-ocr page 1-
I^yy\\ /"S<j">^r
192
Il II HIT GEDING
-
»• \\%.
160
UaIc
-ocr page 2-
-ocr page 3-
Av/£
\'f
DE HOOFDGETUIGE IN HET GEDING.
Nog f.f.n woord over Vondel, Mariüs én df. Soctf.tf.it van Jezus. -
I.
Sedert eenigen lijd is de sti^^|^g^Kjeoiider de tijdge-
nooten de hoofdbewerker van^Jondels teruafcr tot de Kerk
van Christus moet heeten, wedWaan de orde.
Terwijl men vroeger vrij algem%en Leonardus Marius, den
pastoor van het Amsterdamsche Begijnhof, de eere placht te
geven, heeft de Eerw. Pater H. J. Allard deze glorie opge-
eischt voor de Sociëteit van Jezus, die hijzelve in ons vader-
land tot sieraad strekt. De Eerw. Heer Klönne, Marius\'
jongste opvolger aan het Begijnhof, heeft gemeend het goed
recht van zijn groolen voorganger te moeten handhaven.
Antwoord en wederantwoord hadden deze beide tegenstanders
reeds gewisseld, toen ook de Eerw. Pater van Lommei een kort
geschrift deed verschijnen. \'t welk mij noopt over de hangende
vraag een bescheiden woord in het midden te brengen.
De redenen, die mij daartoe bewegen, wensch ik kortelijk
uiteen te zetten.
De eerste is van eenigzints persoonlijken aard In P. van
Lommei vereer ik mijn eersten en besten leermeester op het ge-
-ocr page 4-
2
bied der historische wetenschap. Hij heeft mij de liefde tot
de dingen van het verleden ingeprent, mij geleerd tot de
bronnen te gaan en de bronnen te waardeeren. Zijn onver-
moeide werkzaamheid, zijn door langen arbeid nog gescherpte
scherpzinnigheid, zijn ongekreukte goede trouw en dan niet
het minst zijn aangenaam en welwillend verkeer hebben in
den loop der jaren den eerbied van den student tot een warme
vriendschap ontwikkeld. Ik weet dat een verschil van meening
bij hem geen wrevel wekt, en dat de onafhankelijkheid van
iemands oordeel hem niet doet twijfelen aan de eerlijkheid.
In dezen strijd zullen de eerbied en de vriendschap wacht
houden bij het tournooi.
Ten andere is het geschrift van P. van Lommei in den
eigenlijken zin geen strijdschrift, ten minste niet wat den vorm
betreft. Het is integendeel een zuiver zakelijk geschrift en ik
zal mijn oprecht leedwezen over de enkele schrapjens van
persoonlijken aard jyel het best uitspreken door er niet verder
van te gev/agen^^^teg-J^inen hier nu tegenover zaken
worden gesteld ^^Kflwotdt ((gelijk een zakelijk oordeel te
vellen zoo over bSK\'.v.Vi^j:? waarde der I.itterae Annuae
als over de vertrouwhaarnela* van Van Heussen in zijn Batavia
Sacra.
Mag ik aan een klein gevoel van teleurstelling lucht
geven ? Het zal meerderen gemeen zijn. De titel belooft iets
meer dan de inhoud geeft. Zoowel de vraag over de historische
waarde als over de vertrouwbaarheid, de eerste in vrij wat
meerdere mate dan de laatste, blijven beperkt tot de vraag over
Vondels bekeerders.
Van den anderen kant mag men zich verheugen dat alles
wat ten bate der meening van P. Allard kan gezegd worden
bij P. van Lommei in vermeerderde en verbeterde uitgave
op nieuw gevonden wordt.
De derde rede eindelijk is van eenigsints kieschen aard,
maar mag daarom niet worden ontveinsd.
De geschiedenis der Katholieke Kerk in Nederland is, voor
zoover zij werd beschreven, niet zeer mild in lof voor de sekuliere
-ocr page 5-
3
geestelijkheid. Mea zou somtijds den indruk willen afwijzen, als
had deze geestelijkheid voor het behoud van het oude geloof
ter nauwernood haar plicht gedaan. Het is niet altijd mogelijk
de zich opdringende meening tegen te houden, als had zij
weinig over gehad voor het bevestigen van het wankelende,
het heroveren van het verlorene. Van de harde dagen, die
zij heeft doorleefd, van de vervolgingen, die zij heeft gedragen,
verneemt men slechts schaarsche berichten. Aan de zende-
lingen der verschuilende geestelijke orden worden overal de
hoogste lof, de eerbiedigste hulde gebracht. Geen onzer, die
niet van ganscher harte zich daarbij aansluit. Maar het is
geoorloofd te meenen, dat ook de sekuliere geestelijkheid in
den harden, donkeren strijd eenige palmen gewonnen heeft.
De karigheid waarmede de historie deze palmen aan de
pastoors — om nu tot het eenvoudig en teekenachtig spraak-
gebruik van paters en pastoors over te gaan — uitreikt, vindt
niet alleen hare verklaring in het feit dat de ellendige afvalligen,
die men Jansenisten heet, uit de rijen der pastoors waren
voortgekomen. De verklarine^nOW-.rjSk jfezocht worden in
eenige bijzonderheden van het ijrxieiliprleven derHollandsche
Missie. Van den aanvang af waren de paters, en met name
de Jesuieten, de grootste bestrijders der rampzalige scheur-
makers, die de vloek en de schande onzer marteldagen zijn.
Maar nog vóór dat het Jansenisme losbrak, nog vóór dat het
zich kon vertoonen, bestond er tusschen paters en pastoors
een spanning, waarvan men te dikwijls de sporen ontdekt.
Die spanning was uit geen verschil van leer voortgekomen
en had met de meerdere of mindere aanhankelijkheid aan
den Heiligen Stoel niets gemeen. Waaruit sproot zij voort?
Misschien behoort men nergens meer dan bij het beoor-
deelen van kerkelijke toestanden zich telkens en telkens te
herhalen, dat de heiligen zeer zeldzaam, dat menschen echter
altijd menschen zijn. Maar daarbij waren de omstandigheden
in Nederland wel geschikt om de een of andere spanning in
het leven te roepen. Het gold hier voor alle katholieke priesters
-ocr page 6-
s
4
ééne zaak: de zielen te redden door liet behoud des geloofs.
Deze ééne zaak liet echter geheel verschillende werkzaamheid
toe; men kon zich allereerst beschouwen als zendeling, aller-
eerst uitgaan op het herwinnen der zielen. Men kon ook het
oog gevestigd houden op de noodzakelijkheid om de orde
onder de arbeiders in den wijngaard des Heeren te bewaren,
ook in den stormachtigen tijd den regel te handhaven enden
altijd weldadigen invloed van éen gezach niet te verzwakken.
Zelfs in een missie zijn juiste en scherpe rechtsverhoudingen
onmisbaar en wie zal zeggen wat meer schade doet, de ijver,
die ze niet steeds eerbiedigt, de naijver, die ze te streng
bewaakt? —
De spanning tusschen paters en pastoors was, in de Hol-
landsche missie, ook zonder het Jansenisme een feit. Het
gevolg van het Jansenisme is echter ook dit geweest, dat over
de spanning tusschen paters en pastoors een licht viel, dat
niet altijd het juiste was en waarin sommige pastoors, die van
Jansenisme geheel vrij waren, toch in een soort van Janse-
nistische tint verschenen^ HeUkon wel niet anders; zij waren
tegenstanders, indien men \\ql, der paters; op geheel andere
wijze, uit geheel andere beweegredenen, met geheel andere
gevoelens waren de Jansenisten het ook. Er bestaat in de
wereld zulk een trek om verschillende deelen onder éen
naam tot een geheel te brengen. Niet zelden geschiedt het,
dat ook zij, die niet tot de Sociëteit van Jezus behooren, de
eer hebben door de tegenstanders Jesuieten te worden genoemd.
Hoe dit alles zij, en hoe zelden de veder der historie een
woord van lof mocht neerschrijven voor de sekuliere geestelijkheid
der Hollandsche missie, deze geestelijkheid telde onder haar
leden een man van hooge beteekenis: Leonardus Marius.
Een verkwikkende en verheffende aandoening vervult ons,
wanneer wij kennis nemen van de getuigenis der tijdgenooten
over dezen man. In 1638 teekenen hem de afgezondenen door
Rovenius en den hollandschen clerus: „ Amplissimus et eximius
I). Leonardus Marius S. T. D. olim in Academia Coloniensi
-ocr page 7-
J
professor famosissiinus et Seminarii Ultrajectensis ibidem Rector
vigilantissimus: nunc autem subvicarius Vicarii Apostolici per
hanc Dioecesin et Praepositus atque Archidiaconus Ecclesiae
Harlemensis, qui ob mellifluam suam facundiam etraramdoc-
trinam ab omnibus tam haereticis quam catholicis summo vene-
ratur. Unde natum est ut non careat aemulis gratiae ülius
invidentibus."
In zijn verslag van 1656 kande Vicarius Apostolicus Jacobus
de la Torre zijn naam niet vermelden zonder lef. Hij beschrijft
hem: „vir maximi ingenii, prodigiosae memoriae ac summae tum
doctrinae, tum facundiae" en betreurt nog zijn vroegtijdigen
dood, die allen met diepe smart heeft vervuld. Waar hij hem
vermeldt als rector van het Begijnhof, heet het: „vir numquam
satis laudandus, qui singulari prorsus fructu, hic suo in domestico
sacello et alibi per nrbem, conciones suas fere quotidianas ha-
bebat, quibus, prout et conferentiis et scriptis suis, plures ac
etiam praecipuas et ditiores Amstelaedamenses familias adRc-
ligionem Catholicam convertit."
Diep treffend is in haar eenvoud de volgende aanteekening
uit de akten van het Haarlemscfie Kapittel:
„1652, Octob. Hoc funesto tempore duo luminaria magna
nobis exciderunt, et occiderunt; et quidem D. Gerardus braes-
semius die 17 Octobris Almariae ac postridie (eheu) Amstdodami
Ampliss. D. praepositus Leonardus Marius."
In zijn Lijcksiaeisi heeft Vondel aan dit ongekunsteld „eheu"
den vollen orgeltoon van zijn poëzie geleend en ... . deze
Vondel was de geestelijke zoon van Marius, Marius was
Vondels bekeerder.
Vondel door Marius bekeerd. De glans van deze daad
straalde door de nevelen der Jansenistische verwikkelingen
heen en vervulde met blijde hengenis de harten van hen, die
in de trouwe, echt-Roomsche pastoors der Hollandsche missie
hun voorgangers, hun vaderen naar den geest erkennen. Vondels
bekeering door den pastoor van het Begijnhof was voor hen
-ocr page 8-
r.
het heerlijke bewijs, dat ook zij aan den grooten strijd hadden
deelgenomen en niet zonder vrucht. „Nous étions la" zeiden
zij, zoo dikwijls van dit feit werd gewaagd.
Is het wonder, dat zij, de pastoors onzer dagen, de aanspraken
van Marius niet onmiddelijk laten varen ? Wekt het bevreemding
dat zij niet aanstonds gewonnen spel geven aan een nieuwen
eischer? \'t Zou wonder zijn indien dit het geval ware. \'t
Zou bevreemding mogen wekken indien zij met van Lennep
en van Vloten — voor dezen was de zaak niets dan een
bijzonderheid in Vondels leven — overgingen op P. Petrus
Laurens.
Maar het wekt geene verwondering. De blijde moed, waar-
mede de P. P. Allard en van Lommei voor de met zooveel
hemelsche laurieren gekroonde Sociëteit dezen nieuwen lauwer
eischen, stamt uit hetzelfde gevoel, dat den Rector Klönne
bezielt ter tegenweêr. Het is hier geen zuiver wetenschappelijke
vraag; onze belangstelling is van hooger soort; onze harten
zijn in het spel.
Niemand heeft den moed hier te denken aan het derde boek
der Navolging. „Noli etiam inquirere nee disputare de meritis
Sanctorum, quis alio sit sanctior, aut quis major fuerit in
regno Coelorum." Bij den strijd over den schrijver der Navolging
dacht men er even weinig aan. Al treft ons allen de blaam:
„Quidam zelo dilectionis trahuntur ad hos vel ad illos ampliori
affectu, sed humano potius quam divino;" wij meenen allen
te spieken voor de eer onzer vaderen en te vervullen kinderplicht.
