-ocr page 1-
-ocr page 2-
w\\ m 11>9??
-ocr page 3-
&*<-/■£ $L£sïU/
J^V
JL
!><•
n
-ocr page 4-
-ocr page 5-
\\
A. M. KOLLEWIJN Nz.
DE OUDHEID.
-ocr page 6-
o\\
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029406455B
2940 645 5
-ocr page 7-
-u
DE OUDHEID
(Kleio)
IN SCHETSEN EN VERHALEN
DOOR
A. M. KOLLEWIJN Nz.
Tweede, geheel herziene en vermeerderde uitgave.
?M
lol
Met Platen.
\'***         \'ij-- i
■w
tni.lOTI^r-^ DER
VA
:J. :-U.w4.e^SlTEIT
. /N
UTRECHT
\'<t
COU. THOMAAS86 J
RNHEM -
- Nijmegen,
^V/KmSV\'\'
Tïebr. E. & M. COHEN.
-ocr page 8-
w
I
t
-ocr page 9-
Ce Chineezen.
Oud of eigenlijk. China is een uitgestrekt gebied, aan
drie kanten door hooge woeste bergen en woestijnen van
andere landen afgesloten, terwijl de door ondiepten om-
zoomde kust evenmin als de wildstroomende hoofdrivier
Hoang-ho een minder beschaafd volk tot scheepvaart
kan uitlokken.
Brengen wij hiermede in verband, dat de vlakte vrucht-
baar is en het bergland rijk aan delfstoffen, dan behoeft
het geene verwondering te wekken, dat de Chineezen zich
ruim vier duizend jaren lang zonder eenigen beduidenden
invloed van andere volken te ondervinden, op eene eigen-
aardige en van andere beschaafde staten zoo verschillende
wijze hebben ontwikkeld en zich met de Europeanen eerst
tegen het midden dezer eeuw, maar door geweld gedwon-
gen, eenigszins meer hebben ingelaten. Intusschen hebben
de bewoners van Oud-China niet alles van vreemde volken
geweerd. Bij de voedingsgewassen, die hun land opleverde,
zooals erwten, boonen, uien, knoflook, meloenen en augur-
ken, namen zij van Mongoolsche stammen rogge, haver
en boekweit over en sedert de ontdekking van Amerika
maïs, aardappelen en tabak, terwijl hunne oorspronkelijke
huisdieren, varkens, kippen, koeien, schapen, paarden en
honden, allengs vermeerderd zijn met kameelen, ezels
en geiten.
Van het half historische tijdperk, dat met het jaar
-ocr page 10-
6
2357 v. C. begint en in 552 v. C. met Kong-foe-tse
(Confucius) eindigt, is slechts weinig bekend. Komende
van het Kuenlungebergte verdrongen de Chineezen het
volk der Miao-tse naar het Zuiden en vestigden zij zich
in de vruchtbare vlakte aan den benedenloop van den
Hoang-ho. Opmerkelijk is het, dat de Miao-tse toen reeds
ijzeren zwaarden en bijlen bezaten en de Chineezen zich
nog van steenen wapenen bedienden. Sedert de tijden
van Yu, den stichter der eerste dinastie, (2000 v. C.)
waren de Chineezen met alle metalen, die hun land
opleverde, bekend. Zij verwerkten echter alleen koper,
goud en zilver. De kunst om het weeke ijzer te harden,
leerden zij eerst twee en eene halve eeuw v. C. Voor
dien tijd bedienden zij zich gedurende negen eeuwen van
brons, een mengsel van koper en tin, dat bij langzame
afkoeling meer hardheid bezit dan niet gehard ijzer.
Evenals andere volken hebben de Chineezen in hun
ontwikkelingsgang vele staatkundige woelingen moeten
doorworstelen. Het verzwakken der keizerlijke macht
had het ontstaan van afzonderlijke kleine, veelal roofstaten
ten gevolge, totdat onder de Tsin-dinastie de keizers zich
weer krachtiger dan ooit wisten te doen gelden. De voor-
naamste hunner was Shi-hoang-ti, onder wiens regeering
het rijk door kolonisten op vreedzame wijze met Zuid-
China werd vergroot (214 v. C.) De bestrijding van Ta-
taarsche volken droeg hij aan zijn veldheer Moeng-tien op,
die hun het in de groote bocht der Hoang-ho gelegen
landschap, thans Ordas genaamd, ontrukte en sedert 213
v. C. liet hij, om zijn rijk tegen invallen te beveiligen,
den bouw van den bekenden grooten muur, waarvan reeds
hier en daar gedeelten bestonden, voortzetten. Toen de
Mongolen in de XIIIde eeuw n. C. China veroverd hadden
geraakte de muur in verval, doch na hunne verdrijving in
1368 werd hij herbouwd. In het midden der XVIIde
eeuw n. C. maakten de Mandschoes zich van de heer-
schappij in China meester en namen zij de hoogere bescha-
-ocr page 11-
7
ving der Chineezen over. Sedert dien tijd is de gewoonte
ontstaan om de haar vlecht (staart) te dragen. De muur
had nu, als binnen het rijk gelegen, geen reden van be-
staan meer en verviel meer en meer. Ten N. van Peking,
waar de muur nog vrij goed is, bestaat hij uit steenen
borstweringen, verder westwaarts uit metselwerk; van
Kalgan tot dicht bij de Hoang-ho uit een dam van losse
steenen en nog verder op uit een aarden wal.
De taal der Chineezen bevat slechts eenlettergrepige stam-
woorden, en ofschoon zij verbuiging noch vervoeging kent,
is zij niet alleen gebruikt kunnen worden voor den dage-
lijkschen omgang, maar ook voor gedichten, romans,
tooneelspelen en wijsgeerige geschriften.
Eer het schrift bij de Chineezen ontstaan was, legden
zij knoopen in draden om het ontrouwe geheugen te hulp
te komen. De eerste schrede op den weg om tot schrijven
te geraken, bestond in het vluchtig nateekenen van het
aanschouwde. Later ging men er toe over voor een be-
paald woord een vast teeken aan te nemen, maar de Chi-
neezen hebben het niet zoover gebracht om ieder woord
in zijne spraakklanken te ontleden, zoodat zij tot heden
bij het schrijven geen letterteekens, maar woordteekens
gebruiken. Het Chineesche schrift leent er zich of niet,
of slechts gebrekkig toe om woorden uit andere talen
over te nemen, te meer omdat in hunne taal de spraak-
klanken b, d, g en r niet voorkomen. De Chineezen kun-
nen den naam Boedha wel uitspreken, maar, bij gemis
aan teekens voor de klanken boe en dha, niet schrijven.
Daarom gebruiken zij teekens, die genoemde klanken
eenigszins naderenen schrijven den naam Boedha als Fo-to.
De reden, dat de beschaving der Chineezen zoo anders
is ontwikkeld dan bij de Europeanen, is vooral daarin te
zoeken, dat zij zich zooveel minder hebben beziggehouden
met het zoeken naar het oorzakelijk verband der dingen.
Veel zaken hebben zij vroeger uitgevonden dan andere
volken, maar hunne uitvindingen waren meer het gevolg
-ocr page 12-
8
van het toeval dan van een zoeken naar eene nieuwe
verbinding van bekende gegevens.
Tot op heden is het patriarchaal beginsel, onvoorwaar-
delijke gehoorzaamheid aan het bevel eens vaders, de
grondslag van de maatschappij en den staat der Chineezen.
Daarop berust ook de macht des keizers, als de vader van
het rijk. De burgelijke overheid deed en doet zich hoofd-
zakelijk gelden door zedelijken invloed, want het aantal
soldaten is in vergelijking van het overgroot aantal mil-
lioenen burgers te allen tijde zeer gering geweest. Een
Een dief door politie-agentcn door de straten geleid.
nadeel van dezen toestand is, dat de mandarijnen of over-
heidspersonen de middelen missen om zich te handhaven,
wanneer het gepeupel met geweld optreedt en dat de zucht
der Chineezen tot het vormen van geheime genootschap-
pen herhaaldelijk aanleiding heeft gegeven tot opstanden.
Reeds in overoude tijden was in China de politie en
het paswezen tot in bizonderheden geregeld, verder werd
de jachttijd ter voorkoming van het uitroeien van het
wild gedurende een bepaalden tijd des jaars gesloten en
bestonden er verbodsbepalingen tegen het uithalen van de
-ocr page 13-
9
nesten der zangvogels, het dragen van wapenen en het
onstuimig rijden door de straten. Ruim 2000 j. v. C.
gehruikten de Chineezen de paarden reeds als rij- en trek-
dieren. De zijde-cultuur is hun sedert duizenden jaren
bekend ; grof aardewerk gebruikten zij reeds in den oudsten
tijd, porcelein eerst sedert de tweede eeuw v. C. In
diezelfde eeuw begonnen zij den wijnstok aan te kweeken,
maar zeer veel vroeger bezaten zij reeds een bedwelmenden
drank, uit rijst of gierst bereid, en de oudste schriftelijke
oorkonden der Chineezen bevatten al klachten over dron-
kenschap. Bij heelkundige operaties werden in de derde
eeuw n. C. reeds hennip-preparaten als verdoovingsmid-
delen gebruikt. De theestruik hebben de Chineezen eerst
kunnen aankweeken, toen de grenzen van hun rijk zich
zuidwaarts hadden uitgebreid. Eerst diende de thee als
geneesmiddel, omstreeks den aanvang onzer jaartelling-
begon zij volksdrank te worden. Aanvankelijk schreven
de Chineezen op tafeltjes van bamboe. Merkwaardige
gebeurtenissen werden wel op metaal gegrift. Anderhalve
eeuw v. C. werd het bereiden van papier uitgevonden: dat
van den Oost-Indischen inkt uit lamproet en lijm eerst
omstreeks drie eeuwen n. C. Veel eerder dan de Europe-
anen hebben de Chineezen het buskruid, dat zij echter
alleen voor vuurwerk gebruikten, en de boekdrukkunst
gekend. Wegens de eigenaardigheid van hun schrift heb-
ben de Chineezen geen gebruik kunnen maken van losse
drukletters. Zij zijn het eenige volk, dat leest en schrijft
zonder de spelkunst te hebben uitgevonden.
Reeds vroeg hebben zij de sterrenkunde beoefend en
sedert het jaar 121 n. C. was het hun bekend, dat de
magneetnaald het Noorden aanwijst. Tot eene toepassing
van die kennis zijn zij echter niet gekomen en daarom
strekte hunne zeevaart zich niet verder uit dan Japan,
de Philippijnen en Java; waartoe zij gebruik konden
maken van de moesons.
Muntstukken hebben de Chineezen duizenden jaren
-ocr page 14-
10
lang niet gebruikt, maar papieren geld was reeds eene
eeuw v. C. bij hen in omloop. In het rekenen met het
tientallig stelsel zijn zij steeds vlug geweest, ofschoon
Do Tempel des Hemels te Peking.
zij niet op het denkbeeld zijn gekomen van de cijfers, die
naast eene volstrekte ook nog eene plaatswaarde hebben.
Zij zijn echter de uitvinders van het op onze scholen zoo
-ocr page 15-
11
bekende rekenraam, en bij het uit \'t hoofd rekenen ge-
bruiken zij de geledingen van de vingers der linkerhand,
waarbij zij aan iederen volgenden vinger, te beginnen
met de pink, eene hoogere decimale waarde toekennen.
In \'t geheel kunnen zij daarmede tot 99,999 tellen.
Hunne tijdsindeeling was ook tiendeelig en door ervaring
hadden zij geleerd, dat het vierkant op de schuine zijde
van een rechthoekigen driehoek gelijk is aan de som der
vierkanten op de beide rechthoekszijden.
