-ocr page 1-
■•■ ^
0/AZ
€**
-ocr page 2-
...
w-^s
.
• ■
.
-ocr page 3-
Wieuwerd en zijn historie.
—»-.»«-—
Wieuwerd is een net dorpje, klein van hui-
zen en als de meeste kleidorpen, gelegen op
een vrij hooge terp. Tot in de kom van \'t
dorp strekt zich. een vierkant stuk weiland
uit met huizen aan drie der zijden door een
breede straat er van gescheiden; de langste
huizenrij vindt men langs den weg van de
kerk naar het zoogenaamde „BosJc", (*) waar hot
vermaard geworden Thetimja-slot of Walta-
huis
heeft gestaan en thans drie boerderijen
worden gevonden.
De weg is er hollend, aangezien de onllig-
gendo terpen alle zijn afgegraven, ook die
midden in het dorp, welke vrij zeker vroeger
als kaatsveld heeft dienst gedaan.
De wegen loopen er niet door, en do hoofd-
weg loopt dood in het aangrenzende Brits-
werd
; de kerk staat er niet midden in \'t
dorp, maar aan \'t begin of \'t einde al naar
men het neemt en hoc oud het dorp ook
moge zijn, antieke gebouwen ziet men er niet
meer of het moest de kerk zijn, doch zien
kan mon dit niet, wijl do oude muren van
(* Vroeger Labadis*en-Bosch geheeten, doch
thans spreekt men kortweg van Bosk en Bosker
boeren.
A
tëSB»;
»:«?
-ocr page 4-
#Se>..................:...■-:...■."..■..:■.............................■••■■.—....................■—<*&
2
zware friozen grootendccls met nieuwe muren
zijn omtrokken. Alleen do noordermuur, die
van don weg af niet in het oog valt, vertoont
nog zijn oud eerwaardig karakter.
De zucht naar het nieuwe on moderne,
blijkbaar gesteund door een welvoorzieno beurs,
heeft allo sporen der oudheid zooveel moge-
lijk uitgewischt.
De stompe toren is gevallen, doch zijn eer-
bied waardige beeltenis blijft nog bewaard in de
kerk op een prent achter glas en in lijst; fijn
gevoeld en aardig bedacht was het van eene
Haagschc dame, deze schildering boven den
doodcnkelder te sieren met eenige afhangende
witte kunstrozon.
Do moderne scherpe toren met zijn bonte
lijnen en figuren van kleursteenen, hoewel in
zijn soort niet leelijk en goed van proportie,
passend zelfs bij het dorp, waar het oude is
voorbijgegaan en alles nieuw geworden, hooft
niet onzo sympathie. Inzonder te dezer plaatse
hadden kerk en toren \'t antieke karakter die-
nen te behouden, zulks mot het oog op den
antieken kelder binnen hare muren, waarin
de dooden getuigen van wonderen, welke se-
dert anderhalve eeuw duizenden vrcemdelin-
gen hebben getrokken.
Do mummicn passen in de lijst dor aneion-
nitcit.
* *
Kerkelijk is Wieitwerd of Wijwerd — „werd"
is wier of hoogte — vereenigd met Britswerd.
É
Si3«
ü«gfF
-ocr page 5-
In dit laatste dorp, waar kerk en toren even-
eens zijn gemoderniseerd, zoodat de antieke
poort en ringmuur zijn verdwenen, woont de
predikant, die om den andoren Zondag dienst
doet in de beide dorpen, welke niets hebben
van tweelingen. Zoo ruim en vierkant Wieu-
werd
is, zoo lang en smal is Britsiverd. Enkel
de torens en kerkgebouwen gelijken elkander,
gerestaureerd als zo zijn vermoedelijk uit de-
zelfde weivoorziene kerkcbeurs en omstreeks
denzelfdon tijd.
\'t Is er alles keurig in orde zoowel in als
om de Godsgebouwen, maar Wieuwerd, hoe-
wel verre het kleinste der beide dorpen, heeft
veel forscher toren, dubbel zooveel ramen in
zijn kerk en als entree tot den doodenakker
een paar statige treuresschen, in wier
schaduw stedelijke rustbanken zijn geplaatst.
Blijkbaar met het oog op de ontvangst van
zoovele vreemdelingen, is aan Wieuwerd dit
min of meer internationale aanzien gegeven.
Hoewel er van Britsiverd nog al een en
ander was op te merken, der vermelding waard,
willen we ons verder bepalen tot Wieuwerd,
in meer dan een opzicht historisch ver-
maard tot in het ver verleden.
Eerstens door zijn omvang in den ouden
tijd, toen het nog meer dan 180 huizen telde,
meest bewoond door visschers, gelogen als het
destijds was aan de Middelzee ; later door het
drukke verkeer op schaatsen, tengevolge het
Britswerdermeer, waaraan het paalde ; vervol-
gens door de Labadisten, die hier woonden
-«8?4
-ocr page 6-
*p ^..........................^........................■........:==^=:«g-|.
op Thetinga-state met de rijkbegaafde Anna
Maria Schuurman
als eeno der hoofdpersonen,
zoomede door den oud-adellijken stam der
Walta\'s; eindelijk door zijn merkwaardigen
grafkelder en laatst door de hoogst belang- |j
rijke vondsten, uit zijn terpen te voorschijn
gebracht, bekend geworden tot ver over de jl
grenzen van ons vaderland.
In vele binnen- en buitenlandsche geschrif- I
ten van vroeger en later tijd, tot op den dag
van heden, vinden we Wieuwerd genoemd, ij
zijn historie min of meer uitvoerig beschre-
von, zijn merkwaardigheden afgebeeld. Door ji
tal van geleerden is hot dorpje voor en na
bezocht en dikwijls hebben er wetenschappe-
lijke onderzoekingen plaats gehad. Zoowel
van het een als het ander uit heden en ver-
leden wenschen wij iets mede te declen, op-
dat de Friezen in de eerste plaats daaruit
mogen leeren kennen een stukje plaatselijke
historie uit eigen gewest.
* *
*
Wij hebben het dorpje dezer dagen bezocht.
Kort bij de nette herberg in de kom lazen
we op den gedenksteen in een gevel deze
woorden: Jaag naar Geregtigheid, Godzalig-
heid, Geloof, Liefde, Lijdzaamheid, Zacht-
moedigheid.
1 Tim.\'6 vs. 11.
Verder dat: Mej. Barendina Margaretha
Boekhoudt, dochter van den W.E. Z.G. Heer
W. W. Boekhoudt, de eerste steen had gelegd
dezer pastori;, ojj Vrydag 4 April 1846 en
-ocr page 7-
5
daaronder de namen van den bouwmeester en
van Heeren Kerkvoogden
Deze pastorie voor tijdelijk gebruik is niet
zoo groot als de vrij groote gedenksteen zou
doen vermoeden. Het is een zeer bescheiden
huisje, doch wij houden wel van die inscrip-
ties, welke sprekeu tot het nageslacht, tot
ieder en allen, al behelzen ze nu juist geen
roemrijke daden of groote gebeurtenissen, maar
slechts eenvoudige stukjes dorpsgeschiedenis,
die anders zoo ras, vaak maar al te ras, wor-
den vergeten. Heel wat bizonderheden zijn
op deze wijze bewaard gebleven uit den ouden
tijd en nog gedurig komt de wensch, had men
maar wat meer memories gesteld in de meeste
onzer dorpen, wij zouden minder onkundig
zijn gebleven met menige bizonderheid.
Wat heeft de eenvoudige steen, bij Beetgum
gevonden, uit den tijd van omstreeks Christus
geboorte, in weinige woorden niet een oigenaar-
dig licht geworpen op do verhouding van do
Friezen tot de liomeinen ; hoe interessant is het
kreupelrjjm op een bord in de kerk te Boxum
over den bloedigen veldslag aldaar tegen de
Spanjaarden en zoo is het met de inscriptie
op een steen in den kerkemuur te Bronrijp ter
gedachtenis aan Eise Eisinga, met het, ge-
deukteekon voor Gysbert Japix in do kerk
te Bolsward en voor Menno van Coehoom te
Wy eicel.
Te G-rouw spreken de kopstukken der
Broarren Halbertsma tot het nageslacht en
te Wons is een memorie gesteld ter eere van
-ocr page 8-
T
6
Salverda, gelijk op de doodenakkers te Leeu-
warden
en Rijperkerk voor G. Golmjon en
A. Boonemmer.
Nu behoeven de meraoriesteenen niet zoo
enorm groot te zijn als die op de Dille geplaatst
in 1837 na de uitdieping der Sneeker-trekvaart,
waarop wel een 20 of 30 personen vereeuwigd
zijn geworden, zonder groote daden verricht
te hebben, maar toch blijft op deze wijze een
in zijn tijd belangrijke gebeurtenis voortleven
in de herinnering; in dit geval het uitdie-
pingswerk, dat op den steen vermeld staat,
met cijfers van lengte, diepte en kosten.
Als een molen gelijk op het Vliet te Leeu-
warden
tot tweemalen toe door het vuur ver-
teerd wordt, dan is daarin bij den wederop-
bouw een gedenksteen wel op zijne plaats,
waarop is afgebeeld de Fenix, uit zijne asch
verrijzende, met deze inscriptie:
Rees de feniks uit de kolen
En des vaders assche weer:
Zoo doet ook deez nieuwe molen,
Twee verslond het vmir weleer, enz.
Waren er te Wieuwerd maar wat meer
Memories gesteld in vroeger tijd, het nage-
slacht zou er dankbaar voor kunnen zijn.
Wel is uit oude geschriften een en ander
tot ons gekomen betrekkelijk dit merkwaar-
dige dorp, maar hoeveel vragen zijn er ook
niet te stollen, waarop geen bevredigend ant-
woord is te geven.
Waar is het graf van de beroemde Anna
;:Se^
-ocr page 9-
Maria Schuurman, wanneer is do merkwaar-
dige grafkelder gesticht, wie hebben daar
een laatste rustplaats gevonden, welke lijken
kan men daar nog aanschouwen, behoorde de
kelder aan het adellijk geslacht Walta of aan
de Labadisten ?
Zoo zijn er tal van vragen gesteld in den
loop der tijden, waarop men niet dan na veel
nasporens een min of meer twijfelachtig ant-
woord heeft kunnen geven.
Er zijn geen desbetreffende Memories ge-
steld, niet op de kisten, niet in of op den
kelder, noch in de kerk of in geschriften.
Wel vindt men enkele gegevens in onze oude
geschiedboeken over het dorp zelf en menig
schrijver, die zijn bezoek aan Wiemverd te
boek stelde, heeft daaruit geput voor zijne be-
schrijving en zich in bespiegelingen verdiept.
Tot de oudste bronnen gaande vinden we
vermeld: Wieuwerd was oudtijds een schoon
en bloeiend dorp van ivel 180 huizen, meent
door visschers beivoond.
Dit is zoo overgenomen door de Teg Staat
van 1786; inden Fr.Volksalman van 1843 vindt
men dezelfde mededecling in anderen vorm terug
bij A. Wassenbenj en tien jaar later is hot Dr.
J. Ledder
van Leeuwarden, die zich in de Vrije
Fries dl. VI
meer dichterlijk aldus laat hooren :
„Stil en eenzaam, afgescheiden van de
woelingen des levens, aan een smallen, in
den winter bijna geheel onbruikbaren land-
weg, ligt het weinig aanzienlijke dorp
Wieuwerd — — — —
.*
A
sa»:
S4Bf
-ocr page 10-
s
Wanneer men in eenen rustigen zomer-
avond, terwijl de zon het andere wereld-
halfrond verlicht en de kimmen gloeiend
kleurt, daar is neergezeten, kan men nau-
welijks geloof hechten aan de geschiedenis,
welke ons Wicuwerd schetst als een plaats,
vroeger gelegen nabij de Middelzee en be-
woond door eenvoudige visschers, die van
hunne vangst leefden."
In het Tijdschrift D» Natuur, laatste afi.
1895, is het de heer J. J. M. M. van den
Ben/h
to \'s-Hage, die zijn snaren nog ietwat
hooger spant als hij met zijn ouderhou-
deudo beschrijving tot do zee is genaderd.
Do toestanden en reisgelcgenhoden hebben
zich sedert hot bezoek van Dr. Ledder veol
gewijzigd, doch overigens komt hot volgende
vrijwel overeen met het voorgaande:
„Wanneer men langs de spoorlijn Leeu-
warden—Stavoren reist, dan komt men tus-
schon de stations Bozum on Mantgum aan
de halte Wicuwerd.
Hier den trein verlatende bereikt men na
een wandeling van tien minuten het kleino,
doch uiterst nette dorpje Wieuwerd.
Dat Wieuwerd was in lang vervlogen tij-
den een aanzienlijk visschersdorp. Hot lag
aan do Middelzee en telde 180 huizen, bo-
•woond door een „mccronilcols vrij welva-
rondo bevolking."
Waar eens de golven dor Middelzee ruisch-
tcn, of met donderend geweld de kusten
-ocr page 11-
9
beukten, waar gedurende vele eeuwen die
zee hare grootsche en indrukwekkende sym-
phonie zong, daar heeft zij zelve in den loop
dor tijden, door voortduronden toevoer van
slib, een uitgestrekt polderland gevormd,
bekend onder den naam van „de Nieuwe lan-
den". (Zegge : Nijldn tegenover dldldn, welk
„nijlan" zich uitstrekt ongeveer van het
dorpje Nijland bij Sneek tot aan de Noordkust
van ons gewest met inbegrip van het Bildt.)
Met de Middelzee verdwenen natuurlijk de
visschers on werd het landbouwbedrijf hoofd-
bron van bestaan voor do inwoners. Er had
zich iutusschen een „Meyrke" gevormd, dat
nog al naam hoeft gehad. Het was een ver-
zamelplaats van de schaatseiirijdonde jeugd,
als in later jaren „de Dille" is geweest.
Dit meertjo had zijn naam ontleend aan
het grootsto der tweelingdorpen, hoewel het
evenzeer tot Wieuwerd hoorde. Aan don be-
roemden geschiedschrijver Schotanus danken
we de volgende mededeeling:
Het Meyrken van dit dorp (Wieuwerd)
wordt \'s winters wanneer \'t glad is van de
jeugt rijdende op schrickschoenen (in de
gemene taele dezer Lantschappe reden ghe-
noemd) veel bezocht, insonderheid op Son-
dagen. Dacr sietmon dan Mans- endo Vrouws-
pcrsoucii van wijd on sijdt te saomen. Dat
schricken en rijden op houten schoenen met
smalle ijsors, is een dingh bewonderonsweerdt;
-ocr page 12-
sfeSfr\'
8
10                                                Y
j
gheon poort is so snol in \'t lopon ; \'t maeckt
cortc Hiylen op glad ijs; een wintersenen.
dach brengt haor vorder dan oon wagon
doen eau op den langston dach van don
somer. Lieden uit vreemde landen dit aen-
schouwende staon verbaesd.
Schotanus kon het weten. Zijn vador Be-
rend Schotanus
was kort na 1G06 predikant
geworden te Britswerd en Wieuwerd en daar
overleden in 1(<ü3. Chrusliaan, do oenigo zoon,
geboren in 1603, later professor, heeft er zijn
jougd doorgebracht en van Wieuwerd dusal-
licht meer te bock gesteld dan van andere
dorpen.
Van don grafkelder maakt hij evenwol geen
melding. Hoogst vermoedelijk is deze gebouwd
in 16ÜÜ, dus in zijn jougd en van de Laba-
distou co Wieuwerd kon hij niet schrijven, aan-
gezien deze zich daar hebben gevestigd eeui-
go jaren na zijn overlijden. (1676)
Bij Occo Scarlensis en Petrus Thaborita vin- j
den we over Theümja-state of Wulta-slot, zoo-
mede over het geslacht Walta, ook cenige bi-
zondorheden.
»Siot en geslacht verdienen bij oenc beschrij- j
ving van Wieuwerd bizoudere attentie, zulks
met hot oog op de Gereformeerde en van de
Waereld afgescheiden Gemeente,
zooals do La- i
badisten zich noemden, welko op dit slot heb-
ben gewoond en gewerkt on van zich hebbon j|
doen spreken tot op dezen tijd.
In de vrouwelijke linie zijn de WalkCs
nauw betrokken bij de Labadislen en dezo ii
-ocr page 13-
rrr^r^rrrrrrr:—^r^rrrrrrrrr............:-.................^^.^«f
i-V
.;
11
weder bij den bizonderen grafkelder, gelijk
nader zal blijken.
\'t Geslacht Walta is zeer oud.
Onder de achttien mannen, die volgens
Occo Scarleusis in 1181 te Bolswerd werden
doodgeslagen, bevond zich do oude Tjerk
Walta.
Schotanus, die de bronnen, waaruit hij putte,
nog heeft kunnen toetsen aan de mondelinge
overlevering, verhaalt ons de verwoesting van
Wiemverd en Walta-slot door „den Zwarten
Hoop" den 19 Mei 1514. Wij lezen: Zij troc-
ken van Bolswardt te schepe en te lande . . .
alle dorpen vast, die se aenquamen, hebben ze
in kolen gezet als . .
. Bozttm, Wïeuwerdt,
Britswerdt en Oosterlittens.
Opdat er geen quaet afsoude komen, m. a. w.
dat de vijand er zich niet in zou kunnen nos-
telen, stak Douwe Peters Walta, de eigenaar
en bewoner van Walta-huis, dit zelf in brand.
Den 22 Aug. 1522, nadat hot weder was op-
getrokken, bestormde Heerke Feikes, een Oel-
dersch gezind Heerschap van Marston, mot
zijne krijgsknechten Walta-huis en begost het
weder vast te waken
(te versterken), om de
passage tusschen Leeuwarden, Franeker, Har-
lingen
on Sneek te beletten. (Het scheen rtos-
tijds alzoo oen kruispunt van verkeer te zijn,
doch thans ligt do plaats geheel buiten route.)
Drie dagen na de verovering verscheen do
Stadhouder George Schenck. van TouUnburg
met knechten ende burgers end-e grof geschut
nyt Leeuwerden, nam het slot met schieten ende
8
-ocr page 14-
feȑ
»««*
12
stormen in, ende sloegh alles doodt, uytgenomen
een of tioee, die gevangen zijn.
Petrus Thaborita verhaalt nog: Des ande-
ren daghes doe wort daer één ghehangen ende
doe staken sy dat dack aen brant, ende sy
woerpen dat muerwerck onder den voet, ende
rodent tot. Ende daer (was) een in den schoer-
steen gheclommen om sin liif te berghen; ende
doe dat muerwerck dael viel, doe viel hy oeck
mede doet.
(Kennelijk is hierin nog do friesche
taal.)
Zoo was dan Waltahuis weder in vlammen
opgegaan en verwoest en we hebben ons te
verbazen, hoe spoedig niet alleen eenvou-
dige huizen, maar zelfs sterke stinsen met
dikke muren weder uit de assche verrezen.
Ten derden male binnen weinige jaren word
Walta-huis weder opgetrokken en opnieuw
betrokken door Douwe Peters Walta.
Keizer Karel V .vestigde een meer geregelde
orde van zaken in deze landen en er brak
een tijdperk aan van vrede en welvaart. Meor
dan een kwarteeuw deelde Walta nog in dien
voorspoed. Hij stierf in 1549. •
Naast het doophek in de kerk te Wieuwerd
dekt een rijk gebeitelde zerk van dubbele
grootte zijn laatste overschot en vermoedelijk
dat van zijn cchtgcnoote Ilylck v. Dekarna.
In groote letters geeft het randschrift te lezen:
Anno 1549 den 22 Octobris, stierf de eerbare
Heerschap
Douwe van Walta en Anno 1560 ...
(het overige is door het doophek bedekt.)
Douwe v. Walta had vijf kinderen.
-ocr page 15-
Naast den vorigen steen vindt men een van
gelijke grootte, waarop nog te lezen is : Anno
1555, 12 September, stierf de eerbare Pieter
van Walta.
Deze Pieter was een zoon van Douwe en
uit zijn huwelijk met Ydt van Donia werden
drie kinderen geboren, waaronder weder een
Douwe, getrouwd met Luts van Botnia.
.
Friesland was weder in beroering gekomen
(80 j. oorlog) en Douwe vluchtte met zijn gezin.
Hij stierf in ballingschap even als zijn echt-
genoote.
Hun zoon Pieter trouwde in 1602 met
Frouck van Juckema, uit welk huwelijk wer-
den geboren twee kinderen Luts en Douwe.
De laatste stierf jong en ongehuwd en Luts
trouwde met Frangois van Aerssen.
Drie freules uit dit geslacht v. Aersen van
Sommelsdijk,
vriendinnen van Anna Maria
Schuurman,
hebben zich bij de Labadisten
aangesloten en van den broeder dezer freules,
gouverneur van Suriname, mede die secte toe-
gedaan, is Walta-huis of Thetinga-state over-
gegaan in eigendom aan de Labadisten.
De bizondere grafkelder zal behoord heb-
ben tot Walta-slot.
* *
*
Door wien en wanneer is deze kelder ge-
sticht ? Hoogst vermoedelijk in 1609.
Daarvoor pleiten meer dan ééne aanwijzing.
Eerstens het jaartal 1609, dat in groote cij-
i fers even boven den kelder aan de binnen-
g^e>...................................SH££.............................^^................,
-ocr page 16-
■ftB*=.-=^........_^^^^s^^^^^^^
zijde van den kerkemuur is aangebracht. Had dit
jaartal betrekking op de verbouwing der kerk,
allicht zou men het dan buiten do kerk en
op een andere plaats hebben gesteld.
