-ocr page 1-
Qc
V\'ft
!
T. B. MACAULAY.
.
GESCHIEDENIS
VAX
ENGELAND,
SEDERT DE
TROONSBESTIJGING VAN JACOBUS II.
DERDE DRUK.
. t"
OPNIEUW BEWERKT DOOR
Dr. J. C. VAN DEVENTER.
EERSTE DEEL.
---------------j-
-
.
SCHIEDAM,
H. A. M. ROELANTS,
1886.
-ocr page 2-
yv\\rv\\ I 3? "?&
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
-ocr page 6-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029449547B
2944 954 7
-ocr page 7-
T. B. MACAULAY.
GESCHIEDENIS
VAN
ENGELAND,
SEDERT DE
TROONSBESTIJGING VAN JACOBUS II.
DERDE DRUK.
OPNIEUW BEWERKT DOOR
Dr. J. C. VAN DEVENTER.
il ¥v
STE DEEL.
BIBLIOTHEEK D
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
\'
• r K>
COLL. THOfvV -SSE
— H it ■tnr>Tir -- - ■ . ■ -- rt»i.n»MW
SCHIEDAM,
H. A. M. ROELANTS,
1886.
\'jr*
-ocr page 8-
-ocr page 9-
INHOUD.
Biografie van Lord Macaulay....................151adz. I —XIII
EERSTE HOOFDSTUK.
Bladz.
Inleiding.............. I
Brittanië onder de Romeinen .... 3
Brittanië onder de Saksers..... —
Bekeering der Saksers lot het Chris-
tendom ............. 4
Invallen der Denen......... 7
De Noormannen.......... —
De verovering door de Noormannen 9
Verlies van Norraandije...... 10
Ineensmeltiug der volkstammen . . II
Eugelsche veroveringen op het vaste
land............... 13
Rozenoorlogen........... 15
Opheffing van het lijfeigenschap . . 17
Weldadige invloed van hei Roomsch
Katholieke geloof........ —
De engelsche staatsgeschiedenis
meestal met partijdigheid ge-
schreven............. 19
Redenen, welke tot die partijdigheid
aanleiding gaven......... —
Aard der middeleeuwsche beperkte
monarchieën........... 21
Prerogatieven der vroegere engel-
sche koningen.......... —
Beperkingen van die voorrechten. . 22
Gewapende tegenstand een gewoon
middel van verzet in de middel-
eeuwen ............. 25
Bijzondere aard der engelsche ari-
stokratie............•. 27
Dynastie der Tudors........ 29
De beperkte monarchieën der mid-
deleeuwen doorgaans in onbe-
perkte monarchieën veranderd . . 31
De Engelsche monarchie maakt
hierop een zeldzame uitzondering. 32
Bladz.
De hervorming en haar gevolgen. .    33
Oorsprong der anglicaansche kerk .     37
Eigenaardige geest dier kerk ....    38
Haar verhouding tot de kroon ...    39
De Puriteinen...........    42
Hun republikeinsche geest.....    43
Geen stelselmatige parlementaire te-
genstand aan het bestuur van Eli-
zabeth geboden.........     43
Geschil over de monopoliën ....    44
Vereeniging van Schotland en Ier-
land met Engeland........
    45
Vermindering van Engelands in-
vloed, na de troonsbestijging van
Jacobus I............    48
Leer van het goddelijk recht ....    49
Toenemende verwijdering tusschen
de Staatskerk en de Puriteinen . .     52
Karel I bestijgt den troon; zijn ka-
rakter ..............
     58
Staatkunde der oppositie in het Huis
der Gemeenten.........     —
Rechtspetitie............     59
Verkrachting der rechtspetitie ...    60
Karakter en plannen van Wenthworth    —
Karakter van Laud.........     61
De Sterrekamer en de Hooge Com-
missie ..............
    62
Scheepsgeld............    63
Tegenstand tegen het invoeren der
liturgie in Schotland.......    64
Bijeenroeping van een nieuw parle-
ment en ontbinding.......
     66
Het lange parlement........    68
De twee groote engelsche Staatspar-
tijen ...............
     69
De opstand in Ierland.......    73
-ocr page 10-
INHOUD.
VI
Bladz.
De Remonstrantie..........     74
Beschuldiging van hoogverraad te-
gen de vijf leden.........
     75
Vertrek van Karel uit Londen ...     76
Begin van den burgeroorlog ....    78
Voordeelen door de konings-gezin-
den behaald...........    80
De Independenten.........     81
Olivier Cromwell..........    —
Het zelfverloocheningsgebod ....    82
Overwinningen door het parlements-
leger behaald..........    —
Heerschappij en aard van het leger.    83
Opstanden tegen de militaire heer-
schappij .............
    85
Onderdrukking dier bewegingen . .    —
Bladz.
Gedragslijn tegenover den koning . 86
Dood van Karel I.........88
Onderwerping van Ierland en van
Schotland............ 90
Uiteendrijving van het lange parle-
ment............... —
Protectoraat van Olivier Cromwell . 93
Olivier door Richard opgevolgd . . 96
Val van Richard en herstel van het
lange parlement.........98
Het leger van Schotland rukt naar
Engeland op........... 99
Monk verklaart zich voor een vrij
parlement............IOI
Algemeene verkiezingen van 1660 . —
De restauratie...........103
TWEEDE HOOFDSTUK.
Bladz.
Karakter van Lodewijk XIV . . .     137
Het drievoudig verbond......     139
De land-partij...........     —
Aanknooping van geheime betrek-
kingen tusschen Karel II en het
fransche hof...........     141
Inzichten van Lodewijk XVI ten
aanzien van Engeland......     142
Tractaat van Dover........     144
Aard van het engelsche kabinet . .     145
De Kabaal............     —
Schorsing van de betalingen der
schatkist............     148
Oorlog met de Vereenigde Provin-
ciën en groot gevaar, waarin
deze geraken..........      —
Willem Prins van Oranje.....     149
Vergadering van het parlement . .     151
Toegevendheidsverklaring ....     —
Intrekking dier verklaring ....     152
De toets-acte...........     153
De Kabaal wordt ontbonden ...      —
Vrede met het hollandsche gemee-
nebest.............     154
Bewindvoering van Danby ....     —
Moeijelijke stelling der landpartij .
     156
Aard der betrekkingen door die
partij met het fransche gezant-
schap aangeknoopt .......
     —
Vrede van Nijmegen.......     157
Hevige misnoegdheid der natie . .     —
Val van Danby..........     159
Het papistisch complot......     160
Eerstealgem. verkiezingen van 1679    162
Bladz.
Ongegrondheid van de blaam, die
men op de herstellers van het
huis Stuart heeft willen werpen . 103
Afschaffing van de leenroerigheid
van heerlijke goederen..... 105
Afdanking van het leger..... —
Herleving der geschillen tusschen
de rondhoofden en de cavaliers. 106
Kerkelijke twisten........ 108
Haat van het volk tegen de puri-
teinen ............. 110
Karakter van Karel II....... 116
Karakter vau den hertog van York,
en van den graai van Clarendon. 118
Algemeene verkiezingen van 1661. 231
Hevigheid <ler cavaliers in het
nieuwe Parlement....... —
Vervolgingen tegen de puriteinen . 122
IJverige gezindheid der kerk, ten
gunste van het erfelijk koning-
schap.............. 123
Verandering in de zeden der natie. 124
Verdorvenheid van staatkundige
personen............ 125
Staat van zaken in Schotland . . . 127
Staat van zaken in Ierland..... 128
De regeering begint in Engeland
impopulair te worden...... 129
Oorlog tegen Holland...... 132
Oppositie in het Huis der Ge-
meenten ............ 133
Val van Clarendon........ —
Staatkundige toestand van Europa
en overwicht van Frankrijk ... 136
-ocr page 11-
HOUD.                                                              Vtl
Bladz.
Ter dood brenging van Stafford. .     179
Algemeene verkiezingen in 1681 .     —
Bijeenkomst van het parlement te
Oxford; en ontbinding ......     180
1 Torystische reactie........     —
1 Vervolgingen tegen de Whigs. . .     182
Het charter der City opgeheven. .
     —
Samenzweringen der Whigs. ...
     183
Ontdekking der Whigsche samen-
zweringen ...........
     185
Strengheid van het bestuur ....     —
Opheffing van stedelijke charters .     186
Invloed van den hertog van York .     187
Halifax treedt tegen hen op ... .     188
Lord Guildford..........     190
Staatkunde van Lodewijk.....     191
Staat der partijen aan het hof
van Karel II, tijdens zijn over-
lijden .............
     192
IN
Bladz
Onstuimigheid van het nieuwe Huis
der Gemeenten.........     164
Temple\'s regeeringsplan.....     —
Karakter van Halifax.......     167
Karakter van Sunderland.....     169
Verdaging van het parlement ...     170
Habeas-corpus-acte........      —
Tweede algemeene verkiezingen
van 1679............     171
Populariteit van Monmouth ....     —
Lawrence Hyde..........     175
Sidney Godolphin.........      —
Hevige strijd der partijen, ter zake
van de uitsluitingswet.....     176
Oorsprong der benamingen van
Whig en Tory.........     177
Bijeenkomst van het parlement; de
uitsluitingswet door het Lager-
huis aangenomen, en in het
Hoogerhuis verworpen.....     178
DERDE HOOFDSTUK.
Bladz.
Cheltenham............     239
Brighton.............     —
Buxton..............     —
Tunbridge Wells.........     —
Bath...............    240
Londen..............    241
De City.............    243
Het fatsoenlijk gedeelte der hoofd-
stad ..............
    246
Inrichting der policie in Londen .    251
Straatverlichting.........      —
Whitefriars............     —
Het Hof.............    252
De koffiehuizen..........    254
Moeijelijkheden van het reizen . .     257
Slechte staat der wegen......    258
Diligenees............    262
Straatroovers...........    264
Logementen...........    266
Brievenpost............    267
Nieuwspapieren en dagbladen . . .     269
De Toeschouwer.........     271
Schaarschheid van boeken in bui-
tengemeenten en steden.....
     272
Opvoeding der vrouwen......     —
Letterkunde onder de heeren ...      —
Invloed der fransche letterkunde .
      —
Onzedelijkheid der engelsche
schoone litteratuur van dien tijd .
     276
Staat der wetenschappen in Enge-
land ..............
     281
Bladz.
Groote veranderingen in den toe-
stand van Engeland, sedert 1685
     194
Bevolking van Engeland in 1685 .
     195
De vermeerdering der bevolking in
het noorden grooter dan in het
zuiden.............     196
Staatsinkomsten in 1685.....     198
Krijgswezen...........    201
De zeemacht...........    206
De artillerie...........    212
Non-activiteits-kosten.......      —
Kosten van het bestuur......    213
Groote inkomsten der ministers en
hovelingen...........      —
Toestand van den landbouw ...    215
Delfstoffelijke rijkdom des lands .
    219
Toenemende opbrengst der lande-
rijen ..............
    221
De landedellieden........     —
De geestelijkheid.........    225
De stand der Yeomen.......    232
De steden.............     —
Bristol..............      —
Norwich.............    234
Andere provinciesteden......    235
Manchester............    236
Leeds...............     —
Sheffield.............    237
Birmingham...........     —
Liverpool.............    238
Badplaatsen............    239
-ocr page 12-
INHOUD.
VIII
Bladz.
Toestand der schoone kunsten . .
     285
Toestand van de geringe volks-
klasse .............
     287
Werkloonen van landbouwers...     —
Werkloonen der fabriekarbeiders .    289
Arbeid van kinderen in de fabrieken    290
Werkloonen van ambachtslieden .    291
Bladz.
Getal armlastigen......... 291
Weldaden, welke de voortgang der
beschaving der geringe volks-
klasse aanbrengt........ 292
Dwaling der menschen, die het ge-
luk van vorige geslachten be-
nijden ............. 295
VIERDE HOOFDSTUK.
Bladz.
Vergadering van het schotsche par-
lement ............. 342
Gezindheid van Jakobus tegenover
de puriteinen.......... 343
Wreedaardige behandeling der
schotsche covenanters..... 344
Gezindheid van Jakobus jegens de
kwakers............ 348
William Peun........... 349
Begunstigingen aan de roomsch-
katholieken en aan de kwakers
toegestaan........... 352
Bijeenkomst van het engelsche par-
lement ............. 353
Trevor tot voorzitter gekozen . . . 354
Karakter van Seymour...... —
\'s Konings aanspraak aan het parle-
ment .............. 355
Verhandeling in het Huis der Ge-
meenten ............ 35\'\'
Redevoering van Seymour..... —
Bewilliging van staatsinkomsten. . 357
Verhandelingen in het Lagerhuis
over de aangelegenheden der
godsdienst........... —
Bewilligingèn van additioneele be-
lastingen ............ 358
Sir Dudley North......... —
Verhandelingen in het Huis der
Lords............. 360
Wetsvooidracht tot intrekking van
het parlementsvonnis van Stafford 361
Bladz.
Dood van Karel II........     296
Vermoedens van vergiftiging . . .     305
Aanspraak van Jacobus II aan den
geheimen raad.........     307
Jakobus tot koning uitgeroepen . .      —
Het bestuur............     308
Sir George Jeffreys........     311
Belastingen ingevorderd, zonder
machtiging bij parlements-akte .    315
Bijeenroeping van een parlement .     —
Onderhandelingen tusschen Ja-
kobus en den koning van
Frankrijk............     316
Churchill als gezant naar Frankrijk
afgevaardigd..........     318
Zijn levensloop..........      ~
Gezindheid der regeeringen van het
vaste land omtrent Engeland . .     321
Staatkunde van het hof van Rome .     322
Inwendige tweestrijd van Jakobus.    324
Zijn wankelmoedige staatkunde . .      —
Openbare viering der roomsch-ka-
tholieke kerkdienst in het paleis
des konings..........    326
Zijn kroning...........    327
Geestdrift der Tories. Adressen aan
den koning...........    329
De verkiezingen.........    330
Gerechtelijke vervolgingen van
Oates.............    333
Vervolging van Dangerfield. . . .    337
Vervolging van Baxter......    339
V IJ F D E HOOFDSTUK.
Bladz.
Whigsche uitgewekenen op het
vaste land...........    362
Hun berichtgevers in Engeland . .    363
Karakter der voornaamste uitgewe-
kenen .............
    364
Ayloffe..............      —
Bladz.
Wade..............     —
Goodenough...........    365
Rumbold.............      —
Lord Grey............     —
Monmouth............     367
Ferguson.............      —
-ocr page 13-
INHOUD.
IX
Bladz.
Maatregelen der regeering om hem
te bestrijden..........    408
Zijn aanslag op Bristol......    410
Hij ziet van dien aanslag af. . . .    412
Schermutseling te Philips Norton .    413
Neerslachtigheid van Monmouth .     —
Zijn terugkeer naar Bridgewater. .    414
Het koninklijk leger vat post op
het moeras van Sedgemoor. . .    415
Slag van Sedgemoor.......    418
Vervolgingen der opstandelingen .    423
Standrechtelijke executiën ....     —
Vlucht van Monmouth......     —
Monmouth wordt gevangen ge-
nomen .............
    425
Zijn brief aan den koning.....    426
Hij wordt naar Londen overge-
bracht .............
    427
Zijn ontmoeting met den koning .    428
Zijn ter dood brenging......    430
Zijn aandenken door het volk met
liefde bewaard.........    434
Wreedheden der soldaten in het
westen.............     436
Jeffreys begint de rechterlijke rond-
reizc door het westen......    440
Proces van Alice Lisle......    441
De bloedige assisen........    444
Abraham Holmes.........    447
Chrisroph Battiscombe......     —
De gebroeders Hewling.....    448
Vonnis van Tutchin........    449
Deportatie van opstandelingen . .     —
Inbeslagnemingen en afpersingen.    450
Hebzucht der koningin en der
dames van haar gevolg.....    451
Grey...............    456
Cochr.ine.............    457
Storey ..............     —
Wade, Godenough en Ferguson. .      —
Jeffrey tot lord-kanselier verheven.    459
Proces en executie van Cornish . .     —
Processen en executiën van Fernley
en van Elizabeth Gaunt.....    461
Proces en executie van Bateman. .    462
Wreedaardige vervolgingen van de
protestantsche afgescheidenen .    463
Bladz.
Schotsche uitgewekenen.....     371
De graaf van Argyle.......     —
Sir Patrick Hume.........    373
Sir John Cochrane........      —
Fletcher van Saltoun.......     —
Onverstandige handelwijze der
schotsche uitgewekenen ....    374
Voorbereidende schikkingen tot
landingen in Engeland en in
.Schotland...........     375
John Locke............    377
Maatregelen door de regeering ge-
nomen, ter verdediging van
Schotland...........    378
Onderhoud van Jakobus met de hol-
landsche gezanten.......     —
Mislukte pogingen om Argyle het
uitzeilen te beletten.......     —
Vertrek van Argyle uit Holland. .    380
Zijn landing in Schotland.....     —
Geschriften tusschen Argyle en de
overige hoofden der expeditie .    381
Openbare stemming in Schotland .
    382
Verstrooijing van Argyle\'s strijd-
macht .............
     385
Gevangenneming van Argyle . . .     386
Zijn executie...........     389
Ter dood brenging van Rumbold .     390
Dood van Ayloffe.........    392
Verwoesting van Argyleshire ...     —
Vruchtelooze pogingen om Mon-
mouth het verlaten van Holland
te beletten...........    393
Zijn aankomst te Lyme......    395
Zijn verklaring..........      —
Zijn populariteit in het westen van
Engeland............     396
Gevecht tusschen de rebellen en de
militie te Bridport.......     398
Ontmoeting der opstandelingen met
de militie te Axminster.....    399
Het bericht van den opstand te
Londen ontvangen.......      —
Loyauteit van liet parlement. . . .    400
Ontvangst van Monmouth te
Taunton............     403
Hij neemt den titel van koning aan    405
Zijn ontvangst te Bridgewater. . .    407
-ocr page 14-
-ocr page 15-
LORD MACAULAY.
Thomas Babington Macaulay werd den 25 October 1800 te Rothley Temple in
Leicestershire, het verblijf van zijn oom, Thomas Babington, geboren. Zijn vader,
Zacharias Macaulay, woonde te Clapham; hij was een dier ernstige en vurige mannen,
die met den heer Wilberforce aan de spits stonden van de krachtige godsdienstig:
beweging, welke spoedig op de fransche omwenteling volgde, en die de nakomeling-
schap steeds vereeren zal, omdat zij behoorden onder de vroegste en standvastigste
bestrijders van den afrikaanschen slavenhandel, onder de onvermoeide voorvech\'.ers
van de emancipatie der negers in onze koloniën. Het voortdurend bespreken van deze
belangrijke punten, waarin de heiligste rechten der menschelijke vrijheid zoo na be-
trokken waren, is ongetwijfeld niet zonder invloed gebleven op de vorming van het
jeugdig gemoed van Macaulay Wellicht heeft hij aan zijn geboorte en huiselijke leiding
eenigermate die gemakkelijkheid te danken, waarmee hij, hoewel altijd zonder over-
drijving, bijbelsche uitdrukkingen in zijn schriften wist te lasschen. Het ligt voor de
hand, dat de verhalen omtrent zijn veelbelovenden aanleg in zijn vroegste jeugd, van
zijn kiuderproeven in dicht en ondicht niet spoedig vergeten zouden worden bij een
sterke godsdienstige partij, die door onderlinge samenstemming nauw aaneengesloten
was en haar vertakkingen over het geheele land had. De faam, die van den jongen
Macaulay uitging, drong ook door tot de ooren van Ilanna More en nadat zij een
bezoek van hein had ontvangen, sprak die hoogepriesteres der broederschap in een
hoogst merkwaardigen brief, die nog bestaat, een orakel uit, zijn toekomstige groot-
heid voorspellende. Na eenige jaren het onderwijs te Clapham te hebben genoten,
werd hij op den leeftijd van twaalf jaren aan de zorgen van den weleerwaarden heer
Preston toevertrouwd, eerst te Shelford, later dicht bij Buntingford, in de nabijheid van
Cambridge. De heer Preston schijnt een geloerd en helder man te zijn geweest; hij moet
uitmuntend onderricht hebben gegeven in het verklaren van grieksche en latijnsche
schrijvers, want onder zijn leiding werd Macaulay een grondig literator. De heer Preston
deed meer: hij wist die liefde voor de groote schrijvers der oudheid aan te kweeken
zonder welke alle studie onvruchtbaar en zonder blijvende waarde is. Hij was boven-
dien diep doordrongen van de waarheid der stelling, dat niets zoozeer scherpt en ont-
wikkelt als zelfwerkzaamheid en eigen onderzoek. Had hij eenmaal den weg gewezen,
den schok gegeven, terstond liet hij den leergierigen jongeling aan zijn eigen werklust
over. De schcoljongtn zond een onderteekende verdediging van den «Roman" aan
het hoogst ernstig dagblad van zijns vaders vrienden: »the Christian Observer," en
had het genoegen ze te zien opnemen. De onverzadelijke zucht naar romans is hem
zijn heele leven door bijgebleven; hij heeft de gansche reeks niet alleen van engelsche,
maar ook van buiteniaudsche verdichte verhalen verslonden; en de groote historie-
schrijver heeft later geen reden gehad om den daaraan besteden tijd als verloren te
beschouwen. Maar de indrukken ook, die hij van ernstiger en degelijker lectuur ont-
ving, waren even onuitwischbaar. Zijn bewondering voor de nooit geëvenaarde schrij-
vers van Griekenland en Rome steegmet ieder jaar vanzijn leven. Homerus, Thucydides
-ocr page 16-
en Tacitus behoorden tot zijn huisvrienden, en geen dag bijna ging voorbij, zonder dat
hij zich met een hunner onderhield, en ongetwijfeld hebben zij zonder hem zijn oor-
spronkelijkheid te ontrooven een krachtigen invloed op zijn stijl uitgeoefend. Onder
de vrienden van zijn vader, die met dezen dezelfde richting in het godsdienstige waren
toegedaan, behoorde Izaak Milner, een man, die op een hoogst zeldzame wijze een
niet gewone mate van wiskundige kennis, van krachtige evangelische overtuiging en
een onuitputtelijke vroolijkheid in zich vereenigde. Tijdens zijn bezoeken aan Milner
te Cambridge vatte Macaulay die warme genegenheid op voor de universiteit, die even
als zijn andere sympathieën met de jaren scheen aan te groeien. Op zijn negentiende
jaar begon hij zijn studie in Trinity College. Cambridge. Zijn loopbaan te Cambridge
was niet zóó schitterend, als zijn vrienden in hun levendige verbeelding zich hadden
voorgespiegeld. Hij had een bepaalden weerzin in de mathematische vakken, ofliever,
hij liet zich medesleepen door zijn voorliefde voor andere, hem meer bekorende studiën.
Later heeft hij meermalen zijn leedwezen over dien tegenzin uitgedrukt: hij erkende
ten volle het gewicht, om niet te zeggen, de onmisbaarheid van die studie om een
opvoeding te voltooien. Zelfs zijn geleerdheid, hoogst waarschijnlijk uitgebreider dan
van een zijner tijdgenooten, mist die afronding en die juistheid, welke alleen aan onze
groote openbare scholen te verkrijgen zijn. Intusschen werden hem twee prijzen toe-
gekend voor engelsche verzen en zag hij zijn vurigsten wensch vervuld, toen hem het
Fellowship van Trinity College werd aangeboden. Deze eervolle onderscheiding deed
nog op het laatst van zijn leven zijn hart van rechtmatigen trots zwellen. Twee zijner
sterkste gevoelens werden er door bevredigd: zijn liefde voor Cambridge en zijn ver-
langen naar een onafhankelijk bestaan, dat hem in de gelegenheid zou stellen zijn
eigen weg te volgen. Zijn leven lang heeft hij op de onschatbare voordeden gewezen
van die instellingen voor jonge mannen van grooten aanleg en ijver, maar van beperkte
middelen, en verzette hij zich met alle kracht, die in hem was steeds tegen elke ver-
andering in de universiteits-inrichting, welke het aantal dier stichtingen mocht willen
verminderen, waarvan, zooals hij uit de onuitputtelijke bron van zijn nooit falend ge-
heugen kon aantoonen, een groot aantal onzer eerste staatsmannen gebruik hadden
gemaakt.
De rechten was het vak dat hij koos. en waaraan hij ook een tijdlang zijn beste
krachten wijdde, maar de letteren waren het recht toch te machtig. Zonder twijfel heeft
zijn rechtsstudie voor hem onschatbare waarde gehad; zij was inderdaad onmisbaar
voor zijn geschiedkundige geschriften en zou bovendien nog vruchten afwerpen in een
werkkring, dien hij zich in zijn opgewondeuste droomen nauwelijks had kunnen voor-
stellen. Door de vriendelijke tusschenkomst van den helderzienden lord Lyndhurst
werd hem de aanzienlijke betrekking van »Commissi.oner ofBankrupt" I) opgedragen;
ongetwijfeld hadden de naam, dien hij zicli te Cambridge had gemaakt, en de groote
verwachting, die men van hem koesterde, de aandacht op hem gevestigd; desniettemin
had hij aan de letteren zijn eerste optreden in het openbaar leven te danken. Op het
veld der schoone letteren had hij de riddersporen verdiend met kleine bijdragen voor
een magazijn, »Knight\'s Quarterly", dat niet algemeen verspreid was, maar hoofd-
zakelijk door eenige van zijn vrienden uit Cambridge ondersteund werd: daar ver-
schenen enkele van zijn schoonste balladen. Eensklaps vertoonde hij zich in zijn vollen
glans; zijn studie over Milton in de Edinburgh Review wekte levendiger belangstelling
dan eenig ander artikel, niet onmiddellijk met staatkundige vraagstukken van den dag
verbonden, ooit te voren had gedaan. Zich op het terrein wagende in hetzelfde tijd-
schrift met den schitterenden Jeffrey, den krachtigen en spottenden Brougham, den
onnavolgbaar geestigen Sidney Smith, om niet eens te gewagen van de beroemde
mannen, die hun arbeid plaatsten in den politieken tegenstander, Quarterly Review,
had de jonge man de eerste reis terstond zijn eigen weg gevonden Door zijn veel-
omvattende kennis, de oorspronkelijkheid en stoutheid zijner opvattingen, door zijn
grondige bekendheid met de gansene geschiedenis en den belangrijken tijd van Miltons
leven, door zijn levendige schildering, zijn gelukkige woordenkeus en wendingen
scheen hij. de nog onervaren penvoerder, een gansche omwenteling gebracht te hebben
1) TAe r\'iMil of Hankruptry, een rechtbank ingesteld om de zaken te regelen van ongelukkige, insolvente handelaars.
Se rechters dragen den naam van nCoiuuiissioner" en staan, wat hun rang betreft gelijk met de randsheeren van de
hoosere hoven.
How we are governcd. W. A. Holdsworth. 163
-ocr page 17-
in de tot dusverre heerschende wetten en regelen voor de samenstelling van tijdschrift-
artikels. Tot dien tijd toe hadden behoudens enkele loffelijke uitzonderingen de artikels
zich hoofdzakelijk bepaald tot aankondigingen, min of meer uitgebreid, van nieuwe
boeken, en tot het bespreken van politieke kwestiën en de geschilpunten van den dag.
Maar na het stuk over Milton verlangden de artikels beschouwd te worden als grondige
studiën over de geschiedenis van een belangrijk tijdperk, over het leven van een be-
roemd man, over de geschriften, den invloed, de verdiensten van de uitnemendsten in
den lande. Van een bloote aankondiging was het een historische, biografische, filoso-
sche studie geworden.
Dit artikel werd weldra gevolgd door andere, van gelijke of soms nog grooter voor-
treffelijkheid: allen gaven nieuwe bewijzen voor des schrijvers belezenheid, voor zijn
onafhankelijkheid van oordeel, voor de verbazende schatten van zijn geheugen. Het
kon niet anders, of de jonge whig van onberispelijken wandel, die gezien was bij zijn
vrienden, en in de dispuutzaleu te Cambridge zich door zijn welsprekendheid reeds
eenige vermaardheid had verworven, de erkende schrijver van zulke artikels in een of
twee van de beste tijdschriften, moest de aandacht van zijn partij trekken en haar de
schoonste hoop voor zijn toekomst doen opvatten. Zoo ooit eeD edelman een waar en
helderziend beschermer van kunst en wetenschap is geweest, die zich alleen door zijn
liefde voor de letteren liet leiden, is het lord Lansdowne geweest. Deze bood den
schrijver van de bewonderenswaardige artikels in de »Edinburgh Review" een zetel
aan in het Lagerhuis. Natuurlijk aarzelde Macaulay geen oogenblik; zijn politieke
overtuiging was tot in kleinigheden geheel in overeenstemming met die van lord
Lansdowne. Weinig staatsmannen zijn zoo onwrikbaar trouw gebleven aan hun eerste
politieke gevoelens als lord Macaulay. Ontegenzeggelijk kan een omkeer in staatkun-
dige meeningen, zoodra die gegrond is op een geheel belangelooze overtuiging, een
der edelste daden van zedelijken moed zijn. een daad, waardoor men zich doorgaans
aan wreede miskenning en harde veroordeeling blootstelt. De beste menschen worden
wijzer naarmate hun jaren klimmen. Maar Macaulay is deze beproeving bespaard ge-
bleven, nooit is hij tot die smartelijke zelfopoffering geroepen. Hij was een liberaal in
den edelsteu en ruimsten zin des woords: sommigen zijn thans van oordeel, dat hij te
ver ging, anderen, dat hij halverwege bleef staan; maar zoo lang hij leefde, heeft hij
nooit geweifeld, de grens, welke hij trok tusschen grondwettige vrijheid en volksre-
geering in zijn eerste redevoeringen over de hervorming der kieswet is volmaakt
dezelfde, die hij later aangaf in een merkwaardigen brief over de vooruitzichten en
het vermoedelijk lot der Vereenigde-Staten in Amerika.
Vier jaar, nadat hij voor het eerst in rechterlijke betrekking was opgetreden, werd
hij tot lid van het parlement voor Calme gekozen, 1830. Zijn openbaar leven nam nu
een aanvang, en het zal wellicht niet ondoelmatig zijn het in zijn verschillende open-
baiingen van staatsman, redenaar, dichter, geschiedkundige en essayist hier kortelijk
te beschouwen.
Bij zijn optreden in het parlement had hij te veel gezond verstand, te veel ontzag
voor zijn meerderen in jaren en ervaring om zich dadelijk in de voorste gelederen te
vertoonen; hij wist, dat zijn gehoor aldaar in den regel billijk was, schoon soms nog
te veel door voor- of tegeniugenomenheid beheerscht, en bovenal hoogst gevoelig
voor mannen van verdiensten, die zich wilden opdringen en te veel op hun krachten
steunende dadelijk zochten te schitteren. Tot de hervormingswet vergenoegde hij zich
met slechts bij enkele gelegenheden de kracht zijner wapenen te beproeven; hij hoedde
zich wel zijn kruit te verschieten bij kleine schermutselingen over onbeduidende onder-
werpen; voor dat zeer gewichtig vraagstuk der hervormingswet van 1832, bewaarde
hij zijn beste krachten. De naam, dien hij zich bij die debatten verwierf, verzekerde
hem een zetel in het parlement; in December 1832 werd hij gekozen door de welva-
rende en volkrijke stad Leeds, die door de hervormingswet kiesrecht had bekomen.
In 1834 kwam er een hoogst belangrijke en zeker even onverwachte verandering in
zijn vooruitzichten, die wellicht van beslissenden invloed op zijn volgende loopbaan
zou zijn. In 1832 had hij de betrekking van secretaris bij the Board of Control 1) aan-
1) Baard of Control. Het bestuur van Britsch-Iudië was voorheen in handen van een lichaam, de Oost-Indische
Compagnie genaamd, maar onderworpen aan het toeïieht van het britsen parlement, door luiadel van »tue board
pf Control", welks voorzitter lid vai het ministerie was.
Macquay. Element of geograuhy. 177,
-ocr page 18-
genomen; in die kwaliteit hield hij in dat jaar een rede over de hernieuwing van het
indische charter, een rede, die niet ten onrechte met Burke\'s voortreffelijkste voor-
drachten mag worden vergeleken. In breedte en juistheid van opvatting kan zij gezegd
worden den vermaarden redenaar te evenaren, in volledigheid en nauwkeurigheid hem
te overtreffen, in rijkdom van gedachten en in zeggenskracht met hem te wedijveren;
natuurlijk had zij, daar de aanleiding geheel verschillend was, niets van de hartstoch-
telijkheid, de heftige veroordeeling. welke Burke\'s ontboezemingen kenmerken; maar
zij lei de getuigenis af voor den helderen blik van den staatsman, voor zijn wijsgeerig
nadenken. Deze redevoering op zichzelve scheen hem al aanstonds aan het gouver-
nement aan te wijzen als den man, die deel behoorde te hebben in den nieuwen Raad,
benoemd om een wetboek voor Indië samen te stellen; spoedig volgde het aanbod.
Het ruime veld van Indië moest voor hem veel aantrekkelijks hebben, het was hem
een verblijdende gedachte wellicht eenmaal als de wetgever te worden van dat zoo
wondervolle koninkrijk Hij had veel vrienden, vooral de familie Grant, die in nauwe
betrekking tot Indië stonden. Inlusschen zijn overwegingen van finantieëlen aard,
schoon in geenen deele geidzuchtige overwegingen, op zijn besluit van beslissenden
invloed geweest. Door eenige jaren een betamelijke spaarzaamheid te betrachten kon
hij voor zijn toekomst zorgen en zich een onafhankelijk bestaan verzekeren. Bovendien
bestond er nog een andere drijfveer: zijn familie was nooit zeer vermogend geweest;
hij hoopte haar leven wat te kunnen veraangenamen en de belangen te kunnen bevor-
deren van hen, met wie hij door de banden van een zeer hartelijke genegenheid
vereenigd was: een aangename plicht, waarvan hij zich zijn leven lang met de grootste
edelmoedigheid heeft gekweten. In Indië nam hij zijn plaats als lid van den Raad, en
als voorzitter van de Commissie voor de wetsherziening. Sommigen hebben gemeend,
ja zelfs ook beweerd, dat deze zending zonder eenig nut is geweest, de uitkomst
intusschen heeft hen beschaamd, nu nog werpt zij de heerlijkste vruchten af. Na lang,
misschien onvermijdelijk uitstel, na herhaalde herzieningen, heeft het indisch strafwet-
boek, aan welks samenstelling hij een zeer belangrijk deel nam en dat hij met hoogst
gewichtige aanteekeningen voorzag, behoudens enkele, niet veel beduidende wijzigin-
gen, sedert Januari 1862 door geheel Britsch-Indië kracht van wet gehad. Macaulay\'s
deel aan dit groote werk, vooral zijn opmerkingen worden ten hoogste geprezen door
hen, die recht hebben over zulke zaken te oordeelen, en zij schromen niet te zeggen,
dat zijn aanspraak op den naam van grondig rechtsgeleerde hoofdzakelijk op dezen
arbeid steunt.
Kort na zijn terugkomst in Engeland, 1838 werd hij in Januari 1840 met bijna
algemeene stemmen tot vertegenwoordiger van de stad Edinburgh gekozen; dezen
zetel bekleedde hij ongestoord tot Juli 1847. Hij Was reeds tot lid beuoemd van den
geheimen staadsraad en de betrekking van secretaris van oorlog had hij aangenomen.
Hij was secretaris van oorlog niet een plaats in het Kabinet van 1839 tot 1841, en,
toen zijn vrienden weer aan het bestuur kwamen, werd hij in Juli 1846 Betaalmeester
van het leger.
Gedurende dit tijdperk van zijn leven evenwel duurde de groote inwendige strijd
voort; aan den eenen kant brandde hij van een edel verlangen om zijn vaderland nuttig
te zijn, haakte hij naar onderscheiding in de parlementaire en politieke loopbaan, aan
den anderen lachte hem de muze toe, die niet gaarne een medeminnaar naast zich
gedoogt; de strijd was zwaar en bijwijlen dacht het hem een loffelijker eerzucht te
zijn, zoo hij trachtte de schatten der engelsche letterkunde, de werken der engelsche
gedachte met een geschrift, het engelsche volk in alle deelen waardig, te verrijken.
Op zijn ministerie te Whitehall, op de banken van het Lagerhuis, te midden van de
luide toejuichingen of de stille bewondering van het parlement, was zijn hart op zijn
studeerkamer bij zijn geliefde boeken. Hij wenschte voor zich niet zoo zeer een plaats
onder de groote parlementaire leiders en de beroemde staatsmannen van het land, als
wel ouder de onsterfelijke schrijvers in dicht en ondicht, de Miltons, de Clarendons,
de Addisons, de Gibbons. Het publiek, dat hij voor zich verlangde was de ruime uit-
gestrekte wereld, waar de engelsche taal wordt gesproken, de roem die alleen uitster-
ven kon tegelijk met den ondergang der engelsche letteren. Al den tijd buiten Engeland
doorgebracht, op zijn reis naar Indië zoowel als op zijn terugtocht naar het vaderland,
alle vrije oogeabikken gedurende zijn parlementaire loopbaan en zijn leven in staats-
-ocr page 19-
betrekkingen, besteedde hij, voor zooverre zijn drukke bezigheden hem toelieten, aan
het verzamelen van schatten van kennis, schatten die zijn verbazend ontvankelijk en
sterk geheugen niet bezwaarden. Als een merkwaardig bewijs voor de uitgebreidheid
zijner lectuur mogen wij hier vermelden, dat onder dé boeken, welke hij met zich naar
Indië nam, de vele en lijvige deelen zich bevonden van St. Chrysostomus werken. Het
nog haast geheel zuiver en welluidend Grieksch en hun belangrijkheid voor de ge-
schiedenis en verschillende godsdienstbegrippen deden hem een boek ten einde bren-
gen, dat weinig godgeleerdeu van beroep hebben doorgeworsteld; en als een toelich-
ting op de benijdenswaardige kracht van zijn geheugen mogen we ons hier beroepen
op zijn eigen getuigenis - en geen sterveling was minder dan Macaulay tot groot-
spraak geneigd - dat, zoo Miltons groot gedicht verloren was geraakt, hij zich vleide
althans de eerste boeken van «Paradise Lost" geheel te kunnen opschrijven.
Die hevige inwendige strijd, die wellicht onverzoend had kunnen blijven, vond
onverwacht en ongezocht een oplossing. Bij de verkiezingen in 1847 werd Macaulay,
ofschoon kandidaat, te Edinburgh niet herkozen; en het kan niet geloochend worden,
schoon zij, die Macaulay bewonderen, hem hun liefde en achting er niet om zullen
onthouden, dat hij voor een gedeelte zelf de oorzaak was van deze teleurstelling. Het
gold een godsdienstkwestie, waarin Edinburgh, trouw aan zijn oude schotsche voor-
ooideelen, bekrompen en partijzuchtig oordeelde. Macauluy kon niet worden overreed
om toe te geven of te plooien, met open visier wilde hij strijden en op verontwaar-
digden toon verweet hij zijn kiezers hun bekrompen en in zijn oog schandelijke dweep-
zucht. Ongetwijfeld heeft hem zijn nederlaag toen ter tijde smartelijk aangedaan. Hij
was wellicht niet geschikt voor, zeker niet gewend aan het ruwe harde werk van
kiezers op te jagen en den volkswaan te vleien; hij was bedroefd over de trouweloos-
heid of lauwheid zijner vrienden, hij schaamde zich, gelijk hij openlijk verklaarde,
over de schande welke Edinburgh vrijwillig over zich bracht. In een treffend gedicht,
onlangs in \'t licht gegeven, waarin men eenige van de mooiste in onze taal geschreven
koeplelten vinden kan, gaf hij onbeschroomd lucht aan de gevoelens van verontwaar-
diging en smart, die hem vervulden. Intusschen de groote strijd nu was geëindigd: hij
was vrij, hij was losgemaakt van het parlementair, van het openbaar leven. Hij kon met
eer en waardigheid tot de ongestoorde en onbelemmerde beoefening der letteren terug-
keeren; van uu af was het studeervertrek het tooneel zijner werkzaamheid. De muze
had gezegevierd, vooitaan zou zij de onverdeelde gebiedster van zijn liefde zijn, zijn
eenige groote belooning. Eenige jaren later heeft Edinburgh het gepleegd onrecht op
edele wijze zoeken goed te maken: bij de verkiezingen in 1852 heeft het Macaulay
gekozen, zonder dat hij zich kandidaat had gesteld, zonder dat het hem een cent kostte,
ja zelfs, zonder dat hij zich in persoon behoefde te vertoonen; hij had niets te doen
dan zijn benoeming aan te nemen en te bedanken voor het bewijs van vertrouwen.
Hij zat voor Edinburgh van Juli 1852 tot 1856, maar hij zat zonder de warme belang-
stelling van vroeger, zonder den minsten wensch naar onderscheiding of een staats-
ambt; hij sprak zelden, maar nooit zonder gevolg. In 1856 zag hij zich om zijn
gezondheid genoodzaakt de eervolle betrekking neer te leggen. Andere eerbewijzingen,
zoodanige echter, die meer eigenaardig in de geletterde en wetenschappelijke weield
te huis behooren, verbeidden hem. De meeste instellingen van wetenschap in Enge-
land, zoowel als in \'t buitenland, beijverden zich hem het eerelidmaatschap aan te
bieden: in 1857 weid hem de pruisische orde van verdiensten toegekend en in dat-
zelfde jaar behaagde het Harer Majesteit, de koningin, hem in den hoogen adel op te
nemen en tot pair van Engeland te benoemen — een wel verdiende hulde aan zijn edel
en vlekkeloos karakter en buitengemeenen letterkundigen roem, en een daad van ko-
ninklijke gunst, even onverwacht als ten hoorjste toegejuicht door allen, wier bijval in
deze zaak van eenige waarde kan zijn.
Tot dusver hebben wij een oppervlakkige schets gegeven van lord Macaulay\'s ge-
schiedenisals staatsdienaar, als rechtsgeleerde, als volksvertegenwoordiger: we moeten
thans nog enkele opmerkingen hier bijvoegen om hem als redenaar te doen kennen.
Het is opmerkelijk, hoe zelden in dit land de vermaarde, zijn gehoor wegsleepende
redenaar, in het parlement of voor de balie, en de groote schrijver in denzelfden per-
soon zich vereenigd hebben. Bolingbroke, Burke en Macaulay staan nagenoeg alleen.
Zoo al de geschriften van Chatham, Pitt, Fox, Erskiue en Peel vernietigd waren, zou
-ocr page 20-
de wereld geen groot verlies hebben geleden. Macaulay heeft er nooit aan gedacht
zijn naam te gronden op zijn parlementaire redevoeringen, hij zou ze volgaarne hebben
laten rusten in het schaars bezocht kerkhof van het parlementair archief: maar hij
werd door een vrijbuiter van een boekverkooper tot de uitgave genoodzaakt; deze
drukte er enkele van, zijdelings te kennen gevende er toe gemachtigd te zijn, maar
zij krioelden van fouten, waren slecht geschreven, vol valsche redeneeringen en ver-
gissingen omtrent gebeurtenissen en personen, al te maal gruwelen voor Macaulay\'s
gekuischten smaak en helder oordeel; hierdoor zag hij zich in de noodzakelijkheid
gebracht een beter en geloofwaardiger uitgave te bezorgen. Wel beschouwd, kunnen
wij dien eerloozen vrijbuiter geen boos hart toedragen, maar zullen hem nog dank
moeten weten voor zijn onbeschaamd bedrijf. Naar al wat verscheiden toehoorders ons
hebben medegedeeld, was Macaulay\'s voordracht veel te snel om een blijvenden
indruk te maken; ook miste zij afwisseling en stembuiging; zelfs de meest geoefende
snelschrijvers zaten te hijgen en konden hem onmogelijk bijhouden; hoe moet het dan
gesteld zijn geweest met het zooveel doffer en trager begrip van het meerendeel der
leden? Niettemin verhoogt dit slechts onze verbazing, dat redevoeringen, zoo zaakrijk,
zoo diep doordacht, zoo vol beelden en historische toespelingen, hoewel zij geenszins
den indruk maakten van gememoriseerd te zijn, in zulk een geweldige en nooit weife-
lende vaart, met zulk een ontzettende vlugheid konden worden uitgesproken. Om ze
met vrucht te genieten, lezen wij voor ons ze bij voorkeur langzaam, woord voor
woord, en wij kunnen ons moeielijk voorstellen, dat zij minder bedaard werden voor-
gedragen. Meermalen is de vraag geopperd, of Macaulay een meester in het debat ge-
weest is of ooit zou hebben kunnen worden. Voortreffelijkheid in dat vak wordt, met
uitzondering van zeer enkele voorbeelden alleen door lange oefening verkregen. Toen
Macaulay in het parlement kwam, waren de eerste plaatsen bezet door mannen van
gevestigden naam en invloed, van langjarige parlementaire ervaring. Zelfs zoo hij zich
geroepen had gevoeld zich meer op den voorgrond te plaatsen, mag nog betwijfeld
worden of het hem ooit gelukt zou zijn. zijn onstuimige kracht te breidelen of zijn
bruisenden woordenstroom te stremmen. Het zou hem moeite hebben gekost zijn ant-
woorden in deftige, behoedzame, voorafgewogen bewoordingen te kleeden; hij zou
de betoogen zijner tegenstanders aan flarden hebben gescheurd, maar hij zou het niet
hebben kunnen doen zonder er een tal van nieuwe gronden tegen aan te voeren, en
zou zoodoende de uitwerking van zijn eigen weerlegging hebben verlamd. Intusschen
is het opmerkelijk, dat bij twee gelegenheden een redevoering van Macaulay feitelijk
op de stemming in het Huis, iets wat uiterst zelden gebeurt, een beslissenden invloed
uitgeoefend en den afloop der zaak in zijn geest bepaald heeft. In het Huis der Lords
heeft Macaulay geen enkelen keer het woord gevoerd; hij ging er, gelooven wij, meer-
malen heen met het vast voornemen om te spreken, maar een of andere onverwachte
wending in de discussié\'n sneed hem de gelegenheid af; zijn vrienden, die den wan-
kelenden toestand zijner gezondheid te dier tijde kenden, verheugden zich bijkans
over hun teleursteling.
Zijn roem als dichter heeft Macaulay, met uitzondering van de koepletten, hier
boven vermeld en nog een paar kleine gedichtjes, hoofdzakelijk te danken aan zijn
ballades, zijn legenden van «Rome", zijn «Armada", zijn » Cavalier" »enCromwellian",
zijn »Jvry en Moncontour". Zijn onbegrensde kennis, de onbekrompen wijze, waarop
hij uit de voorraadschuren van zijn wel vooizien geheugen telkens nieuwe beelden te
voorschijn bracht, zou hem wellicht, zoo hij den voet op eenig ander gebied der poëzie
had gezet, van den rechten weg hebben doen afdwalen. Maar het ware karakter der
ballade, van volkspoëzie, waarvoor hij een hartstochtelijke liefde koesterde, is een-
voud — eenvoud evenwel, zeer goed bestaanbaar met levendige schilderingen, met
de schitterendste kleurenpracht. Haar voortreffelijkheid bestaat vooral in gedurige be-
weging, in korte, snelle overgangen, in treffende toestanden, bovenal in leven, een
rusteloos, krachtig leven; de dichter behoort zijn onderwerp en zijn taal geheel en al
meester te zijn; geen woord te veel mag hij gebruiken en steeds moet hij woorden
kiezen die tot in het hart doordringen en zich voor altijd in het geheugen vastprenten;
hij moet het oor boeien en een niet uitstervende trilling nalaten. De populariteit van
Macaulay\'s ballades is het beste bewijs voor haar uitnemendheid, hoezeer diezelfde
populariteit niet met hetzelfde recht als maatstaf van voortteftelijkheid aan dichtvoort-
-ocr page 21-
brengselen van een hooger soort mag worden aangelegd. Dante, William Shakespeare
vorderen, zullen zij naar waarde worden geschat, een ontwikkeld, nadenkend, verlicht
lezer; de ballades kunnen gerust aan het algemeen stemrecht worden overgelaten.
Zelfs in zijn vermaarde «Essays" had Macaulay aan de door hem gestelde eischen
volgens zijn reening niet behoorlijk beantwoord, en hij scheen geneigd ze in het lijvig
tijdschrift begraven te laten, waarin hij ze eerst had geplaatst. In dit geval was het de
vereerende bewondering van het publiek, niet het lage winstbejag van een boekver-
kooper, die tot hun afzonderlijke uitgave deed besluiten. Amerika gaf het voorbeeld,
de eerste verzameling werd bijeengebracht om de loffelijke belangstelling te bevredi-
gen van hen, die onze taal en onze letterkunde over een vastlaud zoeken te verbreiden,
in vergelijking waarmede ons eiland maar een stip in den oceaan is. Hoe vleiend deze
hulde ook was, amerikaansche uitgaven zijn niet blindelings te vertrouwen, en boven-
dien beperkt tot haar eigen land. De behoefte deed zich ook in Engeland gevoelen,
en weldra volgde in korte tusschenruimten de eene uitgave op de andere. Over die
»Essays", welke, hun grondigheid en omvang in aanmerking genomen, eigenlijk ten
onrechte zoo genoemd worden, kunnen wij hier natuurlijk niet in \'t breede uitweiden.
Het zijn eerder wijsgeerige of historische onderzoekingen en zij wekken onze bewon-
dering in de eerste plaats .door hun groote verscheidenheid en door het ruime veld,
dat zij bestrijken. In sommige worden de diepzinnigste vraagstukken behandeld — de
wijsbegeerte van Baco. de wet der bevolking tegen den heer Sadler en wat de utilila-
riaansche filosofie wordt genaamd. Dit Essay heeft Macaulay met zijn edele bezadigd-
heid en zelfbeheersching in zijn eigen verzameling niet willen opnemen, niet omdat
hij meende een enkel woord of een enkele redeneering te moeten intrekken, of de
gestrengheid van zijn oordeel over de meeningen, welke hij had bestreden, billijker
wijze zou behooren te verzachten, maar omdat hij zijns inziens niet voldoend recht
had laten weervaren aan de goede bedoelingen en het edel karakter van zijn tegenstan-
der, wijlen den heer MUI. Sommige zijner Essays behooren tot het gebied der letter-
kundige kritiek; in deze zocht hij treffende en scherpe opmerkingen te ontwikkelen
over de levensbeschrijvingen van vermaarde schrijvers, hun omstandigheden en plaats
in de maatschappij; en de artikels over Dryden, de komediedirhters onder Karel II,
Temple, Addison, Johnson en Byron zijn juweeltjes, waarin de leerrijkste en onder-
houdendste beschouwingen worden aangetroffen omtrent de tijden waarin zij leefden,
zoowel als over de innerlijke waarde hunner geschriften. De meerderheid evenwel,
en naar onze bescheiden meening, de beste van de Essays zijn die, welke tot de ge-
schiedenis behooren, enkele tot de geschiedenis van Europa: Macchiavelli, Ranke\'s
Leven der Pausen, Frederik de Groote, Mirabeau, liarrère. In deze laatste twee zijn
vooral zijn oordeelvellingen over de daden en de mannen der fransche omwenteling
hoogst merkwaardig. Maar de belangrijkste en grondigste blijven altijd die over de
engelsche geschiedenis. Onmiskenbaar was dit het onderwerp, waarover hij het langst
nagedacht en dat hij met de grootste nauwgezetheid onderzocht had. Er kan nauwelijks
eenig gewichtig tijdperk, althans in onze la\'ere geschiedenis bedacht worden, dat hij
niet tot in kleinigheden met een zeldzame zorg had bestudeerd. Met uitzondering van
Hallams vermaarde »Constitutional History" houdt Macaulay zich slechts ter loops
met den schrijver bezig; in een paarwoorden van goed- of afkeuring is het vonnis
opgemaakt, en terstond daarop volgt hij zijn eigen weg. De verscheidenheid van onder-
werpen, welke hij alzoo behandeld heeft, is om zoo te zeggen niets, vergeleken bij de
ontzettende belezenheid en kennis, welke hij bij elk dier onderwerpen aan den dag
legt; het was, alsof hij alles gelezen en niets vergeten had.
Wat den stijl van Macaulay in deze Essays over het algemeen betreft, kunnen wij
kort zijn. Het was bij uitnemendheid zijn stijl, eigenaardig, niet door vreemde woor-
den, of een afwijkende woordschikking, door het jachtmaken op effect of het gebruik
van gezochte beelden. Zijn deugden zijn kracht, leven, rijkdom, helderheid en bovenal
gezond echt Engelsch, iets wat heden ten dage een zeldzaamheid is geworden. De
kracht en gloed verflauwen nergens: misschien, dat hij, meegesleept dourzijn onweer-
staanbare drift, niet altijd de juiste kracht zijner woorden schroomvallig afwoog, en
hierdoor gaf hij wel eens aanstoot. Zij, die met belangstelling den voortgang en de
ontwikkeling van zijn stijl hebben gevolgd, hebben wellicht opgemerkt, dat de breede
stroom in \'t begin dreigt buiten de oevers te treden, maar in later dagen in krachtige,
-ocr page 22-
schoon nu beteugelde en geregelde vaart voortloopt. Zijn rijkdom van woorden ver-
leidde hem nooit tot gezwollenheid of aziatische bombast, nooit zocht hij een sieraad,
alleen ter wille van het sieraad; en, wat zijn helderheid aangaat, men mag misschien
een zin van Macaulay tweemaal willen overlezen om de volle kracht te genieten, om
hem te hegrijpen is het nooit noodig. Zijn Engelsch is zuiver, beiden in zinbouw en
woordenkeus, zuiver tot op kieskeurigheid af: niet dat hij eenvoudige dagelijksche
woorden versmaadde of niet zou willen gebruiken, integendeel hij had diepe minach-
ting voor wat de achtbaarheid der geschiedenis wordt genaamd, die zich schamen zou
zich van de gewone menschentaal te bedienen, maar elk woord dat hij nam moest
echt engelsch zijn; geen uitdrukking zou hij hebben willen neerschrijven, die niet
gewaarmerkt was door het volksgebruik, of door het gezag van erkende engelsche
scli rij vers.
Deze Essays intusschen waren slechts een voorbereiding voor de eerekroon, waar-
naar hij dong. Over de plichten, de waarde, de werkelijke taak en het nut der geschie-
denis had hij lang en rijpelijk nagedacht. Zijn ideaal was een volmaakt geschiedschrijver,
een ideaal, dat hij voor zich zelf nastreefde, kan men terugvinden in een ietwat breed-
voerig Essay in de»Edinburgh Review". Een volmaakte geschiedenis volgens Macaulay
moet de eenheid en de harmonie van de klassieke historie in overeenstemming brengen
met de verscheidenheid en de onmetelijke uitgebreidheid van de hedendaagsche toe-
standen. Dat was nog maar één voorwaarde: de geschiedenis mag zich niet tevreden
stellen met het verhalen van oorlogen en verdragen, de omwentelingen en groote ver-
anderingen op staatkundig gebied, de levens van koningen, staatslieden en veldheeren;
zij behoort ook de zeden en gewoonten op te nemen, den maatschappelijken toestand,
den staat der beschaving, de kunsten en wetenschappen, in één woord, het gansche
leven van een volk. Zij mag niet langer de hooghartige, aristokratische muze zijn; zij
behoort de ontwikkeling van geheel \'t volk in al zijn rangen en vertakkingen te schil-
deren, liet is builen kijf, dat voor het werkelijk leven in verschillende tijdperken,
Shakespeare en Scott veel geloofwaardiger en trouwer geschiedschrijvers zijn dan
Hume of zelfs Clarendon, en waarom zou dan de roman het werk niet teruggeven, dat
hij zich heeft toegeëigend? Indien wij verlangen onze voorouders en de geheele
menschheid werkelijk te leereu kennen en de geschiedenis raadplegen om die kennis
te verkrijgen, hoe kan dan de geschiedenis zich in een soort van statige de.ftigheid
afzonderen en den schijn aannemen, alsof zij dit hoogst belangijke deel van haar taak
beneden zich achtte? Niets kan behendiger zijn dan de kunstgreep, waartoe de ge-
schiedschrijver soms zijn toevlucht neemt om zich in een waas van geleerdheid te
hullen.
Wellicht is er nog voor strenge historische onderzoekingen een verontschuldiging
aan te voeren, indien, gelijk Hallam gedaan heeft, de schrijver zijn boek half met den
tekst, half niet noten vult, — afgebroken, hier en daar verspreide noten, zonder onder-
ling verband; Hume en Robertson zochten een uitweg in aanhangsels, waarin zij met
onvoldoende kortheid aanstipten, wat zij, zoo ze meesters in de kunst waren geweest,
in hun verhaal hadden kunnen inweven. Zoodra er in noten veel meer dan het aan-
halen van bronnen, wellicht ook een schatting van tegenstrijdige berichten te vinden
is, levert dit eenvoudig het bewijs, dat de geschiedschrijver slechts een onwaardige
opvatting heeft van zijn hooge taak, of de ware kracht en roeping van den geschied-
schrijver mist. Maar wie zal volgens dien hoogen standaard aan het ideaal beantwoor-
den? Macaulay van zijn kant heeft gedaan wat in zijn vermogen was om er zoo dicht
mogelijk bij te komen. De ware geschiedschrijver immers moet zich niet bepalen bij
de chronieken en jaarboeken, de archieven en staatspapieren, de politieke briefwisse-
ling van staatsmannen en grooten; hij moet de onbeduidendste, de meest voorbijgaande,
ja de verachtelijkste schotschriften van den dag opzoeken en zich er heel inwerken;
geen onzin, hoe vervelend ook, mag hij over het hoofd zien; maar boeken geven nog
niet alles. Veel valt er te leeren door nauwlettende opmerking, en Macaulay zwierf
gaarne door Engeland om de tooneelen van historische gebeurtenissen, de woonplaat-
sen van merkwaardige mannen te bezoeken. Het beleg van Derry werd te Derry en
in de omstreken geschreven: de treffende woorden en levendige kleuren, waarmede
hij de oude italiaansche steden in zijn romeinsche balladen schildert, hebben hun
juistheid te dankeu aan zijn tochten door Italië. Eindelijk om dien ganschen voorraad,
-ocr page 23-
die schier onoverzienbare schatten te ordenen, te regelen en tot een groot, samenhan-
gend en boeiend geheel te schikken wordt niets minder vereischt dan een geheugen
als het zijne, dat dadelijk op het eerste bevel de stof weet aan te voeren, die voor de
plaats geschikt is.
Helaas, dat die weergalooze kunst, die onovertroffen virtuositeit moest uitloopen op
een onvoltooid meesterstuk. Een meesterstuk ongetwijfeld mogen wij de omwenteling
noemen en de regeeriug van Willem en Maria als een geheel, bijna in alle deelen
afgewerkt. Het is diep te bejammeren, dat Macaulay zich door zijn wanne vriendschap
en erkentelijkheid heeft laten bewegen de Levens voor de «Encyclopedia" te schrijven.
Deze allen, zelfs die van Pitt, voor zoover het loopt, een model van biografie, zouden
wij volgaarne willen prijsgeven, zoo wij daardoor de kleine gapingen in zijn geschie-
denis konden aanvullen. En wat zouden wij niet willen geven voor zijn koningin
Anna? Willem 111, wien hij het eerst vol recht heeft doen wedervaren, maar toch niet
meer dan recht, zoodra men hem uit een europeesch, niet uit een bloot engclsch oog-
punt beschouwt, was het voorwerp zijner liefde, maar wat zou onder zijn behandeling
de zoo aantrekkelijke tijd van Anna\'s bestuur zijn geworden, waarin hij iedereen
kende, de koningin en haar hof, Harley, St. John, Swift, Pope, Arbuthnot. alsof hij
met hen op den meest vertrouwelijken voet had omgegaan. Wij voor ons aarzelen geen
oogenblik als onze persoonlijke nieening te verklaren, dat Macaulay bovendien de
nog hooger hoedanigheid van een geschiedschrijver bezat, waarheidsliefde en onpar-
tijdigheid, maar willen het oordeel daarover aan het nageslacht overlaten en schromen
zijn uitspraak niet. Hij zei te rond en te onbewimpeld zijn gevoelen om niet hier of
daar ergernis te geven en sommige zeer eerlijke en gemoedelijke menschen te kwet-
sen; hij heeft wellicht niet altijd de juiste waarde van zijn uitdrukkingen angstvallig
gewikt en gewogen, en had zoo\'n afschuw van al wat naar laagheid en oneerlijkheid
zweemde, dat deze ondeugden hem dubbel afzichtelijk voorkwamen, zoo dikwijls hij
ze aantrof bij mannen van naam en aanzien. Wat Marlborough betreft, wij meenen
niet beter te kunnen doen dan Hallams nog scherper veroordeelend vonnis naast dat
van Macaulay te leggen, en dan, Macaulay was nog niet gevorderd tot het beter tijd-
perk van Marlboroughs loopbaan; in het laatste deel begint die groote man zich los te
maken uit de mazen, waarin zijn booze driften hem hadden verstrikt. Penns dubbel-
hartig karakter, een verschijnsel, helaas, maar te gewoon in de geschiedenis der men-
schen, moet van alle kanten worden beschouwd. In Pensylvanië een wijs, godvruchtig,
christelijk wetgever, die aller lof ten volle verdiende, was hij in Engeland een ijdel,
woelziek man, trotsch op zijn invloed bij den koning, die het in zijn belang achtte
hem te vleien, en niet krachtig en zelfstandig genoeg om zich geheei buiten de arm-
zalige knoeierijen van dat bedorven hof te houden.
Wij wenschen te besluiten met enkele woorden over Macaulays gaven als man van
de wereld en over zijn privaat leven. De meening bestaat, dat hij in gezelschap gaarne
zocht het hoogste woord te voeren, althans gaarne het woord alleen had. Een ieder
kent het geestig gezegde van zijn ouden vriend omtrent «zekere schitterende oogen-
blikken van stilzwijgen"; maar in den stillen omgang met een enkelen vriend kon
men geen prettiger, gemakkelijker en gezelliger man ontmoeten dan Macaulay was.
Van zijn kant althans zocht hij steeds een rustige gedachtenwisseling uit te lokken;
hij luisterde met even groote beleefdheid en geduld, als hij zelf met kalme aangename
overredingskracht sprak. In grooter gezelschappen, zooals hij er gaarne rondom zich
verzamelde, te midden van enkele uitgekozen vrienden, sommige hoogst beschaafde
vrouwen, vreemdelingen van naam, die verlangend waren zijn kennis te maken, waren
zijn manieren eenvoudig en gul. Bij gesprekken in zulk een kring verzekerden een
luide krachtige stem, zeldzame levenslust, ongeëvenaarde vlugheid van begrip, een
woordenstroom even snel als onuitputtelijk, hem wellicht het leeuwendeel, maar zeker
zullen weinigen ooit gedacht hebben zich daarover te beklagen. Zijn gedachten waren
als bliksemstralen, zij schoten hem uit de oogen, en de woorden volgden even snel
als een donderslag op het licht. Terwijl anderen nog zaten te denken wat zij zeggen
zouden en hoe zij hem moesten overtuigen, had Macaulay alles reeds uitgesproken.
Geen wonder, wanneer we ons nog eens herinneren over welke schatten hij te be-
schikken had.
Een groote belezenheid bezat hij in grieksche en romeinsche geschiedenis en letter-
-ocr page 24-
kunde, in Engelsen, Fransch, ïtaliaansch en Spaansch; minder thuis gevoelde hij zich
op het veld der duitsche letterkunde, maar hij had toch de heste werken van de beste
schrijvers gelezen; het Nederlandsch leerde hij ten behoeve van zijn geschiedenis.
Niet zelden gebeurde het, dat de toehoorders zich Macaulays geheugen toewenschten
om mee te kunnen dragen wat zij op een enkelen morgen, in een gesprek na tafel, of
gedurende een paar uren aan den gezelligen disch hadden gehoord.
Lord Macaulay is nooit getrouwd geweest: zijn zuster, de gelukkige gade van sir
Charles Trevelyan, en haar familie waren de voorweipen zijner teederste genegenheid.
Haar kinderen beschouwde hij als de zijnen en beminde ze met een bijna vaderlijke
liefde; als vriend was hij buitengewoon trouw en standvastig; hij kon nooit stilzwij-
gend een woord hooien ten nadeele van iemand, dien hij werkelijk hoogachtte. Ge-
durende geheel zijn staatkundige loopbaan heeft hij, gelooven wij, nooit één vijand
gemaakt en zich daarentegen de onwrikbare genegenheid verworven van zijn politieke
geloofsverwanten, omdat hij hun even onkreukbaar trouw was geweest. Geen daad,
onbestaanbaar met de strengste eerlijkheid en goede trouw, is hem ooit te laste gelegd.
Uit al zijn geschriften is, hoezeer zijn scherp uitgedrukte meeningen ongetwijfeld men-
schen van een ander gevoelen hebben gekwetst, nooit een enkele zinsnede aangehaald,
waarvan met grond kan worden beweerd, dat zij in strijd was met de ware beginselen
van eer. rechtvaardigheid en zuivere zedelijkheid. Als jongeling en als man was hij
gezond en sterk, en schoon zijn vrienden, toen hij op meer gevorderden leeftijd was
gekomen, tot hun leedwezen de vorderingen van een geheimzinnige kwaal moesten
waarnemen, (hij is jaren lang door een afmattenden hoest gekweld geweest,) kwam hij
zoo dikwijls weer bij en scheen zoo groote levenskracht te hebben, dat zij zich steeds
vleiden hem lang genoeg te mogen behouden om hem zijn groot werk te zien vol-
tooien. Hij zelf voelde de waarschuwingen van binnen: hij verbloemde zich niet, dat
het hem niet gegeven zou zijn het einde van de regeering van den eersten George te
bereiken; voor zijn laatste ziekte had hij zijn plan tot de regeering van koningin Anna
ingekrompen.
Zijn uiteinde, hoewel niet geheel onverwacht voor hen, die hem met de oogen van
liefde en vriendschap volgden, was plotseling en buitengemeen kalm: den 28 Decem-
ber 1859 sliep hij in en ontwaakte niet meer.
Hij werd den 9 Januari 1860 in Wcstminster-Abbey begraven ; het was van alge-
meene bekendheid, dat hij meer dan eens den wensch had geuit, dat hij waardig ge-
acht mocht worden daar met de beroemde dooden te rusten. Hij ligt aan den voet van
Addisons standbeeld, dicht bij Johnson, te midden van een tal vermaarde staatslieden
eD geletterde mannen.
II. II. iMii.man\'.
•
-ocr page 25-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
EERSTE HOOFDSTUK.
inleiding Ik ben voornemens de geschiedenis van Engeland te schrijven,
sints de troonsbestijging van koning Jakobus II tot op een tijd, die nog
leeft in de herinnering van het tegenwoordig geslacht. Ik zal de dwalingen
aanwijzen, die in weinige maanden een trouwen adel en een welgezinde
geestelijkheid van het huis Stuart vervreemdden. Ik zal den loop dier
omwenteling nagaan, waardoor de langdurige strijd tusschen onze vorsten
en hun parlementen geëindigd en de rechten des volks met de wettige
aanspraken der regeerende dynastie saamgesmolten werden. Ik zal ver-
halen, hoe voorspoedig die nieuwe staatsregeling gedurende vele onrustige
jaren tegen uitwendige en inwendige vijanden verdedigd werd; hoe het
gezag der wet ^n de zekerheid van den eigendom onder die staatsregeling
bestaanbaar werden bevonden met een te voren in die mate nooit ge-
kende vrijheid van spreken en van handelen; hoe dit heilrijk verbond
tusschen orde en vrijheid een voorspoed deed ontstaan, waarvan de jaar-
boeken van het menschelijk geslacht geen voorbeeld opleveren; hoe ons
land zich uit een toestand van smadelijke dienstbaarheid al spoedig tot
den rang van toongever onder de europeesche mogendheden verhief;
hoe zijn rijkdom en krijgsroem te zamen vermeerderden; hoe door wijze en
standvastige goede trouw van lieverlede een openbaar crediet gevestigd
werd, wondervol van uitwerking, een crediet, zooals de staatslieden van alle
vroegere eeuwen ongeloofelijk zouden hebben geacht; hoe een kolossale
handel een zeemacht in het leven riep, waarbij elke andere zeemacht,
hetzij van vroeger of later tijden, onbeduidend moet schijnen; hoe Schot-
land na eeuwen van vijandschap ten laatste met Engeland vereenigd
werd, niet slechts door wettelijke verbintenissen, maar ook door onver-
MACAl\'LAY I.                                                                                                                                  1
-ocr page 26-
GESCHIEDENIS VAN
ENGELAND
2
breekbare banden van belang en toegenegenheid; hoe in Amerika de
britsche volkplantingen al ras oneindig machtiger en rijker werden, dan
de landen, die Cortez en Pizarro aan de bezittingen van Karel V hadden
toegevoegd; hoe in Azië britsche gelukzoekers een rijk grondden, niet
minder glansrijk en van grooter duurzaamheid dan dat van Alexander.
Evenzeer zal ik het mij ten plicht stellen rampen en zegepralen, groote
staatsmisdaden en nationale dwaasheden, die meer vernederend zijn dan
de grootste ramp, met gelijke nauwkeurigheid op te teekenen. Het zal
blijken, dat ook hetgene wij met grond als onze voornaamste voorrechten
aanmerken, niet vrij is van groote bezwaren. Men zal zien, dat het stelsel,
hetwelk onze vrijheden volkomen beveiligde voor de aanmatigingen der
koninklijke macht, een reeks van nieuwe misbruiken met zich voerde,
waarvan onbeperkte monarchieën vrij zijn. Men zal zien, dat deels door
onberaden tusschenkomst en deels door onberaden verzuim de vermeer-
dering des rijkdoms en de uitbreiding des handels, te gelijk met on-
eindig veel goeds, sommige euvelen deden ontstaan, die bij arme en
onbeschaafde volken ongekend zijn. Men zal zien, hoe in twee belangrijke
bezittingen der kroon rechtvaardige vergelding op onrecht volgde; hoe
onvoorzichtigheid en hardnekkigheid de bestaande banden tusschen de
Noord-Amerikaansche koloniën en het moederland scheurden; hoe Ierland,
diep gebukt onder den vloek der oppermacht van een vreemden volksaard
en een vreemde godsdienst, wel is waar een deel van ons gebied bleef
uitmaken, maar een uitgeteerd en onderdrukt deel, dat geen kracht aan
ons staatsbestaan bijzet en waarop door allen, die Engelands grootheid
vreezen of benijden, met bittere verwijten wordt gewezen.
Doch, ten ware ik mij grootelijks vergis, zal de algemeene uitwerking
van dit bontkleurig geschiedverhaal strekken om dankbaarheid in elk gods-
dienstig gemoed en hoop in den boezem van alle vaderlandsvrienden
levend te houden. Want met uitnemende duidelijkheid is, in de geschie-
denis van ons land. over de laatste honderd zestig jaren, die van den stof-
felijken, zedelijken en intellectueelen vooruitgang te erkennen. Mogen zij,
die de eeuw hunner geboorte steeds vergelijken met een gulden eeuw,
alleen in hun verbeelding bestaande, al van ontaarding en van verval
spreken; van hen, die omtrent het verleden goed onderricht zijn, zal
niemand over den tegenwoordigen tijd kunnen treuren of er neerslachtig
onder worden.
Zeer onvolmaakt zoude ik de door mij ondernomen taak volbrengen,
wilde ik alleen spreken van veldslagen en belegeringen, van het ontstaan
en den val van besturen, van kuiperijen aan het hof en van discussiën
in het parlement. Ik zal trachten zoowel de geschiedenis des volks te
verhalen als die der regeering, de ontwikkeling van nuttige en schoone
kunsten na te gaan, het ontstaan van godsdienst-secten en de wisselingen
in den letterkundigen smaak te schetsen, en zelfs die omwentelingen niet
achteloos voorbij te gaan, die in kleeding, in meubelen, maaltijden en
openbare vermaken hebben plaats gevonden. Gaarne zal ik mij aan het
verwijt blootstellen, dat ik de waardigheid der geschiedenis niet ont-
zien heb, bijaldien het mij slechts gelukken moge aan de Engelschen
-ocr page 27-
3
VOOR DE RESTAURATIE.
der negentiende eeuw een trouw beeld te geven van het leven hunner
voorvaderen
De gebeurtenissen, die ik zal verhalen, vormen slechts een enkel be-
drijf van een groot drama, vele eeuwen omvattende, aan gebeurtenissen
rijk, en zouden niet goed begrepen worden, zoo men den loop der vooraf-
gaande bedrijven niet kende. Ik zal derhalve mijn verhaal aanvangen met
een korte schets der geschiedenis van ons land, van de vroegste tijden af;
ik zal veel eeuwen met spoed doorloopen, doch de wisselvalligheden van den
strijd, die het bestuur van koning Jakobus II tot een eindkrisis bracht,
met eenige uitvoerigheid behandelen. \')
Bdi1S>mïiMn.*r 1° de oude geschiedenis van Britannië duidde niets de groot-
heid aan, waartoe dit land zich eenmaal zou verheffen. Toen tyrische
zeevaarders voor het eerst met de inboorlingen bekend werden, waren deze
slechts weinig beter dan de hedendaagsche Sandwicheilanders. Het land
werd door de romeinsche wapenen bedwongen, doch de letteren en schoone
kunsten der Romeinen vonden er weinig ingang. Van de westelijke pro-
vinciën, die den Caesars gehoorzaamden, werd deze het laatst veroverd
en het eerst weder prijs gegeven. Prachtige overblijfselen van romeinsche
amphitheaters of waterleidingen zijn er niet te vinden. Geen britsch schrijver
wordt onder de meesters van latijnsche poëzie en welsprekendheid geteld.
Het is niet waarschijnlijk, dat de eilanders ooit met de taal hunner italiaan-
sche beheerschers gemeenzaam zijn geworden. Van de Atlantische zee tot
aan de omstreken van den Rijn was de latijnsche taal veel eeuwen lang
de heerschende. Zij trad in de plaats der celtische, werd door de duitsche
niet verdrongen en maakt nu nog den grondslag der fransche, spaansche
en portugeesche uit. Doch in ons eiland schijnt de latijnsche taal de oude
gaëlsche nooit vervangen te hebben en kon zij op de angelsaksische geen
veld winnen.
De sporen der gebrekkige en oppervlakkige beschaving, die de Brit-
ten aan hun overwinnaars uit het Zuiden te danken hadden, werden door
de rampen der vijfde eeuw weder uitgewischt. De overwinnaars der ko-
ninkrijken, waarin het romeinsche rijk zich toen verdeelde, leerden veel
van de volken, die zij vermeesterd hadden. In Britannië werd het over-
wonnen volk even barbaarsch als zijn overweldigers.
Brj,°sïk»a°r"\'!er Al de vorsten, die in de romeinsche provinciën van het vaste
land teutoonsche dynastieën grondden, Alarik, Theodorik, Klovis en Albinus,
waren ijverige Christenen. De volgelingen van Ida en Cerdie daarentegen
brachten de afgodendienst en het bijgeloof, die aan de oevers der Elbe
heerschten, naar hun wingewesten in Britannië over. Terwijl de duitsche
vorsten, die te Parijs, te Toledo, te Arles en te Ravenna den schepter
\') Zoowel in dit, als in het volgende hoofdstuk heb ik zelden noodig geacht
bronnen aan te halen; want in deze hoofdstukken heb ik de gebeurtenissen niet uit-
voerig beschreven en geen onbekende bouwstoffen gebezigd; de feiten, waarvan
ik gewaag, zijn van dien aard, dat een ieder, die slechts eenigszins in de engelsche
geschiedenis belezen is. al waren ze hem niet reeds bekend, toch wel weten zal. waar
hij ze bevestigd kan vinden. In de latere hoofdstukken zal ik de bronDen van mijn ver-
haal nauwkeurig aanwijzen.
-ocr page 28-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
4
voerden, met eerbied naar de onderwijzingen der bisschoppen luisterden,
de reliquiën van martelaren aanbaden en een ijverig deel aan de niceesche
godsdienstwisten namen, bleven nog steeds de beheerschers van Wessex
en Merciè barbaarsche ceremoniën vieren in de tempels van Thor en van
Wodan.
De rijken, die op het vaste land uit de ruïnen van het groote westersche
rijk verrezen waren, onderhielden eenige gemeenschap met de oostersche
provinciën, waar de aloude beschaving, ofschoon allengs wegkwijnend onder
den invloed van een slecht staatsbestuur, barbaren nog tot bewondering en
navolging kon opwekken; waar het hof nog steeds de prachtliefde van een
Diocletianus en een Constantijn ten toon spreidde; waar de openbare gebou-
wen nog met de beeldhouwwerken van Polycletus. met de schilderijen van
Apelles versierd waren, en waar zwoegende schoolgeleerden, die zelve geest,
smaak noch gevoel bezaten, evenwel de meesterlijke voortbrengselen van
Sophocles, Demosthenes en Plato konden voordragen en verklaren. Van
deze gemeenschap was Britannië verstoken. Het verfijnde geslacht der be-
woners van den Bosporus was door een duistere vrees voor de oevers van
dat eiland bevangen, niet ongelijk aan den afkeer, waarmede de Joniërs uit
den tijd van Homerus aan de zeeëngte van Scylla en de stad der laestrygoon-
sche kannibalen plachten te denken. Aan Procopius had men verhaald, dat
in zeker gedeelte van ons land de aarde met slangen bedekt was en de lucht
daar door geen menschelijk wezen kon ingeademd worden. Naar deze woeste
streek werden te middernacht de geesten der afgestorvenen uit het land der
Franken heengevoerd. Een vreemd ras van visschers verrichtte die vrcese-
lijke dienst. De spraak der dooden was voor het scheepsvolk hoorbaar, de
diepgang der schepen getuigde van hun zwaarte, doch voor het menschelijk
oog waren zij onzichtbaar. Deze en soortgelijke vertelsels werden door een
bekwaam geschiedschrijver, een tijdgenoot van Belisarius, van Simplicius
en van Tribonianus, in het rijke en beschaafde Constantinopel met den
meesten ernst opgedischt ten aanzien van het land, waar de stichter dier
hoofdstad het keizerlijk purper had aangenomen. Over al de andere pro-
vinciën van het westersch rijk bezitten wij doorloopende geschiedkundige
aanteekeningen In Britannië alleen vindt men, dat een fabelachtig tijdvak
twee tijdvakken van waarheid van één scheidt. Odoacer en Totila, Euric
en Thrasimund, Klovis, Fredegonda en Brunehilde behooren tot de ge-
schiedenis. Hengist en Horsa, Vortigern en Rowena, Arthur en Mordred
daarentegen, zijn mythische personen, wier bestaan zeer betwijfeld en wier
avonturen op ééne lijn met die van Hercules en Romulus gesteld moeten
worden.
Bekeerinn iit-r Eindelijk begint het duister te verdwijnen en wij zien het
Sakiurs t.it het ...                                             .                       .                    ,
christendom, land, dat als Britannië uit ons gezicht verdwenen was, onder
den naam van Engeland weder. De bekeering der Angelsaksers tot het
christendom was de eerste van een lange reeks heilzame veranderingen.
Ongetwijfeld was de kerk diep bedorven door dat bijgeloof en door die
stelsels van wijsbegeerte, welk zij sints lang bestreden en waarover zij
ten laatste gezegevierd had. Zij had al te veel voet gegeven aan de
leerstellingen van de scholen der oudheid en aan ceremoniën, uit de
-ocr page 29-
s
VOOR DE RESTAURATIE.
heidensche tempels ontleend. Romeinsche staatkunde, gothische onwetend-
heid, grieksche redeneerkunst en Syrische ascetiek, dit alles had tot haar
ontaarding bijgedragen. Doch zij had genoeg van de verheven en wel-
dadige godsdienst- en zedeleer harer vroegere dagen bewaard om veler
gemoederen te kunnen veredelen en veler harten te kunnen zuiveren.
Ook moeten sommige der zaken, die later onder haar hoofdgebreken ge-
rangschikt werden, in de zevende eeuw, en nog lang na dien tijd, onder
haar voornaamste verdiensten worden geteld. In onzen tijd zou het hoogst
nadeelig zijn, zoo de geestelijkheid inbreuk maakte op de ambtsverrich-
tingen der burgerlijke overheid; maar wat onder een goed staatsbestuur
een euvel zijn zou, kan onder een uitermate slecht bestuur een zegening
worden. Het is beter, dat de maatschappij door priesterlist, dan door ruw
geweld, beter dat zij door een kerkvoogd als Dunstan, dan door een krijgs-
man als Penda bestuurd wordt. Een volk, tot onwetendheid vervallen en
door ruwe kracht beheerscht, mag zich wel gelukkig achten, wanneer een
stand, die zijn invloed aan het vermogen der rede en der zedelijkheid
ontleent, de oppermacht verwerft. Zulk een stand zal ongetwijfeld zijn macht
misbruiken; maar zelfs bij het misbruik van zedelijke macht, blijft deze
altoos een edeler en beter macht dan die, welke slechts in lichamelijke
sterkte bestaat. Wij lezen in de angelsaksische kronieken van tyrannen,
die, ten toppunt van grootheid gestegen, door wroeging aangetast werden,
en de genietingen en waardigheden, welke zij door misdaden verworven
hadden, verfoeijende, afstand deden van de kroon, om hun schuld door
strenge kastijdingen en aanhoudende gebeden te boeten. Deze verhalen
hebben bijtende spotternijen uitgelokt van schrijvers, die zich op hun ver-
lichte denkwijze veel lieten voorstaan, doch in waarheid kleingeestiger
waren dan alle monniken uit den tijd der duistere eeuwen te zamen, daar
het hun gewoonte was elk voorval in de wereldgeschiedenis naar den maat-
staf te beoordeelen, die in de parijsche wereld van de achttiende eeuw
was aangenomen. Doch gewis, een leerstelsel, dat, hoezeer dan ook door
bijgeloof ontsierd, streng zedelijk bedwang deed kennen aan maatschap-
pijen, die vroeger slechts door ruw geweld en onverschrokken moed ge-
dreven werden, dat den vurigsten en machtigsten heerscher deed beseffen,
dat hij, even als de geringste zijner onderhoorigen, een verantwoordelijk
wezen was, had bij wijsgeeren en menschenvrienden een eerbiediger be-
oordeeling behooren te vinden.
Deze beschouwingen zijn evenzeer van toepassing op de minachtende
wijze, waarop het in de vorige eeuw gebruikelijk was van de pelgrims-
tochten, vrije schuilplaatsen, kruisvaarten en kloostergestichten der mid-
deleeuwen te spreken. In een tijd, toen een verlichte weetgierigheid of
winstbejag slechts uiterst zelden iemand tot het ondernemen van reizen
aanspoorde, was het beter, dat de ruwe bewoner van het .Noorden als
pelgrim naar Italië en naar het Oosten trok, dan dat hij nimmer iets
anders zien zou dan de armoedige hut en de ongebaande wouden, waarin
hij geboren was. In een tijd, toen het leven en de vrouwelijke eer eiken
dag door dwingelanden en roovers aan gevaar waren blootgesteld, was
het beter, dat de drempel van een kerkgebouw met bijgeloovige vrees
-ocr page 30-
6                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
ontzien werd, dan dat er geen veilige schuilplaats tegen wreedheid en
bandeloosheid bestaan zou hebben. In een tijd, toen de staatsmannen geen
uitgebreide staatkundige combinatiën konden vormen, was het beter, dat
de volken der christenheid opgeroepen en vereenigd werden om het heilige
graf te veroveren, dan dat zij later een voor een onder het juk der onge-
loovigen hadden moeten bukken. Hoe gegrond de blaam zij, waaraan de
vadsigheid en weelderigheid der geestelijke orden deze later hebben bloot-
gesteld, was het voorzeker toch nuttig, dat er in een tijdvak van onwetend-
heid en geweld stille kloosters en waranden bestonden, waar de kunsten
des vredes ongestoord konden beoefend worden, waar vreedzame en den-
kende geesten een schuilplaats vonden, in welke de eene broeder zich met
het overschrijven der Eneïs van Virgilius, de ander met het onderzoeken
der redekunst van Aristoteles bezig kon houden; waar hij, die aanleg voor
de kunst bezat, de levensbeschrijving der martelaren met teekeningen ver-
sieren of een crucifix beeldhouwen kon, en waar de beminnaar der natuur-
kunde de eigenschappen van planten en delfstoffen kon onderzoeken. Had
men zulke wijkplaatsen niet hier en daar naast de hutten van een ramp-
zaligen boerenstand en de kasteelen van een woesten adel aangetroffen,
dan zou de maatschappij in Europa slechts uit last- en roofdieren bestaan
hebben. Menigmaal hebben godgeleerden de kerk vergeleken bij de ark,
waarvan Genesis gewaagt, maar nimmer was die gelijkenis zoo treffend
als in dien zwarten tijd, toen zij in duisternis en storm over dien zondvloed
henen dreef, in welken al de groote werken van aloude macht en wijsheid
begraven waren, de zwakke kiem met zich voerende, waaruit een tweede
en glansrijker beschaving zou ontluiken.
Zelfs de geestelijke oppermacht, welke de paus zich aanmatigde, bracht
in die duistere eeuwen veel meer goeds dan kwaads te weeg. De volken
van het westelijk Europa werden daardoor tot e\'én groot gemeenebest ver-
eenigd. Wat de olympische spelen en het pythische orakel voor de griek-
sche steden van Trebizonde tot Marseille waren, datzelfde was Rome en
haar bisschop voor alle christenen van het roomsche geloof, van Calabrië
tot Schotland. Zoo ontstonden gevoelens van algemeene en onderlinge toe-
genegenheid. Volksstammen, die door zeeën en gebergten van elkander
gescheiden waren, erkenden het bestaan van één band van broederschap
en van algemeene beginselen van volkenrecht. Ja, zelfs in den oorlog werd
de hardvochtigheid des overwinnaars niet zelden getemperd door de ge-
dachte, dat hij en zijn overwonnen vijanden allen leden waren van één
groot verbond.
In dit verbond werden nu de Angelsaksers opgenomen. Een regel-
matige gemeenschap kwam tot stand tusschen onze kusten en dat ge-
deelte van Europa, waar de sporen van vroegeren bloei en beschaving
nog zichtbaar waren. Veel grootsche bouwwerken, sedert vernield of ge-
schonden, bestonden destijds nog in hun oorspronkelijke pracht, en reizigers,
voor wie Livius en Sallustius onverstaanbaar waren, konden door het be-
schouwen der romeinsche waterleidingen en tempels een flauwe voorstelling
van de romeinsche beschaving verkrijgen. De dom van Agrippa nog
bedekt met glinsterend brons, het praalgraf van Adrianus, dat van zijn
-ocr page 31-
VOOR DE RESTAURATIE.
7
zuilen en standbeelden nog niet beroofd was, het Flavische amphitheater,
nog niet tot een steengroeve vernederd, deden den pelgrim uit Mercië
of uit Northumberlar.d eenige trekken der geschiedenis van die glansrijke
en beschaafde wereld kennen, die reeds voorbij was. De eilanders keerden
terug, den half beschaafden geest vervuld met bewonderenden eerbied,
en verhaalden aan de verbaasde hutbewoners van Londen en York, dat
een machtig, nu van de aarde verdwenen geslacht, nabij de grafstede
van St. Petrus bouwwerken opgericht had, die tot het einde der wereld
in wezen zouden blijven. De beoefening der wetenschappen was het onmid-
dellijk gevolg der invoering van de leer des christendoms. De dicht-
en redekunst, zoo bloeijend onder keizer Augustus, werden in de angel-
saksische kloosters met ijver bestudeerd. De namen van Beda en Alcuin
waren met recht geheel Europa door vermaard. Aldus was het in de
negende eeuw in ons land gesteld, toen de laatste groote inval van
noordsche barbaren een aanvang nam.
\'"\'iwii.\'1\'\' Gedurende verscheiden opvolgende geslachten zonden Dene-
marken en Scandinavië\' ontelbare zeeroovers uit, die zich door lichaamskracht,
dapperheid, meedoogenloozen bloeddorst en brandenden haat tegen den
christelijken naam deden kennen. Geen land had zoo veel van deze horden te
lijden als Engeland. Onze kust lag in de nabijheid der havens, vanwaar zij
uitzeilden, en ons eiland bezat geen enkele plek gronds, ver genoeg van de
zee verwijderd om voor aanvallen beveiligd te zijn. Gelijke wreedheden als
de Saksers, tijdens hun overwinning op de Celten behaald, gepleegd hadden,
moesten zij nu van de Denen verduren. De beschaving, die op nieuw in bloei
scheen te zullen ontluiken, zeeg, door dezen slag getroffen, andermaal ter
neder. Talrijke zwermen van avonturiers kwamen van de oevers der Oostzee
zich op onze kust nestelen, breidden zich van lieverlede naar het westen uit,
en door gestadige versterkingen uit het overzeesche ondersteund, streefden
zij weldra naar de oppermacht over het geheele eiland. Zes geslachten duurde
die worsteling tusschen de twee onverschrokken teutoonsche stammen.
Beurtelings verkreeg elk dier stammen de overhand. Bloedige slachtingen,
gevolgd door wreede wraakoefeningen, de verwoesting van geheele provin-
ciën, de plundering van kloosters, het slechten van steden, ziedaar den voor-
naamsten inhoud der geschiedenis var. die booze dagen. Ten laatste nam het
gedurig toestroomen der noordsche roovers een einde en sedert dien tijd
begon de wederzijdsche afkeer der stammen te verminderen. Weldra werden
huwelijken gesloten. De Denen namen het geloof der Saksers aan, waardoor
e\'e\'ne oorzaak tot doodelijke vijandschap opgeheven werd. De taal der Denen
en die der Saksers, eigenlijk beiden slechts tongvallen van een en dezelfde
verspreide taal, smolten inéén. Doch het onderscheid tusschen de beide
volksrassen was nog op verre na niet uitgewischt, toen een gebeurtenis plaats
greep, die beiden in gemeenschappelijke vernedering en slavernij aanhetjuk
van een derden volkstam onderwierp.
De Noormannen. De Noormannen waren toen het eerste volk der christenheid.
Onder de roovers, die het Noorden ter verwoesting van het westelijk Europa
uitzond, hadden zij zich door hun roekelooze dapperheid doen opmerken.
Hun zeilen waren sints lang de schrik der bewoners van beide stranden van het
-ocr page 32-
8
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
kanaal. Herhaaldelijk droegen zij hun wapenen tot in het hart van het Carlo-
vingisch rijk en behaalden overwinningen onder de muren van Maastricht en
van Parijs. Eindelijk stond een der flauwhartige erven van Karel den Groote
hun een vruchtbare provincie af, bespoeld door een schoone rivier, en ge-
legen aan het strand der zee, hun geliefd element. Daar grondden zij een
machtig rijk, dat van lieverlede zijn invloed over de aangrenzende vorsten-
dommen van Bretagne en van Maine uitstrekte. Zonder die onverschrokken
dapperheid af te leggen, die hen in elk land, van de Elbe tot aan de Pyreneeën,
gevreesd gemaakt had, wisten zij evenwel met verbazende vlugheid de ge-
heele mate en zelfs meer dan die mate van kennis en beschaving machtig te
worden, welke zij in de landen hunner nieuwe vestiging aantroffen. Hun moed
beveiligde hun gebied tegen eiken vijandigen inval. Zij brachten een orde in
het inwendig beheer van den staat, die in het frankische rijk sedert lang onbe-
kend geweest was. Zij omhelsden de christelijke godsdienst en leerden daarbij
een groot gedeelte van hetgeen de geestelijkheid vermocht te onderwijzen.
Zij gaven hun moedertaal op en namen de fransche aan, in welke de latijn-
sche het heerschende element is. Al spoedig brachten zij hun nieuwe taal tot
een trap van ontwikkeling, tot een belangrijkheid, die zij nimmer te voren be-
zeten had. Zij vonden haar in den toestand van een barbaarschen tongval; zij
stelden ze in geschrift, en bezigden haar in hun wetboeken en voor hun rid-
derdichten. Zij verachtten die ruwe onmatigheid, waaraan al de overige
takken van den grooten germaanschen stam zoo zeer verslaafd waren. De
verfijnde weelde van den Noorman vormde een treffend contrast met de
grove vraatzucht en dronkenschap hunner Saksische en deensche naburen.
Gaarne spreidde hij zijn rijkdom ten toon, niet in ontzaglijke schotels met
voedsel of in groote vaten vol sterken drank, maar in ruime en statige ge-
bouwen, in rijke wapenrustingen, fiere rossen, uitgelezen valken, goed ge-
regelde tournooijen, in gastmalen, die zich meer door keurigheid dan door
overdaad, en in wijnen, die zich door edelen geur meer dan door bedwel-
mende kracht, aanprezen. Die ridderlijke geest, die eeuwen achtereen een
zoo krachtigen invloed op de staatkunde, de zeden en de gebruiken van
alle europeesche natiën uitoefende, leefde in de hoogste volmaaktheid bij de
normandische edelen. Deze edellieden onderscheidden zich door hun bevallige
houding en hun innemend voorkomen. Evenzeer muntten zij uit door hun
bekwaamheid in het voeren van onderhandelingen en door een vloeijende
welsprekendheid, die zij vlijtig aankweekten. Een hunner geschiedschrijvers
roemt er op, dat de noordsche edelen geboren redenaars waren. Maar den
grootsten roem verwierven zij door hun oorlogsbedrijven. Alle landen, van
den Atlantischen oceaan tot aan de Doode zee, hadden de wonderen gezien,
die hun krijgstucht en dapperheid wrochten. Een noordsch ridder, gevolgd
door een handvol strijders, verslaat de Celten van Connaught. Een ander
grondt het rijk der beide Siciliën en drijft de keizers van het Oostersche en
het Westersche rijk op de vlucht. Een derde, de Ulysses van den eersten
kruistocht, wordt door zijn krijgsmakkers met het oppergezag over Antiochië
bekleed; een vierde eindelijk, de in Tasso\'s onsterfelijk dichtwerk verheer-
lijkte Tancred, werd in de geheele christenheid voor den dappersten en edel-
moedigsten der strijders bij het heilige graf gehouden.
-ocr page 33-
VOOR DE RESTAURATIE.
9
De nabuurschap van een zoo merkwaardig volk begon al spoedig van
invloed te zijn op den geest der engelsche natie. Reeds vóór de verove-
ring ontvingen engelsche prinsen hun opleiding in Normandije. Engelsche
bisschopszetels en engelsche leengoederen werden aan Noormannen verge-
ven. In het Paleis van Westminster was het noormansch-fransch een wel-
bekende taal. Het hof van Rouaan schijnt voor het hof van Eduard den Be-
lijder geweest te zijn, wat het fransche hof van Versailles in veel later
tijden voor dat van Karel II was.
De verovering De slag van Hastings en de gebeurtenissen, die daarop volgden,
Nooriaaninn.plaatsten niet alleen een hertog van Normandije op den britschen
troon, maar leverden tevens de geheele bevolking van Engeland aan de
dwingelandij der Noormannen over. De overweldiging van het eene volk
door het andere is zelfs in Azië zelden zoo volkomen geweest. Het land werd
onder de aanvoerders der veroveraars verdeeld. Een hechte militaire orga-
nisatie, die nauw verbonden was met de wijze van landtoeeigening, stelde
de vreemde indringers in staat de inboorlingen des lands te onderdrukken.
Wreedaardige strafwetten, die met strengheid gehandhaafd werden, verze-
kerden de voorrechten, en zelfs de uitspanningen der uitheemsche tyrannen.
Nochtans deed het vermeesterde volk, hoewel ter neder geworpen en vertre-
den, den angel zijner wraak gevoelen. Eenige onversaagde mannen, de lieve-
lingshelden onzer oudste volksliederen, namen de wijk naar de bosschen
en van daar voerden zij, de bestaande wetten ten trots, een verwoeden oorlog
tegen het leven en de bezittingen hunner onderdrukkers. Moord was een
dagelijksche gebeurtenis. Veel Noormannen verdwenen plotseling, zonder
eenig spoor achter te laten. Men vond een groot aantal lijken, die blijkbaar
op gewelddadige wijze waren omgebracht. De moordenaars werden met den
marteldood bedreigd en de ijverigste nasporingen tegen hen ingesteld, doch
doorgaans te vergeefs, want de geheele natie spande samen om hen te bevei-
ligen. Eindelijk vond men het noodig om elk Hundred \'), waareen vermoord
lijk van fransche afkomst gevonden werd, een zware boete op te leggen. En
deze bepaling werd gevolgd door een andere, deze namelijk, dat men allen,
die vermoord waren, voor Franschen zou houden, ten ware hun Saksische
afkomst bewezen werd.
Er bestaat, strikt genomen, over de eerste honderdvijftig jaren na de ver-
overing geen engelsche geschiedenis. Wel erlangden de fransche koningen
van Engeland een grootheid, die al de naburige volken met verbazing ver-
vulde. Zij veroverden Ierland. Zij ontvingen Schotslands hulde. Door hun dap-
perheid, hun staatkunde en hun welgekozen huwelijken, verwierven zij op
het vaste land een veel grooter macht dan die hunner leenvorsten, de konin-
gen van Frankrijk. Azië en Europa werden door die macht en grootheid ver-
blind. Met onwillige bewondering teekenden arabische geschiedschrijvers
den val van St. Jean d\'Acre, de verdediging van Joppe en den zegevierenden
\') Landstreek, die in oorlogstijden honderd strijders moest stellen, ofwel, die uit
honderd of meer grondbezittende families bestond; deze hundreds waren weder in
tythings verdeeld, bestaande uit tien families. Weinig engelsche geschiedschrijvers
echter zijn het geheel eens over de juiste beteekenis dier benamingen, of over de
gebiedsverdeeling, welke zij schijnen aan te duiden.
                                      V.
-ocr page 34-
IO                                       GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
marsch naar Ascalon in de geschiedenis op; nog lang na dien tijd bezigden
arabische moeders den naam des leeuwenmoedigen Plantagenets om haar
kinderen vrees in te boezemen. Op zekeren tijd scheen \'t, dat het geslacht
van Hugo Capet zoude eindigen, gelijk de Merovingische en Carlovingische
geslachten geëindigd waren, en dat van de Orkney-eilanden tot aan de
Pyreneeën slechts één groote monarchie zou bestaan. De grootheid van een
souverein en die van het door hem beheerschte volk zijn in de meeste ge-
moederen zoo nauw met elkander verbonden, dat bijna alle engelsche ge-
schiedschrijvers met trotsche vreugde op den glans en de macht dier vreemde
heerschers gewezen en het verval dier macht en grootheid als een ramp
voor ons land beschouwd hebben Dit is waarlijk even ongerijmd, als wan-
neer een neger van Hayti in onze dagen met nationalen trots op de groot-
heid van l.odewijk XIV roemen en met de droefheid en schaamte eens
echten vaderlanders van de nederlagen bij Blenheim en Ramillies spreken
wilde. De veroveraar en zijn nakomelingen tot in het vierde geslacht waren
geen Engelschen; de meeste hunner waren in Frankrijk geboren; zij brach-
ten het grootste gedeelte van hun leven in Frankrijk door; hun gewone
taal was het Fransch; bijna al de hooge betrekkingen, waarover zij konden
beschikken, vielen aan Franschen ten deel; elke aanwinst, die zij op het
vaste land maakten, vervreemdde hen meer en meer van de bevolking van
ons eiland. Een der schrandersten onder hen heeft inderdaad een poging aan-
gewend om door het sluiten van een huwelijksverbond met een engelsche
vorstin \') de liefde zijner engelsche onderdanen te winnen. Maar de meeste
zijner baronnen beschouwden dit huwelijk met hetzelfde oog, waarmede men
het heden ten dage in Virginië een huwelijk tusschen den blanken eigenaar
eener plantage en een halfzwart meisje zou doen. In de geschiedboeken
draagt hij den eervollen bijnaam van Beauclerc; maar zijn stam- en tijd-
genooten gaven hem met hoonende toespeling op zijn saksisch huwelijk
een saksischen bijnaam.
Ware het, gelijk eenmaal mogelijk scheen, den Plantagenets gelukt,
geheel Frankrijk onder hun bestuur te vereenigen, dan zou Engeland wel-
licht nimmer een onafhankelijk bestaan erlangd hebben. Zijn vorsten, edelen
en prelaten zouden van verschillende afkomst geweest zijn en een andere
taal hebben gesproken dan de werklieden en landbouwers. De inkomsten
der groote landeigenaars zouden besteed zijn tot het houden van feestge-
lagen aan de oevers der Seine. De edele taal van Milton en van Burke
was slechts een boersche tongval gebleven, zonder letterkundige waarde,
zonder taalregelen, zonder bepaalde spelling; en men zou haar met min-
achting aan de boeren ten gebruike overgelaten hebben. Geen man van
engelsche afkomst zoude ooit in een hooge betrekking hebben kunnen
komen, zoo hij niet eerst naar taal en zeden een Franschman was ge-
worden.
Norni\'andü". Voor zulke rampen werd Engeland behoed door een gebeurtenis,
welke de geschiedschrijvers doorgaans als zeer heilloos aangemerkt hebben.
\') Het bedoelde huwelijk is dat van Hendrik I, bijgenaamd Beauclerc, met Mathilda,
dochter van koning Malcolm van Schotland.
                                                    V.
-ocr page 35-
VOOR DE RESTAURATIE.
I I
Engelands belangen waren zoo lijnrecht in strijd met die zijner beheerschers,
dat alleen hun dwalingen en tegenspoeden het land konden redden. De
talenten en zelfs de deugden der eerste zes fransche koningen strekten
het ten vloek. Door de dwaasheden en ondeugden van den zevende dier
vorsten werd het land behouden. Had Jan de groote begaafdheden van
zijn vader, van Henry Beauclere of van den Veroveraar geërfd, had hij
slechts den moed van eenen Steven of een Richard bezeten, en was tevens
de koning van Frankrijk zoo onbekwaam geweest, als al de overige na-
komelingen van Hugo Capet, dan zou het huis van Plantagenet in Europa
een weergalooze macht bereikt hebben. Doch op dat tijdstip werd Frank-
rijk, voor het eerst sints het overlijden van Karel den Groote, door een
kloekmoedig en bekwaam vorst geregeerd. Engeland daarentegen, sedert
den slag van Hastings doorgaans door wijze staatsmannen en bij voort-
during door dappere krijgshelden bestuurd, was nu onder de heerschappij
van een nietigen lafaard gevallen. Sedert dien tijd werd Engelands toe-
komst schooner. Jan werd uit Normandije verdreven. De noormansche
edelen werden gedwongen om een keuze tusschen het eiland en het vaste
land te treffen. De zee sloot hen thans bij het volk op, dat zij tot dusverre
verdrukt en veracht hadden, en nu begonnen zij van lieverlede Engeland
als hun vaderland, de Engelschen als hun landgenooten te beschouwen.
Weldra bemerkten de twee, zoolang door vijandschap gescheiden stammen,
dat zij gemeenschappelijke belangen te verdedigen, dezelfde vijanden te
bestrijden hadden. Met gelijke zwaarte drukte op beiden de dwingelandij
van een slecht koning. Beiden waren evenzeer vergramd om de gunsten,
die het hof aan vreemdelingen uit Poitou of Aquitanic bewees. De achter-
kleinzonen der strijders van Willem den Veroveraar, en de achterkleinzonen
van hen, die onder Harold gestreden hadden, begonnen elkander in vriend-
schap te naderen en het eerste groote pand hunner vereeniglng was het
Groote Charter, door hun vereenigde inspanningen verkregen, en tot beider
nut en voordeel ontworpen en opgesteld.
InÏÓik™aml!!raJ<\'r Hier eerst begint de geschiedenis der engelsche natie. Het ver-
haal der vroegere gebeurtenissen is slechts de opsomming van slagen, toe-
gebracht en verduurd door onderscheiden volkstammen, die wel is waar allen
engelsch gebied bewoonden, maar elkander met een afkeer aanzagen, die wel-
licht nooit zoo hevig was tusschen volken, door natuurlijke grenzen van
elkander gescheiden. Want de wederzijdsche verbittering van landen, die
met elkander in oorlog gewikkeld zijn, is flauw vergeleken bij de verbittering
van stammen, die in zeden en gewoonten onderscheiden, door de plaatselijke
gesteldheid samen zijn gekoppeld. Nergens heeft deze nationale haat zoo hevig
gewoed als in Engeland. Nergens ook zijn de sporen van dien haat zoo vol-
komen uitgewischt. De overgangstrappen, waardoor de vijandige elementen
tot e\'én zelfstandig geheel gevormd zijn, zijn ons ten naastenbij onbekend.
Maar zeker is het, dat het onderscheid tusschen Saksers en Noormannen,
toen Jan koning werd. duidelijk zichtbaar, vóór het einde der regeering van
zijn kleinzoon bijna verdwenen was. In den tijd van Richard I was de gewone
vloek eens normandischen edelmans deze: moge ik een Engelschman worden!
Een knorrige bevreemding drukte hij gewoonlijk uit door de vraag: Houdt
-ocr page 36-
12                                   GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
gij mij voor een Engelschman ? Honderd jaar later was de nakomeling van
zulk een edelman trotsch zich Engelschman te mogen noemen.
De bronnen der breede stroomen, die geheele landen met vruchtbaar-
heid zegenen, en rijkbeladen vloten naar zee voeren, moeten gewoonlijk in
woeste en barre bergstreken gezocht worden, die op de landkaarten ondui-
delijk aangegeven, en door reizigers hoogst zelden bezocht worden. De
geschiedenis van ons land, in de dertiende eeuw, laat zich zeer gevoeg-
lijk vergelijken bij zulk een streek. Hoe arm en hoe duister dat gedeelte
der geschiedboeken ook zij, daar alléén moeten wij naar den oorsprong
van onze vrijheid, van onzen voorspoed, van onzen roem zoeken. Toen
werd het groote engelsche volk gevormd; toen begon het nationaal karakter
die bijzondere hoedanigheden aan den dag te leggen, welke het sedert immer
bewaard heeft; toen was het, dat onze vaderen in den waren zin des woords
eilanders werden, eilanders niet alleen ten opzichte hunner aardrijkskundige
ligging, maar ook van hun staatkunde, denkwijze en gebruiken. In dien
tijd ontlook ook die staatsregeling, die sedert, door alle veranderingen heen,
steeds dezelfde gebleven is, die staatsregeling, naar welke alle andere staats-
regelingen der wereld gevormd zijn, en die, in weerwil van eenige gebreken,
voor de beste gehouden moet worden, onder welke ooit een natie ver-
scheiden eeuwen achtereen geleefd heeft. Toen ook hield het lagerhuis,
de prototype van alle vertegenwoordigende vergaderingen in de oude of
in de nieuwe wereld, zijn eerste zittingen. Toen ook werd het algemeen
recht tot de waardigheid eener wetenschap verheven, die weldra van bij-
na even groot belang werd als de romeinsche rechtswetenschap. In dien
tijd was het, dat de moed dier zeelieden, die de ruwe vaartuigen der Cinque
Ports \') bemanden, de engelsche vlag voor het eerst op zee gevreesd maakte;
dat de oudste leerscholen opgericht werden, die thans nog in de twee
voornaamste nationale akademiesteden bestaan; dat die edele taal werd
gevormd, die, ja, minder zacht is dan de talen van het Zuiden, maar
in kracht, in rijkdom, in geschiktheid voor de vertolking der verhevenste
gevoelens van den dichter, den wijsgeer en den redenaar, alleen bij de
grieksche achterstaat; toen ook verrees boven den gezichteinder de eerste
zwakke schemering dier edele letterkunde, die later als het heerlijkste klei-
nood in Engelands rijke eerekroon zou schitteren.
In den aanvang der veertiende eeuw was de samensmelting der rassen
bijna voltooid en weldra bleek uit onmiskenbare teekenen, dat de ver-
menging van drie takken van den grooten teutoonschen stam, zoo onderling
als met de ingeboren Britten, een volk had doen ontspruiten, dat voor geen
ander volk der aarde behoefde te wijken. Het rijk, waarheen Jan door Philips
\') De Cinque Ports (vijf havens), zijn Dover, Sandwich, Romney, IlytheenHastings,
op de kust van Kent en Sussex gelegen; zij waren voornamelijk bestemd om het land
voor onverwachte landingen te vrijwaren. Winchelsea, Rye en Sexford kregen later
dezelfde bestemming. Al deze plaatsen, welker inwoners metveel privilegiën begunstigd
werden, ten einde hen zooveel mogelijk aan de engelsche belangen te verbinden, en die,
niettegenstaande de vermeerdering van hun getal steeds den naam van Cinque ports be-
hielden, stonden onder toezicht van een lord-bewaarder.
-ocr page 37-
i3
VOOR DE RESTAURATIE.
August teruggedreven was, had bijna niets gemeen met het rijk, dat de legers,
van Eduard III ter verovering van Frankrijk zag uittrekken
•SSmSunn Nu volgde een tijdvak van meer dan een eeuw, waarin der Engel-
op u«I"" schen hoofddoel was door kracht van wapenen een groot rijk op
het vaste land te vestigen. Men zou meenen, dat Eduards onderdanen vrij
oaverschillig moesten blijven voor zijn aanspraken op de erfenis door het
huis van Valois in bezit genomen, maar de veroveringszucht des vorsten had
zich alras aan het volk medegedeeld. Deze oorlog verschilde grootelijks van
dien, welken de Plantagenets van de twaalfde eeuw tegen de nakomelingen
van Hugo Capet gevoerd hadden, want indien Hendrik II ofRichard I ge-
slaagd waren, zou England een fransche provincie geworden zijn ; doch de
overwinningen van Eduard III en van Hendrik V maakten Frankrijk, althans
tijdelijk, tot een engelsch wingewest. De minachting, waarmede de fransche
veroveraars in de twaalfde eeuw de eilanders beschouwd hadden, werd nu
door deze den bewoners van het vaste land ruimschoots terugbetaald. Elk
landeigenaar, van Kent tot Northumberland, beschouwde zich als den afstam-
meling van een geslacht, dat geboren was om te overwinnen en te heersenen,
en zag met minachting op het volk neder, dat zijn voorvaderen had doen beven.
Zelfs de ridders van Gascogne en Guyenne, die onder den Zwarten Prins
dapper medegevochten hadden, werden door de Engelschen voor een onder-
geschikt menschenras gehouden en op een vernederende wijze van eervolle
en winstgevende posten uitgesloten. Binnen kort verloren onze voorouders
de oorspronkelijke aanleiding tot den strijd geheel en al uit het oog. Zij be-
schouwden weldra de fransche kroon als een bloot aanhangsel van de engel-
sche, en toen zij deze in strijd met de bestaande wet van erfopvolging op het
huis van Lancaster overdroegen, schenen zij te meenen, dat het recht van
Richard II op de fransche kroon te gelijkertijd stilzwijgend op dat huis over-
ging. Hun ijver en hun volharding staken bijzonder af bij de traagheid der
Franschen, die toch veel meer dan zij bij den uitslag van den strijd betrok-
ken waren. Engelsche legers behaalden in dit tijdperk tegen groote over-
macht de schitterendste overwinningen, die in de geschiedenis der middel-
eeuwen opgeteekend zijn. Het waren inderdaad overwinningen, waarop een
natie met recht roem mag dragen; want men kan ze alleen aan de zedelijke
meerderheid der overwinnaars toeschrijven, een meerderheid, die zich, zelfs
bij den geringste dier strijders, op treffende wijze kenbaar maakte. De engel-
sche ridders vonden waardige tegenstanders in de fransche ridders. Chandos
ontmoette in du Guesclin een evenknie. Maar Frankrijk had geen voetvolk,
dat tegen de engelsche bogen en strijdbijlen was opgewassen. Een fransch
koning werd gevangen naar Londen gebracht. Een engelsch koning werd te
Parijs gekroond. De banier van St.-George werd nu ver over Alpen en
Pyreneeën heen gedragen. Ten zuiden van den Ebro wonnen de Engelschen
een grooten veldslag, die voor een tijd lang over het lot van Castilië en Leon
besliste; en de engelsche vaandels verwierven een ontzagwekkende vermaard-
heid onder die krijgsbenden, die haar wapenen voor geld aan de italiaansche
vorsten en republieken verhuurden.
De kunsten des vredes werden in dat bewogen tijdperk door onze vaderen
evenmin over het hoofd gezien. Terwijl Frankrijk door den oorlog verwoest
-ocr page 38-
14                                        GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
werd, totdat het ten laatste in zijn jammerlijken toestand een ellendige be-
schutting tegen verdere aanrandingen vond, zamelden de Engelschen hun
oogsten in, verfraaiden zij hun steden, pleitten, handelden en studeerden zij
in volkomen veiligheid. Vele onzer schoonste gedenkteekenen van bouw-
kunde dagteekenen van dien tijd. Toen verrezen de sierlijke kapellen van
New-College en van St.-George, gelijk ook het statige kerkgebouw van Win-
chester en het koor van Vork, de fraaije spits van Salisbury en de majestueuse
torens van Lincoln. Een rijke en krachtige taal, gevormd door het ineen-
vloeijen van Noormansch, Fransch en Duitsch, was nu zoo wel den adel als
het volk eigen. Het duurde ook niet lang, of het menschelijk vernuft begon
dit bewonderenswaardig werktuig tot waardiger einden te bezigen. Terwijl
engelsche krijgsbenden, de verwoeste provinciën van Frankrijk achter zich
latende, Valladolid zegevierend binnentrokken en den schrik tot onder de
poorten van Florence verspreidden, schetsten engelsche dichters in levendige
kleuren de groote verscheidenheid van menschelijke gebruiken en lotwisse-
lingen, en engelsche denkers trachtten te weten of hadden moed om te twijfe-
len, waar \'voorheen dwepers zich vergenoegd hadden verbaasd en geloovig
stil te staan. Dezelfde eeuw, waarin de Zwarte Prins en Derby, Chandos en
Hawkwood leefden, bracht ook Geoffrey Chaucer en John Wycliffe voort. \')
Op deze glansrijke en zegevierende wijze nam de engelsche natie, zoodra
zij eerst met recht dien naam mocht dragen, haar plaats in onder de volken
der wereld. Doch zoo wij al de groote en ontzagwekkende hoedanigheden
onzer voorouders met welgevallen hooren roemen, moeten wij toch erkennen,
dat hel door hen nagejaagde doel in geenen deele met een verlichte en mensch-
lievende staatkunde strookte, en dat de tegenspoeden, waardoor zij na een
langen en bloedigen strijd van de hoop beroofd werden om op het vasteland
een groot rijk te stichten, werkelijk zegeningen waren in de gedaante van
rampen. De moed der Franschen ontwaakte eindelijk. Een krachtige nati-
onale tegenstand werd den vreemden veroveraar geboden, en van dit oogen-
blik af was tot heil des menschdoms al de bekwaamheid der engelsche
veldheeren, al de dapperheid der engelsche soldaten vruchteloos. Na veel
Wanhopende worstelingen en met bitter leedwezen gaven onze voorouders
den strijd op. Sedert dien tijd is het plan om groote veroveringen op het vaste
\') Chaucer was de eerste engelschedichter. wiens werken klassiekvan vorm entevens
van echt poëtischen inhoud zijn. Ze onderscheiden zich vooral door geestige en kern-
achtige karakterschetsen, door fijn en innig gevoel en door rijkdom van taal en uitdruk-
king. Hij stierfin het jaar 1400.
Wycliffe (of Wickliff) was een beroemd en talentvol godgeleerde, die de toenmalige
kerkelijke misbruiken met moed en volharding bestreed. De orde der bedelmonniken
en vervolgens het stelstel der pauselijke onfeilbaarheid en suprematie stonden het eerst
aan zijn aanvallen bloot. Toen hij echter in zijn ijver zijn eeuw te ver vooruitliep, en in
een zijner talrijke polemische geschriften o. a. het hachlijk vraagstuk der transsubstan-
tiatie behandelde, in een geest, die toen weinig bijval vond, en hem het misnoegen van
velen, ook van den kanselier van de hoogeschool te Oxford berokkende, werd hij van
zijn leerstoel aan die hoogeschool ontzet en tot herroeping gedwongen. Van nu af be-
perkte hij zich tot het geestelijk ambt, dat hij te Lutterworth bekleedde, en tot de vol-
tooijng zijner letterlijke bijbelvertaling (de eerste in het Engelsch); hij stierfin 1384.
Beide deze mannen vonden een krachtigen steun in de bescherming van John
O\'Gaunt, hertog van Lancaster, die in de eerstvolgende aanmerking genoemd wordt.
-ocr page 39-
VOOR DE RESTAURATIE.
\'S
iand te maken door het britsch bewind nooit meer met ernst en volharding
opgevat. Wel bleef de herinnering aan de roemrijke dagen van Cressy, Poi-
tiers en Azincourt het volk steeds dierbaar; men kon nog na verloop van
lange jaren hun bloed aan het koken brengen en rijke subsidièn van hen
erlangen door de bloote belofte van een veldtocht ter verovering van Frank-
rijk; doch gelukkig heeft thans onze natie haar krachtig streven op andere
doeleinden gericht en neemt zij nu in de geschiedenis des menschdoms een
veel roemrijker plaats in, dan wanneer zij, gelijk dit eenmaat dreigde te zul-
len gebeuren, door kracht van wapenen een dergelijk overwicht had erlangd,
als eenmaal het romeinsche gemeenebest bezat.
oo1?oüè\'n. Thans weder binnen de grenzen van zijn eiland besloten, bezigde
het krijgshaftige volk de wapenen, die de schrik van Europa geweest waren,
tot het voeren van binnenlandsche oorlogen. De engelsche edellieden waren
sints veel jaren gewoon de middelen tot kwistige uitgaven uit de verdrukte
fransche provinciën te trekken. Die bron was nu voor hen verdroogd; maar
praalzucht en weelderige gewoonten, de gevolgen van vroegeren voorspoed,
waren hun bijgebleven; en de groote lords, die nu niet meer door het uit-
zuigen der Franschen hun lusten konden bevredigen, werden begeerig elkan-
der uit te plunderen. Het rijk. waartoe zij zich nu moesten beperken, was,
gelijk Comines, de schranderste der beoordeelaars van dien tijd, zich uit-
drukt, voor hen allen niet groot genoeg. Twee aristokratische partijen, aan-
gevoerd door twee takken der koninklijke familie, begonnen een langdurigen
en feilen strijd om de oppermacht. Daar de vijandschap dier partijen in wer-
kelijkheid niet uit het geschil over de erfopvolging ontstaan was, duurde zij
voort, lang nadat elke aanleiding tot strijd over dat geschil verdwenen was \').
\') Bij het overlijden van Eduard III. wiens oudste zoon, Eduard, de Zwarte Piins,
vóór hem ten grave was gedaald, kwam de eenige zoon van dezen laatste, Richard II,
als rechtvaardige erfgenaam van liet roemruchtig geslacht der Plantagenets, op elf-
jarigen leeftijd tot den troon (1377).
De eerzuchtige jongere zonen van Eduard III, Jan van Gaunt, Hertog van Lancaster,
en Thomas, Hertog van Glocester, maakten zich nagenoeg van het geheele regeerings-
gezag meester, en werden, gedurende \'s konings minderjarigheid, alleen door den na-
ijver van een machtigen adel in toom gehouden. Glocesters vermetel streven naar de
kroon berokkende hem later een ontijdigcn dood. De meer omzichtige Lancaster stierf
in 1399, een zoon nalatende, die, bekwamer en eerzuchtiger dan Glocester, den koning
een zeer gegrond wantrouwen inboezemde en bij zijns vaders dood in ballingschap
verkeerde. Toen de koning, den invloed en de macht van dezen gevaarlijken mede-
dinger niet willende vergrooten, hem het bezit der rijke erfgoederen van het huis van
Lancaster trachtte te onthouden, stak hij naar Engeland over en verzamelde een leger,
waarmede hij het leger des konings uiteen dreef en Richard gevangen nam. Steunende
op den afkeer, dien het hem toegedane volk en de meeste edelen tegen den koning koes-
terden, en op het nietig sprookje, dat de Zwarte Prins ten onrechte voor den oudsten
zoon van Eduard III gehouden werd, stiet de nieuwe hertog van Lancaster den zwak-
ken koning Richard II van den troon, dien hij nu zelf, onder den naam van Hendrik IV
beklom, terwijl Richard, in het kasteel van Pomfret ingekerkerd, door zijn wachters
vermoord werd. Deze overweldiging legde den grond tot de latere twisten tusschen de
partijen van Vork, of de Witte, en van Lancaster, of de Roode Roos.
Hendrik IV en zijn zoon Hendrik V regeerden ongestoord tot aan hun einde. Onder
Hendrik V bereikte Engelands macht in de middeleeuwen den hoogsten trap. Als zui-
geling volgde hem zijn zoon Hendrik VI op. Gedurende de minderjarigheid van dezen
vorst gingen de belangrijke, in Frankrijk verworven bezittingen weder te loor. Enge-
-ocr page 40-
i6
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
De partij der Roode Roos overleefde den laatsten prins, die als afstam-
meling van Hendrik IV aanspraak op den troon kon maken. De partij der
Witte Roos overleefde het huwelijk van Richmond en Elizabeth. Verstoken
van een aanvoerder, die eenigen aannemelijken schijn van recht kon ver-
toonen, schaarden de aanhangers van Lancaster zich om de nakomelingen
van een bastaard, terwijl de aanhangers van York een reeks van bedriegers
in \'t krijt voerden. Ten langen laatste, nadat veel eerzuchtige edellieden
op het slagveld of onder beulshanden omgekomen waren, nadat vele der
roemrijkste geslachten voor altoos van het tooneel der geschiedenis ver-
dwenen waren, nadat de aanzienlijke huizen, die zich staande gehouden
hadden, door tegenspoed uitgeput en tot gematigder inzichten gebracht
waren, werd algemeen erkend, dat de aanspraken van al de strijdende
Plantagenets zich in het huis van Tudor vereenigd hadden.
land was door de lasten van den oorlog en de onder de meeste regentschappen gewone
verkwisting, uitgeput en bezat bij het einde van den zoo roemrijk begonnen kamp in
Frankrijk alleen nog Calais. Deze tegenspoeden, gevoegd bij het zwakke bestuur des
onbekwamen konings, hadden vruchtbare kiemen tot onlusten en partijschappen doen
ontstaan. Zoodra die kiemen tot rijpheid waren gekomen, verhief zich Richard, hertog
van York, die van moederszijde van den hertog van Clarence afstamde, den tweeden
zoon van Eduard III, nog voor den Zwarten Prins overleden. Jan van Gaunt was de
derde zoon geweest. En nu (1425) namen de bloedige rozenoorlogen een aanvang.
Eduard van York sneuvelde in den slag bij Wakefield (1460). Zijn zoon, Eduard IV,
echter maakte zich meester van den troon (1461), en Hendrik VI, die zijn tegenstan-
ner in 1470 voor eenige maanden werkelijk weder van den troon verdreef en tot bal-
ling maakte, doch na korten tijd zelf overwonnen en gevangen werd, viel met zijn
jeugdigen zoon der wraak van Eduard ten offer. Er bleef dus geen wettige opvolger
van het huis Lancaster in leven.
Eduard IV stierfin het jaar 1482, twee zonen onder de voogdijschap van zijn schoon-
broeder. den graaf Rivers, en het rijk onder de regentschap van zijn broeder, den her-
tog van Glocester. latende. Glocester liet Rivers ter dood brengen, het huwelijk van
Eduard IV\' onwettig verklaren en diens zonen, den twaalfjarigen Eduard V en zijn broe-
der den hertog van Vork, in den Tower vermoorden, waardoor nu ook de wettige
mannelijke nakomelingschap van het huis van Vork geheel uitgeroeid was; Glocester
(Richard III) beklom daarop den met bloed bevlekten troon, doch bleef niet lang in
het bezit der misdadig verworven macht.
De oude partijschappen waren nog niet vergeten; de steeds voortdurende onlusten
en de verraderlijke, wreedaardige inborst des nieuwen konings boezemden der natie
en vooial den hoogen adel weinig vertrouwen in. Graaf Hendrik van Richmond, klein-
zoon van Ovven Tudor, een edelman uit Walis. en van Catharina, weduwe van Hendrik V,
en zoon van Margaretha. erfdochter van het huis van Lancaster, de nakomelinge van
een natuurlijken en bij parlements-akte gewettigden, doch van de eventueele troons-
opvolging uitgesloten zoor. van Jan van Gaunt. was ondanks deze laatste bepaling be-
stemd een einde aan deze vreeselijke oorlogen te maken en den schepter in handen van
het roemrijke geslacht der Tudors over te brengen. Hem werd alle hulp tot verwerving
iler oppermacht aangeboden op voorwaarde, dat hij met Elisabeth, dochter van Eduard IV,
erfdochter van het huis van York, in den echt zoude treden, in de welgegronde hoop
dat deze vereeniging der Witte en der Roode Roos aan het geteisterde volk den vrede
zou hergeven. Met geringe macht landde hij in Walis, rukte onverschrokken tegen het
talrijke leger van Richard op, en in den slag van Bosworth verloor deze de kroon en
het leven. Hendrik Tudor aanvaardde de regeering onder den naam van Hendrik VII,
en de rampzalige burgeroorlog, die sints dertig jaar geheel Engeland in bloed, in
rouw en ellende gedompeld, aan meer dan een millioen menschen, en aan een tachtig-
tal der telgen van het huis Plantagenet het leven gekost had, was. behalve eenige laterey
spoedig bedwongen pogingen der stuiptrekkende partijen, geëindigd.
-ocr page 41-
VOOR DE RESTAURATIE.
17
0?\'jfSi!Tchn»p!et Middelerwijl had een verandering plaats, die van oneindig
grooter belang was, dan de aanwinst of het verlies eener provincie, de ver-
heffing of de val eener dynastie. De slavernij en de gruwelen, daaraan overal
verbonden, waren allengs aan \'t verdwijnen.
Opmerkelijk is het, dat in Engeland de twee grootste en heilzaamste maat-
schappelijke omkeeringen, die namelijk, welke in de dertiende eeuw een einde
maakte aan de verdrukking der eene natie door de andere, en die, waardoor
weinige geslachten later het eigendomsrecht van den eenen mensch op den
anderen opgeheven werd, haast onopgemerkt en in stilte plaats hadden. Zij
wekten bij de tijdgenooten geen verwondering en de geschiedschrijvers
hebben er ter nauwernood op gelet. Zij werden niet door wetsbepalingen en
evenmin door ruw geweld tot stand gebracht. Door zedelijke oorzaken werd
langzamerhand eerst het onderscheid tusschen den Noorman en den Sakser
en daarna het onderscheid tusschen den heer en den slaaf opgeheven. Onmoge-
lijk is \'t het juiste oogenblik van elk dezer overgangen te bepalen. Eenige
flauwe sporen van den ouden trots der Noormannen, vertoonden zich wellicht
nog in het laatst van de veertiende eeuw. Eenige flauwe sporen van het lijf-
eigenschap konden nog zelfs in de dagen der Stuarts hier en daar worden
opgemerkt; ook is diè instelling tot heden toe nog door geen wetsbepaling
afgeschaft.
t!m4Uvm? \'hét Het ware hoogst onrechtvaardig niet te erkennen, dat voor-
tMiïïïiïtltSöt. namelijk aan den invloed der godsdienst de wegruiming van deze
twee rampen te danken is en men zou zich haast afvragen, of een reiner gods-
dienst wel gelijken invloed zou hebben uitgeoefend. De liefderijke geest der
christelijke zedeleer is voorzeker in strijd met het bestaan van sterk geschei-
den kasten; maar de Kerk van Rome is bijzonder af keerig van zoodanige
onderscheidingen, omdat ze onbestaanbaar zijn met andere, tot het wezen van
haar stelsel behoorende. Zij schrijft al haar priesters een geheimzinnige
waardigheid toe, die hun aanspraak geeft op den eerbied van eiken leek, en
de volksaard of de afkomst kan volgens haar niemand voor den geestelijken
stand onbekwaam maken. Haar leerstellingen aangaande de priesterlijke
waardigheid, hoe onjuist ze ook zijn mogen, hebben herhaaldelijk eenige der
zwaarste rampen gelenigd, die op de maatschappij onvoorwaardelijk kunnen
drukken. Men kan een bijgeloof niet nadeelig achten, dat in landen, waar de
eene volksaard onder het juk van den anderen zucht, een aristokratie doet
ontstaan, die met rassenhaat niets te maken heeft; dat de verhouding tus-
schen den verdrukker en den verdrukte omkeert en den erf heer noodzaakt
zich aan het geestelijk gezag van den erfleenman te onderwerpen. Tot op den
huidigen dag onderscheidt zich de roomsche kerk in landen waar de neger-
slavernij nog bestaat, zeer gunstig van andere christelijke gezindheden.
Het is van algemeene bekendheid, dat de afkeer tusschen de blanke en de
zwarte menschenrassen te Rio Janeiro op verre na niet zoo hevig is als te
Washington. In ons land had deze eigenaardige strekking van het roomsch-
katholieke stelsel gedurende de middeleeuwen de heilzaamste gevolgen. Het
is waar, na den slag van Hastings werden Saksische kerkvoogden en abten
met geweld afgezet en fortuinzoekende geestelijken van het vaste land bi)
honderden met rijke kerkbedieningen begunstigd. Doch toen reeds verhieven
MACAULAY I.                                                                                                               2
-ocr page 42-
i8
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
vrome noormansche geestelijken hun stem tegen zulk een verkrachting van
de grondwet der kerk; zij weigerden de hun door den veroveraar aangeboden
kerkelijke waardigheden aan te nemen en gelastten hem, zoo hij het heil
zijner ziel op prijs stelde, niet te vergeten, dat de overwonnen eilanders tot
zijn geloofsgenooten behoorden. De aartsbisschop Anselmus was de eerste
van de heerschende kaste, die de Engelschen onder zijn bescherming nam.
In een tijd toen de engelsche naam met minachting uitgesproken werd, toen
dacht men dat de landgenooten des veroveraars een uitsluitend recht op alle
burgerlijke en militaire waardigheden van het koninkrijk hadden, vernam het
verdrukte volk met opgewondenheid, dat een der hunnen, Nicholas Break-
spear, tot den pauselijken zetel verkozen was en dat afgezanten, uit de eerste
adellijke huizen van Normandije gesproten, voor hem gebukt hadden om zijn
voet te kussen. Het nationaal gevoel droeg zeker niet minder dan de godsdienst-
ijver er toe bij om duizenden te doen trekken naar het graf van Becket, den
eersten Engelschman, die na de Verovering den vreemden dwingelanden
vrees had ingeboezemd.
Het is onzeker, of hij een Noorman dan wel een Sakser is geweest,
maar hij viel, dit is buiten kijf, door Noormannen, en de Saksers vereerden
met dankbare liefde zijn nagedachtenis en verheerlijkten hem in hun volks-
liederen als een der hunnen. Een opvolger van Becket stond vooraan in
de rij der weerspannige grooten, die al hun kracht inspanden om dat charter
te verkrijgen, waardoor de voorrechten der noormansche baronnen en tevens
die der Saksische landeigenaren verzekerd werden. De geloofwaardige
getuigenis van Sir Thomas Smith, een der schranderste protestantsche
raadgevers van Elizabeth, leert ons, hoeveel de roomsche geestelijken tot
de afschaffing van het lijfeigenschap hebben bijgedragen. Wanneer de ster-
vende slaveneigenaar de laatste kerkelijke sacramenten vroeg, dan bleef
de geestelijke herder niet in gebreke hem te smeeken, bijaldien hij zijn
ziel wilde redden, de vrijheid aan die broeders te schenken, voor welke
Christus gestorven was. De kerk had haar geduchten invloed met zoo
gelukkig gevolg aangewend, dat zij, reeds vóór de hervorming al de lijf-
eigenen in het koninkrijk bevrijd had, behalve diegenen, die haar zelve
toebehoorden en die zij, te harer eere zij het hier vermeld, zeer goedertieren
schijnt behandeld te hebben.
Het lijdt geen twijfel, dat onze voorouders, nadat deze twee belangrijke
omkeeringen plaats gevonden hadden, verreweg het best bestuurde volk van
geheel Europa waren. Het maatschappelijk stelsel was sints drie honderd
jaren op den weg van bestendige verbetering geweest. Onder de eerste
Plantagenets had men baronnen gezien, die de macht van hun souverein
konden tarten, en landlieden, die in hun verlaagden toestand niet beter
geacht werden dan het door hen gehoede vee. De buitensporige macht der
baronnen was van lieverlede gefnuikt, de toestand der boeren trapsgewijze
verbeterd. Naast de aristokratie en den arbeidenden stand was een land-
bouwende en handeldrijvende middelstand ontstaan Er moge alsnog meer
ongelijkheid bestaan hebben dan voor het geluk en de deugd van het men-
schelijk geslacht dienstig is, maar niemand was geheel boven het gezag der
wet verheven en niemand was geheel en al van haar bescherming uitgesloten.
-ocr page 43-
VOOR DE RESTAURATIE.
19
Het is ten duidelijkste gebleken, dat de Engelschen reeds in dit vroege tijd-
perk met zelfgevoel en liefde aan hun staatsinstellingen gehecht waren, en
dat deze in naburige landen de bewondering en den naijver der meest ver-
lichte menschen gaande maakten. Maar over den aard dezer instellingen is
heftig en onredelijk twistgeschrijf gevoerd.
De cngeUcke Engelands historische litteratuur heeft inderdaad maar al te
staatsKeijChiedenis                    » i          1                                       mi •- sj j«               «              jt           1
mental met zeer geleden door een omstandigheid, die overigens de wel-
,eeaciire\\en. vaart van dit land niet weinig bevorderd heeft. De belangrijke
hervormingen, welke onze staatsregeling in de laatste zes eeuwen ondergaan
heeft, waren het gevolg van bestendige, geleidelijke ontwikkeling en niet van
sloopen en wederopbouwen. De tegenwoordige staatsregeling van ons land
staat in dezelfde verhouding tot die, waaronder het voor vijf honderd jaren
bloeide als de boom tot het spruitje en de man tot den knaap. De verandering
is groot geweest, doch ten allen tijde was het meerendeel van\'t geen bestond
oud. Een aldus samengestelde staatsregeling moest een menigte tegenstrijdig-
heden opleveren. Voor de bezwaren echter, die uit bloote tegenstrijdigheden
ontstaan, zijn wij ruimschoots schadeloos gesteld. Andere landen bezitten
geschreven staatsregelingen van regelmatiger vorm, doch in geen ander land
heeft het mogen gelukken omwenteling te verbinden met eerbied voor verkre-
gen rechten, vooruitgang met duurzaamheid, jeugdige kracht met de acht-
baarheid van onheuglijke oudheid.
"ÏSSSïmJfS" Nochtans deze zegening is niet zonder schaduwzijde; een der
dil!iilgJgHv*Jn\'!i" eerste nadeelen is, dat al de bronnen onzer vroegere geschiede-
nis van partijgeest doordrongen zijn. Even als de staatsman in geen ander
land zoozeer onder den invloed van het verleden staat, ondervindt de ge-
schiedschrijver nergens zoozeer als hier den invloed van het tegenwoordige.
Er bestaat dan ook een natuurlijk verband tusschen deze twee betrekkingen.
Waar de geschiedenis enkel beschouwd wordt als de afbeelding van leven en
gebruiken, of als een reeks van proefnemingen, waaraan algemeene beginselen
van staatsbeleid kunnen worden ontleend, daar komt een geschiedschrijver
niet licht in verzoeking om langverleden gebeurtenissen in een verkeerd dag-
licht te stellen. Doch waar de geschiedenis beschouwd wordt als een verza-
meling van handvesten, waarop de rechten der regeering en der volken be-
rusten, wordt deze verzoeking bijna onweerstaanbaar. Een Franschman van
onzen tijd heeft er geen bijzonder belang bij de macht der koningen van het
huis Valois grooter of kleiner te schatten dan zij werkelijk geweest is. De pri-
vilegiën der Staten-Generaal, der Staten van BretagneofvanBourgondièzijn
thans van even weinig waarde als die van den joodschen Sanhedrin of van
den Amphiktionenraad. De wijde afgrond eener groote omwenteling scheidt
daar het nieuwe stelsel geheel van het oude. Het bestaan der engelsche natie
wordt niet door een soortgelijke klove in twee afgescheiden tijdperken ver-
deeld. Onze wettenen gebruiken zijn nimmer aan een onherstelbare verwoes-
ting ten prooi geweest. Voor ons zijn de antecedenten der middeleeuwen steeds
nog geldig en zij worden bij de plechtigste gelegenheden nog steeds door de
eerste staatsmannen aangehaald. Toen, bij voorbeeld, koning George III aan-
getast werd door een krankheid, die hem buiten staat stelde de koninklijke
waardigheid te bekleeden, en toen de uitmuntendste rechtsgeleerden en staat-
-ocr page 44-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
20
kundigen ten aanzien van den weg, dien men behoorde te volgen, gansch uit-
eenloopende meeningen geuit hadden, wilde het Huis der Gemeenten de be-
raadslaging over het regentschap niet aanvangen, voordat al de voorbeelden,
die men nopens dat onderwerp sedert de vroegste tijden in onze jaarboeken
vindt opgeteekend, in goede orde bijeenverzameld waren. Erwerdencommis-
siën benoemd tot het doen van onderzoek in de oude archieven van het Rijk.
Het eerste voorbeeld, dat men aangeteekend vond, was van het jaar 1217\');
men hechtte veel gewicht aan de antecedenten van i326 \'), van 1377 •) en
van 1422 *), maar het geval, dat met recht voor het meest toepasselijke ge-
houden werd, was dat van 1455. Op die wijze hebben in ons land de duurste
belangen der staatspartijen menigmaal van de uitkomst der nasporingen van
geschiedvorschers afgehangen. Het onvermijdelijk gevolg hiervan was, dat de
geschiedvorschers hun onderzoek met partijzuchtigen geest instelden.
Het moet dus geen verwondering baren, dat zij, wier geschriften han-
delen over de perken, bij Engelands aloude staatsregeling aan de voorrech-
ten der kroon en aan de vrijheden des volks gesteld, doorgaans veel meer
den toon van driftige en looze advocaten dan dien van onbevooroordeelde
rechters aansloegen. Immers, zij handelden niet over een bloot bespie-
gelende stoffe; het was hier om zaken te doen, die in rechtstreeksch en
praktisch verband stonden met de gewichtigste en meest belangwekkende
geschilpunten van hun tijd. Van het begin van den lang gerekten strijd
tusschen de Stuarts en hun parlementen tot op den tijd, toen de aan-
spraken der Stuarts geen vrees meer verwekten, waren weinig vragen be-
langrijker dan die, of dat geslacht het rijk al dan niet in overeenstemming
met de oude staatsregeling bestuurd had. Deze vraag kon alleen door terug-
wijzingen naar de geschiedboeken der vroegere regeeringen beslist worden.
Bracton en Fleta, de Spiegel der gerechtigheid en de notulen van het Parle-
ment werden ijverig doorzocht; eenerzijds ten einde voorwendsels te vinden
voorde tyrannie der Sterrekamer, en voor die van het Hoog Gerechtshof aan
den anderen kant. Gedurende een lange reeks vanjaren trachtte eiken Whig-
gezind geschiedschrijver te bewijzen, dat het engelsch bestuur, van ouds, op
weinig na republikeinsch; terwijl elk geschiedschrijver van de Tory-partij
wilde bewijzen, dat het nagenoeg despotisch geweest was.
Met deze gevoelens doorbladerden de beide partijen de middeleeuwsche
kronieken. Zij vonden beiden zonder moeite wat zij zochten; zij weigerden
beiden hardnekkig geloof aan hetgeen niet met hun inzichten strookte. Den
aanhangers der Stuarts viel het licht voorbeelden van tegen onderdanen
gepleegde verdrukking aan te wijzen. De verdedigers der Rondhoofden kon-
1) De troonsbeklimming van Hendrik III, zoon van Jan zonder Land, op den leef-
tijd van tien jaar.
                                                                                         V.
l) De erfopvolging van Eduard III, mede op uiterst jeugdigen leeftijd, onder het
bestuur zijner moeder.
8) De troonsbeklimming van den elfjarigen Richard II.                                V.
") Het overlijden van Hendrik V, wiens zoon, (zie de aanmerking op blz. 15)
Hendrik VI, op den leeftijd van negen maanden op den troon kwam, en later, in 1453
en 1455 aan vlagen van krankzinnigheid leed, die het instelleD van regentschappen
tijdelijk noodig maakten.
                                                                              V.
-ocr page 45-
VOOR DE RESTAURATIE.
21
den even gereedelijk voorbeelden van onverschrokken en met goed gevolg
aan de kroon geboden tegenstand aantoonen. De Torys haalden uitdruk-
kingen uit oude geschriften aan, die bijna even slaafsch waren als die, welke
men van Mainwarings \') kansel placht te hooren. De Whigs spoorden ge-
zegden op, zoo driest en streng als Bradshaw *) er ooit op zijn rechterstoel
had uitgesproken. De schrijvers der eene partij bewezen uit talrijke antece-
denten, dat de koningen geheel buiten het gezag der parlementen geld afge-
perst hadden; de schrijvers der andere partij noemden gevallen op, waarin
de parlementen zich het recht hadden aangemagtigd koningen straf op te
leggen. Zij, die slechts de eene helft dier argumenten lazen, moesten gelooven,
dat de macht der Plantagenets even onbeperkt geweest was als die der sultans
van Turkije; zij, die alleen de andere helft leerden kennen, moesten daaruit
besluiten, dat de Plantagenets in werkelijkheid niet meer macht bezaten dan
de doge van Venetië; en beide deze onderstellingen zouden evenzeer bezijden
de waarheid geweest zijn.
Aard ■\\<-r midtlt-1- De oude engelsche regeeringsvorm behoorde tot een klasse
eeuwMclie beperkte                                                                                                     t i          • j, j t
monarchieën, van beperkte monarchieën, die gedurende de middeleeuwen
in het westelijk gedeelte van Europa ontstaan waren, en in weerwil harer
onderlinge groote verscheidenheid, evenwel in vele opzichten punten van
overeenkomst hadden. En dit moet ons niet bevreemden. De landen, waar
deze monarchieën ontstonden, waren gewesten van hetzelfde groote en be-
schaafde rijk geweest, en bijna gelijktijdig door telgen van een en dezelfde
ruwe en krijgshaftige natie veroverd en onderworpen. Zij hadden zich tot
één groot verbond tegen de Mohammedanen vereenigd. Zij waren leden
van dezelfde trotsche en heerschzuchtige kerk. Hun staatsregelingen namen
dan ook natuurlijk gelijke vormen aan. Hun instellingen waren voor een
gedeelte aan het keizerlijk Rome, gedeeltelijk aan het pauselijk Rome en
gedeeltelijk aan het oude Germanië ontleend. In elk dier rijken bestond een
koning en de koninklijke waardigheid werd in allen strikt erfelijk. In elk
dier rijken waren edelen aanwezig, die titels voerden, welke oorspronkelijk
gestrekt hadden tot het aanduiden van militaire rangen. De ridderlijke waar-
digheid, de regelen der wapenkunde waren hun allen gemeen. Men vond er
overal rijk begiftigde geestelijke stichtingen, stedelijke corporatiën, die in het
genot van groote vrijheden waren, en raadsvergaderingen, welker toestem-
ming tot het wettigen van sommige openbare handelingen vereischt werd.
rreropratieven der Onder deze onderling verwante staatsregeling werd de engel-
vroegere engel-
                                           ,                                 ,,i
sche koningen, sche van een vroeg tijdperk af met recht voor de beste ge-
houden. De voorrechten van den souverein waren voorzeker zeer uitge-
breid. De geest der godsdienst en de geest der ridderschap werkten samen
om zijn waardigheid te verhoogen. Zijn hoofd was met de gewijde olie
gezalfd. Het was voor den dappersten en edelsten ridder geen vernedering
1)  Ouder Karel I, een der voornaamste verdedigers der leer van het goddelijk recht
der koningen.
2)  John Bradshaw bekleedde een rechterlijke betrekking te Londen, toen hij van
wege het Parlement tot voorzitter van den bloedraad benoemd werd, die Karel I deed
onthoofden.
-ocr page 46-
22                                  GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
voor zijn voeten te knielen. Zijn persoon was onschendbaar. Hij alleen ver-
mocht de staten des rijks bijeen te roepen. Hij kon ze naar eigen verkiezing
weder huiswaarts zenden; tot elke hunner wetgevende handelingen werd zijn
toestemming vereischt. Hij was het hoofd van het uitvoerend bewind; hij
alleen kon met vreemde mogendheden onderhandelen; hij gebood over de
land- en zeemacht van den staat; hij was de bron der gerechtigheid, der ge-
nade en der eer. Hij bezat uitgebreide volmachten tot het regelen der belangen
van den handel. Hij was het, die geld liet munten, die maten en gewichten
bepaalde, die markten en havens openstelde. Zijn kerkelijk beschermrecht was
onmetelijk. Onder zuinig beheer waren zijn erfelijke inkomsten voldoende om
de gewone staatsuitgaven te bestrijden. Hij bezat zeer uitgestrekte bijzondere
domeinen. Hij was ook erfleenheer over het geheele gebied van zijn konink-
rijk en bezat, als zoodanig, veel winstgevende en geduchte rechten, die hem
in staat stelden degenen, die hem dwarsboomden, te kwellen en te onderdruk-
ken, en hen, die in zijn gunst deelden, buiten eigen kosten te verrijken en te
vergrooten.
ai7ïooV"re™itc*n° Doch hoe ruim zijn macht ook was, ze werd beperkt door drie
voorname grondwettige beginselen, zoo oud, dat niemand het tijdstip weet te
zeggen, wanneer ze in \'t leven traden, en zoo degelijk, dat hun natuurlijke,
door vele eeuwen voortgezette ontwikkeling, de orde van zaken heeft doen
ontstaan, waaronder wij thans leven.
Ten eerste kon de koning buiten toestemming van zijn parlement geen
wetten uitvaardigen. Ten tweede kon hij buiten die toestemming geen belas-
tingen heffen. Ten derde was hij verplicht het uitvoerend bewind overeen-
komstig \'slands wetten te voeren, en wanneer hij op die wetten inbreuk maakte,
waren zijn raadslieden deswege verantwoordelijk.
Geen waarheidlievend Tory zal ontkennen, dat deze beginselen, vijfhonderd
jaren geleden de geldigheid van grondwettige bepalingen erlangd hadden.
Evenmin zal een waarheidlievend Whig beweren, dat deze bepalingen niet
eerst in later tijd van dubbelzinnigheid gezuiverd zijn, of dat zij in haar ge-
heele strekking nagekomen werden. Een middeleeuwsche staatsregelingkwam
niet, gelijk de staatsregelingen van de achttiende of de negentiende eeuw, door
ééne enkele staatshandeling in haar geheel tot stand; noch was zij in één enkel
staatsstuk opgeteekend. Slechts in een beschaafde en denkende eeuw kan een
staatsvorm stelselmatig ingericht worden. In onbeschaafde maatschappijen
is de vooruitgang der regeeringskunst gelijk aan den vooruitgang der taal en
der dichtkunst. Onbeschaafde maatschappijen hebben een taal, somtijds
zelfs een rijke en krachtige taal; doch zij hebben geen wetenschappelijke
spraakkunst, geen bepalingen van zelfstandige naamwoorden en werkwoorden,
geen benamingen voor vervoegingen, verbuigingen, tijden en naamvallen.
Evenzoo bezitten zij ook dichtwijzen, die soms zeer krachtig en welluidend
zijn, doch zij hebben geen regel voor metriek, en de zanger, wiens versmaat,
alleen door zijn gehoor geregeld, tot verrukking zijner toehoorders strekt,
weet zelf niet te zeggen uit hoeveel dactylen en trocheeën elke zijner dicht-
regelen is samengesteld. Gelijk de welsprekendheid ouder is dan de leer der
woordvoeging en de zang ouder dan de prosodie, zoo ook kan het beheer van
den staat een hooge mate van treffelijkheid erlangd hebben, lang voordat de
-ocr page 47-
23
VOOR DE RESTAURATIE.
grenzen der wetgevende, der uitvoerende en der rechterlijke machten duide-
lijk afgebakend waren.
Dit was in ons land het geval. De grenslijn der koninklijke voorrechten
was in het algemeen wel zichtbaar, maar niet overal met gelijke nauwlettend-
heid en duidelijkheid aangewezen. Er was derhalve rondom die grens eenig
betwistbaar terrein, waarop herhaalde inbreuken gedaan en represailles ge-
nomen werden, totdat eindelijk, na eeuwen langen strijd, duidelijke en duur-
zame bakens opgericht werden. Het is wellicht leerrijk na te gaan, op welke
wijze en in hoeverre onze vroegere koningen de drie groote beginselen plach-
ten te verkrachten, die de vrijheden der natie beschermden.
Geen engelsch koning heeft ooit aanspraak gemaakt op de algemeene
wetgevende macht. Zelfs de driftigste en heerschzuchtigste Plantagenet heeft
zich nooit bevoegd geacht buiten toestemming van zijn raad te bepalen,
dat een jury uit tien in plaats van uit twaalf personen zou bestaan; dat het
erfdeel eener weduwe een vierde gedeelte bedragen zou in stede van een
derde of, dat in Yorkshire het gebruik van gelijke erfdeeling zoude ingevoerd
worden \'). Maar de koning was gerechtigd tot het begenadigen van wetsover-
treders, en daar er zeker punt is, waar de macht van begenadiging en de
macht van wetgeving schijnen inéén te smelten, konden zij, althans in een
duistere eeuw, al licht met elkander verward worden. Een strafwet wordt
met der daad opgeheven, wanneer telkens de kwijtschelding der bepaalde
straf op de veroordeeling volgt. De koning bezat, buiten allen twijfel, een
onbegrensd recht van genade. Hij was derhalve bevoegd om een strafwet in
haar werking op te heffen. Men kon beweren, dat er geen gegronde zwarigheid
bestond om hem datgene rechtens te laten doen, wat hij met der daad ten
uitvoer kon brengen. Zoo doende ontstond onder medewerking van sluwe
en hoofsche rechtsgeleerden op de onduidelijke grens, die de functiën der
uitvoerende van die der wetgevende macht scheidt, de groote tegenstrijdig-
heid, die bekend is, als het zoogenaamde recht van dispensatie.
Dat de koning geen belastingen heffen kon, buiten toestemming van het
parlement, is sints onheuglijke tijden erkend als een eerste grondwetsartikel
van Engeland. Men vond deze bepaling onder die, welke Jan zonder Land op
aandrang der baronnen moest onderteekenen. Eduard I waagde het deze wet
te verbreken, doch hoe schrander, hoe machtig en populair hij ook geweest
is, ontmoette hij toch een tegenstand, die \'t hem raadzaam deed achten toe
te geven. Hij verbond zich derhalve uitdrukkelijk zoo voor zich als zijn op-
volgers, dat zij nooit meer bijdragen zouden heffen buiten toestemming en
vergunning der staten van het rijk. Zijn machtige en roemruchtige kleinzoon
trachtte deze plechtige verbintenis te schenden, doch met kracht werd die
poging geweerd. Eindelijk gaven de Plantagenets dit punt als verloren op.
Doch hoewel zij voortaan nalieten openlijk de wet te schenden, wisten
zij zich nochtans door wetsontduiking nu en dan buitengewone hulpmid-
delen te verschaffen voor tijdelijke behoeften. Het heffen van belastingen
was hun ontzegd, maar zij maakten aanspraak op het recht om beden te
1) Dit heeft de heer Hallam in het eerste hoofdstuk zijner constitutioneele geschie-
denis uitmuntend toegelicht.
-ocr page 48-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
= 4
doen en te leenen. Diensvolgens verzochten zij soms op een toon, die veel
van een gebod had, en somtijds leenden zij zonder ooit aan teruggeven
te denken. Doch het feit, dat het noodig geacht werd zulke afpersingen
met den naam van vrijwillige giften en leeningen te bemantelen, bewijst
ten volle, dat de geldigheid der groote grondwettige bepaling algemeen
erkend werd.
Het beginsel, dat de koning van Engeland gehouden was het bestuur des
lands in overeenstemming met \'s lands wetten te voeren en zijn raadslie-
den en dienaren verantwoordelijk waren, als hij iets tegen de wet deed, was
reeds in vroegere tijden aangenomen geweest, gelijk uit de strenge vonnissen,
die over vele koninklijke gunstelingen uitgesproken en aan hen ten uitvoer
gelegd zijn, ten duidelijkste blijkt. Het is nochtans zeker, dat de rechten van
bijzondere personen door de Plantagenets menigmaal gekrenkt werden, en dat
de lijdende partijen geen vergoeding konden erlangen. Naar luid der wet kon
geen Engelschman op het bloote bevelschrift des konings in hechtenis geno-
men of gehouden worden; met der daad echter, werden personen, die zich de
ongenade der regeering op den hals gehaald hadden, dikwijls op een enkel
koninklijk bevelschrift gevangen gezet. Naar luid der wet mocht de pijnbank,
deze schandvlek van het romeinsche recht, in Engeland nooit gebezigd wor-
den. Desniettemin werd gedurende de onlusten in de vijftiende eeuw een
pijnbank in den Tower gebracht, die, onder voorgeven van staatkundige nood-
wendigheid ook wel eens in werking gesteld werd. Doch het zou een groote
dwaling zijn, uit dergelijke misbruiken te willen afleiden, dat de macht der
engelsche vorsten schijnbaar of wezenlijk onbeperkt geweest zou zijn. Wij leven
thans in een hoogbeschaafde maatschappij, waar elke tijding door drukpers
en postboden zoo ras verspreid wordt, dat elke in \'t oog loopende gewel-
denarij, onverschillig in welk gedeelte van ons eiland bedreven, binnen
weinig uren de aandacht van millioenen tot zich zou trekken. Wilde een
engelsch koning nu, trots de Habeas-Corpus act \'), een zijner onderda-
nen doen opsluiten, of een samenzweerder doen pijnigen, de geheele natie zou
door die tijding als door een donderslag getroffen worden. In de middeleeu-
wen was de toestand der maatschappij geheel anders. Zelden en met groote
moeite kwamen de verongelijkingen, bijzondere personen aangedaan, ter ken-
nis van het algemeen. Vele maanden lang kon iemand in het kasteel van
Carlisle of van Norwich onwettiglijk opgesloten zijn, zonder dat daarvan te
Londen in het minst iets vernomen werd. Het is zeer waarschijnlijk, dat de
pijnbank sedert vele jaren in gebruik was, eer de groote meerderheid der
natie daarvan het geringste vermoeden had. Onze voorouders beseften dan
ook geenszins zoo levendig als wij, van welk belang het is groote grondbe-
ginselen te handhaven. Een langdurige ondervinding heeft ons geleerd, dat
wij geen enkele inbreuk op de staatsregeling zonder gevaar onopgemerkt
kunnen laten voorbijgaan. Derhalve is thans algemeen aangenomen, dat
een bestuur, \'t welk zonder noodzaak zijn bevoegdheid te buiten gaat, in het
\') Deze acte, die van 1679 dagteekent, regelt de wijze en de gronden van inhech-
tenisneming, en wordt door de Engelschen als een tweede Magna Charta beschouwd,
omdat zij een der krachtigste bolwerken voor de persoonlijke vrijheid in Engeland uit-
maakt.
                                                                                                        V.
-ocr page 49-
VOOR DE RESTAURATIE.
25
parlement ernstig gelaakt behoort te worden, en dat een bestuur, \'t welk
onder den druk der hoogste noodzakelijkheid en met de beste bedoelingen,
zijn macht overschrijdt, nochtans onverwijld een acte van kwijtschelding bij
het parlement behoort aan te vragen. Doch de Engelschen der veertiende
en der vijftiende eeuw dachten geheel anders over dat punt. Zij waren weinig
gezind om voor een bloot beginsel in de bres te springen of de stem te ver-
heffen tegen een onwettigheid, die zich niet tevens als grieve deed gevoelen.
Zoolang de geest van \'t bestuur in het algemeen toegevend en populair bleef,
stond het volk zijn souverein ook gaarne eenige ruimte toe. Zoo hij ter be-
reiking van algemeen als goed erkende doeleinden zijn wettige bevoegdheid
overschreed, vond hij niet slechts verschooning, maar zelfs bijval van het volk,
en zoolang het onder zijn bestuur veiligheid en voorspoed genoot, geloofde
het slechts al te gewillig, dat een ieder, die in ongenade bij den koning viel,
haar ten volle verdiende. Evenwel, deze toegeeflijkheid had haar grenzen; en
het waren onverstandige koningen, die te veel op de inschikkelijkheid der
engelsche natie rekenden. Zij veroorloofde hun wel eens de constutioneele
grenzen te buiten te gaan; doch zij kende zich zelve insgelijks het recht toe,
die grens te overschrijden, zoodra\'s vorsten aanmatigingen zoo ver gingen,
dat ze gegronde zorg verwekten. Wanneer hij zich niet vergenoegde met de
macht tot het verdrukken van enkelen, dan riepen zijn onderdanen al spoedig
de bescherming der wetten in, en was deze ongenoegzaam, dan deden zij al
schielijk een beroep op den krijgsgod.
Gewapende te- Zij konden inderdaad veilig eenige willekeur van den koning
wüo"""iilac!\'ïaïi dulden; want zij hielden een breidel in de hand, die des noods
verzet in de luid-                                                       -                          ..                  .         .                 , ,        ,
deieenw«n. den stoutsten en hcogmoedigsten koning rede deed verstaan,
den breidel der physieke kracht. Een Engeischman der negentiende eeuw
kan zich moeielijk voorstellen, hoe uiterst gemakkelijk en spoedig dit dwang-
middel vierhonderd jaar geleden aangewend werd. Sedert lang heeft het
volk het gebruik der wapenen verleerd. De krijgskunst heeft een bij onze
voorouders ongekende volmaaktheid erlangd en wordt bij uitsluiting door
een daartoe bestemden stand beoefend. Onder goede krijgstucht en leiding,
kunnen honderdduizend man vele millioenen arbeiders en burgers in toom
houden. Een paar regimenten van \'de koninklijke lijfwacht zijn toereikend
om al de woelgeesten der hoofdstad ontzag in te boezemen. Tevens heeft de
bestendige vermeerdering van den eigendom ten gevolge gehad, dat den-
kende menschen oneindig grooter vrees voor een opstand dan voor een slecht
bestuur hebben. Onnoemelijke schatten heeft men besteed aan werken, die
bij het uitbreken van een oproer binnen weinige uren vernield kunnen
worden, Alleen de vervoerbare waarde, die in de winkels en magazijnen van
Londen voorhanden is, bedraagt vijfhonderd maal meer dan de waarde van
al wat in de dagen der Plantagenets over het geheele eiland te vinden was; en
zoo het bestuur door ruw geweld omvergeworpen werd, zou heel dat vervoer-
baar vermogen in het grootste gevaar verkeeren van geroofd of vernield te
worden. Met nog grooter gevaar zou het openbaar crediet bedreigd zijn, waar-
van het bestaan van duizend huisgezinnen rechtstreeks afhangt en waarmede
het crediet der geheele handeldrijvende wereld onafscheidelijk verbonden is.
Het is niet overdreven te beweren, dat een burgeroorlog op engelschen bodem
-ocr page 50-
26                                   GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
in een enkele week gevolgen zoude na zich sleepen, die zich van de oevers
van den Hoangho tot aan de Missouri zouden doen gevoelen, en waarvan de
sporen na verloop van eeuwen nog merkbaar zouden zijn. In zulk een staat der
maatschappij moet gewapende tegenstand voor een geneesmiddel gehou-
den worden, dat wellicht gevaarlijker is dan eenig ander euvel, waaraan de
Staat kan lijden. In de middeleeuwen was daarentegen gewapend verzet het
gewone hulpmiddel tegen staatkundige misslagen; dit middel was altijd bij
de hand, en, hoezeer van krachtige en spoedige werking, had het nochtans
geen noodlottige of blijvende gevolgen. Wanneer een populair leider zijn vaan
verhief in een populaire zaak, kon hij in een enkelen dag een ongeoefend leger
op de been brengen. Een geoefend leger was niet voorhanden. Min of meer
soldaat was iedereen, doch schaarsch waren de krijgers, die iets meer dan de
oppervlakkigste kennis of oefening bezaten. Het vee, de oogst van het loopende
jaar en de eenvoudige woonsteden des volks maakten het vermogen der natie
uit. Al de destijds in het geheele rijk aanwezige meubelen, winkelwaren en
werktuigen waren van geringer waarde dan de have, die men nu soms in enkele
gemeenten bijeenvindt. De nijverheid leverde slechts ruwe voortbrengselen
op; crediet was nagenoeg onbekend. De maatschappij herstelde zich der-
halve van den verkregen schok, zoodra de strijd geëindigd was. De rampen
des burgeroorlogs bepaalden zich bij de slachting op het oorlogsveld en
bij de daaropvolgende strafoefeningen en verbeurdverklaringen. Na ver-
, loop van weinig dagen dreef de boer zijn kudde en de landjonker het wild
weder over de velden van Towton of van Bosworth, alsof daar geen buiten-
gewone gebeurtenissen den geregelden loop der menschelijke bedrijven ge-
stremd hadden.
Ruim honderd zestig jaren zijn nu verstreken, sedert het engelsche volk
met geweld een bestuur omvergeworpen heeft. In de honderd zestigjaren, die
de verzoening der partijen van York en Lancaster voorafgingen, hadden negen
koningen in Engeland het bewind gevoerd. Van deze negen werden er zes
onttroond. Vijf dier koningen verloren het leven zoowel als de kroon. Het is
dus blijkbaar, dat elke vergelijking tusschen onze oude en onze hedendaagsche
staatsregeling tot zeer onjuiste gevolgtrekkingen moet leiden; tenzij menden
invloed der door tegenstand en door vrees voor tegenstand geboden omzichtig-
heid van de Plantagenets ruimschoots in aanmerking neme. Wijl onze voor-
ouders een belangrijken waarborg tegen dwingelandij bezaten, behoefden zij
veel minder dan wij, wien hij ontbreekt, op sommige andere waarborgen te
letten, die door ons te recht van het hoogste belang geacht worden. Daar wij
ons niet met geweld tegen een slechte regeering kunnen verzetten zonder ons
aan rampen bloot te stellen, waarvoor de verbeelding terugdeinst, zoo is het
blijkbaar onze zaak alle grondwettige middelen van verzet tegen een slecht
bestuur in den meest bruikbaren staat te houden, de eerste beginselen van
overtreding naijverig gade te slaan en nimmer te dulden, dat ongrondwettige
handelingen, hoe onschuldig ze op zich zelve ook zijn mogen, onopgemerkt
voorbijgaan, opdat ze niet de kracht van antecedenten verkrijgen. Vier hon-
derd jaar geleden mocht men een zoo stipte waakzaamheid overbodig ach-
ten. Een natie van geoefende boogschutters enlansknechtenkon, zonder gevaar
voor haar vrijheid enkele onwettige handelingen dulden van vorsten, wier
-ocr page 51-
VOOR DE RESTAURATIE.
27
bestuur over het algemeen voldeed en wier troon door geen enkel vaandel
van liniesoldaten verdedigd werd.
Onder dit stelsel, hoe onbeschaafd het ook moge schijnen in vergelijking
met de doorwrochte grondwetten, waarin de laatste zeventig jaren zoo vrucht-
baar zijn geweest, genoten de Engelschen gedurende langen tijd een ruime
mate van vrijheid en voorspoed. Ofschoon de staat tijdens het zwakke be-
stuur van Hendrik VI aanvankelijk door partijen en vervolgens door burger-
oorlog verdeeld werd; ofschoon Eduard IV een losbandig en heerschzuchtig
vorst was; ofschoon Richard III doorgaans als een monster van snoodheid
voorgesteld wordt; ofschoon de afpersingen, door Hendrik VIIgepleegd, veel
gemor deden ontstaan, zoo is het nochtans zeker, dat onze voorouders onder
die koningen veel beter bestuurd werden dan de Belgen onder Philips bijge-
naamd de Goede, of de Franschen onder dien Lodewijk, dien men den vader
zijns volks noemde. Ja, zelfs gedurende het woeden der oorlogen van de
rozen schijnt ons land in gelukkiger toestand verkeerd te hebben, dan de
naburige staten in tijden van diepen vrede. Comines was een der verlichtste
staatsmannen van zijn tijd. Hij had al de rijkste en meest beschaafde volken
van het vaste land gezien. Hij had zich in de welvarende vlaamsche steden,
de Manchesters en Liverpools der vijftiende eeuw, opgehouden. Hij had
Florence bezocht, korte jaren geleden door den kunstlievenden Lorenzo van
Medici verfraaid, en Venetië, vóór dat de stad door de bondgenooten van
Kamerijk vernederd was \'). Deze uitmuntende beoordeelaar noemde Enge-
land bepaald het best bestuurde land, dat hij kende. Met geestdrift sprak
hij van de engelsche staatsregeling, welke hij een heilige en rechtvaardige
instelling noemde, die niet alleen den volken tot bescherming, maar ook den
vorst, die haar eerbiedigde, tot wezenlijken steun strekte. In geen ander
land, zeide hij, waren de menschen zoo degelijk voor onrecht beveiligd. De
rampen, die uit onze inwendige oorlogen voortvloeiden, schenen hem toe
zich niet verder uit te strekken dan tot den adel en de krijglieden, en geen
sporen na te laten, zoo als hij elders gezien had, geen verwoeste woningen,
geen ontvolkte steden.
B«irdnd"e Het was niet alleen door de krachtige beperking van de konink-
aristóKt\'i\'.,. 1\'jke macht, dat Engeland zich zoo gunstig van de meeste der
naburige landen onderscheidde. Van gelijk belang was een vaak minder
opgemerkte bijzonderheid, het verband namelijk dat hier tusschen den adel
en de overige klassen bestond. Een machtige erfelijke aristokratie was
hier aanwezig; maar onder alle erfelijke aristokratieën was deze wel de
minst aanmatigende of ongenaakbare. Zij had niets van den hatelijken
aard eener kaste. Bij voortduring nam zij leden van het volk in zich op,
en bij voortduring daalden haar nakomelingen tot het volk af om er zich
mede te vermengen. Elk gentleman kon den rang van pair verwerven. De
jongere zoon eens pairs was slechts een gentleman. Kleinzonen van een
pair volgden in rang op nieuw benoemde ridders. Tot de waardigheid van
1) De keizer van Duitschland en de koningen van Frankrijk en van Spanje sloten
in 1508 een verbond, met het doel de trotsche republiek ten onder te brengen, die
toen met moeite haar bestaan redde, doch he t vroegere overwicht nooit herkreeg. V.
-ocr page 52-
2S
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
ridder kon een ieder het brengen, die door vlijt en zuinigheid grondbezit
verworven, of door dapperheid in het veld de aandacht getrokken had.
Men achtte het geen vernedering voor de dochter eens hertogs, ja zelfs
van een hertog van koninklijken bloede, dat zij met een aanzienlijk en
boven anderen uitmuntend commoner huwde. Sir John Howard, bij voor-
beeld, huwde met de dochter van Thomas Mowbray, hertog van Norfolk \').
Sir Richard Pole trouwde met de gravin van Salisbury, dochter van den
hertog George van Clarence. Adellijk bloed, wel is waar, werd zeer in
eere gehouden, doch tot geluk van ons land was er tusschen adellijk bloed
en de voorrechten van het pairschap geen noodzakelijk verband. Men be-
hoefde niet enkel in het Huis der Lords naar lange stamboomen of oude
geslachtwapens te zoeken. Personen, pas tot aanzien gerezen, droegen soms
de hoogste titels. Mannen, die bekend stonden als nakomelingen van rid-
ders, die in den slag bij Hastings de Saksische gelederen verbroken, die
de muren van Jeruzalem beklommen hadden, waren soms zonder eenigen
titel. Men vond Bohuns, Mowbray\'s, De Veres, ja zelfs nabestaanden van het
geslacht der Plantagenets, die geen hooger titel voerden dan van Esquire,
en geen grooter voorrechten genoten dan elke pachter of koopman. Hier be-
stond derhalve
geen grenslijn, zoo als die, welke in andere landen den
patriciër van den plebejer scheidt. De Yeoman was niet geneigd over het
bestaan van waardigheden te morren, waartoe zijn eigen kinderen verheven
konden worden. De hooge adel was niet geneigd een stand te vernederen,
tot welken zijn eigen kinderen moesten afdalen
2).
1) Norfolk is het eerste adellijke huis in Engeland, waarvan het hoofd onmiddellijk
op de koninklijke familie in rang volgt. Sir John was een der voornaamste kampioenen
van Eduard IV.
                                                                                                        V.
\') Tusschen deze en de volgende zinsnede, waarin nagenoeg alle rangen der engel-
sche maatschappij met name genoemd worden, zal een verklaring der beteekenis van
zoodanige benamingen wel het best op haarplaats zijn.
Wat in Engeland de adel (the nohility) genoemd wordt, is eigenlijk slechts de hoogere
adel, namelijk de hertogen, markiezen, graven, burggraven en baronnen, fdie allen den
titel van lord voeren) benevens hun oudste zonen. Aan de hoogere dezer adellijke rangen
(hertogen, markiezen, graven, en burggraven) zijn, naarmate van den rang, een of meer
der geringere lordstitels, (markies, graaf, burggraaf of baron) verbonden, die hoffelijk-
heidshalve (by conrtesy) ook door de oudste der jongere zonen of broeders gevoerd
worden, hoezeer het hoofd des huizes bij alle voegzame gelegenheden al zijn titels
meldt. Uit de hoofden dezer adellijke huizen wordt in het parlement de stand der wereld-
lijke pairs gevormd, die daar den adelstand, den tweeden der in het britsche rijk erkende
standen, vertegenwoordigt.
Zij worden wereldlijke lords (temporal lords) genoemd, in tegenstelling van de geeste-
lijke lords (spiritual lords),
bestaande in de aartsbisschoppen en bisschoppen, die in het
Parlement den eersten der gemelde drie standen, den geestelijken stand, vertegenwoor-
digen met wier kerkelijke waardigheid de lords-titel verbonden is. Deze twee standen
vormen te zamen het hoogerhnis van het parlement.
De derde stand is die der gemeenen of commoners {the commonalty), die in het parle-
ment door het lagerhuis of huis der gemeenten vertegenwoordigd zijn. Tot dezen stand
behoort het gansche overige volk, de jongere zonen der nobility, die geen recht op
een lordstitel hebben, de ridders, baronets enz., de burgers en de yeomen, zoowel als
de geringste arbeiders.
Het woord gentleman wordt, zoo als bekend is, in het algemeen op elk beschaafd en
welopgevoed man toegepast; strikt genomen komt het hun slechts toe, die, hetzij door
-ocr page 53-
VOOR DE RESTAURATIE.
39
Na de oorlogen van York en Lancaster werden de bestaande banden tus-
schen den hoogen adel (nobility) en de commonalty nauwer en menigvuldi-
ger dan ooit. De omvang der ramp, die de oude aristokratie getroffen had,
kan men uit een enkele omstandigheid opmaken. In het jaar 1451 riep
Hendrik VI drie-en-vijftig wereldlijke lords naar het parlement. De wereld-
lijke lords, die door Hendrik VII naar het parlement van 1485 beroepen wer-
den, waren slechts ten getale van negen en twintig; en onder dit getal
bevonden zich verscheidenen, eerst onlangs tot het pairschap verheven. In
de eerstvolgende honderd jaren werd de adellijke stand met een aantal leden
uit de gentry vermeerderd. De aard der samenstelling van het huis der Ge-
meenten bevorderde in hooge mate de heilzame onderlinge vermenging der
standen. De ridder van het graafschap vormde de schakel tusschen den win-
kelier en den baron. Op dezelfde banken, waar de door de handelsteden tot
het parlement verkozen goudsmeden, lakenkoopers en kruideniers zitting
namen, zaten ook u-den, die in elk ander land edellieden genoemd zouden
zijn; erfheeren van landgoederen, gerechtigd tot het voeren eener eigen hof-
houding en van een eigen wapenschild, en die eendoor vele geslachten voort-
gezette aanzienlijke afkomst konden bewijzen. Sommigen konden zelfs op
koninklijk bloed roemen. Eindelijk stelde zich de oudste zoon van een graaf
van Bedford, die volgens het gebruik den tweeden titel zijns vaders droeg*
candidaat voor het lidmaatschap van het lagerhuis, en zijn voorbeeld vond
bij anderen navolging. Eenmaal in dit huis zittende werden natuurlijk de erf-
genamen der rijksgrooten even ijverige voorstanders der privilegiën, als de
eenvoudige burgers, die zij daar aantroffen. Onze demokratie was dan ook
van een vroeg tijdperk af de meest aristokratische, onze aristokratie de meest
demokratische der wereld; een bijzonderheid, die nog heden voortduurt,
en die op staatkundig en zedelijk gebied vele belangrijke gevolgen gehad
heeft.
"\'ïïdo?.1!" Het bestuur van Hendrik VII, van zijn zoon en zijn kleinkinderen
was over het algemeen willekeuriger dan dat der Plantagenets. Dit onder-
scheid kan men wellicht aan hun persoonlijk karakter toeschrijven; want
moed en een vaste wil waren al de mannen en vrouwen van het huis Tudor
eigen. Gedurende een tijdperk van honderdtwintig jaar voerden zij het ge-
zag altijd met kracht, dikwerf met hartstochtelijke drift, soms met wreed-
afstamming, door een min of meer aanzienlijke of deftige stelling iu de maatschappij of
door een onafhankelijk bestaan, aanspraak op eenige onderscheiding kunnen maken.
Wordt nu de gentry of stand der gentlemen genoemd, dan mag men, vooral in histoii-
sche geschriften, veilig aannemen, dat hiermede voornamelijk, zoo niet uitsluitend, de
gegoede eigenaren, de afstammelingen of bloedverwanten van voorname huizen, de
magistraatspersonen, in één woord, de deftigste lieden van den burgerstand gemeend
zijn. Esquire is een titel, die reeds meer uitsluitend de gentry toekomt, doch die bijna
niet minder misbruikt wordt dan die van gentleman.
Yeoman is de naam der kleine landeigenaars, die doorgaans met eigen handen hun
grond bebouwen, die bevoegd zijn als kiezers van parlementsleden, en als leden der
juryrechtbanken op te treden, en die tot een landmilitie behooren, welke in de engel-
sche geschiedenis sedert eeuwen een belangrijke rol gespeeld heeft, en in geval van
nood bijna altijd met den loffelijksten moed en ijver en met de beste uitkomst, rust-
bewaardersdienst verricht.
                                                                             V.
-ocr page 54-
3o
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
heid. Op het voetspoor der dynastie, die hen was voorgegaan, verkortten zij
soms de rechten van bijzondere personen, eischten zij bij wijlen schattingen
onder den naam van leeningen en van vrijwillige bijdragen, en stelden zij ook
wel strafbepalingen buiten werking; en hoezeer zij zich nimmer verstoutten
op eigen gezag een blijvende wet af te kondigen, namen zij het toch, als het
parlement niet vergaderd was, op zich door tijdelijke bevelschriften in tijde-
lijke behoeften te voorzien. Evenwel, zelfs de Tudors waren niet bij machte
de verdrukking boven zekere mate te verzwaren; want zij hadden geen ge-
wapende macht onder hun bevelen en waren van een gewapend volk omringd.
Het paleis werd slechts door weinige huisbedienden bewaakt, welke de krijgs-
macht van een enkel graafschap of van een enkele wijk van Londen met ge-
mak overmeesterd zou hebben. Deze hoogmoedige vorsten stonden dus onder
een bedwang, sterker dan bloote wetten kunnen opleggen, een bedwang, dat
hen voorzeker niet hinderde enkele personen soms met willekeur en zelfs
met barbaarschheid te behandelen, maar dat de natie wezenlijk voor alge-
meene en langdurige onderdrukking beveiligde. Zij konden gerust tyrannen
zijn binnen den kring hunner hovelingen, maar de stemming der natie moes-
ten zij bestendig en nauwlettend gadeslaan. Hendrik VIII, bij voorbeeld, vond
geen tegenstand, toen hij Buckingham en Surrey, Anne Boleyn en lady Salis-
bury naar het schavot verwees, maar toen hij buiten het parlement van zijn
onderdanen een schatting eischte ten bedrage van een zesde hunner goede-
ren, vond hij zich weldra genoodzaakt den eisch in te trekken. De leus van
honderdduizenden was, dat zij Engelschen waren en geen Franschen, vrije
mannen en geen slaven. In Kent moesten de koninklijke commissarissen hun
leven door de vlucht redden. In Suffolk grepen vierduizend man naar de
wapenen, en de dienaren des konings deden in dat graafschap vergeefsche
moeite om een leger op de been te brengen. Zij, die zich bij den opstand
niet aansloten, verklaarden in zulk een strijd niet tegen hun broeders te
willen kampen. Hoe trotsch en laatdunkend Hendrik ook was, deinsde hij,
en niet zonder grond, terug voor een worsteling met den vertoornden geest
der natie. Hij had het lot zijner voorgangers voor oogen, die te Berkeley
en te Pomfret omgekomen waren. Hij trok niet alleen zijn onwettige bevelen
in; niet alleen verleende hij gratie aan al de ontevredenen, maar in het
openbaar en plechtig vroeg hij verschooning voor de op de wetten ge-
pleegde inbreuk.
Zijn handelwijze te dezer gelegenheid werpt een helder licht op de door
zijn geslacht gevolgde staatkunde. De inborst der vorsten van dien stam
was vurig en hun moed groot; maar zij kenden het karakter der natie, die zij
regeerde, en nimmer dreven zij de stijfhoofdigheid tot noodlottige uitersten,
zoo als sommige hunner voorgangers en opvolgers gedaan hebben. Het
beleid der Tudors was zoo groot, dat hun macht, hoewel ze dikwerf weer-
stand vond, toch nooit omvergeworpen werd. Elk hunner heeft zijn bestuur
door gevaarlijke volksbewegingen \'verontrust gezien; doch de regeering
slaagde er steeds in de muitelingen tevreden te stellen of ze ten onder te
brengen en te straffen. In enkele gevallen trachtten zij door tijdig toegeven
den burgeroorlog te keeren; doorgaans echter bleef zij volharden en deed
een beroep op de hulp der natie. De natie gaf gehoor aan die stem, schaarde
-ocr page 55-
3l
VOOR DE RESTAURATIE.
zich om haar vorst en stelde hem in staat de ontevreden minderheid te
bedwingen.
Zoo nam Engeland, van den tijd van Hendrik III tot dien van Elizabeth,
toe in macht en bloei, onder een staatsregeling, die de kiem onzer tegenwoor-
dige instellingen in zich droeg, en die, hoewel niet met stiptheid omschreven
noch ook altijd stipt nageleefd, nochtans voor ontaarding in despotisme
degelijk gevrijwaard bleef door het ontzag, dat de heerschers voor den moed
en de kracht der beheerschten koesterden.
Maar zulk een staatsregeling past alleen voor een bijzonder tijdperk in de
ontwikkeling der maatschappij. Dezelfde oorzaken, die in de kunsten des
vredes aanleiding tot de verdeeling van den arbeid gaven, moesten eindelijk
ook de krijgskunst tot een afzonderlijke wetenschap en tot een afzonderlijk
bedrijf maken. Er komt een tijd, waarin de wapenhandel aanvangt het onder-
werp der aandacht van een afzonderlijken stand te worden. Het blijkt alras,
dat landlieden en burgers, zelfs met de grootste dapperheid, het veld niet
kunnen houden tegen ervaren soldaten, wier geheele leven slechts ée\'ne voor-
bereiding tot het slagveld is, wier zenuwen verstaald zijn door langdurige ge-
meenzaamheid met gevaar, en die zich zoo regelmatig en zeker bewegen als
de raderen eens uurwerks. Het wordt duidelijk, dat de bescherming der vol-
keren niet langer aan krijgers toevertrouwd kan worden, die voor een veld-
tocht van weinig weken van den ploeg of den weefstoel gehaald worden.
Richt de eene staat een geregeld leger op, dadelijk moeten de naburige staten
dat voorbeeld volgen, of zich aan een vreemd juk onderwerpen. Waar echter
een geregeld leger bestaat, kan een beperkte monarchie in den trant dergenen,
die in de middeleeuwen bestonden, niet meer blijven bestaan. De koning is
al dadelijk van de voornaamste beperking zijner macht ontslagen; en het kan
niet anders, of zijn macht wordt onbepaald, zoo hij niet aan nieuwe beperkin-
gen onderworpen wordt, die overtollig zouden zijn in een maatschappij, waar
iedereen krijgsman is als het te pas komt, maar waar niemand voortdurend de
wapenen draagt.
De beperkte Met het gevaar kwamen ook de middelen tot afwending. In de
middeleeuwen middeleeuwsche monarchieën bezat de vorst de macht van het
doorgaans in
onbeperkte zwaard j doch de natie hield de koorden van de beurs, en de
monarchieën                                                                                                                                          \'
veranderd, vooruitgang der beschaving deed, naarmate hij het zwaard der
vorsten bij de natie al meer en meer gevreesd maakte, den vorst al meer en
meer behoefte gevoelen aan de geldelijke ondersteuning der natie. Zijn erfe-
lijke inkomsten waren niet meer toereikend om ook slechts de kosten der
civiele administratie te bestrijden. Volstrekt onmogelijk was het hem zonder
een geregeld en veelomvattend belastingstelsel, een groote en welgeoefende
legermacht voortdurend strijdvaardig te houden. De staatkunde, welke de
parlementaire vergaderingen in Europa hadden behooren aan te nemen, zou
hebben moeten strekken om haar grondwettig recht op het toestaan of
weigeren van geld onwrikbaar te handhaven, en standvastig bijdragen tot het
onderhoud van legers te weigeren, zoolang men geen hechte waarborgen tegen
het despotisme verkregen had.
Deze wijze staatkunde werd alleen in ons land gevolgd. In de naburige
rijken werden krijgsinrichtingen op een grooten voet geregeld en geen nieuwe
-ocr page 56-
32                                   GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
waarborgen voor de openbare vrijheid beraamd; hieruit volgde de spoedige
ontbinding der oude parlementaire instellingen in al die landen. In Frankrijk,
waar zij nooit veel levenskracht bezeten hadden, kwijnden zij en verdwenen
ten laatste van louter zwakte. In Spanje, waar zij zoo machtig geweest waren
als in eenig ander gedeelte van Europa, streden zij woedend om haar behoud,
maar zij streden te laat. Vergeefs verdedigden de nijvere werklieden van
Toledo en Valladolid de voorrechten der Castiliaansche Cortes tegen de oude
krijgsbenden van Karel V. Even vruchteloos stonden later de burgers van
Saragossa tegen Philips II op, om de oude constitutie van Aragonié te be-
houden. De groote nationale raadsvergaderingen der monarchieën van het
vaste land, vergaderingen, die eenmaal weinig minder fier en machtig ge-
weest waren dan die, welke te Westminster zetelden, vervielen de eenenade
andere tot volslagen onmacht. Kwamen zij bijeen, dan hadden deze bijeen-
komsten, gelijk aan onze hedendaagsche convocatiën \'), alleen de vervulling
van aloude vormen ten doel.
De Engelsche In Engeland namen de gebeurtenissen een anderen keer. Uit bij-
maakt hierop zonder geluk had het land voornameiijk aan zijn insulaire ligging
een ïeldzame                 °                                                                             \'                          °° °
uitzondering, te danken. Voor het einde der vijftiende eeuw reeds waren groote
staande legers onmisbaar voor de waardigheid en zelfs voor de veiligheid der
fransche en der spaansche monarchieën. Zoo een dier mogendheden haar
krijgstoestel afgeschaft had, zou ze zich spoedig aan de eischen der andere
hebben moeten onderwerpen. Maar Engeland, door de zee tegen invallen be-
schermd en slechts zelden in krijgsbedrijven op het vasteland betrokken, was
nog niet tot het bezigen van geregelde troepen genoodzaakt. De zestiende, de
zeventiende eeuw verschenen, zonder dat Engeland nog een staand leger had.
In den aanvang der zeventiende eeuw had de wetenschap der staatkunde groote
vorderingen gemaakt. Het lot der spaansche cortes en der fransche staten-
generaal had onzen parlementen tot plechtige waarschuwing gestrekt. De
aard en de grootheid des gevaars volkomen beseffende, namen zij te goeder
ure een beleidvolle taktiek aan, die hen na een door drie geslachten voortge-
zette worsteling eindelijk tot het doel bracht.
Bijna elk der schrijvers, die over dezen tijd gehandeld hebben, tracht te
bewijzen, dat het zijn partij was, die voor het onveranderd behoud der
oude staatsregeling kampte. Doch de waarheid is, dat de oude staatsregeling
niet onveranderd behouden kop worden. Een macht, welker gezag boven alle
menschelijke wijsheid verheven is, had besloten, dat er voortaan geen regee-
ringstelsels van dien bijzonderen aard in wezen zouden blijven, die in de veer-
tiende en vijftiende eeuw in Europa algemeen geweest waren. Het was dus de
vraag niet, of onze staatsregeling een wijziging zou ondergaan, maar wel, van
welken aard die wijziging zijn zou. Het ontstaan eener nieuwe en sterke macht
had het vroeger evenwicht verbroken en de eene beperkte monarchie na de
andere in onbeperkte monarchieën veranderd. Wat elders gebeurd was, zou
ongetwijfeld ook hier hebben plaats gegrepen, ware het evenwicht niet her-
*) De bijeenkomst der voogden van de Engelsche kerk. Elke aartsbisschop roept
ze van tijd tot tijd op, om aan den ouden vorm te voldoen en verdaagt ze daarna
onmiddellijk weder.
                                                                                      V.
-ocr page 57-
VOOR DE RESTAURATIE.                                         33
steld door het overbrengen van een belangrijk gedeelte der macht van de
kroon op het parlement. Onze vorsten stonden op het punt dwangmiddelen
te hunner beschikking te krijgen, zoo als geen Plantagenet of Tudor ze ooit
bezeten had. Zij hadden onvermijdelijk despoten moeten worden, indien hun
niet tenzelfden tijde perken gesteld waren, die geen Plantagenet of Tudor
immer gekend heeft.
enDha»r"°™i£fn. Het schijnt dus zeker, dat bijaldien ook geen andere dan staat-
kundige redenen daartoe aanleiding gegeven hadden, de zeventiende eeuw
niet zonder een felle worsteling tusschen onze koningen en hun parlementen
zou afgeloopen zijn. Maar andere en wellicht krachtiger oorzaken werkten
tot zulk een uitkomst mede Terwijl het bestuur der Tudors nog in zijn hoog-
sten bloei stond, had een gebeurtenis plaats, die van den grootsten invloed
was op het lot van alle christenvolkeren, en inzonderheid op het lot van
Engeland. In den loop der middeleeuwen had zich de geest in Europa twee-
maal tegen de heerschappij van Rome verheven. De eerste opstand barstte in
het zuiden van Frankrijk uit. De wilskracht van Innocentius III, de ijver der
nieuwe orden van Franciscus en Dominicus, en de wreedheid der kruisvaar-
ders, welke de geestelijkheid tegen een vreedzaam volk aanhitste, onderdruk-
ten de Albigensische gemeenten. De tweede hervorming had haar oorsprong
in Engeland en sloeg van daar tot Bohème over. Het was der kerkvergadering
van Constanz door de afschaffing van eenige kerkelijke misbruiken, die der
Christenheid tot ergernis gestrekt hadden, en den vorsten van Europa, door
een meêdoogenlooze vervolging der ketters te vuur en te zwaard, gelukt, de
beweging meester te worden en ze te onderdrukken. Er bestaat geen reden
om over dien afloop te treuren. Natuurlijk zal een protestant zich tot de Al-
bigenzen en de Lollards aangetrokken gevoelen, doch een verlicht en gema •
tigd protestant zal misschien betwijfelen, of de zege der Albigenzen of der
Lollards over \'t geheel wel tot bevordering van geluk en deugd gestrekt zou
hebben. Hoe verdorven de roomsche kerk ook was, mag men toch met grond
aannemen dat, wanneer die kerk reeds in de twaalfde of zelfs in de veertiende
eeuw in verval geraakt was, een of ander nog meer verdorven stelsel de leemte
zou hebben aangevuld. Er was toen zeer weinig kennis in het grootste gedeelte
van Europa, en dat weinige vond men alleen onder de geestelijken. Nauwe-
lijks één man van de vijfhonderd zou in staat geweest zijn een psalm van a tot
z te lezen. Boeken waren zeldzaam en kostbaar. De boekdrukkunst was nog
onbekend. Afschriften van den bijbel, in schoonheid en duidelijkheid verre
ten achteren bij de afdrukken, die elk daglooner zich thans kan aanschaffen,
brachten destijds prijzen op, die menig priester niet in staat was te geven.
Het was blijkbaar onmogelijk, dat de leeken zelve de schrift raadpleegden.
Waarschijnlijk zouden zij dus na het afleggen van het eene geestelijke juk
zich een ander op den bals gehaald hebben, en de invloed, dien de roomsche
geestelijkheid bezat, zou op een veel minder geschikte klasse van leeraars
zijn overgegaan. De zestiende eeuw was betrekkelijk een verlicht tijdvak.
Maar zelfs in de zestiende eeuw volgde een aanzienlijk getal dergenen, die
het oude geloof opgaven, den eersten den besten stoutmoedigen en welbe-
spraakten gids, die zich aanbood, en verviel zoodoende al ras tot veel ernstiger
dwalingen, dan die zij pas afgezworen hadden. Aldus konden Matthias en
MACAULAY I.                                                                                                                3
-ocr page 58-
34
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
Knipperdolling, deze apostelen van roof, moord en wellust, een tijd lang
groote steden naar hun hand zetten. In een nog duisterder eeuw hadden
zulke valsche profeten nieuwe rijken kunnen stichten en het Christendom
had tot een wreedaardig bijgeloof verwrongen kunnen worden, dat niet alleen
het Pausdom, maar zelfs het Islamisme in schadelijkheid zou hebben over-
troffen.
Ongeveer honderd jaar na het concilie van Constanz nam de groote om-
keer een aanvang, die bij uitnemendheid, de Hervorming genoemd wordt. De
tijd was nu daartoe rijp geworden. De wetenschap was niet meer uitsluitend
of bij voorkeur het eigendom der geestelijkheid. De uitvinding der boekdruk-
kunst had den bestrijders der kerk een krachtig wapen aan de hand gedaan,
dat hun voorgangers ontbroken had. De studie der oudere schrijvers, de snelle
krachtsontwikkeling der nieuwe talen, de voorbeeldelooze werkzaamheid,
waarmede alle vakken van letterkunde beoefend werden, de staatkundige
toestand van Europa, de ondeugden van het hof van Rome, de afpersingen
van de romeinsche schatkist, de naijver, dien de overdaad en de voorrechten
der geestelijkheid natuurlijk bij de leeken wekten, de afgunst waarmede
even natuurlijk het italiaansche overwicht beschouwd werd door mannen,
die aan deze zijde der Alpen geboren waren, dit alles gaf den verbreiders der
nieuwe leer een steun, waarvan zij een\'uitmuntend gebruik wisten te maken.
Zij, die van oordeel zijn. dat in de duistere eeuwen de invloed der room-
sche kerk, over \'t geheel genomen, tot heil des menschdoms gestrekt heeft,
kunnen evenwel, zonder met zich zelve in strijd te komen de hervorming een
onwaardeerbare zegening noemen. De leiband, die het kind beveiligt en
staande houdt, zou den volwassen man slechts hinderen. Evenzoo kunnen
dezelfde middelen, die den menschelijken geest in het ééne tijdperk zijner
ontwikkeling gunstig en bevorderlijk zijn, op een later tijdstip louter tot be-
lemmering strekken. Er bestaat een punt in \'t leven van enkelen, zoowel als in
dat van de geheele maatschappij, waar onderwerping en geloof, die in later
dagen met recht slaafschheid en lichtgeloovigheid genoemd zouden worden,
nuttige hoedanigheden zijn. Een kind, dat leerzaam en geloovig naar de les-
sen van ouderen luistert, zal waarschijnlijk rasse vorderingen maken. Een
man echter, die met kinderlijke gehoorzaamheid elke bewering of elke stelling
eens anderen aannam, die niet wijzer is dan hij, zou zich verachtelijk maken.
Evenzoo is het met maatschappijen gesteld. De kindsheid der europeesche
volken stond onder de voogdij der geestelijkheid. Het overwicht van den
geestelijken stand was langen tijd de natuurlijke en gepaste meerderheid, die
aan intellectueele ontwikkeling toekomt. Ondanks al hun gebreken maakten
de priesters toch nog verreweg het verstandigste gedeelte der maatschappij
uit. Over \'t geheel fjenomen was het dus goed, dat zij ontzien en gehoorzaamd
werden. De inbreuken, die de geestelijke macht zich op het wereldlijk gebied
veroorloofde, veroorzaakten veel meer onheil, zoolang deze macht zich in han-
den bevond van den eenigen stand, die geschiedkunde, wijsbegeerte en open-
baar recht beoefend had, en de wereldlijke macht aan onbeschaafde heer-
schers behoorde, die hun eigen leenbrieven en edicten niet lezen konden.
Doch een omkeer had plaats. Van lieverlede verkregen de leeken grooter
kennis. In den aanvang der zestiende eeuw stonden velen hunner in alle
-ocr page 59-
35
VOOR DE RESTAURATIE.
vakken der wetenschap volkomen gelijk met hun meest verlichte geestelijke
herders. De heerschappij, die in de duistere eeuwen spijt vele misbruiken
een gewettigde en heilzame voogdijschap geweest was, werd voortaan een
onrechtmatige en schadelijke dwingelandij
Van den tijd, toen de barbaren het westersche rijk overstroomden, tot op
dien van het herleven der letteren, was de invloed der roomsche kerk in
het algemeen der wetenschap, der beschaving en der verbetering van het
staatsbestuur gunstig geweest. Maar in de laatste drie eeuwen heeft zij er zich
voornamelijk op toegelegd den vooruitgang van den menschelijken geest te
stremmen. Al de vorderingen, die de wetenschap, de vrijheid, de welvaart
en de kunsten des levens in de landen der christenheid gemaakt hebben,
vonden plaats ten spijt van haar en stonden overal in een omgekeerde ver-
houding tot haar macht. De heerlijkste en vruchtbaarste provinciën van ons
werelddeel zijn onder haar invloed tot armoede, tot staatkundige afhankelijk-
heid en tot intellectueele verdooving vervallen; terwijl protestantsche landen,
wier onvruchtbaarheid en barbaarschheid eenmaal spreekwoordelijk waren,
door kunst en vlijt in vruchtbare dreven herschapen zijn en zich op een
lange reeks van helden en staatsmannen, van wijsgeeren en dichters kunnen
beroemen.
Een ieder, die de natuurlijke gesteldheid van Italië en van Schotland kent
en den toestand, waarin deze landen vierhonderd jaar geleden verkeerden,
zal zich eenig denkbeeld kunnen vormen van de vruchten der pauselijke
heerschappij, wanneer hij de omstreken van Rome vergelijkt met die van
Edinburg. Het verval van Spanje, eenmaal de eerste onder de monarchieën,
tot den toestand van de diepste vernedering, de verheffing van Holland, dat
met zoo vele natuurlijke hindernissen te kampen had, tot een rang, dien een
zoo klein gemeenebest nimmer te voren bereikte, levert dezelfde les voor
ons op. Elk een die in Duitschland het gebied eens roomsch-katholieken
vorstendoms verlaat voor dat van een protestantsch vorstendom, die in Zwit-
serland van een roomsen naar een protestantsch kanton, in Ierland van een
roomsch naar een protestantsch graafschap komt, ziet een lager trap van
beschaving door de kenmerken eener hooger cultuur vervangen. Hetzelfde
verschijnsel vertoont zich aan de overzijde des Oceaans. De protestanten in
de Vereenigde Staten zijn oneindig verder gekomen dan de roomsch-katho-
lieken in Mexico, Peru en Brazilië. De roomsch-katholieken in Neder-Canada
blijven traag en werkeloos, terwijl de bedrijvigheid en ondernemingsgeest
der protestanten in alle omliggende landen de hoogste levendigheid ver-
spreidt. De Franschen hebben ontegenzeggelijk een kloekmoedigheid en
schranderheid aan den dag gelegd, die zelfs onder verkeerde leiding hun
nochtans rechtmatige aanspraak op den naam eener groote natie geeft, maar
deze schijnbare uitzondering blijkt bij nader onderzoek tot bevestiging van
den,regel te strekken; want in geen enkel der zich roomsch-katholiek noe-
mende landen, heeft gedurende verscheiden menschengeslachten de roomsche
kerk zoo weinig gezag bezeten als in Frankrijk.
De literatuur der Franschen wordt te recht de gansche wereld door zeer
in eere gehouden; maar als wij van haar wegnemen, wat tot vier partijen
behoort, die om verschillende gronden in verzet zijn gekomen tegen de pau-
-ocr page 60-
36
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
selijke overheersching, al wat behoort tot de protestanten, tot de kampioenen
der gallicaansche vrijheid, tot de jansenisten en tot de wijsgeeren, hoeveel zal
er dan nog overblijven ?
Het is moeijelijk uit te maken, of Engeland der roomsch-katholieke religie
of der reformatie meer te danken heeft; de versmelting der rassen en de
afschaffing van het lijfeigenschap zijn wij voornamelijk aan den invloed ver-
schuldigd, dien de geestelijkheid der middeleeuwen op de leeken uitoefende.
Burgerlijke vrijheid en gewetensvrijheid en al de zegeningen, welke uit die
vrijheden ontspruiten, hebben wij voornamelijk aan den grooten opstand der
leeken tegen priesterheerschappij te danken.
De strijd tusschen de oude en de nieuwe godsdienststelsels was in ons land
van langen duur en de uitslag scheen soms onzeker Er waren twee uiterste
partijen, beiden evenzeer bereid om geweld te plegen of met onbuigzame
standvastigheid te lijden. Tusschen hen was langen tijd een middelpartij
geplaatst, wier leden op zeer onlogische, doch geenszins onnatuurlijke wijze
de lessen in de kinderkamer ontvangen met de leerredenen der nieuwe pre-
dikers wilden overeenbrengen; die met liefde aan de oude gebruiken gehecht
waren en evenwel de verkeerdheden verfoeiden, waarmede die gebruiken in
\'t nauwste verband stonden. Menschen, die in zulk een stemming verkeerden,
waren geneigd, gaarne, ja zelfs met dankbaarheid, de leiding van een schran-
deren heerscher te volgen, die hun de moeite van een eigen oordeel be-
spaarde, wiens vaste en gebiedende stem zich boven het rumoer van den
geloofsstrijd verhief en hun aangaf, hoe zij aanbidden en wat zij geloo
ven moesten. Het is dus niet te verwonderen dat de Tudors op de kerkelijke
zaken grooten inv.oed hebben kunnen uitoefenen; en het kan ons evenmin
bevreemden, dat hun invloed meestal aan hun eigen belangen dienstbaar
gemaakt werd.
Hendrik VIII beproefde het een anglicaansche kerk te stichten, die op het
stuk der suprematie, en op dat stuk alleen, van de roomsche kerk afweek.
In deze poging slaagde hij uitnemend. Zijn volhardend karakter, zijn bij-
zonder gunstige verhouding tot de vreemde mogendheden, de onmetelijke
schatten, die de berooving der kloosters opbracht, en de steun der partij, die
steeds het midden tusschen twee uiterste meeningen hield, stelden hem in
staat de beide uiterste partijen te trotseeren, hen, die de leer van Luther
beleden, als ketters te verbranden, en hen, die \'s pausen oppergezag erken-
den, als hoogverraders op te hangen. Maar zijn stelsel ging met hem ten
grave. Had hij langer geleefd, het ware hem moeijelijk gevallen zich op een
standpunt te handhaven, dat zoowel door de aanhangers der oude als der
nieuwe leer met gelijke woede aangevallen werd. De ministers, die voor zijn
onmondigen zoon de voorrechten der kroon moesten bewaren, durfden in
zulk een gewaagde politiek niet volharden; evenmin durfde Elizabeth er toe
terugkeeren. Het werd noodig eene keuze te doen. De regeering moest zich
aan Rome onderwerpen of de hulp der protestanten inroepen. In één punt
slechts stemden de regeering en de protestanten overeen — in haat tegen de
pauselijke macht. De engelsche hervormers brandden van verlangen om even
ver te gaan als hun broeders op het vaste land. Een aantal leerstellingen en
gebruiken, die Hendrik hardnekkig gehouden had, en welke Elizabeth met
-ocr page 61-
37
VOOR DE RESTAURATIE.
tegenzin prijs gaf, werden, als anti-christelijk, door hen eenstemmig veroor-
deeld. Velen hunner waren ten hoogste afkeerig zelfs van onverschillige
zaken, die tot de vormen of tot de kerkelijke gebruiken van het mystieke
Babylon behoord hadden. Zoo weigerde bisschop Hooper, die te Gloucester
manmoedig voor zijn geloofden dood onderging, langen tijd het bisschoppe-
lijk gewaad aan te trekken Bisschop Ridley, een nog beroemder martelaar,
haalde de oude altaren in zijn bisdom om, en deelde het heilig avondmaal toe
midden in de kerk aan tafels, die de papisten oneerbiediglijk met den naam
van oesterplanken bestempelden. Bisschop Jewel noemde het geestelijk ge-
waad een tooneelcostuum, een narrenpak, een erfstuk van de Amoriten, en
beloofde geen moeite te zullen sparen om zulken vernederenden onzin uit
te roeijen. Aartsbisschop Grindal aarzelde lang, éér hij een bisschopsmijter
aannam, uit afkeer van hetgeen hij het poppenspel der inwijding noemde.
Bisschop Parkhurst uitte een vurig gebed, dat de kerk van Engeland zich
die van Zurich als het volmaakte toonbeeld eener christelijke gemeente
mocht voorstellen. Bisschop Ponet was van gevoelen, dat men den titel
bisschop aan de papisten kon overlaten en de hoogere voogden der kerk
superintendenten genoemd moesten worden. Neemt men nu in aanmerking,
dat niet een dezer prelaten tot de hevigste afdeeling der protestantsche partij
behoorde, dan is er niet aan te twijfelen, dat het werk der hervorming in
Engeland op even ruime schaal als in Schotland ten uitvoer gebracht zou
zijn, indien men in den algemeenen geest dier partij gehandeld had.
KUouutKLekuk.\' Maar gelijk de regeering de medewerking der protestanten
noodig had, zoo ook behoefden deze de bescherming der regeering; daarom
werd van weerszijde veel toegegeven; men werd het met elkander eens en de
anglicaansche kerk was de vrucht dier minnelijke schikking
Aan de eigenaardigheden dezer groote instelling en aan de hevige driften,
die ze in de gemoederen harer vrienden zoo wel als harer vijanden gewekt
heeft, moet men vele der belangrijkste gebeurtenissen toeschrijven, die sints
den tijd der hervorming in ons land plaats grepen; en de staatsgeschiedenis
van Engeland zouden wij volstrekt niet kunnen verstaan, zoo wij ze niet in
bestendig verband met de geschiedenis onzer kerkinstellingen beschouwden.
Thomas Cranmer \') was de man, die het voornaamste aandeel gehad heeft
in de vaststelling der voorwaarden van de verbintenis, waaruit de anglicaan-
sche kerk ontstond. *) Hij vertegenwoordigde de beide partijen, die destijds
elkanders bijstand noodig hadden. Hij was godgeleerde en hoveling tevens.
\') Aartsbisschop van Canterbury. Terwijl hij zich Daar de luimen en wenschen van
Hendrik VIII voegde, vond hij voortreffelijke gelegenheid om de zaak der reformatie
te behartigen. Gedurende de minderjarigheid van Eduard VI kon hij met nog meer
vrucht werkzaam zijn. Doch Maria de Bloedige, door de roomschgezinden ten troon
geholpen, deed hem in 1556 op een brandstapel omkomen.
                               V.
2) Hier worden de onder de regeering van Eduard VI aangenomen en vastgestelde
kerkartikelen bedoeld, welke door een ieder, die in de anglicaansche geestelijkheid
wenschte te treden, moesten worden onderteekend, alsmede door hoofden van collegië\'n,
onderwijzers der jeugd enz. Maria de Bloedige hief ze op, doch zij werden door
Elizabeth op nieuw ingesteld en later door Karel I bekrachtigd. Gelijktijdig met de
invoering van die artikels werden ook de in het anglicaansche algemeen gebedenboek
vervatte gebeden, litanieën en liturgieën aangenomen.
                                      V.
-ocr page 62-
38
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
Als godgeleerde was hij ten volle bereid op den weg der veranderingen even
ver te gaan als eenig zwitsersch of schotsch hervormer. Als hoveling wenschte
hij de organisatie te behouden, die, vele eeuwen lang, voor de oogmerken der
roomsche bisschoppen zoo verbazend dienstig geweest was, en waarvan men
voor \'t vervolg gelijke dienst mocht verwachten voor de bedoelingen der
engelsche koningen en hunner ministers. Zijn karakter en zijn gaven maakten
hem uitermate geschikt om als bemiddelaar op te treden. Heilig in zijn woor-
den, gewetenloos in zijn daden, onverschillig voor alles, stout in zijn denk-
beelden, een lafaard en een oogendienaar als het op handelen aankwam, een
verzoenbaar vijand en een lauwe vriend, was hij in alle opzichten berekend
om de voorwaarden te regelen van het verbond tusschen de kerkelijke en
wereldlijke vijanden des pausdoms.
■mTdrrÜuk. Tot op dezen dag hebben de inrichting, de leerbegrippen en de
dienst der kerk zichtbare teekenen behouden van de schikking, waaruit zij
ontsproot. Zij bekleedt een middelplaats tusschen de kerken van Genève en
van Rome. Haar door protestanten in schrift gebrachte leerstellingen ont-
wikkelen beginselen eener godsdienstleer, waarin Calvyn of Knoxnauwelijks
een woord gewijzigd zouden hebben. Haar gebeden en dankzeggingen, aan de
oude liturgieën ontleend, zijn bijna allen van dien aard, dat bisschop Fisher
of kardinaal Pole er van harte mede ingestemd zouden hebben. Ken twist-
schrijver, die aan haar artikelen en homilieën een arminiaansche beteekenis
zou willen toeschrijven, zou door weldenkenden even onredelijk jrenoemd
worden als een controversist, die zou willen loochenen, dat in haar liturgie
de leer der wedergeboorte door den doop te vinden is.
De kerk van Rome achtte de bisschoppelijke waardigheid een goddelijke
instelling, en hield het er voor, dat door het opleggen der handen zekere
bovennatuurlijke gaven van den edelsten aard, door vijftig menschenge-
slachten heen, van de elf mannen, die op den Olijfberg hun lastbriefontvingen,
op de bisschoppen waren overgedragen, die te Trente vergaderden. Een
groot aantal protestanten daarentegen beschouwden de prelatuur bepaald
als onwettig en meenden, dat de Schrift een geheel anderen vorm van kerk-
beheer voorschreef. De stichters der anglicaansche kerk sloegen den middel-
weg in. Zij hielden de bisschoppelijke waardigheid in stand zonder ze echter
tot een voor de welvaart eener christelijke maatschappij of voor de werking
der sacramenten vereischte instelling te verklaren. Cranmer sprak zelfs open-
hartig zijn overtuiging uit, dat er ir. vroegere tijden geen onderscheid tusschen
bisschoppen en priesters bestaan had en het opleggen der handen vol-
strekt onnoodig was.
Bij de presbyterianen is de leiding der openbare eeredienst grootendeels
aan den predikant overgelaten. Hun gebeden zijn derhalve nooit juist dezelfde,
zoo min in twee op denzelfden dag gehouden vergaderingen van verschillende
gemeenten, als in twee op verschillende dagen gehouden bijeenkomsten der-
zelfde gemeente. In het eene kerspel zijn ze vurig, welsprekend en vol diepen
zin. In het nabij gelegen kerspel kunnen ze flauw of ongerijmd zijn. De priesters
der roomsch-katholieke kerk daarentegen hebben sedert vele menschenge-
slachten, in Indië en in Lithauwen, in Ierland en Peru, dagelijks dezelfde
oude belijdenissen, smeek- en dankgebeden opgedreund. Hun dienst, in een
-ocr page 63-
VOOR DK RESTAURATIE.                                         39
doode taal gehouden, is alleen voor geleerden verstaanbaar; en men mag be-
weren, dat de groote meerderheid in hun vergaderingen veeleer als toe-
schouwers dan als toehoorders tegenwoordig is. Ook hier volgde de engelsche
kerk den middelweg. Zij nam de roomsch katholieke gebedsvormen aan, maar
bracht ze in de volkstaal over en noodigde de ongeletterde menigte uit haar
stem bij die van haar herder te voegen.
In alle deelen van haar stelsel vindt men dezelfde staatkunde terug. De
leer der transsubstantiatie verwierp zij geheel en de aanbidding van het brood
en den wijn, die bij het avondmaal gebruikt worden, verklaarde zij afgoden-
dienst; en evenwel, zij eischte, tot ergernis der puriteinen, dat haar kinderen
de zinnebeeldige teekenen der goddelijke liefde in ootmoedig knielende
houding ontvangen zouden. Zij schafte vele rijke ornaten af, die de altaren
van het oude geloof omringd hadden maar zij behield tot afschrik van
zwakke gemoederen, het gewaad van wit linnen, het zinnebeeld der reinheid
die haar, de mystieke bruid van Christus, moest kenmerken. Zij schafte een
menigte van pantomimische gebruiken af, die in de roomsch-katholieke eere-
dienst ter vervanging van verstaanbare woorden strekken, maar zij gaf aan-
stoot aan vele stipte protestanten, door het maken van het teeken des kruises
over pas gedoopte kinderen. De roomsch-katholieke richtte zijn gebeden tot
een menigte heiligen, onder welke vele mannen van twijfelachtig en sommige
van verachtelijk karakter geteld werden. De puritein kende zelfs den apostel
der heidenen en den jonger, dien Jezus liefhad, den naam van heiligen niet
toe. De engelsche kerk, hoewel ze de tusschenkomst van geschapen wezens
niet inriep, stelde toch bepaalde dagen vast ter gedachtenis van sommigen,
die voor het geloof veel gedaan en geleden hadden. Zij behield de beves-
tiging en de inwijding, als stichtelijke gebruiken, maar telde ze niet onder de
sacramenten. De biecht behoorde niet tot haar stelsel. Evenwel noodigde
zij den stervenden boeteling liefderijk uit zijn zonden aan een geestelijke te
belijden en machtigde haar dienaren zijn scheidende ziel te schragen door
een absolutie, die geheel en al den geest van het oude geloof ademt. Over
\'t geheel kan men beweren, dat ze meer tot de rede en minder tot de ver-
beeldingskracht spreekt dan de kerk van Rome; en dat ze minder op de rede,
doch meer op de zinnen en de verbeeldingskracht steunt dan de protestant-
sche kerken van Schotland, Frankrijk en Zwitserland.
H*otr de \'krom!1* Datgene echter, waarin zij het meest van andere kerken ver-
schilde, was haar verhouding tot de monarchie. De koning was haar opper-
hoofd. De grenzen van het gezag, dat hij als zoodanig bezat, waren niet
aangewezen en zijn inderdaad nog nooit met stiptheid afgebakend. De wet-
ten, die hem de hoogste macht in geestelijke zaken toekenden, waren slechts
in ruwe omtrekken en in algemeene bewoordingen vervat. Zoo wij de ge-
schriften en de levensbeschrijving der stichters van de engelsche kerk nagaan,
ten einde de juiste strekking der wetten te leeren kennen, wordt onze ver-
legenheid nog grooter, want de stichters der engelsche kerk schreven en
handelden in een eeuw van hevige intellectueele gisting en van bestendige
actie en reactie; derhalve waren zij dikwijls met elkander en soms met zich-
zelve in tegenspraak. Dat de koning naast Christus het eenige hoofd der kerk
was, dat was een leer, die zij allen eenstemmig erkenden, maar deze woorden
-ocr page 64-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
40
waren bij verschillende personen, ja bij dezelfde personen op verschillende
tijdstippen, van zeer uiteenloopende beteekenis. Somtijds werd den vorst een
gezag toegeschreven, waarmede zelfs Hildebrand zich vergenoegd zou hebben;
dan weder was dat gezag van weinig meer beteekenis, dan dat, waarop vele
der oude engelsche vorsten aanspraak gemaakt hadden, toen zij nog in onaf-
gebroken gemeenschap met de roomsche kerk stonden. Wat Hendriken zijn
voornaamste raadslieden onder de suprematie verstonden, was zeker niets
minder dan de geheele macht der sleutels. De koning moest de paus zijns ko-
ninkrijk*, de stedehouder Gods, de uitlegger der katholieke waarheid, de bron
der sacramenteele gunst n worden. Hij matigde zich het recht aan leerstellig
te beslissen wat tot de rechtzinnige leer behoorde en wat kettersch was, ge-
loofsbelijdenissen op te stellen en te doen afleggen en aan zijn volk godsdien-
stig onderwijs te verstrekken. Hij verklaarde, dat alle, zoowel kerkelijke als
wereldlijke rechtspraak van hem uitging, en dat hij het in zijn macht had de
bisschoppelijke waardigheid te verleenen en weder te ontnemen. Hij deed
werkelijk zijn zei;el hechten aan benoemingsbrieven van bisschoppen, die hun
ambtsbetrekking als zijn dienaren bekleedden, en ze niet langer zouden mo-
gen behouden, dan hem goed dacht. Volgens dit stelsel was naar Cranmers
uitlegging de koning het kerkelijk zoowel als het wereldlijk opperhoofd der
natie. In beide hoedanigheden moest Zijn Hoogheid stedehouders hebben.
Gelijk hij burgerlijke beambten aanstelde om zijn zegel te bewaren, zijn inkom-
sten te heffen en in zijn naam recht te spreken, evenzoo stelde hij geestelijken
van verschillende graden aan om het evangelie te prediken en de sacramen-
ten toe te dienen. Oplegging der handen was onnoodig. De koning — dit was
de duidelijk uitgesproken meening van Cranmer — mocht krachtens zijn van
God ontvangen gezag een priester aanstellen, en de aangestelde priester had
hoegenaamd geen wijding noodig. Deze stellingen dreef Cranmer, in spijt van
den tegenstand, hem docr minder hoofsche geestelijken geboden, tot haar
uiterste gevolgen door. Hij hield zijn geestelijke functièn, even als die van den
kanselier en den schatmeester, bij het openvallen van den troon voor onmid-
dellijk gestaakt Toen Hendrik stierf, lieten diensvolgens de aartsbisschop en
zijn onderhoorige bisschoppen zich door nieuwe aanstellingsbrieven benoe-
men, waarbij zij gemachtigd werden priesters in te zegenen en andere kerke-
lijke functiën te verrichten, tot dat het den nieuwen souverein zou behagen
hierover anders te beschikken. Maakte men de tegenwerping, dat door den
Heer aan zijn apostelen een van tijdelijke macht gfheel onafhankelijk vermo-
gen om te binden en te ontbinden geschonken was, dan antwoordden de theolo-
ganten dezer school, dat het vermogen om te binden en te ontbinden niet op de
geestelijkheid alleen, maar op de geheele christenheid was overgegaan, en
dat de opperste magistraat, als vertegenwoordiger der maatschappij, dat ver-
mogen behoorde uit te oefenen. Merkte men daarop aan, dat Paulus van zekere
personen gesproken had, die de Heilige Geest tot opzieners en herders gemaakt
had, dan werd geantwoord, dat koning Hendrik die opziener, die herder was,
dien de Heilige Geest had aangesteld, en op wien de woorden van Paulus van
toepassing waren \').
\') Zie een zeer merkwaardig geschrift, voor welks schrijver Strype den bisschop
Gardiuer aanzag. (Eccle siastical Memorials, Book I, Chap. XVII.)
-ocr page 65-
VOOk DE RESTAURATIE,                                    41
Deze groote aanmatigingen gaven ergernis aan de protestanten zoowel als
aan de katholieken en die ontevredenheid werd grootelijks verzwaard, toen
de suprematie, die Maria weder aan den paus had afgestaan, bij Elizabeth\'s
troonsbestijging op nieuw met de kroon verbonden werd. Het scheen onna-
tuurlijk dat een vrouw de opperste bisschop eener kerk zijn zou, waarin een
apostel haar zelfs ontzegd had haar stem te laten hooren. De koningin vond
derhalve noodig het priesterlijk karakter af te leggen, \'t welk haar vader zich
had toegeëigend, en dat volgens de leer van Cranmer met de koninklijke
waardigheid onafscheidelijk verbonden was Toen de anglicaansche geloofs-
belijdenis onder haar regeering herzien werd, verklaarde men de suprematie
in een zin, die eenigermate verschilde van dien, welke aan het hof van Hen-
drik VIII aangenomen was. Cranmer had in nadrukkelijke bewoordingen ver-
klaard, dat God de christelijke vorsten onmiddellijk met de geheele leiding
hunner onderdanen, zoowel ten opzichte der handhaving van Gods woord tot
heil der ziele, als ten opzichte van het beheer der staatsbelangen \') belast
had. Het onder Elisabeth\'s regeering geschreven zeven en-dertigste kerkarti-
kel verklaart even nadrukkelijk, dat de bediening des goddelijken woords den
vorsten niet toebehoort; doch de koningin bezat nog steeds een onbepaald en
uitgebreid recht van onderzoekin kerkelijke zaken. Haar was door het parle-
ment de taak opgedragen ketterij en alle mogelijke kerkelijke misbruiken
tegen te gaan en te straffen, en zij kon deze macht ook aan commissarissen op-
dragen. De bisschoppen waren niet veel meer dan haar dienaren. Liever dan
der burgerlijke overheid de volstrekte macht toe te kennen om geestelijke
herders te benoemen, bracht de kerk van Rome in de elfde eeuw geheel Europa
in rep en roer. Liever dan der burgerlijke overheid de onbeperkte macht toe
te kennen om geestelijke herders te benoemen, gaven in onzen tijd de dienaren
der schotsche kerk bij honderden tegelijk hun bedieningen op. De engelsche
kerk kende dergelijke bezwaren niet. Haar prelaten werden alleen op konink-
lijk gezag aangesteld. Op koninklijk gezag alleen werden haar convocatiën
beroepen, geregeld, verdaagd en ontbonden. Haar kanonische wetten golden
niet, wanneer ze niet door den koning bekrachtigd waren. Een der geloofs-
artikelen was, dat geen geestelijke raadsvergadering buiten koninklijke toe-
stemming een wettige bijeenkomst kon houden. Van al haar gerechtelijke
uitspraken kon men, in het hoogste ressort op den koning beroep doen, al gold
het zelfs de vraag, of een geloofsmeening voor kettersch gehouden moest
worden, dan wel of de toediening van een sacrament wettig had plaats ge-
had. Ook misgunde de kerk den vorsten deze uitgebreide macht niet. Door
hen was zij in het leven geroepen, in haar kindsheid opgekweekt, behoed
tegen papisten te eener en tegen puriteinen ter andere zijde; beschermd
tegen parlementen, die haar weinig genegen waren, en gewroken op vaar-
dige bestrijders, die zij moeijelijk kon beantwoorden. Dankbaarheid, hoop,
vrees en dezelfde betrekkingen van vriendschap en vijandschap verbonden
haar dus met den troon. Haar overleveringen, haar neigingen waren monar-
chaal. Trouw aan de kroon werd alzoo bij haar geestelijkheid een punt van
\') Dit zijn Cranmers eigen woorden. Zie het appendix tot Burnets Geschiedenis der
Hervorming. Deel I, boek III N°. 21.
-ocr page 66-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
42
eer en het bijzonder kenmerk, dat dezen stand zoowel van calvinisten als van
papisten onderscheidde. Hoezeer ook de calvinisten en papisten in andere
opzichten van elkander mochten verschillen, beschouwden beiden toch de
inbreuken der wereldlijke macht op het geestelijk gebied met den uitersten
naijver Calvinisten en papisten beiden beweerden, dat de onderdanen be-
voegd waren tegen goddelooze regenten het zwaard te trekken. In Frankrijk
verzetten zich calvinisten tegen Karel IX, papisten tegen Hendrik IV,
papisten en calvinisten samen tegen Hendrik III. In Schotland hielden cal-
vinisten de koningin Maria in hechtenis. Ten noorden der rivier de Trent
vatten protestanten de wapenen tegen Elisabethop. Intusschen veroordeelde
de engelsche kerk de calvinisten zoowel als de papisten, en zij droeg er roem
op, dat er geen plicht bestond, welks trouwe betrachting zij zoo aanhoudend
en ernstig aanbeval als die der onderwerping aan de vorsten.
De Puriteinen. De voordeden, welke de kroon uit dit verbond trok, waren
groot, maar ernstige bezwaren gingen er mede gepaard. De door Cranmer
doorgedreven schikking was van den beginne af door vele protestanten be-
schouwd als een plan om twee heeren te dienen; als een poging om de dienst
des Heeren met de dienst van Baal te vereenigen. In de dagen van Eduard
VI hadden de gemoedsbezwaren dezer partij der regeering herhaaldelijk
ernstige hinderpalen in den weg gelegd. Toen Elizabeth den troon besteeg
waren deze bezwaren nog ernstiger geworden. Geweld lokt doorgaans geweld
uit. De geest van het protestantisme was derhalve na de gruwelen van
Maria veel heftiger en onverdraagzamer dan voorheen. Vele menschen,
die de nieuwe leer met warmte aanhingen, hadden gedurende de kwade dagen
in Zwitserland en in Duitschland schuilplaatsen gezocht. Zij waren bij hun
broeders in den geloove gastvrij ontvangen, hadden de groote leeraars van
Straatsburg, /.urich en Genève gehoord, en waren sedert eenige jaren ge-
woon geraakt aan een eenvoudiger eeredienst en aan een kerkbestuur van
meer demokratischen vorm dan tot dusverre ooit in Engeland bestaan had.
Deze mannen keerden naar hun land terug overtuigd, dat de onder koning
Eduards regeering ingevoerde hervorming veel minder grondig en omvattend
geweest was dan het belang der zuivere godsdienst vorderde. Maar vergeefs
trachtten zij van Elizabeth concessiën te erlangen. Voor zooverre haar stel-
sel van dat haars broeders afweek, kwam het hun werkelijk voor, dat het
in kwaden zin was. Zij waren weinig genegen zich in geloofszaken aan eenig
menschelijk gezag te onderwerpen. Onlangs nog waren zij, zich verlatende op
hun eigen opvatting der Schrift opgestaan tegen een kerk, die steunen kon
op haar onheuglijke oudheid en katholieke eensgezindheid. Met voorbeelde-
looze inspanning en geestkracht hadden zij het juk van dat glansrijk en alles
beheerschend bijgeloof afgeworpen, en het was een ijdele verwachting, dat
zij na zulk een verlossing zich geduldig aan een geestelijke tijrannie zouden
onderwerpen. Langen tijd gewoon, wanneer de priester de hostie omhoog
hief, het hoofd ter aarde te buigen als voor een tegenwoordig God, hadden
zij geleerd de mis voor een afgodische mommerij te houden. Langen tijd
gewoon den paus als den opvolger van den meester der apostelen, als den
bewaarder der sleutelen des hemels en det aarde aan te zien, hadden zij
geleerd hem als het beest, als den anti-christ, als den man der zonde te be-
-ocr page 67-
43
VOOR DE RESTAURATIE
schouwen Het was niet te verwachten, dat zij aan een gezag van gisteren, on-
verwijld de hulde zouden schenken, die zij het Vatikaan opgezegd hadden,
dat zij hun eigen oordeel aan het gezag eener kerk zouden onderwerpen, die
mede slechts op eigen oordeel steunde; dat zij schromen zouden van een leer
af te wijken, die zelve afweek van hetgeen onlangs nog het algemeen geloof
der christenheid van het westen uitmaakte. Men zal licht beseffen, welke ver-
ontwaardiging die stoute en onderzoekende, die op hun pas verworven vrij-
heid trotsche geesten ondervonden, toen een instelling, die vele jaren jonger
was dan zij zelve, een instelling, die zich onder hun oogen gevormd had, wan-
neer de driften en de belangen van een hof het medebrachten, de trotsche
taal des pausdoms begon na te bootsen.
Huïc*?gei\'«t?\'n Daar deze mannen niet overtuigd konden worden, besloot men
hen te vervolgen. Die vervolgingen hadden haar natuurlijke uitwerking op
hen; zij troffen hen als secte en maakte hen tot een staatspartij. Hun haat
tegen de kerk werd nu vermeerderd met haat tegen de kroon; beide deze
gevoelens smolten inéén, en het ééne versterkte het andere. De meeningen
van den puritein ten aanzien der verhouding tusschen den heerscher en den
onderdaan verschilden grootelijks van die, welke de Homiliën inscherpten.
Zijn meest geachte godgeleerden hadden den tegenstand tegen tirannen,
zoowel door woord als door voorbeeld, aangemoedigd. Zijn calvinistische
broeders in Frankrijk, Holland en Schotland hadden de wapens opgevat
tegen de afgodische en wreedaardige vorsten. Zijn denkbeelden aangaande
het staatsbestuur kwamen eenigszins met zijn begrippen over het kerkbestuur
overeen. Van spotternijen, die in het algemeen tegen het episkopaat gericht
werden, kon men sommige met weinig moeite op het koningschap toepassen;
en vele der argumenten, die gebezigd werden ten bewijze, dat het kerke-
lijk gezag het best aan een synode toevertrouwd is, schenen evenzeer tot het
besluit te leiden, dat de wereldlijke macht bij voorkeur bij een parlement
berust.
Terwijl dus de priester der staatskerk door zijn belangen, beginselen en
hartstochten een ijverig voorstander der koninklijke voorrechten werd,
moesten de belangen, beginselen en hartstochten van den puritein hem tegen
die voorrechten innemen. De macht der misnoegde sectarissen was groot.
