Joden uitgezonderd . waren zij heidenenen hadden allengs
gedurende zeven eeuwen nagenoeg alle toen bekende volken
aan zich onderworpen. Rome was de hoofdstad van een machtig
rijk. het machtigste dat er ooit geweest is. De goede fïod had
dat Romeinsche volk. dat alle andere volken aan zich onder-
wierp, gebruikt als een werktuig, om de wereld des te
geschikter te maken voor de verkondiging en verspreiding
van het Evangelie. Want dat Romeinsche rijk was juist het
machtigste en uitgebreidste in de tijden toen de Zaligmaker
-ocr page 19-
11
der -wereld te Bethlehem werd geboren, en in die eerste
eeuwen, waarin bet Christendom overal werd verspreid.
2. Acht en vijftig jaren voor de geboorte van Christus kwam
een machtig Romeinsch veldheer, Julius Caesar, en onder-
wierp het land, dat toen bekend was onder den naam van
Gallie en nu Frankrijk wordt geheeten. Hij kwam ook oor-
log voeren in het land, dat door de Belgen werd bewoond
en nu België wordt genoemd. Door geweld van wapenen
onderwierp hij alle Belgische volkeu aan de heerschappij der
Romeinen. Hij wilde ook de Menapiërs, die Belgen waren en,
gelijk wij verhaald hebben, hel land bewoonden, dat thans
Zeeland, Noord-Brabant en het noorden van Limburg is, aan
zich onderwerpen; maar de Meuapié\'rs verscholen zich in
hunne uitgestrekte bosschen en tusschen de moerassen van hun
land, waardoor Caesar hen niet tol onderwerping kon brengen.
Bij gelegenheid van zijne krijgstochten kwam Caesar ook in
het land tusschen de Maas en de Waal , het eiland der
Batavieren. Hij onderwierp de Batavieren niet. zooals an-
dere volken, maar sloot met hen een verbond van vrede en
vriendschap. De Batavieren beloofden hem te helpen met
hulptroepen. Van nu al\' trokken velen van hen met de
Romeinsche legers mede en voerden oorlog tegen de vijan-
den der Romeinen. Door hunne trouw en dapperheid wa-
ren zij zoo geacht, dat de Romeinsche keizers hunne lijf-
wacht voor een gedeelte uit de Batavieren kozen. De bewo-
ners van onzen voorvaderlijken grond beschermden dus voor
nagenoeg bijna achttien eeuwen de heidensche vorsten van
Rome reeds tegen hunne vijanden, even als vele dap-
pere Nederlanders in onzen tijd den Heiligen Vader, paus
Pius IX.
3. De Friezen werden door Caesar niet bezocht; zij woonden
noordelijker dan hij ooit gekomen is. De Romeinsche veld-
heeren evenwel, die de grenzen des rijks tegen de invallen
der Gerinaansehe volken moesten beschermen, kwamen wel-
dra in aanraking en spoedig in oorlog met de Friezen. Dru-
sus, een Romeinsch veldheer, kwam, tien jaren na de ge-
-ocr page 20-
12
boorte van Christus, in liet land, dat thans Gelderland,
Overijsel en Friesland lieet. liij dwong de Friezen zich
aan het Roineinsche rijk te onderwerpen en eeue schatting
in dierenhuiden te betalen. Zoo arm varen onze voorouders,
dat zij geene schatting van goud of zilver konden opbrengen.
Drusus liet door zijne soldaten een kanaal tusschen den Rijn
en den Usel graven, naar hein de Drususgraeht genoemd.
i. Het duurde evenwel niet lang of er ontstond een oorlog
tusschen de Romeinen en de Friezen, die zich aanvankelijk
onderworpen badden. De geweldenarijen der eers[genoemden
waren daarvan de oorzaak. Onder voorwendsel van de ver-
schuldigde schatting te vorderen, berooiden de Romeinscbe
landvoogden de arme Friezen. Zoo deze de gevorderde schat-
ling niet konden opbrengen, verkocht men hun have en
goed, lot zells hunne vrouwen en kinderen als slaven. Dit
gedoogden de Friezen niet. Zij grepen naar de wapenen,
doch moesten voor hel meerdere krijgsbeleid der Romei-
nen onderdoen en werden opnieuw overwonnen.
5. De Batavieren leefden aanvankelijk in goede eensgezind-
heid met de Romeinen; maar de knevelarijen van de laatstge-
noemden brachten eindelijk bet dappere Bataafschc volk ins-
gelijks lot opstand. Immers werden zij door de liomeinsche
landvoogden niet meer als vrije mannen en boudgenooten ,
maar als overwonuelingen en slaven behandeld. Ouder voor-
wendsel van hulptroepen, die de Batavieren volgens hun
verbond met de Romeinen leveren moesten, te lichten,
voerde men kinderen en grijsaards weg. Deze moesten zich
dan loskoopen of werden als slaven behandeld. Eenigen van de
voornaamsten onder de Batavieren werden ter dood gebracht;
anderen, onder welke Claudius Civilis, als gevangenen
naar Rome gevoerd, waar zij zich voor den keizer moesten
verantwoorden, want zij werden beschuldigd van oproer.
De keizer, voor w ien zij kwamen, was Nero! Deze vergenoegde
zich evenwel met de verontschuldigingen van Claudius
Civilis en zond hem en zijne gezellen naar hun land terug.
Toen Civilis in bet land der Batavieren teruggekeerd was,
-ocr page 21-
13
zon hij op wraak tegen de Romeinen. Hij wist ettelijke andere
volken van Gennaansclien stam, die langs den Rijn woonden ,
tot een verbond tegen de Romeinen over te halen. Spoedig
weerklonk het oorlogsgedruisch bij alle volksstammen ttisschen
den Rijn en de Maas. Verscheidene kasteelen dei Romeinen
werden veroverd en de oorlog barstte uit. Dit geschiedde
in het jaar 69 na de geboorte van Christus. De Batavieren
behaalden met hunne bondgenooten aanvankelijk meer dan
ééne overwinning; maar hoe konden zij den strijd volhouden
tegen de Romeinen, die volleerd waren in de krijgskunde?
Eenige bondgenooten verlieten Civilis; hij en de Batavieren
leden op hunne beurt verliezen. Nu bood de Romeinsche
veldheer, Cerialis geheeten, hun den vrede aan. De Bata-
vieren waren geneigd dien aan te nemen, en het oude
bondgenootschap tusschen de beide volken werd weder
gesloten. De Batavieren bleven, als vroeger, hunne vrijheid
behouden, doch moesten aan bet Romeinsche leger eene bende
hulptroepen leveren.
6.   Nu leefden de Friezen. Batavieren en andere volken, die
den nederlandscnen grond bewoonden, in vrede met de Romei-
nen. Zij volgden bet leger der Romeinsche keizers tot in de
verste landen, tot in Egypte; tot in Azië. De Bataaf\'sche
ruiterij werd voor eene der dapperste afdeelingen des romein-
schen legers gehouden. De keizers, die zoo vaak door hunne
wreedheid en dwinglandij hunne onderdanen verbitterden,
steunden altijd op de trouw der Bataafsche troepen, die
hunnen persoon beschermden.
7,   Gedurende de vier eerste eeuwen na de geboorte des
Zaligmakers heerschten dan de Romeinen, hetzij als meesters,
hetzij als machtige bondgenooten, over het land, dat thans
Nederland geheeten wordt. Zij lieten den volken, welke dien
grond bewoonden, hnnne oude zeden, wetten en gewoonten
behouden. De Friezen en Batavieren bleven voornamelijk
hun onderhoud zoeken in de jacht, vischvangst en veeteelt: bij
laatstgenoemden geraakte ook de landbouw meer in aanzien:
trouwens zij waren beschaafder dan de Friezen. De naam
-ocr page 22-
li
Menapiérs verdween in dien lijd geheel en al uit de ge-
sclnedcnis; andere Germaansche volksstammen , waaronder de
Tongeren, namen hun land in. Een e stad in Belgisch Lim-
burg, Tongeren, heelt haren naam aan dien volksstam ont-
leend.
Overal waar de Romeinen zieli nedcrzetl\'en, bouwden zij
versterkte legerplaatsen of kasteelen. Vele daarvan zijn in
het vervolg steden geworden; anderen zijn weder te niet
gegaan. Zoo is het bekend dat zijeene versterkte legerplaats
of kasteel gebouwd hebbeu ter plaatse waar nn het dorp
Voorburg bij \'s Gravenhage is. Ook op de plaats waar beiden
ligt of in die omstreken hebben zij cenestad gesticht. Nijme-
gen, Utrecht en Maastricht hebben insgelijks hun alleersten
oorsprong aan de itomeiuen te danken.
3. l)e domeinen waren een heidensch volk; maar het Chris-
tendom was reeds zeer vroeg, gelijk een vruchtbaar zaad,
onder hen gezaaid. He 1111. Apostelen Petrus en Paulus zelven
hadden in de stad Rome den gekruisigden enopgeslanen Heiland
verkondigd. De goddelijke leer onzes Zaligmakers werd zeer
spoedig door geheel iiet llomeinscbe rijk verspreid. Reeds
in de eerste eeuw na Christus\' geboorte werd het Evangelie
verkondigd in Gallië, die groote provincie des ilomeiuschen
rijks, die thans Frankrijk heet. liet zuiden van ous vader-
land, dat wil zeggen de provinciën Noord-Brabant en Limburg ,
behoorde in die dagen tot Gallië. Wel is waar was dat gedeelte
juist het ruwste en minst bewoonde, maar toch waren
er reeds steden gebouwd, zooals Tongeren en Maastricht. Nu
kwam in de vierde eeuw na de geboorte des Zaligmakers een
heilig man, Maternus geheeten, aan die ongelukkige volksstam-
men, die nog verstoken waren van het licht des Evangelies, de
leer des Zaligmakers verkondigen. l)e 11. .Maternus werd bis-
schop van Tongeren en kwam later zijnen zetel in Maas-
tricht vestigen. Hij is dus de eerste christen-bisschop ge-
weest, die iu ons vaderland de katholieke lCerk heeft ge-
grondvest te midden van nog ruwe en onbeschaafde vol-
ken. Men moet evenwel niet denken dat al onze heiden-
-ocr page 23-
15
scho voorvaderen, die het land, dat thans Noord-Brabant
uu LiiiiUurg lieet, bewoonden, zich terstond bekeerden; o
neen! «ie meerderheid, die in Dosscucu en afgelegen plaatsen
wounde, bleol hardnekkig aan de oude gewoonten lies hei-
dendonis vasthouden.
IV.
HET EVANGELIE WORDT IN DE NEDERLANDEN
VERKONDIGD.
1.   liet iionieiiische rijk was een poel van ongerechtigheid
geworden. Het heidendom nad de volken diep bedorven;
alleen de Christenen boden tegenstand aan liet algemeene
beden\'. De al wijze (iod liet toe dat volken, die ook wel hei-
denen waren, maar niet /.uu diep bedorven als de Romei-
nen, het Uomeiusche rijk aantastten, vele landen veroverden
en nieuwe rijken sticiitten, die, het eeue voor, hut andere
na, den ciirislelijkeu godsdienst aannamen. Al die volken
waren Germanen: bijgevolg stamgenooten van de Friezen
en Batavieren. Ouder hen zullen wij slechts de Franken en
de Saksen noemen, wijl deze alleen niet de geschiedenis van
ons vaderland in verband slaan.
2.   De Franken, die weder in twee stammen verdeeld wa-
ren, woonden langs den iliju en den i.lsel in het tegen-
woordige Uvenjsel. Die, welke langs den Usel woonden,
heel ten Sahërs. Zij waren een zeer dapper, ruw volk, dat
bovenal zijne vrijheid beminde, iluiin drie en eene halve
eeuw na de geboorte van Christus verspreidden zij zich over
hel land, dat door de Batavieren bewoond werd, en de
naam van Batavieren verdwijnt uu in de geschiedenis. Waar-
schijnlijk hebbeu zij zich met de Franken vereenigd. Onge-
veer vier en eeue halve eeuw na de geboorte van Christus
hadden de Franken, nadat zij de Romeinen herhaaldelijk
geslagen en andere kleine lierinaausche volksstammen onder-
worpen hadden, een rijk gesticht, dat het Frankische rijk ge-
-ocr page 24-
16
noerad werd. Het zuidelijke gedeelte van ons vaderland. Bel-
gië, een gedeelte van Duitschland en geheel de noordelijke
helft van Frankrijk behoorden tot het Frankische rijk. Hun
koning Kloris had den christelijken godsdienst aangenomen,
en zijn volk met hein. De Franken bleven echter nog eeuwen
lang een woest en barbaarsch volk, dat alléén door de
II. Kerk en bare bisschoppen tot beschaving en zachtere
zeden kon gebracht worden.
3.  De Saksen . een ander Oennaanscb volk . spreidden zich uit
langs de kusten van de Noordzee; zij namen ook een ge-
deelte van ons vaderland, ten noorden van den Rijn, in. De
Friezen. die; met de Franken in voortdurenden oorlog leef-
den, stonden daarentegen niet de Saksen meestal in goede
verstandhouding. De Saksen, die in hunnen tijd reeds on-
verschrokkcne zeevaarders waren, slaken, ongeveer vier en
eene halve eeuw na Christus\'geboorte, over naar bet eiland
Brittannié, dat thans Engeland heet, en veroverden dat land.
De Friezen hadden een groot aandeel aan die verovering,
ofschoon zij onder den algemeenen naam van Saksen door-
gingen. Waarschijnlijk vertrokken de veroveraars van Brit-
tannié van de kusten van ons vaderland.
4.   Die Saksen waren de ruwste en onbeschaafdste volken
van den Gerniaanschon stam. Zij v\\aren verharde heidenen.
De h. paus Gregorius de Groote te Rome had medelijden
met de blindheid des heidendoins, waarin de Saksen van
Brittannié leefden. Daarom zond hij, ruim vijf eeuwen na
Christus\' geboorte, vrome zendelingen naar dat verre land.
Deze bekeerden de beidensche Saksen . en binnen ééne eeuw
was geheel het volk van Engeland katholiek geworden. In
groote kloosters wijdden zich duizende vrome mannen aan
den dienst van God en aan bet welzijn hunner evennaasten.
Deze vrome mannen waren er niet mede tevreden, dat
zij zelven het licht des waren gcloofs hadden; zij wilden
het ook mededeelen aan hunne stamgenooten, aan de bewo-
ners van het land boven den Rijn, waar onze voorouders
•woonden. Een gedeelte van dat land, bij voorbeeld dat waar
-ocr page 25-
17
" hans de stad Utrecht ligt, gehoorzaamde aan de Frankische
\' Loningen. Deze vorsten waren reeds katholiek. Ruim zes
\' jeuwen na de geboorte van den Zaligmaker regeerde een
■    loning over de Franken, met name Dagobert. Deze koning
1 iet zich zeer veel gelegen liggen aan de verspreiding van
; iet Christendom onder de heidensche stammen. De Heilige
: ïligius en de II. Amandus, twee vrome mannen van Fran-
lischen stam, kwamen het Evangelie prediken aan de hei-
■    lenen, die het zuidelijke gedeelte van ons vaderland bewoon-
len. Ruim zes eeuwen na Christus\' geboorte werd de eerste
Christenkerk boven den Rijn gesticht, ter plaatse waar thans
Ie Stad Utrecht gelegen is. Deze stad was in dien tijd reeds
lanwezig, maar was nog zeer onaanzienlijk en bestond slechts
uit ecnige schamele huizen.
5.   De voornaamste verkondigers van het Evangelie aan de
bewoners van ons vaderland kwamen echter, gelijk wij
reeds gezegd hebben, uit Engeland. De H. Werenfried, de
H. Adelbert, de H. Wolfram en vooral de II. Willebrord
verkondigden de leer des Zaligmakers aan de woeste vol-
een, die nog te midden van de bosscben of in nietige dor-
jen en in zeer weinige onaanzienlijke steden leefden en nog
Ide afgoden aanbaden. De II. Adelbert predikte in de omstre-
jken van Velzen en waar thans Haarlem en Alkmaar liggen;
I Ie H. Werenfried in de omstreken , waar men thans Medemblik
n Enkhuizen vindt; de II. Willebrord door geheel Holland
.1 Utrecht en in nog andere streken. Hij trok naar Rome,
. aar paus Sergius hem tot eersten bisschop van Utrecht
\' /ijdde. De II. man mag met recht de Apostel der Neder-
anden genoemd worden. In zijnen ijver voor het heil der
zielen trok hij nog verder; hij stichtte in Luxemburg de
abdij van Echternach waar bij begraven ligt.
6.   De II. Wolfram, een der getrouwe medehelpers van den
H. Willebrord, verkondigde het Evangelie aan Radboud, den
koning der Friezen. Deze wilde zich laten doopen. Dit zou
geschieden ter plaatse waar thans het dorp Hoogwoud in
Noord-Holland ligt. De koning was reeds gestapt in de
-ocr page 26-
18
wijde kom, die lot Joopvont zou dienen, gelijk in die
dagen liet gebruik «as. Er in slaande vroeg hij den II. Wol-
fram, waar zijne voorouders waren, in de hel of in
den hemel. Toen de II. man antwoordde dat hij vreesde dat
zij in de hel «aren, antwoordde lladboud, dal hij liever
mi t zijne voorvaderen in de hel, dan met de Christenen in
den iiemel hegeerde te zijn, en wilde zich niet laten doopen.
7.   Welke moeite en inspanningen de vrome zendelingen
zich ook getroostten, bleef liet Friesclie volk evenwel nog
voor verreweg het grootsle gedeelte aan de heidensclie dwa-
lingen verslaafd, liet gmg nog voort in zijne barbaarschhe-
den en ineuschenoflers. De Friezen droegen den Franken
een bitteren haat toe , en die booze hartstocht deed
hun de onwaardeerbare gave der waarheid versmaden. De
verkondigers van het Evangelie hadden dan ook te mid-
den dier onbeschaafde stammen met de grootste gevaren Ie
Lampen. Dit bewijst het droevige uileinde van den 11. Bo-
niiacius. Deze, evenals zoo vele andere vrome priesters
van zijnen tijd, uil Engeland gekomen, om aan de Frie-
zen het Evangelie te verkondigen, was een man, bla-
kende van godsdienstijver, vroom, geleerd en bereid zijn
leven voor den Zaligmaker op te offeren. Hij werd bisschop
van Utrecht; hij reisde naar Home tot den 11. Vader, oin
door dezen bevestigd en gesterkt te worden in zijne zware
taak: de bekeering der Friezen en van andere Duitsche
volksstammen. Hij stichtte het aartsbisdom van Mentz in
Duitschlaud. Eindelijk stierf hij als martelaar. Eene bende
woeste Friezen viel den 5 Mei 755 den 11. Bonifacius en
diens inedgezeüen, priesters en Christenen, aan en vermoord-
de hen allen. Dit geschiedde in de omstreken van de stad
Dokkimi in Friesland. De plaats zelven wordt thans nog
Mormerwoude, dat beteekent Moordemiarswoude, genoemd.
8.   Het zuidelijke gedeelte van ons vaderland, en wel voor-
namelijk Limburg, was groutendeels bekeerd. De stad Maas-
tricht was zelfs een bisschopszetel, lotdat de II. Lambertus
dien zetel overbracht naar Luik. Trouwens Limburg en
-ocr page 27-
10
JJoord-Brabant belioorden geheel en al tot bet rijk der
Franken, Utrecht en de streken van Zuid-Holland en Gel-
derland waren voor een gedeelte tot den christelijker! gods-
dienst bekeerd, maar hadden altijd nog veel te lijden van
de heidensche Friezen. De/.e, die het tegenwoordige Noord-
Holland, het land waar thans de Zuiderzee ligt, Friesland,
Gioningen en Drenthe bewoonden, bleven nog hardnekkig
den dimst der afgoden aankleven. Ruim eene eeuw was er
voorbijgegaan, sinds de eerste christen-prediking onder hen
plaats greep en de 11. Bonifacius vermoord werd. en nog
hieven zij grootendeels verhard in hunne dwaling.
Maar er hadden middelerwijl gewichtige veranderingen
plaats in het Frankische rijk. liet oude koningshuis, dat
afstamde van den eersten christenkoning der Franken, Glovis
geraakte van den troon. Een ander aanzienlijk geslacht, de
afstammelingen van Pepijn, werden op den koningstroon
geplaatst. Dit geslacht van Pepijn was allerwaarschijiilijkst
aikoinstig uit Brabant, en tot de streken waar zij het meest
hun verblijf hielden behoorden dat gedeelte van ons vader-
land, dat thans een deel uitmaakt van de provincie Lim-
hurg en niet ver van de steden Luik, Maastricht en Aken ligt.
De beroemdste vorst uit het geslacht van Pepijn was kei-
\'er Karel de Groote.
V.
KAREL DE GROOTE.
1. De afstammelingen van den frankischen koning Glovis had-
den, door luiheid en weelde verleid, het rijksgebied ver-
waarloosd. Gelijk wij zoo even verhaald hebben, werd
daarom over de Franken een ander geslacht op den troon verhe-
ien: het geslacht van Pepijn. Dit werd ook het Karolingisch»
kuis
genoemd naar twee groote vorsten uit dat geslacht,
beide Karel geheeten De beroemdste van allen was Karel, die
Oaderhand de Groote is genoemd. Hij werd omstreeks de
-ocr page 28-
20
helft der achtste eeuw in de omstreken van de stad Luik
geboren. Zijne geliefkoosde verblijfplaats was te Aken, in
de onmiddellijke nabijheid van het zuidelijkste gedeelte van
ons vaderland; ook hield hij zich veel op te Nijmegen. De
taal, welke hij sprak, was dezelfde als die, welke in die da-
gen in bet grootste gedeelte van ons vaderland werd ge-
sproken. Karel de Groote was dus in vele opzichten een
Nederlander.
2.  Karel bezat het uitgestrektste rijk, dat er na den onder-
gang van het Romeinsche rijk in Europa geweest is. Geheel
Frankrijk, België, de Nederlanden, geheel Duitschland, tot
aan de rivier de Oder. Zwitserland en het noorden van
[talie gehoorzaamden aan zijne bevelen. Dit alles behoorde.
hetzij van oudsher, hetzij door overwinningen van Karel, tot
het rijk der Franken. Karel had gedurende geheel zijn leven
onophoudelijk te strijden. In het zuiden van Europa hadden
de aanhangers van den valschen profeet Mohammed geheel
Spanje veroverd en ook Frankrijk wilden zij aan zich onder-
werpen; maar Karel trok tegen ben te velde en versloeg hen.
Aan de oostelijke grenzen zijns rijks moest bij strijden tegen
een woest, heidensch volk, Slawen genoemd dat het tegen-
woordige Oostenrijk bewoonde. In het noorden eindelijk
had bij voortdurende oorlogen tegen de Saksers en de Frie-
zen te voeren. Eerstgenoemden bewoonden het deel van
Duitschland, tusschen de Eems, de Wezer en nog verder
tusschen de Elbe. Waar de Friezen woonden is u bekend.
3.   Deze beide volken bleven, ondanks de ijverige pogingen
der christen-zendelingen, nog hunne heidensche goden
vereeren en een diepen afkeer koesteren van den gods-
dienst van onzen Zaligmaker. Zij overvielen de christelijke
gemeente aan de grenzen des Frankischen rijks, verbrandden
de kerken en vermoordden de geestelijken. Telkens deden
zij invallen in het gebied der Franken. Karel besloot hen
door de wapenen tot onderwerping te brengen; maar dit ging
niet gemakkelijk. Herhaaldelijk trokken de dappere Franki-
sche heerscharen te velde tegen de Friezen en de Saksers.
-ocr page 29-
■21
Deze werden iederen keer overwonnen; maar zoodra was niet
het leger der Franken teruggetrokken ol\'de Saksers en Frie-
zen stonden weder op en begonnen opnieuw den oorlog.
Eindelijk werden zij echter zoo door Karel ten onder ge-
bracht, dat zij zicli voor goed onderwierpen en den christe-
lijken godsdienst aannamen.
i. Het was Karel niet genoeg, die woeste, krijgszuchtige vol-
ken ten langen laatste onderworpen te hebben; hij wilde hen
ook beschaven. Want daarom vooral is Karel de Groote zoo-
veel bewondering en eerbied waardig, wijl hij niet slechts
een groot vorst en dapper veldheer, maar ook een weldoe-
ner zijns volks was en voor alles de uitbreiding van bet
rijk Gods onder de menseden beoogde. Hij zond niet alleen
zijne landvoogden en rechters, die hertogen en graven ge-
noemd werden, oin de onderworpene volken te bestieren,
maar bij zond ook vrome bisschoppen en priesters, om hun
den waren godsdienst te verkondigen : hij deed dit in overeen-
stemming en samenwerking niet den Paus van Rome. Te
Utrecht was reeds een bisdom. Karel richtte ook andere bis-
dommen op in liet land der Saksers en der Friezen. Wij
lichocven alleen van die van Munster en Osnabrug te spre-
ken; want eeu klein gedeelte van ons vaderland, mei name
een deel van Groningen en eeu deel van Overijsel werden
gebracht onder die beide bisdommen. Het kerkelijk rechts-
gebied van den bisschop van Utrecht, strekte zich uit over het
tegenwoordige Holland, Utrecht, Friesland en Gelderland,
het zuidelijkste gedeelte onzes vaderlands, de beide provin-
ciën Noord-lirabant en Limburg, hoorden tot bet bisdom van
huik. Karel ondersteunde in al die bisdommen de bisschop-
pen en priesters in alles wat tot stichting en onderwijzing
der volken kon dienen. Hij liet kerken en kloosters bouwen •
"ij richtte scholen op; bij hielp zendelingen uitzenden, die
«e verspreide heidenen opzochten, om ben te bekeeren. Hij
"etoonde zicb een waar christen-koning.
5. Ook in het zuiden van zijn uitgebreid rijk betoonde Ka-
rel zich als een beschermheer der Kerk. Een Gcrmaansch
-ocr page 30-
22
volk, de Longobarden gcheeten. had, ongeveer vijf eeuwen
na de geboorte van Christus, in Italië een rijk gesticht, dat
het Lombardische rijk genoemd werd. Nu was de Paus te
Rome allengs een schier onafhankelijk vorst geworden ; maai-
de Lombardische koningen wilden Home en den Paus aan
zich onderwerpen. De Paus evenwel, die door dezen on-
rechlvaardigen aanval der Lombardische koningen bedreigd
werd. zocht hulp hij de koningen der Franken, en niet
het minst bij Karel, toen de/.e koning geworden was. Karel
beoorloogden meer dan eens de Longobarden, onderwierp
hen eindelijk en liet, zich door ben koning kroonen, zoodat
ook geheel bet noorden van Italië aan hein onderdanig werd.
C. Nu was sinds hetzellile tijdstip, waarop de Zaligmaker
geboren werd. de hoogste wereldlijke macht op de aarde
die der Romeinsche keizers. Nadat de Roineinsche heerschappij
door de Gennaansche volken vernietigd was. bleef bet Ro-
meinsche rijk in naam voortbestaan in die landen, welke
thans tot Turkije belmoren : maar inderdaad was het Romein-
sche rijk in geheel westelijk Europa vernietigd. De Paus be-
sloot toen om Karel, die de machtigste christen-vorst was,
die ooit bestaan bad: die de Mohammedanen in bet /.uiden
van Europa en de heidensche Saksers en Friezen in bet
noorden bad overwonnen; die den Heiligen Stoel beschermd
had legen onrechtvaardige aanvallen, tot keizer te verheffen.
Rit geschiedde in Kerstnacht van hel jaar 800. In dien
nacht plaatste de Paus-van Rome de keizerskroon op het
hoofd van Karel den firoote. De nieuw verkoren keizer be-
vestigde den Paus in zijn tijd. lijk gezag over de stad Rome
en schonk hem het gebied over eene uitgebreide streek van
Italië, die later de Kerkelijke Staat is genoemd.
7. Keizer Karel bleef evenwel in zijne zeden en gewoonten
geheel en al een man van Duitschen stempel. Hij was en bleef
eenvoudig. Zijne geliefkoosde woonplaats bleef Aken en
de zuidelijkste streek van ons vaderland. Van uit die stad
Aken regeerde hij zijn machtig rijk. Hij gaf wijze wetten:
hij bevorderde de verspreiding der christelijke leer; hij
-ocr page 31-
20
stichtte steden; hij beschermde kunsten en wetenschappen
en regeerde met verstand en vroom beleid de volken, die
door God aan zijne zorgen waren toevertrouwd. Hij bouwde
zich te Nijmegen een paleis met kapel, later het Valkhof
genaamd. Hij stierf in het jaar 814 en werd te Aken be-
graven.
8.   Zijne opvolgers geleken hein op verre na niet in dapper-
heid en wijsheid. Zijn eenige zoon Lodewijk was een goed-
hartig en vroom vorst: maar hij was niet in slaat zulk een
groot rijk zoo te bestieren als keizer Karel dit gedaan had.
Lodewijk (wien de bijnaam van de Gotlrrurhlige werd ge-
geven) verdeelde het al Ie uitgestrekte rijk tusschen zijne
drie zonen. De oudst.- kreeg d.it gedeelte, waartoe het zui-
den van ons vaderland behoorde; de jongste dat gedeelte,
wat boven den Rijn ligt en waartoe bijgevolg het land der
Friezen moet gerekend worden. Het grootste gedeelte van het
tegenwoordige Frankrijk werd het deel van den tw(\'eden der
zonen van keizer Lodewijk. Ite oudste, tot wiens deel de zui-
delijke provinciën van ons vaderland, België\' en het ooste-
lijke gedeelte van Frankrijk behoorden, welk deel Lotharingen
genoemd werd , bekwam ook Italië en den titel van keizer.
9.   Maar de opvolgers van deze drie kleinzonen van karel
den Gioole waren vorsten van niet groote geestkracht. Bo-
vendien hadden zij met groote moeielijkbeden te kampen.
hi bet noorden namelijk van Europa, in het tegenwoordige
Noorwegen en Denemarken, woonden volksstammen, die
nog ruwe, woeste heidenen waren: zij werden Noorman-
nen geheelen. Die Noormannen, een der dapperste volken
die ooit bestaan hebben, waren zeer stoutmoedige zeelie-
den. Op kleine scheepjes, niet grooter dan onze visschcrs-
Schuiten, waagden zij de gevaarlijkste tochten op den oceaan.
">j overvielen de kusten van andere landen, voeren de ri-
vieren op en plunderden, rooiden en moorden. Niets was
voor hen veilig. Hun grootste genot was de oorlog , bun
middel van bestaan was roof, en zij dachten dat zij hunnen
heidenschen hemel (die geen hemel was) verdienden door
-ocr page 32-
2i
dapperheid in liet gevecht. Ons vaderland \'had zeer veel
van hen te lijden. Zij voeren de rivieren op. Wijk bij Duur-
stede, dat in die dage eene rijke koopstad was, werd door
hen verbrand. Alom vernielden zij de kerken en vermoord-
den zij de priesters. Zoo vermoordden zij te Noord» ijk den
heiligen Jeroen, een vroom en deugdzaam priester. In de
omstreken van Alkmaar vestigde zich een hunner opper-
hoolden; anderen deden dit weder op andere plaatsen. l)it
deden zij langs de kusten van België en van Frankrijk; ja,
zij drongen plunderende en roovende door tol in de Middel-
laudselie zee. Het schijnt dat ook vele Friezen ouder die
veroverende Noormannen behoord nebben, want een groot
deel van de Friezen beminde nog boven alles avonturen,
en de (icrmaansche volkstammen, die aan de Noordzee woon-
den . «aren\'met elkander zeer nauw verbonden.
VI.
HET LEENSTELSEL.
1. Zoolang Karel de Groote leefde had hij zijn uitgebreid rijk
met beleid en kracht weten te regeeren en te beschermen;
maar dit was het geval niet met zijne opvolgers. Noch zijn
zoon Ludewijk, noch diens opvolgers konden alle landen,
die onder hun gebied stonden, verdedigen tegen de talrijke
aanvallers. Hieronder behoorden, gelijk wij gezegd hebben,
in de voornaamste plaats de Noormannen. In onzen lijd stelt
een koning zijne gouverneurs aan over de verschillende %c-
westen, om die te beslieren; zendt hij generaals aan het
hooid van zijn legers, om die tegen den vijand te verdedi-
gen, en stelt hij rechtbanken aan, die recht uitspreken. Uit
was niet het geval in die tijden, waarover wij thans spre-
ken. De toestanden waren geheel anders, en onder de op-
volgers van den grooten keizer Karel ontstond allengs een
regeeriiigstelsel, dat bijna zeven eeuwen heelt geduurd en
het leenstelsel wordt genoemd.
-ocr page 33-
25
2. De keiiers eu koningen, die Ka rel den Groote opvolgden
in zijne heerschappij, konden natuurlijk niet alles zel\\en be-
stieren, niet alle plaatsen huns rijks verdedigen of overal
recht spreken. Zij stelden derhalve ambtenaren aan. Uit had
keizer Karel de Groote ook wel gedaan; maar er «as groot
onderscheid tusschen de ambtenaren en veldoversten, die hij
aanstelde, en die door zijne opvolgers werden aangesteld.
Dit was hierin gelegen, dat de laatstgenoemden zich in vele
opzichten bijna geheel en al onafhankelijk gedroegen en de
vaardig lieden erlelijk in hunne fauiilién wist :u Ie maken.
üe keizers en koningen, opvolgers \\an Karel den Groote,
benoemden dan over uitgestrekte landstreken, als bestierders
eu vooral om bevel over de legers te voeren , hertogen.
Ifet land werd verdeeld in verschillende onderdeden, die
men gouwen noemde. Over deze gouwen werd een ambte-
naar aangesteld, wiens voornaamste taak het was, recht te
spreken: die ambtenaren noemde men graven. Gewoonlijk
werden tot hertogen en graven van een land mannen be-
noemd, welke in dat land zelve grooteii invloed eu uitge-
breide bezittingen hadden. Karel de Groote hield die ambte-
naren in groote afhankelijkheid van zijn gezag; maar dit
verinochteu zijne opvolgers niet. Die ambtenaren (hertogen
en graven) begonnen al zeer spoedig, naargelang de keizers
en koningen hunne macht zagen verminderen, hunne eigene
macht te vergrooten. Zij wisten gedaan te krijgen dal hunne »
zonen hen in hunne macht zouden opvolgen, of die zonen
ielven stelden zich in bet bezit dier macht, zouder dat de
keizers of koningen dit kouden beletten. Zoodoende werden de
vaardigheden van hertogen en graven allengs erlelijk in
een geslacht.
In die tijden, waarvan wij thans spreken, was het geld
Uiterst schaarsch. liet was ook geene gewoonte, ambtena-
ren des vorsten met geld te betalen; evenmin deden die
a"ibieuaren het hunne oudcrhoorijjen. Nu werd de grond
voor verreweg het grootste gedeelte beschouwd als de
e\'geudom van den vorst, betzij keizer of koning. Ge-
-ocr page 34-
2G
schieddc het nu dat d<.\' keizer een ambtenaar, als graaf bij
voorbeeld, naar eene streek zond, dan trok deze, voor zijn
onderhoud, en dat zijner onderhoorige ambtenaren ol krijgs-
knechten, een opbrengst van den grond. Allengs werd liet eene
gewoonte dat de vorst geheele landstreken afstond aan dezen
ol\'genen hertog of graal\'tegen bepaalde voorwaarden. Die voor-
waarden kwamen gewoonlijk hierop neder, dat de graal\'bel land,
waarover liij gesteld was, moest bestieren, verdedigen en het
recht handhaven. Hiervoor werd bet gezag over en bel bezit
van die landstreek aan hem overgelaten. Hij mocht die
overdoen aan zijne opvolgers; maar hij moest aan den vorst
eenen eed afleggen van trouw; hij moest, wanneer zijn
vorst in oorlog geraakte, hein bijslaan in eigen persoon en
gevolgd door zijne onderhoorigen; hij moest eindelijk zekere
schatting betalen of zeker bewijs van hulde opdragen aan den
vorst. Daarvoor stelde deze hem in bet erlelijk bezit van
meer of\' minder uitgestrekte landstreken. Den vorst noemde
men leenheer; den hertog ol\' graal\', die op deze voorwaarden
in het bezit van eene landstreek gesteld werd. noemde men
leenman ol\' vassaal.
3 Die leenmannen echter hadden op hunne beurt weder
hunne onderhoorigen. die onder beu het land bestierden
of met ben aan het hooid der gemeene lieden ten strijde
togen. Aan deze stonden nu die leenmannen, hertogen of
graven ol\' hoe zij heetlen, op hunne beurt weder landerijen
af\'. Ook deze landerijen, werden op voorwaarde van eed van
trouw, van zekere dienst betooningen en v.m huid.; erlelijk
afgestaan. Men noemde dit aeltlerleenen. Wij zullen u dit
door een voorbeeld ophelderen. De keizer van het Duitsche
rijk was teenheer van al het land, dat thans ons vaderland
uitmaakt; maar de keizer had dat gedeelte, hetwelk thans
Holland beet. in leen gegeven aan den graaf van Holland.
Dus Holland was een Iren. De graaf van Holland had de
omstreken van Haarlem weder in leen gegeven aan de !iee-
ren van Brederode; Gorkum met zijne omstreken aan de heeren
van Arkel; Velzen aan de heeren van Velzen. Dus Urederode,
-ocr page 35-
27
Arkel on Velzen viarenachterteenen. Dergelijke lieeren. als die
van Arkul enz., ■werden soms ook wel vrijlieeren, baronnen
genaamd.
Al deze personen, die de regeerders des lands waren,
noemde men te zamen genomen den adel.
i. In lateien lijd, ongeveer in de ellde en twaalfde eeuw.
kwam de gewoonte in zwang, dit mannen van adellijke
geboorte, die zich bijzonder verdienstelijk maakten in den
oorlog, met zekere plechtigheden tot ridders geslagen wer-
den. Ook wilden er toen verecnigingen van mannen, allen
ridders, gevormd met zeker doel, bij voorbeeld om het heilige
graf van den Zaligmaker te verdedigen, ol do Mohammedanen
te bestrijden. Deze vereenigingeil noemde men ridderorden.
5.   In de tijden der opvolgers van Karel don Groote en
later nog. berusten nagenoeg allo wetenschap en beschaving
bij de geestelijkheid. Die geestelijkheid en vooral hare hooi-
den, de bisschoppen, verwierven allengs groote macht on
aanzien. Zij hadden gewoonlijk hunnen zetel gevestigd in
de voornaamste steden, en de inwoners dier steden gevoel-
den zich onder hunne bescherming veiliger dan elders-
liet gebeurde vaak dal die bisschoppen mannen waren van
aanzienlijken huizo on bezitters van uitgestrekte goederen.
Hunne bloedverwanten tui schonken dikwijls aan do bis-
schoppen uitgebreide bezittingen, bosschen, landhoeven enz.
Die bisschoppen gaven hunne eigene goederen aan hunne
kerken, zooals zij zich uitdrukten: dat is, dat die goederen
voortdurend beheerd zouden worden door den peisoon, die
°p den bisschopszetel gevestigd was. Keizers, graven, bij-
zondere personen vermeerderden die bezittingen door hunne
mildheid. Zoo geraakten de bisschoppen allengs in hot
wzit van zoor groote goedereu. Nu gold in die eeuwen
net recht, dat de bezitters van den grond te gelijk bet ge-
2\'!g over de bewoners uitoefenden, en zoo werden de bisschop*
Pon tijdelijke vorsten, evenzeer als de hortogen ou graven.
6.   Maar do bisschoppen bezaten ook een groot gedeelte van
de goederen hunner kerken als kenen van de keizers en konin-
-ocr page 36-
28
gen. Als dusdanig, namelijk als lijdelijke vorsten, bij voorbeeld
van het bisdom Utrecht, moesten zij den eed van trouw en
hulde doen aan hunnen leenheer, den keizer; /.ij moesten
dit niet doen als geestelijken. Want geen koning of\' keizer
ter wereld heeft het recht, /.ieh heerschappij over de gees-
telijke macht der Kerk aan te maligen; maar als bezitters
van tijdelijke goederen waren de bisschoppen vaak leenmannen
des keizers. Ook zij gaven, evenals de graven, op hunne
beurt, goederen in ach tcrleen aan anderen. Zoo was. bijvoor-
beeld, de burgtvoogd van Koevorden, zoo «as de lieer van
Zuyleu een leenman van den bisschop van Utrecht.
7.   Evenals de bisschoppen in het bezit van uitgestrekte heer-
schappijen kwamen, zoo kwamen kloosters en abdijen in het
bezit van belangrijke goederen , niet minder dan aanzienlijke
baronnen. De abdijen en kloosters kwamen in dat bezit door
arbeid en noeste vlijt. Honderden bunders woeste gronden
werden door hen ontgonnen en vruchtbaar gemaakt. Vrije eige-
naars van hoeven, te zwak om zich zclven te verdedigen
tegen liet geweld van machtigen, plaatsten zich ouder be-
scherming dier kloosters en namen hunne bezittingen als
lcenen uit de handen der abten. Vrome lieden .schonken land
en goed: zoo werden de kloosters en abdijen aanzienlijke
grondbezitters. Veel hadden zij in bezit als adilerleencn.
en als dusdanig deden de kloosters oogden, voor die goede-
reu weder hunnen eed en hulde aan eenen leenheer; bij
voorbeeld aan den hertog van Brabant of aan den graaf\' van
Heiland.
8.   De groote menigte des volks leefde. van de negende tot
de twaalfde eeuw, in den staat van lijfeigenschap, dat is:
zij was geen meester over haar eigen doen en laten, maar
afhankelijk van den adel. Zij , die den grond bebouwden of\'
de weinige nijverheid , die er bestond, dreven, moesten dit voor
een gedeelte doen ten voordeele van hunnen heer. Ken ge-
deelte slechts van de opbrengst van hunnen arbeid mochtan
zij als het hnnne beschouwen; de grond behoorde hun
niet toe. Een lijfeigene mocht niet eens den grond, dien hij
-ocr page 37-
29
bewoonde verlaten en eene andere woonplaats kiezen,
zonder goedkeuring zijns meesters. Deze toestand was het
gevolg van de verovering van het Romeinschc rijk door de
Gennaansche volken. De overwinnaars, van welke de
adel afstamde, hadden de overwonnelingen onder het juk
gebracht en tot lijfeigenen gemaakt, die voor hen den grond
moesten bearbeiden en handwerken uitoefenen, maar daar.
tegenover ook veer het voorrecht der bescherming tegen
vreemde verdrukking genoten.
9.   De lijfeigenschap drukte niettemin hard op de groote me-
nigte des volks. Maar de Kerk, die de beschaveresse der ruwe
overwinnaars en de beschermster der bedrukten was, verzachtte
dat lot. De kerken en abdijen waren de toevluchtsoorden
voor de zwakken en onderdrukten. Ieder, die door de Kerk
onder hare geestelijkheid werd aangenomen, werd een vrij
man; ieder, die leenman der Kerk werd of zelfs haar lijf-
eigene, werd zachtzinniger behandeld en met klem beschermd.
l)e Kerk verbood dal de heeren de huwelijken der lijfeige-
nen zouden scheiden, door echtgenooten van elkander te
verwijderen; ja. zij was het, die de sterkeren en machtigen
der wereld aanhoudend op de straffen wees, die God hier-
namaals bereid heeft voor hen, die geweld en onrecht ple-
gen en dit niet naar hun vermogen herstellen.
10.   Het leenstelsel was de maatschappelijke vorm van bijna
geheel ons land gedurende de middeleeuwen. liet werd
echter allengskens meer gewijzigd en zachter. Er ontstonden
sleden. De inwoners dier steden wisten van de graven en
liertogen voorrechten te verkrijgen, privilegiën genaamd. \'
"e voornaamste dier von,Techten waren: dat de be-
woners der steden hunne eigene overheden en rechters moch-
ten kiezen; dat zij niet zonder hunne toestemming mochten
Maden wolden met belastingen; dat de persoonlijke veilig*
ne\'d en eigendom beter gewaarborgd werden.
11.   Allengs geraakten die steden tot machten aanzien, en
"egonnen zij zells deel te nemen aan het bestuur des lands.
Meinere steden verkregen dezelfde rechten als de grootere.
-ocr page 38-
30
De lijfeigenen, die burgers der steden konden worden,wer-
den vrije mannen. De steden bloeiden door handel en nij-
verheid en boezemden ont/.ïig in aan den machtigen adel door
de geoefendheid der burgerijen in den wapenhandel. Zij regeer-
den zich zelven, zij verdedigden zich zclven, en zoo ontstond
in den loop der eeuwen de derde stand. de stand del burgertien,
In enkele streken tan nis vaderland , te weten in Fries-
land en in dat gedeelte van Noord-Holland, dat wel eens
West-Friesland genoemd wordt, heelt het leenstelsel nooit
geheerscht, De verschillende gouwen of streken werden be-
stierd door de ingezetenen zeken , aan wier hoolil mannen
stonden, die in Friesland Grietmannen (dat is: groot e man-
nen) genoemd werden.
VII.
HET GRAAFSCHAP HOLLAND EN ZEELAND ONDER HET
HOLLANDSCUE HL\'lS.
1. De voornaamste landschappen, waarin ons land gedurende
den tijd van het leenstelsel verdeeld was, waren: het
graafschap Holland, waarmede Zeeland was verbonden; het
bisdom Utrecht; en het hertogdom (ielder; terwijl liet hertog-
dom Krab int, waarmede dat van Limburg nauw verbonden
was, voorliet grootste gedeelte tot het tegenwoordige België,
maar toch ook "voor een deel tot Noord-Nederland behoorde.
Algemeen wordt aangenomen dat de gift van eene streek
grouds langs de Noordzee-kusten, door den Frankischen koning
karel den Eenvoudige, als koning van Lotharingen in 922
aan zekeren Dirk of üiederik gedaan , den grond heeft gelegd
tot liet graafschap Holland. Zoowel door veroveringen op de
Friezen als door aanhechting van andere heerlijkheden heeft
dat graafschap allengs den omvang der tegenwoordige pro-
vinciën. Noord- en Zuid-Holland verkregen. Van de drie
eerste graven: Dirk I, Dirk I! en Aruoud, weet men weinig.
De abdij-goederen van Egmond maakten toen het belangrijkste
en verreweg meest beschaalde deel van het graafschap uit.
-ocr page 39-
3i
De graven waren beschermheereu dier abdij, en dit was
het eerste begin vati bun aanzien en van bunnen macht.
Zij hadden veel te oorlogen mul de West-Friezen, die
bet noord-oostelijke gedeelte van liet tegenwoordige Nooid-
ilull in.l bewoonden. Graal Ai\'noud kwam in ecu gevecht
tegen hen. bij bet dorp Winkel. om bet leven. De oor-
zaak dier oorlogen was, dat de graven meenden dat de
West-F-iezen bun onderwerping schuldig waren; terwijl
deze hunne onafhankelijkheid handhaafden.
2.   beu derden graal, die den naam van Dirk voerde, kan men
beschouwen als den eigenlijke stichter van bet graafschap
Holland. Deze bouwde in het jaar 1018 op een moerassi-
gen grond, waar verschillende rivieren, de Lek en de Maas
samenvloeien, eene stad. Dordrecht geheeten: de oudste stad
van Holland. Hij deed dit om tol te heffen van alle sche-
pen , die de rivieren zouden komen afvaren. De grond . waarop
Dirk die stad bouwde, behoorde aan liet bisdom van Utrecht.
Deze omstandigheid en ook dal graaf Dirk op eigen gezag de
kooplieden, die de rivier afvoeren, tol betalen bet, baalde
hem bet ongenoegen des keizers van üuitschland op den
hals. Dirk moest dezen als zijnen leenheer gehoorzamen,
doch de leenmannen waren weinig gewoon zich om recht
te bekommeren; zij deden wat hun goeddacht, zoolang zij
de sterksten waren. Dirk wist zich, ondanks zijne vijanden,
in het bezit van Dordrecht te handhaven. Hertog Gode-
vaert van Neder-Lotharingen, dat later Brabant genoemd is,
werd door den keizer opgedragen, den graaf van Holland tot
zijnen plicht te brengen ; doch de hertog werd in een gevecht
door Dirk gevangen genomen. Hij stelde hem echter in vrij-
heid, waarop hertog Godevaert de verzoening tusschen den
keizer en graaf Diik wist te weeg te brengen.
3.   De opvolgers van Dirk lil waren zijne zonen Dirk iVen
Floris I. (lok deze voerden aanhoudend oorlog met de bis-
schoppen van Utrecht. Want, niet tot eer der graven van
Holland, zochten deze nu dit, dan weder dat, hetgeen die
bisschoppen toebehoorden, te overmeesteren. Aangezien nu
-ocr page 40-
32
die bisschoppen te gelijkertijd wereldlijke vorsten waren
moesten zij hunne onderdanen beschermen.
De graven, die fip Floris I volgden, voerden alle, op één
na. de namen van Floris, Dirk of Willem. Wij zullen ze u
straks naar volgorde opgeven. Gedurende de minderjarigheid
van Dirk V voerde Godevaert (bekend als Govert met den
bult) van Neder-Lotharingen de voogdij over hein en stichtte
de stad Delft.
4. Op het einde der elfde eeuw, in het jaar 1090. begonnen
de kruistochten. Gelijk u bekend zal wezen, was het land,
waar onze Heer Jezus Christus op aarde geleefd had. in de
handen van ongeloovigen. volgelingen van den valschen pro-
feet Mohammed, gevallen. Su was het een vrome gewoonte
van velen: het Heilige Graf des Zaligmakers als pelgrims te
gaan bezoeken en daar te gaan bidden. Maar de Moham-
medanen mishandelden de Christenen, die derwaarts gingen ,
vreeselijk. Dit wekte de verontwaardiging hunner geloofs-
genooten in Europa op. Koningen, hertogen , graven en edel-
lieden, duizenden en duizenden ontzagen moeite noch geva-
ren om het Heilige Graf te verlossen uit de macht der
ongeloovigen. Zoo ontstonden die verbazende krijgstoch-
ten der w estersche volken naar bet Heilige Land, die wij
kruistochten noemen, omdat zij, die daaraan deelnamen,\'tot
teeken een kruis op hunne kleederen droegen.
De Christenen van het westelijke Europa werden het eerst
tot het ondernemen der kruistochten ontvlamd door de predi-
katiën van eenen vromen man. Peter de Kluizenaar gehee-
ten , afkomstig uit Amiëns in Frankrijk. Deze reisde groote
gedeelten van Europa door, om den Christenen den deer-
lijken toestand van het Heilige Land te schetsen. Duizenden
en duizenden namen daarop het teeken des Kruises aan uit
zijne handen en uit die van andere geestelijken. Al die
duizendtallen togen gewapend naar Azië, om de Mohammeda-
nen te bestrijden en Jeruzalem en bet Heilige Graf uit de
handen der ongeloovigen te verlossen. Het voornaamste hoofd
van den eersten kruistocht was Godfried van Bouillon, mark-
-ocr page 41-
33
graaf van Antwerpen: een Zuid-Nederlander of Belg. Onder
zijn beleid namen de kruisvaarders Jeruzalem in (1091) en
stichtten een christenrijk in Palestina.
5.   De kruistochten duurden ongeveer twee eeuwen. Bijna
ieder jaar togen gewapende mannen naar het Heilige Land;
maar tot zeven koeren toe beproefden groote en machtige
legers, de Mohammedanen uit Palestina te verdrijven. Ein-
delijk waren de Christenen, na een bijna tweehonderdjarigen
strijd, genoodzaakt Jeruzalem en alle volkplantingen der
Christenen in Azië geheel en al in de macht der ongeloo-
vigen te laten. De Christenen hadden evenwel te weeg ge-
bracht dat de volgelingen van den valschen profeet Moham-
med Europa voor langen tijd met rust lieten.
De graven en edelen van Holland , vrome en dappere
mannen, namen een werkzaam deel aan de kruistochten.
Kloris lil toog derwaarts, maar stierf eer bij nog bet heilige
land bereikte (1190). Graaf Willem I was tegenwoordig bij
de verovering van Damiate, eene stad in Egypte, die in 1219
door de kruisvaarders werd ingenomen. De Hollanders en.
Zeeuwen, toen reeds bekwame zeevaarders, behaalden bij
die verovering grooten roem.
6.   Willem I was een broeder van graaf Dirk VII. Deze had
eene dochter, Ada, achtergelaten. Ada bad haren vader
moeten opvolgen; maar algemeen was de hollandsche adel
van meening, dat het graafschap Holland een zwaardteen
was, waartoe alleen mannen gerechtigd waren, en geen soil-
leleen.
waarin ook vrouwen konden opvolgen. Willem I wist
zich in het bezit van het graafschap te handhaven tegenover
zijne nicht, gravin Ada.
7.   De graven van Holland waren allengs toegenomen in
macht en aanzien, zoo zelfs dat Willem II, kleinzoon van
graaf Willem I. door den invloed van paus Innocentius IV
(1247) tot roomsch koning werd verheven. Deze waardigheid
was zooveel als bestierder en .vorst van geheel het mach-
tige duitsche rijk. Was die vorst eenmaal door den paus ge-
kroond, dan was hij duitsch keizer. Nu hadden, sinds meer
3
-ocr page 42-
■ii
dan eene eeuw, verschillende duitsche keizers beproefd, den
paus van Home van zich afhankelijk te maken en hem
vervolgd en beoorloogd. De paus echter had alléén het recht
den duitschen keizer te kroonen; hij mocht dien ook, om
groote misdaden, vervallen verklaren van den keizerstroon.
Dit deed paus Innocentius IV den duitschen keizer Frede-
rik li, een groot vervolger der kerk. Willem II werd hierop
door hen, die het met de Kerk en den paus wel meenden,
tot opvolger van Frederik 11 verkozen: zoo groot in aan-
zien was toen reeds het hollandsche gravenhuis! Ongeluk-
kigerwijze leefde Willem 11 niet lang. Hij beoorloogde in
den winter (125G) de Westfriezen. Bij die gelegenheid ver-
loor hij het leven in het ijs nabij Hoogwoude, een dorp in
Noordholland. De Westfriezen vonden het lijk en begroeven
het op eene onbekende plaats. Later kwam graaf Floris V,
zoon van Willem, de Westfriezen beoorloogen. Toen hij hen
onderworpen had, vorderde hij het lijk zijns vaders. Een
oude Westfries wist de plaats waar Willem II lag begraven,
en zoo vond Floris het overschot zijns vaders , dat hij in
de abdij te Middelburg liet ter aarde bestellen.
Deze graaf Willem II bouwde in een boschrijk oord van
Zuidhollaiid een slot. Om dat slot vestigde zich allengs be-
woners. De graaf en zijne opvolgers hielden daar vaak hun
verblijf, en zoo ontstond rondom het hof van graaf Willem
de plaats, die thans het schoone \'s Gravenhage is!
8. Ook andere steden waren-allengs in het graafschap Hol-
land en Zeeland opgekomen en tot bloei gestegen. Dordrecht,
Delft, Haarlem, Alkmaar, Middelburg, Zierikzee en meer
andere plaatsen hadden reeds vroeger belangrijke voorrech-
ten ontvangen of ontvingen die van graaf Willem II en
diens zoon en opvolger Floris V. Die steden kregen van
hunne vorsten het recht om door hunne eigene schepenen
recht te laten spreken; zij verkregen belangrijke voordeelen
voor bunnen handel en hunne markten. De inwoners, die
men poorters noemde, omringden hunne steden met muren,
oefenden zich in den wapenhandel en leerden hunne eigene
-ocr page 43-
U5
stad beschermen en verdedigen. De burgerijen dier steden
badden menigmaal geschillen met de edelen en werden
dan door graal\' Willem en graaf Kloris V begunstigd. Deze
laatste was zoo in aanzien bij de burgerijen. dat men Item
• der keerlen god" noemde. Dit wekte grooten wrok der
edelen tegen Floris op. Nu geschiedde het dat de graal\' in
onmin was met den koning van Engeland. Benige edelen
spanden verradelijk met dien vreemden vorst samen, om
hunnen eigen wettigen leenheer gevangen te nemen en naar
Engeland te voeren. Gerard van Velseu, Herman van Woer-
den en Gijsbrecht van Amstel waren de voornaamste dier
edelen. Zij overvielen den graal\'op een valkenjacht, na eenen
maaltijd, waaraan zij zelven met hem aangezeten hadden.
Zij voerden hem gevaukelijk naar het slot te Muiden, waar
men nog de gevangenkamer van graal\' Floris V kan zien.
Zij wilden hem van hier naar Engeland voeren.
Zoodra evenwel de Westfriezen, de mannen van Water-
land en van bet Gooy vernomen hadden hoe meineedige
edelen hunnen beminden graaf gevangen bielden, snelden
die mannen gewapend toe, om hunnen heer te verlossen.
De edelen begrepen dat zij het slot niet lang tegen de ver-
ontwaardigde burgers zouden kinnen verdedigen. Zij wilden
nu den graaf naar Uraband voeren, doch op hunnen tocht
door de burgers achtervolgd, vermoordden zij den edelen
Floris, hunnen wettigen heer, wien zij trouw gezworen bad-
den (129G). De moordenaars werden later door de verbit-
terde burgers vervolgd en zwaar gestraft, ilunne kasteeleu
■werden ouder den voet gehaald en hunne geslachten gingen
te niet.
Onder de moordenaars van Floris V was ook Gijsbrecht
van Amstel. Hij was heer van eene moerassige strook lands,
■waar de Amstel in het IJ uitloopt. Hier ontstond eerst een
klein dorp onder bescherming der heeren van Amstel, dit
-werd langzamerhand eene stad, die in 1300 stadsrechten
ontving en thans Amsterdam is.
9. Floris V, de edele en dappere graaf, de beschermer der
-ocr page 44-
3G
steden en burgers, kwam zoo noodlottig aan zijn einde. Hij
werd opgevolgd door zijnen jongen zoon Jan I. Deze stierf
drie jaren later. Zijn naaste erfgenaam was de graaf van
Henegouwen, Jan van Avesnes, de zoon van eene zuster
van graaf Willem II. Met Jan I stierf, in 1299, liet graven-
geslacht in liet hollandsche luiis uit.
10. Graven van Holland zijn geweest: Dirk I. Dirk II, Ar-
noud. Dirk III. Dirk IV, Floris I, Dirk V. Floris II, Dirk VI.
Floris III. Dirk VII, gravin Ada, Willem l, Floris IV, Wil-
lem II, Floris V en Jan I (922—1299).
VIII.
HET HFNEGOUWSCHE EN BEYEESCHE HUIS.
1.   In vroegere eeuwen hadden de volken eene zeer groote
achting voor liet recht van erfopvolging. Zij zouden gerekend
hebhen dat zij eene groote zonde begingen, indien zij den wetti-
gen erfgenaam van hunnen overledenen vorst niet op zijne
beurt als hunnen vorst erkenden. Nu heerschte er dikwijls
zeer veel verschil over de vraag wie tot de erfopvolging ge-
rechtigd was. In sommige vorstendommen mochten vrouwen
de regeering aanvaarden, bij voorbeeld in Vlaanderen, in
Braband; in andere weder niet; in andere weder bleef de
zaak onbeslist. Dit was het geval met Holland en Zeeland. De
een beweerde dat alléén een.man regeerend graaf kon wezen,
dat Holland een zicaardleen was, gelijk men dit noemde; de
andere beweerde dat ook eene vrouw de regeering kon voe-
ren, wijl Holland een tpilleleen was. Dit gaf aanleiding tot
groote twisten en hevige burgeroorlogen, gelijk -»ij zullen zien.