Behoef ik te zeggen dat ik nog eenmaal het pleit waag
voor Leonardus Marius?
-ocr page 9-
\'
7
II.
Over de betrouwbaarheid van Hugo Franciscus van Heussen
is het, in het algemeen, niet noodig vele woorden te verliezen.
Niemand, die met Hoynck van Papendrecht kennis maakte, is
geneigd den auteur der Batavia Soera vrij te spreken van het
verdraaien en verminken van feiten, van verzwijgen en ver-
dichten, van verwarring in de volgorde van de jaren en zaken
daar waar het geldt „zijn doel, nl. de wettigheid te bewijzen
der aangematigde en ingebeelde rechten van het quasi-Utrechtsch
kapittel enz." Men zou met de geschriften van van Heussen
al weinig bekend moeten zijn, van de uitgaven in het Utrechtsch
en Haarlemsch Archief voor kerkelijke geschiedenis, van de
Studiën en zoo veel meer geen kennis moeten genomen hebben,
om niet te weten, dat wrevel en wraak tegen de Jesuieten
overal zichtbaar zijn. Zooals het altijd in dergelijke omstan-
digheden gaat, van Heussen beschouwde de Jesuieten als zijn
doodvijanden, omdat zij de vijanden moesten zijn zijner be-
ginselen, de tegenstanders van zijn beleid. Hij vervolgde hen,
omdat zij hem geen rust mochten gunnen.
Van Heussen is een onbetrouwbaar schrijver, zijn Batavia
Sacra
is een partijschrift. Hoynck van Papendrecht heeft het
als zoodanig aangewezen, aan P. van Lommei komt de eer
toe het werk van Hoynck te hebben voortgezet. Zoowel
Hoynck van Papendrecht als P. van Lommei hebben ons
ééne zaak geleerd, op één punt het volle licht doen vallen:
men kan altijd weten waar van Heussen partijdig is, waar hij
onjuistheden zegt. Van Heussen is zoozeer partijman, zoo fel
anti-Jesuiet, dat men zich slechts de vragen te stellen heeft:
schuilt hier partijbelang ? steekt hier een Jesuiet ? om te weten
wat men van de betrouwbaarheid van Van Heussen te houden
heeft. Hij had talent genoeg om onjuistheden te zeggen, maar
onjuistheden die tot een bepaald, zij een ook ver afliggend
doel moesten leiden. Hij was echter geen man, die er nu
-ocr page 10-
)
8
juist een beroep van maakte om ia alles ea over alles onjuist-
heden aan den man te brengen.
Men moet niets overdrijven, ook de onbetrouwbaarheid van
Hugo Franciscus van Heussen niet. Een zoo kalm en on-
persoonlijk geschiedvorscher als P. van Lommei dwaalt toch
als hij schrijft: „De plaats waar van Heussen\'s woorden aan-
gaande de bekeering der voornaamste en rijkste Amsterdamsche
familiön door Marius in het oorspronkelijke Ie vinden zijn is
nauwkeurig aangegeven. Daar is zijn aanhaling volkomen ge-
tromv;
daar is van Heussen „eerlijk" wel niet „zoo eerlijk
als een schrijver met mogelijkheid wezen kan." Want ware
hij dat geweest, dan zou hij dat onschuldige nootje (o), zoo
uiterst geschikt om den onnadenkenden lezer te misleiden»
wel op een andere plaats gezet hebben. Of zou het cursief
gedrukte van het laatste gedeelte van den geheelen volzin ook
hier weder dienst moeten doen?"
Hier is te veel zachtheid, te groote gestrengheid. Van
Heussen heeft aan de onnadenkendheid zijner lezers en aan
hun gissingen geen schuld. Het hier meegedeelde verwijt is
alleen te verklaren, omdat een eerlijk gemoed hier te fel in
opstand kwam tegen een waarlijk gewaande oneerlijkheid.
Van Heussen heeft nooit de bedoeling gehad tot staving van
zijn bericht over Vondel en Ouzel op de relatio van de la
Torre
te verwijzen. Want bij van Heussen gaat altijd —
men kan het op dezelfde bladzijde der Batavia Sacra en op
iedere bladzijde nagaan — de letter, die naar de bron ver-
wijst, aan het uit de bron meegedeelde vooraf. Van Heussen
is onbetrouwbaar, maar hij citeert zooals hij gewoon was te
citeeren — ik heb hier alleen het oog op de wijze — en hij
plaatste zijn nootjes zonder nevenbedoeling.
Kan er echter bij van Heussen een bedoeling hebben be-
staan, een geheime, een ellendige bedoeling, die hem dreef
om de bekeering van Vondel aan Marius toe te schrijven ?
Maar zij ligt voor de hand, luidt het antwoord. Hij gunde
de eere dezer schoone overwinning niet aan zijn doodsvijanden,
-ocr page 11-
y
de Jesuieten. Het is waar, een bijzondere reden om Marius
lief te hebben bestond bij hem niet. Marius zou met het
sluipeiig en gluiperig bedrijf van van Heussen en zijne vrienden
geen vrede hebben gehad. Hoe het zij, hij was geen Jesuiet,
hij had wel eens de een of andere kriebeling met de paters
gehad, hij was door Vondel bezongen. — Vondels bijschrift
siert het portret in de Batavia Sacra — wat kon van Heussen
grooter verkwikking des geestes zijn dan een tak — en dezen
tak! — te stelen uit den rijken eerekrans zijner gehate
tegenstanders.
Inderdaad deze verklaring ligt voor de hand en zij is on-
wraakbaar. Slechts éen kleine bijzonderheid ontbreekt om
haar boven allen twijfel te verheffen. Maar die kleine bij-
zonderheid is alles. Hoe wist Hugo Franciscus van Heussen,
in 1714 of vroeger dat Vondel een bekeerling der Jesuieten
was ? De Litterae Annttae en de punten, waaruit deze waren
samengesteld, lagen in het archief te Rome of bleven slui-
meren in de archieven der provincie. Hoe wist van Heussen,
dat hij de Jesuieten kwetsen kon door de bekeering van
Vondel aan Marius toe te schrijven ? Ik aarzel geen oogenblik
te erkennen, dat het met zijn laffe kleingeestigheid volkomen
stroken zou, indien hij zulk een geschiedvervalsching had
beproefd. Maar er moest iets te vervalsenen zijn, iets .... dat
is, de mare, dat de paters der Sociëteit Vondel hadden bekeerd.
Welnu, zij bestond niet. Indien zij in en voor 1714 bestond,
waarom bestond zij dan niet langer in 1715 toen P. Thomas du
Jardin van Heussen mag hebben nageschreven? Waarom was
zij te niet gegaan in 1738 toen de Kanunnik-penitencier van
Mechelen, Foppens, weder aan Marius de eere gaf? — Foppens
schreef van Heussen na ? Foppens was de vriend van Hoynck
van Papendrecht, die hem bij het samenstellen der Bibliotheca
Belgica zijn bibliotheek leende en die hem ook wel over van
Heussen zal hebben ingelicht; Foppens wist wie van Heussen
was en hij durfde hem laken over zijn schimpscheut op Marius —
„referente in Batavia Sacra Heussenio, non tarnen satis aequo
-ocr page 12-
ro
in tanti Viri memoriam" — en toch geeft Foppens van Vondels
bekeering aan Marius de eer.
Waarom was de wetenschap over Vondels bekeering gestorven
toen P. Hartzheim in 1747 zijn Bibliotheca Coloniensis ver-
schijnen deed? Er bleven toch waarlijk betrekkingen genoeg
tusschen de Keulsche en de Hollandsche Jesuieten bestaan.
Voor de Jesuieten in Holland kon de bekeering van Vondel
geen geheim wezen, als de zanger van de groote heiligen
der Sociëteit moest hij onder de leden der Orde een zekere
vermaardheid genieten; het kon niet anders of men moest
in het Gymnasium der Drie Kronen te Keulen weten dat de
Keulenaar Joost van den Vondel door de Jesuieten tot de
Moederkerk was teruggevoerd. Maar P. Hartzheim gaf aan
Marius de eer.
Hoe is dit alles te verklaren?
Van onbekookte naschrijverij is noch bij Foppens, noch bij
Hartzheim spraak. Vooral bij den laatste niet. In de Bibliotheca
Coloniensis
vindt men het levensbericht van Vondel in het
Siipplementum en het is, op éene aanwijzing na,aan Foppens
ontleend. Leonardus Marius daarentegen wordt in het hoofd-
werk behandeld en behandeld niet alleen op uitvoerige, maar ik
zou geneigd zijn te zeggen op hartelijke wijze. Met vriendelijke
zorg is deze bladzijde bewerkt, zij geeft meer dan van Heus-
sen en Foppens geven; zij getuigt van meerdere bekendheid
met Marius\' werken en leven; waarom schreef dan P. Hartzheim
op het stuk van Vondels bekeering klakkeloos van Heussen na ?
Tegen van Heussens betrouwbaarheid, waar het de
verhouding tusschen Marius en Vondel betreft, is eigenlijk
geen enkele goede reden aan te voeren. Hij geeft geen
bron op; dat is volkomen waar. Maar dit verzuim, indien het
een verzuim is, valt volkomen te verklaren uit de omstandig-
heid, dat niemand in die dagen anders wist of weten kon. Men
kan ook niet zeggen dat de bekeering van Vondel met de
gewaande rechten van het Utrechtsche quasi-kapittel — de
uitdrukking is canonistice wel juister dan het quasi-Utrechtsche
-ocr page 13-
11
kapittel — iets te maken heeft. En van een anti-Jesuietische
bedoeling bestaat geen spoor.
Aan het eind der schets van Van Heussens karakter en
bedrijf geeft P. van Lommei aan zijn eerlijke verontwaardiging
lucht door de volgende ontboezeming: „En aan dien man
schenkt men onvoorwaardelijk geloof. Wanneer hij een getui-
genis aflegt dat in strijd is met een getuigenis van de Liiterae
annuae,
dan is hij „zoo eerlijk als een schrijver met mogelijk-
heid wezen kan." "
Ik deelde de verontwaardiging, indien er reden toe was. Maar
niemand schenkt aan Van Heussen „onvoorwaardelijk" geloof.
Men meent alleen in een onverschillige zaak, die voor hem
van geen belang was, zijn bewering niet, zonder meer, voor
een leugen aan te moeten zien.
Er is hier ook geen tegenstelling tusschen de litterae annuae
en Van Heussen. Het is alleen de vraag: moet bij dit jeit
de mededeeling van van Heussen onvoorwaardelijk als een
leugen worden beschouwd, omdat de litterae annuae, die van
Heussen niet kende en niet kennen kon, het anders schijnen
te verhalen?
Die vraag is te nuchter om eenige verontwaardiging te
wekken. Zij is daarbij door P. van Lommei zelve gesteld,
toen hij de historische waarde der litterae annuae verklaarde.
Voordat ik tot de behandeling dezer gewichtige vraag, de
historische waarde der litterae annuae overga, veroorloof ik
mij nog éene opmerking. Bij het onderzoek naar den be-
werker van Vondels bekeering heeft men het gerucht, dat dit
feit wekken moest, wel een weinig vergroot. De terugkeer van
Vondel tot de Kerk van Christus was geen zaak van Staat.
Behalve in de kringen der dichters en der dichtende predikanten
heeft zij weinig rumoer verwekt. De Drossaart is boos op hem
geworden om zijn bemoeiingen ten bate der pausgezinden en
priesters in Gooylandt, die met bedreigingen gepaard schenen.
-ocr page 14-
12
De Drossaart heeft hem beklaagd als een man, die „geener
dings eerder moede schijnt dan der ruste," maar verder
heeft zich geen man van aanzien over dien overgang be-
kommerd; de onroomsche rijmers met hun „flauwe steekei-
dichten en krabbelingen" en de nakrabbelaars hebben ook
spoedig hun aêm ten einde geloopen.
Het is dan cok onbegonnen werk in de bekeering van
Vondel de aanleiding van eenige vervolging tegen Marius of
de Jesuieten te zoeken. Waar Vondel zelve door de Overheid
niet vervolgd werd, daar heeft men ook op de bekeerders
geen jacht gemaakt. Voor zoover Marius betreft heeft P. van
Lommei die zaak op uitnemende wijze verklaard. En wat
P. Laurens betreft, ik geloof niet dat hij noodig had Vondel
te bekeeren om aan vervolging bloot te staan. Van hem toch
leös ik in de „Relatio visitationis Reverendi Patris Thomae
Dekens Provincialis Provinciae flandro-belgicae S. J.
