-ocr page 1-
-ocr page 2-
K^ l\\J%2
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
.
PREEKEN
OP DE
VOORNAAMSTE FEESTDAGEN VAN HET JAAR.
-
fzl
•
-ocr page 6-
-ocr page 7-
PREEKEN
01\' DE
gen van het jaar,
GEVOLGD VAX
EENIGE GELEGENHE1DSPREEKEN
DOOR
ANT. ROOVERS, Pastoor.
EERSTE JAARGANG.
TWEEDE, VERBETERDE UITGAVE.
ROERMOND. — HENRI VAN DER MARCK.
1898.
-ocr page 8-
Aangezien het gunstig verslag, dat ons is voorgelegd over het
nieuw werk „Preeken op de voornaamste feestdagen van het jaar,
ens."
door den Eerw. Heer Ant. Roovers, pastoor, keuren wij
dit werk goed en bevelen het den Eerwaarden Heeren Geestelijken
aan. Deze preeken hebben al de hoedanigheden en verdiensten,
zoo van inhoud als van vorm en stijl, welke aan de voorgaande
voortbrengsels der vruchtbare pen des Eerw. Heeren Roovers
een zoo welwillend en vleiend onthaal verschaft hebben.
Gegeven te Luik, den 8 Juli 1891.
(Geteekend) VIGTOR JOS.
Bisschop van Luik.
Illustrissimi et Reverendissimi Domini Episcopi Leodiensis com-
mendatione moti, perlibenter concedimus ut praedictus liber prelo
excudatur.
RuR^MUNDiE, 13 Augusti 1891.
P. J. H. RUSSEL, Can. theol.,
Librorum Censor.
-ocr page 9-
EERSTE DEEL.
•
-ocr page 10-
VOORREDE.
Het doel onzer Moeder de H. Kerk bij het instellen
der feestdagen is:
i°. op die dagen eenige weldaden, die
ons alsdan bewezen .zijn, te overwegen en God er voor te
bedanken;
2°. de levens der Heiligen beter na te volgen
en hunne voorspraak te verzoeken. Hieruit blijkt, dat er
twee soorten van feestdagen zijn: feestdagen der geheimen
van onzen heiligen godsdienst, zoo als, bijv., de feestdag
van het geheim der H. Drievuldigheid, en feestdagen der
Heiligen, zooals de feestdag der H.H. Apostelen Petrus
en Panlus, waarop gewag gemaakt wordt van de zege-
pralen der Heiligen, die reeds de ceinuige rust genieten.
Op de feestdagen der geheimen moeten wij vooreerst
het geheim, dat gevierd wordt, trachten te kennen; ver-
volgens de gevoelens, welke met het geheim overeenkomen,
in ons opwekken, en eindelijk, de vruchten van het geheim
ootmoedig afsmeeken.
Op de feestdagen der Heiligen moeten wij de zalige
leeringen en de schoone voorbeelden der Heiligen over-
wegeu en hunne machtige voorspraak inroepen, om die
leeringen na te leven, die voorbeelden na te volgen. Zie-
daar liet doel onzer Moeder de H. Kerk bij het instellen
der feestdagen. Datzelfde doel nu moet de priester hebben
in
- zijne preeken op de feestdagen.
Op den feestdag van het een of ander geheim moet
-ocr page 11-
dt priester den geloovigen uitleggen, waarin het geheim
eigenlijk bestaat; hij moet hen opwekken tot goede ge~
voelens, vooral tot gevoelens van liefde, dankbaarheid,
enz.; hij moet hen leeren tot God hunne toevlucht te
nemen, ten einde de vruchten van het geheim deelachtig
te worden.
Op den feestdag van den een of anderen Heilige moet
de priester den geloovigen doen zien, hoe deze of gene
Heilige tot de heiligheid en door de heiligheid tot de
glorie des hemels gekomen is; hij moet de heiligen voor-
stellen als zoovele voorbeelden van deugden; hij moet de
geloovigen overtuigen dat, willen zij ook eenmaal tot de
heiligheid en de glorie des hemels geraken, zij de Heiligen
niet alleen kunnen, maar ook moeten navolgen in hunne
deugden. Ten einde mijnen medebroeders in het heilig
ministerie hunne taak om vermeld doel te bereiken, te
vergemakkelijken, heb ik mij veroorloofd met de goedkeu-
ring der geestelijke overheid de volgende pree ken op de
voornaamste feestdagen van het jaar in \'t licht te geven.
Och of ik mijn doel en mijne medebroeders het hunne
bereiken! Ziedaar den vurigen wensch des schrijvers.
ANT. ROOVERS, Pastoor.
Molen-Beersel, den 8 Augustus 1891.
-ocr page 12-
-ocr page 13-
Eerste Preek.
Nieuwjaar.
Fili, conserva tempus et devita a malo.
Mijn zoon, neem den tijd waar en wacht
u voor het kwaad.
             (Eccl. IV, 23.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het jaar 18... is voorbij met zijn lief en leed. — Velen
zijn gestorven, hebben reeds rekenschap gegeven en ont-
vangen thans loon naar werken: — De eene is veroordeeld
tot de pijnen der hel; de andere is opgenomen ten hemel,
volgens dat zij een goed of slecht gebruik gemaakt
hebben van den tijd. Wij moeten:
VERDEELING.
I. Den verleden tijd zoo goed mogelijk herstellen;
II. Den tegenwoordigen tijd goed besteden;
III. Ons op den toekomenden tijd niet te veel verlaten.
I.
Wij moeten den verleden tijd zoo goed mogelijk her-
stellen, omdat wij er veel van verloren hebben. — Is
verloren de tijd, die besteed wordt aan zondige werken,
-ocr page 14-
— 10 —
aan beuzelarijen en goede werken maar zonder ver-
diensten.
II.
Wij moeten den tegenwoordigen tijd goed besteden,
omdat hij kort is en snel voorbijgaat. — De tijd ver-
geleken bij eene beek of rivier. — Wij moeten elk oogen-
blik van den tijd besteden aan het werk onzer zaligheid;
wij kunnen elk oogenblik van den tijd besteden aan het
werk onzer zaligheid; misschien hangt van een oogenblik
tij ds onze zaligheid af.
III.
Wij moeten ons op den toekomenden tijd niet te veel
verlaten, omdat hij onzeker is. — Woorden van Jezus
tot zijne leerlingen over den ondergang van Jeruzalem.—
De mensch belooft zich veel voor de toekomst, voor
later. — Zal er een later voor u zijn? Hoedanig zal dat
later wezen ? Hoe zult gij u later gedragen ?
SLUITREDE.
Met Nieuwjaar moeten wij het voornemen maken den
verleden tijd zoo goed mogelijk te herstellen, den tegen-
woordigen tijd goed te besteden en ons op den toekomenden
tijd niet te veel te verlaten: \'t is het middel om in het
uur des doods van den tijd over te gaan tot de geluk-
zalige eeuwigheid.
-ocr page 15-
II
Eerste Preek.
Nieuwjaar.
FM, conserva tempus et divita a malo.
Mijn zoon, neem den tijd waar en wacht
u voor het kwaad.
            (Eccl. iv, 23.)
VOORREDE.
Het jaar 18..... B. B., is geëindigd,\'t is voorbij: voorbij
met al zijn lief en leed, voorbij met zijne vermaken en
pleizieren, voorbij met zijn kommer en verdriet; alles, ja
alles is voorbij. Maar neen, ik bedrieg mij. God, voor
wien geen tijd bestaat, de Eeuwige heeft ons gade geslagen,
Hij heeft zich meester gemaakt van al ons doen en laten;
eenmaal zal Hij het in de weegschaal der gerechtigheid
leggen, om ons te geven loon naar werken.
Wij, die nog leven — voor welke weldaad wij den
goeden God voorzeker moeten bedanken — wij hebben
de goddelijke gerechtigheid nog niet ondervonden; doch
hoevelen hebben er in den loep van het verleden jaar het
tijdelijke met het eeuwige niet verwisseld? Hoevelen zijn
er de eindelooze eeuwigheid niet ingegaan? Wellicht hebt
gij er eenigen van gekend. De eene is gestorven, na
eene ziekte min of meer pijnlijk en langdurig; de andere
is eensklaps van het tooneel der wereld weggerukt;
\'s morgens verliet hij blijmoedig zijn huis, nauwelijks
waren er eenige uren verloopen, en hij was niet meer.
Die overledenen hebben de goddelijke gerechtigheid reeds
ondervonden, hunne werken zijn in de weegschaal gelegd ;
de eene is te licht bevonden, hij is verworpen en verworpen
om voor eeuwig te branden in de hel; de andere is rijk
-ocr page 16-
—. 12 —•
aan verdiensten bevonden, hij is opgenomen en opgeno-
men ten hemel om daar voor eeuwig gelukkig te zijn.
Zij hebben ontvangen loon naar werken, zij zijn de geluk-
kige of ongelukkige eeuwigheid ingegaan, volgens dat zij
van den tijd, die hun gegeven was, een goed of slecht
gebruik gemaakt hebben. Zooveel hangt er af van het
goed of slecht gebruik van den tijd, de hemel of de hel,
de gelukkige of ongelukkige eeuwigheid. Deze waarheid
alleen, B. B., moest zij ons niet voldoende zijn om
altoos een goed gebruik te maken van den tijd ? Doch om
ons daartoe nog krachtdadiger aan te sporen, willen wij
ons eenige oogenblikken bezighouden met den tijd, hem
beschouwen in zijne drie deelen, in zijn verledene, in
zijn tegenwoordige en in zijn toekomende. Wij moeten:
I. Den verleden tijd zoo goed mogelijk herstellen;
II. Den tegenwoordigen tijd goed besteden;
III. Ons op den toekomenden tijd niet te veel verlaten.
Ziedaar de drie punten, die wij gaan uiteenzetten.
I.
Wij moeten den verleden tijd zoo goed mogelijk
herstellen. Waarom ? Omdat wij er veel van verloren
hebben.
Om ons te overtuigen, dat wij van den verleden tijd
veel verloren hebben, zien wij eerst, wat er verstaan
moet worden door verloren tijd. Ik noem verloren den
tijd, dien wij besteed hebben aan zondige werken, aan
beuzelarijen en goede werken, maar zonder verdiensten
voor den hemel.
Vooreerst is verloren de tijd, besteed aan zondige
werken. Bijgevolg is verloren de tijd, waarop de mensch
zijnen Heer en God gevloekt en gelasterd heeft; verlo-
-ocr page 17-
- 1$ -
ren de tijd, waarop hij zich in kroegen en herbergen te
buiten gegaan is aan den drank; verloren de tijd, waarop
hij zich onrechtvaardig verrijkt heeft met geld en goed;
verloren de tijd, waarop hij zijnen evenmensch aange-
rand heeft in zijne eer en faam; verloren de tijd, waarop
hij zich als gewenteld heeft in de modder der ontucht:
al die tijd, aan zondige werken besteed, is verloren, voor
eeuwig verloren. En hoeveel tijd heeft de mensch niet
besteed aan zondige werken? B. B., \'t is schier onge-
loofelij k ; en nochtans, \'t is maar al te waar. Men treft
personen aan, die geene maand, geene week, wat zeg
ik? die geen dag laten voorbijgaan, zonder hunnen Heer
en God te vergrammen, en zelfs grootelij ks te vergram-
men. Hoeveel dagen in de week zijn er, waarop, bijv.,
die godslasteraar en vloeker zijnen Heer en God niet
lastert en vloekt? Hij heeft er eene duivelsche gewoonte
van. Hoeveel dagen in de week zijn er, waarop die
kwaadspreker zijnen evenmensch niet aanrandt in zijne
eer en faam? Hij kan den mond schier niet openen
zonder kwaad te spreken. Hoeveel dagen in de week
zijn er, waarop die onkuischaard geene zedenkwetsende
taal voert, niet zondigt met zich zelven of met anderen,
hij is een slaaf van den wellust. Ziedaar, B. B., hoe de
tijd, besteed aan zondige werken, verloren is.
Doch opdat de tijd verloren zij, is het niet noodig, dat
hij besteed worde aan zondige werken: de tijd, besteed
aan beuzelarijen, is ook verloren. Bijgevolg is verloren
de tijd, waarop men niets doet tot glorie van God of tot
zaligheid zijner ziel. En hoe velen treft men er in de
wereld niet aan, die aan God of hunne ziel niet eens
denken? Zij besteden hunnen tijd om zich te verheffen,
om groot te worden in de wereld, zij zoeken de wereld
te behagen in plaats van God; zij besteden hunnen tijd
-ocr page 18-
— 14 —
om schatten en rijkdommen te vergaderen, zij denken
enkel aan geld en goed; zij besteden hunnen tijd om
zich te vermaken, en daarover loopen hunne gesprekken
van den vroegen morgen tot den laten avond. Hebt gij
veel pleizier gehad op dat feest? Hebt gij u goed ver-
maakt in dat gezelschap? Wat zullen wij morgen, over-
morgen doen om ons te vermaken? Ziedaar, B. B., hoe
de tijd verloren gaat. Want wat hebben die personen
gedaan tot glorie van God ? Niets. Wat hebben zij ge-
daan tot zaligheid hunner ziel? Ook niets. Dormierunt
somnum suum,
zegt de koninklijke Profeet David: zij
hebben hun slaap geslapen, en wakker geworden hebben
zij niets gevonden in hunne handen, et nihil invenerunt
omnes viri divitiarum in manibits suis.
(i)
Eindelijk is verloren de tijd, besteed aan goede wer-
ken, doch zonder verdiensten voor den hemel. Men vindt
menschen, die zich vrijwillig in de onmogelijkheid stellen
om iets te kunnen verdienen voor den hemel, \'t Zijn
de uitzinnigen, die na het ongeluk gehad te hebben in
doodzonde te vallen, in dien ongelukkigen staat blij-
ven voortleven. Zij bidden, gaan naar de kerk, vasten,
geven aalmoezen, in een woord, zij doen veel goede
werken; en nochtans, zij verdienen niets voor den hemel.
Waarom niet? Omdat zij in staat van doodzonde zijn,
en alzoo verliezen zij dagen, weken, maanden, soms jaren
van den tijd, dien zij moesten besteden om zich ver-
diensten te vergaderen voor den hemel. Ziedaar, B. B.,
wat er verstaan moet worden door verloren tijd. Onder-
zoeken wij nu eens, of en hoe wij den tijd verloren heb-
ben. Hebben wij den tijd verloren door hem te beste-
den aan zondige werken? Wij moeten aan onze zonden
(i) Ps. lxxv, 6.
-ocr page 19-
- ij -
vaarwel zeggen. Hebben wij den tijd verloren door hem
te besteden aan beuzelarijen ? Wij moeten van onze dwaas-
en uitzinnigheid terugkomen. Hebben wij den tijd ver-
loren, door hem te besteden aan goede werken maar
zonder verdiensten, wijl wij in staat van doodzonde
waren? Wij moeten uit dien ongelukkigen staat opstaan ;
vervolgens moeten wij ons best doen om den verloren
tijd zoo goed mogelijk te herstellen.
II.
Wij moeten den tegenwoordigen tijd goed besteden.
Waarom? Omdat hij kort is en snel voorbij gaat.
Den tijd willen gebruiken, die reeds voorbij is, \'t is
dwaasheid; den tijd willen gebruiken, die nog moet
komen, \'t is voor \'t minst vermetelheid; voor het oogen-
blik is het in beide gevallen onmogelijkheid, want men
zou gebruik willen maken van iets, dat niet bestaat.
Men moet dus gebruik maken van den tegenwoordigen
tijd. Doch de tegenwoordige tijd is een oogenblik, en
vandaar dat de tijd niets anders is dan een aaneenscha-
keling van oogenblikken, die nimmer rusten, en waarvan
het eene het andere opvolgt. Terecht wordt dus de tijd
vergeleken bij eene beek of rivier, die snel voorbijloopt.
Stel u op den oever van die beek of rivier. Het water,
dat voorbij geloopen is, komt niet weder; onmogelijk
er van te scheppen. Het water, dat in de verte aankomt,
is nog niet in uw bereik; ook onmogelijk er van te
scheppen. Blijft nog het water, dat vóór u is, en waarvan
gij kunt scheppen. Eveneens is het gelegen, B. B., met
den tijd, die snel voorbijgaat. De tijd, die voorbij is, komt
niet weder; onmogelijk dus hem te gebruiken. De tijd,
die nog komen moet, is ook niet in uw bereik, dus ook
-ocr page 20-
- i6 -
onmogelijk hem te gebruiken. Blijft bijgevolg alleen de
tegenwoordige tijd, dien tijd kunt gij gebruiken. Doch
merkt wel op, B. B., evenals de beek of rivier, waarvan
ik zooeven sprak, niet altoos loopt, doch eenmaal uitdroogt,
zoo ook loopt de tijd niet immer voor ons, doch hij
zal weldra eindigen. Bijgevolg mogen wij geen enkel
oogenblik van den tijd nutteloos laten voorbijgaan, i)
Neen, B. B., maar wij moeten elk oogenblik van den
tijd besteden aan het werk onzer zaligheid; wij kunnen
elk oogenblik van den tijd besteden aan het werk onzer
zaligheid; misschien hangt van een oogenblik tij ds onze
zaligheid af.
Wij moeten elk oogenblik van den tijd besteden aan
het werk onzer zaligheid. God, wiens oog onafgebroken
op ons gevestigd is, denkt altoos aan ons, Hij is altoos
met ons bezig om ons gelukkig te maken. En wij, B. B.,
die ons persoonlijk geluk moeten bewerken, wij denken
er niet aan, wij zijn er niet meê bezig?
De duivel loopt immer rond als een brieschende leeuw,
hij loert op een gunstig oogenblik om ons te ver-
slinden en ongelukkig te maken; en wij, B. B., wij
zouden niets doen om te ontsnappen en ons gelukkig te
maken ?
Daarenboven, God vermaant ons, op onze hoede te
zijn. Ziet toe, zegt Hij, videte: waakt, vigilate: bidt,
orate: gij moet altijd bidden en niet moede worden,
quoniam oportet semper orare en non deficere. 2) Wij
moeten dus elk oogenblik van den tijd besteden aan
het werk onzer zaligheid. Dit schijnt velen onmogelijk.
Hoe dan! zeggen zij. Gij wilt, dat ik altijd werke aan
1)  Velut ex torrente rapido, nee semper casuro hauriendum.
2)  Luc. xviii, 1.
-ocr page 21-
- t; -
mijne zaligheid? Ja zeker. Ik moet dan alle dagen naar
de kerk gaan, aanhoudend met den rozenkrans in de
handen zitten en mijne huiselijke bezigheden verwaar-
loozen? Volstrekt niet. Bijgevolg kan ik ook niet altijd
werken aan mijne zaligheid. Zeker wel, en gij moet, en
juist omdat gij moet, kunt gij, want God vordert het
onmogelijke niet. Luistert en gij zult het weldra met
mij eens zijn.
Ik vraag u, kunt gij den Heer uwen God al de dagen
van uw leven getrouw dienen? Zeker, en gij zijt er toe
verplicht, dat is uw einde hier op aarde, en daaraan
beantwoordt uw einde hiernamaals, want de mensch is
geschapen om in dit leven God te dienen en hiernamaals
eeuwig Hem te aanschouwen. En hoe moet gij den Heer
uwen God al de dagen van uw leven getrouw dienen?
De gedragslijn is u gegeven: gij kent de geboden van
God en de H. Kerk; gij kent de plichten van uwen
staat. Die geboden moet gij onderhouden, die plichten
moet gij vervullen. Maar ik kan niet, zegt gij. Uit u
zelven alleen kunt gij niet, \'t is waar, daartoe hebt gij de
genade van God noodig, en om die genade te bekomen
moet gij bidden en tot de H. Sacramenten naderen.
Doch waarom bidt gij niet \'s morgens en \'s avonds ?
Waarom nadert gij zoo zelden en niet beter bereid tot
de H. Sacramenten? Waarom sluit gij u niet aan bij
God? Kunt gij uwe werken niet opdragen aan God?
zeggen, bijv., \'s morgens: Van daag wil ik alles doen
tol meerdere eer en glorie van God.
Wat zegt de Apostel
Paulus? Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt of iets anders
verricht, doet alles tot glorie van God: Omnia in gloriam
Dei facite.
(i)
(i) i, Cor. xxx, 31.
2.
-ocr page 22-
— -
Gij kunt dus alles doen tot glorie van God, en door
alles te doen tot glorie van God, werkt gij tevens aan
uwe zaligheid, en geen oogenblik van den tijd gaat verloren.
Wat meer is, misschien hangt van een oogenblik tijds
onze zaligheid af; God heeft misschien aan een oogenblik
tijds onze zaligheid verbonden. Een arme zondaar, bijv.,
verkeert in staat van doodzonde. God roept hem tot
boetvaardigheid, Hij biedt hem de genade der bekeering
aan; die zondaar luistert niet naar de stem van God,
hij maakt geen gebruik van de genade van God, hij sterft
in staat van doodzonde, en hij gaat voor eeuwig verloren,
en ziedaar, hoe onze zaligheid van een oogenblik tijds
kan afhangen. B. B., denken wij er eens goed over na
en overtuigen wij ons wel, dat wij elk oogenblik van
den tijd moeten en kunnen besteden aan het werk onzer
zaligheid, dat misschien van een oogenblik tijds onze
zaligheid afhangt, en wij zullen met zooveel dwazen en
verblinden niet zeggen: Later tijd genoeg, later zal ik
aan mijne zaligheid werken. Later tijd genoeg? Is dat
zeker? Volstrekt niet, want de toekomende tijd is
onzeker.
III.
Wij moeten ons op den toekomenden tijd niet te veel
verlaten. Waarom niet? Omdat hij onzeker is. Onze
goddelijke Zaligmaker zeide zekeren dag tot zijne leer-
lingen, toen zij Hem vroegen, wanneer de ondergang
van Jeruzalem zou plaats hebben: Non est vestrnm nosse
tempora vel momenta, qua Paterposuit in suapotestate
: (i)
\'t Is uwe zaak niet de tijden en oogenblikken te kennen,
die de Vader in zijne macht gesteld heeft. Zoo ook zou
men ons kunnen zeggen: \'t Is uwe zaak niet te weten
(i) Act. I. 7.
-ocr page 23-
i9 —
of gij over een jaar of eene maand, over eene week of
een dag nog leven zult. De dag van morgen hangt zoo
min van u af als die van gisteren, de dag van uwen
dood zoo min als die van uwe geboorte; leven en dood
zijn in de handen van God; al wat men u zeggen kan
is: misschien zult gij dan nog leven. En de mensch,
wat beeldt hij zich niet in? Hij belooft zich zooveel voor
de toekomst. Een oud schrijver had wel gelijk, als hij
zeide: De menschen leven niet, maar zij maken zich
gereed om te leven, (i) Dat is maar al te waar. Hoe
dikwijls hoort men, bijv., niet: Aanstaande jaar zal ik
dit of dat doen, zal ik deze goederen verkoopen en
andere aankoopen, zal ik mijn oud huis afbreken en een
nieuw bouwen. Welnu, zulks heeft plaats, niet alleen
in wereldlijke zaken, maar ook in geestelijke, in de zaken
die onze ziel en zaligheid aangaan. Later zal ik er aan
denken; dan zal ik die slechte gewoonte afleggen. Later
zal ik mijn geweten in orde brengen; dan zal ik mij met
God verzoenen. Dus, die personen verklaren dan toch,
dat zij nog niet leven gelijk het behoort, maar zij maken
zich gereed om het te doen. Doch ik vraag u: Waarom
denkt gij er nu niet aan ? Waarom legt gij die slechte
gewoonte nu niet af? Waarom brengt gij uw geweten
nu niet in orde ? Waarom verzoent gij u nu niet met God ?
Nu is het nog tijd, misschien zal het weldra te laat zijn.
Neen, dat doet men niet: de menschen leven niet gelijk
het behoort, zij maken zich enkel gereed om het later
te doen. Om u daarvoor te wachten, ziehier, B. B., eene
drievoudige onzekerheid. Zal er een toekomende tijd voor
u zijn? Hoedanig zal die wezen? Hoe zult gij er u in
gedragen ?
(i) Non vivunt homines, victuri sunt.
-ocr page 24-
—
Vooreerst, zal er een toekomende tijd voor u zijn? Gij
zegt het stoutweg: Later, zegt gij, zal ik aan mijne zalig-
heid denken, aanstaande Paschen, aanstaande jaar zeker.
Zal er een later, een aanstaande Paschen, een aanstaande
jaar voor u zijn? Herinnert u wat den rijke van het
Evangelie geantwoord werd, die zich, na veel geld en
goed verzameld te hebben, veel vroolijke dagen beloofde:
Dwaas! die gij zijt, werd hem geantwoord, dezen nacht
eischt men uwe ziel van u op: Hac noctc animam repe-
tunt a te,
en hetgeen gij bereid hebt, voor wien zal het
wezen? quae antem parasti, cujus eruntt i) En bijaldien
u hetzelfde overkomt, dan is uw later te laat, en de
plannen, die gij gemaakt hebt, zijn als zoovele lucht-
kasteelen verdwenen. Doch veronderstelt, dat er een toe-
komende tijd voor u zij, hoedanig zal die wezen? Zal
de toekomende tijd beter voor u zijn dan de tegenwoor-
dige, om aan uwe zaligheid te werken? Nu hebt gij te
weinig tijd, zegt gij: gij hebt te veel aan uw hoofd,
nu met dit, dan met dat; nu met uw huisgezin, dan
met uwen handel, en ik weet niet met wat al zaken, te
talrijk om op te noemen. Zult gij later, aanstaande
Paschen, aanstaande jaar meer tijd hebben ? Zult gij dan
minder aan uw hoofd hebben ? Later zult gij wellicht
minder tijd en zeker veel meer aan uw hoofd hebben
dan nu. Doch veronderstelt ook nog, dat de toeko-
mende tijd beter voor u zij. Hoe zult gij er u in
gedragen ? Ha! nu belooft gij u veel. Doch wat zult
gij later doen in uwen ouderdom ? — want zoo ver komt
men door van dag tot dag uit te stellen — zult gij dan
den moed hebben, om ten uitvoer te brengen, waartoe
gij thans den moed niet hebt? Neen, B. B., en terwijl
de ondeugd eene tweede natuur, en de mensch oud en
(i) Luc. xii, 20.
-ocr page 25-
21 —
zwak geworden is, verricht hij doorgaans niets meer,
Onopgemerkt gaat hij van den vrij willigen levensslaap
tot den gedwongen doodsslaap over, opent de oogen
en ziet het verlies van den tijd dan eerst, als er geen
tijd meer is, om het te herstellen, en zoo gaat die on-
gelukkige de ee jwigheid in. Ziedaar, B. B., hoe het
den mensch vergaat, die den verleden tijd niet herstelt,
den tegenwoordigen tijd verliest, en zich op den toeko-
menden tijd te veel verlaat.
SLUITREDE.
Daarom zeg ik ten slotte: wachten wij ons voor die
noodlottige dwaas- en verblindheid, en ter gelegenheid
van Nieuwjaar, dat ik u allen onder alle opzichten gelukkig
en zalig toewensch, maken wij een goed en vast voor-
nemen. Slaan wij zonder uitstel de handen aan het
werk. Wij ook, B. B., hebben veel van den verleden
tijd verloren; wij moeten hem dus zoo goed mogelijk
herstellen, door onze zonden uit te boeten en ons met
verdubbelden ijver op de deugd toe te leggen. De tegen-
woordige tijd is kort en gaat snel voorbij; wij moeten
hem dus goed besteden tot glorie van God en tot zaligheid
onzer zielen, wel zorgen, dat geen oogenblik er van
nutteloos voorbijga. De toekomende tijd is onzeker;
wij mogen er ons niet te veel op verlaten. Herstellen
wij dus, ik herhaal het, het verledene; besteden wij goed
het tegenwoordige, en verlaten wij ons niet te veel op
het toekomende. Ziedaar het middel en het eenige mid-
del, om zich in het uur des doods niet te beklagen te
hebben, en om van den tijd over te gaan tot de geluk-
zalige eeuwigheid, die ik u allen van harte wensch, in
den naam des Vaders, enz. Amen.
-ocr page 26-
Tweede Preek.
Driekoningen.
Vidimus stellam ejus in oriente et
venimus adorare eum.
Wij hebben zijne ster in het oosten
gezien en wij zijn gekomen om hem te
aanbidden.
                          (Matth. II, 2.)
INHOUD.
VOORREDE.
Evangelie van den feestdag. — Drie klassen van
menschen afgebeeld.
VERDEELING.
I. De eerste klasse is afgebeeld door Herodes;
II. De tweede, door het volk, de Opperpriesters en
Schriftgeleerden;
III. De derde, door de drie Koningen.
De eerste klasse, afgebeeld door Herodes, bevat de-
genen, die onzen heiligen godsdienst onderzoeken, met
het inzicht om hem te bestrijden en zijne belijders te ver-
volgen. — Herodes is ontroerd, hij maakt het voornemen
-ocr page 27-
— 23 —
om Jezus te vermoorden. — Waarom? — Vergeefsche
poging van Herodes om Jezus te treffen. Herodes is de
eerste, die Jezus vervolgd heeft. — Na Herodes komen
de kerkvervolgers. Waarom vervolgen zij de H. Kerk ? —
Vergeefsche pogingen van de kerkvervolgers. — Waarom
straft God niet terstond de kerkvervolgers? Antwoord
van den H. Augustinus. — Schande en pijnlijke dood
van Herodes en van vele kerkvervolgers.
II.
De tweede klasse, afgebeeld door het volk van Jeru-
zalem, de Opperpriesters en Schriftgeleerden, bevat dege-
nen, die onzen heiligen godsdienst onderzoeken, enkel om
hem te kennen, zonder hem te willen volgen. — Het
volk wordt ontroerd, doch niemand gaat naar BethleGm.
Het volk is het afbeeldsel van hen, die, na de waarheid
gehoord te hebben, den moed niet hebben haar te volgen.
— De Opperpriesters en Schriftgeleerden wijzen den drie
Koningen den weg, doch zelven blijven zij thuis. Zij
zijn het afbeeldsel van hen, die anderen leeren wat zij
moeten doen, doch zelven niet doen. — Straf van de
inwoners van Jeruzalem. — Die den godsdienst kennen
en niet volgen, zullen vroeg of laat gestraft worden.
III.
De derde klasse, afgebeeld door de drie Koningen,
bevat degenen, die onzen heiligen godsdienst onderzoeken
om hem te volgen en er hun leven naar te schikken. —
De drie Koningen, na de ster gezien te hebben, gaan
terstond op reis. Wij moeten terstond aan Gods genade
beantwoorden. — De drie Koningen hebben wederwaar-
digheden op reis, doch zij volharden. Wij moeten niet-
-ocr page 28-
— *4 —
tegenstaande de moeielijkheden volharden in het goede. —
De drie Koningen zijn zonder vrees, zonder menschelijk
opzicht. Wij moeten niet vreezen, noch ons schamen,
de deugd te oefenen. — De drie Koningen vragen raad.
Wij moeten raad vragen, bijaldien wij in zekere omstan-
digheden niet weten wat aanvangen; raad vragen aan
degenen, die over ons aangesteld zijn. — De drie Konin-
gen vinden het goddelijk Kind en offeren Het goud,
wierook on mirre. Zij erkennen in dat klein Kind hun-
nen Koning, hunnen God en een mensch. Geestelijke
geschenken verbeeld door het goud, den wierook en de
mirre: de liefde, het gebed en de droefheid over de
zonde. Jezus beloont de drie Koningen: zij hebben de
wereld verlaten en zijn groote Heiligen geworden.
SLUITREDE.
De drie Koningen hebben in het Kindje Jezus hunnen
God erkend, zij hebben Het aanbeden en geschenken
geofferd. Wij moeten in het allerheiligste Sacrament
des Altaars onzen God erkennen, Hem aanbidden en
onze geschenken brengen: onze liefde, ons gebed en onze
versterving.
•<of#0>-
-ocr page 29-
- 25 -
Tweede Preek.
Driekoningen
Vidimns stel lam ejus in oricnte et veni-
mus adorare eum.
Wij hebben zijne ster in het onsten
gezien en wij zijn gekomen, om Hem te
aanbidden.
                           (Matth. II, 2.)
VOORREDE.
Het Evangelie van dezen feestdag, B. B., verhaalt ons,
hoe wonder God den drie Koningen van het Oosten de
geboorte van zijnen Zoon bekend gemaakt, en hoe
wonder Hij hen naar Bethleëm geleid heeft, om Hem daar
te aanbidden. Ziehier de geschiedenis er van volgens
Mattheus. „Toen Jezus dan geboren was in Bethleöm
„van Juda, in de dagen van Herodes, den koning, zie,
„zoo kwamen er Wijzen van het Oosten te Jeruzalem
„aan en zeiden: Waar is de nieuw geboren Koning der
,Joden ? want zijne ster hebben wij gezien in het Oosten,
„en wij zijn gekomen om hem te aanbidden.
„Toen nu Herodes, de koning, dit hoorde, werd hij
„ontroerd, en gansch Jeruzalem met hem. En hij ver-
gaderde al de Opperpriesters en Schriftgeleerden des
„volks, en vroeg hen, waar de Christus moest geboren
„worden. Zij nu zeiden hem: In Bethleëm van Juda;
„want zóó is er geschreven door den Profeet: „En gij,
„Bethlei\'m, land van Juda! geenszins zijt gij de minste
„onder de vorsten van Juda; want uit u zal uitgaan
„een vorst, die mijn volk, Israi\'l, besturen moet.
„Alstoen beriep Herodes heimelijk de Wijzen, en vernam
-ocr page 30-
— 26 —
,.van hen nauwkeurig den tijd der ster, die hun ver-
schenen was. En hen naar Bethleëm zendende, zeide
„hij: Gaat en ondervraagt zorgvuldig naar het kind; en
„als gij het zult gevonden hebben, boodschapt het mij
„dan, opdat ook ik kome en het aanbidde.
„Zij nu, den koning gehoord hebbende, gingen heen.
„En zie, de ster, welke zij in het Oosten gezien hadden,
«ging hen voor, tot dat zij kwam en stil stond boven
„de plaats, waar het kind was. En toen zij de ster
„zagen, verheugden zij zich met zeer groote vreugde.
„En zij gingen het huis in, en vonden het kind met Maria,
„zijne moeder, en zij vielen neder en aanbaden het; en
„hunne schatten geopend hebbende, offerden zij hem
„geschenken: goud, wierook en mirre. En hebbende in
„den droom een antwoord van God ontvangen, dat zij
„niet zouden wederkeeren tot Herodes, zoo gingen zij
„langs een anderen weg naar hun land terug: Per aliam
„viam reverst sunt in rcgionem suam."
In deze geschiedenis der openbaring van Jezus aan de
drie Koningen, vinden wij, B. B., drie klassen van menschen
afgebeeld.
I. De eerste klasse is afgebeeld door Herodes;
II. De tweede, door het volk, de Opperpriesters en
Schriftgeleerden;
III. De derde door de drie Koningen. Leggen wij tot
onze stichting van daag ter gelegenheid van het feest
van Driekoningen die drie klassen een weinig uit.
I.
De eerste klasse van menschen, B. B., afgebeeld door
Herodes, bevat degenen, die onzen heiligen godsdienst
-ocr page 31-
— 27 —
onderzoeken, met het inzicht om hem te bestrijden en
zijne belijders te vervolgen.
Zoodra Herodes de drie Koningen van het Oosten
gesproken en van hen vernomen heeft, dat de lang
gewenschte Messias geboren was, hoe is hij gesteld en
wat doet hij ? Is hij verheugd en verblijd over die goede
tijding? Maakt hij zich gereed en sluit hij zich bij de
drie Koningen aan om Jezus op te zoeken en te gaan
aanbidden? Neen, B. B., want luistert hoe hij gesteld is
en wat hij doet. Turbatus est, Herodes wordt ontroerd,
zegt het Evangelie, en hij maakt het voornemen om Jezus,
dat beminnelijk kind, dat gekomen is om de menschen
zalig te maken, te vermoorden. Immers, in zijne ver-
wachting teleurgesteld, wijl de drie Koningen niet over
Jeruzalem wederkeeren, ontvlamt hij in woede; hij zendt
zijne soldaten om alle kinderen van Bethleèm en om-
streken, kleintjes van twee jaren en daaronder, te ver-
moorden, ten einde onder die kinderen ook Jezus te treffen.
En waarom staat Herodes het goddelijk Kind naar het
leven ? Uit hoovaardigheid, uit baatzuchtigheid en jaloersch-
heid. Herodes is koning, hij wil koning blijven; hij vreest,
doch zonder reden, door Jezus van zijn troon geworpen
te worden, en ziedaar waarom hij het goddelijk Kind
zoekt te dooden; doch te vergeefs. Herodes, gelijk wij
uit het Evangelie weten, heeft het goddelijk Kind niet
kunnen treffen; tegen wil en dank heeft hij gewerkt aan
de glorie van Jezus. Jezus\' geboorte werd de gansche
wereld door bekend. Eenieder daarenboven sprak met
verontwaardiging over Herodes, wijl hij eene menigte
onnoozele kinderen had doen vermoorden. Dien kinderen
bewees Herodes tevens, zonder het te weten, een grooten
dienst; hij maakte van hen zoo vele Martelaren voor
Christus, die in eeuwigheid in den hemel God zullen loven
-ocr page 32-
28 —
en danken, dat zij voor Hem hun bloed hebben mogen
vergieten.
Herodes is de eerste van eene menigte dwingelanden,
die de H. Kerk vervolgd hebben, van eene menigte
vijanden, die haar vervolgen tot op den dag van heden.
En waarom hebben die dwingelanden de H. Kerk ver-
volgd ? Omdat zij overal en ten allen tijde wilden regeeren,
koning en meester wilden zijn. Zij waren niet tevreden
te leven gelijk zij het goedvonden, maar zij wilden, zij
vorderden dat ook anderen hunne levenswijze goedkeurden
en navolgden.
En waarom vervolgen thans nog talrijke vijanden de
H. Kerk? De voornaamste reden is, omdat de H. Kerk
hun zondig gedrag afkeurt en veroordeelt. Ziedaar waar-
om zij de H. Kerk vervolgen en uit de samenleving
wenschen te verbannen; doch evenals Herodes in zijne
plannen niet geslaagd is, evenmin zijn de op hem vol-
gende kerkvervolgers geslaagd in de hunne. Zij hebben
wel is waar het bloed der Martelaren ook doen stroomen,
doch in plaats van daardoor de Christenen uit te roeien
en de H. Kerk te vernietigen, hebben zij nieuwe geloo-
vigen gemaakt en de H. Kerk uitgebreid, wijl, naar de
uitdrukking van Tertullianus, het bloed der Martelaren
het zaad is van nieuwe Christenen, (i) Ook behoeven
wij niet te vreezen, dat thans de kerkvervolgers tegen haar
zullen vermogen. God, die zijne Kerk achttien eeuwen
lang beschermd en bewaard heeft, is immer dezelfde. Ue
arm zijner almacht is niet verkort. Hetgeen Hij vroeger
gekunnen heeft, kan Hij nog. Hetgeen Hij vroeger
gedaan heeft, doet Hij nog, d. i., Hij staat zijne Kerk
bij en verdedigt haar. Doch waarom, zoudt gij wellicht
(i) Sanguis Martyrum semcn Christianorum. (Tert.)
-ocr page 33-
«- ty —
denken, laat God de kerkvervolgers begaan? Waarom
laat Hij hen leven? Waarom straft Hij hen niet? God,
zegt de H. Augustinus, laat de kwaden leven; vooreerst,
opdat zij zich zouden bekeeren. God is geduldig; Hij is
op de wereld gekomen, om de menschen zalig te maken
en niet om hen te verderven. Hij wil den dood van
den zondaar niet, gelijk Hij zelf verklaart, maar dat hij
zich bekeere, zijn slechten weg verlate, en leve: Nolo
mortem impii, sed ut convertatur impins a via sua, et
vivat,
(i) Vervolgens laat Hij de kwaden leven om door
hen, als door werktuigen, de goeden te oefenen, om hun
de gelegenheid te verschaffen ten einde door met geduld
te lijden, den hemel te verdienen. Nochtans, wat de
straf betreft, deze wacht zeker de kerkvolgers en wordt
zelfs niet altoos tot na hunnen dood uitgesteld. Getuige
er van de bloeddorstige Herodes. Herodes, na Jezus
vervolgd en de onnoozele kinderen van Bethleëm ver-
moord te hebben, werd op zijne beurt vervolgd door
zijn eigen zoon Antipater, en hij deed zijn eigene kin-
deren om het leven brengen. Uitgeteerd van verdriet
en met eene schandelijke ziekte geslagen, wilde hij zich
zelven om het leven brengen. Daarin werd hij verhin-
derd, doch een jaar na den kindermoord stierf hij een
allerellendigsten dood. Ziedaar het uiteinde van Herodes,
uiteinde, waaraan het uiteinde van eene menigte kerk-
vervolgers gelijk is.
II.
De tweede klasse van menschen, B. B., afgebeeld door
het volk, de Opperpriesters en Schriftgeleerden, bevat
degenen, die onzen heiligen godsdienst onderzoeken, enkel
om hem te kennen, zonder hem te willen volgen.
(i) Ezech. xxxm, il,
-ocr page 34-
- $o —
De drie Koningen, te Jeruzalem aangekomen, vragen,
gelijk wij uit het Evangelie gehoord hebben, naar den
nieuw geboren Koning der Joden: Ubi est qni natus
est rex Judacorum?
(i) Op die vraag komt de gansche
stad in beweging. Niemand van het volk nochtans sluit
zich bij de drie Koningen aan, om het goddelijk Kind
op te zoeken en te gaan aanbidden.
Ziedaar, B. B., juist het afbeeldsel van zekere Christenen,
die, na de een of andere waarheid van onzen heiligen
godsdienst gehoord te hebben, den moed niet hebben
om ze te volgen. Die Christenen, bijv., lezen een god-
vruchtig boek; zij hooren het een of ander sermoon,
soms eene flinke strafpreek, waardoor zij krachtig aan-
gezet worden, van leven te veranderen. De priester
spreekt hun over den dood en het oordeel, over de hel
en den hemel; hij legt hun die groote en belangrijke
waarheden uit, zoodat zij ze goed begrijpen. Welk is
nu het gevolg van die lezing, van dat sermoon? Zij
worden een weinig bewogen. Doch hoelang duurt die
goede beweging ? Zoo lang als die lezing, als dat sermoon
duurt; daarna zijn zij juist wederom dezelfden, zij
veranderen niet. De Opperpriesters en Schriftgeleerden
toonen wel is waar den weg aan anderen, aan de drie
Koningen, doch zelven verzetten zij geen voet, zij blijven
t\'huis. Ziedaar het afbeeldsel der Christenen, die anderen
den weg toonen, maar die zelven dien weg niet inslaan.
En om u die waarheid nog wat beter te doen verstaan,
wil ik in eenige bijzonderheden treden. Men treft, bijv.,
ouders aan, die hunne kinderen tot het goede aansporen,
die hen, bijv., vermanen, dikwijls tot de H. Sacramenten
te naderen, terwijl zij zelven nalatig zijn; oversten, die
(i) Matth. il, 3.
-ocr page 35-
- at -
hunnen dienstboden goede lessen geven, terwijl zij zelven
die lessen niet volgen. Men treft Christenen aan, die
liet slecht gedrag van anderen afkeuren en hekelen,
terwijl zij zelven niet onberispelijk zijn; die anderen
leeren braaf en deugdzaam te zijn, terwijl zij zelven
slecht en zondaren blijven. Dergelijke Christenen zijn
onverschoonbaar. Waarom ? Om de eenvoudige reden:
zij weten wat zij doen moeten, en zij doen het niet:
Die wit enim et non faciunt. (i) Welke straf wacht der-
gelijke Christenen niet!
Gij weet wellicht, B. B., hoe de inwoners van Jeru-
zalem na den dood van onzen goddelijken Zaligmaker
gestraft zijn geworden. De geschiedenis meldt ons onder
anderen, dat Titus de stad Jeruzalem belegerd, ingenomen
en tot den grond toe verwoest heeft; dat hare inwoners
vermoord en in menigte gevankelijk zijn weggevoerd.
En och of het daarbij gebleven ware. Doch, helaas!
hoevelen onder hen beklagen zich thans, en zullen in
eeuwigheid zich beklagen, van de openbaring der Wijzen,
en Gods genade misbruik gemaakt te hebben, wijl zij
daarom voor eeuwig tot de hel veroordeeld zijn. Het-
zelfde lot wacht hen, die na de waarheden van onzen
heiligen godsdienst gekend te hebben, dezelve niet volgen ;
die na de uitgelezenste genaden van God ontvangen te
hebben, er niet aan beantwoorden, integendeel er schan-
delijk misbruik van maken, tot hunne eeuwige verdoe-
menis. Wij moeten dus, gelijk gij ziet, B. B., noch den
koning Herodes, noch het volk van Jeruzalem, noch de
Opperpriesters en Schriftgeleerden navolgen. Wie moeten
wij dan navolgen? Wij moeten navolgen de drie Ko-
ningen of de Wijzen van het Oosten; wij moeten onzen
(i) Matth. XXIII, 3.
-ocr page 36-
- 3* -
heiligen godsdienst onderzoeken om hem te volgen en
er ons leven naar te schikken, en ziedaar tevens de derde
klasse van menschen, afgebeeld door de drie Koningen.
III.
Zoodra de drie Koningen de wonderbare ster, die de
geboorte van den Messias aankondigde, gezien hebben,
gaan zij terstond op reis. En toch, de reis, die zij gingen
ondernemen, was niet gemakkelijk, \'t Was winter, de
afstand ver, de weg moeielijk te vinden, of liever, zij
wisten niet waarheen. Nochtans, de drie Koningen rede-
neeren niet; zij zeggen, bijv., niet: wij zullen nog eenigen
tijd wachten: en dan zien: neen, zij wachten niet, maar
zij begeven zich terstond op reis. En gelukkig voor hen;
want hadden zij nog eenige dagen gewacht, zij zouden
het goddelijk Kind niet meer gevonden hebben. Ziedaar,
B.B., eene les voor ons. De drie Koningen leeren ons
van den dag van heden gebruik te maken en niet uit te
stellen tot den dag van morgen. Waarom niet? Wel,
de dag van morgen is onzeker. Hoevelen in de hel
beklagen zich, doch helaas! te laat dat ongelukkig uitstellen
tot morgen, \'t Was immer bij hen: Ik heb tijd genoeg:
morgen zal ik er aan denken: later zal ik mij bekeeren.
\'t Spreekwoord wordt in hen bewaarheid. En welk is
dat spreekwoord? Dat spreekwoord is: Tijd genoeg komt
te laat. En inderdaad, zoo is het. Wij moeten dus van
de genaden, welke God ons dagelijks aanbiedt, gebruik
maken; wij moeten het goede doen, terwijl het tijd is.
De drie Koningen vinden ook wederwaardigheden op
hunne reis; alles gaat niet naar wensch; God stelde hen
op de proef. Zij zijn bijna te Jeruzalem aangekomen, en
ziet! eensklaps verdwijnt de ster, die hen tot daartoe
-ocr page 37-
- to -
geleid heeft Zullen zij nu den moed verliezen, in hun
geloof en betrouwen beginnen te wankelen ? Zullen zij
nu denken, dat zij bedrogen zijn? Neen, B.B, doch vol
geloof en betrouwen op God, volharden zij in hun voor-
nemen. Ziedaar eene tweede les voor ons, Christenen,
namelijk, hoe wij ons in de beoefening der deugd moeten
gedragen. Wanneer de een of andere moeielijkheid zich
opdoet, wanneer wij in den dienst van God dorheid of
ongevoeligheid gewaar worden, dan moeten wij den moed
niet verliezen, maar wij moeten met geloof God om God
dienen. Met betrouwen op God, die ons geroepen en
getrokken heeft, moeten wij moedig voortstappen, ons
zelven geweld aandoen, denkende: Het rijk der hemelen
lijdt geweld en de geweldigen nemen het in: Regnum
caelornm vim patitnr et violenti rapiunt illnd.
(i)
De drie Koningen zijn ook zonder vrees, zonder men-
schelijk opzicht. Zij komen te Jeruzalem aan en vragen
Herodes, waar de Jiieuzugeboren Koning der Joden is:
Ubi est qui natus est rex Judceorum. Hadden zij dan
niet te vreezen, door Herodes, die toenmaals koning was,
aangehouden en in de gevangenis geworpen te worden?
Of voor \'t minst, hadden zij niet te vreezen, bespot en
uitgelachen te worden? De drie Koningen storen zich
aan niets, zij vreezen niets, zij kennen geen menschelijk
opzicht, \'t is hun te doen, Jezus te vinden, wiens ster
zij gezien hebben, en zij zijn gekomen om hem te aan-
bidden: Et venimus adorare eum. (2) Ziedaar, B. B., juist
onze zaak. Waarom zijn wij op aarde, zoo niet om
God te dienen, om het pad der deugd te bewandelen?
Wij moeten niet vreezen tot dat einde de middelen te
gebruiken. Wij moeten, bijv., niet denken: Maar wat
(1) Mattl}. XI, 12. (2) Matth. 11, 2.
8.
-ocr page 38-
- 34 -
zal men van mij zeggen, bijaldien ik zoo dikwijls naar
de kerk ga, bijaldien ik zoo dikwijls tot de H. Sacra-
menten nader, bijaldien ik met anderen niet mede doe?
Die gedachte alleen: wat zal men van mij zeggen,
heeft er duizenden van den dienst van God en het
pad der deugd afgetrokken en voor eeuwig ongelukkig
gemaakt. B. B., denken wij eens wel na over hetgeen
onze goddelijke Zaligmaker zegt : Die zich over mij en
mijne woorden zal geschaamd hebben, zegt Hij, over
dien zal de Zoon des menschen zich schamen, wanneer
Hij komen zal in zijne heerlijkheid en die des Vaders en
die der H. Engelen. Geene vrees dus, B. B., voor wien
het ook zij ; geen menschelijk opzicht, doch kloekmoedig
vooruit in den dienst van God, op het pad der deugd,
dat naar Jezus, dat naar den hemel leidt.
De drie Koningen op de proef gesteld en niet wetende
wat aanvangen, wijl de ster verdwenen was, vragen om
raad. Zoodra de Opperpriesters en Schriftgeleerden hun
gezegd hebben, waar Jezus te vinden is, vervolgen zij
hunnen weg, zonder hunnen tijd aan het hof van Herodes
te verliezen. Door die handelwijze leeren de drie Konin-
gen ons, hoe wij ons te gedragen hebben, wanneer wij
in de een of andere omstandigheid niet weten wat aan-
vangen. Naar het voorbeeld der drie Koningen moeten
wij dan om raad vragen. Aan wie? Aan hen, die door
God aangesteld zijn om ons te leiden of te besturen
in hetgeen de zaligheid aangaat. Wij moeten dus om
raad vragen aan de priesters, aan onzen biechtvader
of zielbestuurder; deze zullen ons zeggen wat wij te doen
hebben, en door hunnen raad te volgen kunnen wij
zeker zijn, eenmaal ons gewenscht doel te bereiken,
evenals de drie Koningen het hunne bereikt hebben.
Want ziehier, B. B., wat er met hen gebeurde. Nauwelijks
-ocr page 39-
- 35 -
hebben zij Jeruzalen verlaten, of ziet! de ster, die hen
vroeger vergezeld had, verschijnt wederom en brengt
hen tot op de plaats, waar het goddelijk Kind zich met
Maria zijne Moeder bevindt. Zij gaan het huis binnen,
zegt de Evangelist, en door een straal van hierboven
verlicht, erkennen zij in dat klein Kind hunnen Heer en
God. Zij vallen op hun aangezicht ter aarde neder en
aanbidden Het. Doch de drie Koningen wisten, dat men
voor God niet met ledige handen moet verschijnen. Daarom
hebben zij uit hun land voor Jezus geschenken medege-
bracht, die zij Hem blijmoedig aanbieden. De geschenken
waren, gelijk wij weten, goud, wierook en mirre. Door
het goud beleden de drie Koningen het koningschap,
door den wierook de Godheid, en door de mirre de
menschheid van Jezus. Bij die uitwendige geschenken
voegden zij nog inwendige, namelijk, die van hun hart:
eene brandende liefde, eene teedere godsvrucht en eene
ware, oprechte droefheid over hunne zonden, waardoor
zij vroeger hunnen God beleedigd hadden. Die geschenken
waren het goddelijk Kind nog aangenamer dan de eerste.
Ook liet Jezus hen niet onbeloond vertrekken. Na ver-
maand te zijn niet over Jeruzalem, maar langs een anderen
weg naar hun land terug te keeren, verlaten zij Bethleëm.
Nooit zullen zij vergeten, wat zij daar gehoord en gezien
hebben. De geschiedschrijvers verhalen, dat de drie Ko-
ningen later aan de wereld vaarwel gezegd en hun leven
in den dienst van God hebben doorgebracht, en dat zij
eindelijk den marteldood gestorven zijn. Hunne heilige
overblijfsels zijn eerst naar Constantinopel, vervolgens naar
Milane en eindelijk naar Keulen overgebracht, in welke
stad zij door de geloovigen tot op den dag van heden
godvruchtig vereerd worden.
-ocr page 40-
- 3ê
SLUITREDK.
Ziedaar, B. B., in het kort de openbaring van Jezus
aan de drie Koningen.
De drie Koningen hebben in het Kindje Jezus te Beth-
leëm hunnen God erkend, zij hebben Het aanbeden en
geschenken geofferd. God, die zich nooit in edelmoedigheid
laat overtreffen, heeft \'hen daarvoor ruimschoots beloond,
en vooral met het geluk des hemels. Dat geluk voorzeker
benijden wij den drie Koningen, en wij wenschen niets zoo
zeer dan het eenmaal met hen te mogen deelen. Welnu, doen
wij ons best en volgen wij de drie Koningen na. Doch hoe
de drie Koningen navolgen, zult gij misschien denken? Ik
kan niet naar Betheém gaan, daar het goddelijk Kind
aanbidden en geschenken offeren, \'t Is niet noodig, B. B.,
gij behoeft zoo ver niet te gaan: hier, in het allerhei-
ligste Sacrament des Altaars is Jezus onze Koning, God
en mensch tegenwoordig, niet wel is waar als een klein
Kind, maar onder de gedaante van brood gelijk het
geloof ons leert. Gij kunt dus, ja, gij moet u naar het
voorbeeld der drie Koningen voor Jezus nederwerpen en
Hem aanbidden. Gij kunt, ja, gij moet Jezus geschen-
ken brengen: goud, wierook en mirre, niet die stoffelijke
geschenken, maar hetgeen er door afgebeeld wordt. Ja,
B. B., wij moeten Jezus goud offeren, d. i., wij moeten
Hem beminnen, en ons hart moet immer branden van
liefde tot Jezus, onzen Zaligmaker, want wat zegt de
Apostel Joannes? Laten wij God beminnen, zegt hij,
want God heeft ons eerst bemind: Nos ergo diligamus
Dewn, quoniam Deus prior dilexit nos
(i). Wij moeten
Jezus wierook offeren, d. i., wij moeten Hem aanbidden,
en onze gebeden moeten als een wierookwolk voor den
(i) i Joan. iv, 19.
-ocr page 41-
— 37 —
troon van God opstijgen: Dirigatur oratio mea sicut
incensum in conspectu tuo.
(i) Wij moeten Jezus mirre
offeren, d. i., wij moeten hier op aarde onze zonden
beweenen, er boetvaardigheid over doen en ons ver-
sterven : Mortificate membra vestra, qnae sunt super ter-
ram
(2) Ziedaar, B. B., wat ons te doen staat, hoe wij
de drie Koningen kunnen en moeten navolgen. Ja, met
de drie Koningen laten wij Jezus beminnen, laten wij
Jezus aanbidden, laten wij Jezus getrouw dienen in dit
leven, en eenmaal zullen wij het geluk hebben, met
dezelfde drie Koningen Jezus van aanschijn tot aanschijn
te aanschouwen in den hemel. Amen.
(i) Ps, CXL, 2, (2) Col. III, 5.
-ocr page 42-
Derde Preek.
De zoete naam Jezus.
Postquam consummati sunt dies octo ut
circumcideretur puer, vocatum est nomen
e jus Jesus.
Toen de acht dagen vervuld waren, dat
het kind zou besneden worden, werd zijn
naam Jezus genoemd.
             Luc. II, 21.
INHOUD.
VOORREDE.
De besnijdenis was voorgeschreven door de wet van
Mozes. — De kinderen van het mannelijk geslacht moes-
ten ze ondergaan den achtsten dag na hunne geboorte. —
Het goddelijk Kind werd besneden en kreeg den naam
Jezus. — Evangelie. — Waarom geeft men het goddelijk
Kind bij zijne besnijdenis den naam Jezus?
VERDEELING.
I. De zoete naam Jezus in zich;
II. De zoete naam Jezus in betrekking tot ons.
I.
De zoete naam Jezus in zich is groot, een naam boven
alle namen: om zijnen oorsprong. Hij is niet van deze
-ocr page 43-
- 39 -
aarde, maar uit den hemel; niet van een schepsel, van
Gabriël, Maria of Jozeph, maar van den Schepper, van
den hemelschen Vader. — Om zijne beteekenis. Anderen
hebben den naam Jezus gedragen: de zoon van Sirach,
de zoon van Jozedech en Jozuö. — Waarom ? De eerste,
om zijne wijsheid en zijn verstand; de tweede, omdat
hij de Joden verlost heeft uit de babylonische gevangen-
schap; de derde, omdat hij de Israëlieten het beloofde
land binnengeleid heeft. — Het goddelijk Kind draagt
met meer recht den naam Jezus. — Waarom ? Omdat het
de gansche wereld getrokken heeft uit de duisternissen
des ongeloofs en der onwetendheid; omdat Het ons
verlost heeft uit de slavernij des duivels en van den
eeuwigen dood; omdat Het ons den hemel binnenleidt. —
Om zijne glorie. De naam Jezus wordt verheerlijkt de
gansche wereld door. Alle knieën zullen eenmaal in
dien naam gebogen worden, die der gelukzaligen in den
hemel, der menschen op aarde en der verdoemden in
de hel.
II.
De zoete naam Jezus in betrekking tot ons is een licht,
eene spijs en een geneesmiddel. — Hij is een licht. Door
de verkondiging van den naam Jezus is de gansche wereld
verlicht. De mensch in de moeielijkheden wordt door
het aanroepen van den naam Jezus ook verlicht. — Hij
is eene spijs. Hij versterkt den mensch in den arbeid
en strijd, hij maakt hem onverwinnelijk tegenover zijne
vijanden. — Hij is een geneesmiddel. Hij geneest de
bedroefden, de neêrslachtigen en wanhopenden.
SLUITREDE.
Wijl de zoete naam Jezus zoo groot is, wachten wij
-ocr page 44-
— 40 —
ons, hem ooit te lasteren of oneerbiedig uit te spreken,
doch spreken wij hem altoos uit met eerbied. Wijl de
zoete naam Jezus een licht, eene spijs en een genees-
middel is, daarom moeten wij hem dikwijls aanroepen.
Hij is honig voor den mond, een welluidende klank voor
het oor en een jubel voor het hart. Bij den naam Jezus
moeten wij voegen de namen van Maria en Jozeph
—fr-«j ■
Derde Preek.
De zoete naam Jezus.
Postquam consummati sunt dies octo ut
„ circumcideretur fiucr, vocatum est nomen
ejus Jesus.
Toen de acht dagen vervuld waren dat
het kind zou besneden worden, werd zijn
naam Jezus genoemd.
          (Luc. II, 21.)
VOORREDE.
De besnijdenis, B. B., voorgeschreven door de wet van
Mozes, was eene vernederende en pijnlijke ceremonie; zij
ging zelfs met bloedvergieten gepaard. De kinderen van
het mannelijk geslacht moesten ze ondergaan den achtsten
dag na hunne geboorte. Het goddelijk Kind onder-
ging ook die ceremonie en kreeg bij die gelegenheid den
naam Jezus. Het Evangelie van den dag zegt: „Toen
„de acht dagen vervuld waren, dat het kind zou besneden
„worden, werd zijn naam genoemd Jezus, welke genoemd
„was door den Engel, vóórdat Hij in den moederschoot
„ontvangen werd: Vocatum est nomen ejus Jesus." (i)
(i) Luc. n, 21.
-ocr page 45-
- 4» -
Waarom, vraagt de H. Bernardus, geeft men het god-
delijk Kind bij zijne besnijdenis den naam Jezus? Wat
beteekent dat samentrefifen ? De besnijdenis toch past
beter den persoon, die moet verlost worden, dan den Ver-
losser zelven; en de Verlosser heeft veeleer het recht de
besnijdenis op te leggen, dan die te moeten ondergaan.
En inderdaad, B. B., zoo is het. Doch stippen wij voor-
eerst aan in welke hoedanigheid het goddelijk Kind ter
wereld komt, en wij zullen weldra begrijpen, waarom Het
zich heeft willen onderwerpen aan eene ceremonie, waartoe
eigenlijk de zondaren alleen gehouden waren. Het god-
delijk Kind komt ter wereld, zegt de H. Bernardus, als
middelaar tusschen God en de menschen, en bij zijne
geboorte reeds vereenigt Hij de twee uitersten. Immers,
Hij wordt geboren uit eene moeder, maar die moeder is
immer maagd. Hij wordt in arme doeken gewonden,
maar die doeken worden door de Engelen bezongen. Hij
ligt als verborgen in eene kribbe, maar eene wonderster
verschijnt en leidt de Wijzen naar Bethleëm. Bijgevolg,
het goddelijk Kind, om te toonen dat Het mensch is,
wil besneden worden; en om te toonen, dat Het God is,
wil Het een naam ontvangen, die boven alle namen is.
Het wordt besneden, wijl Het de zoon van Abraham is, en
Het wordt Jezus, d. i., Verlosser of Zaligmaker genoemd,
wijl Het de Zoon van God is. Men geeft dus het god-
delijk Kind bij zijne besnijdenis den naam Jezus, wijl
Het bij die gelegenheid het ambt van Verlosser, van
Zaligmaker aanvangt, door de eerste druppelen van
zijn goddelijk bloed te storten voor de zaligheid der
menschen.
Daar wij van daag het feest van den zoeten naam
Jezus vieren, overwegen wij te zamen wat die zoete
naam is:
-ocr page 46-
— 42 —
I. In zich;
II. In betrekking tot ons.
I.
Wat is de zoete naam Jezus in zich ? De zoete naam
Jezus in zich, B. B., is groot, een naam boven alle namen:
Nomen, quod est super omne nomen, (i) Om ons daarvan
te overtuigen, moeten wij dien naam beschouwen in
zijnen oorsprong, zijne beteekenis en glorie.
Vooreerst moeten wij den zoeten naam Jezus beschou-
wen in zijnen oorsprong. De naam Jezus is geen naam
van deze aarde, hij komt uit den hemel: geen schepsel,
maar de Schepper zelf heeft hem gegeven. Noch de
Engel Gabriël, noch de H. Maagd Maria, noch de H.
Jozeph heeft het goddelijk Kind Jezus genoemd; doch
de hemelsche Vader heeft dien naam uitgekozen, als
meer geschikt om uit te drukken de zending van zijn
eenigen Zoon, voor ons mensch geworden. Zie, zoo
sprak de Engel Gabriël tot Maria den dag der boodschap,
gij zult in uwen schoot ontvangen: Ecce, concipies in
utero,
en een zoon baren, et paries filium, en gij zult
zijn naam Jezus heeten, et vocabis nomen ej\'us Jesum. (2)
Hetzelfde boodschapte de Engel Gabriël Jozeph, den
bruidegom van Maria, en hij voegde er tevens de reden
bij: Gij zult zijn naam Jezus heeten, zeide Gabriël tot
Jozeph: Vocabis nomen ejus Jesum; (3) want hij zal zijn
volk verlossen uit hunne zonden: Ipse enim salvum faciet
popuhtm suum a peccatis eorum.
Gij ziet dus, B. B.,
de Engel Gabriël boodschapt en zegt slechts van wege
God, hoe diens Zoon moet genoemd worden, juist als
hij boodschapte de menschwording van dienzelfden Zoon.
(l) 1\'h. 11, 9. (2) Luc_. I, 31. (3) Matth. I, 21.
-ocr page 47-
— 43 —
Vervolgens moeten wij den zoeten naam Jezus be-
schouwen in zijne beteekenis. Groot om zijnen oorsprong
is die naam ook groot om zijne beteekenis. Wij lezen
in het Oude Testament, dat zekere vermaarde personen
den naam Jezus droegen. En inderdaad, aangezien de
door hen bewezen diensten, hetzij aan den godsdienst,
hetzij aan het vaderland, hadden die personen eenig
recht op dien naam. Nochtans, zij droegen den naam
Jezus, d. i. Verlosser, bijzonder omdat zij afbeeldsels
waren van den waren Verlosser, van den Verlosser bij
uitstek, namelijk, van onzen Heer Jezus Christus.
De zoon van Sirach werd Jezus genoemd. Schrijver
van een der boeken van de H. Schrift, overtrof hij ver
in verstand en wijsheid de grootste wijsgeeren van Athene
en Rome. De zoon van Jozedech werd ook Jezus ge-
noemd, en hij verdiende dien naam, omdat hij de Joden
uit de Babylonische gevangenschap verloste en naar hun
vaderland terugbracht. Jozuë, de opvolger van Mozes,
werd Jezus genoemd, en te recht, omdat hem de eer te
beurt viel, de Israëlieten het beloofde land binnen te leiden.
Ziedaar, B. B., eenige vermaarde mannen uit het Oude
Verbond, die Jezus genoemd, en de redenen, waarom zij
zóó genoemd werden. Nochtans de naam van onzen
Jezus beteekent meer. Immers, hij beteekent Verlosser
der wereld: Salvator muudi, dus niet van één werelddeel,
van één volk, maar van alle werelddeelen, van alle
volkeren te zamen. Welk een sterveling kan op zulken
naam aanspraak maken ? Wie heeft er ooit de beteekenis
van bewaarheid? Onze goddelijke Zaligmaker alleen
heeft er de beteekenis ten volle van bewaarheid, en
daarom kan Hij, en hij alleen, aanspraak maken op
dien naam. Ziedaar de leerling van den H. Bernardus.
En inderdaad, B. B.; heeft Jezus, en heeft Hij alleen
-ocr page 48-
44 —
door zijne zuivere en heilige leerling de wereld niet ge-
trokken uit de grove onwetendheid, waarin zij gedompeld
lag, uit de duisternissen en de schaduw des doods, waarin
zij was neergezeten? Nooit heeft een mensch zóó ge-
sproken als deze mensch, zeiden Jezus\' toehoorders:
Nunquam sic locutus est homo, sicut hic homo. (i)
Heer! tot wien zullen wij gaan? Domine! ad quem ibi-
tnus?
zeide Petrus; Gij hebt de woorden des eeuwigen
levens, verba vitae aeternae habes. (2) En nadat Jezus
zijne Apostelen gevormd had, zond hij hen uit, de gan-
sene wereld door, iets waaraan geen enkel wijze der
oudheid ooit gedacht had. Gaat, zeide Jezus, en onder-
wijst alle volkeren: Euntes ergo docete omnes gentes.
En ziet, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding
der eeuwen: Et ecce, ego vobiscum sutn omnibus diebus
usqtic ad consummationem sceculi.
(3) Onze Jezus is dus
waarlijk de Verlosser der wereld, vooreerst, omdat Hij
de wereld getrokken heeft uit de grove onwetendheid,
waarin zij gedompeld lag.
Onze Jezus is ook de Verlosser der wereld, omdat Hij
ons verlost heeft uit de slavernij des duivels, d. i., uit
den staat van doodzonde, die ons slaven maakt van den
duivel. Ja, B. B., wij zuchtten in eene gevangenschap,
veel ondraaglijker dan die van Babylonie Getroffen door
onze ellenden en vol medelijden met ons, is de Zoon
Gods uit den hemel nedergedaald, om onze zonden uit
te boeten en ons uit de slavernij des duivels en van
den eeuwigen dood, d. i., van de hel, te verlossen. Onze
goddelijke Zaligmaker heeft, gelijk de Apostel Paulus
zegt, het doodvonnis, dat tegen ons uitgesproken was,
uitgewischt in zijn bloed, en Hij heeft het aan het kruis
(1) Joan. vu, 46. (2) Joan. vi. 69. (3) Matth. xxvm 19—20.
-ocr page 49-
- 4$ *
gehecht: Delens quod adversum nos erat chyrographum
decreti... affigens Mud cruci
(i) En Hij heeft verlost
niet alleen de Joden, maar alle volkeren, alle menschen,
te beginnen van den eersten mensen Adam tot den laat-
sten der stervelingen, want Jezus, gelijk de Apostel
Paulus duidelijk leert, heeft zijn leven ten beste gegeven
voor alle menschen: Pro omnibus mortuus est Christus. (2)
Onze Jezus is nog de Verlosser der wereld, omdat Hij
voor ons den hemel, het ware vaderland, geopend heeft,
waarin Hij ons zal binnen leiden. Gesloten door de
zonde, heeft Jezus den hemel met zijn kruis heropend.
Zoo Jezus voor ons niet geleden hadde, zoo Hij voor
ons niet gestorven ware, nooit of nimmer konden wij
in den hemel komen ; doch eenmaal vrijgekocht ten
koste van zijn bloed en verlost uit de slavernij des dui-
vels, heeft Jezus ons op weg gesteld naar den hemel, het
echt, het waar beloofde land, waarin Hij ons eenmaal
— wij hopen het althans — zal binnen leiden, namelijk
na onzen dood.
Eindelijk moeten wij den zoeten naam Jezus beschouwen
in zijne glorie.
Groot om zijnen oorsprong, groot om zijne beteekenis,
is de naam Jezus nog groot om zijne glorie. Er is geene
zaligheid mogelijk, zegt de Apostel Petrus, tenzij in
den naam van onzen Heer Jezus-Christus: Non est in
alio aliquo salus.
(3) Geen wonder dus zoo de naam
Jezus de gansche wereld door, van het een uiteinde
der aarde tot het andere, van den opgang der zon tot
haren ondergang, alom geprezen, geëerd en verheerlijkt
wordt: A solis ortu usque ad occasum laudabile nomen
Domini.
(4) \'t Is waar, B. B., men treft nog ongelukkigen
(1; Col. 11, 14. (2) 11 Cor. v, 15. (3) Act. iv, 12. (4) Ps. cxu, 3.
-ocr page 50-
- 46 -
aan, die den naam Jezus niet kennen. Men treft er ook
aan, die den naam Jezus miskennen. Men treft er zelfs
aan, die, slechter dan de duivelen in de hel, den zoeten
naam Jezus vloeken en lasteren. Doch, Gode zij lof en
dank ! er zal een tijd, een dag komen, waarop alle men-
schen den naam Jezus zullen moeten eeren en verheer-
lijken. Onze Heer Jezus-Christus heeft zich vernederd,
zegt de Apostel Paulus, Hij is gehoorzaam geweest tot
aan den dood, ja tot aan den dood des kruizes: Humi-
liavit scmctipsum, factus obediens usquc ad morton, mor-
tem autem cj-ucis.
(i) Voor dien prijs is Hij onze Jezus,
d. i., onze Verlosser, onze Zaligmaker geworden. Tot
belooning daarvoor, zoo gaat de Apostel voort, tot
belooning daarvoor heeft God Hem verheven, en Hij
heeft Hem een naam gegeven boven alle namen, en vroeg
of laat zullen alle knieën in Jezus naam gebogen worden.
Ja, in den laatsten dag des oordeels zullen allen zich voor
den troon van Jezus nederwerpen. Allen zullen zijn naam
aanbidden, allen zullen de knieën voor Hem buigen,
de Engelen en Heiligen des hemels, alle menschen op
aarde en de duivelen en verdoemden der hel: Cceles-
tium, terrestrium et infernorum.
Welk een grootsch
schouwspel, B. B., en welk een triomf voor onzen Heer
Jezus Christus! Welk eene vreugde en blijdschap voor
de Engelen en Heiligen des hemels! Welk eene pijn
en foltering voor de duivelen en verdoemden der hel!
Ziedaar, B. B., wat de zoete naam Jezus is in zich:
hij is groot om zijnen oorsprong, groot om zijne betee-
kenis en groot om zijne glorie. Zien wij nu in ons
tweede punt wat de zoete naam Jezus is in betrekking
tot ons.
(i) Ph. II, 8.
-ocr page 51-
- 47 —
II.
De zoete naam Jezus, B. B., in betrekking tot ons, is
een licht, eene spijs en een geneesmiddel. In de H. Schrift
lezen wij de volgende woorden: Olettm effusum nomen
tuttin
(i): Uw naam is als een uitgestorte olie. De H.
Bernardus, gelijk wij in het kerkelijk officie lezen, past
die woorden op den zoeten naam Jezus toe. Gelijk de
olie, zoo spreekt die Heilige, drie hoedanigheden heeft,
de hoedanigheid om te verlichten, om te spijzen en te
genezen, zoo ook is de zoete naam Jezus een licht, eene
spijs en een geneesmiddel voor ons. (2) Luisteren wij
een oogenblik naar de verklaring van den H. Bernardus.
Vooreerst is de zoete naam Jezus een licht. Leg mij
eens uit, vraagt de H. Bernardus, hoe de verkondiging
van het Evangelie eensklaps, alom, de gansche wereld
door een zoo helder licht verspreid heeft? Is het niet,
wijl de Apostelen den naam Jezus verkondigd hebben ?
Is het niet door het licht van dien naam, dat God ons
uit de duisternissen der ongeloofs getrokken en tot het
licht van het ware geloof bekeerd heeft ? Ja, B. B., dank
aan dien zoeten naam zijn ons de oogen geopend voor
het licht, zoodat de Apostel Paulus met recht mag zeggen:
Vroeger waart gij duisternissen: Eratis enim aliquando
tenebrce,
doch nu zijt gij licht in den Heer: nunc atttcm
lux in Domino.
De nacht is voorafgegaan, doch de
dag is genaderd: verzaken wij dus de werken der duister-
nissen, d. i., de zonden, en omgorden wij de wapenen
des lichts, d. i., de deugden, en zorgen wij, altoos
zedig te leven, gelijk het op klaar lichten dag betaamt.
Welnu, hetgeen de zoete naam Jezus in den beginne der
(1 Cant. cant, 1, 2. (2) Lux, cibus, medicina (S. Bern.)
-ocr page 52-
- 4* -
l£erk verrrtocht en uitgewerkt heeft om de duisternis des
heidendoms te verdrijven, hetzelfde vermag en werkt hij
nog uit voor allen, die hem met betrouwen aanroepen.
Die Mij volgt, zegt onze goddelijke Zaligmaker, wandelt
niet in de duisternis: Qui sequitur me non ambulat in
tenebris.
(i) Bijgevolg, wij moeten met betrouwen den
naam Jezus aanroepen in de moeielijkheden, wanneer wij
niet weten wat aanvangen; de naam Jezus zal ons ver-
lichten, hij zal ons uit de moeielijkheden verlossen.
Vervolgens is de zoete naam Jezus eene spijs, eene
sterke spijs voor onze ziel. Gevoelt gij u niet gesterkt,
vraagt de H. Bernardus, telkens als gij aan den naam
Jezus denkt? Waar zult gij meer zalving vinden dan in
dien zoeten naam? Wat is er meer in staat, uwe door
den arbeid en strijd verloren krachten te herstellen, u
nieuwe krachten tot den arbeid en strijd bij te zetten
dan de naam Jezus ? Ha! B. B., wat zouden wij sterk
zijn tegen de vijanden onzer zaligheid, tegen den duivel,
de wereld en het vleesch; ja, wij zouden zelfs onverwin-
nelijk zijn in den strijd, zoo wij altoos den naam Jezus
met betrouwen aanriepen: \'t is met den naam Jezus dat
men de overwinning behaalt vooral op den duivel, en
dat men hem op de vlucht drijft.
Eindelijk is de zoete naam Jezus een geneesmiddel.
Hij geneest van de geestelijke ziekten, vooral van de
droefheid, de neerslachtigheid en wanhoop. De mensch,
zoo spreekt de H. Bernardus, is hij der droefheid,
der neerslachtigheid ten prooi, de naam Jezus welle op
in zijn hart, hij kome op zijne lippen, en de droefheid,
de neerslachtigheid zal weldra verdwijnen om plaats te
maken voor de vreugde, de opgetogenheid. De mensch
(j) Joan. vm, 12.
-ocr page 53-
- 49
valle in zonde, hij valle met de knaging van geweten
in wanhoop, hij loope reeds weg om zich om het leven
te brengen ; zoo hij Jezus aanroept, hij zal blijven staan
op den boord van den afgrond, en de naam Jezus zal
hem wederom betrouwen inboezemen.
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B., wat de zoete naam Jezus is; wat hij
is in zich, en wat hij is in betrekking tot ons. In zich
is hij groot, boven allenamen: groot om zijnen oorsprong,
om zijne beteekenis en zijne glorie. Wat moeten wij
daaruit besluiten ? Daaruit moeten bij besluiten den zoeten
naam Jezus, ik zeg niet, nooit te lasteren, die misdaad is
te afschuwelijk, maar hem zelfs nooit lichtvaardig en
oneerbiedig uit te spreken. En nochtans, men vindt, voor
het overige brave menschen, die de slechte gewoonte heb-
ben, den zoeten naam Jezus telkens in hunne gesprekken te
mengen, die hem dikwijls oneerbiedig uitspreken. B. B.,
men moet die slechte gewoonte, zoo men er mede behept
is, afleggen. Ik weet wel, \'t is geene groote, geene dood-
zonde, maar wijl de zoete naam Jezus zoo groot, boven
alle namen is, daarom moeten wij Hem altoos met eerbied
uitspreken.
De zoete naam Jezus is voor ons een licht, eene spijs
en een geneesmiddel. En wat moeten wij daaruit be-
sluiten? Daaruit moeten wij besluiten, den zoeten naam
Jezus dikwijls aan te roepen. Och of wij de godsvrucht
tot den zoeten naam Jezus van den H. Bernardus hadden!
Ik vind niets dan dorheid, zegt die Heilige, waar ik den
zoeten naam niet vind. Eene lezing ? Zij behaagt mij niet,
zoo ik er den naam Jezus niet vind. Eene samenspraak,
eene studie? Zij verveelt mij, zoo er de naam Jezus niet
tusschenkomt. De naam Jezus
is honig voor den mond;
4.
-ocr page 54-
- 56 -
nul in ore; een welluidende klank voor het oor: in aure
me los;
een jubel voor het hart: in corde jnbilus.
Bijgevolg, B. B., roepen wij dikwijls den zoeten naam
Jezus aan. Voegen wij bij dien naam de namen van
Maria en Jozeph: roepen wij de namen Jezus, Maria en
Jozeph aan met eerbied en betrouwen in het begin van
onze bezigheden, van ons werk, zeggende, bijv.: In de
namen van Jezus, Maria en Jozeph. Roepen wij die
namen met eerbied en betrouwen aan in de bekoringen
om niet te bezwijken: zeggen wij dan: Jezus, Maria en
Jozeph staat mij bij. Jezus, Maria en Jozeph zullen onze
bezigheden, ons werk zegenen. Jezus, Maria en Jozeph
zullen ons in de bekoringen bijstaan. Jezus vooral zal
onze Jezus zijn, d. i., onze Verlosser, onze Zaligmaker
tijdens ons leven, en Hij zal onze Verlosser, onze Zalig-
maker zijn bijzonder in het uur van onzen dood. Amen.
-ocr page 55-
Vierde Preek.
Onze Lieve Vrouw Lichtmis.
Tulerttnt Mum in Jerusalem, ut sisterent
eum Domino.
Zij brachten hem naar Jeruzalem, om hem
den Heere op te dragen.
               Luc. H, 22.
INHOUD.
VOORREDE
Onze Lieve Vrouw Lichtmis of de zuivering van Maria
en de opdracht van Jezus in den tempel. — Evangelie
van den dag. — Waarom wordt dit feest Onze Lieve
Vrouw Lichtmis genoemd? Jezus en Maria geven ons
een voorbeeld:
VERDEELING.
I. Van ootmoedigheid;
II. Van gehoorzaamheid;
III. Van liefde tot God en de menschen.
I.
Jezus en Maria geven ons een voorbeeld van oot-
moedigheid. — Wie zijn Jezus en Maria? Jezus is de
Zoon Gods, de Schepper, Heer en Regeerder van hemel
en aarde, de Heilige der Heiligen, de Verlosser der
-ocr page 56-
5^
wereld. Waarvoor wil Hij aangezien worden ? — Maria is
de Moeder van God, de Moedermaagd, de onbevlekte
en ongeschondene Moedermaagd. Waarvoor wil zij aan-
gezien worden ? —■ Jezus en Maria zijn ootmoedig. — Wie
en wat zijn wij naar ziel en lichaam ? Waarvoor willen
wij aangezien worden? Wij zijn hoovaardig; wij moeten
ootmoedig worden naar het voorbeeld van Jezus en Maria.
II.
Jezus en Maria geven ons een voorbeeld van gehoor-
zaamheid. — Wet van Mozes. — Zijn Jezus en Maria
verplicht zich aan de wet van Mozes te onderwerpen ?
Neen : Jezus niet, omdat Hij is de Zoon Gods, de Schepper,
Heer en Regeerder van hemel en aarde, de Heilige der
Heiligen, de Verlosser der wereld. Maria niet, omdat zij
is de Moeder van God, Moedermaagd, de onbevlekte en
ongeschondene Moedermaagd. — Jezus en Maria onder-
werpen zich aan de wet. — Zijn wij verplicht ons te
onderwerpen aan de geboden van God en de H. Kerk?
Ja, als schepselen, als onderdanen, als Christenen. —
Hoe onderhouden wij het tweede, derde, vierde, zesde,
en zevende gebod van God? hoe het tweede en derde
gebod van onze Moeder de H. Kerk? Hoe volbrengen
wij de bevelen, en hoe luisteren wij naar de vermaningen
en raadgevingen onzer geestelijke overheid ? — \'t Is
moeielijk de geboden te onderhouden: antwoord van
Jezus: Mijn juk is zoet en mijn last is licht; wij zijn er
toe verplicht. — Wij zijn dikwijls ongehoorzaam, wij
moeten gehoorzaam worden naar het voorbeeld van Jezus
en
Maria.
III.