De oude volksgodsdienst der Chineezen heeft zich ont-
wikkeld uit het bij nog veel volken van Azië bestaande
Sjamanisme en berust op de vereering van zon, maan,
sterren, Hemel, Aarde, bergen, rivieren, en andere in de
natuur opvallende zaken, alsmede in die der geesten van
de overleden voorvaderen. De gansche natuur is bezield
door geesten, aan welke men evenals aan den Hemel en
de Aarde, die samen alles hebben voortgebracht, offers
moet opdragen. Zoo zijn er drie grond wezens, Hemel,
Aarde en mensch. De vereering der zielen van afge-
storvenen heeft zich het meest ontwikkeld. Eene open-
baring wordt niet erkend, alles wordt beheerscht door
heilige onveranderlijke natuurwetten. Er is geen priester-
stand en daarom ook geen vast stelsel van dogmaas. Deze
volksgodsdienst, die tot het jaar 1884 de officiè\'ele was
in China, ontwikkelde zich allegns door wijsgeerige ge-
schriften, die de beginselen bevatten van het godsdienstig
en staatkundig leven, alsmede van het bijgeloof, waardoor
zulk een grooten invloed wordt uitgeoefend op de hande-
lingen des volks. De voornaamste der Chineesche wijs-
geeren is Kong-foe-tse (549-577). Zijne leer houdt zich
volstrekt niet op met het Opperwezen of de onsterfelijk-
heid, maar is niets anders dan eene zedenleer, die voor-
namelijk het welzijn der maatschappij beoogt en waarvan
hij de grondgedachte heeft uitgedrukt met de woorden:
«Wees rechtschapen van harte en heb uw naaste lief als
uzelven".Hoezeer de inhoud dezer woorden bij Kong-foe-tse
-ocr page 16-
-ocr page 17-
13
verschilt van dien, -welken Christus er later aan gaf, kan
uit het volgende blijken. De Chinees leert, dat men wel-
willendheid met welwillendheid, en onrecht met gerech-
tigheid moet beantwoorden en uit dit laatste beginsel
leidde hij den plicht der bloedwraak af. Om van de las-
tige bezoekers verschoond te blijven, gaf hij zich soms
voor ziek uit, en toen hij eens eene gelofte had geschon-
den en men er hem opmerkzaam op maakte, gaf hij ten
antwoord, dat zij hem was afgedwongen en dat de geesten
eene afgeperste belofte niet hooren.
Kong-foe-tse was een welgesteld man, die vroeg zijn
vader had verloren en onder de leiding zijner voortreffelijke
moeder al zijne krachten inspande om zijne kennis te ver-
meerderen, teneinde later in staat te zijn het welzijn van
zijne medemenschen te verhoogen. Te zijnen tijde was
China in dertien groote vorstendommen en eenige roof-
staten verdeeld. Door wijsheid en rechtschapenheid won
Kong-foe-tse zoozeer de algemeene achting, dat hem door
den vorst van het staatje Loe, waarin hij geboren was, eene
gewichtige staatsbetrekking werd opgedragen. Terstond
ging hij met kracht aan \'t werk om een einde te maken
aan de tallooze misbruiken, die op het platteland bij den
landbouw en de veeteelt heerschten. Hij wist de einde-
looze geschillen over de gemeenschappelijke weiden te
doen ophouden en bracht zooveel verbeteringen aan, dat
na verloop van vier jaren de veestapel en de voortbrengse-
len van den grond aanzienlijk waren vermeerderd en
de algemeene welvaart in Loe allerwegen was toe-
genomen.
De dood zijner moeder noodzaakte hem, zijne be-
trekking neder te leggen, want volgens Chineesch ge-
bruik mocht hij gedurende den rouwtijd geen open-
baar ambt bekleeden. Drie jaar lang wijdde hij zich
nu weder aan de studie en ontving hij allen, die on-
derricht van hem begeerden. Een paar staaltjes mogen
eenig denkbeeld geven van zijne lessen. -De perso-
-ocr page 18-
14
nen, die men genegenheid toedraagt, beminnen en toch
hunne gebreken erkennen, en de personen die men haat,
haten en niettemin hunne goede hoedanigheden waar-
deeren is moeielijk maar plichtmatig". «Hoezeer is het
te betreuren, dat de rechte weg niet gevolgd wordt! Maar
hij is niet voor iedereen. De menschen, die eene krachtige
deugd bezitten, overschrijden hem; zij die zwak van
deugd zijn bereiken hem niet". Wie ontbloot is van
menschlievendheid kan in de armoede niet lang deugdzaam
blijven en evenmin in den overvloed en de vermaken".
Niet lang nadat Kong-foe-tse op het graf zijner ouders
de rouwkleederen had afgelegd, werd hij door den vorst
van den naburigen staat Tsi uitgenoodigd om zich daar te
komen vestigen met de verzekering, dat hij er groot nut
zou kunnen stichten. Hij voldeed aan het verzoek, vormde
er zich eene schare belangstellende leerlingen en klom
voortdurend in de gunst des genotzuchtigen konings, die
hem gaarne hoorde, maar te weinig karakter bezat om
zijne lessen op te volgen. Toen de vorst hem als bewijs
van onbegrensden eerbied eene der steden des rijks in
eigendom aanbood, weigerde Kong-foe-tse het geschenk.
Zijne leerlingen, meenende dat hier hoogmoed in \'t spel
was, keurden die weigering af en dit ontlokte Kong-foe-tse
het volgende antwoord: »Gij kent mij niet, indien gij
meent, dat ik het aanbod van den vorst uit hoogmoed
afwijs, en de vorst nog minder, indien hij gelooft, dat ik
in Tsi ben gekomen om tijdelijk voordeel te behalen. Reeds
een jaar ben ik hier en nog zijn hij en zijn hof even wuft
en lichtzinnig, als toen ik hier kwam. Indien hij wil leven
overeenkomstig den eenvoud en de goede zeden onzer
wijze voorvaderen, die ik hem zoo dikwijls tot voorbeeld
heb gesteld, indien hij met ernst en nadruk wil arbeiden
aan de hervorming van de menigte misbruiken, die ik
niet kan zien zonder van schaamte over hem te blozen,
dan zal ik ook met erkentelijkheid zijne giften aannemen".
Ofschoon de vorst aan Kong-foe-tse de hoogste achting toe-
-ocr page 19-
15
droeg en de juistheid van diens vermaningen moest erken-
nen, was hij te zwak om de banden van de wellust, die
hem omstrikt hadden, te verbreken. De wijsgeer, het
vruchtelooze van zijn pogen inziende, keerde naar Loe te-
rug, en werd door den vorst weder aan \'t hof geroepen.
Deze stierf en zijn opvolger was te weifelend en te zinne-
lijk van aard om op den duur den wijzen raad van Kong-
foe-tse te kunnen volgen, die daarom zijn ontslag nam en
vergezeld van een aantal leerlingen door verschillende vor-
stendommen reisde om er de menschen hunne huiselijke en
maatschappelijke plichten voor te houden. Na veertien
jaren gezworven te hebben, keerde hij naar Loe terug,
legde er de laatste hand aan zijne geschriften en ontsliep
toen kalm, teleurgesteld door den geringen invloed zijner
lessen en zonder hoop op betere tijden. Toch liet de vorst
van Loe een tempel ter vereering van den grooten wijs-
geer oprichten, welk voorbeeld allengs op andere plaatsen
werd gevolgd. Tot aan de afschaffing van den staatsgods-
dienst in 1884 vond men in elk district van China een
tempel aan Kong-tse gewijd en in ieder school vertrek hangt
een bord met zijn naam, waarvoor de leerlingen op gezet-
te tijden wierook branden.
Maar eene eeredienst zonder priesterstand en dogmatiek,
die niet verder reikt dan het aardsche, kan de massa des
volks met zijne verscheidenheid van behoeften en van aan-
leg des gemoeds niet bevredigen. Het Tao en het Boed-
haïsme hebben dan ook in China grooten bijval gevonden.
De Stichter van het Tao is een tijdgenoot van Kong-foe-
tse, bekend onder den naam van Lao-tse. Hij predikte een
hoogste wezen, dat de stoffelijke wereld geschapen heeft,
en dat men moet dienen door reinheid des harten en heer-
schappij over zinnelijke lusten. In strijd met Kong-foe-tse
leerde hij beslist de onsterfelijkheid der ziel en evenals de
Boedhaïsten drong hij aan op zachtmoedigheid en lijdzaam-
heid. Langzamerhand is de secte zeer ontaard, daar hare
priesters er zich op zijn gaan toeleggen aan de geloovigen
-ocr page 20-
1(1
<le toekomst te voorspellen en herstel van ziekten tebezor-
gen door het hezweren van booze geesten. Later heeft het
uit Indië ingevoerde Boedhaïsme het Tao ver overvleugeld,
maar wegens het groote verschil in geaardheid tusschen
Indiërs en Chineezen is het bij laatstgenoemd volk eigen-
aardig gewijzigd.
Twee eeuwen na Kong-foe-tse trad Meng-tse als wijs-
geer op. Zijne geschriften handelen hoofdzakelijk over re-
geering en geregeerden en over\'s menschen zedelijke na-
tuur. De daarin nedergelegde regeeringsbeginselen zijn
nog heden gezaghebbend in alle godsdienstige, staatkundi-
ge en commerciëele vraagstukken. Op het gebied der ze-
delijkheid ging hij uit van de stelling, dat de menschelijke
natuur oorspronkelijk goed, en dat medelijden aan alle
menschen gemeen is. Hij leerde: «Een medelijdend hart
is het beginsel der menschlievendheid; het gevoel van
schaamte en afkeer is het beginsel der billijkheid en recht-
vaardigheid ; het gevoel van verloochening en eerbied is
DO                                                                C
het beginsel der maatschappelijke gebruiken; het gevoel
voor waarheiden rechtvaardigheid is het beginsel der wijs-
heid."
Op het gebied der staatkunde acht hij bet volk het voor-
naamste element eener natie, dan volgt het rijk en in de
derde plaats de vorst. Hoe de verschillende klassen van
menschen elkander noodig hebben, drukte Meng-tse op de
volgende wijze uit, "Sommige zaken worden door uitste-
kende personen, andere door gewone menschen verricht.
Iemand, die den grond bebouwt, verkrijgt door den ruil-
handel de voorwerpen, die werklieden van verschillende
soort voortbrengen; moest hij ze zelf vervaardigen, zoo had
hij nooit gedaan. Daarom wordt er gezegd : Sommigen ar-
beiden met hun verstand, anderen met hunne handen. Zij,
die met hun verstand arbeiden, regeeren de anderen, en
worden door dezen gevoed !" Op de volgende wijze bepleit
hij de belangen der mindere klassen: "Gebrek hebben aan
de zaken, welke voor het leven aanhoudend noodzakelijk
-ocr page 21-
17
zijn, en nochtans steeds eene gelijkgestemde en deugdzame
ziel behouden, is iets, dat alleen in de macht slaat van
inenschen, wier beschaafd verstand zich boven het alle-
daagsche heeft verheven, ^"at het gewone volk betreft,
indien dat de dingen derft, welke voor hel leven onophou-
delijk noodig zijn, zou mist het ook eene steeds gelijkma-
tige en deugdzame ziel. Indien het dan tot de misdaad ver-
valt door zich tegen de wetten te verzetten, stelt men ver-
volgingen in en worden lijfstraflën toegepast. Dat is het
volk met netten vangen. Zcu een vorst, die in waarheid
de deugd der menschlievendheid bezit, zoo laag kunnen
wezen om het volk aldus met netten te vangen?
Tirannenmoord en het onttronen van een vorst vergoe-
lijkte Meng-tse aldus. Toen eens ter sprake kwam, dat
de vorst Tshing-thang van den troon was gestooten en
dat Woe-wang den vorst Choesin had vermoord, werd tot
Meng-tse de vraag gericht of een staatsdienaar of een on-
derdaan het recht had zijn vorst te onttronen of te dooden,
en hierop gaf hij ten antwoord: » Wie de deugd verkracht
is een roover; wie het recht verkracht, een tiran. Een
roover en een tiran zijn altijd bizondere personen. Ik heb
gehoord, dat Woe-wang een bizonder persoon, Choe-sin
genaamd, heeft omgebracht, niet dat hij zijn vorst heeft
vermoord."