2.   Jan II, ook wel naar zijne geboorteplaats Jan van Aves-
nes geheeten, was de naaste mannelijke bloedverwant van
den overledenen graaf\' Jan I. Hij wist zich in het bezit van
het graafschap Holland en Zeeland te stellen; maar dit ge-
schiedde niet zonder vele moeielijkheden. De graven van
Vlaanderen meenden recht te hebben op een groot gedeelte
-ocr page 45-
37
van Zeeland en ■wilden dit met de wapenen veroveren. Zij
drongen zelfs door tot in Holland in de nabijheid van Haar-
lem; doch hier werden zij overwonnen (1303). Slechts wei-
nigen keerden naar hun land terug. Jan II kon zoodoende
in het rustig bezit van het graafschap Holland en Zeeland
blijven en dit aan zijn zoon Willem III laten erven.
3.   Deze Willem III werd de goede bijgenaamd. Hij was een
zeer goed en welmeenend vorst, die het welzijn zijner onder-
danen beoogde. Hij oefende gerechtigheid uit en beminde den
vrede. Hij werd dan ook algemeen door zijn volk geëerd en
geacht. Hij zelf genoot in zijn land en daar buiten groote
eer en aanzien, en zijn volk leefde gelukkig. De handel en
nijverheid bloeiden in Holland en Zeeland: Dordrecht was
eene belangrijke koopstad, die grooten handel op Duitscbland
dreef. Ook sleden van andere gewesten, als Tiel, Deventer,
Harderwijk, bloeiden door den handel. De gerechtigheid, die
de goede graaf uitoefende, de vrijheden, die bij aan de bur-
gerijen schonk, waren oorzaak van dien grooten bloei: want
gerechtigheid loont alreeds zich zelve. De burgerij der ste-
den, overtuigd dat hun vorst voor \'s lands welzijn waakte,
waren nijver en arbeidzaam en verwierven zich daardoor
groote rijkdommen. De steden verkregen vele rechten van
den goeden graaf: waaronder een van de voornaamste was,
dat de burgers hunne eigene overheden mochten kiezen,
voor hunne eigene rechters te recht staan, zich zelven door
schutterijen mochten verdedigen, zicli te zamen mochten
vereenigen tot gilden.
4.   Die gilden oefenden een grooten invloed uit op den bloei
en de welvaart der steden. Gitden, zoo noemde men de ver-
eeniging van lieden, die hetzellde ambacht dreven, en hunne
eigene belangen verzorgden. Zij werden bestuurd door de-
kens
en overmannen, die zij uit hun eigen midden kozen. Zij
zonden in de meesten steden hunne bestuurders in de stads-
regeering , om daar hunne belangen voor te staan. Ieder gild
had zijn eigen vaandel: meestal in de hoofdkerk zijne eigene
kapel en stelde zich onder de bescherming van eenen hei-
-ocr page 46-
38
lige als patroon. Zoo heette het schildersgild dikwijls het
St. Lucasgild. omdat de II. Lucas de patroon der schilders was.
5. Na den dood van Willem III volgde diens zoon Willem IV
hem op. Deze was oorlogzuchtiger en sneuvelde (1345) bij
Stavoren in een gevecht tegen de Friezen, die hij wilde
onderwerpen. Hij liet geene kinderen na. Zijne naaste erf-
gename was zijne zuster Margareta. Deze was gehuwd met
Lodewijk van Beyeren. die duitsch keizer was. Eigenlijk
kon. naar de meening van velen, geene vrouw regeerend gra-
vin van Holland zijn; doch haar man, die als keizer ook in
Holland groote rechten bezat, bevestigde haar in het bezit
van de erfenis baars broeders. Daar Margareta zelve het
bestuur moeielijk kon waarnemen over Holland en Zeeland,
liet zij dit over aan haren zoon Willem, op voorwaarde dat
hij haar jaarlijks de som van 10.000 schilden (toen eene zeer
groote som) zou uitkeeren. Het bleek alras dat Willem die
Som niet kon of wilde betalen, of dat de hollandscbe
onder/.aten, die dat geld moesten opbrengen, er weinig ge-
neigdheid toe beloonden. Willem kwam de voorwaarden niet
na, en dit gaf aanleiding tot de ergerlijkste oneenigheden
tusschen moeder en zoon.
0. Margareta. die weduwe geworden was, wilde de heer-
schappij over Holland en Zeeland weder aanvaarden: baar
zoon wilde deze niet afstaan. Ieder van hen werd bijgestaan
door sleden of door adellijke personen. Hierop ontvlamde
een vreeselijke, onnatuurlijke\'oorlog, tusschen burgers van
betzelfde land, tusschen moeder en zoon. Volgens de ge-
woonte dier tijden, nam iedere partij eene eigene kleur en
een bijzonderen naam aan: de aanhangers van Margareta kozen
de roode kleur en noemden zich lloekschen. De aanhangers
van Willem kozen de grijze kleur en noemden zich Kabel-
jauwschen.
De oorzaak dier namen vindt men in de volgende
omstandigheden: even als de kabeljauw de kleine vischjes
verslindt, zoo beweerden de aanhangers van Willem, zouden
zij hunne vijanden vernietigen. De andere partij noemde
zich hoekschen, omdat de kabeljauw met een boek gevan-
-ocr page 47-
3!)
gen wordt. Na hevige gevechten tusschen beide partijen
bleef\' Willem overwinnaar en in het bezit van Holland en
Zeeland, terwijl zijne moeder tot aan baren dood Henegou-
wen bleef besturen. Dit erfde Willem ook na haven dood.
Hij bad er echter weinig genot van, want hij werd krank-
zinnig, moest het beheer over alles, wat het zijne was. aan
zijn broeder Albrecht overlaten , en stierf, na dertig jaren
als krankzinnige opgesloten te zijn geweest! Zijn gedrag
jegens zijne moeder, tegen wie hij was opgestaan, had hem
geen zegen gebracht!
7.   Willem IV was de eerste graaf van Holland. Zeeland en
Henegouwen, uitliet geslacht of huis van Bcyeren geweest. Dat
geslacht was in Holland niet inheemsen. Het was in zeden
en gewoonten meerfransch, want Henegouwen, waar het bij
voorkeur zich ophield, volgde fransche taal en /.eden. De
graven van Holland en Henegouwen behoorden tot de mach-
tigste heeren van hunnen tijd. Daardoor werden zij gevreesd
en zocht men hunne vriendschap. Zij sloten nauwe verbinte-
nissen met de fransehe koningen en groote fransche heeren.
De groote heeren van het fransche hof en ook de adel zagen
gewoonlijk met minachting op de burgerijen der sleden neder.
Zij benijdden de opkomende macht en rijkdom van deze,
en poogden die te onderdrukken. Dit gaf aanleiding tot
groote onlusten en burgeroorlogen. niet alleen in ons land,
maar ook in vele andere landen. De graven van Holland en
Hen egouwen uit het beyersche buis trokken de partij van
den adel tegen de burgerijen , en van de Hoekschen tegen
de Kabeljauwschen.
8.   Want die noodlottige burgeroorlog bleef zelfs na den dood
van Margareta en haren zoon Willem voortduren. De Hoek-
schen waren meest machtige en aanzienlijke edellieden , die
niet konden gedoogen dat de burgerijen der steden in aan-
zien en macht toenamen. Tot de Kabeljauwschen behoorden
meest de deftige burgerschappen der steden, die door handel
en nijverheid rijk geworden waren en den adel ter zijde wilden
streven. Enkele steden, zooals Gouda, trokken echter het meest
-ocr page 48-
40
partij voor de Huekschen. Enkele edellieden, zooals de mach-
tige Iieeren van Arkel en van Egmond, trokken daarentegen
partij voor de Kabeljauwschen. Uinstreeks demellden lijd
werden ook andere gewesten van ons land door burgeroor-
logen geteisterd, die\'uit dezellde oorzaken voortkwamen.
9. Ouder Albrecht en diens zoon Willem VI bleven die
burgertwisten voortduren. Het hevigst ontbrandden zij onder
Jacoba van Beyeren. Deze was de eenige dochter van Wil-
lem VI; haar vader stierf, toen zij nog maar zestien jaren
oud was. Zij was reeds vroeg gehuwd met een zoon van den
koning van Frankrijk: deze stierf\' ook zeer jong. Jacoba
kwam toen naar Holland, om bezit van baars vaders erlenis
te nemen; de Hoekscheii e. kenden haar als gravin, doch de
Kabeljauwschen niet. Deze beweerden dat Jan van Beyeren,
broeder van Jacoba\'s vader, de wettige vorst was. Nu ontstond
er een hevige burgeroorlog, tusschen Jacoba, aan het hoofd
der llockschcu en Jan van Beyeren, dien de Kabeljauwsclien
waren toegedaan. Jacoba huwde met Jan, hertog vau Bra-
baml. docli deze was een onbekwaam vorst; en Jacoba was
eerzuchtig en lichtzinnig genoeg, om zich al spoedig, tot
groole ergernis van alle weldenkenden, van haren man te
laten scheiden; ja zells gedurende diens leven met een en-
gelscheu prins een ander (gewaand) huwelijk aan te gaan.
De levensloop van Jacoba van Beyeren was zeer ongeluk-
kig. De lichtzinnigheid waarmede zij een huwelijk sloot, dat
tegen de "cboden van God en van de H. Kerk streed, ver-
dient zeker eene gestrenge afkeuring, maar het is toch een
aandoenlijk schouwspel eene zoo jonge vorstin, die meende
haar goed recht te verdedigen, te zien vervolgen door hen,
die hare natuurlijke beschermers waren, namelijk door
haren oom Jan van Beyeren en haren neef, Filips van Bour-
gondië, die, elk op hun beurt, haar van haar erfdeel wilden
ontzetten, op den bedenkelijken grond, dat in Holland de
vrouweuregeering door de staatsregeling werd uitgesloten
(bl. 38, 36). Waarheid blijft intusschen, dat de oorzaken der
meeste rampen, waarmede de menschen bezocht worden >
-ocr page 49-
41
hunne eigene booze hartstochten of die van anderen zijn.
10.   Henegouwen, Holland en Zeeland waren jaren lang diep
ongelukkig door deze burgeroorlogen. heide partijen voerden
deu oorlog zeer wreed: zij schenen vergeten te hebbeu dat
zij Christenen waren. Men verhaalt, dat toi.n de lloekschen
de Mad en liet kasteel van Schoonhoven, waar men het met de
Kabeljauwschen hield, belegerden, zij den bevelhebber van het
kasteel gevangen namen. Deze man, Albrecht beyling gehee-
ten, zou door de wreede lloekscheu veroordeeld zijn om levend
begraven te worden! Hij had een uitstel van vier weken ver-
zocht om zijn gezin te bezoeken en zijne zaken te regelen,
en beloolde op zijn woord dan terug te keeren. uitweid hem
door den bevelhebber der lloekschen toegestaan. Albrecht
Beyling vertrok — en kwam, gelijk hij beloofd bad, terug,
en werd levend begraven. Aan de waarheid van dit bekend
verhaal wordt echter met grond getwijfeld.
11.   Jan van beyeren stieit\', terwijl bij nog tegen Jacoba
oorlog voerde. Hij benoemde Filips; hertog van bourgondië,
een vollen neef\' van moeders zijde van Jacoba, tot zijnen
erfgemaau. De Kabeljauw schen ei kenden nu Filips als graaf.
Filips, een der machtigste vorsten van zijnen tijd, beoor-
loogde Jacoba. Deze was tegen hem (die nog wel den bij-
naam van de Goede droeg) niet bestand. Zij moest vrede
sluiten, op voorwaarde van het beheer harer landen aan
Filips al te staan en niet zonder zijne voorkennis te huwen;
want haar gemaal, Jan van IJ ra hand. was reeds dood, en
de engelsche prins, hertog van (iloucestor geh^elen, had
haar reeds verlaten! Jacoba huwde echter in stilte meteen
zeeuwschen edelman, Frank van Borselen, die haar, in haar
ongeluk, met goed en bloed had bijgestaan. Filips, hierover
vergramd, wilde Frank van Borselen ter dood laten bren-
gen; hij deed dit echter niet, op voorwaarde dat Jacoba hem
(den hertog) als graal\' van Henegouwen, Holland en Zeeland
zou erkennen: wat zij deed. Zij ging nu meestal op helslot
van Teylingen bij Leiden ol\' bij Goes wonen, en stierf in
het jaar 1 l\'Mi.
-ocr page 50-
42
12. De regeering van de graven uit het henegouwsche en
beyersche huis bracht Holland en Zeeland onder vorsten,
die, zoo als «ij reeds opmerkten, in taal en zeden veel
van den hollandsclien eenvoud verschilden; doch geluk
kig wisten onze vaderen, ondanks alle rampen, die hen
troffen, tocli hunne eigene voorvaderlijke taal te howa-
ren: wat onze zuidelijke nahuren niet zoo goed deden.
Onder die graven weid ons land wreed geteisterd, niet
alleen door dien rampzaligen strijd tusschen inwoners van
hetzelfde land, maar ook door hevige watervloeden. De
dijken «aren toen op lange na niet zoo wel ingericht als
thans. Op zekeren nacht, voorden feestdag van de 11. Eliznheth
(18 Noveniher 1421), braken de dijken bij Dordrecht cu Geer-
truidenherg door een heugen storm. Twee en zeventig dor-
pen werden door het water overstroomd en geheel en al
vernield: honderd duizend menschen verloren daarhij het
leven. Al dat land werd door het water verzwolgen, en
zoodoende de Bieshos gevormd. Men verhaalt dat hij dien
s\'ormd een kind in eene wieg kwam aanspoelen aan den
dijk, die nu nog Kinderdijk heet. Eene kat. die in dat wiegje
was g-.an liggen , had door heen en weder te springen het
evenwicht weten te bewaren, waardoor het wiegje niet om-
sloeg — God had het kind behouden.
12. Terwijl Jacoha gravin van Holland was, werd door Lou-
rens Janszoon, Schepen te Haarlem, en die aan het door
hem of door zijn voorvaderen hekleede kostersamht (toen-
maals een aanzienlijke post) den familienaam van Coster ver-
schuldigd was. de boekdrukkunst uitgevonden.
14. Graven en gravinnen uit het huis van Henegouwen,
12C0—1350.
Jan II. Willem 111, Willem IV, Margareta.
Graven en gravinnen uit het huis van lleyeren, 13501433.
Willem V, Alhrecht, Willem VI, Jacoba.
-ocr page 51-
43
IX.
HET BISDOM VAN UTRECHT EN DE LANDEN DIE DAAR
ONDER BEHOORDEN.
1. Gedurende de middeneeuwen hadden de geestelijken over
het algemeen eene zeer groote macht. Zeer vele bisschoppen
en abten van kloosters, vooral in de landen, die tot het
duitsche rijk behoorden, waren te gelijker tijd geestelijken en
tijdelijke vorsten. Het is niet ondienstig. dat wij n een be-
knopt, maar duidelijk inzicht van deze zaak geven. Vooral in
de tijden, die op den dood van Karel den Groote volgden,
■waren de geringcn en zwakken zonder verdediging over-
geleverd aan het geweld der machtigen en sterken. Nu
oefende de geestelijkheid op het geloovige volk een grooten
Invloed uit, en gebruikte dien ter bescherming van de ver-
drukten. Deze namen dan ook hunne toevlucht tot de bisschop-
pen en tot de abten der kloosters. Zij maakten zich tot hunne
leenmannen, gelijk men het noemde: dat is: zij erkenden ben
voor hun hoofd. mits zij op hunne bescherming konden
rekenen. Zoodoende ontvluchtten zij het geweld: want ieder,
die de bezittingen der Kerk of hare dienaren aanrandde,
werd in den ban gedaan en door alle geloovigen geschuwd.
Zeer velen maakten zich tot leenmannen van dezen of
genen bisschop. Hit was eene eerste oorzaak hunner marht.
Eene tweede was, dat de bisschoppen en kloosters zich
reeds vroeg op het ontginnen van woeste landen . cp het
leggen van dijken, als anderzins. toelegden. Ongelooflijk veel
dorpen en verscheidene steden hebben hieraan bun eerste
ontstaan te danken. Dit land werd natuurlijk de eigendom
van hen. die het vruchtbaar maakten.
Eene derde en voorname oorzaak was de schenkingen der
keizers. Toen na den dood van Karel den Groote zijne opvol-
gers hun gezag niet meer wisten te verdedigen en te handhaven,
schonken zij groote gedeelten hunner landen aan graven, maar
-ocr page 52-
ii
ook aan bisschoppen. Geheele landstreken werden op die wijze
onder liet onmiddellijk gebied van geestelijken gebracht. Daar
deze in de nabijheid waren en algemeen werden ontzien,
waren zij beter in staat de armen en geringen te bescher-
men en hun recht te bedeelen dan de keizer, die ver af
was. Dat toekenuen« van wereldlijk rechtsgebied aan bisschop»
pen en ablen door verschillende keizers, zoowel van het
frankische als naderhand van het duitsche rijk, duurde
eeuwen lang.
2.  Nu bestond boven den Rijn, sinds het jaar 635, de bis-
schopszetel van Utrecht. Al het land, dat tegenwoordig tot ons
vaderland behoort, ten noorden van de Schelde en de Maas,
erkende dien bisschop als zijn geestelijk opperhoofd. Vele heilige
en vrome mannen hebben dien bisschopszetel beklommen,
zooals de 11. Bonilacius en later de 11. Gregorius , en meer
anderen. Terwijl geheel het noordelijk gedeelte van ons vader-
land, met uitzondering van liet graafschap Holland (dat toen
veel kleiner was dan later), in regeeringloosbeid was, gaven
de duitsche keizers aan de bisschoppen van Utrecht het gezag
over die landen, liet gedeelte, dat thans de provincie Utrecht
voi mt, toen het Beneden sticht geheeten, kwam het eerst onder
het wereldlijk gezag der bisschoppen ; in de ellde eeuw ook het
zoogenaamde Boveinticht, thans de provincie Overijsel. Ook
Groningerlaud, Drenthe, Friesland en een gedeelte van Gelder-
land, dat thans de Veluwe heet en aan Holland behoorde, kwa-
men, allhans in naam, krachtens de schenkingen der duitsche
keizers, aan het bisdom van Utrecht. Die duitsche keizers,
vooral Ollo II, Hendrik 11 en Hendrik IV, hielden de bis-
schoppen van Utrecht in groot aanzien en namen menig-
maal hun verblijf in de stad.
3.   De bisschop werd gekozen door de geestelijken der vijf
kapittelkerken: dat zijn de kerken waaraan kollegiën van
kanunniken verbonden zijn. De kapittels vormden den bis-
schopsraad, zoowel in tijdelijke als geestelijke zaken. Iedere
bisschop echter, zou hij wettig bestierder der Kerk zijn,
moest door Z. H. den Paus bevestigd worden. Deze gaf
-ocr page 53-
45
hem dan de mijter en staf, ten teeken dat hij de kudde
van den Zaligmaker moest hoeden. De keizer bezat alleen
het recht om den b\'isschop het tijdelijk gezag te geven.
Evenwel wilden vele keizers zich het recht aanmatigen,
zelven de bisschoppen te benoemen. Dit was eene onrecht-
vaardige aanmatiging; want zij hadden daartoe geen geiag
van God ontvangen. Die aanmatiging des keizers gaf gele-
genheid tot vele twisten.
4.   De bisschoppen van Utrecht hadden ook dikwijls moeie-
lijkheden met hunne eigene onderdanen. Over het algemeen
waren zij zeer zachtzinnige vorsten; zij gaven aan de meeste
steden uitgebreide vrijheden, zoodat deze bijna onafhanke-
lijk werden van hunnen vorst, den bisschop. Groningen,
Zwol, Kampen en Deventer werden door hunne eigene stads-
raden, bijna geheel en al onafhankelijk van den bisschop,
geregeerd; ook de stad Utrecht zelve. Nu geschiedde het
dikwijls, dat vooral de burgerij der laatstgenoemde stad
zich wat veel aanmatigde en vandaar in onmin met den bis-
schop kwam..
Het meest evenwel hadden de bisschoppen te kampen met
de wereldlijke vorsten, hunne naburen, de graven van
Holland en Gelderland Eerstgenoemden ontnamen hun Gooi-
land en het land rondom Dordrecht; de laatstgenoemden de
Veluwe. Wat meer is, de graven van Holland maakten zich
in Utrecht zelve eene partij en wilden dikwijls, bij de keuze
van eenen nieuwen bisschop, door verkeerde middelen
deze naar hunnen zin doen uitvallen: dit gelukte hun soms;
maar mislukte ook meer dan eens. De bisschop Jan van
Arkel, die omstreeks 1350 den zetel van Utrecht bekleedde,
had zeer veel te kampen met die heerschzucht der holland-
sche graven.
5.   Toen in Holland en Zeeland de hoeksche en kabeljauw-
sche twisten uitbraken, geraakte het sticht van Utrecht
insgelijks in burgeroorlog. Een gedeelte van den adel en de
steden hielp de Hoekschen een ander gedeelte de Kabel-
jauwschen. Dit gaf aanleiding tot treurige verdeeldheden,
-ocr page 54-
4l>
zelfs zoo dat iedere partij -ecnen bisschop koos, ofschoon
slechts één de wettig gekozene kon zijn. Men kon trou-
wens altijd «eten wie de wettige was: namelijk, hij die door
den Paus van Home als dusdanig werd erkend. Toen ein-
delijk Fiiips van Buurgondië graal van Holland werd, kwam
ook een persoon uit liet huis van liourgondië op den bis-
schopszetel van Utrecht, en hielden de oneenighedeu tus-
schon de graven van Holland en de bisschoppen op.
G. Do provinciën Friesland en Groningen, die na den on-
dergang van het fricsche koningrijk tot liet rijk van Karel
den Groote kwamen, werden in de ellde eeuw en later door
de duitsche keizers wel is waar aan den bisschopszetel van
Utrecht gevoegd ; maar over \'t algemeen oefenden de bisschop-
pen in die streken weinig gezag uit. Groningen werd eene
nagenoeg onafhankelijke stad. Het overige gedeelte werd door
edelen gelegeerd, die weder een hooidinan, welken nipodes-
taul
noemden, als bunnen algenieenen aanvoerder kozen; de
friesche steden werden geregeerd door hare eigene over-
heden. De Friezen, waartoe ook de Groningerlandeis gere-
kend werden, waren langen tijd het onbeschaafdste volk van
deze landen. Zij waren zeer vrijheidlievend, en kwamen
daardoor in botsing met de beerschzuclit der hollandsche
graven.
7. Deze toch beweerden dat hun de macht over Friesland
toekwam. Eeuwen lang voerden zij krijg, om de Friezen te
doen buigen. Eerst beoorloogden zij de West-Friezen, die het
tegenwoordig Xoord-llollaud bewoonden. Wij hebben u reeds
verhaald hoe Willem II, graaf van Holland, in een gevecht
tegen hen, bij lloogwoude , poduod werd. Endelijk werden
de West-Friezen onderworpen; zij hadden dit voornamelijk
te wijten aan de doorbraak der Zuiderzee, die hen van de
Friezen, van de tegenwoordige provincie Friesland, scheidde.
De graven uit het henegouwsche en beyvrsche huis, Wil-
lem IV en Albrecht, trokken over de Zuiderzee, om de Frie-
zen tot onderwerping te brengen. Zij gingen met groote
legeis derwaarts. Willem IV werd bij Stavoren door de
-ocr page 55-
47
Frieten gedood. Albreclit braclit lien voor een oogenlilik tot
onderwerping: maar zoodra was de giaal\' van Holland niet
weder naar zijn land teruggekeerd, of de Friezen verjoegen
zijne ambtenaren en weigerden verdere gehoorzaamheid. Zoo
bleven zij vrij van vreemde overlieersching.
Maar hunne eigene booze driften veroorzaakten hun veel
kwaad. Omstreeks denzellden tijd dal de hoeksche en kabel»
jauwsche twisten in Holland uitbraken, geraakte Friesland
in gioote verdeeldheid door de partijen der Schiei ingers
en Vetkoopers. Die twisten werden veroorzaakt door den
naijver van de kleme , behoeftige grondbezitters jegens de
rijken en machtigen en door de trotschheid der laatsten.
Ile sehieraal, een zeer goedkoope viseh, was liet voedsel der
belioelïigeu; daarom noemde men de eene partij , die der
mindere mannen, Schieringers; de anderen werden, om hunne
rijkdommen in land en vee, Vetkoopers genoemd. Deze beide
partijen bevochten elkander met giojte woede en wreed-
heid. Wanneer echter de hollandsche graven tegen Fries-
land optrokken, vergaten zij voor een oogenblik hnuue bin-
nenlandsche twisten; maar vervielen al spoedig weder
daartoe, zoodra de Hollanders naar hun eigen land terug-
gekeerd waren. Die burgeroorlog lusschen de Schieringers en
Velkoopers duurde nagenoeg even lang als de hoeksche en
kabcljauwsche twist en eindigde ongeveer terzelfder tijd.
X.
GELDERLAND.
1. Een ander gewest in ons vaderland , dat in vroegere
eeuwen zijne eigene vorsten had, is Gelderlrnd. Hetgeen wij
thans onder de provincie van dien naam rekenen is slechts
«en gedeelte van het voormalige hertogdom Gelderland. Het
grootste gedeelte van Nederlandsen-Limburg met de steden
Uoeruiond en Venlo behoorde vroeger er insgelijks loe: oven
zoo een gedeelte, dat thans ouder Pruissen behoort en
-ocr page 56-
48
waarin de stad Gelder ligt. Deze stad heeft den naam aan
het geheele gewest gpgeven.
2.   De eerste graaf van (ïeldcr of Gelderland was een dm\'t-
sche vorst uit het huis van Nassau: dus uit hetzelfde ge-
slarhl . waarvan onze tegenwoordige koning afstamt. Hij
heette Otto en vereenigde het graafschap Zutfen . naar de
stad van dien naam geheeten, met Gelderland, waarmede het
sindsdien tijd is verpenigd gehleven. Deze graaf Otto regeerde
omstreeks het jaar 1076 Zijne opvolgers breidden hunne macht
en hun aanzien uit. Zij vereenigden de landstreek, die de
Veluwe wordt genoemd, met Gelder. Otto II. die ornslreeks
denzelfden tijd als graaf Willem II van Holland leefde, was
een zeer dapper vorst, die zijn land macht en aanzien wist
te geven. Hij ijverde voor de belangen der burgerijen en gaf
aan de steden Harderwijk . Wageningen en Arnhem vele
voorrechten : ook vereenigde hij Nijmegen , dat vroeger lot het
duitsche rijk behoorde, met Gelderland.
3.   Zijn opvolger heette Reinoud I. Deze voerde met de her-
togen van Brahand een oorlog om het bezit van Limburg. Die
oorlog viel ongelukkig voor hem uit; hij werd met zijn le-
ger bij Woeringen geslagen. Die slag hij Woeringen is in die
dagen zeer beroemd geweest. Dezelfde Reinoud I gaf insge-
lijks aan de burgerijen der steden groote en uitgebreide voor-
rechten. Dit wekte het ongenoegen en de afgunst van de
adelljjke geslachten op, die in Gelderland zeer talrijk en
machtig waren. Deze beweerden dat graaf Reinoud krank-
zinnig was en wilden dat zijn zoon , insgelijks Reinoud ge-
heeten, de regeering zou aanvaarden. Die zoon was ontaard
genoeg om tegen zijnen vader op te staan, en hem met behulp
van die adellijke geslachten van de regeering te berooven ,
ja, hem in eene gevangenis te laten bewaren, waarin de
oude graaf in 1326 overleed.
4.   Reinoud II, die op zulke misdadige wijze tot de regee-
ring was gekomen, was de eerste hertog van Gelderland.
Zijne voorgangers haddep slechts den titel van graaf ge-
voerd. Reinoud II begeerde den hoogeren titel van hertog\'.
-ocr page 57-
1!)
dorgelijken hoogeren titel mocht in die eeuwen alléén de pausof
de keizer geven. Reinoud ontving dien van den Duitschen keizer
Lodewijk van Beyeren, den gemaal van de hollandsche gravin
Margareta. Gelderland werd dus (in 1339) een hertogdom.
Reinoud II. die zijn eigen vader zoo oneerbiedig behan-
deld had, stierf, en onder zijne kinderen braken dezelfde
onnatuurlijke verdeeldheden en twisten uit, welke hem aan
de regeering hadden geholpen. Wat hij tegen zijn eigen
vader had gedaan, deden zijne zoons tegen elkander. Zijn
zoon Reinoud III was hem als hertog opgevolgd, doch diens
jongere broeder Eduard stond tegen hem op en wilde hem
van de regeering berooven. Dit gaf aanleiding tot een vreese-
lijken burgerkrijg in Gelderland, welke die der Heeckerens
en Rronkhorstcn wordt genoemd. Die burgerkrijg woedde
omstreeks dezelfde tijden als de hoeksche en kabeljauwsche
twisten in Holland. De oorzaken waren ook dezelfde. Rei-
noud III begunstigde sterk het adellijk geslacht der Rronk-
horstcn; Eduard daarentegen het geslacht der Heeckerens.
Vandaar dat de namen dier twee geslachten aan de beide
partijen zijn gegeven. Maar Reinoud begunstigde ook voor-
namelijk de oude en machtige adelijke geslachten, die daarom
ook bij den burgeroorlog zijne zijde kozen. Eduard daaren-
tegen zocht hulp bij de minder aanzienlijke geslachten en
vooral bij de steden. De afgunst van den machtigen adel jegens
de opkomende macht en het aanzien van de burgerijen der
steden gaf dus ook hier in Gelderland aanleiding tot ramp-
zalige twisten; want juist doordat ieder van de beide broe-
ders, die elkander beoorloogden, aanhangers vond, die el-
kander haat en afgunst toedroegen, konden zij elkander be-
oorloogen. Eduard overwon zijnen broeder Reinoud III in
13G1 bij Tiel en wierp hem in eene nieuwe gevangenis op
het slot Nyenbeek. Maar tien jaren later kwam diezelfde
Eduard in een gevecht tegen de Brabanders om het leven.
Hierop werd Reinoud III weder hertog, maar stierf spoedig
daarna in 1371, zonder kinderen na te laten, waarop het
hertogdom Gelder in een ander geslacht overging.
4
-ocr page 58-
50
5.   Eene dochter namelijk van llciuoud il was gehuwd ge-
dweest met i enen hertog van Gulik in Duitschlnnd. Nu wilde
de partij der Bronkhorsten dat een zoon der hertogin van
Gulik, Willem gelieelen, als hertog van Gelderland zou er-
kend worden; maar de partij der Heeckerens wilde dat men
eene andere dochter van Rcinoud II, Malhilda geheeten,
die ouder was dan de hertogin van (iulik. als hertogin zou
aannemen, liet was derhalve ook hier alweder de strijd of
eene vrouw, als erfgename erkend, de regeering zou kun-
nen voeren, dan wel of men den naasten mannelijken erf-
genaam tot opvolger van den overledenen vorst moest kie-
zen. De burgeroorlog tusschen de Bronkhorsten en Heecke-
rens kwam derhalve geheel en al overeen met dien, welke
in Holland woedde: de Uronkhorsten kwamen overeen met
de Uoekschen, de Heeckerens met de Kabeljauwschen. Om-
streeks dienzelfden tijd had men insgelijks dezelfde burger-
oorlogen in Vlaanderen, waar insgelijks eene partij het
voornamelijk met den adel. de andere hel voornamelijk met
de burgerijen der steden hield.
6.  In Gelderland behaalden eindelijk Willem van Gulik en
de Bronkhorsten, na zevenjarige verschrikkelijke oorlogen.
de overwinning op de parlij der Heeckerens. Willem werd
algemeen als hertog erkend. Hij werd dit ook gedaan dooi-
den keizer van het Uuitsche rijk, die als leenheer het recht
bezat, bij uitsterven van het regeerend vorstengeslacht, een
ander geslacht met het hertogdom te beleenen, dat is, tot
hertog te maken. Deze Willem van Gulik liet geene kinde-
ren na; derhalve volgde hem zijn broeder Reinoud IV als
hertog op. Toen deze in 1423 zonder kinderen stierf, ver-
gaderden de staten van Gelderland (dat is , de voornaamste
edellieden en afgevaardigden der steden) te Nijmegen en ver-
kozen Arnoud van Egmond, een verren bloedverwant van
den gestorven hertog, tot hunnen vorst.
Onder dezen duurden den rampzalige burgertwisten, waar-
door de Gelderschen onderling verdeeld werden, nog steeds
voort. 11e haat, afgunst en wraakzucht verdeelden de adclijke
-ocr page 59-
51
geslachten en do steden onderling. Door hunne booze harts-
tochten verblind, hoorden zij noch naar de geboden vanden
godsdienst, noch naar hun eigenbelang en dat van hun
vaderland.
7. Het v\\as alsof de vijandschap en haat, die burgers tegen
burgers, edelen tegen edelen, geheel Gelderland door. op-
zett\'en, ook altijd het vorstelijk geslacht, dat het landschap
regeerde, moesten verdeden. Een ontaarde zoon, Adolf, durfde
zijn eigen vader, hertog Arnoud van Gelderland, booor-
.logen , evenals vroeger dit Reinoud II zijnen vader Rei-
noud 1 had gedaan. Geholpen door zijns vaders tegenpartij,
beproefde hij zich van de regeering meester te maken. Hoo-
rende naar den raad van laaghartige vleiers , sloeg de ont-
aarde Adolf de hand aan zijn eigen vader, nam hem ge-
vangen en sleepte hem in den barren winter over het ijs
naar liet kasteel van Buren en sloot hem daar op.
Maar de straf volgde spoedig op de misdaad. Karel , her-
tog van llourgondié, over vvien wij later zullen spreken j
trok parlij voor den ouden hertog, nam op zijne beurt
den schuldigen Adolf gevangen en liet hem in een kasteel
te Vilvoorden opsluiten. Dit geschiedde in 1470.
8. Zoo veroorzaakten familie-twisten, voortgesproten uit
heerschzuchl en uit gemis aan eerbied van kinderen voor
hunne ouders of aan belde tusschen broeders onderling, de
geduchtsle rampen. Zij, die de schuldigen hielpen en bijston-
den, berokkenden zich zclven niet minder groole ongelukken.
Zoo werd Gelderland gedurende meer dan honderd jaren
diep rampzalig ten gevolge van de misdaden der vorsten en
de verkeerdheden der aanzienlijken, wijl deze eerder gehoor
gaven aan booze hartstochten dan aan de bevelen des Evan-
gelies. Bit toch gebiedt eerbied voor zijne ouders, liefde voor
zijne broeders, en verbiedt allen nijd en afgunst jegens,
anderen. -
-ocr page 60-
52
XI.
BRABANT EN LIMBURG.
1. Tot liet koninkrijk België, dat ook wel de zuidelijke Ne-
derlanden wordt genoemd, behoort het grootste gedeelte
van het lr.ndschap, dat vroeger Brabant heette. Een gedeelte
daarvan echter behoort tot ons vaderland en heet thans
nog Noord-Brabant. Ook behoorde vroeger tot de zuidelijke
Nederlanden een landschap . met name Limburg. Het voor-
naamste gedeelte daarvan is thans het zuidelijk deel derNe-
derlandsche provincie Limburg. Daarom moet men, bij het
behandelen van de geschiedenis van ons vaderland, ook over
Brabant en Limburg spreken.
2. Na den dood van Lodewijk, den zoon van Karel den Groote,
werd hel groote Frankische rijk onder de zonen van Lo-
dcwijk verdeeld (843). Het land, dat tusschen de Maas en
den Rijn ligt, werd het deel van Lothaar, zoon van Lode-
wijk. Men noemde het Lother-rijk of Lotharingen. Later werd
het weder verdeeld in Opper-Lotharingen, dat thans tot
Frankrijk behoort, en Xeder-Lotharingen. Dit laatste strekte
zich uit over het grootste gedeelte van het tegenwoordige
België.
.\'i. Neder-Lotharingen werd bestierd door hertogen. Onder
die hertogen muntte vooral uit Godfried, die, om zeker
lichaamsgebrek, de Bultenaar werd genoemd. Deze was een
zeer dapper en beroemd vorst, die in oorlog kwam met den
llollandschen graaf Dirk V, omdat deze zich bezittingen van
den bisschop van Utrecht had toegeëigend. (ïodfried deed
reizen naar Italië en huwde daar met eene zeer beroemde
vorstin , Mathilda van Toskane geheeten. Deze Mathilda is
daarom zoo vermaard, wijl zij paus Gregörius Vil, toen deze
door zijn vijand, den duitschen keizer Hendrik IV, vervolgd
werd, beschermde en ondersteunde. Godfried werd door
een sluipmoordenaar gedood, zonder kinderen na te laten.
-ocr page 61-
sa
4.   Ofschoon het grootste deel van het tegenwoordige België
•en ook Noord-Brabant tot Neder-Lotharingen behoorden, va-
ren er nog andere kleinere vorstendommen, zooals het mark-
graafschap Antwerpen en het graafschap Leuven. Het eerste
behoorde aan Godfried den Bultenaar. Na diens dood kwam
het markgraafschap Antwerpen, waartoe misschien een deel
van ons vaderland (de omstreken van Breda) behoorde, aan God-
fried van Bouillon, neef van Godfried den Bultenaar. Deze was
de groote held, die aan het hoofd der kruisvaarders in 1099
het heilige graf ujt de macht der Mohammedanen verloste.
5.   Het hertogdom Neder-Lotharingen werd in verloop van
tijd in vele kleine landschappen verdeeld; als: liet graaf-
schap Leuven, het hertogdom Limburg, het graalschap Na-
men en meer andere. De graven van Leuven strekten allengs
hun gebied uit over dat gedeelte lands, hetwelk thans de
Belgische provinciën Zuid-Brabant en Antwerpen en de Ne-
derlandsche provincie Noord-Brabant vormt. Eenen van hen,
Godfried geheeten, werd door den Duitschen keizer in 1106
de titel van hertog gegeven. Hij noemde zich hertog van
Brabant. Hij woonde te Leuven. Later gingen zijne opvol-
gers in Brussel wonen, dat op die wijze de hoofdstad van Bra-
bant en eindelijk van geheel België werd. Godfried Hl, hertog
van Brabant, was een groot liefhebber van de jacht. Nu
was er in het noordelijkste gedeelte van zijn gebied een zeer
boschrijk oord, Orten geheeten. Uier bouwde hij een slot,
om er te vertoeven wanneer hij ging jagen. Allengs bouwden
ook andere lieden huizen in de nabijheid van dat slot. Zoo
werd in 1184 eene stad gesticht, die den naam verkreeg van
\'s Hertogenbosch.
6.   Limburg bleef geruimen tijd een afzonderlijk hertogdom.
Het strekte zich uit over het stadje Limburg, hetwelk thans
tot Pruisseu behoort, en het zuidoostelijk gedeelte van onze
Nederlandsche provincie Limburg, waar men thans de dorpen
Waals, Kerkrade, Valkenburg enz. vindt. Toen in 1282 de
laatste erfgenaam der hertogen van Limburg stierf, voerden
de hertog van Gelder, Reinoud I, en de hertog van Bra-
-ocr page 62-
5!
bant. Jan I, een verwoeden oorlog om liet bezit van dat
land. In 1288 kwam bet bij Woerden tot een slag, waarbij
de hertog van Brabant overwinnaar bleef\'.
Hierdoor kwam Limburg aan Brabant,
7.   Brabant was langen tijd bet aanzienlijkste gewest der Ne-
derlanden, liet bloeide door handel, maar vooral door (abrie-
ken. Leuven was eenc der voornaamste fabrieksteden van
Europa. De Brabantsche burgers waren in bet bezit van
zeer uitgebreide vrijheden. Iedere nieuwe hertog moest, wan-
neer bij door zijne onderdanen gehuldigd werd, zweren
dat bij die vrijheden zou ontzien en niets tegen de rechten
der burgers ondernemen. Hij moest bovendien beloven dat
hij geenc belastingen zou hellen, zonder toestemming zijner
onderdanen. Men noemde de weèrzijdsche verplichtingen,
waaronder de hertog en zijne onderdanen zich legden, de
blijde inkomstc
. omdat zij bezworen werden bij gelegenheid
van de plechtige komst van den nieuwen hertog in de
steden van zijn land.
8.   Evenals Holland, Gelderland en andere gewesten, werd
ook Brabant in de veertiende eeuw geweldig door burger-
oorlogen geteisterd. In de steden waren de handwerkslieden
zeer machtig, maar ook zeer woelzick. Doordat zij veel geld ver-
dienden, waren zij zeer overmoedig geworden. Nu woonden in
de meeste steden oude en aanzienlijke geslachten, en deze voer-
den de regeering der stad. Dit konden de vereenigingen der
handwerkslieden of gilden, gelijk zij genoemd werden, niet ge-
doogen. Zij stonden op. maakten herhaaldelijk oproer, omdat
zij wilden dat de regeering der steden naar hunnen zin zou
handelen. Wanneer zij overwinnaars waren, maakten zij ziel»
aan vele buitensporigheden schuldig, terwijl zij, wanneer zij
overwonnen werden, zware straften ondergingen. Ook was de
adel gewoonlijk in onmin met de steden. Zoodoende ont-
stond er veel twist en strijd, die aan velen bet leven en
aan nog meerderen hunue welvaart kostten. Ondanks die veel-
vuldige burgertwisten bleef Brabant toch bloeien. Dit kwam
door de buitengewone nijverheid der bevolking, die, even-
-ocr page 63-
55
als de bevolking vati Vlaanderen, in fabriekw erken verre bij
andere landen van Europa vooruit was. De Brabnntsche
lakenweverijen waren vooral beroemd.
9.   Nadat Jan III zonder zonen gestorven was, kwam zijne
dochter Johanna aan de regering. In de zuidelijke Nederlan-
den, Vlaanderen en Brabant, maakte men minder zwarigheid
eene vrouw te gehoorzamen dan in Holland. Deze Johanna
benoemde den tweeden zoon van Filips I, hertog van Bour*
gondië, die in verre bloedverwantschap tot haar stond, tot
haren erfgenaam. Deze zoon, Anthonie geheeten, volgde haar
in 1406 als hertog van Brabant op. Aldus kwam het huis
van Bourgondië op den hertogszetel van Brabant.
10.   De zoon van Anthonie was Jan IV. Deze huwde met
Jacoba van Beyeren, die reeds gravin van Henegouwen, Hol-
land en Zeeland was. Brabant, Henegouwen, Holland en
Zeeland waren dus door het huwelijk van hunne vorsten
met elkander verbonden. Hadden Jan IV en Jacoba kinderen
gehad, dan zouden deze hen opgevolgd zijn. Dan waren al
die landschappen onder één vorst met elkander vereenigd
geweest.
Doch Jan IV en Jacoba van Beyeren kregen geene kinde-
ren. Hun huwelijk was hoogst ongelukkig. Het was gesloten
geheel en al om wereldscue inzichten van macht en aanzien.
Hertog Jan was traag, onbekwaam en onwetend. Jacoba daar-
entegen eerzuchtig, lier en behaagziek. Dit gaf groote verwij-
dering tusscben hen beiden. Nu trok een gedeelte des adels
en des volks in Brabant partij voor den hertog, de anderen
voor zijne vrouw. Zoodoende geraakte Brabant, evenzeer als
Holland, Zeeland en Henegouwen, in twist en verdeeldheid.
Eindelijk verliet Jacoba vau Beyeren haren echtgenoot, den
hertog, en huwde met eenen Engelschen vorst, den hertog van
Gloucester, gelijk wij reeds vroeger gezien hebben. Vele
harer onderdanen keurden deze zondige handelwijze, die tegen
de geboden van God en van de II. Kerk streed, al\' en wil-
den haar niet meer ondersteunen. Jan IV stierf kinderloos.
en zijn broeder Filips, die hein opvolgde, insgelijks. NuwaS
-ocr page 64-
5(i
de naaste bloedverwant van de overledene hertogen van Bra-
bant Filips, hertog van Bourgondië, die reeds graaf van
Vlaanderen «as. Deze volgde hen in 1430 op.
XII.
VLAANDEREN.
1.   Een gedeelte van ons Vaderland , dat thans onder de pro-
vincie Zeeland wordt gerekend en vroeger Staats- Vlaanderen
werd genoemd, behoorde tot Vlaanderen: een landschap,
waarvan verreweg het grootste deel thans tot het koninkrijk
België behoort. In dat landschap werd vroeger en wordt
thans nog de Xcderduitschc taal gesproken. Men heeft dus
redenen om de geschiedenis van Vlaanderen, bij het beoe-
fenen van de, geschiedenis van ons vaderland, niet te vergeten.
2.   Vlaanderen was in de middeleeuwen een zeer groot en
machtig landschap\', het werd geregeerd door graven, van
welke de eerste omstreeks het jaar 802 door den koning der
Franken, Karcl, de Kale bijgenaamd, met een gedeelte van
het tegenwoordige Vlaanderen werd beleend. Deze eerste
graaf heette Boudewijn. Zijne opvolgers breidden hunne be-
zittingen uit over eene groote streek lands tusscheu de
Noordzee, de rivier de Schelde en de zeeuwsche stroomen.
Zij maakten ook aanspraak op de zeeuwsche eilanden Wal-
cheren en Noord- en Zuid-Beveland. Waarschijnlijk hebben
die eilanden inderdaad een tijd lang tot het graafschap
Vlaanderen behoord.
3.   Vlaanderen had in de middeleeuwen zeer vele machtige
en dappere edellieden en vele groote en rijke steden. Er is
een tijd geweest, tusschen 1300 en 1500, dat de Vlaamsche
koop- en fabrieksteden de rijkste en machtigste van ge-
heel het westelijk Europa waren. Vandaar dat Vlaanderen
wijd en zijd beroemd werd, zoo zelfs dat in verre landen
alle Nederlanders gewoonlijk Vlamingen werden genoemd.
De eerste roem van Vlaanderen werd door geheel Europa,
-ocr page 65-
57
ja tot in Azië verspreid door de kruisvaarders. Boudewijn van
Ylaaudereu was een der voornaamste christen-veldheeren,
die in het jaar 1099 de Mohainmedanen uit Jeruzalem verjoeg
en liet graf\' van den Zaligmaker veroverde. Een andere graaf
van Vlaanderen werd zells keizer van Konstantinopel.
4.   liij de kruistochten betounden dus de Vlamingeneen moed
en eene dapperheid, die door geen ander volk werden overtrof-
fen; doch onder die Vlamingen waren gewoonlijk zeer vele
bewoners van streken, die thans tot ons vaderland hehooren.
Meer echter nog dan door de dapperheid zijner edellieden,
werd Vlaanderen wijd en zijd vermaard door den handelende
nijverheid zijner burgers, llrugge was een tijd lang de rijkste
koopstad van westelijk Europa, toen Amsteidam nog niet
meer was dan een zeer onaanzienlijk plaatsje. Londen dreef toen
veel minder handel dan llrugge. Ue haven van die wijdberoemde
koojjstad was Sluis, hetwelk thans onder de provincie Zee-
land wordt gerekend. De rijkdom van de kooplieden van
Brugge was zoo groot, dat eene koningin van Frankrijk, die
de stad bezocht, verwonderd zcide: \'ik meende alléén ko-
ningin te zijn, maar de vrouwen der kooplieden van Brugge
zijn rijk getooid als koninginnen.\'\' Gent was nog machtiger
dan Brugge. Het was bijna tweehonderd jaren lang (1300—1500)
de grootste labriekstad van Europa, liet zond zijn laken en
linnen naar verre landen.
5.   Maar evenals elders, verviel ook Vlaanderen in groote
rampen door den naijver tusschen den adel en de burgerijen.
De eerste graven van Vlaanderen betoonden zich voorstan-
ders van de rechten en den bloei der steden; zij gaven aan
Gent, aan Brugge en aan vele andere steden uitgebreide voor-
rechten. Üe burgers bielpen hunne vorsten dan ook getrouw
in hunne oorlogen, zooals bij voorbeeld in dien tegen Holland,
onder graaf Jan II, waarvan wij reeds gesproken hebben;
maar andere graven hielden het meer met den adel. Daarbij
kwam dal de koning van Frankrijk, Filips, bijgenaamd de
Scboone. in 1301 zich zelven tot graal\' van Vlaanderen wilde
maken. Een groot gedeelte van den adel koos toen de partij
-ocr page 66-
58
der Franscheu: men noemde hen Leliaerts, naar de lelie,
welke de Fransche koningen in hun wapen voerden. De
machtige steden: Brugge, Gent, Yperen, wilden echter niets
van de Fransche overheersching weten. Men noemde ze
en die met haar partij trokken Klauwaertt, naar den leeuw,
die in het wapen van Vlaanderen slond. De burgerijen der
Vlaamsche sleden, waartoe in die eeuwen ook Sluis. Sas
van Gent en Hulst behoorden, waren zoo manmoedig en
dapper, dat zij bij Kortrijk het gebeele leger der Franschen
versloegen. Elfhonderd Fransche edellieden verloren daarbij
het leven. Daar de overwinnaars de gouden sporen, welke
die edellieden droegen, buit maakten, werd die slag de slag
der gouden sporen genoemd.
6. In het begin der veertiende eeuw was er een hardnekkige
en vreeselijke oorlog tusschen Frankrijk en Engeland uitgebar-
sten. Vlaanderen werd daarin betrokken. Do Fransche koning
was leenheer over Vlaanderen, evenals de Duitsche keizer het
was over Holland, Brabant enz. De graven van Vlaanderen en
de meeste edellieden trokken partij voor Frankrijk; maar
de burgerijen der rijke en machtige steden : Gent, Brugge en
Yperen. hielden het veel meer niet de Engelschen. De reden
hiervan was, dat deGentsche fabrieken vooral uit lakenweve-
rijen bestonden; nu leverde Engeland, waar veel wol ge-
wonnen werd, die wol aan de Vlaamsche fabrieken. Was
er nu oorlog met Engeland, dan was de handel in wol ge-
stremd , dan konden de Gentsche fabrieken niet meer aan
den gang blijven, dan leden duizende werklieden ar-
moede; want Gent was zoo volkrijk, dat het vijftig duizend
man onder de wapenen kon brengen. Die duizende burgers
•waren alle in den wapenhandel geoefend , en zij verzamel-
den zich, zoodra er onraad was, onder geleide van de gilden-
hoofden, onder hun eigen vaandel. Wanneer de Gentenaars
dan zagen dat zij zoo groot in getal en zoo wel gewapend
waren, ontzagen zij niets. Dikwijls streden zij dan met
moed voor hun eigen recht, maar dikwijls ook uit trots en
uit naijver op Brugge of op hunnen vorst. Dan kozen zij
-ocr page 67-
.-,.\')
zicli een eigen opperhoofd, dat dikwijls meer macht bezat
dan de graai\' van Vlaanderen zelf. Het beroemdste dier hoof-
den -«as Jacob van Artevelde.
7.   Toen de Franschen en Engelschen in 1336 elkander be-
oorloogden en Lodewijk, graal\'van Vlaanderen, partij voor
de Franschen trok, wilden de Gentenaars zijn gezag niet
meer erkennen, maar sloten een verhond met Eduard III,
koning van Engeland. Deze kwam zelf, landde te Sluis en
ging van daar naar Gent. Hier sloot Jacob van Artevelde ,
die door de Gentenaars tot hun opperhoofd gekozen was ,
met hem een verbond, leder vreesde en ontzag de mach-
tige stad Gent, omdat hare burgers zoo dapper en te gelijk
zoo arbeidzaam waren en zoo voor hunne vrijheid streden;
maar de Gentenaars waren ook twistziek, altijd naijverig op
anderen, wilden slecht gehoorzamen en leenden het oor aan
valsche mannen, die hen van vrijheid spraken, maar wan-
orde stichtten. Dit berokkende Vlaanderen veel onheil: de-
zellde Gentenaars, die Jacob van Artevelde tot bun opper-
hoofd verheven hadden, vermoordden hem later.
8.   De laatste graaf van Vlaanderen was Lodewijk, naar zeker
kasteel Lodewijk van Male gehceten. Hij had veel te kampen
met zijne eigene onderdanen. De oorzaak hiervan was, dat
Lodewijk zeer onzedelijk leefde en groote verteringen maakte;
ook beminde hij de Franschen meer dan zijne eigene onder-
danen. Van deze vorderde hij zware belastingen. Hij zag,
hoe de koning »::•> Frankrijk zijn volk zooveel liet betalen
aan belastingen als hij begecr\'de, en wilde dit navolgen. De Vla-
mingen echter waren er niet toe geneigd, meer belastingen te
betalen dan zij goeddachten. Volgens hunne rechten mocht de
vorst hun geene belasting alvorderen, waarin zij zelven niet
toegestemd hadden. Hadden de burgerijen zich hierbij gehouden,
dan hadden zij hun eigen recht \\erdedigd; maarzij waren dik-
wijls oproerig en halsstarrig. Zoodoende werd het land door
groote partijschappen verdeeld en ondervond vele rampen.
9.   Dus was Vlaanderen tusschcu Leliaarts en Klauwaarts
verdeeld en het tooneel van burgeroorlogen, omstreeks de-
-ocr page 68-
60
zelfde tijden toen de Iloeksclien en Kabeljauwschen in Hol-
land en de Bronkhorsten en Ueeckerens in Gelderland
elkander beoorloogden. De oorzaken ■waren ook dezelfde: de
naijver tusschen den adel en de burgerijen der steden, die
allengs meer macht en aanzien kregen, terwijl die van den
adel verminderden.
10. Lodewijk van Male liet slechts eene dochter na, Mar-
gareta. Deze was gehuwd met Filips, bijgenaamd de Stoute,
hertog van Bourgondié\'. In Vlaanderen kon eene vrouw de
regeering voeren. Zoodoende werd de hertogin van Bour-
gondié\' gravin van Vlaanderen.
XIII.
VORSTEN UIT HET BOURGONDISCHE HUIS.
1.   BouPgondië is een landschap in het oosten van Frankrijk:
de hoolüstad heet üijou. Filips de Stoute, die, gelijk wij ge-
zien hebben, met de eenige dochter van den graaf van Vlaan-
deren huwde, was door zijnen vader Jan, koning van Frank-
rijk, tot hertog van dat rijke land gemaakt. Deze Filips de
Stoute werd door zijn huwelijk met Margareta insgelijks graaf
van Vlaanderen en van Artois: eenlandschap, dat thans tot
Frankrijk behoort en Atrecht (Arras) tot hoofdstad heeft. Filips,
bijgenaamd de Goede, was de kleinzoon van dezen Filips den
Stoute. Hij kwam aan de regeering na den dood van zijn
vader. Jan van Bourgondié, in het jaar 1419. Bij den aan-
vang zijner regeering was hij in hevigen oorlog met den
koning van Frankrijk en in nauw verhond met den koning
van Engeland, Hendrik IV, die bijna geheel Frankrijk ver-
overd had.
2.   Filips de Goede was een der machtigste vorsten van
zijnen tijd. Zijn roem was over geheel Europa verspreid.
Zelfs bij de Turken was zijn naam vermaard. Deze noem-
den, hem den >grooten hertog van het westen". Zeker is het
dat Filips de Goede machtiger was dan vele koningen van
-ocr page 69-
Gl
zijnen tijd. Want niet alleen was liij hertog van Bourgondië
en hertog en graaf van vele andere streken van Frankrijk ,
maar hij werd langzamerhand meester van bijna alle Neder-
landsche gewesten.
Zooals wij gehoord hebben , was zijn grootvader reeds
graaf van Vlaanderen. Na den dood van zijnen neef Filips ,
den laatsten hertog van Brabant en Limburg, werd hij
diens opvolger. Ook wist hij zich tot erfgenaam van het graaf-
schap Namen te maken; Luxemburg verviel insgelijks door
erfenis aan hem. Holland. Zeeland en Henegouwen waren de
graafschappen van zijne nicht Jacoba van Beyeren , wier
moeder eene zuster van zijn vader was; doch bijgestaan
door de Kabeljauwschcn, gelukte het Filips den Goede zich
meester te maken van hare bezittingen. Zoo waren in 1436
de meeste Nederlandsche hertogdommen en graafschappen in
zijn bezit, uitgezonderd Gelderland en het bisdom Utrecht
met de landschappen , die daartoe behoorden. Maar ook
in dat bisdom wist hij groote macht te verkrijgen door
een zijner zoons, David, tot bisschop te doen benoemen.
Gelderland alleen stond dus niet ouder het buis van Bour-
gondië.
3. Van nagenoeg alle Nederlandsche gewesten had Filips zich
dus meester gemaakt. Dit had hij grootendeels te danken aan ziju
recht van erfgenaam; want in vroegere eeuwen kon men land
en volk erven, evenals huis en hof: en door huwelijksver-
bintenissen was het Bourgondische huis zoo rijk en machtig
geworden. Om zich evenwel meester van al die landen te
maken, bedreef Filips vele oneerlijke daden. Immers bij wist
zijne nicht Jacoba van Beyeren nog meer door list dan door
geweld van haar erfdeel te berooven. Ook beging hij veel
onrecht en vele wreedheden, om zich in het bezit van al
die landen te handhaven. Daarom zal het misschien verwon-
dering baren, dat hij tle Goede is bijgenaamd. De reden hier-
van was dat hij groote zorg droeg voor den bloei eu bet
welvaren zijner onderdanen. Hij legde dezen wel zware be-
lastingen op, die dikwerf oproeren veroorzaakten, maar hij
-ocr page 70-
02
zorgde voor de handhaving der justitie; hij vilde niet ge-
doogen dat machtige edelen de burgers en de plattelandsbevol-
king onderdrukten. Ook beschermde hij den handel zijner on-
derdanen. De Hollanders dieven toen reeds zeer groot en han-
del op de Oostzee, van waar zij veel graan haalden, dat zij
op andere plaatsen met rijk gewin aan de markt brachten.
IS\'u rooiden de bewoners der Oostzeekusten in 1438 de llol-
landsche schepen. Onmiddellijk rustte hertog Filips eenc vloot
uit, om den liullandschen handel te beschermen. De veiligheid
der llollandsehe schepen werd aldus hersteld: en tot leeken
van hunne overwinning, voerden de schepen, die de roevers
der Oostzeekusten gestraft hadden, een bezem inden mast.
■wijl zij de see schoon geveegd hadden, gelijk zij zeiden.
4.   Filips zorgde dus voor het welzijn van zijne onderdanen,
ofschoon de zware belastingen, welke hij vorderde, zijne op-
roeren veroorzaakten. In Holland was de partij der lloek-
schen zeer verbitterd op hein. Zij bracht oproeren te weeg
in Amsterdam en Leiden; deze werden echter bedwongen
en de aanleggers streng gestraft, liet machtige Gent geraakte
in nog grooter oproer en voerde zelfs oorlog tegen den her-
tog. Die ééne stad was toen zoo machtig, dat zij twee jaren
lang den oorlog tegen Filips en al zijne andere onderda-
nen volhield! Eindelijk werd zij overwonnen en streng ge-
straft.