— A°.
1656: „Heterodoxis non admodum gratus, propter zelum et
acrimoniam quandam, qua solitus erat uti in tractandis con-
troversiis."
III.
De historische waarde der Litterae Annuae, die vóór het
Generalaat van den H. Franciscus de Borgia quadrimestres
heetten, leert men het best kennen — en kennen is hier
waardeeren, — wanneer men de daarop betrekking hebbende
voorschriften uit het Institutum Socieiatis eenvoudig overneemt.
Die voorschriften luiden aldus:
DE LITTERIS ANNÜIS.
26. Superiores Domorum atque Rectores curent ea observari,
quae in dies in eorum Domibus Collegiisque per Nostros Dominus
operari dignatur; quaeque ad Nostrorum consolationem, ac
proximorum aedificationem pertinent : ex quibus seligant optima
-ocr page 15-
13
quaeque, atque in ordinem\'redacta, sub fincm cuiusque anni
ad suum Provincialem mittant. Hanc ad rem designetur
aliquis in quolibet Collegio, seu Domo, maturus ac diligens
rerum notabilium investigator; qui et ipsein dies quae occurrunt
scripto excipiat, et tertio quoque mense singulos commonefaciat,
ac praecipue Praefectos Ecclesiae, scholarum, rerum spiritualium,
Congregationum, et alios huiusmodi, ut cogitent, et si quid
clignum, annuis illo trimestri observarint, ad Rectorem primo
quoque tempore deferant manu sua subscriptum.
27.    Provinciales ex omnibus superiorum localium atque
Rectorum suae Provinciae, et eorum qui in Missionibus ver-
santur, epistolis — rejectis vel additis iis quae videbuntur —
singulis annis mense Januario, rerum gestarum capita Latine
collata, ex quibus deinde unae litterae annales Romae con-
ficiantur, manu ipsorum subscripta Romam ad Generalem
destinent. Cavendum autem ante omnia diligenter , ut quae
ad Confessionis Sacramentum spectant, nulla ratione in his
capitibus attingantur ; omittanturque similiter, quae alia quavis
ratione secretum postulant, et ex quorum narratione jure
offendi quisquam possit. Omnium porro, quae vel a superioribus
locorum ad Provincialem, vel a Provinciali Romam mittuntur,
cxempla, horum quidem in Provincia, illorum vero in singulis
domiciliis servanda sunt, donec Annuae integrae in lucem
prodierint.
28.    In ea compendiaria narratione hic ordo servabitur:
Recensebunt initio numerum Nostrorum in universum, tum
etiam singulis Domibus, Collegiis et Missionibus nominatis,
quot sint in iis Sacerdotes, Praeceptores, Scholastici, etCoad-
jutores temporales, seorsim de singulis ac distincte: ita ut si
qui forte inter Praeceptores ac Scholasticos sint Sacerdotes,
hoc ipsum significent, ne numeri confundantur, aut iidem bis
recenseantur. Itemque quot admissi sint eo anno in Societatem,
quotque e vita decesserint. Mortuorum autem non solum
nomen, cognomen, patriam, aetatem, statum, et munera in
Societate obita perscribi oportebit; verum etiam virtutes, si
-ocr page 16-
14
quas habuerunt eximias, commcmorari; in priinis vero,siquid
ab eis profectum est laude praecipua dignum, quod singularis
alicuius facti narratione confirmari possit. Neque deinde necesse
erit ad singula Collegia aut loca redire, nisi aliquid in lis
contigerit peculiari narratione dignum.
29. Agent primo de profectu Nostrorum in Domino, et
explicabunt, si quid in eo genere ad aedificationem facere
possit; ut si profectus in virtute aliqua particnlari fuerit eximius,
aut si ponatur novum aliquod et praeclarum medium ad eam
consequendam adhibitum. Viventium etiam illa promulgari
poterunt, quae in ingressu contigerunt, et non fuerint propria
unius. Deinde de ministeriis Societatis erga proximos, ut de
concionibus, lectionibus sacris, doctrina Christiana, et Exer-
citiis spirituallbus , visitatione carcerum et hospitalium, recon-
ciliatione dissidentium, de poenitentium frequentia, et de aliis
nostri Instituti piis operibus; ita tarnen ut ea tantum commemo-
rentur, quae sunt alicuius momenti, non levia quaecumque, et
minuta; vel quae Heet alicuius sint momenti, communia tarnen
sunt et quotidiana, ut quaeperpetuofierisolent: quaeideocum
ordinaria sint, satis erit, nisi insigne aliquid habeant, breviter
perstringere. Item de Scholis,et discipulorum numero, et profectu,
praesertim in Universitatibus et Collegiis majoribus, de bona
item Societatis existimatione: de contradictionibus autem, et
persecutionibus, si quae fuerint, ea tantum attingant, quae
aedificationi fore videbuntur. Dicent etiam de piorum erga
Nostros cantate et eleemosynis paulo insignioribus. Non
ponantur aliena, aut nobis valde leviter annexa, sed vere
nostra. Nostra enim non sunt, quaecumque nostri amici,
devoti, Fundatoresve gesserint. Quod si haec etiam ad nostra
pertinere judicentur, indicanda est causa et connexio, ut
referri in annuas possint. Si quando autem, quod perraro
accidet, aliquid erit tam grande tamque illustre, ut a nobis
licet remotum, per nos tarnen ab oblivione vindicari conveniat,
turn adhibenda praemunitio erit, ne inconsulto factum videatur.
30] Haec omnia exponent, quam plenissime fieri poterit
-ocr page 17-
15
— semper tarnen vitata nimia prolixitate — adhibitis omnibus
circumstantiis, etiam nominibus eorum, qui eas res gesserunt,
ut si opus fuerit, aliquando conscribi possit historia. Qua
etiam de causa cum aliquid occurret dignum memoria, quod
tarnen propter aliquam causara non expediat omnibus vulgari
id scribent separatim integre et perfecte: in illa autem com-
muni narratione, vel omnino reticebunt, vel ea tantum excer-
pent, quae aedificationi esse possunt. Et quae ad externos
pertinent, ita narrentur, ut in ea ipsa domo aut civitate, ubi
scribuntur, ac ubique publice legi citra cuiusquam offensio-
nem possint. Vitentur denique exaggerationes rerum, amplifi-
cationesque verborum ; ut simplex et religiosa veritas in omni-
bus eluceat: et pro miraculis non ponantur, quae miracula
non sint; nee incerta, quaeque diligenti adhibita inquisitione
comperta non sint.
31. Cum litterae annuae Romae confectae ad Provincias
mittentur, legantur quamprimum in singulis Domibus et Col-
legiis. Et ut Coadjutores nostri temporales ex Latinis etiam
litteris fructum aliquem percipiant, sit aliquis, qui illarum
summam, aut interpretationem aliquo modo explicet: neque
ultra duas hebdomadas retineri debent, ut ad reliqua loca
citius deferantur. Postquam vero ubique perlectae fuerint, in
praecipua Domo vel Collegio eiusdem Provinciae asserventur,
et simul consuantur.
Bij het onderzoek, dat ons hier bezig houdt, mag men het
licht laten vallen op de volgende punten:
i°. het eerste en naaste doel dezer brieven is niet de
samenstelling van historische gedenkschriften, maar de be-
moediging en stichting van de eigen leden der orde. Dit
ontneemt niets aan de historische waarde dezer verzamelingen,
maar het heeft onmiskenbaar invloed op den toon.
2". De Litterae Annuae zijn niet altijd mededeelingen uit
de eerste hand. Er bestaan drie soorten van geschriften,
die met dezen naam worden aangeduid.
-ocr page 18-
i6
Vooreerst de verslagen, dia in ieder huis of collegie door
een betrouwbaar man worden opgemaakt.
Ten tweede het uit deze huis- en college-verslagen ver-
zamelde, door den provinciaal onderteekende verslag.
En ten derde de jaarbrief, die te Rome uit de provinciale
verslagen wordt saamgesteld.
De kosten voor het samenstellen van deze „unae litterae
annales" worden door al de provinciën gezamenlijk gedragen.
De samensteller verbleef in het Collegium Romanum.
In dezen jaarbrief werd gewoonlijk aan iedere provincie een
r.fzonderlijk hoofdstuk gewijd en dit hoofdstuk werd ook wel
als de litterae annuae prminciae of missionis aangeduid.
3 °. Het verbod: „„wat ons vreemd is of ter nauwernood
met onze zaken is verbonden" worde in de litterae annuae
niet opgenomen, doch alleen wat „waarlijk het onze is", laat
toch de mededeeling van andere zeer opmerkelijke feiten toe.
Wanneer ik het nu waag de mededeelingen in de litterae
annuae van 1641 aan een nauwgezet onderzoek te onderwerpen,
dan geschiedt dit niet omdat ik de eerlijkheid der samenstellers
of de geloofwaardigheid hunner zegslieden ook maar eenigszints
in twijfel trek. Maar indien deze litterae zeggen wat zij
geacht worden te zeggen en indien er tegen het door haar be-
schrevene niets aan te voeren valt, wanneer deze historische
documenten onbetwijfslbare en onwraakbare waarheid bevatten,
dan ben ik verplicht eene meening, die mij lief is, op te geven
als een dwaling. Maakt mij dit partijdig, niemand kan het
mij euvel duiden. En binnen en buiten de muren van Ilion
heerscht deze partijdigheid.
Onbetwijfelbare en onwraakbare historische documenten zijn
indien zij te vinden zijn, uiterst schaars. Vooral zoo spoedig
zij iets behelzen, waarbij de schrijver zelve, zij het dan ook
in nog zoo verwijderde mate betrokken is. Men ziet met de
oogen die het leven heeft gemaakt. Men schrijft in de vormen,
die de omstandigheden ons hebben geleerd. De goede trouw
-ocr page 19-
\'7
en de waarheidsliefde zijn hoedanigheden , die in de oogen
van anderen reeds lang begonnen te verbleeken, toen wij
meenden dat zij nog in alles bij ons schitterden. De Romeinsche
rechtsepreuk unus testis nullus testis heeft ook voor den ge-
schiedschrijver hare waarde.
Dit zijn zeer vage bespiegelingen. Maar indien men eens
wil tasten en voelen hoe twee volkomen eerbiedwaardige en
betrouwbare personen één zelfde feit op verschillende wijze
kunnen verhalen en wel op zoo verschillende wijze, dat de
een als feit vermeldt wat de andere vlak weg tegenspreekt,
dan veroorloof ik mij een voorbeeld aan te bieden dat in deze
zaak niet geheel misplaatst is.
In da relatio Visitaiionis van den P. Provinciaal Thomas
Dekens leest men, behalve het boven reeds meegedeelde, over
P. Petrus Laurentii: „Vir fuit iudefessus per multos annos
et valde utilis in hac statione.....Ante triennium multa
passus est, quando per aemulationcm duorum......exactus
est cum reliquis religiosis ex urbe; et caeteris denuo admissis
aegre potuit impetrari ut reciperetur."
Het is geen onbescheidenheid wanneer ik de door den uitgever
P. van Lommei, achter duorum weggelaten woorden aanvul
met Saecularium sacerdotum of iets dergelijks.
Nu leest men in de Relatio van de la lorre, wier uitgave wij
mede aan P. van Lommei danken over den toestand te
Amsterdam: „Religiosi autem alii adsunt: Societatis Jesu tres,
quorum duo veterani sunt milites, a pluribus annis hic missioncm
obtinentes, et secundus quidem non semper cum clero paci-
ficus. Sunt autem illi Augustinus a Teylingen, Petrus Laurentii
et Henricus ab Alckemade. .." En verder: „Turbatio autem
hic ante biennium fuit aliqua ex dimissione Regularium, quam
hic tune fecerat magistratus, eo quod per se et per socios
transeuntes seu ad tempus permanentes et nimis magnis con-
gregationibus faciendis excessissent et moniti non obtempe-
rassent; sed intercedentibus pro illis primariis de Clero (cui
falso conati sunt eorum aliqui, eorurnque sequaces proscriptioncm
-ocr page 20-
iS
illam affingere) paulatim unus post alterum de novo rea missus
fuit ab eodem magistratu et a praetore certis sub conditionibus..."