Van oudsher is de volksbeschaving in China in hooge
eere gehouden. De staatsburgers zijn er in vier klassen in-
gedeeld: geleerden , landbouwers, handwerkslieden en koop-
lieden. Onder de staatsburgers of fatsoenlijke lieden wor-
den niet gerekend: scherprechters, dienstboden, tooneel-
spelers, publieke vrouwen en alle personen, die geen be-
paald thuis hebben. De stand der geleerden vormt den
streng persoonlijken adel, uit welken de ambtenaren voor
de openbare betrekkingen worden gekozen. Ieder kan in
den geleerden stand worden opgenomen, als hijdevereisch-
te kundigheden heeft opgedaan en daarvan door het afleg-
gen van een examen het bewijs heeft geleverd. De armoe-
-ocr page 22-
18
de wordt niet veracht en sluit niet uit van eeramblen,
zooals dal in Europa soms pleegt te geschieden. Terwijl de
algemeen beschaving der Chineezen die van de Europee-
sche volken in menig opzicht voor is geweest en gebleven,
kan dit niet gezegd worden van de wetenschappen. De na-
tuurlijke aanleg der Chineezen richt hunne aandacht slechts
op dadelijk nut, en al hunne uitvindingen en ontdekkin-
gen zijn niet zooals veelal bij de Westersche volken het
gevolg van wetenschappelijke vorming en navorscbing,
maar van praktische handgrepen en verbeteringen. De
Chineezen hebben eene uitgebreide en belangrijke littera-
tuur. Verheven dichtwerken van grooten omvang komen
er echter niet in voor.
Een gelukkig huiselijk leven acht de Chinees in \'t alge-
meen het hoogste goed. Menig geslacht kan zijne afkomst
van duizend en meerjaren v. C. bewijzen: de nog heden
talrijke leden van het geslacht Kong-foe-tse o. a. vanll21
v. C. Toch heeft erin China sedert de vroegste tijden eene
schandelijke onzedelijkheid geheerscht.
Zagen wij reeds, dat bij de grootste Chineesche wijs-
geeren naast de verhevenste zedenleer daden en uitspra-
ken voorkomen, die wij moeten afkeuren, dan kan bel
niet verwonderen, dat wij bij Oscar Peschel lezen: ȕlel
zedelijk karakter der Chineezen is een boek, geschreven
met vreemde letters, die nog moeielijker te ontcijferen zijn
dan hunne eigenaardige, samengestelde teekens, die als
geschreven woorden dienst doen. Bij hetzelfde individu
komen tegelijk deugden en ondeugden voor, dieschijnbaar
niet te vereenigen zijn. Zachtzinnigheid, innemendheid,
leerzaamheid, vlijt, tevredenheid, opgeruimdheid, gehoor-
zaamheid aan zijne meerderen, onderdanigheid jegens
de ouders en eerbied voor bejaarden gaan bij denzelfden
persoon gepaard met onoprechtheid, leugenachtigheid,
vleierij, valschheid, wreedheid, jaloerschheid, ondank-
baarheid, gierigheid en wantrouvendheid. De Chineezen
zijn een zwak en vreesachtig volk, en daarom nemen
zij vaak hunne toevlucht tot list en bedrog".
-ocr page 23-
19
II. De Arifirs en de Eraniërs.
De vergelijkende taalkunde en mythologie hebhen uit-
gemaakt, dat de Hindoes, Perzen, Grieken, Romeinen,
Kelten, Slaven en Germanen, gezamenlijk Indo-Germanen
genoemd, afstammen van een volk, aan hetwelk door de
geleerden dezer eeuw de naam van Ariërs is toegekend.
Eer de Ariërs zich, misschien door overbevolking, in
de afdeelingen splitsten, waaruit de genoemde volksstam-
men zijn ontstaan, bezaten zij eenige grondslagen van
beschaving, die door de scheidenden als erfgoed naar den
vreemde zijn meegenomen. Zij kenden veld en vee, huis
en hof, zelfs dorpen, en bezaten een aantal huisdieren, die
wij nog gebruiken ; het rund, het paard, het schaap, de
geit en het varken, de eend en de gans en reeds bewaakte
de trouwe hond het erf van zijn meester. Met den ploeg
werd de akker bewerkt en het graan tusschen steenen
gemalen; maar de spijzen werden nog niet met zout
bereid. Sieraden werden van goud en zilver, wapenen
van brons gemaakt.
De vrouw nam in het huisgezin eene plaats in, die de
veelwijverij uitsloot. Terwijl zij voor de huishouding
zorgde en daarbij spon, weefde en naaide, nam de man
den krachteischenden arbeid op zich. Yan eene staats-
inrichting was bij ben nog geen sprake. Wel stond aan
\'t hoofd van iederen stam een aanvoerder of koning, maar
zijne macht was zeer beperkt en de samenhang der ver-
schillende stammen zeer losjes. De persoonlijke onafhan-
kelijkheid van de hoofden der gezinnen schijnt zeer groot
te zijn geweest.
De verschijnselen en krachten in de natuur, die vrees
opwekten of tot dankbaarheid stemden, werden opgevat
als hoogere wezens, kinderen van den Hemel (Dvaus) en
de Aarde. Van die goddelijke wezens, Ssura\'s (levenden
of geesten) en deva\'s (lichtenden), waren de voornaamste;
de gestrenge Varuna (hemelgod) en Mitra (lichtgod) en
-ocr page 24-
20
de vriendelijke Aryaman, de vruchtbaar makende zonne-
god. Dit Arische geloof ontwikkelde zich bij de Eraniërs
(Perzen) en Hindoes op verschillende wijzen.
De Eraniërs namen na hunne afscheiding al spoedig
Toeranische denkbeelden in hun godsdienst op en zoo
ontstond hij hen het Mazdaïsme of Parzisme, dat doorzijne
belijders wordt toegeschreven aanZarathoestra(Zoroaster),
van wiens levensgeschiedenis niets met zekerheid hekend
is, en die waarschijnlijk in Daktrië zijn godsdienstig her-
vormingswerk hegon. Zijne leer is bewaard in de Avesta
of Zend-Avesta, overblijfselen eener rijke oude letterkunde
en uit den Bundehesh, een geschrift uit de derde eeuw
n. C, maar waarin veel oude overleveringen zijn opge-
teekend. Ver hoven alle goddelijke wezens staat Ahoera-
niazdao, de hoogwijze Geest, de schepper en de God des
lichts, der reinheid en der waarheid, de gever van alle
goeds. Zonder ze te vereeren erkent het Mazdaïsme het be-
staan van hooze geesten, deva\'s, die van het goede zijn af-
gevallen. Aan hun hoofd staat Anro-mainyas, de bewerker
van alles wat natuurlijk of zedelijk onrein is, de vader
van den leugen. Hij heeft de eerste menschen tot zonde
verleid. Een der hooze geesten is de Toorn, Aeshma-deva,
die als Asmodeus bij de Israëlieten en Christenen hekend
is geworden. Het doel van den eeredienst is, de vromen
tegen de hooze geesten te beschermen. Green tempels of
beelden werden daartoe aangewend, maar het reine vuur, ge-
paardmet tooversp reuken en offerzangen. 0<>k de landbouw
en do verzorging van reine planten en dieren, alsmede
waarheidsliefde, waakzaamheid en werkzaamheid zijn mid-
delen om zich van de besmetting van het hooze te reinigen.
Daar bovenal het vuur, de aarde en het water rein zijn,
mogen de lijken noch verbrand, noch begraven, noch in
het water geworpen worden, maar moeten zij op daartoe
aangewezen hoogten, dakhma\'s, worden gelegd om door
roofvogels te worden verteerd. De zielen moeten na het
afsterven van \'t lichaam over de brug Cinvat. Voor de
-ocr page 25-
21
boozen is zij (e smal, zoodat zij er afvallen en in de onder-
wereld terecht komen, waar zij door liooze geesten worden
gepijnigd. De goeden komen in de Woning des Lieds, het
verblijf van Ahoera-mazda en de heiligen. Eens echter
komt er een einde aan den strijd tusschen het rijk des
lichts en dat der duisternis. Alles geraakt in brand, maar
alleen de boozen lijden eronder. Zij worden er door ge-
louterd en de booze geesten vernietigd. De aarde wordt
daarop vernieuwd en dan vangt de onbestreden heerschap-
pij van Ahoera-mazda aan.
In een paar gewesten van Perzië sleept tegenwoordig
het Mazdaïsme nog een droevig bestaan voort, maar onder
de naar Indië uitgeweken Parsis leeft het nog krachtig
voort en blijkt het vatbaar voor hervormingen te zijn.
De Hindoes.
Arische stammen, de Hindoes, hebben de Pendsjab en
de Ganges-vlakte veroverd. Omstreeks 1500 v. C. had-
den zij er een aantal staatjes gesticht, elk onder een eigen
radja. Iedere radja werd bijgestaan door een iloerbav, een
raad van oudsten en bloedverwanten. Het kwam voor,
dat een radja één of meer ministers had of onder den in-
vloed stond van zijne voornaamste gemalin (rani) of van
zijne moeder als rani-weduwe. In de voortdurende, onder-
linge oorlogen overwon soms een radja andere radja\'s en
dan werd hij maharadja of groot-radja. Langzamerhand
werd het hofleven zeer gewijzigd door den toenemenden
invloed der priesters of Brahmanen.
.De godsdienst, die zich bij de Hindoes uit den Arischen
ontwikkelde, heet in zijn oudsten vorm de Yedische, om-
dat wij hem uit eene verzameling meestal godsdienstige
liederen, veda genoemd, leeren kennen. In den veda bij
uitnemendheid, den Rigveda, worden de goden niet meer
als booze natuurmachten voorgesteld, maar, gedeeltelijk
althans, als wezens met zedelijke eigenschappen toegerust,
-ocr page 26-
22
Loven de natuur verheven, scheppers en bestuurders der
wereld. Het meest worden bezongen Indra en Agni. Indra,
die in \'t onweder den wolkenslang Ahi verslaat en daardoor
den vruchtbaren regen op aarde doet nederstroomen, wordt
daarin bijgestaan door de stormgoden onder aanvoering
van Roedra en door Voyoe, den god der winden. Vaak
komt hij ook voor met Vishnoe, den god der zonneschijf.
Agni, de vuurgod, is de oorsprong van \'t heelal, de midde-
laar tusschen menschen en goden, de heer des gebeds en
der tooverspreuken. Indra stond op den voorgrond bij de
vorsten en krijgslieden; Agni bij de priesters. Weinig
minder vereering dan zij genoot de god van den onsterfe-
lijkbeidsdrank, Soma (Haoma). Uit dien Vedischen gods-
dienst ontwikkelde zich het Hrahmaïsme. Het gelukte
den priesters, die aanvankelijk onderworpen waren ge-
weest aan de vorsten, zich uitsluitend het recht te ver-
werven, den openbaren eeredienst te leiden, zich van het
onderwijs en de gewichtigste staatsambten meester te
maken en zich op te werpen als uitsluitende bewaarders
van godsdienstige openbaringen en van eene hoogere weten-
schap, die de menigte niet verstond. De godsdienstige
liederen en de hoogere kennis werden door de priesters
mondeling aan hunne jeugdige standgenooten medegedeeld
en alleen in \'t geheugen bewaard. Zoo slaagden zij erin,
de hun bewezen gunsten en weldaden als een godsdien-
stig werk te doen beschouwen. Ontmoetten zij nu en dan
een hevigen tegenstand bij dezen of genen vorst, dan wis-
ten zij toch meestal door list en aanmatiging hun doel te
bereiken.