Ten tweede is op ecne der oudste kisten
de letter I gevonden, mogelijk de voorletter
van Juckema.
Wij hebben gezien dat Pieter van Walta
huwde met Frouck van Juckema. Dit huwe-
hjk werd voltrokken 11 April 1602.
Vier jaren later stierf de éénige zuster van
Walta\'s echtgenoote, Anna geheeton, in den
bloeienden leeftijd van 20 jaren, waardoor
het gehcele en zeer aanzienlijke vermogen der
familie Juckema in het bezit kwam van het
echtpaar, dat Walla-statc bewoonde.
Walta bekleedde eeue hoogc betrekking en
i dit gevoegd bij zijn rijkdom en het droeve af-
stervon van Anna op zoo hoopvollen leeftijd,
kan Walta en zijn Echtgenoote allicht hebben
bewogen, als eerste bewoners van het dorp
en in navolging van het gebruik der tijden,
tot het stichten van oen familiegrafkelder in
het koor der kerk.
Deze uitgeleaenc plaats zal vóór de stichting
van den kelder waarschijnlijk reeds gebruikt
zijn voor de tcraardobestelling der afgestorven
slotbewoners. Synodale besluiten toch van het
\\ jaar 1292 toonen aan, dat de eerste begraaf-
plaatsen in de kerk bewaard moesten bljjvon
mede voor de eerste Heeren van het dorp. Deze
geven o. a. te lezen : In de kerken, of achter
derzelver koortralien
(de kelder te Wieuwerd
-ocr page 17-
15
is daarachter en geheel ondor het verheven
kooi\') dulde men geen ongeregelde, willekeurige
verkiezing van begraafplaatsen voor de afge-
storvene lichamen, uitgezonderd voor die van
Heeren der dorpen
.... mitsgaders voor hunne
vrouiven
.... door ivelke de luister der kerken
zeer kennelijk en bestendig is toegenomen.
Hoewel de kerkhervorming in 1600 ook te
Wieuwerd haar beslag roods had gekregen
(men kan het jaartal van den ommekeer van Ka-
tholieke in Protestantsehc kerken voor Fries-
land
stellen op 1580 of daaromtrent), kan
met voorbeelden worden aangetoond, dat bo-
vengenoemde bepaling zoo al niet van kracht
is gebleven, dan toch is gevolgd in de prak-
tijk.
Trouwens, wie anders dan de rijke slotbo-
woners dor dorpen konden betalen de schatten
gouds, welke dikwerf betaald zjju geworden
voor do uitgclozono begraafplaatsen in het oos-
ten van den Tempel, zulks met het oog op
do opstanding en do verschijning van Christus
op den jongsten dag.
„Om dezelfde reden" — vervolgt Dr. Led-
der
— „vindt men de lijken met do voeten
gekeerd naar het Oosten, ten einde deze Heor-
lijkhoid te kunncu aanschouwen."
De moest gezochte plaatsen waren die in het
koor, aan den voet van het altaar, in do na-
bijheid van een heiligen martelaar, of wol aan
den voet van do avondmaalstafel. In veel
kerken van ons gewest hebbon we ons daarvan
kunnen ovortuigon, doch tevens vonden we
-ocr page 18-
16
ook, gelijk te Wieuwerd, in den toren grafzer-
ken met de namen van hoogadellijke per-
sonen, (*) zoomedo wel op de kerkhoven, wat ons
tot heden niet is opgehelderd geworden.
Op de hoven van kleine dorpen en gehuch-
ten, waar do kerken vervielen tot ruïnes (na
1700 vooral) en spoedig geheel verdwenen,
als te Dijken hij Lant/weer, is dit vorschijn-
sel gemakkelijk te verklaren, maar in dorpen
als Wirdum, Deinum, Joneerd enz. hebben
we te vergeefs naar eene bevredigende oplos-
sing gezocht.
Hoe \'t zij, het jaartal 1579 op de zerk van
Walta in den toren maakt het meer dan waar-
schijnlijk, dat do kelder na dat jaar is gesticht;
Dr. Ledder stelt dit op 1609. „Wellicht
is hot lijk van Wulta\'s Echtgcnoote of hare
zuster Anna daarin het eerst bijgezet," volgons
dezen onderzoeker on zal hot dit lijk geweest
zijn, dat omstreeks anderhalve eeuw later aau-
lciding heeft gegeven tot die geruchtmakende
sensatie, waardoor de grafkelder als \'t ware
bestormd is geworden door nieuwsgierige be-
zookers.
Woordelijk laten we hier volgen, wat des-
tijds (1765) in de Leeuw. Courant werd geschro-
(*) Een waarop men kon lezen: Anno 1579
den 22 Jan. stierf de eerzame Frans
P i e t e r Cz. Walta. Pit predicaat „eerzame"
is ook al niet moer wat het geweest is. Wat
eens den adelijken landheer kroonde, werd later
den oeiivoudigen boer als onderscheiding toeg-o-
kend. Zoo veranderen de tijden!
i
■:■
-ocr page 19-
17
ven over het opzienbarende geval. Hot Blad had
destijds nog geen datum van uitgifte, slechts
een volgnummer. En zoo lezen we in 110.
410 het volgende bericht, niet met telegrafi-
schen spoed ingezonden:
Leeuwarden, 9 Maart. „Onlangs" heeft
men in het dorp Wieuwerd een lijk opge-
graven, waarvan men meent volkomen ze-
ker te zijn, dat dit het lijk is van de door
hare geleerdheid beroemde Anna Maria
Schuurman,
welke aldaar in den Jaare 1678
Zeldzaam is het, dat het in
begraven
deszelfs geheele gedaante is gevonden, kun-
nende de leden, gelijk als van een levend
monsch, verbogen worden, en zijnde do klce-
ren gelijk aan het klatergoud, welk aan
zeker klein gewas, bijna als mosterdzaat,
waarvan do kist vol was, toegeschreven
wordt. Verscheidene geleerden, welke het
bezigtigd hebben, getuigen eenparig, nooit
iets dergelijks gezien te hebben!
Van deze Anna Maria Schuurman, welke
op den 5 Nov. 1607 te Keulen geboren is,
uit een oude en aanzienlijke familie, worden
zeer vele zeldzaamheden bij verscheidene
gevonde. Zij sprak niet alleen zeer gemak-
kelijk de Fransche, Engelsche en Italiaan-
sche taal, maar verstond ook de Latijnsche,
Griekscho en Hcbrecuwscho. In do Geo-
graphie, Philosophio, Mathesis en Theologie
was zij, zoowel als in de Scliildci*- on Beeld-
houwkonst en het Muziek bedreven. De
:««&
-ocr page 20-
*So:
18
grootste mannen van haren tijd rekenden
hot zich con oer Briefwisseling met liaar te
houden.\' Indien zij genegenheid voor het
huwelijk gehad hadde, zoude zij de vrouw
van den Raad-Pensionaris Jacob Cats ge-
worden zijn. Op het laatst van haar loven
omhelsde zij do begrippen van J. de Ldbadie
en volgde hom op zijne rcize; na doszelfs
dood begaf zij zich na Wieuwerd, alwaar
zij den 5 May 1678 overleed. Onder hare
nagolaaten geschriften is ook eeno verhan-
doling een onderzoek behelzende of de vrou-
wen studecron moeten.
In de Tegenw. Staat, een vertrouwbare bron,
van \'t jaar 1786, staat het volgende aange-
teekend betreffende deze merkwaardige ont-
dekking: In den jaro 1765 werd in een der
graven, in do kerk te Wieuwerd, een gaaf
vrouwenlijlc gevonden, \'t welk op cene eon-
voudigo wijze gebalzemd, 100 en meer jaren
was begraven geweest. Straks ging de valscho
mare uit, dat dit het lijk was van Anna Maria
Schuurman,
on dezelve voud geloof bij zulken,
dio niet wisten dat liet lijk dezer vermaarde
vrouwe op \'t Kerkhof begraven lag.
Intusschon kwam hierdoor zoo groot een
toevloed van allerlei nieuwsgierigen to Wieu-
werd,
dat men ter voorkoming van allo wan-
orders, het lijk wederom ter aarde deed bestellen.
Ken ander schrijver (Itusching) meldt in een
werk van 1775 : „\'t Is gebeurt omstreeks 100 (!)
j. geleden, dat in de kerk te Wieuwerd een
-ocr page 21-
I^E-.......................~:...............\'•<a^iÉ\'
19                                        f
vrouwenlijk werd gevonden, dat nog geheel
on gaaf uit don grond werd öpgedolven, hoe-
wel de kist geheel vergaan was(!).. De Grietman
gaf bevel het weder ter aardo te bestellen,
zonder door iemand meer gezien te mogen
worden. Er zijn in Friesland meer voorbeel-
den geweest, als te Sneek in 1498, te Frane-
ker
in 1546, enz."
Tot dusver is er slechts sprake van „één
lijk" te Wieuwerd gevonden en eerst in deze
eeuw wordt er melding gemaakt van „onder-
scheidenc" lijken.
V. d. Aa (1849) geeft bijna woordelijk weer,
wat we uit de Tegenw. Staat hebben mede-
gedeeld, doch noemt verder den kelder bij
name, waarvan — zoo gaat hij voort — men
den toegang weder sloot, vooral omdat som-
migen den in grafgewelven zoo natuurlijken
eerbied voor lijken geheel vergetende, in het
begin onderscheidene lijken deerlijk hebben
geschonden, door als het ware tot een gedach-
tenis stukken er van af te scheuren en mede
te nemen."
Jacobus Scheltema to \'s-Hage, die Wieuwerd
en den kelder persoonlijk bezocht, zegt in de
Vad. Letteroef. van 1804 pag. 691, „dat het
gevonden vrouwenlijk gebalsemd was en door
i het doodkleed enz. blijken droeg van pracht
en zorg." Verder : dat sommige lijken, die in
het water hebben gestaan, zijn vergaan, doch
andero, die hooger stonden zonder balseming
I in de kisten zijn uitgedroogd.                                1
jbt>...................................-SS-S!.................~~~~.............................<«g
-ocr page 22-
*$»
20
Dr. Ledder deelt in 1853 ongeveer dezelfde
bizonderhcden mee, doch uitvoeriger of liever
duidelijker dan al de vorige schrijvers is de
Heer Van den Bergh te \'s-Hage, die verleden
jaar den grafkelder bezocht en or een beschrij-
ving van gaf met afbeeldingen in Be Natuur
van- 15 Dec. jl
Daaraan ontleenen wij het volgende:
„Eenige timmerlieden, die in 1765 bezig
waren, herstellingen binnen de kerk te doen,
waren de eerste ontdekkers van dit merk-
waardige feit (Het „wonder van Wieuwerd").
Zij bemerkten, dat de deur van den kelder
zonder moeite geopend kon worden en de
nieuwsgierigheid dreef hun daar binnen eens
een kijkje te nemen. Daar zij wisten (!) dat
de kelder in honderd jaren niet geopend
was geworden, dachten zjj daar niets te
vinden dan eenige vergane overblijfselen
van menschen, beenderen en kisten. Groot
was daarom hunne verbazing, toen zij elf
houten lijkkisten vonden, staande op schra-
gen, welke kisten alle geheel gaaf waren en
er als nieuw uitzagen.
Toen zij echter een van do kisten open-
den, vonden zij daarin een geheel gaaf lijk,
wat hen zoo deed ontstellen, dat zij in al-
lerijl vluchtten. Of zij nu, boven gekomen,
zich geschaamd hebben over die ongemoti-
veerde vrees, dan wel of hunne nieuwsgie-
righeid grooter was dan die vrees, wordt
niet door de overlevering gemeld. Zeker is
■$»-
-ocr page 23-
f..............................................._==J=^
;                                                                                   :
echter, dat zij zich vermand hebben, om ten
tweeden male in den kelder af te dalen,
waar zij achtereenvolgens in iedere kist een
lijk vonden even gaaf en ongeschonden als
het eerste. Zij verklaarden zelfs, dat, wan-
neer er personen bij waren geweest, die zij
in leven gekend hadden, zij die zonder twij-
fel herkend zouden hebben. De kisten wa-
ren van binnen allen met linnen bekleed
en zoowel dat linnen als de doodskleederen
der lijken waren nog in goeden staat.
Onder de lijken vond men ook dat eener
vrouw, in kostbaar lijnwaad gewikkeld. Op
de kist stond de letter „S". Men hield het
voor het lijk van A. M. Schuurman.*
Verder volgt eene aanhaling uit het cou-
rantenbericht van 1765, hiervoren volledig I
vermeldt.
Wij wandelen in raadselen, bjj \'t lezen van
al deze berichten en hadden gaarne de bron-
nen vermeld gezien, waaruit de steeds was-
sende klaarheid is geput.
Do Leeuw. Courant met haar „onlangs" als
eerste bron spreekt van „kleederen gelijk aan
klatergoud", van slechts „één lijk", dat is
„opgegraven", van geen kelder, van geen ge-
vluchte timmerlieden als de ontdekkers, die
manmoedig terugkeerden na het vinden van
het eerste lijk en vervolgens al do elf kisten
gingen openen, evenmin van „balseming*
waarop de Teg. Staat wijst, van bekleeding
der kisten of van doodskleeding, die blijken
*&
#a*.................^^^........................................^...............:.............
-ocr page 24-
"f
■=&£*•:
| droeg van „pracht en zorg" als Scheltema
meldt, noch van „kostbaar lijnwaad" enz.
Dr. Ledder vond in de kist, waarop een
groote S was geschreven, een geheel uitge-
droogd mannenhjk, blijkens den baard, dien hij
nog zeer duidelijk kon voelen. „Wellicht gaf
j die S aanleiding tot het bekende valsche ge-
rucht", zegt hij. De heer V. d. Bergh spreekt
stelliger: men hield het lijk in die kist voor
dat van A. M. Schuurman.
Doch dit is niet wel mogelijk, die kist werd
immers ter aarde besteld kort na de ontdek-
king van den kelder!
Zoo zijn er vele op- en aanmerkingen te
maken. Wat precies onvervalscht waar en
klaar is valt niet met zekerheid te zeggen bij
gebrek aan desbetreffendo Memories uit den
tijd zelf. Zoo dunkt ons.
Scheltema vond in 1804 de lijken tot op de
helft verminderd, dus tot 5 of 6; Wassenbergh
schrijft in 1850: eenige jaren geleden waren
er nog 5 of 6 lijken in den kelder, welke nog
prijken met hoofdhaar, windsels on doeken als
ten tijde der begrafenis; Dr. Ledder meidtin
1853: mij bleek dat slechts vijf kisten ieder
een lijk bevatten en de overige zes eenige
sterk uitgedroogde beenderen of geheel ledig
waren.
De heer V. d. Bergh (1895) vond vijf lij-\'
ken, allen verdroogd, doch overigens volkomen
in den vorm, waarin zij eeuwen to voren
daar waren neergelegd. Enkelen haddon veel
geleden, anderen waren bijkans of geheel gaaf. 1
-ocr page 25-
23
Wij hebben er nog slechts vier geteld.
Scheltema achtte in \'t begin dezer eeuw den
kelder t6 Wieuwerd het nauwkeurig onderzoek
van bekwamere mannen dan hij, opzettelijk
waardig. Op zeer onhandige wijze werd daar-
aan gevolg gegeven. Een dor twee tegenover
elkander staande openingen in de muren van
den kelder werd dicht gemaakt, en — nu
zag men de lijken allengskcns vergaan. De
procfnemers waren nu toch zoo wijs, het ge-
sloten luchtgat weder te openen, \'t Raadsel
bleef onopgelost.
Een meer ernstig en wetenschappelijk on-
derzoek werd ingesteld door Dr. Ledder, ge-
adsisteerd door den Heer W. Albarda te
Leeuivarden, gedurende eenige jaren en op ver-
schillende tijden van \'t jaar. Al deze onder-
zoekingen zijn te boek gesteld, \'t Slot luidt:
De hoofdoorzaken der uitdroging zijn te zoe-
ken in de beide tochtgaten, waardoor de stof is
onderworpen aan eene langzame ontbinding
(verwesung), waarbij echter nog wijzigingen
plaats grijpen, ivelke de scheikunde of om mij
juister uit te drukken, ik althans, niet weet te
verklaren.
En hoe luidt hot laatst gepubliceorde resul-
taat?
„Ik geloof niet, dat do galen in den kelder,
als de eenige oorzaak van het verschijnsel zijn
aan te merken, hoewel zij zeker het hunne er
toe zullen hebben bijgedragen", zoo spreekt
de heer V. d. Bergh, die zwijgt over de on-
derzoekingen van Dr. Ledder, doch verwijst
i
-ocr page 26-
24
naar een Engclschen Lord, welke in het kerkje
op zijn landgoed een grafkelder liet bouwen,
precies gelijk aan dien te Wieuwerd. „Het
eenige" — zoo besluit de schrijver— „waarin
deze nagemaakte kelder verschilde van den
onzen, was, dat al wat zijn lordschnp er in
bracht, niet verdroogde gelijk te Wieuwerd,
maar tot ontbinding overging, als ovoral el-
ders."
De heer V. d. Bergh toont vervolgens nog
aan dat de bederfwerende eigenschap van den
kelder in \'t geheele kerkgebouw aanwezig is.
Eerstens wijst hij op het orgel, in welks wind-
laden in 1885 een spreeuw is gevonden, zoo
gezegd „in heer en veer", vervolgens op den
nog geheel gaven houten vloer in de kerk,
die er al over de honderd jaar ligt, en einde-
lijk op het eikenhouten beschot met fraai snij-
werk, op den keurig besneden predikstoel en
de verdere kerkmoubelen, die nergens ecnig
spoor vertoonen van molm of verval.
„Zelfs de kisten in de graven buiten op het
kerkhof moeten, naar mij word medegedeeld,
meer dan tweemaal langer in goeden staat
blijven dan die van andore kerkhoven", zegt hij.
De schrjjver zoekt de oorzaak van het won-
der te Wieuwerd in de allereerste plaats in
den bodem, waarop kerk en kelder gebouwd
zijn. „Het is niet onmogelijk," zegt hij, „dat
uit dien bodem zekere gassen opstijgen, die de
eigenschap bezitten om volkomen allo boderf
te weren."
Onmogelijk is dit niet, maar .... als een
g___________________________. ê
■$i@&.........................-.-.-—.-.—.-.................................................^«aSJfc
-ocr page 27-
25
der openingen van den kelder gesloten wordt,
gaan do lijken tot ontbinding over, eikenhou-
tcn predikstoelen en beschotten, minstens zoo
oud als die te Wieuicf.nl, zijn in tal van ker-
ken gaaf gebleven, hoog als deze gebouwen
staan en op de ruimte, de spreeuw, in de
windladen van \'t orgel gevonden, droeg geen
datum van sterven en men vindt deze vogels
ook wel elders verdroogd, terwijl doodkisten
beneden of juister in \'t grondwater geplaatst,
gelijk veeltijds te Wieuwerd het geval is, naar
mij werd medegedeeld, ook elders, b.v. te
Leeuwarden, na een kwart eeuw weer zoo goed
als gaaf uit den grond te voorschijn komen.
Bovendien vindt men in de kerk niet die
luchtgaten, waarmede de bizonderaeigenschap-
pen van den kelder staan en vallen.
Schijnbaar hebben de beweringen van den
Heer V. d. Bergh allen grond, doch in \'t we-
zen der zaak brengen ze ons geen schrede
vorder tot do oplossing van het raadsel.
Aanbeveling zou hot verdienen, om gelijk
de Lord in Engeland deed, op het kerkhof te
Wieuwerd of in den toren een tweeden kelder
te bouwen gelijk aan de bestaande; zulk een
vergelijkende proefneming zou over de bizon-
dere eigenschappen van den bodem grooten-
deels kunnen beslissen.
Ook ware het wonschehjk on \'t verwondert
ons dat dit idee bij al do aangewende pogin-
gon. om tot meer licht te komen omtrent
W/euwerd,s „wonder", niet is toegepast, dat
onderzocht word, of zich onder de dubbelgroote
êi
$ho=^:
-ocr page 28-
26
zerken der WaltcCs bij het doophek mogelijk
ook kelders bevinden on of de bodem daar
ook van bizonderen invloed is geweest op het
al of niet vergaan der kisten en lijken.
* *
Gelijk bekend, is het oostelijk gedeelte der
meeste kerken hoekig rond, voortijds was het
wol geheel rond, ongeveer gelijk aan een hal-
ven cirkel. Hier bevond zich het koor. Zoo
ook te Wieuwerd. Onder het koor, door een
hokje van de overige kerkruimte gescheiden,
bevindt zich de kelder. De toegang is in het
midden en gemakkelijk gemaakt door een
trapje. Dr. Ledder schrijft: Door dezen in-
gang kojnt men terstond in den gewelfden
zelfs bij daglicht vrij duisteren kelder, waar
de lucht koel is en zuiver, en geen de
minste onaangename reuk wordt waargeno-
men.
Afgescheiden van de woelingen der we-
reld, bevindt de grafbezoeker zich daar, en
een plogtigc ernst vervult het gemoed, wan-
neer men daar elf lijkkisten ontwaart, elf,
die geeno kenteekenen dragen, dat zij on-
derworpen zijn aan de wetten der ontbin-
ding, maar die allen nog hecht en sterk
de eeuwen schijnen te kunnen trotseereu.