Zij waren in alle standen der maatschappij te vinden; het sterkst echter
waren zij in de steden onder den handelsstand en ten platten lande onder
Geen stelselmatige de kleine grondbezitters. Onder Elizabeth\'s regeering begonnen
parlementaire         ..            ,                      ,                   . ,.,.,-•.««
tegenstand aan het zij reeds vroeg de meerderheid in het Huis der Gemeenten te
bestuur van Eliza-
oeth geboden, vormen, en hadden onze voorouders zich toen kunnen verle-
digen met hun aandacht onverdeeld op de inwendige aangelegenheden des
Rijks te vestigen, dan lijdt het geen twijfel, of de strijd tusschen de kroon en
het parlement zou al dadelijk begonnen zijn. Maar het was geen tijd voor
inwendige twisten. Het mocht veeleer betwijfeld worden, of de krachtigste
samenwerking aller standen het gemeene gevaar zou kunnen afwenden,
dat hen allen bedreigde. Het roomsch-katholieke Europa en het hervormde
Europa streden op leven en dood. Frankrijks inwendige twisten beroof-
den dat land een tijdlang van allen invloed onder de christenmogendheden.
De engelsche regeering stond aan het hoofd der protestantsche belangen,
-ocr page 68-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
44
en terwijl zij de presbyterianen in Engeland vervolgde, verleende zij een
machtige bescherming aan de presbyteriaansche kerken buiten \'s lands.
Aan het hoofd der tegenpartij stond de machtigste vorst dier eeuw, een vorst
die Spanje, Italië, de Nederlanden en de beide Indien beheerschte, wiens
legers herhaaldelijk naar Parijs oprukten en wiens scheepsmacht de kusten
van Devonshire en Sussex voortdurend in onrust hield. Langen tijd scheen
het. alsof de Engelschen op engelschen bodem een woedenden strijd om hun
geloof en hun onafhankelijkheid zouden moeten voeren. Ook waren zij geen
oogenblik vrij van vrees voor eenig groot inwendig verraad. Want in dien tijd
was het, zelfs voor vele mannen van hooghartig karakter, een gewetenszaak
en een punt van eer geworden hun land aan hun godsdienstige overtuiging
ten offer te brengen. Een reeks van duistere aanslagen, door roomsch-katho-
lieken tegen het leven der koningin en tegen het bestaan der natie gesmeed,
hield de maatschappij ir. bestendigen angst. Welke gebreken Elizabeth ook
gehad moge hebben, was het tnenschehjkerwijze gesproken, toch klaar dat
de toekomst des Staats en aller hervonrde kerken van de veiligheid vanhaar
persoon en van den voorspoed harer regeering afhing. Haar taak gemakkelijk
te maken was derhalve de eerste plicht van eiken vaderlandsvriend en pro-
testant, en die plicht werd trouw vervuld De puriteinen baden zelfs uit
de diepte der kerkers, in welke zij hen gezonden had. met ongeveinsde
vurigheid, dat zij bewaard mocht blijven tegen den dolk des sluipmoordenaars,
dat zij het oproer onder den voet mocht brengen en dat haar wapenen te
land en ter zee mochten zegevieren Een der hardnekkigsten van de hard-
nekkige secte, wien tot straf voor een in blinden ijver gepleegde overtreding
de hand door den beul werd afgekapt, zwaaide onverwijld daarna met de andere
hand zijn hoed omhoog onder den kreet van »Leve de koningin I" Het gevoel,
dat deze mannen haar toedroegen, is van hen op hun nakomelingschap over-
gegaan. Hoe streng Elizabeth met de non-conformisten gehandeld hebbe, als
lichaam bleven zij haar gedachtenis steeds in eere houden \').
Gedurende het grootste gedeelte harer regeering waren dus de puriteinen
in het Huis der Gemeenten, hoewel soms tegenstrevig, toch niet gezind een
stelselmatige bestrijding van het gouvernement te voeren. Toen echter di
ondergang der Armada, de welslagende tegenstand der Vereenigde Provin-
ciën tegen de spaansche macht, de troonsverheffing van Hendrik IV in
Frankrijk en de dood van Philips II den staat en de kerk van buiten bevei-
ligd hadden, toen begon bij ons terstond een hardnekkige worsteling, die
door verscheiden menschengeslachten achtereen zou worden voortgezet.
afmómpoiun. In net parlement van 1601 leverde de oppositie, die sedert
veertig jaren in stilte krachten gewonnen en verzameld had, haar eersten
1) NTa de wreedheden gelaakt te hebben, waarmede zij zijn secte behandelde, besluit
<le puriteinsche geschiedschrijver Neale aldus: «Docli niettegenstaande al deze vlekken
staat koningin Elizabeth te boek als een wijze en staatkundige vorstin, omdat zij haar
koninkrijk uit de moeijelijkhedea redde, waarin het bij haar troonsbestijging gewikkeld
was, omdat zij de protestantsche hervorming buiten \'s lands tegen de krachtige pogin-
gen van den paus, den keizer en den koning van Spanje, en binnen \'s lands tegen die
der koningin der Schotten en van haar eigen pausgezinde onderdanen beveiligde___
Zij was de roem der eeuw, in welke zij leefde, en zij zal de bewondering der nakome-
lingschap wegdragen." (Geschiedenis der Puriteinen, Deel I. hoofdst. VIII.)
-ocr page 69-
VOOR DE RESTAURATIE.
4 5
grooten slag en behaalde zij haar eerste zege. Het terrein was goed gekozen.
De engelsche vorsten hadden steeds het opperste bestuur der handels-
politie gevoerd. Zij bezaten het onbetwiste recht om munt, maten en gewich-
ten te regelen, alsmede om kermissen, markten en havens te bepalen. De
grens, die hun gezag over de handelsinstellingen beperkte, was, als naar ge-
woonte, slechts onduidelijk afgebakend. Naar gewoonte dus, maakten zij ook
inbreuk op het gebied, dat rechtens aan de wetgevende macht toebehoorde.
Zoo als gewoonlijk werd die inbreuk geduldig verduurd, tot zij ten la itste te
ernstig werd. Eindelijk echter veroorloofde zich de koningin een overgroot
getal van octrooijen voor monopoliën te verleenen. Nauwelijks was er in het
geheele rijk een enkel gezin, dat zich door de verdrukkingen en afpersingen,
die uit dit misbruik voortvloeiden, niet verongelijkt achtte. IJzer, olie, azijn,
steenkolen, salpeter, lood, stijfsel, garen, huiden, leer, glas kon men slechts
tegen overdreven hooge prijzen koopen. Het Huis der Gemeenten kwam in
een verbitterde en vastberaden stemming bijeen, \'t Was te vergeefs, dat een
hoofsche minderheid den voorzitter laakte, omdat hij toeliet, dat de handelin-
gen van Haar Majesteit de Koningin beoordeeld werden. De taal der mis-
noegde partij was luid en dreigend en vond haar weerklank in de stem der
gansche natie. Het rijtuig van den eersten minister der kroon werd door een
woedende volksmenigte omringd, die de monopoliën verwenschte en onder
luid getier verklaarde niet te zullen dulden, dat de macht der kroon de oude
vrijheid van Engeland verkortte. Een oogenblik scheen er gevaar, dat Eliza-
beth\'s roemvolle regeering een smadelijk en rampspoedig einde zou nemen,
doch met bewonderenswaardige schranderheid en zelfbeheersching keerde
zij den strijd, stelde zich zelve aan het hoofd der hervormende partij, ruimde
het bezwaar uit den weg, bedankte de leden van het lagerhuis in treffende
en edele bewoordingen voor hun trouwe behartiging der algemeene belangen,
herwon de liefde des volks, en gaf haar opvolgers een gedenkwaardig voor-
beeld van de wijze, waarop het een heerscher betaamt te handelen bij het
uitbarsten van volksbewegingen, die hij niet vermag te weerstaan,
van "cebötfaSf en \'n net Jaar \'6o3 stierf de groote koningin. Dat jaar is in
ieri.nd^met Enge-vejerjej 0pZjchten een der belangrijkste tijdpunten onzer ge-
schiedenis. Schotland, zoowel als Ierland werden toen met Engeland tot één
rijk vereenigd. Schotland zoowel als Ierland waren wel is waar door de
Plantagenets veroverd, maar zoo min het eene als het ander dier landen had
zich geduldig onder het juk gevoegd. Schotland had met heldenmoed zijn
onafhankelijkheid herwonnen, was sints den tijd van Robert Bruce een afzon-
derlijk koninkrijk geweest en werd nu met het zuidelijk gedeelte des eilands
vereenigd op een wijze, die het nationaal eergevoel veeleer streelde dan
kwetste. Ierland was sedert de dagen van Hendrik II niet meer bij machte
geweest de vreemde overweldigers te verdrijven, maar had lang en met woede
tegen hen gekampt. In de veertiende en de vijftiende eeuw was de engelsche
macht in dat eiland gestadig dalende geweest en in de dagen van Hendrik
VII tot het laagste peil gezonken. Het gebied van dien vorst in Ierland be
stond slechts uit de graafschappen Dublin en Louth en uit eenige gedeelten
van Meath en Kildare, alsmede uit enkele zeehavens langs de kust. Eengroot
gedeelte zelfs van Leinster was nog niet in graafschappen verdeeld. Munster,
-ocr page 70-
46
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
Ulster en Connaught werden door kleine vorsten beheerscht, deels Celten,
deels verbasterde Noormannen, die de celtische taal en zeden aangenomen
hadden. In de zestiende eeuw evenwel had de engelsche macht weder groote
vorderingen gemaakt. De halfwilde stamhoofden, die buiten de grens van het
engelsch gebied regeerden, hadden zich de een na den ander aan de landvoog-
den der Tudors onderworpen. Eindelijk werd weinige weken voor den dood
van Elizabeth de verovering, die door Strongbow ruim vierhonderd jaar
vroeger was aangevangen, door Mountjoy voltooid. Nauwelijks had Jakobus
den engelschen troon bestegen, toen de O\'Donnelis en O\'Neills, de laatsten,
die den rang van onafhankelijke vorsten bekleed hebben, hem te Whitehall
kwamen huldigen. Voortaan golden zijn bevelschriften en hielden zijn rechters
zitting in alle deelen van Ierland; en het engelsche rechtswezen verving de
gewoonten, die onder de ingeboren stammen kracht van wet gehad hadden.
Ierland en Schotland waren in uitgestrektheid elkander bijna gelijk en
samen nagenoeg zoo groot, maar niet zoo sterk bevolkt als Engeland; in wel-
vaart en beschaving stonden zij bij dit land verre ten achter. In Schotland
was dit het gevolg der barheid van den grond; en te midden van het licht,
bleef de duistere nacht der middeleeuwen nog op Ierland drukken.
Met uitzondering der celtische stammen, die nog in geringen getale in de
Hebriden en in de bergachtige streken der noordelijke graafschappen ver-
spreid waren, was de bevolking van Schotland van dezelfde afkomst als die
van Engeland, en sprak een taal, die van het zuiverste Engelsch niet meer
verschilde, dan de tongval van Somersetshire van dien van Lancashire afwijkt
In Ierland daarentegen was met uitzondering der kleine engelsche volkplan-
ting aan de kust de bevolking celtisch en bleef zij de celtische taal en zeden
behouden.
De beide natiën, die nu met Engeland verbonden werden, bezaten een
hooge mate van natuurlijken moed en aanleg. In volharding, in zelf beheer-
sching en omzichtigheid, in al de eigenschappen, die tot voorspoed in het
leven leiden, werden de Schotten nimmer overtroffen. De Ieren van hun
kant deden zich door eigenschappen kennen, die den mensch veeleer belang-
wekkend dan gelukkig maken. Het was een vurig en driftig geslacht, licht tot
tranen of tot lachen, tot woede of tot liefde bewogen. Onder de natiën van
noordelijk Europa bezaten zij alléén die gevoeligheid, die levendigheid, dien
natuurlijken aanleg tot welsprekendheid in woorden en gebaren, die men op
de kusten der middellandsche zee aantreft. In geestbeschaving bezat Schot-
land een onbetwistbare meerderheid. Ofschoon dat koninkrijk destijds het
armste in de christenheid was, wedijverde het reeds in alle vakken van weten-
schap met de meest begunstigde landen. Schotten, wier huisvesting en voedsel
niet minder armzalig waren dan die der hedendaagsche IJslanders, schreven
latijnsche verzen, keuriger dan die van Vida en deden wetenschappelijke
ontdekkingen, die den roem van een Galilei verhoogd zouden hebben. Ierland
kon op geen Buchanan of Napier bogen. Het vernuft, waarmede zijn zonen
rijkelijk begaafd \\\\ .,ren, vertoonde zich nog slechts in balladen, die, hoe wild
en ruw ze ook klo i<en, toch in Spensers kundig oog een gedeelte van het
zuivere goud der poëzie schenen te bevatten.
Schotland verloor niets van zijn waardigheid, toen het met de britsche
-ocr page 71-
VOOR DE RESTAURATIE.                                          47
monarchie vereenigd werd. Nadat het den engelschen wapenen gedurende vele
menschengeslachten moedig weerstand geboden had, werd het nu op de eer-
volste voorwaarden met zijn sterkeren nabuur verbonden. Het gaf een koning
in plaats van er een te ontvangen. Het bleef zijn eigen staatsregeling en wetten
behouden. De gerechtshoven en parlementen bleven geheel onafhankelijk van
de gerechtshoven en parlementen, die in Westminster vergaderden. Het be-
stuur van Schotland was in schotsche handen, want geen Engelschman vond
de minste aanleiding om noordwaarts te trekken, en daar met de sluwste en
vasthoudendste aller volksstammen te dingen naar hetgeen uit de armste aller
schatkamers bijeengeschraapt kon worden. Nochtans ontging ook Schotland
het lot niet, dat aan elk land te beurt valt, hetwelk met een ander, machtiger
land verbonden, er niet bij ingelijfd is. Hoewel in naam een onafhankelijk
koninkrijk, werd het langer dan een eeuw in menig opzicht inderdaad als
een wingewest behandeld.
Ierland werd onverholen als een door het zwaard gewonnen gebied be-
heerd. Zijn ruwe nationale instellingen waren te gronde gegaan. De engelsche
kolonisten onderwierpen zich aan de voorschriften des moederlands, omdat
zij zonder bescherming zich niet konden handhaven, maar stelden zich scha-
deloos door het volk te onderdrukken, in welks midden zij zich gevestigd had-
den. Het parlement, dat te Dublin bijeenkwam, kon geen wet aannemen, die
niet vooraf door den engelschen geheimen raad was goedgekeurd. Het gezag
der engelsche wetgevende macht strekte zich over Ierland uit. Het uitvoerend
bewind was aan mannen toevertrouwd, die uit Engeland of uit het engelsch
gebied gekozen en door de celtische bevolking als vreemden en zelfs als vijan-
den beschouwd werden.
De zaak echter, die meer dan eenige andere Schotland van Ierland onder-
scheidde, moet nu nog vermeld worden. Schotland was protestantsch. Nergens
in Europa was de beweging van den volksgeest tegen de roomsch-katholieke
kerk zoo snel of zoo heftig geweest. De hervormers hadden hun afgoden-
dienende souvereinen overwonnen, onttroond en gevangen gezet. Van een
soortgelijke schikking als in Engeland getroffen was, wilden zij volstrekt niets
hooren. Zij hadden de calvinistische leer, tucht en eeredienst aangenomen,
en zij maakten weinig onderscheid tusschen het pausdom en de prelatuur,
tusschen de mis en het algemeen gebedenboek. Tot ongeluk voor Schotland
was de vorst, dien het uitzond om een schooner erfgebied te besturen, vaak
zoo zeer geërgerd geweest door de hardnekkigheid, waarmede de schotsche
godgeleerden tegenover hem de privilegiën der synode en van den kansel
gehandhaafd hadden, dat hij thans der kerkregeling, waarop Schotland zoo
grooten prijs stelde, al den haat toedroeg, waarvoor zijn verwijfde natuur
vatbaar was; en zoo ras hij den engelschen troon beklommen had, begon hij
een onverdraagzame ingenomenheid met het bestuur en de vormen der
engelsche kerk aan den dag te leggen.
De Ieren waren in \'t noorden van Europa het eenige volk, dat aan de oude
godsdienst getrouw was gebleven. Dit moet gedeeltelijk aan de omstandigheid
worden toegeschreven, dat zij in de wetenschappen eenige eeuwen bij hun
naburen ten achter gebleven waren. Doch ook andere oorzaken hadden mede-
gewerkt. De hervorming was zoowel een nationale, als een moreele omkeer
-ocr page 72-
48
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
geweest. Zij was niet slechts een opstand der leeken tegen de geestelijkheid,
maar ook een verzet aller stammen van het groote germaansche ras tegen een
vreemde heerschappij. Het is hoogst opmerkelijk, dat geen volk, welks
taal niet van teutoonschen oorsprong is ooit protestantsch werd, en dat,
overal waar een taal uit die van het oude Rome afgeleid gesproken wordt,
ook de godsdienst van het nieuwe Rome heden nog de overhand heeft.
De vaderlandsliefde der Ieren had een eigenaardigen loop genomen. Niet
Rome, maar Engeland was het voorwerp hunner verbittering; en zij had-
den bijzondere gronden voor haat tegen de engelsche vorsten, die de
groote scheuring bevorderd hadden, Hendrik VIII en Elizabeth. In den ver-
geefschen strijd, dien twee geslachten van Milesische \') vorsten tegen de
Tudors volhielden, werd in het oog van het overwonnen ras godsdienstige
geestdrift onafscheidbaar verbonden met nationale geestdrift. De nieuwe
veete tusschen protestanten en papisten deed de oude vijandschap tusschen
Saksers en Celten herleven. Inmiddels verzuimden de engelsche veroveraars
alle wettige middelen tot bekeering. Er werd geen moeite aangewend om de
overwonnen natie van leeraars te voorzien, die zich konden doen verstaan.
Geen vertaling van den bijbel werd in het Iersch bewerkt. De regeering be-
paalde zich bij het instellen eener talrijke hiërarchie van aartsbisschoppen,
bisschoppen en rectors, die niets deden, en wier luiheid met den geroofden
buit eener door de groote menigte des volks beminde en vereerde kerk
gevoed werd.
Schotlands toestand kon, zoowel als die van Ierland, een helderziend
staatsman in menig opzicht reden tot ernstige bezorgdheid geven. Nog be-
stond evenwel de uiterlijke schijn van rust. Thans voor het eerst waren de
britsche eilanden onder één schepter vreedzaam vereenigd.
Men had kunnen verwachten, dat Engelands gewicht onder de europeesche
natiën sedert dezen tijd grootelijks zou zijn toegenomen. Het gebied, waar-
over de nieuwe koning heerschte, was nagenoeg dubbel zoo groot als dat,
hetwelk Elizabeth geërfd had. Ook was er in de geheele wereld geen rijk,
zoo zelfstandig en zoo goed voor aanranding beveiligd, als het zijne. De Plan-
tagenets en de Tudors waren herhaaldelijk genoodzaakt geweest zich tegen
Schotland te verdedigen tenzelfden tijde, dat zij op het vaste land in oorlog
waren. De strijd met Ierland had door zijn langen duur gedreigd hun hulp-
bronnen geheel uit te droogen. Ondanks deze nadeelen hadden die vorsten
evenwel de hoogste achting in de christenheid genoten. Er bestond derhalve
reden om te verwachten, dat Engeland, Schotland en Ierland,vereenigd, een
staat zouden vormen, die voor geen der toenmaals bestaande zou behoeven
onder te doen.
Vermindering^ van Al deze verwachtingen werden bitter teleurgesteld. Op den
"&*m\'&T dag der troonsbestijging van Jacobus I daalde ons land van
troonanestüging                                  . ..                                                                        _           _
van jacobu» i. den rang af, dien het tot dusverre bekleed had, en be-
gon als een mogendheid hoogstens van den tweeden rang beschouwd te
worden. Gedurende vele jaren maakte de britsche monarchie onder vier
\') Mile, ook Mileas-Espain (Milesius Hispanus) genaamd, was een held en ver-
overaar, aan wien de bewoners van Ierland hun sagen en vroegste geschiedenis vast-
knoopen. De vorsten van Munster, Ulster enz. beweerden van hem af te stammen. V.
-ocr page 73-
VOOR DE RESTAURATIE.                                          49
opvolgende vorsten van den huize Stuart een nauwelijks machtiger lid van
het europeesch statenstelsel uit, dan voorheen het kleine koninkrijk Schot-
land geweest was. Doch dit valt niet zeer te betreuren. Van Jacobus I kan
men even als van Jan zeggen, dat naar alle waarschijnlijkheid zijn bestuur
voor ons noodlottig geweest zou zijn, bijaldien het beleidvol en glansrijk ge-
weest was en dat zijn zwakheden en laagheden voor ons van grooter nut
waren, dan de wijsheid en de moed van veel beter souvereinen. In een
hachelijk tijdperk besteeg hij den troon. Met rassche schreden naderde de tijd
dat de koning alleenheerscher worden of het parlement het toezicht op het
geheele uitvoerende bewind houden moest. Ware hij een dapper, werkzaam
en staatkundig vorst geweest, zooals Hendrik IV, Maurits van Nassau, of Gus-
taaf Adolf, had hij zich aan het hoofd der protestanten in Europa gesteld, had
hij op Tilly en Spinola groote overwinningen behaald, had hij Westminster
met den buit van beijersche kloosters en vlaamsche Domkerken versierd, of
indeSt. Paulskerk oostenrijksche en castiliaansche banieren ten toon gehan-
gen, en had hij na \'t volbrengen van groote daden zich aan het hoofd van vijf-
tigduizend dappere, goed gedisciplineerde en aan zijn persoon getrouwe krij-
gers bevonden, het engelsch parlement zou weldra nog slechts in naam bestaan
hebben. Gelukkig was hij de man niet om zulk een rol te spelen. Zoodra hij
het bestuur aanvaard had, maakte hij een einde aan den oorlog, die vele jaren
lang tusschen Engeland en Spanje gewoed had; en sedert vermeed hij alle
vijandelijkheden met een behoedzaamheid, die evenzeer bestand was tegen
den hoon zijner naburen, als tegen de bittere klachten zijner onderdanen.
Eerst in het laatste jaar zijns levens kon de vereenigde invloed van zijn zoon,
zijn gunsteling, zijn parlement en zijn volk hem overhalen om een zwakke
poging ter verdediging van zijn familie en godsdienst te wagen. Het was ge-
lukkig voor zijn onderdanen, dat hij in dit opzicht hun wenschen gering achtte.
Het gevolg zijner vredelievende politiek was, dat onder zijn bestuur geen ge-
regelde troepen noodig waren en de verdediging van ons land bij voortduring
aan de landweer bleef toevertrouwd, terwijl het in Frankrijk, Spanje, Italië,
België en Duitschlard van gehuurde krijgslieden wemelde.
Vermits de koning geen staande legermacht bezat en niet eens beproefde
er een op te richten, zou het verstandig van hem geweest zijn elke botsing
met zijn volk te vermijden. Doch zijn onbedachtzaamheid was zoo groot dat,
terwijl hij geheel en al de middelen verwaarloosde, die alleen hem de onbe-
perkte heerschappij hadden kunnen veschaffen, hij voortdurend en op de stoo-
(óudttknëkt. tendste wijze aanspraken wilde doen gelden, waarvan geen zijner
voorgangers ooit gedroomd had. Het was in die dagen, dat voor het eerst die
zonderlinge theorieën bekend werden, die Filmer naderhand in één stelsel
vereenigde en waaraan zich sedert dien tijd de hevigste Torys en staats-
kerkgezinden deden kennen. Er werd in allen ernst betoogd, dat de erfelijke
monarchie in tegenstelling met andere regeeringsvormen aan het Opperwe-
zen bijzonder welgevallig was, dat de orde der erfopvolging naar het recht
der eerstgeboorte een goddelijke instelling was, ouder dan de christelijke en
zelfs dan de mozaïsche bedeeling; dat geen menschelijke macht, zelfs niet
die der geheele wetgeving, geen duur van bezit, al strekte het zich over
tien eeuwen uit, den rechtmatigen vorst van zijn aanspraken konden beroo-
MACAULAY I.                                                                                                               4
-ocr page 74-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
ven; dat zijn gezag, uit den aard der zaak, altijd despotisch was; dat de wet-
ten, die zoowel in Engeland als elders de rechten van den sou verein beperken,
enkel als concessiën moesten aangemerkt worden, die hij vrijwillig gedaan
had en naar verkiezing ook weder herroepen kon; en dat elk verbond, het-
welk een koning met zijn volk mocht aangaan, slechts een verklaring zijner
tijdelijke bedoeling was, maar geenszins een contract, waarvan de naleving
geèischt kon worden. Het is duidelijk, dat deze theorie, ofschoon zij ten doel
had de grondvesten der regeering te versterken, die integendeel geheel en al
ondermijnde. Werden volgens de goddelijke en onveranderlijke wet der
eerstgeboorte de vrouwen toegelaten of uitgesloten? In het eene zoowel als
in het andere geval bestond de helft der vorsten van Europa uit overweldigers,
die in strijd met \'s hemels bevelen het bewind voerden, en die met recht
door de wettige erfgenamen onttroond mochten worden. De leer, dat het
koninklijk bestuur Gode bijzonder welgevallig is wordt door het Oude Testa-
ment niet bevestigd; daar immers lezen wij, dat het uitverkoren volk bestraft
en gekastijd werd, omdat het naar een koning verlangde en dat het vervol-
gens bevel kreeg dien niet meer te gehoorzamen. Wel verre van de opvatting
te begunstigen, dat het eerstgeboorterecht een goddelijke instelling zou zijn,
schijnt hun geschiedenis veeleer te bewijzen, dat jongere broeders onder
\'s hemels bijzondere bescherming staan. Izaak was de oudste zoon niet van
Abraham, noch Jakob die van Izaak, noch Juda die van Jakob, noch David
die van Izaï, noch Salomo die van David. Evenmin kon Filmers stelsel op
die plaatsen in het Nieuwe Testament steunen, waar de overheid des lands
als een goddelijke instelling beschouwd wordt; want het bestuur, waaronder
de schrijvers des Nieuwen Testaments leefden, was geen erfelijke monarchie.
De romeinsche keizers waren republikeinsche bewindvoerders, die door den
senaat aangesteld werden. Niet één hunner gaf voor, krachtens het geboorte-
recht te regeeren; en zoowel Tiberius, wien volgens het woord van Christus
schatting moest betaald worden, als Nero, dien de Romeinen op aanmanen
van Paulus gehoorzaamden, waren volgens de patriarchale regeeringstheorie,
overweldigers. In de middeleeuwen zou men de leer van het onvernietigbaar
erfopvolgingsrecht als kettersch beschouwd hebben; want ze was geheel onbe-
staanbaar met de groote aanspraken der kerk van Rome. De stichters der
anglicaansche kerk kenden deze leer niet. De Homilie over den opzettelijken
opstand schreef met nadruk, en inderdaad met al te veel nadruk, onder-
werping aan de bestaande overheid voor, doch maakte geen onderscheid
tusschen erf- en kiesrijken, tusschen monarchieën of republieken. Trouwens,
de meesten der voorgangers van Jakobus zouden om persoonlijke redenen
van de patriarchale regeeringstheorie afkeerig geweest zijn. Willem Rufus,
Hendrik I, Stephanus, Jan, Hendrik IV, Hendrik V. Hendrik VI, RichardlII
en Hendrik VII, hadden allen in strijd met het strikte erfopvolgingsrecht
den troon beklommen. Er bestond ernstige twijfel omtrent de echtheid van
de geboorte van Maria, zoowel als van Elizabeth. Onmogelijk konden Catha-
rina van Aragon en Anna Boleyn beiden wettig met Hendrik VIII gehuwd
geweest zijn; en de hoogste rechtbank van het Rijk had verklaard, dat zij
het geen van beiden waren. Wel verre van het erfopvolgingsrecht als een
goddelijke en onveranderlijke instelling te beschouwen, veroorloofden zich
-ocr page 75-
VOOR DE RESTAURATIE.
5\'
de Tudors bestendig het naar hun inzichten te veranderen en te verwringen.
Hendrik VIII deed in het parlement een besluit doordrijven, waarbij hij ge-
machtigd werd bij uitersten wil naar goedvinden over de kroon te beschik-
ken, en hij maakte werkelijk een testament, dat ten nadeele der schotsche
koninklijke familie strekte. Eduard VI matigde zich zonder door het parle-
ment daartoe gemachtigd te zijn, doch met volkomen toestemming der voor-
naamste hervormers, hetzelfde recht aan. Elizabeth, zichzelve bewust dat
haar heerschrecht voor ernstige betwisting vatbaar was, en ongezind om ook
maar het bloote overleveringsrecht harer mededingster en vijandin, de ko-
ningin der Schotten, te laten gelden, bewoog het parlement een wet aan te
nemen, bepalende dat een iegelijk, die den regeerenden souverein de be-
voegdheid betwistte om onder medewerking der staten de erfopvolgings-
orde te wijzigen, den dood eens verraders zou sterven. Doch de omstandig-
heden, waarin Jacobus verkeerde, waren geheel anders dan ten tijde van
Elizabeth. Oneindig minder bekwaam en populair dan zij, door de Engelschen
als een vreemde aangezien en door het testament van Hendrik VIII van den
troon uitgesloten, was de koning der Schotten niettemin de rechtmatige erf-
genaam van Willem den Veroveraar en van Egbert. Het was dus blijkbaar in
zijn belang de bijgeloovige stelling te prediken, dat geboorte rechten geeft,
geldiger dan de wet en niet door de wet te veranderen. Bovendien was het
een stelling geheel in overeenstemming met zijn geest en inborst. Zij telde dan
ook talrijke verdedigers onder hen, die naar zijn gunst streefden, en vond
grooten bijval onder de geestelijkheid der staatskerk.
\'s Konings aanspraken dreigden dus ten zelfden tijde, dat een republiekein-
sche geest zich in het parlement en onder het volk met kracht begon te open-
baren, een gevaarlijken omvang te nemen, waarvoor zelfs de hoogmoedigste
«n willekeurigste zijner voorgangers zou hebben teruggedeinsd.
Jacobus roemde steeds op zijn bedrevenheid in hetgeen hij koningskunst
(kingcrafi)
noemde; en nochtans is \'t bijna onmogelijk zich een handelwijze
voor te stellen, zoo lijnrecht tegen alle beginselen van regeeringskunst in-
druischende, als die, welke hij volgde. Steeds is het de staatkunde van wijze
regenten geweest, gewelddadige maatregelen onder aangename vormen smake-
lijk te maken. Op deze wijze stichtten Augustus en Napoleon onbeperkte
monarchieën, terwijl de menigte hen slechts als uitstekende staatsburgers be-
schouwde, die tijdelijk het opperste burgerlijk gezag bekleedden. Jacobus
staatkunde was juist het tegendeel. Hij deed in het parlement verbitteringen
wantrouwen ontstaan door de gestadig herhaalde bewering, dat het behoud
der privilegiën van die vergadering alleen van zijn wil afhankelijk was en het
haar evenmin vrijstond de rechtmatigheid zijner handelingen aan de wet te
toetsen, als die der Godheid. Desniettemin beefde hij voor hen, gaf den eenen
minister na den ander aan hun wraak prijs en liet zich door hen tot daden
dwingen, die met zijn innigste neigingen in strijd waren. Op die wijze moest
zoowel de verbittering, waartoe zijn aanspraken, als de minachting, waartoe
zijn concessiën aanleiding gaven, bestendig toenemen. Door zijn vriendschap
voor onwaardige gunstelingen en de goedkeuring, welke hij aan hun geweld-
dadige en roofzuchtige handelingen hechtte, hield hij de ontevredenheid be-
stendig gaande. Zijn lafhartigheid, zijn kinderachtige kleingeestigheid, zijn
-ocr page 76-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
schoolsche verwaandheid, zijn onbehaagelijk voorkomen, zijn linksche ma-
nieren en zijn provinciale tongval, dat alles maakte hem tot een voorwerp van
bespotting. Zijn deugden en bekwaamheden zelve waren van bijzonder on-
koninklijken aard. Ook begon in den loop zijner regeering het ontzag voor de
eeuwenheugende instellingen, die den troon zoolang geschraagd hadden, al
meer en meer te verzwakken. Sedert twee honderd jaar waren al de vorsten,
die over Engeland geheerscht hadden, met uitzondering alléén van den onge-
lukkigen Hendrik VI, vastberaden, hooghartig, moedig en vorstelijk in hun
voorkomen geweest. Bijna allen hadden meer dan gewone begaafdheden be-
zeten. Het was dus van niet weinig gewicht, dat in het laatste oogenblik
vóór den beslissenden strijd tusschen onze koningen en hun parlementen, het
koningschap aan de wereld getoond werd, stamelend, kwijlend, onmannelijke
tranen stortende, bevende voor een getrokken zwaard, en beurtelings de taal
eens potsenmakers of die van een schoolmeester sprekende.
Toenemende Inmiddels waren de godsdiensttwisten, welke sedert de dagen
tnVichende van Eduard VI de protestanten onderling verdeeld hadden, ge-
de puriteinen, vaarlijker geworden dan ooit te voren. De klove, welke het eerste
geslacht der puriteinen van Cranmer en Jewel gescheiden had, was inderdaad
klein in vergelijking met die, welke het derde geslacht der puriteinen van Laud
en Hammond verwijderde. Zoolang de herinnering aan Maria\'s gruwelen nog
versch was, zoolang de macht der katholieke partij nog reden tot bezorgdheid
gaf, zoolang Spanje zijn invloed nog in de schaal legde en naar de wereldheer-
schappij streven kon, zagen al de hervormde secten wel in, dat zij een groot
en algemeen belang en een gemeenschappelijken doodvijand hadden. Hun
onderlinge verbittering was flauw in vergelijking met die, welke zij tegen
Rome koesterden. Conformisten en non-conformisten hadden de handen
stevig ineengeslagen, ten einde strafwetten van de uiterste hardheid tegen de
papisten te doen beramen. Toen echter meer dan een halve eeuw van onge-
stoord bezit de staatskerk tot vertrouwen gestemd had, toen minstens negen
tienden der natie van harte protestantsch waren geworden en Engeland
met de geheele wereld in vrede was, toen men niet meer te vreezen had,
dat der natie het papisme door vreemde wapenen zou worden opgedrongen,
toen de laatste geloofsbelijders, die voor Bonner \') terecht gestaan hadden,
ten grave gedaald waren, toen veranderde de stemming der anglicaansche
geestelijkheid. Haar vijandschap tegen de roomsch-katolieke leer en kerk-
tucht was grootelijks verminderd. Haar afkeer van de puriteinen daarentegen
groeide dagelijks aan. De strijdschriften, die van oudsher verdeeldheid onder
de protestanten gezaaid hadden, sloegen een toon aan, die alle hoop op
verbroedering verdreef, en nieuwe twistvragen van nog grooter belang ver-
meerderden het getal der vroegere geschilpunten.
De stichters der anglicaansche kerk hadden de bisschoppelijke waardig-
heid behouden op grond, dat zij een oude, voegzame en geschikte vorm van
kerkbestuur was, maar hadden niet verklaard, dat deze vorm een goddelijke
instelling moest geacht worden. Wij hebben reeds gezien, hoe luchtig Cranmer
over het ambt eens bisschops oordeelde. Onder Elizabeth\'s bestuur verdedig-
\') Onder het bestuur van Maria de Bloedige.
-ocr page 77-
53
VOOR DE RESTAURATIE.
den Jewel, Cooper, Whitgift en andere uitstekende leeraars de prelatuur als
onschadelijk, als nuttig, als iets, dat de Staat wettiglijk mocht invoeren, en
dat, eenmaal door den Staat ingevoerd, door eiken burger geëerbiedigd be-
hoorde te worden; doch zij ontkenden geenszins, dat een christelijke gemeente
ook zonder bisschop een zuivere kerk kon wezen. Integendeel, zij beschouw-
den de protestanten van het vaste land als leden hunner eigen geloofsge-
meente. In Engeland waren, wel is waar, de Engelschen verplicht het bis-
schoppelijk gezag te huldigen, even als zij verplicht waren het gezag des sheriffs
en des coroners \') te erkennen, doch die verplichting was enkel plaatselijk.
Kwam een lid der engelsche kerk of zelfs een engelsch prelaat naar Holland,
dan sloot hij zich zonder bezwaar bij de landskerk in Holland aan. Buiten
\'slands gingen de gezanten van Elizabeth en van Jakobus in staatsie dezelfde
godsdienstoefening bijwonen, welke door hun souvereinen in het vaderland
vervolgd werd, en wachtten zij zich wel hun gezantschapskapellen te versieren
om geen ergernis aan zwakkere broeders te geven. Er is nog een officieel stuk
voorhanden, waarin de primaat van geheel Engeland in het jaar 1582 een
schotsch predikant, geordend volgens de bepalingen van de schotsche kerk,
machtigde te prediken en de sacramenten te bedienen in alle deelen van de
provincie Canterbury. In het jaar i6o3 erkende de synode plechtig de schot-
sche kerk, een kerk, waarin bisschoppelijk toezicht en wijding ten eenenmale
onbekend waren en als een uitvloeisel van de heilige katholieke kerk ver-
worpen werden. Zelfs hield men het er voor, dat presbyteriaansche geeste-
lijken gerechtigd waren tot een stem en plaats in de algemeene kerkverga-
deringen. Toen de Staten Generaal der Vereenigde Provinciën een synode
van niet bisschoppelijk ingezette leeraren te Dordrecht bijeenriepen, namen
een engelsche bisschop en een engelsche deken, daartoe door het hoofd der
engelsche kerk afgevaardigd, deel aan die vergadering, predikten voor haar
en brachten er over de gewichtigste theologische vraagstukken hun stem uit *).
Ja, zelfs werden engelsche kerkbedieningen aan geestelijken toevertrouwd,
die in den op het vaste land gebruikelijken calvinistischen vorm tot het leer-
aarsambt waren toegelaten, en een herwijding door den bisschop werd in
zoodanige gevallen voor onnoodig, ja bijna voor onwettig gehouden.
Maar een nieuw geslacht van godgeleerden begon reeds in de engelsche
kerk invloed te oefenen. Naar hun gevoelen was het bisschoppelijke ambt een
\') De sheriff is een beambte, wiens uitgebreide werkkring zich over velerlei zaken
uitstrekt, doch wiens voornaamste taak het is voor de instandhouding der openbare
rust, de behoorlijke ten uitvoerlegging van rechterlijke gewijsden enz. te zorgen. Elk
graafschap heeft een zoodanigen hoofdbeambte, die jaarlijks door de regeering be-
noemd wordt.
De corontr (kroonbeambte) wordt jaarlijks door de grondeigenaren van elk graaf-
schap verkozen; hij is het, die in rechterlijke zaken de rechten der kroon moet behar-
tigen, bij plotselinge sterfgevallen onderzoek doen en rechtsingang verleenen tegen
hen, die zich aan moord of doodslag hebben schuldig gemaakt.
») Joseph Hall, destijds deken te Worcester en later bisschop van Nbrwich, was
een dezer afgevaardigden. In zijn Autobiographie zegt hij : »Mijn onwaardigheid werd
mede tot lid dier achtbare, deftige en eerwaardige vergadering benoemd." Heftige
staatskerkgezinden zullen deze nederigheid niet weinig misplaatst vinden.
-ocr page 78-
54                                   GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
wezenlijk vereischte voor de welvaart eener christelijke gemeente en voor de
plechtigste wijdingen der godsdienst. Met dat ambt waren zekere hooge en
heilige voorrechten verbonden, welke geen menschelijke overheid mocht
schenden of verkorten. Een kerk kon evenmin de apostolische wijdingen ont-
beren als de leer der Drieéenheid of die der vleeschwording; en de kerk van
Rome, die te midden van \'t verderf de apostolische wijdingen behouden had,
was minder van de oorspronkelijke reinheid afgeweken, dan die hervormde
gemeenten, welke de onbezonnenheid gehad hadden, een van het goddelijk
voorbeeld afwijkend en door menschen ontworpen stelsel aan te nemen.
In de dagen van Eduard VI en van Elizabeth hadden de verdedigers van
het anglicaansche rituaal zich doorgaans bepaald bij de bezwering, dat het
geen zonde was dit rituaal te bezigen, en dat diensvolgens alleen kwalijkge-
zinde en ongehoorzame onderdanen weigeren konden het te bezigen, wanneer
de overheid hen daartoe aanmaande. Thans echter begon die aangroeijende
partij, die den hemelschen oorsprong der oude kerkinrichtingen wilde doen
geltien, aan de dienst der kerk een nieuwe beteekenis en strekking toe te
schrijven. Men gaf te verstaan dat, zoo de aangenomen eeredienst eenig ge-
brek had, dit gebrek voornamelijk in al te grooten eenvoud bestond, en dat
de hervormers in het vuur van den strijd met Rome veel oude ceremoniën
afgeschaft hadden, welker behoud nuttig had kunnen zijn. Dagen en plaatsen
werden op nieuw in mystieke vereering gehouden. Sommige gebruiken, die
men sedert lang niet meer gevolgd en als bijgeloovig momspel uitgekreten
had, werden hersteld. Schilderijen en snijwerken, die der woede van het
eerste geslacht der puriteinen ontsnapt waren, werden het voorwerp van een
eerbied, die velen afgodisch voorkwam.
Van het stelsel der oude kerk hadden de hervormers niets zoo zeer ver-
foeid als de aan het celibaat toegekende eer. Zij beweerden, dat de apostel
Paulus met zieners oog de leer der roomsche kerk op dit punt als een duivel-
sche leer verdoemd had en zij drukten vooral op de misdaden en schan-
dalen, welke de juistheid dezer vreeselijke uitspraak schenen te bevestigen.
Luther had door zijn huwelijk met een non zijn eigen gevoelen ten duide-
lijkste doen kennen. Sommige der meest vermaarde bisschoppen en priesters,
die onder Maria\'s regeering op den brandstapel omgekomen waren, hadden
vrouwen en kinderen nagelaten. Thans echter begcn het gerucht te loopen
dat de oude monniksgeest in de engelsche kerk weder zou gaan heerschen;
dat het opperbestuur een vooroordeel tegen gehuwde priesters koesterde;
dat zelfs leeken, die zich protestanten noemden, vast besloten, ja bijkans ge-
lofte gedaan hadden, niet te huwen en eindelijk, dat een priester der staats-
kerk een nonnenklooster gesticht had, waar een vereeniging van den Heere
gewijde jonkvrouwen \'s middernachts psalmen zong \').
Doch dit was nog niet alles. Een soort van vraagpunten, waaromtrent de
stichters der anglicaansche kerk en de eerste puriteinen weinig of niet van
elkander verschild hadden, begon tot hevige twisten aanleiding te geven. De
■) Peckards Leven van Ferrar. Het arminiaansche nonnenklooster of een korte
beschrijving van het onlangs opgerichte kloostergesticht, het arminiaansche nonnen-
klooster, te Klein Gidding in Huntingdonshire 1641.
-ocr page 79-
VOOR DE RESTAURATIE.                                         55
twistvragen, welke van den aanvang af de protestantsche eenheid verbroken
hadden, hadden bijna uitsluitend op het kerkbestuur en op ceremoniën be-
trekking gehad. Over punten van metaphysische theologie hadden de strij-
dende partijen geen ernstigen twist gehad. De leer, welke de hoofden der
hiërarchie aangaande de vraagstukken der erfzonde, des geloofs, der genade,
der voorbeschikking en der uitverkorenheid beleden, was dezelfde als die
men gemeenlijk calvinistisch noemt. Tegen het einde van Elizabeth\'sregeering
ontwierp de aartsbisschop Whitgift, de prelaat, die bij haar het meest in aan-
zien stond, gezamenlijk met den bisschop van Londen de beroemde oorkonde,
die onder den naam der Lambeths-artikelen bekend is. In dat stuk worden
de heftigste calvinistische stellingen met een bepaaldheid uitgedrukt, die
velen zou stuiten, welke in onzen tijd voor calvinisten doorgaan. Een geeste-
lijke, die zich bij de oppositie voegde en zich krachtig tegen Calvijn uit-
liet, werd tot straf voor zijn vermetelheid door de hoogeschool te Cambridge
in staat van beschuldiging gesteld en ontging de straf slechts door het afleg-
gen eener plechtige betuiging van zijn onwankelbaar geloof aan de leer der
verwerping en der eindvolharding, en van zijn leedwezen over de ergernis,
welke zijn aanmerkingen op den grooten franschen hervormer den vromen
gegeven hadden. De school van godgeleerdheid, waarvan Hooker het hoofd
was, houdt het midden tusschen de school van Cranmer en die van Laud;
en Hooker is in de nieuwe tijden door de arminianen onder hun bondge-
nooten geteld. Nochtans verklaarde Hooker, dat Calvijn alle godgeleerden,
die Frankrijk ooit had voortgebracht, in wijsheid overtrof; een man, wien
duizenden de kennis der goddelijke waarheid te danken hebben, maar die
voor zich zelven der Godheid alleen dank verschuldigd was. Toen de armini-
aansche kerktwisten in Holland uitbarstten, verleende de engelsche regeering
en kerk een krachtigen bijstand aan de calvinistische partij, en de engelsche
naam is niet geheel vrij te pleiten van de smet, welke de inkerkering van
Grotius en het noodlottig uiteinde van Oldenbarneveld op die partij heeft
laten rusten.
Doch zelfs vóór de bijeenkomst der hollandsche synode begon het gedeelte
der anglicaansche geestelijkheid, dat der calvinistische kerkregelingeneere-
dienst bijzonder vijandig was, ook de calvinistische metaphysiek ongunstig
aan te zien, en dit gevoelen werd van zelf versterkt door de grove ongerech-
tigheid, den overmoed en de wreedheid der partij, die te Dordt de overhand
had. De arminiaansche leer, die niet zoo streng logisch was als de leer der
vroegere hervormers, maar die beter met de heerschende begrippen nopens
de reehtvaardig;heid en goedheid van het Opperwezen strookte, verbreidde
zich ras en verre. Weldra drong de besmetting ook tot het Hof door. Meenin-
gen, die tijdens Jakobus troonsbestijging geen geestelijke zou hebben durven
uiten, wilde hij zich niet aan het dreigend gevaar blootstellen van het pries-
terlijk gewaad te verliezen, gaven nu de beste aanspraak op bevordering.
Een geestelijke, wien destijds door een eenvoudig landedelman gevraagd
werd, wat toch de arminianen eigenlijk vasthielden, antwoordde even waar
als geestig, dat zij in Engeland de beste bisschopszetels en dekenschappen
vasthielden.
Terwijl een gedeelte der anglicaansche geestelijkheid haar oorspronkelijke
-ocr page 80-
56                                   GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
stelling in de eene richting verliet, week een gedeelte der puriteinsche ge-
meente naar een lijnrecht tegenovergestelde richting van de beginselen en
gebruiken der vaderen af. De vervolgingen, die de separatisten ondergaan
hadden, waren streng genoeg geweest om te verbitteren, maar niet om te
vernietigen. Zij waren niet tot onderwerping gebracht, maar wel tot woestheid
en hardnekkigheid gedreven. Zij zagen naar de gewoonte van onderdrukte
secten hun gevoelens van wraakzucht voor godvruchtige aandoeningen aan;
zij versterkten door lezen en nadenken hun innerlijke neiging om over de
door hen geleden verongelijkingen te wrokken en, hadden zij zich alzoo tot
vernieuwden haat tegen hun vijanden opgewonden, dan verbeeldden zij zich
slechts des hemels vijanden te haten. In het Nieuwe Testament was zelfs
bij de meest verwrongen en onredelijke uitlegging niets te vinden, dat het
toegeven aan booze hartstochten scheen te billijken. Maar het Oude Testa-
ment bevatte de geschiedenis van een volk, dat door God was uitverkoren
om van Zijn eenheid te getuigen en om Zijn wraak te dienen, en dat van Hem
uitdrukkelijk last ontving om vele daden te volvoeren, welke zonder dat
uitdrukkelijk bevel afschuwelijke misdaden geweest zouden zijn. In zulk een
geschiedenis was er voor sombere en verbitterde gemoederen zeer veel te
vinden, dat zich gemakkelijk genoeg liet verdraaijen om met hun inzichten te
strooken. De heftigste onder de puriteinen begonnen dan ook een voorliefde
voor het oude verbond te koesteren, die zij wellicht zich zelven niet eens be-
kenden, doch die zich in al hun gevoelens en gewoonten deed opmerken.
De hebreeuwsche taal schonken zij een aandacht, die zij de taal weigerden,
waarin de gesprekken van Jezus en de brieven van Paulus tot ons gekomen
zijn. Hun kinderen doopten zij niet met de namen van christelijke heiligen,
maar met die van hebreeuwsche patriarchen en krijgers. Trots Luthers
en Calvijns uitdrukkelijke en herhaalde verklaringen, veranderden zij den
wekelijkschen feestdag, waarmede de kerk sedert haar eerste tijden de
opstanding des Heeren herdacht had, in een joodsche sabbath. Beginselen
van rechtspleging zochten zij in de mozaïsche wet, en regelen voor hun ge-
woon levensgedrag in de boeken der Richters en Koningen. Hun gedachten
en gesprekken liepen veelal over feiten, die zeker niet als voorbeelden ter
onzer navolging opgeteekend zijn. De profeet, die een gevangen koning in
stukken hieuw, de oproerige veldheer, die het bloed eener koningin aan de
honden prijs gaf, de vrouw, die in strijd met de beloofde trouw en de ooster-
sche gastvrijheid den spijker in de hersenen des voortvluchtigen bondgenoots
dreef, die pas aan haar tafel gespijzigd en in de schaduw harer tent ter ruste
gegaan was, — deze werden den christenen, die de tirannie van vorsten en
prelaten te verduren hadden, als voorbeelden aangewezen. Zeden en gebrui-
ken werden aan wetsbeginselen getoetst, welke op die der synagoge geleken
toen deze in haar slechtsten toestand verkeerde. De kieeding, het gedrag,
de taal, de studiën en de vermaken der vrome secte werden gewijzigd naar
beginselen, gelijkende op die der pharizeeën, die, trotsch op hun gewasschen
handen en op hun lange gebeden, den Heiland als een sabbathschender en
wijndrinker hoonden. Het was zonde bloemkransen aan een meiboom te
hangen, de gezondheid van een vriend te drinken, een valk te laten vliegen,
een hert te jagen, schaak te spelen, den.haarlok eener beminde te dragen,
-ocr page 81-
VOOR DE RESTAURATIE.                                          S7
«en hemdkraag te stijven, het klavier te bespelen, of de Fairy Queen \') te
lezen. Stelregelen als deze, die Luther\'s vrijen en ievenslustigen geest onver-
draaglijk, Zwingli\'s helderen en wijsgeerigen blik verachtelijk toegeschenen
zouden hebben, deden een meer dan kloosterlijke naargeestigheid op het ge-
heele leven drukken. De geleerdheid en welsprekendheid, welke zooveel tot
den roem der groote hervormers hadden bijgedragen, werden door de nieuwe
protestantsche school met achterdocht, zoo al niet met afkeer, beschouwd.
Sommige ijveraars hadden bezwaren tegen het leeren der latijnsche spraak-
kunst, omdat de namen van Mars, Bacchus en Apollo daarin voorkwamen.
De schoone kunsten waren zoo goed als verboden. De plechtige tonen des
orgels werden bijgeloovig, de vroolijke muziek van Ben Jonsons kluchten
liederlijk genoemd. De helft der fraaije schilderijen in Engeland was af-
godisch, de andere helft ontuchtig. Den hevigen puritein kon men dadelijk
van andere menschen onderscheiden aan zijn stijven gang, zijn kleeding,
zijn sluike haren, den stroeven ernst zijner gelaatstrekken, het ten hemel ge-
richt wit zijner oogen, den slependen toon, waarmee hij dooi- den neus sprak
en bovenal aan zijn eigenaardige uitdrukkingen. Hij bezigde bij alle gelegen-
heden de beeldspraak en den stijl der H. Schrift. Hebraïsmen, der engelsche
taal op de gewelddadigste wijze opgedrongen, leenspreuken, die uit de
krachtigste lyrische poëzie van verre landen en van lang vervlogen tijden
waren overgenomen en op de alledaagsche bedrijven van het engelsche leven
toegepast werden, waren de meest in het oog loopende eigenaardigheden
van dit geteem, hetwelk niet zonder grond de spotternijen zoowel van pre-
laatsgezinden als van vrijgeesten uitlokte.
De scheuring, welke in de zestiende eeuw op staatkundig en kerkelijk ge-
bied had plaats gegrepen, werd zoodoende in het eerste vierde gedeelte der
zeventiende eeuw, bestendig grooter. Theorieën, die tot turksch despotisme
overhelden, vielen te Whitehall in den smaak. Theorieën, die naar republi-
canisme voerden, werden door een groot gedeelte der parlementsleden ge-
huldigd. De hevige prelaatsgezinden, die tot op den laatsten man kampioenen
van het koninklijk prerogatief waren, en de hevige puriteinen, die tot op den
laatsten man de voorrechten des parlements verdedigden, beschouwden el-
kander met een verbittering, veel heviger dan bij het vorige geslacht tusschen
katholieken en protestanten geheerscht had.
Terwijl de gemoederen in deze stemming waren, werd het land nalangdu-
rigen vrede in een oorlog a) gewikkeld, die de uiterste krachtsinspanning
vereischte. Deze oorlog verhaastte den aanvang der groote constitutioneele
krisis. Het werd noodig, dat de koning een sterke krijgsmacht onderhield.
Zonder geld kon hij dit niet. Buiten toestemming des parlements kon hij geen
wettige geldheffing doen. Hieruit volgde dus, dat hij het bewind moest voe-
ren naar den zin van het Lagerhuis, of dat hij zich aan zoodanig een schending
der grondwetten moest wagen, als men sedert verscheiden eeuwen niet be-
leefd had. De Plantagenets en de Tudors hadden wel bij voorkomende ge-
legenheid een te kort in hun inkomsten door een bede of door een gedwongen
\') De Tooverkoningin, een beroemd heldendicht, het werk van den veelgeprezen
dichter Spenser, die in Elizabeths tijden leefde.
                                               V.
*) Met Spanje.
<
-ocr page 82-
58
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
leening gedekt; maar deze hulpmiddelen waren steeds van voorbijgaanden
aard. De onvermijdelijke kosten van een langdurigen oorlog door de geregelde
heffing van belastingen buiten toestemming der staten des rijks te bestrij-
den, was een handelwijze, die zelfs Hendrik VIII zich niet zou hebben durven
veroorloven. De beslissende ure scheen dus nabij, dat het engelsch parle-
ment het lot der raadsvergaderingen van het vaste land deelen of wel het
overwicht in den staat verwerven zou.
K.rei i bestijgt Juist in dit tijdsgewricht stierf Jakobus. Karel I beklom den
den troon; zijn                                                     1,1                                           1
karakter. troon. Dezen vorst had de natuur met veel grooter verstand,
veel meer wilskracht en oneindig vuriger en fermer karakter begiftigd. Hij
had zijns vaders staatkundige theorieën ingezogen, en was, veel meer dan
deze, gezind om ze in praktijk te brengen. Hij was, even als zijn vader, ijverig
bisschopsgezind. Hij was bovendien — wat zijn vader nooit geweest was —
een ijverig arminiaan, en hoezeer geen papist, den papisten veel meer toege-
negen dan den puriteinen. Onredelijk ware het te ontkennen, dat Karel som-
mige der eigenschappen van een goed, ja, zelfs van een groot vorst bezat. Hij
sprak en schreef, niet zoo als zijn vader, met de stiptheid van een schoolmees-
ter, maar naar den trant van beschaafde en welopgevoede lieden. Zijn smaak
in letteren en kunsten was voortreffelijk, zijn houding steeds waardig, hoewel
niet voorkomend, zijn huiselijk leven vlekkeloos. Trouweloosheid was de
voornaamste oorzaak zijner rampen en is de grootste smet op zijn nagedachte-
nis. Hij werd inderdaad door een ongeneeslijke krankheid naar duistereen
slinksche wegen gedreven. Het moge vreemd schijnen, dat zijn geweten, bij
zaken van minder aanbelang uiterst gevoelig, hem om deze groote ondeugd
nooit bezwaard heeft, doch er bestaat grond om te gelooven, dat hij niet al-
leen van nature en uit gewoonte, maar ook uit den aard zijner beginselen trou-
weloos was. Van de theologen, die hij het meeste in achting hield, schijnt hij
geleerd te hebben, dat tusschen hem en zijn onderdanen een wederzijdsche
verbintenis niet bestaan kon; dat hij, al had hij het gewild, toch zijn des-
potisch gezag niet kon afleggen en dat met elke door hem gedane belofte
het stilzwijgend voorbehoud gepaard ging, dat hij in geval van nood die
belofte mocht breken en hij alleen beslissen kon, of die noodwendigheid
daar was.
oSp^>me h! iT/t ^*n nu begon dat gevaarlijk spel, waarbij het de toekomst der
GemientVn. engelsche natie gold. Door het parlement werd het met ver-
bittering, doch tevens met weergalooze bekwaamheid, kalmte en volharding,
gespeeld. Groote staatsmannen, wier blik diep in \'t verleden en ver in de
toekomst zag, stonden aan het hoofd dezer vergadering. Zij hadden het besluit
opgevat den koning zoo in de engte te drijven, dat hij gedwongen werd het
bewind overeenkomstig de wenschen des parlements te voeren of wel de
heiligste beginselen der constitutie op ongehoorde wijze te verkrachten.
Diensvolgens verstrekten zij hem slechts met de uiterste karigheid geldelijke
bijdragen. Hij bemerkte weldra, dat hij in goede verstandhouding met het
Huis der Gemeenten of ten hoon van alle wetten regeeren moest. Zijn keuze
was spoedig getroffen. Hij ontbond zijn eerste parlement en schreef op
eigen gezag belastingen uit. Hij riep een tweede parlement bijeen en vond
het nog minder handelbaar dan het eerste. Op nieuw nam hij het middel
-ocr page 83-
VOOR DE RESTAURATIE.
59
der ontbinding te baat, schreef zonder eenigen zweem van wettelijk recht
nieuwe belastingen uit en wierp de hoofden der oppositie in den kerker.
Tevens deed een nieuwe, voor de eigenaardige gevoelens en gewoonten der
engelsche natie ondraaglijke en drukkende grieve, die door ervaren man-
nen als een vreeselijk voorteeken beschouwd werd, algemeene ontevreden-
heid en ongerustheid ontstaan. Compagnieën soldaten werden bij de burgers
ingekwartierd en in sommige plaatsen verving de krijgswet de oude rechts-
instellingen des rijks.
De koning beriep een derde parlement en bespeurde al spoedig, dat de
oppositie sterker en heviger was dan ooit. Hij besloot nu zijn taktiek te
wijzigen. In plaats van een onverzettelijken tegenstand aan de eischen van
het Lagerhuis te bieden, bewilligde hij na vele redetwisten en uitvluchten in
een schikking, die, ware ze door hem getrouw nagekomen, een lange reeks
van rampen afgewend zou hebben. Het parlement stond hem een ruime
geldelijke bijdrage toe. De koning bekrachtigde op de plechtigste wijze die
beroemde wet, welke als de zoogenaamde rechtspetitie bekend en een tweede
R.cht»pctitie. groot charter der engelsche vrijheid is. Door de bekrachtiging
dier wet verbond hij zich nooit meer buiten toestemming der parlements-
huizen geld te zullen heffen, nooit meer iemand in hechtenis te doen nemen,
behalve naar den gewonen loop der wetten, en eindelijk zijn volk nooit weder
aan het krijgsrechterlijk gezag te zullen onderwerpen.
De dag, waarop na veelvuldige vertragingen dit gewichtig staatsstuk door
den koning met eede bekrachtigd werd, was een dag van vreugde en blijde
hoop. De leden van het Lagerhuis, die elkaar verdrongen op de tribune van
het huis der Lords, braken in luide toejuichingen uit, toen de parlementsklerk
de oude formule uitsprak, waarmede onze vorsten sedert vele eeuwen hun
toestemming in de wenschen der rijksstaten deden kennen \'). De hoofd-
stad en de geheele natie beantwoordden die jubelkreten; doch binnen drie
weken werd het duidelijk, dat Karel niet voornemens was het door hem ge-
sloten verdrag na te komen. De gelden, door de volksvertegenwoordigers
toegestaan, werden geïnd. De belofte, waardoor zij erlangd waren, werd ver-
broken. Er volgde een hevige strijd. Het parlement werd met alle teekenen
van het koninklijk misnoegen ontbonden. Eenige der leden, die zich het
meest onderscheiden hadden, werden ingekerkerd, en een hunner, sir John
Eliot, stierf na eenjaar lijdens in de gevangenis.
\') Een kroonbeamte (klerk van de kroon) leest, bij het bekrachtigen van wetten,
den titel van het wetsontwerp voor; de bekrachtigingsformule wordt daarop door den
«klerk van het parlement" uitgesproken. Vier verschillende dezer formules (allen nog
in het oude Noormans-Fransch) worden, naar omstandigheden, gebezigd. De toestem-
ming en de wettigverklaring en aanneming van bepalingen, die gelijk in het boven-
beschreven geval, in een petitie (verzoekschrift) uitgedrukt zijn, waarbij openbare of
bijzondere rechten gevraagd worden, wordt te kennen gegeven door de woorden: »Soit
droit fait comme il est désiré;
voor een wet waarbij gelden toegestaan worden *La
reyne
(of Ie roy) remercie ses bons sujets accepte leur bénévolence et ainsy Ie veultJ"
Voor een gewoon publiek wetsontwerp »La reyne Ie veult," en vooreen wetsont-
werp, bijzondere belangen betreffende »Soit fait comme il est désiré." In het, heden
ten dage, in Engeland onmogelijk geval, dat de koninklijke toestemming geweigerd
werd, was de formule deze »la reyne s\'avisera."
-ocr page 84-
6o
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
Nochtans kon Karel niet wagen op eigen gezag voldoende belastingen
te heffen om den oorlog voort te zetten. Hij haastte zich derhalve met zijn
naburen vrede te sluiten en wijdde van nu af zijn aandacht geheel aan de
inwendige staatkunde.
Thans begon een nieuwe tijdkring. Menig engelsch koning had bij voor-
komende gelegenheid zich aan ongrondwettige handelingen schuldig ge-
maakt, maar geen hunner had ooit stelselmatig beproefd zich tot despoot op
te werpen en het parlement tot een nul te verlagen. Dit intusschen was het
doel, dat Karel zich bepaaldelijk voorstelde. Van Maart 1629 tot April
1640 werden de Huizen niet bijeengeroepen. In den geheelen loop onzer
geschiedenis vindt men geen tweede elfjarige tusschenpoos tusschen de ont-
binding van het ééne en de bijeenroeping van het daaropvolgende parlement.
Eenmaal slechts was er een tusschentijd geweest, die half zoo lang duurde.
Dit feit alleen is voldoende ter wederlegging van hen, die beweren, dat
Karel eenvoudig de voetstappen der Plantagenets en der Tudors gevolgd
zou hebben.
VTOhu»u5*M Het is door de getuigenis van \'s konings ijverigste aanhangers
bewezen, dat hij in dit tijdperk zijner regeering de bepalingen der rechts-
petitie niet enkel uit toeval, maar voortdurend en stelselmatig schond; dat
een groot gedeelte der staatsmiddelen zonder eenige wettelijke machtiging
geheven werd en dat mannen, die der regeering hinderlijk waren, jaren lang
in den kerker zuchtten, zonder ooit opgeroepen te worden om hun zaak voor
een rechtbank te bepleiten.
Voor deze feiten moet de geschiedenis voornamelijk den koning zelven
aansprakelijk stellen. Sedert de ontbinding van zijn derde parlement was
hij zijn eigen eerste minister. Verscheiden personen echter, wier geaardheid
en talenten voor zijn bedoelingen dienstig waren, stonden aan het hoofd
der verschillende takken van bestuur.
?«T»Vnerw™%Srth." Thomas Wentworth, achtervolgens tot lord Wentworth en
tot graaf van Strafford verheven, een man van groote bekwaamheid, wel-
sprekendheid en onversaagdheid, maar wreed en heerschzuchtig van aard,
was in staats- en krijgszaken zijn meest vertrouwde raadgever. Hij was een
der uitstekendste leden der oppositie geweest en werd tegen de partij, die
hij verlaten had, door dien onverzoenlijken haat bezield, die te allen tijde
het kenmerk der renegaten geweest is. De zienswijze, de hulpmiddelen en
de staatkunde der partij, waartoe hij laatstelijk behoord had, kende hij
volkomen en hij had een ver strekkend en diep doordacht ontwerp ge-
vormd, dat zelfs de vaardige taktiek der staatsmannen, die het Lagerhuis
bestuurden, bijna in verwarring gebracht had. Van dit hervormingsontwerp
getuigde hij in zijn vertrouwelijke briefwisseling, dat het met recht «door-
tastend" mocht heeten.
Zijn oogmerk was in Engeland alles en zelfs meer te doen, dan Richelieu
in Frankrijk deed; Karel tot een zoo onbeperkt monarch te maken als er één
op het vasteland was; het vermogen en de persoonlijke vrijheid der natie ter
beschikking van de kroon te stellen; de gerechtshoven, zelfs in gewone
burgerlijke rechtskwestiën tusschen partikulieren, geheel van onafhankelijk
gezag te berooven en allen, die over de daden der regeering morden of zich
-ocr page 85-
VOOR DE RESTAURATIE.                                     6i
zelfs op de betamelijkste en wettigste wijzen tot de eene of andere rechtbank
wendden om vergoeding voor die daden te erlangen, zonder genade streng te
straffen\').
Dit was zijn doel en hij zag duidelijk in, welke de eenige weg ter bereiking
van dit doel was. Er heerscht inderdaad in al zijn denkbeelden een klaar-
heid, een samenhang en een duidelijkheid, die hem aanspraak op de hoogste
bewondering zouden geven, zoo hij niet een voor zijn land en zijn natuurge-
nooten verderfelijk einde beoogd had. Hij zag, dat er één, en niet meer
dan één werktuig bestond, waarmede zijn groote en stoute plannen ten uit-
voer gebracht konden worden. Dat werktuig was een staand leger. Tot het
scheppen van zulk een leger spande hij dan ook al de krachten van zijn
scherpen geest in. In Ierland, waar hij onderkoning was, gelukte het hem
werkelijk niet alleen de inheemsche bevolking, maar ook de engelsche kolo-
nisten aan een militair despotisme te onderwerpen, en hij kon er op bogen,
dat de koning in dat eiland met een zoo onbeperkte macht heerschte, als
eenig vorst in de geheele wereld slechts doen kon 2).
K"\'fiai,a° Het beheer der kerkelijke zaken werd intusschen voornamelijk
door William Laud, aartsbisschop van Canterbury, gevoerd. Onder de pre-
laten der anglicaansche kerk was het Laud, die het verst van de grondbe-
ginselen der hervorming afgeweken en Rome het meest genaderd was. Zijn
godsdienstleer verschilde nog meer dan die der hollandsche arminianen van
de leer der calvinisten. Zijn zucht naar ceremoniën, zijn vereering van heilige
dagen, vigiliën en gewijde oorden, zijn kwalijk verborgen afkeer van het
huwelijk van geestelijken, de vurige en niet geheel belangelooze ijver, waar-
mede hij de aanspraken der geestelijkheid op den eerbied der leeken deed
gelden, dat alles zou hem den haat der puriteinen berokkend hebben, al had
hij ook louter wettige en zachte middelen ter bereiking zijner oogmerken aan-
gewend. Maar hij was bekrompen van geest en had met de wereld weinig
verkeer gehad. Van nature was hij voortvarend, opvliegend, lichtgeraakt,
waar het zijn eigen waardigheid gold, niet gauw door het lijden van anderen
bewogen en aan de gewone dwaling van bijgeloovige menschen onderhevig,
om zijn eigen kribbige en boosaardige aanvallen voor aandoeningen van
vromen ijver te houden. Onder zijn leiding werden alle gedeelten des rijks
aan een voortdurend en scherp toezicht onderworpen. Iedere kleine ver-
gadering van separatisten werd opgespoord en uiteengedreven. Zelfs huise-
lijke godsdienstoefeningen konden der werkzaamheid van zijn verspieders
niet ontgaan. Zijn strengheid boezemde zoo veel vrees in, dat de doodelijke
haat tegen de staatskerk, die in ontelbare harten kookte, algemeen onder
den uiterlijken schijn van overeenstemming met die kerk verborgen werd.
Kort voor de uitbarsting van onlusten, die voor hem en zijn stand zoo nood-
\') Wentworth\'s briefwisseling schijnt mij toe het hier boven gezegde volkomen te
bevestigen. Het ware ondoenlijk hier al die plaatsen in te voegen, die mij tot de mede-
gedeelde uitkomst geleid hebben; evenmin is het doenlijk een betere keuze van derge-
lijke plaatsen te leveren dan de heer Hallam reeds gedaan heeft. Doch ik meen de aan-
dacht des lezers vooral op het zeer degelijk opstel te mogen vestigen, dat Wentworth
over de Paltzische aangelegenheden schreef, gedagteekend den 31 Maart 1637.
*) Dit zijn zijn eigene woorden. Zie zijn brief aan Laud van den 16 December 1634.
«
-ocr page 86-
62
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
lottig werden, konden de bisschoppen van verscheiden uitgestrekte
diocesen hem nog berichten, dat geen enkele dissenter \') in hun gebied
te vinden was *).
De rechtbanken verleenden den onderdanen geen bescherming tegen de
burgerlijke en geestelijke tirannie van dat tijdperk. De rechters der gewone
burgerlijke gerechtshoven, die hun betrekking bekleedden, zoo lang het den
koning behaagde, waren schandelijk gedienstig. Ondanks die gedienstig-
heid waren zij toch veel minder vaardige en doeltreffende werktuigen der
De Sterrekamer e" willekeur dan een soort van rechtbanken, welker nagedachtenis
de Hooge Com- ....                                                                  f                ,.
miasie. door de natie na verloop van twee eeuwen steeds nog diep
verfoeid wordt. In macht en eerloosheid waren de Sterrekamer en de Hooge
Commissie de grootste dezer gerechtshoven. De macht, die deze gerechts-
hoven vóór Karels troonsbeklimming bezaten, was uitgebreid en vreeselijk
geweest, doch mag inderdaad nog gering heeten in vergelijking met die,
welke zij zich nu aanmatigden. Hoofdzakelijk door den tirannieken geest des
primaats aangespoord en bevrijd van het toezicht des parlements, legden zij
een roofzucht, een gewelddadigheid, een boosaardige vervolgingszucht aan
den dag, die in geen vroeger tijdperk ooit zoo ver gedreven werden.
Door hun bemiddeling vond zich de regeering in staat gesteld om zonder
eenigen schroom tot de zwaarste gevangenisstraffen en geldboeten tot te
pronkstelling en lichaamsverminking te doen veroordeelen. Te York zetelde
onder voorzitterschap van Wentworth een afzonderlijke raad, die ten spijt
der wet door een bloot goedvinden van het koninklijk prerogatief\') met
een bijna onbegrensde macht over de noordelijke graafschappen bekleed
was. Al deze rechtbanken hoonden en tartten het gezag van Westminster-
Hall en pleegden dagelijks buitensporigheden, die door de uitstekendste
koningsgezinden luide afgekeurd zijn. Clarendon verhaalt, dat er in het
geheele rijk nauwelijks een enkele aanzienlijke was, die de wreedheid en
hebzucht der Sterrekamer niet persoonlijk ondervonden had; dat de Hooge
Commissie zich zoo gedragen had, dat ze in het geheele rijk bijna geen enkel
voorstander meer telde en dat benoorden den Trent de dwingelandij van
den raad van York het groote charter tot een doode letter gemaakt had.
De engelsche regeering was nu, op een enkel punt na, even despotisch als
de fransche. Maar dit eene punt was van het hoogste gewicht. Er ontbrak
■) Dissenters (afgescheidenen) werden allen genoemd, die niet tot de anglicaansche
kerk behooren.
                                                                                            V.
\') Zie het door hem in 1639 aan Karel gericht verslag.
3) De schrijver schijnt hier op het axioma te doelen, dat in het engelsch staatsrecht
is aangenomen: »de koning kan geen kwaad doen." Elke andere overheid moest voor
zijn oppergezag wijken, doch de wetschennis, die hij mocht plegen, was als zoodanig
nul, en het moest de taak van het parlement en der volksstemming zijn die wetschennis
tegen te gaan, zonder dat de koning zelf zich deswege te verantwoorden had, daar hij
boven elke andere overheid verheven, en dus zijn persoon onschendbaar is. Tegenover
die beginselen staat het thans geldige, en met de voormelde zeer goed overeen te bren-
gen beginsel, dat de souverein in het staatkundige geen anderen wil kan hebben dan
zijn ministers, die rechtstreeks van het parlement afhankelijk zijn, waardoor onwettige
daden en maatregelen als de bovenbeschrevene onmogelijk worden, doch die den
vorsten slechts den uiterlijken schijn van macht en grootheid laat.
                     V.
-ocr page 87-
63
VOOR DE RESTAURATIE.
nog steeds een staande legermacht. Er bestond dus geen vrees, dat het ge-
heele gebouw der dwingelandij niet in een enkelen dag omvergeworpen kon
■worden en, indien het koninklijk bestuur belastingen tot onderhoud van het
leger uitschreef, was een onmiddellijke en onweerstaanbare losbarsting te
duchten. Dit was de zwarigheid, die Wentworth het meest in den weg stond.
De lord-zegelbewaarder Finch stelde onder medewerking van andere rechts-
geleerden, welke de regeering raadpleegde, een hulpmiddel voor, dat gretig
aangevat werd. De oude engelsche vorsten hadden, even als zij soms de be-
woners der nabij Schotland gelegen graafschappen ter verdediging der gren-
zen te wapen opdaagden, ook de aan zee gelegen graafschappen opgeroepen
scheep«eid. om schepen tot verdediging der kusten te stellen. In plaats van
schepen werd ook wel eens geld aangenomen. Nu werd besloten dit oud ge-
bruik na een lange tusschenruimte, niet slechts te doen herleven, maar zelfs
nog uit te breiden. Vroegere vorsten hadden alleen in oorlogstijd scheeps-
geld geheven; nu werd het in een tijd van diepen vrede gevorderd. Vroegere
vorsten hadden zelfs in de gevaarlijkste oorlogen het scheepsgeld enkel
langs de kusten geheven; thans werd het ook van de binnenlandsche graaf-
schappen gevorderd. Vroegere vorsten hadden het scheepsgeld alleen voor
de verdediging der kusten geheven; thans werd het, gelijk de koningsge-
zinden zelve erkenden, gevergd met het doel, niet om een vloot te onderhou-
den, maar om den koning van middelen te voorzien, die hij naar goedvinden
vergrooten en tot elk hem welgevallig einde bezigen kon.
De geheele natie was ontsteld en verbitterd. John Hampden, een gentle-
man uit Buckinghamshire, vermogend en van goede geboorte, die in zijn
omgeving de hoogste achting genoot, schoon tot dus verre der natie weinig
bekend, had den moed zich tegenover de geheele macht der regeering op
den voorgrond te stellen en zoowel de kosten als het gevaar op zich te
nemen, verbonden aan het bestrijden van het koninklijk prerogatief, waarop
de vorst meende aanspraak te kunnen maken. De zaak werd door de rechters
van het Hof der Schatkamer \') behandeld. De rechtsgronden tegen de aan-
spraken der kroon waren zoo krachtig, dat de meerderheid tegen Hampden,
hoe afhankelijk en slaafsch de rechters ook waren, zoo klein mogelijk was.
Evenwel een meerderheid was het. De uitleggers der wet hadden verklaard,
dat ééne groote en»vruchtbare belasting krachtens \'s konings gezag geheven
mocht worden. Te recht merkte Hampden op, dat hun vonnis onmogelijk
■) Er bestaan drie opperste gerechtshoven in Engeland, namelijk het hof voor bur-
gerlijke rechtsgedingen (court of common pleas), de koninklijke rechtbank (court of
King\'s bench)
en de rechtbank der schatkamer (court of cxchequer). Van deze hoven,
die elk een verschillende jurisdictie hebben, kan men op het volgende appelleeren;
wordt daar de zaak nog niet voor beslist gehouden, dan wordt door den kanselier der
schatkamer, den lord-schatmeester en de leden van de twee eerstgenoemde gerechts-
hoven op nieuw een rechtscollege gevormd, het bovenbedoelde hof der schatkamer
(court of cxcheqeur chamber), welks uitspraak alleen door het huis der Lords, als
opperste rechterlijke overheid, gecasseerd kan worden. De zaak van Hampden werd
uithoofde harer belangrijkheid dadelijk voor dit hof der schatkamer gebracht. Evenwel
duurde het zes maanden, alvorens de uitspraak volgde, waarbij Hampdens eisch
afgewezen en hij in de kosten veroordeeld werd, terwijl de natie met hooggespannen
verwachting een geheel andere uitkomst had te gemoet gezien.
                            V.
-ocr page 88-
64
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
verdedigd kon worden, dan alleen op gronden, die rechtstreeks tot een be-
sluit leidden, dat zij niet hadden durven uitspreken. Was het wettig buiten
toestemming des parlements geld voor het onderhoud eener vloot te heffen,
dan viel niet licht te ontkennen, dat die toestemming evenmin noodig was
om een geldheffing tot onderhoud eens legers wettig te maken.
De uitspraak der rechters deed de verbittering des volks toenemen. Een
eeuw vroeger zoude een minder ernstige verwikkeling een algemeenen op-
stand veroorzaakt hebben. Thans echter nam de ontevredenheid niet meer
zoo ras als voorheen de gedaante van een opstand aan. De natie was sints
lang in welvaart en beschaving gestadig vooruitgegaan. Sedert de groote
noordsche Earls (graven) tegen Elizabeth de wapenen hadden opgevat\'),
waren zeventig jaren verloopen en in dien geheelen tijd had men geen bur-
geroorlog gekend. Zoolang de engelsche natie bestond, was nog nooit zulk
een langdurig tijdsverloop zonder inwendige onlusten voorbijgegaan. De
menschen waren aan de vreedzame bedrijven des levens gewoon geraakt en
hoezeer ook verbitterd, zij aarzelden lang, eer zij het zwaard trokken.
Dit was het tijdperk, waarin de vrijheden van ons land in het grootste ge-
vaar verkeerden. De tegenstanders der regeering begonnen aan het lot des
ïlïïnïoewn\'35\' vaderlands te wanhopen en velen wendden hun blik naar de
liturgen schot- amerikaansche wildernissen, als de eenige schuilplaats, waar zij
in \'t genot van burgerlijke en geestelijke vrijheid konden blijven. Een klein
getal vastberaden puriteinen, die uit trouw aan hun godsdienst voor de
woede des oceaans, zoo min als voor de ontberingen van het onbeschaafde
leven, voor de klauwen der wilde dieren evenmin als voor de tomahawks van
nog wilder menschen teruggedeinsd waren, had dóar te midden van onge-
repte bosschen dorpen gesticht, die nu groote en rijke steden zijn, maar die
door alle veranderingen heen steeds nog eenige kenmerken van het karakter
hunner grondvesters bewaard hebben. De regeering beschouwde deze jonge
volkplantingen met tegenzin en trachtte den stroom der landverhuizing met
geweld te stuiten, doch kon niet verhinderen, dat de bevolking van Nieuw-
Engeland door een grooten toevloed van kloeke en godvruchtige mannen uit
alle gewesten van Oud-Engeland versterkt werd. En nu jubelde Wentworth,
omdat de verwezenlijking van zijn «doortastend" plan nabij scheen. Een
paar jaar zouden wellicht voldoende zijn om zijn grootsch ontwerp ten uit-
voer te brengen. Door strikte zuinigheid, door zorgvuldige vermijding van
alle botsingen met vreemde mogendheden zou men de schulden der kroon
kunnen afdoen; er zouden toereikende fondsen tot het onderhouden eener
\') In 1569. De machtige graven van Northumberland en van Westmoreland en een
aantal andere edelen hadden zich met den hertog van Norfolk verbonden met het doel
om zijn huwelijk met koningin Maria van Schotland door te drijven, die zij uit haar ge-
vangenschap wilden bevrijden en vervolgens als erfgename der engelsche kroon doen
erkennen. Elizabeth nam echter haar maatregelen zoo goed, dat de opstandelingen op
de vlucht moesten gaan zonder bijna iets verricht te hebben. Norfolk, die in den
Tower van Londen gevangen zat, werd door de koningin begenadigd onder voor-
waarde, dat hij zijn ontwerpen op zou geven. Nadat hij die belofte geschonden had,
werd hij in 1572 onthoofd. De medeplichtigheid aan den voormelden opstand werd aan
talrijke deelnemers uit de mindere standen met de uiterste gestrengheid gestraft ten.
einde schrik onder het volk te verspreiden.
                                                     V.
-ocr page 89-
VOOR DE RESTAURATIE.                                         65
sterke legermacht beschikbaar zijn, en deze legermacht zou binnen kort den
weerbarstigen geest der natie bedwingen.
In deze krisis veranderde een daad van onzinnige dweepzucht plotseling
de geheele gedaante der openbare aangelegenheden. Ware de koning ver-
standig geweest, hij zou tegenover Schotland een voorzichtige en toegevende
sfaatkunde gevolgd hebben, totdat hij meester in het zuiden was geworden.
Want van al zijn rijken was Schotland datgene, waar de meeste kans bestond,
dat een vonk een vlam, en een vlam een algemeenen brand zou veroorzaken.
Grondwettigen tegenstand, zoo als hij te Westminster had ondervonden, be-
hoefde hij, wel is waar, in Edinburg niet te vreezen. Het schotsche parlement
was een staatslichaam van gansch anderen aard dan wat in Engeland dien
naam droeg. Het was slecht ingericht, weinig geacht en had nog nimmer een
eenigen van \'s konings voorgangers ernstig tegengewerkt. De drie Staten
vormden ééne vergadering. De afgevaardigden der kiesvlekken werden slechts
als volgelingen der groote edellieden beschouwd. Geen voorstel mocht ter
tafel gebracht worden, zoo het niet eerst door de lords der artikelen \') was
goedgekeurd, een commissie, die met der daad, hoezeer niet naar den vorm,
door de regeering benoemd werd. Maar was het schotsche parlement gedien-
stig, het schotsche volk was steeds bijzonder oproerig en ontembaar geweest.
Het had Jacobus I in zijn slaapkamer vermoord; het had tegen Jacobus II
herhaaldelijk de wapens opgevat; het had Jacobus III op het slagveld ge-
dood; zijn ongehoorzaamheid had het hart van Jacobus V gebroken; het had
Maria afgezet en ingekerkerd en haar zoon in gevangenschap gehouden, en
de volksstemming was thans zoo onhandelbaar als ooit te voren. De levens-
wijze der Schotten was ruw en krijgshaftig. Langs de geheele zuidelijke grens
en langs de geheele lijn tusschen de Hoog- en Laaglanden woedde een onop-
houdelijke rooverkrijg. In het geheele land waren de menschen gewoon hun
grieven gewapenderhand te wreken. Alle verkleefdheid, die de natie voor-
heen aan het koninklijk huis verbond, was gedurende de lange afwezigheid
der vorsten geheel en al verkoeld. Op de openbare meening werd door twee
klassen van misnoegden, de grondbezitters en de predikanten, de sterkste
invloed geoefend; heeren, die van denzelfden geest bezield waren, welke zoo
menigmaal de oude Douglassen tot verzet tegen de oude Stuarts aange-
dreven had, en predikanten, die de republikeinsche gezindheid en den on-
verzettelijken geest van Knox geërfd hadden. Zoowel het nationaal als het
godsdienstig gevoel der natie was gekwetst geworden. In alle standen der
maatschappij klaagden de menschen, dat hun land, het land, dat zijn onaf-
hankelijkheid tegen de schranderste en dapperste Plantagenets zoo roemrijk
verdedigd had, door de bemiddeling van hun eigen vorstelijk stamhuis, met
1) Het comité van de lords der artikelen werd aldus samengesteld: de lords kozen
acht bisschoppen; deze benoemden acht lords. De zestien geestelijke en wereldlijke
pairs benoemden wederom acht vertegenwoordigers van graafschappen en acht van
vlekken; en deze twee-en-dertig heeren maakten samen het gezegde comité uit. Het
behoeft geen betoog, dat de bisschoppen der anglicaansche kerk in het puriteinsche
Schotland geheel op de hand der regeering waren, en dat dus deze keuring van het-
geen in het schotsche parlement ter behandeling zou komen, een krachtig middel was
ter wering van al wat het bestuur niet ter sprake gebracht wilde hebben.
            V.
MACAULAY I.
5
-ocr page 90-
66                                   GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
der daad, hoezeer niet in naam, een engelsche provincie was geworden.
Nergens hadden in Europa de calvinistische leerstellingen en tucht zoo diep
in de gemoederen des volks wortel geschoten. De kerk van Rome werd door
de groote meerderheid des volks met een haat beschouwd, die met recht
grimmig genoemd mag worden, en de engelsche kerk, die met eiken dag
meer overeenkomst met de kerk van Rome kreeg, verwekte bijna geen min-
deren afkeer.
Sedert lang had de regeering gewenscht het anglicaansche stelsel over het
geheele eiland uit te breiden, en met dit doel reeds verscheiden, voor den
presbyteriaan hoogst onaangename veranderingen ingevoerd. Eén nieuwig-
heid echter, de meest gewaagde van allen, omdat ze der lagere volksklasse
onmiddellijk in het oog moest vallen, had men nog niet beproefd. De open-
bare eeredienst werd nog steeds op zoodanige wijze gehouden als der natie
het meest welgevallig was. Thans echter besloten Karel en Laud den Schot-
ten de engelsche liturgie, of, juister gezegd, een liturgie op te dringen, die,
naar het oordeel van alle strenge protestanten, overal waar zij van de engel-
sche verschilde, van kwaad tot erger ging.
Aan deze handeling, in den overmoed der dwingelandij en met strafwaar-
dige onkunde of nog strafwaardiger minachting der openbare meening ge-
pleegd, heeft ons land zijn vrijheid te danken. De eerste maal dat de vreemde
plechtigheden vervuld werden, ontstond er een oproer. Alras werd het op-
roer een omwenteling. Eerzucht, vaderlandsliefde, dweepzucht mengden
zich in één woedenden bergstroom. De geheele natie stond gewapend. De
engelsche macht was voorzeker, gelijk ook eenige jaren later gebleken is,
toereikend om Schotland te bedwingen; maar een groot deel van het engel-
sche volk deelde in de godsdienstige gezindheid der opstandelingen, en vele
Engelschen, die geen gemoedsbezwaren tegen beurtzangen of kniebuigingen,
tegen altaren en koorhemden voedden, aanschouwden met welgevallen den
voortgang van een opstand, die de willekeurige plannen van het hof in
duigen scheen te zullen werpen en de bijeenroeping van een parlement
noodig zou maken.
De roekelooze dwaasheid, die deze gevolgen na zich sleepte, moet Went-
worth niet geweten worden \'). Inderdaad werden al zijn plannen daardoor
in de war gestuurd. Doch het lag niet in zijn aard toegeeflijkheid aan te
raden. Men stelde dus een poging in \'t werk om den opstand met het
zwaard te bedwingen. Voor deze taak echter was de legermacht en het krijgs-
beleid des konings niet berekend. In Engeland, in strijd met de wetten
nieuwe belastingen uitschrijven, zou bij dezen zamenloop van omstandig-
heden waanzin geweest zijn. Een parlement was dus het eenige redmiddel,
en in de lente van 1640 werd een parlement bijeengeroepen.
•Sicé2n°meiïw De natie was door het uitzicht op de herleving van het grond-
"SJtWin™ wettig bestuur en op de afschaffing van misbruiken in een goede
stemming gebracht. Het nieuwe Huis der Gemeenten was gematigder en eer-
biediger jegens den troon dan eenig ander, sedert den dood van Elizabeth.
De gematigdheid dezer vergadering is door de voornaamste koningsgezinden
\') Zie zijn brief aan den graaf van Northumberland, gedagteekend 30 Juli 1638.
-ocr page 91-
67
VOOR DE RESTAURATIE.
hoogelijk geroemd en schijnt den hoofden der oppositie niet weinig ergernis
en teleurstelling veroorzaakt te hebben; maar Karel had de vaste, voorzeker
«ven onstaatkundige als onedelmoedige gewoonte, de wenschen zijns volks
nooit in aanmerking te nemen, zoolang ze niet op dreigenden toon geuit
werden. Zoodra het Lagerhuis de bezwaren in overweging scheen te willen
nemen, die sedert elf jaren op de natie gedrukt hadden, ontbond de koning
het parlement met alle teekenen van misnoegen.
Tusschen de sluiting dezer kortstondige zitting en de bijeenkomst der
eeuwig gedenkwaardige vergadering, die onder den naam van het Lange Par-
lement bekend is, verliepen nog eenige maanden, waarin der natie het juk
zwaarder gemaakt werd dan ooit, terwijl haar geest zich toorniger dan ooit
tegen het juk verhief. Leden van het Lagerhuis werden door den geheimen
raad op grond hunner houding in het parlement ondervraagd en in de ge-
vangenis geworpen, omdat zij weigerden te antwoorden. Het scheepsgeld
werd met verdubbelde gestrengheid geheven. De lord-mayor en de sheriffs
van Londen werden om slapheid bij het invorderen dier gelden met ge-
vangenschap bedreigd. Soldaten werden tot den dienst geprest. Geld voor
hun onderhoud dwong men hun graafschappen af. De pijnbank, die altijd
onwettig geweest en nog onlangs zelfs door de kruipende rechters dier
tijden onwettig verklaard was, werd in de Meimaand van 1640 in Engeland
voor het laatst gebezigd.
Alles hing nu van den uitslag van \'s konings krijgsverrichtingen tegen
de Schotten af. Onder zijn troepen heerschte weinig van den geest, die krijgs-
lieden van beroep tegenover de massa der natie plaatst en hen aan hun leiders
doet hechten. Zijn leger, voor het grootste gedeelte uit rekruten bestaande,
die naar den ploeg terug verlangden, waarvan zij met geweld waren wegge-
haald, en die van de destijds in den lande heerschende godsdienstige en
staatkundige gevoelens doordrongen waren, was voor de aanvoerders ge-
duchter dan voor den vijand. Door de hoofden der engelsche oppositie daartoe
aangemoedigd en weinig tegenstand van de engelsche troepen ontmoetende,
rukten de Schotten voorwaarts over de Tweed en de Tyne, en sloegen aan de
grenzen van Yorkshire hun leger op. Het gemor der ontevredenen werd nu
een dreigende storm, die, op e\'én enkel na, alle harten met vrees vervulde.
Nog steeds was Straffords stem voor zijn «doortastenden" maatregel, en zelfs
in dit uiterste bleef hij een zoo wreedaardigen en despotischen aard aan den
dag leggen, dat zijn eigen soldaten hem gaarne in stukken gescheurd zouden
hebben.
Er bleef nog een laatste hulpmiddel over, waardoor de koning de ellende
hoopte te ontgaan van op nieuw tegen een vergadering van het Lagerhuis te
moeten optreden. Tegen het Huis der Lords had hij minder bezwaar. De
bisschoppen waren hem toegedaan, en de wereldlijke pairs, ofschoon over
het algemeen met zijn bestuur ontevreden, hadden nochtans, als stand, zoo
veel belang bij de handhaving der orde en bij het behoud der oude instellingen,
dat zij waarschijnlijk op geen zeer uitgebreide hervormingen zouden aan-
dringen. Afwijkende van de sedert eeuwen onveranderlijk gevolgde gewoonte,
riep hij een grooten raad bijeen, die alleen uit pairs bestond. Maar de lords
waren te omzichtig om de ongrondwett.ige functiën te aanvaarden, die hij
-ocr page 92-
68
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
hun wenschte op te dragen. Zonder geld, zonder crediet, zonder gezag zelfs
in zijn eigen leger, gaf hij aan den dwang der noodzakelijkheid toe. De Huizen
werden bijeengeroepen, en de uitkomst der verkiezingen bewees, dat het
wantrouwen en de haat tegen de regeering sints het voorjaar onheilspel-
lende vorderingen hadden gemaakt.
p\'irtVmêSt. In November 1640 kwam het vermaarde parlement bijeen, dat
ondanks vele dwalingen en misrekeningen rechtmatige aanspraak heeft op
de vereering en dankbaarheid van allen, die waar ook ter wereld de zege-
ningen eener grondwettige regeering genieten.
In het daaropvolgende jaar openbaarde zich nog geen groot verschil van
meening in de Huizen. Het burgerlijk en kerkelijk beheer was sedert bijna
twaalf jaren zoo drukkend en zoo ongrondwettig geweest, dat zelfs die standen,
wier gevoelens doorgaans aan de zijde der orde en der overheid zijn, met
ijver zochten populaire hervormingen te doen invoeren en de werktuigen
der dwingelandij aan het gerecht over te leveren. Er werd bepaald, dat voort-
aan geen grooter tusschenruimte dan van drie jaren tusschen het eene en
het andere parlement verloopen zou, en dat, bijaldien de oproepingen
onder \'t grootzegel niet te bekwamer tijd waren uitgevaardigd, de kiesbe-
ambten alsdan zonder zoodanige oproeping de kiescolleges bijeen zouden
roepen om tot de keuze van vertegenwoordigers over te gaan. De sterrekamer,
de hooge commissie, de raad van York, werden allen afgeschaft. Mannen, die
na het ondergaan van gruwzame verminkingen in afgelegen kerkers opgesloten
waren, herkregen hun vrijheid. Aan de voornaamste dienaren der kroon werd
de wraak des volks onbarmhartig gekoeld. De lord-zegelbewaarder, de pri-
maat, de lord-stalhouder werden in staat van beschuldiging gesteld. Finch
redde zich door de vlucht, Laud werd in den Tower geworpen, Strafford
werd aangeklaagd en ten laatste krachtens parlementsvonnis \') ter dood
gebracht. Op denzelfden dag, dat dit besluit werd genomen, gaf de koning
zijn toestemming tot een wet, waarbij hij zich verbond de vergadering van
het parlement niet buiten haar eigen toestemming te sluiten, te verdagen
ofte ontbinden.
Na tien maanden van rustelooze werkzaamheid namen de huizen in Sep-
tember 1641 een korte vacantie en de koning ging naar Schotland. Met
moeite herstelde hij de rust in dat koninkrijk door niet alleen zijn plannen
van kerkelijke hervorming op te geven, maar ook door met kwalijk verborgen
tegenzin, zijn goedkeuring aan een besluit te hechten, waarbij de bisschoppe-
lijke waardigheid strijdig met Gods woord verklaard werd.
1) Act of attainder (straf of vergeldingswet) ; een soort van strafwet, tot welker aan-
neming het voorstel, even als van elke andere wet, in elk der Huizen kon worden ge-
daan ; doch tot welker wettelijke geldigheid de toestemming van beide Huizen veteischt
wordt. Is de meerderheid voor die toestemming dan dient het Lagerhuis eene acte van
beschuldiging (impcachmcnt)
bij het Huis der Lords in, en vervolgt intusschen de in-
structie der zaak; daarop wordt voor het Hoogerhuis het geding gevoerd, dat, na het
hooren der partijen (Lagerhuis en beklaagde), de vrijspraak doet of de strafwet (act of
attainder)
uitvaardigt. Dit grootsche schouwspel van nationale rechtspleging, waarbij
de natie als aanklager optreedt, wordt natuurlijk slechts toegepast op tegen de natie
gepleegde misdrijven, en meest, zoo niet uitsluitend, tegen personen, wier macht, stelling
of misdrijven het optreden van zulk een geduchten aanklager raadzaam maken. V.
-ocr page 93-
69
VOOR DE RESTAURATIE.
De twee groote Het reces van het engelsche parlement duurde zes weken. De
sta»tspartüen. dag, waarop de Huizen bijeen kwamen, mag een der merkwaar-
digste oogenblikken in onze geschiedenis heeten. Van dat tijdstip dagteekent
het afzonderlijk bestaan der twee groote partij en, welke sedert dien tijd steeds
bij afwisseling het staatsbestuur gevoerd hebben. Wel is waar, in zekeren zin
heeft de afscheiding, die toen duidelijk werd, altoos bestaan, en zij moest
altoos bestaan; want ze heeft haar oorsprong in de verscheidenheid van ka-
rakters, van geest en van belangen, die in elke maatschappij aangetroffen
wordt en daar gevonden zal \'worden, zoolang het menschelijk gemoed zich,
door de tooverkracht der gewoonte en die der nieuwheid naar verschillende
richtingen laat medesleepen. Niet enkel in de staatkunde, ook in deletteren,
kunsten en wetenschappen, in de heel- en werktuigkunde, in zeevaart en
landbouw, ja zelfs in de wiskunde doet zich ditzelfde verschijnsel voor. Overal
vindt men een soort van menschen, die innig gehecht zijn aan al wat oud is,
en die, al zijn zij op onwederlegbare gronden van het voordeel eener nieuw-
heid overtuigd, er toch slechts met veel bezorgdheid en angstige voorge-
voelens hun toestemming aan hechten. Evenzoo vinden wij overal een andere
soort van menschen, vol vurige hoop en koene ontwerpen, steeds voorwaarts
strevende, vlug in het opmerken der onvolmaaktheden van al het bestaande,
geneigd het gevaar en de moeijelijkheden gering te achten, die met het in-
voeren van verbeteringen gepaard gaan, en elke verandering een verbetering
te noemen. In beider gevoelen kan men iets goedkeuren. Bij beiden zal men
de beste exemplaren in de nabijheid der grens vinden, die hen van één
scheidt. De uiterste afdeeling der eene soort bestaat in dweepzieke zwak-
hoofden ; de uiterste afdeeling der andere in oppervlakkige en roekelooze
empiristen.
Het lijdt geen twijfel, dat men reeds in onze allereerste parlementen een
aantal leden zou hebben kunnen aanwijzen, die ijverig naar behoud, en een
aantal andere, die ijverig naar hervorming streefden. Doch, zoolang de wet-
gevende macht slechts kortstondige bijeenkomsten had, verkregen deze par-
tijen geen bepaalde en blijvende gedaante, schaarden zij zich niet onder
erkende leiders en kozen zij geen onderscheidingsnamen, herkenningstee-
kenen of leuzen. Gedurende de eerste maanden van het Lange Parlement was
het misnoegen, door lange jaren van onwettige verdrukking verwekt, zoo
hevig en algemeen, dat het Huis der Gemeenten als één man optrad. Misbruik
op misbruik verdween zonder de minste worsteling. Al wenschte ook een
geringe minderheid de sterrekamer en de hooge commissie te behouden, de
geestdrift en het overwegend getal der hervormers boezemden haar ontzag
in, en zij vergenoegden zich met in \'t geheim de afschaffing van instellingen
te betreuren, welker verdediging niet de minste kans van welslagen opleverde.
In een later tijdperk vonden de koningsgezinden het dienstig de dagteekening
der tusschen hen en hun tegenstanders ontstane breuk te vervroegen en de
wet, die den koning belette het parlement te ontbinden of te verdagen, de
driejaarlijksche wet, het in staat van beschuldiging stellen der ministers en
het doodvonnis van Strafford aan de factie toe te schrijven, die later den
koning den oorlog aandeed. Doch geen kunstgreep kan snooder zijn dan
deze. Elk dezer krachtige maatregelen werd door dezelfde mannen, die later
-ocr page 94-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
7o
in de voorste gelederen der cavaliers streden, ijverig bevorderd. Geen repu-
blikein heeft Karels langdurig wanbestuur zoo streng gehekeld als Colepep-
per. De meest opmerkelijke redevoering ten gunste der trienniaalwet was
van Digby. De aanklacht tegen den lord-zegelbewaarder ging van Falk-
land uit. De eisch om den lord-stadhouder in strenge bewaring te houden
werd voor de balie van het Huis der Lords door Hyde voorgedragen. Eerst
toen de wet ter veroordeeling van Strafford werd voorgesteld, vertoonden
zich de teekenen van tweedracht. Zelfs tegen deze wet, een wet, die alleen
in de uiterste noodzakelijkheid haar verschooning kon vinden, stemden
slechts een zestigtal der leden van het Lagerhuis. Het is uitgemaakt, dat
Hyde niet met die minderheid gestemd heeft en Falkland zich niet alleen
bij de meerderheid voegde, maar ook met nadruk voor het wetsontwerp
sprak. Zelfs de weinigen, die bezwaar hadden in een doodvonnis met terug-
werkende kracht, achtten het noodig den uitersten afschuw van Straffords
karakter en bestuur duidelijk uit te spreken.
Doch onder deze schijnbare eendracht lag een groote scheuring verborgen;
en toen het parlement in October 1641 na een kort reces weder bijeen kwam,
zag men twee vijandige partijen tegenover elkander staan, naar haar wezen
dezelfde, die sedert, onder verschillende benamingen, om het beheer der
openbare aangelegenheden gekampt hebben en nog kampen. Eenige jaren
lang werden zij cavaliers en rondhoofden genoemd. Vervolgens noemde men
haar torys en whigs; en deze benamingen schijnen vooreerst niet licht in
onbruik te zullen geraken.
Het zou niet moeijelijk wezen een smaadschrift of een lofrede over elke
dezer vermaarde partijen te schrijven. Niemand immers, die niet geheel van
oordeel en waarheidsliefde ontbloot is, zal ontkennen, dat er veel zware
smetten op den naam der partij kleven, waartoe hij behoort, of dat de partij,
die tegen hem overstaat, met recht op vele hoogberoemde namen, op vele
helfdhaftige handelingen en op vele den lande bewezen belangrijke diensten
bogen mag. De waarheid is, dat, schoon beide partijen dikwerf groote dwa-
lingen begingen, Engeland haar geen van beiden zou hebben kunnen missen.
Werden in onze instellingen vrijheid en orde, de voordeden uit hervorming
ontstaan, en de voordeden uit eerbied voor \'t bestaande verkregen, in elders
ongekende mate saam verbonden, wij mogen deze gelukkige bijzonderheid
aan de ingespannen worstelingen en aan de afwisselende zegepralen van twee
wedijverende bondgenootschappen van staatsmannen toeschrijven, waarvan
het eene het gezag en de oudheid, het andere de vrijheid en den vooruitgang
ondersteunt.
Men behoort hier in \'t oog te houden, dat het verschil tusschen de twee
groote partijen van engelsche staatkundigen veeleer de uitbreiding dan het
beginsel der volksrechten betrof. Er waren ter rechter en ter linkerzijde
bepaalde grenzen, die hoogst zelden overschreden werden. Eenige weinige
dweepers van de eene zijde waren bereid al onze vrijheden en voorrechten
van de genade onzer koningen te laten afhangen; terwijl eenige anderen
zelfs ten kosten van eindelooze inwendige onlusten hun geliefd droombeeld
eener republiek zochten na te jagen. Maar de groote meerderheid derge-
nen, die voor de kroon streden, was even afkeerig van despotisme, als die
-ocr page 95-
VOOR DE RESTAURATIE.                                         71
der verdedigers van de volksrechten zich der anarchie vijandig betoonde.
Tweemaal lieten beide partijen, in den loop der zeventiende eeuw, haar on-
eenigheden rusten en vereenden zij haar krachten in een gemeenschappelijke
poging. Haar eerste coalitie herstelde het erfelijk koningschap. Haar tweede
redde de grondwettige vrijheid.
Men moet voorts in aanmerking nemen, dat deze twee partijen nooit de
geheele natie zijn geweest, en zelfs bijeen genomen, nooit de meerderheid
der natie hebben uitgemaakt. Tusschen haar in heeft altijd een groote
menigte gestaan, die zich nooit duurzaam aan een van beiden verbond, maar
die nu eens een trage onzijdigheid bewaarde, dan weder van de eene naar de
andere zijde overhelde. Meer dan eens is die menigte binnen korte jaren van
het eene uiterste tot het andere overgeslagen en dan weder op haar schreden
teruggekeerd. Nu eens ging ze tot de andere partij over, alleen omdat zij het
moede werd steeds dezelfde mannen te ondersteunen, dan weder omdat haar
eigen buitensporigheden haar verschrikten, somtijds ook, omdat ze het on-
mogelijke verwacht had en zich teleurgesteld vond. Maar telkenmale, als zij
haar geheele gewicht in een der beide schalen legde, werd alle tegenstand
onmogelijk.
Toen de wedijverende partijen voor het eerst een bepaalden vorm aanna-
men, schenen haar krachten niet ongelijk verdeeld te zijn. Aan den kant der
regeering stond de groote meerderheid des adels en der mannen van goeden
huize en vermogen, wien niets dan de titel ontbrak om onder den adel
gerekend te worden. Met inbegrip der aanhangers, wier ondersteuning hun
ten dienste stond, maakten deze geen geringe macht in den staat uit. Aan
denzelfden kant vond men de talrijke geestelijkheid der staatskerk, de beide
hoogescholen en al de leeken, die het bisschoppelijk kerkbestuur en het
anglicaansch rituaal getrouw aanhingen. Deze achtbare standen hadden
bovendien een klasse van bondgenooten in hun midden van vrij wat minder
degelijk gehalte. De puriteinsche strengheid dreef allen, die genoegen, ga-
lanterie en kleederpracht tot hun hoofdzaak maakten of die zich op defraaije
kunsten toelegden, naar de partij des konings. Bij dezen voegden zich allen
die hun bestaan vonden door anderen den tijd te korten, van den schilder en
den blijspeldichter tot den koordendanser en den grappigen Andries \').
Want deze kunstenaars wisten zeer goed, dat zij onder een praalziek en weel-
derig despotisme opgang konden maken, maar onder de strenge wet der
ijveraars gebrek zouden lijden. De roomsch-katholieken behoorden tot den
laatsten man bij dezelfde partij. De koningin, eens franschen konings dochter,
was hun geloofsgenoote. Het was bekend, dat haar gemaal haar innig be-
minde en niet weinig ontzag voor haar had. Hoewel ontwijfelbaar een ge-
loovig protestant, was hij toch geenszins tegen de belijders der oude religie
ingenomen en zou hun gaarne veel meer hebben toegestaan, dan hij genegen
was den presbyterianen te geven. Kreeg de oppositie de overhand, dan zou-
den waarschijnlijk de bloedwetten, onder Eliz\'abeth\'s regeering tegen de
papisten uitgevaardigd, streng gehandhaafd worden. De roomsch-katholieken
hadden dus de krachtigste redenen om de partij van het hof te kiezen. Over
1) Merry Andrew, zooveel als onze hansworst.
-ocr page 96-
72                                   GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
het algemeen handelden zij met een voorzichtigheid, die hen later aan het
verwijt [van lafhartigheid en koelheid blootstelde; waarschijnlijk echter
dwong hen het belang des konings, evenzeer als hun eigenbelang, tot groote
behoedzaamheid. Het was voor zijn zaak niet dienstig, dat zij zich in de
eerste rijen onder zijn vrienden zouden scharen.
De oppositie telde de meeste aanhangers onder de kleine grondbezitters
ten platten lande, onder de kooplieden en winkeliers der steden. Deze
echter werden door een geduchte minderheid der aristokratie aangevoerd,
een minderheid, waarbij de rijke en machtige graven van Northumberland.
Bedford, Warwick, Stamford en Essex en verscheiden andere vermogende
en invloedrijke lords geteld werden. In dezelfde gelederen stond de geheele
schare van protestantsche non-conformisten en de meeste leden van de staats-
kerk, die nog steeds de calvinistische stellingen aankleefden, welke veertig
jaar vroeger door de prelaten en verdere geestelijkheid voorgestaan werden.
Ook de stedelijke regeeringslichamen sloten zich, op weinig uitzonderingen
na, bij dezelfde partij aan. In het Lagerhuis had de oppositie een, hoewel niet
zeer beslissende, meerderheid.
Beide deze partijen wisten goede redenen aan te voeren voor de maat-
regelen, die zij wenschten door te drijven. De redeneeringen der meest ver-
lichte roijalisten kwamen ongeveer op het volgende neder: — >>Het is waar
dat groote misbruiken bestaan hebben; maar ze zijn nu afgeschaft. Het is
waar, dat men op kostbare rechten inbreuk gemaakt heeft, maar ze zijn ge-
handhaafd en van nieuwe waarborgen voorzien geworden. De zittingen der
Staten van dit rijk zijn in strijd met alle vroegere gebruiken en met den
geest der staatsregeling elf jaar lang gestaakt geweest; doch nu is er voor
gezorgd, dat voortaan geen drie jaren zonder bijeenroeping van een parlement
zullen verloopen. De sterrekamer, de hooge commissie en de raad van York
hebben ons verdrukt en uitgeplunderd, maar deze verfoeijelijke gerechts-
hoven hebben opgehouden te bestaan. De lord-stadhouder heeft getracht
een militair despotisme in te voeren, maar hij heeft het verraad met zijn
hoofd geboet. De primaat ontwijdde onze godsdienst door papistische cere-
moniën en strafte onze gemoedsbezwaren met papistische wreedheid, maar
hij verbeidt in den Tower het oordeel zijner pairs. De lord zegelbewaarder
stond een ontwerp voor, waardoor het vermogen van eiken Engelschman ter
beschikking van de kroon zou zijn gekomen, maar hij is tot schande en
armoede vervallen, en heeft naar een vreemd land moeten vluchten. De die-
naren der dwingelandij hebben voor hun misdaden geboet, de slachtoffers
daarentegen hebben vergoeding voor hun lijden erlangd. In dezen stand van
zaken ware het hoogst onverstandig die gedragslijn te blijven volgen, die ge-
wettigd en noodig was, toen wij na een langdurig tijdsverloop voor het eerst
weder bijeenkwamen en het geheele bestuur slechts in een aaneenschakeling
van misbruiken bestond. Thans moeten wij ons wachten de zege, die wij
over de tirannie behaald hebben, tot op het gebied der regeeringloosheid te
vervolgen. Het was niet in ons vermogen de kwade instellingen, waarmede
ons land kort geleden nog gestraft was, te slechten, zonder hevige schokken,
die de grondvesten des staatsbestuurs aan het wankelen moesten brengen.
Nu deze instellingen gevallen zijn, moeten wij ons haasten het gebouw te
-ocr page 97-
VOOR DE RESTAURATIE.                                          73
verdedigen, dat wij, plichtshalve, onlangs nog moesten bestormen. Voortaan
zullen wij wijs handelen, zoo wij hervormingsontwerpen met de uiterste om-
zichtigheid onderzoeken en al de prerogatieven, welke de wet, in het alge-
meen belang, den koning toegekend heeft, in hun geheel houden."
Zoodanig waren de inzichten dier mannen, voor wier aanvoerder de voor-
treffelijke Falkland kon gelden. Van de andere zijde werd met geen minder
klem en door mannen, die niet minder door deugd en bekwaamheid uit-
blonken, betoogd, dat de waarborgen, die de vrijheden der engelsche natie
beschutten, veeleer schijnbaar dan wezenlijk waren, en dat de willekeurige
plannen van het hof hervat zouden worden, zoodra de waakzaamheid van het
Lagerhuis verflauwde. Voorzeker — aldus spraken Pym, Hollis en Hamp-
den — voorzeker, er waren veel goede wetten aangenomen; maar indien
goede wetten voldoende geweest waren om den koning binnen de wettige
grenzen te houden, zouden zijn onderdanen weinig reden gehad hebben ooit
over zijn beheer te klagen. De jongste wetten hadden voorzeker geen ster-
ker geldigheid dan het groot-charter of de rechtspetitie. Doch het groot-
charter, door vier eeuwen van eerbiedige naleving geheiligd, had evenmin
als de rechtspetitie, door Karel zelven na rijpe overweging en uit aanmerking
eener belangrijke geldelijke ondersteuning bekrachtigd, tot toereikende be-
scherming gestrekt. Werd de breidel der vrees weggenomen, liet men ooit
den geest van tegenstand sluimeren, dan bleef van alle waarborgen der en-
gelsche vrijheden slechts een enkele bestaan.... het woord des konings; en
een lange en smartelijke ondervinding had bewezen, dat men op het konink-
lijk woord niet kon vertrouwen.
Dei°rÜ?idd\'" Steeds nog zagen de beide partijen elkander met omzichtige
vijandschap aan en zij hadden haar krachten nog niet gemeten, toen er tij-
dingen kwamen, die beider hartstochten deden ontvlammen en beiden in
haar inzichten versterkten. De groote stamhoofden van Ulster, die zich
tijdens Jakobus troonsbestijging na langdurige worsteling aan het koninklijk
gezag hadden onderworpen, hadden het vernederend gevoel der afhan-
kelijkheid niet lang kunnen verdragen. Zij hadden tegen de engelsche regee-
ring saamgespannen en waren wegens hoogverraad gevonnisd. Hun uitge-
strekte bezittingen waren aan de kroon vervallen, en al spoedig door dui-
zenden engelsche en schotsche landverhuizers bevolkt. In beschaving en
geestvermogens waren de nieuwe volkplanters ver boven de inboorlingen des
lands verheven en zij maakten soms misbruik van hun meerderheid. De uit
het verschil van volksaard voortspruitende verbittering, werd nog vergroot
door het verschil van godsdienst. Onder Wentworth\'s ijzeren roede vernam
men bijna geen gemor; maar toen die zware druk ophield, toen Schotland
het voorbeeld van welgeslaagden tegenstand gegeven had, toen Engeland
door inwendige verdeeldheid verlamd was, toen brak de lang verkropte
woede der Ieren in daden en gruwzame woestheid los. De inboorlingen
stonden plotseling tegen de volkplanters op. Een oorlog, waaraan nationale
wrok en godsdiensthaat een karakter van ongehoorde wreedheid bijzetten,
verwoestte Ulster en breidde zich over de naburige provinciën uit. Zelfs het
kasteel van Dublin werd nauwelijks nog voor veilig gehouden. Elke post
bracht overdreven tijdingen van gruweldaden naar Londen, die ook zonder
-ocr page 98-
74                                  GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
overdrijving akelig genoeg zouden geweest zijn om medelijden en ijzing te
wekken. Deze kwade tijdingen bliezen de vonk bij de beide groote partijen
smeulende, die te Westminster tegenover elkander geschaard stonden, tot een
heldere vlam aan. De royalisten beweerden, dat het in zulk een krisis de eerste
plicht van elk goed Engelschman en protestant was de macht des sou-
vereins te versterken. De oppositie meende, dat er nu krachtiger redenen
dan ooit bestonden om hem te dwarsboomen en zijn macht te fnuiken. Dat
het bestaan des lands in gevaar verkeerde, was voorzeker een goede reden
om een vertrouwenswaardig regent uitgestrekte volmacht te geven; maar dit
was evenzeer een goede reden om een heerscher, die in den grond zijns har-
ten een volksvijand was, van macht te ontblooten. Een groot leger op de been
te brengen was steeds de liefste wensch des konings geweest. Thans moest
een groot leger verzameld worden. Werden geen nieuwe schutsmiddelen be-
raamd, dan was het te duchten, dat de ter onderwerping van Ierland aange-
worven troepen tegen Engelands vrijheid gekeerd zouden worden. Doch er
was meer. Een vreeselijk vermoeden, onjuist wel is waar, maar niet geheel
onnatuurlijk, was in veler gemoed ontstaan. De koningin beleed openlijk het
roomsche geloof; de koning werd door de puriteinen, die hij meedoogenloos
vervolgd had, voor geen oprecht protestant gehouden en zijn dubbelhartigheid
was zoo welbekend, dat er geen verraad denkbaar was, waartoe zijn onderda-
nen hem niet, op goede gronden in staat mochten rekenen. Weldra liep het
gerucht dat de opstand der roomsen-katholieken in Ulster in verband stond
met een groot werk der duisternis, dat men te Whitehall beraamd had.
"itSn?™" Na eenige weken van voorbereiding begon op den 22 November
1641 de eerste groote parlementaire strijd tusschen de partijen, die sedert
nog steeds om het beheer over de natie kampen. Door de oppositie werd
voorgesteld, dat het Lagerhuis den koning een vertoog zou aanbieden, waarin
alle fouten, onder zijn beheer sedert den tijd zijner troonsbeklimming begaan,
werden opgenoemd en het wantrouwen uitgedrukt, dat zijn staatkunde der
natie nog steeds inboezemde. Diezelfde vergadering, die weinig maanden
geleden eenstemmig op de afschaffing van misbruiken aandrong, was nu ver-
deeld in twee woedende en strijdzuchtige partijen van bijna gelijke sterkte.
Na hevige en langdurige debatten werd het vertoog met een meerderheid
van slechts elf stemmen aangenomen.
De uitslag dezer worsteling was voor de behoudende partij uiterst gunstig.
Het leed geen twijfel, dat niets dan een groote onberadenheid haar kon be-
letten, weldra een groote meerderheid in het Lagerhuis te verwerven. Het
Hoogerhuis was reeds aan haar zijde. Het eenig noodige om haar welslagen
te verzekeren was, dat de koning in zijn geheele gedrag eerbied voor de
wetten en goede trouw jegens zijn onderdanen aan den dag legde.
Zijn eerste maatregelen gaven goede hoop. Hij had, naar het scheen,
eindelijk ontdekt, dat een geheel gewijzigd stelsel noodig was, en wijselijk
tot datgene besloten, wat niet langer te vermijden was. Hij gaf het voor-
nemen te kennen om in overeenstemming met de wenschen van het Lagerhuis-
te regeeren en te dien einde mannen in zijn raad te nemen, in wier bekwaam-
heid en karakter het Lagerhuis vertrouwen kon stellen. Zijn keus was dan
ook niet slecht. Falkland, Hyde en Colepepper, die zich alle drie door hun
-ocr page 99-
VOOR DE RESTAURATIE.
75
medewerking tot het afschaffen van misbruiken en het bestraffen van slechte
ministers onderscheiden hadden, werden uitgenoodigd om als de vertrouwde
raadslieden der kroon op te treden en Karel gaf hun de plechtige verzeke-
ring, dat hij zonder hun medeweten geen enkelen stap zoude doen, waarbij
het Lagerhuis op eenigerlei wijze betrokken was.
Was hij deze belofte nagekomen, dan valt er niet aan te twijfelen, of de
reactie, die reeds toenemende was, zou binnen korten tijd zoo krachtig zijn
geworden, als de vurigste royalisten slechts konden wenschen. Reeds be-
gonnen de ongeduldige leden der oppositie aan het lot hunner partij te wan-
hopen, reeds beefden zij voor hun persoonlijke veiligheid, en spraken zij van
den verkoop hunner goederen en van uitwijking naar Amerika. Dat de
schoonste uitzichten, die zich voor den koning begonnen te openen, plotse-
ling verdwenen, dat zijn leven door tegenspoed verbitterd en eindelijk door
geweld verkort werd, is aan zijn eigen trouweloosheid en wetsverkrachting
te wijten.
De waarheid schijnt te zijn, dat hij beide de partijen verfoeide, waarin het
Huis der Gemeenten verdeeld was. En dit is geenszins vreemd; immers, bij
elk dezer partijen was, hoezeer dan ook in verschillende verhouding, liefde
tot vrijheid verbonden met liefde tot orde. De raadgevers, welke Karel,
door den nood gedrongen, tot de zijnen had moeten maken, waren geenszins
mannen naar zijn hart. Zij hadden tot het afkeuren zijner tirannie, tot het
verkorten zijner macht, tot het bestraffen zijner werktuigen hun pogingen
vereenigd. Thans waren zij, inderdaad, wel bereid om door streng wette-
lijke middelen zijn streng wettelijke rechten te verdedigen; maarzij zouden
met afschuw teruggedeinsd zijn voor het denkbeeld om Wentworth\'s «door-
tastend" ontwerp te hervatten. In \'s konings oog waren zij dus verraders,
die alleen in de mate hunner oproerige boosheid van Pym en Hampden ver-
schilden.
^SfkMfn*? Hij nam diensvolgens weinig dagen, nadat hij den hoofden der
"ïSrfEf\' constitutioneele koningsgezinden beloofd had zonder hun voor-
kennis geen enkelen belangrijken stap te zullen doen, een besluit, dat het
gewichtigste van zijn geheele leven was; hield dat besluit zorgvuldig voor
hen verborgen en legde het ten uitvoer op een wijze, die hen met schaamte en
ontsteltenis vervulde. Hij zond den procureur generaal af om Pym, Hollis,
Hampden en andere leden van het Lagerhuis voor de balie van het Huis der
Lords van hoogverraad te beschuldigen. Niet tevreden met deze schreeuwende
inbreuk op het groot-charter en op het sedert eeuwen onveranderlijk gevolgde
gebruik, begaf hij zich in persoon, en van gewapenden vergezeld, naar het
parlementshuis, om de leiders der oppositie daar op hun eigen gebied in
hechtenis te nemen.
De poging mislukte. De aangeklaagde leden hadden het Huis verlaten
kort, voordat Karel binnen trad. Nu volgde een onmiddellijke en geweld-
dadige omkeer, zoowel in de stemming des parlements, als in die der natie.
Het gunstigste oordeel, dat zelfs de meest partijdige aanhangers des konings
over zijn gedrag te dezer gelegenheid uitten, is, dat hij zich uit zwakheid, door
de kwade inblazingen zijner vrouw en zijner hovelingen tot het begaan eener
grove onvoorzichtigheid had laten medeslepen. Maar de algemeene stem
-ocr page 100-
76                                  GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
legde hem luidkeels veel zwaarder schuld ten laste. Op hetzelfde oogenblik
dat zijn onderdanen na een langdurige, uit zijn slecht bestuur geboren ver-
wijdering op nieuw met vertrouwen en liefde tot hem naderden, had hij een
verderfelijken aanslag op al hun dierbaarste rechten, op de privilegiën des
parlements, op het beginsel der rechtsuitspraak door gezworenen, gedaan.
Hij had getoond, dat hij verzet tegen zijn willekeurige ontwerpen als een mis-
daad beschouwde, die alleen door bloed verzoend kon worden. Hij had niet
slechts tegenover zijn grooten raad en zijn volk, maar ook tegenover zijn
eigen aanhangers de trouw geschonden. Hij had iets gedaan, dat zonder een
onvoorzien toeval, waarschijnlijk tot een bloedigen strijd voor den zetel des
voorzitters gevoerd zoude hebben. Zij, die in het Lagerhuis den meesten
invloed oefenden, begrepen nu, dat niet alleen de macht en volksgunst, die
hun ten deel was gevallen, maar ook hun leven en hun goederen met de uit-
komst van den door hen ondernomen strijd gemoeid waren. De verflauwende
ijver der aan het hof vijandige partij herleefde oogenblikkelijk. In den nacht,
die op den aanslag volgde, stond de gansche City van Londen onder de
wapenen. Binnen weinige uren waren alle naar de hoofdstad leidende wegen
overstroomd door tallooze Yeomen, die, met een parlementair veldteeken
op den hoed, spoorslags naar Westminster reden. In het Lagerhuis werd de
oppositie op eens onwederstaanbaar en dreef zij met een meerderheid van
ruim twee tegen een besluiten van voorbeeldelooze hevigheid door. Sterke
afdeelingen der burgervaandels, regelmatig afgelost, hielden de wacht op
Westminster Hall. De poorten van \'s konings paleis werden dagelijks door
een woedende menigte omlegerd, wier verguizingen en verwenschingen zelfs
tot in de audiëntiezaal doordrongen; terwijl zij zelve door de hofbeambten ter
nauwernood buiten de koninklijke vertrekken kon gehouden worden. Ware
Karel langer in zijn ontroerde hoofdstad gebleven, het Lagerhuis zou waar-
schijnlijk middel gevonden hebben hem onder de eerbiedigste voorwendse-
len tot staatsgevangene te maken.
Ve"It Lofita"\'-1 Hij verliet Londen om er niet terug te keeren, eer de dag eener
vreeselijke en gedenkwaardige afrekening zou gekomen zijn. Er werd een
onderhandeling aangeknoopt, die vele maanden duurde. Beschuldigingen en
tegenbeschuldigingen der strijdvoerende partijen gingen over en weder. Geen
schikking was thans meer mogelijk. De wisse straf voor stelselmatige trouwe-
loosheid had ten laatste den koning getroffen. Vergeefs was het, dat hij nu zijn
koninklijk woord tot pand gaf, en den hemel tot getuige der oprechtheid van
zijn verzekeringen aanriep. Het wantrouwen, waarmede hem zijn tegenstan-
ders aanzagen, was door geen eeden of verdragen te bannen. Zij waren over-
tuigd, dat zij eerst dan geheel veilig zouden zijn, wanneer hij volkomen hulpe-
loos was. Hun eisch was derhalve, dat hij niet alleen de souvereiniteitsrechten,
die hij zich met miskenning der aloude wetten en zijner eigen kort geleden
afgelegde beloften aangematigd had, maar ook andere voorrechten zou op-
geven, die de engelsche koningen sints onheuglijke tijden bezeten hadden en
zelfs ten huidigen dage nog bezitten. Geen minister zou aangesteld, geen pair
benoemd mogen worden, dan met toestemming der huizen. Boven alles echter
moest de souverein het opperbevel over de krijgsmacht opgeven, hetwelk sints
overouden tijd met de koninklijke waardigheid verbonden was geweest.
-ocr page 101-
VOOR DE RESTAURATIE.
77
Men kon niet verwachten, dat Karel aan zulke eischen zou toegeven, zoo-
lang hij nog eenig middel van tegenstand bezat. Doch het valt moeijelijk te
bewijzen, dat de Huizen met veiligheid minder hadden kunnen vorderen.
Hun stelling was waarlijk allerneteligst. De groote meerderheid der natie
bestond in trouwe aanhangers der erfelijke monarchie. De republikeinsgezin-
den waren nog weinig in getal en durfden hun stem nog niet verheffen. Het
was derhalve onmogelijk het koningschap af te schaffen. En toch kon men
blijkbaar, geen vertrouwen in den koning stellen. Het ware van hen, wien
de ondervinding onlangs nog bewezen had, dat hij hun verderf beoogde,
ongerijmd geweest, zoo zij zich vergenoegd hadden met hem een nieuwe
rechtspetitie voor te leggen en zich op nieuwe en gelijksoortige beloften te
verlaten, als hij reeds herhaaldelijk gedaan en geschonden had. Alleen het
gemis van een leger had hem belet de oude staatsregeling des rijks geheel en
al omver te werpen. Het was nu noodig een groote geregelde legermacht
ter verovering van Ierland bij een te brengen; het ware derhalve louter
waanzin geweest, hem in het bezit te laten van dat onbegrensde oppergezag
in militaire zaken, dat zijn voorgangers genoten hadden.
Wanneer een land in den toestand is, waarin toen Engeland zich bevond,
wanneer de koninklijke waardigheid met liefde en vereering, maar de persoon,
die haar bekleedt, met haat en wantrouwen wordt aangezien, dan schijnt de
weg, die behoort te worden ingeslagen, duidelijk te zijn. De waardigheid van
het ambt moet behouden, de persoon afgezet worden. Aldus handelden onze
voorouders in 1399 en m \'689. Ware er in 1642 iemand geweest, die een
soortgelijke stelling bekleedde als Hendrik van Lancaster tijdens de afzetting
van Richard II, of als de prins van Oranje tijdens de afzetting van Jacobus II,
waarschijnlijk zouden de Huizen alle\'én de dynastie verwisseld en geen be-
paalde wijzigingen in de staatsregeling gemaakt hebben. De nieuwe koning,
door hun keuze tot den troon geroepen en van hun ondersteuning afhanke-
lijk, zou genoodzaakt geweest zijn in overeenstemming met hun wenschen en
inzichten te regeeren. Doch er was geen prins van den bloede in de parle-
mentspartij ; en hoewel die partij veel mannen van hoogen rang en van uit-
stekende bekwaamheid onder haar leden telde, blonk toch niet ée\'n hunner
zoo schitterend boven de andere uit, dat hij als candidaat voor de kroon had
kunnen worden voorgesteld. Daar men een koning wilde en er geen nieuwe
koning te vinden was, moest men Karel noodwendig den koningstitel laten
behouden. Slechts één weg bleef derhalve open, namelijk : den konink-
lijken titel van de koninklijke rechten af te scheiden.
De wijzigingen, die het parlement in onze instellingen wilde brengen,
schijnen, wel is waar, overdreven, maar wanneer men ze duidelijk omschrijft
en in verdragsartikelen opstelt, zijn ze inderdaad van weinig meer belang
dan die, welke in het volgende geslacht door de omwenteling te weeg ge-
bracht werden. Het is waar, dat bij die omwenteling de souverein door geen
wet van het recht beroofd werd om zelf zijn ministers te benoemen; maar het
is niet minder waar, dat sedert die omwenteling geen ministerie in staat ge-
weest is om in strijd met de inzichten van het Lagerhuis, zes maanden
achtereen aan het bestuur te blijven. Het is waar, dat de souverein nog
steeds de macht heeft pairs te benoemen en dat hij mede de veel belang-
-ocr page 102-
78                                   GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
rijker macht van het zwaard bezit; maar het is evenzeer waar, dat hij altoos
sedert de revolutie, bij de uitoefening dier macht, zich door raadgevers liet
leiden, die het vertrouwen van de vertegenwoordigers der natie bezaten.
Trouwens, de aanvoerders van de partij der rondhoofden in 1642 en de
staatsmannen, die een halve eeuw later de omwenteling bewerkten, beoogden
bepaaldelijk hetzelfde einde. Dat doel was namelijk den strijd tusschen de
kroon en het parlement daardoor te eindigen, dat het parlement het opperste
toezicht over het uitvoerend bewind verkreeg. De staatsmannen der revo-
lutie bewerkten dit middellijk door het veranderen der dynastie. De rond-
hoofden van 1642. niet bij machte de dynastie te veranderen, vonden zich
genoopt een meer rechtstreekschen weg naar hun doel in te slaan.
Het moet ons echter niet bevreemden, dat de eischen der oppositie, die
wezenlijk een volslagen en formeelen afstand aan het parlement in zich slo-
ten van rechten, tot dusverre steeds aan de kroon verbonden, der groote
staatspartij ergernis moesten geven, die zich voornamelijk door haar eerbied
voor de bestaande overheid en door haar vrees voor gewelddadige veran-
deringen onderscheidde. Onlangs nog had die partij in de hoop verkeerd
door vreedzame middelen het overwicht in het Huis der Gemeenten te zullen
erlangen; maar die hoop was nu geheel verijdeld. De dubbelhartigheid van
Karel had zijn oude vijanden onverzoenlijk gemaakt, had een aantal ge-
matigden, die werkelijk reeds op weg waren om zich\'weder bij hem aan te
sluiten, naar de gelederen der misnoegden teruggedreven en had zijn beste
vrienden zoo smartelijk teleurgesteld, dat zij zich een tijd lang in zwijgende
verlegenheid en verbittering op den achtergrond gehouden hadden. Thans
echter zagen de constitutioneele koningsgezinden zich genoodzaakt tusschen
twee gevaren te kiezen; en zij meenden verplicht te zijn zich liever rondom
een vorst te scharen, wiens vroegere gedragingen zij afkeurden, en wiens
woord hun slechts weinig vertrouwen inboezemde, dan toe te staan, dat het
koninklijk ambt vernederd en het staatswezen des rijks geheel gewijzigd
werd. Van deze gevoelens doordrongen, voegden zich velen, wier deugden
en bekwaamheden aan elke zaak tot eer verstrekt zouden hebben, bij de
partij des konings.
kSmnnoriog? In Augustus 1642 werd eindelijk het zwaard getrokken, en
weldra zag men nagenoeg in elk graafschap van het koninkrijk twee vijan-
dige partijen de wapenen tegen elkander opvatten. Het is niet licht na te
gaan, welke der strijdende partijen aanvankelijk de sterkste was. De Huizen
beschikten over Londen en de aangrenzende graafschappen, de vloot, de
scheepvaart op de Th ems en de meeste groote steden en zeehavens. Zij
hadden bijna al de krijgsbehoeften des rijks te hunner beschikking en waren
bij machte om van den invoer van buitenlandsche goederen, zoowel als van
eenige belangrijke producten van inlandsche nijverheid, rechten te heffen.
De koning was van geschut en ammunitie slecht voorzien. De belastingen,
die hij in de door zijn troepen bezette landelijke districten uitschreef, brach-
ten waarschijnlijk een veel geringer som op, dan die het parlement alleen uit
de stad Londen trok. Ten opzichte van geldelijke hulp rekende hij dan ook
voornamelijk op de mildheid zijner rijke aanhangers. Velen hunner beleen-
den hun eigendommen, verpandden hun juweelen en verkochten hun zilveren
-ocr page 103-
VOOR DE RESTAURATIE.                                     79
pronkschalen en doopbekkens om hem bij te staan. De ondervinding heeft
echter ten volle bewezen, dat de vrijwillige bijdragen van bijzondere perso-
nen, zelfs in tijden van de grootste opgewondenheid, een karige hulpbron
zijn in vergelijking met een strenge en stelselmatige belasting, die willigen
en onwilligen gelijkmatig treft.
Karel evenwel bezat een voordeel, dat hem het gemis aan geld en voor
raad ruimschoots vergoed zoude hebben, zoo hij er een doeltreffend gebruik
van gemaakt had, en dat ondanks zijn verkeerde leiding hem eenige maan-
den lang hst overwicht in den oorlog schonk. Zijn troepen vochten aan-
vankelijk beter dan die van het parlement. Beide legers bestonden, wel is
waar, bijna geheel uit lieden, die nog nooit een slagveld gezien hadden. Het
verschil tusschen die legers was evenwel groot. De gelederen van het par-
lementsleger waren met huurlingen aangevuld, door gebrek en lediggang tot
het nemen van dienst genoopt. Hampdens regiment werd voor een der
beste gehouden, en evenwel werd Hampdens regiment door Cromwell een
saamgeraapte hoop van afgedankte bedienden en lakeijen genoemd. Het
koninklijke leger daarentegen bestond voor het grootste gedeelte uit kloeke
en stoutmoedige gentlemen, gewoon de schande meer dan den dood te vree-
zen, en bedreven in het schermen, in het gebruik van vuurwapenen, in
onversaagd rijden en in al de mannelijke en gevaarlijke oefeningen, die men
met recht het beeld des oorlogs genoemd heeft. Zulke strijders, op hun
lievelingspaarden gezeten, en aan het hoofd van kleine benden staande, uit
jongere broeders, stalbedienden, veldwachters en jagers samengesteld, waren
reeds den eersten dag, dat zij in het veld kwamen, in staat hun rol in een
schermutseling met eere te handhaven. De volharding wel is waar, de stipte
gehoorzaamheid, de werktuiglijke nauwkeurigheid van beweging, die den
liniesoldaat kenmerken, verkregen deze dappere vrijwilligers nooit; doch in
den beginne hadden zij slechts vijanden te bestrijden, die even weinig krijgs-
tucht hadden als zij, en die bovendien veel minder sterk en moedig waren.
Een tijd lang waren dus de cavaliers gelukkig in elke ontmoeting.
De Huizen waren evenzeer in de keuze van een bevelhebber ongelukkig
■geweest. De rang en de rijkdom van graaf van Essex maakten hem tot
een der voornaamste leden der parlementspartij. Op het vaste land had hij
met eere de wapens gedragen en bij het begin des oorlogs was zijn militaire
naam in Engeland zoowel gevestigd, als die van eenig ander aanvoerder.
Doch het bleek al spoedig, dat hij ongeschikt was voor den post van opper ■
bevelhebber. Hij bezat weinig wilskracht en volstrekt geen scheppenden
geest. De stelselmatige taktiek, die hij in den Paltzoorlog geleerd had,
kon hem niet voor de schande behoeden door een veldoverste als Rupert \'),
1) Frederik V, keurvorst van de Paltz, gehuwd met Karels zuster, had het gewaagd
de koningskroon van Bohème aan te nemen, die vroeger reeds aan het keizerlijk huis
van Oostenrijk toegezegd was. Hij moest voor de oostenrijksche macht zwichten en
zijn poging met het verlies zijner erflanden boeten. Zijn zoneii Maurits en de hierboven
bedoelde Rupert zochten hun toevlucht bij hun oom, die hun vader steeds veel deel-
neming betoond en in overeenstemming met Wentworths plannen den Paltzoorlog
gaarne had helpen voortzetten, indien hij daartoe de middelen had bezeten. Vele
Engelschen streden in dien oorlog mede, doch tot de oprichting van een groot engelsch
leger mocht het niet komen.
                                                                          V.
-ocr page 104-
8o
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
die op geen hooger roem kon bogen, dan dien eens ondernemenden partij-
gangers, verrast en gedwarsboomd te worden.
Evenmin waren de officieren, die onder Essex het bevel voerden, berekend
datgene te vergoeden, waarin hij te kort schoot. Het parlement verdient
intusschen niet deswege gelaakt te worden. In een rijk, dat, zoover het ge-
heugen der oudste tijdgenooten reikte, geen oorlog op groote schaal te lande
gevoerd had, waren geen veldheeren van beproefde dapperheid en bekwaam-
heid te vinden. In den aanvang waa dus niet te vermijden, dat men zich op
onbeproefde aanvoerders moest verlaten en de voorkeur werd natuurlijk aan
mannen gegeven, die zich hetzij door hun geboorte of door hun in het parle-
ment aan den dag gelegde bekwaamheden hadden onderscheiden. Bijna in
geen enkel geval echter mocht de getroffen keuze gelukkig genoemd worden.
Zoo min de magnaten als de redenaars waren goede soldaten. De graaf van
Stamford, die tot den hoogsten engelschen adel behoorde, werd te Stratton
door de royalisten op de vlucht gedreven. Nathanaël Fiennes, die ten aan-
zien zijner bekwaamheid in staatzaken voor geen zijner tijdgenooten behoefde
te wijken, onteerde zich door de kleinmoedige overgave van Bristol. Inder-
daad schijnt, van al de staatsmannen, die in dit tijdsgewricht hooge militaire
kommando\'s op zich namen, Hampden de eenige geweest te zijn, die in het
veld dezelfde bekwaamheid en geestkracht aan den dag legde, die hem op het
gebied der staatkunde zoo zeer hadden doen uitmunten.
Voordeelen door Toen de oorlog een jaar geduurd had, was het voordeel be-
den behaald, paaldelijk aan de zijde der royalisten. Zij hadden zoowel in de
westelijke als in de noordelijke graafschappen gezegevierd. Zij hadden Bristol,
de tweede stad des koninkrijks, aan het parlement ontnomen. Zij hadden
verscheiden veldslagen gewonnen en niet ééne ernstige of smadelijke neder-
laag geleden. Bij de rondhoofden begon de tegenspoed tweedracht en onte-
vredenheid te zaaijen. Nu eens werd het parlement door samenzweringen,
dan weder door oploopen in bestendige vrees gehouden. Het werd noodig
geacht Londen tegen het koninklijk leger te versterken en eenige misnoegde
burgers voor hun eigen deuren op te hangen. Een aantal der voornaamste
pairs, die tot dusverre te Westminster gebleven waren, vluchtten naar het hof
te Oxford; en het lijdt geen twijfel, of Karel zou al spoedig in triomf naar
Whitehall opgerukt zijn, indien op dat tijdstip een schrandere en krachtige
geest de ondernemingen der cavaliers bestuurd had.
Doch de koning liet het gunstige oogenblik voorbijgaan en het keerde
nimmer terug. In Augustus 1643 sloeg hij het beleg voor Glocester. De
stad werd door de inwoners en door de bezetting met een onverschrokken-
heid verdedigd, als de aanhangers van het parlement sedert den aanvang
des oorlogs nog niet getoond hadden. Dit voorbeeld werkte gunstig op
Londen. De burgervendels der City boden aan overal heen te trekken, waar
hun diensten vereischt mochten worden. Spoedig werd een groote macht
bijeengebracht en naar het westen in beweging gesteld. Het beleg van
Glocester werd opgebroken. De koningsgezinden van alle gewesten des rijks
verloren den moed; de parlementspartij ontstak in nieuwe geestdrift, en de
afvallige lords, die onlangs van Westminster naar Oxford gevlucht waren,
spoedden zich van Oxford naar Westminster terug.
-ocr page 105-
VOOR DE RESTAURATIE.                                               8l
\'\'"dVliié\'t\'i!"" Thans begonnen zich nieuwe en onrustbarende verschijnselen aan
het kranke staatslichaam te vertoonen. In de parlementspartij waren van
den beginne af eenige mannen geweest, wier streven op oogmerken gericht
was, waarvoor het grootste gedeelte harer leden met afkeer teruggedeinsd
zoude zijn. Naar hun godsdienstige begrippen waren deze mannen indepen-
denten (onafhankelijken). Zij begrepen, dat elke christelijke gemeente onder
Christus het oppergezag in geestelijke aangelegenheden bezat; dat een be-
roep op provinciale of nationale synoden met de geboden der Heilige Schrift
bijna evenmin overeen te brengen was, als een beroep op het aartsbisschop-
pelijk hof of op het vaticaan, en dat pausdom, prelatuur enpresbyterianisme
slechts drie verschillende inkleedingen van een en dezelfde groote afvallig-
heid waren. In het staatkundige waren zij, om de spreekwijze van hun tijd
te bezigen, wortel- en takmannen, of naar de verwante spreekwijze van
onzen tijd radicalen. Niet tevreden met het beperken der koninklijke macht
verlangden zij op de ruïnen van het oude engelsche staatswezen een gemeene-
best te gronden. In den beginne was hun aantal en invloed gering geweest,
doch eer de oorlog twee jaren geduurd had, werden zij wel niet de grootste,
maar toch de machtigste factie van het land. Sommige van de vroegere
parlementaire leiders waren overleden; andere hadden het vertrouwen der
natie verbeurd. Pym was onder vorstelijk eerbetoon in een graf bij de
Plantagenets bijgezet. Hampden was gevallen, tot geen schikking gezind,
zoo als hem betaamde, terwijl hij door zijn heldhaftig gedrag te vergeefs zijn
volgers moed trachtte te geven om den vurigen aanval van Ruperts kavalerie
te weerstaan. Bedford was afvallig geworden. Op Northumberland kon men
weinig bouwen. Essex en zijn onderbevelhebbers hadden in de leiding der
krijgsverrichtingen slechts weinig moed en bekwaamheid getoond. Zoodanig
was de stand van zaken, toen de partij der independenten, voortvarend, en
koen, tegelijk in het leger en in het parlement het hoofd begon te verheffen.
0"vïrtï.rolB\' De ziel dezer partij was Olivier Cromwell. Tot vreedzame be-
drijven opgeleid, had hij op meer dan veertigjaren leeftijd een aanstelling
in het parlementsleger aangenomen. Nauwelijks had hij den soldatenrok
aangeschoten, toen hem de scherpe blik van zijn genie aantoonde wat Essex
en mannen als Essex met al hun ondervinding niet konden bemerken. Hij
begreep met juistheid, waarin de kracht der koningsgezinden bestond en
door welke middelen alleen die kracht overwonnen kon worden. Hij zag, dat
het noodig was het parlementsleger te hervormen. Hij zag ook, dat daartoe
overvloedige en uitmuntende bouwstoffen voorhanden waren, die voorzeker
minder schitterend, maar veel degelijker waren dan die, waarop \'s konings
dappere ruiterbenden konden roemen. Het was noodig naar rekruten om te
zien, geenbloote huurlingen, maar van achtbaren stand, ernstig van gemoed,
godvruchtig en vol ijver voor de openbare vrijheid. Uit zulke mannen stelde
hij zijn eigen regiment samen, en terwijl hij hen aan een strengere krijgs-
tucht onderwierp dan ooit te voren in Engeland gekend was, diende hij
hun zedelijke en geestelijke natuur prikkelende middelen toe van verbazende
uitwerking.
De gebeurtenissen van het jaar 1644 stelden het overwicht zijner be-
kwaamheden in het helderste licht. In het zuiden, waar Essex bevel voerde
macaui.ay                                                                                          6
-ocr page 106-
82                                  GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
leden de troepen van het parlement een reeks van smadelijke nederlagen; in
het noorden echter werd al wat elders verloren was door de overwinning
van Marston Moor ruimschoots vergoed. Deze overwinning was voor de
koningsgezinden geen zwaarder slag dan voor de partij, die tot dusverre
te Westminster geheerscht had; want het was ten volle gebleken, dat, in
dien veldslag de door de presbyterianen jammerlijk verloren krijgskans,
door Cromwell\'s geestkracht en door de koele dapperheid der door hem
gevormde strijders, hersteld was.
"^InsJsïw.116\' Deze gebeurtenissen hadden het zelfverloocheningsgebod •)
en de reorganisatie des legers ten gevolge. Onder voegzame voorwendselen
en met alle eerbewijzen werden Essex en de meesten dergenen, die onder
hem hooge posten bekleed hadden, op zijde geschoven, en de leiding des
oorlogs aan geheel andere menschen toevertrouwd. Fairfax, een dapper
•soldaat, maar zwak van geestvermogens en bovendien zeer besluiteloos van
aard, werd in naam lord-generaal der legermacht, doch Cromwell was haar
wezenlijke aanvoerder.
"ocorrwi.°"\'ïlar-n Cromwell haastte zich het geheele leger naar dezelfde begin-
\'Te\'hiïij!\'" selen te organiseeren, naar welke hij zijn eigen regiment had
ingericht. Zoodra dit werk voltooid was, was de uitslag des oorlogs beslist.
De cavaliers hadden nu te kampen tegen een natuurlijken moed, die den
hunne evenaarde, tegen een geestdrift, die de hunne overtrof, en tegen
een krijgstucht, die hun geheel en al ontbrak. Weldra werd het spreek-
woordelijk, dat de soldaten van Fairfax en Cromwell een geheel ander
slag van menschen waren dan die van Essex. Te Naseby vond de eerste
groote ontmoeting tusschen de royalisten en het hervormde parlementsleger
plaats. De zegepraal der rondhoofden was volkomen en beslissend. Ras
volgde daarop een reeks van andere overwinningen. Binnen weinige maan-
den was het gezag van het parlement over het geheele rijk ten volle geves-
tigd. Karel vluchtte naar de Schotten en werd door deze op een wijze, die
hun nationaal karakter weinig eer aandeed, aan zijn engelsche onderdanen
uitgeleverd.
Terwijl de uitslag van den oorlog nog onzeker was, hadden de Huizen den
primaat ter dood doen brengen, het gebruik der liturgie in het door hen
beheerschte gebied verboden en een iegelijk opgeroepen om die beroemde
oorkonde te onderteekenen, die het Plechtige Verbond en Covenant J) ge-
\') Self denying ordinance^ waarbij, in den trant der hedendaagsche onbestannbaar-
heids- (incomptabiliteits-) wetten, de leden der beide parlementshuizen van burgerlijke
en militaire bedieningen uitgesloten werden. De bijzondere strekking dezer wet op dat
tijdstip blijkt genoegzaam uit de omstandigheid, dat daardoor o. a. alle pairs (leden van
het hoogerhuis), dat zijn dus de voornaamste leden van den adel, wier parlementaire in-
vloed evenwel reeds tot een blooten schijn gedaald was, ook buiten het parlement van
allen invloed beroofd werden. Men erkent hierin geheel de ver uitziende, tweesnijdende
en gewelddadige staatkunde van Cromwell, wien, daar hij zelf de wet deed voorstel-
len, legerhoofd en parlementslid tevens was, op grond van noodwendigheid en op bij-
zonder verzoek van den nieuwen, mede op zijn aanwijzing tot opperbevelhebber aange-
stelden lord Fairfax, vrijstelling van de bedoelde uitsluiting verleend werd.
            V.
■) League en Covenant. Met league (verbond) is meer het verbond tusschen personen
bedoeld om zich ter verdediging of bestrijding eener zaak te vereenigen, het woord
-ocr page 107-
VOOR DE RESTAURATIE.                                               83
noemd wordt. Toen de strijd afgeloopen was, werd het werk der vernieuwing
en der wraak met nog grooter ijver voortgezet. De kerkregeling des rijks werd
geheel gewijzigd. De meeste leden der oude geestelijkheid werden van hun
ambten ontzet. Geldboeten, soms overdreven hoog, werden den royalisten,
die reeds verarmd waren door de belangrijke offers, welke zij den koning
gebracht hadden, opgelegd. Vele goederen werden verbeurd verklaard. Een
aantal verbannen cavaliers vond het raadzaam met ontzaglijke kosten de be-
scherming van voorname leden der zegevierende partij te koopen. Uitge-
strekte domeinen, het eigendom der kroon, der bisschoppen en der kerk-ka-
pittels, werden in beslag genomen en of aan anderen verleend of dadelijk in
veiling gebracht. Ten gevolge van deze ontvreemdingen werd een groot ge-
deelte van den engelschen bodem gelijktijdig te koop aangeboden. Daar het
geld schaarsch, de markt overvoerd, de rechtstitels onzeker waren, en het
ontzag voor invloedrijke koopers de vrije mededinging belemmerde, waren de
prijzen dikwerf slechts nominaal. Op deze wijze werden vele oude en achtbare
familiën van het tooneel gedrongen, zoodat men niets meer van hen hoorde,
en rezen vele tot dusver onbekende mannen al spoedig tot rijkdom en aanzien.
Terwijl echter de Huizen hun gezag op deze wijze deden gelden, ontsnapte
het plotseling aan hun handen. Zij hadden dat gezag verworven door de op-
richting eener macht, die niet in bedwang gehouden kon worden. In den
zomer van 1647, ongeveer twaalf maanden nadat de laatste vesting der
cavaliers zich aan het parlement had overgegeven, werd het parlement ge-
noodzaakt zich aan zijn eigen soldaten te onderwerpen.
Nu volgden dertien jaren, gedurende welke Engeland onder verschillende
benamingen en vormen, doch met der daad door het zwaard beheerd werd.
Nimmer is voor of na dien tijd het burgerlijk gezag in ons land aan militair
geweld onderworpen geweest.
M°d"aShpii|cr. Het leger, dat nu de oppermacht in den staat verwierf, was
zeer verschillend van die, welke na dien tijd bij ons bekend zijn geweest.
Thans is de soldij van den gemeenen soldaat niet zoo hoog, dat ze eenige
andere dan de minste klasse van engelsche arbeiders uit hun bedrijf zou
kunnen lokken. Een bijna onoverkomelijke kloof scheidt hem van den offi-
cier. Verreweg de meesten dergenen, die tot hooge dienstbetrekkingen
komen, klimmen op door middel van koop. Zoo talrijk en zoo uitgestrekt
zijn Engelands overzeesche bezittingen, dat een ieder, die bij de geregelde
troepen in dienst treedt, verwachten moet vele jaren in ballingschap en
sommige jaren in luchtstreken te moeten doorbrengen, die voor de gezond-
heid en de krachten van het europeesche menschenras ongunstig zijn. Het
leger van het lange parlement was alleen voor de dienst binnen \'s lands be-
stemd. De soldij van den gewonen soldaat bedroeg veel meer dan het loon,
dat door de groote meerderheid van het volk verdiend werd, en zoo hij door
moed en schranderheid uitmuntte, kon hij op snelle bevordering hopen. De
gelederen waren derhalve uit mannen samengesteld, wier stand en bescha-
ving boven die der menigte verheven waren. Deze lieden, matig, zedelijk en
covenant, dat voornamelijk bij kerkelijke overeenkomsten gebezigd kan worden, de
verbintenis om zich naar zekere bepalingen, regelen of beginselen te gedingen. V.
-ocr page 108-
84
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
vlijtig van gedrag, gewoon aan overleg waren niet door den druk der armoede,
niet door zucht naar verandering of ongebondenheid, niet door de kunstgre-
pen van werfofficieren tot het opvatten der wapenen genoopt, maar door gods-
dienstigen en staatkundigen ijver, verbonden met den wensch naar onder-
scheiding en bevordering. Deze soldaten stelden, gelijk wij in hun plechtige
besluiten uitdrukkelijk vermeld vinden, er hun eer in, dat zij niet tot de
dienst gedwongen waren en hun hoofdoogmerk ook niet in het bejagen van
geldelijk voordeel bestond; dat zij geen Janitsaren, maar vrijgeboren Engel-
schen waren, die vrijwillig hun leven voor Engelands godsdienst en vrijheden
in de waagschaal stelden en die gerechtigd en verplicht waren, voor het
welzijn der natie te waken, welke zij gered hadden.
Zulk een leger kon men zonder nadeel voor zijn bruikbaarheid sommige
vrijheden laten genieten, die, werden ze aan andere troepen toegestaan, alle
krijgstucht ondermijnd zouden hebben. In den regel zouden soldaten, die
zich met het vormen van staatkundige vereenigingen, het verkiezen van afge-
vaardigden en het nemen van besluiten over hooge staatsvragen verledigden,
weldra ook elk gezag miskennen, ophouden een leger te vormen en de
slechtste en gevaarlijkste bende uitmaken. Ook zou het in onzen tijd niet
geraden zijn bij eenig regiment godsdienstige bijeenkomsten te dulden, waar
een schriftgeleerde korporaal de godsdienstoefeningen van zijn minder be-
gaafden overste leiden of een afvalligen majoor tot inkeer vermanen zou.
Doch de beradenheid, de ernst en de zelfbeheersching der door Cromwell
gevormde krijgers waren zoo onwrikbaar, dat in hun leger een staatkundige
en godsdienstige organisatie bestaan kon, zonder dat de militaire organisatie
daaronder leed. Dezelfde mannen, die buiten de gelederen als demagogen
en als zelfberoepen veldpredikers bekend stonden, onderscheidden zich op
wacht, bij de wapenoefening en op het slagveld door kalmte, orde en stipte
gehoorzaamheid.
In den oorlog was deze zonderlinge krijgsmacht onweerstaanbaar. De on-
verzettelijke moed, die het engelsche volk kenmerkt, werd door Cromwells
stelsel tegelijkertijd geregeld en aangeprikkeld. Andere aanvoerders hebben
een even strenge orde gehouden, hebben hun krijgers met even vurigen ijver
bezield, maar in zijn leger alleen vond men de strengste krijgstucht, gepaard
met de hartstochtelijkste opgewondenheid. Zijn troepen rukten met de regel-
matigheid van werktuigen ter overwinning op, terwijl hun harten van de
ongetemde dweepzucht der kruisvaarders gloeiden. Van den tijd toen het
leger hervormd, tot den tijd dat het ontbonden werd, ontmoette het nooit
in de britsche eilanden evenmin als op het vaste land een vijand, die zijn
aanval weerstaan kon. In Engeland, Schotland, Ierland en Vlaanderen lieten
de puriteinsche krijgers, dikwerf door allerlei moeijelijkheden omringd, soms
tegen drievoudige overmacht kampende, niet alleen nooit de zege ontsnap-
pen, maar zelfs bleven zij nooit in gebreke elke macht, die tegen hen over
stond, te vernielen en te verpletteren. Ten laatste waren zij gewoon den dag
des strijds als den dag van zekeren triomf te beschouwen en rukten zij met
tergende driestheid tegen de beroemdste bataillons van Europa op. Turenne
ontstelde, toen hij de uitbarsting van woedende geestdrift hoorde, waarmede
zijn engelsche bondgenooten ten strijde trokken, en verheugde zich als een
-ocr page 109-
85
VOOR DE RESTAURATIE.
echt krijgsman, toen hij vernam, dat het steeds de gewoonte van Cromwells
lansdragers was, een luid vreugdegejuich aan te heffen, zoodra zij den vijand
zagen; en het nationaal gevoel der verbannen cavaliers juichte, toen zij een
brigade hunner landslieden, veel kleiner in getal dan de vijand en van haar
bondgenooten verlaten, het schoonste spaansche voetvolk in overijlde vlucht
voor zich heen zagen drijven en den doortocht tot in een vijandelijke ver-
schansing banen, welke de bekwaamste van Frankrijks veldheeren een
oogenblik te voren voor onneembaar verklaard had.
Voornamelijk echter onderscheidde zich Cromwells leger van andere
legers door de strenge zedelijkheid en godsvrucht, waarvan alle gelede-
ren doordrongen waren. De ijverige royalisten hebben erkend, dat in dit
zonderling leger geen vloek gehoord, geen dronkenschap, geen spel gezien
werd, en dat het eigendom van den vreedzamen burger en de vrouwelijke
eer tijdens de langdurige soldatenregeering heilig werden geacht. Werden
soms buitensporigheden gepleegd, ze waren van geheel anderen aard dan
die, waaraan een zegevierend leger zich gemeenlijk schuldig maakt. Geen
dienstmaagd had over de ruwe lief koozingen van de roodrokken te klagen.
Geen ons zilverwerk werd uit de winkels der goudsmeden genomen. Maar
een pelagiaansche preek of een vensterglas, met de beeltenis der Moeder-
maagd met het kind, bracht onder de gelederen der puriteinen een opgewon-
denheid teweeg, welke de officieren slechts door de uiterste inspanning kon-
den temperen. Een der grootste zorgen van Cromwell was het, zijn piekeniers
en dragonders te verhinderen stormenderhand de kansels van leeraren
aan te vallen, wier voordracht, om in de taal van dien tijd te spreken, niet
zalvend was; en slechts te veel van onze hoofdkerken dragen nu nog de blij-
ken van den haat, waarmede deze strenge dwepers elk spoor van het paus-
dom beschouwden.
Opstand tegen De engelsche natie rustig te houden was zelfs voor dit leger
heerschappij, geen lichte taak. Zoodra de eerste druk der militaire dwinge-
landij gevoeld werd, begon de natie, voor welke zulke slavernij nog nieuw
was, woedend te weerstreven. Er hadden onlusten plaats, zelfs in de graaf-
schappen, die gedurende den jongsten oorlog voor het parlement het volg-
zaamst geweest waren. Trouwens, het parlement zelf verfoeide zijn voor-
malige verdedigers veel meer dan zijn vroegere vijanden en wenschte ten
kosten van het leger met Karel in schikking te treden. Tevens kwam in Schot-
land een verbond tot stand, tusschen de koningsgezinden en een groot ge-
deelte der presbyterianen, die de leer der independenten met den grootsten
afkeer beschouwden. Eindelijk barstte de storm los. In Norfolk, Suffolk,
Essex, Kent en Wallis begonnen de bewegingen. De vloot op de Theems
heesch eensklaps de koninklijke vlag, liep uit en bedreigde de zuidelijke
kust. Een groote schotsche legermacht trok over de grenzen en rukte binnen
Lancashire. Men kon wel nagaan, dat een meerderheid, zoowel van de lords
als van de leden van het Lagerhuis, deze bewegingen met heimelijk welge-
vallen gadesloeg.
d?^^™"?.. Doch het juk des legers was niet op deze wijze af te schudden.
Terwijl Fairfax in de omstreken der hoofdstad de woelingen bedaarde, sloeg
OH vier de opstandelingen van Wallis op de vlucht, en hun burchten in puin-
-ocr page 110-
86
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
hoopen verkeerd hebbende, trok hij tegen de Schotten op. In vergelijking
met den vijand waren zijn troepen gering in getal; maar hij was niet gewoon
zijn vijanden te tellen. Het schotsche leger werd geheel vernield. Daarop
volgde een verandering in het schotsche bestuur. Te Edinburgh werd een
den koning vijandig bewind samengesteld, en Cromwell, meer dan ooit de
lieveling zijner soldaten geworden, keerde in triumf naar Londen terug.
^«rau"njk<rains"" En nu begon een ontwerp duidelijk te worden, waarvan in
den aanvang des oorlogs niemand zou hebben durven reppen, en dat met
het plechtig verbond en covenant even weinig bestaanbaar was als met
Engelands oude wetgeving. De onbuigzaam strenge krijgers, die de natie
beheerschten, hadden sints eenige maanden over een vreeselijke wraakoefe-
ning op den gevangen koning gebroed. Wanneer en hoe dit plan zijn oor-
sprong kreeg, of het zich van den aanvoerder tot de gelederen, of van de
gelederen tot den aanvoerder overplantte; of het aan een staatkunde toe te
schrijven was, die de dweepzucht als een werktuig bezigde, of aan een dweep-
zncht, die met teugellooze voortvarendheid alle staatkunde ter zijde deed
stellen, dit zijn vragen, die men nog ten huidigen dage niet met volkomen
zekerheid kan beantwoorden. Het komt ons echter waarschijnlijk voor, dat hij,
die scheen te leiden, met der daad gedwongen was te volgen, en dat hij bij deze,
even als eenige jaren later, bij een andere hachelijke gelegenheid zijn eigen
gevoelen en zijn eigen neiging aan de wenschen des legers ten offer bracht.
Want de macht, die hij in wezen had geroepen, kon hij niet altijd in toom
houden; en wilde hij bij voortduring het bevel blijven voeren, dan was het
noodig, dat hij somtijds ook gehoorzaamheid toonde. Hij betuigde openlijk
dat hij dit plan niet had ontworpen, dat de voorbereidende maatregelen
buiten zijn medeweten genomen waren, dat hij voor zich het parlement niet
aanraden kon, dien slag toe te brengen; doch dat hij zijn eigen gevoelen aan
den drang der omstandigheden onderwierp, die, naar het hem voorkwam,
den wil der Voorzienigheid scheen aan te duiden. Het placht in den smaak
te zijn deze betuigingen voor bewijzen van de huichelarij te beschouwen, die
hem gemeenlijk ten laste wordt gelegd; doch zelfs zij, die hem een huichelaar
noemen, zullen niet licht wagen hem voor dwaas te schelden. Zij zijn dus
verplicht aan te toonen, dat hij meende eenig oogmerk te kunnen bereiken
door in het geheim het leger aan te sporen tot het inslaan van een weg,
dien hij niet openlijk durfde aanbevelen. Het ware ongerijmd te vermoeden,
dat hij, die door achtbare tegenstanders nimmer van willekeurige wreedheid
of van onverzoenlijken wraaklust beschuldigd werd, den gewichtigsten stap
zijns levens uit bloote kwaadwilligheid gedaan zoude hebben. Hij was veel te
schrander om niet in te zien, dat het verleenen zijner toestemming tot het
plengen van dat vorstelijk bloed een onuitwischbare daad was, een daad, die
niet alleen bij de royalisten, maar ook bij negen tienden dergenen, die aan
de zijde van het parlement gestaan hadden, smart en afschuw verwekken
moest. Welke droomen anderen ook verleid mogen hebben, hij voorzeker
droomde noch van een republiek naar den antieken vorm, noch van het
duizendjarig rijk der heiligen. Indien hij toen hoopte zelf de stichter eener
nieuwe dynastie te worden, dan was Karel I blijkbaar een veel minder ge-
ducht mededinger dan Karel II worden kon. Zoodra Karel I stierf, zou de
-ocr page 111-
87
VOOR DE RESTAURATIE.
trouw van eiken cavalier onverdeeld op Karel II overgaan. Karel I was een
gevangene. Karel II was in vrijheid. Karel I was een voorwerp van wantrou-
wen en van misnoegen, zelfs voor een groot gedeelte dergenen, die niettemin
gruwden bij de bloote gedachte van zijn bloed te vergieten; Karel II zou al
de belangstelling opwekken, die doorgaans het deel is der lijdende jeugd en
der onschuld. Men kan onmogelijk onderstellen, dat zoo in het oog vallende
en gewichtige bedenkingen den diepzinnigsten staatsman dier tijden zouden
ontgaan zijn. De waarheid is, dat Cromwell op zeker tijdstip beoogde tus-
schen den troon en het parlement een schikking tot stand te brengen en
door de macht van het zwaard, gesteund door den koninklijken naam, de
orde in het zwaar geschokte rijk te herstellen. Bij dit voornemen bleef hij,
tot dat de weerbarstige geest der troepen en de onverbeterlijke trouweloos-
heid des konings hem dwong er van af te zien. Zekere partij in het leger
begon reeds luide om het hoofd van den verrader te roepen, die met Agag in
onderhandeling wilde treden. Er werden samenzweringen gesmeed. Luid-
keels werd met een parlementsaanklacht gedreigd. Er brak een muiterij uit,
welke Olivier ondanks al zijn geestkracht en beradenheid slechts met moeite
meester kon worden. En hoezeer hij, door een beleidvolle mengeling van
strengheid en toegevendheid, er in slaagde de rust te herstellen, zag hij toch
in, dat het in den hoogsten graad moeijelijk en gevaarlijk zijn zou de woede
van krijgers te tarten, die den gevallen dwingeland als hun vijand en als den
vijand van hun God beschouwden.
Tevens bleek duidelijker dan ooit, dat men geen vertrouwen in den koning
kon stellen. Karel was de slaaf zijner gebreken geworden. Het waren inder-
daad gebreken, die gewoonlijk door moeijelijkheden en verwikkelingen in
het helderste licht geplaatst worden. List is het natuurlijk wapen der zwak-
ken. Een vorst, die uit gewoonte trouweloos is, zelfs wanneer hij op het
toppunt van macht is, zal onder den drang van verwikkelingen en tegen-
spoeden niet licht oprechtheid leeren. Karel I was niet alleen uiterst ge-
wetenloos, maar ook allerongelukkigst in het veinzen. Nooit heeft er een
staatsman geleefd, van wien zooveel onweersprekelijk bedrog, zooveel valsch-
heid aan den dag kwam. In het openbaar erkende hij de Huizen te West-
minster als een wettig parlement, en te gelijkertijd stelde hij in zijn raad een
geheime memorie op, waarbij die erkenning nietig verklaard werd. In het
openbaar erkende hij, dat hij nooit aan het inroepen van vreemde hulp tegen
zijn onderdanen gedacht had; in \'t geheim bad hij Frankrijk, Denemarken
en Lotharingen om hulp. Openlijk loochende hij, dat hij papisten in dienst
had, tegelijkertijd gaf hij geheime bevelen aan zijn krijgsoversten om alle
pausgezinden aan te nemen, die in dienst wilden treden. In het openbaar
gebruikte hij te Oxford het avondmaal, ten teeken dat hij het pausdom nooit,
ja, niet eens bij oogluiking zoude begunstigen, aan zijn vrouw betuigde hij
in\'t geheim, dat hij voornemens was het pausdom in Engeland te dulden; en
hij machtigde lord Glamorgan te beloven, dat het pausdom in Ierland ge-
vestigd zoude worden. Daarna poogde hij zich ten kosten van zijn dienaar te
zuiveren. Glamorgan ontving van \'s Konings hand verwijtende brieven, be-
stemd om door anderen gelezen te worden, en loftuitingen, die voor hem
alleen bestemd waren. Het geheele wezen des konings was thans in zulk een
-ocr page 112-
SS
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
graad met onoprechtheid besmet, dat zijn getrouwste aanhangers zich niet
weerhouden konden elkander met bitteren spot en schaamte hun nood te
klagen over de slinksche wegen zijner staatkunde. Zijn nederlagen, zeiden
zij, deden hun minder leed dan zijn kuiperijen. Sints hij in gevangenschap
was, had hij beurtelings elke afdeeling der zegevierende partij tot het voor-
werp van zijn vleijerijen, zoowel als van zijn listen gemaakt; doch nooit was
hij hierin ongelukkiger, dan toen hij er zich aan waagde Cromwell door
vleijerijen te willen winnen en tevens zijn gezag te ondermijnen.
Cromwell moest nu beslissen, of hij het vertrouwen zijner partij, de ver-
kleefdheid zijner troepen, zijn eigen grootheid, ja. zijn eigen leven op het
spel wilde zetten, om een waarschijnlijk vergeefsche, poging ter redding
van een vorst aan te wenden, dien geen verdrag tot trouw kon nopen. Na
waren zielestrijd en lange aarzeling, en waarschijnlijk niet dan na veel ge-
beden werd zijn besluit genomen. Karel werd aan zijn lot overgelaten. De
heiligen van het leger bepaalden, dat de koning in strijd met de oude wetten
des rijks en in weerwil van het bijna eenstemmig gevoelen der natie, zijn
misdaden met zijn hoofd zou boeten. Een tijdlang verwachtte hij een dood
als die zijner ongelukkige voorgangers Eduard II en Richard II geweest was.
Een dergelijk verraad echter dreigde hem niet. Zij, die hem in hun macht
hadden, waren geen nachtelijke sluipmoordenaars. Wat zij deden, deden zij
met orde, opdat het een schouwspel voor hemel en aarde zijn en een eeuwig-
durende herinnering en les blijven mocht. De ergernis, die zij gaven, deed
hun zelfs een innig genoegen. Dat de oude staatsregeling en de openbare
meening in Engeland met koningsmoord rechtstreeks strijdig waren, maakte
deze misdaad bijzonder uitlokkend voor een partij, die zich een volledige
staatkundige en maatschappelijke omwenteling ten doel had gesteld. Tot het
volbrengen hunner taak was het noodig, dat zij vooraf al de deelen van het
staatsgebouw verbraken en deze noodwendigheid was hun veeleer aange-
naam dan smartelijk. Het Lagerhuis nam een voorstel aan, strekkende om
met den koning in schikking te treden. De soldaten dreven met geweld de
meerderheid uiteen. De Lords verwierpen eenstemmig het voorstel om den
koning voor een rechtbank te dagen. Hun vergadering werd onmiddellijk
gesloten. Niet ée\'ne der wettig bestaande rechtbanken wilde zich met de
taak belasten om de bron der gerechtigheid te vonnissen. Er werd dus een
"rJwu!1 revolutionnaire rechtbank gevormd. Deze rechtbank verklaarde
Karel voor een dwingeland, een landverrader, een moordenaar en een volks-
vijand; en hij werd onthoofd ten aanzien van duizenden toeschouwers en
tegenover de feestzaal van zijn eigen paleis.
Binnen weinig tijds bleek dat de staatkundige en godsdienstige ijveraars,
wien deze daad moet worden toegeschreven, niet slechts een misdaad maar
ook een dwaling begaan hadden. Zij hadden een vorst, die zich bij zijn volk
tot dusverre hoofdzakelijk door zijn gebreken had doen kennen, gelegen-
heid verschaft op een grootsch tooneel, vooralle volken en tijden, sommige
hoedanigheden ten toon te spreiden, die de bewondering en de liefde der
menschen onwederstaanbaar opwekken; de fierheid van den dapperen edel-
man, het geduld en de onderwerping van den boetvaardigen Christen. Ja,
zij hidden zelfs hun wraakoefening zoo ingericht, dat juist hij, wiens geheele
-ocr page 113-
89
VOOF DE RESTAURATIE.
leven slechts een reeks van aanslagen tegen Engelands vrijheden was ge-
weest, nu als martelaar voor diezelfde vrijheden scheen te sterven. Nimmer
had eenig volksleider zulk een overweldigenden indruk op de stemming der
menigte, als de gevangen koning, die, in dit uiterste zijn koninklijke waar-
digheid in allen deele bewarende, met onverschrokken moed den dood ver-
beidde ; als tolk van de gevoelens van zijn onderdrukt voik in ronde woorden
manhaftig weigerde, zich voor een niet wettig erkend gerechtshof te ver-
dedigen ; van het militair geweld op de grondwettige bepalingen der staats-
regeling beroep deed; die vroeg met welk recht aan het Huis der Gemeenten
zijn achtbaarste leden, aan het Huis der Lords zijn wetgevende functiën
ontnomen waren, en aan zijn weenende toehoorders zeide, dat hij niet slechts
zijn eigen, maar tevens ook hun zaak verdedigde. Zijn langdurig slecht
beheer, zijn tallooze trouwloosheden waren eensklaps vergeten. Zijn nage-
dachtenis werd in de gemoederen van de groote meerderheid zijner on-
derdanen met die vrije instellingen verbonden, wier vernietiging hij jaren
lang getracht had te bewerken, want die vrije instellingen waren met hem
ten grave gedaald en onder het treurig stilzwijgen eener door de kracht van
wapenen onderdrukte maatschappij door zijn stem alléér. verdedigd. Sedert
dien dag begon een reactie ten gunste der monarchie en van het verdreven
stamhuis, die niet ophield, zoolang de troon niet in zijn vollen en alouden
glans hersteld was.
In \'t eerst echter schenen de moordenaars des konings nieuwen moed ge-
schept te hebben uit dat bloedige sacrament, waardoor zij zich onderling
zoo nauw verbonden, doch zich tevens van de groote menigte hunner land-
genooten voor eeuwig afgescheurd hadden. Engeland werd tot een gemeene-
best verklaard. Het Lagerhuis, tot een klein getal van leden verminderd,
was, in naam, de opperste macht van den staat. Met der daad echter hadden
de soldaten en hun groote aanvoerder het geheele bewind in handen. Olivier
had zijn keus gedaan. Hij had de liefde zijner soldaten bewaard en met na-
genoeg al de andere klassen zijner medeburgers gebroken. Buiten de gren-
zen zijner legerkampen en vestingen kon men nauwelijks zeggen, dat hij een
partij bezat. De elementen der macht, die bij het uitbreken des burgeroor-
logs tegenover elkander in slagorde stonden, waren nu allen tegen hem ver-
eenigd : al de cavaliers, de groote meerderheid der rondhoofden, de angli-
caansche kerk, de presbyteriaansche kerk, de roomsch-katholieke kerk,
Engeland, Schotland, Ierland. Zoo groot echter was zijn genie en zijn moed,
dat hij al wat hem in den weg stond, heeft kunnen overweldigen en onder-
drukken: dat hij in zijn vaderland een onbeperkter gezag verwierf dan ooit
een wettig engelsch koning bezeten had, en dat hij meer achting en ontzag
aan dat land verschafte, dan het sedert eeuwen onder het bestuur zijner
wettige koningen genoten had.
Engeland had reeds opgehouden te weerstreven. De beide andere konink-
rijken echter, die onder den schepter der Stuarts gestaan hadden, waren
der nieuwe republiek vijandig. De partij der independenten werd door de
roomsch-katholieken in Ierland evenzeer gehaat als door de presbyterianen
in Schotland. Deze landen, die kort te voren nog in opstand tegen Karel I
waren, erkenden nu beiden het gezag van Karel II.
-ocr page 114-
90                                       GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
Onderwerping Doch voor Cromwells macht en schranderheid moest alles
van Ierland en         .                                 ..                   ,                _.           . .. T , .                 ,
van schotland, zwichten. In weinig maanden onderwierp hij Ierland, zoo als
dit land nog nimmer onderworpen was geweest in de vijf eeuwen bloed-
vergietens, die sedert de landing der eerste noormansche volkplanters ver-
streken waren. Hij vatte het besluit op aan den volks- en godsdienststrijd,
die dat eiland zoo lang geteisterd had, daardoor een einde te maken, dat
hij de engelscheen protestantsche bevolking bepaaldelijk tot de heerschende
maakte. Met dit inzicht vierde hij den teugel aan de felle geestdrift zijner
krijgslieden, voerde een krijg gelijk aan dien, welken Israël tegen de Kanaa-
nieten voerde, sloeg de afgodendienaars met de scherpte des zwaards, zóó,
dat groote steden zonder inwoners bleven, joeg vele duizenden naar het
vaste land, scheepte vele duizenden naar West-Indië in, en voorzag in de
daardoor geboren leegte door talrijke kolonisten van anglosaksisch bloed en
calvinistisch geloof naar het eiland over te brengen. Hoe vreemd dit nu ook
luiden moge, onder deze ijzeren heerschappij begon het veroverde land het
uiterlijk aanzien van welvaart te verkrijgen. Districten, die nog onlangs
even woest geweest waren, als die, waarde eerste blanke kolonisten met de
roodhuiden aan \'t worstelen waren geweest, werden binnen weinig jaren aan
Kent en Norfolk gelijk. Overal vond men nieuwe gebouwen, wegen en plant-
soenen. De opbrengst van het landbezit nam spoedig toe en de engelsche
landeigenaren begonnen al dra te klagen, dat hun producten op alle markten
met die van Ierland moesten mededingen, en riepen luide om beschermende
wetten.
Van Ierland wendde de zegevierende veldheer, die nu ook in naam, gelijk
reeds lang met der daad, Lord-generaal der legers van het gemeenebest was,
zich naar Schotland. Hier bevond zich de jeugdige koning. Deze had zich
bereid verklaard de presbyteriaansche stellingen aan te nemen en de cove-
nant te onderteekenen; en tot loon van deze inschikkelijkheid hadden hem
de strengste puriteinen, die in Edinburgh het bewind voerden, vergund
onder hun toezicht en beheer een plechtstatig en treurig hof in het lang
onbewoonde paleis van Holyrood te houden. Dit schijnkoninkrijk was van
korten duur. In twee groote veldslagen vernielde Cromwell de schotsche
legermacht. Karel redde zijn leven door de vlucht en ontkwam slechts met
de uiterste moeite het lot zijns vaders. Het oude koninkrijk der Stuarts werd
nu voor het eerst tot volkomen onderwerping gebracht. Van de zoo man-
haftig tegen de machtigste en bekwaamste Plantagenets verdedigde onaf-
hankelijkheid bleef geen spoor over. Het engelsch parlement maakte wetten
voor Schotland. Engelsche rechters voerden het opperste rechtsbewind in
Schotland. Zelfs die onbuigzame kerk, die zich onder zoovele regeeringen
ongedeerd had gehandhaafd, durfde nauwelijks een hoorbaar gemor uiten.
uueendrüvtng Tot dusverre had ten minste de schijn der eensgezindheid be-
van het lange                                                                      1.11
parlement, staan tusschen de krijgers, die Ierland en Schotland vermeester-
ben, en de staatsmannen, die te Westminster vergaderd waren; doch het
verbond, door het gevaar bezegeld, werd door de overwinning verbroken.
Het parlement vergat, dat het slechts het werktuig des legers was. Het leger
was minder clan ooit genegen zich aan de voorschriften van het parlement
te onderwerpen. De weinige leden, die de vergadering samenstelden, welke
-ocr page 115-
VOOR DE RESTAURATIE.
91
men verachtenderwijze den romp van het Lagerhuis noemde, hadden, inder-
daad geen grooter recht, dan de legeraanvoerders, om voor de vertegen-
woordigers der natie te gelden. Het geschil werd spoedig tot een beslissing
gebracht. Cromwell bezette het huis met gewapenden. De voorzitter werd
uit zijn zetel verdreven, de hamer van de tafel genomen en de deur gesloten.
De natie, met beide de partijen even weinig ingenomen, maar die, ondanks
haar zelve, de bekwaamheid en vastberadenheid des veldheers moest eer-
biedigen, zag dit lijdzaam, zoo al niet met welgevallen, aan.
Koning, Lords en Lagerhuis waren nu achtervolgens overwonnen en
onder den voet gebracht; en Cromwell scheen als eenige erfgenaam van
hun gezamenlijke macht over te blijven. Nochtans waren hem door datzelfde
leger, waaraan hij zijn onbegrensd gezag ontleende, sommige beperkingen
gesteld. Dat vreemdsoortig lichaam bestond grootendeels uit ijverige repu-
blikeinen. Terwijl zij bezig waren hun vaderland onder\'t juk der slavernij
te doen bukken, waren zij juist in den waan vervallen, dat zij het bevrijdden.
Het boek, dat zij het meest vereerden, gaf hun een voorbeeld, dat zij dik-
werf aanhaalden. Het was waar, het onwetende en ondankbare volk morde
tegen zijn bevrijders, maar evenzoo had een ander uitverkoren volk tegen
zijn aanvoerder gemord, die het langs moeijelijke en duistere wegen uit het
land der slavernij naar het land voerde, dat van melk en honing overvloeide.
Evenwel had die aanvoerder ondanks henzelven zijn broeders gered, maar
ook niet geaarzeld schrikwekkende voorbeelden te stellen aan hen, die de
aangeboden vrijheid versmaadden, en naar de vleeschpotten, de dienstbaar-
heid en de afgoderijen van Egypte smachtten. Het oogmerk der krijgshaftige
vromen, die Cromwell omringden, was de vestiging van een vrij en vroom
gemeenebest. Tot dat einde waren zij bereid alle, zelfs de gewelddadigste
en onwettigste middelen zonder aarzeling aan te wenden. Het was mitsdien
niet onmogelijk, met hun hulp een dictatuur te vestigen, grooter in macht
dan ooit eenig koning had bezeten, doch het was waarschijnlijk, dat hun
hulp onmiddellijk onttrokken zou worden aan een heerscher, die zelfs
onder de striktste grondwettige beperkingen den koninklijken naam en
waardigheid zou durven aannemen.
Cromwell werd door gansch andere inzichten geleid. Hij was niet meer
wat hij geweest was; en het ware onbillijk de wijziging, die zijn meeningen
ondergaan hadden, alleen aan zelfzuchtige eergierigheid toe te schrijven.
Toen hij zich voor het eerst naar het lange parlement begaf, bracht hij uit
de landelijke eenzaamheid weinig belezenheid, volstrekt geen ondervinding
in staatsaangelegenheden en een door de langdurige tirannie der regeering
en der hiërarchie verbitterd gemoed mede. In de dertien daaropvolgende
jaren had hij een staatkundige school van geen gewonen aard doorloopen.
Hij had in een reeks van omwentelingen de hoofdrol vervuld. Hij was langen
tijd de ziel en eindelijk het hoofd eener partij geweest. Hij had legers aan-
gevoerd, veldslagen gewonnen, traktaten gesloten, koninkrijken bedwongen,
tot rust gebracht en geregeld. Het zou inderdaad vreemd geweest zijn, zoo
zijn denkbeelden nog steeds dezelfde gebleven waren, als in de dagen, toen
zijn aandacht voornamelijk op zijn akkers en op zijn godsdienst gevestigd
was, en toen een veemarkt of een godsdienstige bijeenkomst te Huntingdon
-ocr page 116-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
92
de grootste gebeurtenissen waren, die eenige verscheidenheid in zijn levens-
loop brachten. Hij werd gewaar, dat sommige vernieuwingsplannen, waar-
voor hij vroeger geijverd had, hun nut of nadeel daargelaten, tegen de alge-
meene stemming der natie aandruisten, en dat hij zich in tallooze bezwaren
zou wikkelen, die slechts door aanhoudend gebruik der wapenen uit den
weg geruimd konden worden, bijaldien hij bij die plannen bleef volharden.
Hij wenschte derhalve de oude staatsregeling, welke de meerderheid des
volks steeds toegedaan was geweest en die nu vurig terug verlangd werd,
in alle wezenlijke punten te herstellen. De weg, dien Monk later insloeg,
stond voor Cromwell niet open. De herinnering van één vreeselijken dag
scheidde den grooten koningsmoorder voor immer van den huize Stuart.
Hem bleef alleen over, den ouden engelschen troon te bestijgen en naar de
grondslagen der oude engelsche staatsregeling te regeeren. Vermocht hij
dit, dan kon hij een spoedige heeling van hetvaneengescheurdstaatslichaam
hopen. Een groot getal rechtschapen en ordelievende mannen zou zich al
ras aan zijn zijde voegen. Van de koningsgezinden zouden zij, wier trouw
meer de instellingen dan de personen, meer het koninklijk ambt dan koning
Karel I of koning Karel II gold, al spoedig de hand van koning Olivier kus-
sen. De pairs, die nu wrokkend op hun landhuizen bleven en weigerden
zich in het minst met de openbare aangelegenheden in te laten, zouden met
vreugde hun vroegere functiën hervatten, wanneer zij door het oproepings-
besluit van een met der daad regeerend koning tot hun vergadering genoo-
digd werden. Northumberland en Bedford, Manchester en Pembroke zouden
er trotsch op zijn de kroon en de sporen, den schepter en den rijksappel
voor den hersteller der aristokratie uit te dragen. Van lieverlede zou een
gevoel van verkleefdheid het volk aan de nieuwe dynastie verbinden, en bij
het overlijden des stichters van die dynastie kon de koninklijke waardigheid
met algemeene goedkeuring op zijn nakomelingschap overgaan.
De schranderste royalisten waren van gevoelen, dat deze inzichten juist
waren en het verbannen koningshuis nimmer hersteld geworden zou zijn,
had Cromwell naar zijn eigen oordeel kunnen te werk gaan. Maar zijn oog-
merk was lijnrecht in strijd met de denkbeelden der eenige klasse, welke
hij geen aanstoot durfde geven. De koningstitel was den soldaten hatelijk.
Sommige hunner waren er zelfs tegen het bestuur in handen van een eenig
persoon, onverschillig wie, te zien. De groote meerderheid echter was be-
reid haar veldheer als verkozen eersten overheidspersoon van een gemeene-
best tegen alle partijen te ondersteunen, die zich tegen zijn gezag mochten
aankanten; maar zij wilden niet toestaan, dat hij den koningstitel aannam,
of dat de waardigheid, die tot rechtmatige belooning zijner persoonlijke ver-
diensten strekte, in zijn familie erfelijk verklaard werd. Al wat hem over-
bleef was der nieuwe republiek een staatsregeling te geven, zooveel in over-
eenstemming met die der oude monarchie, als het leger slechts wilde toe-
laten. Opdat zijn verheffing tot de oppermacht niet zou schijnen louter
zijn eigen werk te zijn, riep hij een nationalen raad bijeen, die gedeeltelijk
uit lieden bestond, op wier ondersteuning hij zich verlaten kon, en gedeelte-
lijk uit leden, wier tegenstand hij veilig durfde tarten. Deze vergadering, die
hij een parlement noemde, en welke door het volk met den spotnaam van
-ocr page 117-
93
VOOR DE RESTAURATIE.
Barebone\'s parlement (naar een der meest bekende leden) begiftigd werd,
gaf, nadat zij zich een tijdlang aan de algemeene minachting ten doel had
gesteld, den generaal de volmachten terug, die zij van hem ontvangen had,
en liet aan hem over een ontwerp van staatsregeling te beramen.
ou¥i?rtc™nwM. Zijn ontwerp had al dadelijk veel overeenkomst met de oude
engelsche staatsregeling; een paar jaar later achtte hij het reeds doenlijk
verder te gaan. en bijna elk gedeelte van het oude stelsel onder nieuwe
benamingen en vormen te doen herleven. De titel van koning werd niet
hersteld, maar de koninklijke prerogatieven aan een lord grootprotector toe-
vertrouwd. De "souverein werd niet Zijn Majesteit, maar Zijn Hoogheid
genoemd. Hij werd niet in de Westminster-abdij gekroond en gezalfd,
maar in Westminster-Hall \') plechtig naar den troon geleid, met een rijks-
zwaard omgord, met een purperen gewaad bekleed en met een rijk versier-
den bijbel begiftigd. Zijn ambt werd niet erfelijk verklaard, maar hem
werd vergund zijn opvolger aan te wijzen, en niemand kon betwijfelen, of hij
zou zijn zoon daarvoor bestemmen.
Een Huis der Gemeenten was een onmisbaar bestanddeel der nieuwe
staatsinrichting. Bij de samenstelling van dit lichaam toonde de protector
een wijsheid en een burgerzin, die door zijn tijdgenooten niet naar verdien-
sten gewaardeerd is. De gebreken van het oude vertegenwoordigingsstelsel,
hoezeer nog geenszins zoo stuitend, als ze in later tijd werden, waren reeds
door scherpziende mannen opgemerkt. Cromwell wijzigde dat stelsel naar
dezelfde beginselen, volgens welke Mr. Pitt het honderd dertig jaren later
trachtte te hervormen, en naar welke het in onze dagen eindelijk ook ver-
anderd is. Kleine vlekken werden zelfs in grooteren getale dan in i832 van
het kiesrecht beroofd en het getal der graafschapsleden werd aanmerkelijk
vermeerderd. Zeer weinige onvertegenwoordigde steden waren toen reeds
tot aanzien geklommen. Van deze waren Manchester, Leeds en Halifax de
voornaamste. Aan alle drie werden vertegenwoordigers gegeven. Het getal
der door de hoofdstad te kiezen leden werd vermeerderd. Het kiesrecht be-
rustte op zoodanige grondslagen, dat ieder bemiddelde, mocht hij al of niet
grondeigenaar\' zijn, kon stemmen in het graafschap, waar hij woonde. Een
klein getal van Schotten en van de in Ierland gevestigde engelsche kolo-
nisten werden mede naar de vergadering geroepen, die te Westminster aan
hetgeheele gebied der britsche eilanden de wet zoude geven.
Een minder lichte taak was het een Huis der Lords te vormen. De demo-
kratie behoeft den steun der verkregen rechten niet. De monarchie hand-
haaft zich menigmaal zonder dien steun. Doch een patricische stand is
louter het werk van den tijd. Een rijken, hoog geachten adel, die bij de
overige standen zoo populair was, als ooit een adel geweest is, vond Olivier
reeds in wezen. Had hij als koning van Engeland de pairs geboden hem
volgens de oude gebruiken des rijks in het parlement te ontmoeten, velen
hunner zouden ongetwijfeld aan die oproeping gehoorzaamd hebben. Hij
kon dit niet, en het was te vergeefs, dat hij den hoofden van aanzienlijke
geslachten zetels in zijn nieuwen senaat aanbood. Zij begrepen geen benoe-
\') Het parlementshuis.
-ocr page 118-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
94
ming tot een eensklaps opgeworpen vergadering te kunnen aannemen zon-
der hun geboorterecht te kort te doen en hun stand te verraden. De protec-
tor was derhalve genoodzaakt het Hoogerhuis met nieuwe personen aan te
vullen, die zich in den jongsten woeligen tijd bijzonder hadden doen opmer-
ken. Deze was de minst gelukkige zijner maatregelen en mishaagde aan alle
partijen. De levellers (gelijkmakers) namen het hem euvel, dat hij een be-
voorrechten stand instelde. De menigte, die den grooten historischen namen
des lands achting en liefde toedroeg, dreef openlijk den spot met een Huis
der Lords, waarin gelukkige karrelieden en schoenlappers opgenomen waren,
waartoe slechts weinige van de oude adellijken opgeroepen waren en welke
bijna al deze geroepenen met minachting den rug toekeerden.
Doch praktisch kwam het er weinig op aan, hoe Oliviers parlementen
samengesteld waren, want hij bezat toereikende macht om het bewind, ook
zonder hun medewerking en ten spijt van hun tegenstand, te voeren. Het
schijnt zijn wensch geweest te zijn grondwettelijk te regeeren en de heer-
schappij van het zwaard door de heerschappij der wet te doen vervangen.
Doch hij ondervond al spoedig, dat hij bij den haat, dien zoowel de konings-
gezinden als de presbyterianen tegen hem voedden, slechts als onbeperkt
heerscher veilig zou zijn. Het eerste Huis der Gemeenten, door het volk op
zijn bevel verkozen, wilde hem het gezag betwisten en werd ontbonden zon-
der zelfs een enkel wetsontwerp te hebben aangenomen. Zijn tweede Huis
der Gemeenten erkende hem als protector en zou hem met blijdschap tot
koning gemaakt hebben, maar weigerde halsstarrig zijn nieuwe Lords te
erkennen. Hem bleef geen andere weg open dan het parlement te ontbinden.
»God zij rechter tusschen u en mij!" riep hij bij het scheiden uit.
Doch de kracht van \'s protectors bestuur werd door deze geschillen
geenszins verzwakt. Diezelfde soldaten, die hem niet wilden vergunnen den
koninklijken titel aan te nemen, stonden hem bij, wanneer hij zich grootere
machtsoefeningen veroorloofde dan ooit eenig engelsch koning beproefd had.
Het bestuur was alzoo, ofschoon naar den vorm republikeinsch, eigenlijk
een despotisme, dat slechts door de wijsheid, de bezadigdheid en de groot-
moedigheid van den despoot getemperd werd. Het land was in militaire dis-
tricten verdeeld, die onder het bestuur van generaal-majoors geplaatst wer-
den. Elke oproerige beweging werd ten spoedigste onderdrukt en gestraft.
De vrees voor de macht van het zwaard in een zoo sterke, vaste en geoefende
hand, dempte den moed der cavaliers zoowel als der levellers. De loyale
landadel verklaarde, dat hij steeds even bereid was als voorheen het leven
voor de oude dynastie in de waagschaal te stellen, zoo er slechts de geringste
hoop op een goeden uitslag bestond; doch zich aan het hoofd hunner huis-
bedienden en pachters op de lansen van krijgsbenden te storten, die in hon-
derd veldslagen en belegeringen de zege behaald hadden, zou een ijlhoofdige
verspilling van onschuldig en tdel bloed wezen. De vruchteloosheid van
openlijken tegenstand inziende, begonnen beiden, royalisten en republikei-
nen, op zwarte moordontwerpen te peinzen; doch des protectors kondschap
was goed, zijn waakzaamheid onvermoeid en, zoodra hij zich buiten de
muren van zijn paleis begaf, was hij van alle zijden dicht omringd door de
getrokken zwaarden en de harnassen zijner getrouwe lijfwachten.
-ocr page 119-
VOOR DE RESTAURATIE.
95
Ware hij een wreed, buitensporig en roofzuchtig regent geweest, de natie
zou wellicht een uiterste poging gewaagd hebben, om zich van de militaire
heerschappij te bevrijden. Doch hoezeer de bezwaren, die het land te ver-
duren had, ernstig misnoegen deden ontstaan, waren ze toch niet van ge-
noegzaam gewicht, om een groot aantal burgers te nopen hun leven, hun
vermogen en de welvaart van hun gezin in een strijd tegen een vreeselijke
overmacht te wagen. De belastingen, hoewel hooger dan onder de Stuarts,
waren niet zwaar, in vergelijking met die der naburige staten en met de
hulpbronnen van Engeland. De eigendommen waren veilig. Zelfs de cavalier
genoot in vrede al hetgeen hem de burgeroorlog had overgelaten, wanneer
hij zich slechts onthield de nieuwe orde van zaken te storen. Alleen in
gevallen, waarbij de veiligheid van des protectors persoon en zijn regeering
betrokken was, werden de wetten geschonden. De rechtspleging werd in
geschillen tusschen de burgers, met een te voren ongekende nauwgezetheid
en zuiverheid geoefend. Sedert de hervorming had onder geen engelsch be-
stuur zoo weinig godsdienstvervolging plaats gevonden. De ongelukkige
roomsch-katholieken achtte men wel is waar ter nauwernood binnen het be-
reik der christelijke liefde te staan; maar der geestelijkheid van de omver-
geworpen anglicaansche kerk werd toegestaan haar godsdienst uit te oefenen
onder voorwaarde, dat zij zich onthouden zou over staatkundige onderwerpen
te prediken. Zelfs de joden, wier openbare godsdienst sedert de dertiende
eeuw voortdurend verboden was geweest, verkregen tot spijt der krachtige
tegenkanting van naijverige kooplieden en van dweepzieke godgeleerden
verlof om te Londen een synagoge te bouwen.
Des protectors buitenlandsche staatkunde dwong zelfs dengenen, die hem
het meest verfoeiden, een onwillige goedkeuring af. De cavaliers konden
den wensch bijna niet onderdrukken, dat een man, die zoo veel tot opluiste-
ring van den roem der natie gedaan had, een rechtmatig koning mocht ge-
weest zijn; en de republikeinen waren genoodzaakt te erkennen, dat de
dwingeland niemand dan zich zelven veroorloofde zijn vaderland onrecht
aan te doen, en dat hij het land wel van vrijheid beroofd, maar het daaren-
tegen ook met roem bekroond had. Nadat Engeland gedurende een halve
eeuw in de europeesche staatkunde nauwelijks meer gewicht bezeten had
dan Venetië of Saksen, werd het in eens de geduchtste mogendheid der
wereld, schreef de Vereenigde Provinciën vredesvoorwaarden voor, wreekte
op de barbarij sche zeeroovers den smaad, dien zij der geheele christenheid
hadden aangedaan, overwon de Spanjaarden te land en ter zee, nam een der
schoonste West-Indische eilanden in bezit en veroverde op de vlaamsche
kust een vesting, welke het door het verlies van Calais beleedigd eergevoel
der natie bevredigde. Op den oceaan was het land oppermachtig. Het stond
aan het hoofd der protestantsche belangen. Al de hervormde kerken, die in
roomsch-katholieke rijken verspreid lagen, erkenden Cromwell als haar be-
schermer. De Hugenooten van Languedoc, de herders, die in de gehuchten
der Alpen een protestantisme beleden, ouder dan dat van Augsburg, waren
door den schrik voor dien grooten naam tegen onderdrukking beveiligd. De
paus zelfwas verplicht pausgezinde vorsten tot menschelijkheid en gematigd-
heid aan te manen, want een stem, die zelden te vergeefs dreigde, had ver-
-ocr page 120-
96                                   GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
klaard, dat het engelsch geschut in het kasteel van St. Angelo zou gehoord
worden, wanneer Gods volk niet liefderijk behandeld werd. Er was inder-
daad niets, dat Cromwell, in zijn belang en in dat van zijn geslacht zoo wen-
schelijk moest achten als een algemeenen godsdienstoorlog in Europa. In
zulk een oorlog had hij natuurlijk de aanvoerder der protestantsche legers
moeten zijn. Heel Engeland ware van ganscher harte met hem geweest. Zijn
overwinningen zouden met een eenstemmige, sints het vergaan der Armada
ongekende geestdrift begroet zijn en de smet hebben uitgewischt. die ééne
enkele, door de algemeene stem der natie veroordeelde daad op zijn luis-
terrijken naam heeft gelaten. Tot zijn ongeluk heeft hij geen andere gelegen-
heid gehad om zijn bewonderenswaardig veldheerstalent aan den dag te leg-
gen, dan tegen de bewoners der britsche eilanden.
Zoolang hij leefde, stond zijn gezag onwrikbaar, voor zijn onderdanen een
voorwerp van afkeer, evenzeer als van bewondering en vrees. Voorzeker
weinigen beminden zijn bestuur, maar zij die het het meest haatten, haatten
het minder dan zij het vreesden. Ware het een slechter regeering geweest,
zij had wellicht ondanks al haar macht omvergeworpen kunnen worden.
Was het een zwakker bewind geweest, het zoude zeker ondanks al zijn ver-
diensten gevallen zijn.
Maar het was gematigd genoeg, om zich van die verdrukkingen te ont-
houden, die den mensch tot razernij brengen, en bezat een macht en een
veerkracht, welke niemand zou hebben durven tarten, die niet vooraf door
verdrukking tot waanzin gedreven was.
c™Vv<i\'o]iu"ü"d. Men heeft dikwerf, doch naar het schijnt met weinig grond,
beweerd, dat Olivier voor zijn roem te goeder ure gestorven was en dat zijn
leven in vernedering en in tegenspoed geëindigd zoude zijn, had hel langer
geduurd. Het is zeker, dat hij tot aan zijn einde door zijn soldaten geëerd,
door de geheele bevolking der britsche eilanden gehoorzaamd, door alle
vreemde mogendheden ontzien werd; dat hij met een zoo prachtigen lijkstoet,
als nooit tevoren in Londen gezien was, bij de oude souvereinen van Enge-
land bijgezet werd en dat zijn zoon Richard hem zoo gerust opvolgde, als
nooit een prins van Wallis den troon zijns vaders besteeg.
Vijf maanden lang ging het bestuur van Richard Cromwell zoo ongestoord
en geregeld voort, dat heel Europa hem voor goed op den staatszetel ge-
vestigd achtte. Zijn stelling was werkelijk in sommige opzichten gunstiger
dan die zijns vaders. De jeugdige man had zich geen vijanden gemaakt.
Zijn handen waren niet door burgerbloed bevlekt. Zelfs de cavaliers erken-
den, dat hij een rechtschapen en goedhartig man was. De presbyteriaansche
partij, machtig in aantal en in rijkdom, had op den voet van doodelijke vij-
andschap met den vorigen protector gestaan, maar was geneigd zijn opvol-
ger met gunstige oogen aan te zien. Deze partij had steeds verlangd de oude
burgerlijke staatsinrichting met eenige duidelijker uitleggingen en met krach-
tiger waarborgen voor de openbare vrijheid hersteld te zien, doch had ver-
scheiden redenen om het herstel der oude dynastie te vreezen. Voor staat-
kundigen van deze kleur was Richard de rechte man. Zijn menschelijkheid,
oprechtheid en bescheidenheid, de middelmatigheid zijner begaafdheden en
de volgzaamheid, waarmede hij zich aan de leiding van verstandiger perso-
-ocr page 121-
VOOR DE RESTAURATIE.                                               97
nen onderwierp, maakten hem uitermate geschikt om het hoofd eener be-
perkte monarchie te worden.
Een tijdlang was het zeer waarschijnlijk, dat hij onder de leiding van
bekwame raadgevers tot stand zou brengen, wat zijn vader te vergeefs be-
proefd had. Een parlement werd bijeengeroepen en de oproepingsbrieven
naar de oude wijze uitgevaardigd. De kleine kiesvlekken, die onlangs hun
kiesrecht verloren hadden, herkregen hun oud privilegie. Manchester, Leeds
en Halifax hielden op leden te kiezen, en het graafschap York werd weder
tot twee graafschapsleden beperkt. Een geslacht, dat door het vraagstuk
der parlementshervorming bijna tot razernij opgewonden is geweest, moge
het vreemd vinden, dat groote graafschappen en steden lijdzaam en zelfs
goedwillig bij deze verandering toezagen; hoewel J echter ook reeds in
dien tijd denkende menschen de gebreken van het oude vertegenwoordi-
gingsstelsel erkenden en voorzien konden, dat die gebreken vroeg of laat
ernstige materieele bezwaren zouden opleveren, hadden die bezwaren zich
alsnog weinig doen gevoelen. Overigens was Oliviers vertegenwoordigings-
stelsel, hoezeer ook op de heilzaamste beginselen geschoeid, niet populair.
Zoowel de gebeurtenissen, waaruit het ontsproten was, als de uitwerking,
welke het teweeg bracht, namen de menschen tegen dat stelsel in. Het was
de vrucht van militaire dwinglandij. Het had niets dan oneenigheid ge-
baard. De gansche natie walgde van de regeering door het zwaard en
smachtte naar een regeering volgens de wet. Uit dien hoofde verwierf het
herstel, zelfs van tegenstrijdigheden en misbruiken, die stipt met de wet
overeenkwamen en door het zwaard afgeschaft waren, de algemeene goed-
keuring.
In het Lagerhuis bewoog zich een krachtige oppositie, deels uit ijverige
republikeinen, deels uit bedekte koningsgezinden bestaande; maar een groote
en sterke meerderheid scheen het plan te begunstigen om onder een nieuwe
dynastie de oude staatsregeling te doen herleven. Richard werd plechtig als
eerste magistraatspersoon erkend. Het Lagerhuis vond niet alleen goed met
Oliviers Lords gezamenlijk zaken in behandeling te nemen, maar nam zelfs
een besluit, waarbij aan de edellieden, die tijdens de jongste onlusten de
openbare vrijheid verdedigd hadden, het recht werd toegekend zonder
eenige herbenoeming in het Hoogerhuis plaats te nemen.
Tot dusverre waren de staatsmannen, naar wier raad Richard handelde,
gelukkig geweest. Bijna alle gedeelten van het staatswezen waren nu zoo
ingericht, als bij den aanvang des burgeroorlogs. Had men den protector en
het parlement ongemoeid laten voortgaan, dan lijdt het weinig twijfel, of een
gelijksoortige orde van zaken, als die later onder het Huis van Hanover ge-
vestigd werd, zou reeds onder het Huis van Cromwell tot stand zijn ge-
komen. Doch er was een macht in den staat, die meer dan toereikend was
om èn protector èn parlement te staan. Over de soldaten bezat Richard
volstrekt geen ander gezag, dan dat hij aan den grooten naam ontleende, dien
hij geërfd had. Hij had hen nooit ter overwinning geleid; hij had zelfs
nimmer de wapenen gedragen; al zijn neigingen en gewoonten waren vreed-
zaam. Ook werden zijn denkbeelden en meeningen in geloofszaken door de
militaire heiligen niet goedgekeurd. Dat hij een goed mensch was, daarvan
MACAULAV I.                                                                                                                7
-ocr page 122-
98
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
gaf hij duidelijker blijken dan diepe zuchten en lange preeken, dit toonde hij
door zijn bescheidenheid en zachtmoedigheid, toen hij op het toppunt van
menschelijke grootheid stond, door zijn ongeveinsde gelatenheid onder zware
verongelijkingen en tegenspoeden; maar van het geteem, dat men toen in
elke wachtkamer hooren kon, had hij een afkeer, dien hij niet altijd voor-
zichtig genoeg verborg. De officieren, die op de troepen, welke in de nabij-
heid van Londen stonden, den meesten invloed oefenden, waren zijn vrienden
niet. Het waren mannen die zich door moed en beleid op het slagveld, maar
niet door de wijsheid en den burgerzin onderscheidden, die hun overleden
aanvoerder zoozeer had doen uitblinken. Sommigen hunner waren eerlijke,
doch dweepzieke independenten en republikeinen. Van deze was Fleetwood
de vertegenwoordiger. Anderen verlangden te worden wat Olivier geweest
w?s. Zijn snelle verheffing, zijn roem en voorspoed, zijn inhuldiging in
Westminster-Hall en zijn prachtige uitvaart in de Abdij hadden hun ver-
beelding opgewekt. Zij waren van even goede afkomst als hij, en even goed
opgevoed ; zij konden niet inzien, waarom zij niet even waardig zijn zouden
het purper te dragen en het staatszwaard te z^aaijen; en zij jaagden het doel
hunner dolle eerzucht na, niet, zoo als hij gedaan had, met geduld, waak-
zaamheid, schranderheid en beradenheid, maar met de rusteloosheid en
besluiteloosheid, die de kenmerken der eergierige middelmatigheid zijn.
De voornaamste dezer flauwe kopieën van een groot origineel was Lambert.
Xm hï?B*icï£Sd OP denzelfden dag dat Richard de regeering aanvaardde, be-
\'\'"limri\'it\'.\'" gonnen de officieren reeds tegen hun nieuwen meester samen
te spannen. De goede verstandhouding, die tusschen h\'em en zijn parlement
bestond, verhaastte de uitbarsting. Onrust en wrok verspreidden zich in het
leger. Zoowel het godsdienstige als het krijgsmansgevoel der troepen was
diep gewond. Het scheen, dat de independenten aan de presbyterianen, en
de mannen van het zwaard aan de mannen van den tabberd onderworpen
zouden worden Tusschen de misnoegden van het leger en de republikein-
sche minderheid van het Lagerhuis kwam een verbond tot stand. Het valt
zeer te betwijfelen, of Richard over die coalitie had kunnen zegevieren, zelfs
al had hij het helder oordeel en den ijzeren moed zijns vaders geërfd. Dit is
zeker, dat zijn argeloosheid en zachtmoedigheid de eigenschappen niet
waren, die in deze omstandigheden vereischt werden. Hij viel zonder roem
en zonder strijd. Hij werd door het leger eenvoudig als werktuig gebezigd
om het parlement te ontbinden, en daarop met minachting ter zijde gescho-
ven. De officieren bevredigden hun republikeinsche bondgenooten door de
uiteendrijving van het romp-parlement onwettig te verklaren en door die
vergadering tot het hervatten harer functiën uit te noodigen. De voormalige
voorzitter en een aantal der leden kwamen bijeen en werden onder kwalijk
verborgen spotternijen en verguizingen van het gansche volk tot de hoogste
overheid in den staat uitgeroepen. Tevens werd uitdrukkelijk bepaald, dat
er geen eerste magistraat en geen Huis der Lords meer wezen zou.
Maar deze stand van zaken kon niet lang duren. Op den dag der herleving
van het lange parlement, herleefde ook zijn twist met het leger. Andermaal
vergat de romp, dat hij zijn bestaan aan het welbehagen der soldaten te dan-
ken had, en begon hen weder als onderdanen te behandelen. Andermaal
-ocr page 123-
VOOR DE RESTAURATIE.
99
werd de deur van het Lagerhuis door militair geweld gesloten en een door
de officieren benoemd voorloopig bestuur aanvaardde het beheer der zaken.
Inmiddels had het gevoel van geleden druk en de ernstige vrees voor
nog grooter rampen eindelijk een verbond tusschen de cavaliers en de pres-
byterianen doen ontstaan. Sommige presbyterianen waren, trouwens reeds
vóór den dood van Karel I, tot zoodanig verbond bereid geweest; doch eerst
na den val van Richard Cromwell begon de geheele partij het herstel van
\'t koninklijk huis met ijver voor te staan. Er bestond geen de minste hoop
meer, dat de oude staatsregeling onder een nieuwe dynastie hersteld zou
kunnen worden. Slechts e\'éne keuze was overig, de Stuarts of het leger. Het
verbannen stamhuis had groote fouten begaan; maar het had er zwaar voor
geboet en had een lange, en, naar men vertrouwde, een heilzame ondervin-
ding in de school des tegenspoeds opgedaan. Waarschijnlijk zou het lot van
Karel I een ernstige waarschuwing voor Karel II zijn. Doch, wat hiervan ook
zij, de gevaren, die het land bedreigden, waren zoo dringend, dat men om
die af te weren wel wat plooijen en schikken mocht. Het scheen slechts al te
waarschijnlijk, dat Engeland anders onder het hatelijkste en vernederendste
van alle soorten van bestuur vallen zou; onder een bestuur, dat al de nadee-
len van het despotisme en al de euvelen der anarchie in zich vereenigen zou.
Aan alles moest men de voorkeur geven boven het juk van een reeks onbe-
kwame tirannen, die, gelijk de Deys van Barbarije, door telkens herhaalde
militaire omwentelingen tot het oppergezag verheven zouden worden. Lam-
bert scheen de eerste dezer regenten te zullen worden; maar binnen \'t jaar
kon Lambert voor Desborough, en Desborough voor Harrison plaats ge-
maakt hebben. Zoo dikwerf de kommandostaf van de eene zwakke hand in
de andere overging, zou de natie telkens weder gebrandschat worden om
nieuwe schenkingen aan de troepen te doen. Bleven de presbyterianen hard-
nekkig zich van de royalisten verwijderd houden, dan was de staat verloren;
en men mocht zelfs nu betwijfelen, of hij wel door de vereenigde inspanning
van presbyterianen en royalisten gered zou kunnen worden; want vrees
voor dat onoverwinnelijke leger zat nog steeds in \'t hart van eiken bewoner
van het eiland; en de cavaliers, die in honderd noodlottige ontmoetingen
geleerd hadden, hoe weinig het getal tegen de krijgstucht vermag, waren
nog meer ter neer gedrukt dan de rondhoofden
schotland ™Et Zoolang de soldaten eensgezind bleven, waren alle aanslagen
"ïand^op.15" en opstanden der misnoegden vruchteloos. Doch weinig dagen
na de tweede uiteendrijving van het romp-parlement kwamen tijdingen aan,
die vreugde schonken aan allen, die de monarchie of de vrijheid liefhadden.
Die geweldige macht, die gedurende vele jaren als één man gehandeld had,
en die, terwijl zij aldus handelde, onwederstaanbaar bevonden was, was ten
laatste inwendig verdeeld. Het leger in Schotland had der republiek goede
diensten bewezen en in oefening en uitrusting den hoogsten trap van vol-
komenheid bereikt. Het had geen deel in de laatste omwentelingen gehad
en ze met een verbittering vernomen, gelijk aan die, welke de romeinsche
legioenen gevoelden, die aan de oevers van den Donau en den Euphraat
stonden, toen zij hoorden, dat het keizerrijk door de prsetoriaansche lijf-
wacht in veiling was gebracht. Het was niet te verduren, dat weinige regi-
-ocr page 124-
IOO                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
menten, enkel omdat zij toevallig in de nabijheid van Westminster in bezet-
ting lagen, zich durfden vermeten, in den loop van een halfjaar verscheiden
regeeringen aan te stellen en weder omver te werpen. Moest de staat door sol-
daten geregeerd worden, dan hadden de soldaten, die het engelsch gezag
benoorden de Tweed handhaafden, evenveel recht om hun stem te doen
hooren, als die, welke in den Tower van Londen in garnizoen lagen. Er
schijnt minder dweepzucht onder de in Schotland staande troepen geheerscht
te hebben, dan bij eenig ander gedeelte des legers; en hun aanvoerder,
George Monk, was het ware tegenbeeld van een zeloot. Bij het begin des
burgeroorlogs had hij de wapenen voor den koning gevoerd, was door de
rondhoofden gevangen gemaakt, had toen een aanstelling van het parlement
aangenomen, en zich, schoon hij niet dan zeer magere aanspraak op heilig-
heid kon doen gelden, door moed en krijgsbeleid tot de hoogste militaire
waardigheid verheven. Hij was een nuttig dienaar voor beide de protectors
geweest, had stilzwijgend toegezien, toen de officieren te Westminster
Richard deden vallen en het lange parlement weder in wezen riepen, en zou
wellicht in de tweede uiteendrijving van het parlement eveneens berust
hebben, had het voorloopig bewind zich slechts onthouden hem redenen
tot misnoegen en bezorgdheid te geven, want hij was behoedzaam, ja eenigs-
zins traag van aard en in geenen deele geneigd zekere en matige voor-
deden op het spel te zetten voor de kans om zelfs de schitterendste te be-
halen. Het schijnt, dat hij tot den aanval op de nieuwe beheerschers der
republiek genoopt werd, niet zoozeer door de hoop om zich zelven te ver-
heffen na hun val, als door de vrees dat hij, zelfs wanneer hij zich aan hen
onderwierp, toch niet veilig zoude zijn. Welke ook zijn beweegredenen
waren, hij trad op als de kampioen voor de onderdrukte burgerlijke over-
heid, weigerde het aanmatigend gezag van \'t voorloopig bestuur te erkennen
en rukte aan het hoofd van zeven duizend oude soldaten Engeland binnen.
Deze stap was het sein voor een algemeene uitbarsting. Overal weigerde
het volk belasting te betalen. De leerlingen der City \') kwamen met duizen-
den bijeen en schreeuwden om een vrij parlement. De vloot zeilde de Theems
op en verklaarde zich tegen de tirannie der soldaten. De soldaten, niet
langer onder de leiding van één gebiedenden geest, splitsten zich in partijen.
Elk regiment, beducht om alléén het wit der wraak van de verdrukte natie
te worden, haastte zich een afzonderlijken vrede te sluiten. Lambert, dienaar
het noorden getrokken was om het leger van Schotland den voortgang te
\') Oudtijds een belangrijk en vaak een onrustig gild, onderling steeds nauw ver-
bonden en hun meesters gehoorzaam in nood en dood. Al de jonge lieden en gezellen,
die zoowel tot den handel als tot eenig ambacht bestemd waren, werden onder deze
leerlingen begrepen. Men behoeft hier slechts te herinneren, hoeveel langer dan nu
destijds de leerjaren duurden, om duidelijk te maken, welke gevaarlijke opschuddingen
een aantal van vele duizenden jonge lieden, in de krachtigste jaren des levens, voor het
meerendeel in de wapenen geoefend en tot de voor die tijden welgeoefende stadsmilitie
behoorende, konden veroorzaken. Gelukkig dat de meesten hunner onder de leiding
van achtbare en welgezeten burgers en onder het gezag van l)et gild van hun ambacht
of handelsvak stonden. Die leiding en dat gezag echter waren evenwel somtijds on-
genoegzaam om ze in toom te houden, en bij de geringste aanleiding waren dadelijk
duizenden van deze heethoofden op de been.
-ocr page 125-
VOOR DE RESTAURATIE.                                             IOI
betwisten, werd door zijn troepen verlaten en gevangen genomen. Dertien
jaren lang had de burgerlijke macht bij elke botsing voor de militaire macht
moeten zwichten; thans onderwierp zich de militaire aan de burgerlijke.
De rompvergadering, ondanks aller haat en verachting nog het eenige staats-
lichaam, dat eenigen schijn van wettig gezag voor zich had, keerde op nieuw
naar het Huis terug, waaruit zij tweemalen met smaad was verdreven.
Intusschen rukte Monk naar Londen voort. Overal waar hij kwam, ver-
drong zich de landadel op zijn weg, hem smeekende, dat hij zijn macht zou
gebruiken om het geteisterde volk den vrede terug te geven. Koelbloedig,
gesloten, met geenerlei staatsvorm of godsdienst blind ingenomen, be-
waarde de veldheer een diep stilzwijgen. Welke plannen hij destijds koes-
terde en of hij wel op éénig plan het oog had, is zeer twijfelachtig. Zijn
hoofdoogmerk schijnt geweest te zijn zoo lang mogelijk vrijheid van keuze
tusschen verschillende gedragslijnen te behouden. Dit is inderdaad de gewone
staatkunde van mannen, die, zoo als hij, veeleer door behoedzaamheid dan
door doorzicht uitblinken. Waarschijnlijk nam hij zijn besluit eerst, toen hij
eenige dagen in de hoofdstad geweest was. Het gansche volk riep eenstem-
mig om een vrij parlement; en er kon niet aan getwijfeld worden, of een
wezenlijk vrij parlement zou het verbannen koningsgeslacht onmiddellijk
herstellen. Het romp-parlement en de soldaten waren den Huize Stuart nog
steeds vijandig. Doch de romp werd algemeen verfoeid en veracht. De
macht der soldaten was voorzeker nog te duchten, maar door tweespalt toch
grootelijks verzwakt. Zij hadden geen aanvoerder. Zij waren onlangs in vele
gedeelten des rijks elkander vijandig te gemoet gerukt. Op denzelfden dag
dat Monk Londen bereikte, had er in het Strand \') een gevecht tusschen het
voetvolk en de ruiterij plaats gehad. Een eensgezind leger had een verdeelde
natie langen tijd in verdrukking gehouden; thans echter was de natie eens-
gezind en het leger tweedrachtig.
Monk verklaart Korten tijd nog hield de geveinsdheid of de besluiteloos-
rich voor een vrij ...             ,»,,,               .. .                                  ,                ..,..,
parlement, hexd van Monk alle partijen in een toestand van pijnlijke ver-
wachting. Eindelijk brak hij het stilzwijgen af en verklaarde zich voor een
vrij parlement.
Zoodra zijn besluit bekend werd, geraakte de geheele natie in vervoering
van blijdschap Waar hij zich slechts vertoonde, werd hij door duizenden
omringd, die met luide jubelkreten zijn naam zegenden. De klokken weer-
galmden door gansch Engeland; ale stroomde door de straten en tot op vijf
mijlen rondom Londen werd eiken nacht het zwerk door den gloed van ontel-
bare vreugdevuren rood geverfd. De presbyteriaansche leden van het Lager-
huis, die voor velejaren door de troepen uiteengedreven waren, keerden onder
de luide toejuichingen der ontelbare volksmenigte, die bij Westminster-Hall
en op het paleisplein dooreenwemelde, naar hun zetels terug. De aanvoer-
ders der independenten durfden zich op straat niet meer vertoonen en waren
bijkans in hun eigen huizen niet veilig. Er werd tijdelijk in de leiding van
het bestuur voorzien; oproepingsbrieven tot algemeene verkiezingen werden
uitgevaardigd en het gedenkwaardig parlement, dat in den loop van twintig
1) Een buurt in Londen.
-ocr page 126-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
102
gebeurtenisvolle jaren alle mogelijke lotswisselingen ondervonden, over zijn
eigen souverein gezegevierd, dwang en vernedering van zijn eigen dienaren
verduurd had, dat tweemaal uiteen gedreven en tweemaal hersteld was,
sprak nu plechtig zijn eigen ontbinding uit.
ki^JSïSr°«n\'iSft De uitkomst der verkiezingen was zoo, als de stemming der na-
tie had doen voorzien. Het nieuwe Lagerhuis bestond, behoudens zeer weinig
uitzonderingen, uit personen, die der koninklijke familie genegen waren. De
presbyterianen vormden de meerderheid
Dat er een restauratie plaats hebben zou, scheen bijna zeker; of het
echter een vreedzame restauratie zou wezen, was nog een punt van angstige
twijfeling. De soldaten verkeerden in een sombere en gevaarlijke stemming.
Zij haatten den koninklijken titel. Zij haatten den naam van Stuart. Zij
haatten het presbyterianisme zeer en het prelaatschap nog erger. Zij zagen
met bitteren onwil, dat het einde hunner langdurige heerschappij naderde
en zij een leven van roemloozen arbeid en behoefte te gemoet gingen. Zij
schreven hun tegenspoed aan de zwakheid van sommige legerhoofden en
aan het verraad van andere toe. In één enkel uur zou hun geliefde Olivier,
zelfs thans nog, den verloren roem hersteld hebben. Verraden, verdeeld en
zonder een aanvoerder, op wien zij konden vertrouwen, waren zij even-
wel nog te duchten. Het was geen lichte taak de woede en vertwijfeling van
vijftigduizend strijders het hoofd te bieden, die den vijand nog nimmer den
rug hadden toegekeerd. Monk en diegenen, waarmede hij in verstandhou-
ding was, beseften volkomen, dat deze krisis hoogst hachelijk was. Zij wend-
den alle middelen aan om de misnoegde krijgers te sussen of ze verdeeld te
houden. Tevens werden de krachtigste voorbereidselen tot een mogelijken
strijd gemaakt. Het schotsche leger, thans te Londen in bezetting, werd
door milde giften, door loftuitingen, in goede stemming gehouden. De rijke
burgers weigerden een roodrok niets en waren in der daad zou scheutig met
hun besten wijn, dat menigeen van de krijgshaftige heiligen in een toestand
gezien werd, die evenmin voor zijn godsdienstig als voor zijn militair karak-
ter pleitte Sommige weerbarstige regimenten besloot Monk af te danken.
Intusschen wendde het voorloopig bewind, door den geheelen landadel en
door de overheid met kracht bijgestaan de uiterste pogingen aan tot het or-
ganiseeren der landmilitie. In elk graafschap werd de landweer marsch-
vaardig gehouden; en deze macht moet minstens op honderdduizend man
geschat worden In Hydepark werd een wapenschouwing over twintigdui-
zend welgewapende en goed uitgeruste burgers gehouden, die een geestdrift
aan den dag legden, welke de hoop rechtvaardigde, dat zij in geval van
nood manhaftig voor hun winkels en haardsteden strijden zouden. De vloot
was der natie van harte toegedaan. Het was een onrustige tijd: angstig,
maar vol hoop. De heerschende meening was, dat Engeland bevrijd zoude
worden, doch niet zonder wanhopenden en bloedigen strijd, en dat de stand,
die zoolang door het zwaard geheerscht had, door het zwaard zou omkomen.
Gelukkig werden de gevaren eener worsteling afgewend. Er was inder-
daad een uiterst hachelijk oogenblik. Lambert ontvluchtte zijn gevangenis
en riep zijn makkers te wapen. De toorts des burgeroorlogs werd werkelijk
weder ontstoken, maar door krachtige inspanning verstikt, éér zij verwoes-
-ocr page 127-
io3
VOOR DE RESTAURATIE.
ting kon aanrichten. De onhandige navolger van Cromwell werd op nieuw
in hechtenis genomen Het mislukken zijner onderneming dempte den moed
der soldaten en in zwijgenden wrevel onderwierpen zij zich aan hun lot.
De restauratie. Het nieuwe parlement, dat, zonder koninklijk bevelschrilt bijeen
geroepen, veeleer den naam van conventie of volksvergadering verdiende,
kwam te Westminster bijeen. De Lords begaven zich naar de zaal, waar-
buiten zij, sedert meer dan elf jaren, met geweld gesloten geweest waren.
Beide Huizen noodigden den koning uit naar zijn land terug te keeren. Hij
werd met een vóór dien tijd nooit gekende staatsie uitgeroepen Een prach
tige vloot bracht hem van Holland naar de kust van Kent. Toen hij landde,
waren de heuvels van Dover met duizenden toeschouwers bedekt, waar-
onder er nauwelijks een te zien was. die niet van vreugde weende De reis
naar Londen was een voortdurende triomftocht. De geheele weg van Roches-
ter was aan weerskanten bezet met kramen en tenten en geleek een onaf-
zienbare markt. Overal waaiden vlagden, overal luidden de klokken en klonk
de feestmuziek, wijn en ale vloeiden in stroomen op de gezondheid van hem,
wiens terugkeer het herstel des vredes, der wet en der vrijheid aanbracht.
Doch te midden der algemeene vreugde leverde een enkele plek een somber
en dreigend aanzien op. Op Blackheath stond het leger geschaard om den
souverein te verwelkomen. Hij groette, boog en bood gen;idiglijk zijn hand
den kolonels en majoors te kussen aan; doch al zijn nvnzaamheid was ver-
geefsch. Uit de blikken der soldaten sprak hartzeer en verbittering, en had-
den zij aan hun gevoel toegegeven, de feestelijke optocht, waaraan zij onwillig
deel namen, zou een jammerlijk en bloedig uiteinde gehad hebben. Doch er
bestond geen eenstemmigheid onder hen. Tweedracht en afvalligheid had
hen van alle vertrouwen op hun aanvoerders of op elkander beroofd De ge-
heele krijgsmacht der City was onder de wapenen. Talrijke afdeelingen der
landweer waren uit verschillende gedeelten des rijks onder aanvoering v;\\n
trouwgezinde edellieden en gentlemen ter begroeting des konings bijeen-
gekomen. De groote dag verliep in vrede; en de herstelde balling legde
veilig het hoofd te rusten in het paleis zijner voorvaderen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
ODïeirrondheiJ De geschiedenis van Engeland gedurende de zeventiende eeuw
die men op <ie IS de geschiedenis der herschepping van een op middeleeuw-
herstellern van                                         ,        • 1 1            .                          ■ .                                   1.
hethuisstuart schen voet geschoeide, beperkte monarchie tot een zoodanige
heeft willeu                                                 .                                                                            .
«•crpcn. beperkte monarchie, als voor dien meergevorderden staat der
maatschappij voegt, waarin de uitgaven van den staat niet meer uit de op-
brengst der kroongoederen bestreden kunnen worden en de verdediging
des rijks niet langer aan een leenplichtige militie toevertrouwd kan blijven.
Wij hebben gezien, dat in i 642 de staatsmannen, die aan het hoofd van het
-ocr page 128-
104                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
lange parlement stonden, een krachtige poging deden om deze verandering
tot stand te brengen, door rechtstreeks en formeel op de rijksstaten de keuze
van ministers, het opperbevel over het leger en het oppertoezicht op het
geheele uitvoerende bewind over te dragen. Dit plan was wellicht het beste,
dat destijds uitgedacht kon worden; doch het werd door den loop, dien de
inwendige onlusten namen, geheel en al verijdeld. De Huizen zegevierden,
wel is waar; doch niet dan na een strijd, die hen gedwongen had een macht
in het leven te roepen, die zij niet in toom konden houden, en die weldra aan
alle standen en partijen de wet begon voor te schrijven. Een tijdlang werden
de euvelen, van het militair bewind onafscheidbaar, gelenigd door de wijs-
heid en grootmoedigheid van den grooten man, die het oppergezag bezat.