5.  Filips leefde somtijds in zijne Franscbe staten, doch meestal
in de stad Brussel of Brugge in Vlaanderen als een rijk
vorst. Zijne hofhouding was de prachtigste van geheel Europa ;
maar om die pracht te voeden, maakte bij zich dikwijls
schuldig aan het afpersen van geld \\an zijne onderdanen. En dit
gaf dan aanleiding tot die oproeren, waarover wij reeds gespro-
ken hebben. Om nog meer luister aan zijn bof bij te zetten,
stelde bij, naar de gewoonte dier tijden, een e nieuwe rid-
derorde in. Die ridderorde werd bet Gulden rites geheeten,
omdat de ridders tot kenteeken een gouden lammetje aan
eenen ketting om hunnen hals droegen. Alleen zeer aanzien-
lijke mannen kouden ridders van het Gulden vlies worden\'.
-ocr page 71-
(il!
die liet -waren, niocslen beloven, de macht en liet aanzien
van het Bourgondische huis te vermeerderen.
In zeden en gewoonten waren Filips en zijn zoon Karel
Fransclien, geene Nederlanders. Bijna de helft hunner staten
had eetie bevolking die de Fransche taal sprak. Zij voer-
den te Brussel aan hun hol\' Fransche taal en zeden in, waar-
door de Nederduitsche taal bij onze zuidnederlandsche nabu-
ren veel is verbasterd: iels, vat later nog erger is geworden.
Ook -Haren de Fransche zeden veel losser dan de Nederlan-
sclie. Op Holland en Zeeland oelende de Bourgondische heer-
schappij niet zooveel nadeel ten opzicbte van taal en zeden uit
als op Vlaanderen en Brabant. Dit is daaraan toe te schrijven,
dat Holland en Zeeland verder afgelegen waren en niet
zooveel met de hovelingen en het gevolg van Filips in aan-
raking kwamen. Ook bracht er toe bij, dat elk gewest zijne
eigene wetten en gewoonten behield. Want erkenden alle
die gew eslen ook denzelfden man als hunnen vorst, toch
beschouwde ieder gewest zich bijna als een afzonderlijken slaat,
die volgeus eigene wetten en gebruiken geregeerd werd.
6. Filips de Goede stierf in 1467 , in den ouderdom van
twee en zeventig jaren.
Hij had slechts één zoon, Karel, die hem opvolgde. Deze
Karei was een zeer heerschzuchtig vorst; bij beminde niets
anders dan den oorlog. Daardoor heeft hij zijnen onderdanen
en anderen de grootste onheilen berokkend; eindelijk is
hij zelf het slachtoffer geworden van zijne krijgs- en hcersch-
zucht. Het doel van Karel, die de Stoute werd bijge-
naamd, om zijne stoutmoedigheid in het gevecht, was een
machtig koningrijk te stichten. Maar hij vergat de les van
de li. Schrift, dat koninkrijken bloeien door gerechtigheid.
Hij wilde door geweld zich het gebied van anderen toe-
eigenen.
Het eerst beproefde hij dit met Oelderlmid. Wij hebben
reeds vernomen, hoe de ontaarde Adolf zijn ouden vader Ar-
noud, hertog van Gelderland, in eene gevangenis wierp.
Adolf deed dit, om zijn vader van diens bezittingen te
-ocr page 72-
64
berooven. Toen Karel de Stoute dit vernam, wist hij Adolf
tot zich te laten komen, -waarop hij hem in eene gevangenis
■wierp. Dit was de billijke straf voor den ontaarden zoon:
maar Karel maakte zich meester van het land Aan Arnoud
en Adolf, dat hem niet toebehoorde. Zoo kwam Gelderland
voor een lijd onder het bewind van het Bourgondische huis.
Na den dood van hertog Karel geraakte Adoll\' weder vrij;
maar kort daarop stierf hij een geweldigen dood op het
slagveld.
7.   Ook Karel de Stoute kwam ellendig om. Hij wilde de
vrije Zwitsers met geweld onder zijne heerschappij brengen;
maar dat dappere volk liet zich geen geweld aandoen. Het
versloeg [varels leger bij Xancy, eene stad in Frankrijk.
Karel zelf viel door bet ijs en werd door een soldaat dood-
geslagen. De Zwitsers maakten een rijken buit en Karel ver-
loor alle zijne rijkdommen, zijne kroon en zijn leven. Dit ge-
schiedde in 1477. Karel was. wanneer zijne heerschzueht hem
niet vervoerde, een rechtvaardig vorst. Hij beschermde zijne
onderdanen tegen geweld en oefende streng recht jegens mis-
dadigers. Maar wat baatte dit wanneer hij de rechtvaardig-
heid vergat, zoodra zijne hartstochten en belangen in het
spel waren! De grootste overwinning, die de mensch be-
halen kan. is zijne eigene zondige begeerten te overwinnen.
Nu ontzag Karel niets wanneer hij eenmaal meende dat zijne
heerschzueht bevredigd kon worden. Daardoor werd hij. die,
wat zijne zeden betrof, allen lof verdiende, een geesel voor
zijne onderdanen; daardoor berokkende hij veel onheil aan
lieden, die hem nooit iets misdaan hadden; daardoor kwam
hij ellendig om het leven.
8.   Karel de Stoute liet als eenige erfgename na eene doch-
ter, Maria van Ikmrgondie. Deze was bij haar vaders dood twin-
tig jaren oud. liet onverwachte alsterven van den hertog, ha-
ren vader, bracht alle landen, die hem als vorst erkenden,
in de grootste verwarring. Karel de Stoute had de rechten en
vrijheden der burgerijen geminacht. Aan de steden had hij wil-
lekeurig belastingen opgelegd. Nu rekenden zijne onderdanen.
-ocr page 73-
65
de gelegenheid gunstig om hunne verlorene rechten te her-
winnen. De Hollanders wilden Maria niet als hertogin en
vorstin erkennen, voor en aleer zij een eed gedaan had dat
zij de rechten harer onderdanen zou eerbiedigen. Maria gaf
hieraan gehoor en gaf aan Holland eene verklaring, die het
groot privilegie is genoemd.
Maar ook andere van hare onderdanen maakten misbruik
van den ongelukkigen toestand van Maria. De Gentenaars
vermoordden hare vrienden en dienaren en hielden haar
zelve gevangen. Zoo meenden zij. door zelven onrechtvaar-
digheden te plegen, het onrecht, dat Karet de Stoute hun
had aangedaan, te herstellen. Want oproer tegen zijnen vorst
is eene groote onrechtvaardigheid. De Gentenaars wilden Ma-
ria dwingen den ontaarden Adolf van Gelderland tot echt-
genoot te nemen ; maar Maria had een afschuw van den man,
die zijn eigen vader had mishandeld en wilde hem niet
huwen. Dit was ook niet noodig. want Adolf kwam zeer
spoedig daarna in een gevecht om het leven, gelijk wij reeds
verhaald hebben.
9.   Korten tijd daarna huwde Maria met Maximiliaan, aarts-
hertog van Oostenrijk. Deze was een zoon van den Duitschen
keizer. Maria, die eene deugdzame en vrome vorstin was,
leefde niet lang. Zij was eene groote minnares van de jacht
en van paardrijden. Op zekeren dag viel zij van bet paard
en stierf ten gevolge van dien val. Zij was pas zes en twintig
jaren oud. Zij stierf in 1482 en liet een zoon na, Filips
geheeten. Zij was de laatste vorstin uit bet Bourgondische
huis.
10.   Dit huis heeft aan Holland en Zeeland gegeven twee
graven en eene gravin: Filips I of den Goede, Karel l of
den Stoute en Maria.
5
-ocr page 74-
6-0
XIV.
BEGIN\' VAN HET OOSTEN\'RIJKSCHE HUIS IN DE
NEDERLANDEN.
1.   Na den dood van Maria van Bourgondië kwamen de lan-
den, -waarover zij vorstin was, aan haren zoon Filips. Deze
was nog maar een kind van vier jaren. Zijn vader Maxiini-
liaan werd daarom als voogd over hem aangesteld. Deze
Filips werd later, om zijnen schoonen lichaamshouw, Filips de
Schoone geheeten. Hij was de eerste vorst uit het Oosten-
rijksche huis, die over de Nederlanden heeft geregeerd. Zijn
vader was de oudste zoon van Frederik, keizer van Duilsch-
land en aartshertog van Oostenrijk.
2.   Maximiliaan had. hij het aanvaarden der voogdij over zij-
nen zoon, met zeer vele moeielijkheden te kampen. De
machtige stad Brugge, in Vlaanderen, vooral gedroeg zich
zeer oproerig. De hurgers dier stad wilden hem dwingen de
voogdij naar hunnen zin te voeren. Zij waren vermetel ge-
noeg om hem vier maanden lang gevangen te houden, ofschoon
Maximiliaan reeds roomsch koning was (zoo noemde men den
vorst, die tot opvolger van den keizer van Duitschland was
benoemd). Eindelijk kwam de vader van Maximiliaan. keizer
Frederik, met een leger hem verlossen. Nu werd lirugge
streng gestraft, de stad werd door de inneming van Sluis,
de havenstad van Brugge, geheel en al ingesloten en moest
zich overgeven. Die oproeren en oorlogen brachten te weeg
dat Brugge\'s handel geheel en al verliep en de kooplieden
uit die stad naar Antwerpen gingen verhuizen. Dit werd nu
de voornaamste koopstad der Nederlanden, wat Brugge vroe-
ger geweest was.
3.   Terwijl Vlaanderen aldus door burgeroorlogen gesteisterd
werd, braken de boeksche en kabeljauwsche twisten ook
weder in Holland en Zeeland en in het bisdom Utrecht los.
De Kabeljauwschen hadden de partij van Maximiliaan ge-
-ocr page 75-
67
troffen, terwijl de lloeksclien zich bij diens vijanden aan-
sloten. Vooral in de provincie Utrecht werd de partijwoede
hevig, liet was bij die gelegenheid dat de heldendaad van
Jan van Schallelaar geschiedde.
Deze Jan van Schallelaar was de hoofdman van eene bende
kabeljanwsche soldaten. Door de lloekschen vervolgd, nam
hij met negentien zijner soldaten de wijk op den toren van
het Geldersche dorp Barneveld. Ook hier werd hij door de
lloekschen vervolgd en aangevallen. Jan van Schallelaar en
zijne metgezellen verdedigden zich met den uitersten moed.
Toen zij echter zagen dat zij niet tegen de overmacht der
vijanden bestand waren, wilden zij zich overgeven, op voor-
waarde dat hun het leven zou geschonken worden. De
lloekschen echter wilden dat de Kabeljauwschen bunnen
dapperen aanvoerder zouden overleveren, of dat zij hem
zouden dooden. Hierin wilden de belegerde soldaten niet
toestemmen. Doch Jan van Schaffelaar. die niet begeerde dat
zijne lotgenooten om zijnentwil zouden sterven, besluit zich
zelven voor hen op te olleren. Hij springt uit den toren
naar beneden. De Hoekscheii, wel verre van door die edel-
moedigheid getroffen te worden, vermoordden den edelen man.
4. Dit was een der laatste gevechten, waarin de lloekschen
en Kabeljauwschen elkander uit haat en partijzucht om het
leven brachten. De kabeljauwsche partij, die bet met de graven
uit het huis van Bourgondië en nu weder met Maximiliaan
hield, zegevierde. De lloekschen hadden, sinds den dood van
Jacoba van üeyeren, geen vorst meer, aan wien zij zich hiel-
den, en zoo zij hier en daar nog eens naar de wapenen
grepen, deden zij dit als oproerigen. Zoo deden zij dit ook
tegen Maximiliaan, toen deze voogd over zijn zoon Filips
was: Frans van Urederode stond aan hun hoofd, doch zij
werden verslagen. Sinds dien tijd hoorde men niet meer van
lloekschen en Kabeljauwschen spreken. Ook de burgertwis-
ten in Gelderland en Vlaanderen eindigden; insgelijks die in
Friesland, waar Albrecht van Saksen, een veldheer des kei-
zers, door geweld en groote wreedheden de Friezen dwong
-ocr page 76-
68
hunne twisten van Schieringers en Vetkoopers te staken,
liet einde dezer burgertwisten in de noordelijke Nederlan-
den valt tusschen de jaren 1490 en 1500.
5.   In het jaar 1402 geraakte echter geheel Noord-Holland in
rep en roer door den opstand van het kaas- en broodvolk.
De zware belastingen, de vernielende burgeroorlogen, mis-
gewas en dure tijden hadden de mindere volksklassen wan-
hopend gemaakt. Niet bedenkende dat oproer altijd rampen
veroorzaakt, vilden de behoeftigen der steden en de bewo-
ners van het platteland- zieh zelven recht verschaffen. In
plaats van bescheiden en ordelijk aan de overheden herstel
van hunne grieven te verzoeken en geduldig te berusten in
hel lot, dat tiod hun had overgezonden , schoolden zij samen,
gingen aan het muiten en plunderen en bedreven de grootste
baldadighedeu. Zij gingen] van stad tot stad en gedroegen zich
zeer oproerig. Zij hadden vaandels, op welke een kaas en
brood algebeeld waren. Zij zeiden dat zij vochten voor hun
brood en liever wilden sterven in een gevecht dan door
honger.
Maar, gelijk altijd, baatten oproeren muiterij het volk niet.
Het werd er des te erger door gesteld. Het kaas- en brood-
volk kon den strijd niet volhouden tegen de gewapende
macht, door de regeering algezonden. De muiters werden
overwonnen en velen van hen streng gestraft. Zoo eindigde
het oproer van het kaas- en broodvolk. Het volk ondervond
de noodlottige gevolgen van-zijne muiterij; maar vorsten en
regeeringen, die door onrechtvaardige oorlogen en onrecht-
vaardige belastingen die onlusten veroorzaakten, zullen aan
(iod verantwoording moeten geven,
6.  In 1493 stierf Prederik, de vader van Maximiliaan, en
deze werd hierop keizer van Duitscbland. Hij liet daarom de
regeering der Nederlanden over aan zijnen zoon Filips den
Schoone. Deze was toen zestien jaren oud. Drie jaren later
huwde hij met Johanna, de dochter van Ferdinand en Isa-
hella, koning en koningin van Spanje.
7.  Gelijk wij reeds inecr dan eens gezien hebben, werden in
-ocr page 77-
(i!)
woegere eeuwen geheele landen evenzeer als erfenis van
één persoon beschouwd, als thans huis en hof. Vandaar dat
toen zoo dikwijls oorlogen door huwelijken van kinde-
ren van koningen en vorsten eindigden. Sommige vorste-
lijke huizen geraakten door zulke huwelijken tot groote
macht en aanzien, gelijk dit het geval was met het huis van
Bourgondië. Nog machtiger werd liet geslacht der aartsher-
togen van Oostenrijk door zulke huwelijken. Dat vorsten-
huis bezat het landschap van Duitschland, dat thans nog
Oostenrijk heet. Maxiiniliaan, de aartshertog van dat land.
werd Duitsch keizer: dit werd een vorst echter door ver-
kiezing, niet door erfenis; maar de rijke landen van het huis
van Bourgondië kwamen door zijn huwelijk met Maria aan
hunnen zoon. Die Bourgondische erfenis strekte zich uit over
nagenoeg geheel lielgië, Holland en Zeeland en over het
noordelijkste gedeelte van Frankrijk, toen Artois geheeten.
Na den dood zijns vaders had Filips de Schoone ook te ver-
wachten dat hij aartshertog van Oostenrijk zou worden;
maar zijn huwelijk met Johanna van Kastilië maakte het
Oosteiirijksche huis niet minder machtig.
8.   Spanje was in dien tijd verdeeld in twee koninkrijken,
Kastihé en Arragon geheeten. De vader van Johanna was
Fel dinand . koning van Arragon; bare moeder Isabella, ko-
ningin van Kastilië. Toen deze groote en deugdzame vorstin
in 1504 stierf, werd Johanna liare opvolgster; want alle an-
dere kinderen van Ferdinand en Isabella waren gestorven.
Zoo Ferdinand stierf, zou ook Arrason aan Johanna komen
dus geheel Spanje: en dat Spanje had toen door de ontdek-
king van Amerika, in 1492, reeds buitengewone macht en
aanzien verkregen.
9.   Zoodoende kwamen door eene reeks van huwelijken de
Nederlanden eerst aan een Fransch vorstenhuis, want de
hertogen van Bourgondië waren Fransche prinsen; toen aan
een Duitsch huis, dat van Oostenrijk; en dat Oostenrijksche
huis nam later zijn verblijf in Spanje en werd daar geheel
en al Spaansch. Op die wijze kwamen ook zeer verschil-
-ocr page 78-
70
lende landen onder één vorst, ea ons vaderland onder den-
zeilden vorst als Spanje en zelfs als Napels, gelijk wij straks
zullen zien. Dit gaf aanleiding dat ons vaderland moest deel-
nemen aan alle oorlogen van Europa.
Filips de Schcone echter zou weinig genot hebhen van
de rijke bezittingen, welke hij geërfd had. Hij vertrok in 1505
met zijne gemalin naar Spanje, om daar de kroon van Kastilië
voor zijne vrouw te aanvaarden. Doch hij overleed reeds in het
jaar 1506. in zes-en-twintigjarigen leeftijd. Zijne echtgenoot
Johanna. die hem zeer beminde, werd krankzinnig, doch over-
leefde in dien toestand hem nog meer dan veertig jaren.
10. De oudste zoon van Filips den Schoone en Johanna van
Kaslilii; was Ivarel: hij werd den 24 Februari van het jaar
1500 geboren.
XV.
REGEERING VAN KEIZER KAREL V.
1. Karel V. gelijk wij hem al dadelijk zullen noemen, was
geheel en al Nederlander. Hij was geboren te fient, welke
stad hij altijd zeer bleef beminnen. Hij werd in de Neder-
landen opgevoed, en ofschoon hij zeer vele talen sprak, bleef
hij altijd liet liefst de Nederduitsche taal gebruiken. Ook
•waren zijne onderwijzers Nederlanders. Onder die onderwij-
zers is het beroemdst geworden Adriaan Florenszoon. Deze
was uit eene eenvoudige Utreclitsche familie geboren: iiij
werd priester en later hoogloeraar aan de akademie van Leu-
ven. Zijne groote kundigheden en vroomheid deden keizer
Maximiliaan besluiten. Adriaan tot onderwijzer van Karel aan
te stellen. Karel bleef, nadat hij koning en zelfs nadat hij kei-
zer was geworden, zijnen leermeester achten en beminnen.
Toen Karel koning van Spanje werd, benoemde hij Adriaan
tot onderkoning, en w ist door zijnen invloed te bewerken
dat zijn leermeester aartsbisschop van Toledo werd. Later
werd Adriaan kardinaal, en na den dood van paus Leo X
-ocr page 79-
71
zelf\' Paus. Hij werd als opvolger van den 11. Petrus gekozen
in 1521 en stierf in 1526. Hij is do eenige Nederlander, die
op den pauselijken troon verheven is geweest.
2.   Zoolang Karel minderjarig was, voerde zijn grootvader,
keizer Maxiiniliaan, de voogdij. Deze liet de Nederlanden
regeeren door zijne dochter Margareta, de tante van Karel.
Naar gelang de vorsten der Nederlanden ook vorsten van
andere machtige rijken werden, waren zij meer afwezig.
Gedurende hunne afwezigheid lieten zij de Nederlanden
regeeren door leden van hun geslacht, bij voorkeur door
vrouwen. Die regeerders in naam van den afwezigen vorst
werden algemeen e landvoogden of landvoogdessen genaamd.
Twee hebben op die manier, gedurende Karels regeering,
het bewind over de Nederlanden gevoerd: eerst zijne tante
Margereta; later zijne zuster Maria, die weduwe was vanden
koning van Hongarije. Deze beide waren vorstinnen van
groote begaafdheden. Zij waren bij de Nederlanders zeer
bemind, omdat zij met zachtheid regeerden en niet met
hoogmoed en trotschheid , en omdat zij de vrijheden en oude
wetten en gewoonten der Nederlanders eerbiedigden.
3.   Karel toch was veelal afwezig, want hij was vorst over
zeer vele rijken en voerde zware en langdurige oorlogen.
Hij was nog een kind van zes jaren, toen hij door den dood
zijns vaders heer der meeste Nederlandsche gewesten werd.
Later werd hij, omdat zijne moeder Johanna krankzinnig was,
ook als koning van Spanje erkend. En de koning van Spanje
was toen te gelijker tijd koning van Napels, Sicilië en Sar-
dinië en heer en meester van alle die rijke landen in Ame-
rika, welke toen pas door de Spanjaarden ontdekt en veroverd
werden; Karel was dus op zijn negentiende jaar reeds de
machtigste vorst van Europa. Toen zijn grootvader, die kei-
zer van Duitschland was, stierf, werd hij in 1520 in diens
plaats ook tot keizer verkozen. Hij was de vijfde Duitsche
keizer, die Karel heette, en daarom is hij meest bekend on-
der den naam van keizer Karel V. Vo\'dr zijnen tijd was er
niet één vorst in Europa geweest, die zoo machtig was als
-ocr page 80-
T>
1 lij, behalve keizer Karel den Groote, van wien wij reeds
gelioord hebben en die ook ecu Nederlander was.
4.   Karel V had, geheel zijn leven door, veel te strijden
met de Frauschen. De oorzaak daarvan was de naijver,
die tusschen den Frauschcii koning en Karel was ontstaan.
Want ook de koningvan Frankrijk, Frans 1 gelieelen, dong
naar de Duitsclie keizerskroon. Bovendien betwistten beide
vorsten elkander liet bezit van Lombardije in Italië. Om die
scbooue provincie van ltaliii, waarvan Milaan de hoofdstad is
werd lang en bloedig gestreden; docli eindelijk behield Ka-
rel V de overhand, nadat zijne veldheeren in den slag bij
Pavia den koning van Frankrijk hadden gevangen genomen.
Zoodoende werd ook het grootste gedeelte van Uppcr-Italie
een deel van keizer Karels rijken, die nu keizer, koningen
vorst was van Duitsche, Spaansche, Italiaanscbe en Neder-
landsclie landen! Maar ofschoon de koning van Frankrijk
overwonnen was, bleet\' de naijver tusschen beide vorsten
voortduren. Telkens verklaarden zij elkander opnieuw den
oorlog, tot groot nadeel van hunne onderdanen. Het is waar ,
de koningen en vorsten zijn verplicht hunne onderdanen
tegen onrechtmatige aanvallen van hunne naburen te verde-
digen en te beschermen; maar de oorlogen, die gevoerd wor-
den uit heerschzucht en enkel uit naijver van de koningen
zijn zeer sterk af te keureu. Eu hoeveel goeds Karel ook
gedaan beeft voor zijne onderdanen door wijze wetten en
handhaving der gerechtigheid, heeft hij hun door die voort-
durende oorlogen ook veel leed berokkend. Echter ligt de
grootste schuld daarvan aan den koning van Frankrijk,
Frans I, die het eerst den oorlog uitlokte.
Deze oorlogen tusschen keizer Karel en den Frauschen koning
Frans I en diens zoon Hendrik II duurden zoolang als Karel
regeerde. De hertogen van Gelderland trokken sterk partij
voor die Fransche koningen, totdat het eindelijk Karel gelukte,
die hertogen geheel en al te onderwerpen en Gelderland
te veroveren.
5.   Keizer Karel was het, die alle Nederlandsche gewes-
-ocr page 81-
73
ten, zoowel de noordelijke als de zuidelijke, onder de heer-
schappij van éénen vorst vcreenigde. Dit was eene groote
weldaad voor die landen, want daardoor hielden de voort-
durende oorlogen, welke zij met elkander voerden, op; daar-
door eindigden de noodlottige burgertwisten en konden de
Nederlanders tot grooteren hloei en welvaart komen.
Karel kon dit vooral doen, omdat hij zoo machtig, maar
ook omdat hij Duitsch keizer was. Immers de Nederlanden,
met uilzondering van Vlaanderen, werden gerekend tot
het Duitsche rijk te belmoren. Daarom kon Karel als keizer
doen, wat hij anders rechtens niet had mogen doen. Zoo
kon hij bewerken dat Friesland, hetwelk reeds vroeger tot
onderwerping was gebracht, geheel en al erfelijk onder
de Nederlandsche vorsten geraakte. Zoo kou hij de we-
reldlijke regeering over de landen van het bisdom van
Utrecht aan zich zelven en aan zijne opvolgers brengen. Hij
deed dit echter in overeenstemming met den Paus, den
bisschop van Utrecht en de vorsten van het Duitsche rijk.
Dit geschiedde in 1528.
6. Gelderland werd eerst in 1543 met de andere Nederlan-
den vereenigd. Na den dood van Adoll\' van Gelderland, van
wieu wij vroeger gehoord hebben, kwamen achtereenvol-
gens twee hertogen uit het geslacht van Adolf\'aan de regee-
ring: Karel en Willem. Beide waren zeer dappere en krijgs-»
zuchtigc vorsten, en de Gelderschen hadden den naain van
de beste soldaten der Nederlanden te zijn. Zij voerden om-
streeks twintig jaren oorlog tegen keizer Karel en tegen
diens onderdanen, vooral tegen de Hollanders. Langen tijd
maakten zij de Zuiderzee onveilig onder een aanvoerder,
lange Pier geheeten. Deze plunderde met een tal van kleine
schepen den handel der Hollanders en deed veel nadeel aan de
Hollandsche kusten. Ook hadden de Geldersche hertogen
een zeer stouten en dapperen aanvoerder van krijgsvolk te
lande, Maarten van Rossum geheeten. Deze, wiens naam
zeer bekend is, dankt die bekendheid aan hoedanigheden,
die groote rampen over ons vaderland hebben gebracht. Hij
-ocr page 82-
74
was een dapper soldaat, maar roofzuchtig. Aan het hoofd
zijner benden drong hij uit Gelderland door lot aan \'s Gra-
venhage, dat hij plunderde en in brand stak. Dergelijke man-
nen mogen bekend en beroemd geworden zijn, maar zulke
roem is niet te begeeren. Alleen die roem is te begeeren,
welke verkregen wordt door edele daden, rechtvaardigheid,
nuttige uitvindingen of ware geleerdheid.
De Geldersche hertogen hadden het nooit alleen zoo lang
tegen keizer Karel kunnen volhouden; maar deze was,
gelijk wij gezien hebben, steeds in oorlog met Frankrijk.
Bovendien had hij zeer veel te strijden met de protestant-
sche vorsten van Duitschland. Van deze gelegenheid maakte
de Geldersche hertog Karel gebruik. Eindelijk kwam hij
in 1538 te sterven. Hij maakte Willem, hertog van Gulik
en Kleef, in Duitschland, tot zijnen erfgenaam. Ook deze
voerde een tijd lang den oorlog legen den keizer; doch de
laatste trok eindelijk in persoon tegen hem te velde en over-
won hem. In 1543 werd de vrede tusschen den keizer en
hertog Willem Ie Venlo gesloten. Deze moest Gelderland en
Zutfen aan keizer Karel afstaan.
7. Zoo kwamen eindelijk in 1543 alle Nederlandsche gewes-
ten onder één vorst. Wij zullen zien, welke die gewesten
waren. Zij werden in 1545 door den keizer, bij een plech-
tig verdrag, te Augsburg gesloten, één en van elkander
onafscheidbaar verklaard en in sommige punten met het
Duitsche rijk in verbintenis gebracht. Te zamen werden zij
de Bourgondische kreits of landen genaamd: een zeer ver-
keerde naam, want Bourgondië was er reeds lang van ge-
scheiden en behoorde reeds tot Frankrijk. Die gewesten dan
•waren, groote en kleine, zeventien in getal.
Eigenlijk waren die zeventien niet allen Nederlandsche ge-
westen, want in sommige, die men de Waalsche provinciën
noemde, werd eene taal gesproken, die een Fransche tongval
was. Deze vier Waalsche gewesten waren: Henegouwen, Door-
nik en Namen, die thans tot België behooren, en Artois,
dat tegenwoordig een deel van Frankrijk uitmaakt. Verder
-ocr page 83-
75
telde men tot de Nederlanden het hertogdom Luxemburg,
waar de Duitsche taal gesproken werd.
8.   Tot de eigenlijk Nederlandsche provinciën of\'gewesten be-
hoorden in de eerste plaats Brabant. Hiermede varen het
kleine hertogdom Limburg en de steden Meedelen en Ant-
werpen, die beide als afzonderlijke gewesten beschouwd
werden, ten nauwste veretnigd. Brabant strekte zich uit
over de provinciën Zuid-Brabant en Antwerpen van België,
Noord-Brabant en een deel van Limburg van ons vaderland.
Verder Vlaanderen, dat met Brabant liet machtigste der
provinciën was. Dat Vlaanderen strekte zich uit over de
beide belgische provinciën Oost- en West-Vlaanderen en een
deel, dat thans tot Frankrijk behoort.
De zeven andere provinciën waren: Gelderland, Holland,
Zeeland, Utrecht, Friesland, Groningen en üverijsel, waar-
onder Drenthe gerekend werd.
9.  Eene eigenlijke hoofdstad hadden de Nederlanden nog niet.
üe landvoogdes Margareta hield meestal haar verblijf te Meede-
len; hare opvolgster, de landvoogdes Maria, te Brussel. Ant-
werpen was onder keizer Karels regeering de machtigste en
rijkste koopstad; dan volgde als koopstad Amsterdam, dat
toen evenwel nog lang zoo groot niet was als nu. Gent was
bijna even sterk bevolkt als Antwerpen. De Nederlanden
waren in de laatste jaren der regering van Ka rel V zeker
het rijkste en welvarendste land van Europa. De bevolking
was arbeidzaam en nijver en muntte vooral uit door fabriek-
arbeid. Geen volk dat in dien tijd de Nederlanders daarin
gelijk kwam. De laken- en linnenfabrieken van Vlaanderen,
de lakeflfabrieken van Leiden, de fluweelfabrieken van
Utrecht waren algemeen beroemd. Antwerpen dreef zeer
grooten handel op Spanje en Italië. De kooplieden dier stad
haalden alle vooi tbrengselen der zuidelijke landen en ook
de voortbrengselen van Amerika en Azië, welke te Lissakon
en te Cadix aankwamen, en brachten die naar hunne stad.
De Engelscden, de Duitscders, de bewoners van de kusten
der Oostzee kwamen naar Antwerpen, om daar hunne waren
-ocr page 84-
70
te verkoopen en die van de zuidelijke landen te koopen.
Zoodoende werd Antwerpen de rijkste stad van Europa.
Amsterdam dreef den grootsten graanhandel, liet haalde ko-
ren uit Pruissen en andere Oostzee-landen en voorzag er de
Nederlanden van. Dordrecht dreef zeer grooten handel op de
steden, die aan den Rijn lagen. Na deze twee steden was
Deventer de voornaamste handelsplaats der noordelijke pro-
vinciën. Behalve door handel en nijverheid, bloeide ons
vaderland ook door visscherij. De Nederlanders alleen tér-
stonden toen de kunst van haringkaken, welke door Willem
Beukelszoon was uitgevonden, llonderde huizen gingen jaar-
lijks op de haringvangst uit en brachten deze naar ons land .
Van hier -werd de haring door geheel Europa verzonden.
10. Zoo waren de Nederlanders onder keizer Karel door vlijt
en arbeidzaamheid, door de vrijheid der burgers en door een
goeden vorst een der gelukkigste volken van Europa.
XVI.
KAREL V. — VERVOLG.
1. Het meest is de regeering van Karel V vermaard gewor-
den, omdat daaronder de groote gebeurtenis plaats greep, die
de Hervorming wordt genoemd. Het is u hekend hou vroeger
alle Christenen tot de katholieke Kerk behoorden. Evenwel
stonden er haast iedere eeuw mannen op, die eene dwaal-
leer verkondigden. Zoo begon \'in 1517 een Duitsche monnik.
Maarten Luther gebecten, eene leer te verkondigen, welke
in zeer vele punten van die de katholieke Kerk verschilde.
Ook andere mannen stonden op, die dwalingen aan het volk
leerden. Onder de voornaamste dier dwaallecraars behoorden,
Melanchton in Duilschland, Zwingli in Zwitserland en Kalvijn
in Frankrijk.
Spoedig vonden" deze dwaalleeraars of ketters, gelijk zij
genoemd werden, duizenden en honderd-duizenden aanhan-
gers. Geheele vorstendommen en koninkrijken, met hunne
-ocr page 85-
77
Igeheelc bevolking, vielen van de katlioliekc Kerk af. De
Ioorzaken van dien afval -naren de hoogmoed des inenschen,
I die denkt dat hij zelf de waarheid alleen door zijn eigen
verstand kan vinden; dan het ongeloof en de zedeloosheid
van velen; en de ergernis, die door velen gegeven werd,
welke, ofschoon tot de katholieke Kerk hehoorende, toch
een slecht leven leidden. Velen vergaten dat de leer der
II. Kerk altijd waar blijft, al handelden ook katholieke menschen
verkeerd. Ook was eene voorname reden, waarom de Her-
vorming zoo snel toenam, dat vele vorsten en machtige hee-
ren, door zondige begeerlijkheid, de wetten der Kerk niet
meer wilden volgen of zich meester van de bezittingen
der priesters en kloosters wilden maken. Deze vorsten en
groote heeren dwongen dan hunne onderdanen met geweld,
soms op straffe des doods, de nieuwe leer te omhelzen. Dan
ook hadden de hoeken van een geleerden Nederlander. Eras-
mus, veel bijgebracht om de Hervorming ingang te doen
vinden. Deze Erasmus was een groot geleerde; hij schreef
echter niet in zijne moedertaal, maar in het Latijn. Hij be-
spotte de geestelijken. Hij vergat dat anderen daardoor den
godsdienst zouden beginnen te verachten en naar dwaal-
leeraars zouden hooren.
2, Uit dit alles ontstond de Hervorming. Een der dwaalleer-
aars, die spoedig veel aanhang vond, was Munzer, eenduit-
scher. Omdat zijne aanhangers zich voor de tweede maal lieten
doopen. gaf men hun den naam van Wederdoopers. Zij verkon-
digden zeer vele leerstellingen, die niet alleen strijdig waren
met den godsdienst, maar ook met de veiligheid en orde der
maatschappij. Zij weigerden gehoorzaamheid aan de regee-
ring; den rijken wilden zij hunne bezittingen ontnemen en
die verdeelen; zij wilden zelfs, evenals de Turken, het
huwelijk ontheiligen, door te veroorloven dat een man ver-
scheidene vrouwen huwde. Sommige dweepers onder hen
beweerden zelfs dat men naakt moest loopen. Die Weder-
doopers verwekten groote oproeren, vooral te Amsterdam,
waar zij het stadhuis bestormden en de regeering wilden
-ocr page 86-
78
afzetten. Anderen gingen naar de stad Munster in Dnitsch-
land. maakten zicli meester van de stad en pleegden daar
vele gruwelen. Zij kozen daar eenen kleedennaker. Jan van
Leiden genoemd, omdat liij uit Leiden geboortig was, tot
liunnen koning. Die Wedcrdoopers werden zoodoende zeer
gevaarlijke mensclien en zeer gehaat bij het volk.
Karel V vaardigde voornamelijk tegen hen zeer gestrenge
wetten uit: die wetten werden plakkaten genoemd. Allen,
die overtuigd werden dat zij Wederdoopers waren , ■werden
met den dood gestraft, doch ook andere personen, die de
nieuwe leerstellingen aannamen, werden streng gestraft. Het
was toen eene algemeene wet onder alle volken, dat diege-
nen, die het geloof, dat in een land beleden werd, verlie-
ten, streng gestraft werden. Dit deden niet alleen de katho-
lieke, maar ook de protcstantsche vorsten. Ook bestond er
eene geestelijke rechtbank, die onderzoek deed naar de over-
tredingen van den godsdienst, zooals ketterij . drukken van
verboden hoeken, predikatién door andere personen dan de
geestelijken. Die rechtbank noemde men Inquisitie. Zij be-
stond in alle katholieke landen. Ook was er eene andere
Inquisitie, die de Spaansche Inquisitie genoemd werd. Deze
was veel strenger; doch zij was eene geheel andere dan de
Inquisitie, welke men de bisschoppelijke noemde. Vele lieden
hebben uit onkunde of met voordacht de eene met de andere
verward. Zij deden dit, om ook de bisschoppelijke Inquisitie
gehaat te maken: maar noch Karel V, noch zijn zoon Filips,
van wien wij straks meer zullen hooren, heeft ooit de
Spaansche Inquisitie in ons vaderland ingevoerd.
3. Eene der redenen waarom Karel V zoo verstoord, was op
de belijders van de nieuwe leerstellingen der Lutlierschen
was . dat zij in Duitschland hem veel moeite veroorzaakten.
Zeer vele Duitsche vorsten omhelsden dadelijk de leer van
Luther. Velen van hen deden dit om een voorwendsel te
vinden om de rijke bezittingen der katholieke geestelijkheid
weg te nemen. Karel moest als keizer dit veroordeelen en
straften. De Luthersche vorsten van Duitschland vereenigden
-ocr page 87-
79
zich toen tegen den keizer en deden hem den oorlog aan;
doch hij overwon hen en strafte eenigen van hen. Evenwel
bleef de dwaalleer van Luther vele aanhangers tellen en
vielen de meeste inwoners van noordelijk Duitschland van
de katholieke Kerk af.
4.   Ook had keizer Karel V nog met andere moeielijkheden
te kampen. De machtige stad Gent, zijne eigene gehoorte-
stad, geraakte tegen hem in opstand. Het volk van die stad
was altijd zeer onrustig en gezind tot oproer. In 1545 maak*
ten zij het echter zoo erg, dat Karel genoodzaakt werd uit
Spanje over te komen en het oproer streng te straffen.
5.   De voortdurende oorlogen, die hij met de Frauschen, met
de Turken en de protestantsche vorsten van Duitschland
had te voeren, hadden Karel reeds vroeg oud gemaakt;
want hij -was geheel zijn leven lang met groote zorgen be-
laden geweest en had zeer vele vermoeienissen moeten ver-
duren. Bovendien had hij ondervonden hoe ijdel alle wereld-
sche grootheid is. Ook wilde hij de laatste jaren zijns levens
besteden om zich voor te bereiden tot den dood. Daarom
besloot bij afstand te doen van de regeering. Hij droeg die
van de Nederlandsche gewesten in het jaar, 1555 te Brussel
op aan zijnen eenigen zoon Kilips.
6.   Karel begaf zich daarop naar Spanje: daar ging hij in
stille afzondering in een klooster leven. Hier hield hij zich
bezig met het vervaardigen en herstellen van uurwerken.
Om steeds gedachtig te wezen dat de dood hem te wach-
ten stond, liet hij zijne eigene doodkist steeds voor zijne
oogen plaatsen. In die afzondering stierf hij in 1558.
7.   Karel V is een der grootste Nederlanders geweest. Het
nageslaeht kan hem niet dankbaar wezen voor de vele oor-
logen , die hij gevoerd heeft. Want hoeveel roem een oor-
logsheld ook moge verwerven, het is een verkeerde roem,
wanneer hij niet verkregen is door eenen rechtvaardigen en
noodzakelijken oorlog. Maar Karel V heeft den Nederlanden
groote weldaden bewezen door rechtvaardigheid, door het
geven van goede wetten en door het bevorderen van het wel-
-ocr page 88-
80
varen des volks. Ook heeft hij zich zeer verdienstelijk ge-
maakt door alle Nederlandsche gewesten met elkander te
vereenigen.
7. Gelijk wij reeds gezien hebben stelde hij eenc algemeene
landvoogdes daarover aan. Drie raden werden door den keizer
ingesteld, om de landvoogdes in de regering behulpzaam te
wezen. Deze raden noemde men den staatsraad, den geheimen
raad. die vooral over de rechtsbedeeling geraadpleegd werd,
en den raad der geldmiddelen. Iedere provincie had hare
eigene staten: deze staten waren de algevaardigden van de
geestelijkheid, den adel en de steden van het gewest. Die
staten werden geraadpleegd over de belangen van het ge-
west, en de vorst kon geene nieuwe belastingen in een ge-
west hellen, zonder de toestemming dier staten. Somtijds
riep Karel de afgevaardigden van alle die staten der ver-
schillende provinciën te zamen: die noemde men de alge-
meene staten.
XVIII.
FILIPS II EN DE LANDVOOGDIJ VAN MARGARETA
VAN PARMA.
1. Hoeveel anders zou misschien het lot van ons vaderland
geweest zijn, indien Karel V twee zonen had gehad in
plaats van éën. Zoo hangt het lot der volken, evenzeer als
van iederen persoon, niet van het blinde toeval, maar van
de beschikking Gods af. Van de talrijke landen, die Karel V ge-
ërfd had, kwamen de Oostenrijksche landen aan zijnen broe-
der Ferdinand. Deze werd door de Duitsche vorsten tot kei-
zer gekozen. Zoodoende ontstonden een Duitsche of keizer-
lijke en een Spaansche of koninklijke tak van het huis van
Oostenrijk. Had keizer Karel twee zonen gehad, dan was
waarschijnlijk éën van hen vorst der Nederlanden en te
gelijk Duitsch keizer geworden. Dan waren alle Nederlanden
•waarschijnlijk ten nauwste met Duitschland vereenigd ge-
-ocr page 89-
81
raakt. Karel V had echter slechts één eenigen zoon. Deze was
zeven en twintig jaren oud, toen hij vorst der Nederlanden
en koning van Spanje te gelijk werd. De moeder van Filips
was eene Portiigeesche prinses. Hij zelf was in Spanje opge-
voed en in zeden en gewoonten geheel en al Spanjaard.
Evenals zijn vader Karel V altijd het meest de Nederlanders
bemind had; zoo beminde Filips het meest de Spanjaards.
Hij was stug, trotsch en volstrekt niet innemend, gelijk zijn
vader. Hij dacht dat alles het best ging, wanneer het op
zijn Spaansch ging. Dit konden de Nederlanders slecht ver-
dragen en vooral de grooten des lands.
2.   Zoolang Filips nog in de Nederlanden vertoefde, ging alles
nog al wel. Hij bleef de eerste vier jaren zijner regeering
te Brussel wonen. Zijne tweede gemalin, Maria, die koningin
van Engeland was, bleef in haar rijk, en gezamenlijk voer-
den zij zoo den oorlog tegen Frankrijk. In dien oorlog be-
toonden zich vooral de Nederlanders zeer dapper. Onder aan-
voering van den graaf van Egmond sloegen zij de Franschen
bij Sint Quentin, in het noorden van Frankrijk, en nood-
zaakten den Franschen koning, Hendrik II, vrede te sluiten.
Toen die vrede gesloten was, besloot Filips naar Spanje te
vertrekken, waar hij liever was dan in de Nederlanden.
3.   In 1559 was eindelijk alles voor den koning in gereed-
heid om naar Spanje te vertrekken. Hij had zijne halve zus-
ter Margareta, die met den hertog van Parma was gehuwd,
tot landvoogdes der Nederlanden aangesteld. Ook gaf hij haar
verscheidene van de groote heeren des lands als raadslieden
ter zijde. Onder deze waren: de bisschop van Atrecbt (of
Arras), Granvelle gebeeten, een zeer ervaren rechtsgeleerde;
Viglius, die een Fries van geboorte was; verder een edel-
man uit Namen, Barlaymont; de graaf van Egmond, een
zeer aanzienlijk edelman van een Hollandsch geslacht; de
graaf van Hoorne, die groote bezittingen had omstreeks Weert
in Nederlandsch Limburg, en Willem van Oranje.
4.  Deze Willem van Oranje was oorspronkelijk ecu Duitscher,
zijn vader was graaf van Nassau. Hij zelf werd de prins van
6
-ocr page 90-
82
Oranje genoemd naar het vorstendom Oranje, in Frankrijk,
dat hij van een neef geërfd had. Willem van Oranje was door
Karel V met weldaden overladen geworden. Door diens tus-
schenkoinsl was hij aan de rijke erfenis gekomen . want Willem
had, behalve vele bezittingen in Frankrijk, zeer vele eigen-
dommen in Nederland , vooral in Breda en in de omstreken van
Geertruidenberg. Hij was opgevoed in de luthersche leer,
maar toen hij aan het hof van Karel V kwam, werd hij
roomsch-kathofiek. Later werd hij weder gereformeerd. Reeds
als jongman onderscheidde hij zich door de uitstekendste be-
kwaamheden. Ilij was zeer ervaren in alles wat de regeering
betrof; hij was onvermoeid in den arbeid, stilzwijgend;
voorziehtig ; hij was nooit opgeblazen in voorspoed en nooit
ter neder geslagen in tegenspoed. Zijne goede hoedanighe-
den werden echter zeer veel benadeeld door zijne groote
heerschzucht. Hij wilde in alles de eerste en de voornaamste
wezen. Wat niet naar zijne wenschen geschiedde, werkte hij
tegen. Ook was hij zeer onverschillig omtrent den godsdienst,
en alle middelen waren hem welkom, als zij hem maar van
dienst konden wezen.
5. Willem van Oranje koesterde eene groote ijverzucht jegens
Granvelle, die, nadat hij kardinaal geworden was , kardinaal
.Granvelle werd genoemd. En deze was de eerste man in
den raad der landvoogdes. De koning had haar bevolen
voornamelijk naar Granvelle te luisteren. Willem van Oranje
kon dit niet gedoogen, vooral, daar des konings bevelen zijne
goedkeuring niet wegdroegen. Hij wilde dat de Spaansche
soldalen, welke de koning in de Nederlanden gelaten had,
zouden vertrekken. Hierin kreeg hij zijnen zin. Toen begeerde
hij dat de invoering der nieuwe bisschoppen geen plaats zou
hebben. In dit punt kon de koning niet toegeven, want de Ne-
derlanden hadden zeer groote behoefte aan bisschoppen.
Er waren over geheel het land, dat thans Nederland en België
en nog een gedeelte van Duitschland is , niet meer dan vier
bisschoppen; die van Utrecht alléén voor ons geheele vader-
land, voor zoover het boven de Maas ligt. Daarom stelde de
-ocr page 91-
83
Paus, in overeenstemming met den koning, verscheidene nieuwe
bisschoppen aan, zoodal er in het geheel drie aartsbisschop*
pen en vijftien bisschoppen zouden wezen. Het gemis aan
goede kerkelijke tucht was eene der redenen geweest, waar-
door de leer van Luthcr zoo gemakkelijk in ons vader-
land ingang gevonden bad; want zeer vele menscben wa-
ren slecht onderwezen in hunnen godsdienst en geloofden
daarom gemakkelijk aan de valsche leer. Dit was de reden
waarom de Paus het noodig oordeelde, dat er in de Neder-
landen meer bisschoppen werden aangesteld ; maar Willem
van Oranje en de graven Aan Egmond en lloorne wilden
dit op alle mogelijke wijzen beletten, om de landvoogdes en
den koning lastig te vallen.
6. Ook wilden zij dat de koning Granvelle, die bij de nieuwe
instelling van bisschoppen aartsbisschop van Mechelen was
geworden, zou verwijderen. Dit werd hun toegestaan. Toen
Filips hierin toegegeven had, vorderden zij nog meer. Zij
begeerden dat de koning de inquisitie en de plakkaten zou
afschaffen. Het geroep tegen de inquisitie was maar een
middel om het volk in beweging te brengen. Want die
inquisitie bestond in verreweg bet grootste gedeelte der
Nederlanden niet; zij was op verre \'ia ook zoo streng niet
als men het wilde doen voorkomen. Ook was die inquisitie
eene geheel andere dan de Spaansche inquisitie. Deze heeft
nooit in ons land bestaan en is hier ook nooit door Filips II in-
gevoerd geworden. Evenwel geloofden velen alles wat men hun,
vertelde. Ook begeerden de prins van Oranje en zijne vrienden
dat de koning de plakkaten, dat is de straffen tegen de
Lutherschen, Wederdoopers enz., zou opheffen. Dit wilde
Filips II, die plechtig gezworen had den katholieken gods-
dienst te zullen handhaven, niet toelaten; bij vreesde dat
dan de katholieke godsdienst in de Nederlanden zou verloren
gaan; want, dacht bij, de ketters (zooals men de aanhan-
gers der nieuwe leer noemde) zouden dan overal hunne dwa«
lingen verspreiden.
7. Toen de koning niet wilde toegeven, besloot een groot
-ocr page 92-
tii
gelul edelen aan de landvoogdes Margareta met zeer veel ver-
toon een verzoekschrift aan te bieden dat de koning de
inquisitie en de plakkaten zou opheffen. Zij zelveu hadden
zich verbonden om gezamenlijk alles daartoe in hel werkte
stellen. lM verbond noemden zij compromis, dat zooveel be-
teekeut als gezamenlijke belofte. Velen mogen hiertoe Over-
gegaan zijn uit goede inzichten, maarniet weinigen deden het
om onrust te stoken. Velen onder den verarmden adel ook,
dewijl zij dachten dat wanneer eenmaal de Nederlanden in
opstand geraakten, zij zich zouden kunnen verrijken niet den
buil der geestelijke goedereu.
8.  De voornaamste hoofden dier edelen waren : Hendrik van
Brederode, Lodewrijk van Nassau en nog twee anderen, de
graal\' van Kuilenburg en de graaf van den Berg, beide Gel-
dersehe edelen. Hendrik van Brederode was van een zeer
aanzienlijk Hollandsch geslacht, maar een woelziek man,
die niets liever deed dan onrust stoken. Lodewijk van
Nassau was een broeder van Willem van Oranje. Lodewijk
bezat hier in de Nederlanden geen\' akker gronds; hij was
een geboren Duitscber, met wien men hier niets had uit
te staan; als hij brieven schreef, schreef hij die niet eens in
de Nederduitsche taal; maar hij wilde hier in ons land zijn
geluk beproeven.
9. Onder aanvoering van deze vier genoemdeheerenkwamen
meer dan driehonderd edelen, den 5 April 15GG, te Brussel
binnen, om het gemelde verzoekschrift aan de landvoogdes
Margareta aan te bieden. Misschien zal men denken dat het
aanbieden van een verzoekschrift eene onschuldige zaak was.
Dit was dit aanbieden niet. liet geschiedde niet het doel om
der landvoogdes vrees aan te jagen en haar, door vertoon van
zoovele gewapende edellieden, te dwingen. Ook geschiedde het
om het volk in opschudding te brengen. Alle oproermakers en
warhoofden, die vast geloofden dat zij op de hulp der edelen
konden rekenen, werden nu stoutmoedig en durfden alles
vagen.
10.  Toen al die edelen aan het hof te Brussel kwamen, was
-ocr page 93-
05
de landvoogdes inderdaad een oogcnblik ontzet; maar Barlay-
inont, die naast haar stond, zeidc tot. haar in het Fransch:
schrik maarniet, Mevrouw, voor dien hoop bedelaars (gueux)!
Dit werd gehoord, \'s Avonds hielden al die edelen een groot
gastmaal, en hier noemden zij elkander toen gwu.r of geuzen.
Ook droegen zij toen. om de zaak algemeen te maken . een zin-
neheeld , bestaande in ecne soort van napje, zooals de bedelaars
in die tijden gewoon waren te dragen. Dit noemde men de gcu-
zennapjes. De naam van geuzen werd toen algemeen voor
hen, die tegen den koning opstonden, en later als een scheld-
woord (hel is leelijk dit te gebruiken) tegen de Gereformeer-
den. Deze begonnen toen insgelijks de lloomsch Katholieken
papen te noemen (een naam, dien men in vroeger tijd, en
zonder beleedigende bedoeling, aan priesters gaf).
11.   liet was den verbondenen edelen vooral te doen om de
Nederlanden in opstand tegen den koning van Spanje te bren-
gen. Daarom kwamen zij in de maand Juli van het jaar 15GG
bijeen te Sint Truyen, eene stad in Belgisch Limburg. Uier
beraadslaagden zij te zamen wat zij doen zouden , indien de
koning hen om hunne oproerigheid straffen wilde. Ook be-
spraken zij hoe zij de nieuwe leerstellingen der Gereformeer-
den, die door Kalvijn verkondigd werden, aan hunne wenschen
zouden dienstbaar maken. Verreweg de groole meerderheid van
de Nederlanders was katholiek. Zeer w einigen hadden de nieuw e
leer omhelsd; maar zeer velen waren onwetend of on-
"ersehillig in bunnen godsdienst. Om nu het volk van het
voorvaderlijk geloof af te trekken, ontboden de edelen Fran-
sche en Duitsche predikanten, die bij Kalvijn geleerd badden.
fteze voerden zij in bet land. Ook riepen zij veel saamge-
raapt volk uit Frankrijk, om hier in de Nederlanden de
onrust te vermeerderen.
12.  Toen de predikanten in het land gekomen waren, begon-
nen zij in het open veld te prediken: dit noemde mengras-
preeken. Zij hitsten het volk, dat deels uit nieuwsgierigheid
naar hen kwam luisteren, op tegen de Roomsche Kerk en
geestelijken. De landvoogdes durfde niets daartegen doen,
-ocr page 94-
86
want de vreemde predikanten werden beschermd door ge-
wapende benden. De verbondene edelen hadden beloofd dat
zij hen in hunne bescherming zouden nemen.* Oranje, Eg-
mond en Iloorne, die de machtigste heeren in het land
waren, wilden ook niet dat de landvoogdes de overtreders
van de koninklijke wetten zoude straffen. Zoodoende gingen
de vreemde predikanten en het volk, dat hen volgde, hun-
nen gang. Zeer spoedig hadden zij de groote menigte opge-
hitst en den katholieken godsdienst en de geestelijkheid ge-
haat en veracht weten te maken.
13.   In Augustus 15GÜ sloeg die menigte tot de grootste bal-
dadigheden over. Zij vernielde en plunderde binnen den
tijd van eenige weinige dagen meer dan vierhonderd ker-
ken. Uit noemt men den beeldenstorm. De heerlijkste en
schoonste kerken der Katholieken, zooals de Onze Lieve
Vrouwe kerk te Antwerpen, de Sint-Jans kerk te \'s Herto-
genbosch, de Dom te Utrecht, werden geplunderd. De beel-
den werden stuk geslagen, de heilige vaten ontwijd, de hei-
lige olie op de schoenen gesmeerd, de heilige reliquieèn over
den grond geworpen. En overal lieten de regeeringsleden dit
begaan. Zoo groot was de vrees voor de beeldstonners!
14.   Wel verre van dadelijk haar te willen helpen, wilden
Oranje, Egmond en Iloorne de landvoogdes niet ondersteu-
nen om de beeldvormers te straffen, voor en aleer zij de
plakkaten had opgeheven. Nu herstelden deze heeren de orde
en straften eenige plunderaars..
Zeer vele edelen, die wél katholiek waren, doch uit haat
tegen de Spanjaarden tot het verbond der edelen waren
toegetreden, -wilden er van nu af aan niet meer van weten.
Andere daarentegen besloten nu tot nog grooter oproer
over te gaan. Lodevvijk van Nassau ging naar Duitschland,
of hij ook soldaten kon vinden, om den koning in de Neder-
landen te beoorlogen. Hendrik van Brederode beproefde Hol-
land in opstand te brengen. Anderen wilden zich meester
maken van de machtige stad Antwerpen, doch de landvoog-
des had eenige soldaten bij de hand, en deze verjoegen die
-ocr page 95-
87
benden van geuzen, gelijk zij zich zelven noemden. Ook werd
een oproer, dat in Antwerpen zelf door de Kalvinisten was
begonnen, door het beleid van Willem van Oranje gestild.
15. Toen Filips II in Spanje gehoord had, hoe de edelen in de
Nederlanden onrust gestookt hadden en hoe daar de kerken
en kloosters vernield en geplunderd waren geworden, was hij
zeer vergramd. Hij besloot een leger af\' te zenden, om strenge
Straf uit te oefenen. Toen Willem van Oranje hiervan kennis
kreeg, besloot hij het land te verlaten. Hij was wel niet recht-
streeks schuldig geweest aan het verbond der edelen of aan
den beeldenstorm, maar door zijne heerschzucht waren de
onlusten aangevangen: ook had hij de overtreders van
\'s konings wetten in de hand gewerkt. Daarom was Filips
op hem en op de graven van Eginond en Hoorne zeer ver-
bitterd. Willem van Oranje begreep dit en verliet de Neder-
landen; maar de graaf van Egmond, die vreesde zijne be-
zittingen te verliezen en zich minder ongerust maakte, om-
dat hij zoo schuldig niet was, bleef in de Nederlanden.
XVIII.
DE HERTOG VAN ALVA IN DE NEDERLANDEN,
1. In de laatste dagen van 1567 kwam Alva met een leger
van tien duizend soldaten naar de Nederlanden, om daar
strenge straf uit te oefenen. Hij werd landvoogd in plaats
van Margareta van Parma. De hertog van Alva was een zeer
bekwaam veldheer, maar trotsch, streng en stug; hij koesterde
eene groote minachting voor allen, die geene Spanjaards waren.
Al dadelijk begon hij met onderzoek te doen naar de beeld-
stormers en naar allen, die zich op eenigerlei wijze aan onge-
hoorzaamheid aan den koning hadden schuldig gemaakt. Hij
richtte eene rechtbank op, die de raad van beroerte werd
genoemd, omdat zij de medeplichtigen aan de laatste be-
roerten moest straffen. Die raad ging zeer willekeurig en
wreed te werk. Daarom werd hij de bloedraad genoemd. Het
-ocr page 96-
«8
is er echter verre van af, dat allen, die door deze recht-
bank, ter dood veroordeeld werden, onschuldig waren: de
meesten varen beeldstormer^ en oproerlingen, welke ook in
in onzen lijd nog zwaar zouden gestraft zijn; inaar Alva\'s bloed-
raad kende geen genade en veroordeelde zeer velen voor
overtredingen, die niet zulke zware straf verdiend hadden,
als zij ondergingen. Daarom is de raad van beroerte te recht
in afschuw gebleven.
2.   Onder de voornaamste personen, die door den raad van
beroerte tei\' dood veroordeeld werden, behoorden de graven
van Egmond en lloorne; deze werden den 4 Juni 15G8 te
Brussel op een schavot onthoofd. Dit wekte groote veront-
waardiging op in de Nederlanden, want de graaf van Eg-
mond was zeer bemind en had den koning groote diensten
bewezen.
Prins Willem van Oranje en zijn broeder Lodewijk van
Nassau waren naar Duitschland gevlucht. Hier wisten zij een
leger bijeen te verzamelen, waarmede zij een inval in de Ne-
derlanden beproefden. Alva zond tegen Lodewijk van Nassau
een zijner veldheeren, den graaf van Aremberg, ook een
Nederlander; doch deze werd in een veldslag door Lodewijk
van Nassau geslagen. Dit geschiedde in de maand Mei bij
Heiligerlee, niet verre van Winschoten. Dit is het begin van
den tachtigjarigen oorlog. Toen Alva dit vernam , trok bij
zelf tegen Lodewijk van Nassau op en ontmoette hem met
zijn leger bij .lemmegum in Oost-Friesland. Hier raakten beide
legers slaags: Lodewijk van Nassau moest het veld ruimen
en vluchten.