Jezus en Maria geven ons een voorbeeld van liefde
-ocr page 57-
- 53 —
tot God en de menschen. — Jezus offert zich zelven op
en Maria offert haren Zoon op uit liefde tot God en de
menschen, tot glorie van God en tot zaligheid der men-
schen. — Jezus heeft zijn vol verstand. — Woorden van
Jezus bij zijn intrede in de wereld. — Woorden van Jezus
bij zijn opdracht. — Maria voegt haar offer bij dat van
Jezus uit liefde en tot hetzelfde einde. — Woorden van
Maria. — Jezus en Maria beminnen God en de menschen.
— Beminnen wij God, dan moeten wij de geboden
onderhouden. Beminnen wij onzen evennaaste, dan moe-
ten wij hem geen kwaad doen, maar het goed zoeken
te bewijzen, dat wij ons zelven wenschen. Hebben wij
ijver voor de glorie van God, dan moeten wij ons best
doen, dat God door ons en alle menschen gekend, ge-
diend en geëerd worde. Hebben wij ijver voor de zalig-
heid der zielen, dan moeten wij zoo veel mogelijk onzen
evennaaste van het kwaad terughouden en tot het goede
aanzetten. — Wij moeten God en onzen evennaaste
beminnen naar het voorbeeld van Jezus en Maria.
SLUITREDE.
Wij hebben het voorwerp van het feest van Onze
Lieve Vrouw Lichtmis overwogen. — Wij moeten ootmoe-
dig zijn; de ootmoedigheid is de oorsprong van alle goed,
zonder ootmoedigheid geene zaligheid. — Wij moeten ge-
hoorzaam zijn; zonder gehoorzaamheid geen vrede, geene
zaligheid. — Wij moeten beminnen, God bovenal om
Hem zelven en onzen evennaaste gelijk ons zelven om
God; aan die twee geboden hangt de gansche wet. —
Werken wij ook naar vermogen voor de glorie van God
en de zaligheid der zielen; en tot dat einde overwegen
wij de deugden, waarvan Jezus en Maria ons het voor-
beeld gegeven hebben.
-ocr page 58-
- 54 ~
Vierde Preek.
Onze Lieve Vrouw Lichtmis.
Tulerunt illum in Jerusalem, ut sisterent
eum Domino.
Zij brachten hem naar Jeruzalem, om hem
den Heere op te dragen.
          Luc. II, 22.
VOORREDE.
Het feest van dezen dag, bekend onder den naam van
Onze Lieve Vrouw Lichtmis, maakt gewag, onder anderen,
van de zuivering van Maria en van de opdracht van
Jezus in den tempel. Ziehier, B. B., hoe het Evangelie
ons zulks verhaalt. „Toen de dagen van Maria\'s reiniging
„vervuld waren naar Mozes\' wet — zoo verhaalt ons de
„Evangelist Lucas — brachten zij Hem naar Jeruzalem,
„om Hem den Heere op te dragen, gelijk er geschreven
„staat in \'s Heeren wet: Al wat mannelijk is, dat den
„moederschoot opent, zal den Heere heilig genoemd wor-
dden ;
en om een offer te geven; volgens hetgeen gezegd
„is in \'s Heeren wet: een paar tortelduiven of twee
i-Jonge duiven.
„En zie, daar was een mensch in Jeruzalem, die tot
„naam had Simeon, en deze mensch was rechtvaardig en
„godvreezend, verwachtende de vertroosting Israëls, en
„de Heilige Geest was in hem. En hij had een antwoord
„ontvangen van den Heiligen Geest, dat hij den dood
„niet zou zien, voor dat hij eerst den Christus des Heeren
„gezien had. En Hij kwam, door den geest, in den tempel.
„En toen het Kind Jezus door zijne ouders werd binnen-
gebracht, om Hem te doen naar de gewoonte der wet,
-ocr page 59-
— 55 —
„nam hij het in zijne armen, en loofde God, en zeide:
„Nu laat Gij, Heere! uwen dienstknecht henengaan in
„vrede, naar uw woord; want mijne oogen hebben uw
„heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van
„al de volken, een licht ter openbaring voor de Heidenen,
„en een luister voor uw volk Israël."
Ziedaar, B. B., de geschiedenis van de zuivering van
Maria en van de opdracht van Jezus in den tempel. Dit
feest is bekend, gelijk ik reeds gezegd heb, onder den
naam van Onze Lieve Vrouw Lichtmis, om de waskaarsen,
welke dien dag voor de H. Mis gewijd en in de processie
rond gedragen worden. Het gebruik om op dit feest
kaarsen te wijden en in de processie rond te dragen,
dagteekent van de eerste tijden des Christendoms; \'t is
schier zoo oud als het feest zelf. \'t Werd ingevoerd te
Rome om een ander feest, dat er gevierd werd, te ver-
vangen, en tijdens welk feest de Heidenen met brandende
fakkels door de stad Rome liepen ter eere van hunne
goden, aan welke zij meenden hunnen roem en luister te
danken te hebben. De Paus van Rome, dat schandelijk
misbruik willende uitroeien, schreef eene processie door
de voornaamste straten der stad voor, tijdens welke pro-
cessie priesters en geloovigen elk eene brandende kaars
droegen, ter eere van Jezus en Maria, om Hen te bedanken
voor de weldaden aan Kerk en Staat bewezen. Doch
zien wij, Christenen, wat wij vooral uit dit feest moeten
leeren. Wij moeten er uit leeren, B. B., drie deugden
waarvan Jezus en Maria ons het voorbeeld geven. Zij
geven ons een voorbeeld:
I. Van ootmoedigheid;
II. Van gehoorzaamheid;
III. Van liefde tot God en de menschen.
-ocr page 60-
- S6 -
I.
Jezus en Maria, B. B., geven ons een voorbeeld van
ootmoedigheid, en wel van de diepste ootmoedigheid.
Wie zijn de twee personen, Jezus en Maria ? Jezus is
de Zoon Gods; Hij is de Schepper, Heer en Regeer-
der van hemel en aarde, de Heilige der Heiligen, de
Verlosser der wereld. Wil Hij er ook voor aangezien en
gehouden worden, ten dage, waarop zijne ouders, Maria
en Jozeph, Hem in den tempel komen opdragen? Neen,
B. B., maar die Zoon Gods, die in eeuwigheid van God
den Vader voorkomt, wil aangezien en gehouden worden
voor een gewoon kind; die Schepper van hemel en aarde
wil aangezien en gehouden worden voor een gewoon
schepsel; die Heer, wien hemel en aarde toebehooren;
die Regeerder, die hemel en aarde regeert en bestiert,
wil aangezien en gehouden worden voor een arm kind,
want \'t is de losprijs der armen, dien men voor Jezus
aanbiedt; die Heilige der Heiligen wil aangezien en ge-
houden worden voor een gewoon kind, besmet met de
erfzonde; die Verlosser. der wereld wil aangezien en
gehouden worden, als moest Hij zelf verlost worden.
Mogen wij nu niet zeggen dat Jezus, de Zoon Gods, zich
verootmoedigd, dat Hij zich in de ootmoedigheid als
vernietigd heeft, door in den tempel te Jeruzalem opge-
dragen te worden als een gewoon kind onder de kinderen
van Israël? En Maria, wie is zij? O, B. 13., wij weten het.
Maria is de Moeder van God; zij is de Moedermaagd,
de onbevlekte en ongeschondene Moedermaagd. Wil zij
er ook voor aangezien en gehouden worden, ten dage,
waarop zij Jezus haren Zoon in den tempel komt opdragen ?
Neen, B. B., Maria volgt Jezus haren Zoon na in de
ootmoedigheid. Maria, de Moeder van God, d. i., van God
-ocr page 61-
- s; —
den Zoon, den tweeden Persoon der H. Drievuldigheid,
van den eenigen Zoon des hemelschen Vaders, die Moeder
wil aangezien en gehouden worden voor eene vrouw, die
een gewoon kind ontvangen en gebaard heeft. Zij staat
daar in het voorhof des tempels onder de overige vrou-
wen van Israël. Maria, de Moedermaagd, die den Zoon
Gods door eene bijzondere werking van den H. Geest
ontvangen heeft, Maagd voor-, in- en na de geboorte
van Jezus, die Moedermaagd wil aangezien en gehouden
worden voor eene gewone moeder, die op eene gewone
wijze haren Zoon ontvangen en gebaard heeft. Maria,
de onbevlekte en ongeschondene Moedermaagd, die door
de erfzonde niet besmet is geweest, die door de kleinste
zonde haar oorspronkelijke rein- en schoonheid nooit ver-
minderd, maar die haar steeds vermeerderd heeft, wier
maagdom door haar goddelijk moederschap niet alleen
niet geleden heeft, maar steeds opgeluisterd is; die onbe-
vlekte en ongeschondene Moedermaagd wil aangezien
en gehouden werden voor eene gewone moeder; zij ver-
schijnt in den tempel, doch niet vóór den veertigsten
dag; zij staat bij de overige vrouwen des volks in het
voorhof des tempels, als moest zij evenals de overige
vrouwen gezuiverd worden. B. B., mogen wij niet zeg-
gen dat Maria, de Moeder van God, zich verootmoedigd,
dat zij zich na haar goddelijken Zoon het meest veroot-
moedigd heeft, door zich te gedragen als eene gewone
moeder bij het opdragen van Jezus haren Zoon in den
tempel? Jezus en Maria hebben ons dus, gelijk gij ziet,
gegeven een voorbeeld van ootmoedigheid en wel van
de diepste ootmoedigheid. Zij willen niet aangezien, noch
gehouden worden voor hetgeen zij zijn, doch wel voor
hetgeen zij niet zijn, en zulks uit liefde tot de ootmoe-
digheid. Volgen wij Jezus en Maria na? Zijn wij ook
-ocr page 62-
- S8 -
ootmoedig? Doch wie en wat zijn wij naar ziel en
lichaam, en waarvoor willen wij aangezien en gehouden
worden? Een weinig tijds, eenige jaren geleden, bestonden
wij niet. God heeft ons lichaam gemaakt van aarde;
onze ziel heeft Hij van niet gemaakt of geschapen. Ons
lichaam van aarde gemaakt, is aan ellenden, ongemakken,
ziekten, soms aan de schandelijkste, aan walgende ziekten
onderhevig: het zal worden het aas der wormen, het zal
tot stof en asch wederkeeren: Pulvis es et in pnlverem
rever terts,
(i) Onze ziel is oorspronkelijk besmet met
de erfzonde, en hoewel zij in de waters des H. Doopsels
van de erfzonde gezuiverd en met de goddelijke genade
versierd is, eenige jaren later is zij wellicht door groote
en talrijke zonden bezoedeld geworden. Het verstand is
klein, aan dwaling onderworpen; het geheugen kort van
duur; de wil ten kwade geneigd. Wie zijn wij? Wij
zijn arme, geringe menschen. Doch veronderstelt al eens
dat wij rijk zijn, geld en goed in overvloed bezitten, dat
wij in de wereld min of meer verheven, eene goede
plaats bekomen hebben, de een of andere waardigheid
bekleeden. Wat hebben wij, dat wij niet ontvangen
hebben? Ziedaar wat wij zijn. En waarvoor willen wij
nu aangezien en gehouden worden? Terwijl ons lichaam
gebrekkig en mismaakt is, verbergen wij er zoo zorgvul-
dig mogelijk het gebrekkige en mismaakte van en trachten
wij er wat gemaakte schoonheid aan te geven. Terwijl
onze ziel besmeurd is met de afschuwelijkste zonden,
willen wij voor Heiligen doorgaan. Terwijl wij nauwelijks
kennen, hetgeen wij moeten weten, willen wij voor hoog-
geleerden, voor feniksen aangezien worden. Terwijl wij
arm zijn, ja, vol schulden steken, willen wij voor welheb-
(j) Gen m, 19.
-ocr page 63-
— 59 —
benden, voor rijken gehouden worden. Ziedaar, waarvoor
wij willen aangezien en gehouden worden, voor hetgeen
wij niet zijn; en waarvoor wij niet willen aangezien en
gehouden worden, voor hetgeen wij zijn. Waarom?
Omdat wij behept zijn met den geest der hoovaardigheid,
omdat wij hoovaardig zijn. Bijgevolg, B. B., verootmoe-
digen wij ons, wij hebben er redenen genoeg voor; ja,
volgen wij Jezus en Maria na in de ootmoedigheid,
waarvan zij ons het voorbeeld gegeven hebben.
11.
Jezus en Maria geven ons een voorbeeld van gehoor-
zaamheid, en wel van de volmaaktste gehoorzaamheid.
Volgens de wet van Mozes moest de eerstgeboren zoon
in den tempel plechtig aan God opgedragen en voor
eene som gelds afgekocht worden. De moeder van den
eerstgeboren zoon werd veertig dagen lang voor onrein
gehouden; zij mocht gedurende dien tijd niet in \'t openbaar
verschijnen, noch iets, wat den Heere toegewijd was,
aanraken. Na die veertig dagen moest de moeder zich
naar den tempel begeven en offeren; vooreerst, een één-
jarig lam tot dankzegging voor hare gelukkige verlossing ;
vervolgens, eene tortelduif of eene jonge duif voor de
zonde. De arme moeders nochtans volstonden met twee
tortelduiven of twee jonge duiven te offeren. Ziedaar
de wet van Mozes. Zijn Jezus en Maria nu verplicht
zich aan die wet te onderwerpen? Volstrekt niet. Noch
Jezus, noch Maria is er toe verplicht. Vooreerst, Jezus
is er niet toe verplicht, omdat Hij, de Zoon Gods, niet
op eene gewone wijze, maar door bijzondere werking
van den H. Geest ontvangen en op eene wonderbare
wijze uit de Maagd Maria geboren is; omdat Hij de
Schepper, Heer en Regeerder van hemel en aarde, in
-ocr page 64-
— 6o —
die hoedanigheid boven de wet verheven is; omdat Hij,
de Heilige der Heiligen, de Verlosser der wereld, niet.
gekomen is om vrijgekocht te worden, maar zich zelven
als losprijs aanbiedt om vrij te koopen ons en alle menschen,
die verloren waren. En nochtans, Jezus onderwerpt zich
aan de wet van Mozes; Hij wil naar Jeruzalem gedragen,
in den tempel opgeofferd en vrijgekocht worden voor
de som van vijf sikkels. Mogen wij nu niet zeggen dat
Jezus gehoorzaam is geweest aan de wet van Mozes,
en dat Hij er aan gehoorzaam is geweest zoo volmaakt
mogelijki wijl Hij zich aan de wet onderworpen heeft,
tot in hare minste deelen ? Vervolgens, Maria is niet
verplicht zich aan de wet van Mozes te onderwerpen,
omdat zij de Moeder is van den Zoon Gods, en niet
van een gewonen zoon; omdat zij Moedermaagd, haren
maagdom door de ontvangenis van haren Zoon nimmer
verloren heeft; omdat zij, de onbevlekte en ongeschondene
Moedermaagd, wel verre van door de geboorte van haren
Zoon, iets van hare maagdelijke reinheid te verliezen,
daardoor steeds reiner geworden is. En nochtans, Maria
onderwerpt zich aan de wet van Mozes, zij zondert zich
af gedurende veertig dagen; niettegenstaande eene lastige
reis van drie dagen, met een klein kind, begeeft zij zich
naar Jeruzalem ; daar biedt zij, evenals de overige vrouwen,
den priester het offer voor hare zuivering aan; daar betaalt
zij den losprijs voor haar goddelijken Zoon, dien zij van
den hemelschen Vader ontvangen heeft. Mogen wij nu
niet zeggen, dat Maria gehoorzaam is geweest aan de wet
van Mozes, en dat zij er na haar goddelijken Zoon het
volmaaktst aan gehoorzaam is geweest, wijl zij zich ter
zuivering aanbiedt en haar goddelijken Zoon vrijkoopt
in den tempel?
Jezus en Maria geven ons dus, gelijk gij ziet, een
-ocr page 65-
~ êi -
voorbeeld van gehoorzaamheid, en wel van de volmaaktste
gehoorzaamheid, wijl zij zich gansch vrijwillig en zonder
er toe verplicht te zijn, onderwerpen aan de wet van
Mozes en ze stipt onderhouden in al hare deelen.
Volgen wij, B. B., Jezus en Maria na in de gehoor-
zaamheid? Doch vooreerst, zijn wij wel verplicht te ge-
hoorzamen? Zeer zeker. Als schepselen zijn wij verplicht
God onzen Schepper te gehoorzamen; als onderdanen
zijn wij verplicht God onzen Heer en Meester te gehoor-
zamen; als christenen zijn wij verplicht onze Moeder de
H. Kerk te gehoorzamen. Wij moeten dus de geboden
van God en de H. Kerk onderhouden. Welnu, zijn wij
gehoorzaam? Onderhouden wij de geboden? God, bijv.,
in het tweede gebod zegt: Gij zult den naam van den
Heer uwen God niet ijdel gebruiken: Non assumes nomen
Domini Dei tui in vanum.(l)
Wat denken van dit gebod
de vloeker en godsdienstlasteraar, die bij de minste
moeielijkheid, bij het minste dat hun tegengaat, God
vloeken en zijn heiligen naam lasteren? Wees gedachtig
dat gij den Sabbatdag heiliget: Memento ut diem Sabbati
sanctifices.
Wat denken van dit gebod degenen, die de
zon- en feestdagen onteeren door slaafsche werken, door
dansen en brasserijen, door onmatigheid en dronkenschap ?
Eer vader en moeder, zegt God in het vierde gebod:
Honora patrem tuum et matrem tuam. Hoe komen dit
gebod na de kinderen, die hunne ouders minachten en
spijtig aanspreken? die hen tegenspreken en bedroeven?
die hunnen ouders ongehoorzaam zijn en tegen hen opstaan?
die hen mishandelen of verlaten? Gij zult geen overspel
noch onkuischheid doen, zegt God: Non mcechaberis. Hoe
komen dit gebod na degenen, die den gansenen dag
(i) Ex. xx, 7. etc.
-ocr page 66-
- 62
zedenkwetsende taal voeren ? wier leven als het ware een
aaneenschakeling is van zonden van overspel en onkuisch-
heid, met zich zelven of anderen? Gij zult niet stelen,
zegt God: Non furtum facies. Hoe onderhouden dit
gebod van God degenen, die hunne handen leggen op
eens anders geld of goed? die, als zij zich maar verrijken,
niet zien of het rechtvaardig of onrechtvaardig geschiedt?
die schulden genoeg maken, maar die zich weinig of niet
bekreunen om hunne schulden te betalen? B. B., hoe
onderhouden wij de geboden onzer Moeder de H. Kerk ?
De geboden Heiligendagen zult gij vieren en dan ook Mis-
hooren met goede manieren. Ha! Heeft het nog beteekenis
dit gebod, voor hen, die op de zon- en geboden feestdagen
de H. Mis verzuimen, die door hun eigene schuld dikwijls
merkelijk te laat komen, die in plaats van met goede
manieren, d. i.. met eerbiedigheid en aandachtigheid, Mis
te hooren, tijdens de H. Mis staan rond te zien en te
gapen, staan te lachen en te praten ? Geen geboden
vastendagen zult gij breken. Heeft het nog beteekenis
dit gebod der H. Kerk voor hen, die geen onderscheid
meer maken tusschen vleesch- en onthoudingsdagen, tus-
schen vleesch- en magere spijzen, en die, wat dit gebod
betreft, zich gedragen juist gelijk hunne huisdieren? Hoe
onderhouden de geboden der H. Kerk degenen, die in
plaats van de bevelen te volbrengen, naar de vermanin-
gen en raadgevingen van Paus, Bisschoppen en Priesters
te luisteren, die bevelen overtreden, die vermaningen tegen-
werken en die raadgevingen in den wind te slaan ? O, B. B.,
denken wij er eens goed over na. Wij zijn verplicht
te gehoorzamen. Of welke reden hebben wij om niet
te gehoorzamen, om de geboden niet te onderhouden?
Omdat de een of andere moeielijkheid zich opdoet? De
geboden zijn een juk, \'t is waar; doch dat juk is zoet.
-ocr page 67-
- 6i
Jugutn nteutn suave est, zegt Jezus: mijn juk is zoet. De
geboden zijn een last; maar die last is licht. Et anus
nteutn leve.
Doch veronderstelt dat zich van tijd tot
tijd ook al eene moeielijkheid opdoet, toch moeten wij
de geboden onderhouden. Jezus en Maria onderhouden
niettegenstaande de moeielij kneden de wet van Mozes,
alhoewel zij er niet toe verplicht zijn; wij moeten de
geboden onderhouden niettegenstaande de moeielijkheden,
wijl wij er toe verplicht zijn. Onderhouden wij nu altoos
de geboden van God en de H. Kerk ? Neen, B. B., maar
al te dikwijls overtreden wij ze. Waarom? Omdat wij
behept zijn met den geest der wederspannigheid; omdat
wij ongehoorzaam zijn. Bijgevolg, B. B., onderhouden
wij stipt de geboden van God en de H. Kerk, wij zijn
er toe verplicht. Ja, volgen wij Jezus en Maria na in de
gehoorzaamheid, waarvan zij ons het voorbeeld gegeven
hebben.
III.
Jezus en Maria geven ons een voorbeeld van liefde,
en wel van de vurigste liefde tot God en de menschen.
Een gewoon kind, B. B., dat naar den tempel gedragen
en den priester aangeboden wordt, weet niet eens wat
er plaats heeft. Jezus, naar het uitwendige te oordeelen,
is maar een gewoon kind; doch dat kind, zonder het
te laten blijken, heeft reeds zijn vol verstand; en terwijl
Maria haar goddelijken Zoon den Heere opoffert, offert
Jezus zich ook op door de handen zijner Moeder aan
God zijn hemelschen Vader. Bij zijn intrede in de
wereld had Jezus zijnen Vader reeds gezegd: O Vader!
de offeranden der wet hebben opgehouden U te behagen.
Gij hebt het bloed der offerdieren niet meer gewild. Ik
kom mij aan U opdragen, o Vader! om die te vervangen.
-ocr page 68-
- 64 -
Doch die offerande was in het geheim geschied, in \'t
binnenste van Jezus\' hart; thans wordt zij openlijk, op
eene plechtige wijze opgedragen, in de tegenwoordigheid
van zijne ouders, van Maria en Jozeph, van den grijzen
Simeon en de profetes Anna, die het geluk hebben er
getuigen van te zijn. Jezus offert zich daar op uit liefde
tot God en de menschen. Hij offert zich op uit liefde
tot God, om de eer van zijn hemelschen Vader, door
de menschen geschonden, te herstellen; uit liefde tot de
menschen, om hen uit de slavernij des duivels en van
den eeuwigen dood te verlosssen. Tot dat dubbel einde
zal Jezus later op den Calvarieberg aan \'t kruis zijn god-
delijk bloed tot den laatsten druppel vergieten. Doch
dat oogenblik bleef voor het van liefde brandend hart
van Jezus te lang uit; thans in den tempel te Jeruzalem,
offert Hij zich reeds op. Vader! zegt Jezus als \'t ware,
terwijl Hij door den priester God wordt aangeboden;
Vader! hier ben Ik. Ik offer U op al wat Ik ben en
al wat Ik bezit. Ik offer U op mijne ziel en mijn lichaam:
mijne ziel, die van smaad en hoon verzadigd, die bedroefd
zal worden tot den dood toe. Ik offer U op mijn lichaam,
dat verscheurd zal worden met geeselroeden ; mijn hoofd,
dat gekroond zal worden met doornen; mijne handen
en voeten, die vastgenageld zullen worden aan het kruis;
mijn hart, dat doorboord zal worden met eene lans. O
Vader! Ik offer mij aan U op met al wat Ik ben, met
al wat Ik bezit, om U, Vader! te verheerlijken en om
de menschen te verlossen en zalig te maken. Welk eene
liefde als die van Jezus tot God en de menschen! Mogen
wij niet zeggen van het Kindje Jezus bij zijn opdracht
in den tempel: Hij heeft God zijn hemelschen Vaderen
ons menschen bemind, en Hij heeft zich tot glorie van
God en tot zaligheid der menschen opgeofferd?
-ocr page 69-
- 65 -
Bij dat offer van Jezus, B. B., voegt Maria haar offer,
en met dezelfde gevoelens als die van Jezus en tot het-
zelfde einde. Ja, Maria offert haren Zoon, haren schat
en haar al, aan God den hemelschen Vader op. Zij
offert Hem op uit liefde tot God en de menschen. Zij
offert Hem op, om God te verheerlijken en de menschen
te verlossen en zalig te maken. O hemelsche Vader!
zegt Maria als \'t ware, terwijl zij het Kindje Jezus op de
armen houdt: O hemelsche Vader! dit kind is uw Zoon,
maar het is ook mijn Zoon. Die Zoon is het kostbaarste
en dierbaarste, dat ik bezit. Nochtans, wijl Gij wilt, dat
die Zoon eenmaal geslachtofferd worde aan het kruis,
bied ik Hem U thans reeds aan, thans offer ik Hem U
reeds op. Ik neem de verplichting op mij, Jezus, uw en
mijn Zoon op te voeden en Hem voor te bereiden voor
het tijdstip, waarop Hij zich aan U zal opofferen tot
glorie van God en tot zaligheid der menschen. Welk
eene liefde, B. B., als die van Maria tot God en de
menschen! Mogen wij hier van Maria ook niet zeggen:
Zij heeft God en de menschen bemind, en zij heeft haar
goddelijken Zoon opgeofferd tot glorie van God en tot
zaligheid der menschen?
Jezus en Maria hebben ons dus een voorbeeld gegeven
van liefde, en wel van de vurigste liefde tot God en de
menschen. Volgen wij het voorbeeld van Jezus en Maria
na? Zoo wij God beminnen, B. B., moeten wij, Jezus
zelf heeft het verklaard, de geboden onderhouden. Qui
habet mandata mea et servat ea, Me est qui diligit me:
(l)
Die mijne geboden heeft en ze bewaart, die is het, die
mij lief heeft. Zoo wij onzen evennaaste beminnen,
moeten wij hem nooit kwaad doen, maar hem het goed
(i) Toan. xiv, 21.
h.
-ocr page 70-
- 66 -
bewijzen of althans zoeken te bewijzen, dat wij ons
zelven wenschen. Hebben wij ijver voor de glorie van
God, dan moeten wij ons best doen en werken, dat God
door ons en alle menschen gekend, gediend en geëerd
worde. Hebben wij ijver voor de zaligheid der zielen,
dan moeten wij, eenieder volgens zijnen staat en zijn
vermogen, ons best doen en werken, niet alleen om onzen
evennaaste van het kwaad, van de zonde, terug te houden
of terug te brengen, maar ook om hem tot het goede,
tot de deugd aan te zetten, wijl de mensch door het
goede te doen of de deugd te oefenen, en het kwaad te
schuwen of de zonde te vluchten, zijne zaligheid moet
bewerken. Beminnen wij dus God en onzen evennaaste;
ijveren wij voor de glorie van God en de zaligheid der
zielen; ja volgen wij Jezus en Maria na in de liefde en
den ijver, waarvan zij ons het voorbeeld gegeven hebben.
SLUITREDE.
Wij hebben overwogen, B. B., het voorwerp van het
feest van Onze Lieve Vrouw Lichtmis, namelijk, de zui-
vering van Maria en de opdracht van het Kindje Jezus
in den tempel. Jezus en Maria hebben ons een voorbeeld
gegeven van ootmoedigheid, gehoorzaamheid en liefde
tot God en de menschen. Volgen wij dat voorbeeld na;
en bijgevolg, zijn wij vooreerst ootmoedig. De deugd
van ootmoedigheid is de oorsprong van alle goed, daar
integendeel de hoovaardigheid de oorsprong is van alle
kwaad: Initium omnis peccati est superbia. (i) Daaren-
boven, zoo wij niet ootmoedig zijn, kunnen wij nooit
in den hemel komen. Zulks blijkt duidelijk uit hetgeen
Jezus zekeren dag tot zijne Apostelen zeide. Voorwaar,
(i) Eccl. x, 5.
-ocr page 71-
.- 67 -
ik zeg het u, zoo sprak Jezus tot zijne Apostelen, indien
gij u niet bekeert en wordt als kinderen: Nisi conversi
fueritis et efficiamini sicut parvuli,
gij zult het rijk der
hemelen niet ingaan, non intrabitis in regnutn caelorum (i)
Vervolgens, zijn wij gehoorzaam, en daarom onderhouden
wij goed de geboden van God en de H. Kerk. \'t Is
reeds noodig om zoo gelukkig mogelijk te zijn hier op
aarde; want zij die de wet Gods onderhouden, zullen
veel vrede hebben: Pax multa diligentibus legcm tnani
Domine. (2)
\'t Is vooral noodig om eenmaal zalig te worden ;
want zoo wij tot het leven, d. i., tot den hemel, willen
ingaan, moeten wij, Jezus zegt het uitdrukkelijk, de ge-
boden onderhouden: Si vis ad vitam ingredi, serva
mandata.
(3) Eindelijk, beminnen wij den goeden God
bovenal, uit geheel ons hart, uit geheel onze ziel en uit
al onze krachten; \'t is het grootste en eerste gebod, zegt
Jezus: Hoc est maximum et primum mandatum. (4) Be-
minnen wij onzen evennaaste gelijk ons zei ven, om God ;
\'t is het tweede gebod aan het eerste gelijk: Secundum
autem simile est hnic.
En aan die twee geboden hangt
de gansche wet en de Profeten: In kis duobus mandatis
universa lex pendct et Proplictce.
Werken wij ook een-
ieder volgens zijnen staat en zijn vermogen, voor de
glorie van God en de zaligheid der zielen; en daarom,
denkt van daag goed na, en prent diep in uw geheugen,
dat Jezus op den dag zijner opdracht, en dat Maria op
den dag harer zuivering er ons het treffendste voorbeeld
van gegeven hebben, dat wij moeten navolgen. Amen.
(1) Matth. xvili, 3. (2) Ps. cxvni, 165. (3) Matth. xix, 17.
(4.) Matth. xxii, 38.
-ocr page 72-
Vijfde Preek.
De H. Jozeph
yosefth autem vir ejns, eum ess$t jusius.
Jozeph, de bruidegom van Maria, was een
rechtvaardige.
                        (Matth. I, 19).
INHOUD.
VOORREDE.
Het feest van den H. Jozeph is een van de schoonste
feesten der Heiligen. — De H. Jozeph is sedert eenigen
tijd de bijzondere patroon der katholieke wereld, reeds
overlang die van België. — Wij moeten den H. Jozeph
eeren om hem te bedanken voor de ontvangen weldaden,
om nieuwe weldaden te bekomen en wijl hij een toon-
beeld is van allerlei deugden. — Evangelie van den dag —
Jozeph beschouwd:
VERDEELING.
I. Als Rechtvaardige;
II. Als Bruidegom van Maria ;
III. Als Voedstervader van Jezus.
I.
De H. Jozeph is een Rechtvaardige, d. i., een braaf,
deugdzaam man. — Hij heeft uitgeschenen bijzonder in
-ocr page 73-
- 69 -
de deugden van ootmoedigheid, gehoorzaamheid, zuiver-
heid en liefde tot God en de menschen.
II.
De H. Jozeph is de Bruidegom van Maria. — Bruide-
gom, dus komt de H. Jozeph in heiligheid en volmaakt-
heid het naast bij Maria; hij maakt maar één hart, ééne
ziel uit met Maria. — Hij is het hoofd, de meester van
Maria. — Bruidegom van Maria, dus van het volmaaktste
der schepselen, van de vlekkelooze Maagd, van de Koningin
van hemel en aarde, van Engelen en menschen, van de
Dochter van God den Vader, van de Moeder van God
den Zoon en van de Bruid van God den H. Geest.
III.
De H. Jozeph is de Voedstervader van Jezus — Jezus
is de zoon van een timmerman. Van welken timmerman ?
Van God den Vader, die hemel en aarde geschapen
heeft. — Woorden van den H. Petrus Chrysologus. —
Jezus geeft den naam van Vader aan den R. Jozeph,
Hij eert en bemint Jozeph, Hij gehoorzaamt aan Jozeph
en werkt met hem. — Jozeph eert en bemint Jezus
bovenal; hij redt Jezus het leven en werkt voor Hem. —
Zalige dood van den H. Jozeph, bijgestaan door Jezus
en Maria.
SLUITREDE.
Jozeph, patroon van den zaligen dood. — Om eenmaal
een zaligen dood te sterven moeten wij den H. Jozeph
navolgen in zijne deugden, onze toevlucht tot hem nemen,
hem bidden tijdens ons leven en vooral in het uur van
onzen dood.
-ocr page 74-
- ;o —
Vijfde Preek.
De H. Jozeph.
Josefih autem vir cjus, cum esset justus.
Jozeph, de bruidegom van Maria, was een
rechtvaardige.
                      (Matth. I, 29.)
VOORREDE.
Het feest van heden, B. B., is een der schoonste feesten
na die van onzen Heer Jezus-Christus en de allerhei-
ligste Maagd Maria, welke onze Moeder de H. Kerk
viert ter eere van hare Heiligen; \'t is het feest van den
H. Jozeph.
Nog niet lang geleden, heeft het Opperhoofd der
H. Kerk, de Paus van Rome, den H. Jozeph aangesteld
tot bij zonderen patroon of beschermer van gansch de
katholieke wereld; doch het katholieke België mag het
zich tot eer rekenen, reeds voor tal van jaren den H. Jozeph
tot bijzonderen patroon verkozen te hebben. Waarschijn-
lijk ook heeft België niet weinig aan de bescherming
van den H. Jozeph te danken, dat het van zoovele ram-
pen verlost is, dat het thans nog van zoovele rampen
bevrijd blijft, waardoor andere landen getroffen zijn
geweest en tot op den dag van heden getroffen worden.
Voorzeker voor die weldaad moeten wij den H. Jozeph
reeds bedanken, door hem op eene bijzondere wijze te
eeren. Vervolgens moeten wij den H. Jozeph eeren, om
door zijne voorspraak nieuwe weldaden van God te
bekomen; want, wijl de H. Jozeph zoo goed en zoo
machtig is, daaruit volgt, dat hij ons wil en kan helpen
-ocr page 75-
71 -
en bijstaan, dat hij ons van God de genaden wil en
kan bekomen, die wij in het werk onzer zaligmaking
noodig hebben. Eindelijk moeten wij den H. Jozeph
eeren, omdat hij een toonbeeld is van deugden voor alle
menschen, van allen leeftijd, vóór jongen en ouden; van
alle staten en standen, voor gehuwden en ongehuwden,
voor rijken en armen, want de H. Jozeph geeft ons voor- _—
beelden van alle deugden. Vandaar ook dat de H. Jozeph
in het Evangelie een rechtvaardige genoemd wordt. „Toen
„Maria, de Moeder van Jezus, — zoo verhaalt ons de
„Evangelist Mattheus, — ondertrouwd was aan Tozeph,
„werd zij, vóór hun samenkomen, bevonden bevrucht te
„zijn uit den Heiligen Geest. Jozeph nu, haar man, daar
„hij een rechtvaardige was, en toch niet wilde haar in
„opspraak brengen, was van zin in \'t geheim van haar te
„scheiden. Doch terwijl hij dit dacht te doen, zie, zoo
„verscheen hem in den droom een Engel des Heeren,
„en zeide: Jozeph, zoon van David, schroom niet Maria,
„uwe vrouw, tot u te nemen, want wat in haar geboren
„is, is van den Heiligen Geest. En zij zal eenen zoon
„baren, en gij zult zijn naam heeten Jezus; want Hij
„zal zijn volk verlossen van hunne zonden."
Uit deze woorden van het Evangelie zien wij dat de
H. Jozeph een Rechtvaardige is, dat hij is de Bruidegom
van Maria; tevens weten wij dat hij is de Voedstervader
van Jezus.
Ter gelegenheid van het schoon feest, dat wij van-
daag ter eere van den H. Jozeph vieren, zullen wij hem
eenige oogenblikken beschouwen:
I. Als Rechtvaardige;
II. Als Bruidegom van Maria;
III. Als Voedstervader van Jezus.
-ocr page 76-
— 72 —
I.
De Evangelist Mattheus noemt den H. Jozeph een Recht-
vaardige : Justus. Doch wat beteekent hier het woord
Rechtvaardige f Beteekent het enkel, dat de H. Jozeph
het zevende gebod van God goed onderhield, dat hij
geen onrechtvaardigheid pleegde, zijn evenmensch geen
schade deed? Neen B. B., \'t is niet in dien engen zin,
dat het woord rechtvaardige hier gebezigd wordt, \'t
wordt hier gebezigd in een veel uitgebreider zin. De
H. Jozeph is een Rechtvaardige, d. w. z., een braaf, vroom,
deugzaam man. De H. Hieronymus, een der voor-
naamste schriftverklaarders, vraagt: Waarom wordt de
H. Jozeph een Rechtvaardige genoemd ? En hij antwoordt:
Hij wordt een Rechtvaardige genoemd, niet omdat hij
deze of gene deugd, of een groot getal deugden, maar
omdat hij alle deugden bezit, en zulks in een buitenge-
wonen graad van volmaaktheid. Iemand een Rechtvaar-
dige noemen, zegt de H. J. Chrysostomus, is de grootste
lof, dien men hem geven kan. Het woord Rechtvaardige
behelst dus hier alle deugden, \'t is de inhoud van een
volmaakt christelijk leven. De H. Bernardus, over de
deugden van den H. Jozeph sprekende treedt in eenige
bijzonderheden: hij noemt onder anderen op zijn oot-
moedigheid, gehoorzaamheid, zuiverheid en zijne liefde
tot God en de menschen. En te recht, want in die
deugden heeft de H. Jozeph bijzonder uitgeschenen.
De H. Jozeph heeft uitgeschenen in de ootmoedigheid.
Jozeph was van koninklijken bloede, een afstammeling
van een der beroemdste koningen van Juda. Jozeph was
uitverkoren tot Bruidegom van Maria, tot Voedstervader
van Jezus, gelijk wij later zullen zien. En ziet i niet-
tegenstaande die hooge afkomst, die groote waardigheid,
-ocr page 77-
— 73 —
is Jozeph de ootmoedigste mensch op aarde; hij leidt
een verborgen leven te Nazareth; hij werkt daar om in
\'t zweet zijns aanschijns zijn brood te verdienen; hij
verbergt zorgvuldig zijne voorrechten; hij spreekt niet
van de groote geheimen, die staan voltrokken te worden;
hij onderzoekt ze niet eens uit nieuwsgierigheid, maar
hij laat aan God over, ze kenbaar te maken ; de H. Jozeph
voor zich is er alleen op uit om aan de inzichten der
goddelijke Voorzienigheid te beantwoorden.
Om de ootmoedigheid van den H. Jozeph nog meer
te doen uitschijnen, overwegen wij een oogenblik, wat
het Evangelie zegt. Jozeph, bevindende dat Maria moe-
der geworden was, wilde haar heimelijk wegzenden.
Waarom, vraagt de H. Bernardus, wilde Jozeph Maria
wegzenden? En hij antwoordt naar het gevoelen van
nog andere H. Vaders: Hij wilde haar wegzenden om
dezelfde reden, om welke de H. Petrus tot onzen god-
delijken Zaligmaker zeide: Ga van mij weg Heer! want
ik ben een zondig mensch! Ext a me, qnia homo pecca-
tor snm, Domine!
(i) Om dezelfde reden, om welke
de Hoofdman Jezus toesprekende zeide: Heer, ik ben
niet waardig dat Gij binnenkomt onder mijn dak: Domine,
non stim dignus ut intres sub tcctum meum.
(2) De H.
Jozeph, die zich ook voor een zondig mensch aanzag,
dacht bij zich zelven, dat hij geenszins verdiende met
eene zoo verhevene persoon als Maria te wonen. Hij
stond verbaasd over de waardigheid zijner bruid. Be-
merkende dat Maria de Moeder van God geworden
was, en het wonderbare geheim niet kunnende begrijpen,
wilde hij haar van zich verwijderen. Petrus staat ver-
baasd over de almacht Gods, de Hoofdman over diens
(1) Luc. v, 8. (2) Matth. vin, 3.
-ocr page 78-
— 74
majesteit, de H. Jozeph, over het wonderbare geheim
in Maria gewrocht. O, B. B., verwondert u niet te zeer,
dat de H. Jozeph zich onwaardig oordeelt met Maria te
wonen, als gij hoort, dat Elisabeth, Maria\'s nicht, hare
tegenwoordigheid schier niet verdragen kan. Immers,
van een eerbiedige vrees doordrongen riep Elisabeth uit:
Van waar gescJdedt mij dit, dat de Moeder mijns Heeren
tot mij komt! Unde hoc miki, ut Mater Domini mei
veniat ad me!
(i) \'t Was dus uit ootmoedigheid, gelijk
gij ziet, dat Jozeph Maria wilde wegzenden; hij oordeelde
zich onwaardig met Maria te wonen.
De H. Jozeph heeft uitgeschenen in de gehoorzaamheid.
God de hemelsche Vader, B. B., wilde zich vaïT Jozeph
bedienen om zijn eenigen Zoon aan het moordstaal van
Herodes te ontrukken. Zoodra die wreede dwingeland
besloten had de kleine kinderen van Bethlecm en om-
streken om het leven te brengen, ten einde het goddelijk
Kind te treffen, ziet! daar verschijnt den H. Jozeph een
Engel uit den hemel, die hem gebiedt op te staan, het
Kind te nemen en te vluchten. Jozeph gehoorzaamt
terstond, zonder een enkele opmerking te maken. Hij
zegt, bijv. niet tot den Engel: Maar hoe is dat moge-
lijk? Niet lang geleden zeidet gij mij, dat het Kind
gekomen is om zijn volk te verlossen; en nu, nu moet
het reeds de vlucht nemen om zich zelf te redden. Neen,
B. B., maar Jozeph gehoorzaamt terstond; en zonder
tegen de moeielijkheden eener lange reis, met een klein
Kind en eene jonge Moeder aan te zien, begeeft hij zich
terstond op reis.
De H. Jozeph heeft uitgeschenen in de zuiverheid.
Volgens de bewering van den H. Hieronymus heeft de
(i) Luc. I, 43.
-ocr page 79-
— 75 —
H. Jozeph altoos in den maagdelijken staat geleefd, vóór
en na zijne vereeniging met Maria, de allerzuiverste der
Maagden. God, B. B., had eene vereeniging tusschen
Maria en Jozeph bewerkt, die gansch overeenkwam met
zijne geheime inzichten. Maria, na door eene bovenna-
tuurlijke werking van God den H. Geest Moeder van
onzen goddelijken Zaligmaker geworden te zijn, had daar-
door niet te vreezen, door menschen, die het geheim der
Menschwording niet kenden, aangerand te worden. Daar-
enboven, Maria vond in den H. Jozeph nog hulp en steun
voor haar zelve en haar goddelijken Zoon, een getrouwen
gezel op hare reizen en een trooster in hare droefheid en
smart. Hoe groot, ik vraag het u, moest dus de zuiver-
heid niet zijn van hem, dien de hemel verkozen had om
de bewaarder te wezen van Maria, de Moeder van Jezus,
van de zuiverste, de onbevlektste der Maagden?
Of de H. Jozeph ook uitgeschenen heeft in de liefde
tot God, onnoodig die vraag te stellen. Terwijl Jozeph
Jezus aanschouwt, erkent hij in dat beminnelijk Kind niet
alleen den Zoon zijner bruid, maar tevens den Zoon van
den hemelschen Vader. Telkens als hij Jezus ziet, wordt
hij vervoerd ; hij is van verrukking als buiten zich zelven ;
zijn gelaat schittert van vreugde en zijn hart klopt van
aandoening, het brandt van liefde. Zeer zeker, Jozeph
bemint het goddelijk Kind bovenal, uit geheel zijn hart,
uit geheel zijne ziel, uit geheel zijn verstand en uit al
zijne krachten. En zijne liefde tot God gaat gepaard
met de liefde tot den evennaaste, want in alles wat hij
voor en met Jezus en Maria doet, werkt hij mede aan
de verlossing en zaligmaking der menschen.
Aangezien de H. Jozeph de Rechtvaardige, d. i., de
brave, de deugdzame bij uitstek is, is het dan te verwon-
deren, dat, gelijk de H. Leonardus a Porto Mauritio zegt,
-ocr page 80-
_ 76 -
de Evangelisten niet schijnen te weten hoe hem genoeg
te eeren? Immers wanneer zij van de heilige Familie,
van Jezus, Maria en Jozeph spreken, stellen zij nu eens
dezen dan wederom genen in het midden. Bij den
Evangelist Mattheus lezen wij: Jozeph, sta op en neem
het kind en zijne moeder en vlucht naar Egypte: Surge
et accipe puerum et matrem ejns et fuge in Egyptum.
(i)
Ziedaar Jezus tusschen Jozeph en Maria. Bij denzelfden
Evangelist lezen wij ook/ Als zijne Moeder Maria onder-
trouwd was aan Jozeph: Cum esset desponsata Mater
efus Maria Joseph.
(2) Hier staat Maria tusschen Jezus
en Jozeph. En bij den Evangelist Lucas lezen wij: Zij
vonden Maria en Jozeph en het Kindje, liggende in eene
kribbe: Invenerunt Mariam et JosepJi et infantem positum
in prasepio.
(3) Ziedaar Jozeph tusschen Jezus en Maria.
Daaruit alleen kan men reeds besluiten de waardigheid
van den H. Jozeph, wijl Jezus en Maria den H. Jozeph
als \'t ware met zich gelijk laten stellen.
II.
De waardigheid van den H. Jozeph als Rechtvaardige
is groot, zoo groot zelfs, dat ons de woorden ontbreken
om die naar waarde te schetsen. Doch bijaldien ons
daartoe reeds de woorden ontbreken, hoeveel te meer
zullen ons die dan ontbreken, om te schetsen zijne waar-
digheid als Bruidegom van Maria? Jacob teelde Jozeph,
den man van Maria, zegt de Evangelist Mattheus: Jacob
gemiit Joseph virum Mariae.
(4) Jozeph, de man of de
Bruidegom van Maria! leggen wij die twee woorden een
weinig uit.
Jozeph is de Bruidegom van Maria: Virum. In die
(1) Matth. II, 13 (2) Matth. I, 18 (3) Luc. II, 16 (4) Matth. I, 16.
-ocr page 81-
- ff -
hoedanigheid moet Jozeph, zegt de H. Leonardus a Porto
Mauritio, Maria ook het naast bij komen in heiligheid
en volmaaktheid; hij moet met Maria als het ware maar
cén hart, ééne ziel uitmaken. Jozeph is de Bruidegom
van Maria. Hij is dus het hoofd van de allerheiligste
Maagd Maria, want de man zegt de H. Schrift, is het
hoofd der vrouw. Jozeph is de Bruidegom van Maria.
Hij is dus de meester van de doorluchtige Meesteresse,
die het gebod van het boek der schepping volkomen
kende, waarin geschreven staat, dat de vrouw onder de
macht van den man staat. Ziedaar wat het woord Brui-
degom behelst. Jozeph is de Bruidegom van Maria :_Mazi0e > /
Hij is dus de Bruidegom van het volmaaktste schepsel,
van de vlekkelooze Maagd, van welke God in het boek
der schepping spreekt, als Hij zegt: Ik zal vijandschap
stellen tusschen u — den duivel — en de vrouw — de
allerheiligste Maagd Maria, — zij zal u den kop verplet-
teren. Jozeph is de Bruidegom van Maria: Mariae. Hij
is dus de Bruidegom van de Koningin van hemel en
aarde, van Engelen en menschen, van die verhevene
Koningin, in welke te dienen de Engelen en Aartsen-
gelen, de Cherubijnen en Serafijnen hunne eer stellen.
Jozeph is de Bruidegom van Maria, d. w. z., hij is de
Bruidegom van de Dochter van God den Vader, van de
Moeder van God den Zoon, van de Bruid van God den H.
Geest. O, H. Jozeph! Hoe onbegrijpelijk is uwe groot-
heid I Hoe groot is uwe waardigheid! God de Vader »,\'
vertrouwt u zijne Dochter, God de Zoon, zijne Moeder
en God de H. Geest, zijne Bruid toe. Roem volle Aarts- ,__
vader! ontvang de eerbewijzen, de loftuigingen van hemel
en aarde, wijl gij de Bruidegom, het hoofd, de meester v.
zijt van haar, die God alleen boven zich heeft, d. i., van
de allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria I Doch
-ocr page 82-
- ;« -
y\' dat is niet alles. Jozeph is niet alleen een Rechtvaardige,
de Bruidegom van Maria, hij is ook nog de Voedster-
vader van Jezus, en die waardigheid, B. B., overtreft nog
ver de twee vorige waardigheden, van welke wij zoo
even gesproken hebben.
III.
De Evangelist Mattheus merkt aan, dat de Joden,
wanneer zij met minachting van Jezus wilden spreken,
zeiden: Is deze niet de Zoon van den timmerman:
Nonne /tic est f abri fi Uns? (i) De Zoon van den tim-
merman? Zeker wel. Maar van welken timmerman?
Luistert, zegt de H. Petrus Chrysologus, en ik zal het
u leeren. Jezus is de Zoon van den verheven timmer-
man, die niet met bijtel en hamer, maar met zijn woord,
het almachtig fiat, het worde, hemel en aarde van niet
gemaakt heeft; den hemel met zon, maan en sterren,
die Hij aan het uitspansel ontstoken heeft; de aarde
met zeeën en rivieren, met bergen en dalen, met menschen
en dieren, die haar bewonen. Ziedaar den timmerman,
van wien Jezus de eenige en zelfstandige Zoon is, en
met wien Hij een en dezelfde goddelijke natuur heeft,
namelijk, van God den Vader, den Schepper van hemel
en aarde. Welnu, die Zoon van God den Vader, den
Schepper van hemel en aarde, geeft ook den naam
van Vader aan den H. Jozeph. Vader, zegt het Kind
Jezus tot Jozeph, als het hem aanspreekt. Overigens,
er valt niet aan te twijfelen; de allerheiligste Maagd
Maria verzekert het ons; want toen zij Jezus den derden
dag in den tempel te Jeruzalem terug vond, zeide zij
tot Hem: Pater tuus et ego dolentcs quaerebamus te: (2)
Uw vader en ik zochten u met droefheid. Doch niet
(1) Matth. xm, 55. (ï) J<UC\' n, 48.
-ocr page 83-
- H -
alleen noemt Jezus den H. Jozeph vader, maar hij eert
en bemint hem als zijn vader, Hij gehoorzaamt hem als
aan zijn vader. Jezus was onderdanig aan Maria en
Jozeph: Er at subditus il lis. (i) Welk een schouwspel!
B. B. Doch dringen wij een oogenblik door in het huisje
van Nazareth, en aanschouwen wij daar de H. Familie,
Jezus, Maria en Jozeph. Terwijl de H. Maagd Maria
het huiswerk verricht, bevindt zich Jozeph in het werk-
huis, en het Kind Jezus is bij hem. De Zoon Gods
helpt zijn Voedstervader Jozeph in het hout bewerken,
evenals Hij eertijds zijn hemelschen Vader hielp in het
scheppen van hemel en aarde; want \'t is door zijn Woord
d. i. door den tweeden Persoon van de H. Drievuldigheid,
dat God de Vader hemel en aarde geschapen heeft.
Alles is door zijn Woord geworden, en zonder hetzelve
is er niets geworden, dat geworden is, en het Woord is
vleesch, d. i., mensch geworden: Et Verbtim caro factum
est.
(2) Dat Woord nu, de Zoon Gods, mensch geworden
voor ons, is Jezus van Nazareth. Doch luistert hoe de Zoon
Gods spreekt: Toen mijn hemelsche Vader zich voorbe-
reidde om hemel en aarde te scheppen, was ik er tegenwoor-
dig, en ik regelde alles met hem: Cum eo eram cuncta com-
ponens
(3) Welnu, diezelfde Zoon Gods, Jezus, mij dunkt,
Hij zegt hetzelfde van zijn Voedstervader, den H. Jozeph.
Als mijn vader Jozeph naar het werkhuis ging, ik ging
met hem; als hij er aan het werk was, ik werkte met
hem: Cum eo eram cuncta componens. En terwijl het
Kind Jezus bij Jozeph werkt, ziet Jozeph het goddelijk
Kind, hij vestigt zijne oogen op Jezus, hij weet, hij
beseft, dat dit Kind niet alleen de Zoon zijner bruid,
maar ook de Zoon van God den hemelschen Vader is.
(t) Luc. 11, 51. (2) Joan. 1, 14. (3) Prov. vm, 30.
-ocr page 84-
— 8o -»
Kn terwijl jozeph daarover nadenkt en het goddelijk
Kind hem vader noemt, o, B. B., dan komen Jozeph
de tranen in de oogen, maar \'t zijn tranen van vreugde,
van teederheid en liefde. En bijaldien het goddelijk
Kind zich zoo trouw kwijt van zijne plichten jegens zijn
Voedstervader, den H. Jozeph, zoo het hem eert, be-
mint en in alles gehoorzaamt, de H. Jozeph van zijnen
kant bleef ook niet te kort aan zijne plichten jegens
het Kind Jezus. Hij eert dat Kind, omdat het de Zoon
Gods is; Jozeph weet het. Hij bemint dat Kind, en wijl
het de Zoon Gods is, bemint hij het bovenal, uit geheel
zijn hart, uit geheel zijne ziel, uit geheel zijn verstand en
uit al zijne krachten. Hij draagt zorg voor het Kindje
Jezus van den beginne af. Nauwelijks heeft Jozeph ver-
nomen dat Herodes het Kind naar het leven staat, 01
hij staat op en vlucht naar Egypte om Jezus te redden,
en zoo wordt Jozeph zelf de verlosser van zijnen Ver-
losser, (i) Uit Egypte te Nazareth teruggekeerd, werkt
Jozeph voor het goddelijk Kind; in \'t zweet zijns aanschijns
zal hij den kost voor Jezus verdienen. Na jaren lang voor
en met Jezus gewerkt te hebben, voelde de H. Jozeph
eindelijk het oogenblik naderen om dit tranendal te ver-
laten. Treden wij voor de laatste maal het huisje van
Nazareth binnen, en zien wij wat daar plaats heeft. Ziet,
de H. Jozeph ligt uitgestrekt op een arme, doch zindelijke
legerstede; zoo hij lijdt, hij lijdt bijna niets. Jezus staat aan
de eene, Maria aan de andere zijde; zij zijn door Engelen
omringd. Jozeph slaat zijne oogen nu eens op Jezus, het
goddelijk Kind, dat hem vader noemt; dan wederom op
Maria, zijne dierbare bruid. Hij bedankt hen voor de tee-
dere zorgen, voor de toegenegenheid en liefde, die zij
(i) Salvatoris sui salvator ipse. (Rupertus).
-ocr page 85-
^ h ~
hem bewezen hebben. Jozeph zegt hun zijn laatste vaar-
wel; hij neemt de hand van Jezus, drukt ze aan zijn hart
en zegt, veeleer met het hart dan met de tong: Mijn
Zoon? Mijn teerbeminde Zoon! in uwe handen beveel ik
mijne ziel. Jezus, de Zoon Gods, strekt zijne rechterhand
uit, zegent en omhelst zijn teerbeminden Vader, en Jozeph
scheidt van deze wereld in de omhelzingen van Jezus en
Maria. Vertrek, o heilige ziel ? Vertrek! Eene verheven
plaats wacht u daarboven om uwe verdiensten. Maria
uwe bruid zal in den hemel aan de rechterhand van haar
goddelijken Zoon, gij aan de linkerhand van Jezus geplaatst
worden, die plaats hebt gij verdiend, God is ze u schuldig,
omdat gij de Rechtvaardige bij uitstek, de Bruidegom
van Maria, de Voedstervader van Jezus zijt.
SLUITREDE.
Bij het aanschouwen van den kostbaren dood van den
H. Jozeph begrijpen wij gemakkelijk, waarom hij als
patroon van den zaligen dood vereerd wordt. Ook ver-
langen wij eenmaal zulk een kostbaren, een zaligen dood
te sterven. Dat verlangen is goed, B. B., doch dat ver-
langen alleen is niet genoeg. Om eenmaal een zaligen dood,
den dood der rechtvaardigen te sterven, moeten wij ook als
rechtvaardigen leven, en vandaar dat wij den H. Jozeph
moeten navolgen in de deugden, waarvan hij ons het
voorbeeld gegeven heeft; wij moeten onder anderen oot-
moedig, gehoorzaam en kuisch zijn; naar het voorbeeld
van den H. Jozeph moeten wij vooral Jezus en Maria
beminnen. En om den H. Jozeph in zijne deugden te
kunnen navolgen, moeten wij onze toevlucht tot hem
nemen; God verlangt het. Ook zijn wij zeker te ver-
krijgen al wat wij door de voorspraak van den H. Jozeph
vragen, gelijk het behoort. Talrijke voorbeelden van
6,
-ocr page 86-
- $2 ^
gunsten en genaden, zelfs van wonderen, liggen voor de
hand om te bevestigen hetgeen ik kom te zeggen. Gaan
wij dus met betrouwen tot den H. Jozeph; vragen wij
hem al wat wij noodig hebben naar ziel en lichaam, doch
vragen wij hem vooral de genade om altoos als recht-
vaardigen te leven, ten einde eenmaal een zaligen dood
te sterven. Amen.
-ocr page 87-
Zesde Preek.
De Boodschap aan Maria.
Ecce ancilla Domini, fiat mihi secundum
verbum tuum.
Zie de dienstmaagd des Heeren, mij ge-
schiede naar uw woord.
           (Luc. I, 38.)
INHOUD.
VOORREDE.
Al wie zich verheft, zal vernederd worden, en wie zich
vernedert, zal verheven worden. — Evangelie van den dag.
VERDEELING.
I. Maria heeft zich diep vernederd;
II. Maria is juist daarom hoog verheven geworden.
I.
Maria heeft zich bij de boodschap des Engels diep
vernederd. — De komst van den Messias was nabij. —
God zond zijnen Engel naar Maria, die verloofd was aan
Jozeph. — Toen de Engel aan Maria verscheen was zij
alleen thuis, in het gebed verslonden. — Groet van den
Engel; Maria wordt ontsteld. Waarom? Om den lof,
welken de Engel haar geeft. — Maria denkt na over den
-ocr page 88-
- 84 -
groet des Engels. Denkt zij soms ook dat zij de Moeder
van God zal worden? — Verlegenheid van Maria. De
Engel trekt Maria uit hare verlegenheid: Vrees niet,
Maria, enz. — Maria verstaat den groet des Engels; zij
weet nu dat zij bestemd is, de Moeder van den Messias
te worden. — Moeielijkheid van Maria; die moeielijkheid
door Gabrièl weggenomen: Maria zal Moeder en Maagd
te gelijk zijn. — Antwoord van Maria: Ziehier de dienst-
maagd des Heeren, enz. — Machtig en ootmoedig ant-
woord. — Maria verheft zich niet, zij vernedert zich steeds
meer en meer. — Omdat Maria maagd was, heeft zij
God behaagd; omdat zij ootmoedig was, is zij tot de
waardigheid van Moeder van God verheven.
II.
God heeft Maria bij de boodschap des Engels hoog-
verheven. — De waardigheid van Moeder van God is
onbegrijpelijk. — Vergelijking van eenen koning, die een
zijner hovelingen naar eene jonge dochter uit den burger-
stand zendt, om haar te vragen of zij de moeder van
zijnen zoon wil worden: die vergelijking toegepast op
God, Gabriël en Maria. — Gabriël vraagt Maria van wege
God of zij toestemt de Moeder van den Zoon Gods te
worden. — Afwachting van Maria\'s antwoord. Gabriël,
hemel en aarde, God zelf wacht op Maria\'s antwoord. —■
Antwoord van Maria: Ziehier de dienstmaagd des Heeren,
enz. — De Menschwording van God den Zoon voltrok-
ken : dubbel fiat. — God kan wel een volmaakter hemel
en aarde scheppen, doch geen volmaakter werk verrichten
dan de Menschwording van Christus; Hij kan wel vol-
maakter schepselen voortbrengen, doch Maria niet hooger
verheffen dan tot de waardigheid van Moeder van God. —
De innigste vereeniging met God bestaat in de Mensch-
-ocr page 89-
- 85
wording van Christus, daarna in de vereeniging van Maria
met God: bijgevolg, geen volmaakter schepsel dan Maria.
— Maria om volmaakter te worden zou God moeten
worden. — Waarom is Maria de Moeder van God? —
In het goddelijk moederschap van Maria ligt de grond
van hare heiligheid en volmaaktheid naar ziel en lichaam,
van hare grootheid en verhevenheid, van hare eeretitels
en haar vermogen bij God.
SLUITREDE.
Wij moeten ons vernederen naar het voorbeeld van
Maria. — Wij moeten weten wie en wat wij zijn, wat wij
van ons zelven hebben. — Wij moeten ootmoedig zijn
in onze gedachten, woorden, werken en onzen omgang
met anderen. — Zoo wij ootmoedig zijn, zullen wij ver-
heven worden. — Wij hebben Gods genade noodig om
in den hemel te komen; die genade geeft God slechts
aan de ootmoedigen. — Gebed tot Maria om die genade
te bekomen.
-- £-«f—
Zesde Preek.
De Boodschap aan Maria.
Ecce ancilla Domini, fiat mikt secundum
1
                                  verbum tuum.
Zie de dienstmaagd des Heeren, mij
geschiede naar uw woord. (Luc. I, 38.)
VOORREDE.
Zekeren dag, B. B., sprak onze goddelijke Zaligmaker
tot de scharen en zijne leerlingen de volgende woorden:
-ocr page 90-
— 86 —
Al wie zich verheft, zal vernederd worden, en wie zich
vernedert, zal verheven worden. Hoe waar deze woorden
van Jezus zijn, leert ons het feest der Boodschap aan
Maria, dat wij heden vieren. Doch alvorens over die
waarheid uit te weiden, zien wij eerst de geschiedenis
van de Boodschap des Engels aan Maria. De Evangelist
Lucas verhaalt ze ons op de volgende wijze: „De Engel
„Gabriel — zegt Lucas — werd door God gezonden naar
„eene stad van Galilea, met name Nazareth, tot eene
„maagd, die ondertrouwd was aan een man, met name
,Jozeph, uit het huis van David; en de naam der maagd
„was Maria. En de Engel kwam tot haar binnen, en
„zeide: Wees gegroet, gij vol van genade! de Heer is met
„u; gij zijt de gezegendste der vrouwen ! Zij hem gehoord
„hebbende, ontstelde op zijne rede, en peinsde, wat voor
„eene begroeting deze mocht zijn. En de Engel zeide tot
„haar: Vrees niet, Maria! want gij hebt genade gevonden
„bij God: zie, gij zult in uwen schoot ontvangen en
„een zoon baren, en zijn naam zult gij Jezus heeten.
„Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten ge-
„noemd worden; en de Heer God zal Hem den troon
„geven van David, zijnen vader; en Hij zal heerschen
„over Jacobs huis in eeuwigheid, en zijn koninkrijk zal
„geen einde hebben. En Maria zeide tot den Engel:
„Hoe zal dit geschieden, dewijl ik geenen man bekenne ?
„En de Engel antwoordde en zeide tot haar: De Heilige
„Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoog-
„sten zal u overschaduwen; en daarom ook zal het Heilige
„dat uit u zal geboren worden, Gods Zoon genoemd
„worden. En zie, Elisabeth, uwe bloedverwante, ook zij
„heeft een zoon ontvangen in haren ouderdom, en deze
„maand is voor haar, die onvruchtbaar heet, de zesde;
„want geen ding zal bij God onmogelijk zijn! En Maria
-ocr page 91-
_ 8; -
„zeide: Ziehier de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede
„naar uw woord! Ecce ancilla Doinini, fiat mihi secundum
„verbum tuumt"
(i) En op dat oogenblik werd het geheim
der Menschwording van Christus in Maria voltrokken. Uit
deze geschiedenis blijkt, B. B., hoe diep Maria zich bij
de boodschap des Engels vernederd heeft, en hoe hoog
zij juist daarom verheven is geworden. Overwegen wij
van daag ter gelegenheid van haar feest die waarheid.
Ik zeg dus:
I. Maria heeft zich bij de boodschap des Engels
diep vernederd;
II. Maria is juist daarom hoog verheven geworden.
Breiden wij die twee punten een weinig uit.
I.
En wel vooreerst: Maria heeft zich bij de boodschap
des Engels diep, ja zoo diep mogelijk vernederd.
De tijd, waarop de Messias zou komen, door de Pro-
feten voorzegd, was eindelijk aangebroken; de schepter
was Juda ontnomen en in vreemde handen, in die van
Herodes, overgegaan; het heelal, hemel en aarde, ver-
keerde in spanning en wachtte met ongeduld den beloofden
Messias af. Toen zond God zijnen Engel naar Nazareth
tot eene maagd, die verloofd was aan eenen man, met
name Jozeph, en die maagd heette Maria.
Nazareth was een stadje van Galilea, B. B., en schier
onbekend; \'t werd zelfs miskend, want men sprak er met
minachting van Kan er van Nazareth iets goeds zijn?
was men gewoon te zeggen: A Nazareth potest aliquid
boni esse?
(2) Maria woonde daar in een eenvoudig huisje
(1) Luc. 1, 38. (2) Joan. 1, 46,
-ocr page 92-
_ 88 —
met haren bruidegom, Jozeph, een timmerman van beroep,
ootmoedig, nederig evenals zij. Beiden leiden daar een
arm en aan de wereld onbekend leven; doch hoe arm
en onbekend ook aan de wereld, zij waren toch rijk en
bekend aan God.
Toen de Engel Gabriël aan Maria verscheen, was zij
alleen t\'huis. Jozeph, haar bruidegom, was op datoogen-
blik afwezig; hij bevond zich in zijn werkhuis, dat op
kleinen afstand — ongeveer veertig schreden — van het
woonhuisje gelegen was. Het woonhuisje bestond uit twee
vertrekken, eene voorwoning, uit steenen gebouwd, en
eene kamer, in de rots uitgehouwen, de gewone bidplaats
van Maria. Wellicht was Maria op het oogenblik van
de verschijning des Engels verslonden in gedachten over
hetgeen er stond te gebeuren; want bekend met de H.
Schrift, wist zij beter dan iemand dat de komst van den
Messias nabij was. Geen wonder, zoo zij met de H. Aarts-
vaders verzuchtte: Rorate cccli dcsuper et nubes pluant
Justum ;
o, hemelen dauwt van uit den hooge, en da*
de wolken den Rechtvaardige regenen: aperiatur terra
et germinet Salvatorem:
(i) de aarde opene zich, en dat
zij den Verlosser voortbrenge.
De Engel Gabriël, bij Maria binnentredende, groet haar
minzaam: Ave! gratia plena, Dommus tecum, benedicta
tu in mulieribus:
(2) Wees gegroet! gij vol van genade,
de Heer is met u, gij zijt de gezegendste der vrouwen.
Op het hooren dier woorden word Maria ontsteld, zegt
het Evangelie: Turbata est. En waarom wordt zij ont-
steld ? Omdat een Engel haar bezocht ? Neen, B. B., want
aan \'t bezoek der Engelen was Maria gewoon. Was Maria
soms bang, door den duivel, die zich wel eens onder de
(1) Isaias xlv, 8. (2) Luc. 1, 28.
-ocr page 93-
- 89 -
gedaante van een Engel des lichts verbergt, bedrogen te
worden ? Ook niet, B. B., Maria wist zeer goed te onder-
scheiden tusschen een Engel des lichts en den Engel
der duisternissen; zij wist dus dat het een goede Engel
was. Waarom wordt Maria dan ontsteld ? Het Evangelie
voegt er de reden bij: Zij wordt ontsteld om de woorden
des Engels: /// sermoneejus. Die woorden zijn lofwoorden,
Gabriël looft en prijst Maria, hij verheft haar boven alle
vrouwen. En Maria ? Zij ziet zich aan voor de geringste der
vrouwen. Getroffen dus door de woorden des Engels,
wordt Maria ontsteld: die ontsteltenis is een uitwerksel
harer diepe ootmoedigheid. O, B. B., zoo de Engel
Maria gezegd hadde, dat zij de geringste der vrouwen
was, Maria zou niet verwonderd zijn geweest; doch nu,
nu hij haar met lof overlaadt, boven alle vrouwen
verheft, nu wordt zij ontsteld, nu schaamt zij zich; want
hoe hooger de Engel Maria verheft, des te dieper ver-
nedert zij zich. Dat deze de reden is van Maria\'s ont-
steltenis, heeft Maria zelve aan de H. Brigitta verklaard.
Ik had een afschrik, zoo sprak zekeren dag de H. Maagd
tot de H. Brigitta, ik had een afschrik van geloofd en
geprezen te worden, en mijn eenig verlangen was, God
mijnen Schepper geloofd en geprezen te zien. Maria
wordt dus ontsteld door de lofspraak des Engels, die
lofspraak oordeelt zij zich gansch onwaardig.
Na den groet van den Engel Gabriël gehoord te hebben,
dacht Maria bij zich na wat die groet wel mocht betee-
kenen: Cogitabat qualis esset ista salutatio. Maria, bekend
met de H. Schrift, gelijk ik reeds gezegd heb, wist wel
dat de Messias een Zoon van David zou zijn, van wien
ook zij afstamde; bijgevolg, dat Hij uit hare familie zou
geboren worden. Zij wist ook dat eene Maagd Hem
zou ontvangen en ter wereld brengen. Bekend dus met
-ocr page 94-
— 9o
al die bijzonderheden van de geboorte van den Messias,
en terwijl de Engel haar verheft en zoo veel eer bewijst,
zou Maria soms daarop de gedachte niet zijn gekomen,
dat zij wel die uitverkoren Maagd kon zijn? Volstrekt
niet, B. B., Maria\'s diepe ootmoedigheid was haar een
waarborg tegen dergelijke gedachte; haar eenigste ver-
langen, en waarom zij wellicht op dat oogenblik God bad,
was den Messias te mogen zien en zijn overgelukzalige
Moeder te mogen dienen.
De Engel Gabriël staat verwonderd over de diepe
ootmoedigheid van Maria, die weldra zijne meesteresse
zal worden. Hij ziet Maria door zijne woorden in ver-
legenheid gebracht; hij gaat haar terstond uit hare ver-
legenheid trekken. Vrees niet, Maria! zegt Gabriël: Ne-
timeas Maria!
— hier noemt hij de ootmoedige Maagd bij
name — want gij hebt genade gevonden bij God. En
welke genade? Onder anderen de oorspronkelijke genade,
welke de menschen verloren hadden. Daarenboven, God
heeft u lief, Maria! Gij zijt zijne welbeminde dochter;
op u heeft Hij zijne keus laten vallen. Want ziet! Gij
zult ontvangen in uwen schoot en een zoon baren, en
gij zult zijn naam Jezus heeten. Deze zal groot zijn en
de Zoon des Allerhoogsten genoemd worden. En de Heer
God zal Hem den troon van David zijnen vader geven,
Hij zal eeuwig regeeren over het huis van Jacob en zijn rijk
zal geen einde hebben: Et regni ejus non erit finis. (i)
Nu verstaat Maria den groet van den Engel Gabriël; nu
begrijpt zij, dat zij bestemd is, de Moeder van den Messias
te worden. Doch nu staat zij nog meer verwonderd, die
ootmoedige, die nederige Maagd. Maria zou, gelijk ik
reeds gezegd heb, zich zoo gelukkig geacht hebben, bij-
(i) Luc i, 33-
-ocr page 95-
— 9i —
aldien zij den Messias had mogen zien, zoo zij zijne
Moeder had mogen dienen. En nu, nu moet zij hooren
dat zij bestemd is, de Moeder van den Messias te wor-
den. Daarenboven, Maria heeft nog eene moeielijkheid, en
die moeielijkheid moet eerst weggenomen worden. Maria
en Jozeph waren vast besloten, altoos in den maag-
delijken staat te leven. O, B. B., Maria had haren
maagdom zoo lief, dat zij hem zelfs voor de waardigheid
van Moeder van den Messias niet zou afstaan. Daarom
zegt Maria tot Gabriël met eene zachte en nederige stem :
Maar hoe zal dat geschieden, want ik beken geen man?
De H. Geest, antwoordt de Engel, zal over U komen,
en de kracht des Allerhoogsten zal U overschaduwen.
Als wilde de Engel zeggen: Maria, gij zult de Moeder
van den Messias worden zonder op te houden Maagd te
zijn. Daarom ook zal het Heilige, dat uit U zal geboren
worden, Gods Zoon genoemd worden. En ten bewijze
er van: Elisabeth, uwe nicht, heeft in haar hoogen ouder-
dom ook nog wel een zoon ontvangen, want bij God is
niets onmogelijk: Quia non erit impossible apnd Deiim
omne verbum.
Nu verstaat Maria alles: zij weet dat zij verkoren is,
de Moeder van den Messias te worden; zij weet dat
zij Moeder zal worden en tevens Maagd zal blijven. Zij
kent het verlangen van God. Een bevel van God heeft
zij niet noodig. Neen, B. B., het verlangen van God
is genoeg voor die ootmoedige Maagd. Maria gaat ter-
stond aan het verlangen van God voldoen, zij gaat hare
toestemming geven: ja, Maria gaat antwoorden. Doch
luistert, B. B., in welke bewoordingen — want hier schijnt
de nederigheid van Maria bijzonder uit. — Ziehier de
dienstmaagd des Heeren, zegt Maria, mij geschiede naar
uw woord: Ecce ancilla Domini, fiat mihi secundum
-ocr page 96-
93 -
verbum tuum. (i) Machtig en tevens ootmoedig ant«
woord van Maria. Machtig antwoord, want op het oogen-
blik dat Maria zoo spreekt, is de Zoon Gods mensch
geworden; ootmoedig antwoord, want op het oogenblik
dat Maria tot de grootste waardigheid verheven wordt,
noemt zij zich de dienstmaagd des Heeren. Ha, B. B.,
Maria laat zich door den glans harer waardigheid niet
verblinden. Hoe hooger God Maria verheft, des te dieper
vernedert zij zich. Maria krijgt daarom geene grootsche
gedachten van zich; doch terwijl zij aan God denkt,
vergeet zij zich zelve. Maria koestert in hare verheffing
geen zelfbehagen, doch zij vindt er eene reden te meer in,
om zich te vernederen. De diepste ootmoedigheid blijkt
uit al hare woorden. Van den eenen kant acht Maria
zich de waardigheid, waartoe God haar verheft, onwaardig;
van den anderen kant wil zij in geenen deele aan het
verlangen van God wederstaan. Ziehier de dienstmaagd
des Heeren, spreekt Maria, als wilde zij zeggen: Mijn
plicht is te doen hetgeen God verlangt. Hoe Hij ook
over mij beschikke, wie ben ik om hem niet te gehoor-
zamen? Kiest Hij mij tot zijne Moeder, \'t is lautere
goedheid van Hem: word ik tot zijne Moeder gekozen,
\'t geschiedt zonder mijne verdiensten. Doch zoo eene
dienstmaagd van den eenen kant niet het minste recht
heeft op die waardigheid, van den anderen kant staat het
haar ook niet vrij die waardigheid te weigeren. Gij ziet
dus, B. B, terwijl God bezig is met Maria te verheffen,
is Maria bezig met zich voor God te vernederen. Terwijl
de Engel Gabriël haar groet als de Moeder van God,
noemt zij zich de dienstmaagd des Heeren. O oot-
moedigheid van Maria! O wonder van ootmoedigheid!
(i) Luc. I, 38.
-ocr page 97-
- 9Ï ^
O Maria! O Heilige Maagd! roept de H. Bernardus uit,
hoe hebt gij toch zulke kleine gedachte van u zelve
kunnen hebben, gij die toch zoo zuiver, zoo onschuldig,
zoo heilig waart! Ootmoedig zijn zonder verdiensten, \'t is
noodzakelijk, zegt de H. J. Chrysostomus; ootmoedig zijn
niet gansch zonder verdiensten, \'t is loffelijk, maar oot-
moedig zijn vol van verdiensten, \'t is wonderlijk; ja, B. B.,
dat is een wonder van ootmoedigheid. Zulk een wonder
van ootmoedigheid was Maria, en juist om hare ootmoe-
digheid is zij zoo hoog verheven geworden. Vandaar
dat de H. Bernardus zegt: Heeft Maria aan God behaagd
om hare zuiverheid, om haren maagdom; aan hare oot-
moedigheid heeft zij haar goddelijk moederschap te
danken, (i) De ootmoedigheid van Maria, zegt de H.
Augustinus, is als de ladder geweest, waarlangs de Zoon
Gods. nedergedaald is op de aarde om haar Zoon te
worden. Doch dit zij genoeg over de ootmoedigheid van
Maria. Maria heeft zich bij de boodschap des Engels
diep vernederd; dit hebben wij gezien in ons eerste punt.
Zien wij nu in ons tweede punt, dat Maria juist daarom
hoog verheven is geworden.
II.
Om te begrijpen, B. B., hoe hoog God Maria bij de
boodschap des Engels door het geheim der Menschwor-
ding van Christus verheven heeft, zouden wij de groot-
heid van God zelven moeten begrijpen; doch God is
onbegrijpelijk, bijgevolg kunnen wij ook niet ten volle
begrijpen, hoe hoog Maria daardoor verheven is. God
alleen, zegt de H. Bernardus, kan zulks begrijpen en naar
(i) Etsi complacuit ex virginitate, tarnen ex humilitate concepit.
-ocr page 98-
^ 94 —
Waarde schatten. Om er ons nochtans een denkbeeld
van te vormen, maken wij eene kleine vergelijking.
Veronderstelt eens een koning. Die koning zendt een
zijner voornaamste hovelingen — iets wat hij niet gewoon
is te doen — en dien hoveling zendt hij naar een een-
voudige dochter uit den burgerstand — hetgeen hij nog
minder gewoon is te doen — en hij zendt zijn hoveling,
opdat deze zich voor die dochter vernedere, haar eer en
hulde bewijze en iets vrage — dat is een koning volstrekt
niet gewoon te doen. — Een koning is wel gewoon zijne
hovelingen te zenden om eer en hulde te ontvangen,
doch niet om eer en hulde te bewijzen; om bevelen te
geven, doch niet om iets te vragen. En wat moet die
hoveling die dochter vragen? Hij moet haar vragen, zoo
goed te willen zijn, en zich te laten aannemen tot moeder
van den zoon des konings, en alzoo het hoogst verheven
te worden, de eerste plaats na die des Konings te beklee-
den in zijn rijk. B. B., die jonge dochter, ik vraag het
u, zou zij op het hooren van die tijding niet opspringen
van vreugde? Zou zij geen gevaar loopen, haar geringen
burgerstand te vergeten en zich te verhoovaardigen ?
Maken wij nu de toepassing.
Wie is de koning, van wien hier sprake is ? Die Koning
is God, God de Schepper, Heer en Regeerder van hemel
en aarde, de Koning der Koningen. Wie is die hoveling?
Die hoveling is de Engel Gabriël, en ik geloof niet, zegt
de H. Bernardus, dat Gabriël een der geringste Engelen
is. Neen, B. B., maar hij is een der voornaamste, de
kracht Gods. En tot wien zendt God den Engel Gabriël ?
Tot een eenvoudige jonge dochter van Nazareth, met
name Maria. En waarom zendt God den Engel Gabriël?
Vooreerst, om Maria eer en hulde te bewijzen, vervol-
gens om haar iets te vragen» God heeft nooit zijne
-ocr page 99-
- 95 —
Engelen gezonden om de menschen eer en hun* hulde te
bewijzen, om hen iets te vragen, maar wel om eer en
hulde van hen te vorderen, om hun iets op te leggen
of te gebieden. En ziet, de Engel Gabriël, door God
gezonden vernedert zich voor Maria; eerbiedig groet hij
haar. Ave! zegt hij: Wees gegroet. Daarop spreekt
hij de schoonste lofrede voor Maria uit. Gij zijt vol
van genade: Gratia plena. Nooit heeft een schepsel
genade ontvangen gelijk gij. Dominns tecum: De Heer
is met u. Nooit is God, mijn Heer en Meester, met
een schepsel geweest gelijk met u. Benedicta tu in
mnlieribns:
Gij zijt de gezegenste der vrouwen. Nooit
is er eene vrouw gezegend geweest gelijk gij. Vervol-
gens, na Maria eerst gerust gesteld te hebben — want
zij werd ontsteld door die lofrede — voegt Gabriël er
bij, dat zij bestemd is, de Moeder van den Zoon Gods
te worden: Want, zoo zegt de Engel, gij zult een zoon
ontvangen en baren, en gij zult hem Jezus noemen, en
die zoon zal groot zijn; Hij zal de Zoon des Allerhoog-
sten genoemd worden. God zal Hem den troon van
David zijn vader geven; Hij zal heerschen over het huis
van Jacob in eeuwigheid en zijn rijk zal geen einde hebben.
Daarop neemt de Engel Gabriël nog eene moeielijkheid
weg, welke Maria scheen te hebben. Hij verzekert haar
dat zij Moeder zal worden, zonder op te houden Maagd
te zijn; dat de H. Geest over haar zal nederkomen,
dat de kracht des Allerhoogsten haar zal overschaduwen,
en dat juist daarom het Heilige, dat uit haar zal geboren
worden, de Zoon Gods zal genoemd worden. Dat zulks
bij God niet onmogelijk is, wijl bij Hem niets onmoge-
lijk is. Gabriël vraagt dus Maria als \'t ware in naam
van God zijnen Meester, of zij er in toestemt de Moeder
van God te worden. Welk een eer! Welk eene hulde
-ocr page 100-
- 96 -
Maria betoond! Hebt gij begrepen, B. B.? Een Engel
uit den hemel, door God gezonden, een Engel, die zich
voor Maria vernedert, een Engel, die haar looft en prijst,
die haar het voorstel doet, haar vraagt of zij de Moeder
van den Zoon Gods wil worden! Doch dat is niet alles. De
Engel Gabriël staat nog altoos in eerbiedige houding voor
Maria, hij wacht op haar antwoord. En niet alleen de
Engel, maar hemel en aarde wachten ongeduldig; ja, God
zelf wacht op hetgeen Maria gaat antwoorden, Hij ver-
langt hare toestemming. Hij roept Maria als \'t ware
van uit den hemel toe: O, mijn welbeminde! laat toch
uwe stem in mijne ooren klinken: Sonetvoxtua in auribtis
mets!
(i) Welk een eer! Welk eene hulde, ik herhaal
hel, Maria betoond! Doch luistert, B. B., het voornaamste
van al gaat thans volgen. Maria gaat antwoorden, zij
stemt toe. Ecce ancilla Domini: Ziehier de dienstmaagd
des Heeren, mij geschiedde naar uw woord : fiat mihi
secundum verbum tuum.