Toen echter het zwaard, dat hij, met klem voorzeker, maar met een door
gezond verstand geleiden en door rechtschapenheid getemperden klem ge-
voerd had, in de handen van aanvoerders was overgegaan, die noch zijn
deugden, noch zijn bekwaamheden bezaten, scheen het slechts al te waar-
schijnlijk, dat orde en vrijheid met schade en schande zouden te niet gaan.
Dat onheil werd gelukkig afgewend. Slechts al te dikwerf is het de ge-
woonte geweest van schrijvers, die voor de vrijheid ijverden, de restauratie
als een rampzalige gebeurtenis voor te stellen en de dwaasheid of laagheid
dier vergadering te veroordeelen, die de koninklijke familie terugriep, zon-
der nieuwe waarborgen tegen slecht beheer te eischen. Zij, die deze taal
voeren, hebben den wezenlijken aard der krisis niet begrepen, die volgde,
nadat Richard Cromwell zijn waardigheid had neergelegd. Engeland ver-
keerde in het grootste gevaar onder de tirannie eener reeks onaanzien-
lijke mannen te vergaan, die volgens de grillige inzichten des legers op
den voorgrond geplaatst en straks daarna weder ter zijde gesteld zouden
worden. Het land van militairen dwang te verlossen, was dan ook het voor-
naamste doel van elk verlicht vaderlander; doch dit was een doel, op
welks bereiking zelfs de vurigsten onder hen nauwelijks durfden hopen,
zoolang de soldaten eensgezind bleven. Plotseling ontstond een schemering
van hoop. De eene veldheer stond tegen den ander, leger stond tegen
leger over. De geheele toekomst der natie kon van de wijze afhangen,
waarop één enkel gunstig oogenblik gebruikt werd. Onze voorouders hebben
een voortreffelijk gebruik van dat oogenblik gemaakt. Zij vergaten oude
grieven, stapten over kleinere bezwaren heen en stelden allen twist nopens
de hervormingen, welke onze staatsinrichtingen zoo zeer behoefden, tot
rustiger tijden uit; cavaliers en rondhoofden, bisschopsgezinden en pres-
byterianen sloegen de handen inéén, en sloten een vast verbond ter verdedi-
ging van de oude wetten des lands tegen militaire dwingelandij. De juiste
verdeeling der oppermacht tusschen Koning, Lords en Gemeenten kon wel
uitgesteld worden, totdat eerst uitgemaakt was, of Engeland door een koning
en door Lords en Gemeenten, dan wel door kurassiers en piekeniers be-
stuurd zou worden. Hadden de staatsmannen der conventie een anderen weg
ingeslagen, hadden zij langwijlige debatten over beginselen van staatsbe-
stuur gevoerd, hadden zij een nieuwe staatsregeling beraamd en aan Karel
toegezonden, had men conferentiën geopend en weken achtereen verloren
met ontwerpen en tegenontwerpen, met antwoorden door Hyde en weder-
-ocr page 129-
ONDER KAREL II.
105
antwoorden door Prynne, tusschen Westminster en Nederland heen en
weder gezonden, het verbond, waarop de openbare veiligheid rustte, zou
zeker geen stand gehouden, de presbyterianen en royalisten zouden onge-
twijfeld twist gekregen, de partijen in het leger zouden zich wellicht ver-
zoend hebben, en de dwalende vrienden der vrijheid hadden, onder een
erger redering dan die der Stuarts, nog langen tijd de heerlijke gelegenheid
kunnen betreure\'n, die men had laten ontsnappen.
A<uireJSS?r™\' ^et oude burgerlijk staatswezen werd derhalve onder alge-
ïu\'iiesMderl-n". meene toestemming der beide groote partijen hersteld. Het was
weder juist datgene, wat het geweest was, toen Karel I achttien jaar te
voren zijn hoofdstad verliet. Al de handelingen van het lange parlement,
die de koninklijke bekrachtiging erlangd hadden, werden als volkomen
geldig beschouwd. Een enkele nieuwe concessie, een concessie, waarbij de
cavaliers nog meer belang hadden dan de rondhoofden, werd zonder moeite
van den herstelden koning verworven. Ue militaire leenroerigheid van grond-
bezitters was oorspronkelijk als middel van nationale verdediging ingesteld,
in den loop der tijden echter was al het nut dezer inrichting verloren ge-
gaan ; formaliteiten en bezwaren was al wat er van was overgebleven. Een
landbezitter, die tegen vervulling van ridderdienst een landgoed van de
kroon in leen had — en in deze termen vielen verreweg de meeste grond-
eigenaren — had een zwaren uitkoop te betalen, wanneer hij in het bezit
van zijn erfgoederen kwam. Hij kon geen enkelen bunder land vervreemden
zonder vooraf een vergunningsbrief daartoe te koopen. Wanneer hij stierf
en zijn bezittingen aan minderjarigen vielen, dan was de souverein hun
voogd en had niet alleen gedurende de minderjarigheid aanspraak op een
groot gedeelte der pachtpenningen, jmaar kon bovendien zijn pupil, onder
oplegging van zware boete, ingeval van weigering, tot het aangaan van een
huwelijk met eiken man van behoorlijken rang uitnoodigen. Het voornaamste
lokaas, dat een onbemiddeld pluimstrijker naar het hof trok, bestond in de
hoop om ten loon van slaafsche diensten en vleijerijen een koninklijken
aanbevelingsbrief aan een erfdochter te erlangen. Deze misbruiken waren
tegelijk met de monarchie opgeheven geworden. Dat zij niet herleven zou-
den, was de wensch van elk landbezittend edelman in het geheele rijk. Zij
werden derhalve door een wet plechtig afgeschaft, en men liet niet het
minste overblijfsel der oude ridderdiensten bestaan, met uitzondering alleen
van de enkele eerediensten, die thans nog, bij inhuldigingen, door sommige
hoogadellijke grondbezitters aan den persoon des konings bewezen worden.
Afhêt1iêSerTa" Thans moest het leger ontbonden worden. Vijftig duizend man-
nen, die aan den wapenhandel gewoon waren, werden plotseling aan hun lot
overgelaten, en de ondervinding scheen de vrees te wettigen, dat deze maat-
regel veel ellende en misdaden zou voortbrengen, dat men de ontslagen
veteranen in alle straten zou zien bedelen, of dat zij door den honger tot
rooverijen gedreven zouden worden. Zulke gevolgen echter deden zich ner-
gens voor. Na weinig maanden bleef geen spoor meer over, dat de ontbin-
ding van het geduchtste leger der wereld en zijn samensmelting met de
groote massa der maatschappij aanduidde. De koningsgezinden zelve erken-
den, dat de afgedankte krijgers in alle eerlijke bedrijven beter vooruit kwa-
-ocr page 130-
•
lOÓ                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
men dan andere menschen, dat >;een hunner ooit van diefstal of roof beticht
werd, dat men hen nimmer om aalmoezen hoorde vragen en dat een bakker,
een metselaar of een voerman, die zich door vlijt en geschiktheid deed op-
merken, doorgaans een van Oliviers oude soldaten was.
De militaire dwingelandij was voorbij gedaan, maar zij had diepe en blij-
vende sporen in de openbare stemming nagelaten. De bloote naam van een
staand leger was nog lang een voorwerp van afschuw, en het verdient opmer-
king, dat dit gevoel bij de cavaliers nog sterker was dan bij de rondhoofden.
Het moet als een bijzonder gunstige omstandigheid beschouwd worden, dat,
toen ons land voor de eerste en de laatste maal door het zwaard geregeerd
werd, dat zwaard niet in de handen der wettige vorsten, maar in die van
muiters was, die den koning ter dood brachten en de kerk sloopten. Had
eenig vorst met zulke geldige rechten, als Karel had. het opperbevel
over een leger als dat van Cromwell gepaard, dan was inderdaad voor Enge-
lands vrijheid weinig te hopen geweest. Gelukkig werd het eenige werktuig,
waardoor de monarchie onbeperkt worden kon, een voorwerp van afschrik
en van verfoeijing voor de monarchale par\'ij en bleef het in de gemoederen
van konings- en bisschopsgezinden, nog langen tijd onafscheidbaar verbon-
den met de herinnering aan koningsmoord en straatpredikatiën. Honderd
jaar na Cromwells dood bleven de Tory\'s zich nog steeds met hevigheid
tegen alle vermeerdering der geregelde troepen aankanten en daarentegen
den hoogsten lof aan het landweerstelsel toezwaaijen. Zelfs in het jaar 1786
was het een minister, die in meer dan gewone mate hun vertrouwen genoot,
niet mogelijk hun afkeer van een ontwerp te overwinnen, door hem tot ver-
sterking der kusten beraamd; en nooit hebben zij het staande leger met vol-
komen welgevallen aangezien, tot eindelijk de fransche omwenteling een
nieuwe richting aan hun bezorgdheid gaf.
%uien tnuéhcn\' ^e coal\'1\'6- waardoor de koning op den troon hersteld was,
d" dencah»a°fer.° °" eindigde, zoodra het gevaar was geweken, dat haar in het
leven had geroepen, en twee vijandige partijen vertoonden zich tot den
nieuwrn strijd gereed. Beiden stemden wel is waar daarin overeen, dat het
noodig was eenige ongelukkige mannen te straffen, die op dat oogenblik de
voorwerpen waren van bijna aigemeenen haat. Cromwell was niet meer en
zij, die voor hem gevlucht waren, moesten zich nu met de ellendige vol-
doening tevreden stellen; de overblijfselen van den grootsten regent, die
ooit over Engeland geheerscht had op te delven, aan de galg te hangen, te
vierendeelen en te verbranden. Andere voorwerpen van wraak vond men,
weinige in getal, maar nog te veel, onder de republikeinsche aanvoerders.
Het duurde echter niet lang, of de overwinnaars, het bloedvergieten der
koningsmoorders moede, keerden hun wapenen tegen elkander. De rond-
hoofden, ofschoon zij de goede hoedanigheden des overleden konings
recht lieten wedervaren en het vonnis afkeurden, dat door een onwettige
rechtbank over hem geveld was, beweerden nochtans, dat zijn regeering in
vele opzichten ongrondwettig geweest was, en dat de Huizen goede beweeg-
redenen en krachtige aanleiding gehad hadden om de wapenen tegen hem
op te vatten. Naar het gevoelen dezer staatkundigen had de monarchie geen
grooter vijand dan den vleijer, die het prerogatief der kroon boven de wet
-ocr page 131-
ONDER KAREL II.
107
verhief, die allen tegenstand tegen koninklijke aanmatiging verwierp, en die
niet alleen Cromwell en Harrison, maar zelfs Pym en Hampden met den
naam van verraders bestempelde. Wenschte de koning in rust en voorspoed
te regeeren, dan moest hij vertrouwen stellen in hen, die, hoewel zij ter ver-
dediging der gekrenkte privilegiën van het parlement het zwaard hadden
aangegord, niettemin de woede der soldaten getrotseerd hadden om zijn
vader te redden, en die het meest tot de terugroeping der koninklijke familie
hadden bijgedragen.
De cavaliers waren van een geheel ander gevoelen. Achttien jaren lang
waren zij door alle lotwisselingen heen der kroon getrouw gebleven. Daar
zij in de rampen van hun vorst gedeeld Ividden, mochten zij immers ook wel
deel nemen aan zijn zegepraal? Moest er geen onderscheid gemaakt worden
tusschen dezen en den trouweloozen onderdaan, die tegen zijn rechtmatigen
souverein gestreden, die Richard Cromwell aangehangen en nimmer tot het
herstel der Stuarts iets bijgedragen liad, totdat het bleek dat \'dit herstel
alleen de natie tegen de dwingelandij des legers kon behoeden ? Toegegeven
al eens, dat zulk een man door zijn jongste diensten zijn vergiffenis eerlijk
verdiend had, mochten daarom die diensten, te elfder ure bewezen, met de
moeiten en bezwaren worden gelijkgesteld van hen, die den last en de hitte
des daags gedragen hadden ? Moest hij onder de mannen gerekend worden,
die \'s konings genade niet noodig hadden, die zich integendeel hun geheele
leven lang de dankbaarheid des konings hadden waardig gemaakt ? Moest
men, bovenal, hem in het genot van een vermogen laten, dat uit de bezittin-
gen der verarmde verdedigers van den troon bijeen was gebracht ? Was
\'t niet genoeg, dat hem het behoud van hoofd en ouderlijk erfgoed, die naar
recht honderdmaal verbeurd waren, verzekerd werd, en dat hij met het
overige gedeelte der natie in de zegeningen dier milde regeering deelde,
waarvan hij zoo langen tijd de vijand geweest was? Was het noodig hem voor
zijn verraad te beloonen ten kosten van mannen, wier eenige misdaad in de
trouw bestond, waarmede zij den huldigingseed gehouden hadden ? En welk
belang had er de koning bij zijn oude vijanden met buit te overladen, een
buit aan zijn oude vrienden ontroofd ? Welk vertrouwen kon men in mannen
stellen, die zich tegen hun souverein verzet, hein beoorloogd en in boeijen
geslagen hadden, en die zelfs nu nog, wel verre van met schaamte en berouw
het hoofd te buigen, stoutweg al wat zij gedaan hadden verdedigden, en \'t er
voor schenen te houden, dat zij een uitstekend bewijs van verkleefdheid
afgelegd hadden, door zich nog juist bij tijds aan het plegen van konings-
moord te onttrekken ? Het was waar, zij hadden nu laatstelijk den troon hel-
pen oprichten; maar het was niet minder waar, dat zij dien te voren hadden
omgehaald, en dat zij nog steeds beginselen koesterden, die hen wel eens
zouden kunnen aansporen hem op nieuw omver te werpen. Het kon voor-
zeker nuttig zijn aan eenige bekeerlingen, die uitstekende diensten hadden
bewezen, blijken van koninklijke goedkeuring te schenken; staatkunde echter,
evenzeer als rechtvaardigheid en dankbaarheid moesten den koning nopen
de eerste plaats in zijn gunst aan diegenen toe te kennen, die van het begin
tot het einde, in goede en in kwade lijden, zijn huis getrouw waren ge-
bleven. Op deze gronden verlangden de cavaliers, pelijk van zelf spreekt,
-ocr page 132-
ïo8
GESCHIEDENIS YAN ENGELAND
schadeloosstelling voor al hetgeen zij verduurd hadden, en de voorkeur bij
het uitdeelen van koninklijke gunstbewijzen. Enkele heftige leden dezer partij
gingen nog verder en drongen op uitgebreide proscriptie-maatregelen aan.
Kerkelijke twisten. De staatkundige veete werd, zoo als gewoonlijk, door een
kerkelijke veete verzwaard. De koning vond de kerk in een zonderlingen
toestand. Korten tijd vóór den aanvang des burgeroorlogs had zijn vader
met weerzin toegestemd in een door Falkland krachtig ondersteunde wet,
waarbij de bisschoppen van hun zetels in het Hoogerhuis beroofd werden;
aoch het bisschoppelijk stelsel en de liturgie waren nimmer bij wetsbepa-
lingen afgeschaft. Het lange parlement had evenwel besluiten genomen,
waardoor het kerkelijk bestuur en de openbare eeredienst geheel en ai
gewijzigd werden. Het nieuwe stelsel was in den grond weinig minder erasti-
aansch \') dan dat, waarvoor het in de plaats was gekomen. Door den raad
van den voortreffelijken Selden geleid, hadden de Huizen zich voorgenomen
de geestelijke macht ten strengste aan de wereldlijke macht ondergeschikt te
houden. Zij hadden geweigerd te erkennen, dat eenige vorm van kerkorde-
ning van goddelijken oorsprong was en bepaald, dat men zich van de uit-
spraak der kerkelijke rechtbanken in het laatste ressort op het parlement
kon beroepen. Onder dit gewichtig voorbehoud had men besloten in Enge-
land een hiërarchie op te richten, die in allen deele op de thans in Schot-
land bestaande geleek. Het gezag van geestelijke lichamen, die in geregelde
volgorde de eene over de andere gesteld waren, werd in de plaats gebracht
van het gezag der bisschoppen en der aartsbisschoppen. De liturgie moest
voor de presbyteriaansche kerkordening wijken. Nauwelijks echter waren
de nieuwe verordeningen ontworpen of de independenten verwierven de
oppermacht in den staat. Deze waren niet genegen de verordeningen,
betrekkelijk classicale, provinciale en nationale synoden ten uitvoer te leg-
gen, en die verordeningen kregen derhalve nooit haar volkomen beslag.
Behalve in Middlesex en Lancashire werd het presbyteriaansche stelsel ner-
gens voor goed gevestigd. In de overige vijftig graafschappen schijnt tus-
schen de gemeenten onderling bijna geen verband bestaan te hebben. In
enkele districten, wel is waar, vormden de leeraars vrijwillig vereenigingen
ter wederzijdsche verleening van raad en bijstand; maar deze vereenigingen
hadden geen gebiedend gezag. De begevers van leeraarsambten, thans door
geen toezicht van bisschop of presbyteiie beteugeld, zouden vrijheid gehad
hebben het herderlijk onderwijs aan de verachtelijkste menschen toe te ver-
trouwen, ware Cromwell hier niet eigendunkelijk tusschenbeiden gekomen.
Hij stelde op eigen gezag een raad van commissarissen in, onderzoekers
genaamd. De meeste dezer personen waren independente geestelijken,
doch ook enkele presbyteriaansche leeraars en enkele leeken hadden daar
zitting. Het getuigschrift der onderzoekers verving de aanstelling, zoowel als
\') Erastiaausch was het stelsel der ondergeschiktheid van de kerkelijke macht aan
de macht van den staat. De voorname grondstelling der aanhangers van Erastus, een
geleerde, die in de veertiende eeuw in Duitschland leefde, is, volgeus Hallam, deze,
dat het in een staat, waar de burgerlijke overheid het christelijk geloof belijdt, onge-
past is, dat misdrijven tegen de godsdienst en tegen de zedelijkheid door de kerkelijke
overheid gestraft worden.
                                                                              V.
-ocr page 133-
ONDER KAREL II.                                              I09
de bevestiging; en zonder zoodanig getuigschrift kon niemand eenigkerke-
lijk ambt bekleeden. Dit was ongetwijfeld een der meest despotieke hande-
lingen, die immer door een engelsch regent gepleegd zijn. Doch vermits het
algemeen erkend werd, dat zonder een diergelijken maatregel het land
overstroomd zou worden van onwetende dronkaards en deugnieten, met den
naam en de bezoldiging van leeraren, zoo verklaarden eenige hooggeplaatste
mannen, die Cromwell overigens niet bijzonder genegen waren, dat hij in
dit geval der natie een weldaad had bewezen. De candidaten, «iie door de
onderzoekers goedgekeurd waren, stelden zich in het bezit van de pastorieën,
bebouwden de daarbij behoorende gronden, zamelden de tienden in, baden
zonder boek en zonder kerkgewaad en dienden den geloovigen het avond-
maal aan lange tafels toe.
De kerkelijke inrichtingen des rijks bevonden zich dus in een onherstel-
bare verwarring. De vorm van beheer, welken de nog steeds onherroepen
oude wetten voorschreven, was de bisschoppelijke. De door de parlements-
verordeningen voorgeschreven vorm was de presbyteriaansche. Doch de
oude wetten werden evenmin ten uitvoer gelegd als de parlements-verorde-
ningen. De kerk, zoo als ze toen bestond, kon men een onregelmatig lichaam
noemen, uit eeni«e weinige presbyteriën en uit vele onafhankelijke gemeen-
ten samengesteld, die door het gezag der regeering allen in rust en bijeen-
gehouden werden.
Onder degenen, die tot \'s konings terugroeping medegewerkt hadden,
waren velen vol ijver voor de invoering der synode en van de presbyteriaan-
sche kerkordening, en velen, die den wensen*koesterden, dat de godsdienst-
geschillen, welke in Engeland zoo lang gewoed hadden, door een verdrag
werden uit den weg geruimd. Tusschen de dweepzieke volgelingen van
Laud en Calvijn kon vrede noch wapenstilstand bestaan; maar het scheen
niet onmogelijk een schikking tot stand te brengen tusschen de gematigde
bisschopsgezinden der school van Usher en de gematigde presbyterianen der
school van Baxter. De gematigde bisschopsgezinden zouden toegeven, dat
een bisschop wettelijk door een kerkeraad bijgestaan kon worden. De ge-
matigde presbyterianen zouden niet ontkennen,dat elke provinciale kerkeraad
volgens de wet een permanenten voorzitter hebben en deze wettiglijk de
benaming van bisschop voeren mocht. Er kon een gewijzigde liturgie aan-
genomen worden, waarbij het gebed naar de ingeving van het oogenblik niet
uitgesloten werd, een doopsbediening, waarbij het teeken des kruises naar
goedvinden gedaan of weggelaten mocht worden, een bediening van het
avondmaal, waarbij den geloovigen vergund werd te blijven zitten, zoo hun
geweten hun het knielen verbood. Doch aan zulke plannen kon het grootste
gedeelte der cavaliers geen geduldig oor leenen. De werkelijk godvruchtige
leden dier partij waren het geheele stelsel hunner kerk van harte toegedaan.
Zij was hun vermoorden koning dierbaar geweest. Zij had hun troost ver-
leend in onspoed en gebrek. Haar dienst, die in den tijd der beproeving
zoo menigmaal al fluisterende in eenig binnenvertrek gehouden was, had zoo
veel bekoorlijks voor hen, dat zij onwillig waren om slechts een enkele
responsie van den beurtzang te missen. Andere royalisten, die zich weinig
op godvruchtigheid lieten voorstaan, waren evenwel der kerk genegen, omdat
-ocr page 134-
I lO                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
zij de vijandin hunner vijanden was. Zij stelden gebeden en plechtigheden
op prijs, niet omdat zij er stichting uit trokken, maar omdat de rond-
hoofden er zich aan ergerden; en zij waren er zoo ver af door inschikkelijk-
heid naar overeenstemming te willen streven, dat zij zich tegen het betoonen
van inschikkelijkheid verzetten, voornamelijk omdat zulks tot bevordering
van eensgezindheid gestrekt zou hebben.
Bntmbi Zulke gevoelens, hoezeer ook laakbaar, waren natuurlijk en niet
puritein», geheel onverschoonbaar. In de dagen hunner macht hadden de
puriteinen ontegenzeggelijk geweldigen aanstoot gegeven. Had niets anders
het hun geleerd, hun eigen oneenigheden, hun eigen worstelingen, hun eigen
zegepraal en de val dier trotsehe hiërarchie, die hen zoozeer verdrukt had,
had hun de ervaring moeten geven, dat het in Engeland en in de zeventiende
eeuw niet in het vermogen der burgerlijke overheid stond, de gemoederen
der menschen met geweld tot het aannemen van haar eigen godsdienststelsel
te dwingen. Zij toonden zich echter zoo onverdraagzaam en bemoeiziek als
Laud ooit geweest was. Zij stelden zware straffen op het gebruik van het
algemeene gebedenboek, niet alleen in de kerken, maar ook in bijzondere
woningen. Het werd voor misdaad gerekend, wanneer een kind voor de sponde
zijner zieke ouders een dier schoone smeekgebeden las, die het lijden van
veertig geslachten van Christenen verzacht hebben. Er werden zware straf-
fen vastgesteld voor een iegelijk, die het zou durven wagen de calvinistische
eeredienst te laken. Achtenswaardige geestelijken werden niet slechts bij
duizenden uit hun betrekkingen ontzet, maar ook menigmaal aan de ge-
weldenarijen van een uitzinnig gepeupel prijs gegeven. Kerken en grafge-
stichten, fraaije kunstgewrochten en merkwaardige gedenkteekenen der oud-
heid werden schromelijk verminkt. Het parlement besloot, dat al de schilde-
rijen van de koninklijke kunstverzameling, die afbeeldingen van Jezus of
van de Moedermaagd voorstelden, verbrand zouden worden. Der beeld-
houwkunst verging het niet beter dan der schilderkunst. Nymphen en
Gratiën, het werk van ionische beitels, werden aan puriteinsche steen-
houwers overgeleverd om eerbaar te worden gemaakt. Tegen overtredingen
van lichter aard werd door de heerschende factie strijd gevoerd met een
ijver, slechts weinig door menschlievendheid of gezonde rede getemperd
Er werden strenge wetten legen het aangaan van weddenschappen uitge-
vaardigd. Er werd afgekondigd, dat echtbreuk met den dood zou worden
gestraft. De onwettige gemeenschap der beide seksen werd tot correctioneel
misdrijf verklaard, zelfs in die gevallen, waar geen spraak was van geweld of
verleiding, waar geen openbare ergernis gegeven, geen huwelijkstrouw ge-
schonden was. Alle openbare vermaken, zoowel de voorstellingen, die in
de paleizen der grooten ten tooneele werden gevoerd, als de worstelspelen
en grijnspartijen \') in het landelijk groen, werden met kracht bestreden.
Zekere verordening bepaalde, t dat alle Meiboomen in Engeland onverwijld
geveld zouden worden. Een andere verbood alle tooneelvermaken. De
schouwburgen moesten afgebroken, de toeschouwers beboet, de tooneel-
1) Grinning matches, waarbij degene, die de leelijkste grimassen kon maken, den
prijs behaalde.
                                                             ^
-ocr page 135-
ONDER KAREL II.                                                    III
spelers met roeden gegeeseld worden. Koorddansen, marionetspelen, kegel-
baan en wedren, alles werd met leede oogen aangezien, Maar bovenal
de berengevechten, toenmaals het lievelingsvermaak van groot en klein,
waren den onverzettelijken sectarissen een gruwel en deden hun toorn het
hevigst ontbranden. Toch willen wij doen opmerken, dat hun afkeer van dit
vermaak niets gemeens had met het gevoel, dat in onzen tijd de wetgeving
genoopt heeft tot bescherming der dieren, tegen de noodelooze wreed-
heid der menschen tusschenbeiden te komen. De puritein haatte de beren-
jacht, niet omdat de beer daarbij mishandeld werd. maar omdat zij den
toeschouwer vermaak opleverde. Trouwens, hij wist zich doorgaans het
dubbele genot te verschaffen om zoowel de aanschouwers als den beer
te kwellen \').
Wellicht werpt geen enkele omstandigheid zulk een helder licht op de
stemming der haarkloovers, als hun gedrag ten aanzien van het kerstfeest.
Dit feest was sedert onheuglijke jaren het huislijk feest bij uitnemendheid
geweest; de tijd, dat de families zich vereenigden, kinderen van de school
huiswaarts kwamen, twisten bijgelegd, in alle straten vreugdezangen ge-
hoord werden; de tijd, dat alle huizen met hulst versierd, elke disch
rijkelijk bezet was. Dan openden en verruimden zich alle harten, die niet
geheel van gevoel waren ontbloot. Dan werden de armen toegelaten om
ruimschoots te deelen in den overvloed der rijken, wier gaven om de kort-
heid der dagen en de ruwheid van het saizoen dan meer dan gewoon welkom
waren. In dien tijd was de afstand tusschen landheer en pachter, tusschen
meesteren knecht minder scherp afgebakend dan in het overige gedeelte des
jaars. Waar binnen\'s huis veel genot is, staat de overdaad op de stoep;
over het geheel echter was de geest, waarin dit feest gehouden werd, een
christelijke feestviering niet onwaardig. Het lange parlement vaardigde in
1644 het bevel uit, dat de vijf-en-twintigste December als een strenge vas-
tendag gehouden moest worden en dat een iegelijk dien dag zoude door-
brengen in ootmoedig berouw over de zware zonden der natie, welke zij, even
als de vaderen, op dien dag onder minnekoozerij onder den misteltak, door
het eten van wildzwijnshoofd en het drinken van met gebraden appelen
gekruide ale, zoo menigmaal begaan hadden. Geen enkele der openbare
) Hoe weinig het medelijden met den beer hiermede te doen had. wordt genoeg-
zaam aangetoond door het navolgend uittreksel uit een geschrift, getiteld : «Volledig
dagboek van eenige voorvallen in het parlement en elders iu het koninkrijk, van
Maandag den 24 Juli tot Maandag den 31 Juli 1643." »Toen de koningin uit Holland
aankwam, bracht zij boven en behalve een bende woeste roovers een troep wilde
beren mede; te welken einde? Dat moogt gij uit het volgende besluiten. Die beren
werden nabij Newark achtergelaten en telkens op den dag des Heeren naar de kleine
landsteden gebracht om gejaagd te worden; dat is de godsdienst, die de bovenge-
noemden hier ouder ons zouden willen vestigen; en als iemand er op uit was hun
doemwaardige ontheiligingen te belemmeren of af te keuren, werd hij dadelijk
rondhoofd en puritein gescholden, en kon zeker zijn uit dien hoofde geplunderd te
worden. Maar sommige van kolonel Cromwells troepen, toevallig op \'s Heeren dag
naar Uppinghamtown in Rutland komende, vonden daar de beren op de gewone
manier bezig met spelen en, toen het spel het levendigst was, lieten zij hen vatten,
aan een boom vastbinden en doodschieten. Dit was geenszins een op zich zelf staand
voorbeeld. Toen kolonel Pride sheriff van Surrey was, liet hij de beren in den beren-
-ocr page 136-
112                               GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
maatregelen van dien tijd schijnt het volk meer verbitterd te hebben dan
deze. Bij de volgende verjaring van het feest braken op vele plaatsen ge-
duchte onlusten uit. De constabels vonden tegenstand, de magistraatsper-
sonen werden gehoond, de woningen van bekende ijveraars aangevallen en
de verboden eeredienst van den dag openlijk in de kerken voorgelezen.
Zoodanig was de geest, die de hevige puriteinen, presbyterianen zoowel
als independenten, bezielde. Cromwell was inderdaad weinig gestemd om
de rol van vervolger of bemoeizieke te spelen, maar het hoofd eener partij,
en diensvolgens in zekere mate ook de slaaf eener partij, kon hij niet geheel
en al volgens zijn eigen inzichten heerschen. Zelfs onderzijn bewind maakten
zich vele overheidspersonen binnen hun rechtsgebied even hatelijk als sir
Hudibras \'), stoorden alle vermaken, die in den omtrek plaats vonden, dre-
ven feestelijke vergaderingen uiteen en lieten de vioolspelers te pronk stel-
len. De ijver der soldaten was nog veel geduchter. In ieder dorp, waar zij
verschenen, was \'t gedaan met dansen, met klokkengelui en oogstfeesten. In
Londen deden zij meermalen tooneelvoorstellingen sluiten, die de protector
verstandig en gemoedelijk genoeg geweest was bij oogluiking toe te laten.
Met de vrees en den haat, die door deze tirannie verwekt werden, ging
een groote mate van minachting gepaard. De eigenaardigheden van den
puritein, zijn blik, zijn kleederdracht, zijn taal en zijn wonderlijke gemoeds-
bezwaren waren reeds sedert de tijden van Elizabeth het stokpaardje der
spotters geweest. Deze eigenaardigheden nu moesten veel bespottelijker
tuin van Southwark dooden. Een koningsgezinde spotdichter laat hem die handeling
in deze woorden verdedigen: »Het eerste, dat mij op het hart ligt, is het dooden der
beren, waarvoor het volk mij haat en mij zooveel schimpnamen geeft als er kleuren
in den regenboog zijn. Maar heeft David geen beer gedood? Heeft niet de lord-
plaatsvervanger Ireton een beer gedood? Heeft een ander van onze Lords geen vijf
beren gedood?" — Laatste redevoering en woorden door Thomas Pride op zijn sterf-
bed uitgesproken.
\') Hoofdpersoon van het satirisch heldendicht «Hudibras," wiens karaktertrekken,
zoo men meent, door den schrijver, Samuel Butler, genomen zijn naar die van den
puriteinschen laudedelman en vrederechter Sir Samuel Luke, die in het leger der
heiligen een voorname rol gespeeld heeft. Het gedicht had de strekking om de dweep-
zucht en de buitensporigheden der partijen, vóór en gedurende de omwenteling van
1642, ten toon te stellen. In komische en geestige wendingen en uitdrukkingen, in
keur en tal van treffend juiste beelden en karakterschetsen, in meesterlijke behande-
ling der taal, in de verrassende en nochtans vloeijende maat der kreupelrijmen, waarin
het vervat is, is dit gedicht nimmer geëvenaard; en daar de hevigheid en de dwaas-
heid der partijen voor de satire slechts weinig overdrijving noodig maakte, zal het,
als toonbeeld van den toestand der engelsche maatschappij van dien tijd, altoos hooge
waarde houden en steeds als het meesterstuk gelden van wellicht het grootste humo-
ristisch genie dat ooit bestaan heeft. Vele der in het boek voorkomende kwinkslagen
en toespelingen op personen en zaken, die slechts tijdelijke vermaardheid hadden,
zijn, voor zooveel zij niet reeds destijds ten behoeve van minder ingewijden schrifte-
lijk verklaard zijn, voor het nageslacht verloren gegaan of minder juist verstaan; even-
wel worden de vele kernspreuken, bij Hudibras voorkomende, dagelijks, in het parle-
ment, en soms bij ernstige gelegenheden aangehaald.
De schrijver vond aan het Hof van Karel II weinig belooning voor zijn geestig en
onbetwistbaar nuttig werk en weinig hulde voor zijn genie. Toen hij onder zorgen en
schulden gebukt ging, was een geschenk van 300 p st. al wat de koninklijke mild-
dadigheid voor hem over had, en hij leefde en stierf in armoede.
                          V.
-ocr page 137-
i i 3
ONDER KAR KI. II.
uitkomen bij een factie, die over een groot rijk heerschte, dan bij on-
aanzienlijke en aan vervolgingen blootgestelde gemeenten. Het geteem,
dat gelach verwekte, als het op het tooneel, in den mond van Tribulatie-
Heilzaam
en van IJverig-voor-het-land-Bezig \') gehoord werd, was nog
belachelijker, wanneer het van de lippen van generaals en van staatsmannen
uitging. Het is ook nog merkwaardig, dat tijdens den burgeroorlog ver-
scheiden secten in het leven gekomen waren, wier buitensporigheden alles
overtroffen, wat men tot dusverre in Engeland gekend had. Een krank-
zinnige kleermaker, Lodewijk Muggleton genaamd, trok al drinkende van
de eene kroeg naar de andere en voorspelde eeuwige marteling aan allen,
die geloof weigerden aan zijn getuigenis, dat het Opperwezen slechts zes voet
groot, en dat de zon slechts vier engelsche mijlen van de aarde verwijderd
was !). George Fox heeft een storm van spotternij verwekt door de ver-
klaring, dat het in \'t meervoud aanduiden van een enkelvoudig persoon een
\') Tribulation Wkolesome en Zeal of the land Bnsy, personen uit kluchtspelen,
waarin de bedoelde eigenaardigheden ten toon gesteld werden. Men behoeft echter
niet te denken, dat deze vrome namen slechts het verdichtsel zijn van de spotters, die
ze ten tooneele gevoerd hebben. De beruchte Barebone b. v., naar wien het romp-
parlement genaamd is, noemde zich Praise-God- Barebone. letterlijk Prijs-God-bloot-
been.
En hij telde een aantal even goed bedeelde broeders in die vergadering. Ver-
moedelijk hebben enkele vromen, die zeker het Hebreeuwsch allen niet machtig
waren, aanvankelijk hun namen in het Eugelsch willen hooren, hetgeen tot omschrij-
vingen aanleiding moest geven. Toen zij dien weg eenmaal ingetreden waren, was de
overgang tot het kiezen en verfraaijen van namen in het Engelsch gemakkelijk en
verleidelijk, en de vromen, die niet in ééns de kunst der naamsuitvinding op de
hoogte konden brengen, die ze ten tijde van Barebone bereikt had, hebben hun voor-
namen soms herhaaldelijk gewisseld. Immers Hume noemt de namen eener jury op:
die destijds in Sussex vergaderd zou geweest zijn, waarbij onder anderen voorkomen,
Geredde-Compton, Verflauw-uiet-Hewit, Maak-vrede-Heaton, God-beloon-Smart, Sta-
vast-om-hoog-Stringer, Dood-de-zonde-Pimble, Keer-terug Spelman, Strijd-den-goeden-
strijd des-geloofs-White, Meer-vrucht-Fowler, Genadevol-Harding, Ween-niet-Billing
enz. De herhaalde wisseling van namen schijnt ook daaruit te kunnen worden afgeleid,
dat o. a. een schrijver, die over het tijdvak handelt, toen Cromwell nog overste in het
leger was, beweert, dat de geheele geslachtslijst van onzen Heiland in de naamrol van
Cromwells regiment voorkomt, en dat de kwartiermeester «geen andere lijst heeft
dan het eerste hoofdstuk van het Evangelie van Mattheus." Als deze strijders, onder
welke zich het puik der vromen bevond, hun oogen op namen als Sta-vast-omhoog,
Dood-de-zonde en vooral op Strijd-den-goeden-strijd-des-geloofs lieten vallen, moest
dan de geest hun niet zeggen, dat namen als Hezekiah, Habakuk of Zorobabel, schoon
niet laakbaar of heidensch, evenwel niet genoeg uitdrukten, waarvoor zij streden. Onze
schrijver spreekt op verscheiden plaatsen in zijn werk van hun wonderlijke uitdruk-
kingen en handelwijzen, die deze heiligen te meer aan bespotting blootstelden, naar-
mate zij meer wereldsche oogmerken begonnen te koesteren. Wij zullen hier nog een
enkel voorbeeld daarvan geven. Toen de geest de heiligen van het romp-parlement zoo
zeer vervoerde, dat Cromwell zich over hen begon te schamen, ontbond hij die ver-
gadering. Een twintigtal heiligen bleven ondanks die ontbinding bijeen en waren
druk bezig met het opmaken van een protest tegen dien maatregel, toen een door
Cromwell met eenige manschappen afgezonden overste binnen trad en vroeg wat zij
daar deden. »Wij zoeken den Heer," was het antwoord. «Dan moet gij elders zoeken."
hervatte hij, »want ik weet bepaald en zeker, dat Hij hier sints vele jaren niet meer
geweest is."
                                                                                                            V.
*) Zie Pens nieuwe getuigen als oude ketters ten toon gesteld en Muggletons
werken, passim.
MACAULAV I.                                                                                                              8
-ocr page 138-
114                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
verkrachting van de christelijke waarheidsliefde was, alsmede dat men een
afgodische hulde aan Janus en aan Wodan bewees, als men van Januari en
van Woensdag sprak. Eenige jaren later werd zijn leer door sommige uit-
stekende mannen omhelsd en rees grootelijks in de openbare schatting.
Tijdens de restauratie echter werden de kwakers in het algemeen voor de
verachtelijkste aller dwepers gehouden. Hier te lande werden zij door de
puriteinen met hardheid behandeld en in Nicuw-Engeland tot den dood toe
vervolgd. Evenwel verwarde het publiek, dat zelden heel fijn onderscheid
weet te maken, den puritein menigmaal met den kwaker. Zij waren beiden
afgescheiden. Beiden keurden het episcopaat en de liturgie af. Beider klee-
ding, uitspanningen en uiterlijke houding schenen naar buitensporige grillen
geregeld te zijn. Hoe groot het verschil tusschen beider gevoelens ook ware,
het volk stelde hen beiden als teemende afgescheidenen op ééne lijn ; en al
wat in de eene secte bespottelijk of hatelijk was, vermeerderde de minach-
ting, en den afkeer, waarmede de menigte de andere beschouwde.
Vóór de burgeroorlogen moesten zelfs zij, die de meeningen en gewoonten
der puriteinen het sterkst afkeurden, toegeven, dat hun zedelijk gedrag over
het algemeen, in alle wezenlijke punten, onberispelijk was geweest; thans
werd die lof hun niet meer gegeven, en, helaas! zij hadden er ook geen aan-
spraak meer op. Het is het algemeene lot der secten in tijden van verdruk-
king den naam van uitstekende vroomheid te verwerven, om dien weder te
verliezen zoodra zij machtig worden; en dit is licht te verklaren. Zelden
wordt de mensch door andere dan gemoedelijke redenen genoopt zich bij
een vervolgde gemeente aan te sluiten. Zulk een gemeente bestaat derhalve
bijna zonder uitzondering uit oprechte leden. De strengste tucht, die men
in een godsdienstige gemeente vermag te handhaven, is slechts een zwak
louteringsmiddel in vergelijking met een eenigszins strenge vervolging van
buiten. Wij mogen ons verzekerd houden, dat slechts zeer weinigen, zoo zij
daartoe niet door hun godsdienstige overtuiging ernstig gedrongen werden,
den doop gevraagd hebben, toen Diocletianus de kerk vervolgde, of zich bij
protestanten-gemeenten aansloten, op het gevaar af van door Bonner ten
vure gedoemd te worden. Maar als een secte macht verwerft, als haar gunst
den weg tot rijkdom en grootheid baant, dan dringen zich baatzuchtige en
eergierige mannen bij haar in, spreken haar taal, volgen stiptelijk haar eere-
dienst, bootsen haar eigenaardigheden na en gaan in alle uiterlijk betoon
van ijver dikwerf veel verder dan de oprechte leden der gemeente. Geen
doorzicht, geen waakzaamheid van de zijde der kerkvoogden kan het indrin-
gen van zulke valsche broeders beletten. Het onkruid en de tarwe moeten
te zamen opgroeijen. De wereld merkt aldra, dat de vromen niet beter zijn
dan andere menschen, en leidt daaruit niet zonder grond af, dat zij, zoo ze
niet beter zijn, veel slechter moeten wezen. Binnen weinig tijds werden al
de teekenen, die voorheen als kenmerkende trekken van heiligheid be-
schouwd werden, voor kenmerken van schurkerij gehouden.
Aldus was het met de engelsche afgescheidenen gesteld. Zij hadden ver-
drukking geleden, en de verdrukking had hen rein gehouden. Daarna ver-
wierven zij de oppermacht in den staat. Door hun gunst alleen kon men
hopen hoogen rang en gezag te erlangen. Hun gunst kon men dan alleen
-ocr page 139-
ONDER KAREL II.
"5
winnen, als men met hen de teekens en leuzen van kerkelijke broederschap
wisselde. Een der eerste besluiten van Barebone\'s parlement, dat de hevigst
puriteinschgezinde van al onze politische vergaderingen was, luidde, dat
geen mensch tot openbare bedieningen zoude worden toegelaten, zoolang
het Huis zich niet van zijn wezenlijke godsvrucht overtuigd had. Wat des-
tijds als bewijs van ware godsvrucht beschouwd werd, de donkere kleeding
namelijk, de stroeve blik, het sluike haar, de gemaakte neusspraak, de met
bijbelsche aanhalingen wonderlijk doorspekte taal, de afschuw van too-
neelvoorstellingen, kaartspel en valkenjacht, werd zonder moeite nage-
bootst door lieden, voor wie elke godsdienst dezelfde was. De oprechte
puriteinen stonden weldra te midden eener tallooze menigte niet slechts
van fortuinzoekers, maar zelfs van fortuinzoekers van de slechtste soort;
want de befaamdste lichtmis, die ooit onder den koninklijken standaard
gestreden had, mocht terecht voor deugdzaam gehouden worden, in verge-
lijking met den een of anderen dergenen, die den mond vol hadden van zal-
vende ervaringen en van het dierbare woord der schrift, terwijl zij zich
bij voortduring aan het plegen van bedrog, roof en geheime uitspattingen
schuldig maakten. Met een onbezonnenheid, die wij met recht betreuren
mogen, doch die ons niet moet verwonderen, beoordeelde het volk de ge-
heele secte naar deze huichelaars. De leer, de gebruiken en de taal der
puriteinen gingen dus in het oog der natie met de zwartste en laaghartigste
ondeugden gepanrd. Zoodra de restauratie het betoonen van vijandschap
tegen de secte, die zoo lang het overwicht in den staat bezeten had, weder
veilig maakte, verhief zich in alle gedeelten des rijks een algemeene kreet
tegen het puritanisme, een kreet die veelal versterkt werd door de stemmen
dierzelfde huichelaars, wier laagheden den puriteinschen naam hadden ge-
schandvlekt.
Alzoo stonden de twee partijen, die na een langdurige worsteling samen-
gewerkt hadden tot hersel der monarchie, op nieuw, in het godsdienstige
zoowel als in het staatkundige, vijandig tegen elkander over. De groote
menigte der natie was den royalisten toegedaan. De misdrijven van Strafford
en Laud, de buitensporigheden door de sterrekamer en de hooge commissie
gepleegd, de belangrijke diensten, die het lange parlement in het eerste jaar
zijns bestaans den lande bewezen had, waren in vergetelheid geraakt. De
onthalzing van Karel I, de norsche dwingelandij der rompvergadering, de
gewelddadigheden des legers herinnerde men zich met diepen afkeer en de
menigte was geneigd allen, die den overleden koning tegenstandgeboden
hadden, voor zijn dood en alle daarop gevolgde rampen aansprakelijk te
stellen.
Het Huis der Gemeenten, verkozen, toen de presbyterianen de bovenhand
hadden, vertegenwoordigde in geenen deele den algemeenen geest der natie.
Vele der leden hielden, hoezeer zij Cromwell en Bradshaw van harte ver-
foeiden, de nagedachtenis van Essex en Pym in eere. Een opgewonden
cavalier, die waagde te verklaren, dat een iegelijk, die tegen Karel I het
zwaard gevoerd had, zich evenzeer aan verraad schuldig had gemaakt als
degenen, die hem onthoofd hadden, werd tot de orde geroepen, voor de balie
gebracht en door den voorzitter in het openbaar berispt. Ontwijfelbaar was
-ocr page 140-
n6
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
het de algemeene wensch des Huizes de godsdiensttwisten op een voor de
gematigde puriteinen aannemelijke wijze te beslechten; maar het hof, zoowel
als de natie, waren afkeerig van een zoo dolzinnige beslechting.
K*Knïeiiia" De herstelde koning genoot thans de liefde des volks in hooger
mate dan ooit een zijner voorgangers gedaan had. De rampen, die zijn Huis
getroffen hadden, de heldhaftige dood zijns vaders, het lijden, dat hij zoo
lang verduurd had, en zijn romantische lotgevallen maakten hem tot het
voorwerp der teederste belangstelling. Zijn terugkomst had de natie van
een ondraaglijk juk bevrijd. Door de stem van beide strijdende partijen
teruggeroepen, vond hij zich op een standpunt geplaatst, dat hem veroor-
loofde als scheidsrechter tusschen haar op te treden, en in sommige opzich-
ten was hij goed voor die taak berekend. De natuur had hem een uitnemen-
den aanleg en een gelukkig humeur geschonken. Men mocht verwachten,
dat zijn opvoeding zijn verstand ontwikkeld en hem tot het beoefenen van
alle maatschappelijke deugden voorbereid had. Hij had alle wisselvallig-
heden der fortuin ondervonden en het menschelijk hart van verschillende
zijden leeren kennen. Hij had in zijn vroege jeugd een paleis moeten ont-
vluchten om een leven van ballingschap, kommer en gevaren te gemoet te
gaan. In den leeftijd, dat ziel en lichaam den hoogsten trap van volmaakt-
heid bereikt hebben, de eerste gloed der jeugdige driften bekoeld kan
zijn, was hij uit zijn verbanning teruggeroepen om een kroon te aanvaar-
den. Door bittere ondervinding had hij geleerd, hoeveel laagheid,
trouweloosheid en ondankbaarheid achter de kruipende onderdanigheid der
hovelingen schuilen kan, en daartegenover had hij in de hutten der diepste
armoede echten zielenadel aangetroffen. Toen schatten uitgeloofd werden
aan al wie hem verraden wilde, toen de dood een ieder dreigde, die hem
een schuilplaats verleenen durfde, hadden hutbewoners en dienstboden zijn
geheim trouw bewaard en hem in zijn nederige vermommingen even eer-
biedig de hand gekust, alsof hij op den troon zijner voorzaten ware gezeten
geweest. Na zulk een school had men mogen verwachten, dat een jongeling,
wien het evenmin aan bekwaamheid als aan beminnelijke hoedanigheden
ontbrak, als een groot en goed koning zou zijn opgetreden. Karel echter kwam.
uit die school met behoefte aan gezelligheid, met beschaafde en innemende
manieren, met zeker talent voor het onderhouden van levendige gesprekken,
bovenmatig verslaafd aan zinnelijke genietingen, een vriend van lediggang
en van beuzelachtig tijdverdrijf, niet bekwaam tot zelfopoffering of inspan-
ning, zonder eenig geloof aan menschelijke deugd of aan menschelijke trouw,
zonder de minste eerzucht en zonder de minste gevoeligheid voor blaam.
Volgens hem waren alle menschen voor omkooping vatbaar, alleen scha-
cherde de een wat scherper om zijn prijs dan de ander; en werd dit gescha-
cher zeer loos volgehouden, dan werd er de eene of de andere fraai klin-
kende naam aan gegeven. De voornaamste kunstgreep, waardoor schrandere
mannen hun gaven op waarde wisten te doen stellen, noemde men recht-
schapenheid. De slimste kunstgreep, die door schoone vrouwen tot het
op prijs houden harer schoonheid gebezigd werd, noemde men zedig-
heid. Liefde tot God, tot het vaderland, tot de familie of tot vrienden waren
spreekwijzen van dezelfde soort, kiesche en voegzame omschrijvingen voor-
-ocr page 141-
ONDER KAREL II.                                             I I 7
eigenliefde. Aldus over de menschen denkende, vond Karel het natuurlijk
zeer onverschillig, hoe zij over hem oordeelden. Eer en schande waren voor
hem nauwelijks meer dan licht en duisternis voor den blinde. Zijn minach-
ting voor vleijerij, die zoo hoog geroemd is, schijnt geen lof te verdienen,
wanneer men haar in verband met zijn verdere karaktertrekken beschouwt.
Men kan beneden alle vleijerij zijn, evenzeer als men er boven verheven kan
zijn. Hij, die niemand vertrouwt, zal ook geen pluimstrijker vertrouwen. Hij,
die waren roem niet op prijs stelt, zal ook geen schijnroem waardeeren.
Het pleit voor Karels inborst, dat hij, niettegenstaande de slechte meening,
die hij van zijn evenmenschen koesterde, toch nooit een menschenhaterwerd.
Hij zag in de menschen niet veel anders dan hatelijke eigenschappen en
toch haatte hij hen niet. Ja, hij was zelfs menschlievend, in zoo verre,
dat het hem uiterst onaangenaam was hun lijden te zien of hun klachten te
hooren. Menschlievendheid van deze soort echter, ofschoon beminnelijk en
lofwaardig in een bijzonder persoon, wiens macht om goed of kwaad te doen
zich niet ver uitstrekt, is bij vorsten eer een gebrek, dan een deugd. Meer
dan één welgezind heerscher heeft geheele provinciën aan roof en verdruk-
king ten prooi gelaten, alleen omdat hij tevreden gezichten aan zijn tafel en
in zijn eigen omgeving wilde zien. Wie schuwt ten behoeve der velen, die
hij nimmer zien zal, de weinigen te kwetsen, die toegang tot hem hebben,
is ongeschikt om groote maatschappijen te besturen. Karels zwakheid was
zoo groot, dat wellicht niemand van gelijke vermogens hem daarin geëven-
aard heeft. Hij was de slaaf van anderen, hoewel hij zich door niemand om
den tuin liet leiden. Nietswaardige mannen en vrouwen, die hij tot op den
bodem hunner harten doorzag, van wie hij wist, dat zij geen liefde voor hem
gevoelden en zijn vertrouwen onwaardig waren, konden hem zonder moeite
titels, waardigheden, goederen, staatsgeheimen en begenadigingen afvleijen.
Hij gaf veel; nochtans smaakte hij nimmer de voldoening, noch verwierf hij
ooit den roem der weldadigheid. Nooit gaf hij uit eigen beweging, maar het
viel hem hard te weigeren. Hieruit volgde, dat zijn giften doorgaaas niet
aan degenen te beurt vielen, die ze het meest waardig waren, ja zelfs niet
aan degenen, wien hij het meest genegen was, maar aan de onbeschaamdste
en lastigste bedelaars, die toegang tot hem konden verwerven.
De drijfveeren, die de staatkundige houding van Karel II bepaalden, ver-
schilden zeer van die, waarnaar zich zijn voorganger en zijn opvolger hebben
gericht. Hij was geen man, die zich door de patriarchale regeeringstheorie
of door de leer van het goddelijk recht liet verblinden. Hij was van alle
eergierigheid ontbloot. Hij verfoeide alle ernstige bezigheden eu zou veeleer
de kroon nedergelegd hebben, dan zich de moeite willen getroosten wer-
kelijk zelf het bewind te voeren. Zijn afkeer van arbeid en zijn onbekendheid
met de zaken was zoo groot, dat zelfs de klerken, die van dienst waren,
als hij in den raad zat, een schamperen lach om zijn beuzelachtige aan-
merkingen en zijn kinderachtig ongeduld noode konden inhouden. Dank-
baarheid noch wraakzucht hadden den minsten invloed op zijn handelingen,
want nimmer was er eenig menschelijk gemoed, waarop bewezen diensten
of geleden smaad zulke flauwe en voorbijgaande indrukken achterlieten.
Hij wenschte alleen zulk een koning te zijn, als Lodewijk XV van Frank-
-ocr page 142-
I 1 8                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
rijk later geweest is, een koning, die om aan zijn bijzondere neigingen
te voldoen zonder paal of perk uit de staatskas kon putten; die met rijk-
dom en titels menschen kon huren, welke hem den tijd hielpen doodert
en, al ware de staat ook door wanbestuur tot de diepste vernedering ver-
vallen en aan den rand des verderfs gebracht, nochtans de onaangename
waarheid van den drempel van zijn serail weren en hem van de verplich-
ting ontheffen konden oog of oor te leenen aan al wat zijn weelderige rust
in het minste zou kunnen storen. Tot dat einde, en tot dat einde alléén,
wenschte hij willekeurige macht te verwerven, zoo die macht zonder gevaar
en zonder moeite te verkrijgen was. In de kerkelijke twisten, die onder
zijn protestantsche onderdanen heerschten, gevoelde hij zijn geweten vol-
strekt niet betrokken; want zijn gevoelens slingerden in een staat van zorge-
looze weifeling tusschen ongeloof en papisme. Hoewel echter zijn geweten
geen partij koos in den strijd tusschen de episcopalen en de presbyterianen,
zijn smaak deelde geenszins in die onzijdigheid. Zijne lievelingsondeugden
waren juist die, welke de puriteinen het minst verschoonbaar vonden. Hij
kon geen enkelen dag doorkomen zonder behulp van de verstrooiingen,
die door de puriteinen zondig geacht werden. Wel opgevoed, ontwikkeld en
uitermate vatbaar voor den indruk van het belachelijke, werd hij door de
puriteinsche grillen tot hoonende spotternij gestemd. Hij had inderdaad
redenen om die stroeve secte te haten. Hij had in den leeftijd, dat de
driften het onstuimigst en lichtzinnigheid het meest verschoonbaar zijn,
eenige maanden in Schotland doorgebracht, koning in naam, maar in-
derdaad als staatsgevangene in handen van onverzettelijke presbyteria-
nen. Niet tevreden hem te dwingen zich naar hun eeredienst te voegen en
hun covenant te onderteekenen, bespiedden zij al zijn bewegingen en lazen
hem om elke jeugdige dwaasheid de les. Hij werd genoodzaakt aan einde-
looze gebeden en sermoenen een gedwongen aandacht te schenken en mocht
zich dan nog gelukkig achten, zoo hij niet van den kansel met ruwheid aan
zijn eigen feilen, aan zijns vaders dwingelandij en aan de afgodendienst zijner
moeder herinnerd werd. Inderdaad, hij was gedurende dit tijdperk zijns
levens zoo ongelukkig geweest, dat de nederlaag, die hem op nieuw balling
maakte, voor hem een verlossing, veeleer dan een ramp mocht heeten.
Onder den invloed dezer herinneringen wenschte Karël de partij te ver-
nederen, die zich tegen zijn vader verzet had.
hïnïi{c™i*York\', \'s Konings broeder, Jakobus, Hertog van York, koesterde
vaïc?BrSn. denzelfden wensch. Hoewel losbandig, was Jakobus nochtans
werkzaam, stipt, naijverig op gezag en invloed ; doch hij was buitengemeen
traag en beperkt van geest, daarbij hoofdig, onvriendelijk en haatdragend
van aard. Dat zulk een vorst Engelands vrije instellingen en de partij, die
het ijverigst voor die instellingen optrad, met geen goed oog aanzag, kan
geen bevreemding baren. Alsnog noemde zich de hertog lid der anglicaan-
sche kerk, doch reeds had hij blijken gegeven van een gezindheid, die bij
goede protestanten ernstige bezorgdheid deed ontstaan.
De persoon, op wien destijds het grootste aandeel van den arbeid der
regeering neerkwam, was Eduard Hyde, rijkskanselier, die weldra tot graaf
van Clarendon verheven werd. De achting, die wij Clarendon als schrijver
-ocr page 143-
ONDER KAREL II.
119
met recht toedragen, moet ons niet blind maken voor de misslagen, welke
hij als staatsman heeft begaan. Sommige der misslagen vinden echter hun
verklaring en verschooning in de ongunstige stelling, waarin hij zich bevond.
Hij had zich gedurende het eerste jaar van het lange parlement eervol onder-
scheiden onder de senatoren, die naar herstel van de grieven der natie
streefden. Een der hatelijkste van die bezwaren, de Raad van York, was
voornamelijk ten gevolge van zijn bemoeijingen, afgeschaft. Toen de groote
scheuring plaats greep, toen de partij der hervorming en de partij van het
behoud voor het eerst tegen elkander optraden, koos hij, tegelijk met vele
wijze en rechtschapen mannen, de behoudende partij. Voortaan volgde hij
de lotwisselingen van het hof, genoot van Karel I zooveel vertrouwen als de
achterhoudende natuur en de slinksche staatkunde van dien vorst ooit eeni-
gen minister betoonden; vervolgens ging hij met KarelII in ballingschap,
waar hij het staatkundig gedrag van dezen vorst leidde. Na de restauratie
werd Hyde eerste minister. Weinig maanden later maakte men bekend, dat
hij door banden van vermaagschapping aan het koninklijk huis ten nauwste
verbonden was. Zijn dochter was door een geheim huwelijk hertogin van
York geworden. Zijn kleinkinderen zouden wellicht eenmaal de kroon dra-
gen. Deze doorluchtige verbintenis plaatste hem ver boven den ouden adel
des rijks, en een tijdlang werd hij voor alvermogend gehouden. In sommige
opzichten was hij voor zijn hooge betrekking wel berekend. Niemand schreef
degelijker staatsstukken; niemand wist in den raad en in het parlement
met zooveel nadruk en waardigheid het woord te voeren; niemand was zoo
bedreven in de algemeene beginselen van staatsbeleid; niemand wist de
verscheidenheden van het menschelijk karakter met scherper blik te door-
zien. Men moet hier nog bij voegen, dat hij een diep gevoel voor zedelijke
en godsdienstige verplichtingen had, oprechten eerbied voor de wetten des
lands koesterde en nauw zorg droeg voor de eer en de belangen der kroon.
Maar hij was gemelijk en hoogmoedig van aard en kon geen tegenspraak
dulden. Bovendien, hij was langen tijd een balling geweest, en deze om-
standigheid alleen ware reeds voldoende geweest om hem ongeschikt te
maken voor de opperleiding der zaken. Het is bijna niet mogelijk, dat
een staatsman, die ten gevolge van inwendige onlusten genoodzaakt werd
in ballingschap te gaan en vele der beste jaren zijns levens buiten\'s lands
door te brengen, op den dag zijner terugkomst al dadelijk bekwaam zal
zijn de teugels van het bestuur in handen te nemen. Clarendon maakte
geen uitzondering op dezen regel. Hij was uit Engeland vertrokken, het ge-
moed nog verbitterd door den zwaren strijd, die met den val zijner partij
en van zijn eigen bestaan geöindigd was. Van 1646 tot 1660 had hij aan
gene zijde van het Kanaal geleefd en al wat in zijn vaderland gebeurde
op verren afstand en van een verkeerd standpunt bezien. Zijn meeningen
aangaande den toestand der openbare aangelegenheden waren noodwendig
aan de berichten van samenzweerders ontleend, waaronder velen verarmde
en vertwijfelde menschen waren. De staatsgebeurtenissen kwamen hem
natuurlijk al of niet gunstig voor, niet naarmate zij den voorspoed en den
roem der natie vermeerderden, doch naarmate zij strekten om de ure van
zijn terugkeer al of niet te verhaasten. Zijn wensch, een wensch, dien hij niet
-ocr page 144-
120
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
verbloemd heeft, was dat zijn landgenooten nimmer in het genot van rust
of vrijheid mochten komen, zoolang zij het oude stamhuis niet teruggeroepen
hadden. Eindelijk mocht hij terugkeeren en, zonder dat hem een enkele
week werd vergund om eens rond te zien, om gezelschappen te bezoeken,
om de veranderingen gade te slaan, welke veertien hachelijke jaren in het
karakter en in de gevoelens der natie te weeg hadden gebracht, werd hij
eensklaps aan het roer van den staat geplaatst. In zoodanige omstandighe-
den zou zelfs een minister, met den fijnsten tact en met de grootste leer-
zaamheid bedeeld, tot ernstige dwalingen vervallen zijn. Doch dien tact en
die leerzaamheid vond men niet in Clarendons karakter. Voor hem was
Engeland nog altijd het Engeland zijner jeugd en met minachting zag hij
neer op alle theorie en alle praktijk, die gedurende zijn ballingschap ont-
staan was. Hoewel hij er verre af was het aloud en onbetwijfeld gezag
van het Lagerhuis in \'t minst te willen aanranden, sloeg hij nochtans het
toenemen dier macht met de grootste onrust gade. Het prerogatief der
kroon, waarvoor hij zooveel geleden en door hetwelk hij eindelijk rijkdom
en aanzien erlangd had, was in zijn oog heilig. De rondhoofden zag hij
evenzeer met politischen als met persoonlijken afkeer aan. Der anglicaan-\'
sche kerk was hij altijd innig toegedaan geweest en hij had, wanneer het
haar belang gold, zich herhaaldelijk en met leedwezen zelfs van zijn beste
vrienden gescheiden. Zijn ijver voor het episcopaat en voor het algemeen
gebedenboek was thans vuriger dan ooit en met een wraakzuchtigen haat
tegen de puriteinen gemengd, die hem noch als staatsman noch als christen
tot eer verstrekte.
Zoolang het Huis der Gemeenten, dat de regeerende dynastie terugge-
roepen had, bijeenbleef, was het niet mogelijk de oude kerkordening weder
in te voeren. Niet alleen werden de voornemens van het hof strikt verborgen
gehouden, maar ook had de koning op de plechtigste wijze verzekeringen
afgelegd, die de gemoederen der gematigde puriteinen bevredigden. Hij had,
eer hij nog op den troon hersteld was, zijn onderdanen gewetensvrijheid
beloofd. Thans herhaalde hij die belofte, en voegde daarbij de toezegging,
dat hij de ijverigste pogingen zou aanwenden om een schikking tusschen de
twistende secten tot stand te brengen. Hij wenschte, zeide hij, het beheer
der kerkelijke zaken tusschen bisschoppen en synoden verdeeld te zien. De
liturgie zou door een commissie van godgeleerden herzien worden, die voor
de helft uit presbyterianen bestaan zou. De vraagpunten aangaande het
kerkgewaad, de houding, waarin het heilig avondmaal moest gebruikt wor-
den, en het teeken des kruises bij den doop, zouden opgelost worden op een
wijze, die schroomvallige gewetens gerust zou stellen. Toen de koning op
deze wijze de waakzaamheid dergenen, die hij het meest vreesde, in slaap
had gewiegd, ontbond hij het parlement. Hij had reeds zijn goedkeuring
gehecht aan een besluit, waarbij op weinig uitzonderingen na amnestie
verleend werd aan allen, die zich tijdens de jongste onlusten aan politische
misdrijven schuldig hadden gemaakt. Ook had hij van het Lagerhuis een
levenslange inwilliging van belastingen erlangd, waarvan de jaarlijksche
opbrengst op twaalf honderdduizend pond geschat werd. De werkelijke
opbrengst beliep inderdaad, eenige jaren lang, weinig meer dan een
-ocr page 145-
ONDER KAREL II.
121
millioen; deze som echter, gevoegd bij de erfelijke inkomsten der kroon,
was toen voldoende tot bestrijding der kosten van het beheer in vredes-
tijd. Voor het onderhoud eener staande legermacht werd niets toege-
staan; de bloote naam daarvan maakte de natie reeds ziek en de ge-
ringste melding van zulk een macht zou alle partijen verbitterd en verontrust
hebben.
Alireraeene ver- In het voorjaar van 166 r had een algemeene verkiezing plaats.
mi. De natie was buiten zich zelve van loyale geestdrift. De hoofd-
stad hield zich uitsluitend bezig met toebereidselen tot het prachtigste kro-
ningsfeest, dat men immer gezien had. De uitslag was, dat een vergadering
van vertegenwoordigers verkozen werd, zoo als Engeland er nog nooit eene
had opgeleverd. Een groot gedeelte der verkozenen bestond uit mannen,
•die vcor de kroon en de kerk gekampt hadden, en wier gemoederen, door
menigvuldige van de rondhoofden verduurde nadeelen en beleedigingen, in
•de hoogste mate verbitterd waren. Toen de leden bijeenkwamen, werden
de driften, die elk hunner in het bijzonder bezielden, door onderlinge sym-
pathie nog versterkt. Het Huis der Gemeenten was eenige jaren lang meer
lconingsgezind dan de koning, meer episcopaalschgezinddande bisschoppen.
Karel en Clarendon zelve ware bijna ontsteld door den verrassenden uitslag;
zij hadden meer verkregen, dan zij ooit hadden verwacht. Zij bevonden zich
in .een stelling, niet ongelijk aan die van Lodelijk XVIII en den hertog van
Richelieu tijdens de zitting der kamer van 1815. Zelfs, al had de koning
gewenscht de beloften na te komen, die hij den presbyterianen gedaan had,
het zou hem niet mogelijk geweest zijn. Slechts door de krachtigste aanwen-
ding van zijn invloed kon hij de zegevierende cavaliers weerhouden de in-
demniteitsacte te herroepen en zich zonder genade te wreken over al wat zij
verduurd hadden.
Hevigheid der Het Lagerhuis bepaalde al aanvankelijk, dat elk lid op straffe
cavaliers in het                  ...                      ,                                                 ,              . .            .
nieuwe Parlement, van uitzetting het avondmaal zou nemen, volgens de door de
oude liturgie voorgeschreven wijze en het covenant door beulshanden
in het openbaar verbrand zou worden. Er werd een wet aangenomen,
waarbij niet slechts den koning de macht van het zwaard bij uitsluiting
toegekend, maar bovendien nog verklaard werd, dat de Huizen in geen
uiterste hoegenaamd gerechtigd waren hem met kracht van wapenen te
weerstaan. Een andere wet schreef elk gemeentelijk beambte den eed
voor, dat hij verzet tegen het koninklijk gezag, in elk denkbaar geval, voor
onwettig hield. Eenige heethoofden wilden zelfs een wetsvoordracht aan-
bieden, waarbij de door het lange parlement uitgevaardigde wetsverorde-
ningen allen zonder onderscheid vernietigd en zoowel de Sterrekamer als de
Hooge Commissie hersteld zouden worden; hoe hevig echter de reactie ook
was, tot dit uiterste ging zij niet over. De wet, dat het parlement om de drie
jaar bijeen zou komen, bleef geldig; maar de dwangbepalingen, waarbij de
kiesbeambten gelast werden te bekwamer tijd, des noods zonder koninklijke
oproepingsbrieven, tot de verkiezingen over te gaan, werden ingetrokken.
De bisschoppen werden op hun zetels in het Hoogerhuis hersteld. De oude
kerkordening en de oude liturgie werden weder ingevoerd, zonder eenige
wijziging ondergaan te hebben, die tot verzoening zelfs der meest gematigde
-ocr page 146-
122 •                                  GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
presbyterianen had kunnen strekken. De bisschoppelijke priesterwijding
werd thans, voor het eerst, tot een volstrekt vereischte voor het bekleedert
van kerkbedieningen gemaakt. Meer dan tweeduizend leeraren, wien hun
geweten niet veroorloofde zich met de staatskerk te vereenigen, werden op
denzelfden dag uit hun bedieningen ontzet. De heerschende partij herin-
nerde hun zegevierend, dat het lange parlement, toen het op het toppunt
zijner macht stond, een nog veel grooter aantal koningsgezinde geestelijken
uit hun ambt had verdreven. Dat verwijt was maar al te gegrond; doch het
lange parlement had ten minste den geestelijken, die het afzette, een onder-
steuning toegekend, die hen althans tegen gebrek kon behoeden; de cavaliers
echter, verblind door haat, waren niet rechtvaardig en mensch\'ievend ge-
noeg om dit voorbeeld te volgen
vcrvoiKhutrn Daarop volgden strafwetten tegen de nonconformisten, wetten-
tegen & ptiri-                   r               .,              ...                       .           ,,                     ,
teinen. waarvan men in de punteinsche wetgeving slechts te veel ante-
cedenten kon vinden, maar waaraan de koning zijn zegel niet kon hechten,
wilde hij de beloften niet schenden, die hij in het openbaar, in het gewichtigste
keerpunt zijns levens, aan diegenen had afgelegd, van wie zijn lot afhing. In
den uitersten kommer en schrik, namen de presbyterianen hun toevlucht tot
den troon en beriepen zich op de diensten, die zij onlangs bewezen hadden,
en op het koninklijk woord, dat hun plechtig en herhaaldelijk tot pand ge-
geven was. De koning weifelde. Hij kon zijn eigen hand en zegel niet ver-
loochenen. Hij moest beseffen, dat hij hun, die hem om bescherming
smeekten, veel verschuldigd was. Het lag niet in zijn aard dringende solli-
citanten terug te wijzen. Zijn inborst was niet die van een vervolger. Hij
was voorzeker afkeerig van de puriteinen; doch in hem was afkeer een
zwak gevoel, dat zeer weinig van den gloeijenden haat had. die het hart van
Laud had vervuld. Hij was bovendien de roomsche kerk genegen en hij
wist, dat het onmogelijk zijn zou, de belijders van dat geloof godsdienstvrij-
heid toe te kennen, zonder aan de protestantsche afgescheidenen dezelfde
gunst te verleenen. Hij stelde derhalve een flauwe poging in het werk om
den onverdraagzamen ijver van het Lagerhuis in toom te houden, doch dat
Huis was onder den invloed van veel krachtiger overtuigingen en van veel
sterker driften dan de zijne. Na eenige tegenkanting gaf hij toe, en keurde
onder den schijn van geloofsijver een reeks van hatelijke wetten tegen de
afgescheidenen goed. Het bijwonen eener godsdienstoefening van afgeschei-
denen werd tot een misdaad gemaakt. Een eenvoudig vrederechter mocht
zonder een jury te hooren vonnissen, en bij de derde overtreding van dien
aard tot zevenjarige deportatie naar de overzeesche bezittingen des rijks ver-
oordeelen. Er werd met verfijnde wreedheid voor gezorgd, dat de over-
treder niet naar Nieuw-Engeland vervoerd werd, waar hij kans had deel-
nemende vrienden aan te treffen Keerde hij voor den afloop van den tijd
zijner ballingschap naar het vaderland terug, dan kon hij met den dood
gestraft worden. Een nieuwe en hoogst onbillijke zuiveringseed werd den
geestelijken opgelegd, die om afwijking van de heerschende kerk van hun
bedieningen beroofd waren, en al degenen, welke dien eed weigerden, trof
het verbod om eenige stad, die door een raad (corporatie) bestuurd, of die
in het parlement vertegenwoordigd werd, of waar zij zelve als leeraren ge-
-ocr page 147-
123
ONDER KAREL II.
vestigd geweest waren, op vijf mijlen afstands te naderen. Tot de overheids-
personen, die voor de uitvoering dezer harde bepalingen te zorgen hadden,
behoorden meestal mannen, die door partijgeest en door de herinnering van
tijdens de republiek door hen zelve geleden verongelijkingen, hoogelijk ver-
bitterd waren. De gevangenissen waren dus al spoedig vol dissenters; en
onder die lijders waren er sommigen, op wier begaafdheden en deugden
elke christelijke maatschappij trotsch had mogen zijn.
WJJnMBtï1 ^e kerk van Engeland was niet ondankbaar voor de be-
het"fSapk."°\' scherming, die zij van de regeering genoot. Sedert den
eersten dag van haar bestaan was zij der monarchie toegedaan geweest. Maar
gedurende de eerste vijf-en-twintig jaar, die op de restauratie volgden, ging
haar ijver voor het gezag en de erfelijke rechten van het koningschap alle
grenzen te buiten. Zij had met het Huis van Stuart geleden, en was tegelijk
met dat Huis hersteld geworden. Zij was er door overeenstemming van
belangen en van betrekkingen van vriendschap en vijandschap nauw mede
verbonden. Het scheen niet mogelijk, dat ooit een dag zou aanbreken, waarop
de banden, die haar aan de kinderen van haar doorluchtigen martelaar
hechtten, vaneengescheurd zouden worden, en dat de verkleefdheid, waarop
zij zoo zeer roemde, ophouden zou een aangename en voordeelige plicht te
zijn. Met slaafsche taal vijzelde zij diensvolgens het prerogatief op, dat
bestendig te harer verdediging en vergrooting gebezigd werd. en veroor-
deelde zeer op haar gemak de ontaardheid dergenen, welke een verdruk-
king, waarvan zij niet te lijden had, tot oproer aangespoord had. De leer
der nonresistance ■) was haar stokpaardje. Zonder eenig voorbehoud ver-
spreidde zij die leer en kwam haar na tot in de uiterste gevolgtrekkingen.
Haar volgelingen werden het nooit moede te verkondigen, dat in geen denk-
baar geval, zelfs niet, indien Engeland met een koning, als Busins of Phalaris,
gestraft werd, die de wetten ten spot en zonder den minsten schijn van
recht dagelijks honderden onschuldige offers tot marteling en dood zou
doemen, de gezamenlijke Staten des rijks gerechtigd zijn zouden zijn
dwingelandij met geweld te keer te gaan. Gelukkig levert de aard der men-
schelijke natuur overvloedige zekerheid op, dat zulke theorieën nooit iets
meer dan holle klanken zullen zijn. De dag der beproeving kwam, en men
zag dezelfde mannen, die de luidste en meest oprechte betuigingen van deze
buitensporige loyauteit afgelegd hadden, bijna in elk graafschap van Enge-
land, met de wapenen in de hand, tegen den troon optrekken.
De grondeigendommen in het gansche koninkrijk gingen thans op nieuw
in andere handen over. De nationale veilingen, niet van parlementswege
bekrachtigd, werden door de gerechtshoven nietig beschouwd. De souve-
rein, de bisschoppen, dekens en kerkkapittels, de koningsgezinde adel en
gentry herkregen hun in beslag genomen goederen en verdreven zelfs koo-
pers, die billijke prijzen betaald hadden. Voor de verliezen, die de cavaliers
geleden hadden, toen hun tegenstanders de overhand hadden, werden zij
op die wijs voor een gedeelte schadeloos gesteld; doch voor een gedeelte
slechts. Alle gedingen wegens genoten vruchtgebruik waren door de alge-
\') Verwerping van feitelijken tegenstand.
-ocr page 148-
124                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
meene amnestie bepaald geweerd, en de vele royalisten, die, verre be-
neden de waarde, land verkocht hadden om door het parlement opgelegde
boeten te voldoen of om de gunst van machtige rondhoofden te koopen,
werden van de wettelijke gevolgen hunner eigen handelingen niet ontheven.
venuferiacla Terwijl deze wisselingen gaande waren, vond een nog veel be-
tonden &r ,
        ../          .        . f      j                              .                ,
natie. langnjker omkeer in de zeden en gewoonten der maatschappij
plaats, Die hartstochten en neigingen, welke onder de heerschappij der
puriteinen streng onderdrukt, en zoo al, dan toch slechts ter sluik bevre-
digd waren geworden, braken met toomelooze onstuimigheid los, zoodra die
druk was opgeheven. De menschen gaven zich aan beuzelachtige vermaken
en aan misdadige genoegens over met de gretigheid, die het natuurlijk ge-
volg van langdurige en gedwongen onthouding is. De openbare meening
stelde danr weinig perken aan. Want de natie, van sectentaal walgend, den
schijn van vroomheid niet meer vertrouwend en nog vol van den pas ver-
duurden druk van heerschers, die streng in hun wandel en sterk door het ge-
bed waren, zag een tijd lang met welgevallen op de nieuwe ondeugden neder,
alleen om haar streelend en aanlokkelijk uiterlijk. De regeering was er nog
verder af dit te verhinderen. Inderdaad, er was geen buitensporigheid denk-
baar, die niet door de praatzieke losbandigheid van den koning en zijn gunste-
lingen aangemoedigd werd. Eenige weinige raadslieden van Karel I, die toen
niet meer jong waren, bewaarden de voegzame deftigheid, die voor dertig
jaar te Whitehall in het oog gehouden werd. Tot dezen behoorde Claren-
don zelf en zijn vrienden, de lord-thesaurier Thomas Wriothesley, graaf van
Southampton, en James Butler, hertog van Ormond, die de belangen van
het koningschap in Ierland onder velerlei lotwisselingen heldhaftig verde-
digd had en dat koninkrijk thans als lord-luitenant bestierde. Doch de her-
innering aan de diensten dezer mannen, evenmin als hun groote macht in
den staat, kon hen tegen de schampere spotternijen behoeden, die jonge, over-
moedige verdorvenheid zoo gaarne tegen verouderde deugd richt. De roem
van fijngemanierdheid en geestigheid was thans bijna niet anders te verkrij-
gen, dan door de eene of andere grove schennis der welvoeglijkheid. Groote
en veelzijdige talenten hielpen de besmetting verbreiden. De zedekundige
wijsbegeerte had onlangs een richting gekozen, bijzonder geschikt om aan
een geslacht te bevallen, dat der monarchie en der zedeloosheid in gelijke
mate toegedaan was. Thomas Hobbes had in bepaalder en duidelijker taal
dan ooit eenig metaphysisch schrijver gebezigd heeft, betoogd, dat \'s vor-
sten wil de maatstaf van goed en kwaad was en elk onderdaan bereid
moest wezen het pausdom, het islamisme, of het heidendom te belijden,
al naar \'s konings gebod het voorschreef. Duizenden, die onbekwaam waren
in zijn metaphysische vertoogen datgene te waardeeren, wat wezenlijk
waarde bezat, omhelsden gretig een theorie, die de koninklijke waardigheid
verhoogde, maar de beginselen der zedelijkheid sloopte en de godsdienst tot
een bloote staatsinstelling verlaagde. Weldra werd hobbisme bijna het
hoofdvereischte, zoo men den naam van een wel ontwikkeld, beschaafd man
wilde hebben. Alle lichter soorten van letterkunde droegen den stempel
der heerschende zedeloosheid. De dichtkunst leende er zich toe de tolk van
alle lage driften te zijn. In plaats van misdaad en dwaling te doen blozen,
-ocr page 149-
ONDER KAREL II.
125
richtte het vernuft zijn geduchte pijlen tegen onschuld en waarheid. De her-
stelde kerk kampte wel tegen de hand over hand toenemende onzedelijk-
heid, maar streed zonder kracht en niet van harte. De eerbaarheid van haar
wezen leidde haar den plicht op haar dwalende kinderen tot inkeer te
vermanen, doch haar vermaningen werden op een ietwat onverschillige
wijze gegeven; haar aandacht was op een ander punt gevestigd. Van
ganscher harte daarentegen was zij bezig de puriteinen te vernederen en
haar volgelingen te leeren den keizer te geven wat des keizers was. Zij was
geplunderd en verdrukt door de partij, die strenge zedelijkheid predikte.
Zij was door wereldlingen in haar aanzien en bezittingen hersteld. Hoe
ongeneigd de vrienden van genot en mode ook wezen mochten om over-
eenkomstig haar voorschriften te leven, zij waren bereid tot aan de kniedn
in het bloed te waden, wanneer het gold haar hoofdkerken en paleizen, elk
woord van haar kerkvoorschriften, eiken draad van haar gewaad te verdedi-
gen. Bezocht de losbandige cavalier bordeelen en speelhuizen, hij vermeed
dan toch de conventicles.\') Opende hij zijn mond niet, zonder vuile en gods-
lasterlijke taal uit te stooten, hij vergoedde dit eenigszins door den ijver,
waarmede hij Baxter en Howe om hun predikatiën en gebeden naar het
tuchthuis wenschte.
De geestelijkheid voerde dus een tijd lang een zoo hevigen strijd tegen de
scheurmakerij, dat haar slechts weinig gelegenheid overbleef, om tegen de
ondeugd te kampen. De losbandige taal van Etherege en Wycherley werd
openlijk, in tegenwoordigheid en met bijzondere goedkeuring van het hoofd
der kerk, van vrouwelijke lippen aan vrouwelijke toehoorders voorgedragen;
terwijl de schrijver van des Christens Pelgrimstocht in een kerker smachtte,
omdat hij de misdaad begaan had het evangelie aan de armen te verkondi-
gen. Het is een ontegenzeggelijk en allerleerrijk feit, dat de jaren, in
welke de politische macht der anglicaansche hiërarchie het hoogste toppunt
bereikt had, ook die waren, in welke de deugd der natie tot den laatstmoge-
lijken trap was gezonken.
Verdorvenheid Bijna geen stand of beroep ontging de besmetting der heer-
penonen. schende zedeloosheid; doch de personen, die van staatkunde
hun hoofdbezigheid maakten, waren wellicht het meest verdorven gedeelte
der diepverdorven maatschappij. Want zij stonden niet alleen bloot voor
den schadelijken invloed, die de natie in het algemeen besmette, maar boven-
dien nog aan een bederf van bijzondere en hoogstboosaardige uitwerking.
Hun karakter had zich gevormd te midden van herhaalde en hevige omwen-
telingen en tegenomwentelingen. Binnen weinige jaren tijds hadden zij de
kerkelijke en burgerlijke instellingen van hun land herhaaldelijk zien ver-
anderen. Zij hadden een episcopale kerk gezien, die de puriteinen vervolgde,
een puriteinsche, die de episcopalen, en eindelijk weder een episcopale, die
de puriteinen vervolgde. Zij hadden de erfelijke monarchie zien afschaffen
en herstellen. Zij hadden tot driemaal toe het lange parlement de opperste
macht in den staat zien uitoefenen en driemaal onder den hoon en de ver-
wenschingen der gansche natie het zien ontbinden. Zij hadden gezien, hoe
\') Heimelijke godsdienstige bijeenkomsten der puriteinen.                           V.
-ocr page 150-
126                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
een nieuwe dynastie met rassche schreden ten toppunt van macht en roem
gestegen en daarop plotseling, zonder eenigen tegenstand, van den staats-
zetel geworpen was. Zij hadden een nieuw vertegenwoordigingsstelsel zien
ontwerpen, beproeven en verlaten. Zij hadden een nieuw Huis der Lords zien
vormen en uiteenjagcn. Zij hadden de uitgestrektste eigendommen met ge-
weld van de cavaliers op de rondhoofden en van de rondhoofden weder op
de cavaliers zien overgaan. Terwijl dit alles plaats greep kon niemand zich
met ijver en vrucht der staatkunde toewijden, zoo hij niet vooraf gereed was
met elke wisseling der fortuin tevens ook zelf van kleur te wisselen. Slechts
in het ambteloos leven was het mogelijk den naam, hetzij van een standvastig
royalist of van een standvastig republikein te handhaven. Hij, die in zulk
een tijdperk zich grootheid op het staatstooneel ten doel stelt, moet het
streven naar vaste onveranderlijke begrippen laten varen. In plaats van zich
te midden van eindelooze verandering op onwrikbaarheid te beroemen, moet
hij met altijd waakzamen blik de voorteekenen eener aanstaande reactie
gadeslaan. Hij moet het meest geschikte oogenblik waarnemen om zich aan
een verloren zaak te onttrekken. Na zich op allerlei wijzen met een partij te
hebben ingelaten, zoolang zij de bovenhand had, moet hij, wanneer haar
tegenspoeden aanvangen, zich onverhoeds van haar losmaken, haar aanvallen
en vervolgen, en, in gemeenschap met nieuwe bondgenooten een nieuwen
weg tot macht en voorspoed betreden. Zijn toestand brengt natuurlijk gaven
en ondeugden van geheel eigenaardige soort in hem tot den hoogsten trap
van ontwikkeling. Hij paart aan snelheid van blik vruchtbaarheid van hulp-
middelen. Zonder eenige inspanning weet hij den toon van elke secte of
partij aan te nemen, waarmede hij in aanraking komt. Hij onderscheidt de
teekenen des tijds met een scherpzinnigheid, die der menigte verwonderlijk
toeschijnt, een scherpzinnigheid, gelijk aan die, waarmede een ervaren poli-
tiebeambte de geringste aanduiding eener misdaad nagaat, ofeenRood-
huid een spoor door het woud volgt. Maar zelden zullen wij in een al-
dus gevormden staatsman rechtschapenheid, standvastigheid of een enkele
der deugden van den edelen stam der waarheid aantreffen. Hij heeft geen
vertrouwen in eenige leer, geen ijver voor eenige zaak. Hij heeft zoo veel
oude instellingen zien vergaan, dat hij geen eerbied meer heeft voor de oud-
heid. Hij heeft zoo veel nieuwe instellingen, van welke veel verwacht werd,
louter teleurstelling zien opleveren, dat hij geen hoop op verbetering kan
koesteren. Hij lacht evenzeer om hen, die angstig op behoud bedacht zijn,
als om hen, die ijveren voor hervorming. Niets is er in den staat, dat hij
niet, zonder schroom noch schaamte, zou durven helpen verdedigen of ver-
nielen. Trouw jegens vrienden en jegens eigen overtuiging schrijft hij alleen
aan bekrompenheid van geest toe. De staatkunde beschouwt hij niet als een
wetenschap, die het geluk der menschheid ten doel heeft, maar als een
opwekkend, deels door het toeval, deels door behendigheid te besturen spel,
waarbij een vlug en gelukkig speler een landgoed, een adelskroon, wellicht
een koningskroon kan winnen, en een enkele ondoordachte beweging het
verlies van goed en leven ten gevolge kan hebben. Van alle hoogere en
menschlievende gevoelens ontbloot, wordt nu de eerzucht, die in goede
tijden en in goede harten schier een deugd is, een zelfzuchtige begeerlijkheid,
-ocr page 151-
127
ONDER KAREL II.
weinig minder onedel dan schraapzucht. Onder de staatsmannen, die van
de restauratie tot aan de troonsbestijging van het Huis van Hanover aan het
hoofd der groote staatspartijen gestaan hebben, kunnen er zeer weinige ge-
noemd worden, wier naam niet de smet draagt van hetgeen in onzen tijd
schandelijke ontrouw en omkoopbaarheid zoude heeten. Ja, het is weinig
overdreven te beweren, dat de onzedelijkste der openbare personen, die
bij onze geheugenis deel genomen hebben aan de staatsaangelegenheden,
voor nauwgezet en belangeloos zouden moeten doorgaan, werd hun gedrag
aan den maatstaf getoetst, die in de laatste helft der zeventiende eeuw
gold.
""ftSSfiS1\'" Terwijl deze staatkundige, godsdienstige en zedelijke veran-
deringen in Engeland plaats grepen, was het koninklijk gezag in elk ander
gedeelte der britsche eilanden zonder moeite hersteld. In Schotland werd de
terugkomst der Stuarts met geestdrift toegejuicht; want het werd als de
wedergeboorte der nationale onafhankelijkheid beschouwd. En werkelijk
werd dan ook het juk, dat Cromwell opgelegd had, schijnbaar weggenomen;
de Staten kwamen te Edinburgh weder in hun oude vergaderzaal bijeen en de
raadsheeren van het hoog-gerechtshof handhaafden de schotsche wet weder
op de aloude wijze. Noodwendig echter bestond de onafhankelijkheid van het
kleine koninkrijk meer in schijn dan in wezen; want zoo lang de koning En-
geland aan zijn zijde had, had hij niets van misnoegdheid in zijn overige be-
zittingen te vreezen. Hij bevond zich thans in een stelling, waarin hij de
poging, die voor zijn vader verderfelijk geweest was, kon herhalen zonder ge-
vaar, dat hij het lot zijns vaders zou deelen. Karel I had getracht den Schotten
zijn geloof op te dringen door middel van zijn koninklijke macht opeen oogen-
blik, dat zoowel zijn kerkelijke als zijn koninklijke macht in Engeland gehaat
was, en hij had niet alleen gefaald in dat voornemen, maar bovendien on-
lusten verwekt, die hem eindelijk de kroon en het hoofd kostten. Thans waren
de tijden veranderd: Engeland was ijverig monarchaal en prelaatsgezind;
derhalve kon het ontwerp, dat bij het vorige geslacht in de hoogste mate ge-
waagd was, thans, zonder groot gevaar voor den troon, weer opgenomen wor-
den. De regeering besloot een episcopale kerk in Schotland op te richten. Dit
voornemen werd gewraakt door eiken Schot, wiens oordeel in aanmerking ver-
diende genomen te worden. Eenige schotsche staatsmannen, die \'s konings
prerogatief ijverig voorstonden, waren als presbyterianen opgevoed. Schoon
weinig door gemoedsbezwaren gekweld, bleven zij nochtans aan het geloof
hunner kindsheid de voorkeur schenken en wisten wat hechten steun dat
geloof in de gemoederen hunner landgenooten vond. Zij dienden krachtige
vertoogen in; doch toen deze zonder vrucht bleven, hadden zij geen ziels-
kracht genoeg om in een tegenstand te volharden, die hun meester aanstoot
gegeven zou hebben, en verscheidenen hunner maakten zich aan de god-
deloosheid en laagheid schuldig om te vervolgen, wat volgens hun over-
tuiging de zuiverste vorm van christelijke eeredienst was. Het schotsche
parlement was derwijze samengesteld, dat het bijna nooit ernstigen tegen-
stand geboden had, zelfs niet aan veel zwakker koningen, dan destijds Karel
was. Het episcopaat werd derhalve wettelijk ingevoerd. Ten aanzien van
den vorm der godsdienstoefening werd aan de geestelijkheid de meeste vrij-
-ocr page 152-
128
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
heid gelaten. In sommige kerken werd de engelsche liturgie gebezigd; ir»
andere kozen de leeraren daaruit zoodanige gebeden en dankzeggingen, die
geacht moesten worden den volke het minst aanstoot te zullen geven. In den
regel echter werd bij het einde der openbare godsdienstoefening de lofzang
gezongen en bij de bediening van den doop het apostolisch geloofsformulier
opgezegd. Het grootste gedeelte der schotsche natie verfoeide de nieuwe
eeredienst, als bijgeloovig en uitheemsch, als besmet met de verdorvenhe-
den van Rome, en als een bewijs van Engelands overheersching. Het kwam
evenwel tot geen algemeenen opstand. Het land was niet meer, wat het twee-
en-twintig jaar vroeger geweest was. Ongelukkige oorlogen en vreemde
overheersching hadden den fleren volksgeest gebroken. De aristokratie, die
door den middelstand en door de geringere volksklasse in hooge eer gehou-
den werd, had zich aan het hoofd der beweging tegen Karel I gesteld, maar
toonde zich volgzaam jegens Karel II. Van de engelsche puriteinen was
thans geen hulp te verwachten. Zij vormden een zwakke partij, zoowel door
de wet als door de openbare meening veroordeeld. De meerderheid der
schotsche natie onderwierp zich derhalve met zwijgenden wrok en bezocht
onder vele gewettnsknagingen de oefeningen der episcopale geestelijkheid
of van presbyteriaansche leeraars, die er zich toe geleend hadden een halve
toelating van het bestuur aan te nemen, bekend onder den naam der indul-
gentie. Doch er waren vooral in de westelijke laaglanden veel van woesten
ijver blakende en onverschrokken mannen, die staande hielden, dat de ver-
plichting om het covenant na te komen, even heilig was als de verplichting
om de overheid te gehoorzamen. Deze lieden bleven in spijt der wetten
hun bijeenkomsten houden om God naar hun overtuiging te dienen. De
indulgentie beschouwden zij niet als een gedeeltelijke vergoeding van het
ongelijk, dat de overheid der kerk aandeed, maar als een nieuwe verongelij-
king, te hatelijker, omdat ze onder het masker eener gunst vermomd was.
Vervolging, zeiden zij, kon alleen het lichaam dooden; maar de afschuwe-
lijke indulgentie was doodelijk voor de ziel. Uit de steden verdreven, kwa-
men zij op de heide en op de bergen bijeen. Werden zij door de burgerlijke
overheid overvallen, zonder aarzelen keerden zij geweld met geweld. Bij elk
conventikel verschenen zij gewapend. Herhaaldelijk gingen zij tot openlijken
opstand over. Zij werden zonder moeite ten onder gebracht, en zonder ge-
nade gestraft; doch nederlagen konden evenmin als straffen hun geest bui-
gen. Opgejaagd als wilde dieren, gefolterd totdat hun gebeente platgekneusd
was, bij honderden ingekerkerd, bij twintigtallen opgehangen, nu eens bloot-
gesteld aan den moedwil van engelsche soldaten, dan weder aan de genade
van hooglandsche rooverbenden prijs gegeven, bleven zij zich steeds met
zoo groote grimmigheid verzetten, dat de stoutste en machtigste verdrukker,
ondanks zichzelven, de roekeloosheid hunner vertwijfeling moest duchten.
st1nYcri\'un"a!a" Zoodanig was onder de regeering van Karel II, de toestand
van Schotland. Ierland was niet minder rampzalig. In dat eiland bestonden
veeten, in vergelijking met welke de hevigste verdeeldheden tusschen engel-
sche partijmannen flauw moesten schijnen. De bestaande vijandschap tus-
schen de iersche cavaliers en de iersche rondhoofden werd schier ter zijde
gesteld door den veel feller haat, die tusschen de engelsche en de celtische
-ocr page 153-
ONDER KAREL II.
129
stammen woedde. De kloof, die tusschen den bisschopsgezinde en den pres-
byteriaan bestond, scheen te verdwijnen, wanneer men ze vergeleek met den
afgrond, die beiden van den pausgezinde scheidde. De helft van den ierschen
bodem was tijdens den jongsten burgeroorlog van de overwonnen natie op
de overwinnaars overgegaan. Op de gunst der regeering konden slechts wei-
nigen zoowel van de oude als van de nieuwe grondbezitters aanspraak maken.
De roovers waren, evenzeer als de beroofden, grootendeels opstandelingen
geweest. Het bestuur werd al spoedig verlegen met de zaak; de tegenstrij-
dige eischen en de wederkeerige aanklachten der twee verbitterde partijen
verveelden het weldra. Die kolonisten, onder welke Cromwell het veroverde
gebied verdeeld had en wier afstammelingen thans nog Cromwellianen ge-
noemd worden, betoogden dat de inboorlingen des lands de engelsche natie
onder elke dynastie en het protestantsche geloof onder iederen vorm doo-
delijk vijandig waren. Zij beschreven en vergrootten de gruwelen, die den
ulsterschen opstand geschandvlekt hadden; zij maanden den koning aan
standvastig in de staatkunde van den protector te blijven volharden; en zij
schaamden zich niet zijdelings te kennen te geven, dat er nimmer vrede in
Ierland zou heerschen, zoo lang de oude iersche stam niet uitgeroeid was.
De roomsch-katholieken zochten hun misdrijf zoo verschoonbaar mogelijk
voor te stellen, en in de aandoenlijkste bewoordingen weidden zij uit over de
strengheid hunner straf, die ook in der daad niet zacht geweest was. Zij
smeekten Karel de onschuldigen niet met de schuldigen te verwarren en
herinnerden hem, dat velen der schuldigen hun dwaling hadden uitgewischt
door tot de trouw aan den koning verschuldigd terug te keeren en door zijn
rechten tegen de moordenaars zijns vaders te verdedigen. Het hof, den
overlast moede, dien het van de twee partijen ondervond, en geen reden
hebbende om een van beiden te begunstigen, redde zich eindelijk uit die
moeijelijkheden door het voorschrijven eener schikking. Het wreedaardig,
maar volkomen voor het doel berekend en krachtig stelsel, waardoor Crom-
well gehoopt had het eiland door en door engelsch te maken, werd opgegeven.
De Cromwellianen werden genoodzaakt een derde gedeelte der door hen
verworven bezittingen af te staan. Het aldus teruggegevene werd naar wille-
keur verdeeld onder de eischers, die het bestuur verkoos te begunstigen.
Zeer velen echter, die betuigden, dat zij onschuldig waren aan eenige ontrouw,
en sommigen, die beweerden, dat ze van hun verkleefdheid aan den troon
duidelijke bewijzen gegeven hadden, mochten geen teruggave of vergoeding
erlangen en hieven in Frankrijk en in Spanje luide klachten aan over de
onrechtvaardigheid en de ondankbaarheid van het huis van Stuart.
£gineu"En. Inmiddels had de regeering, zelfs in Engeland, opgehouden
ÏClat\'e\'iiS1ra°n\'?lair populair te zijn. De royalisten waren begonnen, zoowel met
het hof als onderling twist te maken; en de partij, die men overwonnen,
vertreden en zelfs vernietigd waande, doch die steeds een krachtig levens-
beginsel bewaard had, verhief het hoofd op nieuw en hervatte den einde-
loozen krijg.
Al ware het bestuur volkomen onberispelijk geweest, de geestdrift, waar-
mede de terugkeer des konings en het einde der militaire dwingelandij toe-
gejuicht werden, had niet kunnen blijven voortduren; want het ligt in den
macaulav I.                                                                                      9
-ocr page 154-
i3o
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
aard onzer natuur, dat op zulke vlagen van opgewondenheid steeds zekere
verflauwing volgt. De wijze, waarop het hof zijn overwinning misbruikte,
maakte dat die verflauwing al spoedig volgde en volkomen was. Ieder ge-
matigde was verontwaardigd over de onbeschaamdheid, wreedheid en trou-
weloosheid, waarmede de afgescheidenen behandeld werden. De strafwetten
hadden de onderdrukte partij terdege gezuiverd van die onoprechte broeders,
wier ondeugden haar tot schande gestrekt hadden, en hadden haar op nieuw
tot een rechtschapen en godvruchtige gemeente gemaakt. Als overwinnaar,
als heerscher, als vervolger, als in beslagnemer van goederen, was de puri-
tein gehaat geweest. Verraden en mishandeld, verlaten door al de huichelaars,
die zich in den tijd zijns voorspoeds zijn broeders noemden, van huis en
haard verdreven, met zware straffen bedreigd, wanneer hij het waagde te
bidden, of het avondmaal te vieren naar de wijze, die zijn geweten hem
voorschreef, en nochtans onwrikbaar in zijn besluit om God te dienen meer
dan den mensch, was de puritein thans ondanks eenige onaangename her-
inneringen een voorwerp van achting en medelijden voor alle weldenkenden
geworden Deze gevoelens versterkten zich, toen het gerucht verbreid werd,
dat het hof niet voornemens was, de papisten met die strengheid te behan-
delen, waarmede men de presbyterianen bejegende. Bij velen rees een duister
vermoeden op, dat de koning en de hertog geen oprechte protestanten waren.
Ook begonnen velen, die zich aan de strengheid en de huichelarij der puri-
teinen geërgerd hadden, de onverholen losbandigheid van het hof en de
cavaliers nog veel ergerlijker te vinden en zich zelven af te vragen, of de
stroeve nauwgezetheid van God-Lof-Barebone wellicht niet de voorkeur ver-
diende boven de ergerlijke godverzaking en zedeloosheid van een Bucking-
ham of een Sedley. Ja, zelfs menschen, die wel van zedelijkheid, maar niet
geheel en al van gezond verstand en van vaderlandsliefde ontbloot waren,
klaagden dat het bestuur de ernstigste aangelegenheden als beuzelingen be-
handelde en aan beuzelingen zijn voornaamste zorgen wijdde. Het was een
koning te vergeven, dat hij zijn ledige uren met wijn, scherts en vrouwen
sleet; maar het was ondraaglijk, dat hij tot een lediglooper, een wellusteling
zou verloopen, dat de gewichtigste staatsaangelegenheden verzuimd, de
dienst verwaarloosd en de financiën in wanorde gebracht werden, opdat
lichtekooijen en tafelschuimers rijkdommen zouden vergaren.
Een groot aantal koningsgezinden stemden met die klachten in en voeg-
den er menige scherpe aanmerking bij over \'s konings ondankbaarheid. Al
zijn inkomsten zouden voorzeker ontoereikend geweest zijn om hen allen
naar de mate van hun eigen bewustzijn van verdienstelijkheid te beloonen.
Want eiken nooddruftigen gentleman, die onder Rupert of Derby gestreden
had, kwamen de door hem bewezen diensten bij uitstek gewichtig en wat
hij geleden had uitermate hard voor. Een ieder vleide zich, dat, wat er ook
van de overigen werd, hij althans ruime vergoeding zou erlangen voor al
hetgeen hij tijdens de burgeroorlogen verloren had, en dat het herstel der
monarchie door den wederopbouw van zijn eigen vervallen fortuin gevolgd
zoude worden. Geen dezer lieden, wier verwachting zoo hooggespannen was,
kon zijn toorn bedwingen, toen hij zich onder \'s konings bestuur even arm
vond, als hij onder dat van den romp of van den protector geweest was. De
-ocr page 155-
l3l
ONDER KAREL II.
onverschilligheid en de buitensporigheden van het hof deden deze loyale
oude krijgers in bittere gramschap ontsteken. Zij zeiden, en met recht, dat
de helft van hetgeen de koning aan bijzitten en aan grappenmakers ver-
spilde, de zorgen van honderd oude cavaliers zou kunnen verlichten, die
om zijn vader behulpzaam te zijn hun eiken geveld en hun zilverwerk ge-
smolten hadden, en thans in havelooze kleeding rondzwierven, zonder te
weten waar zij een middagmaal zouden vinden.
Terzelfder tijd vond een plotselinge daling in de prijzen der landhuren
plaats. De inkomsten van eiken grondbezitter werden met vijf schellingen
per pond verminderd. De noodkreet der landbouwende standen werd in elk
graafschap des rijks gehoord; en die nood werd, als naar gewoonte, aan de
regeering geweten. De landadel, die nu een tijd lang zijn uitgaven moest ver-
minderen, zag de toenemende pracht en overdaad te Whitehall met veront-
waardiging aan en was niet van de gedachte af te brengen, dat het geld,
\'t welk tot onderhoud hunner huisgezinnen had moeten strekken, op de eene of
andere onverklaarbare wijze in handen van \'s konings gunstelingen raakte.
De gemoederen waren thans zoo gestemd, dat elke openbare handeling
aanleiding tot misnoegen gaf. Karel had Catharina. prinses van Portugal,
tot vrouw genomen. Dat huwelijk werd algemeen afgekeurd en het gemor
werd luide, toen het bleek dat de koning waarschijnlijk geen wettige nako-
melingschap zoude hebben. Duinkerken, door Cromwell aan Spanje ontno-
men, werd aan Lodewijk XIV, koning van Frankrijk, verkocht. Dit wekte
aller verontwaardiging. De Engelschen begonnen den aanwas der fransche
macht reeds met bezorgdheid gade te slaan en het huis van Bourbon met
dezelfde gevoelens aan te zien, waarmede hun voorvaderen het huis van
Oostenrijk beschouwd hadden. Was het verstandig, vroeg men, om op zulk
een tijd de sterkte eener reeds al te geduchte monarchie op eenigerlei wijze
te vermeerderen ? Duinkerken werd bovendien door de natie op prijs gesteld,
niet alleen als wapenplaats en als een sleutel tot de nederlandsche gewesten,
maar ook als een gedenkteeken van engelsche dapperheid. Het was voor
Karels onderdanen wat Calais voor een vroeger geslacht geweest was, en
wat de rots van Gibraltar, gedurende vele rampspoedige en gevaarlijke
jaren tegen de legers en vlooten van een machtig verbond zoo manmoedig
verdedigd, thans voor ons is. Het voorgeven van bezuiniging had eenig ge-
wicht kunnen hebben, ware het door een spaarzaam bestuur ingebracht. Het
was echter algemeen bekend, dat de aan het bezit van Duinkerken verbon-
den kosten oneindig minder bedroegen dan de sommen, die aan het hof in
ondeugd en dwaasheid verkwist werden. Het scheen ondraaglijk, dat een
vorst, die in al wat zijn uitspanningen betrof voorbeeldeloos spilziek was,
inhalig werd, zoodra het de veiligheid en de eer van den staat gold.
De openbare ontevredenheid groeide aan, toen men bevond dat, terwijl
Duinkerken onder het voorwendsel van bezuiniging opgegeven werd, boven-
matige kosten werden besteed aan het herstel en onderhoud der vesting van
Tanger, die een gedeelte der huwelijksgift van de koningin Catharina uit-
maakte. Aan die plaats waren volstrekt geen herinneringen verbonden, die
het nationaal gevoel konden streelen. Voor het nationaal belang bracht die
plaats niet het minste voordeel mede. Zij wikkelde het land in een roem-
-ocr page 156-
l32                                 GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
loozen, onvoordeeligen, en eindeloozen oorlog met stammen van halfwilde
Muzelmannen, en was in een klimaat gelegen, dat voor de gezondheid en
levenskracht van Engelschen bijzonder ongunstig was.
0oHoSanffn Maar het gemor, door deze misslagen uitgelokt, was nauwelijks
hoorbaar in vergelijking met de kreten, die kort daarop losbraken. De re-
geering begon een oorlog met de Vereenigde-Provinciën. Het Huis der Ge-
meenten stond zonder eenige aarzeling sommen toe, die in onze geschiedenis
zonder voorbeeld waren en meer bedroegen dan die, waarmede de vloten
en legers van Cromwell onderhouden werden, toen zijn naam de schrik der
geheele wereld was. Doch de verkwisting, de oneerlijkheid en onbekwaam-
heid dergenen, die hem in het bestuur opgevolgd waren, maakten deze
onbekrompenheid erger dan nutteloos. De pluimstrijkers van het hof, slecht
berekend om tegen de groote mannen op te treden, die destijds de holland-
sche wapenen bestuurden, tegen een staatsman als de Witt, en een vloot-
voogd als de Ruijter, maakten snel fortuin, terwijl de matrozen van honger
aan \'t muiten sloegen, de werven onbewaakt en de schepen lek en zonder
tuig waren. Eindelijk werd besloten alle plannen van aanvallenden oorlog
op te geven; en het bleek weldra, dat zelfs een verdedigende oorlog voor dat
bestuur een al te zware taak was. De hollandsche vloot zeilde de Theems op
en verbrandde de oorlogschepen, die voor Chatham lagen. Men verhaalde,
dat de koning, den dag dier groote vernedering met de dames van zijn serail
feest vierde en zich in de eetzaal met het najagen eener mot vermaakte.
Toen liet men eindelijk aan de nagedachtenis van Cromwell een spade ge-
rechtigheid wedervaren. Overal roemde men zijn dapperheid, zijn genie,
zijn vaderlandsliefde. Overal herinnerde men zich, hoe onder zijn bestuur
alle vreemde mogendheden voor den engelschen naam gebeefd, hoe de thans
zoo trotsche Staten-Generaal zich voor hem vernederd hadden, en dat bij de
verspreiding der mare van zijn dood te Amsterdam algemeen geïllumineerd
werd, alsof het een heuglijke verlossing gold; terwijl de kinderen juichend
langs de straten en grachten liepen, roepende dat de duivel dood was. Zelfs
koningsgezinden beweerden luid, dat het land slechts gered kon worden, als
men de oude soldaten der republiek te wapen riep. Weldra begon de hoofd-
stad de ellende eener blokkade te ondervinden. Brandstoffen waren bijna
niet meer te krijgen. Tilbury-fort, de plaats van waar Elizabeth met manne-
lijken moed Parma en Spanje met schampere minachting gehoond had, werd
door den vijand aangevallen. Het gebulder van het vreemde geschut klonk
den burgers van Londen voor \'t eerst en voor \'t laatst in de ooren. In den
raad werd ernstig voorgesteld den Tower te ontruimen, wanneer de vijand
nader mocht komen. Groote volksdrommen liepen in de straten bijeen, uit-
roepende dat Engeland verkocht en verraden was. De huizen en de rijtuigen
der ministers werden door het gepeupel aangerand; het scheen, dat het be-
stuur in hetzelfde oogenblik met een volksopstand en met een vijandelijken
inval te doen zoude krijgen. Dit uiterste gevaar ging wel is waar spoedig
voorbij. Er werd een verdrag gesloten, zeer verschillend van die, welke
Cromwell gewoon was geweest te onderteekenen; en de natie was op nieuw
gerust, maar in bijna geen minder wrokkende en stroeve stemming, dan in
de dagen van het scheepsgeld.
-ocr page 157-
i33
ONDER KAREL II.
De uit het wanbeheer ontsproten ontevredenheid werd verhoogd door
rampen, die de beste regeering niet had kunnen afwenden. Terwijl de sma-
delijke oorlog met Holland nog voortwoedde, werd Londen door twee zoo
ontzettende rampen getroffen, als nog nimmer een stad binnen een zoo kort
tijdsbestek hadden geteisterd. Een pestziekte, die in afschuwelijkheid alles
overtrof, wat sints drie eeuwen het eiland bezocht had, kostte binnen den
tijd van zes maanden meer dan honderdduizend menschenlevens; en nauwe-
lijks had de lijkkar haar rusteloozen gang gestaakt, toen een brand, gelijk
men er in Europa, sints de verwoesting van Rome onder Nero, geen gezien
had, de gansche City, van den Tower tot aan den Tempel, en van de rivier
tot aan de wijken van Smithfield, in puinhoopen deed verkeeren.
oppositie in Had er een algemeene verkiezing plaats gevonden, terwijl de
het nuis der ge-          .             _                          _                ,                                     11.1,
meenten, natie onder zoo veel smaad en rampen gebukt ging, de rond-
hoofden zouden waarschijnlijk het overwicht in den staat herwonnen hebben.
Maar het parlement was nog het parlement der cavaliers, verkozen in de
opgewondenheid der loyauteit, die op de restauratie gevolgd was. Desniet-
temin bleek het al ras, dat geen engelsche wetgevende vergadering, hoe
loyaal ze ook wezen mocht, zich thans vergenoegen zou slechts datgene te
zijn, wat de wetgevende macht onder de Tudors geweest was. Van Elizabeths
dood tot op het oogenblik van den burgeroorlog waren de puriteinen, die in
\'net wetgevend lichaam de meerderheid hadden, door een schrander gebruik
der macht van het geld steeds verder op het gebied der uitvoerende macht
voortgerukt. De leden, die na de restauratie in het Lagerhuis optraden,
lieten het zich ondanks hun afschuw van den puriteinschen naam zeer wel
gevallen de vruchten der puriteinsche staatkunde te erven. Zij waren inder-
daad ten volle bereid de macht, die zij in den staat bezaten, aan te wenden,
om hun koning zoo wel binnen als buiten \'s lands groot en geëerd te
maken; maar zij hadden vast besloten die macht niet uit handen te geven.
De groote engelsche omwenteling der zeventiende eeuw, waardoor het
oppertoezicht op het uitvoerend gezag van de Kroon naar het Parlement
werd overgebracht, ging in stilte, doch met snellen en vasten tred voort.
Karel, dien zijn ondeugden en dwaasheden voortdurend in iïnanciëele ver-
legenheid brachten, had geld noodig. Het Lagerhuis alleen kon hem wettig-
lijk geld toestaan. Men kon die vergadering niet verhinderen haar eigen
prijs voor haar bewilligingen te bedingen. De prijs, dien zij daarop stelde,
was deze, dat het haar vergund werd zich in elk van \'skonings voorrechten
te moeijen, zijn toestemming af te persen tot het aannemen van wetten, die
hem mishaagden, kabinetten omver te werpen, de richting aan te wijzen,
die aan de buitenlandsche staatkunde moest gegeven worden, ja zelfs het
bestuur der oorlogszaken te voeren. Luide en oprecht betuigde zij overigens
haar innige verkleefdheid aan de waardigheid en den persoon des konings.
Aan Clarendon echter was zij geen onderdanigheid verschuldigd en zij viel
hem even woedend aan, als haar voorgangsters Strafford gedaan hadden. Des
ministers deugden en ondeugden droegen beiden evenveel tot zijn val bij. Hij
v,ieTndön.\'*" was net erkende hoofd des bestuurs en werd derhalve zelfs voor die
handelingen verantwoordelijk geacht, waartegen hij zich in den raad met
nadruk, doch vergeefs verzet had. Hij werd door alle puriteinen en door
-ocr page 158-
i34
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
allen, die medelijden met hem gevoelden, voor een onverzoenlijken ijveraar,
voor een tweeden, doch veel meer begaafden, Laud gehouden. Hij had bij
alle gelegenheden het beginsel verdedigd, dat de indemniteitsakte ten stiptste
nagekomen moest worden; en dit gedeelte van zijn gedragslijn, hoe eervol
het ook voor hem was, maakte hem gehaat bij al die royalisten, welke hun
vervallen fortuin wenschten te herstellen door het dagvaarden van rond-
hoofden tot het vergoeden van schade en van verloren vruchtgebruik. De
presbyterianen in Schotland weten den val hunner kerk aan hem. De paus-
gezinden in Ierland legden hem het verlies hunner goederen ten laste.
Als vader van de hertogin van York had hij een klaarblijkelijke reden om te
wenschen, dat er een onvruchtbare koningin mocht wezen; men verdacht
hem derhalve, dat hij opzettelijk °ene zoodanige aanbevolen had. Van den
verkoop van Duinkerken werd hij met recht beschuldigd. Voor den oorlog
met Holland werd hij met minder recht aansprakelijk gehouden. Zijn driftige
inborst, zijn trotsche houding, de ergerlijke gretigheid, waarmede hij naar
schatten haakte, de praalzucht, waarmede hij ze verkwistte, zijn galerij van
kunstwerken, die de schoonste meesterstukken van van Dijk bevatte, welke
eenmaal het eigendom van thans verarmde cavaliers geweest waren, zijn
paleis, welks hooge en statige gevel zich recht tegenover de nederiger woning
onzer koningin verhief, lokte veel verdiende en sommige onverdiende aan-
merkingen tegen hem uit. Toen de hollandsche vloot op de Theems was,
wendde de woede van het gepeupel zich voornamelijk tegen den kanselier.
Zijn glazen werden ingeslagen, de boomen in zijn tuin omvergehakt en een
galg voor zijn deur opgericht. Nergens echter was hij meer gehaat dan in
het Lagerhuis. Hij kon niet beseffen, naar het scheen, dat met rassche
schreden het oogenblik naderde, wanneer dit Huis, indien het werkelijk in
wezen bleef, dan ook oppermachtig in den staat moest worden, dat de kunst
om dit Huis te leiden het belangrijkste gedeelte der staatsmacht zou worden,
en dat het onmogelijk zou zijn het bewind te blijven voeren zonder den bij-
stand van mannen, die in dat Huis hun stem wisten te doen hooren. Hij
ging halsstarrig voort het parlement te beschouwen als een staatslichaam,
op geenerlei wijze van het parlement verschillende, dat veertig jaren tevoren
zitting hield, toen hij in den Tempel \') zijn eerste rechtsstudièn begon. Hij
wenschte de wetgeving niet van het gezag te berooven, dat volgens de oude
staatsregeling des rijks in haar gevestigd was ; maar de nieuwe ontwikkeling
van dat gezag, hoe natuurlijk en onvermijdelijk ook. en schoon niet anders
te voorkomen dan door de algeheele vernietiging van dat gezag zelf, ver-
toornde en verontrustte hem. Nooit zou men hem hebben kunnen bewegen
het groot-zegel aan een bevelschrift tot het heffen van scheepsgeld te hechten,
of in den raad zijn stem uit te brengen om een parlementslid ter zake van in
de debatten gebezigde woorden in den Tower gevangen te zetten; maar toen
\') De tempel, een uitgestrekt gebouw, of, zoo men wil, een reeks van gebouwen,
gelegen bij de eenige thans nog in wezen zijnde poort der City, Temph-Bar, was in
vroegere eeuwen het verblijf der Tempeliers, en werd, na de opheffing dier orde. door
de rechtsgeleerde faculteit aangekocht en tot rechtsscholen ingericht, die thans nog
bloeijen, en, naar haar onderlinge ligging, den naam voeren van Inner- en MidJle-
Temple.
                                                                                                      V.
-ocr page 159-
«35
ONDER KAREL II.
het Lagerhuis begon na te vorschen, op welke wijze de gelden, tot het voeren
van den oorlog verstrekt, verkwist waren, en onderzoek te doen naar het
slecht beheer der zeemacht, toen gloeide hij van verontwaardiging. Zulk een
onderzoek, zeide hij, behoorde niet tot het gebied des parlements. Hij gaf
toe, dat het Huis een zeer loyale vergadering was, dat het der kroon goede
diensten had bewezen, en dat de bedoelingen der leden voortreffelijk waren;
doch zoowel in het openbaar als in vertrouwelijke gesprekken gaf hij bij elke
gelegenheid zijn leedwezen te kennen, dat mannen, die der kroon zoo oprecht
toegedaan waren, de prerogatieven des konings zoo onberaden aanrandden.
In welke mate ook hun gezindheid van die des Langen Parlements mocht
verschillen, zoo traden zij nochtans, naar hij zeide, in de voetstappen van dat
parlement, daar zij zich met zaken bemoeiden, die buiten den werkkring der
staten van het rijk lagen, en die bij uitsluiting van het gezag der kroon af-
hingen. Hij beweerde, dat het land nooit goed bestuurd zou worden, zoo lang
de vertegenwoordigers der graafschappen en die der steden zich niet ver-
genoegden met te zijn wat hun voorgangers ten tijde van Elizabeth geweest
waren. Al de plannen, die met het doel om een goede verstandhouding
tusschen het hof en het Lagerhuis te bewaren ontworpen werden door man-
nen, die meer dan hij op de teekenen des tijds letten, verwierp hij met
smaad, als onbekookte plannen, onbestaanbaar met het oude engelsche
staatswezen. Tegenover de jonge redenaars, die in het Lagerhuis onder-
scheiding en aanzien verwierven, was zijn houding onaangenaam; en hij
wist hen allen, bijna zonder uitzondering, tot zijn vijanden te maken.
Inderdaad, een zijner hoofdgebreken was een overdreven minachting der
jeugd; en die minachting was te minder te rechtvaardigen, naardien zijn
eigen ervaring in de engelsche staatsaangelegenheden volstrekt in geen ver-
houding tot zijn jaren stond. Want hij had een zoo groot gedeelte van zijn
leven buiten \'s lands doorgebracht, dat hij, van de wereld, in welke hij zich
na zijn terugkeer verplaatst vond, minder wist dan velen, die zijn zonen had-
den kunnen wezen.
Om deze redenen haatte hem het Lagerhuis. Om geheel andere redenen
haatte het hof hem evenzeer. Zijn zeden, even als zijn staatkunde, waren
die van een vroeger geslacht. Zelfs toen hij nog een jeugdig student in de
rechten was, die veel met geestige en levenslustige gezellen verkeerde, had-
den hem zijn aangeboren ernst en zijn godsdienstige beginselen in vele op-
zichten behoed tegen de besmetting der uitspattingen van zijn tijd; en het
was in geenen deele te verwachten, dat hij, tot hooger leeftijd gekomen en
met een verzwakte gezondheid, tot een losbandige levenswijze zou overslaan.
De gebreken der dartele jeugd zag hij bijkans met even bitteren en min-
achtenden weerzin aan, als de theologische dwalingen der sectarissen. Hij
liet geen gelegenheid voorbijgaan om zijn afkeer aan den dag te leggen van
de potsenmakers, zwelgers en boeleersters, die in het paleis elkander ver-
drongen; en de vermaningen, die hij tot den koning zelve richtte, waren
zeer scherp, en wat Karel nog veel hinderlijker was, zeer langwijlig. Bijna
geen enkele stem verhief zich in het belang van den minister, die, door feiten,
welke de volkswoede gaande maakten, en door deugden, die den souverein
tot plaag en tot last verstrekten, een tweevoudigen haat op zich geladen had.
-ocr page 160-
I 36                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
Southampton was dood. Ormond vervulde de plichten der vriendschap met
mannelijken moed en trouw, maar vruchteloos. De val des kanseliers was
groot. De koning ontnam hem hetzegel; het Huis der Gemeenten stelde hem
in staat van beschuldiging; zijn hoofd was niet veilig meer; hij ontvluchtte
het land]; hij werd bij wetsbesluit tot eeuwigdurende ballingschap veroor-
deeld, en zij die hem aangevallen en zijn gezag ondermijnd hadden, begonnen
elkander de overblijfselen zijner macht te betwisten.
Het prijs geven van Clarendon had den brandenden dorst naar wraak
eenigszins gelescht. De toorn echter, dien de verkwisting en de nalatigheid
der regeering, zoowel als de slechte uitkomsten van den jongsten oorlog ver-
wekt hadden, was nog in geenen deele bekoeld. Karels raadslieden, die het
lot des kanseliers voor oogen hadden, waren op eigen veiligheid bedacht.
Diensvolgens raadden zij hun meester aan de opgewondenheid te beda-
ren, die zoowel in het parlement als in het geheele rijk heerschte, en tot
dat einde een stap te doen, die in de geschiedenis van het huis Stuart zonder
voorbeeld, ja de wijsheid en grootmoedigheid van Cromwell waardig was.
s»ta"ak™nKurÓ°» Wij hebben nu een punt bereikt, waar de geschiedenis der
™n°Frarnkï\'fk. groote engelsche omwenteling met die der buitenlandsche staat-
kunde verwikkeld wordt. De macht van Spanje was sedert jaren dalende
geweest. Wel is waar, het bezat in Europa nog steeds het Milaneesche en de
beide Siciliën, België en Fransche Comté. In Amerika strekten zijn be-
zittingen zich aan weerszijden van den equator verre buiten de grenzen der
heete luchtstreken uit. Maar dit groote lichaam was met lamheid geslagen,
en niet alleen buiten staat om andere staten aan te randen, maar ook om
zonder vreemde hulp zelfs een aanval af te weren. Frankrijk was nu buiten
eenigen twijfel de grootste mogendheid in Europa. Sedert die dagen zijn de
hulpbronnen van dien staat bepaaldelijk vermeerderd, maar niet met gelijke
snelheid als die van Engeland. Men moet wijders in het oog houden, dat
honderd tachtig jaren geleden het russische rijk, thans een monarchie van
den eersten rang, evenzeer buiten het stelsel der europeesche staatkunde
was als Abyssinië of Siam; dat het huis van Brandenburg destijds nauwelijks
machtiger was dan het huis van Saksen en de republiek der Vereenigde
Staten nog niet bestond. Frankrijks invloed is derhalve, ofschoon nog altoos
gewichtig, betrekkelijk verminderd. Zijn gebied was ten tijde van Lode-
wijk XIV niet zoo uitgebreid als thans; doch het was groot, aaneengesloten,
vruchtbaar, goed gelegen zoowel voor aanval als voor verdediging, met een
gunstig klimaat gezegend en bewoond door een dapper, werkzaam en schran-
der volk. De staat volgde blindelings de leiding van één enkel hoofd. De
groote leenen, die drie honderd jaar vroeger onafhankelijke vorstendom-
men geweest waren in alles, behalve in den naam, waren thans weder met de
kroon vereenigd. Slechts weinige hoogbejaarde mannen konden zich de
laatste vergadering der Staten-Generaal herinneren. De tegenstand, dien de
hugenooten, de edelen en de parlementen der koninklijke macht geboden
hadden, was door de twee groote kardinalen, die het volk veertig jaar be-
stuurd hadden, ten onder gebracht. De regeering was nu despotisch, maar,
althans in haar verhoudingen tot de hoogere klassen, een mild, een groot-
moedig, door beschaafde vormen en door ridderlijke gevoelens getemperd
-ocr page 161-
i37
ONDER KAREL II.
despotisme. De middelen, die ter beschikking van den souverein stonden,
waren voor die dagen ontzaglijk. Zijn inkomsten, die wel is waar door een
streng en ongelijk belastingstelsel bijeengebracht werden, dat zwaar op den
landbouwenden stand drukte, gingen die van eiken anderen potentaat verre
te boven. Zijn leger, voortreffelijk gedisciplineerd en aangevoerd door de
bekwaamste legerhoofden van zijn tijd, bestond reeds uit meer dan honderd
twintig duizend man. Zulk een schare van geregelde troepen had men in
Europa, sedert den val van het romeinsche rijk niet meer bijeen gezien.
Onder de zeemogendheden was Frankrijk de voornaamste niet, maar werd
toch door geen enkele overtroffen, ofschoon het mededingers had. Gedurende
de laatste veertig jaar der zeventiende eeuw was zijn macht zoo groot, dat
geen vijand die alleen weerstaan kon, en dat twee groote coalitièn, waarin
de halve christenheid zich tegen haar vereenigd had, haar doel niet be-
reikten.
Liu"?wukx"v. De persoonlijke hoedanigheden van den franschen koning ver-
hoogden de achting, welke de macht en de belangrijkheid zijns koninkrijks
verwekten. Nooit heeft eenig vorst de majesteit van een grooten staat met
meer waardigheid en bevalligheid vertegenwoordigd. Hij was zijn eigen
eerste minister en vervulde de plichten dier moeijelijke betrekking met een
bekwaamheid en een vlijt, die men redelijkerwijze niet zou hebben kunnen
verwachten van iemand, die reeds in zijn kindsheid een troon had geërfd,
en van vleijers omringd was geweest, eer hij nog konde spreken. Hij had
uitstekende blijken gegeven van twee voor een vorst onschatbare gaven: de
gaaf om zijn dienaren goed te kiezen, en de gaaf om zich zelven het voor-
naamste deel van den roem hunner daden toe te eigenen. In zijn handelin-
gen jegens vreemde mogendheden was hij doorgaans onrechtvaardig,
schoon niet altoos van grootmoedigheid ontbloot. Ongelukkige bondge-
nooten, die zich aan zijn voeten wierpen en geen hoop hadden dan op zijn
medelijden, beschermde hij met een onbaatzuchtigheid, die een dolenden
ridder beter gevoegd zou hebben dan een staatsman. Maar hij verbrak
zonder aarzeling of schaamte de heiligste banden van openbare trouw, wan-
neer zij strijdig waren met zijn belang of met hetgeen hij zijn roem noemde.
Zijn trouweloosheid en gewelddadigheid berokkenden hem echter minder
vijanden, dan de laatdunkendheid, waarmede hij zijn naburen telkens zijn
grootheid en hun onbeduidendheid herinnerde. Destijds had hij zich nog
niet aan die strenge vroomheid overgegeven, die later aan zijn hof het
aanzien eens kloosters gaf. Integendeel, hij was even losbandig, hoewel
geenszins zoo beuzelachtig en traag, als zijn broeder van Engeland. Maar
hij was oprecht roomschgezind; en zijn geweten zoowel als zijn ijdelheid
dreven hem zijn macht ter verdediging en verspreiding van het ware geloof
aan te wenden, naar het voorbeeld zijner beroemde voorgangers, Clovis,
Karel den Groote en den heiligen Lodewijk.
Onze voorouders zagen Frankrijks klimmende macht met erstige bezorgd-
heid. Dit gevoel, dat op zich zelf volkomen gerechtvaardigd was, mengde
zich met andere minder lofwaardige gevoelens. Frankrijk was onze oude
vijand. Tegen Frankrijk waren de roemrijkste der veldslagen geleverd, die
in onze geschiedboeken opgeteekend staan. De verovering van Frankrijk
-ocr page 162-
I 38                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
was door de Plantagenets tweemaal volbracht geworden Het verlies van
Frankrijk was langen tijd als een groote nationale ramp in het geheugen geble-
ven. Onze souverein voerde nog steeds den titel van koning van Frankrijk.
Men zag op het wapenschild van het huis Stuart naast onze leeuwen nog
altoos de fransche leliën. In de zestiende eeuw had de vrees, door Spanje
ingeboezemd, de vijandschap onderdrukt, die van oudsher tegen Frankrijk
was gericht geweest. Doch die vrees had nu plaats gemaakt voor minachtend
medelijden en Frankrijk werd op nieuw als onze nationale vijand beschouwd.
De verkoop van Duinkerken aan Frankrijk was de meest algemeen afge-
keurde handeling des herstelden konings geweest. Genegenheid voor Frank-
rijk was een der voornaamste misdaden, die in het Huis der Gemeenten aan
Clarendon te laste waren gelegd. Zelfs in kleinigheden deed zich de open-
bare stemming kennen. Had er in de straten van Westminster een twist
tusschen het gevolg der fransche en der spaansche gezantschappen plaats,
het gepeupel, al werd het met geweld verhinderd om tusschenbeiden te ko-
men, gaf nochtans ondubbelzinnige blijken van het voortduren van den
ouden haat.
Frankrijk en Spanje waren thans in een allerernstigsten strijd gewikkeld.
Het was steeds een der voornaamste oogmerken van Lodewijks staatkunde
geweest, zijn bezittingen naar den Rijnkant uit te breiden. Te dien einde
had hij een oorlog met Spanje begonnen en was nu in de volle vaart der
overwinning. De Vereenigde Provinciën zagen den voorspoed zijner wapenen
met ongerustheid aan. Dit beroemde bondgenootschap had het hoogste top-
punt van eer, macht en voorspoed bereikt. Het bataafsch gebied, aan de
golven ontwoekerd en door menschelijke kunst tegen haar verdedigd, was
in gebiedsruimte weinig grooter dan het vorstendom Wales. Doch geheel
deze enge ruimte was ais een bedrijvige en rijkbevolkte bijenkorf, in welken
dagelijks nieuwe schatten werden aangebracht en groote massa\'s van oude
schatten opgegaard waren. Het gezicht, dat Holland aanbood, de welige
bebouwing, de ontelbare kanalen, de onophoudelijk draaijende molens,
de eindelooze vloot van schuiten, de snelle opeenvolging van groote steden,
de havens, waar duizenden masten omhoog streefden, de groote en statige
gebouwen, de fraaije lusthuizen, de rijk gestoffeerde vertrekken, de kunst-
verzamelingen, de tulpenbedden maakten destijds op engelsche reizigers
een soortgelijken indruk als het eerste gezicht van Engeland nu op een
Noorman of op een Canadees te weeg brengt. De Staten-Generaal waren
gedwongen geworden zich voor Cromwell te vernederen. Maar na de restau-
ratie hadden zij zich gewroken, tegen Karel met goed gevolg oorlog ge-
voerd en een eervollen vrede gesloten. Hoe rijk de republiek echter ware,
en welk hoog aanzien zij in Europa ook mocht genieten, zij was tegen
Lodewijks macht niet opgewassen. Zij vreesde, en niet zonder goeden grond,
dat zijn rijk zich weldra tot aan haar grenzen zou uitstrekken; en zij
mocht met recht de onmiddellijke nabijheid duchten van een zoo mach-
tig, eergierig en gewetenloos monarch. Nochtans was het niet gemakkelijk
eenig middel tot afwending van het gevaar uit te denken. De Hollanders
alleen konden de kans niet tegen Frankrijk doen keeren. Van de zijde
van den Rijn hadden zij geen hulp te wachten. Verscheiden duitsche
-ocr page 163-
.39
ONDER KAREL II.
vorsten waren reeds door Lodewijk gewonnen; en de keizer zelf werd door
de hongaarsche misnoegden in verlegenheid gebracht. Engeland was door
de herinnering aan de zware slagen, in den jongsten tijd toegebracht, van
dé Vereenigde-Provincièn gescheiden, en zijn staatkunde was sedert de
restauratie dermate van wijsheid en geestkracht ontbloot geweest, dat
het nauwelijks mogelijk was van die zijde eenigen degelijken bijstand te
verwachten.
Maar het lot van Clarendon en de toenemende ongunstige stemming van
het parlement noopten Karels raadgevers plotseling een staatkunde aan te
nemen, die de natie verbaasde en verrukte tevens.
""vorbonT\'\'1\'\' Sir William Temple, de engelsche resident te Brussel, een der
meest ervaren diplomaten en een der keurigste schrijvers van zijn tijd, had
reeds aan zijn hof betoogd, dat het even wenschelijk als doenlijk was met de
Staten-Generaal in verbond te treden ten einde de toenemende vergrooting
van Frankrijk te stuiten. Een tijd lang had men zijn wenken weinig geteld;
thans echter achtte men het noodig zich daarnaar te gedragen. Hem werd
gelast met de Staten-Generaal te onderhandelen, en hij begaf zich naar den
Haag, waar hij \'t weldra eens werd met Jan de Witt, destijds den eersten
staatsdienaar van Holland. Zweden, hoe gering zijn hulpbronnen ook waren,
had veertig jaar te voren door het genie van Gustaaf Adolf een hoogen rang
onder de europeesche mogendheden bereikt en was nog niet weder tot zijn
natuurlijke stelling afgedaald. Dit lar.d werd overreed om zich bij deze
gelegenheid bij Engeland en de Staten aan te sluiten. Aldus werd de coalitie
gevormd, bekend onder den naam van het drievoudig verbond. Lodewijk
liet wel spijt en misnoegen blijken, maar achtte het niet staatkundig zich
de vijandschap van zulk een verbond, tegelijk met die van Spanje, op den
hals te halen Hij willigde diensvolgens de ontruiming in van een groot
gedeelte des gebieds door zijn legers bezet. De vrede werd in Europa
hersteld en het engelsch bestuur, kort geleden nog het voorwerp der
algemeene verachting, werd eenige maanden lang door de vreemde mo-
gendheden met schier even veel ontzag bejegend, als de protector eenmaal
had genoten.
In Engeland zelfwas het drievoudig verbond in den hoogsten graad popu-
lair. Het streelde den nationalen haat evenzeer als den nationalen trots;
het stelde paal en perk aan de aanmatigingen van een machtig en eer-
zuchtig nabuur; het strengelde een nauwen band tusschen de voornaamste
protestantsche staten; cavaliers en rondhoofden verheugden zich; maar de
vreugde der rondhoofden was nog grooter dan die der cavaliers; want Enge-
land had zich nu ten nauwste verbonden met een land, waar het bestuur
republikeinsch en de godsdienst presbyteriaansch was, tegen een staat, die
door een eigenmachtig vorst behe.erscht werd en der roomsch-katholieke
godsdienst was toegedaan. Het parlement schonk luiden bijval aan het
tractaat en sommige onhoffelijke pruttelaars noemden de sluiting er van de
eenige goede daad, die sedert \'s konings terugkomst verricht was.
De l.\'Mnl-imrtii. De koning evenwel bekreunde zich weinig om de goedkeuring
van zijn parlement of van zijn volk Het drievoudig verbond beschouwde hij
slechts als een tijdelijk hulpmiddel om onlusten te keeren, die waarschijnlijk
-ocr page 164-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
<40
ernstig zouden geworden zijn. De onafhankelijkheid, de veiligheid, de waar-
digheid der natie, aan wier hoofd hij geplaatst was, waren hem onverschillig.
Reeds begon hij grondwettige banden knellend te vinden. Sedert korten tijd
had zich in het parlement een sterk verbond gevormd, bekend onder den
naam der land-partij; tot haar behoorden al de openbare personen, die naar
puritanisme en naar republicanisme overhelden, en velen die, schoon zij der
staatskerk en der erfelijke monarchie waren toegedaan, nochtans door vrees
voor papisme, door vrees voor Frankrijk en door misnoegen over de ver-
kwisting, de losbandigheid en de trouweloosheid van het hof, naar de rijen
der oppositie gedreven werden. De invloed dezer vereeniging van staat-
kundigen nam gestadig toe. Elk jaar traden eenige dier leden af, die tijdens
de loyale geestvervoering van 1661 in het parlement verkozen waren, en de
opengevallen zetels werden meestal door minder handelbare personen inge-
nomen. Karel beschouwde zich niet als koning, zoolang een vergadering van
onderdanen rekenschap van hem kon vorderen alvorens zijn schulden te
betalen, of gerechtigd was te vragen, wie van zijn bijzitten of tafelvrienden
zich van het geld had weten meester te maken, dat voor de uitrusting en de
bemanning der vloot bestemd was geweest. Ofschoon hij niet naar roem
streefde, kwetsten hem toch de spotternijen, die somtijds bij de debatten
in het Lagerhuis geuit werden, en eenmaal zelfs zocht hij de vrijheid van
spreken op een snoode wijze te beteugelen. Sir John Coventry, een land-
edelman, had onder de beraadslagingen op scherpen toon met de losban-
digheid van het hof den draak gestoken. Onder elke vroegere regeering zou
hij waarschijnlijk voor den geheimen raad gedaagd en naar den Tower ver-
wezen zijn. Thans sloeg men een anderen weg in. Heimelijk werd een troep
boeven uitgezonden om den beleediger den neus af te snijden \'). Wel verre
van den geest van tegenstand te onderdrukken, veroorzaakte deze laaghartige
wraak zulk een opschudding, dat de koning verplicht was zich de bittere
vernedering te getroosten een besluit te onderteekenen, waarbij de werk-
tuigen zijner wraak veroordeeld werden en tevens hem het recht ontzegd
werd hun genade te schenken.
Doch, hoe wars hij ook was van de grondwettige beperkingen, welken
weg kon hij inslaan om er zich van te ontdoen ? Slechts met behulp van een
talrijk staand leger kon hij zich tot alleenheerscher verheffen en zoodanig
leger had hij niet. Zijn inkomsten stelden hem, wel is waar, in staat om
eenige geregelde troepen te onderhouden; doch deze, schoon talrijk genoeg
om in het Lagerhuis veel wantrouwen en bezorgdheid te verwekken, waren
nauwelijks toereikend om Whitehall en den Tower tegen een opstand van het
londensche gepeupel te beschermen. Zulke opstanden waren inderdaad te
\') Macaulay gebruikt hier het woord *£u//ies\'\\ dat moeijelijk terug te geven is. t.,
Het is bekend dat. gelijk ook wel elders, de jeugdige adel, de studenten euz. in En- N
geland, vermaakshalve in eenzame en onbewaakte straten soms de buitensporigste en
meest barbaarsche gewelddadigheden op de eigendommen en de personen van ande-
ren plegen, en dat zulks, voornamelijk in de zeventiende en achttiende eeuw, een
groote plaag voor de londensche burgerij was. In den Spectator, komen bijzonder-
heden voor nopens genootschappen van jonge lieden, die dergelijke heldenfeiten tot
liet doel hunner vereeniging maakten (de zoogenaamde Mohawks, enz.)
-ocr page 165-
ONDER KAREL II.
141
duchten, want men had berekend, dat er in de hoofdstad en in de voorsteden
niet minder dan twintig duizend van Cromwells oude soldaten woonden.
Aanknooping ï«n Daar de koning er zijn zinnen op gezet had zich aan den in-
geheime betrek- -,,                .                                          »,                                ....               ..
kingen tmuchen vloed des parlements te onttrekken en vermits hij tot die
Karel 11 en het                               c                                                                                                 *
fr«nsciic hof. onderneming binnen \'s lands op geen krachtdadige hulp kon
rekenen, volgde daaruit, dat hij elders naar bijstand moest omzien. De
macht en de rijkdom des konings van Frankrijk zouden wellicht voor de
zware taak berekend zijn en de onbeperkte monarchie in Engeland kunnen
vestigen; doch zulk een bondgenoot zou ongetwijfeld voor deze dienst dege-
lijke blijken van dankbaarheid verwachten. Karel zou tot den rang van een
groot leenman afdalen en slechts vrede en oorlog maken, naar gelang het
gouvernement, dat hem beschermde, zulks voorschreef. Zijn verhouding tot
Lodewijk zoude die, waarin de Rajah van Nagpore en de koning van Oude
thans tot de britsche regeering staan, zeer nabij komen. Deze vorsten zijn
verplicht de oostindische compagnie, in alle, zoo aanvallende als verdedi-
gende krijgsondernemingen bij te staan en geen diplomatieke betrekkingen
te onderhouden, dan alleen die, welke door deze compagnie goedgekeurd
zijn. Daarentegen beveiligt de compagnie hen tegen opstanden. Zoolang zij
hun verbintenissen tegenover die opperste macht getrouw nakomen, vergunt
men hun over groote inkomsten te beschikken, hun harems van schoone
vrouwen te voorzien, zich in gezelschap hunner meest begunstigde tafelbroe-
ders aan geestdoovende uitspattingen over te geven en eiken onderdaan,
die zich hun misnoegen mocht op den hals halen, straffeloos te verdrukken \').
Zulk een leven zou ondraaglijk zijn voor een man van hooghartige inborst
en van krachtige geestvermogens; voor Karel echter, zinnelijk, traag en
onbekwaam tot eenige sterke geestesinspanning, daarenboven van alle
vaderlandsliefde en van alle eergevoel verstoken, had dit vooruitzicht
niets onaangenaams.
Het mag echter meer bevreemding baren, dat de hertog van York zijn
medewerking geleend heeft tot het plan om de kroon te vernederen, die hij
waarschijnlijk eenmaal zelf zou dragen: want hij was trotsch en heersch-
zuchtig van aard; ook bleef hij tot het laatste oogenblik door aarzelen
en tegenstreven zijn afkeer van het fransche juk duidelijk genoeg aan den
dag leggen. Maar door bijgeloof was hij bijna even laag gedaald als zijn
broeder door traagheid en ondeugd. Jakobus was thans roomsch-katholiek.
Dweepzucht was het heerschend gevoel van zijn bekrompen en hardvochtig
gemoed geworden en had zich dermate met zijn liefde tot gezag vermengd,
dat die twee hartstochten nauwelijks meer van elkander te onderscheiden
waren. Het scheen uiterst onwaarschijnlijk, dat hij zonder vreemde hulp het
overwicht of ook slechts bloote toelating voor zijn geloof zou verwerven; en
hij was in een geestgesteldheid, die hem niets vernederends zou laten zien
in welken stap ook, die tot bevordering der belangen van de ware kerk kon
strekken.
Er werd een onderhandeling aangeknoopt, die verscheiden maanden
l) Het verheugt mij hier te mogen bijvoegen, dat sedert deze regelen geschreven
werden, het grondgebied, zoowel van den Rajah van Nagpore als dat van den koning
van Oude bij de britsche bezittingen opgenomen is. (1857)
-ocr page 166-
142                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
duurde. De voornaamste tusschenpersoon tusschen de engelscheenfransche
hoven was de schoone, bevallige en schrandere Henriette, hertogin van
Orleans, zuster van Karel, schoonzuster van Lodewijk, en beider lieveling.
De koning van Engeland bood aan het roomsch-katholieke geloof te belij-
den, het drievoudig verbond te ontbinden en zich met Frankrijk tegen Hol-
land te vereenigen, bijaldien Frankrijk zich verbinden wilde hem de noodige
hulp in geld en troepen te verstrekken om hem van zijn parlement onaf-
hankelijk te maken Aanvankelijk veinsde Lodewijk deze voorstellen met
onverschilligheid aan te hooren, en hij stemde er ten laatste in toe met de
houding van iemand, die meent een belangrijke gunst te bewijzen; inderdaad
echter was de weg, dien hij besloten had te volgen, een weg, waarop hij wel
winnen, maar niets verliezen kon.
Li\'ie\'wijk\'xiv"t\'-u Het schijnt zeker, dat hij er nooit ernstig aan gedacht heeft
"Ë\'i\'séian"" despotisme en papisme door kracht van wapenen in Engeland
in te voeren. Hij moest wel inzien, dat zulk een onderneming, hachelijk en
in den hoogsten graad gevaarlijk, Frankrijk vele jaren lang tot de uiterste
krachtsinspanning zou noodzaken en volstrekt onbestaanbaar zijn zou met
andere meer belovende vergrootingsplannen, die hem nader aan het hart
lagen. Hij zou inderdaad gaarne de verdienste en den roem verworven heb-
ben der kerk, waarvan hij lid was, tegen billijke voorwaarden een groote
dienst te bewijzen; maar hij was weinig geneigd om zijn voorouders na te vol-
gen, die in de twaalfde en de dertiende eeuw de kern der fransche ridderschap
naar Syrië en Egypte ter slachtbank voerden; en hij wist zeer jioed, dat een
kruistocht tegen het protestantisme in Groot-Brittanje niet minder gevaarlijk
zou zijn dan de expeditiën, in welke de legers van Lodewijk VII en Lodewijk IX
te gronde waren gegaan. Hij had geen reden om den Stuarts onbeperkte
macht toe te wenschen. Hij beschouwde de engelsche staatsregeling geens-
zins met de gevoelens, die in later tijden vorsten aangespoord hebben om de
vrije instellingen van aangrenzende natiën te beoorlogen. Tegenwoordig
heeft ééne groote, voor de volksregeering gezinde partij haar vertakkingen
in elk beschaafd land. Elk belangrijk voordeel, dat die partij behaalt, om
het even waar, is bijna zeker het teeken tot algemeene beweging. Het is niet
te verwonderen, dat regeeringen, die door een gemeen gevaar bedreigd zijn,
in verstandhouding met elkander treden tot het verleenen van wederkeeri-
gen steun. In de zeventiende eeuw echter bestond zoodanig gevaar nog niet.
Tusschen de openbare stemming in Engeland en de openbare stemming in
Frankrijk lag een breede klove. Onze instellingen en partijen werden te
Parijs even weinig begrepen als te Constantinopel. Men mag er aan twijfe-
len, of een enkel der veertig leden van de fransche akademie een engelsch
boekdeel in zijn boekerij had, of één hunner Shakespeare, Jonson of Spenser
wel ooit had hooren noemen. Enkele hugenooten, die den oproerigen geest
hunner voorouders geërfd hadden, koesterden wellicht nog eenige sympathie
voor hun geloofsbroeders, de engelsche rondhoofden; maar de hugenooten
waren thans niet meer te duchten. De Franschen, over het geheel der kerk
van Rome toegedaan en trotsch op de grootheid van hun koning en op hun
verkleefdheid aan hem, volgden onze worstelingen tegen het papisme en
tegen de macht der willekeur niet alleen zonder bewondering of medegevoel,
-ocr page 167-
143
ONDER KAREL II.
maar zelfs met tegenzin en afkeuring. Het zou derhalve een groote dwaling
zijn Lodewijks handelingen aan de beweegredenen toe te schrijven, die in
onzen tijd de heilige alliantie noopten zich met de inwendige onlusten van
Napels en Spanje te bemoeijen.
Desniettemin waren de door het hof van Whitehall gedane voorstellen
hem uiterst welkom. Reeds beraamde hij reusachtige ontwerpen, die be-
stemd waren om Europa meer dan veertig jaren lang in bestendige gisting
te houden. Hij wenschte de Vereenigde Provinciën te vernederen en België,
Franche-Comté en Lotharingen bij zijn bezittingen te voegen. En dit was
nog alles niet. De koning van Spanje was een ziekelijk kind. Het was waar-
schijnlijk, dat hij zonder nakomelingschap zou sterven. Zijn oudste zuster
was koningin van Frankrijk. Het was bijna zeker dat er, en wellicht al zeer
spoedig, een dag zou aanbreken, dat het huis van Bourbon aanspraak zou
kunnen maken op dat ontzaglijk rijk, waarin de zon niet onderging. De ver-
eeniging van twee groote monarchieën onder een hoofd zoude waarschijnlijk
door een continentaal verbond bestreden worden. Doch Frankrijk kon op
zich zelf het hoofd bieden aan elk continentaal verbond. Engeland kon het
overwicht in de schaal leggen. Van de houding, die Engeland in zulk een
krisis zou aannemen, kon het lot der wereld afhangen; en het was alge-
meen bekend, dat het engelsche parlement en het engelsche volk de staat-
kunde, die tot het drievoudig verbond geleid had, zeer toegedaan waren.
Niets derhalve kon Lodewijk aangenamer zijn, dan te vernemen, dat de
vorsten van het huis Stuart zijn hulp behoefden en zij bereid waren die
hulp door onbepaalde dienstwilligheid te koopen. Hij besloot van de ge-
legenheid gebruik te maken en ontwierp voor zich zelven een plan, dat hij
zonder ter rechter of ter linker zijde af te wijken bleef volgen, totdat de om-
wenteling van 1688 zijn geheele politiek verijdelde. Hij verklaarde zich ten
volle bereid de ontwerpen van het engelsche hof te bevorderen. Hij beloofde
ruime hulp. Van tijd tot tijd gaf hij ook juist zooveel als dienen kon om de
hoop levendig te houden, en als hij zelf zonder ongelegenheid of bezwaar
missen kon. Op deze wijze gelukte het hem tegen veel geringer kosten dan
hij aan den aanbouw en aan de verfraaijing van Versailles of van Marli be-
steedde, Engeland gedurende bijna twintig jaar tot een schier even onbe-
duidend lid van het europeesch statenstelsel te maken, als de republiek van
San Marino is.
Het was zijn doel niet onze staatsregeling te vernietigen, maar wel de
verschillende elementen, waaruit zij samengesteld was, in een staat van
voortdurenden strijd te houden en onverzoenlijke vijandschap te verwekken
tusschen hen, die de macht van het geld en hen, die de macht van het zwaard
in handen hadden. Beurtelings kocht hij met dit voornemen beide partijen
om, vuurde beiden aan, hield gelijktijdig de ministers der kroon en de hoofden
der oppositie in zijn bezoldiging, zette het hof aan om weerstand te bieden
aan de oproerige aanmatigingen van het parlement en waarschuwde het
parlement tegen de willekeurige plannen van het hof.
Een der kunstgrepen, die hij bezigde om invloed in de engelsche raads-
zalen te verkrijgen, verdient bijzondere vermelding. Karel, ofschoon onvat-
baar voor liefde in den hoogeren zin van het woord, was de slaaf van elke
-ocr page 168-
144                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
vrouw, wier schoonheid zijn begeerte opwekte en wier manieren en liefelijk
gepraat hem een aangename tijdkorting verschaften. Terecht inderdaad zou
een echtgenoot bespot worden, die zelfs van een vrouw van hoogen rang en
vlekkelooze deugd, zich slechts de helft liet welgevallen van hetgeen de
koning van Engeland van bijzitten verduurde, die, schoon ze alles aan zijn
mildheid te danken hadden, zijn hovelingen bijkans onder zijn oogen lief-
koosden. De dolle buijen van Barbara Palmer en den onbesuisden moedwil
van Eleonora Gwijnn had hij geduldig verdragen. Lodewijk meende, dat een
schoone, losbandige en listige Fransche de meest geschikte afgezant zou zijn,
die men naar Londen kon zenden: zoodanig een vrouw was Louise, een dame
van het huis van Querouailles, door onze ruwe voorvaderen madam Carwell
genaamd. Weldra zegevierde zij over al haar mededingsters, werd tot her-
togin van Portsmouth verheven, met schatten overladen en kreeg een heer-
schappij, die slechts met Karels dood eindigde.
TraDÓ?".,a" De belangrijkste voorwaarden van het verbond tusschen de twee
rijken werden in een geheim verdrag besloten, dat in Mei 1670 te Dover
onderteekend werd, juist tien jaar na den dag, dat Karel onder de toejui-
chingen en vreugdetranen van een al te vertrouwend volk in die zelfde
haven geland was.
Bij het verdrag nam Karel aan de roomsch-katholieke religie openlijk te
belijden, ter vernietiging van de macht der Vereenigde-Provinciën zijn wape-
nen met die van Lodewijk te vereenigen en de geheele krijgsmacht van
Engeland, zoo te land als ter zee, te zullen bezigen tot ondersteuning der
aanspraken van het huis van Bourbon op het uitgestrekte rijk van Spanje.
Lodewijk, daarentegen, verbond zich tot het betalen van een ruim sub-
sidie en beloofde op eigen kosten een leger tot ondersteuning van zijn
bondgenoot te zullen uitzenden, indien er in Engeland eenig oproer mocht
uitbarsten.
Dit verdrag werd onder sombere voorboden aangegaan. Zes weken nadat
het onderteekend en verzegeld was, was de beminnelijke prinses niet meer,
wier invloed op haar broeder en zwager voor haar vaderland zoo verderfelijk
was geweest. Haar dood gaf aanleiding tot vreeselijke vermoedens, die voor
een oogenblik dreigden de nieuw aangeknoopte vriendschapsbetrekkingen
tusschen de huizen Stuart en Bourbon te zullen afbreken; alras echter wer-
den nieuwe betuigingen van onverminderde welwillendheid tusschen de
bondgenooten gewisseld.
De hertog van York, te kortzichtig om het gevaar te beseffen, of tedweep-
ziek om er zich aan gelegen te laten liggen, verlangde met ongeduld naar de
onverwijlde uitvoering van het artikel, dat de roomsch-katholieke godsdienst
betrof. Lodewijk echter bezat wijsheid genoeg, om te erkennen, dat, zoo deze
weg werd ingeslagen, er een uitbarsting in Engeland te duchten was, die
naar alle waarschijnlijkheid juist die gedeelten van zijn ontwerp zou verijde-
len, welke hem het meest ter harte gingen. Men besloot dus, dat Karel zich
alsnog voor protestantsch uitgeven en op hooge feestdagen het sacrament
nemen zoude overeenkomstig het rituaal der anglicaansche kerk. Zijn broe-
der, meer nauwgezet, verscheen niet langer in de koninklijke kapel.
Omstreeks dezen tijd stierf de hertogin van York, dochter van den ver-
-ocr page 169-
ONDER KAREL II.
\'45
bannen graaf van Clarendon. Zij had sints eenige jaren in \'t geheim het
roomsch-katholiek geloof omhelsd en liet twee dochters na, Maria en Anna,
die later elkander als koninginnen van Engeland opvolgden. Deze werden
op \'s konings uitdrukkelijken last in het protestantsche geloof opgeleid,
daar hij wel inzag, dat \'t hem niet baten zoude zich voor een lid der angli-
caansche kerk uit te geven, indien hij toeliet dat kinderen, die bestemd
schenen om zijn kroon te erven, tot leden der roomsche kerk opgeleid
wierden.
De voornaamste dienaren der kroon waren te dien tijde mannen, wier
namen te recht een geenszins benijdenswaardige vermaardheid verkregen
hebben. Evenwel, wij moeten ons wachten op hun nagedachtenis een blaam
te werpen, die billijkerwijze alleen hun gebieder moet treffen. Het traktaat
van Dover is voornamelijk den koning zelven te wijten. Hij zelf hield
daarover bijeenkomsten met fransche gemachtigden; eigenhandig schreef
hij daarover vele brieven; hij was de man, die het eerste voorstel deed van
de schandelijkste artikelen, welke het behelsde, en sommige dier artikelen
hield hij voor het meerendeel der leden van zijn kabinet of zijner kabaal,
gelijk het doorgaans genoemd werd, zorgvuldig verborgen.
eapSekakiUnet. Weinig trekken van onze geschiedenis zijn zoo merkwaardig
als de oorsprong en de ontwikkeling der macht, die het kabinet thans bezit.
Van vroegen tijd af stond den koning van Engeland een geheime raad ten
dienste, wien de wet vele belangrijke verrichtingen en plichten opdroeg.
Gedurende verscheiden eeuwen werd dit kollege over de ernstigste en
teederste staatsaangelegenheden geraadpleegd, doch van lieverlede werd de
aard gewijzigd. Voor spoedige afdoening en geheimhouding werd het te
talrijk. De titel van geheimraad werd dikwerf als eerebewijs aar personen
geschonken, wien niets toevertrouwd en wier gevoelen nooit gevraagd
werd. Bij belangrijke aangelegenheden won de souverein den raad in van
een klein aantal toongevende staatsdienaren. Vroegtijdig reeds had Bacon
met zijn gewoon helder oordeel en zijn bekende scherpzinnigheid de voor-
en nadeelen dezer handelwijze in het licht gesteld ; doch eerst na de restau-
ratie begon deze beperkte raad de algemeene aandacht tot zich te trekken.
Vele jaren lang bleven de staatkundigen van den ouden stempel het kabinet
beschouwen als een ongrondwettig en gevaarlijk kollege. Desniettemin nam
het gestadig in belangrijkheid toe; ten laatste maakte het zich meester van
de hoogste uitvoerende macht en nu, sedert verscheiden geslachten, wordt
het voor een wezenlijk bestanddeel onzer staatsinrichting gehouden. Noch-
tans bleef het, hoe zonderling dit ook moge klinken, geheel vreemd aan de
wet. De namen der edellieden en der gentlemen die het vormen, worden
nooit officieel aan het publiek bekend gemaakt. Er worden geen aanteeke-
ningen van hun bijeenkomsten en besluiten gehouden; evenmin is het be-
staan van een kabinet ooit bij eenige parlementsacte erkend geworden.
De Kabaal. Gedurende eenige jaren werd het woord kabaal algemeen gebezigd,
in dezelfde beteekenis als het woord kabinet. In 1671 wilde een grillig toe-
val, dat het kabinet uit vijf personen bestond, wier eerste naamletters in het
engelsch het woord cabal (kabaal) uitmaakten: Clifford, Arlington, Bucking-
ham, Ashley en Lauderdale.
MAC AULA Y I.                                                                                                                                IO
-ocr page 170-
146                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
Sir Thomas Clifford was een der commissarissen van de schatkist en had
zich in het Lagerhuis bijzonder onderscheiden. Van deleden der cabal was
hij de achtenswaardigste; want met een vurig en heerschzuchtig gemoed
vereenigde hij een krachtig, schoon jammerlijk afgedwaald gevoel van eer
en plicht.
Henry Bennet, lord Arlington, destijds secretaris van staat, had zich,
sedert hij de mannelijke jaren bereikt had, voornamelijk op het vaste land
opgehouden en had geleerd staatsregeling en kerkordening met die wereld-
burgerlijke onverschilligheid te beschouwen, welke men veeltijds zal op-
merken in personen, wier leven in zwervende diplomatie werd doorgebracht.
Bestond er een regeeringsvorm, die hem behaagde, het was de fransche.
Gaf hij aan eenige kerk de voorkeur, het was aan die van Rome. Hij had
eenig talent voor gemeenzaam onderhoud en voor het verrichten van gewone
regeeringszaken. Hij had in den loop van een leven, aan reizen en aan
onderhandelingen besteed, de kunst geleerd om zijn taal en manieren naar
de personen te voegen, met wie hij in aanraking kwam. Zijn levendigheid in
het kabinet strekte tot vermaak des konings ; zijn deftigheid bij debatten en
conferentien verschafte hem aanzien bij het publiek; en het was hem gelukt,
deels door betoonde diensten, deels door schoone beloften, zich een aan-
merkelijken persoonlijken aanhang te verschaffen.
Buckingham, Ashley en Lauderdale waren menschen, bij wie de onzede-
lijkheid, onder de staatsmannen van dien tijd heerschende, zich vertoonde
in haar afschuwelijkste gedaante, doch gewijzigd door groot verschil van
inborst en geestvermogens. Buckingham had tot oververzadiging alle genie-
tingen gesmaakt en nu de eerzucht als tijdverdrijf ter hand genomen. Gelijk
hij getracht had zich met bouwkunde en met toonkunst, met het schrijven
van kluchtspelen en het zoeken naar den steen der wijzen, afleiding te ver-
schaffen, zoo zocht hij thans zijn genoegen in een geheime onderhandeling
en in een hollandschen oorlog. Reeds was hij, veeleer uit wuftheid en zucht
tot afwisseiing dan met ernstiger inzicht, tegenover alle partijen trouweloos
geweest. Nu eens had hij zich onder de cavaliers geschaard; dan weder
waren er bevelen tot inhechtenisneming tegen hem uitgevaardigd, wegens
het onderhouden eener hoogverraderlijke betrekking met het overgebleven
gedeelte der republikeinsche partij in de City. Thans was hij weder hove-
ling en begeerig om \'s konings gunst te winnen door diensten, waarvan de
vermaardsten onder hen, die voor het koninklijk huis geleden en gestreden
hadden, met afschuw zouden zijn teruggedeinsd.
Ashley, oneindig sterker van geest en door veel ernstiger en feller eer-
zucht gedreven, was even veranderlijk geweest; doch bij hem was dit geen
gevolg van lichtzinnigheid, maar van weldoordachte baatzucht. Hij had een
reeks van regeeringen gediend en verraden; doch voor al dat verraad had
hij de juiste ure zoo wel gekozen, dat zijn voorspoed, door alle omwentelin-
gen heen, steeds klimmende was geweest. De menigte, verbaasd over een
geluk, dat onveranderlijk bleef, terwijl alles rondom hem aan gedurige wisse-
ling onderhevig was, schreef hem een bijkans wonderbare voorkennis toe
en vergeleek hem met den hebreeuwschen staatsman, van wien geschreven
staat, dat zijn raad was, alsof men het orakel Gods geraadpleegd had.
-ocr page 171-
ONDER KAR KI. II.                                                    3 47
Lauderdale, luidruchtig en ruw zoowel in vroolijkheid als in toorn, was,
onder den uiterlijken schijn van woeste rondborstigheid, wellicht de oneer-
lijkste persoon van de geheele kabaal. Hij had zich ondei\' de schotsche
opstandelingen van i638 doen opmerken, en het covenant ijverig voorge-
staan. Men lei hem ten laste, dat hij sterk betrokken was geweest in den
verkoop van Karel I aan het engelsche parlement, en hij was derhalve in het
oog van goede cavaliers een verrader, zoo mogelijk van nog erger soort dan
die, welke in het hoog gerechtshof gezeten hadden. Dikwerf sprak hij met
uitbundige scherts van den tijd, dat hij een femelaar en een muiter was ge-
weest, en thans werd hij door het hof als het voornaamste werktuig gebezigd
om het episcopaat zijn afkeerigen landslieden op te dringen; waarbij hij
zich niet ontzag, ruimschoots gebruik te maken van zwaard en strop en
foltertuig. Zij evenwel, die hem kenden, wisten dat na dertig jaren tijdsver-
loop zijn innerlijk gevoel hetzelfde was gebleven, dat hij de nagedachtenis
van Karel I nog steeds haatte en der presbyteriaansche kerkordening nog
boven alle andere de voorkeur gaf.
Hoe weinig schroomvallig Buckingham, Ashley en Lauderdale ook waren,
men achtte het nochtans niet raadzaam hun \'s konings voornemen toe te
vertrouwen om zich roomsch-katholiek te verklaren. Een valsch verdrag,
waar men het artikel aangaande de godsdienst had uitgelaten, werd hun
voorgelegd. Slechts de handteekeningen en zegels van Clifford en Arlington
zijn aan het echte traktaat gehecht. Beide deze staatsmannen koesterden
een groote vooringenomenheid voor de oude kerk, welke de moedige en
vurige Clifford al spoedig rondborstig beleed, doch die de meer terughou-
dende en armhartige Arlington verzweeg tot dat de angst van den naderen-
den dood hem oprechtheid afdwong. De drie andere kabinets ministers
echter, waren mannen, voor wie niet licht iets duister gehouden kon worden,
en die waarschijnlijk meer vermoedden dan hun bepaald geopenbaard werd.
Immers, de staatkundige verplichtingen, die jegens Frankrijk aangegaan
werden, waren hun ten volle bekend en zij schaamden zich niet van Lodewijk
groote geschenken aan te nemen,
Karels eerste oogmerk was thans van het Lagerhuis bewilligingen te
erlangen, die tot de uitvoering var het geheime verdrag zouden kunnen
leiden. De kabaal, die aan het bestuur was, tijdens ons staatswezen in een
overgangstoestand verkeerde, vereenigde gebreken van verschillenden aard
in zich, die tot twee verschillende tijdperken en tot twee verschillende
Stelsels behoorden. Gelijk deze kwade raadgevers onder de laatste engel-
sche staatsmannen geteld worden, die ernstig aan de vernietiging van het
parlement dachten, evemoo waren zij ook de eerste, die de omkooping op
groote schaal beproefd hebben. In hun staatkunde ontmoeten wij zoowel
het laatste spoor van Straffords »doortastende maatregelen", als het eerste
van die stelselmatige omkooping, welk later door Walpole bedreven werd.
Evenwel, zij moesten al spoedig erkennen, dat, schoon het Huis der Gemeen-
ten voornamelijk uit cavaliers bestond, en schoon men posten en fransch
goud aan de leden verkwist had, er nochtans geringe kans bestond, dat ook
slechts de minst hatelijke gedeelten van het te Dover beraamde plan door
een meerderheid gesteund zouden worden. Men moest bedrog te baat
-ocr page 172-
148                                 GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
nemen. De koning verklaarde zich derhalve zeer gehecht aan de beginselen
van het drievoudig verbond en betuigde, dat het noodig zou zijn de vloot
te vermeerderen, indien men Frankrijks eerzucht in toom wilde houden.
Het Huis der Gemeenten viel in den strik en besloot tot een bewilliging van
achtmaal honderdduizend pond. Terstond werd het parlement ontbonden,
en het hof, ahoo van alle toezicht bevrijd, ging tot de uitvoering van het
groote ontwerp over.
schorsing van De financieele moeijelijkheden waren groot. Een oorlog met
der schatkist. Holland kon slechts met ontzettende kosten gevoerd worden. De
gewone middelen waren hoogstens toereikend tot onderhoud van het bestuur
in tijd van vrede. De achtmaal honderdduizend pond, die men onlangs het
Lagerhuis had afgetroggeld, waren zelfs niet voldoende om de kosten der
vloot en van het leger slechts gedurende een enkel jaar te dekken. Na de
vreeselijke les, die het lange parlement gegeven had, durfde zelfs de kabaal
niet de heffing van zoogenaamde vrijwillige bijdragen of van scheepsgeld
aanraden. In deze verlegenheid stelden Ashley en Clifford een schandelijke
schennis van openbare trouw voor. De goudsmeden van Londen waren te
dien tijde niet slechts handelaren in edele metalen, maar ook bankiers, en
gewoon somwijlen groote sommen aan het bestuur te leenen. In voldoening
van deze uitschotten ontvingen zij aanwijzingen op de staatsinkomsten en
werden met interest betaald, naar gelang de belastingen geïnd werden.
Ongeveer dertien honderdduizend pond waren op deze wijze aan de eer
van het land toevertrouwd. Eensklaps werd bekend gemaakt, dat het
niet gelegen kwam het kapitaal te voldoen en dat de geldschieters zich
met de interest moesten tevreden stellen. Zij waren diensvolgens buiten
staat hun eigen verplichtingen na te komen. De beurs raakte in oproer;
verscheiden groote handelshuizen vielen en schrik en kommer verspreidden
zich door de gansche maatschappij. Inmiddels naderde men het despotisme
met groote schreden. Proclamaties, waarbij parlementsacten werden ge-
schorst, of bevolen werd wat alleen het parlement wettiglijk gelasten kon,
verschenen ras na elkander. Het belangrijkste van deze edicten was de
toegevendheids verklaring (declaratie van indulgentie). In dit document
werden de strafwetten tegen de roomsch-katholieken op koninklijk gezag
opgeheven en ten einde het wezenlijke doel van dien maatregel niet te laten
merken, werden tegelijk ook de wetten tegen de protestantsche afgescheide-
nen buiten werking gesteld.
**»>[«* Een paar dagen na de openbaarmaking der toegevendheids-
PKrrootCircïaar° verklaring werd de oorlog aan de Vereenigde-Provinciën ver-
w"rrakïn\':e gc\' klaard. Ter zee hielden de Hollanders den strijd met eere
vol; maar te land werden zij aanvankelijk door onwederstaanbare over-
macht vermeesterd. Een fransch leger was den Rijn overgetrokken. De eene
vesting na de andere opende haar poorten. Drie der zeven provinciën van
het bondgenootschap werden door de aanvallers bezet De vuren van het
vijandelijk leger waren van de daken van het amsterdamsch stadhuis te
zien. De van buiten zoo fel bestookte republiek was tenzelfden tijde door
inwendige twisten verdeeld. Het bestuur was in handen van een nauw aan-
eengesloten oligarchie van machtige burgers. Er bestonden talrijke zelfver-
-ocr page 173-
ONDER KAREL II.
149
kozen stedelijke raden, die, elk in zijn eigen kring, vele souvereiniteits-
rechten uitoefenden. Deze raden zonden afgevaardigden naar de provinciale
staten en deze zonden er naar de staten-generaal. Een erfelijke eerste over-
heidspersoon was geen noodwendig bestanddeel dezer staatsinrichting.
Nochtans had een in groote mannen voorbeeldeloos vruchtbaar geslacht van
lieverlede een groot en bijkans onbepaald gezag verworven. Willem, de
eerste van dien naam. prins van Oranje-Nassau en stadhouder van Holland,
had den gedenkwaardigen opstand tegen Spanje bestuurd. Zijn zoonMaurits
was kapitein-generaal en de voornaamste staatsdienaar van zijn land geweest;
hij had zich door uitstekende bekwaamheden en aan den staat bewezen
diensten, zoo wel als door eenige stoute en willekeurige bedrijven, tot bijna
souvereine macht verheven en een gedeelte dezer macht aan zijn geslacht
nagelaten. De invloed der stadhouders was voor de oligarchie der steden
een voorwerp van ergernis en ijverzucht; doch het leger en het groote getal
burgers, dat van alle deel in de regeering uitgesloten was, beschouwden de
burgemeesters en afgevaardigden met denzelfden weerzin, waarmede de legi-
oenen en het volk van Rome den senaat beschouwden, en waren even vurig
voor het Huis van Oranje gezind als de legioenen en het volk van Rome voor
het Huis van Caesar. De stadhouder voerde het opperbevel over de krijgs-
macht van het gemeenebest, beschikte over alle militaire commando\'s,
benevens voor een groot gedeelte over de vervulling van burgerlijke betrek-
kingen, en was van bijna koninklijke staatsie omgeven.
Prins Willem II had veel tegenkanting van de zijde der oligarchische
partij ondervonden. Zijn leven was in 1650 onder zware burgerlijke onlus-
ten geëindigd. Hij stierf kinderloos ; de aanhangers van zijn huis bleven ge-
durende een korten tijd zonder opperhoofd; en het gezag, dat hij bezeten
had, werd onder de stedelijke raden, onder de provinciale staten en de
Staten-Generaal verdeeld.
Doch weinige dagen na Willems dood bracht zijn weduwe, Maria, dochter
van Karel I. k >ning van Groot-Britanje, een zoon ter wereld, die bestemd
«as den roem en het aanzien van het Huis van Nassau ten top te voeren,
de Vereenigde Provinciën tegen slavernij te behoeden, de macht van Frank-
rijk te fnuiken en de engelsche staatsregeling op duurzame grondslagen te
vestigen.
"«il\'iTra\'nj\'"." Deze prins, Willem Hendrik genaamd, was van zijn geboorte af
een voorwerp van ernstige bezorgdheid voor de partij, die thans in Holland
oppermachtig was, en van trouwe genegenheid voor de oude vrienden van
zijn geslacht. Hij stond in hoog aanzien als de bezitter van een vorstelijk
vermogen, als het hoofd van een der doorluchtigste Huizen in Europa, als
een der souvereine vorsten van het duitsche rijk, als een prins van den
koninklijken bloede van Engeland en bovenal als de afstammeling der stich-
ters van Nederlands vrijheid. Evenwel, de hooge waardigheid, die voormaals
in zijn familie als erfelijk beschouwd werd. bleef onvervuld ; en de toeleg der
aristokratische partij was, dat er nooit weder een nieuwe stadhouder zijn zou.
Intusschen werd het gemis aan dien eersten overheidspersoon in ruime
mate vergoed door den raadpensionaris der provincie Holland, Jan de Witt,
die door bekwaamheid, standvastigheid en rechtschapenheid in de raads-
-ocr page 174-
ICO                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
vergaderingen der stedelijke oligarchie een onbetwistbaar overwicht ver-
worven had.
De inval der Franschen had een volkomen verandering ten gevolge. Het
gekwelde en beangstigde volk woedde vreeselijk tegen het bestuur. In dolle
drift randde het de dapperste legerhoofden en de bekwaamste staatsmannen
der geteisterde republiek aan. De Ruijter werd door het gepeupel gehoond.
De gebroeders de Witt werden te \'s Hage op \'t wreedaardigst vermoord.
De prins van Oranje, die wel geen schuld aan dezen moord had, doch bij
deze, even als twintig jaren later bij een andere betreurenswaardige gelegen-
heid, misdaden in zijn belang gepleegd oogluikend had toegelaten, en daar-
door een smet op zijn roem heeft geworpen, kwam zonder eenigen mede-
dinger aan het hoofd van het bestuur. Hoe jeugdig hij ook was, zijn vurige
en onverzettelijke geest, ofschoon onder een koel en stug voorkomen ver-
borgen, wakkerde den moed zijner versaagde landgenooten ras weder aan.
Vergeefs zochten zijn oom en de fransche koning hem door schitterende aan-
biedingen van de republiek afvallig te maken. Tot de Staten-Generaal sprak
hij een hooghartige en bezielende taal. Zelfs waagde hij een plan voor te
stellen, dat den geest ademt van alouden heldenmoed, en welks uitvoering
het schoonste onderwerp voor een heldendicht zou opgeleverd hebben, dat
op het gansche gebied der nieuwe geschiedenis te vinden ware. «Dan zelfs,
wanneer uw geboortegrond," zoo sprak hij tot de afgevaardigden, »met de
wonderen, waarmede menschelijke nijverheid dien bedekt hebben, in den
oceaan moest bedolven worden, dan nog zou alles niet verloren zijn. De
Hollanders zouden Holland kunnen overleven. Vrijheid en reine godsdienst,
door dwingelandij en dweepzucht uit Europa verdreven, zouden een schuil-
plaats vinden in de afgelegenste eilanden van Azië. De scheepsruimte, in
de havens der republiek voorhanden, zou toereikend zijn om tweemaal hon-
derdduizend landverhuizers naar den indischen archipel over te brengen.
Daar zou het hollandsche gemeenebest een nieuw en roemrijker bestaan
intreden, en onder de zuiderkeerkringen, tusschen suikerplantsoenen en
muscaatboomen, zou het de beurs van een rijker Amsterdam, de scholen van
een geleerder Leiden bouwen." De volksgeest ontwaakte en verhief zich
met kracht De voorwaarden, door de verbonden mogendheden aangeboden,
werden standvastig van de hand gewezen. De dijken werden doorgestoken
en het land in een groote zee herschapen, waar de steden met haar wallen
en torens als eilanden uit oprezen. De vijand was gedwongen zich door
overijlde vlucht van een wissen ondergang te redden. Lodewijk, die het
somtijds noodig achtte, zich aan het hoofd van zijn leger te vertoonen, maar
een paleis verre boven een legerkamp verkoos, was reeds naar de nieuw
aangelegde wandeldreven van Versailles teruggekeerd om door de vleitaal
der dichters en de lonkjes der dames zijn ijdelheid te voeden.
Ras verliep nu het getij. De uitslag van den strijd ter zee was twijfelachtig
geweest; te land hadden de Vereenigde-Provincien een uitstel gewonnen,
en een uitstel, hoe kort ook, was van groot belang. Door Lodewijks ver
strekkende ontwerpen verontrust, snelden de beide geslachten van het groote
oostenrijksche stamhuis te wapen. Spanje en Holland, door de herinnering
van oude grieven en vernederingen gescheiden, werden thans verzoend door
-ocr page 175-
ONDER KAREL II.                                              I 5 I
de nabijheid van het gemeenschappelijk gevaar. Uit alle streken van Duitsch-
land stroomden troepen naar den Rijn. De engelsche regeering had reeds
alle middelen uitgeput, die door het bestelen van schuldeischers van den
staat in haar bezit waren geraakt. Uit de City kon geen geldleening ver-
wacht worden. Een poging om op koninklijk gezag belastingen te heffen zou
oogenblikkelijk tot oproer geleid hebben, en Lodewijk, die thans den strijd
tegen half Europa had vol te houden, was niet in staat middelen ter be-
teugeling van het engelsche volk te verstrekken. Het was noodzakelijk het
parlement bijeen te roepen.
Vhcre*p\'ȕri"ifcn?" Ii de lente van het jaar 1673 kwamen de Huizen dus, na een
reces van bijna twee jaren, weder bijeen. Clifford, thans pair en lord-thesau-
rier, Ashley, thans graaf van Shaftesbury en lord-kanselier, waren de per-
sonen, op wie de koning zich ten aanzien der leiding van het parlement
voornamelijk verliet. De landpattij begon onmiddellijk de staatkunde der
kabaal te bestrijden. De aanval werd niet stormenderhand, maar door mid-
del van kunstmatig aangelegde loopgraven ondernomen. Het Lagerhuis gaf
aanvankelijk de hoop, dat het \'s konings buitenlandsche staatkunde zou on-
dersteunen, doch verlangde, dat hij dien steun zou koopen door volledige
Tovïrk\']a\'r\'iMl;\'.\'1\'\' verzaking van zijn stelsel van binnenlandsche staatkunde. Het
voornaamste oogmerk van het Lagerhuis was de herroeping der toegevend-
heids-verklaring. Onder het groot aantal impopulaire maatregelen, die het
bestuur genomen had, was de afkondiging dezer verklaring de meest
impopulaire geweest. De meest uiteenloopende gevoelens waren door
deze zoo vrijzinnige, doch zoo despotiek doorgedreven handeling gekwetst.
De vijanden van godsdienstvrijheid en de vrienden van burgerlijke vrijheid
vonden zich allen aan dezelfde zijde geschaard ; en deze twee klassen maak-
ten negentien twintigsten der natie uit. De ijverige staatskerksgezinde ver-
hief zijn stem tegen de gunst, die zoowel den papist als den puritein betoond
was. De puritein, schoon hij zich over de opschorting der vervolgingen ver-
heugen mocht, gevoelde weinig dankbaarheid voor een vrijheid, die hij met
den antichrist te deelcn had. En ieder Engelschman, die prijs stelde op
vrijheid en wet, zag met bezorgdheid wat diepe inbreuk het prerogatief der
kroon op het gebied der wetgeving\' gemaakt had.
Men moet in waarheid toegeven, dat het constitutioneele vraagstuk des-
tijds niet van alle duisterheid vrij was. Onze vroegere koningen hadden on-
tegenzeggelijk aanspraak gemaakt op het recht om strafwetten in haar
werking te schorsen, en dat recht ook met der daad uitgeoefend. De ge-
rechtshoven hadden het erkend. De parlementen hadden het stilzwijgend
toegelaten. Zelfs van de landpartij waagden het weinigen in weerwil der
bestaande antecedenten en autoriteiten te ontkennen, dat zoodanig recht
aan de kroon toekwam. En toch was de engelsche regeering van het eigen-
lijk despotisme schier niet te onderscheiden, wanneer dit koninklijk prero-
gatief geen grenzen had. Dat er evenwel een grens bestond, dit werd door
den koning en door zijn ministers volmondig erkend; doch het was de vraag,
of de toegevendheids-verklaring binnen, dan wel buiten die grens lag; en
geen der partijen mocht er in slagen een grenslijn aan te wijzen, die den
toets van het onderzoek kon doorstaan. Sommige tegenstanders van het be-
-ocr page 176-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
152
stuur klaagden, dat die verklaring niet minder dan veertig wetten schorste.
Maar waarom geen veertig even goed als een enkele ? Er was zelfs een
redenaar, die het gevoelen uitte, dat de koning volgens de staatsregeling
wel slechte, maar geen goede wetten kon opheffen. Het is overbodig de
ongerijmdheid van zulk een onderscheiding aan te wijzen. De stelling, die
in het Huis der Gemeenten algemeen aangenomen scheen, was deze, dat het
recht van dispensatie alleen wereldlijke aangelegenheden betrof, maar zich
geenszins ovjr wetten uitstrekte, die tot beveiliging der godsdienst van den
staat waren gemaakt. Daar echter de koning het opperhoofd der kerk was,
scheen hem het recht van dispensatie, — wanneer hem dit in het algemeen
toekwam, — ook niet betwist te kunnen worden in zaken, waarbij de kerk
betrokken was. Overigens waren de hovelingen niet gelukkiger dan de
tegenstanders van het bestuur geweest waren, in hun onderzoek naar de
juiste grenzen van het koninklijk prerogatief \').
De waarheid is, dat het recht van dispensatie in de staatkunde een groote
tegenstrijdigheid was. Theoretisch was het volstrekt onbestaanbaar met de
beginselen van gemengd bestuur; maar het was ontstaan in tijden, dat
de menschen zich weinig met theorieën ophielden. Praktisch was er geen
grof misbruik van gemaakt; derhalve was het geduld en had allengs
een soort van verjaringsrecht verkregen; eindelijk werd het na een lange
tusschenpoos in een tijd van verlichting en bij een belangrijke gelegenheid,
in een te voren nooit gekende mate en tot een algemeen verfoeid einde ge-
bezigd. Het werd onverwijld aan een ernstig onderzoek onderworpen. Aan-
vankelijk echter waagde men \'t niet, het voor volstrekt ongrondwettig te
verklaren ; men begon slechts met de erkentenis, dat het met den geest der
staatsregeling in strijd was en dat, wanneer het onbeperkt moest blijven,
het engelsche bestuur weldra van een beperkte in een onbeperkte monarchie
zoude overgaan.
diJrnwu»hig. Onder den invloed van die vrees betwistte het Huis der Ge-
meenten \'s konings recht tot het verleenen van dispensatie niet van alle
strafwetten, maar toch van die, welke kerkelijke zaken betroffen, en gaf
hem duidelijk te verstaan, dat het geen bijdragen ter voortzetting van den
hollandschen oorlog zou bewilligen, ten ware de vorst afstand deed van
dat recht. Een oogenblik toonde deze eenige geneigdheid om alles op het
spel te zetten; doch Lodewijk raadde hem ten sterkste aan voor de nood-
zakelijkheid te bukken en op betere tijden te wachten, wanneer de fransche
legermacht, die thans in een zwaren strijd op het vaste land de handen vol
had, beschikbaar zou zijn voor het onderdrukken van mogelijke onlusten in
Engeland. In de kabaal zelve begonnen zich teekenen van oneenigheid en
verraad te vertoonen. Shaftesbury zag met zijn spreekwoordelijke scherp-
zinnigheid, dat een hevige reactie nabij was en alles op een soortgelijke
krisis als die van 1640 wees. Hij had besloten, dat deze krisis hem niet in
de toenmalige stelling van Strafford vinden zou; hij sloeg derhalve plotseling
\') De Verstandigste uitdrukking, die te dezer zake in het Huis der Gemeenten ge-
hoord werd, kwam van sir William Coventry: — *Onze voorouders hebben nimmer
een grenslijn tusschen het prerogatief der kroon en de vrijheid getrokken."
-ocr page 177-
IS?
ONDER KAREL II.
een nieuwen weg in en erkende in het Huis der Lords, dat de verklaring
onwettig was. De koning, alzoo door zijn bondgenoot en zijn kanselier ver-
laten, gaf toe, trok de verklaring in en beloofde plechtig, dat ze nimmer als
antecedent aangevoerd zoude worden.
De torts-acte. Zelfs deze concessie was onvoldoende. Het Huis der Gemeenten,
zich niet vergenoegende dat het den koning tot het opheffen der indulgentie
gedwongen had, perste ook nog zijn onwillige toestemming tot een ver-
maarde wet af, die tot op den tijd van George IV in werking bleef. Deze
wet, bekend onder den naam der toets-acte, bepaalde, dat alie personen,
die eenig burgerlijk of militair ambt bekleedden, den suprematie-eed \')
afleggen, een verklaring tegen de transsubstantiatie onderteekenen en zich
het avondmaal in het openbaar en naar de gebruiken der anglicaanschekerk
zouden laten toedienen. De aanhef gaf alleen vijandschap tegen de papisten
te kennen, doch de wetsartikelen zelve waren voor de papisten weinig on-
gunstiger dan voor de strengste klasse van puriteinen. De puriteinen echter,
ontsteld door de klaarblijkelijke overhelling van het hof tot het pauselijk
geloof, en door eenige staatskerkgezinden bemoedigd tot de hoop, dat de
protestantsche nonconformisten verlicht zouden worden, zoodra deroomsch-
katholieken voor goed ontwapend waren, boden weinig tegenstand; en de
koning, die in den uitersten geldnood verkeerde, kon het niet wagen zijn
toestemming te weigeren. De wet werd bekrachtigd en de hertog van
York dientengevolge in de noodzakelijkheid gebracht om de hooge waardig-
heid van Lord grcot admiraal neder te leggen.
l,eon!b"".d*nrJt Tot dusverre had het Huis der Gemeenten zich niet tegen den
hollandschen oorlog verklaard. Doch toen de koning nu tot belooning voor
geld, d.it hem niet dan met de uiterste behoedzaamheid werd toegelegd, zijn
geheele plan van inwendig staatsbestuur had opgegeven, viel het zijn buiten-
landsche staatkunde met onstuimigheid aan. Het verlangde, dat de koning
Buckingham en Lauderdale voor altijd uit zijn raad zou verwijderen, en
stelde een commissie in om het al of niet gepaste eener parlementsaanklacht
tegen Arlington in overweging te nemen Binnen korten tijd bestond de
kabaal niet meer. Clifford, de eenige der vijf, die recht had om voor een
eerlijk man te worden gehouden, weigerde zich aan den nieuwen toets te
onderwerpen, legde den witten staf neder en nam de wijk naar zijn land-
goed. Arlington verwisselde het ambt van staats-secretaris met een vreed-
») Deze eed, onder de regeering van Elizabeth, bij de zoogenaamde suprematie-
acte, welker ten uitvoerlegging tot vele vervolgingen aanleiding gaf, voor alle in functie
zijnde geestelijken en voor alle leeken, die eenige rijksbediening bekleedden, als
maatregel van beveiliging tegen de aanslagen der roomschgezinden, vastgesteld, vormt
als het ware de basis der toets-acte, van welke later nog dikwerf sprake zal zijn, en
luidt in effecte, dat de eedsaflegger den regeerenden koninklijken persoon, bij uit-
sluiting en zonder eenig voorbehoud, erkent als den eenigen en oppersten heerscher
en machthebber in alle kerkelijke en staatszaken, alle ondergeschiktheid en gehoor-
zaamheid jegens vreemde vorsten, personen, prelaten en potentaten afzweert, en einde-
lijk, dat hij oprechte trouw, verkleefdheid en gehoorzaamheid jegens den souverein en
zijn erven en opvolgers belooft, en zich verbindt hun macht, privilegiën, voorrechten
en gezag met alle kracht voor te staan en te verdedigen.
-ocr page 178-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
\'54
zame en eervolle betrekking in \'s konings hofhouding. Shaftesbury en
Buckingham verzoenden zich met de oppositie en verschenen aan het hoofd
van de woelige demokratie der City. Lauderdale bleef echter nog minister
voor de schotsche aangelegenheden, waar het engelsch parlement zich niet
in mengen kon.
vrcjc met het En nu eischte het Huis der Gemeenten, dat de koning vrede met
jrcmecncb™. Holland zou sluiten, en verklaarde uitdrukkelijk, dat er verder
geen gelden tot voortzetting van den oorlog zouden bewilligd worden, ten
ware bleek, dat de vijand hardnekkig weigerde in billijke voorwaarden te
treden. Karel achtte het noodig de uitvoering van het traktaat van Dover
tot gelegener tijd uit te stellen en de natie te vleijen door een schijnbaren
terugkeer tot de staatkunde van het drievoudig verbond. Temple, die, zoo-
lang de kabaal de overhand had, in stille afzondering te midden zijner boeken
en bloemperken geleefd had, werd uit zijn kluis teruggeroepen. Door zijn
bemiddeling werd met de Vereeniede Provinciën een afzonderlijke vrede
gesloten; en hij werd op nieuw tot gezant in den Haag gekozen, waar zijn
tegenwoordigheid als een zekere waarborg voor de oprechtheid van zijn hof
beschouwd werd.
B™nni)»nïy"s De opperste leiding der zaken werd alsdan toevertrouwd aan
Sir Thomas Osborn, een baronet uit Yorkshire, die in het Huis der Gemeen-
ten blijken van uitstekende regeerings- en redenaarstalenten gegeven had.
Hij werd tot Lord-thesaurier aangesteld, en al spoedig tot graaf van Danby
verheven. Hij was geen man, wiens karakter, zoodra het aan een eenigszins
hoogeren zedelijken maatstaf getoetst wordt, veel lof schijnt te verdienen.
Hij werd door hebzucht en eerzucht gedreven, was zelf omkoopbaar en tevens
de verleider van anderen. De kabaal had hem de kunst geleerd om parle-
menten om te koopen, een kunst, die destijds nog in haar kindsheid was en
weinig hoop gaf ooit den trap van zeldzame volkomenheid te zullen bereiken,
waartoe zij in de volgende eeuw opgevoerd werd. Hij bracht aanmerkelijke
verbeteringen in het plan der eerste uitvinders. Zij hadden enkel redenaars
omgekocht; aan Danby echter kon zich een ieder verkoopen, die over een
stem te beschikken had. Evenwel moet de nieuwe minister niet gelijk ge-
steld worden met de onderhandelaars van Dover. Hij was niet geheel van
de gevoelens ontbloot, die een Engelschman en protestant betamen; nimmer
ook verloor hij in zijn ijver voor zijn eigen belangen die van zijn vaderland
en van zijn godsdienst geheel uit het oog. Hij wenschte inderdaad de voor-
rechten der kroon uit te breiden; maar de middelen, die hij tot dat doel
verlangde te bezigen, verschilden grootelijks van die, welke Arlington
en Clifford aangewend hadden. Het denkbeeld om de heerschappij der
willekeur te vestigen door de hulp van vreeirde wapenen en door verlaging
van het koninkrijk tot den staat van een afhankelijk vorstendom, vond nim-
mer ingang in zijn gemoed. Zijn plan was die klassen weder aan de monar-
chie te verbinden, die gedurende de woelingen van het vorig geslacht haar
trouwhartige bondgenooten geweest en slechts door de jongste misdaden en
dwalingen van het hof verwijderd waren. Met behulp van den ouden invloed
der cavaliers, des hoogen adels, der landedellieden, der geestelijkheid en
der hoogescholen, was het, dacht hij, mogelijk Karel, wel niet tot een abso-
-ocr page 179-
ONDER KAREL II.
\'55
luut monarch, maar toch tot een weinig minder machtig souverein te maken
dan Elizabeth geweest was.
Door deze gevoelens aangespoord, vatte Danby het voornemen op het
uitsluitend bezit der geheele, zoowel uitvoerende als wetgevende staatsmacht
bij de partij der cavaliers te brengen. In het jaar 1675 werd met dat oog-
merk aan de Lords een wetsontwerp voorgelegd, inhoudende, dat niemand
eenig ambt bekleeden of in een der parlementshuizen zitting nemen zou,
alvorens onder eede verklaard te hebben, dat hij verzet tegen de koninklijke
macht in elk geval misdadig achtte, en dat hij nimmer trachten zou ver-
andering in het bestuur der kerk of van den staat te brengen. Gedurende
verscheiden weken hielden de verhandelingen, stemmingen en protesten,
waartoe dit voorstel aanleiding gaf, het land in een staat van groote opge-
wondenheid. De oppositie in het Huis der Lords, aangevoerd door twee leden
der kabaal, die verlangend waren de gunst der natie te herwinnen, Bucking-
ham en Shaftesbury, was voorbeeldeloos onstuimig en hardnekkig, en be-
reikte eindelijk haar doel. Het wetsontwerp werd niet verworpen, wel is
waar, maar opgehouden, verminkt en eindelijk grheel ter zijde geschoven.
Zoo willekeurig en uitsluitend was de strekking van Danby\'s binnen-
landsche staatkunde; zijn denkbeelden ten aanzien der buitenlandsche deden
hem meer eer aan. Zij liepen inderdaad lijnrecht tegen die der kabaal in. en
verschilden weinig van die der landpartij. Bitter klaagde hij over de ver-
nederde stelling, waartoe Engeland vervallen was, en verklaarde met meer
nadruk dan wellevendheid, dat het zijn dierbaarste wensch was den Fran-
schen behoorlijk ontzasr voor zijn land in te kloppen. Deze gevoelens be-
wimpelde hij zoo weinig, dat hij bij een groot feestmaal, alwaar de hoogste
dignitarissen van staat en kerk vergaderd waren, zich niet ontzag zijn glas
te vullen en te drinken op het verderf van allen, die tegen een oorlog met
Frankrijk gestemd waren. Hij zou inderdaad zijn vaderland gaarne met de
mogendheden verbonden hebben gezien, die destijds tegen Lodewijk ver-
eenigd waren, en wenschte tot dat einde Temple, den stichter van het
drievoudig verbond, aan het hoofd van het departement te zien, dat met de
leiding der buitenlandsche aangelegenheden was belast. Maar de macht
van den eersten minister was beperkt, In zijn meest vertrouwelijke brieven
klaagde hij, dat de dwaze verblinding zijns meesters Engeland belette een
voegzame plaats onder de natiën van Europa in te nemen. Karel was on-
leschbaar dorstig naar fransch goud; hij had in geenen deele de hoop opge-
geven om in toekomstige dagen eenmaal in staat te zullen zijn met behulp
der fransche wapenen de onbeperkte monarchie in te voeren; en om beide
redenen wenschte hij met het hof van Versailles op goeden voet te blijven.
De koning helde dus tot de eene en de minister tot een andere lijnrecht
daartegenovergestelde buitenlandsche staatkunde over. De souverein echter
bezat, evenmin als de minister, het karakter om eenig doel met onwrikbare
volharding te vervolgen. De een gaf telkens aan den aandrang van den
ander toe; en hun tegenstrijdige neigingen en wederkeerige toegeeflijk-
heden gaven aan het geheele bestuur van zaken het karakter eener zonder-
linge ongestadigheid. Uit lichtzinnigheid en uit traagheid duldde Karel
somtijds, dat Danby maatregelen nam, die Lodewijk voor doodelijke be-
-ocr page 180-
156                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
leedigingen moest opnemen. Aan den anderen kant leende Danby zich som-
tijds, liever dan zijn hooge betrekking op te geven, tot gedienstigheden, die
hem bitter leed en schaamte berokkenden. Üe koning werd genoodzaakt toe
te stemmen in het huwelijk der prinses Maria, oudste dochter en vermoede-
lijke erfgename des hertogs van York, met Willem van Oranje, den dood-
vijand van Frankrijk en den erfelijken verdediger der reformatie. Ja, zelfs
werd de dappere graaf van Ossory, zoon van Ürmond, den Hollanders te
hulp gezonden met eenige britsche troepen, die op den bloedigsten dag
van den ganschen oorlog den nationalen roem van onverzettelijken moed
met luister handhaafden. Van de andere zijde kon de thesaurier er niet
buiten eenige smadelijke finantieele overeenkomsten tusschen zijn gebieder
en het hof van Versailles niet slechts toe te laten, maar zelfs, hoe onwillig
en afkeerig dan ook, te helpen uitvoeren.
"dTöpaï\'tij1.\'"8 Inmiddels werd de landpartij door twee krachtige gevoelens
beurtelings naar twee geheel verschillende richtingen gedreven. De popu-
laire partijhoofden vreesden Lodewijks grootheid, daar hij niet slechts aan
de geheele macht der continentale alliantie het hoofd bood, maar zelfs er
veld op won. Tevens echter vonden zij zich bezwaard om hun koning mid-
delen tot beteugeling van Frankrijk toe te vertrouwen uit vrees, dat die
middelen tot onderdrukking van Engelands vrijheden zouden gebezigd wor-
den. De strijd tusschen deze beide evenzeer gegronde angsten gaf aan de
staatkunde der oppositie een even stelselloos en weifelend aanzien, als die
van het hof vertoond had. Het Huis der Gemeenten riep om e.en oorlog met
Frankrijk, tot dat de koning, door Danby gedrongen om in dien wensch te
bewilligen, geneigd scheen toe te geven en een leger begon te vormen.
Zoodra men echter zag, dat de rekruteering begonnen was, maakte de vrees
voor Lodewijk plaats voor eene andere. Men begon te duchten, dat de
nieuwe lichtingen tot een dienst gebruikt zouden worden, in welke Karel
veel meer belang stelde dan in de verdediging van Vlaanderen. Het Huis
weigerde derhalve geldelijken onderstand te verleenen en riep even luide
om afdanking der troepen als het te voren op wapening aangedrongen had.
De geschiedschrijvers, die deze veranderlijkheid ernstig gelaakt hebben,
schijnen de moeijelijke stelling van onderdanen, die redenen hadden om te
gelooven, dat hun vorst met een vreemde en vijandige mogendheid tegen
hun vrijheden samenspande, niet genoegzaam in aanmerking genomen te
hebben. Hem krijgsmiddelen weigeren was den staat weerloos laten. Gaf
men hem echter krijgsmiddelen, dan wapende men hem wellicht alleen tegen
den staat. Onder zoodanige omstandigheden kan besluiteloosheid niet als
bewijs van oneerlijkheid, zelfs niet van zwakheid, beschouwd worden.
Aard der i»trrk- Dit wantrouwen werd door den franschen koning zorgvuldig
kingen, door die                                                                                                                                                              o               o
franïcD.ë\'lraant- gevoed. Hij had Engeland lang onzijdig gehouden door de be-
,chknoópt5e" lofte van den troon tegen het parlement te zullen ondersteunen.
Thans echter met schrik bespeurende, dat Danby\'s vaderlandslievende raad-
gevingen in het kabinet de overhand schenen te behouden, begon hij het
parlement tegen den troon op te hitsen. Tusschen Lodewijk en de land-
partij was eene, en niet meer dan eene zaak gemeen: diep wantrouwen in
Karel. Had de landpartij zekerheid kunnen erlangen, dat haar souverein
-ocr page 181-
\'57
ONDER KARKL II.
geen ander voornemen had dan Frankrijk te beoorlogen, zij zou hem met
ijver gesteund hebben. Had Lodewijk zeker kunnen zijn, dat de nieuwe
lichtingen alleen bestemd waren om tegen de engelsche staatsregeling oorlog
te voeren, hij zoude niet gepoogd hebben er zich tegen te verzetten. Maar
. Karel was zoo wuft en trouweloos, dat de fransche regeering en de engelsche
oppositie, die verder in geen enkel punt overeenstemden, het daarin eens
waren, dat zij zijn betuigingen niet geloofden, en beiden even begeerig waren
om hem geldeloos en zonder leger te houden. Er werden betrekkingen aange-
knoopt tusschen Barrillon, Lodewijks afgezant en diegenen onder de engel-
sche staatsmannen, die steeds de grootste vrees voor en den grootsten afkeer
van de fransche overmacht getoond en ook werkelijk gevoeld hadden. Het
meest oprechte lid der landpartij, Willem Lord Russell, zoon van graaf
van Bedford, voelde zich onbezwaard met een vreemd gezantschap plannen
te beramen om zijn eigen souverein in verlegenheid te brengen. Daartoe
bepaalde zich Russells misstap. Zijn beginstlen, evenzeer als zijn vermogen,
verhieven hem boven alle verzoeking van baatzucht; doch er bestaat slechts
te veel grond om te gelooven, dat zijn bondgenooten minder kiesch waren.
Onrechtvaardig zou het zijn hen te beschuldigen, dat zij ooit geldsommen
zouden hebben aangenomen om hun vaderland te benadcelen. Integendeel,
zij meenden hun land te dienen; maar het is tevens onloochenbaar, dat zij
laag en onkiesch genoeg waren om zich daartoe door een buitenlandsch vorst
te laten betalen. Onder hen, die van deze vernederende beschuldiging niet
vrij te pleiten zijn, bevond zich een man, die naar de volksmeening, als het
echte toonbeeld van burgerdeugd beschouwd werd en die ondanks eenige
groote gebreken rechtmatige aanspraak heeft op den naam van held, wijs-
geer en vaderlander. Voorzeker het moet ons hard vallen een naam als
dezen op de lijst der door Frankrijk bezoldigde personen aan te treffen.
Mogen wij eenigen troost vinden in de gedachte, dat in onze dagen een open-
baar persoon van alle plicht en eergevoel verstoken geacht zoude worden,
indien hij een verzoeking als die, waarvoor de deugd en de fierheid van
Algernon Sidney zwichtte, niet met verachting van zich stiet.
Nrijm.i,™" Het gevolg dezer kuiperijen was, dat Engeland, schoon het nu en
dan een dreigende houding aannam, werkeloos bleef, totdat de continentale
oorlog, na een duur van bijna zeven jaren, in 1678 door den vrede van Nij-
megen geëindigd werd. De Vereenigde-Provinciën, die in 1672 een vol-
komen ondergang nabij schenen, verkregen eervolle en voordeelige voor-
waarden. Deze ongedachte uitredding werd algemeen aan de schranderheid
en den moed van den jeugdigen stadhouder toegeschreven. Zijn roem was
groot in Europa en voornamelijk onder de Engelschen, die hem als een
hunner eigen vorsten beschouwden en zich verheugden, dat hij de echtgenoot
hunner toekomstige koningin was. Frankrijk bleef in het bezit van vele be-
langrijke steden in de Zuidelijke Nederlanden en van de groote provincie
van Franche Comté. Nagenoeg het geheele verlies werd door de meer en
meer in verval gerakende spaansche monarchie gedragen.
Uhl-ii5ed™rnnn°ti?.\'i" Weinige maanden na het eindigen der vijandelijkheden op het
vaste land vond een groote krisis in de engelsche staatsaangelegenheden
plaats. Tot zulk een krisis had sints achttien jaren alles geleid. De ge-
-ocr page 182-
I58                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
heele schat van volksliefde, hoe groot ook, waarmede de koning zijn bewind
aanvaard had, was sints lang uitgeput. Op loyale geestdrift was diepe mis-
noegdheid gevolgd. De volksmeening had thans op nieuw den afstand af-
gelegd, dien zij tusschen 1640 en 1660 had doorloopen, en bevond zich
weder op het punt, waarop zij gestaan had, toen het lange parlement bijeen-
kwam.
De heerschende ontevredenheid was uit vele elementen samenge-
steld. Een daarvan was gekwetste nationale trots. Het toenmalig ge-
slacht had eenige jaren lang Engeland op gelijken voet met Frankrijk
verbonden gezien, zegevierend over Holland en Spanje, oppermachtig
ter zee, den schrik van Rome, het hoofd der protestantsche belangen.
Engelands hulpbronnen waren onverminderd; en men had mogen ver-
wachten, dat het land onder een wettig koning, sterk in de liefde en
de gereede gehoorzaamheid zijner onderdanen, althans even hooge ach-
ting in Europa genieten zou als onder een overweldiger, wiens uiterste
zorg en geestkracht vereischt werden om een muitziek volk in toom te
houden. Nochtans was het ten gevolge der onbekwaamheid en laagheid
zijner bestuurders zoo diep gezonken, dat elk duitsch of italiaansch vor-
stendom, dat vijfduizend man in het veld bracht, een invloedrijker lid in
de rij der volkeren mocht heeten.
Bij het bittere gevoel van nationale vernedering voegde zich bezorgdheid
voor de burgerlijke vrijheid. Geruchten, duister, wel is waar, maar wellicht
te meer verontrustend uithoofde van hun duisterheid, schreven aan het hof
een welberaden aanslag op alle grondwettige rechten der Engelschen toe.
Zelfs had men reeds gemompeld, dat deze aanslag door tusschenkomst van
vreemde wapenen ten uitvoer gebracht zoude worden. De gedachte aan zulk
een tusschenkomst deed zelfs den cavaliers het bloed in de aderen koken.
Sommigen, die steeds de leer der lijdzaamheid in allen deele beleden had-
den, hoorde men thans beweren, dat er een beperking van die leer bestond.
Werd een vreemd leger overgebracht om de natie te dwingen, dan konden
zij voor hun geduld niet instaan.
Doch het nationaal gevoel, zoo min als de bezorgdheid voor de openbare
vrijheid, oefende zulk een grooten invloed op de volksstemming als de haat
tegen de roomsch-katholieke godsdienst. Die haat was een van de heer-
schende driften der maatschappij geworden en was even sterk bij de onwe-
tenden en ongodsdienstigen, als bij degenen, die uit overtuiging protestantsch
waren. De gruwelen van Maria\'s regeering, waarvan zelfs het onpartijdigst,
soberst verhaal rechtmatigen afschuw moet wekken en die in de onder
het volk verspreide martelaarsbeschrijvingen gansch niet nauwkeurig of
onopgesmukt verhaald werden, de samenzweringen tegen Elizabeth, doch
bovenal het buskruitverraad hadden in de gemoederen des volks diepen
en bitteren wrok nagelaten, die door jaarlijksche gedachtenisfeesten, gebe-
den, vreugdevuren en optochten levend gehouden werd. Men moet hierbij
voegen, dat de klassen, die zich door bijzondere verkleefdheid aan den troon
onderscheidden, de geestelijkheid namelijk en de landbezittende gentry,
vooral redenen hadden om de kerk van Rome met tegenzin aan te zien. De
geestelijkheid beefde voor haar bedieningen, de grondbezittende gentry voor
-ocr page 183-
ONDER KAREL II.                                         159
haar abdijen en groote tienden \'). Zoolang de herinnering aan de heer-
schappij der heiligen nog versch was, had de haat tegen de papisten eenigs-
zins plaats gemaakt voor den haat tegen het puritanisme; doch gedurende
de achttien jaren, die sedert de restauratie verloopen waren, was de haat
tegen het puritanisme verminderd en die tegen het papisme grooter ge-
worden. De bepalingen van het traktaat van Dover waren aan zeer weini-
gen nauwkeurig bekend; eenige wenken echter waren naar buiten doorge-
drongen. De algemeene indruk was, dat een groote aanslag op de protestant-
sche godsdienst beraamd werd. Van den koning werd door velen vermoed,
dat hij tot het roomsch geloof overhelde. Zijn broeder en vermoedelijke
erfgenaam stond bekend als een dweepziek roomschgezinde. De eerste her-
togin van York was in het roomsche geloof gestorven. Jacobus had toen
ondanks de door het Huis der Gemeenten daartegen ingebrachte bezwaren
de prinses Maria van Modena, weder een roomsch-katholieke, ten huwelijk
genomen. Indien er uit dat huwelijk zonen geboren werden, was er reden
te vreezen, dat zij als roomsch-katholieken opgevoed zouden worden en
dat de engelsche troon beklommen kon worden door een lange reeks van
vorsten, die der gevestigde godsdienst vijandig zouden zijn. De grondwetige,
bepalingen waren onlangs geschonden ten einde de roomschgezinden tegen
strafwetten te vrijwaren. De bondgenoot, door wien de engelsche staat-
kunde sedert vele jaren voornamelijk bestuurd werd, was niet slechts een
roomsch katholieke, maar bovendien een vervolger der hervormde kerken.
Onder zoodanige omstandigheden kan het niet bevreemden, dat de lagere
volksklasse geneigd was voor den terugkeer van tijden te vreezen, als die
der vorstin, welke zij de bloedige Maria noemde.
De natie dus was in zulk een stemming, dat de kleinste vonk een vlam
kon voortbrengen. In dezen stand van zaken werd op twee plaatsen te gelijk
het vuur onder den ontzaglijken voorraad brandbare stoften gelegd en in
één oogenblik stond alles in laaije vlam.
vai v»n Dnnbj-. Het fransche hof, overtuigd in Danby een doodvijand te hebben,
wist hem behendig ten val te brengen door hem voor zijn vriend te doen
doorgaan. Door tusschenkomst van Ralph Montague, een trouweloos en
schaamteloos man, die in Frankrijk ils engelsch minister verblijf had ge-
houden, deed Lodewijk aan het Huis der Gemeenten bewijzen voorleggen,
dat de thesaurier betrokken was geweest in een aanzoek om geld, door het
Hof van Whitehall aan dat van Versailles gedaan. Deze ontdekking miste
haar natuurlijke uitwerking niet. De thesaurier werd aan de wraak des par-
lements prijs gegeven, met der daad echter niet om zijn misdrijven, maar
om zijn verdiensten; niet omdat hij medeplichtig was geweest aan een
misdadige handeling, maar omdat hij een uiterst onwillig enondienstvaardig
medeplichtige was geweest. De omstandigheden echter, die in het oog der
nakomelingschap zeer tot verschooning van zijn dwaling strekken, bleven
aan zijn tijdgenooten onbekend. In hun oog was hij de makelaar, die Enge-
land aan Frankrijk verkocht had. Het scheen klaar, dat zijn grootheid ten
einde was, en twijfelachtig of zijn hoofd nog gered kon worden.
\') Onder het bestuur van Hendrik VIII der roomsche geestelijkheid met geweld
ontnomen en grootendeels in handen des adels overgegaan.
                              V.
-ocr page 184-
téo
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
H,«MDpiïtM* Doch de gisting, die door deze ontdekking ontstond, was gering
in vergelijking met de beweging, die zich openbaarde, toen zich het ge-
rucht verspreidde, dat een groot papistisch complot ontdekt was. Zekere
Titus Oates, een geestelijke van de anglicaansche kerk, had zich door zijn
ongeregeld leven en zijn onrechtzinnige stellingen de afkeuring zijner ker-
kelijke superieuren op den hals gehaald, was gedwongen geworden zijn
bediening te verlaten en had sedert dien tijd steeds een zwervend en schan-
delijk leven geleid. Hij had ook eenmaal het roomsch-katholieke geloof be-
leden en op het vaste land eenigen tijd in engelsche seminariën van het ge-
zelschap van Jezus doorgebracht. In die seminariën had hij veel onbekookte
taal gehoord over de beste middelen om Engeland tot de ware kerk terug
te brengen. Uit de wenken en toespelingen, hem op deze wijze aan de hand
gedaan, stelde hij een afgrijselijken roman samen, die eer de droombeelden
van een door koorts verhit brein scheen terug te geven, dan iets dat ooit
in de werkelijkheid plaats had gegrepen. De paus zeide hij, had het bestuur
van Engeland aan de Jezuïten toevertrouwd. De Jezuïten hadden katholieke
geestelijken, adellijken en gentlemen, door aanstellingen onder het zegel van
hun genootschap, tot al de hoogste bedieningen in kerk en staat benoemd.
De papisten hadden Londen reeds eenmaal doen afbranden. Zij hadden
gepoogd dit voor de tweede maal te doen. Op dat oogenblik waren zij bezig
een ontwerp te beramen om alle schepen op den Theems in brand te steken.
Op een gegeven teeken zouden zij toesnellen en al hun protestantsche nabu-
ren vermoorden. Tenzelfden tijde zou in Ierland een fransch leger landen.
Al de voornaamste staatsmannen en geestelijke personen in Engeland zouden
%
         vermoord worden. Tegen den koning waren drie of vier verschillende moord-
aanslagen gesmeed. Men zou hem doodsteken. Men zou hem door een
drankje vergeven. Hij zou met zilveren kogels doorboord worden. De
openbare meening was zoo ontstemd, zoo prikkelbaar, dat al deze leugens bij
het volk gereeden ingang vonden en twee voorvallen, die kort daarna plaats
grepen, brachten zelfs verlichte mannen op de gedachte of het verhaal,
hoezeer blijkbaar verwrongen en overdreven, niet eenigen grond van waar-
heid kon hebben.
Eduard Coleman, een woelziek en geenszins onbesproken roomsch-katho-
lieke, bevond zich onder de aangeklaagden. Er werd onderzoek naar zijn
papieren gedaan en men bevond, dat hij het grootste gedeelte er van juist
vernietigd had. Enkele stukken echter, die aan dat lot ontkomen waren, be-
helsden zinsneden, waarin een bevooroordeelde geest de bevestiging der
verklaringen van Oates meende te kunnen vinden.
Bij een onpartijdige uitlegging schenen die papieren inderdaad niet veel
meer uit te drukken, dan de hoop, waartoe de stand der openbare aange-
legenheden, de neigingen van Karel, de nog sterker neigingen van Jacobus
en de bestaande betrekkingen tusschen de fransche en engelsche hoven, een
den belangen zijner kerk innig toegcdanen roomsch-katholieke van zelf aan-
leiding moesten geven \'). Maar het land was toen niet gestemd om de
*) »Wij hebben hier,"\' wordt in een dier brieven gezegd, »een groot werk te ver-
richten ; het geldt hier de bekeering van drie koninkrijken en wij zullen daardoor
-ocr page 185-
ONDER K.AREL II.                                                     l6l
brieven van papisten onbevooroordeeld uit te leggen; ook werd er met
eenigen schijn van recht betoogd dat, bijaldien papieren, die als onbelang-
rijk gespaard gebleven waren, zoo veel verdachts behelsden, er dan voor-
zeker eenig geheim van ongerechtigheid in die documenten moest verscholen
geweest zijn, die men zoo zorgvuldig den vlammen had prijs gegeven.
Een paar dagen later hoorde men, dat Sir Edmondsbury Godfrey, een
voornaam vrederechter, voor wien Oates zijn getuigenis ten laste van Cole-
man had afgelegd, verdwenen was. Er werden nasporingen gedaan en God-
frey\'s lijk werd op een veld in de nabijheid van Londen teruggevonden. Het
bleek duidelijk, dat hij door geweld was omgekomen. Het was even dui-
delijk, dat hij niet door roovers aangerand was. Zijn lot is tot op den
huidigen dag een geheim gebleven. Sommigen denken, dat hij door eigen
hand om het leven kwam, anderen, dat hij door een persoonlijken vijand ver-
moord werd. Het minst gegronde vermoeden is, dat hij door de het hof
vijandige partij vermoord werd, ten einde de geschiedenis van het complot
meer kleur bij te zetten. De meest waarschijnlijke meening echter blijft,
alles te zamen genomen, deze, dat de een of andere heethoofdige roomsch-
gezinde, door de leugens van Oates en den smaad der menigte tot razernij
gedreven en weinig onderscheid makende tusschen den meineedigen aan-
klager en den onschuldigen magistraatpersoon, een wraak zal hebben ge-
nomen, waarvan de geschiedenis van vervolgde secten maar al te veel voor-
beelden oplevert. Was dit zoo, dan moet de moordenaar zijn misdadige
dwaasheid naderhand bitter betreurd hebben. De hoofdstad en de geheele
natie werd dol van haat en angst. De strafwetten, welker toepassing allengs
was beginnen te verslappen, werden opnieuw streng gehandhaafd. Allerwege
waren de rechters bezig met huiszoekingen en het in beslag nemen van pa-
pieren. Al de gevangenissen werden met papisten opgevuld. Londen had
het aanzien eener stad, die in staat van belejr verkeert. De burgervendels
waren den geheelen nacht onder de wapenen. Er werden toebereidselen
gemaakt om de hoofdstraten te versperren. Patrouilles gingen in de straten
op en neder. Whitehall werd rondom met geschut beplant. Geen burger
achtte zich veilig, wanneer hij geen met lood verzwaarden knuppel onder
zijn kleeding droeg, om de paapschc moordenaars den kop te verpletteren.
Het lijk van den vermoorden rechter werd dagen achtereen voor de oogen
eener talrijke menigte ten toon gesteld en vervolgens naar de laatste rust-
plaats gebracht, onder vreemde en schrikwekkende plechtigheden \'), die
wellicht de algeheele onderdrukking te weeg brengen van die verderfelijke ketterij,
die zoo langen tijd in de rijken van het Noorden gewoed heeft. Sedert den dood van
onze koningin Maria is er geen tijdstip geweest, dat zoo veel hoop gaf, als het tegen-
woordige. God heeft ons een vorst gegeven, die fik mag wel zeggen op wonderdadige
wijze) bezield is geworden met het vurige verlangen de grondlegger en middelaar
van dat roemruchtig werk te worden; maar de tegenstand, dien wij zullen onder-
vinden, zal voorzeker ook groot zijn, zoodat het noodig is, dat wij alle mogelijke
hulp en bijstand trachten te verkrijgen."
                                                                V.
\') De lijkstoet, door twee en zeventig geestelijken voorafgegaan en door meer dan
duizend aanzienlijkeu gevolgd, nam zijn weg door al de voornaamste straten der City;
toen de lijkrede gehouden werd, begaven zich twee kloeke geestelijke heeren op den
kansel, aan weerszijden van den predikant, opdat hij niet door de roomschen ver-
moord zoude worden, terwijl hij den ongelukkigen rechter de laatste eere bewees. —
MACADLAY I.                                                                                                             II
-ocr page 186-
IÓ2
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
vrees en wraakzucht, veeleer dan droefheid of geloovige onderwerping uit-
drukten. De Huizen verzochten, dat er in de gewelven onder het parlements-
gebouw een wacht geplaatst werd om het tegen een tweede buskruit-verraad
te beveiligen. Al hun maatregelen stemden met dit verlangen overeen.
Sedert de regeering van Elizabeth had men steeds den leden van het Lager-
huis den suprematie-eed afgevorderd. Sommige roomschen echter hadden
een zoodanige uitlegging van dien eed uitgedacht, dat zij hem zonder be-
zwaar konden afleggen. Thans werd een nog meer bindende zuiveringseed
daarbij gevoegd: elk lid van het parlement was verplicht een verklaring
tegen de transsubstantiatie af te leggen en de roomsch-katholieke lords
werden voor het eerst van hun zetels in het parlement beroofd. Er werden
krachtige votums tegen de koningin uitgebracht. Het Lagerhuis deed een
der staats-secretarissen in de gevangenis werpen; omdat hij benoemingen
mede-onderteekend had ten behoeve van gentlemen, die geen goede protes-
tanten waren. Den Lord-thesaurier stelden zij wegens hoog verraad in staat
van beschuldiging. Ja, meer dan dat, de leer. die zij zoo luidkeels beleden
hadden, tijdens de burgeroorlog nog versch in het geheugen was, verloren
zij nu zoo geheel en al uit het oog, dat zij den koning zelfs het opperbevel
over de landweer zochten te ontwringen. Zoodanig was de stemming, waar-
toe achttien jaren van wanbestuur het bestgezinde parlement gebracht had-
den, dat ooit in Engeland was samengekomen.
Het moet echter vreemd schijnen, dat de koning in dit uiterste een
beroep op het volk waagde; want het volk was nog opgewondener dan zijn
vertegenwoordigers. Wat misnoegen er ook heerschte in het Lagerhuis, men
telde er een grooter aantal cavaliers, dan men in een volgende vergadering
kon verwachten. Maar men dacht door de ontbinding een einde te maken
aan de vervolgingen, tegen den Lord-thesaurier ingesteld, omdat die wel
eens al de misdadige geheimen der fransche alliantie aan het licht en daar-
door Karel persoonlijk in de grootste ongelegenheid hadden kunnen brengen.
Derhalve werd in Januari 1679 net parlement, dat sedert het begin van 1661
onafgebroken bestaan had, ontbonden en werden bevelschriften tot het
houden van algemeene verkiezingen uitgevaardigd,
i^fen\'ê\'v\'ririë- Gedurende eenige weken was de strijd over het geheele land
•\'"{Si.™1 voorbeeldeloos hevig en hardnekkig. Grooter sommen dan ooit
werden besteed en een geheel nieuwe taktiek ingevoerd. De pamphlet-
schrijvers van dien tijd verhalen, als iets geheel buitengewoons, dat er
met groote kosten paarden gehuurd werden voor het vervoer der kiezers.
Het gebruik om vrij grondbezit te splitsen ten einde meer stemmen te erlan-
gen, dagteekent van dezen gedenkwaardigen strijd. Afgescheiden predikan-
ten, die zich sints lang in stille schuilplaatsen aan vervolging onttrokken
hadden, kwamen thans voor den dag en reden van dorp tot dorp met het
doel om den ijver der verstrooide kinderen Gods weder aan te wakkeren. De
stroom liep sterk tegen het bewind. De meeste nieuwe leden kwamen naar
»In deze stemming der gemoeilereu," zegt Hume, aan wiea wij deze bijzonderheden
ontleenen, »kon gezonde rede even min gehoor vinden als een zncht onder het ge-
bulder van den vreeselijksten orkaan."
                                                           V.
-ocr page 187-
ONDER KAREL II.                                                    I 63
Westminster in een stemming, welke weinig verschilde van die hunner voor-
gangers, toen deze Strafford en Laud naar den Tower hadden gezonden.
Middelerwijl werden de gerechtshoven, die te midden van staatkundige
onlusten voor den onschuldige van elke partij veilige schuilplaatsen be-
hooren te zijn, door wilder driften en door laaghartiger omkoopingen ge-
schandvlekt, dan tot dus verre, zelfs op het tooneel der verkiezingen, opge-
merkt waren. Het verhaal van Oates, ofschoon het voldoende was geweest
om het gansche rijk in krampachtige spanning te brengen, zou evenwel, werd
het door geen andere getuigenis gestaafd, van geen genoegzaam gewicht
geweest zijn om slechts den geringste dergenen, die hij aangeklaagd had, in
\'t verderf te storten; want volgens de oude engelsche wetten worden twee
getuigen vereischt om een beschuldiging van hoogverraad te staven. Maar
het welslagen van den eersten bedrieger had zeer natuurlijke gevolgen.
Binnen weinige weken was deze uit armoedigen en neringen stand tot een
welvaart en aanzien gestegen, die hem ten schrik van vorsten en edelen maak-
ten en had hij een beruchtheid erlangd, die voor lage en verdorven ge-
moederen al het bekoorlijke van den roem heelt. Hij bleef niet lang zonder
handlangers en mededingers. Zekere Carstairs, een nietswaardige, die in
Schotland een bestaan gezocht had met onder vermomming de conventicles
bij te wonen en vervolgens de predikanten te verklikken, wees hierin den
weg. Bedloe. een befaamd zwendelaar, volgde en weldra stroomden de
valsche getuigen uit alle bordeelen, speelhuizen en schuldgevangenissen van
Londen om de roomsen katholieken door hun eeden in levensgevaar te
brengen. De eene kwam met een geschiedenis aan van een leger van dertig
duizend man, die als pelgrims vermomd te Corunna bijeenkwamen om van
daar naar Wallis over te steken. Een anderen was heiligverklaring en vijf-
honderd pond sterling beloofd, zoo hij den koning vermoordde. Een derde
was een eethuis in Coventgarden binnen gestapt en had daar een aanzienlijk
roomsch bankier ten aanhoore van al de gasten en tafelbediendenae gelofte
hooren uiten, dat hij den ketterschen dwingeland zou ombrengen. Oates,
die zich door zijn navolgers niet wilde laten overtreffen, voegde weldra een
uitvoerig vervolg bij zijn verhaal. Onder anderen had hij de voorbeeldelooze
onbeschaamdheid te verzekeren, dat hij onlangs, achter een half geopende
deur staande, de koningin had hooren verklaren, dat zij besloten had haar
toestemming tot het vermoorden van haar echtgenoot te geven. Zelfs zulke
verdichtselen geloofde de gemeene man en de hoogste overheidspersonen
veinsden die te gelooven. De voornaamste rechters in den lande waren
omkoopbaar, wreed en vreesachtig. De aanvoerders der landpartij bevor-
derden de heerschende begoocheling. De achtenswaardigsten onder hen
waren inderdaad zelve verblind genoeg om het grootste gedeelte van het
gewaande complot voor waar te houden. Mannen als Shaftesbury en Buc-
kingham zagen zonder twijfel wel, dat het geheel slechts een verdichtsel was.
Maar dat verdichtsel was hun belangen dienstig en hun verhard geweten
werd door den dood van een onschuldig mensch even weinig verontrust als
door dien van een patrijs. De jurys deelden in de gevoelens, die destijds de
geheele natie beheerschten, en werden door de rechtbanken aangemoedigd
om aan die gevoelens den vrijen teugel te vieren. De menigte juichte Oates
-ocr page 188-
i64
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
en zijn bondgenooten toe, bejegende de getuigen, die ten gunste der aange-
klaagden optraden, met gejouw en steenworpen en hief luide vreugdekreten
aan, als de uitspraak der jury «schuldig" luidde. Het was te vergeefs, dat de
slachtoffers zich op de achtbaarheid van hun vroeger leven beriepen; want
het was de algemeene waan. dat een papist, naarmate hij nauwgezetter was,
ook te eerder in samenzweringen tegen een protestantsch bestuur zou treden.
Te vergeefs bleven zij, een oogenblik voor dat de kar onder hun voeten weg-
reed, volstandig hun onschuld betuigen; het was de heerschende meening,
dat een goed papist alle leugens, die zijn kerk dienstig konden zijn, niet
slechts verschoon baar, maar zelfs verdienstelijk achtte.
va""b\'ètmiiï«iwe Terwijl aldus onder de vormen der gerechtigheid onschuldig
Gemeenten, bloed werd vergoten, kwam het nieuwe parlement bijeen en de
hevigheid der heerschende partij was zoo groot, dat zelfs mannen, wier jeugd
onder omwentelingen doorgebracht was, mannen, die zich de veroordeeling
van Strafford, den aanslag op de vijf leden, de afschaffing van het Huis der
Lords, de onthoofding des konings herinnerden, van schrik ontstelden over
den toestand der openbare aangelegenheden. De aanklacht tegen Danby
werd hervat. Hij beriep zich op de van den koning verkregen gratie. Doch
het Lagerhuis stoorde zich aan dat beroep niet en bleef op de voortzetting
van het geding aanhouden. Het was hun echter niet hoofdzakelijk om Danby
te doen. Zij waren overtuigd, dat het eenig doeltreffend middel tot beveili-
ging der nationale godsdienst en vrijheden hierin gelegen was, dat de hertog
van York van den troon werd uitgesloten.
De koning verkeerde in groote verlegenheid. Hij had verlangd, dat zijn
broeder, wiens aanblik het gepeupel tot razernij bracht, voor een tijd lang
naar Brussel de wijk zou nemen; doch het bleek niet, dat deze inschikkelijk-
heid de minste gunstige uitwerking had. De partij der rondhoofden was
thans bepaaldelijk de sterkste. Bij deze partij sloten zich nu millioenen aan,
die tijdens de restauratie tot de partij van het prerogatief overgeheld hadden.
Van de oude cavaliers deelden velen de heerschende vrees voor het papisme,
en velen, vervuld van bitteren wrok over de ondankbaarheid van den vorst,
voor wien zij zoo veel hadden opgeofferd, bekreunden zich even weinig om
zijn nood, als hij zich om den hunne bekommerd had. Zelfs de anglicaansche
geestelijkheid, gekrenkt en verontrust door den afval des hertogs van York,
ondersteunde de oppositie in zoo verre, dat ze van harte in den kreet tegen
de roomsch-katholieken instemde.
Te™nlK«\'ii!re" In dezen uitersten nood nam de koning zijn toevlucht tot Sir
William Temple. Onder alle openbare personen van dien tijd had Temple
zijn naam het reinst gehouden. Het drievoudig verbond was zijn werk ge-
weest. Hij had geweigerd het minste deel in de staatkunde der kabaal te
nemen en in strikte afzondering geleefd, toen dat bewind de zaken bestuurde.