Al de kisten zijn van zwaar eikenhout ge-
maakt en rusten op twee in de lengte van
den kelder gemetselde steenen rigchels. (Van
later tijd wegens het binnendringen van wa-
ter.) Vijf der kisten hebben platte (van
H%&:
:«**
-ocr page 29-
i«Se>........................-■-■■....................r^-..............................................-^j
27
boven eenigszins afgerond als de tegenwoor-
dige koffers), zes verheven deksels in den
vorm van een kuisdak, bestaande uit twee
of drie planken. In \'t laatste geval sluit
het smalle horizontaal geplaatste plankje do
beide scheef opstaande, welke rusten op do
zijplanken. Aan geen van deze bovenstuk-
ken vindt men eonig spoor, dat zij verbin-
ding onderling of met de kist hebben.
(Bij de ontdekking waren deze dus gemak-
kelijk te openen, wie weet of anders het won-
der der uitdroging wel aan \'t licht gekomen
zou zijn.) Dr. Ledder veronderstelt evenwel,
dat deze kisten met losse deksels van later
datum zijn, nadat men de bizondere eigen-
schappen van den kelder reeds had leeren ken-
nen, doch dan zouden, dunkt ons, de namen
der daarin bijgezette personen wel met zeker-
beid bekend zijn gebleven.
Volgens Wassenbergh is het laatste lijk, in
den grafkelder geplaatst, dat van een zilver-
smid te Leeuwarden. Dit geschiedde volgens
hem in 1757.
De kelder is eerst geopend in 1765 of lie-
ver sedert het begin van dat jaar dagteekent
de bekendwording van „het wonder", zoodat
de veronderstelling van Dr. Ledder over do
losse deksels weinig of geen grond houdt.
Vreemd is het, dat de Teg. Staat niets meldt
over dien zilversmid. Scheltema maakt or
twintig jaar later gewag van (1804) „Voor
eenige jaren," zegt deze, „zijn er de lijken
ê
-ocr page 30-
28
van con zilversmid en zjjne vrouw bijgezet."
Volgens Dr. Ledder, die zijn informatiën kreeg
van Jelluma, destijds belast met het toezicht
op den kelder, „moet" ruim honderd jaren ge-
leden (dus vóór 175Ü) het laatste lijk zijn bij-
gezet, en volgons do meening van sommigen,
dat lijk geweest zijn van een goudsmid uit
het Nauw te Leeuwarden.
Zoo vaag en strijdig zjjn de berichten uit
den verleden tijd, doch anno 1895 heeft de
Heer V. d. Bert/h te \'s-Hage ons meer licht
gegeven. Bij eeue afbeelding schrijft hij:
„De hierbijgaande fotografie nam ik
van het lijk van den Heer Stellingwerf,
een dor Labadisten, die ua de ontbinding
dezer secte zich metterwoon te Leeuwarden
vestigde en in „liet Nauw" aldaar het be-
roep van zilversmid uitoefende.
Hij overleed daar een paar. eeuwen gele-
den (dus omstreeks 1695) en had in zijn
uiterste wilsbeschikking den wensch kenbaar
gemaakt, om in den kelder te Wieuwerd te
worden bijgezet, aan welke begeerte door
zijne betrekkingen is voldaan."
Wij zouden gaarne de bron kennen, waaruit
de hoer V. d. Bergh deze bizonderheden geput
heeft.
Zijne beschrijving, door goed geslaagde foto-
graüsclie afbeeldingen toegelicht, is de meest
boeiende van alle beschrijvingen, die we
vonden over dit onderwerp, doch wat hoofd-
zaak is bij dergelijke navorschingen: vermei-
-ocr page 31-
29
ding der bronnen, deze heeft de schrijver ge-
heel uit het oog verloren, zoodat zijn stuk
op een „vrije\'\' vertaling gelijkt van anderen,
die over hetzelfde onderwerp hun licht hebben
laten schijnen.
„De beschadigingen der lijken" — gaat de
heer V. d. Bergh voort — „zijn het werk van
baldadige bezoekers. Zooals gewoonlijk, geeft
de overlevering ook hier weer de schuld aan
de Engelschen, dio wel eens een hand of voet
of hoofd „moerden".
Als mondelinge overlevering, gewoonlijk
overdreven, kunnen we hier vrede mede heb-
ben, doch vorder lezen we: „voornamelijk
waren het echter de medische studenten uit
Franeker en, in het laatst der vorige eeuw,
de Franschen, die zich schuldig maakten aan
het medenemen van souvenirs, waardoor zes
van de elf lijken spoorloos verdwenen en an-
deren beschadigd werden." Hoe aannemelijk
deze beschuldiging moge klinken voor den op-
pervlakkigen lezer, zij is toch verre van be-
wezen. Waar zöö werd huisgehouden jaren
achtereen, dat zes lijken „spoorloos" ver-
dwenen, zou naar onze meening geen enkele
mummie gespaard of in zijn geheel zijn ge-
blovcn!
Vrij zeker zou Scheltema, die kort na do
geweldige revolutie en nog tijdens het Fran-
sche bewind, kerk en kelder inspecteerde, er
melding van hebben gemaakt en I)r. Ledder,
die jaren lang zich onledig hield met naspo-
ringen, anders zoo uitvoerig in zjjn mededee-
ffl__________________
■SMS»—.TT^.-^T^-—.......................................................,3^
-ocr page 32-
30
lingen en beschouwingen, er stellig niet over
hebben gezwegen.
Niet dat we voor Engelschen, Studenten en
Franschen vrijspraak willen pleiten, maar waar
zijn de ooggetuigen, in dezen — de tijdgenoo-
ten, die iets tegen hen bewijzen.
Zeker is het intnsschen, dat menig lijk ge-
schonden is in den loop der tijden en om ook
eens \'n fataal stukje uit den huidigen tijd te
geven, melden we hier, wat een kermisreiziger
ons verhaalde, dien we ontmoetten bij Ooster-
wierum
en vroegen naar den weg naar Wieu-
tverd. „Stil \'t nei de kelder f*
zei hij. — „Ja,
dat was het doel. Ben je er bekend?\'
— „Dat
scoe \'k tinke. Ik kom er nou al tritich jier
oanien. Wieuwerd is üs léste merk, dan lizze
we op for de winter.11
— „Ben je ook wel eens
in den kelder geweest?"
— „Faker as ienkear,
meastal nei \'t ófrinnen f en \'e merke; de léste
kear wie \'k er mei in kammeraed, dy \'t in
slokje op hie en dy ding it mdl. Hy krige
ien f en de lyken üt \'e kiste en sei: dou heste
salang al op \'e rech lein jonkje, ik scil dy ris
omkeare l Wie \'t net troch alles hinne f*
Voor de waarheid dezer „overlevering" kun-
non we instaan ; of het feitelijk gebeurd is,
laten we\'in \'t midden. De mogelijkheid be-
staat en zij deed bij ons de vraag rijzen:
■Waarom de lijkkisten voor jaren niet reeds
gedekt met glazen, al ware het slechts hal-
verwege, zóó dat do lucht vrijen toegang be-
hield, doch de schendende hand niet in ver-
zoeking werd gebracht ?
m>i
-ocr page 33-
31
Terecht merkt de heer V. d. Bergh op:
Het is te hopen, dat het kerkbestuur van
Wiewoerd door een gestreng toezicht op de
bezoekers dergelijke roovenjen (en schende-
rijen voegen wij er bij) in het vervolg onmo-
gelijk zal maken.
Dat het tegenwoordig Bestuur zorg toont
te dragen voor den kelder, bleek ons op over-
tuigende wijze. Het grondwater, dat sedert
dertig jaren, na de demping der gracht om
het kerkhof, gedurig in den kelder dringt en
gevaar oplevert voor de lijken, zal men trach-
ten af te leiden; diep in den grond was men
bezig om er buizen voor de afwatering te
leggen.
Dit werk is nu volbracht.
Bij \'t graafwerk is men nog op enkele kis-
ten gestuit van vuren hout, waaronder gaaf
gebleven planken.
Ook inwendig is de kelder, die er hei-
beierig uitzag, thans geschoond en opgered-
derd.
De kisten met mummieën zijn in goede orde
naast elkander geplaatst en de fragmenten
anderszijds bijeen gebracht.
Bij dezen schoonmaak zijn een paar bizon-
dere vondsten gedaan.
Eerstens is daarbij te voorschijn gekomen
een groote kies met wortels, die voortijds aan
een zilverdraadje zou hebben gehangen in
eene der kisten, bevestigd aan een plankje,
waarin een gaatje.
Tweedons is gevonden een prachtig kunst-
-ocr page 34-
*>•:
~f
32
gebit, wat naar een raadsel gelijkt. Iemand,
die liet gezien heeft, vertelde ons heden
(Maandag 7 Sept.) dat tanden en kiezen alle
uit één stuk been bewerkt zouden zijn. In
dat geval zal de vaardige hand der hoogst be-
gaafde Anna Maria niet vreemd zijn aan dit
kunstwerk. Zij was tandeloos.
Zijn tanden en kiezen met zilverdraad in de
kaak bevestigd, gelijk een ander mededeelde,
ook dan blijft men denken aan deze merk-
waardige vrouwe, die in alles uitmuntte.
Wij hebben getracht de „vondsten" te zien,
doch do kerkvoogd, wien ze waren afgedragen
en dien we niet thuis troffen, had zo wegge-
sloten in do brandkast, zoodat we er op mo-
ment niet meer van kunnen zeggen, dan ons
verhaald is.
De mogelijkheid blijft intusschen bestaan
dat een der vele vreemde bezoekers van den
kelder het kunstgebit hier heeft verloren of
wel dat een grappenmaker de hand in \'t spel
heeft gehad.
"Waarschijnlijk is dit evenwel niet,
Bij den schoonmaak vond men nog twee
planken, waarin glazen van 25 cM. lang en
20 cM. breed. Deze ruiten waren aangebracht
op hot hoofdeneind van don roef.
De planken hebben oen dikte van 8 cM. on
men vindt er, die 2,20 ïi 2,33 M. lengte heb-
ben. Gelijk men mogelijk weet, rekent men
nu voor een grooto kist 1,80 M.
In don kelder vond men ook nog een goot
en oen riool naar do voormalige gracht en
...\'■ S=,
-ocr page 35-
33
■wat wjj nog vergeten hebben te melden, is bet
vierkante luik met koker, zich bevindend in
\'t plafond van den kelder, waardoor de ruim-
ten van kerk en kelder met elkander in ver-
binding gesteld kunnen worden.
Dit losse luik is al oud en heeft als lucht-
koker dienst kunnen doen, doch kan ook zijn
aangebracht met hot oog op eventueel schijn-
dooden, waarover in vroeger tijden meer ge-
sproken werd dan tegenwoordig. De losse
deksels van vele kisten geven eenigon grond
tot dit vermoeden.
Bezig met graven en het leggen van afwa-
teringsbuizen, zei een dor omstanders: „als
het wonderlijk geheim van de uitdroging der
lijken ten langen leste maar niet geheel ver-
loren raakt door zulke kunstmiddels". Zeker
brengt elke verandering van den bodem in
en om den kelder gevaar mee, doch als een
noodwendig gevolg van de demping der gracht
diende er middel gezocht om het water uit den
kelder te weren.
Had men vroeger voor \'t behoud der oude
toestanden zorgvuldiger gewaakt en dio be-
stendigd, „Wieuwerd\'s wonder" baarde minder
vrees te loor te zullen gaan.
\'t Is waar, ook te Bremen en elders vinden
we dezelfde verschijnselen bij lijken, als in
ons friesche dorpje, zoodat ze niet „éónig"
zijn, maar de mummiën uit Egypte, die we
te Londen hebben gezien en de uitgedroogde
lijken in den Bleikeller te Bremen, die we
eveneens hebben kunnen bewonderen, ze
________                                                                   m
>....................•^■•£5..........................................^:t :in^:«gffi
5
-ocr page 36-
f
31
mootcu onder doen voor die te Wïeutverd.
Al is liet getal der mumniiën alhier gcrin
r>\'
kleur en uitdrukking schijnt ons sterker,
dut is natuurlijker, dan elders, zoodat de heer
V. d. Bergh zelfs kon schrijven: „In cene
der kisten vond ik het lijk eener vrouw,
die onder hevige pijnen moot zijn overlc-
den en zoo verstijfd. Zij ligt op den rug.
Het hoofd is eenigszins ter zijde gebo-
gon. Het gelaat is door angst en smart
geheel verwrongen en de mond wijd ge-
opend. Ook de beeuen zijn in kramp vor-
wrongen, zoodat do hielen geheel naar ol-
kander gebogen zijn. Blijkbaar heeft deze
lijderes, gillende van do smart gedurende
een hevigon aanval van kramp, den laatsten
adem uitgeblazen. Ondanks deze onmiskeu-
bare teekeiien van het vrccselijkste lijden
o]) liet oogenblik, dat do dood haar daaraan
ontrukte, liggen de handen dezer vrouw
over elkander gevouwen, zoo als men dat
gewoonlijk" bij de dooden doet."
Het muuuciilijk hier naast, waarschijnlijk
het laatst in don kelder bijgezet en aangewc-
zen als dat van den goudsmid Stellingwerf, is
het best bewaard geblcveu. Sprekend is nog
zijn gebogen neus, kalm de uitdrukking van
het gelaat, natuurlijk hei geheel. De heer
V. d. Berg/i heeft er een welgeslaagde foto-
grafie van genomen, niet in den kelder, maar
in de kerk.
Ik nam het lijk — zoo schrijft hij —
&                           _______                      .              \'                      $>
-ocr page 37-
35
zeer voorzichtig\' uit de kist eu op beide
armen droeg ik het zonder de minste moeite
naar boven. Van buigzaamheid der lede-
maten — gelijk de L. Crt. meldde (bijna
anderhalve eeuw geloden, weinige jaren na
de teraardebestelling) — geen sprake. Het
lijk was geheel stijf en zou bij geweldda-
dige poging om het te buigen door midden
zijn gebroken, liet was uiterst licht, ik
schatte het op een paar kilogrammen. De
huid heeft op hot gevoel veel van perka-
ment...... Toen onze goede hoer Stel-
lingwerf nog in leven was, zal hij zeker
niet gedacht hebben, dat hij nog eens uit
zijn graf zou komen, anderhalve eeuw na
zijn dood. Nog minder zou hij geloofd heb-
ben, dat in nog geen twee seconden ziju
portret vervaardigd zou worden!
* *
*
Dr. Ledder heeft den inhoud van elk der
kisten onderzocht en geeft een nauwkeurig
resumé van zijne bevindingen.
Zoo vond hij in een der kisten een geschon-
den mannen]ijk, waarvan de rechter onderarm
was afgescheurd, in een andore een dito lijk
nog in zijn geheel, benevens een gedeelte van
het nog vrij sterke wit gekleurde linnen bo-
klcedsel der kist en voorts een weinig groen
gekleurde hop. JIop vond hij ook in andere
kisten en in sommige nog goed bewaard hooi.
Klecdingstukken ontbraken geheel.
Waartoe en van waar hop en hooi ?
-ocr page 38-
*S»2E
30
Die vraag laat de onderzoeker, anders op
alles bedacht, onbeantwoord.
(Thans is de bodem der kisten bedekt, schijn-
baar met een soort vermolmd zeewier.)
De zwaarte van het best bewaarde lijk be-
droeg ruim 3 kilo. In de buik- en borstholten
der lijken vond hjj een vormlooze, verdroogde
massa.
Eene der platte kisten bevatte onder meer
andere beenderen niet minder dan vijf sche-
dels, waarvan drie, te oordeelen naar vorm
en grootte, van het vrouwelijk geslacht en
van vrij hoogen ouderdom.
De onderzoekende doctor stelde zich de vraag
ter beantwoording, of de kelder de eigenschap
tot uitdroging zou hebben behouden ?
Te dien einde werden er een snoek en een
stuk lever in den kelder opgehangen, \'t Was
zomer en maar kort duurde het, of het ver-
derf verspreidde zich dermate in de kerk, dat
beide objecten verwijderd moesten worden.
In Oct. van dat jaar (1848) werd de proef
herhaald met een baars en een goudpluvier.
Nu begon de uitdroging zeer spoedig, inDec.
was zij reeds ver gevorderd en na een tijds-
verloop van een jaar volkomen.
Beider gewicht bleek teruggebracht tot \'/■*•
Op denzelfden dag van October, dat baars
en pluvier in den kolder waren opgehangen,
plaatste do onderzooker ook twee pluvieren
op zijn eigen zolder in een luchtstroom, vrij
wel onder dezelfde omstandigheden. Ook deze
droogden uit, maar bleven veel zwaarder.
-ocr page 39-
Daarna sloot hij een verschen haas in een
goed sluitende doos met een weinig hooi en
op dezelfde wijze een baars, welke doozen op
de kisten in den kelder werden gezet Dit
geschiedde 20 Jan. 1850. Eenigen tijd bleven
beide dieren onveranderd, doch bij het stijgen
der warmte sprong een der doozen open ten-
gevolge het loslaten der lijm. Het was die
van de baars en deze nu droogde geheel uit
als de lijken, doch de haas in de dicht geblc-
ven doos ging tot bederf over.
Vervolgens worden in den kelder opgehan-
gen verschillende soorten vleesch en vet In
het vleesch nestelde zich de bedervende vlieg,
doch het vet bleef onveranderd. Herhaald
werd deze proef met vleesch \'n een bus van
kopergaas, zoodat de vliegen geweerd werden,
doch nu ging de uitdroging veel langzamer.
Meer dergelijke proeven met vleesch in den
kelder en elders opgehangen, zijn er genomen,
doch telkens met het resultaat, dat er in den
kelder nog iets anders plaats heeft, dan het
verwijderen der vloeibare deelen, die eenmaal
voorhanden waren in de weefsels.
En daar schuilt het onopgeloste raadsel,
waarop de Heer V. d. Bergh dit antwoord
geeft: niet onmogelijk dat uit den bodem zekere
gassen opstijgen, die de eigenschap bezitten om
volkomen alle bederf te weren.
Die „zekere
gassen" laten de kwestie nochtans vrij wel in
„\'t onzekere."
Dr. Ledder zegt nog: „op de eeuwige wet
der ontbinding vinden wij te Wieuwerd de
-ocr page 40-
3S
hoogst belangrijke uitzondering, dat zij zeer
langzaam voortgaat, zoodat men een voortdu-
rend bestaan zou durven aannemen, maar ein-
delijk keert do stof ook hier tot hare begin-
selon terug en do waarheid vervat in de
Heilige Schrift: Stof zijt (/ij, o mensch t en tot
stof zult i/ij wederkeeren,
vindt ook te IVieu-
werd
hare bevestiging.
Eindelijk zullen do thans nog bestaande lij-
keu (slechts 4 meer in getal) worden outbou-
den, even als de andere, wier beenderen thans
reeds in do grooto en kleine kisten beslo-
tcn zijn."
Een dezer kisten had men voor jaren reeds
dichtgespijkerd. Waarom die ééne gesloten,
werd er vaak gevraagd, soms op zoo gcheim-
zinnigen toon, dat er wel iets aehtcr moest
schuilen. De oplossing werd gevonden: In
die kist lag ecu gausch misvormd lijk, dat
aanleiding moest geven tot spot en daarom
niet gezien mocht worden !
Eenigo werklieden, gedreven door den trek
naar \'t geheimzinnige en verbodene, hebben in
1801, na de kerk gesloten te hebben, die kist
geopend en —■ daarin niets gevonden dan eene
verzameling beenderen van verschillende lijken.
* *
*
Nog ééne vraag willen we trachten te be-
antwoorden on wel deze: zijn het leden uit
het oud-adelljjk geslacht van Walta, die in
den kolder zijn bijgezet of wel zijn het La-
badisten ?
-ocr page 41-
3\'J
Dr. Ledder gelooft, dat do Labadisten den
kolder niot hebbeu gekoud en dat er de Wultd\'s
zijn bjjgezet.
In de geschriften dor Labadisten toch, meest
allen zeer omslachtig, inzonder wat betreft -
hun gehechtheid, broederlijke eensgezindheid
en bizondere voorrechten door den Heer ge-
schonken aan de broeders en zusters, vindt
men nergens melding gemaakt van den kol-
der. Ware deze benut geworden voor de lc-
den hunner secte, dan zou hun do wonderbare
eigenschap van den kelder niot onbekend zijn
gebleven en zij zouden daarin een bizonder
voorrecht, een blijk van Goddelijke bestiering
hebben gezien en dit allerminst hebben ver-
zwegen, toen hun zedeljjko kracht merkbaar
aan het afnemen was. — Bovendien zou het
lijk der hoogst begaafde vrouwe Anna Maria
v. Schuurman,
eene der eerste personen onder
de Labadisten, stellig een laatste rustplaats
hebben gevonden naast hare broeders en zus-
ters in den geloove. Bij \'t loven vereenigd
te zjjn geweest in den geest en onderlinge be-
langen en na den dood gescheiden te worden,
dit lag niet in haar aard en streven. En toch
weten we uit goede bron, dat haar stoifelijk
overschot, overeenkomstig hare laatste begeerte,
is begraven „onder de kerkemuur, waartoe ex-
pres een gat gemaakt is, met het hoofd buiten
de kerk, het gezicht naar het oosten en het ver-
dere gedeelte van het lichaam onder de. muur
en in de kerk.11
Deze mededcoling dankt Sehel-
tema
aan een eigenhandige aanteekening van
•■
ê ._____                     I
■$a»>;E^^i^—........^^^^^in^^^^n^^
-ocr page 42-
■Aa».......................................................................................\'...........:.....-eau,
40
A. F. van Schuurman, (1) de laatste telg uit dit
geslaeht, die verscheidene kunstgewrocnten en
geschriften van Anna Maria legateerde aan
de Hoogeschool te Franeker, thans in het ge-
restaureerde stadshuis hewaard en ter bezich-
tiging gesteld. (2)
Op een glasraam in de woning van den or-
gelmaker Radersma te Wiemcerd stond in 1850
te lezen : Den 31 Aug. 1779 hier geweest A.