3.   Niet beter ging liet Willem van Oranje zelven, die ook uit
Duitscldand een leger van vreemde soldaten gehaald bad,
waarmede hij de Nederlanden wilde onderwerpen. Hij trok in
de nabijheid van Maastricht over de Maas; maar Willem van
Oranje was op verre na zulk een groot veldheer niet als Alva
en moest spoedig, met verlies van zijn leger, de Nederlan-
den weder verlaten. De prins ging hierop naar Duitschland
en zijn broeder Lodewijk naar Frankrijk, waar hij moeite
-ocr page 97-
;•!)
deed om den Franschen koning te bewegen dat deze de
Nederlanden zou veroveren en grootendeels Fransch maken.
4.   Toen Alva den prins van Oranje en diens broeder over-
wonnen bad, keerde bij naar Brussel terug. Hier gedroeg
hij zich zeer trotsch en hoogmoedig. Hij wilde den Nederlanders
nieuwe belastingen opleggen , die zij nooit badden betaald. Die
belasting noemde menden tienden penning, omdat zij bestond
in een tiende deel van de koopwaren die verkocht werden.
Deze soort van belasting was bij alle Nederlanders zeer ge-
haat. Vele uitstekende mannen raadden Alva dan ook aan ,
die belasting niet te bellen en ook om de Nederlanders zacht-
moediger te behandelen. Onder degenen, die dezen w ijzen raad
gaven, behoorde ook de bisschop van Ypercn, Maarten van
Riethoven geneeten, naar bet dorpje Riethoven bij Eindho-
ven, waar bij was geboren. Deze Maarten vnn Riethoven
is een der vroomste en geleerdste mannen van ons land ge-
weest; een man, die den koning van Spanje de waarheid
duride zeggen en Alva durfde voorbonden dat bij recht-
vaardig moest zijn.
5.   De hertog van Alva wilde evenwel niet luisteren naar de
goede raadgevingen, welke hij ontving. Zijne hardvochtigheid
veroorzaakte verbittering; ook wist Willem van Oranje die
ontevredenheid aan te stoken en te vermeerderen. Nu en
dan beproefde de een of ander een oproer. Zoo maakte in
1570 zekere Herman de Kuiter van \'s Hertogenboseb , een
ossenkooper van beroep, zich meester van het slot Loeve-
stein. Jlel zeventig soldaten, die zich bij hein gevoegd had-
den , wilde hij dat slot verdedigen; maar toen bij geen kans zag
bet tegen de Spaansche solda ten vol te houden, stak hij het kruit
m brand, zoodat bij met alle aanvallers om het leven kwam.
Deze daad van Herman de Ruiter beeft men dikwijls ge-
prezen. Maar ten onrechte. Hij mocht geen oproer maken, noch
bet leven van anderen voor zijne eigene eerzucht wagen. Nog
minder mocht bij op zulke wijze aan zijn leven een einde ma-
ken. Het is waar, wanneer bij in de handen der Spanjaarden
was gevallen, hadden deze hem wreedaardig gedood; maar
-ocr page 98-
90
het is grooter bewijs van moed, zich aan een -«reeden en
smadelijken dood te wagen, dan door zelfmoord zich zelven
het leven te benemen.
6.   De wijze, waarop de hertog van Alva met allen, die deel
aan de oproerige bewegingen of\'aan de verboden predikingen
genomen hadden, te werk ging, deed duizenden het vaderland
verlaten en"ergens een goed heenkomen zoeken. Zeer velen van
deze gingen op zee het w erk van zeerooverij drijven: zij noemden
zich watergeuzen en roofden en plunderden de schepen niet
slechts van Spanjaarden, maar ook van Nederlanders, of hieven
van deze schepen een losgeld. Die watergeuzen hebben zeer vele
gruwelen bedreven, niet minder dan de Spaansche soldaten dit
gedaan hebben. Zij vonden meestal eene toevlucht in de En-
gelsche havens; maar toen in 1572 de Engelsche koningin
hun dit verbood, trokken de watergeuzen, onder bevel van
Willem Luniey, een losbandig en wreed man , met hunne
schepen naar de monden van de Maas en veroverden daar
de stad Brielle. Uit geschiedde den 1 April 1572. De inne-
ming van den Briel gaf het sein tot een algemeenen opstand
in Holland, waar prins Willem zeer vele vrienden had en
in stilte alles had voorbereid. Vlissingen en Enkhuizen ver-
klaarden zich dadelijk voor den prins, tegen den hertog van
Alva. Bijna geheel Holland en Zeeland volgden dit voorbeeld.
Amsterdam echter bleef den koning, den wettigen Lands-
heer, getrouw.
7.   De opstand van Holland eu Zeeland ging terstond gepaard
met eene vervolging der katholieke geestelijkheid; want het
waren voornamelijk de hervormden, tot welke velen in het
geheim hehoorden, die den opstand begonnen. Zij beloofden
aan de Katholieken volkomen vrijheid van godsdienst, mits zij
zelven ook die vrijheid hadden. De Katholieken van Holland,
die de dwingelandij van Alva haatten , lieten zich hierdoor
medesleepen; maar zoodra waren de opstandelingen niet er-
gens meester, of zij verjoegen de katholieke priesters en
namen de roomsche kerken in bezit. Onder de priesters,
die door de watergeuzen vermoord werden, zijn vooral de
-ocr page 99-
91
heilige martelaren van Gorkuiu bekend. Deze waren priesters
uit Gorkuin en andere plaatsen uit Zuid-Holland. Lumey en
zijne wreede watergeuzen hadden hen gevangen genomen.
Zij beloofden hun het leven, indien zij de tegenwoordigheid
van den Zaligmaker in het II. Sacrament des Altaars wilden
loochenen. Doch de vrome priesters wilden liever sterven dan
den Zaligmaker verloochenen. Hierop liet Lumey hen allen,
negentien in getal, in eene schuur nabij den Brie] ophangen!
8.   Willem van Oranje en zijn broeder Lodew ijk hadden den
moed niet opgegeven om zicli van den Nederlanden meester
te maken. In 1572 viel de prins weder met een leger van
vreemde soldaten in Brabant; zijn broeder Lodew ijk wist,
met behulp van Fransche soldaten, Bergen in Henegou-
wen Lij verrassing in te nemen. Alva kwam hem hier spoedig
belegeren, en Lodew ijk moest de stad opgeven. Ook Willem
van Oranje kon het niet tegen Alva volhouden. Hij is op het
punt geweest in de macht der Spanjaarden te vallen: deze over-
rompelden \'s nachts zijn leger en waren bijna tot zijne tent
gekomen, toen hij door een hondje wakker gemaakt werden
kon vluchten. Daarom heeft men op de graftombe van
Willem I te Delft en op zijn standbeeld in den Haag een
hondje algebeeld.
9.   Toen de hertog van Alva deze aanvallen van Willem van
Oranje en diens broeder verijdeld had, besloot hij de oproer-
lingen, gelijk hij de Hollanders noemde, streng te straften.
Zijn zoon Frederik trok met een leger door Gelderland. Hier
werd het eerst Zutfen door zijne soldaten veroverd: deze be-
dreven er de grootste wreedheden. Nog grootere wreedheden
bedreven zij te Naarden, waar zij bijna de geheele bevolking
vermoordden en de stad in brand staken. Van Naarden ging
Alva zelf naar Amsterdam, dat aan den koning getrouw ge-
bleven was en van den prins van Oranje niets w ilde hooren.
Alva liet Haarlem in den winter van 1572—1573 belegeren.
In die stad waren zeer vele vreemde soldaten, welke ouder
Lodewijk van Nassau gediend en beloofd hadden niet we-
der tegen den koning te dienen, doch die belofte verbro-
-ocr page 100-
92
ken hadden. Daarom hadden zij op geeue genade te liopen,
zoo zij in Alva\'s handen vielen. Ook waren er vele becld-
Stormers in de stad: onder anderen de bevelhebber der be-
zetting, Ripperda. Alle deze besloten tot het uiterste vol
te houden. Ook de burgerij, die bevreesd geworden was voor
de wreedheden der Spaansche soldaten, wilde haar leven
wagen voor de verdediging der stad.
10.   Zeven maandenlang hielden de Haarlemmers en de sol-
daten, die binnen de stad waren, met den meesten moed
het beleg uit. Afgrijselijk woedde de hongersnood binnen de
stud, maar niet minder de menscben. Een oud burgemeester
en een geestelijke werden door het woeste volk op de muren
opgehangen, en toen de dochter van den vermoorden bur-
gemeester om haren vader jammerde, joeg men haar in de
gracht en liet haar daar verdrinken. De Spanjaarden buiten
de stad maakten het niet minder erg. Zoo sleepte de nood-
lottige burgeroorlog de grootste gruwelen na zich. De Haar-
lemmers weerden zich dapper; zelfs vrouwen, onder aan-
voering van Kenau Hasselaar, namende wapenen op ter ver-
dediging der muren. Niets echter kon baten. Haarlem, door
hongersnood gedwongen, moest zich overgeven. De aanvoer-
ders der burgerij en allen , die aan beeldstonnerij schul-
dig geweest waren, werden onthoofd. Alle vreemde soldaten,
die beloofd hadden dat zij niet meer tegen koning Filips 11
zouden dienen, maar dit toch gedaan hadden, liet Alva ter
dood brengen.
11.  In hetzelfde jaar 1573 liet bij ook Alkmaar belegeren;
doch de burgerij dier stad verjoeg de Spanjaarden, en van
Alkmaar begon de victorie, dat is: bij Alkmaar werden
de Spanjaarden het eerst geslagen. Hetzelfde jaar ver-
loor Uossu, die veldheer was in dienst van Filips 11, den slag
op de Zuiderzee, niet ver van Hoorn. De Amsterdamsche en
Spaausche schepen werden door de Noord-Hollandsche sche-
pen geslagen. Kort daarna, in hetzelfde jaar 1573, riep de
koning Alva naar Spanje terug. Hij vertrok, gehaat omzijn
hardvochtige inborst. Hij had, ondanks zijne macht, de rust
-ocr page 101-
.<);;
in de Nederlanden niet kunnen herstellen. Men verhaalt dat
hij, gedurende de zes jaren van zijn bewind, 18000 men-
schen door beulshanden had laten ter dood brengen. Dat is
eene onwaarheid: het getal -was ruim zesduizend, liet is wel
te bejammeren, dat de misdaad van gekwetste majesteit,
waartoe zoowel de prediking der kerkscheuring als van den
opstand gerekend werd te belmoren, zulk een groot getal
offers gekost heelt.
XIX.
LANDVOOGDIJ VAN REQUESENS.
1.   In plaats van Aha kwam als landvoogd don Louis de
Requesens, ook een Spanjaard. Deze was een ervaren en
zachtmoedig krijgsman. Toen Filips zag dat strengheid niet
baatte, hoopte hij de Nederlanders door zachtheid te win-
nen; maar ook dit gelukte niet. Evenwel bleven verreweg
de meeste Nederlanders nog den koning getrouw, ofschoon
zij de Spanjaarden haatten.
2.   Een van de eerste en beroemdste wapenfeiten, die onder
het bestuur van Requesens plaats hadden, was het beleg van
Leiden. Dit was reeds in den aanvang van 1574 begonnen
doch v\\erd opgeheven om den inval van Lodew ijk van Nassau
ui de Nederlanden. Deze had wederom een leger van vreemde
gehuurde soldaten bij elkander vergaderd; doch Requesens
zond hein een zeer kundig veldheer, d\'Avila geheeteu, met
een leger te gemoet. Deze ontmoette Lodewijk met zijne sol-
daten op de heide niet verre van Mook in Limburg. Daar
kwam het tusschen beide legers tot een gevecht, en Lode-
■wijk werd geheel en al verslagen; hij zelf verloor het leven
en zijn lijk is nooit teruggevonden. Dit geschiedde 14 April
1574.
3.   Toen de slag op de Mokerheide gewonnen was, zond Re-
quesens ten tweede male een Spaansch leger, onder bevel
-ocr page 102-
94
van Valdez, voor Leiden. De stad was zeer spaarzaam van
levensmiddelen voorzien. Spoedig werd Leiden door liet Spaan-
sche leger zoo ingesloten, dat er niets meer in noch uit
kon. Er ontstond dan ook spoedig liet nijpendste gebrek. Eerst
moesten de burgers zich niet een hall\' pond brood daags be-
helpen , doch -weldra was er geen brood meer. Vele inwo-
ners moesten zich met den walgelijksten afval voeden; niet
■weinigen stierven van hongeren doorziekten, die liet gevolg
van den honger waren. Evenwel wilden de Lcidenaars nog
hunne stad niet overgeven: zij hoopten steeds dat Willem
van Oranje zou komen opdagen, om hen te ontzetten; maar
deze lag ziek te Delft. Toen hij hersteld was, bemerkte hij
wel dat er geen kans was om met een leger de Spanjaarden
te verjagen; hij besloot dit door bet water te doen.
4. Met dat doel liet hij de dijken van de rivier de IJsel en
de Maas doorsteken; want zoodoende kon het water tot voor
Leiden komen. Ook liet Willem van Oranje vele platboóinde
vaartuigen maken, om levensbehoeften en soldaten over het
overstroomde land naar Leiden te brengen. En liet was zeer
noodig dat dit geschiedde, want de stad kon bet niet lang
meer uithouden. De nood was op zijn hoogst gestegen. Vele
burgers wilden dat de regeering de stad zou overgeven;
maar de burgemeester Pieter Adriaanszoon van der Werf
maande hen aan om moed te houden. Op het geroep: »wij
sterven van honger, geef ons eten!" antwoordde hij: >eet
mij dan op; ik kan u niets anders geven." De Spanjaarden
daarentegen, die buiten de stad lagen, zeiden verwaten ge-
noeg: "eerder zal men de sterren van den hemel balen,
dan Leiden uit onze macht." Zoo zeker meenden zij te zijn
Leiden tot de gehoorzaamheid des Konings terug te brengen.
Maar God, wiens wegen onnaspeurlijk zijn, had, in dezen,
anders beschikt. De wind, die altijd nadeelig voor de
Leidenaars geweest was, veranderde op eens, en een sterke
zuidwestewind joeg het water door de doorgestoken dijken
over het land tot voor de muren van Leiden. Hierdoor kon-
den de platte vaartuigen der Hollanders, onder bevel van
-ocr page 103-
05
den admiraal Bondt, voor de slad komen. Datzelfde water
dwong de Spanjaarden hun leger te verlaten, -wilden zijniet
verdrinken.
5.   Zoo was Leiden ontzet op Zondag 3 October 1574. De
uitgehongerde burgerij werd door de schuiten, die over het
overstroomde land heen kwamen aanvaren, van levensmid-
delen voorzien. Sommigen waren zoo uitgelaten van honger,
dat zij uit gulzigheid te veel alen en daaraan stierven.
Het beleg van Leiden behoort, in zekere opzichten tot
de schoone bladzijden uit de geschiedenis van ons vaderland.
Lof verdient een moed en volharding, die honger nocli ge-
brek, noch den dood ontziet voor hetgeen men zijn plicht
rekent. Ook maakten de Leidenaars zich niet schuldig aan
den moord van onschuldigen, gelijk binnen Haarlem gedu-
rende het beleg geschiedde. Maar hier in Leiden waren het
ook eigene burgers; in Haarlem waren het grootendeels
vreemde soldalen, die bet beleg volhielden en gruwelen
legen gruwelen overstelden.
6.   Toen Leiden ontzet was, kwam Willem van Oranje in de
stad. Hij liet het der regeering in hare keus, wat zij wilde
hebben voor hare volharding. Zij koos eene hoogeschool.
Het kwam Willem van Oranje volstrekt niet toe, om zoo iets
te doen; want alleen de koning had daartoe het recht. De
prins wist dit zeer wel: en de stichting der hoogeschool ge-
schiedde werkelijk op \'s konings naam. Zoo beriep de prins
zich, zonder blozen, op \'s konings gezag, om eene hooge-
school te stichten, die vooral ten doel had hervormde pre-
dikanten op te leiden, ten einde het Nederlandsche volk van
den katholieken godsdienst af\' te trekken. Eenvoudigen wer-
den zelfs aanvankelijk in den waan gebracht, dat de prins
niet \'s konings gezag wilde benadeelen, maar het alleen op
<le tyrannie der vreemdelingen geladen had.
7.   Zoo kwam de Leidsche hoogeschool tot stand. En al moe-
ten wij, Katholieken, het niet goedkeuren, hoe en waarom
z\'j werd opgericht, toch erkennen wij gaarne, dat zij een
groot getal geleerde mannen gevormd heeft; veel geleerd-
-ocr page 104-
96
heid verspreid heeft en geheel Europa door beroemd ge-
weest is.
8.   In liet jaar 1576 beproefde Reqnesens zich van de stad
Zierikzee en het eiland Schouwen meester te maken. Ge-
lukte dit, dan.konden Zeeuw en en Hollanders elkander slecht
meer helpen. Een Spaansch veldheer, Mondragon, trok niet
zes honderd soldaten, \'s nachts door eene ondiepte van de
Zeeuwsche stroomen, kwam zoo op Schouwen en veroverde
dat eiland en Zierikzee. Dit bracht in Holland en Zeeland
de grootste ontsteltenis teweeg. Willem van Oranje waande
reeds alles verloren te zijn; doch daar stierf op het aller-
onverwachtsl de landvoogd llequesens, zonder dat hij een
opvolger had.
9.   Dit bracht alles in verwarring; want de Spaansche solda-
ten wilden niemand dan een Spaanschen landvoogd gehoor-
zamen. En er was op dat oogenhlik geen Spaansche land-
voogd; maar de staatsraad, die uit voorname Nederlanders
bestond, had de regeering aanvaard, voor zoolang er geen
nieuwe landvoogd door den koning benoemd was geworden.
Nu waren die Spaansche soldaten zeer muitziek en onge-
hoorzaam, vooral omdat zij in langen tijd geene soldij hadden
ontvangen. Die soldaten werden daardoor oproerig en wilden
de regeering niet meer gehoorzamen. Zij plunderden de stad
Aalst in Oost-Vlaanderen. Hiermede niet tevreden, plunder-
den zij ook de stad Antwerpen en bedreven daar de grootste
gruwelen. Die plundering van. Antwerpen door de Spaansche
soldaten in 157G wordt de Spaantehe furie genoemd.
10.   Toen de Nederlanders in alle gewesten, die nog niet in
opstand tegen den koning waren, dit vernamen, werden
zij zeer verbitterd op de Spanjaarden. Zij beschouwden
hen als vijanden en besloten lijf en goed tegen hen te ver-
dedigen. Dit was niet meer dan billijk; want men mag geen
opstand maken tegen zijne wettige overheid, gelijk Willem
van Oranje en de watergeuzen in 1572 deden ; maar men
mag wel zijn leven en goed verdedigen tegen roovers en
plunderaars, gelijk de Nederlanders in 1576 deden. De sta-
-ocr page 105-
97
ten, dat is, de afgevaardigden van den adel, de geestelijk-
heid en de steden van alle Nederlandsche gewesten, Hol-
land en Zeeland uitgezonderd, kwamen te Brussel bij elkan-
der. Die vergadering van de staten aller provinciën werd
de algemeene sta/en genoemd. Deze was mei den staatsraad,
zoolang er geen landvoogd des komngs was, de wettige over-
heid, en die wettige overheid verklaarde de Spaansche sol-
daten, die Aalst en Antwerpen geplunderd hadden, voor
vijanden. Zij bereidde zich ten oorlog. Bijna alle steden der
Nederlandsche gewesten joegen de Spaansche soldaten, die
hier en daar nog in bezetting lagen, weg_.
11.   Maar de zuidelijke provinciën en ook de noordelijke, die
nog niet in opstand tegen Filips II waren, wilden bovendien
een verbond sluiten met de Hollanders en Zeeuwen. Dat
verbond kwam tot stand te Gent den 8 November 1576.
Daarom wordt bet de (ientsche bevrediging genoemd. Daarin
werd bepaald dat Willem van Oranje en de Hollanders en
Zeeuwen de andere Nederlandsche provinciën zouden helpen
om de Spaansche soldaten te verjagen; maar dat zij niets
zouden mogen ondernemen tegen den katholieken godsdienst.
De hervormde godsdienst zou evenwel in Holland en Zeeland
blijven op den voet, waarop die was.
12.   Ter nauwernood was de Gentsche bevrediging gesloten
of\' Don Jan van Oostenrijk kwam in de Nederlanden, als
landvoogd in naam des konings, Hij was een zoon van Ka-
rel V en een halve broeder van Filips II, maar niet van konink-
lijke geboorte: daarom kon hij niet mede erven niet den ko-
ning. Deze Don Jan was een dapper vorst, die eene groote
overwinning op de Turken had behaald; bij was zeer min-
zaam en deed op last van Filips II al het mogelijke, om
den vrede in de Nederlanden te herstellen. Maar Willem
van Oranje wist de verdeeldheid aan te houden, en de
Kalvinisten (zoo noemde men de Hervormden) w ilden mees-
ter blijven waar zij het waren, terwijl de koning hen niet
in het land wilde gedoogen. Hierbij kwam dat de Nederlan-
ders alles, wat van den koning kwam, zeer wantrouw-
7
-ocr page 106-
den. Van het een en ander wist Willem van Oranje partij te
trekken, om te maken dat liet geen vrede werd. De algemeene
staten en ook het geheele volk, op weinige uitzonderingen
na, hechtten meer geloof aan zijne «oorden dan aan die van
Don Jan. Zuod >ende werd de verdeeldheid steeds grooter. Zij
■werd dit nog meer, toen sommige voorname Nederlanders
Matthias, aartshertog van Oostenrijk en neef van Filips, riepen,
om algemeen landvoogd te wezen: in welke hoedanigheid
hein de koning niet wilde erkennen.
13. Don Jan kon weinig uitrichten; want om den Nederlanders
genoegen te geven. had Filips 11 alle Spaansche soldaten te-
ruggeroepen. Toen Don Jan zich in het kasteel van Namen
in veiligheid wilde stellen (want men legde zijn leven lagen),
werd hij voor een vijand der Nederlanden verklaard. Nu hegon
de burgeroorlog op nieuw. Willem van Oranje werd door
toedoen van zijne vrienden, die liet volk bang voor Don Jan
■wisten te maken, naar Brussel geroepen. Het gelukte hem
geheel liet land in rep en roer te brengen, Zoodoende faalden
alle middelen, die door den koningin het werk gesteld wer-
den , om de Nederlanden weder tot rust en vrede te brengen.
Filips wilde alles toegeven, mits men hem als vorst bleef
erkennen en de ketterij weerde; maar het was Willem van
Oranje te doen om den koning alle gezag te ontnemen, en
de Hervormden om het katholiek geloof uit te roeien. Zoo
kon er geen vrede zijn. Don Jan werd mistroostig en stierl
in den leeftijd van drie en\' dertig jaar aan eene besmette-
lijke ziekte.
XX.
ALEXANDER VAN PARMA. — AFZWERING VAN FILIPS II. —
DOOD VAN WILLEM I.
1. Na den dood van Don Jan van Oostenrijk werd Alexander
Tan Parma landvoogd. Deze was de zoon van Margareta van
Panna, die van 1559 tot 1567 als landvoogdes het bevel voerde:
-ocr page 107-
!10
bijgevolg moest hij oom zeggen tegen Filips II. Hij aan-
schouwde het levenslicht in Italië, waar zijn vader hertog
van Panna was. Hij wordt gehouden voor een der uitmun-
tendste veldheeren en der beste staatsmannen van zijn lijd.
Nooit zou hij iets met geweld doen, wat hij door overre-
ding of\' list kon verkrijgen. Toen hij in 1578 landvoogd werd,
vond hij de Nederlanden in de grootste verwarring. Boven-
dien was het gezag des kouings gansch en al verloren gegaan.
2.   De Kalvinisten hadden van de algemeene verwarring ge-
bruik gemaakt. Willem van Oranje was er in geslaagd een ver-
bond tot stand te brengen, dat de religietrede heette, waarbij
aan Kalvinisten en Katholieken gelijke rechten werden toege-
kend. Maar overal -waar de Kalvinisten door den religievrede
vasten voet wisten te krijgen, namen zij den Katholieken
hunne kerken af\', verjoegen de geestelijken, verwijderden
de Katholieken uit het stadsbestuur en verboden hun de uit-
oefening van hunnen godsdienst. Zij deden dit of met behulp
van baldadig volk of van gehuurde soldaten. In Haarlem ver-
moordden zij den priester in de kerk gedurende de gods-
dienstoefening. Overal beeldstormden zij in 1578, gelijk zij
dit gedaan hadden in 1566.
3.   Een van degenen, die het meest er toe bijbrachten om den
katholieken godsdienst te onderdrukken, was Jan van Nassau,
broeder van Willem van Oranje. Hij was door dezen en door
de algemeene staten tot stadhouder van Gelderland ge-
maakt. Hier liet hij door gebuurde soldaten de katholieke
kerken plunderen en den Rooinsclien de uitoefening van hunnen
godsdienst beletten. Wat Jan van Nassau in Gelderland deed,
werd door anderen gedaan in Gent, Brussel, Antwerpen,
Utrecht, Amsterdam enz. De Kalvinisten maakten zich schier
overal meester van de regeering en vervolgden de Katholieken.
Dit kon geschieden, want er heerschte ecne algemeene verwar-
ring en het gezag des konings werd niet racer erkend. Matthias,
die in het land geroepen was, om landvoogd te wezen in
plaats van Don Jan, had niet het minsle gezag: Willem
van Oranje gebruikte hein als een speelbal en liet hem
-ocr page 108-
100
teekenen wat hij verkoos. Anderen wilden de Nederlanden
onder den hertog van Anjou, broeder van den koning van
Frankrijk, brengen. De Kalvinisten riepen Jan Kasimir,
een gereformeerd Duitsch vorst in het land, en deze kwam
met (\'enige dui/.eude vreemde soldaten, die niets deden dan
rooven en plunderen. Zoo was ons arm vaderland diep ramp-
zalig ! Dit kwam, omdat velen het oor geleend hadden aan de
inblazingen van lieden, die vrijheid beloofden, maar slechts
eigen voordeel beoogden.
4.   Alle die geweldenarijen, welke den Katholieken werden
aangedaan, veroorzaakten eene scheuring tusschen de ver-
schillende Nederlandsche gewesten. De zuidelijke, zoogenaamde
Waalsche gewesten sloten te Atreeht (of Arras) te zamen een
verbimd, om den katholieken godsdienst te handhaven en zich
tegen de geweldenarijen der Kalvinisten te weer te stellen;
de noordelijke provinciën daarentegen sloten den 23 Januari
1579 te Utrecht een verbond, om elkander bij te staan. Dit
verbond is de beroemde Unie van Utrecht, die de grondslag
van onze republiek geworden is. Jan van Nassau was er de
voorname bewerker van.
5.   Alexander van Parma maakte van die verbittering der zui-
delijke Nederlanders gebruik, om het gezag des konings we-
der te herstellen. Vele steden gingen uit eigen beweging tot
hem over, zooals \'s Ilertogenbosch; andere bracht hij door
belegering onder zijne macht. De graaf van Rennenberg, die
in naam der algemcene staten stadhouder van Groningen
was, bracht in 1580 deze stad weder onder de gehoorzaam-
heid van\'Filips II. Men noemde dit een verraad: dit was
het niet; want Rennenberg keerde terug tot de gehoorzaam-
heid aan den koning, die zijn wettige vorst was. Bovendien
hadden de algemeene staten de voorwaarden, op welke hij tot
hunDe partij overgegaan was, verbroken; want zij vervolgden den
katholieken godsdienst, dien zij gezworen hadden te handhaven.
6.   Filips II, die vruchteloos beproefd had door vredesonder-
handelingen, te Keulen in 1579 gevoerd, tot den vrede tekomen,
gaf Willem van Oranje de schuld van alles. Hij sprak (in
-ocr page 109-
101
1580) over hem den ban uit, dat is: liij, als koning, verklaarde
Willem van Oranje, ter zake van ontrouw aan zijn Heer,
voor een verrader en beloofde eene rijke belooning aan
dengenen, die hem zou dooden of gevangen den koning
in banden leveren. Van bunnen kant gingen de algemeene
staten in 1581 tot een gewicbtigen slap over. Zij verklaar-
den Filips II als bertog en graaf dezer landen vervallen
en zegden bem alle gehoorzaamheid op. Zoo nam de grafe-
lijke regeering in Holland en Zeeland en de regeering der her-
togen in Gelderland een einde. De zuidelijke provinciën, Vlaan-
deren , Brabant eiiz., keerden spoedig geheel en al onder de ge-
hoorzaamheid des konings terug en bleven hein als hunnen graaf
en hertog erkennen. Ook de Katholieken in Holland, Zeeland,
Ulreeht, Gelderland enz. bleven dit doen, maar in stilte. Zij
varen van gedachte dal zij de gehoorzaamheid aan hunnen
wettigen vorst, wien zij den eed gedaan hadden, niet moch-
ten opzeggen. Eerst toen een andere vorst op den troon kwam,
aan wien de eed niet afgelegd was, rekenden zij zich van
den eed van trouw ontslagen, Zij moesten zich echter in
1581 stil houden, want zij werden vervolgd: zij mochten in
het openbaar hunnen godsdienst niet meer uitoefenen , hunne
priesters werden uit hel land gejaagd en het hooien der
H. Mis met zware geldboete of gevangenis gestraft.
7.  De algemeene staten, die Filips van de regeering vervallen
verklaard hadden, vertegenwoordigden slechts een gedeelte van
de Nederlandsche gewesten. Bovendien hadden zij de Katho-
lieken geheel en al builen gesloten. Toen zij Filips II had-
den algezworen, besloten zij een anderen vorst te kiezen.
Zij kozen den hertog van Anjou, broeder van den koning
van Frankrijk, een zeer onbekwaam en trouweloos vorst.
In plaats van den wettigen vorst, die een Spanjaard was,
kozen zij dus een onwelligen vorst, die een F\'ansclunan was.
Willem van Oranje bedong voor zich zelven dat hij graaf
van Holland en Zeeland moest worden, terwijl Malthias het
land verliet.
8.   Zeer vele steden en voorname mannen in de Nederlan»
-ocr page 110-
102
den waren ontevreden met deze besluiten der algemeene
stoten. Daardoor viel liet den hertog van Pa: ma ook des te
gemakkelijker, lien weder onder de gehoorzaamheid van den
koning van Spanje te brengen. Want evenals zij vroeger
ontevreden waren geweest op den koning van Spanje en
den hertog van Alva, «aren zij thans ontevreden op Willem van
Oranje en de Kalvinisten. Hierbij kwam nog dat de hertog van
Anjon zieli zeer trouw loos gedroeg. Hij verbrak spoedig de belof-
ten die hij gedaan had. Hij wilde zich meester maken van de
voornaamste steden, onder anderen van Antwerpen; doch toen
zijne soldaten in die stad kwamen, werden zij door de bur-
gers met geweld daaruit gejaagd. De Antwerpenaars, die
vreesden dal de Prauschen de stad zouden plunderen, na-
men de wapenen op en sloegen zeer velen dood: dit noemt
men de Fransehv furie. Dit geschiedde den 17 Januari 1583.
Na dien aanslag op Antwerpen wilden de Nederlanders niets
meer van den hertog van Anjou weten.
9. De hertog van Parma veroverde nu vele van de grootste
steden in Vlaanderen en Brabant: eerst Brugge en Yperen,
later Gent, en na den dood van Willem van Oranje, ook
Antwerpen (1584J en Brussel (1585). Zoodoende keerden alle
provinciën heneden de Maas weder onder de gehoorzaamheid
van den koning van Spanje terug. In alle sleden, waar de
hertog van Parma meester werd, herstelde hij den kathalieken
godsdienst, die door de Kalvinisten vervolgd en verboden was
geworden. IIij gedoogde, op bevel des konings. niet dat Hervorm-
den in de sleden bleven, welke hij ingenomen had. Al
die Hervormden trokken naar de noordelijke Nederlanden,
zoodat in deze de Hervormingsgezinden sterk in getal toenamen.
De koning en zijn plaatsbekleeders mochten inderdaad de
prediking der valschc leer niet toelaten; maar de Protestan-
ten, die de Katholieken vervolgden, handelden in strijd met
bun eigen zeggen, volgens hetwelk ieder mensch dien Gods-
dienst uit den Bijbel mag afleiden, welke bijvoor den waren
houdt. Wanneer men dus zegt dat de tachtigjarige oorlog
gestreden is om vrijheid van godsdienst, dan moet gij dit zoo
-ocr page 111-
103
begrijpen, dat er toen gestreden is voor de vrijheid van gods-
dienst der Hervormden
alléén.
10.   Wij hebben gehoord, hoe de koning van Spanje de ban
uitgesproken had over den prins van Oranje. Vele personen
hadden het geld willen verdienen, dat de koning beloofd
had aan hem, die den prins doodde. Die som was vijl\'en
twintig duizend dukaten. Doch tot nu toe mislukte alle
aanslagen op het leven van den prins. Eindelijk gelukte het
zekeren Balthasar Gerards hem te vermoorden. Deze Baltha-
sar Gerards was uit het graafschap Bourgondië, dat thans tot
Frankrijk behoort, maar toen nog Filips II als vorst erkende.
Den 10 Juli 1584 schoot deze op den prins te Delft met een
dubbel geladen pistool, zoodat hij terstond dood bleef\'. Men
verhaalt dat Willem van Oranje stervend zou uitgeroepen
hebben in de Fransche taal: -mijn God, ontferm u over mij
en dit arm volk"; maar dit is door zijn hol\'predikant
Villiers verteld, die deze woorden wat opgesmukt schijnt
te hebben.
11.   Zoo stierf Willem van Oranje, een der schranderste man-
nen die ons vaderland ooit gehad heeft. Hij heeft de partij, die
hij voorstond, groote diensten bewezen, maar is ook de oorzaak
van vele rampen geweest. Wij, Katholieken, kunnen hem niet
beminnen, want hij heeft onzen voorouders in het geloof veel
leeds veroorzaakt; inaar men moet hein niet alle vervolgin-
gen wijten. Aan den moord, die aan priesters en monniken
gepleegd werd, had hij geen schuld. Hij had de geestelijken
gaarne gered; maar hij kon de woestaards, die hem hiel-
pen, niet altijd in toum houden. Daarom is hij toch niet
geheel en al te verontschuldigen; want door zijnen opstand
geraakte hij in verbintenis met zulke woestaards en wreede
vervolgers der Katholieken als Willem Lumey en Dirk Sonoy,
welke laatste in Noord-Holland vele onschuldige Roomsch-
gezinden vermoorden liet.
12.   Wat echter Willem van Oranje ook mocht gedaan heb-
ben, de liefde, welke wij ons geëerbiedigd vorstenhuis, dat
in de vrouwelijke lijn van prins Willem afstamt, moeten
-ocr page 112-
104
toedragen, mag daarom niet verminderen. Het Huis van
Oranje is ons wettig vorstenhuis. In 1815 is de grootvader
van onzen koning lot wettigen koning der Nederlanden uit-
geroepen, en niemand mag legen zijne wettige overheden
oproeng worden; in tegendeel, liij moet altijd denken aan
de woorden van den Zaligmaker: -Geef God wat God, enden
vorst wat den vorst toekomt."
13. Willem van Oranje was vier en vijftig jaren oud toen
hij stierf. Hij was vier malen gehuwd geweest. Hij liet drie
wettige zonen en zes dochters na. Die zonen waren; Filips,
Maurits eu Frederik Hendrik.
XXI.
ONOVERWINNELIJKE VI.OOT.
1. Toen mins Willem I gedood werd, was zijn zoon Mau-
rits niet ouder dan zeventien jaar. Il ij was dus te jong om
zijnen vader op te volgen; de opgestane provinciën waren
dus zonder hoofd en in de grootste verlegenheid. Daarom
besloten de mannen, die aan het bestuur zaten en. hoe
ook, niet onder de gehoorzaamheid van hunnen wettigen
vorst, Filips II, wilden terugkeeren, een anderen vorst te
kiezel). Zij zonden daarom een gezantschap tot den koning
van Frankrijk, of deze de heerschappij over de opgestane
Nederlanden wilde aanvaarden; maar deze weigerde. Toen
zonden zij naar Elisabetb, de koningin van Engeland, met
betzellde aanbod; maar deze weigerde ook. Evenwel beloofde
zij, baren gunsteling, den graaf van Leycester, met 6000
soldaten te zullen zenden, oin de Nederlanders in hunnen
opstand tegen den koning te helpen: wat zij dan ook deed.
Om te zorgen dat deze Eugelsche landvoogd niet al te veel
macht kreeg, benoemden de staten van Holland den jongen
Maurits tot hunnen stadhouder en gaven hem het bevel over
hun leger. Middelerwijl onderwierp de hertog van Parma
alle zuidelijke Nederlanden weder aan de gehoorzaamheid
-ocr page 113-
105
des koniugs. Zoodra liet hem gelukte de gehuurde soldaten
en eenige kalvinistische onruststokers te verwijderen, varen
de Brabanders en Vlamingen terstond geneigd, weder hun-
nen \\orst te gehoorzamen. Overal waar de hertog van 1\'arma
overwon herstelde hij den katholieken godsdienst. In vele
plaatsen betoonden zich de burgerijen ook zeer afkeerig van
de (Calvinisten en van de vreemde soldaten, die in naam der
staten-gcneraal haar wilden overheerschen. Zoo joegen de
burgers van Nijmegen in 1585 de soldaten der statcn-gene-
raal uit. hunne stad en herstelden den katholieken gods-
dienst; zoo joegen de burgers van \'s Ilertogeubosch de solda-
ten van den prins van llohenlohe, luitenant van prins Maurits,
op de vlucht. Hieruit ziet men dat een aanzienlijk deel onzer
voorouders evenmin van de Calvinisten en hunne vreemde huur*
troepen wilde weten, als anderen van de Spaansche soldaten.
2.   Wij hebben daar den naam van staten-geueraal genoemd.
Deze waren de afgevaardigden, welke de staten van iedere
provincie, die deel uitmaakte van de Unie van Utrecht, naar
\'s Gravenhage zonden. Die staten-gcneraal vertegenwoordigden
dus alle provinciën gezamenlijk en hadden het opperbewind.
ledere provincie had hare eigene staten die het beheer
over de provincie voerden. Deze provinciale staten bestonden
uit algevaardigden van de edelen en van de steden van het
gewest. De steden werden geregeerd door de voornaamsten
der stad: deze noemde men de vroedschappen. Vroed betee-
kent zooveel als verstandig, ledere stad had aan het hoofd
der vroedschappen de burgemeesters en raden, benevens
eene bank van schepenen, om recht te spreken. ledere stad
had ecnen pensionaris die hare bevelen ten uitvoer bracht.
Zoo had ook iedere provincie haren raadpensionaris; die
van Holland werd in \'t begin de adcokaat van Holland
genoemd. De stadhouder was de hoogste persoon in iedere
provincie; hij was bevelhebber van het leger en bezat groo-
ten invloed en macht.
3.   De advokaat van Holland, in 1585, heette Johan van
Oldenbarneveld, geboren te Amersfuort. Hij is een der uit-
-ocr page 114-
106
stckendste ïnaijiien van ons vaderland geweest. Hij heeft het
behoed om niet onder Engelsche heerschappij te geraken,
nadat Holland tegen de Spanjaarden ■was opgestaan. Ilij is
de eigenlijke grondvester van de republiek der^zeven ver-
eenigde provinciën geweest, veel meer dan Willem 1. Hij
heeft den grondslag gelegd tot den grooten bloei en het
■welvaren van Holland.
\\. Al zeer spoedig geraakte hij in onmin met den Eugcl-
schen landvoogd Leycester. Deze wilde zich geheel en al
meester maken van de regeering en Hollands handel en
zeevaart vernietigen ten voordeele der Engelschen. Dit had
groot wantrouwen opgewekt, te meer daar een Engelsch
bevelhebber Deventer aan de Spanjaarden had overgeleverd.
Leycester verd voornamelijk gesteund door de hevige Kalvi-
nisten, hunne predikanten en vlaamsche en brabantsche uit-
gewekenen , die naar Holland een goed heenkomen gezocht
hadden. Deze wilden de koningin van Engeland tot gebiedster
maken, met veel hoogere oppermacht dan Filips II ooit be-
zeten had, en den onverdraagzaamsten Kalvinisten de regeering
in handen geven. Men noemde hen de Leycestersgezinden..
Oldenharneveld en de regeeringen der Hollandsche steden
kantten zich hiertegen aan: zij beweerden dat aan de staten
der gewesten de regeering toekwam. Deze noemde men
staatsgezinden. Tusschen beide partijen ontstond veel twist
en tweedracht; doch Oldenbarneveld wist de rechten der
Hollanders tegen de Engelschen te handhaven. Toen Leyces-
ter zag dat hij geen onbepaald gebied over deze landen kon
verkrijgen, vertrok hij voor goed in December 1587.
5. Voorzeker zou de koningin van Engeland het den Hollan-
ders zeer euvel afgenomen hebben, ware het niet dat zij
zelve in groote vrees verkeerde. Filips II namelijk had,
de vijandelijkheden van de Engelsche koningin moede, eene
machtige vloot uitgerust, om haar in Engeland zelve te be-
oorlogen. Deze vloot, waaraan eenige jaren was gearbeid,
telde ruim 140 groote schepen, met 20,000 manschappen,
onder bevel van den hertog van Medina Sidonia. Zij kostte
-ocr page 115-
f                                                             1Ü7
aan onderhoud alleen 30,000 dukaten daags: en toen was
het geld veel meer waard dan thans. Vele van de voor-
naamste Spanjaarden waren aan boord. Die vloot werd echter
door stormen en door de dapperheid der Engelsche en
Hollandsehe en Zeeuwsche zeelieden geheel en al vernield.
Van die vloot, welke de onoverwinnelijke vloot genoemd werd,
kwamen slechts 53 schepen in de Spaansche haven terug.
Filips 11 vernam den ondergang van zijne vloot met groote
gelijkmoedigheid: >ik had haar uitgezonden om te strijden
tegen ïnenschen, niet tegen de elementen," zeide hij.
G. De ondergang van de onoverwinnelijke vioot had den ko-
ning van Spanje ontzaglijke schade toegebracht. Dit en de
omstandigheid dat hij ook met de Franschen in moeijelijk-
heden geraakte, «aren oorzaak dat de Hollanders vele voor-
deden op hem konden behalen. Daarbij wilde bet geluk voor
de opgestane Nederlanden, dat zij in Maurits een uitstekend
veldheer en in Johan van Oldenbarneveld een uitmuntend,
staatsman hadden. Door handel en zeevaart verdienden de
Hollanders en Zeeuwen schatten, zoociat zij den oorlog konden
volhouden; door een slecht beheer zijner geldmiddelen was
de Spaansche koning, hoe ontzaglijk rijk ook, altijd in ver-
legenheid. Qeeu wonder dat de legers der republiek dan
ook voordeel op voordeel behaalden.
7.   Een der voornaamste wapenfeiten was de inneming van
Breda door middel van een turlschip, in Maart 1590: Eenige
dappere soldaten werden geborgen in bet ruim van een
schip, dat geheel en al van boven niet turf beladen was.
De schipper Adriaan van Bergen , die gewoon was bet kas-
teel van Breda van turf te voorzien, bracht het schip binnen
de veste. Er was groot gevaar dat door bet hoesten van
sommige soldaten, die zeer verkouden waren, de aanslag
zou ontdekt worden; maar de schipper liet niet aanhou-
dend pompen zooveel gedruisch maken , dat bet hoesten
niet gehoord werd. \'s Nachts kwamen de soldaten uit het
schip en overrompelden het kasteel en de stad.
8.   Prins Maurits behaalde nu jaar op jaar groote voordeelen,
-ocr page 116-
108
vooral na den dood van den hertog van Parma, die in 1592
stierf. Maurits nam acbtervolgens Zutfen , Nijmegen , Steen-
wijk en eindelijk in 1594 Groningen in. Na liet innemen van
Groningen Maren al de zeven provinciën geheel en al tot de
Unie gebracht en was de heerschappij van den koning van Spanje
in die gewesten vernietigd. Wij behoeven het eindigen van
die Spaansclie heerschappij niet te betreuren ; maar wij
moeten het veroordeelen, dat de overwinnaars overal de uit-
oefening van den katholieken godsdienst verboden. Zij joegen
de priesters en geestelijken weg, gaven de kerken aan de Her-
vormden, beroofden de kinderen van onderricht in onzen heili-
gen godsdienst en legden hun, wien het nog gelukte hier en
daar de Heilige Mis te hooren, zware geldboeten op of wier-
pen hen in de gevangenis. Zoo werd een zeer groot ge-
deelte van do bewoners van ons vaderland door geweld afval-
lig van den katholieken godsdienst gemaakt. Men verweet den
Roomschcn dat zij spaanschgezind, dat is koningsgczind wa-
ren; maar men dwong hen door mishandelingen om met
welgevallen naar den vroegeren tijd terug te zien. Evenwel ble-
ven zij rustige burgers en onderwierpen zich aan hunne
overheden zonder oproer te maken; maar duizenden lieten
zich nooit door list, geweld of voordeel van hunnen gods-
dienst afbrengen. Vrome en ijverige priesters kwamen in
stilte hier en daar hun de heilige Sacramenten toedienen,
en zoodoende bleef het geloof der katholieke Kerk bij onze
voorouders bewaard. Later nam de vervolging af en mochten
de lloomschcn in stilte hunnen godsdienst uitoefenen.
9. Het gelukte Filips II dan niet om de zeven provinciën
te onderwerpen. Hij stierf in 1598, in 71-jarigen ouderdom.
Voor zijnen dood huwelijkte hij zijne oudste dochter Isa-
bella uit aan Albert, aartshertog van Oostenrijk. Dezen
gaf hij de heerschappij over zijne Nederlandscbe Staten. Zijn
zoon, Filips III, volgde hem op in de Spaansche rijken.
Albert en Isabella kwamen naar de Nederlanden en werden
in alle zuidelijke Nederlandsche gewesten als vorst en vor-
stin gehuldigd; maar de zeven vereenigde provinciën bul-
-ocr page 117-
109
digdeu hen niet. Deze beschouwden zich, sinds de afzwering
van FiJips in 1581, als onafhankelijk, Evenwel bleven zeer
velen in den lande Filips II als bunnen wettigen vorst be-
schouwen, wijl zij hem als dusdanig den eed hadden afge-
legd. Zij hadden dit Filips III niet gedaan. Vandaar dat velen
de wezenlijke sr\'.ieiding der nooidelijke en zuidelijke Neder-
landen van bet jaar 1508 dagteekenen.
10.   Prins Maurits bleef, aan het hoofd van bet leger der sta-
ten-generaal, dan ook togen Albert en Isabella oorlog voe-
ren. Deze werden getrouw bijgestaan door hunne onderda-
nen, waartoe in dien tijd ook bet grootste deel van het tegen-
woordige Noord-Brabant en Limburg beboorde. Nog voorden
dood van Filips II had Maurits diens leger in 1597 bij Turn-
hout verslagen. Maar nog belangrijker overwinning behaalde
hij in 1G01 bij Nieuw poort in West-Vlaanderen.
11.   Duinkerken namelijk, dat thans in Frankrijk ligt. maar
toen tot Vlaanderen beboorde, werd bewoond dooreen stout-
moedig zeevolk, dat groote afbreuk deed aan den handel der
Hollanders. Om nu die stad te veroveren, zonden de staten
van Holland, op raad van üldenbarneveld, tegen den zin
van prins Maurits, een leger van 12000 man naar Vlaande-
ren. Het gelukte Maurits niet Duinkerken te belegeren en
in te nemen, want de onderneming was te gevaarlijk. Hij
vertrok dan weder met zijn leger naar Zeeland: echter na
alvorens het leger van den aartshertog Albert, bij Nieuw-
poort, op het zeestrand, gebeel en al verslagen te hebben.
Deze allerbelangrijkste overwinning was voornamelijk te dan-
ken aan het groote veldlieerstalent van prins Maurits. Deze
had zijn leger zoo weten te plaatsen, dat de heete zon (2
Junij 1601) de Spaansche soldaten in het gezicht scheen
en het zand der duinen hen in de oogen waaide: dit
belemmerde hen bij het gevecht en bracht hun zeer veel
nadeel toe.
12.   De oorlog werd nu nog, jaar in jaar uit, gevoerd. Belang-
rijk vooral was het beleg van Ostende. Deze stad. die in het
bezit was der staten-generaal, werd driejaren lang door den
-ocr page 118-
110
aartshertog Albcrt belegerd en eindelijk ingenomen. De
grootste voordeden werden door de Hollanders op zee be-
haald. Zij en de Zeeuwen waren de beste zeelieden dier
tijden. In Oost en West hadden zij belangrijke tochten on-
dernomen, waarover wij later zullen spreken; maar ook in
Europa betoonden zij zich vooral manmoedig ter zee. Die roem
is de grootste krijgsmansroem onzer voorvaderen, want de
legers, die in dienst van de republiek der zeven provinciën
stonden, waren voor verreweg het grootste deel uit, vreemde-
delingen samengesteld. Deze kwamen uit Duitschland, Engeland
en Schotland voor geld dienst nemen. Zelfs een groot getal
der officieren waren Franschen of Duitscliers; maar het zee-
volk bestond voor het grootste deel uit Hollanders en
Zeeuwen; ook waren al de aanvoerders Nederlanders. Onder
deze was een der dapperste Jakob Heemskerk. Deze trok
in 1607 met ecne vloot van 27 schepen naar de Spaansche kus-
ten en viel in de haven van Gibraltar de Spaansche vloot aan,
welke geheel en al door de Hollanders vernield werd.
13. De groote verliezen, welke de Spaansche koning en de
aartshertogen Albert en Isabella gedurende den langen oor-
log geleden hadden, deed hen naar den vrede verlangen.
Ook de staten van Holland en Oldenbarneveld wenschten
*> dat er een einde aan den oorlog kwame, vooral om de ont-
zettende kosten, die deze na zich sleepte; want Holland
alleen betaalde thans aan belasting 24 maal zooveel als de
belasting van den tienden penning eenmaal zou gekost heb-
ben. Maar de koning van Spanje en de staten-generaal kon-
den het over de vredes-voorwaarden nieteens worden. Eindelijk
werd er een wapenstilstand of bestand voor den tijd van
twaalf jaren gesloten. Dit bestand had men vooral te danken aan
den invloed van Oldenbarneveld en aan de staten van Hol-
land, welke in de staten-generaal de grootste macht bezaten.
-ocr page 119-
111
XXII.
TWAALFJARIG BESTAND.
1.   Er bestonden in de zeven provinciën vele kiemen van bur-
gertwist en godsdienstliaat. Zeer vele van" de aanzienlijkste
personen benijdden Uldenbarneveld zijnen grooten invloed
en macht; de kleinere provinciën, die men landprovinciën
noemde (in tegenstelling van Holland en Zeeland die de
zeeprovinciën geheeten werden), konden slecht gedoogendat
Holland het meest te zeggen had in de regeering der re-
publiek; zeer velen, vooral de hervormde predikanten, wil-
den dat de prins van Oranje nog grootere macht zou hebben;
terwijl anderen wilden dal de stedelijke en provinciale re-
geeringen liet eigenlijk bewind zouden voeren: de eersten
noemde men stadhoudersgezinden, de andere staatsgezinden.
Daarbij kwam dat prins Maurits en Oldenbarneveld niet meer
met elkander eensgezind waren, doch elkander tegenwerk-
ten. Dit alles verwekte groote verdeeldheid in alle provin-
ciën. De rijke kooplieden, de aanzienlijke familiën in de ste-
den, waren meestal staatsgezind; de predikanten, het geringe
volk, de militairen stadhouders- of oranjegezind. De Katho-
lieken , die nog altijd de meerderheid der bevolking uit-
maakten, werden zoo onderdrukt, dat zij niets te zeggen
hadden. Zij bemoeiden zich ook niet met de burgertwisten
dier dagen.
2.  Maar nog erger dan die burgerlijke verdeeldheid -was de
verdeeldheid om den godsdienst onder de Hervormden.
Twee Leidsche professoren, Arminius en Gomarus, waren met
elkander hevig aan hel twisten geraakt over het vraagstuk
der voorbeschikking, dat is: of God de menschen vooruit tot
eeuwig geluk of eeuwige straf beschikt had. Arminius ont-
kende dit. Gomarus- verdedigde die troostelooze leer. Nu
trokken de predikanten partij, de eene voor, de andere tegen
de voorbeschikking, Daardoor ontstond groote verdeeldheid,
-ocr page 120-
112
niet alleen onder de predikanten, maar ook onder hunne
toehoorders. Zij verketterden elkander; zij riepen tegen el-
kander de hulp van de burgerlijke macht in. Zoodoende
bewezen zij door hunne daden dat zij de gewetensvrijheid
alleen voor zich zelven, niet voor anderen begeerden. Naar
zeker geschrift, dat de aanhangers van Arminius ingeleverd
hadden, werden" deze Remonstranten genoemd; daarom
noemden zich de aanhangers van Gomarus Contra-Remonstran-
ten (contra beteekent tegen).
3.   Oldenbarneveld en de meerderheid in de staten van Hol-
land waren vódr de Remonstranten: vooral daar deze hunne
toevlucht tot de burgerlijke regeering namen, om de gods-
dienstgeschillen te beslechten. Hierop trok prins Maurits
de partij der Contra-Remonstranten, ofschoon de prins zich
weinig met de godsdienst-geschillen bemoeide en zeide.dat
hij niet eens wist of de voorbeschikking (ook predestinatie
genoemd) er wit of zwart uitzag. Bij alle deze verdeeldheden
riepen de Contra-Remonstranten om het bijeenroepen van eene
synode, dat is: eene vergadering van godgeleerden en afge-
vaardigden der hervormde gemeenten. Deze synode moest de
geloofsleer vaststellen. De Remonstranten echter wildeuvan
geene synode weten.
4.   Zoo werd iedere provincie, iedere stad, ieder dorp ver-
deeld. Er was niet ée\'n onder de Hervormden of Kij trok
partij. In Holland en in de stad Utrecht werden de Remon-
stranten door de stedelijke regeeringen beschermd. Deze
stelden hen in het bezit der kerken en verboden desamen-
komsten der Contra-Remonstranten. Maurits begon echter meer
openlijk voor de laatsten partij te trekken. Alom ge-
raakten nu de steden in opschudding, hier en daar kwam
het tot vulksoploopen; de staatsgezinde stadsregeeringen
begonnen omstreeks dezen tijd, nu het hervormde kerk-,
genootschap zoozeer in zich zelve verdeeld was, eenige meer-
dere vrijheden aan de Katholieken te vergunnen, terwijl
zij aan den anderen kant den Contra-Remonstranten alle
moeielijkheden in den weg legden.
-ocr page 121-
113
5.   Oldenbarueveld en de staten van Holland begrepen dat
zij zich niet zouden kunnen handhaven zonder soldaten.
Het leger nu stond geheel en al onder de gehoorzaamheid van
prins Maurits. Uit dien hooide besloten de staten van Hollanden
ook die van Utrecht, zelven krijgsvolk te werven, om de rust te
bewaren en hunne macht te handhaven. Dit krijgsvolk noemde
men waardgelden. Het besluit, waarbij het aannemen der
waardgelders werd bepaald, werd genomen in 1017. Het
wekte bij de tegenpartij de grootste gramschap op. Prins
Maurits besloot nu tot doortastende maatregelen. Door zijne
oude soldaten vergezeld, trok hij eerst naar Utrecht en dankte
daar de waardgeldeis af; dat is, zond hen naar huis. De
stadsregeering durfde uit vrees hiertegen niets doen. Van
Utrecht ging de prins de verschillende Hollandsche steden
bezoeken. Uit afschaffen der waardgelders geschiedde overal.
Ook veranderde hij overal de stedelijke regeeringen. Die mannen,
van welke hij verwachtte dat zij zijne maatregelen zouden
dwarsboomen, werden (in strijd met allo rechten en privi-
legiën) uit de regeering gezet en andere, soms zeer onaan-
zienlijke personen daarvoor iu de plaats gesteld. Zoodoende
geraakten de Remonstranten en slaatsgezinden geheel uit de
stedelijke regeeringen. Daar deze de provinciale staten ver-
kozen, werden ook de staten geheel en al vervuld met man-
nen , die naar Maurits\' wil handelden.
6.   De vijanden en tegenstanders van Oldenbarueveld wa-
ren nu meester. Prins Maurits beval, inzonderheid op hun-
nen aandrang, Oldenbarueveld te laten gevangen nemen en
zijn proces te laten opmaken. Te gelijk met hem werden
ook eenige andere van de voornaamste staatsgezinden ge-
vangen genomen: Ledeuberg, die secretaris van Utrecht
was, lloogerbeets en Hugo de Groot. De laatste was eender
grootste rechtsgeleerden , die ons vaderland, ja Europa ge-
had heeft. Om over deze mannen recht te spreken, werd
eene buitengewone rechtbank aangesteld van vier en twintig
leden, waarvan de eene helft uit Holland, de andere uit de zes
overige provinciën was genomen. De door ons genoemde man-
8
-ocr page 122-
114
nen werden in beschuldiging gesteld, wegens daden, die zij op
bevel der stedelijke regeeringen verricht hadden; Oldenbar-
neveld om hetgeen hij als uitvoerder van de besluiten der
staten van Holland had gedaan. De eigenlijke reden waarom
zij vervolgd werden was de haat en vijandschap van hunne
tegenstanders in het staatkundige en godsdienstige.
7.   Oldenbarueveld werd ter dood veroordeeld en den 13"
Mei 1G19 onthoofd. Zijn dood is eene zwarte vlek inde ge-
schiedenis van ons vaderland, llij is het offer geworden van
partijzucht en godsdiensthaat. Prins Maurits, die zijne ver-
heffing aan Oldenbarneveld had te danken, draagt de grootste
schuld aan zijnen dood. Ilugo de Groot en Hoogerbeets werden
tot levenslange gevangenis veroordeeld. Ledenberg had zich
zelven van het leven beroofd.
8.   Middelerwijl kwamen de hervormde godgeleerden te Dor-
drecht bijeen tot eene kerkvergadering, die de nationale sy-
node wordt genoemd. Daar werden de gevoelens van de Re-
monstranten veroordeeld; er werd eene geloofsleer voor de
Hervormden voorgeschreven. Ook werd er het besluit genomen
om van wege de hooge regeering den Bijbel te laten vertalen.
Deze vertaling is later de Staten-bijbel genoemd geworden.
Zoo moesten de 1\'rotestanten, die beweerden alléén te ge-
looven aan hetgeen hun eigen onderzoek leerde, alweder
geldoven aan hetgeen hun voorgehouden werd om te geloo-
ven. Ook moesten zij den Bijbel gebruiken, zooals die voor
hen werd vertaald.
9.   In 1621 eindigde bet twaalfjarig bestand en de oorlog
begon opnieuw. Maurits bleef nog vier jaren stadhouder.
Hij stierf in 1G25.