Beiden P. Dekens en de Vicarius Apostolicus verhalen hier
hetzelfde geval — het biennium bij den laatste is met het
triennium bij den eerste niet in strijd; het wordt verklaard
door de omstandigheid dat de la Torre\'s relatio waarschijnlijk
geschreven was lang voordat zij te Rome op i Sept. 1656
werd aangeboden, terwijl P. Dekens zijn verslag dagteekende
uit Leuven op 8 December van hetzelfde jaar. Hetzelfde feit —
en welk een verschil in de voorstelling. De beide voorstel-
lingen schijnen op geene wijze met elkander in overeenstemming
te brengen; zij schijnen slechts de keuze te laten tusschen
waarheid en, laat ik parlementair blijven, onjuistheid; zou het niet
te veel scherpzinnigheid kosten de waarheid in beiden te onderschei-
den , zonder dat een der partijen goedtrouwig onwaarheid sprak ?
Er zal nu wel noch van euvelmoed, noch van dorperheid
spraak kunnen zijn, wanneer ik meen dat de betrouwbaarheid
der Liiterae Annuae als historische documenten moeielijk
hooger kan geschat worden dan die der genoemde Relationes.
Zelfs zou men kunnen zeggen dat deze laatste eer en meer
dan de eerste, bestemd waren om historische documenten te zijn.
Uit den stijl der Liiterae annuae ons door P. van Lommei
als bijlage meegedeeld blijkt dit toch wel al te duidelijk. Men
zal hier eer van Ie siyle fleuri spreken dan van iets anders en
de soberheid is juist te betreuren in het gemis aan scherpe en
nauwkeurige bijzonderheden.
Men is verplicht somtijds tusschen de regels te lezen. Het
geval te Schoonhoven is verhaald op eene wijze, die juist niet
door de uitnemende beoefening er van herinnert aan het
voorschrift: „de contradictionibus et persecutionibus, si quae
fuerint, ea tantum attingant, quae aedificationi fore videbun-
tur." Hoe uitvoerig ook, het verhaal kan toch niet op vol-
ledigheid bogen; alleen door de omstandigheid, dat de missionaris
der Sociëteit er kwam rogatu civium, blijkt, dat men niet met
een Jesuieten-statie te doen heeft en heilige ijver hier met
1
-ocr page 21-
•9
liet recht van anderen in botsing kwam. Mag ik het zeggen ?
Het geheele verhaal schijnt mij sterk gekleurd; Joannes of
Nicolaas Visscher was in 1656 een pastoor, die in vrede zijn
werk deed en in 1638 hoort men van hem gewagen als van
een „insignis concionator, qui non tantum oppidi sed etiam
pagorum curam gerit, ibique nocte dieque magno cum fructu
laborat." Van den insignis concionator blijft in de litterae annuae
wel niets over.
Ook is het moeielijk alles met de tijdrekenkunde in goede
harmonie te houden. Het is niet onbekend, dat in 1641
Rovenius aan den P. Jesuiet te Vianen de pastoreele rechten
wilde doen ontzeggen, maar van het hier vermelde vindt men
nergens een spoor. Opmerkelijk is het echter dat men in
een relatio van 1638 kan lezen: „unus Capuccinus ex Supe-
riorum auctoritate et unus Societatis Jesu illic resident. Sed
hic se contra ordinationcm Vicarii apostolici ingessit, ac
Capuccino exilium a Dominio Vianense per Magistratum pro-
curavit; sed eo non obstante ille rediit et modo illic toleratur."
Het is volkomen waar: het placaat van 1641 is in de litterae
annuae
zeer juist beschreven. Maar wie dit niet met juistheid
beschrijven kon, had in 1641 niet in de Geünieerde provinciën
moeten leven. De latijnsche vertaling van dit placaat of, ten
minste, de juiste opgave der verscherpte bepalingen zal in de
rerum geslarum capita latine collata door den provinciaal der
Belgische provincie in Januari 1642 naar Rome opgezonden,
wel niet hebben ontbroken.
Is het nu, zooal niet een vermetele, dan toch een vrij
overbodige daad, wanneer men de mededeeling van Vondels
bekeering in de litterae annuae gegeven aan een nader onder-
zoek onderwerpt? Ik vrees niet dat men aldus zaloordeelen.
Van een onvoorwaardelijke geloofwaardigheid is geen sprake
en deze wordt door al hetgeen in deze bescheiden wordt
gevonden niet gebiedend opgelegd.
De eerste en grootste vraag, die zich hier aan ons opdringt
is de vraag: zeggen de litterae annuae van 1641 met even
•
-ocr page 22-
20
zoo vele woorden dat Vondel tot de door de Jesuieten voor
Christus\' Kerk herwonnen vruchten behoort?
Ik heb het niet gelezen.
De redenen, die mij tot dit antwoord voeren zijn de volgende:
Vooreerst mag het weder herhaald , dat men hier geensints
te doen heeft met een stuk op de plaats zelve door ooggetuigen
geschreven. Men heeft hier niet te doen met een document
door de bewerkers vau Vondels bekeering zelven opgesteld.
Men heeft te doen met een hoofdstuk der litlerae annucte te
Rome opgemaakt in het Collegium Romanum, met een stuk
uit de derde hand.
Op deze bijzonderheid behoort met eenigen aandrang de aan-
dacht te worden gevestigd. Men heeft hier niet te doen met
iels dat vergeleken kan worden met de „Jahresberichte der
hamburg-altonaischen Missionare an den Provinzial der nieder-
rheinischen Provinz." Wat P. Paulus Pierling S. J. schrijft
in de voorrede der Missio Moscoviiica door hem aan de annuae
litlerae
van 1584 ontleend, geldt ook hier: „De même que
tous les autres articles de ce livre, Ie récit de la mission Mos-
covite est un travail de compilation." De jaarbrieven over
1641 zijn niet in druk verschenen; het document door P.
van Lommei ons medegedeeld is een article van het geheele hand-
schrift dier litlerae annuae.
Hierdoor wordt ook verklaard hoe de handteekening van
den P. Provinciaal op het ons meegedeelde handschrift ont-
breekt. Op zijn jaarverslag moest zij worden gevonden; op deze
litterae annuae was voor haar geen plaats.
Deze bijzonderheid lijdt geen twijfel. Zij wordt boven allen
twijfel verheven, indien men het hier meegedeelde document
eens vergelijken wil met de annuae missionis Hamburgemis
door Dreves uitgegeven; het verschil is te opmerkelijk. Even
opmerkelijk is de bijna treffende overeenkomst in toon, stijl,
in den aanleg van het geheele verhaal tusschen deze litterae
annuae
en de boven vermelde Missio Moscoviiica.
Men heeft hier te doen met een stuk uit de derde hand.
-ocr page 23-
21
Het is dus zeer mogelijk dat de een of ander uitdrukking aan
nauwkeurigheid en scherpte verloren heeft.
Maar ten andere doet de taal dezer litterae dnnuae zelve
eenige bedenkingen opkomen. Bij het verhaal der bekeering
te Zwolle wordt duidelijk de werkzaamheid van den P. Jesuiet
aangewezen: „cum pro voto suo nostrum de catholicae reli-
gionis veritate subinde audisset disserentem.\'\' Ook bij het
geval te Beest wordt, zoowel voor wat betreft den monnik,
als waar het geldt de non, het zonder omwegen gezegd: „a
nostro" en verder: „ab uno e nostris."—Bij de honderdjarige
te Leiden wordt gesproken van „virginis devotae instructione",
en onwillekeurig denkt men aan de zinsnede over Vondels dochter
„qui ubi vidit filiam suam..."
Deze overwegingen worden door een derde versterkt. Zelfs
wanneer men aanneemt, dat het „eorum" en „inter hos" der
bekende zinsnede in het zin verband zou beteekenen: Het
getal der door de onzen bekeerden; onder de door de onzen be-
keerden ;
— hetgeen geenzints onverbiddelijk noodig is — dan
ontmoet men hier eenige zakelijke bezwaren, die niet zoo on-
middelijk weg te cijferen zijn. Het zijn namelijk cijfer-bezwaren.
Zeshonderd bekeerlingen, alleen door de zendelingen der So-
cieteit, het getal is benijdenswaardig. Maar het wordt eenigsints
verwonderlijk wanneer men de werkzaamheid der overige gees-
telijken ook maar naar een eenigsints gelijken maatstaf schat.
Wanneer nu bij dit alles de wetenschap komt, dat ook zaken
van grooter belang niet op de eerste plaats door de leden der
Sociëteit tot stand gebracht, in de litterae annuae konden wor-
den opgenomen; dat de strenge voorschriften allereerst golden
voor de opteekeningen in de huizen der provinciën; dat in
dezen brief over 1641 van onoverlegd handelen geen spoor te
vinden is, getuige de zorg, waarmede telkens het voornaam-
woord noster wordt gebezigd; dan, ja, dan zal het wel niet zoo
geheel onredelijk schijnen wanneer ik eenvoudig belijd in het
document nog niet te hebben gevonden, dat Vondel voornamelijk
door de Jesuieten tot de kerk van Christus is teruggebracht.
-ocr page 24-
22
Mijn gezicht zou op dit stuk zeer worden gescherpt en mijn
oordeel niet weinig verhelderd, wanneer ik van elders iets
wist over dezen Silezischen graaf en den zoon van dezen
Lutheraanschen predikant. Indien een van deze twee als een
bekend bekeerling der Jesuieten viel aan te wijzen: de zaak
zou anders staan. Men moest dan eerder en meer dan nu
aan dit verhaal der litterae annuac de beteekenis gaan
hechten, dat Joost van den Vondel zich met zijn twijfe-
lingen en vragen allereerst en voornamelijk tot de paters
Jesuieten gericht en bij hen het goede antwoord, de Perle,
gevonden had.
Nu is dit niet het geval. Bij al het reeds aangevoerde is
dit niet zonder beteekenis. Het gaat ook niet aan Anna van den
Vondel en den jongen Joost tot de bekeerlingen door de priesters
der Sociëteit te rekenen. Van dit alles vindt men in deze litterae
annuae
eigenlijk geen woord. Zelfs van de bekeering van
Anna Bruijnings door een P. Jesuiet wordt niet uitdruk-
kelijk gerept. En mag ik vragen, waar Vondel dit nichtjen
bezongen heeft „als te vergeefs tot afval aangezocht door hare
ouders"? In de fraaie Maeghdepalm is er geen letter van te
vinden en evenmin in den aanhef van fohannes de Boetgezant.
Ook de jaarbrieven van 1644 komen die van 1641 nietbeves-
tigen. Wat zij over Katharina van den Vondel mededeelen
moge zeer belangrijk zijn, die tweede echtgenoot is en blijft
een onbekende. Zoolang het trouwbriefje of wat daarmee gelijk
staat, niet vertoond is, mag ik niet gelooven, dat Vondel de
onkicschheid zou begaan hebben, die het bruiloftsdicht op
Reinier van Estveld en Rebecca Bruijnings — 1658 — onder-
stellen doet. Of zou Vondel den stiefvader, al ware deze
mennonist gebleven, tot tweemalen zoo op zijde geschoven
hebben als het hier geschiedt? Tot tweemalen: immers eerst
laat hij der bruid voorspellen: in uw kindje
„Zietghe vader Bruining weer
Of een Estvelt in zijn oogen
Tintelstarren klein en teiir,"
-ocr page 25-
23
en de vrijer vraagt:
Zoudtghe, o lief, om dit vermeiden
Schroomen van uzos moeders werf,
Van uw zusteren te scheiden
En te wisslen erf om erf."
Vondel kon wel een Koenaarl zijn, maar hij had zijn zuster
toch te lief om haar aan den bruiloftsdisch van hare dochter
het tweede huwelijk te verwijten, zoo scherp te verwijten als
dit met name in de tweede aanhaling geschiedt.
Men zal wel willen erkennen dat deze bedenkingen eenige
waarde hebben, al doen zij over het geheel aan de historische
waarde dezer documenten en aan de geloofwaardigheid hunner
samenstellers geen afbreuk. Wat zeg ik: hun samenstellers?
Met dezen hebben wij hier niet te doen. Wij hebben hier
niet te doen met de mannen qui puncta collegerunt in de
staties en huizen der missio hollandica. Hadden wij het geluk
deze puncta voor ons te hebben, de strijd zou waarschijnlijk
niet worden gestreden.