F. v. Schurtnan, Canumek des Capittels van
St. Marie,
enz.
Wij hebben dit glasruitje gezien, voorzich-
tigheidshalve uitgesneden en zorgvuldig be-
waard. Het is oorspronkelijk afkomstig uit
eene der kerkeramen en daar is dus de Me-
morie gesteld, ter gedachtenis aan het bezoek
van den kleinzoon van Anna Maria\'s broeder,
den laatsten mannelijken telg van dit geslacht,
wat verder op het glas vermeld staat.
In de kerk zou het weder op zijne plaats zijn.
Beter nog wellicht, dat er een Memorie ge-
steld werd, gelijk elders en laatst voor Con-
stantijn Huygens
te \'s-Hage is geschied, waarin
het nageslacht zijn vereerendo waardcering
uitsprak voor eene vrouwe, zoo groot van gave
(1) Overleden to Heerenveen in 1783.
(2; De kos!cr to Wieuwerd, die in 1800 dit
ambt 5? jaren had bediend, heeft Ds. Schotsman
f e Sneek destijds medegedeeld, dat het lijk van
Anna Maria eerst op het kerkhof is ter aarde
besteld, doch later naar den kelder is overge-
bracht, volgens verklaring der voorgaande kosters,
die elk ook over de 50 dienstjaren telden.
f                         
djjiate--^^^^-^^^                          ......................
i
-ocr page 43-
—■..........................................................................................■■~<&k
f
41                               f
en vroom geloof als Anna Maria dit getoond
heeft te zijn in woord en daad.
Slechts ter loops zij die gedachte hier uit-
gesproken.
Geen versiering, lofspraak of klaagrede vindt
men op de oudste zerken.
En waar vindt men een steen, veel minder
dus een grafschrift op eene der Labadisten te
Wieuwerd of elders?
Een der grootste steunpilaren Du Lignon,
die te \'s-Hage stierf, werd naar Wieuwerd
vervoerd en zijn lijk daar ter aarde besteld,
volgens de overlevering, in den kelder.
Van Stellingwerf en zijn echtgenoote wordt
eveneens gemeld, dat deze als Labadisten in
den kelder zijn bijgezet.
Niettemin zijn en blijven het gissingen.
Het feit, dat Anna Maria niet in den
kelder, maar op het kerkhof is begraven, pleit
sterk voor het beweren van Dr. Leddcr, dat
de Labadisten den kelder niet hebben gekend,
maar hoe te verklaren, wat de heer V. d. Bergh
meldt omtrent den uitersten wil van den La-
badist Stellingwerf te Leeuwarden om bij zjjn
geloofsgenooten in den kelder te worden bij-
gezet ?
Dat het geslacht Walta in den kelder is te
vinden en de Labadisten dezen niet gekend
hebben, is op zijn minst twijfelachtig.
Zouden de Waltd\'s den kelder niet hebben
gedekt met een zerk, gelijk hunne vaderen
hadden gedaan, die in de nabijheid ter aarde
besteld zijn ?
SS _________ _______________ j____ I
-ocr page 44-
42
In de moeste kerken toch vindt men kel-
ders, die gesloten zijn mot fraai gebeitelde
stcenen, oven konstig als kostbaar. Zouden
ze een kolder hebben gesticht en verder vreemd
zijn gebleven aan allo uiterlijke praal ? Diende
bij het stichten van den kelder het adellijk
wapen niet in eere gehouden ? Zou men op
de kisten geen grafplaten hebben gehecht mot
namen on datums van geboorte en overlijden ?
Een en ander was destijds gebruikelijk on-
der de eerste adellijke standen, liet was oen
tijd vati weelde en wapens. Menig ridder in
Friesland ziet men afgebeeld op zijn zerk in
volle wapenrusting. Zelfs eigenerfde boeren
en bodrijfslui schitteren met geïmiteerde adel-
lijko onderscheidingen op hunne graven.
Om slechts een voorbeeld uit vele te noemen.
Klaas Tjallinijs, mr. Smit en Paardekoper,
overleden auno 1727 in \'t aangrenzende Oos-
terwierum
en aldaar begraven, heeft op zijn
zork zulk eon deftig wapen met de halve arend,
een paard
en een aambeeld.
En zouden nu do Walta\'s, die oen kelder
stichtten zoo groot als het gchcclo koor der
kerk, overigens zooveel bescheidener zijn ge-
wocst dan hun voorvaders, adellijke standge-
nooten en eenvoudige tijdgonooten ?
Slechts twee der hoogst eenvoudige meest
platte kisten toonden even eenvoudige teekens,
de letters I en S.
De merkwaardige eenvoud van kelder en
kisten doet veeleer denkeu aan de Labadisten,
wier leer en loven gericht was tegen alle uiter-
%______________                                                        &
-ocr page 45-
43
lijke pracht en praal, zelfs tegen allo versiering.
Dit was ook het streven geweest der eerste
Christenen. Uit de 2o en 3e eeuw zijn de
voorbeelden daarvan te Rome nog te aanschou-
wen. Deze begroeven de dooden bij hunne
broeders, de gemeente moest vereenigd zijn
zoowel na als in dit leven.
De kostbare gewaden, de bekleeding der
kisten en de balseming van sommige lijken,
waarvan vroegere schrijvers gewagen, sluiten
weer niet met der Labadisten eenvoud en
vreemd, zeer vreemd is het dan ook, dat een
goudsmid behoorde tot deze secte, die in haar
strijd tegen allen opschik, zoover ging, dat
zelfs bewerkte kanten, kragen en mutsen in
den ban werden gedaan. Geen der goloovigen
of leden der broederschap mocht werkzaam zijn
in dienst van de weelde of iets produceeren
van dien aard.
Hoe daarmede te rijmen het beroep van een
goudsmid, van een volgeus zijn uitersten wil
oprecht Labadist, wiens arbeid gericht was op
de ijddheid der menschen, die voedsel gaf
aan de hoov aardij ?
Wat is waar in dezen ?
Met zekerheid valt er niets te constateeren.
Het oene vermoeden heeft al evenveel voor
en tegen als het ander.
Amiemelijk blijft, dat de kelder gesticht is
Anno 1609, aannemelijk op dien grond, dat er
Walta\'s in zijn bijgezet en niet onwaarschijn-
lijk, dat enkele eersten onder de Labadisten,
als Du Lignon en mogelijk d,e Freules Von
-ocr page 46-
................".............".............................-...........-.....-.....—f
44
Aerssen, er een laatste rustplaats hebben ge-
vonden.
Met de overdracht van \'t slot aan de La-
badisten zal ook de kelder zijn overgegaan,
die er bij behoorde. Ruim een halve eeuw
kon de kelder benut zijn door de familie Walta
voor hare afgestorvenen en voor dat tjjdsver-
loop schijnt ons het getal van elf lijken wel
wat groot, mede reden, dat er vermoedelijk
ook Labadisten in zijn bijgezet, welke er even-
eens een halve eeuw hebben gewoond.
Beter ingelicht zijn we omtrent de Laba-
disten zelve, en aangezien Wieuwerd, welks
historie het geldt, daarbij ten nauwste is bo-
trokken, willen we over deze secte, haar ont-
staan, streven en ondergaan in een volgend
no. nog een en ander mededeelen, dat der
Friezen bizondere aandacht verdient.
DE LABADISTEN.
\'t "Was een tijd van godsdienststrijd en ze-
denverval.
„De bier- en brandewijnhuizen waren ge-
opend, en de dronkenschap zag hare tempelen
gevuld, terwijl het huis des Heeren weinige
bezoekers telde" Placcaten daartegen, van
overheidswege uitgevaardigd, bleken machte-
loos. Eenerzijds toenemende zedeloosheid bij
de menigte, anderzijds afscheiding van enkelen,
om in afzondering en gemeenschap voedsel te
zoeken voor het hart. In de kerken en onder
-ocr page 47-
45
leeraars en professoren een bittere strijd over
Waarheid en Geloof.
Anna Maria van Schuurman, reeds op jaren
gekomen, zag als zoovele geloovigen de toe-
komst donker in, maar bleef de hope op beter
behouden, meer dan anderen. Zij zeide: „Is
„lust ook nu niet als ten tijde van den pro-
„feet, dat er als hij meende dat geheel het
„volk in den afval van Jehovah deelde, toch
„nog zeven duizend waren, die hunne knieën
„niet hadden gebogen voor Baal ? Als de
„Heere om tien regtvaardigen .het goddelooze
„Sodom zoude hebben gespaard, dan mogen
„wij ook wel vertrouwen, dat Hij ons niet
„zal begeven of verlaten."
Zoo sprak zij tot de eerste professoren van
den lande, die vroegen: wat te doen ?
Anna Maria antwoordde o. m.: „De hoof-
„den zijn warm en de verbittering is groot.
„De harten zijn verkleumd en de liefde is ge-
„weken..... Wij moeten de verstrooiden
„wederom vergaderen; o, als de leeraars, in
„plaats van altijd te spreken over den twist,
„die er heerscht, de zondaren opriepen totbe-
„keering, de bekommerden opbeurden en de
„vromen vertroostten.....Als men den hui-
„selijken godsdienst in eere hield, wanneer men
„in gezelschappen niet altijd redetwistte, maar
„vroeg naar de wateren des levens . . . "Weg
„met alle strijdschriften. Hervorming moet er
„komen. Indien er slechts iemand was, die met
„vaste hand, met heiligen moed en met vurig
„gebed het werk der hervorming begon,
-ocr page 48-
*»*2
46
„hij zoude zegen vinden op zijnon arbeid.\'
* *
*
Het oog der vrome vrouwe was gericht op
Jean de Labadie, over wien haar broeder gedurig
schreef aan haar. Zij waagde het den beroem-
den leeraar zelve te schrijven en smeekte hem
over te komen en een beroeping naar Middel-
burg
te aanvaarden. „Een mijner vurigste
wenschen is zjjn aangezicht te aanschouwen
voor ik sterve! O, ik heb nog goeden moed,
zoo lang de Koning der Kerk zulke dienst-
krachten uitzendt te onzer, behoudenis."
Zoo sprak zij ; haar wensch werd vervuld.
Jean de Labadie liet zich bewegen over te
komen naar ons land. In Frankrijk had hij
reeds grooten naam gemaakt, veel geleden en
gestreden.
Laatst predikte hij te Genève, waar geen
einde kwam aan de „beden", hem te behou-
den voor de gemeente, doch vruchteloos. De
gevierde prediker gaf gevolg aan de roepstem
van Anna Maria en beloofde haar eerst Utrecht
te zullen bezoeken, waar zij destijds woonde.
Aller hoofd en hart was vervuld over de komst
van Be Labadie en meu kan zich moeilijk een
denkbeeld vormen van de geestdrift, die alle
vromen bezielde. De redding der Kerk werd
van dezen Godsgezant verwacht.
Tien dagen bleef De Labadie te Utrecht.
Verbazend groot was do toevloed van men-
schen van binnen en buiten de stad, om den ge-
vierden leeraar bij zijn eerste optreden to hooren,
-ocr page 49-
47
Do scharen verdrongen elkander, doch nau-
welijks had de spreker den kansel beklommen
of er volgde een doodelijke stilte.
„Wat is het, mijne broeders," zoo begon
hij, „dat u hierheen heeft gevoerd om een
man te hooren spreken, die verfoeid van
zijn leermeesters, gehaat door zijne betrek-
kingen, vervolgd en versmaad door zijne
vrienden, een balling is en verdreven van
den dierbaren geboortegrond?
Was het de zucht naar het vreemde, die
u hierheen drong ? Neen, ik weet het, het
is de vreeze des Heeren, die uwe harten
vervult, en de begeerte naar de Wateren
des Heils brengt u hier.
Maar waartoe ben ik zelf hier ? Heeft ook
mij de zucht aangegrepen, om vreemde lan-
den te zien, en heb ik daarom mijn Genève
verlaten, dat mij zoo liefderijk had opgono-
men en mij hot gemis van mijn vaderland
zoo dubbel had vergoed ? Noen, ik heb de
stemrno des Allerhoogsten gehoord, die mij
geroepen heeft, om als een tweede Abraham
maagschap en vrionden te verlaten, om in
het vreemde land, dat Hij mij wijzen zoude,
de kennis van Zijnen naam te bewaren.
Hij sprak verder van zijn lijdon en over
zijn ballingschap, zoodat de menigte tot tranen
geroerd werd. f
De Hoer is nog lankmoedig onder u —
vervolgde hij. — Hij laat in uw midden
de stem der vermaning nog hooren, opdat
-ocr page 50-
48
go u bekeeren moogt van uwen dwazen
weg. Wat zult gij doen ? Zal uw oog ge-
sloton blijven voor zijn licht en zal uw oor
niet luisteren naar zijne stem ? . . . . Zoo
ge u niet bekeert, de Sodoras zullen onder-
gaan in verderf, maar de Engelen Gods
zullen een Soar der behoudenis openen voor
de vromen.
Daar is hervorming noodig, voor een iege-
lijk onzer, voor de regeering der gemeente
en voor de gemeente zelve. Ik voor mij
ben vastelijk besloten de wereld den oorlog
aan te doen en maak mij gereed, haar uit
de gemeente des Heeren te verdrijven, of
van haar uitgedreven te worden. Welke
gemeenschap heeft Christus ook met de
wereld ?
Zoo ging hij voort in bezielende taal en
aan het slotwoord gekomen, beefden zijn lip-
pen en was het alsof oene heilige siddering
hem had aangegrepen. Bij de laatste woor-
den had hij zijn oog gesloten als tot gebed:
Wij willen o God, voortaan niet willen, wij
willen zelfs niet zijn, dan voor zoo ver Gij
het wilt. O, mogen wij voor U verdwijnen
en doen alsof wij niet meer waren, opdat
Gij alleen in ons moge zijn, als in onze
plaats. Dat wij ons zei ven zoo weinig mo-
gen zien, ons zelve zoo weinig vinden, zoo
weinig aan ons zelve denken en ons zelven
zoo weinig behagen alsof wij werkelijk niet
meer waren, dan zouden wjj noch eigen
-ocr page 51-
49
begeerte, noch vermaak, noch bekommering
voor ons zelven hebben, omdat wij niet
zouden zijn wij zelven en als van U geschei-
den, enz.
Men was geroerd, opgetogen, getroffen en
bewogen en bij elk nieuw optreden verdron-
gen zich steeds grooter scharen en klimmend
bleef de spanning en opgewondenheid der
toehoorders.
Wij zijn voor deze plaats wel ietwat uit-
voerig geweest in \'t mededeelen van aanhalin-
gen uit De Labadie1 s eerste rede, doch dit vindt
hierin zijn reden : wij zien in die woorden den
hoofdman reeds van een nieuwe secte, die der
Labadisten, welke te Wieuwerd zooveel van
zich zou doen spreken in later tijd.
* *
*
De Labadie toog naar Middelburg, waar de
kerkelijke gemeenten van wego de twisten in
diep verval waren. Als te Utrecht had hij
een overweldigend succes. Zijn roem steeg
met den dag. Van alle zijden vloeiden scha-
ren tot hem. Vele predikanten zagen dit met
leede oogen aan en het duurde maar kort, of
de Synode trad tegen hem en zijne leeringen
in het krijt. Er volgden strijdschriften over
en weer. De Labadie werd eerst geschorst
en later zelfs afgezet. Ook aan zijn leerlin-
gen Yvon, Du Lignon en De Menurei werd
de kansel ontzegd.
Anna Maria had zich ook tijdelijk te Mid-
delburg
gevestigd en zoo tal van adellijke en
7
-ocr page 52-
50
hooggeplaatste personen, louter om De Labadie.
Anna
bracht zelfs elke predikatie van den
Hervormer zoo getrouw mogelijk in schrift.
Na de „uitzetting" stichtte De Labadie een
eigen gemeente, als die der Doleerenden. Vóór
dien tijd was hij met zijne scharen bij verras-
sing de kerk zelfs binnon gedrongen, wat bijna
oproer ten gevolge had. Onlusten en partij-
schappen groeiden intusschen dermate aan, dat
de Magistraat over De Labadie en zijne mede-
apostels het banvonnis uitsprak.
Het naburige Veere ontfermde zich over de
bannelingen. Hier werd de prediking voort-
gezet.
Middelburg scheen als uitgestorven. De
vreemdelingen, in grooten getale om De La-
badie
daar gekomen, volgden hun voorganger
naar Veere. Middelburg leed alzoo groote
schade en Veere kwam ras in aanzien en bloei.
Vele aanzienlijke familiën vestigden zich hier
mot der woon. De kwijnende hoofdstad, naijve-
rig op don onverwachten bloei van bet kleine
Veere, wendde zich tot de EdelMogenden van
Zeeland om hulp en het gelukte haar dezen ten
lange leste te bewegen aan de Labadisten het
verblijf ook binnen Veere te ontzeggen.
De Magistraat van hot stadje kwam wel in
dat bevel, maar toen oen for-
tegen
verzet
meele belegoring van het stadje door de Mid-
dolburgers te duchten was en de Veerenaars
de wapenen ter verdediging reeds hadden op-
gevat, trad De Labadie do oprocrigc schare te
gemoet. Mou verwachtte een oorlogskreet uit
É
-ocr page 53-
*■»£
51
zijnen mond! en dat hij do zegon zou uitspre-
ken over hunne wapenen, doch hierin werd
men teleurgesteld. Hij sprak:
„Mannen hroeders! Het koningrijk van mij-
nen dierbaren Heiland, dat ik wil uitbreiden,
is niet van deze wereld. Niet in oorlog en
burgerknjg, maar in den vrede en in de liefde
is onze God!
Legt uwe wapenen neder! Uwe regten en
vrijheden zullen niet worden gekrenkt, want
de Heer roept mij vrijwillig deze plaats te
verlaten. Het burgerbloed worde gespaard...."
Allen onderwierpen zich en daarop trok de
Leeraar naar de vergadering der achtbare re-
geering en zeide: „Ik heb eenen dank aan u,
eenen raad aan u en een bede tot u. Ik dank
u voor den moed en de trouw, waarmede gij
mij met de burgers uwer stad wilt verdedigen,
waarmede gij goed en bloed waagt voor mij en
mijne vrijheid .... Ik breng u tevens mijnen
raad. Bewaart uwe stad voor den burgerkrijg
en voor het vergieten van zooveel dierbaar
bloed. Ik zal heengaan om des v redes wille
en ben tot u gekomen met de ootmoedige bede
mij te ontslaan van de betrekking tot u en
uwe gemeente en uwe stad. De Heer roept
mij . ..«
De Raad was tot tranen toe bewogen en
hoewel ongaarne gaf hij hem den afscheidsbrief
alleen uit reden der uiterste noodzakelijkheid.
Dit geschiedde in den jare 1669.
* *
*
-ocr page 54-
52
De Gemeente vestigde zich nu te Amster-
dam,
waar zij met blijdschap werd begroet.
Zijne drie leerlingen trokken als zendelingen
naar Rotterdam, \'s-Hage en Utrecht om daar
zielen to winnen voor de kerk van hun meester.
Anna Maria voegde zich bij De Labadie,
gelijk zoovele andere mannen en vrouwen van
geboorte en naam. Er werd een huiskerk ge-
sticht met gemeenschappelijke inwoning. Zelfs
predikanten werden daariu opgenomen.
Groot waren ook hier weder de scharen en
het succes, doch bitter werden de strijdschrif-
ten, die voortdurend het licht zagen.
Hoe vast de gemeente stoud, gesteund als
zij werd door de hooge regeering der hoofd-
stad, door schrijvers van naam en niet het
minst door Anna Maria, dreigden er toch
nieuwe gevaren.
De Waalsche en Nederduitsche gemeenten
begonnen zichtbaar te lijden onder den invloed
der nieuwe secte, die de menigte tot zich trok.
Zij dreigden ten onder te zullen gaan. Han-
nibal
stond voor de poorten en de predikan-
ten, die hunne kerken bedreigd zagen, wend-
den zich mot „ootmoedige beden" totdeover-
heid, ter voorkoming van scheuring, oproer
en dergelijke, om De Labadie met zijn aanhang,
„die scheurzieke menschen", toch te verbannen.
\'t Ging hier als te Middelburg en te Veere
en do vuige, laster word zelfs te baat genomen
om den gehaten vijand onschadelijk te maken.
* *
-ocr page 55-
53
Er werden eindelijk bevelen uitgevaardigd
door de stad, dat geene andere dan leden van
het talrijk huisgezin van De Labadie zijne
predikatiën en oefeningen mochten bijwonen,
doch deze beperking zou de dood gelijk zijn
voor de kleine kloostergemeente.
Het Evangelie diende verbreid.
"Waar het land der vrijheid gevonden ?
Er kwamen vele aanbiedingen tot De La-
badie,
waaronder van eene Duitsche Prinses,
die reeds sinds jaren briefwisseling had gehou-
den met Anna Maria. Even als deze had
de prinses kunsten en wetenschappen beoefend
en zoowel hierover als over de godzaligheid,
hadden de vrome dames met elkander gecor-
respondeerd. Nu en dan had de edele prinses
hare beroemde vriendin zelfs persoonlijk be-
zocht.