Toen de Hindoes Indië veroverden, scheidden zij zich
scherp af van de inboorlingen, die eene donkerder gelaats-
kleur (varna) hadden dan zij, en van de omstandigheid,
dat in iedere maatschappij, die op den weg der beschaving
vordert, natuurlijker wijze standen ontstaan, maakten de
brahmanen gebruik om daarin eene zoo scherpe afscheiding
te brengen, als nergens elders is aangetroffen. Zoo leer-
-ocr page 27-
23
<len zij, dat de standen geen zelfden oorsprong hadden, maar
uit vier verschillende deelen van het lichaam van god
Poeroesha, hoofd, armen, lendenen en voeten, waren voort-
gekomen, en dat dienvolgens niemand uit den stand, waar-
in hij geboren was, tot eene andere mocht overgaan, noch
met iemand uit een anderen stand huwen. Aanvankelijk
waren er vier zulke standen, door de Hindoes varna,
door de Europeanen kasten genoemd, naar een Portu-
geesch woord, dat familie beteekent. Die kasten waren
in rangorde 1. de Brahmanen, 2. de Kshatrya\'s of krijgs-
lieden, 3. de Waisias, het volk, het gemeen en 4 de
jSoedra\'s, de niet-Arische inboorlingen, die voor de overi-
ge kasten, in de eerste plaats voor de brahmanen, slaven-
diensten moesten verrichten. Allengs ontstonden door
huwelijken tusschen personen van verschillende kasten
halfreine en onreine kasten, o. a. de bekende Paria\'s.
Na den Rig-veda, die door den liederen voordragenden
Brahmaan moest worden gekend, ontstond later nog de
offerzangen-veda voor de zingende priesters, de offer-
spreuken-veda voor de bedienende priesters en eindelijk
nog een veda voor de voorzittende of toezicht houdende
priesters. In de godenleer lieten de Brahmanen veel on-
veranderd, maar zij begonnen allengs meer gewicht te
hechten aan het Brahma, de tooverkracht in het woord
en het gebed verborgen, iets onpersoonlijks dat zij als
hoogste oorzaak van \'t heelal beschouwden. Meeren meer
werd dit Brahma verpersoonlijkt en eindelijk als een god
beschouwd. Het twisten over godgeleerde vraagpunten
bleef niet uit, en terwijl sommige Brahmanen dit moede
werden en zich tot de praktijk gingen bepalen, begonnen
andere wijsgeerige bespiegelingen te houden over den oor-
sprong van het heelal, de natuur der godheid en der ziel,
de verhouding van geest en stof enz. Ook ontstond het
zoogenaamde wetboek van Manoe, dat het zedelijk en maat-
schappelijk ideaal der brahmanen bevat. Zijn inhoud is
allengs ontstaan en evenals de veda\'s aanvankelijk in
-ocr page 28-
24
\'t geheugen bewaard. Eerst sedert drie eeuwen v. C. zijn
de veda\'s en het wetboek van Manoe opgeschreven ge-
worden.
Het ideaal van \'t menschelijk leven is, na door allerlei
plechtigheden van de smetten der geboorte gezuiverd te
zijn, een leerling der Brahmanen te worden, en na vol-
brachten leertijd als huisvader te leven om zich eindelijk
als kluizenaar in een woud uitsluitend aan godsdienstige
overpeinzingen en werken te wijden. Wie zich zoodoende
van al het wereldsche en zinnelijke losmaakt, een zelfver-
zaker wordt, komt tot volkomen verlossing. De meeste
menschen brengen het niet zoo ver. Na hun dood gaan
hunne zielen voor eenigen tijd naar den hemel of de hel,
naarmate van de wijze, waarop zij geleefd hebben, om na
aldaar hunne belooning of straf te hebben ontvangen, op
aarde terug to keeren in eene plant, een dier of een mensch
van hoogeren of lageren rang. Deze zoogenaamde zielsver-
huizing herhaalt zich, zoolang de mensch niet tot de hoog-
te van zelfverzaker is opgeklommen, maar dan ook wordt
hij van al het stoffelijke bevrijd en in de wereldziel opge-
lost.
Als ideaal der maatschappij stellen de Brahmanen op
den voorgrond onbeperkte macht der priesters en strenge
handhaving van het kastenwezen. Het wetboek van Ma-
noe legt aan de Brahmanen zeer zware plichten op, maar
verleent hun buitensporig groote voorrechten. Zoo wordt
het den vorsten verboden een Brahmaan, die zich aan een
misdaad heeft schuldig gemaakt, met den dood te straffen,
ja hem zelfs iets van het zijne te ontnemen. In het ergste
geval wordt toegelaten hem te verbannen. De vrouw wordt
in een toestand van volslagen afhankelijkheid gehouden :
in haar jeugd van haar vader, in \'t huwelijk van haar echt-
genoot, en als weduwe aan haar volwassen zoon. De Soe-
dra\'s worden veracht en de leden der onreine kasten zijn
tot een ellendig leven gedoemd. Zelfs de nuttige beroepen,
waarmede zij zich bezighouden, worden voor zondig gehou-
-ocr page 29-
25
den, en het is hun niet veroorloofd zich aan zulk een schan-
delijk, geacht bedrijf te onttrekken.
Dat zulke voorschriften groote ontevredenheid wekken,
ligt voor de hand en daardoor is het begrijpelijk, dat de
godsdiensthervorming van Boeddha grooten opgang kon-
maken. Zijn eigenlijke naam is Sidharta, maar gewoonlijk
wordt hij de Boeddha, de Verlichte, genoemd. Waarschijn-
lijk leefde en werkte hij in het tweede gedeelte van de Vde
eeuw v. C, maar zijne levensgeschiedenis is bijna geheel
onherkenbaar gemaakt door de legende. Volgens deze nam
hij eene hooge plaats in onder de goden en daalde hij uit
den hemel neder om de menschen te bevrijden uit de ellen-
de, waaronder zij zuchtten. Op wonderdadige wijze werd
hij als mensch geboren uit de gemalin van den radja van
Kapilavastoe in Aoede en als vorstenzoon opgevoed. Hij
muntte vroeg uit in kennis en legde eene groote neiging
tot een bespiegelend leven aan den dag. Om dit laatste te-
gen te werken liet de radja, zijn aardsche vader, hem in
\'t huwelijk treden. Weldra echter ontvluchtte Sidharta
het weelderige hof en ging de lessen der beroemdste Brah-
manen hooren. Tevens gaf hij zich aan de strengste zelf-
kastijding over, en weerstond hij zegevierend de herhaal-
de verzoekingen van de godheden der liefde en des doods.
Daar hij zich toch onbevredigd gevoelde, liet hij de zelf-
kastijdingen varen, en gaf hij zich aan ernstige bepeinzin-
gen over, en eens dat hij zich in een klein dorp ophield,
ontving hij in de schaduw van den heiligen vijgeboom en
gezeten op den troon der kennis de waardigheid van Boed-
dha. Nu ving hij zijne prediking door geheel Indië aan, en
bekeerde hij zeer velen, waaronder vorsten, Brahmanen en
zelfs vrouwen. Op tachtigjarigen leeftijd eindigde zijn aard-
sche leven. Geen vuur was in staat zijn lichaam te ver-
branden, maar het verteerde door den gloed zijner eigen
vroomheid. Zijne beenderen werden als kostbare relieken
door zijne leerlingen uit de asch bijeengegaard.
Het Boeddhaïsme sluit zich, wat bet kastenwezen en de
-ocr page 30-
26
zielsverhuizing betreft, bij het Brahmaïsme aan, maar om
van de eindelooze wedergeboorten verlost te worden, acht
het de door de Brahmanen voorgeschreven boetedoening en
onthouding, waarmede de Soedra\'s en onreine kasten niet
eens bekend mochten worden gemaakt, onvoldoende. Het
«ischt daartoe reinheid van hart en wandel, barmhartig-
heid en zelfverloochenende liefde jegens den naaste. Den
mensch, die daaraan voldoet, tot welke kaste hij ook be-
hoore, kan terstond bij zijn dood het hoogste heil verwer-
ven, en dit bestaat niet zooals hij het Brahmaïsme door in
de wereldziel te worden opgelost, maar in het nirvana of
niet zijn, dat een einde maakt aan de ellende met het be-
staan verbonden. Bestond de vroomheid van het Brahma-
ïsme in het zelfzuchtig zoeken naar eigen verlossing, voor
den Boeddhaïst was deze niet te verwerven zonder krach-
tig te hebben medegewerkt aan het welzijn zijner mede-
menschen.
Evenals de oudste geschiedenis der Grieken moet die der
Hindoes gedeeltelijk uit heldendichten worden geput. Zoo
worden de oudste overleveringen van Indië vermeld in den
MAHA BHARATA of grooten oorlog van het land van
Bharata. Bharata was een held geweest, die, naarhetzeg-
gen, geheel Indië had veroverd, dat in die dagen naar hem
werd genoemd. De oorlog van den Mahs-Bhsrata wordt in
\'t laatst van de XVde eeuw v. C. geplaatst, maar het hel-
dendicht, dat er de overleveringen van behelst, is eerst in
de lilde eeuw v. C. opgeschreven. De korte inhoud van
het heldendicht is als volgt.
Santanoe, de maharadja van Hastinapoer, een rijk aan
den Ganges en de Djoemna, wilde op zijn ouden dag nog
een jong meisje tot vrouw nemen. Hare ouders wilden ech-
ter geene toestemming tot het huwelijk geven, tenzij San-
tanoe zijn zoon Bhishma onterfde, en deze de gelofte afleg-
de, nimmer te zullen huwen. Beide had plaats. Het huwe-
lijk werd gesloten en nadat er een zoon uit was geboren,
stierf Santanoe. De trouwe Bhishma zorgde voor de we-
-ocr page 31-
27
du we en haar kind. Hij plaatste het op den troon, onder-
wees het in den wapenhandel, bezorgde als staatsdienaar
de regeeringszaken, en verschafte den koning, toen deze
den volwassen leeftijd had bereikt, twee vrouwen. Het
was toen gebruikelijk bij de kshatrya\'s of radja\'s meisjes te
rooven door haar vader te bestrijden en te overwinnen. De
overwinnaar kon dan de meisjes ten huwelijk geven of ne-
men. De Kshatrva, die een meisje roofde zonder haar va-
der te bevechten was een lafaard en werd uitgescholden
voor i^akshasa, een naam, die toen aan de niet-Arische in-
boorlingen van Indië werd gegeven. Bhishma bevocht en
overwon den radja van Benares en gaf diens twee dochters
aan zijn haltbroeder tot vrouwen. Weldra stierf de maha-
radja, twee zonen nalatende, Dhritaiashtra, den Blinde,
en Pandoe, den Bleeke. Opnieuw zorgde Bhishma voor de
regeering en voor de opvoeding der beide kinderen, en toen
dezen den huwbaren leeftijd hadden bereikt, verschafte hij
hun gemalinnen. Dhritarashtra huwde hij uit aan Gandha-
ri, die toen zij zag, dat haar gemaal blind was, een doek
voor hare oogen bond om geen voorrecht boven hem te
hebben. Pandoe huwde met Koentï en met Madrï.
Daar de doerbar van Hastir.apoer geen blinden maha-
radja wilde erkennen, beklom Pandoe den troon. Na eeni-
gen tijd deed hij afstand van de regeering en ging in de
jungles of wildernissen jagen, waar hij overleed, bij Koen-
tï drie en bij Madrï twee zonen nalatende. Er ontstond een
twist tusschen de beide weduwen, wie harer zich met Pan-
doe\'s lijk zou laten verbranden. Madrï maakte er aanspraak
op, dat zij de jongste en meest beminde vrouw was ge-
weest en dus de meeste kans had den overledene in het
schimmenrijk te kunnen troosten. Zij won hiermede het
pleidooi en werd met het lijk van haar echtgenoot ver-
brand. * Koentï keerde hierop met de vijf zonen van Pan-
doe naar haar paleis te Hastinapoer terug.