Mag ik tot besluit van dit onderzoek betreffende de litterae
annuae voor een oogenblik het woord laten aan een hoog
gestemd gevoel van bewondering? Hoe meer en hoe nader men
kennis neemt van het Tnstitutum Societaiis Jesu hoe meer eerbied
men gevoelt voor Ignatius van Loyola en zijn opvolgers. Ik wil
niet spreken van den heilige, ik wil hier, voor zoover \'t mogelijk
is, alleen spreken als, wat onze Duitsche naburen noemen,
een Verstandsmensen. Het is te begrijpen dat Höfler vanden
grooten ordensstichter sprekend zegt: „ein organisatorisches
Talent wie die Welt seit Jahrhunderten keines gesehen." Let op
deze litterae annuae. De eerste wet van den Jesuiet is volstrekte
zelfverloochening. Maar zelfverloochening is hier hetzelfde als
toewijding aan God. Het „ad majorem Dei gloriam" is het eenige
doel; alles moet daartoe samen- en medewerken. Maar de grootc
-ocr page 26-
24
kenner van het menschenhart wist te goed, dat om dit doel te
kunnen nastreven aan al het echt en edel menschelijke voldoening
moet worden gegeven. De mensch mag verlangen naar het
doen van eervolle daden en het winnen der daarmee ver-
bonden eere, indien ook die eere zelve mede machtig wordt
tot het verspreiden der eere Gods. Ziedaar de gedachte, die
de instelling en samenstelling der liiterae annuae bezielt. Van
ijdelheid en zelfverheffing is hier geen spraak, al het gewone,
allerdaagsch menschelijke is buitengesloten. Maar toch voelt
ieder lid der Sociëteit, dat hetgeen hij werkt niet wordt ver-
geten, dat zijn arbeid tot de historie behoort. Hij weet dat
dit geschiedverhaal weer andereu zal opwekken tot ijver, moed,
volharding hij beseft de dubbele kracht zijner daden, ook
het verhaal daarvan zal strekken ter eere Gods. Straks gaan
die liiterae annuae van Rome uit de wereld door en in de
huizen van Spanje hoort men van de daden der broeders ia
de geünieerde provinciën. Welk een fiere gemeenschap en
welk een krachtige eenheid bloeien en groeien uit die een-
voudige voorlezingen. Deze lillerae annuae zijn in den meest
verheven zin de bulletins der gewonnen veldslagen en der
groote krijgverrichtingen, die bij dagorder ter kennis van
allen worden gebracht en allen op de edelste wijze, door een
naijver zonder ijverzucht, maken tot een.
IV.
Een paar kautteekeniugen op andere punten mag ik hier
met laten ontbreken.
Men is aan P. van Lommei oprechten dank schuldig voor
de inderdaad uitnemende wijze, waarop hij het ontstaan van
het placaat van 30 Augustus 1641 in het licht heeft gesteld. De
geschiedenis van dit placaat, wordt door P. van Lommei — de
uitvoerige aanhaling zal niemand leed doen — aldus beschreven:
-ocr page 27-
2l
„Ik houd het er voor, dat het Placaat van 30 Aug. 1641,
waarvan ik den titel boven vermeldde en dat ook de LiUerae
(tnnuae
aanhalen, een gevolg is van de missieve van het
Hof van Holland aan de Staten van Holland in dato 24 April
1640. Alzoo is, m. i. in 1641 in gemeld placaat slechts uit-
gebreid geworden wat in 1640 omtrent bepaalde personen was
voorgeschreven. In 1640 werd gelast te inquireeren jegens
aangegeven personen en tegen hen te procedeeren inovereen-
stemming met bestaande placaten en beschreven rechten; in
1641 werd gelast een zelfde inquisitie omtrent personen en
zaken in te stellen over W. Vrieslandt, N. en Z. Hollandt
naar de „stoute ende exorbitande actiën van de Pausgesinden."
„Welke die actiën waren ?
„Ik heb in mijn bezit een afschrift van eene missieve van
het Hof van Holland aan die zelfde Staten van Holland, die
een antwoord bevat op een schrijven, in dato 10 Maart 1641,
door de laatsten aan het Hof gezonden. Die missieve is van
19 Dec. 1643. In dat stuk wordt herinnerd, hoe het Hof
gekomen is „tot volcomen kennisse van den gantschen staet
der Pausgesinden en henluyden cómportement" .... hoe „sedert
het emaneeren der jongste placcaten, van het espireeren van
den Trèves (het Bestand [1609—21] waarvan ik hierboven
sprak) herwaerts \'t zij door de duysterheyt, ofte veeleer deur
misduydiginge ofte misverstand dersdver, de vreemde ende
van nieuws dagelyks ingecomen priesters ende allerley soorten
van paepen, niet alleen, niet eu syn geweert, maer ter con-
trarie publiquelyck getollereert ende soo doende tot het pleegen
van haren afgodendienst ende pauselycke superstitien syn als
geoctroyeert geworden." En dan volgt eene verklaring op
welke wijze die vreemde priesters en papen „haer residentie
plaets" hebben verkregen, wie sij ook mochten zijn, en hoe
groot hun getal ook was. Vervolgens wordt gemeld, hoe de
Pausgezinden „zoo in de steden als ten platte lande acn alle
kanten, doch in sonderheyt ende voornamentiyeke in \'t Noorder
quartier" eene menigte kerken en kapellen bouwen, van bin-
-ocr page 28-
2 6
nen rijk versierd, „alwaer haer het pleegen van haeren dienst
publyckelijk toegelaten" wordt; en hoe zij nog altijd voort-
gaan „dagelyks nieuwe gestichten uit haere gemeene beursen
ende collecten, soo tot woninge der priesters, paepen en de
byzittende clopzusteren als tot het houwen haerer vergade-
ringen op te bouwen." Doch, hoe verschrikkelijk het voor-
gaande ook moge zijn, het kapitale punt moet nog volgen.
Men oordeele. „In alle welk stout ende vermetel doen, zeggen
de Heeren van het Hof, wyluyden haer dan nogh ten hoogste
vinden gestyft ende geanimeerd deur haer geestelycke hoofden
en overicheden bij den Paus ende synen Raet, hier in desen
Lande over haer gestelt, in de welke als in haer eyge Erf-
landen, syluyden eene volcomen hierarchique regeringe hebben
gestabilieert: Bisschoppen, vicarissen, proosten, deekens, pas-
toren, capellanen ende verscheyde soorten van capitularissen,
secretarissen ende diergelyke officieren meer hebben gestelt
ende geordonneert, met praescriptie van verscheyde regle-
menten ende concordaten, waerop haer niet alleen de kennisse
ende de jurisdictie van kerkelyke maar ook van wereltlyke
saeken bedecktelyk onderwinden ende aenmaetigen."
„Dit onheil, de oprichting of inrichting der quasi-kerke-
lijke hiërarchie in de Vereenigde Nederlanden moest worden
voorkomen."
Hiermede is de zaak toegelicht. Het is treffend ook hier
te zien hoe het slaan der herders om de kudde te verstrooien
steeds de regel in den strijd tegen de Kerk is geweest. Waar
men het bestand der Kerk wil aantasten, daar slaat men de
hand aan de hiërarchie. In de geünieerde provinciën was van
een bisschoppelijke hiërarchie geen sprake meer, er bestond
slechts een kerkrechtelijke orde, die op de Apostolische Vi-
cariaten past — „een quasi-Kerkelijke hiërarchie" is misschien
niet geheel het juiste woord — maar in 1640 en de volgende
jaren was men voor deze even beducht als voor die volkomen
hiërarchie in 1853.
-ocr page 29-
27
Wat ik reeds vroeger aanduidde meen ik hier te mogen
herhalen: Leonardus Marius is niet vervolgd ter wille van
Vondel; de paters Jesuieten leden om die oorzaak evenmin
verdrukking en nood. Is dit onmogelijk! De vraag is niet te
beantwoorden. Maar er bestaat geen enkele stellige reden, die
van hare bevestigende beantwoording behoeft terug te houden.
Indien er tusschen de bekeering van Vondel en de vervolgingen
te Amsterdam, Doesburg, Middelburg en *s Hertogenbosch
eenig verband bestond, zouden dan de litterae Annuae voor dat
verband geen enkel woord hebben over gehad? Ik vind de
vraag bijna te eenvoudig.
Het lijdt toch ook geen twijfel of, indien waarlijk de be-
keering van Vondel zulk een beweging had verwekt, juist
deze beweging het feit zelve in al zijn omstandigheden ter
openbare kennis zou hebben gebracht.
Nog mag ik opmerken, dat deze vervolgingen wel tevens
gevolgen van het placaat van 1641 zullen geweest zijn en dat
dit placaat, niet anders dan alle overigen, als de eersten tegen
wie het gericht was de Jesuieten noemden. Al deze placaten
toch gelden „de schadelicke ende moordadige secte van
Jesuïten ende andere Priesters, Monicken ende geseijde geeste-
licke of Religieuse Persoonen, van de Roomsche Religie sijnde."
De Jesuieten hadden den feilen haat der Staten voorzeker
allereerst te denken aan hun verteerenden ijver, maar die
haat werd niet weinig gevoed door de gemeene lasteringen
bij de moord van den Zwijger tegen de leden der Sociëteit
rondgevent.
Het doet mij leed... maar neen, ik wil mijn leedwezen blijven
uitspreken door zwijgen. Wanneer men iemand het doen van
verwijten gaat verwijten, dan is het niet ongeraden de les
van Stalpert van der Wiele te bedenken:
„De meulens moeten malen, Hetgeen men daarin stort."
en, in rechtmatige vreeze voor hetgeen uit verwijten kan
-ocr page 30-
2S
worden gemalen den man die „deucht met vreucht" zocht
na te zeggen:
„Houd op clan, malle meulen! Uw spot met mij te speulen,
Uw meel en is toch niet, Als ièlheid en verdriet."
Nog een woord over den bekenden brief van Antonides van
der Goes aan Geerardt Brandt.
Op de eerste plaats moet ik hier mededeelen wat P. van
Lommei over de fransche Jesuieten ten beste geeft.
„Wat al beweging is er gemaakt over die Fransche Jezuïeten,
onder welke benaming hier alleen kunnen voorkomen P. Lau-
rens en P. van Teylingen, als zijnde de eenige leden der
Sociëteit die destijds te Amsterdam waren.
„Ik waag het op mijne beurt eene verklaring dier benaming
te geven. Voor de komst van de Fransche karmelieten te
Amsterdam (1662) waren de Jezuïeten meer dan eens op enkele
plaatsen de eenigen onder de geestelijken die Fransch spraken,
en sommigen deden dit zoo vlug en met zooveel gemak dat
zij voor Franschen doorgingen. En geen wonder. Van de
jaren 1584 tot 1609, deden zij hun novitiaat te Doornik, waar
nog heden, evenals vroeger, door beschaafde lieden niet dan
Fransch of Waalsch wordt gesproken. Na 1611, bij de deG-
nitieve splitsing der Provincia Belgica S, J. in Gallico-
Belgicam
en in Flandro-Belgicam, ontvingen onze jongeren
hunne eerste vorming te Mechelen. Dientengevolge hadden
soms latere missionarissen der Sociëteit hier te lande minder
vaardigheid in het gebruik der Fransche taal. Eenigen hunner
toch verkeerden van toen af nagenoeg in hetzelfde geval als
de meeste seculiere geestelijken die doorgaans hunne lagere
studiën deden aan scholen in het buitenland, als in de Rijn-
landen en in Zuid-Brabant, en hunne hoogere studiën, met
uitzondering van slechts weinigen , die te Douay studeerden,
gingen doen te Keulen, te Leuven en te Rome waar deFran-
-ocr page 31-
29
sche taal schier onbekend was. Dat bovendien de beide Pa-
ters zeer ervaren in de Fransche taal moeten geweest zijn, zal
wel volgen uit het feit dat èn Laurens èn van Teylingen leer-
aars zijn geweest aan Belgische colleges, waar de Fransche
taal de overheerschende was. Zoo was P. van Teylingen pro-
fessor van de Rhetorica te Brussel.