Zijne laatste levensjaren waren niet gelukkig. Hij had door
zijne vervolging der Remonstranten en der familie van Ol-
denbarneveld grooten haat opgewekt. Hoe mededoogenloos hij
ook gehandeld had, gaf dit evenwel geen recht om hem te
vermoorden. Dit wilde een der zonen van Oldenbarneveld
beproeven; doch de zaak werd ontdekt. De zoon van Olden-
barneveld , die de eigenlijke schuldige was , ontvluchtte; de
-ocr page 123-
115
andere zoon, die weinig schuld had, -werd op liet schavot
onthoofd.
10.   Zijn broeder Frederik Hendrik, de jongste zoon van
Willem van Oranje, werd zijn opvolger als stadhouder en
oppervelhehber des legers. Deze Frederik Hendrik was over
het algemeen gunstiger gezind voor de Remonstranten dan
Maurits. Ofschoon de staatsgezinde partij door den dood van
Oldenbarneveld ten onder was gebracht, verkreeg zij toch
langzamerhand weder macht en invloed. Want zoodra was niet
iemand lid der stedelijke regeering geworden, of al spoe-
dig nam hij dezelfde begrippen aan als zijne ambtgenooten.
Die stedelijke regeeringen, samengesteld uit de aanzienlijk-
sten der stad, waren over het algemeen nog al bemind.
De burgerij, die zich aan handel en nijverheid wijdde, be-
moeide zich weinig met het bestuur, maar liet dit over aan
de regenten. Dit maakte dat de macht van die stedelijke
regeeringen bleef voortbestaan. Frederik Hendrik, die meestal
oorlog voerde, poogde ook zijn gezag als stadhouder niet
te vergrooten. Hij mocht zachtzinniger zijn dan Maurits,
toch kon hij den Remonstranten slechts zeer langzaam
hunne verlorene vrijheid teruggeven. Ilugo de Groot bleef
op het slot Loevestein in de gevangenis, totdat hij, op raad
zijner vrouw (Maria van Reygersbergh), ontvluchtte. Van tijd
tot tijd ontving Hugo de üroot, voor zijne studie groote
kisten met boeken, welke hij dan terugzond. Op zekeren
dag verborg de Groot zich zelve in de kist en werd zoo
Loevestein uitgedragen. Hij verliet zijn vaderland en werd
later staatsdienaar van Zweden. Zoo moest een der grootste
geleerden, die ons vaderland ooit gehad heeft, buiten zijn land
vreemden dienen! En dat ten gevolge van rampzalige bur-
gertwisten en den godsdiensthaat der Gontra-Remonstranten.
11.   Dat gedeelte van ons vaderland, hetwelk thans Noord-
Brabant en Limburg is, was gedurende het twaalfjarig bestand
nog een deel van het gebied van Albrecht en Isabella. Deze
beiden voerden met groot beleid en rechtvaardigheid de
regeering over de zuidelijke Nederlanden. Zij deden alles, wat
-ocr page 124-
116
ih hun vermogen was, om de rampen des oorlogs te lenigen
en hun land weder tot bloei te brengen. Isabella werd dan
ook veel meer door de Nederlanders bemind dan haar vader
Filips II. De bewoners van \'s llertogenbosch, Maastricht,
Roermond en andere steden, die toen nog niet tol de zeven
provinciën behoorden, betoonden dan ook volstrekt geen lust
om eene andere regeering te gehoorzamen, die de uitoefe-
ning van hunnen godsdienst verbood en strafte.
XXIII.
VREDE VAN MUNSTER.
1.  Na het twaalfjarig bestand begon de oorlog op nieuw.
Maurils had door de wapenen de verschillende gewesten der
zeven vereenigde provinciën tot elkander gebracht. Frederik
Hendrik veroverde van 1625 tot 1648 met de wapenen die
deelcn van ons vaderland, welke thans een gedeelte van Zee-
land, de provinciën Noord-Brabant en Limburg vormen. De
regeerders der republiek wilden in het bezit dier landen
zijn, enkel om ze te gebruiken als zoogenaamden voormuur;
dat is, om de eigenlijke lauden der republiek des te beter
tegen vijandelijke aanvallen te beschermen.
2.   In de eerste plaats wilden de staten-generaal mees-
ter worden van \'s rlertogeubosch. Daarom sloeg Frederik
Hendrik in 1629 het beleg voor die stad. De burgerij van
\'s llertogenbosch gevoelde volstrekt geeue begeerte om deel
uit te maken van het gebied der zeven vereenigde provin-
ciën. Zij hielp dan ook de bezetting getrouw de stad ver-
dedigen. De Zuid-Nederlanders stelden alles in het\' werk
om haar te verlossen; maar Frederik Hendrik bleef met
een leger van 28,000 man de stad belegeren. De Oosten-
rijkers , die toen gelijk met de Spanjaarden tegen de re-
publiek oorlog voerden, terwijl de*e met de Duitsche vijan-
den van Oostenrijk gemeene zaak maakten, beproefden een
aanval in de Nederlanden. Zoodoende hoopten zij Frederik
-ocr page 125-
117
Hendrik te dwingen tot liet opbreken van liet beleg van \'s Iler-
togenbosch. De Oostenrijkers trokken dan ook, 15000 solda-
ten in getal, den l.Issel over en kwamen zelfs lot voor Amers-
foort; maar de inname van Wezel door de staalsge/.inde sol-
daten deed ben terugtrekken. Frederik Hendrik hield het
beleg van \'s llertogenboscb vol. en deze stad moest zich
eindelijk overgeven.
3. Venlo, Roermond, Maastricht en Hulst werden achtereen-
volgens door Frederik Hendrik belegerd en ingenomen. Vooral
de belegering van de sterke vesting Maastricht kostte hem groote
moeite. Ook deze stad moest echter in 1U32 voor hem bukken.
Frederik Hendrik geraakte door alle deze overwinningen tot
groote macht en aanzien. Hij werd stadhouder-generaal der
Unie; dat is. dat hij het algemeene opperbevel over alle
land- en zeemacht der republiek had, en hij was stadhouder
van vijl\' gewesten, daar Friesland en Groningen Ernst üasi-
mir, kleinzoon van Jan van Nassau, broeder van prins Wil-
lem I, als stadhouder erkenden. Frederik Hendrik had even-
wel soms nog al met tegenkanting te worstelen, vooral van
Amsterdam. Deze machtige stad hield vooral bare handelsbe-
langen in bet oog, en hare handelaars verkochten vaak krijgs-
behoeften aan de inwoners van de zuidelijke Nederlanden.
De stadhouder beklaagde zich hierover, doch de stadsrecee-
ring beschermde bare kooplieden. Hierop zeide Frederik
Hendrik verstoord: »als ik eenmaal Antwerpen maar heb,
zal ik Amsterdam wel klein maken." En inderdaad beproef-
de bij of\' bij Antwerpen ook kon bemachtigen, doch dit
mislukte hem.
Zoo was er altijd eene kiem van tweedracht tusschen de stad-
houders en de machtige stedelijke regeeringen; tusschen de
Oranjegezinden en de staatsgezinden. De prinsen van Oranje wil-
den hunne macht en aanzien in stand houden vooral door
het leger te velde; de staatsgezinden wilden liever het va-
derland verdedigen door de vloot ter zee.
• 4. En inderdaad ter zee waren onze voorvaderen vooral op
hunne rechte plaats. Op het land streden onder hunne vaandels
-ocr page 126-
118
gehuurde soldaten, die degenen, welke hun het meest betaal-
den, dienden; maar ter zee waren het de dappere Zeeuwen
en Hollanders zelven, die streden! Daar behaalden onze voor-
vaderen den grootsten roem; daar verzamelden zij zicli schat-
ten , gelijk wij in een volgend hoofdstuk zullen zien.
5.   Het zou te vijdloopig wezen, zoo wij alle heldendaden
der Nederlanders ter zee wilden verhalen. Wij zullen u alleen
eeii paar mededeelen. In 1G28 maakte de admiraal Piet Hein
zich meester van eene Spaansche vloot, de zilvervloot ge-
noemd. Deze kwam, met groote rijkdommen beladen, uit
Amerika naar Spanje zeilen. De geheele vloot werd veroverd
en daardoor meer dan elf en een half millioen galden buit
gemankt. Deze daad is algemeen verheerlijkt. en niemand
uwer, die niet gehoord heeft liet rijmpje: Piet Hein. Zijn naam
is klein. Zij» daden zijn groot. Hij overwon de zilvervloot.
Doch hut nemen dier vloot was op zich zelve zulk eene
groole heldendaad niet, daar de Spanjaarden zich slecht ver-
dedigden en de koopvaardijschepen zich ook slecht konden ver-
dedigen. Maar omdat de buit voor de Hollanders en het
nadeel voor de Spanjaarden zoo groot was , heeft men van
deze overwinning zulken ophef gemaakt.
6.   Veel meer spoed en dapperheid werd er vereischt om de
welgewapende en ten strijd uitgeruste Spaansche vloot te
overwinnen, die in 1C31 op de Zeeuwsche stroomen zeilde
en eene landing wilde beproeven. Zij werd echter tusschen
Tholen en Zuid-Beveland door de Hollanders en Zeeuwen
aangevallen en geslagen. De geheele Spaansche vloot van
35 gioote schepen viel in hunne macht.
7.   Maar nog grooter verlies leed de Spaansche scheepsrnacht
door de overwinning, welke de Nederlanders in 1030 bij
Duins op de Engelsche kust op haar behaalden. De llolland-
sehe en Zeeuwsche zeelieden werden aangevoerd door Maarten
Harpertszoon Tromp. De^e beroemde zeeheld had reeds menig
voordeel behaald op de Duinkerksche kapers , waarmede de
Hollanders in voortdurenden strijd waren. Tromp had steeds
de grootste blijken van moed en beleid gegeven. Hij was
-ocr page 127-
119
thans luitenant-admiraal van Holland (de stadhouder zelfs was
altijd admiraal en als dusdanig in naam de eerste bevelheb-
ber der zeemacht). Onder hem stonden de vice- (onder-)
admiraal van Zeeland. Bankert en Witte Corneliszoon de
With, vice-admiraal van Holland.
Toen men in ons vaderland het zekere bericht had dat
eene sterke Spaansche vloot in aantocht was, zonden de sta-
ten Tromp met 29 schepen in het Engelsche kanaal, om den
vijand aan te vallen. De Spaansche vloot, onder den admiraal
d\'Oquendo, telde U7 groote oorlogschepen men 24.000 man-
schappen en 12C0 kanonnen. Het gelukte Tromp, teweeg te
brengen dat de Spaansche vloot op de reede van Duins ging
ankeren, tusschen de kust en de zandbanken. Hier sloot
Tromp haar in, zoodat zij de haven niet uit kon. Nu ging
Witte de With naar het vaderland, om nieuwe schepen te
balen. Binnen vier dagen wist men met de grootste bedrij-
vigheid in Holland en Zeeland meer dan zestig schepen uit
te rusten. Deze, waaronder groote en kleine waren, werden
gewapend en naar Tromp gezonden. De Engelsche koning
was in vrede met Spanje en zeer gezind voor de Spanjaar-
den. Daarom dreigde hij de staten-generaal met oorlog, zoo
zij in eene Engelsche haven de Spaansche schepen durfden
aantasten. Tromp kreeg evenwel uit zijn land bevel, de
Spaansche schepen aan te tasten.
Deze schepen bleven onder de bescherming van bet ge-
schut van Duins liggen. Tromp daagde hunnen admiraal uit,
de open zee te kiezen en den slag aan te nemen. D\'Oquendo
zeide dat hij gebrek aan buskruid had; en het zelfvertrouwen
van Tromp was zoo groot, dat bij den Spaanschen admiraal
aanbood hem van buskruid te voorzien, inils deze den zeeslag
aannam. D\'Oquendo deed dit niet. Daarop tastten de Hol-
landers en Zeeuwen zijne vloot aan en vernielden die, na
een zeer hardnekkig gevecht, bijna geheel en al. Slechts
twaalf schepen ontkwamen. Dit was de laatste groote vloot,
welke de Spanjaarden tegen de NederlanUers ui trust ten.
8. Gedurende de laats te jaren van den tachtigjarigen oorlog
-ocr page 128-
120
ondergingen de Spanjaarden verlies op verlies en behaalden
de staten-generaal voordeel op voordeel. Men moet echter
niet deuken dal de zeven provinciën steeds alléén de geheele
macht des Spnanschen kouings weerstonden. Dit was het geval
niet. Vene«eg den meesten tijd dat onze voorvaderen tegen
de Spanjaarden streden, vierden zij öf in het geheim öf in het
openbaar bijgestaan door andere volken. Slechts gedurende de
eerste jaren hebhen zij alléén gestaan. Nu was in het jaar
1618 in Duitschland een hevige oorlog tusschen den Duit-
schen keizer en de protestantse! e vorsten uitgebarsten, wijl
laatstgenoemden den keizer het koninkrijk lioheuien wilden
ontrooven en zich zelven verrijken met de kerkelijke goede-
ren. Deze oorlog werd de dertigjarige uorloy genoemd; want
hij begon in 1U18 en eindigde te gelijk met den tachtig-
jarigen oorlog door den vrede van .Munster.
!). Nu maakte de regeering van de republiek der zeven pro-
vinciën, na het eindigen van het twaalfjarig bestand, ter-
stond geineene zaak niet de piotestantsche, en Spanje met
de katholieke vorsten en den keizer van Duitschland. Later
kwam de koning van Zweden, Gustaaf Adoll\', de Protestanten
helpen. In 1035 mengden zich ook de Franschen in den der-
tigjarigen oorlog. De koning van Frankrijk deed dit met
oneerlijke bedoelingen, liet was om zich van sommige pro-
vinciën, die aan den koning van Spanje behoorden, maar welke
hij hegeerde, meester te maken. Ook geschiedde het uit jaloezij
op het keizershuis van Oostenrijk, hetwelk de Franschen
wilde vernederen. Deze dertigjarige oorlog werd dus al uit
zeer onedele beweegredenen gevoerd. Tallooze verwoestingen
en rampen trollen onschuldige menschen , om de hebzucht
en heerschzucht der Duitsche vorsten en des Franschen ko-
nings. In de laatste dertien jaren vanden tachtigjarigen oor-
log werd dus die oorlog gevoerd; aan den eenen kant door den
koning van Spanje, den keizer van Duitschland en de katho-
lieke Duitsche vorsten; aan deandere zijdedoorde republiek der
vereenigde provinciën, de protestantsehe vorsten van Duitsch-
land, den koning van Zweden enden koningvan Frankrijk.
-ocr page 129-
121
Gij ziet dus dat onze voorvaderen gedurende dien tachtig-
jarigen oorlog dikwijls met gelijke kans konden strijden.
De langdurige strijd begon eindelijk, gelukkig, aan alle
partijen te vervelen. Na verscheidene onderhandelingen werd
er vastgesteld dat men te Munster gevolmachtigden zou zen-
den, om vrede te sluiten. Dit werd nog bepaald gedurende
het leven van Prederik Hendrik, llij beeft evenwel het slui-
ten van den vrede niet beleefd.
10.   Uit had plaats op den 30" Januari 1648 ten stadhuize
van Munster, wijl te gelijker tijd de dertigjarige oorlog een
einde nam. De koning van Spanje erkende, tegenover de
staten-gcneiaal der Vereenigde Provinciën, de Nederlanders
voor een vrij en onafhankelijk volk; hij kende hun het recht
toe. op Oost- en West-lndié te handelen; en liet toe dat
zij de Schelde sloten, dat zij door machtvan oorlogschtpen
en forten beletten dat vreemde schepen dien stroom konden
bevaren, liet doel der Hollanders, met deze voorwaarde,
was, den handel van de zuidelijke Nederlanden te vernietigen.
11.   De koning van Spanje liet de sta ten-generaal in het bezit
van alle streken, die zij in Vlaanderen en Brabant veroverd
hadden. Zoodoende kwam hel zoogenaamde Staals-Vlaanderen,
waarin Hulst, Sluis en Sas van Gent liggen, tot ons land.
Zoo kwamen er ook geheel Noordbrabant en Limburg toe.
Gij moet echter niet denken dat de bewoners dier land-
streken gelijke rechten kregen als de Nederlanders der zeven
provinciën (wel te verslaan de hervormde Nederlanders dier
provinciën). Neen! Noord-Brabant, Nederlandse!) Limburg en
Staats-Vlaanderen werden geheel en al als overwonnen land
in naam der staten-generaal geregeerd. Deze beschouwden
die landen, welke zij generaliteitslanden noemden, slechts
als een middel ter verdediging tegen hunne naburen. Ofschoon
nagenoeg al de inwoners dier landstreken katholiek en zeer
afkeerie van de hervormde leer waren, werden toch alom
hervormde predikanten gezonden en den Katholieken hunne
kerken onlnomen; zells mochten in de eerste tijden de
Katholieken niet eens volgens de wet hunnen godsdienst
-ocr page 130-
122
uitoefenen. Daar echter de geheele bevolking katholiek was,
kon men dit niet volhouden. Daarom vergenoegde de regee-
ring er zich mede, de Katholieken achteruit te stellen en
buiten het bestuur te houden.
XXIV.
HANDEL, ZEEVAART EN KOLONIËN.
1.   Wij hebben zoo lang van bijna niets anders moeten spre-
ken dan van oorlogen, die toch eene ramp vooreen volk zijn ;
laten wij nu iels hooien over zaken, die, wel gebruikt,
een zegen voor een volk zijn. Wellicht zult gijlieden u ver-
wonderd hebhen, hoe het kleine Holland en Zeeland soms
alléén, gedurende een\' langen tijd. zulke oorlogen heeft kun-
nen voeren en zulke ontzaggelijke onkosten dragen. De
reden is deze: in de zestiende en zeventiende eeuw werden
soldaten niet door loting verkregen, gelijk thans, maar
ieder vorst wierf troepen van lieden, die voor geld soldaat
werden. Die dus het meeste geld had kon de grootste legers
onderhouden, en Holland en Zeeland waren in den tijd van
den tachtigjarigen oorlog het rijkste land van Europa.
2.   Wij hebben reeds vroeger verhaald hoe de Nederlanden
ond\'T hel Bourgondische en Oostenrijksche huis door handel
en nijverheid bloeiden: de schrikkelijke Spaansche oorlog
bracht hierin wel vele veranderingen; maar de Nederlanders
bleven toch een der eerste handeldrijvende volken der wereld.
Ook de voornaamste handel van Antwerpen en Vlaanderen
verplaatste zich naar Holland. Dit was daaraan toe te schrij-
ven, dat sinds 1573 Holland en Zeeland veel veiliger wa-
ren dan Vlaanderen en Brabant, en dat de Zeeuwen met
hunne vloot den geheelen handel van Antwerpen wisten te
bemoeielijken, ja te vernietigen.
Zoodoende bloeiden de handel en nijverheid van Holland en
Zeeland, naar gelang die der zuidelijke Nederlanden verkwijn-
den. Trouwens de Hollanders en Zeeuwen waren toenmaals
-ocr page 131-
123
de stoutste zeevaarders en de bekendste handelslieden vaa
Europa. Daarbij kwam, dat, ten gevolge van de vreeselijke oor-
logen in Vlaanderen, duizende handwerklieden van daar
naar Holland waren verhuisd en er hunne nijverheid over-
brachten.
3.   De handel van de Hollanders en Zeeuwen nam dan met
ieder jaar verbazend toe. Reeds vódr 1588 hadden Holland,
Zeeland en Friesland te zamen 2700 schepen in de vaart:
de haringbuizen en visschersvaartuigen niet medegerekend.
Acht honderd schepen voeren jaarlijks naar de Oostzee. Deze
haalden uit de Oostzeelanden graan, hennep, teer, enz. Am-
sterdam was de hoofdplaats van dezen handel. Andere schepen
haalden wijnen en andere voortbrengselen uit zuidelijk Europa
en brachten die naar Duitschlaud en hel noorden van ons
werelddeel; terwijl zij haring, gezouten visch enz. naar het
Zuiden brachten. Ook dreven onze voorouders grooten handel
op Spanje. Van hier haaiden zij specerijen, indigo en alle
voortbrengselen van Oost- en VVest-Indië, welke zij weder
op hunne markten aaii de Bewoners van noordelijk Europa
verkochten.
4.   Ellips II liet dezen handel toe, vooral omdat hij de Ne-
derlanders nog altijd als zijne onderdanen bleef beschouwen.
Van tijd tot tijd echter verbood hij hun handel op Lissabon
en Cadix te drijven, of liet hij de tlollandsche schepen in
beslag nemen. De Engelsche koningin deed ook telkens
moeite om den handel der Hollanders op Spanje te belemme-
ren. Maar oiüe voorouders, die in dien handel de liooid-
hron van hun bestaan vonden, zochten naar middelen om
zelven onmiddelijk op Indié te varen. Zij besloten hiertoe vooral,
nadat Filips II Portugal in 1581 had veroverd en den Hol-
landers en Zeeuwen de vaart op dat land verbood. Nu zoch-
ten de Hollanders zelven naar een weg, die tot Oost-Indië
leidde, en welke weg alleen nog maar aan de Portugeesche
zeelieden bekend was. Eerst beproefden zij of de weg ook
zou te vinden wezen langs het Noorden, dwars door de
Uszee heen. Heemskerk met zijn stuurman Willem Barends-
-ocr page 132-
12 i
zoon beproefden dien stoutcn toclit, welke zoo beroemd ge-
■worden is. Maar daar bevrour hun schip in het ijs , en zij
moesten met hun scheepsvolkden geheelen winterop het eiland
Nova Zcmbla overwinteren. Uier stonden zij de vreeselijkste
koude en de grootste ontberingen uit. Vele hunner met-
gezellen stierven, totdat zij eindelijk door Russische zee-
vaarders geholpen werden en weder naar hun land konden
terugkeeren.
5.   liet gelukte eindelijk aan de broeders (\'ornelis en Frederik
Houtman, geboren te Gouda, den weg naar Oost-indië te vin-
den. Zij waren te Lissabon in gevangenschap geraakt. Uier
kwamen zij in kennis niet Portugeesche matrozen. Deze
wisten zij uit te hooren. In hun vaderland teruggekeerd,
vertelden zij wat zij gehoord hadden aan eenige ondernemende
kooplieden. Do laatslen rustten vier schepen uit, waarvan zij
het bevel aan Cornelis Houtman opdroegen. In 1595 verliet deze
kleine vloot het vaderland en bereikte na vele wisselvallig-
heden Bantam, op het eiland Java. Hier waren de I\'ortu-
geezen uitsluitend in het bezit van den handel. Deze zagen
zeer ongaarne die vreemde kooplieden aankomen; zij wisten
dan ook den Javaanschen vorsten wantrouwen in te boezemen
tegen de Hollanders, zoodat deze geen voordeeligen handel
kouden drijven. Het groote doel, bet vinden van den weg
naar Oost Indië, was evenwel bereikt. Toen dan ook deze
ondernemende zeelieden in hun vaderland teruggekeerd wa-
ren, werd de ijver voor den handel op Oost-Indië in hooge
mate opgewekt. Binnen den tijd van acht jaren vertrokken
ruim tachtig schepen uit Nederlandsche havens naar de verre
Oost, om daar handel te drijven.
6.   Die ondernemingen op Oost-Indië waren echtermet groote
gevaren gepaaid, liet was niet genoeg dat onze scheepvaar-
ders kochten en verkochten , zij moesten ook zich zelven
■verdedigen tegen de Spanjaarden en tegen zeeroovers; zij
moesten in Oost-Indië dikwijls vechten met de I\'ortugeezen
of met de inlanders. Ook benadeelden de verschillende koop-
lieden elkander door tegen elkander op te treden of te
-ocr page 133-
125
gelijk te veel op de Europeesche markten te brengen. Daarom
werd een besluit genomen, om gemeenschappelijk den handel
op de Oost te drijven en zich niet elkander te verbinden
tot eeuo groole maatschappij, die uitsluitend den handel op
Oosl-lndië zou voeren. Zoodoende zou men met meer voor-
deel kunnen handelen en groote zaken verrichten. Olden-
barneveld Mas de man, die dit alles begreep; en door
zijne bemoeiingen vooral kwam die maatschappij in 1G02
tot stand. Zij werd de Oost-Indische Compagnie genoemd en
begon hare ondernemingen met een kapitaal van zes en een
half millioen gulden, waarvan Amsterdam alléén de helft
bijbracht.
7.   Deze Compagnie werd gesticht op oktrooi (dat is vergun-
ning) van de slalen-generaal. Niemand dan de Compagnie
mocht uit de zeven provinciën op Oost-lndië handelen. Het
bewind werd gevoerd door 17 bewindhebbers. Over de bezit-
tingen der Compagnie in de Oost werd een gouverneur-ge-
neraal aangesteld. Al spoedig genoot de Compagnie aanzien-
lijke voordeden. In 1600 werd op ieder aandeel vau 100 gul-
den 75 gulden, en in het volgende jaar op ieder aandeel
vau 100 gulden 40 gulden betaald. Zoodoende bracht deze
handel zeer groote rijkdommen in ons land. Buiten Europa
werd de Compagnie spoedig zeer machtig. Zij veroverde in
eene reeks van jaren Java, Ceylon, de Moluksche eilanden
en vele andere bezittingen in den Ooslindischen archipel.
Uit alle deze lauden verdreven de Hollanders de l\'ortu-
geezen, die er vroeger alle macht in handen geliad hadden.
I)e Oostindische Compagnie dankte haar grooten bloei aan
de dapperheid en den moed van haar scheepsvolk en aan
het beleid van hare gezagvoerders. Onder deze muntten uit
Mateliel, die de Portugeesche vloten vernielde, en Jan
Pieterszoon Koen, uit Hoorn, die in 1619 Batavia stichtte.
8.   De zucht om verre, nog onbekende landen te ontdekken
was nu algemeen bij de Hollanders en Zeeuwen ontwaakt.
Een hunner, Abel Tasman, uit Hoorn, ontdekte het vijlde
werelddeel en noemde het Nieuw-Holland: later is het
-ocr page 134-
12G
Australië genoemd. Ook onfdekte hij een ander land, groo-
ter dan Engeland en Schotland, en noemde dit Nieuw-Zee-
land. Schouten en Lemaire deden eenc reis rondom de we-
reld en zeilden hij den zuidelijken uithoek van Zuid:Amerika
om: zij noemden dien uithoek Kaap Hoorn.
9.   Ook in China en Japan knoopten de Hollanders handels-
betrekkingen aan. In Japan handelden tot nog toe alleen de
Portugeezen. Deze hadden er duizenden tot den katholieken
godsdienst bekeerd; doch er stond in Japan een Keizer op,
die een verbitterde vijand van hel Christendom was. Deze
richtte eenc bloedige vervolging tegen de Christenen in
zijn land aan: de Portugeezen werden verjaagd. Aan de
Hollanders werd het vergund, op het eilandje Decima een
handelshuis op te rigten, doch zij moesten alle teekenen
van den Christelijken godsdienst verbergen.
10.   De groote bloei en rijkdom der Oostindiscbe Compagnie
deden het denkbeeld bij vele kooplieden ontstaan om ook
eene West-Indische Compagnie op te richten. Deze zou op
alle landen van Amerika handel drijven. De West-Indi-
sche Compagnie kwam in 1621 tot stand. Zij begon niet
alleen met handel te drijven, maar ook de Spanjaarden
en Portugeezen te beoorlogen. Piet Uien was haar admiraal
en veroverde voor haar in 1C28 de Spaansche zilvervloot.
De West-Indische Compagnie stichtte verscheidene volkplan-
tingen, waaronder die van Suriname nog eene Nederlandsche
bezitting is. Zij veroverde ook vele eilanden, als: Curacao en
Aruba, Wat meer is, zij veroverde op de Portugeezen ge-
heel Brazilië. De Nederlanders maakten zich echter aldaar aan
vele onrechtvaardigheden schuldig; vooral beleedigden zij
de bewoners, die den katholieken godsdienst beleden in
hunnen godsdienst. Eenigen tijd gingen de zaken der West-
indische Compagnie voorspoedig. Zij rustte in de eerste
vijftien jaren van haar bestaan 800 schepen uit en had
24000 matrozen in haren dienst. Haar bloei duurde even-
wel niet lang: de Portugeezen verjoegen de Hollanders we-
der uit Brazilië.
-ocr page 135-
127
11.   Ook in Noord-Amerika stichtten onze voorvaderen ko-
loniën. De machtige, groote stad Nieuw-York is door Hol-
landers geslicht en had van hen den naam van Nieuw-Am-
sterdam ontvangen. Vele voorname mannen van Nieuw-York
dragen nog Ilollandsche namen. Bij latere oorlogen werd die
schoone kolonie ons door de Engelschen ontnomen.
12.   Ofschoon de handel op Oost- en West-Indië den groot-
sten bloei aan ons vaderland gal\', waren er echter ook nog
andere takken van handel en zeevaart, die veel welvaren
verspreidden. Hiertoe behoorde in de eerste plaats de haring-
visscherij. Ilonderde buizen gingen jaarlijks ter haringvangst,
en de gekaakte haring werd geheel Europa door verzonden.
Ook hield de walvischvangst vele schepen in de vaart. In het
midden der zeventiende eeuw telde men in ons vaderland
180 walvischvaarders; en die visscherij noemde men nog maar
■ de kleine visscherij", terwijl de haringvangst -de groote
visscherij" werd genoemd.
XXV.
WETENSCHAPPEN EN KUNSTEN IN DE XVIIe EEUW.
1.   Men kan zich voorstellen, welke algemeene welvaart door
dezen handel in geheel Nederland verspreid werd. Wel is waar
plukten Holland en Zeeland de grootste voordeelen daarvan,
doch ook de andere provinciën deelden in die voordeelen. Im-
mers de nijverheid en het fabriekwezen bloeiden door den han-
del, even als deze op hunne beurt de zeevaart bloeien doen.
Ieder, die werken kon en werken wilde, kon werk vinden,
zoodat de armoede in ons land veel minder bekend was
dan in andere landen.
2.  Hierbij kwam dat onze voorouders, over het algemeen ge-
nomen, zeer bedachtzaam en zeer spaarzaam waren. Zeer wei-
nigen verteerden meer dan hunne inkomsten toelieten; maar
zeer velen bespaarden ieder jaar wat op hunne inkomsten. Zoo-
doende was er weinig behoefte en gebrek in ons land. De
-ocr page 136-
128
voornaamste mannen, die machtige steden, als Amsterdam,
ja, die een geheel gewest bestierden, leefden als eenvoudige
burgers. De groote raadpensionaris Jan de Wit hield slechts
één knecht. En koningen en vorsten zochten de vriendschap
van Jan de Wit\' Gedurende bet twaalfjarig bestand ging
prins Maurits op zekeren dag \'wandelen met den ge/.antvan
den Franschen koning. Zij zagen daar eenige mannen uit
eene schuit gekomen, die, in het gras gezeten, hun brood met
kaas aten: prins Maurits groette hen, tot verwondering van
den Franschen. -Die mannen," hernam prins Maurits, -zijn
de afgevaardigden van West-Friesland ter vergadering van de
Staten van Holland."
3.   Evenwel ontzegden zich de Hollanders der zeventiende
eeuw niet allen luister en pracht. Zij bouwden sterke en prach-
tige huizen , van binnen rijk versierd als kleine paleizen.
Men vindt er zoo nog velen (vooral van de 2\'helft der eeuw)
op de Hoeren- en Keizersgracht van Amsterdam. Meubelen,
tapijten, linnengoed, kleederen, nagenoeg alles werd van
de beste stoffen gekozen. Onze voorvaders beminden vooral
het duurzame en stevige. De rijke fainiliën spreidden ook
eene groote pracht ten toon van kostbare gouden sieraden,
van paarlen en juweelen, die van ouders op kinders over-
gingen en in de familie bewaard werden.
Over het algemeen waren de Nederlanders der zeventiende
eeuw in hun dagelijkse!) leven zeer matig en eenvoudig. Zij be-
minden echter bij feestelijke gelegenheden groote en kostbare
maaltijden, Üe schutterijen, de gilden in de steden richtten ge-
woonlijk eenmaal \'sjaars dergelijke feestmaaltijden aan, die
veel geld kostten. Ook bij bruiloften, bij doopplechtigheden,
bij begrafenissen werden groote maaltijden aangericht; maar
behalve bij die gelegenheden, heerschten er algemeeue zuinig-
heid en spaarzaamheid.
4.   In de achtiende eeuw begonnen de Fransche manieren
meer ingang in ons land te vinden en ging de aloude een-
voud en daarmede de welvaart te niet.
Eveu als het midden en de tweede helft der zeventiende
-ocr page 137-
129
eeuw de bloeitijd is van de macht der Nederlandsche repu-
bliek en de bloeitijd van baren handel, zoo is het ook die
van bare -wetenschap en kunst.
5. Hoezeer onze voorvaderen ook bet werkdadig leven, han-
del zeevaart en nijverheid beminden, achtten zij toch weten-
schap en kennis zeer hoog. Wij hebben u reeds verhaald
hoe de stad Leiden, na hel ontzet in 1573, tot loon voor
hare dappere verdediging eene hoogeschool verlangde, ledere
provincie wilde nu spoedig hare eigene hoogeschool hebben.
Groningen stichtte er eene 1U14, Utrecht in 1U36. Ook
te Franeker in Friesland, te Deventer in Overijsel, te
Harderwijk in Gelderland werden\' dergelijke hoogescholen
gesticht. De regeeringen der verschillende provinciën deden
haar best om aan die hoogescholen geleerde mannen te roe-
pen. Onder deze muntte uit Justus Lipsius. die professor te
Leiden was, doch katholiek en later te Leuven een be-
roemd professor in de oude talen werd; verder Vossius,
insgelijks hoogleeraar in de letteren, en anderen, te veel orri
te noemen. De akademie van Leiden was beroemd door
haar uitstekend onderwijs in de ürieksche en Latijnsche
taal en letteren; want ïn de zeventiende eeuw waren die
talen en de daarin geschrevene boeken zeer geacht, leder,
die een geleerd vak beoefende, moest behoorlijk het La-
tijn kunnen spreken en schrijven. Onze voorouders waren
dan ook zeer groote bewonderaars der oude letterkunde.
Zij poogden de schoonste schrijvers in die talen na te vol-
gen: zoo wilde de Nederlandsche geschiedschrijver Hooft
den Latijnsche Tacitus en de groote dichter Joost van den
Vondel de treurspeldichters der Grieken navolgen. In schil-
derijen, in verzen, ja in aardigheden van het dagelijk-
sche leven zinspeelden de Nederlanders der zeventiende
eeuw telkens op de oude heidensche labelleer. Zij doden
uiet anders dan hetgeen al hunne tijdgenoolen deden; doch
de goede begrippen en de goede smaak leden daardoor wel
eens. Gelukkig was er bij de Nederlanders in die tijden een
echt Nederlaudsch gevoel, en dit bracht te weeg dat die
9
-ocr page 138-
130
navolging der oude Grieken en Romeinen minder kwaad deed
dan men had kunnen verwachten.
6.   Wij kunnen niet alle groote geleerden, dichters en kun-
stenaars der zeventiende eeuw noemen; zij zijn te veel in getal.
Wij zullen slechts op eenige van de voornaamsten uwe
aandacht vestigen.
7.   llugo de Groot is u reeds bekend, doordat hij te gelijk
met Oldenbarneveld werd gevangen genomen en op zulk eene
zonderlinge w ijze ontvluchtte. Hij was een buitengewoon groot
geleerde: in rechtsgeleerdheid, geschiedenis, talen en god-
geleerdheid muntte hij evenzeer uit. Hij heeft werken over
de rechtsgeleerdheid geschreven, die zelfs\' nu nog gezag
hebben. Uok schreef hij eene geschiedenis van de voornaam-
ste gebeurtenissen, dié gedurende zijn leven in de Neder-
landen hebben plaats gehad. Door geheel Europa was hij
vermaard: de Eransche koning Lodewijk XI11 eerde hem
hoog en wilde hem naar Frankrijk lokken; de koningin
van Zweden, Christina, wist hem te overreden naar haar
land te komen. Eu uit zijn eigen vaderland was hij tenge-
volge van burgertwisten verbannen! Hij werd de afgezant
der Zweedsche koningin en vervulde zeer gewichtige staats-
betrekkingen. Eindelijk stierf hij te Rostok aan de Oostzee.
Door zijne godgeleerde studiën kwam hij in de laatste jaren
zijns levens er toe, om meer geloof te hechten aan de waar-
heid der katholieke Kerk.
8.   Pieter Hooft Cornelisz. was de zoon van een machtig
Amsterdamsen burgemeester. Hij schreef een boek: Neder-
landsche historiën, die nog algemeen bewonderd worden.
Hooft was .een man van uitgebreide kundigheden. Hij schepte
er een groot vermaak in, geleerde mannen, dichters en letter-
kundigen om zich heen te zien. Hij was drossaard van Mui-
den^ dat is, hij was met de recbtsbedeeling en politie te Mui-
den en in de omstreken belast. Als dusdanig had hij het recht
het slot te Muiden te bewonen. Hier verzamelde hij de uit-
stekendste geesten om zich heen: Constantijn Huyghens, de
dochters van Roemer Visschers, van welke de jongste, begaafd
-ocr page 139-
131
met vele vrouwelijke deugden en talenten, den bijnaam van
Tesselschade had (naar een verlies dat baar vader geleden had
door bet vergaan van schepen bij Tessel), Kaspar van Baerle
en meer anderen.
9.  Maar boven allen blonk uit door grooten geest Joost van
den Vondel, de grootste dichter die Nederland en een
van de grootste dichters die Europa ooit gehad heeft.
Hij behoorde tot den deftigen burgerstand. Hij had een
kousenwinkel in de Warmoesstraat te Amsterdam. Op zijn
ouden dag in behoefte vervallen, kreeg hij een postje aan de
bank van leening. Meer konden Burgemeesteren hem niet
geven, -want Vondel bad, na rijp beraad, den katholieken gods-
dienst omhelsd. Ofschoon dus niet de aanzienlijkste, was hij
stellig de grootste der mannen die op het slot van Muiden bij-
eenkwamen. Hij is de dichter van den Gijsbreght van Aemstel,
van den Lucifer, van de Altaergeheimnissen en andere heerlijke
dichtwerken. Hij stierf ruim negentig jaren oud. De tijd, waarin
hij leefde, was de tijd waarin Frederik Hendrik zijne over-
winningen behaalde, waarin de Nederlanders Oost en West
veroverden, waarin zij de nijverste burgers en grootste han-
delaars van Europa waren. Daarom moge men er ook van
zeggen: >dien gulden tijd moet Holland nooit vergeten!"
10.  Te gelijk met Vondel leefde een ander dichter, wiens
naam zeer bekend is, Jacob Cats. Hij is als dichter op verre
na niet bij Joost van den Vondel te vergelijken; doch onze
voorvaderen hielden zeer veel van zijne gedichten. Gedu-
rende geheel de achttiende eeuw vond men bij de Nederlan-
ders, die aan de oude zeden en gewoonten hechtten, bijna
altijd naast elkander: de Statenbijbel en de gedichten van Ja-
cob Cats. De katholieke Nederlanders echter hielden niet
veel van het eene, noch van het andere boek. Cats was
een tijdlang raadpensionaris van Holland, doch als staats-
man was zijne bekwaamheid niet groot.
11.  Niet minder dan de dichters zijn de schilders der zeven-
tiende eeuw beroemd. Wien is de naam onbekend van Rem-
brandt van Rijn? Op het museum te \'s Hage vind men zijne
-ocr page 140-
132
schilderij de Snijkamer, op hot Trippenkuis te Amsterdam
de Nachtwacht, beide wereldberoemd. Rembrandt heeft ech-
ter nog vele andere prachtige stukken geschilderd. Hij is
Hollands grootste schilder. Van der Helst is beroemd door
zijne schilderij de Schuttersmaaltijd. 1\'aulus Potter door zijne
landschappen met vee, waarvan een, de Stier van Potter ge-
lieetcn . een sieraad is \\an het Haagscue museum. Verder
muntten uit Jan Steen, als schilder \\au kluchtige huiselijke
tafereelen; Uobbeina en Ruysdael als landschapschilders;
Gerard Douw en meer anderen.
12.   l)o bouw- en beeldhouwkunst -werden iu de eersteen
tweede helft der zeventiende eeuw in ons vaderland niet
minder beoefend: hiervan strekken de prachtige praalgraven
van Michiel de Ruyler, van Galen en anderen tot getuige:
de beroemdste bouwmeester was Jacob van Campeu, die het
Stadhuis (nu Paleis) van Amsterdam heeft gebouwd.
13.   Een man moeten vwj vooral niet vergeten, een eenvoudig
timmerman in het dorp de Rij]), in Noord-Holland. Die man
heeft in ons land meer stoffelijk nut gesticht dan een groot veld-
heer o!\'een groot kunstenaar: hij heette Leeghwater! Hij heeft
de watermolens, zoo niet uitgevonden, dan toch verbeterd.
Door zijn beleid heeft men er in kunnen slagen, een aantal
meren in Noord-Holland droog te maken. Het grootste daarvan
was de Beemster, die iu 1614 is droog gemaakt; verder de
Purmer, de Woriner, de Schermer. Verscheidene duizende
bunders vruchtbaar land werden aldus \\an onder het water te
voorschijn geroepen, om nijvere landbouwers te ontvangen.
14.  Te gelijker tijd verrijkten andere Nederlanders ons vader-
land en Europa met nuttige uitvindingen. Cornelis Drebbel
vond den thermometer en het microscoop uit; Christiaan
Huygheus de slingeruurwerken; Janssen te Middelburg de
verrekijkers.
15.  Terwijl de zeven provinciën aldus bloeiden, terwijl vooral
Holland een verbazend welvaren genoot, bleven Noord-Bra-
bant en het hedendaagsehe Limburg van alle die voordeden
•verstoken. Zij werden als overwonnen gewesten behandeld,
-ocr page 141-
133
de inwoners buiten bedieningen en «aardigheden gehouden en
door Ilollandsclie of\'andere baljuws geregeerd, die hun de
dierbaarste vrijheid, die van hunnen godsdienst te mogen uit-
oefenen, voor geld verkochten. De meeste steden waren ves-
tingen en dus garnizoensteden. Zij stonden ;ds dusdanig on-
der bet beheer der gouverneurs, die door de staten-gcneraal
gezonden werden. Noord-Brabant en Limburg bleven zoo
van de voorrechten der andere provinciën verstoken.
XXVI.
WILLEM II, STADHOUDER.
1.   Na den dood van Frederik Hendrik werd diens zoon Wil-
lem 11 stadbouder van Holland. Zeeland, Utrecht, Gelder-
land en. Overijssel. Groningen , Drenllie en Friesland hadden
een anderen stadbouder, Willem Frederik, die een kleinzoon
was van Jan, broeder van prins Willem van Oranje. Wil-
lem II, die in 1G47 zijnen vader opvolgde, was nog maar
een en twintig jaren oud. liet sluiten van den vrede van
Munster geschiedde niet met zijne volkomene toestemming;
maar de staten van Holland en in deze de stad Amsterdam
dreven het sluiten van dien vrede door. De prins was vooral
tegen den vrede, omdat daardoor zijn aanzien en macht
verminderden, want hij was opperbevelhebber des legers.
Er ontstonden spoedig nog andere oorzaken van spanning
tusschen hein en de staten van Holland.
2.   De staten en daarin vooral de stad Amsterdam wilden
door afdanking van een groot gedeelte van het krijgsvolk
de onkosten, welke dat volk veroorzaakte, verminderen. De
prins was hiertegen. Hij werd ondersteund door de Iand-
provinciën, zooals Utrecht enz. Deze waren gewoonlijk ge-
williger om uitgaven voor het leger te doen, terwijl de zee-
provinciën die liever voor de vloot besteedden. Ook waren
die landprovinciën naijverig op het groote woord, dat Hol-
land in de staten-gcneraal voerde. Zij waren derhalve zeer
-ocr page 142-
134
verbitterd op Holland en vooral op Amsterdam. De prins
was dit niet minder; hij kon den tegenstand, dien de ste-
delijke regeeringen hem boden, niet verdragen. Daarbij
kwam dat ettelijke dier stadsregenten gezegd hadden, dat
men het zeer wel buiten een stadhouder kon reeden, liet
verschil over het afdanken van het krijgsvolk, dat eigenlijk
een geschil «as over de vraag, wie meester waren, de staten-
generaal of de provinciale staten, werd heviger. Holland be-
sloot van de troepen, welke het betaalde, zooveel te ontslaan
als het verkoos. Hierop namen de stateu-geueraal het besluit,
eeue bezending al\' te vaardigen, om de steden van Holland
van dit plan al\' te brengen. Prins Willem II zou aan het
hoold daarvan staan. Men verwachtte dat zijne tegenwoor-
digheid in vele steden de regenten wel tot andere gedachten
zou brengen. Immers de menigte was gewoonlijk prinsge-
zind,
terwijl de aanzienlijken in den regel staatsgezind wa-
ren; want geheel hel land was in die twee partijen verdeeld.
Ook vreesde men dat de prins soldaten onder zijn gevolg
zou opnemen, om de halstarrige stadsregeeringen, met krijgs-
volk, naar zijnen zin te zetten. De bezetting van Willem II
werd dan ook in de meeste Hollandsche steden slecht ont-
vangen; sommigen verzochten van zijn bezoek verschoond te
blijven. Amsterdam wilde hem wel ontvangen als stadhouder,
maar niet als alge vaardigde der staten-generaal: hetwelk be-
teekende dat die stad de macht der staten-generaal in de
punten van geschil niet wilde erkennen.
3. Willem II was driftig en voortvarend; hij bezat niet de
gematigdheid van zijnen vader, die gewoon was met de Hol-
landsche stadsregeeringen om te gaan. Daarom besloot de
jonge prins geweld te gebruiken. Hij liet zes der voornaamste
mannen van de staatsgezinde partij , die hem het meest
tegenwerkten, gevangennemen en naar Loevestein brengen.
De voornaamste van deze was Jacob de Wit, burgemeester
van Dordrecht en vader van den beroemden raadpensionaris.
Naar die gevangenis op Loevestein werden die heeren en hunne
aanhangers later de Loevesteinsche tactie (partij) genoemd.
-ocr page 143-
135
4. Maar Willem II besloot nog heviger maatregelen te
nemen. Hij wilde Amsterdam met soldaten overrompelen
en er dan alles naar zijnen wil zetten. Was Amsterdam
eenmaal ten onder gebracht, dan zouden alle andere steden
wel uit vrees den stadhouder te wille zijn. Om zich dan
meester van die stad te maken, zond hij Willem Frederik,
stadhouder van Friesland, aan het hoofd van een troep sol-
daten af, die onverwachts dat krijgsvolk binnen de stad
zou brengen; maar het verdwaalde op de Ililversumsche
heide. Een wachtpost, die het voorbijreed, bracht de tij-
ding naar Amsterdam dat er soldaten in aantocht waren.
Terstond lieten de burgemeesters de poorten sluiten. eenige
schepen op het Y wapenen. en alles in gereedheid brengen,
om tegenweer te bieden. Zelfs maakten zij zich gereed, het
land rondom de stad onder water te laten loopen. Toen
Willem Frederik zag dat de aanslag ontdekt was, trok hij
onverrichter zake terug. Dit alles geschiedde in 1050.
5. Hierop kwam Willem II zelf voor Amsterdam, en nu
werd eindelijk de zaak in der minne geschikt. De stedelijke
regeering beloofde den prins met alle eerbetuigingen te ont-
vangen: er zou niet meer krijgsvolk afgedankt worden, dan
de staten-generaal vaststelden; de Loevesteirtsche gevangenen
zouden in vrijheid gesteld worden en prins Willem II zou
zijn krijgsvolk laten terugtrekken.
Zoo werd de eensgezindheid tusschen den stadhouder en
de staatsgezinde partij, althans voor het oog, hersteld. De
oorzaken van tweedracht bleven echter bestaan; hun weder»
zijdsche naijver en het geschil hoever zich hun gezag uit-
strekte. Had Willem II langer geleefd, dan zonden er waar-
schijnlijk weder nieuwe twisten zijn ontstaan. Hij stierf
eehter nog datzelfde jaar 1650 aan de kinderziekte. Hij was
nog geen vijf\' en twintig jaren oud. Zijne echtgenoote, die
eene dochter was van Karel I, koning van Engeland, beviel
acht dagen na zijnen dood van eenen zoon, Willem III.
6. De onverwachte dood van Willem II bracht eene groote
verandering in den toestand der zeven provinciën teweeg. De
-ocr page 144-
136
staatsgezinde partij vatte nieuwen moed. Dordrecht benoemde
veder terstond Jacob de Wit, die door den prins op Loevestein
gevangen gezet was, tot zijnen burgemeester. Ook andere
steden pianisten weder grootc tegenstanders van de stadhou-
derlijke regeering in het bestuur. In geheel Holland waren
de staatsgezinden wederom meester. Om de instelling der stad-
houderlijke regeering in liet vervolg te voorkomen, noodigdcu
zij de andere provinciën uit tot eene groote algemeene ver-
gadering der staten van ieder gewest. Op die vergadering
zou men besluiten nemen hoe men verder de regeering zou
instellen. Alle provinciën namen hierin genoegen, doch Gro-
ningen benoemde al vast den stadhouder van Friesland, Wil-
lem Frederik, tot zijnen stadhouder. De staten van Holland
namen insgelijks, nog voor de bijeenkomst der groote ver-
gadering, een belangrijk besluit: zij stelden namelijk vast,
dat voortaan de vroedschappen der steden zelven hare bur
gemeestcrs en wethouders zouden benoemen en niet meer,
zooals vroeger, de .stadhouders uit personen door de steden
voorgesteld. Door dit besluit maakten de voorname familien
in de lloliandsehe steden zicli geheel en al meester van de
regecring en ontnamen zoowel aan de stadhouders als aan
de burgerijen allen invloed op die benoemingen, tot onte-
vredenheid van velen.
7. De groote vergadering kwam den 18" Januari 1651 te
\'s Gravenhage bijeen. De dichter Jacob Cats was raadpensio-
naris van Holland en leidde de vergadering. Daarin werden
besluiten genomen, waarvan het gevolg was dat er geen
nieuwe stadhouder werd aangesteld, evenmin als een niéuwe
kapitein-generaal der Unie, dat is, een oppelbevclbebber
van het leger der staten/generaal.
Het tijdvak van 1650 tot 1672, toen Willem III stadhou-
derwerd, wordt gewoonlijk het eerste sladhouderloozc tijdvak
genoemd, wijl vijf provinciën, waaronder Holland, geene
stadhouders hadden. In Friesland en Groningen was er wel
een, Willem Frederik, en later diens zoon.
Op de groote vergadering van 1651 verschenen afgevaar-
-ocr page 145-
137
digilen van Staats-bYabaul (liet tegenwoordige Noord-Brabant)
en van Drenthe. Deze moesten verzoeken dat beide gewesten
als leden der Unie zouden opgenomen worden, dat is, dat zij
aandeel in de regeering der republiek zouden hebben. Drenthe
regeerde zjch zelf, doch mocht geene afgevaardigden ter
Staten-generaal zenden: dus het had niets te zeggen in liet
algemeen beheer der republiek; maar Noordbrabant werd
geregeerd door mannen, welke daartoe uit de zeven provin-
ciën werden benoemd. De groote reden van dit onderscheid
was : dat men Noord-Brabant als overwonnen land behandelde,
wijl men den Katholieken geene gelijke rechten met de
Hervormden wilde vergunnen. Dit was ook het geval met
het tegenwoordige Limburg, liet verzoek der afgevaardigden
van Slaats-Brabant en Drenthe werd\'dan ook algeslagen.
3. Gedurende het stadhoudcrlooze tijdvak namen de provin-
ciale staten nog meer de macht in handen, dan zij die reeds
bezaten. In iedere stad geraakte de regeering in het bezit van
eenige weinige voorname familiën, die elkander wederkeerig
ondersteunden en wel zorgden dat de burgerij geen aandeel
in hel beheer van stad of gewest kreeg. Zoodoende werd
eerlang de bevolking der steden gesplitst in regenten-fami-
liën en burgers. De eersten hadden alle posten en bedienin-
gen in handen; de anderen legden zich toe op handel en
nijverheid; zij voeren er daarom niet te slechter bij. Het
was vooral de staatsgezinde partij, welke deze familie-regee-
ring bevorderde.
9. Het hoofd der staatsgezinde partij in Holland, en men
mag zeggen in alle provinciën, was Jan de Wit. Deze was
de zoon van Jacob de Wit, den burgemeester van Dordrecht,
van wien wij reeds gehoord hebben. Op zijn acht en twin-
tigste jaar werd Jan de Wit raadpensionaris van Holland.
Als dusdanig was hij de man, die het voornaamste beleid
der regeering in Holland in handen had. En Holland oefende
den grootsten invloed uit in de staten-generaal. Jan de Wit
verdiende die groote eer. Hij was een man van buiten-
gewone bekwaamheden; hij was ijverig, werkzaam, matigen
-ocr page 146-
138
eenvoudig in levenswijze. Hij was hoogst eerlijk, voor zich
zelven en voor den staat zuinig\'. Hoe ook overkropt met bezig-
heden, -wist hij evenwel nog tijd voor studiën te vinden. De
wiskunde was zijne lievelingwetenschap. Men verhaalt van
hem, dat een zijner vrienden hem eens vroeg, hoe hij toch
zoovele zaken kon doen. Zijn antwoord was: door twee zeer
eenvoudige oorzaken: ik doe ieder ding op zijn tijd en ik
doe nooit twee dingen te gelijk. Eene verstandige les !
10.   Jan de Wit was zeer ingenomen tegen het huis van
Oranje; hij stelde alle pogingen in het werk om te zorgen
dat de jonge Willem III geen stadhouder zou worden. Men
verhaalt dat zijn vader dien afkeer bij hem opgewekt zou
hebben ; dat de oude Jacob de Wit herhaaldelijk tot zijne
zoons zou gezegd hebben: -denk aan Loevestein!" dat is,
aan de beleediging bunnen vader aangedaan. Het is veel
waarschijnlijker dat Jan de Wit zoo sterk tegen het huis van
Oranje zal geweest zijn, wijl hij dacht dat dit zijn plicht was.
Als raadpensionaris was bij de dienaar der staten van Hol-
land: deze erkende bij als zijnen heer. Geen wonder dat bij
meende zijn plicht te doen, door voor de rechten van die
staten te strijden,
11.   Jan de Wit is negentien jaren lang , van 1653 tot 1G72,
raadpensionaris van Holland geweest. Die negentien jaren be-
hooren tot de schoonste bladzijden van de geschiedenis
onzes vaderlands: niet juist om den oorlogsroem dier da-
gen (want die roem wordt altijd zoo duur gekocht), maar
omdat in die tijden onze voorvaders door moed, volharding,
geestkracht, nijverheid en arbeidzaamheid zich de achting van
alle volken waardig betoonden.
XXVII.
EERSTE ENGELSCHE OORLOG.
I. In Engeland hadden gewichtige gebeurtenissen plaats
gegrepen, die op ons vaderland een grooten invloed uit-
-ocr page 147-
139
oefenden. Er was een burgeroorlog ontstaan tusschen den
koning, Karel I, en een gedeelte zijner onderdanen. De partij
des konings had de nederlaag gekregen. Karel I zelf was ge-
vangen genomen en werd den 31n Januari 1049 voor zijn
eigen paleis oiithoold, alsof hij een gemeene misdadiger was
geweest. De overwinnaars verklaarden Engeland voor eene
republiek. Olivier Cromwell, de aanvoerder van het leger
der vijanden des konings, geraakte aan het hootd der regee-
ring en oelénde met groote bekwaamheid een gezag uit,
grooter dan dat eens konings. Nu was Willem lil de zoon
eener dochter van den onthoofden koning Karel I. De repu-
blikeinsebe partij in Engeland begreep dat daarom de prins
van Oranje, zoo hij tot mannelijke jaren kwam en eenmaal
stadhouder werd, voor haar gevaarlijk kon worden. Daarom
begeerde Cromwell de uitsluiting van den jongen prins van
alle waardigheden zijns vaders. Daarbij kwam dat de Engel-
schen zeer jaloersch waren op den Uollandschen handel.
Zij konden niet verdragen dat de Hollanders liet eerste
zeevarende volk der wereld waren. Alle maatregelen, die
derhalve door de Engelsche regeering genomen werden om
den handel van Holland te benadeelen, waren bij het volk
welkom. Cromwell stelde uu voor, dat de zeven provinciën
gezamenlijk met Engeland, Schotland en Ierland eene groote
republiek zouden vormen. Dit werd, gelijk te verwachten
was, door de Nederlanders beleeldelijk van de hand gewe-
zen. Zij begeerden een volk op zich zelve te blijven; zij
begeerden niet doop eene machtige natie overheerd te wor-
den. Cromwell besloot nu de Ilollandscbe scheepvaart zoo-
veel in zijn vermogen was te benadeelen. Hij gaf eene wet,
akte van navigatie (scheepvaartwet) geheeteu. Bij deze wet
werd bepaald dat geene goederen in Brittannië mochten in-
gevoerd worden dan op Britscbe schepen, of met schepen
uit het land waaruit die goederen afkomstig waren, Om aan
die wet kracht te geven, onderzochten de Engelsche oor-
logsschepen alle koopvaardijschepen. Ook begeerden de En-
gelschen dat de schepen van alle natiën en voornamelijk
-ocr page 148-
140
de Hollandsche voor hunne schepen ile vlag zouden strijken,
ten bewijze van onderdanigheid.
2.   Het laat zich hegrijpen dat de Nederlanders met deze
wet niet tevreden konden zijn; want het was er voorname-
lijk op gemunt, hunnen handel ten voordeele der Engelschcn
te vernietigen. Zij toch hadden verreweg de meeste koopvaardij-
schepen; men begrootte die op duizend, en een zeer groot
gedeelte daarvan voer met handelsartikelen uit andere lan-
den naar Engeland. De staten zonden derhalve gezanten naar
Engeland, om de gehate akte van navigatie vernietigd te krijgen-
Vruchteloos. De Engelschcn gingen voort niet de Hollandsche
koopvaardijvloot te onderzoeken en aan te houden. Dit kon-
den de staten niet gcdoogen. Zij gaven den admiral Maarten
Harpertszoon Tromp hevel, met ecne vloot zee te kiezen, om
de scheepvaart der Nederlanders te beschermen. Tromp ontving
echter last, alle vijandelijkheden te vermijden. Zijne vloot
ontmoette op zee die der Engelschcn onder Dlake. Deze be-
weerde dat Tromp voor hem de vlag moest strijken, en de-
wijl hij dit niet spoedig genoeg deed, tastte hij hem aan.
Het kwam tot een gevecht, waarbij de overwinning niet be-
slist werd. Hiermede begon de eerste Engelsche oorlog.
3.   De tijd der Engelsche oorlogen is de tijd van den
grootsten roem der Nederlanders op zee. Nooit heeft één
land drie zulke groote zeehelden te gelijk kunnen aanwijzen
als de oude Maarten Tromp, diens zoon Cornelis Tromp en
Michiel Adriaanszoon de Ruyter. Over eerstgenoemde hebben
wij reeds gesproken. Cornelis Tromp deed weinig voor zijn
vader onder; maar Michiel de Ruyter overtrof hen beiden. Hij
was te Vlissingen geboren; zijne ouders waren behoeftige
lieden. Als knaap moest hij in eene lijnbaan zijn brood ver-
dienen. Later ging hij op een koopvaardijschip. In die tijden
werden niet, als thans, jongelingen op eene kadettenschool tot
den zeedienst opgeleid, maar zij moesten op zee van onder
af aan beginnen. Zoo klom Michiel de Ruyter op van scheeps-
jongen, totdat hij eindelijk admiraal werd. Hij verdient de
achting aller Nederlanders niet alleen om zijne heldendaden,
-ocr page 149-
141
maar ook om zijne eenvoudigheid en nederigheid. Hij vloekte
nooit en wist dus het scheepsvolk de grootste achting in te
boezemen.