\'Dit is een invoegsel, want eerst in veel tateren tijd is het der vrouw ten
plicht gesteld zich met het lijk van haar echtgenoot te laten verbranden.
-ocr page 32-
28
Ondertusschen had de rloerbar, door den nood gedwon-
gen, Dhritarashtra als maharadja erkend. Zijne zonen wer-
den de Kaurava\'s genoemd, die van Pandoe de Paadava\'s.
Daar Bhishma reeds oud was geworden, werd de opvoe-
ding der jongelieden toevertrouwd aan Drona, een man
van vorstelijken bloede uit Pantshala die dit rijk als bal-
ling had verlaten, omdat hij er met den radja, Droepada,
in vijandschap leefde. Hij huwde met eene dochter uit het
huis van Hastinapoer en kreeg een zoon Aswatthama. Dro-
na belastte zich met de opvoeding der jeugdige Kaurava\'s
en Pandava\'s op voorwaarde, dat zij hem zouden bijstaan
om wraak te nemen op Droepada, zoodra zij volkomen ge-
oefend zouden zijn in den wapenhandel.
Allengs ontstond er naijver onder de neven over de
vraag, wie eens maharadja zou worden : Doervodhana, de
oudste der Kaurava\'s, of Yoedhishthira, de oudste der Pan-
dava\'s. Laatstgenoemde had geen aanleg voor den wapen-
handel, maar Bhima, de broeder, die op hem volgde, was
de reus van het geslacht en muntte boven allen in kracht
uit. Doervodhana werd zoo ijverzuchtig op hem, dat hij
hem een slaapdrank ingaf en, toen deze werkte, hem in
den Ganges wierp. Iihima werd echter door oeverbewo-
ners gered en keerde naar Hastinapoer terug. Evenals hij
in het strijden met de knots, muntte zijn broeder Ardjoena
boven ieder uit als boogschutter en daarom Leiron Doervo-
dhana dezen ook te haten.
Drona\'s roem als leermeester in het behandelen van pijl
en boog verspreidde zich zoozeer, dat zonen van radja\'s
zich naar Hastinapoer begaven om er die kunst te leeren.
Zoo kwam ook de zoon van den radja van het rijk Bhil op
de zuidelijke heuvelen, maar Drona weigerde hem onder-
wijs te geven, verklarende, dat de Bhils roovers en veedie-
ven waren en het eene zonde zou zijn, hun onderricht in
\'t boogschieten te geven.
De Bhils waren zeer bijgeloovig. Hoe ontsteld de zoon
van hun radja ook over de weigering was, toch vereerde
-ocr page 33-
29
hij Drona als eene halfgod, en toen hij thuis was gekomen
maakte hij een beeld van klei, dat Drona voorstelde, om
het te aanbidden en er hulp van te ontvangen bij zijne oe-
feningen in \'t boogschieten. Hij werd zulk een bekwaam
schutter, dat zijn lof Hastinapoer bereikte. Drona was er
woedend over en daar hij vreesde, dat de Bhils gevaarlijke
boogschutters zouden worden, begaf hij zich, vergezeld van
zijne leerlingen, naar hun land om dat te voorkomen. Hij
daagde zijn aanbidder voor zicli en beval hem, zich den wijs-
vinger af te kappen. De zoon van den radja viel voor hem
neder, aanbad hem, en maakte zich gereed, het bevel na
te komen, toen Drona medelijden met hem kreeg. Daarom
liet hij den Bhil in plaats van de hand te schenden den
eed afleggen van voortaan bij het boogschieten nooit den
wijsvinger, maar de beide middelste vingers te gebruiken.
Na hunne terugkomst werd er eene prachtige wapen-
schouwing gehouden, waarbij Drona\'s leerlingen bewijzen
van hunne geoefendheid zouden afleggen. Toen het strijden
met de knots aan de beurt was, brak de ijverzucht tus-
schen de Kaurava\'s en de Pandava\'s weder uit en einden
Doeryodhana en Bhima elkander in ernst te lijf. Als wilde
olifanten stormden zij op elkander in, terwijl de groote
menigte toeschouwers door hunne kreten voorliefde voor
den een of den anderen kampvechter te kennen gaven.
Slechts met groote moeite gelukte het Drona de woeden-
den te scheiden.
Toen de rust hersteld was, beval Drona, dat Ardjoena
zijne bekwaamheid als boogschutter zou toonen. Hij deed
dit te voet en op zijn wagen en miste nooit zijn doel. De
menigte juichte hem toe als een anderen Indra, en het
hart zijner moeder zwol van trots. Toen hij geëindigd had
trad een iong krijgsman het strijdperk binnen en daagde
Ardjoena tot een wedstrijd uit. Zijn naam was Karna.
Hij was een even goed boogschutter als Ardjoena en daar-
om had Doeryodhana hem als vriend aan zich verbonden,
ofschoon hij van lage afkomst was. Ardjoena wilde liem
-ocr page 34-
30
toch bestrijden, maareen bloedverwant verhinderde het. Doe-
ryodhana schonk daarop onmiddellijk aan Karna de waar-
digheid van radja, maar de Pandava\'s behandelden hem
als een indringer en Bhima voegde hem toe, dat hij liever
eene zweep dan pijl en boog ter hand moest nemen om
net als zijn vader een ossenwagen te drijven. Karna was
hierover zeer verbitterd, maar zeide niets.
Drona verlangde nu het loon voor zijn arbeid. Met
goedvinden van den maharadja trok hij, vergezeld van de
Kaurava\'s en de Pandava\'s tegen Droepada op, versloeg
hem, en dwong hem tot den afstand van de helft van het
rijk Pantshala.
Ondertusschen was de tijd gekomen voor het kiezen van
een Yoeva-radja. Dit was de troonopvolger, die den
maharadja op zijn ouden dag moest bijstaan en zich daar-
door tevens gewennen aan de vorstenplichten. De maha-
radja Dhritarashtra wilde eerst Yoedhishthira tot die waar-
digheid benoemen, maar hiertegen hieven de Kaurava\'s
luide klachten aan. Zij vroegen Dhritarashtra, waarom
hij zijne neven boven zijne zonen voortrok ? De blinde
maharadja was in groote verlegenheid, de zonen van zijn
broeder Pandoe hadden eene rechtmatige, zijne eigene
kinderen eene natuurlijke aanspraak. Uit vrees voor een
burgeroorlog beval de grijsaard na lang aarzelen, dat
Yoedhishthira zich met zijne broeders naar Yaranavata
(thans Allahabad) moest begeven en daar verblijven, tot
hij hen terugriep. De Pandava\'s gehoorzaamden, en toen
zij met hunne moeder Koenti vertrokken waren, werd
Doeryodhana tot Yoeva-radja uilgeroepen.
Nu hadden de Kaurava\'s een vertrouwd persoon naar
Yaranavata vooruit gezonden om de Pandava\'s om te
brengen. Deze onverlaat deed, of hij de Pandava\'s bij
hunne aankomst toevallig ontmoette. Hij bracht hen naar
eene vergadering van heilige mannen en vervolgens naar
eene woning, waar zij hun intrek konden nemen. Des
avonds viel het hun op, dat het huis vol brandstoffen, en aan
-ocr page 35-
31
de buitenzijden dichtgemaakt was, en besloten zij daarom
het te verlaten langs een onderaardschen gang. die nog
heden in het kasteel van Allahabad wordt getoond. Het
huis brandde \'s nachts af met alles wat erin was, en daar-
toe behoorde eetie Bhilsche vrouw met hare vijf zonen, di&
volgens de gewoonte van dat volk dronken in slaap waren
gevallen. Toen de overblijfselen dier verbrande menschen
gevonden waren, werd algemeen voor vast aangenomen,
dat Koenti en hare zonen dood waren.
De Pandava\'s verlieten Varanavata, als Bedelende Brah-
manen verkleed. Hun priestergewaad verzekerde hun
veiligheid, en door aalmoezen voorzagen zij in hun onder-
houd. Zij togen oostwaarts en kwamen in het land der
menschenetende Bakshasa\'s waar Bishma een der inwoners,
Hidimba, doodde, waarop diens dochter Hidimbï hare hand
aan den overwinnaar aanbood, die haar tot vrouw nam.
— Dit laatste voorval wordt beschouwd als een invoegsel
der latere Brahmanen, omdat het land der Rakshasa\'s een
brandpunt van het Boeddhaïsme is geworden, terwijl de
Boeddhaïsten vleesch eten, dat aan de Brahmanen is ver-
boden, en de vrouwen in die streek meer vrijheid van be-
weging hebben dan in andere deelen van Indië.
In dezen tijd verkondigden herauten door alle landen,
dat radja Droepada van Pantshala de swayamvara zijner
dochter Draupadï zou vieren. Dit was een huwelijksfeest,
waarop Ksjatrya\'s door kracht en behendigheid naar de
hand van een meisje konden dingen en daar Draupadi als
het schoonste meisje der wereld bekend stond, besloten
de Pandava\'s hun oude wrok tegen Droepada af te leggen
en aan de feestelijkheid deel te nemen.
Al de radja\'s ook de Kaurava\'s met hun vriend Karna
van lage afkomst, begaven zich naar Pantshala. Daar was
een groot 2>lein afgesloten met hekken en galerijen. Daar-
binnen was op een hoogen staak een gouden visch beves-
tigd, vóór welken eene schijf met openingen voortdurend
in draaiende beweging werd gehouden. Aan den voet van
-ocr page 36-
32
•den staak lag een bizonder groot e, zware hoogen wie daar-
mede een pijl door de draaiende schijf in het oog van den
visch wist te schieten, zou overwinnaar zijn.
Toen de PSndava\'s aankwamen, waren er reeds zeer
veel radja\'s gekampeerd. Er waren krijgsknechten, olifan-
ten, kooplieden, kunstenmakers en eene overgroote menig-
te toeschouwers. Nadat er verscheidene dagen feest
was gevierd, brak eindelijk de morgen van de Swa-
yamvara aan. De plechtigheid werd aangekondigd door
trommelslag en trompetgeschal, nadat het strijdperk
met vlaggen en bloemslingers was versierd. De menigte
verdrong zich om de hekken, de radja\'s namen plaats in
de galerijen en de Brahmanen zongen Vedische liederen ter
eere van Indra en de goden.
Zoodra Draupadi, hegeleid door haar broeder, was ver-
schenen, verlieten de radja\'s hunne zetels en traden zij in
het strijdperk. Achtereenvolgens trachtten zij den hoog
te spannen, doch allen faalden in hun pogen. Daarna
verscheen Karna. Hij spande den boog en wilde er een
pijl op leggen, toen Draupadi voor uittrad en verklaarde,
dat zij niet met een laaggehorene wilde huwen. Be-
schaamd trad Karna terug, en woede vervulde zijn ge-
moed over dien smaad.
Nu verscheen Ardjoena, nog steeds als Brahmaan ge-
kleed. De aanwezige Brahmanen ontstelden ervan. Zij
vreesden, dat de radja\'s toornig zouden worden, alseenhun-
ner tegen de Kshatrja\'s in \'t strijdperk trad, en dan het
geven van aalmoezen zouden staken. Maar toen Ardjoena
het oog van den gouden visch, door de draaiende schijf
heen had getroffen, vergaten de Brahmanen hunne vrees
en drukten zij hunne vreugde met luiden jubel uit. Drau-
padi verliet nu haar zetel en liet zich door Ardjoena als
zijne bruid medevoeren.
