-ocr page 1-
%•».
w/pr/                                                                           """ n;
VERSLAG
VAN l)K
Werkzaamheden der Staatscommissie
INGESTELD lil.I
V
Koiiinklijk Besluit van 31 Juli 1895. n«> 21.
\'S-GRAVENHAGE,
IL.. SL.
.
Ij. IK. C- IDE Ü.A.A.S.
;                  .                                                         1898.
\'
-ocr page 2-
\'^
-ocr page 3-
}S9
VERSLAG
VAN IJK
Werkzaamheden der Staatscommissie
INGESTELD BIJ
Koninklijk Besluit van 31 Juli 1895, n°. 21.
—*
S-URAVENHAGE,
Xj. JSL. O. DE ÜA.-A.S.
1898.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
<7W
\'^/r(Q\' ufe^/m\'/
€He
o
. Qz
de/ OA
eaen/eó pan
r/ o7p
e//m/>U
€mm
mat
9i- //eaae&éj
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Het behaagde Uwer Majesteit bij besluit van 31 Juli 1895, No. 21, instelling dei
commissie.
eene Staatscommissie in te stellen teneinde te onderzoeken of naast de
instelling van eene Rijkslijfrentenbank en naast de regeling der verzekering
tegen ongelukken maatregelen bij de wet behooren te worden genomen,
om te bevorden, dat werklieden en met dezen gelijk te stellen personen,
die door ouderdom of door invaliditeit blijvend ongeschikt zijn om in hun
onderhoud te voorzien, recht erlangen op geldelijke uitkeeringen; en bij
bevestigende beantwoording dier vraag een of meerdere daartoe strekkende
wetsvoorstellen met memorie van toelichting en raming der geldelijke
gevolgen te ontwerpen en aan Uwe Majesteit in te dienen.
Bij hetzelfde besluit werden benoemd:
Tot lid en voorzitter:
Voorzitter,
secretaris.
len en
Mr. C. Pijnacker Hordijk, Lid van de Eerste Kamer der Staten-
Generaal, te \'s-G\'ravenhage\';
tot leden:
J. van Alphen, Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
te Hengelo, (Overijssel);
Mr. J. Baron u\'Aulnis DE Bourouill, Hoogleeraar aan de Rijks-
Universiteit, te Utrecht;
R. W. J. C. van den Wall Bake, Directeur der Nederlandsche
Zuid-Afrikaansche Spoorwegmaatschappij, te Amsterdam;
Mr. W. H. de Beaufort, Lid van de Tweede Kamer der Staten-
Generaal, te Leusden ;
Jhr. Mr. G. J. Til Beelaekts van Blokland, Lid van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal, te \'s-G raven hage;
Alex. Daniels, industrieel, te Amsterdam;
H. L. Enthoven H.Lzn., Directeur van de naamlooze vennootschap
„Pletterij", te \'s-Gr aveu hage;
Mr. H. B. Greven, Hoogleeraar aan de Rijks-Universiteit, te Leiden;
Mr. J. J. I. Harte, Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
te \'s-G raven hage;
-ocr page 8-
6
B. H. HELDT, Lid van de Tweede Kamer der Sta ten-Generaal,
te \'s-Gravcnhage;
Mr. C. J. A. HEIJDENRIJCK, Lid van den Raad van State, te \'s-G raven hage.
G. H. HlNTZEN, Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
te Rotterdam;
K. KaïER, Voorzitter van de vereeniging „Nederlandsen Werklieden-
verbond Patrimonium" (vaderlijk erfdeel), te Amsterdam;
CORNEILLE L. LANDRÉ, wiskundig adviseur der Levensverzekering-
maatschappij „Dordrecht", te Dordrecht;
Jhr. Mr. W. H. DE SAVORNIN LOHMAN, Buitengewoon Hoogleeraar
aan de Vrije Universiteit, te Amsterdam;
J. H. van DER MEULEN, Lid van de Provinciale Staten van Friesland,
te Drachten;
W. J. C. PASSTOORS, Voorzitter van de Vereeniging „Nederlandsche
Roomsch-Katholieke Volksbond", te Amsterdam;
Dr. A. J. VAN PESCH, Hoogleeraar aan de gemeentelijke Universiteit,
te Amsterdam;
Mr. W. A. REIGER, Hoogleeraar aan de Rijks-Universiteit, te Groningen;
Dr. H. J. A. M. SCHAEPMAN, Lid van de Tweede Kamer der Staten-
Generaal, te Driebergen;
Mr. H. SMEENGE, Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
te Hoogeveen;
J. G. SNIJDER, lid der firma Diddens en van Asten, industrieel,
te Helmond;
D. W. S\'l\'ORK, industrieel, te Hengelo, (Overijssel);
tot secretaris:
Mr. A. Nn.ANT, te \'s-Gravenhage.
Verandering in de samen.
           Bij Uwer Majesteits besluit van 16 December 1896 N°. 16 werd onder
stelling der commissie, dankbetuiging voor de bewezen diensten den heer Alex. Daniels op zijn
verzoek eervol ontslag verleend als lid der commissie, evenals aan den heer
Dr. A. J. van PESCH. Het behaagde Uwer Majesteit bij hetzelfde besluit
tot lid der commissie te benoemen den heer Dr. J. C. Kl.UYVER, Hoogleeraar
aan de Rijks-Lniversiteit te Leiden.
Bij Uwer Majesteits besluiten van 16 Maart 1897 N°. 7 en van
10 September 1897 N°. 20 werd op hun verzoek eervol ontslag verleend
aan de heeren Mr. C. J. A. HEYDENRIJCK en Mr. W. H. DE BEAUFORT
als leden der commissie, onder dankbetuiging voor de bewezen diensten.
De heer Jhr. Mr. G. J. Th. Beelaerts van Blokland ontviel ons
door den dood op 14 Maart 1897, toen wel reeds eenige belangrijke
principieele beslissingen waren genomen, maar toch nog zeer veel te doen
overbleef. De adviezen van dezen bekwamen en scherpzinnigen rechts-
geleerde hadden voor ons eene bijzondere waarde, en zijn heengaan was
voor de commissie een zeer gevoelig verlies.
-ocr page 9-
7
Op 2 September 1895 werd de commissie in de Trèves-zaal te
\'s-Gravenhage geïnstalleerd door den toenmaligen Minister van Waterstaat,
Handel en Nijverheid, den heer Ph. W. van DER SLEVDEN, met eene
rede van den volgenden inhoud :
„Mijne Heeren Voorzitter, Leden en Secretaris der Staatscommissie,
ingesteld bij Koninklijk Besluit van 31 Juli 1895, N". 21, het is mij een
voorrecht U uit naam der Regeering het welkom te mogen toeroepen.
Het was Harer Majesteits Regeering, toen zij besloten had eene Staats-
commissie in het leven te roepen, teneinde allereerst te onderzoeken of
wettelijke maatregelen moeten genomen worden om oude of invalide werk-
lieden een recht op geldelijke uitkeering te doen verkrijgen, aangenaam,
dat gij bereid waart in die commissie plaats te nemen en de U opgedra-
gen taak te aanvaarden.
In de vergadering der Tweede Kamer der Staten-Generaal van 29
Maart j.1. werd met overgroote meerderheid van stemmen eene motie
aangenomen, voorgesteld door den heer HELDT en van den volgenden
inhoud : „De Kamer van oordeel, dat verzekering van het lot van oude
werklieden door een pensioenstelsel wenschelijk is, verzoekt de Regeering
te doen onderzoeken op welke grondslagen en op welke wijze die verze-
kering zal kunnen en behooren te worden geregeld"
Uit de opdracht, aan Uwe commissie verstrekt, blijkt, dat haar arbeids-
veld zich verder zal uitstrekken dan het onderzoek dezer grondslagen. De
Regeering wenscht, dat het ge heek vraagstuk van de werkliedenverzekering
tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en invaliditeit worde onder-
zocht, dat alzoo niet worde uitgegaan van de stelling, dat een pensioen-
stelsel tot verzekering van het lot van oude en invalide werklieden
wenschelijk is, maar deze stelling zelve aan den toets der kritiek worde
onderworpen.
Dat de werkman den dag, waarop hij niet meer door arbeid zijn brood
kan verdienen, zal kunnen zien naderen zonder angst voor die toekomst,
wie is er die dit niet wenschelijk zal achten ? Wie, dien het algemeen
welzijn ter harte gaat, zal de zekerheid, dat de toekomst van een ieder
gewaarborgd is, niet begeerlijk voorkomen ?
Het komt er echter op aan welke de middelen zijn, die kunnen worden
toegepast, om dit doel te bereiken. Onderzocht behoort te worden of het
mogelijk zal zijn tot heil van allen, zonder bevoorrechting van enkele
klassen, zonder achterstelling van anderen en met eerbiediging van ieders
rechten, algemeen werkende bepalingen voor werklieden en daarmede gelijk
te stellen personen vast te stellen, dan wel of de toestanden, waaronder
deze personen verkeeren, zoo groote verscheidenheid opleveren, dat een
maatregel, die begeerlijk kan zijn voor den een, hinderlijk voor den ander
zou wezen.
Onderzocht behoort te worden met welke bezwaren het invoeren van
-ocr page 10-
8
algemeen bindende wetsvoorschriften gepaard zoude gaan, waardoor de
voordeelen, die met den maatregel beoogd worden in de schaduw zouden
kunnen worden gesteld.
Het is derhalve Uwe taak, Mijne Heeren, niet alleen het oog te vestigen
op de heilrijke vruchten, die de invoering van een pensioenstelsel zou
kunnen opleveren, maar tevens op de velerlei belangen die door zoodanige
invoering zouden kunnen worden geschaad.
Mocht Uw onderzoek tot de uitkomst leiden, dat naar de overtuiging
van Uwe commissie de voordeelen van een pensioenstelsel niet tegen de
nadeelen daarvan opwegen, zoodat de Staat de wenschelijkheid niet zou
mogen uitspreken, dan zal deze uitkomst van Uw onderzoek, waardoor de
verwachtingen van velen in den lande zouden worden teleurgesteld, reeds
daarom eene breede motiveering eischen, opdat het een ieder duidelijk zij,
dat niet de wil, wel het vermogen om eene afdoende regeling tot stand
te brengen, ontbreekt.
Leidt Uw onderzoek daarentegen tot de uitkomst dat aan de Staten-
Generaal kan worden aangeboden een wetsontwerp met de overweging, dat
verzekering van het lot van oude werklieden door een pensioenstelsel
wenschelijk is, dan zullen tevens een aantal daarmede samenhangende
hoogst belangrijke vragen op bevredigende wijze door Uwe commissie
moeten worden beantwoord.
Het ligt niet op mijn weg, die vragen te stellen ; met het oog op de
samenstelling Uwer commissie mag ik verwachten dat geene dier vragen
Uwe aandacht zal ontgaan.
De Regeering spreekt den wensch uit en durft de hoop koesteren, dat
het der commissie gegeven moge zijn met vrucht de haar opgelegde taak
te vervullen.
In dit vertrouwen verklaar ik de Staatscommissie geïnstalleerd."
Openingsrede.                       Tenzelfden dage ving de commissie hare werkzaamheden aan, nadat
door den Voorzitter een overzicht was gegeven van den toenmaligen stand
van het vraagstuk bedoeld in de opdracht welke het Uwer Majesteit
behaagd heeft aan de commissie te verkenen. Dit overzicht is als bijlage I
aan dit verslag toegevoegd.
Aantal vergaderingen der         De commissie is in het geheel dertig malen bijeengekomen in de Staten*
commissie.                    zaai te \'S-Gravenhage alvorens zij besloot dit verslag op te stellen. Hare
werkzaamheden zijn alleen afgebroken ter wille van het instellen van een
onderzoek naar den feitelijken toestand van hen, die door ouderdom en
invaliditeit blijvend ongeschikt zijn om in hun onderhoud te voorzien, als-
mede om aan de wiskundige leden der commissie gelegenheid te geven tot
het opstellen van de omvangrijke berekeningen, welke hierbij als bijlagen
worden overgelegd.
-ocr page 11-
9
Eene lijst van vraagpunten als leiddraad voor de werkzaamheden der
commissie werd in de eerste plaats opgesteld. Aan deze lijst werd later
nog eene suppletoire lijst toegevoegd; beide worden met de genomen beslis-
singen en met vermelding van het aantal uitgebrachte stemmen bij dit
verslag overgelegd als bijlage II.
Lijst van vraagpunten.
S 1-
Feitelijke toestand.
De tijd van half October 1895 tot half Maart 1896 werd besteed aan
het instellen van een onderzoek naar den feitelijken toestand van hen, die
door ouderdom of door invaliditeit blijvend ongeschikt zijn om in hun
onderhoud te voorzien.
Het rapport te dezer zake door den secretaris opgesteld, naar aanleiding
van de gegevens door leden der commissie verstrekt, wordt hierbij als
bijlage III overgelegd. Dit onderzoek was uit den aard der zaak hoogst
bezwaarlijk en tijdroovend.
Het ligt voor de hand, dat de werklieden en met dezen gelijk te stellen
personen, die blijvend ongeschikt zijn om in hun onderhoud te voorzien
door middel van hunnen arbeid, in den regel zullen moeten bestaan van
ondersteuning, daar hun toch gewoonlijk de gelegenheid heeft ontbroken
zooveel ter zijde te leggen voor den kwaden dag, dat zij daarvan zelfstandig
kunnen bestaan.
Door een lid der commissie werden cijfers overgelegd, welke geput
waren uit de Beroepstelling in Nederland van 31 December 1889, en
welke aanduiden hoeveel mannen en vrouwen zich destijds, in de leeftijds-
klassen van 61—65 en van 66—70 jaar en van 71 jaar en hooger, als
iverkzaam in een beroep of als zonder beroep hebben opgegeven. Die cijfers
hebben ter beantwoording van de vraag, hoeveel personen in die leeftijds-
klassen door arbeid in hun onderhoud voorzien, slechts eene betrekkelijke
waarde, daar het niet vaststaat, dat zij, die opgeven een bepaald beroep
uit te oefenen, tevens daarvan bestaan, hoe gaarne zij dit ook zouden
wenschen. Een onderzoek in eenige plaatsen in verschillende deelen van
Nederland door onderscheidene leden der commissie individueel ingesteld,
heeft als algemeen resultaat opgeleverd :
1°. dat de toestand plaatselijk zeer verschillend is en nauw samenhangt
met de vraag of men al dan niet te doen heeft met bloeiende fabrieks-
districten, waar de toestand over het algemeen niet ongunstig is; deze
fabrieksdistricten vormen evenwel niet den regel;
2°. dat buiten de bloeiende fabrieksdistricten de toestand van de werk-
lieden-bevolking boven den leeftijd van 65 jaren zoodanig is, dat het
meerendeel daarvan ondersteuning behoeft.
Tijd van het onderzoek.
Bijlage III.
Cijfers van de Beroeps,
telling.
-ocr page 12-
IO
Beslissing Her commissie.         Nagenoeg eenparig is de commissie dan ook van oordeel, dat de economische
toestand waarin werklieden en met hen gelijk te stellen personen zich
bevinden, indien zij door ouderdom of invaliditeit blijvend ongeschikt zijn
om in hun ouderhoud te voorzien, deze is, dat zij dan dikwijls — op
65-jarigen en hoogeren leeftijd zelfs in de meeste gevallen — armlastig
zijn of afhankelijk van de ondersteuning van hunne kinderen of andere
bloedverwanten en dat zij de vruchten van vroegere besparingen dan
slechts in geringe mate genieten.
S 2.
Oorzaken van den lei tel ij ken toestand.
De oorzaken van dit verschijnsel zijn zooveel mogelijk onderzocht, maar
naar het algemeen gevoelen der commissie is de toestand hoogst ingewikkeld.
Is hei loon voldoende om
           In de eerste plaats is de vraag gerezen of de stand van het loon zoo-
te sparen.                      danig is, dat de werkman gelegenheid heeft om voldoende ter zijde te
leggen voor den ouden dag. Verstaat men onder dit ter zijde leggen een
geregeld sparen, gelijk vereischt wordt voor de betaling van de premie
voor de ouderdomsverzekering, dan moet erkend worden, dat in de meeste
gevallen het loon hiervoor ontoereikend is, tenzij men op zeer jeugdigen
leeftijd daarmede is aangevangen. Bovendien is voor geregeld sparen heel
wat overleg en karaktervastheid noodig, terwijl het wisselen van de loonen
en het niet voortdurend werkzaam zijn factoren vormen, welke dikwijls aan
het geregeld sparen in den weg staan.
Indien een werkman geregeld spaart, doet hij dit voor de vele benarde
omstandigheden, welke zich in zijn leven kunnen voordoen, maar daaronder
rekent hij op jeugdigen leeftijd in den regel niet het zorgen voor den ouden
dag. Dien dag acht hij nog in een onafzienbaar verschiet, terwijl in nog
zooveel andere meer nabijzijnde en daarom meer tot hem sprekende nooden
en behoeften voorziening noodig is, b.v. ziekte, werkloosheid, opvoeding
van kinderen. Voor die zorgvolle omstandigheden spaart hij gaarne zooveel
in zijn vermogen is.
Sparen in verband met
           I Iet sparen voor den ouden dag in den vorm van het aangaan van
vcrzckcri 111r
eene verzekering is geene gewoonte in de kringen der werklieden; veelal
bestaat de meening, dat toch weinigen onder hen den 65-jarigen leeftijd
bereiken. Bovendien bedenke men, dat de verzekering tegen den ouden dag
nog van jongen datum is en zelfs velen, die, wat ontwikkeling en finan-
cieelen toestand betreft, in gunstiger levensomstandigheden verkeeren, er
niet toe kunnen besluiten om eene pensioensverzekering aan te gaan. De
wilskracht om zóó geregeld te sparen, dat op de daarvoor aangenomen
tijdstippen geregeld de premie kan worden gestort, ontbreekt dikwijls ook
aan die meer ontwikkelden. Daarom werd hooger loon geen afdoend middel
-ocr page 13-
11
geacht om aan dit euvel te gemoet te komen, tenzij dit gepaard gaat met
het beperken van de behoeften, die men zich schept, zoodat de levens-
standaard voor de oogenblikkelijke behoeften wordt ingekrompen ter wille
van de zorg voor de toekomst.
Ook is opgemerkt, dat na het jaar 1850 de loonen in Nederland met
30 pCt. tot 50 pCt. zijn gestegen, terwijl de prijzen der eerste levens-
middelen zijn gedaald. De posten op de begrooting van een werkmansgezin
zijn dan ook elk op zich zelf niet hooger geworden, maar hun aantal is
vermeerderd, daar de levensbehoeften zijn toegenomen.
In het voorgaande zijn eenige oorzaken aangegeven, welke het sparen
in den weg staan, maar er is ook nog de aandacht op gevestigd, dat voor-
namelijk eene andere oorzaak aan het dikwijls onberedeneerde gebruik van
het loon ten grondslag ligt. Een werkman, wiens loon per dag wordt
berekend, komt er lichtelijk toe, dat hij van zijne inkomsten ook bij den
dag gaat leven. Toch werd algemeen erkend, dat dit een euvel is, maar
een euvel hetwelk niet is te verhelpen, tenzij het gelukken kon het besef
van solidariteit tusschen patroon en werkman, als noodzakelijke voorwaarde
voor beider welzijn,
meer algemeen ingang te doen vinden. Dit zou er toe
bijdragen, dat de werkman door zijn patroon niet wordt beschouwd als
eene loutere werkkracht, waarmede men na afloop van het werk niets meer
te maken heeft. Langs dien weg kan den werklieden worden geleerd het
loon oordeelkundig te gebruiken, waardoor zij het meeste voordeel van
hunne inkomsten trekken en diensvolgens leeren sparen.
Tegen deze beschouwing werd aangevoerd, dat in een aantal vakken
in de groote steden voortdurend voor een deel los werkvolk aan den
arbeid is, hetgeen de ontwikkeling van bedoeld besef van solidariteit uit
den aard der zaak niet kan bevorderen.
Ook werd nog de meening geuit, dat de hoofdoorzaak van den bestaanden
toestand is gelegen in het feit, dat bij den werkman het voldoende besef
ontbreekt van het belang der verzekering tegen den ouden dag; ware dit
besef bij hem maar genoeg ontwikkeld, zeer zeker zou hij zich verzekeren,
al zou hij er zich ook het genot van vele andere zaken voor moeten
ontzeggen.
De vraag of minder vroeg in het huwelijk treden ten goede zou kunnen
komen aan meer besparing voor den ouden dag werd verschillend beoor-
deeld. Er werd betoogd, dat een werkman, die van zijn i8e tot zijn 2jejaar
/ 1.— per week spaart en dan huwt, zich een voldoend pensioen (ƒ5 \\\\f 6
per week) op 60-jarigen leeftijd heeft verzekerd. Met het later huwen ware
dus gewonnen, dat de periode van sparen langer zou kunnen aanhouden
voor een niet onbelangrijk bedrag, waarvan dan op hoogen leeftijd de
vruchten konden worden geplukt.
Daartegen werd aangevoerd, dat deze beschouwing alleen juist kan wezen
Solidariteit tusschen
patroon en werkman.
Uesef van het belang van
verzekering.
Vroeg huwen.
-ocr page 14-
\\2
voor hen, die werkzaam zijn in eenen bloeienden tak van nijverheid, maar
zeker niet als regel kan worden aangenomen voor de werklieden in de
groote steden. Bovendien bleef het aan twijfel onderhevig of het op zichzelf
wenschelijk is, dat de werklieden op lateren leeftijd huwen dan thans
gebruikelijk is.
Ten aanzien van den invloed van het misbruik van sterken drank waren
de meeningen zeer verdeeld.
Opgemerkt werd dienaangaande nog, dat drankmisbruik in de hoogere
klassen van de samenleving in den regel alleen den persoon te gronde richt,
die zich daaraan overgeeft, terwijl drankmisbruik in de werkliedenklasse
de ruïne van het gezin na zich sleept.
De commissie is na het voorgaande van oordeel, dat als hoofdoorzaak
van den min gunstigen economischen toestand der oude en invalide werk-
lieden moet worden aangenomen, dat het loon •— al moge het in sommige
gevallen niet te laag zijn om den werkman gelegenheid te geven om te
sparen en zich te verzekeren tegen ouderdom en invaliditeit — toch in de
meeste gevallen hem niet in staat stelt om bij de tegenwoordige levens-
eischen op verschillende tijdstippen zooveel dan wel zóó onafgebroken te
sparen als voor de geheel uit eigen inkomsten te betalen premie ter ver-
zekering van een voor zijne behoeften voldoend pensioen noodig is.
Van de nevenoorzaken meent de commissie, dat doorgaand drankmisbruik,
luiheid enz. eene meer ondergeschikte rol spelen, terwijl aan onvoldoende
behartiging door den werkman van zijne eigene belangen, onbekendheid met
de bestaande vormen van verzekering, gemis van wilskracht, niet genoegzame
samenwerking tusschen patroon en werkman een meer beteekenende invloed
wordt toegeschreven.
Misbruik van sterken
drank
Hoofdoorzaak van den
bestaanden toestand
volgens de beslissing
der commissie.
Nevenoorzaken van den
bestaanden toestand vol-
gens de beslissing der
commissie.
S 3-
Verschil in den feitelijken toestand van mannen en vrouwen.
Het verschil van toestand tusschen mannen en vrouwen werd niet van
zoo overwegenden aard geoordeeld, dat een afzonderlijk onderzoek omtrent
dit verschil en zijne oorzaken noodzakelijk zoude zijn.
S 4-
Bestaande gelegenheden tot verzekering.
Nadat de commissie aldus haar oordeel over den feitelijken toestand had
uitgesproken, heeft zij zich beziggehouden met de vraag, welke gelegen-
lieden tot verzekering of andere voorziening tegen de gevolgen van ouder-
dom en invaliditeit — met uitsluiting van armenzorg — thans bestaan,
-ocr page 15-
13
sedert wanneer zij bestaan en in welke mate daarvan wordt gebruik
gemaakt of genoten door werklieden en met hen gelijk te stellen personen.
Deze vraag is beantwoord in het hierbij overgelegde rapport van Bijlage
6 Januari 1896, hetwelk is aangenomen in de vergadering van 28 Maart 1896
(bijlage IV).
De commissie vermeent er evenwel op te moeten wijzen, dat zij voor de
volledigheid van de in bijlage IV opgenomen lijst niet instaat. Zij heeft
zooveel mogelijk alle in het jaar 1895 bestaande gelegenheden getracht op
te sporen, mnar zij is volstrekt niet zeker daarin geslaagd te zijn.
§ 5.
Vergemakkelijking en aanmoediging van de verzekering
Staatspensionneering.
Vervolgens heeft de commissie overwogen of ecne belangrijke verbetering
in den bestaanden toestand zou kunnen worden verkregen door de gelegen-
heid tot verzekering tegen ouderdom en invaliditeit gemakkelijker en voor
zooveel noodig veiliger te maken.
Al dadelijk werd naar aanleiding van dit punt opgemerkt, dat het ver-
gemakkelijken van de verzekering bezwaarlijk eene belangrijke verbetering
zou kunnen ten gevolge hebben, als men aanneemt dat de hoofdoorzaak
van het niet-verzekeren is gelegen in het gemis van voldoende inkomsten
ter betaling van de premie. Eenige verbetering zou mogelijk de toestand
ondergaan bij de werklieden, wier loon toereikend is om de verzekerings-
premie te betalen, bijaldien de gelegenheid tot verzekeren veiliger en
gemakkelijker werd gemaakt, maar belangrijk zou bedoelde toestand niet
verbeterd worden.
Hiertegen werd aangevoerd, dat deze meening minder juist voorkomt
indien de hoofdoorzaak mocht zijn gelegen in de omstandigheid, dat de
werkman niet voldoende beseft het belang van een oudendagspensioen. Wil
het besef van het belang der verzekering bij den werkman worden opge-
wekt, dan zal hem natuurlijk in de eerste plaats duidelijk behooren te zijn,
dat hij, zijn geld voor dit doel stortende, zeker kan zijn, dat het hem daar-
voor toekomende pensioen behoorlijk zal worden uitbetaald. Ontbreekt hem
toch volgens zijne meening deze zekerheid, dan zal hij nimmer te bewegen
zijn om voor dit doel iets af te zonderen. Groeit nu bij den werkman het
geloof aan de veiligheid der verzekering aan en wordt zij hem tevens zoo
gemakkelijk mogelijk gemaakt, dan zal hij zich langzamerhand deze ver-
zekering wel ten nutte maken. Men moet van deze verbeteringen in de
verzekering ook niet dadelijk eene verbetering in den toestand verwachten.
Deze laatste verbetering zal zeer langzaam tot stand komen, maar dat de
vorderingen niet met rassche schreden gaan, is nog geen reden om den
-ocr page 16-
14
eersten stap op den weg tot verbetering niet te zetten. Wordt de verzekering
zoo veilig mogelijk gemaakt en het aangaan daarvan vergemakkelijkt, dan
is dit een eerste stap waarvan na jaren de voordeden zullen worden
genoten.
Naar aanleiding van deze beschouwing werd er op gewezen, dat bedoelde
eerste stap reeds lang geleden is gedaan, n.1. door het Nederlandsch Werk-
liedenfonds, hetwelk sedert 1885 zooveel doenlijk propaganda voor de
pensioensverzekering heeft gemaakt, en toch is deze poging als mislukt te
beschouwen. De ondervinding te dezen opzichte opgedaan, beperkt zich niet
tot Nederland, maar is b.v. ook opgedaan in Frankrijk met de Caisse Natio-
nale des retraites poter la vieillesse,
welke in 1850 is opgericht en waarvan
de Staat de uitkeeringen waarborgt. Treft men hierbij na 40 jaren slechts
geringe deelneming aan, terwijl de veiligheid en de gemakkelijkheid zoo groot
zijn, dan mag men dien stap wel als mislukt beschouwen. In België deed
men geen andere ondervinding op. Aldaar is in 1865 opgericht de Caisse
génerale d\'ipargne et de retraite,
waardoor op 31 December 1895 slechts
1691 pensioenen werden betaald, terwijl gedurende de jaren 1890 en 1891
slechts 30970 stortingen werden gedaan, waaronder nog niet een vijfde
gedeelte rechtstreeks van de werklieden persoonlijk.
Ook in Engeland heeft men niet de verwachte gunstige ondervinding
opgedaan. Toen daar te lande het aantal gelegenheden tot verzekering van
werkliedenpensioenen was vermeerderd door de medewerking der post-
spaarbank, is het getal van hen, die zich eene lijfrente verzekerden, slechts
onbeteekenend toegenomen.
Het bestuur van het Nederlandsch Werkliedenfonds verklaart dan ook
in zijn vijfjarig verslag over de jaren 1890—1894, dat de premie voor
pensioensverzekering van eenige beteekenis boven de krachten van den
werkman gaat.
Blijken dus de nettotarieven van dit fonds in het algemeen te hoog
voor de draagkracht der belanghebbenden, dan zal eene verhooging van
de veiligheid bezwaarlijk eene belangrijke verbetering in den bestaanden
toestand kunnen teweegbrengen.
Te dezen opzichte is nog gewezen op het verschil in toestanden in de
steden en op het platte land. Welke verbetering men in de verzekering
moge aanbrengen, op het platte land blijft het onmogelijk de premie uit
het loon te voldoen. Men bedenke toch, dat ten platten lande de inkomsten
wel voldoende zijn ter voorziening in de behoeften voor het levensonderhoud,
maar deze inkomsten worden veelal niet geheel in geld genoten, doch
dikwijls gedeeltelijk in natura. Daardoor kan de werkman ten platten lande
het meermalen materieel beter hebben dan de werkman in de steden, maar
deze laatste ontvangt veel meer geld, en dit moet in voldoende mate
ontvangen worden, wil men de premie kunnen betalen. En dan springt het
volgens deze zienswijze in het oog, dat de werkman ten platten lande zóó
Mislukking van de vrij-
willige verzekering.
Frankrijk.
België
Engeland.
Nederlandsen
denfonds.
Werklie-
Verschil in toestand
tusschen het platte
land en de steden.
-ocr page 17-
15
weinig geld ontvangt, dat de premie voor hem onevenredig kostbaar wordt.
Bovendien werd verklaard, dat op het platte land bijna geen enkel patroon
of werkgever zijne werklieden bij de premiebetaling zóó kan bijstaan als
de groote patroons in de fabrieksdistricten.
Nog werd opgemerkt, dat het wel lang geen onverschillige zaak is de
verzekering zoo gemakkelijk en veilig mogelijk te maken, maar langs dien
weg daarom evenwel nog geene belangrijke verbetering van den bestaanden
toestand kan worden verwacht.
De ouderdomsverzekering is, in tegenstelling met de verzekering van Populariteit van <leouder-
eene uitkeering bij overlijden, niet populair bij de werklieden.
                                 omsverze ermg.
Voor eerstbedoelde verzekering behooren zij de stortingen op jeugdigen
leeftijd aan te vangen om, na 40 a 50 jaren bijgedragen te hebben, een
pensioen te verkrijgen. Wordt met storten niet begonnen op jeugdigen
leeftijd, dan wordt al ras de premie te kostbaar. Maar voor die onbekende
ver verwijderde toekomst gevoelt de jeugdige werkman niet veel; jarenlang
wekelijks ongeveer 10 centen te betalen ter verkrijging van een pensioen
van ongeveer f 3.— \'s weeks, dit lacht hem niet toe; in zijn oog staat het
zware offer, hetwelk van hem gevergd wordt, niet in verhouding tot hetgeen
hij er voor verkrijgt als hij een van de weinigen is, die den pensioensleeftijd
bereiken. Daarop werd het oordeel gegrond, dat deze verzekering nog niet
van onzen tijd is, d. w. z. nog niet in de zeden is opgenomen, zoodat het
veiliger en gemakkelijker maken daarvan niet veel resultaat kan opleveren.
Waar inleg in de spaarbank steeds bij elke ramp in het leven de
beschikking geeft over het gespaarde, maar de gestorte verzekeringspremie
niet, werd het eene niet onverstandige opvatting van spaarzame werklieden
geoordeeld eerst in de laatste plaats aan eene ouderdomsverzekering te
denken. Daarom werd deze opvatting geacht steeds in den weg te zullen
staan om de ouderdomsverzekering algemeen ingang te doen vinden, hoe
veilig en gemakkelijk die ook moge worden gemaakt.
Met groote meerderheid is dan ook door de commissie beslist, dat Beslissing der commissie,
misschien eenige verbetering in den bestaanden toestand zou kunnen worden
verkregen, bijaldien de gelegenheid tot verzekering tegen ouderdom en
invaliditeit gemakkelijker en voor zooveel noodig veiliger werd gemaakt,
maar dat die verbetering in de naaste toekomst zeker niet belangrijk zou zijn.
Vervolgens is de vraag overwogen of de instelling van eene Rijks- Rijkslijfrentenbank.
lijfrentenbank, waarvan melding is gemaakt in de opdracht aan de commissie
verleend, krachtig zou kunnen medewerken tot de verbetering van den toestand.
Algemeen werd het betreurd, dat de commissie van de toenmalige
Regeering niets naders mocht vernemen omtrent de instelling van bedoelde bank.
Uit den aard der zaak kan de commissie alzoo bezwaarlijk een oordeel
vellen over het nut dier instelling, aangezien dit toch geheel afhankelijk is
van de wijze van inrichting.
-ocr page 18-
i6
Evenwel werd er op gewezen, dat groote verwachtingen van die instelling
niet kunnen worden gekoesterd met het oog op de resultaten met dergelijke
banken in België, Engeland en Frankrijk verkregen, gelijk hiervoren reeds
is aangegeven. Die bank werd geacht meer aan den zoogenaamden midden-
stand ten goede te zullen komen dan aan de eigenlijk gezegde werklieden.
Daarna heeft de commissie de verschillende stelsels van verzekering
met financieelen steun van Staatswege overwogen, zooals het stelsel van
Chamberlain, van Charles Booth en anderen, alsmede van de
Deensche wet.
In de eerste plaats werd gevraagd of het raadzaam is, dat de Staat
eene bijdrage voor de verzekering verleene ten behoeve van eene bepaalde
kategorie van personen, m. a. w. dat de Staat aan den werkman, die zich
verzekert, financieel steun verleene.
Hieromtrent werd betoogd, dat het in deze richting aanmoedigen van
de spaarzaamheid wel aanbeveling kan verdienen, maar dat dan tevens die
steun een tijdelijk karakter zal behooren te dragen. Hoe het evenwel voor
den Staat mogelijk zal zijn te voorkomen, dat die tijdelijke hulp een
blijvende last worde, werd door sommigen niet ingezien. Hierbij is tevens
opgemerkt, dat een dergelijke blijvende last uit een oogpunt van Staats-
belang bezwaarlijk kan verdedigd worden, zoolang de Staat niet heeft
voorzien in alle andere belangen, waarbij het algemeen welzijn meer
betrokken is. Neemt men aan, dat de Staat het algemeen belang het best
behartigt, bijaldien hij zooveel mogelijk zorg draagt krachtige personen te
vormen, die in de maatschappij weten te slagen zonder op de schouders
van anderen te steunen, dan is de weg van aanmoediging niet de aange-
wezene, want hierdoor gewennen de aangemoedigde personen te steunen
op de overheid en zulks leidt tot verslapping en niet tot versterking van
het zelfvertrouwen. En hierbij verlieze men niet uit het oog, dat bij dit
stelsel van aanmoediging juist zij geholpen worden, die de kracht bezitten
te beginnen met de verzekering, zoodat die krachtigen door deze aanmoe-
diging juist verweekelijkt kunnen worden, m. a. w. dat het stelsel verkeerd
werkt. Het werd dan ook opmerkelijk gevonden, dat juist in den eersten
militairen staat van Europa, n.1. in Duitschland, waar door de strenge
discipline de persoonlijke vrijheid geacht wordt het meest aan banden te
liggen, het eerst het stelsel van hulp door eene Staatsbijdrage is
aangenomen.
In verband hiermede werd ook aangevoerd, dat de bedoelde aanmoedi-
ging een psychologischen invloed heeft, n.1. dezen, dat het publiek zich
langzamerhand gewent aan de meening, dat het gepast is op zijn ouden
dag ten deele op kosten van anderen te leven. Dit gevolg werd hoogst
bedenkelijk geacht, daar zoodoende toch het zelfvertrouwen om door eigen
kracht in het onderhoud te voorzien wordt verzwakt. Wel werd erkend,
Verzekering met steun
van Staatswege.
Psychologische invloed
van den Staatssteun.
-ocr page 19-
\'7
dat de overheid geroepen is te voorzien in de armenzorg, maar het onder-
scheid tusschen armenzorg en het voorzien in ongunstige omstandigheden
is groot. Bij armenzorg zijn steeds ook ongunstige omstandigheden, maar
daar treedt de overheid eerst op als er bepaalde directe nood is en wordt
elk geval waarin die nood door haar gelenigd zal worden ook eerst door
haar afzonderlijk onderzocht, doch dit is iets geheel anders dan het van te
voren vaststellen, dat de overheid bepaalde kategorieen van personen zal
steunen als zij aan eenige van te voren vastgestelde algemeene criteria,
zooals werkman en leeftijd, voldoen.
Van andere zijde werd opgemerkt, dat een stelsel waarbij de Staat als
aanmoediging eene suppletie op het pensioen verleent, niet wel aannemelijk
is, en wel om twee redenen : i°. zijn de financieele lasten voor den Staat
vooruit niet te berekenen en 2°. zou deze suppletie veelal ten goede komen
aan personen, die haar niet behoeven. Wie zich toch, hetzij bij eene
Staats- of particuliere verzekeringsinstelling tot een bedrag verzekert,
waarbij de Staat suppletie verleent, kan zich verder nog bij andere maat-
schappijen verzekeren. Controle hierop van Staatswege werd onuitvoerbaar
geacht. Personen, die zich voldoende konden verzekeren en dat ook gedaan
hadden voor een pensioen, zouden dus nog van den Staat eene toelage
verkrijgen, welke zij allerminst behoefden.
De aanmoediging door suppletie op het pensioen werd ook nog afge-
keurd op grond, dat alsdan geen prikkel aan het sparen in het algemeen
wordt gegeven, maar slechts aan het sparen tot het bedrag waaraan de
suppletie is verbonden.
Bovendien werd nog gewezen op het geringe resultaat van de aanmoe-
diging door suppletie op het pensioen. Als sprekend voorbeeld hiervan
werd aangevoerd de geschiedenis van de Vereeniging tot oprichting en
instandhouding van het suppletiefonds voor de pensioenen van oude werk-
lieden en bedienden te \'s-Gravenhage, waarvan de statuten zijn goedgekeurd
bij Koninklijk Besluit van 31 Juli 1886 n°. 20. De werklieden en bedienden
(mannen en vrouwen), die in de gemeente \'s-Gravenhage zijn geboren of
daar ten minste 10 jaren onafgebroken wonen en zich te \'s-Gravenhage
verzekeren bij het Nederlandsch Werkliedenfonds voor een wekelijksch
pensioen van ten minste f 3, ontvangen op 60-jarigen leeftijd eene ver-
hooging van het wekelijksch pensioen (suppletie) van ƒ 2 zonder daarvoor
eenige contributie te storten. Het stamkapitaal van dit suppletiefonds
bedraagt / 40000 verdeeld in 4 serieën van / 10000; het aantal recht-
hebbenden op suppletie mag voor elke serie van f 10000 niet meer
bedragen dan 50. De eerste serie is evenwel nog steeds voldoende.
Bij suppletie op de premie is geene betere ondervinding opgedaan.
Bovendien levert deze eigenaardige bezwaren op bij de verzekering tegen
invaliditeit, daar hierbij de Staat voor een op jeugdigen leeftijd invalide
wordend werkman weinig zou betalen en voor een op hoogen leeftijd
Onderscheid tusschen
Staatssteun te verlee-
nen aan de verzekering
en armenzorg.
Suppletie op het pensioen.
Suppletie op de premie.
-ocr page 20-
IS
invalide wordend werkman zeer veel. Dit gevolg werd even bezwaarlijk te
ontgaan als te verdedigen geacht.
Staatssteun is in het alge-           Eveneens werd de meening geuit, dat suppletie in welken vorm ook
meen met aan te eve en. steec|s eene SOort van onderstand vormt, waartoe de Staat niet gerechtigd
is zoolang de onvermijdelijke noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken.
Deze opvatting werd verdedigd met een beroep op artikel 21 van de wet tot
regeling van het armbestuur. Bovendien werd hierbij betoogd, dat de Staats-
financiën niet dienen om in het onderhoud van eene bepaalde kategorie van
personen te voorzien. De Staat beweegt zich hier toch op het gebied
niet van armenzorg, maar van pensionneering. Wordt nu het pensioen
beschouwd als een deel van het loonv dan behoort dit van een zuiver
economisch standpunt betaald te worden door de consumenten. In dezen
gedachtengang is geene ruimte voor de vraag of de Staat aan dat pensioen,
d. i. aan een deel van het loon, mag bijdragen.
Ten voordeele van de aanmoediging der verzekering door den Staat
werd verklaard, dat het subsidie ten goede zou komen aan hen, die de
kracht toonen zich vrijwillig te verzekeren. Hiertegen werd evenwel aange-
voerd, dat bedoelde meening slechts ten deele juist is, daar in dit stelsel
geen enkele waarborg bestaat, dat allen, die alles willen aanwenden om
zich te verzekeren, dit werkelijk ook kunnen met het oog op hun loon.
En als er dan werklieden overblijven, die wel willen, maar inderdaad niet
kunnen, dan treft het subsidie-stelsel slechts gedeeltelijk doel.
Beslissing der commissie.           Met groote meerderheid is dan ook door de commissie beslist, dat het
voor den Staat niet raadzaam wordt geacht de verzekering tegen ouder-
dom of invaliditeit aan te moedigen door zijnerzijds een gedeelte der
premièn of een gedeelte van het pensioen te betalen.
St.iatspcnsionncctïnj;.                 Hierna werd de vraag behandeld of het mogelijk aanbeveling verdient,
dat de Staat aan de werklieden en aan de met hen gelijk te stellen per-
sonen een pensioen toekent, in geval van ouderdom of invaliditeit zonder
dat de pensioensgerechtigden daarvoor eenige bijdrage hebben gestort.
Dadelijk werd opgemerkt, dat het woord pensioen in een dergelijk
stelsel feitelijk onderstand beteekent, tengevolge waarvan het gebied van de
verzekering zou worden verlaten, om dat van de armenzorg te betreden.
De verzekering bedoelt toch armenzorg te voorkomen, maar het begrip van
assurantie brengt mede, dat hij die de verzekering aangaat, ook voor de
premiebetaling zorgt. Betaalt een ander evenwel de premie, dan is de
verzekering eene schenking. Dat voor een dergelijk doel \'s Lands gelden
zouden mogen worden gebruikt, is door niemand betoogd.
Beslissing der commissie.           De commissie heeft dan ook eenstemmig dit stelsel niet aanbevelens-
waardig geoordeeld.
-ocr page 21-
•9
S 6.
Is het in beginsel raadzaam tot verzekering te verplichten?
De commissie heeft na de verwerping van de aanmoediging der vrij-
willige verzekering overwogen of het raadzaam is te achten de werklieden
en met hen gelijk te stellen personen tot verzekering te verplichten.
Aangezien de verzekering tegen ouderdom en invaliditeit heden ten dage Twee nota\'s
enkel in Duitschland voor de werklieden verplichtend is gesteld en wel bij
de wet van 22 Junni 1889 werd het wenschelijk geoordeeld van bedoelde
wet en hare werking een duideiijk overzicht te hebben. Diensvolgens hebben
de leden Mr. J. Baron D\'AULNIS DE BOUROUILL en Mr. H. B. Greven
op uitnoodiging der commissie in den zomer van 1896 ieder eene atzonder-
lijke nota opgesteld over de werking dezer Duitsche wet, de bezwaren
welke zich hebben doen gevoelen, de voorgestelde wijzigingen en het belang
daarvan. Deze nota\'s worden als bijlagen V en VI bij dit verslag
overgelegd.