„De bevestiging van hetgeen ik zooeven zeide, dat nl. som-
tijds op sommige plaatsen de Jezuiëten de eenigen onder de
geestelijken waren die Fransch spraken, kan ik toevalligerwijze
geven wat betreft de stad Leiden ten jare 1639. Een der
twee alstoen daar verblijvende missionarissen van de Sociëteit
schreef in de punten voor de Litierae anmae bestemd, het
volgende: „Censentur in hac urbe catholici cives non multo
plures quam 2000. Externorum qui e Belgio, Germania,
Gallia venerunt, numerus certus iniri non potest. Credunt
tarnen ipsi magistratus esse eos numero majori quam cives. In
his forte media pars gallice tantum lcquitur.
„„Utuntur opera nostra cives amplius 300; item honestiores
et litterati prope ad unum omnes; item omnes qui gallice
loquuntur: nam praeter Societatis sacerdotes (twee in getal)
qui gallice novit nemo est nee a pluribus annis quisquam fuit."
Uit dit schrijven blijkt derhalve, dat, ten jare 1639, m de
stad Leiden, die twee duizend katholieke burgers telde, het
aantal katholieken uit den vreemde volgens den magistraat
grooter was dan dat der katholieke burgers. Wie nu onder
de vreemdelingen uitsluitend Fransch spraken, hoorden, gelijk
men oudtijds zeide, bij de Jezuïeten. Waarom? „omdat, ver-
meldt de briefschrijver, er behalve de priesters van de Sociëteit
niemand is die Fransch spreekt en er sinds vele jaren ook
niemand is geweest."
„Wat ons hier van Leiden wordt verhaald, was ook zóó
elders, zóó, gelijk blijkt uit een brief van 3 October 1641,
door P. Laurens geschreven aan P. Hieronymus van Suerck
S. J., de zaken der Hollandsche Missie bij den Nuntius te
Keulen waarnemend, bij name te Amsterdam waar de Paters
-ocr page 32-
3o
Laurens en van Teylingen de eenige Jezuïeten waren, en di
dus, een van beiden, Vondel moeten hebben bekeerd."
Ik wensch niet in twijfel te trekken wat de missionarissen
te Leiden hebben opgeteekend, noch wat P. Laurens in 1641
mag hebben geschreven. Maar de algemeenheid der uitspraak
is voor mij eenvoudig onaannemelijk. Men kan gerust zeggen
dat in de zestiende en zeventiende eeuw de kennis der fran-
sche taal onder de beschaafde standen in Noord-Nederland
zeer algemeen was. Het is daarbij een bekende bijzonderheid
dat de geestelijkheid dier dagen onder hare leden een zeer
groot aantal zeer beschaafde lieden telde, mannen, die uit
de betere standen der maatschappij waren voortgekomen. Da
gebroeders de Meeren b.v. waren allen leden van het Oratoire
van den Kardinaal de Bérulle en zij waren niet de eenigen.
Daarbij behoorden zij ontegenzeggelijk tot een even deftig als
rijk geslacht.
De algemeene uitspraak van P. van Lommei wordt ook
wel een weinig onwaarschijnlijk door andere mededeelingen
van tijdgenooten. In het „Verhaal van de opkomst der nieuw
opgereghte pastorije" zegt pastoor de Cock over de fransche
gemeente te Leiden onder meer: „De Priesteren hielden elck
haere beurt, om deese vergaederingh te bedienen, ter tijd tot
dat den geest van eenighe wat verflauwt. synde, een kleijn
verschil onder hen luiden ontstont,! wie deese arme menschen
zoude het H. Evangelie aankondighen. Zij waeren meest of
Waelen of Bovenlanders en Vlaaminghen; dogh alle wel ver-
standigh van onze Neederlandsche taele. Den eenen schoof
dien moeyelycken en benaeuwden last op de schouderen van
den ander en dese wederom op een ander.
„Zij dan te samen gekomen synde beraedslaeghde, dat men
een of meer Priesteren zoude kiesen, die dese arme menschen
afsonderlyck soude bedienen."
De eerste nu, die deze arme menschen afzonderlijk bediende
was Francois Eelkens, prêtre de 1\'Oratoire, die in 1640 dezen
last op zich nam. Uitvoerige bijzonderheden hierover heeft
-ocr page 33-
3\'
Dr. Frenaij in het Archief van Haarlem, II, bl. 45 en 146
medegedeeld.
Het is ook onbetwijfelbaar dat te Amsterdam vóór 1662
frausch sprekende priesters werden gevonden, te gelijk met
de p.p. van Teijlingen en Laurens.
Immers in de Relatio van de la Torre, uiigebrackt\'m 1656,
lezen wij, dat zich te Amsterdam bevonden: „Nicolaus van
Baeren, Gallis praecipue deserviens, atque belgïce aeque
ac gallice optime dicens, sed hic nuper ad annum ex hoc
oppido est proscriptus, qucd librum controversiarum mutuo
dedisset proco catholico, ut eo mediante converteretur proca
haeretica. Adsunt etiam Alexander de Begis, etiam utriusque
idiomatis ac latinus concionator disertissïmus, Reynerus Ingelius
I. U. L. et congregationis Oratorii Sacerdos..."
Algemeene uitspraken op historiesch gebied, hoe voorzichtig
ook ingekleed zijn maar te gevaarlijk en, al blijf ik de ver-
klaring door P. van Lommei van de Fransche Jesuieien gegeven
vernuftig vinden, boven allen twijfel verheven acht ik haar niet.
Maar meer dan betwijfelbaar is de gevolgtrekking, die inde
aatste zinsnede van P. van Lommei wordt aangegeven. Alleen
de Jesuieten spraken fransen, P. Laurens en P. van Teijlingen
waren de eenige Jesuieten, zij moeten Vondel hebben bekeerd.
Indien ik mij niet bedrieg, dan ontbreekt aan dit gebiedend
besluit de gebiedende sluitreden. Of staat het soms reeds vast,
dat de Fransche Jesuieten de geestelijken zijn , die het meest
gearbeid hebben om Vondel Roomsch te maken? Staat het
vast, dat Marius niet op de eerste plaats onder deze geestelijken
moet worden gerekend?
Ik heb wel een zeer stellige uitspraak vernomen, maar niets
meer. Zij luidt aldus: „Over de traditie „bij monde" vóór
1714, zij geen enkel woord verspild, evenmin over den brief
van Antonides van der Goes, den 23 Maart 1681, aan Geeraert
Brandt gericht, die goed gelezen en verklaard niets bewijst ten
gunste van Vondels bekeering door Marius."
-ocr page 34-
3 2
Die goede lezing en die goede verklaring ontbreken nog.
De verwijzing naar het artikel van Mr. van Hasselt in de
Dietsche Warande is onbegrijpelijk. In dit artikel wordt alleen
gehandeld over Vondels ouders en dochter.
De vergelijking van de hierboven meegedeelde uitspraak met
het artikel van Mr. van Hasselt leidt inderdaad tot niets. Zij
kan alleen aanleiding geven tot het vermoeden: Antonides
die zich op dit éene punt vergistte, kan zich ook op een ander
hebben vergist. Maar welk is dan het andere punt? Ziedaar
de vraag. Waarom bewijst de brief van Antonides niets voor
Marius, en alles voor de Jesuieten? Nog eens: ziedaar de
vraag. Het antwoord ontbreekt. Want hoe vernuftig de ver-
klaring van het Fransche Jesaielen ook zij, omvraakbaar is zij
nog niet.
Bestaat er eenige reden om het „welke geestelijken" van
Antonides alleen op de Jesuieten te betrekken ?
Waar schuilt zij dan ? In het spraakgebruik der zeventiende
eeuw sluit „geestelijken" evengoed én regulieren én seculieren in.
Het omvat alle geestelijke personen, zelfs klopjens en begijnen.
Men kan het in de placaten zien. Wanneer men aan het
v/oord een bijzondere beteekenis wil geven, dan kan men
zeggen dat het eer seculieren zou moeten aanduiden, daar de
Jesuieten altijd uitdrukkelijk worden genoemd. Uit het woord
valt tegen Marius niets af te leiden. Hij behoudt krachtens
den brief van Antonides de eerste en voornaamste plaats.
Het zou een ver gezocht bewijs en al een zeer zonderlinge
redeneering zijn wanneer men het volgende betoog waagde.
Geraerdt Brandt verhaalt: „eenige Priesters en andere geeste-
lijken, hoopend een\' man van zulk een vermaartheit te winnen,
krachtig hier in werkten." Dit „geestelijken" kan hier niet
anders beteekenen dan Jesuieten ; het is dus duidelijk, dat door
de „geestelijken" van Antonides, die „het meest hebben bij-
gedragen" de Jesuieten worden bedoeld, de Fransche Jesuieten.
Deze bewijsvoering is wel een reeks van zonderlinge sprongen.
Zij beweegt zich in de volgende slingeringen:
-ocr page 35-
.33
Antonides heeft een brief geschreven aan G. Braadt en in
dien brief Marius en de Jesuieten genoemd als\'de geestelijken,
die het meest gearbeid hebben om Vondel Roomsch te maken.
Brandt zegt, dat tot Vondels bekeering door eenige priesters
en geestelijken het krachtigst werd gewerkt.
Onder de geestelijken mag men hier niet anders verstaan
dan de door Antonides aangewezen Jesuieten.
Dus kan ook het „welke geestelijken\'\' bij Antonides alleen
betrekking hebben op de Jesuieten.
Men zal wel willen toegeven dat er in deze sluitreden nog
al eenige sprongen voor- en achterwaarts zijn. Maar ook al
wilde men haar aannemen, dan bleven er altijd nog twee,
naar mijn meening, vrij gewichtige vragen, onbeantwoord.
De eerste: wat doet Marius in den brief van Antonides?
Is hij eenvoudig een pastoor, aan wien Anna van den Vondel
toegang geeft tot haars vaders huis en die daar over „koetjes
en kalfjes" komt kouten?
De tweede: Wie bedoelt Brandt met de priesters?
Men heeft de keus, men kan de geheele getuigenis van
Antonides onontvankelijk verklaren, hoewel daartoe geen dwin-
gende reden noopt. Maar dan valt er uit den brief ook niets
te halen ten voordeele van de missionarissen der Sociëteit.
Of men zet met den „beter ingelichten" Brandt, zooals
mr. van Hasselt hem noemt, de Roomsche opvoeding van
Anna van den Vondel ter zijde, maar men behoudt dan ook
met denzelfden Brandt de verdere mededeelingen in den brief,
ook al leest men in plaats van Marius en Jesuieten: „priesters
en andere geestelijken."
Hieraan kan men niet ontkomen. Alle goede lezingen en
goede verklaringen, moeten achterstaan bij de eenvoudige
lezing. De eenvoudige lezing van den reeds genoemden brief
doet ons zien, dat naast en met de Jesuieten de eerste en
voornaamste bewerker van Vondels bekeering geen audere was
dan Leonardus Marius.
Het zal wel overbodig zijn hier, na den heer Klönne, nog
-ocr page 36-
34
eens te herhalen dat het verschijnen der Batavia Sacra in
1714 in het minst geen recht geeft tot de verklaring dat vóór
dat tijdstip de bekeering van Vondel door Marius een onbe-
kend feit moest heeten. Al had men den brief van Antonides
niet, dan zou toch dit besluit door niets worden gewettigd.
Als uitkomst van dit onderzoek mogen hier een paar be-
scheiden punten worden opgeteekend.
I.    Tegen de betrouwbaarheid van Hugo Franciscus van
Heussen bestaat, voor zoover betreft het verhaal van Vondels
bekeering door Marius, geen redelijk bezwaar.
II.    De historische waarde der Litterae Annuae wordt niet
aangetast wanneer men Marius den hoofdbewerker van Vondels
bekeering blijft achten.
III.    De brief van Antonides van der Goes blijft het bewijs
dat er in 1681 een overlevering ten gunste van Marius be-
stond en de overeenstemming van van Heussen, Dujardin,
Foppens en Hartzlieim bewijst, dat in 1714, in 1715, in
1739 en 1743 aan deze overlevering niet werd getwijfeld.
V.
Op waarlijk uitmuntende wijze heeft Rector Klömie de ge-
tuigenis van Vondel ten gunste van Marius in dit geding doen
vernemen. Indien ik hier een breedere uiteenzetting van deze
getuigenis waag te geven, dan volg ik eenvoudig den weg,
door Marius\' opvolger gewezen.
Voor mij is Vondel inderdaad de hoofdgetuige in het geding.