Hij had op de uitnoodiging van Danby zijn schuilplaats verlaten, den vrede
tusschen Engeland en Holland gesloten en grootendeels het tot stand komen
van het huwelijk der prinses Maria met haar neef, den prins van Oranje,
bewerkt. Zoo rekende hem iedereen de verdienste toe van het weinige goede,
dat door het bestuur sedert den tijd der restauratie gedaan was. Van de
tallooze misdaden en fouten in de jongste achttien jaren begaan, kon hem
-ocr page 189-
I65
ONDER KAREL II.
geen enkele te laste gelegd worden. Zijn leefwijze, schoon niet streng, was
betamelijk, zijn manieren innemend en hij was onomkoopbaar, zoowel voor
titels als voor geld. Nochtans ontbrak iets aan het karakter van dezen ach-
tenswaardigen staatsman. Zijn gevoel van vaderlandsliefde was flauw. Hij
stelde zijn rust en zijn persoonlijke waardigheid te zeer op prijs en deinsde
met kleinmoedige vrees voor verantwoordelijkheid terug. Daarbij hadden
zijn gewoonten hem inderdaad ook niet voorbereid om een rol in onze in-
wendige partijtwisten te spelen. Hij had zijn vijftigste jaar bereikt zonder in
het parlement gezeten te hebben; en zijn kennis van de openbare aange-
legenheden had hij bijna uitsluitend aan vreemde hoven opgedaan. Hij werd
terecht voor een der eerste diplomaten van Europa gehouden; maar de
talenten en gaven van een diplomaat zijn zeer verschillend van die, welke
een staatsman in staat stellen om in onrustige tijden het Huis der Gemeenten
te besturen.
Het ontwerp, dat hij voorstelde, getuigde van zijn scherpzinnigheid.
Schoon geen diepzinnig wijsgeer, had hij toch meer over de algemeene be-
ginselen van staatsbeleid nagedacht, dan de meeste in het gewoel der groote
wereld verkeerende personen, en zijn geest was door historische studiën
en buitenlandsche reizen gescherpt. Hij schijnt een der oorzaken van de
moeijelijkheden, die op de regeering drukten, duidelijker ingezien te heb-
ben dan de meeste zijner tijdgenooten. De aard der engelsche staatsregeling
was allengs aan het veranderen. Langzaam, maar gestadig, won het parle-
ment veld op de voorrechten der kroon. Theoretisch was de grenslijn
tusschen de wetgevende en uitvoerende machten zoo duidelijk zichtbaar als
ooit, in de praktijk echter werd ze al flauwer en flauwer. De theorie der
staatsregeling bracht mede, dat de koning zijn eigen ministers mocht benoe-
men. Maar het Huis der Gemeenten had Clarendon, de Cabaal en Danby
na elkander van het bewind verwijderd. De theorie der staatsregeling was,
dat alleen de koning het recht bezat om oorlog en vrede te maken. Maar
het Huis der Gemeenten had hem genoodzaakt vrede met Holland te sluiten
en zou er hem bijkans toe gedwongen hebben om aan Frankrijk den oorlog
te verklaren. De theorie der staatsregeling was, dat de koning alleen over
de gevallen te beslissen had, waarin het dienstig ware overtreders te bege-
nadigen. Maar hij was zoo beducht voor het Huis der Gemeenten, dat hij op
dat oogenblik niet durfde wagen mannen van de galg te redden, van welke
hij wist, dat zij onschuldige slachtoffers van den meineed waren.
Temple wenschte, naar het schijnt, der wetgevende macht het bezit harer
grondwettig erkende rechten te verzekeren, doch tevens haar, zoo mogelijk,
te verhinderen verder inbreuk op het gebied van het uitvoerend bewind te
maken. Met dit inzicht besloot hij tusschen den souverein en het parlement
een college te stellen, dat den schok van hun botsingen kon breken. Er
bestond een aloud, hoog achtbaar en wettelijk erkend lichaam, dat, naar hij
dacht, zoo ingericht kon worden, dat het aan dit doel zou beantwoorden.
Hij besloot dus den geheimen raad een nieuw karakter en nieuwe functien
te geven. Het getal der raadsleden bepaalde hij op dertig. Vijftien van hen
zouden de voornaamste dienaren van den staat, der wet en der godsdienst
wezen. De andere vijftien zouden ambtelooze edellieden en personen van
-ocr page 190-
l66                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
groot vermogen en aanzien zijn. Er zou geen bepaald kabinet bestaan. Aan
elk der dertig zouden alle staatsgeheimen toevertouwd en zij tot de bijwoning
van elke bijeenkomst uitgenoodigd worden; de koning zou beloven, dat hij
zich bij elke gelegenheid door hun raad zou laten leiden.
Temple schijnt gedacht te hebben, dat hij door deze inrichting de natie
evenzeer tegen de dwingelandij der kroon, als de kroon tegen de aanmati-
gingen van het parlement kon beveiligen. Aan de eene zijde scheen het, dat
zoodanige plannen, als de Cabaal beraamd had, zelfs niet eens ter sprake
zouden gebracht worden in een vergadering, die uit dertig uitmuntende
mannen bestond, waarvan vijftien door geenerlei belang aan het hof verbon-
den waren. Ter andere zijde mocht men hopen, dat het Lagerhuis, tevreden
met den waarborg, dien een zoodanige geheime raad tegen verkeerd bestuur
opleverde, zich, meer dan het in den jongsten tijd gedaan had, tot zijn bloot
wetgevende functiën bepalen en het niet langer noodig achten zou zich met
alle gedeelten van het uitvoerend bewind in te laten.
Dit plan, schoon in sommige opzichten de bekwaamheden van zijn grond-
legger niet onwaardig, was in zijn aard gebrekkig. Het nieuw college was
half kabinet, half parlement, en, gelijk bijna elke andere instelling, die, \'t zij
in het werktuiglijke, \'t zij in het staatkundige, tot twee geheel uiteenloopende
einden moet dienen, faalde het zoo wel in het eene als in het andere. Het
was te groot en te zeer verdeeld om een goed regeeringslichaam te kunnen
zijn, Het was te nauw aan de kroon verbonden om een voldoend toezicht uit
te oefenen. Het bevatte juist genoeg populaire bestanddeelen, om er een
slechten staatsraad van te maken, ongeschikt tot het bewaren van geheimen,
tot het voeren van teedere onderhandelingen of tot het leiden van den oorlog.
Nochtans waren deze populaire bestanddeelen geenszins toereikend om de
natie tegen slecht bestuur te beveiligen. Al had men dus het plan te goeder
trouw beproefd, men zou daarmede niet licht geslaagd zijn; maar het ging
met die proef zelfs niet eerlijk toe. De koning was wuft en trouweloos ; het
parlement was opgewonden en onbillijk, en de elementen van den nieuwen
raad, schoon wellicht de beste, welke in dien tijd te vinden waren, waren
niettemin slecht.
De aanvang van het nieuwe regeeringsstelsel werd evenwel met alge-
meene vreugde begroet; want het volk was in een stemming om elke ver-
andering als verbetering te beschouwen. Ook zag het eenige der nieuwe
benoemingen met genoegen. Shaftesbury, thans zijn lieveling, werd tot lord-
president benoemd. Russell en eenige andere uitstekende leden der land-
partij werden als raadslieden beëedigd. Maar binnen weinige dagen was
alles in verwarring. De moeijelijkheden, aan het bestaan van zulk een talrijk
kabinet verbonden, waren zoo groot, dat Temple zelf er toe komen moest
een der door hem vastgestelde grondregelen te overtreden en een der leden
van een kleiner lichaam te worden, dat eigenlijk alles bestuurde. Met hem
waren drie andere ministers verbonden, Arthur Capel, graaf van Essex,
George Savile, burggraaf Halifax en Robert Spencer, graaf van Sunderland.
Van den graaf van Essex, destijds eersten commissaris der thesaurie,
zal het genoeg zijn te zeggen, dat hij een man van degelijke, hoewel geen
schitterende gaven en van een ernstige en zwaarmoedige inborst was; dat
-ocr page 191-
ONDER KAREL II.                                              167
hij met de landpartij verbonden was geweest en thans oprecht wenschte
onder gunstige voorwaarden voor het land, een verzoening tusschen die partij
en den troon tot stand te brengen.
K*iTmïnV!°" Onder de staatsmannen van dien tijd was Halifax de meest be-
gaafde. Zijn geest was vindingrijk, vlug en schrander. Zijn gekuischte, hel-
dere en vurige welsprekendheid, nog wegsleepender door de zilveren tonen
zijner stem, was de wellust van het Huis der Lords. Zijn gesprekken waren
rijk in gedachten, verbeeldingskracht en vernuft. De letterkundige ver-
dienste zijner politieke geschriften maakt deze der studie overwaardig en
geeft hem de volste aanspraak op een plaats onder de classieke engelsche
schrijvers. Met het gewicht, aan zoo groote en menigvuldige begaafdheden
ontleend, paarde hij al den invloed, aan maatschappelijken rang en uitge-
strekte bezittingen verbonden. Nochtans was hij minder gelukkig in het
politische leven dan vele anderen, die minder schitterende gaven hadden
ontvangen. Inderdaad, juist die begaafdheden van geest en verstand, welke
zoo veel waarde bijzetten aan zijn geschriften, waren hem menigmaal hinder-
lijk in het werkelijke leven. Want hij zag de opvolgende gebeurtenissen niet
in het licht, waarin zij gewoonlijk door hen gezien worden, die er een werk-
dadig deel aan nemen, maar uit het oogpunt, waaruit na verloop van vele
jaren de wijsgeerige geschiedschrijver haar beschouwt. Bij een geestge-
steldheid als deze kon hij niet lang met eer.ige partij, welke dan ook, van
harte medewerken. Ieder vooroordeel, elke overdrijving der beide groote
staatspartijen stuitte hem tegen de borst. Hij verachtte de lage kunstgrepen
en het redeloos geschreeuw der demagogen. Nog meer versmaadde hij de
leer van het goddelijk recht en der lijdelijke gehoorzaamheid. Gelijkelijk
dreef hij den spot met de gcloofswoede der staatskerkgezinden en met die
der puriteinen. Hij kon evenmin begrijpen, hoe iemand iets tegen heilige
dagen en koorhemden kon hebben, als dat men zich daardoor de vervolging
van andersdenkenden kon op den hals halen. Van overtuiging was hij wat men
in onze dagen behoudendgezind noemt. In theorie was hij een republikein.
Zelfs dan, wanneer zijn vrees voor anarchie en zijn verachting van de dwaal-
begrippen der menigte er hem toe brachten zich een tijd lang aan de zijde
der voorstanders van willekeurige macht te voegen, was zijn geest toch
altoos bij Locke en Milton. Overigens waren zijn aardigheden over de
erfelijke monarchie somtijds meer geschikt voor de Kalfskop\'s club, dan dat
ze een lid van den geheimen raad der Stuarts betaamden. In het gods-
dienstige was hij er zoo verre af een ijveraar te zijn, dat hij door kwaadwilli-
gen een godloochenaar genoemd werd; doch deze beschuldiging weerde hij
met kracht van zich af; en in waarheid, hij schijnt geenszins voor gods-
dienstige indrukken ongevoelig te zijn geweest, schoon hij somtijds ergernis
gaf door de wijze, waarop hij, zelfs bij de behandeling van ernstige onder-
werpen, aan zijn zeldzame gaven van welsprekendheid en spotternij bot
vierde.
Hij was de voornaamste dier staatkundigen, welke door de twee groote
staatspartijen minachtenderwijze Trimmers \') genoemd werden. In plaats
\') Trimmer, in den zin door die partijen bedoeld, is iemand, die geen partij durf
kiezen, of beurtelings de eene en de andere aanhangt om beiden te believen, een weer
-ocr page 192-
168
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
van zich over dezen schimpnaam te ergeren, nam hij dien als eeretitel aan
en deed met groote levendigheid de waarde van die benaming gelden. Al
wat goed is, zeide hij, houdt het midden tusschen uitersten. De gematigde
luchtstreken houden het midden tusschen die, waar de menschen gebraden
worden en die, waar zij bevriezen. De engelsche kerk houdt het midden
tusschen de razernij der wederdoopers en den papistischen doodslaap. De
engelsche staatsregeling houdt het midden tusschen het turksche despotisme
en de regeeringloosheid. Deugd is slechts het juiste midden tusschen nei-
gingen, die ondeugd worden, wanneer men haar onbeperkt den teugel viert.
Ja zelfs de volmaaktheid van het Opperwezen bestaat in het juiste evenwicht
van eigenschappen, waarvan geene enkele het overwicht zoude kunnen ver-
krijgen, zonder de geheele zedelijke en stoffelijke orde der wereld te ver-
storen \'). Uit beginsel tlus was Halifax een trimmer. Hij was dit bovendien
door zijn natuur, zoowel wat zijn hoofd als zijn hart betreft. Zijn verstand
was snedig, tot twijfelen geneigd, onuitputtelijk in onderscheidingen en in
tegenwerpingen; zijn smaak was verfijnd; zijn gevoel voor het belachelijke
buitengemeen scherp Schoon zacht en verzoenlijk van aard, was hij noch-
tans mocijelijk te voldoen en tot blinde bewondering evenmin geneigd als
tot kwaadwilligheid. Het was niet mogelijk, dat zulk een man zich met eenige
vereenigin^ van politieke bondgenooten duurzaam kon verstaan. Evenwel
moet hij geenszins met de menigte der gewone afvalligen verward worden.
Want schoon hij, even als zij, van de eene tot de andere zijde overging, zijn
overgang had steeds plaats in een richting, die lijnrecht tegen de hunne
inliep. Hij had niets gemeens met hen, die van het eene tot het andere
uiterste vliegen en der partij, welke zij verlaten, veel grooter verbittering
toedragen dan blijvende vijanden doen. Zijn plaats was tusschen de twist-
voerende partijschappen in den staat en nimmer begaf hij zich ver buiten
de grenzen dier partijschappen De partij, waartoe hij voor het oogenblik
behoorde, was steeds ook diegene, welke hij op dat oogenblik het minst
gaarne lijden mocht, omdat hij haar dan het meest van nabij kon gadeslaan.
Hij was uit dien hoofde altijd streng voor zijn warmste bondgenooten en
altijd in vriendschappelijke verhouding tot zijn gematigde tegenstanders.
Iedere partij laadde zijn afkeuring op zich, als zij, op den dag der zegepraal,
haar hoogmoed en haar wraakzucht bot vierde ; en elke partij, die overwon-
nen was en vervolgd werd, vond in hem een beschermer. Tot zijn onver-
gankelijke eer moet gezegd worden, dat hij steeds gepoogd heeft die slacht-
offers te redden, wier lot de grootste smet op den naam zoowel van Whigs
als Tories geworpen heelt.
Hij had zich in de oppositie sterk op den voorgrond geplaatst en zich
daardoor \'skonings misnoegen op den hals gehaald, dat inderdaad zeer hevig
was en hij niet dan na vele moeijelijkheden en na langdurigen strijd in
den raad van dertigen werd opgenomen. Doch zoodra hij aan het hof vasten
haan, iemand die de huig naar den wind hangt. In een beteren zin heeft het verschei-
den goede beteekenisseu; men zal zien hoe Halifax den schirnpnaam opvatte. V.
\') Men ziet hier, dat ik Halifax voor den schrijver, of althans voor een der schrijvers
van het «Karakter van een Trimmer" houd. dat een tijd lang aan zijn neef. sir William
Coventry, toegeschreven werd.
-ocr page 193-
169
ONDER KAREL II.
voet had verkregen, maakte hem de bevalligheid van zijn manieren en zijn
omgang tot een gunsteling. Hij was ernstig verontrust over de heftigheid
van het openbaar misnoegen. Hij hield \'t er voor, dat de vrijheid voor het
oogenblik veilig was, doch dat de orde en het wettig gezag bedreigd werden.
Hij voegde zich dus, naar zijn gewoonte, bij de zwakste partij. Wellicht was
zijn omkeer niet geheel onbaatzuchtig. Immers, hoezeer studie en nadenken
hem van vele alledaagsche vooroordeelen bevrijd hadden, nochtans was hij
niet vrij van alle menschelijke zwakheid. Aan geld had hij geen gebrek
en het blijkt ook niet, dat hij het zich ooit op eenige wijze verschaft zou
hebben, die zelfs door de strengste beoordeelaars van dien tijd voor laakbaar
gehouden werd; doch rang en macht hadden voor hem veel bekoorlijks. Hij
beweerde wel is waar, dat hij hooge titels en waardigheden slechts als lokaas
beschouwde, dat alleen dwazen kon verleiden; dat hij van staatszaken af-
keerig was, evenzeer als van pracht en praal, en dat zijn liefste wensch was
uit het gewoel en den glans van Whitehall naar de stille wouden terug te
keeren, die het oude kasteel in Hollinghamshire omringden; doch zijn ge-
drag weersprak niet weinig zijn verzekeringen Inderdaad wenschte hij de
achting van hovelingen zoowel als die van wijsgeeren te winnen, en bewon-
derd te worden, evenzeer omdat hij hooge waardigheden bereikte, als omdat
hij die verachtte.
sïn\'h-Vund." Sunderland was staatssecretaris. In dezen man spiegelde zich de
staatkundige zedeloosheid van zijn tijd op de levendigste wijze af. De natuur
had hem, bij een doordringend verstand, een rusteloozen en snooden ge-
moedsaard en een laag, gevoelloos hart gegeven. Zijn karakter had een
oefenschool doorloopen, waardoor al zijn ondeugden tot den hoogsten trap
van ontwikkeling gebracht waren. Bij zijn intrede in het openbare leven had
hij verscheiden jaren in diplomatische betrekkingen buiten\'s lands doorge-
bracht en was hij gedurende eenigen tijd gezant in Frankrijk geweest. Elk
beroep brengt bijzondere verzoeking mede en zonder onbillijk te zijn kan
men beweren, dat de diplomaten in den regel te allen tijde uitgemunt heb
ben door hun voorkomen en manieren, door de geslepenheid, waarmede zij
het vertrou wen weten te winnen van elkeen, met wien zij in aanraking komen,
door hun gemakkelijkheid om den toon van elk gezelschap te vatten, waarin
zij worden toegelaten, veelmeer dan door hun edele geestdrift of hun strenge
rechtschapenheid; ook waren de betrekkingen tusschen Karel en Lodewijk
van dien aard, dat geen engelsch edelman lang als gezant in Frankrijk blijven
kon, wilde hij niet alle eergevoel en vaderlandsliefde volkomen verzaken.
Sunderland verliet de verderfelijke school, waarin hij was opgeleid, listig,
buigzaam, schaamteloos, vrij van alle vooroordeelen en zonder eenige be-
ginselen. Hij was door familie-overlevering een cavalier, maar hij had met
de cavaliers niets gemeens. Zij waren vol ijver voor de monarchie en uit
beginsel veroordeelden zij allen tegenstand. Nochtans hadden zij kloeke
engelsche harten, die wezenlijke dwingelandij nimmer zouden verdragen
hebben. Hij daarentegen had een zwakke en bloot bespiegelende neiging
voor republikeinsche instellingen, en die neiging was volkomen bestaanbaar
met de volmaaktste bereidwilligheid om met der daad het allergedienstigste
werktuig van de macht der willekeur te zijn. Gelijk vele andere volleerde
-ocr page 194-
170                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
vleijers en onderhandelaars was ook hij veel beter bedreven in de kunst om
de karakters van afzonderlijke personen te bestudeeren en van hun zwak-
heden partij te trekken, dan in de kunst om het algemeen gevoelen te onder-
kennen en het naderen van groote omwentelingen te voorzien. In kuiperijen
was hij handig, en zelfs sluwe en ervaren mannen, die uitdrukkelijk voor zijn
trouweloosheid gewaarschuwd waren, vonden het moeijelijk zijn innemende
manieren te weerstaan en geloof te weigeren aan zijn vriendschapsbetuigin-
gen. Maar zijn aandacht was zoo geheel op het gadeslaan en het winnen van
bijzondere personen gevestigd, dat hij verzuimde de stemming der natie te
onderzoeken. Diensvolgens misrekende hij zich dan ook deerlijk in al de
gewichtigste gebeurtenissen van zijn tijd. Elke belangrijke beweging en
omkeering der openbare stemming overviel hem onverhoeds; en de wereld,
die niet begrijpen kon, hoe een zoo schrander man blind wezen kon voor al
wat door de koffiehuis-staatkundigen zoo duidelijk erkend werd, schreef
somtijds aan verborgen inzichten toe, wat in waarheid bloote misslagen
waren.
Alleen in kleine bijeenkomsten vertoonden zich zijn uitmuntende be-
kwaamheden. In het koninklijk kabinet of in een kleinen kring oefende hij
grooten invloed. Maar aan de raadstafel sprak hij weinig en in het Huis der
Lords liet hij nooit zijn stem hooren.
De vier meest vertrouwde raadgevers der kroon ondervonden weldra
dat hun stelling moeijelijk en haatwekkend was. De overige leden van den
raad morden over een onderscheid, onbestaanbaar met \'s konincfs beloften,
en sommigen hunner, met Shaftesbury aan het hoofd, vingen op nieuw in
het parlement een hevige oppositie aan. De onrust, die door de jongste
veranderingen eenigszins bednard was, werd aldra sterker dan ooit Het was
te vergeefs dat Karel aan het Lagerhuis voor de protestantsche religie alle
waarborgen aanbood, die het zelf had kunnen uitdenken, mits het slechts de
orde der erfopvolging onaangeroerd liet. Men wilde van geen schikking
hooren. Men wilde de wet van uitsluiting en niets dan die wet. Eenige
weken dus, nadat de koning openlijk beloofd had, geen stap te zullen doen
buiten goedkeuring van zijn nieuwen raad, begaf hij zich naar het Huis der
Lords, en, zonder zelfs in dien raad van zijn voornemen gewaagd te hebben,
verdaagde hij het parlement.
rpaïém™\'t\'. De dag van die verdaging, de 26ste Mei 1679, is een gedenk-
waardige dag in onze geschiedenis; want op dien dag verkreeg de habeas-
corpus-acte de koninklijke bekrachtiging. Sedert den tijd van het groot-
charter waren de bestaande rechtsbepalingen en de persoonlijke vrijheid
der Engelschen nagenoeg dezelfde geweest als tegenwoordig; doch zij waren
j^uMCM.r\' zonder kracht gebleven, omdat het aan een bindend stelsel van
rechtsvordering ontbrak. Wat vereischt werd, was geen nieuw recht, maar
een middel tot snelle en grondige afdoening; en zulk een middel leverde
de habeas-corpus-acte op. De koning zou gaarne zijn toestemming tot dien
maatregel geweigerd hebben, maar hij stond op het punt om zich in het
vraagstuk der erfopvolging van het parlement op het volk te beroepen, en
\'t was te gewaagd in zulk een hachelijk oogenblik een wetsvoordracht te
verwerpen, die in den hoogsten graad populair was.
-ocr page 195-
ONDER KAREL II.                                              171
Op denzelfden dag werd de drukpers voor een korten tijd vrij. Oudtijds
had het hof der sterrekamer streng toezicht over de drukpers gehouden. Het
Lange Parlement had de sterrekamer afgeschaft; maar ondanks de wijsgeerige
en welsprekende vertoogen van Milton een censuur ingesteld en in stand
gehouden. Kort na de restauratie, was een wet aangenomen, die het drukken
van niet goedgekeurde boeken verbood en men had bepaald, dat deze wet
tot op het einde der eerste zitting van het volgende parlement van kracht
zou blijven. Dat oogenblik was nu gekomen en door de bloote verdaging der
Huizen maakte de koning de drukpers vrij.
Tm"n° w?\' Op de verdaging volgde spoedig een ontbinding en nieuwe alge-
"ian\'üiri" meene verkiezingen. De ijver en de kracht der oppositie hadden
thans het toppunt bereikt. De kreet om de wet van uitsluiting was luider
dan ooit en tegelijk met dezen werd een tweede kreet aangeheven, die het
bloed der menigte aan het gisten bracht, maar die door alle verstandige
vrijheidsvrienden met zorg en leedwezen gehoord werd. Niet alleen de
rechten van den hertog van York, een erkende papist, maar ook die van
zijn twee dochters, oprechte en ijverige protestanten, werden aangevallen.
Stoutweg werd verzekerd, dat de oudste der natuurlijke zonen des konings
in wettigen echt geboren en de rechtmatige erfgenaam der kroon was.
PopmUriteii Toen Karel nog als balling op het vaste land omzwierf, had hij in
Monmoutii. den Haag zekere Lucie Wakers ontmoet, een uit Wallis afkomstig
meisje, zeer schoon, doch bekrompen van verstand en losbandig van zeden.
Zij werd zijn beminde en schonk hem een zoon. Een ergdenkend minnaar
zou wellicht getwijfeld hebben; want de dame had verscheiden aanbidders
en men meende, dat zij voor geen hunner ongevoelig was. Karel geloofde
haar echter op haar woord en betoonde den kleinen James Crofts, gelijk
het kind toen genoemd werd, een zoo overdreven liefde als men van die
koude en zorgeiooze natuur nauwelijks zou hebben kunnen verwachten.
Spoedig na de restauratie verscheen de jonge gunsteling te Whitehall na in
Frankrijk de oefeningen geleerd te hebben, die toen als vereischten voor
een groot heer beschouwd werden. Hij kreeg een woning in het paleis, pages
te zijner bediening en mocht een aantal voorrechten genieten, welke tot op
dien tijd alleen aan prinsen van den bloede ten deel vielen. Hij werd op nog
jeugdigen leeftijd met Anne Scott, erfgename van het doorluchtige huis van
Buccleuch, in den echt verbonden. Hij nam den naam zijner echtgenoot
aan en verkreeg te gelijk met haar hand het bezit van haar uitgestrekte
erfgoederen. De bezittingen, die hij door dit huwelijk verwierf, werden ge-
woonlijk op een opbrengst van niet minder dan tienduizend pond sterling
\'s jaars geschat. Titels en andere begunstigingen van meer degelijken aard
werden hem kwistig toegedeeld. Hij werd hertog van Monmouth in Engeland,
hertog van Buccleuch in Schotland, ridder der orde van den kousenband,
opperstalmeester, bevelhebber van de eerste afdeeling der lijfwacht, opper-
rechter van Eyre \') bezuiden de Trent en kanselier van de hoogeschool te
\') £yi:, rein, rondreis: dus opperrechter der ommegaande rechtbank bezuiden de
Trent. Er zal later menigmaal sprake zijn van de ommegaande rechtbank in Engeland,
om welke reden wij hier eenige bijzonderheden nopens haar aard en oorsprong bij-
voegen.
-ocr page 196-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
172
Cambridge. Ook scheen hij het volk zijn hooge bestemming niet onwaardig.
Zijn gelaatstrekken waren bij uitstek schoon en innemend, zijn aard vrien-
delijk, zijn manieren beleefd en voorkomend. Schoon hij een losbol was,
won hij toch de harten der puriteinen; en hoewel het bekend was, dat hij in
den schandelijken aanslag op Sir John Coventry de hand had gehad, verwierf
hij zonder moeite de vergiffenis der landpartij. Zelfs strenge zedemeesters
bekenden, dat aan zulk eenhof degelijke huwelijkstrouw nauwelijks verwacht
kon worden van iemand, die zelf nog een kind met een ander kind gehuwd
was. Zelfs goede vaderlanders waren genegen een driftig jongeling te ver-
schoonen, omdat hij een zijn vader aangedane beleediging met bovenmatige
wraak vergolden had; en de nadeelige indruk, door zijn losbandige minnarijen
en nachtelijke avonturen verwekt, werd weldra door eervolle daden uitge-
wischt. Toen Karel en Lodewijk hun strijdmacht tegen Holland samen-
trokken, voerde Monmouth het bevel over de engelsche hulptroepen, die
naar het vaste land gezonden werden en toonde zich een dapper krijgsman
en een niet onbekwaam aanvoerder. Bij zijn terugkeer kon hij zich als den
populairsten man van het geheele rijk beschouwen. Niets werd hem onthou-
den dan de kroon alleen; en zelfs de kroon scheen niet geheel buiten zijn
bereik te zijn. Maar het onderscheid, dat onverstandig genoeg tusschen hem
en de voornaamste edellieden gemaakt was, had kwade gevolgen na zich
gesleept. Nog een kind zijnde was hij gemachtigd in de audiëntiezaal den
hoed op te zetten, terwijl de Howards en de Seymours met ongedekte
hoofden om hem heen stonden. Wanneer vreemde vorsten stierven, had
hij over hen rouw gedragen in den langen purperen mantel, dien, met
uitzondering alleen van den hertog van York en van prins Rupert, geen
onderdaan dragen mocht. Het was natuurlijk, dat dit een en ander ertoe
leidde, dat hij zich als wettig vorst van het Huis van Stuart beschouwde.
Karel was, zelfs in rijper leeftijd nog, de slaaf van het zingenot en bekom-
merde zich niet om zijn waardigheid. Het kwam dan ook geenszins onge-
loofelijk voor, dat hij op twintigjarigen leeftijd over den vorm van een
huwelijk zou zijn heengestapt om een dame te winnen, wier schoonheid hem
betooverd had en wier gunst tot geen minderen prijs te verkrijgen was. Toen
Monmouth nog een kind was en de hertog van York nog voor een protestant
gehouden werd. verbreidde zich het gerucht in den lande en zelfs in kringen,
De rechtbank van liyrt, oorspronkelijk slechts belast met de behandeling van zoo-
genaamde kroonzaken (even als du koninklijke rechtbank), werd onder het bestuur
van Hendrik II (naar sommiger gevoelen reeds vroeger) ingesteld, om den onderdaan
de kosten en moeite der reizen naar Londen te besparen bij zaken, die daar hadden
moeten bepleit worden. Dit gerechtshof deed echter slechts eenmaal in de zeven jaren
een rondreis door het rijk. Zijn bestaan kon dus blijkbaar voor den onderdaan geen
groot voorrecht zijn en was wellicht nuttiger om in sommige zaken de belangen van
het hof te dienen. Het toenemend getal van rechtbanken en de algemeene behoefte
aan meer nabijzijnde rechtbanken had eindelijk de instelling der tegenwoordige omme-
gaande gerechtshoven ten gevolge, waardoor levens het hof van Eyre vervangen werd.
Op gezette tijden van het jaar bezoekt elk dezer hoven de hoofdplaatsen der graafschap-
pen van ziju regtsgebied (circuit) en houdt daar zitting (assiscs)^ recht doende, zoowel
in burgerlijke als in crimineele zaken; de rechters worden daartoe gecommitteerd uit
de hoogere rechtbanken.
-ocr page 197-
t7t
ONDER KAREL II.
die goed onderricht konden zijn, dat de koning Lucie Wakers tot zijn vrouw
verheven had, en dat, wanneer een ieder het zijne kreeg, haar zoon prins van
Wales "zou worden. Veel werd er van een zwart kistje gesproken, dat, naar
het volksgeloof beweerde, het huwelijksverdrag inhield. Toen Monmouth,
hooggeroemd om zijn dapperheid en zijn beleid, uit de Nederlanden terug-
gekomen was en de hertog van York als lid van een door de meerderheid der
natie verfoeide kerk bekend stond, kreeg dit ijdele sprookje meer gewicht.
Voor de waarheid bestond niet het minste bewijs. Tegen haar gold de
plechtige verklaring des konings, afgelegd in bijzijn van zijn raad en op zijn
bevel aan het volk medegedeeld. Maar de menigte, altijd verzot op roman-
tische avonturen, luisterde gretig naar het verhaal van het geheime huwelijk
en van het zwarte kistje. Sommige hoofden der oppositie handelden bij deze
gelegenheid, even als zij ten aanzien van het nog hatelijker verzinsel van
Oates gedaan hadden en hielpen een waan versterken, waarvan de onge-
grondheid hun duidelijk geweest moet zijn. De belangstelling van het ge-
peupel in hem, dien het voor den beschermer der ware godsdienst en voor
den rechtmatigen erfgenaam van denbritschen troon hield, werd door allerlei
kunstgrepen wakker gehouden. Kwam Monmouth \'s middernachts te Lon-
den aan, dan werd de nachtwacht van overheidswege gelast de heuglijke
tijding in de straten der City te verkondigen ; het volk verliet zijn leger-
steden ; er werden vreugdevuren ontstoken, vensters verlicht, kerken geopend
en van alle klokkentorens weerklonk vroolijk gelui. Reisde hij, dan werd
hij allerwege met geen minder luister en met sterker geestdrift ontvangen,
dan zelfs koningen bij plechtige rondreizen door het rijk te beurt viel. Lange
treinen van gewapende gentlemen en yeomen begeleidden hem van kasteel
tot kasteel. De bevolking van geheele steden stroomde hem te gemoet om
hem te verwelkomen. Kiezers verdrongen zich om hem heen ten einde hem
de verzekering te geven, dat hun stemmen te zijner beschikking stonden.
Zijn aanmatiging ging zoo verre, dat hij niet slechts de engelsche leeuwen en
de fransche leliën in zijn wapen voerde zonder den dwarsbalk, die volgens
de wetten van het blazoen daarbij het teeken moest zijn van zijn onwettige
geboorte, maar het zelfs waagde het koningszeer aan te raken \'). Daarbij
verzuimde hij nooit de gelegenheid om de liefde van het volk door allerlei
kunstgrepen te winnen. Hij stond als doopgetuige bij de kinderen der land-
lieden, nam deel aan alle landelijke oefeningen, toonde zijn behendigheid in
het worstelen en batonneeren en won, met laarzen aan, wedloopen tegen
loopers met lichte schoenen.
Het is een merkwaardige omstandigheid, dat de hoofden der protestant-
sche partij, in twee der hachelijkste tijdstippen van onze geschiedenis den-
zelfden misslag begaan en daardoor hun vaderland en hun godsdienst in
groot gevaar gebracht hebben. Bij den dood van Eduard VI, lieten zij lady
Johanna Gray 2), zonder eenigen schijn van geboorterecht, niet alleen tegen
\') liet koningszeer, een soort van huidziekte, welke volgens de overlevering door
de aanraking van een koning kon genezen worden. Eduard de Belijder heeft het eerst
in 1058 de proef genomen; en de wonderbare genezing bleefin zwang, tot dat zij door
George I in 1714 werd afgeschaft.
                                                                 V.
■) De hertog van Northumbefland, die in den raad van den jeugdigen Eduard VI,
-ocr page 198-
«74
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
hun vijandin Maria, maar ook tegen Elizabeth, de ware hoop van Engeland
en van de hervorming optreden; zoodat de achtingswaardigste protestanten,
met Elizabeth aan het hoofd, genoodzaakt waren met de papisten gemeene
zaak te maken. Op dezelfde wijze randde honderd dertig jaren later een
gedeelte der oppositie door Monmouth als rechthebbende op de kroon te
erkennen niet alleen de rechten van Jakobus aan, dien zij met grond voor
een onverzoenlijken vijand van hun geloof en hun vrijheden hielden, maar
ook die van den prins en de prinses van Oranje, die door hun positie even-
zeer als door persoonlijke hoedanigheden, bij voorkeur in aanmerking schenen
te komen, als verdedigers van alle vrije staatsvormen en van alle hervormde
kerken.
Binnen weinige jaren werd de dwaasheid dezer handelwijze blijkbaar.
Vooralsnog echter maakte de populariteit van Monmouth een groot gedeelte
van de kracht der oppositie uit. De verkiezingen vielen ten nadeele uit van
het hof; de dag, die voor de bijeenkomst der Huizen bepaald was, naderde
en het werd noodig dat de koning eenig besluit nam ten aanzien der gedrags-
lijn, welke hij meende te volgen. Zijn raadslieden bemerkten de eerste
zwakke voorteekenen eener wisseling in de openbare stemming en vleiden
zich, dat hij door den strijd eenvoudig uit te stellen zich de overwinning ver-
zekeren kon. Zonder dus zelfs het gevoelen van den raad van dertigen te
vragen, besloot hij het nieuwe parlement te verdagen, vóór dat het zijn
werkzaamheden begonnen had. Gelijktijdig kreeg de hertog van York, die
van Brussel terug gekeerd was, bevel naar Schotland te vertrekken en werd
aan het hoofd des bewinds van dat koninkrijk geplaatst.
Temple\'s regeeringsplan werd thans zonder omwegen opgegeven en zeer
spoedig vergeten. De geheime raad werd weder op de vorige leest geschoeid.
Shaftesbury en zij. die zijn staatkunde aanhingen, legden hun betrekkingen
neer. Ternple zelf trok naar zijn tuin en zijn bibliotheek terug, gelijk in
onrustige tijden zijn gewoonte was. Essex verliet het college der thesaurie
en zocht zijn heil bij de oppositie. Halifax echter, door de hevigheid zijner
vroegere bondgenooten verstoord en verontrust, en Sunderland, die nooit
een ambt opgaf, zoolang hij het kon behouden, bleven in \'s konings dienst.
Ten gevolge der aftredingen, die bij deze gelegenheid plaats vonden, was
een streng protestantsch gezind vorst, de overhand erlangd had en wiens zoon met lady
Johanna gehuwd was, haalde den koning over deze dame. op grond van haar konink-
lijke afkomst, tot troonopvolgster te benoemen, met uitsluiting der beter gerechtigde
prinsessen Elizabeth en Maria, dochters van Hendrik VIII. Eduard VI stierfin den
vroegen leeftijd van zestien jaar. Northumberland had zich reeds door zijn bewind-
voering algemeen gehaat gemaakt. De natie had de rampen nog uiet vergeten, welke
haar ten gevolge van soortgelijke usurpatiën door de Yorksche en Lancastersche
oorlogen berokkend waren. Toen dus de hertog na Eduards dood zijn schoondochter
tot koningin liet uitroepen, vond hij geen aanhang; de prinses Maria echter, schoon
door hem zoo lang mogelijk van het overlijden des konings onkundig gehouden, om
haar in zijn macht te krijgen, eer zij maatregelen kon beramen om haar goed recht te
doen gelden, vond talrijke verdedigers. Northumberland werd gevangen genomen en
ontving zijn welverdiende straf; terwijl zijn zoon en diens beminnelijke en onschuldige
echtgenoote, schoon beiden huns ondanks slechts als werktuigen van \'s hertogs eerzucht
gebezigd, beiden afkeerig van grootheid en slechts in liefde voor elkander levende,
in zijn val medegesleept werden en als hij op het schavot stierven.
                       V.
-ocr page 199-
ONDER KAREL II.                                              175
de weg tot grootheid voor een nieuwe reeks van liefhebbers open. Twee
staatslieden, die later tot de schitterendste hoogte opklommen, welke een
britsch onderdaan bereiken kan, begonnen weldra in hooge mate de aan-
dacht van het publiek tot zich te trekken. Deze waren Lawrence Hyde en
Sidney Godolphin.
Lawrence Hyde was de tweede zoon van den kanselier Claren-
don en broeder der eerste hertogin van York. Hij bezat uitstekende gaven,
die door parlementaire en diplomatische ervaring tot hooge volkomenheid
waren gebracht; doch de nuttige kracht zijner bekwaamheden werd door
de gebreken van zijn karakter niet weinig verminderd. Schoon diplomaat en
hoveling, leerde hij nooit de kunst zijn gevoel te bedwingen ofte verbergen.
In voorspoed was hij vol overmoed en grootspraak; leed hij een nederlaag,
dan verdubbelde zijn blijkbare ergernis den triumf zijner vijanden. Er was
bitter weinig noodig om zijn drift op te wekken en was hij eenmaal driftig,
dan sprak hij bittere woorden, die hij vergat, zoodra hij weder tot bedaren
was gekomen, doch die anderen jaren lang niet vergeten konden. Zijn vlug-
heid en zijn doorzicht zouden hem voor de behandeling van zaken in de
hoogste mate geschikt hebben gemaakt, ware hij niet al te laatdunkend
en lichtgeraakt geweest. Uit zijn geschriften blijkt, dat hij veel aanleg
voor welsprekendheid bezat; doch zijn groote prikkelbaarheid verhinderde
hem zich bij openbare debatten te doen gelden; want niets was zoo ge-
makkelijk als hem te doen opstuiven en van dat oogenblik af was hij aan
de genade van tegenstanders van veel geringer bekwaamheid dan de zijne
overgeleverd.
In tegenstelling met het meerendeel der voornaamste staatslieden van
dien tijd was hij een standvastig, norsch en wrokkend partijman, een cavalier
van de oude school, een ijverig verdediger van kroon en kerk en gebeten
op republikeinen en nonconformisten. Hij had diensvolgens een groot aan-
tal persoonlijke aanhangers. De geestelijkheid vooral beschouwde hem als
haar oprechten voorstander en zag zijn gebreken met een toegevendheid
door de vingers, die hij waarlijk van die zijde noodig had; want hij dronk
als een tempelier en was hij in woede, wat hem maar al te dikwijls gebeurde,
dan vloekte hij als een kruijer.
Thans volgde hij Essex aan de thesaurie op. Wij moeten hier opmerken,
dat het ambt van eersten lord der thesaurie toenmaals nog niet de belangrijk-
heid en het aanzien had, die het nu heeft. Was er een lord-thesaurier, dan was
die staatsambtenaar gewoonlijk de eerste minister; maar werd de witte staf
aan een commissie toevertrouwd, zoo stond de hoofd-commissaris nauwelijks
op gelijke lijn met een staats-secretaris. Niet voor den tijd van Walpole
werd de eerste lord van de thesaurie als het hoofd van het uitvoerend be-
wind beschouwd.
Sidney Godo]]]liin- Godolphin was als page te Whitehall opgegroeid en had zich
reeds vroegtijdig al de buigzaamheid en zelfbeheersching van een ervaren
hoveling eigen gemaakt. Hij was arbeidzaam, had een helder hoofd en was
zeer bedreven in alle bijzonderheden van het financiewezen. Elk bestuur vond
derhalve in hem een nuttigen dienaar en in zijn gezindheid of karakter was
niets, dat deze algemeene bruikbaarheid in den weg stond. Steeds wist hij zich
-ocr page 200-
f,6
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
nuttig en aangenaam te maken, zonder ooit voorbarig of indringend te zijn,
en dit verklaart eenigszins den buitengewonen voorspoed van Godolphins
loopbaan.
Hij had in verschillende tijdperken met beide de groote staatspartijen
medegewerkt, maar hij deelde nimmer in haar driften. Even als de meeste
menschen, die voorzichtig van aard en door de fortuin goed bedeeld zijn, helde
hij sterk over tot ondersteuning van al het bestaande. Hij was afkeerig van
omwentelingen, en om dezelfde redenen ook van tegen-omwentelingen. Zijn
houding was bijzonder deftig en afgemeten, doch zijn persoonlijke neigingen
waren zeer alledaagsch en beuzelachtig; het grootste gedeelte van den tijd,
dien hij aan de staatszaken kon onttrekken, werd in wedrennen, kaartspel en
hanengevechten doorgebracht. Hij nam in het college der thesaurie zijn plaats
na Rochester in en onderscheidde zich door ijver en schranderheid.
Voor men het nieuwe parlement tot afdoening der zaken bijeen liet komen,
verstreek een geheel jaar, dat blijvende sporen in onze zeden en in onze taal
heeft nagelaten. Nimmer waren vóór dien tijd staatkundige geschillen met
zooveel vrijheid besproken. Nimmer hadden vóór dien tijd staatkundige
clubs een zoo goed geregelde inrichting gehad en een zco geduchten invloed
geoefend. Het vraagpunt der uitsluiting alleen hield de gemoederen bezig.
ï1art«ren"ttI?rdiakï Al de drukpersen en kansels namen deel aan den strijd. Van de
""tingsw\'t!"1\' eene zijde beweerde men, dat de staatsregeling en de godsdienst
van het rijk onder een papistisch koning nimmer veilig zouden zijn; van de
andere, dat het recht van Jacobus om de kroon te dragen, wanneer het zijn
beurt werd, hem door God gegeven was, en zelfs met toestemming van
de geheele wetgevende; macht niet vernietigd kon worden. Graafschappen,
steden en familiën waren onderling verdeeld. Beleefdheden en gastvrijheid
tusschen naburen hadden opgehouden. De dierbaarste banden der vriend-
schap en des bloeds werden verbroken. Zelfs schoolknapen waren in heftige
partijen verdeeld, en de hertog van York zoowel als de graaf van Shaftesbury
telden ijverige aanhangers op de banken van Westminster, zoowel als op die
van Eton. De schouwburgen daverden van het getier der vijandige partijen.
Pausin Johanna werd door de ijverige protestanten ten tooneele gevoerd.
Bezoldigde dichters vulden hun prologen en epilogen met loftuitingen op den
koning en den hertog. De misnoegden bestormden den troon met smeek-
schriften, verlangende dat het parlement onmiddellijk werd bijeengeroepen.
De loyalisten zonden adressen in, waarbij de uiterste afschuw werd uitge-
drukt van allen, die zich vermeten dorsten den souverein de wet te stellen.
De burgers van Londen kwamen met tienduizenden bijeen om den paus in
beeltenis te verbranden. De regeering liet Temple-Bar door ruiterij en White-
hall door geschut bezetten. In dat jaar werd onze taal verrijkt met twee
woorden, mob (gepeupel, oploop) en sham (geveinsd, voorgewend), merk-
waardige herinneringen aan een tijdperk van onrust en misleiding \'). De
tegenstanders van het hof werden Birminghams, supplianten en uitsluitings-
mannen genoemd. Zij, die de partij des konings kozen, waren anti-birming-
\') Norths Examen 23!, 574.
-ocr page 201-
177
ONDER KAREL II.
0Kfiïïïinng«dnr hams, verfoeijers en harddravers 1). Deze benamingen raakten al
v,nTor{?"" spoedig in onbruik; maar in dezen tijd werden voor het eerst twee
andere spotnamen gehoord, die, hoewel oorspronkelijk als schimpnamen ge-
bezigd, weldra als eerenamen aanvaard werden en nog steeds in zwang zijn,
die gehoord worden overal, waar de engelsche taal gesproken wordt en die in
wezen zullen blijven zoolang de engelsche literatuur bestaat. Het is een
merkwaardige bijzonderheid, dat de eenc dier schimpnamen vanschotschen,
de andere van ierschen oorsprong is. In Schotland zoowel als in Ierland had
wanbestuur benden van vertwijfelden bijeen doen schuilen, wier woestheid
door godsdienstige geestdrift verhoogd werd. In Schotland hadden sommige
der vervolgde covenanters, door verdrukking tot razernij gedreven, onlangs
den primaat vermoord, tegen het bestuur de wapenen opgevat, op de troe-
pen der regeering eenige voordeden behaald en waren niet eer ten onder
gebracht geworden, voordat Monmouth aan het hoofd van eenige engelsche
troepen hen te Bothwell-Bridge uiteengedreven had. Deze ijveraars waren
het talrijkst onder de landlieden der westelijke laaglanden, die in ue volks-
taal Whigs genoemd werden. Diensvolgens werd de naam van Whig aan de
presbyteriaansche ijveraars in Schotland gegeven en op de engelsche partij-
lieden overgedragen, die zich geneigd betoonden weerstand aan het hof te
bieden en de protestantsche nonconformisten met toegevendheid te behan-
delen. De iersche moerassen boden in denzelfden tijd een schuilplaats aan
papistische bannelingen, zeer op hen gelijkende, die later onder den naam
van witte jongens bekend werden. Deze mannen werden destijds Tories ge-
noemd. De naam van Tory werd dus aan Engelschen gegeven, die weiger-
den mede te werken om een roomsch-katholiek vorst van den troon te
weren.
De woede der vijandige partijen zou op zich zelve reeds hevig genoeg ge-
weest zijn, maar weid door beider gemeenen vijand opzettelijk nog meer
aangevuurd. Lodewijk ging steeds voort beiden, het hof zoowel als de oppo-
sitie, om te koopen en Ie vleijen. Hij vermaande Karel tot standvastigheid;
hij drong bij Jakobus aan, dat hij in Schotland een burgeroorlog verwekte;
hij vermaande de Whigs niet te wijken en zich met vertrouwen op de be-
scherming van Frankrijk te verlaten.
Onder al deze woelingen zou een opmerkzaam toeschouwer reeds hebben
kunnen bespeuren, dat de openbare stemming van lieverlede aan het ver-
anderen was. De vervolgingen tegen de roomsch-katholieken werden voort-
gezet, doch zonder dat telkens veroordeelingen op de aanklacht behoefden
te volgen. Een nieuw slag van valsche getuigen, waaronder een deugniet,
Dangerfield genaamd, zich het meest deed opmerken, liep de gerechtshoven
af; doch de verzinselen van deze mannen, schoon beter uitgedacht dan die
van Oates, vonden nimmer geloof. De jurys waren niet meer zoo lichtge-
loovig als gedurende den panischen schrik, die op den moord van Godfrcy
gevolgd was; en rechters, die, toen de volkswoede ten top was gestegen,
1) Deze laatste benaming doelde op Hen spoed, waarmede de bescherming der hof-
partij hen van lagere tot hoogere betrekkingen hielp.
MACAULAY I.                                                                                                             12
-ocr page 202-
178
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
haar gedienstigste werktuigen geweest waren, waagden thans een deel van
datgene te zeggen, wat zij reeds in den beginne gedacht hadden.
Bijeenkomst van Eindelijk kwam in October 1680 het parlement bijeen. De
de iiitsluitingswet Whigs hadden in het Lagerhuis een zoo groote meerderheid,
door het ljiifriT- ......                    .             n •                «i                     »                 .
huu aangenomen, dat de uitsluitingswet door alle ïnstantién heen zonder moeite
en in het Hooger-                                                                ,             .
imis vemorpeu. tot stand kwam. De koning wist nauwelijks op welke leden
van zijn eigen kabinet hij staat kon maken. Hyde was zijn torysgezindheid
trouw gebleven en had de zaak der erfelijke monarchie standvastig onder-
steund. Godolphin echter, die naar rust verlangde en geloofde, dat de rust
alleen door toegeeflijkheid hersteld kon worden, wenschte dat de wet aan-
genomen werd. Sunderland, altoos valsch en kortzichtig, buiten staat de
teekenen eener naderende reactie te onderscheiden en zeer verlangend de
partij te winnen, die hij voor onwederstaanbaar hield, besloot tegen het hof
te stemmen. De hertogin van Portsmouth bezwoer haar koninklijken min-
naar zich niet blindelings in het verderf te storten. Was er iets, waarbij zijn
geweten of zijn eergevoel gemoeid was, dan was het wel het vraagpunt der
troonsopvolging; maar gedurende eenige dagen scheen het, dat hij zich zoude
onderwerpen. Hij weifelde, vroeg welke som het Lagerhuis hem geven zoude,
indien hij toegaf en liet een onderhandeling met de voornaamste Whigs aan-
knoopen. Maar een diep wederzijdsch wantrouwen, dat sints vele jaren toe-
nemende was geweest en door fransche kunstgrepen zorgvuldig aangekweekt
werd, maakte een schikking onmogelijk. Geen der partijen wilde de andere
eenigszins vertrouwen. De gansche natie richtte in angstige verwachting
haar oogen op het Huis der Lords. De vergadering der pairs was talrijk. De
koning zelf was tegenwoordig. De beraadslaging was langdurig, ernstig, nu
en dan onstuimig. Sommiger handen werden aan den degenknop geslagen
op een wijze, die de stormachtige parlementen van Hendrik III en Richard II
in herinnering riep. Bij Shaftesbury en Essex voegde zich de trouwelooze
Sunderland. Maar het genie van Halifax deed allen tegenstand zwichten.
Verlaten door zijn voornaamste ambtgenooten en tegenover een menigte van
bekwame bestrijders staande, verdedigde hij de zaak des hertogs van York
in een reeks van redevoeringen, die nog na vele jaren als meesterstukken
van logica, van geest en ware welsprekendheid geroemd werden. Slechts
zelden ziet men, dat de redekunst verandering brengt in de eindstemming;
doch naar de getuigenis van tijdgenooten kan men voor zeker houden, dat
bij deze gelegenheid door de wegsleepende taal van Halifax inderdaad
overtuigd, menigeen zijn stem anders uitbracht, dan hij voornemens was ge-
weest. De bisschoppen, hun leerstelling getrouw, ondersteunden het be-
ginsel van het erfopvolgingsrecht en de bill werd met een groote meerderheid
van stemmen verworpen \').
1 Een der toen aanwezige pairs heeft de uitwerking der welsprekendheid van Hali-
fax beschreven in woorden, die ik wil mededeelen, omdat ze, schoon sints lang gedrukt,
waarschijnlijk slechts aan weinigen, zelfs van de weetgierigste en vlijtigste lezers der
geschiedenis bekend zijn.
«Machtig door welsprekendheid en door andere groote begaafdheden waren \'s her-
togs vijanden, die de bill verdedigden; doch een edele lord trad er tegen op, die op
dezen dag in de kracht des woords en van het betoog, in bewijsgronden aan het open-
-ocr page 203-
ONDER KAREL II.
179
1\'e™n0sdtabS.i°s Bitter gekrenkt door deze nederlaag, zocht de partij, die in
het Lagerhuis de overhand had, eenigen troost in het storten van het bloed
van roomschgezinden. Willem Howard, burggraaf Stafford, een der onge-
lukkige mannen, die van deelneming aan het komplot beschuldigd waren,
werd voor de balie zijner pairs \') gebracht en op de getuigenis van Oates en
van twee andere valsche getuigen, Dugdale en Tutberville, aan hoogverraad
schuldig verklaard en onthoofd. Maar de omstandigheden, die bij zijn
terechtstelling en executie plaats vonden, hadden voor de leiders der Whigs
een nuttige waarschuwing moeten zijn. Een groote en achtenswaardige min-
derheid van het Huis der Lords verklaarde den gevangene voor niet schuldig.
De menigte, die weinige maanden te voren, de laatste, door de slachtoffers
van Oates vóór hun doodstrijd afgelegde verklaringen met hoon en met ver-
wenschingen had opgenomen, sprak thans luide het geloof uit, dat Stafford
een vermoord man was. Toen hij met zijn laatsten ademtocht zijn onschuld
betuigde, was het antwoord des volks: »God zegene u, mylord! wij gelooven
u, mylord." Een verstandig toeschouwer zoude licht hebben kunnen voor-
spellen, dat het toen vergoten bloed aldra ander bloed zou vorderen.
Alxemeciie De koning besloot op nieuw het middel der ontbinding te be-
vvrkiczingen                                         .                                                  ,
in 1681. proeven. Een nieuw parlement werd opgeroepen om in Maart
1681 in Oxford bijeen te komen. Sedert de dagen der Plantagenets hadden
de Huizen hun zetel steeds te Westminster gehad, behalve wanneer de
pest in de hoofdstad woedde; maar een zoo buitengewone stand van zaken
scheen buitengewone voorzorgen te vereischen. Werd het parlement te ge-
woner plaatse vergaderd, dan kon het Huis der Gemeenten zich permanent
verklaren en de overheden en de burgers van Londen te hulp roepen. De
burgervendels konden opstaan om Shaftesbury te verdedigen, even als zij
veertig jaar vroeger opgestaan waren om Pym en Hampden in hun hoede
te nemen. De lijfwacht kon overweldigd, het paleis overmeesterd, de koning
een gevangene worden in handen van oproerige onderdanen. Te Oxford
bestond geen dergelijk gevaar. De hoogeschool was der kroon toegedaan;
en de landadel in den omtrek bestond over het algemeen uit Tories. Hier had
derhalve de oppositie meer reden om voor geweld te vreezen dan de koning.
De verkiezingsstrijd was hardnekkig. De Whigs bleven alsnog de meer-
derheid in het Huis der Gemeenten vormen; maar het bleek duidelijk, dat
de geest der torypartij de snelste vorderingen in den lande maakte. Men had
mogen verwachten, dat de schrandere en wispelturige Shaftesbury den nade-
baar of het privaat leven der menschen ontleend, in eer, rechtsgevoel, in waardigheid,
zich zelven en alle anderen overtrof. Zijn groot beleid, zijn begaafdheid deden hem ten
slotte de overwinning behalen; en door hem alleen werd al het vernuft en al de boos-
heid der tegenpartij overweldigd."
Deze woorden vindt men in een memorie van Hendrik, graaf van Peterborough, voor-
komende in een boek getiteld: «Beknopte geslachts-beschrijvingen door Kobert Hal-
stead, folio, 1685." De naam van Halstead is verdicht. De wezenlijke schrijvers waren
de graaf van Peterborough zelf en zijn kapelaan. Het boek is zeer schaarsch. Er werden
slechts vier-en-twintig exemplaren van gedrukt, waarvan twee op het britsch museum
aanwezig zijn. Van die twee had het eene aan George IV, het andere den heer Grenville
toebehoord.
1) Pairs, gelijken, wordt in dezen zin soms ook op mindere rangen toegepast. V.
-ocr page 204-
l8o                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
renden omkeer voorzien en de schikking aangenomen zou hebben, welke
het hof aanbood; maar het schijnt, dat hij zijn vroegere taktiek geheel en al
vergeten had. In plaats van maatregelen te treffen, die in het ergste geval
zijn terugtocht gedekt zouden hebben, nam hij een stelling in, waarin hij
noodwendig overwinnen of bezwijken moest. Wellicht was hem het hoofd,
hoe sterk ook, door volksgunst, door voorspoed en door het vuur van den
strijd aan \'t draaijen geraakt. Wellicht had hij zijn partij zoolang geprik-
keld, tot hij haar niet meer kon beteugelen, zoodat hij werkelijk werd voort-
gesleept door hen, die hij scheen te leiden.
£tep«i°mlnt*tè Lle hachelijke dag brak aan. De bijeenkomst te Oxford geleek
antblniing. meer naar een poolschen landdag, dan naar een vergadering
van het engelsche parlement. De wigh-leden waren in grooten getale verzeld
van hun pachters en bedienden, goed gewapend en bereden, die uitdagende
blikken met de koninklijke lijfwachten wisselden. De geringste aanleiding
had in deze omstandigheden een burgeroorlog kunnen doen ontstaan; doch
de eene, zoo min als de andere partij durfde den eersten slag wagen. De
koning bood op nieuw aan alles in te willigen behalve de uitsluitingswet.
Het Lagerhuis had vast besloten niets aan te nemen dan de uitsluitingswet.
Binnen weinige dagen werd het parlement op nieuw ontbonden.
Tor«iIcti*llc ^e koning had de zege behaald. De reactie, die begonnen was
eenige maanden, voor dat de Huizen te Oxford bijeenkwamen, ging thans met
rasse schreden voort. De natie was inderdaad het papisme nog steeds vijan-
dig; doch wie de geheele geschiedenis van den aanslag naging, zag duidelijk
in, dat ijver voor het protestantisme tot dwaasheid en tot misdaad had ver-
voerd en kon nauwelijks gelooven, dat men door kindersprookjes zich had
laten belezen om het bloed te eischen van medemenschen en van mede-
christenen. Trouwens, de beste koningsgezinden konden niet loochenen dat
de regeering van Karel menigmaal hoogst laakbaar geweest was. Doch wie
van den aard zijner betrekkingen met Frankrijk geen zoo volkomen kennis
droeg als wij doen en zich aan de hevigheid der Whigs ergerde, telde de be-
langrijke inwilligingen op, die hij in de laatste jaren aan zijn parlementen
gedaan had en de nog grootere, waartoe hij zich bereid had verklaard. Hij
had toegestemd in de wetten, waarbij de roomsch-katholieken van het Huis
der Lords, van den geheimen raad en van alle burgerlijke enmilitaire ambten
werden uitgesloten. Hij had de habeas-corpus-acte aangenomen en, waren er
geen nog krachtiger waarborgen gesteld tegen de gevaren, waaraan de staats-
regeling en de kerk onder een roomsch-katholiek souverein konden bloot-
staan, de schuld daarvan lag niet aan Karel, die het parlement uitgenoodigd
had zoodanige waarborgen te beramen, maar aan diegenen der Whigs, die
van geen ander redmiddel dan de uitsluitingswet hooren wilden. Een enkel
punt slechts had de koning zijn volk ontzegd; hij had geweigerd zijns broeders
geboorterecht op te heffen; maar bestonden er dan geen goede redenen om te
gelooven, dat hij door lofwaardige gevoelens tot deze weigering was gedreven?
Kon de partijdigheid zelve aan het koninklijk gemoed eenig zelfzuchtig oog-
merk ten laste leggen ? De uitsluitingswet immers verkortte de voorrechten
noch de inkomsten des regeerenden konings. Door de aanneming dier wet
zou hij, integendeel, zonder moeite een ruime vermeerdering van zijn eigen
-ocr page 205-
iSl
ONDER KAREL II.
inkomsten hebben kunnen erlangen. En wat kon het hem schelen, wie na hem
zou regeeren ? Voorwaar, zoo hij voor iemand bijzondere genegenheid koes-
terde, men wist, dat zulks voor den hertog van Monmouth was, veeleer dan
voor den hertog van York. De natuurlijkste verklaring van het gedrag des
konings scheen derhalve te zijn, dat, hoe zorgeloos zijn aard en hoe zwak zijn
zedelijke beginselen ook zijn mochten, hij nochtans te dezer gelegenheid door
eer en plichtgevoel geleid werd. En was dit zoo, zou dan de natie hem dwin-
gen te doen wat hij misdadig en schandelijk achtte? Zijn geweten zelfs door
strikt grondwettige middelen hevigen dwang aan te doen werd door ijverige
koningsgezinden onedelmoedig en ongeoorloofd geoordeeld. Doch strikt con-
stitutioneele middelen waren niet de eenige, waarvan de Whigs geneigd
waren zich te bedienen. Reeds vertoonden zich teekenen, die het naderen
van groote onlusten aankondigden. Mannen, die in de dagen vanden burger-
oorlog en de republiek een weinig benijdenswaarde bekendheid erlangd had-
den, kwamen uit de duisternis te voorschijn, in welke zij zich na de restauratie
voor den algemeenen haat verborgen hadden, vertoonden overal hun vroegere
onbeschaamde en drieste aangezichten en schenen een tweede regeering der
heiligen te verwachten. Een tweede slag van Naseby, een tweede hoogge-
rechtshof, een nieuwe geweldenaar op den troon, de lords op nieuw met ge-
weld uit hun raadzaal verdreven, de hoogescholen op nieuw gezuiverd, de kerk
op nieuw beroofd en vervolgd, de puriteinen op nieuw aan het roer, dit waren
de gevolgen, die de wanhopende staatkunde der oppositie ten doel scheen te
hebben.
Door zulke gevoelens bezield, haastte zich de meerderheid onder de
hoogere en de niiddelklassen zich om den troon te scharen. De toestand des
konings had op dit oogenblik veel gelijkheid met dien, waarin zich zijn vader
bevonden had, nadat het groote vertoog, de remonstrantie genaamd, aange-
nomen was. Maar men had de reactie van 1641 in haar voortgang gestuit.
Op hetzelfde oogenblik, dat zijn volk na lange vervreemding tot hem terug-
keerde, niets liever dan verzoening wenschende, had Karel I door een ver-
raderlijke aanranding van de grondwetten des rijks het vertrouwen voor
goed verbeurd. Had Karel II een soortgelijken weg ingeslagen, had hij de
hoofden der Whigs op wederrechtelijke wijze in hechtenis genomen en hen
voor een onbevoegde rechtbank wegens hoogverraad aangeklaagd, zij zouden
hoogstwaarschijnlijk het verloren overwicht herwonnen hebben. Tot zijn
geluk werd hij in deze krisis bewogen een uiterst verstandige gedragslijn te
volgen. Hij besloot zich aan de wet te houden, maar ze ook op zijn vijanden
met den meesten nadruk en zonder eenige verschooning toe te passen. Hij
was niet verplicht een parlement bijeen te roepen, alvorens drie jaren ver-
streken zouden zijn. Geldgebrek drong hem niet. De opbrengst der belas-
tingen, die hem voor zijn levenstijd toegestaan waren, ging de raming te
boven. Hij was met de geheele wereld in vrede. Hij kon zijn uitgaven be-
perken door het opgeven der kostbare en nuttelooze bezetting van Tanger
en hij mocht op geldelijke hulp van Frankrijk hopen. Hij had derhalve
ruimte van tijd en middelen om in grondwettige vormen een stelsel-
matigen aanval op de oppositie te doen. De rechters mocht hij naar welge-
vallen van hun ambt ontzetten: de jurys werden door de sheriffs gekozen en
-ocr page 206-
182
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
de sheriffs werden nagenoeg in alle graafschappen van Engeland door hem
zelven benoemd. Getuigen van dezelfde soort, als zij die onlangs door hun
eed aan een aantal papisten het leven hadden ontnomen, waren bereid de
Whigs op gelijke wijze om hals te brengen.
twl\'dlfwS. Het eerste slachtoffer was College, een lastig en heftig de-
magoog, van geringe geboorte en slecht opgevoed. Hij was schrijnwerker
van beroep en vermaard als de uitvinder van den protestantschen lood-
knuppel\'). Hij was te Oxford geweest tijdens het parlement aldaar vergaderd
was en werd beschuldigd een opstand bewerkt en een aanval op \'s konings
lijfwacht beraamd te hebben. Als getuigen traden Dugdale en Turberville
tegen hem op, dezelfde eerlooze personen, die weinige maanden te voren
valsche getuigenis tegen Stafford afgelegd hadden. Geen uitsluitingsman had
kans in de oogen eener jury van landjonkers genade te zullen vinden. College
werd veroordeeld. De uitspraak werd door de menigte, die de gerechtszaal
te Oxford vulde, met een luid gejuich ontvangen, even barbaarsch als de
kreten, die hij en zijn vrienden gewoonlijk aangeheven hadden, wanneer
onschuldige papisten tot de galg gedoemd werden. Zijn ter dood brenging
was het begin eener nieuwe reeks van gerechtelijke moorden, niet minder
verfoeijelijk dan die, waartoe hij zelf de hand had geleend.
De regeering, door deze eerste zege aangemoedigd, richtte thans een aan-
val tegen een vijand van geheel anderen aard. Men besloot Shaftesbury
voor het gerecht te brengen door een aanklacht, waarmede zijn leven ge-
moeid was. Er werden bewijzen bijeengezocht, die, naar men dacht, een be-
schuldiging van hoogverraad zouden staven. Doch de feiten, die noodzakelijk
bewezen moesten worden, zouden in Londen gepleegd zijn. De sheriffs van
Londen, door de burgers verkozen, waren ijverige Whigs. Zij stelden een
groote jury \') van Whigs aan, die de akte van beschuldiging van de hand
wees. Wel verre van \'s konings raadslieden te ontmoedigen, noopte deze
nederlaag hen veeleer tot een nieuw en nog vermeteler plan. Vermits de
handvesten der hoofdstad hun in den weg stonden, moesten die handvesten
city o\'JSrilïïJir. u\'1 den weg geruimd worden. Men wendde derhalve voor, dat
de City van Londen ten gevolge van zekere ongeregeldheden haar stedelijke
vrijheden verbeurd had en er werden bij de koninklijke rechtbanks) proce-
\') Dit wordt verhaald in het merkwaardig werk, getiteld: Ragguaglio della solenne
Comparsa fatta in Roina gli otto di Gennaio, 1687, dall\' illustrissimo et excellentissimo
signor conté di Castlemaine.
2)  De groote jury. bestaande uit twaalf tot drie-en-twintig personen, wordt alleen
bij crimineele rechtbanken aangetroffen, en moet onderzoeken, of de beschuldigingen
gegrond en een nader onderzoek waardig zijn; in welk geval zij de in staat van be-
schuldiging-stelling uitspreekt, waarna de einduitspraak door de bijzondere (speciale j
ofwel door de kleine (petty) jury gedaan wordt.
                                               V.
3)  De vroeger genoemde court of kings bench, vecht doende in alle kwestiën, die
met het engelsche zoogenaamde gemeene recht (common law) in verband staan. Tot
haar werkkring behooren onder andere alle over staatsrechtelijke punten ontstaande
rechtsgeschillen, alle misdrijven van staatkundtgen aard, van hoogverraad tot de minste
overtreding of vredebreuk, alle door of tegen colleges of personen gepleegde veronge-
lijkingen of geweld, bij voorbeeld, mishandeling, onwettige inhechtenisneming, ver-
korting of onwettige uitoefening van rechten of privilegiën, voorts schuldzaken, bank-
breuken, onwettig bezit van goederen, in één woord, alle rechtszaken, waarbij leven,
-ocr page 207-
183
ONDER KAREL II.
dures tegen het college der stedelijke regeering \') ingesteld. Gelijktijdig
werden de wetten, die spoedig na de restauratie tegen nonconformisten uit-
gevaardigd waren en die, zoo lang de Whigs de overhand gehad hadden,
buiten toepassing gebleven waren, over het geheele koninkrijk met de uiter-
s*"ie?wiïïï»r" ste gestrengheid ten uitvoer gelegd. Nochtans lieten de Whigs
den moed niet zakken. Schoon in benarden toestand verkeerende, vormden
zij steeds nog een talrijke en machtige partij; en daar zij in de groote steden
en vooral in de hoofdstad veel aanhangers telden, maakten zij een misbaar
en een vertooning, geheel buiten verhouding tot hun wezenlijke sterkte.
Aangevuurd door de herinnering aan vroegere zegepralen en door het gevoel
der thans heerschende verdrukking, gaven zij zoowel van hun macht als van
hun grieven te hoog op. Het was niet in hun vermogen het geval van blijk-
bare en onbetwistbare noodzakelijkheid te bewijzen, dat alleen het zoo hevig
middel van verzet tegen een gevestigd bestuur kan wettigen. Welke ook hun
vermoedens mochten zijn, zij konden niet bewijzen, dat hnn souverein met
Frankrijk een verdrag tegen de godsdienst en de vrijheden van Engeland
had aangegaan. Wat tot dus verre aan het licht gekomen was, was onge-
noegzaam om •een beroep op het zwaard te wettigen. Was de uitsluitingswet
afgestemd, de Lords hadden dit gedaan krachtens een recht, dat even oud was
als de staatsregeling. Had de koning het parlement te Oxford onbonden, hij
had dit gedaan uit krachte van een prerogatief, dat nog nimmer betwist was
geworden. Had het hof sedert de ontbinding eenige harde maatregelen
vrijheid of eigendom gemoeid zijn. Men beseft licht, dat deze belangrijke rechtbank lot
hof van appel en in vele zaken tot hof van cassatie voor verscheiden andere gerechts-
hoven dient.
                                                                                                              V.
\') In het eogelsch de corporatie der City. Nagenoeg alle engelsche steden van eenige
beteekenis worden door een regeerings-college bestuurd, dat deze benaming draagt, en
welks inrichting, gelijk in den aard der zaak ligt, slechts weinig van die onzer stedelijke
besturen verschilt; het voornaamste verschil zal wel bestaan in de op den census na
geheel vrije, doorgaans aan geen verdere goedkeuring onderworpen keuze van den
maire (Mayor) en de verdere leden van het bestuur, en in de uitgebreider heerlijkheids-
rechten, jurisdictie, charters en privilegiën der steden en vooral van het machtige
Londen, welke natuurlijk voor de stedelijke overheid, in welke zij gevestigd zijn, hoofd-
zakelijk door talrijke attributen van rechterlijken rard. een meer omvattenden werk-
kring, dan die van onze stedelijke besturen, medebrengen.
Wat betreft de corporatie der City, zeker de machtigste en invloedrijkste der wereld,
en daarom eenige aandacht waardig, deze wordt, op de volgende wijze samengesteld:
de lord-maire wordt verkozen door de zoogenaamde liverymtn, de tot dat einde uit de
deftigste leden der een-en-tachtig aldaar nog bestaande gilden benoemde kiezers, welke
liverymen, mede het recht hebben om de keuzen van personen voor eenige andere stede-
lijke eereambten te doen. Zoo bezitten zij, onder andere, het recht der keuze van een
sheriff, die niet slechts voor Londen, maar voor hel geheele graafschap Middlesex fun-
geert. De keuze der vijf-en-twintig aldermen, waarvan elk over een der vijf-en-twintig
wards of wijken gesteld en bovendien vrederechter der stad is, en der twee-honderd
zes-en-veertig gewone raadsleden (connnon cotincihnen) wordt gedaan door die inwo-
ners der City. die het burgerrecht bezitten en daarbij ten minste dertig shillings \'s jaars
tot de opbrengst der plaatselijke belastingen betalen. De alderm n worden voor hun
leven, de raadsleden voor den tijd van één jaar verkozen. De lord-maire, de aldermen,
de gewone raadsleden en de hoofdbeambten der stad (de sheriffs, de griffier of recorder*
de stadsrechter of common sergeant enz.) vormen hier de corporatie, welke de stad en
haar rechten vertegenwoordigt en handhaaft.
                                                          V.
-ocr page 208-
184
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
genomen, het had zich daarbij strikt aar. de letter der wet gehouden en
dezelfde gedragslijn gevolgd, die onlangs door de oppositie zelve aangewezen
was. Had de koning zijn tegenstanders vervolgd, hij had zulks in behoor-
lijken vorm en voor de bevoegde rechtbanken gedaan. De bewijzen, die
thans ten behoeve der kroon ingebracht werden, waren althans niet minder
geloofwaardig dan die, krachtens welke het edelste bloed van Engeland
onlangs nog door de oppositie vergoten was. De behandeling, welke een
aangeklaagde Whig alsnu van de rechters, advokatcn, sheriffs, jurys en toe-
schouwers te w.ichten had, was niet erger dan die, welke de Whigs voor een
aangeklaagden papist onlangs nog goed genoeg hadden geacht. Werden de
privilegiën der stad Londen aangetast, dit geschiedde niet door militair
geweld, noch ook door eenig betwistbaar gebruik van de voorrechten der
kroon, maar volgens de gewone rechtsgebruiken van Westminster-hall \').
Geen nieuwe belasting werd op koninklijk gezag geéischt, geen wet afgeschaft,
de habeas-corpus-acte werd geëerbiedigd, ja zelfs de toetsacte werd gehand-
haafd. De oppositie kon derhalve den koning niet van zoodanig misbruik
van macht beschuldigen, als vereischt werd om een opstand te wettigen. En
al ware zelfs de verkeerdheid van zijn bestuur nog schreeuwender geweest
dan ze was, dan nog zou de opstand misdadig geweest zijn, omdat het bijna
zeker was, dat hij niet slagen kon. De toestand der Whigs in 1682 ver-
schilde derhalve zeer van dien, waarin de rondhoofden veertig jaar te voren
verkeerd hadden. Zij, die de wapenen tegen Karel I opvatten, handelden op
gezag van een wettig bijeengeroepen parlement, welk parlement niet buiten
eigen toestemming ontbonden kon worden. De tegenstanders van Karel II
waren bijzondere personen. Nagenoeg alle krijgsmiddelen des rijks, zoo te
lande als ter zee, hadden ter beschikking gestaan van degenen, die zich tegen
Karel I hadden verzet. De geheele land- en zeemacht van het koninkrijk
gehoorzaamde aan de bevelen van Karel II. Het Lagerhuis werd door ten
minste de helft der natie tegen Karel I ondersteund. Maar degenen, die ge-
neigd waren Karel II den oorlog aan te doen, waren zeer zeker in de minder-
heid. Redelijkerwijze kon dus niet betwijfeld worden, of zij zouden te
kort schieten, zoo zij een opstand beproefden. Evenmin kon men er aan
twijfelen dat het mislukken hunner onderneming alle bezwaren, waarover zij
klaagden, nog vergrooten zou. De beste staatkunde voor de Whigs was
ongetwijfeld deze, dat ze niet gelatenheid den tegenspoed droegen, die het
natuurlijk gevolg en de rechtvaardige strafwas hunner eigen dwalingen, dat
zij den omkeer in de openbare stemming, die onvermijdelijk plaats zou
grijpen, geduldig afwachtten; dat zij de wetten eerbiedigden en zich de
onvolkomen, doch geenszins onbeduidende bescherming ten nutte maakten,
die de wet der onschuld verleent. Ongelukkigerwijze sloegen zij een gansch
anderen weg in. Roekelooze en heethoofdige aanvoerders der partij ont-
wierpen en bespraken plannen van tegenstand en werden door mannen, die
veel meer geacht waren dan zij, zoo niet met verklaarden bijval, dan toch
met den schijn van toestemming aangehoord. Er werd voorgesteld, dat te
Londen, in Cheshire, te Bristol en te New-Castle gelijktijdig pogingen tot
\') De plaats, waar de opperste rechtbanken des rijks zetelen.
-ocr page 209-
1*5
ONDER KAREL II.
opstand gedaan zouden worden. Men trad in verstandhouding met de mis-
noegde presbyterianen van Schotland, die onder den druk eener dwinge-
landij zuchtten, zooals Engeland, zelfs in de slechtste tijden, nimmer gekend
had. Terwijl aldus de leiders der oppositie plannen van openbaar verzet
maakten, maar alsnog door vrees, of door andere bedenkingen van elke
beslissende handeling werden teruggehouden, smeedden sommige van hun
medeplichtigen een aanslag van geheel anderen aard. Woestaards, ontbloot
van beginselen of door dweepzucht tot razernij vervoerd, meenden dat het
overvallen en vermoorden van den koning en zijn broeder de kortste en
doeltreffendste weg was tot handhaving der protestant sche godsdienst en der
vrijheden van Engeland. Plaats en tijd waren aangewezen; en de bijzonder-
heden van den moord werden dikwerf besproken, zoo al niet bepaaldelijk
geregeld. Deze aanslag was slechts aan weinigen bekend en werd voor den
rechtschapen en menschlievenden Rtissell en voor Monmouth, die schoon
geen man van het teederste geweten, nochtans voor de schuld van vader-
moord met afschuw zou zijn teruggedeinsd, met bijzondere zorg geheim
gehouden. Zoo bestonden er twee komplotten, het eene in het andere ver-
borgen. Het doel van het groote komplot der Whigs was een gewapenden
opstand der natie tegen de regeering te verwekken. Het kleinere, gewoonlijk
roggenhuis-komplot\') genaamd, waarin slechts eenige weinige wanhopende
mannen betrokken waren, had het vermoorden des konings en van den ver-
moedelijkcn troonopvolger ten doel.
ontdekking jcr Beide aanslagen werden spoedig ontdekt. Lafhartige verraders
•amenjwertnjen. haastten zich voor hun eigen veiligheid te zorgen door alles en
meer dan alles aan te brengen, wat in de bijeenkomsten der partij verhandeld
was. Dat slechts een geringe minderheid dergenen, die aan tegenstand
dachten, zich vereenigd had met het denkbeeld van een sluipmoord is ten
volle uitgemaakt; doch vermits de beide aanslagen ineenliepen, viel het der
regeering niet moeijelijk ze als van een en denzelfden aard voor te stellen. De
rechtmatige verontwaardiging, door het roggenhuis-komplot verwekt, drukte
StiS\'bestuur"" een tijdlang op de geheele Whigpartij. De koning had nu de
handen vrij om volle wraak te vorderen voor jarenlang geleden smaad en
vernedering. Shaftesbury intusschen was het lot ontkomen, dat hij door
veelzijdige ontrouw verdiend had. Hij had ingezien, dat de val zijner partij
nabij was en, nadat hij vergeefs getracht had zich met de koninklijke broeders
te verzoenen, was hij naar Holland gevlucht, alwaar hij, onder de groot-
moedige bescherming van een bestuur, dat hij zwaar verongelijkt had, ten
grave was gedaald. Monmouth smeekte zijns vaders vergiffenis en vond
genade, maar gaf al spoedig nieuwen aanstoot en achtte het raadzaam zich
in vrijwillige ballingschap te begeven. Essex kwam in den Tower door eigen
hand om het leven. Russell. die aan geen overtreding schuldig schijnt te zijn
geweest, waarop de naam hoogverraad paste en Sidney, van wiens schuld
geen wettig bewijs geleverd kon worden, werden onthoofd in spijt van wet
\') Het roggenhuis was eene boerenhofstede, eenzaam gelegen aan den weg tusschen
Londen en Newmarket, in welke laatste plaats somtijds wedrennen gehouden werden.
Het plan was den koning te dier plaatse bij zijn terugkomst van de wedrennen op te
lichten en om te brengen.
-ocr page 210-
l86                             GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
en gerechtigheid. Russell stierf met den moed eens christens, Sidney met
dien van een stoïcyn. Eenige handelende personen van minderen staat-
kundigen rang werden naar de galg verwezen. Velen verlieten het land. Er
werden ontelbare vervolgingen voor het niet aangeven van verraad, opgrond
van laster en samenzwering ingesteld. Schuldigverklaringen werden van
torygezinde jurys gemakkelijk verkregen en strenge straffen door hoofsche
rechters uitgesproken. Met deze vervolgingen ten crimineele gingen bur-
gerlijke rechtsvorderingen gepaard, die weinig minder te vreezen waren. Er
werden aanklachten ingesteld \') tegen personen, die den hertog van York
gehoond hadden; en de klager eischte en .verkreeg zonder moeite de toe-
kenning van schadevergoedingen, die gelijk stonden met veroordeelingen
tot eeuwigdurende gevangenisstraf. De koninklijke rechtbank besliste, dat de
vrijheden der City van Londen aan de kroon verbeurd waren. Vol overmoed
itedSuvïcLSïr». d°or deze groote overwinning, ontzag het bestuur zich niet de
vrijheidsbrieven van andere door Whiggezinde overheden bestuurde corpo-
ratiën aan te randen, die gewoon geweest waren Whiggezinde leden in het
parlement te kiezen. De eene stad na de andere werd genoodzaakt afstand
van haar privilegiën te doen; en er werden nieuwe charters verleend, die
allerwege het overwicht der Tories verzekerden.
Deze maatregel, hoe laakbaar ook, had evenwel den schijn van wettigheid.
Tevens ging hij gepaard met een handeling, die ten doel had de bezorgdheid
te stillen, waarmede vele welgezinde mannen de troonsbestijging van een
papistisch souverein te gemoet zagen. Prinses Anna, jongere dochter uit
het eerste huwelijk van den hertog van York, trad in het huwelijk met
George, een prins uit het rechtzinnige huis van Denemarken. DeTorystische
landadel en geestelijkheid mochten zich nu vleijen, dat de kerk van Engeland
ter dege beveiligd was, zonder dat eenige wijziging in de erfopvolging ver-
eischt werd. De koning en zijn vermoedelijke erfgenaam waren nagenoeg
•an denzelfden leeftijd. Beiden naderden den ouderdom, \'s Konings gezond-
heid was goed. Het was dus waarschijnlijk, dat Jakobus, zoo hij ooit den
troon beklom, toch slechts korten tijd regeeren zou. Na zijn regeering deed
1) Op grond der wet van scandalum magnatum (laster tegen grooten). De actie
wegens scandalum magnatum is thans in onbruik geraakt en vervangen door de gewone
gedingen wegens laster. Alle voorname personen, b, v. edellieden, hooge staatsbeamb-
ten, rechters enz., konden naar luid der bedoelde wet, een eisch om schadevergoeding,
of tot het opleggen van gevangenisstraf instellen tegen een iegelijk, die zich ongunstig
over hen uitgelaten had. Niet slechts aanmerkingen, die met recht voor laster en hoon
kunnen gelden, maar ook uitdrukkingen, die naar gewone rechtsbegrippen geenszins
strafbaar zijn, konden door middel dier wet zwaar gewroken worden. Gezegden als
deze: »mylord weet niet wat menschelijk gevoel is;" — »de hertog maakt zich hoe lan-
ger hoe meer gehaat;" — »het hof heeft een wreedaardig vonnis geveld;" zouden waar-
schijnlijk den braafsten en eerlijksten huisvader, die ze in den kring zijner betrekkingen
geuit had, aan een veroordeeling wegens scandalum magnatum blootgesteld hebben.
Het bedrag der boeten of de duur der op te leggen gevangenisstraf waren bij deze
noodlottige wet niet vastgesteld, wellicht omdat de feiten, waartegen zij vigeerde, stil-
zwijgend gerekend werden in de termen van gewonen laster te vallen. Men stelle zich
nu voor, op welke wijze er onder Karel en Jakobus partij getrokken werd van een wet,
die voor den haat en de hebzucht der klagers een even ruim veld opende als voor de
willekeur der rechters.
                                                                                 V.
-ocr page 211-
ONDER KAREL II.                                              187
zich het aangename vooruitzicht op van een lange reeks van protestantsche
souvereinen.
De onbeperkte vrijheid van drukpers was voor de overwonnen partij van
weinig of geen nut; want de stemming der rechters enjurys was van dien
aard, dat geen schrijver, die door het bestuur om laster of hoon vervolgd
werd, eenige kans had om vrij te komen. Vrees voor straf deed dus al wat
de censuur had kunnen doen. Inmiddels daverden de kansels van rede-
voeringen tegen de zonde van muiterij. De verhandelingen, in welke Filmer
beweerde, dat erfelijk despotisme de door God ingestelde regeeringsvorm
en het beperkt koningschap een verderfelijke ongerijmdheid was, waren
onlangs verschenen en door een groot gedeelte der Torypartij gunstig opge-
nomen. Op denzelfden dag, dat Russell ter dood werd gebracht, verklaarde
de hoogeschool te Oxford in een plechtige openbare handeling zich voor deze
vreemde stellingen en beval zij, dat de staatkundige werken van Buchanan,
Milton en Baxter op de voorpleinen der akademie-gebouwen openlijk zouden
verbrand worden.
Aldus aangemoedigd, waagde de koning eindelijk de grenzen te over-
schrijden, die hij gedurende eenige jaren geëerbiedigd had, en de duidelijke
letter der wet te schenden. De wet zeide, dat tusschen de ontbinding
van het eene en de bijeenroeping van het andere parlement niet meer
dan drie jaren zouden verloopen. Doch, nadat sedert de ontbinding van het
parlement, dat te Oxford bijeen geweest was, drie jaren verloopen waren,
werden geen brieven van oproeping tot nieuwe verkiezingen uitgevaardigd.
Deze inbreuk op de staatsregeling verdient te meer afkeuring, omdat de
koning weinig reden had een ontmoeting met het parlement te vreezen. De
graafschappen waren over het algemeen aan zijn zijde en in vele kiesvlekken,
waar de Whigs onlangs nog geheerscht hadden, had zich de stemming zóó
gewijzigd, dat er geen twijfel bestond, of zij zouden enkel aanhangers van het
hof verkiezen.
invion.ivan Weinig tijds daarna werd de wet op nieuw geschonden om den
den hertoiï van ,                       xri          ii*              »-*.                                       i>in
York. hertog van York te believen. Die vorst was, zoowel uit hoofde
van zijn godsdienst als van de hardheid en stroefheid van zijn aard, zoo
impopulair, dat men \'t noodig geoordeeld had hem gedurende den tijd der
parlementsdebatten over de uitsluitingswet, op den achtergrond te houden
ten einde zijn openbaar optreden de partij, die hem van zijn geboorterecht
trachtte te berooven, niet in de hand zou werken. Hij was derhalve met het
bestuur van Schotland belast geworden, waar de woeste oude dwingeland
Lauderdale ten grave neigde. Zelfs Lauderdale werd nu overtroffen. De
regeering van Jakobus kenmerkte zich door hatelijke wetten, door barbaar-
sche straffen en door vonnissen, welker onrechtvaardigheid, zelfs in die
tijden nimmer geëvenaard werd. De schotsche geheime raad was bevoegd
om staatsgevangenen op de pijnbank te brengen. Doch de aanblik daarvan
was zoo afgrijselijk, dat zelfs de laagste en hardvochtigste hovelingen in aller
ijl den raad verlieten, zoodra de dwanglaarzen werden aangebracht. De
raadzaal was somtijds geheel ledig en men zag zich eindelijk genoodzaakt
uitdrukkelijk voor te schrijven, dat de leden bij zoodanige gelegenheid hun
zetels niet zouden verlaten. De hertog van York scheen echter, gelijk men
-ocr page 212-
i88
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
opmerkte, behagen te vinden in een schouwspel, dat sommige der slechtste
menschen van dien tijd niet zonder medelijden en ontzetting konden aanzien.
Hij kwam niet slechts naar den raad, wanneer de pijnbank gebezigd zou
worden, maar sloeg ook den doodsangst der lijders gade met dezelfde soort
van belangstelling en welgevallen, waarmede een merkwaardige wetenschap-
pelijke proefneming beschouwd wordt. Op die wijze bracht hij te Edinburgh
den tijd door, totdat de uitkomst van den strijd tusschen het hof en de
Whigs niet meer twijfelachtig was. Toen keerde hij naar Engeland terug,
doch de toets-acte sloot hem nog steeds van alle openbare ambten uit;
en de koning achtte het in \'t eerst ook niet raadzaam een wet te verkrachten,
die de groote meerderheid zijner getrouwste onderdanen als een der voor-
naamste waarborgen van hun godsdienst en hun burgerlijke rechten be-
schouwde. Toen echter uit een reeks van proefnemingen gebleken was,
dat de natie het geduld had om bijna alles te verdragen wat de regeering
den moed had te doen, waagde Karel ten gevalle van zijn broeder over de
wet heen te stappen. De hertog hernam zijn zetel in den raad en belastte
zich op nieuw met de leiding der zeezaken.
te\'glïhem\'ïp.\' Deze inbreuken op de grondwetten verwekten wel is waar eenig
gemor onder de gematigde Tories en werden zelfs door \'s konings ministers
niet eenstemmig goedgekeurd. Halifax, thans markies en lord geheim-zegel-
bewaarder, was, met den eersten dag, dat de Tories door zijn hulp de
overhand verkregen hadden, begonnen zich tot Whig te bekeeren. Zoodra
de uitsluitingswet afgestemd was geworden, had hij bij het Huis der Lords
er op aangedrongen maatregelen te nemen tot afwering van het gevaar,
waaraan de vrijheid en de godsdienst der natie onder de volgende regeering
zouden kunnen blootstaan. Thans verontrustte hem de hevigheid der reactie,
die in geen geringe mate zijn eigen werk was. Hij gaf zich geen moeite
de verachting te verhelen, welke de slaafsche leerstellingen der hoogeschool
van Oxford hem inboezemden. Hij verfoeide het verbond met Frankrijk. Hij
keurde de langdurige tusschenpoozen tusschen de parlements-vergaderingen
af. Hij betreurde de strengheid, waarmede de overwonnen partij behandeld
werd. Hij, die het gewaagd had, Stafford onschuldig te noemen, tijdens de
Whigs de overhand hadden, waagde het thans, nu zij overwonnen en hulpe-
loos waren, aan Russell zijn voorspraak te leenen. Bij een der laatste raads-
zittingen, die Karel bijwoonde, had een merkwaardig voorval plaats. Het
charter van Massachusetts was verbeurd en nu ontstond de vraag: op wat
wijze de kolonie in het vervolg geregeerd zou worden. Het algemeen ge-
voelen van den raad was dat de geheele, zoo wetgevende als uitvoerende
macht aan de kroon zou moeten verblijven. Halifax verzette zich daartegen
en sprak met veel nadruk tegen het onbeperkt monarchale en vóór het ver-
tegenwoordigingsstelsel. Het was dwaas, zeide hij, te gelooven, dat een uit
engelsch bloed gesproten en met engelsche gevoelens bezielde bevolking
zich het gemis van engelsche instellingen lang getroosten zou. Het leven,
riep hij uit, zou van alle waarde ontbloot zijn in een land, waar vrijheid en
eigendom van de genade van één eenigen willekeurigen heerscher zouden
moeten afhangen. Den hertog van York deed deze taal in hevige gramschap
ontsteken en hij bracht zijn broeder onder het oog, hoe gevaarlijk het was
-ocr page 213-
189
ONDER KAREL II.
een man in het bestuur te houden, die van de slechtste beginselen van
Marvell\') en van Sidney doordrongen scheen te zijn.
Sommige nieuwere schrijvers hebben Halifax gelaakt, omdat hij in het
ministerie bleef, terwijl hij de wijze afkeurde, waarop zoowel de inwendige
als de buitenlandsche aangelegenheden des lands bestuurd werden. Doch
dit verwijt is ongegrond. Men moet inderdaad in aanmerking nemen, dat
destijds het woord ministerie, in den zin, dien wij er aan hechten, niet be-
kend was J). De zaak zelve bestond nog niet; want zij behoort tot het tijd-
perk, waarin het parlementair bestuur ten volle gevestigd is. Tegenwoordig
vormen de voornaamste dienaren der kroon één lichaam. Men onderstelt,
dat zij in vriendschappelijk vertrouwen met elkander verkeeren en het eens
zijn ten aanzien der voorname beginselen, waarnaar het uitvoerend bewind
gevoerd zal worden. Ontstaat er eenig gering geschil van gevoelen tusschen
hen, het wordt licht vereffend; maar bijaldien een hunner in een of ander
meer belangrijk vraagpunt van de overigen verschilt, dan wordt het zijn
plicht af te treden. Zoo lang hij zijn ambt behoudt wordt hij aansprakelijk
geacht zelfs voor handelingen, die hij zijn ambtgenooten ontraden heeft.
In de zeventiende eeuw waren de hoofden der verschillende takken van be-
stuur door geen zoodanige solidariteit gebonden. Elk hunner werd voor
zijn eigen handelingen, voor het gebruik, dat hij van zijn eigen ambtszegel
maakte, voor de documenten, die hij teekende, voor den raad, dien hij den
koning gaf, aansprakelijk gehouden. Geen staatsman werd verantwoordelijk
geacht voor hetgeen hij niet zelf gedaan of waartoe hij anderen niet genoopt
had. Wachtte hij er zich voor zijn bemiddeling te leenen aan hetgeen ver-
keerd was en raadde hij ten beste, wanneer zijn gevoelen gevraagd werd,
dan was hij vrij van alle blaam. Had hij zijn ambt nedergelegd, omdat zijn
raad niet gevolgd werd in zaken, die niet bepaaldelijk zijn eigen departement
aangingen, had hij bij. voorbeeld het admiraliteits-college verlaten, omdat
de financiën in wanorde waren, of de commissie der thesaurie, omdat de
buitenlandsche aangelegenheden van het koninkrijk in geen bevredigenden
toestand verkeerden, men zou dit als een overdreven nauwgezetheid be-
schouwd hebben. Het was derhalve volstrekt niet vreemd de hoogste staats-
ambten op een en hetzelfde tijdstip door mannen bezet te zien, die evenzeer
uit elkander liepen als Pulteney ooit van Walpole of Pitt van Fox verschild
hebben.
1) Marvell was een zeer begaafd schrijver van republikeinsche gezindheid, die bij
alle partijen de grootste achting genoot. Hij was aan Milton tuegevoegd geweest, toen
deze bij Ciomwell de betrekking van secretaris voor de latijnsche taal vervulde, en had,
in het parlement, dat Karel II terugriep, zijn geboortestad Kingston vertegenwoordigd.
Karel was hem persoonlijk zeer genegen, hoewel zijn geschriften en handelingen som-
tijds der hofpartij groote bezwaren berokkenden. Schoon hij ten laatste in zeer bekrom-
pen omstandigheden verkeerde, mocht hel den koning, die dit gaarne gewild had, niet
gelukken hem te winnen, en de eerste minister Danby. die hem eenmaal in zijn nederige
woning opzocht en hem de schitterendste aanbiedingen deed, moest onverrichter zake
aftrekken; Marvell, die toen onder andere een geschenk van l,ooop. st. had geweigerd,
was destijds zoo arm, dat hij op denzelfden dag van een vriend een guinje ter leen moest
vragen.
                                                                                                                    V.
-) Xorths Examen, 69.
-ocr page 214-
190                             GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
Lord Guiidford. De gematigde en grondwettige raadgevingen van Halifax wer-
den, hoezeer dan ook zwak en schroomvallig, door Francis North, lord
Guildford, ondersteund, die onlangs tot groot-zegelbewaarder was benoemd.
Het karakter van Guildford is uitvoerig beschreven door zijn broeder Roger
North, een uiterst gemaakt en pedant schrijver, doch die al de kleine om-
standigheden, welke op het karakter der menschen eenig licht werpen, met
een nauwlettend oog gadesloeg. Het verdient opmerking, dat deze levens-
beschrijver, schoon hij onder den invloed der sterkste broederlijke voor-
ingenomenheid stond en blijkbaar door den wensch gedreven werd een
vleijend beeld te ontwerpen, den lord-zegelbewaarder evenwel niet anders
dan als den laagsten der menschen kon afschilderen. Nochtans waren
Guildfords geestvermogens helder, zijn vlijt groot; met vrucht had hij lette-
ren en wetenschappen en met nog grooter vrucht de rechtsgeleerdheid
beoefend. Zijn gebreken waren zelfzucht, lafhartigheid en laagheid. Voor
den invloed van vrouwelijke schoonheid was hij niet ongevoelig en ook niet
afkeerig van bovenmatig wijngenot. Doch wijn noch schoonheid konden
den omzichtigen en schrielen losbol ooit tot een enkele vlaag van onbedacht-
zame edelmoedigheid vervoeren. Ofschoon van edele afkomst, verschafte
hij zich bevordering in zijn loopbaan door eerlooze kuiperijen bij allen, die in
de gerechtshoven eenigen invloed hadden. Hij werd opperrechter van het
gerechtshof voor burgerlijke gedingen \') {court of commoupleas) en heeft in
die betrekking eenige der schandelijkste gerechtelijke moorden helpen be-
drijven, die in onze geschiedboeken vermeld staan. Hij had genoeg door-
zicht om van den aanvang af te zien, dat Oates en Bedloe bedriegers waren;
doch het parlement en het land waren sterk opgewonden; de regeering had
aan den drang der omstandigheden toegegeven. North was de man niet, die
uit liefde tot rechtvaardigheid en tot menschelijkheid een goede betrekking
in de waagschaal gelegd zoude hebben. Tenzelfden tijde dus, dat hij in het
geheim een grondige wederlegging van het verdichtsel van den papistischen
aanslag schreef, betuigde hij in het openbaar, dat de waarheid van het ver-
haal zoo duidelijk was als de zon aan den hemel en schaamde zich niet van
den rechterlijken zetel de ongelukkige roomsch-katholieken, die voor hem
gebracht werden, op aanklachten, waarmede het leven gemoeid was, door
barsche woorden en gebaren te overbluffen. Hij had eindelijk de hoogste
rechterlijke waardigheid verworven. Doch een rechtsgeleerde, die na vele
aan zijn beroepsarbeid gewijde jaren, zich in hooger leeftijd voor het eerst
met staatkunde inlaat, munt zeer zelden als staatsman uit en Guildford
maakte geen uitzondering op dezen regel. Hij was inderdaad zoo zeer over-
tuigd van hetgeen hem ontbrak, dat hij de beraadslagingen zijner ambtge-
nooten over buitenlandsche aangelegenheden nooit bijwoonde. Zelfs in
vraagpunten, die tot zijn eigen vak behoorden, was zijn gevoelen in den raad
van minder gewicht dan dat van eenig groot-zegelbewaarder ooit gehad
\') Dit gerechtshof beslist, even als de koninklijke rechtbank, kwestiën tot het engel-
sche gemeene recht behoorende, doch behandelt niet, zoo als deze, zoogenaamde//^j
of the croivn (gedingen der kroon), d. i. aanklachten, waarbij de staat ais beschuldiger
optreedt, maar beslist alleen in gedingen tusschen bijzondeie personen.
                V.
-ocr page 215-
ONDER KAREL II.                                              1$I
had. Doch zoo ver zijn invloed reikte, bezigde hij dien, wanneer zijn moed
niet te kort schoot, tot handhaving der wetten.
De voornaamste tegenstander van Halifax was Lawrence Hyde, die
onlangs tot graaf van Rochester was verheven. Van alle Tories was Ro-
chester de onverdraagzaamste en de onverzoenlijkste. De gematigde leden
zijner partij klaagden, dat alle ambten en gunsten, waarover de thesaurier te
beschikken had, aan schreeuwende ijveraars ten deel vielen, wier eenige
aanspraak op bevordering daarin bestond, dat zij bestendig op het verderf
der Whigs hun glazen leegden en vreugdevuren ontstaken om de uitsluitings-
wet te verbranden. De hertog van York, wien een gezindheid, die zoo wel
met de zijne strookte, welgevallig was, schonk zijn zwager een hartstochte-
lijke en onwrikbare ondersteuning.
De pogingen, welke door de wedijverende ministers aangewend werden
om elkander den voet te lichten, hielden het hof in gestadige onrust. Halifax
drong den koning om een parlement bijeen te roepen, een algemeene
amnestie te verleenen, den hertog van York alle aandeel in de regeering te
ontnemen, Monmouth uit de ballingschap terug te laten komen, met Lodewijk
te breken en met Holland een nauw verbond te sluiten, geschoeid op de
beginselen der Triple-Alliantie. De hertog van York, daarentegen, duchtte
de bijeenkomst van een parlement, beschouwde de overwonnen Whigs met
onverminderden haat, vleide zich steeds nog dat het veertien jaren geleden
te Dover beraamde ontwerp ten uitvoer gebracht kon worden, hield zijn
broeder dagelijks voor oogen, hoe verkeerd het was iemand, die in zijn hart
republikeinsch was, het geheim zegel te laten behouden en beval Rochester
voor de betrekking van lord-thesaurier ten sterkste aan.
Terwijl de twee partijen aldus worstelden, hield Godolphin, omzichtig
zwijgend en werkzaam zich tusschen haar onzijdig. Tegen beiden kuipte
Sunderland, met zijn gewone, nimmer rustende trouweloosheid. Hij was
in ongenade uit zijn ambt ontzet, omdat hij voor de uitsluitingswet ge-
stemd had, doch had door gebruik te maken van de goede diensten der
hertogin van Portsmouth en door kruipende onderwerping aan den hertog
van York, zijn vergiffenis verworven en was thans weder secretaris van staat.
StaLoS*u\'k™" Lodewijk was ook in geenen deele nalatig of werkeloos. Alles
begunstigde op dat oogenblik zijn ontwerpen. Hij had niets van het Duitsche
rijk te vreezen, dat toen aan den Donau tegen de Turken kampte. Holland
kon zonder bondgenooten niet wagen zich tegen hem over te stellen. Hij had
derhalve onbeperkte vrijheid om zijn eerzucht en zijn overmoed bot te vieren.
Hij nam Dixmuiden en Kortrijk. Hij beschoot Luxemburg. Hij dwong de
republiek Genua tot de allervernederendste onderwerping. Frankrijks macht
steeg destijds tot een punt, hooger dan ze voor of na dien tijd, in de tien
eeuwen, die van de regeering van Karel den Groote tot op die van Napoleon
verloopen zijn, ooit bereikt heeft. Het viel moeijelijk te zeggen, waar zijn
veroveringen zouden eindigen, zoo Engeland slechts in een staat van afhan-
kelijkheid gehouden kon worden. Het voornaamste oogmerk van het hof
van Versailles was dus de bijeenroeping van een parlement en de verzoening
der engelsche partijen te verhinderen. Te dien einde werden omkoopingen
en beloften evenmin gespaard als bedreigingen. Karel werd nu eens door de
-ocr page 216-
192                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
hoop op geldelijke ondersteuning gevleid, dan weder bang gemaakt, doordat
hem aangezegd werd, dat de geheime artikelen van het verdrag van Dover
openbaar gemaakt zouden worden, indien hij de Huizen bijeenriep. Ver-
scheiden geheimraden werden omgekocht; en hoewel vruchteloos, ook po-
gingen aangewend om Halifax te winnen. Toen men hem onomkoopbaar
bevonden had, werd alle list en invloed van het fransche gezantschap aan-
gewend om hem uit zijn ambt te drijven; doch zijn fijn vernuft en zijn
overige menigvuldige begaafdheden hadden hem zijn gebieder zoo aange-
naam gemaakt, dat deze aanslag faalde \').
Halifax vergenoegde zich niet met een verdedigende houding. Openlijk
beschuldigde hij Rochester van oneerlijkheid. Er werd een onderzoek inge-
steld. Men bevond, dat de staat door het slecht bestuur van den eersten lord
der thesaurie veertig duizend pond verloren had. Ten gevolge van deze
ontdekking moest hij niet alleen alle hoop op den witten staf opgeven, maar
werd hij ook van het beheer der financiën ontzet, om de hoogere, maar
minder voordeelige betrekking van lord-president van den geheimen raad
te gaan bekleeden. »Ik heb wel eens iemand van de trap af zien schop-
pen,\'\' zei Halifax, «maar mylord Rochester is de eerste persoon, dien ik
ooit de trap zag op schoppen." Gcdolphin, thans pair, werd eerste com-
missaris der schatkist.
^nf.Tifo"»"1 ^e strijd echter duurde nog steeds voort. Het einde hing
^"nU\'v\'ij.i\'rn8 geheel en al van Karels wil af en Karel kon tot geen beslissing
komen. In zijn verlegenheid beloofde hij iedereen de vervulling zijner
wenschen. Hij zou Frankrijk trouw blijven; hij zou met Frankrijk breken;
hij wilde nooit weder een parlement bijeen zien; hij zou onmiddellijk de
oproepingsbrieven voor de parlementsverkiezingen doen uitvaardigen. Den
hertog van York verzekerde hij, dat Hal-fax uit zijn ambt verwijderd zou
worden en aan Halifax beloofde hij den hertog naar Schotland te zullen
zenden. In het openbaar nam hij den schijn van onverzoenlijke verbolgen-
heid tegen Monmouth aan en in \'t geheim zond hij hem betuigingen van
onveranderlijke liefde. Hoe lang \'s konings weifelingen nog voortgeduurd
zouden hebben, indien zijn levensdraad niet plotseling afgebroken was en
wat ten laatste zijn besluit geweest zou zijn, daarover kan men slechts gis-
singen maken. In den aanvang van 1685 en terwijl de vijandige partijen
angstig naar zijn beslissing uitzagen, stierf hij en werd er een nieuw verschiet
geopend. In weinige maanden tijds wischten de buitensporigheden, door het
bestuur begaan, den indruk uit, dien de buitensporigheden der oppositie op
de openbare stemming gemaakt hadden. De hevige reactie, die de Whig-
\') Lord Preston, die gezant te Parijs was, schreef van daar aan Halifax, als volgt:
«Ik bemerk, dat uw lordschap nog steeds het ongeluk heeft aan dit hof niet bemind Ie
zijn; en de heer Barillon durft u de eer niet doen u vriendelijk aan te zien, vermits zijn
meester het voorhoofd fronst. Zij kennen uwer lordschaps gaven zeer goed, en deze zijn
het, die u door hen doen vreezen en dieusvolgeus haten; wees verzekerd, mylord, mocht
de hevigste inspanning hunner krachten u naar Rtiflford kunnen drijven, dan zal ze daar-
toe worden aangewend. Twee punten zijn het, naar ik hoor, die hen voornamelijk tegen
u innemen, uw geheimhouding en uw onomkoopbaarheid. Over deze twee punten weet
ik, dat zij gevallen zijn." De dagteekeuiug van dezen brief is 5 October N. S. 1683.
-ocr page 217-
ONDER KAREL II.                                                    193
partij ter neder geworpen had, werd door een nog heviger terugwerking in
een tegenovergestelde richting vervangen; en onmiskenbare teekenen duid-
den aan, dat de groote strijd tusschen de prerogatieven der kroon en de
rechten des parlements weldra tot een eindbeslissingzoude gebracht worden.
DERDE HOOFDSTUK.
In dit hoofdstuk wensch ik een beschrijving te geven van den toestand,
waarin Engeland zich bevond, toen de kroon van Karcl II op zijn broeder
overging. Zulk een beschrijving, uit verstrooide en gebrekkige bouwstoffen
samengesteld, moet noodwendig zeer onvolledig zijn ; nochtans zal ze wel-
licht onjuiste voorstellingen wijzigen, door welke mijn volgend verhaal min-
der duidelijk of leerrijk zou kunnen zijn, dan ik wensch.
Willen wij de geschiedenis onzer voorouders met vrucht beoefenen, dan
moeten wij steeds op onze hoede zijn tegen de dwaling, waartoe welbekende
namen van geslachten en plaatsen, zoowel als onveranderde ambtstitels ons
maar al te gereedelijk doen vervallen; en wij moeten nooit vergeten, dat het
land, waarvan wij lezen, een gansch ander land was, dan dat waarin wij leven.
Elke proefondervindelijke wetenschap streeft naar volmaking. Elk mensche-
lijk wezen koestert den wensch om zijn toestand te verbeteren. Veeltijds
waren deze twee beginselen, dan zelfs, wanneer zware algcmeene rampen en
slechte instellingen hun uitwerking belemmerden, toereikend om de be-
schaving met snelheid te doen toenemen. Geen gewone tegenspoed, geen
gewone gebreken in het staatsbestuur zullen zoozeer tot verzwaring der ram-
pen strekken, als de gestadige vermeerdering van stoffelijke kennis en een
ieders bestendig streven naar verbetering dit doen tot bevordering van de
welvaart eener natie. Dikwerf heeft men gezien, dat kwistige uitgaven,
drukkende belastingen, onverstandige beperkingen van den handel, omkoop-
baarheid der rechters, ongelukkige oorlogen, verraad, vervolgingen, brand
en overstrooming het kapitaal niet zoo snd konden vernielen als de inspan-
ning van bijzondere personen het wist lc scheppen. Hel valt licht te bewijzen,
dat het nationaal vermogen in ons eigen land, gedurende ten minste zes
eeuwen, bijna onafgebroken aangroi-ijcnd is geweest; dat het in de tijden
der Tudors grooter was dan in die der Plantagenets en in de tijden der
Stuarts grooter dan in die der Tudors; dat het, in spijt van veldslagen, be-
legeringen en verbeurdverklaringen op den dag der restauratie grooter was
dan op dien der bijeenkomst van het lange parlement; dat het, in weerwil
van slecht beheer, van dolle verkwisting, van staatsbankroet, van twee
kostbare en mislukte oorlogen, trots eindelijk pest en brand, grooter was op
den dag van Karels overlijden, dan toen hij op den troon hersteld werd. Na
gedurende vele geslachten te hebben voortgeduurd nam eindelijk deze aan-
was, omstreeks het midden der achttiende eeuw, met verbazende snelheid
MACAUI.AV I.                                                                                                             13
-ocr page 218-
194                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
toe, en is hij gedurende de negentiende eeuw nog rasser geklommen. Ten
gevolge deels van onze geografische ligging, deels van onze zedelijke ont-
wikkeling, zijn wij sedert verscheiden geslachten verschoond gebleven van
rampen, die in andere landen de pogingen der nijverheid gestremd en haar
vruchten vernield hebben. Terwijl alle deelen van het vaste land, van Moskou
tot Lissabon, het tooneel zijn geweest van bloedige en verwoestende oorlogen,
heeft men hier geen andere vijandelijke banieren gezien, dan die als zege-
teekenen werden ten toon gesteld. Terwijl overal om ons heen omwentelin-
gen hebben plaats gehad, werd ons bestuur geen enkele maal door geweld
omvergeworpen. Gedurende honderd jaren heeft in ons eiland geen woeling
plaats gehad, ernstig genoeg om den naam van een opstand te verdienen.
Nooit heeft de volkswoede of de dwingelandij der bewindvoerders het gezag
der wetten geschonden. Het openbaar crediet werd zorgvuldig gehandhaafd.
De rechtsbedeeling was zuiver. Wij hebben, zelfs in tijden, die door En-
gelschen kwade tijden genoemd mochten worden, een mate van burgerlijke
en van geloofsvrijheid genoten, waarmede nagenoeg alle natiën meer dan
tevreden zouden geweest zijn. Elkeen in het bijzonder heeft er zich met vol-
komen vertrouwen op verlaten, dat de bescherming van den staat hem het
rustig bezit zou verzekeren van hetgeen hij door vlijt verworven en door
spaarzaamheid bijeengegaard heeft. Onder den weldadigen invloed van
vrede en vrijheid heeft de wetenschap gebloeid en haar toepassingen een
voorheen ongekende uitbreiding verkregen. Het gevolg hiervan is, dat in
ons land een verandering heeft plaats gegrepen, waarvan de geschiedenis
der oude wereld geen voorbeeld oplevert.
GiS°dêu\'tOT!tandng Kon net Engeland van 1685 als door een tooverroede ons
,Mdeïu\'i85.\'1\' voor oogen worden gebracht, wij zouden geen enkel uit
honderd landschappen, geen enkel uit tienduizend gebouwen herkennen.
De landedelman zou zijn eigen velden, de stedeling zijn eigen straat niet
terugvinden. Alles is veranderd, met uitzondering alleen van de groote
trekken der natuur en van enkele stevige en duurzame gewrochten van
menschelijke kunst. Wij zouden Snowdon en Windermere, de klippen
van Cheddar en de landtong van Beachy terug vinden. Wij zouden hier
en daar een hoofdkerk uit den tijd der Noormannen kunnen aantoonen, of
een kasteel, dat van de rozenoorlogen getuige is geweest; doch op deze
weinige uitzonderingen na, zou ons alles vreemd zijn. Veel duizenden vier-
kante mijlen, thans rijke korenvelden en weilanden, met groene heggen
doorsneden en met dorpen en schoone landhuizen bezaaid, zouden zich
aan het oog voordoen als moerassen met struikgewas bedekt, of als water-
plassen, slechts door wilde eenden bewoond. Wij zouden enkele verstrooide
hutten zien, van hout gebouwd en met riet gedekt, waar wij thans fa-
brieksteden en zeehavens ontwaren, wier vermaardheid tot de afgelegenste
oorden des aardbols is doorgedrongen. De hoofdstad zelve zou slechts
een weinig grooter omtrek hebben dan dien harer tegenwoordige voor-
stad ten zuiden van den Theems. Niet minder vreemd zouden ons de
kleeding en de gebruiken des volks, het huisraad, de voertuigen en de
inwendige inrichting der winkels en der huizen voorkomen. Zulk een ver-
andering in den toestand eener natie schijnt de aandacht van den geschied-
-ocr page 219-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
\'95
schrijver ten minste even waardig te zijn, alseenige verandering van dynastie
of van ministerie zou kunnen wezen \'). >
EwèTa\'nd\'in"»;. Het eerste, waar hij op te letten heeft, wil hij zich een juist
denkbeeld vormen van den toestand eener maatschappij, in een gegeven
tijdperk, is het getal der personen, waaruit alstoen die maatschappij bestond.
Ongelukkig kan het getal der bevolking van Engeland in 1685 niet met
voldoende zekerheid bepaald worden : want evenmin daar, als in eenigen
anderen grooten staat had men nog den wijzen maatregel genomen, om op
gezette tijden het volk te tellen. Een ieder werd aan zijn eigen gissingen
overgelaten, en daar men gewoonlijk gissingen maakte zonder feiten te
onderzoeken, terwijl bovendien hevige driften en vooroordeelen hierbij hun
invloed deden gelden, zoo waren die gissingen soms tot in het bespottelijke
ongerijmd. Verstandige inwoners van Londen zelfs spraken veeial van hun
stad, alsof er verscheiden millioenen menschen woonden. Ja, daar waren
er, die in goeden ernst beweerden, dat de bevolking der stad in de vijf-en-
dertig jaren, die van de troonsbestijging van Karel I tot de restauratie
verloopen waren, met twee mülioen vermeerderd was 2). Zelfs toen de ver-
woestingen, door de pest en den brand aangericht, nog nieuw waren, was
men gewoon de hoofdstad nog steeds op anderhalf mülioen inwoners te
schatten \'). Anderen daarentegen, die zich aan deze overdrijvingen erger-
den, sloegen met geweld tot het tegenovergestelde uiterste over. Zoo werd
door Isaac Vossius, een man van onmiskenbare bekwaamheid en geleerd-
heid, stokstijf volgehouden, dat in Engeland, Schotland en Ierland tezamen
slechts twee mülioen menschen leefden. *)
Evenwel, wij zijn niet geheel van middelen ontbloot om de grove mis-
stellingen te verbeteren, waartoe sommigen door nationale ijdelheid, anderen
door een verregaande neiging tot wonderspreukige stellingen vervallen zijn.
Er bestaan drie ramingen, die een bijzondere aandacht verdienen. Zij staan
ieder geheel op zich zelve; zij berusten op verschillende grondslagen en
nochtans leveren zij in de uitkomsten weinig verschil op.
Een dezer berekeningen werd in het jaar 1 696 gemaakt door Gregorius
King, heraut van Lancaster, een zeer scherpzinnig en oordeelkundig be-
oefenaar der staaUrekenkunde. Tot grondslag zijner becijferingen diende
het getal der huizen, in 1690 aangegeven door de beambten, die de laatste
\') Sedert dit hoofdstuk geschreven werd, is Engeland steeds in stoffelijke welvaart
blijven toenemen. Ik heb den tekst gelaten, zoo als hij oorspronkelijk was, maar enkele
aanteekeningen er bij gevoegd, om den lezer in staat te stellen zich een voorstelling te
maken van den vooruitgang in de laatste negeu jaar en in \'t algemeen wil ik zijn aan-
dacht bepalen bij het feit, dat er haast geen district is niet sterker bevolkt, geen bron
van welvaart, niet rijker stroomend thans dan in 1848 (1857).
2) Beschouwingen over de sterflijsten door kapitein John Graant (Sir William Petty)
Hoofdst XI.
:l)                                      »She doth comprehend
Full fifteen hundred thousand which do spend
Their days witliin."
Great Britain\'s Beauty, 1671.
\') Isaac Vossius, De Magnitudine (Jrbium Sinarum 1685. Vossius sprak, gelijk wij
uit St. Evremonds brieven zien, meer en langer over dit onderwerp dan men in fat-
soenlijke kringen gaarne aanhoorde.
-ocr page 220-
ICJC
ENGELAND
GESCHIEDENIS VAN
heffing van het haardgeld geregeld hadden. Hij kwam tot het besluit, dat
de bevolking van Engeland nagenoeg vijf en een half millioenen menschen
bedroeg \').
Omstreeks denzelfden tijd wenschte koning Willem III de onderlinge
getalverhouding der godsdienstige secten te kennen, in welke de natie ver-
deeld was. Er werd een onderzoek ingesteld en opgaven uit alle kerspelen
des rijks hem voorgelegd. Volgens die opgaven moet het getal zijner engel-
sche onderdanen ongeveer vijfmillioen tweemaal honderd duizend beloopen
hebben 2).
Eindelijk heeft in onze dagen de heer Finlaison, een deskundige van groote
bekwaamheid, de oude gemeenteregisters aan alle proeven onderworpen,
die de nieuwste verbeteringen in de wetenschap der statistiek hem aan de
hand gaven. Hij was van oordeel, dat Engeland op het einde der zeventiende
eeuw een bevolking van iets minder dan vijfmillioen en tweemaal honderd
duizend zielen telde 3).
Van deze drie ramingen, zonder eenige afspraak door verschillende per-
sonen en uit verschillende bouwstoffen samengesteld, is de hoogste, die van
King, nauwelijks een twaalfde hooger dan de laagste, die van Finlaison. Wij
mogen derhalve met vertrouwen aannemen, dat Engeland tijdens de regeering
van fakobus II tusschen vijf en vijf en een half millioen inwoners bevatte.
Volgens de hoogste schatting bedroeg de toenmalige bevolking van Engeland
nog iets minder\'dan een derde der tegenwoordige en minder dan driemaal
het menschental, dat thans in zijn reusachtige hoofdstad woont.
De vciwprdcrins De vermeerdering der bevolking is in alle deelen des ko-
in\'LtToordfn ninkrijks groot geweest, doch veel grooter in de noordelijke
h«miden. dan in de zuidelijke graafschappen. Trouwens, een groot ge-
deelte des lands aan gene zijde van de Trent verkeerde tot in de achttiende
eeuw in een toestand van barbaarschheid. Stoffelijke en zedelijke oorzaken
hadden samengewerkt om die streken voor beschaving ontoegankelijk te
maken. De luchtgesteldheid was ruw; de bodem was over het algemeen
zoodanig, dat groote vaardigheid en vlijt tot zijn bebouwing vereischt wer-
den; en toch kon men van vaardigheid en vlijt weinig wachten in een
streek, die vaak tot oorlogstooncel diende en die, zelfs wanneer er zooge-
naamd vrede heerschte, gestadig door benden van schotsche plunderaars
geteisterd werd. Voor en nog lang na de vereeniging der twee britsche
kronen bestond er tusschen Middlesex en Northumberland oen even groot
onderscheid als er nu tusschen Massachusetts en de nederzettingen dier
squatters 4) bestaat, die ver westelijk van den Mississippi met buks en
1; ICings Natuur- en Staatkundige Opmerkingen. 1696. Deze degelijke verhandeling
zal men in sommige uitgaven vau Chalmers begrooting vinden.
-) Dalrymple\'s Appendix tot het [p* deel, Ist(" boek. Het gebruik om de bevolking
naar secten te berekenen bleef nog lang bestaan. Gulliver zegt van den koning van
Brobdignag: »IIij lachte om mijn wonderlijke ïekenwijze, gelijk hij ze geliefde te noe-
men, dat ik de sterkte onzer bevolking berekende naar de sterkte der verschillende
bij ons bestaande godsdienstige en staatkundige secten."
") Inleiding tot het overzicht der uitkomsten van de volkstelling van 1831.
") Dit is de benaming die in Amerika aan hen gegeven wordt, die zich, zonder
daartoe gerechtigd te zijn, op tot dus verre onbewoond land (zoogenaamd nieuw land)
nederzetten.
-ocr page 221-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
\'97
jachtmes een onzacht recht toedienen. De sporen van de bloedtooneelen en
plunderingen, door vele geslachten voortgezet, waren tijdens het bestuur
van Karel II, zoowel in het voorkomen des lands, als in de woeste gebruiken
der bewoners tot vele mijlen bezuiden de Tweed nog duidelijk zichtbaar. Er
waren nog talrijke benden struikroovers \'), die het plunderen van hofsteden
en het rooven van geheele kudden vee tot hun beroep maakten. Kort na de
restauratie vond men noodig de allerstrengste wetten tot wering van zulke
misdaden uit te vaardigen. De overheden in Northumberland en in Cum-
berland werden gemachtigd gewapende benden op te richten ter verdedi-
ging van orde en eigendom; en in de kosten dezer lichtingen werd door
middel van plaatselijke belastingen voorzien. De gemeenten werden ver-
plicht bloedhonden te houden tot het vervolgen der vrijbuiters. Omstreeks
het midden der vorige eeuw konden zich vele oude mannen nog zeer wel den
tijd herinneren, dat deze grimmige honden vrij algemeen waren l). Doch
zelfs met deze hulpmiddelen was het dikwerf onmogelijk de roovers tot in
hun schuilhoeken te midden van de heuvels en in de moerassen te volgen,
want de geographische kennis dier woeste streek was lang niet algemeen.
Nog na de troonsbestijging van George III was het voetpad door de hoogten,
van Borrowdale tot Ravenglas, een geheim, dat door de dalbewoners, van
welke sommigen in hun jonge jaren wellicht langs dien weg aan de vervolgin-
gen der rechterlijke overheid ontsnapt waren, zorgvuldig bewaard werd \').
De zetels der gentry en de hofsteden waren versterkt, \'s Nachts werd het
rundvee onder de afd.iken van het woonhuis geparkt, welke parken de be-
naming van peel droegen. De bewoners sliepen met de wapenen naast zich.
Groote steenen en kokend water werden gereed gehouden om den roover,
die de kleine bezetting mocht aanvallen, te verpletteren of te verzengen.
Geen reiziger waagde zich in dat land zonder vooraf zijn testament te maken.
Deden de rechters hun omtocht, zij en de geheele stoet van advokaten,
pleitbezorgers, schrijvers en bedienden reden gewapend en onder geleide
eener sterke wacht, door de sheriff* aangevoerd, van Newcastle naar Car-
lisle. Men moest noodwendig mondbehoeften mede nemen; want het land
was een wildernis, waar men niets krijgen kon. De plek, waar de cavalcade,
onder een reusachtigen eik, doorgaans halt hield om het middagmaal te
gebruiken, is thans nog niet vergeten. De ongeregelde voortvarendheid,
waarmede de lijfstraffelijke rechtspleging destijds werd uitgeoefend, gaf
aanstoot aan degenen, die hun leven in meer vreedzame streken hadden
doorgebracht. Aangevuurd door haat en door het bewustzijn van gemeen-
schappelijk gevaar, veroordeelden de jurys inbrekers en veedieven met de
vlugheid van een krijgsgerecht in tijden van opstand en de veroordeelden
\') ».\\/osstroopcrs\'\\ letterlijk moeras-soldaten, is de eigenaardige benaming, die in
het Engelsch aan deze struikroovers gegeven wordt: aangezien de laaglanden aan
weerszijden dier grenzen van veelvuldige bijna ontoegankelijke moerassen door-
sneden zijn, waar deze benden langs ongebaande wegen gevaarlijke schuilplaatsen
wisten te vinden.
\') Nicholson en liourne, Verhandeling over den vroegeren stand der grenslan-
den, 1777.
3) Gray\'s Dagboek van een tocht door de meren, 3 October 1769.
-ocr page 222-
198
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
werden bij twintigtallen tot de galg verwezen \'). Wellicht kunnen sommige
onzer tijdgenooten zich nog den tijd herinneren, dat de jager, die ter op-
sporing van wild, tot aan de bronnen van de Tyne doordrong, de heide in
den omtrek van het kasteel van Keeldar door een stam bevolkt vond, weinig
minder wild dan de Indianen van Californië, en met verbazing luisterde naar
het ruwe maatgezang van half naakte vrouwen, waarbij de mannen met uit-
getrokken dolken een oorlogsdans uitvoerden J).
Langzaam en met groote moeite werd op de grenzen vrede gemaakt. Deze
bracht nijverheid en alle maatschappelijke bedrijven mede. Daarop ontdekte
men, dat de landen benoorden de Trent, in hun steenkolengroeven een bron
van rijkdom bezaten, van veel grooter waarde dan de goudmijnen van Peru.
Het bleek, dat bijna alle fabrieken in de nabijheid van die groeven met
voordeel konden gedreven worden. Een gestadige toevloed van landver-
huizers begon zich naar het noorden te wenden. Het is uit de volkstelling
van 1841 gebleken, dat het aloude aartsbisschoppelijke gewest van York
twee zevenden der geheele bevolking van Engeland bevat Omstreeks den
tijd der omwenteling (1688), werd die provincie geacht nauwelijks één
zevende deel der bevolking te bevatten J). In Lancashire schijnt het getal
der bewoners negen maal grooter te zijn geworden, terwijl het in Norfolk,
Suffolk en Northamptonshire nauwelijks verdubbeld is *).
stMtBinkom.ten yan net belastingstelsel kunnen wij met meer zekerheid en
nauwkeurigheid spreken dan van de bevolking. Toen Karel II stierf, waren
de engelsche staatsinkomsten klein, in vergelijking zoowel van de hulpbron-
nen, die destijds zelfs reeds aanwezig waren, als van de sommen, die, door
de regeeringen van naburige staten geheven werden. Sedert den tijd der
restauratie waren deze inkomsten gestadig toegenomen, naarmate het natio-
naal vermogen aangroeide; nochtans bedroegen zij weinig meer dan drie
vierden van die der Vereenigde-Provincien en nauwelijks een vijfde van het
staatsinkomen in Frankrijk.
De voornaamste bron der staatsinkomsten waren de accijnsen, die in het
laatste jaar der regeering van Karel een zuivere opbrengst van vijfmaal hon-
derd tachtig duizend pond sterling opleverden. De zuivere opbrengst der
in- en uitgaande rechten bedroeg in hetzelfde jaar vijfhonderddertig duizend
pond sterling. Deze lasten drukten de natie niet zwaar. Over de belasting
op de schoorsteenen, schoon veel minder afwerpende, ontstond veel luider
gemor. De ontevredenheid, welke door de heffing van directe belastingen
verwekt wordt, staat inderdaad bijna altoos buiten verhouding tot het voor-
\') North\'s Leven van Guildford. Hutchinsons Geschiedenis van Cumberland, ge-
meente Brampton.
2)  Zie Dagboek van sir Walter Scott, 7 October 1827, in zijn Levensbeschrijving
door den heer Lockhart.
3) Dalrymple, Appendix bij Deel II, Boek I. De opgaven van de haardgelden leiden
nagenoeg tot hetzelfde besluit. Het getal der haarden in de provincie York bedroeg
geen zesde gedeelte van het getal der haarden in Engeland.
*) Ik maak hier natuurlijk geen aanspraak op stipte nauwkeurigheid, maar ik geloof
ilat een ieder, die zich de moeite wil geven de laatste opgaven van de haardgelden
onder het bestuur van Willem III met den census van 1841 te vergelijken, tot een
resultaat zal komen, dat weinig van het mijne zal verschillen.
-ocr page 223-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
199
deel, dat zij der schatkist aanbrengen; en de heffing der haardgeiden werd
zelfs nog meer gehaat dan andere rechtstreeksche heffingen, omdat zij nood-
wendig met huiszoekingen gepaard moest gaan; en van zoodanig onderzoek
hebben de Engelschen te allen tijde een afkeer gehad, zoo hevig, dat de be-
woners van andere landen er zich slechts een flauw denkbeeld van kunnen
vormen. Minder welvarende huisgezinnen waren menigmaal buiten staat
hun haardgeld op den gezetten tijd te voldoen. Was dit het geval, dan werd
hun inboedel zonder genade in beslag genomen; want de belasting was
verpacht en een pachter van belastingen is, spreekwoordelijk, de hard-
vochtigste van alle schuldeischers. De ontvangers werden luide beschuldigd
van hardheid en ruwheid in het waarnemen van hun gehaten plicht. Men
zeide, dat de kinderen begonnen te schreeuwen en de oude vrouwen zich
haastten haar aardewerk te verbergen, zoodra deze zich voor den drempel
eener woning vertoonden. Ja, zelfs het eenige bed eener arme familie werd
wel eens weggedragen en verkocht. De zuivere jaarlijksche opbrengst dezer
belasting bedroeg tweehonderd duizend pond sterling \').
Zoo wij bij de drie opgenoemde bronnen van inkomst de koninklijke
domeinen voegen, die destijds veel uitgebreider waren dan thans, voorts de
eerste vruchten en tienden, die der kerk nog niet weder afgestaan waren,
de hertogdommen Cornwall en Lancaster, de verbeurdverklaringen en de
boeten, dan bevinden wij dat het geheele gedrag der inkomsten van de
\') Er zijn in de Pepysiaansche bibliotheek eenige volksliedjes uit dien tijd over
dat onderwerp voorhanden. Zie hier een paar proeven:
»The good old dames, whenever they the chinmey-men espied.
Unto their nooks they haste away, their pots and pipkins hide.
There is not one old dame in ten. and search the nation through.
But if you talk of chimney-men, wil spare a curse or two."
(Zoodra de goede oude moedertjes den schoorsteen-man zagen naderen, — Ras
vlogen zij naar binnen en borgen potten en pannen weg. — Gij vindt niet ééne oude
vrouw onder tien, zoek vrij door \'t heele land. — Die niet een paar verwenschingen
gereed heeft, als ge van den haardgeld-man spreekt).
Voorts, —
»Like plundering soldiers they enter the door.
And make a distress on the goods of the poor,
While frighted poor cïiildren distractedly cried:
This nothing abated their insolent pride.
(Als plunderende soldaten dringen zij naar binnen En leggen beslag op de goede-
ren der behoeftigen. Terwijl arme verschrikte kinderen schreeuwen van angst; —
Doch dat slaat hun onbeschaamden trots niet ter neer.)
In het britsch museum bevinden zich rijmen over hetzelfde onderwerp en in den-
zelfden geest:
a>Or if through poverty it be not paid,
For cruelty to tear away the single bed,
On which the poor man rests his weary head,
At once deprives him of his rest and bread."
(Of wordt het eens uit armoe niet betaald, — Ontziet zich de wreedheid niet het
eenige bed weg te dragen, — Waarop de arme man zijn vermoeid hoofd ter rust
leide, — En berooft hem aldus met een slag van rust en brood.)
Ik neem deze gelegenheid, de eerste, die zich aanbiedt, te baat, om met de meeste
dankbaarheid de welwillende en voorkomende wijze te erkennen, waarop de bestuur-
ders van het Magdalena-College te Cambridge mij toegang verleenden tot de belang-
rijke verzamelingen van Pepys.
-ocr page 224-
200                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
kroon zonder overdrijving op ongeveer veertien honderd duizend pond ster-
ling begroot kan worden. Deze inkomsten waren aan Karel voor levenslang
toegestaan en het stond hem vrij er geheel naar eigen goeddunken over te
beschikken. Al wat hij door bezuiniging op de openbare uitgaven besparen
kon, strekte tot vermeerdering van zijn bijzondere inkomsten. Van het post-
wezen zullen wij later spreken. De opbrengsten der posterijen waren door
het pariement aan den hertog van Vork toegewezen.
\'s Konings inkomen was bezwaard, of om mij juister uit te drukken, had
bezwaard moeten wezen met de betaling van ongeveer tachtig duizend pd. st.
\'sjaars. de intrest der som, welke de kabaal wederrechtelijk in de schat-
kist gehouden had. Zoolang Danby het bestuur der financiën in handen had.
werden de renten; schoon niet met de nauwgezette stiptheid der nieuwere
tijden, aan de rechthebbenden uitgekeerd, doch zij. die hem bij de schatkist
opvolgden, waren óf minder bekwaam, óf minder bezorgd voor de hand-
having van het openbaar crediet. Sedert de overwinning, die het hof op de
Whigs behaald had, was er geen duit van de schuld betaald en aan de be-
langhebbenden werd geen vergoeding verleend, voordat een nieuwe dynastie
jaren lang op den troon was geweest. Er bestaat geen grooter dwaling dan
deze, dat het uitschrijven van leeningen ter voorziening in de behoeften van
den staat door Willem III in ons eiland werd ingevoerd. Sedert onheug-
lijke tijden was het de gewoonte van elk engelsch bewind geweest schulden
te maken. De revolutie van i 68 8 voerde slechts het gebruik in, die eerlijk
te betalen \').
Door de schuldeischers van den staat hun rechtmatig deel te onthouden,
kon men met een inkomen van ongeveer veertien honderdduizend pond,
vermeerderd met den onderstand, die nu en dan door Frankrijk verleend
werd, de noodwendige kosten van het bestuur en de verkwistende uitgaven
van het hof bestrijden. Want de last, die de groote staten van het vaste
land het meest drukte, werd hier nauwelijks gevoeld. In Frankrijk, in
Duitschland, in de Nederlanden, werden zelfs in tijden van diepen vrede
legers onderhouden, grooter dan Hendrik IV en Philips II er ooit in tijd van
oorlog in het veld hadden gehad Overal zag men bolwerken en ravelijnen
oprijzen, naar regelen gebouwd, die Parma en Spinola niet gekend hadden.
Geschut en krijgsvoorraad werden aangeschaft in zoo ontzettende hoeveel-
heden, dat Richelieu zelf, dien het vorige geslacht voor een wonderdoener
had aangezien, ze ongeloofelijk genoemd zou hebben. Niemand kon in die
landen eenige mijlen ver reizen zonder de trommen van een marcheerend
regiment te hooren, of door de schildwachten eener vesting te worden aan-
geroepen. In ons eiland daarentegen kon men lang leven en verre reizen
doen, zonder dat men een enkele maal door krijgshaftige klanken of ver-
tooningen herinnerd werd, dat de verdediging der natiën een kunst en een
beroep was geworden. Het meerendeel der Engelschen, die beneden
den leeftijd van vijf en twintig jaar waren, had waarschijnlijk nog nooit een
compagnie geregelde troepen gezien. Van de steden, die in den tijd des
\') De voornaamste bronnen, waaruit ik dit financieel overzicht geput heb, zijn te
vinden in het dagboek van het Lagerhuis, i en 20 Maart 1688 — 1689.
            \'
-ocr page 225-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                                 201
burgeroorlogs aanvallen van vijandelijke legerdrommen moedig hadden af-
geslagen, was thans wellicht geene enkele in staat een belegering door
te staan. De poorten stonden ciag en nacht open. De grachten waren droog.
De wallen waren in verval geraakt, of slechts in zooverre hersteld, dat de
burgerij er des zomers aangename wandelwegen vond. Van de oude ver-
sterkte burchten des adels waren vele door het geschut van Fairfax
en van Cromwell in puinhoopen verkeerd, waarop thans het klimop welig
tierde. Degenen, die nog bestonden, hadden hun krijgshaftig aanzien
verloren en dienden slechts tot zomerpaleizen voor de aristokratie. De
grachten werden gebruikt voor bewaarplaatsen van karpers en snoeken. De
wallen waren met welriekende gewassen beplant, waardoor kronkelpaden
naar lusthuizen voerden, met spiegels en schilderijen versierd \'). Men zag
destijds nog op de uiterste punten der zeekusten en op vele hoogten in het
binnenland hooge palen staan, bekroond met tonnen. Voorheen waren die
tonnen met pek gevuld geweest. In tijden van gevaar werden er wachters
bij gezet en reeds een paar uur, nadat er in het Kanaal een spaansche vlag
bespeurd was, of nadat een duizendtal schotsche grensroovers zich aan deze
zijde der Tweed vertoond hadden, waren de signaalvuren tot op vijftig mijlen
afstands aan het branden en snelden gansche graafschappen te wapen. Thans
waren vele jaren verstreken, sedert die bakens ontstoken geweest waren en
men beschouwde ze veeleer als merkwaardige overblijfsels uit den ouden tijd,
dan als voorzorgen, die ter beveiliging van den staat vereischt werden *).
Bij de wet was geen andere krijgsmacht erkend, dan de landweer. Deze
was door twee, kort na de restauratie aangenomen, wetten gereorganiseerd.
Een ieder, die jaarlijks vijfhonderd p. st. rente van grondeigendommen of
wel roerende goederen ter waarde van zesduizend p. st. bezat, was verplicht,
op eigen kosten een ruiter te stellen, hem uit te rusten en te bezoldigen. Een
ieder, die vijftig p. st. \'s jaars van grondeigendommen trok, of die roerende
goederen ter waarde van vijfhonderd p. st. bezat, moest op gelijke wijze
voor een piekenier of musketier zorgen. Kleinere grondbezitters werden tot
een soort van genootschap vereenigd. waarvoor in onze taal geen juiste be-
naming te vinden is, maar die een Ather.er een synteleia genoemd zou heb-
ben; elk zoodanig genootschap was gehouden naar gelang van zijn mid-
delen, een ruiter of een voetsoldaat te stellen. Het geheele getal der
ruiterij en der infanterie, di? op deze wijze onderhouden werden, werd door-
gaans op honderddertigduizend man geschat s)
De koning was, volgens de oude staatsregeling des rijks en de jongste
plechtige verklaring van de beide parlementshuizen, de eenige kapitein-
generaal dezergroote legermacht. De lord luitenants (gouverneurs der graaf-
schappen) en hun plaatsvervangers, waren zijn onderbevelhebbers en regelden
de te houden oefeningen en wapenschouwingen. De tijd, die daartoe besteed
werd, mocht echter niet meer dan veertien dagen in het jaar bedragen. De
1) Zie bij voorbeeld de teekening van den wal te Malborough, in Stukeley\'s Itine-
rarium Curiosum.
*) Chamberlayne\'s Staat van Engeland, 1684.
\') Zie Wetten van het 13e en 14e jaar van Karels regeering hoofdstuk 3; 15e jaar,
hoofdst. 4. Chamberlayne\'s Staat van Engeland, 1684.
-ocr page 226-
202                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
vrederechters waren gemachtigd lichte straffen voor overtredingen der
krijgstucht op te leggen. In de gewone kosten werd door de kroon niet ge-
deeld; doch als de landweer tegen den vijand in het veld werd gebracht,
viel haar onderhoud ten laste der algemeene staatsinkomsten en zij was dan
geheel en al aan de strenge krijgswet onderworpen.
Er waren menschen, die de landweer met geen vriendelijk oog aanzagen.
Mannen, die veel op het vaste land gereisd en in de door Vauban gebouwde
vestingen de strenge houding en woordkarigheid van de schildwachten
bewonderd hadden, die de machtige legers gezien hadden, welke langs alle
heirbanen van Duitschland stroomden om den muzelman van Weenens
poorten te verdrijven, en zij, die door de welgeordende pracht van Lodewijks
lijftroepen verblind waren, haalden de schouders op over de wijze, waarop
de boeren van Devonshire en van Yorkshire marcheerden, zwenkten, mus-
ketten schouderden en pieken hanteerden. De vijanden van geloofs- en
godsdienstvrijheid in Engeland zagen met leede oogen het bestaan eener
macht, die niet zonder het uiterste gevaar tegen die vrijheden kon gekeerd
worden en lieten geen enkele gelegenheid voorbijgaan om die landelijke
krijgsmacht in een bespottelijk daglicht te stellen \'). Verlichte vaderlanders
zelfs, die deze ongeoefende scharen met de benden vergeleken, welke in tijd
van oorlog, na verloop van weinige uren, aan de kusten van Kent of van
Sussex zouden kunnen landen, moesten erkennen, dat, hoe gevaarlijk het
ook mocht zijn een legermacht te onderhouden, het evenwel nog gevaarlijker
kon worden de eer en de onafhankelijkheid van den staat te wagen aan de
uitkomst van een strijd tusschen landbouwers, onder het kommando van
vrederechters, en beproefde krijgslieden, door maarschalken van Frankrijk
aangevoerd. In het parlement echter was het noodig zulke beschouwingen
niet dan met de grootste behoedzaamheid te uiten, want de landweer was
een buitengemeen populaire instelling. Elke aanmerking, die er op gemaakt
werd, lokte den toorn der beide groote partijen uit en vooral van die, welke
zich door haar ijver voor het monarchale stelsel en voor de anglicaansche
1) Dryden heeft de gevoelens, die onder de pluimstrijkers van Jacobus II het meest
aan de orde waren, met de scherpheid en den nadruk, die hem eigen zijn, uitgedrukt
in zijn «Cymon en Iphigenia;"
a>The country rings around with loud alarms.
And raw in fields the rude militia swarms:
Mouths without hands, maintained at vast expeuse,
In peace a charge, in war a weak defence.
Stout once a month they march. a blustering band.
And ever, but in time of need, at hand.
This was the morn when, issuing on the guaid
Drawn up in rank and file, they stood prepared
Of seeming arms to make a short essay,
Then hasten to be drunk, the business of the day."
(Het land weergalmt rondom van luide angstkreten, — Woest zwermt de ruwe land-
militie in het veld; — Monden zonder handen, met groote kosten onderhouden. —
In vredestijd een last, in den oorlog weinig waard. - Recht kloek marcheeren zij
eens per maand, een snoevende bende, — Altijd, behalve in tijd van nood, ter hand.
Dit was de dag dat zij, ter wacht trekkende — In rij en gelid stonden en vaardig —
Den schijn-oorlog eens spoedig af te doen, — En dan zich haastten dronken te wor-
den, de belangrijke taak van den dag).
-ocr page 227-
2o3
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
kerk kenmerkte. De krijgsmacht der graafschappen werd bijna uitsluitend
door edellieden en gentlemen van de Torypartij aangevoerd. Zij waren trotsch
op hun militairen rang en beschouwden beleedigingen van het wapen, waar-
toe zij behoorden, als hun zelven aangedaan. Bovendien begrepen zij vol-
komen, dat al wat tegen de landweer gezegd werd, voor de oprichting eener
staande legermacht moest pleiten, waarvan reeds de bloote naam hun hate-
lijk was. Zulk een leger had eenmaal in Engeland geheerscht en onder die
heerschappij waren de koning vermoord, deadel vernederd, de landeigenaren
geplunderd, de kerk vervolgd. Kr was nauwelijks een aanzienlijk land-
bouwer te vinden, die geen geschiedenis te vertellen had van verdruk-
kingen en beleedigingen, door hem of door zijn vader van de parlements-
soldaten geleden. De eene oude cavalier had de helft van\'zijn kasteel in de
lucht zien springen; een ander had zijn eeuwenoude olmen omver zien
hakken; een derde kon nooit de kerk zijner gemeente bezoeken, of de ver-
minkte wapenschilden en de onthoofde standbeelden zijner voorouders her-
innerden hem, dat Oliviers roodrokken daar eenmaal hun paarden gestald
hadden. Het gevolg van dien was, dat juist zoodanige koningsgezinden, die
het meest bereid waren om zelve in \'skonings dienst hun bloed te storten,
ook de laatsten waren, aan wie hij middelen durfde vragen tot het in dienst
nemen van geregelde troepen.
Karel had evenwel weinig maanden na zijn herstel op den troon een aan-
vang gemaakt met het vormen eener staande legermacht. Hij gevoelde, dat
zijn paleis en zijn persoon zonder andere bescherming dan die der burger-
militie en der lijftrawanten \') niet te veilig zouden zijn in de nabijheid eener
groote hoofdstad, waar het wemelde van strijdlustige en pas uit de krijgs-
dienst ontslagen mannen van de vijfde monarchie 2). Hoe zorgeloos en
verkwistend hij ook ware, was hij er toch op bedacht een genoegzame som
tot onderhoud eener lijfwacht op de kosten van zijn uitspanningen uit te
zuinigen. Zijn inkomsten klommen, naarmate de handel en het nationaal
vermogen toenamen; daardoor werd hij in staat gesteld in weerwil van
het gemor en de aanmerkingen, welke soms in het Huis der Gemeenten
gemaakt werden, het getal zijner geregelde troepen van lieverlede te ver-
meerderen. Een aanzienlijke verhooging vond nog plaats weinig maanden
voor het einde zijner regeering. De kostbare, nuttelooze en door pestziekte
geteisterde bezitting van Tanger werd aan de barbaren overgelaten, die in
haar nabijheid woonden en de troepen, bestaande uit een regiment cavalerie
en twee regimenten voetvolk, werden naar Engel.ind overgevoerd.
Het kleine leger, dat aldus door Karel gevormd werd, was de kiem dier
groote en roemruchtige legermacht, die in den loop dezer eeuw Madrid en
Parijs, Canton en Candahar zegevierend binnen gerukt is. De lijfwacht, die
*) Zoogenaamde Yeomen van de lijfwacht, door het volk spottenderwijze rund-
vleescheters (beefeaters) genaamd, waarschijnlijk, omdat men er bijzonder groote en
stevig gebouwde lieden voor koos.
J) Fifth monarchy men, die de regeering van Croinwell als den aanvang van het
vijfde of zoogenaamde duizendjarig rijk beschouwden. Zij verlangden de afschaffing
van alle regeering en de vernietiging van alle menschelijk gezag, ten einde aldus de
wereld voor te bereiden tot de komst van den Heiland, wiens plotselinge terugkeer
op deze aarde iederen dag door hen werd verbeid.
-ocr page 228-
204                                   GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
thans twee regimenten vormt, was toen in drie afdeelingen of vendels ver-
deeld, waarvan elke. behalve de officieren, tweehonderd karabiniers telde.
Dit korps, aan hetwelk de bewaking des konings en der koninklijke familie
werd toevertrouwd, was zeer eigenaardig. Zelfs de gemeensoldaten werden
gentlemen van de lijfwacht genoemd. Vele van hen waren van deftige
familie en hadden in den burgeroorlog als officieren gediend. Hun soldij
bedroeg veel meer dan in onze tijden zelfs het meest begunstigde regiment
geniet en k >n destijds als een toereikend inkomen voor den jongeren zoon
van een landedelman gelden. Hun schoone paarden, hun prachtige tuigen,
hun harnassen, hun met linten, fluweel en gouden borduursel versierde
kolders maakten een schitterende vertooning in St. James park. Een klein
korps van zoogenaamde grenadier-dragonders, die echter van geringen stand
waren en minder suldij genoten, was aan elk dier afdeelingen toegevoegd.
Een ander korps ^arde-cavalerie, in blauwe jassen en mantels gekleed en
thans nog de blauwe lijfwacht genaamd, was gewoonlijk in de nabijheid der
hoofdstad in bezetting. Niet ver van daar lag ook het korp:;, dat thans het
eerste regiment dragonders heet, maar destijds tevens het eenige regiment
dragonders in engelsche dienst was. Het was korten tijd geleden uit de
ruiterij gevormd, die van Tanger was teruggekeerd. Een enkele afdeeling
dragonders, die niet tot eenig regiment behoorde, stond in de nabijheid van
Berwick. ten einde de rust onder de grensroovers te handhaven. Tot deze
dienst achtte men de dragonders destijds bijzonder wel berekend. Zij zijn
sedert dien tijd enkel cavaleristen geworden, maar in de zeventiende eeuw,
waren zij, gelijk Montecuculi zeer juist gezegd heeft, voetsoldaten, die zich
van paarden bedienden alleen om met grooter spoed de plaats te bereiken,
waar militaire dienst te verrichten was.
De garde-infanterie bestond uit twee regimenten, die destijds even als
nu het eerste regiment der lijfwacht en de Coldstream-lijfwacht genoemd
werden. Zij deden doorgaans dienst in den omtrek van Whitehall en van
het paleis van St. James. Daar destijds geen kazernen bestonden en zij
krachtens de rechtspetitie niet bij de burgers ingekwartierd mochten wor-
den, bevolkten zij al de bierhuizen van Westminster en van het Strand.
Er waren nog vijf andere infanterie regimenten. Een daarvan, het zooge-
naamde admiraals regiment, was bepaaldelijk voor de dienst der vloot be-
stemd. De overige vier zijn heden nog de eerste vier iinie-regimenten. Twee
van deze vertegenwoordigen twee legerbenden, die op het vaste land jaren
lang den roem der engelsche dapperheid handhaafden. Het eerste of ko-
ninklijk regiment had onder den grooten Gustaaf-Adolf een roemrijk aan-
deel in de verlossing van Duitschland gehad. Het derde regiment, bekend
door de vleeschkleurige opslagen, waaraan het den welbekenden naam der
«buffs" ontleend heelt, had met niet minder dapperheid onder Maurits van
Nassau voor Neerlands vrijheid gestreden. Beide deze dappere scharen
waren eindelijk na vele lotwisselingen door Karel II uit de buitenlandsche
dienst teruggeroepen en met de engelsche legermacht vereenigd.
De regimenten, die thans het : e en 4e regiment der linie vormen, waren
in 1685 pas van Tanger teruggekeerd, de wreede en losbandige gewoonten
medebrengende, die zij in den veeljarigen oorlog tegen de Mooren zich eigen
-ocr page 229-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                        205
hadden gemaakt. Enkele compagnieën infanterie, die echter niet bij eenig
regiment waren ingedeeld, lagen te Tilburyfort, te Portsmouth, te Plymoutli
en op enkele andere belangrijke posten op of nabij de kust in bezetting.
Sedert het begin der zeventiende eeuw had een groote verandering in de
wapening der infanterie plaats gegrepen. De piek was van lieverlede door
het musket vervangen en tegen het einde der regeering van ICarel II be-
stond het grootste gedeelte van zijn voetvolk in musketiers, schoon er nog
een groot aantal piekeniers onder begrepen waren. Bij voorkomende ge-
legenheden werden beiden onderwezen in het gebruik van het wapen der
andere troepensoort. Elke voetsoldaat was voor het handgevecht van een
zwaard voorzien. De dragonder was gewapend als een musketier en droeg
bovendien een wapen, dat sedert vele jaren langzamerhand in gebruik was
gekomen en destijds door de Engelschen een dolk werd genoemd, maar dat
sedert den tijd onzer omwenteling bij ons den franschen naam van bajonet
heeft verkregen. De bajonet schijnt aanvankelijk geen zoo geducht vernie-
lingswerktuig te zijn geweest als ze sedert geworden is; want ze werd in de
tromp van het geweer ingeschroefd en bij het gevecht werd veeltijd verloren,
vermits de soldaat zijn bajonet moest afnamen, om te vuren en ze weder moest
opzetten om te kunnen aanvallen.
De geregelde krijgsmacht, die bij het begivi van het jaar 1 685 in Engeland
onderhouden werd, bedroeg, alle rangen daaronder begrepen, ongeveer ze-
venduizend man voetvolk en ongeveer zeventienhonderd man cavalerie en
dragonders. De geheele uitgaaf voor hun onderhoud beliep nagenoeg twee
honderd negentig duizend pond sterling \'sjaars; geen tiende gedeelte van
hetgeen toen het fransche leger in tijd van vrede kostte. De dagelijksche
soldij van een gemeen soldaat van het keurkorps der lijfwacht bedroeg vier
shilling, van de blauwe lijfwacht twee shilling en zes pence, van de dragon-
ders een shilling en zes pence, van de lijfwacht te voet tien pence en van de
linie acht pence. De krijgstucht was slecht en inderdaad zij kon niet anders
wezen. Het engelsch gewone recht kende geen krijgsraden; het maakte in
vredestijd geen onderscheid tusschen soldaten en andere onderdanen; en
het bestuur kon het destijds niet wagen zelfs aan het loyaalstgezinde parle-
ment een wet tegen muiterij \') voor te stellen. Een soldaat, die zijn overste
ter aarde wierp, verviel dus slechts in de gewone straffen wegens feitelijke
aanranding en het toebrengen van slagen; terwijl voor het weigeren van
gehoorzaamheid, voor het slapen op wacht en voor desertie volstrekt geen
wettelijke straffen waren vastgesteld. Het lijdt intusschen geen twijfel, of
onder Karels bestuur werden militaire straffen opgelegd; doch dit geschiedde
zeer zelden en op zoodanige wijze, dat daardoor de openbare aandacht niet
opgewekt en geen aanleiding tot een beroep op de hoven van Westminster-
hall gegeven werd.
\') Sedert den tijd van Willem III wordt in Engeland jaarlijks de krijgswet voor het
leger, de zoogenaamde mir/iny-ait. vernieuwd, welke, door gestadige herziening, lang-
zamerhand een vrij volledig militair wetboek is geworden. Deze zoogenaamde «mui-
terij-akte\'\' is dus niet te verwanen met de oproer-akte (rht-act), waarbij o. a. de eerste
maatregelen worden voorgeschreven, die de burgerlijke overheid hij het uitbreken van
volksbewegingen te nemen heeft.
-ocr page 230-
2o6                                    r.ESCHIEPENIS VAN ENGELAND.
Zulk een leger, als wij hier beschreven hebben, scheen weinig berekend
om vijf millioen Engelschen onder het juk der slavernij te brengen. Het zou
inderdaad ter nauwernood in staat zijn geweest een opstand in Londen te
beteugelen, wanneer de burgerweer der City zich bij de oproerlingen ge-
voegd had. De koning kon ook niet venvachten, dat hij bij het uitbreken
van een opstand in Engeland militaire hulp uit zijn overige bezittingen zou
kunnen erlangen. Want, ofschoon Schotland en Ierland beiden afzonderlijke
legers onderhielden, waren deze legers niet meer dan juist toereikend om
de puritcinsche misnoegden van het eerstgenielde koninkrijk en de papistische
misnoegden van het andere in toom te houden. De regeerir.g bezat echter
een belangrijken militairen steun, die niet onvermeld moet blijven. In de
soldij der Vereenigde-Provincicn stonden zes schoone regimenten, die voor-
heen door den dapperen Ossory aangevoerd werden. Van deze regimenten
waren drie in Engeland en drie in Schotland aangeworven. Hun koning had
zich het recht voorbehouden hen terug te roepen, wanneer hij hun hulp
tegen vreemde of tegen binnenlandsche vijanden noodig had. Inmiddels
werden zij buiten zijn kosten onderhouden en stonden zij onder een voor-
treffelijke krijgstucht, waaraan hij hen niet zoude hebben durven onder-
werpen \').
De Meinacht. Maakte het wantrouwen van het parlement en der natie het den
koning onmogelijk een geduchte staande legermacht te onderhouden, geen
dergelijk beletsel zou hem verhinderd hebben Engeland tot de eerste der
zeemogendheden te maken Whigs en Torys beiden waren bereid hun bijval
aan eiken maatregel te schenken, die strekken kon om de sterkte van een
macht te vermeerderen, die tegen buitenlandsche vijanden de degelijkste
bescherming aan ons eiland schenkt, maar voor de burgerlijke vrijheid nim-
mer gevaarlijk kan worden Al de grootste krijgsbedrijven, die, zoover het
geheugen van dat geslacht reikte, door engelsche soldaten verricht waren,
hadden in oorlogen tegen engelsche vorsten plaats gehad. De overwinningen
onzer zeelieden waren op buitenlandsche vijanden behaald en hadden roof
en verwoesting van onzen bodem geweerd. De helft der natie voor \'t minst
herinnerde zich den slag van Naseby met afgrijzen en den slag van Dunbar
met een hoogmoed, die getemperd werd door velerlei smartelijke gevoelens;
maar de vernieling der spaansche armada en het herhaalde treffen vanBlake
met Hollanders en Spanjaarden werden door alle partijen met onvermeng-
den trots herdacht. Sedert den eersten dag der restauratie was het Lager-
huis, hoe misnoegd en hoe spaarzaam het overigens ook zijn mocht, steeds
mild geweest, tot verspilling toe, zoodra het de belangen der zeemacht gold.,
Toen Danby minister was, bracht men onder de aandacht der vergadering,
dat vele schepen der koninklijke vloot oud waren en ongeschikt om zee te
bouwen; en ofschoon destijds het Huis niet bijzonder scheutig was, werd
1) De bouwstoffen, die ik voor dit verslag van den staat van het geregelde leger
gebezigd heb, kan men voor het grootste gedeelte terugvinden in de historische ge-
denkschriften van regimenten, uitgegeven op bevel van Koning Willem IV en onder
toezicht van den adjudant-generaal. Zie ook Chamberlaynes Staat van Engeland, 1684;
Kort begrip der engelsche militaire discipline, gedrukt op hoog bevel, 1685; Exer-
citié\'n der infanterie, gedrukt op bevel van IIH. MM., 1690.
-ocr page 231-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                         ^0^
nochtans een som van bijna zesmaal honderdduizend pond voor den aan-
bouw van dertig nieuwe oorlogschepen toegestaan.
Doch de mildheid der natie werd door de fouten van het bestuur vruchte-
loos gemaakt. Wel is waar, de lijst van \'s konings schepen maakte een goede
vertooning. Zij behelsde negen oorlogschepen van den tweeden, negen en
dertig van den derden rang en een aantal kleinere schepen; doch de schepen
van den eersten rang waren kleiner dan die wij thans van den derden rang
noemen; en de schepen van den derden rang zouden niet eens onder de
groote fregatten gerangschikt worden. Intusschen zou deze macht destijds
zelfs den grootsten potentaat ontzag hebben ingeboezemd, zoo zij inder-
daad voorhanden was geweest. Doch zij bestond alleen op het papier. Op
het einde van Karels bestuur bevond zich de zeemacht in zoodanigen toe-
stand van verwaarloozing en verval, dat het bijna ongeloofelijk zoude zijn,
werd ons dit niet door op zich zelve staande, doch overeenstemmende ver-
slagen van ooggetuigen bevestigd, op wier geloofwaardigheid niets valt af te
dingen. Pepys, de bekwaamste ambtenaar der engelsche admiraliteit \'),
schreef in het jaar 1 684 een memorie over den toestand van zijn departe-
ment, die tot voorlichting van Karel moest dienen. Weinig maanden later
legde Bonrepaux, de bekwaamste ambtenaar der fransche admiraliteit, nadat
hij Engeland bezocht had met het bepaalde doel om zich op de hoogte te
brengen van de sterkte der engelsche zeemacht, zijn gebieder den uitslag van
zijn onderzoek voor. Beide deze berichten komen op hetzelfde neder. Bon-
repaux betuigde, dat hij alles in wanorde en in ellendigen staat had gevonden,
dat men te Whitehall met schaamte en spijt de meerderheid van het fransche
zeewezen erkende en de toestand onzer scheepsmacht en onzer werven
op zich zelve reeds voldoenden waarborg opleverde, dat wij ons niet in de
geschillen der andere staten van Europa zouden mengen \'). Pepys berichtte
zijn meester, dat de administratie van het zeewezen een ongehoord mengsel
van verkwisting, van omkooperij, onwetendheid en nalatigheid was; dat geen
begrooting te vertrouwen was, dat geen contract nagekomen, geen controle
werkelijk toegepast werd. De schepen, tot wier bouw het bestuur door de
onlangs beloonde mildheid van het parlement in staat was gesteld en die
\') Deze merkwaardige man, wiens uitstekende bekwaamheden, vlijt en liefde voor
wetenschappen en kunsten de grootste achting verdienen, bekleedde gedurende een
lange reeks van jaren de betrekking van secretaris der admiraliteit. Hij heeft belang-
rijke werken over den hem toevertrouwden tak van bestuur, zoowel als over den
maatschappelijken toestand en de gebeurtenissen van zijn tijd nagelaten alsmede een
rijke verzameling boeken en handschriften, welke hij aan het Magdalena-College
te Cambridge vermaakte, waar hij zijn studiën volbracht had en waarvan, gelijk men
gezien heeft, onze schrijver veel partij heeft kunnen trekken.
                                 V.
-) Ik beroep mij hier op een depêche van üonrepaux aan Seignelay. gedagteekend
S — 18 Februari 1686. Gedurende den vrede van Anüens werd van dat stuk, ten behoeve
van den heer Fox, uit de fransche archieven een uittreksel genomen, dat mij, met de
overige door dien grooten man bijeengebrachte bouwstoffen, door de goedheid van
wijlen lady Holland en van den tegeuwoordigen lord Holland toevertrouwd werd. Ik
moet hier bijvoegen, dat ik zelfs te midden der woelingen, die Parijs in het jaar 1848
verontrust hebben, door de voorkomendheid der beambten aldaar zonder eenige zwa-
righeid, uittreksels mocht erlangen, waardoor eenige leemten in de verzameling van
den heer Fox aangevuld zijn. (1848).
-ocr page 232-
2o8                                    GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
nog nooit buiten de haven waren geweest, waren van zulk ellendig timmer-
hout gebouwd, dat ze nog minder geschikt waren om in zee te steken dan de
oude rompen, die voor dertig jaren hollandsche en spaansche volle lagen
doorgestaan hadden. Sommige van de nieuwe oorlogschepen waren inder-
daad zoo vermolmd, dat zij zonder spoedige herstelling voor hun haven-
ankers zouden gezonken zijn. De matrozen werden met zoo weinig stiptheid
betaald, dat zij blijde waren, als ze een woekeraar konden vinden, die hun
soldijbriefjes met een korting van veertig ten honderd koopen wilde. Bevel-
hebbers, die geen invloedrijke vrienden aan het hof hadden, werden zelfs
nog slechter behandeld. Sommige officieren, aan wie men groote sommen
schuldig was, waren nadat zij jaren lang bij het bestuur te vergeefs op be-
taling hadden aangedrongen, van broodsgebrek omgekomen.
Het meerendeel der schepen in werkelijke dienst stonden onder het
bevel van mannen, die niet tot de zeedienst opgeleid waren. Dit mis-
bruik behoorde echter niet tot die, welke gedurende de regeering van
Karel waren ingeslopen. Geen staat, zoo min van de oudere als van de
nieuwere tijden, had toen nog ooit een volkomen afscheiding tusschen de
zeedienst en de krijgsdienst te lande gemaakt, liij de groote beschaafde
natiën der oude wereld hadden Cimon en Lysander, Pompejus en Agrippa,
zoowel te land ais ter zee gevechten geleverd. Evenmin was de spoorslag,
dien de beoefening der zeevaartkunde op het einde der vijftiende eeuw ont-
ving, alsnog van invloed geweest op de verdeeling van den arbeid. Te Flod-
den werd de lechtervleugel van het zegevierende leger door den admiraal
van Engeland aangevoerd. Te Jarnac en Moncontour stonden de gelederen
der Hugenooten onder de bevelen van den admiraal van Frankrijk. Don Jan
van Oostenrijk, de overwinnaar van I epanto en lord Howard van Effingham,
wien bij het naderen der spaansche armada het bestuur over de Engelsche
zeemacht toevertrouwd was, waren de een zoo min als de ander tot zeelieden
opgeleid. Raleigh, als vlootvoogd hooggeprezen, had gedurende vele jaren
als soldaat in Frankrijk, in de Nederlanden en in Ierland gediend. Blake
had zich door de beleidvolle en dappere verdediging eener binnen \'s lands
gelegen stad onderscheiden, alvorens hij op den oceaan tegen de holland-
sche vloten streed en Castiiies trots vernederde. Sedert de restauratie had
men hetzelfde stelsel gevolgd : aanzienlijke vloten waren aan de leiding van
Rupert en van Monk toevenrouwd ; Rupert, die hoofdzakelijk ais een vurig
en koen ruiteraanvoerder te boek stond en Monk, die, als hij zijn schip naar
bakboord gewend wilde hebben, zijn scheepsvolk vroolijk maakte door het
kommando van »links uit de flank !"
Doch omstreeks dezen tijd begonnen verstandige lieden in te zien, dat de
rasse vorderingen der krijgskunst, zoowel als der zeevaartkunde, een afschei-
ding noodzakelijk maakten tusschen twee vakken, die tot dusverre vereenigd
waren geweest. Het kommando over een regiment zoowel als het kommando
over een schip waren thans zaken, die, ieder op zich zelf, de geheele
aandacht eens ervaren bevelhebbers vereischten. In het jaar 1672 besloot
de fransche regeering jonge lieden van goeden huize reeds in zeer jeugdigen
leeftijd tot de zeedienst te doen opleiden. In plaats van dit voorbeeld te
volgen bleef het engelsche bestuur niet alleen hooge bevelhebbersposten
-ocr page 233-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                        200
ter zee aan personen opdragen, die geen zeelieden waren, maar koos daartoe
bovendien personen, aan wie zelfs te lande een belangrijke betrekking niet
veilig toevertrouwd zou zijn geweest. Iedere knaap van adellijke geboorte,
ieder losbandig hoveling, wien een van \'s konings bijzitten haar voorspraak
wilde leenen, mocht de hoop voeden, dat een linieschip en daarmede de eer
der vaderlandsche vlag en het leven van honderden dapperen aan zijn zorg
zouden worden overgegeven. Het deed niets ter zake, dat hij behalve op
den Theems in zijn geheele leven geen reis te water gedaan had, dat hij aan
boord niet op de been kon blijven, als er een koelte opstak, dat hij geen
onderscheid tusschen lengte en breedte kende. Er werd geen voorberei-
dende vorming noodig geacht; of zoo ja, dan werd hij hoogstens op een
korte reis met een oorlogschip uitgezonden, waar hij aan geen tucht onder-
worpen was, met bijzonderen eerbied behandeld werd en zijn tijd in gedurige
feesten en uitspanningen doorbracht. Mocht het hem gelukken zich in
de weinige oogenblikken, die niet aan tafel, drinken en spel werden be-
steed, de beteekenis van eenige technische spreekwijzen en de benamingen
der verschillende streken van het kompas eigen te maken, dan werd hij ten
volle bekwaam geacht het bevel over een driedekker te voeren. Men
meene niet, dat dit een overdreven beschrijving is. In 1666 bood John
Sheffield, graaf van Mulgrave, op zeventienjarigen leeftijd, zich aan om ter
zee als vrijwilliger tegen de Hollanders te dienen. Hij bracht zes weken aan
boord door, vermaakte zich zoo goed hij kon in gezelschap van eenige hoog-
addellijke jonge losbollen en keerde daarop naar huis terug om het bevel
over een escadron ruiterij op zich te nemen. Na dien tijd ging hij niet meer
ter zee tot in het jaar 1672, waarin hij op nieuw naar de vloot vertrok en
bijna onmiddellijk tot kapitein van een schip van vier-entachtig stukken
werd aangesteld, dat voor het schoonste der gansche vloot gehouden werd.
Hij was toen drie-en-twintig jaar oud en in zijn geheele leven geen drie
maanden aan boord geweest. Zoodra hij uit zee terug kwam, werd hij tot
kolonel van een regiment infanterie benoemd. Dit is een voorbeeld van de
wijze, waarop destijds met scheepskommando\'s van het hoogste belang ge-
handeld werd; en nog wel een gunstig voorbeeld, want schoon Mulgrave
gebrek aan ondervinding had, ontbrak het hem aan moed noch aan be-
kwaamheid. Op dezelfde wijze werden anderen bevorderd, die niet alleen
geen goede officieren mochten heeten, maar bovendien van alle schrander-
heid ontbloot en zedelijk onbekwaam waren om het ooit te worden en
wier eenige aanbeveling daarin bestond, dat zij door lichtzinnigheid en
ondeugd hun fortuin verspeeld hadden. Het voornaamste lokaas, dat deze
menschen noopte dienst te nemen, bestond in de winst, die hun door
het vervoer van geldspecie en van andere kostbare vruchten uit de eene
haven naar de andere, ten deel viel, want de Atlantische Oceaan, evenzeer
als de Middellandsche Zee, werden toen door barbarijsche zeeroovers zoo
onveilig gemaakt, dat de kooplieden ongenegen waren kostbare ladingen
aan eenige andere hoede, dan aan die van een oorlogschip, toe te vertrouwen.
Op deze wijze bracht somtijds een korte reize een kapitein verscheiden
duizend pond op; en het gebeurde slechts al te dikwijls, dat hij voor dit
winstgevend bedrijf de belangen van zijn land en de eer zijner vlag prijs gaf,
MACAULAV I.                                                                                                             14
-ocr page 234-
2IO
GESCHIEDENIS YAN ENGELAND.
zich laaghartig aan de eischen van vreemde mogendheden onderwierp, de
stelligste bevelen zijner superieuren uit het oog verloor, in de haven bleef,
als hij in last had een Salehschen \') zeeroover te vervolgen, of dollars naar
Livorno bracht, als zijn instructien hem voorschreven zich naar Lissabon te
begeven. En dit alles deed hij ongestraft. Dezelfde invloed, die hem in een
betrekking had geplaatst, waarvoor hij ongeschikt was, deed hem die ook
behouden. Geen admiraal, die door deze verdorven en losbandige lievelin-
gen van het paleis getrotseerd werd, durfde ter nauwernood over terecht-
stelling voor een krijgsraad mompelen. Wanneer een officier wat hooger
plichtgevoel aan den dag legde dan zijn makkers deden, ondervond hij
spoedig, dat hij geld verloor zonder er eer bij in te leggen. Tot een kapitein,
wien door strikte gehoorzaamheid aan de bevelen der admiraliteit een lading
ontgaan was, waarvan het vervoer hem ten minste vierduizend pond sterling
opgebracht zou hebben, zeide Karel met onvergetelijke lichtzinnigheid, dat
hij bij die gelegenheid een groote gek was geweest.
De krijgstucht der zeemacht was in alle opzichten van denzelfden stempel.
Zoo de hoofsche kapitein de admiraliteit verachtte, op zijn beurt werd hij
weder door het scheepsvolk niet geteld. Het was niet te verhelen, dat hij inde
zeemanskunst voor eiken matroos aan boord van zijn schip onderdeed. Het
was niet te verwachten, dat oude zeelieden, die de orkanen der tropische ge-
westen en de ijsbergen van den poolcirkel hadden leeren kennen, stipte en
eerbiedige gehoorzaamheid aan den dag zouden leggen tegenover een aan-
voerder, die van wind en golven niet meer wist dan wat daarvan in een
verguld pleiziervaartuig tusschen de landingplaatsen bij het paleis van
Whitehall en het paleis van Hamptoncourt te leeren viel. Zulk een nieuwe-
ling het bestuur van een schip toe te vertrouwen was blijkbaar onmogelijk.
De opperleiding van het schip viel derhalve uit handen van den kapitein in
die van den stuurman; maar deze verdeeling van het gezag gaf aanleiding tot
ontelbare moeijelijkheden. De grenslijn tusschen beider macht was niet
duidelijk aangewezen en wellicht was het niet mogelijk zulks te doen. Er
hadden dus gestadig botsingen plaats. De kapitein, te verwaander naarmate
hij onwetender was, behandelde den stuurman met voorname minachting.
De stuurman, wel wetende, hoe gevaarlijk het was den machtige te vertoor-
nen, gaf na eenige tegenkanting, slechts al te dikwijls tegen beter weten,
toe en het was een geluk te noemen, indien het verlies van schip en manschap
niet op die toegeeflijkheid volgde. Over het algemeen waren diegenen der
aristokratische kapiteins, welk het bestuur van hun schip geheel en al
aan anderen overlieten en zich alleen toelegden op veel geld winnen en
uitgeven, degenen die het minste onheil stichtten. De levenswijze dezer
menschen was zoo praalziek en weelderig, dat zij, hoe tuk ook op het
behalen van winst, nochtans zelden rijk werden. Zij kleedden zich als voor
galadagen te Versailles, aten van zilver, dronken de geurigste wijnen en
hielden harems aan boord, terwijl honger en ziekte onder het scheepsvolk
heerschten en er dagelijks lijken over boord werden geworpen.
Zoodanig was doorgaans het karakter dergenen, die destijds gentlemen-
1) Saleh, oudtijds een der voornaamste zeerooverhavens in het koninkrijk Fez. V.
-ocr page 235-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
211
kapiteins genoemd worden. Naast hen vond men echter ook, tot geluk van
ons land, scheepsbevelhebbers van gansch ander gehalte, mannen die hun
geheele leven op zee doorgebracht en die gewerkt en gestreden hadden, tot
zij van de laagste diensten op het voorschip tot rang en onderscheiding ge-
komen waren. Een der meest uitstekende officieren van deze soort was Sir
Christoffel Mings, die als kajuitsjongen in dienst trad, in een heet gevecht
tegen de Hollanders sneuvelde en dien zijn scheepsvolk, weenende en wraak
zwerende, naar het graf droeg. Uit hem sproot, door een vreemde soort van
erfopvolging, een geslacht van dappere en bekwame zeelieden. Zijn ka-
juitsjongen was Sir John Narborough en de kajuitsjongen van dezen was
Sir Cloudesley Shovel. Engeland heeft aan het sterk gezond verstand, aan
den onwrikbaren moed van deze soort van lieden een verplichting, die nim-
mer mag vergeten worden. Het waren deze moedige harten, die, ondanks
veel wanbestuur, ondanks de misslagen en oneerlijkheden onzer hoofsche
admiralen gedurende vele treurige en gevaarvolle jaren onze kusten be-
schermden en de eer van onze vlag handhaafden. Maar een landsoldaat
schenen deze pikbroeken als een vreemdsoortig en half wild menschen-
ras. Hun gansche kennis beperkte zich tot hun vak en die kennis was
veeleer op praktische ervaring dan op wetenschap gegrond. Buiten hun
eigen element waren zij onnoozel als kinderen. Hun manieren waren onbe-
houwen. Zelf in hun goedaardigheid waren zij ruw; en bestond hun taal niet
enkel in scheepstermen, dan was ze slechts al te veel met vloeken en ver-
wenschingen doorspekt. Dit waren de aanvoerders, in wier ruwe school
die stoute krijgers gevormd werden, naar welke Smollett in het volgende
geslacht luitenant Bowling en commodore Trunnion schetste. Maar het
schijnt niet, dat in de dienst der Stuarts een enkel officier gestaan heeft, zoo
als hij volgens onze hedendaagsche denkbeelden behoort te zijn; dat is
namelijk een man, ervaren in de theorie en in de praktijk van zijn beroep,
gehard tegen de gevaren van storm en strijd en nochtans beschaafd van geest
en van verfijnde manieren. Op de vloot van Karel II bevonden zich zeelieden
en gentlemen. Maar de zeelieden waren geen gentlemen en de gentlemen
waren geen zeelieden.
De engelsche vloot had destijds volgens de nauwkeurigste der begroo-
tingen, die voor ons bewaard zijn gebleven, voor driehonderd tachtig duizend
pond sterling \'s jaars in bruikbaren staat gehouden kunnen worden. Vier-
maal honderd duizend pond sterling was de som, die werkelijk, maar, gelijk
wij gezien hebben, met zeer weinig vrucht besteed werd. De kosten der
fransche marine waren ongeveer dezelfde; die der hollandsche bedroegen
aanmerkelijk meer \').
\') Mijn belichten aangaande den toenmaligen toestand der zeemacht zijn voorna-
melijk aan I\'epys ontleend. Zijn verslag in Mei 1684 aan Karel voorgelegd, is, geloof
ik, nimmer gedrukt geworden. Het manuscript bevindt zich in het Magdalena-College
te Cambridge. Terzelfder plaatse is ook een belangrijk manuscript te vinden, een uit-
voerige beschrijving bevattende van de maritieme inrichtigen des rijks in December
1684. De Gedenkschriften van Pepys.S betreffende den skiat der koninklijke marine
gedurende tien jaren, eindigende met December 1688, alsmede zijn dagboek en zijn
briefwisseling gedurende zijn zending naar Tanger, zijn gedrukt. Ik heb er ruimschoots
gebruik van gemaakt. Zie ook Sheffiekls Gedenkschriften, Teonges Dagboek, Aubreys
-ocr page 236-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
2 11
De artillerie. De kosten van het engelsche artilleriewezen waren in de zeven-
tiende eeuw, in vergelijking met de overige kosten der zee- en landmacht,
veel kleiner dan thans. Bij de meeste garnizoenen bevonden zich kanonniers
en hier en daar, op gewichtige posten, was een ingenieur te vinden. Doch
er bestond geen enkel artillerieregiment, geen brigade sapeurs en mineurs,
geen akademie voor jeugdige soldaten, die het wetenschappelijk gedeelte
des oorlogs konden leeren. Het vervoeren van veldgeschut ging met de
grootste moeijelijkheden gepaard. Toen Willem III weinig jaren later van
Devonshire naar Londen oprukte, maakte het veldtuig, dat hij medebracht,
schoon gelijk aan het stuk, dat op het vaste land reeds sedert lang in gebruik
was en dat men heden ten dage te Woolwich \') ruw en onbehouwen zou
noemen, de verbazing onzer voorouders niet minder gaande, dan eenmaal in
Amerika met de castiliaansche haakbussen bij de Indianen het geval was ge-
weest. Met zekere praalzucht spraken sommige vaderlandlievende schrijvers
van den voorraad buskruit, die in de engelsche vestingen en arsenalen
opgelegd was, als van iets, dat bij naburige natiën groot ontzag moest
verwekken. Die voorraad bestond uit veertien of vijftien duizend vaten; on-
geveer een twaalfde gedeelte der hoeveelheid, die men thans altoos noodig
acht. De jaarlijksche uitgaven voor het geschutwezen bedroegen door
elkander een weinig meer dan zestigduizend pond sterling \').
Non\'kaostèi\'cit" Het totaal der uitgaven voor het leger, de marine en de artillerie
bedroeg ongeveer zevenhonderdvijftigduizend pond sterling. Non-activiteits-
kosten, thans een zware post bij onze openbare uitgaven, waren destijds
nog tot geen noemenswaardige hoogte geklommen. Slechts een klein getal
zee-officieren, die niet in de openbare dienst waren aangesteld, genoten
wachtgeld of pensioen. Op de lijst van deze stonden echter geen luitenants,
evenmin als kapiteins, die niet ten minste een linieschip van den eersten of
den tweeden rang gekommandeerd hadden. Daar het land toen slechts
zeventien schepen van den eersten en den tweeden rang bezat, die reeds
gevaren hadden en, een groot gedeelte dergenen, die over zoodanige
schepen het bevel hadden gevoerd, goede betrekkingen aan wal hadden,
«oeten de uitgaven onder dit hoofdstuk inderdaad klein zijn geweest\'). Bij
de landmacht werd het half tractement slechts als bijzondere en tijdelijke
Leven van Monk, het Leven van Sir Cloudesley Shovel, 1708, Dagboek van het Lager-
huis, I en 20 Maart 1688 —1689.
\') Te Woolwich zijn de hoofdinrichtingen van het engelsche artilleriewezen geves-
tigd. Men vindt daar een artillerieschool met ruim driehonderd kweekelingen, groote
artilleriekazernen, arsenalen, waarin grootere hoeveelheden van krijgsvoorraad bewaard
worden, dan wellicht elders in de geheele wereld op ééne plaats aangetroffen worden,
en de daarbij behoorende werkplaatsen. In tijd van vrede zijn doorgaans meer dan
drieduizend ambtenaren en werklieden in die arsenalen en werkplaatsen bezig.
\') Chamberlaynes Staat van Engeland, 1684; Dagboek van het Huis der Gemeenten,
I en 20 Maart 1688—9. In het jaar 1833 werd, na een grondig onderzoek besloten, dat
men voortaan altijd honderd zeventig duizend vaten buskruit in voorraad zou houden;
en deze bepaling wordt nog steeds nagekomen.
3) Het blijkt uit de archieven der admiraliteit, dat de vlag-officieren in 1668 en
kapiteins van schepen van den eersten en van den tweeden rang eerst in 1674 in het
genot van wachtgeld of pensioen gesteld werden.
-ocr page 237-
TOESTAND VAN ENGELAND IN I 685.                        2l3
tegemoetkoming toegekend aan een klein getal officieren, welke tot twee
regimenten behoorden, die zich in eigenaardige omstandigheden bevonden \').
Het invalidenhuis voor zeelieden te Greenwich was nog niet gesticht. Van
dat te Chelsea was de bouw aangevangen, maar de kosten dier inrichting
werden deels uit een korting op de soldij der troepen, deels uit bijzondere
giften bestreden. De koning beloofde slechts een bijdrage van twintig dui-
zend pond sterling voor de kosten van opbouw en vijfduizend \'sjaars
tot onderhoud der invaliden *). Het behoorde niet tot het oorspronkelijk
ontwerp gepensioneerden buiten het gesticht te onderhouden. Al de non-
activiteits-kosten der zee- en landmacht kunnen nauwelijks meer dan tien-
duizend p. st. \'sjaars bedragen hebben. Thans beloopen zij meer dan tien-
duizend p. st. daags.
K°"ê°tu!?.\'\'et Tot de kosten van het burgerlijk beheer werd slechts een klein
gedeelte door de Kroon bijgedragen. De groote meerderheid der beambten,
aan wie de taak was toevertrouwd recht en orde te handhaven, diende het
land om niet of werd op zoodanige wijze beloond, dat zulks niet op de
staatsinkomsten drukte. De sheriffs, maires en aldermen der steden, de land-
bezitters, die het ambt van vrederechter bekleedden, de hoofd-konstabels,
deurwaarders en mindere agenten kostten den koning niets. De opperste
gerechtshoven trokken hun bestaan hoofdzakelijk uit emolumenten.
Onze betrekkingen met buitenlandsche hoven waren op de meest spaar-
zame wijze ingericht. De eenige diplomatische agent, die den titel van
ambassadeur voerde, was te Constantinopel geaccrediteerd en werd gedeel-
telijk door de turksche handelmaatschappij onderhouden. Zelfs bij het Hof
van Versailles hield Engeland slechts een gewonen gezant (envoyé); en bij
de Hoven van Spanje, Zweden en Denemarken werden niet eens envoyés
onderhouden. De geheele uitgaaf uit dezen hoofde kan, in het laatste jaar
der regeering van Karel II, niet veel meer dan twintigduizend p. st. bedragen
hebben *).
Groote inkomsten Deze karigheid was geenszins te prijzen. Karel was, naar zijn
der ministers                                                           ,,.,i          ., , j,                       , -• . •
en hovelingen, oude gewoonte, zoowel schriel als mud, daar waar hij t niet
wezen moest. De openbare dienst moest lijden, ten einde hovelingen te
kunnen mesten. De kosten der zeemacht, artillerie, pensioenen voor on-
vermogende en bejaarde officieren en zendingen bij buitenlandsche hoven
moeten het tegenwoordig geslacht inderdaad gering toeschijnen; doch de
persoonlijke gunstelingen van den souverein, zijn ministers en de gunste-
lingen dier ministers, werden met giften uit \'s lands penningen overladen.
In vergelijking met de inkomsten van den adel, den landadel, van den handel
\') Volmacht en Instructie in de archieven van het ministerie van oorlog, gedag-
teekend 26 Maart 1678.
*) Evelijns Dagboek, 27 Januari 1682. Ik heb een besluit van den geheimen raad
gezien, gedagteekend den 17 Mei 1683, dat tot bevestiging van Evelijns getuigenis
strekt.
a) Jakobus II vaardigde gezanten naar Spanje, Zweden en Denemarken af en even-
wel bedroegen de kosten der diplomatie onder zijn bestuur weinig meer dan dertig-
duizend p. st. \'sjaars. Zie Dagboek van het Lagerhuis, 20 Maart 1688—89; Chamber-
laynes Staat van Engeland, 1684, 1687.
-ocr page 238-
214                             GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
en de geleerden van dien tijd moeten hun inkomsten ontzettend groot
heeten. De grootste fortuinen in het koninkrijk leverden destijds weinig
meer dan twintig duizend p. st. \'sjaars op. De hertog van Ormond bezat
een jaarlijksch inkomen van twee en twintig duizend p. st. \') De hertog van
Buckingham, tot zoolang zijn buitensporigheden zijn fortuin nog niet ver-
minderd hadden, negentien duizend zes honderd p. st. \') George Monk,
hertog van Albermarle, wiens uitnemende diensten met de schenking van
onmetelijke kroongoederen beloond waren en die zich evenzeer door heb-
zucht als door gierigheid onderscheidde, liet grondeigendommen na ter
waarde van vijftienduizend p. st. \'sjaars en zestigduizend p. st. in specie,
die waarschijnlijk een interest van zeven ten honderd opbrachten J). Deze
drie hertogen werden voor drie der meestvermogende engelsche onderdanen
gehouden. De aartsbisschop van Canterbury kan nauwelijks vijfduizend
p. st. \'s jaars gehad hebben *). Het gemiddeld inkomen van een niet
geestelijk pair werd door de best onderrichte personen op ongeveer drie-
duizend, van een baronet op negenhonderd, van een parlementslid op min-
der dan achthonderd p. st. \'sjaars geschat\'). Duizend pond \'sjaars werd
voor een rechtsgeleerde als een groot inkomen beschouwd. In de koninklijke
rechtbank was tweeduizend p. st. \'sjaars niet licht te verdienen, behalve
door de advocaten der kroon6). Het lijdt dus geen twijfel, dat een ambtenaar
goed betaald geweest zou zijn, zoo hij een vierde of een vijfde gedeelte ont-
vangen had van hetgeen in onze dagen een goed geëvenredigde belooning
zou wezen. De wedden der hoogere ambtenaren waren echter werkelijk even
groot als thans en niet zelden zelfs grooter. De lord thesaurier, bij voorbeeld,
genoot achtduizend p. st. \'sjaars; was de thesaurie aan een commissie toe-
vertrouwd, dan trokken de jongere lords elk zestienhonderd p. st. De be-
taalmeester der landmacht kreeg, van al het geld, dat door zijn handen ging,
een percentsgewijze belooning, die ongeveer vijfduizend p. st. \'s jaars be-
droeg. De kamerheer-intendant 7) van het Huis des Konings had vijfduizend,
De commissarissen der in- en uitgaande rechten elk twaalfhonderd, de
kamerheeren elk duizend p. st. \'sjaars8). De vaste bezoldiging echter was
\') Carte\'s Leven van Ormond.
*) Dagboek van Pepys, 14 Februari 1688—89.
\') Zie het verslag van het rechtsgeding tusschen Bath en Montague. dat in Decem-
ber 1693 door lord Somers beslist werd.
\') Gedurende drievierendeel jaars, beginnende met Kerstmis 1689, werden de in-
komsten van den zetel van Canterbury door een van wege de kroon aaDgestelden be-
ambte in ontvang genomen. De rekeningen van dien beambte bevinden zich thans in
het britsch museum (manuscripten van Landsdowne, 885). De onzuivere opbrengst
over die drie kwartalen bedroeg geen volle vierduizend pond: en het verschil tusschen
de zuivere en de onzuivere inkomsten moet blijkbaar nog al aanmerkelijk geweest zijn.
s) Kings Natuurlijke en politische gevolgtrekkingen. Davenant, Over de Handels-
balans. Sir William Temple zegt: De inkomsten van het Lagerhuis hebben zelden meer
dan viermaal honderdduizend p. st. bedragen. Gedenkschriften, derde deel.
•) Langtons Gesprekken met den opperrechter Hale, 1672.
\') Groom 0/the stole: intendant of bewaarder der garderobe; deze post wordt door
den oudsten kamerheer bekleed. Hij wordt zoo genoemd naar het lang slepend ge-
waad, door den koning bij plechtige gelegenheden gedragen.
                           V.
") Chamberlaynes Staat van Engeland, 1684.
-ocr page 239-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
215
slechts het kleinste gedeelte der winsten van de ambtenaren van dien tijd.
Van de edellieden af, die den witten staf en het groot zegel in handen had-
den, tot den geringsten tolbediende en visiteur toe, werd wat thans schan-
delijke ontrouw zou heeten, onverholen en straffeloos gepleegd. Titels,
ambten, officierspatenten, begenadigingen werden dagelijks door de groot-
waardigheidsdragers als op open markt verkocht; en iedere klerk in ieder
departement volgde het kwade voorbeeld naar zijn beste vermogen.
Gedurende de vorige eeuw is geen eerste minister, hoe machtig ook, door
zijn ambtsbediening rijk geworden en verscheiden eerste ministers hebben
hun bijzonder vermogen ontredderd om hun openbare betrekking te hand-
haven. In de zeventiende eeuw kon een staatsman, die aan het hoofd der zaken
stond, met gemak en zonder eenigen aanstoot te geven binnen korten tijd
een vermogen bijeenbrengen, dat ruimschoots toereikend zou geweest zijn
om een hertogelijken titel te schragen. Het is waarschijnlijk, dat het inkomen
van den eersten minister gedurende den tijd zijner ambtsbediening dat van
elk ander onderdaan verre overtrof. De betrekking van lord-luitenant van
Ierland werd geacht veertigduizend p. st. \'sjaars op te brengen \'). De
winsten van den kanselier Clarendon, van Arlington, Lauderdale en Danby
waren buiten kijf ongehoord. Het prachtig paleis, dat door het londensche
gepeupel het duinkerksche huis genoemd werd, de statige lusthuizen, de
vischkommen, het hartenpark en de orangerie van Euston, de meer dan
italiaansche weelde van Ham, met zijn standbeelden, fonteinen en vogel-
huizen, behoorden tot de vele teekenen, die den kortsten weg tot het ver-
krijgen van onmetelijke rijkdommen aanwezen. Daar ligt de ware reden
der schaamtelooze drift, waarmede de staatslieden van dien tijd om hun
ambten streden, der hardnekkigheid, waarmede zij zich spijt alle teleur-
stellingen, vernederingen en gevaren daaraan vastklemden, en der schande-
lijke diensten, waartoe zij zich leenden om ze te behouden. Zelfs in onze
dagen nog, zou in weerwil van de geduchte macht der openbare meening;
in weerwil der hooge mate van regtschapenheid, die thans van allen gevor-
derd wordt, een betreurenswaardige verandering in het karakter onzer
staatslieden te vreezen zijn, indien de betrekking van eersten lord van de
thesaurie of van secretaris van staat jaarlijks honderdduizend p. st. opbracht.
Tot geluk van ons land zijn de emolumenten der hoogste klassen van staats-
beambten niet slechts niet vermeerderd, naarmate van de algemeene ver-
meerdering onzer welvaart, maar zijn zij zelfs verminderd.
Kiw. Het feit, dat de som, welke in Engeland door middel van be-
lastingen wordt geheven, binnen een tijd, die nauwelijks twee menschen-
levens overschrijdt, veertigvoudig vermeerderd is, moet bevreemding en
kan zelfs bij den eersten opslag ontsteltenis baren. Doch zij, wien de klim-
mende openbare lasten vrees aanjagen, zullen wellicht gerust gesteld worden,
als zij de daartegenover staande vermeerdering der openbare hulpmiddelen
in aanmerking nemen. In het jaar 1685 was de waarde der voortbrengselen
van den grond veel grooter dan die van alle andere vruchten van mensohe-
lijke nijverheid en toch was de landbouw in een toestand, die thans zeer
\') Zie de Reizen van den groothertog Cosmus.
-ocr page 240-
2l6
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
gebrekkig geacht zoude worden. Het bouw- en weiland werd door de beste
staatrekenkundigen van dat tijdperk geschat nauwelijks de helft der opper-
vlakte van het koninkrijk te beslaan \'). Het overige gedeelte, dacht men,
bestond slechts uit moerassen, bosschen en verdronken land. Deze bereke-
ningen worden door de reisboeken en landkaarten van de zeventiende eeuw
alleszins bevestigd. Uit die boeken en kaarten blijkt, dat veel straatwegen,
die thans door een eindelooze reeks boomgaarden, korenakkers, hooi-
landen en boonenvelden loopen, destijds niets dan heide, moerassen en
afgepaald jachtveld doorsneden \'). In de teekeningen van engelsche land-
schappen, welke te dien tijde voor den groothertog Cosmus vervaardigd
werden •), zijn bijna geen heggen of lanen te zien en talrijke thans rijk be-
bouwde streken doen zich zoo kaal voor als de vlakte van Salisbury *). Te
Enfield, waar men bijkans nog den rook der hoofdstad zien kon, was een
streek land van bijna vijf en twintig mijl in omtrek, die slechts drie huizen
en bijna geen omheinde velden bevatte. Herten en reeën liepen daar bij
duizenden, vrij als in de bosschen van Amerika s). Wilde dieren van
aanmerkelijke grootte zag men destijds in veel grooteren getale dan thans,
doch de laatste wilde zwijnen, die voor het koninklijk jachtvermaak be-
waard gebleven waren en aan wie het vergund was geweest het bebouwde
land met hun slachttanden om te woelen, waren gedurende den burger-
oorlog, door de verbitterde boeren gedood. De laatste wolf, die ons eiland
doorkruist heeft, werd kort voor het einde der regeering van Karel II
in Schotland verslagen. Maar vele thans verdwenen of zeldzaam gewor-
den soorten van viervoetige dieren zoowel als van vogels, waren nog vrij
algemeen. De vos, wiens leven thans in vele graafschappen bijna even
heilig geacht wordt als dat van een mensch, werd toen alleen als een last
beschouwd. Olivier St. John zeide in het Lange Parlement dat Strafford
niet beschouwd moest worden als een hert of als een haas, die toch altijd
volgens zekere regels moesten behandeld worden, maar als een vos, tot
wiens vangst men elk middel te baat kon nemen en wien men zonder
\') Kings Natuurlijke en politische gevolgtrekkingen. Davenant, Over de Handels-
balans.
\') Zie het Itinerarium Angluv:, 1675, door John Ogilby, kosmograaf des konings.
Hij beschrijft een groot gedeelte des lands als bosch, verdronken land, heide aan weers-
kanten, moeras aan beide zijden. In sommige zijner kaarten zijn de wegen door omheind
land met strepen en de wegen door niet omheind land met stipjes aangewezen. De be-
trekkelijke hoeveelheid niet omheind land, dat zoo al, dan toch ellendig slecht bebouwd
geweest moet zijn, schijnt zeer belangrijk te zijn geweest. Van Abingdon tot Gloucester,
bij voorbeeld, een afstand van veertig of vijftig mijl, vond men geen enkele omheining
en ter nauwernood een enkele tusscher. Biggleswade en Lincoln.
3)   Van deze hoogst merkwaardige teekeningen bevinden zich groote kopieën in de
uitmuntende verzameling, door den heer Grenville aan het britsch museum nagelaten.
4)  Een uitgestrekte vlakte, bestaande voornamelijk in heidelanden, welke een groot
gedeelte van het graafschap Wiits beslaan. Deze vlakte is eiken Engelschman bekend,
zoowel door de teelt van een talrijk en edel schapenras, waartoe zij gebruikt wordt, als
door vele hoogst merkwaardige overblijfselen der oudheid; waaronder voornamelijk
de beroemde tempelruïne van Stonehenge en die der voormalige bevestigde stad Old\'
Sarum, waar nog in de XlIIe eeuw een bisschopszetel en kapittel gevestigd waren. V.
\') Evelyns Dagboek, 2 Juni 1675.
-ocr page 241-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
217
genade den kop moest inslaan. Dit beeld zou in geenen deele gelukkig zijn,
werd het aan landedellieden van onzen tijd voorgedragen; maar in de dagen
van St. John vonden niet zelden groote slachtingen van vossen plaats, waar-
aan de boeren een ijverig deel namen, met alle honden, die men slechts
bijeen kon brengen ; er werden vallen gemaakt, strikken gespannen en geen
kwartier gegeven; een wijfje met jongen te schieten, werd voor een feit aan-
gezien, dat de dankbaarheid der geheele nabuurschap verdiende. Herten en
reeën waren destijds in Gloucestershire en in Hampshire even talrijk, als ze
nu op de Grampianbergen zijn. Bij zekere gelegenheid zag koningin Anna
op haar weg naar Portsmouth een troep van meer dan vijfhonderd stuks.
De wilde stier met zijn witte manen zwierf nog in eenige zuidelijke wouden.
De das groef zijn duister en kronkelend hol langs de helling van eiken heuvel,
waar dicht kreupelhout groeide. De wilde katten lieten \'s nachts menigmaal
haar klagend gemiauw hooren, rondom de hutten der boschwachters van
Whittlebury en van Needwood. De marter met zijn gele borst werd steeds
in Cranbourne-chase \') vervolgd om zijn pels, die alleen voor sabelbont
heette onder te doen. Moeras-arenden, soms van meer dan negen voet
vlucht, aasden op visch langs de kusten van Norfolk. Op alle duinen, van
het britsche kanaal tot Yorkshire, zwierven groote trapganzen in vluchten
van vijftig of zestig en werden dikwerf met hazewinden gejaagd. De
moerassen van Cambridgeshire en Lincolnshire waren jaarlijks gedurende
ettelijke maanden met gansche wolken van kraanvogels bedekt. Sommige
dezer soorten zijn ten gevolge der toenemende kultuur uitgestorven. Van
andere is het getal zoo verminderd, dat de menschen te hoop loopen om
er een exemplaar van te zien, even alsof het een bengaalsche tijger of een
ijsbeer was *).
De voortgang dezer groote verandering kan nergens met meer zeker-
heid worden nagegaan dan in de wetboeken. Het getal omheinings-
wetten, die sedert de troonsbeklimming van George II zijn aangenomen,
bedraagt meer dan vierduizend. De gronden, welke krachtens deze wetten
omheind zijn geworden hebben, volgens een matige berekening een uit-
gestrektheid van tienduizend vierkante mijlen. Omtrent het getal vier-
kante mijlen, die voorheen onbebouwd of wel zeer slecht bebouwd waren
en binnen hetzelfde tijdvak door de eigenaren omheind en zorgvuldig be-
bouwd werden, zonder dat het noodig was zich deswege tot de wetgevende
macht te wenden, kan men slechts gissingen vormen. Maar het schijnt, dat
volgens alle berekeningen een vierde gedeelte van Engeland, binnen weinig
meer dan een eeuw uit een woestenij in een tuin is herschapen.
Zelfs in die gedeelten des rijks, welk op het einde der regeering van
Karel II de best bebouwde waren, was de akkerbouw, schoon sedert den
1) Chase, letterlijk jacht, beteekent hier een uitgestrekten, voor de jacht bestemden
grond.
                                                                                                        V.
a) Zie VVhite\'s Selborne; Bells Geschiedenis van britsche zoogdieren. Gentlemen\'s
Vermaken, 1686; Aubrey\'s Natuurlijke geschiedenis van Wiltshire. 16S5; Mortons
Geschiedenis van Northamptonshire, 1712; Willoughby\'s Ornithologie door Ray, 1678;
Bathams Algemeen overzicht der vogels en sir Thomas Browne\'s Beschrijving der in
Norfolk te vinden vogels.
-ocr page 242-
2l8
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
burgeroorlog aanmerkelijk verbeterd, nog geenszins op een hoogte, die thans
voldoende geacht zou worden. Tot op dezen dag zijn van overheidswege nog
geen geschikte maatregelen genomen om nauwkeurige opgaven van de
voortbrengselen van den engelschen bodem te erlangen. De geschiedschrij-
ver heeft dus geen andere keuze dan met eenigen schroom de leiding te
volgen van zoodanige statistieke schrijvers, wier vlijt en nauwgezetheid het
«eest geroemd worden. Tegenwoordig wordt de gemiddelde opbrengst van
een oogst van tarwe, rogge, gerst, haver en boonen op ruim dertig millioen
quarters \') geschat. De oogst van een gewas tarwe zou zeer klein geacht
worden, indien hij niet meer dan twaalf millioen quarters opbracht. Volgens
de berekening, in het jaar 1696 door Gregory King gemaakt, bedroeg de
gansche hoeveelheid tarwe, rogge, gerst, haver en boonen, die destijds jaar-
lijks in dit koninkrijk gewonnen werd, iets minder dan tien millioen quarters.
De tarwe, die toen slechts op den zwaarsten kleigrond geteeld en alleen door
meervermogenden genuttigd werd, schatte hij op iets minder dan twee
millioen quarters. Karel Davenant, een scherpzinnig en welonderricht, doch
beginselloos en uiterst verbitterd partijman, verschilde van King ten aanzien
van eenige der onderdeden van de opgave, doch kwam over het geheel na-
genoeg tot hetzelfde besluit2).
De kennis der orde van opvolging der veldgewassen was destijds nog zeer
onvolmaakt. Wel was het bekend dat sommige eerst onlangs in ons eiland
ingevoerde plantgewassen, vooral rapen, voortreffelijk wintervoedsel voor
schapen en hoornvee opleverden, maar het was nog de gewoonte niet het vee
op deze wijze te voeden. Het was dus niet gemakkelijk het in het leven te
houden gedurende het saisoen, dat het gras schaarsch is. Bij den aanvang
van het koude jaargetijde werd het in grooten getale geslacht en gezouten,
en verscheiden maanden lang proefde zelfs de landadel geen versch dierlijk
voedsel dan wild en riviervisch, die daardoor veel belangrijker artikelen van
behoefte in het huishouden waren dan thans. Uit het northumberlandsche
huishoudboek blijkt, dat tijdens de regeering van Hendrik VII versch
vleesch aan de gentlemen van het gevolg van een grooten Earl (graaf) op
geen anderen tijd voorgezet werd, dan gedurende het korte tijdsverloop
tusschen St. Jan (24 Juni) en St. Michael (29 September). In den loop van
twee eeuwen had echter verbetering plaats gevonden en onder Karel II be-
gonnen de huisgezinnen eerst omstreeks het begin van November hun voor-
raad van gezouten vleesch in te leggen, dat destijds St. Maartens rundvleesch
genoemd werd \').
De schapen en runderen van dien tijd waren klein, in vergelijking met
die, welke thans naar onze markten gedreven worden *). Onze inlandsche
paarden waren bruikbaar, maar weinig in tel en brachten geringe prijzen
op. Zij werden, door elkander, door de bekwaamsten dergenen, die het
bedrag van het nationaal vermogen berekenden, op niet meer dan vijftig
\') I quarter = \'/, ton of 290,78 kop.
•) Kings Natuurlijke en staatkundige gevolgtrekkingen; Davenant, Over de han-
delsbalans.
\' ) Zie de almanakken van 1684 en 1685.
*) Zie M\'Culluchs Statistiek Overzicht van het britsche rijk, III deel, I hoofdst. 6.
-ocr page 243-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
219
shilling per stuk geschat. Binnenlandsche rassen waren veel meer ge-
zocht. Spaansche telgangers werden als de schoonste strijdrossen be-
schouwd en ingevoerd om als weelde- en oorlogspaarden gebruikt te worden.
De rijtuigen der aristokratie werden door grijze vlaamsche merries getrok-
ken, die, naar men dacht, met bijzonderen zwier draafden en beter dan
eenig inlandsch paardenras berekend waren om een log voertuig over het
hobbelige plaveisel van Londen voort te sleepen. Het karrepaard van thans
was destijds evenmin bekend als het hedendaagsche renpaard. Eerst in veel
later tijd werden de voorouders der reusachtige viervoeters, die thans door
eiken vreemdeling onder de voornaamste wonderen van Londen geteld
worden, uit de moerassen van Walcheren herwaarts overgebracht en die
onzer raspaarden uit de zandwoestijnen van Arabië. Reeds toonden echter
onze adel en gentry een sterke neiging voor de vermaken der renbaan.
Men gevoelde van hoeveel belang het was onze stoeterijen door de inmen-
ging van edeler bloed te verbeteren en met dat doel was onlangs een aanzien-
lijk getal barbarijsche paarden ingevoerd. Twee mannen, wier oordeel over
dergelijke onderwerpen in groote waarde gehouden werd, de hertog van
Newcastle er Sir John Fenwick, verklaarden dat de geringste klepper, die
van Tanger aangebracht werd, een schooner ras zou voortbrengen dan van
den besten hengst van ons inlandsch ras verwacht kon worden. Zij zouden
niet licht geloofd hebben, dat er een tijd zou komen, waarin de vorsten en
edelen van naburige landen er evenzeer op gesteld zouden zijn paarden
uit Engeland te laten komen, als de Engelschen het ooit geweest waren om
paarden uit Barbarije te laten aanvoeren \').
rijkd\'om\'Sffnj.. De vermeerdering der voortbrengselen van het planten- en
dierenrijk, hoe groot ze ook wezen moge, schijnt gering in vergelijking met
die van onzen delfstoffelijken rijkdom. In 1685 was het tin van Cornwallis,
dat meer dan tweeduizend jaar te voren de tyrische zeevaarders naar deze
zijde der zuilen van Hercules voerde, nog steeds een der belangrijkste
onderaardsche voortbrengselen van ons eiland. De hoeveelheid, die jaarlijks
uit de aarde te voorschijn werd gebracht, werd eenige jaren later op zestien-
honderd ton geraamd, waarschijnlijk slechts een derde gedeelte van hetgeen
zij tegenwoordig bedraagt *), Maar de aderen van kopererts, welke in de-
zelfde streek liggen, werden in de dagen van Karel II geheel en al verwaar-
loosd en geen enkel landeigenaar nam ze bij het berekenen der waarde van
zijn eigendommen in aanmerking. Cornwall en Wallis leveren thans jaarlijks
nagenoeg vijftienduizend ton koper op, ter waarde van ongeveer anderhalf
millioen p. st., een waarde namelijk, die bijna tweemaal zooveel bedraagt
als de waarde der jaarlijksche opbrengst van alle engelsche mijnen van
\') King en Davenant als boven; de hertog van Newcastle over de rijkunst; Gen-
tlemen\'s Vermaken, 1686. De grauwe vlaamsche merries waren ten tijde van Pope en
zelfs nog later teekenen van grootheid.
Het bekende spreekwoord »de grauwe merrie is het beste paard" heeft, naar ik ver-
moed, zijn oorsprong gehad in de algemeene voorkeur, die aan de grauwe vlaamsche
merries boven de schoonste engelsche koetspaarden geschonken werd.
*) Zie een opmerkenswaardige noot door Tonkin, in lord De Dunstanville\'s, uitgave
van Carews Overzicht van Cornwall.
-ocr page 244-
320
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
welken aard ook in de zeventiende eeuw \'). Het eerste bed klipzout werd
niet lang na de restauratie in Cheshire ontdekt, maar schijnt destijds niet
bewerkt te zijn geworden. Het zout, dat door een ruwe bereiding uit zout-
watcr-putten gewonnen werd, werd op hoogen prijs gehouden. De pannen,
in welke die bereiding plaats vond, verspreidden een zwavelachtigen stank,
en was de verdamping geëindigd, dan was de overgebleven zelfstandigheid
nauwelijks geschikt om onder menschelijk voedsel genuttigd te worden.
Geneeskundigen schreven de menigvuldige gevallen van scheurbuik en long-
ziekten, die zich destijds in Engeland vertoonden, aan deze ongezonde toespijs
toe. Het inlandsch zout werd derhalve door de hooge en door de middel-
klassen zelden gebezigd, en er had een geregelde en belangrijke aanvoer uit
Frankrijk plaats. Thans voorzien onze bronnen en mijnen niet alleen in onze
eigen ontzaglijk groote behoeften, maar brengen jaarlijks zevenhonderd
millioen pond voortreffelijk zout ten behoeve van het buitenland voort *).
Nog veel belangrijker is de vooruitgang van onze ijzerwerken geweest.
Zulke werken hadden sedert lang in ons eiland bestaan, maar niet gebloeid
en waren door de regeering en door het publiek met geen gunstig oog aan-
gezien. Het was destijds nog niet gebruikelijk voor het smelten van het
metaal steenkolen te bezigen en het rasse verbruik van hout wekte de
bezorgdheid der staatslieden. Reeds onder het bestuur van Elizabeth waren
luide klachten aangeheven, dat gansche bosschen geveld werden om in de
behoeften der smeltovens te voorzien en het parlement was tusschenbeide
gekomen om den fabrikanten het verbranden van timmerhout te verbieden.
Het fabriekwezen moest dicnsvolgens kwijnen. Op het einde der regeering
van Karel II werd een groot gedeelte van het ijzer, dat hier gebruikt werd,
van buiten \'s lands ingevoerd; en de gansche hoeveelheid, die hier jaarlijks
gewonnen werd, schijnt niet meer dan tienduizend ton te hebben bedragen.
Tegenwoordig acht men dezen nijverheidstak in een gedrukten toestand, als
er minder dan een millioen ton \'s jaars worden voortgebracht\').
Ee\'n delfstof moeten wij nog vermelden, die wellicht nog van meer belang
is dan zelfs het ijzer. Steenkolen, wel is waar nog in geenerlei fabriek
gebezigd, waren reeds de gewone brandstof in sommige districten, die
het geluk hadden uitgestrekte aderen te bezitten en van de hoofdstad,
in wier behoefte door aanvoer te water gemakkelijk voorzien kon worden.
Men mag aannemen, dat voor het minst de helft der hoeveelheid, die destijds
werd gewonnen, in Londen verbruikt werd. De voor Londen benoodigde
hoeveelheid kwam den schrijvers van dien tijd ontzettend voor en werd
dikwerf door hen aangehaald als een bewijs van de grootheid der koninklijke
stad. Zij dorsten nauwelijks op geloof rekenen, toen zij beweerden, dat in
\') Borlases Natuurlijke geschiedenis van Cornwallis 1754. De opgave van de hoe-
veelheid koper, die tegenwoordig wordt voortgebracht, heb ik uit parlementsstukken
geput. Davenant schatte in 1700 de jaarlijksche opbrengst van alle engelsche mijnen
op zeven of acht honderdduizend pond.
*) Philosophische Verhandeling, N°. 53, November 1669; N°. 66, December 1670;
N°. 103, Mei 1674; N°. 156, Februari 1683 ,.
\') Yarranton, Engelands verbetering ter zee en te land, 1677. Porters Vooruitgang
der natie. Zie ook een bijzonder duidelijke beknopte geschiedenis der engelsche ijzer-
werken in M\'Cullochs Statistisch Overzicht van het britsche rijk.
-ocr page 245-
TOESTAND VAN ENGELAND IN l68j.
22 t
het laatste jaar der regeering van Karel II tweehonderd tachtigduizend
chaldrons, dat is driehonderd vijftigduizend ton, naar den Theems gebracht
werden. Tegenwoordig worden nagenoeg drie en een half millioen ton voor
de hoofdstad vereischt; en de geheele jaarlijksche opbrengst kan, volgens
de matigste begrooting, op niet minder dan twintig millioen ton worden
gerekend \').
Toenemende Terwijl deze groote veranderingen plaats grepen, waren de in-
opbrengst der ,                                            ,, . .                     ....                     , *             ,                 .
ïanderuen. komsten van grondbezittingen, gelijk verwacht mocht worden,
gestadig rijzende. In sommige districten zijn ze meer dan vertiendubbeld,
in andere nauwelijks verdubbeld, doch over het geheel waarschijnlijk ver-
vierdubbeld.
Een groot gedeelte dier inkomsten viel aan de landedellieden ten deel,
een klasse van menschen, omtrent wier stelling en karakter het van het
hoogste belang is, dat wij ons een duidelijk denkbeeld vormen; want door
hun invloed en hun hartstochten werd bij verscheiden belangrijke gelegen-
heden het lot der natie beslist.
Delieden?el" Wij zouden ons zeer vergissen, zoo wij ons de squires *) der
zeventiende eeuw voorstelden als mannen, die veel overeenkomst hadden
met hun nakomelingen, onzehedendaagschegraafschaps-vertegenwoordigers
en voorzitters der driemaandelijksche zittingen. De landedelman van onze
dagen krijgt gewoonlijk een algemeen wetenschappelijke opvoeding, gaat
van een uitmuntende school naar een uitmuntende akademie over en heeft
alle gelegenheid om een bekwaam geleerde te worden. Hij heeft doorgaans
ook vreemde landen gezien. Een groot gedeelte zijns levens wordt gewoon-
lijk in de hoofdstad doorgebracht en de weelde der hoofdstad verzelt hem
naar het land. Wellicht bestaan er geen aangenamer woonplaatsen dan de
landelijke verblijven der engelsche gentry. In de parken en lusttuinen ver-
toont zich de natuur, door de kunst ondersteund, maar niet verdrongen,
onder de aanlokkelijkste vormen. In de gebouwen heeft de samenwerking
van goed overleg en goeden smaak het gezellige en het schoone gelukkig
verbonden. De schilderijen, de muziek-instrumenten, de bibliotheek zouden
in elk land als bewijzen voor de uitstekende beschaafdheid en de voortreffe-
lijke gaven van den eigenaar gelden. Een landheer van den tijd der revolutie
was waarschijnlijk slechts in het genot van een vierde gedeelte der inkom-
sten, welke hetzelfde land nu aan zijn nakomelingschap oplevert. Hij was
dus arm in vergelijking met zijn afstammelingen en over het algemeen ge-
noodzaakt bijna onafgebroken, op zijn goederen verblijf te houden. Het
doen van reizen op het vaste land, het aanhouden van een huis te Londen,
of zelfs maar herhaalde bezoeken derwaarts waren genoegens, die slechts
groote grondeigenaren zich konden veroorloven. Men mag gerust aannemen,
dat van de squires, wier namen onder de vrederechters en graafschaps-
luitenants van Karel II voorkomen, nauwelijks een van de twintig meer dan
\') Zie Chamberlayne\'s Staat van Engeland, 16S4, 1687; Anglioe Metropolis, 1691.
In 1845 bleek de aanvoer van steenkolen te Londen, volgens een aan het parlement
gedane opgave, drie millioen vierhonderd zestigduizend ton te bedragen.
*) Squire is ten platten lande de algemeene benaming der gentlemen, die op heeren-
huizen van de inkomsten hunner bezittingen leven.
-ocr page 246-
22:                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
eenmaal in de vijf jaren naar Londen reisde, of in zijn geheele leven ooit
naar Parijs gekomen was. Vele bezitters van landgoederen hadden een
opvoeding genoten, weinig van die hunner loonknechten verschillende. De
erfgenaam van een goed bracht menigmaal zijn kinder-en jongelingsjaren
op den zetel zijner familie door, zonder beter leermeesters dan stalknechten
en boschwachters en leerde nauwelijks zooveel, dat hij zijn naam onder een
mittimus \') kon zetten. Ging hij naar school en naar het college, hij keerde
gewoonlijk reeds vóór zijn twintigste jaar naar de afzondering van het oude
landhuis terug en tenzij zijn geest een zeer gelukkigen natuurlijken aanleg
had, deden hem landelijke bezigheden en genoegens zijn akademische studiën
aldra vergeten. Zijn hoofdbezigheid was de zorg voor zijn eigendommen. Hij
onderzocht monsters graan, betastte varkens en op marktdagen ging hij
onder een glas bier koopen sluiten met veehandelaars en kooplieden in hop.
Zijn voornaamste vermaken waren die, waartoe het veld 2) en een grove
zinnelijkheid gelegenheid geven. Zijn taal en uitspraak waren zoodanig, als
men ze thans slechts van den onwetendsten boer zou verwachten. Zijn
vloeken, zijn ruwe aardigheden en vuile scheldwoorden werden in den
platsten tongval zijner provincie geuit. Men kon aan zijn eerste woorden
dadelijk erkennen, of hij uit Somersetshire dan of hij uit Yorkshire her-
komstig was. Hij gaf zich weinig moeite zijn woonplaats te verfraaijen;
en poogde hij zulks te doen, dan bracht hij zelden iets anders dan wansmaak
voort. De vuilnis van een boerenerf werd vergaard onder de vensters zijner
slaapkamer, en de kool en kruisbeziestruiken groeiden tot vlak bij de deur
van zijn landhuis. Zijne tafel was met een overvloed van zware spijzen be-
dekt en gasten werden hartelijk welkom geheeten; doch, daar de gewoonte
van onmatig drinken in zijn stand algemeen was en zijn vermogen hem niet
veroorloofde dagelijks een groot gezelschap met bordeaux of maderawijn
dronken te maken, zoo was sterk bier de gewone drank. De hoeveelheid
bier, die destijds verbruikt werd, was inderdaad ontzaglijk. Want bier
was toen voor de middelklassen niet slechts al wat het thans is, maar boven-
dien verving het ook den wijn, de thee en den sterken drank. Slechts in
groote huizen, of bij feestelijke gelegenheden werden uitheemsche dranken
op tafel gezet. De dames van den huize, wier taak het gewoonlijk geweest
was het maal te bereiden, trokken zich terug, zoodra de spijzen waren weg-
genomen en lieten de gentlemen vrij om zich met hun ale en tabak te
verlustigen. De ruwe vroolijkheid van den namiddag werd menigmaal
voortgezet, totdat de drinkers onder tafel lagen.
Zeer zelden kon de landedelman een blik in de groote wereld werpen,
en wat hij er dan van zag strekte veeleer om zijn gedachten te verwarren
dan om zijn verstand te verlichten. Zijn gevoelens ten opzichte der gods-
dienst, der regeering van vreemde landen en van vroegere tijden, geen
vrucht van studie, van ervaring of van den omgang met verlichte metgezel-
len, maar alleen ontleend aan de overleveringen, in zijn eigen kleinen kring
gangbaar, waren als de gevoelens van een kind. Evenwel bleef hij er zich
\') Hevel tot inhechtenisneming.
1) Field-sforts, waarmede jacht, visscherij, wedrennen en alle soortgelijke vermaken
bedoeld worden.
                                                                                         V.
-ocr page 247-
323
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
aan vastklemmen met de hardnekkigheid, doorgaans bij onwetende lieden
aangetroffen, die aan vleijerij gewoon zijn. De voorwerpen van zijn afkeer
waren veelvuldig, en die afkeer was bitter. Hij haatte Franschen en Ita-
lianen, Schotten en Ieren, papisten en presbyterianen, independenten en
wederdooper, kwakers en joden. Van Londen en de Londenaars gevoelde
hij een afkeer, die meer dan eens tot belangrijke staatkundige gevolgen
aanleiding gaf. Zijn vrouw en zijn dochter stonden ten opzichte van smaak en
opvoeding beneden een huishoudster of kamenier van den tegenwoordigen
tijd. Zij naaiden en sponnen, maakten bessenwijn, legden rozenbottels in en
bakten de wildbraadpasteijen.
Volgens deze beschrijving zou men mogen onderstellen, dat de engelsche
esquire van de zeventiende eeuw niet wezenlijk verschilde van een dorps-
molenaar of herbergier onzer tijden. Er vallen echter eenige belangrijke
trekken in zijn karakter op te merken, die deze opvatting aanmerkelijk zul-
len wijzigen. Hoe ongeletterd en onbeschaafd hij ook ware, hij was nochtans
in sommige belangrijke opzichten een gentleman. Hij was lid van een
trotsche en machtige aristokratie en onderscheidde zich door vele van de
goede, zoowel als van de slechte hoedanigheden, die den aristokratischen
stand eigen zijn, Zijn familietrots was grooter dan die van een Talbot of
Howard. Hij kende den stamboom en de wapens van al zijn naburen en wist
wie van hen schildhouders hadden aangenomen, zonder daar recht op te
hebben en wie van hen het ongeluk hadden achter-kleinzonen van aldermen
te zijn. Hij was rechter en sprak in die hoedanigheid, zonder belooning, op
aartsvaderlijke wijze recht, wat in weerwil van ontelbare misslagen en van
enkele tyrannieke handelingen, toch beter was, dan in \'t geheel geen recht-
spraak. Hij was officier van de landweer; en ofschoon zijn militaire waar-
digheid den lachlust wekte der dapperen, die een veldtocht in de Nederlan-
den hadden bijgewoond, verhoogde zij toch zijn karakter in zijn eigen oogen,
zoowel als in die zijner naburen. Het was inderdaad ook niet billijk met
zijn krijgsmansschap den spot te drijven. In alle graafschappen vond men
gentlemen van rijper leeftijd, die krijgstochten hadden meegemaakt, welke
geen kinderspel waren geweest. De een was na den slag van Edgehill door
Karel I tot ridder geslagen. Een ander droeg nog steeds een pleister over
het litteeken, dat hij bij Naseby gehaald had. Een derde had zijn aloude
muren verdedigd, tot Fairfax door middel eener springbus de poort had
vernield. De tegenwoordigheid dier oude cavaliers, met hun ouderwetsche
zwaarden en holsters en met hun oude geschiedenissen over Goring en
Lunsford \'), gaf aan de wapeningen der militie het ernstige en krijgshaftige
aanzien, dat er anders aan ontbroken zou hebben. Zelfs de jeugdige land-
edellieden, die nog te jong waren om zelve met de kurassiers van het par-
lement handgemeen te zijn geweest, hadden sedert hun kindsheid de sporen
van den pas geëindigden oorlog onder de oogen gehad en waren op ver-
halen van de wapenfeiten hunner vaderen en hunner ooms vergast.
Op deze wijze was het karakter van den engelschen landjonker der
zeventiende eeuw uit twee elementen samengesteld, die wij niet gewoon zijn
\') Krijgsoversten in het leger van Karel I.
-ocr page 248-
224                               GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
vereenigd te vinden. Zijn onwetendheid en lompheid, zijn lage neigingen,
zijn ruwe taal zouden in onze dagen als teekenen eener door en door ple-
bejische natuur en opvoeding beschouwd worden. En toch was hij in zijn
aard een patriciër en deelde in groote mate in de deugden en de gebreken
van hen, die van hun geboorte af in aanzien zijn geweest en aan het be-
kleeden van gezag, aan het in acht nemen van zekere vormen en aan achting
voor zich zelve gewoon zijn. Een geslacht, dat geleerd heeft ridderlijke ge-
voelens niet anders aan te treffen, dan gepaard met wetenschappelijke
studiën en verfijnde manieren, kan zich niet licht iemand voorstellen met
de houding, taal en uitspraak van een karreman en evenwel uiterst kitteloorig
ten opzichte van vraagpunten, afstamming en voorrang betreffende, en be-
reid om veeleer zijn leven te wagen, dan eenige smet op de eer van zijn
huis te laten kleven. Het is echter alleen door ons zoodanige vereeniging
van eigenschappen voor te stellen, die wij, zoo ver onze ervaring reikt,
zelden of nooit vereenigd zagen, dat wij een juist denkbeeld kunnen krijgen
van die landelijke aristokratie, welke de voornaamste kracht der legers van
Karel I uitmaakte en die langen tijd met buitengewone trouw de belangen
zijner afstammelingen verdedigd heeft.
De ruwe, ongeletterde, onbereisde landedelman was gewoonlijk eenTory;
doch hoe innig hij ook der erfelijke monarchie was toegedaan, was hij mi-
nisters en hovelingen weinig genegen. Hij dacht, en niet zonder reden, dat
Whitehall het uitvaagsel des menschdoms bevatte; dat de groote sommen,
die het Lagerhuis sedert de restauratie aan de kroon had toegestaan, deels
door listige staatslieden verduisterd, deels aan postenmakers en aan vreemde
boeleersters verkwist waren. Zijn fier engelsch hart gloeide van veront-
waardiging bij de gedachte, dat het hoog bewind van zijn land zich door
Frankrijk de wet liet voorschrijven. Gewoonlijk zelf een oud cavalier, of de
zoon van een ouden cavalier, sprak hij met bitteren wrok van de ondank-
baarheid, welke de Stuarts hun trouwste vrienden betoond hadden. Wie
zijn gemor hoorden over de onverschilligheid, waarmede hij behandeld werd
en over de verkwistende wijze, waarop de bastaards van Eleonora Gwynn
en van Madame Carwell met schatten werden overladen, moesten hem
bereid achten tot oproer. Doch die wrevel duurde slechts tot de Kroon in
wezenlijk gevaar kwam. Juist dan, wanneer zij, die door den souverein met
eer en geld waren overladen, van zijn zijde vloden, schaarden de landedel-
lieden, die ten tijde van zijn voorspoed zoo onvergenoegd en oproerig waren,
als één man zich om hem heen. Zoo kwamen zij, na twintig jaren lang over
het slechte bestuur van Karel II gemord te hebben, in de ure van nood
te zijner hulpe toesnellen; terwijl zijn eigen staatssecretarissen en lords van
de thesaurie hem verlaten hadden, ja, zij stelden hem in staat een volkomen
overwinning op de oppositie te behalen; ook lijdt het geen twijfel, of zij
zouden zijn broeder Jakobus dezelfde trouw betoond hebben, had deze zich
slechts onthouden van, nog zelfs in het uiterste oogenblik, hun heiligste
gevoelens te kwetsen. Want er bestond ééne en niet meer dan ééne instelling,
die zij nog zelfs op hooger prijs stelden dan die van het erfelijk koning-
schap, en deze instelling was de kerk van Engeland Evenwel, hun gehecht-
heid aan die kerk was niet de vrucht van studie of van nadenken. Weinigen
-ocr page 249-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
2*5
hunner zouden voor hun verkleefdheid aan haar leerstellingen, aan haar
rituaal en aan haar richting, redenen hebben kunnen opgeven, uit de heilige
schrift of de kerkgeschiedenis geput; evenmin waren zij in het algemeen zeer
stipte opvolgers dier wetten van zedelijkheid, die aan alle christelijke secten
gemeen zijn. Maar de ondervinding van vele eeuwen heeft bewezen, dat
de menschen bereid kunnen zijn tot den dood toe te strijden en zonder
erbarming andersdenkenden te vervolgen voor een geloof, waarvan zij de
strekking niet begrijpen en welks voorschriften zij gewoon zijn dagelijks te
overtreden \').