In de eerste plaats werd behandeld de vraag of de Staat het recht heeft Rechtsgrond.
tot verzekering te verplichten, m. a. w. welke rechtsgrond aanwezig is
voor het invoeren van de verplichte verzekering.
Volgens sommigen bestaat er geen rechtsgrond om aan eene kategorie
van burgers, n.1. de werklieden, deze verplichting op te leggen. Men kon
niet inzien met welk recht de Staat deze verplichting niet uitstrekt tot
anderen, in wier belang dit eveneens wordt geacht.
Hiertegen werd aangevoerd, dat de gemeenschap gerechtigd is tegen
een gemeenschappelijk gevaar afwerend op te treden, terwijl de oplegging
van den verzekeringsplicht enkel aan de werklieden hierdoor wordt gewettigd,
dat zij thans den kring van burgers vormen, welke de grootste behoefte
aan dezen maatregel heeft.
Door anderen werd er op gewezen, dat bij de vraag naar de raadzaam-
heid van het invoeren der verplichte verzekering de Staat zich niet behoeft
te laten leiden door een abstracten rechtsgrond, maar door gronden ontleend
aan de doelmatigheid van den maatregel, alhoewel het oordeel omtrent deze
doelmatigheid wordt geacht afhankelijk te zijn van de wijze waarop de Staat
zich voorstelt dezen dwangmaatregel uit te voeren. Dat deze maatregel doel-
treffend kan zijn werd van verschillende zijden betoogd, o. a. op grond, dat
zoowel in binnen- als in buitenland voldoende ondervinding is opgedaan
omtrent het niet slagen in de kringen der werklieden van de vrijwillige
verzekering. Waar deze ongunstige uitkomst moet worden geweten aan den
stand van het loon, kan deze factor wegvallen zoodra de werklieden worden
gedwongen; want mocht het loon na aftrek van de verzekeringspremie on-
voldoende blijken om in de noodzakelijk geachte levensbehoeften te voorzien,
dan wordt door deze leden niet getwijfeld of de werklieden zullen langs
-ocr page 22-
20
wettigen weg wel zorgen voor de noodigc loonsverhooging. Bovendien wordt
het raadzaam geacht de werkgevers een deel van de benoodigde premie te
doen betalen, hetgeen den werklieden eene aanmerkelijke verlichting bezorgt
en welke maatregel zonder den verzekeringsdwang niet is door te voeren,
daar de meeste werkgevers, hoe welwillend ook gezind voor hunne wcrk-
lieden, hiertoe niet kunnen overgaan tengevolge van de concurrentie van die
werkgevers, welke ongenegen zijn een deel van de verzekeringspremie voor
hunne werklieden te betalen. Langs dezen weg kan de verzekeringspremie
volgens deze zienswijze tot een noodzakelijk bestanddeel van het loon worden
gemaakt.
Mocht het zich niet verzekeren toegeschreven kunnen worden aan te
weinig doorzicht, te weinig wilskracht en te weinig volharding van de jeug-
dige werklieden, dan verdwijnen ook deze factoren bij invoering van den
verzekeringsdwang.
Van andere zijde werd aangevoerd, dat niet kan worden ingezien waarom
de invoering van verplichte verzekering eene loonsverhooging moet ten
gevolge hebben, daar het loon op den duur niet afhangt van de eischen,
die de werkman stelt, maar wel van de waarde, die hij voortbrengt. Volgens
deze meening kan door geen wetgevenden maatregel van welken aard ook
eene loonsverhooging worden verkregen. Verhoogt toch de patroon het loon,
dan bchooren de kosten dier verhooging op den prijs van het product te
rusten. Maar de prijs van het product kan toch niet eenzijdig door den
patroon worden gedecreteerd. Die prijs zal ook na de invoering van de ver-
plichte verzekering wel bepaald blijven door meer of minder vraag naar en
aanbod van het product.
Invoering van den verzekeringsplicht werd ook aanbevolen op grond dat
daarvan eene opvoedende kracht kan uitgaan. Wordt men toch op jeugdigen
leeftijd reeds gedwongen iets te sparen, dan zal men i°. zich er aan gewennen
en 2°. trachten zich meerdere opofferingen te getroosten om het bespaarde
te doen vermeerderen. Volgens deze zienswijze heeft de samenleving er be-
lang bij, dat de menschen zich zooveel mogelijk zelf kunnen redden om in
hun onderhoud te voorzien, maar kunnen zij dit tengevolge van de omstandig-
heden niet, zooals thans, dan werd het voor den Staat meer gewenscht
geacht desnoods zich eene groote bijdrage voor de verzekering te getroosten
dan later eene kleine voor armenonderstand.
Eveneens werd er op gewezen, dat waar het terrein van den arbeid
gedesorganiseerd is en aan den arbeidersstand het vermogen ontbreekt om
in dezen toestand — waaraan ook ontbreekt alle goed gelegd verband zoo-
wel tusschen de werklieden onderling als tusschen hen en de patroons —
zelfregelend op te treden, daar althans ten deele alleen in zal kunnen worden
voorzien van overheidswege door goedgeregelde algemeene verzekering tegen
de financiëele gevolgen van de rampen des levens, aan welke de arbeider in
den regel niet het vermogen bezit het hoofd te bieden. Deze bemoeiing van
Loonsverhooging.
Opvoedende kracht der
verplichte verzekering.
Desorganisatie van het
terrein van den arbeid.
-ocr page 23-
2 I
de overheid behoeft echter niet van blijvenden aard te zijn; de strekking
moet zooveel mogelijk wezen om zich terug te trekken, zoodra en voor
zooveel dit in den loop der tijden, naarmate de omstandigheden zich op het
terrein van den arbeid wijzigen, zal blijken doenlijk te zijn.
De rechtsgrond voor de invoering van den verzekeringsplicht werd van
andere zijde geacht gelegen te zijn in het recht van den Staat om van
zijne burgers een waarborg te eischen, dat zij niet armlastig worden, d. w. z.
ten laste van het algemeen komen. Waar het den werkman uitgekeerde
loon toereikend is, om er de verzekeringspremie uit te voldoen, kan deze
eisch met grond aan den werkman zelf worden gesteld; mocht het loon daar-
toe niet toereikend zijn, dan behoort de ondernemer aansprakelijk te wor-
den gesteld. In beide gevallen is het einddoel, de koopers van het product
de volle kosten te doen dragen, die de voortbrenging er van heeft vereischt.
Dit beginsel past geheel in ecne individualistische samenleving; de Staat is
er op uit, ieder zooveel mogelijk zijn eigen lasten te doen dragen. Of deze
beschouwing een rechts-, dan wel een doelmatigheidsgrond moest heeten,
werd onverschillig geacht: volgens deze mecning toch heeft de Staat het
recht, alles te doen, wat hij nuttig en noodig acht in het algemeen belang.
Tegen deze beschouwing werd aangevoerd, dat de Staat bij het opstellen
van algemeene regelingen rekening heeft te houden met de zeden van zijne
burgers en wanneer nu het verzekeren tegen ouderdom en invaliditeit
daarin niet is opgenomen, kan het geen recht worden geacht om door dwang
de zeden der burgers te veranderen. Neemt men aan, dat de wetgeving
behoort te zijn de codificatie van hetgeen in de praktijk reeds als gebruik
is geijkt, dan wijst het geringe gebruik van de verzekering tegen invalidi-
teit en ouden dag aan, dat de tijd voor wettelijke regeling daarvan nog niet
is aangebroken. Daarom bestaat er geen bezwaar tot verzekering te ver-
plichten zoodra de groote meerderheid der werklieden zich met den steun
der patroons verzekerd heeft; verplicht dan de Staat de overige, alsdan
wordt gecodificeerd wat reeds door het gebruik is geijkt.
De bedoelde rechtsgrond, n.1. waarborg tegen armlastigheid, werd door
sommigen wat ver gezocht geacht Let men toch op de historische ontwik-
keling van het ontstaan van den aandrang tot verplichte verzekering, dan is
het deze: van de zijde der arbeiders is deze verzekering van den Staat ge-
vraagd omdat zij zelf die niet hebben kunnen tot stand brengen; bij hen
voegden zich de personen, die met dezen wensch instemden, daar zij meenden,
dat dit bevorderlijk zou kunnen zijn aan de ontwikkeling van den socialen
vrede en aan de regeling van de gedesorganiseerde arbeidstoestanden, terwijl
zich mogelijk ook hierbij voegden de personen, die vrees koesteren voor
het opkomend socialisme. Op deze wijze kon het denkbeeld van verplichte
verzekering internationaal worden, en daarna is toen rechtsgrond uitgedacht,
welken men thans hoort aanvoeren. Bij dezen rechtsgrond blijft dan ook
de vraag onbeantwoord met welk recht de Staat bedoelden waarborg van
Waarborg tegen armlas-
tigheid.
Verzekering niet doorge-
ilrongen in de zeden.
Ontstaan van den aandrang
tot verplichte verzekering.
-ocr page 24-
zijne burgers vermag te eischen. Neemt men evenwel dezen waarborg als
rechtsgrond aan, dan wordt een hellend vlak betreden, daar de Staat op
dezen grond evengoed kan gaan vragen een waarborg tegen brand, tegen
verkwisting, ja mogelijk ook tegen een overtalrijk kroost. En meenen de
voorstanders van dezen waarborg werkelijk, dat de Staat het recht heeft op
dezen grond in te grijpen, laten zij dan den Staat aansporen op dezen
grond het drankmisbruik te beteugelen. Deze rechtsgrond werd bovendien
gevaarlijk geacht voor de zoo hoog geschatte vrijheid der burgers, welke
volgens deze zienswijze langs dien weg noodzakelijk moet ten ondergaan.
Bedoelde waarborg werd ook geoordeeld in onze maatschappij niet op
zijne plaats te zijn, daar de maatschappelijke toestand van dien aard is, dat
velen niet aan dien waarborg kunnen voldoen. Want als de Staat een waar-
borg vraagt, kan billijkerwijze van hem worden verlangd te zorgen, dat
hieraan voldaan kan worden, hetgeen alleen mogelijk wordt geacht in een
modelstaat. Deze rechtsgrond werd dan ook van dit standpunt beschouwd
als eene poging om de invoering van de verplichte verzekering van een
wettelijk kleed te voorzien. Van deze zijde werd nog de meening verkon-
digd, dat de verplichte verzekering aan het niet te vermijden gebrek lijdt
van alles over ééne kam te moeten scheren. De private verzekering heeft
dit bezwaar niet; deze schikt zich naar de omstandigheden teneinde op de
minst bezwarende wijze in ieders behoefte te voorzien. Het werd dan ook
hoogst bezwaarlijk, zoo niet ondoenlijk, geacht om bij de invoering van de
verplichte verzekering eene organisatie op te stellen, welke op den duur de
behoeften van de groote meerderheid behoorlijk zou kunnen bevredigen. In
dit verband werd ook nog de aandacht gevestigd op de noodzakelijkheid,
dat levensverzekeringen duurzaamheid moeten bezitten en dus onttrokken
behooren te zijn aan den partijstrijd van den dag. De privaatverzekering
werd geacht aan dezen eisch te voldoen, maar niet eene verplichte Staats-
lijfrentenverzekering, welke van publiekrechtelijken aard is en als zoodanig
voorwerp van onophoudelijken strijd.
Van andere zijde werd er weder op gewezen, dat het invoeren van de
verplichte verzekering een plicht van de overheid is, wanneer hierdoor kan
worden voorkomen, dat aan personen, die hun geheele leven voor een
meester hebben gearbeid, het noodige ontbreekt, zoodra hun de krachten
ontzinken, om in hun dagelijksch onderhoud te voorzien. De overheid be-
hoort alzoo de verplichting tot verzekering te verordenen op grond van
de goddelijke ordinantién, die zeker den afgewerkten werkman op diens
ouden dag niet onverzorgd willen laten.
Ook werd als meening verkondigd, dat het recht van den Staat om tot
verzekering te verplichten berust op het recht van handhaving van de
sociale orde.
Volgens eene andere meening is de rechtsgrond gelegen in het onderlinge
verband van de drie navolgende feiten :
< )nderscheid tusschen de
verplichte en de vrijwiU
lige verzekering.
Plicht van de overheid.
Handhaving van de sociale
orde.
Rechtsgrond bestaande uit
drie elementen.
-ocr page 25-
23
i°. de feitelijke onmogelijkheid waarin de werklieden in het algemeen
verkeeren om voldoende te sparen voor den ouden dag;
2°. de doeltreffendheid van de verzekering tot wcgneming van de onmoge-
lijkheid om te sparen;
3°. de onontbeerlijkheid van het opleggen van de verplichting tot ver-
zekering.
Deze drie elementen vormen in hun onderling verband den rechtsgrond.
De Staat is toch onmiskenbaar bevoegd om door het uitoefenen van rechts-
dwang het algemeen belang te bevorderen in verband met de onmogelijkheid
om zonder het uitoefenen van dien dwang de in het algemeen belang wen-
schelijke werkliedenverzekering tot stand te doen komen. In dit verband is
nog opgemerkt, dat al moge in sommige gevallen de verplichte verzekering
minder gunstig kunnen inwerken op andere vormen van besparing, deze over-
weging in belangrijkheid toch achterstaat bij die, welke de invoering nood-
zakelijk acht in het algemeen belang.
Van verschillende zijden werd er op gewezen, dat de werklieden de ver- staatsbijdrage.
plichte verzekering verlangen, enkel en alleen om langs dien weg van den
Staat daarvoor eene bijdrage te kunnen verkrijgen, welke zienswijze evenwel
niet onweersproken is gebleven.
Ook werd er de aandacht op gevestigd, dat het welbegrepen eigenbelang
Eigenbelang van patroons
en werklieden.
van de patroons medebrengt, hun werklieden te doen verzekeren tegen den
ouden dag. De patroons behooren in te zien, dat hunne bijdrage voor de
verzekering als het ware eene industrieele belegging vormt, welke ook hun
zelven ten goede komt. Maar zien de patroons dit niet in en wil men hen
in die richting dwingen door wettelijke voorschriften, dan gaat onmiddellijk
dit belang verloren. Alle goede eigenschappen van de daden der patroons
ter steuning hunner werklieden gaan toch te loor, zoodra die hun oorsprong
vinden in eene door den Staat opgelegde verplichting. Het eenig gezonde
beginsel ten dezen is het welbegrepen eigenbelang van patroons en werklieden.
Dit eigenbelang vormt voor alle betrokkenen den meest krachtigen en tevens
gezonden prikkel om tot stand te brengen, hetgeen men verlangt Deze
prikkel doet de menschen al hun krachten inspannen, terwijl eene van Staats-
wege opgelegde verplichting, welke op de meest philanthropische wijze wordt
uitgevoerd, de menschen alleen doet voldoen aan een last van hooger hand
zonder hen daarbij eenige inspiratie te doen gevoelen.
Deze opvatting werd bestreden met de opmerking, dat vele patroons de
verplichte verzekering wenschen, teneinde de moeilijkheden aan de concurrentie
verbonden, niet te vermeerderen. Voorts werd niet ingezien waarom de Staat
de patroons niet zou mogen dwingen, bijaldien zij hun welbegrepen eigen-
belang klaarblijkelijk niet beseffen.
-ocr page 26-
Aan de werkgevers be-
hoort de verzekerings-
plicht opgelegd te wor-
den.
Nog werd de meening geuit, dat er geen afdoende rechtsgrond bestaat
voor het opleggen van de, verplichting tot verzekering aan de werklieden
en met hen gelijk te stellen personen, alhoewel voor het opleggen van die
verplichting aan de werkgevers wel een afdoende rechtsgrond aanwezig werd
geacht, n.1. deze, dat bedoelde verplichting als het ware ecne compensatie
vormt met de eigenaardige voorrechten, die de wet den werkgevers heeft
toegekend. Alsdan staat men op dezelfde basis, als waarop de wetgever zich
heeft gesteld bij het verordenen van maatregelen tot beveiliging der vvcrk-
lieden bij het verblijven in fabrieken en werkplaatsen. Langs dezen weg
verkrijgt men tevens het recht die verplichting te beperken, terwijl bij het
opleggen van die verplichting aan de werklieden er geen enkele grond aan-
wezig is, om die niet tot alle burgers uit te strekken.
Bij de gcdachtenwisseling over de vraag, of het in beginsel raadzaam is
de verplichting tot verzekering in te voeren, zijn meermalen in de bcraad-
slagingen betrokken: i". het „Schema eener wettelijke pensioenregeling voor
werklieden en daarmede gelijk te stellen personen in Nederland", benevens
de daarbij behoorende „Toelichting", welke beide stukken zijn opgesteld
door het lid der commissie D. VV. STORK; bij dit Schema is uitgegaan van
het beginsel, dat de wet den verzekcringsplicht oplegt aan de werklieden in
eene gemeente, zoodra de meerderheid van hen heeft beslist, dat eene pen-
siocnregeling raadzaam is; 2". het Rapport van de leden Dr. A. J. VAN"
PESCH en Coknkillk L. Landrk bevattende verschillende berekeningen ten
aanzien van de verzekering tegen ouderdom en invaliditeit; 3". de „Eerste
Schets van eenigc bepalingen op te nemen in een ontwerp-wet op de ver-
plichte verzekering tegen invaliditeit en ouden dag", opgesteld in September
1896 door het lid der commissie Mr. H. B. Greven. Deze stukken worden
als bijlagen VII, Vila, VIII en IX hierbij overgelegd.
Na breedvoerige gedachtenwisseling over deze verschillende gezichts-
punten is door de commissie met ecne niet onaanzienlijke meerderheid beslist,
dat het in beginsel raadzaam is te achten, de werklieden en met hen gelijk
te stellen personen tot verzekering te verplichten.
Daarna werd de vraag overwogen of dit beginsel van Staatsdwang behoort
te worden aangenomen, zoowel ten opzichte van de verzekering tegen ouder-
dom, als ten opzichte van die tegen invaliditeit, welke vraag bevestigend is
beantwoord.
Bijlagen VII-IX.
Beslissingen der commissie.
§ 7.
Is het in beginsel raadzaam de verplichte verzekering in den
aanvang te beperken\' tot die tegen ouderdom of wel
tot die tegen invaliditeit?
Na de beslissing genomen omtrent het hoofdbeginsel, waarvan bij eene
wettelijke regeling behoort te worden uitgegaan, werd onderzocht, of het
-ocr page 27-
^5
in beginsel raadzaam is te achten, den verzekeringsplicht in den aanvang
tot de verzekering tegen ouderdom te beperken dan wel tot de verzekering
tegen invaliditeit.
Uit den aard der zaak is bij de langdurige beraadslagingen over dit
punt meermalen het gebied van de feitelijke toestanden betreden, zonder
dat evenwel in dit stadium van het onderzoek in bijzonderheden de finan-
cieele uitvoerbaarheid van het beginsel werd overwogen.
Van vele zijden werd opgemerkt, dat de invoering van de verplichte
verzekering tegen ouderdom alleen niet wenschelijk is. Verplicht men de
werklieden toch hiertoe alleen, dan is het een natuurlijke gang van zaken,
dat op den leeftijd bepaald voor het ingaan van het pensioen het grootste
deel van hen, die hun ganschc leven hebben bijgedragen voor deze verze-
kering, reeds overleden is, d. w. z. het grootste deel der werklieden wordt
verplicht bijdragen te leveren voor een pensioen, hetwelk zij nimmer zullen
verkrijgen, maar hetwelk ten goede komt aan het kleinste deel der werk-
lieden. Dit werd eene niet gerechtvaardigde hardheid geacht. Wordt nu
tegelijk met de verplichte ouderdomsverzekering ook die tegen invaliditeit
ingevoerd, dan wordt wel is waar eene grootere geldelijke opoffering van
de werklieden gevergd, maar het pensioen komt een ieder ten goede, die
invalide wordt en deze kans bestaat evenzeer voor een 20-jarig als voor een
60-jarig werkman.
Volgens deze zienswijze zal de sociale tevredenheid niet kunnen worden
bevorderd door eene regeling van de verplichte ouderdomsverzekering
alleeen, waarom het wenschelijk werd geacht de verplichte invaliditeitsver-
zekering tevens te regelen.
In verband hiermede werd aangevoerd, dat een werkman op 30- of
35-jarige leeftijd invalide kan worden en tengevolge daarvan de premiebe-
taling voor het ouderdomspensioen niet kan blijven voortzetten; alsdan
kunnen de gedane stortingen voor hem geen voordcel opleveren, hetgeen
eene hardheid werd geacht niet in overeenstemming met den verzckerings-
plicht. Wordt iemand toch door de overheid tot iets verplicht, dan behoort
zooveel mogelijk gezorgd te worden, dat die verplichting kan worden nage-
komen. Ook om deze reden werd gelijktijdige invoering van beide ver-
plichte verzekeringen wenschelijk geoordeeld.
Invaliditeitspensioen werd geacht het overwegend voordeel te bezitten,
dat het verleend wordt juist wanneer behoefte aan pensioen bestaat. Indien
men echter enkel leeftijdspensioen verleent, wordt met de behoefte veel
minder rekening gehouden, tenzij men die leeftijd zóó hoog stelle, dat er
blijkens de ervaring praesumtie is voor invaliditeit. Maar dan komt men
tot eene zóó hooge leeftijdsgrens, dat de kans om pensioentrekker te worden
voor den verzekeringsplichtige al te gering wordt.
Hiertegenover werd van andere zijde het volgende aangevoerd. Waar in
het hiervoren bedoelde rapport der leden Dr. A. J. VAN PESCH en
4
Verzekering tegen ouder-
ilom alléén ongewenscht.
Voordeel verbonden aan
de invaliditeitsverzeke-
ring.
Bezwaren tegen de inva-
liditeits verzekering.
-ocr page 28-
20
Corneiixe L. LANDRÉ als grondslagen van berekening zijn aangenomen de
invaliditeitskansen opgegeven door den Zweedschen hoogleeraar LlNDSTEDT,
werd er tevens op gewezen, dat bedoelde hoogleeraar die gegevens heeft
ontleend aan de cijfers van al de Duitsche spoorwegen over een waar-
nemingstijdvak van 40 jaren. Deze cijfers komen vrijwel overeen met de
uitkomsten in Nederland verkregen ten opzichte van de invaliditeitskansen
waargenomen bij de burgerlijke ambtenaren. Maar deze cijfers kunnen
daarom nog niet juist worden geacht ten opzichte van de invaliditeitskansen
der werklieden in het algemeen; kon men op de werklieden dezelfde controle
uitoefenen als op de burgerlijke ambtenaren, dan kon de kansberekening
vrijwel uitkomen, maar thans werd dit niet aannemelijk geacht. Het begrip
invaliditeit is evenals dat van ziekte niet scherp omschreven, zoodat eene
andere opvatting van dit begrip tot overgroote verschillen kan leiden. Twee
treffende voorbeelden werden hiervan bijgebracht. In Neufchatel zijn er vijf-
maal meer zieken geweest dan volgens de beste Duitsche statistische gegevens
was berekend. In Amsterdam zijn na de reorganisatie van het gemeentelijk
pensioenfonds in drie jaren meer dan het dubbel van de pensioenen dan
vroeger verleend niettegenstaande de nieuw opgenomene kategorie (n.1. die
van hen, die na minder dan 15 jaren invalide worden) daartoe slechts een
klein contingent heeft geleverd. Met deze kennis van zaken is eene huive-
righeid om mede te werken aan eene algemeene invaliditeitsverzekering wel
verklaarbaar. Al moge men zich nu kunnen beroepen op de invaliditeits-
statistiek van het Duitsche Rijk en al moge men de Duitsche bepaling van
invaliditeit in Nederland willen overnemen, dan blijft bestaan het verschil
in toestanden tusschen de twee landen. Om ongeveer gelijke uitkomsten te
kunnen verwachten, moet niet enkel dezelfde controle, maar moeten ook
dezelfde opvattingen zoowel over invaliditeit als over controle bestaan, en
deze kunnen aanmerkelijk verschillen. Volgens deze zienswijze verdient het
aanbeveling de verplichte verzekering in den aanvang te beperken tot de
verzekering tegen den ouden dag, maar deze zóó in te richten, dat zij, die
vóór den leeftijd waarop het pensioen ingaat overlijden of invalide worden
niet hunne bijdragen moeten opofferen ten bate van de lang levenden.
Er werd evenwel hierbij op gewezen, dat de ouderdomsverzekering op
< taderdomsverzekering de zichzelve de minst aanbevelenswaardige vorm van verzekering moet worden
minst aanbevelenswaa, - geacht Wat toch is het geval ? Gesteld, dat iemand zijn leven verzekert
enge vorm van verzeki -
rinK.                              tegen eene premiebetaling, welke bij zijn overlijden ophoudt; de premie
voor deze verzekering is gebaseerd op de gemiddelde levenskans; hieruit
volgt, dat, als de verzekerde zoo gelukkig is zeer oud te worden, hij te
veel heeft betaald voor het verzekerd bedrag, hetwelk na zijn overlijden
zal worden uitbetaald, terwijl hij die zoo ongelukkig is spoedig te sterven,
te weinig heeft betaald voor bedoeld verzekerd bedrag. Alzoo wordt bij
deze soort van verzekering het meerdere betaald door hen, die zoo gelukkig
zijn lang te leven, m. a. w. oud te worden, en wel ten behoeve van de
-ocr page 29-
27
ongelukkigen, die op jeugdigen leeftijd sterven, of eigenlijk van hunne
gezinnen. Maar bij de ouderdomsverzekering is precies het omgekeerde het
geval: hierbij wordt juist door de ongelukkigen, d. w. z. door hen, die op
jeugdigen leeftijd overlijden, het meerdere betaald ten behoeve van de
gelukkigen en wordt dus aan de ongelukkigste gezinnen het geld onttrokken.
Volgens deze meening heeft de werkman het meeste belang om in de
eerste plaats tegen ziekte te worden verzekerd, opdat hij en zijn gezin
daardoor niet tot een begin van achterstand geraken. Op de ziekteverzekering
Hij welke verzekering
heeft de werkman het
meeste belang ?
zou dan moeten volgen eene
ingeval de werkman komt te
overlijden, zoodat zijne kinderen worden geholpen tot den leeftijd waarop
zij in hunne eigene behoeften behooren te kunnen voorzien en waardoor
de moeder dus mede wordt geholpen totdat het jongste kind een bepaalden
leeftijd heeft bereikt. In de derde en vierde plaats behooren dan te komen
de verzekeringen tegen invaliditeit en ongevallen, en daarna moeten nog in
de laatste plaats geholpen worden zij, die door het bereiken van een
hoogen leeftijd niet meer in staat zijn voor zich zelven te zorgen. Deze
laatstbedoelde personen en hunne gezinnen hebben zooveel voorgehad bij
de eerstbedoelde kategorieën, dat zij stellig ten opzichte hiervan tot de
bevoorrechten mogen worden gerekend te behooren. Doch hierbij werd
opgemerkt, dat in het stadium waarin de zaak van de verzekering der
werklieden verkeert, het onverstandig zou kunnen worden geacht de bedoelde
volgorde te willen doorvoeren, daar dit zeker tot een zeer belangrijk uitstel
zou moeten leiden. Evenmin werd het aanbevelenswaardig geacht de vijf
hiervoren bedoelde soorten van verzekering te gelijk te willen regelen.
In dezen gedachtengang werd aanbevolen om, wil men in dit stadium iets
met hetgeen bereikbaar is en dat is de Wat is thans bereikbaar?
tot stand brengen, te
beginnen
verzekering tegen den ouden dag, waarvoor eene regeling op goede grond-
slagen rustende kan gemaakt worden, al zal dit meest eenvoudige geval
reeds zulk een omvang hebben en zóó ingewikkeld worden, dat men de
groote moeielijkheden aan den omvang van deze verzekering verbonden
niet zonder moeite zal overwinnen. Maar juist daarom moet men beginnen
met enkel de ouderdomsverzekering onder handen te nemen en bij slagen
daarvan kan hierop verder worden voortgebouwd.
Voorts werd thans de invoering van de verplichte verzekering tegen
invaliditeit niet aanbevelenswaardig geacht op grond, dat deze verzekering
nog niet op behoorlijke grondslagen kan worden gevestigd. Het begrip
„invaliditeit" staat nog niet vast en de kosten dezer verzekering hangen
dus geheel af van de wijze van uitvoering der regeling, dus als het ware
van de administratieve jurisprudentie omtrent invaliditeit, welke in Nederland
nog moet ontstaan. Wil men deze aan Duitsche toestanden ontleenen, dan
loopt men groot gevaar zich schromelijk te misrekenen. Wordt de ouder-
domsverzekering alléén ingevoerd, maar zoo ingericht, dat bij invaliditeit
en overlijden het uitgegeven geld voor den werkman niet verloren gaat,
-ocr page 30-
28
dan zal daardoor eene statistiek van invaliditeit voor den dag komen
zooals die voor Nederland en de dan gevolgde administratie betrouwbaar is.
Dan zal mogelijk reeds na een tiental jaren met gegronde hoop op goeden
uitslag de zoo belangrijke verzekering tegen invaliditeit verplichtend kunnen
worden gesteld en ingevoerd.
In tegenstelling met deze beschouwing werd betoogd, dat eene regeling
van overheidswege gewenscht is voor de verzekering zoowel tegen ouder-
dom als ook tegen een ontijdigen toestand van krachtsverval, m. a. w.
tegen een vervroegden ouderdomstoestand. De Staat pensionneert toch zijne
oude of ontijdig invalide geworden ambtenaren en laat hen daartoe van
hunne bezoldigingen bijdragen, volgens de regelen voor de pensioens-
berekeningen aangenomen. Die bezoldigingen worden geacht voor die
bijdragen evenzeer als voor het levensonderhoud voldoende te zijn en de
toekomst der ambtenaren is in zekere mate verzekerd. Het is wenschelijk
en moet worden aangenomen — al is het voorshands helaas voor velen
nog slechts als fictie — dat ook voor loonarbeiders, niet in Staatsdienst, in
het loon de middelen worden gevonden voor levensonderhoud, niet slechts
gedurende de jaren van arbeidskracht, maar ook in de jaren wanneer de
kracht is ontgaan, hetzij als natuurlijk gevolg van ouderdom, hetzij als
gevolg van vroegtijdig ingetreden ontzinking van arbeidsvermogen. In dezen
zin werd het vraagstuk van ouderdoms- en invaliditeitspensioen één en
onscheidbaar geacht, terwijl hierbij werd opgemerkt, dat de uitvoering
behoort te geschieden volgens regelen voor assurantie op wetenschappelijke
grondslagen, als geldend aangenomen.
Welke verzekering is het           Van andere zijde werd er opmerkzaam op gemaakt, dat wanneer men
meest in het algemeen vraagt, welke verzekering in beginsel den voorrang verdient als zijnde het
meest in het algemeen belang, het dan geen twijfel lijdt, of aan de invali-
diteitsverzekering zal de voorrang moeten worden gegeven boven de ouder-
domsverzekering.
Met het oog echter op de minder moeilijke oplossing van het vraagstuk
van de uitvoering der verzekering, lijdt het evenmin twijfel, of aan de ouder-
domsverzekering zal de voorrang worden toegekend, maar dit mag voor
het antwoord op de vraag of de Staat al dan niet zal ingrijpen, niet de
hoofdoverweging zijn, welke enkel mag bestaan in het antwoord op de
vraag, met welke verzekering het algemeen belang het meest wordt gebaat.
En dan werd zoowel de maatschappij als de werkman zelf geacht het
meest gebaat te zijn met het steunen van dezen laatste in geval van invalidi-
teit. Volgens deze zienswijze is het niet voldoende de verplichte ouderdoms-
verzekering alleen in te voeren en die zoodanig te regelen, dat bij overlijden
of bij invaliditeit gerestitueerd worden al de betaalde premiën, al voegt men
daar ook bij de gekweekte renten. Die restitutie, alhoewel in beginsel
rechtvaardig geacht, zal praktisch toch wel niet veel resultaat opleveren.
-ocr page 31-
2<J
Gesteld toch, dat iemand 20 jaren lang heeft bijgedragen en dan invalide
wordt of sterft, hoeveel wordt hem of zijn gezin dan gerestitueerd ? Ook al
neemt men aan, dat dit bedrag zeer ruim gerekend vijfhonderd gulden is,
dan beteekent dit nog niet veel, aangezien daaruit slechts gedurende een
tiental jaren eene wekelijksche ondersteuning van één gulden kan
worden verleend. Hoe rechtvaardig dus deze restitutie ook moge wezen,
praktisch is het resultaat gering. Gaat men evenwel van het beginsel uit
dat het rechtvaardig is in bepaalde omstandigheden restitutie van de gestorte
premiën te verleenen, dan mag gevraagd worden, waarom die rechtvaardig-
heid alleen bestaat bij overlijden en invaliditeit. Het kwam toch even recht-
vaardig voor restitutie te verleenen aan een verzekerde, die lang aan het
ziekbed is gekluisterd, b.v. gedurende twee jaren. Gaat men evenwel hiertoe
over, dan komt deze verzekerde na zijn herstel in eene hoogst zonderlinge
positie in de verzekering te staan.
De aandacht werd er op gevestigd, dat waar het vaststaat, dat de Aanbeveling van beide
ouden van dagen meestal onverzorgd zijn, het uit een oogpunt van Staats-
belang dringend noodig kan zijn om het eerst de verzekering tegen den
ouden dag te regelen. Evenwel werd het minstens een even groot Staats-
belang geacht in den onverzorgden toestand der invaliden te voorzien. Al
moge nu het vaststellen van het begrip invaliditeit niet zoo eenvoudig zijn
en al moge ook aan de statische gegevens wel wat kunnen haperen, toch
behoeven deze omstandigheden niet te weerhouden de regeling van de
verzekering tegen \'invaliditeit ter hand te nemen. Men bedenke toch, dat
geene enkele soort van verzekering bij den aanvang over absoluut betrouw-
bare gegevens heeft te beschikken gehad en hadden nu de particuliere
maatschappijen willen wachten met hare operaties te beginnen tot zij die
gegevens bezaten, dan zou men waarschijnlijk nog verstoken zijn van vele
soorten van verzekering; men denke aan de verzekering tegen zeegevaar
en tegen brand in vroeger tijd en tegenwoordig aan die tegen inbraak.
Daarom verdient het aanbeveling om evenals de particuliere maatschappijen
te beginnen en al arbeidende de gegevens te verzamelen, welke nog zullen
blijken noodig te kunnen zijn.
Een ander voordeel van gelijktijdige regeling der beide verzekeringen,
en niet van ouderdomsverzekering alleen, werd geacht daarin gelegen te
zijn, dat anders laatsbedoelde regeling waarschijnlijk te hoog zal worden
opgevoerd door het pensioen vroeg, b.v. op 60-jarigen leeftijd, te doen
ingaan en het bedrag daarvan vrij hoog te stellen. Alsdan zou deze regeling
later zeer in den weg staan aan het tot stand komen van andere takken
van verzekering.
De regeling van de ouderdomsverzekering alleen werd door sommigen
Bezwaar tegen de enkele
ouderdomsverzekering
geacht eene bevoordeeling van het platte land te zijn ten koste der stede-
-ocr page 32-
30
lijke bevolking. Uit de Beroepstelling van 31 December 1889 in Nederland
zou volgens deze zienswijze namelijk blijken, dat in de gemeenten beneden
5000 zielen de oude mannen, op ieder getal van 1000 mannen na het
35e jaar, talrijker zijn dan in de gemeenten boven 100000 zielen. De
getallen der vrouwen daarentegen blijven vrij gelijk. Dit werd geacht er
op te wijzen, dat er verschil is in beroepsgevaar op het platte land en in
de steden. En dit wijst nog op iets, n.1. dat de ouderdomsverzekering de
personen in gezonde beroepen bevoordeelt boven die in minder gezonde.
Daarom werd het wenschelijk geoordeeld om bij eenen algemeenen ver-
zekeringsdwang die bevoordeeling althans eenigermate te compenseeren door
een pensioen bij invaliditeit. Wordt evenwel in stede van invaliditeits-
verzekering in te voeren aan de ouderdomsverzekering een restitutiestelsel
verbonden, zoodat bij overlijden of invaliditeit worden uitgekeerd de volle
gestorte premiën benevens de daarvan gekweekte renten, dan werd gevreesd,
dat de toepassing van het invaliditeitsbegrip dadelijk zeer ruim zou worden
wanneer daaraan geen risico voor het pensioenfonds is verbonden. Hoe
alsnu langs dezen weg een grondslag voor een pensioentarief zou kunnen
worden gevormd, is niet volkomen duidelijk voorgekomen. Deze volledige
teruggave van premiën met de daarvan gekweekte renten in geval van
overlijden, werd geacht te zullen uitloopen op blooten spaardwang ten
behoeve van nabestaanden, maar niet te zijn eene pensioenverzekering,
d. w. z. een kanscontract.
Waar door sommigen op den voorgrond werd geplaatst de wenschelijk-
heid om de verzekering tegen ziekte het eerst te regelen, werd van andere
zijde hiertegen opgemerkt, dat die meening niet wordt gerechtvaardigd
door den feitelijken toestand.
De regeling van deze verzekering werd niet zoo dringend geacht,
omdat de werklieden zelf hierin vrij voldoende hebben weten te voorzien
door de fondsen verbonden aan de verschillende ondernemingen van
nijverheid en in de grootere plaatsen door onderlinge fondsen en ook door
gebruik te maken van de particuliere ziekenfondsen. Al kan nu ook de
wenschelijkheid niet worden ontkend van verbetering van enkele bepalingen
bij deze fondsen in zwang, toch geven deze geen aanleiding tot luide
klachten. Evenwel is bij de werklieden sedert jaren het verlangen levendig
naar eene verzekering tegen den ouden dag, zonder dat zij kans zien zelf
hierin behoorlijk te voorzien. Bij al hun wenschen treedt dit verlangen
steeds het meest op den voorgrond. Zij vinden het hard op hun ouden
dag na een welbesteed werkzaam leven hun toevlucht te moeten nemen tot
de armenzorg. Aan deze verzekering evenwel een restitutiestelsel te ver-
binden voor de gevallen van invaliditeit en overlijden is volgens voorstan-
ders van deze zienswijze niet raadzaam op grond van de verwarring, welke
hierdoor kan ontstaan tusschen de verzekering van den werkman en die
van zijn gezin. Bovendien zal bedoelde restitutie toch nimmer meer
Verlangen van de werk-
lieden naar ouderdoms-
verzekering.
-ocr page 33-
3i
bedragen dan eene geringe som, die wel niet is te versmaden, maar
onvoldoende is om in de wezenlijke behoeften te voorzien. Van deze zijde
werd nog betoogd, dat niet wordt ingezien de hardheid van de ouderdoms-
verzekering, welke zou medebrengen, dat zij die op jeugdigen leeftijd
overlijden, een deel van het pensioen betalen van hen, die zoo gelukkig
zijn den pensioensleeftijd te bereiken. Bij elke verzekering toch, b.v. bij
die tegen brand en tegen ziekte, betaalt een ieder eene lage premie ten
behoeve van de enkelen, die de schadeloosstelling ontvangen. Nu heeft
ieder twintigjarige dezelfde kans om oud te worden en dan pensioen te
ontvangen, waarom het solidariteitsgevoel van allen behoort ontwikkeld te
worden om te doen bijdragen voor hen, die zullen blijken den voor het
pensioen vastgestelden leeftijd te bereiken.
De aandacht werd er eveneens op gevestigd, dat de vraag of het
raadzaam kan worden geacht, gelijktijdig beide verplichte verzekeringen in
te voeren, ruimte laat voor tweeërlei opvatting. Men kan toch vragen of het
voor den Staat raadzaam is in de bestaande concrete omstandigheden
beide verzekeringen of eene daarvan te regelen, m. a. w. of de omstandig-
heden zooals zij nu zijn, op grond van hetgeen daaraan is voorafgegaan, het
raadzaam maken, dat de Staat in de eene of in de andere richting regelend
optrede. Uit dit oogpunt beschouwd werd het voor den Staat raadzaam
geacht alleen de verzekering tegen den ouden dag te regelen. In de bijeen-
komsten der werklieden is enkel gevraagd, dat de Staat de aangelegenheid
van de ouderdomspensioenen der werklieden onderzoeke en regele. Om die
reden zou de Staat zich dan ook tot deze verzekering kunnen bepalen.
Eene gansch andere vraag is het evenwel of het voor den Staat raadzaam
is zich tot deze verzekering te beperken met het oog op hetgeen vermoe-
delijk in de naaste toekomst zal worden gevraagd en mogelijk zal blijken
noodig te zijn.
Vraagt men zich nu af, waarmede ten opzichte van het vraagstuk der Oudt •.•domsverzekering
werkliedenverzekering op eene bevredigende wijze kan worden volstaan, dan \'net rcstltutiestelsel
moet naar het gevoelen van verscheidene leden het antwoord luiden, dat de
enkele regeling van de verzekering tegen den ouden dag niet bevredigend
kan wezen. Bij deze regeling zal toch ter voorkoming van hardheden
rekening behooren te worden gehouden met eventueel invalide worden
of overlijden vóór den leeftijd waarop bij verzekering uitsluitend tegen den
ouden dag het pensioen ingaat. Volgens deze zienswijze kan eene verzekering
uitsluitend tegen invaliditeit, evenmin bevredigend worden geacht, daar eene
regeling van den onverzorgden ouden dag minstens evenzeer urgent wordt
geoordeeld. Uit een oogpunt van liefdadigheid beschouwd, kan worden
gezegd, dat een invalide in den regel meer medelijden ondervindt dan een
oude van dagen, hoewel de hulpeloosheid voortspruitende uit ouderdom,
niet minder steun vereischt dan die tengevolge van invaliditeit. Bedenkt men
nu hierbij, dat de verzekering van werklieden, een hier te lande nieuwen
-ocr page 34-
32
weg van werkzaamheid opent, dan behooren ook de eerste stappen op dien
weg zoo omzichtig mogelijk te worden gezet, hetgeen bovendien in overeen-
stemming werd geacht met de historische ontwikkeling van het verzekerings-
vraagstuk in Nederland. Hier te lande is toch in de kringen der werklieden
in hoofdzaak het verlangen uitgesproken naar verzekering tegen den ouden
dag. Wordt nu aan de regeling dezer verzekering een stelsel van restitutie
verbonden voor de gevallen van invaliditeit en overlijden, dan moge men
zoodanige regeling als hoogst bescheiden beschouwen, maar toch kan zij
geacht worden voor een groot deel tegemoet te komen aan de behoeften
van de werklieden zonder overdreven offers te vergen voor de betaling
van de premie.
Beslissingen der commissie.
         Na deze beraadslagingen is door de commissie met eene niet groote
meerderheid, waartoe ook leden behoorden die tegenstanders waren van de
verplichte verzekering in het algemeen, beslist, dat het in beginsel niet raad-
zaam is te achten, den verzekeringsplicht in den aanvang te beperken, tot
de verzekering tegen den ouden dag. Tevens is, en wel met eene belang-
rijke meerderheid, beslist, dat het omgekeerd evenmin aanbeveling verdient
in den aanvang alleen de verplichte verzekering tegen invaliditeit ter hand
te nemen.
Is het wenschelijk op de           In dit stadium van de werkzaamheden scheen de commissie alzoo in
beginsel zich te hebben verklaard voor het opstellen van eene wettelijke
voort te bouwen ?                     ö                                                                                                 r-                                                   j
regeling van de verplichte verzekering tegen ouderdom en invaliditeit. Aan-
gezien thans moest worden overgegaan tot het opstellen van de overige
grondslagen waarop beide verzekeringen behooren te berusten, heeft de
voorzitter het wenschelijk geacht de gehouden stemmingen na te gaan om
te onderzoeken of er nog eene meerderheid in de commissie was waarmede
de werkzaamheden op de thans aangenomen grondslagen zouden kunnen
worden voortgezet. Dit onderzoek heeft hem er toe geleid in de vergadering
van 7 November 1896 te verklaren het zijn plicht als voorzitter te achten
om er met nadruk op te wijzen, dat het eind-rapport der commissie zijns
inziens in verband met de gehouden stemmingen zoude moeten steunen
op het gevoelen van eene minderheid, zoodat de vooruitzichten voor een
positief resultaat van de werkzaamheden der commissie niet anders dan
gering konden zijn.