Zonder omwegen wil ik ook verklaren, dat, indien \'s lands oudste
en grootste poëet
in deze zaak voor iemand getuigt, hij getuigt
vcor Leonardus Marius.
-ocr page 37-
35
Het feit dat Vondel vele en daaronder zeer fraaie verzen
op de Sociëteit van Jezus heeft geschreven, bewijst niets,daar
het te veel bewijst. Vondel heeft al het groote en schoone
van zijn tijd en zijn omgeving bezongen. De lijst van sekuliere
geestelijken, bij wier portret de Nederlandsche Virgilius, bij.
schriften heeft vervaardigd, of aan wie hij bij de een of andere
gelegenheid een gedicht heeft gewijd is een zeer aanzienlijke-
De muze van Vondel is voor paters en pastoors even vrijgevig
geweest met haar bloemen en kransen, zij heeft nooit partij
gekozen in de soms hoogloopende twisten dier dagen. Zij
heeft de offerengelen omlaag geroepen om ter eere van Phi-
lippus Roveuius en zijn jubeljaar des priesterdoms loof en bloe-
men te strengelen tot feestoenen, maar zij heeft er niet aan
gedacht, om een strijdbaren toon te doen hooren voor den Aposto-
lischen vicaris, die de Concordaten gehandhaafd wilde zien.
Het feit, dat Vondel de lijekstaetsie van den E. Heer
Leonardus Marius
heeft bezongen, heeft dan ook slechts een
betrekkelijke waarde. Wel mag het treffen, dat Vondel behalve
deze lijekstaetsie nog een kernachtig bijschrift op \'s mans beeltenis
plaatste en twee waarlijke keurige grafschriften ten beste gaf.
Vondel heeft nooit verzen geschreven, die geene beteekenis
hadden, maar deze drie korte gedichten komen uit zijn beste
pen. Zijn geest en zijn vernuft spreken er uit, maar ook
zijn krachtig en teeder gemoed. Het bijschrift en het kortere
grafschrift zinspelen op Marius\' vrome en rijke wetenschap,
maar in hoe verschillenden vorm! Het bijschrift luidt:
„Dus stichte Marius, by monde en by geschrift,
Geleerde en ongeleerde, uit Goddelycke drift.
Nu zwijght de mont: nu geeft de pen geen\' gouden int;
Zijn schriften toonen U zijn levendigste print."
Hoeveel anders het korte grafschrift:
Vreemdeling.
Waer rust hier Marius? my lust zijn graf t\'aenschouwen.
Koster.
Een stapel boecken staet op zijnen zerek gehouwen.
-ocr page 38-
36
Pittig en geestig is het voorzeker, maar het grootere graf-
schrift is waarlijk voller en stouter van toon. Men vindt er
dien gelukkigen aanleg van Vondel om al de spelingen, die
een eenvoudige naam toeliet, op een even edele als treffende
wijze te bezigen, in volle kracht.
„Hier sluimert MARIUS, verschrickt niet voor den naem:
Het is geen Marius, die Rome heeft bestreden:
Maer die met mont en penne en diensten en gebeden,
Al \'t Roomsche Kristenrijck verplichte aen zijne faem.
Wie droegh oit naem, die meer zijn eigenschappen raeckte.
Dees Leo was wel Sterck, doch Zoet, als Nardus geur.
Zijn wijsheit straelt Godts boeck en alle kunsten deur.
Nu rust voor \'t hoogh altaer die voor Godts kercke waeckte."
Hier klopt waarlijk het heele hart van Vondels Muze.
Maar wilt Gij den vollen hartslag hooren, leen nog even het
oor aen de Lijckstaetsi:
Decus addite divis.
Wat pooght men ons naer \'t leven
liet wezen van den dooden Helt te geven?
Hy voer uit elx gezicht.
Het doodkleet deckt dit afgeronnen licht.
Bestryck panneel noch doecken:
Wy zien hem best in eenen stapel boecken
Daer pinxstervier op viel.
Zoo leeft de man, en omtreck van zyn ziel,
Hoe riecken daer zijn reucken,
Historiën en leeringen en spreucken !
Hoe zweeft die pen, in schyn,
Niet van een mensch maer gloeiend Serafyn!
Een bergh geploeghde blaederen,
Bezaeit met zaet van d\' oude en wijze Vaderen,
Getuight ons hoe getrouw
Hy zweete en zwoeghde in waerheits ackeibouw.
By \'t licht van zijne starren
Kan elck, des nachts, de doling noch ontwarren.
-ocr page 39-
37
Wie op een\' driesprong yst,
Zyn veder volge, en hant, die yder wijst.
Ootmoedige Geleertheit,
Involger der weerstrevende Onbekeertheit, I)
Versmader van gewin,
Beminner van oprechtheit, vrede en min;
Hoe treuren wy, verlaten
Van U, die liefgetal by alle staten,
U schickte naar \'t begrijp
Van yders brein, of vroegh, of spader rijp!
Wie kon zoo harten winnen?
Door eendraghts bant verbinden zoo veel zinnen,
En stieren ze, in dees zee
Van zwarigheên, aen een behoude reê ?
De tortel laat zich hooren :
lek heb myn gade aan Marius verloren.
De Maeght en \'t weeskint krijt:
Wy zyn, helaes! ons tweeden Vader quijt.
Zoo vele letterkloecken,
Die raet aen hem en zyn orakels zoecken,
Verstommen, nu hy zwyght,
En niemant op zyn vragen antwoort kryght.
Wy volgen \'t lijck met staetsi:
Een arrem loon voor gulden predicati.
Gedienstigheên", en deught.
Het paradijs beloon\' hem in Godts vreuglit.
In Vondels dagen had de poëzie een breeder en machtiger
toon dan in onzen tijd. Zij vermeldde alleen groote dingen
en aan toespelingen deed zij betrekkelijk weinig. Men zou
toen geen „Intérieurs" hebben gedicht en „la poésie intime"
was niet in zwang. Vooral niet waar het betrof bijzonderheden
uit het eigen leven. De eigenlijke autobiografie moest nog
worden geboren, de openbare geschiedenis vorderde nog ieders
I) Involger: dit woord moet hier niet verstaan worden in den zin van
„toegevende aan," maar in dien van „op de hielen zittende, in alle
schuilhoeken vervolgende."
van Lennep.
-ocr page 40-
33
aandacht en kracht. Men aarzelde niet om berijmde briefjens
te schrijven, men spotte en hekelde geducht, maar men
schreef niet met voorbedachten rade in een bedekten vorm een
eigen zielsgeschiedenis, al brak deze somtijds door, ongekunsteld
en toch bescheiden. Men werkte, indien ik het aldus zeggen
mag, met breede, volle toetsen en de fijne schakeeringen
ontbraken. Men deed aan groote kunst.
In deze lijckstaclsi heeft Vondel het bewijs geleverd dat groote
kunst een beeld kan scheppen van grootsche en indrukwekkende
verhoudingen en tevens tot in de kleinste bijzonderheden nauw-
keurig gelijkend en van verwonderlijke aanschouwelijkheid. In
deze verzen leeft de geheele Marius: de pastoor van het Begijn-
hof, de bestierder van het Maagden- en Weeshuis, de oud-
hoogleeraar, de machtige schriftverklaarder, de geduchte ver-
vaardiger van forsche strijdschiften, de historie-schrijver van
het H. Sakrament van Mirakel, de gewijde redenaar, die de
scharen boeide en tegen wie geen predikant in \'t krijt wilde
treden, de vrome geleerde, de man van breede en weidsche
beschaving, de weldoener van alle armen en lijdenden. Men
ziet het: Vondel heeft Marius\' zwaren foliant op den Pentateuch
gekend en heeft geweten van de twintig in folio\'s handschriften,
die de geheele Schriftverklaring bevatten. Op den prachtigen
en toch zoo eenvoudigen toon der verzen wijs ik niet, maar
dit toch mag ik zeggen: iedere maatslag heeft hier den
klank van het reinste goud en ieder woord treft en teekent.
Hier leeft de man van wien Hartzheim schreef: „Sed dum
scribendo simul et docendo incumbit, summo omnium dolore
occubuit." Hier is een portret, te voeten uit en vol van leven.
Maar het is een portret, dat niet door een onverschillige
hand is geteekend. Meer dan bewondering en vriendschap
heeft de hand bestierd, die deze verzen heeft geschreven.
Hier zong de zoon voor den Vader.
Een vergelijking met andere lijkdichten van Vondel blijft
hier achterwege, al kan men zonder schroom beweren dat
een fraaier niet aan te wijzen valt. Maar wien treft niet de
-ocr page 41-
39
zeer persoonlijke toon, die in de Lijcksfóetsi wordt aange-
slagen, wanneer men haar met de drie kleinere gedichten op
Maiius vergelijkt. Het verschil van trant geeft hier geen
voldoende verklaring. Het toont ons niet, waarom Vondels
ik in dit vers duidelijker spreekt dan in eenig ander. Hier
zingt niet alleen de groote dichter, hier zingt de dankbare
bekeerling. Niet minder dan zes regels in dit gedicht van
vier en veertig regels worden aan den leidsman ter Kerke
Christi gewijd; fraaie, sprekende regels, die de schildering
van Marius\' geleerdheid besluiten en het beeld van den ijverigen
priester voorbereiden:
„By \'t licht van zijne starren,
Kan elck, des nachts, de doling noch ontwarren,
Wie op een\' driesprong yst,
Zyn veder volge, en hant, die yder wijst.
Ootmoedige Geleertheit,
Involger der weerstrevende Onbekeertheit."
Zegt dit alles niets? In geen lijkdicht op eenigen priester
heeft Vondel op het bekeeringswerk zulk een nadruk gelegd.
Men leest met de oogen, die het hart maakt, ik weet het te
goed. Maar mij dunkt toch dat men geen moeite heeft om
de weerstrevende onbekeertheid te herkennen en de ootmoedige
geleertheit
te zien. De driesprong strekt zich bijna te duide-
lijk voor mijn blik uit: Menno, Arminius, Rome.
Waarlijk, indien Vondel ons had willen doen gelooven dat
Marius zijn geestelijke vader was, hij had niet anders kunnen
spreken. Maar het dankbare hart van den zoon heeft ons
hier slechts de volle waarheid gezegd.
De heer Klöane zal het mij niet ten kwade duiden dat ik
het door hem op zoo voortreffelijke wijze gezegde nog eens
heb herhaald. Hij zal wel even als ik tot de ontdekking ge-
komen zijn dat herhalingen niet vreemd zijn aan dit geding.
Mag ik mij nog over iets verwonderen?
Het is inderdaad verwonderlijk hoe men zooveel bezwaren
-ocr page 42-
40
kan opwerpen tegen de allereenvoudigste zaak ter wereld.
Niets is natuurlijker dan de bekeering van Vondel door Marius.
Zoo natuurlijk is hier de geheele samenhang van omstandig-
heden, dat men, indien de LUterae annuae zeiden wat men haar
wil laten zeggen, toch zou moeten peinzen:
„Le vrai peut quelquefois n\'être pas vraisemblable."
Alles is in het voordeel van Marius. Men kan Marius den
Keulschen Hollander heeten en Vondel den Hollandschen Keule-
naar. Marius heeft te Keulen gestudeerd, gedoceerd, gepas-
toreerd. Hij heeft er zijn groote werken geschreven. Hij kent
de stad geheel en al. Is Vondel inderdaad, zooals zijn verzen
verraden , aan zijn geboortestad gehecht gebleven, wie moet
hem onder de Roomsche priesters dier dagen dan meer hebben
aangetrokken dan Leonardus Marius? In 1639 verschenen
Vondels Maagden, wij kennen het oordeel: „hoeprijswaardig
het treurspel der Maagden was ten opzichte van de kunst,
men vond er evenwel zaken in die velen bedroefden: des
dichters zucht tot de stellingen en gewoonten der Roomsche
kerken en zijne afwijking tot hare dwalingen, die hij welhaast
in andere zijner dichtwerken ten volle openbaarde." Aan wie
heeft Vondel de stoffe te danken, wie heeft hem, belust op
treurspelen als hij in die dagen was, St. Ursel aangewezen
als waardige heldin ? Wie heeft hem de Legende der elfduizend
maagden doen lezen en met de gewoonten der Roomsche kerk
bekend gemaakt? Wie anders dan Leonardus Marius? Bij
wiens orakels heeft de letterkloelte Vondel raad gezocht toen
hij zijn offerweb wilde beginnen ? Zou de auteur van „Amstel-
redams eer ende opcomen" de orakelen niet hebben gesproken,
die Vondel in godentaai en hemelval heeft vertolkt?