De geestelijkheid. De landelijke geestelijkheid was zelfs nog heviger Toryge-
zind dan de landadel en maakte een weinig minder invloedrijken stand
uit. Het valt echter op te merken, dat de geestelijke, in tegenoverstelling
met den gentleman, destijds een veel lager stelling bekleedde dan in onze
dagen. De kerk trok toen haar voornaamste inkomsten uit de tienden en
de tienden stonden in veel kleiner verhouding tot de opbrengst der
landerijen dan thans. King schatte het totale inkomen der parochiale en
der collegiaats-geestelijkheid J) op slechts vierhonderd tachtig duizend p. st.,
Davenant op niet meer dan vijfhonderd vier-en-veertig duizend p. st. \'sjaars.
Thans bedraagt het zeker ruim zevenmaal meer dan de laatstgemelde dezer
sommen. De gemiddelde opbrengst der landerijen is, zoo ver dit in eenige
bestaande opgave kan worden nagegaan, niet in gelijke verhouding vermeer-
derd. Hieruit volgt, dat de rectors en vicarissen in vergelijking met de na-
burige ridders en squires in de zeventiende eeuw veel armer geweest moeten
zijn dan in de negentiende.
De maatschappelijke stelling der geestelijkheid was door de reformatie in
allen deele veranderd. Vóór die gebeurtenis vormden de geestelijke heeren
de meerderheid in het Huis der Lords, stonden zij in rijkdom en in uiter-
lijken glans gelijk met, ja zelfs, boven de grootste wereldlijke heeren en be-
kleedden veelal de hoogste burgerlijke ambten. Het ambt van lord-thesaurier
werd menigmaal, dat van lord-kanselier bijna altijd door een bisschop
bekleed. De lord-geheimzegelbewaarder en de onderkanselier s), waren
gewoonlijk geestelijken. Geestelijken behandelden de belangrijkste diplo-
matische aangelegenheden. Inderdaad, bijna het gansche uitgebreide deel
in het bestuur, dat aan ruwe en krijgshaftige edellieden niet kon worden
opgedragen, werd geacht, uit den aard der zaak aan de geestelijkheid toe te
\') Mijn denkbeelden van den landedelman der zeventiende eeuw zijn uit een aantal
bronnen geput, te talrijk om ze hier op te noemen. Ik onderwerp mijn beschrijving aan
het oordeel van hen, die de geschiedenis en de lichtere litteratuur van dat tijdperk be-
oefend hebben.
■) Eene collegiaat-kerk (collegtate church) is die, welke, zonder een bisschop aan
het hoofd te hebben, nochtans door het gewoonlijk aan een bisschopszetel toegevoegde
kerkkapittel of college (kanunniken en domheeren) beheerd wordt. Vele van die ker-
ken ontvingen deze inrichting in den tijd der opheffing van de abdijen.
*) Master of the Rolls, meester der archieven, (die oudtijds meest in rollen van per-
kament bestonden); deze hooge ambtenaar vervult in het hof van den lord-kanselier\'
(courl of cliancery), de betrekking van diens plaatsvervanger en eersten raad; ook zit
hij voor in een uit gemeld hof gevormd hulp- of ondergerechtshof, de court of rolls
genaamd en heeft de voornaamste justitieele archieven des rijks onder zijn berusting.
MACAWLAY I.                                                                                                                              15
-ocr page 250-
22Ö
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
behooren. Mannen, die van het krijgsleven afkeerig en tevens verlangend
waren om hooge waardigheden te bekleeden, namen derhalve gewoonlijk de
tonsuur aan. Onder hen bevonden zich zonen van de doorluchtigste ge-
slachten, nauw aan den troon verbonden, Scroops en Nevilles, Bourchiers,
Staffords en Poles. De kloostergestichten bezaten de inkomsten van on-
metelijke bezittingen, en dat gansche groote gedeelte der tienden, hetwelk
nu in handen der leeken is. Tot omstreeks het midden der regeering van
Hendrik VIII was derhalve geen enkele loopbaan zoo aanlokkelijk voor eer-
gierige en hebzuchtige gemoederen, als die van het priesterschap. Daarop
volgde een hevige omkeer. De opheffing der kloostergestichten beroofde de
kerk eensklaps van het grootste gedeelte van haar vermogen en haar over-
wicht in het Hoogerhuis van het Parlement. Er bestonden geen abt
van Glastonbury, geen abt van Reading meer, die zitting hielden met de
pairs en geen inkomsten bezaten, gelijkstaande met die van machtige
graven. De vorstelijke luister van Willem van Wykeham en Willem van
Waynfiete was verdwenen. De scharlaken kardinaalshoed, het zilveren
kruis van den pauselijken legaat bestonden niet meer. De geestelijkheid
had ook het overwicht verloren, dat de natuurlijke vrucht der hoogere
geestbeschaving is. Er was een tijd geweest, toen reeds de omstandigheid,
dat een man lezen kon, deed vermoeden, dat hij tot den geestelijken stand
behoorde. Doch in een tijd, die zulke leeken opleverde, als William Cecil
en Nicholas Bacon, als Roger Ascham en Thomas Smith, Walter Mildmay
en Francis Walsingham waren, bestond er geen reden om prelaten uit hun
diocesen te roepen ten einde tractaten te sluiten, de finantiën te besturen
of de rechtspraak te handhaven. Niet alleen gold het geestelijk karakter
niet meer uitsluitend als een aanbeveling tot het bekleeden van hooge
staatsambten, maar het begon zelfs beschouwd te worden als onbestaan-
baar met zulke ambten. De wereldsche beweegredenen, die in vroegere
dagen zoo veel bekwame en eerzuchtige jongelingen genoopt hadden het
geestelijk gewaad aan te nemen, hielden op te bestaan. Nauwelijks eene
onder tweehonderd parochieën leverde toen een bestaan op, dat door een
man van fatsoenlijken huize als toereikend werd beschouwd. Er waren
voorzeker nog hooge betrekkingen in de kerkelijke loopbaan, maar zij waren
weinige in getal en zelfs de hoogste waren gering, in vergelijking met den
glans, die eenmaal de vorsten der hiërarchie had omgeven. Aan degenen,
die de koninklijke pracht van Wolsey, zijn paleizen van Whitehall en
•Hampton Court, die de lievelingsverblijven van het koninklijk geslacht
waren geworden, de drie kostbare tafels, die dagelijks in zijn huis werden
aangericht, de vier-en-veertig prachtige koorrokken in zijn kapel, zijn
rijkgekleede lakeijen en zijn lijfwacht met haar vergulde strijdbijlen gezien
hadden, moest de staat, dien Parker en Grindal voerden, armoedig voor-
komen. Zoo doende verloor het priesterlijk ambt al zijn aantrekkelijkheid
voor de hoogere standen. In de eeuw, volgende op de troonsbestijging van
Elizabeth, nam bijna geen enkel persoon van adellijke afkomst den geeste-
lijken stand aan. Bij het einde der regeering van Karel waren twee zonen
van pairs bisschoppen, vier of vijf zonen van pairs waren priesters, die
rijkbezoldigde ambten bekleedden; doch deze zeldzame uitzonderingen
-ocr page 251-
TOESTAND VAN ENGELAND IN"l 685.                        227
konden de minachting niet wegnemen, die den geheelen stand trof. De
geestelijkheid werd over \'t geheel als een plebejische klasse beschouwd.
En inderdaad, voor een hunner, die zich als gentleman voordeed, vond
men er tien, die bloote loondienaars waren. Vele godgeleerden, die geen
kerkelijk inkomen bezaten of wier inkomen te gering was om hun een
voldoend bestaan op te leveren, leefden in de huizen van leeken. Sedert
lang was het gebleken, dat hierdoor de priesterlijke waardigheid werd ver-
nederd. Laud had zich moeite gegeven daarin verandering te brengen
en Karel I had herhaaldelijk stellige bevelen uitgevaardigd, dat alleen per-
sonen van hoogen rang zich mochten veroorloven huiskapelaan te houden \').
Maar deze voorschriften waren verouderd. Trouwens, gedurende de heer-
schappij der puriteinen konden velen van de verdreven dienaren der kerk
van Engeland nergens brood en schuilplaats vinden, dan in de huisgezinnen
der koningsgezinde gentlemen; en de gebruiken, welke in die onrustige
tijden ontstaan waren, bleven nog lang na het herstel der monarchie en van
het bisschoppelijk stelsel in wezen. In de woningen van onbekrompen en
beschaafde mannen werd voorzeker de huiskapelaan voorkomend en wel-
willend behandeld. Zijn omgang, zijn letterkundige hulp, zijn geestelijke
raad werden als een ruime vergoeding voor tafel en huisvesting en voor het
stipendium beschouwd. Doch dit was niet de algemeene denkwijze der
landedellieden. De ruwe en onwetende squire, die van oordeel was, dat het
met zijn deftigheid strookte de dankzegging aan zijn tafel dagelijks door een
geestelijke in vol ornaat te laten uitspreken, vond middel om deftigheid met
zuinigheid te vereenigen. Een jonge leviet — dit was de destijds gebruike-
lijke benaming — was voor kost en woning op een vlieringkamertje en voor
een bezoldiging van tien p. st. \'s jaars te krijgen en kon niet alleen zijn
beroepsbezigheden verrichten, maar moest tevens ook de allergeduldigste
wrijfpaal en toehoorder van zijn adellijken patroon zijn; bij schoon weder
moest hij steeds bereid wezen tot een kaatspartij en bij regenachtig weder
tot een partij op het verkeerbord; bovendien mocht hij nog voor tuinman en
voor stalknecht dienen. Nu eens bond zijn eerwaarde de abrikozenboomen
op, dan weder roskamde hij de koetspaarden. Hij zag de rekeningen van
den hoefsmid na en liep tien mijl ver met boodschappen of brieven. Werd
hem vergund met de familie aan tafel te zitten, dan verwachtte men, dat
hij zich met de eenvoudigste spijs zou vergenoegen: aan pekelvleesch en
wortels mocht hij zijn hart ophalen; maar zoodra de pasteijen en room-
taartjes op tafel gezet werden, verliet hij zijn plaats en hield zich ter zijde,
tot hij geroepen werd om dank te zeggen voor het maal, waarvan hem een
groot gedeelte onthouden was \').
Somwijlen had hij het uitzicht om na eenige jaren van dienstbaarheid voor
een predikantsplaats te worden aanbevolen, die genoeg opbracht om in zijn
onderhoud te voorzien, doch in veel gevallen werd hij genoodzaakt zich zijn
\') Zie Heylins Cyprianus Anglicus.
a) Eachard, Redenen der minachting tegen de geestelijkheid; Oldham, Hekeldicht
aan een vriend, die op het punt staat, de hoogeschool te verlaten. Tatler, 255, 258.
Dat de engelsche geestelijkheid een stand van geringe geboorte was, wordt mede iu
de reizen van deu groothertog Cosinus vermeld.
-ocr page 252-
228
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
aanstelling door een soort van simonie te verschaffen, die drie, vier ge-
slachten lang een onuitputtelijke bron van spotternij is geweest. Men ver-
wachtte, dat hij te gelijk met zijn pastorie ook een vrouw zou nemen. Die
vrouw was gewoonlijk in dienst van den patroon geweest, en hij kon van ge-
luk spreken, wanneer zij niet verdacht werd gehouden al te hoog in diens
gunst gestaan te hebben. Inderdaad, de aard der huwelijksbetrekkingen,
welke over het algemeen door de geestelijken van dien tijd werden aange-
knoopt, wijst ten duidelijkste den trap in de maatschappij aan, waartoe
deze stand was afgedaald. Een Oxfordiaan, die weinig maanden na den
dood van Karel II geschreven heeft, klaagt bitter, dat niet slechts de plat-
telands advokaten en heelmeesters uit de hoogte op den plattelands geeste-
lijke nederzagen, maar zelfs, dat een der waarschuwingen, die aan elke dochter
van goeden huize ten ernstigste werd ingeprent, deze was, dat ze vooral geen
minnaar van den geestelijken stand moest aanmoedigen, en dat een jonge
dame, deze vermaning vergetende, bijna evenzeer onteerd was, alsof het een
onwettige liefdesverbintenis had gegolden \'). Clarendon, die voorzeker der
kerk niet ongenegen was, de vermenging van standen willende aantoonen,
die ten gevolge van den grooten opstand had plaats gevonden, meldt onder
andere als een bewijs voor zijn beweren, dat sommige jonge dames van adel-
lijken huize haar hand aan geestelijken hadden geschonkenl). Een kamenier
werd over het algemeen als de meest geschikte wederhelft van een predikant
beschouwd. De koningin Elizabeth had, als opperhoofd der kerk, dit vooroor-
deel, naar het schijnt, uitdrukkelijk versterkt, door het uitvaardigen van stel-
lige bevelen, dat geen geestelijke een dienstmaagd zoude mogen huwen,
buiten toestemming van haar meester of meesteres. Gedurende verscheiden
geslachten derhalve bleef de betrekking tusschen priesters en dienstmeisjes
stof voor eindelooze aardigheden opleveren; en men zal in de blijspelen der
zeventiende eeuw niet licht een enkel voorbeeld vinden van geestelijken, die
een bruid van hooger rang dan dien van keukenmeid mochten winnen \').
Nog zelfs ten tijde van George II, werd door den vernuftigsten der schrijvers,
die het dagelijksch leven en de gebruiken van zijn tijd tot het onderwerp
zijner beschouwingen koos en zelf priester was, als een feit vermeld, dat,
in groote huizen de kapelaan de erkende toevlucht was van kamerjuffers,
wier naam geleden had, en die derhalve de hoop moesten opgeven den
hofmeester in haar net te vangen 4).
De geestelijke, die zijn kapelaanschap met een pastorie en een vrouw ver-
wisselde, vond doorgaans, dat hij slechts de eene soort van plagen was ont-
weken, om in een andere soort te vervallen. Van de vijftig plaatsen was er
\') » A causidico, medicastro, ipsaque artificum ferragine, ecclesiae rector aut vicarius
contemnilur et fit ludibrio. Gentis et familiae nitor sacris ordinibus pollutus censetur:
foeminisque natalitio insignibus unicum inculcatur saepius praeceptum, ne modestiae
naufragium faciant, aut (quod idem auribus tam delicatulis sonat). ne clerico se nuptas
dari patiantur." Angliae Notitia, door T. Wood van New-College, Oxford, 1686.
») Clarendons Leven, II, 21.
3) Roger en Abigail in Fletchers Trotsche Dame; Buil en de minne in Vanburgh\'s
Weder-instorting; Smirk en Susanna in Shadwel\'s Heksen van Lancashire zijn hiervan
voorbeelden.
*) Swifts Raadgevingen aan Dienstboden.
-ocr page 253-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                         229
nauwelijks eene, die den leeraar in staat stelde om behoorlijk in de behoeften
van zijn gezin te voorzien. Naarmate het kroost vermeerderde, begon het
huishouden des geestelijken ook armoediger te worden. Gaten in het stroodak
zijner pastorie en in zijn eenigen priesterrok begonnen steeds duidelijker
zichtbaar te worden. Veelal kon hij slechts door zwaar werk op zijn land,
door het mesten van varkens en het laden van mestkarren het dagelijksch
brood verdienen; en zelfs met de uiterste inspanning kon hij niet altoos
verhoeden, dat de deurwaarders zijn bijbelsch woordenboek en zijn inkt-
koker in beslag namen. Het was voor hem een gelukkige dag, als hij in de
keuken van een groot huis toegelaten en door de dienstboden op ale en
koud vleesch onthaald werd. Zijn kinderen werden opgevoed als de hoeren-
kinderen in den omtrek. Zijn zonen gingen achter den ploeg en zijn dochters
zochten dienstbetrekkingen \'). Aan studie was voor hem niet te denken,
want het recht van begeving zijner plaats zou, bij verkoop nauwelijks een
voldoende som voor het aanschaffen eener goede bibliotheek van theolo-
gische werken opgebracht hebben, en hij mocht zich bijzonder gelukkig
rekenen, als hij onder de potten en pannen op zijn planken, tien of, twaalf
beduimelde boekdeelen had staan. Zelfs een heldere en krachtige geest
moest in zulk een ongunstigen toestand verstompen.
Voorzeker, er was destijds in de engelsche kerk geen gebrek aan leeraren,
die door bekwaamheid en geleerdheid uitmuntten, doch men verlieze niet
uit het oog, dat deze niet onder de landbevolking verspreid waren. Zij waren
in eenige weinige plaatsen bijeen, waar de bronnen tot het verkrijgen van
kennis talrijk en de gelegenheden tot krachtige oefening des geestes menig-
vuldig waren J). In zulke oorden vond men godgeleerden, door talenten,
welsprekendheid, uitgebreide kennis van letteren, wetenschap en wereld
bij uitnemendheid geschikt om hun kerk tegen afvalligen en tegen twij-
felaars zegevierend te verdedigen, de aandacht van ijdele en wereldsge-
zinde toehoorders te boeijen, vergaderingen te leiden, en de godsdienst,
zelfs aan het losbandigste der hoven te doen eerbiedigen. Sommigen hunner
trachtten de afgronden der metaphysische godgeleerdheid te peilen; som-
migen bezaten grondige bedrevenheid in bijbelsche kritiek; weer anderen
verspreidden licht over de donkerste punten der kerkelijke geschiedenis.
Sommigen deden zich als voortreffelijke meesters der redeneerkunst kennen;
anderen beoefenden de kunst der welsprekendheid met zooveel volharding
en geluk, dat hun leerredenen met recht als voorbeelden van stijl geschat
werden. Deze uitmuntende hoofden waren bijna zonder eenige uitzondering
in de universiteitssteden, bij groote domkerken of in de hoofdstad te vinden.
Barrow was kort geleden te Cambridge gestorven en Pearson was van daar
op de bank der bisschoppen overgegaan. Cudworth en Henry More waren
\') Zefsin Tom Jones, twee menschengeslachten later uitgegeven, beroepen jufvrouw
Seagrimm, echtgenoote van een jachtopzichter, en jufvr. Elonour, een kamenier, zich
op haar afkomst van predikanten. »IIet is te hopen," zegt Fielding, edat zulke voor-
beelden in later tijden, als men beter zorg zal hebben gedragen voor de families van
de lagere geestelijkheid, meer dan heden tot de uitzonderingen zullen behooren."
2) Deze onderscheiding tusschen de geestelijkheid ten platten lande en de geestelijk-
heid in de steden, wordt door Eachard duidelijk beschreven en moet een ieder, die de
kerkelijke geschiedenis dier tijden beoefent, al dadelijk in het oog vallen.
-ocr page 254-
230                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
daar nog in leven. South en Pococke, Jane en Aldrich waren te Oxford.
Prideaux bevond zich in het sticht van Norwich en Whitby in dat van Salis-
bury. Hoofdzakelijk echter was het de londensche geestelijkheid, waarvan
steeds als van een bijzondere klasse gesproken werd, daar zij den roem der
welsprekendheid en der geleerdheid van haar stand handhaafde. De voor-
naamste, kansels der hoofdstad waren in dat tijdperk met een aantal uit-
muntende mannen bezet, van welke vele tot opperste herders der kerk
verkozen werden; Sherlock predikte in den Tempel, Tillotson in de kerk
van Lincolns-Inn, Wake en Jeremias Collier in die van Gray\'s-Inn, Burnet
in de Rolls kerk, Stillingfleet in de hoofdkerk van St Paul, Patrick in de
St. Pauls kerk in Coventgarden, Fowler in de St. Julius kerk in de Velden,
Tennison in de St. Maartens kerk, Sprat in de St. Margarets kerk, Beveridge
in de St. Pieters kerk, Cornhill. Van deze twaalf mannen, allen wijd be-
roemd in de geschiedenis der kerk, werden tien tot bisschop en vier tot
aartsbisschop verheven. Inmiddels waren bijna de eenige belangrijke werken,
die uit een landelijke pastorie kwamen, die van George Buil, die later bis-
schop van St. David werd; en Buil zou die werken nimmer hebben kunnen
uitgeven, had hij niet een goed geërfd, waarvan de verkoop hem in staat
stelde een boekverzameling bijeen te brengen, zoo als wellicht geen ander
landgeestelijke in Engeland ooit bezeten had \').
Alzoo was de anglicaansche priesterstand in twee klassen verdeeld,
die in begaafdheid, manieren en maatschappelijke stelling grootelijks van
elkander verschilden. De eene dezer klassen, voor steden en hoven ge-
vormd, bevatte mannen met alle oudere en nieuwere wetenschap bekend,
die in staat waren Hobbes of Bossuet met alle wapenen der polemiek te be-
strijden, en in hun leerredenen de verhevenheid en de schoonheid van het
christelijk geloof met zooveel juistheid van gedachte en in zoo sierlijke
taal wisten te schilderen, dat de trage Karel zich soms oprichtte om te luis-
teren, en de verwaten Buckingham vergat te spotten; mannen, door welle-
vendheid evenzeer als door beschaafdheid en wereldkennis geschikt om de
gewetens der rijken en edelen te besturen; mannen, met welke Halifax gaarne
over de belangen van het koninkrijk sprak en van wie Dryden zich niet
schaamde te bekennen, dat hij had leeren schrijven J). De andere klasse was
tot harder en nederiger diensten bestemd. Zij was over het gansche land ver-
spreid en bestond hoofdzakelijk uit personen, die geenszins rijker en niet
veel meer verfijnd waren dan geringe pachters of huisbedienden Doch juist
bij deze dorpsgeestelijken, die slechts een schamel onderhoud in hun tiend-
schoven en tiendvarkens vonden, en niet de minste hoop mochten voeden
om ooit tot hooge geestelijke waardigheden op te klimmen, was de geestvan
den stand het sterkst. Onder de geestelijken, die de roem der hoogescholen
\') Nelson\'s Leven van Buil. Wat betreft de buitengemeene moeijelijkheid voor de
geestelijkheid ten platten lande om zich boeken te bezorgen, raadplege men het leven
van Tomas Bray, den stichter van de maatschappij tot uitbreiding van het Evangelie.
2) »Ik heb hem (I)ryden) dikwerf met genoegen hooien verklaren, dat, zoo liij eenige
bekwaamheid in het schrijven van engelsch proza had, hij zulks alleen daaraan te dan-
ken had. dat hij de schriften van den grooten aartsbisschop Tillotson dikwerf voorge-
lezen had." Congreve\'s Opdracht van Drydens tooneelstukkeu.
-ocr page 255-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
23l
en de wellust der hoofdstad heetten, en tot rijkdom en hoogen rang gekomen
waren of die zekerheid hadden daartoe te zullen geraken, vormde zich een
partij, aanzienlijk door haar getal en door haar karakter, die tot constitutio-
neele regeeringsbeginselen overhelde, die in goede verstandhouding met
presbyterianen, independenten en wederdoopers leefde, die gaarne volle
geloofsvrijheid aan alle protestantsche secten zoude hebben zien toekennen,
en zelfs in het wijzigen der liturgie toegestemd zoude hebben, ten einde eer-
lijke en oprechte nonconformisten te verzoenen. Maar de dorpspriester had
een afschrik van zulke vrijzinnige begrippen. Hij was inderdaad trotscher op
zijn versleten priesterrok, dan zijn superieuren op hun kamerrijksdoek en op
hun scharlaken hoeden. De bewustheid zelve, dat zijn tijdelijke omstandig-
heden slechts weinig verschilden van dieder dorpelingen, voor wie hij predikte,
deed hem de waardigheid van het priesterlijk ambt, waarop zijn eenige aan-
spraak op vereering gegrond was, bijna al te hoog aanslaan. Daar hij in
afzondering geleefd en weinig gelegenheid gehad had zijn denkbeelden door
lectuur en beschaafden omgang te verbeteren, bleef hij de stellingen van
het onomstootelijk erfrecht, van lijdelijke gehoorzaamheid en verwerping
van feitelijken tegenstand in al haar oorspronkelijke ongerijmdheid aankle-
ven en verbreiden. Langen tijd in een laffen oorlog tegen de dissenters
van den omtrek gewikkeld geweest, haatte hij hen maar al te dikwerf om
de verongelijkingen, die hij hun had aangedaan, en had op de vijfmijlen-wet
en op de wet tegen de Conventicles niets aan te merken, dan alleen, dat de
bepalingen dier hatelijke wetten niet streng genoeg waren. Alle invloed, dien
hij aan zijn ambt ontleende, werd met hartstochtelijken ijver ten behoeve der
Torypartij aangewend en die invloed was ontzaglijk. Het zou een groote
dwaling zijn te denken, dat de macht der geestelijkheid kleiner was dan
thans, omdat de dorpspredikant over het algemeen niet als gentleman be-
schouwd werd; omdat hij niet naar de hand vaneen der dochters uit het
heerenhuis durfde staan, omdat hij niet in de gezelschapskamer der grooten
gevraagd werd en men hem in het gezelschap van stalknechts en kelder-
meesters liet drinken en rooken. De invloed van een stand is geenszins
geëvenredigd aan de mate van achting, welke den leden van dien stand per-
soonlijk wordt toegedragen. Een kardinaal is een veel voornamer persoon
dan een bedelmonnik; maar het zou een schromelijke dwaling zijn te onder-
stellen, dat een college van kardinalen grooter invloed op de volkstemming
in Europa bezat, dan de orde van St. Franciscus. In Ierland bekleedt thans
een pair een veel hooger stelling in de maatschappij dan een roomsch-katho-
liek priester; nochtans zijn er in Munster en Connaught weinig graafschap-
pen, waar een verbond van priesters een verkiezing niet tegen een verbond
van pairs zou kunnen doordrijven. In de zeventiende eeuw was de kansel
voor een groot gedeelte der bevolking hetzelfde wat thans de periodieke
pers is. Van de boeren, die de kerk der gemeenten bezochten, zag
nauwelijks een enkele ooit een dagblad of een staatkundige brochure. Hoe
slecht hun geestelijke leidsman ook onderricht mocht zijn, nochtans was hij
beter onderleid dan zij; hij had wekelijks gelegenheid het woord tot hen
te voeren; en zijn toespraken werden nimmer wederlegd. In elk belangrijk
tijdsgewricht klonken smaadredenen tegen de Whigs en vermaningen om
-ocr page 256-
232
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
den Gezalfde des Heeren te gehoorzamen te gelijker tijd van vele duizenden
kansels en de uitwerking, die dit had, was inderdaad geducht. Onder de
oorzaken, die na de ontbinding van het parlement van Oxford de hevige
reactie tegen de uitsluitingsmannen te weeg brachten, schijnt de taal der
dorpsgeestelijkheid de voornaamste te zijn geweest.
DYwmïn.l\'r De invloed der landedellieden en der landgeestelijken in de bui-
tendistricten werd eenigermate opgewogen door dien der yeomanry, een bij
uitstek manhaftig en trouwhartig geslacht. De kleine landeigenaren, die hun
eigen velden bebouwden en in \'t genot van een matig bestaan waren, maak-
ten destijds, schoon zij niet boogden op het bezit van wapenschilden of
ridderteekenen en naar geen plaats op de bank des vrederechters dongen,
een veel belangrijker deel der natie uit dan thans. Zoo wij ons op de beste
statistieke schrijvers van dien tijd kunnen verlaten, dan moeten niet minder
dan honderd-zestig-duizend grondbezitters, die, met hun gezinnen meer dan
een zevende der bevolking uitmaakten, hun onderhoud uit kleine vrije grond-
bezittingen getrokken hebben. Het gemiddelde, in landrente, winst en werk-
loonen bestaande inkomen van deze kleine grondeigenaars werd op zestig tot
zeventig p. st. \'s jaars begroot. Men berekende, dat het aantal der personen,
die hun eigen land bebouwden, grooter was dan het aantal dergenen, die
land van anderen in pacht hadden \'). Een groot gedeelte der Yeomanry
had sedert den tijd der kerkhervorming tot puritanisme overgeheld, had
tijdens den burgeroorlog de zijde van het parlement gekozen, was na de
restauratie voortgegaan naar presbyteriaansche en independente predikers
te luisteren, had bij verkiezingen de uitsluitingsmannen met alle kracht
ondersteund en bleef nog zelfs na de ontdekking van het roggenhuis-komplot
en de vervolgingen tegen de aanvoerders der Whigs aan papisme en aan
onbeperkte macht, gevoelens van onverkoelde vijandschap toedragen.
De «eden. Hoe groot de verandering in het landleven in Engeland sedert de
restauratie geweest zij, de verandering, die in de steden heeft plaats gevon-
den, is evenwel nog verbazender. Tegenwoordig is meer dan een zesde ge-
deelte der natie in provincie-steden van meer dan dertig duizend inwoners
opeengehoopt. Tijdens de regeering van Karel II bevatte geen enkele
provincie-stad des rijks dertig duizend inwoners; en slechts vier provincie-
steden hadden een bevolking van tien duizend inwoners.
Bristoi. Het eerst na de hoofdstad, alhoewel slechts op ontzettenden afstand,
volgden Bristol, destijds de eerste engelsche zeehaven, en Norwich, toen de
voornaamste engelsche fabriekstad. Beiden zijn, sedert dien tijd door jon-
gere mededingsters verre overvleugeld; nochtans hebben beiden onbetwist-
baar groote vorderingen gemaakt. De bevolking van Bristol is verviervoudigd.
Die van Norwich heeft zich meer dan verdubbeld.
Pepys, die acht jaren na de restauratie Bristol bezocht heeft, werd door
den luister der stad getroffen. Maar zijn maatstaf was niet hoog; want
de bijzonderheid, dat men te Bristol naar alle kanten om zich heen kon
schouwen en niet anders zag dan huizen, merkte hij als een wonder aan. Het
schijnt, dat de gebouwen in geen andere plaats, die hij kende, behalve in
\') Ik heb de schatting van Davenant gevolgd, die kleiner is dan die van King.
-ocr page 257-
TOESTAND VAN ENGELAND IN l68j.
233
Londen, de bosschen en velden geheel en al aan het gezicht onttrokken.
Hoe groot Bristol destijds ook mocht schijnen, het besloeg toch slechts een
zeer klein gedeelte der oppervlakte, welke het nu omvat. Eenige weinige bij
uitstek schoone kerken rezen uit een doolhof van nauwe stegen omhoog, die
op niet al te hechte gewelven gebouwd waren. Als een koets of een kar
deze steegjes inreed, was er groot gevaar, dat ze tusschen de huizen beklemd
raakte of in de kelders doorzakte. Koopgoederen werden derhalve bijna
uitsluitend op hondenwagens in de stad rondgebracht en de vermogendste
inwoners vertoonden hun rijkdom niet door het uitrijden in vergulde koetsen,
maar door een stoet van rijkgekleede bedienden, die achter hen gingen in de
straten en door het houden van een wel voorziene tafel. De pracht der
doop- en begrafenisfeesten overtrof al wat in dien trant in andere plaatsen
gezien werd. De gastvrijheid dezer stad was heinde en verre beroemd,
vooral de festijnen, waar de suikerraffinadeurs hun gasten op onthaalden.
Het maal werd in het fornuis bereid en ging van een geurig brouwsel verzeld,
voornamelijk uit besten spaanschen wijn gemaakt en door het gansche land
bekend onder den naam van bristolsche melk. Deze weelde werd door
een levendigen handel met de noord-amerikaansche volkplantingen en met
de west-indische bezittingen gevoed. De hartstocht, waarmede de koloniale
handel gedreven werd, was zoo groot, dat er in gansch Bristol nauwelijks
een enkele kleine winkelier was, die niet eenig deel had in de lading van het
eene of andere schip, naar Virginië of de Antilles bestemd. Op sommige
dier ondernemingen evenwel viel weinig te roemen. Er was in de overzee-
sche bezittingen der Kroon groote behoefte aan arbeiders en in deze behoefte
werd gedeeltelijk door de voornaamste engelsche havens voorzien, door
middel van een stelsel van menschenroof en zielverkooperij. Nergens werd
dat stelsel zoo algemeen en op zoo uitgebreide schaal aangetroffen als te
Bristol. Zelfs de eerste overheidspersonen der stad schaamden zich niet in
dezen afschuwelijken handel hun voordeel te zoeken. Het aantal der huizen
schijnt, volgens de opgaven der haardgelden, in het jaar 1685, vijfduizend
drie honderd te zijn geweest. Wij kunnen nauwelijks onderstellen, dat het
gemiddelde aantal der bewoners van elk dier huizen grooter geweest zal zijn
dan in de huizen der City van Londen; en in de City van Londen telde men
destijds naar luid der zekerste berichten vijf-en-vijftig menschen op tien
huizen. De bevolking van Bristol moet derhalve ongeveer negen en-twintig
duizend zielen groot zijn geweest \').
\') Evelyn\'s Dagboek, 27 Juni 1654; Dagboek van Pepys, 13 Juni i60S; Roger
North\'s Levensbeschrijvingen van den lord-zegelbewaarder Guildford en van Sir Dudley
North; Petty\'s Politische rekenkunde. Ik hel) mij aan de opgaven van Petty gehouden,
doch mij, bij de daaruit afgeleide gevolgtrekkingen, door King en Davenant laten
leiden, die schoon niet bekwamer dan eerstgemelde, nochtans het voordeel hadden,
dat zij eerst na hem kwamen. Wat den menschenroof betreft, waardoor Bristol berucht
was, zie men North\'s Leven van Guildford, 121, 216, en de redevoering van Jeffreys
over dat onderwerp, in de onpartijdige geschiedenis van zijn leven en zijn dood, ge-
drukt bij het dagverhaal van de bloedige assises. Zijn stijl was ruw, als naar gewoonte;
maar ik kan hem de bestraffing, die hij den magistraat van Bristol gaf, niet onder zijn
misdaden toerekenen.
-ocr page 258-
234                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
Norwich. Norwich was de hoofdstad eener groote en vruchtbare landstreek,
het verblijf van een bisschop en een domkapittel en de hoofdzetel van den
voornaamsten nijverheidstak des rijks \'). Mannen, die uitmuntten door
geleerdheid en liefde voor de wetenschappen, waren daar in de jongste
tijden gevestigd geweest en met uitzondering der hoofdstad en der hooge-
scholen, had geen andere plaats in het koninkrijk zooveel aantrekkelijks
voor weetgierigen. De boekerij, het museum, de vogelkooi en de plantentuin
van Sir Thomas Browne, werden door leden der Koninklijke Maatschappij
een lange reize ten volle waardig geacht. Norwich bezat bovendien een hof
op kleinen voet. In het midden der stad stond een aloud paleis, behoorende
aan de hertogen van Norfolk en voor het grootste gebouw des rijks buiten
Londen gehouden. In dit paleis, waartoe een kaatsbaan, een grasperk voor
het kolfspel, benevens een wildernis langs de oevers van den Wansum be-
hoorden, hield het edele geslacht der Howards dikwijls zijn verblijf met een
luister, gelijk aan dien, waarvan kleine vorsten zijn omgeven. Ververschingen
werden den gasten toegediend in bekers van zuiver goud. Zelfs de tangen
en de aschschoppen waren van zilver. Schilderijen van italiaansche meesters,
versierden de muren. De kabinetten bevatten een schoone verzameling van
gesneden steenen, aangekocht door dienzelfden graaf van Arundel, wiens
verzameling van marmeren beeldhouwwerk thans onder de sieraden van
Oxford geteld wordt. Het was hier dat, in het jaar 1671, Karel en zijn hof
luisterrijk werden onthaald. Hier was het ook, dat jaarlijks alle gasten wel-
kom geheeten werden van het kerstfeest tot drie koningen-dag. Gansche
zeeën van ale vloeiden voor de geringe volksklasse. Drie koetsen, waarvan
een voor den prijs van vijf honderd pond was aangekocht en veertien per-
sonen kon bevatten, werden iederen middag door de stad gezonden om
dames naar de feesten te brengen en de danspartijen werden steeds door een
schitterend maal gevolgd. Als de hertog van Norfolk naar Norwich kwam,
werd hij begroet als een koning, die in zijn hoofdstad terugkeert. De klok-
ken der hoofdkerk en der kerk van St. Petrus Mancroft werden geluid en
het geschut van het kasteel gelost, terwijl de burgemeester en de aldermen
den doorluchtigen medeburger in staatsie gingen verwelkomen. De bevol-
king van Norwich bedroeg in 1693 volgens een werkelijke telling tusschen
acht en negen-en-twintig duizend zielen.
Ver beneden Norwich, maar evenwel hoog in aanzien en belangrijkheid
stonden eenige oude hoofdsteden van graafschappen. In dat tijdperk was het
een zeldzaamheid, dat een landedelman met zijn familie naar Londen ging.
De hoofdplaats van het graafschap was zijn ware hoofdstad. Somtijds koos
hij daar gedurende eenige maanden van het jaar zijn verblijf of werd in
allen gevalle dikwerf door zaken en uitspanningen, crimineele zittingen en
\') Reeds in de veertiende eeuw was de stad Norwich bekend door haar manufac-
turen van gebreide en gehaakte wollen goederen, welke nijverheidstak door Vlamingen
aldaar was ingevoerd. Onder de regeering van Elizabeth werd echter de bevolking der
stad vermeerderd door ruim vier duizend Hollanders, die, door de spaansche verdruk-
king uit het vaderland verdreven, daar een toevlucht zochten en de welvaart der stad
niet weinig deden toenemen, door er hun laken- en bombazijn-fabrieken te vestigen,
waardoor zij tevens aan gansch Engeland, waar de bloei dezer fabrieken later zoo zeer
toenam, een belangrijke dienst bewezen.
                                                        V.
-ocr page 259-
TOESTAND VAN ENGELAND IN I 685.                         235
zittingen der vrederechters, verkiezingen, wapenschouwingen der landweer,
feesten en wedrennen derwaarts gevoerd. Daar waren de zalen, waar de
rechters, in scharlaken gekleed en door spiesdragers en trompetters bege-
leid, twee maal \'sjaars \'s konings lastbrieven gingen openen. Daar waren
de markten, waar het koren, het vee, de wol en de hop der omliggende
streken te koop gebracht werden. Daar waren de groote jaarmarkten, die
door londensche kooplieden bezocht werden en waar de dorpswinkelier zich
zijn jaarlijkschen voorraad van suiker, papier, messenmakerswaren en netel-
doek aanschafte. Daar waren de winkels, waar de voornaamste families van
den omtrek kruidenierswaren en vrouwelijken opschik kochten. Sommige
van die plaatsen hadden haar aanzien te danken aan belangrijke historische
herinneringen, aan hoofdkerken, met al de kunst en pracht der middel-
eeuwen getooid, aan paleizen, waar een lange reeks van prelaten geleefd
hadden, aan omheinde plaatsen, omringd door de aloude woningen van
dekens en kanunniken en aan kasteelen, die oudtijds de aanvallen der
Nevilles en de Veres getrotseerd hadden en nog versche sporen droegen van
de vergelding, door Rupert of Cromwell geoefend.
A"dTte1d°»ï.indc\' Onder deze belangwekkende steden deden zich vooral York,
de hoofdstad van het noorden en Exeter, de hoofdstad van het westen op-
merken. Geen van beiden kan veel meer dan tien duizend inwoners gehad
hebben. Worcester, de koningin van het ciderland, telde er ongeveer acht
duizend; Nottingham waarschijnlijk een gelijk getal. Gloucester, beroemd
door de kloekmoedige verdediging, die voor Karel I noodlottig was geweest,
telde zeker tusschen de vier en vijf duizend zielen; Derby iets minder dan
vier duizend. Shrewsbury was de hoofdplaats van een uitgebreid en vrucht-
baar district. Het hof der grenzen van Walis werd daar gehouden \'). In de
taal van den landadel van vele mijlen in den omtrek werd met een reis naar
de stad een tocht naar Shrewsbury bedoeld. De fraaije vernuften en de
schoonheden der provincie bootsten, zoo goed zij konden, in de wandel-
dreven langs de Severn de manieren van St. James\'s park na. Het getal
der inwoners was ongeveer zeven duizend *).
■) Aan de grenzen (Marches) van Walis bestonden, even als aan die van Schotland,
speciale hoven, samengesteld uit de edellieden en overheidspersonen, aan wie de hand-
having vau rust en orde in die krijgszuchtige landstreken was toevertrouwd.
        V.
2) De bevolking van York schijnt, volgens de opgaven van doop- en sterflijsten in
Drake\'s geschiedenis, ten jare 1730, ongeveer dertien duizend te zijn geweest. Exeter
had in 1801 slechts 17000 inwoners. De bevolking van Worcester werd even vóór de
belegering van 1646 geteld. Zie Nash\'s Geschiedenis van Worcestershire. Ik heb de
vermeerdering in aanmerking genomen, die in den tijd van veertig jaren ondersteld mag
worden. In 1740 bevond men na telling, dat de bevolking van Nottingham juist tien
duizend inwoners bedroeg: zie Derings Geschiedenis. Hoe groot de bevolking van
Gloucester was, kan men gemakkelijk berekenen naar het getal der huizen, welke
King in de opgaven van het haardgeld vernield vond en van de doopen en begrafenis-
sen, die men in Atkyns Geschiedenis aantreft. De bevolking van Derby beliep in 1712
vier duizend hoofden. Zie Wolley\'s hss. Geschiedenis, aangehaald in Lysons Magna
Britannia. De bevolking van Shrewsbury werd 111 1695 geteld. Wat de vermakelijk-
heden te Shrewsbury aangaat, daaromtrent verwijzen wij naar Farquhars Werfofficier.
Farquhars beschrijving wordt bevestigd door een in de pepysiaansche bibliotheek
voorhanden volkslied, waarvan het refrein luidt: »Shrewsbury voor mij."
-ocr page 260-
2 36                               GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
De bevolking van al deze plaatsen heeft zich sedert de omwenteling meer
dan verdubbeld. De bevolking van sommige is verzevenvoudigd. De straten
zijn bijna geheel herbouwd. Leijen daken zijn in de plaats van rietdaken,
en baksteen in de plaats van timmerhout gekomen. Het plaveisel en de
verlichting, die in de voornaamste winkels ten toon is gesteld en de smaak-
volle weelde van de woningen der gentry zouden in de zeventiende eeuw als
wonderen zijn beschouwd. Evenwel is de betrekkelijke belangrijkheid der
oude hoofdsteden in de graafschappen geenszins wat ze vroeger was. Jongere
steden, steden, die in onze oude geschiedenis zelden of nooit vermeld zijn
en die geen vertegenwoordigers naar onze oude parlementen zonden, zijn
binnen het geheugen van nog levende personen tot een grootheid geklom-
men, welke het tegenwoordig geslacht met verbazing en trots, doch niet
zonder vrees en bezorgdheid tevens aanschouwt.
De voornaamste dezer steden intusschen, waren in de zeventiende eeuw
als vrij aanzienlijke zetels van nijverheid bekend. Ja zelfs werd haar rasse
vooruitgang en haar ontzettende rijkdom destijds wel eens beschreven in
bewoordingen, welke ieder, die haar tegenwoordige grootheid gezien heeft,
belachelijk voorkomen. Een der volkrijkste en voorspoedigste van die steden
Manchester, was Manchester. Het was door den protector uitgenoodigd een
vertegenwoordiger naar zijn parlement te zenden en wordt door schrij-
vers uit den tijd van Karel II vermeld als een bedrijvige en vermogende
stad. Katoen werd sedert een halve eeuw, van Cyprus en Smyrna, derwaarts
aangevoerd; maar de manufacturen waren nog in hun kindsheid. Whitney
had nog niet geleerd, op welke wijze de ruwe grondstof in bijna fabelachtige
hoeveelheden kan worden voortgebracht; Arkwright nog niet, hoe die grond-
stof met bijna tooverachtigen spoed en verrassende gelijkmatigheid ver-
werkt kan worden. De gansche jaarlijksche invoer bedroeg op het einde
der zeventiende eeuw nog geen twee millioen pond, een hoeveelheid, waar-
mede men thans nauwelijks gedurende acht-en-veertig uur zou volstaan.
Die wonderbare handelstad, welker bevolking en rijkdommen die van
beroemde hoofdsteden als Berlijn, Madrid en Lissabon overtreffen, was
destijds een geringe en slecht gebouwde marktstad, nauwelijks zes duizend
inwoners tellende. Zij bezat toen nog geen enkele drukpers. Thans houdt
zij een honderdtal drukkerijen bezig. Zij had destijds geen enkele koets.
Thans geeft zij twintig rijtuigmakers handenvol werk \').
: Le«d». Leeds was reeds de hoofdzetel der wolmanufacturen van Yorkshire;
maar de bejaarde inwoners konden zich nog den tijd herinneren, dat het
eerste baksteenen huis gebouwd werd, toen en nog lang daarna het roode
huis genaamd. Zij boogden luide op hun toenemende welvaart en op de
alleraanzienlijkste lakenverkoopingen, die onder den vrijen hemel, op de
brug, gehouden werden. Honderden, ja duizenden ponden werden in den
\') Blome\'s Britannia, 1673; Aikin, de OmstrekeD van Manchester; Adresboek van
Manchester, 1845; Baines, Geschiedenis der Katoen-manufactuur. De beste in-
lichtingen, die ik ten aanzien der bevolking vau Manchester in de zeventiende eeuw
heb kunnen vinden, zijn vervat in een geschrift van den eerwaarden heer R. Parkinson
en in het licht gegeven in het dagblad der Maatschappij voor Statistiek, van de
maand October 1842.
-ocr page 261-
237
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
loop van een enkelen drukken marktdag in gereed geld betaald. Het
toenemend gewicht van Leeds had reeds de aandacht van verscheiden
op elkander gevolgde besturen tot zich getrokken. Karel I had der stad
municipale vrijheden geschonken. Cromwell had haar uitgenoodigd een lid
naar het Huis der Gemeenten te zenden. Maar uit de opgaven van de haard-
gelden schijnt met zekerheid te kunnen worden opgemaakt, dat de gansche
bevolking van het kiesdistrict, een uitgestrekte landstreek, die vele gehuch-
ten bevat, onder de regeering van Karel II het getal van zeven duizend niet
te boven ging. In 1 841 waren er meer dan honderd vijftig duizend \').
sheBeid. Ongeveer een dagreis ten zuiden van Leeds aan de grenzen eener
woeste en moerassige landstreek lag een aloud leen, bekend onder den
naam van Hallamshire, dat zich thans in een bloeijenden staat bevindt, doch
destijds nog geheel onbebouwd en open lag. IJzer werd er in overvloed
aangetroffen en de daar vervaardigde knipmessen werden reeds in zeer
oude tijden in alle oorden van het koninkrijk verkocht. Inderdaad, reeds
Geoffrey Chaucer spreekt er van in een zijner «Verhalen van Canter-
bury". Doch deze tak van nijverheid schijnt in de drie eeuwen, die op zijn
tijd volgden, weinig vordering te hebben gemaakt; wellicht moet de oorzaak
dier kwijning gezocht worden in de omstandigheid, dat deze handel gedu-
rende nagenoeg dit gansche tijdvak onderworpen was aan de bepalingen,
welke de leenheer en zijn hof goedvonden voor te schrijven. De fijnere
soorten van messenmakerswerk werden in de hoofdstad vervaardigd of van
buiten \'s lands ingevoerd. Ja, eerst onder de regeering van George III hiel-
den de engelsche heelmeesters op de uitermate fijne instrumenten, die tot
heelkundige verrichtingen gebezigd worden, uit Frankrijk te ontbieden. De
smederijen van Hallamshire waren grootendeels in een enkel marktvlek ver-
eenigd, in de nabijheid van het kasteel des eigenaars ontstaan en tijdens de
regeering van Jakobus I een bijzonder armoedige plaats, die omstreeks twee
duizend inwoners bevatte, waarvan een derde gedeelte uit halfverhongerde
en halfnaakte bedelaars bestond. Uit de gemeenteregisters schijnt met zeker-
heid te kunnen worden opgemaakt, dat de bevolking, op het einde der
regeering van Karel II nog geen vier duizend zielen bedroeg. De gevolgen van
een arbeid, die voor de gezondheid en de kracht van het menschelijk lichaam
bijzonder nadeelig is, vielen elk reiziger dadelijk in het oog. Zeer vele van
de inwoners hadden verdraaide ledematen. Dit is hetzelfde Sheffield, dat
thans met zijn toebehooren honderd twintig duizend zielen bevat en zijn
voortreffelijke messen, scheermessen en lancetten naar alle deelen der wereld
uitzendt s).
Birmingiiam. Birmingham werd nog van geen voldoend belang geacht om in
Oliviers parlement afzonderlijk vertegenwoordigd te worden. Evenwel vorm-
den de fabrikanten van Birmingham reeds een bedrijvige en welvarende
klasse. Zij roemden, dat hun ijzerwaren wel is waar, niet zoo als thans,
\') Thoresby\'s Ducatus Leodensis; Whitakers Loidts en Elmete; Wardells Mu-
nicipale Geschiedenis van het kiesvlek Leeds (1848). In 1851 had Leeds 172,000
inwoners (1857).
*) Hunters Geschiedenis van Hallamshire. In 1857 was de bevolking van Sheffield
tot 135,000 aangegroeid (1857).
-ocr page 262-
23 8                             GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
te Peking en Lima, in Bokhara en Tombouktou, maar dan toch in Londen
en zelfs tot in Ierland zeer op prijs gesteld werden. Een minder eervollen
naam hadden zij zich als valsche munters gemaakt. Zinspelende op hun
valsche zilverstukken had de Torypartij den spotnaam van Birminghams
gegeven aan de demagogen, die een huichelachtigen ijver voor het papisme
aan den dag legden. Evenwel in 1685, bedroeg de bevolking, die thans
weinig minder dan tweemaal honderd duizend zielen groot is, geen volle vier
duizend. Birminghamsche knoopen begonnen pas in trek te komen; van
Birminghamsche geweren had men nog niet gehoord; en de plaats, waar
twee geslachten later de prachtige uitgaven van Baskerville verschenen,
die de bewondering van alle boekverzamelaars van Europa wegdroegen,
bevatte geen enkelen gevestigden boekwinkel, waar men ook slechts een
bijbel of een almanak zou hebben kunnen koopen. Op marktdagen kwam
een boekverkooper, Michel Johnson genaamd, de vader van den grooten
Samuel, uit Lichfield over, en sloeg voor weinig uren een stalletje op.
Deze aanvoer van lettervoorraad bleef langen tijd voldoen aan de bestaande
behoefte \').
Deze vier hoofdzetels onzer groote nijverheidstakken verdienden een
afzonderlijke vermelding. Het zou vermoeijend zijn, wilden wij hier verder al
de volkrijke en welgestelde plaatsen opnoemen, die honderd vijftig jaar ge-
leden nog gehuchten waren zonder parochiekerk of zelfs nog maar onbe-
woonde moerassen, het verblijf alleen van korhoenders en wilde herten.
Niet minder belangrijk is de verandering, die de toestand der havenplaatsen
onderging, door welke de voortbrengselen der engelsche weefgetouwen en
Liverpooi- smederijen over de geheele wereld worden verspreid. Liverpool be-
vat thans ongeveer driemaal honderd duizend inwoners. De schepen, die in
haar haven worden ingeschreven, meten tusschendevier en vijfmaal honderd
duizend ton. Herhaaldelijk werden in een enkel jaar in haar tolhuis
driemaal grooter sommen voldaan, dan het gansche inkomen der engelsche
Kroon in 1685 bedroeg. De ontvangsten van haar postkantoor overtreffen,
zelfs nog, sedert de groote vermindering van het port, de som, welke de
posterijen van het geheele koninkrijk den hertog van York opbrachten. Haar
onmetelijke dokken, kaden en pakhuizen behooren tot de wonderen der
wereld en nog schijnen zij voor den reusachtigen handel der Mersey nauwe-
lijks toereikend; reeds ziet men aan de overzijde der rivier een wedijverende
stad in snelle vaart verrijzen. In de dagen van Karel II sprak men van Liver-
pool als van een stad, die in haar opkomst was, in den jongsten tijd groote
vorderingen had gemaakt en een winstgevend verkeer met Ierland en met
de suikerkoloniën onderhield. De opbrengst der belastingen was binnen
\') Dugdales Warwickshire; Blome\'s Britannia, 1673; North\'s Examen, 321; ^oor-
rede tot Absalom en Achitophel; Huttuus Geschiedenis van Birmingham; ISoswells
Leven van Johnson. In 1690 was het getal der begrafenissen te Birmingham 150, der
doopen 125. Ik acht waarschijnlijk, dat de jaarlijksche sterfte een op de vijf en
twintig bedroeg. Te Londen was ze aanmerkelijk grooter. Een geschiedschrijver van
Nottingham roemde een halve eeuw later de buitengewone gezondheid dier plaats,
waar de jaarlijksche sterfte één van de dertig bedroeg; zie Derings Geschiedenis
van Nottingham (1848). In 1851 was de bevolking van Birmingham tot 232,000 ver-
meerderd.
-ocr page 263-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
239
den tijd van zestien jaren achtmaal grooter geworden en bedroeg de voor
dien tijd verbazende som van vijftien duizend p. st. \'s jaars. De bevolking
evenwel kan nauwelijks grooter dan vier duizend zielen zijn geweest. De
scheepsruimte bedroeg ongeveer veertien honderd ton, minder dan de
tonnemaat van een enkelen hedendaagschen oostindievaarder; en het ge-
heele getal der in de haven behoorende zeelieden kan op niet meer dan twee
honderd begroot worden \').
Badplaatsen. Zoodanig was de vooruitgang dier steden, waar rijkdommen ge-
schapen en opgestapeld worden. Niet minder snel is de vooruitgang geweest
van steden van een geheel andere soort, steden, waar rijkdommen, elders
gewonnen en verzameld, vermaaks- en gezondheidshalve worden verteerd.
Eenige der merkwaardigste van die steden zijn eerst sedert den tijd der
Chpltenham. Stuarts ontstaan. Cheltenham is thans een grooter stad, dan in de
zeventiende eeuw, met uitzondering van Londen, in het gansche koninkrijk
te vinden was; terwijl in de zeventiende eeuw, door lokale geschiedschrijvers,
van Cheltenham werd gewaagd als van een land-gemeente, gelegen onder de
heuvelen van Cotswold, met goed bouw- en weiland. Koren groeide en
vee weidde op den grond, die thans met die vroolijke reeks van straten en
Britton, lusthuizen is bedekt s). Brighton werd beschreven als een plaats, die
eenmaal welvarend was geweest, veel kleine visschersvaartuigen had ge-
had en in haar voorspoedigste tijden ruim twee duizend inwoners had ge-
teld, doch die toen met reuzenschreden haar verval te gemoet ging. De zee
begon al meer en meer de gebouwen te sloopen, die eindelijk bijna geheel
verdwenen. Voor negentig jaren had men nog de ruïnen van een oud fort
onder de kiezels en het zeegras van het strand kunnen zien liggen, en hoog-
bejaarden wisten nog de sporen van fondamenten aan te wijzen daar, waar
een straat van meer dan honderd visschershutten door de golven was ver-
slonden. Zoo verlaten was de plek na deze ramp, dat men de predikants-
plaats nauwelijks de moeite waardig keurde om er naar te dingen. Eönige
weinige visschers echter bleven hun netten op die klippen drogen, waar
thans een stad, tweemaal grooter en volkrijker dan het Bristol der Stuarts,
mijlen achtereen haar lachende en grillige gedaante in de zee spiegelt 3).
Buxton. Engeland was evenwel in de zeventiende eeuw niet geheel zonder
badplaatsen. De landadel van Derbyshire en de naburige graafschappen ging
naar Buxton, waar hij, in lage houten loodsen bijeengedrongen, onthaald
werd op haverkoeken en op een vleeschsoort, door de herbergiers schapen-
vleesch genoemd, schoon \'t bij de gasten onder zware verdenking lag van
hondenvleesch te zijn 4). Slechts één goed huis stond dicht bij de bron.
\'"wïii1?0 Tunbridge Wells, niet meer dan een dagreis van de hoofdstad en in
een der rijkste en meest beschaafde deelen van het koninkrijk gelegen, had
\') Blome\'s Britannia; Gregsons Oudheden van het paltzgraafschap en hertogdom
Lancaster, Deel II, Petitie van Liverpool in het geheimraadsboek, 10 Mei 1686. In
1690 was het getal der begrafenissen te Liverpool 151, der doopen 120. In 1844 be-
droeg de zuivere opbrengst der tollen te Liverpool 4,365,526 p. sh. 1 st. 8 p. (1848).
In\' 1851 telde Liverpool 375,000 inwoners (1857).
*) Athyns\' Gloucestershire.
•) Magna Britannia Grose\'s Oudheden. Adresboek van New-Btighthelmstone. 1770.
") Tocht door Derbyshire door Thomas Browr.e, zoon van sir Thomas.
-ocr page 264-
1\\0                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
veel meer aanlokkelijks. Thans vinden wij daar een stad, die, voor honderd
zestig jaar, in volkrijkheid de vierde of vijfde stad van Engeland zou ge-
weest zijn. De pracht der winkels en de weelde der woonhuizen overtreft
verreweg al wat destijds in Engeland te zien was. Toen het Hof, kort na de
restauratie, Tunbridge Wells bezocht, was daar geen stad; maar op een
mijl afstands van de bron stonden landhuisjes een weinig zindelijker en
fraaijer dan de gewone boerenhutten van dien tijd, hier en daar over de
heide verspreid. Sommige dezer hutten waren beweegbaar en werden op
sleden van de eene naar de andere zijde van het oord vervoerd. Naar deze
hutten kwamen des zomers wel eens de mannen van de mode om, het geraas
en den rook van Londen moede, versche lucht te scheppen en een zweem
van het buitenleven te genieten. Gedurende het badsaizoen werd bij de bron
een dagelijksche markt gehouden. De vrouwen en dochters der Kentsche
pachters kwamen uit de naburige dorpen, met room, kersen, lijsters en kwar-
tels. Met haar te keuvelen en te dartelen, haar stroohoeden en kleine voetjes
te prijzen, was een aangenaam tijdverdrijf voor wellustelingen, die het ge-
kunstelde schoon van tooneelspeelsters en hofdames beu waren. Mode-
maaksters, galanteriekramers en juweliers kwamen van Londen derwaarts
en sloegen onder het groen een bazar op. In de eene kraam kon de liefheb-
ber van staatkunde zijn koffie en londensche courant vinden; in eene andere
waren spelers in het hazardspel verdiept; en, bij schoon avondweder waren
de vioolspelers gereed en werden op de veerkrachtige zoden van het gras-
perk moorsche dansen opgevoerd. In 1685 was juist onder de bezoekers
der bronnen, een inteekening voor den opbouw eener kerk geopend, welke de
Torys, die destijds overal den toon gaven, niet anders wilden noemen dan
de kerk van St. Karel den Martelaar \').
Batb. Doch de eerste en voornaamste der engelsche badplaatsen buiten
eenige vergelijking was Bath. De bronnen dier stad hadden reeds sedert de
dagen der Romeinen groote vermaardheid genoten. Zij was gedurende vele
eeuwen de zetelplaats van een bisschop geweest. De zieken stroomden er
uit alle deelen des rijks heen. De koning hield er somwijlen zijn hof. Des-
niettemin was Bath destijds slechts een doolhof, bestaande uit vier of vijf
honderd huizen, die in de nabijheid der rivier de Avon binnen een ouden
muur opgedrongen waren. Er zijn nog afbeeldingen voorhanden van sommige
der huizen, welke voor de schoonste werden gehouden; zij hebben veel over-
eenkomst met de gemeenste lorrenwinkels en kroegen der Radcliffestraat.
Zelfs toen reeds klaagden de reizigers over de engte en haveloosheid der
straten. De schoone stad, die de oogen bekoort, welke de meesterstukken
van Bramante en Palladio hebben aanschouwd en die door het genie van
Anstey en Smollett, Francisca Burney en Jane Austen tot klassieken
bodem verheven is, bestond destijds nog niet. Zelfs de Milsomstraat was
nog een open veld, ver buiten de muren der stad gelegen en de plek, die
thans door de halve maan en den circus bedekt is, was toen met boomheg-
gen doorsneden. De arme patiënten, wien het gebruik der wateren was
\') Gedenkschriften van Crammont; Hasteds Geschiedenis van Kent; Tunbridge-
Wells, Blijspel, 1678, Caustons Tunbridgialia, 1688. Metellus, een gedicht op Tun-
bridge-Wells; 1693.
-ocr page 265-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
241
aangeraden, lagen op stroo in een verblijf, dat, om de woorden van een ge-
neesheer van dien tijd te bezigen, meer op een schaapskooi dan op een
menschelijke woning geleek. Wat het gemak en de weelde betreft, welke de
huizen van Bath aan aanzienlijke reizigers boden, die zich gezondheids- of
vermaakshalve derwaarts begaven, dienaangaande bezitten wij vollediger en
uitvoeriger berichten dan over het algemeen ten aanzien van zulke onder-
werpen verkrijgbaar zijn. Een schrijver, die ongeveer zestig jaar na de
revolutie een beschrijving van die stad uitgaf, heeft de veranderingen, die
in zijn tijd plaats grepen, nauwkeurig beschreven. Hij verzekert ons dat,
in zijn jonge jaren, de heeren, die het bad bezochten, in kamers sliepen,
nauwelijks zoo goed als de zoldervertrekjes, die hij in later jaren door
bedienden zag betrekken. De vloeren van de eetzalen waren naakt en
werden met een bruin sop uit bier en roet gemengd bestreken om de
morsigheid te verbergen Geen enkel beschot was beschilderd. Geen enkele
haard of schoorsteenmantel was van marmer. Een plaat van gewonen
hardsteen en een haardstel, dat van drie tot vier shilling gekost had,
werden voor elke stookplaats voldoende geacht. De beste vertrekken waren
met grove wollen stof behangen en met matten stoelen gestoffeerd. Lezers,
die in den vooruitgang der beschaving en der nuttige kunsten eenig belang
stellen, zullen den bescheiden plaatsbeschrijver, die deze bijzonderheden
heeft opgeteekend, dank weten. ja. wellicht zouden zij wenschen, dat ge-
schiedschrijvers van veel verhevener aard nu en dan eenige bladzijden,
aan krijgsbeschrijvingen en staatkundige kuiperijen gewijd, bekort hadden,
ten einde ons te onderrichten, hoe de spreek- en slaapkamers onzer voor-
ouders er uitzagen \').
Londen. Londen bekleedde in de tijden van Karel II tegenover andere
steden een veel hooger plaats dan thans. Immers, de bevolking van Londen
is weinig meer dan zesmaal grooter dan die van Manchester of van Li verpool.
In de dagen van Karel II bedroeg de bevolking van Londen ruim zeventien
maal meer dan die van Bristol of van Norwich Er bestaat, gelooven wij,
geen tweede voorbeeld van een groot koninkrijk, welks eerste stad ruim
zeventienmaal grooter is geweest dan de tweede. Men heeft grond om aan
te nemen, dat Londen in 1685, sedert ongeveer een halve eeuw, de volk-
rijkste hoofdstad van Europa was geweest. Het getal der inwoners, dat
thans ten minste een millioen negen maal honderd duizend beloopt, bedroeg
destijds waarschijnlijk niet veel meer dan een half millioen 2). In de gansche
wereld had Londen voor den handel slechts een enkele thans sedert lang
verre overtroffen mededingster. het machtige en rijke Amsterdam. Engelsche
schrijvers roemden op het woud van masten en stengen, dat van de brug tot
den Tower de rivier bedekte en op de ontzaglijke sommen, die aan het
\') Zie Woods Geschiedenis van Bath, 1749; Evelyns Dagboek, 27 Juni 1654. Dag-
boek van Pepys. 12 Juni 1668; Stukeley\'s Itinerarium Curiosum: Collinsons Somer-
setshire; Dr Peirce\'s Geschiedenis en Gedenkwaardigheden van Bath, 1713, boek 1,
hoofdst. VIII. 2e noot, 1684. Ik heb verscheideu oude kaarten en afbeeldingen van
Bath geraadpleegd en vooral een merkwaardige kaart, die door afbeeldingen van de
voornaamste gebouwen omringd is. Zij draagt de jaarteekening van 1717.
2) Volgens King, vijf honderd dertig duizend (1848). In 1851 was de bevolking
van Londen boven de 2,300,000 (1857).
MACAULAY I.
16
-ocr page 266-
242                                    GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
tolhuis in de Theemsstraat ontvangen werden. Het lijdt inderdaad geen
twijfel, of de handel der hoofdstad was toen, in verhouding tot dien van het
gansche overige koninkrijk beschouwd, .veei grooter dan heden; evenwel,
de argelooze grootspraak onzer voorouders moet aan ons geslacht bijkans
komisch voorkomen. De scheepsruimte. die zij destijds voor ongeloofelijk
groot aanzagen, schijnt in \'t geheel slechts zeventig duizend ton te heb-
ben bedragen. Dit was toen inderdaad meer dan een derde der scheepruimte
van het gansche koninkrijk, maar is tegenwoordig minder dan een vierde
gedeelte der scheepsruimte van Newcastle en weinig meer dan de tonnelast
der stoombooten op den Theems. De tolrechten van Londen brachten des-
tijds ongeveer drie honderd dertig duizend p. st. op. In onzen tijd bedragen
de rechten, die jaarlijks tezelfder plaats voldaan worden, meer dan tien
millioen \').
Wie een blik slaat op de kaarten van Londen omstreeks het einde der
regeering van Karel II in het licht gegeven, zal zien, dat destijds nog slechts
de kern der thans bestaande hoofdstad aanwezig was. De stad strekte zich
niet, gelijk nu, door onmerkbare overgangstrappen tot in het landschap uit.
Nog zag men geen lange rijen landhuizen, door seringen en goudenregens
versierd, die van het groote middelpunt van rijkdom en beschaving tot
bijna over de grenzen van Middlesex en tot diep in het hart van Kent en
Surrey reikten. Aan de oostzijde was nog geen enkel van de ontzaglijke
rij van pakhuizen en kunstmatige meren ontworpen, die zich thans van
den Tower tot Blackwall uitstrekken. Aan de westzijde bestond nog nauwe-
lijks een enkele dier reeksen van statige bouwwerken, die door rijken en
edelen bewoond worden; en Chelsea, thans door meer dan veertig duizend
menschen bevolkt, was een stil landelijk vlek met ongeveer een duizendtal
inwoners l). Ten noorden weidde het vee en kruisten jagers met honden en
geweren over de plek, waar thans het district van Marylebone staat en over
verre het grootste gedeelte van den grond, die thans door de districten van
Finsbury en der Tower Hamlets bedekt is. Islington was bijna eenzaam;
en de dichters vergeleken gaarne de stilte en rust daar met de drukte en het
gewoel van het monsterachtig groote Londen \'). Ten zuiden is de stad
thans met haar voorstad verbonden, door middel van verscheiden bruggen,
die in grootsche pracht en duurzaamheid voor de stoutste werken der Caesars
niet onderdoen. In 16S5 werd de scheepvaart belemmerd door een enkele
lijn van onregelmatige bogen, bedekt met schamele en bouwvallige huizen
en op een de barbaren van Dahomey waardige wijze met twintigtallen van
vermolmde hoofdschedels bezet *).
\') Macphersou, Geschiedenis des handels; Chalmers lïegrooting; Chamberlayne\'s
Staat van Engeland, 16S4. De betonning der tot de haven van Londen behoorende
stoombooten bedroeg, op het einde van 1847, ongeveer zestig duizend ton. De
rechten, aldaar van 1842 tot 1S45 ontvangen, bedroegen nagenoeg elf millioen p. st.
\'s jaars.
2)  Lysons Omstreken van Londen. De doopen te Chelsea, van 1680 tot 1690, waren
slechts twee-en-veertig in het jaar.
3)  Cowley, Verhandeling over de eenzaamheid.
*) De hoofden van ter dood gebrachte staatsmisdadigers en moordenaars werden
daar ten toon gesteld.
-ocr page 267-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
243
De city. Het belangrijkst gedeelte van Londen was de eigenlijke City of
binnenstad. Tijdens de restauratie bestonden haar gebouwen grootendeels
uit hout en kalk. De weinige klinkers, die gebezigd werden, waren slecht
gebakken; de winkels, waar de goederen te koop geboden werden, reikten
tot ver in de straten en de bovenste verdiepingen staken er nog verder over
uit. Enkele voorbeelden van dezen bouwtrant zijn thans nog te zien in de
wijken, die door den grooten brand niet bereikt werden. ! >ie brand had
binnen weinige dagen tijds een oppervlakte van niet veel minder dan een
vierkante mijl met de puinhoopen van negenentachtig kerken en dertien
duizend huizen bedekt. Doch de stad was weder verrezen met een spoed,
die de bewondering van naburige landen opwekte. Ongelukkigerwijze was
de vroegere afmeting der straten grootendeels behouden gebleven. En die
afmeting, oorspronkelijk ontworpen in een tijdperk, dat zelfs vorstinnen haar
reizen te paard aflegden, was dikwijls te eng om voertuigen met raderen
elkander gemakkelijk te laten voorbij rijden en derhalve slecht berekend
voor het verblijf van vermogende lieden in een tijd, dat een koets met zes
paarden geen zeldzame weelde was De bouwstijl was echter veel beter dan
die der City, welke in de vlammen was vergaan. De gewone bouwstof was
baksteen van veel beter hoedanigheid, dan men vroeger gebezigd had. Op
de grondslagen der voormalige parochie-kerken, waren een aantal nieuwe
koepels, torens en naalden ontstaan, die den stempel droegen van Wrens
vruchtbaar genie. Op een enkele plek na, waren de sporen der groote ver-
nieling overal volkomen uitgewischt. Daar alleen zag men nog de talrijke
werklieden, de hooge steigers en de massa\'s gehouwen steen, waar de
schoonste der protestantsche tempels, op de ruïnen der oude hoofdkerk van
St. Paul, langzaam uit de assche verrees \').
Het eigenaardig karakter der City is sedert dien tijd geheel veranderd.
Tegenwoordig begeven zich de bankiers, de kooplieden en de voorname
winkeliers, zes morgens van iedere week, derwaarts, om hun handelszaken
te verrichten; maar zij wonen in andere gedeelten der hoofdstad, of inde
buitenwijken, in landhuizen, omringd van heesters en bloemtuinen. Deze
omkeer in de gewoonten van bijzondere persontn heeft een staatkundige
verandering ten gevolge gehad, die van niet gering belang is. De City
boezemt thans aan de rijkste handelaren die gehechtheid niet meer in, die
elk een voor zijn t\'huis is aangeboren. Zij is in hun gemoed niet meer
saamgeweven met herinneringen aan het gezellige familieleven en huiselijke
vreugd. Het hoekje aan den haard, de kinderkamer, de prettige tafel, het
stille rustbed zijn daar niet. De Lombardstraat en de Threadneedlestraat
zijn plaatsen, waar de menschen slechts arbeiden en schatten vergaren. Zij
gaan elders om te genieten en uit te geven. Des zondags of des avonds, na
\') De volledigste en geloofwaardigste berichten, betreffende den toenmaligen staat
der gebouwen van Londen, kan men in de kaarten en teekeningen in het britsche
museum en in de pepysiaansche bibliotheek vinden. Van de slechte hoedanigheid der
gebakken steenen wordt in de reizen van den groothertog Cosmus bijzondere vermel-
ding gemaakt. Een bericht over de werken aan de St. Pauls kerk vindt zich ook in
Ward\'s Bespieder van Londen. Ik schaam mij bijna zulk een ellendig samenraapsel
aan te halen, maar ik ben verplicht geweest tot het opzoeken van bouwstoffen, zelfs,
zoo mogelijk nog lager af te dalen.
-ocr page 268-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
244
de uren, die tot het verrichten van handelszaken bestemd zijn, zijn sommige
straatjes en stegen, die nog kort te voren door duizenden gejaagde voetstap-
pen en bezorgde aangezichten verlevendigd werden, zoo stil als de lanen van
een bosch. De hoofden der handelswereld zijn niet meer burgers der City.
Stedelijke eereambten en plichten worden door hen vermeden, ja bijkans
versmaad. Die eereambten en plichten worden aan mannen overgelaten, die,
schoon in hun kring nuttig en zeer achtingswaardig, slechts zelden tot die
vorstelijke handelshuizen behooren, welker namen in de gansche wereld
vermaard zijn.
In de zeventiende eeuw was de City de woonplaats van den koopman. De
woningen der voorname burgers van den ouden tijd, die nog bewaard zijn
gebleven, zijn thans tot kantoren en pakhuizen ingericht; doch het is blijk-
baar, dat zij oorspronkelijk in pracht niet onderdeden voor de woningen,
waarin destijds de adel huisde. Zij staan somtijds op afgelegen en donkere
binnenplaatsen en zijn slechts door ongemakkelijke stegen te naderen;
toch zijn zij groot van omgang en statig van uitzicht. De ingang is met
rijk gebeeldhouwde pilaren en deurstijlen versierd Den trappen en landing-
plaatsen ontbreekt \'t niet aan een grootsch aanzien. De houten vloeren zijn
dikwerf op fransche wijze ingelegd Het paleis van Sir Robert Clayton, in de
oude jodenstraat, bevatte een prachtige eetzaal, met cederhout beschoten
en versierd met al fresco geschilderde tafereelen van den strijd der goden
en reuzen \'). Sir Dudley North besteedde aan de rijke stoffeering zijner ge-
zelschapszalen in de Basinghallstraat, vier duizend pond sterling, een som, die
destijds zelfs voor een hertog van belang geweest zoude zijn \'). In zulke ver-
blijven leefden de hoofden der groote firma\'s ten tijde der laatste Stuarts,
in pracht en gastvrijheid. Zij waren door de krachtigste banden van belang
en van liefde aan de plaats van hun verblijf verbonden. Daar hadden zij hun
jeugd doorgebracht, vriendschapsbanden aangeknoopt, het hof aan hun
vrouwen gemaakt, hun kinderen zien opgroeijen ; daar hadden zij de stoffe-
lijke overblijfselen hunner ouders ter ruste gelegd; daar hoopten zij zelve
eenmaal te zullen rusten. Dat vurig patriotisme, dat voornamelijk eigen is
aan de leden van maatschappijen, die in een enge ruimte opeengedrongen
zijn, werd onder zulke omstandigheden sterk ontwikkeld. Londen was voor
den Londenaar wat Athene voor den Athener der eeuw van Pericles,
wat Florence vo;r den Florentijn der vijftiende eeuw was. De burger was
trotsch op de grootheid zijner stad, streng in de handhaving harer aan-
spraken op eerbetoon, begeerig naar haar ambten en naijverig op haar pri-
vilegiën.
Op het einde der regeering van Karel II ging de trots der Londenaars nog
steeds gebukt onder een wreedaardige vernedering. De oude handvesten
waren hun ontnomen en het stedelijk bestuur was gewijzigd. Alle stedelijke
beambten waren Tories; en de Whigs zagen zich, schoon in aantal en rijk-
dom hun tegenstanders overtreffende, van alle plaatselijke waardigheden
uitgesloten. Evenwel werd de uiterlijke glans der stedelijke regeering door
\') Evelyns Dagboek, 20 September 1672.
* I Roger North\'s Leven van sir Dudley North.
-ocr page 269-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                            245
deze verandering niet verminderd, maar veeleer vermeerderd. Want onder
het bestuur van enkele puriteinen, die onlangs aan het roer gestaan hadden,
was de aloude roem der stad voor de goede sier, die er gehouden werd,
merkelijk gedaald; onder de nieuwe overheidslieden daarentegen, die tot
een meer feestlievende partij behoorden en aan wier tafels zich dikwijls
aanzienlijke en voorname gasten van buiten Temple-bar vertoonden, werden
het raadhuis {Guildhall) en de gebouwen der groote maatschappijen \') door
prachtige gastmalen verlevendigd. Bij deze gastmalm werden lofdichten op
den koning, den hertog en den maire, door den poëetlaureaat der corporatie
vervaardigd, onder begeleiding van muziek gezongen. Men dronk veel, men
jubelde luid. Een Tory, die dikwerf als belangstellend toeschouwer deze
gelagen bijgewoond had, heeft de opmerking gemaakt, dat het gebruik om
na het uitbrengen eener gezondheid hoezee te roepen, uit dit vroolijk tijd-
perk dagteekent \').
De pracht, die door den eersten overheidspersoon der stad ten toon ge-
spreid werd, was bijna koninklijk, schoon de vergulde koets, die nu jaarlijks
door de menigte bewonderd wordt, destijds nog geen deel uitmaakte zijner
staatsie. Bij groote gelegenheden verscheen hij te paard, begeleid door een
stoet, die in pracht alleen voor dien onderdeed, die den souverein van
den Tower naar Westminster verzelde. De lord-maire verscheen in het
openbaar nooit zonder zijn prachtigen tabbaard, zwart fluweelen hoed,
gouden ketting, juweelen en groot gevolg van voorloopers en lijfwachten 3).
Ook vond de wereld niets bespottelijks in de praal, die hem omgaf.
Immers zij was slechts geevenredigd aan het standpunt, dat hij, als hand-
haver der macht en als vertegenwoordiger der grootheid van Londen,
geroepen was in den staat in te nemen. Deze stad, die niet slechts zonder
wedergade was, doch waar zelfs geen andere mee kon vergeleken worden,
had toen sedert vijf en veertig jaar een bijna even grooten invloed op de
engelsche staatkunde geoefend, als Parijs in onzen tijd op die der Franschen.
In geestbeschaving was Londen elk ander gedeelte van het koninkrijk ver
vooruit. Een bestuur, dat het vertrouwen en de ondersteuning van Londen
verwierf, kon zich in een enkelen dag geldmiddelen verschaffen, die men in
\') Guildhall (het gildenhuis) is het raadhuis der stad en niet, gelijk de engelsche
benaming schijnt aan te duiden, het huis der gilden; de meeste der gilden zijn van
eigene lokalen voorzien; de groote maatschappijen, waarvan de tekst spreekt, zijn de
twaalf voornaamste gilden, die, als onderscheidingstitel, den naam voeren van the
tioelve great co >panies,
de twaalf groote compagnieën. Geheel oneigenaardig is de
naam van Guildhall niet, in aanmerking genomen den invloed, dien de gilden op de
handelingen en op de verkiezingen der stadsoverheid oefenden; zij stellen zeker bij
alle stedelijke verkiezingen, die te Guildhall plaats vinden, het grootste getal kiezers,
en tot sommige voorname keuzen zijn haar leden alleen gerechtigd.
Guildhall bevat, behalve de raadzalen en de woning van den stads-secretaris (town-
clerk)
een vermaarde feestzaal, die, naar men beweert, van zes tot zeven duizend
menschen kan bevatten. Dit gebouw moet niet verwisseld worden met het stadhuis
(Mansion-house), de woning van den lord-maire en tevens den zetel der stedelijke
administratie, bureaux en rechtbank.
2) Norths Onderzoek.
\') Chamberlaynes Staat van Engeland, 1684. Angliae Metropolis, 1690; Seymours
London, 1734.
-ocr page 270-
246                                    GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
de overige gedeelten des eilands in geen maanden zou hebben kunnen bij-
eenbrengen. Evenmin was de militaire macht der stad te verachten Het
gezag, dat in de overige deelen des rijks in handen der iord-luitenants was,
was hier aan een commissie van voorname burgers toevertrouwd. Onder de
bevelen dezer commissie stonden twaalf regimenten voetvolk en twee regi-
menten ruiterij. Een leger van winkeliers leerlingen en kleermakers-gezellen
met raadsleden voor kapiteins en aldermen v;,or kolonels, zoude wel is
waar weinig bestand zijn geweest tegen geregelde troepen, doch die
waren er destijds zeer weinig in het koninkrijk Een stad, die binnen e\'én
uur twintig duizend man kon leveren, met aangeboren moed bezield, tame-
lijk goed gewapend en niet geheel van krijgstucht ontbloot, moest derhalve
een gewenschte bondgenoot en een geduchte vijand zijn. Men had nog niet
vergeten, dat Hampden en Pyni bij de londensche burgerweer bescherming
tegen wettelooze dwingelandij hadden gevonden; dat de londensche burger-
weer in het beslissende oogenblik van den burgeroorlog uitgerukt was om
het beleg van Gloucester te doen opbrek> n, noch ook dat de londensche
burgerweer in de beweging tegen de militaire tirannen, die op den val van
Richard Cromwell volgde, een belangrijke rol had gespeeld. In waarheid,
men kan zonder overdrijving beweren, dat Karel I zonder de vijandschap
der City nooit overwonnen zou zijn geworden en Karel II zonder de hulp
der City nimmer op den troon hersteld zou zijn.
Wellicht kunnen deze bespiegelingen doen beseffen, waarom eenige man-
nen van hoogen rang, die ondanks de aantrekkingskracht, welke gedurende
een lange reeks van jaren de aristokratie van lieverlede westwaarts trok,
hun verblijf tot op een tijd, die nog zeer kort geleden is, steeds in den om-
trek der beurs en van het raadhuis hebben gehouden. Toen Shaftesbury en
Buckingham in bittere en roekelooze oppositie tegen het bewind stonden,
meenden zij hun kuiperijen nergens zoo gemakkelijk en zoo veilig te kunnen
voortzetten, dan onder bescherming van de overheden en de burgerweer der
City. Shaftesbury had derhalve in de Aldersgate-straat een huis bewoond,
dat thans nog licht te onderscheiden is aan zijn pilasters en lofwerk, het
sierlijk gewrocht van Inigo Jones. Buckingham had zijn paleis bij Charing
Cross, dat eenmaal het verblijf der aartsbisschoppen van York was geweest,
doen afbreken; en terwijl straten en stegen, die thans nog zijn naam dragen
op die plaats verrezen, verkoos hij in Dowgate te wonen \').
Dit waren echter zeldzame uitzonderingen. Bijna alle adellijke familién
van Engeland hadden zich sedert lang buiten de muren der stad gevestigd.
Het gebied, waar de meeste hunner stadswoningen stonden, ligt tusschen de
Het fatioenlijk City en de streken, die in onze dagen voor fatsoenlijk gehouden
hoofstad, worden. Enkele voorname personen hadden hun voorvaderlijke
paleizen tusschen het Strand en de rivier nog behouden. De statige gebouwen
ten zuiden en ten westen der velden van Lincolns Inn, het overdekte plein
(de piazza) van Coventgarden, Southampton-square !), thans Bloomsbury-
\') Norths Onderzoek, 116, Wood, Ath. Ox. Shaftesbuiy. De litanie van den hertog
van B.
*) Square, letterlijk vierkant, is de benaming, die te Londen aan de talrijke pleinen
gegeven wordt, die in het midden als tuinen aangelegd en door gesloten hekken om-
-ocr page 271-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                            347
square genaamd, en King\'s-square in de velden van Soho, thans Soho-square
genaamd, behoorden tot de meest gezochte oorden Bloomsbury-Square
werd aan vreemde vorsten aangewezen, als een der wonderen van Engeland\').
Soho-square, destijds pas aangelegd, was voor onze voorouders het voorwerp
van een trots, waarmede hun nakomelingen zich niet licht zullen vereenigen.
Het had den naam van Monmouth square gedragen, zoolang het geluk den
hertog van Monmouth trouw bleef, en op de zuidzijde verhief zich zijn paleis.
De voorgevel, schoon onbehaaglijk, was trotsch en rijk versierd. De muren
der voornaamste vertrekken vertoonden fraai gebeeldhouwde vruchten, loof-
werk en wapenschilden, en «aren met geborduurd satijn behangen \'). Alle
sporen dezer pracht zijn reeds lang verdwenen en in deze eenmaal aristokra-
tische stadswijk is thans geen aristokratische woning meer te vinden. Een
weinig ten noorden van Holborn en grenzendeaan weilanden en koornvelden,
verhieven zich twee vermaarde paleizen, elk met een grooten tuin. Heteene,
destijds Southamptonhouse en later Bedford-house genaamd, werd vijftig
jaar geleden afgebroken, om plaats te maken voor een nieuwe stad, wier
squares, straten en kerken thans een ruime vlakte bedekken, die in dezeven-
tiende eeuw om haar perziken en snippen beroemd was. Het andere, Mon-
tague house genaamd, vermaard door zijn fresco\'s en zijn stoffeering, brandde
weinig maanden na het overlijden van Karel II tot den grond toe af en
werd al spoedig door een nog prachtiger Montague-house vervangen, waar-
voor, nadat het langen tijd de bewaarplaats was geweest van zoo velerlei en
zoo kostbare sch\'tten van kunst wetenschap en geleerdheid, als wellicht
nooit te voren onder één enkel dak vereenijjd waren 3), thans evenzeer een
nog prachtiger gebouw is in de plaats getreden *).
Nader bij het hof, op een vlakte, de St. Jakobus velden geheeten, waren
eerst kort geleden het St Jakobus square en de Jermijn-straat gebouwd. De
St. Jakobus-kerk was onlangs ten behoeve der bewoners van deze nieuwe
wijk geopend 5) Met den aanleg van Golden-square, dat in de volgende
eeuw d<or lord* en ministers werd bewoond was nog geen aanvang gemaakt.
Inderdaad, de weinige woningen, die ten noorden van Piccadilly te zien
waren, bestonden uit drie of vier alleen staande en bijna landelijke ver-
blijven, waarvan het vermaardste het kostbare gebouw was, door Clarendon
opgericht, dat den schimpnaam van Dunkirk-house droeg. Na den val van
den stichter was het door den hertog van Albemarle aangekocht. Het hotel
Clarendon en de Albemarle straat blijven de plek, die het besloeg, in ge-
heugen bewaren.
Wie destijds naar den kant afdwaalde, waar thans het schoonste en leven-
geven zijn. Meestal bevatten die squares slechts een afgedeeld grasperk, daar de
dampkring binnen de stad den groei van planten en boomen niet gunstig is. De vorm
der squares wijkt soms zeer van het vierkante af.
                                              V.
\') Reizen van den groothertog Cosmus.
2)  Chamberlayne\'s Staat van Engeland, 1684; Pennants Londen; Smith\'s Leven
van Nollekens.
3)   Het britsche museum, thans op dezelfde plaats herbouwd.
*) Kvelyns Dagboek, 10 October 1683. 19 Januari 1681;—86.
5) Wetten van het iste jaar van Jacobus II, hoofdstuk 22. Evelyus Dagboek, 7
December 1684.
-ocr page 272-
248                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
digste gedeelte van Regent-straat is, bevond zich in stille eenzaamheid en
had zelfs kans om nu en dan een houtsnip onder schot te krijgen \'). Ten
noorden liep de straatweg naar Oxford tusschen twee heggen. Drie of vier
honderd el ten zuiden, waren de tuinmuren van eenige groote huizen, die
geacht werden geheel en al buiten de stad te liggen. Ten westen was een
weide, bekend door een bron aan welke, lang daarna, de Conduitstraat haar
naam te danken had. Ten oosten was een veld. dat geen Londenaar van dien
tijd zonder afgrijzen voorbij kon gaan. Te dier plaatse, ver van de gewone
verblijven der menschen, was twintig jaar vroeger, toen de groote pest woedde,
een kuil gegraven, in welken tallooze lijkwagens nacht aan nacht de lijken bij
twintigtalen tegelijk uitwierpen. Men geloofde algemeen, dat daar de grond
diep met peststof bezwangerd was en niet zonder dreigend gevaar voor het
menschelijk leven omgegraven kon worden. Daarom werden er geen fonda-
menten gelegd, eer twee geslachten waren voorbijgegaan, zonder dat de pest
zich vernieuwd had en die vreeselijke plek sints lang met gebouwen om-
ringd was *).
Wij zouden ons zeer vergissen, wanneer wij ons voorstelden, dat zelfs
maar een enkele straat of plein hetzelfde voorkomen had als thans. Immers,
de groote meerderheid der huizen is sedert dien tijd geheel of gedeeltelijk
herbouwd. Konden de deftigste wijken der hoofdstad aan ons oog vertoond
worden, zoo als zij destijds waren, wij zouden van den morsigen toestand
walgen en terugdeinzen voor den onaangenamen dampkring. In Covent-
garden werd vlak bij de woningen der grooten een morsige en luidruchtige
markt gehouden. Groenvrouwen schreeuwden, voerlieden vochten, kool-
stronken en rotte appelen werden opeengehoopt voor de drempels der huizen
van de gravin van Berkshire en van den bisschop van Burham \').
Het middelpunt van Lincolns-Inn-fields was een open ruimte, waar het
gepeupel eiken avond vergaderde, om, op weinige ellen afstands van Cardi-
gan-house en van Winchester-house, het gezwets van kwakzalvers aan te
hooren, den berendans te bewonderen en honden op ossen aan te hitsen.
Afval werd over de gelieele ruimte der plaats neergesmeten. Paarden wer-
den daar gedresseerd. De bedelaars waren zoo luidruchtig en lastig als in
de slechtst bestuurde steden van het vasteland. Een bedelaar van Lincolns-
Inn was een spreekwoordelijk persoon. De gansche broederschap kende de
wapens en de liverijen van eiken liefdadigen groote uit dien omtrek en,
zoodra zijn lordschaps zesspan verscheen, kwamen zij met gansche hoopen
aanhinken en aankruipen om zijn koets te vervolgen. Niettegenstaande er
vele ongelukken voorvielen en enkele malen gerechtelijke aanklachten werden
ingediend, bleef evenwel deze wanorde voortduren; tot dat onder de regeering
•) De hoogbejaarde generaal Oglethorpe, die in 1785 stierf, placht er zich op Ie
beroemen, dat hij hier onder de regeering van Anna vogels geschoten had. Zie
Pennar.ts Londen en het Gentlemans-Magazine van Juli 1785.
\') Men vindt het pestveld nog in plannen van Londen, die omstreeks het einde der
regeering van George l (1727) uitgegeven zijn.
•) Zie een zeer merkwaardig plan van Coventgarden, omstreeks 1690 vervaardigd
en voor Smith\'s Geschiedenis van Westerminster gegraveerd. Zie ook den morgen
van Hogarth, die geschilderd werd, terwijl sommige huizen der Piazza nog door leden
der hoogere standen bewoond werden,
-ocr page 273-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                            249
van George II de rijks-archivarius Sir Joseph Jekyll midden op het plein
nedergeworpen en bijkans gedood werd. Toen werd daar eindelijk een hek
opgericht en een fraaije tuin aangelegd \').
Het Sint Jakobus-plein (St. James\'s-square) diende tot bergplaats van
allen afval en asch, van alle doode honden en katten van gansch West-
minster. Nu eens had een goochelaar daar een kring om zich heen ver-
zameld. Dan weder sloeg een schaamtelooze indringer daar zijn verblijf op
en bouwde er een hut tot het bewaren van lorren onder de vensters der
vergulde zalen waar de voornaamste rijksgrooten, de Norfolks, deOrmonds,
de Kents en de Pembrokes, feestmalen en bals gaven. Eerst nadat deze
plagen een ganschen menschenleeftijd geduurd hadden en nadat er veel
over geschreven was, richtten de bewoners een verzoek aan het parlement
om vergunning tot het oprichten van ijzeren hekken en tot het planten van
boonien 2).
Was zoodanig de toestand van het oord, dat door het meest beschaafde
gedeelte der maatschappij werd bewoond, dan kan men lichtelijk gelooven,
dat de groote massa der bevolking ongemakken moest verduren, die men
thans voor onuitstaanbaar zou houden. De bestrating was ellendig; alle
vreemden riepen er schande over. De riolen waren in zoo slechten staat,
dat de goten bij regenachtig weder weldra tot stortvloeden aangroeiden.
Verscheiden boertige dichters hebben van de woede gesproken, waarmede
deze zwarte beken langs Snow-hill en Ludgate-hill voortbruisten, verrijkt
met milde bijdragen uit de slachthuizen en groentewinkels. Deze vloed werd
door koetsen en karren rechts en links in het rond geplast. Zich zoo ver
mogelijk van den rijweg af te houden, was de wensch van alle voetgangers.
Zachtmoedige en vreesachtige wandelaars evenwel ruimden het voetpad aan
den huizenkant en daarvan werd door moedigen en sterkeii gebruikgemaakt.
Gebeurde het, dat een paar kemphanen elkander ontmoetten, dan drukten
zij terstond hun hoeden in de oogen en drongen tegen elkander op, totdat de
zwakste in de goot te land kwam. Was hij slechts een pocher, dan sloop hij
weg, mompelende dat hij het nader wel zou vinden. Was hij een vechters
baas, dan eindigde de ontmoeting doorgaans met een tweegevecht achter
Montague-house3).
\') De Bespieder van Londen: Tom Browns komisch tafereel van Londen en West-
minster; Turners Voorstellen tot het verschaffen van arbeid aan behoeftigen, 1678:
Dagelijksche Courant en Pagelijksch Nieuwsblad van 7 Juni 1733; Rechtsgeding van
Michael tegen Allestree, in 1676, 2 Levinz. blz. 172. Michael was door een tweespan
overreden, dat Allestree in de velden van Lincolns-Inn dresseerde. De verklaring des
klagers behelsde, dat de beschuldigde «twee ongetemde paarden voor een koets spande
en onvoorzichtig, onbesuisd en zonder op de ongeschiktheid der plaats te letten, aldaar
rondreed, om ze handelbaar en geschikt te maken voor een koets; welke paarden,
vermits zij om hun woestheid niet bedwongen konden worden, op den klager aan-
liepen en hem overreden."
*) Wetten van het 12de jaar van George I, hoofdstuk 25; Dagboek van het Lager-
huis, 25 Pebruari, 2 Maart 172? — 26; De Londensche Tuinman, 1712; De Avondpost
(dagblad). 23 Maart 1731. Ik heb dit nummer van de Avondpost niet kunnen vinden,
maar in deze op de aanhaling van den heer Malcolm gesteund, die er in zijn Ge-
schiedenis van Londen van gewaagt.
*) Lettres sur les Anglais, in den aanvang der regeering van Willem III uitgegeven;
Swifts City\'s Stortvloed; Gay\'s Trivia. Johnson placht een merkwaardig onderhoud te
-ocr page 274-
2 5©                                    GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
De huizen waren niet genommerd. Ook zou dit weinig gebaat hebben,
want onder de koetsiers, draagstoeldragers, kruijers en boodschaploopers
van Londen waren er slechts weinigen, die lezen konden. Het was noodig
teekens te bezigen, die zelfs de onwetendste onthouden kon. De winkels
waren derhalve door geschilderde uithangborden onderscheiden, die een
vroolijk en koddig voorkomen aan de straten gaven. De weg van Charing-
Cross naar Whitechapel voerde door een eindelooze reeks van Saraceens
hoofden, koninklijke eiken \'). blauwe beren en gouden lammeren, die later
verdwenen, toen zij voor de geringere volksklasse niet meer noodig waren.
Bij het vallen van den avond was het wandelen door Londen werkelijk
met ernstige bezwaren en gevaren verbonden, ,\'oldervensters werden geopend
en emmers geledigd, zonder dat er veel acht werd g\' slagen op degenen, die
beneden voorbijgingen. Dat men door het vallen kwetsuren bekwam of
een of ander lid van het lichaam brak, behoorde tot de gewone gebeurtenis-
sen, want tot in het laatste jaar der regeering van Karel II bleven de
meeste straten \'s nachts in dikke duisternis gehuld. Dieven en roovers
dreven hun handwerk ongestraft; doch zij boezemdenden vreedzamen burger
nauwelijks zoo veel vrees in, als een andere klasse van geweldenaars. Het
was een der lievelingsvermaken van losbandige jon^e heeren des nachts
door de stad te zwerven, glasruiten in te slaan, draagstoelen het onderste
boven te keeren, rustige voorbijgangers aan te vallen en schoone vrouwen
met ruwe lief koozingen te vervolgen. Sedert de Restauratie hadden verschei-
den dynastieën van deze tirannen hun gezag in de straten geoefend. De
Muns en de Tityre-Tus hadden plaats gemaakt voor de Hectors. en de
Hectors waren onlangs door de Scourers (schuurders of baanvegers) opge-
volgd. In later tijden leerde men den Nikker den Hawcubiet en den nog
meer gevreesden naam van Mohawk kennen 2).
verhalen, dat hij eenmaal met zijn moeder gevoerd had, over het afstaan en het houden
van den huizenkant.
\') Aldus werd, gelijk bekend is, de reusachtige eik genaamd, waarin Karel II op
zijn vlucht, na den slag van Worcester, tegen de hem vervolgende soldaten van Crom-
well een schuilplaats vond.
                                                                                     V.
-) Oldhams Navolging van Juvenalis derde hekeldicht, 1682- Shadwells Scourers,
1690. Zij die met de volkslitteratuur van dit en het daarop volgend tijdperk bekend
zijn, zullen zich dadelijk vele andere bronnen herinneren. Men mag onderstellen,
dat sommigen der Tityre-Tus na de Restauratie als goede cavaliers Miltons ruiten
gingen stuk werpen. Ik ben overtuigd, dat hij aan deze schandvlekken van Londen
dacht, toen hij deze verheven verzen dicteerde:
«And in luxurious cities, when the noise
Of riot ascends above their loftiest towers,
And injury and outrage, and when night
Darkens the streets, then wander forth the sons
Of Belial, flown with insolence and wine." *)
\') »........in uitgestrekte steden
Waar \'t woest en snood getier van ongebondeuheden
Zich van rondom verheft en \'themelsruim vervult,
Terwijl, wanneer de nacht het oord in duister hult,
De dienaars Belials, die ontucht \'t hart doet blaken,
Van wijn en wellust dol, den weg onveilig maken."
(Het verloren paradijs van Milton, vrij in vereen gevolgd
door f. P. van Goethem, Amsterdam, 1843, p. 23.)
-ocr page 275-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
251
pJitefcïnï.ond™. De bestaande voorzorgen tot handhaving der rust waren aller-
ellendigst. Er bestond een besluit van den stedelijken raad, waarbij bepaald
was, dat van zonsondergang tot zonsopgang meer dan duizend wachters in
de City zouden waken en dat elk hurger op zijn beurt die wacht zoude helpen
houden. Maar dit besluit werd zeer slecht nagekomen. Van degenen, die
opgeroepen werden, verlieten slechts weinigen hun huizen; en zelfs die
weinigen vonden het aangenamer in de kroegen ale te drinken dan de
straten te doorkruisen \').
stnmtïtriirhtinB. Het moet niet onvermeld blijven, dat in het laatste jaar der
regeering van Karel II een verandering in de nachtelijke politie van Londen
plaats vond. een groote verandering, die wellicht meer tot het welzijn der
groote meerderheid van het volk heeft toegebracht dan andere omwentelin-
gen van meer naam gedaan hebben. Een vindingrijk ondernemer, Eduard
Heming genaamd, verkreeg een pat: nt, waarbij hem voor zeker aantal
jaren het uitsluitend recht werd toegekend Londen te verlichten. Hij
verbond zich tegen een matige vergoeding, in donkere nachten, van
St. Michielsdag tot Vrouwendag en van \'s avonds 6 tot \'s nachts 1 2 uur, om
de tien deuren een licht te plaatsen. Zij, die thans de hoofdstad het gansche
jaar door van de avondschemering tot aan den dageraad van licht zien
schitteren, waarbij de illuminatiën, die voor de overwinningen van La Hogue
en van Blenheim werden ontstoken, flauw zouden schijnen, zullen wellicht
glimlachen, als zij aan de lantarens van Heming denken, die gedurende een
klein gedeelte van den nacht een flauwe schemering om de tien huizen ver-
spreidden. Maar dit was niet het gevoelen zijner tijdgenooten. Zijn ontwerp
werd door den een met geestdrift toegejuicht, door de anderen woedend
aangevallen. De vrienden van verbetering roemden hem als een der groot-
ste weldoeners van zijn stad. Wat waren de hooggeprez n uitvindingen van
Archimedes, vroegen zij, in vergelijking met hetgeen hij verricht had, die
het nachtelijk duister in klaar daglicht had verkeerd ? Ondanks dezen wel-
sprekenden lof. bleef de zaak der duisternis niet onverdedigd. Er waren
dwazen, die zich tegen de invoering van hetgeen destijds het nieuwe licht
genoemd werd, verzetten met gelijke drift, als waarmede in onzen tijd
menschen van dezelfde soort zich tegen het invoeren der koepokinenting en
der spoorwegen dorsten aankanten, met gelijke drift als waarmede andere
dwazen van een den dageraad der geschiedenis voorafgaand tijdperk onge-
twijfeld het invoeren van den ploeg en het alphabetisch schrift bestreden
hebben. Vele jaren na de dagteekening van Hemings patent vond men nog
uitgestrekte stadswijken, waar geen enkele lamp te zien was \').
Wij kunnen ons licht voorstellen, wat destijds de toestand dier wijken
van Londen was, die door het uitvaagsel der maatschappij bevolkt waren.
Een dier wijken had boven alle andere een schandelijke vermaardheid
erlangd. Op de grenzen der City en van den Temple was in de dertiende
eeuw een klooster van karmelieter monniken gesticht, die zich door hun
whitcfriars. witte kappen onderscheidden. De omstreken van dit gesticht had-
\') Seymours Londen.
*) Angliae Metropolis, 1690, Sect. 17, getiteld: »Van de nieuwe verlichting"
Seymours, Londen.
-ocr page 276-
25 2                                    GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
den vóór den tijd der hervorming aan misdadigers tot vrijplaats gediend en
het privilegie behouden om de onvermogende schuldenaren tegen gevangen-
neming te beveiligen. In elk huis, van den zolder tot in den kelder, waren
dientengevolge zulke schuldenaren te vinden. Een groot gedeelte van
dezen waren schelmen en lichtmissen en werden naar hun schuilplaatsen
verzeld door vrouwen, die nog dieper gezonken waren dan zij zelve. De
burgerlijke overheid was niet bij machte de orde te handhaven in e^n buurt,
die van zoodanige inwoners wemelde; en Whitefriars werd dus het ge-
liefd toevluchtsoord van alkn, die zich aan den dwang der wetten wilden
onttrekken. Schoon de vrijdom, naar luid der wet aan dete plaats verbon-
den, alleen gevallen van onvoldane schuld betrof, wisten nochtans bedriegers,
valsche getuigen, falsarissen en straatroovers daar evenzeer een schuilplaats
te vinden. Want onder zulk een woest en wanhopend grauw was het leven
van een gerechtsbeambte nooit veilig. Op het geroep van »te hulp", kwamen
vechtersbazen met zwaarden en knuppels en twistgierige hellevegen met
braadspitten en bezemstokken bij honderden toestroomen; en de indringer
mocht zich gelukkig achten, als hij deerlijk gehavend, van kleederen beroofd
en duchtig bepompt, levend naar de Fleetstraat ontkomen mocht. Zelfs het
dwangbevel van den opperrechter van Kngeland kon zonder de hulp eener
kompagnie muskettiers niet ten uitvoer worden gebracht. Zulke overblijf-
selen der eeuwen van barbaarschheid en duisternis waren nog te vinden op
korten afstand van het college, waar Somers geschiedenis en rechten stu-
deerde, van de kapel, waar Tillotson predikte, van het koffiehuis, waar
Dryden oordeel velde over gedichten en tooneelstukken, en van de zaal,
waar het Koninklijk Instituut het sterrekundig stelsel van Newton onder-
zocht \').
Het nor. Elk der twee steden, die te zameu de hoofdstad van Engeland uit-
maakten, had haar eigen middelpunt van aantrekking. In de hoofdplaats
des handels was de beurs het punt, waarheen alles samenstroomde; in de
hoofdplaats der mode was \'t het paleis. Het paleis heeft zijn invloed echter
niet zoo lang behouden als de beurs, üe omwenteling heeft de verhouding
tusschen het hof en de hoogere standen der maatschappij geheel en al ge-
wijzigd. Men werd van lieverlede gewaar, dat de koning als zoodanig zeer
weinig te geven had; dat gravenkronen en kousenbanden, bisschopszetels
en gezantschappen, posten van lords der thesaurie en van ontvangers bij de
schatkist, ja, zelfs bedieningen aan het koninklijk huis, eigenlijk niet door
hem, maar door zijn raadslieden vergeven werden. Ieder eergierige en heb-
zuchtige begreep dus, dat hij zijn belangen veel beter bevorderen y.ou, als
hij de meerderheid in eenig afgelegen kiesvlek verwerven en het ministerie
gedurende een moeijelijke zitting nuttige diensten bewijzen kon, dan wanneer
hij de metgezel of zelfs de gunsteling van zijn vorst werd. De dagelijksche
stroom van hovelingen was diensvolgens niet in de voorkamers van George I
of George II, maar in die van Walpole en Pelham te vinden. Men dient
voorts in aanmerking te nemen, dat dezelfde omwenteling, die het den
koningen onmogelijk maakte bij het bezetten van ambten hun persoon-
\') Stowe\'s overzicht van Londen: Shadwells Squire van Alsatië; Wards Bespieder
van Londen. Wetten van het 8e en 9e jaar van Willem III, hoofdstuk 27.
-ocr page 277-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                            2$$
lijke neigingen te volgen, ons tevens verscheiden koningen gaf, door hun
opvoeding en manieren ongeschikt om vriendelijke en voorkomende gast-
heeren te zijn. Zij waren op het vasteland geboren en opgevoed. In ons
eiland gevoelden zij zich nooit te huis. Spraken zij onze taal, zij deden het
slecht en met veel inspanning. Ons nationaal karakter hebben zij nooit vol-
koir.en begrepen. Onze nationale gewoonten hebben zij nauwelijks getracht
zich eigen temaken. Het belangrijkst gedeelte hunner plichten wel is waar
vervulden zij beter dan een eenige hunner voorgangers; want zij regeerden
strikt overeenkomstig de wetten; maar zij mochten de eerste gentlemen van
het rijk, de hoofden der fijn beschaafde maatschappelijke kringen konden zij
niet zijn. Zochten zij ooit eenige uitspanning, het gebeurde in een zeer kleinen
kring, waar nauwelijks een engelsch gezicht te zien was; en zij waren nooit
gelukkiger dan wanneer zij eens een zomer in het land hunner geboorte
konden doorbrengen. Wel hadden zij vaste receptiedagen voor onzen adel
en onze gentry; doch die receptie was eene bloote vorm en werd ten laatste
een plechtigheid zoo stijf, als een begrafenis maar wezen kon.
Heel anders was het aan het hof van Karel II gesteld. Whitehall was,
toen hij er zijn verblijf hield, het brandpunt der staatkundige kuiperijen
en wereldsche genoegens. Een ieder, die zich bij den vorst aangenaam kon
maken of die den bijstand der minnares wist te verwerven, mocht de hoop
voeden tot aanzien te zullen komen zonder eenige dienst aan het bestuur te
bewijzen, zonder zelfs met eenigen staatsminister persoonlijk bekend te zijn.
De eene hoveling kreeg het bevel over een fregat, de andere over een kom-
pagnie, een derde de gratie van een vermogend misdadiger, een vierde de
pacht van kroondomeinen op gunstige voorwaarden. Gaf de koning den
wensch te kennen, dat een advokaat zonder zaken tot rechter benoemd, of
een losbandig baronet tot pair verheven wierd, de achtbaarste staatslieden
onderwierpen zich na geringe tegenspraak aan zijn wil \'). Belangzucht
dreef derhalve een bestendigen stroom van sollicitanten over den drempel
van het paleis en dat paleis stond ten allen tijde open. Dagelijks en den
ganschen dag door hield de koning open hof voor de geheele fatsoenlijke
wereld van Londen, met uitzondering alleen van het heftigst gedeelte der
Whigpartij. Men zou bezwaarlijk een gentleman hebben kunnen aanwijzen,
wien het ooit eenige moeite had gekost tot den koning te worden toegelaten.
Het lever was juist wat dit woord beteekent. Eenige groote heeren kwamen
eiken morgen om hun meester heen staan om met hem te keuvelen, terwijl
zijn pruik gekamd, zijn das geknoopt werd, en om hem bij zijn ochtend-
wandeling door het park te verzeilen. Al wie behoorlijk voorgesteld was,
mocht zonder nadere uitnoodiging hem het middag- en avondmaal zien
nuttigen, hem zien dansen en dobbelen en het genoegen hebben hem ge-
schiedenissen te hooren vertellen — en inderdaad hij deed dit bijzonder
goed — over zijn vlucht van Worcester en over de ellende, die hij ver-
duurd had, toen hij zich als staatsgevangene in handen der teemende en
bemoeizieke predikers van Schotland bevond. Omstanders, die door zijn
majesteit herkend werden, kregen dan ook veelal een vriendelijk woord. Dit
1) Zie Roger Norths verhaal van de wijze, waarop Wright tot rechter en Clarendons
verhaal van de wijze, waarop sir George Savile tot pair benoemd werden.
-ocr page 278-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
ï54
bleek een veel nuttiger koningskunst te zijn dan die, welke zijn vader en
grootvader betracht hadden. Het was zelfs den stroefsten republikein van
de school van Marvel moeijelijk, de betoovering van zoo veel goede luim en
goedertierenheid te weerstaan en menig oudgediend cavalier, die in zijn
hart bij de herinnering aan onvergolden opofferingen en diensten sedert
twintig jaar geprutteld had, vond in een enkel oogenblik vergoeding voor
zijn wonden en zijn in beslag genomen goederen, als hem de minzame hoofd-
knik zijns vorsten te beurt viel en diens hartelijke groet: «God zegene u,
mijn oude vriend I" hem in de ooren klonk.
Whitehall werd natuurlijk het hoofdkwartier voor alle nieuwstijdingen.
Zoodra er een gerucht van de een of andere belangrijke gebeurtenis liep,
haastten de menschen zich derwaarts om hun berichten aan de hoofdbron te
gaan haien. De gaanderijen hadden veel overeenkomst met de gezelschap-
zaal eener sociëteit in onrustige tijden. Zij waren vol menschen, die kwamen
vernemen of de hollandsche post aan was, welke tijdingen de koerier uit
Frankrijk had medegebracht, of Jan Sobiesky de Turken geslagen had, of
de doge van Genua werkelijk in Parijs was. Dit waren onderwerpen, waar
men veilig en overluid over spreken kon. Doch er waren andere zaken,
waaromtrent de tijdingen slechts fluisterend gevraagd en gegeven werden.
Had Halifax Rochester overwonnen ? Zou er een parlement bijeengeroepen
worden ? Zou de hertog van York wezenlijk naar Schotland gaan ? Was
Monmouth inderdaad uit \'s Hage terug ontboden ? De menschen zochten op
het gelaat van eiken minister te lezen, terwijl deze, door de menigte heen
van en naar het koninklijk kabinet ging. Uit den toon. waarop zijn majesteit
met den lord-president sprak, uit het lachje, waarmede zijn majesteit een
aardigheid van den lord geheimzegelbewaarder vereerde, werden allerlei
voorspellingen afgeleid; en de hoop en vrees, door zulke onbeduidende
teekenen gewekt, waren binnen weinig uren in ieder koffiehuis verspreid,
van St. James tot aan den Tower \').
Do koffiehuizen. Van het koffiehuis mogen wij niet met een vluchtige vermelding
afstappen. Het mocht destijds, inderdaad niet zonder grond een belangrijke
politieke instelling genoemd worden. Sedert jaren was geen parlement ver-
gaderd geweest. De stedelijke raad der City had opgehouden de meening
der burgers te vertegenwoordigen. Openbare vereenigingen, aanspraken,
votums en al de verdere hedendaagsche middelen tot volksbeweging waren
nog niet in den smaak gekomen. Er bestond niets, dat naar het hedendaag-
sche dagblad geleek. Onder deze omstandigheden waren de koffiehuizen
de hoofdorganen, door middel van welke zich de openbare stemming der
hoofdstad openbaarde.
De eerste dezer inrichtingen werd geopend in den tijd van het gemeene-
best, door een levantschen handelaar, die bij de Mahomedanen eenigen
smaak voor hun lievelingsdrank had opgedaan. Het gemak om in elk ge-
\') De bronnen, waaruit ik mijn berichten aangaande den toestand van het hof heb
geput, zijn te talrijk om ze allen op te noemen. De voornaamste zijn de depêches van
Barillon, Citters, Ronquillo en Adda, de Reizen van den groot-hertog Cosmus, de wer-
ken van Roger North, de Dagboeken van Pepys, Evelyn en Teonge en de Gedenk-
schriften van Grammont en Reresby.
-ocr page 279-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
255
deelte der stad afspraken te kunnen treffen en tegen zeer geringe kosten
een gezelligen avond door te brengen was zoo groot, dat het gebruik al
spoedig toenam. Elk lid der hoogere en middelklasse ging dagelijks naar
zijn koffiehuis, om het nieuws te hooren en te bespreken. Ieder koffiehuis
bezat een of meer redenaars, wier welsprekendheid de menigte met bewon-
dering aanhoorde en die al spoedig werden, wat men de dagbladschrijvers
van onzen tijd genoemd heeft — een vierde rijksstand. Het hof had deze
toenemende macht in den staat sedert lang met bezorgdheid aangezien.
Onder Danbys bestuur had men zelfs eenmaal beproefd de koffiehuizen te
sluiten. Doch lieden van alle partijen misten zoo zeer hun gewone plaatsen
van bijeenkomst, dat er een algemeen gemor opging. Het gouvernement
durfde niet wagen in strijd met een zoo krachtig en zoo algemeen uitgespro-
ken gevoelen een verbod te handhaven, waarvan de wettigheid wel betwij.
feld mocht worden. Sedert dien tijd waren tien jaar verloopen en gedurende
die jaren was het aantal en de invloed der koffiehuizen gestadig toenemende
geweest. Vreemdelingen maakten de opmerking, dat het koffiehuis het
eigenaardige was, waardoor Londen zich van alle andere steden onder-
scheidde; dat het koffiehuis des Londenaars t\'huis was en dat zij, die iemand
wenschten op te zoeken, niet vroegen, of hij in de Fleetstraat of in de Kanse-
larij-laan woonde, maar wel of hij den Griek of den Regenboog bezocht.
Niemand was van die plaatsen uitgesloten, die zijn penny op het buffet
nederlegde. Evenwel hadden elke stand en elk beroep en elke schakeering
van godsdienstige en staatkundige gezindheid hun eigen hoofdkwartieren.
Men vond huizen in de nabijheid van Sint Jamespark, waar modegekken
bijeenkwamen, het hoofd en de schouders omgolfd door zwarte of vlassige
pruiken, niet minder groot dan die, welke thans door den kanselier en den
voorzitter van het Lagerhuis gedragen worden. De pruik kwam uit Parijs,
even als geheel de overige uitrusting des saletjonkers, zijn geborduurde rok,
zijn met kant omzette handschoenen en de sjerp, waarmede zijn broek
bevestigd was. De gesprekken, die er gehouden werden, waren in dien
toon, die nog lang, nadat hij uit de fatsoenlijke kringen verdwenen was,
in den mond van lord Foppington den lachlust der schouwburgbezoekers
bleef opwekken \'). De atmospheer geleek naar die van een parfumeurs-
winkel. Alle soorten van tabak, met uitzondering alleen van welriekende
snuif, werden verfoeid. Als een of andere lompert, met de gebruiken des
huizes onbekend, om een pijp vroeg, werd hij door den spottenden lach van
het gansche gezelschap en de korte antwoorden der knechts al spoedig over-
tuigd, dat hij beter zou doen elders te gaan. Ook behoefde hij niet ver
te loopen. Want over het algemeen waren de koffiehuizen echte rookhokken
en vreemdelingen gaven somtijds hun verbazing te kennen, dat zooveel
menschen hun eigen haardsteden verlieten om in eeuwigdurenden damp en
\') De voornaamste eigenaardigheid van dezen toon bestond daarin, dat in een
groot aantal woorden de o als a werd uitgesproken. Het woord lord, b. v. werd
lard uitgesproken. Lord Sunderlaud was een volleerd meester in dezen hofioon,
gelijk Roger North het noemt; en Titus Oates bootste die spraak na, in de hoop
van daardoor voor een man van de wereld te worden aangezien. Norths Onder-
zoek, 77, 254.
-ocr page 280-
256
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
stank te gaan zitten. Nergens was het rooken meer in den smaak dan in
Wills koffiehuis. Dat vermaarde huis, gelegen tusschen Coventgarden en
Bowstreet, was aan de traaije letteren gewijd. Hier liep het gesprek over de
wetten der dichtkunst, over de eenheid van plaats en tijd. Men vond er een
partij voor Perrault en de moderne en een partij voor Boileau en de oude
schrijvers. De eene groep behandelde de vraag, of het Verloren Paradijs niet
op rijm had moeten wezen. In een andere groep werd door een wangunstig
verzenmaker betoogd, dat het «Geredde Venetië" had uitgefloten moeten
worden. Onder geen ander dak was een zoo groote verscheidenheid van
personen te zien; graven met ster en kousenband, geestelijken met priester-
rokken en beffen, brooddronken studenten van den Tempel, opgeschoten
jongens van de hoogescholen, vertalers en bladwijzersamenflansers in ver-
sleten duffels. Het grootste gedrang was steeds in de nabijheid van den
zetel, waar John Dryden zijn plaats had. Des winters was die zetel altoos in
het warmste hoekje van den haard ; des zomers gewoonlijk op het balkon.
Men achtte het een voorrecht een buiging voor hem te mogen maken
en naar zijn gevoelen over het laatste treurspel van Racine of over Bossu\'s
verhandeling over epische dichtkunst te mogen luisteren. Een snuifje
uit zijn doos was een eer, groot genoeg om een jeugdigen, dweepzieken ver-
eerder het hoofd op hol te maken. Er waren ook koffiehuizen, waar de
voornaamste geneesheeren geraadpleegd konden worden. Dochter John
Radcliffe, die in 1685 de uitgebreidste praktijk van gansch Londen be-
zat, kwam dagelijks op het uur, dat de beurs vol was, van zijn huis in
Bowstreet (destijds tot het deftige gedeelte der hoofdstad behoorende) naar
Garraway\'s koffiehuis en was daar, omringd van heelmeesters en apothekers,
aan een bijzondere tafel tö vinden. Er waren puriteinsche koffiehuizen,
waar geen vloek gehoord werd en waar sluikharige redenaars in gemaakte
neustaal over uitverkorenheid en verwerping redeneerden; joodsche koffie-
huizen, waar zwartoogige geldwisselaars van Venetië en Amsterdam elkan-
der begroetten; en papistische koffiehuizen, waar naar de meening van
goede protestanten de jezuïten bij hun gelag plannen tot het ontsteken van
een nieuwen grooten brand beraamden en zilveren kogels goten om den
koning dood te schieten \').
Deze gezellige gewoonten hadden geen geringen invloed op de vorming
van net karakter van den toenmaligen Londenaar. Hij was inderdaad een
gansch ander wezen dan de engelsche landbewoner. Destijds bestond het
drukke verkeer niet, dat thans tusschen die twee klassen plaats heeft.
Slechts zeer voorname personen plachten het jaar tusschen de hoofdstad en
het land te verdeelen. Weinig esquires kwamen driemaal in hun leven naar
de hoofdstad. Evenmin was het nog de gewoonte van alle vermogende
\') Lettres sur les Anglais; Tom Browns Reis; Wards Bespieder van Londen. De
Aard van het koffiehuis. 1673; Reglementen en bepalingen van het koffiehuis. 1674;
De koffiehuizen verdedigd. 1675 > Hekeldicht tegen de koffie: N\'oiths Onderzoek, 138;
Leven van Guildford, 152 ; Leven van sir Duclley Xorth, 149; Leven van Dr. Radcliffe,
uitgegeven door Curll, in liet jaar 1715. De levendigste beschrijving van Wills koffie-
huis komt in de «Stadmuis en de Landmuis" voor. In Halsteads beknopte geslachts-
beschrijvingen, die in 1685 gedrukt werden, vindt men een merkwaardige plaats over
den invloed der koffiehuis-redenaars.
-ocr page 281-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                            257
burgers, om eiken zomer, gedurende eenige weken, de versche lucht van
velden en bosschen te gaan genieten. Een cockney \') had in een landelijk
dorpje niet minder bekijks dan zoo hij in een kraal van Hottentotten was
verzeild geraakt. Verscheen daarentegen een landheer van Lincolnshire of
van Shropshire in Fleetstreet, hij was van de aldaar inheemsche inwoners
even gemakkelijk te onderscheiden, alsof hij een Turk of een Maleijer ge-
weest was. Zijn kleeding, zijn gang, zijn tongval, de wijze, waarop hij voor de
winkels gaapte, door de goten struikelde, tegen sjouwerlui aanliep of onder
de dakgoten staan bleef, deed hem dadelijk als het allergeschiktste slacht-
offer kennen voor de kunstgrepen van afzetters en spotvogels. IJzervreters
drongen hem in de goten; huurkoetsiers bekladden hem van het hoofd tot
de voeten met slijk; dieven onderzochten in volmaakte veiligheid de wijde
ruimte der zakken van zijn mantel, terwijl de glansrijke vertooning van den
optocht van den lord maire hem in roerlooze verrukking hield. Oplichters,
nog stram van de kastijding, hun ter gerechtsplaats toegediend, zochten met
hem in kennis te komen en schenen hem de eerlijkste en vriendelijkste
menschen, die hij ooit gezien had. Geblankette vrouwen, het uitvaagsel van
de Lewknerlaan en Whetstonepark gaven zich bij hem voor gravinnen en
hofdames uit. Vroeg hij den weg naar St. James, zijn wegwijzers zonden
hem naar Mile end. Trad hij een winkel in. dadelijk werd hij voor den
kooper gehouden van al wat niemand anders wilde hebben, van reeds ge-
dragen borduursels, van koperen ringen en van horloges, die niet wilden
loopen. Bezocht hij eens een voornaam koffiehuis, dra werd hij het doelwit
van den onbeschaamden spot der modegekken en van de droge schalkheid
der studenten van den Tempel. Verwoed en beleeditid keerde hij weldra
naar zijn landgoed terug en vond daar in den eerbied, dien hem zijn pachters
bewezen en in het verkeer met zijn goede vrienden den besten troost voor
de geleden ergernissen en vernederingen Daar gevoelde hij weer, dat hij
een groot man was; daar zag hij nooit iemand boven zich staan, dan alleen
als hij bij de zitting der assises zijn plaats naast den rechter op de bank
innam, of als hij bij de wapenschouwing der landweer den lord-luitenant
begroette.
"an\'SSzeSü De voornaamste oorzaak der onvolkomen vermenging van de
verschillende bestanddeelen der maatschappij bestond in de groote bezwa
ren, waarmede onze voorouders te kampen hadden, om van de eene plaats
naar de andere te komen. Van alle uitvindingen, met uitzondering alleen
van die van het letterschrift en der drukpers, hebben die, welke tot het
verkorten der afstanden strekken, het meest tot de beschaving van ons ge-
slacht medegewerkt. Elke verbetering der middelen van vervoer is niet
minder nuttig voor de bevordering van de intellectueele en zedelijke, dan
van de stoffelijke belangen des menschdoms en dient niet slechts om den
ruilhandel van de verschillende voortbrengselen van natuur en kunst mak-
kelijker te maken, maar tevens ook om allen nationalen en provincialen
weerzin weg te nemen en tot nauwer verbinding aller stammen van het
\') Spotnaam der stadbewoners, vooral der I.ondenaars. Een vertroetelde onwe-
tende en luije burger.
macaui.ay I.
\'7
-ocr page 282-
258                                    GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
menschelijk geslacht te leiden. In de zeventiende eeuw waren de inwoners
van Londen, zoodra het er op aan kwam eenig praktisch doel te bereiken,
verder van Reading verwijderd, dan zij het thans van Edinburgh zijn en
verder van Edinburgh dan van Weenen.
De onderdanen van Karel II waren nochtans niet geheel en al onbekend
met de kracht, die in onze dagen een voorbeeldelooze omwenteling in de
menschelijke aangelegenheden heeft te weeg gebracht, die vloten in staat
gesteld heeft om tegen wind en stroom te varen en bataillons om, begeleid
van al hun bagage en hun geschut, met een snelheid als van den vlugsten
wedrenner koninkrijken te doorvliegen. De markies van Worcester had
onlangs waarnemingen gedaan ten aanzien der uitzettende kracht van door
hitte verdunde vloeistof. Na vele proelnemingen was het hem gelukt een
ruw stoomwerktuig te bouwen, dat hij een vuur-waterwerk noemde en dat
hij als een bewonderenswaardig en hoogst krachtig middel van voortstuwing
beschreef \'). Doch de markies werd van waanzin verdacht gehouden en
stond bovendien bekend als papist. Zijn uitvindingen vonden derhalve geen
gunstig oor. Zijn vuurwaterwerk kon wellicht stof tot een onderhoud bij
een samenkomst der leden van het Koninklijk Instituut geven, maar werd
niet tot eenig praktisch einde aangewend. Er bestonden geen spoorwegen,
dan alleen eenige weinige van timmerhout gemaakt, die van de mondingen
der steenkolengroeven van Northumberland naar de oevers der Tyne voer-
den !). Men had bovendien zeer weinig binnenwaterwegen. Men had, doch
met weinig vrucht, enkele pogingen gedaan om de natuurlijke stroomen uit
te diepen en te bedijken. Er was nog bijna geen enkele kanaalbouw ont-
worpen. De Engelschen van dien tijd plachten met gemengde bewondering
en moedeloosheid van de ontzaglijke doorsnijding te spreken, door middel
van welke Lodelijk XIV den Atlantischen oceaan met de Middellandsche
zee verbonden had. Zij vermoedden zeker niet, dat hun eigen land na verloop
van weinige geslachten voor rekening van bijzondere ondernemers door
kunstmatige rivieren doorsneden zoude zijn, wier lengte viermaal grooter
is dan de gezamenlijke lengte van den Theems, de Severn en de Trent.
^Tr\'wcgèn" Het was bijna uitsluitend door middel der groote wegen, dat in
den regel, zoowel reizigers als goederen, van de eene plaats naar de andere
werden vervoerd; en die groote wegen schijnen veel slechter te zijn geweest,
dan men volgens den maatstaf van rijkdom en beschaving, dien de natie
reeds bereikt had, zou hebben kunnen verwachten. Zelfs op de best onder-
houden rijwegen waren de sporen diep, de hellingen steil en de wegen bij
schemerlicht nauwelijks te onderscheiden van de onomheinde heiden en
moeraslanden, die aan weerszijde lagen. Ralph Thoresby, de oudheidken-
ner, was, op den grooten weg naar het noorden, tusschen Barnby-Moor en
Tuxford, in gevaar van den weg af te dwalen en deed dit werkelijk tusschen
Doncaster en York 3). Pepys en zijn vrouw, die met eigen rijtuig reisden,
raakten tusschen Newbury en Reading van den weg af. In den loop van
diezelfde reis verdwaalden zij weder op korten afstand van Salisbury en het
\') Eeuw der uitvindingen, 1663, NT°. 68.
\') Norths Leven van Guildford, 136.
a) Thoiesby\'s Dagboek, 21 Octobcr 1680, 3 Augustus 1712.
-ocr page 283-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
259
scheelde weinig, of zij hadden den nacht in het open veld moeten door-
brengen \'). Slechts bij schoon weder kon de geheele breedte van den weg
door rijtuigen bereden worden. Ter rechter en ter linker zijde lag meestal
diepe modder, waar in het midden slechts een smalle strook vasten grond
uitstak 1). Dan vonden menigvuldige opstoppingen en twisten plaats en het
pad was soms langen tijd versperd door voerlieden, die niet voor elkander
wilden wijken. Bijna dagelijks gebeurde het, dat koetsen in den modder
bleven steken, tot er een span vee van de eene of andere naburige hofstede
aangebracht kon worden om ze uit het slijk te trekken. In het slechte jaarge-
tijde had de reiziger nog veel ernstiger ongemakken te verduren. Thoresby,
die dikwerf tusschen Leeds en de hoofdstad reisde, heeft in zijn Dagboek
een reeks van ondervonden gevaren en rampen opgeteekend, zoo als men ze
zich nauwelijks van een tocht naar de Ijszee, of naar de woestijn van Sahara
zou voorstellen. Bij een zoodanige gelegenheid vernam hij, dat tusschen
Ware en Londen een overstrooming had plaats gehad, dat sommige reizigers
hun leven al zwemmende hadden moeten redden en dat een mars-kramer
bij de poging om er over te komen verdronken was. Ten gevolge van deze
tijdingen verliet hij den grooten weg en werd dwars over eenige weilanden
gevoerd, waar hij genoodzaakt was tot aan den rand van den zadel door het
water te rijden 3). Bij een andere reis ontkwam hij slechts met moeite aan
het gevaar van door een overstrooming van de Trent te worden weggevoerd.
Daarna moest hij uithoofde van den toestand der wegen vier dagen lang te
Stamford blijven en waagde toen eerst zijn weg te vervolgen, omdat veertien
leden van het Huis der Gemeenten, die te zamen met gidsen en met talrijk
gevolg naar het parlement gingen, hem in hun gezelschap opnamen *). Op
den weg door Derbyshire s) verkeerden de reizigers steeds in gevaar den
hals te breken en waren dikwerf genoodzaakt af te stijgen en hun dieren
bij den teugel te leiden G). De heerbaan door Wallis naar Holyhead was in
zulk een toestand, dat in 1685 een onderkoning, die naar Ierland ging, vijf
uren noodig had om den afstand van St. Asaph naar Conway, die veertien
mijlen bedraagt, af te leggen. Tusschen Conway en Beaumaris moest hij
het grootste gedeelte van den weg te voet afleggen, terwijl zijn gemalin op
een draagbaar verder gebracht werd. Het kostte de grootste moeite en de
hulp van veler handen hem zijn koets in haar geheel achterna te brengen.
Gewoonlijk werden de rijtuigen te Conway uit elkander genomen en op de
schouders van sterkgespierde Walische boeren naar de zeeëngte van Menaï
gedragen 7). In sommige gedeelten van Kent en Sussex konden des winters
slechts de sterkste paarden door den modder heen komen, waar zij bij iedere
schrede diep inzonken, De markten waren dikwerf verscheiden maanden
achtereen onbereikbaar. Men beweerde, dat de veldvruchten soms in de
\') Dagboek van I\'epys, 12 en 16 Junij 1668.
2) Dagboek van Pepys, 28 Februari 1660.
\') Thoresby\'s Dagboek, 17 Mei 1695.
*) Dezelfde, 27 December 1708.
■"•) Welk graafschap zeer bergachtig is.
•) Reis door Derbyshire, door J. Browne, zoon van Sir Thomas Browne, 1662.
Cottons Hengelaar, 1676.
;) Briefwisseling van Hendrik, graaf van Clarendon, 31 Dec. 1685. [Jan. 16S5.
-ocr page 284-
2ÓO
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
eene plaats aan bederf overgelaten werden, terwijl op weinige mijlen afstands
van daar veel minder aanvoer dan navraag was. Alle rijtuigen op raderen
werden in dezen omtrek over het algemeen door ossen voortgetrokken \').
Toen prins George van Denemarken bij nat weder het prachtige kasteel
van Petworth bezocht, bracht hij zes uren door om een afstand van negen
mijl af te leggen en het was noodig, dat een aantal stevige knapen aan
weerszijde van zijn koets liepen om die te ondersteunen. Van de rijtuigen,
waarin zijn gevolg gevoerd werd, werden verscheidene omgeworpen en be-
schadigd. Er is een brief van een der heeren van zijn gevolg bewaard ge-
bleven, waarin de ongelukkige hoveling klaagt, dat hij in veertien uur geen
enkel maal was afgestegen, behalve als zijn koets omgevallen of in den
modder was blijven steken *).
De gebrekkige toestand der wetten schijnt een der hoofdoorzaken van
den slechten staat der wegen te zijn geweest Iedere gemeente was gehouden
om de over haar gebied loopende wegen te herstellen. De boeren moesten
te dien einde gedurende zes dagen van het jaar kosteloos hun arbeid leenen.
Was dit niet toereikend, dan werden loon-arbeiders gebezigd en de kosten
door een gemeentelijken omslag gedekt. Een heerweg, die twee groote
steden met elkander verbindt, op kosten van de tusschen beiden wonende
landlieden, is blijkbaar onrechtvaardig; en van deze onrechtvaardigheid
leverde vooral de groote heerweg naar het Noorden, die zeer arme en
schaarsch bevolkte streken doorsneed om zeer welvarende en volkrijke
streken met elkander te verbinden, een treffend voorbeeld op. Inderdaad,
het was de gemeenten van Huntingdonshire niet mogelijk een weg te onder-
houden, die voor het drukke verkeer tusschen het West-riding \') van York-
shire en Londen moest dienen. Kort na de Restauratie trok dit bezwaar de
aandacht van het parlement en er werd een wet, de eerste onzer talrijke tol-
boomwetten, aangenomen, waarbij de heffing van een matigen tol van reizi-
gers en van goederen werd verordend ten einde sommige gedeelten van
deze belangrijke verbindingslijn in bruikbaren staat te houden *). Doch
deze nieuwigheid verwekte veel gemor en de overige groote heerbanen, die
naar de hoofdstad leidden, bleven nog langen tijd onder het oude stelsel.
Eindelijk werd verandering in dat stelsel gebracht, schoon niet zonder groote
moeite. Want onrechtvaardige en onverstandige belastingen, waaraan de
menschen gewoon zijn, worden dikwerf veel gewilliger gedragen dan de
billijkste nieuwe belasting. Eerst nadat een groot aantal slagboomen met
geweld omvergehaald en krijgslieden in vele plaatsen gedwongen waren
geweest tegen het volk op te treden; eerst nadat veel bloed vergoten was,
werd een geschikt stelsel ingevoerd 5). Langzamerhand zegevierde de rede
\') Postlethwaite\'s Woordenboek: wegen; Geschiedenis van Hawkhurst in de I3i-
bliotheca Topogrophica Britannica.
») Jaarboeken van Koningin Anna, 1703, Appendix N°. 3.
■) Yorkshire is verdeeld in drie districten, ridings genaamd: het noord-, oost- en
west-riding.
«) Wetten, 15 j. v. Karel II, ie hoofdstuk
a) De gebreken van het oude stelsel zijn in talrijke verzoekschriften, die in liet
dagboek van het Huis der Gemeenten van 1725/6 voorkomen, ten duidelijkste uiteen-
-ocr page 285-
261
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
over het vooroordeel en ons eiland is tegenwoordig in alle richtingen door-
kruist door tolboomwegen, ter lengte van nagenoeg dertig duizend mijlen.
Op de beste straatwegen werden zware goederen in den tijd van Karel II
over het algemeen door geregelde diensten van vrachtwagens vervoerd. In
het stroo dier voertuigen nestelden zich een aantal passagiers, die de midde-
len niet bezaten om per as ofte paard te reizen en die door lichaamsgebreken
of door de zwaarte hunner bagage verhinderd waren den weg te voet af te
leggen. De kosten voor deze wijze van vervoer van zware goederen waren
ontzettend. De vracht van Londen naar Birmingham kostte zeven p. st. per
ton; van Londen naar Exeter twaalf p. st. per ton \'). Dit was ongeveer
vijftien pence per ton voor iedere mijl; een derde meer dan later voor het
vervoer over tolwegen gerekend werd en vijftienmaal meer dan thans door
de spoorwegmaatschappijen wordt gevorderd. De kosten van vervoer van
vele nuttige artikelen stonden gelijk met een verbodsbelasting. Steenkolen
vooral waren nergens te zien, dan in de streken, waar zij opgedolven werden
of waar zij ter zee aangevoerd konden worden; ook werden zij in het zuiden
van Engeland niet anders genoemd dan zeekolen.
Op bijwegen en vooral ten noorden van York en ten westen van Exeter
werden de goederen door lange treinen van pakpaarden gedragen. Deze
sterke en geduldige dieren, wier ras thans uitgestorven is, werden door een
klasse van menschen begeleid, die veel schijnen gehad te hebben van de
spaansche muildierdrijvers. Reizigers van geringen stand waren veeltijds
blijde een reis te kunnen afleggen, gezeten op een pakzadel tusschen twee
manden, en onder de hoede van deze onverschrokken leidslieden. De kosten
van deze wijze van reizen waren gering. Maar de karavaan ging slechts stap-
voets voort en des winters was de koude somtijds ondraaglijk !).
De rijken reisden gewoonlijk in hun eigen rijtuigen, met ten minste vier
paarden. Cotton, de luimige dichter, wilde eens met een enkel tweespan
van Londen naar den Peak reizen, doch, te St. Albans gekomen, zag hij in,
dat de reis onuitstaanbaar vervelend zou zijn en veranderde zijn plan s).
Een koets met zes paarden wordt in onze dagen niet anders gezien dan bij
optochten Dat zoodanige equipages zoo dikwerf in oude boeken voorkomen,
kan ons derhalve al licht in dwaling doen vervallen Wij houden voor
weelde, wat inderdaad het gevolg was van een zeer onaangename noodzake-
lijkheid In de tijden van Karel II reisde men met zes paarden, omdat men,
met minder bespanning reizende, in groot gevaar verkeerde van in den
modder te blijven steken. En zelfs zes paarden waren niet altoos toereikend.
Vanbrugh beschreef, een geslacht later, in zeer luimigen trant de wijze,
wairop een pas tot lid van het parlement verkozen landedelman de reize
naar Londen aflei. Bij die gelegenheid" kon de uiterste krachtsinspanning
gezet Welke woedende tegenkanting de invoering van het nieuwe stelsel ondervond\'
kan men uit het Gentlemens Magazijn van 1749 zien.
\') Postlethwaite\'s Woordenboek: wegen.
\') Loidis en Elmete. Marshalls Landhuishoudkunde in Engeland. In 1739 kwam
Roderick Random op een pakpaard van Schotland naar Newcastle.
\') Cottons Epistel aan J. Bradshaw,
-ocr page 286-
2Ó2                                    GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
van zes paarden, waaronder twee ploegpaarden, de familiekoets niet voor
het lot behoeden van in een modderpoel te blijven vastzitten.
De openbare middelen van vervoer waren in de jongste tijden
aanmerkelijk verbeterd. Gedurende de jaren, die onmiddellijk op de Res-
tauratie volgden, werd de weg tusschen Londen en Oxford in twee dagen
tijds door een diligence afgelegd. De passagiers brachten den nacht te
Beaconsfield door. In het voorjaar van 1660 werd echter een groote en
gewaagde nieuwigheid beproefd. Er werd bekendgemaakt, dat een rijtuig, de
Vliegende wagen genaamd, tusschen zonsopgang en zonsondergang de gan-
sene reize zou afleggen. Deze stoute onderneming werd door de hoofden der
hoogeschool tot het onderwerp eener plechtige beraadslaging gemaakt en
goedgekeurd; terwijl ze overigens dezelfde soort van belangstelling schijnt
te hebben gaande gemaakt, als in onzen tijd door de opening van een
nieuwen spoorweg wordt gewekt. De vice-kanselier kondigde in een in alle
openbare plaatsen aangeslagen bekendmaking uur en plaats van het vertrek
af. De proefneming slaagde volkomen. Des ochtends ten zes ure zette zich
de wagen, aan de voorzijde van het aloude Allerzielen-college, in beweging
en te zeven ure des avonds waren de moedige gentlemen, die de eerste
kansen hadden gewaagd, gezond en wel aan hun herberg te Londen afge-
stapt \'). De naijver der andere hoogeschool werd opgewekt en weldra werd
een diligence in dienst gesteld, die de passagiers in één dag van Cam-
bride naar de hoofdstad overbracht. Op het einde der regeering van Karel II
liepen vliegende wagens driemaal \'s weeks van Londen naar de voornaamste
steden. Maar geen passagierswagen, ja zelfs geen vrachtwagen schijnt naar
het noorden verder dan tot York of naar het westen verder dan tot Exeter te
zijn gegaan. De gewone dagreis van een vliegenden wagen was des zomers
ongeveer vijftig, maar des winters, als de wegen slecht en de nachten lang
waren, weinig meer dan dertig mijl. De wagens van Chester, York en
Exeter bereikten Londen gedurende het schoone jaargetijde doorgaans op
den vierden, maar met kerstmis niet voor den zesden dag. De passagiers,
voor zes was er plaats, zaten binnen in het rijtuig. Want er gebeurden zoo
dikwerf ongelukken, dat het allergevaarlijkst geweest zou zijn boven op te
gaan zitten. De gewone passagiersvracht bedroeg des zomers ongeveer twee
en een halve penny per mijl en des winters iets meer 2).
Deze trant van reizen, die door de Engelschen van onzen tijd ondraaglijk
langzaam geacht zoude worden, scheen onzen voorouders verwonderlijk, ja,
onrustbarend snel toe. In een werk, dat weinige maanden voor den dood
van Karel II werd uitgegeven, worden de vliegende wagens geroemd als
verre verheven boven alle soortgelijke voertuigen, die men tot dus verre in
de gansche wereld ooit gekend had. Met bijzonderen lof wordt van hun
snelheid gewaagd, die zegevierend vergeleken wordt met den tragen gang
der postwagendiensten op het vasteland. Doch te gelijk met zulke lofspraken
deden zich ook klagende en scheldende stemmen hooren. De belangen van
allerhande klassen waren door de instelling der nieuwe dilligences benadeeld
\') Anthony a Woods Levensbeschrijving, door hem zelf beschreven.
2) Chamberlayce\'s Staat van Engeland, 1684. Zie ook de lijst der post- en vracht-
voertuigen, aan het einde van het werk getiteld: Anglis Metropolis, 1690.
-ocr page 287-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
263
geworden; en zoo als gewoonlijk, waren velen uit louter domheid en hard-
nekkigheid geneigd om zich tegen de nieuwe instelling te verzetten, alleen
omdat ze nieuw was. Heftig betoogde men, dat deze wijze van vervoer nood-
lottig zoude worden voor de veredeling van het paardenras en voor de edele
rijkunst, dat de Theems, die sedert lang een voorname kweekschool voor
zeelieden geweest was, ophouden zou het eerste verbindingsmiddel van
Londen stroomopwaarts naar Windsor en stroomafwaarts naar Gravesend
te zijn; dat honderden van zadel- en sporenmakers te gronde zouden gaan ;
dat tallooze herbergen, waar reizigers te paard gewoon geweest waren af te
stijgen, zonder gasten zouden blijven en niets meer zouden opbrengen; dat
de nieuwe rijtuigen des zomers te warm en des winters te koud waren; dat
zieken en schreeuwende kinderen den passagiers deerlijken overlast berok-
kenden; dat de wagen somtijds de herberg zoo laat bereikte, dat het onmo-
gelijk was \'s avonds te eten en somtijds zoo vroeg vertrok, dat het onmogelijk
was een ontbijt te krijgen. Op deze gronden werd ten ernstigste aange-
raden geen openbaren wagen te veroorlooven met meer dan vier paarden te
rijden, meer dan eenmaal \'s weeks te vertrekken, of meer dan dertig mijlen
daags af te leggen. Werden zulke regelen ingevoerd, dan, hoopte men,
zouden allen, met uitzondering slechts van zieken en gebrekkigen, tot de
vroegere wijze van reizen terugkeeren. Verzoekschriften, waarin gevoelens
als deze vervat waren, werden door verscheiden gilden der City van Londen,
door een aantal provinciesteden en door de rechterlijke overheden van
verscheiden graafschappen den koning in de geheime raadzittingen aange-
boden. Wij glimlachen over deze bijzonderheden. Het is niet onmogelijk,
dat onze nakomelingen op hun beurt zullen glimlachen, als zij de geschiede-
nis van den tegenstand lezen, die door hebzucht en vooroordeel tegen de
verbeteringen der negentiende eeuw gericht werd \').
Hoe aanlokkelijk de vliegende wagens ook waren, nochtans bleven man-
nen, die een goede gezondheid en een krachtig gestel bezaten, de gewoonte
behouden om lange reizen te paard af te leggen. Wenschte de reiziger met
spoed voort te gaan, dan reed hij per post. Versche rijpaarden en gidsen
waren langs al de groote heerwegen, op geschikte afstanden te verkrijgen.
De kosten bedroegen drie pence per mijl voor elk paard en vier pence per
station voor den gids. Op deze wijze kon men, als de wegen goed waren,
langen tijd even snel reizen als met eenige andere in Engeland bekende
gelegenheid, tot dat de stoomkracht tot het vervoer van rijtuigen gebezigd
werd. Postrijtuigen bestonden nog niet; ook konden zij, die in hun eigen
koetsen reisden, in den regel geen verwisseling van paarden erlangen; de
koning echter en de hoogste staatsbeambten waren bevoegd versche paarden
te eischen. Op die wijze reisde Karel gewoonlijk in één dag van Whitehall
naar Newmarket, een afstand van ongeveer vijf en-twintig mijl door vlak
land; en dit werd door zijn onderdanen voor een bewijs van groote onver-
moeibaarheid gehouden Evelyn legde denzelfden weg in het g> zelschap
\') John Cressets redenen waarom de postwagens behooren afgeschaft te worden,
1672. Deze redenen werden later in een verhandeling opgenomen, getiteld: »het
groote belang van Engeland aangetoond," 1673 Cressets aanval op de postwagens
heeft eenige antwoorden uitgelokt, die ik geraadpleegd heb.
-ocr page 288-
264
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
van den lord-thesaurier Clifford af; het rijtuig werd getrokken door zes
paarden, die te Bishof-Stortford en daarna te Chesterford verwisseld wer-
den. De reizigers bereikten Newmarket des nachts. Zulk een wijze van
vervoer schijnt als een zeldzame, slechts voor vorsten en ministers wegge-
legde weelde beschouwd te zijn geweest \').
straatrotmr». Op welke wijze echter de reizigers hun weg mochten afleggen,
steeds liepen zij groot gevaar van aangehouden of geplunderd te worden,
tenzij zij talrijk en goed gewapend waren De straatroover te paard, een
schavuit, die ons geslacht slechts uit boeken bekend is, was op elke
heerbaan te vinden. De onbebouwde streken langs de groote wegen van
Londen werden door deze soort van roovers bij voorkeur verontrust. De
heide van Hounslow, langs den grooten weg naar het westen en het gemeen-
teland van Finchley, langs den grooten weg naar het noorden, waren wellicht
de meest beruchte van deze streken. De studenten van Cambridge beefden,
zelfs op klaarlichten dag, als zij het woud van Epping naderden. Menigmaal
gebeurde het, dat zeelieden, pas te Chatham afbetaald, gedwongen werden
hun beurzen af te geven op Gadshill, dezelfde plek, die reeds honderd jaren
te voren door den grootsten der dichters als het tooneel der rooverijen van
Falstaff beroemd werd gemaakt. De overheid schijnt somtijds niet geweten
te hebben, hoe zij tegen de roovers te werk zou gaan. Nu eens werd in de
Gazette aangekondigd, dat verscheiden personen, die onder hevige verden-
king lagen van struikroovers te zijn, maar tegen wie geen voldoende bewijzen
voorhanden waren, te Newgate in hun rijkleederen ten foon zouden worden
gesteld; ook hun paarden zouden vertoond worden; en alle gentlemen, die
uitgeschud waren, werden uitgenoodigd deze eigenaardige tentoonstelling
te komen bezoeken. Een andermaal werd een roover van staatswege kwijt-
schelding van straf beloofd, zoo hij eenige ruwe diamanten van onmetelijke
waarde wilde terug brengen, waarvan hij zich, bij het aanhouden der maal-
koets van Harwich had meester gemaakt. Weinig tijds daarna verscheen
een andere proclamatie, waarbij de herbergiers gewaarschuwd werden, dat
het bestuur het oog op hen hield. Hun misdadige medewerking, zeide men,
Stelde de roovers in staat ongestraft de wegen onveilig te maken. Dat deze
vermoedens niet zonder grond waren, blijkt uit de laatste woorden, ter straf
plaats uitgesproken door sommige tot inkeer gekomen roovers, welke door
de herbergiers bijna op gelijke wijze schijnen te zijn gediend geweest, als
Gibbet door Farquhars Bonifacius geholpen werd *).
Voor het welslagen en zelfs voor de veiligheid des straatroovers was het
een eerst vereischte, dat hij een koen en bedreven ruiter was en dat zijn
manieren en zijn voorkomen zoodanig waren, als den berijder van een schoon
paard betaamt. Hij was dus een heer in het gild der dieven; hij verscheen
in fatsoenlijke koffie- en speelhuizen en ging op de renbaan weddenschappen
\') Chamberlayne\'s Staat van Engeland, 1684. North\'s Onderzoek, 105. Evelyns
Dagboek, 9 en 10 October 1671.
2) Zie de London-Gazette, 14 Mei 1677, 4 Augustus 1687, 5 December 1687. De
laatste bekentenis van Augustinus King, die, de zoon van een bekend geestelijke en
te Cambridge opgevoed, in Maart 1688 te Colchester werd opgehangen, is zeer merk-
waardig.
-ocr page 289-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                            265
met deftige heeren aan \'). Somtijds was hij ook werkelijk een man van
goede afkomst en opvoeding. Aan de namen van vrijbuiters van deze soort
verbonden zich dus en verbinden zich wellicht nog allerlei romaneske voor
stellingen; het volk luisterde gretig naar verhalen van hun woestheid en
vermetelheid, hun grootmoedigheid en goedertierenheid, hun minnarijen,
hun wonderbare verlossingen, hun vreeselijke worstelingen en hun man-
moedig gedrag voor de rechtbank en op de beulskar. Zoo verhaalde men
van William Nevison, den grooten roover van Yorkshire, dat hij van alle
veehandelaars uit het noorden ;) een driemaandelijksche belasting hief en
daarvoor niet slechts zelf hen ongedeerd liet, maar hen ook tegen alle andere
dieven beschermde ; dat hij den reizigers op de allerbeleefdste wijze de
beurzen afvroeg; dat hij onbekrompen met de armen deelde, wat hij den
rijken had ontnomen; dat zijn leven eenmaal door \'s konings genade ge-
spaard bleef; doch dat hij op nieuw zijn geluk beproefde en eindelijk in 1685
aan de galg van York zijn leven eindigde 3). Men verhaalde, hoe Claude
Duval, de fransche page van den hertog van Richmond, de heerbaan koos,
kapitein eener geduchte bende werd, en de eer had boven op de lijst te staan
in een koninklijke proclamatie tegen beruchte misdadigers; hoe hij aan het
hoofd zijner schaar het rijtuig eener dame aanhield, waarin zich een buit van
vierhonderd p. st. bevond; hoe hij daarvan slechts een honderd nam en de
schoone eigenares het overige liet vrijkoopen door met hem op de heide
een coranto te dansen; hoe zijn levendige hoffelijkheid de harten aller
vrouwen won; hoe de vaardige wijze, waarop hij zwaard en pistool hanteerde,
hem bij alle mannen gevreesd maakte; hoe hij eindelijk in 1670, door wijn
overmand, gegrepen werd ; hoe dames van hoogen rang hem in de gevange-
nis bezochten en met tranen om lijfsbehoud voor hem smeekten; hoe de
koning hem gratie zou hebben verleend, had niet de rechter Morton, de
schrik der straatroovers, zich daartegen verzet en gedreigd, dat hij zijn ambt
zou neerleggen, wanneer de wet niet ten volle werd nageleefd, en hoe het
lijk na de terechtstelling in staatsie werd nedergelegd, met alle pracht van
wapenschilden, waskaarsen, kripbehangsel en rouwdragers, totdat dezelfde
hardvochtige rechter, die zich tegen de genade der kroon verzet had, be-
ambten zond om de lijkdienst te storen *,>. In deze anekdoten is zeker veel
1)   Mikgoed. Heb ik, mijnheer, uw gelaat niet in Wills koffiehuis gezien ?
Galg. Ja, mijnheer, en bij White ook. — «Des saletjonkers List."
2)  Weilicht het grootste gedeelte van het slachtvee, dat te Londen ter markt kwam.
werd uit het noorden derwaarts aangevoerd.
3)   Gents Geschiedenis van York. Een andere vrijbuiter van deze soort, zekere Biss,
werd in 1695 te Salisbury opgehangen. In een hallade, die in de Pepysiaansche bi-
bliotheek voorhanden is, laat men hem zich op de volgende wijze tegen den rechter
verdedigen:
»What say you now, my honoured lord,
What harm was there in this;
Rich wealthy misers were abhorred
By brave, freehearted Biss \').
*) Wat zegt gij nu, geëerde lord, — Wat kwaad was daar uu in\' —Slechts rijke gierig-
aards werden gehaat, — Door den dapperen, groothartigen Biss.
») Popes\'s Gedenkschriften van Duval, uitgegeven onmiddellijk na de ter dood
brenging-
-ocr page 290-
266                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
verdichts, intusschen zijn ze daarom de aandacht niet onwaardig; want het
is een onbetwistbaar en belangrijk feit, dat zulke vertelselen door onze voor-
ouders gretig aangehoord en gaarne geloofd werden.
Logementen. De velerlei gevaren, waardoor de reiziger omringd was, werden
door de duisternis grootelijks vermeerderd. Over het algemeen wenschte
hij dus des nachts de bescherming van een veilig dak te genieten en zoo-
danige bescherming was zonder moeite te krijgen. Sedert zeer vroege
tijden reeds waren de engelsche herbergen beroemd geweest. Onze eerste
groote dichter had al beschreven, welke voortreffelijke huisvesting zij den
pelgrims der veertiende eeuw aanboden. Negen en twintig personen met
hun paarden konden in de ruime vertrekken en stallen van den Tabbaard
te Southwark plaats vinden. De spijzen waren uitmuntend en de wijnen zoo,
dat ze tot rijkelijk drinken verlokten. Twee honderd jaar later, onder de
regeering van Elizabeth, gaf William Harrison een levendige beschrijving
van den overvloed en de gemakken, die men in de groote logementen vond.
Het vasteland van Europa, zeide hij, had niets dergelijks aan te toonen. Daar
waren er sommige, waar twee drie honderd gasten met hun paarden zon-
der eenige zwarigheid kost en huisvesting konden bekomen. Hetbeddegoed,
het behangsel en vooral de overvloed van schoon en fijn linnengoed, gaven
reden tot bewondering. De tafels werden dikwijls met kostbaar zilvergoed ge-
dekt. Ja, daar waren zelfs uithangborden, die dertig of veertig p. st. gekost
hadden. In de zeventiende eeuw kon Engeland op een overvloed van voor-
treffelijke logementen van alle soort roemen. In kleine dorpen vond de reiziger
veelal een herberg, zoo als Walton ze beschreven heeft, waar de steenen vloer
schoon geboend was, de muren met volksliedjes beplakt waren, waar de bedde-
lakens een lavendelgeur hadden en waar een helder vuur, een kan goede ale
en een schotel versche vorens uit de naburige beek, tegen geringe betaling
verkrijgbaar waren. In de groote inrichtingen van dien aard vond men bedden
met zijden behangen, voortreffelijke gerechten en bordeauxwijn zoogoed als er
ergens in Londen gedronken werd \'). Ook de kasteleins, zeide men, waren
niet als andere kasteleins. Op het vasteland was de huiswaard de tiran
dergenen, die over zijn drempel traden. In Engeland was hij hun dienaar.
Een Engelschman was nooit beter thuis, dan wanneer hij in een logement
zich op zijn gemak zette. Zelfs vermogende lieden, die zich in hun eigen
huizen alle weelde konden verschaffen, hadden dikwerf de gewoonte hun
avonden in de gelagkamer van de een of andere naburige uitspanning door
te brengen. Zij schijnen gedacht te hebben, dat nergens zooveel gemak en
vrijheid te genieten viel. Dit gevoelen bleef gedurende vele geslachten een
eigenaardige trek der natie. De vrijheid en vroolijkheid in de herbergen
bleef langen tijd ruime stof voor onze roman- en toneeldichters opleveren.
Johnson betuigde, dat een voorzittersstoel in de herberg een troon van
menschelijke gelukzaligheid was; en Shenstone klaagde bescheiden zijn
leed, dat geen bijzondere woning, hoe bevriend men er ook zijn mocht,
\') Zie de voorrede tot de Verhalen van Canterbury; Harrisons Geschiedkundige
Beschrijving van Grootbritanje eu Pepys Beschrijving zijner reize in den zomer van
1688. De voortreffelijkheid der engelsche logementen wordt ook in de reizen van den
groothertog Cosinus vermeld.
-ocr page 291-
JOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                        267
den wandelaar een zoo warme verwelkoming gaf, als men in een herberg
kon vinden.
In onze hedendaagsche hotels zijn vele gemakken te vinden, welke in de
zeventiende eeuw te Whitehall en te Hamptoncourt onbekend waren. Even-
wel staat vast, dat de verbeteringen in onze openbare verblijfplaatsen
over het geheel volstrekt geen gelijken tred met de verbetering onzer wegen
en middelen van vervoer hebben gehouden. En dit is niet vreemd; want
blijkbaar moeten, zoo men aanneemt, dat alle overige tijdsomstandigheden
in gelijke verhouding staan, de logementen het best wezen, daar waar de
middelen van vervoer het slechtst zijn. Naarmate er sneller gereisd wordt,
heeft de reiziger minder behoefte aan het bestaan van talrijke aangename
rustplaatsen langs den weg. Voor honderdzestig jaar moest iemand, die uit
een afgelegen graafschap naar de hoofdstad ging, onderweg doorgaans van
twaalf tot vijftien maaltijden en vijf of zesmaal nachtverblijf houden en was
het een voornaam persoon, dan verwachtte hij goede, ja weelderige maal-
tijden en uitnemende huisvesting Tegenwoordig vliegen wij bij het licht
van een enkelen winterdag van York of Exeter naar Londen. Thans is het
dus een zeldzaamheid, dat een reiziger zich onderweg ophoudt, alleen om
rust of verversching te zoeken. Honderden uitmuntende logementen zijn
dien ten gevolge geheel in verval geraakt. Binnen korten tijd zullen goede
huizen van dien aard behalve in plaatsen, waar men verwachten mag, dat
reizigers door zaken of genoegens zullen worden opgehouden, nergens
meer te vinden zijn.
Bricvenpost. De wijze, waarop de briefwisseling tusschen ver van elkander ge-
legen oorden onderhouden werd, zal wellicht het tegenwoordig geslacht een
glimlach afpersen, maar zou desniettemin de bewondering en den naijver van
de beschaafde natiën der oudheid of van de tijdgenooten van Raleigh en
Cecil hebben gaande gemaakt. Een ruwe en onvolmaakte inrichting van
posterijen voor het vervoer van brieven was door Karel I ingesteld en
door den burgeroorlog weder vernietigd. Tijdens de republiek werd dit
ontwerp weder opgevat. Onder de restauratie werden de opbrengsten
der posterijen na aftrek van alle uitgaven den hertog van York toegekend.
Op de meeste heerwegen werden de brievenmalen slechts om den anderen
dag verzonden en ontvangen. In Cornwall, in de moerassen van Lincolnshire,
op de heuvels en in de valleijen van Cumberland werden de brieven slechts
eenmaal \'s weeks uitgedeeld. Gedurende een koninklijken omtocht evenwel,
werd een dagelijksche post naar de plaats gezonden, waar het hof verblijf
hield. Er bestond ook een dagelijksch postverkeer tusschen Londen en de
Duinen \') en hetzelfde voorrecht viel somtijds ook aan Tunbridge-Wells en
aan Bath ten deel in het saisoen, dat deze plaatsen met drukke bezoeken van
grooten vereerd waren. De brieventassen werden dag en nacht, met een
snelheid van ongeveer vijf mijl in het uur, te paard verder gebracht 2).
l) Een gedeelte der kust van Kent met eenige havens en ankerplaatsen, waar de
meeste schepen van het vasteland aankwamen en vertrokken. Dover, Deal en Sandwich
behooren tot deze streek.
*) Wetten van het 12e jaar van Karel II, hoofdstuk 35. Chamberlayne\'s Staat van
-ocr page 292-
268                               GESCHIEDENIS VAN ENGELAND. ,
De opbrengsten dezer inrichting bestonden niet enkel in de briefporten.
De posterij alleen bezat het recht om postpaarden te leveren en\'uit de zorg,
waarmede dit monopolie bewaakt werd, mogen wij afleiden, dat het voor-
deelig bevonden werd \'). Had echter een reiziger een half uur gewacht,
zonder dat hem paarden verschaft werden, dan mocht hij er huren, waar hij
verkoos.
De bevordering van het brievenverkeer tusschen de verschillende ge-
deelten van Londen, behoorde niet tot het oorspronkelijk doel van de op-
richting der posterij. Doch gedurende de regeering van Karel II zette een
ondernemend burger van Londen, William Dockwray, met groote kosten,
een penny-post op, die in de drukke en bevolkte straten in den omtrek der
beurs zes of achtmaal en in de buitenwijken der City viermaal daags brieven
en paketten rondbracht. Deze verbetering vond, als naar gewoonte, hevige
tegenkanting. De boodschaploopers klaagden, dat hun belangen benadeeld
werden en scheurden de aankondigingen af, waarin het ontwerp aan het
publiek werd bekend gemaakt. De opgewondenheid, door Godfrey\'s dood
en de ontdekking der papieren van Coleman veroorzaakt, had toen haar
toppunt bereikt. Er werd derhalve een kreet aangeheven, dat de penny-
post een papistische uitvinding was. De groote doctor Oates, zeide men,
had het vermoeden geuit, dat de Jezuiten den grond van dit ontwerp
gelegd hadden en de brieventassen, zoo ze onderzocht werden, vol ver-
raad zouden bevonden worden 2). Het nut der onderneming was echter zoo
groot en zoo blijkbaar, dat alle tegenstand vruchteloos bleef. Zoodra echter
bleek, dat deze onderneming voordeelig zou zijn, diende de hertog van York
er een klacht tegen in op grond, dat zij een inbreuk was op zijn monopolie,
en de rechtbanken beslisten in zijn voordeel s).
De inkomsten van de posterij waren van den beginne af steeds klim-
mend. In het jaar der restauratie had een commissie uit het Huis der
Gemeenten, na strikt onderzoek, verklaard, dat de zuivere ontvangsten twin-
tigduizend p. st. bedroegen. Op het einde der regeering van Karel II be-
droegen ze weinig minder dan vijftig duizend p. st.; en dit werd destijds als
een ontzettend hoog bedrag beschouwd. De onzuivere opbrengst beliep
ongeveer zeventig duizend p. st. De kosten van een enkel briefport twee
pence voor tachtig mijl en drie pence voor een grooter afstand. Het port
werd verhoogd in verhouding tot het gewicht der brieven *). Thans wordt
een enkele brief voor een penny aan het uiteinde van Schotland of van
Ierland bezorgd en het monopolie der postpaarden is sedert lang opgeheven.
Evenwel bedragen de onzuivere jaarlijksche ontvangsten van het departe-
ment der posterijen meer dan achttien maal honderd duizend en de zuivere
ontvangsten meer dan zeven maal honderd duizend p. st. Het lijdt dus bijna
Engeland, 1684. Angliïe Metropolis, 1690. Dagblad (Gazette) van Londen, 22 Juni
1685, 15 Augustus 1687.
\') Londensch dagblad, 14 September 1685.
«) Smiths Loopend Nieuws, 30 Maart en 3 April 1680.
3) Anglia; Metropolis, 1690.
») Dagboek van het Lagerhuis, 4 September 1660, 1 Maart 1688\',, Chamberlayne,
684. Davenant, Over de staatsiukomsten, 4e verhandeling.
-ocr page 293-
= 60
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
geen twijfel of het getal der brieven, dat thans per maal vervoerd wordt, is
zeventig maal grooter dan dat, hetwelk tijdens de troonsbeklimming van
Jakobus II, op die wijze werd verzonden.
NJn"3"Kr.n Van de lading, die door de oude malen overgebracht werd,
maakten de nieuwsbrieven verreweg het belangrijkste gedeelte uit. In (Ó85
bestond nog niets en kon nog niets bestaan van wat naar onze hedendaagsche
londensche dagbladen lijkt. Daartoe ontbraken de vereischte fondsen en
de vereischte bekwaamheid Bovendien ontbrak het aan vrijheid, een ge-
mis, dat niet minder noodlo\'.tig was dan het gemis van kapitaal of bedreven-
heid. De drukpers was wel op dat oogenblik aan geen algemeene censuur
onderworpen. De censuurwet, die kort na de restauratie was aangenomen,
was in 1679 niet langer bindend. Een ieder kon derhalve onder zijn
eigen verantwoordelijkheid een geschiedenis, een leerrede, een gedicht
drukken, zonder daartoe vooraf de vergunning van eenigen openbaren be-
ambte te moeten vragen ; maar de rechters waren eenstemmig van gevoelen,
dat deze vrijheid zich niet tot dagbladen uitstrekte en dat, volgens het en-
gelsche gemeene recht, niemand, die daartoe niet door de kroon gemachtigd
was, staatkundig nieuws mocht uitgeven \'). Zoolang de Whigpartij nog te
vreezen was, achtte de regeering \'t wel eens raadzaam, inbreuken op dezen
regel door de vingers te zien. Gedurende den grooten strijd over de uit-
sluitingswet, liet men de verschijning toe van een aantal dagbladen, als het
Protestantsche Nieuws, het Loopend Nieuws, het Inlandsch Nieuws, het
Ware Nieuws, de Londensche Merkuur 2). Geen enkel dezer bladen ver-
scheen meer dan tweemaal \'s weeks. Geen hunner had een grooter omvang
dan dien van een enkel klein blad. De hoeveelheid der stof. die in een
geheelen jaargang vervat was, bedroeg niet meer dan thans in twee nummers
van de Times voorkomt. Na de nederlaag der Whigs behoefde de koning
niet meer terug te deinzen voor de handhaving van hetgeen de rechters
zijn ontwistbaar voorrecht genoemd hadden. Bij het einde zijner regeering
mocht geen nieuwsblad meer verschijnen, zonder zijn bijzondere vergun-
ning en deze werd uitsluitend aan het Londensche Dagblad verleend.
Het londensche dagblad (Gazette) verscheen des maandags en des donder-
dags. Het bevatte gewoonlijk de eene of andere koninklijke proclamatie,
twee of drie Torystische adressen, openbaarmakingen van eenige bevorde-
ringen, het verhaal eener schermutseling tusschen de keizerlijke troepen en
de Janitsaren aan den Donau, het signalement van een straatroover, de aan-
kondiging van een groot hanengevecht tusschen een paar voorname heeren,
en het aanbod eener belooning voor dengene, die een weggeloopen hond zou
terecht brengen. Het geheel vulde ongeveer twee matige bladzijden druks.
Al wat, zelfs ten aanzien der gewichtigste aangelegenheden, werd medege-
deeld, was in de nietsbeduidendste bewoordingen en in den droogsten stijl
vervat Somtijds, wel is waar, als het bestuur genegen was de openbare
nieuwsgierigheid ten aanzien van eenige belangrijke handeling te bevredi-
gen, werd een groot blad druks uitgegeven, meer uitvoerige bijzonderheden
\') Londensch Dagblad, 5 en 17 Mei 1680.
1) Er bestaat van deze bladen eene zeer merkwaardige en, naar ik geloof, eenige
verzameling in het britsch museum .
-ocr page 294-
2;o                                    GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
bevattende dan in de Gazette te vinden waren; doch de Gazette en het op
hooger last gedrukte bijvoegsel behelsden nooit eenige tijding, welker be-
kendwording niet met de bedoelingen van het hof strookte. De belangrijkste
staatsprocessen die in onze geschiedboeken vermeld staan, werden met diep
stilzwijgen voorbij gegaan \'). In de hoofdstad werd het gemis aan dagbladen
door de koffiehuizen eenigermate vergoed. Derwaarts stroomden de Lon-
denaars, even als de Atheners van ouds op de marktplaats zich verzamelden,
om te hooren of er ook nieuws was. Daar kon men vernemen, welke grove
behandeling, daags te voren, in Westminsterhall een Whig was aangedaan,
welke vreeselijke berichten de brieven uit Edinburg over het pijnigen der
aanhangers van het covenant behelsden, hoe schandelijk het bestuur der
marine bij de approviandeering der vloot het land bedrogen had, en welke
zware aanklacht de lord-geheimzegelbewaarder in zake het haardgeld tegen
de thesaurie had ingebracht. Zij echter, die op eenigen afstand van het
groot tooneel der staatkundige worstelingen leefden, konden alleen door
middel van nieuwsbrieven geregelde tijding erlangen van hetgeen er omging.
Zulke brieven samen te stellen werd dus in Londen een beroep even als
thans onder de inboorlingen van Indié. De nieuwsschrijver zwierf van het
eene koffiehuis naar het andere om zijn berichten te verzamelen, drong
zich in de gerechtszaal van Old Bailey, als daar een belangwekkend
geding behandeld werd, ja, verkreeg wellicht toegang tot de galerij van
Whitehall en keek eens, hoe de koning en de hertog er uit zagen. Op
deze wijze zocht hij stof voor wekelijksche epistelen, die bestemd waren
om het een of ander graafschapsstadje of het eene of andere college van
plattelandsrechters voor te lichten. Uit zulke bronnen vernamen de be-
woners der grootste provinciesteden en de groote meerderheid der gentry en
der geestelijkheid al wat zij van de geschiedenis van hun tijd te weten kregen.
Wij mogen onderstellen, dat in Carnbridge het getal dergenen, die verlan-
gend waren tijding te hooren van hetgeen er in de wereld voorviel, even
groot was als in eenige andere plaats buiten Londen. Doch gedurende een
groot gedeelte der regeering van Karel II hadden de doctoren in de rechten
en de magisters der fraaije wetenschappen en kunsten te Carnbridge geen
geregelden aanvoer van nieuws, behalve dat van het londensche dagblad.
Eindelijk werd een der nieuwsverzamelaars van de hoofdstad in dienst ge-
nomen, en het was een gedenkwaardige dag, toen de eerste nieuwsbrief uit
Londen op de tafel der eenige koffiekamer van Carnbridge werd nederge-
legd !). In de landelijke verblijven van vermogenden werd de nieuwsbrief
steeds met ongeduld verwacht. Een week na de aankomst was hij door twin-
tig families gespeld en beduimeld De squires van den omtrek vonden daarin
stof tot gesprekken bij hun octoberbier en de naburige dominees thema\'s
voor scherpe predikatiën tegen whigs- of paapschgezindheid. Een vlijtig
onderzoek in de archieven van oude geslachten zou voorzeker nog tot de
") Er is bij voorbeeld, in de Gazette geen woord te vinden over de belangrijke
parlementsverhandelingeu van November 1685, noch ook over het proces en de vrij-
spraak der zeven bisschoppen.
\') Roger Norths Leven van Dr. John North. Zie ook ten aanzien van nieuws-
brieven het Onderzoek, 133.
-ocr page 295-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
171
ontdekking van een menigte dezer merkwaardige journalen leiden. Sommige
zijn in onze openbare boekerijen te vinden; en een reeks, die geenszins
het minst belangrijke gedeelte vormt van de door Sir James Mackintosh
bijeengebrachte letterkundige schatten, zal nu en dan in dit werk worden
aangehaald \').
Wij behoeven nauwelijks te zeggen, dat er destijds geen provinciale
nieuwsbladen bestonden. Trouwens, met uitzondering der hoofdstad en der
twee hoogescholen, was er bijna geen enkele drukker in het gansche konink-
rijk te vinden. De eerste engelsche drukpers benoorden de Trent schijnt te
York te zijn geweest!).
De Toeschouwer. Het was nochtans niet enkel door middel van het Londensch
dagblad, dat de regeering den volke staatkundig onderricht poogde te ver-
schaffen. Dat dagblad bevatte een schralen voorraad van tijdingen, zonder
eenige redeneering. Een ander dagblad, dat onder bescherming van het hof
werd uitgegeven, bestond in beschouwingen, zonder tijdingen. Dit. blad,
de Toeschouwer 3) werd door een ouden Torygezinden vlugschriftsteller
uitgegeven, Roger Lestranger genaamd. Het ontbrak dezen niet aan gevat-
heid of slimheid, en zijn stijl, schoon ruw en ontsierd door de platte beuzel-
taal, die destijds in de kleedkamer der tooneelspelers en in de herberg voor
geestigheid doorging, was niet zonder puntigheid en kracht. Doch zijn aard,
wreed en onedel tevens, deed zich in eiken regel kennen, dien hij ter neder-
schreef. Toen de eerste nommers van den Toeschouwer verschenen bestond
er eenige verontschuldiging voor zijn verbittering. Want de Whigs waren
destijds machtig en hij had talrijke tegenstanders te bestrijden, wier dolle
hevigheid meedoogenlooze vergelding scheen te kunnen rechtvaardigen.
Doch in 1685 was alle tegenstand vernietigd. Een grootmoedig hart zou het
versmaad hebben een partij te hoonen, die niet kon antwoorden, en de ellende
te verzwaren van gevangenen, ballingen, zwaar getroffen huisgezinnen; doch
Lestrange\'s boosheid ontzag graf noch klaaghuis. — William Jenkyn, een
bejaard afgescheiden leeraar, die in groot aanzien stond en om geen andere
misdaad vervolgd was geworden, dan alleen omdat hij God gediend had
naar de wijze, die in het protestantsche Europa algemeen was aangenomen,
stierf in het laatste jaar der regeering van Karel II, in de gevangenis te
1)  Ik neem deze gelegenheid te baat, om der familie van mijn dierbaren en ge-
eerden vriend, Sir James Mackintosh mijn gevoelens van levendige dankbaarheid te
betuigen voor de aan mij toevertrouwde bouwstoffen, door hem verzameld in een tijd,
toen hij voornemens was een soortgelijk werk samen te stellen, als ik thans onder-
nomen heb. Een zoo rijke verzameling van uittreksels uit openbare en bijzondere
archieven heb ik nog nergens aangetroffen en ik geloof ook niet. dat er een tweede
dergelijke bestaat. Het oordeel, waarmede Sir James uit groote massa\'s van de ruwste
ertsen der geschiedenis uitkoos, wat van waarde was en verwierp, wat geen waarde
had, kan alleen door hen op genoegzamen prijs gesteld worden, die na hem in dezelfde
mijn gearbeid hebben.
2)  Leven van Tomas Gent. Men kan in Nicholls Letterkundige anekdoten van de
achttiende eeuw een lijst van alle drukkerijen aantreffen. Het getal der drukkerijen was
destijds in de laatste jaren zeer vermeerderd; er waren evenwel nog vier-en-dertig
graafschappen, waar zich geen enkele drukker bevond, van welke graafschappen
Lancashire er een was.
*) The Observator.
-ocr page 296-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
272
Newgate, ten gevolge van geleden mishandelingen en ontberingen. De uit-
drukking der algemeene deelneming kon niet worden bedwongen. Het lijk
werd door een stoet van honderd vijftig koetsen naar het graf verzeld. Zelfs
hovelingen stond de droefheid op liet gelaat te lezen. Ja, de lichtzinnige
koning zelf toonde zich eenigszins getroffen Lestrange alleen verhief een
woest triomfgehuil, spotte over het flauwhartige medelijden der Trimmers,
verklaarde, dnt de: godlasterende oude bedrieger zijn rechtmatige straf had
gekregen en deed de gelofte om niet slechts tot aan, maar zelfs tot na den
dood tegen_ alle valsche heiligen en martelaren oorlog te zullen voeren \').
Zoo was de geest van het blad, dat destijds het orakel der Torypartij en
voornamelijk van de parochiale geestelijkheid was.
ïïSH^bm\'t™" Lettervruchten, die door middel van den brievenpost ver-
*\'\'™\'t!a\'\'ii\'.\'\'\'\' voerd konden worden, maakten destijds het voornaamste ge-
deelte van het intellcctueele voedsel uit, dat den geest van dorpsgeestelijken
en dorpsrcchters wakker hield. De moeijelijkheden en kosten van het ver-
voer van zware pakken waren zoo groot, dat een lijvig drukwerk van Pater-
noster Row 2) naar Devonshire of Lancashire langer onder weg bleef dan
het thans naar Kentucky zou doen. Hoe schaars een landelijke pastorie
destijds van boeken voorzien was, zelfs van die, waaraan een godgeleerde het
meest behoefte heeft, is vroeger reeds opgemerkt. In de huizen der gentry
was het even slecht gesteld. Weinig graafschapsvertegenwoordigers hadden
zulk een goede boekverzameling als men thans in een bediendenkamer of inde
huiskamer van iederen winkelier kan aantreffen. Een squire ging onder zijn
naburen voor een groot geleerde door, wanneer Hudibrasen Bakers kroniek,
Tarltons kluchtspelen en de zeven kampioenen van het christendom, tus-
schen de hengelroeden en vogelroeren, op zijn vensterbank lagen. Een
leesbibliotheek, een leesgezelschap bestond destijds zelfs in de hoofdstad
niet; daar evenwel was voor studenten, die niet vermogend waren om ruime
aankoopen te doen, een hulpbron geopend. De winkels der groote boek-
handelaren nabij het kerkhof van St. Pauls waren dagelijks, van den ochtend
tot den avond, vol lezers, en een bekenden klant werd het dikwerf vergund
een deel naar huis mede te nemen. Op het platte land bestond geen derge-
lijke gelegenheid en een ieder was verplicht te koopen, wat hij wenschte
te lezen J).
"^ÏSSïSu" Wat de dame van den huize en haar dochters betreft, haar
bibliotheek bestond gewoonlijk uit een gebeden- en een receptenboek. In
waarheid echter verloren zij weinig door in landelijke afzondering te leven.
Want zelfs \'m de hoogste rangen en in die omstandigheden, welke de uit-
muntendste gelegenheden tot beschaving van den geest opleveren, ont-
\') De Toeschouwer. 29 en 21 Januari 18Ó5. Calamy\'s Leven van Baxter. Vertoog
van de non-conformisten.
J) Een nauwe straat, nabii de St. Paulskerk, waar thans nog verscheiden der voor-
naamste boekhandelaars wonen.
3) Cotton schiint. volgens zijn «Hengelaar", zijn gansche boekerij op zijn venster-
bank te hebben kunnen wegzetten en Cotton was een geletterd man. Zeifstoen Franklin
voor het eerst Londen bezocht, waren openbare leesbibliotheken daar nog onbekend.
Het gedrang in de winkels der boekhandelaren in Klein Britanje wordt mede door
Roger North vermeld in zijn beschrijving van het leven zijns broeders John.
-ocr page 297-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
273
vingen de engelsche vrouwen evenwel een gebrekkiger opvoeding, dan haar
in eenig ander tijdperk na de herleving der letteren ten deel mocht vallen.
In vroegere tijden hadden zij zich gemeenzaam gemaakt met de meesterlijke
voortbrengselen van den geest der oudheid. Thans houden zij zich zelden
met doode talen bezig; maar zij kennen de talen van Pascal en Molière, van
Dante en Tasso, Goethe en Schiller; ook is er geen zuiverder en welluiden-
der Engelsch, dan zoo als het nu door beschaafde vrouwen gesproken en
geschreven wordt. Maar gedurende de tweede helft der zeventiende eeuw
schijnt de opvoeding van het vrouwelijk geslacht bijna geheel veronacht-
zaamd te zijn; bezat een jonge dochter eenige oppervlakkige letterkennis,
dan werd zij als een wonder aangezien. Dames van hooge geboorte, inhoogen
stand opgevoed en van nature vlug, waren onbekwaam in haar moedertaal
een enkelen regel te schrijven, zonder taal- en spelfouten, waarover een
hedendaagsch weesmeisje zich schamen zou \').
Dit laat zich gemakkelijk verklaren. Groote losbandigheid, het natuurlijk
gevolg van overdreven strengheid, was thans smaak, en die losbandigheid
had haar gewone uitwerking: de zedelijke en geestelijke ontaarding der
vrouwen. Het werd gewoonte een ruwe en schaamtelooze hulde aan haar
lichamelijke schoonheid te brengen. Maar de bewondering en de begeerte,
die zij inboezemden, gingen zelden met achting, met liefde of met eenig
ander ridderlijk gevoel gepaard. De eigenschappen, die haar tot ge-
schikte gezellinnen, raadgeefsters en vertrouwde vriendinnen maken, strek-
ten veelmeer om de losbollen van Whitehall terug te stooten, dan om ze
aan te lokken. Een staatsdame, zich kleedende op een wijze, die de
schoonheid van haar blanken boezem het best deed uitkomen, die veelbe-
teekenende oogjes gaf, die wellustig danste, die in snedige en gevatte ant-
woorden uitmuntte en zich niet schaamde met kamerheeren en met kapiteins
van de lijfwacht te stoeijen, dubbelzinnige verzen op dubbelzinnigen toon te
zingen, of voor de aardigheid een pagespak aan te trekken, had aan dat hof
meer kans om gevolgd en bewonderd, om met blijken der koninklijke gunst
vereerd te worden en een rijken en hoogadellijken echtgenoot te winnen,
dan Jane Grey of Lucy Hutchinson gehad zouden hebben. In zulke omstan-
digheden moest natuurlijk de maatstaf der vrouwelijke geestbeschaving laag
zijn; en het was gevaarlijker boven dien maatstaf te zijn dan er beneden te
blijven. De uiterste onwetendheid en beuzelachtigheid werd een dame min-
der kwalijk geduid dan de geringste zweem van schoolgeleerdheid. Van de
al te vermaarde vrouwen, wier afbeeldsels op de muren van Hamptoncourt
nog onze bewondering trekken, waren inderdaad slechts weinige gewoon iets
degelijkers te lezen dan naamdichten, paskwillen en vertalingen van de
Clélie en van den grooten Cyrus.
*) Een enkel voorbeeld zal voldoende zijn. Koningin Maria was van nature wei-
begaafd, was door een bisschop opgevoed, was een vriendin van geschiedenis en
poëzie en werd zelfs door zeer uitstekende personen voor een vrouw van meer dan
gewone beschaving aangezien. In de haagsche bibliotheek bevindt zich een prachtige
engelsche bijbel, die haar bij gelegenheid harer kroning in de Westminster-abdij werd
aangeboden. Op het titelblad vindt men met haar eigen hand de volgende woorden
geschreven: »This book was given the king and I, at our crownation. Marie R." (Dit
boek werd gegeven aan den koning en Ik, bij onze kroning. Maria R.)
MACAULAY I.                                                                                                             l8
-ocr page 298-
274
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
on&\'t^hMm. De letterkundige kennis zelfs der meest beschaafde heeren
van dat tijdperk schijnt, eenigszins minder degelijk en grondig te zijn
geweest dan in vroeger of in later tijden. De grieksche taal althans bloeide
in de dagen van Karel II onder ons niet zoo, als zij het vóór den burger-
oorlog gedaan had en het vele jaren na de omwenteling op nieuw deed. Er
waren ongetwijfeld geleerden, die met de geheele grieksche letterkunde,
van Homerus tot Photius, gemeenzaam waren: zoodanige geleerden echter
waren alleen onder de geestelijkheid der universiteitssteden te vinden en
zelfs daar waren zij weinig in getal en werden zij niet genoeg gewaardeerd.
Te Cambridge werd het geenszins noodig geacht, dat een geestelijke het
evangelie in den oorspronkelijken tekst kon lezen \'). Ook te Oxford was de
maatstaf niet hooger. Toen onder de regeering van Willem III het Christus-
kerk-college als één man opstond om de echtheid der epistelen van Phalaris
te verdedigen, kon dit groot college, dat destijds als de voornaamste zetel
van taalgeleerdheid in het gansche koninkrijk werd beschouwd, niet eens
zooveel blijken van bekendheid met het attisch dialect geven, als thans in
elke groote openbare school aan verscheiden jongelingen eigen is. Men kan
zich licht voorstellen, dat een doode taal, die in de hoogescholen werd
verwaarloosd, door mannen van de groote wereld weinig beoefend werd. In
een vroeger tijdperk waren de grieksche dichtkunst en welsprekendheid de
lievelingsuitspanning van Raleigh en Falkland geweest, in een later tijdperk
werden zij het van Pitt en Fox, Windham en Grenville. Maar gedurende
het laatste gedeelte der zeventiende eeuw was er in Engeland nauwelijks een
enkel uitstekend staatsman, die een bladzijde van Sophocles of Plato met
waar genot kon lezen.
Goede latinisten waren er in grooten getale. De taal van Rome had inder-
daad haar overheerschende kracht nog niet geheel verloren en was in vele
gedeelten van Europa voor een reiziger of onderhandelaar een volstrekt
vereischtc. De vaardigheid in het goed spreken dier taal was derhalve
veel algemeer dan in onzen tijd, en te Oxford ontbrak het evenmin als te
Cambridge aan dichters, die bij plechtige gelegenheden gelukkige navol-
gingen der verzen, waarin Virgilius en Ovidius de grootheid van Augustus
hadden bezongen, aan den voet van den troon konden nederleggen
Inïl\'ictterkluu1j"sc\'\'c Doch zelfs de latijnsche taal begon voor een jongere mede-
dingster plaats te maken. Frankrijk vereenigde destijds bijna alle soorten
van grootheid in zich. Zijn krijgsroem had het toppunt bereikt. Het had
machtige coalities overwonnen, verdragen voorgeschreven, groote steden
en gewesten onderworpen, den castiliaanschen trots gedwongen het den
voorrang af te staan, italiaansche vorsten voor zijn troon geroepen om ze tot
in het stof te doen nederbuigen. Zijn gezag gaf in zaken van wellevendheid
den hoogsten toon, \'t zij het een tweegevecht of een menuet gold. Het
bepaalde, hoe de snede van eens heerenjas en hoe lang zijn pruik wezen
moest, of hij hooge dan wel lage schoenhakken dragen en of het lint aan
zijne hoed breed of smal moest zijn. In de letterkunde schreef het der
1) Roger Norlh verhaalt dat zijn broeder John bittere klachten uitte over de alge-
meeue veronachtzaming der grieksche taal onder de academische geestelijkheid.
-ocr page 299-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                         275
wereld de wet voor. Europa was vol van den roem zijner groote schrijvers.
Geen ander land bezat een treurspeldichter als Racine, een blijspeldichter
als Molière, een zoo aangenamen verteller als La Fontaine, een zoo bekwaam
redenaar als Bossuet. De letterkundige roem van Italië en van Spanje was
ondergegaan; die van Duitschland nog niet ontloken. Het genie der uit-
stekende mannen, die Parijs tot sieraad strekten, schitterde derhalve met
een glans, welks helderheid door het contrast te meer uitblonk. Frankrijk
bezat destijds met der daad zulk een heerschappij over het menschdom, als
zelfs de romeinsche republiek nimmer heeft kunnen verwerven. Want toen
Rome in de staatkunde den schepter voerde, was het in kunsten en letteren
het bescheiden pleegkind van Griekenland. Frankrijk bezat in een en hetzelfde
oogenblik over de naburige landen, zoowel het overwicht, dat Rome over
Griekenland, als het overwicht, dat Griekenland over Rome had gehad. De
fransche taal begon zich reeds met rasse schreden tot de algemeene taal, de
taal der fatsoenlijke wereld en der diplomatie te verheffen. Aan verschil-
lende hoven spraken vorsten en edelen haar juister en beter dan hun moe-
dertaal. In ons eiland was deze navolgingswoede minder algemeen dan op het
vasteland. Onze goede zoo min als onze slechte eigenschappen lagen in
die richting. Doch zelfs hier werd, hoe leede en ongaarne ook, hulde
gebracht aan het letterkundig overwicht onzer naburen. Het welluidend
toscaansch, waarmede de heeren en dames van het hof van Elizabeth
zoo gemeenzaam waren, viel in minachting. Een heer, die Horatius of
Terentius durfde aanhalen, werd in goed gezelschap voor een vervelenden
schoolvos aangezien. Maar zijn gesprek met fransche uitdrukkingen te door-
spekken was het beste bewijs, dat hij van zijn kunde en talenten kon geven \').
Nieuwe regelen van kritiek, nieuwe voorbeelden van stijl kwamen in de
mode. Het valsch vernuft, dat de verzen van Donne misvormd had en op
die van Cowley een blaam had laten kleven, verdween uit onze poëzie. OnS
proza werd minder majestueus, minder kunstmatig ingewikkeld en van min-
der afwisselende welluidendheid, dan dat van een vroeger tijdperk, doch
tevens ook klaarder, gemakkelijker en geschikter voor den strijdlustigen en
den verhalenden schrijftant. In die verandering is het onmogelijk den
invloed van fransche regelen en van het voorbeeld der Franschen te mis-
kennen. Groote meesters onzer taal gebruikten in hun ernstige werken
fransche woorden, waar engelsche woorden van even doeltreffende beteeke-
nis en van gelijke welluidendheid bij de hand waren J); uit Frankrijk werd
ook het treurspel op rijm ingevoerd, een uitheemsche plant die op onzen
bodem kwijnde en al spoedig stierf.
\') Butler zegt, in een zeer scherp hekeldicht:
»For, though to smatter words of Greek
And Latin be the rhetorique
Of pedants counted and vainglorious
To smatter French is meritorious."
\') Het ergerlijkste voorbeeld, dat ik mij herinner, vindt men in een gedicht op de
kroning van Karel II, door Dryden, die toch voorzeker geen armoede kon voorwenden,
als verontschuldiging voor het ontleenen van woorden aan een vreemde taal:
«Hither in summer evenings you repair
To taste the fraicheur of the cooler air "
-ocr page 300-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
2 7\'>
0e"i"S\'hfr»aiJér ^et ware wenschelijk geweest, dat onze schrijvers tevens
!ldf«""ijd°" ook de welvoeglijkheid hadden overgenomen, die, met weinig
uitzonderingen, door hun groote fransche tijdgenooten in het oog gehouden
werd: want de onzedelijkheid der engelsche tooneelstukken, hekeldichten,
liederen en romans van dien tijd is een onuitwischbare smet op onze nationale
eer. De oorsprong van dat kwaad is licht aan te wijzen. De fraaije vernuften
en de puriteinen hadden nooit op goeden voet met elkander geleefd. Er
bestond geen sympathie tusschen die twee klassen. Zij beschouwden het
gansche stelsel des menschelijken levens uit verschillende oogpunten en in
een verschillend licht. Wat voor den een ernst was, werd door den ander
bespot. Het genoegen van den een was kwelling voor den ander. Den
stroeven en stuggen sectaris was zelfs het onschuldige spel der fantazie een
misdaad. Voor luchtige en vroolijke geesten leverde de plechtstatigheid
der ijverige broeders ruime stof tot gekscheren. Van de hervorming tot aan
den burgeroorlog had bijna elk schrijver met een open oog voor al wat
belachelijk was de eene of andere gelegenheid te baat genomen, om de
sluikharige, snuffelende en zuchtende heiligen aan te vallen, die de doop-
namen hunner kinderen uit het boek van Nehemiah kozen, die inwendig
kermden bij het gezicht van Jantje in \'t groen \') en het goddeloos achtten
op kerstmis rozijnenpodding te eten. Eindelijk naderde een tijd, dat de
lachers op hun beurt ernstig begonnen te zien. Nadat de onbuigzame en
lompe ijveraars aan twee geslachten veel stof tot boert en scherts hadden
verschaft, stonden zij op met de wapenen in de hand; zij overwonnen, zij
beheerschten, en traden, bitter grimlachend, het gansche heir van spotters
onder hun voeten. De wonden, hun door dartele en moedwillige kwelzucht
geslagen, vergolden zij met de sombere en onverbiddelijke wraakzucht,
welke den dwepers eigen is, die hun haatdragendheid voor deugd houden.
De schouwburgen werden gesloten, de tooneelspelers gegeeseld; de druk-
pers onder het toezicht van strenge censors gesteld. De muzen werden
uit haar geliefde toevluchtsoorden, Cambridge en Oxforden, gebannen.
Cowley, Crawshaw en Cleveland werden van het lidmaatschap hunner col-
legis beroofd. Van den jeugdigen kandidaat, die naar een akademischen
rang dong, werd niet langer het schrijven van Ovidische epistelen of van
Virgilische herderdichten gevorderd, maar hij werd door een synode van
zuurziende voorbeschikkingsmannen scherp ondervraagd naar den dag en
het uur, dat zijn wedergeboorte had plaats gevonden. Zulk een stelsel bracht,
gelijk van zelf spreekt, een heirleger huichelaars voort. De vurige begeerte
naar losbandigheid en naar wraak was vele jaren lang verborgen onder
nederige kleeding en onder gelaatstrekken, die alleen uiterlijk de uitdruk-
king van strengheid droegen. Eindelijk werd die begeerte vervuld. De
restauratie verloste duizenden gemoederen van een juk, dat ondraaglijk was
geworden. De oude strijd werd hervat, maar ditmaal met een verbittering,
die geheel nieuw was. Het was thans geen spiegelgevecht, maar een strijd
l) De schoorsteenvegersjongens dragen op den eersten Mei den langste hunner
door de steden in een kegelvormigen met groene takken en bloemen versierden
mand, waardoor hij geheel en al naar een groen beeld gelijkt. Deze heet dan Jan in
het groen.
-ocr page 301-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
277
op leven en dood. De rondkop had van hen, die hij vervolgd had, geen
beter lot te verwachten, dan een wreedaardige slavenhandelaar van losge-
broken slaven voorzien kan, die nog de teekenen dragen van zijn kluisters
en zijn zweepslagen.
De oorlog tusschen vernuft en puritanisme werd alras een oorlog tusschen
vernuft en zedelijkheid. De vijandschap, door een ruwe karikatuur der
deugd verwekt, ontzag de deugd zelve niet. Al wat de dwepende rondkop
met eerbied beschouwd had, werd gehoond; wat hij verboden had, beguns-
tigd. Omdat hij gemoedsbezwaren had gevonden in beuzelachtige dingen,
werd met alle gemoedsbezwaren de spot gedreven. Omdat hij zijn gebreken
achter het masker der schijnheiligheid bedekt had, werden de menschen
aangemoedigd om de schandelijkste ondeugden met cynische onbeschaamd-
heid voor aller oogen ten toon te spreiden. Omdat hij ongeoorloofde liefde
met barbaarsche strengheid gestraft had, werden maagdelijke kuischheid
en echtelijke trouw voorwerpen van spot. Tegenover de schijnheilige taal,
die hem tot herkenningsteeken diende, werd een andere spreektrant gesteld,
die niet minder ongerijmd en veel verfoeijelijker was. Gelijk hij schier den
mond niet opende dan voor bijbelsche taal, evenzoo opende het nieuwe
geslacht van fraaije vernuften en van welgemanierde heeren dien niet,
dan om gemeene woorden en allerafschuwelijkste godslasteringen uit te
braken.
Het is derhalve niet bevreemdend, dat onze fraaije letteren, toen zij te
gelijk met de oude kerk- en staatsregeling herleefden, van zedeloosheid diep
doordrongen waren. Slechts enkele uitstekende mannen, die tot een vroeger
en beter tijdperk behoord hadden, ontgingen de algemeene besmetting. De
verzen van Waller ademden nog de gevoelens, die een ridderlijker geslacht
hadden bezield. Cowley, die uitmuntte als loyalist en als letterkundige,
verhief moedig zijn stem tegen de verdorvenheid, die de letteren, zoowel als
de loyauteit onteerde. Een doorluchtig dichter \'), gelouterd door den ge-
lijktijdigen druk van smarten, gevaren, armoede, verguizing en blindheid,
onbevreesd voor het losbandig rumoer, dat zich van alle kanten verhief,
stemde de snaren zijner lier tot een gezang, zoo verheven en zoo heilig, dat
het de lippen dier etherische deugden niet ontwijd zou hebben, welke hij met
dat zielenoog, dat door geen ramp verduisterd kon worden, haar kronen van
amaranth en goud zag nederwerpen op den agaten vloer. Het krachtige en
vruchtbare genie van Butler, schoon het van de heerschende besmetting niet
geheel en al vrij bleef, werd toch slechts in mindere mate door de ziekte
aangetast. Doch dit waren de mannen, wier gemoederen gevormd waren in
een wereld, die nu voorbij was. Zij maakten weldra plaats voor een jeugdiger
geslacht van fraaije vernuften, en dat geslacht kenmerkte zich van Dryden
af tot Durfey toe door gevoellooze, onbeschaamde, pralende zedeloosheid,
ontbloot van smaak en van menschelijkheid tevens. De invloed dezer schrij-
vers was schadelijk voorzeker, doch was dit minder dan het geval geweest
zou zijn zoo zij minder schaamteloos geweest waren. Het vergift, door hen
toegediend, was zoo walgelijk, dat het eerlang met afkeer werd weggeworpen.
\') Milton.
-ocr page 302-
278
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
Niemand hunner verstond de gevaarlijke kunst om tafereelen van ongeoor-
loofde genietingen op te sieren met al wat ze verleidelijk en edel maakt.
Niemand hunner had geleerd, dat een zekere mate van betamelijkheid een
onmisbaar vereischte is, zelfs van den wellust, dat omhulling aanlokkelijker
kan zijn dan naaktheid en dat de verbeeldingskracht veel sterker geprikkeld
kan worden door fijne wenken, die haar tot eigen inspanning nopen dan
door plompe beschrijvingen, die zij lijdelijk in zich opneemt.
Nagenoeg het gansche gebied der schoone letteren van den tijd van
Karel II is doordrongen van den geest der antipuriteinsche reactie. Deze
geest doet zich voornamelijk in het blijspel opmerken. De schouwburgen,
door den bemoeizieken dweper gesloten in de dagen zijner macht, werden
thans weder door eene talrijke menigte bezocht. Haar vroegere aanlokselen
waren met nieuwe en krachtiger bekoorlijkheden vermeerderd. Tooneel-
inrichting, costumes en decoratiën, die tegenwoordig schamel en ongepast
zouden schijnen, doch die hun, welke in de vroegere jaren der zeventiende
eeuw op de morsige banken der Hoop of onder het stroodak der Roos ge-
zeten hadden, ongeloofelijk prachtig moesten voorkomen, verblindden de
oogen der menigte. De bekoorlijkheid van het schoone geslacht moest het
betooverende der kunst verhoogen en de jeugdige toeschouwer zag met
gevoelens, die de tijdgenooten van Shakespeare en Jonson niet gekend
hebben, teedere en geestige heldinnen door beminnelijke vrouwen voor-
stellen. Van den eersten dag af, dat de schouwburgen heropend werden,
dienden zij tot leerscholen van ondeugd; en de ondeugd plantte zich zelve
voort. De roekelooze buitensporigheid der voorstellingen verdreef al ras de
meer bezadigden. De lichtzinnigen en losbandigen, die overbleven, verlang-
den ieder jaar sterker en sterker prikkeling. Op die wijze bedierven de
kunstenaars de toeschouwers en deze de kunstenaars, totdat eindelijk de
diepe verdorvenheid van het tooneel een graad bereikte, die de verbazing
moet opwekken van allen, die niet weten, dat de uiterste bandeloosheid het
natuurlijk gevolg is van het strengste bedwang en dat in den regel een
tijdperk van huichelarij door een tijdperk van schaamteloosheid gevolgd
wordt.
Het eigenaardige van die tijden drukt zich nergens juister uit dan in de
moeite, die zich de dichters gaven om juist al hun losbandigste verzen door
vrouwenlippen te doen uitspreken. De stukken, waarin de grootste vrijheid
genomen werd, waren de slotredenen, die bijna altijd door de meest be-
gunstigde tooneelspeelsters uitgesproken werden en de diepgezonken toe-
hoorders waren nooit gelukkiger, dan wanneer zij woorden van de grootste
onzedelijkheid hoorden voordragen door een schoon en jeugdig meisje, dat
geacht kon worden haar onschuld nog niet te hebben verloren \').
Ons tooneel ontleende destijds menige stof en menig karakter aan Spanje
en Frankrijk en aan de oude engelsehe dichters; doch onze tooneeldichters
bezoedelden al wat zij aanroerden. In hun navolgingen werden de huizen
der deftige en hooghartige edellieden van Calderon poelen van ondeugd,
1) Jeremy Collier heeft dit verfoeijelijk gebruik met de hem eigen kracht en scherp-
heid gelaakt.
-ocr page 303-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                            279
Shakespeare\'s Viola een koppelaarster, Molière\'s menschenhater een vrou-
wenschender, Molière\'s Agnes een echtbreekster. Niets kon zoo rein en edel
wezen, of het werd onrein en onedel door de versmelting in die onreine en
onedele gemoederen.
Dit was de toestand van het tooneeldicht; en het tooneel was in het
rijk der letteren het gebied, waarop een dichter nog de meeste kans had
door middel zijner pen een bestaan te vinden. De verkoop van boeken was
zoo gering, dat een man van den grootsten naam voor het recht der uitgave
van het uitmuntendste werk slechts een kleinigheid kon verwachten. Geen
sterker voorbeeld kan daarvan worden aangevoerd, dan het lot van Dryden\'s
laatste voortbrengsel, zijn Fabels. Dat deel werd in het licht gegeven, toen
hij algemeen erkend was als de voornaamste der levende dichters van En-
geland. Het bevat ongeveer twaalf duizend regels. De versificatie is be-
wonderenswaardig, de verhalen en beschrijvingen vol leven. Tot op dezen
dag zijn Palamon en Arcite, Cymon en Iphigenia, Theodorus en Honoria
de vreugde van kunstrechters en van schoolknapen. Bij de verzameling
behoort mede het Feest van Alexander, de voortreffelijkste ode, die in onze
taal bestaat. Voor het kopierecht ontving Dryden twee honderd vijftig p. st.,
minder dan in onze dagen somtijds voor twee artikelen van een tijdschrift
betaald wordt \'). Toch schijnt het, dat de prijs niet onbillijk was: want het
boek werd langzaam verkocht en beleefde geen tweede uitgave, voordat de
schrijver tien jaar lang in het graf had gerust. Wie voor het tooneel schreef,
kon met veel geringer inspanning een veel grooter som verdienen. Southern
maakte zeven honderd p. st. van een enkel stuk 1). Otway werd door den
bijval, dien zijn Don Carlos ondervond, uit diepe armoede tot kortstondige
welvaart verheven s). Een enkele voorstelling van den Squire en Alsatië
bracht Shadwell een som van honderd dertig p. st. op *). Het gevolg was,
dat elkeen, die van zijn vernuft moest leven, tooneelstukken schreef, onver-
schillig of hij daartoe aanleg bezat of niet. Aldus was het met Dryden. Als
hekeldichter heeft hij Juvenalis geëvenaard. In het didaktisch gedicht
had hij met wat meer zorg en dieper nadenken Lucretius kunnen op zijde
streven. Onder de lyrische dichters is hij, zoo niet de verhevenste, dan toch
de schitterendste en treffendste. Doch de natuur, die hem zoo veel zeld-
zame gaven had geschonken, had hem het dramatische talent ontzegd.
Evenwel werden alle krachten zijner beste jaren aan dramatische voort-
brengselen verspild. Hij had te veel oordeel om niet in te zien, dat hem de
vaardigheid ontbrak de eigenaardigheden van het menschelijk karakter
in samenspraken te doen uitkomen Hij gaf zich veel moeite om dit gebrek
te verbergen, nu eens door verrassende en vermakelijke handelingen, dan
weder door een glansrijke voordracht; hier door harmonische versmaat,
elders door dubbelzinnigheden, die bij goddelooze en losbandige toehoorders
maar al te veel toejuiching vonden. Nochtans kon hij op het tooneel nooit den
bijval verwerven, waarmede de pogingen bekroond werden van sommige
\') Het kontrakt is in Walter Scotts uitgave van Dryden te vinden.
s) Zie het leven van Southern door Shiels.
3) Zie Rochesters Verhoor der dichters.
») Bijzonderheden nopens het engelsch tooneel.
-ocr page 304-
28o                               GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
schrijvers, die in algemeene begaafdheid verre voor hem moesten onder-
doen. Hij achtte zich gelukkig als een tooneelstuk hem honderd guinjes op-
bracht ; een karige belooning, doch die ruimer was, dan wat hij langs eiken
anderen weg met een gelijke hoeveelheid werks had kunnen verdienen \').
De belooning, welke de fraaije vernuften van dien tijd van het publiek
konden erlangen, was zoo gering, dat zij door het heffen van bijdragen van
grooten hun inkomen moesten trachten aan te vullen. Iedere rijke en goed-
hartige lord werd door schrijvers bestormd met een zoo stoute bedelarij en
met zoo kruipende vleitaal, dat het in onzen tijd ongelooflijk moet schijnen.
Men verwachtte, dat de beschermer, wien een werk werd opgedragen, den
schrijver met een goudbeurs zou beloonen. Het geschenk, dat voor de op-
dracht van een boek betaald werd, bedroeg dikwerf veel meer dan de som,
die eenig uitgever voor het kopierecht zou hebben willen geven. Er werden
derhalve menigmaal boeken gedrukt alleen om ze tot een opdracht te kun-
nen bezigen. Deze handel met loftuitingen had de gevolgen, die daarvan te
verwachten waren. De laaghartigste vleijerij, soms de grenzen van onzin of
van goddeloosheid naderende, werd een dichter niet tot schande gerekend.
Zelfstandigheid, waarheidsliefde, achting voor zich zelven waren eigenschap-
pen, die de wereld van hem niet vorderde. Hij was inderdaad in zedelijken
zin half koppelaar, half bedelaar.
Het getal der ondeugden, die tot schande der letterkunde strekten, werd
omstreeks het einde der regeering van Karel II nog vermeerderd door de
voorbeeldelooze woestheid van den partijgeest. Het gild der fraaije ver-
nuften was door zijn ouden haat tegen het puritanisme genoopt de
zijde van het Hof te kiezen en had getoond een nuttig bondgenoot te
zijn. Dryden vooral had der regeering goede diensten bewezen. Zijn Absalom
en Achitophel, het grootste hekeldicht, dat in de nieuwere tijden het licht
had gezien, had de verbazing van Londen gewekt, was met voorbeelde-
looze snelheid tot zelfs in afgelegen districten verspreid en had, overal
waar het bekend werd, de uitsluitingsmannen bitter gekrenkt en den
moed der Tories verhoogd. Doch de bewondering, die wij voor de schoone
taal en vloeijende versmaat gevoelen, moet ons het onderscheid tusschen
goed en kwaad niet uit het oog doen verliezen. De geest, waarmede Dryden
en verscheiden zijner metgezellen destijds tegen de Whigs bezield waren,
moet die des duivels worden genoemd. De kruipende rechters en sheriffs
van die booze dagen konden het bloed zoo snel niet vergieten, of de dichters
schreeuwden om meer. Kreten om meer slachtoffers, afschuwelijke spotter-
nijen over het hangen, bittere verguizingen van degenen, die, nadat zij den
koning in het oogenblik des gevaars hadden bijgestaan, hem thans barmhar-
tigheid en grootmoedigheid jegens zijn overwonnen vijanden aanrieden,
werden openlijk op het tooneel uitgesproken en, om de misdadigheid en
schandelijkheid ten top te voeren, wel door vrouwen, welke men sedert lang
geleerd had alle zedigheid te verzaken en aan wie thans ook geleerd werd
alle gevoel van menschelijkheid af te leggen \').
\') Leven van Southern door Shiels.
a) Mocht eenig lezer mijn uitdrukkingen te streng vinden, ik zou hem raden Drydens
-ocr page 305-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
28 I
Staat der weten- Het is een opmerkelijk feit, dat, terwijl de lichtere engelsche
Engeland, literatuur op deze wijze een ergernis en een nationale schande
werd, het engelsch genie een omwenteling in de wetenschappen te weeg
bracht, die tot de voleinding des tijds haar plaats zal behouden onder de
heerlijkste gewrochten van den menschelijken geest. Bacon had in een
tragen grond en in ongunstige tijden het goede zaad gestrooid. Hij had zich
met geen vroegen oogst gevleid en in zijn laatste wilsbeschikking zijn roem
vermaakt aan het volgend geslacht. Te midden van woelingen, oorlogen
en vervolgingen was zijn wijsbegeerte in eenige weinige rijk begaafde ge-
moederen langzaam tot rijpheid gekomen. Terwijl de partijen om de opper-
heerschappij streden, had een klein getal van wijzen zich met weldadige
minachting aan den stijd onttrokken en hun krachten gewijd aan het edeler
werk der uitbreiding van \'s menschen heerschappij over het stoffelijke rijk.
Zoodra de rust hersteld was, vonden deze leeraars al spoedig oplettende
toehoorders. Want de tucht, die de natie had ondergaan, had den open-
baren geest wel in een geschikte stemming gebracht voor de beoefening der
Verulamsche leer. De staatsonlusten hadden de geestvermogens der be-
schaafde klassen ontwikkeld en aan een rustelooze bedrijvigheid, een
onverzadelijke weetgierigheid gewend, die men voorheen onder ons niet in
die mate gekend had. Doch die onlusten hadden ten gevolge gehad, dat
ontwerpen van staats- en kerkhervorming over het algemeen met wan-
trouwige en minachtende blikken beschouwd werden. Gedurende twintig
jaar had de voornaamste bezigheid van bedrijvige en vindingrijke mannen
bestaan in het beramen van staatsregelingen met of zonder eersten over-
heidspersoon, met erfelijke raadsvergaderingen, met door het lot gekozene,
met raadsvergaderingen die jaarlijks, met de zoodanige, wier leden voor hun
leven benoemd werden. In deze ontwerpen werd niets vergeten. Elke bij-
zonderheid, de gansche nomenclatuur, het gansche ceremonieel van het
denkbeeldig bestuur werden met alle uitvoerigheid uiteengezet, Polemarchen
en P-hylarchen, kasten en algemeene volksvergaderingen, de lord-archont
en de lord-strateeg. Welke stembussen groen en welke rood, welke kogels
van goud en welke van zilver zouden zijn, wie van de magistraatpersonen
hoeden en wie van hen zwart fluweelen baretten met kwasten zouden dragen,
hoe de schepter gehouden zou worden en op welk oogenblik de herauten het
hoofd zouden ontblooten, deze en honderd andere dergelijke kleinigheden
werden, door mannen van niet geringe bekwaamheid en kunde in vollen ernst
overwogen en vastgesteld \'). Maar de tijd voor deze droombeelden was
voorbij, en zoo een standvastig republikein nog voortging er zich mede bezig
te houden, de vrees voor openbare bespotting en voor strafrechtelijke aan-
klachten noopte hem doorgaans zijn hersenschimmen stilletjes voor zich te
houden. Het was thans impopulair en ongeraden zelfs het minste woord
tegen de grondwetten der monarchie te uiten; maar koene en vernuftige
lieden konden zich schadeloos stellen door het versmaden der wetten, die
slotrede tot den hertog van Guise te lezen en in het oog te houden, dat zij door een
vrouw werd uitgesproken.
\') Zie voornamelijk Harriugtons Oceana.
-ocr page 306-
282                               GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
tot dusver voor de grondwetten der natuur hadden gegolden. De stroom,
die in het eene bed gestuit was, stortte zich nu met geweld in een ander. De
revolutionaire geest, van het gebied der staatkunde geweerd, begon zich
met voorbeeldelooze kracht en koenheid in alle vakken der natuurkunde te
bewegen. Het jaar 1660, het tijdpunt van het herstel der oude staatsrege-
ling, is ook het tijdpunt van waar het rijk der nieuwe wijsbegeerte dag-
teekent. In dat jaar werd de Koninklijke Sociëteit gesticht, die bestemd
was om het voornaamste werktuig te worden bij een lange reeks van roem-
waardige en heilzame hervormingen \'). Binnen weinig maanden kwam de
proefondervindelijke wijsbegeerte algemeen in den smaak. De bloedsom-
loop, het wegen der lucht, het figeeren van het kwikzilver besloegen in den
openbaren geest de plaats, welke onlangs de twistvragen der rota \') daar
hadden ingenomen. Droombeelden van volmaakte regeeringsvormen wer-
den vervangen door droombeelden van vleugels, waarmede men van den
Tower naar de abdij zou vliegen en van schepen met dubbele kielen, die
in den felsten storm niet konden vergaan. De heerschende geestdrift sleepte
alle partijen mede; cavalier en rondhoofd, hoogkerkgezinde en puritein
waren het ditmaal allen eens. Godgeleerden, rechtsgeleerden, staatslieden,
edelen, vorsten verhoogden de zegepraal der wijsbegeerte van Bacon. Met
wedijverende geestdrift bezongen de dichters den aantocht der gulden eeuw.
In verzen, vol diepen zin en schitterend van vernuft, maande Cowley het
uitverkoren geslacht aan bezit te nemen van het land van melk en honig,
dat land, hetwelk hun groote leidsman en wetgever gezien had als van den
top van den berg Pisga, maar dat hij niet had mogen betreden 3). Dryden
stemde met meer geestdrift dan kennis met den algemeenen jubel in en
deed voorzeggingen, die hij, noch iemand anders kon verstaan. De Konink-
lijke Sociëteit zou, naar hij voorspelde, ons weldra naar den uitersten rand
des aardbols voeren en ons daar in verrukking brengen door ons een duide-
lijker gezicht op de maan te verschaffen *). Twee bekwame en eergierige
prelaten, Ward, bisschop van Salisbury en Wilkins, bisschop van Chester,
deden zich onder de voornaamste leiders der beweging opmerken. De ge-
schiedenis dier beweging werd met groote welsprekendheid geschreven
door een jeugdig godgeleerde, die in zijn beroep tot hooge onderscheiding
rees, Thomas Sprat, later bisschop van Rochester, De opperrechter Hale
en de lordzegelbewaarder Guildford ontwoekerden beiden eenige uren aan
hun ambtsbezigheden om over de hydrostatiek te schrijven. Inderdaad, de
eerste barometers, die ooit in Londen te koop gesteld werden, waren ge-
maakt onder het onmiddellijk toezicht van Guildford 5). De wetenschap der
\') Zie Sprats Geschiedenis der Koninklijke Sociëteit.
2)  De rota; een politieke club, die in 1659 verlangde, dat er een regeeringsvorm
bij rotatie, d. i. bij geregelde afwisseling zou worden ingevoerd.
3)   Cowley\'s ode aan de Koninklijke Sociëteit.
*) »Then we upon the globe\'s last verge shall go
And view the ocean leaning on the sky;
From thence our rolling neighbours we shall know,
And on the lunar world securely pry!
Annus mirabilis, 164.
5) Norths Leven van Guildford.
-ocr page 307-
TOESTAND VANENGELAND IN 1685.                            283
scheikunde mocht een tijdlang de aandacht van den wispelturigen Bucking-
ham boeijen, tegelijk met wijn en liefde, met het tooneel en de speeltafel,
met de kuiperijen van het Hof en die der demagogie. Aan Rupert wordt de
uitvinding der zoogenaamde zwarte kunst (mezzo tinto) toegeschreven en
naar hem werd ook dat wonderlijk soort van glazen bellen genaamd, dat
langen tijd de vreugde vap kinderen en een raadsel voor natuurfilozofen is
geweest. Karel zelf bezat te Whitehall een laboratorium, waar hij ijveriger
en aandachtiger was dan aan de raadstafel. Om den naam te handhaven
van een fatsoenlijk man was het bijna noodig over luchtpompen en teles-
kopen te kunnen medespreken, en zelfs fatsoenlijke dames meenden ver-
plicht te zijn nu en dan haar smaak voor de wetenschappen te toonen,
reden in rijtuigen met zesspannen naar de verzameling merkwaardigheden
van Gresham en gilden van verrukking, als zij bevonden, dat een magneet
werkelijk een naald aantrok en een vlieg, door een teleskoop gezien, wer-
kelijk zoo groot scheen als een mensch \').
In deze, gelijk in elke andere groote opgewondenheid der gemoederen
was voorzeker wel iets, dat een glimlach kan afpersen. Het is een algemeene
wet, dat zoodra eenig streven, eenige leer, onverschillig hoe groot ook de
waarde zij, modezaak wordt, zij een gedeelte der waardigheid verliezen, die
zij bezaten, toen zij nog slechts een kleine, maar ernstig gezinde minderheid
bezig hielden en alleen om haar zelfs wille bevorderd werden. Het is waar,
dat de dwaasheden van sommigen, die vurigen ijver voor de wetenschappen
veinsden zonder de minste bekwaamheid tot haar beoefening te bezitten,
stof opleverden voor bijtende spotternijen aan enkele kwaadwillige hekelaars,
die tot het vorige geslacht hadden behoord en ongezind waren de kennis te
verzaken in hun jeugd opgedaan s). Maar het is evenzeer waar, dat het
groote werk om de natuur te verklaren door de Engelschen van dien tijd
behartigd werd, zooals het vroeger in geen tijdperk en door geen andere natie
ooit gedaan was. De geest van Francis Bacon deed zich gelden, een geest
van bewonderenswaardige stoutheid en bezadigdheid tevens. Er bestond
een vaste overtuiging, dat de gansche wereld vol geheimen was, die van het
hoogste belang waren voor de welvaart des menschdoms en dat de mensch
van zijn schepper den sleutel ontvangen had, die, zoo hij er een richtig ge-
bruik van maakte, hem den toegang tot die geheimen zou verschaffen.
Tevens echter bestond de overtuiging, dat de kennis van algemeene natuur-
wetten onmogelijk op eenige andere wijze te verwerven was dan door het
zorgvuldig gadeslaan van bijzondere feiten. Diep doordrongen van deze
groote waarheden, legden de leeraars der nieuwe wijsbegeerte zich toe
op hun taak en eer het vierde eener eeuw verloopen was, hadden zij een
hechten grond gelegd voor hetgeen sedert dien tijd gedaan is. Reeds was
een hervorming van den akkerbouw begonnen. Er werden nieuwe planten
geteeld, nieuwe werktuigen voor den landbouw gebezigd, nieuwe mest-
l) Dagboek van Pepys, 30 Mei 1667.
\') Butler was, naar ik geloof, de eenige man van wezenlijke begaafdheid, die,in
het tijdperk tusschen de restauratie en de omwenteling, bittere vijandschap toonde
tegen de nieuwe philosophie, gelijk men ze destijds noemde. Zie het hekeldicht op
de Koninklijke Sociëteit en de Oliphant in de Maan.
-ocr page 308-
284
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
soorten aangewend \'). Evelyn had met uitdrukkelijke goedkeuring der
Koninklijke Sociëteit zijn landslieden onderwezen in het planten. Temple
had in zijn vrije tusschenuren herhaaldelijk proeven tot bevordering van den
tuinbouw genomen en het bewijs geleverd, dat de vele smakelijke vruchten,
voortbrengselen van milder hemelstreken onder bijstand der kunst op
engelschen bodem geteeld konden worden. De geneeskunde, die in Frank-
rijk nog aan slaafsche banden lag en Molière een onuitputtelijk onderwerp
van rechtmatigen spot geleverd had, was in Engeland een proefondervinde-
lijke en geregeld voortgaande wetenschap geworden, die, in spijt van Hip-
pocrates en Galenus, dagelijks de eene of andere vordering maakte. De
aandacht van denkende mannen werd voor het eerst op het belangrijk vak
der geneeskundige politie gevestigd. De groote pest van 1665 bracht er
hen toe de gebreken van den bouwtrant, der rioolen en der ventilatie van de
hoofdstad zorgvuldig op te nemen. De groote brand van 1666 gaf gelegen-
heid tot het invoeren van belangrijke verbeteringen. Deze gansche aange-
legenheid werd door de Koninklijke Sociëteit vlijtig onderzocht; en aan
haar raadgevingen moet een gedeelte der veranderingen worden toegeschre-
ven, die, schoon op verre na niet voldoende aan hetgeen de algemeene wel-
vaart vereischte, nochtans een belangrijk onderscheid tusschen het nieuwe
en het voormalige Londen te weeg brachten en die waarschijnlijk voor altijd
paal en perk hebben gesteld aan de verwoestingen, welke de pest in ons land
aanrichtte 2). Tenzelfden tijde grondde een der stichters van de Sociëteit,
Sir William Petty, de wetenschap der politische rekenkunde, de nederige,
maar onmisbare dienares der staatswetenschappen. Geen enkel van de rijken
der natuur bleef ononderzocht. Aan dat tijdvak behooren de scheikundige
ontdekkingen van Boyle en de vroegste kruidkundige nasporingen van
Sloane. Toen was het ook dat Ray een nieuwe rangschikking van vogels en
visschen maakte en dat versteeningen en schelpen voor het eerst de aan-
dacht van Woodward trokken. Schaduwgedrochten, die gedurende eeuwen
van duisternis de wereld hadden verontrust, vloden nu het eene na het
andere voor het aanbrekende licht. Met astrologie en alchimie werd enkel
spot gedreven. Weldra was er nauwelijks een graafschap meer, waar som-
mige leden van het quorum 3) niet met minachting glimlachten als er een
oude vrouw voor hen gebracht werd. op grond dat zij bezemstokken bereden
en de sterfte onder het vee gebracht had. Doch vooral op die verhevenste
en moeijelijkste paden der wetenschap, waar de leer der gevolgtrekkingen
en het mathematisch leerbetoog samenwerken tot de ontdekking van waar-
heid, mocht het engelsch genie de gedenkwaardigste overwinningen behalen.
John Wallis vestigde het gansche stelsel der evenwichtsleer op nieuwe
grondslagen. Edmund Halley onderzocht de eigenschappen van den damp-
1) De ijver, waarmede destijds de vrienden van den landbouw zich op het nemen
van proeven en het invoeren van verbeteringen toelegden, wordt zeer goed beschreven
in Anbrey\'s Natuurlijke Geschiedenis van Wiltshire, 1685.
O Sprats Geschiedenis der Koninklijke Sociëteit.
3) Het quorum is een voltallig college van rechters, commissarissen en dergelijken;
leden van het quorum zijn personen, die tot een rechtbank of commissie b\'jhooren en
in wier afwezigheid de overige leden geen zaken kunnen afdoen.
-ocr page 309-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                            285
kring, de eb en vloed der zee, de wetten van het magnetisme en den loop
der kometen, en ontzag moeite, gevaren noch ballingschap, als het de be-
vordering der wetenschappen gold. Terwijl hij op de rots van St. Helena
de sterrebeelden der zuidelijke hemispheer opteekende, verrees te Green-
wich onze nationale sterrewacht en John Flamsteed, de eerste koninklijke
astronoom, begon die lange reeks van waarnemingen, waarvan, in welk
gedeelte des aardbols ook, nooit zonder eerbied en dankbaarheid gewaagd
wordt. Doch de roem, zelfs van deze voortreffelijke mannen, wordt door den
schitterenden luister van één enkelen onsterfelijken naam schier geheel
verduisterd. Twee soorten van intellectueel vermogen, die weinig met
elkander gemeen hebben, die men zelden in hoogen graad vereenigd aan-
treft, doch die evenwel beiden voor de beoefening van de verhevenste vak-
ken der natuurkunde even noodig zijn, werden bij Isaac Newton gevonden,
gelijk voor of na hem nooit het geval is geweest. Er mogen geesten bestaan
hebben, die een even gelukkigen aanleg tot de beoefening der zuiver ma-
thematische wetenschappen bezaten als hij; anderen mogen er geweest zijn,
wier aanleg even gelukkig was voor de beoefening der zuiver proefonder-
vindelijke wetenschap; doch in geen anderen geest waren ooit het demon-
strative en inductive vermogen in zoo hooge voortreffelijkheid en in zoo
volmaakte harmonie vereenigd. In een eeuw van Scotisten en Thomisten
zou misschien ook zijn verstand in onvruchtbare werkzaamheid versleten
zijn, gelijk dat van zoo veel anderen, die bij hem alléén ten achter stonden.
Gelukkig gaf de geest der eeuw, in welke zijn levenslot was gevallen, zijn
geest de juiste richting; en zijn geest werkte met tiendubbele kracht terug
op den geest der eeuw. In het jaar 1685 was zijn roem, hoe schitterend ook,
nog slechts aan het dagen; maar zijn genie had reeds den middagcirkel be-
reikt. Zijn groot werk, het werk, dat in de belangrijkste gedeelten der natuur-
lijke wijsbegeerte een volslagen omkeer ten gevolge had, schoon nog niet
uitgegeven, was nochtans reeds voltooid en op het punt om aan het onder-
zoek der Koninklijke Sociëteit te worden onderworpen
»c?oÓnè*k\'!lif»ctreii. Het is moeijelijk te verklaren, waarom de natie, die haar
naburen in de wetenschappen zoo ver vooruit was, in de kunsten verre bij
hen ten achteren bleef. Dit was evenwel een feit. Het is waar, in de bouw-
kunst, een kunst, die half wetenschap is, en waarin slechts een meetkundige
kan uitmunten, een kunst, waarvoor geen andere regel van schoonheid
bestaat, dan die rechtstreeks of middellijk afhankelijk is van het nut, dat zij
aanbrengt, een kunst, wier gewrochten, althans gedeeltelijk, de verheven-
heid van hun schoon slechts aan den omvang hunner afmetingen ontleenen,
in deze kunst kon ons land zich op één waarlijk groot man, op Christopher
Wren beroemen; en de brand, die Londen in puinhoopen verkeerde, had
hem een in de nieuwe geschiedenis voorbeeldeloo*e gelegenheid geschonken
om zijn krachten te ontvouwen. Hij vermocht, evenmin als de meesten zijner
tijdgenooten, de strenge schoonheid der atheensche zuilenrij, de sombere
verhevenheid van het gothisch booggewelf te evenaren en wist ze wellicht
niet eens op prijs te stellen; doch niemand dergenen, die aan deze zijde der
Alpen geboren zijn, heeft de pracht der trotsche kerken van Italië zoo
gelukkig nagebootst. Zelfs de prachtlievende Lodewijk heeft der nakome-
-ocr page 310-
286
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
lingschap geen werk geschonken, dat een vergelijking met de St. Pauls-
kerk kan volhouden. Maar op het einde der regeering van Karel II be-
stond geen enkel engelsch schilder of beeldhouwer, wiens naam tot heden
bewaard is gebleven. Deze onvruchtbaarheid is eenigszins raadselachtig;
want schilders en beeldhouwers behoorden tot een stand, die geenszins in
minachting was of slecht betaald werd. Hun maatschappelijke stelling was
ten minste even hoog als thans. Hun winsten waren in verhouding tot den
rijkdom der natie en tot de belooning van andere vakken van intellectueele
werkzaamheid zelfs grooter dan ze nu zijn. Inderdaad, de milde aan-
moediging, die aan kunstenaars ten deel viel, trok hen in grooten getale
herwaarts. Lely, die de rijke lokken, de volle lippen en de smachtende
oogen voor ons bewaard heeft der broze schoonheden, die door Hamilton \')
gevierd werden, was geboortig uit Westphalen. In 1680 was hij gestorven,
na langen tijd op prachtigen voet geleefd en door zijn talent zijn verheffing
in den ridderstand en bovendien een aanzienlijk vermogen te hebben ver-
worven. Zijn smaakvolle verzameling teekeningen en schilderijen werd na
zijn overlijden onder \'s konings goedkeuring in de groote feestzalen van
Whitehall ten toon gesteld en bracht in openbare veiling de bijna onge-
loofelijke som van zes en twintig duizend p. st. op; een som, die in verhou-
ding tot de toenmalige fortuinen der aanzienlijken grooter was dan thans
een som van honderd duizend p. st. zijn zou J). Lely werd opgevolgd door
zijn landsman Gottfried Kneller, die eerst tot ridder en vervolgens tot
baronet verheven werd en die ondanks een kostbaar huishouden en het
verlies van groote sommen in ongelukkige speculatiën nog een groot ver-
mogen aan zijn familie kon nalaten De twee Van de Veldes, Hollanders
van geboorte, waren, door engelsche mildheid uitgelokt, zich hier komen
vestigen en hadden voor den koning en zijn edelen eenige der schoonste
zeestukken vervaardigd, die men in de gansche wereld zou kunnen vinden.