Ueze zienswijze vond tegenspraak. Er werd getwijfeld, of het thans wel
het juiste oogenblik was, om de kracht van de gevallen beslissingen te
beoordeelen. De grondslagen, waarop de verzekeringen tegen invaliditeit en
ouden dag behooren te rusten, waren nog niet onderzocht. De Staats-
commissie was benoemd om het vraagstuk volledig te onderzoeken, en het
verschil tusschen eene wetgevende vergadering en eene Staatscommissie
bestond juist hierin, dat bij de laatste niet naar eene meerderheid, om mede
door te werken, behoefde te worden gevraagd. Uit de door de leden over
-ocr page 35-
33
de behandelde principieele vraagpunten uitgebrachte stem viel niet af te
leiden, hoe zal worden geoordeeld na het onderzoek in bijzonderheden, dat
thans aan de orde behoorde te komen.
Na deze overwegingen heeft de commissie besloten op de aangenomen Beslissing der commissie,
grondslagen voort te bouwen, terwijl na vaststelling van alle grondslagen
noodig voor het opstellen van eene wettelijke regeling eene eindstemming
zou beslissen over de wenschelijkheid van het invoeren van eene verplichte
verzekering zoowel tegen ouderdom als tegen invaliditeit.
In dezen stand der werkzaamheden is door het lid Mr. J. Baron Uijlagen x en XI.
d\'Aui.NIS DE BoUROüILL aan de commissie verstrekt eene „Nota over het
Zweedsche wetsontwerp van 1895 op de invaliditeits- en ouderdomsverzeke-
ring", welke als bijlage X hierbij wordt overgelegd, evenals de „Nota over
de verzekering tegen invaliditeit", opgesteld op 16 November 1896 door het
lid CORNE1LLE L. LANDRÉ (bijlage XI).
§ 8.
Wie behooren de kosten der verplichte verzekering tegen
ouderdom en invaliditeit te betalen?
Nadat de commissie in beginsel had besloten tot regeling van de ver-
plichte verzekering tegen ouderdom en invaliditeit, heeft zij het eerst in
behandeling genomen de vraag wie tot de kosten daarvan behooren bij te
dragen.
Hieromtrent werd opgemerkt, dat als de Staat deze verzekering raad- (ieene staatsbijdrage.
zaam acht, omdat het billijk is, dat het werk van den arbeider dezen ook
op diens ouden dag voor gebrek vrijwaart en omdat verwacht wordt langs
dezen weg de armenzorg te kunnen verminderen, het dan logisch is, dat
de Staat of eenig ander publiekrechtelijk lichaam geene bijdrage verstrekke
aan deze verzekering, daar in het tegenovergestelde geval de armenzorg
weder hare intrede zou doen, zij het ook in andere gedaante. Logisch werd
het daarom geacht, dat aldus geredeneerd wordt: „de Staat acht het
plicht den werkman een onbezorgden ouden dag te verschaffen; daarom
dwingt hij èn den werkman, die daarbij het meeste belang heeft, èn den
werkgever, die des werkmans krachten heeft gebruikt, daartoe mede te
werken; de Staat zal evenwel zorg dragen — door de administratie van
het fonds op zich te nemen — dat aan deze wettelijke verplichting op de
minst bezwarende wijze kan worden voldaan."
Nu moge in werkliedenkringen mogelijk een verlangen naar eene
Staatsbijdrage bestaan op grond, dat eene dergelijke bijdrage hun de
premiebetaling vergemakkelijkt, toch werd het niet steeds In hun voordeel
5
-ocr page 36-
34
geacht, dat de Staat tot de verzekering bijdrage. Verleent de Staat
namelijk eene bijdrage, dan moet het bedrag daarvan steeds uit belas-
tingen worden bestreden en dit werd geacht dikwijls juist te zullen geschie-
den uit belastingen, welke voor het grootste gedeelte door de werklieden
worden opgebracht, n.1. uit de indirecte belastingen. Wendt men te dezen
aanzien den blik naar Duitschland, waar bij elk toegekend pensioen eene
Rijksbijdrage van 50 Mark per jaar wordt verleend, dan ziet men, dat
door bedoeld Rijk in 1894 aan bijdrage voor de „Invalidit;its- und Alters-
versicherung" is gestort een bedrag van 13,8 millioen Mark, terwijl alleen
de „Tabakssteuer", om van de belasting op granen, petroleum e. a. niet te
spreken, in 1893 heeft opgebracht 10,9 millioen Mark. Nu kwam het
voor geen nader betoog te behoeven, dat die belasting voor het grootste
deel door de werklieden is opgebracht, waardoor het twijfelachtige van
het voordeel eener Rijksbijdrage geacht werd niet onduidelijk aan het licht
te komen.
Van andere zijde werd betoogd, dat waar is aanbevolen de verplichting
tot verzekering op de werkgevers te leggen, teneinde hen gemakkelijk tot
bijdragen te kunnen verplichten, daarvoor een rechtsgrond behoort aanwezig
te zijn, welke niet zoo maar is uitgedacht, doch als verplichting in zedelijken
zin wordt gevoeld. Kvenwel werd van deze zijde ontkend, dat deze zedelijke
verplichting in het algemeen voor alle werkgevers bestaat. Indien het den
werkgevers in hun bedrijf goed gaat, zijn zij zedelijk verplicht de werk-
lieden, die geruimen tijd bij hen in dienst zijn geweest, ook te onderhouden
in den tijd, dat aan deze de krachten ontbreken om door werken in hun
onderhoud te voorzien. Gaat het den werkgevers evenwel niet goed, d. w. z.
verliezen zij steeds geld in hun bedrijf, of kan dit laatste te nauwernood
voorzien in de allernoodzakelijkste uitgaven, welke zedelijke verplichting kan
er dan voor hen bestaan om voor den tijd te zorgen, dat hun werklieden
niet meer in staat zullen zijn door arbeid in hun onderhoud te voorzien?
In dit geval werd deze zedelijke verplichting geacht niet te bestaan.
Men bedenke hierbij, dat hetgeen de werkgever voor het pensioen van zijne
werklieden betaalt, moet worden gevonden öf uit de ondernemerswinst of
uit het loon van de werklieden öf uit de beurzen van de consumenten.
Nu werd des werkgevers bijdrage geacht slechts uit de ondernemers-
winst te kunnen worden bestreden in bedrijven, welke in gunstige financieele
omstandigheden vcrkeeren; evenwel werd tevens geoordeeld, dat in de meeste
gevallen de werkman direct of indirect wel uit zijn loon zal betalen
hetgeen voor zijn pensioen door den werkgever wordt bijgedragen. Wordt
nu bepaald, dat de bijdragen voor de verzekering gedeeltelijk door
den werkgever en gedeeltelijk door den werkman zullen worden betaald,
dan werd betwijfeld of deze regeling de verzekering wel populair
zou maken. Den werkman, die gedwongen wordt onder alle omstandig"
heden een deel van zijn loon te missen, zal dit niet tevreden stemmen,
-ocr page 37-
35
terwijl de werkgever zal gaan klagen, dat zijne industrie te veel wordt
belast. De werkgever, die de bijdrage niet kan missen, werd geacht even-
min ten onrechte te klagen over den druk der verzekering als de werkman,
die aantoont, dat van zijn lage loon niets kan worden gemist. De meening
werd in dit verband dan ook geuit, dat de Duitsche wetgever dit wel
degelijk heeft gevoeld, waarom de Rijksbijdrage van 50 Mark per jaar
en per pensioen dan ook verdedigd is „urn das berechtigte Bedürfnisz des
Arbeiters nach einem erreichbaren Masz von Fürsorge fiir den Fall des
Alters und der Invaliditeit zu befriedigen und dadurch die gesammte Staats-
und Gesellschaftsordnung zu stützen" (bladzijde 58 van de „Stenographische
Berichte" van den Duitschen Rijksdag 1888/1889, Band 4). Overigens werd
het geacht eene open vraag te blijven of de verhouding tusschen werkgever
en werkman wel verbeterd zal worden door beiden te dwingen een deel van
hunne inkomsten af te staan. Voorts werd vermeend, dat waar de Staat
verplicht bijdragen te storten voor een bepaald doel, hij tevens verplicht is
te zorgen, dat dit doel kan worden bereikt, om welke reden eene bijdrage
van den Staat gerechtvaardigd scheen ter verkrijging van een voldoend
pensioen. Zoodra toch de Staat zich bemoeit met deze verzekering en die
verplichtend stelt, rust op hem ook de plicht om van zijn hoog standpunt
te zorgen voor eene uitkeering, welke voldoende is voor een menschwaardig
bestaan. Men bedenke hierbij, dat zij, die het minst dwang van noode hebben,
juist de personen zijn, die de grootste bijdragen kunnen leveren. In verband
met deze beschouwing werd er nog de aandacht op gevestigd, dat het eigen-
aardig is na te gaan wat in Duitschland in de Memorie van Toelichting op
de Wet van 22 Juni 1889 is verklaard ten opzichte van de armverzorging
en wat later door de voorstanders van de verplichte verzekering (b.v. Dr.
Kreund) hieromtrent is medegedeeld. Bedoelde Memorie verklaart o. a. dat
liet „Erwïigung" verdient, „dasz durch die Alters- und Invaliditatsversiche-
rung, wie bereits erwahnt, eine erhebliche Erleichterung einer anderen öffent-
lichen Last, der öffentlichen Armenpflege, eintritt. Die jetzigen Trager der
Armenlast, die öffentlichen Armenverbande, werden, wie wohl von keiner
Seite bestritten wird, durch die derzeitige Armengesetzgebung so ungleich-
miiszig getroffen, dasz die Uebernahme wenigstens eines Theils der Armen-
last auf die breitesten Schultern, d. h. auf das Reich, wiederholt in Anre-
gung gebracht worden ist".
Daarentegen beweert Dr. Freund in 1895: „Est ist unzweifelhaft, dasz
unter den Einflusz der Arbeiterversicherung an die Armenpflege gröszere
Ansprüche gestellt werden; der Arbeiter lernt den wirthschaftlichen Werth
seiner Gesundheit höher schatzen, das übertragt er auf seine Familie, auf
alle diejenigen, welche mit ihm raumlich zusammenwohnen, und daraus
erwachsen meist gesteigerte Ansprüche an die Armenpflege. Wenn
ScHöl\'FERSTEDT es ausspricht, dasz durch die Arbeiterversicherungsgesetze
die Begehrlichkeit der untern Klassen der Bevölkerung gesteigert ist, so will
Staatslujdrage in Duitsch-
land.
De Staat is verplicht te
zorgen, dat de opge-
legde verplichting kan
worden nagekomen.
Verplichte verzekering in
verband niet armenzorg.
-ocr page 38-
36
icli an diesem Ausdruck nicht wiickeln; ich habe gegen diese Begehrlichkeit
von meinem Standpunkt nichts einzuvvenden, so diese unberechtigt ist, wird
man sie zurückweisen."
De voorstanders van deze meening hebben voorts verklaard, dat zoolang
zij niet overtuigd zijn, dat ook de minst beloonde werklieden, dus zij die het
hard te verantwoorden hebben, in staat zijn de bijdrage voortvloeiende uit
de verplichte verzekering te betalen, tegenover het opleggen van deze ver-
plichting ook de verplichting van den Staat behoort te bestaan om zorg te
dragen, dat deze werklieden aan den hun opgelegden last kunnen voldoen.
Daarom behoort de Staat de geheele of althans bijna de geheele premie te
betalen voor de pensioenen van hen, wier loon beneden een bepaald minimum
is, een minimum, waarbij reeds zeer bezwaarlijk in het hoogst noodige kan
worden voorzien.
Hiertegen werd opgemerkt, dat bijaldien van den Staat verlangd wordt
geldelijken steun te verleenen, alsdan minstens het samentreffen van de twee
volgende omstandigheden behoort aangetoond te worden :
i°. oplegging door den Staat van de verplichting tot verzekering en
2°. het bestaan van financieele onmacht bij de tot verzekering verplichten,
waardoor zij in de onmogelijkheid verkeeren om die verplichting na te komen.
Alleen uit dit samentrerïen werd het mogelijk geacht, eene verplichting
van den Staat af te leiden om eene bijdrage te leveren aan de door hem
verordende verzekering. Evenwel werden de zakelijke gegevens geacht te
ontbreken ter vaststelling van bedoelde financieele onmacht.
Vorm waarin eene Staats-           Voorts werd in dit verband de aandacht gevestigd op den vorm, waarin
bijdrage kan worden ^e Staatsbijdragc wordt verlangd. Wordt deze toch als eene algemeene bij-
verleend.
drage aan de verplichte verzekering geschonken, dan wordt wegens totalen
nood van sommigen eene gedeeltelijke tegemoetkoming verleend aan allen.
Dit werd ondoeltreffend geacht: immers eenerzijds ontoereikend, want geheel
onvermogenden worden door gedeeltelijke ondersteuning niet gebaat; ander-
zijds onnoodig en diensvolgens onverdedigbaar.. Wil men evenwel den Staat
in elk concreet geval doen bijdragen voor hen, wier loon zeer bezwaarlijk
in de behoeften van het hoogst noodige kan voorzien, dan werd gevreesd,
dat dit in de praktijk ondoenlijk zou blijken.
De staat kan niet zorgen         Nog werd aangevoerd, dat als de Staat tot verzekering verplicht, op grond
voor e na ommg van van ^.. recjlt tot handhaving van de sociale orde, in de allereerste plaats
«e opgelegde verplieh-                J                                           °                                                                    . *
ting.                            werkgever en werkman aan de verzekering behooren bij te dragen. Evenwel is
het nu eveneens een punt van Staatszorg geworden, om de nakoming van
de opgelegde verplichting mogelijk te maken. Maar hoe kan de Staat dit?
Door eene loonwet, welke het loon opvoert tot een peil, dat hieruit dever-
zekeringspremie kan worden voldaan? Voorzeker neen, want er zal wel
niemand worden gevonden, die het vaststellen van eene dergelijke wet
mogelijk acht. Zou men echter tot zulk eene wet zijn toevlucht willen
nemen, dan zouden daarbij tevens de werkgevers in staat behooren te
-ocr page 39-
37
worden gesteld, het wettelijk loon te betalen, hetgeen werd geacht aanlei-
ding te zullen geven tot een samenstel van maatregelen, zóó onuitvoerbaar
als de geschiedenis zelfs in den tijd van de wetten tegen de weelde niet
heeft gekend. Dan blijft als eenig middel over, dat de Staat eene bijdrage
schenkt aan de verplichte verzekering, waartoe de Staat volkomen gerechtigd
werd geacht, en wel op denzelfden grond, waarop bijvoorbeeld de kosten
van het hooger onderwijs door den Staat worden betaald. Dit onderwijs
acht de Staat toch in zijn belang noodig, maar zij, die hiervan gebruik
maken, betalen slechts eene zeer geringe bijdrage in de kosten daarvan.
Bij het hooger onderwijs wordt geene rekening gehouden met de personen,
die daarvan genieten, hetgeen bij den arbeid eveneens het geval is. Daarom
werd de Staat evenzeer gerechtigd geacht om den arbeid te hulp te komen.
Tegen deze beschouwingen werd aangevoerd, dat waar de Staatsbijdrage           De motieven voor
wordt voorgesteld als gevolg van Staatsdwang tot verzekering, men zich ^taatsdwanf pleiten tegen
....           eene Staatsbij<lrajje.
blijkbaar minder goed rekenschap geeft van de motieven, welke voor dien
dwang zijn aangevoerd.
Deze dwang wordt aanbevolen teneinde de bezwaren op te heffen, welke
de ondernemer en de arbeider ontmoeten bij de vrijwillige verzekering.
De arbeider ontdekt dikwijls, dat hij voor vrijwillige verzekering te oud is:
de Staat noodzaakt vroeg te beginnen. De arbeider vreest, dat er te veel
aanleiding zal zijn om de storting van premien niet voort te zetten: de
Staat noodzaakt tot voortzetting. De zich vrijwillig verzekerende arbeider
klaagt over zijne concurenten, die zich dezen last niet opleggen : de Staat
stelt door dwang allen op dezelfde lijn. Hetzelfde doet de Staat ten opzichte
van de ondernemers En de klacht der ondernemers, dat zij bij vrijwillige
verzekering te weinig waarborg hebben, dat hun werklieden bij nieuwe
patroons de betaling voortzetten, ondervangt de Staat door verzekerings-
plicht. In deze motieven werd voor de bewering, dat Staat zich moet
verplichten tot geheele of gedeeltelijke betaling der premie, geen zweem
van aanleiding geacht. Iets anders ware het, indien tegen de vrijwillige
verzekering de absolute onmacht der personen om te betalen ware aange-
voerd; doch dan ware Staatsdwang op zich zelf allervreemdst. Nu moge
zonder Staatsbijdrage het pensioen in het algemeen niet voldoende voor-
komen, maar de Staat waarborgt bij invoering van den verzekeringsplicht
toch niet het voldoende der pensioenen\'! Zoo iets belooft de Staat niet.
Het argument, dat de Staat bij het opleggen van eene verplichting zich
zelven tevens moet verplichten tot betaling, werd dan ook in deze beschou-
wing ongegrond geacht. Het Nederlandsche recht wemelt van publiekrech-
telijke verplichtingen voor de ingezetenen, zonder dat zij daarvoor finan-
cieelen steun ontvangen. Het karakter eener publiekrechtelijke verplichting
werd dan ook op zich zelf geen grond voor geldelijken steun uit de open-
bare kas geacht.
In verband met deze zienswijze werd er op gewezen, dat de Staat de
-ocr page 40-
38
verplichting oplegt om belasting te betalen. Maar juist door te wijzen op
deze verplichting werd het geacht duidelijk aan het licht te komen welk
standpunt de Staat heeft in te nemen bij het opleggen van den verzeke-
Vrijstelling van de» ver ringsplicht. Bij het opleggen van belasting stelt de Staat hen vrij, van
lekenngsphcht van hen. wje n;j met recJen van te voren kan vermoeden, dat zij onmachtig zijn om
die de premie niet kun -
nen betalen.                    te betalen. Dit standpunt ook in te nemen bij het opleggen van den ver-
zekeringsplicht werd voor den Staat wenschelijk geacht, zoodat van de
verplichte verzekering zouden behooren te worden vrijgesteld zij van wie
met reden van te voren kan worden vermoed, dat zij onmachtig zijn om
de lasten der verzekering te betalen. Volgens deze meening kan een pensioen
niet anders bedoelen dan de uitkeering van uitgesteld loon, waardoor het
geacht werd duidelijk te blijken, dat eene bijdrage van den Staat in strijd
is met den aard en het wezen van pensioen. Het loon behoort toch betaald
te worden door den werkgever; splitst deze dit in tweeën, n.1. in dadelijk
uitbetaald en in later uit te betalen loon in den vorm van pensioen, dan
kwam het voor, dat de Staat aan dit laatste deel evenmin heeft te betalen
als aan het eerste, b.v. wanneer de werkgever op den betaaldag insolvabel is.
< )nti)ieken van een recht*            De rechtsgrond voor eene Staatsbijdrage werd voorts nog geoordeeld te
tjrond voor eene staats, ontbreken, omdat geen specifieke band tusschen de werklieden en den
Staat bestaat, waardoor deze laatste verplicht wordt bij te dragen voor
de eersten.
Het is toch voor den Staat volkomen hetzelfde of een werkman dan
wel een ander zijner onderdanen behoeftig wordt. Zou men dus den Staat
willen verplichten aan de verzekering bij te dragen, dan bestaat deze
verplichting evenzeer tegenover alle onderdanen, en niet enkel tegenover
de werklieden.
Neemt men deze verplichting van den Staat tegenover alle onderdanen
echter aan, dan kwam het voor, dat men tot een stelsel van armenzorg
zou komen, waaraan slechts een andere naam was gegeven.
l)e Staatsbijdrage berust
           Van andere zijde werd betoogd, dat de vraag naar eene Staatsbijdrage
op een doelmatigheids eenvoudig wordt opgelost in de vraag, of de verzekerden de kosten aan de
jrond.
verzekering verbonden, kunnen betalen. Volgens deze zienswijze werd een
eigenlijke rechtsgrond voor eene Staatsbijdrage geacht niet te bestaan ;
kunnen de kosten der verzekering worden betaald door werkgevers en
werklieden, dan is er geen plaats voor de vraag naar eene Staatsbijdrage.
Evenwel werd het wenschelijk geoordeeld de verzekering zóó te regelen,
dat eene Staatsbijdrage niet noodig zij.
In verband met deze beschouwing werd nog de meening geuit, dat in
beginsel alleen de werkgever en de werkman de kosten der verzekering
hebben te betalen, maar mocht het blijken, dat de toestanden van dien
aard zijn, dat de bijdrage van den werkgever in vele gevallen op het loon
zou moeten worden verhaald, zoodat de werkman feitelijk alleen de premie
-ocr page 41-
39
betaalde, dan werd geldelijke steun van den Staat noodzakelijk geacht. De
vraag in hoeverre eene dergelijke deelneming van den Staat in de betaling
van de premiën of van de pensioenen met een goed financieel beleid zou
zijn te vereenigen, werd voor eene vraag van praktische politiek gehouden,
welke de commissie niet heeft op te lossen.
Tegen het verkenen van eene Staatsbijdrage werden nog de volgende
bezwaren aangevoerd :
1°. deze bijdrage is een nieuwe, en wel een slechte vorm van armen-
zorg, daar hierdoor de toelagen mechanisch zonder individueel onderzoek
worden verleend;
2°. eene bijdrage uit de algemeene kas verleend aan de werklieden is
eene klassenbevoorrechting;
3°. eene bijdrage op grond van onvoldoendheid der pensioenen is wille-
keur, want wat een voldoend pensioen is, valt zoo in het algemeen niet uit
te maken ;
4". deze bijdrage is, wijl willekeurig, een politiek agitatiemiddel bij
verkiezingen, hetwelk het staatkundig leven van een volk met bederf
bedreigt; het werd toch een bekend feit geoordeeld hoezeer in de Ver-
eenigde Staten van Noord-Amerika de talrijke Staatspensioenen tot partij-
misbruik hebben geleid ;
5°. deze bijdrage heeft onvermijdelijk den schijn eener officieele huldi-
ging van eene reeks onjuiste theorieën, welker consequentiën niet kunnen
worden vermeden.
Van andere zijde werd opgemerkt, dat de Staat in den regel zich zal
kunnen onthouden van het verleenen van eene bijdrage aan hen, die op
20-jarigen leeftijd tot de verzekering toetreden. Op dien leeftijd zijn allen
nog krachtig en hebben zij slechts bij hooge uitzondering een gezin te
onderhouden. Op lateren leeftijd kan het den werkman dikwijls moeilijk
vallen de premiebetaling voort te zetten b.v. door een groot gezin of door
ziekte of door werkloosheid. Voor deze omstandigheden werd het wenschelijk
geacht eene regeling te treffen waardoor de Staat in de gelegenheid wordt
gesteld bij te springen. Echter hen van de verzekering vrij te stellen, die
van hun loon hun aandeel in de premie niet kunnen betalen, werd bij deze
beschouwing beslist verwerpelijk geacht, want juist deze personen vallen
buiten den gestelden regel, n.1. dat de 20-jarigen gewoonlijk in staat zijn
de helft der premie te betalen; daarom werd het wenschelijk geoordeeld,
dat de Staat in die gevallen van uitzondering de premie betale voor den
tijd gedurende welken het onvermogen blijft bestaan.
Vrijstelling van den verzekeringsplicht in geval van onvermogen om de
premie te betalen kwam aan anderen eveneens niet wenschelijk voor op
grond, dat dit geacht werd in de praktijk tot schromelijke verwarring
aanleiding te zullen geven. Evenmin kwam het gewenscht voor in deze
gevallen de Staat de premie te doen betalen, daar alsdan van Staatswege
Bezwaren tegen
Staatsbijdrage.
Bezwaren tegen vrijstel-
stelling van den ver-
zekeringsplieht.
-ocr page 42-
4o
elk geval hoogst nauwkeurig zou behooren te worden onderzocht alvorens
tot eene beslissing te kunnen geraken, en dit werd alleen mogelijk geacht
langs den weg van een goed georganiseerde armenzorg. Daarom werd als
het meest eenvoudige middel aanbevolen die uitzonderingsgevallen van
bepaalde onmacht aan de armenzorg over te laten.
Ook werd nog het volgende betoogd. De kosten der verzekering behooren
allereerst door den verzekerde zelven te worden gedragen, ja als het kon
door hem alleen en daartoe moest hij in staat zijn. Indien nu bij een in te
voeren stelsel van verplichte verzekering rekening wordt gehouden met de
twee volgende omstandigheden, dan werd veel mogelijk geacht van hetgeen
thans vrij ondoenlijk voorkomt. Deze omstandigheden zijn: i°. dat de arbei-
der reeds op zeer jeugdigen leeftijd met de verzekering beginne en 2°. dat
bij de bepalingen van de grootte van het pensioen rekening worde gehouden
zoowel met de verschillende streken waar de verzekerden wonen als met de
levensomstandigheden waaronder zij geacht moeten worden te verkeeren. Tot
toelichting hiervan werd het volgende aangevoerd. Naarmate men op jeug-
diger leeftijd begint bij te dragen kan de te storten premie lager zijn
en wordt daardoor de mogelijkheid om haar te kunnen betalen meestal
grooter. Bovendien geeft dit het voordeel, dat men later in het huwelijk
tredende, reeds zóó lang voor de verzekering heeft bijgedragen, dat men
de premie is beginnen te beschouwen als eene noodzakelijke uitgaaf, welke
als eerste post op de bcgrooting van het gezin moet worden gebracht.
Daarom werd het bij deze zienswijze wenschelijk geoordeeld de verzekering
reeds op 16-jarigen leeftijd te doen aanvangen.
Als belanghebbende bij de verzekering volgt op den arbeider de patroon,
die diens kracht in zijn dienst heeft gebruikt. Hij dient een deel der premie
voor den arbeider te voldoen, indien deze niet in staat is die alleen te be-
talen, en de werkgever dit doende handelt ook in zijn eigen belang.
Het werd toch geacht vast te staan, dat hij, die zijne toekomst min of
meer gewaarborgd weet, beter en ijveriger zal werken dan hij, die van den
morgen tot den avond en ook nog daarna zich heeft te verontrusten over
hetgeen aan zijn levensavond of bij invaliditeit kan gebeuren. Verhooging
van loon alleen werd voor dit doel niet voldoende geoordeeld, want wordt
die verhooging niet gebruikt voor de verzekering, dan mist zij dat doel.
Ook werd volgens deze zienswijze de Staat geacht te moeten bijdragen, al
ware het maar alleen in den vorm van betaling der administratiekosten,
teneinde de gedachte van zekerheid meer te vestigen.
Wordt evenwel het pensioensbedrag voor den verzekerde niet groot
genoeg geacht, dan ware er volgens deze meening alles voor te zeggen om
dit door den Staat te doen aanvullen, evenzeer als het gewenscht voorkwam,
dat de Staat voorzie in bijzondere gevallen, zooals tijdelijke werkloosheid
en andere. Waar toch zeer stellig langs dezen weg in de toekomst eene
vermindering van de uitgaven voor armenzorg werd verwacht, kon volgens
Wenschelijk ware het, dat
de verzekerde zelf de
volle premie betaalde.
De patroon moet evenwel
mede betalen.
Bij onvoldoende pensioen,
dan eene Staatsbijdrage.
-ocr page 43-
41
deze meening de Staat bedoelden steun ook gerust verleenen zonder dat het
eigenlijk geld zou behoeven te kosten. In dit verband werd dan ook bestreden,
dat de Staatsbijdrage eene klassenbevoorrechting zou vormen, daar toch
die bijdrage werd geacht in de plaats te komen van anderen steun thans
reeds ten bate van het algemeen verstrekt, als daar zijn armenzorg en der-
gelijke. Het geld hiervoor thans besteed werd dan ook geoordeeld in het
vervolg op eene andere, stellig betere wijze te zullen worden aangewend,
d. w. z. op eene wijze, welke den direct betrokkene zal verheffen, niet
vernederen.
Na deze beraadslagingen heeft de commissie eenstemmig beslist, dat in Heslissmgen .ler com-
de kosten van de verplichte verzekering tegen ouderdom en invaliditeit
behoort te worden bijgedragen door werkgever en werkman.
De vraag of het in beginsel raadzaam is te achten, dat de Staat eene
bijdrage aan de verzekering verleene is door de commissie met groote
meerderheid ontkennend beantwoord.
Waar dit antwoord evenwel slechts het beginsel geldt, werd vervolgens Staaisbijdragein<lciiover-
de vraag overwogen of het ook aanbeveling verdient, dat voor hen, die bij
de invoering van de verplichte verzekering tegen ouderdom en invaliditeit
wegens hun leeftijd alleen op bezwarende wijze kunnen worden verzekerd,
door den Staat hetzij in eens, hetzij jaarlijks gedurende eenigen tijd eene
bijdrage worde verleend.
Eene dergelijke bijdrage werd geacht aanbeveling te verdienen opgrond,
dat de overheid met haren financieelen steun deze zaak in gang heeft te
brengen en zij niet kan volstaan met louter dwang te decretecren.
Evenwel werd tevens aanbevolen deze hulp slechts tijdelijk te verleenen,
liefst in den vorm eener afloopende bijdrage. Bij de invoering van de ver-
plichte verzekering zal toch voor vele arbeiders wegens hun hoogen leeftijd
eene premie worden vereischt, welke hunne krachten verre te boven gaat.
Deze ouderen van de verzekering uit te sluiten, waar de overheid jarenlang
het terrein van den arbeid gedesorganiseerd heeft gelaten, kwam niet billijk
voor. Daarom heeft zij door haren financieelen steun voor die ouderen de
uitvoering van de regeling mogelijk te maken. Op deze wijze wordt door
het algemeen medegewerkt aan de eerdere intreding van het nut der ver-
zekering, hetgeen alleszins gerechtvaardigd werd geacht.
Deze bijdrage werd ook aanbevolen op grond, dat waar de Staat de
verplichte verzekering oplegt, waarbij het toetreden op jeugdigen leeftijd
een vereischte is, het dan uitermate hard zou zijn de meer bejaarde werk-
lieden aan hun lot over te laten, daar deze zich juist niet vrijwillig kunnen
verzekeren tengevolge van de aan hunnen leeftijd verbonden drukkende pre-
miën. Op dien meer gevorderden leeftijd drukt toch eene hooge premie
dubbel, daar de werkman alsdan in den regel vele uitgaven heeft te doen
voor de opvoeding zijner kinderen. Daarom werd eene afloopende Staatsbij-
6
-ocr page 44-
42
dragc aanbevolen ten behoeve van hen, die bij het in werking treden van
de wet niet de laagste laagste premie betalen tengevolge van hunnen leeftijd.
Door enkelen werd nog opgemerkt, dat men in beginsel geen verschil
kon zien tusschen cene voortdurende en eene tijdelijke bijdrage van den
Staat. Wordt toch in het overgangstijdperk eene Staatsbijdrage verleend,
dan is de reden hiervan, dat daaraan behoefte bestaat, maar dan werd ge-
vraagd: welke reden kan voor den Staat aanwezig zijn om niet steeds eene
bijdrage te verleencn wanneer daaraan behoefte blijkt te bestaan? Daarom
werd eene Staatsbijdrage aanbevolen voor alle gevallen waarin de behoefte
daaraan bestaat. Bovendien werd eene tijdelijke bijdrage niet zonder gevaar
geacht, daar het toch mogelijk is, dat op deze wijze personen worden ge-
steund, die dezen steun niet behoeven. Verleent de Staat toch steun op den
enkelen grond van hoogen leeftijd, dan kunnen personen worden bijgestaan,
die het niet noodig hebben, terwijl omgekeerd geen steun wordt verleend
aan jeugdige personen voor wie die bijstand onontbeerlijk is, maar die ten-
gevolge van hun jeugdigen leeftijd geacht worden wel te kunnen betalen.
Tegen deze beschouwing werd aangevoerd, dat bij volledige toepassing
van eene eventucclc wet als regel wel zal worden gesteld: beginnen bijdragen
te storten op den leeftijd bij de wet als aanvangspcriode gesteld en volhouden
tot den dag voor het ingaan van het pensioen of voor het trekken van eenig
voordcel bepaald. Deze regel werd geacht uitvoerbaar te zijn zonder Staats-
bijdrage, omdat de bijdragen van arbeider en patroon verondersteld worden
voldoende te zijn tot het vormen van het gewenschte pensioen. Deze bij-
dragen zijn evenwel niet voldoende, wanneer niet op jeugdigen leeftijd kan
worden aangevangen met de premiebetaling. Worden bij de invoering der
wet ook de meerbejaarden verplicht zich te verzekeren, dan behoort dus de
Staat aan bijdrage of aan pensioen aan te vullen datgene, wat tengevolge
van den hoogeren leeftijd zonder dien steun onbereikbaar is. Hierin werd
dan ook niets onbillijks gevonden tegenover hen, die zoo gelukkig zijn op
jeugdigen leeftijd zich te kunnen verzekeren voor eene lage premie.
Op deze gronden heeft de commissie eenstemmig beslist, dat het aanbc-
veling verdient om hen, die bij de invoering van de verplichte verzekering
tegen ouderdom en invaliditeit wegens hunnen leeftijd alleen op bezwarende
wijze kunnen worden verzekerd, gedurende eenigen tijd cene bijdrage van
Staatswege te verleenen.
In verband met deze beslissing heeft de commissie het ook nog aanbe-
vclingswaardig geacht, dat de Staat gedurende eenigen tijd eene bijdrage
aan bedoelde verzekering vcrleene om de moeilijkheden voor de nijverheid
aan den overgang verbonden te verzachten.
Dit besluit werd evenwel genomen met eene niet aanzienlijke meerderheid.
Voorts werd nog met eenparigheid van stemmen beslist, dat de Staat de
geheele verzekeringspremie heefc te voldoen gedurende den tijd, waarin de
verzekerden zich in verplichten krijgsdienst bevinden.
Verschil tusschen Staat*-
bijdrage in het algemeen
en in Hen overgangs-
toestand.
Beslissingen
missie.
der com-
-ocr page 45-
43
Alsnu bleef de vraag nog te beantwoorden in welke verhouding wcrk- Verdeeling van de verze-
gever en werkman tot de verzekeringspremie hebben bij te dragen.
                       werkgever en werkman.
Bij deze vraag werd aanbevolen rekening te houden met drie factoren,
n.1. verstand, kapitaal en werkkracht. Twee van deze factoren, n.1. verstand
en kapitaal, werden geoordeeld het meest aangetroffen te worden bij den
werkgever, terwijl de werkkracht hoofdzakelijk geacht werd geleverd te
worden door den werkman, die haar aan den werkgever verhuurt. De werk-
man gebruikt wel is waar bij de uitoefening van zijne werkkracht ook zijn
verstand, maar met de jaren neemt zijne werkkracht af en daardoor ook
zijne verdienste; bij den werkgever werd juist het omgekeerde geacht te
geschieden, n.1. dat met de jaren zijn verstand en zijn kapitaal toenemen,
waardoor hij in staat wordt gesteld meer te verdienen. Ware er gelijk voor-
heen alleen sprake van de verhouding van baas en knecht, dan kon het
mogelijk juist wezen ieder de helft van de premie te doen betalen, maar
thans, nu de bazen langzamerhand steeds meer worden vervangen door
groote vennootschappen als ondernemers, werden er geacht eigenlijk drie
personen te bestaan, n.1. werkgever, werkman en geldschieter. Om deze
redenen werd het volgens deze zienswijze raadzaam geacht den werkgever
voor zijne twee factoren twee deelen van de premie te doen betalen en den
werkman het derde deel voor zijn ééncn factor.
Tegen deze beschouwing werd aangevoerd, dat wanneer met verstand
wordt bedoeld de ervaring in het uitgeoefende bedrijf, alsdan kan worden
toegegeven, dat die met de jaren bij den ondernemer toeneemt, maar diens
werkkracht om die ervaring toe te passen werd geacht evenzeer af te nemen
als van den werkman. Bovendien werd opgemerkt, dat des werkmans
ervaring in het vak ook toeneemt, waarvoor hij dan ook eene hoogere
belooning verkrijgt tot op het oogenblik waarop de krachten afnemen noodig
om de ervaring toe te passen.
Hoe het mogelijk zou zijn voor den werkgever om het te veel betaalde
één derde deel van de premie terug te krijgen van den geldschieter werd
niet ingezien.
Daarom kon in deze beschouwing niet worden ingestemd met de aanbe-
volcn verdeeling van de verzekeringsbijdrage, maar werd het stelsel verde-
digd, dat werkgever en werkman ieder de helft van de premie hebben te
betalen. Wat is toch het geval? De wetgever legt een last op aan den
ondernemer en aan den werkman. Hoe de druk van dien last zich ten slotte
zal verdeden over beiden, daarover te beslissen werd niet geacht in des
wetgevers macht te liggen, daar deze verdeeling afhankelijk is van het
economisch weerstandsvermogen van werkgevers en werklieden. Maar de
wetgever zal er volgens deze meening het meest in slagen betreffende deze
vraag neutraal te blijven, wanneer hij begint met den last voor een gelijk
deel op de schouders van beide partijen te leggen.
-ocr page 46-
44
De premie is een deel           Van andere zijde werd deze vraag beschouwd uit een oogpunt van
praktische regeling. Hierbij trad dan ook dadelijk op den voorgrond de
zienswijze, dat de premie een deel van het loon behoort uit te maken.
Welk deel van de premie nu de patroon ook hebbe te betalen, dit zal
door hem steeds onder het loon worden berekend. Hetzij dus de patroon of
de werkman de volle premie heeft te betalen, dit zal volgens deze meening
uit een oogpunt van beginsel geen verschil maken. Maar in de praktijk-
werd het lang niet onverschillig geacht op welke wijze de premiebetaling
wordt verdeeld. Laat men toch den patroon het grootste gedeelte van de
premie betalen, dan gevoelt de werkman in zijne beurs zeer weinig van
den opgelegden last en zal hij waarschijnlijk aandringen op pensioensverhoo-
ging, daar de hiermede gepaard gaande verhooging van de premie hem
maar voor een gering gedeelte treft. Betaalt de werkman echter de helft
van premie, dus een belangrijk deel daarvan, dan zal hij zich nog wel eens
bedenken, alvorens pensioensverhooging te vragen, welke toch onvermijdelijk
gepaard gaat met betaling van de halve premieverhooging. Daarom werd
uit een oogpunt van praktische regeling aanbevolen de helft van den ver-
zekeringslast te doen betalen door den werkgever en de helft door den
werkman.
Beslissing <icr commissie.           De commissie heeft na deze overwegingen met bijna eenparige stemmen
besloten als grondslag aan te nemen, dat werkgever en werkman ieder de
helft van de verzekeringspremie hebben te betalen.
§ 9.
Wie zijn de werklieden en met hen gelijk te stellen personen?
Mannen.                                 ]}ij Je behandeling van de vraag wie werklieden en met hen gelijk te
stellen personen zijn ten opzichte van het opnemen in de verplichte verzc-
kering, werd in de eerste plaats onderzocht welke mannen hiervoor in aan-
merking behooren te komen.
Personen in dienst
anderen.
Algemeen werd de mecning geuit, dat werklieden geacht kunnen worden
te zijn personen in dienst van anderen, die hun voor den verrichten arbeid
loon uitkeeren. Hierdoor worden van de verplichte verzekering uitgesloten
zij, die economisch in denzelfden toestand verkeeren, maar zelfstandig \\verk-
zaam zijn. Houdt men aan dit criterium van loontrekkend zijn vast, dan
wordt hierdoor het voordeel verkregen, dat een werkgever wordt aange-
wezen in wiens dienst de verzekerde werkman werkzaam is. Dit voordeel
werd algemeen hoogst belangrijk geacht, daar op deze wijze iemand aanwezig
is, die voor de helft van de premie kan worden aansprakelijk gesteld, terwijl
deze persoon zoo noodig kan worden belast met het innen van \'s werkmans
aandeel in de bijdrage aan de verzekering. Hierbij werd van verschillende
zijden de wensch uitgesproken, dat zij, die economisch met werklieden ge-
-ocr page 47-
45
lijkstaan, maar tengevolge van de aan te nemen definitie niet in de verplichte
verzekering worden opgenomen, bij de op te stellen regeling in de gelegen-
heid mogen worden gesteld zich op dezelfde voorwaarden vrijwillig te ver-
zekeren. Tevens werd het door sommige leden wenschelijk geacht onder
deze loontrekkenden niet hen te begrijpen, die in dienst van het Rijk, pro-
vincien, gemeenten of waterschappen zijn, daar die personen meerendeels
reeds pensioengerechtigd zijn door hunne betrekking.
Eveneens werd het wenschelijk geoordeeld de werklieden niet te ver-
deelen in personen, die meer materieelen, en in personen, die meer intel-
lectueelen arbeid verrichten.
Het werd toch niet in overeenstemming met de maatschappelijke positie
geacht van de personen, die tot deze twee kategoriën van werklieden bc-
hooren, om hen tegenover elkander te stellen. Uit een financieel oogpunt
beschouwd staat de positie van beide ongeveer gelijk, zelfs is die dikwijls
minder gunstig bij hen, die meer geestelijken arbeid verrichten, daar zij
meermalen nog een zekeren stand hebben op te houden.
Om nu te kunnen beslissen wie van die intcllectueelc arbeiders ten opzichte Maximum loongrens,
van de verplichte verzekering als werklieden behooren te worden beschouwd,
werd het aanbevolen eene maximum loongrens aan te nemen, beneden welke
de personen, die in dienst van anderen meer geestes- dan lichaamsarbeid
verrichten, worden opgenomen in de verplichte verzekering.
Nog werden de twee criteria, n.1. het bij anderen in loondienst zijn en
eene maximum loongrens, aanbevolen; waar de Staat in het overgangstijd-
perk eene bijdrage aan de verzekering verleent, zouden eigenaardige moeilijk-
heden kunnen ontstaan tengevolge van het ontbreken van een aangewezen
werkgever. Hierbij werd door onderscheidene leden tevens opgemerkt, dat
het niet wenschelijk is alle ambtenaren van de verplichte verzekering uit te
sluiten. In den regel zullen \'s Rijks ambtenaren uit den aard hunner betrek-
king aanspraak hebben op pensioen, maar dit werd eene uitzondering ge-
oordeeld ten aanzien van de ambtenaren in dienst van de provinciën, ge-
meenten en waterschappen. Daarom werd niet ingezien waarom de dienaren
van een publiekrechtelijk lichaam alleen ter wille van deze hoedanigheid
behooren te worden uitgesloten van de verplichte verzekering.
Betoogd werd ook, dat waar de bedoeling van de invoering van deze
verplichte verzekering mag worden geacht te zijn gelegen in het willen voor-
komen van armenzorg ten aanzien van armlastigheid tengevolge van hoogen
leeftijd of van invaliditeit, daarmede zeer nauw samenhangt de vraag aan
welke personen deze verplichting behoort te worden opgelegd. Bij deze be-
schouwingen werden geacht dadelijk weg te vallen de personen, die een hoog
loon verdienen, een loon dat hen in staat stelt de benoodigde premie zonder
groote opofferingen geheel uit eigen middelen te bestrijden.