Zij waren elkander zeer genegen en de Prin-
ses, hoewel gewaarschuwd tegen „de afge-
dwaalde secte", wendde zich rechtstreeks tot
Anna Maria. Zij schreef „onderricht te zijn
van het voornemen harer vrienden, om zich
uit de banden van alle aardsche zaken te
ontworstelen, om de Chr. Ger. Godsd. met
groote zuiverheid en vrijheid in het gezelschap
der vromen te oefenen, om zoo de laatste han-
deling van haar leven gelukkigljjk te bestu-
ren, dat zij daarom haar en allen, die met
haar waren, eene openbare en vrije uitoefening
van den godsdienst toestond, onder haar hoog en
onbepaald gezag, in hare heerschappij van
Her ford."
-ocr page 56-
54
Met vreugde werd deze uitnoodiging be-
groct en dra daaraan gevolg gegeven.
*
Te Amsterdam werd een broeder achterge-
laten om aan te kweeken wat gezaaid was en
De Ldbadie en de zijnen gingen scheep om
hun „Kerkje Gods" over de ontrouwe baren
te voeren naar vrediger en veiliger oorden.
Zoude het do haven der ruste vinden?
Honderden waren tegenwoordig bij de af-
reize en de geliefde Leeraar sprak hen bemoe-
digend toe : „zoo dit land van kommer en tra-
nen ons niet weder bij eikanderen ziet, wjj
zullen dan daar boven elkander begroeten .. .
daar is het Vaderland!"
Een laatst vaarwel volgde met groeten en
wuiven, tot het scheepje in de verte uit het
gezicht verdween.
Voorspoedig was de tocht, die verkort werd
door oefening en gezang.
Te Bremen kwam men aan land en met rij-
tuigen werd de reis voortgezet naar Herford.
Alles behalve hartelijk was de ontvangst van
de zijde der dorpelingen, die niet veel goeds
hadden gehooid van deze om hun ketterij uit
Nederland verdreven vreemdelingen.
De Prinses daarentegen toondo zich hunner
zeer geuegen en omhelsde hare vriendin Anna
Maria.
Woonde men vroeger bijeen en leefde ieder
op eigen kosten, te Herford werden de Laba-
disten één huisgezin, waarin allen het belang
-ocr page 57-
*
55
der gemeente behartigden en allen gezamenlijk
de vruchten trokken van elkanders bezitting
of arbeid. De broeders en zusters werden voor
altijd aan de gemeente verbonden. Zij gaven
zich zelven en al het hunne ten offer en leef-
den voortaan in volle gemeenschap van goederen.
De leer van het huidige socialisme of com-
munisme zag men hier belichaamd in de prak-
tijk met Christus als hoeksteen of fondament.
De gemeente gevoelde nu eerst recht hoe
goed en liefelijk het was, als broeders sadm te
wonen.
Behalve het avondmaal, dat op „lustige"
wijze gevierd werd onder zingen, dansen en
geestelijke omhelzingen, gaf vervolgens de
wijze, waarop de huwelijken gesloten werden
onder en door de Labadisten, veel opspraak
en grooten aanstoot.
Yvon trouwde juffr. Martini, Du Lignon
juffr. Van der Haer, doch De Labadie en
Anna Maria, hoewel lasteraars het tegendeel
hebben beweerd, bleven ongehuwd.
De Menuret, de derde apostel van De La-
badie,
was na oen onbeantwoorde liefde van
do begaafde Anna de Veer van Dordrecht,
krankzinnig geworden en na een vreeselijk
lijden van twee maanden nog in Holland ge-
storven.
Avondmaal en huwelijk hadden intusschen
tengevolge, dat vele broeders on zusters de
Huisgemeente verlieten en de Luthersche pre-
dikanten van Herford drongen er bij de hooge
Begeering des lands met kracht op aan, dat
-ocr page 58-
>.....................................................................................................
i
56
de opspraak wekkende secte uit hare land-
palen verwijderd zou worden.
Prinses Elizabeth bleef de Labadisten zeer
genegen en stond hen zelfs haar kasteel af,
dat door een groot gedeelte der Huisgemeente
betrokken werd. Daarop trok do Prinses naar
het Hof van Berlijn, om de verbanning van
hare Gottes-Kinder te voorkomen.
* *
*
Het jaar 1672 brak aan: het bange jaar
der oorlogen, en de Labadisten, zich niet veilig
meer achtende, na de Prinses hun hartgron-
digen dank betuigd te hebben voor de genoten
bescherming en gastvrijheid gedurende de twee
jaren van hun verblijf te Herford, verlieten
Duitschland. "Waar zouden de arme zwervers
nu hunne tenten opslaan ? Als Abraham trok-
kon zij heen naar een onbekend land. Goeds-
moeds onder Gods veilige hoede, hieven ze
van tijd tot tijd reisliederen aan, de heilige
zangers van Israël nagozongen, als Ps, 121,
124, 133 e. a. Do Heer was met hen, waar-
voor zouden zij vreezen ? Hij zoude hun wel
de plaats hunner bestemming aanwijzen.
Men kwam in het land van Altona, in De-
nemarken.
Hier besloot men voorloopig te
blijven en af te wachten, „welke plaats van
vaste woning God hun zoude aanwijzen," doch
plotseling viel De Labadie in oen zware en
langdurige ziekte, zoodat men niet kon ver-
trekken. Mot volhardende trouw waakten do
broeders en zusters over den geliefden kranke,
ϫS#
-ocr page 59-
57
die eindelijk, zich den dood nabij wanende, al
de leden zijner gemeente aan zijne sponde
riep, om hen zijn sterfbeds-zegen te geven.
Met vurige opwekking en heilzame vermanin-
gen sprak hij ieder toe naar zijn bizonderen
toestand, om God lief te hebben boven alles.
Tegen verwachting herstelde de kranke, na
eene ziekte van vijf maanden. Hij begon nu
weder te prediken. Allen roemden zeer den
buitengewonen zegen des Geostes, die zich
uitstortte over de Gemeente. „De Goddelijke
genade ging niemand voorbij; maar één hart
en ééne ziel deed God allen te zamen voet
voor voet eene gestalte van Christus opwassen."
Buiten de stad werd dra een grooter huis
betrokken, vervolgens een tweede er naast
gehuurd.
\'t Liet zich aanzien, dat men nu het land
der ruste had gevonden, men gevoelde zich
overgelukkig.
Anna Maria schreef hier het eerste deel
van hare Encleria of vDe keus van het beste
deel*,
gedrukt op de eigen drukkerij der La-
badisten. (*)
Geschreven in hot Latijn, is dit hoogst be-
langrijke geschrift in onderscheidene talen
overgebracht.
* *
*
De Labadie,. na zjjne herstelling werkzamer
(*) Aan deze Eucleria heeft H. v. Berkum
grootendeels do stof ontleend voor zijn boeiend
werk „De Labadie en de Labadisten",
waaruit wy ons resumé geput hebben.
:<*£&
-ocr page 60-
58
dan ooit, had een voorgevoel, dat zijn taak
toch weldra zou zijn afgeweven. Hij sprak
gaarne niet zijne vrienden over den dood. Ge-
rust betoonde hij zich over het lot zijner kudde,
wanneer hij niet moor met haar zoude zijn :
Allen kennen den lieer, loven en dienen Hem,
ik sterf veryenoeyd !
zeidc hij meermalen. „Wij
gelooven, dat zijn harte meende, wat hij sprak"
— zegt de onpartijdige geschiodvorseher -*- „hij
was geen huichelaar."
6 Febr. 1674 overviel De Labadie weder een
ziekte, die 7 dagen daarna eindigde met den
dood. Hij stierf juist op zijn 64sten verjaardag,
omringd door zijn vrienden, in de armen van
Anna Maria. Zijn sterven was dat eens Chris-
tens — zijne vijandon zelfs hebben dit erkend.
Hij is geweest een man van grooto geleerd-
heid, zijne geschriften getuigen op iedere blad-
zijde van belezenheid ; als prediker oogstte hij
welverdienden lof wegens zijne verwonderlijke
welsprekendheid ; als herder was hij nauvvge-
zet en ijverig, streng jegens andoren, maar
ook jegens zich zelven. Als stichter eeuor
nieuwe gemeente heeft do tijd zijn werk reeds
geoordeeld. In een klooster gevormd, stichtte
hij een klooster, op anderen grondslag, doch
de hervormer leed schipbreuk. Als mensch
had hij veel wat hem aanprees: welgemaakt,
beschaafd, spraakzaam, lovondig en aangenaam
in den omgang. Trouw was hij voor vrienden,
scherp jegens tegenstanders. De man des Go-
loofs toonde te zijn een man van moed, met
de gestrengheid van Calrijn. Diens gezag had
i ___                               ___ m
-ocr page 61-
■\'
y*.........................\'................^^^5^^s<f
hij niet, zjjn ijver was vaak zonder verstand
en hij gaf meer toe aan het gevoel dan aan
de rede. Hij had vele vijanden, die hem las-
terden, vele vrienden die hem vergoodden.
Een dezer schreef onder zijner afbeeldsel:
Zie hier het ware beeld van Labadie gegeven,
Die ons weer heeft herleid tot \'t eerste Christen-
leven,
Niet dat hij door zich zelf dit werk zich onder
wand,
Hij diende maar alleen tot werktuig in Gods hand.
De vertaling is van Foeke Sjoerds ; korter
en krachtiger is de oorspronkelijke tekst van
Anna Maria in het Fransch, geplaatst onder
zijn beeltenis, door haar geschilderd.
* *
*
Yvon word als opvolger aangewezen van De
Labadie.
Hij nam het bestuur der gemeente
op zich in overleg met De Lignon en andere
voorgangers. Anna Maria, in de wandeling
Moeder Anna genoemd, werd bovenal geraad-
pleegd. Hare woorden waren reeds voor De
Labadie
als orakeltaal en do uitspraken eener
profetes geweest.
Stil en vreedzaam snelden do dagen henen,
de kleine gemeento blocido en de sterfdag van
De Labadie kou een volgend jaar mot blijden
weemoed worden herdacht.
Doch dra werden zo weder opgeschrikt uit
hun rustige rust door den oorlog, die dreigde
uit te breken tusschen Denemarken en Zweden.
Zij besloten in tjjds de rampen van den krijg
-ocr page 62-
•*»>■\'■...................................................-.........................^.................<*g&
f
60
te ontvlieden. Hun oog viel op Walta-slot
te Wieuwerd; drie zusters Anna, Maria en
Lucia, uit de vrouwelijke lijn der Waltds,
die zich bij de Labadiston hadden aangesloten,
gaven daartoe gereede aanleiding. Bij hot slot
behoorden uitgestrekte landerijen, eigendom
der genoemde zusters en van hun broeder Cor-
nelis,
later gouverneur van Suriname, mede de
leer der Labadisten toegedaan.
Bij overeenkomst werd Thetinga met andere
goederen overgedragen als erfdeel aan de
zusters en door deze aan de Huisgemeente der
Labadisten, alzoo in „de gemeenschap" opge-
nomen.
IN FRIESLAND.
In Mei 1675 vinden we de nieuwe gemeente
reeds te Wieuwerd en het slot kreeg naar zijn
hoog geboomte sedert den naam van Laba-
diste-bosk
en de bewoners dien van Boskliuwe.
Die laatste benaming getuigt nu juist niet van
bizoudcre ingenomenheid met de vreemdelingen.
Groot was de ergernis der meeste predikanten
en de Friesche synode trad spoedig tegen de
kudde van De Labadie in \'t harnas, evenals
te Middelburg, Veere, Amsterdam en elders
reeds is gezien. Commissies werden benoemd,
rapporten uitgebracht, de Staten in \'t geval
betrokken, ook uit huu midden gecommittecr-
den benoemd, professoren daarin opgenomen en
vervolgens een onderzoek ingesteld. Yvon werd
op 23 punten gehoord en meesterlijk heeft hij,
zij het dan ook niet steeds met duiven-oprecht-
-ocr page 63-
heid, zijn antwoorden gesteld en zoo \'t drei-
gend gevaar van „verbanning" weten af te
wenden en het goed recht van bestaan zijner
gemeente weten te handhaven. Het bleek der
H.E.Mogenden na onderzoek, „dat de Labadis-
ten stille, vrome en werkzame menschen wa-
ren, die zuiver in de gereformeerde leer zich
te Wiemverd hadden vereenigd, om God te
beter te kunnen dienen."
Zij mochten o. m. hunne godsdienstoefenin-
gen houden in het openbaar, haren aanvang
met klokgelui aankondigen en hunne huwelij -
ken zelve voltrekken.
Inplaats van tegenstand vonden de Laba-
disten alzoo steun bij de Staten der Provincie.
Anna Maria en de zusters uit het geslacht
Walta, verwant aan den Frieschen adel en
aan den Graaf van Nassau, zullen daarbij niet
weinig gewicht in de schaal hebben gelegd.
De Synode bleef niettemin ageeren tegen de
nieuwe gemeente, doch besloot in 1679, nadat
alle pogingen om de Staten voor hare klach-
ten te winnen, vruchteloos bleken, „met zachte
middelen zooveel mogelijk te verhinderen, dat
de leden der gereformeerde kerk overgingen
tot de Labadisóen." De in haar oog dangereuse
(gevaarlijke) secte, gescholden voor oen „rot
oproermakers" en vergeleken bij „de Munster-
sche wederdoopers", nam jaar op jaar in bloei
toe en zag de machtelooze woede dezer tegen-
standers zonder eenige bekommering aan.
Schrijvers van gezag oefenden niettemin een
scherpe kritiek uit tegen der Labadisten leer,
-ocr page 64-
62
handel en wandel, zoo vinnig, dat Yvon naar
de pen greep en trachtte te weerleggen de 40
dwalingen
en de 12 hoofdzonden, zijne afge-
scheiden gemeente ten laste gelegd.
Strijdschrift op strijdschrift zag het licht,
doch hoe vinnig de Labadisten ook werden
aangevallen, uit alle stroken van Friesland
bleven de geloovigen naar Wieuwerd trekken.
Velen, die zich niet bij hen wilden aansluiten,
gingen toch te Wieuwerd wonen, om de gees-
telijke oefeningen op Thetinga bij te wonen.
Dagelijks, maar vooral des Zondags, waren de
wegen als bezaaid met rijtuigen en voetgan-
gers, uit alle oorden der Provincie.
In 1677 bezocht de vermaarde stichter der
kwaker-gemeente William Penn de Labadisten
en sprak lang en veel met Yvon en Anna
Maria,
doch kon niet besluiten zich bij de
broeders en zusters aan te sluiten.
* *
Wieuwerd nam, gelijk te denken is, zeer in
bloei toe. De inwoners worden hun zeer ge-
negen. De Gereformeerde Gemeente smolt
bijna geheel weg en toen er oen nieuwe pre-
dikant benoemd moest worden in 1677, hadden
de Labadisten door hun bezit en invloed de
macht een leeraar te beroepen geheel in hun-
nen geest. De keus viel op Johannes Hesener,
wiens broeder de nieuwe leer reeds had om-
helsd. ïïij kwam over, doch de classis van
Sneek ontzette hem weldra uit zijne bediening,
wegens onrechtzinnigheid in de Leer.
-ocr page 65-
f5»"...................................................................s=——«5&
63
Hij voegde zich nu bij de Labadisten en
kreeg eene plaats onder de sprekende broeders.
Balthazar Colerus, predikant te Nijega en
Elahuizen, mede ontslagen uit zijn ambt, liet
zich eveneens opnemen in de huisgemeente
der Labadisten, doch schikte zich niet in den
hem opgedragen arbeid, dien hij beneden zich
achtte, verliet Wiemoerd en stierf kort
daarna.
Ook Regnerus Copper, pred. te Duisburg, toog,
na afgezet te zijn wegens onrechtzinnigheid,
naar Wieuwerd en werd opgenomen onder de
Labadisten. Hij was een vroom, eenvoudig
man, vroeger vol leven en vuur, doch te
Wieuwerd als een „kaarse onder een mudde
vat". Later heeft hij gereisd om de verspreide
broeders in het geloof op te bouwen.
Mede sloot zich bij de Labadisten aan Pe-
trus Dittelbach,
die reeds veelmalen aanzat
bij de broeders te Wieuwerd en de Eucleria
van Anna Maria vertaalde. Hij hoopte te
Wieuwerd voor zijne kindcrs, dio al groot be-
gonnon to worden, een geschikte leerschool to
vinden, doch zijn vrouw stond het loven op
Thetinga spoedig togen en toen hij later, na
het klooster weder verlaten te hebben, de pen
opvatte tegen de kleine gemeente, zegt hij van
de opvoeding zijner kinderen: dat ze om een
haverstroo werden gegeesseld en zich dan nog
dankbaar moesten betoonen voor de kastijding.
Do man, die met do zijnen het brood der
gemeento had gegeten, schold en belasterde
zijne vroegere geestverwanten op zoo ergerlijke
$ _ _ __         i
-ocr page 66-
64
wjjze, dat de Labadisten het beneden zich
achtten, daarop te antwoorden.
Een der meest beteekenisvolle figuren onder
de Labadisten was Hendrik van Deventer, ge-
boren te \'s-Hage in 1651. Van den begin-
ne af is hij te Wiewoerd bij hen aangesloten
geweest. Zijne echtgenoote oefende de ver-
loskunde uit. Zelf legde hij zich met ijver
toe op de heelkunst. In 1679 opereerde hij
De Lignon met goed succes. Hij was de doctor
van het gesticht en maakte grooten naam,
zoodat hij een Europeesche vermaardheid heeft
verworven. Op Walta-slot had hij een eigen
chemisch laboratorium en zijne pijnstillende
en zweetpillen werden in het gansche land
gevraagd en brachten groote winsten aan voor
de groote huishouding van omstreeks vier-
honderd personen.
Ook als Godgeleerde maakte Van Deventer
naam.
In 1688 verliet hij Wieuwerd en deed op
verzoek van \'s Konings lijfarts een reis naar
Denemarken. Vervolgens zette hij zich te
\'\'s-Hage neder, waar hij de wetenschap op-
voerde tot een ongekende hoogte.
De vermaarde genees- en verloskundige had
een eigen drukkerij en schreef onderscheidene
godgeleerde werken, die een hoogen eerbied
doen opvatten voor hem als mensch en als
christen.
In alles wat hij schreef, ook in zijn
medische werken, vindt meu don nederigen
man des geloofs. Niemand verkettert hij, al-
len omvat hjj in zijne liefde, getuigt v. Ber-
ê ____                                           §
-ocr page 67-
65                                        :
kum. Ook als dichter heeft hij eenigcnnaam
gemaakt.
Bij do Labadisten was hij een levendig,
welsprekend prediker.
* *
*
Tot de sprekende broeders Labadisten be-
hoorde nog Cornelis v. d. Meiden, boekbinder
van beroep. Hij beoefende ook de dichtkunst
en is later als zendeling in den lande werk-
zaam geweest. Van Peter Schluter, Jasper
Dankers
en Thomas Servaasz, die eveneens
het woord voerden in de gemeente, hooren
we straks nader.
LANDVERHUIZING.
In 1680 werd de kolonie Suriname eigen-
dom van de West-Ind. Compagnie, de stad Am-
sterdam
en den heer Cornelis van Sommelsdijk,
ieder voor een derde. v. Sommelsdijk werd
Gouverneur-Generaal der kolonie. Hij was
een man van genie en van een ondernemen-
den geest.
Gelijk wij weten, waren zijne drie zusters
i tot de Labadisten overgegaan en opgenomen
in de gemeenschap te Wieuwerd.
Zelf behoorde hij tot de voorstanders van
de nieuwe leer en wat lag nu meer voor de
hand, dan dat de Labadisten bedacht waren *
op uitbreiding van hunne Kerk ook in de
West. De blijde boodschap van Christus kon
gebracht worden tot de Heidenen en als het
!■ geval wilde, dat ze eens uit Wieuwerd moch-
%&>.................^rr^..............................:---v.................■............<ag
9
-ocr page 68-
66
ten verdreven worden, dan bleef ginds een
haven in zicht. Zij beschouwden de zaak als
een Goddelijke aanwijzing en besloten, in over-
leg met den heer v. Sommelsdijk, eenige broe-
ders op verkenning uit te zenden. Deze ver-
trokken met den Gouverneur. Het resultaat
van onderzoek bleek niet eenstemmig ; sommi-
gen prezen het land ten hoogste, anderen spra-
ken van niets dan ellende, van bavianen,
slangen en muskieten, doch do eersten vonden
geloof en werden geprezen.
Men neemt gewoonlijk gaarne aan wat men
het liefste wenscht.
Yvon had weldra eenige uitverkorenen zij-
ner kudde bereid gevonden, den tocht te aan-
vaarden, daaronder zelfs van de voornaamste
huisgenooten. Geen onkosten werden ge-
schroomd voor de uitrusting, waaronder veel
timmergoreedschappen. Het vertrek der broe-
ders werd oen feestdag op Thetinga. Met ge-
juich en gelukwensch toog de schare heen.
Bobijn stond aan hot hoofd on was vol goost-
drift, en Hesener vergezelde als horder de
dochtcron, doch was treurig en ternedorge-
slagcn.
Jonkvrouwe Lucia v. Sommelsdijk toonde
meer moed. Zij riep de achtcrbhjvendon toe:
„De Hcerc roept ons tot groote dingen on hij
geeft er ons ook een groot hart toe."