Een andere Hollander, Simon Vereist3), schilderde prachtige zonnebloemen
en tulpen voor prijzen, zoo als men ze nooit te voren gekend had. Verrio,
een Napolitaan, versierde zolderingen en trappen met gorgonen en muzen,
met nymphen en saters, met deugden en ondeugden, met nectar drinkende
goden en met triomftochten van gelauwerde vorsten. Het inkomen, dat
zijn werken hem opbrachten, stelde hem in staat een der kostbaarste
tafels van Engeland te houden. Alleen voor de stukken, die hij te Windsor
schilderde, ontving hij ruim zeven duizend p. st., een som, die destijds
toereikte om iemand van bescheiden aanspraken voor zijn gansche leven van
zorgen te bevrijden en die veel meer bedraagt, dan al wat Dryden in den
■) AnthoDy Graaf van Hamilton, in 1720 te St. Germain overleden, onder Jakobus II
kolonel en opperbevelhebber van Limerick, die in keurig fransch verscheiden zeer
geestige verhalen en dergel., alsmede de Gedenkschriften van zijn zwager, den graaf
de Grammont, uitgaf.
\') Walpoles Anekdoten over het schilderen. Londensch Dagblad, 31 Mei 1683,
Norths Leven van Guildford.
3) Broeder van Pieter Vereist, genreschilder. in 1660 hoofdman van de kamer der
haagsche schilders; Simon en een derde bloeder, Herman, mede bloemschilder, die
eerst naar Weenen reisde en later Simon naar Londen volgde, waren beiden bij die
kamer als meesters geboekt.
-ocr page 311-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
287
loop van een veertigjarig letterkundig leven van de boekhandelaars ont-
ving \'). Verrio\'s voornaamste medehelper en opvolger, Louis Laguerre,
kwam uit Frankrijk. Ook te twee beroemdste beeldhouwers van dien tijd
waren vreemdelingen. Cibber, wiens aangrijpende voorstellingen der woede
en der zwaarmoedigheid nog steeds het gesticht van Bedlam versieren, was
een Deen. Gibbons, aan wiens smaakvolle fantazie en kunstvaardige hand
vele onzer paleizen, akademiegebouwen en kerken de schoonste versieringen
te danken hebben, was een Zuidnederlander \'). Zelfs de teekeningen voor de
munt werden door fransche medailleurs vervaardigd. Inderdaad, eerst onder
de regeering van George II mocht Engeland zich in het bezit van een groot
schilder verheugen; en George III had den troon beklommen, alvorens het
reden had om op eenigen beeldhouwer te bogen.
gen?ngè"°odik«kia»ïc Het >s trJd aan deze beschrijving van het Engeland,
waarover Karel II regeerde, een einde te maken. Doch wij moeten vooraf
nog een allerbelangrijkst onderwerp aanroeren. Wij hebben nog niet van
de groote massa des volks gesproken, van degenen, die achter den ploeg
gingen, de ossen hoedden, aan de weefgetouwen van Norwich arbeidden en
den portlandsteen voor de St. Paulskerk zaagden. Ook valt daarvan niet
veel te zeggen. De talrijkste klasse is juist die, waarover wij de minste
berichten hebben. In dien tijd achtten menschenvrienden het nog geen
heiligen plicht, en demagogen hadden nog niet ontdekt, dat het een winst-
gevende bezigheid was over den nood des landbouwers uit te weiden.
De geschiedenis had te veel met hoven en legers te doen om een blad te
wijden aan de hut van den boer of aan het zoldervertrek van den hand-
werksman. De drukpers zendt tegenwoordig soms in een enkelen dag een
grooter hoeveelheid redeneeringen en declamatien over den toestand der
arbeidende klassen in \'t licht, dan in de gansche acht en twintig jaren tus-
schen de restauratie en de omwenteling uitgegeven werden. Maar het zou
een groote dwaling zijn, wilde men uit het toenemen der klachten afleiden,
dat de-armoede in eenig opzicht vermeerderd is.
Het groote kriterium van den toestand der geringe volksklasse is het
bedrag der werkloonen en vermits in de zeventiende eeuw vier vijfde ge-
deelten dier klasse in den landbouw werkzaam waren, is het vooral van
belang te weten, welke loonen destijds voor veldarbeid betaald werden.
Ten aanzien van dit onderwerp bezitten wij de middelen om tot gevolg-
trekkingen te komen, die voor ons streven voldoende zijn.
"uud\'böüwïra?" Sir William Petty, wiens eenvoudige verklaring reeds van
groot gewicht is, verzekert ons, dat een arbeider, die voor een dag werks
vier pence met, of acht pence zonder kost kreeg, nog geenszins de minst
bedeelde was. Vier shilling \'s weeks was dus, volgens zijn rekening een
voldoend arbeidsloon voor den stand der veldarbciders 3).
Dat deze berekening niet verre van de waarheid was, daarvoor bestaan
\') In Walpoles Anekdoten over de schilderkunst wordt van de groote prijzen ge-
waagd, die aan Vereist en aan Verrio betaald werden.
») Grinlin Gibbons was van geboorte een Antwerpenaar en te Antwerpen opgeleid.
\') Petty\'s I\'olttische rekenkunde.
-ocr page 312-
288                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
overvloedige bewijzen. Omstreeks den aanvang van het jaar 1685, bepaal-
den de rechters van Warwickshire op grond eener machtiging, hun bij een
wet van Elizabeth verstrekt, een tarief van arbeidsloon voor dat graafschap
en maakten bekend, dat elk landbouwer, die meer betaalde, en elke
arbeider, die meer ontving, onder de bepalingen der strafwet zou komen.
Het loon van den gewonen veldarbeider werd van Maart tot September, op
het juiste bedrag gesteld, dat door Petty wordt opgegeven, namelijk vier
shilling \'s weeks, zonder kost. Van September tot Maart zou dat loon slechts
drie en een halve shilling \'s weeks bedragen \').
Doch de verdiensten van den boerenstand waren destijds, even als nu,
verschillend in de verschillende gedeelten des koninkrijks. Het arbeidsloon
was waarschijnlijk in Warwickshire ongeveer het gemiddelde en in de
graafschappen aan de grenzen van Schotland beneden het gemiddelde; er
waren echter ook meer begunstigde districten. In hetzelfde jaar 1685 gaf
een bewoner van Devonshire, Richard Dunning genaamd, een kleine ver-
handeling uit, waarin hij den toestand der armen van dat graafschap be-
schreef. Het lijdt geen twijfel, dat hij der zake kundig was; want weinige
maanden later werd zijn werk herdrukt en in de kwartaalzitting der te Exeter
vergaderde overheidspersonen ten sterkste aan de aandacht van alle ge-
meentebeambten aanbevolen. Volgens hem bedroeg het loon van den veld-
arbeider in Devonshire ongeveer vijf shilling \'s weeks, zonder voedsel2).
Nog beter was de toestand des arbeiders in den omtrek van Bury St. Ed-
munds. De overheidspersonen van Suffolk kwamen daar in de lente van
1682 bijeen, om een tarief van loonen vast te stellen en bepaalden, dat de
arbeider, daar waar hij geen kost genoot, des winters vijf en des zomers zes
shilling zou verdienen 3).
In 1661 hadden de rechters te Chelmsford het loon van den arbeidsman
in Essex, zonder genot van kost, op zes shilling gedurende den winter en op
zeven gedurende den zomer vastgesteld. Dit schijnt het hoogste loon te zijn
geweest, dat van den tijd der restauratie tot dien der omwenteling in het
gansche koninkrijk voor veldarbeid betaald werd en men mag daarbij niet
onopgemerkt laten, dat de levensbehoeften, in het jaar, dat dit besluit ge-
nomen werd, bovenmate duur waren. Tarwe stond op zeventig shilling het
quarter, wat zelfs nu bijkans een hongersnood zou veroorzaken 4).
Deze feiten stemmen volkomen overeen met een ander, dat eenige aan-
dacht waardig schijnt. Het valt in het oog, dat in een land, waar niemand
tot de militaire dienst gedwongen kan worden, de gelederen van een leger
niet kunnen worden aangevuld, indien de regeerins de soldij op veel minder
bedrag stelt dan het loon van den gewonen veldarbeider bedraagt. Tegen-
woordig bedraagt de soldij en het biergeld van een gemeen liniesoldaat
zeven shilling en zes pence \'s weeks; deze soldij, verbonden met het uitzicht
•) Wetten van het 5e jaar van Elizabeth, hoofdst. IV. Archeologia, deel XI.
1) Duidelijke en gemakkelijke regelen, aantoonende hoe het ambt van armbe-
stuurder behoort te wordeu waargenomen, door Richard Dunning, 1 e uitgave, 1685,
2c uitgave. 16S6.
\') Cullums Geschiedenis van Ilawsted.
) l^ugg\'es) Over de armen,
-ocr page 313-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
289
op pensioen, is niet voldoende om de engelsche jongelingen in genoegzamen
getale onder de vaandels te lokken en het wordt noodig gevonden door
belangrijke wervingen onder de armere bevolking van Munster en Con-
naught in het ontbrekend getal te voorzien. De soldij van een gemeen voet-
soldaat bedroeg in 1685 slechts vier shilling en acht pence\'s weeks; het is
evenwel zeker, dat de regeering in dat jaar zonder eenige zwarigheid en
binnen een korten termijn veel duizenden engelsche rekruten wist te krijgen.
De soldij van den gemeenen voetsoldaat in het leger der republiek was zeven
shilling \'s weeks geweest, dat is namelijk zooveel als, onder de regeering van
Karel II, een korporaal ontving \'); en die som was voldoende geweest om
de gelederen met lieden aan te vullen, die bepaaldelijk boven de groote
massa des volks stonden. Over het geheel derhalve schijnt men tot het
besluit te mogen komen, dat het gewone loon van den veldarbeider tijdens
de regeering van Karel II niet meer bedroeg dan vier shilling \'s weeks;
maar dat in sommige gedeelten des rijks vijf, zes, en gedurende de zomer-
maanden zelfs tot zeven shilling \'s weeks betaald werden. Een district,
waar een arbeider slechts zeven shilling \'s weeks verdient, wordt in onze
dagen geacht in een voor de menschheid beleedigenden toestand te ver-
keeren. Het gemiddelde bedrag is veel hooger en in welvarende graaf-
schappen bedragen de werkloonen der veldarbeiders twaalf, veertien, soms
zelfs zestien shillings.
fabrïk°»rnbeniii"°«. Het loon der werklieden, die in de fabrieken gebezigd worden,
is steeds hooger geweest dan dat der bebouwers van den grond. In het jaar
1680 maakte een lid van het Huis der Gemeenten de opmerking, dat de
hooge loonen, die hier te lande betaald werden, het voor onze weverijen
onmogelijk maakten met de voortbrengselen der indische weefgetouwen
mede te dingen. Een engelsch werkman, zeide hij, vordert een shilling
daags, terwijl de inboorlingen van Bengalen voor een koperen muntstuk
arbeiden als slaven *). Er bestaan nog andere bewijzen, dat een shilling
daags net loon was, waarop de engelsche fabrieksarbeider van dien tijd
recht meende te hebben, schoon hij dikwijls gedwongen was voor minder
te werken. De gemeene man was destijds nog niet gewoon openbare bijeen-
komsten, beraadslagingen en redevoeringen te houden en verzoekschriften
aan het parlement te richten. Geen nieuwsblad stond zijn belangen voor.
Zijn liefde en zijn haat, zijn vreugdetonen en zijn lijden werden slechts in
ruwe verzen uitgeboezemd. Een groot gedeelte zijner geschiedenis is alleen
uit zijn liederen te leeren. Een der merkwaardigste van de volkszangen, die,
tijdens de regeering van Karel II, in de straten van Norwich en van Leeds
werden gezongen, is heden nog in den oorspronkelijken druk voorhanden.
Het is de heftige en bittere kreet des arbeiders tegen het kapitaal. Het be-
schrijft de goede oude tijden, toen ieder werkman, die in de wolmanufacturen
werkzaam was, zoo goed leefde, alsof hij een pachter was geweest. Maar die
tijden waren voorbij. Zes pence daags was thans al wat door harden arbeid
1) Zie in Thurloe\'s Staatspapieren, de memorie der hollaodsche afgevaardigden,
gedagteekend »/, t Augustus 1653.
\') De redenaar was de heer John Basset, lid voor Barnstaple. Zie Smiths Opstellen
over wol, hoofdstuk 68.
MACAULAY I.
ly
-ocr page 314-
290                              GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
aan den weefstoel verdiend kon worden; klaagde de arme, dat hij van zoo\'n
schamel loon niet bestaan kon, dan werd hem geantwoord, dat hem vrijstond
het te nemen of het te weigeren. Voor zulk een ellendig loon moesten de
voortbrengers van den rijkdom zich afmatten, vroeg opstaan en laat ter rust
gaan, terwijl de meester lakenverkooper met eten, slapen en ledigloopen
door hun inspanning rijk werd. Een shilling daags, zegt de dichter, is wat
de wever zou krijgen, indien er naar recht gehandeld werd \'). Wij mogen
derhalve onderstellen, dat in het tijdperk, dat de revolutie voorafging, een
arbeider, die in de groote stapelmanufacturen van Engeland werkzaam was,
zich goed betaald achtte, als hij zes shilling \'s weeks verdiende.
A1nedde\'fabrieken™ Het mag hier tevens vermeld worden, dat het gebruik kin-
deren op al te jeugdigen leeftijd aan den arbeid te zetten, een gebruik, dat de
staat, de wettige beschermer dergenen, die zich zelve niet kunnen bescher-
men, in onzen tijd door een wijs en menschlievend verbod heeft opgeheven,
in de zeventiende eeuw was toegenomen in een verhouding, die in verge-
lijking met den omvang van het fabriekwezen bijna ongeloofelijk schijnt.
Te Norwich, de hoofdzetel van den lakenhandel, werd een schepseltje van
zes jaar reeds tot den arbeid geschikt geacht. Verscheiden schrijvers van
dien tijd en onder hen sommige, die voor bijzonder goedhartig doorgingen,
spreken met blijde verwondering van de omstandigheid, dat in die stad
alleen jongens en meisjes van zeer teederen leeftijd een waarde voortbrach-
ten, die jaarlijks twaalfduizend p. st. meer bedroeg, dan voor hun onderhoud
noodig was 2). Hoe zorgvuldiger wij de geschiedenis van het voorledene
nagaan, hoe meer redenen wij vinden om te verschillen van het gevoelen
dergenen, die zich verbeelden, dat ons tijdvak vruchtbaar is geweest aan
nieuwe maatschappelijke euvelen. De waarheid is, dat die euvelen, bijna
zonder eenige uitzondering, oud zijn. Nieuw is slechts het doorzicht, dat ze
ontdekt en de menschlievendheid, die ze geneest.
\') Dit volkslied vindt men in het britsch museum. Het juiste jaar is niet opgegeven;
doch het imprimatur van Roger Lestranger toont den tijd der uitgave van het stuk met
voor mijn oogmerk genoegzame zekerheid aan. Ik zal eenige der regels aanhalen. De
meester lakenwerker wordt ingevoerd, sprekende als volgt:
»In former ages we used to give,
So that our workfolks like farmers did live;
But the times are changed, we will make them know.
We will make them to work hard for six pence a day,
Though a shilling they deserve if they had their just pay;
If at all they murmur and say \'t is too small,
We bid them choose whether they\'11 work at all.
And thus do we gain all our wealth and estate,
l!y many poor men that work early and late.
Then hey for the clothing trade! It goes on brave;
We scorn to toyl and moyl, nor yet to slave.
Our workmen do work hard, but we live at ease,
We go when we will and we come when we please.
>) Chamberlayne\'s Staat van Engeland ; Petty\'s Politische Rekenkunde, VIII hoofd-
stuk. Dunnings Duidelijke en gemakkelijke regelen; Firmins Voorstellen tot het ver-
schaffen van bezigheid aan de armen. Men behoort in het oog te houden, dat Firmin
een uitstekend menschenvriend was.
-ocr page 315-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                        29»
Sa\'°ui"r"d™? Gaan wij van de lakenwevers tot een verschillende klasse van
werklieden over, dan zullen onze navorschingen ons steeds tot dezelfde uit-
komsten voeren. Gedurende verscheiden geslachten hebben de commis-
sarissen van het zeemanshospitaal te Greenwich aanteekening gehouden van
de loonen, betaald aan verschillende soorten van werklieden, die voor de
herstellingswerken aan het gebouw gebruikt worden. Het blijkt uit die
belangrijke aanteekeningen, dat in den loop van honderd twintig jaar, het
dagloon des metselaars van een halve kroon \') tot vier shilling en tien pence,
dat van den steenhouwer van een halve kroon tot vijf shilling en drie pence,
dat van den timmerman van een halve kroon tot vijf shilling en vijf pence
en eindelijk het dagloon van den loodgieter van drie shilling tot vijf shilling
en zes pence is geklommen.
Het schijnt dus zeker, dat de arbeidsloonen, naar geldswaarde berekend,
in 1685 niet meer dan de helft bedroegen van hetgeen zij thans beloopen;
en slechts weinige der levensbehoeften, die voor den werkman van belang
zijn, waren in 1685 voor de helft van den tegenwoordigen prijs verkrijgbaar.
Bier was ongetwijfeld veel goedkooper dan thans. Ook vleesch was minder
in prijs, doch niettemin zoo duur, dat honderdduizenden gezinnen nauwelijks
den smaak daarvan kenden J). In den prijs der tarwe is zeer weinig ver-
andering gekomen. De gemiddelde prijs van het quarter bedroeg gedurende
de laatste twaalf jaar der regeering van Karel II vijftig shilling. Het was
dus een zeldzaamheid zelfs op de tafel van den yeoman of van den
winkelier zulk brood te zien als thans den behoeftigen bewoner van het
werkhuis wordt voorgezet. De groote meerderheid der natie voedde zich
bijna uitsluitend met rogge, gerst en haver.
De voortbrengselen van tropische gewesten, die der mijnen en al wat
door middel van werktuigen werd vervaardigd, was bepaaldelijk duurder
dan thans. Artikelen, waarvoor de arbeider in 1685 meer zou hebben moe-
ten betalen dan zijn naneef in 1848, zijn onder andere suiker, zout, steen-
kolen, kaarsen, zeep, schoenen, kousen en over het algemeen alle artikelen
van kleeding en ligging. Daarenboven waren ook de jassen en dekens, die
toen vervaardigd werden, niet alleen duurder, maar ook van geringer deug-
delijkheid dan de hedendaagsche voortbrengselen van dien aard.
ara"«t?Bern. Men moet m net °°g houden, dat de werklieden, die door hun
arbeidsloon in hun eigen onderhoud en in dat van hun gezin konden voor-
zien, niet de behoeftigste leden der maatschappij waren. Op hen volgde nog
een talrijke klasse, die niet bestaan kon zonder eenigen onderstand van de
gemeente. Er is bijna geen beter maatstaf te vinden ter beoordeeling van
den toestand van het gemeene volk, dan de getalsverhouding der bedeelden
tot de massa der bevolking. Tegenwoordig bedraagt het getal der mannen,
vrouwen en kinderen, die onderstand genieten, volgens officieele opgaven,
in slechte jaren een tiende en in goede jaren een dertiende gedeelte der be-
\') Twee shilling en zes pence, of/1,50 Ned.
\') King schatte in zijn natuurlijke en politische gevolgtrekkingen, het getal der
engelsche huisgezinnen van geringen stand op ongeveer acht honderd tachtig duizend
families. De helft van deze, beweerde hij, at tweemaal \'s weeks vleesch. De overige
helft gebruikte het in het geheel niet, of hoogstens slechts eenmaal \'s weeks.
-ocr page 316-
2^2                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
volking van Engeland. Gregorius King begrootte hun getal in zijn tijd op
een vijfde der bevolking en schoon wij. ondanks de waarde, die wij in het
algemeen aan zijn opgaven hechten, ons bijna niet kunnen onthouden deze
schatting overdreven te noemen, achtte Davenant ze hoogst oordeelkundig.
Wij zijn echter niet geheel verstoken van hulpmiddelen om zelf een ra-
ming te maken. De armenbelasting was ongetwijfeld een der zwaarste, die
onze voorouders destijds te dragen hadden. Haar bedrag werd tijdens de
regeering van Karel II begroot op nagenoeg zevenmaal honderd duizend
p. st. \'sjaars, veel meer dan de opbrengst der accijnsen of der in-en uit-
gaande rechten en weinig minder dan de helft van het gansche inkomen der
kroon. Het bedrag der armenbelasting bleef met snelheid toenemen en
schijnt binnen korten tijd van acht tot negen honderd duizend p. st. te
hebben beloopen, wat een zesde gedeelte uitmaakt der tegenwoordige
som. De toenmalige bevolking bedroeg nauwelijks een derde der tegenwoor-
dige, het minimum van het arbeidsloon, geschat naar geldswaarde, was de
helft van het tegenwoordig minimum, en wij kunnen derhalve nauwelijks
onderstellen, dat het gemiddeld bedrag van den onderstand, die aan een
behoeftige werd verstrekt, meer dan de helft bedroeg van hetgeen thans
verleend wordt. Hieruit schijnt te volgen, dat het gedeelte der engelsche
bevolking, dat onderstand genoot, destijds in verhouding tot de overige be-
volking grooter moet geweest zijn, dan het gedeelte, dat thans zoodanigen
onderstand trekt. Het is raadzaam in de beoordeeling van zulke vraag-
punten uiterst omzichtig te zijn ; doch zeer zeker is nog nooit het bewijs ge-
leverd, dat het pauperisme gedurende de laatste vijf en twintig jaar der
zeventiende eeuw een minder groot bezwaar of een minder gevaarlijk
maatschappelijk kwaad is geweest, dan het in onzen tijd is \').
weidaJcn, weike In één opzicht moet men toegeven, dat de voortgang der be-
de voortgang der
           .                     _. _             .
be«rii»vinit der schaving het stoffelijk welznn van een gedeelte der meest
Bcriiijte volks-                      °                              \'                  \'                             b
kusne aanbrengt, behoeftigen verminderd heeft. Het werd reeds vermeld, dat
vóór de omwenteling veel duizenden vierkante mijlen gronds, die thans
omheind en bebouwd zijn, in moeras, bosch en heide bestonden. Een groot
gedeelte van dit woeste land was rechtens gemeentegoed en veel van wat
rechtens geen gemeentegoed was had een zoo geringe waarde, dat de
eigenaars toelieten, dat het met der daad, als gemeentegoed gebezigd werd.
In zulke streken genoten squatters en stroopers een thans ongekende mate
\') Veertiende verslag der commissarissen van het armwezen. Appendix T?, N°. 2,
Appendix C, N°. i, 1848. Van de twee in den tekst vermelde ramingen werd de
eene door Arthur Moore, de andere eenige jaren later door Richard Dunning gemaakt.
De raming van Moore vindt men in Davenants Proeve over middelen en wegen, die
van Dunning in het Degelijke werk van Sir Frederik Eden, over het armwezen. King
en Davenant schatten in 1696 de armlastigen en de bedelaars op het ongeloofllijk
getal van 1,330,000 op een bevolking van 5.500,000. In 1846 schijnt het getal der
personen, die onderstand ontvingen, slechts 1,332.089 te zijn geweest, op een be-
volking van ongeveer 17 millioen Men moet ook niet onvermeld laten, dat in de
officieele opgaven een armlastige al lichtelijk meer dan eenmaal kan voorkomen.
Ik zou den lezer raden De Foe\'s Vlugschrift te raadplegen, getiteld: »Het geven
van aalmoezen geen liefdadigheid", alsmede de Greenwich-tabellen, die in M\'Cullochs
Handelslexicon te vinden zijn, onder de rubriek: «prijzen".
-ocr page 317-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.
293
van vrijheid. De huisman, die daar zijn verblijf hield, kon nu en dan met
weinig of in \'t geheel geen uitgaven zijn eenvoudig maal met een smakelijk
gerecht vermeerderen en zich brandstof voor den wintertijd verschaffen.
Hij hield een troep ganzen op den grond, die thans in een bloeijenden boom-
gaard veranderd is. Hij ving wild gevogelte in het moeras, dat tegenwoordig
sedert lang droog gemaakt en in koren- en rapenvelden verdeeld is. Hij
sneed turf tusschen de biezen in het veen. dat nu weiland is geworden,
bloeijende van klaver en beroemd door de boter en kaas, die het voort-
brengt. De vooruitgang van den landbouw en de vermeerdering der be-
volking moesten hem noodwendig van deze voordeden berooven. Doch
tegen dit nadeel staat een lange reeks van voordeden over. Van de zege-
ningen, die de vrucht der beschaving en der wijsbegeerte zijn, is een belang-
rijk gedeelte voor alle standen gemeen, welks gemis, indien het ons weder
onttrokken werd, den arbeider even smartelijk zou treffen als den pair. De
marktplaats, die de landbewoner thans met zijn kar binnen een uur tijds
kan bereiken, was honderdzestig jaar geleden een dagreis van hem ver-
wijderd. De straat, die thans den ambachtsman gedurende den ganschen
nacht een veiligen, gemakkelijken en helder verlichten weg aanbiedt, was
voor honderdzestig jaar na zonsondergang zoo donker, dat hij zijn eigen
hand niet zou hebben kunnen zien, zoo slecht geplaveid, dat hij ieder oogen-
blik gevaar liep den hals te breken, en zoo slecht bewaakt, dat hij ieder
oogenblik in gevaar zou hebben verkeerd ter aarde geveld en van zijn kleine
verdienste beroofd te worden. Elke metselaar, die van een steiger valt, elke
straatveger, die onder een rijtuig geraakt is, kan thans zijn kwetsuren laten
verbinden en zijn ledematen laten zetten door geneeskundigen, wier be-
kwaamheid voor honderdzestig jaar met het gansche vermogen van een
grooten lord als Ormond, of van een handelsvorst als Clayton niet te koopen
ware geweest. Sommige vreeselijke ziekten zijn door de wetenschap uitge-
roeid, andere door de politie gebannen. De duur van het menschelijk leven
is in alle gedeelten van het koninkrijk en voornamelijk in de steden toe-
genomen. Het jaar 1685 werd voor geen ongezond jaar gehouden; des-
niettemin bedroegen de sterfgevallen onder de bewoners van de hoofd-
stad in dat jaar ruim één van de drie en twintig \'). Thans sterft jaarlijks
slechts één van de veertig bewoners der hoofdstad. Het onderscheid
tusschen den gezondheidstoestand van het Londen der negentiende met
het Londen der zeventiende eeuw is aanmerkelijk grooter, dan het verschil
tusschen den toestand dier hoofdstad in een gewonen en haar toestand in
een choleratijd.
Van nog grooter belang zijn de weldaden, die alle standen der maat-
schappij en vooral de geringe standen aan den verzachtenden invloed te
danken hebben, dien de beschaving op het nationale karakter heeft gehad.
De grondtrekken van dat karakter zijn inderdaad sedert vele geslachten
dezelfde gebleven, even als de grondtrekken van het karakter van een bij-
zonder persoon soms onveranderd blijven van den tijd, dat hij een ruwe en
onbedachtzame schoolknaap is, tot op dien, dat hij een hoogbeschaafd en
») Het aantal der overledenen was 23,223. Petty\'s Politische rekenkunde.
-ocr page 318-
294                                    GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
voortreffelijk man is geworden. Het is een verblijdende gedachte, dat de
geest der engelsche natie milder is geworden, naar mate zij meer tot rijpheid
kwam en dat wij na verloop van eeuwen niet slechts een wijzer, maar ook
een goedhartiger volk zijn geworden. In de geschiedboeken en in de lichtere
literatuur der zeventiende eeuw vindt men nauwelijks een enkele bladzijde,
die niet heteene of andere blijk bevat, dat onze voorouders minder mensche-
lijk waren, dan hun nakomelingschap is. De tucht, die in de werkplaatsen,
scholen en huisgezinnen gehandhaafd werd, was oneindig harder, schoon
geenszins zoo doeltreffend als thans. Mannen van goede geboorte waren
gewoon hun bedienden te slaan. Pedagogen wisten hun kweekelingen niet
anders te onderwijzen dan met behulp van de plak. Echtgenooten van
achtbaren stand schaamden zich niet hun vrouwen te mishandelen. De
onverzoenlijkheid van vijandige staatspartijen was zoo groot, dat wij er ons
nauwelijks een denkbeeld van kunnen vormen. Whigs waren geneigd te
morren, omdat men Stafford liet sterven zonder eerst zijn ingewanden voor
zijn oogen te verbranden. Tories scholden en hoonden Russell, toen zijn
koets van den Tower naar het bloedtooneel in de velden van Lincolns-Inn
reed \'). Even weinig genade werd door het gepeupel aan patiënten van ge-
ringer stand betoond. Werd een misdadiger aan de kaak gesteld, hij mocht
van geluk spreken, als hij er onder een regen van klinkers en straatkeijen
het leven afbracht J). Werd hij aan de beulskar vastgebonden om de straf
der geeseling te ondergaan, de menigte verdrong zich om hem heen en ver-
maande den scherprechter den kerel goed te raken en hem te doen brullen3).
Fatsoenlijke heeren deden op gerechtsdagen pleiziertochtjes naar Bride-
well om de ongelukkige vrouwen, die daar vlas plukten, te zien geeselen *).
Een man, die dood geperst werd, omdat hij weigerde te spreken 5), een
vrouw, die wegens valschmunterij verbrand werd, verwekten minder mede-
lijden, dan thans een paard of een os zou doen, als ze eenigszins ernstig
mishandeld werden. Gevechten, in vergelijking van welke een boksstrijd
een verfijnd en menschlievend schouwspel is, behoorden tot de lievelings-
tijdverdrijven van een groot gedeelte der bevolking van de hoofdstad. Tal-
rijke scharen kwamen bijeen om gladiatoren met doodelijke wapenen op
elkander te zien hakken en brulden van genoegen, als een der kampvechters
een vinger of een oog verloor. De gevangenissen waren hellen op aarde,
kweekscholen van alle misdaden en van alle ziekten. Bij de assises brachten
de vermagerde en bleeke misdadigers uit hun cellen een verpeste atmospheer
mede, waardoor zij somtijds op rechters, advocaten en jury vreeselijk ge-
wroken werden. Doch de maatschappij zag al deze ellende met koude
onverschilligheid aan. Nergens was dat fijngevoelige en rustelooze mede-
lijden te vinden, dat in onzen tijd aan het kind in de fabrieken, aan de
\') Burnet, I 560.
*) Muggletons Handelingen der getuigen van den geest.
3) Tom Brown beschrijft zulk een tooneel in woorden, die ik niet durf aanhalen.
») Wards Bespieder van Londen.
5) Destijds bestond nog een wreedaardig gebruik, thans sedert lang opgeheven,
volgens hetwelk de beschuldigde, die alle antwoord weigerde op de vragen, die door
den rechter aan hem gericht werden, met een gewicht op de borst op den grond
werd uitgestrekt, totdat hij sprak of stierf.
-ocr page 319-
TOESTAND VAN ENGELAND IN 1685.                           295
indische weduwe, aan den negerslaaf zulk een krachtige bescherming heeft
verleend, den mondvoorraad en de watertonnen van elk landverhuizersschip
onderzoekt, dat stampvoet bij eiken slag, die op den rug van een dronken
soldaat nederkomt, dat niet wil dulden, dat zelfs de dief in de gevangenis-
schepen slecht gevoed of overwerkt worde, ja, dat zelfs herhaaldelijk ge-
tracht heeft het leven des moordenaars te redden. Het is ontegenzeggelijk,
dat medelijden, even als elk ander gevoel, zich door de rede moet laten
beheerschen en uit gebrek aan die heerschappij soms belachelijke en soms
betreurenswaardige gevolgen heeft te weeg gebracht. Doch hoe meer wij de
jaarboeken van het voorledene doorbladeren, hoe meer wij ons zullen ver-
heugen, dat wij leven in een menschelijk tijdvak, in een tijdvak, waarin
wreedheid verfoeid en lijden, hoe verdiend ook, slechts met tegenzin en uit
plichtgevoel veroorzaakt wordt. Alle standen der maatschappij hebben,
voorzeker door deze groote zedelijke verandering veel gewonnen ; doch de
stand, die daarbij het meest is vooruit gegaan, is die der armen, der af han-
kelijken en weerloozen.
•?tonUdiek?t™iu~k ^e algemeene indruk der getuigenis, die den lezer voor-
"ttSbSSSil01" gelegd werd, schijnt nauwelijks aan eenigen twijfel onder-
hevig. In spijt van die getuigenis evenwel zullen velen zich steeds het
Engeland der Stuarts nog blijven voorstellen als een aangenamer land, dan
het Engeland, waarin wij leven. Bij den eersten opslag moge het vreemd
schijnen, dat de maatschappij, terwijl zij steeds met haastigen ijver voor-
waarts streeft, evenwel gestadig met liefderijk verlangen achterwaarts blikt.
Maar deze beide neigingen, hoe tegenstrijdig zij ook schijnen, kunnen uit
een en hetzelfde beginsel gemakkelijk worden verklaard. Zij hebben beiden
haar grond in de ontevredenheid met onzen tegenwoordigen toestand. Die
ontevredenheid spoort ons aan de ons voorafgegane geslachten te over-
treffen en maakt ons tevens geneigd om ons een hoog denkbeeld van hun
geluk te vormen. In zekeren zin is het onredelijk en ondankbaar van ons,
dat wij bestendig ontevreden zijn met een toestand, die bij voortduring
beter wordt. In waarheid echter heeft bestendige verbetering slechts
plaats, omdat er voortdurende ontevredenheid bestaat. Indien wij volkomen
tevreden waren met het tegenwoordige, wij zouden ophouden uit te vinden,
te arbeiden en met het oog op de toekomst te sparen. En het is natuurlijk,
dat wij, ontevreden zijnde met het tegenwoordige, ons een al te gunstig
denkbeeld vormen van het verledene.
Wij verkeeren waarlijk in een gelijksoortige dwaling als die, welke den
reiziger in de arabische zandwoestijn misleidt. Onder de karavaan is alles
droog en bar; maar ver in het verschiet, voorwaarts en achterwaarts, schijnt
hij door verfrisschend water omgeven. De pelgrims spoeden voorwaarts en
vinden niets dan zand, waar zij een uur geleden een meer hadden meenen
te zien. Zij wenden het hoofd om en zien een meer op de plaats, waar zij
een uur geleden door het zand heenworstelden. Een soortgelijk zinbedrog
schijnt de natiën te kwellen op elk gedeelte van den langen weg, die van
armoede en barbaarschheid tot de hoogste trappen van welvaart en bescha-
ving leidt. Zoo wij echter het schijnbeeld vastberaden terugjagen, dan
zullen wij het voor ons de wijk zien nemen tot in de fabelachtige gewesten
-ocr page 320-
296
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
der grijze oudheid. Het is thans de mode de gulden eeuw van Engeland
te zoeken in tijden, toen de edellieden van gemakken verstoken waren,
wier gemis een hedendaagschen lakkei ondraaglijk zou zijn; toen pachters
en winkeliers ontbeten met brood, waarvan de bloote vertooning in een
hedendaagsch armhuis reeds een oproer zou doen ontstaan ;• toen de
menschen in de zuiverste landlucht vroeger stierven dan zij het thans in de
verpeste stegen onzer steden doen, en toen zij in die stegen eerder stierven
dan thans op de kust van Guyana het geval is. Ook wij zullen op onze beurt
overtroffen en op onze beurt benijd worden. Het is zeer wel mogelijk, dat
de boer van Dorsetshire in de twintigste eeuw zich ellendig slecht beloond
zal achten met vijftien shilling \'s weeks; dat de timmerman te Greenwich
alsdan tien shilling daags zal ontvangen; dat arbeiders alsdan evenmin ge-
woon zullen zijn een middagmaal zonder vleesch te nuttigen, als zij het
thans zijn roggebrood te eten; dat de gezondheidspolitie en de ontdek-
kingen der geneeskunde den gemiddelden duur van het menschelijk leven
op nieuw met een aantal jaren verlengd zullen hebben ; dat talrijke gemak-
ken en genietingen, die thans onbekend of althans slechts binnen het bereik
van weinigen zijn, verkrijgbaar worden voor elk vlijtig en spaarzaam ar-
beider. En evenwel zal het dan wellicht ook mode zijn te beweren, dat de
vermeerdering van den rijkdom en de vorderingen der wetenschappen de
weinigen ten kosten der velen hebben begunstigd en van de regeering der
koningin Victoria te spreken, als van den tijd toen Engeland werkelijk het
blijde Engeland was, toen alle standen door broederlijke eensgezindheid
vereenigd waren, toen de rijken de armen niet uitmergelden en toen de
armen den rijken hun glans niet benijdden.
VIERDE HOOFDSTUK.
1K0«ordcuT Het overlijden van koning Karel II trof de natie op het onver-
wachtst. Zijn lichaamsgestel was van nature sterk en scheen niet onder
uitspattingen geleden te hebben. Hij had altoos, zelfs onder het najagen
van vermaken, zijn gezondheid gespaard; en zijn gewoonten lieten een lang
leven en een krachtigen ouderdom verwachten. Hoe traag ook bij alle ge-
legenheden, die inspanning van den geest vorderden, was hij daarentegen
vlug en volhardend, wanneer het lichaamsoefeningen gold. In zijn jeugd was
hij als kaatsspeler *) beroemd geweest en nu, bij het klimmen zijner jaren,
was hij nog steeds een onvermoeid wandelaar. Zijn gewone tred was zoo
vlug, dat zij, die de eer van zijn persoonlijken omgang genoten, hem moeije-
lijk konden bijhouden. Hij stond vroeg op en bracht gewoonlijk drie of vier
uur daags in de vrije lucht door. Des ochtends, als het gras van St. James-
\') Dagboek van Pepys, 28 December, 1663; 2 September 1667.
-ocr page 321-
DOOD VAN KAREL II.
297
park nog glinsterde van dauwdroppels, kon men hem onder de hoogeboomen
zien omzwerven, zich met zijn hazewindjes vermaken en zijn eendjes graan
toewerpen; en dit won hem de genegenheid der lagere volksklasse, die altijd
gaarne de uitspanningen der grooten gadeslaat \').
Doch tegen het einde van het jaar 1684 werd hij door een lichten aanval,
zoo men meende van jicht, belet als naar gewoonte uit te gaan. Hij bracht
nu de ochtenden in zijn laboratorium door, waar hij zich onledig hield met
proefnemingen over de eigenschappen van het kwik. Zijn gemoedsstemming
scheen door het zittende leven geleden te hebben; immers hij had geen
bekende redenen tot onvergenoegdheid. Zijn rijk was rustig; hij had geen
dringend gebrek aan geld; hij was machtiger dan hij tot dusverre geweest
was; de staatspartij, die hem lang gedwarsboomd had, was onder den voet
gebracht en toch was de opgeruimdheid, die hem in tegenspoed altoos tot
steun verstrekt had, in die tijden van voorspoed verdwenen. Een beuzeling
was nu in staat den veerkrachtigen geest te ontstemmen, die eenmaal aan
nederlagen, ballingschap en gebrek weerstand had geboden. Hij gaf menig-
maal zijn oploopendheid lucht door gebaren en woorden, die men niet licht
verwacht zou hebben van een man, die zich voorheen altijd door zijn opge-
rutmden aard en zijn fijne manieren zoo zeer had onderscheiden. Maar
niemand dacht nog, dat zijn gestel wezenlijk zwaar geschokt was \').
Zelden had zijn paleis vroolijker of ergerlijker schouwspel opgeleverd dan
op den avond van zondag, den eersten Februari 1685 *). Verscheiden deftige
personen, die volgens het gebruik dier tijden zich naar het hof hadden
begeven om hun opwachting bij hun souverein te maken en er op gerekend
hadden, dat althans op zulk een dag de uiterlijke welvoeglijkheid aldaar
zou worden in acht genomen, voelden zich door verbazing en afgrijzen
aangegrepen. In de groote galerij van Whitehall, een bewonderenswaardig
gedenkteeken der praalzucht van het geslacht der Tudors, verdrong zich
een menigte luidruchtige gasten en spelers. De koning zat daar te keuvelen
en te dartelen met drie vrouwen, wier bekoorlijkheden en ondeugden drie
natiën tot roem en schande tevens strekten. Barbara Palmer, hertogin van
Cleveland, was niet meer in den bloei der jeugd, maar droeg nog sporen van
die fiere, zinnelijke schoonheid, welke twintig jaar vroeger alle mannen-
harten veroverde. Ook de hertogin van Portsmouth was daar, aan wier
zachte gelaatstrekken fransche levendigheid nog meer bekoorlijkheid bij-
zette. Hortensia Mancini, hertogin van Mazarin, nicht van den grooten
kardinaal, voltooide het drietal. Reeds vroeg was zij uit Italië, haar ge-
boorteland, naar het fransche hof gebracht, waar haar oom in blakende
gunst stond. Die macht, gevoegd bij haar bekoorlijkheden, had haar
toen een aantal der doorluchtigste aanbidders verschaft. Karel zelf had
\') Burnet I, 606; Spectator n°. 462; Dagboek van het Huis der Lords, 28 October
1678; Cibbers Lofrede.
*) Burnet I, 605, 606; Welwood, 138; North Leven van Guildford, 251.
\') Ik neem deze gelegenheid te baat, om den lezer te verwittigen, dat daar, waar
ik slechts één datum geef, de oude stijl van tijdrekening bedoeld is, die in de zeven-
tiende eeuw in Engeland gebruikelijk was; doch ik reken het jaar van den eersten
Januari.
-ocr page 322-
298                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
tijdens zijn ballingschap, doch te vergeefs, om haar hand aangehouden. Alle
gaven der natuur en der fortuin schenen over haar uitgestort. De weelderige
schoonheid van het zuiden schitterde op haar gelaat; zij had een vluggen
geest, bevallige manieren, een verheven rang, een onmetelijk vermogen;
doch haar ontembare driften hadden al deze zegeningen voor haar in ram-
pen doen verkeeren. Zij had den last van een ongelukkig huwelijk ondraaglijk
gevonden, was met achterlating van haar groot vermogen haar echtgenoot
ontvlucht en had haar verblijf in Engeland gevestigd, nadat zij Rome en
Sardinië\' van haar avonturen had doen gewagen. Haar huis werd bij voor-
keur gezocht door mannen van vernuft en van de pret, die zich haar vlagen
van beleedigenden overmoed en haar wrevel lieten welgevallen ten einde
haar gunst of een plaats aan haar tafel te verwerven. In haar gezelschap
vergaten Rochester en Godolphin de drukkende staatszorgen. Daar ook
vonden Barillon en St. Evremond eenige vergoeding voor hun langdurige
verbanning uit Parijs. De geleerdheid van Vossius, het vernuft van Waller
waren er dagelijks op uit haar ijdelheid te voeden en haar den tijd te korten.
Doch haar krank gemoed had krachtiger opwekking noodig en zocht die in
liefdesavonturen, in het kaartspel en in ierschen brandewijn \'). Terwijl
Karel met deze drie sultanes dartelde, werden door den franschen page van
Hortensia, een schoon jongeling, wiens zangkunst in Whitehall bewonderd
en met tallooze geschenken van prachtige kleederen, rijpaardjes en guinjes
beloond werd, liefdeademende liederen voorgedragen 8). Een twintigtal
hovelingen zaten, in het kaartspel verdiept, om een groote tafel geschaard,
die met hoopen gouds bedekt was J). Nu reeds had de koning geklaagd, dat
hij zich niet geheei wel gevoelde. Aan den avonddisch ontbrak \'t hem aan
eetlust. In den daaropvolgenden nacht was zijn slaap onrustig; doch daags
daarna stond hij als naar gewoonte vroeg op.
Diezelfde ochtend werd sedert eenige dagen door de strijdende partijen
in zijn raad met angstige verwachting te gemoet gezien. De twist tusschen
Halifax en Rochester scheen der beslissing nabij: Halifax, die zijn mede-
dinger reeds van het beheer der schatkist had weten te verdringen, had,
daarmede niet voldaan, bovendien aangenomen te bewijzen, dat deze zich in
die mate aan ontrouw of nalatigheid in het beheer der financiën had schuldig
gemaakt, dat hij met ontslag uit \'s lands dienst behoorde gestraft te worden.
Reeds fluisterde men hier en daar, dat de lord president van den geheimen
raad wellicht vóór het aanbreken van den nacht in den Tower zou zitten.
De koning had beloofd deze aangelegenheid te zullen onderzoeken. De dag
van den tweeden Februari was daarvoor bepaald geweest en aan verscheiden
beambten van het finantiewezen was gelast op dien dag met hun boeken
tegenwoordig te zijn *). Maar er was een nog grooter lotwisseling nabij.
\') St. Evremoucl, passim; St. Real, Gedenkschriften der hertogin van Mazarin;
Rochesters Afscheid; Evelyns Dagboek, 6 September 1667; 11 Juni 1699.
\') Evelyns Dagboek, 28 Januari 1684—5; St. Evremonds Brief aan Déry.
3) Evelyns Dagboek, 4 Februari 1684—5.
*) Roger Norths Leven van Sir Dudley North, 170; De ware vaderlander verde-
digd, of een rechtvaardiging van Zijne Excellentie E. v. R. Burnet I, 165. De boeken
der thesaurie bewijzen, dat Burnet goed onderricht was.
-ocr page 323-
DOOD VAN KAREL II.                                         299
Nauwelijks had Karel zijn legerstede verlaten, toen de aanwezige per-
sonen bespeurden, dat hij onduidelijk sprak en zijn gedachten schenen
te dwalen. Ais gewoonlijk waren verscheiden personen van rang bijeenge-
komen om hun vorst te zien scheren en kleeden. Hij deed een poging om
zich met hen op de hem eigen luchtige wijze te onderhouden, maar zijn
akelige blikken onthutsten en verschrikten hen. Weldra kreeg zijn aange-
zicht een loodkleur, de oogen draaiden hem in het hoofd, hij slaakte een
kreet en viel in de armen van Thomas, lord Bruce, zoon van den graaf van
Ailesbury. Een geneesheer, die belast was met de bewaring van de smelt-
kroezen en disteleertoestellen des konings, bevond zich toevallig bij de hand.
Hij had geen lancet bij zich, maar opende een ader met een pennemes. Het
bloed vloeide rijkelijk, doch de koning bleef buiten kennis.
Hij werd op zijn rustbed gelegd en de hertogin van Portsmouth lag een
korten tijd met de vertrouwelijkheid eener echtgenoote over hem heen ge-
bogen. Doch de droevige mare had zich weldra verspreid. De koningin en
de hertogin van York snelden naar de kamer des konings en de geliefde
minnares was genoodzaakt zich naar haar eigen vertrekken terug te begeven.
Deze vertrekken had haar minnaar driemaal doen afbreken en driemaal
herbouwd om aan haar luimen te voldoen. Het haardgereedschap zelf was
van massief zilver. Men had een aantal keurige schilderijen, die eigenlijk
aan de koningin toebehoorden, naar de kamers der minnares overgebracht.
Buffetten stonden er, zwaar bevracht met rijk bearbeid zilverwerk. In de
nissen waren kasten en kabinetten aangebracht, meesterstukken van japansch
lak- en inlegwerk. De wandtapijten, eerst kortelings uit de parijsche werk-
plaatsen gekomen, vertoonden in kleuren, welke geen engelsch tapijtwerk
kon evenaren, prachtig gevederde vogelen, landschappen, jachtpartijen, de
heerlijke terrassen van St. Germain, de standbeelden en fonteinen van
Versailles \'). Te midden van al deze ten kosten van eer en deugd verworven
pracht gaf de ongelukkige vrouw zich over aan een vlaag van droef heid, die
wij, willen we rechtvaardig zijn, niet enkel aan zelfzucht mogen toeschrijven.
De poorten van Whitehall, die gewoonlijk steeds voor ieder open stonden,
werden nu gesloten. Bekende personen echter konden nog toegang ver-
krijgen. Weldra verdrong zich de menigte in de voorzalen en galerijen: en
zelfs de kamer van den patiënt was bezet door een aantal pairs, leden van
den geheimen raad en vreemde gezanten. Al de uitstekende geneeskundigen
van Londen werden opgeroepen. De verbittering, uit staatkundige geschil-
len voortgesproten, was destijds nog zoo sterk, dat men de aanwezigheid
van eenige Whiggezinde geneesheeren als een zeer bijzondere omstandig-
heid aanmerkte \'). Een roomschgezind doctor, Thomas Short genaamd,
wijd vermaard om zijn kunde, was mede tegenwoordig. Verscheiden der
voorgeschreven recepten zijn bewaard gebleven. Een dier recepten is door
veertien doctoren onderteekend. Men deed den zieke sterke aderlatingen.
Zijn hoofd werd met een heet ijzer gebrand. Een walgelijk vlugzout, uit
menschelijke schedels getrokken, werd hem met geweld ingegeven. Hij
\') Evelyns Dagboek, 24 Januari 1681/2, 4 October 16S3.
*) Dugdales Briefwisseling.
-ocr page 324-
3oo                               GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
herkreeg zijn bewustzijn, maar bleef blijkbaar in hoogst gevaarlijken toe-
stand verkeeren.
De koningin bleef een tijdlang onvermoeid bij hem. De hertog van York
verliet zijns broeders leger niet. De primaat en vier andere bisschoppen
bevonden zich destijds te Londen, Zij bleven den geheelen dag te Whitehall
en waakten \'s nachts om beurten in de kamer des konings. De tijding van
zijn ziekte verspreidde droefheid en ontsteltenis door de ganïche hoofdstad.
Immers zijn goedaardigheid, zijn innemende manieren hadden de liefde
van een groot gedeelte des volks gewonnen en zelfs zij, die hem het minst
genegen waren, gaven aan zijn beginsellooze lichtzinnigheid de voorkeur
boven de stroeve en sombere dweepzucht zijns broeders.
In den ochtend van Donderdag 5 Februari, deelde de London-Gazette
de tijding mede, dat zijn majesteit zich beter bevond en de geneesheeren
het gevaar geweken achtten. In alle kerken werden de klokken geluid
en in de straten en op de pleinen toebereidselen tot vreugdevuren ge-
maakt. Maar in den loop van den avond vernam men, dat de zieke weder
ingestort was en de doctoren alle hoop hadden opgegeven. De stemming
van het publiek was zeer opgewonden, doch er bestond geen de minste nei-
ging tot oproer. De hertog van York, die reeds het geven der noodige
bevelen op zich had genomen, overtuigde zich, dat de hoofdstad in volmaakte
rust verkeerde en zijn troonsbestijging zonder stoornis zou plaats hebben,
zoodra zijn broeder overleden zou zijn.
De koning leed zeer veel en klaagde, dat een inwendig vuur hem scheen
te verteren. Maar hij verdroeg zijn lijden met een standvastigheid, die niet
tot zijn weeken en smartschuwenden aard scheen te behooren. De aan-
doening zijner echtgenoot bij het zien van zijn lijden was zoo groot, dat zij
ten laatste in onmacht viel en bewusteloos naar haar vertrek werd gebracht.
De aanwezige prelaten hadden hem sedert het eerste oogenblik van zijn
ziekte, vermaand zich op zijn einde voor te bereiden. Zij achtten het nu
hun plicht hem met nog meer aandrang toe te spreken. William Sancroft,
aartsbisschop van Canterbury, een rechtschapen en godsdienstig man,
schoon van eenigszins bekrompen inzichten, veroorloofde zich groote vrij-
moedigheid. »Thans is het tijd," zeide hij; »om rondborstig te zijn; want,
Sire, gij staat op het punt om voor een rechter te verschijnen, die geen
aanzien des persoons kent." De koning gaf volstrekt geen antwoord.
Thomas Ken, bisschop van Bath en Wells, beproefde nu het vermogen
zijner overredingskracht. Hij was een man van groote begaafdheid en ge-
leerdheid, hoogst gevoelig en van onbesmette deugd. Zijn doorwrochte
prozageschriften zijn reeds lang vergeten; maar zijn morgen- en avondge-
zangen worden nog dagelijks in duizenden huisgezinnen gehoord. Hoewel,
gelijk de meeste leden van zijn stand, ijverig monarchaalgezind, was hij
geen vleijer. Vóór hij bisschop werd, had hij de eer van zijn stand
gehandhaafd door zijn weigering om, toen het hof te Winchester was,
Eleonore Gwynn in het huis te laten trekken, dat hem daar tot ambtswoning
diende \'). De koning was wijs genoeg een zoo onafhankelijken geest te
\') Hawkins, Leven van Ken, 1713.
-ocr page 325-
ioi
Dood van karël iï.
ontzien. Van alle prelaten mocht hij Ken het beste lijden. Doch vruchteloos
wendde de goede bisschop nu zijn gansche welsprekendheid aan. Zijn
plechtige en aandoenlijke vermaning maakte zulk een diepen indruk op de
harten der omstanders, dat sommigen hunner hem van denzelfden geest
vervuld waanden, waarmede oudtijds Nathan en Elias zondige vorsten tot
berouw vermaand hadden. Doch Karel bleef onbewogen. Hij maakte, wel
is waar, geen zwarigheid, toen de ziekentroost werd voorgelezen; doch op
de dringende vragen der geestelijken antwoordde hij slechts, dat het hem
leed deed, zoo hij iets misdreven had; evenzoo liet hij toe, dat volgens de
voorschriften der anglicaansche kerk de absolutie over hem werd uitge-
sproken, maar toen hem de verklaring werd afgevergd, dat hij stierf in het
geloof aan de leer van die kerk, scheen hij niet te hooren wat er gezegd werd
en niets kon hem bewegen het avondmaal uit de handen der bisschoppen
aan te nemen. Een tafel met brood en wijn werd bij het bed gebracht, maar
vergeefs. Nu eens zeide hij, dat er geen haast bij was, dan weder dat hij zich
te zwak gevoelde.
Velen schreven deze ongevoeligheid aan ongodsdienstigheid toe, anderen
weder aan die wezenloosheid, die menigmaal den dood voorafgaat. Doch er
bevonden zich enkele personen in het paleis, die de ware oorzaak beter
kenden. Karel had der anglicaansche kerk nooit oprechtelijk toebehoord.
Zijn gemoed had lang geweifeld tusschen de stellingen van Hobbes en die
van het pausdom. Was hij gezond en wel te moede, dan placht hij tot de
spotters te behooren; in zijn weinige ernstige oogenblikken was hij roomsen-
gezind. Den hertog van York was dit bekend, maar deze had het nu te druk
met de zorg voor zijn eigen belangen. Hij had de buitenhavens doen sluiten
en afdeelingen van de lijfwacht op verschillende punten der City geposteerd.
Hij had ook de halfverstijfde hand des stervenden konings een akte doen
teekenen, waarbij eenige rechten, slechts voor den tijd van \'s konings leven
aan de kroon bewilligd, voor den tijd van drie jaar verpacht werden. Al
deze zorgen hadden de aandacht van Jakobus zoozeer ingespannen, dat hij,
hoewel gewoonlijk vervuld van ontijdigen en onbescheiden ijver om prose-
lieten voor zijn kerk te winnen, niet eens bedacht, dat zijn broeder in gevaar
was van te sterven, zonder de laatste sacramenten deelachtig te zijn ge-
worden. Dat verzuim moet nog meer verwondering baren, als men in aan-
merking neemt, dat de hertogin van York op verzoek der koningin reeds
op den eersten morgen van \'s konings ziekte de wenschelijkheid betoogd
had om den bijstand der geestelijkheid in te roepen. Karel verkreeg dien
bijstand ten laatste door een geheel andere bemiddeling, dan die zijner god-
vruchtige echtgenoot en schoonzuster. Een leven, in ijdelheid en ondeugd
doorgebracht, had evenwel de hertogin van Portsmouth nog niet van alle
godsdienstig gevoel ontbloot, evenmin als van die teerhartigheid, die den
roem van haar geslacht uitmaakt. De fransche gezant, Barillon, naar
het paleis gekomen om naar den koning te vragen, ging ook haar op-
zoeken. Hij vond haar in de grootste droefheid verzonken. Zij leidde hem
naar een geheime kamer, waar zij haar geheele hart voor hem opende. »Ik
heb u," zeide zij, »iets van het hoogste aanbelang toe te vertrouwen. Ware
»het bekend, dan zoude mijn hoofd in gevaar zijn. De koning is eigenlijk
-ocr page 326-
302                            GESCHIEDENIS VAN ËNGELANÜ.
»een trouw en oprecht roomschgezinde; maar hij zal sterven zonder met de
«kerk verzoend te zijn. Zijn slaapkamer is vol protestantsche geestelijken.
»Ik kan er niet binnentreden zonder ergernis te geven. De hertog denkt
«alleen aan zich zelven. Spreek gij met hem. Herinner hem, dat het heil
»eener ziel op het spel staat. Hij is nu de gebieder. Hij kan de kamer doen
«ruimen. Ga nu dadelijk, of het wordt te laat."
                                              ,
Barillon spoedde zich naar de slaapkamer, natn den hertog ter zijde en
kweet zich van de boodschap der minnares. Het geweten van Jakobus ont-
waakte. Hij sidderde, alsof hij uit den slaap gewekt was en betuigde, dat
niets ter wereld hem zou weerhouden den heiligen plicht te vervullen,
die reeds te lang was uitgesteld geworden. Verschillende plannen werden
nu besproken en verworpen. Eindelijk beval de hertog aan de omstanders,
dat ze wat ruimte zouden maken, boog zich vervolgens over het bed heen
en fluisterde den koning iets in, dat geen der aanwezigen verstaan kon en
dat zij vermoedelijk voor een vraag aangaande staatszaken hielden. Karel
antwoordde met hoorbare stem: «Ja, ja, van ganscher harte." Behalve de
fransche gezant, begreep niemand aldaar, dat de koning zijn wensen
uitsprak om in den schoot der roomsche kerk te worden opgenomen.
« Wilt gij dat ik een priester breng ?\' vroeg de hertog. » Doe dat, broeder."
antwoordde de zieke; »doe het om Gods wil en verlies geen tijd... Maar
«neen; gij zult u in gevaar stellen." — «Al kost \'t mij het leven," hervatte
de hertog, «een priester zal ik u brengen."
Doch voor zulk een doel, met den vereischten spoed een priester te vin-
den, dat was geen gemakkelijke taak. Want naar de toenmalige wet was het
aannemen van een bekeerling tot de roomsche kerk een misdaad, waarmede
lijf en leven gemoeid waren. De graaf van Castel Melhor, een portugeesch
edelman, die, door staatsonlusten uit zijn geboorteland verdreven, bij
het britsche hof gastvrij was opgenomen, bood aan een biechtvader te
gaan zoeken. Hij wendde zich tot diegenen zijner landslieden, die tot het
hof der koningin behoorden, maar hij bevond, dat niet een der geestelijken
van haar gevolg het Engelsch of Fransch genoeg machtig was om den koning
de biecht af te nemen. De hertog en Barillon wilden juist naar den veneti-
aanschen minister om een geestelijke zenden, toen zij vernamen, dat een
monnik van de orde der Benedictijnen, met name John Huddleston, zich
toevallig te Whitehall bevond. Deze man had na den slag van Worcester,
met groot lijfsgevaar \'s konings leven gered en was uit dien hoofde sedert
het herstel van het koningschap steeds een bevoorrecht persoon geweest.
In de strengste proclamatiën, die tegen pausgezinde priesters gericht wer-
den, toen valsche getuigen de natie jegens hen hadden verbitterd, was
Huddleston met name uitgezonderd \'). Gaarne was hij bereid zijn leven
ten tweeden male voor zijn vorst in de waagschaal te stellen, maar ééne
zwarigheid bleef nog bestaan. De goede monnik was zoo onwetend, dat
hij niet wist wat hij bij een zoo allergewichtigste gelegenheid zeggen
moest. Doch door tusschenkomst van Castel Melhor kreeg hij eenige wenken
\') Zie de London-Gazette van 21 Nov. 1678. Barillon en Burnet zeggen, dat
Huddleston steeds in al de tegen priesters gerichte parlements-akten uitgezonderd
werd, doch dit is een dwaling.
-ocr page 327-
3o3
ÓOOD VAN KAREL II.
van een portugeesch geestelijke en aldus ingelicht werd hij langs een
geheimen trap naar boven geleid door Chiffinch, een vertrouwd bediende,
die, zoo men eenig geloof mag hechten aan de hekelschriften van dien tijd,
wel eens bezoeken van gansch anderen aard langs denzelfden weg was
bevorderlijk geweest. De hertog gebood toen in naam des konings aan alle
aanwezigen de kamer te verlaten, met uitzondering van Lewis Duras, graaf
van Feversham en John Granville, graaf van Bath. Beide deze lords waren
belijders der protestantsche religie; maar Jakobus meende hen te kunnen
vertrouwen. Feversham, een Franschman van edele geboorte en neef van
den grooten Turenne, bekleedde een hoogen rang in het engelsche leger en
was kamerheer van de koningin. Bath was opperkamerheer.
\'s Hertogs bevelen werden opgevolgd en zelfs de geneesheeren vertrokken.
De achterdeur werd toen geopend en pater Huddleston trad binnen. Een
mantel bedekte zijn gewijde kleeding en zijn geschoren kruin was onder een
groote pruik verborgen. »Sire," sprak de hertog, «deze goede man heeft
»eenmaal uw leven gered. Thans komt hij om uw ziel te redden." — «Hij
»is welkom," antwoordde Karel met flauwe stem Huddleston vervulde zijn
taak beter, dan men verwacht zou hebben. Hij knielde naast het bed neder,
hoorde de biecht aan, verleende de absolutie en diende het laatste oliesel
toe. Hij vroeg vervolgens, of de koning het heilig avondmaal wenschte te
ontvangen. «Voorzeker," antwoordde Karel, «zoo ik die gunst niet onwaar-
dig ben." De hostie werd binnen gebracht. Karel spande zijn zwakke krach-
ten in om zich op te richten en daarvoor neder te knielen. De priester
verzocht hem stil te blijven liggen en verzekerde hem, dat God de onder-
werping der ziel aannemen en die van het lichaam niet vorderen zoude. De
koning had zooveel moeite om het brood door te slikken, dat het noodig
werd de deur te openen, ten einde om een glas water te vragen. Toen de plech-
tigheid geëindigd was, hield de monnik den boeteling een crucifix voor,
hem vermanende in zijn laatste oogenblikken het lijden des Verlossers
te gedenken, waarop hij eindelijk afscheid nam. Dit alles had ongeveer drie
kwartier uurs geduurd en de hovelingen, die zich in het voorvertrek bevon-
den, hadden elkander in-dien tijd hun vermoedens al fluisterende en dcor
veelbeteekenende gebaren medegedeeld. De deur werd eindelijk geopend
en de menigte vulde op nieuw de kamer des stervenden.
Het was nu laat in den avond. De koning scheen door het gebeurde zeer
verlicht te zijn. Zijn onechte kinderen werden aan zijn bed gebracht, de
hertogen van Grafton, Southampton en Northumberland, zonen van de
hertogin van Cleveland, de hertog van St. Alban, zoon van Eleonore Gwynn
en de hertog van Richmond, zoon van de hertogin van Portsmouth. Karel
sprak zijn zegen over allen uit, maar betoonde de grootste teederheid aan
Richmond. Slechts één ontbrak, die daar had moeten zijn. De oudste en
meest beminde zoon was een zwervende balling. Zijn vader sprak zijn naam
niet eens uit.
In den loop van den nacht beval Karel de hertogin van Portsmouth en
haar zoon ten dringendste in de zorg van Jakobus aan; « En laat ook," voegde
hij daar goedhartig bij; «mijn arme Nelly geen gebrek lijden." De koningin
zond Halifax om haar afwezigheid te verontschuldigen. Zij was, zeide zij,
-ocr page 328-
304                                GESCHIEDENIS VAN ËNGELANÖ.
al te ongesteld om haar plaats bij des konings legerstede te hernemen, en
zij vroeg hem vergiffenis voor al het verdriet, dat zij hem ooit onwetend
mocht hebben aangedaan. »Zij mij vergiffenis vragen!\'\' riep Karel uit;
»die arme vrouw, ik bid van ganscher harte om de hare."
De dageraad begon te lichten door de vensters van Whitehall, en Karel
verzocht de aanwezigen de gordijnen ter zijde te schuiven, opdat hij nog
eenmaal het daglicht mocht zien. Hij deed ook opmerken, dat het tijd was
om een klok op te winden, die dicht bij zijn bed stond. Deze kleine bijzon-
derheden werden nog lang daarna in herinnering gebracht, omdat zij buiten
allen twijfel stelden, dat hij in het volle bezit van zijn geestvermogens was,
toen hij het roomsch-katholiek geloof beleed. Ten laatste verontschuldigde
hij zich bij allen, die den geheelen nacht aanwezig waren geweest, voor de
moeite, die hij hun veroorzaakt had. Hij was, zeide hij, een verbazend
langen tijd stervende geweest; maar hij hoopte, dat zij het hem ten goede
zouden houden. Dit was de laatste flikkering van die allerinnemendste wel-
levendheid, die zoo menigmaal het vermogen had gehad om de gevoeligheid
eener te recht vertoornde natie weg te tooveren. Kort na het aanbreken van
den dag verloor de stervende vorst zijn spraak. Voor tien uur \'s ochtends
had hij het gebruik der zintuigen verloren. Vele duizenden hadden zich ter
kerk begeven om de ochtenddienst bij te wonen. Toen het gebed voor den
koning gelezen werd, deed een luid gesnik en gekerm hooren, hoe innig zijn
volk met zijn toestand bewogen was. Vrijdag, 6 Februari, ten twaalf ure,
blies hij zonder eenigen doodstrijd den laatsten adem uit\').
\') Clarke\'s Leven van Jakobus II, i, 746; Orig. mem.; Barillons depêche van den
8—18 Februari 1685; Depêches van Citters, van 3 —13 en 6—16 Februari; Hud-
dlestons Verhaal; Brieven van Philips, tweeden graaf van Chesterfield, 277; Oor-
spronkelijke brieven van Sir H. EUis, eerste reeks III; 333; tweede reeks IV, 74;
Handschrift van Chaillot; Burnet I, 606; Evelyns Dagboek. 4 Februari 1684 — 5;
Welwoods Gedenkschriften, 140; Norths Leven van Guildford, 252 ; Onderzoek, 648;
Hawkins, Leven van Ken; Drydens Threnodia Augustalis; Sir II. Halfords Verhande-
ling over den dood van voorname personen. Zie ook een fragment van een brief,
geschreven door lord Btuce, lang nadat hij graaf van Ailesbury was geworden, en dat
is afgedrukt in het Europeesch Magazijn van April 1795. Ailesbury noemt Burnet een
bedrieger. Nochtans zal geen onbevooroordeeld en verstandig lezer tegenstrijdigheden
vinden in zijn verhaal en dat van Burnet. Ik heb in het britsen museum en ook in de
bibliotheek van het koninklijk instituut een merkwaardig gedrukt stuk gezien, inhou-
dende een verhaal van den dood van Karel. Het bevindt zich in de verzameling van
Somers. De schrijver was blijkbaar een ijverig roomschgezinde en moet zijn berichten
uit goede bronnen hebben kunnen putten. Ik ben zeer geneigd te gelooven, dat hij
rechtstreeks of middellijk met Jakobus zelven in aanraking is geweest. Geen naam is
voluit geschreven, maar de initialen zijn, op eene enkele plaats na, volkomen goed te
begrijpen. Daar wordt namelijk gezegd dat den H. v. Y. door P. M. A. C. F. de
plicht herinnerd werd, dien hij jegens zijn broeder in acht te nemen had. Ik moet be-
kennen buiten staat te zijn laatstgenoemde letters te ontcijferen Sir Walter Scott heeft
mede, doch te vergeefs, naar een oplossing gezocht (\'1848). Sedert de eerste uitgave
van dit werk in \'t licht is verschenen, heb ik van verschillende kanten allerlei vernuftige
verklaringen van die geheimzinnige vijf letters ontvangen, maar mijns inziens is tot
dusverre de ware oplossing niet geleverd (1850). Ik betwijfel nog steeds, of het raadsel
voldoende is opgelost, maar de meest waarschijnlijke vertolking is een, die met enkele
wijzigingen ongeveer in denzelfden tijd door mij zelven en eenige andere personen
gevonden werd. Ik geloof te moeten lezen: »Pere Mansuele, a cordelier Friar."
-ocr page 329-
305
DOOD VAN KAKEL II.
Vve™ft1Rn Destijds placht de geringere volksklasse, door gansch Europa,
doch nergens meer dan in Engeland, den dood van vorsten, en vooral
wanneer die vorst bemind en het overlijden onverwacht was, aan den
afschuwelijksten en snoodsten sluipmoord te wijten. Zoo was Jakobus I
beschuldigd, dat hij prins Hendrik vergiftigd had. Zoo had men Ka rel I
beschuldigd, dat hij Jakobus I had vergiftigd. Evenzoo werd tijdens de
republiek bij het overlijden der prinses Elizabeth te Carisbrook, luide be-
weerd, dat Cromwell zich vernederd had tot het begaan der zinnelooze en
laaghartige schanddaad om schadelijke middelen onder het voedsel van
een jong meisje te mengen, schoon er geen denkbare beweeggrond aan-
wezig was, waarom hij haar zou hebben willen benadeelen \'). Weinige jaren
Mansuele, a cordelier, was toen ter tijde biechtvader van Jakobus. Het was dus in de
eerste plaats Mansuele\'s roeping Jakobus de vervulling van een heiligen plicht,
die te lang reeds was verwaarloosd, te herinneren. De schrijver van het bedoelde stuk
zal het minder voegzaam hebben geacht ter algemeene bekendheid te brengen, dat een
ziel, welke door vele ijverig katholieken der verdoemenis werd prijs gegeven, door
de moedige liefde van een zondige vrouw aan het eeuwig verderf was ontrukt. Het
is dus geenszins vreemd, dat hij een verdichten naam, die èn den schijn voor zich
had èn tevens stichtelijk was, verkozen zal hebben boven een, die ongetwijfeld groote
ergernis zou hebben gegeven (1S56).
Men zou moeten denken dat geen handelingen der geschiedenis zoo volkomen te
onzer kennis hadden moeten komen, als die, welke bij het sterfbed van Karel II heb-
ben plaats gevonden. Wij bezitten verscheiden berichten, geschreven door personen
die zelve in zijn vertrek tegenwoordig zijn geweest. Wij bezitten allerlei verhalen,
medegedeeld door personen, welke, schoon zij geen ooggetuigen waren, evenwel de
gunstigste gelegenheden gehad hebben om van ooggetuigen berichten te erlangen.
Nochtans zal ieder, die het mocht beproeven deze onoverzienlijke massa van bouwstoffen
tot een samenhangend verhaal te ordenen, ondervinden, dat zulks een moeijelijke taak
is. Inderdaad, zelfs Jakobus en zijn echtgenoot konden het omtrent sommige bijzonder-
heden niet eens worden, toen zij aan de nonnen vau Chaillot deze gebeurtenis ver-
haalden. De koningin zeide, dat de proteslantsche bisschoppen hun vermaningen
vernieuwden, nadat Karel de laatste sacramenten had ontvangen. De koning zeide, dat
niets van dien aard had plaats gevonden. »Wel ja," hervatte de koningin, »gij hebt het
mij zelf gezegd." — «Het is onmogelijk, dat ik het ugezegd heb," antwoordde de koning,
«want er heeft niets vau dien aard plaats gehad."
Het is zeer te betreuren, dat sir Henry Halford zich zoo weinig moeite heeft gegeven
om zich van de feiten te vergewissen, waarover hij zijn oordeel heeft te boek gesteld.
Hij schijnt geen kennis te hebben gedragen van het bestaan der verhalen van Jakobus,
van Barillon en van Huddleston.
Daar ik bij deze gelegenheid voor het eerst de briefwisseling der hollandsche ge-
zanten bij het eugelsche hof aanhaal, zoo moet ik alsnu melden, dal een reeks van hun
depêches, van den tijd der troonsbestijging van Jakobus tot op dien van zijn vlucht, een
der meest belangrijke gedeelten der verzameling van Macintosh vormt. De latere
depêches, tot op de instelling van het nieuwe bestuur in Februari 1689, heb ik mij uit
\'s Hage verschaft. De hollandsche archieven zijn tot dus verre veel te weinig geraad-
pleegd geworden. Zij bevatten een schat van bijzonderheden, van het hoogste belang
voor eiken Engelschman. Zij zijn in voortreffelijke orde en aan de zorg van beambten
toevertrouwd, wier voorkomendheid, dienstvaardigheid en ijver voor de belangen der
letterkunde niet genoeg geprezen kunnen worden. Ik wensch bij deze aan de heeren
de Jonge en de Zwaan mijn erkentelijkheid ten krachtigste uit te drukken.
\') Clarendon gewaagt met gerechte verontwaardiging van dezen laster. «Volgens
de toenmalige liefdelooze stemming tegen Cromwell wilden velen doen gelooven,
dat het een gevolg van, vergiftiging was, iets waarvan geen enkel blijk bespeurd en
later nooit eeuig bewijs geleverd is." boek XIV.
MACAULAY I,
20
-ocr page 330-
3o6                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
later werd door velen de rasse ontbinding van het lijk van Cromwellzelf, aan
de uitwerking van doodelijk gift toegeschreven, dat hem in zijn medicijnen
zou zijn toegediend. Het kon bijna niet missen, of de dood van Karel II
moest soortgelijke geruchten verwekken. Herhaaldelijk was van de openbare
aandacht door sprookjes van papistische complotten tegen zijn leven mis-
bruik gemaakt. Veler gemoederen waren dus, vooraf reeds, zeer tot achter-
docht gestemd en er bestonden eenige noodlottige omstandigheden, welke
hen, die in deze stemming verkeerden, het plegen eener gruweldaad konden
doen vermoedc.i. De veertien doctoren, die over \'s Konings toestand raad-
pleegden, weerspraken elkander en zich zelve. Sommigen hunner achtten
zijn toeval van epileptischen aard en meenden, dat het dienstig was hem te
laten uitslapen. De meerderheid echter noemde het een beroerte en pijnigde
hem gedurende eenige uren, als een Indiaan aan den martelpaal. Vervol-
gens besloot men zijn ziekte een koorts te noemen en hem kinabast toe te
dienen. Doch een der geneesheeren protesteerde tegen deze behandeling en
verzekerde der koningin, dat de koning onder de handen zijner collega\'s dood
zou blijven. Verschil en weifeling, anders niet, was van zulk een menigte
raadgevers te wachten. Doch de besluiteloosheid der groote meesters van
de geneeskunst deed velen onder het volk het niet onnatuurlijke denkbeeld
opvatten, dat de ziekte een buitengewonen oorsprong had. Er bestaat grond
om te gelooven dat Short, die, schoon bekwaam in zijn vak, nochtans een
zenuwachtig en grillig man schijnt geweest te zijn en wiens hoofd waar-
schijnlijk ontsteld was door vrees voor de hatelijke aantijgingen, waaraan
hij, als roomsch-katholieke, meer dan anderen blootstond, werkelijk een
vreeselijken argwaan in zijn geest voelde opkomen. Het kan ons derhalve
niet bevreemden dat tallooze sprookjes onder het volk verspreid werden en
geloof vonden, \'s Konings tong was ter grootte van een rundertong gezwol-
len. In zijn hersenen had men een verzamelde hoeveelheid vergif gevonden.
Er waren blauwe plekken op zijn borst. Er waren zwarte vlekken op zijn
schouders. Er was iets in zijn snuifdoos gedaan. Er was iets in het door
hem gebruikte vleeschnat gemengd, of wel in zijn lievelingsgerecht, eijeren
en ambergrijs. De hertogin van Portsmouth had hem met een kop chocolade,
de koningin had hem met een schotel gedroogde peren vergiftigd. Zulke
verhalen moeten bewaard blijven, want zij leeren ons de mate van deugd
en verlichting kennen van het geslacht, dat ze gretig aanhoorde. Dat in ons
tijdvak nimmer eenig gerucht van denzelfden aard onder ons geloof heeft
gevonden, zelfs dan niet als personen, van wier leven de duurste belangen
afhingen, voor onvoorziene aanvallen van ziekte bezweken, is gedeeltelijk
toe te schrijven aan den vooruitgang der genees- en scheikunde, gedeeltelijk
ook echter, naar men vertrouwen mag, aan de ontwikkeling van het gezond
verstand der natie en van haar gevoel voor recht en menschelijkheid \').
\') Welwood, 139; Iiurnet I, 609; Sheffield» karakter van Karel II; North, Leven
van Guildford, 252; Onderzoek, 648; Oinwentelingsstaatkunde, Iliggons, over Buruet.
Hetgeen North van de verbijstering en de onzekerheid der doctoren zegt, wordt door
de depêches van Citters bevestigd. De wonderlijke geschiedenis der vermoedens van
Short is mij zeer onverklaarbaar voorgekomen; ik ben eens geneigd geweest mij te
vereenigen met de door North gegeven verklaring, doch, schoon ik in een geval van
-ocr page 331-
307
DOOD VAN KAREL II.
"^jTilübitïïï"1 Toen alles voorbij was, begaf Jakobus zich van het sterfbed
Kchr\'!m\'.ne"«a.i. naar zijn kabinet, waar hij gedurende een kwartier uurs
alleen bleef. Inmiddels vergaderden de leden van den geheimen raad, die
in het paleis waren. De nieuwe koning verscheen en nam zijn plaats in
boven aan de raadstafel. Hij begon zijn regeering volgens het gebruik met
een aanspraak aan den raad. Hij betuigde zijn droefheid over het pas door
hem geleden verlies en beloofde, dat hij trachten zou de vorige regeering te
evenaren ten aanzien der buitengewone zachtheid, waardoor zij zich onder-
scheiden had. Hij wist, zeide hij, dat men hem beschuldigd had naar wille-
keurige macht te haken. Doch dit was niet de eenige onwaarheid, die men
nopens hem had uitgestrooid. Hij had besloten het bestaande bestuur der
kerk, evenzeer als dat van den staat, te handhaven. Hij wist, dat de kerk van
Engeland bij uitnemendheid loyaal was. Het zou derhalve steeds zijn zorg
zijn haar te ondersteunen en te verdedigen. De engelsche wetten, dit wist
hij, waren toereikend om hem tot zoo groot een koning te maken, als hij
slechts kon wenschen. Hij zou van zijn eigen rechten geen afstand doen,
maar ook die van anderen zou hij eerbiedigen. Hij had in vroeger dagen zijn
leven gewaagd om het vaderland te verdedigen en zou thans nog, wanneer
het gold \'s lands vrijheid te handhaven, voor niemand onderdoen.
Deze redevoering was niet, zoo als heden ten dage bij soortgelijke gelegen-
heden, door de raadgevers van den souverein met alle omzichtigheid opge-
steld. Zij was de kwalijk overdachte uitdrukking der gevoelens van den nieuwen
koning, in een oogenblik van groote opgewondenheid. De leden van den
raad barstten in een luid gejuich van vreugde en dankbaarheid uit. De lord-
president Rochester, gaf namens zijn ambtsbroeders de hoop te kennen, dat
zijner majesteits zoo hoogst welkome verklaring openbaar gemaakt zou
worden. De solliciteur-generaal \'). Heneage Finch bood zijn diensten als
schrijver aan. Hij was een ijverig staatskerkgezinde en verlangde diens-
volgens zeer, dat er aanteekening gehouden werd van de genadige be-
loften, welke zoo even geuit waren geworden. »Deze beloften," zeide hij,
«hebben zulk een diepen indruk op mij gemaakt, dat ik ze woord voorwoord
herhalen kan." Hij had al spoedig zijn verslag opgesteld. Jakobus las het,
keurde het goed en beval het openbaar te maken. In later tijd zeide hij,
dat hij zonder voldoend overleg tot dezen stap was overgegaan, dat zijn
onvoorbedachte uitdrukkingen aangaande de kerk van Engeland te sterk
geweest waren en dat Finch met een behendigheid, die destijds zijn aandacht
ontging, die uitdrukkingen nog versterkt had 2).
,*1ïuS;êroip,èn?lllg ^e koning was door langdurig waken en door velerlei hevige
aandoeningen uitgeput. Hij begaf zich thans ter rust. De leden van den
dezen aard weiu\'g gewicht hecht aan <le berichten van Welwood en liuruet, mag ik
toch de getuigenis niet verwerpen van een zoo welonderricht en zoo onwillig getuige
als Sheffield was.
\') De at.\'orney general (procureur generaal), de solicitor gencral en de Queetft ad-
vocate
zijn de rechtsbeambten, die collectief, onderde benaming van rechtsgeleerden
der kroon (crown lawyers\') belast worden met alle rechtszaken, waarbij het rijk
betrokken is.
*) London-Gazette, 9 Febr. 1684—5; Clarke\'s Leven van Jakobus II, II, 35
Barillon, Febr. 9 - 19; Evelyns Dagboek, 6 Febr.
-ocr page 332-
3o8
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
geheimen raad keerden na hem eerbiedig tot aan zijn slaapvertrek te hebben
begeleid naar hun zetels terug en vaardigden de noodige bevelen uit voor
de plechtigheid der uitroeping. De lijfwacht stond onder de wapenen; de
herauten verschenen in hun prachtige wapenrokken en hun omgang vond
zonder eenigc stoornis plaats. In de straten werden volle wijnvaten open-
gestoken en alle voorbijgangers uitgenoodigd om op de gezondheid van den
nieuwen koning te klinken. Evenwel, schoon hier en daar kreten gehoord
werden, het volk was niet vroolijk gestemd. In veler oogen stonden tranen
en in gansch Londen was bijna geen dienstmeid te vinden, die zich niet ter
eere van koning Karel een stukje rouwkrip had weten te verschaffen \').
De begrafenisplechtigheid gaf stof tot bittere aanmerkingen. Zij zoude
inderdaad een vermogend adellijk onderdaan nauwelijks waardig zijn ge-
acht. De Tories laakten in zachte bewoordingen de zuinigheid des nieuwen
konings; de Whigs staken den draak met dit gemis van natuurlijk gevoel,
en de vurige Covenanters van Schotland riepen zegevierend uit, dat de
vloek, van ouds over goddelooze regenten uitgesproken, klaarblijkelijk in
vervulling gekomen en de overledene tyran als een ezel begraven was \').
Niettemin had Jakobus, toen hij het staatsbestuur aanvaardde, de openbare
meening in hooge mate voor zich. Zijn aanspraak aan den raad werd open-
baar gemaakt en de daardoor gewekte indruk was voor hem uiterst gunstig.
Dit was dan de vorst, zei men, dien een partij in ballingschap gedreven en
getracht had van zijn opvolgingsrecht te berooven op grond, dat hij een
doodvijand der engelsche godsdienst en wetten was. Hij had gezegevierd;
hij was thans op den troon, en zijn eerste handeling was te verklaren, dat
hij de kerk verdedigen en de rechten zijns volks strikt eerbiedigen zoude.
De meening, welke alle partijen zich van zijn karakter gevormd hadden,
zette gewicht bij aan elk zijner woorden. De Whigs noemden hem trotsch,
onverzoenlijk, hardnekkig, zonder eenig ontzag voor de openbare meening.
De Tories hadden, zelfs terwijl zij zijn vorstendeugden roemden, dikwerf
betreurd, dat hij de middelen gering achtte, door welke de volksgunst te
winnen is. Hekeldichters zelve stelden hem nooit voor als iemand, van wien
men verwachten kon, dat hij naar volksgunst streven zou door voor te geven
wat hij niet gevoelde en te beloven wat hij niet voornemens was te vervullen.
Op den zondag na zijn troonsbestijging werd zijn redevoering op vele kansels
aangehaald. »Wij hebben thans," aldus riep een koningsgezind prediker
uit, »wij hebben thans voor onze kerk het woord van een koning en wel, van
een koning, wiens woord steeds zoo goed was als zijn zegel." Dit schoon-
klinkend gezegde werd ras door stad en land verspreid en was weldra de leus
der gansche Torypartij 3).
Uut bestuur. De groote staatsambten waren door de troonsverandering open-
gevallen en Jacobus moest noodwendig over de vervulling beslissen. Slechts
weinige der leden van het vorige kabinet hadden grond om op zijn gunst te
1) Zie dezelfde aanhalingen als in de vorige noot; zie ook het Onderzoek, 647;
Burnel I, 620; Higgons over Burnet.
\') London-Gazette, 14 Febr. 1684—5; Evelyns Dagboek, dezelfde dagteekening;
Burnet I, 610. De losgelaten ree.
*) Buruet, I, 628; Lestrange, de toeschouwer, II Febr. 1684—5.
-ocr page 333-
JAKOIWS II.                                                   3o9
rekenen. Sunderland, staatssecretaris en Godolphin, eerste lord der thesaurie,
hadden de uitsluitingswet ondersteund. Halifax, wien het geheimzegel toe-
vertrouwd was, had die wetsvoordracht met zeldzame overtuigingskracht en
welsprekendheid bestreden. Maar Halifax was een doodvijand van dwinge-
landij en van het pausdom. Met schrik zag hij den voortgang, dien de
fransche wapenen op het vaste land maakten en den invloed, dien het fran-
sche goud op de engelsche raadsbesluiten oefende. Ware zijn raad opgevolgd,
de wetten zouden ten stipste in acht genomen, de overwonnen Whigs met
zachtheid behandeld, het parlement ten behoorlijken tijde bijeengeroepen
zijn; er zou een poging in het werk zijn gesteld tot verzoening onzer binnen-
landsche partijschappen en de beginselen van het Drievoudig Verbond zou-
den op nieuw aan onze buitenlandsche staatkunde ten grondslag gestrekt
hebben. Hij had dus de bittere vijandschap van Jakobus tegen zich opge-
wekt. De lord-zcgelbewaarder Guildford kon nauwelijks gezegd worden tot
een der partijen te behooren, in welke het hof verdeeld was. Hij kon geens-
zins een vriend van vrijheid genoemd worden; nochtans was zijn eerbied
voor de letter der wet zoo groot, dat hij geen bruikbaar werktuig der wille-
keur was. De hevige Tories noemden hem dus een trimmer en Jakobus
droeg hem haat, ja minachting toe. Ormond, lord-grootmeester van het
koninklijk huis en onderkoning van Ierland, was destijds te Dublin ge-
vestigd. Hij bezat grooter aanspraken op de koninklijke dankbaarheid, dan
eenig ander onderdaan. Hij had onversaagd gestreden voor Karel I, en met
Karel II diens ballingschap gedeeld ; hij had sedert dien tijd der restauratie
ondanks velerlei miskenning onkreukbare trouw aan de kroon bewezen en,
schoon hij gedurende de heerschappij der kabaal in ongenade was gevallen,
had hij toch nooit de hand aan partijzuchtigen tegenstand geleend. Boven-
dien was hij, in de dagen van het papistisch komplot en der uitsluitingswet,
een der voornaamste verdedigers van den troon geweest. Nu was hij oud
van dagen en onlangs door de zwaarste aller rampen beproefd. Hij had
een zoon, die zijn eigen hoofd-rouwdiager had moeten zijn, den dappe-
ren Ossory, naar het graf gebracht. De uitstekende diensten, door
Ormond bewezen, zijn eerwaardige leeftijd en de huiselijke rampen, die hem
hadden getroffen, maakten hem tot het voorwerp van de algemeene belang-
stelling der natie. De cavaliers beschouwden hem als hun hoofd, zoowel
naar recht van ouderdom als naar recht van verdienste; en de Whigs wisten
dat, hoe trouw hij ook steeds de zaak der monarchie had verdedigd, hij
nochtans evenmin een vriend van dwingelandij was als van het papisme
Doch hoe hoog hij ook in de openbare meening geschat werd, van zijn
nieuwen gebieder had hij weinig gunst te verwachten. Inderdaad, Jakobus
had, nog als onderdaan, zijn broeder aangespoord het iersche bestuur aan een
geheele wijziging te onderwerpen. Karel had daarin toegestemd en men was
overeen gekomen, dat Rochester eenige maanden later tot lord-luitenant
benoemd zou worden \').
Rochester was onder de leden van het kabinet de eenige, die bij den
\') De brieven, over dit onderwerp tusschen Ormond en Rochester gewisseld, zijn
in de Clarendonsche briefwisseling te vinden.
-ocr page 334-
3lO                               GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
nieuwen koning hoog in gunst stond. Men verwachtte algemeen dat hij
onmiddellijk aan het hoofd der zaken gesteld en alle andere groote staats-
beambten vervangen zouden worden. Deze verwachting bleek slechts ge-
deeltelijk gegrond te zijn. Rochcster werd tot lord-thesaurier aangesteld en
alzoo eerste minister. Er werd geen lord-groot-admiraal en geen admi-
raliteits-raad benoemd. De nieuwe koning, die zich gaarne met de bijzonder-
heden van het zeewezen inliet en als klerk aan de werven van Chatham
zeer goed op zijn plaats zou geweest zijn, besloot zijn eigen minister van
marine te zijn. Onder hem was het beheer van dat belangrijk departement
aan Samuel Pepys toevertrouwd, wiens bibliotheek en dagboek zijn naam
tot op onzen tijd bewaard en bekend gehouden hebben. Van de raadslieden
van den overleden souverein viel geen enkele in openlijke ongenade. Sun-
derland stelde zoo veel list en behendigheid in het werk, nam zooveel
bemiddelaars te hulp en was in het bezit van zooveel geheimen, dat men
hem zijn ambt liet behouden. Godolphins gedienstigheid, vlijt, ervaring en
stilzwijgendheid konden niet wel gemist worden. Daar zijn diensten voor de
thesaurie niet meer noodig waren, werd hij tot kamerheer der koningin
benoemd. De koning won over alle gewichtige vraagstukken den raad dezer
drie lords in. Wat Halifax, Ormond en Guildford aangaat, hij besloot hen
nog niet te ontslaan, maar hen te vernederen en te krenken.
Halifax werd uitgenoodigd het geheimzegel af te geven en het voorzitter-
schap van den raad te aanvaarden. Hij onderwierp zich, schoon met den
grootsten tegenzin; want, ofschoon de voorzitter van den raad steeds den
voorrang boven den lord-geheimzegelbewaarder had gehad, was toch het
ambt van dezen laatste destijds van veel meer belang dan dat van lord-
voorzitter. Rochester had de aardigheid nog niet vergeten, die weinig
maanden te voren op zijn verwijdering uit de thesaurie gezegd was, en ge-
noot op zijn beurt het genoegen zijn mededinger de trap op te duwen. Het
geheimzegel werd in handen van Rochesters ouderen broeder, Henry, graaf
van Clarendon, gesteld.
Aan Barillon betuigde Jakobus zijn hevigen afkeer van Halifax. »Ik
ken hem door en door; ik kan hem nooit vertrouwen. Hij zal geen deel
hebben in het beheer der openbare aangelegenheden. Wat de betrekking
aangaat, die ik hem heb aangewezen, deze zal slechts doen blijken, hoe ge-
ring zijn invloed is." Doch tegenover Halifax zelf achtte hij \'t raadzaam eer.
gansch andere taal te voeren. »A1 het voorledene is vergeten," zeide de
koning; calleen de dienst niet, die gij mij bij de debatten over de uitslui-
tingswet hebt bewezen." Deze uitdrukking is menigmaal aangehaald, om te
bewijzen, dat Jakobus niet zoo wraakzuchtig was als zijn vijanden hebben
voorgegeven. Zij schijnt veeleer te bewijzen, dat hij den lof, die door zijn
vrienden aan zijn oprechtheid is geschonken, in geenen deele waardig was \').
Ormond werd beleefdelijk te kennen gegeven, dat zijn diensten in Ierland
niet langer meer gevorderd werden en hij werd uitgenoodigd zich op Whitehall
te vervoegen ten einde als lord-grootmeester dienst te doen; hij onderwierp
\') De ministeriëele veranderingen zijn vermeld in de London-Gazette van 19
Febr. 1684-5. z\'e Burnet I, 621; Barillon, Febr. 9—19, 16—26 en Febr. 19—1
Maart.
-ocr page 335-
3n
JAKOBUS II.
zich overeenkomstig zijn plicht, doch hij ontveinsde geenszins, dat deze nieuwe
schikking zijn gevoel grievend kwetste. Den dag voor zijn vertrek gaf hij
aan de officieren der bezetting van Dublin een prachtig afscheidsmaal in het
toen pas voltooide hospitaal van Kilmainham. Na afloop van het diner stond
hij op, vulde een beker tot aan den rand en dien omhoog houdende, vroeg
hij, of hij een enkelen droppel gestort had. »Neen, mijn heeren ; wat ook
de hovelingen mogen zeggen, ik ben nog niet tot kindschheid vervallen; nog
ontzegt mijn hand mij haar dienst niet; en zoo vast die hand nog is, zoo
trouw is mijn hart. Op de gezondheid van koning Jakobus!" Dit was het
laatste afscheid van Ormond aan Ierland. Hij liet het bestuur in handen
van lord-rechters en begaf zich naar Londen, waar hij met buitengewone
eerbewijzen ontvangen werd. Vele voorname personen gingen hem te ge-
moet. Een lange stoet van rijtuigen volgde hem naar St.-James-square,
waar zijn woning stond, en op dat plein verdrong zich een volksmenigte, die
hem met luide toejuiichngen begroette \').
sjitri;<-"\'»\'c Het groot-zegel werd in Guildfords handen gelaten, doch hem
tevens een zware beleediijing aangedaan. Er werd besloten het bestuur
een anderen rechtsgeleerde, van meer geestkracht en koenheid, toe te
voegen. De gekozen persoon was Sir George Jeffreys, opperrechter der
koninklijke rechtbank. De diepe verdorvenheid van dezen man is een
spreekwoord geworden. Beide de groote engelsche staatspartijen hebben
met gelijke verbittering zijn nagedachtenis aangevallen; want de Whigs be
schouwden hem als den meest barbaarschen hunner vijanden, en de Tories
vonden dienstig op hem de blaam te werpen van alle misdaden, die hun
zegepraal bezoedeld hadden. Een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek zal
doen blijken, dat eenige vreeselijke geschiedenissen, die men van hem ver-
haald heeft, verdicht of overdreven zijn ; en toch zal de bezadigde geschied
schrijver den zwaren last van eerloosheid, die de nagedachtenis van den
gewetenloozen rechter drukt, slechts zeer weinig kunnen verminderen.
Hij bezat een vluggen en krachtigen geest, maar was van nature geneigd
tot onbeschaamdheid en het botvieren van lage driften. De kinderjaren
nauwelijks ontwassen, had hij zijn praktijk geopend voor de balie der Old-
Bailey-rechtbank, een balie, waar de advokaten zich te allen tijde een verre-
gaande vrijheid in \'t spreken hebben veroorloofd, zoo als men ze te West-
minster nooit gekend heeft. Hier bestond zijn voornaamste bezigheid vele
jaren lang in het afnemen van verhooren en het stellen van strikvragen aan
de meest verharde booswichten eener groote hoofdstad. Dagelijksche woor-
denstrijd met dieven en lichtekooijen oefende en ontwikkelde dermate zijn
talenten, dat hij de schrikbarendste bullebak werd, dien men in zijn stand
ooit gekend heeft. Alle eerbied voor het gevoel van anderen, alle achting
voor zich zelven, alle gevoel van betamelijkheid waren in zijn gemoed uit-
gedoofd. Hij verwierf een grenzenlooze heerschappij over den spreektrant,
waarin het gemeene volk haat en verachting uitdrukt. De schat van ver-
wenschingen en scheldwoorden, die tot zijn woordenlijst behoorden, kan op
de vischmarkt of in de matrozenkroegen nauwelijks ooit zijn geëvenaard.
\') Carte\'s Leven van Ormond; fieheime beraadslagingen der roomsche partij in
Ierland, 1690; Gedenkschriften over Ierland, 1716.
-ocr page 336-
3l2
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
Zijn gelaat en zijn stem moeten wel altoos onaangenaam zijn geweest;
doch dit voorrecht — want daarvoor schijnt hij het te hebben gehouden —
had hij tot zulk een trap van volmaking weten te brengen, dat in zijn
vlagen van woede slechts weinigen hem zonder ontsteltenis konden zien
of aanhooren. Schaamteloosheid en wreedheid troonden op zijn voor-
hoofd. Het strakke fonkelen zijner oogen bezat een bedwelmend vermogen
op de ongelukkige slachtoffers, op welke zijn blikken rustten. En toch, men
beweerde dat zijn voorhoofd en zijn oogen nog minder vrees inboezemden,
dan de afgrijselijke trekken om zijn mond. Zijn kreet van woede was volgens
het beweren van iemand, welke dien kreet dikwerf gehoord had, als het
ratelen van den donder op den dag des oordeels. Deze eigenaardigheden
nam hij, nog als jong mensch, van de balie naar den rechterszetcl mede.
Vroegtijdig werd hij stadsrechter en vervolgens syndicus \') van Londen.
Als rechter bij de stedelijke zittingen toonde hij dezelfde neigingen, die hem
vervolgens in hooger betrekking een geenszins benijdenswaardige onsterf-
lijkheid hebben verworven. Reeds kon men in hem de allerverfoeijelijkste
der menschelijke ondeugden opmerken, het scheppen van vermaak in men-
schelijke ellende, louter om der ellende wil. In de wijze, waarop hij de von-
nissen tegen wetovertreders uitsprak, drukte zich een duivelsch genoegen
uit. Hun schreijen en smeeken gaf hem, naar\'t scheen, een wellustige prik-
keling ; en hij vond er een wreedaardig genot in hun stuipen van angst aan
te jagen door een kwistige en overdreven voorstelling van hetgeen hun te
wachten stond. Was hij bij voorbeeld in de gelegenheid een ongelukkige
landloopster tot een geeseling te veroordeelcn, dan riep hij den scherprechter
toe: »Ik beveel u, deze dame met bijzondere opmerkzaamheid te behande-
len! Geesel haar duchtig, man! geesel hnar, tot het bloed erbij neerloopt!
\'t Is kerstmis, een koud saizoen voor mevrouw om haar kleeren uit te trek-
ken! Zorg, dat gij haar schouders door en door verwarmt!" 2) Hij was
weinig minder luimig, toen hij het vonnis uitsprak van den armen Lodewijk
Muggleton, den dronken kleedermaker, die zich voor een profeet uitgaf.
«Onbeschaamde schurk!" brulde Jeffreys, »gij zult een lichte, lichte, lichte,
straf hebben!" Een gedeelte dezer lichte straf bestond in een te pronk-
stelling, gedurende welke de rampzalige dweper met klinkers bijkans werd
dood gesteenigd 3).
\') Recorder, syndicus; hij is de voornaamste rechterlijke beambte der stad, staat
den lord-maire bij in verschillende van diens functiën, voornamelijk in de rechterlijke,
heeft als rechter zitting in de groote stedelijke rechtbanken, dient bij den geheimen
raad bij het einde van elke zitting der crimineele rechtbanken van de stad verslag en
advies in aangaande de gevelde kapitale vonnissen en is gerechtigd in alle gedingen,
die de stad voor rechtbanken voert, waar hij niet als rechter zitting heeft, als haar
advokaat op te treden Tevens is hij de raadgever der stad in al haar rechtzaken, haar
woordvoerder bij plechtige gelegenheden en krachtens zijn ambt ook vrederechter.
Hij wordt voor levenstijd door den raad der aldermen verkozen, gewoonlijk uit de
bekwaamste rechtsgeleerden der stad.
                                                                    V.
2)   Verslag der kerstzittingen van 1678.
3)  Zie de handelingen der getuigen van den geest. Deel V, hoofdst. 5. Lodewijk
wreekt zich in dit werk op zijn wijze aan den «bulkenden duivel," gelijk hij Jeffreys
noemt, door een reeks van verwenschingen die Ernulphus of Jeffreys zelf hem benijd
zou hebben. Het proces vond plaats in Januari 1677.
-ocr page 337-
3i3
JAKORUS II.
Te dien tijde had de gemoedsaard van Jeffreys den graad van verharding
bereikt, welken tyrannen van hun boosaardigste werktuigen eischen. Be-
vordering in zijn loopbaan had hij tot dusverre bij de corporatie der stad Lon-
den gezocht. Hij had zich daarom voor een rondhoofd uitgegeven en kon hij
aan roomschgezinde priesters verklaren, dat zij levend zouden opengesneden
worden om hun eigen ingewanden te zien verbranden, dan scheen het
steeds, dat hij in nog vroolijker stemming verkeerde, dan wanneer hij slechts
gewone doodvonnissen uitsprak. Doch zoodra hij verkregen had al wat de
stad hem geven kon, haastte hij zich zijn stalen voorhoofd en zijn giftige tong
aan het hof te verkoopen. Chiffinch, die gewoon was de makelaar te zijn in
schandelijke overeenkomsten van meer dan écn soort, leende zijn bemidde-
ling. Deze had reeds menige kuiperij van galanten en menige van staat-
kundigen aard bestuurd; doch voorzeker bewees hij zijn gebieders nooit
schandelijker dienst, dan toen hij Jeffreys den toegang tot Whitehall opende.
De renegaat vond al spoedig een beschermer in den hardvochtigen en
wraakgierigen Jakobus, terwijl Karel, wiens gebreken, hoe groot ze ook
waren, toch niets met schaamteloosheid of wreedheid gemeen hadden, hem
steeds met minachting had aangezien. »Die man," zeide de koning, »heeft
kennis, verstand noch manieren en meer onbeschaamdheid dan tien aan de
beulskar afgestrafte straatdeernen." \') Doch er was arbeid te verrichten,
welke aan niemand toevertrouwd kon worden, die de wetten eerbiedigde of
eenig eergevoel bezat. Jeffreys werd dus op een leeftijd, dat menig advokaat
zich gelukkig acht als hem de behandeling eener belangrijke zaak wordt
toevertrouwd, tot opperrechter der koninklijke rechtbank benoemd.
Zijn vijanden konden niet ontkennen, dat hij eenige eigenschappen van
een groot rechter bezat. Zijn rechtkennis was, wel is waar, slechts zoodanig,
als hij die in een praktijk van niet zeer deftigen aard had kunnen opdoen ;
doch zijn geest was van dien stouten en schranderen aard, die door dool-
hoven van drogredenen en met behulp van tallooze niets afdoende om-
standigheden rechtstreeks op de hoofdzaak afgaat. Zelden evenwel stond
hem het vrije gebruik zijner geestvermogens ten dienste. Bestendig werd,
zelfs in burgerlijke zaken, zijn oordeel door zijn kwaadwillig en tiranniek
karakter op den verkeerden weg gebracht. Trad men in zijn gerechts-
hof, het was alsof men in het hol van een wild dier kwam, dat door niemand
te temmen was en evenzeer door liefkoozingen als door aanvallen tot woede
kon worden geprikkeld. Soms stortte hij over klagers en beklaagden, advo-
katen en pleitbezorgers, over getuigen en gezworenen, een vloed van razende
schimpredenen uit, doormengd met vloeken en verwenschingen. Zijn blik-
ken en zijn stem boezemden reeds schrik in, toen hij als jong advokaat nog
naar praktijk dong. Thans, nu hij aan het hoofd stond van het geduchte
tribunaal des koninkrijks, waren er inderdaad weinigen, die niet voor hem
rilden. Zelfs in nuchteren toestand was hij in zijn woede vreeselijk. Door-
gaans echter was zijn verstand beneveld en werden zijn kwade hartstochten
nog aangevuurd door de bedwelming der dronkenschap Zijn avonden wer-
\') Dit gezegde bevindt zich in een aantal vlugschriften uit dien tijd. Titus Oates
werd niet moede het aan te halen.
-ocr page 338-
3 14
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
den gewoonlijk in brasserijen doorgebracht. Zij, die hem slechts aan de
gelagtafcl zagen, moesten hem voor iemand houden, die, wel is waar, ruw,
loszinnig en op gemeen gezelschap en gemeene grappen gesteld was, maar
niettemin gezellig en goedhartig van aard. Hij was dan steeds van potsen-
makers omgeven, grootendeels uit de verachtelijkste rechtverdraaijers ge-
kozen, die voor zijn rechtbank praktiseerden. Deze lieden bespotten en
beschimpten elkander om hem te vermaken. Hij nam deel in hun ongebon-
den taal, zong drinkliederen met hen en, werd zijn hoofd warm, dan omhelsde
en kuste hij hen in een vervoering van dronkemans-teerhartigheid. Doch
hoezeer de wijn in den beginne zijn hart scheen te verteederen, na eenige
uren was de uitwerking geheel anders. Dikwijls kwam hij, nadat het hof
reeds lang zijn komst verbeid had, den rechterstoel bezetten, zijn roes slechts
half uitgeslapen, zijn wangen gloeijend en zijn oogen starende als die eens
waanzinnigen. Was hij in dezen toestand, dan deden zijn goede vrienden
van den vorigen avond verstandig, zoo zij zich buiten zijn bereik hielden;
want de herinnering aan de gemeenzaamheid, die hij zich had veroorloofd,
ontvlamde zijn kwaadaardigheid en hij nam dan zeker iedere aanleiding te
baat om hen met verwenschingen te overladen Het genoegen, waarmede
hij openlijk hen beleedigde en vernederde, die hij in zijn vlagen van
dronken gevoeligheid aangemoedigd had om zich op zijn gunst te verlaten,
was niet de minst hatelijke van zijn vele hatelijke karaktertrekken.
De diensten, welke de regeering van hem verwacht had, werden niet
slechts zonder aarzelen, maar zelfs met zegevierenden ijver verricht. Zijn
eerste handeling was de gerechtelijke moord van Algernon Sidney. Wat
volgde strookte volkomen met dat begin. Diep werd het door de achtens-
waardige Tories bejammerd, dat de barbaarschheid en het onbetamelijk
gedrag van een zoo hooggeplaatst beambte zooveel smaad wierp op het
beheer der justitie. Doch de achting van Jakobus was juist door de buiten-
sporigheden te winnen, die betere mannen met afschrik vervulden. Jeffreys
erlangde derhalve na het overlijden van Karel een zetel in het kabinet en
een pairschap. Deze laatste onderscheiding was een schitterend bewijs der
koninklijke tevredenheid. Want sedert de herschepping van het rechts-
wezen des rijks, in de dertiende eeuw, was geen opperrechter tevens parle-
mentslord geweest \').
Guildford zag zich thans in al zijn politische functiën vervangen en tot
zijn bezigheden als vrederechter beperkt. In den raad werd hij door Jeffreys
met stuitende onbeleefdheid behandeld. De begeving van alle rechterlijke
ambten was in handen van den opperrechter overgegaan; en het was onder
den rechtsgeleerden stand bekend, dat het zekerste middel om de gunst
\') De voornaamste bronnen, waaruit deze berichten nopens Jeffreys geput zijn, zijn
de staatsprocessen en Norths Leven van lord Guildford Eenige trekken van minder
aanbelang heb ik ontleend uit pamfletten, destijds zoo in dichtmaat als in proza ver-
schenen. Daaronder zijn: »de bloedige assises; het leven en de dood van George,
lord Jeffreys; de lofrede op wijlen lord Jeffreys; de brief aan den lord-kanselier;
Elegie op Jeffreys." Zie ook Evelyns Dagboek, 5 December 1683; 31 October 1685.
Ik behoef den lezer nauwelijks aan te raden het voortreffelijk werk van lord
Campbell, Leven van Jeffreys, te raadplegen.
-ocr page 339-
3»5
JAKOBUS II.
van den opperrechter te winnen, hierin bestond, dat men den lord-zegelbe-
waarder met minachting bejegende.
•^ordei^Tiandn Jac°bus had pas weinige uren de kroon gedragen, toen er
pïï5«me!u?«kte. tusschen de twee hoofden der rechterlijke magt geschil ont-
stond. De in- en uitgaande rechten waren aan Karel slechts voor zijn
levenstijd toegestaan en konden derhalve door den nieuwen souverein niet
wettig worden ingevorderd. Er moesten eenige weken verloopen. alvorens
een vergadering van parlementsleden verkozen kon zijn. Bleef inmiddels de
heffing der rechten geschorst, dan leden \'s lands financiën schade, de ge-
regelde gang van den handel werd gestoord, de verbruikers trokken er geen
voordeel van en slechts gelukkige speculanten, wier ladingen misschien in
den tijd, tusschen het overlijden des konings en de bijeenkomst van het
parlement verloopen, zouden binnenkomen, waren de eenige bevoordeelden
geweest. De thesaurie werd bestormd door kooplieden, wier magazijnen vol
goederen waren, waarvan de tol betaald was en die in angstige bezorgdheid
verkeerden, dat zij door de mededinging van lagere prijzen ten val gebracht
zouden worden. Ieder onpartijdige zal moeten toegeven, dat dit geval een
van die was, waarin een bestuur gerechtvaardigd is, wanneer het van den
strikt grondwettigen weg afwijkt. Doch, is het eenmaal noodig van dien weg
af te wijken, dan moet klaarblijkelijk de afwijking niet verder gaan, dan
door den drang der noodzakelijkheid geboden wordt. Guildford gevoelde
dit en gaf een raad, die hem tot eer verstrekt. Hij stelde voor, dat de rechten
geheven, doch hun opbrengst, van andere gelden afgezonderd, in de schat-
kist gestort en bewaard zouden worden, tot dat het parlement bijeenkwam; de
koning zou dan wel de letter der wet verkrachten, maar tevens ook toonen,
dat hij in haar geest wenschte te handelen. Jeffreys had een geheel anderen
raad. Hij gaf Jakobus in overweging een bevelschrift te doen uitvaardigen,
houdende dat het \'s konings wil en welbehagen was, dat met de betaling der
tollen zou worden voortgegaan. Deze raad strookte geheel met het gevoelen
des konings. Het oordeelkundig voorstel des lord-zegelbewaarders werd
verworpen, als hoogstens een whig, of, wat nog erger was, een trimmer
waardig. Een proclamatie in den geest van het voorstel des opperrechters
verscheen. Sommigen verwachtten, dat dit een hevige uitbarsting der open-
bare verontwaardiging ten gevolge zou hebben; doch zij bedrogen zich. De
geest van tegenstand was nog niet weder ontwaakt en het hof kon veilig
wagen stappen te doen, die vijfjaar vroeger een opstand ten gevolge zouden
gehad hebben. In de onlangs nog zoo oproerige City van Londen werd
nauwelijks eenig gemor gehoord \').
BMi?lH\'"!r\'nta\'\' De proclamatie waarbij bekend gemaakt werd, dat men de
tollen zou blijven heffen, bevatte tevens de aankondiging, dat weldra een
parlement zou bijeenkomen. Jakobus was niet dan na lange weifeling tot
het besluit gekomen om de staten zijns rijks bijeen te roepen. Het tijds-
gewricht was niettemin allergunstigst tot het doen van algemeene verkiezin-
gen. Sedert het Huis Stuart den troon had beklommen, waren de kiescolleges
nog nooit zoo gunstig voor het hof gestemd geweest. Doch het gemoed des
») London-Gazette, 12 Febr. 1684—5; Norths Leven van Guildford, 254,
-ocr page 340-
3i6
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
nieuwen souvereins werd gekweld door een vrees, waarvan men, zelfs thans
nog, niet zonder schaamte en verontwaardiging kan gewagen. Hij vreesde,
dat de bijeenroeping der engelsche parlements vergadering hem het onge-
noegen des konings van Frankrijk zou kunnen berokkenen.
ïïiSSE" ^en koning van Frankrijk was er weinig aan gelegen, welke
»»nndF°»nkr(}f. der twee engelsche partijen bij de verkiezingen zou zegevieren;
want alle parlementen, die sedert de restauratie vergaderd geweest waren,
hadden, onverschillig welke gezindheid hen ten aanzien der inwendige staat-
kunde bezielde, de toenemende macht van het Huis van Bourbon met leede
oogen aangezien. In dit opzicht bestond er weinig verschil tusschen de
Whigs en de onbuigzame landedellieden, die de voornaamste kracht der
Torypartij uitmaakten. Lodewijk had derhalve geen omkooping en geen
bedreigingen gespaard om Karel te verhinderen de Huizen bijeen te roepen,
en Jakobus, die sedert den beginne in de geheimen der buitenlandsche staat-
kunde zijns broeders was ingewijd geweest, was nu, als koning van Engeland,
tevens ook de huurling en leenman van Frankrijk geworden.
Rochester, Godolphin en Sunderland. die thans het inwendige kabinet
vormden, wisten met volkomen zekerheid dat hun overleden gebieder ge-
woon was geweest van het hof van Versailles geld aan te nemen. Jakobus
won hun raad in over het al of niet dienstige eener bijeenroer>ing van het
wetgevend lichaam. Zij erkenden, dat het van groot belang was Lodewijk in
goede stemming te houden; doch het scheen hun toe. dat de bijeenroeping
van een parlement geen zaak van vrije keuze was. Hoe geduldig de natie
ook scheen te zijn, dit geduld had zijn grenzen. Het beginsel, dat de koning
niet gerechtigd was buiten toestemming van het parlement het geld van
den onderdaan te heffen, had in den openbaren geest vaste wortels gescho-
ten ; en schoon het te verwachten was, dat zelfs Whigs zich geneigd zouden
toonen om onder buitengewone omstandigheden gedurende weinige weken
rechten te betalen, waarvan de heffing niet door wetten bevolen was was
het desniettemin zeker, dat ook Tories wederspannig zouden worden, indien
deze onregelmatige belasting langer bleef voortduren, dan de bijzondere
omstandigheden, die alleen zoodanige heffing wettigden, schenen te vorde-
ren. De Huizen moesten dus bijeenkomen; en daar dit niet anders was,
moest de oproeping hoe eer hoe liever plaats hebben. Zelfs de kortstondige
vertraging, welke met een zending naar Versailles gemoeid was, kon onher-
stelbaar onheil aanrichten. Misnoegdheid en wantrouwen zouden zich ras
door de maatschappij verspreiden. Halifax zou klagen, dat de grondwettige
beginselen der staatsregeling verkracht werden. De lord-zegelbewaarder,
die angstvallige, pedante haarklover, zou met hem instemmen en wat uit
vrije beweging kon gedaan worden, zou men later uit nooddwang moeten
doen. Juist diegenen der ministers, welke zijn majesteit het meest in de
openbare meening wenschte te doen dalen, zouden te zijnen kosten in popu-
lariteit winnen. De kwade stemming der natie zou van zeer nadeeligen in-
vloed op den uitslag der verkiezingen kunnen zijn. Deze gronden waren
onwederlegbaar. De koning gaf dus den lande zijn besluit te kennen een
parlement te doen vergaderen. Tevens echter was hij vol zorg, hoe zich
van de schuld vrij te pleiten, dat hij tegenover Frankrijk onplichtmatig
-ocr page 341-
JAKOBUS II.                                             317
en oneerbiedig gehandeld had. Hij leidde Barillon naar een afzonderlijk
vertrek en verontschuldigde zich, dat hij zonder voorafgaande goedkeu-
ring van Lodewijk een zoo gewichtigen stap had genomen. »Verzeker uw
meester," aldus vervolgde Jakobus, »van mijn dankbaarheid en verkleefd-
heid. Ik weet, dat ik zonder zijn bescherming niets doen kan. Ik weet in wat
moeijelijkheden mijn broeder zich gewikkeld heeft, omdat hij zich niet
standvastig aan Frankrijk heeft gehouden. Ik zal wel zorgen, dat de Huizen
zich niet met buitenlandsche aangelegenheden inlaten Zoodra ik bij hen
ecnige neiging bespeur om moeijelijkheden te veroorzaken, zal ik hen naar
huis zenden. Verklaar dit aan mijn goeden broeder; ik hoop, dat hij \'t niet
euvel zal duiden, dat ik gehandeld heb zonder hem om raad te vragen. Hij
heeft recht te verlangen, dat hij geraadpleegd worde; en het is mijn wensch
hem in alles te kennen. Doch in dit geval had een uitstel, zelfs van een
enkele week, ernstige gevolgen kunnen hebben."
Deze laaghartige verontschuldigingen werden den daaropvolgendcn mor-
gen door Rochester herhaald. Barillon hoorde ze beleefd aan. Rochester,
stouter geworden, begon nu geld te vragen. »Het zal goed geplaatst zijn,"
zeide hij; »uw gebieder kan zijn inkomsten niet beter besteden. Stel hem
levendig voor, van welk belang het is, dat de koning van Engeland niet van
zijn eigen volk, maar alleen van Frankrijks vriendschap afhankelijk is." \')
Barillon haastte zich de wenschen der engelsche regeering aan Lodewijk
mede te deelen; doch Lodewijk had die wenschen reeds voorzien. Zoodra
hij de tijding van Karels dood ontvangen had, was zijn eerste werk, dat hij
wissels op Engeland, ten bedrage van vijfmaal honderd duizend livres of
ongeveer zeven en dertig duizend vijfhonderd p. st. opkocht. Het was des-
tijds niet gemakkelijk zich te Parijs in een enkelen dag zulke wissels te
verschaffen. Doch binnen weinige uren was de aankoop gedaan en werd
een courier naar Londen afgezonden 2). Zoodra Barillon de remise ontvan-
gen had, spoedde hij zich naar Whitehall en deelde het aangename nieuws
mede. Jakobus schaamde zich niet tranen van vreugde en dankbaarheid te
storten of althans te veinzen, dat hij zulks deed. «Zoo welwillend, zoo
edelmoedig," zeide hij, »handelt uw koning alleen. Ik kan hem nooit dank-
baar genoeg zijn. Verzeker hem, dat mijn verkleefdheid tot mijnjongsten
snik zal duren." Rochester, Godolphin en Sunderland kwamen, de een na
den ander, den gezant omhelzen en hem toefluisteren, dat hij den koning
hun meester een nieuw leven had geschonken 3).
Waren Jakobus en zijn drie raadslieden tevreden over den spoed, waar-
mede Lodewijk gehandeld had, geenszins was dit het geval met het bedrag
zijner gift. Doch daar zij bevreesd waren door dringende bedelarij aanstoot
te geven, maakten zij hun wenschen slechts door wenken verstaanbaar. Zij
verklaarden, dat zij niet voornemens waren met een zoo grootmoedig wel-
\') De voornaamste bron, waarin deze handelingen vervat zijn, is Barillons depêche
van 9—19 Februari 1685. Zij is te viudeu in het aanhangsel tot de geschiedenis
van Fox. Zie ook Prestons brief aan Jakobus, gedagteekend 18—28 April 1685, bij
Dalrymple.
2)   Lodewijk aan Barillon, 10—20 Feb. 1685.
3)  Barillon, 16- 26, 16S5.
-ocr page 342-
3l8                            GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
doener als de fransche koning was, te knibbelen en zich geheel en al op
zijn mildheid zouden verlaten. Tevens zochten zij hem te winnen door
het prijsgeven der nationale eer in een belangrijk opzicht. Het was over-
bekend, dat een der voornaamste oogmerken van zijn staatkunde was België
bij zijn bezittingen in te lijven. Engeland had zich, toen Danby lord-thesau-
rier was, door een verdrag rnet Spanje verbonden om zich te verzetten tegen
eiken aanval, dien Frankrijk op de belgische provinciën doen mocht. De
drie ministers onderrichtten Barillon, dat hun gebieder dit verdrag niet
meer verbindend achtte. Dat verdrag, zeiden zij, was door Karel aangegaan
en kon misschien voor hem verbindend zijn geweest; doch zijn broeder hield
zich daardoor tot niets verplicht. De allerchristelijkste koning kon dus
zonder vrees voor tegenkanting van de zijde van Engeland er toe overgaan
Braband en Henegouwen met zijn gebied te vereenigen \').
ïèïant\'i\'nS\'r8 Tevens werd besloten een buitengewoon gezantschap uit te zen-
Fr*MÏ3ikgd*e" den om Lodewijk van de dankbaarheid en genegenheid van
Jakobus te verzekeren. Voor deze zending werd een man gekozen, die alsnog
geen zeer hooge stelling bekleedde, doch wiens vermaardheid, een zeldzaam
mengsel van smaad en roem, in later tijd de gansche beschaafde wereld
vervulde.
Zijn levensloop. Kort na de restauratie, in de weelderige en bandelooze tijden,
die door Hamiltons levendige pen geschilderd zijn, werd Jakobus, jong en
vurig in het najagen van genoegens, door Arabella Churchill bekoord, een
der hofdames in het gevolg zijner eerste vrouw. De jonge dame was niet
schoon, maar ook zijn smaak niet keurig en zij werd zijn erkende minnares.
Zij was de dochter van een armen baronet, een cavalier, die zich veel te
Whitehall liet zien en zich bespottelijk had gemaakt door het schrijven van
een vervelend en hoogdravend foliodeel tot lof van monarchen en monar-
chieën. De nood der Churchills was dringend, hun loyauteit vurig en het
eenig gevoel, dat door Arabella\'s val bij hen verwekt werd, schijnt blijde
verrassing te zijn geweest, dat aan een zoo eenvoudig meisje zoo hooge
onderscheiding was te beurt gevallen.
Haar invloed was inderdaad van groote dienst voor haar bloedverwanten;
doch geen hunner was zoo gelukkig als haar oudste broeder John, een schoon
jongeling, die vaandrig in de lijfwacht te voet was. Aan het hof en in het
leger maakte hij rasse vorderingen en werd reeds vroeg als een man van
smaak, die alleen voor zijn genot leefde, opgemerkt. Hij was van hooge
gestalte en schoon van gelaat; zijn voorkonten was bijzonder innemend en
zoo vol waardigheid, dat ook de onbeschaamdste spotters het nooit waagden
zich eenige vrijheid met hem te veroorloven; zelfs in de moeijelijkste oogen-
blikken, als zijn geduld op de grootste proef werd gesteld, bleef hij zijn
driften volkomen meester. Zijn opvoeding was zoozeer veronachtzaamd,
dat hij niet wist, hoe hij de eenvoudigste woorden zijner moedertaal zou
spellen; doch zijn scherpzinnigheid en zijn gezond verstand vergoedden
ruimschoots het gemis der geleerdheid, die hij uit boeken had kunnen
putten. Hij was niet spraakzaam; doch was hij verplicht in het openbaar
\') Banllon, 18—28 Feb. 1685.
-ocr page 343-
319
JAKOBUS II.
het woord te voeren, dan wekte zijn natuurlijke welsprekendheid de ijver-
zucht van ervaren redenaars op. Hij bezat een buitengemeen bedaarden en
onwrikbaren moed. In den loop van vele kommer- en gevaarvolle jaren heeft
hij in welke moeijelijkheid dan ook, nooit, zelfs niet één enkel oogenblik,
het volkomen vrij gebruik van zijn bewonderenswaardig oordeel gemist.
In zijn drie-en twintigste jaar werd hij met zijn regiment tot versterking
der fransche legermacht uitgezonden, die tegen Holland in het veld stond.
Zijn opgeruimde onverschrokkenheid deed hem boven duizend dappere
krijgslieden onderscheiden en door bekwaamheid in zijn beroep verwierf hij
de achting van oude, beproefde legerhoofden. Hij werd voor het front des
legers openlijk bedankt en door Turenne, die destijds het toppunt van krijgs-
rocm bereikt had, met menig blijk van hoogachting en vertrouwen vereerd.
Ongelukkigerwijze waren de schitterende eigenschappen van John Chur-
chill met een afzichtelijk allooi vermengd. Neigingen, die vooral in de jeugd
bijzonder aanstootelijk zijn, begonnen zich al vroegtijdig bij hem te ver-
toonen. Zijn ondeugden zelve waren dienstbaar aan zijn inhaligheid en hij
hief aanzienlijke schattingen van dames, die zich met den buit van edel-
moediger minnaars verrijkt hadden. Hij was gedurende een korte poos het
voorwerp van de hevige, doch wispelturige liefde der hertogin van Cleveland.
Bij zekere gelegenheid werd hij door de komst des konings verrast en was
genoodzaakt door het vensterraam te vluchten. Zij beloonde dat galante
waagstuk met een geschenk van vijf duizend p. st. Met deze som kocht de
bedachtzame jonge held terstond een op grondeigendommen behoorlijk ver-
zekerde lijfrente van vijf honderd p. st. \') Reeds bevatten zijn geheime
laden stapels van gouden Jakobussen, die vijftig jaar later, toen hij hertog,
duitsch rijksvorst en de rijkste onderdaan in gansch Europa was, nog on-
aangeroerd bleven !).
Na het einde van den oorlog werd hij aan het hof van den hertog van
York geplaatst. Hij verzelde zijn beschermer naar de Nederlanden en naar
Edinburgh en erlangde ter belooning voor zijn diensten een schotsch pair-
schap en het |bevel over het destijds eenige regiment dragonders van het
engelsche leger 3). Zijn vrouw bekleedde een bctrekki ng aan het hof van de
prinses van Denemarken, de jongste dochter van Jakobus.
\') Dartmouths Aanteekening op Burnet, I, 264; Chesterfields Brieven, 18 NTov.
1748. Chesterfield is een geloofwaardig getuige; want de eigendommen van zijn
grootvader, Ilalifax, waren met dit jaargeld bezwaard. Ik geloof, dat het vervolg op
deze anekdote, dat in Fope te vinden is, niet waar is:
»The gallant, too, to whom, she paid it down,
Lived to refuse his mistress half a crown."
\') Pope in Spencers anekdoten.
3) Zie de historische gedenkschriften van het eerste of koninklijk regiment dragon-
ders. De benoeming van Churchill tot aanvoerder van dit regiment werd als een bewijs
van blinde partijdigheid belachelijk gemaakt. Een schimpdicht van dien tijd, dat ik
mij niet herinner gedrukt te hebben gezien, doch waarvan een afschrift in het britsch
museum voorhanden is, bevat de navolgende regels:
«Let\'s cut our meat with spoons;
The sense is as good
As that Churchill should
Be put to commaud the dragoons."
-ocr page 344-
32(1
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
Lord Churchill werd nu als buitengewoon ambassadeur naar Versailles
afgevaardigd. Hem was opgedragen de warme dankbaarheid der engelsche
regeering te betuigen voor de zoo grootmoedig verleende gelden. Aan-
vankelijk had men gewild, dat hij Lodewijk tevens om een veel grooter som
zou verzoeken, doch na rijpj overweging duchtte men, dat een zoo onkiesche
begeerigheid den weldoener af keerig maken zou, die alreeds uit eigen be-
weging een zoo buitengewoon blijk van mildheid had gegeven. Churchill kreeg
derhalve last zich bij dankbetuigingen voor het verledene te bepalen en
zich over de toekomst niet uit te laten \').
Doch Jakobus en zijn ministers wisten ondanks hun betuiging van niet
lastig te willen zijn zeer duidelijk te kennen te geven, wat zij wenschten en
verwachtten. In den franschen gezant hadden zij een behendigen, ijverigen
en wellicht niet onbaatzuchtigen bemiddelaar. Lodewijk opperde eenige
zwarigheden, waarschijnlijk met het doel om de waarde zijner giften te ver-
hoogen. Doch na weinig weken ontving Barillon uit Versailles nog vijftien-
honderd-duizend livrcs. Hij kreeg in last deze som, bedragende ongeveer
honderd twaalf duizend p. st., met voorzichtigheid te besteden. Hij was
gemachtigd dertig duizend p. st. aan de engelsche regeering af te geven ten
einde daarmede leden van het nieuwe Huis der Gemeenten om te koopen.
Hij zou het overige bewaren voor een of ander geval van buitengewone
behoefte, als. bij voorbeeld, een ontbinding of een oproer 2).
Het schandelijke dezer handelingen is algemeen erkend, doch haar
eigenlijke aard schijnt dikwerf verkeerd te worden ingezien; want hoezeer
de buitcnlandsche staatkunde der twee laatste koningen van het Huis
Stuart sedert de openbaarmaking der correspondentie van Barillon onder
ons geen enkelen verdediger gevonden heelt, is er evenwel nog een partij,
die hun binnenlandsche staatkunde tracht te rechtvaardigen. Doch onbe-
twistbaar bestaat er een noodwendig en onoplosbaar verband tusschen hun
inwendige en hun buitcnlandsche staatkunde. Hadden zij de eer van den
staat slechts gedurende weinige maanden buiten \'s lands gehandhaafd, zij
zouden gedwongen geweest zijn hun gansche stelsel van binnenlandsch be-
heer te wijzigen. Onverstandig is het hen te prijzen, omdat zij niet wilden
regeercn overeenkomstig de inzichten van het parlement en toch hen te
laken, omdat zij zich naar Lodewijks voorschriften gedroegen. Want zij
hadden slechts ééne keuze: van Lodewijk of wel van het parlement af te
hangen.
Jakobus, dit mag, om hem recht te laten wedervaren niet onvermeld
blijven, zou gaarne een derden uitweg gevonden hebben; doch deze bestond
niet. Hij werd de slaaf van Frankrijk; \'t zou echter onjuist zijn hem als een
blijmoedig onderworpen slaaf voor te stellen. Hij bezat genoeg zelfstandig-
heid van geest om somwijlen zich zelven bittere verwijten te doen over het
torsen van dat juk en vurig te verlangen, dat hij het kon afwerpen; deze
neiging werd door de agenten van vele vreemde mogendheden zorgvuldig
aangekweekt.
\') Barillon, 16—26 Februari 1685.
\') BatilloD, 6 — 16 April; Lodewijk aan Barillon 14—24 April.
-ocr page 345-
321
JAKOBUS II.
pfselïiw\'n d>Yn Zijn troonsbestijging had aan alle hoven van het vasteland
onuren\'EÜs\'i\'anii. velerlei hoop en vrees verwekt en de aanvang van zijn bestuur
werd door vreemden bijkans met geen minder belangstelling gadegeslagen,
dan door zijn eigen onderdanen. Slechts een dier regeeringen wenschte, dat
de onlusten, die Engeland sedert drie geslachten geteisterd hadden, eeuwig-
durend mochten zijn. Alle andere, \'t zij republikeinsch of monarchaal, pro-
testantsch of roomsch-katholiek, wenschten die onlusten tot een gelukkig
einde gebracht te zien.
De aard der langdurige worsteling tusschen de Stuarts en hun parlemen-
ten werd inderdaad door vreemde staatslieden slechts zeer onvolkomen
begrepen; voor geen staatsman echter kon de uitwerking verborgen blijven,
welke deze worsteling op het staatkundig evenwicht van Europa had gehad.
In gewone omstandigheden zouden de hoven van Weenen en van Madrid
deernis gehad hebben met het lot van een vorst, die tegen onderdanen, en
vooral van een roomsch-katholiek vorst, die tegen kettersche onderdanen
worstelde; doch elke opwelling van deelneming werd nu door krachtiger
gevoelens verdrongen. De haat en vrees, door de grootheid des franschen
konings gewekt, hadden thans het toppunt bereikt. Zijn naburen mochten
zich wel afvragen, of het gevaarlijker was vrede dan wel oorlog met hem
te hebben. Want in vredestijd hield hij niet op hen te berooven en te
beleedigen; en de kansen van den oorlog hadden zij te vergeefs tegen
hem beproefd. In die zekerheid sloegen zij blikken van angstige ver-
wachting op Engeland. Zou het de beginselen van het Drievoudig Ver-
bond of wel die van het tractaat van Dover aankleven ? Van de beslissing
dezer vraag hing het lot van al zijn naburen af. Met Engelands bijstand
zou men Lodewijk nog weerstand kunnen bieden; doch er was geen hulp
van dat rijk te verwachten, zoolang het niet met zich zelven verzoend was.
Vóór het begin der worsteling tusschen den troon en het parlement was
het een mogendheid van den eersten rang geweest; op den dag, dat die
worsteling eindigde, zou het op nieuw een mogendheid van den eersten
rang worden; doch zoo lang de strijd onbeslist bleef, was het tot werke-
loosheid en afhankelijkheid gedoemd. Het was groot geweest onder de
Plantagenets en de Tudors; het werd weder groot onder de vorsten, die
na de omwenteling regeerden; maar onder de koningen van den huize Stuart
was het als een ledige plek op de kaart van Europa. Het had een deel
zijner krachten verloren en daarvoor nog geen nieuwe in de plaats gekregen.
Die soort van kracht, welke het in de veertiende eeuw in staat had gesteld
om Frankrijk en Spanje te deemoedigen, bestond niet meer en die, welke in
de achttiende eeuw Frankrijk en Spanje op nieuw vernederde, was nog niet
tot ontwikkeling gekomen. Deze regeering was thans niet meer een be-
perkte monarchie naar de wijze der middeleeuwen; zij was nog niet een be-
perkte monarchie naar de wijze der nieuwere tijden. Zij bezat de gebreken,
doch miste de kracht van elk dier beide stelsels. De elementen van ons
staatswezen wel verre van eendrachtig samen te werken, beroofden elkan-
der door onderlinge tegenwerking van alle kracht. Alles was overgang,
strijd en wanorde. De hoofdbezigheid des souvereins was het verkrachten
van de privilegiën der wetgevende macht. Het hoofdstreven der wetgevende
MACAULAY I.                                                                                                             21
-ocr page 346-
322                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
macht was het verkorten der prerogatieven van den souverein. Gaarne nam
de koning vreemde hulp aan, die hem boven de ellende verhief van een
oproerig parlement te moeten afhangen. Het parlement weigerde den koning
de middelen om naar buiten de nationale eer te handhaven uit een slechts
al te gegronde vrees, dat die middelen gebezigd zouden worden om binnen
\'s lands de heerschappij der willekeur te vestigen. Het gevolg van dit weder-
keerig wantrouwen was, dat ons land niettegenstaande al zijn rijke hulp-
bronnen, onder de staten der Christenheid even weinig geteld werd als het
hertogdom van Savoije of het hertogdom Lotharingen, en ongetwijfeld veel
minder dan het kleine hollandsche gewest.
Frankrijk had er het uiterste belang bij dezen stand van zaken te doen
voortduren \'); alle andere mogendheden dien te doen eindigen. Algemeen
wenschte men in Europa, dat Jakobus in overeenstemming met de wetten
en met de openbare meening zou regeeren. Zelfs van het Escuriaal kwamen
er brieven, waarin de ernstige hoop werd uitgedrukt, dat de nieuwe koning
van Engeland in goede verstandhouding zou leven met zijn parlement en
hfth>otrk»nriki*iue.
met zÜn v°lk \')< Ook van het Vaticaan kwamen waarschuwin-
gen tegen overdreven ijver voor het roomsch katholieke geloof. Benedictus
Odescalchi, die onder den naam van Innocentius XI den pauselijken
stoel had beklommen, deelde in zijn hoedanigheid van wereldlijk vorst
al de vrees, waarmede andere vorsten de uitbreiding der fransche macht
gadesloegen. Hij had bovendien redenen van ongerustheid, die hem meer
in \'t bijzonder betroffen. Het was voor de protestantsche godsdienst een
gelukkige omstandigheid, dat de roomsch-katholieke kerk, toen de laatste
roomsch-katholieke koning van Engeland den troon besteeg, in tweespalt
en met een nieuwe scheuring bedreigd was. Tusschen Lodewijk en Inno-
centius was een soortgelijke strijd ontstaan, als die, welke in de elfde eeuw
tusschen de duitsche keizers en de opperste kerkvoogden gewoed had.
Lodewijk, tot dwepens toe aan de leerstellingen der kerk van Rome ver-
knocht, doch niet minder onwrikbaar in de handhaving van zijn koninklijk
\') Ik zou, ten bewijze van de juistheid dezer bewering de helft der correspondentie
van Barillon kunnen aanhalen; ik wil echter slechts een enkele plaats aanvoeren, waar
de inzichten, welke de staatkunde der fiansche regeering jegens Engeland bestuurden,
beknopt en met volkomen duidelijkheid zijn aangetoond.
»On peut tenir pour une maxime indubitable que 1\'accord du roi d\'Angleterre avec
son parlement, en quelque maniere qu\'il se fasse, n\'est pas conforme aux intérest de
V. M. Je me contente de penser cela sans m\'en ouvrir a personne, et je cache avec soin
mes sentimens a eet égard." — Barillon aan Lodewijk, 28 Febr. — 10 Maart 1687. —
Dat dit het wezenlijke geheim der geheele staatkunde van Lodewijk jegens ons land
was, werd ook te Weeuen duidelijk begrepen. Onder dagteekening van 30 Maart —
9 April 1689, schreef keizer Leopold aan Jakobus als volgt: «Galli id unum agebant,
ut, perpetuas inter Serenitatem vestram et ejusdem populos fovendo simultates, reliquae
Christianae Europae tanto securius insultarent."
*) «Que sea unido con su reyno, y en tudo buena intelligencia con el parlamento." —
Depêche van den koning van Spanje aan Don Pedro Ronquillo, 16—26 Maart 1685.
Deze depêche bevindt zich in de archieven van Simancas, die een belangrijke hoeveel-
heid papieren, omtrent de engelsche zaken bevatten. Afschriften van de merkwaar-
digste dezer papieren zijn in het bezit van den heer Guizot, die ze mij geleend heeft.
Het is voor mij een bijzondere voldoening op dit oogenblik dit bewijs der vriendschap
van een zoo groot man te mogen erkennen (1848).
-ocr page 347-
3a3
JAKOBUS II.
gezag, beschuldigde den paus de wereldlijke rechten van de fransche kroon
aan te randen en werd door den paus beschuldigd inbreuk te maken op
de geestelijke rechten van den Heiligen Stoel. Hoe onbuigzaam de koning
ook was, hij ontmoette hier een geest, die nog vastberadener was dan de
zijne. Innocentius was in zijn privaat leven de toegevendste en zachtaar-
digste der menschen; zoodra hij echter zijn stem ambtshalve, van den
Stoel van St. Petrus liet hooren, sprak hij in den toon van Gregorius VII
en van Sixtus V. Het geschil liep hoog. Agenten des konings werden in
den kerkban gedaan; aanhangers van den paus gebannen. De koning be-
noemde kampioenen van zijn gezag tot bisschoppen. De paus weigerde
hun de kerkelijke sanctie. Zij namen bezit van de bisschoppelijke paleizen
en inkomsten, doch waren onbevoegd tot het waarnemen der bisschoppe-
lijke functiën. Voordat de strijd geëindigd was, telde Frankrijk dertig bis-
schoppen, die noch bevestigen noch priesters wijden konden \').
Ware eenig vorst van dien tijd, Lodewijk uitgezonderd, in zulk een geschil
met het Vaticaan gewikkeld geweest, hij zou alle protestantsche regeeringen
op zijn hand hebben gehad. Doch de vrees en de vijandige gezindheid, door
de roemzucht en den overmoed des franschen konings verwekt, waren zoo
hevig, dat elk, die den moed had hem manhaftig weerstand te bieden, van
de algemeene deelneming verzekerd was. Zelfs lutheranen en calvinisten,
die altoos den paus verfoeid hadden, konden zich niet onthouden, hem de
overwinning toe te wenschen over een dwingeland, die naar de wereldheer-
schappij streefde. Evenzoo zagen in onze eeuw velen, die Pius VII als den
antichrist beschouwden, met genoegen, dat de antichrist zich tegen Napo-
leons reuzenmacht overstelde.
De wrok, dien Innocentius tegen Frankrijk voedde, stemde hem tot een
milde en toegevende beoordeeling der aangelegenheden van Engeland. De
terugkeer van het engelsche volk tot de kudde, waarvan hij de herder was,
zou ongetwijfeld zijn hart verheugd hebben. Doch hij was veel te wijs om
te gelooven, dat een zoo koene en onbuigzame natie door een gewelddadige
en ongrondwettige uitoefening van het koninklijk gezag tot de kerk van
Rome zou kunnen worden terug gebracht. Het liet zich gereedelijk vooruit-
zien, dat Jakobus het doel zou missen, zoo hij de belangen zijner godsdienst
door onwettige en impopulaire middelen poogde te bevorderen; de haat der
kettersche eilanders tegen het ware geloof zou heviger en sterker worden
dan ooit; en in hun geest zou een onafscheidelijk verband ontstaan tusschen
de begrippen van protestantisme en burgerlijke vrijheid en die van papisme
en willekeurige macht. Middelerwijl zou de koning voor zijn volk een voor-
werp van afkeer en wantrouwen worden. Engeland zou nog steeds, even als
onder Jakobus I, Karel I en Karel II, een mogendheid van den derden rang
blijven; en Frankrijk zou zijn heerschappij aan gene zijde der Alpen en van
den Rijn ongehinderd uitbreiden. Van de andere zijde was het waarschijnlijk,
dat Jakobus, zoo hij voorzichtig en gematigd handelde, de wetten strikt eer-
biedigde en het vertrouwen zijns parlements zocht te winnen, een aanmerke-
\') Beknopte overzichten der geschiedenis van dezen strijd vindt men in het Leven
van Bossuet, door den kardinaal Bausset en in Voltaire\'s Eeuw van Lodewijk XIV.
-ocr page 348-
324
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
lijke verlichting in den toestand der belijders van zijn godsdienst zou kunnen
verkrijgen. Het eerst zouden de strafwetten vervallen. De wetten tot uit-
sluiting van burgerlijke ambten en rechten zouden weldra volgen. Inmiddels
konden de engelsche koning en de engelsche natie, vereenigd, aan het hoofd
der europeesche coalitie treden om aan Lodewijks begeerigheid voor goed
paal en perk te stellen.
Innocentius werd door de aanzienlijke Engelschen, die aan zijn hof ver-
blijf hielden, in zijn meening versterkt. De voornaamste van deze was Philip
Howard, gesproten uit de edelste britsche geslachten, kleinzoon, eenerzijds
van een graaf van Arundel, anderzijds van een hertog van Lennox. Philip
was sedert lang lid van het heilig college; hij werd gewoonlijk de kardinaal
van Engeland genoemd en was in zaken, die zijn vaderland betroffen, de
voornaamste raadsman van den Heiligen Stoel. Hij was door het geschreeuw
van dweepzieke protestanten in ballingschap gedreven en een lid zijner
familie, de ongelukkige Stafford, was als offer hunner woede gevallen. Doch
des kardinaals eigen grieven hadden, evenmin als die van zijn huis, zijn
gemoed zoozeer verbitterd, dat hij een onbezonnen raadgever werd. In
iederen brief derhalve, die van het Vaticaan naar Whitehall ging, werd
geduld, gematigdheid en het ontzien der vooroordeelen van het engelsche
volk aanbevolen \').
inwendije twe.jtr«d jn het gemoed van Jakobus bestond een groote tweestrijd.
Wij zouden hem onrecht doen, zoo wij onderstelden, dat een toestand van
afhankelijkheid met zijn inborst strookte. Hij hield veel van heerschen en
zag niet op tegen werken. Hij bezat in hooge mate het besef zijner persoon-
lijke waardigheid. Ja, hij was zelfs niet geheel ontbloot van een gevoel,
\'t welk eenigszins zweemde naar vaderlandsliefde. De gedachte, dat het rijk,
waarover hij heerschte, veel minder geteld werd dan een aantal staten, die
minder natuurlijke voorrechten deelachtig waren, kwelde zijn geest; en
gretig luisterde hij naar vreemde ministers, als zij hem aanspoorden de
waardigheid van zijn rang te handhaven, zich aan het hoofd van een groot
bondgenootschap te stellen, de beschermer van gehoonde natiën te wordenen
den trots te fnuiken der mogendheid, die de schrik van Europa was. Zulke
aanmaningen deden zijn hart van aandoeningen zwellen, welke zijn zorge-
Zij\\ua»"ku,"a°!dis° looze en verwijfde broeder nooit gekend had. Doch deze aan-
doeningen werden spoedig door een sterker gevoel onderdrukt. Een krachtige
buitenlandsche staatkunde maakte een verzoenlijke binnenlandsche staat-
kunde noodwendig. Het was onmogelijk te gelijk Frankrijks macht het
hoofd te bieden en Engelands vrijheden onder den voet te treden. Zonder
den steun van het Huis der Gemeenten vermocht het uitvoerend bewind
niets groots te ondernemen en het kon dien steun niet anders verwerven dan
door overeenkomstig het gevoelen van het parlement te handelen. Jakobus
begreep dus, dat hij de twee dingen, welke hij het meest verlangde, niet
gelijktijdig kon bezitten. Zijn tweede wensch was buiten \'s lands gevreesd
en geëerbiedigd te worden; zijn eerste wensch daarentegen binnen\'s lands
onbeperkt heerscher te zijn. Besluiteloos weifelde hij een tijd lang tusschen
\') Burnet I, 661, en Brief uit Rome; Dodds Kerkgeschiedenis, deel VIII, boek I, art. I.
-ocr page 349-
jakobus ir.                                             32 5
de onvereenigbare wenschen, op welker vervulling hij zijn hart gesteld had.
De strijd in zijn eigen boezem gaf aan zijn openbare handelingen een zonder-
ling voorkomen van onzekerheid en onoprechtheid. Zij, die zonder den
sleutel daarvan te hebben, de kronkelingen zijner politiek zochten na te gaan,
konden \'t zich niet verklaren, hoe dezelfde man in een en dezelfde week,
zoo trotsch en zoo kruipend kon zijn. Zelfs Lodewijk werd in de war gebracht
door de grillen van een bondgenoot, die binnen weinige uren tijds hem
beurtelings en herhaaldelijk huldigde en trotseerde. Thans echter, nu de
gedragingen van Jakobus ons volledig bekend zijn, schijnt deze ongestadig-
heid vatbaar voor een eenvoudige verklaring.
Op het oogenblik van zijn troonsbestijging verkeerde hij in onzekerheid,
of het koninkrijk zich vreedzaam aan zijn gezag zou onderwerpen. De uit-
sluitingsmannen, onlangs nog zoo machtig, hadden gewapend tegen hem
kunnen opstaan. Hij had groote behoefte aan fransch geld en aan fransche
troepen kunnen gevoelen. Gedurende eenige dagen dus liet hij het zich ge-
vallen een pluimstrijker en een bedelaar te zijn. Hij vroeg ootmoedig om
verschooning, dat hij gewaagd had buiten toestemming der fransche
regeering zijn parlement bijeen te roepen. Hij bad dringend om geldelijken
onderstand van Frankrijk. Hij stortte tranen van vreugde over de fransche
wissels. Hij zond een gezantschap naar Versailles, bepaaldelijk belast met
het overbrengen der betuigingen van zijn dankbaarheid, verkleefdheid en
onderwerping. Doch nauwelijks was het gezantschap vertrokken, of zijn
gevoelens veranderden. Hij was overal erkend, zonder dat een enkele
oploop had plaats gehad, een enkele oproerkreet gehoord was. Uit alle
oorden des eilands werd hem bericht, dat zijn onderdanen rustig en ge-
hoorzaam waren. Zijn vertrouwen nam toe. De vernederende verhouding,
waarin hij tot een vreemde mogendheid stond, scheen ondraaglijk. Hij werd
trotsch, lichtgeraakt, grootsprekend, twistziek. Hij sprak op zoo hoogentoon
van de waardigheid zijner kroon en van het staatkundig evenwicht, dat het
gansche hof in volle verwachting was een algeheelen omkeer in de buiten-
landsche staatkunde des rijks te zullen zien. Hij gaf aan Churchill bevel een
nauwkeurig verslag van het ceremonieel van Versailles in te zenden, opdat
dezelfde en niets meer dan dezelfde eerbewijzingen, waarmede het engelsche
gezantschap aldaar ontvangen was, den vertegenwoordiger van Frankrijk te
Whitehall gegeven zouden worden. De tijding van deze verandering werd
te Madrid, te Weenen en in den Haag met verrukking ontvangen \'). In den
beginne lachte Lodewijk er slechts over. »Mijn goede bondgenoot spreekt
groote woorden," zeide hij, »maar hij is op mijn pistolen evenzeer gesteld
als zijn broeder het ooit was." Weldra echter begonnen de veranderde
houding van Jakobus en de hoop, welke die houding aan de beide takkenvan
het oostenrijksche huis inboezemde, ernstiger opmerkzaamheid te vorderen.
Er is nog een merkwaardige brief voorhanden, waarbij de fransche koning
zeer duidelijk de verdenking uit, dat hij bedrogen was en dat het geld, door
hem naar Westminster gezonden, tegen hem zelven zou worden gebruiktJ).
\') Beraadslagingen van den spaanschen raad van state, van 2—12 April en van
l6—26 April 1685, in de archieven van Simancas.
\') Lodewijk aan Barillon, 22 Mei — I Juni 1685; Burnet I, 623.
-ocr page 350-
326                            GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
Inmiddels was Engeland van de droefheid en bezorgdheid, door het over-
lijden van den goedhartigen Karel verwekt, bekomen. De Tories waren
luide in hun betuigingen van verkleefdheid aan hun nieuwen gebieder. De
haat der Whigs werd door vrees in toom gehouden. Die groote menigte, die
niet standvastig whigs of toriesgezind is, maar die beurtelings tot elke dezer
partijen overhelt, was nog aan de zijde der Tories. De reactie, die op de
ontbinding van het parlement van Oxford gevolgd was, had haar krachten
nog niet uitgeput,
openbare viking rje koning stelde de loyauteit zijner protestantsche vrienden
kcrkSsun a^ spoedig op de proef. Zoolang hij onderdaan was, was hij ge-
heVöu1i\'nis\'s.\'1<," woon geweest de mis met gesloten deuren te hooren in een
klein bidvertrek, dat ten behoeve zijner gemalin daartoe was ingericht.
Thans beval hij de deuren open te zetten, opdat allen, die hem hun op-
wachting kwamen maken, de plechtigheid mochten zien. Toen de hostie
omhoog werd geheven, ontstond er in het voorvertrek een vreemdsoortige
verwarring. De roomsch-katholieken vielen op hun knieën; de protestanten
ijlden de kamer uit. Weldra werd een nieuwe kansel in het paleis opgericht
en gedurende de vasten werd daar tot groote ontsteltenis van ijverige
kerksgezinden door papistische geestelijken een reeks van predikatiën ge-
houden \').
Hierop volgde een nieuwigheid van ernstiger aard. De lijdensweek na-
derde en de koning besloot de mis te hooren met gelijke praal als zijn
voorgangers had omgeven, wanneer zij de tempels der gevestigde godsdienst
bezochten. Hij deelde zijn voornemen aan de drie leden van het inwendige
kabinet mede en noodigde hen uit hem te vergezellen. Sunderland, wien
elke godsdienst dezelfde was, stemde gereedelijk toe. Godolphin was, als
kamerheer der koningin, reeds gewoon geweest haar zijn arm te leenen, als
zij zich naar haar bidvertrek begaf en voelde zich onbezwaard ambts-
halve in het huis van Rimmon het hoofd te buigen. Doch Rochester was in
groote verlegenheid. Zijn invloed in den lande was hoofdzakelijk door de
meening veroorzaakt, welke de geestelijkheid en de torystische landadel van
hem koesterden, dat hij een ijverig en onverzettelijk vriend der staatskerk
was. Zijn rechtzinnigheid werd als een ruime vergoeding aangemerkt voor
gebreken, die hem anders tot den impopulairsten man van het gansche
koninkrijk gemaakt zouden hebben, voor grenzenlooze aanmatiging, voor een
uiterst hevigen gemoedsaard en voor bijkans onbeschofte manieren s). Hij
vreesde, dat hij door het inwilligen van \'s konings wenschen in de schatting
zijner partij merkelijk zou dalen. Na eenige woordenwisseling kreeg hij
verlof om de feestdagen buiten de stad door te brengen. Aan de overige
groote staatsdignitarissen werd gelast paaschzondag op hun post te zijn.
») Clarke\'s Leven van Jakobus II, II, 5; Barillon 19 Febr. — I Maart 1685; Evelyns
Dagboek, 5 Maart 168».\',.
!) To those that ask boons,
He swears by God\'s oons,
And chides them as if they came there to steal spoons.
Lamentable Lory, a ballad 1684.
(Hen, die gunsten vragen, verwenscht hij bij hoog en laag, alsof ze bij hem kwamen
om zijn zilveren lepels te stelen.)
-ocr page 351-
JAKOBUS II.                                             327
Op nieuw werden na een tijdsverloop van honderd aeven-en-twintig jaren
de plechtigheden der kerk van Rome te Westminster met koninklijken
luister gevierd. De lijfwacht stond onder de wapenen, de ridders van den
Kouseband droegen hun ordesketenen. De hertog van Somerset, de tweede
in rang onder de wereldlijke pairs van het koninkrijk, hield het rijkszwaard.
Een lange rij van groote lords volgde den koning tot aan zijn zetel. Het
werd echter opgemerkt dat Ormond en Halifax in de voorzaal bleven.
Weinige jaren geleden hadden zij de zaak van Jakobus moedig verdedigd
tegen sommige dergenen, die thans haastig langs hen voorbij drongen.
Ormond had aan de moorddadige vervolgingen tegen de roomsch-katholieken
geen deel gehad. Halifax had moedig de onschuld van Stafford betoogd.
Toen de oogendienaars, die geveinsd hadden te gruwen bij de bloote ge-
dachte aan een papistisch koning, die zonder medelijden het onschuldig
bloed van een papistisch pair vergoten hadden, elkander nu voorbij streefden
om een papistisch altaar te naderen, toen mocht de echte trimmer, in zijn
eenzaamheid, met eenig recht zijn trots over dien impopulairen spotnaam
botvieren *).
Zijn kroning. Binnen een week na deze plechtigheid bracht Jakobus ten aan-
zien zijner eigen godsdienstige gevoelens een veel grooter offer, dan hij nog
van een eenigen zijner protestantsche onderdanen had gevergd. Op den
23 April, het feest van den beschermheilige des rijks, werd hij gekroond. De
abdij en het paleis waren schitterend versierd. De tegenwoordigheid der
koningin en der dames van den hoogen adel zette der plechtigheid een
luister bij, die aan het prachtige kroningsfeest des vorigen konings ontbroken
had. Zij echter, die zich dat kroningsfeest herinnerden, betuigden, dat
het tegenwoordige er op verre na niet mede vergeleken kon worden. Het
was van ouds gebruikelijk geweest, dat de souverein met al zijn herauten,
rechters, raden, lords en groot-dignitarissen vóór de kroning in staatsie
van den Tower naar Westminster reed. De laatste en luisterrijkste dier
optochten was die geweest, welke de hoofdstad was doorgetrokken, toen de
gevoelens, door de restauratie opgewekt, nog in volle kracht waren. Eere-
bogen verfraaiden toen den weg. Gansch Cornhill, Cheapside, het kerkplein
van St. Paul, de Fleetstraat en het Strand waren met stellingen voor toe-
schouwers afgezet. De gansche City was aldus in de gelegenheid geweest
het koningschap te aanschouwen in den glansrijksten en statigsten vorm,
dien het kon aannemen. Jakobus beval een raming der kosten van zulk een
optocht te maken en het bleek hem, dat die kosten ongeveer de helft zouden
bedragen van de som, die hij voornemens was aan den opschik zijner gemalin
te besteden. Hij besloot derhalve verkwistend te zijn, waar hij spaarzaam-
heid had moeten betrachten en spaarzaam daar, waar eenige verkwisting
vergeeflijk geweest was. Meer dan honderd duizend p. st. werden voor den
tooi der koningin uitgegeven en de optocht van den Tower had niet plaats.
De dwaasheid van deze handelwijze is klaarblijkelijk. Kan praalvertoon van
eenig nut zijn in de staatkunde, het moet dit zijn als middel om de verbeel-
dingskracht der menigte te treffen. Het is ontegenzeggelijk het toppunt van
\') Barillon, 20—30 April 1685.
-ocr page 352-
328
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
ongerijmdheid het geringe volk uit te sluiten van een vertooning, die voor-
namelijk ten doel moet hebben indruk te maken op het geringe volk. De
mildheid en de zuinigheid van Jakobus waren beter geplaatst geweest, had
hij met de gebruikelijke pracht Londen van het oosten naar het westen
doorgetrokken en bevolen, dat de kleeding zijner vrouw een weinig minder
dicht met paarlen en diamanten zou bezet wezen. Zijn voorbeeld werd echter
door zijn nakomelingen nog langen tijd gevolgd en sommen die, zoo zij doel-
treffend besteed waren geweest, een uitstekend genoegen verschaft zouden
hebben aan een groot gedeelte der natie, werden aan een vertooning ten
kosten gelegd, waartoe slechts drie of vier duizend bevoorrechte personen
werden toegelaten. Ten laatste werd het oude gebruik weder in het leven
geroepen. Op den dag der kroning van koningin Victoria vond een optocht
plaats, in welken nog menige leemte kon worden aangewezen, maar die door
een half millioen van haar onderdanen met belangstelling en met vreugde
aanschouwd werd en die ongetwijfeld veel meer genoegen gaf en grooter
geestdrift wekte, dan het meer kostbare praalvertoon, dat in de abdij voor
een meer uitgelezen kring van toeschouwers zichtbaar was.
Jakobus had Sancroft bevolen het rituaal te verkorten. De reden, die
daarvoor in het openbaar werd aangegeven, was, dat de dag te kort zou zijn
voor al hetgeen gedaan moest worden. Doch een ieder, die de gemaakte
wijzigingen nagaat, zal ontwaren, dat de terzijdestelling van eenige voor het
godsdienstig gevoel eens ijverig roomsch-katholiekgezinden hoogst aanstoo-
telijke handelingen het ware oogmerk was. Het formulier van de bediening
des avondmaals werd niet gelezen. De plechtige aanbieding aan den sou-
verein van een rijkgebonden engelschen bijbel, onder vermaning om een
boek, dat hij had leeren beschouwen als besmet met valsche leerstellin-
gen, hooger te waardeeren dan alle aardsche schatten, werd achterwege
gelaten. Wat echter na al deze bekorting nog over bleef, had wel eenige
bezwaren mogen wekken in het gemoed van een man, die oprecht ge-
loofde, dat de kerk van Engeland een kettersche vereeniging was en binnen
haar gebied geen zaligheid te vinden is. De koning legde een offergave op
het altaar. Hij scheen met de smeekgebeden der litanie in te stemmen, die
door de bisschoppen voorgezongen werd. Hij ontving van die valsche pro-
feten de zalving, het zinnebeeld der uitstorting van de goddelijke genade en
knielde met schijnbare aandacht neder, terwijl zij over hem dien heiligen
geest afsmeekten, van welken zij volgens zijn begrippen de boosaardige en ver-
stokte vijanden waren. Zoo groot zijn de tegenstrijdigheden der menschelijke
natuur; deze man, die uit dwependen ijver voor zijn godsdienst drie ko-
ninkrijken wegwierp, wilde veel liever iets do\'en, dat nagenoeg met een daad
van afvalligheid gelijk stond, dan zich het kinderachtig genoegen ontzeggen,
zich de sieraden te laten omhangen, die het zinnebeeld der koninklijke
macht zijn \').
Francis Turner, bisschop van Ely, predikte. Hij was een dier schrijvers,
die nog veel op hadden met den verouderden stijl van aartsbisschop Williams
•) Uit de depêche van Adda, van 22 Jan. — 1 Febr. 1686 en uit de woorden van
den Père d\'Orleans (Histoire des Révolutions d\'Angleterre, boek XI), blijkt duide-
lijk, dat strenge rooinschgezinden het gedrag des konings onverschoonbaar achtten.
-ocr page 353-
JAKOBUS II.                                             329
en van bisschop Andrews. De predikatie was een weefsel van gekunstelde
aardigheden, die zeventig jaar vroeger wellicht bewonderd zouden zijn, doch
den spot van een geslacht gaande maakten, dat aan de zuiverder wel-
sprekendheid van Sprat, South en Tillotson gewoon was. Koning Salomo
was koning Jakobus; Adoniah was Monmouth; Joab was een der samen-
zweeders van het roggenhuis-komplot; Shimei was een whigsch schimp-
schrijver; Abjathar een rechtschapen, maar op den dwaalweg gebracht oude
cavalier. Een plaats in de boeken der Kronijken werd in dien zin verklaard,
dat |de koning boven het parlement stond; en een andere bijbeltekst werd
aangehaald ten bewijze, dat hij alleen het bevel over de militie behoorde te
voeren. Tot het einde zijner voordracht genaderd, maakte de redenaar een
schroomvallige zinspeling op de nieuwe en moeijelijke stelling der kerk
tegenover den souverein en herinnerde zijn hoorders, dat de keizer Con-
stantius Chlorus, schoon zelf geen christen, de christenen, die aan hun gods-
dienst trouw bleven, in eere gehouden en die, welke door afvalligheid naar
zijn gunst hadden gedongen, met minachting behandeld had. Op de dienst-
in de abdij volgde een prachtig feestmaal in het paleis, op het feestmaal
een luisterrijk vuurwerk en op het vuurwerk niet weinig slechte rijmelarij \').
Geestdrift der Dit mag beschouwd worden als het oogenblik, waarin de
aan den koning, geestdrift der Torypartij haar toppunt bereikt had. Sedert de
aanvaarding der regeering door den nieuwen koning had het adressen ge-
regend, waarin hooge vereering van zijn persoon en van zijn waardigheid en
bittere afkeer van de overwonnen Whigs werden uitgedrukt. De overheden
van Middlesex dankten God, dat Hij de aanslagen dier koningsmoorders
en uitsluitingsmannen verijdeld had, die, niet te vreden met den beganen
moord, een gezegende monarchie wilden vernielen. De stad Glocester
verfoeide de bloeddorstige booswichten, die zijn majesteit van zijn recht-
matig erfdeel hadden willen berooven. De burgers van Wigan verzekerden
hun souverein, dat zij hem tegen alle verraadbroeijende Achitophels en op-
roerige Absaloms zouden verdedigen. De groote jury van Suffolkgaf de hoop
te kennen, dat het parlement al de uitsluitingsmannen verbannen zou. Een
groot aantal corporatiën verbond zich om nooit eenig persoon naar het
parlement af te vaardigen, die gestemd had om Jakobus zijn geboorterecht
te doen ontzeggen. Zelfs de hoofdstad was uitermate gedienstig. Advokaten
en kooplieden\' wedijverden in kuiperijen. De colleges der rechtbanken van
het gemeene recht en der kanselarij-hoven zonden vurige betuigingen van
verkleefdheid en onderworpenheid in. Al de groote handelmaatschappijen,
de Oost-Indische, de Afrikaansche, de Turksche, de Moscovische com-
\') London Gazette; Gazette de France; Clarke\'s Leven van Jakobus II, II, 10;
Geschiedenis der kroning van koning Jakobus II en van koningin Maria, door Francis
Sandford, heraut van Lancaster, fol. 1687 ; Evelyns Dagboek, 21 Mei 1685 ; Burnet I,
628; Eachard III, 734; Leerrede, voorgedragen voor hunne majesteiten koning
Jakobus II en koningin Maria, ter gelegenheid van hun kroning in de abdij van West-
minster, den 23 April 1685, door Francis, lord-bisschop van Ely en lord-aalmoezenier.
Ik heb een verslag in het Italiaansch gelezen, te Modena uitgegeven, waarin vooral
de behendigheid opmerking verdient, waarmede de schrijver het feit weet te verbergen,
dat de gebeden en psalmen in het Engelsch gezegd en gezongen worden en de bis-
schoppen ketters waren.
-ocr page 354-
330                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
pagnieën, die van Hudsons Baay, die van de handelaren op Maryland en op
Jamaica en die der kooplieden op avontuur \') verklaarden, dat zij met het
grootste genoegen zich aan het koninklijk edict onderwierpen, waarbij de
voortdurende betaling van rechten van hen gevorderd werd. Bristol, de
tweede stad van het eiland, sprak in denzelfden zin als Londen, Doch
nergens was de geest van loyauteit krachtiger dan in de twee hooge scholen.
Oxford betuigde nooit te zullen afdwalen van de godsdienstige beginselen,
die haar verplichtten den koning zonder eenige beperking of voorbehoud
te gehoorzamen. Cambridge veroordeelde in sterke bewoordingen de ge-
welddadigheid en trouweloosheid der onruststokers, die boosaardiglijk ge-
poogd hadden den alouden loop der erfopvolging een verkeerde richting te
geven a).
De verkiozingcn. Adressen als deze vulden een geruimen tijd lang alle nommers
der London-Gazette. Doch de Tories toonden hun ijver niet door adressen
alleen. De oproepingsbrieven voor het nieuwe parlement waren uitgevaar-
digd en het land was vol van het rumoer, door de algemeene verkiezingen
veroorzaakt. Geen verkiezing had ooit onder gunstiger omstandigheden voor
het hof plaats gevonden. Honderdduizenden, welke de schrik, door het papis-
tisch komplot verspreid, whigsgezind had gemaakt, waren uit afschuw voor
het roggenhuis-komplot weder in Tories veranderd. In de graafschappen
kon de regeering zich verlaten op een onoverwinnelijke meerderheid onder
de bezitters van driehonderd p. st. en meer jaarlijksch inkomen en op de
geestelijkheid, schier tot den laatsten man toe. De kiesvlekken, die eenmaal
de hoofdsterkten van het Whiggisme waren geweest, waren korten tijd ge-
leden door rechterlijke gewijsden van hun vrijbrieven beroofd geworden of
hadden zoodanige uitspraak door den vrijwilligen afstand dier vrijbrieven
voorkomen. Thans waren ze zoo ingericht, dat hun keuze niet anders dan op
personen kon vallen, die het hof geheel en al toegedaan waren. Waar de
stadbewoners niet te vertrouwen waren, was het kiesrecht aan de naburige
landbezitters verleend geworden. In sommige der kleine corporatiën van
het westen bestonden de kiescolleges grootendeels uit kapiteins en luitenants
van de lijfwacht. De kiesbeambten stonden overal aan de zijde van het hof.
In ieder graafschap maakten de lord-luitenant en zijn plaatsvervangers een
machtig, bedrijvig en waakzaam comité uit om de vrije grondbezitters te
belezen of hun vrees aan te jagen. Van duizenden kansels werd het volk
plechtig gewaarschuwd nooit voor eenig whigsgezind kandidaat te stemmen,
vermits zij daarvoor rekenschap te geven zouden hebben aan Hem, die de
bestaande machten ingesteld en verklaard had, dat oproer een doodzonde
was, niet minder verfoeijelijk dan tooverij. Van al deze voordeden maakte
de heerschende partij niet slechts zooveel mogelijk gebruik, maar zelfs zulk
een schandelijk misbruik, dat ernstige en denkende mannen, die in tijden
van gevaar der monarchie trouw gebleven waren en van republikeinen en
\') Het bedrijf van dezen beantwoordde aan hetgeen thans «varen op avontuur" ge-
noemd wordt, met dien verstande echter, dat hun hoofdstreven was nieuwe landen en
nieuwe handelswegen te ontdekken.
                                                               V.
") Zie de London-Gazette, gedurende de maanden Februari, Maart en April 1685.
-ocr page 355-
33l
JAKOBUS II.
scheurmakers een afschuw hadden, angstig werden en uit zulk een begin de
naderende komst van kwade tijden voorspelden \').
De Whigs echter, schoon zij de gerechte straf voor hun dwalingen onder-
gingen, schoon zij overwonnen, ontmoedigd en verstrooid waren, onder-
wierpen zich niet zonder slag of stoot. Zij telden nog tallooze aanhangers in
de steden onder de handelaren en gezeten ambachtslieden en ten platten
lande onder de yeomanry en den boerenstand. In sommige districten,
b. v. in Dorsetshire en in Somersetshire vormden zij de groote meerder-
heid der bevolking. In de nieuwgeordende kiesvlekken konden zij niets
uitrichten; doch in elk graafschap, waar zij eenige kans hadden, streden zij
wanhopend. In Bedfordshire, dat laatstelijk door den deugdzamen en onge-
lukkigen Russell vertegenwoordigd was, waren zij de overwinnaars bij het
opsteken der handen, doch bij het opnemen der stemmen werden zij ge-
slagen l). In Essex stemden zij met dertienhonderd stemmen tegen achttien-
honderd J). Bij de verkiezing voor Northamptonshire was het geringe volk
den kandidaat van het hof zoo vijandig, dat een bende soldaten op de markt-
plaats der graafschapshoofdstad post vatte en bevel ontving om met scherp
te laden 4). De geschiedenis van den kiesstrijd voor Buckinghamshire is nog
merkwaardiger. De whigsche kandidaat, Thomas Wharton, onderscheidde
zich evenzeer door bedrevenheid als door vermetelheid en was bestemd om,
onder verscheiden opvolgende regeeringen een belangrijke, schoon niet
altijd even loffelijke staatkundige rol te spelen. Hij was een der leden van
het Lagerhuis geweest, die de wetsvoordracht tot uitsluiting voor de balie
van het Huis der Lords gebracht hadden. Het hof had dus besloten zijn
verkiezing, door eerlijke of oneerlijke middelen, te doen mislukken. De
lord-opperrechter Jeffreys kwam in persoon naar Buckinghamshire om zeker
iemand bij te staan. Hacket genaamd, die tot de Hoog-tories behoorde.
Er werd een kunstgreep bedacht, die, naar men meende, het doel niet zou
kunnen missen. Men kondigde af, dat de stemming te Aylesbury zou plaats
hebben en Wharton, wiens bedrevenheid in alle verkiezingskunsten zonder
wederga was, nam zijn maatregelen in die onderstelling. Eensklaps verlegde
de sheriff de stemming naar Newport Pagnell. Wharton en zijn vrienden
snelden derwaarts en vonden dat Hacket, die in het geheim was, reeds alle
logementen en kwartieren in beslag had genomen. De whigsche kiezers
waren genoodzaakt hun paarden aan de heggen vast te binden en onder den
blooten hemel in de weilanden, die de kleine stad omgeven, den nacht door te
\') Het zou licht vallen een boekdeel te vullen met hetgeen whigsche geschied- en
pamphletschrijvers over dit onderwerp geschreven hebben. Ik zal slechts de woorden
van een enkelen getuige aanvoeren, die kerksgezind en Tory was. »De verkiezingen,"
zegt Evelyn, «worden geacht meerendeels op zeer onbehoorlijke wijze te zijn geleid,
God geve, dat ze betere gevolgen mogen hebben dan door sommigen verwacht wordt."
(10 Mei 1685.) Verder zegt hij: »De waarheid is, dat er onder de nieuwe leden velen
waren, wier verkiezing en afvaardiging algemeen afgekeurd werden."
\') Uit een nienwsbrief in de bibliotheek van het koninklijk instituut. Citters ge-
waagt van de sterkte der Whigpartij in Bedfordshire.
•) Bramstons gedenkschriften.
*) Beschouwingen over een vertoog en protest van alle goede protestanten van dit
koningrijk, 1689; Gesprek tusschen twee vrienden, 1689.
-ocr page 356-
332
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
brengen. Met de grootste moeite konden in zoo korten tijd de noodige ver-
verschingen voor menschen en dieren gevonden worden, ofschoon Wharton,
die, wanneer zijn eerzucht en zijn partijgeest ontvlamd waren, zich hoege-
naamd niets aan geld liet gelegen liggen, in een enkelen dag vijftien honderd
p. st., voor die tijden een verbazende som, uitgaf. Die onrechtvaardigheid
schijnt echter den moed der wakkere yeomen van Bucks \'), zonen van de
kiezers van John Hampden, te hebben aangevuurd. Wharton verkreeg niet
slechts de meeste stemmen, maar hij was bovendien in staat de stemmen,
die hij over had, ten behoeve van een man van gematigde denkwijze af te
staan om den kandidaat des opperrechters te doen vallen \').
In Cheshire duurde de strijd zes dagen. De Whigs telden ongeveer zeven-
tienhonderd, de Tories nagenoeg tweeduizend stemmen. De geringe volks-
klasse stond de Whigs met hevigheid voor, verhief den kreet «wegmetde
bisschoppen," beleedigde de geestelijkheid in de straten van Chester, wierp
een lid van de Torypartij ter aarde, sloeg de glazen in en mishandelde
de rustbewaarders. De burgermilitie werd opgeroepen om de onrust te stillen
en bijeengehouden om de feestvieringen der overwinnaars te beschermen.
Toen het opnemen der stemmen geëindigd was, werd door een saluut uit vijf
groote stukken geschut in het kasteel, de triomf, door kerk en staat behaald,
aan het omliggende land verkondigd. De klokken werden geluid. De nieuw
verkozen parlementsleden begaven zich in feestelijken optocht, begeleid
door muziek en door een langen stoet van ridders en squires, naar het mid-
den der stad. Gedurende den marsch zong de processie: »Heil zij dengrooten
Caesar" een loyale ode, onlangs door Durfey geschreven en die, schoon, ge-
lijk al wat Durfey schreef, in den hoogsten graad erbarmelijk, destijds even-
wel bijna zoo populair was, als Lillibullero weinig jaren later werd \'). Daar
gekomen, werd de militie in slagorde geschaard, een vreugdevuur ontstoken,
de uitsluitingswet verbrand en onder luide toejuichingen de gezondheid van
koning Jakobus gedronken. De volgende dag was een zondag. Des morgens
werden de straten, die naar de hoofdkerk leiden, door de militie afgezet. De
twee ridders van het graafschap werden door de stedelijke overheid met
groote pracht naar het koor geleid, hoorden den deken een leerrede, waar-
schijnlijk over den plicht van lijdelijke gehoorzaamheid, uitspreken en wer-
den vervolgens door den maire onthaald *).
In Northumberland ging de zegepraal van Sir John Fenwick, een hoveling,
wiens naam later een treurige vermaardheid verkreeg, van omstandigheden
vergezeld, die te Londen belangstelling wekten en niet onwaardig geacht
werden, om in de depêches van vreemde gezanten vermeld te worden.
Newcastle werd met vreugdevuren van groote stapels steenkolen verlicht.
Van de torens klonk een vroolijk klokkengelui. Een exemplaar van de uit-
sluitingswet en een zwart kistje, gelijkende op dat, hetwelk volgens het
\') Verkorting van Buckinghamshire.                                                          V.
2)  Gedenkwaardigheden uit het leven van Tomas, Marquis van Wharton, 1715.
3)  Zie de Guardian, N°. 67; een voortreffelijke proeve van Addisons eigenaardige
schrijfwijze. Het zou moeijelijk vallen in eenig ander schrijver een voorbeeld te vinden
van een met minachting zoo fijn doorweven welwillendheid.
*) De Observator, 4 April 1685,
-ocr page 357-
333
Jakobus ii.
volkssprookje het huwelijksverdrag tusschen Karel II en Lucy Walters be-
vatte, werd met luide jubelkreten in de vlammen geworpen \').
De algemeene uitslag der verkiezingen overtrof zelfs de stoutste verwach-
tingen van het hof. Met verrukking zag Jakobus, dat hij geen duit zou
behoeven te besteden om stemmen te koopen. Hij zeide, dat het Huis der
Gemeenten met uitzondering van een veertigtal stemmen juist zoo samen-
gesteld was, als hij het zelf zou hebben verkozen \'). En naar luid der toen-
malige wetten stond het in zijn macht dit Huis der Gemeenten tot aan het
einde zijner regeering in wezen te houden.
Van de parlementaire ondersteuning verzekerd, kon hij thans het genot
der wraak zoeken. Hij was van nature niet verzoenlijk; en toen hij nog
onderdaan was, had hij onder beleedigingen en smadelijkheden geleden, die
zelfs een vergevensgezind gemoed tot bitteren en duurzamen wrok hadden
kunnen stemmen. Eén klasse van menschen vooral, de getuigen van het
papistisch komplot, had met voorbeeldelooze en onbeschrijfelijke laaghar-
tigheid en wreedheid naar zijn eer en zijn leven gestaan. Zijn haat tegen
hen verdient wel eenige verschooning; want tot op dezen dag. doet alleen de
bloote vermelding hunner namen de verfoeijing en het afgrijzen aller sekten
en partijen herleven.
Sommige der snoodaards waren buiten het bereik der menschelijke ge-
rechtigheid. Bedloe was in zijn goddeloosheid gestorven, zonder eenig
teeken van berouw of schaamte s). Dugdale was hem naar het graf gevolgd,
tot waanzin gedreven, zeide men, door den angel van het naberouw hun,
die zijn bed omringden, met luide angstkreten toeroepende, dat ze lord
Stafford toch van zijn legerstede zouden verwijderen *). Ook Carstairs was
niet meer. Zijn einde was louter verschrikking en wanhoop geweest en
met zijn laatsten ademtocht had hij zijn bewakers gezegd, dat men hem als
een hond in een sloot moest werpen, want dat hij niet waardig v/as in een
christelijke begraafplaats te rusten 5). Oates en Dangerfield echter waren
G|\'ns"rvin\'!ov«\'".01\' n°g binnen het bereik van den strengen vorst, dien zij zoo
zwaar beleedigd hadden. Jakobus had kort voor zijn troonsbestijging tegen
Oates een civiele actie wegens laster ingesteld en de jury had de schade-
vergoeding op het ontzettend bedrag van honderd duizend p. st. bepaald 6).
De beschuldigde was bij lijfsdwang in hechtenis genomen en bevond zich
thans als schuldenaar in de gevangenis, zonder eenige hoop op verlossing.
Eenige weken voor den dood van Karel II had de groote jury van Middlesex
twee tegen hem ingediende aanklachten wegens meineed bevestigd. Kort
na het einde der verkiezingen had het proces plaats.
Onder de hoogere en middelstanden telde Oates nauwelijks een enkelen
vriend meer. Alle verstandige Whigs waren nu overtuigd, dat, mocht zijn
\') Depêche der hollandsche afgezanten, 10—20 April 1685.
O Burnet I, 626.
a) Een getrouw verslag van de ziekte, het overlijden en de begrafenis van kapitein
Bedloe, 1680; Verhaal van den lord-opperrechter North.
») De kuiperijen van het papistisch komplot, door Smith, 1685.
•) Burnet I, 439.
*) Zie de procedures in de verzameling van staatsgedingen.
-ocr page 358-
334                            GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
verhaal ook in sommige opzichten op feiten hebben berust, hij die evenwel
tot grondslag voor een verbazende opeenstapeling van verdichtselen gemaakt
had. Een groot aantal dwepers van lagen stand beschouwden hem evenwel
nog steeds als een weldoener des vaderlands. Deze lieden begrepen zeer
goed, dat, zoo hij veroordeeld werd, zijn vonnis uiterst streng zou zijn, en
waren derhalve onvermoeid in het aanwenden van pogingen om hem te doen
ontkomen. Schoon hij zich nog alleen voor schulden in hechtenis bevond,
werd hij op bevel van het bestuur der gevangenis van Kings Bench in boeijen
geslagen en zelfs in dien toestand werd hij met moeite in verzekerde bewaring
gehouden. De bulhond, die zijn deur bewaakte, werd vergiftigd; en den
nacht, die zijn terechtstelling voorafging, werd een touwladder in zijn cel
gebracht.
Den dag, dat hij voor de rechtbank geleid werd, was Westminster-Hall
dicht bezet met toeschouwers, onder welke veel roomsch-katholieken, die
begeerig waren de ellende en de vernedering van hun vervolger te aan-
schouwen \'). Zijn korte hals, zijn beenen, krom als die van een das, zijn
voorhoofd, lang als van een baviaan, zijn purperen wangen en zijn ontzettend
lange kin waren voor weinige jaren welbekend geweest aan allen, die de
gerechtshoven bezochten. Toen was hij de afgod der natie geweest. Overal,
waar hij verscheen, ontblootten de menschen het hoofd voor hem. Het leven
en de goederen der grooten van het rijk waren in zijn macht. Thans waren
de tijden veranderd; en velen, die hem voorheen als een redder zijns vader-
lands beschouwd hadden, gruwden bij den aanblik dier afschuwelijke trek-
ken, waarop de hand van God den stempel van laaghartigheid scheen gedrukt
te hebben 2)-
Het bleek uit bewijzen, die geen twijfel toelieten, dat deze man door
valsche getuigenissen verscheiden onschuldige personen met voorbedachten
rade vermoord had. Vergeefs riep hij de voornaamste der parlementsleden
op, die hem beloond en geroemd hadden, om te zijnen voordeele te getuigen.
Sommigen der opgeroepenen bleven weg. Geen hunner zeide iets, dat tot
zijn rechtvaardiging strekte. Een van hen daarentegen, de graaf van Hun-
tingdon, verweet hem bitter, dat hij het parlement had bedrogen en oor-
zaak was, dat het de misdaad van onschuldig vergoten bloed op zich had
geladen. De rechters hoonden en smaadden met een buitensporigheid, die
bij de behandeling zelfs der afschuwelijkste gedingen weinig strookt met
de rechterlijke waardigheid. Hij liet nochtans geen enkel teeken van vrees
of schaamte blijken en trotseerde met den overmoed der vertwijfeling den
storm van verguizing, die van de bank der rechters, van de balie en van den
zetel der getuigen boven hem losbarstte. Hij werd op beide de aanklachten
schuldig verklaard. Hoezeer zijn schuld, uit een zedelijk oogpunt beschouwd,
moord was onder de verzwarendste omstandigheden, in het oog der wet was
zij slechts een correctioneel misdrijf. Maar de rechtbank wilde zijn straf
l) Evelyns Dagboek. 7 Mei 1685.
*) Er bestaan nog verscheiden afbeeldingen van Oates. De treffendste beschrijvin-
gen van zijn persoon zijn te vinden in Norths Onderzoek, 225, in Drydens Absalom
en Achitophel en in een gedrukt blad, getiteld: «Een bekendmakings- en vervolgings-
kreet tegen T. O."
-ocr page 359-
JAKOBUS tt.                                             335
strenger maken, dan die van crimineele misdadigers of van hoogverraders
en niet slechts hem doen sterven, maar zelfs hem den dood onder de gruw-
zaamste folteringen doen ondergaan. Hij werd veroordeeld om van zijn
geestelijk gewaad ontbloot en op het paleisplein aan de kaak gesteld te
worden; vervolgens zou hij met een opschrift boven zijn hoofd, waarop de
redenen zijner schande vermeld stonden, rondom Westminster-Hall gevoerd
en tegenover de koninklijke beurs op nieuw aan den schandpaal gesteld
worden; daarop zou hij den heelen weg van Aldgate naar Newgategegeeseld
worden en na verloop van twee dagen, wederom dezelfde straf ondergaan en
wel van Newgate naar Tyburn. Zoo hij tegen alle waarschijnlijkheid deze
verschrikkelijke foltering mocht overleven, dan zou hij zijn leven lang in
strenge bewaring gehouden, doch vijfmaal in het jaar uit zijn kerker gehaald
en op verschillende plaatsen in de hoofdstad aan de kaak gesteld worden *).
Dit gruwzame vonnis werd streng uitgevoerd. Op den dag, dat Oates op
het paleisplein aan de kaak gesteld werd, werd hij onbarmhartig met steenen
geworpen en was het schier te duchten, dat hij aan stukken zou gescheurd
worden \'). Doch in de City kwamen zijn aanhangers in grooten getale bijeen,
brachten een oploop te weeg en wierpen den schandpaal omver3). Zij waren
echter niet in staat hun gunsteling te bevrijden. Men vermoedde, dat hij
trachten zou het vreeselijke lot, dat hem wachtte, door vergif te ontgaan. Al
wat hij at en dronk werd derhalve zorgvuldig onderzocht. Den volgenden
ochtend werd hij naar buiten gebracht om zijn eerste geeseling te onder-
gaan. Reeds in den vroegen morgen bezette een ontelbare menigte al de
straten, die van Newgate naar Old-Bailey leidden. De beul voerde de zweep
met ongewone strengheid, zoo dat het blijkbaar was, dat hij bepaalde be-
velen had ontvangen. Het bloed vloeide in stralen neder. Een tijdlang
toonde de misdadiger een verwonderlijke standvastigheid; eindelijk echter
week zijn hardnekkige moed. Het was vreeselijk zijn gebrul te hooren. Hij
viel verscheiden malen in onmacht; doch de zweep verflauwde niet. Toen
zijn handen werden losgemaakt, scheen het, dat hij zooveel had uitgestaan
als het menschelijk lichaam slechts vermag, zonder dat de laatste levensvonk
wordt uitgedoofd. Jakobus werd gebeden hem kwijtschelding van de tweede
geeseling te verleenen. Diens antwoord was kort en bondig: »Men zal er
mee voortgaan, zoo lang hij nog adem heeft." Er werd een poging gedaan
om de bemiddeling der koningin te verwerven, doch zij weigerde met ver-
ontwaardiging ten voordeele van zulk een booswicht slechts een enkel
woord in te brengen. Na een tijdsverloop van nauwelijks acht-en-veertig uur
werd Oates op nieuw uit zijn kerker gebracht. Hij was niet in staat zich op
de been te houden en men was genoodzaakt hem op een slede naar Tyburn
te sleepen. Hij was geheel bewusteloos en de Tories beweerden, dat hij zich
door sterken drank bedwelmd had. Iemand, die op den tweeden dag de slagen
telde, beweerde dat ze het getal van zeventien honderd hadden bedragen.
De ellendeling bracht er het leven af, doch was zijn einde zoo nabij geweest,
l) De verhandelingen zijn in de verzameling van staatsprocessen volledig opge-
nomen.
O Gazette de France, 29 Mei—9 Juni 1685.
•) Depêche der hollandsche gezanten, 19—29 Mei 1685.
-ocr page 360-
336
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
dat zijn onwetende en dweepzieke bewonderaars zijn herstel voor een won-
der hielden en als een bewijs voor zijn onschuld aanvoerden. De deuren
zijner gevangenis werden nu achter hem gesloten. Vele maanden lang bleef
hij in het donkerste kerkerhol van Newgate vastgeketend. Men zeide, dat
hij zich in zijn cel aan zwaarmoedigheid overgaf en dagen lang onder het
uiten van diepe zuchten, met gevouwen armen en zijn hoed over de oogen,
onbeweeglijk zat. De levendige belangstelling, door deze voorvallen gewekt,
bepaalde zich niet enkel tot Engeland. Millioenen roomsch-katholieken, die
met onze instellingen en staatspartijen volstrekt onbekend waren, hadden
vernomen, dat in ons eiland een bijzonder barbaarsche vervolging tegen de
belijders van het ware geloof had gewoed, dat vele vrome mannen den
marteldood hadden ondergaan en dat Titus Oates de voornaamste moor-
denaar was geweest. Er ontstond derhalve in verre landen groote blijdschap,
toen bekend werd, dat de goddelijke rechtvaardigheid hem eindelijk had
getroffen. Afbeeldingen van hem, die voorstelden, hoe hij aan de kaak stond
en hoe hij aan de beulskar ineenkromp, werden door gansch Europa\'ver-
spreid; puntdichters dreven in vele talen den spot met den doctorstitel, dien
hij voorgaf van de hooge school te Salamanca te hebben verworven, en be-
tuigden dat, vermits zijn gelaat niet tot blozen gebracht kon worden, het niet
meer dan billijk was, dat zijn rug dit gedaan werd \').
Hoe afgrijselijk ook de folteringen waren, die Oates onderging, ze zijn
met zijn misdaden niet op gelijke lijn te stellen. De oude engelsche wet, die
men door niet toepassing buiten gebruik had laten komen, behandelde den
valschen getuige, die door meineed den dood van een mensen veroorzaakt
had, als een moordenaar J). Dit was wijs en rechtvaardig; want zulk een
getuige is, inderdaad, de ergste moordenaar. Niet alleen laadt hij de
schuld op zich van onschuldig bloed, maar ook die van het verkrachten der
plechtigste verbintenis, die een mensch met zijn evenmensch kan aangaan
en van het verlagen ran instellingen, tegen welke het wenschelijk is, dat
de maatschappij met eerbied en vertrouwen zal opzien, tot werktuigen der
vreeselijkste onrechtvaardigheid en tot voorwerpen van algemeen wantrou-
wen. Het kwaad, door gewonen sluipmoord veroorzaakt, is niet te vergelijken
\') Evelyns Dagboek, 22 Mei 1685; Eachard III, 741; Barnet L, 637; Toeschouwer,
27 Mei 1685; Dagboek van het Lagerhuis van Mei, Juni en Juli 1689; Tom Browns
Raadgeving aan Dr. Oates. Eenige merkwaardige omstandigheden komen in een blad
voor, gedrukt bij A. Brooks, Charing Cross, 1685. Ik heb fransche en italiaansche
vlugschriften uit dien tijd gezien, welke de geschiedenis van het geding en der straf-
oefening behelzen. Een afbeelding van Titus, aan de kaak staande, werd te Milaan
uitgegeven, met het navolgende vreemde opschrift. »Ouesto e il naturale ritratto di
Tito Otez, o vero Oatz, Inglese, posto in berlina, uno de principali professori della
religion protestante, accerrimo persecutore de\' Cattolici, e gran spergiuro." Ik heb ook
een hollandsche gravure van zijn terechtstelling gezien, met eenige latijnsche verzen,
waarvan de volgende tot proeve kunnen dienen:
At doctor fictus non fictos pertulit ictus,
A tortore datos haud molli in corpore gratos,
Disceret ut vere scelera ob commissa rubere.
Het anagram van zijn naam, Testis Ovat, komt in verschillende landen op vele
gravures voor.
O Blackstone\'s Commentariën. Hoofdstuk over moord.
-ocr page 361-
337
JAKOBUS II.
met de gevolgen van dien moord, zoodra de rechtbanken er de werktuigen
van zijn. De bloote uitdooving van de levensvonk is slechts een zeer gering
gedeelte van hetgeen een strafoefening verschrikkelijk maakt. De langdurige
gemoedsangst des lijders, de schande en de ellende van allen, die in betrek-
king tot hem staan, de smet, die zelfs nog het derde en vierde geslacht blijft
aankleven, dat alles is veel verschrikkelijker dan de dood zelf. Men mag
over het algemeen veilig beweren, dat de vader van een talrijk gezin veeleer
al zijn kinderen door ziekte of ongelukken zoude willen verliezen, dan
dat hij slechts een enkel hunner door beulshanden zag omkomen. Moord
door valsche getuigenis is derhalve de strafwaardigste soort van sluipmoord,
en Oates had zich aan veel zoodanige moorden schuldig gemaakt. Desniet-
temin kan de straf, waaraan hij werd onderworpen, niet gerechtvaardigd
worden. Door hem te veroordeelen van zijn geestelijk gewaad ontbloot
en levenslang ingekerkerd te worden schijnen de rechters hun wettige
macht te hebben overschreden. Zij hadden ontegenzeggelijk het recht hem
tot zweepslagen te veroordeelen; ook had de wet het getal der slagen niet
bepaald. Maar de geest der wet was klaarblijkelijk, dat geen misdrijf zwaar-
der gestraft mocht worden dan de afschuwelijkste misdaden. De ergste
misdadiger kon slechts gehangen worden. De rechters veroordeelden Oates,
om, naar zij dachten, ter dood gegeeseld te worden. Dat de wet gebrekkig
was is geen toereikende verontschuldiging; want gebrekkige wetten behooren
door de wetgevende macht veranderd, maar niet door de rechtbanken ver-
draaid te worden; en het minst van alles moest de wet verdraaid worden
met het oogmerk om te pijnigen en te dooden. Dat Oates een snoodaard
was, is evenmin een voldoende verontschuldiging; want de schuldigen zijn
bijna altijd \'de eersten, die het onrecht ondergaan, dat later als antecedent
voor het verdrukken van onschuldigen dient. Aldus was \'t in het tegen-
woordige geval. Onbarmhartige slagen werden weldra de gewone straf voor
staatkundige misdrijven van geen bijzonder zwaren aard. Voor onbedachte
woorden, tegen de regeering uitgesproken, werden soms menschen tot zoo
ondraaglijke folteringen veroordeeld, dat zij met ongeveinsden aandrang
smeekten op crimineele aanklacht gevonnisd en naar de galg verwezen te
worden. Gelukkig werd de voortgang van dit groote euvel al spoedig gestuit
door de omwenteling en door het artikel van de wet der rechten, die alle
wreedaardige en ongebruikelijke strafoefeningen verbiedt.
vf>"a,nj£rfi?id1n De boosheid van Dangerfield had niet, zoo als die van Oates,
het verderf van talrijke onschuldige offers veroorzaakt; want Dangerfield
had het beroep van getuige eerst ter hand genomen, toen de geschiedenis
van het komplot wantrouwen begon in te boezemen en de juries ongeloovig
waren geworden \'). Hij werd, schoon niet op beschuldiging van meineed,
\') Volgens Roger North werd door de rechters beslist, dat Dangerfield, reeds
vroeger aan meineed schuldig bevonden, onbekwaam was om in de zaken van het
komplot getuigenis af te leggen. Doch dit is een der vele in zijn werken voorkomende
onnauwkeurigheden. Het blijkt uit hel verslag van het proces van Lord Castlemaine in
Juni 1680, dat Dangerfield na veel redetwisten tusschen de pleitbezorgers en na veel
raadplegingen tusschen de rechters der verschillende hoven in Westminster-Hall be-
eedigd werd en zijn verhaal mocht voordragen; doch de jury weigerde, zeer terecht,
hem geloof te schenken.
MACAULAY L
22
-ocr page 362-
338
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
maar van het minder verfoeijelijk misdrijf van paskwilschrijven, voor de
rechtbank gebracht. Hij had tijdens de beweging, die door de voordracht
der uitsluitingswet verwekt werd, een verhaal in het licht gegeven, dateenige
valsche en hatelijke aantijgingen tegen den overleden en den regeerenden
koning bevatte. Ter zake van de uitgave van dit geschrift werd hij thans na
een tijdsverloop van vijfjaar, plotseling gegrepen, voor den geheimen raad
gebracht, gevangen gezet, verhoord, schuldig verklaard en gevonnisd om
den heelen weg over van Aldgate naar Newgate, en van Newgate naar
Tyburn gegeeseld te worden. Gedurende het proces legde de rampzalige
groote onbeschaamdheid aan den dag, doch toen hij vernam wat er over
hem besloten was, verviel hij tot wanhoop, beschouwde zich zoo goed als
dood en gaf een tekst voor zijn lijkrede op. Zijn voorgevoel bedroog hem
niet. Hij werd, wel is waar. niet zoo uiterst streng gegeeseld, als men Oates
gedaan had, doch hij bezat ook diens ijzeren geest en ligchaamskrachten
niet. Na de voltrekking der straf werd Dangerfield in een huurkoets ge-
zet en naar de gevangenis terug gebracht. Toen hij den hoek van Hatton-
Garden voorbijreed, deed een torygezind heer van Gray\'s Inn \'), Francis
genaamd, het rijtuig stilstaan en riep op ruwen schertsenden toon: »Wel,
vriend, zijt gij van ochtend eens warm geworden?" De bloedende gevangene,
door dezen schimp buiten zich zelven gebracht, antwoordde met een ver-
wensching. Francis sloeg hem daarop met een rotting in het aangezicht,
waardoor het oog getroffen werd. Dangerfield werd stervende binnen New-
gate gebracht. Deze laaghartige mishandeling wekte de verontwaardiging
der omstanders op. Zij grepen Francis en werden met moeite weerhouden
hem aan stukken te scheuren. Het aanzien van Dangerfields lichaam, dat
door de zweep verschrikkelijk opengereten was, deed velen tot het geloof
overhellen, dat zijn dood voornamelijk, zoo niet geheel, aan de slagen te
wijten was, die hij ontvangen had. De regeering en de opperrechter achtten
het dienstig de geheele blaam op Francis te werpen, die, schoon hij zich
hoogstens aan manslag onder verzwarende omstandigheden had schuldig
gemaakt, wegens moord terechtgesteld en ter dood gebracht werd. Zijn
laatste rede is een der merkwaardigste gedenkteekenen van dien tijd. De
woeste aard, die hem naar de galg had gevoerd, bleef hem tot het laatste
oogenblik bij. Snoeverijen over zijn loyauteit en smaadredenen tegen de
Whigs vermengden zich met de laatste uitroepingen, waarmede hij zijn ziel
in de goddelijke barmhartigheid aanbeval. Er was een los gerucht verbreid,
dat zijn vrouw Dangerfield bemind had, die zich door zijn minnarijen ver-
maard had gemaakt en een bij uitstek schoon man was geweest. De nood-
lottige slag was, zeide men, uit ijverzucht toegebracht. Met een half be-
spottelijken, half plechtigen ernst, verdedigde de stervende echtgenoot den
goeden naam der dame. Zij was, sprak hij, een deugdzame vrouw; zij was
uit een loyaal geslacht voortgesproten, en zoo ze geneigd geweest was de
\') Een der londensche rechtscullegies. De heer was dus een advokaat. Deze
worden gewoonlijk te Londen genaamd »praktizijns van Gray\'s Inn, van den Inner
Temple, Middle Temple" of dergelijke, al naar het college van advokaten, waartoe
zij behooren.
-ocr page 363-
JAKOBUS II.                                            339
huwelijkstrouw te schenden, dan zou zij althans een Tory en een hoog-
kerkgezinde tot haar minnaar hebben gekozen \').
JJTÖjSf. Omstreeks denzelfden tijd verscheen een aangeklaagde, die met
Oates of Dangerfield zeer weinig overeenkomst had, voor de balie der ko-
ninklijke rechtbank. Nooit heeft eenig uitstekend partijhoofd gedurende
vele jaren van staatkundige en kerkelijke verdeeldheid een onschuldiger
wandel geleid dan Richard Baxter. Hij behoorde tot de meest vreedzame
en meest gematigde afdeeling der puriteinsche gemeente Hij was een jong
mensch, toen de burgeroorlog uitbrak. Hij geloofde, dat het recht aan de
zijde der Huizen was, en vond zich in \'t minst niet bezwaard om als veld-
prediker bij een regiment van het parlementsleger in dienst te «aan; doch
zijn heldere en eenigszins twijfelzuchtige geest en zijn krachtig gevoel voor
recht bewaarden hem voor alle buitensporigheid. Hij lei er zich op toe de
dweepzieke gewelddadigheid der soldaten in toom te houden. Hij keurde de
handelingen van het hoog gerechtshof af. Gedurende de republiek hac hij
den moed bij vele gelegenheden en eenmaal zelfs in tegenwoordigheid van
Cromwell liefde en vereering voor de oude instellingen des lands uit te
drukken. Terwijl het koninklijk gezin in ballingschap was, werd Baxters
leven grootendeels te Kidderminster in de ijverige vervulling zijner herder-
lijke ambtsplichten doorgebracht. Hij werkte van harte mede tot de restau-
ratie en was door den oprechten wensch bezield een vereeniging tusschen
de bisschopsgezinden en de presbyterianen tot stand te brengen. Want met
een in zijn tijd zeldzame vrijzinnigheid oordeelde hij, dat vraagstukken, be-
treffende de kerkregeling, van weinig beteekenis waren in vergelijking met
de groote beginselen van het christendom, en hij had nooit, zelfs niet toen
het prelaatschap bij de heerschende macht het meest gehaat was, in het
geschreeuw tegen de bisschoppen ingestemd. De poging tot verzoening der
twistende partijen mislukte. Baxter verbond zijn lot met dat van zijn ver-
volgde vrienden, weigerde den bisschopszetel van Hereford, verliet de
pastorie van Kidderminster en gaf zich bijna geheel aan zijn studie over.
Zijn theologische geschriften, schoon te gematigd om den bijval der dwepers
van eenige partij te verwerven, genoten een weergalooze vermaardheid.
IJverige staatskerksgezinden noemden hem een rondkop en vele non-confor-
misten beschuldigden hem van Erastianisme en van Arminianisme. Maar
de rechtschapenheid zijner gevoelens, de reinheid van zijn levenswandel, de
kracht en helderheid zijner geestvermogens, en de uitgebreidheid zijner
kennis werden door de voortreffelijkste en verlichtste mannen van alle par-
\') De verhandelingen over het proces van Dangerfield zijn niet opgeteekend ; maar
ik heb een beknopt verslag in een gedrukt blad van dien tijd gezien. In de verzameling
van staatsregelingen zal men een uittreksel der getuigenverhooren tegen Francis, met
zijn laatste woorden, vinden. Zie Eachard III, 741. Het verhaal van Burnet bevat meer
onjuistheden dan regels. Zie ook Norths Onderzoek, 256, de levensschets van Dan-
gerfield in de bloedige assises, de Toeschouwer van 29 Juli 1685 en het gedicht
«Dangerfields schim aan Jeffreys". In het zeer zeldzame werk, getiteld: «Beknopte
geslachtsbeschrijvingen, door Kobert Halstead," zegt Lord Peterborough, dat Danger-
field, met wien hij eenigen omgang had gehad, «een jong mensch was van deftig voor-
komen, van ernstige houding en wiens woorden van een meer dan gewoon verstand
schenen te getuigen."
-ocr page 364-
340                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
tijen erkend. Zijn staatkundige gevoelens waren ondanks de verdrukking,
die hij en zijn geloofsbroeders geleden hadden, gematigd. Hij was bevriend
met die kleine partij, die door Whigs en Tories beiden gehaat werd. Hij
kon, zeide hij, niet in de verwenschingcn tegen de Trimmers instemmen, als
hij zich herinnerde, wie het was, die gezegd had: zalig zijn de vreedzamen \').
In een Commentarium op het nieuwe testament had hij met eenige bitter-
heid over de vervolgingen geklaagd, die de afgescheidenen te lijden hadden.
Dat lieden, die, omdat zij ^een gebruik maakten van het algemeene gebeden-
boek, van huis en haard verdreven, van hun bezittingen beroofd en in
kerkerholen opgesloten werden, het wagen durfden eenig gemor te laten
hooren, werd toen als een zwaar misdrijf tegen kerk en staat beschouwd.
Roger Lestrange, de voorvechter der regeering en het orakel der geestelijk-
heid, hief in den Toeschouwer den oorlogskreet aan. Er werd een aanklacht
ingesteld. Baxter verzocht, dat men hem eenigen tijd zou toestaan om zich
tot zijn verdediging voor te bereiden. Op den dag, dat Oates op het paleis-
plein aan de kaak gesteld werd. kwam het eerbiedwaardig hoofd der puri-
teinen, gebukt onder den last zijner jaren en kwalen, naar Westminster-Hall
om dit verzoek te doen. Jeffreys barstte in een storm van woede uit. «Geen
minuut," schreeuwde hij; »al gold het zijn leven. Ik weet met heiligen om
te gaan, even goed als met zondaars. Daar staat Oates aan de eene zijde van
den schandpaal en, als Baxter aan de andere zijde stond, zouden de twee
grootste schelmen van het koninkrijk naast elkander staan."
Toen het geding te Guildhall in behandeling kwam, was een menigte der-
genen, die Baxter lief hadden en vereerden, in de rechtzaal tegenwoordig.
Naast hem stond doctor William Bates, een der uitstekendste afgescheiden
godgeleerden. Twee whigsche rechtsgeleerden van grooten naam, Pollexfen
en Wallop, verschenen ter verdediging van den beschuldigde. Pollexfen had
nauwelijks zijn aanspraak aan de jury begonnen, of de opperrechter barstte
los: «Pollexfen, ik ken u wel. Ik zal u bekend maken. Gij zijt de patroon
der partij. Dat is een oude schelm, een scheurmakende schurk, een huichel-
achtige booswicht. Hij haat de liturgie. Hij zou niet anders willen hebben
dan langgerekt geteem, zonder kerkboek." En daarop sloeg zijn lordschap
de oogen omhoog, vouwde de handen, en begon, in navolging van hetgeen
hij voor Baxters wijze van bidden hield, door den neus te zingen: »Heere,
wij zijn uw volk, uw uitverkoren volk, uw dierbaar volk." Pollexfen her-
innerde bescheiden het hof, dat wijlen zijn majesteit Baxter een bisdom
waardig had geacht. »En wat scheelde den ouden domkop dan," schreeuwde
Jeffreys, »dat hij het niet aannam ?" Zijn woede klom nu bijkans tot razernij.
Hij noemde Baxter een hond en zwoer, dat het niet meer dan recht zou
zijn, zulk een booswicht de gansche stad door te zweepen.
Wallop kwam tusschenbeide, maar het ging hem niet beter dan zijn voor-
ganger. «Gij zijt in al deze vuile zaken betrokken, mijnheer Wallop," zeide
de rechter. «De heeren van de toga moesten zich schamen zulke oproerige
schurken bij te staan." De advokaat deed nog eens een poging om gehoor te
1) Baxters Voorrede tot Sir Matthew Hale\'s gedachten over het wezen der ware
godsdienst, 1684.
-ocr page 365-
JAKOBUS II.                                             341
erlangen, maar vruchteloos. «Als gij uw plicht niet kent," zeide Jefïreys;
»dan zal ik u dien leeren."
Wallop hernam zijn plaats en Baxter zelf trachtte een woord in te bren-
gen. Maar de opperrechter overschreeuwde alle tegenspraak met een vloed
van spot- en schimpredenen, gemengd met aanhalingen uit Hudibras. »My-
lord," zeide de oude man; »ik heb veel miskenning bij de afgescheidenen
ondervonden, omdat ik met achting van bisschoppen heb gesproken." —
«Baxter voor bisschoppen!" riep de rechter uit; »dat is inderdaad een
koddig verzinsel. Ik weet wat gij zeggen wilt met bisschoppen; schurken,
zoo als gij zelf zijt, bisschoppen van Kidderminster. muitzieke teemende
presbyterianen!" Op nieuw poogde Baxter te spreken en op nieuw begon
Jeffreys te brullen: «Richard, Richard, gelooft gij, dat wij u het hof zullen
laten vergiftigen? Richard, gij zijt een oude schelm. Gij hebt genoeg boeken
geschreven om er een kar mede vol te laden en elk dier boeken is zoo vol
muiterij als een ei vol voedsel. Maar, bij Gods genade! ik zal u in \'t oog
houden. Ik zie een groote menigte uit uw broederschap, die allen wachten
om te vernemen, wat met hun grootmachtigen aanvoerder zal geschieden.
En daar," ging hij voort, zijn woeste blikken op Bates richtende, «daar staat
een doctor van de partij, daar naast u. Maar, bij de genade van God Almach-
tig, ik zal u allen verpletteren."
Baxter zweeg nu. Doch een der jongere advokaten voor de verdediging
deed een laatste poging en wilde beproeven te bewijzen, dat de woorden,
waarover geklaagd werd, voor geen zoodanige uitlegging vatbaar waren, als
er in de acte van beschuldiging aan gegeven werd. Met dit oogmerk begon
hij het verband, waarin zij voorkwamen voor te lezen Oogenblikkelijk werd
hij overschreeuwd. »Gij zult het hof in geen conventikel verkeeren!" Men
hoorde luid geween van sommigen dergenen, die Baxter omringden. «Snot-
terende kalveren!" gromde de platte rechter.
Er waren getuigen tegenwoordig om ten voordeele van zijn gedrag en van
zijn karakter te spreken en onder hen verscheiden geestelijken van de
staatskerk. Maar de opperrechter wilde niets aanhooren. «Gelooft uw lord-
schap," vroeg Baxter; *>dat een jury iemand zal schuldig vinden na een
gerechtelijk onderzoek als dit?" «Ik verzeker u, mijnheer Baxter," zeide
Jeffreys; «gij behoeft u daarover niet ongerust te maken." Jeffreys oordeelde
juist. De sheriffs waren de werktuigen der regeering. De gezworenen, door
de sheriffs gekozen uit de vurigste ijveraars van de Torypartij, beraadslaag-
den een oogenblik en gaven toen de uitspraak van schuldig. «Mylord,"
zeide Baxter, toen hij het hof verliet: «er was eenmaal een opperrechter, die
mij gansch anders behandeld zoude hebben." Hij doelde op zijn geleerden
en deugdzamen vriend Sir Matthew Hale. «Er is in gansch Engeland geen
eerlijk man, die u niet voor een schurk houdt," antwoordde Jeffreys \').
Het vonnis was, voor die tijden, zeer zacht. Wat in de beraadslaging der
rechters voorviel, kan men niet met zekerheid weten. Onder de non-confor-
•) Zie de Toeschouwer van 25 Februari 1685, de aanklacht in de verzameling van
staatsgedingen, het verhaal van Calamy over hetgeen voor de rechtbank voorviel,
Leven van Baxter, hoofdstuk XIV, en de zeer merkwaardigste uittrekselen uit de
handschriften van Baxter, in de levensbeschrijving door Orme, in 1830 uitgegeven.
-ocr page 366-
342                            GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
misten geloofde men, en dit is zeer waarschijnlijk, dat de opperrechter door
zijn drie ambtsbroeders overstemd werd. Hij stelde voor, zegt men, dat
Baxter aan de beulskar heel Londen door gegeeseld zou worden. De meer-
derheid der rechters was van oordeel, dat een uitstekend godgeleerde, wien
een vierde eener eeuw geleden een bisschopsmijter was aangeboden, en die
nu in zijn zeventigste jaar was, met boete en inkerkering voor eenige scherpe
woorden zwaar genoeg gestraft zou zijn \').
•chSfché\'jfriJmra\'. De wijze, waarop Baxter door een rechter behandeld werd,
die lid van het kabinet en de gunsteling des souvereins was, doet op onmis-
kenbare wijze de gevoelens kennen, waarmede het bestuur destijds de pro-
testantsche nonconformisten beschouwde. Doch reeds hadden die gevoelens
zich door krachtiger en verschrikkelijker teekenen aan den dag gelegd. Het
schotsche parlement was bijeen gekomen. Jakobus had de zitting van dit
staatslichaam opzettelijk bespoedigd en de bijeenkomst der engelsche Huizen
uitgesteld, omdat hij hoopte, dat het voorbeeld, door Edinburgh gegeven,
te Westminster van goede uitwerking zou zijn. Want het wetgevend lichaam
van zijn noordelijk koninkrijk was even onderdanig als de provinciale staten,
welke Lodewijk XIV in Bretanje en Bourgondië nog steeds met eenige hun-
ner oude functiën liet spelen. In het schotsche parlement konden alleen
aanhangers der episkopaalsche kerkgezinden zitting verkrijgen, en zelfs
geen andere dan zij een stem voor de verkiezingen van parlementsleden uit-
brengen : in Schotland was elk episkopaal een Tory of een oogendienaar.
Van een aldus samengestelde vergadering was weinig oppositie tegen den
koninklijken wil te duchten; en zelfs deze vergadering kon geen wet aan-
nemen, die niet vooraf door een commissie van hovelingen goedgekeurd was.
Al wat de regeering verlangde, werd bereidwillig toegestaan. Uit een
financieel oogpunt was, trouwens, de mildheid der schotsche staten van
weinig beteekenis. Zij gaven echter al wat hun beperkte middelen toelieten.
Zij verbonden ten eeuwigen dage aan de kroon de rechten, die den overleden
koning waren toegestaan, en die in zijn tijd op veertig duizend p. st. \'s jaars
geschat waren. Zij kenden verder aan Jakobus voor den tijd van zijn leven
een jaarlijksche vermeerdering van inkomsten toe ten bedrage van twee
honderd zestien duizend schotsche ponden, wat gelijk stond met achttien
duizend p. st. De geheele som, die zij in staat waren te verleenen, bedroeg
ongeveer zestig duizend p. st. \'s jaars, weinig meer dan hetgeen in den tijd
van iedere veertien dagen in de engelsche schatkist gestort werd \').
Daar zij weinig geld te geven hadden, vergoedden de staten dit door
loyale betuigingen en barbaarsche wetten. In een brief, die hun bij de ope-
ning hunner zitting werd voorgelezen, noodigde de koning hen in heftige
taal uit nieuwe strafwetten tegen de wederspannige presbyterianen te ont-
werpen en gaf hij zijn leedwezen te kennen, dat hij om zaken buiten de
mogelijkheid was zoodanige wetten in persoon van den troon te komen voor-
stellen. Zijn bevelen werden gehoorzaamd. Met spoed werd een door de
ministers der kroon voorgestelde wet aangenomen, die iedere andere wet,
1) Handschriften van Baxter, door Orme aangehaald.
\') Parlementsakten, Karel II, 29 Maart 1661 en Jakobus VIII, 28 April 1685 en
13 Mei 1685.
-ocr page 367-
343
JAKOBUS II.
zelfs van dat ongelukkig land en van dat ongelukkig tijdperk, in wreedaardig-
heid overtreft. In korte, maar krachtige woorden werd bepaald, dat elk, die
in een conventikel binnen een gebouw predikte, of die, hetzij als prediker
of als toehoorder, een conventikel in de open lucht bijwoonde, met den dood
en met verbeurdverklaring van zijn vermogen gestraft zou worden \').
Gezindheid Tan Deze wet, die op verlangen des konings door een aan zijn wil
Jakobnft tegenover                                                 _ ,                  ,                                             ....
de puriteinen, onderworpen vergadering werd aangenomen, verdient bijzon-
dere aandacht. Want Jakobus is door onwetende schrijvers dikwerf voor-
gesteld als een vorst, die, ja. onbezonnen en onverstandig in de keuze zijner
middelen was, doch die een der edelste doeleinden beoogde, waarnaar een
heerscher streven kan, de invoering van volkomen godsdienstvrijheid. Ook
valt niet te loochenen, dat enkele gedeelten zijner levensgeschiedenis, wan-
neer men ze geheel buiten verband en oppervlakkig beschouwt, dit gunstig
denkbeeld van zijn karakter schijnen te rechtvaardigen.
Als onderdaan was hij gedurende vele jaren een vervolgd man geweest,
en vervolging had op hem de gewone uitwerking gehad. Zijn verstand, hoe
stomp en hoe bekrompen ook, had onder die scherpe tucht gewonnen.
Tijdens hij van het hof, van de admiraliteit en van den raad was uitgesloten
en in gevaar verkeerde zelfs van den troon te worden uitgesloten, omdat hij
zich niet kon onthouden van het geloof aan de transsubstantiatie en aan het
oppergezag van den Stoel van Rome, maakte hij zulke rasse vorderingen in
de leer der verdraagzaamheid, dat hij Milton en Locke achter zich liet.
»Wat," zeide hij dikwerf, »wat kon onrechtvaardiger zijn dan gedachten
door straffen te wreken, die slechts op handelingen behoorden te volgen ?
Wat kon onstaatkundiger zijn dan de diensten van goede krijgs-en zeelieden,
van rechtsgeleerden, diplomaten en financiers te verwerpen, omdat zij on-
rechtzinnige gevoelens ten aanzien van het getal der sacramenten of van de
alomtegenwoordigheid der heiligen aankleefden ?" Hij leerde de gewone
redeneeringen van buiten, welke alle sekten zoo vaardig voordragen, wanneer
zij verdrukking lijden, en zoo licht vergeten, zoodra zij in staat zijn zich over
die verdrukking te wreken. Inderdaad, hij zeide zijn les zoo goed op, dat zij,
die hem toevallig over dit onderwerp hadden hooren spreken, hem veelmeer
verstand en vaardigheid van voordracht toeschreven, dan hij werkelijk be-
zat. Zijn betuigingen verblindden eenige liefelijke personen en wellicht ook
hem zelven. Maar zijn ijver voor gewetensvrijheid eindigde te gelijk met de
heerschappij der Whigpartij. Toen het geluk wisselde, toen hij niet meer
vreesde, dat anderen hem zouden vervolgen, en het in zijn macht stond het
anderen te doen, begonnen zijn ware neigingen zich te vertoonen. Hij haatte
de puriteinsche sekten met een veelzijdigen haat, een godsdienstigen, staat-
kundigen, overgeérfden en persoonlijken tevens. Hij beschouwde hen als de
vijanden des hemels, als de vijanden van alle wettig gezag in kerk en staat,
als de vijanden van zijn overgrootmoeder, van zijn grootvader, van zijn vader
en zijn moeder, van zijn broeder en van hem zelven. Hij, die zoo luide ge-
klaagd had over de wetten tegen de papisten, verklaarde niet te kunnen
\') Parlementsakten van Jakobus VII, 8 Mei 1685; Toeschouwer, 20 Juni 1685.
Blijkbaar wenschte Lestrange, dat dit antecedent in Engeland navolging mocht vinden.
-ocr page 368-
344                            GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
begrijpen, hoe men de onbeschaamdheid kon hebben de herroeping der
wetten tegen de puriteinen voor te stellen \'). Hij, wiens lievelingsthema het
betoog der onrechtvaardigheid geweest was om van burgerlijke beambten
godsdienstige zuiveringseeden te vorderen, stelde in Schotland, toen hij daar
als onderkoning gevestigd was, den strengsten godsdiensteed in, dien men
ooit in het rijk gekend had 2). Hij, die een gerechte verontwaardiging had
aan den dag gelegd, toen priesters van zijn eigen kerk gehangen en gevieren-
deeld werden, vermeide zich nu in het hooren der kreten en in het aanzien
van het smartelijk wringen der covenanters, terwijl hun knieën in de dwang-
laarzen platgekneusd werden s). In deze gemoedsstemming werd hij koning,
en terstond vroeg en verkreeg hij van de dienstvaardige staten van Schot-
land de uitvaardiging der bloedigste wet, die in onze eilanden ooit tegen
protestantsche nonconformisten afgekondigd werd.
bSan\'ddïnt\'der Met deze wet stemde de geest van zijn bestuur in alle deelen
c\'ïena\'tc™. volmaakt overeen. De hevige vervolgingen, die gewoed hadden,
toen hij als stedehouder over Schotland geregeerd had, werden van den dag,
dat hij souverein was, heviger dan ooit. De graafschappen, waar de cove-
nanters het talrijkst waren, werden aan de willekeur en den overmoed des
legers prijs gegeven. In het leger bevond zich een militie, samengesteld uit
de gewelddadigste en losbandigste dergenen, die zich episkopalen noemden.
De meest gevreesde der benden, die deze ongelukkige streken verdrukten en
uitmergelden, waren de dragonders, welke James Graham van Claverhouse
aanvoerde. Er werd gezegd, dat deze god- en eervergeten mannen bij hun
gelagen om helsche straffen speelden en elkander de bijnamen van duivels en
van verdoemde zielen gaven 4). Het hoofd van deze hel op aarde, een krijgs-
man van uitstekenden moed en bekwaamheid, maar roofzuchtig en godde-
loos, opvliegend van inborst en verstokt van hart, Ijeeft een naam nagelaten,
die overal, waar op de oppervlakte des aardsbols af komelingen van schot-
schen stam gevestigd zijn, met bijzonder bitteren haat wordt uitgesproken.
Al de misdaden op te tellen, waardoor deze man en anderen van gelijke ge-
aardheid de landlieden der westelijke laaglanden van Schotland tot razernij
dreven, zou een eindeloos werk wezen. Eenige weinige voorbeelden zullen
voldoende zijn; en elk dier voorbeelden zal uit de geschiedenis van slechts
veertien dagen gekozen worden, van die zelfde veertien dagen, waarin het
schotsche parlement op dringend verzoek van Jakobus een nieuwe wet van
voorbeeldelooze hardheid tegen afgescheidenen uitvaardigde.
John Brown, een arme voerman uit Lanarkshire, werd om zijn uitstekende
\') Zijn eigen woorden, door hem zelven opgeteekend. Clarke\'s Leven van Jako-
bus II, I, 656. Oorspronkelijke gedenkschriften.
2)  Parlementsakten van Karel II, 31 Augustus 1681.
3)  Burnet, I, 583; Wodrow, III, v. 2. Ongelukkig ontbreken bijna al de notulen
van den schotschen Geheimen Raad tijdens het bestuur van den hertog van York (1848).
Deze bewering is ten stelligste tegengesproken, niettemin blijft het feit waar: in de
verhandelingen van den schotschen Geheimen Raad is een gaping van Augustus 1678
tot Augustus 1682. De hertog van York kwam zich in December 1679 met der
woon in Schotland vestigen. Hij verliet het om er nooit weder in terug te komen
Mei 1682. (1857)
\') Wodrow, III, IY, 6.
-ocr page 369-
JAKOBUS II.                                            345
godsvrucht gewoonlijk de christelijke voerman genoemd. Veel jaren later
toen Schotland rust, voorspoed en godsdienstvrijheid genoot, werd hij
door oude mannen, die zich den boozen tijd herinnerden, beschreven als
iemand, die in godsdienstige onderwerpen welbedreven, van onbesproken
gedrag en zoo vreedzaam van aard was, dat de tyrannen hem niets te laste
konden leggen, dan alleen, dat hij de openbare godsdienstoefeningen der
bisschopsgezinden niet bijwoonde. Op den eersten Mei was hij met turf-
steken bezig, toen hij door de dragonders van Claverhouse gevat, in groote
haast verhoord van niet-overeenstemming met de staatskerk overtuigd en
ter dood veroordeeld werd. Men zegt, dat het niet gemakkelijk viel, zelfs
onder de soldaten, een beul te vinden. De vrouw van den armen man was
ter plaatse tegenwoordig; zij leidde een kleinkind aan de hand, terwijl het
gemakkelijk te zien was, dat zij weldra aan een ander het leven zou schenken;
en zelfs die wilde en hardvochtige mannen, die elkander de schertsnamen
van Beëlzebub en Apollion gaven, aarzelden om de groote goddeloosheid te
begaan haar echtgenoot voor haar oogen om het leven te brengen. Inmiddels
stortte de gevangene, door het naderend uitzicht op de eeuwigheid aan zich
zelven ontvoerd, gebeden uit, luid en vurig als van iemand, die in geestver-
rukking is, totdat Claverhouse in zijn woede hem doodschoot. Door geloof-
waardige ooggetuigen werd verhaald, dat de weduwe in haar zielsangst
uitriep: »Goed, Sir, goed, de dag der vergelding zal eenmaal komen!" en
dat de moordenaar antwoordde: «Voor menschen kan ik verantwoorden
wat ik gedaan heb, en wat God aangaat, met dien zal ik wel afrekenen."
Doch men beweerde, dat de laatste woorden van zijn slachtoffer, zelfs op
zijn verhard geweten en versteend hart een indruk maakten, die nimmer
werd weggenomerf\').
Den 5 Mei werden twee ambachtslieden, Pieter Gillies en John Bryce, in
Avrshire terechtgesteld voor een militaire rechtbank, bestaande uit vijftien
soldaten. De acte van beschuldiging is nog voorhanden. Den gevangenen
werd te laste gelegd, niet, dat zij eenige oproerige handelingen gepleegd,
maar dezelfde verderfelijke stellingen aangekleefd hadden, waardoor anderen
tot muiterij gedreven waren, en dat hun slechts de gelegenheid had ont-
broken om volgens die stellingen te handelen. De procedure was kort en
bondig. Binnen weinige uren werden de twee aangeklaagden gevonnisd,
opgehangen en samen in een kuil onder de galg geworpen \').
De 11 Mei werd door meer dan één groote misdaad gekenmerkt. Som-
mige strenge calvinisten hadden uit de leer der verwerping de gevolgtrek-
king afgeleid, dat het bidden voor eenig mensch, die tot verderf gedoemd
was, een handeling van weerspannigheid was tegen de eeuwige raadsbeslui-
ten van het Opperwezen. Drie arme arbeidslieden, die van deze liefdelooze
1) Wodrcnv III, IX, 6. De uitgever der Oxfordsche uitgave van Kurnet tracht deze
daad te verschoonen, aanvoerende, dat Claverhouse toen in last had alle verkeer tus-
schen Monmouth en Argyle af te snijden, en door te onderstellen, dat John Iirown
wellicht betrapt werd, terwijl hij tijdingen tusschen de oproerige legers overgebracht.
De onjuistheid van dit vermoeden blijkt daaruit, dat John Brown den eersten Mei werd
doodgeschoten, toen Argyle en Monmouth beiden nog in Holland waren en er in ons
gansche eiland nergens opstand was.
>) Wodrow III, DC, 6.
-ocr page 370-
3 46
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
godsdienstleer diep doordrongen waren, werden in de omstreken van Glasgow
door een officier in hechtenis genomen. Zij werden ondervraagd, of zij voor
koning Jakobus VII \') wilden bidden. Zij weigerden zulks te doen, bijaldien
hij niet een der uitverkorenen was. Een kommando musketiers rukte voor.
De gevangenen knielden neder; zij werden geblinddoekt; en een uur, nadat
zij aangehouden waren, werd hun bloed door de honden opgelikt 2).
Terwijl dit in Clydesdale voorviel, werd in Eskdale een niet minder af-
schuwelijke daad gepleegd. Een der verbannen covenanters had, door ziekte
overvallen, in het huis eener achtenswaardige weduwe een schuilplaats ge-
vonden en was daar gestorven. Het lijk werd ontdekt door den laird van
Westerhall, een dwingeland in \'t klein, die in de dagen van het covenant
buitensporigen ijver voor dé presbyteriaansche kerk had voorgegeven, doch
sedert de restauratie door afvalligheid de gunst der regeering gekocht
had, en jegens de partij, die hij verlaten had, den onverzoenlijken haat ge-
voelde, die de renegaten kenmerkt. Deze man sloopte het huis der arme
vrouw, liet haar huisraad wegvoeren en, terwijl haar en haar jonge kinderen
niets overbleef dan in het open veld rond te dwalen, sleepte hij haar zoon
Andreas, nog slechts een knaap, voor Claverhouse, die toevallig door dit
gedeelte van het land op marsch was Claverhouse was toen juist in een
onbegrijpelijk zachtmoedige stemming. Sommigen dachten, dat hij sedert
den dood van den christelijken voerman, die tien dagen te voren had plaats
gehad, nog niet geheel tot zich zelven was gekomen. Maar Westerhall was
begeerig zijn loyauteit te toonen en perste hem een weerstrevende toestem-
ming af. De geweren werden geladen en den jongeling gelast zijn muts over
zijn aangezicht te trekken. Hij weigerde en stond met den bijbel in de hand,
de oogen op zijn moordenaars gevestigd. »Ik kan ulieden in het aangezicht
zien," zeide hij; »ik heb niets gedaan, waarover ik mij behoef te schamen.
\') Sommige menschen, die niet eens zich de moeite hebben gegeven mijn zegsman
te raadplegen, hebben op hoogen toon beweerd, dat ik die ongelukkige menschen
schandelijk belasterd heb; dat ik niets begrijp van de calvinistische geloofsleer en het
onmogelijk is, dat leden der kerk van Schotland ooit geweigerd zouden hebben voor
iemand te bidden, op grond dat hij niet tot de uitverkorenen behoorde.