Eene specieuse onderscheiding toch tusschen hen, die werklieden zijn
en hen die het niet zijn werd niet wenschelijk geoordeeld, vooral niet in eene
-ocr page 48-
46
wet, daar alsdan de wet er toe medewerkt die splitsing in de maatschappij
door te voeren. Eene maximum loongrens behoort dus ook volgens deze
zienswijze vastgesteld te worden, maar tegelijkertijd werd hierbij de wensch
Minimum oongrens.           uitgesproken van het aannemen van eene minimum loongrens, d. w. z. eene
grens van inkomen waardoor zij, die daar beneden blijven, worden vrijge-
laten van de verplichte verzekering, zoodat bij eene indeeling van de \\verk-
lieden in loonklassen de laagste loonklasse niet allen bevat, maar slechts hen,
die boven de minimum loongrens zijn en niet in eene hoogere klasse vallen
Het werd toch niet juist geacht de lieden, die de premie niet kunnen be-
talen en aan wie de Staat financieel geen hulp wil verleenen, toch tot het
leveren van bijdragen aan de verzekering te dwingen.
Eene minimum loongrens werd dan ook aanbevolen als een correctief
voor het niet verleenen van eene Staatsbijdrage. Voor bedoelde minimum
loongrens werd aanbevolen een loon van minder dan / 3 per week. Van
deze zijde werd nog de meening voorgestaan, dat het raadzaam is om hen,
die bij de invoering van de verplichte verzekering reeds verzekerd zijn, en
hen, die voortaan zich vrijwillig verzekeren, eveneens van den opgelegden
plicht vrij te stellen, want doet men dit niet, dan zouden deze personen
onnoodig dubbel worden verzekerd, waarvan het gevolg werd geacht, dat
het voor de maatschappij zoo belangrijke levenwekkende beginsel van het
Particulier initiatief.            particulier initiatief zou worden gedood. In verband hiermede werd betoogd,
dat de Staat bij de invoering van de verplichte verzekering de particuliere
fondsen behoort te laten voortbestaan, maar daaraan eischen van inrichting
en soliditeit moet stellen alsmede, dat bij het treden van een lid uit een
dergelijk fonds of bij opheffing daarvan de voor het Staatspensioen vereischte
reserve-waarde in het Staatspensioenfonds behoort te worden gestort. Op die
wijze werd het uitvoerbaar geacht, dat zoowel de Staat als de werklieden
zekerheid verkrijgen omtrent de verzekering aangegaan bij particuliere
fondsen, terwijl toch het particulier initiatief niet wordt gedood. Dezelfde
eischen van inrichting en soliditeit enz., welke de Staat aan de particuliere
fondsen zal stellen, zouden ook moeten gelden voor het pensioenfonds der
Rijksambtenaren. De onbillijke voorwaarde, welke het thans aankleeft, dat
een ambtenaar, die den dienst verlaat vóór het tijdstip, waarop het pensioen
ingaat, alle aanspraken op eene uitkeering verliest, zou b. v. dienen te
vervallen.
Het aannemen van het criterium „in loondienst zijn" werd van andere
zijde nog aanbevolen als een economisch begrip waarvan in de praktijk geene
moeilijkheden werden voorzien.
Eveneens kwam eene maximum loongrens als tweede criterium aanbe-
velenswaardig voor, maar niet eene, welke plaatselijk verschillend is. Dit
werd niet raadzaam gevonden met het oog op de daaruit noodzakelijkerwijze
voortvloeiende moeilijkheden ten opzichte van de organisatie en de controle.
Ook werd de aandacht gevestigd op de Duitsche wet van 22 Juni 1889,
-ocr page 49-
47
welke geene onderscheidingen kent tusschen personen, die in dienst van een
werkgever arbeiden. Daar te lande werd dit geacht nagelaten te zijn om
twee redenen: i°. vreesde men de moeilijkheden voortvloeiende uit den over-
gang van het eene bedrijf naar het andere; deze overgangen zouden de voort-
zetting van de premiebetaling in ernstig gevaar kunnen brengen bijaldien
werd overgegaan van een verzekeringsplichtig in een niet-verzekeringsplichtig
bedrijf; 2°. zouden bij de toepassing van het plakzegelstelsel onzekerheid,
verwarring en vergissing daaruit kunnen voortvloeien ten nadeele van de
verzekerden zelven. Vandaar dat in de Duitsche wet niet alleen geene onder-
scheidingen tusschen beroepen, maar ook niet tusschen plaatselijke toestanden
met het oog op de loongrenzen zijn aangenomen. De schatting van het loon
moge nu nog dikwijls moeilijk zijn, maar alle andere onzekerheden zijn zoo-
veel mogelijk vermeden.
Tegen het aannemen van eene minimum loongrens werd aangevoerd, Controle hij aanneming
dat dit praktisch bezwaarlijk is door te voeren, daar alsdan in elk geval een van eene minimum loon
i         •                                •                                  •                          grens.
minutieus onderzoek moet worden ingesteld om uit te maken of iemands
loon aanspraak op vrijstelling geeft. Dit werd geacht in de praktijk tot
tallooze moeilijkheden aanleiding te zullen geven, terwijl waarschijnlijk vele
kleine patroons, die lage loonen betalen, zullen medewerken aan de ont-
duiking van eene wet, welke hen verplicht een gedeelte van de premie te
betalen bijaldien hunne werklieden aan den verzekeringsplicht zijn onderworpen.
Deze zienswijze werd bestreden met de opmerking, dat bij invoering van
den verzekeringsplicht in elke plaats zeker eenige personen behooren te
worden belast met het vaststellen van dezen plicht. Deze personen beginnen
alle werklieden met een loon beneden de maximum loongrens voor ver-
zekeringsplichtig te verklaren, maar meldt zich bij hen een werkman aan
met de bewering, dat zijn loon beneden de aangenomen minimumgrens is,
dan heeft hij die bewering te bewijzen. De aangevoerde bewijzen alsdan te
controleeren werd niet zoo bezwaarlijk geacht. Hiertegen werd aangevoerd,
dat op deze wijze de bewijslast op de werklieden wordt gelegd, maar daar-
door is de controle ten opzichte van de minimum loongrens nog niet
eenvoudig geworden. Elke week zal zich toch omtrent tal van werklieden
de vraag voordoen of zij werkelijk een loon hebben verdiend beneden de
minimum loongrens gelijk zij opgeven. Hierbij bedenke men, dat die werk-
lieden hierin gesteund zullen worden door het eigenbelang van sommige
patroons. Daardoor zal, al rust de bewijslast ook op de werklieden, weke-
lijks een détail-onderzoek van duizenden gevallen kunnen voorkomen, het-
welk de moeilijkheid en de kosten verbonden aan de controle aanmerkelijk
moet verhoogen. Duitschland leert reeds hoe moeilijk de controle is, maar
deze moeilijkheid werd geacht belangrijk hooger te worden bij de invoering
van het stelsel van eene minimum loongrens. Het ontstaan van den wensch
naar zoodanige loongrens werd geweten aan het eenigszins harde, hetwelk
er in is gelegen om van werklieden met een zeer gering loon eene ver-
-ocr page 50-
%8
plichte bijdrage te eischen. Het werd echter meer gewenscht geacht aan de
werklieden, die bij uitzondering hunne bijdrage niet kunnen betalen, steun
te verleenen door eene verlichte armenzorg van den Staat dan hen vrij te
stellen van de verzekering.
Deze voorstelling van de controle werd overdreven geoordeeld, daar de
bedoeling niet is van de verzekering vrij te stellen hen, die gedurende eenige
korte periode een loon verdienen, hetwelk beneden de minimum loongrens
is, maar wel de werklieden, die aantoonen in den regel minder te verdienen
dan het loonbedrag aangenomen voor de minimum loongrens.
Tot aanbeveling van eene minimum loongrens werd er nog op gewezen,
dat men daarvoor geene rekening kan houden met het jaarloon, want bij
hen, die zoo weinig verdienen, dat zij ternauwernood in hunne allernood-
zakelijkste behoeften van levensonderhoud kunnen voorzien, behoort gelet te
worden op het weekloon, misschien zelfs op het dag- en uurloon. In elk
geval werd een werkman, die ongeveer ƒ3 a ƒ 4 per week verdient, geacht
daarvan niets te kunnen missen voor eene bijdrage aan de verzekering. Bij
een dergelijk loon werd geregeld sparen niet mogelijk geoordeeld en daar-
toe te dwingen kwam onbillijk voor. Deze onbillijkheid werd beweerd nog
meer in het oog te springen bij de verzekering tegen invaliditeit zooals die
in Duitschland is geregeld. Verdient toch iemand daar te lande b.v. ƒ 9.—
\'s weeks en wordt hij grootendeels feitelijk invalide, zoodat zijn loon terug-
gaat tot f 3,50 \'s weeks, dan moet hiervan eene bijdrage voor de ver-
zekering tegen ouderdom en invaliditeit worden gestort, maar daalt zijn
loon tot beneden ƒ3.— \'s weeks, dan is hij wettelijk invalide en behoeft:
i°. geene bijdrage te storten en verkrijgt 20. een invaliditeitspensioen. Dit
werd eene grove onbillijkheid geacht.
Van andere zijde werd opgemerkt, dat deze onbillijkheid niet inhaerent
is aan het stelsel, maar een niet te vermijden gevolg van elke grens-
bepaling. Ook werd aangevoerd, dat wanneer men de werklieden met een
loon van ƒ 3.— a f 4.— \'s weeks van de verzekering wenscht vrij te
stellen, alsdan duizenden werklieden buiten de verplichte verzekering zullen
vallen. Deze minimaal beloonden wenschte men echter juist in de verplichte
verzekering op te nemen. Kenc dergelijke regeling werd in het bijzonder voor
hen van het hoogste belang geoordeeld. Bij dit lage loon behoort toch niet
de vraag op den voorgrond gesteld te worden wat de werkman daarvan wel
kan missen, maar wel wat daarvan gemist moet worden om hen te behoeden
voor een hulpeloozcn ouden dag. Opgemerkt werd hierbij, dat hoc laag het
loon ook zij, daarvan toch betrekkelijk nog veel wordt besteed voor
onnoodige zaken, waarom het argument niet zwaar werd geteld, dat er
van het loon niet enkele centen af kunnen voor de verzekering van een
ouderdomspensioen. Mocht de dwang van die enkele centen den werkman
ontevreden stemmen, dan werd het zeer wel mogelijk geacht, dat de
patroon zou besluiten de bijdrage van den werkman voor zijne rekening te
-ocr page 51-
49
nemen, hetgeen zou worden toegejuicht als een weldadig gevolg van de
verplichte verzekering.
Waar de minst beloonde werklieden verklaren niets te kunnen over- liene minimum loongrens
leggen, werd dit tot zekere hoogte waar geacht, omdat zij de geschiktheid, ^(j*\'"\' gee"e ua"be"
de kracht daarvoor missen. Worden diezelfde personen evenwel gedwongen
hun aandeel in de premie van enkele centen af te zonderen van hunne
inkomsten voor de verzorging van hun ouden dag, dan werden zij daartoe
wel degelijk in staat geoordeeld. Daarom werd deze minimum loongrens
door sommigen om twee redenen afgekeurd: i°. omdat eenc dergelijke
grens niet met juistheid te stellen is en 2". omdat juist aan die minst
beloonden in de samenleving de behulpzame hand behoort te worden
geboden om voor zich zelven te zorgen.
Voorts werd er op gewezen, dat in Duitschland de laagste loonklasse
loopt van o tot 350 Mark, welk laatste cijfer ongeveer overeenkomt met
een weekloon van f 4. Voor die loonklasse wordt !/* van net totale aantal
plakzegels gebruikt, waaruit dus zou volgen, dat niet minder dan 25 pCt,
van alle in loondienst zijnde personen van de verplichte verzekering zouden
worden vrijgesteld, waardoor de voordeelcn dier verzekering ook voor hen
/.ouden verloren gaan.
Maar waarom het waarschijnlijk kon worden geacht, dat die personen
in Nederland niet de premie zouden kunnen betalen en in Duitschland wel,
werd niet ingezien.
Het motief voor het aannemen van eene minimum loongrens werd van
andere zijde geoordeeld ontleend te zijn aan de barmhartigheid, maar
tevens in lijnrechten strijd met het beginsel, hetwelk ten grondslag ligt aan
het aannemen van de verplichte verzekering. Ook dezerzijds wenschte men
barmhartigheid te bewijzen, maar men meende die het best uit te oefenen
door de helpende hand aan hen toe te steken, welke die het meest van
noode hebben. Daarom werd het de grootste barmhartigheid geacht de
verplichte verzekering toe te passen op de minst beloonde arbeiders, terwijl
zelfs werd vermeend, dat het stelsel van verplichte verzekering zijn doel
zou missen, wanneer bedoelde kategorie van werklieden daarin niet werd
opgenomen.
De commissie heeft na deze overwegingen met eene niet onaanzienlijke Beslissingen «Ier commissie,
meerderheid beslist, dat het geene aanbeveling verdient eene minimum
loongrens aan te nemen, welke het loon aanwijst van hen, aan wie de
verzekeringsplicht niet behoort te worden opgelegd.
Met eenparigheid van stemmen heeft de commissie zich uitgesproken
voor het aannemen van een maximum loonbedrag, hetwelk de grens aan-
wijst van het loon als criterium voor het opnemen in de verplichte
verzekering.
Eveneens is met eenparigheid van stemmen door de commissie als
criterium voor werklieden en met hen gelijk te stellen personen aangenomen
7
-ocr page 52-
?o
liet in dienst van anderen arbeid (geestelijken zoowel als lichamelijken)
verrichten tegen loon.
Dienstboden.                   Bij het vaststellen van dit criterium was de commissie evenwel niet
eenstemmig ten opzichte van de dienstboden.
Door enkelen werd opgemerkt, dat de meeste dienstboden in de ver-
plichte verzekering zullen worden opgenomen tengevolge van het aangenomen
criterium van in dienstbetrekking zijn. De huisbedienden als zoodanig werden
echter geacht in eene geheel bijzondere positie te verkeeren, welke ten
zeerste afwijkt van den toestand der overige werklieden ; deze laatsten gaan
na afloop van den arbeid naar hun eigen woning en voorzien in hun kost
en inwoning uit het loon, hetwelk zij van hunnen patroon ontvangen voor
den verrichten arbeid. De huisbedienden ontvangen daarentegen alles wat
zij aan kost en inwoning noodig hebben van den heer des huizes, terwijl
hun loon alleen behoeft te voorzien in hunne kleeding.
De dienstboden als kategorie in de verplichte verzekering op te nemen
werd daarom ontraden, ook teneinde niet op de meest uitgebreide schaal
deze verzekering in te voeren.
Van andere zijde werd betoogd, dat het geen aanbeveling verdient de
•dienstboden van de verplichte verzekering uit te sluiten, daar ook hunne
opneming voorkoming van armenzorg bevordert.
Beslissing der commissie.           Met grootc meerderheid is vervolgens door de commissie beslist om in
de regeling van de verplichte verzekering ook de dienstboden op te nemen.
Waar ten aanzien van hen, die meer geestelijken dan lichamelijken
arbeid verrichten, dezelfde criteria als voor werklieden voor het opnemen
in de verplichte verzekering waren aangenomen (n.1. het in dienst van
anderen arbeid verrichten tegen loon, hetwelk een bepaald maximum niet
te boven gaat), bestond ten opzichte van enkele kategorieen van deze
personen verschil van gevoelen.
Personen in dienst van
publiekrechtelijke
lichamen.
Enkelen wenschten, gelijk hiervoren reeds is opgemerkt, de personen in
dienst van publiekrechtelijke lichamen niet in de verplichte verzekering op
te nemen.
Hiertegen werd aangevoerd, dat aan de meeste van die lichamen geen
pensioenfonds is verbonden en de besturen vermoedelijk ook niet tot de
oprichting daarvan zullen overgaan, denkende, dat het Rijk met zijne
verplichte verzekering ook wel hunne ambtenaren daarin zal opnemen.
Ten opzichte van de Staatsambtenaren was men algemeen van gevoelen,
dat deze niet in de verplichte verzekering behooren te worden opgenomen,
daar zij toch pensioen ontvangen van dezelfde autoriteit, die de regeling
van bedoelde verzekering schept.
Onderwijzers.                        Voorts werd door sommigen aanbevolen de onderwijzers, niet in dienst
-ocr page 53-
5\'
van den Staat, in de op te stellen regeling niet op te nemen. De overheid
werd toch geacht hare zorg slechts te moeten uitstrekken over dat gebied
van den arbeid, hetwelk gedesorganiseerd is, terwijl het gebied van den
arbeid der onderwijzers en dat der ambtenaren van openbare collegiën niet
ongeorganiseerd werd geoordeeld.
Deze meening werd bestreden op grond, dat waar als criterium is
aangenomen het in dienst van anderen werkzaam zijn voor loon, het niet
juist werd geacht personen, die daaraan voldoen, zonder gegronde redenen
van de verplichte verzekering uit te sluiten.
Erkend werd, dat vele onderwijzers reeds pensioengerechtigd zijn, maar
dit werd voor hen geen voldoende reden van uitsluiting geacht, daar
diezelfde reden dan eveneens behoort te gelden voor alle werklieden, die
lid van een pensioenfonds zijn.
Verschil van gevoelen openbaarde zich ook ten aanzien van de boek- Boekhouders, kantoor-
houders, kantoorbedienden, klerken en dergelijke personen. Deze werden
door sommigen geacht in het algemeen hooger in ontwikkeling te staan
dan zij, die men gewoonlijk in het dagelijksch leven onder werklieden
begrijpt. Die meerdere ontwikkeling doet hen daarom ook het noodzakelijke
van zich te verzekeren meer inzien. Neemt men deze personen in eene
verplichte verzekering op, dan werd het zeer mogelijk geacht, dat hierdoor
het particulier initiatief zou worden geschaad, hetgeen uit een sociaal
oogpunt nadeelig werd geoordeeld. Bovendien werd opgemerkt, dat vele
kantoorbedienden wel met een zeer laag loon beginnen, maar het later tot
een zeer groot inkomen brengen, een inkomen waarop zij altijd gerekend
hebben en waarbij het gevaar van armlastigheid wegvalt. Deze personen
komen toch veelal uit een geheel anderen kring voort dan de werklieden, —
uit een kring waarin zij in den regel voldoenden steun van verwanten
vinden, als zij bij uitzondering eens tot armoede mochten vervallen.
Tegen deze beschouwing werd aangevoerd, dat slechts het kleinste deel
van de kantoorbedienden het op rijpen leeftijd tot een groot inkomen
brengt; deze personen werden ook niet geacht de eigenlijke kantoorbedienden
te zijn, maar eerder de volontairs, die als zoons van kooplieden op een
kantoor beginnen en door het geld, hetwelk zij later in eenige zaak kunnen
inbrengen, als het ware aangewezen zijn om na behoorlijke theoretische en
praktische opleiding hooge betrekkingen in de handelswereld in te nemen.
Van andere zijde werd het opnemen in de verplichte verzekering van
onderwijzers en kantoorbedienden aanbevolen op grond, dat het wenschelijk
is zoo min mogelijk personen uit te sluiten, waardoor het meest werd
geacht te worden tegemoet gekomen aan het bezwaar, dat de burgers door
de verplichte verzekering worden geschift in werklieden en niet-werklieden.
Met eene niet geringe meerderheid heeft de commissie vervolgens Besiisssmg der commissie.
besloten de boekhouders, kantoorbedienden, klerken en dergelijke personen,
-ocr page 54-
5-1
alsmede de onderwijzers en ambtenaren, die niet in Staatsdienst zijn, in
de regeling van de verplichte verzekering op te nemen.
Kéne maximum loongrens ?         Daarna is de vraag overwogen of voor geheel Nederland eenzelfde
maximum loongrens behoort te gelden, dan wel of die behoort te verschillen
naar mate van de plaatselijke gesteldheid.
Ten aanzien van de wenschelijkheid van het aannemen van verschillende
maxima loongrenzen werd opgemerkt, dat op het platte land een loon van
f 6 \'s weeks of f 300 \'s jaars voor een arbeider vrij voldoende kan worden
geacht, maar in de groote steden werd dit loonbedrag geheel onvoldoende
geoordeeld. Daarom werd gevreesd, dat ééne maximum loongrens voor
geheel Nederland geldende in stede van gelijkheid eene niet onbelangrijke
ongelijkheid ten gevolge zou kunnen hebben.
Tegen deze beschouwing werd aangevoerd, dat bij het aannemen van
verschillende maxima loongrenzen de organisatie van de verplichte verzekering
onnoodig meer ingewikkeld wordt. De praktische moeielijkheden doen zicli
toch reeds dadelijk gevoelen bij verhuizing; daardoor zouden dezelfde werk-
Iieden op de eene plaats wel en elders niet in de verplichte verzekering
kunnen vallen, tengevolge waarvan eveneens eene niet onbelangrijke ongc-
lijkheid zou kunnen ontstaan. Het aannemen van ééne algemeenc maximum
loongrens werd dan ook de cenig mogelijke oplossing geacht ter voorkoming
van tallooze moeilijkheden en verwarringen.
Beslissing der commissie.
           De commissie heeft hierna met eenparigheid van stemmen besloten ééne
algemeene maximum loongrens geldende voor geheel Nederland aan
te nemen.
Welke maximum loongrens?         Vervolgens werd aan het oordeel der commissie onderworpen de vraag
welke maximum loongrens behoort te worden aangenomen.
De meening werd geuit, dat kon volstaan worden met een bedrag van
ƒ 1000 jaarloon als maximum loongrens aan te nemen. Als basis voor dit
cijfer werd genoemd het maximum loon van een goed werkman in de groote
steden. Hierdoor werd het tevens mogelijk geacht zoo weinig mogelijk wcrk-
licden van de verplichte verzekering uit te sluiten.
Van andere zijde werd aangespoord tot voorzichtigheid bij het vaststellen
van deze loongrens, daar toch bedacht behoort te worden, dat, hoe hooger
deze grens wordt gesteld, des te meer offers zullen worden verlangd van de
werkgevers en van den Staat. Wenscht men nu de verplichte verzekering
niet op groote schaal in te voeren, dan zou kunnen worden volstaan met als
maximum loongrens aan te nemen een jaarloon van f 800.—, hetgeen onge-
vccr overeenkomt met een weekloon van ƒ 15.— en een dagloon van ƒ 2,50.
Beslissing der commissie.           De commissie heeft zich daarna met eene geringe meerderheid verklaard
voor het aannemen van een jaarloon van / 1000.— als maximum loongrens.
-ocr page 55-
53
Nadat alzoo waren vastgesteld de twee criteria voor het opnemen in de Vrouwen,
verplichte verzekering, n.1. het in dienst van anderen arbeid verrichten tegen
loon, hetwelk een bedrag van ƒ IOOO.— per jaar niet te boven gaat, werd
onderzocht of ook de vrouwen aan de verplichte verzekering behooren te
worden onderworpen.
De verplichte verzekering van de vrouw werd door sommigen veel be-
denkelijker geacht dan die van den man. Eene vrouw treedt door haar
huwelijk toch in den regel buiten loondienst en dus ook buiten den ver-
zekeringsplicht. De premiebetaling zal dan waarschijnlijk niet door haar
worden voortgezet en haar pensioensrecht gaat diensvolgens verloren. Is dit
nu de regel, dan zou de verplichte verzekering voor de vrouwen neerkomen
op het helpen vullen van de pensioenkas waaruit de mannen pensioen trekken.
Teneinde te weten of de vrouwen in den regel huwen, behoort dus vast te
staan hoeveel vrouwen in het huwelijk treden. Uit de Beroepstelling van statistiek.
31 December 1889 werd de conclusie getrokken, dat slechts 12 pet. der
vrouwen ongehuwd blijven. Reeds in de leeftijdsklasse van 25—35 jaar zijn
65 pet. der vrouwen in het huwelijk getreden. Ook is gewezen op de Jaar-
cijfers van 1895 (blz. 10), waaruit geacht werd te blijken, dat telken jare
de normale leeftijd op welken de vrouwt huwt valt beneden 29 jaar, zoodat
van honderd huwende vrouwen de leeftijd van 12,63 pet. valt beneden 21
jaar, 36,38 pet. tusschen 21—24 jaar en 29,11 pet. tusschen 24—29 jaar.
Bedenkt men nu, dat op jeugdigen leeftijd de vrouwen in Nederland in
allerlei loonbetrekking werkzaam zijn, dan werd het niet billijk geacht haar
tot bijdragen aan de verzekering te verplichten, waar zooveel kans op niet-
continuatie bestaat. In deze beschouwing was men daarom niet ingenomen
met de verplichte verzekering ook op vrouwen van toepassing te verklaren,
tenzij daaraan bijzondere regelen worden verbonden. Met deze regelen werd
gedoeld op het verkenen van restitutie van alle premiën in geval van huwe-
lijk; ook werd de vraag gesteld, of het mogelijk aanbeveling verdient den
verzekeringsplicht voor de vrouwen te doen aanvangen op 30-jarigen leeftijd.
Evenwel werd hierbij opgemerkt, dat bij restitutie in geval van huwelijk de
verzekeringsplicht feitelijk een ander economisch doel verkrijgt, want deze
zal dan in 88 van de 100 gevallen worden spaardwang voor huwelijksgift.
Indien evenwel de vrouwen niet aan den verzekeringsplicht worden onder- Staaubijdrage.
worpen, zou kunnen worden aangevoerd, dat zij dan ook niet genieten van
de Staatsbijdrage, welke als invoeringsmaatregel onvermijdelijk is geacht,
hoewel de vrouwen evenzeer belasting betalen als de mannen. Dit kwam
echter niet afdoende voor, daar bedoelde bijdrage wordt gegeven als invoe-
ringsmaatregel bij eene zaak, welke van algemeen belang wordt geacht.
Daarom is zij uit haren aard te beperken tot hen, die verplicht worden,
want alleen in dien dwang vindt zij haar motief en daarom ook mag zij
gebracht worden tot de algemeene lasten waaraan de vrouwen evengoed
hebben bij te dragen als de mannen.
-ocr page 56-
54
Statistiek.                                Van andere zijde werd eveneens een beroep gedaan op de Beroepstelling
van 31 December 1889. Daaruit werd geacht te blijken, dat er 88653 ge-
huwde vrouwen in beroep werkzaam waren; trekt men van dit getal af de
kategorie A (hoofd van eene zaak, van eene inrichting, van een bedrijf of
onderneming voor eigen rekening) ten getale van 47889, dan houdt men nog
het belangrijke cijfer van 40764 gehuwde vrouwen in loondienst werk-
zaam over. Waren zij mannen, dan zouden zij voor verreweg het grootste
gedeelte in de verplichte verzekering worden opgenomen. Met het oog nu
op het beginsel, hetwelk aan het opleggen van de verplichting tot verzeke-
ring ten grondslag ligt, werd niet ingezien om welke reden de gehuwde
vrouwen niet mede zouden worden opgenomen. Worden zij niet opgenomen,
dan loopt men gevaar de concurrentie van den arbeid der vrouwen aan te
moedigen. Zij verdienen in den regel toch al een geringer loon dan de
mannen en zijn nu de patroons ontslagen van de verplichte verzekering
bijaldien zij alleen met vrouwen arbeiden, dan kan dit bezwaarlijk anders
dan eene aansporing vormen om vrouwen in dienst te nemen voor wie geene
bijdrage is verschuldigd.
Evenwel werd dit argument bestreden met de opmerking, dat waar de
eigenlijke vrouwenarbeid, d. w. z. de arbeid waarvoor mannen niet geschikt
zijn zooals b.v. in de textiel-nijverheid, thans vrij belangrijk minder wordt
beloond dan mannenarbcid, niet kan worden ingezien hoe de betrekkelijk
geringe bijdrage door den patroon voor de verplichte verzekering te storten
een prikkel zou kunnen zijn om zooveel mogelijk vrouwen in dienst te nemen.
Restitutie.
                                jvf0g werd opgemerkt, dat het niet wenschclijk toescheen bij huwen van
de vrouw restitutie van de betaalde premiën te verleenen, maar die bijdragen
liever te kapitalisecren om bij overlijden van den man met rente op rente
aan haar uit te keeren.
Een dergelijk restituticstelsel werd echter van andere zijde geacht niet
te vallen binnen het kader van de verzekering tegen den ouden dag. Daarom
kwam het meer aanbevelingswaardig voor, dat de vrouwen haar gekapita-
liseerde bijdragen met rente op rente ontvangen als zij den leeftijd van 60
of 65 jaar hebben bereikt.
Door anderen werd betoogd, dat indien men vasthoudt aan de bepaling
van pensioen als nabetaald loon, de vrouwen alsdan evenzeer behooren te
worden opgenomen in de verplichte verzekering als de mannen. Zij werken
toch in den regel voor een hoogst karig loon, een loon kariger dan dat
van de mannen, waarbij er geen sprake van is, dat voldoende kan worden
gespaard voor den ouden dag. Kunnen nu de mannen niet voldoende sparen,
dan geldt dit voor de vrouwen met haar mindere loon in nog hoogere mate.
Daarom werd aanbevolen de vrouwen op dezelfde voorwaarden in de ver-
plichte verzekering op te nemen als de mannen en haar ook geheel dezelfde
voordeden toe te kennen.
Nog werd betoogd, dat alhoewel in beginsel geen reden werd geacht te
-ocr page 57-
55
bestaan om de vrouwen niet mede in de verplichte verzekering op te nemen,
toch het huwen van de vrouwen de consequenties van de verplichte verze-
kering in hooge mate zoude bemoeilijken. Deze meening werd geoordeeld
den meesten steun te vinden bij de verzekering tegen invaliditeit. Waar
invaliditeit uit den aard der zaak toch al in elk concreet geval bezwaarlijk
is vast te stellen, werd dit zoogoed als onmogelijk geacht bij de gehuwde
vrouw.
Ten aanzien van eene restitutie te verkenen aan de vrouw, die tengevolge
van haar huwelijk uit het verzekeringsverband treedt, bestond, gelijk reeds
bleek, verschil van gevoelen.
Sommigen wenschtcn haar bij in het huwelijk treden al de premièn, dus
ook het aandeel door den patroon daarin betaald, te restituecren op grond
dat, al stort de patroon de halve premie, deze helft toch wel op indirecte
wijze op het loon zou worden verhaald.
Anderen wenschtcn dit bedrag met rente op rente uit te kceren, maar
eerst bij het ontbinden van het huwelijk, waardoor het voordeel werd ver-
kregen, dat gedurende het huwelijk de gestorte bijdragen aanzienlijk in waarde
konden vermeerderen en de uitkeering dan plaats vindt op een oogenblik
waarop in den regel aan het ontvangen van dat bedrag meer behoefte bestaat
dan bij het aangaan van het huwelijk. Hierbij komt nog, dat eene vrouw,
wier huwelijk ontbonden is, in den regel wel weer in loondienst zal gaan
en dan weder verzekeringsplichtig wordt. Kon zij dan, in plaats van restitutie
te ontvangen, hare vroegere verzekeringsrechten zien herleven, dan werd
dit voor haar van het grootste belang geacht met het oog op de verzeke-
ring tegen invaliditeit.
De commissie heeft zich daarna eenstemmig verklaard voor het opnemen Beslissing der commissie.
van de vrouwen in de verplichte verzekering onder opmerking, dat daar-
voor wel dezelfde criteria behooren te gelden als voor de mannen, maar
dat haar hierbij faciliteiten behooren te worden verleend, welke evenwel geene
verhooging van de verzekeringspremie mogen ten gevolge hebben.
Ter overweging bleef nu over de vraag of ook kleine ondernemers (eigen Zelfstandig arbeidende
bazen), kleine landbouwers, kleine handelaars, in één woord de zelfstandig
arbeidende personen, die kunnen worden geacht voor het overige economisch
met werklieden gelijk te staan, in de verplichte verzekering behooren te
worden opgenamen.
Erkend werd, dat deze personen kunnen worden gerekend tot den wcrk-
mansstand te behooren, maar niet tot de in loondienst zijnde werklieden. Zij
ontvangen dan ook geen loon, maar behalen ondernemerswinst. Waar nu
voor de werklieden eene maximum loongrens is aangenomen en hun loon
met behulp van hunnen werkgever in den regel zonder groote moeilijkheden
zal kunnen worden vastgesteld, stuit men bij de zelfstandig arbeidende per-
soncn dadelijk op twee moeilijkheden, n.1. ift. is hun ondernemerswinst,
-ocr page 58-
56
welke uit den aard der zaak vrij onregelmatig zal zijn, niet met zekerheid
vast te stellen en 2° mist men bij hen een aangewezen werkgever. Deze
bezwaren werden zeer belangrijk geacht ten opzichte van het betalen van de
verzekeringsbijdragen ; houden deze bijdragen toch verband met de verdienste,
hetgeen rationeel werd geoordeeld, dan zal in den regel de bijdrage niet met
juistheid kunnen worden bepaald, daar die verdienste niet vaststaat. Boven-
dien hebben deze personen de geheelc premie te betalen en behoort deze
op hen direct te worden verhaald.
Als beginselgrond, welke het opnemen van deze personen belet, werd het
volgende aangevoerd. De werklieden in loondienst verhuren hunne werkkracht
aan anderen en zijn daardoor onzelfstandige personen ; de kleine ondernemers
daarentegen zijn personen, die geheel zelfstandig werken.
Nagenoeg algemeen werd evenwel erkend, dat in beginsel er veel voor
te zeggen valt, deze financieel zwakke maar zelfstandige personen, die econo-
misch met werklieden gelijkstaan, in de verplichte verzekering op te nemen,
doch door velen werd tevens opgemerkt, dat dit onuitvoerbaar was, voor-
namelijk tengevolge\'van het ontbreken van eenen bepaalden werkgever, die
de zoo noodigc controle kan uitoefenen.
Beslissing <ler commissie.
           De commissie heeft zich dan ook met eene niet onaanzienlijke meerder-
heid verklaard tegen het opnemen van bedoelde personen in de verplichte
verzekering.
Toelating van de vrijwillige          Op grond evenwel dat algemeen gewenscht werd aan deze zelfstandige
verzekering.                    personen zoo mogelijk de behulpzame hand te bieden, opdat zij zich evenals
de met hen economisch gelijkstaande werklieden op de minst bezwarende
wijze zouden kunnen verzekeren voor den ouden dag en voor het geval van
invaliditeit, werd de vraag overwogen of het aanbeveling verdient onder de
noodige waarborgen (d. w. z. het stellen van regelen ten opzichte van den
leeftijd van toetreding, van een te verrichten geneeskundig onderzoek, van
eene maximum inkomstengrens, enz.) hun de gelegenheid te geven om vrij-
willig deel te nemen aan de verzekering onder toekenning in het ovcrgangs-
tijdperk van dezelfde voordcelen als aan de tot verzekering verplichten
worden verleend, n.1. de Staatsbijdragc.
Waar bij de verplichte verzekering wordt uitgegaan van het denkbeeld
om zooveel mogelijk allen daarin op jeugdigen leeftijd op te nemen, onver-
schillig welke lichamelijke gebreken zij ook mogen hebben, welke hen moge-
lijk minder geschikt maken voor het opnemen in eene verzekering, werd
deze handelwijze geacht geen gevaar op te leveren voor de soliditeit van de
verzekeringsinstelling, daar het grootste aantal van hen, die worden opge-
nomen, geoordeeld werd tot de normaal gezonden te behooren. Laat men
evenwel bij deze verzekeringsinstelling tevens toe het vrijwillig deelnemen
op dezelfde voorwaarden als voor de tot verzekering verplichten gesteld, dan
werd gevreesd, dat zich meerendeels zullen aanmelden de personen die ten-
-ocr page 59-
57
gevolge van hunne lichamelijke gesteldheid geweigerd zijn of worden door
de particuliere verzekeringsmaatschappijen, m. a. w. dat alleen de slechte
risico\'s zich bij de Staatsinstelling zullen aanmelden. Geschiedt dit, dan werd
gevreesd, dat de berekeningen opgesteld ten aanzien van de invaliditeits-
kansen ernstig gevaar zullen loopen niet in overeenstemming te blijken met
de praktijk. Daarom werd aanbevolen bij vrijwillige toetreding tot de ver-
zekering tegen invaliditeit als waarborg te eischen eene geneeskundige ver-
klaring van normale gezondheid.
Dit bezwaar kwam evenwel niet overwegend voor ten opzichte van de
vrijwillige verzekering tegen den ouden dag, daar als iemand zich een ouder-
domspensioen verzekert en hij tengevolge van zijn abnormalen gezondheids-
toestand overlijdt vóór den leeftijd waarop het pensioen ingaat, hij ook geen
pensioen ontvangt. Deze bezwaren werden daarom geacht weg te vallen voor
de voorstanders van de enkele regeling van de verplichte verzekering tegen
den ouden dag.
Van andere zijde werd aan deze beschouwing toegevoegd, dat de toe-
lating van de vrijwillige verzekering in een stelsel van verplichte verzekering
in hoogc mate een groot gevaar kan doen ontstaan voor de juistheid van
de opgestelde kansberekeningen.
Geeft men toch in het algemeen aan de zelfstandig werkzame personen
de bevoegdheid zich op dezelfde wijze te verzekeren als de tot verzekering
verplichten, dan werd het als gevolg hiervan mogelijk geacht, dat de premiën
te voldoen door de werklieden in loondienst eene enorme verhooging zullen
moeten ondergaan. Al mocht deze . meening nu geacht worden eenigszins
sterk te klinken tegenover de uitkomsten van de Duitsche wet, dan bedenke
men, dat van de in Duitschland toegelaten „Selbstversicherung" nog weinig
gebruik is gemaakt, waardoor deze uitkomsten niet kunnen worden gebruikt
voor berekeningen waarbij men moet uitgaan van een deelnemen door
velen aan de vrijwillige verzekering. Daarom werd er met klem op aan-
gedrongen de vrijwillige verzekering niet toe te laten zonder het stellen
van beperkende en voldoenden waarborg gevende bepalingen. Blijkens de
memorie van toelichting op de Duitsche wet is men dan ook daar te lande
er zooveel mogelijk op uit geweest om de vrijwillige verzekering te weren,
maar deze is er door den Rijksdag bij de openbare behandeling in gebracht,
al zij het dan ook in beperkte mate.
Voorts werd er op gewezen, dat bij de vrijwillige verzekering van deze            Controle.
personen een belangrijke factor ontbreekt, welke bij hen, die verplicht ver-
zekerd zijn, aanwezig is, d. w. z. de zelfstandig werkzame personen kunnen
geen werkgever aanwijzen.
Het aanwezig zijn van een bepaalden werkgever werd door velen van over-
wegend belang geoordeeld voor het uitoefenen van de controle op de ver-
zekerden. Duitschland werd geacht duidelijk bewezen te hebben het belang
van de controle der werkgevers en kan deze nu wegens de ontstentenis
8
-ocr page 60-
58
van een werkgever niet worden uitgeoefend, dan werd het ook praktisch
onuitvoerbaar geacht deze zelfstandig werkzame personen in de verplichte
verzekering op te nemen.
Al werden de moeilijkheden niet ontkend, welke zijn verbonden aan het
openstellen van de gelegenheid om vrijwillig toe te treden tot de verzekering,
welke de Staat voor een bepaalde kategorie van personen verplichtend
stelt, toch werd door sommigen aangeraden die kleine zelfstandig werk-
zame personen daartoe de bevoegdheid te vcrleencn, want waar de werk-
lieden in loondienst met een jaarloon tot ƒ iooo in de verplichte verzekering
worden opgenomen, waarbij nog eene Staatsbijdrage in het overgangstijd-
perk wordt verleend, zou het den schijn van bevoorrechting kunnen geven,
als b.v. de kleine landbouwers, van wie een groot aantal geen f 1000
\'sjaars verdienen, niet tot deze verzekering worden toegelaten, terwijl zij
integendeel als belastingschuldigen wel verplicht worden hun aandeel in de
belasting op te brengen waaruit die Staatsbijdrage wordt betaald,
staatsbijdrage.
               Door anderen daarentegen werd betoogd, dat als men de vrijwillige
verzekering voor deze personen toelaat bij de instelling van Staatswege
belast met de uitvoering van de verplichte verzekering, het nog zeer de
vraag is of het voor die zelfstandig werkzame personen wel voordeeliger is
zich bij die instelling te verzekeren dan bij eene particuliere maatschappij,
welke steeds rekening kan houden met alle behoeften van ieder, die zich
ter verzekering aanmeldt, terwijl de Staatsinstelling noodzakelijk gebonden
werd geacht aan eene reeks van voorschriften, waarvan niet mag worden
afgeweken.
riet eenige voordeel bestaat, naar men meende, in de tijdelijke hulp,
welke de Staat in het overgangstijdperk verleent, d. w. z. het voordeel
bestaat alleen voor die personen, aan welke de overgang wordt vergemak-
kclijkt met het oog op hunnen meer bejaarden leeftijd. Maar de argumenten,
welke voor deze Staatshulp pleiten, werden geacht alleen te kunnen gelden
voor de verplichte verzekering, doch niet voor die, welke vrijwillig wordt
aangegaan. Hij deze vrijwillige verzekering kon geen reden worden gevonden
om de personen, die b.v. thans 45 jaar zijn, van Staatswege steun te ver-
leenen bij het sluiten dier verzekering en dezen steun b.v. te onthouden
over b.v. 30 jaar aan de personen, die alsdan den leeftijd van 45 jaar
zullen hebben bereikt. Dit werd eene onbillijkhcid geoordeeld, welke het
gevaar medebrengt, dat de als tijdelijk bedoelde Staatshulp mogelijk zal
worden gecontinueerd en zoo als het ware vanzelf in eene voortdurende
hulp zal worden omgezet.
Deze laatste beschouwing werd bestreden op grond dat daarbij blijk-
baar niet in het oog is gehouden het temporaire karakter, hetwelk aan de
Staatsbijdrage is verleend. Is toch het tijdperk van bedoelde bijdrage
verstreken, dan verkceren de alsdan b.v. 45-jarige personen in denzelfden
toestand ten opzichte van de premiebetaling als toen zij op b.v. 20-jarigcn
-ocr page 61-
59
leeftijd in de verplichte verzekering vielen, of de gelegenheid tot vrijwillige
verzekering voor hen werd opengesteld. Zij kunnen alsdan worden geacht
die bijdrage niet noodig te hebben, terwijl voor de thans 45-jarigen eene
premie moet worden betaald in overeenstemming met hun leeftijd. Hij de
personen, die na het overgangstijdperk 45 jaar worden, geldt toch voor
de premiebetaling steeds de premie vastgesteld voor den leeftijd waarop
de verzekering is aangegaan.
Na deze overwegingen heeft de commissie met eene niet groote mecr- Beslissing der commissie,
derheid zich verklaard voor het verleenen van de bevoegdheid aan de
kleine zelfstandig arbeidende personen om onder de noodigc waarborgen
deel te nemen aan de verzekering, met toekenning in het overgangstijdperk
van dezelfde voordeden als aan de tot verzekering verplichten worden
verleend.
Nadat alzoo de maatstaf voor het opnemen in de verplichte verzekering Leeftijd waarop «ie ver-
•                                                                                                     ••                     plichting tot verzekering
was vastgesteld, werd in de eerste plaats overwogen, op welken leeftijd die aanvanet
maatstaf voor het eerst zal behooren te worden aangelegd om over iemands
verzekeringsplicht te beslissen, m. a. w. op welken leeftijd de verplichte ver-
plichte verzekering zal behooren aan te vangen.
Eenerzijds werd op deze vraag geantwoord: zoodra iemand met werken
begint op zijn dertienjarigen leeftijd en zijne verdiensten van dien aard zijn,
dat hij, öf gedeeltelijk in zijn onderhoud kan voorzien, öf dat zijn loon
eenigszins kan bijdragen tot steun van het ouderlijk huis. Deze leeftijd werd
verdedigd met een beroep op artikel 3 van de Arbeidswet van 5 Mei 1889
(Staatsblad N". 48), waarbij verboden wordt een kind beneden twaalf jaren
arbeid te doen verrichten. Hiervan werd het gevolg geacht, dat vele ouders
hunne kinderen, die nauwelijks bedoelden leeftijd hebben bereikt, naar de
fabrieken zenden, waar deze alsdan naar gelang van hun ijver een weekloon
van f 2,50 en somtijds meer verdienen.