Ook onderscheidene kinderen gingen mede ;
broeder V. d. Meiden had een van zijn lievo-
lingcn daarvoor afgestaan en andoren deden
als hij, hoewel zij zei ven achterbleven. Do
W______________________________________
w
^jCgB.-^rrr^rr:..................■....:.....■.......■.,.."-———rrr^.-^^^.jg,
-ocr page 69-
67
kinderen zouden gemakkelijk de taal derHei-
denen leeren en tevens aan \'t klimaat gewend
raken, dus in de toekomst van grooten zegen
kunnen worden voor gemeente en kolonie.
De overtocht ging naar wensch, de ontvangst
was hartelijk. De Gouverneur stond hen met
raad en daad bij. Hij ried de broeders aan,
dicht bij het fort te blijven, doch naar zijn
raad werd niet geluisterd. Men trok de rivier
op. De heerlijke plantengroei bracht allen in
verrukking. De Heidenen dienden gezocht,
zij moesten hot Evangelie hoorcn !
Daarvoor was men gekomen.
Men waande zich in een tweede Eden.
Veertig uren van het fort verwijderd werd
een plantage aangelegd, De Voorzienigheid
geheeten.
Te Wieuwerd ontving men dra de heerlijkste
tijdingen. V. d. Meulen bezong het schoone
land, zoo vol goede verwachtingen.
Slaven werden aangeschaft voor het zware
werk. Dit was wel tegen hunne leer, maar
\'t kon niet anders. Met zachtheid trachtte
men hen te leiden, doch dra bleek een harde
tucht noodzakelijk. Voor het Evangelie had-
den ze geen ooren.
Dit was voor de broederen een groote te-
leurstelling.
Ook do grond, dien ze hadden uitgekozen,
viel deerlijk tegen, terwijl de wilden eindelijk
in opstand kwamen, zoodat geen blanke meer
veilig was voor hunne pijlen. Nacht en dag
moest er wacht worden gehouden. Daarbij
-ocr page 70-
I                                    es                                   *
kwamen ziekte en dood. Hoop en vertrouwen
weken, de eensgezindheid werd verbroken en de
wrevel liet zich hooren. Do voorgangers ver-
loren zelfs hun gezag bij velen.
Intussehen was er, nog onder den indruk
van de eerste hoopvolle berichten, eene tweede
schare uit de Labadisten te Wieuwerd bereid
bovonden uit te trekken naar het land der
vroemdelingschap. Jasper Dankers, een der
sprekende broeders, kwam aan het hoofd te
staan dezer tweede groep, waarvoor hot getal
liofhebbers zelfs grooter was dan dat der bo-
schikbare plaatsen.
Eerst door stormon langen tijd opgehouden
bij Texel, staken ze eindelijk in zee, doch wer-
den weder naar don wal gedreven in Zeeland.
Weer in \'t ruime sop gekomen trof hen groo-
ter ramp. \'t "Was op een Zondag. De ge-
meenschappelijke oefening zou beginnen. Een
matroos uit het want riep: een zeil vooruit!
Allo schepelingen zagen het naderen. Men
hoopte en giste. Tijding uit het Vaderland
of..... De kapitein vreesde zeeroovers en
allen werden door den schrik overmeesterd.
Men knielde neder en bad, vol angst en be-
vingo, het ergste vreezende.
Inderdaad bleek het een zeeschuimer te zijn.
Hij klampte zich aan boord, toonde zijn over-
macht en eischte overgave. Do kapitein on-
derwierp zich en de hoofdman der roo vers ge-
bood de arme Labadisten en het scheepsvolk
-ocr page 71-
69
over te gaan op zijn ouden en wrakken bodem,
terwijl hij het landvorhuizerssehip in bezit
nam en mot de zijnen don aftocht blies. Geld
en spijs en voor eenige duizenden guldens ge-
reedschappen gingen aldus verloren voor de
ongolukkige broeders en zoo weinig voedsel
en drank hadden ze daarvoor in ruil gekregen,
dat ze met moeite on ontbering eindelijk het
beloofde land bereikton. Nog hadden ze van
geluk te spreken zoo goed aan de gevaren te
zjjn ontkomen. Het lijden was geleden en
hoopvol scheen hun de naaste toekomst. De
broeders waren nabjj. Hot Eden in zicht!
Doch wolk oen bittere teleurstelling moet
hot geweest zijn in zoo blijde verwachting een
hospitaal te vinden, waar de liefde geweken
bleek en de ontevredenheid zich in bittere
klachten liet hooren.
Onder de nieuw aangekómenen bevond zich
ook een timmerman, Pieter Gerritsen, die ziek
werd en langen tijd op krukken sprong. Di-
rect na zijne aankomst gaf hij te kennen, te-
rug te zullen keeren, zoodra hem dit mogelijk
zou zijn. Als een furie stond do huisvrouw
van Bobijn nu tegen hem op, doch hij hield
woord en arriveerde woder te Wieuwerd na
verloop van maanden, met slechte tijdingen.
Yvon wilde hem oen kleine straf toedienen
om der gemeente-wil, doch Gerritsen weigerde
elke vernedering en verliet het gesticht en zijn
bruid, met wie hij sinds lang verbonden was
geweest.
Het vertrek van Gerritsen uit Suriname werd
-ocr page 72-
f"
**&
door vele broeders aldaar gevolgd, anderen von<
den ginds hun graf en de volksplanting ging
eindelijk geheel te niet.
De heer Van Sommelsdijk, die veel ten
goede had hervormd in de Kolonie en wiens
zoon Francois er de cacao ontdekte, werd na
een regeering van vier jaren door de inlanders
vermoord.
*
Geen moed verloren. Men besloot nu een
proef te nemen met kolonisatie in Amerika en
wel in de buurt van New-York, oorspronkelijk
een Hollandsche nederzetting.
Schluter en Dankers trokken derwaarts op
onderzoek en kochten er land. Ze noemden
dit Nova Bohemia. Labadisten uit Wieuwerd
volgden. Slaven en slavinnen werden gekocht,
bosschen uitgeroeid, velden ontgonnen en de
moeitevolle arbeid vond rijke belooning. Men
leefde er geheel als te Wieuwerd, maar dreef
er in strijd met de leer handel in brandewijn
en tabak en zelfs in ... . slaven.
Eens is Schluter, die aan het hoofd stond,
in \'t Vaderland terug geweest, doch de ge-
meente ginds zal ten onder zijn gegaan om-
streeks denzelfden tijd, dat die te Wieuwerd
heeft opgehouden te bestaan.
Hoewel de vruchten der kleine gemeente
in Suriname en Amerika weinige zjjn geweest,
te wijten aan tal van omstandigheden, waarop
we hier niet verder kunnen ingaan, zij op haar
van toepassing: Men reken d1 uitslag niet,
S@e>...............................................-.......................................................
-ocr page 73-
71
maar telV het doel alleen! Het pogen was
goed en groot en worde in dankbare nage-
dachtenis gehouden.
HET HUISELIJK LEVEN
der Labadisten op Walta-slot te Wieuwerd
is weinigen bekend. "Wie wel eens een
oude stins heeft bezien, weet, dat er groote
zalen en vele vertrekken in waren, zoowel
onder als boven en in de kelders. Om het
trotsche gebouw bevonden zich dubbele grach-
ten, afgesloten van den weg door een zware
steenen poort, die \'s avonds gesloten werd.
Langs de grachten singels met hooge stam-
boomen. Daar binnen tuinen en boschages,
terwijl de eigenlijke slottuin meestal aan de
overzijde van den weg was aangelegd in den
vorm van een groot vierkant. Naast het
slot een boerderij. Er voor zoo als gezegd de
poort, waarin groote deuren en een kleine
met „klopper"; daarboven legio duiven, \'t Ge-
heel in hoog geboomte verscholen.
Toen de Labadisten Walta-slot betrokken,
zeker meer dan honderd personen sterk, welk
getal tot vierhonderd personen aangroeide,
moest er in den loop der tijden heel wat ver-
en bijgetimmerd worden, om allen onderdak
te verschaffen. Wij lezen dan ook, dat on-
derscheidene grootere vertrekken in kleine
cellen vordeeld werden en dat er vele
nieuwe gebouwen langs do grachten wer-
den getimmerd, die laag en lang waren,
zegt Scheltema. Ook moesten er werkplaatsen
-ocr page 74-
72
zijn. Onderscheidene vakken van bedrijf wer-
den er uitgeoefend en de landbouw er in \'t
groot gedreven.
Men kan begrijpen, dat de bouwerij en de
boerderij van omvang zijn geweest. Aan land
hadden ze geen gebrek. Vele boerderijen in
den naasten omtrek behoorden aan de gemeen-
schap.
Wie zich aan de gemeente verbond had
geen eigendom meer. Alle kleeding en huis-
raad en geld der nieuwe leden werden door
de herders in ontvangst genomen; wat over-
tollig was werd verkocht, wat men gebruiken
kon bewaard. Had men vaste bezittingen el-
ders, deze werden doorgaans te gelde gemaakt
en de opbrengst aan het beheer der Herders
overgegeven.
Ieder gezin had zijn woning, kleiner of
grooter al naar de behoefte, doch alle kamers
moesten steeds toegankelijk blijven voor de
zoogenaamde opzieners, in naam dor herders.
De kleoding was hoogst eenvoudig; alle
overtollig sieraad werd geweerd, om niet den
schijn to hebben van gelijkvormigheid aan de
wereld. „De hoogten van den wereldlijken
geest moesten worden ter neder geworpen."
Niets mocht den schijn hebben van opschik,
alle kantwerk, linten en strikken achtte men
uit den booze. Kwam er een vrouw onder
het gehoor der prediking, die iets van deze
„verfoeiselen" aan hare Friesche muts had,
i
-ocr page 75-
<êm*-\\
:■«&
v                                                73                                                7
dan leende men haar, zoolang de oefening
duurde, een andere, om geen ergernis te geven
aan de bijeenkomst. Bezat iemand iets, dat
naar wereldsche ijdelheid zweemde, dan mocht
dit zelfs niet worden verkocht, opdat anderen
niet tot ijdelheid zouden worden verleid. Na-
tuurlijk dat het dus verboden was handel te
drijven in goederen van sieraad of pracht, veel
minder die te fabriceeren.
De Herders gaven aan elk der leden hun-
nen arbeid en bezigheid. Sommigen gingen
over de kleeding, anderen over de spijs, weer
anderen over de kranken. Op alles was orde
en regel gesteld, tot „de boterhammen" incluis.
Herders, leeraars en do voornaamste zuster-
bestuurderessen, aten doorgaans aan ééne tafel
met de als broeders ingeschreven leden der
gemeente. De spijs was zeer eenvoudig.
De overige huisgenooten nog in voorberei-
ding zaten aan verschillende tafels, volgens
anciënniteit of bevordering. Aan een dezer
tafels had de leoraar Strauch het bestuur, aan
een andere Ds. Hesener, tot zijn vertrek naar
Amerika.
De leeraar aan elk dezer tafels hield door-
gaans een korte rede en er werd een Psalm
of lied gezongen. Voorsnijdors on tafoldienaars
hielpen do tucht moe handhaven. Bepaalde
regelen werden gogeven, hoe men behoorde
te eten en te drinken, hoe de lepel moest wor-
den gehouden en nedergelegd, enz. Gesproken
werd er bjjna geen woord.
Recht broederlijk kon de maaltijd dus niet
| _______ __________________ n
-ocr page 76-
74
heeten. Vele aanzittenden kenden elkander
nauwelijks of in het geheel niet. Dikwijls at
men maanden met elkander aan éénen disch
zonder elkanders naam te kennen. Behalve
Nederlandei\'s uit allo provinciën, vond men
Duitschers, Engelschen, Polen en Italianen on-
der de leden der Huisgemeente.
Aan den broederdisch was het gesprek vrij:
daar werden na toespraak en gezang dikwijls
levendige en aangename gesprekken gevoerd.
De tucht behoefde er niet streng te zijn, veree-
nigd als men was door de liefde als broeders
en zusters.
Hier werd gewoonlijk Pransch gesproken en
waar vertaling noodig mocht zijn, geschiedde
dit dikwijls door juffrouw Van Schuurman.
Yvon
heette in de wandoling papa, de lidma-
ten frères en sceurs. Echtgenooten noemden
elkander bij uitnemendheid tnon f rere of ma
soeur
en zij, die nog den broeder- of zuster-
graad niet hadden verkregen, werden of mijn-
heer of bij hun naam genoemd.
*
Het getal inwonenden op Walta-slot steeg
tijdens don hoogstcn bloei tot 400 personen.
Alzoo een dorp op zich zelf. Al deze hon-
derden moesten gekleed en gevoed worden en
groot bovendien waren de reiskosten en der-
gelijke, zoodat er schatten noodig waren, om
in alles behoorlijk te voorzien. Gelukkig had-
den vele broeders en zusters groote sommen
of rijke bezittingen in do gemeenschap ge-
m_____________________________ê
-ocr page 77-
r........:.................................................—«j
75
bracht. Uit de inkomsten hiervan konden de
uitgaven evenwel op lange na niet bestreden
worden. Der Labadisten leer was, dat men
van het geloof niet kon leven, maar dat er
naarstig gearbeid moest worden, opdat men
zijn eigen brood mocht eten. Nu, zij betoon-
den zich over \'t gemeen vlijtig en werkzaam.
A. M. v. Schuurman zegt: „Het is bijna on-
„gelooflijk in wat fraaie order, met welke
„gemakkelijkheid en rust, ook de zwaarste en
„moeielijkste werken door de onzen gedaan
„worden, daar de Christelijke liefde, die zich
„zelve niet zoekt, alles bestuurt en voortzet.
„Door een bizonderen zegen van God gebeurt
„het, dat de onzen in éénen dag meer werk
„afdoen, dan andere arbeiders van hetzelfde
„slag in drie of vier dagen."
Landbouw was een der hoofdbronnen van
bestaan, waartoe de omliggende landerijen van
Walta-slot hen in de gelegenheid stelden. Op
een der boerderijen, waar weidvee werd gehou-
den, had men een zetmeijor geplaatst. Andere
landerijen werden doels bebouwd, waartoe de
grond zich evenwel minder goed leende, deels
beweid met molkvee.
Behalve landbouw en veeteelt dreven de
Labadisten allerlei handwerken en ambachten.
Reeds te Amsterdam hadden ze een eigen
drukkerij, waarop te Wieuwerd vele geschrif-
ten zijn gedrukt en herdrukt. Zelfs verbond
men aan de drukkerij een lottergieterij, waar-
van de eerste proef mislukte, omdat de let-
ters te dun geslepen bleken te zijn en
-ocr page 78-
76
dus te dicht in elkander kwamen te staan.
Voorts beproefden ze zeep te maken en zeem-
ledcr to bereiden. Moer zaken van dien aard
namen ze ter hand, doch niet alle deze onder-
nemingen leverden gewenschto uitkomsten.
Vermaard is geworden de zoogenaamde La-
badistewol, die krimpvrij, langen tijd zeer ge-
zocht werd en nog Vrrel bij name bekend is.
Men zag eene menigte vrouwen spinnen, brei-
den en allerlei vrouwelijke handwerken drij-
ven. Dit gaf goede winst. Natuurlijk had
men een eigen wolkammerij.
Bovendien had men er bakkerijen en brou-
werijen. Voorts een smederij, waarin haarden
of kachels werden gemaakt van ijzeren platen.
Ook had het huis zijn eigen korenmolen.
Eindelijk vond men er weefgetouwen voor
wollen en linnen stoffen.
Als ijverige honigbijen van den gemeen-
schappelijken korf worden nog genoemd : met-
selaars, timmerlieden, schoen- en kleermakers.
Bij een gedurig toenemende bevolking was er
voor dozen steeds volop werk.
Hendrik van Deventer en zijn echtgenoote
oefenden de verloskunde uit; Van Deventer
ook de heelkunde en had zelfs een bizonderen
corrector van den opium. Van zijn wereld-
beroemde en winstaanbrengende pillen hebben
we reeds gesproken.
Eenvoud is het kenmerk van het ware ; alle
pracht is werelddienst en uit den booze. Zoo
dachten de Labadisten en zij pasten die leer
toe op alle handwerken en ambachten, die in
RSfj^..................................................^rJ":.......;.....................................
-ocr page 79-
"^
ss»....................................■■■•--.........-
77
het huis der Labadisten werden gedreven.
Niet alleen gouden on zilveren versierselen,
maar ook schilderijen, tapijt- en kantwerken
worden op het slot niet toegelaten. Wie der
leden vroeger de wereld had gediend om het
brood, door t°ï werken voor de pronk, moest
zijn beroep laten varen en een ander kiezen.
Zoo was de beroemd geworden doctor v. De-
venter
voorheen goudwerker geweest.
Dergelijke beroepen dienden „de zonde, den
hoogmoed en de overdaad" en gaven aanlei-
ding tot „begeerlijkheid, uitspattingen en on-
geoorloofde vermaken."
De borduurnaald, het penseel en de gra-
veerstift van Anna Maria, zijn dan ook niet
meer gebruikt, nadat deze hoogst begaafde
vrouwe zich bij de Labadisten had aangeslo-
ten. Hare kunst ging onder in het geloof.
**
*
Over het geestelijk leven zullen we kort zijn.
Om lidmaat te worden moest men eerst
kennis hebben van Christus en zich zelven. Die
kennis moest een verlangen naar Christus uit-
werken
en dit getoond worden in de zelfver-
loochening, in de dooding des vleesches, in de
afsterving van alle lusten en begeerten.
Om b.v. den hoogmoed te dooden, zag men
hier een vooimaligen predikant, in een boe-
renkiel gekleed, aan het waschvat staan, daar
een aanzienlijk jongeling steenen dragen, el-
ders een zoon van aanzienlijken huize de seha-
pen hoeden.
-ocr page 80-
.......................................................................................gaa
78
Men werd voorts gedrongen tot een open
bare biecht van zonden, exatnen genoemd, ge-
durig herhaald. Ieder was verplicht voor de
volle vergadering al zijne booze gedachten,
woorden en werken te belijden.
Men moest komen tot een „geheele overgaaf
en rust in God."
Men had dan zelf geen wil
meer en geen wensch.
Zoo volgden er nog drie stadiums.
\'t Hoogste was de verzekerdheid des geloofs.
Naarmate men wies in \'t geloof, werd men
in hoogere bedieningen gesteld en eindeljjk
onder de broeders en zusters opgenomen. Zel-
den ging dit getal de honderd te boven.
Tegenover de belooning voor de goeden had
men de straf voor de ongehoorzamen, bestaande
in mindere kleeding, lagere bediening, ver-
plaatsing naar een andere tafel of eindelijk in
wegzending uit het broederhuis, „waarvan zij
niet waren."
Eiken dag werd op Walta-slot gepredikt in
een eigen kerkje, waarvan de spits nog op de
huidige boerderij: „Thetinga" gezien kan wor-
den. Vooral Zondags was de toevloed van
buiten groot. De preektrant was losser en
vrijer dan men in die dagen gewoon was.
Gewoonlijk worden Psalmen gezongen, maar
aan tafel ook wel liederen van De Labadie.
Van Yvon vinden we zulk een lied, waaruit
we hier een paar verzen laten volgen:
\'t Is lang genoeg gezucht al onder \'t juk der zonden;
Laat ons van stonden aan,
Ons heel daarvan ontslaan,
-ocr page 81-
79
En vlieden mijne ziel, al \'t geen ons houdt gebonden.
Helaas ! mijn God, wat groote razernij!
Ik heb mijn boeien lief en mijne slavernij.
Het Niet wordt hoog geacht. Het Al is van geen
Wat is het hart verkeerd
                 waarde;
Dat God aldus onteert!
\'t Is koud als ijs voor God, en vol van vuur voor
de aarde.
Dat liefde, uw gloed, dien ik zoo weinig eer,
Dat ijs versmelt, dat brandend vuur verteer.
Omstreeks 1680 bereikte de Huisgemeente
te Wieuwerd haar toppunt van bloei. "Wie
zich na dien tijd bij haar aansloten, waren
meest armen en behoeftigen. Voorname dames
in Holland, hoewel één met de Labadisten
in het geloof, hadden allerlei voorwendsel en
verontschuldiging, waarom zij zich niet van
de booze wereld afzonderden, \'t Getal kin-
deren op het slot vermeerderde, de behoeften
werden grooter en de werkkracht bleef daar-
aan niet geëvenredigd.
Stierf er een der rijke broeders en zustors,
dan keerden de vaste goederen tot de familie
terug, geen testament kon de wetten des lands
in dezen krachteloos maken.
De „landverhuizing1\' had veel geld verslon-
den en weinig opgebracht. Eerst hadden ze
jaarlijks f 1200, later f 1500 lasten aan do
Provincie te betalen; \'t bezit van het Slot
was hen niet langer verzekerd, dan gedurende
het leven der jonkvrouwen Van Sommelsdijk,
kortom alle deze en nog vele andere omstan-
i_____________ffi
-ocr page 82-
80
dighedon -waren niet bemoedigend voor de toe-
komst der Broedergemeente, reden mede van
de landverhuizing en de vestiging in Suriname
en Amerika.
Groote ontsteltenis in de gelederen bracht
het besluit van Hendrik van Deventer, om de
gemeenschap te verlaten. Hij ;;ag bezwaar in
de toekomst zijner kinderen. Zij zouden arm
en hulpeloos staan als hij stierf en het huis
eens te gronde ging, waarvoor sommigen met
recht begonnen te vreezen, gelijk reeds is
aangetoond.