Op dit gezicht brak de woede der radja\'s los. »Kon
een Kshatrya het schoone meisje niet winnen?" »Moet een
Brahmaan ons komen vernederen?" «Het leven van een
-ocr page 37-
;;;;
Brahmaan is heilig, maar het geslacht van Droepada
moet te gronde!" Aldus schreeuwende, omringden zij Droe-
pada met ontbloote zwaarden en dreigden zij zijne dochter
te verbranden, als zij geen Kshatrva tot echtgenoot koos.
Op dit oogenblik wierpen de Pandava\'s hunne vermom-
ming af en verklaarde Ardjoena, dat hij een afstammeling
van Bharata was. De radja\'s staken toen toornig hunne
zwaarden op en begaven zich morrend huiswaarts.
Ardjoena stelde Draupadï onder de hoede zijner moeder
Kanlï, totdat de huwelijksplechtigheden voltrokken zouden
zijn. Volgens de toenmalige zeden moest zij huwen met
den oudsten broeder, dus met Yoedhishthira, maar werd zij
daardoor de vrouw van al de broeders. Dit huwelijk had
ten gevolge, dat de Pandava\'s de zijde van Drona verlie-
ten en een verbond aangingen met Droepada. Eene groote
opschudding had dit ten gevolge aan het hof te Hastir.a-
poer. De Kaurava\'s wilden terstond den oorlog beginnen,
maar de blinde maharadja was afkeerig van bloedvergieten
en op raad van den ouden Bhishma besloot hij, zijn rijk
tusschen de Kaurava\'s en de Pandava\'s te verdeelen. Dit
ging echter niet eerlijk in zijn werk, want de Kaurava\'s
behielden Hastinapoer en de Pandava\'s werden afgescheept
met de woeste jungles van Khandava-prastha. Deze land-
streek was toen bewoond door een woest volk van slan-
genaanbidders. De Pandava\'s verdreven het door de wou-
den te verbranden en bouwden er eene sterkte, die zij In-
dra-prastha noemden. Aanvankelijk leefden zij van de jacht
in de jungles, maar spoedig kwamen zich op den grond
der verbrande bosschen landbouwers vestigen, die de be-
scherming der Pandava\'s tegen de roovers en veedieven ge-
noten en een gedeelte van hun oogst aan Yoedhishthira
opbrachten.
Oneenigheid onder de Pandava\'s had ten gevolge, dat
Ardjoena zich in ballingschap begaf. Op zijne zwerftoch-
ten kwam hij te Goezerate, waar hij Soebhadra, de zuster
van Krishna, huwde. De Kaurava\'s droegen offers op aan
3
-ocr page 38-
:u
Indra, den koning der goden, en schijnen de goden van
water, vuur en wind en andere Vedisehe goden te hebben
vereerd, maar de Brahmanen, die de overleveringen, in
de Maha-Bharata bewaard, op schrift brachten, hebben al
die goden saamgevat in één opperste wezen, Vishnoe ge-
naamd, en leerden de aanbidding van Krishna, eenevleesch-
wording van Vishnoe. Krishna komt in de Maha-Bharata
voor als een sterfelijk held en als eene godheid. Meestal
verschijnt hij, op eene bovennatuurlijke wijze ontzettende
afstanden in een oogwenk door het luchtruim afleggende,
als bemiddelaar bij twisten en trooster in het ongeluk. Hij
was tegenwoordig bij de Swayamvara van Droepadï om
een gevecht tusschen de Pandava\'s en de toornige radja\'s
te voorkomen.
Na eene afwezigheid van twaalf jaren keerde Ardjoena
met Soebhadra naar zijne broeders terug, en daar de heer-
schappij der Pandava\'s toen goed gevestigd was, besloten
zij een radjasoei/a of koninklijk offerfeest te houden. Dit
was een vorstelijk gastmaal, waaraan de naburige radja\'s
deelnamen, als eene erkenning van de souvereiniteit der
Pandava\'s over hun gebied. De gasten waren opgetogen
over het heerlijke feest, en hierdoor werd de naijver van
Doeryodhana en zijne broeders, die ook tegenwoordig wa-
ren, zoozeer opgewekt, dat zij nogmaals het plan opvatten
om de Pandava\'s te verderven.
De Kshatrya\'s waren hartstochtelijke spelers, i^akoeni
een oom der Kaurava\'s was een bekend speler, die in den
kwaden reuk stond van valsche dobbelsteenen te gebruiken.
Op zijn raad richtte Doeryodhana tot Yoedhishthira deuit-
noodiging om tegen hem te komen dobbelen. Yoedhishthi-
ra verscheen met zijne broeders en Draupadï te Hastina-
poer. Er werd gespeeld in een paviljoen, dat nabij het pa-
leis was opgeslagen, en Doeryodhana droeg aan zijn oom
Sakoeni op, de dobbelsteenen voor hem te werpen. Wel
verklaarde Yoedhishthira, dat dit niet te pas kwam, maar
hij liet zich toch tot het spel bewegen. Telkens verloor hij.
-ocr page 39-
35
Dit wond hem op, maakte hem wild, hartstochtelijk, en
deed hem het eene na het andere op \'t spel zetten, zonder
op de gevolgen te letten. De andere Pandava\'s vereerden
hun oudsten broeder als een vader en waagden het daar-
om niet tusschen beide te komen. Zoo verloor hij achter-
eenvolgens de kostbaarheden en het vee van hem zelven,
en van zijne broeders, toen het rijk Khandava-prastha,
daarna verspeelde hij zijne broeders, te beginnen met den
jongsten, vervolgens zichzelven en ten slotte Draupadï.
De Pandava\'s waren nu slaven van Doervodhana
geworden. Al de aanwezigen waren ontzet. Men keek el-
kander aan. Niemand sprak een woord. Nu zond Doervo-
dhana een bode naar het paleis om Draupadï te halen. Zij
was verontwaardigd, toen zij vernam, dat zij als slavin
verdobbeld was, en wees er op, dat Yoedhishthira zich
zelven verspeeld had, eer hij haar op \'t spel had gezet, en
hij als slaaf geene vrije vrouw kon verdobbclen. Toen zij
op dien grond weigerde in het paviljoen te komen, ging
Dhoesasana op last van Doervodhana naar het paleis, greep
haar bij het schoone, zwarte haar, en sleepte de radelooze
Draupadï in het paviljoen, waar hij haar beval een bezem
te nemen en de kamers te vegen. Zij smeekte de aanwezi-
gen, als echtgenooten en vaders haar tegen Doervodhana
te beschermen. Yoedhishthira, zich lijdelijk aan den uit-
slag van het spel onderwerpende, weigerde haar bij te
staan, en beval zijnen broeder te zwijgen. Doervodhana
drukte toen Draupadï tegen zijne knieën. Bhima kon zich
niet langer inhouden en zwoer, dat hij eens Doervodhana
de knieën zou verpletteren en het bloed van Dhoesasana
drinken. Ter bescherming van Draupadï kwam nu Khrish-
na tusschenbeide. De blinde maharadjaDhritarashtra werd
onverwachts het paviljoen binnengeleid om bloedvergieten
te voorkomen. Hij erkende, dat de Pandava\'s hun rijk
hadden verloren, maar wilde niet toestaan, dat zij de sla-
ven zouden worden van Doervodhana. Daarom beval hij
hen voor den tijd van twaalf jaren in ballingschap naar de
-ocr page 40-
36
jungles te gaan. Na verloop van dien tijd moesten zij zich
in eene stad naar hun goedvinden schuilhouden. Werden
zij daar binnen het tijdsverloop van eenjaar door de Kau-
rava\'s opgespoord, dan waren zij hun rijk voor goed kwijt,
anders zouden zij het terugkrijgen.
Wat er van de Pandava\'s gedurende hun twaalfjarige
ballingschap wordt verhaald, is zonder belang voor de ken-
nis van de zoden der oude Hindoes, maar het dertiende
jaar, waarin zij schuilhoekje moesten spelen, maakt ons
bekend met het toenmalige hofleven en het geloof aan ver-
liefde geesten.
De Pandava\'s begaven zich het dertiende jaar vermomd
naar den radja van Virata, dien zij aan den ingang van
zijn paleis vonden zitten, omgeven door zijn doerbar, en
boden zich aan om bij hem in dienst te treden. Na eene
langdurige onderhandeling werd Yoedhishthira aangeno-
men om den radja het hazardspel te leeren, Bhima als
hoofdkok, daar zijne lichaamskracht aan de andere koks
genoeg vrees zou inboezemen om hun van het vermorsen
of stelen der spijzen af te houden. Ardjoena, als eunuch
verkleed, moest de dochter van den radja muziek en dan-
sen leeren, en van de twee overige broeders werd de een
tot opzichter over de paarden en de ander tot opzichter
der kudden aangesteld. Over üraupadi ontstond eenige
moeilijkheid, daar de radja haar wegens hare schoonheid
in bezit wilde hebben. Hij zag er echter van af, toen zij
hem mededeelde, dat vijf geesten, Gandharva\'s genoemd,
verliefd op haar waren en ieder sterveling zouden ver-
moorden, die haar eenige oplettendheid bewees. Zij werd
daarom als kamerjuffer bij de rani in dienst genomen.
Bhima kwam spoedig in de gunst van den radja van
Virata. Een vreemdeling, Djimoeta, had als worstelaar al
de krijgslieden van den radja, die het tegen hem durfden
opnemen, overwonnen. Nu kwam Bhima te voorschijn.
Hij wierp Djimoeta op den grond en sloeg hem dood on-
der de luide bijvalskreten der menigte. Vol vreugde sprong
-ocr page 41-
37
de radja van zijn zetel op en overlaadde Bhima met ge-
schenken. Sedert dien tijd liet hij Bhima tot vermaak van
het gansche hof met tijgers, leeuwen en heeren vechten.
De aanvoerder van het leger, Kitsjaka, was een broe-
der van de ranl, en overeenkomstig het spreekwoord --De
broeder van de ranl wordt altijd gevreesd door den radja"
deed hij alles wat hem in den zin kwam. Hij vatte liefde
op voor Draupadi en vroeg haar ten huwelijk. Zij ant-
woordde, dat zij niet wilde trouwen, omdat zij bemind
werd door de vijf Gandharva\'s. Kitsjaka stoorde zich daar
niet aan. Hij begeerde haar tot vrouw en begon geweld te
gebruiken. Zij beklaagde zich erover bij den radja, maar
deze durfde zich niet tegen den broeder zijner ranï verzet-
ten. Toen wendde zij zich tot Bhima, en deze beloofde haar
zijn bijstand. Op zekeren avond begaf Kitsjaka zich naar
het paleis om Draupadi op te zoeken, maar in plaats van
haar ontmoette hij Bhima. Deze greep hem aan. Er had
een verwoede strijd plaats, waarin Bhima zijn tegenstan-
der doodsloeg. Hij liet het lijk liggen en ging toen in de
keuken slapen, zonder aan iemand iets te zeggen.
Den volgenden morgen werd het lijk van Kitsjaka ge-
vonden met verbrijzelde ledematen, en daaruit maakten,
allen, die het zagen, op, dat Kitsjaka niet door een mensch,
maar door geesten was omgebracht.
Weldra werd in alle straten en bazars verteld, dat de
legeraanvoerder wegens zijne liefde voor Draupadi door de
Gandharva\'s was gedood. De gansche stad was er door in
beweging. De broeders van den verslagene kwamen het
lijk halen om het te verbranden en sleepten Draupadi me-
de om haar den brandstapel te doen beklimmen en den
overledene in het schimmenrijk te verzeilen. Iihima hoor-
de echter hare angstkreten. Hij volgde den stoet, streek
zijn haar over de oogen om onkenbaar te zijn, rukte een
boom met wortel en al uit den grond, en sloeg daarmede
de broeders van Kitsjaka dood. Heimelijk keerde hij naar
het paleis terug.
-ocr page 42-
38
De algemeene ontsteltenis was nu nog grooter. Ieder
sloeg de schrik om \'t hart. Uit vrees voor de Gandharva\'s
durfde de radja geen woord meer tot Draupadï spreken,
en de ranï beval haar de stad te verlaten. Daar echter het
dertiende jaar bijna ten einde was gespoed, bleef zij, ten
spijt van allen.