En nauwelijks heeft Maria
gesproken, of het eeuwig Woord des Vaders daalt uit
den hemel neder, de Zoon Gods wordt de Zoon van Maria,
want de zoon Gods is menschgeworden : Et Jiomo factus est.
Ziedaar het wonder der wonderen: de Menschwording van
Christus voltrokken, Maria tot de hoogste waardigheid
verheven, tot de waardigheid van Moeder van God. Bij
de schepping gebruikte God het fiat. Zoo sprak God:
fiat lux: het worde licht, en het werd licht, et facta
est lux.
Bij de boodschap des Engels gebruikte Maria
het fiat. Zij sprak: fiat mihi secundum verbum tuum:
Mij geschiede naar uw woord, en het eeuwig Woord
des Vaders is vleesch geworden: Et Verbum caro fac~
turn est.
God, B. B., kon wel een volmaakter hemel
(i) Cant. cant. n, 14.
-ocr page 101-
— 97 —
scheppen, doch een volmaakter werk verrichten dan de
Menschwording van Christus? neen, dat kon hij niet.
God kon wel een volmaakter schepsel voortbrengen, doch
een schepsel tot eene verhevener waardigheid verheffen
dan tot de waardigheid van Moeder van God ? neen dat
kon Hij niet. In de Menschwording van Jezus-Christus
en het goddelijk moederschap van Maria heeft God dus
als \'t ware zijn almacht uitgeput. Ziehier waarom. Hoe
nauwer iets met zijn beginsel vereenigd is, des te ruimer
deelt het in de volmaaktheden van zijn beginsel. Hoe
meer, bijv., een straal de zon, van welke zij uitgaat,
nabij komt, des te lichter, des te helderder wordt die
straal. Doch na de persoonlijke vereeniging van Jezus-
Christus, d. i., na de vereeniging van de menschelijkè
natuur met de goddelijke natuur in één goddelijken Per-
soon bestaat er geene nauwere vereeniging met God dan
die van Maria; bijgevolg is er geen volmaakter persoon
dan Maria. Maria dus heeft niets boven zich dan God
alleen. En alhoewel de afstand tusschen den Schepper
en het schepsel — dus ook tusschen God en Maria —
oneindig is, nochtans Maria — zoo spreekt Albertus de
Groote — kon niet nauwer met God vereenigd worden
zonder zelve God te worden, (i)
God kon Maria dus niet hooger verheffen, dan Hij
haar verheven heeft, namelijk, tot de waardigheid van
Moeder van God. Doch waarom is Maria de Moeder
van God ? Zij is de Moeder van God, B. B., niet dat zij
de Godheid heeft voortgebracht, want God is van eeuwig-
heid, dus vóór Maria: doch wijl zij een zoon heeft ont-
vangen en voortgebracht, die, God van eeuwigheid, in
den tijd de menschelijkè natuur met de goddelijke ver-
(l) Magis Deo conjungi, nisi fuerit Deus, non potuit.
7.
-ocr page 102-
- 9* ~
êenigd heeft, wiens lichaam waarlijk gevormd is uit het
lichaam van Maria — gelijk de Apostel Paulus duidelijk
leert — factum ex muitere, (i)
In de waardigheid van Moeder van God, B. B., ligt
de grond van de heiligheid en volmaaktheid, van de
grootheid en verhevenheid, van de eeretitels en het ver-
mogen van Maria. Maria, wijl zij bestemd was, de Moeder
van God te worden, is vrij geweest, niet alleen van dé
erfzonde, maar van alle dadelijke zonden. Hare ziel was
verrijkt met een schat van genaden; genaden, die zij
nooit verloren, noch verminderd, doch altoos vermeerderd
heeft. Maria was volmaakt, naar ziel en lichaam. Reeds
vóór hare geboorte was zij ten volle met rede en ver-
stand begaafd. Haar lichaam was zoo schoon en vol-
maakt, dat, hadde het geloof mij daaromtrent niet inge-
licht, zegt de H. Dionysius Ariopagita, die Maria gezien
had, dat ik haar, in plaats van voor een schepsel te
houden, voor eene Godheid gehouden en als dusdanige
zou aanbeden hebben. Doch wel verre van ooit iemand
een steen des aanstoots te zijn, zette Maria eenieder, die
haar zag, steeds aan tot de schoone deugd van zui-
verheid.
Maria, wijl zij de Moeder van God is, is verheven boven
alle schepselen. God alleen, gelijk ik reeds gezegd heb,
staat boven haar; alle schepselen staan beneden haar.
Maria, wijl zij de Moeder van God is, draagt de
schoonste eeretitels. Zij is buiten de Moeder van God
den Zoon, de Dochter van God den Vader, niet door
aanneming, maar door verwantschap; want de Zoon des
hemelschen Vaders is ook de Zoon van Maria. Zij is
de Bruid van God den H. Geest, niet de aangenomen
(I) Gal, IV, 4.
-ocr page 103-
_ 99 -*
Bruid, maar omdat God de Zoon door bijzondere werking
van God den H. Geest aangenomen heeft de menschelijke
natuur in den maagdelijken schoot van Maria. Zij is de
Koningin van hemel en aarde, van Engelen en menschen.
Maria, wijl zij de Moeder van God is, voert gebied
over hemel en aarde, over Engelen en menschen; ja,
Maria, wijl zij de Moeder van God is, heeft gebied gevoerd
over den Zoon Gods, die haar onderdanig was hier op
aarde: Er at subditns Mis, (i) en zij voert nog gebied
over Hem in den hemel door hare gebeden, waaraan
Jezus haar Zoon niet kan wederstaan. (2) Ziedaar, B. B.,
hoe hoog Maria verheven is, verheven zoo hoog mogelijk,
tot belooning voor hare diepe nederigheid.
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., de nederigheid van Maria
en hare verheffing. Maria heeft zich diep vernederd, en
zij is hoog verheven geworden. Maria is zoo hoog ver-
heven geworden, juist omdat zij zich zoo diep vernederd
heeft. Hare verheffing is dus de belooning voor hare
nederigheid. Wat moeten wij daaruit besluiten? Daaruit
moeten wij besluiten, dat, willen wij ook eenmaal ver-
heven worden, wij ons ook vernederen moeten. Wij
moeten dus weten wat wij zijn, en wat wij van ons
zelven hebben. Wat zijn wij ? Arme schepselen. Wat
hebben wij van ons zelven? Niets. Voor eenige jaren
bestonden wij niet eens. Wij hebben van God ontvangen
alles wat wij zijn en hebben èn in de orde der natuur,
èn in de orde der genade. Weet gij wat wij van ons
zelven alleen zijn? Arme zondaren. Wat wij van ons
zelven hebben, en waarin God geen deel heeft? Fouten,
(1) Luc. 11, 51. (3) Omnipotentia supplex.
-ocr page 104-
— IOO —
gebreken en zonden, en ziedaar nieuwe stof om ons te
vernederen. Zijn wij dus ootmoedig in onze gedachten,
woorden, werken en onzen omgang met anderen.
Ootmoedig in onze gedachten, en daarom geven wij
nimmer toegang aan ijdele, hoovaardige gedachten.
Ootmoedig in onze woorden, en daarom wachten wij
ons voor dat grootspreken; dat wij ons nimmer op onze
talenten of goede hoedanigheden, op onze goederen of
rijkdommen beroemen.
Ootmoedig in onze werken, en dat wij dus nimmer
iets doen om ons te verheffen en van anderen gezien en
geprezen te worden.
Ootmoedig in onzen omgang met anderen, en dat wij
dus eerbiedig zijn jegens —- en onderdanig aan onze
oversten: vriendelijk en beleefd jegens ons gelijken, ja
zelfs jegens degenen, die beneden ons staan, en over welke
wij aangesteld zijn. Op die voorwaarde, B. B., zullen
wij verheven worden, want alwie zich vernedert zal ver-
heven worden: Omnis qni se hutniliat exaltabitur, daar
integendeel die zich verheft, d. i., die hoovaardig is, zal
vernederd worden: qui se exaltat humiliabitur. Om ver-
heven te worden, en bijzonder, om verheven te worden
tot in den hemel, dus om zalig te worden, hebben wij
de genade van God noodig; doch God, die den hoovaar-
digen wederstaat, geeft den ootmoedigen zijne genade.
Vragen wij die genade door de voorspraak van Maria,
die de Moeder der goddelijke genade is, en daarom, groe-
ten wij haar ten slotte met den Engel. Ja, Maria! wees
gegroet! Ave Maria. Gij zijt vol van genade: gratia
plena:
verkrijg voor ons een gedeelte van de genaden,
waarvan gij vol zijt. De Heer is metu: Dominus tecum:
De Heer, die van uwe geboorte af met u was, heeft zich
nog inniger met u vereenigd, sedert Hij uw zoongewor-
-ocr page 105-
— 101 —
den is. Gij zijt de gezegendste der vrouwen: Benedicta
tn in mulieribus:
verkrijg voor ons den zegen van hier-
boven. Jezus, de vrucht van uwen schoot, is ook geze-
gend : Et benedictns fructus ventris tui. En gij, Maria!
gij zijt de plant, welke die vrucht heeft voortgebracht.
Ja, gij zijt de H. Moeder van God: Sancta Maria, Mater
Dei.
En gij zijt niet alleen de Moeder van God, maar
ook onze Moeder. God heeft u tot zijne Moeder gekozen,
opdat gij door uwe gebeden zoudet medewerken aan
onze zaligheid; en daarom, wijl Gij de Moeder van God
en ook onze Moeder zijt, bid voor ons zondaren. Ora
pro nobis peccatoribns:
bid voor ons nu: nunc, tijdens
ons leven, gedurende hetwelk wij aan zoo vele gevaren
blootgesteld zijn, opdat wij er niet in omkomen; doch
bid vooral voor ons in het uur van onzen dood; et in
hora mortis nostrae;
op het oogenblik, dat wij de wereld
gaan verlaten en voor den rechterstoel van God moeten
verschijnen, opdat wij een zaligen dood sterven, een
genadig oordeel bekomen en toegelaten worden in den
hemel, om daar Jezus en U te loven en te danken gedu-
rende de eeuwen der eeuwen. Amen.
<5?*^cX
-ocr page 106-
Zevende Preek.
Paschen.
Surrexit, non est hic, ecce loens ubi posue-
runt eum.
Hij is verrezen, Hij is niet hier; zie de
plaats waar zij Hem gelegd hebben.
(Mare. xvi, 6.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het Paaschfeest is ons hoogfeest. — De Verrijzenis van
Christus is de voornaamste waarheid van onzen heiligen
godsdienst; zij is de grondslag van ons geloof: met de
Verrijzenis van Christus is onze verrijzenis verbonden. —
De Verrijzenis van Christus uit het graf is een afbeeldsel
van de verrijzenis van den zondaar uit het graf der zonde. —
Evangelie van den dag.
VERDEELING.
I. Christus is waarlijk verrezen; de zondaar moet
zich waarlijk bekeeren.
II. Christus, na verrezen te zijn, sterft niet meer; de
zondaar, na zich bekeerd te hebben, moet niet
meer zondigen.
III. Christus, na verrezen te zijn, verschijnt aan velen;
de zondaar .na zich bekeerd te hebben, moet aan
velen verschijnen.
-ocr page 107-
i°3
I.
Christus is waarlijk verrezen. — Jezus voorzegt zijne
Verrijzenis ; pogingen van de vijanden van Jezus om zijne
Verrijzenis te beletten en zijne voorzegging te logenstraffen.
— Godvruchtige vrouwen begeven zich \'s morgens vroeg
naar het graf om Jezus opnieuw te balsemen; gesprek
onder weg; steen. — Aardbeving en verschijning eens
Engels. — De vrouwen bij het graf en de verschijning van
twee Engelen; woorden des Engels tot de vrouwen. —
Vlucht der wachters naar de stad; hun verhaal van de Ver-
rijzenis aan de Opperpriesters, enz. — List der vijanden
van Jezus. — Woorden van den H. Augustinus. —
Christus is waarlijk verrezen; de zondaar moet zich waar-
lijk bekeeren, eene rouwmoedige biecht spreken met het
vaste voornemen om zich te beteren. — Woorden van
Jezus tot de Pharizeën, toegepast op de zondaren, die
zich maar in schijn bekeeren. — Steen op het geweten:
verzwegen zonde, haat, onrechtvaardig geld of goed,
slechte gewoonte, slecht huis, slechte kameraden; die steen
moet afgewenteld worden om uit het graf der zonde te
kunnen opstaan. — Verschil tusschen de Verrijzenis van
Jezus en die van den zondaar.
II.
Christus, na verrezen te zijn, sterft niet meer. — Dooden
door Jezus verwekt: Lazarus, de zoon van de weduwe
van Naïm, de dochter van Jairus; dooden verwekt op de
bede der Heiligen; die verwekten zijn opnieuw gestor-
ven. — Christus, na verrezen te zijn, sterft niet meer;
eens is Jezus gestorven voor de zonde; Hij leeft en blijft
leven voor God. — De zondaar, met Paschen oprecht
bekeerd, moet niet meer in de zonde hervallen; hij moet
-ocr page 108-
104
leven en blijven leven voor God: tot dat einde moet
hij de middelen gebruiken, vooral de gevaren en gele-
genheden van zonde vermijden, na hervallen te zijn,
terstond opstaan en met nieuwen moed beginnen.
II.
Christus, na verrezen te zijn, verschijnt aan velen. —
Jezus ging tijdens zijn leven ook om met de zondaren,
na zijne Verrijzenis is Hij aan geen enkel zondaar ver-
schenen. — Jezus is verschenen aan Maria zijne Moeder,
aan Maria Magdalena, aan de vrouwen, die naar het
graf gingen, aan Petrus, aan de leerlingen van Emmaus,
aan de leerlingen, toen Thomas afwezig was, aan de
leerlingen, toen Thomas tegenwoordig was, aan de leer-
lingen op den oever van het meer Tiberias, aan meer
dan vijfhonderd broeders, aan Jacobus den Jongere, aan
de Apostelen op den dag zijner hemelvaart. — Wij
moeten ook verschijnen aan velen. Wij moeten de
gevaarlijke plaatsen en personen vermijden. — Wij moeten
verschijnen binnen en buiten, maar zoo, dat wij onzen
evennaaste nooit ergeren, doch hem steeds een goed voor-
beeld geven.
SLUITREDE.
De Verrijzenis van Jezus uit het graf is een afbeeldsel
van de geestelijke verrijzenis van den zondaar uit het graf
der zonde. — Het feest van Paschen is ons hoogfeest; de
H. Kerk viert het met allen mogelijken luister, \'t Is
vooral een feest voor Maria. — Degenen, die zich met
Paschen nog niet bekeerd hebben, moeten hunne bekeering
niet uitstellen. — Uit de zonde opgestaan, moeten wij
zorgen, niet meer in de zonde te hervallen, om eenmaal
glorierijk te kunnen verrijzen en naar den hemel te gaan.
-ocr page 109-
— 105 —
Zevende Preek,
Paschen.
Surrexit, non est hic, ecce locus ubi posue-
runt eum.
Hij is verrezen, Hij is niet hier; zie de
plaats waar zij Hem gelegd hebben.
(Mare. XVI, 6)
VOORREDE.
Het Paaschfeest, B. B., dat wij vandaag vieren, is het
feest der feesten, \'t is ons hoogfeest bij uitstek. Waarom ?
Omdat wij op het Paaschfeest vieren de Verrijzenis van
Christus, Verrijzenis, die de voornaamste waarheid van
onzen heiligen godsdienst, de grondslag van ons geloof
is. Immers, bijaldien Christus niet verrezen is, zoo spreekt
de Apostel Paulus, dan beteekent ons prediken niets:
Si autem Christus non resurrexit, inanis est ergo prae-
dicatio nostra,
en bijgevolg beteekent ons geloof ook
niets: inanis est et fides nostra (i) Met de Verrijzenis
van Christus is onze verrijzenis nauw verbonden, zoodat,
indien Christus niet verrezen ware, wij ook niet zouden
verrijzen.
De Verrijzenis van Christus is ook een afbeeldsel van
eene geestelijke verrijzenis, namelijk, van de verrijzenis
van den zondaar uit het graf der zonde. Doch alvorens
over die verrijzenis te handelen, ziehier in \'t kort de
geschiedenis van de Verrijzenis van Christus. „Toen de
„Sabbat was voorbijgegaan, kochten Maria Magdalena,
„en Maria, de moeder van Jacobus en Salome specerijen,
„om Jezus te gaan zalven. En zeer vroeg op den
(i) I Cor. xv, 14,
-ocr page 110-
— loö —
„eersten dag der week kwamen zij aan de grafstede,
„toen de zon reeds was opgegaan. En zij zeiden tot
„elkander: Wie zal ons den steen afwentelen van den
„den ingang der grafstede? En opziende, zagen zij, dat
„de steen afgewenteld was; want hij was zeer groot. En
„ingegaan zijnde in de grafstede, zagen zij ter rechter
„zijde een jongeling zitten, bekleed met een wit gewaad;
„en zij verschrikten. Doch hij zegt tot haar: Weest niet
„ontsteld! Gij zoekt Jezus, den Nazarener, den Gekrui-
sigde: Hij is verrezen, Hij is hier niet: zegt aan zijne
„leerlingen en aan Petrus: Hij gaat u voor naar Galilea;
„aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft."
Ziedaar de geschiedenis van de Verrijzenis van Christus
uit het Evangelie van den H. Marcus.
De Verrijzenis van Christus is een afbeeldsel van eene
geestelijke verrijzenis, gelijk ik gezegd heb, namelijk, van
de verrijzenis van den zondaar uit het graf der zonde,
en ziehier op welke wijze:
I. Christus is waarlijk verrezen; de zondaar moet
zich waarlijk bekeeren;
II. Christus, na verrezen te zijn, sterft niet meer;
de zondaar, na zich bekeerd te hebben, moet
niet meer zondigen;
III. Christus, na verrezen te zijn, verschijnt aan velen;
de zondaar, na zich bekeerd te hebben, moet
aan velen verschijnen.
Leggen wij thans die drie punten uit.
I.
En wel vooreerst: Christus is waarlijk verrezen: Sur-
rexit Dominiis ver e.
(i)
(i) Luc. xxiv, 34.
-ocr page 111-
107 —
Geen feit, dat zoo klaar bewezen is, als de Verrijzenis
van Christus.
Onze goddelijke Zaligmaker had zijne Verrijzenis meer
dan eens voorzegd. Ziet! wij gaan naar Jeruzalem, sprak
Jezus zekeren dag tot zijne Apostelen, en alles, wat door
de Profeten aangaande den Zoon des menschen geschre-
ven is, zal vervuld worden; want Hij zal overgeleverd
worden aan de Opperpriesters en Schriftgeleerden en zij
zullen Hem ter dood veroordeelen en aan de Heidenen
overleveren om Hem te bespotten, te geeselen en te
kruisigen. En Hij zal inderdaad bespot en bespuwd
worden; en na Hem gegeeseld te hebben, zullen zij Hem
dooden en ten derden dage zal Hij verrijzen: Et tertio.
die resurget.
(i) Ziedaar de Verrijzenis wel duidelijk
voorzegd. Geen wonder dus, dat de vijanden van Jezus,
na zijnen dood, zich over die voorzegging verontrusten.
De Opperpriesters, de Pharizeën en Ouderlingen verga-
deren ; zij beraadslagen onder elkander wat aanvangen,
om de Verrijzenis van Jezus te beletten; doch in plaats
van ze te beletten, zullen zij ze des te meer doen uit-
komen. Zij begeven zich naar Pilatus en zeggen: Heer!
wij zijn indachtig geworden, dat die bedrieger — zoo
noemden zij onzen goddelijken Zaligmaker — toen Hij
nog leefde, gezegd heeft: Na drie dagen zal ik ver-
rijzen; Post tres dies resurgam. (2) Gebied dus dat zijn
graf bewaakt worde tot op den derden dag, opdat zijne
leerlingen soms niet komen, het lijk stelen en dan onder
het volk uitstrooien: Hij is van de dooden opgestaan:
Surrexit a mortuis, (3) en dat laatste bedrog zal nog
erger zijn dan het eerste. Wat antwoordt Pilatus? Gij
hebt eene wacht, zegt hij, gaat en bewaakt het Graf
(1) Mare. x, 31. (2) Matth. xxvn. 63. (3) Matth. xxvn, 64.
-ocr page 112-
—- io8 —
volgens uw goeddunken. Daarop gingen de vijanden van
Jezus heen, zetteden eene wacht bij het graf uit en ver-
zegelden den steen er van met hunnen ring. Alle moge-
lijke voorzorgen en maatregelen zijn dus genomen, om
het stelen van het lichaam van Jezus te beletten, \'s Zondags
\'s morgens zeer vroeg begeven zich eenige godvreezende
vrouwen naar het graf, om het lichaam van Jezus op
nieuw te balsemen. Onder weg zeiden die vrouwen tot
elkander: Wie zal ons den steen afwentelen van den
ingang van het graf? want die steen was zeer zwaar:
Erat quippe magnus valde. (i) Dat de steen verzegeld,
en dat er eene wacht bij het graf uitgezet was, daarvan
wisten de vrouwen niets. En ziet! intusschen ontstaat
er eene geweldige aardbeving, want een Engel des Hee-
ren daalde uit den hemel neder, en genaderd zijnde,
wentelde hij den steen van het graf weg en zette er zich
op neder. Zijn gelaat was als de bliksem en zijn kleed
als sneeuw. De wachters bij het graf geplaatst, ver-
schrikten, men kan niet meer; zij werden als dooden en
vluchtten ijlings naar de stad. De vrouwen bij het graf
gekomen, zagen dat de steen afgewenteld was, doch het
lichaam van Jezus vonden zij niet. Zij zien twee Engelen.
Bevreesd slaan zij hunne oogen ter aarde. Een der
Engelen zeide tot haar; Vreest niet; ik weet dat gij
Jezus, den gekruiste zoekt; doch wat zoekt gij den levende
onder de dooden? Quid quceritis vivcntem cum mor-
tuis?
(2) Jezus is niet hier, Hij is verrezen, gelijk Hij
voorzegd heeft, en Hij gaat u vóór naar Galilea. Toen
de godvreezende vrouwen het graf verlaten hadden, kwa-
men er eenige wachters in de stad en verhaalden den
Opperpriesters wat er gebeurd was. De Opperpriesters
(1) Mare. xvi, 4. (2) Luc. xxiv, 5,
-ocr page 113-
iÓ9 —
en Ouderlingen vergaderden op nieuw, zij beraadslaag"
den, en het feit der verrijzenis van Jezus niet kunnende
ontkennen, boden zij den wachters eene som geld aan,
onder voorwaarde van alom te zeggen, dat de leerlingen
van Jezus zijn lichaam gestolen hadden, terwijl zij sliepen.
De wachters namen het geld aan en deden gelijk hun
geleerd was: Illi accepta pecunia fecerunt sicut erant
edocti.
(i) Zij zelven moesten wel slapen, de vijanden
van Jezus, zegt de H. Augustinus, daar zij slapende ge-
tuigen kozen om de Verrijzenis van Christus te loochenen.
Christus dus is waarlijk verrezen, gelijk wij gezien
hebben: Surrexit Dominus vere; Hij is waarlijk uit het
graf opgestaan. Zoo ook, zeg ik nu, moet de zondaar
waarlijk verrijzen, d. i., hij moet waarlijk uit het graf
der zonde opstaan.
Ha, B. B., hij is wel dood, dood in de oogen van
God, beroofd van het leven der heiligmakende genade,
de arme zondaar, die zijnen Heer en God zoo dikwijls
gevloekt en gelasterd heeft. Hij is wel dood, de arme
zondaar, die zich zoo dikwijls merkelijk te buiten gegaan
is in den drank. Hij is wel dood, de arme zondaar, die
zoo dikwijls grootelijks gezondigd heeft tegen de kuisch-
heid en rechtvaardigheid. Hij is wel dood, in een woord
de arme zondaar, die zoo dikwijls grootelijks misdaan
heeft tegen de geboden van God en de H. Kerk of
tegen de plichten van zijnen staat. Die zondaar moet
waarlijk verrijzen, met Paschen moet hij waarlijk uit het
graf der zonde opstaan; waarlijk, zeg ik, en niet in schijn,
voor God, en niet enkel voor de menschen. En hoe ?
Door eene goede biecht te spreken, met een waar berouw
over zijne zonden, omdat hij er den goeden God zoo
(i) Mare. xvi, 4. (a) Luc, XXiv, 5.
-ocr page 114-
— IIO —
dikwijls en zoo grootelijks door vergramd heeft, en met
het vaste voornemen om de zonde niet meer te bedrijven;
en bijgevolg, met het vaste voornemen om de vrijwillige
gevaren en gelegenheden van zonde te vluchten en te
vermijden.
Want, wat zou Jezus, voor wien niets verholen is,
kunnen zeggen tot de zondaren, die met Paschen wel te
biechten gaan, maar zonder berouw, zonder vast voor-
nemen om de zonden niet meer te bedrijven? Hij zou
hun kunnen zeggen, hetgeen Hij eertijds tot de Pharizeën
en Schriftgeleerden zeide: Gij zijt huichelaars : Hypocritac!
Gij zijt gelijk aan witgepleisterde grafsteden, die van
buiten schoon, doch van binnen vol vuiligheid en doods-
beenderen zijn; en die zondaren zouden evenmin als de
huichelende Pharizeën en Schriftgeleerden de wrake Gods
ontkomen. Dus, de zondaar moet waarlijk verrijzen, waar-
lijk uit het graf der zonde opstaan. Ha, B. B., er ligt
misschien ook een groote steen op uw graf, op uw ge-
weten. En welke is die steen? Die steen is misschien
de een of andere doodzonde, welke gij uit vrees of
schaamte niet gebiecht hebt. Die steen is misschien die
doodelijke haat, welken gij reeds geruimen tijd voedt
tegen dezen of genen persoon, en dien gij nog niet afge-
legd hebt. Die steen is dat onrechtvaardig geld of goed,
dat gij reeds overlang bezit en nog niet teruggegeven
hebt. Die steen is de een of andere gewoonte van zonde,
om welke uit te roeien gij nog geene middelen gebruikt
hebt. Die steen is misschien het een\' of ander slecht
huis, dat gij nog niet verlaten, de een of andere persoon»
van welke gij u nog niet gescheiden hebt. Die steen op
uw graf, op uw geweten, is groot, is zwaar; Erat quippe
magntis valde.
Die steen nu, wilt gij waarlijk uit het
graf der zonde opstaan, u oprecht bekeeren, moet afge-
-ocr page 115-
— iii —
wenteld worden : die verzwegen doodzonde moet gebiecht,
die haat moet afgelegd worden; dat onrechtvaardig geld
of goed moet teruggegeven, die slechte gewoonte moet
uitgeroeid worden; aan dat huis moet vaarwel gezegd, met
dien persoon moet afgebroken worden; zoo niet, gij kunt
niet verrijzen, gij kunt niet opstaan uit het graf der
zonde.
Onze goddelijke Zaligmaker, B. B., verrees toen het
graf nog gesloten was; de steen werd door den Engel
afgewenteld, toen Jezus reeds uit het graf was opgestaan;
doch de zondaar kan niet verrijzen, hij kan niet uit het
graf der zonde opstaan, alvorens de steen afgewenteld zij.
Christus is dus waarlijk verrezen, de zondaar moet
zich ook waarlijk bekeeren.
II.
Christus, na verrezen te zijn,- sterft niet meer: Jam
non moriticr.
(i)
Wij lezen in de H. Schrift dat onze goddelijke Zalig-
maker
verschillende dooden verwekt heeft. Hij heeft ver-
wekt Lazarus, den broeder van Maria en Martha, wiens
lichaam, der ontbinding ten prooi, reeds begon te rieken.
Hij heeft verwekt den zoon van de weduwe van Naïm,
wiens lijk reeds naar de begraafplaats gedragen werd. Hij
heeft verwekt de dochter van Jairus, die op haar doodsbed
uitgestrekt lag. In de levens der Heiligen lezen wij
dikwijls dat op de bede van den een of anderen Heilige
deze of gene doode tot het leven verwekt is; doch
al die dooden, B. B., tot het leven verwekt, zijn op
nieuw gestorven. Onze goddelijke Zaligmaker, na ver-
rezen te zijn, is niet meer gestorven; Hij heeft den dood
(i) Rom. vi, 9—13.
-ocr page 116-
- ÏÏ2 —
Overwonnen, en na den dood overwonnen te hebben, zal
deze geene heerschappij meer over Hem voeren, zegt de
Apostel Paulus: Mors Mi ultra non dominabitur. Eens
is onze goddelijke Zaligmaker gestorven voor de zonde,
d. i., om de zonde uit te boeten: Quod enim mortuus
est peccato, mortuus est seniel;
na verrezen te zijn leeft
Hij, en Hij blijft leven; en Hij leeft, en Hij blijft leven
voor God: Quod autcm vivit, vivit Deo. Ziedaar B. B.,
het afbeeldsel van hetgeen de zondaar na verrezen, na
uit het graf der zonde opgestaan te zijn, doen moet. Hij
moet leven en blijven leven: leven door het leven der
heiligmakende genade; blijven leven, en dus, na het leven
der heiligmakende genade terug bekomen te hebben,
moet hij dat leven bewaren, niet voor een dag, eene
week, eene maand, een jaar; neen, maar voor altijd,
gansch zijn leven. Hij moet leven voor God en Hem
dus getrouw dienen, door goed te onderhouden de gebo-
den van God en onze Moeder de H. Kerk, door zich
trouw te kwijten van de plichten van zijnen staat; niet
leven voor de wereld, door, bijv., na te jagen hare
grootheid en pracht, hare schatten en rijkdommen, hare
vermaken en pleizieren. Hij moet blijven leven voor God,
en dus moet hij zorgen God door de zonde niet meer
te vergrammen. Daarom moet hij zijn best doen om de
goede voornemens, welke hij met Paschen gemaakt heeft,
ten uitvoer te brengen.
Natuurlijk, de zondaar, die zich met Paschen oprecht
bekeert, moet het voornemen hebben, de zonde niet meer
te bedrijven en de middelen te gebruiken, die daartoe
noodig zijn. Die middelen zijn den zondaar met Paschen,
toen hij zijne biecht sprak, door den biechtvader aange-
wezen. Zoo moet, bijv., een vloeker of godslasteraar
den goeden God bidden en aanhouden met bidden, om
-ocr page 117-
- ii3 -
die duivelsche gewoonte van vloeken en God te lasteren
af te leggen, hij moet het goede voornemen om zich te
beteren van tijd tot tijd vernieuwen. De onrechtvaar-
dige moet denken dat het onrechtvaardig geld of goed
geen zegen brengt, dat hij weldra, namelijk, bij den dood
alles zal moeten verlaten, dat hij voor een weinig onrecht-
vaardig geld of goed zijne ziel opoffert, zich voor eeuwig
berooft van het geluk des hemels en nederstort in den
afgrond der hel. De kwaadspreker, de dronkaard of de
onkuischaard moet vermijden de plaatsen waarop, de
personen, met welke en de gezelschappen, waarin hij
gewoon was zich aan de zonde van kwaadspreken, dron-
kenschap of onkuischheid plichtig te maken. In een woord,
eenieder beijvere zich de middelen aan te wenden, welke
de biechtvader hem voorgeschreven heeft, om in het
goeden te volharden. Gebeurde het nu dat de een of
andere persoon, niettegenstaande de beste voornemens,
bij deze of gene onvoorziene gelegenheid of ter oorzake
eener hevige bekoring zou bezwijken, die persoon stelle
niet uit, hij wachte niet terstond op te staan, om met
nieuwen moed en met betrouwen op God het pad der
deugd standvastig te bewandelen en een stichtend leven
te leiden.
Christus dus, na verrezen te zijn, sterft niet meer. Hij
leeft, en Hij blijft leven voor God. De zondaar na zich
bekeerd te hebben moet ook niet meer in de zonde her-
vallen, hij moet ook leven en blijven leven voor God.
Eindelijk, Christus na verrezen te zijn, verschijnt aan
velen: Et apparuit.
III.
Onze goddelijke Zaligmaker ging tijdens zijn openbaar
leven om, zelfs met de zondaren, natuurlijk zonder gevaar
8.
-ocr page 118-
— 114 -
voor zich zei ven en met de beste inzichten, namelijk, om
hen te bekeeren. Doch na zijne Verrijzenis? Neen, op
geen enkele plaats in de H. Schrift lezen wij, dat onze
goddelijke Zaligmaker aan de Pharizeën of Schriftgeleerden,
dat Hij aan de zondaren verschenen is. Aan wie is Jezus
dan verschenen na zijne Verrijzenis? Vooreerst, al maakt
de H. Schrift er ook geen gewag van, is Jezus verschenen
aan zijne Moeder Maria. Die daaraan twijfelt zou men
wel mogen vragen of hij nog wel verstand heeft. Immers,
Maria had op de eerste plaats met haar goddelijken Zoon
gedeeld in zijne droefheid en zijn lijden. Maria moest
dus op de eerste plaats ook deelen met haar goddelijken
Zoon in zijne vreugde en heerlijkheid, en van daar dat
er geen twijfel bestaat of Jezus is het eerst aan zijne
Moeder Maria verschenen.
Doch de eerste verschijning, waarvan de H. Schrift
melding maakt, is die aan Maria Magdalena. Ja, Jezus
is aan Maria Magdalena vóór de anderen verschenen.
Welk een troost voor eene zondares, maar die zich naar
het voorbeeld van Maria Magdalena oprecht bekeert!
Door aan Maria te verschijnen geeft Jezus te kennen, dat
Hij hare zonden vergeven heeft.
Jezus is verschenen aan de godvreezende vrouwen, die
\'s morgens vroeg naar het graf gingen, om zijn lichaam
opnieuw te balsemen. Minzaam groette Hij haar, zeg-
gende; Ave te! (i) Weest gegroet!
Jezus is verschenen aan den Apostel Petrus vóór de
andere Apostelen. En nochtans, Petrus had zijn godde-
lijken meester tot driemaal toe verloochend. Welk een
troost voor eenen zondaar, maar die zich naar het voor-
beeld van den H. Petrus ook oprecht bekeert ? Jezus toont
(i) Matth. xxviii, 9.
-ocr page 119-
— it5 -
daardoor, dat Hij de zonden, eenmaal vergeven, niet meer
gedenkt.
Jezus verscheen aan de twee leerlingen van Emmaüs,
toen zij onder weg over Hem spraken; aan zijne leer-
lingen, toen zij zich uit vrees voor de Joden in eene
kamer opgesloten hadden en Thomas afwezig was, bij
welke gelegenheid Hij hun den vrede wenschte: Pax
vobis,{\\)
en hun toestond Hem aan te raken.
Acht dagen later, toen Thomas zich bij de overige
leerlingen bevond, verscheen Jezus opnieuw; en om Thomas
van zijn ongeloovigheid te genezen, gebood Hij hem zijne
vingeren te steken in de openingen zijner handen en voeten
en zijne hand te leggen in zijne geopende zijde. Na Jezus
gezien en gehoord te hebben, riep Thomas vol geloof uit:
Dominus nieus et Deus meus. (2) Mijn Heer en mijn
God! als wilde hij zeggen: Ik geloof dat Gij het zijt, o
mijn Meester! en dat Gij God zijt.
Jezus verscheen later nog aan zijne leerlingen in Galilea
op den oever van het meer Tiberias, toen zij bezig waren
met visschen. Hij verscheen op eenen berg van Galilea
aan meer dan vijfhonderd personen te gelijk, zegt de
Apostel Paulus: Visus est plus quam qiiingentis fratribus
simul.
(3) Hij is verschenen aan Jacobus den Jongeren,
eersten bisschop van Jeruzalem. Eindelijk is Jezus nog
verschenen aan zijne leerlingen den dag zijner Hemelvaart.
Jezus dus is verschenen herhaalde malen en aan velen,
binnen en buiten. De zondaar, B. B., die met Paschen
geestelijker wijze verrezen is, moet ook verschijnen.
Voorzeker, wij kunnen ons niet verborgen houden; wij
moeten voor den dag komen; wij moeten verschijnen
herhaalde malen, aan velen, én binnen, én buiten. Doch
(1) Luc. xxiv, 36. (2) Joati. xx, 28. (3) I Cor. xv, 6.
-ocr page 120-
- tlé-
merkt wel op, er zijn zekere plaatsen waarop, en zekere
personen, aan welke de zondaar, die zich oprecht bekeerd
heeft, niet meer moet verschijnen. En welke zijn die
plaatsen en personen? Die plaatsen zijn, bijv., de slechte
huizen, waarin veel kwaad geschiedt, waarin alles toege-
laten wordt, zooals vloeken en godslastering, zedenkwet-
sende taal, taal tegen God en godsdienst, tegen Kerk
en priester, zonden van ontucht en dronkenschap; die
plaatsen zijn de afgelegen en eenzame plaatsen, waar
men zich vroeger naar toe begaf om buiten de oogen
der menschen te zijn en des te vrijer te kunnen zondigen.
Die personen zijn de medeplichtigen, de slechte kameraden,
de verleiders; die jongeling, bijv., die niets anders zoekt
dan u te verleiden; die jongedochter die niets anders
zoekt dan u tot zonde te brengen. Op die plaatsen
moeten wij niet meer komen, met die personen moeten
wij niet meer omgaan. Waarom niet? Wijl het zeker
is — de ondervinding leert het — dat wij de eerste
gelegenheid de beste op die plaats, met dien persoon in
de zonde zullen hervallen. Men moet zich dus begeven,
B. B., als men, bijv., uitgaat, naar plaatsen, waarop, en
naar huizen, waarin men geen gevaar loopt en waar men
zich althans eerlijk en deftig kan vermaken. Men moet
omgaan met personen, die braaf en deugdzaam zijn, en
die bijgevolg, in plaats van ons te verleiden en tot zonde
te brengen, ons door hun voorbeeldig gedrag stichten
en tot de deugd aanzetten. Men moet dikwijls verschijnen
op zekere plaatsen, die nooit gevaarlijk zijn, zoo als, bijv.,
de kerk, om daar tot de H. Sacramenten te naderen, om
daar het H. Sacrificie der Mis, het Lof, den Rozenkrans,
de een of andere vergadering, zooals de H. Familie of de
Congregatie van onze Lieve Vrouw bij te wonen. Men
moet verschijnen binnen en buiten; binnen, in zijn huis-
-ocr page 121-
— H7 —
gezin, maar zóó, dat de huisgenooten elkander een voor-
beeld zijn van deugd: de ouders een voorbeeld voor de
kinderen, de oversten een voorbeeld voor de dienstboden,
de kinderen en dienstboden een voorbeeld voor elkander;
buiten, op straat of waar ook, maar zóó, dat nooit
iemand iets kwaads van ons zie, nooit iets kwaads van
ons hoore, zoodat er nooit iets op ons gedrag af te
keuren valt, dat ons gedrag steeds voorbeeldig zij en
wij eenieder stichten; dat wij zelfs de personen, die wij
vroeger misschien ontsticht en verleid hebben, tot het
goede terugbrengen en alzoo de ergernis, die wij gegeven
hebben, zoo goed mogelijk herstellen. Ja, B. B., zoo
schittere uw licht, d. i., uw gedrag voor de menschen,
zegt onze goddelijke Zaligmaker: Sic luceat lux vestra
coram hominibus,
dat zij uwe goede werken zien, ut
videant opera vestra bona,
en dat zij uwen Vader, die
in den hemel is, verheerlijken, et glorificent Patrem ves-
trum qui in caelis est.
(i)
SLU1TREDE.
Gij hebt verstaan, B. B., ik twijfel er niet aan, hoe
Jezus\' lichamelijke Verrijzenis uit het graf een afbeeldsel
is van de geestelijke verrijzenis van den zondaar uit het
graf der zonde. Jezus is waarlijk verrezen; de zondaar
moet zich waarlijk bekeeren. Jezus, na verrezen te zijn,
sterft niet meer; de zondaar, na zich bekeerd te hebben,
moet niet meer zondigen. Jezus, na verrezen te zijn,
verschijnt aan velen; de zondaar, na zich bekeerd te
hebben, moet ook aan velen verschijnen.
Het feest van Paschen is het feest der feesten, gelijk
ik gezegd heb; \'t is ons hoogfeest bij uitstek. Onze
(i) Matth, j, 16.
-ocr page 122-
— Ii8 —
Moeder de H. Kerk viert het met allen mogelijken luister;
zij spreidt op dien feestdag al hare pracht ten toon, en
zij doet de gewelven harer tempels van vreugde- en
lofzangen weergalmen. Alom klinkt het blijde Alleluia.
Vooral richt onze Moeder de H. Kerk zich tot Maria,
de Moeder van Jezus, en zij roept haar toe: Verheug u,
o Koningin des hemels, alleluia! Regina coeli laetare,
alleluia!
want dien gij waardig bevonden zijt te dragen,
alleluia! quia quem meruisti portare, alleluia! Is ver-
rezen gelijk Hij gezegd heeft, alleluia! resurrcxit sicut
dixit, alleluia!
Bid God voor ons, alleluia! Ora pro
nobis Deunt, alleluia!
Zouden er zich onder ons bevinden, B. B., die gees-
telijker wijze nog niet verrezen zijn, en die bijgevolg
nog niet naar behooren kunnen deelen in de vreugde en
blijdschap van het Paaschfeest; dat zij niet langer meer
uitstellen, maar terstond de handen aan het werk slaan;
dat zij door eene rouwmoedige, oprechte en volledige
biecht uit het graf der zonden opstaan; dat zij dus ook
waarlijk verrijzen, en dat wij allen, waarlijk verrezen,
niet meer sterven, d. i., niet meer in de zonde hervallen,
ten einde eenmaal na dit kortstondige leven glorievol te
kunnen verrijzen in den laatsten dag des oordeels, om
daarna met den verrezen Godmensen, Jezus-Christus, met
zijne gezegende Moeder Maria, die ook reeds glorievol
verrezen is, en met de Engelen en Heiligen ten hemel
te klimmen, en daar in eeuwigheid te leven en te zingen
het blijde Alleluia. Amen.
•<S!ÓB>
*
-ocr page 123-
Achtste Preek.
De Bescherming van den H Jozeph.
Ite ad Joseph.
Gaat tot Jozeph. (Gen. xli, 55.)
INHOUD.
VOORREDE.
België heeft o verlang den H. Jozeph tot zijn bij zonderen
Patroon verkozen. — De H. Theresia. — De aartshertogin
Isabella, Clara, Eugenia. — Antwerpen. — Door den
H. Jozeph beschermd, is België behoed gebleven voor de
ketterij der XVI eeuw. — Thans moeten wij opnieuw
onze toevlucht nemen tot den H. Jozeph, om behoed te
worden voor de goddeloos- en zedeloosheid. — Het ver-
mogen van den H. Jozeph beschouwd.
VERDEELING.
I. In zijnen oorsprong;
II. In zijn uitwerksels.
I.
Het vermogen van den H. Jozeph beschouwd in zijnen
oorsprong. — Drie zaken, waardoor men op iemand
-ocr page 124-
— 120 —
invloed krijgt: achting, liefde en verplichting. — Na
Maria heeft God voor niemand meer achting gehad dan
voor den H. Jozeph. — Afbeeldsel der H. Drievuldigheid
op aarde: Jezus, Maria en Jozeph: Jozeph bekleedt de
plaats van den H. Geest. — Jozeph de Bruidegom van
Maria, is vóór allen gesteld, voor David, Salomon, Joannes
den Docper. — Saül tot koning gekozen. — Woorden
van den H. Bernardus. — Na Maria heeft God voor
niemand meer liefde gehad dan voor den H. Jozeph. —
Woorden van Jezus tot zijne Apostelen: Ik zal u geen
dienaren maar vrienden noemen: U is het gegeven de
geheimen van het rijk der hemelen te kennen. — Jozeph
uitgekozen onder Gods vrienden. — Jozeph is getuige
van het geheim der Menschwording. — Jezus bemint den
H. Jozeph met kinderlijke liefde. — Na Maria heeft God
jegens niemand verplichting dan jegens den H. Jozeph.
— Jozeph, de Voedstervader van Jezus, werkt voor Hem
en redt Hem het leven.
II.
Het vermogen van den H. Jozeph beschouwd in zijn
uitwerksels. — Vraagt en gij zult verkrijgen. — God
zal den wil doen van hen, die Hem vreezen en hun
gebed verhooren. — Omdat gij in kleine zaken getrouw
zijt geweest, zal ik u over groote aanstellen. — Het
vermogen der Heiligen in den hemel beantwoordt aan
eenieders verdiensten; hoe groot moet dan het vermo-
gen van den H. Jozeph niet zijn! — Jozeph aange-
steld tot bestuurder, schatbewaarder en uitdeeler van
Gods weldaden en genaden. — Jozeph van Egypte, af-
beeldsel van den H. Jozeph. — De H. Theresia. — Onze
Moeder de H. Kerk. — Gerson. — Door de voorspraak
van den H. Jozeph kunnen wij bekomen vergiffenis der
-ocr page 125-
— 121
zonden, troost in de beproevingen en vooruitgang in de
deugden. — De H. Theresia. — Jozeph Patroon van den
goeden dood.
SLUITREDE.
Aangezien het vermogen van den H. Jozeph, laten wij
met betrouwen onze toevlucht tot hem nemen. — Bedan-
ken wij hem, door hem beschermd te zijn geweest. —
Bidden wij hem om steeds door hem beschermd te blijven;
ons land, onze huisgezinnen en onze persoon. — Roepen
wij dikwijls de namen van Jezus, Maria en Jozeph aan
gedurende ons leven, en vooral in het uur van onzen dood.
flehtste Preek.
De Bescherming van den H. Jozeph,
Ite ad Joseph.
Gaat tot Jozeph.           (Gen. xli, 55.)
VOORREDE.
Onder de verschillende landen, B. B., zoo als onder
anderen Bohemen, Hongarie, Oostenrijk, enz., die er hun-
nen roem in stellen den H. Jozeph tot hun bijzonderen
Patroon of beschermer verkozen te hebben, bevindt zich
ook ons land of België. Waarschijnlijk hebben wij die
weldaad aan de H. Theresia te danken. De H. Theresia
verspreidde de godsvrucht tot den H. Jozeph in Spanje,
waarmede destijds onze provinciën vereenigd waren. De
-ocr page 126-
— 122 —
aartshertogin Isabella, Clara, Eugenia bestuurde toen-
maals de Nederlanden; zij was een toonbeeld van gods-
vrucht tot den H. Jozeph. Uit het hof ging die godsvrucht
over tot de hoofdstad; uit de hoofdstad tot andere
steden en dorpen; doch onder alle plaatsen scheen op
eene bijzondere wijze uit de stad Antwerpen, alwaar
ter eere van den H. Jozeph kapellen gebouwd, en door
zijne machtige voorspraak van den beginne af reeds
gunsten en genaden bekomen werden. Ook is het meer
aan de bescherming van den H. Jozeph dan aan de
wapenen der Spanjaarden toe te schrijven, dat België in
de XVI eeuw bevrijd gebleven is van de ketterij, die
zich, helaas! in die ongelukkige tijden meester maakte
van Holland. Hedendaags opnieuw bedreigd, niet door
ééne ketterij, maar om zoo te zeggen door een stroom
van goddeloos- en zedeloosheid, heeft België wederom
de machtige bescherming van den H. Jozeph noodig.
Ja, B. B., \'t is tot dien grooten Heilige, dat wij in
onze ongelukkige dagen onze toevlucht moeten nemen,
\'t Zijn niet alleen onze geestelijke oversten, de Bisschop-
pen, maar tevens onze dierbaarste belangen naar ziel
en lichaam, die er ons toe aanzetten. Geve de goede
God, dat België, door zoo vele en zoo hardnekkige vijan-
den aangevallen, onder die aanvallen niet bezwijke; dat het,
reeds vóór tweehonderd jaren door zijne Bisschoppen,
van den H. Stoel daartoe gemachtigd, onder de bijzon-
dere bescherming van den H. Jozeph gesteld, die bijzon-
dere bescherming ook thans ondervinde. O, B. B., ik
weet wel, van den kant van den H. Jozeph zal er niets
ontbreken, hij zal aan zijne taak niet te kort blijven:
alles zal dus afhangen van ons, namelijk, of wij onze
toevlucht wel tot hem zullen nemen. Ter gelegenheid
van het beschermfeest, dat wij van daag ter eere van
-ocr page 127-
12}
den H. Jozeph vieren, heb ik voorgenomen u eenige
oogenblikken te onderhouden over het vermogen, dat de
H. Jozeph bij God heeft. Het vermogen van den H.
Jozeph bij God, wel ingezien en overwogen, zal ons aan-
zetten, om met betrouwen tot hem te gaan: Iteadjoseph.___
Wij zullen het vermogen van den H. Jozeph bij Cod
beschouwen:
I. In zijnen oorsprong;
II. In zijn uitwerksels.
I.
Er zijn vooral drie zaken, B. B., waardoor wij op />
iemand invloed krijgen. Die drie zaken zijn: achting,
liefde en verplichting. Bijaldien wij achting voor iemand
hebben, daardoor alleen oefent die persoon reeds een
grooten invloed op ons uit; hebben wij daarenboven
liefde voor hem, dan vermag hij nog meer op ons;
hebben wij eindelijk verplichting jegens hem, dan kunnen
wij hem niets meer weigeren. Ziedaar, B. B., wat er
plaats heeft bij ons menschen. Welnu, hetzelfde ongeveer
heeft plaats bij God en zijne Heiligen. God geeft zijnen
Heiligen krediet, Hij laat hen deelen in zijne macht,
naarmate Hij achting, liefde en verplichting voor en jegens
hen heeft. Doch nu vraag ik, voor en jegens welken Hei-
lige, de allerheiligste Maagd Maria alleen uitgenomen,
heeft God meer achting, liefde en verplichting gehad dan
voor en jegens den H. Jozeph ? Voor en jegens niemand.
Die waarheid te bewijzen valt niet moeilijk.
                     —
Vooreerst: God heeft, de allerheiligste Maagd Maria
alleen uitgenomen, voor niemand meer achting gehad dan
voor den H. Jozeph. God wilde dat er op aarde een
afbeeldsel zou zijn van de H, Drievuldigheid in den hemel.
-ocr page 128-
— 124 —
Dat afbeeldsel is de H. Familie, Jezus, Maria en Jozeph.
Maria, de Moeder van Jezus en tegelijkertijd Maagd, is
het afbeelsel van God den Vader, die alleen van eeuwig-
heid zijnen Zoon heeft voortgebracht. God de Zoon,
voor ons mensch geworden, is in persoon tegenwoordig.
Wie nu zal de plaats van God den H. Geest bekleeden ?
De H. Jozeph. Ja, God heeft den H. Jozeph, en hem
alleen, waardig geoordeeld de Bruidegom te wezen van
de gezegendste der vrouwen, van de allerheiligste Maagd
Maria, die gekozen was, de Moeder van zijn eenigen
Zoon te worden Op den H. Jozeph, en op hem alleen»
heeft God zijn oog laten vallen. God heeft den H.
Jozeph dus gesteld vóór een koning David; en David
nochthans was de man naar het hart van God: vóór een
koning Salomon; en Salomon nochtans was de wijste
der koningen: vóór een Joannes den Dooper; en Joannes
de Dooper nochthans was, volgens de verklaring van
Jezus zelven, de grootste der Profeten.
Wij lezen in het Oude Testament, B. B., dat de Oud-
sten van het volk Israëls zekeren dag bij Samuël kwamen
en van hem eischten een koning over hen aan te stellen.
Samuël nam zijne toevlucht tot den Heer. Deze voldeed
aan den eisch van het volk en gebood Samuël den koning
van Israël te zalven. Doch op wien viel de keus van God ?
Wien wilde Hij tot koning over Israël aangesteld? Onder
de stammen van Israël koos God den stam van Benjamin;
onder de familie van den stam van Benjamin, de familie
van Cis; onder de leden van de familie van Cis, Saül; ja,
Saül wordt onder zijne tijdgenooten door God gekozen om
de eerste koning van Israël te wezen. Groote waardigheid
voorzeker, waartoe Saül verheven werd, de koninklijke
waardigheid! Doch ziet, de H. Jozeph is door God
gekozen, niet alleen onder zijne tijdgenooten, maar onder
-ocr page 129-
— 125 —
alle menschen, die er ooit geweest zijn, die er toen waren
en die er ooit zijn zullen. En tot welke waardigheid is
hij verheven? Luistert, B. B., wat de H. Bernardus
daarvan zegt. Die getrouwe en voorzichtige dienaar is
door den Heer gekozen, zegt de H. Bernardus, om de
steun te zijn van zijne Moeder, zijn eigen Voedstervader
en de waardige medewerker in het groot geheim der
Menschwording. Ziedaar de waardigheid, waartoe de X
H. Jozeph en hij alleen verheven is. Zoo dus Maria de
gezegendste der vrouwen is, terecht mag men van den
H. Jozeph zeggen, dat hij de gezegendste der mannen is.
Voor welken Heilige dus, de allerheiligste Maagd Maria
alleen uitgenomen, heeft God meer achting gehad dan
voor den H. Jozeph? Voor niemand.
Heeft God zooveel achting gehad voor den H. Jozeph v
Hij heeft vervolgens niet minder liefde voor hem gehad.
Zien wij dus hoe zeer God den H. Jozeph bemind heeft. ^>
Zekeren dag zeide onze goddelijke Zaligmaker tot ^
zijne Apostelen: Non dicam vos servos, sed amicos: Ik
zal u geen dienaren, maar vrienden noemen. Waarom ?
Wel, een dienaar weet niet, voegt Jezus er bij, wat zijn
meester doet; doch u heb ik bekend gemaakt met al
wat mijn Vader Mij geleerd heeft; ja, u is het gegeven
de geheimen van het rijk der hemelen te kennen: Quia
voois datum est nosse mysteria regni ccelorum.
(i) Zie-
daar, waarom de Apostelen zijne vrienden genoemd
worden en inderdaad ook zijn. Doch nu vraag ik:
Wien op aarde, de allerheiligste Maagd Maria alleen
uitgenomen, heeft God meer zijne geheimen bekend ge-
maakt dan den H. Jozeph ? Niemand. Immers, de H.
Jozeph was, gelijk ik zoo even gezegd heb, de Bruide*
(i) Matth. xiii. il.
-ocr page 130-
— t2è —■
gom van de allerheiligste Maagd Maria, de Voedstervader
van Jezus, de getuige van het groot geheim der Mensch-
wording van Christus.
God heeft dus den H. Jozeph gekozen onder zijne
vrienden. Een onder de twaalf apostelen draagt den
naam van Welbeminde, namelijk, de H. Joannes. De
reden er van is, wijl Jezus hem bijzonder liefhad. De
H. Joannes zelf verhaalt, dat hij het geluk had in het
laatste avondmaal aan het H. Hart van Jezus te rusten.
Doch wien, na de allerheiligste Maagd Maria, is dat geluk
meer te beurt gevallen dan den H. Jozeph? Wij kunnen
nog verder gaan. Welke Engel of Heilige, vraagt de
H. Bazilius, heeft verdient de Vader van den Zoon
Gods genoemd te worden ? Ja, wat meer is, welke Engel
of Heilige heeft verdiend als een Vader door God be-
mind en met kinderlijke liefde bemind te worden ? Geen
Engel of Heilige, B. B., maar de H. Jozeph alleen. God
voorzeker bemint zijne vrienden: Ik bemin, zegt Hij,
degenen, die mij beminnen: Ego diligentes me diligo (i)
Dat is de vriendschapsliefde; maar de kinderliefde, de
liefde, welke een kind zijnen vader en zijne moeder
toedraagt, is meer. Doch die kinderliefde heeft Jezus
Christus alleen gehad voor Maria, zijne Moeder en zijn
Voedstervader, den H. Jozeph. Voor welken Heilige dus,
de allerheiligste Maagd Maria alleen uitgenomen, heeft
God meer liefde gehad dan voor den H. Jozeph ? Voor
niemand. Heeft God achting en liefde gehad voor den
H. Jozeph, Hij heeft jegens hem in zekeren zin ook nog
verplichting.
God wel is waar heeft niemand noodig ; hemel en aarde
met alle schepselen behooren Hem toe; niemand kan
(i) Prov. vm, 17.
-ocr page 131-
God gelukkiger maken dan Hij is, wijl Hij in zich zelvên
oneindig gelukkig is. Bijgevolg, zoo wij alles gedaan
hebben, hetgeen wij moeten doen, dan moeten wij nog
zeggen, gelijk onze goddelijke Zaligmaker zelf geleerd
heeft: servi inutiles sumus: wij zijn onnutte dienstknech-
ten, wij hebben gedaan, hetgeen wij schuldig waren te
doen, qtiod debuimus faccre, fecimus. (i) Niemand dus
kan God eigenlijk verplichten. Doch ziet, er zijn twee
personen, jegens welke de Zoon Gods verplichting heeft
willen aangaan, en die twee personen zijn de allerheiligste
Maagd Maria en de H. Jozeph. Mensch en klein kind ge-
worden, heeft de Zoon Gods door Maria en Jozeph opge-
voed en bewaard willen worden. De H. Jozeph heeft jaren
lang gearbeid, in \'t zweet zijns aanschijns den kost ver-
diend voor Jezus, den Zoon Gods, die aan alles wat ademt
het leven geschonken heeft en bewaart. Ja, wat meer
is, de H. Jozeph heeft het goddelijk Kind van een wis-
sen dood gered. Immers, de koning Herodes, gelijk wij
uit het Evangelie weten, zocht onzen goddelijken Zalig-
maker om het leven te brengen; hij liet een groot ge-
tal onnoozele kinderen van Bethleèm en omstreken ver-
moorden, om het goddelijk Kind zeker te treffen. Door
wien is Jezus gered geworden? Door den H. Jozeph, die
met het Kind en zijne Moeder Maria de vlucht nam
naar Egypte.
Het Oude Testament verhaalt ons, hoe Jozeph, de zoon
van Jacob, de redder werd van Egypte en zijne familie.
De H. Jozeph, de Bruidegom van Maria, werd, door
naar Egypte te vluchten, de redder van Jezus-Christus,
die gekomen was om de gansche wereld te redden en
zalig te maken. Welnu, als een onderdaan zijn koning
(i) Luc. xvn, io.
-ocr page 132-
— *28 —
of diens zoon het leven gered heeft, dan is het fortuin
van dien onderdaan gemaakt, zijn geluk is verzekerd.
Die koning, wil hij dankbaar zijn, kan voorzeker dien
dienaar niets weigeren; en Jezus-Christus, door Jozeph
gered, zou ondankbaar zijn? Hij zou Jozeph, zijn redder,
als deze Hem iets vraagt, kunnen weigeren? Neen, B. B.,
dat is onmogelijk.
De H. Jozeph heeft dus het grootste vermogen bij God,
wij komen het te zien in zijnen oorsprong, wijl er, de
allerheiligste Maagd Maria alleen uitgenomen, geen enkele
Heilige is, voor wien Jezus-Christus meer achting en liefde,
ja, jegens wien Hij zelfs meer verplichting heeft dan voor
en jegens den H. Jozeph. Doch zien wij op de tweede
plaats nog het vermogen van den H. Jozeph in zijn
uitwerksels.
II.
Wie onzer, B.B., zal kunnen zeggen, hoe machtig de
voorspraak van den H. Jozeph is, en hoe ver zij zich
uitstrekt.
Onze goddelijke Zaligmaker heeft eenieder, die naar
behooren bidt, beloofd hem te verhooren. Vraagt, zegt
Jezus, en gij zult verkrijgen: Petite et accipietis (i). Van
de rechtvaardigen, die nog op aarde leven staat er
geschreven, dat God hunnen wil zal doen en hunne
smeekingen zal verhooren: Voluntatem timentium se
faciet et deprecationem eorum exaudiet.
(2) En van de
Heiligen des hemels is gezegd: omdat gij in kleine zaken
getrouw zijt geweest, zal ik u over groote aanstellen:
Quia super pauca faistifidelis stiper multa teconstituam. (3)
Ja, God heeft zijne Heiligen aangesteld, den eenen over
(t) Joan xvi, 24. (a) Ps. Cxliv, 19. (3) Matth. xxv, 23»
-ocr page 133-
— k29 —^
vijf, den anderen over tien steden; en elke Heilige in
den hemel heeft van God de macht ontvangen, om de
menschen hier op aarde in hunne noodwendigheden bij
te staan en te helpen, en die macht beantwoordt aan een
ieders verdiensten. Hoe groot moet dan de macht van
den H. Jozeph in den hemel niet zijn, hij die op aarde
zoo vele en zoo kostbare verdiensten vergaderd heeft!
Zijne macht is om zoo te zeggen onbeperkt. Jezus heeft
den H. Jozeph over gansch zijn rijk aangesteld. Hij
heeft hem aangesteld tot bestuurder van al zijne goederen,
tot schatbewaarder en uitdeeler van al zijne rijkdommen.
Wij vinden daarvan een treffend afbeeldsel in het Oude
Testament, in Jozeph van Egypte. Koning Pharao stelde
Jozeph aan het hoofd van gansch zijn rijk. Ik stel u
aan, sprak Pharao tot Jozeph, den eersten na mij over
geheel Egypte; en terwijl de koning zoo sprak, trok hij
zijn ring van den vinger en stak dien aan den vinger
van Jozeph. Hij deed hem de kostbaarste kleederen
aantrekken, hing hem een gouden keten aan den hals
en liet de gansche stad door, een heraut uitroepen, dat
allen Jozeph voor bestuurder van gansch Egypte moesten
erkennen Welk eene macht als die van Jozeph van
Egypte! Welnu, B. B., zij is een afbeeldsel van de
macht, welke de H. Jozeph uitoefent in den hemel. Hij
ook is over het rijk Gods, de H. Kerk, aangesteld; ja,
hij beschikt nog over de schatten van een ander rijk,
namelijk, over die van het rijk der hemelen ten onzen
voordeele. De H. Theresia — en gelooft het vrij, B. B.,
want zij had er ondervinding van — de H. Theresia
bevestigt die waarheid. Onze Moeder de H. Kerk levert
er ons ook het doorslaande bewijs van: Dat de H.
Jozeph door zijne verdiensteti ons te kuip kome,
zoo bidt
onze Moeder de H. Kerk,
om door zijne voorspraak te
9.
-ocr page 134-
— T3Ó —
bekomen, hetgeen wij door ons zelven onmogelijk zouden
kunnen bekomen.
Te recht zegt dus de vrome Gerson,
dat de gebeden van den H. Jozeph, evenals die van de
allerheiligste Maagd Maria, veeleer bevelen zijn dan ge-
beden. Geen wonder dus dat de menschen zoo dikwijls
hunne toevlucht nemen tot den H. Jozeph en door hem
verhoord worden. Wat al weldaden en genaden hebben
wij door zijne machtige voorspraak niet bekomen! Ik
wil nu niet spreken over de talrijke mirakelen, die de
H. Jozeph gedaan, de zichtbare bescherming, welke hij
den landen, die hem tot bij zonderen Patroon gekozen
hebben, verleend heeft; wellicht heeft ook ons land aan
zijne bescherming te danken, dat het tot nu toe aan zoo
vele en zoo groote gevaren ontsnapt is. Ik wil hier alleen
spreken van de genaden, welke hij aan zijne trouwe
dienaren verleent. De mensch, B. B., bevindt zich of in
staat van doodzonde, of in staat van beproeving, of wel
in staat van vooruitgang. Welnu, een aantal voorbeelden
leert ons, hoe krachtig de godsvrucht tot den H. Jozeph
is, om vergiffenis te bekomen van de zonden. Ziehier
een voorbeeld onder eene menigte uitgekozen. Eene
jonge persoon had het ongeluk, eene groote en schandelijke
zonde te bedrijven. Weldra voegde zij er nog twee
groote zonden van heiligschennis bij, eene slechte biecht
en een onwaardige communie. Door de knaging van haar
geweten gefolterd en bang, in dien ongelukkigen staat te
sterven, kon zij toch niet besluiten, hare zonden te biechten.
Eindelijk komt zij op de gedachte, hare toevlucht te
nemen tot den H. Jozeph. Zij deed ter eere van den
H. Jozeph eene novene, en met welk gevolg ? Met het
gevolg, dat die persoon zich oprecht bekeerde en de
vrede terug kwam. Een andere persoon werd geruimen
tijd op de proef gesteld door slechte gedachten en beko*
-ocr page 135-
- nt -
ringen, die haar schier aanhoudend bestormden; zij nant
hare toevlucht tot hetzelfde middel, deed ook eene novene
ter eere van den H. Jozeph en werd ook verhoord. De
H. Theresia verzekert ons, dat zij niemand gekend heeft,
die eene ware godsvrucht tot den H. Jozeph gehad heeft,
of hij heeft snelle vorderingen gemaakt in de deugd.
De H. Jozeph, B. B., is ook nog de Patroon van den
goeden dood. In de stad Valence woonde een koopman,
die gewoon was jaarlijks met Kerstmis een arme vrouw
met haar klein kind en een ouden man aan zijne tafel
uit te noodigen, om zich de H. Familie voor te stellen.
Wat gebeurde er? Toen die koopman ging sterven,
verscheen hem de H. Jozeph om zijne ziel te ontvangen
en haar te vergezellen naar den hemel.
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., hoe groot het vermogen
van den H. Jozeph bij God is. Laten wij nu, ter gelegen-
heid van het beschermfeest van den H. Jozeph, met een
kinderlijk betrouwen onze toevlucht tot hem nemen.
Bedanken wij hem op de eerste plaats voor de bescher-
ming, welke hij ons tot hiertoe verleend heeft. Bidden
wij hem dat hij zich gewaardige voort te gaan met te
beschermen ons land, onze huisgezinnen en onzen per-
soon : ons land, dat er toch een einde kome aan de
ketterijen en slechte leeringen, waarin de waarheden van
onzen heiligen godsdienst worden aangerand en bestreden;
dat er een einde kome aan de godslasteringen en slechte
voorbeelden, waardoor alles wat heilig en deugdzaam is
wordt bespot en geschonden; in een woord, dat de
stroom van goddeloos- en zedeloosheid, die ons land
dreigt te overweldigen en te verwoesten, tegengehouden
worde: onze huisgezinnen, dat in onze huisgezinnen de
-ocr page 136-
- t3i —
geest van het huisgezin van Nazareth heersche; dat de
vader evenals de H. Jozeph een voorbeeld zij van vader-
lijke waakzaamheid; dat de moeder evenals Maria een
voorbeeld zij van moederlijke zorgvuldigheid, en dat de
kinderen evenals het goddelijk Kind een voorbeeld zijn
van gehoorzaamheid en kinderlijke liefde. Ziedaar het
voorbeeld der christelijke huisgezinnen, het huisgezin van
Nazareth, waarin liefde, vrede en eendracht heersenen.
Bidden wij den H. Jozeph, dat het in onze huisgezinnen
ook zoo ga. Eindelijk, bidden wij den H. Jozeph, dat
hij bescherme onzen persoon; dat wij, door hem beschermd,
bewaard blijven voor de zonde, en dat wij hem navolgen
in zijne deugden. Roepen wij te dien einde met de
namen van Jezus en Maria ook den naam van den
H. Jozeph dikwijls aan tijdens ons leven, doch vooral
in het uur van onzen dood. Ja, B. B., zeggen wij dikwijls
met een kinderlijk betrouwen: Jezus, Maria en Jozeph
staat ons bij: wij zullen heilig leven, en eenmaal, \'t is
te hopen, zullen wij een zaligen dood sterven en voor
eeuwig met Jezus, Maria en Jozeph gelukkig zijn in den
hemel. Amen.
v
-ocr page 137-
Regende Preek.
De Hemelvaart van Christus.
Dominus quidem Jesus,postquam locutus
est eis, assumplus est in caelum, et sedet a
dextris Dei.
De Heer Jezus, na tot hen gesproken te
hebben, werd opgenomen in den hemel\'
en is gezeten aan de rechterhand Gods.
(Mare. XVI, 19.)
INHOUD.
VOORREDE
Jezus is verrezen den derden dag na zijnen dood. —
Den veertigsten dag na zijne verrijzenis is Hij ten hemel
geklommen. — Evangelie van den dag.
VERDEELING.
I. De dag der Hemelvaart van Christus is een glo-
rierijke dag voor Hem;
II. De dag der Hemelvaart van Christus is een troost-
rijke dag voor ons;
III. De dag der Hemelvaart van Christus is een leer-
rijke dag voor ons.
-ocr page 138-
- 134 —
I.
De dag der Hemelvaart van Christus is een glorierijke
dag voor Hem. — Jezus heeft zich vernederd beneden
alle schepselen door mensch te worden, te lijden en te
sterven aan het kruis. — Jezus wordt verheven boven
alle schepselen door ten hemel te klimmen zonder iemands
hulp, door zijn eigene macht. — Jezus klimt ten hemel,
vergezeld door de zielen der Aartsvaders en eene menigte
Engelen; Hij zet zich neder aan de rechterhand Gods
zijns Vaders en wordt aanbeden door Engelen en Heiligen.
II.
De dag der Hemelvaart van Christus is een troostrijke
dag voor ons. — Jezus heeft ons dien dag in onze rechten
hersteld, den hemel voor ons heropend, de zielen der
Aartsvaders reeds binnengeleid en er ons eene plaats in
bereid. — De mensch van natuur wenscht gelukkig te
zijn. — Het geluk op aarde is onvolmaakt, het geluk in
den hemel is volmaakt: het geluk op aarde is onvolledig,
het geluk in den hemel is volledig: het geluk op aarde
is onbestendig, het geluk in den hemel is bestendig.
III.
De dag der Hemelvaart van Christus is een leerrijke
dag voor ons. — De Hemelvaart van Jezus leert ons dat
wij moeten lijden en strijden. — Lijden: woorden van
Jezus tot de leerlingen van Emmaüs.— Strijden: woorden
der Engelen tot elkander bij de Hemelvaart van Christus.
— Wij moeten strijden tegen den duivel, de wereld en
het vleesch, en na hen overwonnen te hebben zullen onze
zielen, vergezeld door hunne Engelenbewaarders, eenmaal
den hemel binnengaan.
-ocr page 139-
- 135 -
SLUITREDE.
De dag der Hemelvaart van Christus is een glorierijke
dag voor Hem. Waarom? De dag der Hemelvaart van
Christus is een troostrijke dag voor ons. Waarom? De
dag der Hemelvaart van Christus is een leerrijke dag
voor ons. Waarom? — Het lijden van dezen tijd betee-
kent niets in vergelijking der toekomende glorie. — Wij
moeten lijden met Christus, willen wij met Hem verheerlijkt
worden. — Niemand zal gekroond worden, tenzij Hij
wettig gestreden heeft.
fiegende Preek.
De Hemelvaart van Christus.
Dominns quidem jfesus, postquam locutns
est eis assumptus est in coelwn, et sedet a
dextris Dei.
De Heer Jezus, na tot hen gesproken te
hebben, werd opgenomen in den hemel, en
is gezeten aan de rechterhand Gods.
(Mare. XVI, 19.)
VOORREDE.
Onze goddelijke Zaligmaker, B. B., na voor ons geleden
te hebben en gestorven te zijn, is den derden dag ver-
rezen van den dood, d. w. z., dat Hij zijne ziel weder-
om heeft vereenigd met zijn lichaam en overwinnaar des
doods, levend uit het graf is opgestaan. Nochtans, na
verrezen te zijn, is Jezus niet terstond ten hemel geklom-
-ocr page 140-
- 136 -
men. Neen, veertig dagen is Hij nog op aarde verbleven,
en gedurende die veertig dagen verscheen Hij van tijd
tot tijd aan zijne leerlingen, onder anderen, om hen te
troosten, te onderrichten en in het geloof te sterken.
Den veertigsten dag klom onze goddelijke Zaligmaker
ten aanzien van eene talrijke menigte ten hemel. Het
Evangelie van dezen dag verhaalt ons de Hemelvaart
van Christus op de volgende wijze:
„Terwijl de elf leerlingen aan tafel zaten — zoo verhaalt
„de Evangelist Marcus — verscheen hun Jezus en Hij
„berispte hunne ongeloovigheid en hardheid des harten,
„omdat zij hun, die Hem verrezen gezien hadden, niet
„hadden geloofd. En hij sprak tot hen: Gaat in de
„geheele wereld en predikt het Evangelie aan alle schep-
selen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal
„zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben, zal
„veroordeeld worden. En deze teekenen zullen hen vol-
„gen, die geloofd zullen hebben: in mijnen naam zullen
„zij booze geesten uitwerpen; nieuwe talen zullen zij spre-
. „ken; slangen zullen zij opnemen, en hebben zij iets doode-
„lijks gedronken, het zal hun niet schaden; aan kranken
„zullen zij de handen opleggen, en zij zullen gezond worden.
„En de Heer Jezus, na tot hen gesproken te hebben,
„werd opgenomen in den hemel, en is gezeten aan de
„rechterhand Gods, En zij, uitgegaan zijnde, predikten
„overal, terwijl de Heer medewerkte, en het woord be-
vestigde, door de teekenen, die daarop volgden."
De dag der Hemelvaart van Christus, B. B., waarvan
wij heden de gedachtenis vieren, is:
I. Een glorierijke dag voor Hem;
II. Een troostrijke dag voor ons
III. Een leerrijke dag voor ons.
-ocr page 141-
137 —
I.
De dag der Hemelvaart van Christus is vooreerst een
glorierijke dag voor Hem; ja, hij is voor Jezus de dag
van glorie bij uitstek. Waarom ? Omdat onze goddelijke
Zaligmaker, na zich beneden alle schepselen vernederd
te hebben, den dag zijner Hemelvaart boven alle schep-
selen verheven wordt.
De Zoon Gods, B. B., heeft zich vernederd, diep ver-
nederd; Hij heeft zich als vernietigd, zegt de Apostel
Paulus, door de gedaante van een slaaf aan te nemen:
Semetipsum exinanivit formam servi accipiens. (i) En
inderdaad: de Zoon Gods daalt uit den hemel neder,
Hij neemt de menschelijke natuur aan, wordt mensch en
komt te Bethleëm in eenen stal ter wereld. De Zoon
Gods leidt een arm en verborgen leven tot den ouderdom
van omtrent dertig jaren, als Hij begonnen is te prediken.
Tijdens zijn openbaar leven wordt Hij vervolgd en gelas-
terd, Hij wordt gevangen genomen en valsch beschuldigd,
Hij wordt gegeeseld en met doornen gekroond, Hij wordt
ter dood veroordeeld en sterft tusschen twee booswich- •
ten, als ware Hij de grootste der booswichten, den
schande- en pijnlijksten dood, den dood des kruises.
Welnu, die Zoon Gods, na zich beneden alle schepselen
vernederd te hebben, wordt op den dag zijner Hemel-
vaart verheven boven alle schepselen.
Immers, den dag zijner Hemelvaart klimt onze godde-
lijke Zaligmaker, zonder iemands hulp, door zijn eigene
macht, in triomf ten hemel. Buiten de zielen der Aarts-
vaders en overige Heiligen, die zich in het voorgeborgte
der hel bevonden, en aan welke de ziel van Jezus onmid-
(i) Ph. n, 7.
-ocr page 142-
- i38-
dellijk na zijnen dood een bezoek bracht, buiten die
zielen was onze goddelijke Zaligmaker omgeven van een
ontelbare menigte Engelen, die uit den hemel nederge-
daald, hunnen Koning waren te gemoet gesneld. Met
die ontelbare menigte heilige zielen en Engelen vaart
Jezus in triomf ten hemel. Hij doorklieft de onmeetbare
ruimte, welke den hemel van de aarde scheidt, met een
ongeloofelijke snelheid; Hij nadert steeds meer en meer
de poorten des hemels, dringt immer door, verheft zich
boven de Engelen en Aartsengelen, boven de Cherubijnen
en Serafijnen, boven de Machten en Tronen en houdt
niet op zich te verheffen, alvorens tot aan den troon van
God gekomen te zijn. Daar ontvangt God de hemelsche
Vader Jezus-Christus zijn eenigen Zoon, en doet Hem
aan zijne rechterhand plaats nemen. Jezus, aan de rech-
terhand van God zijn hemelschen Vader gezeten en
verheven boven alle schepselen, ontvangt terstond de
eer en glorie, die Hem toekomt. De hemelgewelven
weergalmen van het driewerf Heilig! Heilig! Heilig!
Sancties! Sanctus! Sancties! Engelen en Heiligen, allen
werpen zich voor Jezus neder en aanbidden Hem. Zie-
daar, B. B, hoe onze goddelijke Zaligmaker den dag
zijner Hemelvaart boven alle schepselen verheven wordt,
en bijgevolg, hoe de dag zijner Hemelvaart een glorierijke
dag voor Jezus, ja, de dag van glorie bij uitstek voor
Hem is. Doch de dag van de Hemelvaart van Christus
is niet alleen een glorierijke dag voor onzen goddelijken
Zaligmaker, hij is ook een troost- en leerrijke dag voor
ons Christenen.
II.
De dag der Hemelvaart van Christus is vooreerst een
troostrijke dag voor ons Christenen,
-ocr page 143-
— 139 —
Immers, den dag zijner Hemelvaart heeft Jezus den
mensch volkomen in zijne rechten hersteld; Hij heeft de
poorten des hemels voor hem heropend en hem eene
plaats in zijn rijk bereid. De mensch wel is waar was
geschapen voor den hemel, om daar met de Engelen
zijnen Heer en God van aanschijn tot aanschijn te aan-
schouwen en voor eeuwig een ongestoord geluk te genieten.
Doch, helaas! door de zonde verloor de mensch het
recht op den hemel; nooit of nimmer zou hij zijn eeuwige
bestemming bereiken; nooit of nimmer zou hij in den
hemel komen. En ziet! den dag van Jezus\' Hemelvaart
klimt de mensch reeds ten hemel; hij neemt er bezit
van, wijl Jezus niet alleen God, maar God en mensch
te zamen is. Daarenboven, Jezus klimt niet alléén ten
hemel, maar hij voert met zich eene menigte heilige
zielen, om met Hem het geluk des hemels te deelen.
Den dag zijner Hemelvaart heeft Jezus dus de poorten
des hemels voor den mensch heropend, poorten, tot dan
toe door de zonde gesloten, zoodat geen enkele ziel,
hoe heilig ook, vóór de Hemelvaart van Jezus den hemel
was binnengegaan. Den dag zijner Hemelvaart heeft
Jezus den mensch eene plaats bereid in den hemel. Vado
parare vobis locum;
(i) zoo sprak Jezus eertijds tot
zijne Apostelen: Ik ga u eene plaats bereiden.
Welnu, Jezus door zijn lijden en dood, door zijne
verrijzenis en hemelvaart heeft ons Christenen ook in
onze rechten hersteld. Als broeders en zusters van Jezus-
Christus den Zoon Gods, zijn wij zijne medeerfgenamen,
en als medeerfgenamen van Jezus-Christus, zijn wij de
erfgenamen van God, zijn hemelschen Vader: Haeredes
quidem Dei, cohaeredes autem fhristi.
(2) Jezus heeft ook
(1) Joan xiv, 2. (2) Rom. vin, 17.
-ocr page 144-
— 140
voor ons de poorten des hemels, die wij, helaas! door
onze zonden zoo dikwijls gesloten hadden, heropend. In
den hemel heeft Jezus ook voor ons Christenen eene
plaats bereid, om onder de Engelen en Heiligen voor
eeuwig gelukkig te zijn. Welk een troost voor ons, B. B.,
terwijl wij hier op aarde in dit tranendal nog als ballingen
verkeeren! Welk een troost, het blijde vooruitzicht op
ons eeuwig geluk in den hemel! De mensch van natuurs-
wege verlangt gelukkig te zijn reeds hier op aarde, en
daarvoor is hem niets te veel. Doch wat beteekent, ik
vraag het u, het geluk hier op aarde, vergeleken bij het
geluk in den hemel? Het geluk hier op aarde is een
onvolmaakt geluk. Neemt den gelukkigste hier op aarde;
hij is niet vrij van kruisen en wederwaardigheden, van
kwellingen en verdriet. Nu eens wordt hij in zijne ziel,
dan wederom in zijn lichaam op de gevoeligste wijze
getroffen. Weet gij wel, wie de gelukkigste mensch hier
op aarde is ? De gelukkigste mensch hier op aarde is de
mensch, die het minst ongelukkig is. Het geluk in den
hemel daarentegen is een volmaakt geluk. De gelukza-
ligen des hemels zullen niets te lijden hebben. God, zegt
de H. Schrift, zal hunne tranen afdrogen: Absterget Deus
otnnetn lacrymam ab oculis eorum.
(i) Er zullen geene
kruisen of wederwaardigheden, geene kwellingen of ver-
driet, geene ziels- of lichaamssmarten meer zijn. Waarom
niet ? Dat alles is voorbij, voegt de H. Schrift er bij:
Quoniam prima abierimt.
Het geluk hier op aarde is een onvolledig geluk, het
laat altoos iets te wenschen over. Is iemand rijk, hij
staat niet hoog genoeg in aanzien. Staat hij hoog in
aanzien, hij heeft te veel kommer en zorg. Geniet hij
(i) Ap. xxi, 4.
-ocr page 145-
~ 141 -.
de vermaken der wereld, hij verliest den vrede des gewe-
tens, vrede, die, alhoewel geen volledig, dan toch nog
een waar geluk, eene ware voldoening kan geven. Het
geluk in den hemel daarentegen is een volledig geluk,
niets ontbreekt er aan, want in den hemel zullen wij
bezitten, al wat wij verlangen en wenschen kunnen.
Gezeten op zooveel glorietronen, als overstroomd van
de zuiverste geneugten, inwendig in den geest gansch
verlicht en bekend met de verhevenste waarheden, uit-
wendig in het lichaam door majesteit en heerlijkheid om-
geven, terwijl wij zullen bezitten al wat het kostbaarste
is, zullen beminnen al wat het beminnenswaardigste is,
zullen wij daarenboven genieten al wat ons verstand kan
bevredigen, al wat ons lichaam kan sieren, al wat ons hart
kan verrukken. Waarom? Wijl wij God zullen zien, wijl
wij God zullen beminnen, wijl wij God zullen genieten,
God, die de fontein onzer zaligheid en ons opperste
goed is.
Het geluk hier op aarde is een onbestendig geluk.