Er werd vergadering op vergadering gehou-
den over de vraag wat te doen? Besloten
werd eindelijk : de gemeenschap van goederen
op te heffen,
die twintig jaar had bestaan.
Ontroerd deelde Yvon dit besluit aan de
Huisgenooten mede. „Mijne kinderen," zeide
hij, „gewichtige redenen en dringende nood-
zakolijkkeid hebben ons doen besluiten, de ge-
meenschap te ontbinden, hoe zwaar hot ons
valt."
Zijne gemeente te Wieuwerd vorgeleek hij bij
die te Jeruzalem, ook eenmaal in gemeenschap
verbonden, doch later vorstrooid. „Toen ver-
rezen er vele gemeenten en zoo moeten ook
wij," zeide hij.
Groot was de ontsteltenis en onder tranen
en snikken verliet men de bijeenkomst.
Er waren velen, die de wereld ontwend,
ongeschikt waren om daarin terug te gaan,
grijsaards, die uit de haven der ruste verdre-
ven, een zwervend leven zoudon moeten lei-
^8»i5SSSgSnSHS........—^.....-■«.................................;-;vv;-^|
-ocr page 83-
81
den, vrouwen, die met smart de heilige ge-
meenschap zagen verbroken en zelfzuchtigen,
die gaarne deelden in den overvloed, dien ze
vroeger zoo niet gekend hadden.
De slag was groot, maar er kwamen ver-
zachtende omstandigheden.
De gemeenschap van spijs en goederen was
wel opgeheven, doch een iegelijk werd de vrij-
heid gelaten op Walla-slot te blijven. Ieder
kon zijn eigen cel of kamertje behouden en
er een kookplaats laten maken. In geen der
afzonderlijke vertrekken werd vroeger gestookt
— zelfs niet in de nijpendste koude.
Men ging aan het verdeelen, niet gelijk op,
maar elk kreeg terug wat hij had ingebracht,
met een vierde korting. Er was niet meer.
Velen verlieten het Huis. Hendrik van De-
venter
bleef nog eenigen tijd, doch vertrok toen \'
naar Denemarken en vervolgens naar \'s-Hage.
Zij die vertrokken, behoorden meerendeels
tot de mindergegoedon en onder de blij venden
bevonden zich de voornaamste dames.
Hoewel in het goed gescheiden, bleef men
in den geest toch een en zoo kwam er in de
godsdienstige leefwjjze geen verandering. In
dit opzicht ging alles als te voren.
Dat duurde zoo nog een twintig jaar, doch
toen trof de gemeente de zwaarste slag, dien
zij kon vreezen.
Yvon, haar hoofd en herder, haar steun en
troost scheidde uit dit leven (1707).
Yvon was klein en tenger van gestalte en
altijd zwak geweest. Het was een man van
I               _______ ____, &
^^r^^—^^-z^rrr...................;-^:^.....-...........Z-agjffi
11
-ocr page 84-
82
studie en groote geleerdheid, ondernemend van
geest en volhardend. Hoewel zeer gestreng,
was hij hartelijk bemind bij de zijnen. De
beroemdste tijdgenooten verkondigen zijn lof.
Zijn lijfspreuk was Dies diem docet (do eene
dag is de leermeester van den anderen).
Anna Maria was gestorven in 1678, Du
Lignon,
mede een steunpilaar, in lf>79 ; drie-
maal was deze geopereerd van een kanker-
achtig gezwel, waaraan hij bezweek na een
lang en smartelijk lijden. Tc \'s-IIage gostor-
ven, werd zijn stoffelijk overschot naar Wieu-
werd
vervoerd on volgens zeggen in den kei-
der bijgezet. Ook Ycon zal hier begraven zijn.
Yvon werd opgevolgd als hoofd door Thomas
Servaasz,
bijgestaan door Coenraad Bosman,
een der verstandigste leeken. Nieuwe loden
worden or niet meer aangenomen, geen doop
meer bediend, geen avondmaal moer gehouden.
Servaasz eti Bosman rekenden zich daartoe
niet bevoegd, omdat zij geen kerkelijke wij-
ding hadden ontvangen.
Intusschon bleven de broedors en zusters in
stille afzondering bijeen : haast vergeten van
de wereld. Do dood minderde langzaam, maar
zeker hun aantal. Ook Servaasz stierf, wien
men het niet kon vergeven, dat hij ter willo
der Labadistcu, zijn vrouw verliet, over wier
kommervolle omstandigheden hij zich weinig
of in het geheel niet bekommerde. Wegens
zijn ijver voor do zaak en zijn geestdrift voor
B
I
F^.............................r77^T\'..............-T^^rrr^r-^.................r.-.-.gjg;
-ocr page 85-
3
83
De Labadie en do zijnen, stond hij bij de broe-
ders in hooge achting.
Zoo was Bosman alleen als hoofd overge-
bleven, doch huiselijko redenen drongen dezen
Wieuwerd eindelijk te verlaten. In 1732 ves-
tigde hij zich te Leeuwarden, waar hij hoog
werd geacht om zijn stille en ongeveinsde
vroomheid. Twaalf jaar later ontsliep hij.
Tot omstreeks 1725 hebben de Labadisten
Walta-slot nog bewoond, vermoedelijk met do
of eene der beide jonkvrouwen Van Sommels-
dijk.
Ook de dochtergemeente te Amsterdam ging
te niet met den dood van den leider Bardowitz.
* *
*
Het oordeel over de Labadisten, hoewel ver-
schillend, is over \'t gemeen zeer gunstig. Hun
leven was voorbeeldig. Zij waren stilte, eer-
ljjke, werkzame burgers, die met ijver hun
aardschc belangen voorstonden, maar bovenal
het Koninkrijk Gods zochten en zijne gerech-
tigheid.
Wij omkransen de kleine gemeente met eene
aureole van lof — zegt Van Berkum in na-
volging van Foeke Sjoerds.
Zelfs Koelman, dio hun loer bestreed, roem-
de hunne vroomheid en toonde later berouw,
dat hij zoo scherp tegou hen was opgetreden.
*_*
Na den dood der v. Sommelsd\'ijken werd
Graaf Atauriis van Nassau eigenaar van
-ocr page 86-
f                                                f
84
Walta-slot. Deze verkocht het aan Hans
Willem Baron van Aylva. Van Aylva
liet
het herstellen en deels verbouwen, doch stierf
aan een uitterende ziekte nog jong van jaren
(1733) en zijn erfgenamen lieten het kasteel
afbreken en het geboomte uitroeien en ver-
koopen.
ANNA MARIA VAN\'SCHUURMAN.
Kort nadat v. Berkum, pred. te Stiens, zijne
beschrijving over de Labadisten in \'t licht gaf,
verscheen van Dr. Schotel, predikant te Til-
ourg,
een lijvig boekwerk over Anna Maria
Schuurman,
„de onvergelijkelijke", „het won-
der har er eeuw".
Nauw aan Wieuwerd verbonden, waar deze
begaafde vrouwe de laatste levensjaren woonde,
waar zij gestorven is en een laatste rustplaats
heeft gevonden, willen wij een korte levens-
schets van haar geven, ontleend aan boven-
genoemd werk.
De hoofden der Graven van Egmond en
Hoorne waren te Brussel gevallen. De bloed-
raad hield, streng gericht en menigeen ont-
vluchtte zijn vaderland. Zoo ook de familie
Van Schuurman of Schurman,
.Zij vestigde zich te Keulen.
Hier werd Anna Maria geboren den 5 Nov.
1607. Tioen de familie Van Schuurman ook
m*z
-ocr page 87-
f
85
hier hare veiligheid bedreigd zag, trok zij eerst
naar het Guliksche grondgebied, niet ver van
onze grenzen, en vervolgens naar Utrecht (1615).
De buitengewone aanleg van Anna, hare
vlugheid van geest en hare vaardigheid van
hand, lieten zich spoedig merken.
Op driejarigen leeftijd las zij reeds de Hei-
lige Schrift, rekenen leerde ze zonder eenige
inspanning en in schoonschrjjven maakte ze
buitengewone vorderingen.
Ieder, die het zag, verbaasde zich over de
sierlijke letters, die zij op het papier wist te
brengen.
Voor albums werd haar handschrift gezocht
en dra voor aanzienlijke sommen gekocht.
Velen gaven haar kunstschrift, meestal ver-
sierd met gekleurde bloemranden, vogels, vlin-
ders en insecten, eene eereplaats aan den wand.
Inderdaad waren het schilderstukjes, hoogelijk
geroemd door vriend en vreemdeling en zelfs
door dichters bezongen.
Van haar Gricksch, Hebreeuwsch, Arabisch,
Syrisch en Ethiopisch penneschrift zijn proe-
ven bewaard gebleven, die ieders bewondering
moeten wekken.
Met teekenpen en graveerstift werden ze
nagebootst en op deze wijze verspreid, als
voorbeelden tot aavolging.
Zij bezat de gave, om alles af te beelden,
wat haar oog zag, \'t zij planten, dieren, men-
schen, landschappen of wat ook. En niet al-
leen met potlood of pen, maar ook met schaar
en mesje. Hiermede vervaardigde ze allerlei
-ocr page 88-
■*;
80
knipsels van papier, zoo fijn, bevallig en schoon,
dat men ze gezien moet hebben om te. geloo-
ven wat er van beschreven staat.
Voor deze knipsels werden eveneens hooge
prijzen besteed, zij golden als modellen op dit
gebied en werden in kunstboeken verzameld.
Te Franeker kan men nog eenige proeven
bewonderen, waaronder, die gemaakt zijn op
zes- en achtjarigen leeftijd, \'t Schijnt onge-
looflijk, dat een kind van die jaren allerlei
bloemen, met bladen en meeldraden, zoo on-
navolgbaar kunstig en natuurlijk heeft weten
te knippen en zoo smaakvol te groepeeren.
In andere knipsels bootst zij het kantwerk
zoo sprekend na, dat men het moet voelen,
om zich te overtuigen dat het slechts knipwerk
is ; even natuurlijk zijn haro gekleurde vogels,
vlinders on insecten, die men ziet in de boo-
men en tusschen do bloomen.
Hare schaar gaf ook „onsterflijkheid aan
vorsten, vorstinnen en geleerden* en deze af-
beeldsels waren van eene sprekende gelijkenis.
Zelve noomde ze hare knipsels later „kin-
derspel".
Acht jaren oud was ze ook reeds begonnen
met teekenpon en penceol en ook hiermede
gaf zo de onmiskenbare blijken van een bui-
tengewoon talent.
Opmerkelijk mag het worden genoemd, dat
zij in gecne dor door haar beoefende kunsten
een leermeester heeft gehad, hoewel ze met
de eerste schilders en kunstenaars van haar
tijd in betrekking heeft gestaan.
$ "                      ____________ _____________ .
qpSe>:n^H;.....................-..............===...................................om
-ocr page 89-
Met grooten lof wordt van haar beeldhouw-
en boctscerwcrk gesproken. Zij bewerkte ivoor,
marmer, hout, was en gebruikte zelden hamer
en beitel, doch meestal het mes.
In palmhout uitgesneden vindt men haar
interessant kopje mot spitse kin, groote oogen
en krullende haren, op ongeveer 20-jarigen
leeftijd, in een gesloten doosje in de verzame-
ling te Franekei; het fraaiste van al wat hier
bewonderd kan worden van hare hand. Het
is een meesterstukje, nog gaaf en helder van
kleur en waard, dat er afgietsels van genomen
worden.
Haar bootseerwerk wedijverde met de voort-
brengselen haror snij- on beeldhouwkunst, in
waarheid van voorstelling, uitvoerigheid en
losheid van behandeling. Aan hare vogels on
vlinders ontbrak slechts het loven, het zachte
dons lag op hare perzikken, de gele stof op
de meeldraden haror bloemen.
Toen zij elf jaren oud was leerdo zij in
drie uren do borduurnaald hantecren en sedert
bootste zij landschappen mot watervallen, bor-
gen en hcuvelcu, dorpen, gehuchten met wo-
I ningen, hoven met vruchtboomen on bloemen,
sloten en sterkten, stroomen met schepen, op
zijde, doek en tapjjtwerk, natuurgetrouw en
I allergunstigst na.
Met verbazende vlugheid en sierlijkheid ge-
bruikte zij den diamant en beschreef zij bo-
kalen, roemers, drinkschalen en andere glazen
voorwerpen.
Op den bruinon glazen beker, dien .Viglim
è
-ocr page 90-
88
van Zwichem Keizer Karel V te Utrecht toe-
bracht en die nog in wezen is, grifte Anna
Maria
deu naam van don prelaat, met dit
onderschrift:
Al ben ik duister, mijn naam geeft luister.
Met veel talent behandelde zij ook het gra-
veerijzer. Te Franeher vindt men enkele
stukken in koper, w.o. haar eigen beeltenis.
Niet minder bewonderde men haar etswerk.
* *
*
Heeft zij in de geschiedenis der beeldende
kunst een onsterfelijken naam gemaakt, ook in
de toonkunst bleek hare grooto begaafdheid.
Zij bracht het, zoowel in don zang met be-
valligo stem en fijn gehoor als in het slaan
der luit, het bespelen van da cimbel en der
violon, tot zulk eene uitmuntendheid, als ware
zij enkel voor muziek en zang opgeleid.
Men noemde haar destijds en niet ten on-
rechte „do éónigo Schurnian", „de allerkon-
stigste", „de parol der parelen ten spijt", „de
spiegel van vrouwelijke volmaaktheid", „bet
exempel aller jeugdige schoonon".
Groot was haar invloed en vele „konstnjke
joffers" trachtten haar na te volgen in de kunst.
Ver over de grenzen van haar Vaderland
werd de „volmaaktste aller vrouwen" gekend
en bezongen: als „Kunst-Oraekcl", „Schmück
der "Welt", „Wcisheits-Fackel", „Tugend-Son-
ne", „Zeiten-Wunder", „Musen-Wonno", „Got-
tesBchein", „Gaben-Zoit" enz.
Door \'t noorden on liet zuid, liet oosten en het west
Klonk Airnu\'s loftrompet nvt het Geincencbest.
i ._ _     _ |
-ocr page 91-
V
V
89
Het regende gedichten, schilders betwistten
elkander de eer haar beeltenis te mogen ver-
vaardigen en geleerden schreven over haar
en hare ongekende begaafdheden.
Waar zij verscheen werd zij begroet en ont-
vangen als oene Majesteit en al wie naam had
in den lande, rekende het zich een eere, van
haar te kunnen spreken als van een landge-
noote, wier naam een Europeesche vermaard-
heid had.
Zeker school in de talen nog wel haar
hoogste kracht. Zij schreef en sprak Fransch,
Duitsch, Engelseh, Spaansch en Italiaansch
even gemakkelijk als hare moedertaal. Op
24-jarigen leeftijd gaf zij een werk uit in de
Fransche taal, onberispelijk zuiver en in \'t La-
tijn vond ze nauwelijks haar wederga. Niet.
alleen schreef zij veel in die taal der ouden,
maar zij sprak haar met zoo bewonderenswaar-
dige vlugheid en juistheid, dat zij de profes-
soren beschaamde, wanneer deze een weten-
schappelijk gesprek met haar voerden over de
Latijnsche Kerkvaders. Haar Eucleria heeft
later in deze taal het licht gezien.
Niet lang had zij de Latijnsche taal beoefend
of zij greep naar de Grieksche boeken, zulks
om de oorspronkelijke tekst der gewijde boeken
te leeren verstaan. Mannen, grijs geworden
inden dienst dor kerk, wenschten van hare lippen
den waren zin der gewijde woorden op te van-
i
gen en zelfs geleerdo bijbelverklaarders zochten
>......................^^...................................................................<«Bfr
12
-ocr page 92-
90
bij haar oplossing Tan moeielijke plaatsen.
Bovendien kende ze de Hebreeuwsche taal,
zoodat de geleerde schrijfster de moeielijkste
boeken van het Oude Testament in de oor-
spronkelijke taal bestudeerde en kennis maakte
met de geschriften der Eabbijnen.
„Hare liefde tot de heilige taal dwong haar," j
\'t zijn hare eigene woorden, „schoon met on-
uitsprekelijken arbeid, ook andere Oostersche
talen, vooral die, welke zij als dochters der
Hebreeuwsche beschouwde, te leeren kennen,
zoodat zij zich begon toe te leggen op het
Arabisch, Syrisch en Ethiopisch."
Ook leerde zij nog het Turksch en maakte
zich het Chaldeeuwsch eigen. Tevens zou zij het
Samaritaansch beoefend hebben en is zjj bi-
zonder ervaren geweest in het Perzisch.
Voor het Ethiopisch vervaardigde zij tot
eigen gebruik het ontwerp eener spraakkunst
in die taal, waarin niemand hier te lande haar
den weg had kunnen bereiden.
Verhaald wordt, dat zij ook het Coptisch
heeft verstaan, welker kennis verscheidene j
menschenlevons vordert. Op 18-jarigen looftjjd
zou zij in die taal dermate ervaren zijn go- I
weest, dat geheel Europa er van gewaagde.
Men leest dan ook van haar: dat zij met elko
natie in hare eigene taal kon spreken, dat zij
eene burgeres hadde kunnen zijn van eiken
ouden en nieuwen staat; dat geen geleerde in
de kennis der Heilige Schriften, geen Jood in
den Talmud, geen Muzelman in die van don
Koran haar overtrof.
M___________:_____________ ê
-ocr page 93-
sês»^
91
Wie Schurman noemt, noemt in dit woord
Al wat geleerdheid is in elke stad, elk oord,
Er is geen taal ter wereld ooit geweest,
Die zij niet kent, niet spreekt, niet leest.
Die lofspraak op hare geleerdheid en taalken-
nis moge overdreven zijn, zeker is, dat Anna Ma-
ria
in de letterkunde heeft uitgeblonken, zoodat
haar roem zich heeft verbreid over de geheele
beschaafde wereld en dat de grootste geleerden
en dichters van Europa hare buitengewone
begaafdheden hebben erkend in woord en lied.
* *
Aan kunstvaardigheid en geleerdheid paarde
ze een bizonderen aanleg voor de poëzy. De
verzen harer prille jeugd zijn niet bewaard
gebleven, evenmin die in de Oostersche talen,
waarvan haar tijdgenooten met lof gewagen
en dit is wel jammer.
Laten we ons nochtans verheugen in de
verzen van haren geest, in de Latijnschc en
Fransche taal, welke tot ons zijn gekomen.
Op veertienjarigen leeftijd schreef zij aan
den dichter Vader\' Cats, als antwoord op een
brief, een vors in \'t latijn, dat overgezet in
onze taal aldus begint:
Gelijk de zwaan het lied haars afscheid3 queelt,
Terwijl het west haar blanke pluimen kust,
Of als de leeuwerik, die de morgenstraal
Volvroolijk groet mot orglend zanggeluid,
Wanneer de zon haar glorieloop aanvaardt;
Zoo heeft de honigzoete taal uws briefs
Welachbre vriend, mjjn stramme borst ontgloeid,
Mijn traag opwellende ader weer doen vloeien..
Enz.
-ocr page 94-
92
Dit gedicht werd spoedig door andere gevolgd
en nog had ze haar dertigste jaar niet bereikt,
of men roemde haar als „de Sapho harer eeuw".
Zij bezong de daden der helden, den roem
der geleerden of betreurde den dood van vrien-
den of groote mannen. Voor profeten, apos-
telen en martelaren, voor zangers van vroeger
of dichters-tijdgenooten, voor vorsten en vor-
stinnen spande zij hare lier en deze hare zan-
gen zijn meerendeels bewaard gebleven.
Verzen uit alle oorden van Europa, haar
toegezonden, beantwoordde ze in dezelfde taal.
Hare Nederduitsche gedichten hebben bijna
alle een godsdieustigen zin. Meest zijn ze zoet-
vloeiend, zuiver, eenvoudig, „de zangen van
haar hart, gelijk de Latijnsche die van haren
geest". Aldus staat er geschreven en wie er
nader kennis mee wenscht te maken, verwij-
zen wij naar het werk van Dr. Schotel, dat
ruim een halve eeuw geleden het licht zag.
Nog een enkel woord over deze zeldzame
vrouw als beoefenares der wetenschappen.
„\'t Is de vrouw geoorloofd kunsten en we-
tenschappen te beoefenen, zoowel als den man".
Over die stelling hield ze briefwisseling met
den Hoogleeraar Rivet en beider brieven zijn
door dezen in 1638 te Parijs in \'t licht ge-
geven. Daarop gaf Anna Maria eene logi-
sche verhandeling, waarin zij bijna wiskunstig
bewees, dat ook de christin naar de hoogste
kennis in alle vakken van wetenschap mocht
streven.
Meermalen is dit boekske herdrukt en ver-
jg*>......................•■•■;•:...............-.......; --w........."—...............................<ag#
-ocr page 95-
93
taald in bijna alle Europeesche talen. Cats,
Huygens
en vele anderen zonden haar brieven
en lofdichten. Ja zelfs uit Italië en Spanje
werden haar gelukwenschingen in proza en
poëzie toegezonden.
Grondig verstond zij de aardrijkskunde en las,
volgens Cats, Italiaansche boeken over zaken
van Staat.
Zij was ervaren in de rekenkunst en meet-
kunst en beoefende ook de sterrekunde. Ge-
heele nachten waren aan die studie gewijd.
„Zij bevatte den hemelhoog."