Indien men nu deze verdienste vergelijkt met het gemiddelde loon van
een volwassen werkman, dan werden die kinderen geacht in verhouding tot
hunne behoeften een hooger loon te verdienen dan de volwassen werklieden,
zoodat die kinderen zeer zeker de premie minstens evengoed kunnen betalen
als de volwassen werklieden.
Van andere zijde werd er op gewezen, dat het beginsel, hetwelk aan de
verplichte verzekering ten grondslag ligt, er krachtig voor pleit om de werk-
lieden reeds op jeugdigen leeftijd in de regeling op te nemen, want wat
betreft de invaliditeitskansen, werden die jongeren geacht evenzeer aan be-
roepsgevaar bloot te staan als de ouderen, waarom zij in beginsel ook dan
reeds behooren te worden gesteund. Welke aanvangsleeftijd voor het opnemen
in de verplichte verzekering behoort te worden aangenomen werd evenwel
niet enkel afhankelijk geacht van bedoeld beginsel, maar ook van de prak-
tische bezwaren aan de uitvoering verbonden. De dertienjarigen reeds op te
-ocr page 62-
6o
nemen werd niet aanbevolen op grond, dat in het algemeen dan nog zeer
weinig wordt verdiend, al mocht dan ook op sommige fabrieken aan die
jeugdige personen een weekloon van f 2,50 worden betaald. Om die reden
kwam het gewenscht voor den aanvangsleeftijd van 16 jaar aan te nemen,
gelijk ook in Duitschland is geschied. Op dien leeftijd werd toch de ver-
dienste geacht van dien aard te zijn, dat de premie voor de verzekering
zonder overwegende bezwaren daarvan kan worden afgezonderd. Den aan-
vangslceftijd hooger te stellen, b.v. op 18 of 20 jaar kwam niet raadzaam
voor, daar alsdan de premie ook zooveel hooger wordt, welke verhooging
het gchcele leven door moet betaald worden. Bovendien treden tusschen die
twee jaren de werklieden in militairen dienst en met dezen diensttijd behoort
rekening te worden gehouden met het storten der bijdragen en het mede-
rekenen van dien tijd voor de verzekering. De Duitsche wet heeft hicrom-
trent in § 17 bepaald, dat voor verzekerde werklieden, die in militairen dienst
treden en vóór dit tijdstip „nicht lediglich vorübergehend in ein die Ver-
sicherungspflicht begriindendes Arbeits- oder Dienstverhaltnisz eingetreten
waren", deze diensttijd mede als „Beitragszeit" in aanmerking komt. In deze
bepaling ligt dus het zwaartepunt bij het bewijs, dat de werkman vóór zijn
in dienst treden als regel aan den verzckeringsplicht is onderworpen geweest.
Stelt men nu den aanvangsleeftijd kort vóór het tijdstip van in dienst treden,
dan werd de verzckeringsplicht als regel hoogst bezwaarlijk te bewijzen gc-
oordeeld. Wordt evenwel als aanvangsleeftijd die van 16 jaren genomen, dan
werd de termijn van drie jaren ruim genoeg geacht om een aannemelijk
bewijs te verkrijgen van het door de wet verlangde.
In verband hiermede werd er ook de aandacht op gevestigd, dat bij het
aannemen van den leeftijd van 18 tot 20 jaar als aanvangsleeftijd onder-
scheidenc verzekerden reeds vóór dien leeftijd gedurende een twee- of viertal
jaren voldoende in staat zijn geweest om van hun loon de verzekeringspremie
af te zonderen, terwijl zij het nalieten omdat zij er niet toe verplicht waren.
Zoodoende gewent men velen op jeugdigen leeftijd, wanneer nog in de minste
behoeften voorziening noodig is, hun geheele loon te verteren, en dan begint
men op tateren leeftijd, wanneer meer behoeften bestaan, de premie op het
loon te korten. Deze wijze van handelen werd geacht noch in het belang
der werklieden noch in dat der verzekering te zijn.
Enkelen, die zich voorstanders betoonden van het beginsel om de werk-
liedcn zoo jong mogelijk te gewennen aan de premiebetaling, hebben evenwel
den leeftijd van 18 jaar als aanvangsleeftijd aanbevolen op grond, dat vele
werklieden op 16-jarigen leeftijd nog zoogoed als niets verdienen. Deze leef-
tijd van 18 jaar werd ook nog aanbevolen met het oog op de toestanden
in het landbouwbedrijf, alwaar de meesten op 16-jarigen leeftijd geacht werden
nog in de leerjaren te verkeeren, terwijl zij op 17-jarigen leeftijd in den regel nog
niet noemenswaard verdienen om daarvan een deel voor de verzekering af te
staan. Ditzelfde argument werd ook aangevoerd ten aanzien van de dienstboden.
-ocr page 63-
6i
Met eene niet geringe meerderheid heeft de commissie zich vervolgens Beslissing der commissie,
uitgesproken voor het aannemen van den leeftijd van zestien jaren als aan-
vangsleeftijd voor het opnemen in de verplichte verzekering.
§ 10.
Aanvangsleeftijd voor het ingaan van het ouderdomspensioen.
De eerste vraag welke ten aanzien van dit onderwerp door de commissie Kéne leeftijdsgrens?
werd behandeld, was of voor de verschillende bedrijven eenzelfde leeftijds-
grens behoort te worden aangenomen waarop het ouderdomspensioen ingaat.
Door enkelen werd aanbevolen ééne leeftijdsgrens als regel aan te nemen
en daarnaast verschillende leeftijdsgrenzen voor meer in het bijzonder
gevaarlijke beroepen. Eene dergelijke regeling werd geacht ongeveer overeen
te komen met die, welke de Staat ten aanzien van de pensionneering zijner
ambtenaren heeft aangenomen en tevens verband te houden met de bcpa-
lingen in de Veiligheidswet opgenomen ten opzichte van de meer en min
gevaarlijke bedrijven. Er werden toch geacht onderscheidene bedrijven te
bestaan, waarin de krachten der werklieden op niet hoogen leeftijd reeds
versleten zijn. Hierbij had men niet op het oog de eigenlijke invaliditeit,
maar het tengevolge van het uitgeoefende beroep veel eerder oud zijn dan
in andere bedrijven. Daarom werd gevreesd, dat als ééne leeftijdsgrens wordt
aangenomen, juist om aan deze bezwaren tegemoet te komen, het begrip
van invaliditeit zeer ruim zou worden opgevat, in de hoop hierdoor de
schaduwzijde van ééne leeftijdsgrens te vermijden, en dus daardoor het
begrip van invaliditeit buiten de normale grenzen zoude worden uitgebreid;
maar dan zou men komen tot eene onjuiste regeling, waarin eenige gelijkenis
met een surrograat van eene regeling met verschillende leeftijdsgrenzen be-
zwaarlijk te miskennen werd geacht.
Tegen deze beschouwing werd aangevoerd, dat waar de commissie heeft
beslist het raadzaam te achten de verplichte verzekering én tegen ouder-
dom én tegen invaliditeit gelijktijdig in te voeren, de vraag naar verschil-
lende leeftijdsgrenzen op grond van het min en meer ongezonde van elk
speciaal bedrijf veel van haar gewicht verliest. In de bedrijven toch, waarin
de werklieden vroegtijdig hunne krachten verliezen, zal aan hen invalidi-
teitspensioen worden toegekend. Voorts werd het vaststellen van verschil-
lende leeftijdsgrenzen zoogoed als onmogelijk geacht op grond, dat nage-
noeg geen gegevens voorhanden zijn om die vaststelling op eenige behoorlijk
aan te wijzen grondslagen te verrichten. Bovendien werd opgemerkt, dat
als de leeftijd voor het ingaan van het pensioen wordt verlaagd, dit nood-
zakelijk ten gevolge moet hebben hetzij eene verlaging van het pensioen
hetzij, bijaldien men hetzelfde pensioensbedrag wenscht te behouden, eene
verhooging van de premie. Besluit men hiertoe niet, d. w. z. handhaaft
-ocr page 64-
6 2
men de gelijkheid zoowel van de premie als van het pensioen, niettegen-
staande dit laatste in de uitzonderingsbedrijven vroeger wordt verleend,
dan werd dit cene bevoorrechting geacht van de werklieden in deze bedrijven
werkzaam, en wel eene bevoorrechting ten koste van de werklieden in de
overige bedrijven. Dit werd niet alleen in beginsel onjuist geoordeeld, maar
men meende ook, dat hiervoor noch rechts* noch billijkheidsgrond kon
worden aangewezen. Men bedenke toch, dat de op te stellen regeling uitgaat
van de theorie van acquivalcntie, d. w. z. dat het pensioen in overeen-
stcmming behoort te wezen met de daarvoor gestorte bijdragen, waaruit
het geheel moet kunnen worden voldaan. Laat men deze theorie varen, dan
werd dit geacht een verlaten van het gebied der verzekering te zijn waar-
door het terrein van een stelsel van verzorging zou worden betreden.
Anderen verklaarden het zeer billijk te achten, indien men voor hen, die
in gevaarlijke beroepen werkzaam zijn, een lagcren leeftijd van pension-
neering kon vaststellen dan voor de andere verzekeringsplichtigen. Zij
hebben toch bij gelijke leeftijdsgrens minder kans om pensioentrekken-
den te worden. Waar nu men allen dwingt om tegen gelijke premiën deel
te nemen aan de verzekering, zou de eenige weg om de kansen op voordcel
gelijk te maken, bestaan in lageren leeftijd voor de uitoefenaars vaij gevaar-
lijkc beroepen. De combinatie van invaliditeits- met ouderdomsverzekering
werd geoordeeld deze ongelijkheid niet op te heffen. Wie toch werkzaam is
in een gevaarlijk beroep wordt niet steeds eerder invalide, neen hij wordt
dikwijls eerder ziek en sterft vroeger. Evenwel werd het aannemen van ver-
schillende leeftijdsgrenzen ontraden op grond van onoverkomelijk geachte
praktische bezwaren, daar het tot dusver nog niet is gelukt eene bctrouw-
bare statistiek op te stellen betreffende de levenskansen in de meer gevaar-
lijke bedrijven. Bovendien ontstaat nog eene moeilijkheid bij de wisseling
van beroep. Zal men, zoo werd gevraagd, iemand, die op zijn 45e jaar van een
gevaarlijk beroep overgaat in een niet gevaarlijk, pensioen toekennen op
lageren leeftijd ? Het is mogelijk, dat zijne gezondheid dan reeds geknakt,
zijne levenskans gering is geworden. Men zou daarvoor een onderzoek naar
de antecedenten van de meer bejaarden moeten instellen, en zóó geraken
in een aantal feitelijke quaestics. Daarom werd de individualiseering van de
levenskansen, hoe wenschelijk en rechtvaardig op zichzelve bij verzckcrings-
dwang, praktisch onuitvoerbaar geacht.
Beslissing der commissie.
           De commissie heeft na deze overwegingen met groote meerderheid zich
verklaard voor het aannemen van ééne algemeen geldende leeftijdsgrens
waarop het ouderdomspensioen behoort in te gaan.
Aanvangsleeftijd voor het           Daarna werd de vraag behandeld welke leeftijd bij de verzekering tegen
verleenen van pensioen, ouderdom behoort te worden aangenomen als aanvangslccftijd voor het ver-
lecnen van pensioen.
Waar ecnerzijds de zestigjarige leeftijd gewenscht voorkwam, daar op dien
-ocr page 65-
63
leeftijd bij de meeste werklieden de krachten reeds aan het afnemen zijn,
waardoor de verdiensten verminderen, werd dit toch in het algemeen te
drukkend geacht in verband met de daarvoor vereischte premie. Den 70
jarigen leeftijd aan te nemen gelijk in Duitschland kwam te hoog voor; de
gevallen, waarin het al of niet bestaan van invaliditeit moet worden onder-
zocht, zullen voor den leeftijd van 65 tot 70 jaren zeer talrijk worden; in
herinnering werd gebracht, dat bij de arbeids-enquête aan de Duitsche
grenzen over dezen leeftijd werd geklaagd als te hoog gesteld. Daarom werd
het meest wenschelijk geacht den midden-leeftijd van 65 jaren aan te nemen,
op grond, dat hierdoor de ouderdomsverzekcring financieel mogelijk is en de
werklieden dan nog cenige jaren van hunne vroegere stortingen de vruchten
kunnen plukken.
De 65-jarige leeftijd werd ook aanbevolen op grond, dat de werklieden
op 60-jarigen leeftijd in den regel nog wel geschikt zijn om te blijven arbci-
den, maar daar/w gaan de krachten vrij snel aan het verminderen.
Het aannemen van den 60-jarigen leeftijd werd van eene zijde aanbe-
volen op dezen grond, dat hoe lager de leeftijd wordt gesteld voor den aan-
vang van het ouderdomspensioen, des te minder het slagen van de bereke-
ningen van de verzekering tegen invaliditeit gevaar loopt. Het werd toch als
vaststaand aangenomen, dat de kans op invaliditeit klimt met den leeftijd
en de moeilijkheid 0111 in elk concreet geval te beslissen of iemand invalide
is eveneens stijgt naarmate hij ouder is.
Wat nu betreft de kostbaarheid van de ouderdomsverzekcring werd er op
gewezen, dat deze niet enkel afhangt van den leeftijd waarop het pensioen
ingaat, maar ook van het te verlecnen pensioensbedrag. Daarom werd ge-
wenscht op 60-jarigen leeftijd een laag ouderdomspensioen te verlcenen. maar
het pensioensbedrag te doen klimmen in verhouding van het aantal jaren, dat
men het na het 6oste jaar aanvraagt.
Van andere zijde werd hiertegen aangevoerd, dat zoolang het nog niet
vaststaat, dat de geschillen omtrent invaliditeit ontstaande tusschen den lcef-
tijd van 60 en 65 jaren onoverkomelijk zijn, laatstgenoemde leeftijd meer
aanbeveling verdient. Evenwel zou de regeling dan zóó behooren te zijn, dat
op den leeftijd van 65 jaren geen onderscheid bestaat tusschen het bedrag
van het invaliditeitspensioen en dat van den ouden dag. Zoodoende werd de
regeling geacht hierop neer te komen, dat de wet uitgaat van het verleenen
van invaliditeitspensioen en het vermoeden uitspreekt, dat de 65-jarige \\verk-
lieden tengevolge van hunnen leeftijd alléén reeds invalide zijn. Zijn zij het
dan feitelijk niet, dan behooren zij niet verplicht te worden pensioen aan te
vragen, waardoor zij later in het genot van een verhoogd pensioen zouden
kunnen worden gesteld.
Eenparig heeft de commissie, nadat een voorstelom 60 jaar alsaanvangs- Beslissing Her commissie,
leeftijd, ten aanzien van het ingaan van het pensioen, met zeer groote meerder-
hcid verworpen was, zich verklaard voor het aannemen van den 65-jarigen leeftijd.
-ocr page 66-
64
§ 11.
Hoe zal het begrip invaliditeit worden bepaald?
Duitsche wet.                      Bij de behandeling van het vaststellen van het begrip invaliditeit, kwam
in de eerste plaats ter sprake de omschrijving daarvan gegeven in § 9 van
de Duitsche wet van 22 Juni 1889 Bedoelde § 9 bepaalt, dat gerechtigd
tot invaliditeitspensioen zal zijn de verzekerde, die niet meer in staat is, door
hem passenden arbeid een bedrag te verdienen gelijkstaande met een zesde
van het gemiddelde loon in de loonklasscn, waarin hij over de laatste vijt
jaren premièn heeft betaald, vermeerderd met een zesde van het bedrag,
hetwelk naar de bepalingen der wet op de verplichte verzekering tegen ziekte,
als het ter plaatse normale loon voor gewonen handenarbeid is vastgesteld.
Wijzigingen door de           hi net jaar 1896 heeft de Duitsche Regeering op deze bepaling twee
Duitsche Regeerinj; wijzigingen voorgesteld, welke evenwel door den Rijksdag nog niet zijn aan-
voorgesteld.
genomen, n.1.:
i°. wordt de arbeid die den verzekerde past nader omschreven, en wel
in den geest van de bestaande wetsbepaling in hare toepassing; men noemt
n.1. een arbeid passend, welke in overeenstemming is met de opleiding, welke
de verzekerde genoot, en met de werkzaamheden, welke hij, tot het tijdstip
waarop de invaliditeit intrad, uitoefende;
2°. worden deze twee zesde deelen, welke de verzekerde van zijn loon
nog moest kunnen verdienen, vervangen door het een derde deel van het
ter plaatse normale loon; als plaatselijk loon geldt dan het loon van de
plaats, waar de verzekerde werkzaam is geweest gedurende één kalenderjaar
voorafgaande aan den dag, waarop de invaliditeit intreedt.
Bijlage lx.
                         In de tweede plaats lette de commissie op de omschrijving van invaliditeit
gegeven in de Eerste Schets van haar lid Mr. H. B. GREVEN (bijlage IX)
en wel op bladzijde 2 sub n°. 4. In de nota van Mr. GREVEN over de wer-
king der Duitsche wet van 22 Juni 1889 (bijlage VI) is op bladzijde 52
nader uiteengezet, wat onder handenarbeid behoort te worden verstaan.
Voor de meer gevaarlijke bedrijven werd door sommigen iemand invalide
geacht wiens krachten tengevolge van de geregelde uitoefening van zijn ge-
wone beroep vóór den normalen leeftijd zoozeer zijn afgenomen, dat hij niet
meer in staat is dat beroep te blijven uitoefenen, m. a. w. dat hij onbruik-
baar is geworden voor zijn beroep. Deze bepaling werd geoordeeld aanvul-
ling te behoeven met het oog op de normale bedrijven, alsmede in verband
met het afwisselend werkzaam geweest zijn in min en in meer gevaarlijke
bedrijven.
Tegen het aannemen van deze definitie werd gewaarschuwd op grond,
dat die te veel doet denken aan beroepsinvaliditeit, welke in Duitschland is
onderzocht, maar verworpen omdat de regeling daarvan te kostbaar werd
geacht. Bovendien ontbreken de noodige gegevens voor het vaststellen van
-ocr page 67-
65
de beroepsinvaliditeit. Trouwens alle beroepsinvaliditeit werd niet geoordeeld
in het algemeen invalide te maken. Hierbij werd als voorbeeld gewezen op
vele diamantwerkers, die ongeschikt voor hun vak geworden tengevolge van
het sterke afnemen van hun gezichtsvermogen in den regel nog voldoende
op andere wijze in hun onderhoud weten te voorzien. Zulke werklieden be-
hooren niet in de termen te vallen om een invaliditeitspensioen te verkrijgen.
al zijn zij ook invalide om hun oorspronkelijk beroep uit te oefenen.
Door de deskundigen werd er op gewezen, dat de eenige cijfers, afgeleid Invaliditeitskans aan <le
fa                           .                              .                                                                    ervaring ontleend.
uit de ervaring aangaande verplichte verzekering van werklieden op zeer
groote schaal, gegrond zijn op de tegenwoordige bepaling van § 9 van de
Duitsche wet. Aan deze cijfers kunnen dus gevolgtrekkingen worden ontleend,
maar natuurlijk met deze reserve, dat de toestanden in Nederland veronder-
steld worden gelijk te zijn aan die in Duitschland.
Willen zij dus eenige berekening kunnen maken, dan werd het door hen
van belang geoordeeld de definitie van invaliditeit voor Nederland zooveel
mogelijk gelijkluidend te maken aan § 9 van de Duitsche wet. Hoe verder
de commissie van deze bepaling afwijkt, des te onzekerder werden de op te
stellen berekeningen geacht.
Door velen werd aanbevolen als grondslag voor de verdere regeling aan
te nemen de bepaling hiervoren bedoeld en voorkomende in de Eerste Schets
iles heeren Grevkn sub n°. 4. Deze bepaling sluit zoo nauw mogelijk aan
den zin van § 9 der Duitsche wet aan, waardoor gebruik kan worden ge-
maakt van de ervaring daar te lande gedurende reeds eenige jaren opgedaan.
Tegen het aannemen van deze bepaling werd als bezwaar aangevoerd,
dat die voor den verzekerde eigenaardige moeilijkheden zal opleveren, daar
hij er geen bepaald gemakkelijk waarneembaar criterium in vindt op grond
waarvan hij aanspraak op invaliditeitspensioen kan doen gelden. Er is toch
een vrij omvangrijk onderzoek noodig om uit te maken of de verzekerde
twee verschillende soorten van loon niet voor een zesde deel geniet; men
vreesde, dat de werkman zelf hiertoe in den regel niet gemakkelijk in staat
zoude zijn. De verzekerde zal zich waarschijnlijk wel als invalide aanmelden,
zoodra hij niet meer in staat is geregeld zijn gewone werk te verrichten,
maar loopt dan de kans op grond van eene voor hem niet zoo dadelijk te
overziene berekening te worden afgewezen. Daarom werd gemeend, dat de
werkman in bedoelde bepaling een aanvangspunt mist om gemakkelijk te
kunnen beoordeelcn of hij wettelijk al dan niet invalide is.
Van andere zijde werd evenwel opgemerkt, dat alle werklieden, die hunne
gewone werkzaamheden niet meer geregeld kunnen verrichten, zich voor
invaliditeitspensioen wel zullen aanmelden; velen zullen alsdan waarschijnlijk
worden afgewezen, maar dit werd geacht slechts in den eersten tijd na het
invoeren van de verplichte verzekering te zullen voorkomen en te zullen
voortduren tot zich eene soort jurisprudentie heeft gevormd. Dit werd als
het ware een overgangstijdperk geacht, waarin het den werkman langs den
9
-ocr page 68-
66
weg der praktijk duidelijk wordt, dat hij niet verzekerd is tegen beroeps-
invaliditeit, maar tegen algemeene invaliditeit alsmede welke maatstaf hier-
voor geldt.
Beslissing der commissie.
           De commissie heeft vervolgens met eenparigheid van stemmen besloten
bij het aanwijzen van de grondslagen, waarop de verplichte verzekering tegen
ouderdom en invaliditeit behoort te berusten, als grondslag voor het begrip
invaliditeit aan te nemen de bepaling voorkomende sub n°. 4 in de Eerste
Schets des heeren GREVEN, luidende :
„Tot pensioen wegens invaliditeit gerechtigd is hij, die :
a.  tengevolge van zijn lichamelijken of geestelijken toestand blijvend
buiten staat is, om door arbeid, die voor zijne krachten en bekwaamheid
is berekend, en die met het oog op zijne ontwikkeling en vroegere bezig-
heid hem in billijkheid kan worden opgedragen een bedrag te verdienen,
gelijk aan de som van een zesde van het gemiddeld jaarlijksch loon in de
loonklassen, in welke voor hem gedurende de laatstverloopen jaren is bijge-
dragen, en van een zesde eener som, door Gedeputeerde Staten voor iedere
gemeente vast te stellen, als jaarlijksch inkomen door gewonen handen-
arbeid te verdienen ;
b.  tijdelijk, langer dan een jaar. daartoe buiten staat is, zoolang die
toestand voortduurt."
§ 12.
Loonklassen.
Bij de behandeling der vraag volgens welke regelen het pensioensbedrag
behoort te worden vastgesteld en van welk hoofdbeginsel daarbij zal worden
uitgegaan, openbaarde zich weinig verschil van meening.
Gelijk pensioen vo.,r allen ?
          Een pensioen tot eenzelfde bedrag verleend aan alle verzekerden, d. w. z.
eene „Einheitsrente" gelijk is voorgesteld in het rapport der leden VAN
PESCH en LANDRÉ (bijlage VIII), werd algemeen niet wenschelijk geacht,
daar dit pensioen voor de hooger beloonde werklieden in den regel te
gering zou zijn in verhouding tot hun vroegere loon en omgekeerd te hoog
voor de minst beloonde werklieden, terwijl bovendien het eenvormige
premiebedrag ook zeer ongelijk zou drukken.
Het pensioensbedrag verband te doen houden met de streek waar de
verzekerden kunnen worden geacht het te verteren, kwam eveneens niet
aanbevelenswaardig voor, daar dan toch steeds het verschil blijft bestaan
tusschen het verschil van loon in de onderscheidene in die streek uitge-
oefende beroepen, b.v. een fabrieksarbeider zal in den regel een hooger
loon ontvangen dan een boerenarbeider in dezelfde streek.
Om die redenen achtte men het algemeen wenschelijk om, waar het
pensioen zooveel mogelijk verband behoort te houden met het voorheen
-ocr page 69-
67
genoten loon, dit ook in overeenstemming daarmede vast te stellen, waar-
door tevens bereikt wordt, dat ieder verzekerde aan de verzekering bijdraagt
in verhouding van zijn loon. Op deze wijze kan dan als het ware vanzelf
het pensioen verband houden met de streek waarin het verdiend en in den
regel ook verteerd wordt. Het pensioensbedrag evenwel vast te stellen voor
eiken gulden loon en met de tallooze wisselingen hiervan steeds daarmede
op en neer te doen gaan, scheen onuitvoerbaar. Daarom meende men, dat
als eenig middel overbleef het aannemen van loonklassen, waardoor de ver-
zekerden behoorende tot dezelfde loonklasse eenzelfde gemiddeld pensioens-
bedrag verkrijgen en daarvoor ook dezelfde bijdrage storten. Om nu zoo
min mogelijk onbillijkheid te scheppen werd het aannemen van een betrek-
keiijk groot aantal loonklassen aanbevolen.
Met eenparigheid van stemmen heeft de commissie zich dan ook uitge- Beslissingen .Ier commissie,
sproken om als hoofdbeginsel voor de pensioensberekening aan te nemen,
dat het pensioensbedrag verband heeft te houden met het voorheen genoten
loon, terwijl zij voorts in verband met de aangenomen maximum loongrens
heeft opgesteld de volgende vijf loonklassen :
ie loonklasse met een jaarloon van o— 250 gulden;
2\'          Y,                  n        r,          „              «     250---- 4OO
3U           v.                    v.        «           r>               m      4OO— 600 ,,
4\'            r>                     y>         "            v                 v>      600— 800
Se          n                  n        n          r.              n     80O— IOOO ,,
Tevens werd door de commissie eenstemmig beslist, dat er in het alge-
meen verband behoort te bestaan tusschen het pensioensbedrag en het aan-
tal daarvoor gestorte bijdragen.
S \'3-
Stelsel volgens hetwelk de bijdragen voor de verzekering
worden vastgesteld.
De bijdragen voor de verzekering, waaruit de pensioenen moeten worden
voldaan, kunnen volgens verschillende stelsels worden vastgesteld, waarvan
de volgende door de commissie werden overwogen :
1°. het omslagstelsel waarbij jaarlijks over de verzekerden wordt omge-
slagen hetgeen in het afgeloopen jaar is uitgekeerd, welk stelsel geen bijval
vond, omdat daarbij de lasten voor de toekomst veel te bezwarend worden;
2°. het kapitaaldekkingsstelsel, hetwelk in Duitschland is aangenomen
ten aanzien van de verplichte verzekering tegen invaliditeit en ouden dag;
bij dit stelsel heeft het verzekeringsfonds op een gegeven oogenblik enkel
het kapitaal in kas om de dan reeds bestaande pensioenen tot aan het
einde te voldoen;
omslagstelsel.
Kapitaaldekkingsstelsel.
-ocr page 70-
68
Premiestelsel.                     3°- het premiestelsel, waarbij de bijdragen zoo worden vastgesteld, dat
op elk oogenblik aanwezig is eene som gelijk aan de contante waarde van
alle loopende verzekeringen.
Dit laatste stelsel, waarbij te allen tijde de loopende verzekeringen vol-
komen gedekt zijn, zoodat het verzekeringsfonds steeds ten volle aan zijne
verplichtingen kan voldoen, ook al hield de toetreding eindelijk op, werd in
theorie zeker het meest gewenschte stelsel geacht. Teneinde te beslissen, of
dit stelsel ook in de praktijk de voorkeur verdient, werd gewezen op het
verschil in cijfers voorkomende in het rapport der leden VAN PESCH en
LANDRÉ (Bijlage VIII). Op bladzijde 11 van dat rapport vindt men het
tarief D voor een pensioen van ƒ3.— \'s weeks, ingaande op 70-jarigen leeftijd
of bij eerder ingetreden invaliditeit. Voor die regeling vordert het premie-
stelsel (tarief D sub 4) bij toetreding van enkel 20-jarigen eene week-
premie van 30 cents. Evenwel kan men in den aanvang met deze premie
niet volstaan, daar ook oudere werklieden toetreden ; laat men nu de werk-
lieden van 50—70 jaar aan de Staatshulp over en treden dus allen tot den
50-jarigen leeftijd toe, dan wordt voor ieder verzekerde eene weekpremie van
55 cents vereischt. Volgens dit stelsel zal men zich dus eene betrekkelijk
hooge aanvangspremie moeten getroosten, welke geleidelijk afnemende, zoodra
de stationnaire toestand is ingetreden, zal naderen tot het aanzienlijk lagere
bedrag van 30 cents. Op deze wijze wordt dus het tegenwoordige geslacht
van werklieden belast ter wille van het verleden, n.1. om hen, die bij de
invoering van de verzekering reeds boven den leeftijd zijn, welke is aangc-
nomen voor de opneming in de verplichte verzekering, in de gelegenheid te
stellen aanspraak op pensioen te verkrijgen.
Anders is nu het verloop der premie bij toepassing van het stelsel van
kapitaaldekking. Hier zal de eindpremie (tarief D sub 2), zoodra de
overgangstoestand voorbij is, aanmerkelijk hooger zijn dan de eindpremie
in het vorige geval. Er zal toch ten slotte 47 cents per week voor eiken
verzekerde worden gevorderd ; daarentegen zal in den beginne veel minder
behoeven te worden betaald, indien men ook hier weder de oudste werk-
lieden niet onder de verzekerden opneemt. Vergelijking der eindcijfers van
47 en 30 cents doet alzoo zien, dat eene belasting van de toekomst ten bate
van het heden een gevolg is van de toepassing van dit stelsel.
Ten voordeele van het kapitaaldekkingsstelsel werd aangevoerd, dat
waar men bij het invoeren van de verplichte verzekering te doen heeft met
een omvangrijken maatregel op sociaal gebied, in de eerste plaats bestaande
in eene gedwongen korting op de loonen, het aanbeveling verdient niet
dadelijk te beginnen met eene hooge korting op het loon. Worden in dit
stelsel de premiën later hooger, dan zal vermoedelijk de stand van het
loon eveneens hooger zijn en eene grootere korting veroorloven. De druk
moge dan uit een arithmetisch oogpunt stijgen, doch hij zal in evenredig-
heid met de draagkracht en alzoo in economisch opzicht gelijk blijven.
-ocr page 71-
6g
Van andere zijde werden de stijgende lasten verbonden aan het stelsel
van kapitaaldekking geacht belemmerend te kunnen werken op het tot
stand komen van andere verzekeringen, zooals die tegen ziekte en over-
lijden (weduwen* en weezenverzekering), waaraan de behoefte in de toekomst
zich kan doen gevoelen. Staat men alsdan voor stijgende lasten tengevolge
van een stelsel, waarbij het volle kapitaal nog niet eens aanwezig is om alle
loopende aanspraken op uitkeering te voldoen, dan werd dit niet aanbevelens-
waardig geacht tegenover het premiestelsel, waarbij steeds eene som aan-
wezig is gelijk aan de contante waarde van alle loopende verzekeringen.
Over het algemeen werd het gevoelen uitgesproken, dat het geen aan-
beveling verdient een financieel stelsel aan te nemen, waarbij de toekomst
wordt belast ten bate van het heden.
De commissie heeft dan ook met zeer groote meerderheid besloten voor Beslissing der commissie.
de door de deskundigen op te stellen berekeningen als grondslag aan te
nemen het premiestelsel.
§ 14.
Wijze van inning der premiën.
Waar bij de behandeling der vraag wie als werklieden zullen worden
beschouwd ten opzichte van het opnemen in de verplichte verzekering steeds
op den voorgrond is gesteld het beginsel, dat er een aangewezen werkgever
behoort aanwezig te zijn ter wille van de uitvoerbaarheid der zaak, ligt het
voor de hand, dat de commissie met eenparigheid van stemmen besloot de Beslissing der commissie.
volle premie te doen innen van de werkgevers en hun het recht te ver-
leenen de helft daarvan te korten op des werkmans loon.
Op welke wijze de premie van den werkgever zal worden geïnd, was de
vraag, welke na deze beslissing het eerst aan de orde kwam.
Hierbij stond dadelijk een ieder voor den geest het plakzegelstelsel van Duitsche wet.
de Duitsche wet, hetwelk daar te lande den spotnaam van „Klebegezetz"
heeft doen ontstaan. De voor- en nadeelen van dit plakzegelstelsel zijn uit-
voerig vermeld in de twee Nota\'s over de werking der Duitsche wet, opge-
steld door de leden Mr\\ D\'AULNIS en GREVEN, welke als bijlagen V en VI
bij dit verslag zijn overgelegd. De heer d\'Aulnis komt in zijne Nota tot Bijlage V.
deze conclusie (pag. <S en 9): „Door haar", n.1. de Duitsche regeling, „is
het mogelijk geweest om, meer dan door elk ander procédé, althans in vele
opzichten de hoofddenkbeelden te verwezenlijken, op welke iedere verzeke-
ring rust:
a.   zorg dat met de premiebetaling tijdig begonnen wordt;
b.   controle hoelang en tot welk bedrag de premiën betaald zijn door
hen, die pensioen aanvragen ;
-ocr page 72-
;o
c.    berekening van een pensioen naar het bedrag en den duur der
premie ;
d.    betaling der premiën, in kleine sommen telkens, en binnen zekere
grenzen in verhouding tot de verdiende loonen.
Wie deze beginselen handhaven wil, moge zoeken naar een ander stelsel
dan dat van plakzegels, doch het zal hem niet gemakkelijk vallen een
beter te vinden."
Bijlage VI.
                            In overeenstemming hiermede komt de heer GREVEX op pag. 40 zijner
Nota tot dit besluit:
„Ik zelf zou met Gehhard, Freund en Lautenschlager van meening
zijn, dat het gebruik van kaarten en zegels de afkeuring, die het van
zoovele zijden gevonden heeft, niet verdient, en dat men er zich alleen op
moet toeleggen, zooveel mogelijk in de details verbeteringen aan te brengen,
o. a. op de wijze, aangegeven in het ook door de conferentie behandelde
regeerings-ontwerp, het ontwerp—VON WOEUTKE."
PlakzegeUtelsel.
                       Toen dan ook in de commissie de vraag ter sprake kwam of het
aanbeveling verdient het plakzegelstelsel als zoodanig — behoudens wijzi-
gingen aan te brengen ten behoeve van de toestanden in Nederland — als
grondslag aan te nemen bij het invoeren van de verplichte verzekering
tegen ouderdom en invaliditeit, werd door velen dadelijk gewaarschuwd
tegen het aannemen van een ander stelsel; de nadeelen van het plakzegeU
stelsel werden bekend geacht, maar het was zeer de vraag, zoo meende
men, of van een ander stelsel de nadeelen niet zouden blijken nog grooter
te zijn.
Enkelen meenden evenwel, dat de nadeelen van het plakzegelstelsel niet
opgewogen worden door de daaraan verbonden voordeden. Dit werd geacht
wel het best bewezen te worden door de werkzaamheid van de Duitsche
Regeering ten opzichte van het voorstellen van wijzigingen op de wet van
22 Juni 1889. Toegegeven werd wel, dat de Duitsche Regeering heeft
verklaard geen beter stelsel dan dat van de plakzegels te kunnen vinden,
maar dit werd geen afdoende reden geoordeeld om een stelsel in te voeren
hetwelk in Duitschland zoozeer de animositeit heeft opgewekt tegen de
geheele zaak van de verplichte verzekering tegen ouderdom en invaliditeit.
Nog werd ten gunste van het plakzegelstelsel betoogd, dat bij deze
wijze van betaling der premiën tevens de werkman de gelegenheid heeft
daarop controle uit te oefenen ; dit werd van groot belang geacht zoowel
voor den werkman als voor het verzekeringsfonds. Het belang van den
werkman bij de controle is gelegen i° in de zekerheid, dat de korting van
de premie op zijn loon wordt besteed voor de verzekering, en 2° in het
verband, hetwelk bestaat tusschen het storten van de premiën en het te
verkrijgen pensioen. Het belang van het verzekeringsfonds bij de controle
van den werkman is, dat werkelijk betaald wordt datgene waarop het fonds
volgens de wet recht heeft, teneinde zeker te zijn, dat de opgestelde
-ocr page 73-
7\'
berekeningen in de praktijk tenminste om deze reden niet falen. Het
plakzegelstelsel werd nu geacht aan dezen eisch van controle van den
werkman te voldoen, daar de kaart met de opgeplakte zegels het eigendom
van den werkman is. De verzekerde verkrijgt door deze kaart het tastbaar
teeken zijner pensioensgerechtigdheid. De zegels zijn de zichtbare bewijzen,
dat er voor hem betaald is. Hoeveel er betaald is, is niet twijfelachtig,
evenmin als hoeveel er op zijn loon mag worden gekort. Heeft de korting
plaats, dan heeft de verzekerde het bewustzijn, dat hij zelf betaald heeft
voor zijne eigene pensioensgerechtigdheid. Het bezit eener met zegels voor-
ziene kaart herinnert aan die gerechtigdheid en aan de offers, welke hij
zich daarvoor heeft getroost. Aan de werklieden is dus de zorg voor hun
belangen niet geheel uit handen genomen, al wordt ook verreweg het
meerendeel der te verrichten werkzaamheden aan de werkgevers opgedragen.
Met eene zeer groote meerderheid heeft de commissie zich dan ook Beslissing der commissie,
verklaard voor het aannemen van het beginsel, dat de inning der premién
behoort te geschieden door het inplakken van zegels op een daarvoor door
de verzekeringsinstelling aan te wijzen document.
§ 15.
Staatsbijdrage.
Waar de commissie in beginsel had aanbevolen eene Staatsbijdrage in
het overgangstijdperk te verleenen (§ 8) behoorde nog nader te worden
aangewezen aan welke verzekerden en in welken vorm die bijdrage zoude
worden verstrekt.
Ter voorloopige beoordeeling van de kosten van de verzekering zijn door Bijlagen XII-XV.
de leden Dr. J. C. Kluyver en Corneii.i.e L Landrk achtereenvolgens
vier nota\'s opgesteld over de verzekering tegen invaliditeit en ouden dag,
welke bij dit verslag worden overgelegd als bijlagen XII, XIII, XIV en XV
en welke in den vervolge zullen worden aangehaald als de Eerste, Tweede,
Derde en Vierde Nota.
Daar bedoelde bijdrage voornamelijk zou ten goede komen aan de werk-
lieden, die bij de invoering van de verplichte verzekering wegens hunnen
leeftijd alleen op bezwarende wijze kunnen worden verzekerd, is in de eerste
plaats overwogen of het ook aanbeveling verdient een leeftijd aan te nemen
waarboven de werklieden worden uitgesloten van de verplichte verzekering
tegen ouderdom en invaliditeit.
Het aannemen van een uitsluitingsleeftijd werd verdedigd op grond van
de kosten, waarover gehandeld wordt in de nota\'s der leden KLUYVER en
LANDRK. Worden alle werklieden, onverschillig van welken leeftijd, dadelijk
opgenomen in de verplichte verzekering, dan zal of de Staat de oudste werk-
lieden enorm moeten steunen of zullen de jongere werklieden eene belangrijk
-ocr page 74-
72
hoogere premie moeten betalen ter wille van hun oudere kameraden, die
voorheen niets voor de verzekering hebben bijgedragen. Dit werd ongewenscht
verklaard.
Duitsche wet $156—* 161.          Anderen daarentegen meenden, dat het aannemen van een uitsluitings-
leeftijd eene onnoodige hardheid is, daar het toch wel mogelijk werd geoor-
deeld eene regeling op te stellen naar analogie van § 156—§ 161 van de
Duitsche wet. Men bedenke toch, dat het bij invoering van de verplichte
verzekering van belang is sympathie voor deze zaak te wekken. Worden nu
de belanghebbenden zoo spoedig mogelijk overtuigd van de heilzame gevol-
gen der nieuwe regeling, m. a. w. zien de werklieden in eigen kring de
vruchten van de gestorte bijdragen plukken, dan werd dit voor het slagen
van de verplichte verzekering een belangrijke factor geacht. Ook hier geldt
het woord: leeringen wekken en voorbeelden trekken. Neemt men daaren-
tegen een uitsluitingsleeftijd aan, dan duurt het nog jaren alvorens het eerste
pensioen wordt uitgekeerd en in dien tijd zien de werklieden niet de goede
gevolgen van de verzekering, terwijl zij er nog niets dan de nadeelen van
ondervinden. Dit kwam niet aanbevelenswaardig voor en werd geacht de vrees
te wettigen, dat door dien maatregel de sympathie voor de regeling ten
zeerste in de waagschaal wordt gesteld.
Twee perioden te on<ler-           Bij de vraag over het aannemen van een uitsluitingsleeftijd werd alge-
ineen aanbevolen het onderscheiden van twee perioden, n.1. den overgangs-
toestand, waarin uit den aard der zaak in eens vele bejaarde werklieden in
de verplichte verzekering worden opgenomen, en den blijvenden toestand
(d. w. z. den toestand na het overgangstijdperk), waarin alleen bij uitzonde-
ring personen op hoogen leeftijd in de verplichte verzekering zullen vallen.
De overgangstoestand werd daarom de meest belangrijke geacht. Hierbij
werd er echter op gewezen, dat juist in dien toestand vele misbruiken kun-
nen voorkomen waartegen behoort te worden gewaakt. Een boerenarbeider
b.v., die tot dusverre zelfstandig werkzaam was, kan schijnbaar een baas
opzoeken en zoo voorwenden in loondienst te treden; in de groote steden
kan iemand gemakkelijk oppasser worden en daardoor in loondienst komen.
Op zulk eene wijze kan zoo iemand door een drietal jaren bijdragen te storten
tot een gezamenlijk bedrag van / 21,85 (Eerste Nota pag. 14 en 15) zich
een minimum pensioen verwerven van ƒ 53,52*, hetgeen voordien verzekerde
wel eene hoogst voordeelige handelwijze is, maar uit het oogpunt van rege-
ling een misbruik vormt, hetwelk behoort te worden tegengegaan. Op dezen
grond behoeft men echter de hoogbejaarden in den overgangstoestand niet
van de verplichte verzekering uit te sluiten, maar wel zijn maatregelen ge-
wenscht tot voorkoming van misbruiken.
Uitsluiting van de meest           De meest bejaarde werklieden van de verplichte verzekering uit te sluiten
bejaarden.                      ()p grond van de daaraan verbonden kosten, kwam voorts velen zeer onbillijk
voor. De Staat werd toch geacht bij het opstellen van deze verzekering twee
wegen te kunnen inslaan :
-ocr page 75-
73
i°. hij betaalt aan de verzekering bij wat aan het pensioen ontbreekt om
het minimum daarvan te kunnen voldoen, maar dan werd vermeend, dat de
Staat evenzeer verplicht is aan alle werklieden, die reeds boven 65 jaar zijn,
ook het minimum pensioen te betalen;
2°. tot het betreden van den tweeden weg leidt de volgende gedachten-
gang: er wordt een stelsel van verzekering ingevoerd, waarvoor het wenschelijk
is ook in het overgangstijdperk de basis te behouden; evenwel behooren de
verzekerden, alvorens recht op pensioen te verkrijgen, een bepaalden tijd
te hebben bijgedragen, maar dit kan niet verlangd worden van de per-
sonen, die bij de invoering van de regeling reeds op te gevorderden leeftijd
zijn en daarom wordt die bijdragetijd verkort naar mate van de belemmering
tengevolge van hunnen leeftijd; teneinde echter simulatie te voorkomen
worden eenige beperkende bepalingen gemaakt, n.1. dat hij, die van dezen
verkorten bijdrage- of wachttijd (1) wil profiteeren, het bewijs levere, dat
wanneer deze verplichte verzekering maar vroeger ware ingevoerd, zoodat hij
zijn bijdragetijd had kunnen volbrengen, hij ook toen verzekeringsplichtig
zou zijn geweest. Wordt dit bewijs geleverd, dan zal aan zijne verzekering
door den Staat worden bijbetaald wat te weinig is betaald om dien verze-
kerde het minimum pensioen uit te keeren. Indien de Staat zóó handelt,
dan volgt hij ongeveer het Duitsche stelsel en wordt de bedoeling van een
stelsel van verzekering zoo zuiver mogelijk bewaard. De bedoeling van de
verplichte verzekering werd toch geacht te zijn, dat ieder begint bijdragen
te storten; doet hij dit lang genoeg, dan heeft hij zelf het minimum pensioen
betaald, maar kan hij dit in des wetgevers regeling in verband met zijn
leeftijd niet meer doen, dan betaalt de Staat het ontbrekende voor hem.