Immers, er gaat geen dag voorbij, of men loopt gevaar,
ongelukkig te worden; en iets wat zeker is, dat is, dat
de dood ons weldra van alles, wat hier op aarde ons
geluk uitmaakt, zal berooven. En wat blijft den mensch
zelfs den gelukkigsten hier op aarde na den dood over?
Er blijft hem niets over dan een graf, het kille graf.
Het geluk in den hemel daarentegen is een bestendig
geluk. Ha! B. B., aan het geluk des hemels komt geen
einde: de jaren en eeuwen kunnen voorbijgaan, de wereld
kan eindigen, het geluk, dat de Heiligen des hemels
genieten, kan niet voorbijgaan, kan niet eindigen; \'t zal
zoo lang duren als God zal bestaan, en wijl God eeuwig,
zonder einde zal bestaan, daarom zullen de Heiligen des
hemels in en met God eeuwig, zonder einde gelukkig zijn.
-ocr page 146-
— 142 —
Ziedaar, B. B., het geluk des hemels. Welk een troost
voor ons, wijl wij dat geluk eenmaal zullen deelachtig
worden! Doch, wat moeten wij doen om dat geluk deel-
achtig te worden ? \'t Is de Hemelvaart van Christus, die
ons zulks leert, en vandaar dat de dag der Hemelvaart
van Christus ook nog een leerrijke dag voor ons is.
III.
Wat leert ons dus de Hemelvaart van Christus? De
Hemelvaart van Christus leert ons, dat wij moeten lijden
en strijden, om eenmaal in den hemel te komen. God,
B. B., heeft niet gezegd: Gij moet rijk zijn om in den
hemel te komen; de arme zou kunnen antwoorden: De
fortuin heeft mij niet begunstigd; onmogelijk dus voor
mij om in den hemel te komen. God heeft niet gezegd:
Gij moet veel verstand hebben en geleerd zijn, om in
den hemel te komen; menigeen zou zich kunnen ver-
schoonen en zeggen: Ik heb maar weinig verstand, dus
is mij de zaligheid onmogelijk ; maar God heeft gezegd:
Gij moet lijden en strijden om in den hemel te komen,
en lijden en strijden kan eenieder. Daarenboven, onze
goddelijke Zaligmaker heeft er ons het voorbeeld van
gegeven. Kort na zijne verrijzenis verscheen Jezus aan
twee zijner leerlingen, die naar Emmaüs gingen en onder
elkander spraken over hetgeen er gebeurd was. En terwijl
zij in gesprek waren en elkander vragen deden, haalde
Jezus hen in en ging met hen; doch die twee leerlingen
herkenden Hem niet. Jezus vroeg hen: Waarover handelt
gij, en waarom zijt gij droevig? En de eene, Cleophas
genaamd, antwoordde: Zijt gij alleen in Jeruzalem als
vreemdeling, en weet gij niet wat daar deze dagen ge-
beurd is? — Wat? vroeg Hij. En zij zeiden: Wat gebeurd
is met Jezus den Nazarener, die een Profeet was, machtig
-ocr page 147-
i4 -
in werk en woord, voor God en al het volk. En hoe
onze Opperpriesters en Oversten Hem ter doodstraf over-
geleverd en gekruisigd hebben. En wat antwoordde Jezus:
O, gij onverstandigen en tragen van harte, om aan alles
te gelooven wat de Profeten gesproken hebben! Moest
de Christus dat eerst niet lijden: Nonne haec oportuit
pati Christum, et ita int rare in gloriam suatn,
(i) en
zoo zijne glorie ingaan? Ziedaar dus wat Jezus heeft
moeten doen. Hij heeft eerst moeten lijden, gelijk Hij
zelf verklaart, en door te lijden zijne glorie moeten ingaan.
En wijl Jezus, onze goddelijke Zaligmaker, heeft moeten
lijden, waarom zouden wij dan, die zijne leerlingen zijn,
niet moeten lijden? Is de leerling beter dan de meester?
Bijgevolg, gij ziet het, B. B., de weg des lijdens is de
weg, die naar den hemel leidt. Valt het ons hard en
lastig den weg des lijdens te bewandelen, o, dan moeten
wij al eens onze oogen ten hemel slaan en denken, dat
na een kortstondig lijden hier op aarde een verblijden
volgt in den hemel, dat eeuwig zal duren. Wij moeten
dus vooreerst lijden. Vervolgens moeten wij strijden.
Om in den hemel te komen, moeten wij strijden, en
dat evenzeer naar het voorbeeld van Jezus. Luistert, B. B.,
hoe de Profeet David de Hemelvaart van onzen godde-
lijken Zaligmaker beschrijft. Toen Jezus, door Engelen
omgeven, ten hemel klom, ziet! zoodra de Engelen, die
voorop gingen en, om zoo te zeggen, den stoet openden;
zoodra die Engelen de poorten des hemels naderden,
riepen zij de Engelen, die in den hemel waren, toe:
Attollite portas principes vestras: Prinsen des hemels,
opent uwe poorten, et elevamini portae aeternales, en
ontsluit u, eeuwige poorten, en de Koning der glorie zal
(i) Luc. xxiv, 26.
-ocr page 148-
— 144 -
binnengaan, et introibit rex gloriae. Wat gebeurde er1
op het geroep en de uitnoodiging dier Engelen? Deden
de Engelen, die in den hemel waren, onmiddellijk open ?
Neen, B B., maar die Engelen riepen en vroegen: Quis
est iste rex gloriae?
Wie is die Koning der glorie? En
de Engelen die Jezus vergezelden, antwoordden : De sterke
en machtige Heer, de Heer machtig in den strijd: Do-
minus fortis et potens, Dominus potens in praelio,
die
is de Koning der glorie, iste est Rex gloriae. (i) En
zoodra de Engelen, die in den hemel waren, dat antwoord
ontvangen hadden, toen, ja toen deden zij terstond de
poorten des hemels open, en Jezus, de overwinnaar in
den strijd deed vergezeld door Engelen en Heiligen in
triomf zijn intrede in den hemel. Doch wat beteekenen
die vraag en dat antwoord der Engelen ? Voorzeker niets
anders dan dat, alwie den hemel wil binnengaan, zal
moeten gestreden en overwonnen hebben. Ja, B. B., wij
moeten strijden, strijden tegen de vijanden onzer zaligheid,
tegen den duivel, de wereld en het vleesch. Wij moeten
in den strijd overwinnen: overwinnen den duivel, die al
zijne krachten inspant, om ons ongelukkig te maken;
overwinnen de wereld, d. i., de bedorvene wereld, die alle
middelen aanwendt, zoo als schatten en rijkdommen,
grootheid en pracht, vermaken en pleizieren, om ons tot
zonde te brengen; overwinnen het vleesch, d. i., de be-
dorvene natuur, die in ons woont, en door hare harts-
tochten ons immer aanzet tot het kwaad. En bijaldien wij
wettig gestreden en overwonnen zullen hebben, dan zullen
wij bij den dood overwinnaars uit den strijd wederkeeren;
onze zielen, vergezeld door hunne Engelenbewaarders,
zullen zich aan de poorten des hemels aanbieden; die
(i) Ps. xxm, 7 etc.
-ocr page 149-
— 145 —
poorten zullen zich wijd en breed openen, de hemel zal
al zijne pracht ten toon spreiden, en onze zielen zullen
in triomf hunne intrede doen in den hemel om daar voor
eeuwig gelukkig te zijn.
SLUITREDE.
De dag der Hemelvaart van Christus is een glorierijke
dag, hij is de dag van glorie bij uitstek voor Hem, wijl
Christus na zich eerst beneden alle schepselen vernederd
te hebben, op dien dag boven alle schepselen verheven
is. De dag der Hemelvaart van Christus is een troost-
rijke dag voor ons, wijl Christus ons dien dag volkomen
in onze rechten hersteld, den hemel voor ons heropend
en er ons eene plaats in bereid heeft.
De dag der Hemelvaart van Christus is eindelijk een
leerrijke dag voor ons, wijl hij ons leert wat wij moeten
doen om in den hemel te komen, namelijk, dat wij moe-
ten lijden en strijden. Vergeten wij deze laatste waarheid
nimmer, en om ons aan te sporen om met geduld te
lijden, al is het ook dat het lijden zwaar en lastig valt,
herinneren wij ons hetgeen de Apostel Paulus zegt, name-
lijk, dat het lijden van dit kortstondige leven niets is in
vergelijking van de glorie, die wij eenmaal zullen deel-
achtig worden: Non simt condignae passiones hujus tem-
poris ad futuram gloriam, quae revelabitur in nobis.
(i)
Dat Jezus onze aanvoerder, ook eerst heeft moeten lijden,
alvorens zijne glorie in te gaan: Nonne haec oportuit
pad Christum et ita intrare in gloriam suam ?
(2) Dat
wij, evenals de Heiligen, met Jezus moeten lijden, willen
wij eenmaal met Hem verheerlijkt worden: Si tarnen
compatimnr, ut et conglorificemur.
(3) Wij moeten strijden,
(1) Rom. vin, 18. (2) Luc. XXIV, 36. (3) Rom. vin, 17.
10,
-ocr page 150-
— t4é —
en om ons tot den heeten strijd tegen de vijanden Onzer
zaligheid tot het einde toe aan te wakkeren, herinneren
wij ons hetgeen dezelfde Apostel Paulus zegt, namelijk,
dat. niemand zal gekroond worden, tenzij hij wettig
gestreden heeft: Non coronabitur, nisi legitime certa-
verit.
(i) Dat Jezus onze aanvoerder ook eerst heeft moeten
strijden en overwinnen, alvorens gekroond te worden, en
dat wij evenals de Heiligen met Jezus moeten strijden
tegen de vijanden onzer zaligheid, den duivel, de wereld
en het vleesch, en hen moeten overwinnen, om eenmaal
daar boven voor eeuwig in gezelschap der Engelen en
Heiligen te mogen leven en regeeren met Jezus-Christus,
den Godmensch, die na zijne Hemelvaart in den hemel
met God zijn hemelschen Vader in de eenheid des H. Gees-
tes leeft en regeert gedurende de eeuwen der eeuwen.
Amen.
(i) il Tim. n, 5.
-ocr page 151-
Tiende Preek.
Pinksteren.
Virgam virtutis tuce emittet Dominus
ex Sion: dominare in medio inimicorum
tuorum.
De Heer zal den schepter uwer macht
van Sion doen uitgaan: gij zult temidden
uwer vijanden heerschen. (Ps. CIX, 2.)
INHOUD.
.VOORREDE.
Voorzegging van den Profeet David aangaande den
Messias: De Heer heeft tot mijnen Heer gezegd; aan-
gaande de Kerk: vooreerst, wat haar ontstaan betreft:
De Heer zal den schepter uwer macht van Sion doen
uitgaan; vervolgens, wat haar voortbestaan aangaat: Gij
zult te midden uwer vijanden heerschen.
VERDEELING.
I. Het ontstaan der Kerk;
II. Het voortbestaan der Kerk.
I.
De Kerk is het werk van God, hetgeen blijkt uit haar
ontstaan* — Wat is de Kerk ? — Voor achttien eeuwen
-ocr page 152-
— 148 —
Verscheen er een Man, Jezus van Nazareth. — Na dertig
jaren verborgen geleefd te hebben, treedt Hij op en ver-
kondigt eene nieuwe leering. — Hij kiest twaalf leerlin-
gen. — Jezus kiest de leerlingen, niet de leerlingen den
Meester. — Hij kiest twaalf arme visschers, Hij onder-
richt hen en wijst hun op de gansche wereld. — Wie
zendt ? wie wordt gezonden ? naar wie ? tot wat einde ? —
Petrus aan het hoofd der Apostelen en geloovigen. — De
Apostelen verdeden onder elkander den ganschen aard-
bodem en beginnen terstond te prediken. — Gedaante-
verandering der wereld. — Wonder. — De H. Thomas
in de Indien; de andere Apostelen op andere plaatsen.
Hunne stem is de gansche wereld doorgedrongen. —
Hoe leggen de Apostelen het aan om de menschen te
bekeeren ? — Welke is hunne geloofs-, welke hunne
zedenleer ? — Waren de Heidenen hunne afgoden moede ?
— Welke middelen gebruiken de Apostelen ? Kunnen zij
beschikken over soldaten en legers, evenals Mahomet?
Prikkelen zij de hebzucht en den hoogmoed dergrooten,
evenals Luther en Calvien? Kunnen zij beschikken over
goud en zilver, over eereposten, evenals Henricus VIII ? —
Hun wapen is het woord Gods. — Zij voorzeggen ver-
volging en lijden, zij zelven sterven den marteldood. En
toch, de Apostelen zijn geslaagd, zij zijn veroveraars op
het geloofs- en zedengebied. —■ Feit, gebeurtenis. — De
H. Augustinus. — De Apostelen zijn geslaagd, of wel
door mirakelen te doen, of wel zonder mirakelen te
doen. — Besluit.
II.
De Kerk is het werk van God, hetgeen blijkt uit haaf
voortbestaan. — Wat heeft de Kerk niet beleefd? —Zij
staat pal, niettegenstaande den strijd en de vervolgingen. —
-ocr page 153-
149 ~
Uitwendige vijanden: Joden en Heidenen: drie eeuwen
van martelaarschap. Het bloed der Martelaren was het
zaad van nieuwe Christenen. — Constantijn de Groote,
beschermer der H. Kerk. — Inwendige vijanden: Ketters
en Scheurmakers: Arius, Constantius, zoon van Constantijn,
Juliaan de Apostaat, Valens, andere koningen en keizers
beschermen andere ketterijen. — De Kerk moet elk punt
harer leering verdedigen. — Elke eeuw heeft hare stor-
men : de Barbaren, de Turken, de Protestanten, de
Scheurmakers enz. — Rusland en het Oosten scheuren
zich van de Kerk los. — De Kerk zegepraalt; zij wint
elders dubbel terug, hetgeen zij op de een of andere
plaats verliest. — De Missionarissen in de beide Indien
en America\'s. — De fransche revolutie. — De Kerk, niet-
tegenstaande den strijd en de vervolgingen, blijft voort-
bestaan. — De vinger Gods. — Voorzegging van Christus
volbracht: Ik ben met u, enz.: Gij zijt Petrus, enz.
SLUITREDE.
Hedendaagsche vijanden der H. Kerk: vrijmetselaars,
vrijdenkers, socialisten, liberalen, katholiek-liberalen, enz.
— Hoe moeten wij ons gedragen ? Luisteren naar de
Oversten der H. Kerk, die gezonden zijn en met kennis van
zaken spreken. — Weest op uwe hoede voor de vijanden
der H. Kerk; weest trouwe kinderen, desnoods dappere
soldaten om uwe Moeder, de H. Kerk, te verdedigen. —
Wacht u, de vijanden der Kerk in de hoogte te beuren,
voor te staan, in staat te stellen, de Kerk te kunnen
vervolgen door hen te kiezen: in geweten mag men geene
vijanden der H. Kerk kiezen, niet eens verlangen dat zij
aan de regeering komen. — Luisteren wij dus naar de
Oversten der H, Kerk, en vluchten wij den omgang met
-ocr page 154-
— 150 -
hare vijanden; zoodoende zullen wij trouwe kinderen van
de strijdende Kerk zijn en blijven hier op aarde, en
eenmaal leden worden van de zegepralende Kerk in den
hemel,
Tiende Preek.
Pinksteren.
Virgam virtutis tnae emittet Domimts ex
Sion : dominare in medio inimicorum tuorum.
De Heer zal den schepter uwer macht
van Sion doen uitgaan: gij zult te midden
uwer vijanden heerschen. (Ps. Cix, 2,)
VOORREDE.
Deze schoone woorden, B. B., bij den koninklijken
Profeet ontleend, worden op onzen goddelijken Zaligma-
ker toegepast: en te recht. David, die onzen goddelijken
Zaligmaker voor zijnen Heer erkent, wijl Hij de Zoon
des Allerhoogsten is, David toont ons onzen goddelijken
Zaligmaker, gezeten aan de rechterhand van God, zijn
hemelschen Vader. De Heer, zoo drukt zich de| Profeet
David uit, heeft tot mijnen Heer gezegd: zet u neder
aan mijne rechter hand, totdat ik van uwe vijanden als
eene voetbank make. Daarop met zijn profetischen blik
in de toekomst doordringende, voegt hij er bij : De Heer
zal den schepter uwer macht van Sion doen uitgaan:
Virgam virtutis tuae emittet Dominus ex Sion: Gij zult
te midden uwer vijanden heerschen: Dominare in medio
-ocr page 155-
- 151 -
inimicorum titorum. (i) Die koningsschepter of konink-
lijke macht, in andere woorden, dat koninkrijk vanjezus-
Christus is niets anders dan de H. Kerk. David voorzeide
dat de H. Kerk van Sion, d. i., van Jeruzalem zou uit-
gaan ; die voorzegging is vervuld op den Pinksterendag,
waarvan wij heden de gedachtenis vieren. Ja, B. B., op
den Pinksterendag, nadat de H. Geest op de Apostelen
en de eerste geloovigen was nedergedaald, kwam de
H. Kerk, door den geest Gods verlicht en gesterkt, uit
de zaal, waarin de leerlingen vergaderd waren, te voor-
schijn, om zich weldra over den ganschen aardbodem te
verspreiden. Die Kerk van Jezus-Christus zal volgens de
voorzegging van den Profeet David te midden harer
vijanden heerschen. En ziet, van af den dag harer stich-
ting, tot op den dag van heden, heerscht zij in hun
midden; zij zegepraalt, ondanks de pogingen door hel en
goddeloozen aangewend, die tegen haar samenspannen.
Hoe nu dat feit uitgelegd ? Hoe die wondervolle gebeur-
tenis verklaard ? Ik zeg wondervolle, en niet zonder reden.
Hoe toch is het mogelijk dat de H. Kerk, zoo onbedui-
dend bij haar ontstaan, terstond aangevallen, immer ver-
volgd, tot op den dag van heden door vijanden omgeven,
dat die H. Kerk zich heeft kunnen uitbreiden, heeft kunnen
voortbestaan en bestaat tot op den dag van heden? Zie-
daar het vraagstuk ter oplossing voorgesteld. Ik antwoord:
De vinger Gods openbaart zich hier, de Kerk is het
werk van God. Jezus-Christus, de Godmensch, de over-
winnaar van hel en dood, heeft de Kerk gesticht; Hij
heeft zijne Kerk bijgestaan en zal haar bijstaan tot aan
het einde der eeuwen.
Ter gelegenheid van het feest van Pinksteren, B. B.,
(I) PS. C|X, 2,
-ocr page 156-
— 152 —
heb ik voorgenomen u eenige oogenblikken over de H.
Kerk te onderhouden. De Kerk is het werk van God,
hetgeen blijkt:
I. Uit haar ontstaan;
II. Uit haar voortbestaan. Breiden wij die twee pun-
ten een weinig uit.
I.
De Kerk is het werk van God, hetgeen blijkt uit haar
onstaan, uit hare stichting.
Wat is de Kerk? namelijk, de strijdende Kerk hier
op aarde? De Kerk is de vergadering van alle geloovige
Christenen, die onder de gehoorzaamheid van den Paus
van Rome, de ware leering van Christus belijden. Die
vergadering, die Kerk, is het werk van God; zij draagt
den stempel der Godheid bij haar ontstaan, bij hare
stichting. Om ons van die waarheid ten volle te over-
tuigen, onderzoeken wij eenige oogenblikken onpartijdig
eenige bijzonderheden van de stichting der Kerk, in een
woord, zien wij hoe zij ontstaan is.
Reeds meer dan 18... jaren geleden, verscheen er —
sta mij die uitdrukking toe — verscheen er een Man.
Die Man noemde zich den Messias, in het aardsch para-
dijs beloofd, door de Patriarchen afgebeeld, door de
Profeten voorzegd. Die Man is Jezus van Nazareth, gelijk
wij weten. Na dertig jaren lang een verborgen leven
geleid te hebben, treedt Hij op; Hij komt te voorschijn.
Hij doorreist drie jaren lang verschillende steden en dor-
pen van Galilea en Judea. Hij verkondigt eene nieuwe
leer, en die leer bevestigt Hij met de schitterendste won-
deren. Zijne vijanden nemen Hem eindelijk gevangen,
doen Hem de ongehoordste folteringen ondergaan en
-ocr page 157-
— 153 —
eindelijk den schande- en pijnlijksten dood, den dood des
kruises, sterven. Doch ziet! den derden dag na zijnen
dood staat Hij, gelijk Hij voorzegd had, glorievol uit het
graf op en klimt veertig dagen na zijne verrijzenis in
triomf ten hemel. Tijdens zijn openbaar leven koos Hij
eenige leerlingen. — Merken wij wel op, B. B., dat de
leerlingen hun Meester niet kozen; neen, maar de Meester
koos zijne leerlingen. — Non vos me elegistis, sed ego
elegi vos,
(i) zegt Jezus uitdrukkelijk: Gij hebt mij niet
gekozen, doch ik heb u gekozen. Waar ging Jezus zijne
leerlingen zoeken? Onder de voornaamste wijsgeeren van
Rome of Athene? Volstrekt niet, doch zijne keus viel
op eenige arme, ongeleerde visschers, die met hunne
netten den kost moesten verdienen. Na hen onderricht
te hebben, maakt Hij hen met zijne inzichten bekend;
Hij wijst hun op de wereld, schier geheel en al door
de afgoderij en het zedenbederf ingenomen. Gaat, zegt
Jezus, onderwijst alle volkeren, hen doopende in den
naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, en
leert hen onderhouden al wat ik u bevolen heb. Wie
is het die zendt? Jezus-Christus, die het recht heeft om
te zenden, want Hem is alle macht gegeven in den hemel
en op de aarde. Wie worden gezonden? De Apostelen
met hunne opvolgers en geen anderen: dus geene keizers,
geene koningen of gouvernementen. Naar wie worden zij
gezonden? Naar alle menschen; bijgevolg ook naar de kei-
zers en koningen. Tot wat einde worden zij gezonden ?
Om te onderwijzen in de geloofs- en zedenleer, om te leeren
wat alle menschen moeten weten en doen om zalig te
worden. Aan het hoofd zijner Apostelen stelt Jezus Petrus.
Hij geeft hem order om zijn overige broeders in het
(i) Joan. xv, 16.
-ocr page 158-
- 154
geloof te bevestigen, om de lammeren en schapen te
weiden, d. i., om de geloovigen en bisschoppen te regeeren.
Op order van hun goddelijken Meester verdeelen de
Apostelen onder elkander den ganschen aardbodem en
beginnen het Evangelie te verkondigen. De volkeren, in
taal en gebruiken zoo verschillend, luisteren naar de stem
der Apostelen en nemen het Evangelie bereidvaardig aan.
En niet alleen de eenvoudige menschen, maar ook de
geleerden, de wijsgeeren en leeraars, de landvoogden en
veldheeren schamen zich niet geloof te hechten aan de
nieuwe blijde tijding. Weldra verandert de aarde van
gedaante. Die zoo spoedige gedaanteverandering der aarde
is een zichtbaar mirakel, zegt Bossuet. De Apostelen
hadden hunne loopbaan nog niet voltrokken, of hunne
leering, gelijk de Apostel Paulus getuigt, was reeds alom
verkondigd. Volgens eene standvastige overlevering, was
de H. Thomas reeds tot in de Indiön doorgedrongen, en
andere leerlingen in andere ver afgelegen landen. Terecht
dus past de Apostel Paulus de volgende woorden van
den Profeet David op de Apostelen toe: In ontnem terram
exivit sonns eorum:
Hunne stem heeft zich de gansche
wereld door doen hooren, en hunne woorden zijn tot aan
het uiteinde der wereld doorgedrongen: Et in fines orbis
terrae verba eorum.
(i)
Doch hoe hebben de Apostelen zoo spoedig die alge-
meene gedaanteverandering der aarde teweeggebracht?
Van welke middelen hebben zij zich bediend? Verkon-
digden de Apostelen eene geloofsleer, gemakkelijk om
aan te nemen? Maar zij verkondigden Jezus-Christus den
Gekruiste, iets wat voor de Joden een ergernis, voor de
Heidenen eene dwaasheid was, De nieuw-bekeerden moesten
(j) Ps. xvw, 5.
-ocr page 159-
- 155 ~
toen gelooven zonder te begrijpen, zoowel als nu; zij
moesten toen ook hun verstand ten beste geven voor
de waarheden, de onbegrijpelijke geheimen des geloofs.
Verkondigden zij eene zedenleer, die strookte met de
bedorvene natuur van den mensch? Juist het tegenover-
gestelde. De Apostelen verklaarden hun uitdrukkelijk,
dat zij moesten vaarwel zeggen aan alles wat hun tot
dusverre het dierbaarste was; dat zij zich moesten los-
rukken van alles, waaraan zij zich als het ware vastge-
kluisterd hadden. De Apostelen verklaarden den oorlog
aan alle ondeugden. Zij verkondigden en legden de
kuischheid op aan de slaven van den wellust, de ootmoe-
digheid aan de hoovaardigen, het geduld aan de oploo-
penden, de liefde zelfs tot de vijanden aan de wraak-
zuchtigen. Maar misschien waren de Heidenen hunne
afgoden moede, zagen zij hunnen ondergang met onver-
schilligheid aan ? Integendeel, B. B.; het heidendom, dat oud
gebouw, vermolmd weliswaar, werd toch nog geschraagd
door den krachtigen arm van het romeinsche rijk. De
heidensche godsdienst had diep wortel geschoten; hij was
overal in doorgedrongen, in zeden en wetten; hij vleide
niet alleen de laagste hartstochten van den mensch, doch
begunstigde alle en eiken in \'t bijzonder. Van daar
dat geen enkel wijsgeer, alhoewel innig van de ijdelheid
der afgoden overtuigd, den moed had tegen hen op te
treden; zij brachten met het volk den afgoden hunne
offers, (i) Hoe zijn dan de Apostelen zoo spoedig en
zoo gelukkig geslaagd? Hoe zijn zij op zoo korten tijd
veroveraars geworden op het geloofs- en zedengebied?
Konden zij wellicht beschikken over talrijke en machtige
legers, gelijk weleer een valsche Profeet Mahomet, de
(i) Libandum more patriae (Cicero,)
-ocr page 160-
— ij6 —
aanvoerder der Turken? Konden zij den hoogmoed en
de hebzucht der grooten kietelen, gelijk weleer een Luther
en Calvien ? Konden zij beschikken over schatten en eere-
posten, gelijk weleer een Henricus VIII in Engeland ?
Maar Jezus-Christus zendt hen uit, en het eenige wapen,
waarvan zij zich kunnen bedienen, is het woord des
Evangelies; zij leiden een ootmoedig en arm leven; voor
belooning in dit leven voorzeggen de Apostelen hunnen
leerlingen dat zij vervolgd zullen worden en te lijden
zullen hebben. De Apostelen zelven zijn vervolgd ge-
weest, de Apostelen zelven hebben geleden, zij hebben
met hun bloed de leering, die zij verkondigden, bezegeld.
En toch, de Apostelen zijn in hunne onderneming ge-
slaagd. In de plaats der dwaal- en fabelleer des heiden-
doms hebben zij de ware geloofsleer, in de plaats van
het algemeen zedenbederf hebben zij de zuiverste zeden-
leer geplant. Ziedaar, B. B., een feit, eene gebeurtenis,
waartegen de vijanden der Kerk niets vermogen. Zij
kunnen wel is waar allerlei drogredenen aanvoeren; het
feit, de gebeurtenis staat immer pal. Niets zoo koppig
als een feit, eene gebeurtenis, zegt het spreekwoord: dit
of dat heeft plaats gehad, is gebeurd, \'t staat in de ge-
schiedrollen geboekt, onmogelijk, het te wederleggen, het
omver te stooten. Maken wij nu de gevolgtrekking uit
het feit, uit de gebeurtenis. Ziehier, B. B., hoe de H.
Augustinus, een der grootste Kerkleeraars, redeneerde:
Of wel, zoo sprak de H. Augustinus, de Apostelen heb-
ben zoo spoedig die groote verandering te weeg gebracht
door mirakelen te doen, of wel, zij hebben ze te weeg
gebracht zonder mirakelen te doen, geen midden; men
moet kiezen tusschen een van beiden. Bijaldien gij zegt,
dat zij die verandering hebben te weeg gebracht door mi-
rakelen te doen; daaruit besluit jk dat God met hen
-ocr page 161-
- 157 --
Was, en bijgevolg, dat hunne leering wel waarlijk de
leering van God is, want de mirakelen zijn niets anders
dan de stem van God, waarmede Hij de waarheid en
niet de leugen bevestigt: dus is de Kerk het werk van
God. Bijaldien gij zegt, dat de Apostelen die verandering
hebben te weeg gebracht zonder mirakelen te doen, d. i.,
dat de wereld zich bekeerd heeft zonder mirakelen, dan
verklaar ik u, zegt de H. Augustinus, dat die verandering,
de bekeering der wereld zonder mirakel, het grootste der
mirakelen is. En geen wonder. Den Heidenen hunne
afgoden doen verzaken, den ongeloovigen de onbegrij-
pelijkste waarheden doen gelooven, den bedorvensten
menschen de verhevenste deugden doen- oefenen, en dat
alles tot stand brengen zonder mirakelen te doen, ziedaar
voorzeker een mirakel, dat alle andere mirakelen ver te
boven gaat. De Kerk bijgevolg, gelijk gij ziet uit haar
ontstaan, uit hare stichting, is het werk van God, zij
draagt den stempel der Godheid, \'t Is inderdaad God
alleen gegeven het zwakke uit te kiezen om het sterke
te beschamen, zich van het niet als het ware te bedienen
om het wonderste te verrichten. De Kerk dus is het
werk van God, \'t blijkt, gelijk wij gezien hebben, uit
haar ontstaan. Dat de Kerk het werk van God is, blijkt
niet minder uit haar voortbestaan; dit zullen wij zien in
ons tweede punt.
II.
Sedert achttien eeuwen, B. B., heeft de Kerk rondom
zich zoo vele en zoo groote veranderingen zien gebeuren;
zij heeft keizer- en koninkrijken zien opkomen en te
gronde gaan; zij heeft ketterijen en scheuringen zien
losbreken en voorbijgaan; de Kerk alleen heeft al die
puinhopen en omwentelingen overleefd; zij alleen, evenals
-ocr page 162-
i$8 -
de zon na het onstuimigste der onweders, blijft staan
vol kracht en leven. Niet, B. B., dat het de Kerk aan
strijd of vervolging ontbroken heeft; zij heeft te strijden
gehad tegen uit- en inwendige vijanden, zij is door beide
vervolgd geweest.
Tijdens de drie eerste eeuwen des christendoms had
de H. Kerk bijzonder te strijden tegen uitwendige vij-
anden, tegen de Heidenen en Joden, doch vooral tegen
de Heidenen. De drie eerste eeuwen maken het marte-
laarschap der Kerk uit. De romeinsche keizers, die
bloeddorstige dwingelanden, meenden het christendom in
het bloed der Martelaren te smoren. Duizenden en dui-
zenden werden er op de onmenschelijkste wijze omgebracht.
Alles te vergeefs. Nauwelijks hadden de vervolgers publiek
doen afkondigen, dat het christendom uitgeroeid was, of
de Christenen, om hunne vervolgers te logenstraffen en
te beschamen, kwamen talrijker dan ooit te voorschijn.
Het bloed der Martelaren was inderdaad een zaad, dat
nieuwe Christenen voortbracht, (i)
Alhoewel God nu tijdens de bloedige worsteling der
drie eerste eeuwen genoegzaam getoond had, dat Hij
geene wereldsche macht noodig had, niet alleen om zijne
Kerk te stichten, maar ook om haar staande te houden;
nochtans wilde Hij dat op hunne beurt én koningen én
keizers optraden, om zijne Kerk te beschermen. Keizer
Constantijn de Groote is de eerste beschermer des chris-
tendoms of der Kerk geweest. Doch merkt wel op: hij
is enkel de beschermer, en niet de bestuurder der Kerk
geweest. Doch de H. Kerk heeft niet alleen tegen uit-
wendige vijanden te strijden gehad ; zij is niet alleen
onoverwinbaar tegenover Heidenen en Joden, zij heeft ook
(i) Sanguis Martyrum semen Christianorum (Tertullianus).
-ocr page 163-
— \'59 -
te strijden tegen inwendige vijanden, tegen Ketters en
Scheurmakers, en zij is onoverwinbaar zoowel tegenover
deze als gene. De Ketters en Scheurmakers, door Jezus-
Christus en zijne Apostelen voorzegd, komen eindelijk
voor goed te voorschijn. Arius, die ongelukkige vermeet
zich de Kerk in haren stichter aan te randen. Jezus-
Christus is geen God, zegt die godslasteraar. Constantius,
de zoon van Constantijn den Groote, door de Arianen
misleid, vervolgt de H. Kerk; en voor dien vervolger
hadden de Katholieken des te meer te vreezen, wijl hij
in naam van Jezus-Christus den oorlog verklaarde aan
Jezus-Christus zelven. Na Constantius verschijnt Juliaan
de Apostaat. Na dezen Valens, de H. Kerk niet minder
vijandig dan zijne voorgangers. Andere koningen of
keizers verdedigen en beschermen andere ketterijen. De
H. Kerk heeft tegen de Ketters niet alleen gansch hare
leering, maar daarenboven elk punt harer leering afzon-
derlijk te verdedigen. Elke eeuw heeft hare stormen
gehad, min of meer woedend, waartegen het schip van
Petrus, de Kerk, worstelen moest. De Barbaren rukken
aan, dringen door, en dreigen Kerk en staat te verwoes-
ten. De Kerk temt de Barbaren en herschept die grij-
pende wolven in vreedzame schapen. De Turken dreigen
geheel Europa te overweldigen ; alles moest zwichten voor
hun kromzwaard, allen moesten zich scharen onder den
standaard van hun valschen profeet. De Kerk — en
vergeten wij dit niet — de Kerk zendt hare kruisridders,
de Turken worden verslagen en teruggedreven, Europa
is gered.
In de zestiende eeuw ontrolt een afgevallen monnik,
Luther genaamd, de banier van den opstand tegen Kerk
en Staat, De opstand, in Saksen losgebarsten, verspreidt
zich met bliksemsnelheid over Duitschland, Pruisen, Dene-
-ocr page 164-
— téo —
rtiarken, Zweden, Holland en Zwitserland. Engeland met
zijn wulpschen koning sluit zich aan. Rusland, gansch
het Oosten, is schier verloren voor de Kerk. Zij ziet zich
gansche provinciën en koninkrijken door de Ketters en
Scheurmakers ontweldigen. En toch, de Kerk zegepraalt.
Hetgeen zij op de een e plaats verloor, won zij elders
dubbel terug. Hare bedienaars, hier te lande vervolgd,
breken op en gaan in de vreemde landen het Evangelie
verkondigen. In de beide Indien en America\'s en nog
op andere plaatsen, krijgt onze Moeder de H. Kerk meer
kinderen terug dan zij elders verloren heeft. Wat is er
daarentegen van het Mahomedanendom, van het Protes-
tantismus geworden? Maakt men zich soms niet gereed
om de uitvaart te houden van het Mahomedanendom ?
Drie eeuwen zijn voorbij sedert het Protestantismus, en
wij zien zijn doodstrijd. De rechtzinnigsten en geleerd-
sten onder de Protestanten komen tot het ware geloof
terug; de overige gelooven niets meer en werpen zich in
den afgrond der ongeloovigheid.
Op het einde der verloopen eeuw werd het schip van
Petrus, de H. Kerk, door een geweldigen storm over-
vallen. Tijdens de fransche revolutie werd het Opperhoofd
der H. Kerk, Pius VI, in hechtenis genomen; hij stierf
in ballingschap. De goddeloozen lachten met zijnen dood;
zij zeiden dat Pius VI de laatste Paus was. De fransche
revolutie is voorbij en Pius VI telt reeds meer dan één
opvolger.
De Kerk, B. B., gelijk wij gezien hebben, heeft weder-
staan aan alle aanvallen der hel, aan alle vervolgingen
van Heidenen en Joden, van Ketters en Scheurmakers.
Altoos aangevallen, nimmer overwonnen, is zij altoos
blijven staan en staat zij pal tot op den dag van heden.
Hoe dat tweede feit, die tweede gebeurtenis, uitgelegd?
-ocr page 165-
:- ioi
De vinger Gods openbaart zich ook hier; de Kerk irt
haar voortbestaan draagt den stempel der Godheid even-
als in haar ontstaan; de Kerk is het werk van God.
Ja, B. B., de woorden van Jezus-Christus zijn woorden
van waarheid: Ecce, ego vobiscnm sum omnibus diebus
usque ad consummationem swculi
(1): Ziet, ik ben met
u al de dagen tot aan de voleinding der eeuwen. En
deze volgende, niet alleen tot de Kerk, maar inzonderheid
tot den H. Petrus, en in zijn persoon tot den Paus van
Rome, gesproken: Gij zijt Petrus, en op deze steenrots
zal ik mijne Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen
tegen haar niet vermogen: Tu es Petrus, et super hanc
petram adificabo ecclesiam meam, et portae inferi non
pravalebunt adversus eam.
(2)
SLUITREDE.
Alvorens deze rede te eindigen oordeel ik het althan3
nuttig, B. B., u te waarschuwen voor de hedendaagsche
vijanden der H. Kerk. En vooreerst, welke zijn de heden-
daagsche vijanden der H. Kerk? B. B., zij zijn talrijk en
doen zich op onder allerlei benamingen, als zijn vrij-
metselaars, vrijdenkers, socialisten, liberalen, katholiek-\'
liberalen; allen zijn vijanden van de H. Kerk, vervol-
gen haar en zouden haar, zoo het in hunne macht ware,
vernietigen. Doch hoe moeten wij ons — en dit is het
voornaamste — hoe moeten wij ons tegenover die vijanden
gedragen ? Ziehier, B. B., den gemakkelijksten en zekersten
regel voor ons Christenen. Wij moeten luisteren naar de
Oversten der H. Kerk, naar den Paus van Rome en de
Bisschoppen. En wat leeren ons de Oversten der H. Kerk?
Weest op uwe hoede voor de vijanden der H. Kerk,
(i) Matth. xxviii, 22. (2) Matth. xvi, 18.
tl,
-ocr page 166-
— lés —
roepen zij ons toe. Weest trouwe kinderen, desnoods
wakkere soldaten der H. Kerk om uwe Moeder te ver-
dedigen. Wacht u wel hare vijanden in de hoogte te beuren,
hun hulp te verkenen en hen in staat te stellen, de
H. Kerk te kunnen vervolgen, bijv., door hen tot volks-
vertegenwoordigers te kiezen Neen, in geweten moogt
gij de vijanden der Kerk niet kiezen; zij hebben zich
duidelijk genoeg verklaard, namelijk, dat zij, na eenmaal
de macht in handen gekregen te hebben, de Kerk zullen
vervolgen. En de Katholieken of de zoogenaamde Katho-
lieken, die dusdanige vijanden kiezen of voor hen werken,
vervolgen met de vijanden der H. Kerk hunne Moeder;
zij geven hun de wapenen in handen, waarmede zij hunne
Moeder, de H. Kerk, vervolgen en trachten ten onder te
brengen. Besluit daaruit, B. B., of men zich ook aan
groote zonde kan plichtig maken door de vijanden der
Kerk voor te staan en te kiezen. Ik zeg niet, dat men
daarin altijd doodelijk zondigt; \'t hangt veel af van de
kennis van zaken, van het inzicht, dat men heeft, van
den invloed, dien men uitoefent, en dergelijken; doch dit
is zeker, dat er vele zoogenaamde Katholieken zijn, die
zich grootelijks pliihtig maken voor God. Zij trachten
zich gerust te stellen, hun geweten in slaap te wiegen;
te vergeefs, het zal eenmaal heviger dan ooit ontwaken.
Welk eene verantwoordelijkheid voor dergelijke Katho-
lieken ! Waaraan hebben zij zich te verwachten in het
Oordeel Gods, zoo niet aan deze woorden: Nescio vos: (l)
Ik ken u niet: Discedite a me, qui operamini iniquita-
tem:
(2) Weg van mij, die ongerechtigheid bedrijft. Is
het niet
droevig, soms menschen te hooren, die de vijan-
den der Kerk voorspreken, die verlangen dat zij aan de
(I) Matth. XXV, 12. (3) Matth. vil, 23,
-ocr page 167-
- 163 —
regeering komen? B. B., bijaldien zoo iets gebeurt met
volle kennis van zaken, met innige overtuiging, dus-
danige Katholieken zijn bij mij geene ware Katholieken;
zij zijn geene ware kinderen, maar verraders; zij zijn
geene ware soldaten, maar overloopers. Maar, zal men
misschien zeggen: men spreekt zoo al, doch men meent
het niet. Ik wil dit laatste van zekere personen volgaarne
aannemen; doch waarom dan die redevoeringen met zoo
veel vuur en zoo ver gedreven ? Zij zijn voor het minst aan-
stootelijk voor andere menschen. Wij moeten dus luisteren
naar de Oversten der H. Kerk, die van God gezonden
zijn en ons spreken met kennis van zaken. Wij moeten
niet luisteren naar hen, die niet gezonden zijn, noch spreken
met kennis van zaken. Men hoort soms menschen spreken
over God en godsdienst, over Kerk en Paus; menschen,
die de eerste les van den Catechismus niet kennen en
nooit gekend hebben; wijsneuzen, die hier of daar in eene
slechte gazette wat tegen Kerk en Priester gelezen, van
den een of anderen vijand der Kerk wat gehoord hebben,
en die daarna, na eenige hoogdravende woorden, waarvan
zij zelven de beteekenis niet verstaan, te kunnen uitbrengen,
meenen groote en geleerde mannen te zijn. \'t Ware
inderdaad belachelijk, een medelijdend schouderophalen
waardig, bijaldien er door hen niet zoo veel eenvoudige
en lichtgeloovige menschen bedrogen werden. Luisteren
wij dus nooit naar dergelijke personen. Non circumfe-\'
ramur omni vento doctrinac,
zegt de Apostel Paulus:
Laten wij ons niet door allerlei leeringen medeslepen;
doch staan wij de waarheid met liefde voor: Veritatem
autem facientes in charitate.
(i) Wij moeten den om-
gang met de vijanden der Kerk vluchten. Wat zegt het
(i) Eph. IV, 14.
-ocr page 168-
— 164 —\'
spreekwoord? Daar men mêe verkeert, wordt men mêe
geëerd. Doch dat is niet alles. Ziehier eene zaak van
meer dan belang. Wat is het Geloof? Het Geloof is eene
gave Gods, volstrekt noodig ter zaligheid. Hoe komt het
nu, dat er hedendaags zoo velen het ware Geloof ver-
liezen? Zijn zij eensklaps zoo slecht geworden? Volstrekt
niet. Niemand wordt eensklaps een Heilige, maar ook
niemand wordt eensklaps een goddelooze. Langzamerhand
verliest men het Geloof, door eerst met de vijanden der
Kerk om te gaan, door te luisteren naar hunne drogreden
tegen de Kerk, door bij tijd en gelegenheid iets te lezen
tegen de Kerk, slechte gazetten of dagbladen: \'t is op
die wijze dat men langzamerhand en onopgemerkt verder
komt, en dat menige mensch, eerst goed Katholiek, ein-
delijk het Geloof verloren heeft. Zijn wij dus voorzichtig.
In naam van Jezus-Christus, den stichter der H. Kerk;
in naam van de Oversten der H. Kerk, den Paus van
Rome en de Bisschoppen, tot uw tijdelijk en eeuwig
welzijn naar ziel en lichaam, ik vermaan u: Weest op
uwe hoede voor de vijanden der Kerk, verdedigt uwe
Moeder zoo goed mogelijk op alle wettige wijzen tegen
de aanvallen harer vijanden, en na de H. Kerk hier op
aarde als ware kinderen, als getrouwe soldaten gediend
en verdedigd te hebben in den strijd, zijt er verzekerd
van, gij zult eenmaal leden worden van de zegepralende
Kerk in den hemel. Amen.
—- ■ it«geftt8i»»«\' \'■-"
/
-ocr page 169-
Elfde Preek.
De H. Drievuldigheid.
Euntes ergo docete otnnes gentes, bapti-
zantes eos in nomine Patris, et Filii, et
Spiritus sancti.
Gaat dan en onderwijst alle volkeren,
hen doopende in den naam des Vaders,
en des Zoons, en des H. Geestes.
(Matth. xxvni, 19.)
INHOUD.
VOORREDE.
God is onbegrijpelijk en onuitsprekelijk in zijn Wezen,
onbegrijpelijker en onuitsprekelijker in zijne drie Per-
sonen. — Het mysterie der H. Drievuldigheid is het
grootste en voornaamste mysterie van onzen heiligen
godsdienst. — Waarom? — Evangelie van den dag.
VERDEELING.
I. Wat is het mysterie der H. Drievuldigheid?
II. Het mysterie der H. Drievuldigheid is boven, doch
niet tegen de rede;
III. De openbaring van het mysterie der H. Drievul-
digheid,
-ocr page 170-
— i66 —
I.
Wat is de H. Drievuldigheid? De H. Drievuldigheid
is God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest,
drie onderscheidene Personen en maar één God. — Van
wie komen de drie Personen voort, en waarom worden
zij zóó genoemd ? — Hoe komt de Zoon van den Vader,
de H. Geest van den Vader en den Zoon te zamen voort ?
—   De Vader is niet ouder, machtiger, wijzer, heiliger,
enz., dan de Zoon of de H. Geest. Waarom niet? —
Den Vader wordt de almacht en het werk der schepping,
den Zoon de wijsheid en het werk der verlossing, den
H. Geest de heiligheid en het werk der heiligmaking
bijzonder toegeschreven. Waarom ?
II.
Het mysterie der H. Drievuldigheid is boven de rede.
Waarom ? — Geheim in de orde der natuur. Een graan-
korreltje. — Woorden van een vermaard schrijver. —
Het mysterie der H. Drievuldigheid is niet tegen de rede.
Waarom niet ? — Vergelijking van de ziel met de H.
Drievuldigheid. — De H. Augustinus en het »kind op
den. oever der zee.
III.
De openbaring van het mysterie der H. Drievuldigheid
in het Oude Testament. Woorden van den Profeet David :
De hemelen zijn door het woord Gods gevestigd, enz. —
In het Nieuwe Testament. Woorden van onzen godde-
lijken Zaligmaker: Gaat en onderwijst alle volkeren, enz.
—   Drie zijn er die getuigenis afleggen, enz. — Doop
van Jezus in den Jordaan.
-ocr page 171-
— I67 —-
SLUITREDE.
Wij moeten de H. Drievuldigheid gelooven. — Wij
moeten de H. Drievuldigheid beminnen. — Wij moeten
op de H. Drievuldigheid betrouwen. — Alles doen in
den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. —
De H. Drievuldigheid verheerlijken op aarde, ten einde
haar te mogen verheerlijken in den hemel.
—^-«4—
Elfde Preek.
De H Drievuldigheid.
Euntes ergo docete omties gentes, bapti-
zantes eos in nomine Pair is, et Filii, et
Spiritus Sancti.
Gaat dan en onderwijst alle volkeren,
hen doopende in den naam des Vaders,
en des Zoons, en des H. Geestes.
(Matth. xxviii, 19.)
VOORREDE.
God, B. B., is onbegrijpelijk en onuitsprekelijk in zijn
Wezen, d. w. z., wij kunnen met ons verstand niet ten
volle begrijpen, noch met onze woorden ten volle uit-
drukken wat God eigenlijk is. Doch is God reeds onbe-
grijpelijk en onuitsprekelijk in zijn Wezen, des te on-
begrijpelijker en onuitsprekelijker is Hij in zijne drie
Personen. Ja, het mysterie der H. Drievuldigheid is het
grootste en voornaamste mysterie van onzen heiligen
godsdienst. Het is het grootste mysterie. Waarom
-ocr page 172-
— i68 —
Omdat geen mysterie van onzen heiligen godsdienst ons
verstand zoo ver te boven gaat als het mysterie der
H. Drievuldigheid. Het is het voornaamste mysterie van
onzen heiligen godsdienst. Waarom ? Omdat het mysterie
der H. Drievuldigheid de twee eerste waarheden of
punten des geloofs bevat, welke wij allen moeten weten
en gelooven uit noodzakelijkheid des middels, zoodat wij
zonder de kennis en het geloof van die twee waarheden
niet kunnen zalig worden. Onze goddelijke Zaligmaker
sprak zekeren dag van de H. Drievuldigheid, toen Hij
zijne Apostelen zond om overal het Evangelie te gaan
verkondigen. Jezus," — zoo verhaalt de Evangelist Mat-
„theus, — trad toe en sprak tot hen — tot zijne elf
„leerlingen — zeggende: Aan mij is gegeven alle macht
„in hemel en op aarde. Gaat dan en onderwijst alle
„volkeren, hen doopende in den naam des Vaders, en
„des Zoons, en des H. Geestes; hen leerende onderhou-
„den, alles, wat ik u geboden heb. En ziet, ik ben met
„u al de dagen, tot aan de voleinding der eeuwen."
Wijl wij vandaag het feest van de H. Drievuldigheid
vieren, zoo zal het niet ondoelmatig zijn ons eenige
oogenblikken met dit mysterie bezig te houden. Wij
zullen dus zien:
I. Wat het mysterie der H. Drievuldigheid is;
II. Dat het niet tegen, maar boven de rede is;
III. De openbaring van het mysterie der H. Drievul-
digheid.
I.
Wat is de H. Drievuldigheid? De H. Drievuldigheid,
B. B., is God de Vader, God de Zoon en God de H.
Geest, drie onderscheidene Personen en maar één God.
Waarin bestaat nu het mysterie der H. Drievuldigheid?
-ocr page 173-
— 169 —
Het bestaat in twee zaken: In de eenheid van Wezen
en de onderscheidenheid van Personen. Er is maar één
God, gelijk wij weten, want er kan maar één oneindig
volmaakt Wezen zijn; en er zijn drie Personen, van welke
de een van den anderen wezenlijk onderscheiden is, de
Vader, de Zoon en de H. Geest; en die drie Personen,
alhoewel wezenlijk van elkander onderscheiden, zijn maar
één en dezelfde God. Ziehier de reden er van. Zij zijn
maar één en dezelfde God, omdat zij alle drie maar één
en hetzelfde goddelijk Wezen, of een en dezelfde godde-
lijke natuur hebben; zij zijn nochtans drie Personen, de
een van den anderen onderscheiden, want een ander is
de Persoon des Vaders, een ander de Persoon des Zoons,
een ander de Persoon des H. Geestes. Ziehier nu, waarin
de Vader, de Zoon en de H. Geest wezelijk van elkander
onderscheiden zijn, of verschillen. De Vader bestaat in
eeuwigheid uit zich zelven, en Hij brengt in eeuwigheid
zijn Zoon voort. De Zoon is in eeuwigheid door den
Vader voortgebracht, en de H. Geest komt in eeuwigheid
voort van den Vader en den Zoon te zamen. Vandaar
dat de drie goddelijke Personen verschillende namen
dragen. De eerste Persoon wordt genoemd Vader, de
tweede Persoon, Zoon, en de derde Persoon, H. Geest.
En waarom wordt de eerste Persoon genoemd Vader?
Omdat Hij een Zoon voortbrengt, Hem in alles gelijk.
Waarom wordt de tweede Persoon genoemd Zoon ? Omdat
Hij door den Vader is voortgebracht. Waarom wordt
de derde Persoon genoemd H. Geest? Omdat Hij van
den Vader en den Zoon te zamen voortkomt. Ziehier
nu, hoe de twee laatste Personen voortkomen. God de
Vader kent zich in eeuwigheid, en zoo volmaakt mogelijk;
daardoor brengt Hij in eeuwigheid zijne gedachte, zijn
Woord, voort, dat zijn Zoon is. God de Vader bemint
-ocr page 174-
In eeuwigheid en zoo volmaakt mogelijk zijn Zoon, en
Hij is er in eeuwigheid en zoo volmaakt mogelijk door
bemind, en door elkander in eeuwigheid te beminnen
brengen zij in eeuwigheid den H. Geest voort.
De Vader is niet ouder dan de Zoon en de H. Geest.
Waarom niet? Omdat de Zoon in eeuwigheid door den
Vader is voortgebracht, en omdat de H Geest in eeuwig-
heid van den Vader en den Zoon te zamen voortkomt.
De Vader is ook niet machtiger, wijzer, heiliger, enz.
dan de Zoon en de H. Geest. Waarom niet? Omdat de
Vader, die den Zoon voortbrengt, Hem mededeelt de
goddelijke natuur met al hare volmaaktheden, en omdat
de Vader en de Zoon, van welke de H. Geest voorkomt,
Hem ook mededeelen één en dezelfde goddelijke natuur
met al hare volmaaktheden. Alzoo zijn de drie goddelijke
Personen, alhoewel wezenlijk van elkander onderscheiden,
even oud, d. i., eeuwig, even machtig, even wijs, even
heilig, enz. Nochtans wordt den Vader, en terecht, bijzon-
der de almacht, den Zoon bijzonder de wijsheid, en den
H. Geest bijzonder de heiligheid toegeschreven: tevens
de uitwendige werken, welke aan die volmaaktheden
beantwoorden, en vandaar dat de schepping, het werk
der almacht, bijzonder den Vader, de verlossing, het
werk der wijsheid, bijzonder den Zoon en de heiligmaking,
het werk der heiligheid, bijzonder den H. Geest wordt
toegeschreven. Ziedaar, wat het mysterie der H. Drievul-
digheid is. Zien wij nu ook, dat dit mysterie wel boven,
doch niet tegen de rede is.
II.
Het mysterie der H. Drievuldigheid, B. B., is boven
de rede, d. w. z., wij kunnen met ons verstand niet begrij-
pen wat de H. Drievuldigheid is, namelijk, hoe de drie
-ocr page 175-
171 —•
goddelijke Personen, wezenlijk van elkander onderschei-
den, maar één en dezelfde God zijn. Doch, B. B., dat
wij het mysterie der H. Drievuldigheid niet begrijpen,
moet ons volstrekt niet verwonderen. Wat is God en
wat zijn wij? God is het oneindig volmaakte Wezen.
Wat zijn wij 7 Wij zijn schepselen,, met rede en verstand
wel is waar begaafd, doch hoe klein, hoe beperkt is ons
verstand niet? En wij zouden den oneindig volmaakten
God willen begrijpen. Wel, B B., zoo wij met ons klein
en beperkt verstand God, één in Wezen en drievuldig
in Personen, begrepen, God zou niet meer oneindig vol-
maakt, en bijgevolg, geen God meer zijn. Overigens, wat
al zaken treffen wij niet aan in de orde der natuur, die
als zoovele mysteriën of geheimen voor ons zijn. Wij
zien ze met onze oogen, doch wij weten ons geene reden
te geven, hoe zij geschieden. Een graankorreltje, bijv.,
valt in de aarde; in den schoot der aarde schiet het
wortel; in een puntje komt het eerst te voorschijn; het
ontwikkelt zich steeds meer en meer, wordt een lange
halm, bloeit en brengt talrijke vruchten voort. Dat heb-
ben wij meermalen gezien, dat zien wij nog; doch be-
grijpen wij het ook? Neen, B. B. De ontwikkeling van
dat graankorreltje gaat dus ons klein verstand reeds ver
te boven. En bijaldien eene zoo nietige zaak in de orde
der natuur ons verstand reeds ver te boven gaat, hoe
veel te meer zal dan in de bovennatuurlijke orde God,
één in Wezen en drievuldig in Personen, ons verstand
ver te boven gaan. Terecht dus zegt een vermaard
schrijver: „Hoe wilt gij de natuur van God kennen?
„Erken liever dat gij niet bij machte zijt, ze te kennen,
„want God zou geen God zijn, zoo Hij niet grooter was
„dan uw verstand. Verheugen wij ons, dat wij een zoo
„grooten God hebben, en laten wij, daar ons verstand
-ocr page 176-
— 172
„Hem niet bevatten kan, vaststaan in ons geloof en alle
„ijdele navorschingen staken."
Ik heb gezegd, B. B., dat het mysterie der H. Drie-
vuldigheid boven de rede is; doch het is niet tegen de
rede; het bevat volstrekt geene tegenstrijdigheid. Wij
zeggen niet dat drie Goden maar één God zijn, hetgeen
eene tegenstrijdigheid zou zijn; maar wij zeggen, dat drie
onderscheidene Personen maar één God zijn, omdat zij
alle drie één en dezelfde goddelijke natuur hebben, en
daarin bestaat volstrekt geene tegenstrijdigheid.
Om ons een denkbeeld te vormen van één God in
drie Personen, en van de wijze, waarop de eene Persoon
van den anderen voorkomt, is men gewoon gelijkenissen
aan te halen. Ziehier eene gelijkenis van de H. Drie-
vuldigheid naar de leerling van den H. Augustinus. De
mensch heeft maar ééne ziel; in die ziel bespeurt men
drie zaken: het verstand, de gedachte en de liefde. Het
verstand brengt de gedachte voort, en is een afbeeldsel
van God den Vader; de gedachte wordt door het verstand
voortgebracht, en is een afbeeldsel van God den Zoon,
eindelijk, de liefde komt van het verstand en de ge-
dachte voort, en is een afbeeldsel van God den H. Geest.
Ziedaar, dus eene gelijkenis van één God, drievuldig in
Personen, en van de wijze, waarop de eene Persoon van
den anderen voorkomt. Doch weet wel, B. B., \'t is slechts
eene gelijkenis en elke gelijkenis heeft haar gebrek. De
H. Drievuldigheid\'is en zal voor ons altoos een mysterie,
een geheim blijven. Het verhaal, dat ons de geschiedenis
dienaangaande levert, is treffend.
De H. Augustinus, een der grootste Kerkleeraars, was
gewoon na zijne studie-uren eene wandeling te doen op
den oever der zee. Zekeren dag, na het mysterie der
H. Drievuldigheid op nieuw bestudeerd te hebben, ging hij
-ocr page 177-
— i?i —•■
Op den oever der zee wandelen en ontmoette daar eert
schoon kind. Dat kind had in het zand een kuiltje ge-
maakt, liep telkens heen en weder, en was bezig met
een lepeltje water uit de zee in dat kuiltje te scheppen.
De H. Augustinus bezag het kind eenigen tijd met aan-
dacht ; daarop sprak hij het aan en zeide: Mijn kind,
wat doet gij daar? Het kind antwoordde: Ik ben bezig
met al het water uit de zee in dit kuiltje te scheppen.
Mijn kind, zeide nu de Heilige, dat is onmogelijk. Het
kind richtte zich op en sprak: Ik zal toch eerder al
het water uit de zee in dit kuiltje scheppen, dan gij met
uw verstand het ondoorgrondelijk. geheim der allerhei-
ligste Drievuldigheid zult begrijpen. Daarop verdween
de Engel, want het was een Engel onder de gedaante
van een kind. De H. Augustinus vernederde zich en
aanbad met een levend geloof op de plaats, waar de
Engel gezeten had, het mysterie der H. Drievuldigheid,
dat hij niet kon begrijpen. Hoe onbegrijpelijk nu ook
het mysterie der H. Drievuldigheid zij, wij moeten het
nochtans vastelijk gelooven, en de reden is, wijl God het
ons geopenbaard heeft. Zeggen wij nu in ons derde punt
nog een woordje over die openbaring.
III.
\'t Is niet alleen onmogelijk, B. B., met ons verstand
het mysterie der H. Drievuldigheid te begrijpen, zonder
de bovennatuurlijke, de goddelijke openbaring zouden wij
niet eens weten, dat er eene H. Drievuldgheid bestaat.
Met zijn gezond verstand kan men wel begrijpen, dat er
een God bestaat; maar nooit of nimmer, dat er een God
bestaat, één in Wezen en drievuldig in Personen. In het
Oude Testament is het mysterie der H. Drievuldigheid
eoo klaar niet geopenbaard als in het Nieuwe Testament
-ocr page 178-
- 04 -
in een der Psalmen van den koninklijken Profeet David
lezen wij de volgende woorden: Verbo Doinini caeli
firmati sunt:
Door het woord des Heeren zijn de hemelen
gevestigd, et spiritu oris ejus omnis virtns corum, (i)
en door den geest zijns monds al hunne kracht. Door
den Heer, van wien de koninklijke Profeet hier spreekt,
verstaan vele H. Vaders God den Vader, den eersten
Persoon van de H. Drievuldigheid: door het Woord, God
den Zoon, den tweeden Persoon van de H. Drievuldig-
heid; en door den Geest zijns monds, God den H. Geest,
den derden Persoon van de H. Drievuldigheid. Doch dit
alles is maar een flauwe schemer, die het heldere dag-
licht voorafging. In het Nieuwe Testament wordt het
mysterie der H. Drievuldigheid klaar uitgedrukt.
Onze goddelijke Zaligmaker, alvorens ten hemel te
klimmen, beveelt zijnen Apostelen alom, de gansche
wereld door, het Evangelie te gaan verkondigen en alle
menschen te doopen in den naam der H. Drievuldigheid.
Gaat, zoo sprak Jezus tot zijne Apostelen, onderwijst
alle volkeren; Eimtes docete omnes gentes; doopt hen in
den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes:
Baptizantes eos in nomine Patris, et Filii, et Spiritus
sancti.
(2) Jezus zegt in den naam, in \'t enkelvoud, om
te beteekenen de eenheid van Wezen of natuur; en Hij
voegt er bij, des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes,
om te beteekenen de onderscheidenheid der drie Personen.
De H. Joannes in zijn eersten brief drukt zich over het
mysterie der H. Drievuldigheid klaar en duidelijk uit.
Drie zijn er, zegt de H. Joannes, die getuigenis geven
in den hemel: Tres sunt qui testimonium dant in coelo;
de Vader, het Woord, d. i., de Zoon en de H. Geest;
(1) Ps, xxxii, 6. (2) Matth. xxvm, 19.
-ocr page 179-
— 175 -
Pater, Verbum et Spiritus sanctus, en die drie zijn maai1
één, et ld tres unum sunt. (i) Ziehier nu bij welke ge-
legenheid de drie goddelijke Personen zich aan de wereld
geopenbaard hebben; \'t was bij den doop van onzen Heer
Jezus-Christus. Onze goddelijke Zaligmaker wilde, alvorens
zijne predikatie aan te vangen, door zijn Voorlooper Joan-
nes gedoopt worden ; niet dat Hij het doopsel van Joannes
noodig had, neen, maar om aan het water de kracht te
geven om de zonden af te wasschen van de menschen, die
later het H. Sacrament des Doopsel ontvangen zouden.
Jezus begaf zich dan naar den Jordaan, waar Joannes
doopte, en Hij verzocht door hem gedoopt te worden.
Joannes wilde in den beginne daarin niet toestemmen;
hij kende Jezus te goed. Ik, zoo sprak Joannes, ik moet
door U gedoopt worden, en Gij komt tot mij ? Eindelijk
dan toch stemde Joannes er in toe. Jezus ging barrevoets
in het water van den Jordaan; Joannes stortte het water
uit over Jezus\' hoofd. En ziet nu wat er plaats greep.
Op het oogenblik dat Jezus uit het water kwam, openden
zich de hemelen; de H. Geest vertoonde zich onder de
gedaante eener duif, daalde over Hem neder en rustte
op Hem. Tegelijkertijd hoorde men eene stem uit den
hemel, die zeide: Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien
Ik mijn welbehagen genomen heb: Hic est Filius mens
dilectus, in quo mihi complacui.
(2) De eerste Persoon
van de H. Drievuldigheid, de Vader, spreekt, want Hij
noemt Jezus zijn Zoon; de tweede Persoon van de
H. Drievuldigheid, de Zoon, is er tegenwoordig, en de
derde Persoon van de H. Drievuldigheid, de H. Geest,
verschijnt onder de gedaante eener duif. Ziedaar de
openbaring van het mysterie der H. Drievuldigheid.
(l) Joan. v, 7. (3) Matth. m, 17.
-ocr page 180-
-- 17b —
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., vooreerst, wat het mysterie,
der H. Drievuldigheid is; vervolgens, dat het boven,
doch niet tegen de rede is; en eindelijk, dat het geopen-
baard is en bij welke gelegenheid de drie goddelijke
Personen zich geopenbaard hebben. Wat moeten wij nu
uit dit sermoon besluiten? Wij moeten er uit besluiten,
dat wij de H. Drievuldigheid moeten eeren door een
levend geloof, eene vurige liefde en een vast betrouwen.
Wij moeten vooreerst de H. Drievuldigheid gelooven,
en alhoewel wij met ons klein verstand dit geheim niet
kunnen begrijpen, en zekere naamwijzen er dikwijls veel
tegen in te brengen hebben, nochtans ons geloof aan het
mysterie der H. Drievuldigheid moet levend zijn, wijl
God zelf, die de opperste Waarheid is, het geopenbaard
heeft en ons door de H. Kerk, die naar de leering van
Christus niet kan dwalen, voorhoudt te gelooven.
Vervolgens moeten wij de H. Drievuldigheid beminnen,
één God in drie Personen, den Vader, den Zoon en den
H. Geest. En buiten de drie goddelijke Personen, die
wij moeten beminnen boven al, moeten wij ook nog be-
minnen onzen evennaaste gelijk ons zei ven. Wij moeten
door de banden der innigste liefde met God en onder
elkander vereenigd zijn. Die vereeniging met God en
onder elkander, door de banden der innigste liefde, smeekte
God de Zoon zijn hemelschen Vader voor ons af, na de
instelling van het aanbiddelijk Sacrament des Altaars.
Opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn, zoo sprak Jezus:
Ut sint unum, sicut et nos umint sumus; (i) opdat zij
allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, ten
(i) Joan. xvu, 21,
-ocr page 181-
- iff -
einde ook zij één zijn in Ons, opdat de wereld erkennê,
dat Gij Mij gezonden hebt.
Eindelijk moeten wij betrouwen op de H. Drievuldig-
heid, en wij moeten vast betrouwen op den Vader, die
ons geschapen, op den Zoon, die ons verlost, en op den
H. Geest, die ons geheiligd heeft. Wat al weldaden, B. B.,
die wij van de drie goddelijke Personen ontvangen hebben,
èn in de orde der natuur, èn in de orde der genade!
Weldaden, die ons een waarborg zijn, dat de drie godde-
lijke Personen met ons zullen zijn en blijven, en daarom
laten wij nimmer na, al onze werken te verrichten in den
naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes.
Eeren wij dus de H. Drievuldigheid door de akten
van geloof, hoop en liefde, door al onze werken, in den
naam der H. Drievuldigheid verricht; ja, geven wij eer
en glorie den Vader, den Zoon en den H. Geest hier op
aarde, wij zullen eenmaal het geluk hebben, hun eer en
glorie te mogen geven in het rijk der hemelen, gedurende
de eindelooze eeuwigheid. Amen.
12.
-ocr page 182-
Twaalfde Preek.
Het Allerheiligste Sacrament des Altaars.
Surge, comede; grandis enitn tibi restat via.
Sta op, eet; want er blijft u een lange weg
af te leggen.
                         (in Reg. xix, 7.)
INHOUD.
VOORREDE.
Het leven van den mensch is tweederlei: het natuur-
lijk en het bovennatuurlijk leven. — Waarin bestaat het
natuurlijk, waarin het bovennatuurlijk leven van den
mensch? — De mensch, om zijn natuurlijk leven te
bewaren, heeft spijs en drank noodig; om zijn boven-
natuurlijk leven te bewaren, het lichaam en bloed van
Jezus-Christus. — Het Evangelie. — Afbeeldsels van het
allerheiligste Sacrament des Altaars:
VERDEELING.
I.    De boom des levens van het aardsch paradijs;
II.    Het paaschlam;
III.    Het manna;
IV.    Het onder de asch gebakken brood van Elias.
-ocr page 183-
*-- \\fö
I.
Het eerste afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament
des Altaars is de boom des levens van het aardsch
paradijs. — God legde in het begin der schepping een
lusthof aan, het aardsch paradijs genaamd. — Talrijke
boomen stonden in dien lusthof, waaronder de boom des
levens. — Eigenschap van de vrucht van dien boom : den
mensch te bewaren voor de ziekten en den dood. —
Woorden van God na den val van Adam. — Het aller-
heiligste Sacrament des Altaars onder de zeven H. Sacra-
menten. — Uitwerksels van het allerheiligste Sacrament
des Altaars: het bovennatuurlijk leven te bewaren en te
vermeerderen, en ons van het leven der genade tot het
leven der glorie te doen overgaan. — Wij moeten dikwijls
naderen tot het allerheiligste Sacrament des Altaars.
II.
Het tweede afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament
des Altaars is het paaschlam. — De Israëlieten zijn een
afbeeldsel van de Christenen; de slavernij van Egypte,
van de slavernij des duivels ; het paaschlam, van Jezus
Christus. — De Israëlieten moesten het paaschlam eten
met ongeheveld brood, met wilde latuw, de lenden om-
gord, de voeten geschoeid, een stok in de hand, staande
en in haast. — De Christenen moeten Jezus-Christus in
de H. Communie ontvangen met eene zuivere meening
en in oprechtheid en eenvoudigheid des harten, met eene
ware droefheid over hunne zonden — wij moeten onze
driften intoomen, bereid om het pad der deugd steeds te
bewandelen, gedachtig dat wij, aan reizigers gelijk, op
weg zijn naar den hemel,
-ocr page 184-
i8o —
III.
Het derde afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament
des Altaars is het manna. — Het manna was een wónder-
brood, door de Engelen gemaakt, en vallende uit den
hemel; het moest \'s morgens vroeg en dagelijks geraapt
worden, het had een aangenamen en verschillenden smaak.
—   Het manna voedde en sterkte de Israëlieten veertig
jaren in de woestijn, op reis naar het beloofde land. —
Het manna is een afbeeldsel van Jezus-Christus in de
H. Communie. — Woorden van Jezus tot de Joden, —
Wij moeten dikwijls tot de H. Tafel naderen. — Het
allerheiligste Sacrament des Altaars heeft de heilzaamste
en verschillende uitwerksels. — Wachten wij ons de mor-
rende Israëlieten na te volgen, die door God gestraft
werden. — Wij moeten ons dikwijls met het allerheiligste
Sacrament des Altaars sterken, om onze reis naar den
hemel te kunnen voortzetten, en er eenmaal in aan te
landen.
IV.
Het vierde afbeeldsel van het allerheiligste Sarament
des Altaars is het onder de asch gebakken brood van
Elias. — Elias vluchtte voor Jezabel, die hem zocht te
dooden. — In de woestijn aangekomen, verlangt hij te
sterven. — Verschijning en woorden van den Engel tot
Elias. — Elias, na gegeten en gedronken te hebben, gaat
veertig dagen en nachten tot aan den berg Gods, Horeb.
— Wij hebben ook onze vijanden en moeten hen vluchten,
vooral de bedorvene wereld. — In de moeilijkheden,
enz. moeten wij tot de H. Tafel naderen, en dikwijls
naderen. — Gesterkt door het allerheiligste Sacrament
des Altaars zullen wij voortwandelen gansch ons leven,
-ocr page 185-
— i8l —
totdat wij in den hemel aanlanden, om God daar van
aanschijn tot aanschijn te aanschouwen.
SLUITREDE.
Wij hebben overwogen de vier afbeeldsels van het aller-
heiligste Sacrament des Altaars: den boom des levens van
het aardsch paradijs, het paaschlam, het manna en het
onder de asch gebakken brood van Elias. — Naderen wij
dikwijls tot de H. Tafel. Gelukkig de mensch, die zich
dikwijls met Jezus vereenigt in de H. Communie! Eenmaal
zal hij zich met Jezus mogen vereenigen in den hemel.
---------°o£>»s*-<3\'M"\'
Twaalfde Preek.
Het Allerheiligste Sacrament des Altaars.
Sur ge, comede; grandis enim tibi restatvia.
Sta op, eet, want er blijft u een lange weg
af te leggen.
                         (III Reg. XIX, 7.)
VOORREDE.
Het leven van den mensch, B. B.. is tweederlei, het
natuurlijk en het bovennatuurlijk leven. Het natuurlijk
leven bestaat in de vereeniging van de ziel met het
lichaam; wordt die vereeniging verbroken door den dood,
dan eindigt het natuurlijk leven van den mensch, of
althans, het wordt voor eenigen tijd onderbroken ; want
in den laatsten dag des oordeels zal de ziel wederom
vereenigd worden met haar lichaam, om nimmer meer
te scheiden.
-ocr page 186-
— 182
Het bovennatuurlijk leven van den mensch bestaat in
de heiligmakende genade; verliest de mensch die genade
door de doodzonde, dan is hij dood, door voor God, en
hij blijft dood, totdat hij door het een of ander middel
de heiligmakende genade terug bekomt. Van het leven
der heiligmakende genade moet de mensch eenmaal over-
gaan tot het leven der glorie, dat nimmer zal eindigen.
De mensch, om zijn natuurlijk leven te bewaren en
te vermeerderen, heeft spijs en drank noodig; zonder spijs
en drank kan hij niet blijven leven tenzij door een mirakel.
De mensch, om zijn bovennatuurlijk leven te bewaren
en te vermeerderen, heeft ook spijs en drank noodig;
doch eene bovennatuurlijke spijs en een bovennatuurlijken
drank. En welke zijn die bovennatuurlijke spijs en drank ?
Gij hebt het wellicht reeds bij u zelven gedacht, B. B.
Die bovennatuurlijke spijs en drank zijn het lichaam en
bloed van onzen Heer Jezus-Christus. Luistert hoe het
Evangelie van dezen dag het ons leert. „Te dien tijde
„sprak Jezus tot de scharen der Joden, „Caro enitn mea
„vere est cibns, et sanguis mens vere est potus:
want
„mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk
„drank. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt,
„blijft in mij, en ik in hem. Gelijk de levende Vader mij
„gezonden heeft, en ik leef om den Vader, zoo zal ook
„hij die mij eet, om mij leven. Dit is het brood, dat
„uit den hemel is nedergedaald; niet gelijk uwe vaderen
„het manna aten, en stierven: Wie dit brood eet, zal in
„eeuwigheid leven: Qui mandticat hunc panem, vivet in
„aeternum.
(i)"
Ziedaar, B. B., de bovennatuurlijke spijs en drank voor
den mensch, om zijn bovennatuurlijk leven, het leven
(i) Joan vi, 59.
-ocr page 187-
- i83 ~~
der heiligmakende genade te bewaren en te vermeerderen
het goddelijk vleesch en bloed van onzen Heer Jezus-
Christus.
Wijl wij vandaag het plechtig feest vieren van het
goddelijk vleesch en bloed van onzen Heer Jezus-Christus,
d. i., van het allerheiligste Sacrament des Altaars, heb
ik voorgenomen, u eenige oogenblikken te spreken over
de figuren of afbeeldsels van dat H. Sacrament. De
voornaamste afbeeldsels zijn onder anderen de vier vol-
gende :
I. De boom des levens van het aardsch paradijs;
II. Het paaschlam;
III.    Het manna der woestijn;
IV.    Het onder de asch gebakken brood van Elias.
Leggen wij die vier afbeeldsels een weinig uit.
I.
Het eerste afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament
des Altaars, is de boom des levens van het aardsch
paradijs.
God, B. B., had in het begin der schepping een prach-
tigen lusthof aangelegd, het aardsch paradijs genaamd.
In dien lusthof plaatste Hij onze eerste ouders, Adam
en Eva. Talrijke boomen, schoon om te zien, en die
de aangenaamste vruchten voortbrachten, stonden in het
aardsch paradijs. Onder die boomen prijkte de boom
des levens: Lignum vitae. (i) Doch waarom wordt die
boom genoemd boom des levens? Ziehier de reden. De
vrucht van dien boom bezat de eigenschap, haar door
God gegeven, om den mensch, zoo hij in de oorspron-
kelijke rechtvaardigheid volhardde en van die vrucht at,
(i) Gen. ii, 9.
-ocr page 188-
184
te bewaren, vrij van ongemakken en ziekten, in eene
immer bloeiende gezondheid, om zijne levensdagen te
verlengen en hem te beschutten tegen den dood; ja, die
vrucht zou hem onsterfelijk gemaakt hebben. God wijst
op dat wondervol uitwerksel der vrucht van den boom
des levens, als Hij, na Adam en Eva uit het aardsch
paradijs gedreven te hebben, zeide: Zorgen wij er nu
voor, dat Adam zijne hand niet uitsteke, dat hij van de
vrucht van den boom des levens niet neme, er van eete en
in eeuwigheid leve: Et vivat in aeternum. (i)
De boom des levens, B, B., van welken hier sprake is,
is een afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament des
Altaars. Jezus-Christus stichtte zijne Kerk, een anderen
lusthof, een ander paradijs; Hij stelde de H. Sacramenten
in, zeven in getal, en in de Kerk van Christus, onder de
zeven H. Sacramenten, prijkt het aanbiddelijk Sacrament
des Altaars, het Sacrament des levens, evenals de boom
des levens onder de overige boomen prijkte in het aardsch
paradijs. Welke zijn nu de vruchten, de uitwerksels van dit
Sacrament? Het aanbiddelijk Sacrament des Altaars,
waardig en dikwijls ontvangen, heeft de kracht om het
leven van den mensch te bewaren, te vermeerderen en
in het eeuwige leven te doen overgaan: niet het natuur-
lijk, het lichamelijk leven van den mensch, neen, maar
het geestelijk, het bovennatuurlijk leven der ziel, het
leven der heiligmakende genade. Ja, B. B., de Christen,
die dikwijls waardig communiceert, zal leven, leven door
het leven der heiligmakende genade, omdat hij Jezus-
Christus, die het brood des levens is, ontvangt. Immers,
Jezus zegt: Ik ben het brood des levens: Ego sum panis
vitae.
Dat leven der heiligmakende genade zal altoos
(i) Gen, in, 22.
-ocr page 189-
- i8S -
toenemen, want die Mij eet, zegt Jezus, zal voor Mij
leven: Qui mandncat me et ipse vivet propter me. Dat
leven zal nooit, zoo de mensch dikwijls waardig com-
municeert, door de doodzonde verloren gaan: Ut si quis
ex ipso manducaverit non moriatur,
en eindelijk — het-
geen de schoonste vrucht, het krachtigste uitwerksel is —
de mensch zal van het leven der genade tot het eeuwige
leven der glorie overgaan, volgens deze woorden van
Jezus-Christus: Die dit brood eet zal in eeuwigheid leven:
Qui manducat hunc panem vivet in aeternum. (i) Welke
schoone vruchten! Welke heerlijke uitwerksels als die
eener waardige Communie! Gij dus, die prijs stelt op het
leven uwer ziel, het leven der genade; die prijs stelt op
het eeuwige leven, die verlangt zalig te worden, in den
hemel te komen, nadert dikwijls tot de H. Tafel; nut
dikwijls het brood des levens; spijst en laaft u dikwijls
met het goddelijk vleesch en bloed van Jezus-Christus;
gij zult leven en blijven leven, leven hier op aarde door
de heiligmakende genade, en eenmaal leven hiernamaals
voor eeuwig in de hemelsche glorie.
II.
Het tweede afbeelsel van het allerheiligste Sacrament
des Altaars is het paaschlam.
Het uitverkoren volk Gods, de kinderen Israëls, B. B.,
hadden reeds jaren lang in de slavernij gezucht. God
verhoorde eindelijk hun zuchten en smeeken en besloot
hen uit de slavernij te verlossen en het beloofde land
binnen te leiden. Menige plaag voor de Egyptenaren
was reeds voorafgegaan, totdat eindelijk de laatste hen
trof, waarop de verlossing der Israëlieten moest volgen.
(i) Joan. vi, 59.
-ocr page 190-
— 186 ~
Doch ziet! alvorens Egypte te verlaten, gebood God den
Israëlieten in elk huigezin te slachten een eenjarig lam
zonder vlek of gebrek; zij mochten geen enkel been van
het lam breken; met het bloed van het lam moesten
zij de deurstijlen hunner woningen bestrijken, ten einde
bewaard te blijven voor den Worgengel, welke dien
nacht zou rondgaan, en al de eerstgeborenen der Egyp-
tenaren zou dooden. Zij moesten het op het vuur ge-
braden vleesch van het lam eten met ongeheveld brood
en wilde bittere kruiden of latuw, in de volgende hou-
ding : de lenden omgord, de voeten geschoeid, een stok
in de hand, staande en in haast. De toepassing van
hetgeen ik hier kom te verhalen, is niet moeielijk te
maken. Wij vinden er een treffend afbeeldsel in van het
christen volk, van de slavernij des duivels, van Jezus
Christus, van de H. Communie, en van de gesteltenis,
waarin wij tot de H. Tafel moeten naderen. Wij, Christe-
nen, wij zijn voorwaar een uitverkoren volk, met meer
recht zelfs dan de kinderen Israöls. Nochthans, wij bevon-
den ons ook in de slavernij, in de slavernij des duivels,
d. i., in den staat van doodzonde, die ons slaven maakt
van den duivel. Jezus-Christus, het Lam zonder Vlek,
heeft ons uit die slavernij verlost: tot dat einde heeft
Hij, brandende van liefde tot ons, zich laten slachtofferen
aan het kruis, waarlangs zijn goddelijk bloed gestroomd
heeft, en waaraan Hij, zonder dat zelfs een zijner been-
deren gebroken werd, is gestorven. Die offerande nu
wordt eiken dag nog, doch op een onbloedige wijze, op
duizenden altaren vernieuwd. Daarenboven, God gebiedt
ons zijn goddelijk vleesch te eten, onze zielen met zijn
goddelijk bloed als te teekenen, ten einde ze te bevei-
ligen tegen den Worgengel, den duivel, die er op uit is om
onze zielen om te brengen, door ze te berooven van de
-ocr page 191-
_ i87 -
heiligmakende genade en ze met zich te sleuren naar de
hel. Doch hoe moeten wij het lichaam en bloed van
Jezus-Christus nutten? In welke gesteltenis? Naar het
voorbeeld der Israëlieten, moeten wij het nutten met onge-
heveld brood, d. i., met eene zuivere meening, in oprecht-
heid en eenvoudigheid des harten, met wilde bittere
kruiden of latuw, d. w. z., met eene ware, oprechte droef-
heid over onze zonden; de lenden omgord; ja, wij moeten
onze kwade neigingen intoomen, de begeerlijkheid des
vleesches onderdrukken; de voeten geschoeid, en alzoo
bereid om het pad der deugd steeds te bewandelen; een
stok in de hand, staande en in haast, zoodat wij immer
indachtig moeten zijn, dat wij, aan pelgrims, aan reizigers
gelijk, hier op aarde in dit tranendal geene bestendige
verblijfplaats of woning hebben, doch dat wij op weg,
evenals de Israëlieten naar het beloofde land, met ver-
haaste schreden onze reis moeten voortzetten naar het
hemelsch vaderland.