Ik kan alleen verwijzen naar het verhaal, dat Wodrow in zijn geschiedenis heeft
ingelascht, en dat hij te recht zeer eenvoudig — natuurlijk noemt. Dit verhaal is door
twee ooggetuigen geteekeud en Wodrow onderwierp het alvorens het uit te geven aan
het oordeel van een derden ooggetuige, die verklaarde, dat het in alle deeleu over-
eenkomstig de waarheid was. Uit dit verhaal wil ik niets dan de woorden aanhalen,
die op de zaak in kwestie betrekking hebhen. «Toen de drie ongelukkigen gevangen
waren, overlegden de officiers met elkander, wat zij doen zouden en vroegen ten laat-
ste de krijgsgevangenen bepaald af, uf zij voor koning Jakobus Vil wilden bidden.
Zij antwoordden, dat zij bidden konden voor alle uitverkorenen; waarop lialfour zei:
Betwijfelt gij dan, of de koning daaronder behoort? Zij antwoordden, dat zij somtijds
aan zich zelve twijfelden. Daarop begon hij hevig te tieren en zwoer, dat zij onmiddel-
lijk sterven zouden, omdat zij niet voor den stedehouder van Christus wilden bidden;
en beval zonder een enkel woord meer Thomas Cook zijn gebed te doen, want zij
moesten sterven."
In dit verhaal zag Wodrow niets onwaarschijnlijks. en het wil er bij mij niet in, dat
een schrijver van onzen tijd de meeningen en gevoelens der covenanters nu beter
vatten zou dan Wodrow heeft gedaan. (1857)
*) Wodrow III, IX, 6.
-ocr page 371-
347
JAKOBUS II.
Maar hoe zult gij uw oogen opslaan dien dag, als er over u geoordeeld zal
worden, volgens hetgeen in dit boek geschreven staat ?" Hij viel dood neder
en werd in het moeras begraven \').
Op denzelfden dag werden in Wigtonshire twee vrouwen, Margaretha
Maclachlan en Margaretha Wilson, eerstgemelde een bejaarde weduwe, de
tweede een meisje van achttien jaar, om haar geloof ter dood gebracht.
Levensbehoud werd deze slachtoffers aangeboden, zoo zij bereid waren de
zaak der covenanters af te zweren en de bisschoppelijke kerkdienst bij te
wonen. Zij weigerden en het vonnis luidde, dat ze verdronken zouden wor-
den. Zij werden naar een plek gebracht, die tweemaal daags door de Solway
overstroomd wordt, en aan palen gebonden, die tusschen de merken van
hoog en laag water in het zand waren geslagen. De oudste der lijderessen
werd het naast bij den rijzenden vloed geplaatst in de hoop, dat het gezicht
van haar doodstrijd de jongste tot onderwerping zou nopen. De aanblik was
vreeselijk. Maar de moed der overlevende werd gesterkt door een geestdrift,
zoo verheven, dat ze door geen ander voorbeeld in de geschiedenis der
martelaren wordt overtroffen. Zij zag den stroom al nader en nader komen,
doch liet geen teeken van vrees blijken. Zij bad en zong verzen van psalmen,
totdat de golven haar stem verstikten. Nadat zij een voorsmaak had gehad
van de bitterheid des doods, werd zij met wreedaardige genade losgemaakt
en weder in het leven geroepen. Toen zij haar bewustheid herkreeg, werd zij
door medelijdende vrienden en buren gesmeekt zich te onderwerpen. «Lieve
Margaretha, zeg slechts, God zegene den koning!" Het arme meisje, haar
strenge leer getrouw, riep hijgende uit: »Dat God hem zegene als het Godes
wil is." Haar vrienden omringden den voorzittenden officier: »Zij heeft het
gezegd, Sir, waarlijk zij heeft het gezegd." — »Zal zij den afzweringseed af-
leggen?" vroeg hij. — «Nooit" riep zij uit. »Ik behoor aan Christus; laat
mij gaan!" En de wateren sloten zich voor de laatste maal boven haar !).
Aldus werd Schotland geregeerd door den vorst, dien onwetende men-
schen als een vriend van de godsdienstvrijheid hebben geschilderd, wiens
ongeluk het geweest zou zijn, dat hij slechts te wijs en te goed was voor den
tijd, waarin hij leefde. Ja, de wetten, die hem de macht gaven aldus te
regeeren, waren in zijn oog nog lakenswaardig zacht. Terwijl zijn officieren
de gruweldaden pleegden, die wij zoo even vermeld hebben, spoorde hij het
schotsche parlement aan een nieuwe wet aan te nemen, in vergelijking
waarmede alle de vroegere wetten genadig genoemd mochten worden.
In Engeland was zijn gezag, hoe groot ook, nochtans door aloude en eer-
biedwaardige wetten beperkt, die zelfs de Tories hem niet geduldig zouden
hebben laten aanranden. Hier kon hij geen afgescheidenen voor militaire
rechtbanken zenden, of in den raad den wellust smaken hen met dwang-
\') Wodrovv III, IX, 6. Het grafschrift van Margaretha Wilson, op het kerkhof te
Wigton, is in het bijvoegsel tot de Wolk der getuigen afgedrukt:
«Murdered for owning Christ suprème
Head of his church and no more crime,
But her not owning Prelacy,
And not abjuring Presbytery
Within the sea, tied to a stake,
She suffered for Crist Jesus sake."
-ocr page 372-
348                               GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
laarzen aan in onmacht te zien vallen. Hier kon hij geen jeugdige meisjes
verdrinken, omdat zij den afzweringseed niet wilden afleggen, of arme land-
lieden doodschieten, omdat zij twijfelden, of hij een der uitverkorenen was.
Maar ook in Engeland bleef hij de puriteinen vervolgen, zoo ver zulks in zijn
vermogen was, tot dat gebeurtenissen, die wij later zullen vermelden, hem
op het denkbeeld brachten van een verbond tusschen puriteinen en papisten,
ten einde de staatskerk te kunnen vernederen en berooven.
Gezindheid van Eén sekte van protestantsche afgescheidenen echter be-
Jakobui Jegena dé .           ,....-.,.                   ......                     .              ,
kwaker». schouwde hij, zelfs m dit vroege tijdperk zijner regeenng reeds,
met eenige welwillendheid; dit was het genootschap der vrienden. Zijn in-
genomenheid met deze zonderlinge broederschap kan niet aan godsdienstige
sympathie worden toegeschreven; want onder allen, die de goddelijke zen-
ding van Jezus erkennen, verschillen de roomsch-katholieken en de kwakers
wel het meest. Het moge wonderspreukig schijnen te beweren, dat juist
deze omstandigheid den band tusschen roomsch-katholieken en kwakers
heeft gelegd, en toch is dit werkelijk het geval. Want van hetgeen de groote
meerderheid der natie als recht beschouwde, weken zij beiden in tegenover-
gestelde richtingen zoo ver af, dat zelfs vrijzinnige mannen het er over het
algemeen voor hielden, dat beiden buiten de grenzen der uiterste verdraag-
zaamheid stonden. De twee uiterste sekten hadden dus, juist omdat zij
uiterste sekten waren, een van de belangen der tusschen hen staande sekten
geheel afgescheiden gemeenschappelijk belang. De kwakers waren ook on-
schuldig aan alle misdrijven tegen Jakobus en zijn geslacht. Hun gemeente
was eerst in wezen gekomen, toen de oorlog tusschen zijn vader en het lange
parlement ten einde liep. Zij waren door sommige der revolutionnaire
regeeringen wreed vervolgd. Zij hadden zich sedert de restauratie ondanks
veel slechte behandeling aan het koninklijk gezag ootmoedig onderworpen.
Want zij waren, hoewel zij op grond van stellingen redeneerden, die de
anglicaansche godgeleerden als onrechtzinnig beschouwden, nochtans even
als deze tot het besluit gekomen, dat geen overmaat van dwingelandij van de
zijde der vorsten feitelijken tegenstand van den kant der onderdanen kon
wettigen. Nimmer had men een kwaker als schrijver van eenig schotschrift
tegen de regeering ontdekt\'). Nooit was een kwaker in eenige samenzwering
tegen het bestuur gemoeid geweest. Het gezelschap der vrienden had niet
in het geschreeuw om de uitsluitingswet ingestemd en had het roggenhuis-
komplot als een helschen aanslag en als een werk des duivels veroordeeld !).
Inderdaad, de vrienden namen destijds zeer weinig deel aan burgerlijke
onlusten; want zij waren niet, zoo als thans, in groote steden bijeenge-
schaard, maar behoorden meerendeels tot den landbouwenden stand, een
beroep, waaruit zij van lieverlede verdreven zijn door de kwellingen, die hun
zonderlinge gemoedsbezwaren tegen het betalen van tienden hun berokken-
den. Zij waren derhalve van het tooneel der staatkundige twisten ver ver-
wijderd. Stelselmatig vermeden zij, zelfs in den huiselijken omgang, alle
gesprekken over staatkunde. Want zoodanige gesprekken strekten naar hun
1) Zie den brief aan koning Karel II, die de apologie van Barclay voorafgaat.
*) Sewels Geschiedenis der kwakers, Xe boek.
-ocr page 373-
jakobus ir.                                        349
meening tot nadeel van hun godsdienstige gelijkmoedigheid in wereldsche
zaken en tot verstoring der strikte bedaardheid van hun houding. In de
jaarlijksche bijeenkomsten van dien tijd, werden de broeders herhaaldelijk
vermaand zich in geen gesprekken over staatszaken in te laten \'). Zelfs in
een tijd, dien nu nog levende personen zich herinneren, werd door die
ernstige ouderlingen, die de gewoonten van een vroeger geslacht behouden
hadden, zulke wereldsche taal stelselmatig afgekeurd \'). Het was natuurlijk,
dat Jakobus groot onderscheid maakte tusschen deze zachtaardige en die
opgewonden en rustelooze secten, die verzet tegen dwingelandij als een
christenplicht beschouwden, die in Duitschland, in Frankrijk en in Holland
wettige vorsten beoorloogd hadden, en die gedurende vier geslachten den
Huize Stuart bijzonder vijandig geweest waren.
Bovendien wilde het toeval, dat het mogelijk was den roomsch-katholieken
en den kwakers belangrijke lotsverlichting te schenken zonder het lijden
der puriteinsche sekten te lenigen. Een wet, destijds in werking, legde
zware straffen op aan een iegelijk, die den suprematie-eed weigerde af te
leggen als zulks gevorderd werd. Deze wet leverde voor presbyterianen,
independenten en wederdoopers geen bezwaar op; want zij waren allen
bereid om God tot getuige aan te roepen, dat zij alle gemeenschap met
v/eemde prelaten en potentaten afzwoeren. Maar de roomsch-katholieke
wilde niet bezweren, dat de paus geen rechtsgebied in Engeland had, en de
kwaker wilde volstrekt niets bezweren. Ter andere zijde werd de roomsch-
katholieke, evenmin als de kwaker, door de vijf-mijlen akte bewaard, die
wellicht voor de puriteinsche afgescheidenen de meest drukkende van alle
wetten was, die in de wetboeken voorkomen 3).
William Penn. De kwakers bezaten aan het hof een invloedrijken en ijverigen
voorspreker. Schoon zij, als stand, weinig omgang met de wereld hadden,
en de staatkunde als nadeelig voor hun godsdienstige belangen vermeden,
leefde evenwel een hunner, naar rang en fortuin boven de anderen grootelijks
onderscheiden, in de hoogste kringen en had bestendigen toegang tot het
oor des konings. Dit was de beroemde William Penn. Zijn vader had ter
zee gewichtige kommando\'s gevoerd, was commissaris van de admiraliteit
geweest, had een zetel in het parlement bekleed en was aangemoedigd om
op een pairschap te hopen. De zoon had een zorgvuldige wetenschappelijke
opvoeding genoten en was tot den krijgsmansstand bestemd geweest, doch
had nog in de jaren zijner jeugd zijn uitzichten bedorven en zijn vrienden
gekrenkt door zich aan lieden aan te sluiten, die destijds algemeen als een
\') Notulen der jaarlijksche bijeenkomsten, 1689, 1690.
\') Clarkson over de kwakers; eigenaardige gebruiken, hoofdstuk V.
\') Na het schrijven van het bovenstaande vond ik in het britsen museum een hand-
schrift (Harleysche Hss. 7506) getiteld: »Een opgave van inbeslagnemingen en ver-
beurdverklaringen, van groote plunderingen en verwoestingen van de bezittingen der
verschillende protestantsche afgescheidenen, kwakers genaamd, ter uitvoering van
oude wetten, die tegen papisten en papistische eedweigeraars gemaakt waren." Het
handschrift heeft volgens uiterlijke kenteekenen vroeger aan Jakobus toebehoord en
schijnt door zijn vetrouwden dienaar, kolonel Graham, aan lord Oxford ter hand te
zijn gesteld. Het komt mij voor, dat deze omstandigheid de meening bevestigt, die ik
van \'s konings behandeling der kwakers heb opgevat
-ocr page 374-
3 50                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
bende waanzinnige ketters beschouwd werden. Men had hem nu eens naar
den Tower, dan weder naar Newgate gezonden. Hij had voor Old-Bailey
weer terecht gestaan, omdat hij in strijd met de wet gepredikt had. Na
zekeren tijd echter was hij met zijn familie op goeden voet gekomen en er
in geslaagd zulk een machtige bescherming te erlangen, dat hij gedurende
vele jaren, terwijl alle kerkers in Engeland vol van zijn geloofsbroeders
waren, zijn gevoelen ongestoord kon belijden. Omstreeks het einde der vorige
regeering had hij tot voldoening van een oude vordering ten laste der kroon
een onmetelijke streek lands in Noord-Amerika ten geschenke gekregen. In
deze streek, toen enkel door indische jagers bevolkt, had hij zijn vervolgde
vrienden uitgenoodigd zich te komen vestigen. Zijn volkplanting was nog in
haar kindsheid, toen Jakobus den troon beklom.
Jakobus en Penn hadden reeds sedert lang op een vertrouwelijken voet
omgegaan. Thans werd de kwaker een hoveling, ja bijkans een gunsteling.
Hij werd dagelijks uit de galerij in het kabinet genoodigd en had somtijds
langdurige audiëntiën, terwijl pairs in de voorzalen moesten blijven wachten.
Het gerucht werd verspreid, dat hij meer wezenlijke macht bezat om te
helpen en te schaden, dan vele edelen, die hooge ambten bekleedden. Weldra
was hij van vleijers en van sollicitanten omringd. Zijn huis te Kensington
bevatte somtijds op het uur, dat hij opstond, meer dan tweehonderd be-
zoekers, die om gunsten kwamen vragen. Doch dit schijnbare geluk kwam
hem duur te staan. Zelfs zijn eigen sekte behandelde hem koel en betaalde
zijn diensten met lasteringen. Hij werd luide aangeklaagd een papist, ja
zelfs een jezuiet te zijn. Sommigen verzekerden, dat hij te St. Omer was
opgeleid, en anderen, dat hij te Rome de priesterwijding had ontvangen.
Deze aantijgingen konden, wel is waar, alleen bij de onverstandige menigte
ingang vinden ; doch onder die aantijgingen waren beschuldigingen gemengd,
die veel meer grond hadden \').
Tot de taak om van Penn de geheele waarheid te zeggen wordt eenige
moed gevorderd; want hij is veeleer een mythische dan een historische per-
soon. Wedijverende natiën en vijandige sekten hebben hem met eenparige
stemmen heilig verklaard. Engeland is trotsch op zijn naam. Een groot
gemeenebest aan gene zijde van den Atlantischen oceaan beschouwt hem
met een eerbied, gelijk aan dien, welken de Atheners aan Theseus en de
Romeinen aan Qnirinus toedroegen. Het achtbare genootschap, waarvan
hij lid was, vereert hem als een apostel. Door godsdienstige mannen van
andere geloofsgezindheden wordt hij algemeen als een schitterend voorbeeld
van christelijke deugd beschouwd. Te gelijkertijd heeft een gansch andere
1) Penns bezoeken te Whitehall en zijn levers te Kensington zijn door Gerardus
Croese met veel levendigheid, schoon in zeer slecht Latijn beschreven: »Sumebat,"
zegt hij, »rex saepe secretum, non horarium, vero horarum plurium, in quo de variis
rebus cum Penno serio sermonem conferebat. et interim differebat audire praecipuorum
nobilium ordinem, qui hoc interim spatio in procoetone, in proximo, regem conventum
praesto erant." Van de talrijke supplianten aan Penns huis, zegt Croese: «V\'idi
quandoque de hoc genere hominum non minus bis centum." Zijn berichten nopens de
gezindheid, waarmede Penn door zijn geloofsbroeders beschouwd werd, zijn klaar en
volledig. «Etiam Quakeri Pennum non amplius, ut ante, ita amabant ac magnifaciebant,
quidam aversabantur ac fugiebaot." Historia Quakeriana, lib. Il, 1695.
-ocr page 375-
3Si
JAKOBUS II.
klasse van bewonderaars zijn lof verkondigd. De fransche wijsgeeren van de
achttiende eeuw vergaven, wat zij zijn bijgeloovige grillen noemden, ter wille
zijner minachting van priesters en zijner wereldburgerlijke welwillendheid,
die hij onpartijdig over alle volksstammen en gezindheden uitstrekte. Zoo
doende is zijn naam in alle beschaafde landen gelijkluidend geworden met
rechtschapenheid en menschlievendheid.
Deze hooge vermaardheid is trouwens ook niet geheel onverdiend. Penn
was ontegenzeggelijk een man, die uitstekende deugden bezat. Hij had een
diep gevoel voor de plichten der godsdienst en was bezield met den vurigen
wensch het geluk zijner evenmensch te bevorderen. In een of twee punten
van hoog belang waren zijn inzichten juister dan die, welke te zijner tijd zelfs
aan mannen van verlichte denkwijze gemeen waren; en als de eigenaar en
wetgever van een gewest, dat, toen het in zijn bezit kwam, bijna onbewoond
was en een onafzienbaar veld voor zedekundige proefnemingen aanbood, had
hij het zeldzame geluk zijne theorieën in praktijk te kunnen brengen, zonder
in het minst te moeten schikken of plooijen en tevens zonder eenige botsing
met bestaande instellingen te veroorzaken. Er zal van hem steeds op eervolle
wijze gewaagd worden als van den stichter eener volkplanting, die in het
verkeer met een wild volk het overwicht der beschaving niet misbruikte, en
van een wetgever, die in een tijdperk van vervolging vrijheid van godsdienst
tot den hoeksteen zijner staatsregeling maakte. Maar zijn geschriften en zijn
leven leveren overvloedige bewijzen op, dat hij geen man van doordringend
verstand was. Hij bezat de gaaf niet om de karakters van anderen te door
gronden. Zijn vertrouwen in personen, die veel minder rechtschapen waren
dan hij, bracht hem tot vele dwalingen en berokkende hem veel tegenspoe-
den. Zijn geestdrift voor één groot beginsel deed hem somtijds andere
groote beginselen miskennen, die hij had behooren te eerbiedigen. Ook kon
zijn karakter de verzoekingen niet volkomen weerstaan, waaraan hij was
blootgesteld in die schitterende en verfijnde, maar diepverdorven maat-
schappij, in welke hij nu verkeerde. Het gansche hof was vol kuiperijen,
zoowel van galanterie als van eerzucht. In waardigheden, ambten en be-
genadigingen werd drukke handel gedreven. Geen wonder dus, dat een man,
die dagelijks in het paleis gezien werd en van wien men wist, dat hij vrijen
toegang tot den persoon des konings had, dikwerf lastig gevallen werd om
zijn invloed tot oogmerken te leenen, die tegen de toets eener strenge
zedelijkheid niet bestand waren. Penns rechtschapenheid had de proef van
smaad en vervolging gaaf doorgestaan. Doch thans nu hij door koninklijke
glimlachjes, door vrouwelijke lieftalligheid, door de innemende welsprekend-
heid en de behendige vleijerijen van oudgediende diplomaten en hovelingen
werd aangevallen, begon zijn standvastigheid te wankelen. Titels en spreek-
wijzen, waartegen hij menigmaal zijn stem had verheven, vielen nu en dan
van zijn lippen en uit zijn pen. En toch, het ware wenschelijk, dat hij zich
aan niets ergers had schuldig gemaakt, dan aan zulke toegeeflijkheden voor
de gebruiken der wereld. Ongelukkig kan niet verholen worden, dat hij een
voornaam deel gehad heeft in sommige bedrijven, die niet slechts door de
strenge wet van het genootschap, waartoe hij behoorde, maar ook door het
algemeen gevoelen van weldenkenden veroordeeld worden. Hij heeft later
-ocr page 376-
3j2
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
plechtig betuigd, dat zijn handen zuiver waren van ongeoorloofde winst en
hij van degenen, wien hij diensten bewezen had, nimmer eenige belooning
had aangenomen, schoon het hem niet moeijelijk zou gevallen zijn gedurende
den tijd, dat zijn invloed aan het hof bleef voortduren, een som van wellicht
honderd twintig duizend p. st. bijeen te brengen \'). Aan deze verzekering
moet men volkomen geloof hechten. Doch men kan der ijdelheid even goed
verlokkingen aanbieden als der hebzucht; en het valt onmogelijk te ont-
kennen, dat Penn overgehaald werd deel te nemen in eenige niet te recht-
vaardigen handelingen, waarvan anderen de voordeelen trokken.
Begumtigiiigen Het eerste gebruik, dat hij van zijn invloed maakte, was hoogst
katholieken en prijzenswaardig. Met nadruk stelde hij het lijden der kwakers
aan de kwakers r \' .             ° .                                   \'           \'
toestaan, den nieuwen koning voor en deze zag met genoegen dat het
mogelijk was aan deze rustige sectarissen en aan de roomsch-katholieken
toegevendheid te bewijzen zonder dezelfde gunst over andere klassen uit te
strekken, die destijds mede onder den drukcler vervolging waren. Er werd
een naamlijst der gevangenen opgemaakt, tegen wie rechtsgedingen ingesteld
waren, omdat zij de eedsaflegging weigerden of de staatskerk niet bezochten,
en omtrent wier loyauteit bewijzen aan de regeering waren overgelegd. Deze
personen werden ontslagen en er werden bevelen uitgevaardigd om in af-
wachting der nadere bekendmaking van \'s konings welbehagen geen verdere
soortgelijke procedures aan te vangen. Op deze wijze herkregen ongeveer
vijftien honderd kwakers en een nog grooter aantal roomsch katholieken
hun vrijheid 2).
En nu was de tijd gekomen, dat het engelsche parlement zou vergaderen.
De leden van het Huis der Gemeenten, die zich naar de hoofdstad hadden
begeven, waren in zoo grooten getale, dat het zeer twijfelachtig scheen, of
de kamer, zoo als die destijds was ingericht, hen allen zou kunnen bevatten.
De dagen, die de opening der zitting onmiddellijk vooraf gingen, bezigden
zij tot het voorloopig bespreken der openbare aangelegenheden, zoo wel
onderling, als met de agenten der regeering. Er werd in de herberg »de
Fontein" in het Strand een groote bijeenkomst der loyale partij gehouden,
en Roger Lestrange, die onlangs door den koning tot den ridderstand ver-
heven en door de stad Winchester tot parlementslid verkozen was, speelde
een voorname rol bij hun beraadslagingen 3).
Het bleek al ras, dat een groot gedeelte der leden inzichten koesterde,
niet geheel en al met die van het hof overeenstemmend. De Torygezinde
\') «Twintig duizend in mijn zak en honderd duizend in mijn provincie." Brief van
Penn aan Popple.
2)  Deze bevelen, door Sunderland onderteekend, zijn in Sewels Geschiedenis te
vinden. Zij dragen de dagteekening van den 18 April 1685. Zij zijn in een bijzonder
duisteren en ingewikkelden stijl geschreven, doch ik meen de beteekenis met juistheid
te hebben overgebracht. Ik heb geen bewijs kunnen vinden, dat eenig ander persoon,
dan roomsch-katholieken en kwakers op grond dezer bevelen zijn vrijheid verkreeg.
Zie Neale\'s Geschiedenis der Puriteinen, Ilde Deel 2de hoofdstuk; Gerard Croese,
2de boek. Croese bepaalt het getal der op vrije voeten gestelde kwakers op veertien
honderd zestig.
3)  Barillon, 27 Mei tot 7 Juni 1685; Toeschouwer 27 Mei 1685; Gedenkschriften
van Sir John Reresby.
-ocr page 377-
353
jakobus ii.
landlieden verlangden bijna zonder een enkele uitzondering de toetsactc en
de habeas-corpus-acte te handhaven, en sommigen hunner spraken er van
de staatsinkomsten niet dan voor een beperkt getal jaren toe te staan. Maar
zij waren volkomen bereid strenge wetten tegen de Whigs uit te vaardi-
gen en zouden niet blijdschap gezien hebben, dat men al de voorstanders
der uitsluitingswet onbekwaam had verklaard ambten te bekleeden. De
koning, van zijn kant, wenschte van het parlement de bewilliging der staats-
inkomsten voor den tijd van zijn leven, de toelating van rooniseh-katholieken
tot ambten en de herroeping der habeas-corpus acte te verkrijgen. Op deze
drie punten had hij zijn hart gesteld en hij was volstrekt niet gezind een
strafwet tegen de uitsluitingswet in de plaats daarvoor aan te nemen. Zulk
een wet zou hem zelfs stellig mishaagd hebben, want zekere klasse van uit-
sluitingsmannen stond bij hem hoog aangeschreven; die namelijk, waarvan
Sunderland de vertegenwoordiger was, de klasse, die zich in de dagen van
het komplot bij de Whigs gevoegd had, enkel en alleen omdat deze de over-
hand hadden en met de wenteling der fortuin ook van partij waren veranderd.
Deze afvalligen beschouwde Jakobus met recht als de bruikbaarste werk-
tuigen, die hij kon bezigen. Van de onversaagde cavaliers, die hem in zijn
tegenspoeden trouw gebleven waren, kon hij in zijn voorspoed geen kruipende
en blinde gehoorzaamheid verwachten. Doch de mannen, die niet door ijver
voor vrijheid of voor godsdienst, maar enkel door zelfzuchtige hebzucht en
zelfzuchtige vrees aangespoord, geholpen hadden hem te onderdrukken, toen
hij machteloos was, zouden, nu hij machtig was, door dezelfde hebzucht en
vrees gedreven, hem hun bijstand leenen om zijn volk te onderdrukken \').
Hij was wraakgierig, doch niet onbezonnen in zijn wraak. Er kan geen enkel
voorbeeld worden aangevoerd, dat hij diegenen, die hem eerlijk en om rede-
nen van openbaar belang weerstaan hadden, grootmoedig medelijden betoond
heeft. Maar menigwerf ontzag en bevorderde hij hen. welke cenig verachtelijk
oogmerk had aangespoord om hem te beleedigen. Want de laaghartigheid,
die hen als geschikte werktuigen der dwingelandij deed kennen, was in zijn
schatting van zoo hooge waarde, dat hij ze met eenige toegevendheid be-
schouwde, zelfs dan, wanneer ze te zijnen kosten was aan den dag gelegd.
\'s Konings wenschen werden langs verschillende wegen aan de Toryge-
zinde leden van het Lagerhuis kenbaar gemaakt. De meerderheid liet zich
gemakkelijk overreden alle gedachten aan een strafwet tegen de uitsluitings-
mannen te laten varen en toe te stemmen, dat de staatsinkomsten aan zijn
majesteit voor levenslang toegestaan wierden. Doch ten aanzien der toets-
acte en der habeas-corpus-acte konden de zendelingen van het hof geen
bevredigende toezeggingen erlangen !).
Bijeenkomst »«n Den negentienden Mei werd de zitting geopend. De banken van
het cnicelscuc .--.,,                                   ,                 , ... r        _
parlement, het Huis leverden een vreemden aanblik op. De groote partij,
die in de drie jongste parlementen de overhand had gehad, was thans tot een
\') Lodewijk schreef over deze klasse van uitsluitingsmannen het navolgende aan
Barillon: «L\'intérêt qu\'ils auront a eflacer cette tdche par des services considérables,
les portera, selon toutes les apparences, a Ie servir plus utilement que ne pourraient
faire ceux qui ont toujours été Ie plus attachés a sa personne. 5—25 Mai !6S5.
\') Harillon, 414 Mei 1685 ; Gedenkschriften van Sir Joiin Rercsby.
MACAULAY I.
23
-ocr page 378-
354                               GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
jammerlijke minderheid ineengesmolten en maakte nauwelijks een vijf-
tiende gedeelte der vergadering uit. Van de vijf honderd en dertien graaf-
schapsridders en stedelingen, waren er slechts honderd vijf en dertig, die
reeds vroeger in die plaats zetels hadden bekleed. Het is duidelijk, dat een
staatslichaam, samengesteld uit mannen, zoo nieuw en onervaren in sommige
gewichtige vereischten, bij onze wetgevende vergaderingen, zoo als die ge-
woonlijk zijn, verre ten achter moest staan \').
De leiding van het Huis werd door Jakobus aan twee schotsche pairs
toevertrouwd. Een van deze, Charles Middleton, graaf van Middleton, was
na het bekleeden van hooge ambten te Edinburgh, korten tijd voor het over-
lijden van den vorigen koning, als lid van den engelschen geheimen raad
beéedigd en tot staatssecretaris aangesteld. Hem werd Ricnard Graham,
Burggraaf Preston, toegevoegd, die geruimen tijd den post van gezant bij het
hof van Versailles vervuld had.
T\'m"r iïioi%V.\' Het eerste werk van het Huis der Gemeenten was nu de keuze
van een voorzitter. Wie de man zijn zou, was een vraag, waarover in het
kabinet reeds veel gesproken was. Guildford had Sir Thomas Meres aanbe-
volen, die even als hij tot de Trimmers behoorde. Jeffreys, die geen gelegen-
heid liet verloren gaan om den lord-zcgclbewaarder te dwarsboomen, had
de aanspraken van Sir John Trevor bepleit. Trevor was half tot advokaat
van kwade zaken, half tot speler opgeleid, en had gevoelens en beginselen,
beide die bedrijven waardig, in het politische leven medegenomen; hij was
een der tafelvrienden van den opperrechter geworden en wist den schimpen-
den spreekstijl van zijn patroon bij voorkomende gelegenheden, vrij wel na
te bootsen. De lieveling van Jeffreys werd, gelijk te verwachten was, door
Jakobus voorgetrokken; hij werd door Middleton voorgesteld en zonder
tegenstand gekozen 2).
Ks™uuouran Tot hiertoe ging alles geleidelijk voort. Maar een tegenstander
van ongemeene kloekmoedigheid bevond zich in de vergadering en wachtte
slechts zijn tijd af. Dit was Edward Seymour, van het kasteel van Berry
Pomeroy, lid voor de stad Exeter. Seymour stond door zijn geboorte op ééne
lijn met de edelste onderdanen in Europa. Hij was de rechtstreeksche af-
stammeling uit de mannelijke lijn van den hertog van Somerset, die schoon-
broeder van koning Hendrik VIII en protector van het engelsche rijk was
geweest. Bij de stichting van het hertogdom Somerset was bepaald, d;it het
erfrecht van den oudsten zoon des protectors eerst na dat van den jongeren
geldig zou worden. Van den jongeren zoon stamden de hertogen van Somerset
af; van den oudsten het geslacht, dat te Berry Pomeroy zetelde. Seymours
vermogen was aanzienlijk en zijn invloed in het westen van Engeland groot.
Het gewicht, dat hij aan geboorte en rijkdom te danken had, was niet het
eenige, dat hij bezat. In het voeren van debatten en in het behandelen van
zaken was hij een der bekwaamste mannen van het koninkrijk. Jaren lang
was hij in het Lagerhuis geweest, hij had alle daar bestaande regelen en
gebruiken bestudeerd en was met den eigendommelijken aard van dat huis
\') Rurnet I, 626; Evelyns Dagboek, 22 Mei 1685.
) Koger Norths Leven van Guildford, 218; Bramstons Gedenkschriften.
-ocr page 379-
355
JAKOBUS II.
door en door bekend. Tijdens de vorige regeering was hij tot voorzitter ver-
kozen onder omstandigheden, welke die onderscheiding bijzonder vereerend
maakten. Gedurende verscheiden geslachten waren alleen rechtsgeleerden
tot het voorzittersgestoelte geroepen, en hij was de eerste landedelman, wiens
bekwaamheid en kunde dat langdurig gebruik deed vervallen. Hij had ver-
volgens hooge staatsambten en zelfs een plaats in het kabinet bekleed. Maar
zijn trotsche en onbuigzame aard had zoo veel aanstoot gegeven, dat hij zich
genoodzaakt had gezien zich terug te trekken. Hij was Tory en hoogkerks-
gezind; hij had zich tegen de uitsluitingswet met alle macht verzet; hij was
door de Whigs in de dagen van hun voorspoed vervolgd en kon het derhalve
veilig wagen in het Lagerhuis een taal te voeren, die een man, van republi-
canisme verdacht, in den Tower gebracht zou hebben. Hij had lang aan het
hoofd gestaan van een machtige vereeniging van parlementsleden, die het
verbond van het Westen genoemd werd, en waartoe vele heeren van Dcvon-
shire, Somersetshire en Cornwall behoorden \').
In ieder Huis der Gemeenten zal een man, die welsprekendheid, kennis
en ervaring met rijkdom en hooge geboorte vereenigd, groote achting ge-
nieten. Maar in een Huis der Gemeenten, waar veel der uitstekendste
redenaars en parlementaire leiders van dien tijd uitgesloten waren, en dat
voor het grootste gedeelte uit lieden bestond, die nog nooit getuigen van een
openbare beraadslaging geweest waren, was het overwicht van zulk een man
bijzonder te duchten. Aan zedelijken invloed wel is waar ontbrak het Edward
Seymour geheel. Hij was losbandig, ongodsdienstig, bedorven van aard, te
trotsch om de gewone beleefdheid in acht te nemen, maar niet te hooghartig
om zich ongeoorloofde winst toe te eigenen. Intusschen was hij als bondge-
noot zoo nuttig, als vijand zoo boosaardig, dat dikwerf zelfs zij, die hem het
meest verfoeiden, hem het hof maakten s).
Hij was thans in een booze luim tegen het hof. Zijn invloed was door de
gewijzigde inrichting der kiesvlekken van het westen in sommige oorden
verminderd. Zijn trots was gewond door de verheffing van Trevor tot den
voorzittersstoel, en hij nam spoedig een geschikte gelegenheid te baat om
zich te wreken.
H5££3!lifiSSX? Den twec-en-twintigstcn Mei werden de leden van het Huis
der Gemeenten voor de balie der lords geroepen, en de koning hield, op
zijn troon zittende, een aanspraak tot de beide Huizen. Hij betuigde, dat
het zijn besluit was het bestaande regeeringsstelscl voor kerk en staat te
handhaven. Maar hij verzwakte den indruk dezer betuiging door het rich-
ten eener vreemdsoortige vermaning tot de leden van het Lagerhuis. Hij
vreesde, sprak hij, dat zij hem de noodige geldmiddelen slechts van tijd tot
tijd en met karigheid zouden toestaan in de hoop. dat zij, zoo doende, hem
zouden dwingen hen dikwijls bijeen te roepen. Maar hij moest hen waar-
schuwen, dat hij zich zoodanige handelwijze niet zou laten welgevallen, en
dat, wilden zij hem dikwerf zien, zij hem alsdan ook goed moesten behande-
len. Daar het bestuur klaarblijkelijk niet zonder geld kon worden voortgezet,
\') Norths Leven van Guildford 228; Nieuws van Westminster.
\') Burnet I, 382; Papieren van Rawdon: Lord Conway aan Sir George Rawdrp.
28 Dec 1677.
-ocr page 380-
3S6
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
gaven deze uitdrukkingen duidelijk te verstaan, dat, zoo zij hem niet zoo veel
geld gaven als hij begeerde, hij het eenvoudig zou nemen. Bevreemdend is
het, dat deze aanspraak door de Torygezinde leden, die voor de balie stonden,
luide werd toegejuicht. Zulke toejuichingen waren destijds gebruikelijk. Het
is thans sedert vele jaren de deftige en waardige gewoonte der parlementen,
alle, hetzij welgevallige of onaangename woorden, die van den troon worden
gesproken, met eerbiedige stilte aan te hooren \').
Het was destijds gebruikelijk dat, nadat de koning zijn redenen voor het
bijeenroepen van het parlement beknopt had uiteen gezet, de minister, die
het groot-zegel hield, den stand der openbare aangelegenheden meer uit-
voerig aan de Huizen mededeelde. Guildford had in navolging zijner voor-
gangers Clarendon, Bridgeman, Shaftesbury en Nottingham, een weldoor-
wrochte redevoering voorbereid, doch vond tot zijn groote teleurstelling, dat
men zijn diensten niet noodig had s).
iK^il\'r\'G^mi\'nwn. Zoodra de leden van het Lagerhuis naar hun eigen kamer
waren teruggekeerd, werd voorgesteld, dat zij zich in comité zouden be-
geven om het inkomen des konings te bepalen.
™nds™müïr. Toen stond Seymour op. Hoc hij daar stond, het toonbeeld van
hetgeen hij was, het hoofd eener losbandige en hoogmoedige gentry, de
kunstlokken naar den toenmaligen smaak zijn schouders omgolvende, met
een gemengde uitdrukking van wellust en minachting op zijn gelaat, daar-
van kunnen de nog van hem bestaande afbeeldingen ons een vrij duidelijk
denkbeeld geven. Het was zijn verlangen niet, sprak de trotsche cavalier,
dat het parlement aan de kroon de middelen zou onthouden om het bewind
te voeien. Was echter hier wel werkelijk een parlement ? Waren niet vele
mannen op deze banken aanwezig, die, gelijk de gansche wereld wist, geen
recht hadden om daar te zitten, velen, wier verkiezing door omkooping ge-
schandvlekt was, velen, die den kiezers tegen hun zin, door bedreiging,
waren opgedrongen, velen, die herwaarts waren gezonden door korporatièn
zonder wettig bestaan ? Waren er geen kiesgerechtigde lichamen in spijt van
koninklijke charters en van overoude rechten aan herziening onderworpen
geworden ? Waren niet de kiesbeambten overal de roekelooze handlangers
van het hof geweest ? Als hij zich voorstelde, dat het grondbeginsel der ver-
tegenwoordiging zoo stelselmatig verkracht was, dan wist hij niet, welken
naam hij aan de menigte van heeren moest geven, welke hij onder de
eervolle benaming van Huis der Gemeenten om zich heen vergaderd zag. En
toch was er nog nimmer een tijd geweest, dat het bestaan van een parlement,
hetwelk het algemeene vertrouwen genoot, noodiger wasvoor het welzijn des
vaderlands. Groote gevaren bedreigden de kerkelijke en burgerlijke instel-
lingen van den staat. Het was een zaak van algemeene bekendheid, een
zaak, die geen betoog behoefde, dat de toets-acte, het bolwerk der godsdienst,
en de habeas-corpus-acte, het bolwerk der vrijheid, tot vernietiging gedoemd
waren. «Laat ons, eer wij tot het vervaardigen van wetten over zoo aller-
gewichtigste vraagpunten overgaan, ons ten minste vergewissen, dat wij
werkelijk een wetgevend lichaam zijn. Laat onze eerste handeling een on-
\') London Gazette, 25 Mei 1625; Evelyns Dagboek, 22 Mei 16S5.
\') Nurths Leven van Guildford, 256.
-ocr page 381-
JAKOBUS II.                                             3 57
derzoek zijn naar de wijze, waarop bij de verkiezingen is te werk gegaan. En
laat ons zorgen, dat dit onderzoek onpartijdig zij. Want, zoo de natie mocht
bevinden, dat er door vreedzame middelen geen herstel te verkrijgen is,
zullen wij wellicht eerlang het recht moeten aannemen, dat wij thans wei-
geren te verleenen." Hij eindigde met het voorstel, dat het Huis alvorens
eenige geldbijdrage te bewilligen de verzoekschriften tegen de verkiezingen
in overweging zou nemen en geen lid, wiens recht van zitting betwist werd,
tot eenige stemming zou worden toegelaten
Er werd niet de minste bijvalskreet gehoord. Niet een lid waagde dit
voorstel te ondersteunen. Inderdaad, Seymour had veel gezegd, dat geen
ander ongestraft zou hebben kunnen zeggen. Het voorstel kwam bij gemis
der vereischte ondersteuning niet in behandeling en werd zelfs niet eens
op de dagboeken aangeteekend. Maar er was een belangrijke indruk teweeg
gebracht. Barillon berichtte zijn gebieder, dat velen, die het niet gewaagd
hadden die merkwaardige redevoering openlijk toe te juichen, ze evenwel
van harte goedkeurden; dat zij in gansch Londen het onderwerp van aller
gesprekken was, en dat de indruk, op de openbare stemming gemaakt,
duurzaam scheen te zullen zijn \').
»?a«i\'iuk\'gm8ten. Het Huis der Gemeenten ging onverwijld in comité en be-
willigde den koning, voor zijn leven, al de middelen die zijn broeder ge-
noten had !).
verhandelingen in het f)e ijverige staatskerksgezindcn, die de meerderheid van
Lafcerhuil over de                \'        o                           07
TV"ï!Si!n\'»\'t.\'\' het Huis uitmaakten, schijnen van oordeel geweest te zijn,
dat de spoed, waarmede zij Jakobus in zijn wenschen ten aanzien der staats-
inkomsten te gemoet waren gekomen, hun aanspraak gaf op eenige inwilli
ging van zijn kant. Zij zeiden, dat men veel had gedaan om hem tevreden te
stellen en hij nu ook iets doen moest om de natie genoegen te geven. Het
Huis vormde zich dus tot een «comité van godsdienst" ten einde de beste
middelen ter beveiliging van de kerkelijke instellingen in overweging te
nemen. In dat comité werden twee besluiten met algemeene stemmen aan-
genomen. Het eerste drukte vurige verkleefdheid aan de kerk van Engeland
uit. Het tweede bevatte een uitnoodiging om tegen alle personen, die geen
leden dier kerk waren, de bestaande strafwetten ten uitvoer te leggen J).
De Whigs zouden zonder twijfel, gewenscht hebben, dat de protestantsche
afgescheidenen geduld en alleen de roomschkatholieken vervolgd waren ge-
worden. Maar de Whigs waren een onaanzienlijke en ontmoedigde partij.
Zij hielden zich derhalve zoo veel mogelijk op den achtergrond, onthielden
zich hun bijzondere meeningen aan een hun vijandige vergadering op te
dringen en ondersteunden steeds elk voorstel, dat strekte om de nog be-
staande eenstemmigheid tusschen het parlement en het hof te verstoren.
Toen de handelingen van het «comité van godsdienst" te Whitehall be-
\') Barnet I, 639: Evelyns Dagboek, 22 Mei 1985; Barillon 23 Mei tot 2 Juni en
25 Mei tot 4 Juni 1685. Het stilzwijgen der dagboeken (van het Lagerhuis) schijnt den
heer Fox vreemd te zijn voorgekomen; doch wordt door de omstandigheid opgelost,
dat liet voorstel van Seymour de ondersteuning van medeleden miste.
2) Dagboeken, 22 Mei; Wetten van Jakobus, II, I, 1.
) Dagboeken, 26 en 27 Mei; Gedenkschriften van Sir J. Reresby.
-ocr page 382-
358                                     GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
kend werden, was de toorn des konings groot; en in billijkheid kunnen wij
\'t niet laken, dat hij het gedrag der Tories euvel nam. Waren zij geneigd
op de strenge uitvoering der strafwetsbepalingen te staan, dan hadden zij,
dat spreekt, de uitsluitingswet moeten ondersteunen. Want het was iets
onnatuurlijks een papist op den troon te zetten en dan te begeeren, dat hij
de leeraars van het geloof, dat volgens zijn beginselen het eenige was, dat
ter zaligheid kon leiden, tot den dood zou vervolgen. Zoo de koning door een
goedertieren regeering de strengheid der wraakgierige wetten van Elizabeth
lenigde, hij verkrachtte daardoor geen enkel grondwettig beginsel. Hij be-
oefende slechts een recht, dat der kroon ten allen tijde had toebehoord; Ja,
hij deed dan slechts wat later door eene reeks van vorsten gedaan werd, die
allen van ijver voor de leerstellingen der hervorming doordrongen waren,
door Willem, door Anna en door de vorsten van het Huis van Brunswijk.
Had hij toegestaan, dat roomsch-katholieke priesters, wien hij zonder
eenige wet te overtreden het leven kon redden, gehangen, gewurgd en ge-
vierendeeld werden om de vervulling van hetgeen hij als hun eersten plicht
beschouwde, hij zou den haat en de verachting op zich geladen hebben, zelfs
van hen, voor wier vooroordeelen hij een zoo schandelijke toegeeflijkheid
zou hebben getoond; en had hij zich vergenoegd de leden van zijn eigen kerk
door een onbekrompen gebruik van zijn onbetwist recht van genade te ge-
doogen, het nageslacht zou eenstemmig zijn geweest in zijn lof.
De leden van het Lagerhuis begrepen, waarschijnlijk na eenig nadenken,
dat zij dwaas hadden gehandeld. Het verontrustte hen ook te vernemen, dat
de koning, tot wien zij met bijgeloovige vereering opzagen, zeer vertoornd
was. Zij haastten zich derhalve hun schuld weder goed te maken. In het
Huis verwierpen zij eenstemmig de beslissing, die zij in comité eenparig
hadden aangenomen en namen een besluit, luidende, dat zij zich met vol-
komen \\ertrouwen verlieten op zijner majesteits goedgunstige belofte om de
godsdienst te beschermen, die hun dierbaarder was dan het leven\').
Bewillijrinc van Drie dagen later deelde de koning aan het Huis mede, dat zijn
additioneele be-                               .                      -               .                                                ...
lastmscn. broeder eenige schulden had nagelaten en de tuighuizen voor
het zeewezen en de artillerie ledig waren. Er werd spoedig besloten nieuwe
sir undiir North. belastingen te heffen. De persoon, wien de taak werd opgedra-
gen de middelen daarvoor uit te denken, was Sir Dudley North, jongere
broeder van den lord zegelbewaarder. Dudley North was een der bekwaam-
ste mannen van zijn tijd. Op jeugdigen leeftijd was hij naar de Levant
gezonden, waar hij langen tijd handelszaken had gedreven. De meeste men-
schen zouden, in zoodanige stelling verkeerende, geestelijk zijn verstompt.
Want te Smyrna en te Constantinopel waren wein\'g boeken en weinig be-
schaafde menschen te vinden. Maar de jeugdige handelaar bezat een dier
krachtige geesten, die onafhankelijk zijn van uiterlijke hulpmiddelen. In
zijn eenzaamheid dacht hij over de wetenschap des handels en vormde zich
van lieverlede een volledige en bewonderenswaardige theorie, in haar hoofd-
strekking dezelfde als die, welke honderd jaar later door Adam Smith ont-
wikkeld werd. Na een veeljarige uitlandigheid keerde Dudley North in het
\') Dagboek van hot Huis ilcr Gemeenten, 27 Mei 16S5.
-ocr page 383-
3 59
JAKOBUS II.
bezit van een groot vermogen naar Engeland terug en vestigde zich, als
handelaar op de Levant in de City van Londen. Zijn diepe, zoowel theoreti-
sche als praktische kennis van handelszaken en de helderheid en levendig-
heid, waarmede hij zijn inzichten uiteenzette, deden al spoedig de aandacht
van staatsmannen op hem vestigen. De regeering vond in hem een verlicht
raadgever en een gewetenloos dienaar. Want zijn zeldzame begaafdhcden
gingen gepaard met losse beginselen en met een gevoelloos hart. Toen de
torystische reactie in vollen gang was, had hij er in toegestemd zich tot
sheriff te laten benoemen, bepaaldelijk ten einde de wraak van het hof
dienstbaar te zijn. Zijn juries hadden nimmer andere uitspraken afgegeven
dan die van schuldig, en op den dag van zekere gerechtelijke slachting wer-
den tot groote ontsteltenis zijner echtgenoot karren, met de armen enbeenen
van gevierendeelde Whigs geladen, naar zijn fraai huis in Basinghallstreet
gereden om daar zijn bevelen te vragen. Zijn diensten waren met verheffing
tot den ridderstand, met de waardigheid van alderman, en met het ambt van
commissaris der tollen beloond. Men had hem een zetel in het parlement
verschaft, als lid voor I?anbury, en schoon hij een nieuw lid was, was hij het
toch, op wien de lord-thesaurier zich voor de leiding der financieele aan-
gelegenheden in het Lagerhuis hoofdzakelijk verliet \').
Schoon de leden van het Huis der Gemeenten eenstemmig waren in hun
besluit aan de kroon de noodige bijdragen toe te staan, waren zij het
evenwel in geenen deele eens over de bronnen, waaruit ten gevolge dier
bewilliging zou moeten worden geput. Er werd weldra besloten, dat een
gedeelte der som gevonden zou worden door gedurende acht jaar verhoogde
rechten van wijn en van azijn te heffen, doch er werd meer dan dit ver-
eischt. Verscheiden ongerijmde plannen werden geopperd. Vele landedel-
lieden waren geneigd een zware belasting op alle nieuwe gebouwen in de
City te leggen. Men hoopte, dat zulk een belasting paal en perk zou stellen
aan de uitbreiding der stad, welke door de landelijke aristokratie sedert
langen tijd met afgunst en wantrouwen werd aangezien. Het voorstel van
Dudley North luidde om gedurende acht jaar verhoogde rechten op de
suiker en op de tabak te leggen. Er barstte eengroot rumoer los. Handelaars
in koloniale waren, kruideniers, suikcrbakkers en tabakshandelaren dienden
verzoekschriften aan het Huis in en bestormden de staatsbeambten. De
ingezetenen van Bristol, die in den handel met Virginiè en Jamaica sterk
betrokken waren, zonden een deputatie, die voor de balie van het Huis ge-
hoord werd. Rochester werd een oogenblik aan het wankelen gebracht;
maar het vlugge verstand en de volmaakte handelskennis van North behield,
zoowel in de thesaurie als in het parlement, de overhand tegen alle oppositie.
De andere leden waren verbaasd, dat een man, die geen veertien dagen in
het Huis was geweest en wiens leven voor het grootste gedeelte in vreemde
landen was doorgebracht, alle functien van een kanselier der schatkist met
zelfvertrouwen op zich nam en met bekwaamheid vervulde 2).
\') Roger Norlhs Leven vmi Sii- Dudley North; Leven van Ion! Guildford, 166;
M\'Cullochs Litteratuur der staathuishoudkunde.
») Leven van Dudley North, 176; Gedenkschriften van Lonsdale; van Citters,
12—22 Juni 16S5.
-ocr page 384-
36o
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
Zijn plan werd aangenomen en de kroon kwam diensvolgens in het bezit
van een zuiver inkomen van negentien honderd duizend p. st., die door
Engeland alleen opgebracht werden. Zulk een inkomen was destijds meer
dan toereikend voor de bestrijding der kosten van het bestuur in vredestijd \').
in-t Unfi\'dlrLwdi. De lords hadden, middelerwijl, over verscheiden belangrijke
vraagstukken beraadslaagd. De Torypartij was onder de pairs ten allen tijde
talrijk geweest. Zij bevatte de gansche bank der bisschoppen, en was ge-
durende de vier jaar, die sedert de laatste ontbinding verloopen waren, door
verscheiden nieuwbenoemde leden versterkt. De voornaamste der nieuwe
edelen waren de lord-thesaurier Rochester, de lord-zegelbewaarder Guildford,
de lord-opperrechter Jeffreys, lord Godolphin en lord Churchill, die na zijn
terugkomst uit Versailles tot engelsch baron verheven was.
De pairs namen al spoedig de zaak ter hand van vier leden van hun
college, die onder de vorige regeering van parlementswege aangeklaagd,
maar nimmer terechtgesteld, en na langdurige opsluiting, door de konink-
lijke rechtbank tegen borgtocht vrijgelaten waren. Drie der pairs, die onder
zoodanige borgstelling stonden, waren roomsch-katholieken. De vierde was
een protestant van veel aanzien en invloed, graaf Danby. Sedert hij van
het openbaar gezag vervallen en door het Huis der Gemeenten wegens ver-
raad aangeklaagd was, waren achtervolgens vier parlementen ontbonden;
doch hij was noch vrijgesproken noch veroordeeld. In 1679 hadden de lords
met het oog op de stelling, waarin hij zich bevond, de vraag in overweging
genomen, of een parlementsaanklacht door een ontbinding al dan niet kwam
te vervallen. Zij waren destijds na een langdurige beraadslaging en na een
nauwkeurig onderzoek van toepasselijke antecedenten tot het besluit geko-
men, dat de aanklacht nog steeds hangende was. Dat besluit trokken zij
thans in. Eenige whiggezinde edelen protesteerden tegen dezen stap, doch
met weinig vrucht. Het Huis der Gemeenten berustte stilzwijgend in de
beslissing door het Hoogerhuis genomen. Danby nam opnieuw zijn zetel
onder de pairs in en werd een werkzaam en machtig lid der Torypartij J).
Het grondwetti; vraagstuk, waarover de lords aldus binnen den korten
tijd van zei jaar twee lijnrecht uiteenloopende uitspraken deden, bleef ge-
durende meer dan een eeuw onaangeroerd en kwam eindelijk weder ter
sprake bij gelegenheid der ontbinding, die tijdens het langdurig geding van
Warren Hastings plaats vond. Het moest destijds uitgemaakt worden, of de
in 1679, dan wel, of de tegenovergestelde in 1685 aangenomen regel als de
wet des lands moest gelden. In beide Huizen werd over dit punt geruimen
tijd beraadslaagd en de uitstekendste rechtsgeleerde parlementaire notabili-
teiten, welke een tijdvak, bijzonder vruchtbaar in rechtsgeleerde en parle-
mentaire talenten, vermocht op te leveren, namen deel aan de verhandeling.
De juristen waren niet ongelijk verdeeld. Thurlow, Kenyon, Scott en Erskine
beweerden, dat de ontbinding den staat van beschuldiging deed vervallen.
De tegenovergestelde meening werd doorMansfield, Camden, Loughborough
en Grant voorgestaan. Onder de staatslieden echter, wier redenceringen niet
\') Dagboek van het Lagerhuis, 1 Maart 1689.
■) Dagboeken van het Huis der Lords, 18 en 19 Maart 1679, 22 Mei 1685.
-ocr page 385-
JAKOBUS II.                                                   36 I
op antecedenten en op overeenstemmende technische bijzonderheden, maar
op hechte en ruime constitutioneele beginselen steunden, bestond weinig
verschil van gevoelen. Pitt en Grenville waren, evenzeer als Burke en Fox,
van gevoelen, dat de aanklacht nog steeds aanhangig was. Met groote
meerderheid verklaarden beide Huizen de beslissing van 1685 ongeldig en
bepaalden, dat de beslissing van 1679 in overeenstemming was met het
parlementaire recht.
toYln"r°\'kk1naKcvaii Van de staatsmisdaden, gepleegd toen de verzinselen van
het paj-kmcjtsvoiini. Qates een panischen schrik verspreidden, was de gerechte-
lijke moord van Stafford de ergerlijkste geweest. Het vonnis van dezen
ongelukkigen edelman werd thans door alle onpartijdige lieden onrechtvaar-
dig geacht. Van den voornaamsten getuige voor de aanklacht was gebleken,
dat hij aan een aantal verfoeijelijke meineeden zich schuldig had gemaakt.
Onder zoodanige omstandigheden was het de plicht der wetgevende macht
de nagedachtenis van een onschuldigen lijder recht te laten wedervaren,
en een man, die sedert lang in onze geschiedboeken met luister vermeld
stond, van een onverdiende smet te zuiveren. Een akte tot vernietiging van
het parlementsvonnis tegen Stafford werd door het Hoogerhuis aangenomen,
ondanks het gemor van eenige pairs die ongeneigd waren te erkennen, dat
zij onschuldig bloed hadden vergoten. In het Lagerhuis werd die akte zonder
stemming \') tweemaal voorgelezen, en vervolgens in handen eener com-
\') De aanneming van een voorgedragen wetsontwerp moet worden voorafgegaan
door de driemaal herhaalde aanneming van het voorstel om het ontwerp, op de daarbij
te bepalen tijdstippen, voor te lezen. Oudtijds, werd, bij de eerste le/.ing, het ontwerp
door den griffier (dak of the house) in extenso voorgelezen, wat thans niet meer ge-
schiedt, uithoofde de leden gedrukte exemplaren van elke voordracht ontvangen. De
vergunning tot de eerste lezing wordt zelden geweigerd; bij de tweede lezing woidt
gewoonlijk de gedane voordracht in al haar deelen aan een uitvoerige behandeling on-
derworpen, waarbij dan de meest esseutieele debatten en tegenvoorstellen plaats heb-
ben. Daarna wordt het eener commissie tot verder onderzoek toegewezen, en tevens
ook in het Hoogerhuis in comité behandeld. Iïij de derde lezing heeft liet Huis te oor
deelen over het stuk in zijn geheel, en terwijl in de vroegere overgangstrappen tot de
aanneming, zoo veel mogelijk, alle voor te dragen amendementen zijn bijgevoegd,
worden wijzigingen nu zoo veel doenlijk vermeden. Vervolgens wordt het voorstel
gedaan »om de wet aan te nemen;\'\' zelden of nooit wordt, nadat de derde lezing is
toegestaan, dit laatste voorstel afgestemd. Want om tot een derde, ja zelfs tot een
tweede lezing te worden toegelaten, moet een wetsvoordracht toch reeds ecu meerder-
heid van stemmen op zich hebben kunnen yereenigen Bovendien wordt er bijna nooit
rechtstreeks tegen een wetsvoordracht gestemd ; maar, wanneer men zoodanige voor-
dracht niet aangenomen weuscht te zien, dan wordt, in plaats van den dag, die bij de
eerste of tweede lezing voor de volgende lezing werd voorgesteld (b. v. «heden over
drie, acht, of veertien dagen") bij wijze van amendement op dat voorstel, door de
tegenstanders der wetsvoordracht een nader tijdstip voor zoodanige lezing voorgesteld,
in dier voege, dat de dag der bij zoodanig amendement voorgestelde lezing (b. v. heden
over drie of over zes maanden") na het einde der loopende parlementsziuing valt. Daar
nu elke zaak, die niet in ééne en dezelfde zitting afgedaan is, in de volgende van meet
af moet worden behandeld, even alsof er nog niet over gesproken was, zoo heeft de
aanneming van zoodanig amendement dezelfde uitwerking als een verwerping. Is het
Huis, tegen verwachting van de voorstellers van het amendement, op den dag, door
hen met voormelde bedoeling aangewezen, nog vergaderd, dan wordt op dezelfde wijze
een nadere verdaging der lezing voorgesteld.
In zeer dringende gevallen kunnen al de formaliteiten tot aanneming eener wet in
/
-ocr page 386-
362
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
missie gesteld. Maar op den dag, voor de zitting dier commissie bepaald,
kwam er tijding, dat in het westen van Engeland een geduchte opstand was
uitgebroken. Het werd derhalve noodig de behandeling van vele belang-
rijke zaken uit te stellen. Het herstel der nagedachtenis van Stafford werd,
naar men dacht, slechts voor een korten tijd, uitgesteld. Maar het wan-
bestuur van Jakobus gaf binnen weinig maanden aan de openbare meening
een geheel andere richting. Gedurende verscheiden geslachten waren de
roomsch-katholieken niet in de gelegenheid om vergoeding voor geleden
onrecht te vragen, en achtten zich gelukkig, als zij slechts, zonder bemoeije-
lijkt te worden, stil en onopgemerkt konden leven. Eindelijk, onder het
bestuur van koning George IV, meer dan honderd veertig jaar na den dag,
dat op Tower hill het bloed van Stafford was vergoten, werd de langver-
traagde verzoening voltooid. Een wet, waarbij het vonnis nietig verklaard
en het verongelijkte geslacht in al zijn vorige waardigheden hersteld is, werd
door de ministers der kroon aan het parlement voorgesteld, door staats-
mannen van alle partijen met geestdrift verwelkomd en zonder een enkele
afkeurende stem aangenomen \').
Het wordt nu noodig den oorsprong en voortgang van den opstand na te
gaan, waardoor de beraadslagingen der Huizen plotseling werden afgebroken.
VIJFDE HOOFDSTUK.
wbïph5 vniuTn\'llj\'."\'\'" Tegen het einde der regecring van Karel II hadden eenige
Whigs, die diep verwikkeld waren geweest in het komplot, dat voor hun
panij zoo noodlottig werd, wetende, dat het op hun ondergang gemunt was,
in de Nederlanden een schuilplaats gezocht.
Meerendcels paarden deze uitgewekenen een vurige inborst aan een ge-
brekkig oordeel. Daarenboven waren zij onder den invloed dier eigenaardige
begoocheling, welke aan hun toestand eigen schijnt te zijn. Een staatkundig
persoon, die door een vijandige partij in ballingschap gedreven is, beschouwt
over het algemeen de maatschappij, die hij heeft achtergelaten, uit een ver-
keerd oogpunt. Door zijn kommer, zijn verlangen en zijn wrok wordt elke
zaak verwrongen en onder ongunstige kleuren voorgesteld. Elke kleine
ontevredenheid schijnt hem het voorteeken eener omwenteling. Iedere op-
loop is een opstand. Hij kan niet gelooven, dat zijn vaderland niet evenzeer
naar hem verlangt, als hij naar het vaderland. Hij verbeeldt zich, dat al zijn
voormalige makkers, die nog aan den huiselijken haard, en in het vrije bezit
een enkelen dag, eu als liet ware in éénen adem worden afgedaan. Al de daartoe
noodige voorstellen worden dan achter elkander gedaan, zoo spoedig mogelijk afge-
handeld, door stemming tot afdoening gebracht en aan de koninklijke bekrachtiging
onderworpen.
                                                                                               V.
\') Wetten van het 5e jaar an George IV, hoofdstuk 46.
-ocr page 387-
\'63
JAKOBUS II.
hunner goederen zijn, door dezelfde gevoelens gekweld worden, die hem het
leven tot een last maken. Hoe langer zijn afwezigheid uit het vaderland
duurt, hoe grooter zijn dwaling wordt. De lengte van tijd, die den ijver der
door hem achtergelaten vrienden verkoelt, vuurt den zijnen slechts aan. Met
iedere maand vermeerdert zijn verlangen om zijn geboorteland jveder te zien,
en met iedere maand wordt hij daar al meer vergeten, en al minder gemist.
Deze waan wordt bijna een razernij, wanneer vele ballingen, die voor dezelfde
zaak lijden, in een vreemd land bijeen zijn. Hun voornaamste tijdverdrijf
is te spreken van hetgeen zij eenmaal geweest zijn en van hetgeen zij eenmaal
weder kunnen worden; elkander tot verbittering tegen den gemeenschappe-
lijken vijand aan te vuren en op te winden met buitensporige verwachtingen
van overwinning en wraak. Op die wijze worden zij rijp tot ondernemingen,
die door elkeen, wiens hartstochten hem niet van het vermogen beroofd
hebben om bedaard de kansen te berekenen, al dadelijk hopeloos verklaard
zouden moeten worden.
"^i\'i\'kSÏÏÏ!1\'™ In deze stemming waren velen der ballingen, die zich op het
vasteland bevonden. De briefwisseling, die zij met Engeland onderhielden,
was voor het grootste gedeelte van dien aard, dat daardoor hun gevoel opge-
wonden, hun oordeel aan het dwalen gebracht moest worden. Hun berichten
aangaande den toestand der openbare meening ontvingen zij hoofdzakelijk
van de slechtste leden der Whigpartij, samenzweerders en schotschrift-
schrijvers van beroep, die door gerechtsbeambten vervolgd werden, die
genoodzaakt waren vermomd door achterbuurten te sluipen en soms weken
achtereen op vlieringen en in kelders verborgen lagen. De staatsmannen,
die de landpartij tot roem geweest waren, de staatsmannen, die later de
beraadslagingen der conventie bestuurden, zouden gansch anderen raad
gegeven hebben, dan door mannen als John Wildman en Henry Danvers
verstrekt werd.
Wildman had veertig jaar geleden in het parlementsleger gediend, doch
zich daar veelmeer als onruststoker dan als krijgsman onderscheiden en bij
tijds den wapenhandel verlaten voor bedrijven, die beter met zijn inborst
strookten. Zijn afkeer van het monarchale stelsel had hem bewogen zich
in een lange reeks samenzweringen te wikkelen, eerst tegen den protector,
vervolgens tegen de Stuarts. Maar met zijn dweepzucht was een teedere
bezorgdheid voor zijn persoonlijke veiligheid verbonden. Hij was buitenge-
woon bekwaam in het vermijden der gevaren, aan hoogverraad verbonden.
Niemand verstond beter dan hij anderen tot wanhopende ondernemingen
aan te zetten door woorden, die, voor een jury herhaald, onschuldig of
hoogstens slechts dubbelzinnig konden klinken. Zijn geslepenheid was zoo
groot dat, schoon hij altoos aanslagen smeedde, schoon het bekend was, dat
hij dit deed en hoewel hij langen tijd door een wraakzuchtig bestuur met
arglistigheid werd gadegeslagen, hij evenwel ieder gevaar ontging en den
natuurlijken dood stierf, nadat hij twee geslachten van zijn medeplichtigen
op het schavot had zien omkomen \'). Danvers was een man van dezelfde
\') Clarendons Geschiedenis van den opstand. XIVc hoek; ISurnets Geschiedenis
van zijn lijd. I, 546, 625; Wade\'s en Iretons Verhalen, Handschriften van Lansdowne,
1152; Wests Aanklacht in het appendix tot Sprats Waarachtig bericht.
-ocr page 388-
364
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
soort, heethoofdig, maar flauwhartig, door geestdrift tot den rand des ge-
vaars voortgedreven en door laf liartigheid telkens teruggehouden. Hij bezat
grooten invloed op een gedeelte van de sekte der wederdoopers, had veel ter
verdediging van hun bijzondere meeningen geschreven, en zich hevige b!aam
van de zijde der achtenswaardige puriteinen op den hals gehaald, omdat hij
getracht had de misdaden van Matthias en Jan van Leijden te verschoonen.
Had hij eenigen moed bezeten, hij zou waarschijnlijk in de voetstappen der
ellendigen zijn getreden, die hij verdedigde. Hij hield zich thans voor de
gerechtbeambten schuil, want er waren bevelen tot gevangenneming tegen
hem uitgevaardigd ter zake van een geschrift, vol groven laster, en waarvan
het bestuur hem als den schrijver ontdekt had \').
i.J^«e\'uHïa"ek°niu. Men kan zicn licnt voorstellen, welke berichten en welke
raad van mannen, gelijk wij hier beschreven hebben, voor de ballingen in
Nederland te verwachten waren. Van het algemeen karakter dier ballingen,
mogen eenige weinige voorbeelden een denkbeeld geven.
Ajioffi-, Een der vcornaamsten was John Ayloffe, een advokaat, door ann-
huwelijking met de Hydes, en door deze met Jakobus vermaagschapt. Ayloffe
had zich vroegtijdig doen opmerken door een zonderlinge beleediging, die
hij de regeering aandeed. Op een tijdstip, dat de invloed, door het hof van
Versailles verworven, algemeene onrust verwekte, had hij een houten klomp,
onder de Engelschen het aangenomen zinnebeeld der fransche dwingelandij,
op den voorzittersstoel weten te leggen. Vervolgens was hij in het whigsche
komplot betrokken geweest; doch er bestaat geen grond om te gelooven,
dat hij van den moordaanslag op de koninklijke broeders geweten heeft.
Hij was een man van talent en moed; zijn zedelijkheid echter werd niet
hoog geroemd. De puriteinsche geestelijken fluisterden elkander toe, dat
hij een lichtzinnige Gallio 2) of nog iets ergers was en dat, welken ijver hij
ook voor de burgerlijke vrijheid aan den dag mocht leggen, de heiligen
nochtans wel zouden doen allen omgang met hem te vermijden s).
wade. Nathanaêl Wade was een advokaat, even als Ayloffe. Hij was langen
tijd te Bristol gevestigd geweest en stond in den omtrek zijner woonplaats
als een hevig republikeinschgezinde bekend. Hij had eenmaal een plan van
landverhuizing naar Nieuw-jersey gevormd, waar hij instellingen hoopte te
vinden, welke meer dan die van Engeland in zijn smaak vielen. Zijn be-
\') London Gazette, 4 Januari 1684—5; Handschriften vau Ferguson in Eachards
geschiedenis III. 764; Grey\'s Verhaal; Sprats Waarachtig bericht; Verhandeling van
Danvers over het wederdoopen; Danvers, Onschuld en waarheid verdedigd; Crosby\'s
Geschiedenis der engelsche wederdoopers.
\') Julius Annaeus Gallio, proconsul van Axhaia, wilde, toen de Joden Paulus voor
zijn rechterstoel brachten, zich met hun godsdiensttwisten niet inlaten. De onverschil-
ligheid, welke hij bij die gelegenheid voor theologische geschilpunten aan den dag
legde, heeft den naam van Gallionisten doen geven aan hen, die eveneens voor der-
gelijke vraagstukken onverschillig zijn
                                                                    V.
3) Sprats Waarachtig bericht: liurnet I, 634; Wade\'s Bekentenis, Ilarleysche Hand-
schriften, 6845.
Lord Hovvard van Esrick beschuldigde Ayloffe het voorstel gedaan te hebben, den
hertog van York te vermoorden ; maar lord Iloward was een laaghartige leugenaar, en
dit vertelsel kwam niet in zijn oorspronkelijke bekentenis voor, maar werd later tot
aanvulling daarbij gevoegd en verdient derhalve hoegenaamd geen geloof.
-ocr page 389-
365
JAKOBUS II.
moeijingen in het werk der verkiez;ngen hadden de aandacht van eenige
Whiggezinde addellijkcn op hem gevestigd. Zij hadden hem in zijn betrek-
king aan het werk gezet en hem van lieverlede tot hun geheimste beraad-
slagingen toegelaten. Hij was in het omwentelingsplan diep betrokken
geweest en had op zich genomen zich in de stad zijner inwoning aan het
hoofd van een opstand te stelle*. Hij was ook van den afschuwclijkcn aan-
slag tegen het leven van Karel en van Jakobus onderricht geweest. Maar hij
betuigde steeds, dat, schoon hij er van geweten had, hij den aanslag steeds
verfoeid had en getracht zou hebben zijn metgezellen er van te doen afzien.
Voor een man, die tot burgerlijke bedrijven was opgeleid, schijnt Wade de
eigenaardige bekwaamheid en onverschrokkenheid, welke een goed soldaat
behooren eigen te zijn, in hooge mate bezeten te hebben. Ongelukkigerwijze
bleek later, dat zijn beginselen en zijn moed ongenoegzaam waren om hem
standvastig te doen blijven, toen de strijd voorbij was en hij in een kerker
tusschen dood en schande had te kiezen \').
Guojcnouïh. Een andere vluchteling was Richard Goodenough, die voorheen
onder-sheriff van Londen was geweest. Op dezen man had zich zijn partij
langen tijd verlaten voor het verrichten van diensten van minder eervollen
aard, en voornamelijk voor de keuze van gezworenen, van wie niet te ver-
wachten was, dat zij in politische vraagstukken door gemoedsbezwaren zich
zouden laten leiden. In die zwarte en afschuwelijke gedeelten van het whig-
sche komplot, die voor de meer achtenswaardige Whigs zorgvuldig waren
verborgen gehouden, had hij een belangrijk deel gehad. Men kan ook niet,
tot verschooning van zijn schuld, aanvoeren, dat hij door buitensporigen
ijver voor het algemeen welzijn tot dwaling was vervallen; want het zal
blijken, dat hij na een edele zaak door zijn misdaden te hebben geschand-
vlekt die zaak verraadde om zijn welverdiende straf te ontgaan 2).
Rumbold. Geheel anders was het karakter van Richard Rumbold. Deze was
officier in Cromwells eigen regiment geweest, had op den dag der groote
executie de wacht gehad bij het schavot voor de feestzaal van Whitehall,
had te Dunbar en te Worcester gestreden en steeds in hooge mate de eigen-
schappen aan den dag gelegd, waardoor zich het onoverwinnelijk leger
onderscheidde, waarbij hij diende, den meest volhardenden moed, vurige
geestdrift in het staatkundige, evenzeer als in het godsdienstige, en daaren-
boven de gansche macht der zelfbeheersching, welke het kenmerk is van
mannen, die in goed gedisciplineerde gelederen geleerd hebben te bevelen
en te gehoorzamen. Toen de republikeinsche troepen afgedankt werden,
werd Rumbold mouthandelaar en dreef hij zijn zaak in de nabijheid van
Hoddesdon in het gebouw, waaraan het roggenhuiskomplot zijn naam heeft
ontleend. In de bijeenkomsten der heftigsten en roekeloosten onder de
misnoegden was het voorstel geopperd, schoon niet bepaaldelijk aangeno-
men, om een gewapende bende in het roggenhuis post te doen vatten ten
einde de lijfwacht aan te vallen, die Karel en Jakobus van Newmarket naar
\') Watles Bekentenis, Harleysche Handschriften 6845; Lansdownsche Handschrif-
ten, 1152; Holloway\'s Verhaal in het bijvoegsel tot Sprats Waarachtig verhaal. Wade
heeft erkend dat Ilollow.iy niets dan de waarheid verhaald heeft.
*) Sprats Waarachtig verhaal en appendix, passim.
-ocr page 390-
366
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
Londen zou geleiden. In deze bijeenkomsten had Rumbold een rol gespeeld,
waarvoor hij met afschrik teruggedeinsd zou zijn, had niet partijzucht zijn
helderen geest beneveld en zijn moedig hart bedorven \').
Lord Grey. Van veel hooger stand dan de ballingen, die tot dusver genoemd
zijn, was Lord Grey, lord Grey van Wark. Hij was een ijverig uitsluitings-
man geweest, bad in het omwcntelingsplan gedeeld en was gevankelijk naar
den Tower gezonden, maar het was hem gelukt zijn bewakers dronken
te maken en naar het vasteland te ontsnappen. Het ontbrak hem evenmin
aan bekwaamheid als aan innemende manieren; maar zijn leven was door
een groote echtelijke misdaad geschandvlekt. Zijn vrouw was een dochter
uit het edele huis van Berkeley. Haar zuster, lady Henrietta Berkeley, had
met hem als met een eigen broeder omgegaan en gecorrespondeerd. Er
ontstond een noodlottige liefde. De trotsche geest en de vurige hartstochten
van lady Henrietta deden haar alle beginselen van deugd en betamelijkheid
vergeten. Een schandelijke vlucht maakte de oneer van twee doorluchtige
geslachten voor het gansche koninkrijk openbaar. Grey en sommige der
handlangers, die hem in zijn minnchandel behulpzaam geweest waren, wer-
den onder beschuldiging van misdadige samenspanning voor de rechtbank
gebracht. In het hof der koninklijke rechtbank vond een tooneel plaats, dat
zonder voorbeeld is in de jaarboeken van het engelsche recht. De verleider
verscheen met onbeschroomde houding en van zijn minnares verzeld. Ook
weken, zelfs in dat uiterste, de groote whigsche lords niet van de zijde van
hun vriend. Degenen, die hij zoo zwaar beleedigd had, stonden tegen hem
over en zijn aanblik deed hen in de hevigste vlagen van woede ontsteken.
De oude graaf van Berkeley brak in verwijten en verwenschingen tegen de
ongelukkige Henrietta uit. De gravin legde met diepe ontroering haar ge-
tuigenis af en zonk in onmacht neder. De jury sprak het schuldig uit. Toen
het hof de zitting eindigde, bezwoer lord Berkeley al zijn vrienden hem zijn
dochter te helpen vatten. De aanhangers van Grey schaarden zich om haar.
Van weerszijden werden zwaarden ontbloot; een gevecht vond plaats in
Westminster-Hall, en met moeite slechts konden de rechters en gerechts-
dienaren de strijders scheiden. In onzen tijd zou zulk een proces verderfelijk
zijn voor den naam van een openbaar persoon; in dat tijdperk echter was de
maatstaf der zedelijkheid onder de grooten zoo laag en de partijzucht zoo
hevig, dat Grey nog steeds belangrijken invloed bleef behouden, ofschoon
de puriteinen, die een sterke afdeeling der Whigpartij vormden, hem met
eenige koelheid aanzagen 2).
Een gedeelte van het karakter of wellicht liever van het lot van Grey
verdient onze aandacht. Het was algemeen erkend, dat hij overal, behalve
op het slagveld, een hooge mate van moed deed blijken. In gevaarlijke om-
standigheden, waar zijn leven en zijn vrijheid op het spel stonden, werd
meer dan eens door de waardigheid zijner houding en door de volkomen
\') Sprats Waarachtig verhaal en appendix; Rechtsvervolgingen tegen Rumbold in
de verzameling van staatsgedingen; Uurnets Gesch. van zijn tijd I, 633; Aanhangsel
tot de geschiedenis van Fox, N°. IV.
\') Orey\'s Verhaal: zijn proces in de verzameling van staatsgedingen; Sprats
Waarachtig verhaal.
-ocr page 391-
367
JAKOBUS II.
he rschappij over al zijn geestvermogens lof afgedwongen zelfs van hen, die
hem liefde noch achting toedroegen. Doch als krijgsman trof hem, wellicht
veel minder door eigen schuld dan door tegenspoeden, de vernederende
beschuldiging van lafhartigheid.
Monmouth. In dit opzicht verschilde hij zeer van zijn vriend, den hertog van
Monmouth. Vurig en onversaagd op het slagveld, was Monmouth overal
elders verwijfd en besluiteloos. Het toeval zijner geboorte, zijn persoonlijke
moed en zijn bevallig uiterlijk hadden hem op een standpunt geplaatst,
waarvoor hij ten eenenmale ongeschikt was. Nadat hij den val der partij
had bijgewoond, waarvan hij in naam het hoofd was, had hij zich naar Hol-
land teruggetrokken. De prins en de prinses van Oranje beschouwden hem
nu niet meer als een mededinger. Zij ontvingen hem met de meeste gast-
vrijheid; want zij hoopten, dat zij door hem goed te behandelen aanspraak
zouden verwerven op de dankbaarheid zijns vaders. Zij wisten, dat de vader-
lijke liefde nog niet uitgestorven was, dat brieven en geldzendingen in \'t ge-
heim van Whitehall naar Monmouths schuilplaats kwamen, en dat Karel
degenen, die hem het hof wilden maken door zich ten nadeele van zijn ver-
bannen zoon uit te laten, niet vriendelijk aanzag. De hertog was tot de
verwachting aangemoedigd, dat, zoo hij geen nieuwe redenen van mis-
noegen gaf, hij binnen zeer korten tijd naar zijn geboorteland teruggeroepen
en in al zijn hooge waardigheden en kommando\'s hersteld zou worden.
Door zulke verwachtingen opgebeurd, was hij gedurende den afgeloopen
winter in den Haag de ziel geweest van alle vermakelijkheden. Hij had
zich allergunstigst onderscheiden in een reeks van bals in de prachtige
Oranjezaal, waar van alle zijden de schitterendste gewrochten van Jordaens
en Honthorst ons tegenblinken \'). Hij had de hollandsche dames den
engelschen contredans geleerd en wederkeerig van haar leeren schaatsen
rijden. De prinses had hem bij zijn tochten op het ijs vergezeld ; en het
figuur, dat zij daar maakte, zwierende op één been en in korter rokken
gekleed, dan in den regel door dames gedragen worden, die de welvoeglijk-
heid zoo streng in acht nemen, had bij de vreemde gezanten eenige verwon-
dering gebaard, en scherts uitgelokt. De sombere ernst, die over het hof
van den stadhouder gezweefd had, scheen voor den invloed van den betoo-
verenden Engelschman te zijn geweken. Zelfs de strenge en ernstige Willem
placht in goede luim te komen, als zijn schitterende gast naderde 2).
Monmouth vermeed intusschen al wat op de plaats, vanwaar hij bescher-
ming verwachtte, aanstoot zou hebben kunnen geven. Hij hield zich met de
Whigs over het algemeen en volstrekt niet met die heftiggezinde mannen op,
die in het misdadigste gedeelte van den Whigschen aanslag gewikkeld waren
geweest. Hij werd derhalve door zijn voormalige metgezellen luide beschul-
digd van wankelmoedigheid en van ondankbaarheid 3).
Ferguson. Door geen der ballingen werd deze aanklacht met meer hevigheid
\') In de verzameling van Pepys is een prent, voorstellende een der destijds door
Willem en Maria in de Oranjezaal gegeven bals.
2) Avaux Nég. 29 Jan. 1684. Brief van Jakobus aan de prinses van Oranje gedpg-
teekend Januari 1684—5, onder lïirchs Uittreksels in het britsch museum.
\') Grey\'s Verhaal: Wade\'s Bekentenis, Handschriften van Lansdowne, 1152.
-ocr page 392-
368
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
en bitterheid geuit dan door Robert Ferguson, den Judas van Drydens
hekeldicht. Ferguson was van geboorte een Schot, maar lang in Engeland
gevestigd geweest. Zelfs had hij tijdens de restauratie in Kent een leeraars-
ambt bekleed. Hij was tot presbyteriaan opgeleid geweest, maar de pres-
byterianen hadden hem uit de gemeente gestooten en hij was een independent
geworden. Hij was leeraar aan een akademie geweest, die de independenten
hadden opgericht als een mededingster der scholen van Westminster en van
Charterhouse; en hij had in bijeenkomsten in Moorfields tot groote verga-
deringen gepredikt. Hij had ook eenige godsdienstige tractaten uitgegeven,
die in de stoffige bergplaatsen van enkele oude boekerijen nog wel te vinden
zullen zijn; doch, hoezeer hij altoos bijbelteksten op de lippen had, zij die
geldzaken met hem te regelen hadden, leerden hem al spoedig als een echten
zwendelaar kennen.
Eindelijk wendde zijn aandacht zich van het godsdienstige bijna geheel
tot de laakbaarste woelingen der staatkunde. Hij behoorde tot de klasse,
wier taak het is in onrustige tijden opgewonden partijen diensten te bewijzen,
waarvoor eerlijke mannen met afkeer en behoedzame mannen met vrees
terugdeinzen, tot de klasse der dweepzieke schurken. Hevig, boosaardig,
zonder den minsten eerbied voor waarheid, ongevoelig voor schande, ge-
prikkeld door een onverzadelijke zucht naar vermaardheid, zijn hoogste
genot vindende in kuiperijen, in wanorde, in kwaad, enkel om des kwaads
wille, arbeidde hij vele jaren achtereen in de duistere lagen der partijzucht.
Hij leefde onder paskwilschrijvers en valsche getuigen. Hij was de houder
van een geheime kas, waaruit handlangers, te verachtelijk om erkend te
worden, hun loon ontvingen, en de bestuurder eener geheime drukpers, van
waar dagelijks naamlooze vlugschriften uitgingen. Hij beroemde zich, dat
hij schimpdichten tot op het terras van het kasteel van Windsor wist uit te
strooijen, ja zelfs, dat hij ze tot onder het koninklijk hoofdkussen wist te
brengen. Op deze levensbaan moest hij tot vele kunstgrepen zijn toevlucht
nemen, was hij genoodzaakt verscheiden namen aan te nemen, en had hij
eenmaal vier verschillende woonplaatsen te gelijk in verschillende gedeelten
van Londen. In het roggenhuis-komplot was hij diep verwikkeld geweest.
Er bestaat inderdaad grond om te gelooven, dat hij de eerste aanlegger dier
bloeddorstige ontwerpen is geweest, die zooveel blaam over de gansche
Whigpartij brachten. Toen de samenzwering ontdekt was en zijn bondge-
nooten in groote verslagenheid verkeerden, nam hij lachende afscheid van
hen en zeide hun, dat zij nieuwelingen waren, dat hij aan vlucht, aan weg-
schuilen en aan vermomming gewoon was, en, zoo lang hij leefde, nooit zou
ophouden komplotten te smeden. Hij ontkwam naar het vasteland. Maar
het scheen, dat hij zelfs daar niet veilig was. De engelsche gezanten aan
vreemde hoven kregen bevel naar hem uit te zien. De fransche regeering
loofde een prijs uit van vijfhonderd pistolen aan een iegelijk, die hem zou
aanhouden. Ook was het voor hem niet gemakkelijk de aandacht te ontgaan,
want zijn platte schotsche tongval, zijn lange magere gestalte, zijn ingevallen
kaken, de glans zijner doordringende oogen, waar zijn pruik altoos over
nederhing, zijn gelaat met vurige puisten, zijn kromme mismaakte schouders,
en zijn gang, door een eigenaardig waggelen van dien van andere menschen
-ocr page 393-
?69
JAKOBUS II.
onderscheiden, trokken de opmerkzaamheid tot hem, waar hij zich ook ver-
toonde. Maar ofschoon men hem, naar het scheen, met bijzondere verbitte-
ring vervolgde, werd er evenwel gemompeld, dat die verbittering geveinsd
was en de gerechtsbeambten geheime bevelen hadden hem niet te zien. Dat
hij wezenlijk tot de bitterste ontevredenen behoorde, valt nauwelijks te
betwijfelen. Maar er is veel grond om te gelooven, dat hij voor zijn eigen
veiligheid zorgde door zich als verspieder tegen de Whigs uit te geven en
der regeering te Whitehall juist zoo veel berichten gaf, als noodig was om
het vertrouwen op zijn persoon te onderhouden. Deze onderstelling levert
een eenvoudige verklaring op van hetgeen zijn metgezellen onnatuurlijke
roekeloosheid en vermetelheid leek. Daar hij zelf buiten gevaar was, stemde
hij altijd voor de meest gewelddadige en gevaarlijke gedragslijn, en met
zelfvoldoening spotte hij over de kleinmoedigheid van mannen, die de
schandelijke voorzorgen, waarop hij zich verliet, niet genomen hebbende,
geneigd waren zich tweemaal te bedenken, eer zij het leven, ja wat nog dier-
baarder dan het leven is, hun eer aan ééne enkele kans waagden \').
Zoodra hij zich in Nederland bevond, begon hij nieuwe ontwerpen tegen
de engelsche regeering te smeden en vond hij onder zijn mede-uitgewekenen
mannen, die bereid waren naar zijn kwade raadgevingen te luisteren. Mon-
mouth hield zich echter volstandig daar buiten en zonder de hulp van Mon-
mouths overgroote populariteit was het onmogelijk iets uit te richten. Zoo
groot echter was het onstuimig ongeduld der ballingen, dat zij naar een
anderen aanvoerder omzagen. Zij vaardigden een zending naar een eenzaam
toevluchtsoord aan de oevers van het meer van Génève af, waar Edmund
Ludlow, eenmaal een der eersten onder de hoofden van het parlements-leger
en onder de leden van het hoog gerechtshof, zich gedurende vele jaren voor
de wraak der herstelde Stuarts verborgen had. Doch de stroeve oude ko-
ningsmoorder weigerde zijn kluis te verlaten. Zijn werk, sprak hij, was afge-
daan. Zoo Engeland nog te redden was, dan moest dit door jonger mannen
geschieden 2).
De onverwachte troonsovergang veranderde den stand der zaken geheel
en al. Alle hoop, die de verbannen Whigs nog hadden kunnen voeden van
in vrede naar hun geboorteland terug te keeren, werd uitgedoofd door den
dood van een zorgeloozen en goedaardigen vorst en door de troonsbestijging
van een anderen vorst, hardnekkig in alles, voornamelijk in zijn wraakzucht.
Ferguson was in zijn element. Van de begaafdheden eens schrijvers en eens
staatsmans verstoken, bezat hij in hoogen graad de weinig benijdenswaardige
eigenschappen van een verleider. Nu liep hij, met de kwaadwillige bedrij-
vigheid en vlugheid van een boozen geest,\' van den eenen balling naar den
ander, fluisterde in ieders ooren en stookte in aller harten woeste verbittering
en ontembaar verlangen aan.
Hij twijfelde thans niet meer, of het zou hem gelukken Monmouth te ver-
leiden. De toestand van dien ongelukkigen jongen man was geheel veranderd.
\') Burnet I; 542. Wood. At: Ox : onder den naam van Owen; Absalom en Achito-
phel, He Deel, Eachard III, 682, 697; Sprats Waarachtig verhaal,passim; Gedenk-
schrift van een afgescheidene; Norths Onderzoek, 399.
J) Wade\'s Bekentenis, Harleysche Handschriften 6845.
MACAIJI.AY I.
24
-ocr page 394-
37o
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
Terwijl hij te \'s Hage danste en schaatsen reed en dagelijks een oproeping
naar Londen verwachte, werd hij door het bericht van het overlijden zijns
vaders en der troonsbestijging van zijn oom bijna tot wanhoop gedreven.
Gedurende den nacht, die op de ontvangst dier tijdingen volgde, konden
degenen, die in zijn nabijheid rustten, duidelijk zijn zuchten en jammer-
klachten hooren. Hij verliet den Haag den volgenden dag, nadat hij, aan
den prins en de prinses van Oranje beiden plechtig beloofd had niets tegen
de engelsche regeering te zullen ondernemen en zij hem van gelden ter be-
strijding van onmiddellijke behoeften hadden voorzien \').
De toekomst was voor Monmouth geenszins bemoedigend. Er bestond
geen waarschijnlijkheid, dat hij uit de ballingschap teruggeroepen zou wor-
den. Op het vasteland kon zijn leven niet langer in den glans en in den
feestelijken kring van een hof worden doorgebracht. Zijn aanverwanten te
\'s Hage schijnen hem wezenlijk genegenheid te hebben toegedragen; maar
zij konden hem niet langer openlijk beschermen zonder ernstig gevaar voor
den bestaanden vrede tusschen Engeland en Holland. Willem opperde een
welwillend en welbedacht voorstel. De oorlog, die destijds in Hongarije
tusschen den Keizer en de Turken woedde, werd door gansch Europa met
bijna even groote belangstelling gadegeslagen, als die, welke de kruisvaarders
vijfhonderd jaar vroeger gewekt hadden. Vele dappere gentlemeri, protestan-
ten zoowel als roomsch-katholieken streden als vrijwilligers in de gemeene
zaak der christenheid. De grins gaf aan Monmouth den raad zich naar het
keizerlijk leger te begeven, en beloofde hem, dat, zoo hij dit deed, het hem
niet aan middelen zou ontbreken om zóó op te treden, als het een Engelsch-
man van hoogen adel betaamde 2). Deze raad was voortreffelijk, maar de
hertog kon tot geen besluit komen. Hij vertrok naar Brussel, verzeld van
Henrietta Wentworth, barones Wentworth van Nettlestede, een jonge dame
van hoogen rang en groot vermogen, die hem hartstochtelijk beminde, die
hem haar maagdelijke eer en de hoop op een glansrijke echtverbintenis ten
offer had gebracht, die hem in zijn ballingschap gevolgd was en die hij voor
het oog van God als zijn vrouw beschouwde. Onder den verzachtenden in-
vloed dier vrouwelijke teederheid begon al ras zijn gewond gemoed te heelen.
Hij scheen in afzondering en rust het geluk te vinden, en vergeten te hebben,
dat hij het sieraad van een schitterend hof en het hoofd van een groote partij
geweest was, dat hij legers aangevoerd en naar een troon gedongen had.
Doch men liet hem niet lang met rust. Ferguson wendde al zijn verlei-
dingskunsten aan. Grey, die niet wist, tot wien hij zich wenden zou om een
enkel goudstuk te leenen, en die tot iedere, zelfs de wanhopendste onder-
neming bereid was, beloofde zijn hulp. Er werd geen kunst gespaard, die
Monmouth uit zijn schuilplaats zou hebben kunnen lokken. Op de eerste
uitnoodigingen, die hij van zijn voormalige bondgenooten ontving, gaf hij
ontwijkende antwoorden. Hij verklaarde, dat de moeijelijkheden, die zich
tegen een landing in Engeland opdeden, onoverkomelijk waren; hij betuigde,
dat hij het openbare leven moede was en verzocht in het ongestoord genot
\') Avaux, Nég, 20 & 22 Febr. 1685. Brief van Monmouth aan Jakobus, uit
Ringwood.
2) Geschiedenis van koning Willem III, 2e uitgave, 1703,1 Deel 160.
-ocr page 395-
37I
JAKOBUS II.
van zijn nieuw gevonden geluk te worden gelaten. Doch hij was niet ge-
woon weerstand te bieden aan welberekende en dringende aanzoeken. Men
zegt verder, dat hij door denzelfden machtigen invloed, die hem zijn afzon-
dering zoo aangenaam had gemaakt, ook gedrongen werd die afzondering te
verlaten. Lady Wentworth wenschte hem koning te zien. Haar inkomsten,
haar diamanten, haar crediet werden te zijner beschikking gesteld. Mon-
mouth werd niet in gemoede overtuigd, doch hij had geen zelfstandigheid
genoeg om aan zulke verleiding het hoofd te bieden. \')
uitgraokenen. Door de engelsche ballingen werd hij met blijdschap verwelkomd
en eenstemmig als hun opperhoofd erkend. Doch er was een andere afdeeling
van uitgewekenen, die niet geneigd was zijn oppermacht te eerbiedigen. Een
regeering, zoo slecht als men ze in het zuidelijk gedeelte van ons eiland nim-
mer gekend heeft, had vele vluchtelingen uit Schotland naar het vasteland
gedreven, die te toomeloozer waren in hun godsdienstigen en staatkundigen
ijver, naarmate de door hen geleden verdrukking grooter was geweest. Deze
mannen waren niet gezind een engelschen aanvoerder te volgen. Zelfs in
gebrek en ballingschap, bleven zij hun onhandelbaren nationalen trots be-
waren en wilden niet toelaten, dat hun land in hun personen tot een pro-
ymEgyi\'- vmcle verlaagd werd. Zij hadden een hoofdman uit hun midden,
Archibald, negenden graaf van Argvle, die, als hoofd van den grooten stam
van Campbell bij de bevolking der Hooglanden onder den trotschen naam
van Mac Callum More bekend was. Zijn vader, de markies van Argyle, was
het hoofd der schotsche covenanters geweest, had veel tot den val van
Karel I bijgedragen, en had naar het oordeel der koningsgezinden die schuld
niet vergoed door zijn bereidwilligheid om Karel II den blooten titel van
koning en een staatsgevangenis in het paleis van Holyrood te schenken. Na
den terugkeer der koninklijke familie werd de markies ter dood gebracht.
Zijn markiezaat verviel; doch zijn zoon werd vergund het oude earlschap te
erven en hij behoorde nog steeds tot den eersten adel van Schotland. De
houding van den graaf was gedurende de twintig jaar, die op de restauratie
volgden, naar het hem later voorkwam, van strafwaardige gematigdheid
geweest. Hij had bij sommige gelegenheden tegenstand geboden aan het
bestuur, dat zijn vaderland teisterde; maar die tegenstand was flauw en
angstvallig geweest. Zijn toegevendheid in kerkelijke aangelegenheden had
aan strenge presbyterianen ergernis gegeven en hij was er zoo ver af geweest
eenige geneigdheid tot verzet te toonen, dat hij, toen de covenanters door
vervolging tot opstand gedreven waren, een groote schare zijner volgelingen
in het veld had gebracht om de regeering te ondersteunen.
Zoodanig was zijn staatkundige gedragslijn geweest, totdat de hertog van
\') Wehvoods Gedenkschriften, App. XV; Burnet I, 630. Grey verhaalde een
eenigszins verschillende geschiedenis; maar hij deed dit om zijn leven te redden. De
spaansche gezant bij het engelsche hof, Don Pedro de Ronquillo spreekt, in een brief,
omstreeks dien tijd geschreven aan den gouverneur der Nederlanden, met verachting
van monmouth, omdat hij van de grootmoedigheid eener verliefde vrouw leefde en
geeft een zeer ongegronde verdenking te kennen, dat des hertogs liefde geheel en al
baatzuchtig was. «Hollandose hoy tan falto de medios que ha menester transformarse
»en Amor con miledi en vista de la necesidad de poder subsistir." Ronquillo aan
Grana, 30 Maart -9 April 1685.
-ocr page 396-
3 72
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
York, met het gansche koninklijk gezag gewapend, naar Edinburgli kwam.
De despotische onderkoning vond al ras, dat hij van Argyle geen door-
gaande ondersteuning kon verwachten. Daar het machtigste opperhoofd in
het koninkrijk niet te winnen was, werd het noodig geacht hem uit den weg
te ruimen. Op gronden, zoo beuzelachtig, dat zij den geest van partijzucht
en den geest van haarklooverij zelven tot schande moeten verstrekken, werd
hij wegens hoogverraad terechtgesteld, schuldig verklaard en ter dood ver-
oordeeld. De aanhangers der Stuarts hebben later beweerd, dat men nim-
mer voornemens was geweest dit vonnis ten uitvoer te leggen en het eenig
doel der vervolging was geweest hem door schrik tot het afstaan van zijn
uitgebreid rechtsgebied in de Hooglanden te dwingen. Of nu Jakobus het
plan heeft gehad om, gelijk zijn vijanden vermoedden, moord te plegen, dan
wel, gelijk zijn vrienden verzekerden, door bedreiging van moord zijn vijan-
den iets af te persen, kan nu niet meer worden uitgemaakt. »Ik heb geen
kennis van de schotsche wetgeving," zeide Halifax tot koning Karel; smaar
dit weet ik, dat wij hier niet eens een hond zouden hangen, op de gronden,
waarop mylord Argyle gevonnisd is" \').
Argyle ontkwam vermomd naar Engeland en ging van daar naar Friesland
over. In dat afgelegen gewest had zijn vader een klein landgoed gekocht,
bestemd om in onrustige tijden het toevluchtsoord der familie te zijn. Men
verhaalde onder de Schotten, dat deze aankoop gedaan was ten gevolge der
voorspellingen van een Celtischen ziener, aan wien geopenbaard was, dat
Mac Callum More eens van den alouden zetel van zijn geslacht, te Inverary,
verdreven zou worden 2). Maar het is waarschijnlijk, dat de staatkundige
markies veeleer door de teekenen des tijds, dan door de droomgezichten van
een of ander profeet, gewaarschuwd was. In Friesland leefde graaf Archibald
een tijdlang zoo rustig, dat het niet eens bekend werd, waarheen hij ont-
vloden was. Van uit zijn schuilplaats onderhield hij een briefwisseling met
zijn vrienden in Groot-Brittanje, hij werd in de Whigsche samenzwering
ingewijd en beraamde met de hoofden dier samenzwering het ontwerp van
een inval in Schotland\'). Dit ontwerp was na de ontdekking van het rog-
genhuiskomplot blijven rusten, doch werd na de troonsverandering op nieuw
het onderwerp zijner overpeinzingen.
Hij had gedurende zijn verblijf op het vaste land veel dieper nagedacht
over godsdienstige vraagpunten, dan in zijn vroegere levensjaren. In één
opzicht was de uitwerking dezer overdenkingen voor zijn gemoed verderfelijk
geweest. Zijn ingenomenheid met den synodalen vorm van kerkbestuur was
nu dweepzucht geworden. Wanneer hij zich herinnerde, hoe lang hij zich
naar de eeredienst der staatskerk gevoegd had, werd hij door schaamte
en wroeging aangetast en liet dan slechts te veel neiging blijken om zijn
afvalligheid weer goed te maken door geweld en onverdraagzaamheid. Hij
\') Proces van Argyle in de verzameling van staatsgedingen; Uurnet I, 521; Waar
en eenvoudig verhaal van de ontdekkingen, in Schotland gemaakt, 1684; De schotsche
nevel opgehelderd; Rechtvaardiging van Sir George Mackenzie; Lord Fountainhall\'s
Chronologische aanteekeningen.
") Aanklacht van Robert Smith in het appendix tot Sprats Waarachtig bericht.
\') Waar en eenvoudig verhaal van de ontdekkingen in Schotland gemaakt.
-ocr page 397-
3» 3
JAKOBUS II.
vond echter weldra gelegenheid om te bewijzen, dat eerbied en liefde voor
een hooger macht hem tevens gesterkt hadden tot de vrecselijkste worstelin-
gen, die de menschelijke natuur op de proef kunnen stellen.
Voor zijn lotgenooten in den tegenspoed was zijn bijstand van het hoogste
gewicht. Schoon verbannen en voortvluchtig, was hij evenwel in zeker op-
zicht nog de machtigste onderdaan van het britsche rijk. In rijkdom stond
hij, zelfs vóór zijn veroordeeling, niet slechts bij de groote engelsche edelen,
maar zelfs bij enkele rijke esquires van Kent en van Norfolk ten achter.
Maar zijn aartsvaderlijk gezag, een gezag, dat door geen rijkdommen ver-
kregen, door geen vonnis ontnomen kon worden, maakte hem waarlijk ge-
ducht als aanvoerder van een opstand. In het zuiden kon geen enkele lord
eenige zekerheid koesteren, dat, zoo hij het waagde zich tegen de regeering
te velzetten, ook slechts zijn eigen boschwachters en jagers hem getrouw
zouden blijven. Een graaf van Bedford, een graaf van Devonshire kon zich
niet verbinden om tien man in het veld te brengen. Mac Callum More, van
geld ontbloot en van zijn grafelijke waardigheid vervallen verklaard, kon,
wanneer hij het verkoos, een ernstigen burgeroorlog verwekken. Hij be-
hoefde zich slechts aan de kust van Lom te vertoonen en binnen weinige
dagen zou een geheel leger om hem geschaard zijn. De krijgmacht, die hij
bij gunstige omstandigheden in het veld kon brengen, bedroeg vijf duizend
strijdbare mannen, aan zijn persoon verkleefd, bedreven in het gebruik van
het schild en van het breede schotsche zwaard, onbevreesd om geregelde
troepen zelfs op het vlakke veld te ontmoeten, en die wellicht geregelde
troepen overtroffen in de eigenschappen, voor de verdediging van woeste, in
nevels gehulde en door bruisende stortvloeden gescheurde bergpassen ver-
eischt. Wat zulk een strijdmacht, onder goede leiding, zelfs tegen oudge-
diende regimenten en bekwame krijgsoversten uitrichten kon, bleek weinige
jaren later te Killiecrankie.
Doch hoe krachtig ook de aanspraken van Argyle op het vertrouwen der
verbannen Schotten waren, er bestond evenwel onder hen een partij, die
hem geen vriendschappelijk gevoel toedroeg en van zijn naam en zijn invloed
wenschte partij te trekken zonder hem de minste wezenlijke macht in han-
siri\'atrickiiumc-. den te geven. Het hoofa van deze partij was een edelman uit
de Laaglanden, die, in het whigsche komplot betrokken, met moeite aan de
wraak van het hof ontkomen was, Sir 1\'atrick Himie, van Polwarth, in Ber-
wickshire. Er is veel twijfel omtrent zijn rechtschapenheid geopperd, doch
zonder voldoende reden. Men moet evenwel erkennen, dat hij door zijn
ongeschiktheid zijn zaak niet minder benadeeld heeft dan hij door verraad
zou hebben kunnen doen. Hij was even onbekwaam om te leiden als om te
volgen, verwaand, twistziek en dwars, een onvermoeide babbelaar, traag in
het aanvallen van den vijand, doch vlug in zijn handelingen tegen zijn eigen
bondgenooten. Met Hume was een andere schotsche balling van groot aan-
sirjohncochrane. zien verbonden, die, schoon niet in dezelfde mate, vele van
dezelfde gebreken had, Sir John Cochrane, tweede zoon van den graaf van
Dundonald.
F1\'s«itöfm"" Een veel hooger naam bezat Andreas Fletcher van Saltoun, een
man, die zich door geleerdheid en welsprekendheid, bovendien ook door
-ocr page 398-
374
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
moed, onbaatzuchtigheid en vaderlandsliefde onderscheidde, maar die op-
vliegend en van een onhandelbare inborst was. Even als velen zijner be-
roemde tijdgenooten, Milton bij voorbeeld, Harrington, Marvel enSydney,
had ook Fletcher, uit hoofde van het verkeerde bestuur van verscheiden
opeenvolgende vorsten, een sterken afkeer van de erfelijke monarchie opge-
vat. Nochtans was hij geen demokraat. Hij was het hoofd van een oud
Noormaansch huis en fier op zijn afkomst. Hij was een schitterend redenaar
en een bekwaam schrijver en daarbij was hij trotsch op zijn intellectueele
meerderheid. In beide zijn eigenschappen, van edelman zoowel als van
geleerde, zag hij met minachting op het gemeene volk neder en was hij zoo
weinig gezind het eenige politische macht toe te vertrouwen, dat hij het
zelfs onbekwaam achtte voor het genot van persoonlijke vrijheid. Het is
een merkwaardige omstandigheid, dat deze man, de meest oprechte, de
onverschrokkendste en onwrikbaarste republikein van zijn tijd, de ontwerper
geweest is van een plan om een aanzienlijk gedeelte der arbeidende klassen
in Schotland tot slavernij te vernederen. Hij had in waarheid een treffende
overeenkomst met de romeinsche senatoren, die, den naam van koning
hatende, de voorrechten van hun stand met onbuigzamen trots tegen de
aanmatigingen der menigte verdedigden en hun slaven en slavinnen door
middel van blok en geeselroede bestuurden.
Amsterdam was de plaats, waar de voornaamste uitgewekenen, zoo Schot-
ten als Engelschen, bijeenkwamen. Argyle begaf zich uit Friesland, Mon-
month uit Brabant derwaarts. Het bleek weldra, dat de vluchtelingen bijna
niets gemeen hadden, dan alleen haat tegen Jakobus en een ongeduldig
verlangen om uit hun ballingschap naar het vaderland terug te keeren. De
Schotten waren naijverig op de Engelschen, de Engelschen van hun kant op
de Schotten. De hooge toon, dien Monmouth aansloeg, gaf aanstoot aan
Argyle, die, trotsch op zijn ouden adel en op een wettige afstamming van
koningen, in geenen deele geneigd was der vrucht eener voorbijgaande en
onedele liefde zijn hulp te bieden. Maar de ernstigste van al de twisten, die
het kleine getal bannelingen verdeelden, was die, welke tusschen Argyle en
een gedeelte zijner eigen volgelingen ontstond. Sommigen der schotsche
ballingen verkeerden ten gevolge van lang volgehouden verzet tegen dwin-
gelandij in een kranken toestand van hoofd en hart, die hun den recht-
matigsten en noodzakelijksten dwang ondraaglijk maakte. Zij wisten, dat zij
hlndehJu\'io\'iflr zonder Argyle niets konden uitrichten. Zij hadden behooren te
uu\'si\'Sln\'cm. weten, dat, wilden zij niet rechtstreeks in hun verderf loopen, zij
alsdan hun leider onbepaald vertrouwen moesten schenken, ofwel alle ge-
dachten aan krijgsondernemingen laten varen. De ondervinding heeft vol-
dingend bewezen, dat in den oorlog iedere verrichting, van de grootste tot de
kleinste, onder het volstrekt bestuur van één enkel hoofd moet geschieden,
en dat iedere ondergeschikte in zijn rang blindelings, met den grootsten
ijver, en althans met den schijn van blijmoedigheid bevelen gehoorzamen
moet, die hij afkeurt, of waarvan de redenen voor hem worden geheim
gehouden. Vertegenwoordigende vergaderingen, openbare beraadslagingen,
en alle andere middelen van verzet, waardoor in burgerlijke aangelegen-
heden regenten verhinderd worden hun macht te misbruiken, zijn in een
-ocr page 399-
375
JAKOBUS II.
leger niet op hun plaats. Met recht schreef Machiavelli vele der rampen,
die Venetië en Florence hadden getroffen, aan den naijver toe, die deze
republieken dreef zich in iedere handeling van hun veldheeren te mengen \').
Het Hollandsch gebruik om afgevaardigden naar een leger te zenden, zonder
wier toestemming geen enkele belangrijke beweging gedaan mocht worden,
was bijna even verderfelijk. Het is ongetwijfeld in geenen deele zeker, dat
een veldheer, wien in de ure des gevaars een dictatoriale macht werd opge-
dragen, die macht in het uur der zegepraal gewillig zal terug geven; en dit
is een der vele overwegingen, die de menschen moeten nopen lang te wach-
ten, alvorens zij het besluit nemen de openbare vrijheid door middel van het
zwaard te handhaven. Maar indien zij bepaald hebben de kans van den oorlog
te beproeven, dan zullen zij, zoo zij wijs zijn, hun aanvoerder het onbeperkte
gezag toevertrouwen, bij gebreke waarvan de oorlog niet wel gevoerd kan
worden. Het is mogelijk, dat, als zij hem dat gezag schenken, hij zich als
een Cromwell of als een Napoleon zal doen kennen. Maar het is bijna zeker
dat, indien zij hem dat gezag onthouden, hun onderneming alsdan zal ein-
digen gelijk die van Argyle is afgeloopen.
Sommige der schotsche uitgewekenen, verhit door republikeinsche geest-
drift en geheel en al ontbloot van de noodige bekwaamheid tot het leiden
van gw>ote aangelegenheden, besteedden al hun vlijt en al hun vernuft niet
tot het bijeenbrengen van middelen voor den aanval, dien zij op het punt
waren tegen een geduchten vijand te richten, maar in het beramen van
beperkingen der macht van hun aanvoerder en van waarborgen tegen zijn
eerzucht. De aanmatigende domheid, waarmede zij er op stonden een leger
te organiseeren, alsof zij met een republiek te doen hadden, zou ongelooflijk
zijn, ware zij niet door een uit hun midden rondborstig, ja zelfs met ophef
beschreven l).
Eindelijk werden alle twisten bijgelegd. Er werd besloten, dat zender
verder verwijl een poging aan de westkust van Schotland gedaan en spoedig
door een landing in Engeland gevolgd zou worden.
VoorbiTeiik\'ndr Argyle zoude, in naam, het bevel in Schotland voeren; doch
lehlkkingen tot ,           ...                • .                             ..              , i ,* • . i
undinscn i» hij werd onder het toezicht eener commissie gesteld, die zich al
Engeland en io
schotland, de belangrijkste gedeelten van het krijgsbeheer had voorbehou-
den. Deze commissie was gemachtigd te bepalen, waar de expeditie zou
landen, officieren te benoemen, de werving van troepen te besturen, en
leeftocht en krijgsbehoeften uit te deelen. Al wat den veldheer overbleef,
was de leiding van de bewegingen des legers in het veld, en hem werd de
belofte afgedwongen, dat hij zelfs te velde, behalve in geval van verrassing,
nooit iets ondernemen zou buiten toestemming van een krijgsraad.
Monmouth zou in Engeland het bevel voeren. Zijn week gemoed had, als
gewoonlijk, den indruk van het gezelschap ondergaan, dat hem omgaf.
Eergierige hoop, die men uitgedoofd had geacht, herleefde in zijn boezem.
Hij herinnerde zich de liefde, waarmede hij steeds door het geringe volk in
stad en land begroet was geworden en verwachtte, dat zij thans bij honderd-
\') Discorsi sopra la prima Decai di Tlto Livio, lib. II, cap. 23.
*) Zie Sir Patrick Hume\'s Verhaal, passim.
-ocr page 400-
376                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
duizenden zouden opstaan om hem te verwelkomen. Hij herinnerde zich de
genegenheid, die de soldaten hem steeds hadden toegedragen en vleide zich,
dat zij met gansche regimenten tot hem zouden overgaan. Bemoedigende
tijdingen werden hem in rasse opeenvolging uit Londen aangebracht. Hem
werd verzekerd, dat de gewelddadigheid, waarmede de verkiezingen tot
stand gekomen waren, de natie tot razernij gedreven had, dat de wijs-
heid der whigsche leiders op den dag der kroning met moeite een bloedige
uitbarsting tegengehouden had en dat al de groote lords, die de uitsluitings-
wet ondersteund hadden, ongeduldig waren om zich bij hem te scharen.
Wildman, die gaarne verraad in gelijkenissen predikte, liet hem zeggen, dat
de graaf van Richmond, juist tweehonderd jaar te voren, met een handvol
menschen in Engeland geland en een paar dagen later op het slagveld van
Boswoith met den diadeem gekroond was, die van het hoofd van Richard
was genomen. Danvers nam op zich de City in opstand te brengen. De
hertog werd in den waan gebracht dat, zoodra hij zijn vaan ontrolde, Bed-
fordshire, Buckinghamshire, Hampshire, Cheshirc naar de wapenen zouden
grijpen \'). Diensvolgens werd hij vurig voor een onderneming, waarvoor hij
weinige weken te voren was teruggedeinsd. Zijn landslieden legden hem
geen zoo ongerijmde beperkingen op, als die, welke de schotsche uitgeweke-
nen voor hun veldheer bedacht hadden. Al wat van hem gevorderd werd,
was <.;e belofte, dat hij den koningstitel niet zou aannemen, alvorens zijn
aanspraken aan het oordeel van een vrij parlement onderworpen waren
geworden.
Er werd besloten, dat twee Engelschen, Ayioffe en Rumbold, Argyle naar
Schotland zouden verzeilen, en dat Fletcher met Monmouth naar Engeland
zou gaan. Fletcher had van den beginne af slechte verwachtingen van de
onderneming gehad; maar zijn ridderlijke geest veroorloofde hem niet zich
aan een gevaar te onttrekken, waarnaar zijn vrienden met ongeduld schenen
te verlangen. Toen Grcy met welgevallen herhaalde wat Wildman van
Richmond en Richard gezegd had, maakte de belezen en welberaden Schot
de juiste opmerking, dat er een groot verschil was tusschen de vijftiende
eeuw en de zeventiende; Richmond was van den bijstand van baronnen
verzekerd geweest, die elk een heir van leenmannen in het veld konden
brengen; en Richard bezat geen enkel regiment geregelde troepen 2).
De ballingen slaagden er in, deels uit eigen middelen, deels uit bijdragen
van begunstigers in Holland een toereikende som tot bestrijding der kosten
van beide expeditien bijeen te brengen. Zeer weinig werd uit Londen ont-
vangen. Men had van daar zesduizend p. st. verwacht.
Doch inplaats van geld kwamen er verontschuldigingen van Wildman,
die de oogen hadden moeten openen van allen, die niet opzettelijk blind
waren. De hertog voorzag in het ontbrekende door het verpanden van zijn
eigen juweelen en die van lady Wentworth. Men kocht wapenen, krijgsbe-
hoeften en leeftocht op en verscheiden schepen werden bevracht, die te
Amsterdam lagen J).
\') Gicy\'s Verhaal; Wade\'s Bekentenis, Ilarleysche Handschriften, 6874.
\') Burnet, I, 631.
\') Grey\'s Verhaal.
-ocr page 401-
377
JAKOliUS II.
juimLucKi. Het is opmerkenswaardig, dat de beroemdste en de zwaarst ver-
ongelijkte der britsche bannelingen zich van alle deelneming aan deze
onbezonnen ontwerpen streng onthield. John Locke haatte dwingelandij en
vervolging als wijsgeer; maar zijn geest en zijn inborst bewaarden hem voor
de heftigheid van een partijman. Hij was in vertrouwden omgang met
Shaftesbury geweest en had zich daardoor het misnoegen van het hof be-
rokkend. Locke had zich echter zoo voorzichtig gedragen, dat het blijkbaar
weinig gebaat zou hebben, hem zelfs ook voor de onzedelijke en partijdige
rechtbanken van dien tijd te brengen. In één punt echter was hij kwetsbaar.
Hij was lid van het Christus-kcrk-college in de hoogeschool van Oxford.
Thans werd besloten den grootsten man, op wien dat college ooit had kunnen
roem dragen, er uit te verbannen. Maar dat was niet gemakkelijk. Locke had
zich te Oxford onthouden van ecnige meening over de politiek van den dag
te uiten. Men had hem van verspieders omringd. Doctoren in de theologie
en meesters in de kunsten \'j hadden zich niet geschaamd de laagste van alle
diensten te verrichten, de woorden van een ambtgenoot te beluisteren, om
ze tot zijn verderf elders over te brengen. In de collegezaal had men het
onderhoud opzettelijk op netelige onderwerpen geleid, op de uitsluitingswet
en op het karakter van Shaftesbury, maar te vergeefs. Locke liet zich tot
geen uitbarsting verleiden en veinsde niet, maar bewaarde een zoo stand-
vastig zwijgen en zooveel gelijkmoedigheid, dat de werktuigen der regecring
met wrevel en spijt erkennen moesten, dat geen mensch ooit een zoo vol-
maakte heerschappij over zijn tong en zijn hartstochten had bezeten. Toen
men vond, dat verraad niet baten wilde, weid willekeurig geweld gebezigd.
Na vergeefs getracht te hebben Locke tot een misstap te vervoeren, besloot
de regeering hem toch te straffen, ook zonder dat hij iets misdreven had. Er
kwamen van Whitehall bevelen om hem af te zetten, waaraan door den deken
en het kapittel zonder uitstel werd gehoorzaamd.
Locke reisde voor zijn gezondheid op het vasteland, toen hij vernam, dat
hij zonder terechtstelling, ja zelfs zonder eenige kennisgeving, van zijn wo-
ning en van zijn bestaan beroofd was. De onrechtvaardigheid, waarmede hij
behandeld was, zou tot zijn verschooning gestrekt hebben, zoo hij geweld-
dadige middelen tot herstel gezocht had. Doch hij was niet door persoonlijke
wraakzucht te verblinden; hij voorzag niets goeds van de aanslagen dergenen,
die te Amsterdam bijeen waren gekomen: en hij begaf zich bedaard naar
Utrecht, waar hij, terwijl zijn lotgenootcn hun eigen verderf beraamden,
zijn beroemden brief schreef over verdraagzaamheid in het godsdienstige \').
\') Meesters in de vrije kunsten en wetenschappen. De graad van magister is bij de
engelsche hoogescholen eerst dan te verkrijgen als men, in den graad van baccalaurens,
nog eenige jaren blijft studeereu, en is, meen ik, een vereischte om tot de hoogere
uuiveisiteits-ambten, (leeraar enz.) benoembaar te zijn.
                                         V.
>) Le Clerc\'s Leven van Locke; Lord Kings Leven van Locke; Lood Grenville,
Oxford en Locke. Locke moet niet met den wederdooper Nicolaas Look verwisseld
worden, wiens naam in Grey\'s Bekentenis Locke gespeld wordt, en van wien ook in de
handschriften van Lansdowne, 1152, en in het verhaal van Buocleuch, inden aanhang
tot de verhandeling van den heer Rosc, gewaagd wordt. Ik zou het nauwelijks noodig
achten deze bemerking te maken, had niet de gelijksoortigheid der twee mannen, naar
het schijnt, zelfs een man misleid, die met de geschiedenis van deze tijden zoo goed
bekend was als Onslow. Zie zijn aanteekening op liurnet I, 629.
-ocr page 402-
378
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
^èm^enöScn," De engelsche regeering werd bijtijds onderricht, dat er
"Jn\'schÓtiandf onder de ballingen iets gaande was. Een inval in Engeland
schijnt men aanvankelijk niet verwacht te hebben, maar men vreesde, dat
Argyle weldra gewapend onder zijn stamgenooten verschijnen zou. Er werd
dientengevolge een proclamatie uitgevaardigd, inhoudende dat Schotland in
staat van verdediging gesteld zou worden. De landweer kreeg bevel zich
gereed te houden. Alle clans (stammen), die den naam van Campbell vijan-
dig waren, werden in beweging gezet. John Murray, markies van Athol,
werd tot lord-luitenant van Argyleshire aangesteld en bezette aan het hoofd
eener groote schaar volgelingen het kasteel van Inverary. Eenige verdachte
personen werden in hechtenis genomen; anderen gedwongen gijzelaars te
stellen. Oorlogschepen werden uitgezonden om in den omtrek van het eiland
Bute te kruisen, en een gedeelte der krijgsmacht van Ierland naar de kust
van Ulster verplaatst \').
jskobü^0mdJ"de Terwijl in Schotland deze voorbereidende maatregelen geno-
"S™!\' men werden, riep Jakobus Arnold van Citters, die langen tijd
als gezant der Vereenigde Provinciën in Engeland gevestigd was geweest, en
Everhardus van Dijkvelt, die na den dood van Karel, door de Staten-Generaal
met een speciale zending van rouwbeklag en van gelukwensching belast was
geworden, in zijn kabinet. De koning zeide, dat hij uit vertrouwbare bronnen
bericht ontvangen had van aanslagen, die door zijn verbannen onderdanen
in Holland tegen zijn troon beraamd werden. Sommige der ballingen waren
keelafsnijders, die slechts door Gods bijzondere voorzienigheid belet waren
een vuigen moord te begaan; en onder hen bevond zich de eigenaar der
plaats, die voor de slachting was uitgekozen geweest. «Onder alle levende
menschen," sprak de koning, «bezit Argyle de grootste macht om mij te
schaden, en Holland is de plek, van waar, beter dan van eenige andere, een
slag tegen mij gericht kan worden." Citters en Dijkvelt verzekerden zijn
majesteit, dat hetgeen hij gezgd had onmiddellijk bericht zou worden aan de
regeering, die zij vertegenwoordigden, en gaven hun volkomen vertrouwen te
kennen, dat men al het mogelijke zou aanwenden om hem te bevredigen \').
"im\'ArkvSf\'hrt" ^e gezanten hadden terecht dat vertrouwen uitgedrukt.
"beïe\'teV Beiden, de prins van Oranje en de Staten-Generaal wenschten
destijds zeer, dat de gastvrijheid van hun land niet tot doeleinden misbruikt
wierd, waardoor de engelsche regeering zich met reden gekrenkt zou kunnen
achten. Jakobus had kort geleden een taal gevoerd, die hoop wekte, dat hij
zich niet langer aan het overwicht van Frankrijk zou onderwerpen. Het
scheen waarschijnlijk, dat hij in het aangaan van een nauw verbond met de
Vereenigde Provinciën en met het Huis van Oostenrijk zou toestemmen.
Men verlangde derhalve te \'s Hage zeer alles te vermijden wat hem aanstoot
kon geven. Het persoonlijk belang van Willem stemde bovendien bij deze
gelegenheid volkomen overeen met dat van zijn schoonvader.
Intusschen was het geval van dien aard, dat er snelwerkende en kracht-
dadige maatregelen vereischt werden en de aard der instellingen van het
■) Wodrow, Ille boek, IXe hoofdstuk, London-Gazette, II Mei 1685; Barillon
11—21 Mei.
2) Verhandelingen van de Staten-Generaal, 5—15 Mei 1685.
-ocr page 403-
379
JAKOBUS II.
gemeenebest maakte zulke maatregelen bijkans onmogelijk. De Unie van
Utrecht, in den wanhopenden strijd eener omwenteling ontworpen om aan
de eischen van het oogenblik te voldoen, was nooit in tijden van kalmte
met bedaardheid herzien en volmaakt. Elk dezer zeven gewesten, welke
die Unie te zaam verbonden had, had bijna alle souvereiniteits-rechten be-
houden en die rechten tegenover het centraal bestuur stipt gehandhaafd.
Evenmin als de bondgenootschappelijke overheden bij machte waren van de
provinciale overheden volstrekte gehoorzaamheid te vorderen, evenmin kon-
den deze volstrekte gehoorzaamheid van de stedelijke overheden vergen.
Holland alleen bevatte achttien steden, van welke ieder in vele opzichten
een onafhankelijke staat was, afkeerig van alle inmenging van buiten.
Ontvingen de regenten van zulk een stad uit den Haag eenig bevel, dat hun
onaangenaam was, dan voerden zij het in het geheel niet, of slechts flauw en
langzaam uit. In sommige stedelijke raden was, wel is waar, de invloed van
den prins van Oranje zeer groot. Ongelukkig echter was de plaats, waar de
britsche ballingen vergaderd en hun schepen uitgerust waren, het machtige
en volkrijke Amsterdam; en de overheden van Amsterdam waren de hoofden
der partij, die het bondbestuur en het Huis van Nassau vijandig was. Het
bestuur der marine van de Vereenigde Provinciën werd door vijf verschil-
lende admiraliteits-colleges gevoerd. Een dier colleges zetelde te Amster-
dam, werd voor een gedeelte door de overheid der stad aangesteld en schijnt
geheel van haar geest doortrokken te zijn geweest.
Al de pogingen van het landsbestuur om te doen, wat Jakobus verlangde,
werden verijdeld door de uitvluchten der beambten te Amsterdam en door
de misslagen van den kolonel Bevil Skelton, die juist in de hoedanigheid
van engelsch gezant te \'s Hage was aangekomen. Skelton was gedurende de
engelsche staatsonlusten in Holland geboren en werd derhalve geacht voor
zijn post bijzonder geschikt te zijn \'); maar hij was, in waarheid, ongeschikt
voor deze en voor elke andere diplomatische betrekking. Uitstekende men-
schenkenners noemden hem den oppervlakkigsten, lichtzinnigsten, harts-
tochtelijksten, verwaandsten en praatzieksten aller menschen J). Hij liet zich
niet ernstig gelegen liggen aan de handelingen der uitgewekenen, voordat
drie schepen, die tot de expeditie naar Schotland waren uitgerust, de Zui-
derzee ongehinderd verlaten hadden, en de wapenen, de ammunitie en de
leeftocht ingescheept en de passagiers aan boord waren. In plaats dat hij
nu, gelijk zijn plicht was geweest, zich tot de Staten-Generaal wendde,
wier zittingen in de buurt zijner eigen woning gehouden werden, zond hij
een koerier aan de amsterdamsche overheid met verzoek om de verdachte
schepen aan te houden. Zij antwoordden, dat de ingang der Zuiderzee buiten
hun rechtsgebied lag en verwezen hem naar het generaliteitsbewind. Dit
was kennelijk een bloote uitvlucht; want, ware men aan het stadhuis te
Amsterdam ernstig gezind geweest Argyle het uitzeilen te beletten, men zou
daarin geen zwarigheden hoegenaamd gevonden hebben. Skelton wendde
zich nu tot de Staten-Generaal. Zij toonden zich dadelijk bereid aan zijn
\') Dit wordt in zijn geloofsbrieven vermeld, die de dagteekening dragen van 16
Maart, 1684—5.
2) Bonrepaux aan Seignelay, 4—14 Februari 1686.
-ocr page 404-
38o
GESCHIEDENIS VAK ENGELAND.
verzoek te voldoen, en vermits het geval dringend was, weken zij van den
loop af, dien zij gewoonlijk in de behandeling van zaken volgden. Op den-
zelfden dag, dat hij zich tot hen had gewend, werd een bevelschrift, geheel
overeenkomstig zijn verzoek, opgemaakt en rechtstreeks aan de admiraliteit
van Amsterdam gezonden. Maar ten gevolge van onnauwkeurige berichten,
die hij ontvangen had, was in dit bevelschrift de plaats, waar de schepen
zich bevonden, niet juist aangeduid. Het heette, dat zij voor Texel lagen.
Zij lagen in het Vlie. De admiraliteit van Amsterdam zocht in deze vergis-
sing een voorwendsel om niets te doen; en alvorens de vergissing hersteld
was, waren de drie schepen uitgezeild \').
Ve?itkn°nau!Ple De laatste uren, die Argyle aan de hollandsche kust door-
bracht, waren hoogst angstvol. In zijn nabijheid lag een hollandsch oorlog-
schip, dat met c\'e\'n volle laag in een enkel oogenblik zijn expeditie ten einde
gebracht zoude hebben. In den omtrek zijner kleine vloot roeide een boot
heen en weder, waarin zich eenige personen met verrekijkers bevonden, die
hij voor verspieders aanzag. Doch er werd geen enkele maatregel genomen
om hem aan te houden; en in den namiddag van den tweeden Mei stak hij
met een gunstigen wind in zee.
De reis was voorspoedig. Op den zesden waren de Orkney-eilanden in
het gezicht. Zeer onbedachtzaam ankerde Argyle voor Kirkwall en veroor-
loofde hij aan twee zijner reisgenooten daar aan wal te gaan. De bisschop
gaf bevel hen aan te houden. De uitgewekenen hielden nu een lange en
levendige beraadslaging over dit ongeval; want van het begin tot aan het
einde van deze onderneming heeft het hun, hoe flauw en besluiteloos hun
gedrag overigens mocht wezen, nooit aan moed en volharding ontbroken,
wanneer het een woordenstrijd gold. Sommigen waren voor een aanval op
Kirkwall. Anderen stelden voor zonder uitstel den tocht naar Argyle-
shire voort te zetten. Ten laatste liet de graaf eenige heeren vatten, die in
de nabijheid der kust van het eiland woonden, en stelde hij den bisschop
een uitwisseling der gevangenen voor. De bisschop antwoordde niet, en na
drie dagen verloren te hebben, zeilde de vloot heen.
Zik°hótÖ\'° Dit uitstel was vol gevaar. Het werd te Edinburgh spoedig
ruchtbaar, dat het smaldeel der opstandelingen de Orkney-eilanden had
aangedaan. Oogenblikkelijk werden er troepen in beweging gesteld. Toen
de graaf zijn eigen gewest bereikt had, vond hij, dat er maatregelen genomen
waren om hem te weren. Te Dunstaffnage zond hij zijn tweeden zoon Karel
aan land om de Campbells te wapen te roepen. Doch Karel keerde met
treurige tijdingen terug. De herders en visschers waren inderdaad bereid
zich onder de vaan van Mac Callum More te scharen, maar van de hoofden
der clans waren sommige in gevangenschap en andere voortvluchtig. De
heeren, die zich nog in hun woonplaatsen bevonden, waren der regeering
genegen, of zij vreesden zich in beweging te stellen en weigerden zelfs
den zoon van hun stamhoofd te zien. Van Dunstaffnage zeilde de kleine
\') Avaux Nóg. 30 April —10 Mei, I—11 Mei en 5—15 Mei 1685; Sir Patrick
Hume\'s Verhaal: Brief van de admiraliteit van Amsterdam aan de Staten-Generaal,
van 20 Juni 1685. Memorie van Skelton, aan de Staten-Generaal ingediend den 10
Mei 1685.
-ocr page 405-
38i .
JAKOBUS II.
vloot naar Campbelltovvn, nabij het zuidelijk uiteinde van het schiereiland
Kintyre. Hier gaf de graaf een manifest uit, in Holland onder toezicht van
het comité opgemaakt door James Stewart, een schotsch advokaat, wiens pen
weinig maanden later voor gansch andere einden aangewend werd. In dit
stuk werden in bewoordingen, zoo sterk, dat ze hier en daar aan platte taal
grensden, vele wezenlijke en sommige ingebeelde grieven ontwikkeld. Er
werd op gezinspeeld, dat de overleden koning door vergift om het leven zou
zijn gekomen. De algeheele verdrukking niet slechts van het papisme, maar
ook der prelatuur, die de bitterste wortel en spruit van het papisme genoemd
werd, verklaarde men voor een der hoofdoogmerken van de expeditie; en
alle goede Schotten werden vermaand moedig te strijden voor de zaak van
hun vaderland en van hun God.
Hoe ijverig Argyle ook ware voor hetgeen hij als de zuivere godsdienst
beschouwde, hij aarzelde echter niet om een half papistisch, half hcidensch
gebruik na te komen. Het mystieke kruis van taxushout, in brand gestoken
en vervolgens in het bloed eener geit gebluscht, werd rondgezonden ter op-
roeping van alle Campbells van den leeftijd van zestien tot zestig jaren. De
landengte van Tarbet werd als verzamelplaats aangewezen. De schare, die
zich daar bijeen vond, schoon inderdaad klein in vergelijking met hetgeen
zij geweest zou zijn, waren niet de kracht en de moed van den clan gebroken
geweest, was evenwel nog te vreezen. De gansche verzamelde macht beliep
ongeveer achttienhonderd man. Argyle deelde zijn bergbewoners in drie
regimenten in en ging over tot het aanstellen van officieren.
Ges<4wvi" "*ji1,cn De oneenigheden, die in Holland waren aangevangen, had-
"erSpcd\'ui!11 den> zoolang de expeditie duurde, geen oogenblik opgehouden,
doch te Tarbet werden zij heviger dan ooit. Het comité wilde zich zelfs in
des graven patriarchale heerschappij over de Campbells mengen en hem
niet veroorloven den militairen rang zijner bloedverwanten op eigen gezag
te regelen. Terwijl deze strijdzuchtige bemoeiallen hem zijn macht over de
hooglanden trachtten te ontwringen, onderhielden zij een eigen briefwisseling
met de laaglanden; zij ontvingen en verzonden brieven, die den generaal in
naam nimmer medegedeeld werden. Hume en zijn bondgenooten hadden
zich het oppertoezicht over den krijgsvoorraad voorbehouden en behandel-
den dit belangrijk gedeelte der krijgsadministratie met een nalatigheid, die
nauw aan oneerlijkheid grensde; zij lieten toe, dat de wapens werden be-
dorven; zij verspilden de levensmiddelen en maakten goede sier in een tijd,
toen zij aan al hun ondergeschikten het voorbeeld van onthouding hadden
behooren te geven.
De groote vraag was, of de hooglanden dan wel de laaglanden het oorlogs-
tooneel zouden zijn. Des graven eerste oogmerk was zijn heerschappij over
zijn eigen gebied te herstellen, de vijandige clans te verdrijven, die men uit
Perthshire naar Argyleshire had doen overgaan, en den alouden zetel van
zijn geslacht te Inverary in bezit te nemen. Hij kon dan hopen vier of vijf-
duizend claymores \') te zijner beschikking te zullen hebben. Met deze macht
zou hij die wilde landstreek tegen de gansche macht van het koninkrijk
\') Aldus heetten de breede slagzwaarden der Uergschotten.
-ocr page 406-
3«1
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
Schotland hebben kunnen verdedigen en zich aldus van een voortreffelijke
basis voor aanvallende operatiën verzekerd hebben. Dit schijnt de ver-
standigste gedragslijn te zijn geweest, die hij kiezen kon. Rumbold, die in
een voortreffelijke krijgsmansschool gevormd was en, als Engelschman, ge-
acht mocht worden een onbevooroordeeld scheidsman tusschen deschotsche
partijen te zijn, deed al wat in zijn vermogen was om den graaf te ondersteu-
nen. Maar Hume en Cochrane waren volstrekt onhandelbaar. Hun naijver
tegen Argyle was in waarheid grooter dan hun wensch, dat de onderneming
mocht slagen. Zij zagen, dat hij tusschen zijn eigen bergen en meren en aan
het hoofd van een leger, dat voornamelijk uit zijn eigen stamgenooten zou
bestaan, hun tegenstand volkomen zou kunnen onderdrukken en het onver-
kort gezag van een veldheer uitoefenen. Zij mompelden, dat de laaglanders
de eenige waren, wien de goede zaak ter harte ging, en dat de Campbells
niet voor de vrijheid of voor de kerk Gods, maar enkel voor Mac Callum
More de wapenen opvatten. Cochrane verklaarde, dat hij naar Ayrshire zou
gaan, al moest hij er alleen en slechts met een hooivork gewapend henen
trekken. Argyle stond na lang tegenstreven en tegen beter weten aan toe
zijn klein leger te verdeden. Hij bleef met Rumbold in de hooglanden.
Cochrane en Hume waren aan het hoofd der strijdmacht, die afzeilde om
den inval in de laaglanden te doen.
Ayrshire was het doel van Cochrane\'s tocht, doch de kust van dat graaf-
schap werd door engelsche fregatten bewaakt, en de avonturiers waren ge-
noodzaakt de monding van de Clyde opwaarts tot Greenock te zeilen, destijds
een klein visschersdorp, uit een enkele rij van stroohutten bestaande, thans
een groote en bloeijende haven, waar de tolrechten meer dan vijfmaal het\'
geheele inkomen bedragen, dat de Stuarts van het koninkrijk Schotland
trokken. Te Greenock lagen landweertroepen, maar Cochrane, die gebrek
aan leeftocht vreesde, had stellig besloten te landen. Hume maakte tegen-
werpingen ; Cochrane was onverzettelijk en beval een officier, Elphinstone
genaamd, twintig man in een boot naar den oever te voeren. Intusschen
was de twistzieke geest der aanvoerders tot alle rangen doorgedrongen.
Elphinstone antwoordde, dat hij alleen aan redelijke bevelen gehoorzaam-
heid verschuldigd was, dat hij dit bevel voor onredelijk hield, in één woord,
dat hij niet gaan wilde. De majoor Fullarton, een dapper man, door alle
partijen hoog geacht, doch bijzonder verkleefd aan Argyle, bood zich aan
om met slechts twaalf man te landen, en deed zulks, ondanks het geweer-
vuur van de kust. Er volgde een lichte schermutseling. De militie trok
terug. Cochrane rukte Greenock binnen en verschafte zich een voorraad
van meel, maar vond het volk niet geneigd tot opstand.
Opblchot,i»nd;ing De openbare meening in Schotland was inderdaad niet zoo,
als de ballingen, misleid door de begoocheling, die ten allen tijde aan bal-
lingen is eigen geweest, zich die hadden voorgesteld. Wel was de regeering
hatelijk en werd ze ook gehaat; maar de misnoegden waren in partijen ver-
deeld, onderling bijna even vijandig, als zij het tegen hun bestuurders waren;
ook begeerde geen van deze partijen zich bij de opstandelingen aan te sluiten.
Velen dachten, dat de opstand niet de minste kans van slagen had. De
moed van velen was door langdurige en wreedaardige verdrukking ter dege
-ocr page 407-
383
JAKOBUS II.
gefnuikt, \'t Is waar, er bestond een klasse van geestdrijvers, die weinig ge-
woon waren kansen te berekenen en door de verdrukking niet tot onder-
werping, maar tot razernij waren gebracht; doch deze mannen zagen weinig
onderscheid tusschen Argyle en Jakobus. Hun woede was tot zulk een hoogte
geklommen, dat wat ieder ander gloeijenden ijver genoemd zoude hebben,
hun toescheen Laodiceesche lauwheid te zijn. Het vroegere leven van den
graaf was besmet geweest met hetgeen zij als de schandelijkste afvalligheid
beschouwden. Dezelfde hooglanders, die hij nu opriep om het prelaatschap
te verdelgen, had hij weinige jaren te voren opgeroepen om het te verdedigen.
En waren dan slaven, die niets van godsdienst wisten en er zich niets aan
gelegen lieten liggen, die bereid waren voor het synodaal bestuur, voor het
episcopaat, voor het pausdom te strijden, juist zoo als Mac Callum More het
hun beval, waren dat geschikte bondgenooten voor het volk Gods ? Het
manifest, hoe onbetamelijk en onverdraagzaam de toon ook was, was naar
het oordeel dezer dwepers lafhartig en wereldsch. Een regeling van zaken,
zoo als Argyle die bepaald zou hebben, zoo als die later door een machtiger
en gelukkiger bevrijder gemaakt werd, scheen hun geen worsteling waard.
Zij begeerden niet slechts gewetensvrijheid voor zich zelve, maar volstrekte
heerschappij over het geweten van anderen; niet alleen de presbyteriaansche
leer, instellingen en eeredienst, maar het covenant in zijn uiterste strengheid.
Niets kon hen bevredigen, dan dat ieder doel, waarvoor de burgerlijke maat-
schappij bestaat, aan het overwicht van een theologisch stelsel werd onder-
worpen. Hij, die van oordeel was, dat geen vorm van kerkbestuur een
verzaking der christelijke liefde waard was, die eerbied had voor het ge-
voelen van anderen en verdraagzaamheid toonde, was in hun taal weifelende
tusschen Jehovah en Baal. Hij, die handelingen af keurde als de moord van
den kardinaal Beatoun en van den aartsbisschop Sharpe, verviel in dezelfde
zonde, die Saul het koningschap over Israël gekost had. Al de regelen,
waardoor onder beschaafde en christelijke natiën de verschrikkingen des
oorlogs gelenigd worden, waren gruwelen voor het aangezicht des Heeren.
Er mocht geen kwartier gegeven noch genomen worden. Een Maleijer, die,
van opiumwoede bevangen, alles neerstoot wat hij ontmoet, een dolle hond,
door een hoop menschen vervolgd, ziedaar de voorbeelden, die door Christe-
nen in hun rechtmatige zelfverdediging gevolgd moesten worden. Voor rede-
nen, die het gedrag van staatsmannen en veldheeren moeten regelen, waren
de gemoederen dezer ijveraars volstrekt ontoegankelijk. Zoodra iemand
het waagde zulke redenen te opperen, bewees dit genoeg, dat hij niet tot
de geloovigen behoorde. Wanneer de zegen Gods ontbrak, zouden listige
staatslieden, oudgediende krijgsoversten, kisten met wapens uit Holland, of
regimenten van niet wedergeboren Celten uit de bergen van Lorn weinig
uitrichten. Was daarentegen de tijd des Heeren werkelijk daar, dan kon hij
nog, als van ouds, zoowel de dwaze dingen dezer wereld als de wijze te niet
doen en even goed redden door velen als door weinigen; de breede slag-
zwaarden van Athol en de bajonetten van Claverhouse konden overwonnen
worden door wapens, even onbeduidend als de slingers van David, of het
aarden vat van Gideon was geweest\').
1) Mocht iemand geneigd zijn te vermoeden, dat ik de ongerijmde denkwijze en de
-ocr page 408-
384
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
Nadat Cochrane het onmogelijk bevonden had de bevolking ten zuiden
van de Clyde in beweging te brengen, voegde hij zich weder bij Argyle, die
op het eiland Bute was. De graaf stelde nu opnieuw voor een poging tot het
innemen van Inverary aan te wenden. Opnieuw ontmoette hij hardnckkigen
tegenstand. De zeelieden kozen partij voor Hume en Cochrane. De hoog-
landers waren aan de bevelen van hun stamhoofd onbepaald gehoorzaam.
Er was reden om te duchten, dat de twee partijen handgemeen zouden wor-
den en de vrees voor zulk een ramp noopte den raad tot eenige toegeeflijk-
heid. Het kasteel van Ealan Ghierig, aan de monding van Loch Riddan
gelegen, werd tot hoofdwapenplaats gekozen. De krijgsvoorraad werd daar
ontscheept. Het smaldeel werd dicht onder den wal voor anker gebracht op
een plaats, waar het beschermd was door rotsen en ondiepten, die, naar men
dacht, een fregat den toegang wel zouden beletten. Er werden buitenwerken
aangelegd en een batterij opgeworpen, met eenige lichte kanonnen beplant,
die uit de schepen genomen waren. Het bevel over het fort werd zeer onver-
standig aan Elphinstone opgedragen, die zich reeds veel meer geneigd be-
toond had met zijn aanvoerders te redetwisten dan den vijand te bestrijden.
En nu werd er oogenschijnlijk eenige uren lang kracht ontwikkeld. Rum-
bold nam het kasteel van Ardkinglass. De graaf schermutselde met vrucht
tegen de troepen van Athol en was op het punt om naar Inverary voort te
rukken, toen verontrustende tijdingen van de schepen en van de partijen in
de commissie hem noodzaakten terug te koeren. De fregatten des konings
waren nader bij Ealan Ghierig gekomen dan mogelijk geacht was. De edel-
lieden uit het laagland weigerden bepaald dieper de hooglanden binnen te
rukken. Argyle spoedde naar Ealan Ghierig terug. Daar stelde hij voor een
aanval op de fregatten te doen. Zijn schepen waren, wel is waar, voor zulk
een strijd slecht berekend, doch zij zouden door een flotille van dertiggroote
visschersbooten, allen goed bemand met gewapende hooglanders, onder-
steund worden. Het comité weigerde naar dit plan te luisteren en wist het
volkomen te verijdelen door een muiterij onder de zeelieden te verwekken.
Nu was alles verwarring en moedeloosheid. Het comité had zoo slecht
met de mondbehoeften omgegaan, dat er voor de troepen geen leeftocht
meer overig was. De hooglanders deserteerden diensvolgens bij honderden,
en de graaf, ter neder gedrukt door hartzeer over zijn tegenspoed, gaf aan
den aandrang dergenen toe, die steeds bleven verlangen, dat hij naar de
laaglanden zou marcheeren.
Het kleine leger spoedde zich dus naar den oever van Loch Long, trok
dienzelfden nacht in booten over dien inham en landde in Dumbartonshire.
Den volgenden morgen werd hun daar de tijding gebracht, dat de fregatten
zich met geweld den weg gebaand hadden, al de schepen van den graaf ge-
nomen waren en Elphinstone zonder slag of stoot uit Ealan Ghierig gevlucht
was, het kasteel en den voorraad aan den vijand overlatende.
Er bleef nu niets anders over dan onder de ongunstigste omstandigheden
in het laagland te vallen. Argyle besloot een stouten marsch op Glasgow te
woestheid dezer lieden overdreven heb, ik zou hem raden twee boeken te lezen, die
hem zullen overtuigen, dat ik hun beeld veeleer verzacht dan te sterk gekleurd heb:
!>IIet losgelaten ree", en «Tafereel van de worstelingen der getrouwen.
-ocr page 409-
385
JAKOBUS II.
doen. Doch zoodra dat besluit was aangekondigd, werden dezelfde mannen,
die tot op dat oogcnblik hem onophoudelijk gedrongen hadden zich naar de
laaglanden te spoeden, door schrik bevangen; zij hadden bezwaren, maakten
allerlei bedenkingen, en toen dat alles niet kon baten, beraamden zij het
plan zich van de booten meester te maken, waarmede zij op de vlucht wilden
gaan, hun generaal en diens danslieden achterlatende, om zonder hun hulp
te overwinnen of te sterven. Dit plan mislukte; en de lafaards, die het ont-
worpen hadden, waren genoodzaakt met moediger mannen de gevaren der
laatste kans te wagen.
Gedurende den marsch door de landstreek, die tusschen Loch Long en
Loch Lomond ligt, werden de opstandelingen voortdurend door afdeelingen
van de landweer aangevallen. Er hadden eenige schermutselingen plaats,
waarin de graaf de overhand behield; maar de benden, die hij afweerde,
weken achterwaarts voor hem uit, verbreidden de tijding van zijn komst, en
spoedig, nadat hij de rivier de Leven had overschreden, vond hij een sterke
schaar geregelde en ongeregelde troepen bereid om hem te bestrijden.
Hij was van oordeel slag te leveren. Ayloffe was van hetzelfde gevoelen.
Hume daarentegen verklaarde, dat het razernij zou wezen den vijand aan te
vallen. Hij zag een regiment in scharlaken uniform. Daar achter konden er
meer staan. Zulk een macht aan te vallen was een wissen dood te gemoet
gaan. \'t Best was zich tot aan den nacht stil te houden en zich alsdan onge-
merkt uit de voeten te maken.
Er volgde een heftige woordenwisseling, die niet dan met moeite door de
bemiddeling van Rumbold werd bijgelegd. Het was nu avond. De vijande-
lijke drommen legerden op kleinen afstand van elkander. De graaf besloot
een nachtelijken overval voor te stellen, doch werd op nieuw overstemd.
Vermits het uitgemaakt was, dat men niet vechten zou, bleef er
strüiimncht. niets over dan den maatregel te nemen, die door Hume was voor-
geslagen. Er bestond mogelijkheid, dat de graaf, wanneer men heimelijk
opbrak en den ganschen nacht over de heide en door moerassen voort-
spoedde, vele mijlen op den vijand winnen en Glasgow zonder verdere hin-
dernissen bereiken zou. Men liet de wachtvuren branden en de marsch
begon. Nu volgde snel de eene ramp op de andere. De gidsen dwaalden
van het voetpad door de veenen af en voerden het leger op moerassigcn
grond. Militaire orde kon bij ongedisciplineerde en ontmoedigde soldaten
onder een pikdonkeren hemel en op verraderlijken, ongelijken grond niet
gehandhaafd worden. Schrik op schrik verbreidde zich in de gebroken ge-
lederen. Bij al wat men zag of hoorde dacht men, dat de vervolgers nader-
den. Sommige der officieren werkten mede om den angst te vergrooten, dien
het hun plicht geweest was te bedaren. Het leger was een verwarde menigte
geworden en die menigte smolt spoedig ineen. Talrijke hoopen vluchtten
onder bescherming van den donker. Rumbold en eenige andere dappere
mannen, die door geenerlei gevaar te ontmoedigen waren, geraakten van
den weg en waren buiten staat het hoofdkorps weder in te halen. Toen de
dag aanbrak bevonden zich slechts vijf honderd afgematte en moedelooze
vluchtelingen te Kilpatrick bijeen.
Aan het voortzetten van den oorlog viel niet meer te denken en het liet
macaulay I.
                                                                                    25
-ocr page 410-
386
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
zich aanzien, dat de hoofden der expeditie moeite genoeg zouden hebben
het leven te redden. Zij vluchtten in verschillende richtingeu. Hume be-
reikte veilig het vaste land. Cochrane werd gevat en naar Londen opgezon-
den. Argyle hoopte een veilige schuilplaats te vinden onder het dak van een
zijner oude dienaren, die nabij Kilpatrick woonde; maar deze hoop werd
teleurgesteld en hij zag zich gedwongen de Clyde over te gaan. Hij kleedde
zich in boerendracht en gaf zich voor den gids van majoor Fullarton uit,
wiens onverschrokken trouw tegen alle gevaren bestand was. De vrienden
reisden te zamen door Renfrewshire tot Inchinnan. De zwarte Cart en de
witte Cart, twee stroomen, die thans door welvarende steden vloeijen en de
raderen van vele fabrieken in beweging brengen, doch wier kalme loop toen
G"ansï\'rsy™i"s enkel moerassen en schapenweiden doorsneed, vloeijen daar ter
plaatse samen, alvorens zij zich met de Clyde vereenigen. De eenige door-
waadbare plaats, waar de reizigers konden overtrekken, werd door een troep
landweer bewaakt. Er werden eenige vragen gedaan. Fullarton trachtte den
argwaan op zich zelven te leiden met het doel, dat zijn metgezel onopgemerkt
ontkomen mocht. Maar de ondervragers twijfelden in gemoede, of de gids
wel de onbeschaafde boer was, waarvoor hij zich uitgaf. Zij grepen hem. Hij
rukte zich los en sprong in het water, doch werd oogenblikkelijk vervolgd.
Hij verdedigde zich gedurende eenigen tijd tegen vijf aanvallers. Maar hij
had geen andere wapenen dan zijn zakpistolen, en deze waren ten gevolge
van den sprong in het water zoo nat geworden, dat zij niet wilden afgaan. Hij
werd met een breed slagzwaard ter aarde geveld en in hechtenis genomen.
Hij maakte zich als den graaf van Argyle bekend, vermoedelijk in de
hoop, dat zijn groote naam het ontzag en het medelijden zoude opwekken
van hen, die hem gegrepen hadden. En inderdaad zij waren zeer getroffen;
want zij waren eenvoudige Schotten van geringen stand, en, schoon zij de
wapenen voor de kroon droegen, was het toch waarschijnlijk, dat zij de
calvinistische kerkregeling en eeredienst bij voorkeur toegedaan en gewoon
waren hun gevangene te vereeren als het hoofd van een doorluchtig huis en
als een der kampioenen van de protestantsche godsdienst. Doch, hoezeer
zij blijkbaar getroffen waren en sommigen hunner zelfs tranen stortten, zij
waren niet geneigd een groote belooning prijs te geven en zich aan de wraak
eener onverzoenlijke regeering bloot te stellen. Zij brachten derhalve hun
gevangene naar Renfrew. De man, die bij Argyle\'s inhechtenisneming de
hoofdrol speelde, was Riddell genaamd. Om deze reden werd het gansche
geslacht der Riddells, gedurende meer dan een eeuw, door den grooten stam
der Campbells verfoeid, \'t Heugt nog enkele menschen, dat een Riddell,
wanneer hij een jaarmarkt in Argyleshire bezocht, verplicht was een val-
schen naam aan te nemen.
En nu begon het schoonste gedeelte van Argyle\'s levensbaan. Zijn onder-
neming had hem dusverre niets dan verwijten en spot berokkend. De groote
fout, die hij begaan had, was, dat hij niet volstandig had geweigerd den
naam zonder de macht van een veldheer aan te nemen. Ware hij rustig op
zijn schuilplaats in Friesland gebleven, hij zou na weinig jaren met eere naar
zijn land zijn teruggeroepen en een der voornaamste sieraden en steunpilaren
van het grondwettig koningschap geworden zijn. Had hij zijn expeditie vol-
-ocr page 411-
38;
JAKOUUS II.
gens zijn eigen inzichten bestuurd en geen andere begeleiders medegenomen,
dan dezulken, die bereid waren al zijn bevelen blindelings te gehoorzamen,
hij zou wellicht iets groots hebben tot stand gebracht. Want wat hem als
aanvoerder beeft ontbroken schijnt moed, voortvarendheid noch bekwaam-
heid, maar alleen gezag te zijn geweest. Hij had bchooren te weten, dat dit
gemis het noodlottigste van allen is. Er hebben legers gezegepraald onder
leiders, die geen bijzonder uitstekende hoedanigheden bezaten, maar welk
leger, door een troep redetwisters aangevoerd, heeft ooit nederlaag en smaad
kunnen ontgaan?
De groote rampspoed, die Argylc had getroffen, had dit voordeel, dat die
hem in de gelegenheid stelde op onmiskenbare wijze te toonen wat voor een
man hij was. Van den dag af, dat hij Friesland had verlaten, tot op dien, toen
zijn geleiders te Kilpatrick uiteen gingen, was hij nooit vrij geweest in zijn
handelingen. Hij had de verantwoordelijkheid gedragen van een lange reeks
maatregelen, die zijn oordeel afkeurde. Thans stond hij eindelijk alleen, Ge-
vangenschap had hem de edelste soort van vrijheid hergeven om zich in al
zijn woorden en daden naar zijn eigen gevoel van recht en van betamelijk-
heid te gedragen. Eensklaps was hij als iemand, die door nieuwe wijsheid
en deugd bezield wordt. Zijn geest scheen meer kracht en zelfstandigheid te
hebben verkregen, zijn zedelijke geaardheid verhevener en zachter tevens te
zijn geworden. De overmoed der overwinnaars spaarde niets, dat het gevoel
van een man, die trotsch was op zijn ouden adel en een patriarchale heer-
schappij op de proef kon stellen. De gevangene werd in triumf door Edin-
burgh gesleept. Hij ging te voet, blootshoofds de gansche lengte der statige
straat door, die, door donkere en reusachtige steenmassa\'s overschaduwd,
van het paleis van Holyrood naar het kasteel loopt. De scherprechter ging
voor hem uit, het afgrijselijk werktuig dragende, dat op het bloedtooneel tot
het vierendeelen gebezigd werd. De overwinnende partij had niet vergeten,
dat de vader van Argylc voor vijf-en dertig jaar aan het hoofd der partij had
gestaan, die Montrose ter dood had gebracht. Reeds vóór die gebeurtenis
waren de Huizen van Graham en van Campbell elkander niet genegen ge-
weest en sedert hadden zij steeds in doodelijke vijandschap verkeerd. Er
werd gezorgd, dat de gevangene door dezelfde poort en langs dezelfde straten
geleid werd, door welke Montrose hetzelfde lot te gemoet was gegaan. De
troepen, die den optocht bijwoonden, werden onder bevel van Claverhouse
gesteld, den grimmigsten en strengsten uit het geslacht der Grahams. Toen
de graaf het kasteel bereikt had, werden zijn voeten in ketenen geklonken
en hem aangezegd, dat hij nog maar weinig dagen te leven had. Men had
besloten hem niet voor zijn jongste overtreding te recht te stellen, maar hem
ter dood te brengen krachtens het vonnis, dat verscheiden jaren te voren
tegen hem was uitgesproken, een vonnis, zoo afschuwelijk onrechtvaardig,
dat zelfs de kruipendste en hardvochtigste rechtsgeleerden van dien slechten
tijd er niet zonder schaamte van konden spreken.
Doch de smadelijke optocht door de Hoogstraat had, evenmin als de ver-
wachting van een spoedigen dood, het vermogen om de kalmte en eerbied-
wekkende gelatenheid van Argyle te verstoren. Zijn standvastigheid zou op
een nog sterker proef gesteld worden. Een stuk met vraagpunten werd hem
-ocr page 412-
58S
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
op bevel van den geheimen raad voorgelegd. Hij antwoordde op de vragen,
die hij zonder gevaar voor zijn vrienden kon beantwoorden, en weigerde
meer te zeggen. Hem werd medegedeeld dat, zoo hij geen vollediger ant-
woorden gaf, hij op de pijnbank gebracht zou worden. Jakobus, wien het
ongetwijfeld leed deed, dat hij zijn oogen niet kon vergasten aan het schouw-
spel om Argyle in de dwanglaarzen te zien, zond stellige bevelen naar Edin-
burgh, dat niets moest worden nagelaten om den verrader een bezwarend
getuigenis te ontwringen tegen allen, die in het verraad betrokken waren
geweest. Doch alle bedreigingen waren vergeefsch. Met de vreeselijkste
martelingen en den dood voor oogen dacht Mac Callum More minder aan
zich zelven dan aan zijn arme danslieden. »Ik was heden bezig," schreef hij
uit zijn cel, «voor hen te spreken en ik had eenige hoop. Maar dezen avond
kwamen bevelen aan, dat ik maandag of dingsdag sterven moet, en men wil
mij op de pijnbank brengen, indien ik niet onder eede op alle vragen ant-
woord. Doch ik hoop, dat God mij zal sterken."
De pijnbank werd niet in werking gesteld. Wellicht had de hooghartig-
heid van het slachtoffer de overwinnaars tot ongewoon medelijden gestemd.
Hij zelf maakte de opmerking, dat zij in den beginne zeer hard tegen hem
geweest waren, maar hem weldra met achting en goedheid begonnen te
behandelen. God, zeide hij, had hun harten geroerd. Het is zeker, dat hij
geen enkelen zijner vrienden heeft opgeofferd, zelfs niet om zich voor de
uiterste wreedheid zijner vijanden te vrijwaren. Op den laatsten morgen
zijns levens schreef hij deze woorden: »Ik heb niemand tot zijn schade ge-
noemd. Ik dank God, dat hij mij zoo wonderbaar gesterkt heeft."
Hij stelde zijn eigen grafschrift op, een kort gedicht, vol geest en be-
teekenis, eenvoudig en krachtig van stijl en niet onbevallig van versbouw.
In dit kleine stuk klaagde hij, dat, schoon zijn vijanden herhaaldelijk zijn
dood besloten hadden, zijn vrienden evenwel nog wrecder waren geweest.
Een verklaring van deze uitdrukking bevindt zich in een brief, dien hij aan
een in Holland woonachtige dame richtte. Zij had hem een groote som gelds
voor zijn onderneming verstrekt en hij meende haar een volledige uiteen-
zetting der oorzaken van zijn tegenspoed verschuldigd te zijn. Hij sprak zijn
tochtgenooten vrij van verraad, maar beschreef hun dwaasheid, hun onwe-
tendheid en hun partijzuchtige verkeerdheid in woorden, die hun eigen ge-
tuigenis later bewezen heeft, dat ruimschoots verdiend waren. Later twijfelde
hij, of hij zich niet van strenger taal bediend had, dan een stervend christen
betaamde en verzocht op een afzonderlijk blad zijn vriendin datgene te on-
derdrukken, wat hij van deze mannen gezegd had. »Dit alleen moet ik
erkennen," voegde hij er zachtmoedig bij: »zij waren niet te leiden."
Zijn weinige overige uren werden grootendeels in aandachtsoefeningen
en liefdevollen omgang met eenige leden zijner familie doorgebracht. Hij
toonde geen berouw over zijn laatste onderneming, maar betreurde met
groote aandoening zijn vroegere inschikkelijkheid voor de wenschen der re-
geering in geestelijke aangelegenheden. Terecht, sprak hij, was hij gestraft
geworden. Iemand, die zoolang zich aan lafhartigheid en geveinsdhcid schul-
dig had gemaakt, was niet waardig het werktuig der redding van kerk en
staat te worden. Doch de zaak, herhaalde hij dikwerf, was Godes zaak en
-ocr page 413-
389
JAKOBUS II.
zou gewis zegevieren. »Ik matig mij niet aan," zeide hij, »een profeet te
zijn. Maar ik koester de innige overtuiging, dat de verlossing zeer plotseling
komen zal." Het is niet bevreemdend, dat sommige ijverige presbyterianen
deze woorden in het hart bewaarden en ze in later tijd aan goddelijke inge-
ving toeschreven.
Godsdienstig geloof en vertrouwen, verbonden met natuurlijke onver-
schrokkenheid en gelijkmoedigheid, hadden zijn geest zooveel kalmte ge-
schonken, dat hij, op denzelfden dag, dat hij sterven zou, met smaak het
middagmaal hield, aan tafel met opgeruimdheid sprak en daarna ter rust
ging, zoo als hij gewoonlijk deed, ten einde naar geest en lichaam in het bezit
van al zijn kracht te zijn, als hij het schavot besteeg. Omstreeks dit oogcn-
blik kwam een der lords van den raad, vermoedelijk als presbyteriaan
opgevoed en door baatzucht verleid om mede te werken tot het verdrukken
der kerk, waarvan hij eenmaal lid was geweest, met een boodschap van zijn
ambtsbroeders naar het kasteel en verlangde bij den graaf te worden toege-
laten. Hem werd geantwoord, dat de graaf sliep. De geheimraad hield dit
voor een uitvlucht en volhardde bij zijn verlangen. De deur werd zachtjes
geopend en daar lag Argyle te bed, den rustigen slaap der onschuldige
kindsheid slapende. Het geweten van den afvallige overmande hem. Met
een gefolterd hart keerde hij zich om, liep het kasteel uit en zocht zijn toe
vlucht in het huis eener dame van zijn familie, die dicht in den omtrek
woonde. Daar wierp hij zich op een zetel en gaf zich over aan een wanhopend
gevoel van wroeging en schaamte. Zijn nabestaande, verschrikt door zijn
blikken en zijn angstige zuchten, dacht dat hij plotseling ongesteld was ge-
worden en verzocht hem een beker wijn te drinken. »Neen! neen!" riep hij
uit, »dat kan mij niet baten." Zij smeekte hem haar te zeggen wat hem zoo
zeer ontroerd had. »Ik ben," sprak hij, »in Argyle\'s gevangenis geweest. Ik
heb hem gezien, hoe hij, in het gezicht der eeuwigheid zoo vreedzaam slui-
merde, als ooit iemand gedaan heeft. Maar wat mij betreft....."
Inmiddels was de graaf van zijn legerstede opgestaan en had hij zich
voorbereid tot hetgeen hij nog te verduren had. Hij werd eerst, de Hoog-
straat af, naar het raadhuis geleid, waar hij den korten tijd zou doorbrengen,
die nog vóór de ter doodbrenging muest verstrijken. Gedurende dien tijd
vroeg hij om pen en inkt en schreef aan zijn vrouw: «Liefste, God is onver-
anderlijk. Voor mij is hij altijd goed en genadig geweest; en geen plaats
verandert dit. Vergeef mij al mijn feilen en zoek nu uw troost in hem, bij
wien alleen ware troost te vinden is. De Heer zij met u, zegene en sterke u,
mijn geliefde. Vaarwel."
ZV>\'r.\'n»inï°a Het was nu tijd het raadhuis te verlaten. De geestelijken, die
den gevangene verzelden, waren niet van zijn belijdenis, maar hij hoorde
hen met beleefdheid aan en vermaande hen hun kudden tegen alle leeringen
te waarschuwen, die door alle protestantsche kerken werden afgekeurd.
Hij beklom het schavot, waar de ruwe oude guillotine van Schotland,
de jonkvrouw genaamd, hem wachtte, en wendde zich tot het volk in een
rede, door den eigenaardigen spreektrant zijner sekte gekenmerkt, doch
te gelijk den geest van oprechte vroomheid ademende. Aan zijn vijanden,
zeide hij, schonk hij vergiffenis, gelijk hij hoopte, dat hem zou gedaan wor-
-ocr page 414-
39°
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
den. Slechts een enkele bittere uitdrukking ontsnapte hem. Een der hem
begeleidende geestelijken van de bisschoppelijke kerk trad aan den rand
van het schavot en riep met luider stem: nMylord sterft als protestant.\'\' —
»Ja," zeide de graaf, insgelijks voorwaarts tredende, >;en niet slechts als
protestant, maar met innigen haat bezield tegen papisme, prelatuur en tegen
alle bijgeloof." Hij omhelsde daarop zijn vrienden en overhandigde hun
eenige gedachtenisteekcncn voor zijn vrouw en kinderen; vervolgens knielde
hij neder, lei zijn hoofd op het blok, bad gedurende eenige oogenblikkën en
gaf den scherprechter het teeken. Zijn hoofd werd op den top van het Tol-
booth ten toon gesteld, waar vroeger het hoofd van Montrose vergaan was \').
^wuiumbrtd.118 Het hoofd van den braven, eerlijken, schoon niet geheel on-
berispelijken Rumbold stak reeds op de Westpoort van Edinburgh. Omringd
van twistzieke en lafhartige bondgenootcn, had hij zich, gedurende den
ganschen tocht, gedragen als een in de school des grooten protectors opge-
leid soldaat; hij had in den raad het gezag van Argyle met vurigen ijver
ondersteund en zich in het veld door bedaarde onverschrokkenheid onder-
scheiden. Ma de verstrooijing van het leger, werd hij door een afdeeling
militie aangevallen. Hij verdedigde zich wanhopend en zou er zich door
heen geslagen hebben, had de vijand de kniepeezen van zijn paard niet door-
gesneden. Hij werd doodelijk gewond naar Edinburgh gebracht. De regee-
ring wenschtc hem in Engeland te doen ter dood brengen. Maar hij was den
dood zoo nabij, dat. wanneer hij niet in Schotland werd gehangen, hij in het
geheel niet meer gehangen had kunnen worden, en dat genoegen, hem op te
hangen, konden de overwinnaars zich niet ontzeggen. Het was inderdaad
niet te verwachten, dat zij aan iemand, die als de aanlegger van het roggen-
huiskomplot beschouwd werd en die de eigenaar van het gebouw was, waar-
aan dat komplot zijn naam ontleende, veel barmhartigheid zoudenbetoonen;
maar de overmoed, waarmede zij den stervende behandelden, schijnt in
onzen meer menschlievenden tijd bijkans ongeloofelijk. Een der schotsche
geheimraden duwde hem toe, dat hij een verdoemde schurk was. »lk ben in
vrede met God," antwoordde Rumbold kalm ; »hoc kan ik dan verdoemd
zijn f\'
Hij werd met overhaasting voor de rechtbank gebracht, schuldig verklaard
en gevonnisd om binnen weinige uren nabij het Stadskruis in de Hoogstraat
opgehangen en gevierendeeld te worden. Schoon niet bij machte zonder den
steun van twee mannen te staan, behield hij tot aan het einde zijn stand-
vastigheid, en verhief hij onder de galg zijn zwakke stem met zoo veel
hevigheid tegen pausdom en dwingelandij, dat de officieren de trom lieten
roeren, opdat het volk hem niet meer zou hooren. Hij was een vriend van
1 j De schrijvers, waaruit ik de geschiedenis der expeditie van Argyle genomen heb,
zijn: sir Patrick Ilume, die ooggetuige was geweest van hetgeen hij verhaalde, en
Wodrow, die bouwstoffen van de grootste waarde, en daaronder de papieren van den
graaf, heeft kunnen gebruiken. Overal waar de opgaven van Argyle en die van Ilume
uiteenliepen, heb ik nooit getwijfeld, dat men zich aan Argyle moest houden.
Zie ook Burnet I, 631, en het Leven van ISrcsson, uitgegeven door Dr. Mac Crie. Het
verslag van den schotschen opstand, dat in Clarke\'s Leven van Jakobus II voorkomt, is
een bespottelijke roman, geschreven door een Jakobiet, die niet eens de moeite heeft
genomen een kaart van het oorlogstooneel na te zien.
-ocr page 415-
JAKOHUS II.                                                   3gi
het beperkt koningschap; maar kon niet gelooven, dat de Voorzienigheid
eenige weinige menschen geheel gelaarsd en gespoord, en millioenen andere
geheel gezadeld en opgetoomd, in de wereld had gezonden. «Ikwensch."
riep hij uit, »Gods heiligen naam te zegenen, omdat ik hier niet sta uit
hoofde van eenig gepleegd onrecht, en slechts op een kwaden dag zijn zaak
getrouw ben gebleven. Ware ieder haar van mijn hoofd een man, ik zou ze
allen wagen in dezen strijd."
Zoowel bij zijn terechtstelling, als bij de uitvoering der doodstraf, sprak
hij van sluipmoord met den afschuw, die een goed christen en een dapper
soldaat betaamt. Hij betuigde op het woord van een stervende, dat de ge-
dachte om die schanddaad te plegen in zijn gemoed nooit ingang had ge-
vonden. Maar hij erkende rondborstig, dat hij in gesprek met de overige
samenzweerders van zijn huis gewaagd had als van een plaats, waar de
koning en de hertog met voordeel zouden kunnen worden aangevallen, en
dat er veel over dat onderwerp gesproken, hoewel niets besloten was. Het
moge bij den eersten oogopslag schijnen, dat deze bekentenis niet overeen
te brengen is met zijn verklaring, dat hij den sluipmoord steeds verfoeid
had; maar de waarheid was, dat hij door een onderscheiding misleid werd,
die vele zijner tijdgenooten verblindde. Nooit zou hij zich hebben laten be-
wegen vergif in het voedsel der twee vorsten te mengen of hen in hun slaap
te doorsteken. Maar een onverhoedschen aanval op het escadron van de
lijfwacht te doen, dat de koets des konir.gs omringde, zwaardslagen en
pistoolschoten te wisselen en de kans te wagen om dood te slaan of gedood
te worden, was in zijn oog een wettige krijgsmansdaad. Hinderlagen en ver-
rassingen behoorden tot de gewone bedrijven van den oorlog. Ieder oud
soldaat, kavalier of rondhoofd, was in zulke ondernemingen betrokken ge-
weest. Liet de koning in de schermutseling het leven, dan viel hij in een
eerlijk gevecht, niet door sluipmoord. Juist dezelfde redeneering werd na
de omwenteling door Jakobus zelven en door zijn dapperste en trouwste
aanhangers gebezigd om een snooden aanslag op het leven van Willem III
te rechtvaardigen. Een bende Jakobieten kreeg last den prins van Oranje
in zijn winterkwartieren te overvallen. De zin, onder deze schijnbaar een-
voudige uitdrukking verborgen, was, dat den prins de hals afgesneden moest
worden bij gelegenheid dat hij in zijn rijtuig van Richmond naar Kensington
ging. Het moge vreemd schijnen, dat zulke schijnredenen, het bezinksel
van Jezuïtische drogredenarij, het vermogen hadden, mannen van heldhaf-
tigen geest, Whigs zoowel als Tories, tot een misdaad te brengen, waar
goddelijke dn menschelijke wetten het brandmerk van verregaande eerloos-
heid op gezet hebben. Maar geen drogreden is te plomp om de gemoederen
niet te verblinden, die door partijgeest verhit zijn \').
\') Wodrow III, IX, 10; De Martelaren van het Westen; Rurnet I, 633; Foxs Ge-
schiedenis, appendix IV. Ik vind geen anderen dan in den tekst aangeduiden weg, om
Rumbolds ontkenning, dat hij ooit de gedachte van sluipmoord in zijn gemoed had
laten opkomen, met zijn bekentenis overeen te brengen, dat hij zelf zijn huis als een
voegzame plaats tot een aanval op de koninklijke broeders had aangewezen. De onder-
scheiding, die ik ondersteld heb, dat hij maakte, werd ook door een ander der samen-
zweerders van het roggenhuiskomplot gemaakt, even als hij een oud soldaat van het
gemeenebest, kapitein Walcot. Hij Walcots ondervraging .ceide West, de regeerings-
-ocr page 416-
392                                     3ESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
Argyle, die Rumbold weinig uren overleefde, legde stervende een ge-
tuigenis af van de deugden van den dapperen Engelschman. »De arme
Rumbold is een groote steun voor mij en een dapper man geweest; hij is als
een goed christen gestorven" \').
"Ayi\'uS!\' Ayloffe toonde evenveel verachting van den dood als Argyle of
Rumbold te hebben ; maar zijn einde strekte niet als het hunne tot stichting
van vrome gemoederen. Ofschoon staatkundige overeenstemming hem tot
de puriteinen had getrokken, was hij nochtans in het godsdienstige niet
eensdcnkend met hen en werd hij door hen inderdaad als niet veel beter dan
een godloochenaar beschouwd. Hij behoorde tot dat gedeelte der Whigs,
die onder de vadcrlandsvrienden van Griekenland en Rome, veeleer dan
onder de profeten en rechters van Israël, naar voorbeelden zochten. Hij
werd gevangen genomen en naar Glasgow gebracht. Daar poogde hij zich
door middel van een klein pennemes van het leven te berooven, maar hoezeer
hij zich verscheiden wonden toebracht, geene er van was doodelijk, en hij
behield kracht genoeg om een reis naar Londen uit te houden. Hij werd
voor den geheimen raad geleid en door den koning ondervraagd, maar zijn
karakter was te edel dan dat hij getracht zou hebben zich te redden door
anderen te verraden. Er liep een gerucht onder de Whigs, dat de koning
gezegd had: «Gij deedt beter openhartig jegens mij te zijn, mijnheer Ayloffe.
Gij weet, dat het in mijn macht staat u genade te schenken." Toen, zeide
men, had de gevangene zijn onwillig zwijgen afgebroken en geantwoord:
»Het moge in uw macht zijn, maar het is niet in uw natuur." Hij werd
krachtens een vroeger vonnis voor de Tempelpoort onthoofd en stierf met
stoïcijnsche gelijkmoedigheid 2).
VlA™iÏÏ!i"r™" Inmiddels koelde zich de wraak der overwinnaars onbarmhartig
op de bevolking van Argyleshire. Velen der Campbells werden op bevel
van Athol zonder vorm van proces opgehangen, en hij werd met moeite door
den geheimen raad verhinderd er nog meer van het leven te berooven. Het
landschap rondom Inverary werd tot op een afstand van dertig mijlen ver-
woest, huizen werden verbrand, molensteenen stuk geslagen, vruchtboomen
omgehakt, en zelfs de wortels daarvan met vuur gezengd. De netten en
visschersbooten. het eenig middel van bestaan van vele kustbewoners,
werden vernield; meer dan driehonderd opstandelingen en misnoegden naar
de koloniën overgebracht; velen van hen ook veroordeeld om verminkt te
worden. Op één enkelen dag sneed de beul van Edinburgh de ooren van vijf
en dertig gevangenen af. Verscheiden vrouwen werden naar gene zijde van
den Atlantischen Oceaan vervoerd, nadat zij vooraf op de wang met een
gloeijend ijzer gebrandmerkt waren. Ja, men dacht er zelfs aan een wet te
doen uitvaardigen, waarbij de naam van Campbell in den ban gedaan zou
getuige : «Kapitein, gij hebt toegestemd om bij degenen te zijn, die de lijfwacht zouden
bestrijden." — »Wat was dan de reden," vroeg de opperrechter Pemberton, »dat hij
»den koning niet wilde ombrengen?" — «Hij zeide," antwoordde West, »dat het een
«lage daad was een naakt man te dooden, en dat wilde hij niet doen."
1) Wodiow III, IX, 9.
"■) Wade\'s Verhaal; Ilarleysche Handschriften 6845; Uurnet I, 634; Depêche van
van Citterss van 3oOct.—9N0V. 1685; Luttrells Dagboek, onder dezelfde dagteekening.
-ocr page 417-
JAKOBUS II.                                             393
worden, even als met dien van Mac-Gregor tachtig jaar te voren gebeurd
was \').
De expeditie van Argyle schijnt in het zuidelijk gedeelte des eilands
weinig opzien te hebben gebaard. Het bericht van zijn landing kwam te
Londen aan, even voor dat het parlement vergaderde. De koning deelde
van den troon af de tijding mede, en de Huizen verzekerden hem, dat zij in
elk gevaar hem getrouw zouden blijven. Meer werd niet van hen gevraagd.
Over Schotland hadden zij geen gezag; en een oorlog, waarvan het tooneel
zoo ver verwijderd en de uitkomst bijkans van het begin af te voorzien was,
wekte slechts flauwe belangstelling in Londen.
v/eun om\'Momnouth\' Maar een week vóór de eindelijke verstrooijing van Argyle\'s
hundrIte^»™tnt2?1\' leger werd Engeland in opschudding gebracht door het be-
richt van een geduchter aanval op zijn stranden. De ballingen waren overeen
gekomen, dat Monmouth zes dagen na het vertrek der Schotten uit Holland
zou wegzeilen. Hij had zijn onderneming een korten tijd vertraagd, waar-
schijnlijk in de hoop, dat de meeste troepen uit het zuiden des eilands naar
het noorden zouden trekken, zoodra er in de hooglanden oorlog uitbrak, en
hij geen krijgsmacht bereid zoude vinden om hem te weerstaan. Toen hij
eindelijk wenschte te vertrekken, was de wind ongunstig en het weer storm-
achtig.
Terwijl zijn kleine vloot bij Texel lag, werd er tusschen de hollandsche
staatsmachten een twist gevoerd. De Staten-Generaal en de prins waren aan
de eene, de overheid en de admiraliteit van Amsterdam aan de andere zijde.
Skelton had aan de Staten-Generaal een lijst der vluchtelingen ingediend,
wier verblijf in de Vereenigde-Provinciön zijn gebieder bezorgdheid baarde.
De Staten Generaal, die gaarne aan ieder billijk verlangen van Jakobus ge-
volg gaven, zonden afschriften der lijst aan de provinciale, en deze weder
aan de stedelijke overheden. Den besturen van al de steden werd gelast de
noodige maatregelen te nemen ten einde te voorkomen, dat de verbannen
Whigs der engelsche regeering overlast aandeden. Over het algemeen wer-
den deze voorschriften nagekomen. Te Rotterdam voornamelijk, waar de
invloed van Willem alvermogend was, werd een werkzaamheid aan den dag
gelegd, die warme dankzeggingen van Jakobus uitlokte. Maar Amsterdam
was de voornaamste verblijfplaats der uitgewekenen en de regeering van die
stad wilde niets zien, niets hooren, niets weten. De hoofdschout, die dage-
lijks in persoonlijke aanraking met Ferguson was, berichtte naar den Haag,
dat hij geen enkelen van de uitgewekenen wist te vinden en met deze uit-
vlucht moest het hoog bewind zich tevreden stellen. De waarheid was, dat
de engelsche bannelingen te Amsterdam zeer goed bekend waren en in de
straten aangegaapt werden, alsof zij Chineezen waren geweests).
\') Wodrow III, IX, 4 en III, IX, 10; Wodrow geeft uit de notulen van den raad de
namen van al de gevangenen, die getransporteerd, verminkt of gebrandmerkt werden.
2) Skeltons brief is gedagteekend den 6—17 Mei 1686, en is, even als een brief van
den hoofdschout van Amsterdam, te vinden in een klein boekdeel, weinig maanden
later uitgegeven, en getiteld: illistoire des évènements tragiques d\'Angleterre." De
documenten, welke in het werk voorkomen, zijn, zoover ik ze onderzocht heb, uit
de hollandsche archieven met nauwkeurigheid overgenomen, behalve dat Skeltons
Fransch, dat niet van het zuiverste was, eenigs/.ins verbeterd is. Zie ook Grey\'s verhaal.
-ocr page 418-
"94
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
Weinig dagen later kreeg Skelton bevel te verzoeken, dat uithoofde der
gevaren, die den troon van zijn gebieder bedreigden, de drie schotsche regi-
menten, in dienst der Vereenigde-Provinciën, zonder verwijl naar Groot-
Brittannie gezonden zouden worden. Hij wendde zich tot den prins van
Oranje en deze beloofde aan zijn verzoek gevolg te zullen geven, maar voor-
spelde tevens, dat Amsterdam wel bezwaar zou maken. De voorspelling
bleek juist te zijn. De afgevaardigden van Amsterdam weigerden hun toe-
stemming en het gelukte hun eenige vertraging te veroorzaken. Maar de
vraag was niet van dien aard, dat volgens de staatsregeling der republiek
een enkele stad verhinderen kon, dat aan het verlangen der meerderheid
werd voldaan. De invloed van Willem behield de overhand en de troepen
werden met grooten spoed ingescheept \').
Skelton wendde tevens, hoezeer met weinig oordeel of gematigdheid,
pogingen aan om de schepen terug te houden, die de engelsche uitgewekenen
uitgerust hadden. In warme bewoordingen redetwistte hij met de Amster-
damsche admiraliteit. De nalatigheid van dat college, zeide hij, had reeds
ééne bende muitelingen in staat gesteld in Brittannië te vallen. Voor een
tweeden misslag van denzelfden aard kon geen verschooning zijn. Op ge-
biedenden toon eischte hij, dat een groot schip, de Helderenbergh genaamd,
aangehouden werd. Het zeggen was, dat het schip naar de Canarische eilan-
den bestemd was. In waarheid echter was het door Monmouth bevracht,
voerde zes en twintig kanonnen en was met wapenen en krijgsbehoeften ge-
laden. De admiraliteit van Amsterdam antwoordde, dat de vrijheid van den
handel en de scheepvaart op geen lichte gronden belemmerd kon worden en
de Helderenbergh zonder een bevelschrift van de Staten Generaal niet mocht
worden aangehouden. Skelton, wiens onveranderlijke gewoonte schijnt ge-
weest te zijn steeds aan het verkeerde einde te beginnen, wendde zich nu tot
de Staten-Generaal. Deze gaven de vereischte bevelen. Alleen beweerde de
Amsterdamsche admiraliteit, dat er op Texel geen genoegzame scheepsmacht
was om een groot schip, als de Helderenbergh was, in beslag te nemen, en
zij liet Monmouth ongehinderd uitzeilen i).
Het weder was slecht; de reis duurde lang en verscheiden engelsche
Goodenough zeide in zijn verhoor na den slag van Sedgemoor: »De hoofdschout van
Amsterdam was een bijzondere voorstander van dezen laatsten aanslag." Handschriften
van Lansdowne, 1152.
Het is niet de moeite waard de schrijvers te wederleggen, die den prins van Oranje
als medeplichtig aan de onderneming van Monmouth voorstellen. De omstandigheid,
waarop zij zich hoofdzakelijk gronden, is, dat de overheid van Amsterdam geen werk-
zame maatregelen nam om de expeditie het uitzeilen te beletten. Deze omstandighnid
is inderdaad het sprekendste bewijs, dat de expeditie door Willem niet begunstigd
werd. Niemand, die niet in diepe onkunde nopens de staatsinstellingen van Holland
verkeert, zal den stadhouder voor de handelingen der hoofden van de Loevesteinsche
part-ij verantwoordelijk achten.
\') Avaux, Nég: \'/,,, ■\',„, \'*.\',, Juni 1685; Brief van den prins Oranje aan lord
Rochester, 1 Juni 1685.
*) Van Citters 9 —19 en 21—22 Juni 1685. De briefwisseling van Skelton met de
Staten-Generaal en met de admiraliteit van Amsterdam bevindt zich in de Haagschc
archieven. Sommige stukken komen ook voor in de «Evènements tragiques d\'Angle-
terre." Zie ook Durnet, I, 640.
-ocr page 419-
395
JAKOHUS II.
oorlogschepen kruisten in het kanaal. Maar Monmouth ontkwam zoowel de
zee als den vijand. Toen hij de klippen van Dorsctshire voorbijzeilde, vond
men goed een boot aan wal te zenden met een der vluchtelingen, Thomas
Dare genaamd. Schoon van lage inborst en onbeschaafde manieren, had
deze man evenwel veel invloed te Taunton Hem werd opgedragen zich
dwars door het land derwaarts te begeven en zijn vrienden te zeggen, dat
Monmouth weldra op engelschen bodem zou zijn \').
zu°c\'1L.vnRU"" 1° den morgen van den elfden Juni verscheen deHelderenbergh,
door twee kleiner schepen vergezeld, voor Lyme. Die stad is een klein
nest van steile en smalle stegen, aan een woeste rotsachtige kust gelegen,
door een stormachtige zee bespoeld. De voornaamste merkwaardigheid der
plaats was destijds een in de dagen der Plantagenets uit ongehouwen en
ongetraste steenen aangelegde schutsdam. Dit oude, onder den naam van
Cob bekende werk sloot een haven in, in den omtrek van vele mijlen de
eenige, waar de visscher een toevlucht voor de stormen van het kanaal kon
vinden.
Het verschijnen van drie schepen van uitheemschen bouwtrant en zonder
vlag verontrustte de inwoners van Lyme, en die onrust vermeerderde, toen
men bevond, dat de tolbeambten, die volgens gebruik naar boord waren
gegaan, niet terugkeerden. De stadbewoners begaven zich naar de klippen
en zagen lang en angstig uit, maar konden geen oplossing van het raadsel
vinden. Eindelijk staken zeven booten van het grootste der vreemde vaar-
tuigen af en roeiden naar de kust. Uit deze booten stapten een tachtigtal
mannen, wel gewapend en wel uitgerust, aan land. Onder hen bevonden
zich Monmouth, Grey, Fletcher, Ferguson, Wade en Anthony Buyse, een
officier, die in dienst van den keurvorst van Brandenburg geweest was J).
Monmouth gebood stilzwijgen, knielde op het strand neder, dankte God,
dat Hij de vrienden der vrijheid en der reine godsdienst voor de gevaren
der zee behoed had en smeekte den goddelijken zegen af over hetgeen hem
aan land nog te doen stond. Daarop trok hij zijn zwaard en voerde zijn
manschap over de rotsen naar de stad.
Zoodra bekend was, onder welken leider en met welk doel de expeditie
gekomen was, brak het volk in toomelooze geestdrift uit. De kleine stad weer-
galmde van de kreten van mannen, die heen en weder liepen, uitroepende:
«Leve Monmouth! Leve Monmouth! Leve het protestantsche geloof!" In-
middels werd de vaan der avonturiers, een blauwe vlag, op de marktplaats
geplant, de krijgsbehoeften in het stadhuis nedergelegd en een verklaring,
waarin de bedoelingen der expeditie werden uileengezet, van het Stadskruis
afgelezen 3).
Zijn verklaring. Deze verklaring, het meesterstuk van Fergusons genie, was
geen ernstig manifest, zoo als van een aanvoerder behoort uit te gaan, die
\') Wade\'s Bekentenis in de papieren van Hardwicke; Harleysche Handschrif-
ten, 6845.
\') Zie de getuigenis door Buyne tegen Monmouth en Fletchers afgelegd, in de ver-
zameling van staatsgedingen.
\') Dagboek van het Huis der Gemeenten, 13 Juni 1585; Harleysche Handschrif-
ten, 6845; Handschriften van Lansrlowne, 1152.
-ocr page 420-
"96                               GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
voor een groote openbare zaak het zwaard trekt, doch naar taal en strekking
een schimpschrift van de laagste soort \'). Het bevatte ongetwijfeld vele
rechtmatige beschuldigingen tegen de regeering. Maar die beschuldigingen
werden in den wijdloopigen en opgeblazen stijl van een samengefianst vlug-
schrift voorgedragen en waren met andere aantijgingen vermengd, dieslechts
den steller tot schande kunnen strekken. Er werd ten stelligste verzekerd,
dat de hertog van York Londen verbrand, Godfrey gewurgd, Essex den hals
afgesneden en den overleden koning vergiftigd had. Op grond van deze
afschuwelijke en onnatuurlijke misdaden, maar hoofdzakelijk van die laatste
verfoeijelijke daad, den afgrijselij ken en barbaarschen vadermoord a), — zoo
overvloedig en gelukkig vloeide de stroom van Fergusons welsprekendheid —
werd Jakobus voor een doodelijken en bloeddorstigen vijand, een moordenaar
en overweldiger verklaard. Geen verdrag zou met hem worden gesloten. Het
zwaard zou niet in de scheede worden gestoken, alvorens hij de welverdiende
straf des verraders had ondergaan. Het bestuur zou naar vrijzinnige be-
ginselen geregeld worden. Alle protestantsche sekten zouden geduld, de op-
geheven charters hersteld worden. Jaarlijks zouden parlementen gehouden
en niet meer volgens de koninklijke willekeur verdaagd of ontbonden worden.
De landweer zou de eenige staande legermacht zijn en onder aanvoering der
sherifs staan; de sheriffs zouden door de vrije grondbezitters verkozen wor-
den. Ten slotte verklaarde Monmouth, dat hij bewijzen kon uit wettigen
echt geboren en krachtens zijn geboortcrecht koning van Engeland te zijn,
maar dat hij voor het tegenwoordige zijn aanspraken liet rusten en ze aan
het oordcel van een vrij parlement zou onderwerpen, terwijl hij inmiddels
slechts verlangde beschouwd te worden als de kapitein-generaal der engel
sche protestanten, die tegen dwingelandij en papisme in de wapens waren.
zij» populariteit Dit manifest, hoe onteerend ook voor degenen, die het in het
van Engeland, licht gaven, was evenwel niet slecht berekend voor het doel om
de hartstochten van den gemeenen man te prikkelen. In het westen was de
uitwerking groot. De landadel en de geestelijkheid in dat gedeelte van
Engeland was, wel is waar, met weinig uitzonderingen, torygezind, maar de
yeomen, de winkeliers in de steden, de landbouwers en de handwerkslieden
waren over het algemeen met den ouden geest der rondhoofden bezield.
Vele van hen waren afgescheiden, door kleingeestige vervolgingen in een
stemming gebracht, die hen tot wanhopende ondernemingen moest voort-
sleepen. De groote massa der bevolking verfoeide het papisme en aanbad
Monmouth. Hij was geen vreemdeling voor hen. Zijn omtocht door So-
mersetshire en Devonshire, in den zomer van 1680, lag nog versch in aller
geheugen. Hij was bij die gelegenheid prachtig onthaald door Thomas
Thynne te Longleat-Hall, toenmaals en wellicht nu nog het prachtigste
landhuis in Engeland. Van Longleat tot Exeter waren de wegen vol jube-
lende toeschouwers en met groen en bloemen bestrooid. Uit ijver om haar
\') Burnet, I, 641; Goodenoughs üekentenis in de handschriften van Lansdowne,
1152 Oorspronkelijke afdrukken van de verklaring zijn zeer zeldzaam; doch eeu is er
in het britsch museum voorhanden.
2) Parricide luidt het in de aanklacht, dewijl koningsmoord met vadermoord wordt
gelijk gesteld.
-ocr page 421-
hf
JAKOBUS II.
lieveling te zien en aan te raken brak de menigte de ijzeren hekken der
parken af en omringde de kasteelen, waar hij onthaald werd. Toen hij Chard
bereikte, bestond zijn geleide uit vijf duizend ruiters. Te Exeter was gansch
Devonshire bijeengestroomd om hem te verwelkomen. Inzonderheid viel
een schaar van negenhonderd jonge lieden in het oog, die, in witte uniformen
gekleed, voor hem uit de stad binnen trokken \'). De tegenspoed, die den
landadel van zijn zaak vervreemd had, was op de geringe standen niet van
invloed geweest. Voor hen was hij nog steeds de goede hertog, de protes-
tantsche hertog, de rechtmatige erfgenaam, wien door een laaghartige samen-
spanning onthouden werd wat hem wettig toebehoorde. Zij kwamen zich in
menigte onder zijn banier scharen. Al de schrijvers, die hij in het werk kon
stellen, waren niet genoeg om de namen der rekruten op te teekenen. Eer
hij vierentwintig uren op engelschen bodem was geweest, stond hij aan het
hoofd van vijftienhonderd man. Dare kwam van Taunton met veertig ruiters
van niet zeer krijgshaftig aanzien en bracht bemoedigende berichten nopens
den staat der openbare stemming in Somersetshire. Tot dusver scheen alles
het beste te beloven 2).
Maar te Bridport werd een krijgsmacht verzameld om den opstandelingen
tegenstand te bieden. Den dertienden Juni kwam het roode landweerregi-
ment van Dorsetshire binnen die stad. Het gele regiment van Somersetshire,
waarvan Sir William Portman, een Tory-gentleman van groot aanzien, de
kolonel was, werd op den volgenden dag verwacht 3). De hertog besloot
onverwijld slag te leveren. Een afdeeling zijner troepen maakte zich gereed
om naar Uridport te trekken, toen een noodlottig voorval het gansche leger
in verwarring bracht.
Fletcher van Saltoun was aangesteld tot aanvoerder der ruiterij, onder
opperbevel van Grey. Fletcher was slecht bereden, en inderdaad, er waren
in het leger weinig paarden, die niet van den ploeg waren weggehaald. Toen
hij naar Bridport gekommandeerdwerd, dacht hij, dat het dringende van het
geval hem vrijheid gaf zonder vooraf vergunning te vragen een schoon paard
te leenen, dat aan Dare toebehoorde. Deze nam die vrijpostigheid kwalijk
en beleedigde hem met grove schimpwoorden. Fletcher bleef bedaarder
dan iemand, die hem kende, had kunnen verwachten. Ten laatste echter
waagde Dare het, zich verlatende op het geduld, waarmede zijn moedwil
verduurd werd, een stokje te zwaaijen tegen den hooggeboren en vurig ge-
aarden Schot. Fletchers bloed kookte. Hij trok een pistool en schoot Dare
ter neder. Zulk een plotselinge en geweldige wraakoefening zou niet vreemd
geacht zijn in Schotland, waar de handhaving der wet altoos zwak was ge-
weest, waar degene, die niet door de sterke hand zich zelven recht verschafte,
weinig kans had dit op eenige andere wijze te verkrijgen, en waar diensvol-
gens een menschenleven niet meer geteld werd dan in de slechtst bestuurde
provinciën van Italië, doch de bevolking van het zuidelijk gedeelte des
\') Geschiedkundig Verslng van het leven en de groothartige daden van den zeer
doorluchtigen protestantschen prins Jakobus, hertog van Monmouth, 1683.
\') VVade\'s Bekentenis; Papieren van Hardwicke; Papieren van Axe; Harleysche
Handschriften, 6845.
\') Harleysche Handschriften, 6845.
-ocr page 422-
3g8
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
eilands was niet gewoon anders dan in een tweegevecht tusschen mannen
met gelijke wapenen, enkel ter zake van ruwe woorden of gebaren moord-
dadige wapenen te zien bezigen. Er verhief zich een algemeene kreet om
wraak tegen den vreemdeling, die een Engelschman vermoord had. Mon-
mouth was niet in staat het geschreeuw te bedwingen. Fletcher, die, toen
de eerste uitbarsting zijner woede voorbij was, door berouw en droefheid
overmand werd, vluchtte aan boord van de Helderenbergh, ontkwam naar
het vasteland en begaf zich naar Hongarije, waar hij dapper streed tegen
den vijand der christenheid \').
""aB^cSn1"1" In den toestand, waarin zich de opstandelingen bevonden,
ctt iMdfoit!* was net verlies van een man van begaafdheid en geestkracht
en die eenige kennis bezat van krijgsaangelegenheden, niet gemakkelijk te
herstellen. Vroeg in den ochtend van den volgenden dag, den veertienden
Juni, rukte Grey, door Wade begeleid, met ongeveer vijfhonderd man uit
om Bridport aan te vallen. Er werd een verward en onbeslist gevecht ge-
leverd, zoo als te verwachten was, zoodra twee benden boeren, door land-
edellieden en advokaten aangevoerd, tegenover elkander stonden. Een tijd
lang dreven de manschappen van Monmouth de militie voor zich uit, doch
eindelijk hield deze stand, en nu trokken de aanvallers in eenige verwarring
terug. Grey en zijn ruiterij hielden geen halt, eer zij weder veilig binnen
Lyme waren. Wade verzamelde nu het verstrooide voetvolk en bracht het
in goede orde terug l).
Er werd een heftig geschreeuw tegen Grey aangeheven en sommige der
avonturiers drongen bij Monmouth op strenge maatregelen aan. Doch Mon-
mouth wilde naar dezen raad niet luisteren. Zijn toegevendheid is door
sommige schrijvers aan een goedaardigheid toegeschreven, die ontegenzeg-
gelijk menigwerf in zwakheid ontaardde. Anderen hebben ondersteld, dat
hij niet geneigd was streng te handelen tegenover den eenigen pair, die in
zijn leger diende. Het is echter waarschijnlijk, dat de hertog, die, schoon
geen veldoverste van den eersten rang, nochtans den oorlog veel beter ver-
stond dan de predikers en advokaten, die hem gestadig hun raad opdrongen,
omstandigheden in aanmerking genomen heeft, waaraan nimmer gedacht
werd door lieden, die in krijgszaken geheel en al onbcdreven waren. Om
billijk te zijn jegens een man, die weinig verdedigers heeft gehad, moet men
in aanmerking nemen, dat Grey, al ware hij zelfs de dapperste en bekwaam-
ste aanvoerder geweest, toch de taak, die hem gedurende dezen veldtocht
was opgelegd, bezwaarlijk derwijze zoude hebben kunnen vervullen, dat hij
er eer mede behaald had. Hij stond aan het hoofd der ruiterij. Het is be-
kend, dat een ruiter langer oefening noodig heeft dan een voetsoldaat en de
dressuur van het paard nog meer tijd vordert dan die van den man. Met
een ongeoefende infanterie, als zij slechts geestdrift en natuurlijken moed
heeft, kan iets uitgericht worden, maar niets is weerloozer dan een uit
yeomen en kramers bestaande en met postpaarden en karrepaarden bereden
kavalerie; en zoodanig was die, waarover Grey het bevel voerde. Het is
■) Getuigenis van Buyse in de Veizameling van Staatspapieren; Burnet, I, 642;
Handschriften van Ferguson, aangehaald door Eachard.
!) London-\'azette, 18 Juni 16S5; Wade\'s Bekentenis; Papieren van Ilardwicke.
-ocr page 423-
JAKOBUS II.                                            399
geen wonder, dat zijn ruiters niet moedig het vijandelijk vuur uithielden, dat
zij geen krachtdadig gebruik van hun wapenen maakten; het is veeleer te
verwonderen, dat zij in staat waren, zich in den zadel te houden.
Rekruten kwamen zich nog steeds bij honderden aanmelden. Het wapenen
en exerceeren duurde van den ochtend tot den avond voort. Inmiddels had
zich de tijding van den opstand heinde en verre verspreid. Op den avond,
dat de hertog landde, zond Gregory Alford, maire van Lyme, een ijverig
Tory en een hoogstverbitterd vervolger van non-conformisten, zijn dienaren
uit om den landadel van Somersetshire en Dorsetshire in beweging te bren-
gen, en reed zelf naar het westen. Laat in den nacht hield hij te Honiton stil
en zond van daar in eenige haastige regels de kwade tijding naar Londen \').
Daarop spoedde hij zich naar Exeter, alwaar hij Christopher Monk, hertog
van Albemarle, aantrof. Deze edelman, zoon en erfgenaam van George
Monk, den hersteller der Stuarts, was lord-luitenant van Devonshire en hield
toen een wapenschouwing over de schutterij. Vierduizend man van de land-
weer waren op dat oogenblik onder zijn kommando bijetn. Hij schijnt ge-
dacht te hebben, dat hij met deze macht in slaat zou zijn den opstand dadelijk
te onderdrukken. Hij trok derhalve op Lyme.
°p>tan"iiS(w™ Doeh toen hij des maandags namiddags, den vijftienden Juni,
"\'Axmi\'i\'isu\'r! Axminster bereikte, vond hij daar de opstandelingen, in slag-
orde geschaard om hem te ontvangen. Zij hielden stoutmoedig stand. Vier
veldstukken werden tegen de koninklijke troepen gericht. De dichte heggen,
aan beide zijden langs de enge wegen geplant, waren met musketiers bezet.
Albemarle echter was minder beducht voor de toebereidselen van den vijand
dan voor den geest, die zich in zijn eigen gelederen begon te openbaren. De
populariteit van Monmouth bij den gemeenen man in Devonshire was zoo
groot, dat de landweer-soldaten, hadden zij eenmaal zijn welbekende ge-
laatstrekken en Jgestalte in het oog gekregen, waarschijnlijk allen te gelijk
tot hem zouden zijn overgeloopen.
Albemarle achtte het dus raadzaam terug te trekken in weerwil van de
groote overmacht zijner troepen. Die terugtocht werd aldra een verwarde
vlucht, en had Monmouth hen met kracht nagezet, hij zou waai schijnlijk
zonder slag of stoot de stad Exeter hebben ingenomen. Maar hij was tevreden
met het voordeel, dat hij behaald had, en achtte het wenschelijk, dat zijn
rekruten beter geoefend werden alvorens hen tot eenige gevaarlijke dienst
te bezigen. Hij marcheerde derhalve naar Taunton, waar hij den achttienden
Juni, juist een week na zijn landing, aankwam 2).
"d\'no^tand"" Het hof en het parlement waren door de tijdingen uit het
o\'ntvanscï. westen in groote ontsteltenis geraakt. Te vijf uur in den ochtend
van zaturdag, den dertienden Juni, had de koning den brief ontvangen, dien
de maire van Lyme uit Honiton had afgezonden. De geheime raad werd
oogenblikkelijk bijeen geroepen. Er werden bevelen uitgevaardigd om de
\') Dagboek van het Huis der Lords, 18 Juni 1685.
2) Wade\'s Bekentenis; Fergusons Handschrift; Papieren van Axe; Ilaileysche
Handschriften, 6845 ; Odmixon, 701, 702. Oldmixon, die toen nog in zijn kinderjaren
was, woonde zeer nabij het tooueel van deze gebeurtenissen.
-ocr page 424-
400                                    GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
sterkte van elke kompagnie infanterie en van elk escadron kavalcric te ver-
meerderen. Er werden volmachten tot werving van nieuwe regimenten gc-
tucyparUnumt. geven. Alfords bericht werd aan het Huis der Lords voorgelegd
en de inhoud van dat bericht in een boodschap aan dat der Gemeenten
medegedeeld. Dit Huis ondervraagde de renboden, die uit het westen aan-
gekomen waren, en besloot dadelijk een wetsontwerp te doen voordragen
om Monmouth wegens hoog verraad in staat van beschuldiging te stellen.
Er werden adressen aangenomen, waarbij den koning verzekerd werd, dat
zijn pairs en zijn volk beiden gereed waren hem met goed en bloed tegen zijn
vijanden bij te staan. Bij de volgende bijeenkomst der Huizen bevalen zij,
dat de verklaring der muitelingen door den beul verbrand zou worden, en
vervulden zij al de formaliteiten, tot aanneming en uitvaardiging van het
vonnis vereischt. Nog denzelfden dag kreeg die akte de koninklijke bekrach-
tiging en er werd een belooning van vijfduizend p. st. voor de aanhouding
van Monmouth uitgeloofd \').
Het feit, dat Monmouth tegen de regeering in gewapenden opstand was,
werd zoo algemeen erkend, dat het strafvonnis een wet werd zonder meer
dan een zwakken schijn van tegenstand van een of twee pairs uit te lokken,
en het zelfs door whigsche geschiedschrijvers slechts zelden streng gelaakt
is. Wanneer wij evenwel in aanmerking nemen, van hoeveel belang het is,
dat wetgevende en rechterlijke functiën van elkander afgescheiden worden
gehouden; dat een bloot gerucht, hoe sterk en hoe wijd verspreid ook, niet
als een wettig bewijs van schuld worde aangenomen, dat de regel gehand-
haafd worde, dat geen mensch ter dood mag veroordeeld worden zonder
gelegenheid te erlangen zich te verdedigen, en hoe gemakkelijk, en hoe
ras de inbreuken, die eenmaal op groote beginselen gemaakt zijn, worden
voortgezet, dan zullen wij waarschijnlijk tot het gevoelen overhellen, dat de
door het parlement ingeslagen weg grond tot bedenkingen oplevert. Geen
der Huizen had iets voor zich, dat zelfs een zoo laaghartig rechter als Jeffreys
der jury als bewijs van de schuld van Monmouth zou hebben kunnen voor-
houden. De renboden, door het Lagerhuis verhoord, stonden niet onder eede
en hadden derhalve bloote verzinselen kunnen voordragen zonder zich aan
de straf van meineed bloot te stellen. De lords, die een verhoor onder eede
hadden kunnen afnemen, schijnen geen enkelen getuige gehoord en geen
ander bewijs voor zich gehad te hebben, dan den brief van den maire van
Lyme, die in het oog der wet niet eens een bewijs was. Voorzeker, het hoogste
gevaar wettigt uiterste middelen. Maar het parlementsvonnis was een mid-
del, dat niet in werking kon komen, voor dat alle gevaar voorbij was, en
onnoodig werd, zoodra het uitvoerbaar was geworden. Zoo lang Monmouth
onder de wapens stond, was het onmogelijk hem ter dood te brengen. Werd
hij overwonnen en gevat, dan was er geen gevaar en geen moeijelijkheid
meer om hem terecht te stellen. Later werd het als een merkwaardige om-
standigheid beschouwd, dat onder de ijverige Tories, die het wetsontwerp
van het Huis der Gemeenten naar de balie der Lords brachten, zich ook
•) Loudon-Gazette, 18 Juni, 1685; Dagboeken van het Huis der Lords en dat der
Gemeenten, 13 en 15 Juni. Ilollandsche depêche 16—26 Juni.
-ocr page 425-
JAKOBUS II.                                             401
Sir John Fenwick, lid voor Northumberland, bevond \'). Deze kreeg weinig
jaar later aanleiding om dit geheele onderwerp op nieuw te overwegen en
kwam toen tot het besluit, dat wetsvonnissen in geen opzicht te rechtvaar-
digen zijn.
Het parlement gaf in dit gevaarvolle uur nog andere bewijzen van loyau-
teit. Het Lagerhuis stond den koning toe een buitengewone som van vier-
maal honderdduizend p. st. te heffen, om in de tegenwoordige behoeften te
voorzien en, opdat hij geen moeijelijkheid mocht ondervinden zich dit geld
te verschaffen, ging het over tot het uitschrijven van nieuwe belastingen.
Het denkbeeld eener belasting op de huizen, die in den jongsten tijd in de
hoofdstad gebouwd waren, werd weder op het tapijt gebracht en door de
landedellieden met kracht ondersteund. Er werd besloten, niet alleen dat
zoodanige huizen belast zouden worden, maar bovendien dat er een wets-
ontwerp zou worden ingediend, waarbij het leggen van alle nieuwe grond-
vesten binnen het stedelijk gebied verboden werd. Dat besluit evenwel werd
niet ten uitvoer gebracht. Machtige personen, die grondbezittingen in de
buitenwijken der stad hadden en nieuwe straten en squares in de richting
hunner landerijen hoopten te zien verrijzen, lieten al hun invloed tegen het
ontwerp gelden. Er werd bevonden, dat het regelen der bijzonderheden een
werk was, dat tijd zou vereischen, en de koning was in zoo drukkende ver-
legenheid, dat hij het noodig achtte de handelingen der Huizen te verhaasten
door een zachte aanmaning tot spoed. Het plan om gebouwen te belasten
werd derhalve opgegeven; en er werden voor een tijd van vijfjaar nieuwe
rechten op buitenlandsche zijden en linnen goederen, en op gedisteleerd
gelegd 2).
Vervolgens brachten de Tories in het Lagerhuis iets ter tafel, dat door
hen een wet tot behoud van \'s konings persoon en bestuur genoemd werd.
Zij stelden voor, dat zich aan hoogverraad zou schuldig maken al wie zeide,
dat Monmouth van wettige afkomst was, al wie eenig woord uitte, strekkende
om haat of verachting tegen des konings persoon of regeering te wekken, of
al wie in het parlement eenige voordracht tot wijziging der orde van erfop-
volging deed. Sommige van deze voorzieningen veroorzaakten algemeenen
afkeer en bezorgdheid. De Whigs, hoe weinig in getal en hoe machteloos
ook, zochten zich aaneen te sluiten en vonden zich versterkt door een aan-
zienlijk tal van gematigde en gemoedelijke kavaliers. Woorden, zeide men,
konden door een eerlijk man licht verkeerd verstaan, door een schurk licht
verkeerd uitgelegd worden. Wat overdrachtelijk gesproken werd, kon letter-
lijk worden opgevat. Wat schertsenderwijze gezegd werd, kon ernstig wor-
den opgenomen. Een lidwoord, een tijd, een wijs, een klemtoon kon het
gansche onderscheid tusschen schuld en onschuld uitmaken. De verlosser
des menschdoms zelf, in wiens vlekkeloos leven de boosheid geen aankla-
genswaardige handeling kon vinden, was ter zake van gesproken woorden
■) Oldnüxun verkeert in een dwaling, als hij zegt, dat Fenwick zelfde wetsvoor-
dracht medebracht. Uit de dagboeken der Huizen blijkt, dat lord Ancram zulks ge-
daan heeft.
*) Dagboek van het Huis der Gemeenten van 17. 18 en 19 Juni 1685. Gedenk-
schriften van Reresby
MACAUI.AY I.
20
-ocr page 426-
4o2
OESCHI£DENIS VAN ENGLI.AND.
ondervraagd. Valsche getuigen hadden een lettergreep onderdrukt, die dui-
delijk gemaakt zou hebben, dat die woorden zinnebeeldig waren gebezigd,
en aldus werd aan het Sanhedrin een voorwendsel verschaft, onder hetwelk
de afgrijselijkste aller gerechtsmoorden gepleegd werd. Wie kon met zulk
een voorbeeld voor oogen verzekeren, dat zelfs de loyaalste onderdaan veilig
zou zijn, wanneer enkel woorden voor feitelijk verraad werden gehouden.
Deze gronden maakten zoo diepen indruk, dat door de commissie wijzigin-
gen gemaakt werden, welke de hardheid der wet aanmerkelijk temperden.
Maar de bepaling, dat een parlementslid, het voorstel doende om een prins
van den bloede uit te sluiten van de erfopvolging, hoogverraad pleegde,
schijnt geen woordenwisseling te hebben uitgelokt en bleef behouden. Zij
was inderdaad van volstrekt geen beteekenis, behalve als bewijs van de
onwetendheid en onervarenheid der heethoofdige koningsgezinden, die in
het Huis der Gemeenten in zoo grooten getale aanwezig waren. Hadden zij
de eerste beginselen van wetgeving gekend, zij zouden ingezien hebben, dat
de verordening, waaraan zij zoo veel waarde hechtten, overtollig zoude zijn,
zoo lang het parlement gezind was de orde van troonsopvolging te handhaven,
en herroepen zoude worden, zoodra er een parlement bestond, dat op het
wijzigen dier orde van opvolging gesteld was \').
Het aldus gewijzigde ontwerp werd aangenomen en aan het Huis der
Lords voorgelegd, maar evenwel niet tot wet verheven. De koning had van
het parlement alle geldelijke ondersteuning erlangd, die hij kon verwachten
en begreep, dat, nu de opstand werkelijk was uitgebroken, de loyale adel en
gentry in hun graafschappen van meer nut zouden zijn dan te Westminster.
Hij deed dus hun beraadslagingen ten einde spoeden en liet hen den tweeden
Juli uiteengaan. Op denzelfden dag werd de koninklijke bekrachtiging ver-
leend eener wet, waarbij de censuur der drukpers, die in 1679 geëindigd
was, weder in het leven werd geroepen. Dit werd gedaan door middel van
weinige woorden aan het einde eener wet, onderscheiden onderwerpen be-
treffende, en waarbij de termijn van verschillende wetten verlengd werd. De
hovelingen waren niet van oordeel, dat zij een zegepraal behaald hadden.
De Whigs uitten niet de minste klacht. Bij de Lords werd, evenmin als in
het Lagerhuis, gestemd; ja zelfs vond er, zoo ver men het nu kan nagaan,
geen beraadslaging plaats over een vraagstuk, dat in onzen tijd de gansche
maatschappij in rep en roer zoude brengen. Trouwens, de verandering was
gering en onmerkbaar, want sedert de ontdekking van het roggenhuiskom-
plot had de vrijheid van drukpers slechts in naam bestaan. Sedert vele
maanden was, behalve ter sluiks, nauwelijks een enkel vlugschrift versche-
nen, dat niet in den geest van het hof geschreven was; en ter sluiks zouden
ze ook verder nog kunnen worden uitgegeven 8).
*) Dagboek van het Lagerhuis, 19—29 Juni 1685; Lord Lonsdale\'s Gedenkschrif-
ten, 8, 9; liurnet I, 639. Het wetsontwerp, zoo als het door de commissie gewijzigd
werd, vindt men in het geschiedwerk van den heer Fox, appendix III. Is het bericht
van Burnet juist, clan waren de overtredingen, die, naar luid der gewijzigde wet, slechts
door verlies van burgerlijke rechten gestraft konden worden, bij het oorspronkelijke
wetsontwerp met kapitale misdaden gelijk gesteld.
\') Wetten van het ie jaar der reg. van Jak. II, 17e hoofdst.; Dagboeken van het
Huis der Lords, 2 Juli 1685.
-ocr page 427-
4o3
JAKOBUS II.
De Huizen eindigden nu hun zittingen. Zij werden niet gesloten, maar
slechts verdaagd, ten einde zij, als zij weder bijeen kwamen, hun bezigheden
volkomen in denzelfden staat mochten terugvinden, waarin zij die gelaten
hadden \').
0mou"ïiS"Tam.u.T Terwijl het parlement tegen Monmouth en zijn aanhangers
strenge wetten uitdacht, viel hem te Taunton een ontvangst te beurt, die
hem gegronde hoop kon geven op een gelukkigen afloop zijner onderneming.
Taunton, even als de meeste andere steden in het zuiden van Engeland, was
destijds belangrijker stad dan het thans is. Deze steden zijn, wel is waar,
niet achteruit gegaan. Integendeel, zij zijn met weinig uitzonderingen grooter
en rijker, beter gebouwd en meer bevolkt dan in de zeventiende eeuw. Doch,
hoezeer zij feitelijk vooruit zijn gegaan, betrekkelijk zijn zij verachterd. In
vermogen en volkrijkheid worden zij verre overtroffen door de groote fabriek-
en handelsteden van het noorden, steden, die eerst in den tijd der Stuarts
als zetels van nijverheid begonnen bekend te worden. Toen Monmouth Taun-
ton binnen rukte, was het een bij uitstek welvarende plaats. De markten
waren er rijkelijk voorzien. Het was een vermaarde zetel der wolfabrieken.
Het volk roemde, dat het in een land leefde overvloeijende van melk en
honig. En deze taal werd niet enkel door partijdige inboorlingen van die
landstreek gevoerd; want ieder vreemdeling, die den fraaijen toren van
St. Maria Magdalena beklom, erkende, dat hij de vruchtbaarste der engel-
sche valleijen overzag. Het landschap was rijk in boomgaarden en groene
weiden, door tal van landhuizen, boerderijen en dorpstorens vroolijk afge-
wisseld. De stadbewoners hadden sedert lang tot presbyteriaansche leer-
stellingen en whigsche staatkunde overgeheld. In den grooten burgeroorlog
had Taunton door alle lotwisselingen heen de zijde van het parlement gehou-
den, was tweemaal door Goring nauw ingesloten, en tweemaal door Robert
Blake, die later de vermaarde admiraal der republiek werd, met heldhaf-
tigen moed verdedigd. Gansche straten waren door de bommen en granaten
der kavaliers in de asch gelegd. Levensmiddelen waren zoo schaarsch ge-
worden, dat de onverschrokken gouverneur zijn voornemen had kenbaar
gemaakt om het garnizoen op rantsoenen van paardenvleesch te stellen.
Maar de moed der stedelingen was door het vuur, evenmin als door den
honger, te buigen geweest J).
De restauratie had geen invloed gehad op de gezindheid der mannen van
Taunton. Zij waren nog altoos voortgegaan de verjaring te vieren van den
gelukkigen dag, op welken de belegering hunner stad, door het koninklijk
leger ondernomen, opgebroken was; en hun hardnekkige verkleefdheid aan
de oude zaak had te Whitehall zoo veel vrees en wrok verwekt, dat op ko-
ninklijk bevel hun grachten gedempt en hun wallen tot den grond toe geslecht
waren 3). De puriteinsche geest was onder hen in volle kracht gehouden
door de leeringen en het voorbeeld van Joseph Alleyne, een der beroemdste
leden van de afgescheiden geestelijkheid. Alleyne was de schrijver van een
tractaat, getiteld: «Alarmkreet tot de onbekeerden," dat thans nog, zoowel
\') Dagboeken der Lords en het Huis der Gemeenten. 2 Juli 1685.
*) Savage\'s uitgave van Toulmins Geschiedenis van Taunton.
■\') Sprats Waarachtig verhaal; Toulmins Geschiedenis van Taunton,
-ocr page 428-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
404
in Engeland als in Amerika, gaarne gelezen wordt. In den kerker, waartoe
de zegepralende kavaliers hem veroordeeld hadden, schreef hij aan zijn lief-
hebbende vrienden te Taunton vele epistels, die den geest van waarlijk held-
haftige godsvrucht ademen. Zijn lichaam bezweek vroeg aan de gevolgen
van geestinspanning, moeijelijkheden en vervolgingen; maar zijn nagedach-
tenis werd nog langen tijd met ongemeene liefde in eere gehouden door
degenen, die hij vermaand en onderwezen had \').
De kinderen der mannen, die veertig jaar te voren de wallen van Taunton
tegen de. koningsgezinden bezet hadden, verwelkomden Monmouth nu met
uitgelaten vreugde en warme genegenheid. Alle deuren en vensters waren
met bloemkransen versierd. Niemand liet zich op straat zien. die niet op
zijn hoed een groen takje droeg, de leus der volkszaak. Dochters van de
aanzienlijkste geslachten der stad vervaardigden vaandels voor de opstan-
delingen. Een dier vlaggen onder andere, waarop in prachtig borduursel,
zinnebeelden der koninklijke waardigheid gestikt waren, werd door een stoet
van jonge meisjes aan Monmouth aangeboden. Hij nam met de innemende
hoffelijkheid, die hem onderscheidde, het geschenk aan. De dame, die den
optocht leidde, overhandigde hem ook een kleinen bijbel van groote waarde,
dien hij in eerbiedige houding aannam. »Ik kom," zeide hij, »om de waar-
heden te verdedigen, die in dit boek vervat zijn, en om ze, als het zijn moet,
met mijn bloed te bezegelen 2)."
Doch terwijl Monmouth den bijval der menigte genoot, moest hij met
zorg en ongerustheid ontwaren, dat de hoogere standen bijna zonder eenige
uitzondering zijn onderneming vijandig waren en er geen opstand had plaats
gevonden behalve in de graafschappen, waar hij zelf verschenen v/as. Hem
was door boden, die voorgaven hun berichten van Wildman te hebben ont-
vangen, verzekerd, dat de gansene whigsche aristokratie van verlangen
brandde om de wapenen op te vatten. Desniettemin was er nu meer dan
een week verstreken, sedert de blauwe standaard te Lyme was geplant.
Daglooners, kleine pachters, winkeliers, leerjongens, afgescheiden predikers
waren naar het leger der opstandelingen gestroomd; maar er had zich geen
enkele pair, baronet of ridder vertoond, geen enkel lid van het Huis der
Gemeenten, en nauwelijks eenig esquire van genoegzaam aanzien om ooit
voor de betrekking van vrederechter in aanmerking te kunnen komen. Fer-
guson, die sedert het overlijden van Karel steeds Monmouths booze geest
was geweest, was dadelijk met een voorstel bij de hand. De hertog had zich
in een valsche stelling geplaatst door den koninklijken titel te weigeren.
Had hij zich tot souverein van Engeland verkiaard, dan zou zijn zaak een
schijn van wettigheid gehad hebben. Thans was het onmogelijk zijn ver-
klaring met de beginselen der staatsregeling overeen te brengen. Het was
duidelijk, dat öf Monmouth óf zijn oom wettig koning was. Monmouth
waagde het niet zich wettig koning te noemen en ontkende niettemin, dat
zijn oom dit was. Zij, die voor Jakobus streden, streden voor den eenigen
persoon, die openlijk aanspraak op den troon dorst maken, en naar de wetten
\') Leven en dood van Joseph Alleyne, 1672, Gedenkschrift van de afgescheidenen.
\'J Harleysche Handschriften, 7000; Oldmixon 702; Eachard III, 763.
-ocr page 429-
JAKOBUS H.
405
des lands te oordeelen waren \'t klaarblijkelijk deze. die hun plicht deden.
Degenen, die voor Monrnouth streden, streden voor een nog onbekend
staatswczen, dat ingesteld zou worden door een nog niet bestaande con-
ventie. Niemand kon het bevreemden, dat mannen van hoogcn stand en
van groot vermogen zich verre hielden van een onderneming, die het stelsel,
bij welks voortduring zij het uiterste belang hadden, met vernieling be-
dreigde. Wilde de hertog de wettigheid zijner geboorte verkondigen en
aanspraak maken op de kroon, dan zou hij al dadelijk dit bezwaar opheffen.
Het vraagpunt zou niet meer de verandering der oude en een nieuwe staats-
regeling gelden. Het zou enkel een vraagpunt van erfopvolgingsrecht tus-
schen twee vorsten worden.
Dy«?°»S1ningn««ntCl Op gronden als deze had Fcrguson, bijna onmiddellijk na de
landing, den hertog ernstig gedrongen zich tot koning te doen uitroepen, en
Grey was van hetzelfde gevoelen. Monrnouth was zeer geneigd geweest dezen
raad aan te nemen; maar Wade en andere republikeinen waren wcdcrspannig
gebleven, en hun aanvoerder had met zijn gewone inschikkelijkheid aan hun
meening toegegeven. Te Taunton werd het onderwerp op nieuw ter sprake
gebracht. Monrnouth onderhield zich met de bestrijders, elk in het bijzonder,
verzekerde hun, dat hij geen ander middel zag om de ondersteuning van een
gedeelte der aristokratie te verwerven, en slaagde er in hun een schoor-
voetende toestemming af te persen. Op den ochtend van den twintigsten
Juni werd hij op de markplaats te Taunton uitgeroepen. Zijn aanhangers
herhaalden zijn nieuwen titel met warme geestdrift. Doch daar er verwarring
had kunnen ontstaan, indien men hem koning Jakobus II genoemd had,
bezigden zij de vreemde benaming van koning Monrnouth; en onder dezen
naam werd in de graafschappen van het westen over hun ongelukkigen gunste-
ling, nog menigmaal gesproken, in een tijd, die in het geheugen ligt van
thans nog levende personen \').
Binnen vier en twintig uur, nadat hij den koninklijken titel had aange-
nomen, vaardigde hij verscheiden proclamatiën onder eigen handteekening
en zegel uit. In de eene stelde hij een prijs op het hoofd van zijn mededinger.
Een tweede verklaarde het parlement voor een onwettige bijeenkomst en
beval de leden uiteen te gaan. De derde verbood den volke den over-
weldiger belastingen te betalen. De vierde verklaarde Albemarle een ver-
rader 2).
Albemarle zond deze proclamatiën naar Londen op, blootelijk als bewijzen
van dwaasheid en overmoed. Zij hadden geen andere uitwerking, dan dat ze
verwondering en minachting wekten; ook had Monrnouth geen grond om te
gcloovcn, dat het aanvaarden der koninklijke waardigheid zijn toestand ver-
beterd had. Er was slechts een week verloopen, sedert hij zich plechtig
verbonden had de kroon niet aan te nemen, voor dat een vrij parlement zijn
recht erkend zoude hebben. Door het verbreken dier verbintenis had hij de
\') Wade\'s lïekentenis; (loodenoughs Bekentenis; Harleysche Handschriften, 1152;
Oldmiijon, 702. Fergusons ontkenning verdient niet het minste geloof. Een exemplaar
der proclamatie komt voor onder de Harleysche hss., 7006.
•) Exemplaren der laatste drie proclamatiën zijn in het britsch museum, Harleysche
hss., 7006. De eerste heb ik nooit gezien, doch er wordt door Wade van gewaagd.
-ocr page 430-
406
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND
beschuldiging van lichtzinnigheid, zoo al niet van trouweloosheid, op zich
geladen. De stand, dien hij gehoopt had te winnen, hield zich nog steeds
van hem verwijderd. De redenen, die de groote whigsche lords en burgers
beletten, hem als hun koning te erkennen, waren voor \'t minst even krachtig
als die, welke hen belet hadden zich bij hem, als hun kapitein-generaal, te
scharen. Zij waren, wel is waar, afkeerig van den persoon, de godsdienst en
de staatkunde van Jakobus. Maar Jakobus was niet jong meer. Zijn oudste
dochter was terecht bij het volk bemind. Zij was het hervormde geloof toe-
gedaan. Zij was met een vorst gehuwd, die het erfelijk opperhoofd der
protestanten van het vasteland was, en wiens gevoelens ondersteld werden
te zijn, zoo als ze een constitutioneelen koning betamen. Was het wijs zich
aan de gruwelen van een burgeroorlog bloot te stellen alleen om onverwijld
te erlangen, wat uit den natuurlijken loop der dingen, zonder bloedvergieten,
zonder eenige wetsverkrachting, naar alle waarschijnlijkheid, zou voort-
vloeien, eer vele jaren zouden verstreken zijn ? Wellicht bestonden er rede-\'
nen om Jakobus te doen vallen. Maar welke reden kon men aanvoeren om
Monmouth te verheffen? Een vorst uithoofde van ongeschiktheid van den
troon uit te sluiten was een handelwijze, die met whigsche beginselen strookte.
Maar door geen beginsel kon het worden gerechtvaardigd, dat men wettige
erfgenamen uitsloot, die erkend werden niet slechts onberispelijk te zijn,
maar bovendien bij uitnemendheid geschikt waren voor de hoogste openbare
waardigheid. Dat Monmouths afkomst wettig was ja, dat hij ze voor wettig
hield, konden verstandige lieden niet gelooven. Hij was dus niet slechts een
overweldiger, hij was dit te kwader trouw, hij was een bedrieger. Zette hij
aan zijn zaak eenigen schijn van recht bij, hij kon dit alleen doen door mid-
del van schriftvervalsching en van meineed. Alle eerlijke en verstandige
menschen waren ongezind een bedrog, dat met geeseling en aan de kaakstel-
ling gestraft zou zijn, ware het bedreven geweest met het doel om het bezit
van een bijzonder eigendom te verwerven, met de engelsche kroon beloond
te zien. Den ouden adel van het rijk kwam het ondraaglijk voor, dat de
bastaard van Lucy Walter hoogverheven zou worden boven de nakomelingen
der Fitz-Alans en der de Veres. Zij, die slechts een weinig in de toekomst
konden lezen, moeten beseft hebben, dat, al mocht Monmouth er in slagen
het bestaande bestuur te vermeesteren, er niettemin een oorlog tusschen
hem en het Huis van Oranje zou overblijven, een oorlog, die langer duren
en meer ellende veroorzaken kon, dan de rozenoorlogen gedaan hadden, een
oorlog, die mogelijk de protestanten van Europa in vijandige partijen schei-
den, Engeland en Holland tegen elkander wapenen en beide landen tot
een gemakkelijke prooi voor Frankrijk maken zou. De meening van al de
voornaamste Whigs schijnt derhalve geweest te zijn, dat de onderneming
van Monmouth op niets anders dan op de eene of andere groote ramp voor de
natie moest uitloopen, en dat over het geheel zijn nederlaag een geringer
ramp zoude zijn dan zijn zegepraal.