4.   Behalve deze drie telde ons vaderland in de dagen der
Engelsche oorlogen nog verscheidene andere bevelhebbers,
die zich ter zee grooten roem verworven hebben. Hieronder
de Evertsen, die admiralen van Zeeland varen. De vader en
lijf zoons dienden hun vaderland op zee en stierven allen
den dood in het gevecht; verder Jan van Galen, die in 1653
de Engelsche vloot met ver van Livorno aan de Italiaansche
kust overwon en daarbij het leven verloor. Een prachtig
praalgraf in de Nieuwe kerk te Amsterdam herinnert ons
nog aan hem.
Het zou moeielijk vallen, alle gevechten mede te deelen,
die gedurende den eersten Engelschen oorlog voorvielen.
Overal handhaafden de Nederlanders den roein van hunnen
naam; overal betoonden zij zich de uitnemendste zeelieden.
Maar over het algemeen hadden de Engelschen grootere en
talrijker schepen, en in den eersten Engelsche oorlog vierden
zij ook uitmuntend bestuurd, zoodat alles in orde was. Dit
was het geval niet tijdens den tweeden Engelschen oorlog,
waarover wij later zullen handelen.
5.  Onder de zeegevechten van den eersten Engelschen oorlog
is vooral de driedaagsche zeeslag vermaard. De admiraal Maar-
ten Tromp was in het begin van 1G53 met eeue vloot van
63 oorlogschepcn uit Hellevoetsluis uitgezeild. Hij moest eene
rijke vloot van 150 koopvaardijschepen, die door het En-
gelsche kanaal zou komen, beschermen, opdat zij niet in de
handen der Engelschen zoude vallen. Den 28° Februari ont-
moette hij den Engelschen admiraal Blake met 70 oorlogsche-
pen. Nu begon er een allervreeslijkst gevecht tusschen de
beide vloten. Van beide zijden werd met de grootste dapper-
heid gestreden. De nacht scheidde de strijders, die den vol-
genden dag het gevecht weder begonnen. Insgelijks werd het
den daaropvolgenden dag herhaald. Tromp had eindelijk ge-
brek aan kruit en lood, doch gelukkig hielden toen de En-
-ocr page 150-
142
gelschen af. De Hollandsche admiraal slaagde er in de koop-
vaardijvloot behouden binnen te brengen; doch ter nauwer-
nood waren nog vijf en twintig oorlogschepen in staat om
te vuren. Zoo eindigde de driedaagsche zeeslag, eendcrver-
maardste in onze geschiedenis. Den 8" Augustus geraakte
Tromp wederom in gevecht met de Engelsche vloot die de
Hollandsche kust onveilig maakte, en twee dagen later weder
niet ver van den Hoek van Holland. Hier werd hij door een
kogel doodelijk getroffen. De Ruyter en Evertsen, die onder
Tromp dienden, namen het opperbevel op zich; de En-
gelschen deinsden af en lieten het gevecht onbeslist, doch de
Hollandsche kust was van hunne aanvallen bevrijd.
6.   Over het algemeen kan men niet zeggen, dat een van
de beide oorlogvoerende volken eene beslissende overwinning
over het andere behaalde; maar onze koophandel had verba-
zend veel van den oorlog te lijden. De nering en nijverheid
stonden stil, zoodat in Amsterdam drie duizend huizen ledig
stonden. Dit bewoog de Nederlandsche staatslieden met En-
geland over den vrede te onderhandelen. Deze werd in het
jaar 1654 gesloten. Holland verbond zich daarbij in het ge-
heim, den prins van Oranje nimmer als stadhouder noch als
kapitein-generaal der Unie te erkennen. Deze overeenkomst
noemde men de alcte van seclusie (uitsluiting). Ook moesten
de staten-generaal de navigatie-akte erkennen.
7.   Deze akte van seclusie wekte onder de vrienden en aan-
hangers van den prins van Oranje groote ontevredenheid op;
maar de staatsgezinde partij, die het huis van Oranje geen
goed hart toedroeg, was er volstrekt niet ontevreden over.
De wrok der stadhoudersgezinden liet zich ook eerst later
gevoelen. Thans was ieder blijde dat de vrede was gesloten
en dat de handel, zeevaart en nering herleefden. De handel
was het groote voorwerp van zorg van de regeering der ze-
ven provinciën, maar vooral van Holland. Daarom werd
zij in menigvuldige oorlogen gewikkeld. Zoo geraakte zij in
1658 in oorlog met Zweden. De koning van dat land deed
Denemarken den oorlog aan. Nu vreesden de staten-generaal
-ocr page 151-
143
dat in geval de koning van Zweden overwinnaar bleef, hij
geheel en al meester zou worden van den Sont. Dit zou
meer nadeelig voor den handel der republiek geweest zijn,
die groote scheepvaart op de Oostzeelandeu had. Immers de
koning van Zweden kon dan, indien hij meester van de Sont
was, onzen schepen beletten die door te varen. Daarom be-
sloten de statengeneraal de Denen te helpen. De admiraal
Wassenaar van Obdam w erd hiertoe met eene vloot naar de
Oostzee gezonden. Ook Michiel de Ruyter werd in 1659
derwaarts gezonden. Door deze hulp der Nederlanders kon-
den de Denen zich tegen den koning van Zweden ver-
dedigen en in 1060 een voor hen voordeeliger vrede
sluiten.
8.   In datzelfden jaar 1660 veranderde de staat van zaken in
Engeland, ülivier Cromwell was gestorven en de Engelschen
riepen den zoon van hunnen koning Karel 1 terug, om ko-
ning te zijn. Hij aanvaarde de regeering onder den naam
van Karel II. Hij had van de staten-generaal gastvrijheid ge-
noten, toen hij vervolgd werd, en had onder hunne bescher-
ming stil in Breda geleeld. Hij nam het hun echter euvel
af, dat zij hem niet krachtdadig hadden willen ondersteu-
ner, om zijn rijk te herwinnen. Ook was hij ontevreden over
de akte van teelutie, waarbij de prins van Oranje, de zoon
zijner zuster, buiten de regeering der republiek gesloten
werd. Ook was Karel II zeer ondankbaar van aard. Toen hij
koning geworden was, werd door zijne bemoeiingen de akte
van teelutie
opgeheven; maar de prins van Oranje was nog
te jong om eenige waardigheid te verkrijgen. Daardoor bleef
de regering en de republiek op den ouden voet. Jan de
Wit \'was alvermogend.
9.   Hoezeer, na het eindigen van den eersten Engelschen
oorlog ons vaderland wederom tot grooten bloei geraakte,
zoo nam dit niet weg, dat het ook nog in die dagen te lij-
den had van het oude gebrek: burger- en godsdiensttwisten.
De burgertwisten waren wel niet zoo belangrijk als vroeger ;
maar toch berokkenden zij hier en daar nog al haal en ver-
-ocr page 152-
144
deeldheid tusschen burgers van dezelfde stad. De grootc oor-
zaak \\an die twisten \'«as, dat bijna in iedere stad eenige
weinige voorname familiën zich de geheele regeering aanma-
tigden en andere buitensloten, die dit niet wilden gedoo-
gen. In den regel bleven de voorname familiën, voor het
grootste deel staatsgezinden, meester. In Groningen vielen
er omstreeks den tijd, waarover wij thans spreken, dergelijke
hevige twisten voor, omdat de gilden aandeel in de stads-
regeering verlangden, hetgeen hun geweigerd werd.
10. Het hervormde kerkgenootschap was in die dagen ver-
deeld door de twisten tustchen twee professoren in de her-
vormde theologie, Voetius en Goccejus. Eerstgenoemde ver-
dedigde de oude gereformeerde leer in al hare gestrengheid,
terwijl de andere gematigder inzichten had. De staatsgezinde
partij hield het in den regel met de Goccejauen. Dit gaf
aanleiding dat vele predikanten tegen de stadsregeeringen
op den predikstoel smaalden; want zeer vele predikanten
mengden zich in hunne prcdikatién in regeeringszaken. Wan-
neer dit aan de overheden begon te vervelen, zulteden dezen
hen af of joegen hen de stad uit. Zoo maakten zich beiden,
predikanten en stedelijke legeringen, herhaaldelijk schul-
dig aan misbruik van den kansel of misbruik van gezag. Ook
de katholieke Kerk, die nog verdrukt was, werd in die
tijden bovendien bedroefd door eene scheuring, liet Janse-
nisme veroorzaakte die. Sommige priesters omhelsden leer-
Stellingen, die door den Paus veroordeeld werden en wil-
den zich niet onderwerpen. Zij stichtten afzonderlijke ge-
meenten en riepen de hulp der overheden in. De/.e begun-
stigden hen en wilden meer dan eens de getrouwe priesters
uit hunne kerken verjagen, om die aan de Jansenisten te
geven, Dit belette niet dat de groote menigte Katholieken
aan den Roomschen l\'aus gehoorzaam bleef en het getal Jan-
senisten steeds kleiner en kleiner is geworden.
-ocr page 153-
145
XX VIII.
TWEEDE ENGELSCHE OORLOG.
1.   Wij hebben reeds verhaald dat de nieuwe koning van
Engeland, Karel 11, weinig gevoel van dankbaarheid bezat:
hij vergat volkomen dat de Nederlandsche republiek hem
herberg/.aamheid verleend had, toen hij geheel verlaten
in de wereld was. Wij hebben ook verhaald hoe de Engel-
schen zeer naijverig waren op den bloei van den handel en
zeevaart der Hollanders: zij benijdden dien en uilden die bron-
nen van welvaart tot zich trekken. Alles, watden llollandschen
handel kon benadeelen, was welkom in het oog van het Engel-
sche volk. Aan dezen naijver moet men het wijten, dat ons
vaderland in vroegere tijden zooveel keeren in oorlog met
de Engelschen is geraakt. Dit geschiedde ook al weder spoedig
nadat Karel II koning van Engeland was geworden.
2.   De Engelschen begonnen niet llollandsche koopvaardij-
schepen weg te nemen, voor buit te verklaren en Ie ver-
koopen: wat niets anders was dan roof in bet groot. Doch
in vroegere ecuwen werden er schier bij iederen oor-
log dergelijk geweld en onrechtvaardigheid gepleegd. Daarom
en ook om andere redenen moet men den oorlog altijd als
eene zeer noodlottige zaak beschouwen.
Nog voorde oorlog verklaard was, maakten zich de En-
gelschen meester van Nieuw-Amsterdam, eene volkplanting
der Nederlanden in Noord-Amerika. Zij behielden die in
lateren tijd en noemden die stad New-York. Toen was
het nog eene kleine, onbeduidende plaats; maar thans is het
eene stad, viermaal zoo groot als Amsterdam. Onze voor-
ouders, hoc werkzaam ook en hoe vol beleid, waren op den
duur niet in staat al die volkplantingen te bewaren. Ons
land was te klein en telde te weinig inwoners, om vele
landverhuizers op te leveren. Waren de noordelijke en zui-
10
-ocr page 154-
14G
delijke Nederlanden maar niet van elkander gescheiden ge-
weest! Dan waren Brabanders en Vlamingen met Hollanders
en Zeeuwen medegegaan, om nieuwe volksplantingen Ie stich-
ten! Dan waren deze talrijk en machtig geweest! Dan ware
misschien nu Ncderduitsch in plaats van Engelsch de taal
van een groot deel der Verecnigde Staten van Noord-Amerika!
Maar de haat der Kalvinisten tegen de Katholieken had den
band der eenheid in 1573 verscheurd, gelijk wij u reeds bij
vroegere gelegenheid verhaald hebhen.
3.   Toen de staten-generaal zagen dat de oorlog door de
geweldenarijen der Eugelschen onvermijdelijk was, rustten zij
zich dadelijk uit ten strijde, liet was toen in de dagen van
de grootste kracht van ons land en het had zijnen Tromp
en zijnen de Huyter. De republiek vreesde dan ook den oor-
log ter zee met de Engelschen niet. Daarbij kwam dat de
raadpensionaris Jan de Wit de bestuurder der republiek was!
De tweede Engelsche oorlog duurde, evenals de eerste, twee
jaren; hij werd gevoerd van de jaren 1G65 tot 1G67. Wij
kunnen u niet van alle heldendaden onzer voorouders in
dien gedenkwaardigcn oorlog verhalen; wij zullen ons alleen
bepalen tol den vicrdaagsclien zeeslag en den tocht «aar
Chattam.
4.   In het jaar 1GG5 had de republiek op zee groote ver-
liezen geleden: eenc der machtigste vloten, die zij ooit uit-
rust heelt. was onder het hevel van Wassenaar van Ob-
dam uitgezeild en met de Engelschen slaags geraakt. Het
schip van Wassenaar vloog in de lucht door het vuur vatten
van het kruit, en de Hollandsehc vloot werd verstrooid.
Nu benoemden de staten-generaal Michiel de Ruyter tot be-
velhebber eeuer vloot, die zij opnieuw uitrustten. In de
maand Juni van het jaar 1GGG ontmoette deze vloot die der
Engelschen, onder den admiraal Monk. Weldra geraakten
beide vloten met elkander in een woedend gevecht, dat twee
dagen duurde. Toen kwamen vijl\'-en-twintig versche Engel-
sche schepen, die de Teems uitgezeild waren, deelnemen
aan hel gevecht. Dit duurde nog twee volle dagen. Nadat er
-ocr page 155-
117
uu vier dagen met groote hevigheid was gestreden, gelukte
het de Ruyter door zijn meesterlijk beleid de Engelsche
schepen te verstrooien en eene glansrijke overwinning te
behalen. De overwinning werd echter door het verlies van
veel mcnschenbloed gekocht. De zee was bedekt met stukken
van verbrande en verbrijzelde schepen en alleen meer dan
5000 Engelschen waren gesneuveld of verdronken. Ook de
Nederlanders hadden allerbelangrijkste verliezen geleden.
Rust niet eene groote verantwoordelijkheid op hen, die aan-
leiding geven tot oorlogen? Evenwel vervult een soldaat, die
zijnen oversten gehoorzaamt, eenen heiligen plicht, en zijne
dapperheid en opoffering verdienen lof, hoe men ook den
oorlog moge betreuren.
5.   Michiel Adriaanszoon de Ruyter mag aanspraak maken op
aller lof eu bewondering; hij zocht den oorlog niet en loktedien
niet uit; hij gehoorzaamde steeds aan zijne wettige overheid,
die hem gebood zich aan het hoofd van de scheepsmacht der
staten te plaatsen. IIij voorde den schrikkelijkcn oorlog zoo
menschlievend als in zijn vermogen was; hij zou nooit het
leven zijner onderhoorigen roekeloos wagen; hij was dapper
en onversaagd en betrachtte zijnen plicht tot liet welzijn
van zijn land. Hetzij hij overwon, hetzij hij overwonnen werd,
steeds toonde hij beleid en moed. Die toonde hij bij gelegen-
heid van een zeegevecht, dat in Augustus 16G8 voorviel.
Toen voerde de Ruyter het opperbevel over een gedeelte van
de vloot en Cornelis Maartenszoon Tromp over het andere.
Doordat de beide bevelhebbers elkander niet goed verston-
den en Tromp de Ruyter niet bijschoot, werd de Holland-
sche vloot door de Engelschen geslagen; doch de Ruyter
wist met zooveel beleid zijne schepen behouden uit het
gevecht te brengen, dat «de Ruyters aftocht", gelijk men het
noemde, hem grooten roem aanbracht. De Engelsche vloot had
echter gelegenheid op het eiland Terschelling te landen,
waar zij alles verbrandde en vernielde.
6.   Het volgende jaar besloten de staten-generaal de Engel-
sehen op hun eigen gebied te bestoken. Het plan van den.
-ocr page 156-
118
gedenkwaardige!) toclit naar Chatliam (zoo Iieet ecne Engel-
sclie slad aan de Teems, waar toen de Engelsche vloot
lag) werd beraamd en tin uitvoer gebracht. Hut beleid van
dien toelit werd opgedragen aan Michicl de IUiyler als be-
velhebber en aan Cornelis de VVitt, broeder van den raad-
pensionaris, als gevolmachtigde der staten. De Nederlandsche
schepen gingen er moedig op los, docb stuitten op groote
niocielijkheden. De Engelschen hadden eenige oude schepen
doen zinken en een ijzeren ketting door de r!\\:er gespannen,
om den Hollanders te beletten verder door te varen. De
Hollanders wisten lusscheu de gezonkene schepen heen te
varen. De kapitein van brakel tastte een groot Engelsen
linieschip aan, dat er lag, om de gespannen keten te be-
schermen; hij veroverde dat schip en miJdelerwijl voer een
ander Hollandse!) schip, onder den kapitein van Rijn, met
zulk geweld tegen de keten aan dat deze gebroken werd.
Nu gingen de Hollanders door en vernielden de Engelsche
vloot, die daar lag: een groot oorlogsschip mei 1(10 kanon-
nen, de Hoyal Charles geheeten, werd door hen genomen
en medegevoerd.
7. De tocht naai\' (\'.halham deed de Engelschen naar den
vrede verlangen. Ook hadden zij andere belangrijke verliezen
geleden. In bet vorige jaar had een verschrikkelijk brand een
groot gedeelte van de slad Londen iudeaseh gelegd : in bel zelfde
jaar had eene vreeselijke ziekte de inwoners dier slad ge-
teisterd. Alle deze rampen deden de zoo trotsche Engelschen
naar den vrede verlangen, (tok de Nederlanders deden dal, want
ook zij hadden belangrijke verliezen op zee geleden; handel
en nijverheid kwijnden door den oorlog en het land moest
voor den krijg groote lasten opbrengen. Zoodoende verlangde
een ieder naar den vrede, die dan ook in het jaar 1UG7 te
Breda gesloten werd.
De lijd van den tweeden Engelschen oorlog was een tijd,
waarin ons vaderland eene reeks van uitsti kende mannen
telde, die der republiek door bun verstand en beleid een
grooteu invloed op de gebeurtenissen van geheel Europa
-ocr page 157-
149
gaven. Behalve Jan de Wit, waren liet van Beuningen en van
Beverningk: heiden groote staatslieden, die in de moeielijk-
Ste omstandigheden hun land bij vreemde vorsten gewich-
tige diensten bewezen. Zij voerden onderhandelingen met
Frankrijk, met Engeland en andere rijken, die van het
grootste belang voor ons land waren. Jan de Wit zelf\' was
de voorname bewerker van een staatsstuk, dat ten doel had
om in Holland voor altijd het stadhouderschap af\'te schallen
Dit werd het «eeuwig cdikl" genoemd, omdat hel van voort-
durende kracht moest wezen. Doch dit was het niet, want
in 16G7 werd dat ■eeuwig edikt" gemaakt en reeds vijfjaren
later, in 1G72, werd Willem III algemeen als stadhouder
erkend. Zoo ijdel is (in het tijdelijke) alles wat menseden
■ eeuwig" noemen!
8. Van zeer groot belang was ook de triplc alliantie of het
drievoudig verbond, dat inlG68 tusschen Engeland Zweden en
de republiek der zeven vereenigde provinciën werd gesloten en
ten doel had om door de gezamenlijke macht dier drie staten
paal en perk te stellen aan de plannen van Lodewijk XIV.
Deze Lodewijk XIV van wien wij in de geschiedenis onzes
vaderlands zooveel booren spreken was koning van Frank-
rijk. In 1GG8 was hij nog jong. Hij was een zeer trotsch en
heersclizuclitig vorst, die zijnen boosmoed welken hij de eer
van zijn troon noemde meer telde dan recht en plicht. Hij
had zich geheel en al laten veiblinden door zucht naar roem
en glorie. Deze wilde hij verwerven door een groot oorlog-
voerder en overwinnaar te worden. Ook hier ziet men alweder
hoe dat verheerlijken van oorlogsroem, als de grootste lof
dien een inensch verwerven kan, eigenlijk zeer verkeerd is;
want bet verleidde vele vorsten tot oorlogen . die eene ramp
voor het menschdom zijn geworden. De grootste, de eenige
ware roem, dien een menscli moet begeeren, is die van gods-
dienstig, rechtvaardigen deugdzaam te zijn en te werken voor
het heil zijner evenmenschen. Maar Lodewijk XIV wilde beroemd
worden als veroveraar, en daardoor werd bij de oorzaak van
den rampspoed van honderd duizenden zijner medemenschen
-ocr page 158-
150
en beging hij groote onrechtvaardigheden; terwijl hij toch
groot en machtig had kunnen wezen door den vrede in
Europa te bewaren.
9.   Lodewijk XIV was gehuwd met ecne dochter van den
koning van Spanje, Filips IV. Gelijk ulieden bekend is.
had Filips II de zuidelijke Nederlanden aan Albcrt en Isa-
bella afgestaan. Na den dood van deze, die geene kinderen
hadden, werd België weder een deel van de spaansche mo-
narchie. De koning van Spanje liet het bestieren door land-
voogden. Maar men zou zich deerlijk vergissen, wanneer
men dacht dat die landen op zijn Spaansch geregeerd wer-
den. Zij werden geheel en al geregeerd naar de oude wet-
ten en gebruiken van die provinciën, even als de noorde-
lijke provinciën dat gedaan werden volgens hare wetten en
gebruiken, liet eenige onderscheid was dat de noordelijke
Nederlanden eigenlijk gezegd geregeerd werden door den
stadhouder en eenige regenten-lamiliën; de zuidelijke pro-
vinciën door des konings landvoogd en de afgevaardigden,
die in de provinciale staten verschenen, welke ook bestonden
uit personen van eenige weinige lamiliën. De noordelijke
provinciën bloeiden vooral door handel en zeevaart; maar
de zuidelijke door labriekwezen, landbouw en mijnwerken:
want de Hollanders en Zeeuwen beletteden w el dat zij geen
zeevaart konden uitoefenen.
10.   Nu wilde Lodewijk XIV, omdat zijne echtgenooTe eene
Spaansche prinses was, zich meester maken van de zuidelijke
Nederlanden. Dit was echter iets wat de staten-generaal
zeer ongaarne zagen. Zij begrepen dat de Spaansche konin-
gen, wier macht steeds verminderd was, hun geen kwaad
zouden doen, maar dat, zoo Lodewijk XIV België veroverde,
hij voor hen een zeer gevaarlijke buur zou wezen. Toen deze
koning nu de zuidelijke Nederlanden veroveren wilde, wist
Jan de Witt niet Engeland en Zweden dat drievoudig verbond
te weeg te brengen, om den Franschen koning te noodzaken
van zijne veroveringsplannen af te zien. Hij moest dit dan
ook doen. Hij sloot vrede met den koning van Spanje door
-ocr page 159-
151
tusschenkomst van de mogendheden van hel drievoudig ver-
bond. Dit geschiedde te Aken in 16G8.
XXIX.
HET JAAR 1672.
1.   LodewijkXIV kon liet der republiek nooit vergeven dat
zij hein in zijne plannen gedwarsboomd had. Dat drie-
voudig verbond toch was oorzaak geweest dat hij de zuide-
lijke Nederlanden niet kon veroveren. Hij besloot wraak te
nemen. Hij wist spoedig den zwakken Karel II. koning van
Engeland, over te halen om met hem gemeene zaak tema-
ken. Ook wist hij den aartsbisschop van Keulen en den bis-
schop van Munster te overreden om te gelijk met hem den
oorlog aan de republiek te verklaren. Deze beide bisschop-
pen waren tevens niet hunne kerkelijke waardigheid ook
wereldsche vorsten. Hun gebied grensde aan dat der repu-
bliek. De bisschop van Munster had meer dan ééne reden
tot klachten tegen de regering van ons land.
2.   Toen LodewijkXIV deze verbonden gesloten had, ver-
klaarde hij in den aanvang van het jaar 1672 den staten-
generaal den oorlog. Dit jaar is zeker een der gedenk-
waardigste in de geheele geschiedenis van ons vaderland. Nog
nooit hadden wij in zulke gevaarlijke omstandigheden verkeerd.
De Franschen trokken langs een omweg, door het gebied
van den aartsbisschop van Keulen, op naar de Nederlanden.
Hun leger was meer dan 100,000 man sterk. De Munstersche
en Keulsche troepen, ten getale van 20,000 man , zouden
in Gelderland en Overijssel vallen; de Engelsciie schepen
zouden de Hollandsche kust bestoken. Zoo werd het land van
alle zijden bedreigd !
3.   Het leger en de vloot der republiek waren in ongun-
stigen toestand. In het geheel hadden de staten-geueraal
50,000 soldaten in hunnn dienst. Zoo dacht men: maar eigen-
lijk hadden zij niet meer dan de helft; want o*e administra-
-ocr page 160-
152
tie was in die tijden op verre na niet zoo nauwkeurig als
thans, en de officieren pleegden veel bedrog door meer sol-
daten op te geven, dan zij onder hun hevel hadden, en zoo-
doende meel\' soldij te trekken. De regeling der republiek
kon in het geheel maar 14,000 man in het veld brengen
tegenover de 100.000 1\'ianschcn. Eu die HYanschen werden
aangevoerd door Condé, Turenno en Lnxemhourg, die drie
grootste vcldhveren van hunnen tijd.
4.   Ue Ncderlaudsehe vloot verkeerde in niet minder slech-
ten slaat. Zij was na den tweeden Lngelschen oorlog, ter be-
sparing van o.nkusien, tot op eene derde veiminderd. Want
men had toen niet, gelijk thans, oorlogschepen die ten allen
tijde uitgerust waren, lti lijd van oorlog huurde men groote
koopvaardijschepen of kocht die en ontdeed zich er weder
van wanneer het vrede werd. N\'u had de laatste tlngelsche
oorlog den staal verbazend veel gekost; daarom was men na
den vrede aan hel bezuinigen en afschaffen gegaan, watthans
echter duur te slaan kwam.
5.    Terwijl de vijand dus den slecht voorbereiden staat
bedreigde, i.eerschte er binnen \'s lands groote verdeeldheid.
Gelijk gij u zult herinneren, was de staatsgezinde pal lij sinds
de groote vergadering van 1051 aan de regering. Zij had
door het eeuwig edikt hel stadhouderschap vervallen ver-
klaard; maar de prins van Oranje, Willem III, was thans 21
jaren oud; zijne lamilie had zeer vele oanhaugers en vrien-
den. Deze wilden, vooral nu het leger een opperbevelhebber
noodig had, dat men den prins de waardigheden zijner la-
milie zou geven. De staatsgozinden wilden hiervan evenwel
niets weten. Uit veroorzaakte geheel het land door veel ver-
deeldheid .Eindelijk werd er besloten, den prins voor éénen
veldtocht kapitein-generaal der unie (dat is opperbevelheb-
ber van het leger) te maken. Wel raadden hevige stadliou-
dersgezindcu den prins aan, dit aanbod van de hand te wij-
zen, opdat, door nood gedrongen, men hem alle zijne be-
geerten zou inwilligen; doch hij sloeg dit al\' en aanvaardde
het opperbevel over bet leger, thans 22,000 ma.n sterk,
-ocr page 161-
153
om don Fransclien den inval in het land te beletten.
6.   Maar de Franschen trokken dun llijn over bij Lobitb;
hier liad een Geldersche boer bun eene doorwaadbare plaats
in de rivier aangewezen. Nu kon bet kleine leger des prin-
sen bet groote leger van Lodewijk XIV niet meer legen-
houden. Dit drong terstond door en was weldra meester van
Utrecbt. L)e schrik maakte zich van geheel het land meester;
het was alsof de vrees voor de Franschen alle geestkracht
van de natie voor een oogenhlik verlamd had; handel, be-
drijf en nering stonden stil. De koning van Frankrijk was
reeds te Utrecht en zou nog verder doordringen: zoo klonk
de mare door geheel Holland. En inderdaad, de Franschen.
waren weder te Utrecht, en Lodewijk XIV liet door zijnen
kapellaan de H. Mis opdragen in den Dom. De Katholieken
echter, ofschoon zij door de regeerende partij in de zeven
provinciën onderdrukt werden, hielden zich stil en betoon-
den door niels dat zij den vijand van hun vaderland met
vreugde ontvingen. Zij zuchtten in stilte om de verdrukking
hun aangedaan, maar zochten die niet door hulp van een
vreemden vorst te doen eindigen.
7.   De staten-generaal zonden nu afgevaardigden naar den
Franschen koning, die zijn leger bij Zeist had opgeslagen. Zij
vroegen oin den vrede; maar de trotsche Lodewijk stelde voor.
waarden, die niet konden aangenomen worden. Hij vorderde af-
stand van geheel Noord-Brabant, behalve nog van eeuigeandere
streken, en betaling van eene som van meer dan 7,000,000 gul-
den, terwijl bovendien de republiek dan nog alle jaren een
gezantschap naar Frankrijk zou moeten zenden, om den ko-
ning voor zijne goedertierenheid te bedanken. De Engelschen
wilden bovendien nog den alstand van Vlissingen , den Briel
en Sluis en betaling van twaalf inillioen gulden. Dan ook
eischten beiden zaken, die zeer nadeelig voor den Nederland-
scben handel waren. Deze voorwaarden kwamen den re-
geerders en bet volk van Holland zoo onaannemelijk voor,
dat zij besloten liever hel uiterste te wagen: de wanhoop
gaf bun krachten, de oud llollandsche geestkracht ontwaakte
-ocr page 162-
154
■weder, men besloot zich te verdedigen. Amsterdam zette
zijne geheele omstreken onderwater; alle steden versterkten
hare muren en vesten; Holland besloot door het openlaten
van zijne sluizen den Franschen het verder doordringen te
beletten. De eene bood zijn eigen persoon aan, om in het le-
ger te dienen, de andere zijn geld: ieder -wilde doen -wat
hij kon en meer dan hij kon.
8.   Gelijk v.ij vel meer hebben aangemerkt, was de kleine
burgerij in de sleden over het algemeen zeer oranjegezind.
Nu het land in zulk een groot gevaar verkeerde, meende de
burgerij dat er alleen heil te verwachten was, wanneer Wil-
lem III tot stadhouder werd uitgeroepen. Anderen gaven
Jan de Witt de schuld van den grooten nood, waarin
het vaderland verkeerde. Nu begonnen bijna alle steden eene
beweging ter gunste van het stadhouderschap. Overal riep
men «Oranje boven". De stedelijke regeeringen en ook de
staten van Holland begrepen dat zij aan die begeerte der
menigte moesten toegeven. Nu werd den 3» Juli 1672 het
eeuwig edikt herroepen en Willem III tot stadhouder ver-
klaard: dit geschiedde voornamelijk door den invloed van
Amsterdam. Jan de Witt nam nu zijn ontslag als raadpen-
sionaris van Holland,
9.   Willem III, van w ien wij thans spreken , is een der voor-
naamste mannen in de geschiedenis van ons land. Hij was
ongeveer twee en twintig jaar oud toen hem de hoogste
waardigheid in de republiek werd opgedragen, en toch was
hij reeds voor die zware taak berekend. Hij was altijd zeer
ijverig en naarstig geweest en had zich vooral op de wis- en
krijgskunst toegelegd. Hij was van eene zeer zwakke gezondheid,
aamborstig en in gedurige vrees voor gevaarlijk borstlijden;
maar hij was zeer krachtig van geest. In zijn dagelijksch leven
was hij stug en onvriendelijk; maar hij was zeer gehecht aan
zijne vrienden. Hij w as een groot staatsman; maar zijne
heerschzucht verloor, in gewichtige omstandigheden, eer en
plicht uit het oog, gelijk wij later zullen hooien.
10.  Maar het was velen niet genoeg dat Willem III thans
-ocr page 163-
155
stadhouder was. Zeer velen droegen Jan de Witt en zijnen
broeder Cornelis een hevigen haat toe. Zekere Tichelaar,
een man van een zeer berispelijk karakter, ontzag zich niet
eene valsche beschuldiging tegen Cornelis de Witt in te
brengen, oni dezen in het verderf te storten. Hij klaagde hem
valschelijk aan van eenen moordaanslag op den prins van
Oranje beraamd te hebben. Dit kon wel is waar niet bewe-
zen worden; maar partijdige rechters lieten Cornelis de
Witt toch op de pijnbank brengen en toen in de gevangenis
terugvoeren. Door eenigo personen opgeruid, wist nu een
woeste hoop de gevangenis in te breken. Middelerwijl had-
den anderen door eene valsche boodschap den vroegeren
raadpensionaris bij zijnen broeder ontboden. Dit was gedaan
met de bedoeling om hein iii de handen van zijne moorde-
naars te leveren. Deze vielen op de beide broeders aan,
mishandelden hen vreeselijk, sleepten hen naar bet zooge-
naamde "groene zoodje", de plaats waar het schavot stond,
en vermoordden beu daar. De beide lijken werden op eene
wijze mishandeld en verminkt, die een beschaafd volk tot
schande strekte.
Zoo stierf Jan de Witt, een der grootste mannen van zijne
eeuw en van ons vaderland. Hij had het inderdaad niet ver-
diend , door zijne landgenooten zoo behandeld te worden;
maar hij had de haat van velen op zich gehaald o. a, ook door
te weigeren te trachten genade te verwerven voor personen,
die het op zijn leven, of gezag hadden toegelegd.
11. De moord van de gebroeders de Witt is eene zwarte
vlek op onze geschiedenis; maar de edele Michiel de Ruyter
zorgde dat de roem en eer van zijn vaderland niet verloren
gingen. Hij had tot twee keeren tce een hevig gevecht aan de
Engelschen geleverd: den eersten keer bij Solebaay aan de
Eugelsche kust; den tweeden keer bij Kijkduin, niet ver van
de Helder. Beide keeren was hij als overwinnaar uit het ge-
vecht teruggekeerd. Door het tweede gevecht belette hij de
landing, welke de Engelsche vloot voornemens was op de
Hollandsche kusten te doen. Deze beide overwinningen, ter zee
-ocr page 164-
156
behaald, deden den moed van de Nederlanders niet weinig
klimmen. Door het onder-water-zetten van een groot ge-
deelte des lands konden de Fransche troepen niet verder in
Holland doordringen.
12.   Niet minder heuglijk was liet, dat de Munstersche sol-
daten, die Groningen belegerden, voor die stad het hoofd
stieten en moesten terugtrekken. De bisschop van Munster,
Bernard van Galen, had een leger van 20.000 man afgezon-
den, om de stad te belegeren; deze werd slechts verdedigd
door 2.000 soldalen, onder een dapperen bevelhebber, Rahen-
hanpt geheeten. Zoo bet de Munsterschen gelukte Gronin-
gen in te nemen, konden zij rekenen spoedig meester te zijn
van de heide provinciën Friesland en Groningen; maar de
stad werd manmoedig verdedigd. De bezetting werd bijgestaan
door de studenten en de burgerij en wist zeer goed den vijand
weerstand te bieden. Acht weken lang verdedigde zich de
stad, totdat het Munstersche leger aftrok. Nog jaarlijks
wordt de herinnering aan Groningens verlossing in die stad
gevierd.
13.   Dit alles geschiedde in hel jaar 1G72. Dit jaar was be-
gonnen onder vooruitzichten dat de republiek der zeven
provinciën voor hare talrijke vijanden zou bezwijken. Lode-
wijk XIV had gedacht met zijne groote veldheeren en mach-
tige legers ons land gemakkelijk te zullen veroveren; maar
dit was hem niet gelukt. Wel waren onze voorvaderen een
oogenhhk door schrik verbijsterd; doch welhaast valleden zij
weder moed: allen sloegen de handen aan het werk; ieder
deed wat hij kon doen. Zoo geschiedde het dat, eer het jaar
ten einde was, het grootste gevaar reeds was geweken. Lo-
dewijk XIV was naar Frankrijk teruggekeerd. Wij zullen zien
■wat er verder geschiedde.
-ocr page 165-
157
XXX.
DE VREDE VAN NIJMEGEN.
1.   De zucht tot veroveringen van Lodewijk XIV was oor-
zaak dat de meeste vorsten van Europa hein met wantrou-
wen gadesloegen. Zij vreesden dat zoo hij eenmaal de
Nederlanden had veroverd, hij nog heerschzuchtiger zou wor-
den. Daarom waren zij zeer geneigd hem in zijne overwin-
ningen te stuiten, liet waren vooral de Duitsche keizer de
koning van Spanje en de keurvorst van Brandenburg die la-
ter koning van Pruisen werd welke voor Lodewijk XIV be-
vreesd waren. Deze vorsten besloten hem te voorkomen in
zijne veroveringen en de republiek te helpen. Zij sloten dan
een verbond met ons vaderland, hetgeen eene andere wen-
ding aan den oorlog gaf.
2.   Willem III beproefdenu, in den winter van lC72oplG73
of\' hij zich ook van Charleroi in Henegouwen kon meester
maken. De/.e stad was het voorname punt, waardoor do Fran-
sche legers in gemeenschap met hun land stonden. Nu ge-
lukte Willems plan wel niet maar reeds de poging daartoe
maakte de Frannchen behoedzamer. Zij begrepen dat derge-
lijke onderneming, een andermaal ondernomen, kon geluk-
ken. Middelerwijl was de Fransche veldheer, toen de rivieren
bevroren waren. Holland binnengetrokken; maar de onver-
wacht opgekomen dooi maakte bet hem uiterst gevaarlijk.
Hij moest terugtrekken. Dit zou hem niet gelukt zijn, in-
dien een paar ollicieren in dienst der stateu-generaal. goed
op den hun toevertrouwden post gepast hadden. Zoo deze
hunnen plicht gedaan hadden, zou de Fransche veldheer met
geheel zijn leger gevangen genomen zijn; maar nu wist hij
te ontsnappen. De Franschen moesten evenwel in 1U73 ons
land ontruimen.
3.   Een ander geluk voor de Nederlanders was , dat het En-
gelsche volk zeer ontevreden was over den oorlog, dien zijn
-ocr page 166-
158
koning als bondgenoot van Frankrijk voerde, want de
Engelschen waren nog jaloerschcr op de Franschen dan op
de Hollanders. Deze alkeer der Engelschen van den oorlog
noodzaakte Karel II in 1674 met do republiek vrede te
sluiten. Ook kwam dat jaar de vrede niet Munster en Keulen
tot stand. Derhalve hadden de staten-generaal thans Spanje
en Duitschland tot bondgenooten tegen de Franschen, die
alleen nog met Zweden in bondgenootschap waren.
4,   De oorlog nam nu een geheel ander karakter aan, want
zij werd niet meer gevoerd op Nederlandschen grond, maar
voornamelijk in België. Dat land had het ongelukkige voor-
recht, het gewone oorlogstooneel in de zeventiende eeuw
te zijn. Dit is daaraan toe te schrijven, dat de Franscheko-
ningen steeds eene onrechtmatige begeerte koesterden om
dat land te veroveren, zoodat zij telkens met de vorsten
van de zuidelijke Nederlanden in oorlog waren. Dit en de
omstandigheid dat de Hollanders, uit jaloezie op den han-
del van Antwerpen, alle zeevaart voor de zuidelijke Neder-
landen onmogelijk maakten, is de reden geweest waarom die
gewesten niet zoo bloeiden als de noordelijke Nederlanden
of de zeven vereenigde provinciën.
5.   Gij zult u misschien herinneren dat Filips II, koning
van Spanje, ook koning van Napels en Sicilië was. De kroon
van deze landen was dan ook op zijne nazaten overgegaan.
Nu geraakten in 1675 de inwoners der stad Messina op Si-
cilië in opstand tegen den koning van Spanje. De Franschen
kwamen terstond met soldaten en schepen de opstandelin-
gen helpen. De koning van Spanje, die op verre na niet zoo
machtig meer was als zijne voorgangers, verzocht aan de
staten-generaal om hulp. Deze zonden hem die, omdat hij
hun bondgenoot was. Michiel de Ruyter kreeg bevel om met
eene vloot naar de Middellandsche zee te gaan tot hulp
van de Spanjaarden. De vloot, waarmede de Ruyter de zee
instak, was niet zóó goed uitgerust als hij wel wenschte;
want de ontzaggelijke onkosten van dien oorlog liepen zells te
hoog voor het rijke Holland. Evenwel aarzelde de dappere
-ocr page 167-
150
man niet om aan den last van zijne overheid te gehoor-
zamen. Deze zeetocht zou echter de laatste van den grooten
zeeheld wezen: hij geraakte in 1676, niet ver van Syracuse,
op het eiland Sicilië, in een gevecht met de Fransche vloot.
Hij behaalde de overwinning, maar werd doodelijk gewond;
een kogel nam hem zijne heide boenen weg, waaraan hij
acht dagen later bezweek. Hij was negen-cn-zestig jaren oud.
De staten-generaal richtten voor hem een schoon praalgraf
op in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Hij wordt te recht ge-
rekend onder de grootste mannen van ons land; want of-
schoon een man van den oorlog, beminde hij de rechtvaar-
digheid; hij bleef\' zedig en nederig en voerde den oorlog,
omdat zijn plicht liet hem gebood, duch niet uit heerschzucht,
6.   Wij zullen u niet over de verschillende gevechten, welke
in die jaren gevoerd werden, onderhouden. Prins Willem III
gedroeg zich als een dapper veldheer en een groot staats-
man; maar hij behaalde weinige overwinningen, daar de
Franschen steeds groote legers en uitmuntende veldheeren
hadden.
7.   De oorlog tusschen Frankrijk en de republiek der zeven
vereenigde provinciën heelt geduurd van 1672 tot 1678. In
dat jaar werd de vrede tusschen deze beiden landen te Nijme-
gen gesloten. Dit wekte groot misnoegen op bij de bondge-
nooten van ons land. Immers de keizer van Duitschland en
de koning van Spanje hadden zich gewaagd in een oorlog
met den machtigen Franschen koning, om onzen staat te
helpen. En nu sloot deze eenen afzonderlijken vrede, terwijl
hij de beide hondgenooten in den steek liet; maar onze voor-
ouders waren te verontschuldigen. De oorlog had hun on-
noemlijke schatten gekost. In de vijf jaren, van 1673 tot 1678,
had de provincie Holland alléén vijf-en-dertig millioen gul-
den aan oorlogskosten betaald, behalve de gewone belas-
tingen: dit was op den duur niet te dragen. Daarbij
kwam dat de Hollanders een aanzienlijken handel op Frank-
rijk dreven, die door den oorlog geheel en al stilstond.
Velen verlangden daarom naar den vrede en wisten einde-
-ocr page 168-
160
lijk door te drijven d;it die gesloten werd. Dit was vooral
liet werk van de staatsgezinde partij, welke in den regel
met Frankrijk op een goeden voet wilde blijven.
Nu moeten wij uwe aandacht vestigen op iets, wat in Frank-
rijk geschiedde, doch een grooten invloed op ons vaderland
uitoefende. Wij bedoelen de herroeping van het edikt van
Nautes.
8.   Zooals u bekend zal zijn, belijdt verreweg het grootste
deel van het Fransche volk den rooinsch-katholieken gods-
dienst. In de tweede helft der zestiende eeuw hadden ech-
ter in Frankrijk hevige godsdienstoorlogen plaatsgehad, want
de Hugenoten (zoo noemde uien daar de Hervormden) wil-
den zich meester maken van de heerschappij. Eindelijk had
koning Hendrik IV een einde aan die godsdienstoorlogen ge-
maakt. De rooinsch-katholieke godsdienst werd als d< heer-
schende godsdienst erkend; doch aan de Hervormden werden
zeer ruime vrij lieden toegewezen. Het koninklijk besluit, waarbij
die vrijheden bevestigd werden, ontving den naam van het
edikt run Nautes, naar de stad Nautes, waar het werd uit-
gevaardigd. Spoedig evenwel geraakten de Hervormden
weder in opstand tegen de koningen, en deze wenschten
hunne rechten in te krimpen.
9.   Nu moet men wel in aanmerking nemen dat in de eeuw,
waarin Lodewijk XIV leefde, in verscheidene landen velen
om den godsdienst, onderdrukt en vervolgd werden. In het
protestanlsehe Engeland werden, eenige jaren voor de her-
roeping van het edikt van N\'autes, de afgescheidene Pro-
testanten door de lieerschende protestanlsehe Kerk gruw-
zaam vervolgd; de Katholieken werden nog erger vervolgd,
want op liet lezen van de II. Mis door eenen priester werd
de doodstraf gesteld. In Duitschland mocht geen Katholiek
leven in een luthersch land, maar hij moest het verlaten;
zoo ook gedoogden de katholieke vorsten geene Protestan-
ten in hun land.
10.   Lodewijk XIV wilde in Frankrijk den katholieken gods-
dienst handhaven. Daarom gebood hij datde Hervormden hunne
-ocr page 169-
1G1
godsdienst moesten vaarwel zeggen; duizenden gehoorzaam-
den, maar ook duizenden deden dit niet. Nu weiden zij zeer
onregtvaardig vervolgd. De Paus (op dat oogenblik Innocen-
tius XI) ried den Franschen koning billijkheid en gema-
tigdheid jegens zijne hervormde onderdanen aan; maar de
trotsclie koning volgde zijne eigene inzichten. Duizenden en
duizenden Protestanten verlieten Frankrijk. Zeer velen
kwamen zich vestigen in ons land. Uier werden zij door
hunne geloofsgenooten welwillend ontvangen. Te gelijker
tijd begonnen de predikanten van den kansel uit te varen
tegen de Katholieken, die in de zeven provinciën waren,
en vorderden dat de regeering, om de vervolging der Fran-
sche Hervormden, thans ook de Nederlandsche Katholieken
zou vervolgen. Bij zeer velen bestond wel de lust tot der-
gelijke vervolging; maar het ging toch niet om twee vijlde ge-
deelte der bevolking met geweld te bekeeren ofal deze menschen
te noodzaken het land te verlaten, (lok waren zeer velen in
ons land wars van dergelijke geloofsvervolgingen, die door
heethoofden werden begeerd.
11.   Die Fransche Hervormden vestigden zich alom in ons
land, voornamelijk echter in de groote steden. Daar sticht-
ten zij kerken, in welke in de Fransche taal gepredikt werd:
men noemde deze de VVaalsche gemeenten. Zij bestaan nog
in eenige steden van ons land. Die Fransche vluchtelingen
brachten hunne nijverheid met zich. Verscheidene takken van
bestaan dankten aan hen bun begin in ons land; onder an-
deren de zijdeweverij , die later evenwel weder is te niet
gegaan. Anderen brachten hunne handelsbetrekkingen mede;
sommige groote handelshuizen te Amsterdam, wier firma
nog bestaat, zijn door Fransche vluchtelingen gevestigd gewor-
den. Ook zult gij hier en daar familiën aantreflen, die thans
geheel en al Nederlanders zijn, doch wier familienaam Fransch
is. Verreweg de meeste van deze stammen af van Fransche
vluchtelingen, die na 1G85 zich in ons land zijn komen vestigen.
12.   Deze vluchtelingen brachten ons vaderland vele dade-
lijke voordeelen aan door hunnen handelen nijverheid, maar
11
-ocr page 170-
162
zij berokkenden ook vele nadeelen. Zij varen en blc\'ven
Franscheu: de Ilollandsche dclïigheid beviel bun niet; in
buntie Franscbe lichtvaardigheid vonden zij den ernst onzer
voorvaderen stijl\'en plomp. Zij wilden hen beschaven, gelijk
zij dat noemden. Nu is het maar al te zeer eene zucht
van ons, Nederlanders, dat wij te veel andere volken
willen navolgen ! Zijn er ook nu nog niet zeer velen dwaas
genoeg, hunne eigene moedertaal niet schoon genoeg te vinden,
ofschoon zij veel schooner taal is dan het Fransch! Zijn er
nu nog niet velen, die liever gebroken Fransche woorden
gebruiken dan goede Nederduitsche! Zijn er nu nog niet
velen, die alles wat uit Frankrijk komt mooi vinden, al is
het nog zoo leelijk! Welnu, in de zeventiende eeuw vervie-
len onze.1 voorouders in datzelfde gebrek! Zij lieten zich dooi-
de Fransche vluchtelingen verleiden tot navolging van Fran-
sche manieren en Fransche begrippen. Dit oefende een ver-
keerden invloed uit op het degelijke Nederlandsche volks-
karakter, waarvan de gevolgen later zichtbaar werden.
13. Het is niet recht te bepalen hoevele Fransche vluchte-
lingen zich wel in ons land hebben nedergezet; maar zij zijn
duizenden in getal geweest. Zij vermeerderden het aantal
Hervormden in ons land. Honderd jaar vroeger, in 1585, wa-
ren ook duizenden en duizenden Hervormden uit Vlaanderen
en Brabant naar Holland gekomen. Zoodoende werd het
getal Hervormden in die provincie sterk vermeerderd en
bijgevolg dat der Katholieken betrekkelijk verminderd. Toch
is het waar dat de katholieke Nederlanders altijd een aller-
belangrijkst deel van de bevolking des lands hebben blijven
uitmaken en nog wel van de oorspronkelijke.
-ocr page 171-
163
XXXI.
WILLEM III WORDT KONING VAN ENGELAND.
1. Ons vaderland werd eerlang wederom in een langdurigen
en kostbaren oorlog gesleept. Dit geschiedde meer ter wille van
Willem III dan wel in liet belang des lands. Evenals wij
zoo even over Frankrijk hebben moeten spreken, om u de
gebeurtenissen in ons land duidelijk te maken , zoo moeten
wij dit thans over Engeland doen.
In dat land regeerde thans Jacob II, broeder van Karel II.
Nu moet gij weten dat in Engeland een koning op verre na
niet alles zoo maar op eigen gezag kou doen als in Frank-
rijk. De koning van Engeland moest in alle gewichtige zaken
handelen in overleg met zijn parlement, dat is: met de
aanzienlijken des lands en de vertegenwoordigers der natie.
Gedurende den geheelen loop der zeventiende eeuw hadden
er dikwijls geschillen plaats gehad tusschen den koning en
dat parlement. Die geschillen liepen over het gezag en de
rechten, welke ieder van hen toekwamen. En men zou u
eene zeer verkeerde voorstelling van den gang der zaken
geven, wanneer men zeide 61\'dat altijd de koning, óf\'dat
altijd het parlement gelijk had. Jacob II was zeer stijfhoofdig
en dikwijls zeer onverstandig; het parlement was zeer eigen-
zinnig en bevreesd dat de koning zich al te veel zou aan-
matigen. Maar er kwam meer bij. Jacob II had den katholieken
godsdienst omhelsd: nu was er eene dweepzieke partij, die
hem daarom vinnig haatte en hem van den troon wilde
stooten. Jacob II wist dit en was daardoor zeer wantrouwend
geworden; bij dacht dat hij door toe te geven zich zei-
ven in gevaar bracht. Ook wilde de koning zijnen katho-
lieken geloofsgenooten vrijheid van godsdienst geven, en dit
wekte hevige verbittering bij velen op, die der katholieke;
Kerk een onverzoenlijken haat toedroegen. Zij wisten het te
doen voorkomen, alsof Jacob II de protestantscbe Kerk van.
-ocr page 172-
164
Engeland wilde vernietigen. Dit wilde de koning nu wel
niet, maar iiij gedroeg zich zeer onvoorzichtig en onverstan-
dig; ook handelde hij dikwijls zeer willekeurig. Hij liet zich
bedriegen door den schijn van valsche personen, die zich
noemden bekeerd te zijn, doch van den godsdienst een spel
maakten. De Paus ried den koning dan ook aan, zich niet
op zulke wijze te gedragen, doch Jacob II hoorde niet naar
dien wijzen raad.
2.  Nu troostte zich de meerderheid van het Engelsche volk,
die protestantsch was, dat zoo Jacob II eenmaal stierf, zijne
opvolgster weder eene protestantsche vorstin zou zijn. En
die opvolgster was de oudste dochter van Jacob II, Maria,
de echtgenoote van Willem III. Hoe groot was derhalve
hare teleurstelling, toen de tweede vrouw van Jacob II in
1C87 van oenen zoon beviel. Nu besloten de vijanden des
konings middelen te beramen om hem van den troon te be-
rooven. Zij strooiden den laster uit, dat de jonggeboren zoon
van Jacob II het kind van een ander was, maar dat men zeide
dat het van den koning was, om de gemalin van Willem III
van de erfopvolging te berooveu. Eenigen van des konings
bitterste vijanden, waaronder de protestantsche bisschop
Burnet, beraamden nu met Willem III hoe zij koning
Jacob II van den troon zouden stooten. De verkeerdheden
en onvoorziehtigheden van Jacob II maakten hun dit gemak-
kelijk. Ook werd het hun gemakkelijk gemaakt door verra-
ders, die den koning van Engeland om zich had en die
met Willem III in verstandhouding stonden.
3.   De prins van Oranje wist in stilte alles gereed te maken
en met aanzienlijke mannen des lands te overleggen. Hij
maakte een leger van 14,000 man en eene vloot gereed, en stak,
vergezeld van eenige aanzienlijke Engelschen, over naar En-
geland. Dit geschiedde in November 1088. Toen Willem III
op de Engelsche kust geland was, liepen velen naar hem
over; zeer velen verraadden den koning en deze gedroeg
zich zeer onbekwaam. Het gevolg hiervan was dat Jacob II
weldra naar Frankrijk moest vluchten en Willem III en
-ocr page 173-
165
zijne gemalin Maria tot koning en koningin van Engeland
werden uitgeroepen.
i. Willem 111 had evenwel met groote moeielijkheden te
kampen. De Ieren bleven hunnen wettigen koning getrouw;
daarom ging Willem hen bevechten , en hij behaalde de
overwinning in eenen veldslag op zijnen schoonvader, koning
Jacob II. Daarop onderwierp iiij geheel Ierland. Hij gal\' dat
land eene wetgeving, die eene der onrechtvaardigste is
welke ooit bestaan hebben. De geheele wetgeving was er op
ingericht om hel katholieke volk van Ierland arm, onwetend
en rampzalig temaken. Eerst in on/.e dagen is men begonnen dat
onrecht te herstellen. Nog noemen zich de personen, die in Ier-
land de oude onderdrukking der Katholieken willen behouden,
Orangisten! Gelukkig dat men dien naam niet behoeft toe te
passen op de vijanden der katholieke Kerk in ons vaderland!
Immers hier is ons koninklijk huis van Oranje steeds bereid
om alle onderdanen, van welken godsdienst ook. even recht-
vaardig te behandelen.
5. De daad van Willem III en zijne gemalin Maria kan
nooit verschoond worden. Men moet in de geschiedenis de
zaken niet beoordeelen naar de belangen van pai tijen, maar
naar de wetten Gods! En God zelf heeft gezegd: ■Eert uwen
vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde!\'
En tegen die wet Gods hebben Willem III en Maria zwaar
gezondigd! Al zouden honderd duizenden zeggen dat zij wel
gedaan hebben; zij hebben het niet gedaan! Al had ieder
ook recht gehad tegen koning Jacob II op te staan (wat op
verre na hel geval niet was), zijne eigene kinderen hadden
het niet mogen doen!
         Er is ook dan voor hen geen zegen
op geweest. Willem III en Maria hebben den onrechtvaardig
veroverden troon niet aan hunne kinderen kunnen nalaten,
want God heeft hén niet met nageslacht gezegend. Maria
heelt er weinig genot van gehad, want zij is, nog jong, acht
jaren later gestorven. Aan Willem lil heeft de kroon van
Engeland slechts verdriet en zorg gegeven. En Anna, de
zuster van Maria, die na haar koningin werd, die toege-
-ocr page 174-
16(i
stemd liad in de vervolging van haren vader, heelt al hare
kinderen voor zich ten grave zien dalen. En de kroon is
niet overgegaan in hun geslacht!
6. De overweldiging van den Engelschen troon door Wil-
lem III veroorzaakte eenen oorlog in Europa, die negen jaren
heelt geduurd. Lodewijk XIV was een bondgenoot van Jacob II.
Doordat Engeland zich niet tegen hem te weer stelde, zoo-
lang Jacob koning «as, bad Lodewijk op het vasteland ruim
spel. Thans was evenwel alles veranderd, want Willem III
was een hevige vijand van den koning van Frankrijk. Hij
wist al zeer spoedig Brittannië en de republiek der zeven
vereenigde provinciën in den oorlog tegen Lodewijk te wik-
kelen. Deze had dien v\\ eder uitgelokt door zijne geweldenarijen
tegen het Duitsche rijk. Willem III werd opperbevelhebber
van het Engelsche en Duitsche leger, dat in de zuidelijke
Nederlanden tegen de Franschen streed. Hij was aan het
hoofd der legers van de bondgenooten, die in 1690 hij Fleu-
rus, in 1692 bij Steenkerken en in 1693 bij Neerwinden
tegen de Franschen slag leverden. Over het algemeen was hij
gelukkiger in zijne onderhandelingen dan in zijne veldslagen.
Eene der belangrijkste gebeurtenissen van den geheelen
oorlog was het beleg van Namen. Het welslagen hiervan
was vooral te danken aan den Nederlandschen vesting-
bouwkundige Coehoorn. In 1G90 leed de vereenigde Engel-
sche en Ilollandsehe vloot eene nederlaag, niet ver van
Bevesier aan de Engelsche kust. De Nederlanders weerden
zich zeer dapper; doch de Engelsche admiraal Torrington
liet hen in den steek. Willem III was hierover zeer ver-
gramd; maar de Engelschen verdedigden hunnen landgenoot.
Zoodoende werd de naijver, die tusschen het scheepsvolk der
beide natiën bestond, eer vermeerderd dan verminderd. Dit
belette niet dat zij twee jaren later, bij kaap La Hogue aan
de Fransche kust, gezamenlijk zeer dapper streden eneene
glansrijke overwinning op de Fransche zeemacht behaalden.
7. De oorlog, die in 1688 begonnen was. eindigde in 1697
met den vrede van Rijswijk. Lodewijk XIV erkende daarbij
-ocr page 175-
167
Willem III als koning van Engeland. Maar al zecv spoedig
deden zich weder nieuwe oorzaken tot eenen algemcenen oorlog
op. De heerschzucht van verscliillende vorsten maakte in-
derdaad Europa tot een oorlogsveld. Al die oorlogen bcrok»
kenden rustigen, vreedzamen burgers vele rampen, om
denkbeeldige rampen te voorkomen. Want de groote zaak
waarom er zoovele millioenen seliats en zoovele duizenden
mensebenlevens opgeofferd werden . was bet Europeescbe even-
wicht! Dit beteekent dat de eene vorst niet al te machtig
werd, zoodat bij aan anderen te veel de wet zou kunnen
voorschrijven. Dit Europeescbe evenwicht was dan ook de oor-
zaak van den oorlog over de opvolging van den Spaanschen
troon of van den Spaanschen successieoorlog, gelijk meu dien
oorlog noemde, welke in 1702 begon en elf jaren duurde,
gelijk wij spoedig zullen hoorcu.