III.
Het derde afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament
des Altaars is het manna der woestijn.
God, B. B., spijsde met het manna de Israëlieten in
de woestijn. Het manna was een wonderbrood, door de
Engelen gemaakt, en vallende uit den hemel, en vandaar
dat het genoemd wordt brood der Engelen: Panem Ange-
lorum mandticavit homo;
(i) brood des hemels: Panem
caeli dedit eis.
Dat wonderbrood of manna moest \'s mor-
gens vroeg en dagelijks geraapt worden. Het had bijzon-
der voor hen, die naar geene vleeschspijzen verlangden,
een aangenamen en verschillenden smaak. Het voedde
(i) Ps. lxxvii, 24. 25.
-ocr page 192-
— 188 —
en sterkte de Israëlieten veertig jaren lang, op hunne
reis naar het beloofde land. Het manna is een afbeeldsel
van het aanbiddelijk Sacrament des Altaars. Onze god-
delijke Zaligmaker leert het duidelijk in zijne rede tot
de Joden. Voorwaar, voorwaar ik zeg het u, zoo sprak
Jezus, niet Mozes heeft u het brood uit den hemel gege-
ven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit den
hemel. Ik ben het levend brood, die uit den hemel ben
nedergedaald: Ego sum panis vivus, qui de coelo des-
cendi.
(i) Zoo iemand van dit brood eet, hij zal in
eeuwigheid leven. En het brood, dat ik geven zal, is
mijn vleesch, voor het leven der wereld: Et panis, qitem
ego dabo, caro mea est pro mundi vita.
De Israëlieten moesten \'s morgens vroeg, voor den
opgang der zon en dagelijks het manna rapen; zoo ook
moeten wij, Christenen, ons beijveren, om, zoo niet
dagelijks, dan toch dikwijls tot de H. Tafel te naderen.
Het manna had een aangenamen en verschillenden
smaak. Zoo ook heeft het aanbiddelijk Sacrament des
Altaars de heilzaamste en verschillende uitwerksels; doch
om die uitwerksels deelachtig te worden, wachten wij
ons wel zekere Israëlieten na te volgen, die naar vleesch-
spijzen verlangden, een afkeer kregen van het manna,
en het uit minachting noemden eene smakelooze spijs:
Wij krijgen walging, zeiden zij, van dat licht voedsel:
Anima nostra jam nauseat super cibo isto levissimo. (2)
En welk was het gevolg van dat verlangen naar
vleeschspijzen, van het minachten van het manna? God
strafte die Israëlieten verschrikkelijk. Zij hadden het
vleesch nog tusschen de tanden, zegt de H. Schrift, en
de toorn Gods daalde reeds op hen neder, en een
(1) Joan. vi, 41. (2) Num. xxi, 5.
-ocr page 193-
i8a --
groot getal werd met den dood gestraft. God zónd
vurige slangen onder het volk, door welke er velen
gebeten en gedood werden. Treffend afbeeldsel van de
slechte Christenen, die weinig belang stellen in het aller-
heiligste Sacrament des Altaars; die zelden tot de H.
Tafel naderen; wier smaak bedorven is door de zonden,
en bijzonder door de zonden van onkuischheid; die niets
van de kracht van het allerheiligste Sacrament gewaar
worden, niets van zijne zoetigheden proeven ; die ziek
worden, wegkwijnen, sterven en verloren gaan. Dat toch
nimmer dergelijk ongeluk ons treffe; en daarom, zorgen
wij ons altoos goed voor te bereiden, om met eene vurige
begeerte en eene brandende liefde Jezus Christus, het
ware manna, uit den hemel nedergedaald, te ontvangen;
alsdan lijdt het geen twijfel, of wij zullen er reeds in
dit leven de heerlijkste vruchten van deelachtig worden.
Het manna, B. B., voedde en sterkte de Israëlieten in
de woestijn, veertig jaren lang, op hunne reis naar het
beloofde land. Zoo ook zal het aanbiddelijk Sacrament
des Altaars, dat waar, dat echt hemelsch manna, zoo
wij het dikwijls waardig ontvangen, ons voeden en sterken,
om in de woestijn dezer wereld, gansch ons leven onze
reis naar behooren te kunnen voortzetten, en eenmaal
aan te landen in het beloofde land, in den hemel.
IV.
Het vierde afbeeldsel van het allerheiligste Sacrament
des Altaars is het onder de asch gebakken brood van
Elias.
Tijdens de regeering van koning Achab, B. B., ver-
volgde Jezabel, zijne goddelooze huisvrouw, de Profeten
des Heeren. Zij deed vooral den Profeet Elias opzoeken,
zwoer zijn dood en deed hem aanzeggen: De goden
-ocr page 194-
— 190 -*
zullen mij straffen, zoo ik morgen, tegen dit uür, u niet
mede zal omgebracht hebben. Elias bevreesd, nam de
vlucht en ging eene dagreis ver de woestijn in. Daar
zette hij zich vermoeid en uitgeput neder onder een boom
en verlangde te sterven : Petivit animae snae ut more-
rctur.
(i) Heer! zeide Elias: ik heb lang genoeg geleefd.
Neem mijne ziel van mij weg, want ik ben niet beter
dan mijne vaderen. En na aldus gesproken te hebben,
sliep Elias in onder de schaduw van den boom. En ziet!
de Engel des Heeren raakte Elias aan en zeide: Sta op
en eet: Surge, comede. En wondere zaak! Toen Elias
omzag, stond er bij zijn hoofd een onder de asch ge-
bakken brood en eene flesch met water. Elias at, dronk
en sliep op nieuw in. De Engel maakte hem ten tweede
male wakker en zeide: Sta op en eet, want gij hebt een
langen weg af te leggen: Grandis enitn tibi restat via.
Elias stond op, at en dronk, en door dat voedsel gesterkt,
ging hij veertig dagen en veertig nachten door, tot aan
den berg Gods, Horeb. Daar gekomen, werd Elias door
God getroost en hij mocht zelfs bij een wondergezicht
eenigszins de Godheid aanschouwen.
De goddelooze Jezabel stond Elias naar het leven en
om te ontkomen moest de Profeet de vlucht nemen naar
de woestijn. B. B., een ieder onzer heeft ook zijne
vijanden, die hem naar het leven staan, en onder die
vijanden bevindt zich de bedorvene wereld. Wat moeten
wij nu doen, om niet in de handen der bedorvene wereld
te vallen en door haar omgebracht te worden ? Naar het
voorbeeld van Elias moeten wij vluchten, vluchten de
gevaren en gelegenheden van zonde, de gevaarlijke par-
tijen en gezelschappen, de slechte huizen en personen.
(i) in Reg. xix, 4—7.
-ocr page 195-
- ïgï -
Hoe dan! zal de mensch niet bezwijken, in zondevallen,
zoo hij zich zonder reden aan de gevaren en gelegenheden
van zonde blootstelt? Of heeft de H. Geest geene waar-
heid gesproken, als Hij zeide: Die het gevaar bemint,
zal er in vergaan? Qui amat periculum, in Uloperibit? (\\)
Dus, wij moeten op de eerste plaats vluchten, en de be-
dorvene wereld verlaten, zooveel als mogelijk is; vluchten
naar de woestijn, in de eenzaamheid. Ha! B. B., de
gevaren van zonde buiten de wereld en haar verderf
zullen nog talrijk en groot genoeg zijn. De strijd zal
daarom niet ophouden. De duivel en het vleesch zullen
niet nalaten ons aan te vallen. Daarenboven, hoe dikwijls
zit de mensch, op allerlei wijze door kruisen en weder-
waardigheden getroffen, evenals Elias troosteloos daar
neder? Vermoeid en uitgeput heeft hij kracht noch moed
om voort te gaan op het pad der deugd; alles staat
hem tegen; en evenals de Profeet, vraagt hij misschien
zijn Heer en God, te mogen sterven. Welken raad dien
mensch gegeven in zijn gevaarvollen en droevigen toe-
stand ? Met den Engel Gods zeg ik hem: Sta op: Surge;
eet: comede. Eet, en eet herhaalde malen, d. i., nadert,
en nadert herhaalde malen tot de H. Tafel, want uwe
reis hier in de woestijn der wereld is nog niet ten einde;
Grandis enim tibi restat via: (2) Er blijft u een lange
weg over. Ach! misschien hebt gij nog tien, twintig,
nog meer jaren te reizen, alvorens uwe bestemming te
bereiken. Bekoord door de vijanden der zaligheid, be-
proefd door kruisen en wederwaardigheden, zult gij,
uitgeput en moedeloos, u dikwijls moeten versterken.
Comede: Eet, B. B., eet het brood der sterken; Jezus is
dat brood, en Jezus zal u moed geven en kracht bij-
(1) Eccl. in, 27. (2) ui Reg. xix, 7.
-ocr page 196-
— ïgè -a
zetten; gij zult niet bezwijken. Drinkt, drinkt den wijn,
die maagden voortbrengt: Vinum germinans virgines.{\\)
Het goddelijk bloed van Jezus is die wijn, en het bloed
van Jezus, dat in uwe aderen stroomt, zal u verfrisschen;
gij zult niet omkomen van dorst. Ja, nadert dikwijls tot
de H. Tafel, en door het goddelijk vleesch en bloed van
Jezus-Christus gesterkt en verfrischt, zult gij voortwan-
delen geen dagen, maar jaren en jaren, zoolang gij leeft;
gij zult den berg Gods, Horeb, bereiken, d. i., gij zult
eenmaal aanlanden daarboven in den hemel, waar God
u volkomen zal troosten, waar gij God zult zien van
aanschijn tot aanschijn, waar gij God zult bezitten en
genieten, en waar gij in het bezit en genot van God
voor eeuwig gelukkig zult zijn.
SLUITREDE.
Ik heb u gegeven, B. B., eene korte verklaring van
eenige figuren of afbeeldsels van het allerheiligste Sacra-
ment des Altaars.
Het allerheiligste Sacrament des Altaars is in de H.
Kerk onder de overige H. Sacramenten het Sacrament
des levens, evenals een boom in het aardsch paradijs
onder de overige boomen de boom des levens was.
Jezus in het allerheiligste Sacrament des Altaars is
het ware Lam zonder Vlek, waarvan het paaschlam der
Israëlieten maar een afbeeldsel is.
Jezus in het allerheiligste Sacrament des Altaars is
het ware, het echte manna, uit den hemel nedergedaald,
afgebeeld door het manna der woestijn.
Het goddelijk vleesch en bloed van Jezus, waardig in
de H. Communie ontvangen, is inderdaad de spijs en
(i) Zach. IX, 37.
-ocr page 197-
— i$$ -*
drank onzer zielen, afgebeeld door het brood en Water",
door Elias genut.
In die verschillende afbeeldsels hebben wij gezien de
kostbare vruchten, de heilzame uitwerksels van het aller-
heiligste Sacrament des Altaars. Besluiten wij daaruit,
dikwijls tot de H. Tafel te naderen, ten einde die vruchten
en uitwerksels deelachtig te worden. Gelukkig de mensch,
die dikwijls waardig te Communie gaat, zich met zijnen
Heer en God vereenigt in het allerheiligste Sacrament;
met Jezus vereenigd, zal hij steeds braaf en deugdzaam
leven, en na dit leven zich met Jezus mogen vereenigen
in den hemel Amen.
•*^§§#2^
18.
-ocr page 198-
Dertiende Preek.
Het H. Hart van Jezus.
Cum dilexisset suos qui erant in tntindo,
in finem dilexit eos.
Na de zijnen, die in de wereld waren,
geliefd te hebben, heeft Hij hen ten uiter-
ste lief gehad.
                 (Joan. XIII, i).
INHOUD.
VOORREDE.
Twee feesten ter eere van twee H. Harten, het H. Hart
van Jezus en het H. Hart van Maria. — De godsvrucht
tot het H. Hart van Jezus is geene nieuwigheid; zij dag-
teekent van het begin des Christendoms. — Geschie-
denis van de gelukzalige Margaretha Maria Alacoque. —
Woorden van Jezus tot Margaretha. — De godsvrucht
tot het H. Hart van Jezus is thans de gansche wereld
door verspreid.
VOORREDE.
I. Het voorwerp dezer godsvrucht;
II. De voornaamste beweegreden, waarom wij het H.
Hart van Jezus moeten eeren.
-ocr page 199-
- i9S -
I.
Het mysterie van de Menschwording van Christus;
grond der godsvrucht tot het H. Hart van Jezus. —
Welk is het voorwerp dezer godsvrucht? Het voorwerp
dezer godsvrucht is tweederlei, namelijk, het stoffelijk en
het geestelijk voorwerp. — Het stoffelijk voorwerp is
het H. Hart van Jezus zelf, vereenigd met zijne mensch-
heid en godheid. — Wat is het H. Hart van Jezus ? —
Het geestelijk voorwerp is de liefde van Jezus, waarvan
het hart het zinnebeeld is. — Men eert de werktuigen
van Jezus\' lijden, het kruis, enz.; hoeveel te meer moet
men dan het H. Hart van Jezus eeren.
II.
Welke is de voornaamste beweegreden, waarom wij
het H. Hart van Jezus moeten eeren? De voornaamste
beweegreden is de liefde van Jezus. — Liefde van Jezus
tot ons. — Jezus heeft zich uit liefde tot ons voor ons
gegeven. — Zijne liefde bij de Menschwording, tijdens
zijn verborgen en openbaar leven, vooral tijdens zijn
lijden. — Oogslag op Jezus, zijn kruis dragende naar den
Calvarieberg, gehecht aan het kruis. — Jezus\' H. Hart
doorboord, fontein der liefde. — Jezus heeft zich uit liefde
tot ons aan ons gegeven. — Instelling van het allerhei-
ligste Sacrament des Altaars, Sacrament van liefde. —
Jezus geeft ons zijn goddelijk vleesch tot spijs, zijn god-
delijk bloed tot drank. — Jezus noodigt ons uit tot Hem
te komen, om ons met Hem te vereenigen.
SLUITREDE.
Jezus heeft ons vóór en n£ zijnen dood bemind, wij
-ocr page 200-
-— ïgé —
moeten hem wederliefde betoonen. — Woorden van Jezus;
Mijn zoon, geef mij uw hart. — Opdracht onzer harten
aan het H. Hart van Jezus.
---------*ï.$~.--------
Dertiende Preek.
Het H. Hart van Jezus
\\
Cum dilexisset snos qui erant in mundo,
in Jinem dilexit eos.
Na de zijnen, die in de wereld waren,
geliefd te hebben, heeft Hij hen ten uiterste
liefgehad.
                           (Joan. xin, i.)
VOORREDE.
Onze Moeder de H. Kerk viert slechts twee feesten
ter eere van twee H. Harten, namelijk, van het H. Hart
van Jezus en van het H. Hart van Maria. De godsvrucht
of de devotie tot het H. Hart van Jezus, B. B., is vol-
strekt geene nieuwigheid in de H. Kerk; zij dagteekent
in zekeren zin van het begin der H. Kerk zelve. Die
godsvrucht mag in zoo verre slechts eene nieuwigheid
genoemd worden, dat zij in vroegere tijden niet zoo
algemeen, niet onder een bijzonderen naam, noch onder
een bepaalde7i vorm als thans door de H. Kerk werd
voorgesteld en aanbevolen; doch wat de zaak zelve
betreft, is zij zoo oud als het Christendom. Zij ontstond
op den Calvarieberg, toen de soldaat met zijne lans
de zijde en het H. Hart van Jezus opende. Van dien
tijd af heeft de godsvrucht tot het H. Hart van Jezus
voortdurend, door alle eeuwen heen, hare beoefenaars,
-ocr page 201-
— 197 —
voorstanders en verkondigers gehad. Nochtans, \'t was
in de zeventiende eeuw, dat die schoone, die zoo heil-
zame godsvrucht eene bijzondere uitbreiding bekwam.
Ten jare 1671 leefde er in Frankrijk te Paray-le-Monial,
in \'t bisdom van Autun, in een klooster van den H.
Franciscus van Sales, eene jeugdige maagd, onbekend aan
de wereld, |doch des te beter bekend aan God. In de
wereld heette die maagd Margaretha Alacoque; in het
klooster Margaretha Maria. God had eene zekere voor-
liefde tot die zuivere ziel, en Hij besloot door haar de
geheimen zijner grenzelooze liefde aan de wereld te
openbaren. Margaretha Maria bracht niet alleen dagen,
maar ook soms gansche nachten door in de aanbidding
van Jezus in zijn allerheiligste Sacrament. Zekeren dag
tijdens de plechtige octaaf van het feest van het aller-
heiligste Sacrament, terwijl Margaretha Maria wachtte en
bad aan den voet des altaars, terwijl zij tevens nadacht
over de ondankbaarheid der menschen en de liefde van
onzen goddelijken Zaligmaker, ziet! daar verschijnt haar
eensklaps Jezus-Christus, omgeven met een hemelsch licht.
Jezus toont haar door de geopende zijde zijn H. Hart.
Dat H. Hart is als geplaatst op een troon van vlammen.
De wond, op den Calvarieberg ontvangen, is nog zicht-
baar; een doornen kroon omgeeft het, en een kruis schit-
terender dan de zon, verheft zich boven op het H. Hart.
Margaretha Maria, bewogen, vervoerd, beziet eenigen tijd
dat grootsche schouwspel. Ha! B. B., \'t is wel haar
beminde Zaligmaker, dien zij erkent. Daarna spreekt
Jezus zijne bruid aan in dezer voege: „Ziedaar dat Hart,
„hetwelk de menschen zóó zeer bemind heeft, dat het
„niets gespaard heeft, om hun zijne liefde te betoonen.
„En in plaats van wederliefde ontvang Ik van het grootste
„gedeelte niets dan ondankbaarheid, wegens de verach-
-ocr page 202-
— 198 —
„ting, de oneerbiedigheden, de heiligschennissen en de
„onverschilligheid, waarmede zij Mij in mijn Sacrament
„van liefde bejegenen. Maar waaraan ik nog gevoeliger
„ben is, dat Ik ook alzoo behandeld wordt door harten,
„die Mij zijn toegewijd. Daarom vraag ik u, te zorgen,
„dat er op den eersten Vrijdag der octaaf van het H.
„Sacrament een bijzonder feest gevierd worde, om mijn
„H. Hart te eeren, en om de gruwelijke onteeringen te
„herstellen, welke mijn Hart worden aangedaan tijdens
„de uitstelling van mijn H. Sacrament op de altaren."
Margaretha Maria gehoorzaamde. God, die het zwakke
dikwerf uitkiest om het sterke te beschamen, zegende
de pogingen zijner bruid. Deze zegevierde over alle
hinderpalen, welke haar in den weg gelegd werden door
de Jansenisten en goddeloozen. Want ziet! eenige jaren
later vergaderden op verzoek der doorluchtige koningin
Maria Theresia te Parijs, de hoofdstad van Frankrijk,
al de Bisschoppen des rijks, en van daar uit verkondig-
den zij eenparig de echtheid van de godsvrucht tot het
H. Hart van Jezus. Deze godsvrucht, eerst algemeen
geworden in Frankrijk, verspreidde zich weldra door
gansch Europa, drong door tot in China en Canada, en
is thans overal gekend en geoefend; zij is de meest
geliefde godsvrucht der harten, die Jezus liefhebben en
beminnen.
Wijl wij vandaag het feest van het H. Hart van Jezus
vieren, heb ik voorgenomen u eenige oogenblikken te
onderhouden over het voorwerp van dit feest, niet om u
het H. Hart van Jezus te doen beminnen — gij allen, ik
ben er verzekerd van, bemint het — doch om u in de
liefde tot het H. Hart van Jezus te doen aangroeien.
Ziehier de twee punten, die wij zullen verhandelen.
-ocr page 203-
— 199 —
I. Welk is het voorwerp der godsvrucht, waarvan -
hier spraak is?
II. Welke is de voornaamste beweegreden, waarom wij
het H. Hart van Jezus moeten eeren?
I.
En wel vooreerst, welk is het voorwerp der godsvrucht
waarvan hier spraak is?
Om zulks wel te verstaan, B. B., is het goed eerst een
oogenblik na te denken over de waardigheid van onzen
Heer Jezus-Christus. In Jezus-Christus, gelijk het geloof
ons leert, is maar één Persoon namelijk, de goddelijke
Persoon, de tweede Persoon van de H. Drievuldigheid.
Die Persoon heeft twee naturen, namelijk, de goddelijke
en de menschelijke natuur; de goddelijke natuur in
eeuwigheid, d i., zonder beginsel, wijl Jezus-Christus in
eeuwigheid van God zijn hemelschen Vader voortkomt;
de menschelijke natuur van den tijd, dat Hij is mensch
geworden uit de zuivere Maagd Maria, dat is nu 18...
jaren. Ziedaar het geheim van de Menschwording van
Christus.
In dit geheim nu ligt eigenlijk de grond van de gods-
vrucht tot het H. Hart van Jezus. Ziehier hoe een
godvruchtig schrijver (i) antwoordt op de vraag, welk
eigenlijk het voorwerp van de godsvrucht tot het H. Hart
van Jezus is.
Alle Katholieken, zegt die schrijver, stemmen overeen
en erkennen dat het voorwerp dier godsvrucht twee-
voudig is in zijn eenheid, het stoffelijk en het geestelijk
voorwerp.
Door het stoffelijk voorwerp, en dat onder het bereik
der zintuigen valt, moet verstaan worden het eigenlijke
(i) De Eerw. Pater Ramière S. J.
-ocr page 204-
— 200 —
H. Hart van Jezus, gevormd door God den H. Geest
uit het zuivere bloed van de zuiverste der Maagden, van
de allerheiligste Maagd Maria. Dat H. Hart moet niet
gescheiden worden noch van de menschheid, noch van
de godheid, waarmede het onafscheidbaar vereenigd is
en blijft.
Het H. Hart van Jezus, B. B., is het edelste deel van
het lichaam van den Zoon Gods mensch geworden; dus
van het heiligste, van het volmaaktste lichaam, dat ooit
gevormd is. Het is het beginsel van het leven van den
Zoon Gods, mensch geworden; dus van het heiligste,
van het volmaaktste aller levens.
Het H. Hart van Jezus is het edelste orgaan van de
gevoelens der ziel van den Zoon Gods; dus van de
heiligste, van de volmaaktste der zielen. Het is gansch
bijzonder het orgaan der liefde van den Zoon Gods, van
zijne liefde tot God en de menschen.
Het H. Hart van Jezus is het voornaamste heiligdom
van God den H. Geest, door wien het gevormd en
bewoond is. Het is de bron van het goddelijk bloed,
dat de Zoon Gods vergoten heeft voor de zaligheid der
menschen; in één woord, het H. Hart van Jezus is het
H. Hart van den Godmensen, en vandaar dat het is het
waardigste voorwerp van onze liefde, onze vereering en
aanbidding, evenals Jezus-Christus zelf, wiens H. Hart
het is.
Door het geestelijk voorwerp moet verstaan worden de
liefde van Jezus, waarvan het hart het zinnebeeld is •
liefde, waarmede Jezus niet alleen zijn hemelschen Vader,
maar ook ons bemind heeft en nog bemint; liefde, waar-
van Hij ons de doorslaandste bewijzen gegeven heeft,
vooral tijdens zijn lijden, en die Hij ons nog geeft, bijzon-
der in het aanbiddelijk Sacrament des Altaars.
-ocr page 205-
— 201 —
Uit deze weinige woorden wel begrepen, blijkt, dat
beide voorwerpen, het stoffelijk en het geestelijk voor-
werp maar één voorwerp uitmaken; want wij beminnen,
vereeren en aanbidden het H, Hart van Jezus als zinne-
beeld der liefde, en de afgebeelde liefde in zijn H. Hart.
Bijgevolg, onder welk oogpunt men het voorwerp ook
beschouwe, \'t is het heiligste, het volmaaktste voorwerp,
dat men zich kan voorstellen; een voorwerp onze liefde,
onze vereering en aanbidding overwaardig; \'t is het Hart
van eenen God, die ons zoo teeder bemind heeft en nog
bemint; \'t is Jezus zelf, beschouwd in het edelste lidmaat
zijner menschheid, in zijn H. Hart, en in de schoonste
eigenschap zijner godheid, in zijne liefde. Veronderstelt
eens een persoon in \'t bezit van een der overblijfsels of
reliquiën van het lijden van onzen goddelijken Zaligma-
ker, bijv., van een deeltje van het H. Kruis, waaraan
Jezus gestorven is; van een der nagelen, die zijne geze-
gende handen en voeten doorboorden; van een der door-
nen van de kroon, die het goddelijk hoofd van Jezus
wondden. O, wat zou die persoon zich gelukkig achten!
Met welken eerbied zou hij die voorwerpen in zijne han-
den nemen, met welke teedere godsvrucht aan zijne
lippen brengen, en met welke liefde aan zijn hart druk-
ken! En die persoon, B. B., had volslagen gelijk; want
die voorwerpen zijn onze eerbied, onze godsvrucht en
onze liefde waardig, wijl zij geheiligd zijn door de lede-
maten van onzen goddelijken Zaligmaker, geverfd met
het goddelijk bloed van Jezus-Christus. Doch ik vraag
het: Wat zijn die voorwerpen, hoe waardig ook, in ver-
gelijking van het H. Hart van Jezus ? Ziedaar dus, B. B.,
waarin beide voorwerpen, het stoffelijk en het geestelijk
voorwerp van de godsvrucht tot het H. Hart van Jezus
bestaan; beide maken om zoo te zeggen maar één voor-
-ocr page 206-
202 —*•
werp uit. Zien wij nu in ons tweede punt de voornaamste
beweegreden, waarom wij het H. Hart van Jezus moeten
eeren.
II.
Welke is de voornaamste beweegreden, waarom wij het
H. Hart van Jezus moeten eeren?
De voornaamste beweegreden, B. B., is de liefde van
Jezus, liefde, waarmede Hij zijn hemelschen Vader en
ons menschen bemind heeft.
Niemand voorzeker heeft God den hemelschen Vader
zoo innig, zoo vurig bemind, als Jezus, zijn mensch ge-
worden Zoon. Vandaar de ijver, waarvan Jezus brandde
voor de glorie van zijn hemelschen Vader; de droeiheid
en smart, welke Hij gevoelde op het gezicht der belee-
digingen, zijn hemelschen Vader aangedaan. Vandaar
de gehoorzaamheid aan zijn hemelschen Vader tot den
dood, ja, tot den dood des kruises. Doch \'t is vooral
over de liefde van Jezus tot ons menschen, dat wij moe-
ten spreken; liefde, waarmede Jezus ons bemind heeft
tijdens zijn leven, en waarmede Hij ons nog bemint na
zijnen dood.
Gansch het leven van onzen goddelijken Zaligmaker,
B. B., te beginnen van de kribbe te Bethleëm, tot aan
het kruis op den Calvarieberg, gansch zijn leven is eene
reeks, een aaneenschakeling van liefdedaden voor ons
geweest. Ik zal slechts de voornaamste aanhalen.
Na den val en door den val van Adam en Eva waren
wij allen, volgens de uitdrukking van den H. Augustinus,
gelijk aan eene verworpen menigte. En die verworpen
menigte lag daar als in een poel van ellenden, en wen-
telde zich, en stortte van den eenen afgrond van ellenden
in den anderen. God sprak het doodvonnis uit over
-ocr page 207-
— 203 —
Adam en Eva en gansch hun nakomelingschap, omdat
zij het gebod, hun door God gegeven, schandelijk over-
treden hadden. Doch ziet! nauwelijks heeft God het
vonnis over hen uitgesproken, nauwelijks zijn zij der
ellenden prijs gegeven, of zij aanschouwen in het blijde
verschiet hunnen Verlosser, hunnen Zaligmaker, die hen
zoo niet in alle, dan toch in de voornaamste rechten
herstellen zal. Wie is die Verlosser, die Zaligmaker?
Niemand anders dan Jezus-Christus; en die Jezus-Christus
zal als middelaar tusschen den beleedigden Schepper en
het ongehoorzame schepsel optreden. Hij zal vergiffenis
voor dat schepsel afsmeeken, de voldoening voor de
overtreding van het gebod van God op zich nemen, en
eindelijk zal Hij het vonnis van den eeuwigen dood,
dat over ons allen uitgesproken was, vernietigen. God
de Vader belooft den Verlosser; God de H. Geest over-
lommert de ootmoedige Maagd Maria bij de Mensch-
wording van Christus, en Jezus bij zijne Menschwording
springt van vreugde op, om zijne, alhoewel moeielijke
en pijnlijke taak, namelijk, de verlossing van het mensch-
dom, te beginnen: Exultavit ut gigas ad currendam
viavi suam.
(t) Van dat oogenblik af, B. B., heeft Jezus
onafgebroken zijn oog op dat grootsche werk gevestigd.
Hij stelt zich gansch zijn levensloop in den geest voor.
Hij voorziet de pijnen en smarten, de mishandelingen en
folteringen, die Hij van zijne vijanden staat te verwachten.
Want denkt niet dat Jezus zijn lijden dan eerst begonnen
heeft, toen Hij door Judas verraden, zijnen vijanden werd
overgeleverd. Neen, B. B., maar van zijne geboorte af
werd zijn kinderlijk Hart, dat van liefde tot ons men-
schen brandde, met wreede geesels als verscheurd, met
(i) Ps. xvm, 6.
-ocr page 208-
204
scherpe doornen als gekroond, en met plompe nagelen
als aan het kruis gehecht. Van dat oogenblik af gevoelde
het H. Hart van Jezus als het ware reeds de wond,
welke het eenmaal op den Calvarieberg moest ontvangen,
als de soldaat met zijne lans Jezus\' zijde doorboren zou.
Ik spreek van den Calvarieberg. Zien wij eens met welke
liefde Jezus bezield is op weg naar die strafplaats.
Mij dunkt, B. B., ik zie Jezus. Zijn H. Hart brandt
van liefde tot ons; Hij verlangt niets zoozeer als te lijden
en te sterven voor onze zaligheid. Op het punt om naar
den Calvarieberg te gaan, staat Jezus daar, bleek, met
doornen gekroond, met wonden overdekt, met bloed be-
smeurd. Hij is omgeven door soldaten en beulen, die
Hem uitlachen en bespotten. Een dier onmenschen biedt
Hem het Kruis aan. Jezus groet het minzaam, neemt,
omhelst en legt het op zijne doorwonde schouders. Jezus
is gereed om te vertrekken. Doch mijn goddelijke Zalig-
maker, mijn lieve Jezus! waar gaat Gij naar toe?... Ik
ga naar den Calvarieberg... En wat gaat Gij op den
Calvarieberg doen, mijn Jezus?... Op den Calvarieberg
ga Ik den kruisdood sterven om u het leven te geven...
Doch mijn Jezus, Gij zult den Calvarieberg niet bereiken;
Gij zult onder weg bezwijken... Ja, mijn kind, Ik zal
bezwijken, en Ik zal herhaalde malen bezwijken onder
mijn kruis, maar Ik zal telkens opstaan... Maar, goede
Jezus, Gij zult onder weg sterven... Neen, mijn kind, Ik
zal onder weg niet sterven; mijne liefde tot u zal Mij
staande houden, zij zal Mij kracht bijzetten, om den Cal-
varieberg te bereiken; want \'t is daar, dat Ik voor u mijn
leven wil ten beste geven, dat Ik voor u wil sterven. En
ziet! Jezus, beladen met zijn kruis, evenals een andere Isaac
met het hout voor het offer bestemd, gaat vooruit; Hij
buigt onder den last van het kruis. Gestooten en geslagen,
-ocr page 209-
- lol --
op allerlei wijze mishandeld door de soldaten, vervolgt
Jezus zijnen weg, en na veel moeielijkheden en na dikwijls
gevallen te zijn, bereikt Hij het toppunt van den berg.
De beulen slaan terstond hunne bezoedelde handen aan
het Lam zonder Vlek. Zij gebieden Jezus, zich op het
kruishout neer te leggen. Jezus biedt hun zijne handen
en voeten aan. De beulen slaan ze met eenige nagelen
aan het kruis vast. Daarop richten zij het kruis in de
hoogte en stellen tusschen hemel en aarde den standaard
van vrede ten toon. Het goddelijk bloed van Jezus
stroomt op den grond neder: Jezus wil dat het tot den
laatsten druppel toe vergoten worde. Een soldaat nadert
het kruis, heft zijne lans omhoog, stoot ze in Jezus\' zijde
en opent er zijn hart mede, waaruit terstond bloed en
water vloeide, zegt de H. Joannes: Et continuo exivit
sanguis et aqua.
(i) Ziedaar, B. B. het H. Hart van
Jezus geopend, Hart dat ons dienen moet tot schuilplaats!
Ziedaar de fontein, die voor ons ten eeuwigen leven ont-
sprongen is! Welaan dan getrouwe zielen van Jezus! gij
die dorst van liefde tot uw goddelijken Meester. Nadert
en stelt u onder het kruis; lescht uwen dorst aan die
fontein der liefde. Ja, wat meer is, de arme zondaar,
mits hij berouw hebbe over zijne zonden, hij nadere ook
met betrouwen; hij stelle zich ook onder het kruis; het
bloed van het Lam zonder Vlek zal op hem nedervallen,
en zijne zonden, al ware zij ook rood als scharlaken,
zullen wit worden als sneeuw: Quasi nix dealbabuntur. (2)
O lieve Jezus! gedachtig aan uwe liefde, moeten wij met
den Apostel Paulus uitroepen: Hij heeft mij bemind en
zich zelven voor mij overgeleverd: Dilexit me et tradidit
semetipsum pro me.
(3) Doch, B. B., dit is niet alles, hier
(t) Joan. XIX, 34, (2) Is. I, 18. (3) Gal. U, 20.
-ocr page 210-
— iöé —
bepaalt zich de liefde van Jezus niet; Hij, die zich vóór
ons gegeven heeft, heeft zich ook nog aan ons gegeven,
en ziehier op welke wijze.
Nadat Jezus met zijne leerlingen het paaschlam gegeten
en hun de voeten gewasschen had, wetende dat het uur
gekomen was deze wereld te verlaten en tot zijnen Vader
weder te keeren, zoo wilde Hij zijnen Apostelen, die
Hij zoo teeder bemind had, een laatste blijk zijner liefde
geven. Jezus neemt het brood in zijne heilige en eer-
biedwaardige handen, zegent, breekt en geeft het aan
zijne Apostelen, zeggende: Neemt en eet, dit is mijn
lichaam: Hoc est corpus meutn. (i) Insgelijks neemt Jezus
den kelk met wijn, dankt en reikt zijnen Apostelen dien
over, zeggende: Neemt en drinkt allen hieruit, want dit
is mijn bloed: Hic est enim sanguis mens. Aldus ont-
vouwde Jezus voor zijne leerlingen, alvorens deze wereld
te verlaten, den onschatbaren rijkdom zijner onbeschrij-
felijk teedere liefde. Doch, B. B., Jezus stelde het aller-
heiligste Sacrament des Altaars niet alleen voor zijne
Apostelen, maar ook voor ons in. Hij heeft zijn goddelijk
vleesch en bloed niet alleen aan hen, maar ook aan ons
tot spijs en drank gegeven. Onze goddelijke Zaligmaker
is die persoon, van welken Hij zelf spreekt, als Hij zegt:
Zeker man had een groot avondmaal bereid: Homo
quidam fecit caenam magnam
(2) en toen het uur van het
avondmaal gekomen was, zond hij zijne dienaren naar
de uitgenoodigden om te zeggen, dat zij zouden komen,
wijl alles gereed was. Jezus, brandende van begeerte om
zich aan ons te geven, zegt: Komt en eet het brood, d. i.,
mijn lichaam: Ventte, comedite panem; Komt en drinkt
den wijn, d. i., mijn bloed, dien ik
voor u bereid heb:
(1) Matth. xxvi, 26. (2) Luc. xiv, 16.
-ocr page 211-
»- 2ó? -=
Ët bibite vinnm q»od miscui vobis. Jezus in onze taber-
nakels, als op den troon zijner genade gezeten, roept
ons toe: Komt allen tot mij, die belast en beladen zijt,
en ik zal u verkwikken. Vraagt, zegt Jezus, en gij zult
verkrijgen. Hij verlangt niets zoo zeer dan ons met zijne
genaden en weldaden te overladen; zijn H. Hart brandt
van liefde om zich met het onze te vereenigen. Voorzeker,
B. B., wanneer wij zien, van den eenen kant de groote
waardigheid van Hem, die ons bemint, en van den anderen
kant de groote onwaardigheid van hen, die door Jezus
bemind worden, staan wij dan niet verbaasd ? Kunnen wij
wel de kleinste reden vinden, om aanspraak te maken op
die liefde ? Voorzeker, neen; doch wij moeten veeleer in
die liefde een geheim erkennen en uitroepen: Die liefde is
Jezus-Christus alleen eigen, en die liefde kan niet verder.
SLUITREDE.
Ik heb u verklaard, B. B., vooreerst, welk eigenlijk
het voorwerp der godsvrucht tot het H. Hart van Jezus
is; vervolgens de voornaamste beweegreden, waarom wij
het H. Hart van Jezus moeten eeren. Die beweegreden is
vooral Jezus\' liefde tot ons, vóór en né. zijnen dood. Die
liefde van Jezus, volgens de uitdrukking van den Apostel
Paulus, praamt ons: Charitas enim Christi urget nos, (i)
d. w. z., zij zet ons aan om aan die liefde te beantwoorden
en dankbaar te zijn. En hoe zullen wij er aan beantwoorden
en dankbaar zijn ? Wat zullen wij den Heer wedergeven
voor alles, wat Hij ons gegeven heeft ? Quid retribuam
Domini pro omnibus quae retribuit mi Ai f
(2) Gelukkig!
Jezus laat ons weten, wat Hij verlangt. En wat verlangt
Jezus? Mijn zoon, mijne dochter, zegt Hij, geef mij uw
(1) 11 Cor. v, 13. (2) Ps. cxv, ia.
-ocr page 212-
— 20$ --
hart: Praebe, fili mi, cor tnum mihi. (i) Ziedaar wat
Jezus verlangt, wat Hij vraagt, liefde voor liefde, hart
voor Hart. En wij zouden aan dat verlangen niet vol-
doen, wij zouden die vraag durven weigeren ? Neen lieve
Jezus! Wij geven u onze harten; Gij alleen heb er
aanspraak op. Gij, die onze harten geschapen, door uw
goddelijk bloed vrijgekocht hebt, Gij alleen hebt het recht
om ze te bezitten. O zoete liefde van God (2) ü vlam
onzer harten! O driewerf heilig vuur ? O koesterende
warmte onzer zielen! O heilig vuur, dat de eigenschap
heeft om uit te dooven en te ontsteken ! doof in onze
harten alle ongeregelde liefde tot het schepsel uit, en doe
ze van liefde tot Jezus ontbranden. En gij, o Maria
Moeder van Jezus en tevens onze Moeder, gij zijt de
Moeder der schoone liefde: Mater pulchrae dilectionis. (3)
Gij hebt het eerst het H. Hart van Jezus, uwen Zoon,
bemind, geëerd en aanbeden. Uw H. Hart, zoo gelijk-
vormig aan het H. Hart van Jezus, was er mede ver-
eenigd. en is er altoos mede vereenigd gebleven. Wij
bidden u, o Moeder der schoone liefde! neem onze harten;
wij schenken ze u. Vereenig onze harten met het uwe,
opdat zij, met het uwe vereenigd, des te aangenamer zijn
mogen aan het H- Hart van Jezus, uwen Zoon. Ja, goede
Moeder Maria, wij bidden en smeeken u, verkrijg ons
de genade, om naar uw voorbeeld het H. Hart van Jezus,
uw goddelijken Zoon, hier op aarde te beminnen, te eeren
en te aanbidden, gedurende den tijd, ten einde daarna het
geluk te hebben, met u datzelfde H. Hart te mogen
beminnen, eeren en aanbidden in den hemel, gedurende
de eindelooze eeuwigheid. Amen.
(i) Prov. xixill, 26. (2) O Dulcis amor Dei, etc. (3)Eccl. Xxtv, 24.
-ocr page 213-
Veertiende Preek.
De H.H. Apostelen Petrus en Paulus.
In morte quoque non sunt divisi.
In den dood zijn zij ook niet gescheiden,
(il Reg. I, 23.)
INHOUD.
VOORREDE.
Treurzang van David op Saül en Jonathas, gesneuveld
op de bergen van Gilboë, als lofzang toegepast op de
H.H. Apostelen Petrus en Paulus.
VERDEELING.
I. Petrus en Paulus tot Apostelen verkozen door
Jezus-Christus;
II. Zij arbeiden gansch hun leven voor Jezus-Christus;
III. Zij vergieten hun bloed voor Jezus-Christus.
I.
Petrus en Paulus tot Apostelen verkozen door Jezus-
Christus. — Petrus door Jezus aangesproken. — Eerste
uitnoodiging van Petrus om Jezus te volgen. — Tweede
uitnoodiging na een rijke vischvangst: daarop volgde
Petrus Jezus. — Petrus met elf anderen tot Apostelen
14.
-ocr page 214-
— 21Ö
Verkozen. — Jezus belooft Petrus aan het hoofd der Apos-
telen te stellen; kort na zijne hemelvaart stelt Hij hem
aan het hoofd der gansche Kerk.
Marteldood van den diaken Stephanus. — Bekeering
van Paulus op weg naar Damascus, woorden van Jezus
tot Paulus, vraag van Paulus en antwoord van Jezus op
diens vraag. — Ananias bij Paulus, Paulus van zijne
blindheid genezen en gedoopt. — Petrus en Paulus hebben
enkel aan Gods genade te danken dat zij tot Apostelen
verkozen zijn. — Waaraan hebben wij te danken, dat wij
uit katholieke ouders geboren en gedoopt zijn?
II.
Petrus en Paulus arbeiden gansch hun leven voor Jezus-
Christus. Eerste sermoon van Petrus na de nederdaling
van den H. Geest: bekeering van ongeveer 3000 man. —
Petrus en Joannes op weg naar den tempel, genezing
van een lamgeborene. — Tweede sermoon van Petrus,
bekeering van 5000 man. — Petrus en Joannes gevangen
genomen en voor de rechtbank gedaagd. — De Apostelen
andermaal in de gevangenis geworpen, worden door een
Engel verlost. — Petrus en Joannes voor de rechtbank
gedaagd om zich te verantwoorden, worden gegeeseld,
daarna losgelaten. — De vervolging te Jeruzalem geeft
aanleiding tot de verspreiding van Jezus\' leer. — Philip-
pus predikt te Samaria: Petrus en Joannes derwaarts
gezonden om het H. Vormsel toe te dienen. — Petrus te
Jeruzalem terug, bezoekt de kerken; hij geneest Aeneas
te Lydda en wekt Tabitha op te Joppe; velen door die
twee wonderen bekeerd. — Prediking van het Evangelie
aan de Heidenen. — Petrus begeeft zich naar Cornelius
en doopt hem met gansch zijn huisgezin: vreugde der
-ocr page 215-
a- 2tt —*
geloovige Joden over den roep der Heidenen. — De
Apostelen verkondigen het Evangelie aan Joden en Heide-
nen. —■ Petrus sticht de Kerk van Antiochië, Alexandrië
en predikt op verschillende plaatsen van Azië. — Petrus
door koning Herodes Agrippa in de gevangenis gewor-
pen, wordt door een Engel verlost. — Na verschillende
kerken gesticht en in het geloof bevestigd te hebben,
vertrekt Petrus naar Rome, waar hij zijn bisschoppelijken
zetel vestigt. — Hij komt tweemaal te Jeruzalem terug
om eene vergadering voor te zitten, en om een opvolger
van Jacobus den Mindere te benoemen. — Petrus komt
te Rome terug, waar hij met Paulus het Evangelie ver-
kondigt. — Twee brieven van den H. Petrus.
Paulus bekeerd, begint terstond Jezus te prediken. —
Paulus moet Damascus verlaten en begeeft zich naar
Arabië. — Te Damascus teruggekeerd, wordt hij vervolgd
en in eene mand langs den stadsmuur afgelaten. — Paulus
vertrekt naar Jeruzalem om Petrus te zien, naar Tarsus
zijne geboorteplaats, naar Antiochië, waar de geloovigen
voor het eerst Christenen genoemd worden. — Aalmoe-
zen door Paulus en Barnabas den geloovigen te Jeruzalem
gebracht. — Terugreis naar Antiochië. — Paulus en
Barnabas uitgekozen om den Heidenen het Evangelie te
verkondigen. — Paulus slaat te Paphos den toovenaar
Elymas met blindheid. — Te Antiochië in Pisidië wordt
hij vervolgd. — In Iconie wil men hem steenigen. —
Te Lystra geneest Paulus een lamgeborene; eerst wil
men hem als een god eeren, daarna steenigt men hem. —
Paulus vertrekt naar Macedonië, verlost te Philippi eene
dochter van een waarzeggenden geest, wordt gegeeseld
en in de gevangenis geworpen. — Paulus te Athene. —
Hij verwekt een jongeling te Troas, die dood gevallen
was. — Paulus steeds heviger vervolgd, beroept zich op
-ocr page 216-
— 2t2 —
den keizer. — Drie reizen van Paulus: wat hij op die
reizen geleden heeft. — Veertien brieven van Paulus. —
Petrus en Paulus roepen ons toe: Weest onze navolgers,
gelijk wij die van Christus zijn. — Hoe volgen wij hen na?
III.
Petrus en Paulus vergieten hun bloed voor Jezus-Chris-
tus. — Petrus en Paulus te Rome; zij prediken het
Evangelie; bekeeringen tot in het paleis van den keizer.
Simon de toovenaar valt dood uit de lucht op het gebed
der Apostelen. — Vervolging onder Nero. — Verschijning
van Jezus aan Petrus. — Petrus en Paulus in de gevan-
genis ; bekeering hunner bewakers; bron in de gevangenis
ontsprongen. — Petrus, na gegeeseld te zijn, wordt
gekruist, het hoofd naar beneden. — Paulus als romeinsch
burger wordt onthoofd. — Bekeering van den beul en
diens gezellen. — De drie fonteinen. — Petrus en Paulus
vergieten hun bloed voor Jezus-Christus; wij moeten ten
minste uit liefde tot Jezus lijden.
SLUITREDE.
Gebed tot de H.H. Apostelen Petrus en Paulus, voor
Rome en gansch de katholieke Kerk.
-ocr page 217-
213 —
Veertiende Preek.
De H.H. Apostelen Petrus en Paulus.
In morte quoque non sunt divisi.
In den dood zijn zij ook niet gescheiden
(il Reg. I, 23,)
VOORREDE.
De H. Schrift, B. B., verhaalt ons in het tweede boek
der Koningen, hoe David zekeren dag zich uitliet in een
treurzang over Saül en diens zoon Jonathas, na vernomen
te hebben, dat beiden in een gevecht tegen de Philistijnen
op de bergen van Gilbofi gesneuveld waren. Saül en
Jonathas, zoo sprak David, van elkander zoo geliefd,
elkander zoo dierbaar in hun leven; sneller waren zij dan
arenden, sterker dan leeuwen; in den dood ook zijn zij
niet gescheiden: In morte quoque non simt divisi. (1)
Mij dunkt, B. B., dat wij de aangehaalde woorden
van David op Saül en Jonathas toegepast, te recht op
de twee Apostelen, wier feest wij heden vieren, wel niet
in een treurzang, maar in een lofzang mogen toepassen.
En inderdaad; Petrus en Paulus waren van elkander
geliefd; ja, beiden beminden elkander teeder; zij waren
elkander dierbaar gansch hun leven; sneller waren zij dan
arenden, gezien de snelheid, waarmede zij alom het Evan-
gelie verkondigden; sterker waren zij dan leeuwen, gezien
de moeilijkheden, waartegen zij te kampen hadden, en die
zij te boven kwamen. Vereenigd met elkander in Jezus-
Christus gedurende hun leven, zijn zij in den dood ook
(1) 11 Reg. 1. 23.
-ocr page 218-
— 214 —
niet gescheiden: In morte quoque non sunt divisi. Petrus
en Paulus, beiden tot Apostelen verkozen, terwijl deze
inzonderheid bestemd was om den Heidenen, gene om
den Joden het Evangelie te verkondigen, wijden gansch
hun leven toe aan de taak, hun door hun goddelijken
Meester opgelegd, totdat zij ze eindelijk volbrengen te
Rome, waar zij hun leven ten beste geven voor Jezus-
Christus.
Daar wij heden het feest der H.H. Apostelen Petrus
en Paulus, vieren, zien wij eens die twee Heiligen:
I. Tot Apostelen verkozen door Jezus-Christus;
II. Gansch hun leven arbeiden voor Jezus-Christus;
III. Hun bloed vergieten voor Jezus-Christus.
I.
De eerste maal, B. B., dat onze goddelijke Zaligmaker
Petrus zag, was, toen Andreas, de broeder van Petrus,
hem bij Jezus bracht. Jezus, Petrus ziende, zeide: Gij zijt
Simon, zoon van Jonas — deze was eigenlijk de naam
van Petrus — gij zult Cephas — Petrus — genoemd
worden. Later, toen Jezus zekeren dag langs het strand
wandelde, zag Hij twee broeders, Simon, Petrus genaamd,
en Andreas, terwijl zij hunne netten in zee wierpen, want
zij waren visschers. Jezus zeide tot hen: Volg mij ! Ik
zal menschen-visschers van u maken: Faciam vos fieri
piscatores hominum.
(i) Petrus en Andreas lieten terstond
hun vischtuig liggen en volgden Jezus. — Eerste roep
van Petrus.
Een andermaal, toen Jezus door het volk bestormd werd,
gebood Hij Petrus een weinig van land te steken. Jezus
(i) Matth. iv, 19.
-ocr page 219-
215
zette zich in het schip neder, en vandaar uit onderwees
Hij het volk. Na het volk onderwezen te hebben, zeide
Hij tot Petrus: Dnc in altiim: (i) Vaar hooger op, et
mitte retia in capturum,
en werp uwe netten uit ter
vischvangst. Petrus antwoordde: Meester! wij hebben den
ganschen nacht gearbeid en niets gevangen; doch op uw
woord zal ik het net uitwerpen: In verbo au tem tno laxabo
rete.
Zij wierpen het net uit en vingen eene zoo ont-
zettende menigte visch, dat het net scheurde. Twee vaar-
tuigen werden met visch gevuld tot zinkens toe. Toen
Petrus zulks zag, viel hij voor Jezus op de knieën en
zeide: Heer! ga van mij weg, want ik ben een zondig
mensch: Exi a me, quia homo pcccator mm, Domine. (2)
Jezus zeide tot Petrus: Vrees niet; van nu af zult gij
menschen vangen. De leerlingen stuurden het schip naar
het land; zij verlieten alles en volgden Jezus. Petrus is
dus tot tweemaal toe geroepen, om Jezus te volgen;
thans hecht hij zich aan Jezus en volgt Hem gestadig.
Maar Petrus is nog niet tot Apostel verkozen. Ziehier
bij welke gelegenheid hij tot Apostel gekozen is.
Toen Jezus zekeren dag eene menigte zieken genezen
had, beklom Hij een berg en bracht den ganschen
nacht door in het gebed. Dag geworden zijnde, koos
Hij er onder zijne leerlingen twaalf uit, die Hij Apostelen
of zendelingen noemde; zij moesten bij Hem blijven.
Die twaalf waren: Simon Petrus en zijn broeder Andreas,
Jacobus en Joannes, enz. Gij ziet, Petrus komt op de
eerste plaats. Overal, tijdens het openbaar leven van
Jezus, zullen wij zien, dat Petrus eene bijzondere plaats
inneemt. Nochtans, Petrus was nog niet aan het hoofd
der overige Apostelen gesteld ; Jezus zou hem die waar-
(1) Luc. v, 4. (2) Luc. v,
-ocr page 220-
— 2l6 —.
digheid eerst beloven, daarna zal Hij hem er mede be-
kleeden. Zekeren dag vroeg Jezus zijne Apostelen: Voor
wien houden de menschen den Zoon des menschen?
Quem dicitnt homines esse filium hominis? (i) Zekere
leerlingen antwoordden: Eenigen houden Hem voor
Joannes den Dooper, anderen voor Elias ? sommigen voor
Jeremias of voor eenig ander Profeet. Maar gij, voor
wien houdt gij mij ? zeide Jezus. Daarop antwoordt Petrus:
Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God:
Tu es Christus, filius Dei vivi. (2) En op die belijdenis
van het goddelijk Zoonschap van Christus, belooft Jezus
Petrus aan het hoofd zijner Kerk te zullen stellen. Zalig
zijt gij Simon, zoon van Jonas, antwoordt Jezus, want
vleesch en bloed hebben u zulks niet geopenbaard, maar
mijn Vader, die in den hemel is. En ik zeg u: Gij zijt
Petrus, en op deze steenrots zal ik mijne kerk bouwen,
en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. En
u zal ik de sleutels van het rijk der hemelen geven en
alles wat gij op aarde zult gebonden hebben, zal gebonden
zijn in den hemel; en alles wat gij op aarde zult ont-
bonden hebben, zal ook ontbonden zijn in den hemel.
Hetgeen Jezus Petrus hier belooft, volbrengt Hij later na
zijne verrijzenis.
Zekeren dag na zijne verrijzenis verscheen Jezus zijnen
Apostelen op het strand van het meer van Tiberias. Hij
gebood hun het net aan de rechterzijde van het schip
uit te werpen, waarop de Apostelen eene zoo groote
menigte visschen vingen, dat zij het niet konden optrek-
ken. De Apostelen aan wal gekomen zijnde, zette Jezus
zich met hen neder om te eten. En nadat zij gegeten
hadden, sprak Jezus tot Simon Petrus: Simon, Jonas\'
(1) Matth. xvi, 13. (2) Matth. xvi, 16.
-ocr page 221-
- *i; —
zoon! bemint gij mij meer dan deze. Petrus antwoordde:
Ja, Heer! Gij weet, dat ik U bemin. Jezus zeide: Weid
mijne lammeren: Pasce agnos meos. Jezus vroeg ander-
maal : Simon, Jonas\' zoon! bemint gij mij ? Petrus ant-
woordde : Ja, Heer! Gij weet, dat ik U bemin. Weid
mijne lammeren: Pasce agnos meos, antwoordde Jezus ten
tweede male. Daarop vroeg Jezus voor de derde maal:
Simon, Jonas\' zoon, bemint gij mij ? Petrus werd bedroefd;
hij dacht aan zijne drievoudige verloochening; die moest
hersteld worden door eene drievoudige akte van liefde.
Eindelijk antwoordt Petrus: Heer, Gij weet alles, Gij
weet, dat ik U bemin. Daarop sprak Jezus: Weid mijne
schapen: Pasce oves meas. (i) Ziedaar B. B., wanneer
Jezus Petrus de eerste maal aanspreekt, hoe Hij hem
tweemaal uitnoodigt, Hem te volgen, hoe Hij Hem tot
Apostel verkiest, belooft hem tot opperhoofd zijner Kerk
aan te stellen, en hoe Hij hem eindelijk tot opperhoofd
zijner Kerk aanstelt.
Waardoor had Petrus nu verdiend, door Jezus tot
Apostel verkozen te worden? Door niets. Door zijne
verloochening had hij zich zelfs onwaardig gemaakt, tot
opperhoofd der Kerk aangesteld te worden. Met den
Apostel Paulus mocht Petrus dus zeggen: Gratia Dei
sutn id qiwd sum:
(2) Door Gods genade ben ik hetgeen
ik ben. Doch zien wij thans hoe Paulus tot Apostel
verkozen is.
De Diaken Stephanus, B. B., was de eerste bloedge-
tuige der Kerk, en terwijl hij gesteenigd werd, stond een
jongeling, Saulus genaamd, met voldoening te kijken en
bewaarde de kleederen dergenen, die Stephanus steenig-
den. Doch Saulus — later Paulus, want ook zijn naam
(1) Joan. xxi, 17. (2) Rom, xv, 10.
-ocr page 222-
— 218
zal in Paulus veranderd worden, evenals die van Simon
in Petrus — Saulus was niet voldaan; hij verwoestte
de ontluikende Christus\' Kerk, drong met geweld de
huizen binnen, zocht mannen en vrouwen op en deed
hen in de gevangenis werpen. Steeds voortgaande met al
dreigende en moordende tegen de leerlingen des Heeren
te woeden, begeeft hij zich tot den Opperpriester en ver-
zoekt hem om brieven van volmacht aan de synagogen
van Damascus, ten einde de geloovigen van beider ge-
slacht, die hij daar mocht vinden, geboeid naar Jeruzalem
over te brengen. Gelijk aan een grijpenden wolf, en ver-
gezeld door gewapende manschappen, begeeft Saulus zich
op weg naar Damascus. En ziet! op weg naar de stad
wordt hij eensklaps door een hemelsch licht omstraald.
Saulus valt van zijn lastdier ter aarde, en tegelijkertijd
hoort hij eene stem, die hem toeroept: Saule! Saule! quid
me persequeris?
Saulus! Saulus: waarom vervolgt gij mij ?
Saulus vraagt: Heer! wie zijt Gij ? En de Heer antwoordt:
Ik ben Jezus, dien gij vervolgt: Ego sum Jesus, qitcm tu
persequeris.
(i) Het is u schadelijk de hielen tegen den
prikkel te slaan. Bevende en gansch ontsteld zeide Saulus:
Heer! wat wilt gij dat ik doe: Domine! Quid me vis
facere?
En de Heer antwoordde: Sta op en ga de stad
binnen. Daar zal men u zeggen, wat u te doen staat.
De reisgezellen van Saulus stonden verbaasd, daar zij
wel de stem hoorden, doch niemand zagen. Saulus stond
op, opende de oogen, doch zag niet meer. Zijne gezellen
leidden hem bij de hand en brachten hem Damascus
binnen. Daar bleef Saulus blind, zonder spijs of drank
te gebruiken. Te dien tijde bevond er zich te Damascus
een leerling, met name Ananias, en tot dien leerling
(i) Act. xxvi, 15.
-ocr page 223-
— 219 —
sprak de Heer: Ananias! sta op, ga in de straat, ge-
naamd : de Rechte, en vraag daar in het huis van Judas
naar Saulus van Tarsus: want zie, hij bidt. Ik heb hem
uitverkoren: Vas electionis est mihi iste, om mijnen naam
te verkondigen aan de Heidenen, de koningen en de kin-
deren Israëls: Ut portet nomen menm coram gentibus et
regibus et filiis Israël,
(i) Ananias ging derwaarts, legde
hem de handen op en zeide: Broeder, Saulus! de Heer
Jezus, die u op den weg is verschenen, heeft mij tot u
gezonden, om u het gezicht wéér te geven en u de vol-
heid des H. Geestes mede te deelen. En terstond vielen
er als vliezen van zijne oogen. Saulus zag wederom,
stond op en liet zich doopen. Ziedaar, B. B., een grij-
pende wolf in een lam herschapen, een kerkvervolger in
een Apostel veranderd. En waaraan heeft Paulus zijne
bekeering, zijne verkiezing tot Apostel te danken? Zeker
niet aan zijne verdiensten; doch gelijk hij zelf meermalen
verklaart, lauter aan de genade Gods: Gratia Dei sutn
id quod sutn
(2): Door de genade van God ben ik het-
geen ik ben.
B. B., waaraan hebben wij te danken, te zijn hetgeen
wij zijn? Waaraan hebben wij te danken, uit katholieke
ouders geboren en gedoopt te zijn, het roomsch-katholiek
geloof ontvangen te hebben en er in opgevoed te zijn?
Voorzeker ook niet aan onze verdiensten, wijl wij zonder
verdiensten waren; doch even als de Apostelen Petrus
en Paulus hebben wij het te danken aan de genade van
God. Die genade is in die twee Apostelen niet zonder
vrucht gebleven. Gratia ejus in me vacua non f uit,
zegt de Apostel Paulus, en hetzelfde kon de Apostel
Petrus met hem zeggen: De genade van God is in mij
(1) Act. ix, 15. (2) Cor. xv, 10
-ocr page 224-
— 220 -~
niet zonder vrucht gebleven. Dit zal blijken uit hetgeen
beide Apostelen voor Jezus-Christus gedaan hebben, en
ziedaar ons tweede deel.
II.
De Apostelen Petrus en Paulus arbeiden gansch hun
leven voor Jezus-Christus; alles wat zij doen, doen zij
tot glorie van God en tot zaligheid der zielen.
Nauwelijks is de H. Geest op de Apostelen nederge-
daald, of Petrus, de prins der Apostelen, komt te voor-
schijn. Voor de eerste maal werpt hij het net des
Evangelie\'s; hij verkondigt aan het saamgeschoolde volk
Jezus, dien de Joden kort te voren gekruist hadden; hij
leert hen dat God zijnen zoon volgens de voorzegging
van David opgewekt heeft en hij zet hen aan, boet-
vaardigheid te doen en zich te laten doopen. Welke
is zijne eerste menschen-vangst ? Ongeveer drieduizend
Joden bekeeren zich en laten zich doopen. Eenige dagen
later gaan Petrus en Joannes naar den tempel. Een
bedelaar, van zijne geboorte af lam, vraagt hen een
aalmoes. Petrus, goud noch zilver hebbende, geeft hem
iets beters: In den naam van Jezus van Nazareth, zegt
Petrus, sta op en wandel, en de lamme stond op en
wandelde, God lovende over zijne genezing. Petrus werpt
een tweede maal het net des Evangelies; hij neemt de
gelegenheid te baat om opnieuw het woord Gods te
verkondigen, en ziet! ditmaal bekeeren zich vijf duizend
personen. De belooning voor die weldaad kon niet lang
uitblijven. Petrus en Joannes worden gevangen genomen;
\'s anderendaags moeten zij rekenschap geven van het-
geen zij gedaan hebben. Petrus, die vroeger op de stem
eener dienstmeid sidderde en beefde en Jezus verloochende,
diezelfde Petrus belijdt nu voor de Overheden en Ouder-
-ocr page 225-
— 44 i —
lingen des volks, dat de lamme, die daar gezond voóf
hen staat, genezen is in den naam van Jezus van Na-
zareth, dien zij gekruist hebben; maar dien God we-
derom opgewekt heeft. Men verbiedt hun streng in den
naam van Jezus nog te leeren. Petrus en Joannes ant-
woorden : Oordeelt zelven of het gerechtig is u meer te
gehoorzamen dan God : hetgeen wij gezien en gehoord
hebben, kunnen wij niet zwijgen Losgelaten, "worden zij
opnieuw in de gevangenis geworpen, doch een Engel
des Heeren opent \'s nachts de deuren van den kerker
en gebiedt hun naar den tempel te gaan en daar kloek-
moedig de woorden des levens te prediken. De Apos-
telen moeten opnieuw voor den joodschen raad verschij-
nen; ditmaal doet men hen geeselen, men vernieuwt de
bedreigingen en laat hen gaan. Vol vreugde, wijl zij
waardig bevonden zijn voor den naam van Jezus smaad
te lijden, verlaten de Apostelen den raad.
Het woord Gods, B. B., verspreidde zich snel, en het
getal geloovigen te Jeruzalem groeide sterk aan. Daarop
ontstond er eene hevige vervolging te Jeruzalem, zoodat
de geloovigen zich verspreidden in de omstreken van
Judea en Samaria. Philippus begaf zich naar Samaria
en verkondigde daar Christus. Op de blijde tijding,
dat Samaria het woord Gods aangenomen had, begaf
zich Petrus met Joannes derwaarts, om den nieuw geloo-
vigen van Samaria het H. Vormsel toe te dienen. Petrus,
te Jeruzalem teruggekeerd, houdt zich onledig met het
bezoeken der verschillende kerken rondom Jeruzalem.
Te Lydda geneest hij door een wonder een verlamde,
met name Aeneas, en alle inwoners van Lydda bekeeren
zich op die wonderbare genezing tot den Heer. Te Joppe
verwekt Petrus eene liefdadige vrouw, met name Tabitha
van den dood, waarop velen gelooven in den Heer,
-ocr page 226-
\'-- Ï2Ï —
Tijdens zijn verblijf te Joppe ontvangt Petrus Van God
het bevel, om ook den Heidenen het Evangelie te ver-
kondigen. Petrus, het hoofd der Kerk, die het eerst den
Joden het Evangelie verkondigd heeft, zal ook het eerst
den Heidenen de blijde tijding brengen. Cornelius, een
heidensch hoofdman van Caesarea, maar die God vreesde,
ontvangt het bezoek van een Engel. Deze gebiedt hem
boden naar Joppe tot Petrus te zenden, om door hem
onderricht te worden. Petrus, vergezeld door eenige
geloovigen uit de Joden, gaat met de boden van Cornelius
mede. In het huis van den hoofdman aangekomen, be-
gint Petrus over Jezus te spreken, en ziet! terwijl hij
nog sprak, daalde de H. Geest reeds op allen, die
Petrus aanhoorden, neder. Petrus beval daarop Corne-
lius en gansch zijn gezin te doopen. Te Jeruzalem terug-
gekeerd, verhaalde Petrus den geloovigen uit de Joden
alles, wat er gebeurd was. Deze waren uiterst tevreden
en loofden God, wijl ook den Heidenen het geluk des
Evangelie\'s te beurt gevallen was. Overtuigd dus, dat
niet alleen den Joden, maar ook den Heidenen het Evan-
gelie moest verkondigd worden, verspreidden zich de
Apostelen en andere leerlingen alom, om de blijde tijding
te verkondigen. Rome, de hoofdstad des Heidendoms,
moest Petrus, het hoofd der Kerk, te beurt vallen. Doch
alvorens zich naar Rome te begeven, stichtte Petrus
eerst de kerk van Antiochië, waarvan hij de eerste Bis-
schop is geweest, daarna die van Alexandrië. Ook pre-
dikte hij intusschen het Evangelie in Azië aan de Joden,
die op verschillende plaatsen verspreid waren. Terugge-
keerd te Jeruzalem tijdens een verschrikkelijken honger-
snood, door den Profeet Agabus voorzegd, werd Petrus
door Herodes Agrippa, die Jacobus den Meerdere had
doen onthoofden, in de gevangenis geworpen, om na
-ocr page 227-
■- tol -
het paaschfeest om het leven te worden gebracht. Doch
Petrus, voor wien de geloovigen van Jeruzalem onophou-
delijk baden, werd door een Engel uit de gevangenis
verlost. Na eerst nog verschillende nieuwe kerken gesticht
en de reeds gestichte in het geloof bevestigd te hebben,
vertrok Petrus naar Rome en vestigde daar voor altijd
zijn bisschoppelijken zetel. Tweemaal zal hij nog te Jeru-
zalem verschijnen; de eerste maal om de eerste kerkver-
gadering voor te zitten; de laatste maal om te benoemen
een opvolger van den H. Jacobus den Mindere, eersten
Bisschop van Jeruzalem en martelaar aldaar gestorven.
Daarop komt Petrus te Rome terug om met Paulus aan
de verkondiging van het Evangelie verder te arbeiden
en met dien Apostel zijn leven ten beste te geven voor
Jezus-Christus. Buiten de sermonen, wonderen en andere
apostolische werken, heeft Petrus geschreven en ons
nagelaten twee brieven, waarin hij de geloovigen en
herders onderricht, en ons allen aanspoort tot volharding.
Ziedaar, B. B., hoe Petrus zijn leven lang gearbeid heeft
voor Jezus-Christus, d. i., tot glorie van God en tot zalig-
heid der zielen. Doch de Apostel Paulus heeft niet minder
gearbeid voor Jezus-Christus dan de Apostel Petrus.
Zoo wonder bekeerd op weg naar Damascus, gelijk
wij in den beginne gezien hebben, begint Paulus terstond
Jezus, dien hij eerst zoo hevig vervolgd had, te prediken
en te leeren, dat Hij de Zoon Gods is. De woede der
Joden breekt terstond tegen Paulus los, zoodat hij genood-
zaakt is Damascus te verlaten. Hij begeeft zich naar
Arabië. Te Damascus teruggekeerd, predikt hij opnieuw
den Joden, doch deze zijn niet beter gestemd dan vroeger;
zij houden onder elkander raad om Paulus te dooden, en
de leerlingen zijn gedwongen, Paulus in eene mand, langs
den stadsmuur neder te laten, om zijn leven door de
-ocr page 228-
— 224 —
vlucht te redden. Na eerst nog Petrus, het hoofd dei*
Kerk, met een bezoek te Jeruzalem vereerd te hebben,
en ook daar door de hardnekkige Joden ter dood gezocht,
begaf Paulus zich naar Tarsus, zijne geboorteplaats. Van
daar vertrok hij met Barnabas naar Antiochie, waar
zij gansch een jaar het volk onderrichten, \'t Is oo>- te
Antiochie, dat de leerlingen het eerst Christenen gene >. i
zijn. Van Antiochie brachten Paulus en Barnabas de
aalmoezen, welke de Christenen daar verzameld hadden
voor hunne noodlijdende broeders, naar Jeruzalem. Daarop
togen zij opnieuw naar Antiochie, waar Paulus en Bar-
nabas uitgekozen werden om den Heidenen het Evan-
gelie te verkondigen. Onmiddellijk daarop vertrokken
zij en verkondigden het Evangelie in verschillende stre-
ken tot aan Paphos. Daar slaat Paulus Elymas, een
valschen Profeet en toovenaar, met blindheid, omdat hij
het woord Gods tegenwerkte. Te Antiochie in Pisidië
prediken zij den Joden, doch deze drijven hen over de
grenzen. In Iconië bekeeren zij een groot getal Joden
en Heidenen: anderen staan tegen hen op en willen
hen steenigen, zoodat zij gedwongen zijn te vluchten.
Te Lystra geneest Paulus een lamgeborene. Het volk
ziet Paulus en Barnabas voor goden aan en wil hun
offers brengen. Paulus verzette zich daartegen, gelijk
overigens zijn plicht was. En ziet! eenige oogenblikken
later steenigde datzelfde volk Paulus, zoodat hij voor
dood uit de stad gesleept werd. Paulus nochtans stond
op en ging wederom de stad binnen. Te Philippi in
Macedonië verlost hij eene jonge dochter van een waar-
zeggenden geest, en tot belooning wordt hij gegeeseld
en in de gevangenis geworpen. Te Athene, de zedelooste
en bijgeloovigste stad na die van Rome, op Silas en
Timotheus wachtende, ontvlamt zijn ijver, wijl hij ziet,
-ocr page 229-
«- 225
hoe diep die stad in de afgoderij verzonken ligt. Hij
verkondigt den Atheners de voornaamste waarheden: dat
er maar een God bestaat: dat God een enkele geest is ;
dat Hij de Schepper is van hemel en aarde; dat de
mensch door God geschapen is, en dat alle menschen
van één afstammen; dat de mensch eenmaal zal verrijzen
.-menschap zal moeten geven, Ongelukkig! weinig
Atheners bekeerden zich; zoo groot is het beletsel, dat
voortspruit uit de hoovaardigheid en zinnelijkheid. Na
nog up verschillende plaatsen het Evangelie verkondigd
te hebben, komt Paulus te Troas en roept daar een jongeling
die van de derde verdieping doode gevallen was, tot het
leven terug. En terwijl de moeielijkheden voor Paulus
steeds aangroeien en grooter worden, groeit tevens zijn
ijver aan en wordt steeds grooter. De vervolgingen van
den kant der Joden nemen zoodanig toe, dat Paulus
gebruik moet maken van zijn burgerrecht en zich beroepen
moet op den keizer, voor wien hij dan ook eindelijk zal
terecht staan. Tijdens zijn apostelschap heeft Paulus drie
groote reizen gemaakt. Wat hij op die reizen al doorge-
staan en geleden heeft, kunnen wij in weinige woorden
samenvatten uit hetgeen hij zelf verhaalt in een zijner
brieven: „Vijfmaal, — zoo schrijft hij aan de Corin-
„thiers — heb ik van de Joden veertig slagen min één
„ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeeseld.
„Eenmaal ben ik gesteenigd — voorzeker om te voldoen
„voor het welbehagen, dat Saulus schepte in de steeniging
„van den eersten Martelaar, den H. Stephanus. — Drie-
„maal heb ik schipbreuk geleden. Eén dag en één nacht
„heb ik in de diepte der zee doorgebracht. Wat al
„gevaren heb ik niet getrotseerd op mijne reizen; gevaren
„van roovers, gevaren onder mijne stamgenooten — de
„Joden; — gevaren onder de Heidenen, gevaren in de stad,
15.
-ocr page 230-
226 =-
„gevaren in de woestijn, gevaren op zee, gevaren onder
„de valsche broeders — de slechte Christenen. — Ik heb
„mijn leven gesleten in arbeid en zwoegen, in veel waken,
„in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en
„naaktheid. Buiten deze uitwendige kwellingen bezwaart mij
„dagelijks de zorg voor al de mij toevertrouwde Kerken."
En buiten zijne sermonen, wonderen en apostolische
werken, heeft Paulus ons gelaten veertien brieven aan
verschillende Kerken en personen, waarin hij ons leert
alles wat wij noodig hebben of ons dienstig kan zijn om
zalig te worden.
Ziedaar, B. B., hoe Petrus en Paulus, na tot Apostelen
verkozen te zijn, hun leven doorbrengen voor Jezus-
Christus, hoe zij arbeiden tot glorie van God en tot
zaligheid der zielen. En Paulus en met Paulus Petrus; ja,
beiden roepen ons als het ware toe: Imitatores mei estote,
sicnt et ego Christi.
(i) Weest mijne navolgers, gelijk
ik die van Christus ben Welnu, zijn wij navolgers van
die twee Apostelen? Wat doen wij voor de glorie van
God en de zaligheid der zielen? Bevorderen wij de glorie
van God, door ons overal en in alles als ware Christenen,
als verkleefde Katholieken te gedragen ? Werken wij
ook aan de zaligheid der zielen, althans in onzen kring,
bijv., onder onze huisgenooten en kinderen? Zijn wij
ook Apostelen des gebeds, door de bekeering der onge-
loovigen en zondaren bij God af te smeeken? daarin
althans kunnen, ja moeten wij de Apostelen Petrus en
Paulus navolgen. Gansch hun leven dus hebben zij gear-
beid voor Jezus-Christus; eindelijk vergieten zij hun bloed
voor Hem, en ziedaar ons derde deel.
(i) i Cor. iv. 16.
-ocr page 231-
\'— $2j --
III.
De Apostelen Petrus en Paulus bevonden zich op het
einde huns levens samen te Rome. Daar arbeidden zij
uit al hunne krachten en met den besten uitslag aan de
voortplanting des geloofs, zoodanig, dat men reeds menig
Christen telde tot in het paleis des keizers. Simon, valsche
profeet en toovenaar, werkte de uitbreiding des Evangelie\'s
uit al zijne macht tegen; hij vleide de laagste en schan-
delijkste driften van keizer Nero, die buitengewoon zede-
loos en bijgeloovig was. Zekeren dag deed hij publiek
aankondigen, dat hij tot bewijs zijner godheid zich in
de lucht zou verheffen. En inderdaad: den dag der
publieke spelen verhief zich Simon in de tegenwoordigheid
der Romeinen en van keizer Nero, door behulp van den
duivel tot op zekere hoogte in de lucht; doch op het
gebed der Apostelen Petrus en Paulus, die ook bij het
schouwspel tegenwoordig waren, stortte Simon uit de
lucht naar beneden en brak de beenen. Zijn bloed
spatte rond hem henen, tot op het paviljoen des keizers,
waarin deze het schouwspel bijwoonde. Simon werd
in een nabij gelegen huis gebracht; doch beschaamd,
men kan niet meer, en van spijt als buiten zich zelven,
stortte hij zich van boven uit het huis naar beneden
en kwam ellendig om. Die nederlaag, in den persoon
van Simon den duivel toegebracht, viel dezen te zwaar.
Ook ontstond er weldra eene bloedige vervolging tegen
de Christenen door den bloedhond Nero verwekt. De
geloovigen van Rome, zoo verhaalt de H. Ambrosius,
waren bevreesd voor het leven van Petrus. Zij smeekten
hem dus voor de onstuimige volksbeweging te wijken en
de stad te verlaten. In den beginne weigerde Petrus;
doch hunne bede werd zoo dringend, dat hij eindelijk
besloot te vertrekken. Des nachts begaf hij zich op weg,
-ocr page 232-
— 228 -
en reeds naderde hij den ringmuur, toen hij Christus zag,
die hem tegen kwam. Waar gaat gij heen, Heer? vroeg
de Apostel. Jezus antwoordde: Ik kom naar Rome, om
er opnieuw gekruist te worden. Petrus begreep het
antwoord van Jezus; hij keerde in de stad terug, om er
den marteldood af te wachten. Eenige dagen later deed
keizer Nero Petrus gevangen nemen en in den Marmer-
tij nschen kerker werpen. Paulus kwam zich weldra bij
Petrus in dezelfde gevangenis vervoegen. Tot in de
gevangenis zetten beiden hunne zending voort; zij bekeeren
hunne bewakers Processus en Martinianus, en om hen in
den kerker te kunnen doopen, ontspringt er eene bron,
die hun daartoe het water verschaft. Eenige dagen later
werd Petrus de stad uitgeleid, om op den berg Janiculus,
niet ver van de plaats, waar thans het Vatikaan en de
Kerk van den H. Petrus liggen, gekruist te worden. De
voorzegging van Jezus aangaande den dood van Petrus
werd hier vervuld. Toen gij jonger waart, zoo sprak
Jezus, gorddet gij u zelven en gij gingt waar gij wildet;
maar wanneer gij oud geworden zijt, zult gij uwe handen
uitsteken, en een ander zal u gorden en leiden waarheen
gij niet wilt. En zoo sprak Jezus, voegt de H. Joannes
er bij, om te beteekenen door welken dood Petrus God
zou verheerlijken. Petrus, na eerst gegeeseld te zijn, werd
aan het kruis vastgemaakt; doch op zijn verzoek, wijl hij
zich onwaardig oordeelde gekruist te worden gelijk zijn
goddelijke Meester, werd hij aan het kruis vastgemaakt,
het hoofd naar beneden. Paulus werd denzelfden dag
ter strafplaats geleid; doch wijl hij romeinsch burger was,
mocht men hem niet kruisen; hij werd dus onthoofd bij
de Salviaansche baden. Het bloed van den Apostel
Paulus spatte rond. Bloeddruppelen, zegt de H. Chrysos-
tomus, verschenen onder de gedaante van melk op de
-ocr page 233-
— 229 ~
kleederen van den beul, die hem onthoofd had, door
welk wonder de beul en zijne gezellen tot het geloof
in Christus bekeerd zijn. Volgens een overlevering zou
het hoofd van den Apostel tot driemaal toe van den
grond opgesprongen, en zouden er op de plaats drie
fonteinen ontsprongen zijn, om welke reden die plaats
genoemd wordt de plaats der Drie fonteinen.
Ziedaar, hoe de Apostelen Petrus en Paulus hun bloed
vergoten, hoe zij hun leven ten beste gegeven hebben
voor Jezus-Christus. En wij, B. B., wat brengen wij Jezus
ten offer? Het minste lijden voor Hem is ons dikwerf
reeds te veel. En terwijl Jezus uit liefde tot ons, ons wil
doen deelen in zijn lijden, ten einde ons eenmaal te
doen deelen in zijne glorie, wij, wij onverstandige Chris-
tenen weigeren te lijden; wij verzetten ons tegen het
lijden, en wijl wij niet lijden met en voor Jezus, maken
wij ons ongelukkig in het lijden. O, B. B., naar het
voorbeeld der Apostelen Petrus en Paulus offeren wij ons
geheel en al op voor Jezus-Christus. En zoo Jezus van
ons niet vordert, dat wij evenals de Apostelen Petrus en
Paulus ons leven ten beste geven, ons bloed vergieten
voor Hem, verklaren wij nochtans plechtig, dat wij, door
zijne genade bijgestaan, er toe bereid zijn, en dat wij,
hetgeen wij te lijden hebben, willen lijden voor en uit
liefde tot onzen Heer Jezus-Christus.
SLUITREDE.
En gij, H.H. Petrus en Paulus! Beiden door Jezus tot
zijne Apostelen verkozen; gansch uw leven hebt gij voor
Jezus gearbeid; uw bloed hebt gij voor Jezus vergoten.
Glorievolle Prinsen der Kerk? Gij hebt elkander zoo
teeder bemind tijdens uw leven, in den dood zijt gij ook
niet van elkander gescheiden. Door het kruis en door
-ocr page 234-
-_ 830 —
het zwaard overwinnaars, zetelt gij thans met lauweren
versierd op de schitterendste tronen in den hemel. Heden,
terwijl wij uwen feestdag vieren, wenschen wij u geluk
met de overwinningen, die gij behaald, met de lauweren
die gij geplukt, met de tronen, die gij verdiend hebt.
Wij verheugen en verblijden ons over de glorie, waarmede
Jezus-Christus u gekroond heeft, en waarvan gij schittert
in het hemelrijk. Doch, o glorierijke Prinsen der Kerk!
terwijl wij u geluk wenschen, en terwijl wij ons verheugen
en verblijden op uw feest, richten wij ons ook met be-
trouwen om hulp en bijstand tot u. Ja, H.H. Apostelen
Petrus en Paulus ? machtige voorsprekers bij God! wij
bidden en smeeken u voor gansch de H. Kerk, wier
steunpilaren gij zijt; wij bidden en smeeken u inzonderheid
voor de Roomsche Kerk, wier stichters gij zijt; voor den
Paus van Rome, uw opvolger, o H. Petrus! en evenals
gij de plaatsbekleeder van Jezus-Christus; uw navolger,
o H. Paulus! en evenals gij de leeraar der wereld. Door
uwe machtige voorspraak beschermt den Paus, die thans,
van zijne vrijheid beroofd, als in de gevangenis zucht,
opdat hij, in zijne vrijheid hersteld, de H. Kerk naar
behooren kunne bestieren. Beschermt de stad Rome, die
thans, door de vijanden der Kerk ingenomen, zoo diep
vernederd is, opdat zij, van hare vijanden verlost, in haar
voormaligen luister als hoofdstad der katholieke wereld
schittere. Beschermt gansch de katholieke Kerk, wier
kinderen wij zijn, opdat wij, uit loutere genade door Jezus-
Christus tot kinderen der H. Kerk gekozen, aan die
genade evenals gij, beantwoorden, dat wij Jezus evenals
gij, altoos getrouw dienen; ja, dat wij Hem in leven en
dood even als gij altoos beminnen, om het geluk te heb-
ben, eenmaal even als gij Jezus-Christus hiernamaals te
aanschouwen en te genieten in den hemel. Amen.