Deze regeling, meende men, kon steeds worden gevolgd onafhankelijk van
het minimum pensioensbedrag, hetwelk zal worden aangenomen.
Naar aanleiding van deze beschouwing werd er de aandacht op gevestigd,
dat als de Staat bij de invoering van de verplichte verzekering aan alle
verzekerden tot den 65-jarigen leeftijd, waarop het ouderdomspensioen
ingaat, de helpende hand toesteekt, het dan billijk is, dat de Staat ook de
werklieden ouder dan 65 jaar te hulp komt, maar dan werd zoodoende
volgens sommigen afgeweken van een verzekeringsstelsel en het terrein van
een verzorgingsstelsel betreden.
Nagenoeg algemeen kwam het evenwel aanbevelingswaardig voor in den
blijvenden toestand, d. w. z. na het overgangstijdperk, een uitsluitingsleef-
tijd aan te nemen voor hen, die nog nimmer in de verplichte verzekering
zijn opgenomen geweest. Zij toch, die tijdens het bestaan van de ver-
plichte verzekering daarin niet zijn opgenomen en bij het bereiken van een
hoogen leeftijd eerst in loondienst treden met een verdienste van minder
dan/1000 \'sjaars, werden geacht tot de uitzonderingen te behooren, waar-
in J 16. pat;. 78.
10
-ocr page 76-
74
voor men de regeling der verplichte verzekering niet nog meer ingewikkeld
behoeft te maken dan zij reeds van nature is.
Anderzijds werd niet ingezien waarom men deze hoogbejaarden in den
blijvenden toestand zou uitsluiten van de verplichte verzekering, daar die
ouderen toch nog steeds invaliditeitspensioen zouden kunnen verkrijgen.
Vreest men, dat deze ouderen zullen voorgeven werkman te zijn alleen om
het minimum invaliditeitspensioen te verkrijgen, dan kan daarvoor in de op
te stellen regeling worden gewaakt.
Beslissing <ler commissie
           Na deze overwegingen heeft de commissie zich met groote meerderheid
verklaard voor het aannemen van een uitsluitingsleeftijd in den toestand
na het overgangstijdperk, d. w. z. van een leeftijd boven welken een werkman,
die nog nimmer aan den verzekeringsplicht is onderworpen geweest, niet
wordt opgenomen in de verplichte verzekering, terwijl zij zich met niet
groote meerderheid verklaarde tegen het aannemen van een uitsluitingsleef-
tijd in het overgangstijdperk.
Beginselen volgens welke           Na deze beslissing lag de vraag voor de hand, welke beginselen behooren
de Staatsbijdrage wordt te wor(jen aangenomen ten aanzien van het verkenen van de Staatsbijdraee
verleend.                          ...
in het overgangstijdperk.
Volgens de meening van sommigen behoort de Staat bij te passen het
verschil van hetgeen in den blijvenden toestand moet worden opgebracht
en hetgeen in den overgangstoestand is opgebracht. Bij eene algemeene
regeling heeft men toch het oog op den blijvenden toestand, maar om dien
toestand te kunnen bereiken behoort de zaak op gang gebracht te worden;
daarom wordt steun verleend in het overgangstijdperk op eene wijze, waar-
door de verzekerden zelf zoo min mogelijk verschil bemerken tusschen
beide toestanden. Wordt dit denkbeeld in praktijk gebracht, dan is het
niet onmogelijk, dat enkelen vermeenen benadeeld te zijn, maar hierbij
behoort te worden bedacht, dat het niet mogelijk is eene voor allen vol-
maakt billijke regeling te maken.
Suppletie op de premien
           De vraag werd geopperd of de Staatsbijdrage behoort te bestaan in een
of op de pensioenen ? stelsel van suppletie op de premiën dan wel op de pensioenen.
Suppletie op de pensioenen werd aanbevolen als het meest eenvoudige
stelsel, daar de Staat alsdan aan elk pensioen heeft toe te voegen hetgeen
daaraan tengevolge van te weinig stortingen ontbreekt om het minimum
pensioensbedrag uit te keeren. Bij dit stelsel wacht de Staat tot zich een
pensioensgerechtigde aanmeldt, waardoor de Staat de zekerheid heeft, dat
wat hij voor de suppletie betaalt ook werkelijk wordt gebruikt. Bij het
stelsel daarentegen van suppletie op de premiën brengt de Staat vooraf, op
grond van verscheidene onderstellingen, een kapitaal bijeen, waarvan het
niet zeker is of dit wel noodig zal zijn. Jarenlang moeten de belasting-
schuldigen aanzienlijke sommen opbrengen ten behoeve van het verzeke-
-ocr page 77-
75
ringsfonds, welke voor een deel kunnen blijken zonder noodzaak te zijn
vergaard. Dit werd niet wenschelijk geacht.
Tegen deze beschouwing werd aangevoerd, dat waar de commissie zich
heeft verklaard voor het aannemen van het premiestelsel, suppletie op de
premiën daarbij onmisbaar is. Gesteld een verzekerde, door wien in dit stelsel
niet voldoende premie wordt betaald om daaruit zijn pensioen te bekostigen en
wiens pensioen daarom door den Staat zal worden gesuppleerd, sterft vóór
het tijdstip waarop hem pensioen wordt verleend, dan is de Staat niet
gehouden om te suppleeren, maar het fonds van de verzekeringsinstelling
is benadeeld omdat door dien verzekerde te weinig premie is betaald om de
noodige reserve te kunnen vormen. Zoodoende zou dus de reserve in het
overgangstijdperk nimmer die hoogte kunnen bereiken, welke door de ver-
zekeringswetenschap als noodzakelijk is erkend.
Verkiest men in plaats van eene premiesuppletie eene jaarlijksche stor-
ting door den Staat in het reservefonds, dan is dit eene kwestie van louter
vorm, welke het wezen der zaak niet verandert. Voor het verzekeringsfonds
is evenwel deze jaarlijksche storting noodig.
Afgescheiden van deze technische zijde der vraag werd het door velen
in beginsel hetzelfde geacht of de Staat suppleere op de premiën dan wel op
de pensioenen.
Door anderen werd het wenschelijk geoordeeld, premie en Staatsbijdrage LeeftijcUtfroepeering.
als volgt te berekenen. Voor eene groep van verzekerden b.v. van 16- tot
30-jarigen leeftijd wordt de gemiddelde premie berekend. Deze premie
wordt nu zoowel betaald door een 16- als door een 20- of 30-jarige. Op
dezen leeftijd zijn alle krachten nog aanwezig, wordt het maximum loon
bereikt en zijn de kosten verbonden aan het onderhoud van een gezin in
den regel nog gering. De gemiddelde premie door deze eerste leeftijdsgroep
betaald, wordt nu ook door alle meer dan 30-jarigen voldaan. Op deze
wijze dragen alle verzekerden evenveel bij voor hun pensioen. Aanbevolen
werd na den 30-jarigen leeftijd de Staatsbijdrage te doen aanvangen.
Bedenkt men voorts, dat voor het ingaan van het ouderdomspensioen de
65-jarige leeftijd is vastgesteld en voor de ouderdomsverzekering een wacht-
tijd van 20 jaren waarschijnlijk wel zal worden aangenomen, dan kan hij,
die op 45-jarigen leeftijd tot de verzekering toetreedt, nog juist zijn wachttijd
doormaken. Om die reden werd aanbevolen de grens tusschen de 2C en
3e leeftijdsgroep te stellen op den 45-jarigen leeftijd. De groep van de
30- tot 45-jarigen betaalt nu dezelfde premie als de eerste groep van de
16- tot 30-jarigen. Daar evenwel hun meer gevorderde leeftijd eene hoogere
premie vereischt, suppleert de Staat in het overgangstijdperk hetgeen aan
de premie ontbreekt. De derde groep, n.1. de 45- tot 65-jarigen, betalen
dezelfde premie als de groep van de 16- tot 30-jarigen. Als de Staat nu
deze zeer gevorderden in \'leeftijd ook te hulp zal komen in het overgangs-
-ocr page 78-
76
tijdperk, werd dit geacht het best te kunnen geschieden door zoowel
suppletie op de premicn als op de pensioenen te verkenen. Hierbij werd
evenwel aanbevolen tweeërlei in aanmerking te nemen: i". de leeftijd,
d. w. z. hoe jonger de verzekerde is, dus hoe dichter bij de 45 jaar, des
te minder steun worde verleend; deze jongeren verdienen toch in den
regel een hooger loon en dragen langer bij; 2". het loon, d. w. z. dat voor
de hoogere loonklassen, waarin de verzekerden reeds hooger pensioen
genieten, minder steun worde verleend dan voor de lagere loonklassen.
Deze leeftijdsgroepeering in verband met de premiebetaling vond geen
onverdeelden bijval. Voor den blijvenden toestand is toch aangenomen
toetreding tot de verzekering op 16-jarigen leeftijd o. a. ter wille van de
goedkoopte van de premie. Dit goede beginsel werd geacht te worden
prijsgegeven als men van de 16-jarigen eene premie verlangt hooger dan
door hun leeftijd wordt vereischt. Men bedenke hierbij, dat de aanvangs-
premie het geheele leven door wordt betaald, zoodat eene verhooging
daarvan ook het geheele leven door wordt gevoeld. De werklieden betalen
dus deze hoogere premie zoowel op den leeftijd waarop zij tot de econo-
misch sterken als op dien waarop zij tot de economisch zwakken behooren,
waardoor de onderscheiding tusschen economisch sterken en zwakken wordt
verwaarloosd. Eene dergelijke regeling werd geacht eene belasting van
de jongeren te vormen ten behoeve van de ouderen, waarvan de billijkheid
niet werd ingezien. Bovendien kleeft aan eene zoodanige regeling nog eene
andere moeilijkheid. Stel dat de verzekering wordt ingevoerd in het jaar
1900 en in dat jaar de gemiddelde premie wordt betaald voor eene bepaalde
leeftijdsgroep verschuldigd, welke premie betalen dan de 16-jarigen, die
na 1900, dus reeds in 1901 tot de verzekering toetreden? Wil men deze
laatsten de werkelijke premie, verschuldigd voor den aanvangsleeftijd, doen
betalen of zal men van hen ook eene gemiddelde premie van eene leeftijds-
groep verlangen ? In het laatste geval zouden de jongste werklieden ook
in de toekomst te veel blijven betalen.
Bedenkt men voorts, dat deze verhoogde aanvangspremie betaald zal
worden door zeer vele 16-jarigen, die in den regel tot de laagste loonklasse
behooren, dan zal die verhooging hen ook het meest drukken. Bovendien
behooren verreweg de meeste werklieden juist tot de laagste loonklasse,
van welke de groote meerderheid ten platten lande wordt gevonden, waar
de draagkracht het minst is, waarom deze premieverhooging geoordeeld
werd zwaar te zullen drukken op de minst beloonde werklieden. Daarom
kwam eene dergelijke premieverhooging niet aanbevelenswaardig voor,
terwijl het aannemen van dit stelsel van premiebetaling waarschijnlijk niet
bevorderlijk zal zijn aan het wekken van sympathie voor de verzekering.
Verschil over de leeftijds-
           Onder hen, die wel eene premiebetaling volgens leeftijdsgroepeering
groepeermg.                    wenschtcn, bestond nog verschil omtrent de grocpeering zelve. Enkelen zagen
liever daarvoor aangenomen den 16- tot 28-jarigen leeftijd, op grond, dat
-ocr page 79-
77
daarin vallen de economisch minst zwakken, daar zij in den regel nog geen
zorgen van overwegenden aard voor een gezin hebben. Na den 28-jarigen
leeftijd werden de zorgen van het gezin geacht te blijven voortduren tot het
45e a 50" jaar. Daarom werd dan eene suppletie van overheidswege op de
premie noodzakelijk geoordeeld.
Anderen waren van oordeel, dat waar in den blijvendcn toestand wel
als regel kan worden aangenomen, dat niet enkel 16-jarigcn tot de vcrzeke-
ring toetreden, maar ook velen van 17 tot 20 jaar, het daarom geen bezwaar
kan wezen van die op jeugdigen leeftijd toetredenden eene leeftijdsgroep te
vormen en voor hun leeftijd eene gemiddelde premie aan te nemen, welke
door allen het geheele leven door wordt betaald. Om die reden werd aan-
bevolen de premie, vereischt voor den 16-jarigen leeftijd, met ongeveer 20
pCt. te verhoogen en waar die premie ontoereikend wordt om daaruit het
pensioen te bekostigen, alsdan door den Staat het verschil in premie te
doen aanvullen.
Ten aanzien van de regeling op te stellen voor het verleenen van de Staats- Ander stelsel voor <ie
bijdrage in het overgangstijdperk, werd nog het volgende stelsel aanbevolen.
Uitgegaan werd van het beginsel geldende voor den blijvendcn toestand,
t. w.: als regel treden de 16-jarigen tot de verzekering toe en betalen eene
premie berekend voor hunnen leeftijd, welke zelfde premie door hen steeds
wordt doorbetaald, hoe oud zij ook worden, en de betaling daarvan houdt
eerst op met het oogenblik waarop zij pensioen verkrijgen of niet meer vcr-
zekeringsplichtig zijn. In dien blijvendcn toestand zou naar deze meening
een 17-jarige eene hoogere premie te betalen hebben dan een 16-jarige en
de premie zou in het algemeen steeds blijven stijgen met den leeftijd.
Waar nu in den blijvenden toestand als norm gekit de premie voor een
16-jarige, werd dit eveneens aanbevolen voor den overgangstoestand. Maar
dan vloeit hieruit noodzakelijk voort, dat de Staat in het overgangstijdperk
aan een 17-jarige reeds steun behoort te verleenen bij de premiebetaling.
Daarom werd als beginsel aanbevolen ten aanzien van het verleenen van de
Staatsbijdrage in het overgangstijdperk: de Staat betale het verschil van
de vereischt wordende premie en die van den aanvangslceftijd.
Van andere zijde werd toegestemd, dat dit stelsel in beginsel juist is,
maar het werd in zijn gevolgen zeer bezwarend geacht voor den Staat.
Na deze overwegingen heeft de commissie zich bij meerderheid van Beslissingen der commissie,
stemmen verklaard voor het beginsel, dat de Staat in het overgangstijdperk
eene bijdrage verleent aan de verzekerden van den 17-jarigen leeftijd af,
met dien verstande:
a.   dat rekening worde gehouden met den leeftijd der verzekerden, zoodat
de bijdrage voor de jongeren op een kleiner bedrag worde gesteld, en
b.    dat de bijdrage voor de verzekerden behoorende tot de hoogere
loonklassen gradueel lager zij.
-ocr page 80-
§ 16.
W a c h 11 ij d.
Wachttijd — in Duitschland Karenz- of Wartczcit genoemd — is de
tijd gedurende welken iemand behoort verzekerd te zijn geweest en zijne
verplichtingen als verzekerde te zijn nagekomen om aanspraak op pensioen
te kunnen doen gelden.
Belang van den wachttijd.
           Het belang van het aannemen van een wachttijd is gelegen !". in het
belemmeren van bedrog en 2". in het vaststellen van een tijdsverloop ge-
durende hetwelk geregeld een bepaald aantal malen premie moet zijn gc-
stort, hetgeen natuurlijk van invloed is op het minimum te verkrijgen pensioen
en op het bedrag van de te betalen premie.
Wachttijd i» den toestand
           In de cerste plaats werd overwogen of in den definitieven toestand,
na het overgangstijdperk d. w. z. na het overgangstijdperk, het aannemen van een wachttijd raad-
zaam is.
Algemeen was men voor het aannemen van een wachttijd, aangezien dit
zeer noodig werd geacht ter voorkoming van bedrog; zonder dien tijd zou
menigeen, die een toestand van invaliditeit voelt naderen, zich in loondienst
begeven om na het storten van slechts weinige premiën gemakkelijk een
invaliditeitspensioen te kunnen verkrijgen.
Alzoo bleef de vraag nog te beantwoorden welke wachttijd behoort te
worden aangenomen.
Biila\'e IX
                               Hiervoor werd gewezen op de Eerste Schets van Mr. GREVEN sub N,s. 5
en 8 (bijlage IX). Daar ter plaatse is bedoeld, dat de wachttijd zou berekend
worden naar het aantal wekelijksche bijdragen, gelijk in Duitschland geschiedt,
alwaar gevorderd wordt een aantal wekelijksche bijdragen van5X47°f235
voor het invaliditeitspensioen en 30 X 47 of 1410 voor het ouderdoms-
pensioen.
Hierbij behoort echter nog bepaald te worden, dat de bijdragen in ten
minste 20 jaren voor het ouderdomspensioen of in ten minste 3 jaren voor
het invaliditeitspensioen moeten zijn gestort. Deze bepaling is noodig ter voor-
koming, dat de bijdragen op het laatst in eens worden voldaan; in welke
verhouding de bijdragen over ten minste 20 jaren moeten verdeeld zijn,
werd evenwel cenc zaak van nadere regeling geacht, maar uit de formu-
leering dat zij in ten minste 20 jaren moeten zijn voldaan, werd vermeend
voldoende te blijken, dat betaling in b.v. twee jaren geen aanspraak op
pensioen zal geven.
Gewaarschuwd werd nog tegen het aannemen van een korteren wacht-
tijd voor het verlecncn van invaliditeitspensioen. Men wees er n.1. op, dat
invaliditeit een ziektetoestand is, welke betrekkelijk zelden het gevolg is van
eene acuut optredende ziekte, maar meest altijd van langzaam zich ontwik-
kelende gestelskwalen, welke reeds jaren te voren door kleine symptomen
hare nadering verraden, zooals b.v. verzwakking van het gezichtsvermogen,
-ocr page 81-
79
spierverlamming, ruggemergslijden, zenuwziekten enz. Nu opent een korte
wachttijd voor hen, die deze symptomen bij zich ontdekken, de gelegen-
heid om zich tijdig te verzekeren.
Na deze overwegingen heeft de commissie met eenparigheid van stemmen Beslissingen der commissie.
besloten om in den blijvenden toestand ter verkrijging van ouderdoms-
pensioen een wachttijd aan te nemen, daarin bestaande, dat in ten minste
twintig onderscheidene jaren premien voor ten minste duizend weken moeten
zijn voldaan.
Met zeer groote meerderheid werd daarna besloten ter verkrijging van
invaliditeitspensioen in den blijvenden toestand een wachttijd aan te nemen,
daarin bestaande, dat in ten minste drie onderscheidene jaren premiën voor
ten minste honderd vijftig weken moeten zijn voldaan.
Vervolgens werd overwogen of ook in het overgangstijdperk een wacht- Wachttijd in het over-
tijd behoort te worden aangenomen, en zoo ja, welke.
                                            £anSs \'J Per \'•
Indien te dezen opzichte de regeling van § 156 tot § 161 der Duitsche
wet wordt gevolgd, zal, gelijk werd opgemerkt, de invoeringsperiode zeer
veel kosten medebrengen wat betreft het ouderdomspensioen. Daarom werd
aanbevolen in den overgangstoestand den gewonen wachttijd zoowel voor
het ouderdoms- als voor het invaliditeitspensioen te behouden; hiervan zal
dan het gevolg zijn, dat een verzekerde die bij de invoering 55 jaar oud is,
eerst op zijn 75ste jaar aanspraak op ouderdomspensioen zal kunnen doen
gelden, maar hierbij komt de verzekering tegen invaliditeit hem te hulp,
d. w. z. die verzekerde heeft elk oogenblik, na drie jaren geregelde prcmie-
bctaling, aanspraak op invaliditeitspensioen, hetwelk hij dus reeds op 5<S-
jarigen leeftijd zou kunnen verkrijgen. Deze oudere werklieden werden ge-
acht door den Staat reeds zóó gesteund te worden ter verkrijging van
invaliditeitspensioen, dat het voor den Staat niet noodig is hun ook nog
steun te verlecncn ter verkrijging van ouderdomspensioen.
Een dergelijk stelsel werd door velen bestreden op grond, dat op deze
wijze in de eerste twintig jaren geen enkel ouderdomspensioen zal worden
uitgekeerd, hetgeen niet wenschelijk toescheen uit een oogpunt van het
wekken van sympathie voor de verzekering.
Voorts werd aangevoerd dat, indien de verzekeringsplicht, verbonden met
eenc Staatsbijdrage in het overgangstijdperk, wordt aangenomen, dan ook
de consequentie van dit stelsel niet mag worden verworpen, d. w. z. er be-
hoort voor gezorgd te worden, dat de bevoorrechting van ouderen en
jongeren in dat tijdperk zooveel mogelijk gelijk zij. Het werd toch onbillijk
geacht de verzekerden, die bij de invoering zeer oud zijn, minder te be-
voordeelen dan de jongeren. Kunnen de jongeren tengevolge van de Staats-
hulp ouderdomspensioen verkrijgen, dan behoort dit ook op dezelfde wijze
door de ouderen te kunnen worden bekomen. Waar, zooals uit de blad-
zijden 15 en 16 van de Eerste Nota blijkt, na het 45e jaar cene afneming
-ocr page 82-
So
van de premicn bestaat, is daarvan de oorzaak, dat van dien leeftijd af een
wachttijd is verondersteld, waardoor de kans op ouderdomspensioen belang-
rijk vermindert. Daar nu het invaliditeitspensioen, hetwelk enkel in geval
van gebleken invaliditeit wordt verleend, niet de plaats van het ouderdoms-
pensioen kan innemen, werd aanbevolen den wachttijd ter verkrijging van
recht op ouderdomspensioen in het overgangstijdperk belangrijk te verkorten
en dien b.v. op vijf jaren te stellen.
Beslissing \'ler commissie.
           [)c commissie heeft daarna met zeer groote meerderheid besloten in het
overgangstijdperk een wachttijd aan te nemen, terwijl zij zich eenstemmig
verklaarde voor het beginsel om in dat tijdperk denzclfden wachttijd ter
verkrijging van invaliditeitspensioen aan te nemen als in den definitieven
toestand, tegen welk beginsel evenwel cene groote meerderheid zich ver-
klaarde wat betreft het verleenen van ouderdomspensioen. Daarom werd
voor de ouderdomsverzekering in het overgangstijdperk aangenomen een
verkorte wachttijd, n.1. van vijf jaren waarin ten minste tweehonderd en
vijftig wcekpremiën moeten zijn voldaan.
§ 32 van de Duitsche wet.          In verband met het aannemen van een wachttijd kwam tevens ter sprake
het beginsel neergelegd in § 32 der Duitsche wet, waarop ook is gewezen
in de Eerste Nota (pag. 20 en 21) en in de Tweede Nota (pag. 6 en 7).
Bedoelde ^32 bepaalt, dat aanspraak op pensioen verloren gaat bijaldien
gedurende vier achtereenvolgende kalenderjaren minder dan voor 47 weken
bijdragen zijn gestort, maar dat deze aanspraak herleeft bijaldien een nieuwe
wachttijd van vijf jaren wordt doorgemaakt.
Eene soortgelijke bepaling in Nederland aan te nemen kwam aanbevelens-
waardig voor uit een oogpunt van verzekeringstechniek. Evenwel werd het
met het oog op de verschillende moeilijke omstandigheden in het leven der
werklieden van overwegend belang geacht den termijn, welke de aanspraak
doet vervallen, niet kort te nemen. Daarom werd het in verband met de
arbeidersverhoudingen in Nederland voor de werklieden niet bezwarend
geacht de Duitsche bepaling over te nemen, dat gedurende vier jaren voor
47 weken de premie behoort te zijn voldaan, willen zij hun aanspraak op
pensioen behouden.
Vier redenen werden opgegeven voor het aannemen in Duitschland van
een termijn waarbinnen een bepaald aantal malen premie moet zijn betaald,
wil de pensioensgerechtigdheid niet vervallen: i°. de termijn is een prikkel
voor de verzekeringsplichtigen om hunne verplichting bij voortduring na te
leven; 2°. voor hen, die uit het verzekeringsverband treden, is de termijn
een dwang om tijdig over de vrijwillige voortzetting van de verzekering
eene beslissing te nemen; 30. de termijn voorkomt het misbruik, dat de
verzekerden zich door het denkbeeld, dat zij voldoende hebben gestort om
tot het minimum pensioen gerechtigd te zijn, laten verleiden tot staking van
verdere storting, m. a. w. zonder dien termijn zou het minimum pensioen
-ocr page 83-
8i
veel te gemakkelijk worden verworven; 40. men wilde in Duitschland voor-
komen, dat personen, die op jeugdigen leeftijd uit het verzekeringsverband
waren getreden en die niet vrijwillig de premiebetaling hebben voortgezet,
jaren daarna nog, hoewel zij het grootste deel van hun leven niet meer tot
den stand van de arbeiders hebben behoord, nog een pensioen met Staats-
bijdrage zouden ontvangen op grond van de premiën betaald in hunne jeugd.
Al wilde men nu het praktische gewicht van deze redenen niet ontkennen,
het aannemen van een dergelijken termijn kon evenwel, naar de meening
van andere leden, tot hardheden aanleiding geven. Zeer hard werd het toch
gevonden, dat iemand, die van zijn l6e tot zijn 55e jaar geregeld zijne premie
heeft betaald en die van zijn 5Se tot zijn 6oste en van zijn 6oste tot zijn 6$c
niet telkens voor 47 weken bijdragen kan storten, omdat hij geen werk
heeft, zijne aanspraak op pensioen zou zien verloren gaan. Deze laatste 10
jaren, waarin iemand buiten zijne schuld geen werk heeft, zouden zoodoende
te niet doen de stortingen gedurende ongeveer 40 jaren gedaan. Dit werd
uiterst hard geacht en kwam daarom niet aanbevelingswaardig voor.
In verband met deze beschouwing werd aanbevolen een restitutiestelsel
in te voeren, d. w. z. terugbetaling van de premiën te verleenen aan hen,
die na een bepaalden tijd van staking der premiebetaling onmachtig blijken
die voort te zetten. Het kwam bovendien onbillijk voor, dat de premiën
van iemand, die om wettige redenen uit het verzekeringsverband treedt, b.v.
wegens vertrek naar het buitenland of het zich vestigen als baas, eenvoudig
worden verbeurdverklaard ten bate van het verzekeringsfonds. Daarom werd
het wenschelijk geacht bij wettige staking van de premiebetaling het pensioens-
recht niet te doen slapen, maar dit steeds in den een of anderen vorm ten
vpordcele van den verzekerde te doen strekken, hetzij bij wijze van restitutie
der premiën, hetzij van een pensioen in verhouding tot de stortingen.
Dit stelsel werd door velen in beginsel wel billijk geacht, maar men
vreesde de kostbaarheid daarvan, alsmede de moeilijkheden verbonden aan
de controle tot het tegengaan van misbruiken. Om die redenen werd aanbe-
volen in de wet de gevallen van uitzondering op te nemen, waarin het
pensioensrecht niet vervalt mits de staking der premiebetaling eenc wettige
oorzaak hebbe.
Aangezien deze gevallen gerekend werden uitzonderingen te zullen zijn,
vreesde men hiervan geen bedenkelijken invloed op de berekende prcmie-
bedragen.
De commissie heeft daarna met eenparigheid van stemmen beslist: i". dat Beslissing «Ier commissie.
de rechten voortvloeiende uit de verplichte verzekering behooren te ver-
vallen — tenzij in bij de wet aan te wijzen gevallen van uitzondering —,
indien door den verzekerde gedurende zekeren termijn geen bepaald aantal
malen bijdragen zijn gestort, en 2°. dat die rechten behooren te herleven
zoodra weder gedurende een bepaalden tijd een zeker getal bijdragen is
gestort.
11
-ocr page 84-
82
S 17.
Berekening van het pensioensbedrag.
In ^ 12 (i) is reeds vermeld, dat het pensioensbedrag verband heeft te
houden met het aantal der gestorte premiën. Kvenwel behoorden omtrent
de berekening van dit bedrag nog verschillende vragen beantwoord te
worden, b.v. of het pensioensbedrag enkel berekend zal worden uit het bedrag
en het aantal van de premiebetalingen, dan wel of men zal uitgaan van een
pensioensgrondslag gelijk in Duitschland geschiedt bij de invaliditeitsver-
zekcring, waarvoor een grondslag geldt van 6o Mark.
l\'ensioensgromislag.                   Sommigen achtten een pensioensgrondslag niet noodig voor het ouder-
domspensioen, aangezien men door langen tijd bijdragen te storten, als het
ware vanzelf een voldoend pensioen verkrijgt. Voor het invaliditeitspensioen
kwam evenwel een pensioensgrondslag wenschelijk voor, daar van te voren
niet te berekenen is, hoelang men premie zal hebben betaald als men invalide
Minimum pensioensbedrag. wordt. Daarom werd eene regeling aanbevolen, waarbij het minimum pen-
sioensbedrag van de ouderdomsverzekering gevormd wordt door het getal
bijdragen, hetwelk in den wachttijd moet worden gestort om pensioens-
gcrechtigd te kunnen zijn, terwijl dit minimum behoort te stijgen in ver-
houding tot het aantal malen, dat bijdragen zijn gestort. Ten aanzien van
het invaliditeitspensioen werd echter eene andere regeling voorgesteld, op
grond dat dit pensioen een geheel ander karakter draagt.
Dit pensioen behoort geen verband te houden met den min of meer
langen tijd waarin bijdragen zijn gestort. Indien iemand zich vrijwillig tegen
invaliditeit verzekert, zal hij zich, naar men meende, wel niet op die wijze
verzekeren, dat het bedrag van het pensioen stijgt naarmate langeren tijd
premie is betaald. Dat men dit niet zal doen, werd geoordeeld uit het
karakter van de verzekering tegen invaliditeit voort te vloeien; hierbij ver-
zekert men zich voor het geval, dat men op een oogenblik, aan den verzekerde
individueel onbekend, de geschiktheid tot het verrichten van arbeid verliest.
In dit opzicht werd eenige overeenkomst aangetroffen tusschen de verzekering
tegen invaliditeit en die tegen ongevallen ; bij beide verzekeringen weet het
individu niet of ongeschiktheid tot werken zal intreden, en zoo ja, wanneer.
Gecne regeling is dan ook bekend, waarbij een pensioen, verleend ten-
gevolge van een bekomen ongeval, hooger is naarmate dit ongeval den
verzekerde op lateren leeftijd treft en er dus door of voor hem langeren tijd
bijdragen zijn gestort. In dit opzicht werd de vrijwillige verzekering tegen
invaliditeit geacht gelijk te staan met de verplichte verzekering; deze laatste .
(i) Bladzijde 66 van dit verslag.
-ocr page 85-
83
wordt toch ingevoerd om de zwakken te steunen op het oogenblik, waarop
zij tengevolge van invaliditeit ongeschikt zijn tot het verrichten van arbeid.
Daarom kan deze steun dan ook alleen naar bchooren worden verleend door
enkel rekening te houden met \'s mans ingetreden ongunstigen toestand. Indien
iemand toch op 35-jarigen leeftijd invalide wordt, zal hij in den regel vrouw-
en kinderen hebben te onderhouden; treedt de invaliditeit eerst op het 60ste
jaar in, dan zal hij in den regel alleen eene vrouw hebben te onderhouden,
terwijl hij op dien leeftijd nog de kans heeft kinderen te bezitten, die hem
kunnen steunen. Nu heeft natuurlijk een 60-jarige, die invalide wordt, lange-
ren tijd bijdragen gestort voor de verplichte verzekering dan iemand bij wien
de invaliditeit op 35-jarigen leeftijd intreedt, maar het feit der invaliditeit is
voor beiden gelijk, met uitzondering evenwel wat betreft de gevolgen ten
opzichte van het benoodigde onderhoud van het gezin. Wil men nu wcrkelijk
de invaliden steunen, dan is het duidelijk, dat een 35-jarige invalide meer
steun behoeft dan een 60-jarige, terwijl bij een stelsel van verhooging van
het invaliditeitspensioen, naarmate langcren tijd bijdragen \'zijn gestort, juist
het omgekeerde plaats vindt. Men vermeende toch in het algemeen wel te
kunnen verklaren, dat de matcrieele positie van arbeiders, die op meer ge-
vorderden leeftijd invalide worden, beter is dan die van arbeiders, bij wie
op jeugdigen leeftijd de invaliditeit intreedt. De werklieden zelf werden ook
geacht zich de invaliditeitsverzekering voor te stellen evenals de verzekering
van ziekengeld, d. w. z. worden zij ziek, dan ontvangen zij gedurende hunne
ziekte een bepaald percentage van hun loon of een van te voren overecnge-
komen bedrag, onafhankelijk van de vraag hoelang zij hunne premie reeds
voor deze verzekering hebben betaald. Zoo zullen zij zich nu ook denken de
verzekering tegen invaliditeit, daar zij toch ziek of invalide worden onaf hanke-
lijk van den tijd gedurende welken zij hebben bijgedragen. Ook de behoeften
waarin zij bij invaliditeit hebben te voorzien houden geen verband met den
tijd gedurende welken bijdragen voor de verzekering zijn gestort. Bij
de verzekering van ouderdomspensioen gevoelen de werklieden, dat
het pensioensbedrag verband moet houden met het aantal gestorte bij-
dragen, omdat dit pensioen nimmer wordt verkregen alvorens een be-
paaldc leeftijd is bereikt, terwijl invaliditeit evenals ziekte op eiken leeftijd
kan intreden en dan dadelijk voldoende ondersteuning noodig is. Om
deze redenen werd aanbevolen bij het invaliditeitspensioen geene klimming
aan te nemen naarmate daarvoor gedurende langcren tijd bijdragen zijn
gestort, maar uit te gaan van een vrij hoog invaliditeitspensioen uitgedrukt
in percenten van het verdiende loon. Wordt men in dit stelsel op jeug-
digen leeftijd invalide, wanneer men nog een hoog loon verdient, dan wordt
ook een evenredig hoog invaliditeitspensioen verkregen. Nu moge het kost- K
baar schijnen aan een jeugdigen invalide een hoog pensioen te verleenen,
maar daarbij bedenke men, dat de invaliditeitskans klimt met den leeftijd,
zoodat de meeste dezer pensioenen zullen worden verleend op een leeftijd,
-ocr page 86-
84
waarop het hoogste loon reeds is genoten en ook reeds zeer geruimen tijd
bijdragen zijn gestort. Zullen dus hierdoor de meeste invaliditeitspensioenen,
waarvoor reeds geruimen tijd bijdragen zijn gestort, niet tot het maximum-
bedrag, hetwelk wordt gevormd door het vaste percentage van het hoogste
loon, worden verleend, dan werd dit geacht eene compensatie te kunnen
vormen voor het mindere aantal pensioenen dat tot een zeer hoog bedrag
wordt verleend en waarvoor slechts korten tijd is bijgedragen. Om deze
redenen werd aanbevolen het invaliditeitspensioen niet te stellen beneden
ƒ 2,50 of ƒ 3 per week.
In beginsel werd het algemeen billijk geacht aan jeugdige invaliden op
grond van hun korteren bijdragetijd niet minder pensioen te verleenen dan
aan hen, die eerst na langen tijd bijdragen te hebben gestort invalide worden.
Evenwel werden hiertegen twee overwegende bezwaren aangevoerd, n.1. de
kostbaarheid en de moeilijkheden verbonden aan de controle. Wenscht men
toch dadelijk na het volbrengen van den wachttijd, dus misschien reeds op
19-jarigcn leeftijd, aan een invalide een tamelijk hoog pensioen te kunnen
verleenen, dan werd dit geoordeeld een zware last voor het verzekerings-
fonds te zullen zijn, niet alleen wegens de hoogte van het pensioen, maar
ook omdat het zoo lang moet worden uitgekeerd.
Stijgen\'1 invaliditeits-
             Men kon niet inzien, dat deze kostbaarheid belangrijk zou verminderen
doordat er minder jeugdige dan bejaarde invaliden zijn. Bedraagt nu het
invaliditeitspensioen hetzelfde percentage van het loon, op welken leeftijd
het pensioen ook verleend worde, dan hebben de werklieden na het vol-
brengen Tvan den wachttijd absoluut geen belang meer om zoo geregeld en
zoo veel mogelijk bijdragen te blijven storten, want zij hebben voor het
geval zij invalide worden hun pensioen verdiend. Het belang van den werk-
man brengt dan mede binnen de grenzen der wet zoo min mogelijk te
betalen en de heilzame controle van den werkman op den werkgever, wat
betreft het inplakken van de zegels, vervalt op grond, dat het den werkman
niet alleen onverschillig is geworden, maar meer nog omdat het hem het
aangenaamste is als de patroon zoo weinig mogelijk inplakt en dus ook zoo
weinig mogelijk kort op het loon. Het belang van werkman en werkgever
brengt dan mede de wet zooveel mogelijk te ontduiken. Verleent men echter
een steeds stijgend invaliditeitspensioen, dan brengt het belang van den
werkman mede zijn patroon te controleeren om zooveel en zoo juist mogelijk
in te plakken, daar dit in geval van invaliditeit ten goede komt aan het
pensioensbedrag. Neemt men evenwel een vast invaliditeitspensioen van een
tamelijk hoog bedrag aan en een ouderdomspensioen, hetwelk meer bedraagt
naarmate een grooter aantal malen premie is betaald, dan kan men den
omgekeerden strijd tegemoet zien, welke Duitschland zal te aanschouwen
• geven. In Duitschland zal het invaliditeitspensioen na vele jaren storting meer
bedragen dan het ouderdomspensioen en zullen de personen in het bezit van
dit laatste trachten het te verwisselen voor het hoogere invaliditeitspensioen.
-ocr page 87-
85
In Nederland zal bij doorvoering van het aanbevolen stelsel het omgekeerde
gebeuren, en wel op een leeftijd, waarop de behoefte van een hooger pensioen
in het algemeen zich minder doet gevoelen; een dergelijke gang van zaken
werd geacht in strijd te komen met de reden waarom een tamelijk hoog
invaliditeitspensioen bestaande uit een vast percentage van het loon wordt
aanbevolen.
In verband hiermede werd nog opgemerkt, dat een vast invaliditeits-
pensioen te niet doet het belang van den werkman om de pensioensaanvrage
zoo lang mogelijk uit te stellen. Klimt evenwel het pensioensbedrag naar-
mate het pensioen later wordt aangevraagd, dan heeft de werkman belang
de aanvrage zoo lang mogelijk uit te stellen, terwijl het zoowel in het belang
van de maatschappij in het algemeen als van den werkman persoonlijk werd
geacht het pensioen zoo laat mogelijk te doen ingaan. Daarom werd aan-
bevolen zoowel voor het ouderdoms- als voor het invaliditeitspensioen aan
te nemen een pensioensgrondslag en eene met het aantal stortingen verband
houdende pensioenstoename, terwijl daarnevens een minimum invaliditeits-
pensioen zou moeten worden vastgesteld. Hierbij komt tevens duidelijk aan
het licht het verschil tusschen pensioensgrondslag en minimum pensioen.
Het pensioen bestaat dan uit den pensioensgrondslag vermeerderd met het
bedrag, hetwelk voor elke betaalde premie bij het pensioen wordt te goed
gedaan; dit laatste bedrag bestaat dus uit het aantal malen, dat men gedu-
rende den wachttijd premie moet hebben gestort vermenigvuldigd met het
cijfer van hetgeen voor elke bijdrage bij het pensioen wordt te goed gedaan.
In geval van invaliditeit zou echter het pensioen niet beneden een zeker
minimum mogen dalen en zou iemand dus meer kunnen verkrijgen dan de
aangenomen pensioensgrondslag vermeerderd met de pensioenstoename zou
bedragen. Dit zou zijn het minimum pensioen.
Na deze overwegingen heeft de commissie zich eenstemmig verklaard
voor het beginsel, dat voor het vaststellen van het pensioensbedrag behoort
te worden uitgegaan van een pensioensgrondslag welke wordt verhoogd in
verhouding tot het bedrag en het aantal van de premiebetalingen, terwijl
zij zich vervolgens met zeer groote meerderheid uitsprak voor het beginsel
om voor het invaliditeitspensioen een betrekkelijk hoog minimum aan te
nemen.
Geen vast invaliditeits-
pensioen.
l\'ensioensgrondslag en
minimum pensioen.
Beslissing der commissie.
Na deze beslissing bleven nog twee vragen te beantwoorden betreffende Eén pensioensgrondslag?
de beginselen volgens welke het pensioensbedrag behoort te worden bere-
kend, n.1. of voor alle loonklassen behoort te worden aangenomen iu. een-
zelfde pensioensgrondslag en 2°. eenzelfde minimum invaliditeitspensioen.
Waar de pensioensgrondslag dient als basis voor de berekening van het
pensioen, werd het billijk geacht dien voor elke loonklasse te doen ver-
schillen, alsmede om ook de toename daarvan gelijken tred te doen houden
met de premiën en de loonen.
-ocr page 88-
86
Neemt men de loonklassen in juiste verhouding tot elkander aan, dan
kunnen ook de premiën en de pensioenen in diezelfde verhouding tot elkander
staan. Neemt men evenwel eenzelfde pensioensgrondslag aan voor alle loon-
klassen, dan is dit evenredige verband verbroken. Aangezien nu hetgeen
bepaald zal worden omtrent het minimum pensioen wel verband zal houden
met hetgeen voorheen is verdiend en hetgeen noodig is om in het levens-
onderhoud te voorzien, werd dit geoordeeld er reeds voor te pleiten om
den grondslag van de berekening van het pensioen ook verschillend te
nemen naarmate men voorheen meer of minder heeft verdiend.
In de Eerste Nota (pag. 15 en 16) is het evenredige verband, waarop
zooeven werd gedoeld, niet volkomen doorgevoerd, maar de reden hiervan
is gelegen in de laagste loonklasse, waarbij van een vrij hoogen grondslag
moet worden uitgegaan om tot een eenigszins voldoend minimum pensioen te
kunnen geraken en daarvoor wordt dan ook eene premie vereischt, welke
in verhouding hooger is dan die van de andere loonklassen.
Beslissingen der commissie.
         Daarna verklaarde de commissie zich eenstemmig voor het aannemen
van een voor elke loonklasse verschillenden pensioensgrondslag, alsmede
van eene voor elke loonklasse verschillende pensioenstoename, op de wijze
als volgt:
PensioenS"                       Pensioenstoename
Loonklasse.                                     grondslag                               voor elke
per jaar.                              weekpremie.
I. o— 250 gulden, 50 gulden,                 0,02" gulden.
II. 250— 400 „ 60 „                       0,03 „
III. 400— 600 ,, 80 ,,                        0,04 „
IV.   600— 800 ,,                     100 „                        0,05 „
V. 800—1000 ,,
                     120 ,,                         0,06 „
Eén minimum pensioen?           Ten aanzien van de vraag of het minimum invaliditeitspensioen in alle
loonklassen hetzelfde behoort te zijn openbaarde zich veel verschil van
gevoelen.