8.   Willem III zag slechts het begin van dien oorlog, want
hij stierf in 1702. Hij was altijd van eene zeer zwakke gezond-
heid geweest, doch zijn sterke geest maakte dat hij verba-
zend vele moeiten kon trotseeren. Zijne zwakke borst deed
evenwel de vrees koesteren dat bij niet oud zou worden.
Zijn dood werd verhaast door eenen val van bet paard.
Dit dier struikelde over een molshoop. Vandaar dat de vij-
anden van Willem III in Engeland later (wat niet zeer edel
was) soms eene gezondheid dronken op den kleinen heer
in zwart fluweel. Dit beleekende den mol, die de oorzaak
geweest was van den dood van Willem III. Hij stierf juist
toen hij zich gereed maakte om den veldtocht tegen de
Franschen te beginnen.
9.   Willem III is een der grootste mannen in de geschiede-
nis van ons land; dat wil zeggen: een van diegenen, welke den
grootsten naam gehad hebben en den grootsten invloed hebben
uitgeoeiend op de gebeurtenissen van hunnen tijd. Maar die
mannen zijn niet altijd de edelste en deugdzaamste! In
ons land is het Willem MI gelukt eene macht te verkrijgen,
grooter dan ooit een stadhouder voor hem bezeten had. Hij ge-
bruikte die macht om ons vaderland mede te sleepen in den
-ocr page 176-
I(i3
oorlog icgcn Lodewijk XIV. Hij zette ook in de verschillende
provinciën, waarvan hij stadhouder ■was, alles naar zijne hand.
En bij bekommerde zich weinig om de voorrechten van de
steden, wanneer die voorrechten voor hem een hinderpaal
waren, liij was dan over liet algemeen ook veel meer in ons
land gevreesd dan bemind. Men zeide dikwijls dat hij zich
gedroeg ais koning van Holland en als stadhouder van Enge-
land. Dit vüde zeggen dat hij zich in de Republiek eene
koninklijke macht aanmatigde, maar in Engeland zijne macht
liet beperken.
10.   \'lel is waar ook, dat de Engclschcn hem in zijne macht
als koning zeer beperkten. Zij zagen met wantrouwen op
hem neder. Zij \\v;lden niet eens hebben dat liij zijne vrienden te
zeer begunstigde ol\'bun invloed schonk. Want Willem Hl was
een warme vriend, en hij poogde zijne Nederlandsche vrien-
den in Engeland tot machtige mannen te maken. Een zeer
aanzienlijk lïngelsch geslacht, de graven van Portland, stammen
al van den baron tteutinck , den vriend van Willem lli. De En-
gelsche grooten en het Engclsche parlement maakten het den
koning zeer moeielijk, vooral omdat hij een vreemdeling was.
Daarentegen kou Willem 111 zijne eigene (andgenooten bij de
Engelsclicu weinig bevoordeelen. Ue geiiate navigatie-akte.
die zooveel nadeel aan den Hollandschen handel deed, kon hij
niet eens afgeschaft krijgen. Zoo hadden de Nederlanders er
geen voordeel eu groote moeielijkheden van, dal hun stad-
houder koning van Engeland, Schotland en Ierland was
geworden.
11.   Met Willem 111 stierf de laatste mannelijke afstamme-
ling van Willem i, prins van Oranje. Jan Willem 1\'Yiso,
een neef van Willem lil van vrouwelijken kant, alstamme-
liug van Jan, broeder van Willem 1. was stadhouder van
Friesland en Groningen en werd door Willem Hl tot zijnen erf-
genaam gemaakt.
-ocr page 177-
169
XXXH.
VREDE VAN UTRECHT.
1.   Ons vaderland werd nu al veder in eenen oorlog getrok-
ken, die elf jaren duurde en in 1713 door den vrede van
Utrecht eindigde. Het was de oorlog over de Spaansche
erfopvolging. Wij hebben u zooeven verhaald, dat die oorlog
gevoerd werd om te bewaren, wat men het Europeesche even-
wicht noemde. Karel II, koning van Spanje, Mas gestorven,
zonder zonen o f broeders na te laten. iVu was de koning van
Spanje te gelijker tijd koning van Napels, Sicilië en bet
eiland Sardinië, hertog van .Uilaan en vorst der zuidelijke
Nederlanden. Daarenboven was de koning van Spanje heer
van zulke uitgebreide bezittingen in Amerika en in Azië,
dat men gewoon was te zeggen: -de zon gaat nooit onder in
het rijk van den koning van Spanje."
2.  De naaste erfgenamen van den overleden koning Karel II
waren de keizer van het Üuitsciie rijk en de koning van
Frankrijk, Lodewijk XIV, benevens den iiertog van Beyeren.
Nog bij het leven van Karel II waren tusscben Lodewijk XIV,
Willem III en andere mogendheden schikkingen getroffen om
de stalen van den Spaanschen koning te verdeelen. Ware
deze beschikking behouden gebleven, zij zou misschien een
vreeselijken oorlog bespaard hebben; doch Karel II maakte,
eer bij kwam te overlijden, een testament. Hierbij benoemde
hij den hertog van Anjou, kleinzoon van Lodewijk XiV, tot
erfgenaam der Spaansche monarchie. Lodewijk XIV nam de
erfenis voor zijnen kleinzoon aan. De Spanjaarden erkenden
dezen als hunnen koning; want, hoewel alle die aigelegene
staten in Italië en de Nederlanden de macht van den Spaan-
sclien koning eer verzwakten dan versterkten en hem in
voortdurende oorlogen wikkelden, zoo konden de Spanjaar-
den toch geene verdeeling gedoogen. Zij meenden dat zoo
iets tegen de eer der natie streed.
-ocr page 178-
170
3. Willem III beleefde nog de toebereidselen tot den oorlog,
die gevoerd zou worden , om Lodewijk XIV te dwingen af-
stand voor zijnen kleinzoon te doen. Hij stierf echter eer de
veldtocht begon. Iti de Nederlandsche republiek volgde hem
geen stadhouder op, gelijk wij straks zullen hooren ; in
Groot-ISrittannié\' en Ierland werd hij opgevolgd door Anna ,
de zuster zijner overledene gemalin Maria. Ofschoon Wil-
lem III gestorven was, bleef echter alles in dezelfde orde als
hij den oorlog tegen Frankrijk had vastgesteld. Want de
drie mannen, welke voornamelijk dien oorlog leidden, han-
delden geheel en al in zijnen geest. Die drie mannen waren:
de hertog van Marlborough, veldheer van het Engelsche
leger; prins Cugeuius, opperbevelhebber van het leger des
Duitschen keizers, en Heinsius, raadpensionaris van Holland.
Deze drie mannen handelden steeds zeer eensgezind in alles
wat ondernomen werd.
4.   De hertog van Marlborough was een van de grootste veld-
heeren zijner eeuw; hij beheerschte geheel en al de zwakke
koningin van Engeland, Anna. Overigens was hij een man van.
een zeer berispelijfc karakter, die zich vroeger vrij ondank-
baar jegens zijnen meester. Jacob II, had gedragen. Prins
Eugenius was een vorst uit het geslacht der hertogen van
Savoye. die in dienst des Duitschen keizers was getreden: hij
was een even groot veldheer als Marlborough, maar van een
veel edeler karakter. De raadpensionaris Heinsius had reeds
het vertrouwen van Willem III genoten; hij was een man
van uitstekende bekwaamheden; hij wist na den dood van
den stadhouder de stateii-generaal te bewegen om voort te
gaan met deel te nemen aan den oorlog tegen de Franschen: een
voornaam gedeelte van de leiding van den krijg werd aan
hem overgelaten.
5.   Ons vaderland toch had een groot gedeelte van de lasten
daarvan te torsenen. De republiek der zeven vereenigde pro-
vinciën bracht daartoe een machtig leger in het veld. meest uit
huurtroepen bestaande, dat naar België trok, om daar den krijg
te voeren. Dat leger werd vergezeld van gedeputeerden te velde,
-ocr page 179-
171
gelijk men liet noemde, dat is: vanpersonen, door destaten-
generaal daartoe aangewezen, die in alles de Republiek ver-
tegenwoordigden en in haren naam handelden. Het geschiedde
echter vaak dat die gedeputeerden té velde de krijgsbewe-
gingen eerder bemoeielijkten dan bevorderden, doordat zij
zich te veel mengden in zaken waarvan zij geen verstand
hadden. Gedurende den Spaanschen erfopvolgingsoorlog was.
dit evenwel minder het geval; in de krijgstochten, -waarbij
Willem III opperbevelhebber was, in het geheel niet. Want
Willem III beheerschte de staten-generaal, zoodat de gevol-
machtigden van dezen weinig te zeggen hadden.
Wij zullen u niet al de veldslagen noemen die gedurende
dezen elfjarigen oorlog geleverd werden. In Spanje, in Italië,
in Duitscliland, in üelgie, in Amerika, op den Oceaan werd
gestreden. Ontzaglijk groot is het getal menschen, wier
leven werd opgeofferd, om te beslissen wie koning van Spanje
zou worden: een kleinzoon van den koning van Frankrijk
of een zoon van den Duitschen keizer. Men mag echter
niet vergeten, dat oorlogen vaak alleen de uiterlijke open-
baring zijn van diep liggende en met geheel het maatschap-
pelijk leven verweven oorzaken.
9.   Onder de vreeselijkste veldslagen van den Spaanschen erf-
opvolgingsoorlog behooren die bij Oudenaarde in 1708 en
die bij Malplaquet in Henegouwen in 1709. Bij deze twee
voerde de hertog van Marlborough het opperbevel en was de
stadhouder van Friesland, Jan Willem Friso, tegenwoordig:
bij Malplaquet alléén verloor het Nederlandsche leger 10,000
man. De Franschen leden bij deze gelegenbeden de nederlaag.
10.   In 1704 hielp de Nederlandschen vloot de Engelschen
de sterke vesting Gibraltar veroveren, welke deze voor zich
zelven behielden. Reeds in 1702 hadden de Nederlanders, on-
der den admiraal Almonde, de Engelschen geholpen in het
vernielen van eene Franscue vloot en een aantal Spaan-
sche koopvaarders in de baai van Vigos. Ook dit baatte
slechts den Engelschen; want alleen de mededinging van de
Franschen betwistte hun nog de heerschappij ter zee. Hoe
-ocr page 180-
172
meer de Fransche vloten vernield werden, des Ie meer wer-
den de Engelschen machtig Ier zee, des te meer werden zij
later voor de Nederlanders geducht.
11. Gedurende dezen oorlog leed ons vaderland eenbelang-
rijk verlies door den dood van .iaii Willem Friso, stadhou-
der van Friesland en Groningen. Deze was nog niet ouder
dan vier en twintig jaren en reeds had hij getoond een er-
varen krijgsoverste te wezen. Hij was over het algemeen
om zijn karakter bemind. Hij was in 1711 van het leger ge-
reisd naar \'s Gravcnhage. Op den terugkeer stapte hij met
stormachtig weder hij den .Moerdijk op eene veerschuit. Door den
sterken wind kantelde deze en de prins viel in het wateren
verdronk. Zijne weduwe werd kort daarna moeder van eenen
zoon, die later als stadhouder Willem IV is genoemd. Door
den dood van Jan Willem Friso waren nu ook Friesland en
Groningen zonder stadhouder en heeft het tweede stadhou-
derlooze tijdvak zoo lang kunnen duren.
                          \'
12.   Lodewijk XV was in den Spaanschen erfopvolgingsoorlog-
ongelukkig geweest. Zijne legers werden herhaaldelijk ge-
slagen; geldgebrek, misgev. assen, zelfs hongersnood, alle
deze rampen verspreidden zich over Frankrijk. Geen won-
der dat de trotsche koning, na de nederlaag, die zijn
leger in 1709 bij Malplaquet geleden had, dringend naar
vrede met de bondgenooten begon te verlangen. De stalen-
generaal waren daartoe wel geneigd, maar de bondgenooten
wilden den oorlog voortzetten. Intusschen was in 1712 de
staat van zaken veranderd. In Engeland namelijk had de
koningin zich geheel en al laten beheerschen door de vij-
anden van den Hertog van Marlborough. Die partij, die
den vrede verlangde, verkreeg de overhand, Marlborough
werd teruggeroepen; zijn opvolger kreeg van de Engclsche
regeering bevel, geen veldslag tegen de Frauschen meer te
leveren. Daar de koningin van Engeland en de staats-
dienaren, welke zij thans had, dien vrede wensehten, kwam
deze weldra tot stand. Evenals de Nederlandsche republiek,
toen zij in 1709 den vrede wenschte, toch den oorlog moest
-ocr page 181-
173
blijven voeren, wijl hare bondgcnooten dit begeerden, zoo
moest zij thans wel den vrede sluiten of\' zij wilde of niet.
Dit begrepen de andere mogendheden dan ook zoo wel, dat
de Kransche gezant tot de Nederlandsche staatslieden durfde
zeggen: «wij zulten onderhandelen — bij u, over u en zonder
u!" l)e vrede kwam in 1713 te Utrecht tot stand.
13.   Bij uien v rede werd de kleinzoon van Lodewijk XV als
koning van Spanje en de bezittingen buiten Europa er-
kend; de zuidelijke Nederlanden of\' België, in den regel
de Spaansche Nederlanden geheeten, kwamen aan het huis
van Oostenrijk. Van nu af\' werden zij gewoonlijk de Oos-
tenrijkscbe Nederlanden genoemd. Ofschoon door landvoog-
den geregeerd, die door den Oostenrijkschen keizer gezon-
den waren, werden die zuidelijke Nederlanden toch geheel
en al geregeerd volgens hunne oud wetten en gewoonten,
en men zou zich zeer vergissen wanneer men dacht dat zij
in onderdrukking verkeerden.
14.   De republiek der zeven vereenigde provinciën was sinds
het jaar 1C72 altijd zeer bevreesd geweest voor de macht
van den koning van Frankrijk. Daarom had zij steeds waar-
borgen willen hebben, dat deze vorst haar niet al te gevaar-
lijk zou kunnen worden door de verovering der zuidelijke
Nederlanden. Nu meende zij dit te kunnen voorkomendoor
een sterk garnizoen te leggen in de vestingen van België, die
aan de Fransche grenzen liggen. Het recht om bezettingen
in de vestingen Namen, Doornik, Yperen enz. te leggen
kregen zij hij den vrede van Utrecht. Men noemde dit het bar»
rière-traktaat.
Dit kostte ons land zeer veel geld en baatte
het weinig.
-ocr page 182-
174
XXXIII.
TWEEDE STADHOUDERLOOZE TIJDVAK.
1. Het tweede stadhouderlooze tijdvak begon met het jaar
1702. Met dien tijd begint ook het verval der Neder-
landsche republiek, ofschoon dit eerst na den Utrechtschen
vrede merkbaarder -werd. Met moet dit echter niet wijten
aan het gemis van eenen stadhouder, maar aan andere oor-
zaken. Immers de zeven provinciën zijn nooit grooter en
machtiger geweest dan gedurende de een en twintig jaren
van het eerste stadhouderlooze tijdvak: van 1651 tot 1672-
Na den Utrechtschen vrede kwam het voor den dag, dat
de republiek van hare vroegere grootheid was vervallen; zij
was geheel en al machteloos. Gelijk wij zoo even gehoord
hebben, durfden de gezanten van den Franschen koning
haar dit ook zeer wel laten gevoelen. De republiek had den
voor dien tijd ongehoorden schuldenlast van 350.000,000 gul-
den, en dan waren de belastingen nosr zoo zwaar als maar
eenigszins kon! De reden hiervan is gemakkelijk te verklaren
Ons land had zich in oorlogen gemoeid, die ontzettende
kosten eischten. Het bracht legers op de been, alsof zij kwa-
men van een land, dat vijf- a zesmaal zooveel bevolking telde
als het grondgebied der republiek. Dat leger werd groo-
tendeels op de been gebracht door vreemde soldaten, voor-
namelijk Duitschers die voor geld in dienst traden. Hoe
rijk ons vaderland ook door handel en nijverheid ware, ging
dit toch op den duur de krachten des lands te boven. Het
ging er mede als met een fatsoenlijk burgerman, die den
staat wil voeren van een groot heer: hij steekt zich in
schulden en in moeielijkheden en kan het toch onmogelijk
op den duur blijven volhouden. Zoo ging het met ons vader-
land! Het mengde zich te veel in de Europeesche oorlogen;
en de oorlog vernielt schatten en brengt op den duur een,
land tot ondergang.
-ocr page 183-
175
2.   Wanneer wij van het verval van de republiek der zeven
vereenigde provinciën omstreeks den vrede van Utrecht spre-
ken, dan moet men dit niet zu\'d opnemen, dat al de ver-
schijnselen van dat verval zich zóó maar op eens tenzelfden
tijde voordeden. Neen! dat verval ging langzamerhand voort.
Het ontsproot uit vele oorzaken die niet alle te gelijk
werkten. Ook moet men wel degelijk in aanmerking nemen,
dat in sommige opzichten dat verval slechts schijnbaar was;
namelijk in den invloed dien de republiek op Europa uitoe-
fende. Immers Engelands vloten , Engelands handel waren
sinds 1G72 ontzaglijk toegenomen. Aangezien nu Groot-
Brittannië veel meer bevolking telt en veel machtiger is.
moest ons vaderland, daarbij in vergelijking, in verval ge-
raken, al ware het ook in het wezen der zaak op dezellde
hoogte gebleven.
3.   Als eene voorname oorzaak van dat verval hebben wij
genoemd, dat ons land zich te veel in de Europeesche oorlogen
had gemengd en daardoor in zware schulden was gekomen.
Die zware schulden veroorzaakten geldgebrek. En het geld-
gebrek bracht te weeg dat leger en vloot in verval geraak-
ten. Nu was het voor een haudeldrijvend volk als het onze
volstrekt noodzakelijk, dat het goede Vloten onderhield ter
bescherming van zeevaart en handel. Vooral was dit noodig
in de Middellandsche zee. Zeer vele Nederlanflsche schepen
handelden op het Turksche rijk, op Italië en Spanje. In die
tijden was de vaart op de Middellandsche zee zeer onveilig.
In Algiers, Marocco en Fez heerschten Mahomedaansche vor-
sten, die zich een tak van inkomsten maakten uit het rooven
van de schepen der Christenen. Alle Christenen, die hun in
handen vielen, werden als slaven op de markt gebracht
en verkochl. Die zeeroovers van de Barbarijsche kust en van
Algiers rekenden het een verdienstelijk werk, de Christenen
te beoorlogen, te berooven en als slaven te verkoopen. In
den tijd van Michiel de Ruyter had Holland dezen zeeroovers
laten gevoelen dat het zich niet ongestraft liet beleedigen;
maar hoe spoedig waren de tijden veranderd! In 1725 zon*
-ocr page 184-
176
i
den de stalen-generaal in plaats van oorlogsschepen , om
Algiers te tuclitigen, een gezantschap naar den Buy (zoo heette
de vorst van den roofstaat), om hom tevreden te stellen en door
aanbod van rijke geschenken te bewegen dat hij onzen handel
niet weder zou benadeelen. En de «oeste Mohammedaan durlde
tegen de gezanten der republiek zeggen, toen zij hem den
vrede door geschenken wilden afkoopen: \'Voor mij zou het
aannemen van uw voorstel eene schande zijn. Voor u is het
eene schande, dergelijk voorstel te doen. Ik heb u niet ge-
vraagd van te komen om vrede te maken: gaat weg zooals
gij gekomen zijt!" En er was geen Hollaudsche vloot meer
om die roovers te tuchtigen! Want alles was in verval: de
vloot werd niet behoorlijk meer uitgerust; ook het leger was
in slechten staat. Doch dit was niet zoo nadeelig voor \'s lands
welvaren als het verval van de vloot: een volk toch dat,
gelijk de Hollanders, voornamelijk van de zeevaart bestaan
moest, diende voor alle zaken eene goede scheepsmacut te
hebben.
4. Geldgebrek was eene der voorname oorzaken van dat ver-
val; maar dat geldgebrek ontstond weder uit twee oorzaken.
De eerste hebben wij u reeds medegedeeld, namelijk dat ons
land zich in te groote en te kostbare oorlogen te land had
gewikkeld. De andere oorzaak lag in de regeering van de
republiek zelve.
Gedurende het tweede stadhouderlooze tijdvak geraakte
ons land al meer en meer onder hetgeen men gewoon is
familieregeerintj te noemen. Gelijk u bekend is, werden de
staten-generaal samengesteld uit de afgevaardigden der zeven
provinciën; de staten der provinciën, uit de algevaardigden
van den adel en van de steden. In de beide vergaderingen
kon geen lid tot eenig gewichtig besluit medewerken, tenzij
hij den wil zijner lastgevers eerst gehoord had, dat is
voor de staten-generaal de provinciale staten, en voor deze de
stedelijke regeeringen. Zoo konden, eigenlijk gezegd, die ste-
delijke regeeringen alles bemoeielijkeu. De regeering nu van
schier alle steden onzes lands was sinds 1588 al meer en
-ocr page 185-
177
meer in handen van eenige weinige familiën geraakt. Deze
familiën ondersteunden elkander over en weer. Zij beschik-
ten elkander en haren verwanten alle winstgevende betrek-
kingen. Ook wisten /.ij de overige burgers geheel en al bui-
ten de regeering te houden. Zoodoende vormden zij lang-
zamerhand eenen geheel en al bijtonderen stand, algeschei-
den van de burgerij . en regenten-familiën geheeten. ledere
stad, of het Amsterdam of een klein stadje als Medemblik
was, had zulke regenten-familiën, die alles beheerschten.
Toen de oude eenvoudigheid van zeden en eene krachtige
liefde voor het vaderland nog algemeen waren, gelijk in den
tijd van den groot en raadpensionaris Jan de Witt, merkte
men nog weinig hoe verderfelijk die familieregeering was;
ook was zij toen op verre na nog zoo sterk niet als later.
Maar na den Utrechtschen vrede begon het zichtbaar en dui-
delijk te worden, hoe noodlottig voor bet land dergelijk stelsel
van regeering was. Die\'weinige regenten-familiën, welke in de
verschillende steden het bewind uitoefenden, vormden door
hunne afgevaardigden de staten der provinciën en deze
weder de staten-gencraal. Zoodoende kon de geheele lands-
regeering niets doen dan in acht nemen, wat die familiën
voor haar belang noodig oordeelden. De gewichtigste posten
en bedieningen werden begeven niet naar bekwaamheid, maar
aan den zoon of neef van dezen of genen machtigen heer.
Dit was ook het geval met de aanstellingen op de vloot of
met de officiersplaatsen in het leger. Die ptrsonen, welke zoo
door gunst vooruitgekomen waren, zochten in dea regel
meer hun eigen voordeel dan \'s lands belang. Ook behoefden
zij niet bevreesd te zijn voor straf, indien hunne familie
slechts machtig genoeg was om hen te beschermen.
5. De gevolgen van dit stelsel van regeering deden zich
dan ook gevoelen, toen in 1740 ons vaderland gemengd werd
in den Oostenrijkschen erfopvolgingsoorlog. De koningen van
Frankrijk en Pruisen namelijk wilden Maria Theresia, de
dochter van den laatsten mannelijken afstammeling van het Oos-
tenrijksche keizershuis van hare erflanden berooven. Dit
ia
-ocr page 186-
178
veroorzaakte een algemeenen oorlog door geheel Europa. Ons
land wilde er zich wel buiten houden, doch werd er in ge-
mengd door liet Barru-re-traktuai, waarover wij u in het
vorige hoofdstuk gesproken hebhen. In dezen oorlog kwam
het aan het licht dat ons leger en onze vloot geheel en al
verwaarloosd en de officieren van het leger en van de vloot,
door gunst bevorderd, onbekwaam en lai\' waren.
6. Toen de Fransche legers in 1747 zich meester maakten
van de vestingen van Staats-Vlaanderen, geraakte het volk,
geheel ons land door, in rep en roer. De kleine burgerstand
in de sleden was ten allen tijde zeer stadhoudersgezind:
gelijk ulieden bekend is, waren dit ook de hervormde pre-
dikanten, en deze oefenden steeds een grooteu invloed uit.
Zoolang geene groote algemeene rampen het vaderland be-
dreigden , liet de burgerij, over liet algemeen, de regenten
hunnen gang gaan; maar wanneer het vaderland bedreigd
werd, gaf zich de ontevredenheid lucht. Zoo geschiedde het
ook in 1747. Binnen zeer korten tijd geraakte bijna in
iedere stad het volk in beweging en vorderde een stadhou-
der. In Friesland en Groningen was dit Willem, de zoon
van Jan Willem Friso; ook Gelderland had hein reeds vroe-
ger tot zijnen stadhouder gekozen; maar Holland, Zeeland
Utrecht en Overijsel waren tot nog toe zonder stadhouder
gebleven. De beweging des volks werd echter in 1747 op
eens zoo sterk, dat de staten dier verschillende gewesten
besloten toe te geven en Willem IV, gelijk hij genoemd
werd, tot stadhouder uit te roepen.
7. Zoo eindigde het tweede stadhouderlooze tijdvak. Om te
voorkomen dat er geen derde zou plaats vinden, werd het
stadhouderschap erfelijk verklaard in de familie van Willem
IV. Bij gemis aan mannelijke nakomelingschap, konden ook
vrouwen tot het stadhouderschap geraken. Door deze bepaling
werd de stadhouderlijke macht zeer uitgebreid.
Ook gaf zich het ongenoegen der burgerijen lucht tegen
sommige zeer gehate maatregelen, vooral tegen de pachte-
rijen. In dien tijd werden de belastingen niet, gelijk thans
-ocr page 187-
179
door rijksontvangers geïnd; maar de regeering verpachtte die
voor vaste sommen aan de hoogstbiedenden of voor eene be-
paalde som aan begunstigden, zooals men thans een tolhek
verpacht. Deze pachters maakten zich aan grove misbruiken
schuldig. Hier en daar. vooral in Friesland, kwam het volk
in opschudding over die pachterijen. Willem IV bewerkte
dat ze grootendeels afgeschaft werden. Voor \'t overige bleef
alles op den ouden voet. De familieregeeringen hadden overal
zulke diepe wortels geschoten, dat het scheen dat zij niet
uit te roeien waren. Ook was Willem IV een goedhartig
persoon en er de man niet voor, om tegen zulke diep inge-
wortelde misbruiken te velde te trekken.
XXXIV.
MAATSCHAPPELIJKE TOESTAND IN DE ACHTTIENDE EEUW.
1. In het begin der achttiende eeuw had ons vaderland,
geheel Europa door, nog den naam van het land te zijn,
waar alles, wat scheepsbouw, scheepvaart en handel be-
trof, op de grootste hoogte was. Een bewijs daarvoor is dat
de Czaar van Rusland. Peter, later de Groote bijgenaamd,
naar Holland kwam. om daar zelf den scheepsbouw te leeren.
Deze vorst, die de kunsten en kennis der westelijke volken
bij de ruwe Russen wilde invoeren, hechtte vooral veel
waarde aan de scheepsbouwkunst. Hij kwam in 1G97 naar
Holland en ging te Zaandam op eene scheepstimmerwerf als
handwerksman zich oefenen. Zijne woning is in die stad nog
aanwezig en bekend onder den naam van het huisje van
Czaar Peter den Groote. Later, in 1717, bezocht deze vorst
voor de tweede maal ons land. Verscheidene Nederlanders
vestigden zich op zijn aanzoek in Rusland en leerden aan
het volk van dat land kunsten, die daar nog onbekend
waren.
%. Sinds het begin der achttiende eeuw begon de han-
del van Holland langzamerhand af te nemen. Men moet dit
-ocr page 188-
18(1
echter niet alléén wijten aiiu vermindering van ondernemings-
geest onzer voorvaderen, maar voornamelijk aan de omstan-
digheid, dat andere volken voor Holland geduchte mededin-
gers werden en steeds in macht en aanzien toenamen. Het
meest van alle deed dit Engeland. Gedurende de zeventiende
eeuw was onze republiek nog de eerste handels- en zeeva-
rende mogendheid van Europa; in de achttiende eeuw was
Engeland dit geworden. Ook noordelijk Duitschland begon
mede te dingen. Was vroeger Amsterdam de stad geweest,
die bijna alleen de groote handclstad van noordwestelijk
Europa was, ook Hamburg en Breinen werden gedurende de
achttiende eeuw belangrijke mededingers van Amsterdam.
3. De allervoornaamste tak van handel der republiek bleef
echter nog geheel en al haar uitsluitend eigendom: namelijk
die op Oost-Indië. Allengs had de Oost-Indische Compag-
nie op de eilanden van Azië hare macht uitgebreid, zoo-
dat zij er inderdaad een machtig rijk had gesticht. Dit was
het werk geweest van verscheidene gouverneur-generaals van
Neêrlands Indië, als: Maatsuiker, Ryklof van Goens, Speel-
man, enz. In het begin der achttiende eeuw was dan ook
de toestand der Oost-Indische Compagnie allergunstigst. Ge-
heel de handel in specerijen voor geheel Europa was uit-
sluitend in hare handen. Ook ondernam de gouverneur-gene-
raal Zwaardekroon het bevorderen van een anderen tak van
handel, die later een van de voornaamste van Java gewor-
den is: de koflie. Deze plant werd uit Arabië naar Java
overgebracht: in 1712 werd de eerste bezendingkoflieboonen
door de Oost-Indische Compagnie naar Holland gezonden. In
het midden der achttiende eeuw begon de Oost-Indische
Compagnie te kwijnen en het verval nam met ieder jaar
toe: alle jaren kwam zij millioenen guldens te kort. De han-
del bracht niet zooveel meer op; de ondernemingszuchtder
kooplieden scheen verminderd. Bovendien leed de Compagnie
zeer veel door de onecrlijkheid harer beambten. Deze werden
gewoonlijk door voorspraak van aanzienlijke familiën, van
leden van het bewind der Compagnie, benoemd, en rekenden
-ocr page 189-
181
zich daardoor,{gerechtigd tot velerlei soort van oneerlijk-
heden, terwijl toch de bescherming hunner machtige vrien-
den hen voor vervolging bewaarde.
4.   De oude West-Indische Compagnie was in 1674 ontbon-
den; maar eene andere spoedig weder opgericht. Zij bezat
in Amerika de eilanden Curacao en Sint Martin en nog
eenige andere; op het vasteland de volkplantingen Suri-
name, Demerary, Essequebo en Berbice. De drie laatsten,
henevens ettelijke eilanden , werden haar later door de En-
gelschen ontnomen. De West-Indische Compagnie kwijnde
gedurende het geheele verloop der achttiende eeuw en is
in 1794 te niet gegaan.
5.   De zeden en gewoonten onzer voorouders ondergingen
insgelijks gedurende den loop der achttiende eeuw eene be-
langrijke verandering, (lij moet u niet voorstellen dat dit op
eenmaal geschiedde. Neen ! het ging langzamerhand en schier
ongemerkt. Vooral omstreeks het midden der achttiende
eeuw begonnen de Fransche zeden en manieren een inerke-
lijken invloed in ons land uit te oefenen. In levenswijze, in
kleeding. in manieren trachtte men de Franschen na te boot-
sen: iets wat dikwerf zeer nadecligwas voor de goede zeden
en den goeden smaak. De oude llollandschekleederdracht moest
plaats maken voor de modes van Parijs, en lange pruiken,
gepoederd haar, wijde hoepclrokken namen de plaats in
van de eenvoudiger kleeding uit de tijden van Jan de Witt.
6 Ook in de kunsten begon men meer en meer de vreem-
delingen na te volgen; terwijl de llollandsche oorspronke-
lijkheid verdween. De achttiende eeuw telt op verre na niet
zulke groote dichters en kunstenaars als de zeventiende. In
die eeuw kan ons vaderland niet meer op een Vondel of
Itembrandt wijzen. Echter had ons vaderland toch nog ette-
lijke verdienstelijke mannen, zooals de dichter Antonides
van der Goes, die nog in het begin, Poot en Langendijk,
die een weinig later, Unno Zwier van Haren, die in het
midden der achttiende eeuw leelde. Antonides van der Goes
was de vervaardiger van een gedicht, de Ystrootn; Poot be-
-ocr page 190-
182
zong den landbouw; Langendijk maakte blijspelen; van Ilarens
beroemdste stuk is, de Gonzen getiteld. In het laatste ge-
deelte der achttiende eeuw waren llellamy en van Alphen
als dichters beroemd.
Onder de prozasclu ijvers van de eerste helft der acht-
tiende eeuw maakte zich vooral de zedeschrijver Justus van
Ellen met zijnen Nederlandtchen Spectator een naam. In de
tweede helft Elisabeth Dekker met hare romans, Jan Wage-
naar met zijne vaderlandsche geschiedenis, Siinon Stijl met zijn
fraai boek over de opkomst en bloei der Vcreeniijde Nederlanden.
7.  Ouder de mannen, die in de wetenschappen zich in ons
vaderland beroemd gemaakt hebben, verdient vooral Boer-
haave genoemd te worden. Hij was hoogleeraar in de genees-
kunde aan de Leidsche akademie en stierf in 1738. Hij was
geheel Europa door oiu zijne geleerdheid vermaard, en de
Leidsche akademie ontving door hem weder een nieuwen
luister. In het begin der achttiende eeuw maakte zich Byn-
kershoek en op het einde dier eeuw Adriaan Kluit als rechts-
geleerde beroemd. Wij zouden u nog vele andere mannen
kunnen noemen, die in deze eeuw door wetenschap en ken-
nis hun vaderland tot sieraad strekken. Betoonden onze va-
derlandsche dichters en kunstenaars der zeventiende eeuw
meer kracht eu oorspronkelijkheid; dit was niet slechts hier
te lande liet geval, maar ook in andere landen van Europa.
Het ongeluk wilde dat in het midden dier eeuw de Eran-
sche smaak den toon gaf aan alles wat aanspraak op bescha-
ving wilde maken en wat voor den éeneu landaard past,
deugt daarom nog niet voor den anderen. Voor geen volk
zouden trouwens de leerstellingen dienstig zijn, door een
Voltaire in Frankrijk gepredikt. Deze Voltaire is de man
geweest, die den heiligen godsdienst van Jesus Christus
veracht en bespottelijk wilde maken en de menschelijke
hartstochten verheerlijkte! Ongelukkigerwijze heeft hij duizende
en duizende navolgers gevonden, waaronder ook iii ons land.
8.   In ons vaderland maakte men zicli op eene bijzondere
wijze, en wel uit zucht naar gewin medeplichtig aan de
-ocr page 191-
183
bevordering van de verderfelijke leerstellingen van Voltaire
en andere Fransche ongeloovigen en spotters met God en
.godsdienst. In Frankrijk, moet gij weten, bestond de cen-
suur, dat is: niets mocht gedrukt worden, voordat van
\'s konings wege was toegezien of\' het gedrukte tegen de
goede zeden en het staatsbelang streed. Alles, wat nu
de staatsinstellingen, den godsdienst, de goede zeden aan-
tastte, lieten de Franschen in Holland drukken, üe meeste
boeken der Fransche schrijvers van dion tijd. die zoo
verderfelijk gewerkt hebben, zijn van de Hollandschsche
drukpersen gekomen. Van uit ons land werden die boeken
bij duizenden in Frankrijk in het geheim ingevoerd en
verkocht. Zoo bevorderden de Hollanders het ongeloof.
9. In de zeven vereenigde provinciën was en bleef het her-
vormde kerkgenootschap nog het alleenheerschende. Men
kon tot geen post of bediening geraken of men moest daartoe
behooren." Echter genoten thans de dissidenten., dat is dege-
nen die niet tot het heerschende kerkgenootschap behoorden,
meer vrijheid. Remonstranten, Lutherschen. Mennonieten,
Joden, allen konden vrij hunnen godsdienst uitoefenen. Ook
de Katholieken mochten dit thans doen, doch onder de meest
beperkende voorwaarden. Van tijd tot tijd hadden zij te lij-
den van de onverdraagzaamheid der predikanten, die her-
haaldelijk van de overheid vorderden om de paapsehe xtoutig-
lieden,
gelijk zij het noemden, te keer te gaan. De Katholieken
mochten in bijzondere huizen, in schuren, in achterbuurten
kerk houden; de katholieke priesters konden op eigen naam
of op dien van een hunner gemeentenaren dergelijk gebouw
huren of koopen en daar het H. Misoffer opdragen. Maar
zij moesten wel toezien dat zij dit in stilte deden, anders
werden zij beboet. In zeer vele plaatsen moesten zij aan de
baljuws of schouten jaarlijks eene som gelds betalen voor het
ongestoord uitoefenen van hunnen godsdienst: doch behalve
deze vernederingen en geldelijke lasten, hadden zij weinig
te lijden.
10. Zoo was de toestand van de republiek der zeven pro-
-ocr page 192-
184
vinciën in den loop dor achttiende eeuw. Hierbij moet gij-wel
in aanmerking nemen, dat er alweder een groot verschil
tusschen iiet begin en liet einde dier eeuw was. Want evenals
het goede zich niet op eens ontwikkelt, zoo zal bet ver-
keerde insgelijks niet op eeus zich met alle kracht openba-
bareu. Wanneer wij derhalve over het verval der Nederland-
scbe republiek in den loop der achttiende eeuw moeten spre-
ken, zouden wij dat verval aldus verdeden: bel verval be-
gint zicb duidelijk te openbaren na den Utrecbtscben vrede
in 1713; na bet eindigen van bet tweede stadhouderlooze
tijdvak iu 1747 is iiet reeds in alles doorgedrongen; en na
den Engelschen oorlog van 1780 brengt bel den ondergang
der republiek te weeg.
XXXV.
WILLEM IV EN WILLEM V, STADHOUDERS.
1.   Willem IV was dan erfstadhouder van al de zeven pro-
vinciën geworden. Zijne macht was grooter dan die van
eenigen stadhouder vóór hem. Evenwel bezat bij niet de macht
en ook niet de geschiktheid om de ingeslopene misbruiken
te verbeteren, üe lainiüe-regeeringen in de verschillende ste-
den ble\\ en beslaan, gelijk vroeger, ja, breidden zich nog meer
uit. En zoolang dat gebrek niet hersteld was, kon men niet
verwachten dal bet beter niet bet land zou gaan.
Voor bet overige was Willem IV een goed vorst; bij was
minzaam en inschikkelijk; bij beoogde bet welziju van den
staat, doch hij miste de gaaf om zich alleen bezig te houden
niet liet groole en gewichtige en de kleinere zaken aan zijne
staatsdienaren over te laten. Bovendien was juist de toegeellijk-
heid van zijn karakter de oorzaak dal overal de oude misbruiken
bleven voortbestaan. Hij mocht niet lang in bet bezit zijner
•waardigheid wezen, want bij stierf reeds iu 1751. Hij liet
een zoon van drie jareii na.
2.   In de eerste jaren van zijn stadhouderschap was ons
-ocr page 193-
185
vaderland gewikkeld in den oorlog om den Oostenrijksche
troonsopvolging, waarover wij reeds gesproken hebben. Van
onzen kant -werd die oorlog niet gelukkig gevoerd. De repu-
bliek hield de zijde der keizerin Maria ïlieresia tegen Fre-
derik 11, koning van 1\'ruissen, en tegen Frankrijk. De legers
van laatstgenoemde mogendheid trokken België weder in en
veroverden de steden van Staals-Vlaanderen, Maastricht en
Bergen op Zoom. De meeste verliezen , welke wij onder-
vonden, waren voornamelijk te wijten aan het slechte beheer
onder den invloed der lamilie-regeering. Gelukkig dat de
vrede in het jaar 1748 te Aken gesloten werd. Bij dien
vrede kreeg de republiek alle plaatsen, welke de Franschen
op haar veroverd hadden, terug.
3.   Xa den dood van Willem IV, werd zijne gemalin Anna,
dochter van George II, koning van Engeland, lot regentes
benoemd. De hertog van Brunswijk werd tot plaatsvervanger
van den jongen prins, als opperbevelhebber van het leger
der republiek aangesteld. De hertog van Brunswijk stond de
regentes bij in de regeering. Toen zij in 1759 stierf\', werd
hij met de voogdij over den jongen Willem V belast. In
1707 werd deze meerderjarig en aanvaardde zelf het stad-
houderschap. Het volgende jaar huwde hij met eeue pruis-
sisehe prinses, Wilhelmina geheeteu. De hertog van Bruns-
wijk bleei\' den jongen stadhouder nog een tijd lang ter zijde
slaan, doch moest zich eindelijk verwijderen, omdat zijn
invloed op het bewind groote ontevredenheid bij eene mach-
tige partij opwekte.
4.   Ui\'schoon Europa van 1756 tot 1773 geteisterd werd
door een w reeden oorlog, die zeven jaren duurde en bekend
is onder den naam van den zevenjarigen oorlog, genoot ons
land, na den vrede van Aken, een tijdvak van twee en
dertig jaren van vrede! liet had, wel is waar, gedurende
den zevenjarigen oorlog, waarbij Engeland en Frankrijk
elkander op zee bevochten, in zijnen handel nu en dan te
lijden; doch over het algemeen voer het land wel. Toen de
vrede gesloten was tusschen de oorlogvoerende mogeudhe-
-ocr page 194-
186
den, namen handel en nijverheid in hooge mate toe. Er was
overvloed van handel en overvloed van geld in het land.
Ja, behalve Engeland, kon niet één land in Europa met het
■ rijke Holland", zooals men het noemde, gelijk gesteld wor-
den in algemeene welvaart en rijkdom.
5.   Echter stonden ons vaderland groote rampen te wach-
ten. Evenals soms moeielijkheden en wederwaardigheden
een mciisch tot heil zijn, doordat zij hem tot arbeid en
gematigdheid aansporen, zoo wekken weelde en overdaad
dikwijls bij hem verkeerde driften op. Zooals dit het geval
is met enkele uienschen in het bijzonder, is dit ook het
geval met geheele volken. Ons vaderland, dat zich gedurende
den druk van de Spanjaarden en Frauschen in 1672 zoo
moedig had gedragen en groote rampen was te boven ge-
komen, zou thans de grootste wedei waardigheden en ellende
ondervinden, ten gevolge van twist haat en jaloezie van
burgers van hetzelfde land.
6.   Om u deze heillooze burgertwisten duidelijk te kunnen
maken, moet gij u herinneren wat wij u reeds meermalen
verhaald hebben, dat de burgeis onzer republiek, bijna altijd
in twee partijen verdeeld waren: stadhoudersgezinden en
staatsgezinden. Eerstgenoemde partij wilde aan de stadhou-
ders meer macht geven en zoodoende meei eenheid in het
bestuur brengen; de staatsgezinde partij wilde die macht
meer in banden geven aan de gewestelijke en stedelijke be-
sturen, Nu was, na de instelling van het erfstadhouderschap
in 1747, de stadhouderlijke macht zeer toegenomen; maar
een tijd lang moest eene vrouw, bijgestaan door een vreem-
deling, den hertog van Brunswijk, de regeering voeren: die
vrouw was Anna, de moeder van Willem V. Toen deze zelf\'
het bewind aanvaardde, bleek het al spoedig, dat hij op
verre na niet zoo bekwaam was als de groote stadhouders»
die vroeger het bestuur gevoerd hadden. Al mocht dus ook
de stadhouderlijke macht toegenomen zijn, die macht werd
niet meer door zulke uitstekende mannen als vroeger nitge-
oei\'end. Dit moest natuurlijk zeer nadeeligvoor die macht wezen.
-ocr page 195-
187
Van den anderen kant had de staatsgezinde partij on-
gemeen veel macht en invloed verkregen, doordat er van
1702 tot 1747 geen algeineene stadhouder van alle gewesten
was. Zooals wij u reeds verhaald hebben, hadden de familie-
regeeringen zich vooral gedurende het stadhouderlooze tijd-
vak sterker gegrondvest. Zij hadden zich in bijna alle steden
des lands zoo geheel en al meester gemaakt van het be-
wind, dat, zells toen Willem.IV erlstadhouder was gewor-
den, hij die familién in de regeeringen moest laten. De
talrijke misbruiken dier familieregeeringen hadden echter
een groot gedeelte der burgerijeu van haar alkeerig ge-
maak t.
7. Om nu de geschiedenis dier burgertwisten te kunnen
begrijpen, moet men wel degelijk iets van veel belang in
het oog houden. Het is het volgende: de mensch is geest
en lichaam. Alles, wat op den geest werkt, oefent een
grooten invloed op hem uit. Zijn doen en laten zal, op den
duur gewijzigd worden, volgens hetgeen hij denkt. Wan-
neer een mensch geleid wordt door goede gedachten, zal
hij goed handelen; wanneer de mensch geleid wordt door
kwade gedachten, zal hij verkeerd handelen. Wanneer zijne
gedachten omtrent personen en zaken veranderen, zal hij
ook in zijn gedrag omtrent die personen en zaken veran-
deren. Uit dit alles zult gij begrijpen, van hoe groot ge-
wicht het voor des menschen welzijn is, dat zijne gedach-
ten zich op den goeden weg, op dien van godsdienst, recht-
vaardigheid en deugd bewegen.
Nu geschiedde het, dat er in het midden der achttiende
eeuw een groote invloed op geheel Europa werd uit-
geoefend door een zeker aantal Fransche schrijvers. Deze
schrijvers, die zich philosofen (dat is wijsgeeren) noemden,
tastten de geheele maatschappelijke orde, vooral in zijn
gezags-beginsel, aan. Zij stelden wel alle gebreken van
de verschillende regeeringeii in het licht; doch zij zagen
niet welke gebreken er kleefden aan hetgeen zij voorstel-
den. Die philosofen wilden alles afbreken; maar zij hadden
-ocr page 196-
188
niet beproefd, of\' hetgeen zij er voor in de plaats zouden
stellen beter was. Bovendien was hunne grootste, hunne
allergrootste lout, dat zij eene nieuwe maatschappij vil-
den vormen, eene nieuwe staatsinstelling wilden in liet wezen
roepen, maar eene maatschappij zonder God!
Wij hebben u verhaald, hoe in Holland meest alle boe-
ken gedrukt werden , die door die 1\'rausche philosofen werden
geschreven; het ligt in den aard der zaak dat zij dus ook
in ons land gelezen werden. De denkbeelden, in die boeken
bevat, vonden ingang bij velen. Hunne gedachten werden
er door gewijzigd en die gedachten oefenden weldra invloed
uit op hunne handelingen. Daarbij kwam dat vroeger de burge-
rijen zicli weinig met de regeeriug bemoeiden; maar dit was
vooral sinds liet jaar 1748 anders geworden. Toen en later
begonnen in vele steden, vooral in Amsterdam en Utrecht,
zich de burgerijen wel degelijk niet de regeering te moeien.
8.   Allengskens begonnen die burgerijen meer en meer on-
tevreden te worden met de regeel ing. De oude staatsgezinden
gaven aan den stadhouder de schuld van vele zaken, waar-
aan deze volstrekt geen schuld bad. Zij wilden het doen voor-
komen, alsoi de gebreken in de bestiering van land, ge-
west en steden alléén aan hem te wijten waren. Bij deze
oude staatsgezinden voegden zich personen, die niet slechts
de Stadhouderlijke macht, maar geheel den toestand van de
regeering der republiek berispelijk vonden. Deze echter ga-
ven de meeste schuld aan den stadhouder. Er werden vele
geschriften verspreid, waarin de macht en het aanzien van
den stadhouder werden aangevallen; maar ook de voorma-,
lige inrichtingen van gewestelijke en stedelijke besturen
werden evenmin gespaard. Te regt begreep men dat al
het verouderde niet kon blijven bestaan; maar men wilde
verbetering bewerkstelligen door middelen die afkeurens-
waardig en verkeerd waren; door verachting van het wet-
tig gezag !
9.   Gij zult reeds opgemerkt hebben dat ongelukkig gevoerde
oorlogen in 1672 en 1747 aanleiding gaven tot veranderingen
-ocr page 197-
189
in de regeering van de republiek der vereenigde provinciën.
Zoo gaf ook de ongelukkige Engelsche oorlog van 1870 aan-
leiding tot grootc onlusten in ons vaderland. Die onlusten
liepen zoo ver dat zij in een burgeroorlog ontaardden.
Ziebier wat aanleiding gaf tot den Engelschen oorlog.
Engeland bezat in Amerika aanzienlijke volkplantingen.
Deze volkplantingen geraakten in geschil met het moederland.
Zij verklaarden zich onafhankelijk en vormden een nieuwen
staat: de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, Zoodra deze
zich onafhankelijk verklaard hadden, trok Frankrijk hunne
partij. Dit veroorzaakte een oorlog tusschen Frankrijk en
Engeland. liet was voor ons land allermoeielijkst om buiten
dien oorlog te blijven; maar nog moeielijker om niet één
van de oorlogvoerende partijen aanstoot te geven. Maar met
wien zou men het houden? Met Engeland, of met Frankrijk?
Nu was het bijna altijd een onveranderlijke regel ge-
weest, dat de stadhoudersgezindc partij meer op de hand van
Engeland, de staatsgezinde op de hand van Frankrijk was.
Zoo was het ook thans weder hel geval. Daarbij kwam dat
de Amsterdamsche kooplieden grooten handel met de Fran-
schen dreven. Zij voorzagen hen gedurende den oorlog van
timmerhout voor oorlogschepen ; zij verkochten kruit en lood
en oorlogsbehoeften aan de Amerikanen. De Engelschen be-
weerden dat de Nederlanders daardoor de onzijdigheid schon-
den. Toen zij merkten dat zeer vele voorname mannen in
ons land in verstandhouding stonden met de Noord-Ameri-
kanen, werden zij verbitterd. Zij begrepen dat het beter
was te doen te hebben met een openbaren dan met een
geheimen vijand en verklaarden in 1870 ons land den
-ocr page 198-
190
XXXVI.
ENGELSCHE OORLOG. -- ORANJEGEZINDEN EN
PATRIOTTEN.
1.   Onbegrijpelijk was de verblindheid in ons land vo\'o\'r
het uitbreken van den oorlog. Men dacbt dat de Engelsclien
niet zouden durven. Deze begonnen van bunnen kant de
vijandelijkheden op eeno niet lofwaardige wijze. Eer zij na-
melijk den oorlog verklaarden. overvielen zij een groot ge-
tal onzer schepen en rooiden die weg. Hierop zeiden zij
ons den oorlog aan.
Binnen den tijd van déne maand namen zij ons tweehon-
derd koopvaardijschepen al\', die, niet op den oorlog voorbe-
reid, van Indié huiswaarts kwamen of van andere landen van
Europa naar hun vaderland terugkeerden. Het verlies, dat
daardoor werd geleden, wordt op vijftien millioen gulden
begroot. Het gevolg van den uitgebroken oorlog was, dat op
eens scheepvaart, handel en nijverheid stilstonden. Alom
heerschten schrik en moedeloosheid. De Nederlandscbe bezit-
tingen in VVest-Indië vielen alle in banden der Engelschen.
Op het eiland S\'Eustatius, dat zij op ons veroverden, behaal-
den zij eenen buit van drie millioen gulden. Gij kunt be-
grijpen welke ontzaglijke verliezen onze handel door dezen
oorlog leed.
2.   Deze nadeelen werden niet opgewogen door de overwin-
ning, welke de onzen bij Doggersbank behaalden. Onze vloot,
groot vijftien oorlogsschepen, onder bevel van Jan Arnold
Zoutman, raakte in de Noordzee bij de zoogenaamde Dog-
gersbank slaags met de Engelschen. De vloot van deze,
onder den admiraal Parker, telde twaalf schepen, maar zwaar-
der en beter gewapend dan de Nederlandsche, zoodat de
kansen gelijk stonden. Na een hevig gevecht moesten de
Engelschen afdeinzen. Toen de tijding hiervan bekend werd
in het vaderland, was de vreugde algemeen. Men riep: -de
-ocr page 199-
191
Trompen en de Ruyters leven nog!" Maar de Trompen en
de Ruyters waren dood !
Na vier jaren over het algemeen zeer ongelukkig den
oorlog gevoerd te hebben, werd in 1784 de vrede met
Engeland gesloten. Wij kregen onze volkplantingen terug;
maar de nadeelen van den oorlog waren groot en het groot-
ste nadeel daarvan waren de hinnenlandsche verdeeldheden.
3. Ons vaderland geraakte, terwijl het nog in oorlog was
met Engeland, in gevnar insgelijks in oorlog te geraken met
Jozef II, den Duitschen keizer.—Gelijk gij u herinneren
zult, waren de zuidelijke Nederlanden, of België hij den
vrede van Utrecht aan het keizershuis van Oostenrijk geko-
men. Zij werden daarom de Oostenrijksche Nederlanden ge-
noemd, gelijk vroeger de Spaansche Nederlanden. Antwer-
pen behoorde daartoe. Nu is die stad eene der best gelegene
voor den handel, en vroeger was het de voornaamste han-
delstad van Europa geweest. De Hollanders en vooral Am-
sterdam begrepen dat zoo de handel op Antwergen vrij
bleef, dit groote afbreuk aan hen zou doen. Daarom legden
zij, gedurende den tachtigjarigen oorlog, het erop toe, zich
meester te maken van Staats-Vlaanderen. Door de forten,
die zij daar bouwden, en door het bezit van Vlissingen maak-
ten zij dat niet één schip naar Antwerpen kon zeilen .wan-
neer zij dit niet begeerden. Zoo gaven zij den handel van
geheel de zuidelijke Nederlanden den doodsteek.
Keizer Jozef 11, vorst dier landen geworden zijnde,
wilde nu dat de vaart op de Schelde vrij zou wezen. De
republiek wilde dit niet toestaan. Het kwam bijna tot een
oorlog. Door tusschenkomst echter van den koning van
Frankrijk zag de keizer af van zijne eischen, op voorwaarde
dat de republiek hem negen en een half millioen gulden uit-
keerde. Zoo werd althans deze oorlog van ons afgewend,
maar alléén door Fransche hulp.
4. De ongelukkige oorlog met Engeland was oorzaak dat
de vijanden van den stadhouder steeds meer gehoor kregen.
Men weet het aan Willem V, dat ons land zulke groote ver-
-ocr page 200-
192
liezen had ondergaan. Deze beschuldigingen mochten on-
rechtvaardig zijn ; toch vonden zij zeer veel geloof. De ver-
bittering werd al grooter en grooter. In Holland, Utrecht
en Gelderland hadden de vijanden van den stadhouder de
overhand. Zij trachtten op alle mogelijke wijzen zijn gezag te
besnoeien en hem gehaat en verdacht te maken : vat hun
maar al te zeer gelukte. Die vijanden van den stadhouder
noemden hunne partij, patriotten (dat is: vaderlandsvrien-
den); men gal\'hun-den scheldnaam van Keuzen. De vrienden
van den stadhouder werden Oranjegezinden en ook wel
Oranjeklanten genoemd. Er was niet eéne stad in ons vader-
land , welke niet in die twee vijandige partijen was verdeeld.
Echter mengde men zicli in Noord-Brabant en het Limburg-
sche, behalve te \'s Hertogenbosch , niet zooveel in die bur-
gertwisten als in de zeven provinciën. In Noord-Brabant en
Limburg koesterde men, voor zoover men zich daar met die
twisten moeide, de meeste genegenheid voor de patriotten.
Dit was ook het geval met de Katholieken in de zeven provinciën.
De reden daarvan is niet verre te zoeken. Die partij der patriot-
ten bedoelde eene geheele omverwerping van den toestand der
republiek. Daar nu die beide gewesten altijd als overwonnen
land behandeld werden en de katholieke bevolking werd
onderdrukt, scheen eene verandering in den toestand, waar-
in zij verkeerden , hun zeer wenschelijk toe.
5.   De beleedigingen en onbillijke behandelingen , welke
de stadhouder Willem V te\'sGravenhage ondervond, deden
hem het besluit nemen, van daar te vertrekken. Dit ge-
schiedde op het einde van 1785. Hij ging zijn verblijf te
Nijmegen nemen. Hij bezocht echter nu en dan nog eens
eenige steden van Holland, onder anderen Rotterdam. De
geringere volksklasse was daar den stadhouder zeer genegen,
gelijk in de meeste steden.
6.   Om dan terug te komen op Rotterdam; hier waren de
vischvrouwen zeer Oianjegezind. Zij werden aangevoerd door
zekere Kaat Mossel. Toen zij de luidruchtige blijken van
hare genegenheid voor den prins van Oranje gaven, w erd
-ocr page 201-
193
haar dit verboden en Kaat Mossel voor de rechtbank gedaagd.
Onze beroemde dichter Bilderdijk, die ook Oranjegezind was,
verdedigde als advokaat hare zaak. Gelijk in Rotterdam , zoo
geschiedde bet schier in alle steden. — Er vielen uu en dan
betreurenswaardige bewegingen voor en de eene partij ver-
volgde de andere. Daarbij kwam dat de patriotten bevreesd
waren, dat de stadhouder soms door de wapenen zijn gezag
zou pogen te herstellen. Daarom begonnen zij zich in de
meeste steden in den wapenhandel te oefenen. Ook bielden
zij alom volksvergaderingen en bijeenkomsten. Gij kunt be-
grijpen dat dit alles de hoofden nog warmer maakte en de
een den ander opzette. De patriotten gingen zoover, dat zij
een klein leger, het vliegend legertje geheeten, oprichtten,
om den prins en zijne aanhangers te bestrijden.
7.   Gelijk ongelukkigerwijze meest altijd met burgertwisten
het geval is, zagen beide partijen naar buitenlandscbe hulp
om. De stadhouder rekende op die der Pruisen, want de
koning van Pruisen was de broeder van de prinses van Oranje.
De patriotten rekenden op de hulp der Franschen: maar
deze waren verre af, terwijl het gebied van den koning van
Pruisen aan ons land grensde. Ook bleek het later dat de
koning van Frankrijk zich niet om de patriotten in een
oorlog wilde begeven.
8.   De koning van Pruisen wachtte op eene gelegenheid,
die hem het voorwendsel gaf om den stadhouder te hulp te
komen. Deze gelegenheid werd hem door het volgende ge-
geven. De echtgenoote van den stadhouder, prinses Wilhel-
mina, begaf zich in Juni 1587 van Nijmegen op reis naar
\'s Gravenhuge. Bij de Goejanverwellesluis, niet ver van Gouda,
werd zij aangehouden door eenige gewapende patriotten.
Deze belett\'en de prinses hare reis te vervolgen, waarop zij
terugkeerde. Deze beleedigiug, zijner zuster aangedaan, deed
den koning van Pruisen om genoegdoening voor zijne zuster aan
de staten van Holland vragen. Deze gaven die niet. De patriot-
ten , die in de staten van Holland den meester speelden , hoop-
ten op de hulp van Frankrijk; maar die hulp kwam niet. Daar-
13
-ocr page 202-
194
entcgen zond de koning van Pruisen onmiddellijk een leger
naar Holland. De staten van Holland en Utrecht poogden
tegenstand te bieden. Zij zonden een klein leger tegen de
Pruisische soldaten af. De bevelhebber van dat leger, de
prins van Salin, liet echter zijn eigen leger\' in den steek
en verliet het. Uierdoor was het legertje der patriotten zon-
der aanvoerder. De Pruisen maakten zich achtereenvolgens
meester van Utrecht en Amsterdam. Nu durfde niet ééne
stad meer tegenstand bieden.
Zoo hadden rampzalige burgertwisten ons land zoo ver
gebracht, dat de Pruisen ons op onzen eigen grond wetten
kwamen stellen.