-ocr page 235-
.
Vijftiende Preek.
Het H. Bloed.
In qno habemus redemptionem per san-
guinem ejus.
In Jezus vinden wij onze verlossing door
zijn bloed.
                               (Eph. I, 7.)
INHOUD.
VOORREDE.
Verlossing der Israëlieten uit de slavernij van Egypte.
—   Tiende plaag. — De Israëlieten blijven bevrijd van
den Worgengel, doordien zij de deurstijlen hunner wo-
ningen bestreken met het bloed van een eenjarig lam. —
Het bloed van het eenjarig lam is een afbeeldsel van het
Bloed van onzen Heer Jezus-Christus.
VERDEELING.
I. Dankbaarheid, die wij Jezus voor zijn H. Bloed
schuldig zijn;
II. Hoe wij Hem die dankbaarheid zullen betoonen.
I.
Wij zijn Jezus dankbaarheid schuldig voor zijn H. Bloed.
—  Jezus vergiet zijn H. Bloed; in zijne besnijdenis, zijnen
doodstrijd, zijne geeseling, zijne kroning met doornen, op
-ocr page 236-
— 232 —
den kruisweg en den Calvarieberg. — Zijne handen en
voeten worden doorboord en zijne zijde geopend. —
Jezus vergiet gansch zijn H. Bloed. — Jezus offert dui-
zenden malen zijn H. Bloed op in het H. Sacrificie der
Mis en laaft er onze zielen mede in de H. Communie. —
Jezus\' H. Bloed is van een oneindige waarde, wijl het
\'t bloed is van eenen God, vergoten en opgeofferd door
God den Zoon aan God zijn hemelschen Vader. — Jezus
vergiet zijn H. Bloed voor zijne vijanden, om hen met
God te verzoenen, om hen te verlossen, te zuiveren en
den hemel binnen te leiden.
II.
Wij zullen Jezus onze dankbaarheid betoonen door onze
edelmoedigheid in den dienst van God, door dikwijls en
naar behooren het H. Sacrificie der Mis bij te wonen,
door dikwijls en met godvruchtigheid tot de H. Tafel te
naderen, door ons betrouwen te stellen op het H. Bloed
van Jezus-Christus.
SLUITREDE.
Wij hebben gezien dat wij Jezus voor zijn H. Bloed,
voor ons vergoten, dankbaarheid schuldig zijn, en hoe
wij Hem die dankbaarheid zullen betoonen. — Naderen
wij dikwijls tot de H. Tafel, om, door het goddelijk
vleesch en bloed van Jezus-Christus gesterkt, eenmaal aan
te landen in den hemel.
-ocr page 237-
- 233 -
Vijftiende Preek.
Het H. Bloed.
In quo habetnus redemptionem per san-
guinem ejus.
In Jezus vinden wij onze verlossing door
zijn bloed.
                               (Eph, I, 7.)
VOORREDE.
. De Israëlieten, B. B., zoo lezen wij in het Oude Testa-
ment, werden op een ondraaglijke wijze door Pharao en
zijn volk onderdrukt. Zij baden den koning om verlich-
ting, doch te vergeefs; deze onderdrukte hen des te
meer. Zij smeekten den Heer hunnen God, medelijden
met hen te hebben, en God, vol goedheid en barmhar-
tigheid, verhoorde eindelijk hunne smeekingen: Hij besloot
de kinderen Israels uit de slavernij van Egypte te ver-
lossen. God zond zijnen dienaar Mozes en diens broeder
Aaron naar Pharao, met het bevel, zijn volk te laten
vertrekken. Pharao in zijnen hoogmoed zeide, dat hij
den God van Israël niet kende, en dat hij de Israëlieten
niet liet vertrekken. Ja, wat meer is, denzelfden dag
n°g gebood Pharao de kinderen Israels met nog zwaar-
der arbeid te overladen. Daarop volgde eene reeks van
wonderen.
God sloeg Egypte met\' tien verschrikkelijke plagen,
ten einde den koning te bewegen, de Israëlieten te laten
vertrekken. De negen eerste plagen werkten niets uit; zij
bewegen den koning niet om zijne toestemming te geven;
doch de tiende en laatste plaag? Ha! B. B., deze
beweegt niet alleen den koning, om zijne toestemming te
geven, maar zij dwingt hem zelfs, de Israëlieten te ver-
-ocr page 238-
— 3J4 —
zoeken zoo spoedig mogelijk te vertrekken en zijn land
te verlaten. De tiende plaag bestond hierin: God zou
zijn Engel zenden, en die Engel zou al de eerstgeborenen
in Egypte dooden, van Pharao\'s oudsten zoon tot dien
van den gevangene in den kerker. Ook zou hij dooden
al de eerstgeborenen van het vee. Opdat nu de eerst-
geborenen der kinderen Israëls van die plaag mochten
bevrijd blijven, ziehier wat God tot dat einde voorschreef.
Zeg aan geheel het volk van Israël, zoo sprak God tot
Mozes: Gij zult een eenjarig lam nemen, zonder vlek of
gebrek. Dat lam zult gij slachten, doch zonder er een
enkel been van te breken. Met het bloed van het lam
zult gij de deurstijlen uwer huizen bestrijken. In den-
zelfden nacht zal ik gansch Egypte rondgaan en al de
eerstgeborenen dooden. Aan uwe huizen zal ik het bloed
zien en voorbijgaan. En inderdaad: God zond zijnen
Engel, en deze doodde in eenen nacht al de eerstgeborenen
van Egypte, terwijl die der kinderen Israëls gespaard
bleven. Hier vraagt de H. Joannes Chrysostomus: Hoe
dan ? Heeft het bloed van een schaap — van een lam —
den mensch, met rede begaafd, kunnen bevrijden ? Zeer
zeker, antwoordt dezelfde kerkleeraar; doch niet, omdat het
het bloed is van een schaap, maar, omdat het een afbeeld-
sel is van het Bloed van onzen Heer Jezus-Christus. En
waarlijk, zoo is het. Het lam zonder vlek \'of gebrek, dat
de Israëlieten moesten slachten, is een afbeeldsel van het
Lam Gods, van Jezus-Christus, die zich voor de zaligheid
der menschen geslachtofferd heeft. Het bloed jvan het
lam is een afbeeldsel van het H. Bloed, dat Jezus-Christus
vergoten heeft, om ons te verlossen uit de slavernij des
duivels.
Wijl wij van daag het feest vieren van het H. Bloed
zullen wij te zamen eenige oogenblikken overwegen:
-ocr page 239-
— 235 —
I. De dankbaarheid, die wij Jezus voor zijn H. Bloed
schuldig zijn.
II, Hoe wij Hem die dankbaarheid zullen betoonen.
I.
Wij zijn Jezus voor zijn H. Bloed, dat Hij voor ons
vergoten heeft, dankbaarheid en groote dankbaarheid
schuldig. Zulks is niet moeielijk te bewijzen.
Veronderstelt een mensch. Die mensch, om zijn vriend
te verlossen uit de gevangenis, om hem te bevrijden van
de doodstraf, welke hij verdiend heeft, geeft zijn fortuin
ten beste. Voorzeker, die mensch zou voor zijn vriend
veel over hebben, hij zou veel voor hem doen, bijzonder
zoo dat fortuin groot ware. En bijaldien die mensch
zijn bloed vergoot om zijn vriend te verlossen en te
bevrijden, hij zou voor zijn vriend nog meer over hebben,
hij zou nog meer voor hem doen. En zoo hij zijn bloed
tot den laatsten druppel vergoot, zoo hij den dood stierf,
niet voor zijn vriend, maar voor zijn vijand, om zijn
vijand te verlossen en te bevrijden? Die mensch voor-
zeker zou alles voor zijn vijand over hebben, hij zou
voor hem alles doen wat hij kan, de liefde van dien
mensch voor zijn vijand zou niet verder kunnen gaan.
Welnu, dat alles heeft Jezus-Christus voor ons gedaan.
Jezus-Christus heeft zijn goddelijk Bloed voor ons ver-
goten, niet eens, maar herhaalde malen, niet eenige druppels,
maar gansch zijn Bloed, tot den laatsten druppel toe.
Den achtsten dag na zijne geboorte, den dag zijner
besnijdenis, vangt Jezus reeds aan met zijn goddelijk
Bloed voor ons te vergieten. Nog klein kind offert Hij
er voor ons reeds de eerste druppels van op aan God
zijn hemelschen Vader. Op het einde zijns levens, tijdens
zijn openbaar lijden, zal Jezus\' Bloed herhaalde malen»
-ocr page 240-
— 236 —
als bij stroomen vlieten. In den Olijfhof eener doode-
lijke droefheid ten prooi, breekt Jezus van alle kanten
een bloedig zweet uit; zijne kleederen zijn er van door-
trokken; zweetdruppels, met Bloed gemengd, vallen op
den grond neder en bevochtigen de aarde. Tijdens Jezus\'
schande- en pijnlijke geeseling wordt zijn heilig lichaam
van het hoofd tot de voeten op de onmenschelijkste wijze
met scherpe roeden, door de beulen verscheurd. Jezus\'
lichaam is als het ware maar ééne wond meer; zijn god-
delijk Bloed gutst uit de wonden, het spat in de gerechts-
zaal rond op de beulen en omstanders, het loopt langs
Jezus\' gezegend lichaam op den grond neder en vormt
wezenlijk een bloedplas op den vloer der gerechtszaal.
Onmiddellijk na de geeseling wordt Jezus met doornen
gekroond. Jezus\' hoofd was tijdens de schande- en pijn-
lijke geeseling nog gespaard gebleven. De soldaten vlech-
ten eene kroon in den vorm van een hoed uit lange en
scherpe doornen, en die doornenkroon zetten, drukken,
slaan zij Jezus op het hoofd. De doornen dringen van
alle kanten in het hoofd van Jezus, tot in de hersenen
door. Het goddelijk Bloed spat uit de wonden; het
verft Jezus\' hoofdhaar bloedrood. Jezus\' H. Bloed loopt
over zijn voorhoofd in zijn oogen, uit zijn oogen over
zijne wangen, van zijne wangen op den purperen mantel,
dien men Hem om de schouders geworpen heeft; het
trekt in dien purperen lap en druipt eindelijk op den
grond neder. Den weg, dien Jezus aflegt van het gerechts-
huis van Pilatus, waar Hij onrechtvaardig ter dood ver-
oordeeld wordt, tot op den Calvarieberg, waar Hij aan
het kruis gaat sterven, dien weg teekent Jezus af met
zijn goddelijk Bloed. Op den Calvarieberg zal Jezus de
fonteinen van zijn goddelijk Bloed doen ontspringen. Op
dien berg aangekomen, biedt Jezus terstond zijne geze-
-ocr page 241-
— H* —
gende handen en voeten aan, om doorboord en aan hét
kruis genageld te worden. Het goddelijk Bloed van Jezus
ontspringt aan zijne doorboorde handen en voeten, even-
als het water aan zoovele fonteinen, en valt op den grond
neder. Er bevindt zich nog een druppel Bloed in het
H. Hart van Jezus. Jezus die uit liefde tot ons zijn god-
delijk Bloed ten beste geeft, wil dat het tot den laatsten
druppel vergoten worde. En ziet! Longinus heft zijne
lans in de hoogte, hij opent er de zijde van Jezus mede,
en onmiddelijk vloeit er bloed en water uit: Et continuo
exivit sanguis et aqna.
(i) Ziedaar, B. B., hoe Jezus
zijn goddelijk Bloed vergiet, hoe Hij het herhaalde malen,
en hoe Hij het eindelijk tot den laatsten druppel toe
vergiet. Doch dat is niet alles. Jezus heeft zijn goddelijk
Bloed niet ééns gegeven; Hij geeft het nog duizenden
malen; ja, dagelijks offert Hij het op, de gansche wereld
door, in het H. Sacrificie der Mis, en Hij geeft het in
de H. Communie tot drank onzer zielen. Dat Bloed van
Jezus nu, B. B., en zelfs een enkele druppel van zijn
Bloed, overtreft oneindig alle andere offers, die God ooit
opgedragen zijn of kunnen opgedragen worden. Waarom?
Omdat het Bloed van Jezus van een oneindige waarde
is. En waarom is het Bloed van Jezus van een onein-
dige waarde? Omdat het is het Bloed van eenen God,
want Jezus-Christus is God en mensch te zamen, gelijk
wij weten, in één goddelijken Persoon. Daarenboven, wijl
Jezus-Christus zelf zijn goddelijk Bloed de eerste maal
opgeofferd heeft, en wijl Hij zelf het nog dagelijks op-
offert in het H Sacrificie der Mis —■ immers, de Priester
is slechts zijn dienaar in het offeren — daarom is het
ook onder dit opzicht nog, en bijgevolg, dubbel van een
(i) Joan xix, 34.
-ocr page 242-
- 238 —
oneindige waarde. En voor wie en tot wat einde heeft
Jezus zijn goddelijk Bloed vergoten. Nauwelijks, en in
een zeldzaam geval, zal een vriend voor zijn vriend zijn
bloed vergieten; en Jezus heeft zijn Bloed tot den laatsten
druppel vergoten voor zijne vijanden. En inderdaad,
wat waren wij door de zonde anders dan vijanden van
God, slaven van den duivel, besmeurd met al wat leelijk
is, ballingen des hemels en bestemd om voor eeuwig te
branden in de hel? Welnu, Jezus, door zijn goddelijk
Bloed voor ons te vergieten, heeft ons wederom met
God verzoend, en van vijanden heeft Hij ons vrienden
van God gemaakt. Jezus heeft ons verlost uit den staat
van doodzonde, en van slaven des duivels heeft Hij ons
vrij en kinderen van God gemaakt Jezus heeft ons,
toen wij besmeurd waren met zonden, wederom gezuiverd
en gewassen in zijn Bloed. Ballingen des hemels, heeft
Jezus ons wederom in onze verloren rechten hersteld, en
bestemd als wij waren om voor eeuwig te branden in
de hel, heeft Jezus ons wederom in staat gesteld, den
hemel te verdienen en daarin voor eeuwig gelukkig te zijn.
Het Bloed van Jezus dus, wel verre van om wraak te
roepen bij God en diens straffen over ons af te trekken,
evenals dat van Abel, het Bloed van Jezus roept om
barmhartigheid en vergiffenis onzer zonden. Wijl Jezus
dus zijn goddelijk Bloed voor ons vergoten heeft en nog
dagelijks voor ons opoffert, daarvoor zijn wij Hem dank-
baarheid en groote dankbaarheid schuldig. Doch zien
wij in ons tweede deel, hoe wij Jezus onze dankbaarheid
zullen toonen.
II.
Om Jezus onze dankbaarheid te betoonen voor zijn
goddelijk Bloed voor ons vergoten moeten wij edelmoedig
-ocr page 243-
— 23y -
zijn in den dienst van God, dikwijls het H. Sacrificie
der Mis bijwonen, dikwijls te communie gaan, en eindelijk
een groot betrouwen stellen op het H. Bloed van Jezus.
Vooreerst moeten wij edelmoedig zijn in den dienst
van God. Wij moeten aan de edelmoedigheid van Jezus
met edelmoedigheid beantwoorden, \'t lijdt geen twijfel,
en wijl Jezus zoo edelmoedig zijn goddelijk Bloed tot
den laatsten druppel voor ons vergoten heeft en het nog
dagelijks voor ons opoffert, wij, B. B., van onzen kant,
wij moeten niet alleen datgene doen, wat streng vereischt
wordt en zonder hetwelk wij God niet kunnen dienen,
zooals, bijv., zijne geboden en die van de H. Kerk
onderhouden, en de plichten van onzen staat volbrengen;
maar wij moeten wat meer voor God doen, en waartoe
wij niet op zonde verplicht zijn, als zijn zekere werken
van godsvrucht, versterving en liefdadigheid. En bijaldien
die werken zullen gepaard gaan met moeielijkheden,
vervolging of lijden, ja, dan en dan vooral moeten wij
ze verrichten en toonen dat wij edelmoedig zijn jegens
Jezus, die zoo edelmoedig jegens ons geweest is en nog
is tot op den dag van heden.
Wij moeten dikwijls het H. Sacraficie der Mis bijwonen,
niet alleen op de dagen, waarop wij er toe verplicht zijn,
als zijn de zondagen en geboden feestdagen; maar ook,
zoo onze bezigheden het toelaten, op de andere dagen.
O, hoevelen, zouden, bijaldien zij zich maar een weinig
moeite wilden geven, hoevelen zouden ook op de werk-
dagen het H. Sacrificie der Mis kunnen bijwonen! Wij
moeten het H. Sacrificie der Mis altoos bijwonen met
groote eerbiedigheid en aandachtigheid, en daarom moeten
wij ons wel wachten, ons onstichtend te gedragen door
praten, lachen of rondzien; wij moeten denken aan het-
geen er tijdens de H. Mis aan het altaar geschiedt en wel
-ocr page 244-
■- è4ó —
bijzonder in het midden der H. Mis onder de Consecratie,
als Jezus-Christus, door den priester zijn goddelijk Bloed
eenmaal voor ons aan het kruis vergoten, wederom, maar
op een onbloedige wijze, voor ons aan God zijn hemel-
schen Vader opoffert.
Wij moeten dikwijls te communie gaan, niet enkel
ééns in het jaar, met Paschen, om aan het gebod der
H. Kerk te voldoen; maar ook en bijzonder op de hooge
feestdagen van het jaar. O, B. B., wat zijn zij te
beklagen, de Christenen, die zoo zelden te communie gaan
en zich alzoo berooven van de vruchten der H. Com-
munie, die zoo talrijk en kostbaar zijn.
Telkens als wij tot de H. Tafel naderen, moeten
wij zorgen, ons tot de H. Communie goed voor te
bereiden, \'t Is dus niet genoeg, dat men zuiver zij van
doodzonde en nuchter van \'s nachts twaalf uren af; wij
moeten vóór de H. Communie bidden, denken en er goed
aan denken wat wij gaan ontvangen, dat wij gaan ont-
vangen het lichaam en bloed van Jezus-Christus, lichaam,
dat Hij voor ons aan het kruis opgeofferd, bloed, dat
Hij zoo edelmoedig voor de zaligheid onzer zielen ver-
goten heeft. Na de H. Communie moeten wij vooreerst
Jezus bedanken; vervolgens moeten wij ons aan Hem
opofferen; en als het Bloed van Jezus als \'t ware nog
in onze aderen stroomt, o, dan, dan voorzeker moeten
ons de edelste gevoelens bezielen, de geest van edel-
moedigheid, zoodat wij bereid zijn alles voor Jezus ten
beste te geven, hem getrouw te dienen al de dagen van
ons leven tot den dood toe.
Eindelijk moeten wij ons betrouwen stellen op het
H. Bloed van Jezus-Christus. Immers, wij kennen er
de waarde van, wij weten dat het van een oneindige
waarde is; en voor dien grooten prijs zijn wij vrijgekocht,
-ocr page 245-
241 —
zegt de Apostel Paulus: Empti estis pretio magno (i)
Wij kennen de verdiensten van het H. Bloed van Jezus,
wij weten dat zij oneindig zijn. En ziet! Jezus heeft
toegestaan, de oneindige verdiensten van zijn H. Bloed
op ons toe te passen door onze gebeden, door de H.
Sacramenten, door het H. Sacrificie der Mis. Wie onzer,
ik vraag het, zou zich dan niet vol betrouwen tot
dien zoo kostbaren schat begeven om er aan te putten?
Ik weet wel, B. B., wij kunnen niet zeggen, evenmin als
Pilatus, en die het toch zeide: ik ben onschuldig aan
het Bloed van dezen Rechtvaardige, d. i. van Jezus:
Innocens ego sum a sanguine Justi liujus. (2) Neen, dat
kunnen wij niet; integendeel, met Judas zouden wij
moeten zeggen: Ik heb gezondigd door onschuldig Bloed
over te leveren: Peccavi, tradens sanguinem jttstum. (3)
Immers, \'t is om onze zonden, om er voor te voldoen,
dat Jezus zijn goddelijk Bloed vergoten heeft; wij zijn
dus in zekeren zin schuldig aan het Bloed van Jezus.
Nochtans, wij zullen met de Joden, doch in een anderen zin
dan zij deden, zeggen: Dat Jezus\' Bloed over ons kome:
Sanguis ejns super nos. Dat het over ons kome, om
ons te zuiveren van onze zonden; dat het over ons kome,
om ons aan te moedigen in den strijd; dat het over ons
kome, om ons te teekenen en alzoo ons te bevrijden voor
den duivel, even als het bloed van het lam, waarmede
de deurstijlen van de huizen der Israëlieten geteekend
waren, de Israëlieten bevrijdde voor den Worgengel, die
alom de eerstgeborenen der Egyptenaren doodde. Zie-
daar, B. B., in welken zin wij mogen zeggen: Jezus\' Bloed
kome over ons en over onze kinderen : Saiiguis ejus super
nos et super filios nostros.
(1)
(1) 1 Cor. vi, 30. (2) Matth. XXvil, 24. (3) Matih. XXVII, 4.
16,
-ocr page 246-
— ïi£
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., dat wij Jezus dankbaar moe-
ten zijn voor zijn H. Bloed, dat Hij voor ons vergoten
heeft. Hij heeft het vergoten tijdens zijn leven, en Hij
offert het nog dagelijks voor ons op in het H. Sacrificie
der Mis en laaft er onze zielen mede in de H. Communie.
Het H. Bloed van Jezus is van een oneindige waarde.
Jezus heeft het vergoten voor zijne vijanden, d. i.. voor
ons, om ons met God zijn hemelschen Vader te ver-
zoenen, om ons uit de slaverij des duivels te verlossen
en van onze zonden te zuiveren; om ons van de hel te
bevrijden en den hemel binnen te leiden. Wat al dank-
baarheid zijn wij Jezus daarvoor niet schuldig! En om
Jezus onze dankbaarheid te betoonen, geven wij ons geheel
en al aan Hem; offeren wij Hem op onze ziel en ons
lichaam, alles wat wij hebben, alles wat wij zijn. Zijn wij
edelmoedig jegens Jezus en bereid zelfs ons bloed voor
Hem ten beste te geven, gelijk Hij edelmoedig jegens
ons geweest is en zijn H. Bloed voor ons ten beste
gegeven heeft. Eeren en aanbidden wij het H. Bloed
van Jezus tijdens de H. Mis, en vooral op het oogenblik
dat de Priester onder de Consecratie den kelk met het
H. Bloed van Jezus in de hoogte heft en zijn hemelschen
Vader opdraagt tot vergiffenis onzer zonden. Naderen
wij dikwijls tot het allerheiligste Sacrament des Altaars,
waarin Jezus ons zijn goddelijk vleesch tot spijs, zijn
goddelijk bloed tot drank geeft; zoo doende zullen wij,
met die goddelijke spijs gesterkt en met dien goddelijken
drank gelaafd, vol vertrouwen onze reis kunnen voort-
zetten door de woestijn der wereld naar het beloofde
land, d. i., naar den hemel. Amen.
(1} Matth. xxvu, 2Ó.
-ocr page 247-
Zestiende Preek.
De Hemelvaart van Maria.
Pretiosa in consfiectu Domini mors Sanc-
torum ejus.
De dood der Heiligen is kostbaar in de
oogen van God.
                       (Ps. CXV. 15.)
INHOUD.
VOORREDE.
De mensch was sterfelijk van natuur, onsterfelijk door
een bijzonder voorrecht; dat voorrecht heeft hij verloren
door de zonde. — Maria was sterfelijk van natuur, onster-
felijk door een bijzonder voorrecht; dat voorrecht heeft
zij nooit verloren, omdat zij noch met de erfzonde besmet,
noch met eene dadelijke zonde bezoedeld is geweest. —■
Maria heeft van haar voorrecht afgezien, om Jezus haren
Zoon te gelijken. — Maria\'s dood is een toonbeeld van
den dood des rechtvaardigen. Die dood was kostbaar.
VERDEELING.
I. Om de voordeelen, waarvan hij vergezeld ging:
II. Om de wijze, waarop hij plaats had.
-ocr page 248-
244 -
I.
De dood van Maria was kostbaar om de voordeden,
waarvan hij vergezeld ging. — De dood van den zondaar
is bitter, omdat hij gehecht is aan het aardsche; de dood
van Maria was zoet, omdat zij onthecht was van het
aardsche. — De dood van den zondaar is bitter om de
knaging van zijn geweten; de dood van Maria was zoet
om de gerustheid van haar geweten. — De dood van
den zondaar is bitter om de onzekerheid aangaande de
toekomst; de dood van Maria was zoet om de zekerheid
aangaande de toekomst.
II.
De dood van Maria was kostbaar om de wijze, waarop
hij plaats had. — Maria leefde na de Hemelvaart van
Jezus nog 24 jaren; zij stierf in den gezegenden ouderdom
van 72 jaren. — Maria verlangde naar den dood, doch
onderwierp zich aan den wil van God. — Maria was op
hare beurt noodig voor de Kerk. — Zij bezocht dikwijls
de plaatsen, door Jezus geheiligd, en vooral de plaatsen,
waar Hij geleden had. — Verlangen van Maria op den
Olijfberg.— Maria heeft hare zending volbracht.—Jezus
zendt een Engel om Maria van haren dood te verwit-
tigen. — Blijdschap van Maria. — Maria maakt het nieuws
bekend aan Joannes, deze aan de overige Apostelen en
geloovigen. — Droefheid der Apostelen en geloovigen.
Alle Apostelen zijn tegenwoordig, uitgenomen Jacobus
overleden en Thomas. — Paulus terug van zijne tweede
reis. — De Apostelen zijn bedroefd en verblijd, evenals
bij de Hemelvaart van Jezus. — De Engelen des hemels
dalen neder. — Woorden van Maria tot de Engelen.
— Jezus verschijnt aan Maria. — Woorden van Jezus
en Maria; — Maria\'s dood.
-ocr page 249-
— 245 —
SLUITREDE.
Maria is een kostbaren dood gestorven, omdat zij zich
onthecht had van het aardsche, omdat zij nooit een
enkele zonde bedreven had, en omdat zij zeker was van
hare zaligheid. — Wij moeten ons ook onthechten van
het aardsche en aan het hemelsche denken, de zonde
vluchten en de deugd oefenen. — Wij moeten Maria
bidden, teneinde, wel niet zeker van ons geluk, toch vol
betrouwen de eeuwigheid te gemoet te kunnen zien en een
zaligen dood te sterven.
Zestiende Preek.
De Hemelvaart van Maria.
>
Pretiosa in conspectu Dotnini mors Sanc-
toritm ejus.
De dood der Heiligen is kostbaar in de
oogen van God.
                     (Ps. CXV, 15.)
VOORREDE.
De eerste mensch door God geschapen, B. B., was
onsterfelijk, alvorens hij gezondigd had. Hij was onster-
felijk, niet van natuur, maar door een bijzonder voorrecht
van God zijnen Schepper. Adam en Eva zouden dus niet
gestorven zijn, doch zij zouden, na den Heer hunnen
God eenigen tijd getrouw gediend te hebben, tot beloo-
ning daarvoor opgenomen zijn geworden ten hemel,
zonder te sterven. Doch ziet! nauwelijks hebben Adam
-ocr page 250-
_ 24Ö —
en Eva zich aan de zonde van ongehoorzaamheid plichtig
gemaakt, door van de verboden vrucht te eten, of God
spreekt het doodvonnis, waarmede Hij hen bedreigd had,
over hen uit. Ten dage, zoo had God tot den eersten
mensch gezegd, dat gij van de verboden vrucht eet, zult
gij den dood sterven: Mor te morieris. (i) En nadat
Adam van de verboden vrucht gegeten had, zeide God
tót hem: In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood
eten, totdat gij wederkeert in de aarde, waarvan gij
gemaakt zijt; want gij zijt stof, en tot stof zult gij weder-
keeren: Qnia pulvis es, et in pulverem reverteris. (2)
Alzoo is de zonde door éénen mensch in de wereld
gekomen, en door de zonde de dood; en de dood is op
alle menschen overgegaan, wijl allen in éénen gezondigd
hebben.
De allerheiligste Maagd Maria, vrij van de erfzonde,
en nooit besmeurd, zelfs niet met de kleinste dadelijke
zonde, was ook onsterfelijk. Zij was onsterfelijk, niet
van natuur, maar door een bijzonder voorrecht van God.
Die leering van meer dan een H. Vader lijdt volstrekt
geen twijfel. En toch, Maria, gelijk wij weten, is gestor-
ven. Waarom is Maria dan gestorven? Zij is gestorven,
B. B., omdat zij zoo veel mogelijk in alles haar godde-
lijken Zoon, die uit liefde tot ons gestorven is, wilde
gelijken. Van het bovennatuurlijk voorrecht der onster-
felijkheid heeft Maria dus afgezien. Daarenboven, de
dood van Maria moest naar Gods inzichten een toonbeeld
zijn van den dood, welken de rechtvaardigen sterven, en
die, gelijk God zelf in de H. Schrift verklaart, kostbaar
is in zijne oogen: Pretiosa in conspectu Domini mors
sanctorum ejus.
(3)
(1) Gen. 11, 17. (2) Gen. 111, 19. (3) Ps. cxv, 15.
-ocr page 251-
— 247 —
Alhoewel wij vandaag den feestdag der Hemelvaart /^
van Maria vieren, handelen wij eens eenige oogenblikken
over den dood van Maria; want haar dood is hare Hemel-
vaart voorafgegaan. De dood van Maria was kostbaar,
zegt de H. Alphonsus:
I. Om de voordeelen, waarvan hij vergezeld ging;
II. Om de wijze, waarop hij plaats had.
I.
De dood van Maria was kostbaar om de voordeelen,
waarvan hij vergezeld ging.
Er zijn drie zaken, die gewoonlijk samengaan, zegt
de H. Alphonsus, en die den dood van den mensch bitter
maken. Die drie zaken zijn: de gehechtheid aan het
aardsche, de knaging van het geweten en de onzekerheid
aangaande de toekomst. Welnu, van die drie zaken was
de dood van Maria geheel en al vrij. Maria was niet
gehecht aan het aardsche, zij was er gansch van onthecht.
Maria gevoelde geene knaging van geweten, zij stierf in
vrede. Maria was niet onzeker aangaande hare toekomst,
zij was zeker van hare zaligheid. En wel vooreerst maakt
de gehechtheid aan het aardsche den dood bitter. De
H. Schrift zegt het duidelijk. O dood, zegt zij, hoe
bitter is de gedachte aan u voor den mensch, die zijn
geluk zoekt in de aardsche goederen! O mors! quam
amara est mentor ia tna Iwmini pacem habe?iti in sub-
stantiis suis!
(i) En geen wonder. Die mensch heeft
gezocht de grootheid en pracht, de schatten en rijkdom-
men, de vermaken en pleizieren. Wat al moeite heeft
hij zich niet getroost, om in eer en aanzien te komen
bij de menschen? Hoe zeer heeft hij zich niet afgeslaafd, __
(i) Ecclus xu, i.
-ocr page 252-
— 248 —
om goud en zilver te vergaderen? Wat al middelen heeft
hij niet uitgevonden, om zich te vermaken ? En ziet, daar
komt de dood aan zijne woning kloppen. Die man van
aanzien, van iedereen geacht en hemelhoog verheven,
moet sterven, en men zal van Hem niet meer spreken;
en die rijke, in het bezit van zooveel geld en goed, moet
de wereld verlaten, en men zal hem niets medegeven
dan een doodsgewaad en eene doodskist; en die echt
vroolijke, die zich zoo goed vermaakte, staat op het punt,
zijn laatsten adem uit te blazen; en terwijl hij, gehecht
en als vastgekluisterd aan het aardsche, nog verstand
genoeg bezit, om te begrijpen dat hij alles moet verlaten,
snauwt hij den dood, die aan zijne legerstede staat, als
het ware toe: Wreede dood, is het zoo dat gij mij afrukt
van hetgeen ik zoo zeer beminde? Hoe bitter is dus de
dood voor den mensch, die gehecht is aan het aardsche.
Met Maria is het juist het tegendeel. Zij is gansch ont-
hecht van het aardsche. Alhoewel uit koninklijk bloed
gesproten, en zelfs tot de waardigheid van Moeder van
God verheven, noemt Maria zich de dienstmaagd des
Heeren; zij verheft den Heer, wijl Hij op hare geringheid
heeft nedergezien. Maria is arm; zij moet met Jozeph,
haren bruidegom, door met vlijt te werken voor zich en
haar goddelijk Kind den kost verdienen. Maria, wel
verre van zich te vermaken in de wereld, heeft zich van
hare prilste jeugd af verwijderd van de wereld, en zich
voor gansch haar leven aan God toegewijd. Haar eenigste
vermaak was God te dienen, God te beminnen en met
God vereenigd te zijn: en Maria, die ootmoedige, die
arme, die zuivere Maagd, wel verre van den dood bits
toe te snauwen, roept hem blijmoedig toe: O zoete dood!
O kom! spoed u om mij te vereenigen met God, mijn
welbeminde!
-ocr page 253-
— 349 -
y
Vervolgens maakt de knaging van het geweten den \'
dood bitter. Den mensch, die sterven gaat, komen al
zijne zonden voor den geest; zonden bedreven met gedach-
ten, begeerten, woorden, werken en verzuimenissen; zonden
bedreven met zich zelven en met anderen; zonden bedre-
ven tegen de geboden van God, van de H. Kerk en
tegen de plichten van zijnen staat. Vroeger schenen hem
die zonden beuzelarijen en weinig in getal; hij schepte
er vermaak in. Thans vertoonen zij zich met getal en
, omstandigheden, en in al hare afschuwelijkheid. Nu, zoo
kan die mensch op zijn sterfbed met Antiochus zeggen,
nu herinner ik mij al het kwaad, dat ik gedaan heb, de
zonden, die ik bedreven en waardoor ik mijnen Heer en
God zoo dikwijls en zoo grootelijks vergramd en belee-
digd heb: Nunc reminiscor malorum quae feci. (i) Op
het punt om voor den rechterstoel van God te verschijnen,
zou de zondaar zich van al zijne zonden willen ontdoen,
doch te vergeefs. Die zonden klemmen zich aan hem
vast, en zij roepen, gelijk de H. Bernardus zegt, den
zondaar toe: Wij zijn uwe werken en verlaten u niet. (2)
Hoe bitter is dus de dood voor den mensch, wiens
geweten zoo verschrikkelijk knaagt. Met Maria is het
wederom juist het tegendeel.
                                            "
Vrij van de erfzonde, heeft Maria nooit eene dadelijke \\
zonde, zelfs de kleinste niet bedreven. Terecht worden
dus op Maria de volgende woorden van het Hooglied
toegepast; Gij zijt geheel schoon, mijne vriendin! Tota
palcra es,
en er is geene vlek in u te vinden! et macnla
non est in te!
(3) Van af het eerste oogenblik van haar ^(
bestaan, begon Maria haren God te beminnen uit geheel
haar hart, uit geheel hare ziel, uit geheel haar verstand
(1) 1. Mach. vi, 12. (2) Opera tua sumus non te deseremug
S. Bern. (3) Cant. cant. iv, 7.
-ocr page 254-
— 250
en uit al hare krachten, en in die liefde tot God nam
zij dagelijks toe. Al hare gedachten, al hare begeerten ...
waren aan en voor God; zij sprak geen woord, zij ver-
richtte geen werk, tenzij tot glorie van God. Op het X
einde van haar leven mocht Maria met voldoening op
het verledene terugzien en zeggen: Nu, nu herinner ik
mij de deugden, die ik beoefend, de goede werken, die
ik gedaan heb. Die deugden, die goede werken scharen
zich rondom het sterfbed van Maria: haar levend geloof,
hare zoete hoop, hare vurige liefde, hare diepe ootmoe-
digheid, hare stipte gehoorzaamheid, haar voorbeeldeloos
geduld, hare vlekkelooze zuiverheid; al de goede werken,
die zij tijdens haar lang leven verricht had; al die deug-
den en goede werken riepen Maria toe: Wij zijn uwe
werken en verlaten u niet; wij zullen onze intrede met
u doen in het hemelrijk en u vergezellen tot voor den
troon van God.
Eindelijk maakt den dood nog bitter de onzekerheid
aangaande de toekomst.
De dood, B. B., is de overgang van den tijd naar de
eeuwigheid, zoodat van den dood afhangt de gelukkige
of ongelukkige eeuwigheid. Geen wonder dat de mensch,
die gaat sterven, en die dus gaat beslissen over zijn
eeuwigheid, dat die mensch ongerust is. Loopt hij geen
gevaar, de ongelukkige eeuwigheid in te gaan ? Wat zegt
de H. Schrift? De mensch weet niet, zegt zij, of hij
liefde of haat waardig is: Nescit homo utrum amore an
odio dignus sit.
(i) Alhoewel ik mij niets bewust ben,
zegt de Apostel Paulus, daarom ben ik niet gerechtvaar-
digd : Non in hoc jusiïficatus sutn. (2) Nochtans, vele _.
Heiligen waren vol vreugde bij hunnen dood. Toen de
(1) Eccl. ix, 1. (2) 1 Cor. iv, 4.
-ocr page 255-
— 251 —
H. Laurentius Justinianus, zoo verhaalt ons de H. Alphon-
sus van Liguorio, op sterven lag, en hij zijne broeders,
die om zijn sterfbed stonden, hoorde weenen, zeide
hij: Weg! Weg met die tranen! \'t Is nu geen tijd van
weenen; wilt gij hier blijven, dan moet gij u met mij
verheugen, want ziet! de deur des hemels zal weldra
voor mij geopend worden, en ik ga mij vereenigen met
mijnen God. Hetzelfde wordt verhaald van meer andere
Heiligen, namelijk, dat zij zich verheugden bij hunnen
dood. Nochtans, stellig zeker, in staat van genade te
zijn, waren zij niet, en bijgevolg ook niet stellig zeker
van hunne zaligheid. Doch Maria ? Zij was stellig zeker, X
in staat van genade te zijn, sedert de Engel haar gebood-
schapt had, dat zij vol van genade was. Zij was stellig
zeker, die genade nooit verloren, doch steeds vermeerderd
te hebben, en bijgevolg was Maria ook stellig zeker, bij
haar sterven naar den hemel te gaan. Hoe groot moest
dus de vreugde van Maria niet zijn, zoodra zij wist dat
zij sterven ging! Doch zien wij in ons tweede deel eenige
bijzonderheden van den dood van Maria, namelijk de
wijze, waarop hij plaats had en daarom zoo kostbaar was.
II.
Volgens een algemeen gevoelen, B. B., leefde Maria na
de Hemelvaart van Christus, nog vier en twintig jaren,
zoodat zij bij haren dood den gezegenden ouderdom van y
twee-en-zeventig jaren bereikt had. Maria verlangde vurig
naar den hemel, en geen wonder: daar immers was haar
schat, haar teêrgeliefde Jezus; en waar de schat is, daar
is, zegt de H. Schrift, ook het hart. Nochtans, wijl Maria __
wist dat het de wil van haar goddelijken Zoon was, dat
zij op hare beurt ook eenigen tijd bij de Apostelen ver-
bleef, onderwierp zij zich volgaarne aan diens wil. De
-ocr page 256-
— 253 —
Apostelen kwamen dikwijls bij Maria. Waren zij in twijfel,
zij kwamen bij Maria om raad; waren zij in droefheid,
zij kwamen bij haar om troost; werden zij vervolgd, zij
kwamen bij haar om bijstand, en altoos vonden zij bij
die goede Moeder raad, troost en bijstand. Ja, Maria
sprak hun moed in het hart, om voor niets achteruit te
deinzen, doch om alles te ondernemen tot glorie van
God en tot zaligheid der zielen.
Tijdens haar verblijf te Jeruzalem bezocht Maria dikwijls
de plaatsen, door haar goddelijken Zoon geheiligd. Nu
eens bezocht zij Bethleëm, waar Jezus geboren was; dan
wederom Nazareth, waar zij zoovele jaren te zamen hadden
doorgebracht. Bij voorkeur bezocht Maria de plaatsen,
door Jezus\' lijden geheiligd: den Olijfhof, waar Jezus zijn
lijden begonnen had; het gerechtshuis van Pilatus, waar
Hij gegeeseld en gekroond was; doch het liefst deed zij
den kruisweg, beklom dan den Calvarieberg, waarop Jezus
aan het kruis gestorven was, bezocht vervolgens het graf,
waarin zijn lichaam na de kruisafneming was nedergelegd
en eindelijk den Olijfberg, van welken Jezus glorievol ten
Hemel geklommen was.
Het bezoek dier plaatsen verschafte Maria wel is waar
veel troost; zekere plaatsen waren voor haar vol van de
zoetste herinneringen, doch zulks belette niet dat Maria,
hoe meer zij vorderde in jaren, des te meer naar haar
goddelijken Zoon verlangde, vooral, B. B., zoo dikwijls
zij op den Olijfberg kwam, van welken zij Jezus ten
hemel had zien klimmen. O dan verlangde Maria naar
haren Jezus sterker dan het dorstend hert verlangt naar
de frissche waterbron; dan verzuchtte die goede Moeder
naar haren Zoon: Wanneer zal mij het geluk te beurt
vallen, waarnaar ik zoo dorst! Wanneer, o mijn Jezus,
zal ik mogen komen en voor uw aanschijn verschijnen!
-ocr page 257-
*"" \'} t i —a
Wie zal mij vleugelen geven gelijk aan de duif, zeide
Maria met den koninklijken Profeet David: Quis mihi
dabit pennas sicut coluinbae,
en ik zal tot mijnen Zoon
opvliegen en in hem berusten, et volabo et requiescam.{\\)
Dusdanig, B. B., waren de herhaalde zoete verzuch-
tingen van Maria naar haren Zoon. Aan die verzuchtingen
zal haar Zoon dan ook weldra voldoen. Daarenboven,
Jezus heeft zijn doel bereikt. Maria moest zijne pas
gestichte Kerk zichtbaar bijstaan en beschermen. Zulks
heeft die goede Moeder op hare beurt gedaan. Thans
is Jezus\' Kerk reeds over verschillende plaatsen verspreid.
De stem der Apostelen is reeds ver doorgedrongen. Ook
heeft Maria zich een schat van verdiensten vergaderd,
zoo groot, dat zij tot Koningin van hemel en aarde, van
Engelen en Heiligen kan gekroond worden. Doch ziet,
Jezus alvorens zijne Moeder tot zich te roepen, wil haar
eerst verwittigen. Eenige dagen vóór haren dood zendt
Jezus den Engel Gabriel, denzelfden, dien God eertijds
gezonden had, om Maria te boodschappen, dat zij verkoren
was, de Moeder van den Zoon Gods te worden. Vol
eerbied nadert de Engel Gabriel opnieuw Maria: Wees
gegroet! zegt hij wederom, gij zijt de gezegendste der
vrouwen; weldra zal u de zaligheid des hemels te beurt
vallen; de Heer Jezus uw Zoon wacht de komst zijner
Moeder af. En Maria bij het vernemen dier blijde tijding
antwoordt: Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede
naar uw woord. Aan Joannes voorzeker heeft Maria het
eerst die blijde tijding bekend gemaakt. Immers, Jezus
aan het kruis had zijne Moeder den H. Joannes toever-
trouwd ; Joannes had Maria tot zijne Moeder aangenomen.
Jaren lang had hij als trouwe zoon met Maria, de Moeder
(i) Ps. uv, 7.
-ocr page 258-
— ès4 ■^
van Jezus, gewoond en voor haar zorg gedragen. Doch
welk een slag voor Joannes! Vol droefheid deelde hij
het nieuws mede aan de andere Apostelen, aan zijne
bloedverwanten en vrienden, ja aan alle Christenen van
Jeruzalem. Allen werden beproefd bij het vernemen dier
tijding. Niet, B. B., dat de geloovigen van Jeruzalem
Maria het geluk des hemels benijdden; neen, maar omdat
zij van hun steun en troost, van hunne goede Moeder
gingen beroofd worden. De Christenen, die Maria kwamen
bezoeken, stortten overvloedige tranen; zij smeekten haar
hen toch niet als weezen achter te laten. Maria antwoordde:
De wil des Heeren geschiede. Zij troostte de Christenen,
moedigde hen aan en beloofde dat zij hen nooit zou
vergeten en in den hemel zou gedachtig zijn.
Den tijd, die Maria overbleef, besteedde zij om zich
voor te bereiden tot den dood. Voor de laatste maal
bezocht zij nog de heilige plaatsen van Jeruzalem en
omstreken. De dag, waarop Maria dit tranendal zou
verlaten, naderde voor de Christenen met al te rassche
schreden. Bedroefd waren zij in Maria\'s woning op den
Sion samengekomen. De Apostelen, door eene bijzondere
beschikking van God, bevonden zich allen te Jeruzalem,
uitgenomen de H. Jacobus, die reeds overleden was, en
Thomas. De Apostel Paulus was juist van zijn tweede
reis terug en kon dus den dood van Maria bijwonen.
De Apostelen waren bedroefd en verblijd, juist gelijk bij
de Hemelvaart van hun goddelijken Meester. Toen ook
waren zij bedroefd, wijl Jezus hen ging\'verlaten; verblijd,
wijl Jezus bezit ging nemen van den troon in den hemel,
dien Hij verdiend had. Nu zijn de Apostelen bedroefd,
wijl Maria niet meer bij hen zal zijn; verblijd, wijl hunne
goede Moeder den schoonen hemel zal binnengaan.
Eindelijk was het uur gekomen, dat Maria de wereld
-ocr page 259-
- *5S -
verlaten zou. De Christenen zijn geschaard rondom het
sterfbed van Maria. Zij hebben hunne betraande oogen
onafgebroken op hunne goede Moeder gevestigd. Eens-
klaps werd er een aangename muziek gehoord. Enge-
lenkoren, door Jezus vooraf gezonden, dalen neder. Bij
het ontwaren der Engelen roept Maria hen toe: O,
inwoners van het hemelsch Jeruzalem! boodschapt aan
mijn Welbeminde, dat ik van liefde verkwijn: Annuntiate
Dilecto meo qiria amore langueo.
(i) Eindelijk verschijnt
Jezus, haar Zoon. Door Engelen omgeven, daalt Hij neder
bij zijne Moeder. Kom, o mijne gezegende Moeder!
zoo spreekt Jezus Maria aan. Kom naar mijne woon-
plaats! Gij, de reinste der vrouwen. Daarop roept Maria
uit: In uwe handen o mijn Zoon! beveel ik mijnen geest.
Maria aanschouwt vol liefde voor de laatste maal hare
kinderen, die haar sterfbed omringen; zij verheft hare
hand en zegent hen. Daarop vouwt zij hare handen
eerbiedig te zamen, en terwijl eene hemelsche vreugde
schittert op haar rein gelaat, opent Maria nog eens haar
heiligen mond: Mijn Zoon! zegt zij, mij geschiede naar
uw woord, en zachtjes ontslapende geeft Maria zonder
pijn of smart, zonder geweld, in eene hemelzalige verruk-
king hare schoone ziel over in de handen van Jezus haren
Zoon. Maria is niet meer. Hare schoone ziel heeft de
aarde verlaten en is opgevlogen ten hemel, waar kort
daarna haar maagdelijk lichaam de ziel gevolgd is, want
Maria is, gelijk wij weten, met ziel en lichaam opgenomen
ten hemel.
SLUITREDE.
Ziedaar, B. B., den schoonen, den kostbaren dood van
Maria. Maria ontsliep zacht in den Heer, den glimlach
(i; Cant. cant. il, 5.
-ocr page 260-
** 25e —
op haar rein gelaat. En geen wonder. Wat toch in de
wereld kon Maria weerhouden, daar zij onthecht van het
aardsche, altoos voor God geleefd had en naar niets dan
naar haren God verlangde? Wat toch kon Maria vrees
voor den dood inboezemen, daar zij vrij van de erfzonde,
zich niet eens aan de kleinste dadelijke zonde had plichtig
gemaakt, doch immer de deugd beoefend, het goede
gedaan had? Vol blijdschap dus zag Maria het oogenblik
van den dood naderen, stellig zeker als zij was, dat zij
zich in den hemel met haar goddelijken Zoon ging ver-
eenigen, om voor eeuwig met Hem gelukkig te zijn.
Bij de gedachte aan dien schoonen, kostbaren dood van
Maria zal een ieder wellicht denken: Och of ik ook een-
maal zulk een zaligen dood sterve. Zulk een zaligen dood,
B. B.? Neen dat is niet mogelijk. Die schoone, die
kostbare dood is alleen voor Maria. Maar eenmaal een
zaligen dood sterven? Ja, B. B., dat is mogelijk, en daarop
moeten wij ons met hart en ziel toeleggen, daarvoor
moeten wij werken gansch ons leven.
O, B. B., bekommeren wij ons niet te zeer over de
^ aardsche goederen, die vergankelijk zijn; doch leggen wij
ons met vlijt toe op de hemelsche goederen, die eeuwig
blijven duren. Wachten wij ons zorgvuldig voor de zonde,
wijl de gedachte aan de zonde den dood zoo bitter maakt,
beoefenen wij daarentegen met vlijt de deugd, wijl de
gedachte aan de deugd, den dood zoet doet wezen. Tot
dat einde moeten wij onder anderen ons tot Maria wenden.
Van uit het hoogste des hemels, waar zij met ziel en
lichaam opgenomen is, slaat Maria vol medelijden hare
blikken op ons in dit tranendal neder. Die goede Moeder
is bereid ons te hulp te komen, mits wij onze toevlucht
tot haar nemen. O, bidden wij dus Maria, doch vooral
vandaag, ter gelegenheid van hare glorierijke Hemelvaart.
-ocr page 261-
- w -
Bidden wij die goede Moeder, dat zij ons Van God de
genade bekome, om Jezus haar goddelijken Zoon bovenal
te beminnen, al de dagen van ons leven trouw te dienen, X.
om op het einde van ons leven, zoo niet gansch zeker van
onze zaligheid, dan toch vol betrouwen de eeuwigheid
tegemoet te kunnen zien en een zaligen dood, den dood
der rechtvaardigen, te sterven. Amen.
                          ^^
^
f5
1?.
-ocr page 262-
Zeventiende Preek.
Het H. Hart van Maria.
Ego mater pulchrae dilectionis.
Ik ben de moeder der schoone liefde.
(Eccl. xxiv, 24.)
INHOUD.
VOORREDE.
Twee feesten ter eere van twee H. Harten, namelijk
van Jezus en van Maria. — De devotie tot het H. Hart
van Jezus en die tot het H. Hart van Maria gaan samen,
zij dagteekenen van het begin der H. Kerk. — Congrega-
tiën ter eere van het H. Hart van Maria. — Fransche
omwenteling. — Broederschap van het H. Hart van Maria,
door Paus Gregorius XVI tot aartsbroederschap verheven.
VERDEELING.
I. Welk is het voorwerp der devotie, waarvan hier
spraak is?
II. De voornaamste beweegreden, waarom wij het
H. Hart van Maria moeten eeren.
I.
Grond der devotie tot het H. Hart van Maria, haar
-ocr page 263-
- :>59 -
goddelijk moederschap. — Het voorwerp dezer devotie
is tweederlei: het stoffelijk en het geestelijk voorwerp.:—
Het stoffelijk voorwerp is het H. Hart van Maria zelf.
—  Wat is het H. Hart van Maria? — Het geestelijk
voorwerp is de liefde van Maria, waarvan het hart het
zinnebeeld is. — Men eert de reliquiën van Maria, hoe-
veel te meer moet men dan haar H. Hart eeren.
II.
Welke is de voornaamste beweegreden, waarom wij
het H. Hart van Maria moeten eeren? De voornaamste
beweegreden is de liefde van Maria, liefde tot God en de
menschen. — Maria heeft ons bemind gansch haar leven,
en zij bemint ons nog. — Gansch het leven van Maria
is een aaneenschakeling van liefdewerken geweest. — Maria
in den tempel te Jeruzalem. — Maria stemt toe, de Moeder
van God te worden. — Maria brengt Jezus ter wereld. —
Zij offert Hem op te Jeruzalem : Voorzegging van Simeon.
—  Maria vlucht met Jezus naar Egypte. —Jezus verloren
te Jeruzalem. — Jezus werkt te Nazareth. — Jezus wordt
miskend en .vervolgd tijdens zijn leeraarsambt. — Jezus
wordt verraden, valsch beschuldigd, ter dood veroordeeld,
mishandeld, aan Pilatus en Herodes overgeleverd, gegee-
seld, met doornen gekroond, achter Barrabas gesteld, tot
den kruisdood veroordeeld. — Maria ontmoet Jezus op
weg naar den Calvarieberg. — Maria aan den voet des
kruises. — Woorden van Jezus tot Maria en Joannes;
Maria neemt ons tot hare kinderen aan. — Zij offert uit
liefde tot ons haar goddelijken Zoon op. — Maria in den
hemel bemint ons en verlangt niets zoozeer dan ons geluk-
kig te maken.
SLUITREDE.
Na het H. Hart van Jezus moeten wij het H. Hart
-ocr page 264-
■— 2O0 —•
van Maria het meest eeren. — Wij moeten aan Maria\'s
liefde met wederliefde beantwoorden, den H. Joannes
navolgen.
---------=>..>---------
Zeventiende Preek.
Het H. Hart van Maria.
Ego mater pukhrae dilectionis.
Ik ben de moeder der schoone liefde.
(Ecclus xxiv, 24.)
VOORREDE.
Buiten het feest van het H. Hart van Jezus, B. B.,
viert onze Moeder de H. Kerk ook nog het feest van
het H. Hart van Maria. De godsvrucht of devotie tot
het H. Hart van Maria is zoo min eene nieuwigheid als
die tot het H. Hart van Jezus, en zonder gevaar van
zich te bedriegen, mag men zeggen, dat zij in zekeren
zin ook dagteekent van het begin der H. Kerk; doch in
den beginne ging zij door onder de algemeene godsvrucht
tot Maria: later heeft zij zich alom onder een bijzonderen
naam
en een bepaalden vorm uitgebreid.
Als bijzondere godsvrucht dus neemt de godsvrucht
tot het H. Hart van Maria een aanvang met die tot
het H. Hart van Jezus. En geen wonder. Hoe toch zou
men de Moeder van den Zoon, en bijzonder eene Moeder
als Maria van een Zoon als Jezus kunnen scheiden ?
Zoodra dus onze Moeder de H. Kerk op het einde der
zeventiende eeuw haren kinderen toestond het H. Hart
van Jezus op eene bijzondere wijze te vereeren, toen
-ocr page 265-
— 2ÓI —
kwamen de kinderen van Maria al spoedig op de gedachte,
om het H. Hart hunner goede Moeder ook eene bijzon-
dere eer te bewijzen.
Die twee devoties dus ontstonden en ontwikkelden zich
gelijktijdig; te zamen werden zij door de Oversten der
H. Kerk verzorgd en begunstigd. In Frankrijk vooral
werden er alom Congregatiën opgericht ter eere van het
onbevlekt Hart van Maria, en de Paus van Rome stelde
zich niet tevreden met die Congregatiën enkel goed te
keuren en aan te prijzen, doch hij verrijkte ze tevens
met geestelijke schatten, met talrijke aflaten.
De Fransche omwenteling, waardoor gansch Frankrijk
met puinen overdekt, als met bloed overstroomd en Europa
zoo verschrikkelijk geschokt werd, die omwenteling sloopte
ook de Congregatiën, ter eere van het H. Hart van Maria
opgericht, en bracht daardoor een gevoeligen slag toe
aan de godsvrucht zelve. Schier in vergetelheid geraakt,
zal de godsvrucht tot het H. Hart van Maria herleven,
zij zal bloeien, steeds meer en meer bloeien en de schoonste
vruchten van heiligheid voortbrengen. Tot dat einde koos
God, wiens inzichten ondoorgrondbaar zijn, een eenvou-
digen en ootmoedigen Priester, een Priester zonder buiten-
gewone talenten en aanzien. Die Priester was de Eerwaarde
Heer Dufriche Desgenettes, Pastoor van onze Lieve Vrouw
der Overwinningen te Parijs. Toen de Eerwaarde Heer
Dufriche Desgenettes pastoor van O. L. Vrouw-Kerk was,
leverde zijne parochie een akelig en bedroevend schouw-
spel op. Zijne parochianen, gansch in de tijdelijke aan-
gelegenheden verslonden en aan de vermaken der wereld
overgegeven, waren onverschillig geworden voor den gods-
dienst. Kerk, Mis, Sacramenten, alles schenen zij vergeten.
En terwijl die goede herder over den ellendigen toestand
zijner ongelukkige schapen nadenkt, ziet! daar valt hem
-ocr page 266-
2Ó2
eensklaps de gedachte in, zijne parochie toe te wijden
aan het allerheiligste en onbevlekte Hart van Maria. Hij
maakt de statuten op van een broederschap ter eere van
het H. Hart van Maria, en onderwerpt die aan de goed-
keuring van Zijne Doorl. Hoogw. Mgr Quélen, destijds
aartsbisschop van Parijs. Deze keurt den 16 December
1836 de statuten goed. De broederschap van het H. Hart
van Maria wordt verheven tot aartsbroederschap door
Zijne Heiligheid Gregorius XVI den 24 April 1837, met
machtiging om andere broederschappen op te nemen,
opgericht tot hetzelfde doel namelijk, om te bidden voor
de bekeering der zondaren. Alom richten zich honderden,
duizenden broederschappen op en sluiten zich aan bij de
aartsbroederschap te Parijs, zoodat met de broederschappen
zich tevens de godsvrucht tot het H. Hart van Maria de
gansche wereld door verspreidt en de schoonste vruchten
voortbrengt. Wijl wij vandaag het feest van het H. Hart
van Maria vieren, heb ik voorgenomen, u eenige oogen-
blikken over het H. Hart dier goede Moeder te onder-
houden. Wij zullen zien:
I. Welk het voorwerp is der devotie, waarvan hier
spraak is ;
II. De voornaamste beweegreden, waarom wij het
H. Hart van Maria moeten eeren.
I.
En wel vooreerst, welk is het voorwerp der devotie,
waarvan hier spraak is?
Om zulks wel te verstaan, B. B., zeggen wij eerst een
woordje over de waardigheid van Maria. Maria is het
volmaaktste der schepselen, zoodat zij niet alleen de
menschen, maar ook de Engelen in volmaaktheid te boven
-ocr page 267-
— 263 —
gaat. Zonder vlek ontvangen, kwam Maria ter wereld
bedeeld
met de kostbaarste gaven naar ziel en lichaam.
Vol van genade, heeft Maria de genade nooit door de
geringste fout verminderd, doch door hare deugden en
goede werken steeds vermeerderd. Daarna tot de grootste
waardigheid, tot die van Moeder van God verheven,
deelde Maria steeds met haren goddelijken Zoon in het
werk der verlossing, totdat zij door Jezus aan het kruis
aangesteld werd tot Moeder der menschen. Na nog eenige
jaren na den dood van haar goddelijken Zoon voor de
H. Kerk zorg gedragen te hebben, ontsliep Maria zacht
in den Heer en werd daarna met ziel en lichaam opge-
nomen ten hemel, waar zij thans, boven Engelen en
Heiligen verheven, zetelt bij Jezus, haar goddelijken Zoon.
Ziedaar de waardigheid van Maria, en \'t is in die waar-
digheid, dat de grond ligt van de godsvrucht tot het
H. Hart van Maria. Het voorwerp dier godsvrucht,
B. B., is tweevoudig in zijne eenheid: het stoffelijk en
het geestelijk voorwerp. Door het stoffelijk voorwerp,
en dat onder het bereik der zintuigen valt, moet verstaan
worden het eigenlijke H. Hart van Maria.
Het hart van den mensch, van welken ook, is reeds
een kunstgewrocht des Scheppers; het H. Hart van Maria
is het meesterstuk bij uitnemendheid van Gods oneindige
almacht, wijsheid en liefde. Dat meesterstuk — het H.
Hart van Maria — in zich beschouwd, is na het H. Hart
van Jezus het waardigste voorwerp onzer vereering. Zie-
hier eenige redenen.
Het H. Hart van Maria is het edelste deel van het
lichaam der Moeder Gods; dus van het heiligste, het
volmaaktste lichaam, dat ooit na dat van den Zoon Gods,
voor ons mensch geworden, gevormd is. Het is het
beginsel van het leven der Moeder Gods; dus van het
-ocr page 268-
264 —
heiligste, het volmaaktste aller levens na dat van den
Zoon Gods.
Het H. Hart van Maria is het edelste orgaan van de
gevoelens der ziel van Maria; dus van de heiligste, van
de volmaaktste der zielen na die van den Zoon Gods.
Het is gansch bijzonder het orgaan van Maria\'s over-
groote liefde tot God en de menschen; liefde, van welke
er na die van Jezus geen zuiverdere, geen vurigere, geen
brandendere liefde gevonden wordt; liefde, die de liefde
van alle Engelen en Heiligen overtreft.
Het H. Hart van Maria is na dat van Jezus het heiligdom
bij uitstek van God den H. Geest, die het op eene
bijzondere wijze door den overvloed zijner genaden
geheiligd heeft. Het is de bron van het bloed, waarvan
door de bijzondere werking van den H. Geest het lichaam
van den Zoon Gods gevormd is: dus van het bloed.dat
met den Zoon Gods zelfstandig is vereenigd; in een
woord, het H. Hart van Maria is het Hart van de Moeder
van God, en daarom is het na het H. Hart van Jezus
het waardigste voorwerp onzer vereering.
Door het geestelijk voorwerp, B. B., moet verstaan
worden de liefde van Maria; liefde, waarvan het hart het
zinnebeeld is; liefde, waarmede Maria niet alleen God,
maar ook de menschen bemind heeft en nog bemint;
liefde, waarvan zij ons de doorslaandste bewijzen gegeven
heeft vooral tijdens het lijden van haar goddelijken Zoon,
dien zij uit liefde tot ons aan God den hemelschen
Vader opgeofferd heeft.
Uit deze weinige regelen goed begrepen, blijkt dat
beide voorwerpen, het stoffelijk en het geestelijk voor-
werp, maar één voorwerp uitmaken, en dat wij het H.
Hart van Maria vereeren als zinnebeeld der liefde, en de
afgebeelde liefde in haar H. Hart. Terecht wordt dus
-ocr page 269-
«- 265 —
Maria genoemd de Moeder der schoone liefde: Mater
pulchrae dilectionis.
(1) Bijgevolg, onder welk oogpunt
men het voorwerp ook beschouwe, na het H. Hart van
Jezus is er niets uitstekender, niets kostbaarder, niets edeler,
niets heiliger dan het H, Hart van Maria, en bijgevolg
is er niets, dat meer onzen eerbied en onze liefde verdient;
\'t is het H. Hart van Jezus\' Moeder en onze Moeder,
die ons altoos zoo teeder bemind heeft en nog bemint;
\'t is Maria zelve, beschouwd in het edelste deel van haar
maagdelijk lichaam, in haar H. Hart en in de schoonste
eigenschap harer ziel, in hare liefde.
Veronderstelt eens een persoon, B. B., in het bezit
van eene reliquie van onze lieve Vrouw, bijv., van een
deeltje van een der kleederen, welke Maria tijdens haar
leven gedragen heeft; die persoon, in het bezit van der-
gelijke reliquie, zou zich gelukkig achten; met eerbied
zou hij ze in zijne handen nemen, met liefde aan zijne
lippen drukken en vereeren, en die persoon, B. B., heeft
gelijk. Waarom ? Die reliquie is onzen eerbied, onze liefde
waardig, omdat zij gedragen is geweest door Maria, de
Moeder van God. Doch ik vraag het, wat is die reliquie,
hoe eerbiedwaardig ook, in vergelijking van het H. Hart
van Maria ? Ziedaar dus, B. B , waarin het tweevoudig
voorwerp van de godsvrucht tot het H. Hart van Maria
bestaat, het stoffelijk en het geestelijk voorwerp; beide
maken om zoo te zeggen maar een voorwerp uit. Zien
wij nu in ons tweede deel de voornaamste beweegreden,
waarom wij het H. Hart van Maria moeten eeren.
II.
Welke is de voornaamste beweegreden, waarom wij
(1) Eccl. xxiv, 24.
-ocr page 270-
— 266 —
het H. Hart van Maria moeten eeren? De voornaamste
beweegreden, B. B., is de liefde van Maria, waarmede
zij God en de menschen bemind heeft.
Niemand voorzeker na Jezus den Zoon, heeft God en
de menschen meer bemind dan Maria zijne Moeder. Het
H. Hart van Maria brandde steeds van liefde tot den God
der oneindige liefde. Maria, zoo spreekt de H. Alphonsus,
heeft van af het begin van haar bestaan God meer bemind
dan alle Engelen en Heiligen te zamen; en wel verre
van ooit in hare liefde tot God te verflauwen of te ver-
minderen, nam zij gedurende twee en zeventig jaren, dus
gansch haar leven, in de liefde tot God toe. Doch \'t
is thans over de liefde van Maria tot de menschen, dat
wij moeten handelen.
De liefde van Maria tot de menschen vangt aan met
haar leven; zij is haar bijgebleven tot na haren dood.
Ja, B. B., Maria heeft ons bemind tijdens haar leven.
Gansch haar leven is eene reeks van liefdewerken voor
het menschdom geweest. Zoodra Maria het levenslicht
aanschouwde, zegt de H. Modestus, offerde zij zich reeds
op tot heil en verlossing der wereld. Ongeveer drie jaren
oud, en overgeplaatst in den tempel te Jeruzalem, was
het gebed een harer voornaamste bezigheden. En waarom
bad Maria in den tempel? Zij bad, onder anderen, om
de genade, ten einde haren evenmensch zoo volmaakt
mogelijk te beminnen. Bedroefd over den ellendigen toe-
stand van het menschdom, verzuchtte Maria aanhoudend
ten hemel en bad God, de komst van den Messias te
verhaasten, den lang gewenschte der volkeren te zenden,
die het menschdom verlossen zou. Het voorwerp van de
verzuchtingen der Aartsvaders was het voorwerp der
verzuchtingen van Maria in den tempel: O hemelen dauwt
van boven: Rorate coeli demper, en dat de wolken den
-ocr page 271-
— 267 —
Rechtvaardige regenen: et tiubespluant Justum: de aarde
opene zich: aperiatur terra, en dat zij den Zaligmaker
voortbrenge : et germinet Salvatorem. (1)
Welk een blijk van liefde tot ons gaf Maria niet op
het oogenblik, dat zij bij de boodschap des Engels toe-
stemde, de Moeder van God te worden! Maar Maria
werd toen toch tot de grootste waardigheid, tot de waar-
digheid van Moeder van God, verheven, zoudt gij kunnen
denken. En inderdaad, B. B., zoo is het. Doch Maria
wist ook aan welken prijs. Zij wist wat de Zoon Gods,
wiens Moeder zij ging worden, moest doen en lijden;
dat Hij den schande- en pijnlijksten dood, den dood des
kruises, moest sterven voor de zaligheid der menschen.
Door er dus in toe te stemmen, de Moeder van God te
worden, stemde zij er ook in toe, al de pijnen en smarten
met haar goddelijken Zoon te deelen. Ja, van dat oogen-
blik af aanvaardde Maria den lijdenskelk, om dien met
Jezus haar Zoon te drinken, en zulks uit liefde tot ons,
om ons mede te verlossen, gelijk Jezus uit liefde tot
ons om ons te verlossen, den lijdenskelk aanvaard en
gedronken heeft.
Welk eene droefheid en smart reeds voor Maria, het
goddelijk Kind te zien geboren worden te Bethleëm in
eenen stal!
Dan, met welke vlijt spoedde Maria zich eenige dagen
na de geboorte van Jezus met haar goddelijken Zoon op
de armen naar Jeruzalem, om Hem in den tempel den
hemelschen Vader op te offeren? Jezus biedt zich aan
als zoenoffer om voor onze zonden te voldoen, om ons
uit de slavernij des duivels en van den eeuwigen dood
te verlossen; later zal Hij het zoenoffer, hier op het altaar
(1) Isaias XLV, 8.
-ocr page 272-
— 268 —
des tempels aangeboden, op het altaar des kruises vol-
trekken, door er op te sterven uit liefde tot ons. En
Maria ? Zij voegt haar offer bij het offer van haren Zoon;
zij stemt er in toe, want van Maria als Moeder wordt
de toestemming vereischt: later zal zij opnieuw haar offer
vervoegen bij dat van haren Zoon, op den Calvarieberg
zal zij wederom toestemmen dat Jezus zich opoffere tot
zaligheid der menschen.
Intusschen, bij dit offer van haren Zoon wordt Maria
Jezus\' lijden aangekondigd; er wordt haar duidelijk gezegd
welk deel zij er in hebben zal. Deze — Jezus bedoe-
lende — zoo spak Simeon tot Maria, deze is tot val en
opstanding van velen in Israël gesteld; Hij zal der ver-
volging tot mikpunt strekken, en u zelve zal een zwaard
dwars door de ziel gaan: Et tuam ipsius animam per-
transibit gladius.
(i) Ziedaar het lijdenszwaard getrokken,
zwaard, dat Maria steeds voor den geest zal zweven, en
dat niet in de schede zal gestoken worden, alvorens
dwars door de ziel van Maria heen, de zijde van Jezus,
haar Zoon, getroffen en geopend te hebben. Immers,
Maria leed gansch haar leven; en werd haar lijden ook
bij tusschenpoozen door zekere omstandigheden verlicht,
\'t was niet zelden om plaats te maken voor een nieuw
en tevens pijnlijker lijden.
Wat leed Maria niet, zoodra zij vernam dat Herodes
haren Zoon Jezus naar het leven stond, en zij genoodzaakt
was de vlucht te nemen naar Egypte! Wat leed Maria
niet, toen zij haren Jezus, pas twaalf jaar oud, op hare
terugreis van Jeruzalem naar Nazareth verloren had en
onder weg overal zoo angstvol opzocht! Wat leed Maria
niet, telkens als zij haar beminden Zoon te Nazareth met
(i) Luc. n, 35.
-ocr page 273-
zijn voedstervader, of later alleen, zag werken, en als zij
dan dacht aan al de pijnen, die Jezus te lijden stond!
Wat leed Maria niet, als zij haren Zoon tijdens zijn open-
baar leeraarsambt door de ondankbare Joden zag miskend
en gelasterd, vervolgens met den dood bedreigd! Die
dood, de schande- en pijnlijke kruisdood van Jezus, naderde
dan ook met al te rassche schreden. Ja, het uur zou
weldra slaan, waarop Maria met haren Zoon aan den
lijdenskelk zou drinken, dien kelk met Hem tot den bodem
toe zou ledigen.
Maria heeft reeds vernomen dat haar Jezus door Judas
verraden, door de overige Apostelen verlaten, gevangen
genomen is. Zij weet reeds dat Hij door zijne vijanden
valsch beschuldigd en mishandeld, door den joodschen
raad ter dood veroordeeld is. Maria heeft reeds ver-
nomen dat haar Jezus aan Pontius Pilatus overgeleverd,
door den romeinschen landvoogd naar Herodes gezonden
is, en hoe die onkuische viervorst, na Jezus bespot en
beschimpt te hebben, Hem naar Pontius Pilatus terugge-
zonden heeft. Maria heeft, zoo niet lichamelijk, dan toch
in den geest, de verschrikkelijke folteringen, haar Zoon
aangedaan, de pijnlijke geeseling en kroning met doornen
bijgewoond. Maria heeft de kreten van voorkeur aan
Barabbas boven haar Zoon: Non hunc sedBarabbam: (i)
Niet dezen maar Barabbas; de moordkreten tegen Jezus:
Kruis Hem! Kruis Hem! Crncifige, crncifige Entn! (2)
hooren weergalmen. Ja, dat alles had Maria reeds ver-
nomen en gehoord, totdat zij eindelijk vernam dat Jezus
ter dood veroordeeld was, en dat men haar Zoon de
stad Jeruzalem uitleidde, om Hem op den Calvarieberg
den dood des kruises te doen sterven. Daarop brak
(1) Joan. xvin, 40. (2) Joan. xix, 6.
-ocr page 274-
■»■ $}Ó -*
Maria in Weeklachten los; doch den wil Gods gedachtig,
die vordert dat haar Zoon voor ons den kruisdood sterve,
staat zij vol moed op. En evenals eertijds de Aarts-
vader Abraham, voorzien van vuur en zwaard, met zijn
zoon Isaac den berg Moria beklom, om hem daar te
slachtofferen; zoo ook zal Maria, brandende van het vuur
der liefde en met het zwaard der droefheid in het hart,
den Golgotha beklimmen, om daar tot zaligheid der
menschen haren Zoon te slachtofferen. Volgen wij nog
eenige oogenblikken Maria op den kruisweg. Stellen wij
ons daarna met haar aan den voet des kruises; daar,
daar vooral schijnt de liefde van Maria voor ons uit;
daar zullen wij zien, hoe zij ons vol liefde tot hare kinderen
aanneemt.
Jezus uitgeput door vermoeienis en bloedverlies, door
honger en dorst, ging, onder zijn kruis gebogen, met
moeite vooruit. De doornenkroon omsluit zijn heilig hoofd;
zijn aangezicht is gansch misvormd; bloedige voetstappen
laat Hij na, waar Hij gegaan is; Hij is omgeven van
wreede beulen en romeinsche soldaten. Maria, die ver-
gezeld door eenige godvreezende vrouwen, genaderd was,
dringt door de beulen en soldaten heen en staat eens-
klaps voor haren Zoon. Jezus werpt een blik van mede-
lijden en liefde op zijne bedroefde Moeder. Maria werpt
tevens een blik van medelijden en liefde op haar mis-
maakten Zoon. Die wederzijdsche blikken, gelijk aan
twee scherpe pijlen, doorboren de H. Harten van Jezus
en Maria. Beiden, slachtoffers van liefde tot het mensch-
dom, kunnen van droefheid overstelpt, nauwelijks een
woord uitbrengen. Na elkander eenige oogenblikken aan-
schouwd te hebben, moeten Jezus en Maria van elkander
scheiden. Jezus moet opnieuw vooruit. Maria zal haren
Zoon volgen tot op de plaats, waar het offer moet vol-
-ocr page 275-
— ifl ■-
tooid worden. Met moeite en na herhaalde malen onder
het kruis bezweken te zijn, komt Jezus op den Calvarie-
berg aan. Men rukt Jezus de kleederen van zijn lichaam,
werpt hem op het kruishout neder en slaat zijne gezegende
handen en voeten met drie of vier nagels aan het kruis-
hout vast. Daarop richt men het kruis, met het goddelijk
slachtoffer beladen, in de hoogte. Maria en Joannes staan
aan den voet des kruises. Daar aan den voet des
kruises spreidt zich vooral Maria\'s liefde voor ons ten
toon; daar wordt zij aangesteld tot onze Moeder en
neemt zij ons tot hare kinderen aan. Jezus, verheven
aan het kruis, laat zijn oogen rondgaan en vestigt ze
eindelijk op Maria, die aan de eene zijde, en op Joannes,
die aan de andere zijde van het kruis staat. Tot Maria
spreekt Jezus de volgende woorden: Vrouw, ziedaar uwen
Zoon: Muiter ecce films tuus; en tot den leerling zegt
Hij: Ziedaar uwe Moeder: Ecce Mater tiia. (i) Jezus
spreekt als Verlosser, niet als Zoon van Maria. Hij spreekt
tot Maria niet als zijne Moeder, maar als mede ver losseres
en als Moeder der menschen. Joannes was de eerste en
tevens de plaatsbekleeder van allen, \'t Is dus alsof Jezus
zeide: Ziedaar uwen Zoon, dien gij in liefde en smarten
hebt voortgebracht; Gods kinderen zijn voortaan ook
uwe kinderen. En terwijl Jezus zoo sprak, Maria zijne
Moeder tot Moeder der menschen aanstelde, o, toen ont-
sloot zich zijn goddelijk Hart, dat van liefde tot ons
brandde. Jezus liet uit zijn goddelijk Hart eene liefde-
vlam nederdalen in het H. Hart van Maria. Die liefde-
vlam, afgekomen van het Kruis, ontstak haar Moederhart,
en terstond voelde zij het van liefde tot de menschen
branden. Uit liefde voor de menschen, tot wier Moeder
(i) Joan. xix, 27.
-ocr page 276-
zij aangesteld werd, en die zij tot hare kinderen aannam,
uit liefde voor de menschen, zeg ik, bracht Maria tot
hunne verlossing het kostbaarste, dat zij bezat, ten offer;
en hetgeen de Apostel Paulus van de liefde van Jezus
zegt, en bijgevolg van zijn H. Hart, namelijk, dat Hij
ons bemind en zich zelven voor ons overgeleverd heeft,
overgeleverd tot den dood, ja tot den dood des kruises;
hetzelfde mogen wij eenigermate van de liefde van Maria
zeggen, en bijgevolg ook van haar H. Hart, namelijk,
dat Maria ons bemind en haar eenigen Zoon voor ons
geofferd heeft op het altaar, ja op het altaar des kruises.
Dan, B. B., de vurige liefde, waarvan het H. Hart van
Maria hier op aarde voor ons brandde, is thans na haren
dood niet uitgedoofd; integendeel, die liefde heeft zelfs,
nu Maria in den hemel is, in vurigheid toegenomen, zoo-
dat zij steeds voor ons bezorgd is en niets zoo zeer ver-
langt dan ons gelukkig te maken en ons eenmaal bij
Haar op te nemen in den hemel.
SLUITREDE.
Ik geloof, B. B., genoeg gezegd te hebben over het
H. Hart van Maria, om uwe godsvrucht of devotie op
te wekken. Wij hebben gezien, welk het voorwerp dier
godsvrucht is; het stoffelijk voorwerp, het H. Hart van
Maria; het geestelijk voorwerp, de liefde van Maria,
waarvan het hart het zinnebeeld is.
De voornaamste beweegreden, waarom wij het H. Hart
van Maria, na dat van Jezus, haar goddelijken Zoon
moeten eeren is, de overgroote liefde, waarmede Maria
ons bemind heeft en nog bemint.
Van af het begin van haar leven heeft Maria zich
reeds opgeofferd tot welzijn der menschen; uit liefde tot
ons heeft zij opgeofferd het dierbaarste, dat zij bezat,
-ocr page 277-
■~- Vl ~
haar eenigen Zoon, Jezus-Christus. Zij is onze Moeder
geworden onder het kruis, en er is geene moeder, die
hare kinderen zoo oprecht, zoo vurig bemint, als Maria,
Jezus\' Moeder, ons hare kinderen bemint.
Aan die liefde van Maria nu moeten wij beantwoorden.
En hoe zullen wij er aan beantwoorden? Door Joannes,
den leerling van Jezus, na te volgen. Toen Jezus zijne
Moeder Maria Joannes aanbevolen had, zeggende: Ziedaar
uwe Moeder, gevoelde Joannes de liefde, welke hij Maria
reeds toedroeg, nog aangroeien; hij voelde zijn hart van
een onuitsprekelijke liefde tot Maria ontvlammen. Joannes
nam Maria terstond tot zijne Moeder aan: hij zal voor
Maria arbeiden en zorgen, al de dagen van haar leven;
als een oprecht kind, als eene trouwe zoon zal hij Jezus\'
Moeder, zijne Moeder geworden, eeren, beminnen en
dienen. Volgen wij Joannes, den eersten van Maria\'s
kinderen en ons aller vertegenwoordiger, na: eeren wij
Maria\'s H. Hart; beminnen en beminnen wij steeds meer
en meer die beminnelijke Moeder; dienen wij haar getrouw
al de dagen van ons leven; en evenals Joannes thans
in den hemel beloond wordt voor de eer, de liefde en
den dienst, Maria bewezen op aarde, zoo ook zullen wij
er eenmaal evenals hij voor beloond worden: ja, wij ook
zullen evenals Joannes het geluk hebben, Jezus en Maria
te mogen beminnen gedurende de eindelooze eeuwigheid
in den hemel. Amen.
<SÜÓBs»
18.
-ocr page 278-
Achttiende Preek.
De Geboorte van Maria.
Mitlti in nativitate ejus gaudebunt.
Velen zullen zich in hare geboorte ver-
heugen.
                                   (Luc. I, 14.)
INHOUD.
VOORREDE.
Maria\'s Geboorte moet plechtig gevierd worden, omdat
er mede verbonden is de verlossing der wereld. — Maria
gaat den Verlosser vooraf, evenals de dageraad de zon.
Woorden van onze Moeder de H. Kerk. — Wij moeten
ons verheugen op den Geboortedag van Maria en er tevens
eenige zedenlessen uit trekken.
VERDEELING.
I. God heeft Maria bij hare Geboorte eene bijzondere
gunst bewezen, waaraan zij ten volle beantwoord
heeft;
II. God heeft ons bij onze geboorte ook eene bijzon-
dere gunst bewezen; daaraan moeten wij ook
beantwoorden.
I.
Waarin bestaat de gunst, Maria bij hare Geboorte
-ocr page 279-
- a;$ ~
bewezen ? In geboren te zijn uit een adel- of" koninklijk
geslacht ? Neen. In geboren te zijn uit aanzienlijke of
rijke ouders ? Evenmin, maar in geboren te zijn in staat
van genade. — Maria moest in staat van genade geboren
worden, omdat zij ontvangen zou het Lam zonder Vlek,
omdat de Heilige der Heiligen uit haar zou geboren
worden. — Hoe heeft Maria aan die gunst beantwoord ?
Door de heiligmakende genade goed te bewaren en te
vermeerderen. — Door de heiligmakende genade goed te
bewaren. Voorzichtigheid van Maria: in haar derde jaar
reeds ontvluchtte zij de wereld en begaf zich naar den
tempel. — In haar veertiende jaar verliet Maria den
tempel en bleef even voorzichtig. — En toch, Maria had
niets te vreezen; noch van den duivel, noch van de
wereld, noch van het vleesch. — Door de heiligmakende
genade te vermeerderen. Deugden van Maria: haar
geloof, hare hoop en hare liefde: hare ootmoedigheid,
gehoorzaamheid, verduldigheid, zuiverheid, enz. — Goede
werken van Maria: hare gebeden, hare versterving en
hare bezigheden.
II.
Waarin bestaat de gunst, ons bij onze geboorte bewezen ?
Niet in zonder zonde geboren te zijn, maar in de genade
des H. Doopsels. — Hoe hebben wij aan die gunst
beantwoord? Wij hebben de heiligmakende genade, in
het H. Doopsel bekomen, wellicht verloren door onze
onvoorzichtigheid. — Hoe gedragen zich de ouders ten
opzichte van hunne kinderen? — Hoe gedragen wij ons?