De voorstanders van eenzelfde minimum in alle loonklassen bevalen dit
stelsel aan op de volgende gronden. Het minimum invaliditeitspensioen is
enkel aangenomen om te voorzien in hetgeen absoluut noodig is voor
levensonderhoud bijaldien een werkman, behoorende tot de eerste loon-
klasse, na een korten bijdragetijd invalide wordt. Nu wordt dit minimum in
de hoogere loonklassen spoediger bereikt, omdat voor de pensioensbereke-
ning wordt uitgegaan van een hoogeren pensioensgrondslag; daarom werd
het niet noodig geacht dit minimum hooger te stellen dan in de eerste
loonklasse, terwijl bovendien het minimum benoodigd voor levensonderhoud
niet afhankelijk werd geoordeeld van de vraag of men meer of minder aan
de verzekering heeft bijgedragen. Wordt evenwel het minimum verschillend
genomen in verband met de loonklassen, dan heeft dit noodzakelijk eene
-ocr page 89-
87
verhooging van de premie ten gevolge; is die verhooging niet bepaald
noodig om de geheele regeling uitvoerbaar te maken, dan verdient dwang
in deze richting geene aanbeveling. De eenige factor welke met reden aan-
leiding kan geven om het minimum pensioen niet onder alle omstandig-
heden hetzelfde te doen zijn werd geacht de plaatselijke gesteldheid te zijn,
d. w. z. dat in de eene plaats meer moet worden uitgegeven voor het
noodzakelijke levensonderhoud dan in de andere, maar het opnemen van
dezen factor werd niet aanbevolen omdat hierdoor de regeling in de hoogste
mate ingewikkeld zou worden.
Hiertegen werd aangevoerd, dat juist als geene rekening kan worden
gehouden met de plaatselijke gesteldheid, een verschillend minimum pen-
sioen aanbeveling verdient, omdat de verschillende loonklassen, waartoe de
werklieden behooren, althans eenigermate kunnen weergeven het verschil in
verdienste volgens de plaatselijke gesteldheid.
Voorts werd er op gewezen, dat volgens de Eerste Nota (pag. 14—16)
het maximum pensioen in de eerste loonklasse niet meer zal bedragen dan
f lo7>S7b- Volgens veler zienswijze kan hiervan geen noemenswaardig bedrag
af- om behoorlijke speling te houden tusschen minimum en maximum
pensioen. Op dit standpunt kwam het niet billijk voor het minimum in alle
loonklassen hetzelfde te doen zijn, daar op deze wijze de evenredige verhou-
ding tusschen premie en pensioen geacht werd gevaar te loopen verstoord
te worden. Bij verschillend minimum alleen kan deze evenredige verhouding
zuiver worden bewaard, maar ten koste van verhooging van de premie.
Men bedenke bovendien, dat eenzelfde minimum medebrengt het betalen
van de relatief hoogste hoogste premie in de laagste loonklasse; dit kan
voor verschillende werklieden dier klasse zeer drukkend zijn, want hiertoe
behooren toch juist zij, die het minst worden beloond en dus ook het minste
van hun loon kunnen missen.
Ook werd opgemerkt, dat het wenschelijk is de verschillende loonklassen
ten aanzien van het minimum pensioen niet gelijk te stellen, want waar
dit heeft te voorzien in het allernoodzakelijkste levensonderhoud, behoort
bedacht te worden, dat dit allernoodzakelijkste niet voor iedereen gelijk is,
maar ten deele ook afhangt van de omstandigheden waaronder men voorheen
heeft geleefd.
Overwogen werd ook of het aanbeveling verdient een minimum invalidi-
teitspensioen van/ 100 \'sjaars in de eerste loonklasse aan te nemen en in
verhouding daarvan de minima voor de andere loonklassen vast te stellen.
Een dergelijk stelsel scheen niet aannemelijk, omdat hierdoor het denkbeeld
van een klimmend pensioen zoogoed als verloren gaat en zeer na gekomen
wordt aan een vast pensioen, hetwelk aan de commissie niet wenschelijk is
voorgekomen.
Na deze beschouwingen werd in overweging gegeven, tot berekening van
het minimum invaliditeitspensioen den pensioensgrondslag degressief percents-
-ocr page 90-
88
gewijze te verhoogen, uitgaande van 50 pCt. in de eerste loonklasse, en
afdalend tot 10 pCt. in de vijfde. Op deze wijze zou, meende men, aan het
verlangen der voorstanders van een betrekkelijk hoog minimum invaliditeits-
pensioen naar behooren zijn voldaan, zonder dat de verhouding tusschen de
premiën der onderscheidene loonklassen te veel werd verstoord, en zonder
gevaar, dat deze aanzienlijk zouden moeten worden verhoogd.
Bij meerderheid van stemmen heeft de commissie zich vervolgens uitge-
sproken voor het aannemen van het beginsel om het betrekkelijk hoog
minimum invaliditeitspensioen te doen verschillen naar de loonklassen.
Na deze beslissing heeft de commissie zich eenstemmig verklaard voor het
beginsel om, uitgaande van de aangenomen pensioensgrondslagen, deze
degressief percentsgewijze te verhoogen ter verkrijging van het minimum
pensioensbedrag voor elke loonklasse, gelijk is aangeduid in de volgende
tabel:
Beslissingen der commissie.
Loonklasse.
Pensioensgrondslag.
Minimum
pensioen sbedrag,
I.
0— 250 gulden,
50 gulden,
75
gulden.
II.
250— 400
y>
60
M
84
»»
III.
400— 600
M
80
yi
104
n
IV.
600— 800
11
100
»i
120
y>
V.
800—1000
•n
120
11
132
11
S 18.
Organisatie.
In verband met de opdracht aan de commissie verleend, waarbij gedoeld
is op eene regeling van de verzekering tegen ongevallen, alsmede op de
instelling van eene Rijkslijfrentenbank, heeft de commissie het wenschelijk
geacht de beantwoording van de meeste vragen betreffende de organisatie aan
te houden, daar de hoofdvraag, n.1. of de op te stellen organisatie zich
behoort aan te sluiten aan die van de regeling der verzekering tegen onge-
vallen, niet voor beantwoording vatbaar was op grond, dat beide regelingen
tot heden niet zijn tot stand gekomen. Evenwel kwam het der commissie
wenschelijk voor ten opzichte van dit onderwerp over één beginsel hare
meening te uiten, en wel daarover: of de verplichte verzekering tegen
ouderdom en invaliditeit behoort te worden uitgevoerd door ééne dan wel
door meer verzekeringsinstellingen.
Bij de behandeling van deze vraag werd gewezen op het Schema, opgesteld
door het lid der commissie D. W. STORK (bijlage VII), waarbij is uiteen-
gezet, dat plaatselijke besturen met invloed op het bepalen van het pensioens-
bedrag het meest aanbeveling verdienen. Worden nu pensioenskassen, hetzij
plaatselijk hetzij districtsgewijze voor groepen van gemeenten, opgericht, en
geeft men daaraan zelfstandige besturen, welke hebben te beslissen over de
< )pdracht aan de commissie
verleend.
Kéne verzekeringsinstel-
ling?
Bijlage VII
Pensioenskassen met
plaatselijke besturen.
-ocr page 91-
89
aanvragen van het invaliditeitspensioen, dan werd het mogelijk geacht
langs dezen weg het lichtvaardig verkenen van bedoeld pensioen tegen
te gaan, daar de leden van eene pensioenskas dit spoedig zouden bemerken
aan de wanverhouding tusschen uitgaven en inkomsten, terwijl zij uit vrees
voor noodzakelijke aanvulling van de inkomsten deze lichtvaardigheid wel
spoedig zouden doen eindigen. Deze plaatselijke besturen werden vermeend
beter dan een centraal bestuur te kunnen oordeelen over elke aanvrage van
invaliditeitspensioen voor zoover betreft het werkelijk invalide zijn. Voorts
zullen door deze plaatselijke inrichting de werklieden meer belangstelling
betoonen in den gang van de verzekering dan wanneer de geheele gang van
zaken van één centraal punt uit wordt geregeld door uit den aard der zaak
in den regel hun geheel onbekende personen. Men kan het toch dagelijks
bij de werklieden waarnemen, dat zij houden van kleine fondsjes, al kleven
daaraan dikwijls ook groote gebreken; wordt met deze neiging rekening
gehouden, dan zal de belangstelling in de verzekering bij de werklieden veel
meer worden gewekt door plaatselijke besturen dan door ééne groote cen-
trale instelling. Daarom werd aanbevolen ééne verzekeringsbank met zelf-
standige plaatselijke kassen, welke de herverzekering bij bedoelde bank
aangaan.
Zeer velen konden met een dergelijk stelsel niet instemmen. Men erkende
wel de vele voordeden daaraan verbonden, maar vermeende tevens, dat deze
evenzeer te bereiken zijn langs den weg van ééne centrale verzekeringsin-
stelling, zonder dat nog tot zelfstandige plaatselijke kassen de toevlucht wordt
genomen. Deze centrale instelling kan toch van de voorlichting en de tusschen-
komst gebruik maken van plaatselijke besturen, waarin de verzekerden ve.r-
tegenwoordigd zijn. Op deze wijze blijft de voeling met de werklieden bestaan
en behoeft de centralisatie van de regeling niet in den weg te staan aan het
opwekken van belangstelling bij de verzekerden. Voorts bedenke men, dat
de ondervinding in Duitschland met zijne 31 Versicherungsanstalten finan-
cieele bezwaren van ernstigen aard heeft doen kennen. Het wetsontwerp tot
wijziging van de Duitsche wet van 22 Juni 1889 tornt dan ook reeds aan de
zelfstandigheid dier Anstalten, en dit wel ter wille van eene meer gelijk-
matige verdeeling van de verzekeringslasten.
Bij deze bezwaren, verbonden aan een stelsel van zelfstandige pensioens- Gemis aan uniformiteit
kassen, komt nog, dat in bedoeld stelsel het groote voordeel van de unifor- bij Pensioenskassen-
miteit wordt gemist. Wel is waar kunnen de regelen, voor de toekenning
van invaliditeitspensioen gesteld, ook bij ééne centrale verzekeringsinstelling
ongelijk worden toegepast, maar dit geldt voor elke regeling, welke op ver-
schillende plaatsen door verschillende personen wordt uitgevoerd. Dit zal
evenwel een bloot toevallig verschil zijn en in den regel zelfs van tijdelijken
aard, daar juist het centrale gezag de verschillen zal waarnemen en door
aanschrijvingen waken voor de uniforme toepassing van de gestelde regelen.
Leerrijke voorbeelden hiervan worden gevonden in zake de heffing van be-
12
-ocr page 92-
lastingen. Bovendien kan eene vrijgevige opvatting van de gestelde regelen
in een deel van het land, wat de financieele gevolgen betreft, voor de ver-
zekeringsinstelling worden gecompenseerd door eene niet genoegzaam vrij-
gevige opvatting in een ander gedeelte. Daarom scheen de beste weg om
gelijkmatige toepassing te bevorderen, streng toezicht op de ambtenaren van
ééne centrale instelling uit, welke spoedig de ongelijkheden in de toepassing
constateert door vergelijking tusschen de verschillende landstreken.
Na deze overwegingen heeft de commissie met zeer groote meerderheid
als beginsel aangenomen, dat de verplichte verzekering tegen ouderdom en
invaliditeit behoort te worden uitgevoerd door ééne centrale verzekerings-
instelling.
Beslissing der commissie.
§ 19.
Overzicht van de door de commissie voorloopig aangenomen
grondslagen en daaruit voortvloeiende gevolgen.
De commissie laat hier volgen een overzicht van de voorloopig aange-
nomen grondslagen.
Uit kracht van de wet zullen zijn verzekerd tegen ouderdom en invalidi-
teit de mannen en vrouwen, die in loondienst werkzaam zijn voor een jaar-
loon van minder dan / 1000 en tevens zestien jaren of ouder zijn; uitge-
zonderd van dezen regel zijn de ambtenaren van den Staat alsmede de
personen, die in den blijvenden toestand (bladzijde 74 van dit verslag) nog
nimmer aan den verzekeringsplicht zijn onderworpen geweest en reeds een
nader aan te wijzen leeftijd hebben bereikt.
De verzekerden worden in verhouding van hun jaarloon verdeeld in de
volgende loonklassen :
Wie zijn verzekerd i
Verdeeling der verzeker-
den in loonklassen.
Jaarloon.
250 gulden.
250— 400 „
400— 600 „
600— 800
800—1000
Loonklassc.
I.
II.
III.
IV.
V.
Onverschillig op welken leeftijd men in de verzekering wordt opgenomen,
is de volgende premie verschuldigd, welke gelijkstaat met de premie (bere-
kend volgens het premiestelsel met aanneming van een rentevoet van 3 pCt.)
vereischt voor de personen, die op 16-jarigen leeftijd tot de verzekering
toetreden :
Welke premie wordt lio
taald \'t
-ocr page 93-
9\'
Weekpremie
16,5 cent.
20
26,5 *
33
40 „
Loonklasse.
I.
II.
III.
IV.
V.
De werkgever voldoet de premie door middel van het bevestigen van WiJ*e waarop de premie
zegels op een nader aan te wijzen document, terwijl hij het recht heeft de
helft van het voldane bedrag te korten op het loon van den verzekerde.
Ophouding der premie-
betaling.
De premiebetaling houdt op:
i°. indien den verzekerde invaliditeits- of oudendomspensioen is toege-
kend;
2°. indien de verzekerde niet meer de vereischten bezit gesteld voor de
opneming in deze verzekering.
Wachttijd.
Om in het genot van pensioen gesteld te kunnen worden behoort de
verzekerde een wachttijd te hebben volbracht, d. w. z. in een bepaald
aantal jaren behoort een bepaald aantal malen de premie te zijn voldaan.
Daar nu is uitgegaan van de veronderstelling, dat jaarlijks vijftig \\veek-
premièn kunnen worden voldaan, is de wachttijd bepaald als volgt:
a.    voor het invaliditeitspensioen op drie jaren, d. w. z. dat in ten minste
drie onderscheidene jaren premiën voor ten minste honderd vijftig weken
moeten zijn voldaan;
b.   voor het ouderdomspensioen op twintig jaren, d. w. z. dat in ten
minste twintig onderscheidene jaren premiën voor ten minste duizend weken
moeten zijn voldaan.
Ten aanzien van den wachttijd te volbrengen in den overgangstoestand
(d. w. z. de toestand bestaande bij het invoeren van deze regeling, wanneer
dadelijk zeer velen worden verzekerd, die ouder zijn dan zestien jaren) is
bepaald, dat die ten aanzien van het verkrijgen van ouderdomspensioen
wordt ingekort tot vijf jaren, zoodat in dien toestand in ten minste vijf
onderscheidene jaren premiën voor ten minste tweehonderd vijftig weken
moeten zijn voldaan.
In verband met dezen wachttijd is voorts bepaald:
De premie behoort gere-
geld te worden betaald.
i°. dat de rechten voortvloeiende uit deze verzekering behooren te ver-
vallen — tenzij in bij de wet aan te wijzen gevallen van uitzondering —,
indien gedurende zekeren termijn geen bepaald aantal malen premiën zijn
voldaan; en
2°. dat die rechten behooren te herleven zoodra weder gedurende een
bepaalden tijd een zeker getal premiën is voldaan.
Zijn de hiervoren aangegeven voorwaarden vervuld, dan heeft de ver- Aanspraak op pensioen,
zekerde aanspraak
a. op invaliditeitspensioen bijaldien hij invalide wordt, of
-ocr page 94-
\'J2
b. op ouderdomspensioen bijaldien hij den 65-jarigen leeftijd heeft
bereikt.
Wanneer een verzekerde geacht wordt invalide te zijn, is aangegeven op
bladzijde 66 van dit verslag.
Het pensioensbedrag waarop een verzekerde aanspraak heeft wordt,
onverschillig of het invaliditeits- of onderdomspensioen betreft, berekend
als volgt.
Uitgegaan wordt van een pensioensgrondslag, welke verschillend is voor
de vijf loonklassen. Deze grondslag wordt voor elke gestorte weekpremie
vermeerderd met een bedrag, hetwelk eveneens verschillend is voor de vijf
loonklassen.
Om evenwel het peYisioensbedrag in geval van invaliditeit niet te laag te
doen zijn, bijaldien dit wordt verleend na korten tijd verzekerd te zijn
geweest, wordt hiervoor een minimum aangenomen.
De volgende tabel toont aan de pensioensgrondslagen en de minimum
pensioensbedragen.
Loonklasse.                    Pensioensgrondslag per jaar.                  Minimum pensioensbedrag per jaar.
I.                               50 gulden.                                         75 gulden.
II.                              60 „                                               84 ,,
III.                                  80 ,,                                             104 „
IV.                                100 ,,                                             120 „
V. 120 ,, 132 ,,
De pensioenstoename bedraagt  voor elke wekelijksche premie in:
de eerste loonklasse.......f 0,02 •"\'
,, tweede „             .......,, 0,03
„ derde „             .......,, 0,04
„ vierde „             .......,, 0,05
,, vijfde                       .......,, 0,06
Hieruit volgt, dat bijaldien in geval van invaliditeit pensioen wordt ver-
leend dadelijk na het volbrengen van den wachttijd het pensioensbedrag
steeds het minimum bedraagt, al is dit ook hooger dan de pensioensgrond-
slag vermeerderd met 150-maal het cijfer van de pensioenstoename.
Tevens volgt hieruit, dat die verzekerden, welke van hun i6e tot hun
65° jaar regelmatig jaarlijks 50 premiën hebben gestort, bij het bereiken
van den laatstgenoemden leeftijd aanspraak kunnen maken op een ouder-
domspensioen van het onderstaand bedrag:
Loonklasse 1/ 111,25
II „ 133,50
III   ,, 178,00
IV   „ 222,50
V „ 267,00
Herekening van het pen-
sioensbedrag.
Gevolgen van deze wijze
van berekening
-ocr page 95-
93
Aangezien bij de invoering dezer regeling alle meer bejaarde personen in
de verzekering worden opgenomen tegen betaling van de weekpremie ver-
schuldigd voor 16-jarigen verleent de Staat eene bijdrage voor die meer
bejaarden. Volgens de Derde Nota, bladzijde 4, wordt hiervoor van den
Staat vereischt eene bijdrage ter contante waarde van 196 millioen gulden.
Moet de Staatsbijdrage eene afloopende zijn en bijvoorbeeld in een tijdperk
van 50 jaren geheel zijn voldaan, dan zal gedurende dit tijdperk 7 a 8
millioen gulden \'sjaars beschikbaar moeten worden gesteld.
Voorts betaalt de Staat de administatiekosten, alsmede de premie ver-
schuldigd voor de verzekerden, die zich in verplichten krijgsdienst bevinden,
welke bijdragen volgens de Derde Nota, bladzijde 6, voorloopig geschat
worden op eene kapitaalswaarde van 22 en van 5 millioen gulden. Alzoo
wordt van den Staat in het geheel vereischt eene bijdrage ter contante
waarde van 223 millioen gulden, of van 8 a 9 millioen gulden \'sjaars
gedurende vijftig jaren.
Deze regeling wordt uitgevoerd door ééne centrale verzekeringsinstelling.
Ten slotte zij opgemerkt, dat tot deze regeling onder de noodige waar-
borgen (d. w. z. het stellen van regelen ten opzichte van den leeftijd van
toetreden, van een te verrichten geneeskundig onderzoek, van eene maximum
inkomstengrens enz.) vrijwillig kunnen toetreden kleine ondernemers (eigen
bazen), kleine landbouwers, kleine handelaars, in één woord de zelfstandig
arbeidende personen, die kunnen worden geacht voor het overige econo-
misch met werklieden gelijk te staan. Aan deze vrijwillig verzekerden zal
de Staat in den overgangstoestand dezelfde voordeden verleenen als aan de
verplicht verzekerden.
S 20.
Wenschelijkheid om op de aangenomen grondslagen
voort te bouwen.
Nadat de commissie aldus de hoofdbeginselen had vastgesteld betref-
fende eene wettelijke regeling van de verplichte verzekering tegen ouderdom
en tegen invaliditeit, behoorde zij te beslissen over de wenschelijkheid om
op die aangenomen beginselen in verband met de volgens het premiestelsel
opgestelde berekeningen een wetsvoorstel op te stellen.
Volgens de mededeelingen verstrekt in de Derde Nota, bladzijde 9, zou
de invoering der verplichte verzekering tegen ouderdom en tegen invaliditeit
op de aangenomen grondslagen eene Staatsbijdrage vereischen ter contante
waarde van 223 millioen gulden. Ten aanzien van het hier genoemde,cijfer
werd door de deskundigen met nadruk er op gewezen, dat eene dergelijke
uitkomst niet door berekening alléén kon worden verkregen, maar dat zij
voor een deel berust op allerlei onvermijdelijke schattingen en zelfs op
gissingen. Al komen daarom op de in de Derde Nota medegedeelde balans
Staatsbijdrage in het over-
gangstijdperk.
De Staat betaalt de admi-
nistratiekosten en de
premie voor de militie*
plichtigen.
Kéne centrale verzekerings-
instelling.
Vrijwillige verzekering.
Waarschuwing
deskundigen.
van de
-ocr page 96-
94
posten voor van 5 en van 22 millioen gulden, men mag daaruit niet
afleiden, dat de overige posten tot op dergelijke bedragen nauwkeurig
zouden zijn. De in de Derde en later in de Vierde Nota genoemde cijfers
voor de Staatsbijdrage in verschillende onderstellingen kunnen dienen om
.
                   een globaal overzicht te geven van een mogelijken toestand, maar voor-
loopig kan niet worden uitgemaakt in hoeverre die toestand aan de werke-
lijkheid zou beantwoorden. Te weinig toch is van te voren bekend aan-
gaande het aantal der gezamenlijke verzekerden, als ook aangaande hunne
groepeering naar den leeftijd en hunne verdeeling over de loonklassen.
Financieele bezwaren.
                Eenigen kwam eene dergelijke regeling reeds verwerpelijk voor op den
enkelen grond van de grootte van de bijdrage, welke voor de uitvoering
van den Staat wordt gevorderd. Vermeend werd toch, dat de actueele
toestand van de financiën van den Nederlandschen Staat niet gedoogt eene
bijdrage van 223 millioen gulden (Derde Nota, bladzijde 9) te verleenen,
al zou het storten van dit bedrag ook verdeeld kunnen worden over 50
jaren, aangezien dan toch nog eene jaarlijksche storting van 839 millioen
gulden van den Staat wordt verlangd. Bij het beoordeelen van dezen
actueelen toestand werden in herinnering gebracht de laatste mededeelingen
van Regeeringswege verstrekt in 1897 in de troonrede en in de millioenen-
rede over den toestand der Staatsfinanciën. In verband met die mede-
deelingen werd eene ernstige verstoring gevreesd tusschen inkomsten en
uitgaven van den Staat, bijaldien de uitgaven gedurende vijftig jaren nog
zullen worden verhoogd met eene jaarlijkschen post van 8 a 9 millioen
gulden. Bovendien werd het recht van den Staat betwijfeld om eene
bijdrage van een dergelijk bedrag te verleenen aan een gedeelte van de
bevolking op kosten van het overige gedeelte. Die hooge bijdrage werd
geacht op te houden het karakter van een subsidie te bezitten en alzoo in
werkelijkheid niets anders dan eene schenking te zijn. Deze bijdrage komt
toch slechts ten goede aan een deel van de bevolking, hetwelk niet het
recht heeft die onevenredig hooge bijdrage te verlangen; is deze zienswijze
juist, dan wordt die bijdrage dus door den Staat onverplicht verleend,
m. a. w. de Staat doet eene schenking Wel is waar brengt het Staats-
belang mede de bevolking zoo tevreden mogelijk te doen leven, maar elk
belang heeft zijne grenzen en deze werden geoordeeld ver overschreden te
worden door het gevraagde offer. De Staat werd dan ook niet geroepen
geacht in den vermogenstoestand van de burgers zóó in te grijpen, dien
zóó te wijzigen.
Tegen de beschouwing als zoude bedoelde hooge Staatsbijdrage eene
schenking zijn werd aangevoerd, dat het een plicht van den Staat is om
daar, waar een groot gedeelte van het volk in min gunstige omstandigheden
verkeert, dit deel te steunen en te helpen. Deze steun is toch niet alleen
in het belang van hen, die direct gesteund worden, maar ook in het belang
van den Staat zelf. Al waren nu ook de Staatsfinanciën in de laatste jaren
-ocr page 97-
95
niet bloeiend, toch mag dit niet afhouden van eene noodige ingrijpende
hervorming op sociaal gebied. Schrikt men toch bij den eersten stap tot
hervorming reeds terug op grond van de kosten, dan werd weinig hoop
gekoesterd ten aanzien van volgende hervormingsmaatregelen op dit gebied,
welke zeer zeker ook geld zullen cischen. Daarom werd vermeend, dat als
deze hervormingen noodzakelijk blijken, de fondsen daarvoor wel kunnen
worden gevonden.
Door anderen, die in bedoelde bijdrage eveneens geene schenking zagen.
werd deze geacht eene voorziening van overheidswege in eencn maatschappe-
lijken misstand te zijn, welken misstand de commissie heeft geconstateerd bij
het uitspreken van haar oordeel over den feitelijken toestand in § i van
dit verslag.
Enkelen wezen er op, dat als het opgebouwde stelsel uitvoerbaar is met
eene Staatsbijdrage van ongeveer 8 millioen gulden \'sjaars gedurende 50
jaren om deze regeling dadelijk in volle werking te kunnen brengen en
hiermede te hulp te kunnen komen aan een aantal verzekerden, dat in
verband met de Beroepstelling van 31 December 1889 op 1, 1 millioen is
geschat, men zich dan niet moet laten terughouden van die uitvoering enkel
ter wille van de uitgaven, welke de Staat zich daarvoor zal hebben te ge-
troosten. Naar hun oordeel toch kunnen gezegde millioencn voor geen beter
doel worden uitgegeven.
Anderen verklaarden zich tegen de opgestelde regeling, niet omdat de
Staatsbijdrage te hoog voorkwam, want het werd gedurende 50 jaren wel
acht millioen \'sjaars waard geacht als de geheele arbeidende bevolking
behoorlijk tegen ouderdom en tegen invaliditeit kon worden verzekerd, maar
wel omdat aan dit behoorlijke nog veel ontbreekt. De Staatshulp werd te
gering geoordeeld, omdat deze niet iedereen te stade komt wien de premic-
betaling om welke reden ook te zwaar is, terwijl bovendien de toe te kennen
pensioenen, vooral in de hoogere loonklassen, te laag voorkwamen.
Nog werd opgemerkt, dat deze bijdrage niet ten goede komt aan een
groot gedeelte van het volk, maar slechts aan een zeer klein deel, n.1. aan
hen, die invalide of 65 jaren oud worden. Voor die betrekkelijk weinigen
alle belastingschuldigen te verplichten een zeer groot bedrag op te brengen,
kwam daarom niet gerechtvaardigd voor.
Ten aanzien van de berekening der kosten gegrond op de indeeling van
de werklieden in de verschillende loonklassen, welke voorkomt in de Eerste
Nota op pag. 27, werd nog in het bijzonder een bezwaar geopperd. Voor
Nederland zijn bij gebreke van alle nadere en betere aanwijzing de ver-
zekerden namelijk daarin verdeeld over de verschillende loonklassen naar
den maatstaf van de in Duitschland in de jaren 1891—1894 verkochte plak-
zegels, welke als verhoudingscijfers aangeven 41, 68, 39 en 25. Nu had men
tegen deze verhoudingscijfers op zich zelf geen bezwaar, maar wel tegen de
toepassing daarvan voor de indceling welke in Nederland zal gelden. Bedenkt
-ocr page 98-
96
men toch, dat in 1894 in Duitschland zijn verkocht 441859378 zegels (Nota
van Mr. D\'AULNIS, bijlage V, pag. 30) en deelt men dit getal door het
cijfer van het aantal weken, dat gestort moet worden, dus door 47, dan
verkrijgt men een aantal van 9,4 millioen verzekerden, terwijl in werkelijkheid
het aantal verzckcringsplichtigen zou bedragen 11,3 millioen (Nota Mr.
D\'AULNIS, pag. 30). Dit verschil werd dan ook zóó belangrijk en van zooveel
invloed op de financiecle uitkomsten geacht, dat men zich niet kon voor-
stellen hoe de indecling in de verschillende loonklassen op deze wijze opgezet
eene betrouwbare basis kon vormen.
Principieele bezwaren.              Voorts werd de aandacht gevestigd op de bezwaren verbonden aan de
samenkoppeling van de verplichte verzekering tegen invaliditeit met die tegen
ouderdom. Vermeend werd toch, dat dit noodzakelijk moet leiden tot minder
zuivere, ja zelfs tot onzuivere regeling van elk der twee aan elkander ge-
koppelde takken van verzekering, welke onderling in aard en wezen zoozeer
verschillen. Bij die samenvoeging verkrijgt men reeds dadelijk een onzuiver
premiebedrag; de berekening van dit bedrag voor de ouderdomsverzekering
berust op geheel andere grondslagen dan die voor de invaliditeitsverzekering,
zoodat men als uitkomst ééne premie aangeeft ontleend aan volkomen van
elkander afwijkende factoren. Bij de vrijwillige verzekering, waar elk voor-
gesteld contract afzonderlijk wordt beoordeeld, werd dit bezwaar belangrijk
minder geteld, maar bij cene gemeenschappelijke verzekering van allen tegen
ée\'ne uniforme premie werd dit bezwaar geacht zwaar te wegen. Voorts heeft
de samenkoppeling van beide takken van verzekering tot één stelsel nog het
nadeel van te beletten het vellen van een zuiver oordeel over de meerdere
of mindere urgentie van elk der bijeengevoegde deelcn. Behandelt men deze
twee takken van den aanvang af gescheiden, dan is het mogelijk zuiver te
bcoordeelen, voor welk deel de invoering het meest urgent is. Combineert
men evenwel die twee takken, dan werd het niet mogelijk geacht die later
weer te scheiden, wanneer b.v. blijkt, dat aan cene daarvan voorloopig ge-
ringe behoefte bestaat.
Principieele en financieele         Sommigen verklaarden bedenking te hebben tegen de invoering van de
verplichte verzekering tegen invaliditeit op grond zoowel van principieele
als van zuiver financieele bezwaren. Hoeveel deze verzekering wel zal kosten
is toch in hooge mate onzeker. Wat invaliditeit in het algemeen is, of die
in elk concreet gesteld geval aanwezig is, hoe die is ontstaan, dit alles is
onzeker, hetgeen zoowel een principieel als een financieel bezwaar vormt.
Het eenigc land waar bedoelde verzekering is ingevoerd is Duitschland, maar
men bedenke hierbij, dat daar bij de invoering dier verzekering reeds ruim
zes jaren eene verplichte verzekering tegen ziekte in werking was, welke het
althans eenigszins mogelijk maakte toezicht uit te oefenen op het ontstaan
en de ontwikkeling van de invaliditeit. Deze basis ontbreekt in Nederland.
Bovendien heeft men in het oog te houden het verschil tusschen het Duitsche
en het Nederlandschc volkskarakter, waardoor bij eene algemeene volks-
-ocr page 99-
97
verzekering eene vergelijking tusschen verkregen en te verkrijgen resultaten
hare bedenkelijke zijde heeft. Het werd dan ook absoluut onbekend geacht
hoeveel de Staat zal hebben bij te dragen. Men bedenke evenwel, dat als
de Staat eenmaal de invaliditeitsverzekering heeft ingevoerd, hij alle offers
heeft te brengen, welke daarvan het gevolg zullen zijn, onverschillig hoevelc
malen de raming ook moge overtroffen worden. Daarom verklaarden sommigen
niét te kunnen medewerken aan een maatregel, welke den Staat blootstelt
op zulke losse grondslagen onbepaalde offers te brengen. Om de losheid dezer
grondslagen aan te toonen werd niet alleen een beroep gedaan op bladzijde 4
van het rapport der leden VAN PESCH en L.VNDRK (bijlage VIII), waar
staat: „De sub-commissie durft b.v. niet de verzekering geven, dat de kosten
der invaliditeitspensioenen niet tot het dubbel zullen stijgen van hetgeen met
de genomen cijfers berekend is", maar ook op eene uiting van een der des-
kundigen in eene van de bijeenkomsten der commissie, luidende: „Hij de
\' gecombineerde verzekering blijft men risico loopen, maar hij verneemt als
lid dezer commissie, niet als deskundige, dat de Staat dit risico wel kan
loopen." Waar nu de deskundigen niet voor het te loopen risico kunnen
instaan, werd het door sommigen niet verantwoord geacht van die meening
af te wijken.
Na deze overwegingen heeft de commissie eene beslissing genomen over Beslissingen der commissie,
de vraag betreffende de wcnschelijkhcid om de verplichte verzekering tegen
ouderdom en tegen invaliditeit in te voeren op de aangenomen grondslagen
in verband met de volgens het premiestelsel opgestelde berekeningen. Met eene
niet onaanzienlijke meerderheid (1) heeft de commissie deze vraag ontkennend
beantwoord. Later is nog bepaaldelijk gestemd over de vraag „of de invoering
van de verzekering tegen invaliditeit en ouderdom, op de door de commissie
aangenomen grondslagen, behoorde te worden ontraden op andere gronden clan
uit hoofde van de daaruit volgens de Derde Nota van de leden Dr. J. C.
Kluyver en CoRN\'ElLl.E L. Landré naar hunne mcening voortvloeiende
hooge Staatsbijdrage", welke vraag echter door eene kleinere meerderheid (2)
bevestigend werd beantwoord.
§ 21.
Twee voorstellen betreffende de verplichte verzekering
tegen ouderdom en tegen invaliditeit.
Na de beslissing bedoeld in de vorige paragraaf werd door een viertal
leden aan het oordeel van de commissie onderworpen het volgende stelsel: ,e voorstel.
„De verplichte verzekering tegen ouderdom en tegen invaliditeit worde
(1)  Twaalf stemmen tegen zes; afwezig twee leden.
(2)   Acht stemmen tegen zes en twee blanco\'s; afwezig vier leden.
13
-ocr page 100-
98
ingevoerd volgens de aangenomen beginselen, maar met de volgende drie
wijzigingen:
a. dat het premiestelsel worde verlaten en eene premie worde gevorderd
ongeveer 20 pet. hooger dan vereischt wordt voor de zestienjarigen volgens
het premiestelsel;
/*. dat ook in het overgangstijdperk een uitsluitingsleeftijd worde aan-
genomen, en wel die van 65 jaren ;
C dat de wachttijd ter verkrijging van ouderdomspensioen ook in den
overgangstijd op 20 jaren worde bepaald."
Uiteenzetting van het finan-
           Het in dit voorsteld sub a bedoelde financieclc stelsel is behandeld op
ciee e stelsel.                  je bladzijden 14, 15 en 16 van de Vierde Nota, waaromtrent nog het vol-
gende werd opgemerkt. In dit stelsel betalen de aanvankelijk toetredenden
meer dan bij het premiestelsel, en zulks tot vermindering van de Staatsbij-
drage in het overgangstijdperk, maar zij betalen daardoor nog te weinig om
hun risico te dekken, waarom de later toetredenden steeds de hoogere premie
van dit stelsel moeten blijven doorbetalen, zonder dat ooit eene voldoende
reverve kan worden gevormd, om alle loopende risico\'s te dekken, waar-
door de Staat bij eventueele liquidatie steeds een tekort zal behooren bij
te passen. De verhooging van de premie met 20 pCt. is eene bate voor het
verzekeringsfonds, welke vóór zij is opgebracht, in het overgangstijdperk al
dadelijk wordt verbruikt, zoodat er dan reeds een tekort ontstaat. Dit tekort
wordt evenwel niet gevoeld zoolang de regeling blijft voortbestaan, d. w. z.
dat er steeds nieuwe verzekerden toetreden, die den opslag van 20 pCt.
blijven medebetalen. Hoe groot zal dit tekort bij eventueele liquidatie nu
wel zijn ? Deze vraag is bezwaarlijk te beantwoorden, daar niemand kan
weten, hoe de toestand zal wezen op het oogenblik waarop men tot liqui-
datie overgaat b.v. over 100 of 200 jaren. Geheel in het duister behoeft
men echter niet te blijven, daar wel een waarschijnlijk maximum van het
tekort is te bepalen. Om de verzekering volgens het voorgestelde stelsel
mogelijk te maken, is volgens de balans op bladzijde 16 der Vierde Nota
voor de groepeering A noodig eene Staatsbijdrage van 82 millioen gulden,
maar daarbij is uitgegaan van de veronderstelling, dat alle later toetredenden
een opslag van 20 pCt. op de premie betalen. Op welk oogenblik men nu ook
de balans opstelt, steeds zullen daarop voorkomen de posten van 310 millioen
gulden als de contante waarde der premiën van de later toetredenden en van
258 millioen gulden als de contante waarde hunner pensioenen. Waar deze
premiën bij liquidatie ophouden te vloeien, ontstaat het definitieve tekort en
dit kan dus niet meer bedragen dan 20 pCt. van 258 of 52 millioen gulden.
Te allen tijde zal dus eene Staatsbijdrage van 52 millioen gulden nood-
zakelijk zijn om van dat oogenblik af den opslag van 20 pCt. te kunnen
laten vervallen. Werden b.v. bij het in werking treden van de verzekering
door den Staat 82 f 52 millioen gulden beschikbaar gesteld, dan zou men
beginnende met het tweede jaar voortaan alle 16-jarige toetredenden (niet
-ocr page 101-
99
de aanvankelijk toegetredenen) van het betalen van den opslag kunnen
vrijstellen. Daarentegen zou die vrijstelling eerst ioo jaren later kunnen
ingaan, indien de Staat bij den aanvang slechts 82 millioen gulden had bij-
gedragen en eerst 100 jaren daarna tot het storten van de 52 millioen
gulden overging. Uit deze voorbeelden blijkt hoe de door de later toetre-
denden te betalen opslag kan worden beschouwd als eene eeuwigdurende
rente ; wenscht men te liquideeren, dan moet deze rente worden afgekocht en
de afkoopwaarde is onafhankelijk van het tijdstip waarop de afkoop geschiedt.
Nu bedenke men wel, dat hoe meer verzekerden boven het aangenomen
aantal van 35500 later jaarlijks toetreden, des te grooter voordeel voor het
fonds, daar al die toetredenden den opslag van 20 pCt. op de premie mede
betalen, zoodat bij aanwas van de bevolking en de daarmede waarschijnlijk
gepaard gaande toename van het aantal der jaarlijks toetredende 16-jarigen
na 200 jaar een groot deel van dit tekort misschien kan verdwenen zijn.
Eene tweede omstandigheid kan wellicht medewerken tot vermindering
van het bedoelde tekort. De premieberekening is zoo voorzichtig mogelijk
geschied en daarom, hoewel bij eene al te vrijgevige opvatting der invali-
diteit die premiën ontoereikend zouden kunnen blijken, in welk geval men
er tijdig toe geleid zou worden om die opvatting wat te beperken, is de
mogelijkheid niet uitgesloten, dat de aanvankelijk berekende premie iets
hooger dan strikt noodzakelijk was. Deed dit verschijnsel zich voor, dan
zou ook hiervan bij latere vaststelling van het tekort de gunstige invloed
zich doen gevoelen.
Dit stelsel komt ongeveer overeen met het stelsel van de laatste „Dcnk-
schrift", opgesteld door de Duitsche Regeering. Het bezwaar van het tekort
bij liquidatie, alhoewel men dit zeer goed kent (immers op de medegedeelde
balans staan tegenover 2000 millioen Mark als contante waarde van de
pensioenen der later toetredenden, meer dan 3200 millioen mark als contante
waarde hunner premiën), heeft aldaar geen overwegenden invloed uitge-
oefend om dit systeem niet aan te bevelen.
Tegen dit financieele stelsel werden twee bezwaren aangevoerd: i°. al Bezwaren tegen dit fn
is de premie zoo voorzichtig mogelijk berekend, toch kan die met het oog cieele stelsel.
op het niet vaststaan van het begrip van invaliditeit nog blijken te laag
berekend te zijn; de deskundige leden hebben toch voor de invaliditeits-
kansen gebruik gemaakt van de cijfers in Duitschland verkregen na de toe-
passing der wet; wordt nu in Nederland de wet eventueel ruimer toege-
past dan in Duitschland, hetgeen niet onaannemelijk voorkwam, dan falen
de berekeningen en kunnen bezwaarlijk weder in evenwicht worden gebracht
door een minder ruime toepassing, waarvan men getoond heeft afkeerig te
zijn: 2°. ondersteld is, dat het aantal later toetredenden even groot zal
blijven of toenemen; geschiedt dit laatste, dan zal het tekort bij liquidatie
beneden het aangegeven maximum van 52 millioen gulden kunnen zijn. Nu
is in deze eeuw de bevolking zeer toegenomen, maar er zijn statistici, die
-ocr page 102-
IOO
twijfelen aan het voortduren van dien toestand, waardoor steeds rekening
zal moeten worden gehouden niet het aanzienlijke tekort van 52 millioen
gulden, waarmede bij invoering van de voorgestelde regeling de toekomst
wordt belast.
Gronden waarop het ie
           Het gedane drieledige voorstel werd aanbevolen op de volgende gronden.
voorstel werd aanbe-           ^jet steisei van gecombineerde verzekering opgebouwd op de door de
commissie aangenomen grondslagen, is bij meerderheid van stemmen ver-
worpen, terwijl bij veel tegenstemmers de aan het stelsel verbonden kosten
in het overgangstijdperk als argument gold. Toen de gecombineerde ver-
zekering op de aangenomen grondslagen alzoo was verworpen, bleef niets
anders over dan de enkele ouderdomsverzekering. Aangezien de voorstellers
de gecombineerde verzekering wenschen te behouden, hebben zij gezocht
naar eene oplossing waarbij de voordeden dezer combinatie voor de ver-
zekerden behouden blijven, zoo min mogelijk opofferingen van hen worden
gevergd, en waarbij ook de Staatsbijdrage eene niet onaanzienlijke verminde-
ring ondergaat. Dit stelsel heeft alzoo zijn ontstaan te danken aan de nood-
zakelijkheid, welke, naar de zienswijze der voorstellers bestaat, om de ge-
combineerde verzekering alsnog te redden. Met de enkele ouderdomsver-
zekering te volstaan, achten de voorstellers niet gewenscht. Daarbij wordt
ook eene zeer belangrijke bijdrage van den Staat verlangd, welke betrek-
keiijk weinig verschilt van de bijdrage vereischt in het verworpen stelsel
van gecombineerde verzekering. Maar de voorstellers zijn van meening, dat
de Staatsbijdrage zoo gering mogelijk behoort te zijn en tevens zoo produc-
tief mogelijk behoort besteed te worden. Welnu, in dit voorstel wordt van
den Staat eene bijdrage van 82 millioen gulden verlangd, welke besteed
wordt ten behoeve zoowel van de ouden van dagen als van de invaliden.
Het voorstel wijkt af van de door de commissie aangenomen grondslagen
op drie punten. Eerstens wordt, met behoud van den leeftijd bepaald voor
het ingaan van het ouderdomspensioen, aangenomen een uitsluitingsleeftijd
voor het opnemen in de verzekering, n.1. van 65 jaren, en tweedens ook in
het overgangstijdperk een wachttijd van 20 jaren, waardoor reeds dadelijk
eene besparing van 55 millioen gulden op de Staatsbijdrage wordt ver-
kregen, zooals die was berekend op de aangenomen grondslagen, n.1. van 223
millioen gulden, daar in dit stelsel (pag. 13 van de Vierde Nota) slechts
168 millioen gulden van den Staat worden verlangd.
Deze besparing geschiedt dus met behoud van het premiestelsel. Laat
men nu ook nog het premiestelsel varen en neemt men daarvoor het stelsel
van de permanente premie in de plaats, dan verkrijgt men nog eene be-
sparing van 86 millioen gulden of in het geheel 141 millioen gulden, daar
men dan slechts eene Staatsbijdrage van 82 millioen gulden behoeft (pag.
16 van de Vierde Nota). Hierbij bedenke men, dat de verhooging der premie
met 20 pCt. niet een overwegend bezwaar behoeft te zijn, daar in den tegen-
-ocr page 103-
IOI
woordigen toestand particuliere verzekeringsmaatschappijen de netto-premién
wel met 25 pCt. verhoogen.