Leonardus Marius was een van de beroemde mannen van
zijn tijd. Reeds in 1643 noemde en roemde hem Valerius
Andreas in zijn Bibliotheca Belgicd. De vrienden der letteren
te Amsterdam kenden pastoor Marius en eerden hem. Hij
was meer dan een godgeleerde, meer dan een ijverig prediker
en zielzorger, hij was tevens een man van smaak en van
-ocr page 43-
41
ontwikkeling, die ongetwijfeld Vondel boven Cats heeft ver-
kozen en die zeker het vlammend koloriet en den vollen orgel-
toon van Keulens Zangzwaan heeft weten te waardeeren.
Bij Marius roemt men ook die soort van hoffelijkheid, wier
bezit hem door katholiek en niet-katholiek zoo hoog deed
achten, en die vooral Vondel moet hebben aangetrokken. Was
Marius een „versmader van gewin", ook Vondel was „zonder
gewin zucht"; roemt Vondel Marius\' „ootmoedige geleerdheit"
van Vondel zal Brandt ons getuigen: „tegen niemand toonde
hij ooit atgunst of nijd."
Niets is natuurlijker dan de betrekking van Vondel tot
Marius, maar ook niets wordt meer door de werken van Vondel
gestaafd. Wil men een voorbeeld? Om de vriendschap van
Vondel voor pastoor Johan de Meer te verklaren, schrijft van
Lennep:
„Ook dit jaar zag wederom meer dan een der vrienden van
Vondel sterven, allen, ofschoon in zeer verschillende vakken,
beroemd. De eerste onder hen was Johan Adriaenszoon de
Meer, of, gelijk hij meer gewoonlijk genoemd wordt, Van der
Meer, Priester van \'t Oratorium, Bachelier in de godgeleerdheid,
en sedert 1627 Pastoor te Wognum. Waarschijnlijk was Vondel
met hem bekend geraakt door zijn zuster Bruyninck te Hoorn,
welke hij dikwijls bezocht, en tot het Roomsche geloof ge-
bracht had. Van der Meer had met zijn broeders, Pieter en
Cornelis, welke laatste Pastoor was te Spanbroek, en die beiden
met hem de hofstede Zuider-meer in Westfriesland bewoonden,
een school opgericht, om de aankomelingen in de beschaafde
talen te onderrichten en tot den kerkdienst bekwaam te maken."
Er is een andere verklaring mogelijk. Een van de leerlingen
van Zuijdermeer was Leonardus Marius. Men leest het in de
Relalio van de la Torre: „Docuit olim in Zuydermeria, Meriorum
praefatorum domo, litteras humaniores Judocus Cattius, decanus
antehac Harlemensis supradictus, sub sua disciplina habens,
inter alios perplures ad statum ecclesiasticum et dignitates
-ocr page 44-
42
evectos, Leonardum Marium saepius superius recensitum ...."
Wat ligt meer voor de hand dan dat Marius Vondel met
pastoor de Meer in kennis heeft gebracht, en zoü misschien
niet pastoor de Meer mede de hand gehad hebben in de be-
keering van Catharina Bruyninck- van den Vondel?
Er is nog een even sprekende getuigenis in Vondels werken
over de betrekking, waarin Marius tot Vondel stond.
In een klein nootjen van zijne studie over Petrus Engel-
raeve
zegt P. Allard, na vermeld te hebben dat Bartholdus
Niehusius aan \'t hoofd van *t bekeerlingenhuis te Keulen heeft
gestaan : „Bij de behandeling van Vondels terugkeer tot de
K. Kerk heeft men wellicht niet genoegzaam acht geslagen op
de omstandigheid dat zijn vriend Niehuys — volgens Pierre
Bayle ce fameux converti et fameux convertisseur — aan \'t
hoofd van dat gesticht in Justus bakermat gestaan heeft."
Ik ben te dankbaar voor de scherpzinnige opmerking om te
zeggen, dat men ook de betrekking van Marius op Keulen
uit het oog verloren heeft. De omstandigheid door P. Allard
vermeld is van hooge beteekenis. Bartholdus Niehusius is te
Amsterdam aangekomen in de dagen toen de groote strijd in
Vondels koninklijke ziel gestreden werd. Niehusius is van dien
strijd de medestrijdende getuige geweest. Maar, indien Nie-
husius zulk een getuige was, dan was Marius nog meer.
Want men moet ook acht slaan op deze omstandigheid: in
1622 is Bartholdus Niehusius te Keulen in den schoot der
Roomsche Kerk opgenomen door Leonardus Marius.
Welk een verrassend licht werpt deze omstandigheid op
een paar schoone regels van Vondel. In 1652 had de groote
dichter, misschien met Niehusius, de lijkstaatsie van Leonar-
dus Marius bijgewoond. In 1653 verliet Niehusius Amsterdam
en Vondel zond hem na zijn vertrek den fraaien dichterlij-
ken brief:
„Indien mijn lage stijl uw hooge geest behage"
-ocr page 45-
43
en in dien brief volgen op de ongekunstelde regels:
„Mijn geest verlangt naar U en dien gewenschten dag,
Dat ick Uw aangezicht gezont aanschouwen mag,"
die andere:
„De jaren glijen hene of vallen af als bladers,
De tijd wordt niet gestuit. Zoo missen wij ons Vaders
En vrienden, dagh op dagh .. ."
Ik waag het niet hier iets bij te voegen. Marius gestorven,
Niehusius vertrokken...
„ZOO MISSEN WIJ ONS VADERS
En vriendln dagh or dagh." . . .
Inderdaad, de hoofdgetuige heeft gesproken.
VI.
Aan het eind van deze onderzoekingen gekomen is het mij
alsof ik een gul en rond lachen hoor klinken. „Waarlijk" zoo
hoor ik een kloeke stem zeggen, „waarlijk, onzen naneven
moet de tijd wel op de handen hangen dat zij zich zoozeer
bemoeien en vermoeien om een vraag, die toch geen vraag
kan zijn." ...
Het is de stem van Vondel. Daar zit hij, als in vroeger
dagen, in het boekvertrek van Marius, op het Begijnhof. Hij
is het inderdaad, in de kracht zijner jaren, met de fijne, teer
gekleurde trekken, met de oogen vol vuur.
„Een vraag, die geen vraag kan zijn" zegt een der twee
personen, die zich met Vondel in het veitrck bevinden, een
-ocr page 46-
44
evenouder van den dichter, maar die meerder arbeids heeft
gedragen, „een vraag, die geen vraag kan zijn, gij hebt wel
gelijk, Sinjeur Vondel. Wij allen roemen in dezen Gods ge-
naden, die de Perle gaf en de Perle vinden doet. Is het verdere
van veel belang ? Ik heb mij te zeer verheugd, toen ik vernam
dat gij met pastoor Marius over Geloof en Kerk aan \'t vragen
en twisten waart, dan dat ik aan de eer U \\v geleider tot onze
heilige Moeder te mogen zijn zou hebben gedacht. Gij waart
bij pastoor Marius toch maar in beste handen..
„En ik zegen hem, die mijn weerstrevende onbekeerdheid
met zooveel geduld en zooveel ootmoed temde" herneemt de
zanger der Altaargeheimenissen.
„Kom, kom" lacht pastoor Marius, terwijl hij met de
vingeren in den grijzenden kinbaard speelt, „kom, kom,
mijne beste pater van Teijlingen, gij hebt te goed meegeholpen
om zoo geheel in de schaduw te gaan. Dat niet. Wij hadden
er toch nog de handen vol aan. Vraag eens aan Niehuijs;
die kan er ook van meepraten."
„Ja," herneemt Vondel, en er komt een eenigsints pein-
zende trek over zijn gelaat, een trek, die herinnert aan de
„opgetrokkenheid van gedachten" door Brandt vermeld, „ja,
het is een zonderlinge geschiedenis, een geschiedenis vol
hooge en soms duistere, soms stralende mysteriën, de ge-
schiedenis van een bekeering. Wat komt er in den geest,
wat valt er in het hart ? Het is zoo eenvoudig en het is toch
zoo ingewikkeld, het schijnt zoo spoedig beslist en het duurt
toch zoo lang, zoo lang. Het is vol van gewone en alledaagsche
dingen en het is zoo oneindig verheven, zoo grondeloos diep.
Nu, nu ik de Perle bezit, nu is het mij een raadsel hoe ik
haar zoo lang heb gezocht terwijl zij voor mij lag, hoe ik
haar zoo lang heb kunnen zien, zonder dat zij mijn oogen
trof. Hoe heb ik een oogenblik kunnen weifelen ? vraag ik
nu, en toch , hoe lang heb ik geaarzeld, gezocht, getwist ?
Daar stond ik, rondtastende in de verwarring, door allerlei
stemmen bewogen, getrokken. Wat was het een strijden en
-ocr page 47-
45
worstelen, voor dat ik buigen kon. Gij, gij, mijn Vaders,
hebt u om mij bekommerd in gebeden en leeringen, gij aller-
eerst, gij allermeest, mijn Vader Marius, die ook een kind
zijt van Keulen aan den Rijn, met zooveel anderen mede,
gij, mijn vriend van Teijlingen, gij, die lieftallig t\'allen tijden
mij door leer en leven hebt gesterkt."
„Neen" zegt nu Leonardus Marius, terwijl de forsche gestalte
in den statigen tabbaard zich verheft en de klare oogen stralen,
„neen, mijn Vondel, niet aldus. Gij behoort ons niet te danken.
Wij zijn uw geleiders geweest op een harden, steilen, duisteren
weg, wij waren de getuigen van uw strijd. Ik heb het eerst
uw worsteling gezien, ik heb, door Gods heerlijke goedheid,
met u het eerst van uw overwinning genoten. Maar èn P. van
Teijlingen èn onze vriend Barthold en zoo vele anderen, en
ik, wij zijn niets dan werktuigen. Vondels bekeerder is met
en in Gods genade, Vondel zelf. Geesten als de uwe behooren
niet in het rijk der dwaling; laat roerdomp en reiger boven
de poelen en weiden blijven hangen, de adelaar gaat naarde
zon. Gij hebt uw eigen weg gevolgd, wij hebben u slechts
toegefluisterd, dat de weg goed was en het doel der reize waard."
„Hoe schoon en hoe waar!" mijmert pater van Teijlingen
overluid. „Het is toch heerlijk" vervolgt hij, „dat wij over
deze dingen ons kunnen verheugen en niet twisten als onze na-
neven. Zulk twisten is toch niet hartverheffend."
„Wees nu niet te streng", vermaant Marius. „Twisten be-
hoort tot het menschelijke en tot het leven; gij weet te goed,
dat ik met P. Laurens ook wel eens gekibbeld heb, al was het
niet over Sinjeur Vondel. Ik kan zonder moeite begrijpen,
dat het bekeeren van onzen Nederduitschen Virgilius in de
oogen van het nageslacht heel wat anders is dan de zaak in
onze oogen was. Wij moeten billijk zijn. Ik neem het een
pater der Sociëteit niet kwalijk, dat hij optreedt voor u of
een ander; maar het doet mij ook niet onaangenaam aan dat
er nog zijn, die voor mij ten strijde gaan. Men wordt niet
gaarne vergeten."
-ocr page 48-
46
„Gij waart altijd een gulle, ronde Zeeuw," lacht nu pater
van Teijlingen, „en gij hebt geen ongelijk. Maar ik vind toch
wel dat de strijd wat lang aanhoudt en er komen eigenlijk
zoo weinig nieuwe dingen voor den dag. En het wordt er
ook niet vriendelijker op tusschen de heeren, hemel, neen."
„Ja," is het antwoord van Marius, „ik geloof ook wel,
dat het nu genoeg is. Verder komt men toch niet. Wat zal
ik er ook van zeggen? Soms als ik zie hoe tot onze ver-
volgingen toe er worden bijgehaald en booze vermoedens weer
worden opgerakeld, ja, dan voel ik lust om de heeren toe te
roepen, wat ik eens aan een Keulsch kwezeltje zei, dat van
heksen meende te lijden: „Kind, \'t is alles kakelarij." v
Dr Sciiaepman.