9. Wel verre van met gematigdheid van hunne overwin-
ning gebruik te maken. wilden nu de Oranjegezinden zich
wreken. Zeer vele patriotten werden vervolgd en hunne
goederen verbeurd verklaard. Ken groot getal verliet bet
land; de meesten van deze gingen zich in de zuidelijke
Nederlanden en in Frankrijk vestigen. Het blijkt uit het ge-
drag van velen bij latere gelegenheid, vooral gedurende de
Fransche omwenteling, dat zij heethoofden waren en zich
door hunne hartstochten lieten inedeslepen. Het getal van dege-
nen, die hun vaderland verlieten, omdat zij tot de patriotten
behoorden, bedroeg ruim\' 40,000.
Vraagt gij, wie van beide partijen gelijk had , dan luidt
het antwoord: geen van beide. Het is van de patriotten
zeer af\' te keuren, dat zij het wettig gezag miskenden; het
is van de stadhoudersgezinden zeer af te keuren, dat zij,
eenmaal overwinnaar, hunne tegenstanders vol haat en
wraakzucht vervolgden.
-ocr page 203-
195
XXXVII.
ONDERGANG DER OUDE REPUBLIEK.
1.    Op het einde van de voorgaande eeuw hadden in
Frankrijk gebeurtenissen plaats , die den gewichtigsten invloed
op geheel Europa en ook op ons vaderland uitoefenden. Er brak
een vreeselijke opstand los, die bekend is onder den naam
van de Fransche revolutie of omwenteling. Die revolutie
begon in 1789. Niet slechts %\\erd de koning van Frankrijk,
Lodewijk XVI, onttroond en de republiek uitgeroepen\', maar
de bloeddorstige partij, die voor een oogenblik meester van
liet land werd, liet den koning en duizende anderen op
het schavot vermoorden. Ook wist zij Frankrijk in oorlog
te brengen met de meeste Europeescbe vorsten. Overal,
zoo beweerden de mannen die Frankrijk met schrik en ge-
weld bebeerschten, zouden zij ■vrijheid, gelijkheid en broe-
derschap" brengen. Overal wilden zij de koningen en vorsten
verjagen en het volk tot opstand aanzetten. Ook aan onzen
stadhouder Willem V verklaarden zij den oorlog.
2.   Het eerst vielen de Franschen in de Oosteni ijksche Ne-
derlanden. Zij veroverden die in 1793 en vereenigden ze met
de Fransche republiek. Onder hunnen veldheer Dumouriez
trokken zij ook in Staats-Vlaanderen en belegerden Maastricht;
maar moesten weldra van ons grondgebied terugtrekken,
toen hun leger door de Oostenrijkers geslagen werd. Ditge«
schiedde bij Neerwinden in Belgisch Limburg. Maar slechts
voor een korten tijd was ons vaderland van hunne invallen
bevrijd. In het jaar 1795 namelijk was het een buitenge-
woon strenge winter, en nu trokken de Fransche soldaten
over de dichtgevroren rivieren ons land binnen, onder aan-
voering van den generaal Pichegru. Met hen kwam een
groot getal patriotten, die in 1787 waren uitgeweken. De
verblindheid, ten gevolge van partijhaat, was zoo sterk dat
vele patriotten de Fransche indringers met vreugde in het
-ocr page 204-
1ÜÜ
vaderland ontvingen. Er werden haast geene pogingen aange-
wend om aan de vijandelijke legerscharen het hoofd Ie bie-
den. Willem V verliet het land. Den 18" Januari stak hij
met zijne vrouw en kinderen in eene visschersboot naar Enge-
land over. Later ging hij te Brunswijk in lluitschland wonen
waar hij in 1806 stierf.
Zoo eindigden in 1705 het stadhouderschap en de republiek
der zeven vereenigde provinciën!
3.   Uns vaderland geraakte nu geheel en al onder den in-
vloed en de macht der Franschen. Nadat voor korten tijd een
voorloopig bewind na het vertrok van den stadhouder het
Wd bestuurd had, werd er eene wetgevende vergadering sa-
mengeroepen. De hevigste patriotten waren meester: zij
wilden ons land geheel en al naar aet voorbeeld van de
Fransche republiek inrichten. De zelfstandigheid der pro-
vinciën ging te niet. Geheel ons land werd voor één en on-
deelbaar verklaard; dal is, dat alom dezelfde wetten heersenen
moesten en er geen onderscheid tusschen de verschillende
onderdeeleu des lands mocht gemaakt worden. Alle oude
instellingen werden vernietigd. De nieuwe republiek kreeg
den naam van Bataafsche republiek.
4.   Alle deze veranderingen geschiedden, terwijl de Fran-
schen, eigenlijk gezegd, hier meester waren. Zij erkenden de
Bataalsche republiek, doch op zeer bezwarende voorwaarden.
Uns land moest Staats-Vlaanderen en hetgeen thans de pro-
vincie Limburg is afstaan, honderd millioen gulden oor-
logskosten betalen en bovendien nog eene zeer groote hoe-
veelheid krijgsbehoeften aan het Fransche leger verschaffen.
Unze Fransche bevrijders, gelijk zij zich noemden, lieten zich
dus wel duur betalen! Tot overmaat bleven 25,000 Fransche
soldaten in onze vestingen, op onze kosten, in garnizoen
liggen.
üp hunne beurt maakten de Engelscben zich meester van
verschillende koloniën, als het eiland Ceylon en de Moluk-
sche eilanden in Azië, Kaap de Goede Hoop in Afrika. De
voornaamste van onze bezittingen, Java, bleef echter nog aan
-ocr page 205-
I                                                           107
ons. Later werd tic generaal Daendels als gouverneur-gene-
raal derwaarts gezonden. Deze voerde er vele gewichtige
veranderingen in; hij regeerde met groote gestrengheid. In
1809 maakten zich de Engelschen ook van deze prachtige
kolonie meester. De Oost-Indische Compagnie was hij dit
alles te niet gegaan en niet haar onze handel op Oost-
indië.
5.   Hoe groot de rampen ook waren, die ons vaderland door
dit alles te lijden had, tocli had de omwenteling van 1795
ook hare goede gevolgen. De oude misbruiken van t\'amilie-
regeering hielden op : alle Nederlanders werden voor de wet
gelijk verklaard. Alle belijders van verschillende godsdiensten
kregen gelijke rechten: dus ook de Katholieken. Dit noemt
men de emancipatie (dat is : vrijmaking) der Katholieken.
De wet, waarbij deze emancipatie vastgesteld werd, is in 1798
uitgevaardigd. Zelfs bepaalde die wet dat de Katholieken
weder voor een gedeelte in het bezit der kerken zouden ge-
raken. In plaatsen , waar slechts ééne kerk was , moest die ge-
geven worden aan de leden der meest talrijke gezindheid;
doch door nevenbepalingen en in de toepassing wisten de
Hervormden deze wet te verijdelen. Evenwel kwamen de
Katholieken, vooral in Noord-Brabant, daardoor in het bezit
van kerken , die zij voor de heerschappij der Gereformeerden
gehad hadden.
6.  Nu ons vaderland in zoo nauwe bondgenootschap met
Frankrijk was, kwam het daardoor in oorlog met Enge-
land. In 1797 geraakte onze vloot, groot zestien oorlogs-
schepen, onder admiraal de Winter, niet ver van den Helder
bij Ramperduin slaags met de Engelsche vloot. Na een ge-
vecht van drie uren moest de Winter zich niet zijn schip
overgeven. Insgelijks moesten dit de meeste andere Ilol-
landsche schepen doen. Daarmede was insgelijks de laatste
vloot der eenmaal zoo beroemde republiek vernietigd. In
1799
landden nu de Engelschen, vereenigd met eene leger-
afdeeling van Russen, te Helder en geraakten bij het dorp
Bergen, niet ver van Alkmaar, slaags. Uns leger, vereenigd
-ocr page 206-
198
mei dal der Franscheu, stond onder den generaal Brune: deze
overwon en de Engelschen trokken weder af\'.
7.   Napoleon Bonaparte, de grootste veldheer der Fran-
sehen, was aan het lioold der Fransche republiek gekomen,
onder den titel van eersten consul. Hij behaalde overwinning
op overwinning. Eindelijk sloot hij vrede met de Engelschen,
iu Maart \'1302 , te Amiens. Ook ons vaderland werd in dien
vrede begrepen. Engeland gaf\'ons alle zijne koloniën terug,
uitgezonderd het eiland Ceylon. Onmiddellijk begonnen nu
handel en scheepvaart weder te bloeien; een aanzienlijk ge-
tal schepen ging weder naar de Oost-Indien of\'naar de Oost-
zee, om van daar granen te halen; doch de vrede duurde,
helaas! zeer kort. In 1803 verklaarde Napoleon opnieuw
den oorlog aan Engeland. De schepen, die op hel sluiten van
den vrede uitgezeild waren, hadden voor het grootste ge-
deelte nog niet eens het vaderland weder bereikt. Zij vielen nu
voor een groot gedeelte in de macht der Engelschen. Want
ons land v\\as gedwongen met Frankrijk den oorlog tegen
Engeland te voeren. Spoedig maakte zich de vijand weder
meester van onze beste koloniën: van Ceylon , de kaap de Goede
Hoop en Suriname. Aan Hollands handel werd de gevoeligste
slag toegebracht, ja, hij werd bijna geheel en al vernietigd.
8.   In 1804 maakte zich Napoleon tot keizer der Franscheu.
Nu wilde de keizer dat ons land zou geregeerd worden op
eene wijze, die met de regeering in Frankrijk overeen-\'
kwam. Rutger Jan Scbiinmelpenninck, een Overijselaar,
was llolkiudsch afgezant geweest, tijdens bet sluiten van
den vrede te Amiens. Op hem vestigde Napoleon het oog.
Hij vorderde van de regeeriug der Bataafsche republiek
dat zij aan Schimmelpenuiuck het hoogste gezag zou in
handen geven. Napoleons wil was eene wet voor ons
land. Schiminelpenninck vserd aaii het hoofd der regeering
geplaatst niet veel meer macht dan ooit een stadhouder
gehad had. Hij voerde den tïtel van raadpensionaris. Hij re-
geerde met veel beleid, doch niet langer dan ruim één jaar.
Toen begeerde Napoleon dat ons vaderland zijn broeder
-ocr page 207-
199
Lodewijk als koning zou aannemen: wat dan ook geschiedde.
Want den wil van den Franschen keizer durlde niemand
meer wederstreven.
XXXVIII.
LODEWIJK, KONING VAN HOLLAND, EN DE FRANSCHE
HEERSCHAPPIJ.
1. Lodewijk was op één na de jongste bloeder van Napoleon.
De Keizer wilde geheel het vasteland van westelijk Europa
aan zich onderworpen maken. Zijn plan was: Frankrijk tot
den machtigsten staat van Europa te verheffen. Reeds had hij
geheel België en een deel van Duitschland, dat de Rijnpro-
vincie genoemd werd, hij Frankrijk ingelijfd. Ook had hij
van noordelijk en midden-Italië een koninkrijk gemaakt, waar-
van hij koning was. Napels en Spanje zou hij ook spoedig
tot koninkrijken maken, waarvan zijn zwager en zijn oudste
broeder koningen waren. Van een gedeelte van Duitschland
maakte hij een koninkrijk Westlalen, waarvan insgelijks een
zijner broeders koning werd. Zoo moest ook Holland een
koninkrijk voor een zijner broeders worden. Al deze nieuwe
vorsten moesten zich geheel en al voegen naar den wil van
Napoleon: zij mochten niet handelen als onafhankelijke
vorsten in het belang van hun volk, maar alleen in het be-
lang van den Franschen keizer. Zoodoende werden al die volken
eigenlijk onderdanen van de Franschen. Dit althans was het
plan van Napoleon.
2. Lodewijk werd in 1806 koning van Holland. Eerst nam
hij zijne residentie te \'s Gravenhage, daarna te Utrecht en
toen te Amsterdam. Hier liet hij het prachtige stadhuis in-
richten voor een koninklijk paleis, gelijk het dit dan thans
ook nog is. De nieuwe koning van Holland verstond niet
eens de taal van het volk, waarover hij moest regeeren.
Doch hij was een man, die het wel met de Nederlanders
meende. Hij wilde inderdaad het belang van zijn volk be-
-ocr page 208-
200
hartigen. Hij -was zachtzinnig en beleefd jegens een ieder,
omringde zich niet Nederlanders, koos uit hen zijne staats-
dienaren en beschermde kunsten en wetenschappen. Ook deed
bij zijn best dat de Nederlanders zoo weinig mogelijk den
druk der Fransche overheersching gevoelden. Immers de
Fransche keizer wilde dat zijn broeder geheel en al op zijn
Fransch zou regeeren.
3. Onder de maatregelen, welke Napoleon allen vorsten, die
van hem afhankelijk waren, oplegde, behoorde het continen-
taal stelsel.
Zoo noemde men eene reeks van wetten op den
handel met Engeland. De Fransche keizer begreep dat de
Engelschen vooral machtig en rijk waren door hunnen han-
del. Nu wilde hij dien handel vernietigen. Daarom verbood
hij in alle landen van Europa, die zich naar zijnen wil moes-
ten voegen, den handel met Engeland. Langs de kusten van
alle landen en dus ook langs die van Holland werden tol-
beambten aangesteld , om ieder handelsverkeer met Engel-
schen onmogelijk te maken. Alle Engelsche waren, die ge-
vonden werden, werden verbeurd verklaard of verbrand; zij ,
die ze kochten, streng gestraft. Gij kunt begrijpen hoe aller-
noodlottigst dergelijke maatregel voor een land als het onze
wezen moest. Scheepvaart en handel moesten daardoor ten
eenenmale vernietigd worden. En die beide zaken waren twee
der voornaamste takken van bestaan van ons land. Koning
Lodewijk kon , wel is waar, zijn broeder Napoleon niet be-
letten dit stelsel van dwang in te voeren; maar hij deed zijn
best om het zoo weinig mogelijk drukkend te maken. De
Fransche keizer overlaadde hem hierom met de scherpste ver-
wijten. Niet minder kwalijk nam deze het hem af, dat hij
zich in twee andere zaken niet naar zijnen zin voegen wilde.
5. Deze twee waren de conscriptie of loting en de titrcee-
ring
of vermindering van de interesten, die de staat aan zijne
schuldeischers betaalde. Vdór de Fransche overheersching
werd geen Nederlander tot den krijgsdienst gedwongen ; maar
Napoleon had in zijn rijk het stelsel ingevoerd, dat jaarlijks
een aanzienlijk getal jongelingen als soldaat in dienst moest
-ocr page 209-
201
treden. Zij, die dit moesten doen, werden door liet lot aan-
gewezen; vandaar, in liet Nederduitsch, de naain van loting
Gij kunt begrijpen dat zulk een maatregel onzen landgenoo-
ten verre van aangenaam was. Even hatelijk was de tiercee-
ring of vermindering tot op 1/3 van de staatsschuld. In
tijden van oorlog ol groote geldbehoeften hadden de achter-
eenvolgende regeeringen van ons land van de gezetene bur-
gers geld geleend, tegen een bepaalden interest. Die schuld
werd, gelijk de eerlijkheid liet vorderde, beschouwd als on-
aantastbaar. Nu wilde Napoleon dat zijn broeder de interes-
ten van die staatsschulden tot op een derde zou vermin-
deren. Gesteld dus: iemand trok vijftienhonderd gulden
voor interesten van geld, dat het land hem schuldig was;
zoo iemand zou voortaan maar vijfhonderd gulden ontvan-
gen! Lodewijk begreep hoe drukkend de conscriptie of
loting en de tierceering voor zijne nieuwe onderdanen wezen
zouden. Daarom wilde hij die beide zaken niet invoeren, tot
groote ontevredenheid van keizer Napoleon.
5.   De oorlog van Frankrijk met Engeland, waarin ook
Holland deel moest nemen, was allerverderfelijkst voor ons
land door de vernietiging van den handel. Daarbij kwam
nog dat in 1809 een Engelsch leger van 50,000 man op het
eiland Walcheren landde. Het bombardeerde Vlissingen en
nam die stad in. De Engelschen wilden nu Antwerpen be-
legeren; doch een Hollandsen leger dwong hen Zuid-Beve-
land en Walcheren, welke eilanden zij reeds in bezit had-
den, te ontiuimen. Ook brachten de Zeeuwsche koortsen,
die de Engelsche soldaten aantastten, er veel toe bij oindeze
tot vertrek te noodzaken.
6.   Ofschoon Lodewijk, naar zijn vermogen, alles gedaan
had om de Engelschen uit Zeeland te verdrijven, gaf Na-
poleon hem toch de schuld van dien inval niet behoorlijk
voorkomen te hebben. Ook verweet hij hem, dat hij de maatre-
gelen, door den keizer bevolen, als het continentaalstelsel, de
conscriptie en de tierceering , slecht of in het geheel niet na-
kwam. De keizer dwong zijnen broeder te Parijs afstand te doen
-ocr page 210-
202
van Noord-Brabant en Zeeland en behandelde hem bovendien
zeer onwillig. Dit bewoog Lodewijk om den ln Juni 1810
den troon van Holland en het land te verlaten. Zijne vrouw
en kinderen bleven te Parijs. De jongste zijner zonen is la-
ter keizer der Franschen geworden, onder den naam van
Napoleon III.
7. Toen Lodewijk afstand van den troon van Holland had
gedaan, verklaarde Napoleon ons land met Frankrijk ver-
eenigd. Eu zoo groot was de schrik voor dien veroveraar,
dat niemand het waagde zich er tegen te vereelten. Nog in
de maand Juni trokken de Fransche troepen Amsterdam
binnen en ons land werd in Fransche departementen (zoo-
veel als provinciën) verdeeld. Ons vaderland was veroverd,
ten ondergegaan, vernietigd! Fransche vetten werden voor
ons land verplichtend verklaard; onze jongelingen werden
in het Fransche leger gestoken; onze taal moest wijken voor
de Fransche: onze inwoners werden door Fransche prefec-
ten (zooveel als gouverneurs) bestierd. Daarbij kwam een tal
van Fransche beambten, douanen genoemd, die in alle ste-
den op den handel in Engelsche waren moesten letten en
zich door knevelarijen gehaat maakten. Het continentaal stel-
sel werd met alle gestrengheid ten uitvoer gelegd. De con-
scriptie werd insgelijks onder de zwaarste bepalingen inge-
voerd, en duizende jongelingen werden aan hunne ouders en
hunne werkzaamheden ontrukt, om-in Spanje, in Rusland en
elders voor een vreemden veroveraar het leven te verliezen.
Die tierceering werd insgelijks ingevoerd en maakte dui-
zenden lieden, die vroeger welvarend geweest waren, behoef-
tig of geheel en al arm. Daarbij kwam nog, dat scheepvaart,
handelen nijverheid geheel en al vernietigd waren. Ook onze
koloniën gingen verloren; want de Engelschen maakten zich
in 1810 van Java meester. De Hollandsche vlag wapperde
niet meer op de zee. Alleen op het eilandje Decima, in
Japan, bleef zij overeind; want daar kwamen Franschen
noch Engelschen haar nederwerpen! De Fransche overheer-
sching , die tot de bangste tijden behoorde, welke ons va-
-ocr page 211-
203
dcrland ooit heeft uitgestaan, duurde ruim drie jaren.
8. Napoleon viel door zijnen hoogmoed en zijne heerschzucht.
God, die de koningen verheft en laat vallen, behoefde slechts
eene sterke koude te zenden, om den man, voor wien ge-
heel Europa beefde, ten val te brengen. Reeds had de Fran-
sche keizer in 1809 paus Pius Vit als eenen gevangene laten
wegvoeren. De paus had over hem het banvonnis uitgespro-
ken, en de keizer had gezegd: -die ban zal mijnen sol-
daten het geweer niet van de schouders doen vallen." Dit
deed de hevige koude in Rusland, waar duizenden en dui-
zenden soldaten letterlijk het geweer van de schouders viel,
terwijl de koude hen doodde.
9.   In 1812 namelijk trok Napoleon met 600,000 soldaten naar
Rusland, om den keizer van dat rijk te beoorlogen. Hier kwam
het grootste gedeelte van zijn leger door koude, gebrek eri den
vijand om het leven. Hierop greep geheel Duitschland naar
de wapenen. In 1813 verloor Napoleon een veldslag bij Leip-
zig tegen de vereenigde legers der Duitschers, Russen en
Zweden. Nu hoopte men zich van het juk van den gehaten
overwinnaar te kunnen bevrijden. In het laatst van 1813
kwamen de Russische troepen in ons land: in Groningen en
Friesland. Het was en bleef evenwel nog eene hachlijke
zaak om tegen de Franschen op te staan. Overal lagen
nog Fransche soldaten in garnizoen , en Napoleon had zelf
tegen Schiinmelpenninck gezegd, dat hij liever de dijken
van ons land zou laten doorsteken, dan het ontruimen.
Doch toen den 15° November de Fransche generaal Molitor
uit Amsterdam op Utrecht terugtrok , barstte het volk los.
Het sierde zich met oranjelinten en verbrandde de wacht-
huizen der douanen, onder het geroep van "Oranjehoven!"
10. Reeds hadden eenige mannen in\'s Gravenhage, die den
val van Napoleon vooruitzagen , zich op eene omwenteling voor-
bereid. De voornaamste van deze waren Gijsbert Karel van Ho-
gendorp , van der Duyn van Maasdam en van Limburg Stirum.
Deze besloten thans het hoog gezag te aanvaarden in naam
des prinsen van Oranje. Zij vaardigden tot dezen , die zich
-ocr page 212-
204
in Engeland ophield, eene bezending af. Onmiddellijk ver-
klaarde zich geheel het Nederlandsche volk voor de ver-
werping der Fransche heerschappij en den terugkeer van
Oranje. Alléén in die steden, waarin nog Fransche bezet-
ting lag, moest men zich uit voorzichtigheid stil houden.
Den 30° November landde Willem Frederik, de zoon van
den laalslen stadhouder Willem V. te Scheveningen. Ter-
stond werd hij ingehaald en spoedig als souverein vorst
met geestdrift aangenomen, liet was dus niet de oude repu-
bliek, onder beheer van een stadhouder die hersteld werd,
maar er verrees een nieuwe staat, met een souverein vorst
aan het hoold. liet onderscheid hiertusschen is, dat de
stadhouder beschouwd werd als eerste dienaar der staten,
die souverein waren, dat is met het hoogste gezag be-
kleed; terwijl thans het hoogste gezag aan den vorst zelven
toekwam, die eerlang zou regeeren in overeenstemming met
de staten-generaal, als vertegenwoordigers der natie.
XXXIX.
REÜEERING VAN WILLEM I.
1.   Gijsbert Karel van Hogendorp had reeds eene grondwet
of constitutie op papier samengesteld, eer de omwenteling
uitbrak. Volgeus deze zou de souvereine vorst regeeren met
eene eerste en tweede kamer der staten-generaal. Deze drie
zouden gezamenlijk de wetgevende macht hebben. De souve-
reine vorst zou de wetten ten uitvoer brengen door middel
van zijne minister.;. De rechterlijke macht zou onafzetbaar
wezen. Verder zouden alle provinciën gezamenlijk een staat
vormen, die volgens dezelfde wetten werd bestuurd. Deze
staatsregeling werd aangenomen in eene vergadering van zes-
honderd aanzienlijken des lands en den 30 Maart 1814 door
Willem I bezworen.
2.   Intusschcn was Napoleon geheel en al overwonnen en
Lodewijk X VIII koning van Frankrijk geworden. Om den toe-
stand van Europa te regelen, kwamen de Europeesche vor-
-ocr page 213-
205
sten op een congres te Weenen bijeen. Daar werd het be-
sluit genomen, dat België of de zuidelijke Nederlanden bij
de noordelijke Nederlanden zouden gevoegd worden en samen
een koninkrijk vormen , onder een koning uit het huis van
Oranje-Nassau. Zoo kwamen de zeventien provinciën , die in
1579, ten gevolge van de overheerscliing der Kalvinisten , van-
een gescheurd waren, weder tot één. Aan dat koninkrijk
der Nederlanden werd toegevoegd liet groot hertogdom Luxem-
burg, als afzonderlijke staat onder denzelfden vorst. Ook
kreeg ons land de meeste zijner koloniën, waaronder de be-
langrijkste van alle, Java, terug.
3. Terwijl het congres te Weenen nog bijeen was , kwam
de tijding dat Napoleon het eiland Elba, waar hij moest ver-
blijven , had verlaten en in Maart 1815 in Frankrijk was ge-
land. Üinniddelijk trokken zijne oude soldaten weder onder
zijn vaandel, en koning Lodewijk XVIII moest naar Gent
vluchten. Hierop verklaarden de vorsten te Weenen hem
terstond den oorlog. Napoleon trok een leger te zamen en
viel in de zuidelijke Nederlanden. Met evenveel snelheid
was een leger, uit Engelschen, Nederlanders, Hanoveranen en
Pruisen bestaande , te zamen , om hem het hoofd te bieden.
De opperbevelhebber van dit leger was de Engelsche lord
Wellington. De zoon des konings , prins Willem van Oranje,
stond onder Wellington aan het hoofd der llollandsche
troepen.
Het is u allen bekend, hoe den 18" Juni 1815 beide legers
bij Waterloo, niet ver van Brussel, elkander slag leverden.
De prins van Oranje en zijne Hollanders gedroegen zich zeer
dapper. De prins zelf werd in een gevecht bij Quatre-Bas ge-
wond. Door de aankomst der Pruisen, onder den veldmaar-
schalk Blücher, werden de Franschen volledig verslagen.
Napoleon zelf vluchtte. In Frankrijk gekomen , was hij ge-
noodzaakt zich op een Engelsch oorlogsschip te begeven. De
Europeesche mogendheden besloten hem naar het eiland
St. Helena in den Atlantischen Oceaan te verbannen, waar
hij in 1821 gestorven is.
-ocr page 214-
206
4.   Willem I kwam hierdoor in het rustig bezit van een
koninkrijk, dat toen reeds meer dan zes millioen inwoners
telde, in Azië zeer rijke bezittingen had en na Engeland
de eerste handeldrijvende mogendheid van Europa was.
Willem was een vorst, die zich met hart en ziel er op.
toelegde zijn volk te regcereti. naar hetgeen hij dacht dat tot
heil des volks welzijn strekte. Hij was werkzaam, vol overleg en
diep doordrongen van het gewichtige van zijne taak. Hij had
de verlorene welvaart zijns volks te herstellen en de ver-
wijdering, die er steeds tusschen do bewoners der zuidelijke
en der noordelijke Nederlanden bestond, op te heflen.
5.   Talrijk zijnde maatregelen, welke hij nam, om handel,
scheepvaart, nijverheid en 1\'abriekwezen te doen Moeien,
om eenheid en orde in het bestuur en in de wetgeving te
brengen. In 1816 zond hij eene oorlogsvloot uit, onderden
vice-admiraal van de Capelle, naar Algiers. Deze, verhouden
met eene Engelschc vloot ouder lord Ëxmouth, kastijdde de
Algerijnsche zeeroovers voor hunne rooverijen en bombar-
deerde de stad Algiers zelve. Dit boezemde dieu zeeroo-
vers ontzag in, zoodat zij onze koopvaardijschepen in de
Middellandsche zee voortaan ongemoeid lieten. Ook in onze
Oost-Indische bezittingen wist hij het Nederlandsch gezag met
klem te handhaven. In 1821 werd eene vloot en legerafdee-
ling naar Palembang op het eiland Sumatra gezonden, om
den sultan van dat rijk te tuchtigen. In 1825 hadden de
Nederlanders een langdurigen strijd te voeren tegen een
inlandsch opperhoofd, Diepo Negoro. Ook deze werd door de
■wapenen gedwongen zich aan het Nederlandsch gezag te on-
derwerpen.
6.   Terwijl Willem I op deze -wijze onzen handel en koloniën
met de wapenen wist te verdedigen, liet hij in Nederland
zeil\' zeer nuttige werken ondernemen. De voornaamste daar-
van zijn: het graven van het Noord-Hollandsch kanaal, van
den Helder naar Amsterdam, en het graven van de Zuid-
Willemsvaart, van \'s Hertogenbosch naar Maastricht. Onder
de nuttige instellingen, door koning Willem I tot stand ge-
-ocr page 215-
207
bracht, behoort ook de Handel-Maatschappij. Deze trad
in de plaats der voormalige Oost-hidische Compagnie. Haar
doel was de produkten onzer Oost-Indische bezittingen
in de Oost zelf te vervoeren op schepen , door haar uitge-
rust , ze aan de Nederlandsche markten te brengen en daar
te verkoopen. Tot het kapitaal, hetwelk noodig was tot
bet .stichten dier maatschappij, had de koning zelf een be-
langrijk aandeel bijgedragen.
7. Voor alles, wat de bevordering van wetenschap en kunst
betrof, betoonde Willem I zich insgelijks zeer ijverig. De
boogeschool van Groningen en die van Utrecht, welke Napoleon
had opgeheven, werden hersteld. Leidens boogeschool was door
den Fiauschetj overwinnaar gespaard. Bij deze drie hooge-
scholen in het noorden richtte Willem lil ook nog andere
op in de zuidelijke Nederlanden. Die van Leuven bestond
leeds: die van Luik en Gent werden opgericht. Ons vader-
land, dat in alle opzichten herleefde, nadat het door de
Franschen zoo was onderdrukt, werd zeer welvarend door
handel, nijverheid en landbouw. Enkele zeer verschrikkelijke
rampen , zooals de overstrooming in Noord-Holland en Fries-
land-Groningen in 1825, werden gelenigd door de algemeene
•weldadigheid. Ons vaderland telde een aantal mannen, die
zich verdienstelijk maakten in schier alle vakken van weten-
schap en kunst. Sinds den tijd van de zeventiende eeuw,
die Hollands bloeitijd mag geheeten .worden , bad het zulke
groote dichters niet gehad. De eerste van deze was Willem
Bilderdijk, na Vondel de grootste van alle nederlandsche
dichters. Bilderdijk was reeds lang als dichter bekend, eer
Willem I op den troon kwam; hij had reeds de achting van
koning Lodewijk in hooge mate genoteu. Een ander dichter,
minder groot, vervaardigde insgelijks zijne schoonste gedich-
ten gedurende de Fransche heerschappij: het was Helmers,
die de Hollandsche natie heelt gedicht. Tollens, aan wien wij
het volkslied •Wien JSeêrlands bloed" te danken hebben,
was jonger dan de beide eerstgenoemden en tijdens de
regeering van Willem I de meest gelielde dichter, \'t Is te be-
-ocr page 216-
208
treuren, dat hij de Kerk zijner vaderen verlaten heeft.
Da Costa en Jacob van Lenncp, die onder Willem II en III
ons land tot luister strekten, waren insgelijks onder de re-
geering van Willem I reeds bekend: de eerste als dichter,
de tweede, vooral, als prozaschrijver. Pieneinan, kruseman,
Schotel en anderen haudhaalden den roem van Hollands schil-
derschool. Van der Palm en Des Ainorie van den Hoeven waren
als groote redenaars beroemd. Wij zouden nog vele andere ge-
leerde en uitstekende mannen uit dien tijd kunnen noemen.
8.   Mocht Willem I de welvaart van zijn land ieder jaar
zien toenemen, toch slaagde hij er niet in de verwijdering tus-
schen Noord- en Zuid-Nederlanders te doen ophouden. Door
zijne verkeerde maatregelen maakte hij die verwijdering
grooter. Willem I was zeer eigenzinnig; hij wilde weinig
naar goeden raad luisteren. Bovendien was hij geheel en al
het gevoelen toegedaan van die mannen, welke de kerk en
den godsdienst aan de wereldlijke regeeringen willen onder-
worpen maken. Hij zelf\' en de staatsdienaren, wien hij het
meeste vertrouwen schonk, koesterden sterke vooroordee-
len tegen de Katholieken. En gelijk gij weet, is de bevolking \'
van België of de zuidelijke Nederlanden uitsluitend katho-
liek. Toen de bisschop van Gent, de Broglie, zich niet als
onderworpen dienaar van de koninklijke almacht wilde be-
toonen, liet Willem I hein door partijdige rechters vcroor-
deelen. Daar de bisschop buitenslands gegaan was, liet hij
diens portret tusschen twee gemeene misdadigers op een
schavot ten toon stellen. Dit gaf veel verbittering.
9.   Ook wilde hij de katholieke geestelijkheid naar zijn
zin laten onderw ijzen en vormen, geheel en al tegen den
geest der katholieke Kerk. Hij richtte met dat doel te
Leuven eene instelling van onderwijs op, Collegium Philoso- •
pliicum
genaamd. Hierop moesten allen, die eenmaal pries- \'
ter wilden worden, studeeren. Doch de getrouwe Katho-
lieken wilden dat niet, wijl het door de kerkelijke overheid
veroordeeld werd. Zij gingen liever buitenslands studeeren
dan in eene zeer verdachte instelling. Later, in 1827, hief
-ocr page 217-
209
Willem I het Collegium Pliilisophiciim wel weder op, doch
toen had de ontevredenheid reeds te diepe wortelen geschoten.
Ook bracht hij het concordaat, dat hij met den Paus geslo-
ten had, zeer onvolledig en volstrekt niet eerlijk ten uit-
voer. Daarenboven trachtte hij in alle steden en dorpen der
zuidelijke Nederlanden, waar dit slechts kon. Noord-Neder-
landsche protestantsche ambtenaren te plaatsen: protestant-
sche professoren en onderwijzers werden gezonden naar plaat-
sen, waar bijna alle leerlingen den katholieken godsdienst be-
leden. De oprichting van nienwe protestantsche gemeenten
in katholieke streken werd zeer bevorderd.
10.   De pogingen om het Protestantisme in de zuidelijke
Nederlanden voort te planten verbitterden een groot gedeelte
der bevolking. Eeu ander gedeelte werd niet minder ver-
stoord door het verplichtend maken van de Nederduitsche
taal. Eenige Belgische provinciën namelijk hebben eene be-
volking, die uitsluitend Kransch spreekt. Nu wilde de regee-
ring dat alles, wat van haar uitging, in het Nederduitsch
zou opgesteld worden: dat de regters en advokaten de
Nederduitsche taal zouden gebruiken. Dit baarde misnoegen.
Een tijd lang hadden de zoogenaamde liberalen in België
(deonverschilligen in den godsdienst, die een verkeerde staat-
kunde op den voorgrond stelden) geen gemeene zaak gemaakt
met de Katholieken. De laatsten waren het minst genegen
tot verzet tegen den koning; doch eindelijk sloegen beide
partijen de handen in elkander, om de maatregelen van
Willem I te dwarsboomen.
11.   De ontevredenheid der Zuid-Nederlanders was met ieder
jaar toegenomen; waarschijnlijk zou zij echter nog niet zoo
spoedig uitgebarsten zijn, ware het niet dat op den 29" Juli te
Parijs een opstand uitbrak en de koning, Karel X, van den troon
gestooten werd. Dit gaf den Belgen moed, en den 2Gn Augustus
1830 brak er in Brussel een oproer uit. Willem!, die beur-
telings te Brussel en te \'sGravenhage resideerde, was in
Gelderland, op het Loo. De koning gaf wel bevel dat troe-
pen op Brussel zouden aanrukken, doch dat de prins van
. 14
-ocr page 218-
210
Oranje, die aan het hoofd daarvan stond, geene geweldige
maatregelen zou bezigen. De prins, die zeer bemind in
Brussel was, beproefde vruchteloos overreding te gebrui-
ken. De opstandelingen eischten dat Zuid-Nederland geheel
afgescheiden zou worden van Noord-Nederland. Ook prins
Frederik. des konings tweede zoon, vermocht niets. De op-
stand breidde zich spoedig over alle zuidelijke provinciën uit.
Den 24" November 1830 verklaarde België het huis van
Oranje-Nassau vervallen van den troon. Zoo hadden de po-
gingen om den zuidelijken Nederlanden het Protestantisme
op te dringen, ten tweeden male de scheiding der zeven-
tien provinciën veroorzaakt!
12.   Willem 1 riep nu de hulp in der mogendheden, die in
1814 op het congres te Weeuen Noord- en Zuid-Nederland
met elkander vereenigd hadden. Doch Frankrijk en Enge-
land zagen met genoegen de alscheiding, en de andere mo-
gendheden wilden er geen Europeeschen oorlog om wagen.
Nu besloot Willem 1. met de krachten van het hem getrouw
gebleven gedeelte zijns rijks de opgestane gewesten tot on-
derwerping te brengen. Spoedig had hij een leger van 100,000
man op de been. Eer dit leger België inrukte, geschiedde
er iets dat de geestdrift der natie opwekte. Den 5° Februari
was een kanonneerboot op de Schelde voor Antwerpen op
droog geraakt. De Belgen wilden zich daarvan meester ma-
ken, toen de bevelhebber der kanonneerboot, Jan Karel
Josephus van Speyk, het kruit in brand stak en zijn schip
met vriend en vijand in de lucht liet springen. Deze daad
is veel meer verheerlijkt dan zij verdiende; doch in dagen
van opgewondenheid geschiedt zoo iets wel eens meer.
13.   Den 2" Augustus trok het Hollandsche leger België in.
Dit rijk had zich reeds een nieuwen koning gekozen: Leo-
pold van Saxen-Koburg, die door Frankrijk en Engeland
terstond als koning van België werd eikend. Bij Hasselt, in
Belgiesch Limburg, werd eene afdeeling van het Belgische
leger door de Nederlanders verslagen. Ook bij Leuven wer-
den de Belgen door ons leger, onder opperbevel van den
-ocr page 219-
211
prins van Oranje, overwonnen. Deze zou spoedig Brussel
bezet hebben: maar 40,000 Franschen waren België bin-
nengerukt, om de overwinnende Nederlanders te stuiten.
Daarop trok de prins van Oranje met zijn overwinnend leger
naar Noord-Brabant terug. In dezen veldtocht, den tiendaag-
schen veldtocht geheeten, toonde ons leger dat de oude Hol-
laudschc moed nog niet ontaard was.
De generaal Chassé was nog meester van de citadel van
Antwerpen en weigerde deze te ontruimen. De Franschen
belegerden daarop de citadel. Chassé verdedigde haar moedig,
maar was door overmacht gedwongen haar, na een hevig
bombardement, over te geven. De Nederlandsche soldaten
werden in Fransclie krijgsgevangenschap gebracht, doch
spoedig weder vrijgelaten.
14.   Het koninkrijk België was dus gegrondvest en de schei-
ding van Noord- en Zuid-Nederland voltrokken. Het duurde
echter tot 1839 eer de vrede gesloten werd. Tot zoolang
was het slechts een wapenstilstand geweest. Dat de vrede
niet eerder werd gesloten, was te wijten aan de vasthou-
dendheid van Willem I. Geheel Europa erkende België als
eenen onafhankelijken staat, doch Willem I was niet te be-
wegen de vredesvoorwaarden aan te nemen. Het ("enige,
wat hij deed, was in 1833 de vijandelijkheden te staken.
Hiertoe werd hij genoodzaakt, daar de Engelschen onze ha-
vens met hunne oorlogsschepen blokkeerden, waardoor handel
en scheepvaart stil stonden. Toen de koning zich bereid ver-
klaarde de vijandelijkheden te staken, hieven de Engelschen
l de blokkade op. Eindelijk nam Willem I de vredesvoorwaar-
den , gewoonlijk de 24 artikelen genoemd, aan. Daarbij ont-
1 ving ons vaderland zijne tegenwoordige grenzen. België moest
jaarlijks ƒ 5,000,000 betalen voor zijn aandeel in de nationale
schuld.
15.   De oorlog, door de Belgische omwenteling veroorzaakt,
heeft ons land met een last van groote schulden beladen,
want die krijgstoerustingen gedurende jaren hadden verba-
zend veel gekost. De wijze, waarop Willem I de zuidelijke
-ocr page 220-
212
Nederlanden wilde regeeren, had de scheuring tusschen
Noord- en Zuid-Nederland ten gevolge. Toen laler de
wensen naar verandering in zijne wijze van regeeren ook
in ons land algemeen werd, legde Willem I in 1840 de
kroon neder. Hij vertrok naar Duitschland en stierf daar
in 1843.
XL.
HEGKEIUNG VAN WILLEM II EN WILLEM III.
1.   Willem II, die, nog prins van Oranje , zich hij Waterloo
en Leuven zoo uitstekend had gedragen, volgde zijnen vader
op den troon, llij was een zeer vriendelijk en innemend
vorst en algemeen bemind om zijne roudhorstigheid. Hij was
een groot voorstander van wetenschap en kunst. Terstond
na zijne komst op den troon, beproelde hij de bezwaren
zijner onderdanen, zooveel in zijn vermogen was, weg te
nemen. Onder deze bezwaren behoorden die, welke de Katho-
lieken hadden tegen de toen bestaande onderwijswet. Des
konings goede bedoelingen hierin werden echter verijdeld
door eene machtige partij in ons land. Deze partij begeert
geene godsdienstige grondslagen van het onderwijs; maarzij
wil der jeugd eene godsdienstbeschouwing volgens haren
zin inprenten. De Katholieken konden in de bedoelin-
gen dier parlij niet stilzwijgend berusten, omdat zij over-
tuigd zijn dat de godsdienst de grondslag van geheel
des menschen leven, dus ook van het onderwijs der jeugd
moet zijn. Ondanks des konings goeden wil, werden de oor-
zaken tot ontevredenheid der Katholieken niet weggenomen;
want die partij, van welke wij u gesproken hebben, was te sterk,
dan dat des konings wil haar tegenstand kon overwinnen.
2.   Willem II had bij zijne komst tot den troon met eene
grootc niGeie) ijkheid te kampen. Het volhardingstelsel van
Willem I (zoo noemde men des konings gedrag bij gelegen-
heid van de Belgische omwenteling) was ons land duur Ie
-ocr page 221-
213
staan gekomen. De geldmiddelen waren in een allerongunstig»
sten staat. Hierin moest -worden voorzien. Door den minister
F. A. van Hall -werden maatregelen voorgeslagen en ten uitvoer
gebracht, om ƒ 127,000,000 van de Nederlandsche natie te
leenen. Voor deze som -Herden andere staatsschulden afge-
lost; en daar genoemde som tegen lager^ interest geleend
was, sproot hieruit een belangrijk voordeel voor \'s rijks
schatkist voort. Door een zuinig en verstandig beheer werd
in korte jaren de toestand der financiën weder gunstig. In
1846, 1848 en 1849 hadden de Nederlanders in Oost-In lië
hun gezag te handhaven tegen de inlandsche vorsten van het
eiland Mali. Die vorsten beproefden een gewapenden opstand,
welke echter door de Nederlandsche troepen onderdrukt werd.
3.   Het jaar 1848 was een allergewichtigst jaar. In Krank-
rijk brak eene omwenteling uit; koning Lodewijk Filips
werd van den troon gejaagd en de republiek uitgeroepen.
Niet eene rbpubliek, gelijk in ons land gedurende de XVII4
en XVIIIC eeuw, maar eene republiek vol verwarring en
miskenning van gezag. Ook in andere landen van Europa :
in Italië, 1\'ruissen en Oostenrijk, braken groote onlusten uit.
Nu waren in ons vaderland zeer velen ontevreden met de
wijze, waarop het land geregeerd werd. Zij verlangden eene
nieuwe grondwet. Willem II, welke dien zeer algemeenen
wensch zijner onderdanen kende, wilde dien niet wederstre-
ven. Uit eigen beweging verklaarde hij dat ook zijne begeerte
was, dat de grondwet zou gewijzigd worden; hij benoemde
eene commissie van negen mannen, die het vertrouwen des
lands genoten, oin eene nieuwe grondwet te ontwerpen.
Onder die mannen behoorden Thorbecke, Luzac en Storm
uit Breda. Door op zulke wijze terstond aan de wenschen
zijns volks te gemoet te komen, bewaarde de edele koning
Z1jn land voor vele onlusten, gelijk die in andere landen
van Eu
ropa voorvielen. Het is die grondwet, volgens welke
thans ons land geregeerd wordt.
4.   Willem II mocht echter niet beleven dat de nieuwe
grondwet in werking was getreden. In Maart 1849 werd hij
-ocr page 222-
214
door eene kortstondige, maar hevige ongesteldheid overvallen,
■waaraan hij den 17° van die maand overleed. IIij stierf te
Tilburg, in welke stad hij veel zijn verblijf hield en welke
hij zeer beminde. De overleden vorst werd algemeen betreurd
en bleef, om zijne edele hoedanigheden, hij velen nog lang
in een gezegend aandenken.
Zijn opvolger was onze tegenwoordige koning Willem III,
geboren in 181" en gehuwd met Sophia Mathilda, dochtervan
den koning van Wuitemberg. De regeering van Willem III
moge. gelukkig, tot nog toe niet vermaard zijn door groote
oorlogen, welke ons land gevoerd heeft, gelijk onder den
stadhouder Willem III, maar die regeering is toch allerbe-
langrijkst door groote en gewichtige werken .des vredes.
5. Onder die werken des vredes, welke niet minder onze
aandacht verdienen dan groote oorlogsbed rij ven, mosten wij
in de eerste plaats noemen de gewigtige veranderingen,
die ingevoerd werden in de wetten, volgens welke het land
geregeerd wordt. Al die veranderingen waren het gevolg
van de verandering der grondwet, in 1848 geschied. Er
werd eene nieuwe wet gemaakt op de verkiezingen van leden
voor de stateo-generaal, de provinciale staten en de gemeen-
tebesturen. Eene andere wet regelde de macht en bevoegd-
heid der gemeentebesturen; eene andere weder de verzor-
ging der armen; eene andere het postwezen. Wij zouden
zoo nog vele andere wetten kunnen opnoemen, die in meer-
dere of mindere mate het stoffelijk en zedelijk welzijn des
volks betreffen. Als eene der voornaamste wetten noemen wij
alleen de wet op het lager onderwijs, die in 1857 vervaar-
digd werd, doch al spoedig van den kant der Katholie-
ken en van talrijke Protestanten grooteafkeuring ondervond.
De reden daarvan was, dat de godsdienst niet, gelijk het
behoort, als de voornaamste grondslag van het onderwijs
werd beschouwd. En daar wij voor alles den goeden God moe-
ten kennen en dienen, moet ook de godsdienst de eerste
grondslag van des menschen doen en laten, ook van het
onderwijs, wezen.
-ocr page 223-
215
6.   Behalve door deze verandering iu de wetten des lands,
zal de regeering van Willem III altijd belangrijk blijven in
de geschiedenis van ons vaderland, door de groote wei ken,
welke gedurende zijne regeering zijn aangevangen of ten
uitvoer gebracht, In de eerste plaats verdient genoemd te
worden de droogmaking van de Haarlemmermeer. Dit werk,
dat reeds onder de regeering van Willem II werd aangevan-
gen, is in 1855 voltooid. Meer dan 15,000 bunders vrucht-
baar land werden daardoor verworven. Nagenoeg even be-
langrijk als die drooginakiiig is de aanleg van spoorwegen
door meest alle provinciën van ons vaderland. Eenigen
daarvan zijn door parlikuliere ondernemingen aangevangen
en voltooid; anderen op kosten van den Staat. Insgelijks
zijn, geheel het land door, telegraaflijnen geplaatst. Ook
andere belangrijke werken zijn , terwijl wij dit voor u
schrijven, nog onder handen. Daaronder zijn twee, die in-
derdaad den naam van reuzenw erken verdienen, te weten,
de doorgraving van Holland op zijn smalst: een werk, waar-
door schepen onmiddellijk uit de Noordzee voor Amsterdam
kunnen komen; het andere werk is de brug bij den Moerdijk.
7.   In handel, nijverheid, wetenschap en kunst bleef ons
vaderland gedurende de regeering van Willem UI niet bij
andere landen van Europa achter. De landbouw vooral ging
sterk vooruit. Mannen , uitmuntend in alle takken van we-
tenschap en kunst, toonden dat Nederland nog de oude lielde
voor het schooue en goede heeft bewaard. Onder onze voor-
naamste dichters en kunstenaars uit den tijd van Willem III
verdienen genoemd te worden, behalve da Costa en Jacob
van Lennep, die wij reeds genoemd hebben, Beets, ten Kate,
Schimmel, Holdijk, en onder de Katholieken Alberdingk
Thijin en Schaepman: allen dichters; Royer een beroemd beeld-
houwer, die de standbeelden van Bembrandt en Vondel in
Amsterdam heeft vervaardigd; de schilders Bosboom, Koek-
koek (meer dan éen van dien naam), Rochussen; waterwerk-
tuigkuudigen als Conrad;een bouwmeester als Cuypers, die
de niiddeleeuwschekunst doet herleven; geleerde geueesheeren,
)
-ocr page 224-
21G
die een Europeschen naam verworven hebben, als professor
Donders. Zoo zou men nog vele andere namen kunnen noe-
men, ten bewijze dat ons vaderland nog niet bij andere
Europeesche volken behoeft achter te staan.
8. Gedurende de regeering van koning Willem III ge»
schiedde er iets, dal vooral voor de Katholieken van Neder-
land van het uiterste belang is: da herstelling der bisschop-
pelijke kerkregeling of hiërarchie in 1853.
Toen in 1581 en later de Hervormden in ons vaderland
het overwicht hadden verkregen , verboden zij de uitoefening
van den katholieken godsdienst; de bisschoppen , die nog aan-
wezig waren, werden verjaagd of in de uitoefening van hun
bisschoppelijk ambt belemmerd. Toen de laatste van hen,
de aartsbisschop van Utrecht, Frederik Schenk van Touten-
burg, in 1581 stierf, zorgden de staten dat geen nieuwe
bisschop geestelijk rechtsgebied in ons vaderland meer
kon uitoelcnen. De katholieke Kerk in Nederland werd
dan ook. namens den Paus, door apostolische vikarissen
bestierd. Paus Leo XII knoopte met Willem I onderhan-
delingen aan, om de bisschoppelijke hiërarchie in de
Nederlanden te herstellen. Er werd bij een concordaat
(overeenkomst van den Paus met vorsten) vastgesteld dat in de
noordelijke Nederlanden twee bisschopszetels zouden opgericht
worden: een te \'s Hertogenbosch en een te Amsterdam. De
onverdraagzaamheid van zeer velen in ons land verijdelde
dit echter. Hetzelfde was het geval toen er sprake van was dat
Willem II een concordaat met den Paus zou sluiten.
9. Door de grondwet van 1848 was echter de toestand ver-
anderd. De rijkswetten konden toen de oprichting van katho-
lieke bisschopszetels niet meer verhinderen. Na rijp beraad,
besloot dan ook onze H. Vader, paus Pius IX, de katholieke
hiërarchie in Nederland te herstellen. Hij richtte een aarts-
bisdom met vier suflragaan-bisdommen op. Het aartsbisdom is
Utrecht; de vier bisdommen: Haarlem, \'s Hertogenbosch, Breda
en Roermond. Deze oprichting der nieuwe bisdommen wekte
in hoogematede verbolgenheid van vele Protestanten op. Ver-
-ocr page 225-
217
keerd ingelicht omtrent de werkzaamheden en de bedoelin-
gen der nieuwe bisschoppen, maakten zij eene groote bewe-
ging en opschudding in het land. Dewijl dit geschiedde in
April 1853, is die beweging tegen de nieuwbenoemde bis-
schoppen de Aprilbeweging genoemd. Zeer vele Protestan-
ten gaveu, met bijbedoelingen, de schuld van alles aan
den minister Thorbecke: de koning benoemde andere minis-
ters ; allengskeus bedaarden de beweging en opgewondenheid,
daar de meeste Protestanten inzagen dat de Katholieken in
hun recht waren en dat de nieuwe bisschoppelijke kerkre-
geling niet het minst het welvaren des lands benadeelde.
De nieuwe kcrkregeling is een;: zeer gewichtige gebeurte-
nis. Gij ziet, hoe de bisschoppen met onvennoeiden ijver het
geestelijk welzijn deV geloovigen bevorderden. En Neder-
land, hetwelk gedurende meer dan twee eeuwen voor een
uitsluitend protestantsch land gehouden werd, heeft zijne
katholieke bisschoppen zien zitting nemen in het groot Vati-
kaansch-Con ei lie.
Met Gods zegen, mijne kinderen! heb ik de taak vol-
bracht, die ik mij zelven, u lieden ten wille, had opge-
legd. De geschiedenis is eene sclioone wetenschap, en ieder
mensch dient er iets van te weten, vooral van de geschie-
denis van zijn eigen vaderland. En wilt gij weten, wanneer
vooral de beoefening der geschiedenis schoon is? — Wan-
neer men de wijze bestiering Gods erkent in de lotgeval-
len van menscben en volken! — De geschiedenis is niet
het verhaal van gebeurtenissen, die bij toeval zijn ge-
schied. Niets geschiedt bij toeval. God leidt de gebeurte-
nissen : den mensch zijn vrijheid latende. De menscben kunnen
door verkeerdheden , door hartstochten afwijken van den weg,
die hun door God wordt aangewezen; zij kunnen Gods
eeuwige raadsbesluiten wederstreven doch nooit tegenhouden.
Ook ziet gij uit de geschiedenis, hoe iedere goede daad
goede gevolgen, iedere kwade daad kwade gevolgen heeft.
-ocr page 226-
218
Dit geldt evenzeer voor gelieele volken als voor bijzondere
personen. Toen onze voorvaderen ijverig, volhardend , spaar-
zaam en eenvoudig waren , bloeiden zij en hun staat; toen
zij de oude eenvoudigheid lieten varen, zich aan weelde
overgaven en eigenbelang op den voorgrond stelden , onder-
vond ons land vele rampen , zoo zelfs dat het eindelijk aan
vreemde veroveraars werd onderworpen.
Maar uit dien ramp liet God weder het goede voortkomen.
Juist door de vreemde overheersching werden de verdrukte
Katholieken, met anderen die niet tol de Hervormden behoor-
den , weder vrij. Wijl die Katholieken op God vertrouw-
den , zich bescheiden en arbeidzaam betoonden en getrouw aan
hunnen godsdienst bleven , werd hunne Kerk-regeling weder
hersteld. Zij mogen zich nu verheugen, dat zij leven in
een rustig en gelukkig land , onder de regeering van eenen
vorst, die gelijk recht voor alle zijne onderdanen begeert
en wien zij , volgens Gods gebod, eeren : — onder onzen
koning Willem den Derde.
-ocr page 227-
inhoud.
Bhs.
Hoofdsttk I. Wat de geschiedenis is................       1
»                 II. Over den staat van ons vaderland in de
vroegste tijden.....................      4
» III. De komst der Romeinen in ons land___     10
»                IV. Het Evangelie wordt in de Nederlanden
verkondigd........................     15
, V. Karel de Groote.....................     19
» VI. Het leenstelsel.......................    24
m VII. Het graafschap Holland en Zeeland on-
der het Hollandsche huis............
    30
•              VIII. Het Flenegouwschc en Beyersche huis..    86
•                  IX. Het bisdom van Utrecht en de landen die
daar onder behoorden ..............    43
» X. Gelderland...........................     47
» XI. Brabant en Limburg .................    52
» XII. Vlaanderen..........................     56
» XIII. Vorsten uit het Bourgondische Huis....     60
. XIV. Begin van het Oostenrijksche huis in de
Nederlanden.......................     66
» XV. Regeering van keizer Karel V.........     70
» XVI. Karel V. — Vervolg.................    76
«           XVH. Filips II en de landvoogdij van Margareta
van Parma........................    80
» XVIH. De Hertog van Alva in de Nederlanden    87
« XIX. Landvoogdij van Requesens............    93
»              XX. Alexander van Parma. — Afzwering van
Filips II. — Dood van Willem 1........    98
-ocr page 228-
220
Blz.
Hoofdstuk XXI. Onoverwinnelijke vloot.................   104
XXII. Twaalfjarig bestand...................   111
» XXIII. Vrede van Munster...................   116
« XXIV. Handel, zeevaart en Koloniën.........   122
»            XXV. Wetenschappen en kimstcn in de XVII*
eeuw.............................   12"
XXVI. Willem II, Stadhouder...............   133
» XXVII. Eerste Engclschc oorlog...............   138
XXVIII. Tweede Engels ehe oorlog.............   145
\' XXIX. Het jaar 1672.......................    151
» XXX. De vrede van Nijmegen..............   157
» XXXI. Willem III wordt koning van Engeland  163
» . XXXII. Vrede van Utrecht...................   169
» XXXIII. Tweede stadhouderlooze tijdvak........   174
ii XXXIV. Maatschappelijke toestand in de achttien-
de eeuw..............?............
   179
XXXV. Willem IV en Willem V, stadhouders..   184
» XXXVI. Engelschc oorlog. - Oranjegeziiiden en
Patriotten.........................   190
XXXVII. Ondergang der oude Republiek.........   195
» XXXVIII. Lodewijk, koning v»n Holland en de
Fransche heerschappij.................   199
# XXXIX. Hegeering van Willem 1..............   2<>4
» XL. Regeering van Willem II en Willem III  212
-ocr page 229-
©ij &en Witgever èe|cs gijn uitgegeven en voortunirenu-
verkrijgbaar.
J. Anneoakn, Mgemeene Geschiedenis, ten dienste
der katholieke jeugd, naar den derdes, door een kath. geeste-
lijke vermeerderden en verbeterden druk, uit het Hoogduitse!)
vertaald, door II. J. Sonjee, K. Pr. en Pastoor, 2* druk,
3  Deelcn . . . ."...........ƒ 3.25
W. Kverts, Geschiedenis der Nfederlaudsche
ketteren, een Handboek voor gymnasiën en hoogere
burgerscholen, 2 Deelen...... .... f 2.—.
Dr W. J. P. NuteKs , 0e Geschiedenis der Itfeder-
landsche Beroerten in de XM\'M" M-ieurv,
4   Werken kompleet, in 8 Deelen....../ 22.C>2£
D\' W. J. F. Ni; yens, Mte Nederlandsche neroer-
ten der XVMe JBemÜD ,
uit een katholiek oogpunt be-
schouwd. And-noord aan Prof. K. Fruin, Prof. J. van Vioten
en Dr M. van Deventer..........ƒ 0.40
D\'W. J. F. Nlyens, Mgenteene Geschiedenis des
IVederlandschen Volks,
van de vroegste tijden tot
op onze dagen. De twee eerste Deelen . . . . f 3.52J
(Dit Werk zal kompleet zijn in circa 20 Deelen).
C. T. FjüBINKHIYSEN , /.«\'<• 1 0</./(!«//,\'/! Itlf\'t fljtttt-
jes, overeenkomstig de leerwijze van den Heer P. J. Pkin-
zen, 5 stukjes, te zamen........ . f 0.52\\
J. A. Albeedinok Thijm, Gedichten uit de ver-
schillende Tijdperken ,
der Noord- en Zuid-Nedcri.
litteratuur, 2« bundel...........ƒ 1.60
J. Dijckmann, Korte regels van den Nederl. Vers-
bouw .....\'........ .... f 0.15
H. J. Sonjee, Kerkelijke Geschiedenis voor
Mtoomsch Katholieken,
3 Deelen . . ■ ./ 8.45
Hermak Obdeyn , Kinderliedjes voor school en
huis, I* boekje............J °-10
i ■