Het was niet de werkeloosheid der whigsche aristokratie alleen, die de
invallers teleurstelde. De rijkdom en de macht van Londen waren, een ge-
slacht vroeger, toereikend geweest, en zouden wel weder voldoende zijn om
aan een binnenlandschen strijd een beslissende wending te geven. De Lon-
-ocr page 431-
JAKOBUS II.                                                  407
denaars hadden voorheen vele bewijzen gegeven van haat tegen het papisme
en van genegenheid voor den protestantschen hertog. Deze had gereedelijk
geloofd dat, zoodra hij landde, een opstand in de hoofdstad zou uitbarsten.
Doch, hoewel hem bericht werd aangebracht, dat veel duizenden burgers
als vrijwilligers voor de goede zaak waren opgeschreven, werd er evenwel
niets uitgericht. De zuivere waarheid was, dat de woelgeesten, die hem
aangespoord hadden in Engeland te vallen, die beloofd hadden op het eerste
teeken de wapenen op te vatten, en die wellicht, zoo lang het gevaar nog
verwijderd was, zich hadden ingebeeld, dat zij den moed zouden hebben hun
belofte te houden, dien moed verloren, zoodra het gevaarlijke oogenblik
naderde. Wildmans vrees was zoo groot, dat hij zijn verstand scheen ver-
loren te hebben. De lafhartige Danvers verschoonde aanvankelijk zijn wer-
keloosheid door het voorgeven, dat hij geen wapenen zou opvatten, eer
Monmouth tot koning was uitgeroepen, en toen Monmouth tot koning was
uitgeroepen, wendde hij het over een anderen boeg en verklaarde, dat goede
republikeinen van alle plichten ontbonden waren jegens een leider, die zoo
schandelijk de trouw gebroken had. De verachtelijkste exemplaren der
menschelijke natuur zijn ten allen tijde onder de demagogen te vinden ge-
weest \').
Daags nadat Monmouth den koningstitel had aangenomen, rukte hij van
Taunton naar Bridgewater. Hij zelfwas, naar men opmerkte, in geen opge-
ruimde stemming. De toejuichingen der duizenden trouwe aanhangers, die
hem omringden, overal waar hij kwam, vermochten de somberheid niet te
verdrijven, die zijn voorhoofd benevelde. Zij, die hem vijf jaar geleden ge-
durende zijn tocht door Somersetshire gezien hadden, konden thans niet
zonder medcdoogen de sporen van kommer en zorgen zien op die zachte en
bevallige trekken, die zoo veler harten hadden gewonnen s).
Ferguson was in een gansch andere stemming. Met de eerloosheid van
dezen man was een buitensporige, aan razernij grenzende ijdelheid op \'t zon-
derlingst ineengesmolten. De gedachte, dat hij een opstand verwekt en een
kroon geschonken had, had zijn hoofd op hol gejaagd. Hij slenterde rond,
rechts en links zijn ontbloot zwaard zwaaijende, en de menigte toeschouwers,
die bijeen gekomen waren om het leger van Taunton te zien uitmarcheeren,
toeroepende: «Ziet mij aan! Gij hebt van mij hooren spreken. Ik ben Fergu-
son, die Ferguson, voor wiens hoofd zoo veel honderd pond zijn uitgeloofd."
En deze man, evenzeer ontbloot van beginselen als van oordeel, heerschte
over het verstand en het geweten van den ongelukkigen Monmouth *).
t?ijBr?"„"ü"tof. Bridgewater was een der weinige steden, die nog eenige whig-
sche magistraatspersonen hadden gehouden. De maire en de alderman kwa-
men in hun ambtsgewaad den hertog verwelkomen, trokken in plechtigen
optocht voor hem uit naar het hooge kruis en riepen hem daar tot koning uit.
Zijn troepen vonden uitmuntend kwartier en werden door de bevolking der
stad en van de omstreken voor weinig of geen geld van alle benoodigdheden
voorzien. Hij nam zijn verblijf in het kasteel, een gebouw, dat vóór dien tijd
\') Grey\'s Verhaal; Fergusons Handschrift; liachard III, 754.
J) Vervolging aan het licht gebracht, door John Whiting.
3) Harleysche Handschriften, 6845.
-ocr page 432-
4o8
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
reeds met koninklijke bezoeken was vereerd geweest. Op het veld rondom
het kasteel was zijn heir gelegerd. Het bestond nu uit ongeveer zes duizend
man en had gemakkelijk tot het tweevoud van dit getal vermeerderd kunnen
worden, zoo er maar geen gebrek aan wapenen was geweest. De hertog had
van het vasteland slechts een kleinen voorraad pieken en musketten mede-
gebracht. Vele zijner volgelingen waren uit dien hoofde van geen andere
wapenen voorzien, dan die uit de werktuigen vervaardigd konden worden,
welke zij bij den landbouw of bij het mijnwerk gebezigd hadden. De ge-
duchtste van deze ruwe oorlogswerktuigen werden vervaardigd uit de klin-
gen van zeisen, die rechtstandig aan dikke stelen bevestigd werden \'). De
onderkonstabels der landstreek van Taunton en Bridgewater kregen bevel
overal naar zeisen te zoeken en allen, die zij konden vinden naar het kamp te
brengen. Doch zelfs met behulp van deze maatregelen was het onmogelijk
in de behoefte te voorzien; en talrijke scharen, die verlangend waren om
dienst te nemen, werden teruggezonden \').
Het voetvolk werd in zes regimenten verdeeld. Vele dier lieden hadden
tot de landweer behoord en droegen nog hun roode en gele monteeringen.
De kavalerie was ongeveer duizend man sterk; doch veel ruiters reden
slechts op groote hengstveulens, van het ras, dat destijds op de weilanden
van Somersetshire in grooten getale gefokt werd, ten einde Londen van
koets- en karrcpaarden te voorzien. Deze dieren waren zoo weinig voor de
krijgsdienst geschikt, dat zij nog niet geleerd hadden naar den teugel te
luisteren, en niet te regeeren waren, zoodra zij een geweerschot of een roffel
hoorden. Een kleine lijfwacht van veertig jongelingen, die op eigen kosten
wel gewapend en goed bereden waren, omringden Monmouth. De burgers
van Bridgewater, door een bloeijenden kusthandel verrijkt, voorzagen hem
van een kleine som gelds \').
(iCT**A-rK?rriTg Dien ganschen tijd door werden de strijdkrachten der regeering
"bi-.tr\'ijdpi\'! met den meesten spoed bij eengetrokken. Ten westen van het
leger der opstandelingen hield Albemarle nog een talrijke afdeeling land-
weer van Devonshire in het veld. Ten oosten waren de landweer-kompa-
gnien van Wiltshire, onder bevel van Thomas Herbert graaf van Pembroke,
opgekomen. Ten noord oosten stond Henry Somerset, hertog van Beaufort,
onder de wapenen. De macht van Beaufort had wel eenige overeenkomst
met die der groote baronnen van de vijftiende eeuw. Hij was president van
Walis en lord luitenant van vier engelsche graafschappen. Zijn ambtsreizen
door het uitgestrekte gebied, waar hij de majesteit van den troon vertegen-
woordigde, deden in luister nauwelijks voor koninklijke omtochten onder.
Zijn huis te Badminton was naar de gewoonten van een vroeger geslacht
geregeld. Het land tot verre rondom zijn lustwaranden behoorde hem in
eigendom toe; en de arbeiders, die het bebouwden, maakten een deel van
zijn huisgezin uit. Dagelijks werden onder zijn dak voor twee honderd per-
sonen negen tafels aangericht. Een menigte gentlemen en pages stonden
\') Een dier wapenen is in den Tower nog te zien.
\') Grey\'s Verhaal; Paschalls Verhaal in het aanhangsel tot Heywoods rechtvaar-
diging.
3) Oldmixon, 702.
-ocr page 433-
JAKOBUS II.
409
onder de bevelen van zijn huismeester. Een geheel escadron ruiterij gehoor-
zaamde die van den stalmeester. Zijn keuken en kelder, zijn jachthonden en
stallen waren in gansch Engeland vermaard. De landadel van vele mijlen
in den omtrek was trotsch op de pracht en den rijkdom van zijn grooten
nabuur en tevens door zijn minzaamheid en goedhartigheid bekoord. Hij
was een ijverig kavalier van de oude school. In deze krisis wendde hij der-
halve al zijn invloed en al zijn gezag ter ondersteuning van de kroon aan, en
hij bezette Bristol met de landweer van Gloucestershire, die beter gedisci-
plineerd schijnt te zijn geweest, dan de meeste andere troepen van die
soort \').
In de graafschappen, verder van Somersetshire verwijderd, waren de
voorstanders van den troon wakker. De landweer van Sussex begon west-
waarts te marcheeren onder kommando\'van Richard, lord Lumley, die,
schoon hij onlangs van het roomsch katholieke geloof bekeerd was, evenwel
standvastig was in zijn trouw aan een roomsch-katholiek koning. James
Bertie. graaf van Abingdon, riep de strijdmacht van Oxfordshire in het veld.
John Feil, bisschop van Oxford, die tevens deken van het Christus-kerk-
college was, noodigde de studenten zijner hoogeschool uit om voor de kroon
de wapenen op te vatten. Zij verdrongen elkander om hun namen te komen
opgeven. Het Christus-kerk-college alleen leverde nagenoeg honderd pieke-
niers en musketiers. Jonge adellijken en gentlemen commoners \') bekleed-
den de ofticiersplaatsen, en de oudste zoon des lord-luitenants was kolonel3).
Het meest echter verliet zich de koning op de geregelde troepen. Chur-
chill was met de blauwe lijfwacht naar het westen gezonden en Feversham
volgde met alle tioepen, die in de omstreken van Londen gemist konden
worden. Naar Holland was een courier vertrokken met een brief, waarin
Skelton gelast werd met aandrang te verzoeken, dat de drie engelsche regi-
menten in hollandsche dienst onmiddellijk naar de Theems zouden worden
teruggezonden. Toen deze uitnoodiging gedaan werd, trachtte de partij der
tegenstanders van het Huis van Oranje, de afgevaardigden van Amsterdam
aan het hoofd, op nieuw vertraging te bewerken. Maar de geestkracht van
Willem, die bijna evenveel te verliezen had als Jakobus, overwon allen
tegenstand en na weinig dagen zeilden de troepen uit4). De drie schotsche
regimenten waren bereids in Engeland. Zij waren in voortreffelijken staat in
Gravesend aangekomen en Jakobus had op Blackheath wapenschouwing
over hen gehouden. Hij betuigde den hollandschen gezant herhaaldelijk,
dat hij nog nimmer schooner of beter gedisciplineerde soldaten gezien had
en den prins van Oranje en den Staten voor deze zoo uitmuntende en hem
zoo te goeder ure toegezonden versterking de warmste dankbaarheid toe-
droeg. Zijn tevredenheid was echter niet ongemengd. Hoe uitmuntend be-
1 Norths Leven van Guildford, 132, Berichten van Beauforts tocht door Walis en
de naburige graafschappen, in de London-Gazettes van Juli 1684; lirief van Beaufort
aan Clarendon, 19 Juni 1685.
*) Studenten uit den stand van den landadel.
a) Bisschop Feil aan Clarendon, 29 Juni; Abingdon aan Clarendon, 20, 25 en 26
Tuni 1685; Handschriften van I.ansdowne, 845.
-) Avaux, \'/,„•;„ Juli 1685.
-ocr page 434-
GESCHIEDENIS V.\\N ENGELAND.
4 io
dreven die lieden ook waren in hun wapenoefeningen, zij waren niet geheel
vrij van de hollandsche staatkunde en de hollandsche godsdienstleer. Een
van hen werd doodgeschoten en een ander kreeg stokslagen, omdat zij de
gezondheid van den hertog van Monmouth hadden gedronken. Men achtte
het derhalve niet raadzaam hen ter plaatse te brengen, waar het gevaar het
dringendst was. Zij werden tot aan het einde van den veldtocht in den om-
trek van Londen gehouden. Hun komst stelde den koning nochtans in staat
eenig voetvolk naar het westen te zenden, dat anders in de hoofdstad noodig
zoude geweest zijn \').
Terwijl de regeering zich aldus voorbereidde om de rebellen in het veld
te bestrijden, werden voorzorgen van anderen aard evenmin vergeten. In
Londen alleen werden tweehonderd der personen in hechtenis genomen, van
wie men dacht, dat zij zich aan het hoofd eener mogelijke beweging der
Whigs konden stellen. Onder deze gevangenen bevonden zich cenige zeer
aanzienlijke kooplieden. Een ieder, die bij het hof in ongunst stond, werd
beangst. Een algemeene neerslachtigheid drukte op de hoofdstad. Aan de
beurs kwijnden de handelszaken ; en de schouwburgen waren zoo geheel
verlaten, dat de vertooning eener nieuwe opera, geschreven door Dryden
en opgeluisterd door decoratien van dusver ongekende pracht, uitgesteld
moest worden, omdat de ontvangsten de kosten niet zouden dekken 2). De
overheidspersonen en de geestelijkheid waren overal werkzaam. De afge-
scheidenen werden voortdurend nauwkeurig gade geslagen. In Cheshire en
Shropshire woedde hevige vervolging; in Northamptonshire vonden talrijke
inhechtenisnemingen plaats, en de gevangenis van Oxford was geheel opge-
vuld. Geen puriteinsch geestelijke, hoe gematigd zijn denkwijze, hoe voor-
zichtig zijn gedrag ook mocht zijn, kon zich een oogenblik zeker achten, dat
hij niet aan zijn gezin ontrukt en ingekerkerd zoude worden \').
Inmiddels trok Monmouth van Bridgewater op, den ganschen tocht door
Churchill bestookt, die alles gedaan schijnt te hebben wat een dapper en
bekwaam officier met een handvol menschen mogelijk was. Het leger der
opstandelingen, door den vijand en door een zwaren regenvloed ten sterkste
gekweld, hield in den avond van 22 Juni halt, te Glastonbury. De huizen
der kleine\' stad boden geen voldoende ruimte aan tot inlegering eener zoo
sterke heirmacht. Een gedeelte der troepen werd derhalve in de kerken
ingekwartierd en anderen legden hun wachtvuren aan binnen de eerwaar-
dige ruïnen der abdij, eenmaal het rijkste der kloosters op ons eiland.
Van Glastonbury marcheerde de hertog naar Wells en van Wells naar Shep-
ton Mallet 4).
^eBrirtoS* Tot dusverre schijnt hij slechts van de eene plaats naar de andere
te zijn getrokken met het eenige doel om troepen te verzamelen. Het werd
nu noodig, dat hij een of ander oorlogsplan ontwierp. Zijn eerste denkbeeld
l) VanCitters 30 Juni—10 Juli; 3 „—"\'/3,Juli 1685; Avaux,Nég: ",»Juli; London-
Gazette, 6 Juli.
>) Harilion •/,» Juli 1658; Scotts Voorrede op Albion en Albanius.
3) Abingdon aan Clarendon, 29 Juni 1685; Leven van Philip Henry, door Bates.
») London-Gazette, 22 en 25 Juni 1685; Wade\'s Hekentenis; OUlmixon. 703; Har-
leysche Handschriften 6845.
-ocr page 435-
JAKOBUS II.                                                  4 "
was zich van Bristol meester te maken. Vele der voornaamste ingezetenen
van die belangrijke plaats waren Whigs. Een der vertakkingen van het
whigsche komplot had zich tot daarheen uitgestrekt. De bezetting bestond
slechts uit de landweer van Gloucestershire. Konden Beaufort en zijn vol-
gelingen overweldigd worden, voordat de geregelde troepen aankwamen,
dan zouden de opstandelingen zich dadelijk in het bezit van ruime geldelijke
hulpbronnen bevinden; de roem der krijgsbedrijven van Monmouth zou
verhoogd en de vrienden, die hij in het koninkrijk bezat, aangemoedigd
worden om zich te verklaren. Bristol was van vestingwerken voorzien, die,
ten noorden van de Avon, aan den kant van Gloucestershire, zwak, maar ten
zuiden, aan den kant van Somersetshire, veel sterker waren. Er werd der-
halve besloten den aanval van den kant van Gloucestershire te ondernemen.
Daartoe echter was het noodig een omweg te maken en de Avon te Keyns-
ham over te trekken. De brug te Keynsham was door de landweer gedeelte-
lijk afgebroken en nu onbruikbaar. Er werd dus een detachement vooruit
gezonden om de noodigc herstellingen te doen. De overige troepen volgden
langzaam en bleven in den avond van 24 Juni te Pensford rusten. Daar
waren zij slechts vijf mijlen ver van den kant van Bristol, die het dichtst bij
Somersetshire is; doch de andere kant, die van Gloucestershire, alleen langs
den omweg door Keynsham te bereiken, was een ganschen dagmarsch ver \').
Te Bristol was het een nacht van groot rumoer en hooggespannen ver-
wachting. De aanhangers van Monmouth wisten, dat hij bijkans in het ge-
zicht van hun stad was, en verbeeldden zich, dat hij vóór het aanbreken van
den dag bij hen zou zijn. Ongeveer een uur na zonsondergang geraakte een
aan de kade liggend koopvaardijschip in brand. Zulk een voorval kon, in
een haven, vol schepen, niet dan groote ontsteltenis te weeg brengen. De
gansche rivier kwam in beweging. De straten waren vol menschen. Er
werden in\' den donker en bij de algemeene verwarring oproerige kreten
gehoord. Later verzekerden de Whigs, zoowel als de Tories, dat het vuur
door de vrienden van Monmouth was aangestoken in de hoop, dat de
landweer in dienst gesteld zoude worden om verdere uitbreiding van den
brand tegen te gaan en het leger der opstandelingen inmiddels zou kunnen
voortrukken om van de zijde van Somersetshire de stad binnen te trekken.
Was dit het plan der brandstichters, het mislukte geheel en al. In plaats
van zijn manschap naar de haven te zenden hield Beaufort haar den gan-
schen nacht rondom de schoone kerk van St.-Mary Redcliff, ten zuiden van
de Avon, onder de wapenen. «Hij zou," zeide hij, «Bristol tot den grond toe
willen zien afbranden, ja, liever zelf de stad in brand steken dan ze door
landverraders te laten innemen." Met behulp van eenige geregelde kavalerie,
die zich weinige uren te voren uit Chippenham bij hem was komen voegen,
was hij in staat een opstand te voorkomen. Het zou wellicht boven zijn
kracht zijn geweest, gelijktijdig de misnoegden binnen de muren in toom te
houden en een aanval van buiten te keeren; doch zoodanige aanval werd
niet beproefd. De brand, die te Bristol zoo veel opschudding veroorzaakte,
werd te Pensford duidelijk gezien. Monmouth achtte het echter niet dienstig
\') Wade\'s Bekentenis.
-ocr page 436-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
412
van plan te veranderen. Hij bleef tot zonsopgang daar staan en marcheerde
toen naar Keynsham. Daar vond hij de brug hersteld. Hij besloot zijn leger,
gedurende den namiddag, te laten rusten en, zoodra de nacht inviel, naar
Bristol voort te rukken \').
Doch het was te laat. De troepen des konings waren nu bij de hand.
Kolonel Oglethorpekwam aan het hoofd van ongeveer honderd man ruiters
van de lijfwacht Keynsham binnen stuiven, verstrooide twee escadrons
ruiterij, die het waagden hem weerstand te bieden en nam den terugtocht
aan na den vijand veel schade toegebracht en zelf weinig geleden te hebben.
cii"naanSiiw"if. Onder deze omstandigheden werd het noodig geacht den aanslag
op Bristol op te geven 5).
Doch wat moest er dan gedaan worden ? Er werden verscheiden plannen
voorgesteld en besproken. Men opperde het denkbeeld, dat Monmouth zich
naar Gloueester spoeden, daar over de Severn trekken, de brug achter zich
afbreken en, terwijl zijn rechterflank alsdan door de rivier beschermd was,
door Worcestershire naar Shropshire en Cheshire rukken zou. Hij had in
vroeger dagen een tocht door die graafschappen gedaan en was daar met
niet minder geestdrift ontvangen dan in Somersetshire en in Devonshire.
Zijn tegenwoordigheid zou de liefde zijner oude vrienden wellicht doen
herleven en zijn leger binnen weinig dagen tot het dubbel van zijn tegen-
woordige sterkte kunnen aangroeijen.
Na rijpe overweging echter bleek het, dat dit plan, hoe aanlokkelijk ook,
onuitvoerbaar was. De opstandelingen waren voor zulk werk, als zij in de
laatste dagen hadden moeten verrichten, slecht uitgerust geweest en waren
uitgeput, nadat zij dagen achtereen onder zvvaren regen door diepe modder
gebaggerd hadden. Daar het te voorzien was dat zij op iedere haltplaats
door de vijandelijke ruiterij bemoeijelijkt en opgehouden zouden worden,
mochten zij niet de hoop koesteren Gloueester te bereiken, zonder door de
hoofdmacht der koninklijke troepen ingehaald en onder de ongunstigste
omstandigheden tot een algemeen gevecht genoodzaakt te worden.
Daarop stelde een ander voor Wiltshire binnen te rukken. Personen, die
beweerden dat graafschap goed te kennen, verzekerden den hertog, dat zich
daar zulke belangrijke versterkingen bij hem zouden voegen, dat hij met alle
vertrouwen slag zou kunnen leveren 3).
Hij nam dien raad aan en wendde zich naar Wiltshire. Hij eischte eerst
Bath ter overgave op. Maar Bath was van een talrijk koningsgezind garni-
zoen voorzien en Feversham naderde met spoed. De opstandelingen be-
proefden dus geen poging tegen de wallen, maar haastten zich naar Philips
Norton, waar zij in den avond van 26 Juni halt hielden.
Feversham volgde hen derwaarts. In den vroegen ochtend van den zeven-
en twintigsten werden zij verontrust door de tijding, dat hij dicht in de
nabijheid was. Zij schaarden zich in slagorde en bezetten de wegen, die
naar de stad voerden.
\') Wade\'s liekentenis; OUlmixon, 703; Ilarleysche Bandschriften,6145 ; Aanspraak
vanjelïreys aan de groote jury vau liristol, 21 September 1685.
2j London-Gazette, 29 Juni 1685 ; Wade\'s Bekentenis.
:\') Wade\'s Bekentenis.
-ocr page 437-
4-3
JAKOKUS II.
teS"b"i> Nu\'rtcïi. Weldra verscheen de voorhoede der koninklijke legermacht.
Zij bestond uit ongeveer vijfhonderd man onder aanvoering van den hertog
van Grafton, een jongeling dapper van aard, doch ruw in zijn manieren, die
waarschijnlijk er op gesteld was te bewijzen, dat hij geen deel nam in de
illoyale plannen van zijn halven broeder. Grafbm bevond zich spoedig in
een hollen weg, die aan weerszijden met heggen beplant was, uit welke een
zwaar musketvuur onderhouden werd. Hij drong evenwel moedig voorwaarts,
totdat hij den ingang van Philips Norton genaderd was. Daar werd zijn weg
door een barrikade versperd, van waar een derde fusillade recht op zijn front
gericht werd. Thans verloren zijn soldaten den moed en trokken zoo goed
mogelijk terug. Eer men den hollen weg weder verlaten had, waren meer
dan honderd man gedood of gewond. Graftons terugtocht werd door eenige
ruiters der opstandelingen afgesneden; doch hij sloeg er zich dapper door
heen en bleef ongedeerd \').
De voorhoede, aldus terug geslagen, week naar het hoofdkorps der ko-
ninklijke strijdmacht terug. De twee legers waren nu in elkanders gezicht
en er werden eenige schoten gewisseld, die weinig of geen uitwerking deden.
Zij waren geen van beiden begeerig slaags te geraken. Feversham wenschte
het gevecht niet te beginnen, eer zijn geschut aangekomen was, en trok op
Bradford terug. Monmouth verliet zijn stelling, zoodra de nacht was inge-
vallen, nam den marsch naar het zuiden aan en had met het aanbreken van
den dag Frome bereikt, waar hij versterkingen hoopte te vinden.
Frome was even wakker voor zijn zaak als Taunton of üridgewater, maar
kon niets voor hem doen. Er had een paar dagen te voren een opstand
plaats gehad en de proclamatie van Monmouth was op de marktplaats aan-
geplakt. Maar er was van deze beweging aan graaf Pembroke bericht
gegeven, die zich met de landweer van Wiltshire op een grooten afstand
van daar bevond. Hij was dadelijk naar Frome opgerukt, had een hoop
boeren, die hem met zeisen en hooivorken weerstand wilden bieden, uiteen
gedreven en was de stad binnengerukt, waarop hij de inwoners had ontwa-
pend. Hier dus waren geen wapenen overgebleven en Monmouth was niet
in staat ze te verschaffen :).
Het leger der opstandelingen verkeerde nu in hachelijken toestand. De
marsch van den vorigen nacht was bezwaarlijk geweest. De reg^n was in
stroomen van den hemel gevallen en had de wegen in moerassen herschapen.
Men vernam niets van de beloofde versterkingen uit Wiltshire. Een bode
bracht de tijding, dat Argyle\'s troepen in Schotland op de vlucht geslagen
waren. Een ander berichtte, dat Feversham, wiens geschut zich met hem
vercenigd had, op het punt stond om voort te rukken. Monmouth kende
den oorlog te goed om niet te weten, dat zijn volgelingen ondanks al hun
moed en ijver niet opgewassen waren tegen geregelde troepen. Hij had zich
tot dusver met de hoop gevleid, dat sommige der regimenten, die hij voor-
heen had aangevoerd, tot hem zouden overgaan; maar die hoop moest hij
^ii\'jiómuüut\'ii.\'1 eindelijk opgeven. Hij werd moedeloos. Nauwelijks had hij
\') London-Gazette, 2 Juli 1685 ; liarillon • ,„ Juli; Wade\'s 13ekentenis.
•) Lomlon-Ga/elte, 29 Juni 1685; Van Citters, 30 Juni —10 Juli.
-ocr page 438-
ÖÉSCHIEDÉNIS VAN ENGELAND.
4«4
zelfbeheersching genoeg om bevelen te geven. In zijn ellendigen toestand
beklaagde hij zich bitter over de kwade raadgevers, die hem overreed hadden
zijn veilige schuilplaats in Brabant te verlaten. Tegen Wildman vooral
barstte hij in hevige verwenschingen uit \'). En nu rees een verachtelijk
denkbeeld in zijn zwak en opgewonden gemoed op. Hij wilde de duizenden,
die op zijn stem en om zijnentwil hun vreedzame velden en haardsteden
hadden verlaten, aan de genade der regeering overlaten. Hij wilde met zijn
voornaamste officieren heimelijk wegsluipen en, eer zijn vlucht vermoed
werd, de eene of andere zeehaven bereiken, van waar hij naar het vasteland
zou ontsnappen om in de armen van lady Wentworth zijn eerzuchtige plan-
nen en zijn schande te vergeten. Dit ontwerp besprak hij in goeden ernst
met zijn voornaamste raadgevers. Sommigen van hen, die voor hun hoofden
vreesden, hoorden hem met goedkeuring aan; Grey echter, die, zoo als zelfs
zijn vijanden erkenden, nergens vrees kende, dan waar het gekletter van
zwaarden en het gebulder van geschut gehoord werden, verzette zich met
groote drift tegen dat lafhartig voorstel en smeekte den hertog liever alle
gevaren te trotseeren, dan de trouwe verkleefdheid der landlieden van het
westen met ondank en verraad te vergelden 2).
                              \'
De gedachte van een vlucht werd dus opgegeven, maar het viel nu niet
gemakkelijk eenig plan voor den veldtocht te vormen. Naar Londen voort
te rukken zou ijlhoofdigheid zijn geweest; want de weg liep recht door de
vlakte van Salisbury en op dat uitgestrekte open veld zouden linietroepen,
en vooral geregelde kavalerie, tegen ongeoefende lieden al het voordeel aan
hun zijde hebben gehad. In deze oogenblikken werd een bericht in het leger
verspreid, volgens hetwelk de landlieden uit de veenen bij Axbridge tot
verdediging der protestantsche godsdienst opgestaan waren, zich met dorsch-
vlegels, knuppels en hooivorken gewapend hadden, en te Bridgewater zich
bij duizenden verzamelden. Monmouth besloot derwaarts terug te keeren en
zich met deze nieuwe bondgenooten te versterken 3).
De rebellen trokken derhalve naar Wells 4) en kwamen daar alles behalve
vriendelijk gestemd aan. Zij waren, met weinig uitzonderingen, van het
prelaatschap afkeerig en legden hun vijandigheid aan den dag op een wijze,
die hun weinig eer aandeed. Niet alleen sneden zij het lood van de prachtige
hoofdkerk af om daar kogels van te gieten, een handeling, die zij ter goeder
trouw door den drang van den oorlog konden verschoonen, maar bovendien
beschadigden zij moedwillig de sieraden van het gebouw. Met moeite be-
schermde Grey het altaar, waarvoor hij met ontbloot zwaard post vastte
tegen de ontwijdingen, door eenige onverlaten daaraan toegedacht, die er
een drinkgelag wilden houden •)
nurnBri$gewattr. Donderdag 2 Juli rukte Monmouth opnieuw Bridgewater
binnen, doch onder veel minder bemoedigende omstandigheden, dan waarin
hij tien dagen te voren van daar was uitgerukt. De versterking, die hij daar
\'■)  Harleysche Handschriften, 6845; Wade\'s Bekentenis.
»)  Wade\'s Bekentenis; Eachard III, 766.
»)  Wade\'s Bekentenis.
»)   De verblijfplaats van den bisschop van Bath en Wells.                                      V.
s)  London-Gazette, 6 Juli 1685; Van Citters, 3—13 Juli; Oldmixon, 703.
-ocr page 439-
Jakobus ü.                                             41 5
vond, was van weinig beteekenis. Het koninklijk leger stond dicht bij hem.
Een oogenblik dacht hij er aan de stad te versterken en honderden arbeiders
werden opontboden om loopgraven te maken en verschansingen op te wer-
pen. Vervolgens vestigden zich zijn gedachten op het plan om naar Cheshire
te rukken, een plan, dat hij als onuitvoerbaar verworpen had, toen hij te
Keynsham was en dat voorzeker niet grooter uitvoerbaarheid had verkregen,
nu hij zich te Bridgewater bevond \').
lége\'vn"\'\'|lSitkop Terwijl hij aldus weifelende was tusschen even hopelooze plan-
hsV°«ioor.*" nen, kwamen de troepen des konings in het gezicht. Zij be-
stonden uit ongeveer vijf-en twintig honderd man geregelde troepen en
vijftienhonderd landweermannen uit Wiltshire. Vroeg in den ochtend van
zondag 5 Juli verlieten zij Somerton en sloegen dien dag hun tenten op,
ongeveer drie mijlen van Bridgewater in de vlakte van Sedgemoor.
Doctor Peter Mew, bisschop van Winchester, verzelde hen. Deze prelaat
had reeds in zijn jeugd voor Karel I tegen het parlement de wapenen gedra-
gen. Zijn jaren hadden, zoo min als zijn stand, zijn oorlogsmoed geheel en al
uitgedoofd, en hij was wellicht van oordeel, dat de verschijning van een
kerkvorst de loyauteit zou kunnen schragen van sommige brave lieden, die
door gelijken afkeer van papisme en van oproer aan het wankelen gebracht
waren.
De toren der parochiekerk van Bridgewater wordt voor den hoogsten in
Somersetshire gehouden en biedt een uitgestrekt vergezicht over het omlig-
gend land aan. Monmouth, gevolgd door eenige zijner officieren, besteeg de
hoogte van den vierkanten toren, van waar de spits verrijst, en nam door een
verrekijker de stellingen des vijands in oogenschouw. Voor hem lag een
effen vlakte, nu rijk in korenvelden en appelboomen, maar destijds, gelijk de
naam nog aanduidt!), voor het grootste gedeelte een somber moeras. Als
er zware regen viel en de Parret met zijn zijtakken buiten de oevers trad,
werd deze landstreek dikwerf overstroomd. Zij had van ouds een gedeelte
uitgemaakt van het groote moeras, dat in onze oude kronieken vermaard is,
doordat het den voortgang gestuit had van twee opvolgende geslachten van
veroveraars. Het had namelijk langen tijd de Celten beschermd tegen de
aanrandingen der koningen van Wessex en Alfred onttrokken aan de ver-
volgingen der Denen. In die lang verleden tijden had men deze streek slechts
in booten kunnen oversteken. Het was een uitgestrekte plas, in welke
een aantal eilanden verstrooid waren, van een vlotten, verraderlijken
grond, bedekt met kreupelgewas en onkruid, en wemelende van herten en
wilde zwijnen. Nog in de dagen der Tudors was de reiziger, wiens weg van
Ilchcster naar Bridgewater liep, genoodzaakt een omweg van verscheiden
mijlen te maken om de plassen te ontwijken. Toen Monmouth zijn oog over
Sedgemoor liet weiden, was het terrein gedeeltelijk door kunst verbeterd en
met vele diepe en breede sloten doorsneden, welke in die streek «rhines"ge-
noemd worden. Midden in het moeras verrezen rondom de torens van kerken
eenige dorpen, welker namen schijnen aan te duiden, dat zij eenmaal door de
\') Wade\'s Bekentenis.
\') Stdgt-moor, riet-moeras.
-ocr page 440-
41 6                                GESCHIEDENIS VAN ENGEr,ANb.
golven omringd waren. In een dier dorpen, Weston Zoyland genaamd, lag
de koninklijke ruiterij en Feversham had daar zijn hoofdkwartier gevestigd.
Vele nu nog levende personen hebben de dochter der dienstmeid gezien, die
hem op dien dag aan tafel bediende, en een groote schotel van perzisch
porcelein, die hem werd voorgezet, wordt in de nabuurschap nog zorgvuldig
bewaard. Het is opmerkelijk, dat de bevolking van Somersetshire niet, zoo
als die der fabriekdistrikten, uit uitgewekenen bestaat, van verre plaatsen
afkomstig. Het is volstrekt niet zeldzaam daar pachters te vinden, die nog
hetzelfde land beploegen, dat hun voorouders bebouwden, toen de Plantage-
nets in Engeland heerschten. De overleveringen van Somersetshire hebben
derhalve een niet geringe waarde voor den geschiedschrijver \').
Op iets verder afstand van Bridgewater bevindt zich het dorp Middlezoy.
In dat dorp en in de omstreken lag de landweer van Wiltshire onder bevel
van Pembroke in kwartier.
Op den open veengrond, niet ver van Chedzoy, waren verscheiden batail-
lons geregeld voetvolk gelegerd. Monmouth zag met sombere blikken op
hen neder. Onwillekeurig herinnerde hij zich, hoe hij slechts weinig jaren
geleden aan het hoofd eener kolonne, uit die zelfde lieden samengesteld, de
woeste geestdrijvers, die Bothwell bridge verdedigden 2), in verwarring voor
zich uitgedreven had. Hij kon onder de vijandige gelederen de dappere
bende onderscheiden, die destijds, naar den naam van haar kolonel, het
regiment van Dumbarton genoemd werd, maar die nu sedert lang als het
eerste linieregiment bekend is en in elk der vier werelddeelen haar vroeg
verworven roem waardig gehandhaafd heeft. »Ik ken die lieden," zeide Mon-
mouth; «deze zullen vechten. Had ik ze maar. dan zou alles goed gaan" 3).
\') Matt. West Flor. Ilist. A. D. 782; Kroniek (in handschrift), aangehaald door
den heer Sharon Turner in de geschiedenis der Angel-Saksers, IVe boek, hoofdstuk
XIX: Draytons Polyolbium, III j Lelands Itinerarium; Oldmixon, 703. Oldmixon was
destijds te Bridgewater en heeft waarschijnlijk den hertog op ilen toren gezien. De
schotel, waarvan in den tekst gewaagd wordt, is in het bezit van den heer Stradling,
die prijzenswaardige pogingen heeft aangewend om de gedenkteekenen en overleve-
ringen aangaande den opstand in het westen bewaard te doen blijven.
\') De covenanters, door wreedaardige verdrukking tot het uiterste gebracht, trok-
ken, nadat verscheiden wanhopende en wreedaardige handelingen van hun zijde waren
voorafgegaan, den 29 Mei 1679. binnen het vlek Rutherglen bij Glasgow, en ver-
brandden daar openlijk de parlementsakte en de besluiten van den raad, waarbij het
bisschoppelijk stelsel in Schotland ingesteld werd en de conveuticles verboden waren.
Graham van Claverhouse viel hen met eenige ruiterij aan, doch werd met verlies van
dertig man terug geslagen, waarop zij Glasgow aanvielen en vermeesterden, de geeste-
lijkheid de staatskerk uitzetten en proclamatiën uitvaardigden tegen de (kerkelijke)
suprematie des konings, tegen pausdom en prelaatschap en tegen een papistisch troon-
opvolger streden. Zij hadden den tijd om zich eenigszins te versterken, doch brachten
dien in onnutte beraadslagingen door. Inmiddels werd Monmouth aan het hoofd van
een voldoend aantal troepen tegen hen afgezonden. Bij de brug van Bothwell, aan de
Clyde, tusschen Hamilton en Glasgow, hadden zij post gevat. Zij streden dapper, zoo-
lang zij van ammunitie voorzien waren. Doch toen zij daarvan ontbloot waren, moesten
zij hun stelling op de brug opgeven; hun terugtocht werd, toen Monmouth zijn ge-
schut onder hen liet spelen, een verwarde vlucht en daarmede was de opstand gedempt.
Monmouth behandelde de talrijke gevangenen, die hij machtig werd, met prijzens-
waardige en destijds in Schotland nog zeer ongewone mcnschelijkheid.
               V.
J) Oldmixon.
-ocr page 441-
JAKOBUS II.
417
Het gezicht op den vijand was evenwel niet geheel en al ontmoedigend.
De drie afdeelingen van het koninklijk leger lagen ver uit elkander. Er was
een schijn van nalatigheid en van verslapte krijgstucht in al hun bewegingen.
Er werd bericht, dat zij bezig waren zich met den Zoylandschen appelwijn
dronken te maken. De onbekwaamheid van Feversham, die het opperbevel
voerde, was overbekend. Zelfs in dit hachelijk keerpunt dacht hij slechts
aan eten en slapen. Churchill was, wel is waar, een aanvoerder, berekend
voor veel grootscher en moeijelijker bedrijven dan het verstrooijen van een
hoop slecht gewapende en slecht geoefende boeren; maar het genie, dat
in een later tijdperk zes maarschalken van Frankrijk beschaamde, bevond
zich nu niet op zijn eigenaardige plaats. Feversham zeide weinig aan Chur-
chill en moedigde hem niet aan eenig voorstel te opperen. De onderbevel-
hebber, zich zijner grooter begaafdheid en kunde bewust, ontevreden over
de oppermacht van een aanvoerder, dien hij verachtte, en bevende voor het
lot, dat het leger treffen kon, bleef desniettemin zijn eigenaardige zelfbe-
heersching bewaren en verborg zijn gevoelens zoo goed, dat Feversham zijn
volgzamen dienstijver prees en beloofde er den koning melding van te maken\').
De stelling der koninklijke troepen verkend hebbende en ingelicht om-
trent den toestand, waarin zij zich bevonden, begreep Monmouth, dat een
nachtelijke aanval met gunstigen uitslag kon worden bekroond. Hij besloot
derhalve de kans te wagen en er werden dadelijk de noodige toebereidselen
getroffen.
Het was zondag, en zijn manschap, meerendeels uit puriteinen bestaande,
bracht een groot gedeelte van den dag in godsdienstoefeningen door. Het
slotplein, waar zij gelegerd waren, bood een sch ouwspel aan, zooals Enge-
land sedert de ontbinding van Cromwells leger er geen gezien had. De
afgescheiden predikers, die de wapenen tegen het papisme hadden opgevat
en waarvan sommige vermoedelijk ook in den grooten burgeroorlog gestreden
hadden, baden en predikten, gekleed in roode uniformen, met groote stevels
aan en met hun zwaarden op zijde. Ferguson was een dergenen, die aan-
spraken hielden. Als tekst koos hij de vreeselijkste woorden, waarmede de
Israëlieten, die aan gene zijde van den Jordaan woonden, zich zuiverden van
de beschuldiging, door hun broeders van de andere zijde der rivier tegen
hen inbracht. »De God der Goden, de Heer, de God der Goden, de Heer,
Die weet het, Israël zelf zal het ook weten! Is het door wederspannigheid, of
is het door overtreding tegen den Heer, zoo behoudt ons heden niet."
(JozuaXXII: 22)\').
Dat er onder bescherming van den nacht een aanval zou geschieden, was
voor Bridgewater geen geheim. De stad was vol vrouwen, die, uit de omlig-
gende streken bij honderden derwaarts waren samengestroomd om haar
echtgenooten, haar zonen, haar minnaars en broeders nog eenmaal te zien.
Er had dien dag menige treurige scheiding plaats en velen namen afscheid,
die elkander nimmer weder zagen •\'). Het bericht van den voorgenomen
aanval kwam ter oore van een jong meisje, dat ijverig koningsgezind was.
\') Churchill aan Clarendon, 4 Juli 1685.
\') Oldmixon, 703; Toeschouwer I Aug. 1685.
*) Pashals Verhaal en Heywoods Appendix.
MACAU I.AY I.
27
-ocr page 442-
4iS
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
Hoewel zedig van inborst, had zij niettemin den moed om zelve de tijding
aan Fevcrsham te brengen. Zij sloop uit iiridgewater weg en begaf zich naar
het koninklijk leger. Doch dat leger was geen veilige plaats voor vrouwe-
lijke onschuld. De officieren zelve, die de ongeregelde strijdmacht, tegen
welke zij overstonden, en den nalatigen veldheer, die hen aanvoerde, beiden
evenzeer minachtten, hadden zich rijkelijk met wijn gelaafd en waren bereid
tot elke daad van losbandigheid en wreedheid. Een hunner greep het onge-
lukkige meisje aan, weigerde naar haar bericht te luisteren en deed haar een
gruwzame beleedigingaan. Zij vluchtte, door wanhoop en schaamte gedreven,
en in haar gerechte gramschap liet zij het goddelooze leger aan zijn noodlot
over \').
En nu was de ure nabij voor het groote waagstuk. De nacht was voor zulk
een onderneming geenszins ongunstig. Het was volle maan, en er scheen
een prachtig noorderlicht. Maar Sedgemoor was zoozeer in de dampen van
het moeras gehuld, dat men tot op vijftig pas geenerlei voorwerp kon on-
derscheiden \')
sfdsïmöïr. De klok sloeg elf en de hertog met zijn lijfwacht reed het kasteel
uit. Hij was niet in de stemming, den man passende, die op het punt is een
beslissenden slag te slaan. Zelfs kinderen, die toestroomden om hem te zien
voorbij trekken, bemerkten en herinnerden zich nog langen tijd zijn somber
voorkomen, dat de uitdrukking droeg van de treurigste voorgevoelens. Zijn
leger rukte, langs een bijna zes mijl langen omweg, naar het koninklijk leger-
kamp op Sedgemoor aan. Een gedeelte van dien weg wordt, nog ten huidigen
dage de oorlogsweg genoemd. De infanterie werd door Monmouth zelven
aangevoerd. Het bevel over de ruiterij was ondanks de tegenwerpingen van
sommigen, die zich het ongeval herinnerden, dat te Bridport had plaats ge-
had, aan Grey toevertrouwd. Er was bevel gegeven de grootste stilte in acht
te nemen, geen trom te roeren en geen enkel schot te doen. Soho zou in den
donker het hcrkenningswoord der opstandelingen zijn. Het was waarschijn-
lijk gekozen met zinspeling op het plein van Soho, te Londen, waar het paleis
van hun aanvoerder stond s).
Ongeveer te een uur in den ochtend van maandag, den zesden Juli, waren
de rebellen op den open veengrond. Maar tusschen hen en den vijand lagen
drie breede slooten, vol water en dunne modder. Monmouth wist, dat hij
twee dezer slooten, de zwarte sloot en de rhine van Langmoor genaamd,
zou moeten overgaan. Doch wat zeer zonderling is, hij had van het bestaan
>) Kennet, uitgave van 1719. III, 432. Ik moet wel gelooven, dat deze betreurens-
waardige geschiedenis waar is. De bisschop verklaart ze in het jaar 1718 te hebben
vernomen van een achtenswaardig ofiicier van de lijfwacht te paard, die te Sedgemoor
gestreden en het arme meisje in wanhopende droefheid had zien vertrekken.
") Verhaal van een offier der lijfwacht in Kennet, uitg. van 1719, III, 432. Hand-
schrift getiteld: Journaal van den opstand in het Westen, gehouden door den heer
Edward Dammer; Drydens Hert en panther, Ile deel.
\') Vele schrijvers, en ouder anderen Pennant, hebben beweerd, dat het gedeelte
van Londen, dat den naam van Soho draagt, dien ontleend heeft aan het wachtwoord
des legers van Monmouth te Sedgemoor. Doch er is van de velden van Soho gewaagd
in boeken, die vóór den tijd des opstands von het westen gedrukt zijn, bij voorbeeld
in Chnmberlayne\'s Staat van Engeland, 1684.
-ocr page 443-
JAKOBUS II.
419
van een derde gracht, de rhine van Bussex geheeten en die het koninklijke
legerkamp onmiddellijk dekte, door geen enkelen zijner kondschappers be-
richt ontvangen.
De ammunitiewagens bleven aan den ingang van het moeras staan. De
ruiterij en het voetvolk, een lange en smalle kolonne vormende, trokken
langs een daarover voerenden dam de zwarte sloot over. Er bestond een
soortgelijk overgangspad over de rhine van Langmoor; doch door den nevel
sloeg de gids een verkeerden weg in. Er ontstond eenige vertraging en eenige
verwarring, alvorens die afdwaling hersteld kon worden. Eindelijk had de
overgang plaats, doch in de verwarring ging een pistool af. Eenige mannen
van de lijfwacht te paard, die op wacht stonden, hoorden het schot en wer-
den gewaar, dat een talrijke menigte door den nevel voorwaarts trok. Zij
vuurden hun karabijnen af en galoppeerden in verschillende richtingen weg
om alarm te roepen. Sommigen spoedden zich naar Weston Zoyland, waar
de ruiterij lag. Een hunner reed spoorslags naar het kamp der infanterie,
met forsche stem roepende, dat de vijand in aantocht was. De trommels
van het regiment van Dumbarton riepen te wapen, en de manschap schaarde
zich haastig in gelederen. Het was tijd; want Monmouth deed zijn heir reeds
ten aanval oprukken. Hij gelastte Grey met de ruiterij de voerhoede te vor-
men en hij zelf volgde aan het hoofd van het voetvolk. Grey trok voorwaarts,
tot zijn marsch onverwachts door de rhine van Bussex gestuit werd. Aan de
overzijde der sloot waren de koninklijke troepen bezig zich in aller ijl in
slagorde te stellen.
«Voor wien zijt gij?" riep een officier der lijfwacht te voet. «Voorden
koning," antwoordde een stem uit de gelederen der opstandelingen. «Voor
welken koning ?" werd toen gevraagd. Het antwoord was een kreet van
«Koning Monmouth!" gemengd met den oorlogskreet, die veertig jaren te
voren op de vanen der regimenten van het parlementsleger te lezen stond:
»God met ons." De koninklijke troepen vuurden oogenblikkelijk zulk een
stevige lading musketvuur af, dat de ruiterij der opstandelingen in alle
richtingen uiteenstoof. Algemeen was men het eens, dat deze schandelijke
vlucht aan de kleinmoedigheid van Grey moest geweten worden. Het is
evenwel geenszins bewezen, dat Churchill beter geslaagd zou zijn, zoo hij
aan het hoofd van mannen had gestaan, die nooit te voren te paard wapenen
gehanteerd hadden en wier paarden niet alleen ongewoon waren in het vuur
te staan, maar zelfs nooit geleerd hadden naar den teugel te luisteren.
Weinige minuten nadat des hertogs ruiterij zich over de vlakte verstrooid
had, kwam zijn voetvolk in snellen loop toeschieten, terwijl de brandende
lonten van het regiment van Dumbarton hun den weg in het duister aan-
wezen.
Monmouth ontstelde, toen hij bevond, dat er een breede en diepe sloot
lag tusschen hem en het kamp, dat hij gehoopt had te zullen overvallen. De
opstandelingen bleven aan den rand der sloot halt houden en vuurden. Een
gedeelte van het koninklijk voetvolk aan de overzijde beantwoordde het
vuur. Gedurende drie kwartier uurs bleef het knallen der musketten onaf-
gebroken voortduren. De boeren van Sotnersetshire gedroegen zich als oud-
gediende soldaten, alleen richtten zij hun geweren te hoog.
-ocr page 444-
420                                     GESCHIEDENIS VA.< ENGELAND.
Doch nu waren de overige afdeelingen van het koninklijk leger in bewe-
ging. De lijfwacht des konings en de blauwe lijfwacht kwamen in versnelden
draf van VVeston Zoyland aanrijden en verstrooiden in een enkel oogenblik
een gedeelte der ruiterij van Grey, die getracht had zich weder te verzamelen.
De vluchtelingen verspreidden een panischen schrik onder hun kameraden
in de achterhoede, wien de krijgsvoorraad toevertrouwd was. De voer-
lieden reden in vollen ren weg en hielden niet stil, eer zij het slagveld vele
mijlen ver achter zich hadden. Monmouth had tot dusver zijn plicht gedaan,
als een kloek en bekwaam krijgsman. Men had hem gezien, te voet, met een
piek in de hand, zijn infanterie door woord en voorbeeld aanmoedigende.
Doch hij was met oorlogszaken te goed bekend om niet te weten, dat nu alles
verspeeld was. Zijn manschap had het voordeel verloren, \'t welk de verras-
sing des vijands en het duister des nachts haar gegeven had. Zij was door
de ruiterij en door de munitiewagens verlaten. De troepen des konings
waren nu vereenigd en in goede orde. Feversham, door het schieten uit den
slaap gewekt, was opgestaan, had zijn das omgeknoopt en, na eens goed in
den spiegel gekeken te hebben, kwam hij zien wat zijn troepen uitvoerden.
Inmiddels, en dit was van groot belang, had Churchill aan het voetvolk snel
een geheel nieuwe stelling gegeven. De dag was op het punt van aan te
breken. De uitslag van een strijd op het vlakke veld en bij klaar daglicht
kon niet twijfelachtig zijn. Evenwel Monmouth moest gevoeld hebben, dat
het hem niet paste te vluchten, terwijl duizenden, die door verkleefdheid aan
zijn persoon in het verderf gestort waren, nog manhaftig voor zijn zaak stre-
den. Maar ijdele hoop en sterke gehechtheid aan het leven behielden de
overhand. Hij zag, dat, indien hij draalde, de koninklijke ruiterij weldra
hem den terugtocht zou afsnijden. Hij steeg te paard en vluchtte van het
slagveld.
Doch zijn voetvolk, schoon verlaten, bleef manmoedig het veld houden,
\'s Konings lijfwacht viel het ter rechter, de blauwe lijfwacht ter linker zijde
aan; maar met hun zeisen en met de kolven hunner musketten bleven de
boeren van Somersetshire den koninklijken ruiters als oude soldaten het hoofd
bieden. Oglethorpe deed een krachtige poging om hun gelederen te door-
breken en werd manmoedig teruggeslagen. Sarsfield, een dapper iersch
officier, wiens naam in later tijd een treurige vermaardheid erlangde, viel op
de andere flank aan. Zijn manschap werd terug geslagen. Hij zelf werd ter
aarde geworpen en lag een tijd lang voor dood. Maar de tegenstand der
moedige landlieden kon niet aanhouden. Hun kruit en hun lood waren ver-
schoten. Er werd een geroep gehoord van: «Ammunitie! om Gods wil, am-
munitie!" Doch er was geen ammuni^e bij de hand. En nu kwam \'s konings
geschut opdagen. Het had een halve mijl verder gestaan, op den straatweg
van Weston Zoyland naar Bridgewater. De uitrusting van een engelsch leger
was destijds zoo gebrekkig, dat het hoogst moeijelijk geweest zou zijn de
groote kanonnen naar de plaats te sleepen, waar de veldslag woedde, had
niet de bisschop van Winchester zijn koetspaarden en tuigen daarvoor aan-
geboden. Deze tusschenkomst van een christelijk prelaat bij een bloedige
aangelegenheid is, met wonderlijke tegenspraak van zich zelve, door som-
mige whigsche schrijvers veroordeeld, die niets misdadigs zien in het gedrag
-ocr page 445-
JAKOBUS II.                                                  42 1
der vele puriteinsche geestelijken, die destijds tegen de regeering in de
wapenen stonden. En toen het geschut was aangekomen, was er zulk een
gebrek aan artillcristen, dat een sergeant van het regiment van Dumbarton
genoodzaakt was de leiding van verscheiden stukken op zich te nemen \').
Doch het geschut, hoe slecht ook bediend, maakte spoedig een einde aan
het gevecht. De pieken der oproerige bataillons begonnen te wankelen, hun
gelederen werden verbroken; de koninklijke ruiterij viel opnieuw aan en
dreef alles voor zich uit; de koninklijke infanterie kwam de sloot overdringen.
Zelfs in dit uiterste bleven de berglieden van Mendip dapper de wapenen
voeren en verkochten hun leven duur. Maar de nederlaag was in weinige
minuten volkomen. Drie honderd soldaten waren gedood of gewond. Van
de rebellen lagen er meer dan duizend dood op het veen *).
\') Er bestaat een besluit van Jakobus, houdende machtiging om aan sergeant
Weems, van het regiment van Dumbarton, veertig p. st. te betalen, «wegens goede
diensten door het afvuren van het zware geschut tegen de rebellen." — Historische
gedenkschriften van het eerste of koninklijke regiment voetvolk.
*) Bericht van Jakobus II nopens den slag van Sedgemoor in de staatspapieren van
lord Hardwicke; Wade\'s Bekentenis; Fergusons Vertelling (handschrift) in Eachard,
III 768; Verhaal van een officier der lijfwacht te paard, in Kennet, uitg. 1719, III, 432;
London-Gazette, 9 Juli, 1685; Goldmixon, 703; Paschall verhaal; Burnet, I, 643;
Evelyns Dagboek, 8 Juli; van Citters," „ Juli; Barillon. \'„ Juli; Gedenkschriften van
Reresby; De slag van Sedgemoor door den hertog van Buckingham, een blijspel;
Journaal van den opstand in het Westen (handschrift), gehouden door den heer
Edward Dummer, destijds officier der artillerie, in dienst van zijn majesteit, tot dem-
ping van dien opstand. Laatstgemeld handschrift bevindt zich in de I\'epysiaansche
bibliotheek en is van de grootste waarde, niet om het verhaal, dat weinig merkwaar-
digs bevat, maar om de bijgevoegde plannen, welke den slag in vier of vijf verschil-
lende keerpunten voorstellen.
»De geschiedenis van een veldslag," zegt de grootste der thans levende generaals,
»heeft veel overeenkomst met de geschiedenis van een bal. Enkele personen mogen
zich al de kleine omstandigheden herinneren, die allen te zamen tot de algemeene
uitkomst eener nederlaag of eener overwinning geleid hebben; maar niemand kan zich
nauwkeurig de tijdsorde, of het juiste oogenblik herinneren, waarin elke dier omstan-
digheden plaats greep, en die het geheele verschil in haar onderlinge waarde en be-
langrijkheid uitmaken .... Om u maar een voorbeeld te geven, hoe weinig men zich
kan verlaten, zelfs op de meest geloofwaardige berichten van veldslagen, merk ik op,
dat er in het verslag van generaal ***, eenige omstandigheden vermeld zijn, die niet
voorvielen, zoo als hij ze verhaalt. Onmogelijk is het te zeggen, op wat oogenblik of
in welke tijdsorde ieder belangrijk voorval plaats heeft gevonden " Papieren van
Wellington. 8 en 17 Augustus 1815.
De veldslag, aangaande welken de hertog van Wellington het bovenstaande geschre-
ven heeft, was die van Waterloo. die bij helderen dag en onder zijn eigen waakzaam
en ervaren oog geleverd werd. Hoe groot moet dus de moeijelijkheid zijn om uit meer
dan een dozijn verhalen een getrouw bericht samen te stellen van een veldslag, die
voor meer dan honderd zestig jaar en in zulke duisternis plaats vond, dat niet een
enkel der strijders vijftig pas voor zich uit kon zien? Die moeijelijkheid wordt nog
grooter door de omstandigheid, dat diegenen onder de ooggetuigen, die het best in de
gelegenheid waren geweest om de ware toedracht er van te hebben gezien, geenszins
geneigd waren deg eheele waarheid te zeggen. Het stuk, dat ik bij de aan het hoofd
dezer aanteekening opgegeven bronnen van mijn verhaal bovenaan heb gezet, is met
de uiterste ingenomenheid voor Feversham geschreven. Wade schreef onder den
indruk der vrees voor den strop. Ferguson, die zelden zeer nauwgezet was ten aanzien
van de waarheid zijner beweringen, loog bij deze gelegenheid, alsof hij een Boabdil of
een Parolles geweest was. OldmUon, die als kind te Bridgewater woonde, toen de
-ocr page 446-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
422
Aldus eindigde het laatste gevecht op engelschen bodem, dat den naam
van een veldslag verdiende. De indruk, dien het op de gemoederen der
eenvoudige bewoners van die omstreken maakte, was diep en duurzaam.
Bovendien is die indruk menigmaal hernieuwd geworden. Want zelfs in
onzen tijd hebben de ploeg en de spade niet zelden akelige herinnerings-
teekenen der slachting, schedels, dijbeenderen en vreemde wapenen, uit
landbouw werktuigen vervaardigd, aan het licht gebracht. Bejaarde land-
lieden verhaalden zeer onlangs, dat zij in hun kinderjaren gewoon waren
geweest op het moeras het gevecht tusschen de mannen van koning Jakobus
en van koning Monmouth, spelende na te bootsen, en dat de soldaten van
koning Monmouth altoos het veldgeschreeuw van Soho aanhieven \').
Wat in den veldslag van Sedgcmoor het wonderlijkst schijnt te zijn, is,
dat de uitslag gedurende een oogenblik twijfelachtig kon schijnen en de
opstandelingen een zoo langdurigen tegenstand hebben geboden. Dat vijf of
zesduizend steenkolengravers en ploegdrijvers een strijd van een geheel uur
tegen de helft van dat getal in geregelde ruiterij en infanterie uithielden, zou
thans als een wonder beschouwd worden. Onze verbazing zal wellicht af-
nemen, zoo wij ons herinneren, dat ten tijde van Jakobus II de krijgstucht
des legers uiterst zwak was en daarentegen de boeren gewoon waren in de
landweer te dienen. Uit dien hoofde was het verschil tusschen een regiment
garde te voet en een regiment pas aangeworven boeren lang zoo groot niet
als thans. Monmouth voerde geen blooten volkshoop aan om geoefende
soldaten aan te vallen ; want zijn manschap was niet geheel en al onbekend
met den wapenhandel en de troepen van Feversham zou men, in vergelijking
met engelsche troepen van onzen tijd, bijkans een volkshoop kunnen noemen.
Het was vier uur; de zon ging op en het vluchtende leger kwam de straten
van Bridgewater binnen dringen. Het rumoer, het bloed, de wonden, de
akelige gedaanten, die neder zonken om nooit weder op te staan, verbreidden
schrik en ontsteltenis door de stad. Bovendien waren de overwinnaars in
snellen aantocht. Diegenen der bewoners, die den opstand hadden begun-
stigd, zagen roof en plundering in \'t verschiet, en riepen de bescherming van
naburen in, die het roomsch-katholieke geloof beleden, of zich door toryge-
slag plaats vond en een groot gedeelte van zijn volgend leven te dier plaaatse door-
bracht, was zoo zeer onder den invloed van plaatselijke vooringenomenheid, dal zijn
plaatselijke kennis hem niets baatte. Zijn verlangen om de dapperheid der boeren van
Somersetshire, een dapperheid, die door hun vijanden erkend werd, te verheerlijken,
bracht er hem toe een ongerijmden roman samen te stellen. De lof, dien Barillon, een
Franschman, geneigd om ongeoefende benden te verachten, over het overwonnen
leger uitsprak, is van veel grooter gewicht: »Son infanterie fit fort bien. On eut de la
peine a la rompre, et les soldats combattaient avec des crosses de mousquet et des
scies, qu\'ils avaient au bout de grands bastons au lieu de picques."
Thans valt, van een bezoek op het slagveld weinig te leeren; want de gesteldheid
dier omstreken is zeer veranderd, en de oude rhine van Hussex, aan welks oever de
groote strijd plaats vond, is sedert lang verdwenen.
Ik heb veel dienst gehad van het verhaal van den veldslag, door den heer Roberts,
Leven van Monmouth, hoofdstuk XII. Zijn verhaal wordt iu de hoofdtrekken door de
plannen van Dummer bevestigd.
\') Ik heb deze bijzonderheden van personen vernomen, die zeer n de nabijheid van
Sedgemoor woonachtig zijn.
-ocr page 447-
JAKOBUS II.                                                  423
zinde staatkunde onderscheiden hadden; en zelfs de bitterste whigsgezinde
geschiedschrijvers hebben erkend, dat die bescherming met bereidwilligheid
en grootmoedigheid verleend werd \').
opnl"li!"^iZ. Gedurende dien dag zetten de zegevierende vijanden de ver-
volging der vluchtelingen voort. In de naburige dorpen wist men nog langen
tijd te vertellen met wat een geraas van paardengetrappel, met welk een
onweder van vloeken de storm der ruiterij voorbijstoof Vóór den avond
zaten vijf honderd gevangenen in de parochiekerk van Weston Zoyland op
elkander gedrongen. Tachtig van hen waren gewond en vijf stierven binnen
de gewijde muren. Er werd een groote menigte werklieden bijeen ge-
dreven om de verslagenen te begraven, Eenige weinigen, waarvan het be-
kend was, dat zij tot de partij der overwonnenen overhelden, werden met de
afschuwelijke taak belast om de gevangenen te vierendeelen. De onder-
konstabels der naburige kerspelen waren bezig met het oprichten van galgen
en het bezorgen van kettingen. Dien ganschen tijd door liet men vroolijk
gelui hooren van de klokken van Weston /.oyland en van Chedzoy en de
soldaten zongen en dronken midden onder de lijken op het veen; want,
zoodra de uitslag van den strijd bekend was geworden, hadden de pachters
inden omtrek zich gehaast den overwinnaars vaten van hun besten appelwijn
als zoenoffers toe te zenden !).
s,""xrcu\'tiVn!\'iko Feversham werd voor een goedhartig man gehouden, maar hij
was een vreemdeling, onbekend met de wetten en onverschillig voor de ge-
voelens der Engelschen. Hij was gewoon aan den destijds in Frankrijk
heerschenden overmoed van den krijgsmansstand en had van zijn grooten
bloedverwant, den veroveraar van de Paltz, geleerd, niet hoe men veroveren,
maar hoe men verwoesten kan. Een groot aantal gevangenen werd onmid-
dellijk uitgekozen om ter dood te worden gebracht. Onder hen bevond zich
een jongeling, vermaard om zijn vlugheid. Men gaf hem hoop op het behoud
van zijn leven, indien hij een wedloop tegen een veulen door het moeras zou
kunnen volhouden. De afstand, over welken de man het paard heeft bijge-
houden, is thans nog door welbekende merken aangewezen en bedraagt
ongeveer drie vierden van een mijl. Feversham schaamde zich niet, nadat
hij het tooneel had bijgewoond, der ongelukkige tot de galg te verwijzen.
Den volgenden dag zag men op den weg van IJridgewater naar Weston Zoy-
land een lange rij van ga!gen staan. Aan iedere galg hing een gevangene.
Vier der lijders liet men in ketenen vergaan 3).
Monm\'uth. Inmiddels zette Monmouth door Grey, Buyse en eenige andere
vrienden vergezeld, zijn vlucht van het slagveld voort. Te Chedzoy hield hij
een oogenblik stil om van paard te verwisselen en zijn blauw ridderlint met
zijn St. Jorisbeeldje \') te verbergen. Hij spoedde zich daarop in de richting
\') Oldmixon, 704.
»1 Locke\'s Opstand in het Westen; Stradlings Priory van Chilton.
3)  Locke\'s Opstand in het Westen; Stradlings Chilton Priory; Oldmixon. 704.
4)  De versierselen der orde van den kousenband, beslaan, behalve in den beken-
den blauwen knieband, ook nog in een breed blauw lint, over den linkerschouder
gedragen, en waarvan, op de borst, een beeldje van St. Joris en den droak neder-
hangt.
                                                                                                                      V.
-ocr page 448-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
424
van het Bristolsche kanaal verder. Van den hoogeren grond noordelijk
van het slagveld zag hij het vuur en den rook der laatste geweerschoten van
zijn verlaten aanhangers. Vóór zes uur was hij twintig mijl van Sedgemoor.
Sommige zijner metgezellen raadden hem het water over te steken en in
Wallis een schuilplaats te zoeken; en dit zou ongetwijfeld de verstandigste
partij zijn geweest, die hij kon kiezen. Hij zou in Wallis zijn, lang voor
dat de tijding van zijn nederlaag daar bekend kon zijn; en in een zoo woeste
en zoo ver van den zetel der regeering gelegen landstreek, zou hij nog lang
onontdekt hebben kunnen blijven. Doch hij besloot den wegnaar Hampshire
in te slaan in de hoop, dat hij in de hutten der wilddievcn onder de eiken
van New-Forest een schuilplaats zou vinden, tot er gelegenheid zou zijn om
naar het vasteland te ontkomen. Hij trok derhalve, met Grey en den Duit-
scher, naar het zuidoosten voort. Maar die weg was vol gevaren. De drie
vluchtelingen hadden een landstreek door te trekken, waar de uitkomst van
den slag aan ieder reeds bekend was en waar geen reiziger van een verdacht
voorkomen een scherp onderzoek kon ontgaan. Zij reden den ganschen dag
door, de steden en dorpen vermijdende, wat niet zoo mocijelijk was, als het
nu zou wezen. Want tijdgenooten van Monmouth konden zich nog den tijd
herinneren, dat de wilde herten door een reeks van bosschen, van de oevers
van de Avon in Wiltshire tot aan de zuidelijke kust van Hampshire, onge-
moeid rondzwierven \'). Eindelijk, op den jachtgrond van Cranbourne, waren
de krachten der paarden uitgeput. Men liet ze dus aan hun lot over en de
zadels en toornen werden geborgen. Monmouth en zijn vrienden verkleedden
zich als landlieden en zetten den weg naar New Forest te voet voort. Zij
brachten den nacht onder den blooten hemel door; maar vóór het aanbreken
van den dag was hun allerwege de pas afgesneden. Lord Lumley, die met
een sterke afdeeling landweer van Sussex te Ringwood lag, had in alle rich-
tingen detachementen uitgezonden. Sir William Portman, die de landweer
van Somersetshire aanvoerde, had een keten van posten, van de zee tot aan
de uiterste noordelijke grenzen van Dorset, geplaatst. Te vijf uur in den
ochtend van den zevende werd Grey, die zich van zijn vrienden had verwij-
derd, door twee lieden der voorhoede van Lumley gevat. Hij onderwierp
zich aan zijn lot met de kalmte van iemand, wien onzekerheid ondraaglijker
viel dan het verlies der laatste hoop. «Sedert wij geland zijn," sprak hij:
»heb ik niet één ongestoord maal, niet één gerusten nacht gehad." Er was
nauwelijks aan te twijfelen, of de voornaamste der opstandelingen zou niet
ver zijn. De vervolgers verdubbelden hun ijver en waakzaamheid. De hutten,
die over de heide tusschen Dorsetshire en Hampshire verspreid liggen, wer-
den door Lumley nauwkeurig doorzocht, en de boer, met wien Monmouth
van kleeding geruild had, werd ontdekt. Portman kwam met een sterke
afdeeling ruiterij en voetvolk om in de nasporingen behulpzaam te zijn.
Weldra werd de aandacht op een plek gevestigd, die uitnemend geschikt
was om vluchtelingen te verbergen. Het was een uitgebreide streek gronds,
door een omheining van het open land gescheiden en door talrijke heggen
in kleine akkers afgedeeld. Op sommige van deze akkers stonden de erwten
\') Aubrey\'s Natuurlijke geschiedenis van Wiltshire, 1691.
-ocr page 449-
JAKOBUS II.
425
en de haver hoog genoeg om een volwassen man aan het oog te onttrekken.
Andere waren met varens en struikgewas bedekt. Een arme vrouw berichtte,
dat zij twee vreemdelingen in het struikgewas had zien schuilen. Het nade-
rend uitzicht op belooning vuurde den ijver der troepen aan. Men kwam
overeen, dat ieder, die bij het onderzoek zijn plicht deed, een aandeel in de
uitgeloofde vijf duizend pond zou ontvangen. De buitenste heining werd
streng bewaakt; de ruimte, die zij omvatte, werd met onvermoeide vlijt
doorzocht en een aantal speurhonden de bosschen ingedreven. De dag liep
ten einde, voordat de nasporing ten einde gebracht kon worden; doch den
ganschen nacht werd zorgvuldig wacht gehouden. Dertig maal waagden \'t de
vluchtelingen over de binnenste heining te zien ; maar waar zij ook uitzagen,
vonden zij waakzame schildwachten; eens werden zij ontdekt en werd er op
hen gevuurd; toen scheidden zij en zochten elk een afzonderlijke schuil-
plaats.
8?™™°"^!™!™. Den volgenden ochtend, met het opgaan der zon, werd het
onderzoek hervat en Buyse gevonden. Hij erkende, dat hij den hertog
slechts een paar uren te voren had verlaten. De graanvelden en het kreupel-
bosch werden met meer oplettendheid dan ooit onderzocht. Eindelijk vond
men een vermagerde gestalte in een greppel of sloot verborgen. De vervol-
gers sprongen op hun buit toe. Sommigen wilden vuur geven; maar Portman
verbood alle gewelddadigheid. De kleeding van den gevangene was die eens
schaapherders; zijn baard, vóór den tijd vergrijsd, was verscheiden dagen
oud. Hij beefde zeer en was niet in staat om te spreken. Zij zelfs, die hem dik-
wijls gezien hadden, twijfelden aanvankelijk, of dit werkelijk de schitterende
en bevallige Monmouth was. Portman onderzocht zijn zakken, waarin, behalve
eenige in een aanval van honger gezamelde rauwe erwten, een horloge, een
goudbeurs, een kleine verhandeling over den vestingbouw, een album met
liedjes, recepten, gebeden en tooverspreuken gevonden werden, alsmede het
St.-Joriskruis. waarmee koning Karel II, vele jaren te voren, zijn lievelings-
zoon versierd had. Terstond werden boden met die goede tijding en met het
St.-Jorisbeeld, ten bewijze voor de waarheid van hun bericht, naar Whitehall
afgezonden. De gevangene werd onder geleide eener sterke wacht naar Ring-
wood vervoerd1).
Alles was verloren, en het eenige wat hem nog te doen stond was, dat hij
zich voorbereidde om te sterven, zoo als het een man betaamde, die zich niet
onwaardig had geacht de kroon van Willem den Veroveraar en van Richard
Leeuwenhart, de kroon van den held van Crecy en van den held van Azin-
court te dragen. De gevangene had zich ook het voorbeeld van andere leden
van het engelsch koningsgeslacht voor oogen kunnen stellen, wier lot meer
overeenkomst met het zijne heeft gehad. Sedert de laatste honderd jaar
hadden twee souvereinen, wier bloed door zijn aderen stroomde, de eene,
zelfs maar een zwakke vrouw, in dezelfde omstandigheden verkeerd, in welke
hij zich thans bevond. Zij hadden in den kerker en op het schavot uitgeblon-
1) Verslag van de wijze waarop de gevangenneming van wijlen den hertog van
Monmouth is bewerkstelligd; uitgegeven op last van Zijne Majesteit, Gazette de
France, 18—28 Juli 1685; Eachard III, 770; Burnet I, 664 en noot door Dartmouth;
van Citters, 10 20 Juli 1685.
-ocr page 450-
426                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
ken door een moed en standvastigheid, die men hun in den tijd van hun
voorspoed niet zou hebben toegeschreven ; zij hadden groote misdaden en
dwalingen uitgewischt, door met christelijke onderwerpingen met vorstelijke
waardigheid alles te verduren, wat zegevierende vijanden hun konden aan-
doen. Van lafhartigheid had men ÏVfonmouth nimmer beschuldigd ; en zelfs,
al had het hem aan natuurlijken moed ontbroken, men zou hebben mogen
verwachten, dat dit gebrek door trots en wanhoop weggenomen zoude zijn.
De gansche wereld hield de oogen op hem gevestigd. Het laatste nageslacht
zou vernemen, hoe hij zich in dat uiterste gedragen had. Aan de moedige
landlieden van het westen was hij het bewijs verschuldigd, dat zij hun bloed
voor geen leider hadden vergoten, die hunner verkleefdheid onwaardig was
geweest. Aan haar, die om zijnentwil alles had opgeofferd, was hij verschul-
digd zich zóó te gedragen, dat, al mocht zij om hem schreijen, zij nooit om
zijnentwil zou behoeven te blozen. Hem voegde het niet te jammeren en te
smeeken. Zijn verstand had hem bovendien moeten zeggen, dat jammeren
en smeeken nutteloos zouden zijn. Hij had gedaan, wat nooit vergeven kon
worden. Hij was in de macht van een man, die nooit vergaf.
Doch Monmouth bezat niet die edelste soort van standvastigheid, die de
vrucht is van nadenken en van zelfachting; ook had hem de natuur geen
dier moedige harten geschonken, welken tegenspoed noch gevaar het minste
teeken van zwakheid kunnen \'afpersen. Zijn moed rees en daalde naarmate
van zijn physieke gesteldheid. Op het slagveld werd die moed aangewakkerd
door de hitte van den strijd, door de hoop op overwinning, door den zonder-
lingen invloed der belangstelling, die hij ondervond. Thans miste hij allen
steun van dezen aard. De vertroetelde lieveling van het hof en van het volk,
die gewoon was bemind en aangebeden te worden, overal waar hij zich ver-
toonde, zag zich nu door strenge kerkermecsters omgeven, in wier blikken hij
het lot kon lezen, dat hem wachtte. Nog weinige uren van sombere gevan-
genschap en hij zou een gewelddadigen en schandelijken dood sterven. De
moed ontzonk hem. Het leven scheen hem waardig om tegen iederen prijs te
worden gekocht; ook kon hij, wiens gemoed, ten allen tijde zwak, thans
daarbij door angst ontsteld was, niet beseffen, dat vernedering hem onteeren
moest, doch hem niet zou kunnen redden.
Zdi"iïï™ Zoodra hij te Ringwood was aangekomen, schreef hij aan den
koning. Zijn brief was de ingeving van een man, dien flauwhartige vrees
ongevoelig had gemaakt voor schande. In de sterkste bewoordingen drukte
hij zijn berouw uit over het door hem gepleegde verraad. Hij betuigde, dat
hij, toen hij aan de vorstelijke familie in den Haag beloofd had, in Engeland
geen onlusten te zullen verwekken, oprecht voornemens was geweest zijn
woord te houden. Tot zijn ongeluk was hij vervolgens door eenige af-
schuwelijke menschen, die door vuigen laster zijn gemoed opgehitst en
hem door drogredenen verblind hadden, verleid geworden tot het verza-
ken zijner trouw als onderdaan; maar thans verfoeide hij hen; hij verfoeide
zich zelven. Hij smeekte in jammerlijke woorden om bij den koning ten ge-
hoore te worden toegelaten. Er bestond een geheim, dat hij niet aan het papier
kon toevertrouwen, een geheim, in e\'én enkel woord besloten, en dat, als hij
dat woord gesproken had, den troon tegen alle gevaar zou beveiligen. Den
-ocr page 451-
JAKOBUS II.                                                   42 7
volgenden dag zond hij brieven af, waarin hij de koningin-weduwe en den
lord-thesaurier smeekte om te zijner gunste tusschen beiden te komen \').
Toen in Londen bekend werd, hoe hij zich vernederd had, ontstond er
groote en algemeene bevreemding; en niemand was meer verwonderd dan
Barillon, die gedurende twee bloedige vervolgingstijdperken in Engeland
geleefd en zoowel van de oppositie-, als van de hofpartij, talrijke slachtoffers
gezien had, die zich zonder kleinmoedige weeklachten en smeekingen aan
hun lot hadden onderworpen 2),
Hij wordt nanr Monmouth en Grey bleven twee dagen in Ringwood. Zij wer-
Londen over-                                                                    ,                                   ici».                       1 i
gebracht, den vervolgens onder bewaring van een sterke afdeehng geregelde
troepen en landweer naar Londen overgevoerd. In het rijtuig van den hertog
bevond zich een officier, die last had den gevangene te doorsteken, zoodra
er een poging tot bevrijding gedaan werd. In iedere stad was de land-
weer van den omtrek, aangevoerd door de voornaamste leden van den
landadel, onder de wapenen geschaard. De tocht duurde drie dagen en
eindigde te Vauxhall, waar een regiment, onder aanvoering van Georg
Legge, lord Dartmouth, gereed stond om de gevangenen over te nemen.
Zij werden aan boord van een rijks-barge gebracht, die de rivier af naar
WhitehallStairs gestuurd werd. Lumley en Portman hadden beurtelings
den hertog dag en nacht bewaakt, totdat zij hem binnen de muren van
het paleis hadden gebracht3).
De houding van Monmouth wekte, evenzeer als die van Grey, de hoogste
verbazing op van allen, die er getuigen van waren. Monmouth was geheel
verpletterd. Grey niet alleen bedaard, maar zelfs opgeruimd, sprak vroolijk
over paarden, honden en jachtvermaken, en maakte allerlei zinspelingen op
de gevaarlijke omstandigheden, waarin hij verkeerde.
De koning is niet te laken, omdat hij tot den dood van Monmouth besloot.
Een ieder, die zich aan het hoofd van een opstand stelt, waagt zijn leven, en
opstand was nog het geringste deel der misdaad van Monmouth. Hij had
zijn oom een oorlog zonder genade verklaard. In het manifest, te Lyme uit-
gegeven, was Jakobus gebrandmerkt als een brandstichter, als een moorde-
naar, die een onschuldige gewurgd en een anderen de keel afgesneden had,
en eindelijk als de vergiftiger van zij 11 eigen broeder. Een vijand te sparen,
die niet geaarzeld had, zich van zulke uiterste middelen te bedienen, zou een
daad van zeldzame, ja, wellicht laakbare grootmoedigheid zijn geweest. Maar
hem te zien en hem toch niet te sparen, was een vergrijp tegen alle gevoel
van menschelijkheid en kieschheid \'\'). Dit vergrijp besloot de koning te be-
gaan. Den gevangene werden de armen met een zijden koord op den rug
\') De brief aan den koning is in der tijd van regeeringswege gedrukt; die aan de
koningin-weduwe komt onder de oorspronkelijke brieven van Sir II. Ellis voor, en
die aan Rochester in de correspondentie van Clarendon.
») »On trouve fort a. redire icy," schreef hij, »qu\'il ait fait une choce si peu ordinaire
aux Anglais." "/,, Juli 1685.
*) Verslag nopens de gevangenneming van den hertog van Monmouth; Gazette,
16 Juli 1685 ; Depêche van van Citters, 14—24 Juli.
») Barillon was daardoor blijkbaar zeer onaangenaam getroffen. »I1 se vient de
passer icy une chose," zegt hij ; »bien extraordinaire et fort opposée a 1\'usage ordinaire
des autres nations." 13-23 Juli 1685.
-ocr page 452-
428                                    GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
*
vast gebonden en, nadat men zich aldus tegen hem beveiligd had, werd hij
in tegenwoordigheid van den onverzoenlijken aanverwant gebracht, dien hij
beleedigd had.
me"dfnTo\'i"%. Toen wierp Monmouth zich ter aarde neder en kroop naar de
voeten des konings. Hij schreide luid; hij trachtte met zijn gekluisterde
armen de knieën van zijn oom te omvatten. Hij bad om zijn leven, alleen
om het leven, het leven tot eiken prijs Hij bekende, dat hij zich aan een
groote misdaad had schuldig gemaakt, doch hij zocht de blaam op anderen
te werpen, voornamelijk op Argyle, die liever zijn beenen in de dwanglaarzen
zou gestoken hebben, dan zijn leven door zoodanige laagheid te redden.
De rampzalige bezwoer Jakobus om ter liefde van de tusschen hen be-
staande banden van bloedverwantschap, ter liefde van den vorigen koning,
die de beste en trouwste broeder was geweest, hem toch genade te schenken.
Jakobus antwoordde ernstig, »dat zijn berouw te laat kwam; dat hem de
ellende leed deed, die de gevangene zich op den hals had gehaald, maar dat
het geval niet geschikt was voor genadebetoon. Er was een verklaring uit-
gevaardigd, niets dan afschuwelijken laster bevattende. Men had den ko-
ninklijken titel aangenomen. Voor zoodanig verzwaard hoogverraad kon
aan deze zijde des grafs geen genade geschonken worden." De arme ver-
schrikte hertog betuigde, dat hij nooit verlangd had de kroon te bemachtigen,
maar dat anderen hem in die noodlottige dwaling hadden medegesleept.
Wat de verklaring aanging, hij had ze niet geschreven; hij had ze niet ge-
lezen ; hij had ze geteekend zonder ze in te zien; het was alles het werk van
Ferguson geweest, van dien bloeddorstigen booswicht Ferguson. «Meent
gij," sprak Jakobus, met maar al te welverdiende minachting, »mij wijs te
kunnen maken, dat gij uw handteekening op een zoo allerbelangrijkst stuk
hebt gezet, zonder te weten wat het inhield?" Mén diepte der vernedering
bleef nog overig, en zelfs tot deze daalde de gevangene af. Hij was bovenal
de verdediger der protestantsche godsdienst geweest. De belangen dier
godsdienst waren het, die hij als hoofdreden had aangevoerd om tegen het
bestuur van zijn vader samen te zweren en de rampen des burgeroorlogs
over zijn vaderland te brengen; nochtans schaamde hij zich niet, te kennen
te geven, dat hij genegen was zich met de kerk van Rome te verzoenen. De
koning bood hem gretig godsdienstigen bijstand aan, maar sprak geen woord
van genade of uitstel. »Is er dan geen hoop?" vroeg Monmouth. Jakobus
wendde zich zwijgend af. Toen trachtte Monmouth weer moed te vatten; hij
stond op en vertrok met een houding, zoo fier, als hij sedert zijn nederlaag
nog niet getoond had \').
Daarop werd Grey binnen geleid. Deze gedroeg zich met een betamelijk-
heid en mannelijkheid, die zelfs den strengen en wraakgierigen koning aan-
deed; hij erkende rondborstig zijn schuld, trachtte zich niet te verschoonen
en verlaagde zich geen enkelen keer om genade voor zijn leven te vragen.
Beide de gevangenen werden te water naar den Tower gezonden. Er vond
geen opschudding plaats, maar vele duizenden, met angst en kommer op het
\') Burnet I, 644; Evelyns Dagboek, 15 Juli; Gedenkschriften van Sir J. Browton;
Gedenkschriften van Reresby; Jakobus aan den prins van Oranje, 14 Juli 1685: Haril-
lon \'",o Juli; Handschriften van Buccleuch.
-ocr page 453-
jAfCOfeUS II.                                                   429
gelaat, zochten een blik op de gevangenen te werpen. De hertog verloor den
moed weder, zoodra hij de tegenwoordigheid des konings had verlaten. Op
weg naar den kerker jammerde hij over zijn lot, klaagde zijn aanhangers aan
en smeekte Dartmouth laaghartig om zijn bemiddeling. »Ik weet, Mylord,
dat gij mijn vader lief hadt. Om zijnentwil, om Gods wil, beproef, of er nog
eenige kans van genade is." Dartmouth antwoordde, dat de koning de waar-
heid had gesproken en een onderdaan, die den koningstitel aannam, zich
buiten alle hoop op genade stelde \').
Spoedig, nadat Monmouth in den Tower was aangekainen, werd hem be-
richt, dat zijn vrouw op bevel des konings derwaarts gezonden was om hem
te zien. Zij was vergezeld door den graaf van Clarendon, geheim zegelbe-
waarder. Haar echtgenoot ontving haar zeer koel en richtte nagenoeg het
geheele gesprek tot Clarendon, dien hij dringend om zijn tusschenkomst
verzocht. Clarendon gaf hem geen hoop; en dienzelfden avond nog kwamen
twee prelaten, Turner, bisschop van Ely, en Ken. bisschop van Bath en
Wells, met een plechtige boodschap van den koning in den Tower aan. Het
was Maandag avond, \'s Woensdags ochtends zou Monmouth sterven.
Hij was hevig aangedaan en werd doodsbleek; het duurde eenige minu-
ten, eer hij spreken kon. Den korten tijd, die hem over bleef, verspilde hij
grootendeels in ijdele pogingen om zoo al geen genade, dan toch eenig uitstel
te verkrijgen Hij schreef brieven vol jammerklachten aan den koning en aan
verscheiden hovelingen, alles te vergeefs. Eenige roomsch-katholieke geeste-
lijken werden hem van het hof toegezonden. Doch zij ontdekten weldra dat,
schoon hij gaarne zijn leven gekocht zou hebben door het afzweren der gods-
dienst, waarvan hij zich zoo uitdrukkelijk als den verdediger had uitgegeven,
hij echter, indien hij sterven moest, even gaarne zonder als met hun absolutie
zou sterven 2).
Ken en Turner waren evenmin voldaan over zijn zielstoestand. De leer
der non-resistance was huns inziens, even als in het oog van de meeste hun-
ner broederen, het eigenaardig kenmerk der Anglicaansche kerk. De twee
bisschoppen drongen er op aan, dat Monmouth zou erkennen, dat hij door
het zwaard tegen de regeering te trekken een groote zonde had begaan; en
op dit punt legde hij de hardnekkigste onrechtzinnigheid aan den dag. Ook
was dit niet zijn eenige ketterij. Hij beweerde, dat zijn betrekking met Lady
Wentworth onberispelijk was in het oog van God. Hij was, zeide hij, als
kind uitgehuwd geworden. Hij had zijn hertogin nooit bemind. Het ge-
luk, dat hij in den huiselijken kring niet had kunnen vinden, had hij in een
reeks van lichtzinnige liefdesavonturen gezocht, die tegen godsdienst en
zedelijkheid aandruischten. Henriëtte had hem van het pad der ondeugd
teruggebracht. Haar was hij strikt getrouw geweest. Zij hadden met onder-
linge overeenstemming vurige gebeden opgezonden voor goddelijke voor-
lichting. Na die gebeden had zich hun wederzijdsche genegenheid nog meer
bevestigd en zij konden toen niet langer twijfelen, of zij waren in Gods oog
\') Jakobus aan den prins van Oranje. 14 Juli 1685; Hollandsche depêche van de-
zelfde dagteekening; Dagboek van Luttrell; Noot van Dartmouth op lïurnet, I, 646.
\') Handschrift van Buccleuch; Clarke\'s Leven van Jakobus II, II, 87; Oorspronke-
lijke gedenkschriften; Citters 14 -24 Juli 1685; Gazette de France \' ,, Augustus.
-ocr page 454-
4$o
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
een wettig paar. De bisschoppen ergerden zich zoozeer aan deze zienswijze
ten aanzien der huwelijksplichten, dat zij weigerden den gevangene het
sacrament toe te dienen. Al wat zij van hem konden verkrijgen was een
belofte, dat hij gedurende den laatsten nacht, die hem nu nog overig bleef,
bidden zou om verlicht te worden, indien hij in dwaling verkeerde.
Des Woensdag ochtends kwam op zijn dringend verzoek Dr. Thomas
Tenison, destijds vicaris der parochie van St. Maarten, een man, die in den
belangrijken werkkring van zielverzorger zich de hoogste mate van algemeene
achting had verworven, naar den Tower. Van Tenison, wiens zienswijze als
gematigd bekend was, verwachtte de hertog meer toegeeflijkheid dan Ken of
Turner geneigd waren hem te betoonen. Tenison echter, welke ook, op zich
zelve, zijn inzichten mochten zijn ten aanzien der leer van de verwerping van
tegenstand, beschouwde den jongsten opstand ais een onbezonnen en godde-
loos bedrijf, en achtte Monmouths denkbeeld van het huwelijk een hoogst
gevaarlijke dwaling. Monmouth bleef hardnekkig. Hij had gebeden, zeide
hij, om door God verlicht te worden. Zijn zienswijze was onveranderd ge-
bleven tn hij kon er niet aan twijfelen, of zij was juist. Tenisons vermanin-
gen waren in zachter toon, dan die der bisschoppen. Doch even als deze,
meende ook hij, dat het hem niet vrijstond iemand, wiens boetwaardigheid
van zoo onbevredigenden aard was, tot het Heilige Avondmaal toe te laten \').
Het uur naderde; alle hoop was voorbij; en Monmouth was van klein-
moedige vrees tot de ongevoeligheid der wanhoop overgegaan. Zijn kinderen
werden, opdat hij afscheid van hen mocht nemen, naar zijn vertrek gebracht,
en door zijn echtgenoot gevolgd. Hij sprak vriendelijk, doch zonder ont-
roering met haar. Schoon zij een vrouw was, die veel geestkracht bezat en
weinig redenen had om hem te beminnen, was evenwel haar droefheid zoo
bitter, dat geen der omstanders zijn tranen kon terughouden. Hij alleen
bleef onbewogen 2).
^\'i\'rnïi\':1.™."1 Het was tien uur. De koets van den luitenant van den Tower
stond gereed. Monmouth verzocht zijn geestelijke raadslieden hem naar het
schavot te vergezellen, waarin zij toestemden; doch zij zeiden hem tevens,
dat hij naar hun wijze van zien den dood in een gevaarlijken zielstoestand
te gemoet ging, en dat, zoo zij hem begeleidden, hun plicht zou mede-
brengen hem tot het laatste oogcnblik te vermanen. Toen hij de gelederen
der lijfwacht voorbij kwam, groette hij deze glimlachende en beklom met
vasten tred het schavot. Towerhill was tot aan de toppen der schoorsteenen
bedekt met een ontelbare menigte toeschouwers, die in angstig en eerbiedig
zwijgen, dat slechts door zuchten en door het geluid van weenen afgebroken
werd, naar de laatste klanken der stem van den lieveling des volks luisterden.
»Ik zal weinig zeggen," begon hij; »ik kom hier niet om te spreken, maar om
te sterven. Ik sterf als protestant van de kerk van Engeland." De bisschop-
pen vielen hem hier in de rede, en zeiden hem, dat hij geen lid van hun kerk
was, zoo hij gewapenden tegenstand niet voor zondig hield. Hij sprak nu
\') Handschrift van Buccleuch; Clarke\'s Leven van Jakobus II, II, 37. 38; Oor-
spronkelijke gedenkschriften; Burnet, I, 645; Tenisons Bericht in Kcnue, III, 432,
uitgave van 1719.
») Handschrift van lïuccleuch.
-ocr page 455-
4*i
JAKOBUS II.
verder, over zijn Henriëtte. Zij was, zeide hij, een deugdzame en eerbied-
waardige jonge dame. Hij beminde haar tot het laatste toe en hij kon niet
sterven zonder zijn gevoel dienaangaande uit te storten. De bisschoppen
vielen hem opnieuw in de rede, en verzochten hem toch niet zulke taal te
voeren. Er volgde eenige woordenwisseling. Men heeft den bisschoppen
ten laste gelegd, dat zij hem in zijn laatste oogenblikken met hardheid be-
handeld hebben. Doch het schijnt, dat zij slechts gedaan hebben, wat huns
inziens een heilige plicht was. Monmouth kende hun beginselen en, zoo hij
hun dringende vermaningen ha.d willen ontgaan, had hij zich hun begeleiding
moeten ontzeggen. Hun algemeene vertoogen ten bewijze van het ongeoor-
loofde van gewapenden tegenstand maakten geen indruk op hem. Maar toen
zij hem voorhielden, welk verderf hij over zijn dappere en getrouwe aanhan-
gers gebracht had, hem het bloed herinnerden, dat vergoten was, de zielen,
die onvoorbereid tot de laatste groote verantwoording geroepen waren ge-
worden, ontroerde hij en sprak op zachter toon: »Ik erken dat; het doet mij
leed, dat het ooit heeft plaats gehad." Zij baden lang en vurig met hem; en
hij stemde met hun gebeden in, tot dat zij eindelijk den goddelijken zegen
voor den koning afsmeekten. Hier zweeg hij. »Sir," vroeg een der omstan-
ders, »bidt gij niet met ons voor den koning?" Monmouth zweeg eenige
oogenblikken, doch riep na een inwendigen tweestrijd: «Amen!" uit. Ver-
geefs echter smeekten hem de prelaten eenige woorden over den plicht van
gehoorzaamheid aan de regeering tot de soldaten en het volk te richten.
«Ik wil geen redevoeringen houden," riep hij uit. «Slechts tien woorden,
Mylord." Hij wendde zich af, riep zijn bediende, en stelde den man een
klein kokertje ter hand, het laatste aandenken eener door een kwaad ge-
sternte vervolgde liefde. «Geef het aan haar," zeide hij. Vervolgens sprak
hij Jack Ketch aan, een rampzalige, die menig dapper en edel offer geslacht
had, en wiens naam gedurende anderhalve eeuw in de volkstaal aan al
degenen is gegeven, die hem in zijn afschuwelijk ambt zijn opgevolgd \').
«Ziedaar zes guinjes voor u," sprak de hertog. »Hak mij niet, zoo als gij
\'t mylord Russell gedaan hebt. Ik heb gehoord, dat gij drie of viermaal
naar hem gehouwen hebt. Mijn bediende zal u nog meer goud geven, als gij
het werk behoorlijk verricht." Daarop ontkleedde hij zich, hij betastte de
snede van de bijl, gaf eenige bezorgdheid te kennen, dat ze niet scherp ge-
noeg was, en lei zijn hoofd op het blok. De geestelijken gingen intusschen
voort met veel nadruk uit te roepen: »God neme uw berouw aan! God neme
uw onvolkomen berouw aan!"
De beul maakte zich nu gereed om zijn plicht te vervullen. Maar hij was,
door hetgeen hem de hertog gezegd had, van zijn stuk gebracht. De eerste
slag veroorzaakte slechts een lichte wonde. De hertog bewoog zich, hief het
\') De naam van Ketch werd in de schimpdichten van dien tijd dikwerf met dien
van Jeffreys gepaard: »Zit Jeffreys op den rechterstoel, Jack Ketch staat op de galg,"
zegt een dichter. In het jaar na de onthoofding van Monmouth werd Ketch wegens
een belèediging, een der sheriffs aangedaan, van zijn ambt ontzet en door een slachter,
Rosé genaamd, opgevolgd. Doch vier maanden daarna weid Rosé zelf te Tyburn
opgehangen en Ketch in zijn betrekking hersteld. Luttrells dagboek, 20 Januari en
28 Mei 16S6. Zie een merkwaardige noot van Dr. Grey op Iludibras, Ille Deel,
He zang, vers 1534.
-ocr page 456-
432                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
hoofd van het blok op en wierp een verwijtenden blik op den beul. Toen liet
hij het hoofd weder zinken, de slag werd ten tweeden en ten derden male
herhaald; en toch was de hals nog niet doorgesneden en bleef het lichaam
zich bewegen. Kreten van toorn en van afgrijzen verhieven zich alom. Ketch
wierp met een vloek de bijl neder. »Ik kan het niet doen," zeide hij: »ik
heb er geen moed toe." — «Neem de bijl op, man!" riep de sheriff. —
«Werp hem over het hek," brulde de menigte. Eindelijk werd de bijl weder
opgenomen. Nog twee slagen doofden de laatste teekenen van leven uit,
maar er moest een mes gebezigd worden om het hoofd van den romp te
scheiden. Het volk was nu tot zoo vreeselijke woede opgewonden, dat de
beul in gevaar verkeerde van verscheurd te worden en hij onder sterk ge-
leide moest worden weggebracht \').
Inmiddels werden vele zakdoeken in het bloed des hertogs gedoopt; want
bij een groot gedeelte der menigte gold hij voor een martelaar, die om het
protestantsche geloof gestorven was. Het hoofd en de romp werd in een met
fluweel overtrokken doodkist gelegd en in alle stilte onder de avondmaals-
tafel der St. Peterskapel in den Tower bijgezet. Vier jaar later werd de
vloer om den kansel op nieuw opgebroken en dicht naast de overblijfselen
van Monmouth die van Jeffreys nedergelegd. Voorwaar, er is geen treuriger
plek op aarde, dan deze kleine begraafplaats De dood is daar niet. zoo als
in de Westminster-abdij en in de St. Pau Is kerk, vereenigd met deugd en
genie, met openbare vereering en onvergankelijken roem, niet, zooals in
onze geringste kerken en kerkhoven, met al wat het maatschappelijk leven,
de huiselijke liefde en de vriendschapsbanden het dierbaarst maakt; maar
met al wat het ijselijkste is in de menschelijke natuur en in het noodlot der
menschen, met den woesten triomf van onverzoenlijke vijanden, met de
wankelmoedigheid, de ondankbaarheid, de lafhartigheid van vrienden, met
al de ellende van gevallen grootheid en van bezwalkten roem. Daarheen zijn
gedurende opvolgende eeuwen door de ruwe handen der kerkermeesters en
zonder van een enkelen rouwdrager verzeld te worden de bloedende lijken
gedragen van mannen, die de aanvoerders van legers, de leiders van partijen,
de orakels van raadsvergaderingen en de sieraden van hoven zijn geweest.
Daar werd onder het venster, waar Jane Grey haar gebeden opzond, het"_ver-
minkt overschot van Guildford Dudley voorbij gedragen. Eduard Seymour,
hertog van Somerset en protector des rijks, rust daar, aan de zijde des
broeders, dien hij vermoord heeft. Daar is ook weggeteerd het onthoofde ge-
raamte van John Fisher, bisschop van Rochester en kardinaal van St. Vitalis,
een man, die waardig geweest ware in een beter tijdperk te leven en voor
een betere zaak te sterven 2), Daar rusten ook John Dudley, hertog van
\') Bericht van de executie van Monmouth, onderteekend door de geestelijken, die
hem verzeld hebben. Handschrift van Buccleuch; ISurnet I, 646; van Citters "/„Juli
16S5; Luttrells Dagboek, 15 Juli; Barillon \'• „ Juli.
\') Deze geleerde en rechtschapen prelaat, die gehouden werd voor den eigenlijken
schrijver van het boek, waarvoor Hendrik VIII den titel van «Verdediger des geloofs"
verkreeg, had langen tijd bij dien vorst in hooge gunst gestaan. Toen echter de koning,
na zijn pennestrijd met Luther, ook met den paus in twist geraakte, en Fisher, ten
aanzien zoo wel van de eerste echtscheiding van Hendrik en van de intrekking der
kloostergoederen, als ook van liet vraagstuk der suprematie niet kracht de zijde van
-ocr page 457-
433
JAKOBUS II.
Northumberland, lord-groot-admiraal, en Thomas Cromwell, graaf van Essex,
lord-groot-thesaurier1).
Nog een andere Essex 2) ligt daar, over wien natuur
en fortuin te vergeefs al haar gaven hadden uitgestort, en wien zijn dapper-
heid en bevalligheid, zijn
genie, de koninklijke gunst en de bijval des volks
slechts een vroegen en smadelijken dood berokkenden. Niet ver van daar
slapen twee der hoofden van het doorluchtig geslacht der Howards, Thomas,
vierde hertog van Norfolk en Philip, elfde graaf van Arundel 3). Hier en
den paus koos, werd de vorst hem al meer en meer vijandig, en deed hem op grond
van verschillende aanklachten in den Tower gevangen houden. Juist in dien tijd werd
de bisschop door den paus tot kardinaal verheven, wat Hendrik zoozeer in gramschap
deed ontsteken, dat van toen af de dood van den prelaat besloten was. Door de hulp
van een verrader, die bij hem gezonden werd om hem onvoorzichtige woorden te ont-
lokken, kon een aanklacht van hoogverraad tegen hem bewezen worden, en hij werd
in 1535, in zeven-en-zeventigjarigen ouderdom onthoofd.
                                      V.
\') Deze Thomas Cromwell, graaf van Essex, (niet verwant aan den protector Olivier
Cromwell, noch ook aan het geslacht van den tweeden graaf Essex, waarvan in de
volgende noot gesproken wordt) de zoon van een smid, had in Italië eerst als soldaat
en daarna als koopmansklerk in een handelshuis gediend, ging na zijn terugkomst in
Engeland in de rechten studeeren en kwam in kennis met den kardinaal-minister
Wolsey, die, zijn talenten erkennende, hem in zijn dienst nam, en wien hij zelfs in zijn
val tot het laatste toe, getrouw bleef. Later trad hij in \'s konings dienst, werd door
dezen tot de hoogste staatsambten en tot den grafelijken stand verheven, met de leiding
der maatregelen tot opheffing der kloostergoederen belast en in al de meest vertrouwde
aangelegenheden geraadpleegd. Zoo gebeurde het, dat hij den koning een huwelijk
met de prinses Anna van Cleef aanraadde, wier schoonheid, bij haar aankomst in
Engeland, zoo weinig beantwoordde aan hetgeen haar portret door Hans Holbein van
haar had doen verwachten, dat Hendrik Essex verweet, dat hij hem een «grove vlaam-
sche merrie" had bezorgd. Men heeft steeds gedacht, dat deze teleurstelling des
konings oorzaak is geweest van den val van Cromwell, daar men geen andere aan-
leiding kent tot de ongenade, waarin hij zoo plotseling, spoedig na die gebeurtenis,
bij zijn meester verviel. Hij had korten tijd voor zijn val op last des konings aan de
hooge rechtbanken de vraag gesteld, of een parlementsvonnis, geveld zonder dat de
veroordeelde tot zijn verdediging gehoord werd, door eenige andere rechtbank ver-
nietigd kon worden. Zij antwoordden, dat dit een bedenkelijke vraag was en het par-
lement de lagere rechtbanken tot voorbeeld van rechtvaardigheid behoorde te strekken.
Daarop werd hun door Cromwell gelast een bepaald antwoord te geven, dat ontken-
nend uitviel. Op die verhandeling volgde vooreerst geen parlementsklacht, zoodat niet
gebleken is tegen wien men destijds zoo barbaarsch wilde handelen. Het gegeven
antwoord stelde echter den tirannischen koning, die bij het parlement alles kon door-
drijven, in staat om te doen veroordeelen wien hij wilde, en Cromwell zelf, van verraad
en ketterij beschuldigd, was de eerste, die onverhoord, krachtens parlementsvonnis,
ter dood werd gebracht.
                                                                                          V.
*) Robert Devereux, tweede graaf van Essex, de beroemde gunsteling van Elizabeth.
Na den dood zijns vaders, huwde zijn moeder met den graaf van Leicester; deze stelde
zijn stiefzoon aan Elizabeth voor, die hem weldra met goedheden overlaadde. Na den
dood van Leicester volgde hij dezen geheel in haar gunst op. Rondborstig en vrij-
moedig van aard, stelde hij weinig prijs op de genegenheid, die zij hem betoonde,
beantwoordde die met telkens herhaalde ongehoorzaamheid aan haar bevelen, ja met
hardnekkigen tegenstand tegen haar wil; eindelijk trachtte hij, door vermetele eerzucht
gedreven, in verstandhouding met vreemde mogendheden een opstand tegen haar te
verwekken, waardoor de koningin genoodzaakt werd zijn doodvonnis te onderteekenen.
Hij werd in 1601 op slechts vier-en-dertigjarigen leeftijd onthoofd.
                      V.
3) Arundel was de tweede zoon van den bovengenoemden hertog van Norfolk. Mede
van hoogverraad beschuldigd, en waarschijnlijk in de aanslagen der roomsch-katho-
lieken diep verwikkeld, werd hij in den Tower ingekerkerd en tot aan zijn dood, die
in het jaar 1595 plaats vond, gevangen gehouden.
                                                  V.
MACAULAY I.
2S
-ocr page 458-
434
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
daar, tuschen de graven van eerzuchtige en woelzieke staatslieden, rusten
ook teederder slachtoffers, die hetzelfde lot ondergingen. Margaretha van
Salisbury \'), de laatste van het trotsche geslacht der Plantagenets, en de
twee schoone koninginnen, die den vreeselijken minnenijd van Hendrik ten
offer vielen 2). Zoodanig was de assche, waarmede thans die van Monmouth
gemengd werd 3).
Slechts weinig maanden later zag het vreedzame dorpje Toddington een
nog treuriger begrafenis. Nabij dit dorpje lag een aloud en statig kasteel, de
zetel van het geslacht der Wentworths. De zijvleugel der dorpskerk had
sedert langen tijd tot begraafplaats gediend. Naar deze begraafplaats werd
in de lente, die op den dood van Monmouth volgde, de doodkist der jeugdige
barones Wentworth van Nestlestede gedragen. Haar familie richtte haar
een praalgraf op; maar een minder kostbaar aandenken der overledene werd
nog langen tijd met veel inniger belangstelling beschouwd. Haar naam door
de hand van hem, dien zij te zeer beminde, in een boom gesneden, was eenige
jaren in het aangrenzende park nog te onderscheiden.
Zü" aandenken Maar niet door Lady Wentworth alleen werd het aandenken
door het volk met                                                     \'         ,.                      ,                             _ _ -. _,
liefde bewaard, van Monmouth met afgodische hulde gekoesterd. De liefde,
die het volk hem toedroeg, bleef in haar volle kracht bestaan, totdat het
geslacht, dat hem gezien had, voorbij was. Linten, gespen, en andere kleinig-
heden, die hij gedragen had, werden door hen, die te Sedgemoor onder hem
gestreden hadden, als kostbare relikieën bewaard. Oude mannen, die hem
overleefd hadden, verlangden op hun doodbed, dat deze voorwepen hun in
\') De dood van deze hooghartige vrouw moet Hendrik VIII als een zijner afschuwe-
lijkste misdaden worden gerekend. Haar jongste zoon, de kardinaal Reginald Pole,
had met veel moed en volharding, en tevens ook met veel arglistigheid getracht
\'s konings handelingen in de kerkelijke aangelegenheden des tijds te dwarsboomen,
had over het puut der suprematie en over de verstooting van \'s konings vrouwen heftige
geschriften uitgegeven, en voor den paus verscheiden belangrijke zendingen vervuld
betrekkelijk de engelsche kerkgeschillen, eerst naar Engeland en vervolgens naar
elders, met het doel om de mogendheden van het vasteland tot een gezarnenlijken inval
in Engeland te bewegen en aldus de pauselijke macht aldaar te herstellen. Pole werd
ook verdacht gehouden van zelf naar de engelsche kroon te hebben gestaan, \'t geen
niet geheel ongegrond schijnt; immers, op vèr gevorderden leeftijd durfde hij nog om
de hand der koningin Maria (de bloedige) aanhouden. Doch zoo al de hoogverrader-
lijke bemoeijingen van Pole terecht de gramschap van Hendrik in de hoogste mate
ontvlamden, terecht den dood veroorzaakt hebben van verscheiden zijner aanverwanten,
die getracht hadden de ontwerpen van den kardinaal bevorderlijk te zijn, de dood zijner
hoogbejaarde moeder blijft evenwel een de menschheid onteerende gruweldaad, nog
afschuwelijker door de wijze, waarop ze ten uitvoer gebracht moest worden. De eer-
waardige gravin, bij parlementsvonnis veroordeeld, moest in den Tower tien maanden
lang naar het einde van haar lijden zuchten. Een onbeduidende en spoedig onderdrukte
opstand verschafte den koning een voorwendsel om ook aan haar het doodvonnis ten
uitvoer te doen leggen. Zij werd naar het schavot gesleept, doch wilde haar vorstelijk
hoofd niet voor het ijzer van den beul buigen; zij bleef worstelen en het hoofd bewegen,
zoo lang zij adem haalde; met vele bijlslagen werd aan het leven der zeventigjarige
laatste Plantagenet een jammerlijk einde gemaakt.
                                                V.
J) Anna de Boleyn en Catharina Howard.                                                         V.
3) Ik kan hier mijn verontwaardiging niet onderdrukken over de barbaarsche dom-
heid, die dit zoo uiterst belangwekkende kleine kerkgebouw veranderd heeft in iets,
dat naar een nieuwerwetsch bidhuis van afgescheidenen in een fabriekstad gelijkt.
-ocr page 459-
435
JAKOBUS II.
het graf wierden medegegeven. Een knoop van gouddraad, aan deze be-
stemming met moeite onttrokken, wordt nog bewaard in een huis, van waar
het slagveld overzien kan worden. Ja, zoo groot was de ingenomenheid des
volks met zijn ongelukkigen lieveling, dat velen ondanks de onwederleg-
baarste klaarblijkelijkheid van bewijs, die ooit eenigen dood gewaarborgd
heeft, toch de hoop bleven koesteren, dat hij nog in leven was en weder in
de wapenen zou verschijnen. Er werd verhaald, dat een man, die een merk-
waardige gelijkenis met Monmouth had, zich had opgeofferd om een protes-
tantsch held te redden. Nog lang bleef de gemeene man bij elke belangrijke
krisis al fluisterend zijn meening uiten, dat de tijd nu daar was en koning
Monmouth zich weldra zou vertoonen. In 1686 werd een bedrieger, die zich
voor den hertog uitgegeven en in verscheiden dorpen van Wiltshire bijdragen
had geheven, gevat en van Newgate naar Tyburn gegeeseld. In 1698, toen
Engeland reeds lang onder een nieuwe dynastie grondwettige vrijheid geno-
ten had, gaf de zoon van een herbergier zich bij de yeomen van Sussex voor
hun geliefden Monmouth uit en lichtte menigeen op, die geenszins tot den
geringen stand behoorde. Een som van vijfhonderd p. st. werd voor hem
ingezameld. De pachters voorzagen hem van een paard. Hun vrouwen zon-
den hem paarden met kuikens en eenden, en waren, naar men beweert, kwis-
tig jegens hem met gunstbewijzen van teederder aard; want, in de liefde
althans, was de valsche Monmouth geen onwaardig vertegenwoordiger van
den echten. Toen deze oplichter ter zake van zijn bedrog gevangen werd
gezet, werd hij door zijn aanhangers in weelde onderhouden. Verscheidene
hunner verschenen voor de balie om te zijner gunste te getuigen, toen hij bij
de assisen van Horsham terecht gesteld werd. Deze dwaling duurde zelfs
zoo lang, dat, nadat George III reeds sedert eenige jaren den troon had be-
klommen, Voltaire een ernstige wederlegging der onderstelling noodig achtte,
dat de man met het ijzeren masker de hertog van Monmouth was \').
\') De Toeschouwer, 1 Augustus 1685 ; Gazette de France, 2 November 1686; Brief
van Humphrey Wanley, gedagteekend 25 Augustus 1698, voorkomende in de verzame-
ling van Aubrey; Voltaire, dictionnaire philosophique. In de verzameling van Pepys
vindt men verscheiden volksliederen, na Monmouth\'s dood geschreven, die hem als
nog levend voorstellen en zijn spoedige terugkomst voorspellen. Ik zal twee proeven
aanvoeren:
«Though this is a dismal story,
Of the fall of my design;
Yet Hl come again in glory,
If I live till eighty-nine;
For 1*11 have a stronger army,
And of ammunition store."
»Then shall Monmouth in his glories,
Unto his English friends appear,
And will stifle all such stories,
As are vended every where."
«They\'11 see I was not so degraded,
To be taken gathering pease,
Or in a cock of hay upbraided,
What strange stories now are these!"
-ocr page 460-
436
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
\'t Is een misschien niet minder merkwaardig feit, dat op dezen dag de
bewoners van eenige landstreken in het westen van Engeland, wanneer bij
het Huis der Lords eenig wetsontwerp behandeld wordt, waarbij zij belang
hebben, zich gerechtigd achten aanspraak te maken op den bijstand van den
hertog van Buccleuch \'), den nakomeling van den ongelukkigen volksleider,
voor wien hun voorouders hun bloed geofferd hebben.
De geschiedenis van Monmouth zou alleen reeds toereikend zijn om het
verwijt van wispelturigheid te wederleggen, dat zoo dikwerf tegen het geringe
volk wordt ingebracht. Het geringe volk is somtijds wispelturig, want het is
uit menschen samengesteld; maar dat het in vergelijking met de beschaafde
standen, met aristokratieën of met vorsten, in liefde en gehechtheid minder
trouw zou zijn, mag men zonder aarzeling ontkennen. Zonder moeite zou
men volksleiders kunnen noemen, wier populariteit onverminderd is geble-
ven gedurende dezelfde tijdperken, dat vorsten en parlementen aan een
lange reeks van staatslieden hun vertrouwen onttrokken. Toen Swift zijn
geestvermogens reeds vele jaren overleefd had, bleef de lage volksklasse in
Ierland steeds nog vreugdevuren ontsteken op zijn geboortedag ter her-
innering van de diensten, die zij meenden, dat hij zijn land had bewezen,
toen hij nog in het volle bezit zijner kracht was. Terwijl zeven achtereen-
volgende administratiën, elk op haar beurt met de regeeringsmacht bekleed
en er weder van beroofd werden, behield de snoodaard Wilkes zijn invloed
op de neiging van een gepeupel, dat hij bestal en bespotte. Staatslieden, die
in 1807 getracht hadden de gunst van George III te winnen door het ver-
dedigen van Carolina van Brunswijk, schaamden zich in 1820 niet naar de
gunst van George IV te staan door haar te vervolgen. Maar in 1820, even
als in 1807, was de gansche menigte der arbeidende klassen van dwepende
trouw voor haar zaak bezield. Evenzoo was het met Monmouth gesteld ge-
weest. In 1680 had hem de landadel evenzeer vergood als de boerenstand.
In 1685 kwam hij weder. Voor de gentry was hij een voorwerp van af keer
geworden; maar het landvolk was nog steeds vervuld met een liefde, krachtig
als de dood, een liefde, die door geen tegenspoeden of misslagen, zelfs niet
door de vlucht van Sedgemoor, niet door den brief uit Ringwood, en even-
min door de tranen, die hij te Whitehall stortte, of door zijn kruipende
verzoeken om genade, uitgedoofd kon worden. Het verwijt, dat men met
recht aan het geringe volk doen kan, is niet dat het onbestendig is, maar dat
het bijkans altijd zich zoo vergist in de keuze zijner gunstelingen, dat zijn
standvastigheid veeleer een ondeugd, dan een deugd te noemen is.
wreedheden der Terwijl de executie van Monmouth de gedachten der Lon-
soldatcn in het                               ,         . .                                                                                                   ,
westen. denaars bezig hield, moesten de graafschappen, die tegen de
regeering de wapenen hadden opgevat, al het leed verduren, dat bandeloos
krijgsvolk hun kon aandoen. Feversham was naar het hof teruggeroepen,
waar belooningen en eerbewijzen hem wachtten, die hij weinig verdiende.
Hij werd tot ridder van den kousenband en tot hoofdman der eerste, voor
den bevelhebber meest winstgevende afdeeling der lijfwacht benoemd; maar
\') Men zal zich herinneren, dat de wettige echtgenoot van Monmouth hertogin van
Buccleuch was. Zijn eigen titels en waardigheden gingen niet op zijn kinderen over,
omdat het parlementsvonnis hem daarvan beroofd had.
                                     V.
-ocr page 461-
43 7
JAKOBUS II.
het hof en de stad dreven den spot met zijn heldhaftige knjgsverrichtingen,
en Buckinghams vernuft schoot de laatste zwakke schicht af op den veldheer,
die in zijn bed een veldslag had gewonnen \'). Feversham liet te Bridgewater
het opperbevel in handen van kolonel Percy Kirke, een militairen geluk-
zoeker, wiens ondeugden in de slechtste aller scholen, in het garnizoen van
Tanger gerijpt waren. Kirke had gedurende eenige jaren het bevel gevoerd
over de bezetting dier plaats en was gestadig tegen stammen van vreemde
barbaren in het veld geweest, die onbekend waren met de wetten, welke de
krijgsgebruiken van beschaafde christen-natiën regelen. Binnen de wallen
zijner vesting was hij een despotisch vorst. Het eenige, dat zijn dwingelandij
kon beteugelen, was de vrees, dat hij door een ver verwijderd en nalatig be-
stuur ter verantwoording zou worden geroepen. Hij kon zich dus veilig de
allerroekelooste buitensporigheden van roofzucht, losbandigheid en wreed-
heid veroorloven. Hij leefde in grenzenlooze ongebondenheid en verschafte
zich door afpersingen de vereischte middelen om zijn driften te bevredigen.
Geen goederen konden verkocht worden, ten ware aan Kirke vooraf de
keuze was gelaten, of hij ze zelf wilde hebben. Geen rechtszaak kon beslist
worden, voordat Kirke omgekocht was. Eens liet hij enkel uit boosaardig-
heid al den wijn uitloopen, die in den kelder van een wijnkooper voorhanden
was. Een andermaal verdreef hij al de joden uit Tanger. Twee hunner zond
hij aan de spaansche inquisitie, die hen onverwijld deed verbranden. Onder
deze ijzeren heerschappij werd bijkans nooit eenig gemor gehoord; want
haat werd door de vrees krachtig onderdrukt. Twee menschen, die weder-
spannig geweest waren, werden vermoord gevonden ; en men geloofde alge-
meen, dat zij op bevel van Kirke verslagen waren. Als hij ontevreden op zijn
soldaten was, liet hij hen met onbarmhartige strengheid geeselen; maar hij
maakte dit weder goed door hun te veroorloven op wacht te slapen, dron-
ken langs de straten te zwaaijen en kooplieden en arbeiders te berooven, te
slaan en te hoonen.
Toen Tanger ontruimd werd, keerde Kirke naar Engeland terug. Hij
bleef het bevel over zijn oude soldaten behouden, die nu eens het eerste
regiment van Tanger, dan weder het regiment van koningin Catharina ge-
noemd werden. Daar zij aangeworven waren tot het beoorlogen van een
ongeloovige natie, voerden zij in hun vaandel een afbeelding van het paasch-
lam, het zinnebeeld van het christelijk geloof. Met zinspeling op dit veld-
teeken werden deze mannen, de ruwste en bloeddorstigste soldaten van het
britsche leger, met bittere scherts de lammeren van Kirke genoemd. \'Dit
regiment, nu het tweede der linie, heeft steeds dit oude teeken behouden,
dat thans evenwel in de schaduw wordt gesteld door eereteekenen, in Egypte,
in Spanje en in het hart van Azië, door schitterende wapenfeiten verworveni).
Dat was dus de aanvoerder en zoo waren de soldaten, die tegen de bevol-
king van Somersetshire werden losgelaten. Van Bridgewater marcheerde
Kirke naar Taunton. Hij werd gevolgd door twee karren met gekwetsten
van de\'partij der rebellen, wier wonden nog onverbonden en door een lange
1) London-Gazette van 3 Augustus 1685 ;Jde veldslag van Sedgemoor, een kluchtspel.
2) Dagboek van Pepys, gehouden te Tanger; Historische aanteekeningen van het
tweede regiment, ook genaamd het regiment infanterie van de koningin.
-ocr page 462-
438
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
rij van gevangenen, die te voet en twee aan twee geboeid waren. Verscheide-
nen van deze liet hij, zoodra hij Taunton bereikt had, zonder vorm van
proces ophangen. Men vergunde hun niet eens van hun naaste bloedver-
wanten afscheid te nemen. De paal, die het uithangbord der herberg »het
witte hert" schraagde, moest voor galg dienen. Men zegt, dat het werk des
doods verricht werd in het gezicht der vensters van het vertrek, waarde
officieren van het regiment van Tanger het drinkgelag hielden, en dat bij
iéderen feestdronk een der ongelukkigen gehangen werd. Als de stervende
menschen in de laatste doodstuipcn de beenen optrokken, dan liet de kolonel
een roffel slaan. Hij zou de rebellen muziek bij hun dans geven, zeide hij.
Volgens zeker verhaal werd een der gevangenen niet eens de troost van een
snellen dood gegund. Tweemaal werd hij aan den paal opgeknoopt en twee-
maal losgesneden. Telken male werd hem gevraagd, of hij berouw over zijn
verraad gevoelde, en telkens antwoordde hij dat, wanneer de zaak nog te
doen ware, hij ze op nieuw zou beginnen. Daarop werd hij voor de laatste
maal opgeknoopt. Er werden zoo veel lijken gevierendeeld, dat de scherp-
rechter tot aan zijn enkels in het bloed stond. Hij werd bijgestaan door een
arm man, aan wiens loyauteit getwijfeld werd, en dien men gedwongen had
het behoud van zijn leven te koopen door de overblijfselen zijner vrienden
in pik te zieden. De landman, die tot dit afschuwelijk ambt zijn dienst had
geleend, keerde later naar zijn ploeg terug. Maar hij droeg een teeken als
dat van Kaïn. In zijn dorp was hij bekend onder den vreeselijken naam van
Thomas, den menschenkoker. De landlieden vertelden elkander nog lang
daarna, dat, schoon hij zich door zijn zondige en schandelijke daad van de
wraak der lammeren gevrijwaard had, hij evenwel de wraak eener hoogere
macht niet ontgaan was. In een zwaar onweder zocht hij een schuilplaats
onder een eik en werd daar door den bliksem doodelijk getroffen \').
Het aantal dergenen, die op deze wijze afgemaakt werden, kan nu niet
meer met zekerheid bepaald worden. In de kerkregisters van Taunton wer-
den er negen aangetcekend; maar die registers bevatten slechts de namen
dergenen, die een christelijke begrafenis erlangden. Degenen, die in ketenen
opgehangen, en zij, wier hoofden en leden in de dorpen van den omtrek
ten toon gesteld werden, moeten veel meer in getal zijn geweest. In Londen
werd het getal van hen, welke Kirke gedurende de week, die op den slag
volgde, ter dood liet brengen op ongeveer honderd geschat *).
Wreedheid was echter niet de eenige hartstocht van dezen man. Hij was
schraapzuchtig en geen nieuweling in de kunst van geld afpersen. Voor den
prijs van dertig of veertig p. st. was een vrijgeleidebrief van hem te koop;
en schoon zoodanig stuk wettelijk ongeldig was, stelde het den bezitter toch
in staat om veilig de posten der lammeren voorbij te trekken, een zeehaven
te bereiken en naar het buitenland te vluchten. De schepen, naarNieuw-
Engeland bestemd, waren op dat tijdstip zoo vol vluchtelingen van Sedge-
\') De bloedige assisen; Burnet I, 647; Dagboek van Lestrell, 15 Juli 1685; Locke,
De opstand in het Westen: Toulmins Geschiedenis van Taunton, uitgegeven door
Savage.
*) Dagboek van Luttrell, 1*5 Juli 1685; Toulmins Geschiedenis van Taunton.
-ocr page 463-
JAKOBUS II.                                            439
moor, dat er groot gevaar ontstond voor gebrek aan water en mondvoor-
raad \').
Kirke was ook op zijn eigen ruwe en woeste manier een wellustig man;
er. niets is waarschijnlijker dan dat hij zich van zijn macht bediend heeft om
zijn losbandige driften den teugel te vieren. Men zeide, dat hij over de deugd
eetier schoone vrouw had gezegevierd door haar te beloven, dat hij het leven
zoi laten aan iemand, wien zij innig genegen was, en dat hij, nadat zij toe-
gegeven had, haar aan de galg het zielloos overschot wees van dengene, om
wiens wil zij haar eer ten offer had gebracht. Dit verhaal moet een onpar-
tijdig beoordeelaar verwerpen. Het is door geen bewijs gestaafd. Het vroegste
bericht, dat er van bestaat, wordt in een gedicht van Pomfret gevonden. De
geloofwaardiger geschiedschrijvers van dat tijdperk weiden uit over de mis-
daden van Kirke, maar van dit verachtelijk gruwelstuk gewagen zij, of in
\'t geheel niet, of slechts als van een zaak, waarvan het gerucht liep, doch
waarvoor geen bewijs bestond. De verhalen dergenen, die de geschiedenis
vertellen, loopen onderling zoo zeer uiteen, dat ze alle geloofwaardigheid
verliezen. Sommigen noemen Taunton, anderen Exeter als het tooneel van
dat misdrijf. Sommigen stellen de hoofdpersoon van het verhaal voor als
een jonkvrouw, anderen weder als een getrouwde vrouw. Sommigen noemen
haar vader, anderen haar broeder, weer anderen haar echtgenoot, als dengene,
voor wien de smadelijke losprijs betaald .werd. Eindelijk nog is die daad,
lang voor dat Kirke geboren was, reeds menigen tyran ten laste gelegd, en
een lievelingsthema voor roman- en treurspcldichters geweest. Twee staats-
lieden van de vijftiende eeuw, Rhynsault, de gunsteling van Karel den Stoute
van Bourgondië, en Olivier Ie Daim. de gunsteling van Lodewijk XI van
Frankrijk, zijn beiden van dezelfde misdaad beschuldigd. Cintio had ze tot
onderwerp van een roman gekozen; Whetstone had uit Cintio\'s verhaal de
stoffe van het ruwe dichtspel van Promos en Cassandra gemaakt; en Shake-
speare had aan Whetstone den knoop der schoone tragi-komedie »Leer om
leer" 2) ontleend. Kirke was zoo min de eerste als de laatste, dien de volks-
stem van deze overmaat van snoodheid betichtte. Tijdens de reactie, die in
Frankrijk op de tirannie der Jakobijnen volgde, werd aldaar een volkomen
gelijksoortige klacht ingebracht tegen Joseph Lebon, een der meest gehate
handlangers van het comité van openbare veiligheid, doch na onderzoek,
zelfs door zijn vijanden, voor ongegrond verklaard *)
De regeering was ontevreden met Kirke niet om de barbaarschheid, waar-
mede hij de minvermogenden onder zijn gevangenen behandeld had, maar
•) Oldmixon, 705; Leven van John Dunton, hoofdstuk VII.
2Mtasure for mensure.
3Het stilzwijgen van Oldmixon en de samenstellers van het Boek der martelaren
van het Westen, komt mij reeds voldoende voor, als wederlegging der vraag. Het valt
ook op te merken, dat de geschiedenis van Rhynsault door Steele, in den Spectator
N°. 491, verhaald wordt; het is voorzeker nauwelijks te gelooven dat, indien een mis-
daad, geheel gelijk aan die van Rhynsault, in Engeland, binnen menschengeheugen
door een officier van Jakobus II gepleegd ware, Steele, die steeds met onvoorzichtige
en voorbarige drift, tot het aan den dag leggen zijner Wnigsgczindheid bereid was. niet
op zoodanig feit gezinspeeld zou hebben. De zaak van Lebon komt voor in den Moni-
teur, 4 Messidor, Me jaar.
-ocr page 464-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
440
om de baatzuchtige toegeeflijkheid, die hij aan gegoede opstandelingen had
betoond \'). Hij werd spoedig uit het Westen teruggeroepen. Een minder
onregelmatige, maar tevens wreedaardiger slachting werd voorbereid. De
wraakoefening moest men eenige weken uitstellen. Men achtte het wensche-
lijk, dat de rechterlijke rondreize door het Westen niet begon, voordat de
andere rechterlijke rondreizen geëindigd waren. Inmiddels waren de ge-
vangenissen van Somersetshire en van Dorsetshire met duizenden onge-
lukkigen bevolkt. De voornaamste beschermer en voorspreker, die dezen
in hun nood bijstond, was een man, die hun godsdienstige en staatkundige
meeningen verfoeide, wiens stand zij haatten, en dien zij zonder reden ge-
krenkt hadden, de bisschop Ken. Deze goede prelaat wendde al zijn invloed
aan om de kerkermeesters tot zachtheid te stemmen en verminderde zijn
bisschoppelijke staatsie ten einde het grove en karige voedsel dergenen, die
zijn geliefde hoofdkerk beschadigd hadden, te kunnen verbeteren. Zijn ge-
drag bij deze gelegenheid strookte met geheel zijn leven. Zijn geest was, wel
is waar, door veel bijgeloof en vooroordeel beneveld; maar zijn zedelijk
karakter kan, onpartijdig beschouwd, de toets doorstaan van een vergelijking
met elk ander karakter in de kerkelijke geschiedenis, en schijnt de ideale
volmaking van christelijke deugd zoo nabij te zijn gekomen, als de mensche-
lijke zwakheid slechts toelaat !).
,e,ï5ïïtJ3ïnBde ^ijn werk der liefde was van geen langen duur. Een spoedige
"ïrt\'wSton!" en afdoende ontruiming der kerkers zou weldra plaats vinden.
In de eerste dagen van September begaf zich Jeffreys, door vier andere
rechters vergezeld, op die rechterlijke rondreize, waarvan de herinnering
niet zal worden uitgewischt, zoolang ons volk en onze taal zullen leven. De
officieren, die in de districten, waar zijn weg door voerde, aan het hoofd der
troepen stonden, hadden bevel gekregen hem allen militairen bijstand te
verleenen, dien hij zoude mogen behoeven. Zijn woeste aard maakte elke
aansporing overbodig; desniettemin bestond er voor hem een spoorslag: de
gezondheid en de geestkracht des lord-zegelbewaarders waren aan \'t wanke-
len; deze voelde zich door de koelheid des konings en den overmoed des
opperrechters diep gekrenkt en kon weinig troost vinden, als hij op een
leven terug zag, dat wel is waar niet door gruwelijke misdaden geschandvlekt,
maar niet te min door lafhartigheid, zelfzucht en lage gedienstigheid geken-
\') Sunderland aan Kirke, 14 en 28 Juli 1685. »Zijn Majesteit," schrijft Sunderland,
»heeft mij gelast u Hoogstdeszelfs afkeuring van deze handelingen te kennen te geven
en verlangt, dat gij zorg draagt, dat niemand dergenen, die in den opstand betrokken
zijn geweest, op vrije voeten kome." Om billijk te zijn, moeten wij tevens niet onver-
meld laten, dat Kirke in denzelfden brief gelaakt werd, omdat hij zijn soldaten ver-
gunde op vrij kwartier te leven.
J) Het was mij een groote voldoening geweest, had ik het volksverhaal kunnen
bevestigen, volgens hetwelk Ken dadelijk na den slag van Sedgemoor de onwettigheid
van militaire executiè\'n aan de aanvoerders van het koninklijk leger zou hebben voor-
gehouden. Was hij tegenwoordig geweest, hij zoude ongetwijfeld zijn ganschen invloed
hebben aangewend ten gunste der wetten en tot het verwerven van genade. Doch er
bestaat geen geloofwaardig bewijs, dat hij zich toen in het Westen bevonden heeft.
Daarentegen blijkt het met zekerheid uit de dagboeken van het Huis der Lords, dat
hij zich des donderdags voor den slag te Westminster bevond; terwijl het uitgemaakt
is, dat hij des maandags na den slag Monmouth in den Tower bezocht heeft.
-ocr page 465-
JAKOBUS II.
441
merkt was. De ongelukkige man was zoo diep ter neder geslagen, dat, toen
hij voor de laatste maal in Westminsterhall verscheen, hij een ruiker mede-
nam, om, gelijk hij later bekend heeft, zijn gelaat te verbergen, wijl hij de
blikken van de leden der balie en der toehoorders niet verdragen kon. Het
uitzicht op zijn naderend einde schijnt hem een ongewonen moed te hebben
ingeboezemd. Hij besloot zijn geweten te ontlasten; vroeg een gehoor bij
den koning, en sprak met nadruk van de gevaren, die het onvermijdelijk
gevolg zijn van gewelddadige en willekeurige raadsbesluiten; ook veroor-
deelde hij de losbandige wreedheden, door de soldaten in Somersetshire
begaan. Kort daarna verliet hij Londen om te sterven. Weinig dagen nadat
de rechters op hun rondreis naar het Westen waren vertrokken, blies hij den
laatsten adem uit. Er werd onmiddellijk aan Jeffreys te kennen gegeven, dat
hij op het groot zegel mocht hopen, als belooning voor trouwe en kracht-
dadige diensten \').
a\'&TuZü. Te Winchester opende de opperrechter voor het eerst zijn last-
brief. Hampshire was niet het tooneel van den oorlog geweest; maar even
als hun aanvoerder waren ook vele der uiteengedreven muiters derwaarts
gevlucht. Twee hunner, John Hickes, een afgescheiden geestelijke, en
Richard Nelthorpe, een advokaat, die wegens medeplichtigheid aan het
roggenhuiskomplot buiten de wet was gesteld, hadden een schuilplaats ge-
zocht en verkregen in het huis van Alice, weduwe van John Lisle. John Lisle
had in het lange parlement en in het hoog gerechtshof gezeten, was in de
dagen der republiek commissaris van het groot zegel geweest, en door
Cromwell tot lord verheven. De titels, door Cromwell verleend, waren
door geen der regeeringen erkend, die na den val van zijn geslacht in
Engeland aan het bewind waren geweest, maar schijnen, in mondelinge ge-
sprekken, zelfs door koningsgezinden dikwerf gebezigd te zijn geworden. De
weduwe van John Lisle werd derhalve gewoonlijk lady Alice genoemd. Zij
was aan vele deftige en eenige adellijke geslachten verwant en genoot de
algemeene achting, zelfs der torygezinde gentlemen van haar graafschap.
Want het was hun wel bekend, dat zij verscheiden gewelddadige handelin-
gen, tot welker uitvoering haar echtgenoot behulpzaam was geweest, diep be-
treurd, om Karel I bittere tranen gestort en vele kavaliers in hun tegenspoed
beschermd en ondersteund had. Dezelfde vrouwelijke teerhartigheid, die haar
genoopt had de koningsgezinden in tijden van tegenspoed bij te staan, be-
lette haar nu een schuilplaats te weigeren aan de ongelukkige mannen, die
om haar bescherming smeekten. Zij nam hen in haar huis op, zette hun spijs
en drank voor en wees hun een rustplaats aan. Den volgenden ochtend was
haar woning door soldaten omringd. Er werd nauwkeurig onderzoek ge-
daan. Hickes werd in de moutkuip en Nelthorpe in den schoorsteen verbor-
gen gevonden. Wist lady Alice, dat haar gasten deel hadden genomen aan
den opstand, dan voorzeker had zij volgens de letter der wet een kapitale
misdaad begaan. Want de wet op het plegen van hoogverraad en op de
medeplichtigheid daaraan, was destijds, en is nog heden in een toestand, die
\') Norths Leven van Guiklford, 260, 263, 273; Mackintosh\'s üeschouwing van de
regeering van Jakobus II, bladz. 16, noot; Brief van Jeffreys aan Sunderland, 5 Sep-
tember 1685.
-ocr page 466-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
442
de engelsche rechtswetenschap tot schande verstrekt. In crimineele gevallen
wordt een op recht en billijkheid gegrond onderscheid gemaakt tusschen den
hoofdmisdadiger en den medeplichtige, die na de volbrenging van het feit
er in gemoeid wordt. Hij, die iemand, van wien hem bekend is, dat hij een
moord begaan heeft, voor de justitie verbergt, vervalt in straf, maar niet in
de straf, op moord gesteld; maar hij, die iemand verbergt, van wien hem
bekend is, dat hij hoogverraad begaan heeft, is volgens het oordeel van al
onze rechtsgeleerden een hoogverrader. Onnoodig is het de ongerijmdheid
en wreedheid te betoogen van een wet, waarbij misdaden van den zwaarsten
en misdaden van den lichtsten aard in dezelfde termen omschreven en met
dezelfde straf bedreigd worden. Moge het al een gevoel van zwakheid zijn, dat
den loyaalsten onderdaan het denkbeeld doet schuwen den rebel, die voort-
vluchtig, afgemat van vermoeijenis en doodelijken angst om een bete broods
en een dronk water smeekt, aan een smadelijken dood prijs te geven: deze
zwakheid grenst echter, ontegenzeggelijk nauw aan deugd, en is volgens den
aard der menschelijke natuur in het menschelijk hart niet anders te overwin-
nen dan door het smoren van vele edele en menschlievende gevoelens. Moge
al een wijs en goed regent het niet geraden achten zoodanige zwakheid te
rechtvaardigen, hij zal ze echter inden regel door de vingers zien of ze slechts
zeer zacht straffen. Doch in geen geval zal hij handelen, alsof het een der
verfoeijelijkste misdaden gold. Of Flora Macdonald recht gehandeld heeft,
toen zij den vogelvrij verklaarden erfgenaam der Stuarts verborg, of een
dapper krijgsman van onzen tijd goed handelde, toen hij Lavalette in diens
• vlucht behulpzaam was, dit zijn vragen, waaromtrent casuïsten kunnen ver-
schillen; maar zulke handelingen op ééne lijn te stellen met de misdaden
van Guy Fawkes en van Fieschi, dit zou tegen alle begrippen van mensche-
lijkheid en tegen alle gezonde rede aandruischen. Zulks wordt evenwel
door onze wetgeving gedaan. Klaarblijkelijk kan dus alleen een milde toe-
passing zoodanigen toestand der wet draaglijk maken. En men moet in
billijkheid erkennen, dat gedurende vele geslachten, slechts e\'én enkel
engelsch bestuur zich streng getoond heeft tegen personen, die geen andere
schuld hadden, dan dat zij geslagen en vluchtende opstandelingen hadden
opgenomen. Aan vrouwen vooral is bij wijze van stilzwijgende toesteming
vrijheid gelaten, om te midden van tooneelen van verwoesting en wraak
toe te geven aan het medelijden, dat een der beminnelijkste van haar vele
bekoorlijkheden is. Sedert het begin van den grooten burgeroorlog zijn
een groot aantal rebellen, en daaronder veel gewichtiger personen dan
Hickes of Nelthorpe, door het vernuft en de grootmoedigheid van vrouwen
aan de wraak van zegevierende regeeringen onttrokken. Maar, de woeste
en onverzoenlijke Jakobus alléén uitgezonderd, heeft geen der britsche
regenten, die op zoodanige wijze teleurgesteld werden, de wreedheid gehad
om zelfs maar de gedachte bij zich te laten opkomen een dame ter zake van
een zoo vergeeflijk en zoo beminnelijk misdrijf tot een pijnlijken en smade-
lijken dood te doemen.
Hoe hatelijk de wet ook reeds was, ze werd nog verwrongen ten einde
Alice Lisle in het verderf te storten. Volgens den regel, door het hoogste
gezag vastgesteld, kon zij niet veroordeeld worden, alvorens de rebellen, die
-ocr page 467-
JAKOBUS II.                                                   443
zij had opgenomen, gevonnisd waren \'). Zij werd echter voor de balie ge-
bracht, vóór dat Hickes of Nelthorpe ter verantwoording geroepen waren.
Het was geen gemakkelijke zaak in zoodanig geval een uitspraak ten gunste
van de kroon te erlangen. De getuigen zochten naar uitvluchten. De jury,
samengesteld uit de deftigste gentlemen van Hampshire deinsden terug voor
de gedachte om een medemensch naar den brandstapel te verwijzen ter zake
van een handeling, die lof veeleer dan afkeuring scheen te verdienen. Jeffreys
was buiten zich zelven van woede. Dit was het eerste geval van hoogverraad,
dat hem op zijn rondgang voorkwam, en het scheen hoogstwaarschijnlijk, dat
zijn prooi hem ontgaan zou. Hij raasde, hij vloekte, en zwoer in een taal, die
een welopgevoed man zelfs bij geen wedren of hanengevecht zou gebezigd
hebben. Een der getuigen, Dunne, verloor alle tegenwoordigheid van geest,
deels uit bezorgdheid voor lady Alice, deels uit angst voor de bedreigingen
en verwenschingen des opperrechters, en stond eindelijk sprakeloos daar.
«O! hoe moeijelijk is de waarheid uit zulk een leugenachtigen presbyteriaan-
schen schurk te krijgen," sprak Jeffreys. De getuige stamelde na een pauze
van eenige minuten eenige woorden zonder zin. »Was er ooit," riep de
rechter uit, swas er ooit zulk een booswicht op deze aarde? Gelooft gij aan
God ? Gelooft gij aan het helsche vuur ? Cnder alle getuigen, die ik ooit ont-
moet heb, heb ik er nog nooit een gezien, zoo als gij zijt." De arme man,
wiens denkvermogen van schrik verlamd was, bleef sprakeloos, en opnieuw
bulderde Jeffreys: »Ik hoop, heeren gezworenen, dat gij het afschuwelijke
gedrag van dezen kerel in aanmerking neemt. Wat kan men anders doen
dan deze lieden haten en hun godsdienst er bij ? Een Turk is een heilige in
vergelijking met een kerel als deze is. Een heiden zou zich voor zulk een
snoodheid schamen. O! heilige Jezus! Onder welk addergebroedsel leven
wij!" — »Ik weet niet wat ik zeggen moet, Mylord" stamelde Dunne. De
rechter braakte opnieuw een volle laag vloeken uit. »Is er ooit" schreeuwde
hij, «onbeschaamder schurk geweest dan deze? Houdt de kaars voor zijn
gezicht, laat mij zijn stalen voorhoofd zien. Gij, heeren pleitbezorgers der
kroon, zorgt dat deze kerel wegens meineed in staat van beschuldiging
gesteld worde." Nadat de getuigen op deze wijze behandeld waren, werd
lady Alice opgeroepen om zich te verdedigen. Zij begon met te zeggen, —
wat wellicht de waarheid was, — dat, ofschoon zij wist, dat Hickes in
moeijelijkheden verwikkeld was, toen zij hem opnam, het haar evenwel
niet bekend was, dat hij in den opstand was betrokken geweest. Hij was
een geestelijke, een man des vredes. Het was haar derhalve nooit in de
gedachte gekomen, dat hij de wapenen tegen de regeering opgevat kon heb-
ben; en zij had ondersteld, dat hij zich wenschte te verbergen, omdat er
bevelen tot inhechtenisneming tegen hem waren uitgevaardigd, uit hoofde
hij in verboden bijeenkomsten onder den vrijen hemel had gepredikt. De
opperrechter begon te bulderen. «Maar ik zal het u wel duidelijk maken.
Er is niet één van die leugenachtige, snuffelende, teemende presbyterianen,
die niet op de een of andere wijze, de hand in het oproer heeft gehad. Pres-
byterianisme is met alle mogelijke schurkerij verbonden. Niets kon Dunne
\') Zie den aanhef van het parlementsbesluit, waarbij het vonnis te niet wordt gedaan.
-ocr page 468-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
444
tot zulk een schelm hebben gemaakt, dan alleen het presbyterianisme. Wijs
mij een presbyteriaan aan en gij wijst mij een leugenachtigen schurk." Hij
somde nu op dezelfde wijze het verhandelde op \'), schimpte gedurende een
uur tegen Whigs en afgescheidenen, en herinnerde de jury, dat de echtgenoot
der gevangene mede schuld had gehad aan den dood van Karel I, een feit,
dat door geen getuigenis gestaafd werd, en dat, ware het al bewezen gewor-
den, hoegenaamd niets ter zake zou hebben afgedaan. De jury verwijderde
zich en bleef lang in beraadslaging. De rechter werd ongeduldig. Hij kon
niet begrijpen, sprak hij, hoe zij bij zulk een duidelijke zaak de gerechtszaal
had behoeven te verlaten. Hij zond een bode om haar te zeggen, dat hij, zoo
zij niet terstond terugkwam, de zitting verdagen en haar den geheelen nacht
zou doen opsluiten. Aldus bedreigd, verscheen zij; maar zij kwam slechts
om te zeggen, dat zij twijfelde, of de aanklacht bewezen was. Jeffreys voerde
een hevigen strijd met haar, en na een tweede beraadslaging gaf zij, schoon
met tegenzin, een uitspraak van «schuldig".
Den volgenden ochtend werd het vonnis gewezen. Jeffreys gaf bevel, dat
Alice Lisle des namiddags van dienzelfden dag levend verbrand zou worden.
Deze overmaat van barbaarschheid wekte het medelijden en de verontwaar-
diging op, zelfs van den stand, die de kroon het meest was toegedaan. De
clerus der hoofdkerk van Winchester diende vertoogen bij den opperrechter
in, die, hoe onbeschoft hij ook zijn mocht, nochtans niet dwaas genoeg was
om over zulk een onderwerp zich aan een strijd te wagen met een corporatie,
die in zulk een hooge mate de achting der Torypartij bezat. Hij stemde er
in toe, dat de executie vijf dagen zou worden uitgesteld. Gedurende dien tijd
smeekten de vrienden der gevangene Jakobus haar genade te schenken.
Dames van hoogen rang leenden haar bemiddeling. Feversham, wiens nog
nieuwe overwinning zijn invloed aan het hof vermeerderd had, en die, naar
men zeide, omgekocht was, om de zijde des medelijdens te kiezen, sprak te
haren gunste. Clarendon, \'s konings schoonbroeder, bepleitte haar zaak.
Maar \'t was alles te vergeefs. Het eenige, dat verkregen kon worden, was
dat haar vonnis van verbranden tot onthoofden verzacht werd. Zij werd
op een schavot op het marktplein van Winchester ter dood gebracht en
onderwierp zich met bedaarden moed aan het lot, dat haar trof\').
Dasbs1i°s\'cdn.,\'\'° In Hampshire was Alice Lisle het eenige slachtoffer; maar op den
dag na dien van haar dood bereikte Jeffreys Dorchester, de hoofdplaats van
het graafschap, waar M onmouth geland was, en nu begon de gerechtelijke
slachting.
De rechtszaal was op bevel van den opperrechter met scharlaken behan-
gen en de menigte was van oordeel, dat deze nieuwigheid bloedige voor-
nemens aanduidde. Men zeide ook, dat toen de geestelijke, die een leerrede
\') Waar de rechtsuitspraak door middel van gezworenen plaats heeft, draagt de
voorzittende rechter een beknopt overzicht voor van het verhandelde, eer de gezwo-
renen zich verwijderen, om over de uitspraak te raadplegen. Zoodanige opsomming
moet strekken, om hun de meest belangrijke punten, waarover zij uitspraak te doen
hebben, duidelijk te maken.
                                                                          V.
2) Proces van Alice Lisle, in de verzameling van staatsgedingen; Wetten van Willem
en Maria, ie jaar; Burnet I, 649; Waarschuwing tegen de Whigs.
-ocr page 469-
JAKOBUS II.                                             445
vóór de opening der assisen voordroeg, over den plicht der genade uitweidde,
de grimmige mond des rechters zich tot een onheilspellenden grijns had
samengetrokken. Dit een en ander vervulde de mcnschen met kwade voor-
gevoelens omtrent hetgeen volgen zou \').
Er waren meer dan driehonderd gevangenen, waarover vonnis geveld
moest worden. Het werk scheen zwaar; maar Jeffreys wist middel om het
licht te maken. Hij liet blijken, dat slechts eenige kans van genade of
schorsing van straf voor hen bestond, die zich schuldig verklaarden \').
Negen-en-twintig personen, die zich op de billijkheid der jury verlieten en
veroordeeld werden, moesten onverwijld worden opgeknoopt. De overige
gevangenen gaven zich, bij twintigtallen te gelijk, voor schuldig op. Twee-
honderd-twee-en-negentig werden ter dood veroordeeld. Het geheele aantal
dergenen, die in Dorsetshire gehangen werden, bedroeg vier en zeventig.
Van Dorchester begaf Jeffreys zich naar Exeter. De burgeroorlog had de
grenzen van Devonshire bijna niet overschreden. Hier werden derhalve be-
trekkelijk slechts weinig personen met den dood gestraft. Somersetshire, de
hoofdzetel van den opstand, was tot de laatste en vreeselijkste wraakoefening
bestemd gebleven. In dat graafschap werden in weinig dagen tweehonderd
drie-endertig gevangenen gehangen, met paarden uiteen getrokken en ge-
vierendeeld. Op iederen kruisweg, op iedere marktplaats, in ieder dorp, dat
aan Monmouth soldaten verschaft had, werd de lucht verpest door in ketenen
geklonken lijken, die in den wind rammelden, of door hoofden en ledematen,
op palen geplant, en werden de reizigers door het afschuwelijk gezicht voort-
gejaagd. In vele gemeenten konden de boeren de godshuizen niet bezoeken,
zonder dat hun blikken op het bleeke gelaat van een of anderen voormaligen
nabuur vielen, dat hun boven de kerkdeur aangrijnsde. De opperrechter was
geheel in zijn element, en naarmate het werk voortging, nam zijn goede luim
toe. Hij lachte, hij juichte, schertste en vloekte derwijze, dat hij naar het oor-
deel van velen van den ochtend tot den avond dronken scheen te zijn. Doch
het was bij hem niet gemakkelijk den roes, die door kwade hartstochten wordt
voortgebracht, te onderscheiden van dien, welke het gevolg van misbruik
van sterken drank is. Een gevangene verklaarde, dat de getuigen, die tegen
hem optraden, geen geloof verdienden. De eene, zeide hij, was een papist
en de andere een lichtekooi. «Gij schaamtelooze muiter," riep de rechter
uit, «durft gij aanmerkingen maken op \'skonings getuigen! Ik zie u, boos-
wicht, ik zie u reeds met een strop om den hals." Een ander legde de be-
wijzen voor, dat hij een goed protestant was. «Protestant!" zei Jeffreys;
»gij meent presbyteriaan. Ik wil er iets op verwedden. Op veertig mijlen
afstands kan ik een presbyteriaan ruiken." Een ongelukkig man maakte het
medelijden zelfs van heftige Tories gaande. »Mylord," spraken zij, »dat
ongelukkig wezen wordt door de gemeente onderhouden." — Laat u dat
geen zorg baren," zeide de rechter; »Ik zal de gemeente van dien last
bevrijden," Zijn woede barstte niet enkel over de gevangenen los. Edel-
\') Verslag van de bloeddorstige assisen.
») Als de behandeling der zaak begint, verklaart zich de gevangene «schuldig of
niet schuldig," \'t geen hem vooraf wordt afgevraagd: »IToe pleit gij, schuldig of niet
schuldig.
                                                                                                     V.
-ocr page 470-
44Ó
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
lieden van groot aanzien en mannen van vlekkelooze trouw, die het waag-
den eenige verzachtende omstandigheid te zijner kennis te brengen, waren
bijkans zeker te zullen ondervinden, wat hij in den ruwen spreektrant, dien
hij in de kroegen van Whitechapel geleerd had, »een lik met den ruwen
kant van zijn tong" noemde. Lord Stawell, een torygeïind pair, die zijn
afgrijzen niet verbergen kon over de roekelooze wijze, waarop zijn arme
naburen geslacht werden, werd gestraft door het ophangen van een geketend
lijk aan den ingang van zijn park \'). Uit zulke vertooningen ontsproten vele
akelige verhalen, die onder het gebruik van den appelwijn bij de kerstvuren
der pachters van Somersetshire lang naverteld werden. Nog binnen de
laatste veertig jaar waren de boeren in sommige streken wel bekend met
de plaatsen, waar het. naar zij zeiden, niet pluis was, en die zij na zonsonder-
gang ongaarne voorbij gingen \').
Jeffreys beroemde zich, dat hij meer verraders had doen ophangen dan
sedert de verovering door de Noormannen al zijn voorgangers te zamen
gedaan hadden. Het is zeker, dat het getal der personen, die hij in ééne
enkele maand en in één enkel graafschap heeft doen ombrengen, veelgrooter
is dan het getal van alle staatsmisdadigers, die op ons eiland sedert de om-
wenteling ter dood zijn gebracht. De opstanden van 1715 en van 1745
waren van langer duur, van grooter uitbreiding en hadden een geduchter
aanzien dan de opstand, die te Sedgemoor onderdrukt werd. Over het alge-
meen is men niet van oordeel, dat het huis van Hanover, hetzij na den opstand
van 1715, hetzij na dien van 1745, een overdreven toegevendheid aan den
dag heeft gelegd. Het schijnt evenwel, dat de som van al de terechtstellingen
van 1715 en 1745 bijeen genomen, slechts gering is in vergelijking met het
aantal van die, welke de bloedige assisen geschandvlekt hebben. Het ge-
tal der rebellen, die Jeffreys op deze rondreis deed hangen, bedroeg drie-
honderd twintig\';
Zulke geweldenarijen hadden afschuw moeten wekken, al waren zelfs de
lijders algemeen gehaat geweest; maar zij waren, meerendeels, lieden van
vlekkeloozen wandel en van echt godsdienstige gezindheid. Zij beschouwden
zich zelve en werden door een groot gedeelte hunner medeburgers be-
schouwd, niet als menschen, die verkeerd gehandeld hadden, maar als marte-
laren, die de waarheid van het protestantsche geloof met hun bloed hadden
bezegeld. Slechts zeer enkelen onder de veroordeelden gaven eenig berouw
te kennen over hetgeen zij gedaan hadden. Velen, van den ouden puritein-
schen geest bezield, gingen den dood niet alleen standvastig, maar zelfs
juichende te gemoet. Te vergeefs werden zij door de leeraars der staats-
kerk onderhouden over de strafwaardigheid van oproer en over het gewicht
der priesterlijke absolutie. De aanspraak des konings op onbegrensde macht
in tijdelijke zaken en het gewaande vermogen der geestelijkheid om in
\') Locke\'s Opstand in het Westen.
2)  Uit kan ik nog uit de herinneringen mijner kinderjaren verzekeren.
3)  Lord Lonsdale spreekt van zevenhonderd, Burnet van zeshonderd; ik heb de
lijsten gevolgd, die de rechters aan de thesaurie inzonden, en die daar, in het brieven-
boek van 1685, nog te zien zijn. Zie de Bloedige Assisen; Locke\'s Opstand in het
Westen; De lofrode op lord Jefïreys; Burnet, I, 648; Eachard, III, 775; Oldmixon, 705.
-ocr page 471-
JAKOBUS II.
447
geestelijke aangelegenheden te binden en te ontbinden lokten bitteren spot
uit van de onverschrokken sectarissen. Sommigen van hen dichtten in den
kerker lofzangen en zongen die, als zij op de noodlottige slede gebonden
waren. Christus, aldus zongen zij, terwijl zij zich ontkleedden om de slachting
te ondergaan, zou weldra komen om Sion te verlossen en Babylon den
oorlog aan te doen; hij zou zijn standaard planten, zijn bazuin steken en zijn
vijanden al het kwaad, dat tegen zijn dienaren gepleegd was, tienvoudig
vergelden. De laatste woorden dezer mannen werden opgeteekend; hun
afscheidsbrieven werden als schatten bewaard en op deze wijze ontstond met
behulp van vinding en overdrijving een rijk aanhangsel tot de verzameling
der levensbeschrijvingen van de martelaren uit den tijd van Maria \').
Abraham Uolmus. Eenige gevallen verdienen bijzondere vermelding. Abraham
Holmes, een gewezen officier van het parlementsleger, een dier ijveraars, die
geen anderen koning wilden erkennen dan koning Jezus, was te Sedgemoor
gevangen genomen. Zijn arm was in den strijd vreeselijk gekwetst en ver-
minkt, en daar geen heelmeester bij de hand was, zette de stoutmoedige oude
krijgsman dien zelf af. Hij werd naar Londen gevoerd en door den koning,
in een vergadering van den geheimen raad ondervraagd, doch hij wilde van
geen onderwerping hooren. »Ik ben een bejaard man," sprak hij, »en de
korte tijd,! dien ik nog te leven heb, is geen leugen of geen laagheid waard.
Ik ben altijd een republikein geweest en ben het nog." Hij werd naar het
Westen teruggezonden en gehangen. Met schrik en verbazing bemerkte het
volk, dat de dieren, die hem naar de galg zouden trekken, onhandelbaar
werden en omkeerden. Holmes zelf twijfelde er niet aan, of de engel des
Heeren versperde, even als van ouds, den weg, met het zwaard in de hand,
onzichtbaar voor het oog der menschen, maar zichtbaar voor geringere
schepselen. »Halt, mijne heeren," riep hij, >>laat mij te voet gaan. Er steekt
meer achter deze zaak, dan gij zoudt denken. Herinnert u hoe de ezel dengene
zag, dien de profeet niet zien kon." Hij ging manmoedig naar de galg, sprak
het volk glimlachend toe, bad vurig, dat God den val van den Antichrist en
de verlossing van Engeland mocht verhaasten en klom de ladder op, zich
verontschuldigende, dat hij zulks zoo onhandig deed. »Gij ziet," sprak hij,
»ik heb maar één arm J)."
Baulicombe. Niet minder blijmoedig stierf Christoph Battiscombe, een jong
student van den Temple, van goede familie en bemiddeld, en die te Dor-
chester, een levendige provincie hoofdstad, trotsch op haar smaak en fijne
beschaving, als het toonbeeld van een welopgevoed jonkman beschouwd
werd. Er werden veel pogingen tot zijn redding aangewend. In het westen
van Engeland verhaalde men, dat hij met een jonge dame van adellijk bloed,
de zuster van den sheriff, verloofd was, dat deze zich voor Jeffreys voeten
nederwierp om genade voor hem af te smeeken, en dat Jeffreys haar van zich
l) Sommige der gebeden, vermaningen en gezangen van de duiders zijn in »de
Bloedige Assisen" te vinden.
*) Bloedige Assisen; Locke\'s Opstand in het Westen; Lord Lonsdale\'s Gedenk-
schriften; Verslag van den slag bij Sedgemoor, in de papieren van Hardwicke.
De geschiedenis in Clarke\'s Leven van Jakobus II, II. 43, is niet uit \'s konings
handschriften getrokken, en bevat genoegzaam haar eigen wederlegging.
-ocr page 472-
448
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
afstiet door een zoo laaghartige spotternij, dat zelfs de bloote herhaling
daarvan de zedelijkheid en de menschelijkheid tevens zou kwetsen. Haar
minnaar onderging te Lyme vroom en moedig den dood \').
"\'ife.ïï\'ng."* Nog grooter belangstelling werd verwekt door het lot van twee
dappere broeders, William en Benjamin Hewling. Zij waren jong, schoon,
beschaafd en van goede afkomst. Hun grootvader van moederszijde heette
Kiffin. Deze was een der voornaamste kooplieden van Londen en werd alge-
meen als het hoofd der wederdoopers beschouwd. De opperrechter behan-
delde William Hewling bij het proces met zijn gewone ruwheid. «Gij hebt
een grootvader," zeide hij, »die even rijkelijk verdiend heeft te hangen als
gij." De arme jongeling, die slechts negentien jaar oud was, ging den dood
met zoo veel geduld en standvastigheid tegemoet, dat een officier, die de
executie bijwoonde en zich door ruwheid en strengheid had onderscheiden,
bijzonder getroffen werd en zeide: »Ik geloof niet, dat de lord-opperrechter
in eigen persoon hiertegen bestand zoude zijn." Men hoopte, dat Benjamin
begenadigd zou worden. Eén slachtoffer van teederen leeftijd was voorzeker
een verlies, groot genoeg voor een enkel huis. Zelfs Jeffreys was, of al-
thans betoonde zich tot mildheid geneigd. De eigenlijke reden was, dat een
zijner nabestaanden, van wien hij veel te wachten had, en dien hij derhalve
niet behandelen kon, zooals hij gewoonlijk met voorsprekers deed, de zaak
van het zwaar getroffen gezin krachtdadig bepleitte. Er werd tijd geschonken
om zich naar Londen te wenden. De zuster van den gevangene vertrok met
een smeekschrift naar Whitehall. Vele der hovelingen wenschten haar een
goeden uitslag van haar bemoeijingen toe, en Churchill, onder wiens talrijke
gebreken wreedheid niet behoorde, verschafte haar een gehoor. »Ik wensch
van ganscher harte, dat uw poging moge gelukken," sprak hij, toen zij te
zamen in de voorzaal waren; »maar vlei u niet te zeer. Dit marmer," —
en hij lei zijn hand op den schoorsteenmantel, — »dit marmer is niet
harder dan de koning." De voorspelling bleek gegrond te zijn. Jakobus was
onverbiddelijk: Benjamin Hewling stierf met onwrikbaren moed en te midden
van jammerklachten, waarmede zelfs de soldaten, die bij de galg de wacht
hielden, onwillekeurig instemden *).
De rebellen, die ter dood veroordeeld werden, waren echter nog minder
te beklagen dan de overlevenden. Verscheiden gevangenen, wien Jeffreys de
schuld van hoogverraad niet kon aanwrijven, werden wegens gewone mis-
drijven gevonnisd en veroordeeld tot geeselingen, niet minder verschrikke-
lijk dan die, welke Oates had ondergaan. Een vrouw werd ter zake van
eenige ijdele woorden, zooals erin de omstreken, waar de oorlog gewoed had,
wellicht door het meerendeel der vrouwen geuit waren, veroordeeld om door
\') Moedige Assisen; Locke\'s opstand in het Westen: Onderdanig smeekschrift
van weduwen en van vaderlooze kinderen in het westen van Engeland; Lofrede op
lord Jeffreys.
2) Ten aanzien der gebroeders Hewling heb ik Kiffins Gedenkschriften en het ver-
haal van den heer Hewling Luson gevolgd, voorkomende in de tweede uitgave der
briefwisseling van Hughes, in het aanhangsel tot het Ile deel. De verslagen in Locke\'s
verhaal van den Opstand in het Westen en in de lofrede op Jeffreys zijn vol dwa-
lingen. Een groot gedeelte van het verhaal, voorkomende in »de bloedige Assisen,"
is door Kiffin geschreven en stemt woordelijk overeen met zijn Gedenkschriften.
-ocr page 473-
JAKOBUS It.                                             449
alle marktsteden van het graafschap Dorset te worden gcgeeseld. Zij onder-
ging een gedeelte van haar straf, eer Jeffreys naar Londen terugkeerde; doch
toen hij zich niet meer in het Westen bevond, namen de kerkermeesters,
aangemoedigd door de menschlievende oogluiking der overheidspersonen,
de verantwoordelijkheid op zich en bespaarden haar alle verdere marteling.
VTÜ"chin*n Een nog vreeselijker vonnis werd geveld over een jongeling, Tutchin
genaamd, die wegens het uiten van oproerige taal terecht stond. Zijn verde-
diging werd, als gewoonlijk, van den rechterstoel door laaghartige en smade-
lijke aardigheden afgebroken. »Gij zijt een muiter, en uw gansche familie
was dat van Adams tijden af; ik hoor, dat gij een dichter zijt; ik wil verzen
met u opzeggen." Het vonnis luidde, dat de knaap gedurende zeven jaar
ingekerkerd en in den loop van elk jaar door iedere marktstad van Dorset-
shire gegeeseld zou worden. De vrouwen, die zich op de tribune bevonden,
barstten in tranen uit. Een der gerechtsbeambten stond in groote ontsteltenis
op. »Mylord," sprak hij, de «gevangene is nog zeer jong. Er zijn vele
marktsteden in ons graafschap. Het vonnis komt hierop neder, dat hij ge-
durende zeven jaar iedere veertien dagen een geeseling zal ondergaan." —
»Zoo hij al jong vanjaren is," antwoordde Jeffreys, » hij is oud in schurkerij.
Dames, gij kent den booswicht niet, zoo als ik hem ken. De straf is voor
hem niet half streng genoeg. De voorspraak van gansch Engeland zal er niets
aan veranderen." Tutchin smeekte in zijn wanhoop, en waarschijnlijk
meende hij \'t oprecht, dat hij gehangen mocht worden. Tot zijn geluk werd
hij juist op dat tijdstip door de pokken aangetast en door de kunst opgegeven.
Vermits het hoogst waarschijnlijk werd, dat het vonnis nooit zou voltrok-
ken worden, liet de opperrechter zich voor een som, waarvan de aflossing
den gevangene tot armoede deed vervallen, omkoopen om hem de geeseling
kwijt te schelden. Tutchin, van nature niet bijzonder zachtmoedig, werd
door hetgeen hij geleden had, tot waanzinnige bitterheid opgewonden. Hij
bleef lang genoeg leven om bekend te worden als een der bitterste en hard-
nekkigste vijanden van het Huis Stuart en der Torypartij.
o^iSmddingèö. Het aantal gevangenen, die door Jeffreys veroordeeld werden
om naar overzeesche bezittingen vervoerd te worden, bedroeg acht honderd
een-en-veertig. Deze, ongelukkiger dan hun lotgenooten, die den dood had-
den ondergaan, werden in rotten ingedeeld en aan personen afgestaan, die de
gunst van het hof genoten. De voorwaarden van zoodanigen afstand waren,
dat de veroordeelden als slaven over zee gevoerd en niet eer dan na verloop
van tien jaar vrijgelaten zouden worden, terwijl de plaats hunner ballingschap
het een of andere eiland in West-Indië moest zijn. Deze laatste bepaling was
opzettelijk voorgeschreven ten einde de ellende der ballingen te vergrooten.
In Nieuw-Engeland of Nieuw-Jersey zouden zij een bevolking hebben aange-
troffen, die hun vriendschappelijk gezind was, en een klimaat voor hun
gezondheid en krachten niet nadeelig. Men had dus besloten, dat zij naar
zoodanige koloniën zouden gezonden worden, waar een puritein op weinig
sympathie, en een arbeider, die in de gematigde luchtstreken geboren was,
op weinig gezondheid kon rekenen. De stand der slavenmarkt was echter zoo,
dat deze lijfeigenen ondanks den langdurigen overtocht en hoe ziekelijk zij
ook, waarschijnlijk, ter bestemmingsplaats zouden aankomen, toch steeds
MACAULAY I.                                                                                                             29
-ocr page 474-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
45"
nog veel geld waard waren. Jeffreys berekende, dat volgens een gemiddelde
schatting, elk hunner na aftrek van alle onkosten van tien tot vijftien p. st.
zou opbrengen. Er bestond derhalve veel afgunstige mededinging om zoo-
danigen afstand te verkrijgen. Sommige Tories in het Westen begrepen, dat
zij om hun ijverige pogingen en hun verliezen gedurende den opstand het
recht hadden verworven te deelen in de winsten, waarnaar de pluimstrij-
kers van Whitehall de handen gretig hadden uitgestoken. De hovelingen
behielden nochtans de overhand \').
Het ellendig lot der ballingen stond volkomen gelijk met dat der negers,
die thans van Congo naar Brazilië vervoerd worden. Het blijkt volgens de
zekerste berichten, welke uit dien tijd nog overig zijn, dat een vijfde gedeelte
dergenen, die ingescheept werden, vóór het einde der reize den haaijen wer-
den voorgeworpen. De ladingen menschenvleesch waren in het hol van
kleine vaartuigen dicht opeen gepakt. Er was zoo weinig ruimte toegestaan,
dat de ongelukkigen, van welke velen door nog ongenezen wonden gekweld
werden, zich niet allen te gelijk konden nederleggen zonder op elkander te
liggen. Men liet hen nimmer op dek komen. Het luik was steeds bewaakt
door schildwachten, met hartsvangers en donderbussen gewapend. Beneden
in den kerker was alles duisternis, stank, weegeklaag, ziekte en dood. Van
negen en-negentig veroordeelden, die in één schip uitgevoerd werden, stier-
ven er twee-en-twintig, vóór dat men te Jamaica aankwam; en zulks niet-
tegenstaande de reis met ongewonen spoed volbracht werd. Toen de over-
levenden in hun huis van dienstbaarheid aankwamen, waren zij slechts bloote
geraamten. Eenige weken achtereen had men hun grove beschuit en stinkend
water zoo karig uitgedeeld, dat elk hunner voor zich het rantsoen, dat voor vijf
man bestemd was, met gemak .zou hebben kunnen nuttigen. Zij waren der-
halve in zulk een toestand, dat de koopman, aanwien zij overgemaakt waren,
dienstig vond hen eerst vet te mesten, alvorens hij hen ter markt bracht2).
l0e!rSjSïuw™f° Inmiddels werd door een aantal hebzuchtige verklikkers ge-
streden om de verdeeling der eigendommen zoo wel van ei e rebellen, die den
dood ondergaan hadden, als van de nog ongelukkiger menschen, die onder
de tropische zon verkwijnden. Een wegens hoogverraad veroordeeld onder-
daan heeft naar luid der wet zijn gansch vermogen verbeurd; en deze wet
werd na de bloedige assisen gehandhaafd met een strengheid, die wreed en
tevens bespottelijk was. De bitter bedroefde weduwen, de hopelooze weezen
der arbeidslieden, wier lijken aan de kruiswegen hingen, werden door de
agenten der thesaurie gedrongen op te geven wat er van een mand, van
een gans, van een gerookte spekzijde, van een vaatje cider, van een zak
boonen, van een bos hooi geworden was J). Terwijl de geringere regeerings-
\') Sunderland aan Jeffreys, 14 Sept. 1685; Jeffreys aan den koning, 19 Sept. 1685,
in het rijks-archief.
2) De beste beschrijving van het lijden, ondergaan door de opstandelingen, die ter
deportatie gedoemd werden, komt voor in een zeer merkwaardig verhaal, geschreven
dour John Coad, een eerlijk en godvruchtig timmerman, die zich bij Monmouth aan-
sloot, te Philips Norton zwaar gewond, dour Jeffreys gevonnisd en naar Jamaica ge-
zonden werd. Het oorspronkelijk handschrift is mij door den eigenaar, den heer
Phippard, welwillend medegedeeld.
■>) In de archieven der Thesaurie, van het najaar 1685, zijn verscheiden brieven te
-ocr page 475-
JAKOBUS II.                                                  451
beambten de gezinnen der vermoorde landlieden plunderden, wist de opper-
rechter met spoed een vermogen bijeen te brengen door het uitplunderen
van een hoogere klasse van Whigs. Hij dreef drukken handel met begena-
digingen. Zijn meest winstgevende handeling van dien aard vond plaats met
zekeren Edmund Prideaux. Het is uitgemaakt, dat Prideaux de wapenen
tegen de regeering niet gevoerd had, en het is waarschijnlijk, dat zijn eenige
misdaad de rijkdom was, dien hij geërfd had van zijn vader, een uitstekend
rechtsgeleerde, die onder den protector hooge ambten bekleed had. Er werd
geen moeite gespaard om een aanklacht van wege de kroon te kunnen staven.
Men bood eenige gevangenen genade aan onder voorwaarde, dat zij tegen
Prideaux getuigenis zouden afleggen. De ongelukkige man bleef geruimen
tijd ingekerkerd, en, overweldigd door de vrees voor de galg, vond hij einde-
lijk goed vijftienduizend p. st. voor zijn vrijlating te betalen. Deze groote
som werd door Jeffreys in ontvangst genomen, die daarmede een bezitting
kocht, waaraan het volk den naam van Hakeldama gaf naar dien anderen,
voor den prijs van onschuldig bloed gekochten akker \').
Hij werd in het werk der afpersing met bekwaamheid bijgestaan door de
menigte pluimstrijkers, die met hem plachten te drinken en te lachen. De
taak dezer lieden was van veroordeelden, die in groote vrees voor den dood
verkeerden, van ouders, die beefden voor het leven hunner kinderen, zware
losprijzen te bedingen. Een gedeelte van den buit werd door Jeffreys aan
zijn handlangers overgelaten. Men zegt, dat hij een zijner drinkgezellen ge-
durende een zwelgpartij het pardon van een rijken verrader over de tafel
heen toewierp. Het was niet raadzaam eenige andere bemiddeling te zoeken
dan die zijner creaturen; want hij bewaakte zijn winstgevend monopolie van
genade met de naijverigste bezorgdheid. Men vermoedde zelfs, dat hij eenige
personen naar de galg had verwezen, alléén omdat zij langs kanalen, die niet
onder zijn bereik stonden, getracht hadden de koninklijke genade te ver-
werven l).
"oïi\'i\'iBini" Desniettegenstaande wisten eenige hovelingen middel te vinden
J£aar°™cvuiïr om een klein aandeel in dezen handel te erlangen. De hofdames
der koningin onderscheidden zich boven anderen door voorbeeldelooze heb-
zucht en hardvochtigheid. Een gedeelte der schande, die zij verdiend heb-
ben, valt op haar gebiedster terug, want zij konden niet dan krachtens de
betrekking, waarin zij tot haar stonden, zich door een zoo hatelijken handel
verrijken, en het spreekt van zelf, dat de koningin haar door een enkel woord,
door een enkelen blik had kunnen tegenhouden. In waarheid echter moe-
digde deze haar aan, door haar slecht voorbeeld, ja, wellicht door uitdrukke-
lijke goedkeuring. Zij schijnt tot de talrijke klasse van personen te hebben
behoord, die tegen wederwaardigheden beter bestand zijn dan tegen voor-
spoed. Toen haar echtgenoot nog onderdaan en balling was, van staatsamb-
ten uitgesloten en in dringend gevaar om van zijn geboorterecht te worden
beroofd, won de zachtheid en bescheidenheid harer manieren de genegenheid
vinden, in welke voorgeschreven wordt naar dergelijke kleinigheden onderzoek te doen.
1) Dagboeken van het Lagerhuis, 9 October, 10 November en 26 December 1690;
Oldmixon, 706; Lofrede op Jeffreys.
*) Leveu en dood van lord Jeffreys; Lofrede op Jefireys; Kiftins Gedenkschriften.
-ocr page 476-
GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
452
zelfs dcrgenen, die haar godsdienst het meest verfoeiden. Doch toen de
voorspoed haar toelachte, was haar goedhartigheid verdwenen. De nederige
en minzame hertogin werd een onvriendelijke en hoogmoedige koningin \').
De rampen, die haar in het vervolg troffen, hebben eenige belangstelling
voor haar gewekt; maar die belangstelling zou veel sterker zijn geweest,
indien men had kunnen bewijzen, dat zij in haar tijd van grootheid een enkel
slachtoffer had gered van de vreeselijkste vervolging, die in Engeland ooit
heeft plaats gevonden, of dat zij het slechts getracht had. Ongelukkigerwijze
was het eenig verzoek, dat zij met betrekking tot de opstandelingen schijnt
gedaan te hebben, dit, dat men haar een honderdtal dergenen mocht afstaan,
die tot de deportatie veroordeeld waren \'). Het voordeel, dat zij uit deze
lading trok, kan na aftrek van een ruime korting voor het getal dergenen,
die gedurende den overtocht van honger en aan koorts stierven, op niet min-
der dan duizend guinjes begroot worden. Het kan ons niet bevreemden, zoo
de dames van haar gevolg haar onvorstelijke hebzucht en haar zoo onvrouwe-
lijke wreedheid nagevolgd hebben. Zij persten duizend p. st. af van Roger
Hoare, een koopman van Bridgewater, die een bijdrage in de krijgskas der
opstandelingen had gestort. Maar de prooi, waarop zij met de meeste gretig-
heid aanvielen, was er een, die men gedacht zou hebben, dat zelfs door de
hardvochtigste wezens ontzien zou worden. Reeds hadden sommigen der
meisjes, die te Taunton den standaard aan Monmouth hadden aangeboden,
zwaar voor haar misdrijf geboet. Een van haar was in de gevangenis inge-
kerkerd, waar een besmettelijke ziekte woedde, was door die ziekte aange-
tast en in den kerker gestorven. Een andere was uit eigen beweging voor
Jeffreys verschenen ten einde hem om genade te smecken. «Neem haar
gevangen, kerkermeester," bulderde de rechter, met een dier blikken, die
menigmaal moediger harten dan het hare met angst hadden vervuld. Zij
barstte in tranen uit, trok haar sluijer over haar aangezicht, volgde den ker-
kermeester naar buiten het hof, viel van ontsteltenis flauw en was na weinig
uren een lijk. De meeste der jonge dames echter, die in den optocht mede
gegaan waren, waren nog in leven. Sommige van haar waren beneden de
tien jaren oud. Zij hadden allen op de bevelen harer onderwijzeres gehan-
deld, onbewust dat zij een misdaad begingen. De staatsdames der koningin
vroegen \'s konings vergunning om den ouders der kinderen geld af te persen
en die vergunning werd haar verleend. Er werd bevel naar Taunton gezon-
den al deze kleine meisjes te doen vatten en in verzekerde bewaring te
stellen. Sir Francis Warre van Hestercombe, torygezind parlementslid van
Bridgewater, werd verzocht zich met de taak te belasten om den losprijs te
vragen. Hem werd opgedragen in duidelijke taal te kennen te geven, dat de
staatsdames geen uitstel zouden gedoogen ; dat zij, ten ware er een redelijke
som tot afkoop gestort werd, besloten hadden de beschuldigden buiten de wet
te doen stellen, en dat onder een redelijke som een bedrag van zevenduizend
\') Burnet, I, 368; Evelyns dagboek, 4 Februari 1684—5, 13 Juli, 1686. In eender
spotgedichten van dien tijd treft men de volgende regels aan:
»When duchess, she was gentle, mild, and civil,
When queen she proved a raging, furious devil."
\') Sunderland aan Jeffreys, 14 September 1685.
-ocr page 477-
453
JAKOBUS II.
p. st. verstaan werd. Warre bedankte voor de eer en wilde geen deel nemen
aan een zoo schandelijke onderhandeling. Daarop verzochten de dames
William Penn de zaak voor haar te behandelen en Penn nam de lastgeving
aan. Het komt ons evenwel voor, dat een weinig van die stipte nauwgezet-
heid, welke hij menigwerf ten aanzien van het afnemen van zijn hoed aan den
dag had gelegd, bij deze gelegenheid niet misplaatst geweest zoude zijn. Hij
bracht waarschijnlijk de stem van zijn geweten tot zwijgen door zich zelven
voor te houden, dat van het door hem afgeperste geld niets in zijn eigen zak
zou komen; dat, als hij weigerde de bemiddelaar der dames te zijn, deze
alsdan andere, minder menschelijker bemiddelaars zouden vinden, en hij
door toe te geven zijn invloed aan het hof zou vergrooten, terwijl deze invloed
hem reeds in staat had gesteld en hem ook verder gelegenheid kon geven
groote diensten aan zijn verdrukte geloofsbroeders te bewijzen. De hofdames
zagen zich eindelijk genoodzaakt zich tevreden te stellen met minder dan een
derde gedeelte van hetgeen zij gevraagd hadden \').
\') Locke\'s Opstand in het Westen; Toulmins Geschiedenis van Taunton, uitgave
van Savage; Brief van den hertog van Somerset aan Sir F. Warre; Brief van Sunder-
land aan Penn, 13 Februari 16S5—6, voorhanden in het staatsarchief, en voorkomende
in de verzameling van Mackintosh. (1848)
De brief van Sunderland luidt als volgt:
IVhitehall, Febr. 13, 1685—6.
Mijnheer renne.
Ilarer majesteits hofdames mij bericht hebbende, dat zij voornemens zijn zich van
u en den heer Walden te bedienen, om in een schikking te treden met de betrekkingen
der dochters van Taunton, voor het schandelijk vergrijp, waaraan zij zich hebben
schuldig gemaakt, heb ik de eer u op haar verzoek mede te deelen, dat Haar Majesteit
goedgevonden heeft, de boeten ten voordeele van gemelde hofdames af te staan, en
neem ik de vrijheid u en den heer Walden nadrukkelijk aan te bevelen, dat gij u be-
ijveren zult de voordeeligst mogelijke voorwaarden te harer behoeve te bedingen.
Ik ben,
mijnheer,
Uw geh. dr.
Sunderland.
Dat de persoon, aan wien dien brief gericht was, William Penn, de kwaker, was, is
nooit in twijfel getrokken door Sir James Mackintosh, die hem het eerst bekend heeft
gemaakt, of voor zoover mij bekend is door iemand anders, tot na de uitgave van het
ie Deel dezer geschiedenis. Sedert dien is met veel ophef verzekerd, dat de brief be-
doeld was voor een zekeren George Penn, die, zoo als blijkt uit een onlangs gevonden
oud rekenboek, betrokken is geweest in onderhandelingen voor het rantsoen van een
van Monmouths aanhangers, Azariach Pinney genoemd.
Zoo ik meende gedwaald te hebben, zou ik, naar ik vertrouw, eerlijk genoeg wezen
het openlijk te erkennen. Maar na een lang en grondig onderzoek houd ik mij over-
tuigd, dat Sunderlands brief aan William Penne geschreven is.
Veel heeft men gesproken over de spelling van den naam. De kwaker, wordt aan-
gevoerd, heette niet Mr. Penne, maar Penn. Ik ben verzekerd, dat niemand, die lang
en herhaaldelijk boeken en handschriften van de 17e eeuw heeft geraadpleegd, eenige
waarde aan deze tegenwerping zal hechten. Om alleen te gewagen van de mannen,
die ten tijde van Penn het groot zegel hebben bewaard, wordt een van hen nu eens
Ilyde, dan weer Ilide genaamd; een ander heet JefTeries, JefTries, Jeffereys en JefTreys;
een derde is Somers, Sommers, Summers, een vierde Wright en Wrighte. en een vijfde
Cowper en Cooper. De naam van den kwaker wordt op drie verschillende wijzen
gespeld.
Hij en zijn vader, de admiraal, voor hem, schreven zonder afwijking, voor zoover ik
-ocr page 478-
4S4                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
Geen engelsch souverein heeft ooit sterker bewijzen van een wreedaardige
inborst gegeven dan Jakobus II. Zijn wreedaardigheid echter was wellicht
niet hatelijker dan zijn vergevingsgezindheid. Of misschien is het juister ge-
zegd, dat en zijn vergevingsgezindheid en zijn wreedheid beiden van dien
aard waren, dat elke dezer hoedanigheden bij hem de schandelijkheid der
andere verhoogde. Ons afgrijzen over het lot der eenvoudige boeren, der
jeugdige knapen, der teedere vrouwen, voor welke hij onverbiddelijk streng
hel) kunnen nagaan, Penn; maar de meeste mensclien spelden Pen, en er werden ge-
vonden, die zich aan den ouden vorm Penue hielden. Bij voorbeeld William, de vader,
is Penne in een brief van Disbrowe aan Thurloe, 7 Dec. 1654; en William, de zoon,
is Penne in een nieuwsblad van 22 Sept. 16SS, gedrukt in de Ellis Correspondentié\'n.
In Richard Wards Leven en Brieven van Hendrik More, gedrukt in 1710, zal men den
naam des kwakers op de drie manieren gespeld vinden, Penn in den bladwijzer, Pen,
bl. 197, en Penne bl. 34. De naam is Penne in den lastbrief, dien de admiraal met
zich voerde op zijn tocht naar West-Indië. Burchett, die secretaris van de admiraliteit
werd en lang na de troonsbestijging van het Hanoversche huis in staatsdienst bleef,
schreef in zijn geschiedenis van het Zeewezen altijd Penne. Ongetwijfeld zal het niet
vreemd worden gevonden, dat een ouderwetsche spelling, waaraan de secretaris der
admiraliteit zich nog in 1720 hield, gevolgd zal zijn aan het ministerie van den secre-
taris van staat in 1686. Ik houd mij ten sterkste overtuigd, dat zoo de brief, die het
onderwerp onzer beschouwing is, van een anderen aard was geweest; indien den heer
Penne gemeld was, dat tengevolge van zijn dringend verzoek het zijn majesteit den
koning behaagd had volledige vergiffenis te schenken aan de meisjes van Taunton, en
indien ik getracht had den kwaker dien eeretitel te betwisten op grond, dat hij Penn,
niet Penne heette, dezelfde personen, die nu zoo bitter over mijn onrechtvaauligheid
klagen, dan even bitter, en, naar mij voorkomt, met vrij wat meer reden geklaagd
zouden hebben.
Ik geloof dus volkomen in mijn recht te zijn, indien ik de namen Penn en Penne
voor dezelfde houd. Aan wien van de twee personen dan is het waarschijnlijk, dat de
brief van den secretaris van Staat gericht zal zijn geweest ?
George was klaarblijkelijk een fortuinzoeker van lage afkomst. Al wat wij omtrent
hem in de papieren van de Pinney\'s vernemen, is, dat hij gebruikt is geworden in het
koopen van een genadebrief voor een jongeren zoon van een afgescheiden predikant.
De heele som, die, naar het schijnt, bij die gelegenheid door de handen van George is
gegaan, bedroeg ten hoogste zes en vijftig pond. Zijn commisieloon zal dus niet zeer
aanzienlijk zijn geweest. De eenige andere bijzonderheid, die ook aangaande hem
vermeld wordt, is dat hij eenigen tijd later bij het bestuur om een gunst verzocht, die
alles behalve een eerepost was.
In Engeland had de groomporter van het paleis het oppertoezicht over hazardspelen
en maakte een weinig eervolle winst door loterijbriefjes uit te geven en dobbeltafels
op te richten. liet schijnt, dat George gevraagd heeft hetzelfde in de amerikaansche
koloniën te mogen doen.
William Penn was tijdens de regeering van Jakobus de ijverigste en meest invloed-
rijke sollicitant aan het hof. Ik wil de woorden aanhalen van zijn bewonderaar Croeze:
Quum autem Pennus tanta gratia plurimum apud Regem valeret, et per id perplures
sibi amicos acquireret, illum omnes etiam, qni modo aliqua notitia erant conjuncti,
quoties aliquid a rege postulandum agendumve apud regem esset, adire, ambire, orare,
ut eos apud regem adjuvaret." Ilij zat tot over de ooren in zaken van dien aard,
«obrutus negotiationibus curationibusque." Zijn huis en de straten daarheen geleidende
waren eiken dag versperd door de scharen van menschen, die zijn diensten en voor-
spraak kwamen inroepen; «domus ac vestibula quotidie referta clientium et supplican-
tium." Uit de papieren van Fountainhall blijkt, dat zijn invloed zich zelfs in de hoog-
landen van Schotland deed gevoelen. Wij vernemen van hem zelven, dat hij te dien
tijde altijd voor anderen in de weer was, dat hij dagelijks met verzoekschriften naar
Wrhitehail ging en hij, zoo hij zijn invloed tot geld had willen maken, zonder groote
moeite in weinig meer dan drie jaar twintig duizend pond in zijn zak zou hebben
-ocr page 479-
JAKOBUS II.
455
was, wordt nog verhoogd, als wij zien aan welke personen en op welke gron-
den hij vergiffenis schonk.
De regel, waarnaar een vorst na een opstand zich behoort te gedragen
ten aanzien der keuze van de rebellen, die gestraft moeten worden, is volko-
men duidelijk. De raddraaijers, de lieden van rang, van vermogen en opvoe-
ding, wier macht en kunstgrepen de menigte op het dwaalspoor hebben ge-
kunnen steken, en nog een honderd duizend meer zou hebben kunnen krijgen, voor
de verbetering van de kolonie, waarvan hij eigenaar was.
Dit waren de omstandigheden van die beide mannen. Wie van hen zal dan met meer
waarschijnlijkheid gebruikt zijn in de zaak, waarop Sunderlands brief doelt ? George
of William, een agent van den laagsten of van den hoogsten rang- De personen, in
de zaak betrokken, waren dames van den aanzienliiksten stand, verblijf houdende in
het paleis, waar George ter nauwernood in de bodenkamers kan zijn toegelaten, waar
William daarentegen dagelijks in de audiëntiezaal gezien en herhaaldelijk in het kabi-
net des konings ontboden werd. De grootste en aanzienlijkste mannen in den lande
beijverden zich ten behoeve van hun schoone vriendinnen, edellieden, niet welke
William op een voet van vertrouwelijkheid en gelijkheid omging, maar die George
nauwelijks goed gezelschap voor hun stalknecht zouden hebben geacht. De som in
kwestie was zeven duizend pond, een som voorzeker niet groot, zoo men ze vergelijkt
bij de schatten gelds, waarmede William dagelijks omsprong, maar niet te min hon-
derdmaal aanzienlijker dan die eenige losprijs, welke door de handen van George ging.
Deze overwegingen alleen zouden voldoende zijn om met grond te doen vermoeden,
dat Sunderlands brief aan William gericht was, en niet aan George. Maar wij hebben
nog andere en sterker wapenen in ons arsenaal.
Het is van het uiterste belang hier niet te vergeten, dat de persoon, aan wien deze
brief gezonden was, niet de eerste was, dien de hofdames verzocht hadden in haar be-
lang te handelen. Zij wendden zich tot hem, omdat een ander, dien zij eerder onder
den arm hadden genomen, na eenige briefwisseling voor de eer had bedankt. Uit haar
eerste poging kunnen wij met zekerheid weten wat soort van persoon zij het liefst
voor haar zaak zochten te gebruiken. Hadden zij de eerste reis zich gewend tot een
onbekenden, duisteren beunhaas of een armoedigen dobbelaar, wij zouden grond heb-
ben om te gelooven, dat de Penne, tot wien zij haar tweede verzoek richtten, George
was geweest. Zoo zij daarentegen ten eerste aanklopten bij een man van hoog aanzien
en onbezwalkten naam. zullen wij geen ongelijk hebben, wanneer wij volhouden, dat
de Penne, aan wien haar tweede verzoek werd gedaan, William Penn moet zijn ge-
weest. Wien nu hebben zij liet eerst voor haar belangen zoeken te winnen? Niemand
anders, dan Sir Francis Warre ofllestercom.be, een baronet en lid van het parlement.
De brieven zijn nog voorhanden, waarin de hertog van Somerset, de trotscbe hertog,
voorzeker geen man om in een briefwisseling te treden met George Penne, Sir Francis
met aandrang verzoekt de taak op zich te nemen. De laatste van die brieven is blijkens
de dagteekening ongeveer drie weken voor Sunderlands brief aan Penue geschreven.
Somerset deelt Sir Francis mede, dat een stadsklerk van Bridgewater, wiens naam, ik
stip dit in \'t voorbijgaan even aan, afwisselend Bird en Rirde geschreven wordt, zijn
diensten had aangeboden, maar dat zijn aanzoek van de hand was gewezen, liet is
derhalve duidelijk, dat de hofdames verlangden een agent te hebben van aanzien en
onbesproken naam; en daarin hadden zij volkomen gelijk, want de som, die zij vor-
derden, was zoo groot, dat geen gewonen makelaar de behartiging harer belangen kon
worden toevertrouwd.
Daar Sir Francis Warre weigerde zich met de onderhandeling te bemoeijen, werd
het voor de hofdames en haar raadgever noodig iemand te zoeken, die zijn plaats zou
kunnen vervullen. Welken van de twee Pennes zuilen zij nu gekozen hebben ? George,
een beunhaas, voor wien een commissieloon op zes en-vijfiig pond een zeer gewcnschte
buitenkans was en wiens hoogste eerzucht hierin bestond, dat hij zich een schandelijk
levensonderhoud zou kunnen verschaffe;i van kaarten en dobbelsteenen, of William,
die bij geen particulier in het koninkrijk behoefde achter te staan? Kunnen wij, zoo
we ons gezond verstand gebruiken, gelooven, dat de dames, die in Januari den hertog
-ocr page 480-
4SÖ                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
bracht, behooren billijkerwijze een strenge strafte ondergaan. De bedrogen
volksmenigte kan, als eenmaal de slachting op het oorlogsveld heeft opge-
houden, nauwelijks met te groote toegeeflijkheid behandeld worden. Deze
regel, die zoo klaarblijkelijk strookende is met hetgeen de gerechtigheid en
de menschelijkheid vorderen, werd niet slechts veronachtzaamd, maar zelfs
omgekeerd. Terwijl degenen, die gespaard hadden moeten worden, bij
honderden om het leven werden gebracht, werden de weinigen ontzien, die
men met grond de uiterste strengheid der wetten had kunnen doen gevoelen.
Deze grillige goedertierenheid heeft sommige schrijvers in verlegenheid
gebracht en andere tot belachelijke lofredenen verleid. Er was echter even-
min iets raadsclachtigs als iets prijzenswaardigs in. Zij kan in elk der be-
doelde gevallen bewezen worden haar oorsprong te hebben genomen in rede-
nen van hebzucht of van boosheid, van gouddorst of hloedgierigheid.
Groj. In het geval van Grey kon geen enkele verzachtende omstandigheid
worden aangewezen. Zijn bekwaamheid en kunde, de politische rang, dien hij
van Somerset gebruikten om haar een onderhandelaar te bezorgen uit de eerste rangen
van den engelschen adel, en die een stadsklerk, ofschoon hij een fatsoenlijke betrek-
king bekleedde, niet goed genoeg voor haar plannen achtten, in Februari besloten
zouden hebben alles toe te vertrouwen aan een man, die even ver onder Bird stond,
als deze beneden Warre was ?
Maar, zeggen Penns vrienden, de brief van Sunderland is droog en stijf, en hij zou
nooit in die termen aan William Penn hebben geschreven, met wien hij zeer bevriend
was. Moet ik hier wezenlijk nog doen opmerken, dat de officieele mededeelingen,
door een minister van Staat, zelfs aan zijn dierbaarste en naaste betrekkingen gedaan,
in den regel even koud en stijf zijn, als die, welke hij aan geheel onbekenden afzendt.
Zou men durven beweren, dat generaal Wellesley, aan wien markies Wellesley,
tijdens hij gouverneur van Indië was, zoo veel brieven zond, beginnende met: «mijn-
heer" en eindigende met: »Ik heb de eer Uw gehoorzame dienaar te zijn," onmogelijk
zijn loidschaps broeder Arthur heeft kunnen zijn?
Maar, wordt van elders opgeworpen, Oldmixon deelt een gansch ander verhaal mede.
Volgens hem waren een papistisch advokaat, Brent, en een onbekend makelaartje,
Crane, de agent in de zaak van de Tauntonsche meisjes. Nu is het van algemeene
bekendheid, dat van al onze geschiedschrijvers Oldmixon het minst geloofwaardig is.
Zijn stelligste verklaringen hebben geen de minste waarde, zoodra zij in strijd zijn met
zulk een tastbaar bewijs als Sunderlands brief ons levert. Doch Oldmixon verklaart
niets op stelligen toon. Niet alleen verzekert hij niet, dat Brent en Crane voor de hof-
dames als zaakwaarnemers zijn opgetreden, maar hij verzekert niet eens stellig, dat de
hofdames in de zaal; betrokken waren. «Men zei," «er werd verhaald." liet blijkt dus
duidelijk, dat hij zeer onvolledig was ingelicht. Ik acht liet overigens niet onmogelijk,
dat er eenige grond mag hebben bestaan voor het bericht, dat hij vermeldt. Wij hebben
gezien, dat een wakkere stadsklerk, Bird genaamd, uit eigen beweging zijn diensten
aanbood en de hofdames zich genoodzaakt zagen hem te laten weten, dat zij van hem
niet wenschten gediend te zijn. Andere lieden, en daaronder wellicht de twee, die
Oldmixon noemt, kunnen beproefd hebben zich zoo\'n voordeelig karreweitje te zien
toevertrouwen, maar niets is duidelijker, dan dat de gevolmachtigde agent van de hof-
dames de heer I\'enne was, aan wien de secretaris van Staat een brief schreef, en mijn
geloof blijft ongeschokt, dat die heer I\'enne, William de kwaker is geweest.
Zoo men hiertegen aanvoert, hoe onwaarschijnlijk, ja, ongelooflijk, het is, dat zoo\'n
braaf man in zulk een slechte zaak betrokken zou zijn geweest, wensch ik alleen te
antwoorden, dat deze zaak op lange na de slechtste niet was, waarin zijn naam ge-
moeid is.
Om deze redenen laat ik den tekst, zoo als hij oorspronkelijk staat, en zal hem
onveranderd laten, tot dat de onjuistheid mij op deugdelijke gronden zal zijn aange-
toond (1857)
-ocr page 481-
JAKOBUS II.                                             4 57
geërfd had, en het hooge kommando, dat hij in het leger der opstandelingen
bekleed had, zouden hem bij een rechtvaardig bestuur strafwaardiger heb-
ben doen voorkomen, dan Alice Lisle, dan William Hewling of één der
honderden onwetende landlieden, wier schedels en ledematen in Somerset-
shire ten toon hingen Maar Grey\'s goederen waren uitgebreid en waren
vast gezet. Hij bezat slechts levenslang het vruchtgebruik van zijn eigendom-
men en hij kon niet meer verbeuren, dan hij bezat. Stierf hij, dan gingen zijn
goederen op den naasten erfgenaam over. Werd hij begenadigd, dan was hij
in staat om een groot losgeld te betalen. Men liet hem derhalve zich uit-
koopen tegen een afgifte van een schuldbekentenis van veertigduizend p. st.
aan den lord-thesaurier en tegen voldoening van kleiner sommen aan andere
hovelingen \').
Cochrane. Sir Johan Cochrane had bij de schotsche opstandelingen denzelfden
rang bekleed, dien Grey in het Westen van Engeland gehad had. Het scheen
ongeloofelijk, dat Cochrane de vergiffenis zou verwerven van een vorst, die
voorbeeldeloos wraakzuchtig was. Maar Cohrane was de jongste zoon van een
rijk geslacht; geld was van hem slechts verkrijgbaar, als men hem spaarde.
Zijn vader, lord Dundonald, bood den priesters van het koninklijk huis een
geschenk aan van vijfduizend p. st., en genade werd verleend 2).
store)-. Samuel Storey, een bekend oproerstoker, die commissaris van het
leger der opstandelingen was geweest en de onwetende bevolking van So-
mersetshire aangevuurd had door hevige toespraken, in welke Jakobus een
brandstichter en giftmenger genoemd werd, erlangde genade. Want Storey
was in staat Jeffreys groote diensten te bewijzen bij het schandelijk uitplun-
deren van Prideaux, wien door deze twee eervergeten schelmen een som van
vijftienduizend pond werd afgeperst 3).
w,en\'Fe?gnMn!,ïh Niemand der verraders had minder aanspraak op gunst dan
Wade, Goodenough en Ferguson. Deze drie hoofden van den opstand waren
te zamen van het veld van Sedgemoor gevlucht en hadden behouden de kust
bereikt. Maar in de nabijheid der plek gekomen, waar zij zich hoopten in te
schepen, ontwaarden zij een kruisend fregat. Toen scheidden zij. Wade en
Goodenough werden spoedig ontdekt en naar Londen gebracht. Hoe diep
zij ook verwikkeld waren in het roggenhuis-komplot en ondanks de rol, die
zij onder de hoofden des opstands van het Westen gespeeld hadden, liet men
hen in het leven, omdat zij zaken konden aanbrengen, die den koning in staat
stelden sommige personen, die hij haatte, maar die men alsnog van geen mis-
daad had kunnen betichten, te dooden of van hun vermogen te berooven4).
Hoe Ferguson ontkwam is nog een raadsel. Van alle vijanden der regeering
was hij zonder eenige twijfel de allerstrafwaardigste. Hij was de oorspronke-
lijke aanlegger van den aanslag om de koninklijke broeders te vermoorden.
Hij was de steller dier verklaring, die in onbeschaamdheid, boosaardigheid
en leugenachtigheid door geen smaadschrift, zelfs van die stormachtige
\') Burnet, I, 646; Clarendon aan Kochester, 8 Mei 1686.
2)  Burnet, I, 634.
3)  Calamy\'s Gedenkschriften; Dagboek van het Huis de Gemeenten, 26 December
1690; Notulen van <len geheimen raad, van 26 Frebruari 1685—6.
») Handschriften van Lansdowne, 1152; Ilavleysche Handschriften 685. London-
Gazette, 20 Juli 1685.
-ocr page 482-
458                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
tijden, wordt overtroffen. Hij had eerst Monmouth aangespoord om den in-
val in het rijk te doen en vervolgens om de hand naar de kroon uit te stel;en.
Billijkerwijze moest men verwachten, dat er naar den aartsverrader, gelijk
hij dikwerf genoemd werd, een scherp onderzoek zou gedaan worden, en bij
zoodanig onderzoek zou het voor een man van zulk een eigenaardig voor-
komen en zoo kennelijken tongval moeijelijk zijn geweest te ontkomen. In
de londensche koffiehuizen werd ten stelligste verzekerd, dnt hij gevat was;
en dit b-richt werd geioofd door mannen, die uitmuntend in de gelegenheid
waren om de waarheid te vernemen. Het eerste, dat men daarop van hem
hoorde was, dat hij zich in veiligheid op het vasteland bevond. Er ontstond
een sterk vermoeden, dat hij in bestendige aanraking met het hoog bewind
was geweest, tegen hetwelk hij gestadig komplotten smeedde; dat hij, terwijl
hij zijn bondgenootcn tot de grootste onbezonnenheden aanspoorde, naar
Whitehall juist zooveel berichten had gezonden, als voldoende waren om
genade voor zijn leven te verwerven, en dat er derhalve bevel was gegeven
hem te laten ontvluchten \')
En thans had Jcffreys zijn werk volbracht en keerde hij terug om zijn be-
looning te vragen. Hij kwam uit het Westen te Windsor aan, dood, rouw en
verschrikking achter zich latende. De haat, die hem door de bevolking van
Somersetshire werd toegedragen, is zonder voorbeeld in onze geschiedenis;
deze was door geen verloop van tijd, door geen staatsveranderingen uit
te dooven, bleef zich nog lang van geslacht tot geslacht voortplanten, en
woedde hevig tegen zijn onschuldige nakomelingschap. Lange jaren na
zijn dood, toen zijn naam en zijn adelstitel verstorven waren, werd zijn
kleindochter, de gravin van Pomfret, op den grooten weg naar het Westen
reizende, door het gepeupel beleeJigd en vond zij, dat zij zich niet veilig
onder de nakomelingen dergenen wagen kon, ciie de bloedige assisci hadden
bijgewoond \').
Maar ten hove werd Jeffreys met warmte verwelkomd. Hij was een rech-
ter naar zijns meesters hart. Met belangstelling en verrukking had Jakobus
1) Veel schrijvers hebben, schoon zondereenigen grond, verzekerd, dat Jakobus
Ferguson begenadigd heeft. Sommige hebben zelfs ele ongerijmdheid begaan deze be-
genadiging (welke, indien zij al had plaats gehad, alleen bewezen zou hebben, dat
Ferguson een spion van het hof was) aan te voeren als een bewijs der grootmoedigheid
en der goedertierenheid van den vorst, die Alice Lisle onthoofden, en Elizabeth Gaunt
verbranden liet. Niet alleen verkreeg Ferguson geen speciale begenadiging, maar hij
werd zelfs met name van de amnestie uitgesloten, die in het volgende voorjaar verleend
werd. (Loudon-Gazette. 15 Maart 1685—6.) Indien, zoo als het publiek vermoedde en
gelijk ook waarschijnlijk is, hem vergiffenis geschonken werd, clan was dit een vergiffe-
nis, waarover Jakobus, niet zonder reden, zich schaamde, en die zoo veel mogelijk
geheim werd gehouden. De geruchten, die destijds in Londen gangbaar waren, zijn
vermeld in den Toeschonwer van I Augustus 1685.
Sir John Reresby, die goed onderricht geweest moet zijn, verzekert stellig, dat
Ferguson drie dagen na den slag van Scdgemoor gevangen werd genomen. Maar Sir
John heeft zich zeker vergist ten aanzien der dagteekeuing, en derhalve zou zijn geheel
verhaal ook wel eens onjuist kunnen zijn. Uit de London-Gozette, en de bekentenis
van Goodenough (handschriften van Lansdowne, 1152) blijkt duidelijk, dat Ferguson
veertien dagen na den sbg nog niet gevat was en ondersteld werd zich ergens in Enge-
land schuil te houden.
!) Grangers lliographische geschiedenis.
-ocr page 483-
459
JAKOBUS II.
zijn omtocht gevolgd. In zijn gezelschapszaal en aan tafel had deze dikwerf
van de slachting, die onder zijn misnoegde onderdanen werd aangericht, ge-
sproken met een vreugde, waar de vreemde ministers versteld van stonden.
Eigenhandig had hij verslagen gesteld van hetgeen hij luimig des lord-opper-
rechters veldtocht in het Westen noemde. Eenige honderd opstandelingen,
aldus schreef zijn majesteit naar \'s Hage, waren veroordeeld. Sommige had
men gehangen; daar zouden er nog meer gehangen, en de overige naar de
overzeesche volkplantingen gezonden worden. V\'ergeefsch was het, dat Ken
schriftelijk om genade smeekte voor het bedrogen volk en met roerende
welsprekendheid den vreeselijkcn toestand van zijn kerspel beschreef. Hij
klaagde, dat men niet langs de heirwcgen kon gaan zonder het een of ander
vreeselijk schouwspel te zien, en dat de lucht in Somersetshire overal door
een lijkreuk verpest was. De koning las het en bleef, zoo als Churchill ge-
zegd had dat hij was, hard als de harde schoorsteenmantels van Whitehall.
ki\'Euc\'Vè\'rUMe\'n. Te Winds<;r werd het groot-zegel van Engeland in handen van
Jeffreys gesteld en in de volgende London Gazette plechtig afgekondigd, dat
deze waardigheid ter belooning strekte voor de vele uitstekende en trouwe
diensten, door hem aan de kroon bewezen \').
In een later tijd, toen elkeen, onverschillig van welke partij, met afschuw
van de bloedige assisen sprak, trachtten de goddelooze koning en de godde-
looze rechter zich te rechtvaardigen door de blaam op elkander te werpen.
In den Tower betuigde Jeffreys, dat hij nooit, zelfs niet in zijn uiterste wreed-
heden, zijns meesters stellige bevelen had overschreden, ja, dat hij die zelfs
niet geheel was nagekomen. Jakobus had, toen hij zich te Saint-Gcrmain
bevond, wel willen doen gelooven, dat zijn eigen neiging tot goedertieren-
heid overhelde en de geweldenarijen van zijn minister hem onverdienden
smaad hadden berokkend Doch de een, zoo min als de ander dezer twee
hardvochtige mannen verdient te worden vrijgesproken. Wat ten gunste van
Jakobus is aangevoerd, kan blijkens schrift van zijn eigen hand bewezen
worden bepaald onwaar te zijn. De verdediging van Jeffreys, al ware zij in
de hoofdzaak gegrond, beteekent niets.
rr""*c"r\'i?iT"e De slachting in het Westen was gedaan; thans zou zij in Lon-
den beginnen. De regeering verlangde voornamelijk onder de groote whigs-
gezinde kooplieden der City slachtoffers te vinden. Deze hadden onder de
laatste regeering voor een goed gedeelte de kern der partij van tegenstand
uitgemaakt. Zij waren rijk en hun vermogen was niet, zoo als dat van vele
edellieden en landeigenaren, door erfrecht tegen verbeuring beschermd. In
het geval van Grey en van mannen, die zich in soortgelijke omstandigheden
bevonden, was het onmogelijk te gelijk wreedheiden roofzucht te bevredigen;
maar een rijk handelaar kon gehangen en geplunderd worden tevens. De
groote kooplieden echter, schoon over het algemeen het pausdom en de
willekeurige macht vijandig, waren echter te nauwgezet of te beschroomd
geweest om de f chuld van hoogverraad op zich te laden. Een der voornaam-
sten onder hen was Hcnry Cornish. Deze was onder het oude charter der
City alderman geweest en had het ambt van sheriff vervuld, toen het vraag-
\') Burnet I, 648; Jakobus aan den prins van Oranje, 10 en 24 Sept. 1685 ; Gedenk-
schriften van lord Lonsda\'e; London-Gazette, 1 October 1685.
-ocr page 484-
460                                    GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
stuk der uitsluiting de openbare aandacht bezig hield. In de staatkunde was
hij een Whig; zijn godsdienstige gevoelens helden tot presbyterianismeover;
maar hij was voorzichtig en gematigd. Het is door geen geloofwaardige ge-
tuigenis bewezen, dat hij zich ooit, ook zelfs van verre, met eenig verraad
zou hebben ingelaten. Ja, als sheriff was hij zelfs zeer ongenegen geweest
een man, zoo hevig en beginselloos als Goodenough, als zijn plaatsvervanger
te laten optreden. Toen het roggenhuis-komplot ontdekt werd, koesterde
men te Whitehall veel hoop, dat het blijken zou, dat Cornish daarin betrok-
ken zou zijn geweest; maar die hoop werd teleurgesteld. Een der samen-
zweerders, wel is waar, John Rumsey, was bereid alles te zweren; maar een
enkel getuige was ongenoegzaam, en er was geen tweede te vinden. Sedert
waren meer dan twee jaar verloopen. Cornish waande zich veilig; maar het
oog van den dwingeland was op hem gevestigd. Goodenough, verschrikt
door het naderend uitzicht op den dood en nog steeds wrokkend om de
ongunstige meening, die zijn voormalige superieur van hem had gevoed,
verklaarde zich bereid de getuigenis af te leggen, die tot dusverre had ont-
broken. Cornish werd in hechtenis genomen, terwijl hij aan de beurs zaken
deed, overhaast naar den kerker gesleept, daar eenige dagen eenzaam opge-
sloten gehouden en geheel onvoorbereid voor de balie van de Old-Bailey
rechtbank gebracht. De tegen hem ingestelde aanklacht berustte geheel en
uitsluitend op de getuigenis van Rumsey en van Goodenough. Deze waren
beiden luidens hun eigen bekentenis medeplichtig aan den aanslag, dien zij
den gevangene ten laste legden. Beiden werden zij door de hevigste aandoe-
ningen van hoop en vrees aangespoord om hem te bezwaren. Er werd boven-
dien bewijs geleverd, dat Goodenough ook door persoonlijke vijandschap
werd aangevuurd. Rumsey\'s verhaal was onbestaanbaar met het verhaal, dat
hij gedaan had, toen hij als getuige tegen lord Russell was opgetreden. Maar
\'t was ijdel, dat men dit alles aanvoerde. Op de bank der rechters zaten drie
mannen, die met Jeffreys in het Westen waren geweest; en zij, die hen gade-
sloegen, bemerkten dat zij in een grimmige en opgewonden stemming van
daar teruggekomen waren. Het is, helaas, slechts al te waar, dat de ge-
woonte zelfs menschen, van nature niet wreed, naar het storten van bloed
doet haken. De leden der balie en de leden der rechtbank wedijverden in
pogingen om den ongelukkigen Whig van zijn stuk te brengen en te over-
bluffen. De jury, door een hoofschen sheriff benoemd, werd het zonder veel
moeite eens voor een uitspraak van «schuldig"; en in spijt van het gemor
van verontwaardiging, door het publiek aangeheven, werd Cornish, tien
dagen na zijn gevangenneming, ter dood gebracht. Opdat niet een enkele
vernederende omstandigheid zou ontbreken, werd de galg opgericht aan
den hoek van Kingstreet en van Cheapside, tegenover het huis, waar hij
langen tijd in het genot der algemeene achting geleefd had, van de beurs, waar
zijn crediet altijd hoog had gestaan, en van Guildhall, waar hij zich als volks-
leider eervol had onderscheiden. Hij stierf moedig en vele vrome gevoelens
uitdrukkende, maar gaf tevens door woord en blik zoo veel verbittering te
kennen over de barbaarschheid, waarmede hij behandeld was, dat zijn
vijanden een lasterlijk gerucht te zijnen aanzien verspreidden. Zij zeiden,
dat hij öf dronken, of niet in het bezit zijner vermogens was geweest, toen
-ocr page 485-
461
JAKOBUS II.
hij gehangen werd. William Penn echter, die in de nabijheid der galg stond
en wiens meening geheel en al ten gunste van het bestuur was, zeide later,
dat hij in het gednig van Cornish niets anders had kunnen zien, dan de
natuurlijke verontwaardiging van een onschuldig man, die onder alle vor-
men des rechts vermoord werd. Het hoofd van den onrechtvaardig ter dood
gebrachten overheidspersoon werd boven Guildhall ten toon gestoken \').
«SSTvan Hoe verfoeijelijk dit geval ook mocht wezen, het was nog
E^Ü!a\'brth1GaTu°i!t. geenszins het schandelijkste, waardoor de zittingen der Old-
Bailey rechtbank van dit najaar onteerd werden. Onder de lieden, die in
het roggenhuis-komplot betrokken waren, bevond zich een man, James Burton
genaamd. Volgens zijn eigen bekentenis was hij tegenwoordig geweest, toen
de moordaanslag door zijn medeplichtigen werd besproken. Nadat de samen-
zwering ontdekt was, werd een belooning voor zijn gevangenneming uitge-
loofd. Een bejaarde doopsgezinde dame, Elizabcth Gaunt genaamd, redde
hem van den dood. Met de eigenaardige manieren en den eigenaardigen
spreektrant, waardoor haar sekte zich destijds onderscheidde, verbond deze
vrouw een ruime mate van menschlievendheid. Zij bracht haar leven door
in het verleenen van ondersteuning aan ongelukkigen van alle godsdienstige
gezindheden en was welbekend als een bestendige bezoekster der gevangenis-
sen. Haar staatkundige en godsdienstige gevoelens, evenzeer als haar mede-
lijdende aard, spoorden haar aan voor Burton te doen al wat in haar vermogen
was. Zij verschafte hem een boot, die hem naar Gravesend bracht, waar hij
aan boord van een schip ging, dat voor Amsterdam bestemd was. Op het
oogenblik der scheiding stelde zij hem een som gelds ter hand, die in ver-
houding tot haar vermogen zeer ruim was. Na eenigen tijd in ballingschap
te hebben doorgebracht keerde Burton met Monmouth naar Engeland
terug; hij streed te Sedgemoor, vluchtte naar Londen en zocht een schuil-
plaats in het huis van John Fernley, een barbier, wonende in Whitechapel
in de City. Fernley was zeer arm en door schuldeischers belegerd. Hij wist,
dat de regeering een belooning van honderd p. st. voor de gevangenneming
van Burton had uitgeloofd. Maar de brave man was niet in staat iemand te
verraden, die in het uiterste gevaar onder zijn dak een schuilplaats was
komen zoeken. Ongelukkigerwijze begon weldra rond verteld te worden, dat
de toorn van Jakobus grooter was tegen degenen, die rebellen bij zich op-
namen, dan tegen de rebellen zelve. Hij had openlijk verklaard, dat van alle
soorten van hoogverraad het verbergen van verraders voor zijn wraak de
minst vergeeflijke was. Burton wist dit. Hij stelde zich in handen der re-
geering en legde getuigenis aftegen Fernley en tegen Elizabeth. Zij werden
voor de rechtbank gebracht. De booswicht, wien zij het leven hadden gered,
had de hardvochtigheid en schaamteloosheid om als voornaamste getuige
tegen hen op te treden. Zij werden veroordeeld. Fernley werd tot de galg,
Elizabeth Gaunt tot den brandpaal verwezen. Zelfs na alle afgrijselijkheden,
die in dat jaar reeds hadden plaats gevonden, werd het door velen nog
onmogelijk geacht, dat deze vonnissen tot uitvoering zouden komen. Maar
\') Proces van Cornish in de Verzameling van staatsgedingen; Beschouwingen van
Sir J. Hawles over het proces van den heer Cornish; liurnet, I, 651; Moedige Assisen;
Wetten van het ie jaar van Willem en Maria.
-ocr page 486-
4Ó2                                GESCHIEDENIS VAN ENGELAND.
de koning kende geen medelijden. Fernley werd gehangen; Elizabeth Gaunt
te Tyburn levend verbrand op denzelfden dag, dat Cornish in Cheapside ter
dood werd gebracht. Zij liet een opstel na in geen sierlijken stijl geschreven,
wel is waar, maar dat evenwel door duizenden met deernis en ijzing gelezen
werd. »Mijn misdrijf," zeide zij, »was er een, dat een vorst wel had mogen
vergeven. Ik heb slechts een behoeftig gezin bijgestaan en ziet, daarvoor
moet ik sterven!" Zij klaagde over den overmoed der rechters, de ruwheid
des kerkermeesters, en de dwingelandij van hem, den grootsten van allen,
tot genoegen van wien zij en zoo veel andere ongelukkigen waren opgeofferd.
Voor zoo ver zij slechts haar zelve verongelijkt hadden, vergaf zij hun; maar
als onverzoenlijke vijanden dier goede zaak, die nog herleven en bloeijen
zou, liet zij hen over aan het oordeel van den koning der koningen. Tot
het laatste toe bleef zij een kalmen moed bewaren, die den toeschouwers
de heldhaftigste sterftooneelen herinnerde, waarvan zij in Fox hadden ge-
lezen. William Penn, voor wien tooneelen, die gewoonlijk door gevoelige
menschen vermeden worden, een sterk aantrekkingsvermogen schijnen ge-
had te hebben, spoedde zich van Cheapside, waar hij Cornish had zien han-
gen, naar Tyburn om Elizabeth Gaunt te zien verbranden. Hij verhaalde
later, dat al de omstanders in tranen waren uitgebarsten, toen zij het stroo
op zoodanige wijze om zich heen had gelegd, dat haar lijden daardoor verkort
zou worden. Het trok sterk de aandacht, dat, terwijl de vuigste gcrechts-
moord, zelfs van die slechte tijden, voltrokken werd, een storm opstak, zoo
als men sedert den grooten orkaan, die om het sterfbed van het protector
geloeid had, er geen beleefd had. De verdrukte puriteinen telden niet zonder
een sombere voldoening het getal op der huizen, die door den wind omver-
gerukt, der schepen, die in den storm vergaan waren, en vonden eenigen
troost in de gedachte, dat de hemel een ontzettende getuigenis had afgelegd
tegen de goddelooze daad, die de aarde had bedroefd. Sedert dien vreeselij-
ken dag heeft in Engeland om staatkundige misdrijven geen vrouw meer het
leven gelaten \').
PrTOn"latóSin.tie Men was van oordeel, dat Goodenough zijn gratie nog niet
volkomen verdiend had; de regeering was er op gesteld een slachtoffer van
geen hoogen rang, een chirurgijn in de City, Bateman genaamd, te doen
ombrengen. Hij had in zijn beroep Shaftesbury gediend en was een ijverig
uitsluitingsman geweest. Het is mogelijk, dat hij van het whigsche komplot
geweten heeft; maar het is tevens zeker, dat hij geen der voornaamste
samenzweerders is geweest; want in de groote menigte van afgelegde ge-
tuigenissen, destijds van wege de regeering in het licht gegeven, komt zijn
naam slechts eenmal voor, en zelfs die eene maal in geen verband met eenige
misdaad, die naar hoogverraad zweemde. Uit de acte van zijn beschuldiging
en uit het onvolledig bericht, dat van zijn proces is overgebleven, schijnt
het klaar, dat hij niet eens beschuldigd werd deel te hebben genomen aan
den moordaanslag op de twee koninklijke broeders. De hardheid, waarmede
een zoo gering persoon, die zoo weinig misdaan had, vervolgd werd, terwijl
\') Processen van Fernley en van Elizabeth Gaunt, in de Verzameling van staats-
gedingen; Iiurnet I, 649; De Bloedige Assisen; Gedenkschriften van Sir J. Barmston j
Dagboek vau Lutlrell, 23 October 16S5.
-ocr page 487-
463
JAKOBUS II.
hoogvcrraders, veel misdadiger en van veel voornamer stand dan hij, hun
vrijheid verwierven door tegen hem te getuigen, scheen eenige verklaring te
vorderen en er werd een onteercnde opheldering van het raadsel gevonden.
Toen Oatcs na zijn geeseling bewusteloos, en, naar men dacht, inden laat-
sten doodstrijd in Newgate werd binnen gebracht, had liateman hem ver-
bonden en een aderlating gedaan. Dit was een niet te vergeven misdrijf.
Bateman werd in hechtenis genomen en in staat van beschuldiging gesteld.
De getuigen, die tegen hem optraden, waren eerloozen, mannen, die eeden
aflegden om hun eigen leven te redden. Geen enkel hunner had alsnog zijn
gratie erlangd, en het volk placht te zeggen, dat zij, als tamme waterraven,
naar prooi visschende waren, met stroppen om den hals. De gevangene, door
ziekte uitgeput, was niet in staat te spreken of te verstaan wat er gesproken
werd. Zijn zoon en zijn dochter stonden naast hem voor de balie. Zij lazen,
zoo goed zij konden, eenige aanteekeningen, die hij had neergeschreven, en
ondervroegen zijn getuigen. Het mocht weinig baten. Hij werd schuldig be-
vonden, gehangen en gevierendeeld \').
m£ulSnnnu Nimmer, zelfs niet onder de dwingelandij van Laud, was de
d«i$Mcii"aïi\'ên^c toestand der puriteinen zoo beklagenswaardig geweest als in
dien tijd. Nimmer waren verspieders zoo onvermoeid bezig met het opsporen
van godsdienstige bijeenkomsten. Nimmer waren overheidspersonen, leden
der groote jury, rectors 2) en ouderlingen zoo waakzaam geweest. Vele afge-
scheidenen werden voor de kerkelijke rechtbanken gedagvaard. Anderen
vonden het noodig de oogluiking der handlangers van het bestuur te koopen
door geschenken van okshoofden wijn en van handschoenen met guinjes ge-
vuld. De afgescheidenen waren buiten de mogelijkheid gesteld om tot het
houden eener godsdienstoefening bijeen te komen, ten ware zij voorzorgen
namen, zoo als door valsche munters en door helers van gestolen goederen
tegen verrassing worden genomen. De plaatsen van bijeenkomst werden
dikwerf veranderd. De dienst werd nu eens vóór het aanbreken van den dag,
dan weder in het holst van den nacht verricht. Rondom het gebouw, waar
de kleine gemeente vergaderd was, waren wachters geposteerd om alarm te
maken, zoodra een vreemde naderde. De verkleede leeraar werd door den
tuin en de achterdeur naar binnen geleid. In sommige huizen waren val-
luiken gemaakt, door welke hij ingeval van nood zich kon neerlaten. Waar
afgescheidenen naast elkander in belendende huizen woonden, werden dik-
werf de muren doorgebroken en geheime doorgangen van de eene woning in
de andere gemaakt. Psalmen werden niet gezongen en men wendde allerlei
kunstmiddelen aan om te voorkomen, dat de stem des predikers, als hij in
oogenblikken van geestvervoering luider sprak dan gewoonlijk, tot buiten de
muren doordrong. Doch ondanks al deze voorzorgen bleek het dikwerf on-
mogelijk de waakzaamheid der verklikkers te ontgaan. In de voorsteden van
Londen voornamelijk werd de wet met de uiterste strengheid toegepast. Ver-
\') Batemans Proces in de Verzameling van staatsgedingen; Beschouwingen van Sir
John Ilawles. Het is de moeite waard de getuigenis, te dezer gelegenheid door Thomas
Lee afgelegd, te vergelijken met zijn vioeger op hoog bevel in het licht gegeven be-
kentenis.
\') Dominees van de staatskerk.
-ocr page 488-
464
GESCHIEDENIS VaN ENGELAND.
scheiden vermogende heeren werden beschuldigd conventikels te houden.
Hun huizen werden nauwkeurig onderzocht, en geldboeten van hen geheven
ten bedrage van veel duizenden ponden. De heftiger en stouter sektarissen,
aldus beroofd van de beschutting van daken, kwamen onder den vrijen hemel
bijeen en besloten geweld met geweld te keeren. Ken vrederechter van Mid-
dlesex, vernomen hebbende dat een nachtelijke bidvergadering gehouden
werd in een zandgroeve, ongeveer twee mijl van Londen, nam een sterke
afdeeling gerechtsdienaren mede, overviel de vergadering en nam den pre-
diker gevangen. Maar de toehoorders, uit ongeveer twee honderd man be-
staande, stelden weldra hun herder weder in vrijheid en dreven den rechter
en diens beambten op de vlucht\'). Dit echter was geen alledaagsch voorval.
Over het algemeen scheen de puriteinsche geest in dit tijdsgewricht zoo ge-
heel nedergedrukt, als ooit vroeger of later het geval is geweest. De tory-
gezinde vlugschrift-schrijvers pochten, dat niet ée\'n dweper het waagde het
woord of de pen te voeren ter verdediging van zijn godsdienstige stellingen.
Afgescheiden leeraars, hoe vlekkeloos hun wandel, hoe uitstekend hun kun-
digheden en bekwaamheden mochten zijn, waagden het niet langs de straten
te gaan uit vrees voorbeleedigingen, die door hen, wier plicht het geweest was
de orde te handhaven, niet alleen niet tegengegaan, maar zelfs aangemoedigd
werden. Sommige geestelijken van grooten naam, en onder deze Richard
Baxter, waren ingekerkerd. Anderen, die sedert een vierde van een eeuw alle
onderdrukking getart hadden, verloren nu den moed en verlieten het ko-
ninkrijk. Onder deze bevond zich John Howe. Een groot aantal personen, die
gewoon waren geweest conventikels te bezoeken, begaven zich nu naar de
parochiale kerken. Er werd opgemerkt, dat de scheurmakers, die aldus door
schrik tot deze schijnbare overeenstemming met de staatskerk gedreven
waren geworden, licht te onderscheiden waren aan de moeite, die zij hadden
om het gebed van den dag te vinden en aan de stijve manier, waarop zij bij
den naam van Jezus het hoofd bogen !).
Nog na vele jaren bleef de herfst van 1685 bij de afgescheidenen in het
geheugen als een tijd van ellende en van verschrikking. In dienzelfden herfst
evenwel werden ook de eerste flauwe voorteekenen zichtbaar van een groote
verandering; en eer achttien maanden verloopen waren, boden de onver-
draagzame koning en de onverdraagzame kerk ijverjg tegen elkander op ten
einde de ondersteuning der partij te erlangen, die zij beiden zoo zwaar ver-
ongelijkt en verdrukt hadden.
») Van Citters, 13—23 Üctober 1685.
\') Neale\'s Geschiedenis der puriteinen, Calmy\'s opgaven nopens de verdreven leer-
aren, en het gedenkschrift der non-conformisten bevatten overvloedige bewijzen voorde
strengheid der vervolging. Ilowe\'s afscheidsbrief aan zijn kudde komt voor inde levens-
beschrijvingvan dien grooten man, door dén heer Rogers uitgegeven. Howe klaagt, dat
hij \'t niet wagen kon zich in de straten van Londen te vertoonen en zijn gezondheid ge-
leden had door gebrek aan lucht en aan beweging. Maar het levendigste beeld van den
nood der non-conformisten is geschilderd door de hand van hun doodvijand, Lestrange,
in de Opmerker van September en October 1685.
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.