— Wij vluchten de gevaren en gelegenheden van zonde
niet; en toch, wij hebben alles te vreezen van den duivel
die ons aanvalt, van de wereld die ons bekoort, van het
vleesch dat ten kwade geneigd is. — Wij hebben de
-ocr page 280-
— 2?6 —
heiligmakende genade, in het H. Doopsel bekomen, wel-
licht niet verweerderd, omdat wij Maria niet hebben
nagevolgd in hare deugden en goede werken.
SLUITREDE.
Maria is in staat van genade geboren, verheugen wij
ons op haren verjaardag. — Maria is altoos heilig geweest,
steeds heiliger geworden en thans verheven boven alle
Engelen en Heiligen in den hemel, wenschen wij Maria
geluk. — Vergeten wij niet onze toevlucht te nemen tot
Maria, omdat wij zwak zijn en aan vele gevaren bloot-
gesteld. — Bidden wij Maria om de heiligmakende genade
te bekomen, te bewaren en te vermeerderen, door haar
na te volgen in hare voorzichtigheid, in hare deugden
en goede werken, om eenmaal met haar beloond te
worden in den hemel.
Achttiende Preek.
De Geboorte van Maria.
Multi in nativitate ejus gaudebunt.
Velen zullen zich in hare geboorte ver-
heugen.
                            (Luc. i, 14.)
VOORREDE.
Niet zonder reden, B. B., schrijft onze Moeder de H.
Kerk voor, de Geboorte van Maria plechtig te vieren.
Ten allen tijde en in alle landen viert men plechtig zekere
-ocr page 281-
277 —
gebeurtenissen, die veel bijdragen tot het algemeen welzijn.
Vandaar dat men, bijv., zoo plechtig viert de geboorte
van een prins, van een koningszoon. Daarmede is niet
zelden verbonden het welzijn, het geluk van gansch een
volk, van gansch eene natie.
Doch welk eene gelukkigere gebeurtenis dan die van
de Geboorte van Maria? Daarmede is verbonden niet het
welzijn, het geluk van een volk, van écne natie, maar
van alle volkeren, van alle natiön te zamen. Immers, er
is mede verbonden de verlossing van gansch het mensch-
dom, wijl Maria bestemd was, de Moeder te worden van
den Verlosser der wereld. Maria\'s Geboorte is als de
dageraad geweest van ons geluk, wijl zij aangekondigd
heeft de Zon der gerechtigheid, Jezus-Christus. Vandaar
dat onze Moeder de H. Kerk op den feestdag van Maria\'s
Geboorte vol vreugde uitroept: Maria, de koningsdochter,
is glansrijk verschenen; juichen wij in blijmoedige geest-
drift; zingen wij Gode lof voor de gelukzalige Geboorte
der overheerlijke Moeder des Heeren. Ja, uwe Geboorte,
o Maagd, Moeder van God! heeft dé gansche wereld de
blijdschap verkondigd, want uit u is de Zon der gerech-
tigheid opgegaan, Christus onze God, die den vloek door
den zegen heeft vervangen, en die, door ons van den
dood te verlossen, ons het eeuwige leven geschonken
heeft. Wij moeten dus de Geboorte van Maria beschou-
wen als den dageraad, het beginsel van onze zaligheid;
en bijaldien wij ze zoo beschouwen, voorzeker, dan is
het niet mogelijk, of wij zullen er ons over verheugen.
Doch terwijl wij ons over Maria\'s Geboorte verheugen,
moeten wij niet nalaten er eenige zedenlessen uit te trekken
tot ons welzijn. Toe dat einde zullen wij de twee vol-
gende punten overwegen:
-ocr page 282-
— 278 —
I. God heeft Maria bij hare Geboorte eene bijzondere
gunst bewezen, waaraan zij ten volle beantwoord
heeft;
II. God heeft ons bij onze geboorte ook eene bijzon-
dere gunst bewezen; daaraan moeten wij ook be-
antwoorden. Breiden wij die twee punten een
weinig uit.
I.
God heeft Maria bij hare Geboorte eene bijzondere
gunst bewezen. En waarin bestaat die gunst? Bestaat
die gunst in geboren te zijn uit een adellijk, uit een
koninklijk geslacht? Neen, B. B., zoo iets kan bij de
wereldlingen in aanmerking komen, doch niet bij God.
God maakt geen onderscheid tusschen koning en onder-
daan, tusschen dienaar en meester; en zoo God gewild
heeft, dat Maria van koninklijken bloede was, \'t is om
de voorzegging van den Profeet te vervullen, die inhield,
dat de Moeder van zijn Zoon van de familie en uit het
huis van David zou zijn.
Bestaat die gunst soms in geboren te zijn uit een aan-
zienlijke en rijke familie? Evenmin, B. B. Daarop ziet
wederom de vvereldling doch God niet. Bij God is geen
verschil tusschen groot en klein, tusschen arm en rijk.
Ook waren Joachim en Anna, de ouders van Maria, geen
rijke menschen.
Waarin bestaat dan die bijzondere gunst? Die bijzondere
gunst bestaat in geboren te zijn in staat van genade.
Maria is geboren, niet in zonde, besmeurd met de erfsmet,
maar in staat van genade, in vriendschap met God. God
de Vader zag in Maria zijne toekomende Dochter; God
de Zoon zijne toekomende Moeder; God de H. Geest zijne
toekomende Bruid.
-ocr page 283-
— 279 ~
Overigens, het betaamde volstrekt niet, dat Maria, die
den Zoon Gods
ontvangen moest, ooit zelfs met de
kleinste vlek besmet ware geweest. Het betaamde niet,
dat de Heilige der Heiligen, Jezus-Christus, uit eene Moeder,
die niet altoos heilig ware geweest, zou geboren worden.
Ziedaar, waarin die bijzondere gunst bestaat.
En hoe heeft Maria aan die bijzondere gunst beant-
woord? Ha, B. B., Maria begreep zeer goed, dat het niet
genoeg is in genade geboren te zijn, maar dat zij die
genade zorgvuldig bewaren en met vlijt vermeerderen moest.
Vooreerst moest Maria die genade zorgvuldig bewaren,
en vandaar hare voorzichtigheid.
De ouders van Maria hadden beloofd, God het kind,
waarmede Hij hen zegenen zou, op te dragen en toe te
wijden. Zoolang Maria de zorgen van hare moeder noodig
had, bleef zij thuis; doch zoodra hij haar derde jaar was
ingetreden, genoegzaam in krachten had toegenomen en
de moederzorgen missen kon, toen waren Joachim en
Anna er op bedacht hunne belofte te vervullen. Vergezeld
door hunne dochter begaven zij zich van Nazareth naar
Jeruzalem, om Maria den Heer in den tempel op te
dragen. Doch niet alleen Joachim en Anna brachten hun
offer, d. i, hun kind; Maria voegde, haar offer er bij,
d. w. z., zij ook offerde zich den Heer op en wijdde
zich met ziel en lichaam onherroepelijk, aan Hem toe.
In den tempel onder het toezicht van godvreezende
vrouwen, had Maria niets voor hare onschuld te vreezen.
Daar verbleef zij tot haar veertiende jaar.
Te Nazareth teruggekeerd, leefde zij met haren zuiveren
bruidegom, den H. Jozeph, onbekend aan de wereld.
Wij lezen dat zij eens een bezoek bracht aan hare nicht
Elisabeth, en Maria ging toen, gelijk het Evangelie zegt,
met spoed over het gebergte. Uit gehoorzaamheid begeeft
-ocr page 284-
— 280 —
zij zich met den H. Jozeph naar Bethleöm. Daarna is
zij genoodzaakt met haar goddelijk kind te vluchten naar
Egypte.
Uit hun ballingschap teruggekeerd, vestigt zich de H.
Familie te Nazareth, waar zij een verborgen leven leidt.
Van tijd tot tijd begeeft zich Maria in gezelschap van
Jezus en Jozeph naar Jeruzalem, om God daar in den
tempel te gaan bidden. Voor het overige leeft Maria
gansch afgezonderd en verwijderd van de wereld.
Tijdens het openbaar leven van Jezus wordt er zelden
melding van Maria gemaakt. Eens vinden wij haar bij
hare bloedverwanten op de bruiloft van Cana in Galilöa,
waar zij Jezus verzocht, in de behoefte van wijn te
voorzien, ten einde- den bruidegom en de bruid uit hunne
verlegenheid te trekken. Maria vergezelt haar Zoon niet,
terwijl hij overal rondreist, wonderen verricht en door
het volk goed onthaald en geprezen wordt; dan alleen
komt zij te voorschijn, als Jezus, gevangen genomen,
ter dood veroordeeld, ter strafplaats wordt geleid om als
een misdadiger den schande- en pijnlijken dood des
kruises te sterven. Neen, dan schaamt die moeder zich
niet voor haren Zoon; zij gaat Hem tegemoet, zij ver-
gezelt Hem naar den Calvarieberg en stelt zich aan den
voet des kruises, totdat het werk der verlossing volbracht is.
Na den dood van haar goddelijken Zoon begeeft Maria
zich wederom in de eenzaamheid. Na de verrijzenis en
hemelvaart van Jezus bezoekt Maria van tijd tot tijd de
plaatsen, door haar Zoon geheiligd, en bij voorkeur de
plaatsen, waar Hij geleden heeft. Maria woont de gods-
dienst-vergaderingen bij, troost, moedigt de Apostelen
aan en staat hen bij met hare raadgevingen. Voor het
overige leeft Maria met den H. Joannes, aan wien Jezus
zijne Moeder had toevertrouwd, gescheiden van de wereld,
-ocr page 285-
— 28l —
zoodat hare onschuld volstrekt aan geene gevaren is bloot-
gesteld. Welk eene voorzichtigheid in de allerheiligste
Maagd Maria! te recht mogen wij haar allervoorzichtigste
Maagd noemen, (i)
En nochtans, Maria had niets te vreezen: noch van
den duivel, zij had hem den kop met haar vlekkeloozen
voet verpletterd; noch van de wereld, deze had niets
verleidends of verlokkelijks voor haar; noch van het
vleesch, haar onschuldig vleesch verzette zich niet tegen
den geest. En wat deed Maria niet, alhoewel zij niets
te vreezen had? Zij bad, zij was als verslonden in het
gebed; zij vluchtte de wereld, zij verstierf hare zintuigen
en kastijdde haar onschuldig lichaam. Ziedaar wat Maria
deed om hare onschuld, om de genade, waarin zij geboren
was, te bewaren. Doch dat is niet alles. Maria begreep
ook, dat zij die genade met vlijt moest vermeerderen.
De genade gelijkt aan het talent, waarvan het Evangelie
spreekt, en waarmede wij winst moeten doen. Immers,
die heilig, die rechtvaardig is, moet zich beijveren, door
het beoefenen der deugden heiliger en rechtvaardiger te
worden. Met moet door het verrichten van goede werken
zijne verdiensten steeds vermeerderen. In welke deugd
heeft Maria niet uitgeschenen ? Haar geloof was een
levend, een werkend geloof; hare hoop zonder vermetel-
heid, met een vast betrouwen; hare liefde eene vurige,
eene brandende liefde tot God en de menschen. Tot de
hoogste waardigheid verheven, scheen Maria uit in de
diepste ootmoedigheid; tot het een of ander gehouden,
in de stiptste gehoorzaamheid; haar geduld te midden
der hardste beproevingen was zonder voorbeeld; hare
zuiverheid zonder weerga. Hetgeen ik hier van eenige
(i) Virgo prudentissima. (Ut. Laur.)
-ocr page 286-
— 282 —
deugden van Maria zeg, B. B., moet van alle gezegd
worden. Maria bezat alle deugden in den volmaaktsten
graad en beoefende ze op de volmaaktste wijze, zoodat
zij steeds aangroeide in heiligheid en rechtvaardigheid,
zoodat zij altoos heiliger en rechtvaardiger werd.
En welk een kostbaren schat van verdiensten verga-
derde zich Maria niet door hare goede werken, door haar
gebed, hare versterving en hare overige bezigheden ? Een
lof- dank- en smeekgebed steeg schier aanhoudend uit
haar op tot God. Nog klein kind, loofde Maria reeds
den God der oneindige majesteit en heerlijkheid. Zij
dankte den God der oneindige goedheid voor de ontvangen
weldaden. Zij smeekte den God der oneindige barm-
hartigheid voor zich en de overige menschen.
Maria, alhoewel vrij van alle begeerlijkheid, leidde een
buitengewoon verstorven leven. Wat zal ik zeggen, roept
de H. Anselmus uit, van Maria\'s wondere matigheid!
Het vasten scheen haar natuurlijk. Wanneer zij eenig
voedsel moest nemen, dan nam zij nooit meer dan zij
noodig had tot haar onderhoud. Maria verrichtte hare
bezigheden met den grootsten ijver. Als Maagd in den
tempel was Maria vlijtig in het werk, zegt de H. Ambro-
sius, en daardoor zocht zij niet aan de menschen, maar
aan God te behagen. Als bruid en als Moeder verrichtte
zij hare bezigheden met niet minder nauwgezetheid. Zie-
daar, B. B., hoe Maria de genade, waarin zij geboren
is, met vlijt vermeerderd heeft, hoe zij door het beoefenen
der verhevenste deugden steeds heiliger is geworden, en
hoe zij door het verrichten van allerlei goede werken
zich een kostbaren schat van verdiensten vergaderd heeft,
waarvoor zij thans voor eeuwig beloond wordt in den
hemel. Wij hebben gezien in ons eerste deel de gunst,
Maria bij hare Geboorte bewezen, en hoe zij er ten volle
-ocr page 287-
— 283 —
aan beantwoord heeft. Zien wij nu in ons tweede deel
de gunst, ons bij onze geboorte bewezen, en hoe wij er
aan beantwoorden.
II.
Waarin bestaat de gunst, die God ons bewezen heelt
bij onze geboorte? Bestaat zij in geboren te zijn instaat
van genade, evenals Maria ? Neen, B. B. Wij zijn geboren
in zonde, besmeurd met de erfsmet, in staat van ongenade.
God zag in ons kinderen zijner gramschap.
Waarin bestaat dan die bijzondere gunst ? Zij bestaat
in de genade des H. Doopsels. God heeft met alle men-
schen niet gehandeld, gelijk Hij met ons gehandeld heeft.
Terwijl er honderden, duizenden in staat van erfzonde ter
wereld komen, zonder er ooit van gezuiverd te worden;
terwijl zij immer kinderen van Gods gramschap blijven,
God, in zijn oneindige goedheid jegens ons heeft ons
lonmiddellijk na onze geboorte van de erfzonde gezuiverd
n het H. Doopsel; Hij heeft ons terstond tot zijne kin-
deren aangenomen. Ziedaar waarin die bijzondere gunst
bestaat.
En hoe hebben wij aan die gunst beantwoord? Wij
weten zoo goed als Maria, dat wij de genade des H.
Doopsels zorgvuldig moeten bewaren. Hebben wij ze ook
bewaard? Zijn wij naar het voorbeeld van Maria ook
voorzichtig geweest?
En vooreerst, wat hebben onze ouders met ons gedaan?
Wat doen thans nog zoovele ouders met hunne kinderen ?
Volgen zij Joachim en Anna na? Offeren zij hunne kin-
deren aan God op? Vertrouwen zij ze toe aan brave,
godvreezende personen? Voorzeker, men vindt ouders,
die zich met nauwgezetheid van hunne plichten kwijten;
doch men vindt er ook, die hunne plichten verwaarloozen
-ocr page 288-
284 —
en voor hunne kinderen niet zorgen; die hunne kleine
kinderen, terwijl zij nog gansch onschuldig zijn, toever-
trouwen aan kindermeiden, aan dienstboden, die gansch
bedorven zijn, en die de kinderen, haar toevertrouwd,
ook gansch bederven. De ouders moeten dus zorgen,
hunne onschuldige kinderen toe te vertrouwen aan kin-
dermeiden en dienstboden, die braaf en deugdzaam zijn.
Zoodra de kinderen tot de jaren van verstand gekomen
zijn en nog t\'huis bij hunne ouders verblijven, welken
geest prenten dan de ouders dikwijls hunne kinderen in ?
Spreken zij hunnen kinderen over God, over Maria, de
Moeder van God, om beiden te beminnen? Leeren zij
hunne kinderen bidden? Leeren zij hen den Catechismus,
de geboden van God en de H. Kerk, om ze te onder-
houden? Men vindt ouders, die in plaats van hunnen
kinderen van jongs af aan een goeden geest in te prenten,
hun een slechten geest inprenten, den geest der bedorven
wereld; ouders, die hunnen kinderen spreken van de
wereld, in plaats van hun te spreken van God ; die hunne
kinderen zaken leeren, gansch in strijd met de Christelijke
leering of den Catechismus.
En wat doen de ouders, die de middelen hebben en
voornemens zijn hunne kinderen naar eene kostschool of
een college te zenden? Onderzoeken zij naar den geest
van de kostschool of van het college? En terwijl zij
bezorgd zijn om hunne kinderen in de wetenschappen te
doen onderwijzen, zorgen zij ook dat zij in den gods-
dienst onderwezen, in de deugd geoefend worden? Hoe-
veel ouders blijven in dit punt aan hunne heiligste plichten
te kort, zenden hunne kinderen naar slechte kostscholen
of college\'s, waarin zij ongodsdienstig en zedeloos worden.
Joachim en Anna, de ouders van Maria, geven hier den
ouders een schoon voorbeeld. Doch gaan wij verder.
-ocr page 289-
- 28S -
Wat doen wij zelven, om onze onschuld en de heilig-
makende genade te bewaren ? Hoe dikwijls, helaas! gebeurt
het niet, dat de onschuld van den mensch niet langer
duurt dan zijne kinder-onwetendheid. Nauwelijks is hij
tot de jaren van verstand gekomen, of hij maakt zich
reeds plichtig aan groote zonden; hij verliest de heilig-
makende genade, die hij in het H. Doopsel ontvangen
had. Anderen, na de heiligmakende genade door een
oprechte bekeering terug bekomen te hebben, verliezen
ze opnieuw. En wat mag wel de oorzaak zijn van het
verlies der onschuld, der heiligmakende genade? De
onvoorzichtigheid. Maria was zoo voorzichtig; wij zijn
onvoorzichtig. Maria vluchtte zoo zorgvuldig de gevaren
en gelegenheden van zonde; wij vluchten ze niet; inte-
gendeel, wij stellen er ons aan bloot, wij zoeken ze op,
wij beminnen de gevaren en gelegenheden van zonde.
En wat zegt de H. Geest, de Geest der waarheid? Qui
amat periculum, in Ulo peribit,
(i) zegt Hij: Die het
gevaar bemint, zal er in vergaan. Velen, vooral onder
de jeugd, wonen gevaarlijke feesten bij, zooals de ker-
missen ; anderen zoeken gevaarlijke bijeenkomsten, zooals
de ontijdige verkeeringen; dezen bezoeken gevaarlijke
plaatsen, zooals de herbergen, waarin alles toegelaten
wordt; genen gaan om met slechte personen, zooals de
vloekers en vuilsprekers. En men zou zijn onschuld, de
heiligmakende genade willen bewaren?
Maria had niets te vreezen, wij daarentegen hebben
alles te vreezen. Wij hebben alles te vreezen van den
duivel, die ons reeds onder zijne klauwen had alvorens
gedoopt te zijn, en die, sedert wij er aan ontsnapt zijn
door het H. Doopsel, immer zijn best doen om ons
(i) Eccl. lil, 27.
-ocr page 290-
— 286 —
opnieuw onder zijne klauwen te krijgen; want, gelijk de
Apostel Paulus zegt, de duivel loopt aanhoudend rond als
een brieschende leeuw, zoekende wien hij kan verslinden.
Wij hebben alles te vreezen van de wereld, waarin
men niets vindt dan begeerlijkheid des vleesches, begeer-
lijkheid der oogen en hoovaardij des levens; van de
wereld met hare verlokking en verleiding, met hare god-
deloos- en zedeloosheid, met hare vermaken en pleizieren,
op allerlei wijze voorgesteld en aangeprezen.
Wij hebben alles te vreezen van het vleesch, dat zich
tegen den geest verzet. En ziet, Maria, gelijk wij gezien
hebben, bad, en wij bidden niet. Maria vluchtte de
wereld, en wij vluchten ze niet. Maria leidde een ver-
storven leven, en wij versterven ons niet. Ziedaar, B. B.,
de reden, waarom bij menigeen de onschuld zijns doopsels,
de heiligmakende genade verloren gaat.
Doch gesteld, dat wij thans nog in staat van genade
zijn. \'t Is niet genoeg die genade te bewaren, wij moeten
ze ook vermeerderen. Zoo als wij vroeger gezegd hebben,
is die genade gelijk aan het talent des Evangelie\'s en
daarmede moeten wij ook winst doen. Naar het voor-
beeld van Maria moeten wij ons best doen om steeds
heiliger te worden en al meer en meer verdiensten te
vergaderen voor den hemel. Daarom moeten wij ons
steeds toeleggen op de beoefening der deugd, \'t Is, bijv.,
niet genoeg, te gelooven, de goddelijke deugd des geloofs
niet te verliezen door ongeloovigheid; ons geloof moet
een levend geloof zijn, vereenigd met de liefde; wij moeten
doen wat het geloof ons voorschrijft, want het geloof
zonder de werken is een dood geloof, \'t Is niet genoeg, te
hopen, de goddelijke deugd der hoop niet te verliezen
door de wanhoop; wij moeten ons ook wachten voor de
vermetelheid en wel overtuigd zijn, dat wij zonder de
-ocr page 291-
■*- ïèf ~
goede werken den hemel niet kunnen verdienen, \'t is
niet genoeg, God te beminnen en de goddelijke deugd
der liefde niet te verliezen door de doodzonde, welke
dan ook, want door elke doodzonde gaat de liefde ver-
loren; wij moeten ons ook beijveren om altoos in de
liefde tot God en onzen evennaaste aan te groeien.
Wij moeten Maria navolgen in de ootmoedigheid. En
wat al redenen hebben wij niet om ons te verootmoe-
digen? In zonde ontvangen, zijn wij in zonde geboren. Van
de zonde gezuiverd en in staat van genade, hebben wij
er ons maar al te spoedig wederom aan plichtig gemaakt
en de heiligmakende genade verloren. Zwak van ons
zelven, kunnen wij zonder de genade van God in het
goede niet volharden, en onze werken kunnen niet dienstig
zijn ter zaligheid. Verootmoedigen wij ons dus voor God,
want \'t is den ootmoedigen, dat God zijne genade geeft.
Zijn wij dus wezenlijk ootmoedig, en denken wij niet in
onze hoovaardigheid dat wij iets zijn, daar wij niets zijn;
verheffen wij ons niet boven onzen evenmensen en beje-
genen wij hem niet met trotschheid, daar wij dikwijls
ver beneden hem staan.
Wij moeten Maria navolgen in de gehoorzaamheid.
Wij moeten gehoorzamen, niet alleen aan God door zijne
geboden te onderhouden, maar ook aan onze oversten,
vooral aan onze geestelijke oversten, door de geboden
der H. Kerk te onderhouden, door ons te onderwerpen
aan de voorschriften en door te luisteren naar de ver-
maningen van Paus, Bisschop en Priester. Hoe gedragen
wij ons in dit punt? En gebeurt het helaas! maar niet
al te dikwijls in onze droevige tijden, waarin de geest
van vrijheid en onafhankelijkheid gepredikt en aange-
prezen wordt, dat men zich niet alleen niet stoort aan
-ocr page 292-
— 2«g —
de geboden en vermaningen zijner oversten, maar dat
men er zicli openlijk tegen verzet?
Wij moeten Maria navolgen in het geduld. Wel verre
dus van in het lijden, de kruisen en wederwaardigheden
tegen God te morren of op te staan, hetgeen soms
gebeurt, en waardoor men zich dubbel ongelukkig maakt,
moet men zich met overgeving aan den wil van God
onderwerpen en met geduld het lijden, de kruisen en
wederwaardigheden dragen.
Wij moeten Maria navolgen in de kuischheid, eenieder
in en volgens zijnen staat. Wij moeten kuisch zijn naar
ziel en lichaam; kuisch in onze gedachten en begeerten,
kuisch in onze woorden en werken. En hoevele personen,
vooral onder de jeugd, geven zich niet over aan de tegen-
strijdige ondeugd en bedrijven de schandelijkste zonden
van onkuischheid. Hetzelfde moet gezegd worden van
de andere deugden; in alle moeten wij Maria navolgen.
Naar het voorbeeld van Maria moeten wij ons een
kostbaren schat van verdiensten vergaderen door onze
goede werken: door ons gebed, onze versterving en de
bezigheden van ons beroep. Ja, B. B., wij ook moeten
God loven, alle schepselen moeten hunnen Schepper loven.
Wij ook moeten God bedanken voor de van Hem ont-
vangen genaden en weldaden. Wij ook moeten God
smeeken zoo goed te zijn, ons altoos en in alles bij te
staan. Bidden wij ook? Bidden wij \'s morgens en \'s avonds,
vóór en na het eten ? Gaan wij naar de kerk om God
te bidden? De kerk is het huis van God en een huis
des gebeds. En gesteld zelfs dat wij bidden, hoedanig
is maar al te dikwijls ons gebed? Bidden wij met eer-
biedigheid, aandachtigheid en volharding? Of liever,
gedragen wij ons niet dikwijls tijdens het gebed, tot
zells hier in de kerk, onder het oog van Jezus-ChristU9
-ocr page 293-
— 289 —
in het allerheiligste Sacrament des Altaars op eene wijze,
die alles verdient, behalve goedgekeurd en geprezen te
worden ?
Wij moeten ons versterven; wij moeten de vastendagen
en onthoudingsdagen onderhouden, zoo wij om wettige
reden niet ontslagen zijn. Door de werken van versterving
moeten wij ons vleesch, dat zich tegen den geest verzet,
in bedwang houden en aan den geest onderwerpen; door
de werken van boetvaardigheid moeten wij onze zonden
uitboeten, willen wij niet verloren gaan. Welnu, hoevelen
treft men er in onze droevige tijden al wederom niet aan,
die zich niet meer storen aan de wetten der H. Kerk
aangaande het vasten en de onthouding; en die in plaats
van zich te versterven en boetvaardigheid te doen, zich
overgeven aan buitensporigheid en zich grootelij ks plichtig
maken aan de zonde van overdaad in spijs en drank?
Wij moeten de bezigheden van ons beroep goed ver-
richten, en bijgevolg moeten wij zorgen in staat van
genade te zijn en onze werken aan God op te dragen.
Wij moeten den korten en kostbaren tijd, dien God ons
geeft om aan het werk onzer zaligheid te besteden, niet
in lui- en ledigheid laten voorbijgaan, niet in beuzelarij
verkwisten. Welnu, B. B., vindt men er al wederom
niet velen, die zich gedragen alsof zij niets te doen hadden,
die hunne bezigheden slecht verrichten. Al die personen,
in plaats van met hunne werken een schoonen schat van
verdiensten te vergaderen en hiernamaals beloond te
worden, verdienen niets, en zullen daarenboven om hunne
zonden nog streng gestraft worden.
SLUITREDE.
God, B. B., heeft Maria bij hare Geboorte eene bijzon*
dere gunst bewezen, en die gunst, gelijk
wij gezien hebben,
19.
-ocr page 294-
igó —
bestaat in geboren te zijn in staat van genade. En wijl
wij vandaag de verjaring vieren van de Geboorte van
Maria, daarom mogen wij ons terecht verheugen op dien
schoonen dag.
Maria heeft aan die bijzondere gunst ten volle beant-
woord. Zij heeft de heiligmakende genade altoos zorg-
vuldig bewaard; en alhoewel zij geen gevaar liep, ze te
verliezen, daar zij niets te vreezen had, noch van den
duivel, noch van de wereld, noch van het vleesch, Maria
was toch zeer voorzichtig, zij vluchtte met de uiterste
zorg alles wat haar maar eenigszins aan het gevaar kon
blootstellen, de heiligmakende genade te verliezen.
Maria was niet tevreden, de heiligmakende genade te
bewaren, zij deed steeds haar best om ze te vermeerderen.
Door het beoefenen van alle deugden en het verrichten
van allerlei goede werken werd Maria steeds heiliger,
bereikte zij een trap van heiligheid, die door geen mensch,
zelfs door geen Engel kan bereikt worden. Zij verga-
derde zich een schat van verdiensten, waarvoor zij, boven
alle Engelen en Heiligen verheven, thans door God
beloond wordt in den hemel.
Vandaag op haren Geboortedag wenschen wij Maria
tevens geluk met hare heiligheid en verhevenheid. Doch
terwijl wij ons verheugen en Maria geluk wenschen,
vergeten wij niet ook tot haar onze toevlucht te nemen.
Wij zijn niet geboren in staat van genade, doch God
in zijn oneindige goedheid heeft ons onmiddellijk na
onze geboorte van de erfzonde gezuiverd en de heilig-
makende genade geschonken. Die heiligmakende genade
moeten wij ook bewaren, wij moeten ze ook vermeerderen,
wij moeten altoos heilig zijn en steeds trachten heiliger
te worden. Doch helaas! hoe dikwijls is het- niet gebeurd,
dat wij de heiligmakende genade door de zonde verloren
-ocr page 295-
— igl -<■
hebben en zondaren zijn geworden; dat wij door steeds
meer en meer zonden te bedrijven ook grootere en
grootere zondaren zijn geworden. Wat al heeft de onder-
vinding niet geleerd, en wat hebben wij niet te vreezen?
De droevige ondervinding heeft geleerd dat wij zwakke
schepselen zijn. Wij worden door machtige vijanden
aangevallen, door den duivel, de wereld en het vleesch.
Wij hebben dus te vreezen, onder de aanvallen dier
vijanden te bezwijken. Daarom, B. B., nemen wij onder
anderen onze toevlucht tot Maria. Bidden wij die goede
Moeder dat zij voor ons ten beste spreke, dat wij de
heiligmakende genade, in geval wij ze zouden verloren heb-
ben, zoo spoedig mogelijk terugbekomen, dat wij die genade
zorgvuldig bewaren; en bijgevolg, dat wij voorzichtig
zijn, de gevaren en gelegenheden van zonde nauwkeurig
vluchten; dat wij in die genade altoos toenemen, dat
wij steeds heiliger worden, door Maria na te volgen in
hare deugden, en dat wij ons ook een kostbaren schat
van verdiensten mogen vergaderen, door Maria na te
volgen in hare goede werken, om eenmaal het geluk te
hebben bij Maria te komen in den hemel, en daar met
Haar beloond te worden in eeuwigheid. Amen.
——«^=^-n
-ocr page 296-
j^egetitiende Preek.
De H. Naam van Maria.
Et nomen virginis Maria.
De naam der Maagd was Maria.
(Luc. I, 27.)
INHOUD.
VOORREDE.
De naamfeesten van Jezus en Maria alleen worden
gevierd. — Beide zijn groote namen, den Zoon en de
Moeder gegeven, om hunne diepe ootmoedigheid. — Alle
knieën moeten gebogen worden in die namen. — Beide
zijn honig voor den mond, eene melodie voor het oor en
een jubel voor het hart. — Beide zijn gelijk aan de olie.
— Vroeger werden de jonge dochters niet Maria genoemd,
thans bij voorkeur en te recht. — Wij moeten eerbied
hebben voor den naam van Maria en hem met betrouwen
aanroepen.
VERDEELING.
I. Verhevenheid van den naam van Maria;
II. Beteekenis van den naam van Maria.
-
I.
Verhevenheid van den naam van Maria om zijnen oor*
-ocr page 297-
293 —
sprong en zijne macht. — Om zijnen oorsprong. Evenals
de naam van Jezus, is de naam van Maria door een
Engel bekend gemaakt. — Om zijne macht. Evenals
door het aanroepen van den naam van Jezus, zijn door
het aanroepen van den naam van Maria wonderen ge-
schied. — Daardoor wil God Maria eeren. — Onze gebeden,
gesteund door de voorspraak van Maria, zijn veel krach-
tiger. — De naam van Maria is vooral machtig tegen
den duivel. — Hij is ook machtig in andere gevallen en
tegen andere kwalen.
II.
Beteekenis van den naam van Maria: Koningin en
Meesteresse. — Jezus is Koning, Maria Koningin; Jezus
is Meester, Maria Meesteresse. — Zee of Oceaan van
bitterheden. — Na Jezus heeft Maria de meeste smarten
geleden. — Zee of Oceaan van liefde. — Na Jezus heeft
Maria God en de menschen het meest bemind. — Ster
der zee. — Ster om hare maagdelijke zuiverheid en haar
goddelijk moederschap. — Ster der zee om hare ver-
diensten en deugden.
SLUITREDE.
Wij moeten den naam van Maria met eerbied en be-
trouwen aanroepen in de gevaren naar ziel en lichaam,
bijzonder naar de ziel, in de bekoringen, tijdens ons
leven en vooral in het uur van onzen dood.
-ocr page 298-
— 294 —
Negentiende Preek.
De H. Naam van Maria.
Et nomen Virginis Maria.
De naam der Maagd was Maria.
(Luc. I, 27.)
VOORREDE.
Buiten de naamfeesten van Jezus, onzen goddelijken
Zaligmaker, en van Maria, zijne Moeder, viert onze Moeder
de H. Kerk geen enkel naamfeest harer Heiligen. Die
twee namen zijn eigenlijk en in den strengen zin des
woords groote namen. Beide komen van God; zij zijn
onzen goddelijken Zaligmaker en zijne Moeder gegeven
om hunne diepe ootmoedigheid. Onze goddelijke Zalig-
maker heeft . zich vernederd, zegt de Apostel Paulus;
Hij is gehoorzaam geweest tot aan den dood, ja, tot aan
den dood des kruises. Daarom heeft God Hem verheven,
en Hij heeft Hem een naam gegeven boven alle namen,
en in den naam van Jezus zullen alle knieën gebogen
worden van hen, die in den hemel, op de aarde en in
de hel zijn. Hetzelfde mag eenigermate van de Moeder
van Jezus gezegd worden. De Moeder van Jezus heeft
zich na haar goddelijken Zoon het diepste vernederd. Tot
de grootste waardigheid, tot de waardigheid van Moeder
van God verheven, noemt zij zich de dienstmaagd des
Heeren. Daarom heeft God Maria ook verheven; Hij
heeft haar een naam gegeven, na den naam van Jezus
boven alle namen en in den naam van Maria moeten
ook alle knieën gebogen worden, zeggen de H. Vaders:
die der hemelingen, stervelingen en verdoemden. Het-
-ocr page 299-
295 —
geen de H. Vaders van den naam van Jezus zeggen, zeggen
zij ook van den naam van Maria. Evenals de naam
van Jezus, is de naam van Maria honing voor den
mond, eene melodie voor het oor en een jubel voor het
hart. Evenals de naam van Jezus is de naam van Maria
gelijk aan de olie; en vandaar dat hij ook verlicht, voedt
en geneest. Na den naam van Jezus is de naam van
Maria al onzen eerbied waardig. Geruimen tijd is het in
meer dan één land den jongedochters verboden geweest,
den naam van Maria te dragen. Waarom? Uit eerbied
voor dien naam. En bijaldien men thans den jonge-
dochters bij voorkeur en te recht, den naam van Maria
geeft; het verbod van vroeger tijden leert ons onder
anderen, welken eerbied wij voor den naam van Maria
moeten hebben.
Doch wij moeten niet alleen eerbied voor dien naam
hebben, wij moeten ook ons betrouwen op hem stellen.
Om u aan te sporen, B. B., om den naam van Maria
altoos met eerbied uit te spreken en met betrouwen aan
te roepen, bijzonder in de gevaren naar ziel en lichaam,
daarom zullen wij van vandaag ter gelegenheid van
Maria\'s naamfeest te zamen overwegen:
I. De verhevenheid van den naam van Maria,
II. De beteekenis van den naam van Maria.
I.
De naam van Maria is na dèn naam van Jezus een
naam boven alle namen, omdat hij van hemelschen
oorsprong en de machtigste aller namen is.
De naam van Maria, B. B., is vooreerst van hemel-
schen oorsprong. Evenals de naam van Jezus, is de
naam van Maria uit den hemel gekomen.
-ocr page 300-
— 296
De Engel Gabriël, toen hij Maria boodschapte dat zij
verkozen was, de Moeder van God te worden, zeide haar,
dat zij het kind, hetwelk zij ontvangen en baren zou,
Jezus moest noemen. Hetzelfde zeide de Engel tot Jozeph,
toen deze voornemens was, Maria zijne bruid te verlaten.
Vrees niet, sprak de Engel tot Jozeph, Maria uwe bruid
bij ü te nemen, want wat in haar geboren is, is van den
H. Geest; zij zal een Zoon baren, en gij zult zijn naam
Jezus noemen.
Joachim en Anna, de ouders van de allerheiligste
Maagd Maria, hadden den Heer geruimen tijd en vurig
om hun erfkind gebeden. Eindelijk verhoorde God hun
gebed. Een Engel uit den hemel verscheen Joachim in
het gebergte. Joachim verschrikte op het gezicht van
van den Eugel. Vrees niet, sprak de Engel tot hem,
want ik ben door God gezonden, om u eene blijde tijding
te brengen; uwe gebeden zijn verhoord, en uwe goede
werken zijn gunstig ontvangen. Anna, uw echtgenoote.
zal eene dochter baren, en gij zult haar naam Maria
noemen. Van af het eerste oogenblik van haar bestaan
zal zij van den H. Geest vervuld zijn; en tot bewijs
der waarheid van hetgeen ik u zeg, diene het volgende:
Zoodra gij te Jeruzalem wedergekeerd, de gouden poort
des tempels zult binnentreden, zult gij uw echtgenoote
ontmoeten: en de Engel, na aldus tot Joachim gesproken
te hebben, verdween uit de oogen van den gelukkigen
grijsaard.
Een weinig daarna verscheen dezelfde Engel ook aan
Anna. Vrees niet, sprak hij tot Anna, want ik ben de
Engel, die reeds overlang uwe gebeden en goede werken
aan God opdraag, en nu ben ik gezonden om u te
verzekeren, dat gij eene dochter zult baren, die Maria
moet genoemd worden; zij zal gezegend zijn boven al
-ocr page 301-
— 297 —
de vrouwen der wereld. En tot bewijs van hetgeen ik
zeg: Sta op en spoed u naar Jeruzalem. Zoodra gij daar
aan de gouden poort komt, zal u terstond uw echtgenoot
tegemoet komen. Beiden, Joachim en Anna, hechtten
geloof aan de woorden des Engels; zij stonden op, ver-
lieten wederzijds de plaats, waar zij zich bevonden, en
ontmoetten elkander bij de aangeduide poort des tempels.
Verblijd gingen zij den tempel binnen om God te bedanken
en keerden daarna naar huis terug, (i) Ziedaar den oor-
sprong van den naam van Maria. Hij komt, gelijk gij
ziet, evenals de naam van Jezus uit den hemel. Doch
niet alleen om zijn oorsprong, ook om zijne macht is de
naam van Maria na dien van Jezus een naam boven alle
namen.
Aan de macht van den naam van Jezus valt niet te
twijfelen, wijl bij het uitspreken van dien naam de grootste
wonderen gebeuren. Aan de poort des tempels te Jeru-
zalem zit een lamgeborene te bedelen; hij vraagt de
Apostelen Petrus en Joannes een aalmoes. Petrus, hem
beziende, zeide: Zie ons aan. De lamgeborene, meenende
een aalmoes te krijgen, zag hen aan. Daarop sprak
Petrus: Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb
geef ik u: In den naam van Jezus-Christus van Nazareth,
sta op en wandel, en op het uitspreken van den naam
van Jezus stond de lamgeborene op en wandelde.
Volgt nu na den naam van Jezus niet onmiddellijk de
naam van Maria? Hij is na den naam van Jezus de
machtigste der namen. Door den naam van Maria aan
te roepen, bekomt men soms spoediger hulp, zegt de
H. Anselmus, dan door den naam van Jezus aan te roe-
pen; niet, zoo voegt dezelfde Heilige er onmiddellijk bij,
(i) S. Hieronymus,
-ocr page 302-
— 298 —
dat Maria machtiger is, want alle macht komt van Jezus;
maar wijl de Zoon daardoor zijne Moeder wil eeren;
daarenboven, zoo onze gebeden gesteund worden door
de voorspraak van Maria, zullen zij bij God veel meer
vermogen, dan indien zij Hem rechtstreeks toegestuurd
worden.
De naam van Maria is dus een machtige naam, en
hij maakt machtig al degenen, die hem aanroepen. Door
den naam van Maria met eerbiedigheid en betrouwen
aan te roepen, drijft men den duivel op de vlucht; men
weerstaat aan zijn aanvallen; men ontsnapt aan zijne
strikken; men verijdelt zijne pogingen; men vermijdt
zijne hinderlagen. Bij het aanroepen van den naam van
Maria, die verschrikkelijk is gelijk een leger in slagorde
geschaard, verlaat de duivel de ziel, die hij aanviel, en
de bekoringen verdwijnen gelijk de rook voor den wind.
De naam van Maria is als eene lans naar den duivel
geworpen, waarmede hij als doorboord wordt. Op die
wijze, B. B., wordt immer het woord van God tegen het
helsche serpent bewaarheid, namelijk, toen God tot den
duivel, nadat deze Adam en Eva bedrogen had, zeide:
Zij, d. i. Maria, zal u den kop verpletteren; Ipsa conteret
captit tuutn.
(i)
Doch niet alleen in de bekoringen en tegen den duivel,
maar ook in andere gevallen en tegen andere kwalen is
de naam van Maria een machtige naam. De naam van
Maria, zoo drukt zich een godvruchtig schrijver uit, ver-
kwikt de vermoeiden, geneest de zieken, verlicht de
blinden, vermurwt de versteenden en versterkt de ster-
venden op weg naar de eeuwigheid.
Ziedaar, B.B., genoeg over de verhevenheid van den naam
(i) Gon. Hl, 15.
-ocr page 303-
— 299 —
van Maria. Na den naam van Jezus is hij een naam boven
alle namen; vooreerst, om zijnen hemelschen oorsprong;
vervolgens, om zijne buitengewone macht. Zeggen wij
nu nog een woordje over de beteekenis van den naam
van Maria.
II.
De naam van Maria heeft verschillende beteekenissen.
Hij beteekent onder anderen: Koningin of Meesteresse,
Zee of Oceaan van bitterbeden, Zee of Oceaan van liefde
en eindelijk Ster der zee.
Vooreerst beteekent de naam van Maria Koningin of
Meesteresse. Dien naam verdient Maria, omdat zij is de
Moeder van Hem, die Koning en Meester is, d. i., van
Jezus-Christus. Jezus-Christus is de Koning der koningen,
Maria is de Koningin der koninginnen. Jezus-Christus is
de Meester der meesters, Maria is de Meesteresse der
meesteressen. Het rijk, het gebied van Jezus-Christus
strekt zich uit over hemel en aarde; Hij is de Koning
en Meester van hemel en aarde. Het rijk, het gebied van
Maria strekt zich ook uit over hemel en aarde; zij is
de Koningin en Meesteresse van hemel en aarde. Jezus-
Christus is de Koning van Engelen en menschen, Maria is
de Koningin van Engelen en menschen. Terecht worden
dus op Maria de volgende woorden der H. Schrift toe-
gepast : Uwe heerschappij strekt zich uit over alle vol-
keren en geslachten: Dominatio tua in omni generatione
et generationem.
(i) \'t Is door mij dat de koningen
regeeren: Per me reges regnant, (2) en de vorsten gebie-
den, per me principes imperant. Terecht dus groet onze
Moeder de H. Kerk Maria als onze Koningin. Wees
gegroet, Koningin, Moeder der barmhartigheid ! Wees
(1) Ps. cxliv, 13. (2) Prov. vin, 15, 16,
-ocr page 304-
— 300 —•
\\
gegroet, Koningin der hemelen! Verheug u, o Koningin
des hemels, alleluia!
Vervolgens beteekent de naam van Maria Zee of Oceaan
van bitterheden. Dien naam verdient Maria, omdat er
na haar goddelijken Zoon niemand zooveel smarten gele-
den heeft dan Maria. Jezus is de Man der smarten,
Maria is de Moeder de smarten. Het leven van Maria
is, evenals dat van Jezus, haar goddelijken Zoon, een aan-
eenschakeling van smarten geweest. Wat smart reeds
voor Maria, die goede Moeder, te moeten zien dat haar
kind arm en verlaten ter wereld komt: een arme stal
is zijne woning, eene kribbe zijne wieg. Zijn eigen volk
heeft Hem verworpen. Hij kwam in zijn eigendom, en
de zijnen hebben Hem niet ontvangen: In propria venit
et sui \'eutn non recepertmi.
(i) Wat smart voor Maria,
die goede Moeder, toen zij het Kind Jezus den achtsten
dag na zijne geboorte in de besnijdenis zijn bloed zag
vergieten; toen Simeon haar voorzeide, dat Jezus, haar
Zoon, zou tegengesproken worden, en dat een zwaard
haar het hart zou doorboren. Wat smart voor die goede
Moeder, toen zij hoorde, dat Herodes haren Jezus naar
het leven stond, en zij, vergezeld door Jozeph, genood-
zaakt was met haren Zoon de vlucht te nemen naar een
vreemd land, naar Egypte. Wat smart voor die goede
Moeder, toen zij op hunne terugreis van Jeruzalem naar
Nazareth, haren Jezus, pas elf jaren oud verloor; vervol-
gens, als zij zag hoe haar Zoon te Nazareth met Jozeph
zijn voedstervader moest werken, om in het zweet zijns
aanschijns zijn brood te verdienen. Doch al die smarten
zijn niets in vergelijking van hetgeen Maria geleden
heeft de laatste jaren van Jezus\' leven. O, B. B., wat
(i) Joan. i, ii.
-ocr page 305-
=*- 3Qt —
heeft Maria niet geleden, toen Jezus van zijne beminde
Moeder afscheid kwam nemen, om zijn openbaar leven
aan te vangen; toen zij vernam, dat haar Zoon, alhoe-
wel Hij overal weldoende rondreisde, tegensproken en
gelasterd, vervolgd, zelfs ter dood gezocht werd. Wat
heeft Maria niet geleden, toen zij vernam, dat haar Zoon,
door Judas verraden, gevangen genomen was; dat Hij
van den eenen rechter naar den anderen gesleurd werd;
dat Hij gegeeseld en met doornen gekroond werd; dat
Hij eindelijk ter dood veroordeeld, met het schande- en
vervloekingshout beladen, Jeruzalem uitging om op den
Calvarieberg gekruist te worden. Wie beschrijft ons de
smarten van Maria, toen zij haren Jezus, mismaakt en
uitgeput, onder een zwaar kruis gebogen, op den weg
naar den Calvarieberg ontmoette; toen zij zijne bloedige
voetstappen drukte, en toen zij Hem eindelijk aan het
kruis vastgehecht, in verlatenheid zag sterven. Jezus,
de Koning der Martelaren sterft aan het kruis, terwijl
Maria, de Koningin der Martelaren, aan den voet des
kruises staat. Thans wordt de voorzegging van den
ouden Simeon ten volle vervuld, namelijk, dat een zwaard
van smarten Maria het hart zou doorboren. Te recht
mag Maria dus met de moeder van Ruth zeggen: Noem
mij niet Noëmi, d. i., schoone, maar noem mij Mara,
d. i., bitter, want de Almachtige heeft mij overvloedig
met bitterheden vervuld.
De naam van Maria beteekent ook Zee of Oceaan van
liefde. Dien naam verdient Maria om hare overgroote
liefde tot God en de menschen.
Vooreerst om hare overgroote liefde tot God; tot God
den Vader, die haar tot zijne welbeminde Dochter heeft
aangenomen; tot God den Zoon, wiens teêrgeliefde Moeder
-ocr page 306-
— jö2 —
zij is geworden; tot God den H. Geest, die haar tot zijne
onbevlekte Bruid gekozen heeft.
Vervolgens om hare overgroote liefde tot de menschen.
Geen schepsel bemint of heeft de menschen bemind, gelijk
Maria hen bemind heeft en nog bemint. Zulks bewijzen
de ontelbare weldaden en genaden, welke de menschen
alom en ten allen tijde van Maria ontvangen hebben.
Daarom wordt Maria in de Litanie van Loretten genoemd:
Behoudenis der kranken, Toevlucht der zondaren, Troos-
teres der bedrukten, Hulp der Christenen. Terecht groet
dus onze Moeder de H. Kerk Maria onder den titel van
Bron van Liefde, als zij in haren treurzang Maria toeroept.
Welaan! Moeder, Bron van Liefde, (i)
Eindelijk beteekent de naam van Maria Ster der zee.
Maria verdient den naam van Ster; want evenals eene
ster hare stralen uitschiet en haar licht verspreidt, zonder
iets van de helderheid en den glans van haar licht te
verliezen; zoo ook heeft Maria haar goddelijken Zoon,
het Licht der wereld, gebaard, zonder iets van hare
maagdelijke zuiverheid te verliezen. Maria verdient den
naam van Ster der zee om hare verhevene deugden,
waarvan zij een volmaakt toonbeeld is, en waarmede zij
ons voorlicht en leidt op de gevaarvolle zee dezer wereld,
evenals eene schitterende ster den zeeman voorlicht en
leidt op den onstuimigen oceaan. Doch laten wij hier
een der grootste dienaren van Maria, den H. Bernardus,
spreken. Geen sterveling heeft ooit op den naam van
.Maria zoetere tonen uitgebracht, dan die Heilige, als
hij de volgende woorden des Evangelie\'s verklaart: En
de naam der Maagd was Maria: Et nomen Virginis
Maria.
(2) Maria, zegt de H. Bernardus, is die edele
(1) Eja, Mater, fons amoris! (Stabat Mater.) (2) Luc. !, 37.
-ocr page 307-
- 3ó* -
ster, van Jacob uitgegaan, wier stralen het heelal ver*
lichten, wier glans in de hemelen schittert en door-
dringt tot in de hel. Ster, die, stralende over de wereld,
veeleer de zielen dan de lichamen verwarmt, de deugden
kweekt en de ondeugden uitroeit. Schitterende ster, en
steeds verheven boven deze strandelooze zee, doet zij
voor onze oogen glanzen den luister harer verdiensten
en verlicht zij ons door hare voorbeelden. O, wie gij ook
zijt, zoo gaat de H. Bernardus voort, voor wien het leven
hier op aarde geen vasten grond heeft, doch veeleer
gelijkt aan een onstuimige zee, verlies nimmer het licht
dier ster uit het oog, zoo gij door de opgezweepte baren
niet wilt verslonden worden. Bijaldien de stormen der
bekoringen losbreken, zoo gij tegen de klippen der weder-
waardigheden aanstoot, zie dan naar die ster en roep
Maria aan. (i) Bijaldien de baren der hoovaardigheid,
gierigheid, onkuischheid, nijd en gramschap tegen het
ranke bootje uwer ziel klotsen, richt dan uwe oogen naar
Maria. (2) Zoo de herinnering aan uwe misdaden, de
knaging van uw geweten, de vrees voor het oordeel u
naar den kolk der moedeloosheid, naar den afgrond der
wanhoop sleepen, denk dan aan Maria. Te midden der
gevaren, der benauwdheden, in twijfel en in onzeker-
heid, denk aan Maria en roep Maria aan. Dat de naam
van Maria steeds op uwe lippen en in uw hart zij, en om
den bijstand harer gebeden te verdienen, volg den weg,
dien hare voorbeelden u hebben afgeteekend. Haar vol-
gende zult gij niet afwijken; haar aanroepende zult gij
niet wanhopen; aan haar denkende zult gij niet dwalen.
Bijaldien Maria u ondersteunt, zult gij niet vallen; zoo
(1) Respice stellam, voca Mariam. (3) Respice ad Mariam.
(S. Bern.)
-ocr page 308-
— 304 —
Maria u beschermt, hebt gij niet te vreezen; bijaldien
Maria u leidt, zult gij u niet vermoeien; zoo Maria u
beschut, zult gij behouden in de haven aanlanden, en
alzoo zult gij in u zelven ondervinden, hoe waar en te
recht er gezegd is: En de naam der Maagd was Maria,
d. i., Ster der zee: Et nomen Virginis Maria, (i)
SLUITREDE.
Ik geloof, B. B., genoeg gezegd te hebben over den
naam van Maria, naam, die de allerheiligste Maagd gegeven
is den vijftienden dag na hare geboorte. De naam van
Maria is na dien van Jezus, een naam boven alle namen:
vooreerst, omdat hij evenals de naam van Jezus, van
hemelschen oorsprong is; een Engel heeft hem den ouders
van Maria aangekondigd; vervolgens, omdat hij zoo
machtig is. In den naam van Maria kunnen wij" alles
bekomen, natuurlijk, bijaldien wij het naar behóoren
vragen en noodig hebben. De naam van Maria is vol
beteekenis. Hij beteekent: Koningin en Meesteresse; Maria
is de Koningin, de Meesteresse van hemel en aarde; Zee
of Oceaan van bitterheden; na Jezus heeft niemand zoo-
veel geleden als Maria; Zee of Oceaan van liefde; na
Jezus heeft niemand God en de menschen meer bemind
dan Maria; eindelijk beteekent hij: Ster der zee; Ster,
om hare maagdelijke en immer ongeschonden zuiverheid;
Ster der zee, wijl zij ons op de zee dezer wereld met
hare verdiensten en deugden voorlicht naar den hemel.
Aangezien de verhevenheid en beteekenis van den
naam van Maria, laten wij niet na dien heiligen naam
dikwijls aan te roepen, en roepen wij hem altoos aan
met eerbiedigheid en betrouwen. Roepen wij hem aan
(i) Luc. i, 37.
-ocr page 309-
— 3o5 —
in alle gevaren en noodwendigheden naar ziel en lichaam,
maar vooral naar de ziel, d. i., in de bekoringen, ten
einde er niet onder te bezwijken. Roepen wij hem aan
tijdens ons leven, doch vooral in het uur van onzen
dood, opdat wij, door Maria beschermd, heilig mogen
leven en eenmaal een zaligen dood mogen sterven. Ja,
B. B., dat de laatste woorden van eenieder onzer op
zijn sterfbed zijn: Jezus, Maria en Jozeph, staat mij bij.
Amen.
r.,.
50.
-ocr page 310-
Twintigste Preek.
De Opdracht van Maria.
Quid mihi est in coelo, et a tequidvolui
super terram?
Wat is er voor mij in den hemel, en
wat verlang ik, op de aarde buiten u?
(Ps. lxxh, 25.)
INHOUD.
VOORREDE.
God is ons beginsel en einde. — Om ons einde te
bereiken, moeten wij ons aan ons beginsel hechten. —
Die waarheid en verplichting had Maria begrepen. —
Och of wij beide ook zoo begrepen. — Maria wijdt
zich aan God toe; voorbeeld voor ons. — Maria heeft
zich aan God toegewijd:
VERDEELING.
I. Zonder uitstel;
II. Zonder voorbehoud;
III. Voor altijd.
I.
Maria heeft zich aan God toegewijd zonder uitstel, van
al het eerste oogenblik van haar bestaan. — Verzoek
-ocr page 311-
307 -
Van Maria aan hare ouders; deze stemmen toe. — Vertrek
naar Jeruzalem. — Maria vernieuwt hare toewijding aan
God in den tempel, toen zij ongeveer drie jaar oud was.
— Gelofte van eeuwige zuiverheid. — Geluk voor Maria,
brave ouders te hebben, haar geluk te beseffen en God
van den beginne af getrouw te dienen. — Hetzelfde
geluk kan ons eenigermate te beurt vallen. — Brave
ouders, het H. Doopsel, eerste H. Communie. — Zijn
wij onze beloften getrouw gebleven ? — Beleediging, God
door den trouwelooze aangedaan, ongeluk zichzelven be-
rokkend. — Wat moet de trouwelooze doen ?
II.
Maria heeft zich aan God toegewijd zonder voorbehoud:
hare ziel, haar lichaam, vooral haar hart, gansch en onver-
deeld. — Maria verzaakte aan hare ouders, bloedver-
wanten, goederen, aan de hoop de Moeder Gods te worden,
aan hare vrijheid. — Wij moeten ons ook gansch aan
God toewijden. — Zijn wij niet karig jegens den mild-
dadigen God? Is ons hart niet verdeeld? Hebben wij
het God niet gansch geweigerd ? — Wij moeten ons van
het schepsel onthechten en aan God hechten, Hem ons
hart geven, vooral den dag der H. Communie.
II.
Maria heeft zich aan God toegewijd voor altijd. —
Nooit heeft zij haar offer teruggerrokken, zij heeft het
God steeds aangenamer gemaakt en voltrokken. — God
schonk Maria immer nieuwe genaden, waaraan zij getrouw
beantwoordde. — Wij moeten Maria in het beantwoorden
aan de genade en in de volharding navolgen: Die vol-
hard zal hebben, tot het einde toe, zal zalig worden;
niemand zal gekroond worden, tenzij hij wettig gestreden
-ocr page 312-
— 3o8 —
heeft. — De vijanden onzer zaligheid willen ons beletten te
volharden. — Wij moeten tot Maria onze toevlucht nemen.
SLUITREDE.
Wij moeten Maria navolgen in ons aan God toe te
wijden zonder uitstel, zonder voorbehoud en voor altijd.
— Wij moeten ons van het schepsel onthechten en aan
God hechten, gansch ons leven, om ons na dit kort leven
in gezelschap van Maria voor eeuwig met God te mogen
vereenigen in den hemel.
----------<».<>---------
Twintigste Preek.
De Opdracht van Maria.
Quid mihi est in coelo, et a te quid
volui super terram?
Wat is er voor mij in den hemel, en
wat verlang ik op de aarde buiten u?
(Ps. lxxii, 25.)
VOORREDE.
God, gelijk wij weten, B. B., is de Schepper van hemel
en aarde, en bijgevolg is Hij ook onze Schepper. Hij
heeft alles geschapen voor zich, en dus heeft Hij ook
ons geschapen voor zich. God is bijgevolg ons beginsel
en einde. Wat ons nu betreft, wij moeten om ons einde
te bereiken, ons aan ons beginsel hechten; ons geluk
hangt er van af voor tijd en eeuwigheid.
Maria, wier Opdracht in den tempel wij heden vieren,
had die groote waarheid goed begrepen, zij had die groote
verplichting wel verstaan. En och of wij die waarheid
-ocr page 313-
— 3°9 —
ook zoo goed begrepen; och of wij die verplichting ook
zoo wel verstonden. Tot dat einde, B. B., heb ik voor-
genomen u vandaag eenige oogenblikken te onderhouden
over de Opdracht van Maria in den tempel, Wij zullen
zien, waarin zij bestaat, namelijk, dat en hoe de aller-
heiligste Maagd Maria zich den Heere heeft toegewijd.
Tevens zullen wij uit het voorbeeld van Maria leeren, dat
wij ons aan God moeten toewijden, en dat wij onzen roem
moeten stellen in God al de dagen van ons leven getrouw
te dienen. Ziehier de drie punten, die wij gaan verhan-
delen. Maria heeft zich aan God toegewijd:
I. Zonder uitstel;
II. Zonder voorbehoud;
III. Voor altijd. Leggen wij die drie punten een
weinig uit.
I.
Vooreerst heeft de allerheiligste Maagd Maria zich aan
God toegewijd zonder uitstel.
\'t Lijdt geen twijfel, B. B., of Maria heeft zich reeds
van af het eerste oogenblik van haar bestaan aan God
toegewijd. Maria was van af het eerste oogenblik van
haar bestaan begaafd met rede en verstand. Vóórkomen
door Gods genade, en zoo ruimschoots met zijnen zegen
bedeeld, werd Maria niet eerder voor de wereld geboren,
alvorens voor God geboren te zijn. Bijgevolg heeft Maria
zich onmiddellijk na hare ontvangenis aan God toegewijd.
Doch \'t is niet van deze toewijding aan God, en waarvan
God alleen getuige was, dat er in het feest van heden
gehandeld wordt. Onze Moeder de H. Kerk viert van-
daag plechtig de Opdracht van Maria in den tempel;
dus het feest van Maria\'s toewijding aan God, die open-
lijk eenigen tijd later plaats had.
-ocr page 314-
— 3io
De allerheiligste Maagd Maria had nog niet ten volle
haar derde jaar bereikt, of zij vroeg hare ouders, Joachim
en Anna, als een uitgelezene gunst de toestemming, om
zich in den tempel te Jeruzalem den Heer te mogen
toewijden. Joachim en Anna willigen het verzoek hunner
jeugdige dochter in, zij staan het toe; zij nemen Maria
aan de hand, misschien op hunne armen, en ziet! daar
vertrekken zij naar Jeruzalem. Een onzichtbare stoet
Engelen vergezelt hen van Nazareth naar Jeruzalem, zegt
de H. Gregorius van Nicomedie. Te Jeruzalem aange-
komen, vertrouwen Joachim en Anna hunne dierbare
dochter toe aan de godvruchtige vrouwen, die in den
tempel dienden, om onder hunne leiding opgevoed en
verder gevormd te worden. Maria vernieuwt terstond bij
hare aankomst voor hemel en aarde het offer, dat zij den
Heer bij hare ontvangenis reeds gebracht had, en zij
geeft zich gansch aan God. Ja, wat meer is, de eerste
van onder de dochters van Juda, wijdt zij aan God voor
altijd haren maagddom toe. Maria dus stelt zich aan het
hoofd van die duizenden Maagden, die hare voetstappen
gedrukt, en zich in den loop der tijden onherroepelijk
door de gelofte van eeuwige zuiverheid aan den Heer
toegewijd hebben. O, wat was zij gelukkig, de jeugdige
Maagd Maria, zulke brave, deugdzame ouders te hebben!
Wat was zij gelukkig, het geluk te begrijpen, dat er
gelegen is, in, van af het eerste oogenblik zijns levens,
aan God toe te behooren, Hem getrouw te dienen en
zich alzoo schatten te vergaderen voor den hemel. Welnu,
de kinderen, die brave, die deugdzame ouders hebben,
ouders, die waarlijk het geluk hunner kinderen behartigen,
en bijgevolg, die hun best doen om hunne kinderen in
eer en deugd op te voeden, die kinderen kunnen eeniger-
mate met Maria in haar geluk deelen. Immers, den dag
-ocr page 315-
- 3ii -
van hun H. Doopsel zijn zij den duivel ontrukt en aan
God toegewijd. Velen onder hen hebben die toewijding
aan God plechtig hernieuwd den dag hunner eerste H.
Communie, den schoonsten, den gelukkigsten dag van
hun leven; dag, waarop hun het geluk te beurt viel voor
de eerste maal hunnen Heer en God aan hun hart te
drukken, of beter gezegd, er Hem in te ontvangen. Doch,
B. B., zijn wij, na onze toewijding en hernieuwing onzer
toewijding aan God, onze beloften getrouw gebleven ?
Hebben wij onzen Heer en God ook getrouw gediend?
Helaas! misschien hebben wij onze beloften vergeten,
misschien zijn wij God ontrouw geworden; misschien
hebben wij een geruimen tijd van ons leven doorgebracht,
hebben wij dagen, weken, maanden, jaren zelfs besteed
in de ijdelheden en vermaken der wereld na te jagen,
hebben wij lang, zeer lang in de zonde geleefd. Welk
eene beleediging God, dien wij toegewijd waren, daardoor
aangedaan! Welk een ongeluk ons zei ven berokkend, wijl
wij in plaats van ons verdiensten te vergaderen voor den
hemel, de straffen der hel verdiend hebben! Wat nu in
dergelijk geval gedaan, B. B. ? Wij moeten onze mis-
slagen beweenen, onze trouweloosheid zoo goed mogelijk
herstellen. Dragen wij ons dus vandaag opnieuw aan
God op; wijden wij ons vandaag opnieuw aan Hem toe;
doen wij ons best, om den tijd, dien wij zoo ongelukkig
verloren hebben, terug te winnen. En hoe dien tijd
terugwinnen? Door den goeden God het overige van ons
leven zoo getrouw mogelijk, ja, met verdubbelden ijver
te dienen.
II.
De allerheiligste Maagd Maria heeft zich aan God toe-
gewijd zonder voorbehoud.
-ocr page 316-
— 3*2 —
Maria, B. B., heeft zich gansch aan God opgeofferd.
Zij heeft Hem opgeofferd hare ziel en haar lichaam: hare
ziel met al hare krachten: verstand, geheugen en wil;
haar lichaam met al zijne zintuigen; doch zij heeft aan
God vooral opgeofferd haar hart en gansch haar hart.
Ik zeg gansch, onverdeeld. Maria wist maar al te wel,
dat God niet tevreden is met een hart, dat verdeeld is;
dat Hij jaloersch is op onze liefde. Daarom verzaakte
Maria aan alles uit liefde tot God. Zij verzaakte aan
haren vader, hare moeder en overige bloedverwanten; zij
verzaakte aan de goederen dezer aarde; zij verzaakte aan
de vermaken, ik zeg niet eens aan de slechte, gevaarlijke
vermaken, maar zelfs aan de onschuldigste vermaken:
ja, wat meer is, — menschelijker wijze althans gesproken
— door hare gelofte van eeuwige zuiverheid verzaakte
Maria aan de hoop, eenmaal de Moeder van den lang
gewenschten Messias te worden. Den dag harer Opdracht
in den tempel verzaakte Maria aan hare vrijheid, zegt
de H. Anselmus, door de gehoorzaamheid, welke zij den
Opperpriester Zacharias beloofde.
Gij ziet dus, B. B., het offer van Maria was volledig,
gansch, zonder voorbehoud. Is het ook zoo gesteld met
het offer, dat wij den goeden God opgedragen hebben?
Trouwens, alles wat wij zijn en bezitten, komt ons van
God. En wat al weldaden, èn in orde der genade, èn
in orde der natuur hebben wij van God niet ontvangen?
Al die weldaden opnoemen, \'t zou ons te lang bezig-
houden, wijl zij te talrijk zijn. Ik vraag slechts: zijn
wij niet karig geweest, en zijn wij het thans nog niet,
jegens God, die zoo milddadig jegens ons geweest is
en nog is? En toen wij ons aan God gegeven hebben,
hebben wij ons soms niet het een of ander voorbehouden?
het een of ander, dat onze ijdelheid, onze eigenliefde of
-ocr page 317-
— 313 —
•
zinnelijkheid streelt ? En bijgevolg, is ons hart niet verdeeld
geweest tusschen den Schepper en het schepsel ? Of wel,
hetgeen nog erger is, hebben wij den goeden God ons
hart niet gansch geweigerd en het opgeofferd aan het
een of ander schepsel? O, B. B., bijaldien het zoo is, dan
is het ook zonneklaar, dat wij in de verste verte de
allerheiligste Maagd Maria niet navolgen, die zich aan
God heeft toegewijd zonder voorbehoud. In dat geval
moeten wij ons bekeeren en beteren; en daarom moeten
wij ons vooreerst onthechten van deze of gene zaak, die wij
met te veel drift najagen; van dezen of genen persoon, dien
wij met eene min of meer ongeregelde liefde beminnen;
van dit of dat huis of gezelschap, waaraan wij te zeer
gehecht zijn; ja, offeren wij alles op voor God. Ver-
volgens moeten wij ons aan God hechten; en bijgevolg,
schenken wij aan God alles wat wij zijn en bezitten;
doch vooral, schenken wij Hem ons hart, gansch en
onverdeeld. Ja, hernieuwen wij God dikwijls het offer
van ons hart, dat Hem zoo aangenaam is, en wel inzon-
derheid de dagen, waarop wij tot de H. Tafel naderen,
op het oogenblik dat de goede God zich geheel en al
aan ons geeft, met zijne godheid en menschheid, met
zijne ziel en zijn lichaam, met zijn vleesch en bloed;
dan vooral, B. B., moeten wij God van harte zeggen;
o mijn God! o mijn Jezus! thans behoort Gij mij gansch
toe, wijl Gij u geheel en al aan mij gegeven hebt; ik
wil ook gansch aan U toebehooren, en ik geef mij geheel
en al aan U: Dilectus vieus mihi et ego illi.(l)
III.
Eindelijk heeft de allerheiligste Maagd Maria zich aan
(i) Cant. ii, 16.
-ocr page 318-
- 3H —
God toegewijd voor altijd; \'t is de laatste voorwaarde,
die er vereischt wordt, opdat het offer volkomen zij.
Maria, B. B., heeft zich aan God toegewijd, niet voor
eenige dagen, weken, maanden of jaren, niet voor een
bepaalden tijd; neen, maar zij heeft zich aan God toegewijd
voor gansch haar leven, voor altijd. Nooit heeft Maria
iets van haar offer teruggetrokken. Integendeel, zij beij-
verde zich om het den goeden God steeds aangenamer
te maken. God op zijne beurt schonk Maria immer
nieuwe genaden, waaraan zij altoos trouw beantwoordde.
Den dag der boodschap roemde de Engel Gabriël Maria
reeds vol van genade: Ave gratia plena: (i) Wees
gegroet vol van genade. Welnu, zoo Maria reeds vol van
genade was den dag der boodschap, wie zal begrijpen
den schat van genaden, dien zij zich verworven heeft
tijdens haar leven, daar zij de eerste genade nooit door
eenige zonde verloren of verminderd heeft, maar door
hare goede werken altoos heeft vermeerderd ?
In de volharding en den voortgang in het goede
moesten wij Maria navolgen. Doch helaas! hoe dikwijls
blijven wij er niet aan te kort? Wij maken goede voor-
nemens, doch brengen ze niet ten uitvoer. Nauwelijks
hebben wij goed begonnen, zijn wij eenige dagen getrouw
gebleven, of wij hervallen wederom in dezelfde fouten en
zonden. Nochtans, \'t is niet genoeg goed te beginnen,
eenigen tijd getrouw te blijven; om zalig te worden
moet men volharden tot het einde toe; Quipersevera-
verit usqne in finem hic salvus erit.
(2). Om gekroond
te worden moet men wettig gestreden hebben, d. w. z.,
volgens de verklaring van den H. Augustinus, tot den
dood toe: Non coronabitur nisi legitime certaverit. (3)
(l) Luc. i, 28. (2) Matth. X 22. (3) 11 Tim. Il, 5.
-ocr page 319-
315 —
Ik weet wel; de vijanden onzer zaligheid zullen er zich
tegen verzetten; zij zullen al hunne krachten inspannen,
om ons den moed, dien wij ter volharding noodig hebben,
te benemen. De duivel zal zich het eerst vertoonen om
er zich tegen te verzetten. B. B., dat de duivel zich
bewege, zooveel hij wille; dat hij rondloope als een brie-
schende leeuw en zoeke ons te verslinden ; om den duivel
te beletten ons te schaden, en om hem op de vlucht te
drijven, nemen wij met betrouwen onze toevlucht tot
Maria; zij is machtiger dan alle duivelen der hel te zamen.
Ja, B. B., in de bekoringen van den duivel roepen wij
Maria aan, en wij zullen hem overwinnen.
Vervolgens zal de bedorven wereld komen en er zich
tegen verzetten. De wereld zal ons aanbieden den gift-
beker harer vermaken en pleizieren. Alles wat zij ver-
leidends en aanlokkelijks heeft, zal zij ten toon spreiden
om ons te bedriegen en mede te slepen. Wat moeten
wij doen om door de bedorven wereld niet bedrogen en
medegesleept te worden? Ons onze goede Moeder Maria
herinneren, ons steeds onder hare bescherming stellen,
haar met betrouwen aanroepen, en wij zullen de aanvallen
der bedorven wereld zegevierend afslaan.
Eindelijk zullen onze driften zich doen gevoelen en er
zich tegen verzetten. Wij zullen onze kwade driften te
bestrijden hebben en wellicht gansch ons leven. Wat nu
gedaan, om onder de aanvallen onzer driften niet te
bezwijken? Wij moeten ootmoedig zijn, ons zelven mis-
trouwen, tot Maria onze toevlucht nemen, haar met be-
trouwen aanroepen, en die goede Moeder, gelooft mij
vrij, zal komen, zij zal zich spoeden om hare kinderen
in den nood bij te staan.
-ocr page 320-
-3*-
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., wat de Opdracht van Maria
in den tempel, waarvan wij vandaag het feest vieren,
beteekent. Dien dag heeft Maria zich aan God toegewijd.
Tevens heeft zij ons een voorbeeld gegeven, dat wij zoo
goed mogelijk moeten navolgen.
Maria heeft zich aan God toegewijd zonder uitstel. Wij
moeten ons ook zonder uitstel aan God toewijden, en
zoo wij tijd, en misschien veel tijd verloren hebben, dan
moeten wij ons best doen om dien verloren tijd in te
halen en zoo goed mogelijk te herstellen door ons met
verdubbelden ijver toe te leggen op het volbrengen onzer
plichten.
Maria heeft zich aan God toegewijd zonder voorbehoud.
Wij ook, B. B., moeten ons geheel en al aan God toe-
wijden, wij moeten Hem geven vooral ons hart, en ons
hart gansch en onverdeeld.
Maria heeft zich aan God toegewijd voor altijd. Wij
ook moeten ons aan God toewijden voor gansch ons
leven. Ja, B. B., hechten wij ons aan God, die ons beginsel
is; blijven wij aan Hem gehecht al de dagen van ons
leven; eenmaal zullen wij het geluk hebben, ons aan
dienzelfden God te hechten, die ook ons einde is, in den
hemel, in gezelschap van Maria, om aan hem gehecht te
blijven gedurende de eindelooze eeuwigheid. Amen.
-ocr page 321-
Een en twintigste Preek.
De Zeven Weeën van Maria.
Cui comparabo te, vel cui assimilabo te,
filia Jerusalem___ magna est velut mare
contritio tua.
Met wien zal ik u vergelijken, dochter
van Jeruzalem.... uwe droefheid is groot
gelijk eene zee.
             (Jer. Lam. II, 13.)
INHOUD.
VOORREDE.
De Kerk heeft altoos Martelaren gehad, doch vooral
in het begin; Martelaren van beider geslacht, van allen
leeftijd, van alle staten en standen. — De Martelaren
hebben de verschrikkelijkste pijnen geleden met geduld,
zelfs met vreugde. — Thans schitteren zij in den hemel.
— Jezus is de Koning der Martelaren, Maria is hunne
Koningin:
VERDEELING.
I. Wijl zij langer; .
II. Wijl zij meer;
III. Wijl zij met meer moed dan de andere Marte*
laren geleden heeft.
-ocr page 322-
-jt§-
i.
Maria heeft langer geleden. — De andere Martelaren,
de eene een dag, de andere eene week, enz.; sommige
eenige jaren; Maria meer dan dertig jaren. — Het lijden
van Maria begint met de boodschap des Engels. — Maria
kent het lijden van haren Zoon uit de H. Schrift. —
Vergelijking van eene moeder, die weet dat haar zoon
moet sterven op het schavot, met Maria, die weet dat
haar Jezus moet sterven aan het kruis. — Droefheid van
Maria, wanneer zij Jezus ziet en aan zijn lijden denkt. —
Maria\'s droefheid was aanhoudend, doch op zekere tijd-
stippen heviger. — De voorzegging van Simeon. — De
vlucht naar Egypte. — Jezus verloren te Jeruzalem. —
De ontmoeting op den kruisweg. — De kruisdood van
Jezus. — Jezus\' zijde doorboord. — Jezus in den schoot
van Maria en zijne begrafenis. — Maria\'s lijden eindigt
slechts met den dood.
II.
Maria heeft meer geleden. — \'t Blijkt reeds uit het
voorgaande, doch vooral uit de volgende opmerkingen. —
De Martelaren leden in hun lichaam, Maria in hare ziel.
— De Martelaren offerden aan God op zich zelven en
hun leven, Maria offerde aan God op haar goddelijken
Zoon en zijn leven. Maria leed met Jezus in haar hart;
zij leed meer door Jezus te zien lijden dan bijaldien zij
zelve geleden hadde. — De Martelaren werden getroost
en opgebeurd, Maria niet. — De liefde tot Jezus deed de
Martelaren minder lijden, de liefde tot Jezus deed Maria
meer lijden. — Woorden der H. Vaders: de H.H. Ilde-
phonsus, Anselmus, Basilius, Bernardinus van Siena. —
De Martelaren worden voorgesteld met hunne martel-
tuigen,
Maria met het ontzield lichaam van Jezus.
-ocr page 323-
** 319 —
III.
Maria heeft met meer moed geleden. — De kruisdood.
—   Jezus wordt geprezen en goed onthaald, Maria is er
niet tegenwoordig. — Jezus, ter dood veroordeeld, wordt
ter strafplaats geleid; Maria gaat haren Zoon tegemoet.
De ontmoeting op den kruisweg. — Thomas Morus en
zijne dochter Margaretha. — Maria vergezelt Jezus en
aanschouwt Hem aan het kruis. — Agar, Jacob, David.
—  Wat ziet, wat hoort Maria aan den voet des kruises?
SLUITREDE.
De zondaar heeft Maria bedroefd, haar hart doorboord.
—  De zondaar kan Maria troosten, de wonde van haar
hart heelen door zich te bekeeren; de hoovaardige, de
gierigaard, de onkuischaard, de onmatige. — De zondaar
heeft ook zijn eigene ziel doorboord. — Misdaad van
den zondaar, schade, die hij zich toegebracht heeft; gevaar
waaraan hij blootstaat. — Gebed tot Jezus en Maria.
-------~.-^.$».--------
Een en twintigste Preek.
De Zeven Weeën van Maria.
Cui comparabo te, vel cui assimilabo te,
filia Jerusalem.... magna est velut mare
contritio tua.
Met wien zal ik u vergelijken, dochter
Van Jeruzalem.... uwe droefheid is groot
gelijk eene zee.
             (Jer. Lam. II, 13.)
VOORREDE.
De Kerk, B. B., door Jezus-Christus gesticht, telt van
-ocr page 324-
— $20 —
het begin af, ja telt vooral in het begin hare Martelaren.
De kerkelijke geschiedenis openslaande leest men daarin
op de eerste bladzijden, hoe talrijke scharen christen-
helden van beider geslacht, van verschillenden leeftijd,
van alle staten en standen gestreden en overwonnen heb-
ben. De vreesachtige maagd wedijvert met den onder
de wapenen grijs geworden krijgsman; het jeugdig kind
met den afgesloofden grijsaard; de zoon met den vader;
de dochter met de moeder; allen, allen vliegen ten strijde.
In plaats van hun geloof te verloochenen, hunne plichten
van Christen te verzaken, zich aan zonde plichtig te
maken, verkiezen zij van hunne goederen beroofd, van
hunne familie gescheiden, in ballingschap gezonden, in
de afschuwelijkste kerkers geworpen te worden. Zij ver-
schijnen kloekmoedig voor de rechtbanken, trotseeren de
knijptangen en geeselroeden, het water en het vuur, de
uitgehongerde leeuwen en tijgers van het amphiteater;
ja, wat meer is, zij glimlachen op het gezicht der folter-
en moordtuigen, bedanken hunne vervolgers en beulen;
zoo gelukkig achten zij zich voor Jezus-Christus te lijden,
hun bloed te vergieten en hun leven ten beste te geven
voor Hem, die het eerst voor hen geleden, zijn bloed
vergoten en zijn leven aan het kruis ten beste gegeven
heeft. Nu, nu schitteren zij met den zegepalm in de
hand, met de kroon des overwinnaars op het hoofd in het
rijk van hunnen Koning. En inderdaad, B. B., Jezus*
Christus is de Koning der Martelaren. Doch \'t is niet
over den Koning der Martelaren, maar over hunne Konin-
gin, dat wij ons vandaag ter gelegenheid van het feest
der zeven Weeën van Maria moeten onderhouden. Onze
Moeder de H. Kerk noemt Maria Koningin der Martelaren,
en te recht. Maria is de Koningin der Martelaren om
de drie volgende redenen;
-ocr page 325-
— 32 i —
I. Wijl zij langer;
II. Wijl zij meer;
III. Wijl zij met meer moed dan de andere Marte-
laren geleden heeft. Zetten wij die drie punten
een weinig uiteen.
I.
Maria heeft vooreerst langer geleden dan de andere
Martelaren; van daar dat zij terecht Koningin der Mar-
telaren genoemd wordt, (i)
Wanneer wij de geschiedenis der Martelaren lezen,
treffen wij daarin aan, dat eenige slechts weinige uren,
andere eenige dagen, sommige zelfs weken en maanden
te lijden hadden; maar men treft weinig Martelaren aan
die jaren en jaren te lijden hadden. Doch ziet! de aller-
heiligste Maagd Maria heeft te lijden gehad meer dan
dertig jaren lang.
Wanneer of op welk tijdstip van haar leven heeft het
lijden van Maria een aanvang, wanneer, een einde geno-
men? Het lijden van Maria heeft vooral een aanvang
genomen met de boodschap des Engels, en het heeft
zich uitgestrekt zelfs tot na den dood van haar goddelijken
Zoon.
De Engel Gabriël kwam Maria boodschappen, dat zij
verkoren was, de Moeder van den Zoon Gods te worden.
Doch Maria wist zeer goed, dat zij, tot de grootste
waardigheid, namelijk, tot die van Moeder van den Zoon
Gods verheven, ook in het lijden van- dien Zoon zal
moeten deelen; dat Jezus haar Zoon de Verlosser der
wereld, dat zij de Medeverlosseres zal moeten wezen.
Jezus, zoo sprak de Engel, zal zijn volk verlossen: Ipse
(i) Regina Martyrum. (Lit. Laur.)
21.
-ocr page 326-
*- &l —
£»«» salvum faciet populum suum. (i) Maar op welke
wijze zal Hij het verlossen? Welke zal de losprijs voor
zijn volk wezen? O, B. B., Maria wist op welke wijze;
zij kende den losprijs. Maria had gelezen al wat de
Profeten aangaande den Messias voorzegd hadden. Be-
dreven in de H. Schrift en verlicht door den H. Geest,
had zij in een Isaïas, in een David gezien de vernede-
ringen en mishandelingen, de pijnen en smarten van den
Verlosser der wereld; ja, in den geest had zij gezien
het Lam zonder Vlek aan het kruis gehecht, stervende
den schande- en pijnlijken dood des kruises voor de
zaligheid der menschen. Hoe dikwijls besproeide Maria
die bladzijden met hare tranen, bij de overweging van
het lijden des Verlossers? Welnu, die Verlosser is haar
Zoon; en gelijk voor Jezus, haar Zoon, met zijn leven
het lijden begint, zoo ook beginnen vooral bij Jezus\'
geboorte de smarten van Maria.