Ondertusschen was het gebeurde in de omliggende rij-
ken bekend geworden. De radja\'s zeiden : De legeraan-
voerder Kitsjaka is dood ; laat ons een inval doen in Vi-
rata en liet vee rooven." Toen dit in \'t Noorden des rijks
plaats had en de herders bij den radja kwamen klagen,
trok deze met een leger uit om het geroofde te heroveren.
Maar in dien tijd kwamen de Kaurava\'s het vee in \'t Zui-
den van Virata rooven. Op \'t bericht hiervan, door de her-
ders in \'t paleis gebracht, gordde Ardjoena zijne wapenrus-
ting aan en nam bij zijne wapenen in de hand. De prinses
en hare hofdames lachten op \'t gezicht van den aldus uit-
gedoschten dansmeester en riepen hem toe, veel zijde en
juweelen als buit voor haar mede te brengen.
In den strijd, die nu volgde werd Ardjoena door de
Kaurava\'s herkend, maar nu ontstond er twist over de
vraag, of die herkenning vóór of na het einde van het der-
tiende jaar had plaats gehad. Langdurige onderhandelin-
gen volgden en nog eens trachtten de Kaurava\'s te vergeefs
de Pandava\'s te Haslinapoer in de val te lokken. Daar er
geene overeenkomst was te treffen, moest nu het zwaard
beslissen, en werden aan beide zijden de legers uitge-
rust.
Ardjoena beefde terug voor de slachting, die onder
bloedverwanten en vrienden zou worden aangericht, en
verklaarde liever te willen sterven dan zulke goede man-
nen als Bhishma en Drona te bevechten! Maar nu ver-
scheen hem de god Krishna, die hem troostte met de leer,
dat de dood slechts eene verhuizing der ziel is van het eene
lichaam in het andere. Verder hield hij hem voor, dat strij-
den de plicht was van een Kshatrya, en dat indien hij zich
-ocr page 43-
::\',)
als een lafaard gedroeg, er voor hem geene hoop Lestond
den hemel van Indra in te gaan.
Zeventien dagen lang werd er door de legers gevochten
in de vlakte van Koeroe-kshetra. Het was geen eigenlijke
veldslag, maar eene reeks van tweegevechten, wier be-
schrijving gansche boekdeelen vult. Op den laatsten dag
werd Doektasana door Bhima en Karna door Ardjoena
verslagen. Op den achttienden dag verzamelde Doeryodha-
na het overblijfsel zijner troepen met het doel om een al-
gemeenen strijd te beginnen, maar toen hij bevond, dat hij
de ecnig overgebleven Kaurava was, vluchtte hij naar het
meer, dat de beide vijandelijke legerplaatsen scheidde. Bhi-
ma liep hem achterna, bespotte en schold hem, en dwong
daardoor den vluchteling stand te houden om een laatsten
strijd aan te gaan. Zij vochten met knotsen, totdat Bhima
mei een valschen slag de knieën van Doeryodhana volgens
zijn vroegeren eed verpletterde en hem toen liet liggen om
te sterven.
De Pandava\'s hadden overwonnen, maar het bloedver-
gieten hield nog niet op. Ürona, de vader van Aswattha-
ina had Droepada verslagen en was daarop door diens zoon
Dhrishta-dvoemna gedood. Aswatthama had toen gezwo-
ren wraak te nemen op Dhrishta-dvoemna en de Panda-
va\'s. Toen de avond viel, stonden Aswatthama en twee
krijgslieden bij den gewonden Doeryodhana, wiens dood-
strijd zij verlichtten door hem te beloven zijn dood te wre-
ken. Onder een boom zittende begonnen zij te overleggen,
hoe zij hun voornemen ten uitvoer zouden kunnen brengen.
Daar zagen zij plotseling, hoe een uil op een nest in den
boom aanvloog en de beide kraaien, die erin sliepen, dood-
de. "Aldus," riep Aswatthama uit, «zullen wij ons wre-
ken op de slapende Pandava\'s !"
Draupadï en hare zonen waren aan de hoede van bond-
genooten en dienaren overgelaten, terwijl de Pandava\'s
naar de verlaten legerplaats der Kaurava\'s waren gegaan
om er den buit te verzamelen en den nacht door te brengen.
-ocr page 44-
40
Te middernacht kwam Aswatthama met zijne twee mak-
kers voor de legerplaats der Pandava\'s. Zij was door eene
gracht omgeven en had slechts één ingang. Daar liet hij
zijne metgezellen postvatten en sloop toen alleen naar het
kwartier van Dhrishta-dyoemna, die op den grond zijner
tent lag te slapen. Aswatthama wekte hem, waarop de
ten doode gedoemde, zijn vijand met uitgetogen zwaard
vóór zich ziende «verraad!" uitschreeuwde. Maar op het-
zelfde oogenblik verbrijzelde Aswatthama hem met het ge-
vest van zijn zwaard den schedel. Hij begaf zich daarop
naar de tent van Draupadi en hare zonen, die, gewekt
door het steeds luider wordende rumoer, de een na den
ander naar buiten kwamen en dan onder het zwaard van
Aswatthama den dood vonden. Ondertusschen was de ge-
heele legerplaats in opschudding geraakt. Vrienden en
bloedverwanten schreeuwden en streden tegen elkaar.
Vrouwen vervulden de lucht met hare dllen en ansst-
kreten. Velen werden gewond of gedood en zij, die de
legerplaats wilden ontvluchten, werden aan den ingang
nedergehouwen door de twee makkers van Aswatthama.
Deze verdwaalde in de duisternis, en toen hij een grooten
stapel brandhout aantrof, stak hij er den brand in. Plotse-
ling werd de legerplaats verlicht door den gloed der vlam-
men. Awatthama bereikte den ingang en verdween met
zijne twee gezellen. Toen het begon te dagen kwamen de
weduwen, de moeders en de dochters der verslagenen
weenend en klagend bijeen om de laatste eer aan de dooden
te bewijzen. Een groot aantal brandstapels werd opgericht,
maar geene weduwe liet zich met het lijk van haar echt-
genoot verbranden, welk gebruik eerst later bij de Hindoes
verplichtend is geworden.
De blinde maharadja Dhritarashtra en zijne vrouw
waren ontroostbaar over het verlies hunner kinderen. Met
de treffende gelatenheid, waarmede de Hindoes zich aan
het noodlot onderwerpen, brachten zij hulde aan de over-
winnaars, en begaven zich toen naar de jungle om hun
-ocr page 45-
41
leven verder in gebeden en vrome werken te eindi-
gen.
Tegelijk met het geklaag en geween over de verslagenen,
verkondigden trommelslag, trompetgeschal en vlaggenge-
zwaai de vreugde der Pandava\'s over hunne overwinning.
Yoedhishthira trok met zijne broeders naar Hastinapoer,
nam er bezit van het rijk, en bevestigde zijne souvereini-
teit met een aswamedha of paardenofièr. Aan al de over-
wonnen radja\'s werd gelast erbij tegenwoordig te zijn om
hunne hulde te bewijzen, en daarna had er een feestelijke
maaltijd plaats, waarop vleesch van een geofferd paard
werd gegeten. In later tijden gold het paardenofièr als
eene boete voor begane zonden.
Een ander gedicht met historischen grondslag en waar-
van de oudste overleveringen, die het bevat tot omstreeks
1000 j. v. C. teruggaan, is de Ramayana, welk helden-
dicht den volgenden inhoud heeft.
Dasaratha, de maharadja van Aoede, wien tweebrahma-
priesters als raadgevers ter zijde stonden, en die in de
regeering door acht ministers en een uitgebreiden staats-
raad werd bijgestaan, had drie ranï\'s. De oudste Kausalya,
had tot zoon Rama, de middelste was moeder van twee
zonen, en de jongste, Kaikeyï, van Bharata. Rama, die
op een swayamvara Sita, de dochter van den radja van
Mithila, tot gemalin had gewonnen, werd tot groote vreug-
de van het gansche volk door zijn vader tot Yoeva-radja
bestemd. Wegens de ijverzucht, die tusschen zijne ranï\'s
Kausalya en Kaikeyï bestond, voor moeilijkheden vreezen-
de, had hij Bharata naar den radja van Djiri-Vraja ge-
zonden en zijn plan voor Kaikeyï verborgen gehouden.
Eene harer slavinnen echter had, op het dak van het paleis
zijnde, de feestelijke toebereideelen in de straten gezien en
van voorbijgangers genoeg opgevangen om er iets van te
bemerken, en toen zij het hare meesteres mededeelde,
doorzag deze de bedoeling van den ouden maharaja.
Om geen argwaan bij haar op te wekken zocht Dasara-
-ocr page 46-
42
tha \'s avonds Kaikeyi in hare vertrekken op; maar door
haar tranen en haar wanhoop wist zij hem te bewegen
haar zoon Bharata tot Yoeva-radja te benoemen en Rama
voor veertien jaar in ballingschap te zenden.
Rama schikte zich lijdelijk in zijn lot en toen Kausalya,
verbitterd wegens de overwinning, die Kaikeyï op haar
had behaald, hein aanspoorde om zich tegen het gebod zijns
vaders te verzetten, gaf hij ten antwoord, dat zijn vader
haar gemaal en haar god was, en zij dus ook verplicht
was hem in alles te gehoorzamen. Het was zijn voornemen
alleen naar de jungle te gaan, maar zijne vrouw Sita acht-
te het haar plicht, de gevaren en ontberingen die hem
daar wachtten, met hem te deelen.
Spoedig na hun vertrek en vóór de terugkomst van Bha-
rata, overleed Dasaratha. Hij kwam nog in tijd aan het
hof om de lijkplechtigheden voor zijn vader met stiptheid
na te komen, en toen hij zich na den afloop der tien treur-
tlagen had gereinigd, kwam de staatsraad plechtig bijeen
om hem als maharadja te erkennen. Bharata wilde echter
de plaats niet bekleeden, die zijn ouderen broeder toekwam
en reisde daarom aan \'t hoofd van een leger naar de jung-
les. Op den tocht daarheen moest deGanges worden over-
gestoken, Nadat de hutten der legerplaats in brand waren
gestoken, werden de vrouwen, de paarden, het vee en de
kostbaarheden overgezet in booten, onder het vroolijk ge-
zang der roeiers. De manschappen bereikten den anderen
oever op vlotten, op ledige kruiken of ook wel wadende,
waarbij door de beweging der armen de stroom werd ge-
broken. Toen Bharata zijn broeder Rama had gevonden,
weigerde deze den troon te beklimmen eer de veertienjari-
ge ballingschap voleindigd was, en toen werd overeenge-
komen, dat Bharata gedurende dien tijd het rijk Aoede in
Rama\'s naam zou regeeren.
Hetgeen nu verder in Ramavana volant is eene mvthi-
sche voorstelling van de verovering van Dekan en het eiland
Lanka (Ceilon), die eenige eeuwen later ontstaan is, en
-ocr page 47-
4:s
waarin Rama wordt voorgesteld als eene vleeschwording
van den god Vishnoe.
Ravana, radja der Rakshasa\'s, regeerde over Dekan en
Lanka. Hij had gehoord van de schoonheid van Sita en
bracht haar in de vermomming van een vroom Hindoe een
bezoek, terwijl Rama in de jungle was. Sita maakte zulk
een overweldigenden indruk op Ravana, dat hij haar me-
de voerde.
Rama was zeer ontsteld over het verdwijnen van Sita,
en toen het hem na veel nasporingen gelukt was te verne-
men, dat zij ontvoerd was door Ravana, verzekerde hij
zich bondgenooten om tegen den machtigen vrouwenroo-
ver eenigszins opgewassen te zijn. Zoo verzekerde hij zich
de hulp van legers van apen en beeren, die op aarde ge-
boren waren als vleeschwordingen van goden.