Voorts deed ze veel aan plantkunde, verza-
melde schelpen en steenen. Ook had zij studie
gemaakt van do ontleedkunde en was zij be-
dreven in de beschouwende geneeskunde, zoo-
als o. a. kan blijken uit hare brieven aan be-
roemde geneesheoren van haren tijd. Meer dan
in de genoemde vakken muntte ze uit in de
geschiedenis der wijsbegeerte.
„Haar dorst naar kennis was niet te les-
schen, haar honger niet te verzadigen". Schoon
een hevige ziekte, het gevolg van overspan-
ning, haar aan den rand van het graf bracht,
greep ze, nauwelijks hersteld, weder naar de
boeken. „Haar weetlust kende geen grenzen."
De Godgeleerdheid, om in het heilige der hei-
ligen te dringen, noemde zij „de kroon aller
kennis", „de koningin van alle studie." „De
begeerte naar de -ware wijsheid achtte ze hoo-
ger dan troonen en vorstendommen, dan goud
en paarlen".
* *
-ocr page 96-
JBjBP*......................................................................^...............^^r.ag^,
94
Het zou weinig moeite kosten hier de na-
men van meer dan honderd geleerden en dich-
ters te laten volgen, die Anna Maria\'s lof
hebben uitgebazuind. Geen werk zag het licht
of aan deze vrouwe waren daarin zoo al geen
bladen, dan toch eenige regels toegewijd.
Men kan zich geene eer zoo groot voorstel-
len, die haar niet bewezen, geen lof, zoo uit-
bundig, die haar niet toegezwaaid, geen talent
zoo uitstekend, dat niet beneden het hare ge-
steld werd. Beoordeelt men hare verdiensten
naar de uitspraken onzer vaderen, dan waren
zij onvergeljjkelijk, dan was Anna Maria een
wonder der natuur, heeft de aarde van hare
grondvesting af nimmer zulk een sterveling
zien geboren worden of bracht zij er slechts
om de duizend jaar zoo een voort. Zoo sprak
men niet alleen hier te lande, maar ook in
Frankrijk, Italië, Zwitserland, Duitschland en
Spanje.
Zelfs in Denemarken, Zweden en Noorwegen
werd zij bewierookt als eene godin. Haar te
zien, haar te ontmoeten was het doel van de
uitstekondste mannen van haren tijd en wie
haar sprak, werd met verbazing vervuld. Onder
deze waren grooto geleerden, edelen, graven,
bisschoppen, vorsten en vorstinnen. Met ver-
bazing beschouwde men hare schilderij on, tee-
keningen, gravures, haar ets-, snij-, knip- en
borduurwerk, en die verbazing klom niet wei-
nig als men haar in verschillende talen over
allerlei wetenschappelijke onderwerpen hoorde
spreken.
-ocr page 97-
95
Toen koningin Christina van Zweden haar
met een bezoek vereerde, schetste zij met bui-
tengewone vaardigheid het portret dezer Vor-
stin. Men noemde haar „de zon onder de
zonnen," „de tempel vol goedo gaven," vein
Tieffes Wissenschaften Meer."
Vader Cats zou een aanzoek hebben gedaan
om hare hand, toen zij nog heel jong was,
doch dit is gebleken even onwaar te zijn, als
dat zij later de vrouw geweest zou zijn van
Jean de Labadie.
Wel droeg Cats zijn „Trouwring" aan haar
op met een gedicht onder het volgende motto :
Aen \'t wonderstuk van onzen iyfc
Dat ghij, o jonkvrou Schuermans zyt.
Anna Maria heeft wedorkeerig aan Cats
menig lettertje gewijd in proza en poëzie.
* *
*
Lofredenaars is het eigen te overdrijven en
waar velen tegelijkertijd eenzelfde voorwerp
bewonderen, tracht de een boven den ander
uit te munten in zijn woorden en redenen.
Zoo is onze Anna Maria op een boven-
menschclijk voetstuk geplaatst. Men kan dat
„boven" weglaten, het voetstuk blijft hoog
genoeg, om vol bewondering tot haar op te zien.
„Zij was een Johanncs in liefde, een Petrus
in ijver, een Paidus in \'t geloof. Geen last
was haar te drukkend, geen juk te zwaar,
geen offer te groot als Jezus hot haar op-
legde. De liefde maakte haar alle dingen
licht." — Zoo getuigt Dr. Schotel, die even-
ja»........................................—........................—th^..................«bJS
-ocr page 98-
wel niet blind is voor hare tekortkomingen.
Zelve heeft Anna Maria hare struikelingen
en afdwalingen erkend en onder deze, dat zij
niet nederig en ootmoedig genoeg is geweest
en niet ongevoelig voor de stem des lofs.
Er was een tijdperk in haar leven, dat zij
haar zelve een zedige maagd noemde, die geen
ander verlangen had dan verborgen te blijven.
Zij heeft de verzoeking niet kunnen weer-
staan, toen de verleiding tot haar kwam en
zij als \'t ware vergood werd om hare talen-
ten. Tegen haren wil werden werken van
haar uitgegeven, buiten haar weten hare ge-
dichten gedrukt en zoo kwam de roem, dien
zij nimmer gezocht had. Zij leende en geen
wonder, het oor aan dien roem en erkent ten
slotte volmondig, dat zij een groot deel van
haar leven heimelijk en onwetend geofferd
heeft aan den afgod der ijdelheid.
Zooals het gewoonlijk gaat vooral met vrou-
wen, die ver bovenalle andere uitmunten, noem-
do men haar „onvrouwelijk", natuurlijk, onge-
huwd als zij bleef, was dit reeds een afdoend
bewijs in veler oog. De lage jaloezie is immer
vindingrijk en wist zelfs de beschuldiging geloof
te doen vinden, dat zij smaak zoude hebben ge-
vonden in het eten van spinnekoppen. Op
zijn hoogst kan dit bewijzen, gesteld dat het
waar is, dat buitengewone menschen licht bui-
tengewone dingen doen. En dergelijke dingen
zijn wel geschikt om geloofd te worden door
eene afgunstige schare. Van meer gewicht-is
do beschuldiging, dat het haar aan zelf beheer-
tl
■¥®e
-ocr page 99-
.o©«
sching zou hebben ontbroken, doch uit menig
voorval in haar leven kan het tegendeel veel-
eer blijken.
\'t Spreekt van zelve, dat zij met hare ge-
leerdheid moest vallen onder de rubriek „savan-
tes", dat haar „schoolmeesterij" werd ten laste
gelegd. Hoe kon het anders ? Die beschul-
diging treft nog elke vrouw, welke in geschrifte
durft uit te komen in \'t publiek en zich niet
stoort aan \'t knutselend gedoe der toongevende
beschaafdheid, welke al wat zij presteert liefst
nog heeft afgekeken van hooger. Alle zelfstan-
digheid is geoordeeld, wie zichzelf durft zijn,
raakt buiten de behoudenis dezer wereld.
Ook Anna Maria heeft dit ondervonden.
Gelijk Jean de Labadie, die sprak: ik zal
de wereld uitwerpen of door de wereld uitge-
worpen worden, zou het ook zijne volgelinge
gaan.
In 1623 vertrok zij met haar ouders naar
Franeker. Zij was toen een meisje van 16
jaar. Haar broeder Joh. Godschalk zou hier
studeeren in de medicijnen.
Dit was de oorzaak van \'t verhuizen. Nog
maar kort te Franeker, stierf haar vader, die
in de St. Martinus-kerk werd begraven. Aan
dezen had zij veel te danken. Hij was altijd
met haar en leidde hare schreden. Zijne be-
geerte, tot haar uitgesproken op zijn sterfbed,
was, dat zij nimmer in het huwelijk zou tre-
den, „opdat zij zich niet onvoorzichtig in de
strikken der wereld mocht verwikkelen" ; zij
deed die gelofte en is daaraan trouw gebleven,
13
-ocr page 100-
98
Schuilt daarin het onvrouwelijke en \'t ge-
brek aan zelfbeheersching, waarvan men haar
zoo luide beschuldigd heeft ?
Sedert de gelofte, haren vromen vader ge-
daan, nam zij het schoono gezegde van Jgna-
tius: mijn liefde is gekruisigd,
tot het hare
aan.
Tot de voltooiing der studie van haren broe-
der bleef de weduwe van Frederik van Schuur-
man
met hare kinderen Martena-huis te Fra-
neker
bewonen en keerde daarna tot Utrecht
weder.
Anna Maria\'s luister steeg hier weldra ten
top. Europa\'s wonder werd alom gevierd.
Zoolang haar moeder leefde, was de ouder-
lijke woning bij „den Dom" een „tempel der
geleerden", doch toen deze stierf, wijdde zjj
al hare zorgen aan twee bejaarde tantes, uit
Duitschland overgekomen. Deze waren hulp-
behoevend en werden blind.
Den roem der wereld moede, nam zij af-
scheid van kunsten en wetenschappen, woonde
nog drie jaren in Duitschland, waar familie-
aangelegenheden haar en hare bloedverwanten
hadden geroepen en vestigde zich daarna met
der woon te Leksmond bij Vianen.
Hier leefde zij in de diepste afzondering en
„hare woning was een Huis des Heeren", zegt
zij. De tantes stierven respectievelijk in den
ouderdom van 89 en 90 jaren; twintig jaren
lang had zij de hulpbehoevende oudjes liefde-
rijk verzorgd en opgepast, die „als mijne moe-
ders waren" getuigt zij.
è
-ocr page 101-
99
Datzelfde jaar (1662) keerde zij naar Utrecht
terug, nadat haar broeder in den vreemde
was gegaan. Deze wijdde zich mede aan de
letteren en heeft de geneeskundige praktijk
niet uitgeoefend, ofschoon daartoe bevoegd.
Broeder en zuster beminden elkander teeder
en waren één in \'t geloof. Door hem kwam
zij later tot De Labadie, bij wien haar broe-
der inwoonde te Genève.
In \'t vaderland teruggekeerd, stierf hij op
59-jarigen leeftijd (1664) en Anna Maria heeft
zijn zalig sterven in bizonderheden te boek
gesteld.
* *
*
Wij kennen de verdere levensgeschiedenis
der merkwaardige vrouwe uit die der Laba-
disten, waarvan zij eene der steunpilaren is
geweest, bekend gebleven als „de moeder der
gemeente."
Beeds op jaren kwam zij naar Wieuwerd.
„De grijzigheid was haar een cierlijke kroon.
Uit hare brieven en geschriften ademen kalme
zielerust, vrede des gemoeds, verzekerdheid
des Geloofs en liefde tot God en tot hare broe-
ders en zusters."
„Wanneer zij in de raadsvergadering zat,
sprak de wijsheid; wanneer zij in het bede-
huis of aan het krankbed of in het midden
der geloovigen hare lippen opende, hoorde men
hemelsche woorden, was het of een heilige
bad of troostte."
Velen bracht zij tot de gemeente „hare over-
-ocr page 102-
100
redingskracht was gi\'oot, de liefelijkheid harer
tong onweerstaanbaar. „Die haar eens gehoord
had, keerde tot haar weder."
Tegen den beroemden kwaker William Penn
en zijne reisgenooten, verdedigde zij te Wieu-
werd
hare afscheiding van de Hervormde kerk,
die haar te wereldsch geworden was en sprak,
schoon hoog bejaard, met een ernst, met eene
roering, die de vreemdelingen verbaasde, ja,
raakte in een vuur, dat haar als wegsleepte
en eene trilling in hare leden verwekte."
Zwakheid verhinderde haar zich met huise-
lijke zorgen bezig te houden, maar tot de
laatste dagen haars levens wist zij de pen te
voeren en trachtte zij door hare brieven vele
harten tot God te brengen.
Bernardus Swalué te Leeuwarden, haar ge-
neesheer, stond op het punt over te gaan tot
de gemeente, de brieven aan hem gericht ge-
tuigen, dat zij op haar ouden dag nog helder
van geest is geweest.
Graveel en jicht veroorzaakten der kranke
smartelijke pijnen, soms werd ze dagen en
weken aan hare legerstede gebonden, „doch
haar ziekbed was voor de Labadisten een oefen-
school van geduld en lijdzaamheid en volko-
mene onderworpenheid aan God. Hier leerden
ze meer dan in hun bedehuis Gode stille te
zijn en te zwijgen onder de zwaarste beproe-
vingen ; hier hoorden zij psalmen zingen in
den nacht, roemen in de verdrukking en jui-
chen onder smarten."
Weinige dagen voor haar dood vereenigde
-ocr page 103-
101
zij zich nog met de huisgenooten in de kerk
en aan den gemeenschappelijken disch : hoo-
gelijk waardeerende het voorrecht „in gemeen-
\' schap met de kinderen Gods te spijzen, die zij
zoo innig lief had."
„De wil van God is mij alles; dat hij nog
meerder vuur uit den hemel zende en mij ge-
heel verteere" sprak zjj een volgenden dag.
„Niets bedroeft mij als soms de herinnering
mijner overtredingen" ; „er is niets, waarnaar
ik in deze wereld meer verlang" . . . „wei-
haast zal ik in de haven zijn, ... ik hoor
aanhoudend een stem, die zegt: een christen
moet lijden. Die stem verkwikt mij onderde
folteringen. O, hoe zalig is het Gode te zwij-
gen! De goedertierendste Vader handelt met
mij zachter dan met zijn knecht Job, wiens
vrienden hem zeven dagen lang sprakeloos van
droefheid omringden en hem daarna met bittere
woorden beschuldigden. Hoe lieflijk en troost-
rijk zjjn zij, die tot mij gesproken hebben."
Zoo en in dien geest sprak zij volgende
dagen.
En in de stervensure zeiden de vrienden;
„zijt welgemoed, lieve zuster, de eeuwigheid
nadert" en zij antwoordde „in de eeuwigheid,
in de eeuwigheid zeide onze lieve Vader*
(Laba-
die) . . .
Dat waren hare laatste woorden.
* *
*
Zoo stierf Anna Maria v. Schuurman den
4 Mei 1678, in den ouderdom van 71 jaren,
-
-ocr page 104-
4H&..........................................................................................===«^1
102
niet gelijk velen ■willen in eenzaamheid op
haar ziekenstoel gezeten als verlaten van God,
in vertwijfeling en wanhoop, maar omringd
door de broeders en zusters, kalm en gelaten,
vast verzekerd van hare zaligheid.
Zij was eene vrouw geweest „over wie de
Almachtige al de schatten zijner natuurlijke
en geestelijke gaven overvloedig had uitge-
stort; een schitterend licht onder de wijzen
der aarde; een fonkelende sterre onder de kin-
deren Gods; eene vrouw van singuliere ge-
leerdheid en opmerkelijke Godvreezendheid;
van groote faam en notoire devotie."
Haar verlies werd door de gemeente met
bittere tranen beweend, der princes ElizdbetJi
en hare vrienden aangekondigd, in Mercuri-
ussen en dagschriften vermeld en verwekte
veler hartelijke deelneming.
Had zij de wereld lief blijven hebben, dan
gewis hadden alle snaren geruischt, alle ton-
gen gesproken tot haar lof en eer en haar
overschot ware onder marmer neergelegd.
Thans liet zich het zwakke speeltuig van
slechts een enkelen dienaar Gods hooren, spra-
ken slechts de broeders en zusters over hunne
dierbare ontslapene en werd haar omhulsel in
den stillen morgen zonder eenige praal ter
aarde besteld, zulks volgens haar uitersten wil,.
waarin tevens het verlangen stond uitgedrukt:
te rusten aan de zijde van jonkvrouwe Sara
Moot
uit \'s-Hage, een zuster des huizes, haar
op jeugdiger leeftijd voorgegaan in den dood.
* *
-ocr page 105-
103
Volgens den laatsten mannehjken telg uit Anna
Maria\'s
geslacht, Jhr. Mr. A. F. van Schuur-
man
te Heerenveen, overleden 4 April 1783 (*),
zou Anna Maria begraven zjjn onder den
kerkemuur, met het hoofd op het kerkhof bui-
ten de kerk, het gezicht naar het Oosten en
het verdere gedeelte van het lichaam onder
den muur en in de kerk.
Aangewezen wordt de N.-O. hoek naast
den kelder, op grond van mondelinge overle-
veringen der opvolgende kosters, doch volgens
bovenstaande zou men het graf moeten zoeken
aan de W.zijde. Naar des kosters bewering
is het ljjk, na eerst op het kerkhof begraven
te zijn, later bijgezet in den kelder.
Na al de tegenstrijdige lezingen, die er be-
staan op dit punt, schijnt ons de laatste de
aannemelijkste en die van A. F. v. Schuur-
man
de onwaarschijnlijkste. In den uitersten wil
toch van De Labadie, op zijn krankbed ge-
schreven en door Anna Maria medegedeeld,
(*) Geboren op Ahbinga-State te Huyzum,
kwam te Heerenveen in 1780, leefde in onmin
met E. A. v. Idema, grietman van JEngwirden,
scheidde in 1779 van zijne Echtgenoote en ver-
maakte, behalve zyn bibliotheek en kunstwerken
van Anna Maria, nog 30 duizend gulden aan de
Hoogeschool te Franeker. Zijne echtgenoote, ge-
storven in 1810, heeft ondanks de scheiding, een
graftombe laten vervaardigen met inscriptie,
waarvan het slot luidende is : De vrouw aan haar
man, Louisa van Stuyvezand, heeft dit monument
opgericht. Hij leefde 52 jaren en 11 maanden.
-ocr page 106-
&&>......................................................................^^^.................«
ï
104
staat: dat zij met zijn lichaam doen gelijk
hun goed dunkt, het ter aarde bestellende als
onder ons gewoon is, mits in de grootste een-
voudigheid en armoede, die mogelijk zal zijn,
vrijheid gevende het te openen ten nutte der
wetenschap, want het lichaam, dat tot de aarde
wederkeert, is van weinig gewicht.
Deze uiting van den vader der Labadisten
is in strijd met het gat in den kerkemuur en
den omslag, waarvan V. Schuurman gewaagt
en ook met het eigen verlangen van Anna
Maria
om naast hare vriendin te rusten, wier
ljjk wel op de gewone wijze zal zijn ter aarde
besteld.
Raadselachtig blijft ook het kunstgebit,
laatst in den kelder gevonden en blijkbaar
van zeer ouden datum. Het is uit één stuk
been vervaardigd: volgens het oordeel van
een geneeskundige naar een afdruk, waarschijn-
lijk in was Het is een bovenkaak met al
haar tanden en kiezen, eenerzijds door het ge-
bruik versleten. Bizonder merkwaardig hebben
we de veeren gevonden, behoorende tot het-
zelfde stuk been, waarmede het aan de bo-
venkaak bevestigd is geweest.
Is dit kunstwerk, allicht éénig voor dien
tijd, mogelijk terug te brengen tot Anna Maria,
wier mond zoo goed als tandeloos was, gelijk
we lezen, of wel tot den beroemden doctor
Hendrik van Deventer ?
Met nog een ander merkwaardig voorwerp:
-ocr page 107-
v
105
een kies aan zilverdraad hangende en met een
roosje van zilverdraad op een langwerpig
houtje bevestigd, waarin boven een gaatje, zoo-
dat het in de kist kon worden opgehangen, —
zal het kunstgebit waarvan we spraken, een
plaatsje worden gegeven in den merkwaardi-
gcn kelder naast de mummies.
En hiermede sluiten wij ons wel wat lang
geworden beschrijving, hoewel op lange niet
uitgepraat, allerminst over Anna Maria, ter
wier nagedachtenis we gaarne een Memorie-
steen in den muur van de kerk te Wieuicerd
zagen geplaatst.
Het idee zij Heeren Kerkvoogden ter over-
weging aanbevolen.
Wenscht men daarvoor bijdragen, een pas-
sende inscriptie ? Wij zijn bereid daarvoor
een beroep te doen op hare vereerders en be-
wonderaars.
L. 1896.                                          J. H.
Overgedrukt uit Hepkema\'s Courant.
Verschijnt Woensdags en Zaterdags,
leesgeld p. j. f 8 fr. p. p.
i<a©ir
-ocr page 108-
1                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                           ^                                                                                                                                           ---------------------------------- —
JBvj den Uitgever dezes zijn mede verschenen:
Het Friesch Museum van Oudheden
TE LEEUWARDEN.
Groot, 4°. formaiitu56^bladz., 25 ets.
De Ontviuchfings-geschiedenis
VAN EEN ZESTAL ZWARE VEROORDEELDEN
uit de G E V A N O E N IS te LEEü WARDE*
47  bladz. — 10 ets.
. FRIES LAN D
van den Waterkant bekeken door Vreemdelingen.
13G^ bladz^ J30_ ets
FRIESLAND
Van den Waterkant bekeken door eeq prie;
72 W^j^_30_cts.
WnnMep in den omireï van Heerenveen,
w.o. ORANJEWOUD, enz.
120 Mad*; -- 50 ets.
Wht/deUif£eif door (jlüv^teHhtfd
77 bladz. — 40 ets.
HET LEVEN VAN SIMün LANTINGA,
BEROEMD BUIKSPREKER te Oranjewoud.;
32 bladz. — 25 ets.,
HARMEN SCHRAA,
VOI.KSRIJMEK, Ti;i(]l()ODVEK0011DEEI,D EN VltlJli ESPROKE]
48  bladz. — 2b ets.
JAN HUT.en drie andere misdadigers,
OJ.STREEKS 1800 AAN DE GALO TE LEEUWARDEN UKH.VSÖKi
114 bladz. — 50 ets.
.\'33