Hoe, denkt gij, B. Bv zou eene moeder gesteld zijn,
die maar één kind, één zoon heeft; dien zoon voedt zij
met de uiterste zorg op; hij beantwoordt aan de zorgen
zijner moeder; doch ziet! die moeder weet, dat die zoon
eenmaal aangehouden, voor de rechtbank gedaagd, ter
dood veroordeeld, op het schavot zal moeten sterven;
hoe zal die moeder al de dagen van haar leven gesteld
zijn? En bijaldien zij van haren zoon eenig genoegen,
eenige vreugde geniet, zal dat genoegen, die vreugde
niet weldra ophouden, om plaats te maken voor eene des
te pijnlijkere droefheid bij de gedachte aan het schandelijk
einde van haren zoon? Ziedaar, B. B., een afbeeldsel,
maar een flauw afbeeldsel van Maria. Maria aanschouwde
het goddelijk Kind; doch nauwelijks genoot zij eenige
(i) Matth. i, 21.
-ocr page 327-
Vreugde bij het aanschouwen van haar welbeminden Zoon,
of die vreugde werd gewelddadig onderdrukt door een
overtollige smart; de zoete glimlach der Moeder maagd
werd vervangen door de bittere tranen der Medeverlos-
seres. Wanneer Maria haar goddelijk Kind verzorgde,
dacht zij aan de gal, waarmede Het zou gelaafd worden.
Wanneer zij Jezus in doeken wikkelde, dacht zij aan de
touwen en ketenen, waarmede Hij zou geboeid en beladen
worden. Wanneer zij Hem uit- of aankleedde, dacht zij
aan de schande- en pijnlijke ontkleeding bij de geeseling,
aan den witten mantel bij Herodes en den purperen lap
bij Pilatus. Wanneer Jezus zijne handjes naar zijne Moeder
uitstrekte, en Maria het goddelijk Kind de eerste stappen
hielp maken, dacht zij aan de plompe nagelen, waarmede
eenmaal zijne handen en voeten zouden doorboord worden.
Wanneer Jezus zijne Moeder omhelsde en haar zoo bemin-
nelijk toelachte, terwijl zij Hem ter rust nederlegde, dan
dacht Maria aan haren Zoon, door Judas onder een kus
verraden, zijn hoofd met scherpe doornen doorstoken,
zijn aangezicht met bloed en vuil speeksel besmeurd,
gansch zijn lichaam met wonden overdekt en op het
kruis uitgestrekt. Ja, wanneer Maria haar goddelijk Kind,
het schoonste, het beminnelijkste onder de menschen-
kinderen, zag ingeslapen, dan dacht zij reeds vol droefheid
aan den doodslaap van haren Zoon aan het kruis. Die
droefheid over het lijden van haar goddelijken Zoon
bleef Maria immer bij; niet, B. B., dat zij altoos even
hevig en pijnlijk was; doch bij zekere gelegenheden en
op zekere tijdstippen nam zij in hevig- en pijnlijkheid
toe. Ja, op zekere tijdstippen van haar leven werd Maria
de grootste smart aangedaan, werd haar moederhart met
een zwaard van droefheid doorboord. Die tijdstippen
-ocr page 328-
— 324 —
zijn ons uit het Evangelie bekend, en \'t zal genoeg zijn
dezelve op te noemen.
Vooreerst, toen Simeon, bij de opdracht van het god-
delijk Kind in den tempel, Maria de tegenspraak, welke
haar Zoon zou te lijden hebben, voorzegde en er bijvoegde
dat een zwaard van droefheid haar hart zou doorboren.
Toen Maria, door eene haastige vlucht, haar goddelijk
Kind aan het moordstaal van Herodes moest onttrekken.
Wanneer Maria met Jozeph van Jeruzalem naar Nazareth
terugkeerde, het goddelijk Kind miste en genoodzaakt
was Jezus overal op te zoeken. Wanneer Maria haar
goddelijken Zoon met een zwaar kruis beladen, achter
twee moordenaars, door soldaten en beulen omgeven, op
weg naar de strafplaats, den Calvarieberg, ontmoette.
Toen Maria haar goddelijken Zoon aan het kruis genageld,
in de grootste verlatenheid den schande- en pijnlijksten
dood zag sterven. Toen Maria na den dood van Jezus
moest zien, hoe een soldaat zich verstoutte, met eene
lans de zijde van haar goddelijken Zoon te doorboren,
en toen zij het ontzield lichaam, met wonden overdekt,
vermorzeld en verbrijzeld in haren schoot ontving. Ja,
B. B., toen was Maria\'s droefheid zoo groot, dat zij
reden had om te zeggen: O vos omnes qui transitis
per viam:
O, gij allen, die hier voorbijgaat, ziet en
aanschouwt of er eene droefheid is gelijk aan de mijne:
Attendite et videte si est dolor sicut dolor meus. (i) En
eindelijk, toen Maria genoodzaakt was, bij de begrafenis
zich ook nog van het lichaam van Jezus te scheiden.
Hier nochtans eindigt de droefheid, het lijden van Maria
niet; het eindigt alleen met haar leven, zoodat Maria
met den koninklijken Proieet David zeggen kan: Mijn
(i) Jer. Lam. I, 12.
-ocr page 329-
— 325 —
leven is in droefheid voorbijgegaan: Defecit in dolore
vita mea,
en ik heb mijne jaren in zuchten doorgebracht:
Et anni mei in gemitibus. (i)
Maria heeft dus schier gansch haar leven geleden, doch
vooral van de boodschap des Engels af tot aan haren
dood; zij heeft dus langer geleden dan de andere Marte-
laren : te recht wordt zij dus Koningin der Martelaren
genoemd.
Maria heeft vervolgens meer geleden dan de andere
Martelaren: tweede reden, waarom zij te recht Koningin
der Martelaren genoemd wordt.
II.
Dat Maria meer, d. i., talrijker en heviger pijnen en
smarten geleden heeft dan de andere Martelaren, zulks
kan men reeds afleiden uit hetgeen ik in mijn eerste
deel gezegd heb, namelijk, omdat zij langer geleden heeft.
Doch zetten wij dit punt een weinig verder uit een en
zien wij de redenen, waarom Maria meer dan de andere
Martelaren geleden heeft.
De andere Martelaren, B. B., leden in hun lichaam.
De beulen, bijv., rukten hun de oogen uit, trokken hun
het vel yan het hoofd of verbrijzelden hun de tanden.
Dezen rekten zij uit op de pijnbank en ontwrichtten al
zijne ledematen; genen roosterden zij op het vuur, zoo-
dat hij langzaam gebraden werd. Een ander verminkten
zij op de onmenschelijkste wijze, door hem lid voor lid
af te snijden. Doch wat er ook van zij, de Martelaren
leden slechts in hun lichaam, en hunne ziel was opge-
beurd en soms vroolijk. Maria daarentegen leed in hare
ziel. Een zwaard van droefheid, zoo sprak Simeon, zal
(i) Ps, xxx, ii.
-ocr page 330-
— 326 —
uwe ziel doorboren: Tuam ipsius animam pertransibit
gladius.
(i) Doch de smarten der ziel overtreffen ver de
pijnen des lichaams; deze kunnen tegen gene niet opwegen.
^ Tusschen de smarten der ziel en de pijnen des lichaams,
zoo verklaarde zekeren dag onze goddelijke Zaligmaker
aan de H. Catharina van Siena, is geene vergelijking
te maken.
De Martelaren offerden aan God op zich zelven en
hun leven; Maria offerde aan God den Vader op haren
Zoon en zijn leven, leven, dat haar dierbaarder was dan
haar eigen leven. Alzoo deelde Maria inwendig in al
de pijnen en folteringen, welke Jezus haar Zoon werden
aangedaan. Ja, Maria had waarlijk medelijden met Jezus,
d. w. z., zij leed met Jezus; in haar hart werd zij met
Jezus gegeeseld en gekroond; in haar hart werd zij met
haar goddelijken Zoon aan het kruis gehecht en met
eene lans doorstoken. De lans moest eerst door het hart
van Maria, alvorens de zijde van Jezus te treffen, zegt
de H. Bernardus. De Profeet Isaïas, in naam van onzen
goddelijken Zaligmaker sprekende, zegt: Torcular calcavi
solus et de gentibns non est vir mecum:
(2) Ik heb de
wijnpers alleen getreden, en er was geen enkel man van
het volk, die mij hielp. Te recht, Heer! merkt Richardus
°P> zegt Gij, dat Gij in het werk der verlossing alleen
waart, en dat er geen man met U was. Geen man, zeg
ik; want er was eene Vrouw, namelijk, uwe Moeder met
u, en die Moeder leed in haar hart, al wat Gij in uw
y, lichaam leed.\' Ja, B. B., wat meer is, Maria leed meer,
terwijl zij de pijnen en smarten van haar goddelijken
Zoon zag, dan zoo zij zelve die had moeten lijden.
Waarom? Omdat zij haren Jezus meer beminde dan zich
(1) Luc. II, 35. (2) Isaias lxiii, 3.
-ocr page 331-
— 327 —
zelve, en wijl zij meer aan het leven van haar godde-
lijken Zoon gehecht was dan aan haar eigen leven. Bijge-
volg leed Maria meer, toen zij haren Zoon zag lijden
en sterven, dan bijaldien zij zelve geleden hadde en
gestorven ware.
                                                                 ——
De andere Martelaren werden in hun lijden getroost
en verlicht; Maria vond in haar lijden noch troost, noch \\<
verlichting. De Martelaren vonden troost in de liefde
tot hunnen God, voor wien zij leden. Inwendig waren
zij door een vuur, namelijk, door het vuur der liefde
ontstoken, dat heviger brandde dan het vuur der beulen.
Vandaar dat zij verlangden meer te lijden; dat zij God
bedankten; dat zij zich in hunne pijnen verheugden. Een X
H. Laurentius drijft den spot met de beulen, die zich
afmatten in hem te folteren en te roosteren. Mijn lichaam
is van deze zijde genoeg gebraden, zegt hij tot de beulen,
draait het om en eet er van. Hoe is het toch mogelijk
zoo te spreken, te midden van folteringen, die den mensch
doen ijzen? Het vuur der beulen was minder hevig dan
het vuur der liefde Als dronken van het bloed van
Jezus-Christus, dat Laurentius genut had, zegt de H. Augus-
tinus, gevoelde hij de folteringen niet. Hoe meer dus de
Martelaren Jezus beminden, hoe minder zij leden. En
Maria, beminde zij dan haren Zoon niet? Ja, B. B., en
meer dan een Laurentius, en meer dan alle Martelaren
te zamen; en juist, wijl zij haren Zoon zoo teeder
beminde, daarom leed zij meer dan een Laurentius, dan
alle Martelaren te zamen. Hetgeen dus de Martelaren in
hun lijden troostte en verlichtte, namelijk, de liefde tot
God; die liefde tot haar goddelijken Zoon vermeerderde
en vergrootte de pijnen en smarten van Maria. Jezus\'
lijden was de oorzaak van haar lijden; hare liefde tot
Jezus was — sta mij de uitdrukking toe — was de beul
-ocr page 332-
— 338 —
van haar hart; en wijl zij haar goddelijken Zoon meer
beminde dan alle Martelaren te zamen, daarom werd zij
door de liefde meer "gepijnigd en gefolterd dan alle
Martelaren te zamen door de beulen gefolterd en gepijnigd
werden. De H. Ildephonsus aarzelt niet te bekennen,
dat men niet te veel zegt, als men beweert, dat het lijden
van Maria alleen het lijden van alle Martelaren te zamen
overtroffen heeft. De pijnen en folteringen der Martelaren
waren licht en als van geener waarde in vergelijking van
die van Maria, zegt de H. Anselmus. En de H. Basilius
zegt: Evenals de zon alle andere hemellichamen in glans
overtreft, zoo ook overtreft het lijden van Maria het
lijden van alle andere Martelaren. En de H. Bernardinus
van Siena vreest niet te zeggen, dat de droefheid van
Maria zoo hevig was, dat, ingeval zij onder alle menschen
verdeeld werd, elk deel voldoende zou zijn om ieder
van hen onmiddellijk van droefheid te doen sterven.
En Maria is niet gestorven? Neen, B. B., doch zij zou
elk oogenblik van droefheid gestorven zijn, zegt de H.
Anselmus, ware zij niet door een aanhoudend wonder
bewaard gebleven, \'t Is ook om die reden dat, terwijl
de overige Martelaren ons doorgaans met hunne martel-
tuigen worden voorgesteld, de H. Paulus, bijv., met het
zwaard, de H. Andreas met het kruis, de H. Catharina
met het rad, de H. Laurentius met den rooster; dat
Maria, de Moeder der smarten, ons wordt voorgesteld,
houdende het ontzield lichaam van haar goddelijken Zoon
op haren schoot, wijl Jezus inderdaad als het werktuig
van haar lijden is geweest, wegens de liefde, welke Maria
Hem toedroeg.
Maria, B. B., heeft dus meer geleden dan de andere
Martelaren, gelijk wij komen te zien; te recht wordt zij dus
ook onder dit opzicht Koningin der Martelaren genoemd.
-ocr page 333-
— 329 —
Eindelijk heeft Maria met meer moed geleden dan de
andere Martelaren, derde reden, waarom zij Koningin
der Martelaren genoemd wordt.
III.
Om ons een juist denkbeeld te vormen van den hel-
denmoed, welken Maria getoond heeft, moeten wij een
oogenblik het grootsche werk der Verlossing, den kruis-
dood van den Zoon Gods, bijwonen.
Toen het gerucht van Jezus\' wonderen en weldaden zich
alom gansch Judea en Galilëa door verspreidde; toen
men den schoot, die Hem gedragen had, d. i., zijne
Moeder gelukkig roemde; toen men haren Zoon met
palmtakken in de hand, onder het daverend vreugdege-
roep: Hozanna den Zoon van David, gezegend die komt
in den naam des Heeren! in triomf Jeruzalem binnen
leidde, dan leest men niet, dat Maria er tegenwoordig
was. Doch ziet! nauwelijks heeft zich de droeve mare
de gansche stad door verspreid, dat Jezus van Nazareth
ter strafplaats wordt geleid, of Maria staat op, en verlaat
de eenzaamheid om haar goddelijken Zoon op den droe-
vigen kruisweg naar den Calvarieberg te volgen. Ik zal
gaan, zegt Maria met vastberadenheid, evenals eertijds
Mozes: Vadam, want ik wil dat grootsche schouwspel
bijwonen, et videbo visionem liane magnam. (i) In gezel-
schap van eenige godvreezende vrouwen begeeft Maria
zich op weg; zij hoort de trompet der romeinsche ruiterij
en wendt zich in de richting, vanwaar het geluid gehoord
wordt. Weldra bevindt zij zich op de voetstappen van
haren Zoon, die Hij met zijn bloed heeft afgeteekend.
In de verte ontdekt zij een stroom van volk, eene woelige
menigte; zij komt nader, ziet reeds de beulen, die met
de werktuigen ter halsrechting beladen, vooruitstappen.
-ocr page 334-
330
O Maria! keer terug op uwe schreden! gij gaat Jezus
uwen Zoon nog meer pijnen veroorzaken! en gij, gij gaat
onder den last uwer smarten bezwijken! Maar neen : vast
besloten haren Jezus te zien, vreest Maria noch soldaten,
noch beulen: vol moed dringt zij midden door hen heen
en staat eensklaps voor haren Zoon. Welk een hartver-
scheurend schouwspel trof daar hare oogen! Maria ziet
haren Jezus, onder een zwaar kruis gebogen, wankelend
voorttreden. Vooropgaande beulen trekken Hem vooruit,
terwijl Hij geslagen en gestooten wordt door anderen,
die volgen. Op zijn hoofd draagt Jezus de doornenkroon;
zijn bleek aangezicht is met vuil speeksel en bloed bedekt.
Ziet! daar wrijft Jezus het geronnen bloed voor zijne
oogen weg; Hij werpt een blik op de vrouw, die voor
Hem staat. Hij erkent haar en zegt met eene gebroken
stem: Maria, mijne Moeder! Mijne Moeder, Maria! —
Jezus, mijn Zoon! Mijn Zoon, Jezus! antwoordt Maria,
en Jezus en Maria willen verder spreken, doch hunne
snikken smoren hunne stem.
Men verhaalt ons dat Margaretha, de dochter van
Thomas Morus, toen zij haren vader op weg naar de
strafplaats ontmoette, slechts deze woorden kon uitbren-
gen: O Vader! O Vader! en dat zij vervolgens in bezwij-
ming aan zijne voeten nederviel. Maria daarentegen,
alhoewel met een zwaard van droefheid tot in het diepste
harer ziel getroffen, bezwijkt niet. Ja, wat meer is, gansch
overgegeven aan den wil van God, besluit zij haren Zoon
naar den Calvarieberg te volgen en den lijdenskelk met
hem te deelen. Zij ziet dus haren Zoon met moeite
zijnen weg vervolgen. Uitgeput door vermoeienis, valt
Jezus herhaalde malen onder het kruis, terwijl Hij door
zijne vijanden gevloekt en gelasterd, door de beulen
geslagen en mishandeld wordt. Op het hooren dier vloeken
-ocr page 335-
— 33i —
en godslasteringen, op het zien dier slagen en mishande-
lingen, verkrimpt Maria\'s moederhart van droefheid en
smart. O hoe gaarne zou Maria het kruis in Jezus\' plaats
gedragen hebben!
Eindelijk is de menigte op den Calvarieberg aange-
komen. Het slachtoffer is reeds aan het kruis vastge-
klonken. De herhaalde hamerslagen hebben tot in het
hart van Maria gedreund. Daar richt men het kruis, met
het zoenoffer beladen, wankelend in de hoogte. Eene
vrouw, der grootste droefheid ten prooi, treedt stilzwijgend
doch vol moed, nader en plaatst zich aan de rechterzijde
van het kruis: daar is de plaats van den offeraar bij
het altaar; \'t is dus de plaats der Medeverlosseres bij de
offerande des Verlossers. Agar riep vol vertwijfeling
uit, dat zij niet in staat was haar kind te zien sterven ;
zij verwijderde zich. Jacob aanschouwde den bebloeden
rok van zijnen Zoon Jozeph, scheurde zich de kleederen
en viel in weeklachten uit. David vernam den dood
van zijnen zoon Absalon; hij onttrok en sloot zich op
in het diepste van zijn paleis, om den vrijen loop aan
zijne tranen te geven. En ziet! Maria, de gevoeligste,
de teederste der maagden, de bedrukste der moeders,
staat daar aan den voet des kruises; neen, zij scheurt
zich de kleederen niet; zij verwijdert zich niet. Wat
ziet, wat hoort Maria daar? Zij ziet haren Zoon aan het
kruis genageld, tusschen hemel en aarde verheven. Zij
ziet zijn heilig lichaam met bloed en wonden overdekt.
Zij ziet het bloed van Jezus uit zijne handen en voeten
op den grond stroomen. Zij ziet haren Zoon zich van pijnen
en smarten te zamen wringen. Wat hoort Maria daar?
Süio.\'(ï) roept Jezus uit: Ik heb dorst; en Maria vermag
(i) Joan. xix, 28.
-ocr page 336-
~ 333
niet den brandenden dorst van haren Zoon te lesschen,
Eli! Eli! Lamma Sabacthani!(i) Mijn God! Mijn God!
Waarom hebt gij mij verlaten! en Maria vermag niet
haren Jezus bij te staan en te helpen. De gansche natuur
is ontsteld; hemel en aarde bewegen zich; de zon weigert
haar licht; eene verschrikkelijke aardbeving doet de aarde
op hare grondvesten daveren; de rotsen van den Golgotha
splijten met een ijselijk gekraak. De schepselen zijn
verontwaardigd en willen den moord, op hunnen Schepper
gepleegd, wreken. En ziet! Maria, de Moeder van Jezus,
staat daar onder het kruis Geen teeken van ongeduld
of verontwaardiging; geen teeken van wanhoop of wraak
laat zij blijken. Neen, Maria roept niet om wraak tegen
hare vijanden, tegen de beulen van haren Zoon; doch
overgegeven aan den wil van God, vol heldenmoed,
brandende van liefde tot God en de menschen, ziet zij
haren Zoon sterven, offert zij zich zelve met haren Zoon
op aan God den hemelschen Vader. Welk een moed!
Welk een heldenmoed van de gevoeligste, van de teederste
der maagden, van de bedruktste der moeders, te midden
van het folterend martellijden getoond! Te recht dus
mogen wij Maria Koningin der Martelaren noemen, wijl
zij de andere Martelaren in moed overtroffen heeft. Ja,
B. B., Maria heeft langer, zij heeft meer, zij heeft met
meer moed geleden dan de andere Martelaren; bijgevolg
wordt zij te recht Koningin der Martelaren genoemd. (2)
SLUITREDE.
Alvorens deze rede over de zeven Weeën en het lijden
van Maria te eindigen moeten wij er eene zedenles uit
trekken, zonder dat zou zij voor ons van weinig of geen
(l) Matth. xxvji, 46. (2) Regina Martyrum (Lit. Laur.)
-ocr page 337-
333 -
nut zijn. Ik stel dus de vraag; Wie heeft Maria zoo zeer
bedroefd? Wie heeft haar zoo veel doen lijden, haar
minnend hart met een zevenvoudig zwaard van droefheid
doorboord? Wie kan Maria troosten? Wie kan haar
vreugde en blijdschap aandoen, de wonden van haar hart
heelen? De zondaar B. B., heeft zoo dikwijls hij zich
aan doodzonde heeft plichtig gemaakt, het hart van
Maria met een zwaard van droefheid doorboord; de
zondaar, zoodra hij zich rechtzinnig bekeert, zal die wond,
Maria\'s hart toegebracht, heelen. Ja, B. B., de hoovaardige
heeft het hart van Maria doorboord. In zijne hoovaar-
digheid en andere zonden, die er uit voortspruiten, als
ongehoorzaamheid en wederspannigheid, heeft de hoovaar-
dige een zwaard gesmeed; hij heeft er het hart van
Maria mede doorboord. Hoovaardige! wilt gij de wonde
Maria\'s hart toegebracht, heelen? Breek dan dat zwaard
in stukken en werp ze neder voor de voeten van Maria,
d. i., leg uwen trots af en wees voortaan ootmoedig en
onderdanig. De gierigaard heeft het hart van Maria door-
boord. In de zonde van gierigheid en andere, die er
uit voortspruiten, als leugen en bedrog, valsch- en onrecht-
vaardigheid, heeft hij een zwaard gesmeed, of liever, uit
dat onrechtvaardig goud en zilver heeft hij een zwaard
gesmeed; hij heeft er het hart van Maria mede door-
boord. Gierigaard! onrechtvaardige! wilt gij de wonde,
Maria\'s hart toegebracht, heelen? Breek dan dat zwaard
in stukken en werp ze neder aan de voeten van Maria,
d. i., geef dat onrechtvaardig geld en goed terug en leef
voortaan in rechtvaardig- en milddadigheid.
De onkuischaard heeft het zuiver hart van Maria door-
boord. Die jongeling, maar een wellusteling; die jonge
dochter, maar eene schaamtelooze; die man, maar een
overspeler; die vrouw maar eene trouwelooze: zij hebben
-ocr page 338-
- m -
in hunne afschuwelijke zonden tegen de schoone deugd
van zuiverheid, of om juister te spreken, zij hebben in
het vuur van den wellust een zwaard gesmeed ; zij hebben
er het vlekkelooze hart van Maria mede doorboord.
Jongeling! Jonge dochter! Man en vrouw! Wilt gij de
wonde, Maria\'s hart toegebracht, heelen? Breekt dan dat
zwaard in stukken en werpt ze neder voor de voeten
van Maria, d. w. z, zegt vaarwel aan die plaats, aan
dat gezelschap, aan dat huis, aan dien persoon; vlucht
de gevaren en gelegenheden van zonde; bedwingt uwe
driften en leidt voortaan een zuiver en getrouw leven.
De onmatige heeft het hart van Maria doorboord. In
de zonden van dronkenschap en slemperij heeft hij een
zwaard gesmeed; hij heeft er het hait van Maria mede
doorboord. Dronkaard en brasser! Wilt gij de wonde,
Maria\'s hart toegebracht, heelen? Breekt dan dat zwaard
in stukken en werpt ze neder voor de voeten van Maria,
d. w. z., blijft weg uit die slechte herbergen en kroegen,
en leidt voortaan een matig en verstorven leven.
Hetgeen ik hier van eenige hoofdzonden gezegd heb,
kan van alle gezegd worden. De zeven hoofdzonden zijn
de oorzaak van de zeven Weeën van Maria, of liever,
zij zijn de zeven zwaarden in het hart van de Moeder
der smarten. Doch dat is niet alles. Een ander gevolg:
de zondaar doorboort niet alleen het hart van Maria, hij
doorboort ook zijne arme ziel, hij vermoordt haar door
ze te berooven van de heiligmakende genade, waarop zij
met den eeuwigen dood bedreigd wordt. Ja, dat zwaard
zijner zonden, zoo hij het niet bijtijds in stukken breekt,
zal in de handen van Jezus en Maria vallen. In den laatsten
dag des oordeels zullen Jezus en Maria dat zwaard tegen
den zondaar richten; zij zullen er hem mede doorboren,
en den eeuwigen doodsteek toebrengen, d. w. z., zij
-ocr page 339-
- «5 -
zullen hem van zich verstooten en voor eeuwig neder-
werpen in den afgrond der hel. Ziedaar de misdaad,
waaraan de zondaar zich heeft plichtig gemaakt; de schade,
welke hij zich heeft toegebracht, en het gevaar, waaraan
hij immer is blootgesteld. En wijl wij allen zondaren zijn,
vragen wij allen ootmoedig vergiffenis van onze zonden;
en om ze te bekomen, wenden wij ons tot Maria. O
Maria! wij bekennen het; \'t zijn onze zonden, die Jezus
uw Zoon en U zoovele pijnen en smarten veroorzaakt
hebben. Met onze zonden hebben wij als met eene lans
zijne zijde geopend, hebben wij als met een zwaard uw
hart doorboord. Doch ziet! o goede Moeder! die zonden
zijn ons nu van harte leed; wij haten en verzaken ze,
wij maken het vaste voornemen, ze nimmer meer te
bedrijven; wij maken het vaste voornemen, de gevaren
en gelegenheden van zonde te vluchten. Uwe droefheid
is overgroot geweest, gelijk aan eene zee. Wij hebben
u die droefheid veroorzaakt door onze zonden; wij willen
alles herstellen door onze liefde tot Jezus en U. Ja, wij
maken het vaste voornemen: bijgestaan door Gods genade,
door uwe tusschenkomst bekomen, zullen wij Jezus en U
beminnen hier op aarde al de dagen van ons leven, om
Jezus en U eenmaal te mogen beminnen in den hemel,
gedurende de eeuwigheid. Amen.
-ocr page 340-
Twee en twintigste Preek.
De H. Rozenkrans.
Erant perseverantes unanimitur in
oratione cum Maria Matre Jesu.
Zij volhardden eensgezind in het gebed
met Maria, de Moeder van Jezus.
(Act. 1. 14.)
INHOUD.
VOORREDE.
De Kerk van Christus op aarde wordt de strijdende
Kerk genoemd. — De vijanden der Kerk zijn de zede-
loozen en ketters. — Strijd tegen de Kerk door Christus
voorzegd. — De Kerk kan niet vergaan; voorzegging
van Christus. — Elke Christen is een soldaat, die zijne
vijanden heeft: den duivel, de wereld en het vleesch. —
Het wapen tegen de vijanden is de Rozenkrans. — Kracht
van den Rozenkrans.
VERDEELING.
I. Met den Rozenkrans heeft de Kerk hare vijanden
overwonnen;
II. Moet den Rozenkrans moeten wij onze vijanden
overwinnen.
-ocr page 341-
**■ 337 —
I.
De Kerk heeft te strijden gehad tegen het zedenbederf
en de ketterij. — In de dertiende eeuw tegen de Albi-
genzen, die de godheid van Christus en het goddelijk
moederschap van Maria loochenden; zij waren tevens
zedeloos. — Pogingen der Pausen en koningen, doch te
vergeefs. — De H. Dominicus neemt zijne toevlucht tot
Maria en predikt den Rozenkrans in Frankrijk en Italië,
met het beste gevolg. Meer dan honderd duizend zondaren
en ketters bekeeren zich. — Simon van Montfort verslaat,
onder de bescherming van Maria, met den Rozenkrans
de Albigenzen. — Lepante, Corcyra, Belgrado, Weenen.
— Feest van onze lieve Vrouw der Overwinningen. —
Feest van den heiligen Rozenkrans. — Maria, Hulp der
Christenen.
II.
Elke Christen heeft te strijden tegen den duivel, de
wereld en het vleesch. — De duivel valt ons op allerlei
wijze aan. — Woorden van den H. Petrus. — Wij
moeten tegen den duivel strijden met den Rozenkrans. —■
De wereld spant al hare krachten in om ons mede te
sleepen. — Wij moeten ons bedienen van den Rozenkrans
om onder de aanvallen der wereld niet te bezwijken. —
Het vleesch zet ons aan tot het zingenot. — Woorden
van den Apostel Paulus. — Om Gods genade te bekomen
moeten wij den Rozenkrans bidden.
SLUITREDE.
Hedendaags wordt de Kerk op nieuw vervolgd; wij
moeten onze toevlucht nemen tot Maria en den Rozen-
krans bidden. — De negentiende eeuw schijnt uit in het
22.
-ocr page 342-
- 338-
zedenbederf. —■ Middelen om de zeden te bederven :
schouwburgen, slechte drukpers, slechte scholen. — De
negentiende eeuw schijnt uit in de ketterij. — De oud-
katholieken. —Dwaalleeraars: vrijdenkers, liberalen, katho-
liek-liberalen. — De dertiende eeuw had de Albigenzen;
de negentiende eeuw heeft hare Albigenzen. — De zes-
tiende eeuw had de Turken; de negentiende eeuw heeft
hare Turken, die verder gaan dan de Turken der zes-
tiende eeuw. — Wij moeten tegen de algemeene vijanden
der Kerk strijden met den Rozenkrans; ook tegen de
vijanden onzer zaligheid. — Wij moeten tijdens de maand
October dagelijks bidden ten minste een Rozenhoedje.
Twee en twintigste Preek.
»i                                            -----------------------------
De H. Rozenkrans.
Erant perseverantes unanimiter in
oratione cum Maria, Matre Jesu.
Zij volhardden eensgezind in het gebed
met Maria, de Moeder van Jezus.
(Act. I, 14.)
VOORREDE.
Alle geloovige Christenen, met den Paus van Rome
aan het hoofd, over gansch den aardbodem verspreid,
maken de strijdende Kerk van Christus uit. Te recht
wordt de Kerk van Christus op aarde de strijdende Kerk
genoemd. Van het begin harer opkomst, tot den dag
van heden, heeft zij te strijden gehad, en zal zij te
-ocr page 343-
=- m --
strijden hebben tot het einde der eeuwen. Daarop zal
de strijdende Kerk in de triomfeerende overgaan.
Ue vijanden der strijdende Kerk zijn tweederlei: de A
zedeloozen en ketters. Ja, \'t is tegen het zedenbederf
en de ketterij dat de Kerk van Christus te strijden heeft.
Tegenover het zedenbederf stelt zij hare zuivere zedenleer;
tegenover de ketterij hare ware geloofsleer.
                       _^
Die strijd der Kerk, B. B., moet niemand verwonderen.
Immers, Jezus-Christus, haar stichter, heeft hem voorzegd.
De knecht, zoo sprak Jezus zekeren dag tot zijne Apos-
telen, de knecht staat niet boven den Heer; noch de
dienaar boven zijn meester; bijaldien zij mij vervolgd
hebben, zij zullen u ook vervolgen: Si me persecuti sunt
et vos persequentur.
(i) En daarop begon die reeks van
vervolgingen, de eene al verschrikkelijker dan de andere,
die het bloed der Martelaren deden stroomen.
De zedelooze mensch kan de zuivere zedenleer van
Christus niet verdragen; hij staat er tegen op en valt
de deugdzame Christenen aan.
De ketterij kon ook niet uitblijven. De Apostel Paulus
sprak reeds in zijnen tijd van ketterijen. Oportet et
heteresses esse,
(2) zeide hij: Er behooren ketterijen te
zijn, d. w. z., aangezien \'s menschen onstandvastigheid,
zijne hoovaardigheid en zucht naar nieuwigheden, is het
onmogelijk dat er geene ketterijen ontstaan, en vandaar
die reeks van dwalingen, de eene al ongerijmder dan de
andere. De ketter kan de ware geloofsleer van Christus
niet verdragen; hij staat er tegen op en valt de geloo-
vige Christenen aan. Doch alles, B. B., te vergeefs. Ja,
de zedeloozen en ketters spannen te vergeefs tegen de
Kerk te zamen. Waarom? De Kerk is het werk van
(t) Joan. xv, 20. (3) 1 Cor. tl, 19.
-ocr page 344-
— 34o —
God, en God heeft gezegd: Ik ben met u tot aan het
einde der eeuwen: Ego vobiscum sum usque ad consnm-
mationem saeculi
(i) Betrouwt op mij, want ik heb de
wereld overwonnen, de wereld met haar zedenbederf en
hare ketterij: Confidete, ego vici mundum. (2) De machten
der hel zullen tegen de Kerk niet vermogen: Et portae
inferi non praevalebunt adversus eam.
(3) Ziedaar, B. B.,
de Kerk van Christus, d. i., alle geloovige Christenen
met den Paus van Rome aan het hoofd; zij is gelijk
aan een leger in slagorde geschaard.
Doch buiten de strijdende Kerk, waarvan wij allen
deel maken, is elke Christen op zich een soldaat, die
zijne vijanden heeft. Die vijanden zijn de duivel, de
wereld en het vleesch; hij moet hen bestrijden en over-
winnen of sterven.
Wijl de vijanden der Kerk en die van eiken Christen
talrijk en machtig zijn, zoo heeft de Kerk en elke Christen
krachtige wapenen noodig om hen te bestrijden. Die
wapenen, B. B., zijn ook talrijk, doch een der voor-
naamste is het gebed, en onder de gebeden is een der
voornaamste het gebed tot Maria, dat men Rozenkrans
noemt.
Wijl wij vandaag het feest van den H. Rozenkrans
vieren, heb ik voorgenomen u een weinig over de kracht
van dat gebed te onderhouden. Wij zullen zien:
I. Dat de Kerk met den Rozenkrans hare vijanden
overwonnen heeft;
II. Dat wij onze vijanden met dat gebed moeten
overwinnen.
(1) Matth. XXVIlt, 20. (2) Joan. XVI, 23. (3) Matth. XVI, 18.
-ocr page 345-
— 341 —
I.
De Kerk, B. B., heeft altoos hare vijanden gehad.
Zij heeft te strijden gehad tegen het zedenbederf en de
ketterij; zij heeft er over gezegevierd, en zij heeft er
over gezegevierd met den Rozenkrans. Om u van die
waarheid te overtuigen, moet ik u verhalen de instelling
van den Rozenkrans. Ziehier in \'t kort de geschiedenis
dier instelling.
In het begin der dertiende eeuw — 1208 — eeuw, A
alom berucht om haar zedenbederf en ongeloof, ontstond
er op de grenzen van Frankrijk en Italië een afschuwe-
lijke ketterij. Die ketterij vestigde zich vooral in de
omstreken van Albi en richtte daar de grootste verwoes-
tingen aan. Vandaar ook dat die ketters Albigenzen__
genoemd worden. De Albigenzen leerden wel is waar
geene nieuwe dwalingen, doch zij hadden oude, die der
Manicheën, overlang reeds veroordeeld en gedoemd, op
nieuw voor den dag gehaald. Het hoofdpunt hunner \'jf,
ketterij bestond in het loochenen van de godheid van
Christus en van het goddelijk moederschap der allerhei-
ligste Maagd Maria. Jezus-Christus, zoo leerden zij onder
anderen, is geen God; bijgevolg is ook Maria de Moeder
van God niet. Bij de ketterij voegden zij nog de schan-
delijkste zeden.
De Pausen wel is waar hadden hunne Legaten gezon- 7^
den om de ketterij te wederleggen; de Albigenzen luis-
terden niet. De katholieke Vorsten hadden de dapperste
veldheeren met hunne legers doen oprukken om de ketters
te verslaan; alles te vergeefs. Noch Pausen met hunne
godgeleerden, noch veldheeren met hunne soldaten zijn
in staat de vijanden der Kerk te overwinnen. Die over-
winning is voor een andere persoon weggelegd, en die
-ocr page 346-
342 —
persoon is Maria. Maria die met haar vlekkeloozen voet
den kop van het helsche serpent verpletterd heeft, van
welke de H. Kerk zegt, dat haar de macht gegeven is
om alle ketterijen in de gansche wereld uit te roeien;
Maria, mits men haar bidde, mits men haren bijstand
inroepe, zal die ongelukkige, bedorven en afgedwaalde
broeders tot den waren schaapstal, dien zij verlaten hebben,
d. i. tot de Kerk van Christus, terug brengen. Tot dat
groot werk kiest zij een dienaar uit, en die dienaar is
de H. Dominicus.
Dominicus, de stichter der Predikheeren Orde, had reeds
op vele plaatsen het woord Gods verkondigd en het
zedenbederf en de ketterij bestreden. Hij werd door den
Paus gezonden om de ketterij der Albigenzen te bestrij-
den. Dominicus spant al zijne krachten in; hij wederlegt
de dwaling, predikt als het ware aanhoudend; en nochtans,
het werk Gods gaat langzaam vooruit, weinigen die van
leven veranderen, weinigen die hunne dwalingen afzweren.
Dominicus ziet weldra in, dat de onderneming zijne
krachten te boven gaat. Vol droefheid over de oneer,
die God en zijne Moeder wordt aangedaan, treurt hij
tevens over het ongeluk, waarin zoovelen zich neder-
storten. Hij stort bittere tranen, neemt zijne toevlucht
tot Maria en beveelt haar tevens aan, de Godheid van
haren Zoon en haar goddelijk moederschap tegen de
aanvallen der ketters te verdedigen. Die tranen zijn niet
te vergeefs gestort; zijne toevlucht is niet te vergeefs
tot Maria genomen. Maria zelve gelijk de overlevering
ons meldt, verschijnt aan haren dienaar en spreekt hem
in dezer voege aan: „Weet, o mijn zoon! — zoo sprak
„Maria — weet dat de H. Drievuldigheid zich van de
„groetenis des Engels bediend heeft om de zaligheid der
„wereld te bewerken.... Wilt gij dus de versteende
-ocr page 347-
— 343 —
„harten overwinnen, predikt dan mijnen „Rozenkrans.",__
Ha! B, B., nu is Dominicus gered; nu heeft hij het ^v
middel, het wapen gevonden; \'t is met den Rozenkrans,
dat hij zal te velde trekken; \'t is met den Rozenkrans,
dat hij èn zedenbederf, èn ketterij zal aanvallen en over-
winnen. En inderdaad; Dominicus, door de verschijning
van Maria opgebeurd en door hare woorden aangemoe-
digd, herneemt zijne moeielijke taak; hij gaat steden en
dorpen rond, predikt aan allen, aan rijk en arm, aan
groot en klein, aan geleerd en ongeleerd, aan Geloovigen
en ketters den Rozenkrans. Welk is het gevolg? Met
groot genoegen ziet Dominicus tot glorie van God, tot
verheerlijking van Maria en tot zaligheid der zielen, zijnen
arbeid met den besten uitslag bekroond. Dominicus V
predikt den Rozenkrans in Frankrijk en Italië, overal
waar hij komt, en ziet! eensklaps, gelijk een H. Paus,
Pius V, verklaart, worden de Christenen in andere men-
schen herschapen, de aarde verandert van gedaante. Meer
dan honderdduizend zondaren, die het pad der deugd
verlaten hadden, komen tot inkeer.
Hetgeen de H. Dominicus tegen het zedenbederf ver-
mocht, hetzelfde vermocht hij tegen de ketterij. Naar
de getuigenis van Paus Leo X viel hem het geluk te */
beurt, meer dan honderdduizend ketters tot den schoot
der H. Kerk, dien zij verlaten hadden, terug te brengen. —
Doch niet alleen Dominicus en zijne navolgers zege- v
vieren met den Rozenkrans over het zedenbederf en de
ketterij; de christen vorsten zegevieren met hetzelfde
wapen over de vijanden des Christendoms.
                         —
Ziehier, B. B., wat de geschiedenis ons dienaangaande v
heeft aangeteekend. Simon van Montfort, een christen
veldheer, maakt het besluit de overige ketters, die hard-
nekkig in hunne dwalingen volhardden, uit te roeien,
-ocr page 348-
— 344 —
Doch ziet! zijn leger telt veel minder soldaten dan dat
der ketters. Simon ziet zich weldra door eene menigte
vijanden omringd; hij verliest den moed niet. De christen
veldheer en zijne soldaten stellen zich onder de bescher-
ming van Maria; zij wisselen een oogenblik het zwaard
tegen den Rozenkrans; zij wonen het H. Sacrificie der
Mis bij, naderen tot de H. Tafel; daarna richten zij zich
op, en onder hunne standaarden geschaard, waarop de
Rozenkrans prijkt, vallen zij als leeuwen de Albigenzen
aan, vellen den vijand bij duizenden neder, en roeien de
ketters geheel en al uit. Aan wien de overwinning?
Aan den Rozenkrans, d. i., aan Maria, aangeroepen in
den Rozenkrans. Ja, B. B., Simon van Montfort ver-
klaarde meer dan eens, dat hij de overwinningen meer
aan de gebeden van den H. Dominicus dan aan zijne
wapenen te danken had; en de ketters verklaarden, dat
zij banger waren voor den Rozenkrans van Dominicus,
dan voor het zwaard van den graaf van Montfort, en dat
zij meer verschrikten op het hooren van de gezangen
der priesters, die door Maria den bijstand van God
afsmeekten, dan op het hooren van het gekletter der
wapenen. Doch de overwinning met den Rozenkrans op
de Albigenzen is niet de eenige, noch de voornaamste
der overwinningen, op de vijanden des Christendoms
behaald. Te Lepante bedreigen de Turken de gansche
christenwereld, en zij worden verslagen. Het eiland Corsira
is door de Turken belegerd en wordt ontzet. Belgrado,
door de Turken ingenomen, wordt opnieuw veroverd.
Weenen het bolwerk der Christenheid, wordt omsingeld;
in den uitersten nood gebracht, zal het weldra bezwijken;
op het punt van in de handen der Turken te vallen,
wordt het gered. Denkt gij nu, B. B., dat het een Don
Juan van Oostenrijk, een Prins Eugenius, een Joan Sobièski,
-ocr page 349-
— 345 —
koning van Polen, denkt gij dat het de veldheeren der
Christenen zijn, die overwinning op overwinning behalen,
die den vijand bij duizenden nedervellen, en die Europa
van den slavernij en den ondergang bevrijden? O voor-
zeker, die veldheeren hebben bijgedragen; doch tegen
de overmacht der Turken onbestand, zouden zij onge-
twijfeld bezweken zijn, waren zij niet bijgestaan geweest
door Maria, \'t Is dus Maria, die de overwinningen ge-
schonken, \'t is Maria, die ons allen gered heeft. O, onze
Moeder de H. Kerk overtuigd, dat zij aan Maria hare
redding te danken heeft, vergat hare weldoenster niet.
Zij stelde tot eeuwige gedachtenis het feest van onze
lieve Vrouw der Overwinningen in. Daarom wilde zij
dat het feest van den H. Rozenkrans plechtig gevierd
werde; daarom noemt zij Maria de Hulp der Christenen,
en doet zij nog dagelijks de gewelven harer tempels tot
lof en eer van Maria weergalmen: Maria, Hulp der
Christenen! Bid voor ons. (i)
Wij hebben gezien, B. B., dat de H. Kerk hare vijan-
den met den Rozenkrans overwonnen heeft; thans zullen
wij nog in \'t kort zien, dat wij met hetzelfde wapen de
vijanden onzer zaligheid moeten overwinnen.
II.
Ieder Christen, B. B., is op zich, gelijk ik in den beginne
gezegd heb, een soldaat, en als soldaat heeft hij zijne
vijanden te bestrijden. Welke zijn die vijanden? Die
vijanden zijn drie in getal: de duivel, de wereld en het
vleesch. De eerste vijand is de duivel. De duivelen,
sedert zij om hunne hoovaardig- en ongehoorzaamheid
uit den hemel gedreven en in den afgrond der hel neder-
(i) Auxilium Christianorum O, P. N (Lit. Laur),
-ocr page 350-
— 34<5 —
geworpen zijn, haten niet alleen God, maar benijden ons
tevens het geluk, de plaatsen in den hemel, die zij
verloren hebben, te kunnen innemen. Vandaar dat zij
aanhoudend op ons ongeluk uit zijn. Den oorlog op
leven en dood, dien zij ons verklaard hebben, zetten zij
immer met verdubbelde woede voort; zij vinden allerlei
listen uit, spannen overal strikken, leggen overal hinder-
lagen om ons in de zonde te doen vallen en vervolgens
met zich naar de hel te sleuren. De H. Schrift spreekt
ons duidelijk van den strijd tegen de duivelen. Wij
hebben te kampen, zegt de Apostel Paulus, niet alleen
tegen vleesch en bloed, maar ook tegen de machten der
duisternissen, tegen de booze geesten. De Apostel Petrus
leert uitdrukkelijk, dat de duivel aanhoudend rondloopt
als een brieschende leeuw, zoekende, wien hij kan ver-
slinden: Quaerens quetn devoret. (i) Hoe zullen wij, zwakke
schepselen, die sterke vijanden nu overwinnen? Van welk
wapen zullen wij ons bedienen in dien zoo gevaarvollen
strijd? Van het gebed, B. B., van het gebed tot Maria;
ja, met den Rozenkrans in de hand zullen wij de duivelen
op de vlucht drijven en hunne pogingen verijdelen.
De tweede vijand is de wereld. De bedorven wereld
spant vooral in onze tijden al hare krachten in, om ons
ongelukkig te maken. Welke middelen gebruikt zij niet
om ons te verderven? Zij spreidt hare grootheiden pracht,
hare schatten en rijkdommen, hare vermaken en pleizieren
ten toon. Komt aan! roept de bedorven wereld, volgt
mij en geniet van hetgeen ik u te genieten aanbied,
terwijl het tijd is; en wij, wij zwakke, broze menschen,
die door vleien en streelen zoo gemakkelijk te verleiden
zijn, hoe zullen wij aan de aanvallen der bedorvene
(l) Petr. v, 8,
-ocr page 351-
— 347 —
wereld wederstaan? Van welk wapen zullen wij ons
bedienen om dien geduchten vijand af te weren? Van
het gebed, van het gebed tot Maria, van den Rozenkrans;
daarmede zullen wij tegen de bedorven wereld ten strijde
trekken, daarmede zullen wij hare aanvallen zegevierend
afslaan.
De derde vijand is het vleesch. Wie onzer kent dien
vijand niet? Paulus, de groote Apostel der volkeren, die
zelfs tot in den derden hemel opgenomen was geweest,
Paulus had dien gevaarlijken vijand te bestrijden. Ik
voel, zoo sprak hij, in mijne leden eene wet, die in strijd
is met de wet des geestes. Hij maakte er zijn beklag
over bij God en vroeg er van verlost te worden; doch
God antwoordde hem: Sufficit tibi gratia mea: (i)
Mijne genade is u voldoende, namelijk, de genade om
dien vijand te kunnen overwinnen. Paulus dus, gelijk
gij ziet, had de genade van God noodig, om in de beko-
ringen niet te bezwijken. Hoeveel te meer hebben wij
dan die genade niet noodig, om onze kwade driften, die
door den duivel en de wereld nog worden aangevuurd,
te beteugelen, ten einde niet in de zonde tegen de
schoone deugd te vallen? En hoe zullen wij die genade
bekomen? Door het gebed, B. B., door het gebed tot
Maria, door den Rozenkrans, en wij zullen als kloeke
helden niet alleen den duivel en de wereld overwinnen,
doch kloekere helden zullen wij nog grootere overwin- X
naars zijn, overwinnaars van ons zelven. Ziedaar. B. B.,
hoe wij, door onze toevlucht tot Maria te nemen, door
den Rozenkrans te bidden, de vijanden onzer zaligheid
zullen overwinnen.
(0 II Cor, xii, 9.
-ocr page 352-
- 348 -
SLUITREDE.
Wat moeten wij nu uit deze rede over de kracht van
den Rozenkrans besluiten? De H. Kerk heeft er eertijds,
gelijk wij gezien hebben, hare vijanden mede overwonnen.
Hedendaags wordt de H. Kerk opnieuw hevig vervolgd;
wij moeten dus wederom onze toevlucht nemen tot den
Rozenkrans, opdat zij hare vijanden op nieuw overwinne.
De H. Kerk wordt hedendaags op nieuw hevig ver-
volgd ; niemand onzer is die vervolging onbekend. De
negentiende eeuw schijnt ook uit in het zedenbederf
en de ketterij. Zij schijnt uit in het zedenbederf. Hoe
vele zedeloozen treft men in onze eeuw niet aan? Welke
middelen gebruiken zij niet om de zeden van het volk
te bederven ? Het geld wordt met millioenen weggesmeten
tot het bouwen van schouwburgen en theaters; en wat
wordt daarin gedaan en vertoond ? De slechte drukpers
verspreidt alom in steden en dorpen haar doodend vergif.
Het onderwijs moet goddeloos zijn, en men heeft gezworen
niet eerder te rusten, alvorens het laatste Christus\' beeld
uit de laatste school gebannen zij. Ja, Christus moet
uit de samenleving verdwijnen.
De negentiende eeuw schijnt uit in de ketterij, zij heeft
hare ketters en dwaalleeraars; hare ketters, zooals onder
anderen de oud-katholieken, die de onfeilbaarheid van den
Paus met hardnekkigheid verwerpen; zij heeft hare dwaal-
leeraars voor het minste, als zijn de vrijdenkers, de
liberalen, de katholiek-liberalen, die twee heeren willen
dienen, hetgeen Jezus-Christus nochtans onmogelijk ver-
klaart. De Kerk in de negentiende eeuw heeft dus hare
vijanden, de zedeloozen en ketters.
De dertiende eeuw had de Albigenzen; deze randden
de kerken en kloosters aan, roofden de heiligen vaten,
-ocr page 353-
— U9 —
joegen de kloosterlingen en God gewijde maagden üit,
dreven de Bisschoppen en Priesters op de vlucht of
wierpen hen in de gevangenis. En wat is er gebeurd,
en wat gebeurt er nog in de negentiende eeuw in Italië.
Frankrijk, Zwitserland en Duitschland ? B. B., zeggen wij
de waarheid, de negentiende eeuw heeft hare Albigenzen.
De zestiende eeuw had de Turken. Die zedelooze en
dweepzieke volgelingen van Mahomet hadden den onder-
gang van het Christendom gezworen; zij hadden het
vooral op de hoofdstad der christenwereld, op Rome
gemunt; Rome zou vallen, gelijk Constantinopel gevallen
was; de halve maan van Mahomet zou het kruis van
Christus vervangen: doch ziet! het Opperhoofd der Kerk
verheft zijne stem; de Paus van Rome zet de katholieke
vorsten en koningen aan om het geloof en den H. Stoel te
verdedigen; de vorsten en koningen luisteren naar de stem
des Pauses; zij trekken hunne legers te zamen, rukken tegen
de Turken op en verslaan, alhoewel veel zwakker, onder
de bescherming van Maria een veel sterkeren vijand; Rome
is gered, de christenwereld is behouden. En in de negen-
tiende eeuw? Mijn God! Wat ziet men er in gebeuren?
De kerkelijke staten worden ingenomen, Rome wordt
bedreigd. De Paus Pius IX, z. g. verheft zijne stem;
hij zet de keizers en koningen aan, om de rechten en
goederen van den H. Stoel te verdedigen; geen enkele
die den Paus te hulp snelt, velen die zijnen vijanden de
hand leenen en hen bijstaan, \'t Is waar, eene hand vol
dapperen, uit verschillende landen samengestroomd, had-
den zich rondom den Paus geschaard; zij hadden besloten
den H. Vader tot den laatsten druppel van hun bloed
te verdedigen; doch door de overmacht overmand, wer-
den zij verpletterd. Castelhdardo, Mentana, enz. zien
eene menigte dier dappere kruisridders van de negen-
-ocr page 354-
*-. $$ö —■
tiende eeuw sneven; de overigen zijn genoodzaakt de
wapenen neer te leggen; Rome is ingenomen, de heiligste
rechten der christenwereld zijn laf geschonden. Welnu,
B. B., ik vraag het, de negentiende eeuw, heeft zij ook
hare Turken ? Ja, zij heeft hare Turken, Turken, die
verder zijn gegaan dan de Turken der zestiende eeuw.
Ziedaar hoever wij gekomen zijn. Welk middel nu
tegen die menigte rampen, die Rome en gansch de
katholieke wereld teisteren? Wij Katholieken, kinderen
onzer Moeder de H. Kerk, wij allen moeten als één
man opstaan en de wapenen aangorden. Ja, te wapen ! /
B. B., te wapen! En welk wapen aangorden? Het wapen
des gebeds, het gebed tot Maria, den Rozenkrans. Daar-
mede moeten wij tegen de vijanden der H. Kerk te
velde trekken ; daarmede zullen wij vroeg of laat over-
winnen. Houden wij dus aan met bidden en met Maria__
te bidden naar het voorbeeld der eerste Christenen, van
welke de H. Schrift zegt: Zij volhardden eensgezind
in het gebed met Maria, de Moeder van Jezus: Erant
perseverantes unanimiter in oratione cum Maria Matre
Jesn.
(i) Bidden wij dus den Rozenkrans of ten minste \'
het Rozenhoedje tijdens de maand October, maand aan^
onze lieve Vrouw van den H. Rozenkrans toegewijd.
Bidden wij hem in de kerk, in ons huisgezin \'s avonds
te zamen. Bidden wij hem voor den Paus van Rome,
voor de overigen die vervolging lijden, voor gansch de
H. Kerk. Bidden wij hem ook voor ons zelven. De
Paus van Rome en de H. Kerk zullen vroeg of laat
hunne vijanden overwinnen; zij zullen eenmaal zegevieren.
Wij, wij ook zullen de vijanden onzer zaligheid, den
duivel, de wereld en het vleesch overwinnen; wij ook
(i) Ach. i, 14,
-ocr page 355-
- 3$i -
zullen eenmaal zegevieren; en na als echte soldaten der A
strijdende Kerk van Christus gestreden en reeds over-
wonnen en gezegevierd te hebben hier op aarde, zullen
wij ook nog het geluk hebben, als leden der triom-
feerende Kerk van Christus in eeuwigheid te zegevieren
in den hemel. Amen.
*
-ocr page 356-
Drie en twintigste Preek.
A llerh eiligen.
Sancti estote, quia ego sanctus snm.
Weest heilig, wijl ik heilig ben.
(Lev. XI, 44.)
INHOUD.
VOORREDE.
Na de feesten van onzen Heer Jezus-Christus en Maria
viert de H. Kerk de feesten Harer Heiligen. — Opdat
niet een Heilige van de eer, welke hem toekomt, verstoken
blijve, viert zij het feest van alle Heiligen te zamen. —
Welke zijn die Heiligen? Antwoord van het Evangelie
van den dag.
VERDEELING.
I. Wij allen kunnen heilig zijn ;
II. Wat wij moeten doen om heilig te wezen.
I.
Wij allen kunnen heilig zijn. — Er bestaat voor ons
geen beletsel, om heilig te zijn, noch in onze zwakheid,
noch in onze driften; de Heiligen waren zwak gelijk wij,
zij hadden hunne driften gelijk wij; noch in onzen levens-
-ocr page 357-
-3*3 -
staat, noch in de bezigheden van ons beroep; zekere
Heiligen beleefden denzelfden staat, dien wij beleven, zij
hadden dezelfde bezigheden, die wij hebben; noch in het
gebrek aan middelen; wij hebben dezelfde middelen,
welke de Heiligen hadden: de Biecht, het Sacrament des
Altaars, het H. Sacrificie der Mis, de sermonen en onder-
richtingen, het gebed, enz. — Zoo wij niet heilig zijn,
het komt voort, niet uit gebrek aan middelen, maar uit
gebrek aan wil en moed.
II.
Wat moeten wij doen om heilig te wezen?
Om heilig te wezen, behoeven wij niet met buitenge-
wone gaven verrijkt te zijn, noch buitengewone werken
te verrichten: de gaaf om voorzeggingen te doen, om
verschillende talen te spreken, om wonderen te verrich-
ten. — De Apostelen en Martelaren. — Wij moeten in
staat van genade en deugzaam zijn: ootmoedig, gehoor-
zaam, geduldig, rechtvaardig, matig, voorzichtig, kuisch,
enz. —; Wij moeten het kwaad schuwen en het goede
doen, de geboden van God en de H. Kerk onderhouden,
de plichten van onzen staat volbrengen, de bezigheden
van ons beroep naar behooren verrichten, alles doen tot
glorie van God en tot zaligheid onzer ziel. — Voorbeel-
den: de H.H. Homobonus, Monica, Isidorus, Walstanus,
Genoveva, Zita.
SLUITREDE.
Wij kunnen hetgeen de Heiligen gekunnen hebben;
niets belet het ons. —> Wij behoeven niet met buiten-
gewone gaven verrijkt te zijn, noch buitengewone werken
te verrichten. —» Wij moeten in staat van genade en
deugdzaam zijn. — Wij moeten de geboden van God en
-ocr page 358-
- 354-
de H. Kerk onderhouden, de plichten van onzen staat
volbrengen en de bezigheden van ons beroep naar be-
hooren verrichten ; dan zullen wij de Heiligen navolgen
in hunne heiligheid en bij hen in den hemel komen.
----------$~4~.---------
Drie en Twintigste Preek.
Allerheiligen.
Sancti estote, quia ego sanctus sum.
Weest heilig, wijl ik heilig ben.
(Lev. XI, 44.)
VOORREDE.
Na de feesten, B. B., welke onze Moeder de H. Kerk
in den loop van het jaar viert ter eere van onzen Heer
Jezus-Christus en zijne Moeder, de allerheiligste Maagd
Maria, viert zij ook menig feest ter eere van hare Hei-
ligen; doch wijl het onmogelijk is, aangezien het over-
groot getal Heiligen, eiken Heilige afzonderlijk te vieren,
daarom heeft zij, omdat er niet ééne beroofd blijve van
de eer, die wij aan allen moeten geven, een algemeen
feest ingesteld ter eere van alle Heiligen te zamen, en
\'t is heden dat wij dat feest plechtig vieren. Tevens
leert ons de H. Kerk in het Evangelie van dezen dag,
wie er door de Heiligen moeten verstaan worden. Luis-
tert, B. B., naar het Evangelie. „Jezus — zoo zegt de
„H. Mattheus — de scharen ziende, beklom den berg;
„en toen hij zich had nedergezet, kwamen zijne leerlin-
„gen tot Hem. En zijnen mond geopend hebbende, leerde
-ocr page 359-
— $55 -
„Hij hen, zeggende: Zalig zijn de armen van geest,
„want hunner is het rijk der hemelen. Zalig zijn de
„zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten. Zalig
„zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.
„Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de rechtvaar-
digheid, want zij zullen verzadigd worden. „Zalig zijn
„de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven.
„Zalig zijn zij, die rein van harte zijn, want zij zullen
„God zien. Zalig zijn zij, die vrede stichten, want zij
„zullen kinderen Gods genoemd worden. Zalig zijn zij,
„die vervolging lijden om de rechtvaardigheid, want
„hunner is het rijk der hemelen. Zalig zijt gij, als zij
„u beschimpt en vervolgt, en al liegende van allerlei
„kwaad beschuldigd zullen hebben, om mijnent wil;
„verheugt en verblijdt u! omdat uw loon groot is in
„den hemel: Gaudete et exnltate, quoniam merces vestra
„copiosa est in coelis."
(i) Ziedaar, B. B., de Heiligen,
van welke Jezus spreekt in zijn Evangelie.
Wanneer wij nu in ons binnenste treden en ons eens
goed onderzoeken, zullen wij dan naar waarheid kunnen
zeggen, dat wij behooren tot de verschillende klassen
van Heiligen, van welke hier spraak is? Menigeen zal
wel zoo rechtuit willen zijn en bekennen, dat er bij hem
veel te doen overblijft. Doch de een of andere zou zich
soms ook wel willen verschoonen en zich veroorloven te
zeggen, dat het hem onmogelijk is heilig te zijn. \'t Ia
om die dwaling — want dwaling, en groote dwaling is
het — te wederleggen, dat ik voorgenomen heb u vandaag,
ter gelegenheid van het feest van alle Heiligen, over de
heiligheid te spreken. Wij zullen zien :
(i) Matth. v. ia.
-ocr page 360-
3Sé —
I. Dat wij allen heilig kunnen zijn;
II. Wat wij moeten doen om heilig te wezen.
I.
Vooreerst zeg ik, dat wij allen heilig kunnen zijn.
Gereedelijk neemt eenieder, die maar een weinig ver-
stand gebruikt, aan, dat wij, willen wij eenmaal in den
hemel komen, heilig moeten zijn; en wanneer zij, die
niet voorbeeldig leven, de brave, deugdzame menschen,
d. i., de Heiligen zien, dan benijden zij den Heiligen niet
zelden hun lot, en inwendig verlangen zij hun te gelijken.
Maar is er spraak de handen aan het werk te slaan, te
arbeiden om ook heilig te worden; men verschrikt zich,
men verliest den moed, en men zou zich wijs willen
maken, dat, zou men zelfs willen, men toch nooit heilig
kan wezen. Ziedaar de dwaling. Én hoe die dwaling
wederlegd? Niets zoo gemakkelijk. Die dwaling wederlegt
men door het voorbeeld der Heiligen. De redenen, die
gij zoudt kunnen aanhalen, om te beweren, dat gij niet
heilig kunt zijn, zouden kunnen bestaan of in uwe zwak-
heid en uwe driften of in uwe levensstaat en uwe bezig-
heden, of eindelijk in het gebrek aan middelen. Welnu,
het voorbeeld der Heiligen toont, dat die redenen niets
anders dan voorwendsels zijn, dat zij niets beteekenen.
Gij haalt aan: vooreerst, uwe zwakheid en uwe driften.
Ik ben te zwak, zegt gij, en mijne driften zijn te sterk;
ik kan niet heilig zijn. En de Heiligen dan, wier feest
wij heden vieren, waren zij ook niet zwak? Hadden zij
ook niet hunne driften? Waren zij onzondige menschen,
volmaakt van natuur? Neen, B. B., volstrekt niet. Wij
stellen ons de Heiligen maar al te zeer bevoorrecht
voor. Immers, die Heiligen waren van hetzelfde stof
gemaakt als wij. In den beginne waren zij broos en
-ocr page 361-
— 357 —
zwak gelijk wij. Zij hadden dezelfde driften als wij.
Zij ook voelden de neiging tot het kwaad en den afkeer
van het goede. Zij ook werden aangevallen door de
vijanden hunner zaligheid. De duivel kwam hen ook
bekoren. De wereld met hare vermaken en pleizieren
zette hen ook aan tot zonde. Hun vleesch stond ook op
tegen den geest. En opdat wij ons volstrekt niet zouden
kunnen verschoonen, onder de Heiligen, B. B., treft men
er aan, die onder de aanvallen hunner vijanden bezweken
zijn, die zich door de duivel hebben laten bedriegen, die
zich door de wereld hebben laten medeslepen, die hunne
schandelijke driften hebben ingevolgd. Maria Magdalena
en Augustinus, waren zij geene groote zondaren? Waren
zij niet schandelijk en diep gevallen ? Welnu, die zondaren
zijn opgestaan; zij zijn groote Heiligen, eene H. Maria —
Magdalena en een H. Augustinus geworden. De eerste
reden, onze zwakheid en onze driften, bestaat dus niet.
Onderzoeken wij de tweede reden, onzen levensstaat en
de bezigheden van ons beroep.
Welken staat beleefden de Heiligen ? Welke bezigheden
hadden zij ? Waren alle Heiligen Kluizenaars of woes-
tijnbewoners ? Hadden alle Heiligen de wereld verlaten
en zich in een klooster begeven? Zijn er geene Heiligen,
die denzelfden staat beleefden, als wij; die dezelfde bezig-
heden hadden, als wij ? Zeer zeker, B. B , en er is geen
levenstaat of hij telt zijne Heiligen. Men vindt Heiligen
in alle klassen der samenleving. Men vindt Heiligen
onder de Priesters en de geloovigen; onder de klooster-
lingen en de wereldlingen, onder de koningen en de
onderdanen; onder de rijken en de armen; onder de
grooten en de kleinen; onder de gehuwden en de onge-
huwden, Ik zeg niet, B. B., dat de eene levensstaat niet
meer moeilijkheden heeft dan de andere; dat de eene
-ocr page 362-
-358-
positie niet minder gunstig is dan de andere; doch wat
er ook van zij of niet, alle levensstaten hebben hunne
Heiligen, in alle klassen der samenleving vindt men
Heiligen. Gij hebt dus geene reden om den moed te
verliezen en te zeggen: Ik kan niet heilig zijn: gij kunt
wat anderen gekunnen hebben; gij kunt dus heilig wezen.
Eindelijk, het ontbreekt ons evenmin als den Heiligen
aan middelen om heilig te zijn. Immers, God die de
oneindige wijsheid en goedheid is, wil en vordert het
onmogelijke niet. Bijaldien Hij dus wil en vordert dat
wij heilig zijn — gelijk Hij inderdaad doet, want er
staat in de H. Schrift!: Hacc est voluntas Dei sanctificatio
vestra:
(i) Deze is de wil van God, uwe heiligmaking;
en: Weest heilig, wijl ik heilig ben: Sancti estote, quia
ego sanctus siim ;
(2) — bijaldien Hij zulks wil en vordert,
\'t is een klaar bewijs, dat Hij ons ook wil en zal bijstaan,
dat Hij ons de genade wil en zal geven, die wij noodig
hebben om heilig te wezen. En inderdaad, geeft God
u die genade niet? Zonder te spreken van de inwendige
genaden, van de heilzame gedachten en heilige begeerten,
die Hij als het ware onafgebroken in uwen geest en in
uw hart voortbrengt; nu eens, om u van het kwaad
terug te houden, de zonde te doen vluchten; dan wederom,
om u tot het goede aan te zetten, de deugd te doen
oefenen; nu eens, om u van de wereld te onthechten;
dan wederom, om u tot zich te trekken; al die inwendige
genaden daargelaten, welke ons toch zeker ook niet
ontbreken, bezitten wij niet dezelfde genaden, dezelfde
bovennatuurlijke middelen ter zaligheid, die de Heiligen
bezaten ? Kunnen wij niet evenals zij tot de H. Sacra-
menten naderen, te biechten gaan om onze zielen te
(1) I Thes. iv, 3. (2) Lev. xi, 44.
-ocr page 363-
— 359 —
zuiveren van de zonden, tot de H. Tafel naderen om
onze zielen te voeden met het Brood der sterken? Kunnen
wij niet evenals zij het H. Sacrificie der Mis bijwonen,
dat dagelijks in onze kerken wordt opgedragen? Kunnen
wij niet evenals zij de sermonen en onderrichtingen
bijwonen, waarin geleerd wordt, hoe wij ons te gedragen
hebben om heilig te wezen? Kunnen wij niet evenals
zij bidden, onze toevlucht nemen tot God en zijne Heili-
gen? In een woord, kunnen wij niet evenals zij gebruik
maken van de middelen ter zaligheid, waaraan onze
Moeder de H. Kerk zoo rijk is, en die zij haren kinderen
zoo goedgunstig aanbiedt? Komaan! B. B., spreken wij
rechtuit; \'t is niet uit gebrek aan middelen, maar uit
gebrek aan wil en moed, dat wij niet heilig zijn. Wij
moeten het willen, maar krachtdadig willen; wij moeten
dus de middelen ter zaligheid gebruiken, gelijk de Heiligen
deden. Wij moeten moed toonen; wij moeten ons wat
moeite geven, ons eenige opofferingen getroosten, gelijk
de Heiligen deden; en dan, maar ook dan alleen kunnen
wij heilig wezen.
Wij hebben dus gezien, B. B., dat wij allen heilig
kunnen zijn. Onze zwakheid en onze driften zijn geen
beletsels; onze levenstaat en de bezigheden van ons be-
roep evenmin ; ook ontbreken ons de middelen niet om
heilig te zijn. Zien wij nu in ons tweede punt, wat wij
moeten doen om heilig te wezen. Dit punt is niet min-
der belangrijk dan het eerste.
II.
In de wereld, althans onder zekere personen, is men
van meening, dat men om heilig te zijn moet verrijkt
zijn met buitengewone gaven; dat men buitengewone
-ocr page 364-
360 —
werken moeten verrichten. Neen, B. B., noch het een,
noch het ander is noodig om heilig te zijn.
Vooreerst, om heilig te zijn is het niet noodig, ver-
rijkt te zijn met buitengewone gaven; noch met de gave
om voorzeggingen te doen, noch met de gave om ver-
schillende talen te spreken, noch met de gave om won-
deren te verrichten. Bijgevolg behoeft gij geen Profeet,
geen taalkenner, geen wonderdoener te zijn om heilig te
wezen. Doch weet gij, waarmede gij verrijkt moet zijn?
Gij moet verrijkt zijn met de heiligmakende genade, met
dat bovennatuurlijk sieraad van God, waardoor de ziel
schoon en aangenaam is aan God en door Hem bemind
wordt. Gij moet verrijkt zijn met een schat van deug-
den ; met de drie goddelijke deugden, met een levend
geloof, eene vaste hoop en eene vurige liefde; met de
zedelijke deugden, en vandaar dat gij onder anderen
ootmoedig, gehoorzaam, matig, geduldig, voorzichtig,
rechtvaardig, kuisch, enz. moet wezen.
Vervolgens, om heilig te zijn is het niet noodig, bui-
tengewone werken te verrichten. Gij behoeft niet, evenals
de Apostelen, de zeeën over te steken, om alom het
Evangelie te gaan verkondigen. Gij behoeft niet, evenals
de Martelaren, uw bloed voor het geloof te vergieten;
die buitengewone werken behoeft gij niet te verrichten;
neen, dat is niet noodig; maar weet gij wat er noodig is
om heilig te zijn? Daartoe is noodig het kwaad te schu-
wen en het goede te doen: Declina a malo et fac bo-
num.
(i) En bijgevolg moet gij vluchten de zonde, de
vrijwillige gevaren en gelegenheden van zonde; gij moet
de deugd oefenen, de goddelijke en zedelijke deugden,
welke ik reeds genoemd heb; gij moet goede werken
(i) Ps. xxxvi, 27.
-ocr page 365-
-3*
verrichten, als zijn: bidden, vasten en aalmoezen geven,
d. w. z., werken van godsvrucht, versterving en boet-
vaardigheid, geestelijke en lichamelijke werken van barm-
hartigheid jegens den evennaaste, eenieder volgens zijn
vermogen.
Wat is er nog meer noodig om heilig te zijn? Daartoe
is noodig en volstrekt noodig, dat gij de geboden van
God onderhoudt, en vooral de twee groote geboden,
waarin alle andere begrepen zijn, namelijk, het gebod
van God te beminnen bovenal om Hem zelven, en het
gebod van den evenmensch te beminnen gelijk u zelven
om God. Daartoe is noodig, dat gij de geboden der
H. Kerk onderhoudt, aan welke God wil dat gij gehoor-
zaamt, gelijk aan Hem zelven. Daartoe is noodig, dat
gij stipt nakomt de plichten van uwen staat; dat gij,
tevreden met uw lot, de bezigheden van uw beroep naar
behooren verricht, uwe werken aan God opdraagt, alles
doet tot glorie van God en tot zaligheid uwer ziel.
Ziedaar, B. B., wat er noodig is om heilig te zijn: geene
buitengewone gaven, neen; maar wij moeten in staat van
genade en deugdzaam zijn: geene buitengewone werken,
neen; maar wij moeten de geboden onderhouden, ons
van onze plichten kwijten en onze gewone bezigheden
verrichten met een goed inzicht, tot glorie van God en
tot zaligheid onzer zielen.
Uit hetgeen ik gezegd heb, B. B., blijkt dat de hei-
ligheid zoover niet te zoeken is, dat zij niet boven onze
macht is. Denkt of zegt dus niet: Mijne bezigheden
beletten mij langer te bidden, meer naar de kerk te
gaan, andere werken van godsvrucht te verrichten en
bijgevolg beletten zij mij heilig te wezen. Neen, volstrekt
niet; maar zorgt uwe bezigheden te heiligen, door ze
aan God op te dragen, door ze te verrichten wijl en
-ocr page 366-
— 362 —
gelijk God het wil, d. i., tot glorie van God en tot zalig-
heid uwer ziel. Op die wijze zult gij heilig wezen; zoo
en niet anders zijn er velen heilig geworden. Halen wij
slechts eenige voorbeelden aan.
Wie was Homobonus, en hoe is hij een Heilige ge-
worden? Homobonus was gehuwd en koopman. Hij was
een braaf en deugdzaam man. Deed hij buitengewone
werken? Neen, maar Homobonus legde zich toe op den
handel, gelijk het behoort en met vlijt. Inzonderheid
beoefende hij de deugd van rechtvaardigheid; voor al
het goud der wereld zou hij nooit in het minste iemand
te kort hebben gedaan. God zegende zijn ondernemingen.
Homobonus werd rijk, doch van het geld en goed, dat
God hem schonk, deelde hij volgaarne en ruimschoots
mede aan de armen; ja, Homobonus was bijzonder mild-
dadig. Hij was ook een man des gebeds. Hij bad goed
\'s morgens en droeg zijne werken aan God op. Bijna
dagelijks woonde Homobonus \'s morgens, alvorens zijnen
handel te beginnen, het H. Sacrificie der Mis bij. Ziedaar
hoe Homobonus een Heilige is geworden.
Wie was Monica, en hoe is zij eene Heilige geworden?
Monica was gehuwd, zij was de moeder van den H.
Augustinus. Monica was eene brave, deugdzame vrouw,
een voorbeeld voor de overige huisvrouwen. Zij was
eene vrouw des gebeds. Wat al gebeden en tranen heeft
Monica niet gestort, om de bekeering van haren man
Patricius en van haren zoon Augustinus te bekomen?
Monica scheen uit in de deugd van verduldigheid, want
Patricius, haar man, was bijzonder lastig en oploopend.
Zij verrichtte met zorg hare huiselijke bezigheden, was
spaarzaam en zorgde voor de orde in huis. Monica was
vooral bezorgd, dat er liefde en eendracht in haar huis
heerschten. Ziedaar hoe Monica een Heilige is geworden.
-ocr page 367-
— 363 —
Wie waren de H.H. Isidorus en Walstanus? Isidorus
was een landman, die zijne akkers bebouwde. Walstanus
een boerendienstknecht, en die bijgevolg de werken, een
boerendienstknecht eigen, moest verrichten.
Wie waren de H.H. Genoveva en Zita? Genoveva
was eene jonge dochter, die belast werd, de schapen te
weiden. Zita eene dienstmeid, belast met de werken, eene
dienstmeid eigen. En hoe zijn al die personen nu Heili-
gen geworden? Waren zij verrijkt met buitengewone
gaven, en verrichtten zij buitengewone werken ? Neen,
B. B.; maar die personen zorgden, in staat van genade
te zijn; zij waren braaf en deugdzaam; tevreden met
hun lot, benijdden zij niemand; zij hielden God voor
oogen en baden Hem; zij droegen \'s morgens vooral
hunne warken aan God op: Alles tot glorie van God
en tot zaligheid der zielen! ziedaar hunne leus. Zij vol-
brachten getrouw hunne plichten, verrichtten met de beste
inzichten en de grootste nauwkeurigheid hunne gewone
bezigheden, en vandaar dat zij ze heiligden, vandaar dat
zij zoovele verdiensten vergaderden, en vandaar dat zij
zoo groote Heiligen geworden zijn in den hemel.
SLUITREDE.
Wij hebben gezien, B. B., dat wij evenals de Heiligen,
wier feest wij heden vieren, ook heilig kunnen zijn.
Niets dat het ons belet: noch onze zwakheid, de Heiligen
waren zwakke, broze menschen gelijk wij; noch onze
driften, de Heiligen hadden hunne driften te bestrijden
gelijk wij; noch onze levensstaat, er zijn Heiligen uit
alle levensstaten; noch de bezigheden van ons beroep,
de Heiligen hadden dezelfde bezigheden als wij. Even-
min als den Heiligen ontbreekt het ons aan middelen
-ocr page 368-
— 364 —
om heilig te wezen. Wij behoeven met geene buitenge-
wone gaven verrijkt te zijn, noch buitengewone werken
te verrichten. Het grootste getal Heiligen is met die
gaven niet verrijkt geweest, heeft die werken niet ver-
richt; doch wij moeten naar het voorbeeld der Heiligen
in staat van genade en deugdzaam zijn, onder anderen,
ootmoedig, gehoorzaam, geduldig, matig, rechtvaardig,
voorzichtig, kuisch; wij moeten het kwaad schuwen en
het goede doen, de geboden van God en onze Moeder
de H. Kerk getrouw onderhouden, de plichten van onzen
staat goed vervullen. Tevreden met ons lot, moeten
wij God goed voor oogen houden, Hem bidden, onze
werken aan Hem opdragen. Alles tot glorie van God
en tot zaligheid der zielen, dat moet ook onze leus zijn.
Ziedaar wat ons te doen staat, om heilig te wezen.
B. B., denken wij vandaag eens goed over die waar-
heid na. Vandaag vieren wij het feest van Heiligen,
die juist menschen waren gelijk wij, maar die hunnen
Heer en God getrouw gediend hebben, en daarvoor nu
gekroond en beloond worden in den hemel. Aanschouwen
wij die Heiligen in de glorie des hemels en maken wij
het vaste voornemen om hen na te volgen. Ik, die ijve-
rige, die heilige zielenherders, die alles gedaan hebben
voor de glorie van God en de zaligheid der zielen;
daarin moet ik hen navolgen. Gij, man, aanschouw den
H. Homobonus; gij, vrouw, de H. Monica; gij, landman,
aanschouw den H. Isidorus; gij, dienstknecht, den H. Wal-
stanus. Gij, jongedochter, aanschouw de H. Genoveva,
en gij, dienstmeid, de H. Zita. O Heiligen des hemels!
Wat luister en glorie omgeeft u thans in het rijk der
levenden, waar gij met den Heer uwen God, in gezelschap
der Engelen, voor eeuwig een ongestoord geluk zult ge-
nieten! O, B. B„ maken wij toch het vaste voornemen
-ocr page 369-
om de Heiligen na te volgen in hunne deugden en goede
werken; bidden wij tot dat einde den goeden God; bidden
wij ook zijne Heiligen, en wij zullen het geluk hebben,
hen na te volgen in hunne heiligheid hier op aarde,
waarna wij eenmaal het geluk zullen hebben, hen te volgen
naar de glorie in den hemel. Amen.
-ocr page 370-
Vier en twintigste Preek.
Allerzielen.
Miseremini mei, miseremini mei, sal-
tem vos amici mei, quia manus Domini
tetegit me.
Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner,
gij ten minste mijne vrienden, want de
hand des Heeren heeft mij getroffen.
(Job. xix, 21.)
INHOUD.
VOORREDE.
De heilige man Job, door God op de proef gesteld,
door zijne vrouw bespot, door zijne vrienden verlaten en
beschuldigd, liet zich in de volgende woorden uit: Ont-
fermt u mijner, ontfermt u mijner, gij ten minste mijne
vrienden, want de hand des Heeren heeft mij getroffen.
— De H. Kerk legt die woorden de geloovige zielen des
vagevuurs in den mond.
VERDEELING.
I. Wat lijden de geloovige zielen in het vagevuur ?
II. Waarom lijden zij daar?
III. Hoe kunnen wij haar helpen?
-ocr page 371-
%é>7 —
I.
De zielen der gelukzaligen in den hemel zijn vrij van
lijden; de geloovige zielen in het vagevuur lijden de
pijn van gevoel en de pijn van schade. — De pijn van
gevoel, veroorzaakt door het vuur. —■ Verbeeldt u de
foltertuigen, waarmede de Martelaren gepijnigd werden:
de raderen, pijnbanken, nijptangen en geeselroeden, het
vat vol ziedenden olie, waarin de H. Joannes gedompeld,
den gloeienden rooster, waarop de H. Laurentius gebraden
werd. — Verbeeldt u een misdadiger, veroordeeld om
door een langzaam vuur om te komen. Wat is dat
vuur vergeleken bij het vagevuur? — God heeft het
vuur der aarde geschapen in zijne goedheid, het vage-
vuur, in zijne rechtvaardigheid. — Het vuur der aarde
heeft enkel eene natuurlijke, het vagevuur eene boven-
natuurlijke kracht. — Het vuur der aarde werkt op het
lichaam; het vagevuur op de ziel. — Leering van den
H. Thomas. — God straft de geloovige zielen als God. —-
Leerling van den H. Augustinus. — De pijn van schade
bestaat vooral in de berooving van het goddelijk aan-
schijn, — Verlangen der geloovige zielen om God te zien.
II.
De geloovige zielen zijn zielen niet van groote zon-
daren maar van Heiligen. — Zij lijden om gansch te
voldoen voor vergeven doodzonden of voor dagelijksche
zonden. — Core, Dathan en Abiron, door de aarde inge-
zwolgen. — De dienaren van den koning van Babylonië
door het vuur aangegrepen. —■ De inwoners van Sodoma
en Gomorrha door een regen van solfer en vuur ver-
teerd. — God straft de geloovige zielen in het vagevuur
streng. — Boosheid, zelfs van ééne dagelijksche zonde.
-ocr page 372-
- 368 -
—  Wij moeten de zonde vluchten en voor de bedreven
zonden voldoen. — De geloovige zielen kunnen niet
meer voldoen, doch wij kunnen haar helpen.
III.                                          |
Wij kunnen de geloovige zielen helpen door het gebed,
den kruisweg, eene goede biecht en communie, een aal-
moes, eene versterving, een aflaat en vooral door het
H. Sacrificie der Mis. — Het H. Sacrificie der Mis is
altoos vol kracht en verdiensten. — Waarom?
SLUITREDE.
Wij weten wat de geloovige zielen in het vagevuur
lijden, waarom zij lijden, en hoe wij haar kunnen helpen.
—  Dalen wij in den geest in het vagevuur neder. —(
Wat zullen wij daar zien en hooren ? Gebed tot Jezus.
ï
i