Deze premieverhooging werd ook verdedigd met een beroep op de
solidariteit van de werklieden. Wanneer toch voor eene geheele klasse van
personen eene regeling wordt opgesteld, scheen het toe, dat niet zoo angst-
vallig rekening behoeft te worden gehouden met de belangen van ieder
individu tot die klasse behoorende, maar werd de overheid gerechtigd ge-
acht een beroep te doen op het gevoel van solidariteit. Bovendien wie
kunnen in dit geval worden benadeeld door dit beroep? Alleen de nog
zeer jeugdige werklieden, omdat zij mogelijk voor eene iets geringere premie
dezelfde voordeden bij eene particuliere maatschappij zich kunnen verzekeren;
al de andere, en die vormen de meerderheid, kunnen dit niet en dan werd
het niet te veel gevergd geacht van het solidariteitsgevoel der jongeren, dat
zij voor hunne oudere makkers eene kleinigheid meer premie betalen.
De wachttijd van 20 jaren, ook in het overgangstijdperk, ter ver-
krijging van ouderdomspensioen werd geen bezwaar geoordeeld, daar de
nadeelen, welke hieruit kunnen ontstaan, grootendeels worden ondervangen
door de verzekering tegen invaliditeit. Na het 45e jaar begint toch de inva-
liditeit in steeds meer belangrijke mate zich te vertoonen en juist na dien
leeftijd vertoonen zich ook de bezwaren verbonden aan een 20-jarigen wacht-
tijd ter verkrijging van ouderdomspensioen. Dat de invaliditeit na het 45e
jaar zich meer vertoont, kan blijken uit de tabel sub III op bladzijde 16
van de Eerste Nota. Daar ter plaatse ziet men, dat de premiebedragen,
welke voor eiken leeftijd worden vereischt, na het 45e jaar dalen met het
oog op de mindere kans van verkrijging van ouderdomspensioen; evenwel
is deze daling niet belangrijk, hetgeen natuurlijk alleen is toe te schrijven
aan de vermeerdering van de kans op toekenning van invaliditeitspensioen.
Ook werd er nog met nadruk op gewezen, dat de verzekering tegen
invaliditeit aan de jonge werklieden veel meer sympathie inboezemt dan de
verzekering tegen den ouden dag. Om de zorgen aan den ouderdom ver-
bonden bekreunen zij zich in den regel weinig. Een geheel ander geval is
het evenwel met de verzekering tegen invaliditeit. Invaliditeit is eene zaak,
welke de jonge werklieden als het ware kunnen voelen en tasten, en welke zij
dagelijks onder hun eigen makkers, onverschillig van welken leeftijd, in meer-
dere of mindere mate zien voorkomen. Zij gevoelen, dat een ieder, onaf-
hankelijk van zijn leeftijd, daaraan is blootgesteld en daarom hebben zij voor
die verzekering wel wat over; de gevaren aan den ouden dag verbonden
worden evenwel op jeugdigen leeftijd in den regel niet zoozeer beseft.
Door sommigen werd in het algemeen bezwaar gemaakt tegen het doen Bezwaren tegen elke «ijzi-
van voorstellen, welke de aangenomen grondslagen belangrijk wijzigen, daar ging van de aangenomen
dit toch alleen ten gevolge kon hebben, dat de commissie door voortdurend
te geven en te nemen, misschien wel een wetsvoorstel zou kunnen opstellen,
waarvoor zich eene kleine meerderheid verklaarde, maar waarmede zij toch
-ocr page 104-
102
eigenlijk bezwaarlijk voldaan zou kunnen zijn. Daarom werd het niet
geacht op den weg der commissie te liggen de aangenomen grondslagen te
wijzigen teneinde tot een naar haar inzicht financieel uitvoerbaar stelsel te
geraken en werd aanbevolen de verzamelde bouwstoffen in een verslag neer
te leggen, onder verklaring, dat de vraag van de financieele uitvoerbaarheid
onbeantwoord is gebleven als behoorende door de Regeering te worden
beslist.
Bezwaren tegen het ie
         Tegen het voorstel zelf bestonden verschillende bezwaren.
Waar met eenc zeer groote meerderheid besloten was het premiestelsel
aan te nemen, meenden velen, dat afdoende gronden behoorden te worden
aangevoerd, waarom op die beslissing werd teruggekomen. Die gronden
werden niet geacht te bestaan in de mindere kostbaarheid voor den Staat.
In de eerste plaats werd toch de premie met 20 °/„ verhoogd, hetgeen be-
zwaarlijk \'s werkmans sympathie zou kunnen wekken, terwijl voorts de be-
lastingschuldigen der toekomst werden belast ten bate van het heden, en wel
ten bate van eene thans levende minderheid. Dit kwam niet gerechtvaardigd
voor. Het beroep te dezen opzichte gedaan op het solidariteitsgevoel der
werklieden werd niet-ontvankelijk geacht, daar niet aan de commissie, maar
enkel aan de werklieden zelven het recht werd toegekend daarop een beroep
te doen. Bovendien kwam dit beroep als het ware reeds verwerkt voor,
omdat de verzekerden bij de premiebetaling volgens het premiestelsel —
dus zonder de 20 °/\'o surplus — reeds voor hunne makkers betalen, daar
toch geene restitutie van betaalde premién plaats vindt b.v. in geval van
overlijden vóór den leeftijd waarop het pensioen ingaat. Deze kwade kans
loopen de verzekerden, maar dit wordt gerechtvaardigd door het gevoel van
solidariteit, hetwelk onder hen behoort te bestaan.
Tegen de premieverhooging van 20 "/„ werd nog aangevoerd, dat deze
niet alleen komt ten laste van de werklieden, maar voor de helft ook ten
laste van de patroons, hetgeen voor de kleine ondernemers lang geene on-
verschillige zaak werd geacht. Waar deze verhooging evenwel ten gevolge
heeft eene belasting van alle toekomstige verzekerden en belastingschuldigen
ten bate van de tegenwoordige belastingschuldigen, kon de rechtvaardigheid
daarvan niet worden ingezien. Bovendien werd in een stelsel van verplichte
verzekering een surplus op de premie niet op zijne plaats geacht, daar men
dan de betrokkenen dwingt tot het lijden van een nadeel, iets wat voor-
kwam in strijd te zijn met de gronden, waarop een stelsel van dwang wordt
verdedigd.
Van het aannemen van een uitsluitingsleeftijd van 65 jaren en een wacht-
tijd in het overgangstijdperk voor het verkrijgen van ouderdomspensioen van
20 jaren werd het noodzakelijk gevolg geacht, dat zij, die op 55-jarigen
leeftijd tot de verzekering toetreden, tengevolge van den 20-jarigen wacht-
tijd, hoogst zeldzaam in het genot van ouderdomspensioen kunnen worden
gesteld, alhoewel zij wel 1 o jaren de verhoogde premie mogen betalen. Door
-ocr page 105-
103
deze regeling zou dus eigenlijk worden te hulp gekomen enkel aan de 30—45-
jarigen, alzoo aan de personen die op krachtigen leeftijd zijn, terwijl het
grootste deel van de thans levende meer bejaarden, waarvoor de regeling
het meest wordt gewenscht, aan hun lot worden overgelaten. Dit kwam niet
gerechtvaardigd voor waar de Staat eene bijdrage aan de verzekering verleent.
Na deze overwegingen heeft de commissie de voorgestelde wijzigingen Beslissingen dercommissie,
in de aangenomen grondslagen verworpen: die onder a en c met de kleinst
mogelijke meerderheid (1); van die onder b was het aantal tegenstanders
grooter (2) en het geheele voorstel werd met eene niet onaanzienlijke meerder-
heid (3) onaannemelijk verklaard.
Daarna is nog door een der leden het volgende voorstel betreffende de 2o vo,,rsttl-
regeling van de verplichte verzekering tegen ouderdom en tegen invaliditeit
aan het oordeel der commissie onderworpen :
„De pensioenen worden verleend bij invaliditeit, mits een wachttijd van
3 jaar, en op 68-jarigen leeftijd, mits een wachttijd van 23 jaar zij vervuld.
Aan verzekerde vrouwen wordt bij huwelijk het volle bedrag der zegels
teruggegeven. Bij overlijden van een verzekerden man, die nog geen pen-
sioen trekt, wordt aan zijne weduwe of, bij gebreke van weduwe, aan zijne
kinderen beneden 15 jaar de helft van de door hem gebruikte zegels uitge-
keerd. Bij overlijden eener verzekerde weduwe, die nog geen pensioen trekt,
wordt de helft der door haar gebruikte zegels uitgekeerd aan hare kinderen
beneden 15 jaar. Wie ouder is dan 60 jaar wordt niet tot de verzekering
toegelaten.
In den overgangstoestand wordt de wachttijd voor oudendagspensioen
ingekort met dien verstande, dat ieder verzekerde oudendagspensioen erlangt
op het 68ste jaar."
Bij dit voorstel werd het volgende tarief overgelegd:
Loonklasse.
Inkomen.
Pensioens-
grondslag.
Toename
van
Pensioen.
Minimum
Pensioen.
Weekpremie.
I.
ƒ 0— 250
f *5-
ƒ 0,012"
ƒ 37,5°
ƒ °,i°
11.
- 250— 400
- 30.—
- 0,015
• 42.—
- 0,12
III.
- 400— 600
- 40.—
• 0,02
- 52-—
- 0,16
IV.
- 600— 800
• 50.-
• 0,02\'"\'
• 60.—
- 0,20
V.
- 800—1000
- 60.—
" O,03
- 66.—
- 0,24
(1)  Negen stemmen tegen acht; afwezig drie leden.
(2)  Tien stemmen tegen zeven; afwezig drie leden.
(3)  Elf stemmen tegen zes; afwezig drie leden.
-ocr page 106-
ic>4
Gronden waarop het 2e            .\\an c]jt voorstel lagen tweeërlei eischen ten grondslag. In de eerste
voorstel werd aanbevolen.         ,                     , .                     .                . . ....              . . ...         , .. ,              ..
plaats werden lage premiën noodzakelijk geacht. Waar bij de regeling van
de gecombineerde verzekering zoo dikwijls het oog op Duitschland was
geslagen, werd dit te dezen opzichte ook gedaan en daarbij bevonden, dat
de premie in de laagste loonklasse ongeveer 2\'/i pet. van het loon bedraagt
en in de overige loonklassen ongeveer i !/a a 2 pet. van het loon. Xiettegen-
staande deze lage premiën wordt in de landbouwdistricten nog geklaagd over
de hoogte der premiebedragen; men lette slechts op de beweging der agra-
rische partij en de te dezen opzichte door haar aan den Rijksdag ingediende
voorstellen. Het is ook vooral in die districten (b.v. in Posen), dat men
klachten verneemt over grove niet-naleving der wet, zich openbarende in het
niet opplakken van de verschuldigde zegels. Waar men nu, gelijk in Neder-
land, feitelijk over zwakke dwangmiddelen beschikt en in hoogc mate afhan-
kelijk is van de medewerking der bevolking, werd gewaarschuwd tegen
opdrijving van het premietarief. In alle tot dusver behandelde voorstellen
werd vooropgesteld zeker pensioensbedrag en daarvoor zijn de premiën dan
berekend. Aanbevolen werd de omgekeerde methode eens te volgen, en
eerst te vragen welke premie praktisch uitvoerbaar is, en daaruit af te
leiden welk pensioen kan worden verleend. Mocht men hierdoor geraken tot
pensioenen, die men grooter zou wenschen, dan denkc men aan het gewichtig
argument der Duitsche Regeering, dat zveinig beter is dan niets.
Uit het voorgestelde tarief zou volgen, dat werklieden, die sedert hun
16e jaar jaarlijks 50 bijdragen hebben gestort, op hun 68e jaar tot de
volgende pensioenen zouden gerechtigd zijn:
Loonklasse:
Pensioensbedrag
I
f 57,50
II
- 69,00
III
- 92,00
IV
- 115,00
V
- i38,oo
Men houde voorts in het oog, dat bij de verplichte verzekering de
premiebetaling het karakter draagt van Spaardwang, en wel van dwang tot
een bijzonderen vorm van besparing. Ook dit behoort een reden te zijn om
den dwang tot een minimum te beperken.
Men late zooveel mogelijk ruimte over voor vrije besparingen. Deze vrije
besparingen zijn van groot economisch nut. Door zijn geld naar de spaarbank-
te brengen houdt de werkman de beschikking over zijn kapitaal. Bij vrije
besparingen kan hij den vorm kiezen, die hem het wenschelijkst voorkomt,
b.v. aankoop van gereedschappen, vee of woning. Zelfs wanneer hij zijn
inkomen besteedt aan de opvoeding zijner kinderen, werpt zulks in de toe-
komst soms ruimer vruchten af dan geldbesparing kan doen. In Duitschland
is, voor zoover het is nagegaan in de Nota van Mr. D\'AüLNIS (bijlage V)
-ocr page 107-
io5
over de werking der Duitsche wet (blz. 50), niet bespeurd, dat de verplichte
premiebetaling schadelijk heeft gewerkt op andere vormen van sparen, maar
men sla op dit gebied de opmerkingen van de Kngclschc Staatscommissie
niet in den wind; zeer zeker staan toch de nadeelige gevolgen van spaar-
dwang te vreezen, wanneer men het Duitsche premietarief verdubbelt, ja
meer dan verdubbelt, gelijk in de voorstellen, in deze commissie gedaan, is
geschied.
Zoekende naar een laag tarief, kwam het wenschelijk voor, dat de basis
van het Nederlandsche premietarief voor de laagste loonklasse in verband
sta met het hier te lande geldende muntstelsel, d. w. z. in de laagste I0011-
klasse zij de premie één stuiver per week voor het aandeel van den \\verk-
man, dus eene populaire rekeningseenheid. Zoo wordt voor de laagste loon-
klasse de premie toch nog iets hooger dan in Duitschland. Ginds bedraagt
zij 14 Pfennige (=/o,o8*); hier zou zij ƒ o, 10 zijn.
De tweede eisch, welke aan het voorstel werd ten grondslag gelegd,
bestaat in het vermenigvuldigen der kansen op eene uitkecring, al wordt
daardoor ook elke uitkeering tot een geringer bedrag teruggebracht. De
handelwijze in de 18e eeuw, toen men de openbare lecningen op grootc
schaal goot in den vorm van volksloterijen met betrekkelijk weinig prijzen
en zeer vele nieten, is later terecht afgekeurd, omdat men op die wijze de
lieden verlokt allen iets af te staan van hun nooddruft teneinde aan weinigen
overvloed te verschaffen.
Om die reden werd gewenscht in de eerste plaats uitkeering bij wijze
van pensioen te verleencn bij onvermogen om te werken. Dit onvermogen
treedt in bij gebleken invaliditeit en op den ouden dag; tot vermijding van
veelvuldige processen over invaliditeit behoort de leeftijd als vermoeden van
invaliditeit te gelden. In de tweede plaats werd gewenscht uitkecring bij
wijze van restitutie van de gestorte premiën te vcrlcenen bij het huwelijk
van de verzekerde vrouwen, en wel tot het bedrag van alle zegels. Waar
toch 80 pCt. van de vrouwen in het huwelijk treden, heeft de vrouw vijf-
maal minder kans om pensioentrekkend te worden dan de man, immers op
de vijf vrouwen is er slechts ééne, n.1. de ongehuwd blijvende, die te dezen
opzichte met den man gelijkstaat.
In de derde plaats werd gewenscht restitutie te verleencn bij het vóór-
overlijden van den verzekerden echtgenoot of vader en van de verzekerde
moeder-weduwe. Dit restitutiestelsel is ontleend aan § 31 van de Duitsche
wet van 22 Juni 1889. Alleen in een stelsel van vrijïvillige kanscontracten
kan het billijk worden geacht, dat bij dergelijke sterfgevallen alle besparingen
eenvoudig worden verbeurdverklaard ten behoeve van het pensioenfonds.
Wat betreft hetgeen is voorgesteld ten aanzien van het premietarief, den
pensiocnsgrondslag, de pensioenstoename en het minimum pensioensbedrag,
al deze cijfers bedragen de helft van die voorkomende in de tabel op blad-
zijde 14 van de Vierde Nota.
14
-ocr page 108-
io6
Hierdoor is het mogelijk de berekeningen dier Nota tot grondslag te
nemen van de schatting der kosten, welke van dit tarief het gevolg zouden
zijn, mits men er bij in rekening brenge, dat de cijfers met 50 pCt. worden
verminderd en voorts, dat in het stelsel eenige nieuwe voorwaarden worden
aangetroffen, welke eensdeels vermindering, anderdeels vermeerdering der
uitgaven medebrengen.
De voorwaarden der eerste soort zijn:
i°. de leeftijdsbepaling op 68 jaar. Nu door het onderzoek te Leiden
gebleken is, dat aldaar van de lieden van 65—70 jaar met geen hooger
inkomen dan 450 gulden 51 pCt. der mannen en 37 pCt. der vrouwen zelf-
standig in hun onderhoud voorzien, en nu ook uit de Beroepstelling in
Nederland van 31 Dec. 1889 gebleken is, dat destijds 80 pCt. van hen, die
bchooren tot de leeftijdsklasse 66—70 jaar, zich hebben opgegeven als te
zijn werkzaam in beroep, — nu komt het voor, dat bij pensionneering op
het 65ste jaar zeer dikwijls pensioenen zouden worden verleend aan hen, die
in hun arbeid nog een toereikend middel van bestaan vinden. Aangezien bij
gedwongen verzekering onnoodigc pensioenen zooveel mogelijk te vermijden
zijn, schijnt het aanbcvelingswaard den leeftijd niet lager te stellen dan 68 jaar;
2". de bepaling, dat wie ouder is dan 60 jaar niet in de verzekering
wordt opgenomen.
Daarentegen worden de uitgaven, vergeleken met die van het op blad-
zijde 14 der Vierde Nota uitgewerkte stelsel, vermeerderd door:
i°. de bepaling, dat de wachttijd voor ouderdomspensioen in den over-
gangstijd 8 jaren zal zijn (in plaats van 20); en
2°. door de restitutie van betaalde premièn aan vrouwen bij huwelijk, of
aan nagelaten betrekkingen bij vooroverlijden. De onkosten dier restitutien
kunnen bij benadering worden berekend aan de hand der deskundigen der
Duitsche Regeering (Dcnkschrift betreffend die finanzielle Entwickelung der
Invaliditats- und Altersversicherungsanstalten, Bcrlin, 30 Sept. 1896).
Dit alles samenvattende kwam de voorsteller tot de uitkomst, dat het
stelsel zou vorderen :
1". als Staatsbijdrage in den overgangstoestand een kapitaal van 403/., mil-
lioen gulden, en 2". in den definitieven toestand jaarlijks eene Staatsuitgave
van/750000, te weten / 90000 voor de militieplichtigen en ƒ660000 wegens
administratiekosten.
Bezwaren tegen het 2e           Tegen dit voorstel bestond bij de groote meerderheid der commissie over-
voorstel.                wegend bezwaar. In de eerste plaats kwam het bedrag der pensioenen te gering
voor. In de laagste loonklassc zou dit variceren tusschen f 0,75 en f 1.— inde
week, terwijl in de hoogste loonklasse het maximum pensioen iets meer dan
f 2,50 zou bedragen, d. w. z. dat menschen, die geleefd hebben van een inkomen
van ongeveer ƒ 18.— per week, op hun ouden dag maar moeten zien hoe
zij van ƒ 2,50 \'s weeks rondkomen. Wel is waar is iets altijd beter dan
-ocr page 109-
io7
niets, doch men vermeende, dat deze opmerking bezwaarlijk een grond-
slag kan vormen voor een normaal pensioensbedrag. De vermindering van
het door de commissie aangenomen pensioensbedrag tot de helft kwam dan
ook om de volgende redenen ongewenscht voor: in. omdat het kwalijk aan-
gaat een aangenomen minimum pensioensbedrag nog eens te halveeren ;
2°. omdat als eene regeling, waaraan zooveel moeite en kosten zijn verbonden,
zulke onbevredigende uitkomsten geeft, die uitslag al die kostbare moeite
niet waard werd geacht; 30. omdat het in strijd werd geoordeeld met het
opleggen van de verplichting tot verzekering aan de verzekerden tengevolge
van dezen dwang een pensioen te verleenen, hetwelk in de meeste gevallen
te gering is om in de allernoodzakelijkste behoeften te kunnen voorzien.
Waar voorts in het voorstel de pensioensbedragen voorkomende op blad-
zijde 14 van de Vierde Nota zijn gehalveerd, kon dit bezwaarlijk als juist
worden erkend, aangezien volgens het voorstel het ouderdomspensioen eerst
zou ingaan op 68-jarigen leeftijd, terwijl in de Vierde Nota daarvoor is aan-
genomen de leeftijd van 65 jaren.
De opmerking, dat behoort gewaakt te worden tegen opdrijving van het
premiebedrag, werd beaamd, maar daaraan tevens toegevoegd, dat in het
stelsel voorkomende op bladzijde 14 van de Vierde Nota een betrekkelijk
gering percentage van het loon wordt verlangd tot voldoening van de
premie, gelijk kan blijken uit de volgende tabel, welke aangeeft de premie-
bedragen, die van de werklieden zelf zouden worden gevorderd:
Aangenomen gemiddeld
jaarloon.
Loonklasse.
Premien per 50 stortin-
gen van de werk-
Uitgedrukt in
percenten
lieden.
van het loon.
250 gulden
I
5 gulden
2,00
325 „
II
6 „
1,85
500 ,,
III
8 „
1,6
700 „
IV
10 „
i,43
900 ,,
V
12 „
i,33
Ten slotte werd opgemerkt, dat waar in het voorstel zoo sterk de nadruk
wordt gelegd op het zooveel mogelijk restitueeren van de gestorte premien
bijaldien een verzekerde niet gepensionneerd wordt, dit consequent toegepast
moet leiden tot een stelsel van spaardwang in plaats van tot een stelsel
van verzekering.
Na deze overwegingen heeft de commissie met zeer groote meerderheid (i) Beslissing der
het voorgestelde stelsel onaannemelijk verklaard.
(1) Vijftien stemmen tegen ééne ; afwezig vier leden.
-ocr page 110-
io8
§ 22.
Regeling van de enkele ouderdomsverzekering.
Restitutiestelsel.
Beslissing Her commissie.           Nadat de gecombineerde verzekering was verworpen, heeft de commissie
met eene niet onaanzienlijke meerderheid (i) besloten te overwegen of het
wellicht aanbeveling zoude kunnen verdienen den verzekeringsplicht, althans
in den aanvang, te beperken tot de verzekering tegen ouderdom, waarom zij
heeft nagegaan of eene regeling op de aangenomen grondslagen enkel van
de verplichte verzekering tegen ouderdom, met een daaraan te verbinden
restitutiestelsel raadzaam zoude kunnen worden geacht.
Financieele gevolgen van           De financieele gevolgen van de regeling van de enkele ouderdomsver-
«le enkele ouderdom*, zekering zijn neergelegd in de Vierde Nota, bladzijden i—II, terwijl op de
bladzijden 11 —13 nog een stelsel van gecombineerde verzekering is behan-
deld, ter toelichting waarvan het volgende werd opgemerkt.
Waar op de bladzijden 9 en 13 van de Vierde Nota een gelijk bedrag
aan Staatsbijdrage is opgegeven, niettegenstaande op bladzijde 9 sprake is
van de enkele ouderdomsverzekering en op bladzijde 13 van de gecombi-
neerde verzekering, werd dit verklaard als volgt.
üp bladzijde 9 is uitgegaan van de onderstelling, dat iedereen van welken
leeftijd ook in de verzekering wordt opgenomen tegen betaling van eene
premie gelijk aan die der 16-jarigen en dat een ieder slechts een wachttijd van
van vijfjaren heeft door te maken om, zoo hij alsdan den 65-jarigen leeftijd
heeft overschreden, aanspraak op ouderdomspensioen te kunnen maken,
zoodat b.v. alle 65-jarigen nog worden opgenomen en na 250 stortingen
van eene in hun geval veel te geringe vveekpremie op 70-jarigen leeftijd
gerechtigd zijn tot het ontvangen van ouderdomspensioen. Dit is aangegeven
op de tweede helft van bladzijde 6 der Vierde Nota.
Bij het stelsel van gecombineerde verzekering, behandeld op de blad-
zijden 12 en 13 van de Vierde Nota, is aangenomen een van den aanvang
af onverkorte wachttijd van 20 jaren voor de ouderdomsverzekering en tevens
een uitsluitingsleeftijd van 65 jaren, d. w. z. dat de personen, die bij het
in werking treden van de regeling reeds 65 jaren of ouder zijn, niet in de
verzekering worden opgenomen. Deze beide beperkende voorwaarden werken
krachtig mede om het bedrag der gevorderde Staatsbijdrage te verminderen
en op deze wijze is het te verklaren, dat de cijfers der Staatsbijdrage voor-
komende op de bladzijden 9 en 13 nagenoeg overeenstemmen. Zeer zeker
zou eveneens bij de enkele ouderdomsverzekering eene overeenkomstige ver-
mindering van de Staatsbijdrage kunnen worden verkregen, bijaldien hierbij
op dezelfde wijze een uitsluitingsleeftijd en een wachttijd van 20 in plaats
van 5 jaren werden aangenomen.
Wil men de Staatsbijdrage van de gecombineerde verzekering en van de
(l) Elf stemmen tegen vijf; afwezig vier leden.
-ocr page 111-
icx)
enkele ouderdomsverzekering vergelijken, dan behoort men naast elkander te
plaatsen de uitkomsten verkregen in de Derde Nota en die medegedeeld in
de bladzijden i —10 van de Vierde Nota. Hierbij bedenke men evenwel, dat
de Staatsbijdrage van 7 a 8 millioen gulden \'sjaars, vermeld op bladzijde 5
der Derde Nota, gegrond is op het cijfer der contante waarde daarvan ad
196 millioen gulden (bladzijde 4 der Derde Nota), terwijl daarbij niet zijn
geteld de contante waarde der premièn voor de militieplichtigen ad 5 millioen
en die van de administratiekosten ad 22 millioen gulden, welke bedragen
ook voor rekening van den Staat komen. Deze twee bedragen zijn echter
wel opgenomen bij de berekening van de Staatsbijdrage ad 7 millioen gulden
\'sjaars voor de enkele ouderdomsverzekering; doet men ditzelfde voor de
gecombineerde verzekering, dan zal daardoor de Staatsbijdrage bijna op negen •
millioen gulden \'sjaars komen te staan gedurende 50 jaren. Vergelijkt men
de contante waarde van de Staatsbijdrage, dan bedraagt die voor de gecom-
bineerde verzekering 223 millioen gulden en voor de enkele ouderdomsver-
zekering 174 millioen gulden. Men verlieze bij deze vergelijking evenwel niet
uit het oog, dat de deskundigen er niet voor kunnen instaan, dat de bereke-
ningen opgesteld ten aanzien van de verzekering tegen invaliditeit in de prak-
tijk volkomen zullen worden bewaarheid.
Bij de ouderdomsverzekering heeft men in belangrijke mate meer vasten
grond onder de voeten dan bij de invaliditeitsverzekering. Dit oordeel is niet
alleen dat van de deskundige leden der commissie, maar ook dat van Dr.
A. J. VAX PESCH, die niet meer tot de leden der commissie behoorde, toen
dit punt weder werd behandeld. Dit heeft men dan ook steeds in het oog
te houden bij de beoordecling van de waarde der verstrekte cijfers; deze
waarde is toch niet absoluut, maar relatief, want het voorbehoud is er aan
verbonden, dat later de opvatting van het begrip van invaliditeit blijke
overeen te komen met de daarvoor in Duitschland aangenomen grondslagen.
Het risico voor den Staat bij de gecombineerde verzekering en bij de
enkele ouderdomsverzekering verschilt daarom belangrijk, maar het betreft
een verschil, dat door een deskundige niet onder cijfers is te brengen.
Aangezien de voor- en nadeelen van de gecombineerde verzekering in
tegenstelling met de enkele ouderdomsverzekering in de vorige paragrafen
reeds uitvoerig zijn uiteengezet, wordt, ter vermijding van herhaling, daarop
te dezer plaatse niet teruggekomen.
De commissie overwoog dan ook alleen of de invoering van verplichte Kestitutiestelsel.
verzekering enkel tegen ouderdom met het volgende daaraan te verbinden
restitutiestelscl aanbeveling verdient:
a.     dat aan de vrouwelijke verzekerde de door haar zelve gestorte
premiën zonder bijberekening van renten worden gerestitueerd, indien zij,
in het huwelijk getreden, ophoudt verzekeringsplichtig te zijn;
b.    dat aan alle verzekerden worden gerestitueerd de door hen/.clven
gestorte premièn zonder bijberekening van renten, indien zij, buiten de
gevallen bij ecne wet betreffende de verzekering tegen ongevallen voorzien.
-ocr page 112-
I IO
ongeschikt worden tot het verrichten van arbeid, mits die ongeschiktheid
niet het gevolg zij van hun eigen opzet;
c. dat aan de echtgenoote en de kinderen beneden den leeftijd van
16 jaren van den mannclijken verzekerde bij diens overlijden in gevallen,
niet voorzien bij eene wet betreffende de verzekering tegen ongevallen,
worden gerestitueerd de door hem zelven gestorte premien zonder
bijberekening van renten, met dien verstande evenwel, dat aan de cchtgc-
noote nooit meer dan de helft en aan elk der kinderen nooit meer dan \'/•
van het totaal bedrag dier premien wordt verstrekt;
d. dat aan de kinderen beneden den leeftijd van 16 jaren van de over-
ledcn, op het oogenblik van haar overlijden niet meer gehuwde of ongehuwde
vrouwelijke verzekerde op analoge wijze worden gerestitueerd de door haar
zelve gestorte premien zonder bijberekening van renten.
Door sommigen werd een rcstitutiestelsel in het algemeen billijk, maar
bij eene regeling van de enkele ouderdomsverzekering bepaald noodzakelijk
geacht. Neemt men toch aan, dat de premie een deel van het loon is,
onverschillig welk aandeel daarin direct door den patroon wordt betaald, dan
wordt het pensioen feitelijk eene nabetaling op het loon. Gaat men van deze
grondgedachte uit, dan kwam het billijk voor bij het verleenen van restitutie
ook de volle premie te restitueeren. Dit werd dan ook aanbevolen ten
opzichte van de restitutie bedoeld sub a en b, daar die verleend wordt aan
de verzekerden zelf; waar evenwel de verzekerden niet persoonlijk de restitutie
zullen ontvangen, maar hunne nagelaten betrekkingen, dus in de gevallen
sub c en d, werd het niet bepaald noodig geoordeeld de volle premie te
restitueeren, maar kon wel worden volstaan met teruggave van de halve
premie, d. w. z. van de door den verzekerde zelven gedane stortingen. Men
bedenke hierbij, dat in deze gevallen de restitutie voor den verzekerde zelven
niet meer noodig is en dan werd het niet onbillijk geacht, dat de nagelaten
betrekkingen slechts aanspraak kunnen maken op de helft van het bedrag
waarop de verzorger van het gezin voor het geheel zijne rechten kon doen
gelden.
Velen deelden deze meening ten aanzien van de restitutie der volle premie
in de gevallen bedoeld sub a en b. Billijk en logisch werd het toch geoor-
deeld bij het aannemen van een restitutiestclsel alles te restitueeren wat door
en voor den verzekerde is gestort, daar dit het bedrag vormt, hetwelk den
verzekerde toekomt. De storting door den patroon gedaan voor den werkman
werd door dezen laatste verdiend geacht als makende indirect een deel van
diens loon uit.
Sommigen wenschten, behalve de volle premien, ook nog de gekweekte
renten uit te kceren.
Hiertegen werd aangevoerd, dat het minder juist voorkomt het aandeel
in de premie door den patroon betaald te beschouwen als eene storting ten
behoeve van een bepaalden verzekerde, zoodat die verzekerde zijne rechten
bij eventueele restitutie op dat aandeel zou kunnen doen gelden. Veeleer
-ocr page 113-
111
werd vermeend, dat de bijdrage van den patroon verlangd wordt om de
verzekering in het algemeen mogelijk te maken, zoodat die bijdrage meer
behoort te worden beschouwd als te zijn voor de verzekering in het alge-
meen, dus voor het verzekcringsfonds, dan wel voor een bepaalden ver-
zekerde. Deelt men deze meening, dan kan er bezwaarlijk sprake zijn van
billijkheid om ook de stortingen door den patroon gedaan ter wille van
pensioensvorming voor de werklieden in het algemeen, aan den verzekerde
uit te keeren bijaldien deze geen pensioen ontvangt. Restitueert men de
volle premie, dan werd hiervan het gevolg geacht eenc niet onbelangrijke
verhooging van de premie, welke nog zal toenemen wanneer ook de
gekweekte renten worden uitgekeerd. Daarom kwam het billijker voor
zonder premieverhooging de helft van alle stortingen te restituccren.
Na deze overwegingen besliste de commissie, dat bijaldien een restitutie- ISeslissing der commissie,
stelsel wordt aangenomen, het aanbeveling verdient de volle premiën te
restitueeren in de gevallen bedoeld sub a en />, in tegenstelling met het
gedane voorstel, waarbij slechts sprake was van restitutie der halve premiën.
Deze beslissing werd met cene niet onaanzienlijke meerderheid (1) ge-
nomen ten aanzien van het geval sub a, maar ten opzichte van de beslissing
van het geval sub b was de meerderheid (2) geringer.
Sommigen hadden bezwaar tegen het aannemen van een restitutiestelsel
op grond, dat, als de gecombineerde verzekering niet kon worden ingevoerd
en besloten mocht worden tot regeling van de enkele ouderdomsverzekering,
zij deze regeling dan ook zoo zuiver mogelijk wenschten. Daarom werd in
dit stelsel niet gewenscht restitutie in geval van invaliditeit en overlijden.
daar hiervan groote verwarring werd gevreesd, welke mogelijk in den weg
zou kunnen staan aan cene eventuccle regeling van andere takken van ver-
zekering. De ouderdomsverzekering alleen naar behooren te regelen werd
reeds vrij ingewikkeld geacht, maar betrekt men daarin een stelsel van
restitutie in geval van invaliditeit en van overlijden, dan zou deze samen-
voeging mogelijk er toe kunnen medewerken om de regeling van de ver-
zekering tegen invaliditeit alsmede die van weduwen en weezen langer uit
te stellen dan wel wenschelijk is.
Waar vele leden niet de enkele ouderdomsverzekering wenschten, juist
omdat zoovclen worden gedwongen premie te betalen, terwijl maar betrekke-
lijk weinigen den pcnsioensleeftijd zullen bereiken, werd door hen gevraagd:
wat biedt een restitutiestelsel hiervoor in de plaats aan?
Enkel in geval van huwelijk, invaliditeit en overlijden de gestorte premiën
zonder renten, welke laatste eigenlijk in verhouding tot het gestorte bedrag
geoordeeld werden de grootste waarde te vertegenwoordigen; men denke
slechts aan de waarde van de cumulatie der renten van de stortingen der
eerste jaren. Hierin werd geene bevredigende compensatie gezien. Bovendien
werd gevreesd, dat aan een stelsel van restitutie bij invaliditeit cenigszins,
                                     «
(1)  Twaalf stemmen tegen zeven; afwezig één lid.
(2)  Elf stemmen tegen acht; afwezig één lid.
-ocr page 114-
112
zij het dan ook in mindere mate, de bezwaren kleven door de tegenstanders
van de invaliditeitsverzekering aan deze laatste toegeschreven.
Hiertegen werd aangevoerd, dat het geval sub b besproken, is, dat van
ongeschikt worden tot het verrichten van arbeid. Natuurlijk wordt hiermede
bedoeld cene duurzame ongeschiktheid, daar tijdelijke in den regel wel een
gevolg van ziekte zal zijn en ecne voorziening in geval van ziekte bezwaarlijk
in aanmerking kan komen bij ecne regeling van de ouderdomsverzekering.
Of de ongeschiktheid tot werken gedeeltelijk of geheel aanwezig behoort te
zijn om aanspraak op restitutie te kunnen maken, zal eenvoudig afhangen
van de nadere definitie, welke van die ongeschiktheid zal worden gegeven.
Neemt men hiervoor toch aan de definitie van § 14 van het Zweedsche
ontwerp van wet van 1897 betreffende de pcnsioens- of lijfrenteverzekering,
dan werd geen bezwaar gezien in het antwoord: geheele ongeschiktheid;
deze § 14 luidt in de Nederlandsche vertaling van dit ontwerp, welke aan
de commissie is aangeboden door het lid CORNEILLE L. LANDRÉ, (bijlage
XV van dit verslag) als volgt: „Werkelijke ongeschiktheid tot werken zal
worden geacht te bestaan bij hem, die door lichaams- of zielsziekte, ver-
minking of lichaamsgebrek buiten staat is, door zoodanigen arbeid als met
zijne krachten en bekwaamheden overeenkomt, verder in zijn onderhoud te
voorzien". Deze definitie werd geoordeeld aan minder bedenking onderhevig
te zijn dan die voorkomende in § 9 van de Duitsche wet (§ 11 van dit
verslag). De te geven definitie zal evenwel altijd eenigszins vaag dienen te
zijn, doch vermeend werd, dat het minder verdienen dan voorheen nimmer
den uitsluitenden maatstaf mocht vormen tot beoordeeling van die onge-
schiktheid.
Beslissingen der commissie.
         De commissie heeft na deze overwegingen met eene niet aanzienlijke
meerderheid (1) zich verklaard tegen het aannemen van een restituticstelsel
in eene regeling van de verplichte verzekering tegen ouderdom alleen.
Vervolgens heeft de commissie met eene niet aanzienlijke meerderheid (2)
zich verklaard tegen de invoering van de verplichte verzekering tegen ouder-
dom alleen.
Eindbeslissingen dercom-         Na het nemen van deze beslissing heeft de commissie met eene niet
missie-                          groote meerderheid (3) zich verklaard tegen het gelijktijdig invoeren van de
verplichte verzekering tegen invaliditeit en tegen ouderdom.
Desniettemin heeft de commissie met eene aanzienlijke meerderheid (4)
haar reeds vroeger uitgesproken gevoelen gehandhaafd, dat in beginsel de
verplichte verzekering, zoowel tegen invaliditeit als tegen ouderdom raad-
zaam is.
(i) Tien stemmen tegen zeven en twee blanco\'s; afwezig één lid.
(2)  Elf stemmen tegen acht; afwezig één lid.
(3)   Elt stemmen tegen zeven en ééne blanco ; afwezig één lid.
(4)  Dertien stemmen tegen zes; afwezig één lid.
-ocr page 115-
H3
Terwijl de commissie in verband met de haar verleende opdracht, waarin Uitkomsten van het onder-
melding wordt gemaakt van de instelling van cene Rijkslijfrentenbank en
van de regeling der verzekering tegen ongelukken, vermeent te moeten
herinneren, dat deze instelling en deze regeling nog niet zijn tot stand ge-
komen, veroorlooft zij zich als uitkomsten van het door haar gehouden onder-
zoek aan Uwe Majesteit zeer eerbiedig mede te deelen :
I.    dat de commissie in beginsel de verplichte verzekering zoowel tegen
invaliditeit als tegen ouderdom raadzaam acht;
II.    dat de commissie wegens het groote verschil van meening, hetwelk
zich in haar midden heeft geopenbaard, zich moet onthouden van het aan-
bieden van een wetsvoorstel met memorie van toelichting.
\'s-Gravenhage, Juli 1898.
la
-ocr page 116-
-ocr page 117-
•15
B IJ L A G E N.
I. Openingsrede door den Voorzitter gehouden op 2 September 1895 ;
II.     Lijst van vraagpunten benevens de daarop genomen beslissingen tevens ver-
meldende het aantal uitgebrachte stemmen;
III.     Rapport opgesteld door den Secretaris naar aanleiding van de gegevens ver-
strekt door Leden der Staatscommissie omtrent de vraagpunten I, II en III
(feitelijke toestand) ;
IV.     Rapport omtrent de bestaande gelegenheden tot verzekering ;
V. De werking der Duitsche wet van 22 Juni 1889 op de invaliditeits- en ouder-
domsverzekering, de bezwaren bij de uitvoering der wet ondervonden en de
middelen, welke zijn voorgesteld tot verbetering, beschreven door Mr. J.
Haron D\'AULMS de BOUROUILL;
VI. Xota over de werking der Duitsche wet van 22 Juni 1889 betreffende de ver-
zekering tegen invaliditeit en ouden dag, en over de aanhangige voorstellen
tot wijziging dier wet, bewerkt door Mr. H. B. GREVEN;
VII. Schema ecner wettelijke pensioensregeling voor werklieden en daarmede gelijk
te stellen personen in Nederland, opgesteld door D. \\V. STORK ;
Vlltf. Toelichting op het Schema bedoeld sub VII;
VUL Rapport van Dr. A. J. VAN PeSCH en CORNEILLE L. LANDRÉ;
IX. Eerste Schets van eenige bepalingen, op te nemen in een Ontwerp-Wet op de
verzekering tegen invaliditeit en ouden dag, opgesteld in September 1896
door Mr. H. B. GREVEN;
X. Xota over het Zweedsche wetsontwerp van 1895 op de invaliditeits- en ouder-
domsverzekering, benevens eenige hoofdbepalingen van dat ontwerp, door
Mr. J. Baron D\'AULNIS DE BOUROUILL;
XI. Nota over de verzekering tegen invaliditeit, door CORNEILLE L. LANDRK ;
XII. Nota over verzekering tegen invaliditeit en
ouden dag;
XIII.     Tweede Nota over verzekering tegen invalidi-
teit en ouden dag ;
XIV.     Derde Xota over verzekering tegen invaliditeit
Dr. J. C. KLUYVER
en
CORNEILLE L. LANDRÉ.
en ouden dag ;
XV. Vierde Nota over verzekering tegen invalidi-
teit en ouden dag ;
                                           J
XVI. Nederlandsche vertaling van het Zweedsche ontwerp van wet van 1897 betreffende
pcnsiocns- of lijfrenteverzekering, aangeboden door CORNEILLE L. LANDRÉ.
-ocr page 118-
-ocr page 119-
"7
INHOUD.
Bladzijde.
Inleiding........................        5
1.     Feitelijke toestand.....................        9
2.    Oorzaken van den feitelijken toestand..............      10
3.     Verschil in den feitelijken toestand van mannen en vrouwen.....      12
4.     Bestaande gelegenheden tot verzekering.............      12
5.     Vergemakkelijking en aanmoediging van de verzekering. Staatspensionneering.      13
6.    Is het in beginsel raadzaam tot verzekering te verplichten?......      19
7.    Is het in beginsel raadzaam de verplichte verzekering in den aanvang te
beperken tot die tegen ouderdom of wel tot die tegen invaliditeit? ...
      24
8.     Wie hehooren de kosten der verplichte verzekering tegen ouderdom en
invaliditeit te betalen?...................
      33
9.     Wie zijn werklieden en met hen gelijk te stellen personen?......      44
10.    Aanvangsleeftijd voor het ingaan van het ouderdomspensioen.....      61
11.     Hoe zal het begrip invaliditeit worden bepaald?..........      (>4
12.    Loonklassen.......................      66
13.    Stelsel volgens hetwelk de bijdragen voor de verzekering worden vastgesteld.      67
14.    Wijze van inning der premiën.................      au
15.    Staatsbijdrage.......................      71
Ui. Wachttijd..............\'..........      78
17.    Berekening van het pensioensbedrag..............      82
18.    Organisatie........................      SS
1!>. Overzicht van de door de commissie voorloopig aangenomen grondslagen
en daaruit voortvloeiende gevolgen...............      !)0
20.     Wenschelijkheid om op de aangenomen grondslagen voort te bouwen . .      93
21.    Twee voorstellen betreffende de verplichte verzekering tegen ouderdom en
tegen invaliditeit.....................
      97
22.    Regeling van de enkele ouderdomsverzekering. Restitutiestelsel.....    108
Bijlagen.........................   
Inhoudsopgave.................                           U7