Nu was er een groot rijk van apen in de westelijke ber-
gen van Dekan, welks maharadja, Bali, zijn broeder Soe-
grlva had verdreven. Rama zocht Soegrïva indiens schuil-
plaats op, verbond zich met hem, bestreed en doodde Bali
en plaatste Soegrïva op den troon. De aanvoerder van
Soegriva\'s leger was de geduchte aap Hanoeman. Hij kon
zich uitzetten tot een reus als een berg, en inkrimpen als
een dwerg van de grootte van een mans duim. Aan hem
werd opgedragen het verblijf van Sita op te sporen. Hij
liep naar de straat, die Lanka van het vasteland scheidt
en wipte er met een reuzensprong over. Vervolgens klom
hij over de hooge vestingmuren van de stad van Lanka en
trad toen het paleis van Ravana binnen. Hij vond Sita in
een boschje van den tuin afgezonderd zitten en overreikte
haar een ring, hem door Rama medegegeven. Het bleek
hem, dat Ravana haar tot eerste ranï wilde verheffen, maar
dat niets haar kon bewegen om hare huwelijkstrouw aan
Rama te breken. Sita was zeer verheugd Hanoeman te zien
en gaf hem een juweel als teeken voor Rama mede.
Toen Hanoeman Sita verliet was hij zoo woedend op
Ravana, dat hij de hoornen er, planten van den tuin uit den
-ocr page 48-
44
grond ging rukken. De Rakshasa\'s vielen in groote menig-
te op hem aan, maar hij weerstond allen, totdat men een
strik om hem wierp, die aan den God Brahma had toebe-
hoord. Nu werd hij in het paleis gesleept en voor Ravana
gebracht, die Hanoeman\'s staart met boter liet besmeren
en daarna in brand steken. Maar hij zwaaide met zijn bran-
denden staart over de stad, deed de huizen in vlammen
opgaan, en keerde op dezelfde wijze, als hij te Lanka was
gekomen, naar Rama terug.
Nu bracht een leger van apen rotsblokken van den Hi-
malaya en bouwde er eene brug mede over de straat, tus-
schen Ceilon en Voor-Indië. De oorlog werd gevoerd met
bovennatuurlijke wapenen. Goden en geesten streden me-
de, totdat Rama eindelijk Ravana versloeg en Sita be-
vrijdde.
Na het eindigen zijner veertienjarige ballingschap aan-
vaarde Rama de regeering over Aoede en werd bij een
groot veroveraar, maar toen er eens een hongersnood ont-
stond, die werd toegeschreven aan den toorn der goden
wegens zijne hereeniging met Sita, zond hij haar in de
wildernis. Zij werd er vriendelijk opgenomen door Valmi-
ki en diens vrouw en schonk er het leven aan tweelingen,
Lava en Koesa. Zij bleef er zestien jaar. In dien tijd ver-
vaardigde Valmlki een gedicht, waarin hij de lotgevallen
van Rama bezong en leerde bet aan de beide zonen van
Rama en Sita. Eens, dat Rama in de jungle was gaan ja-
gen, hoorde hij het gedicht door Lava en Koesa zingen.
Het verlangen om Sita en zijne zonen bij zich te hebben,
overweldigde hem. Hij trad hunne woning binnen, nam
hen mede en leefde verder gelukkig met hen tot zijn dood.
Nadat Alexander de Groote op zijn tocht in Indië de
Grieken in aanraking had gebracht met de Hindoes, begint
er eenig licht te komen in de geschiedenis van het Boed-
dhaïsme. Tshandragoeptas lichtte in het midden der derde
eeuw v. C. grooter rijk dan tot op dien tijd in Indië had
-ocr page 49-
-ocr page 50-
" :■
Gerestaureerde Tempel v.in Boeddha-Gaya,
uit den rijd van A^oka, 52 Meter hoog.
-ocr page 51-
47
bestaan, en begunstigde de Boeddhaïsten. Zijn kleinzoon
Acoka bekeerde zich tot hunne leer en verhief haar tot
staatsgodsdienst. Door deze bescherming gingen zeer velen
tot het Boeddhaïsme over, dat toen nog eenvoudig was en
niet vijandig tegenover het Brahmaïsine stond. Daar ech-
ter een groot aantal van die bekeerlingen zonder voldoen-
de kennis van de leer in de Boeddhaïstische kloosters wer-
den opgenomen, ontstond er verslapping van de tucht en
verwaarloozing van de gebruiken. Om dit tegen te gaan
werd er een concilie gehouden, op hetwelk men de ge-
loofsleer vaststelde en het besluit nam haar te verbreiden.
Allerwegen werden nu zendelingen uitgezonden, \'s Vorsten
eigen zoon, Mahendra, begaf zich naar Ceilon en stichtte
er de zuidelijk Boeddhaïstische kerk, die de leer zuiverder
dan elders bewaard, en haar naar Achter-Indië overge-
bracht heeft.
Het Boeddhaïsme kon zich in Indië ongestoord ontwik-
kelen, zoolang het vorstenhuis van Tshandragoepta regeer-
de, maar toen dit in 178 v. C. dooreene nieuwe dynastie
was vervangen, wisten de Bhrahmancn den vorst Poesh-
pamitra te bewegen tot eene hevige vervolging tegen de
vereerders van Boeddha.
Nu ontstond er eene langdurige worsteling, waarin dan
de eene en dan de andere kerk de bovenhand had. Sedert
de IVde eeuw n. C. ging echter het Boeddhaïsme steeds
meer achteruit en nog drie eeuwen later werd het door
eene bloedige vervolging in Voor-Indië bijna geheel uitge-
roeid.
In die eeuwen van strijd onderging het Brahmaïsme
groote veranderingen, daar zijne priesters ter handhaving
van hunne leer de vereering der in verschillende streken
verschillende Brahmaansche volksgoden aanmoedigden.
Zoo trad hier de door zijne vleeschwordingen bekende
Vishnoe, elders de stormgod Roedra, maar thans onder
den verzachtenden naam Qiwa, den genadige, op den voor-
grond, terwijl de gemalin des laatsten, Doerga, de godin
-ocr page 52-
48
des doods, door anderen het hoogst werd vereerd.
De gedachte, dat het hoogste wezen afwisselend als
schepper, onderhouder en vernieler optreedt, is in het
Brahmaïsme reeds zeer oud. Sedert de XlVde eeuw n. C.
is zij ontwikkeld tot de trimoerti (drieëenheid). Zij vond
echter geen ingang bij het volk en hare toepassing op
Brahma, Vishnoe en Ciwa is geheel willekeurig, daar de
beide laatste goden evenzeer als scheppers worden voorge-
steld als Brahma.
-ocr page 53-
DE EGTPTENAREN.
1.
Egypte en de Nijl.
De Grieksche schrijver Herodötos van Halikarnassos
(450 v. C), de oudste, van wien wij eene beschrijving
hebben van eene reis door Egypte, noemt dit land een ge-
schenk van den Nijl. Het is een strook vruchtbaren grond
midden door de woestijn. In Mei en het begin van Juni, alsde
verschroeiende woestijnwind Khamsin waait en de Nijl
zijn laagsten stand heeft bereikt, levert Egypte een treuri-
gen aanklik op. Er zweeft dan zooveel fijn, heel woes-
tijnzand in de lucht, dat daardoor het ademhalen bemoei-
lijkt, het oog pijnlijk aangedaan, en alle uitzicht beneveld
wordt. Wel neemt men hier en daar de stammen en tak-
ken der hoornen waar, maar hunne bladeren zijn zoodanig
met stof bedekt, dat zij van het zand niet te onderscheiden
zijn. Ternauwernood kan men met veel inspanning in den
tuin van dezen of genen rijke door aanhoudende be-
sproeiing een schijn van groen behouden. De Nijl is dan
tot op de helft zijner gewone breedte ingekrompen en zijn
water schijnt stil te staan tusschen twee zoomen van zwart
slijk, dat door de zomerhitte gebakken is. Als na een
veertigtal van die droevige dagen de Noordenwind einde-
lijk doorbreekt om gedurende vier maanden stand te hou-
den, verandert Egypte geheel van voorkomen. De Noor-
denwind, die somtijds den gansehen dag met kracht waait,
4
-ocr page 54-
50
reinigt boomen en planten van het stof en tempert de hitte
der zonnestralen. Weldra begint ook de Nijl langzaam te
■wassen. Zijn water verliest alle helderheid en frischheid
en neemt een groen en slijmerig voorkomen aan. Dit ver-
schijnsel, de groene Nijl genoemd, wordt toegeschreven
aan de stilstaande wateren, die in Nubië en Darfoer ach-
terblijven, wanneer de jaarlijksche overstrooming is afge-
loopen, en die zich weder met het water van den Nijl
vermengen, wanneer deze wast. Het is gelukkig, dat de
groene Nijl slechts drie of vier dagen aanhoudt, want wie
in dien tijd het water drinkt, wordt door hevige pijnen in
den buik aangetast. Na tien of twaalf dagen, gedurende
welke de Nijl met kracht wast en zijn water in troebel-
heid toeneemt, doet zich een ander verschijnsel voor. Bijna
plotseling neemt het water eene bloedroode kleur aan. Dit
is de roode Nijl. Komt er eenige vertraging in het was-
sen des waters, dan neemt de roode kleur af en de helder-
heid toe. Rijst het water daarna weder sneller, zookeeren
de bloedroode kleur en de ondoorschijnendheid terug. Dit
roode water is frisch, smakelijk en niet ongezond.
Het overstroomen van den Nijl is voor al, wat in Egypte
leeft, een tijd van vreugde en opgewektheid. Tegen het
einde van September bereikt het Nijlwater bij Memphis
zijn hoogsten stand. Gedurende de drie volgende maanden
blijft het vallen, en zoodra een stuk gronds van het water
is bevrijd, wordt het bezaaid. In December treedt de Nijl
weer binnen zijne oevers en heeft zijn water de gewone
blauwe kleur herkregen. Dan begint ook de oogsttijd, die
aanhoudt totdat de Khamsin zich weder vertoont.
II. De oudste Egyptenaren.
De Egyptenaren stammen af, van volksstammen, die uit
Midden-Azië afkomstig waren en minstens zeventig of
tachtig eeuwen v. C. over de landengte van Suez
in het Nijldal kwamen. Zij vonden er eene zwarte bevol-
-ocr page 55-
51
king, die zij verdreven, en begonnen daarop het land be-
woonbaar te maken.
Egypte, thans zoo vruchtbaar, zag er toen woest uit.
De Nijl veranderde telkens van bedding, en terwijl bij zijne
overstroomingen de hoogere plekken van het dal steeds
boven water, en dus woestijn bleven, waren eenige streken
verpestende poelen of moerassen. De Delta was nog voor
een groot gedeelte met Nijl- of met zeewater bedekt, waar-
in hier en daar eenige eilandjes opdoken, omzoomd door
de waterplanten papyrus en lotus. Aldus vond men langs
de oevers der rivier naast akkers, die jaarlijks overstroom-
den en derhalve voor den landbouw geschikt waren, den
wilden plantengroei der tropische moerassen en de dorheid
der woestijn.
Langzamerhand leerden de Egyptenaren den loop van
den Nijl naar hunne behoeften te regelen door \'t aanleggen
van dijken, terwijl zij door het graven van kanalen en
waterkommen de afgelegenste deelen der vallei in de
vruchtbaarmakende overstrooming wisten te doen deelen.
De verschillende stammen, die Egypte waren binnenge-
trokken, stichtten afzonderlijke staatjes, ieder met eigene
wetten en eigen eeredienst. Langzamerhand smolten die
staatjes samen en vormden zij twee groote vorstendommen :
Opper-Egypte en Neder-Egvpte. De oudste staatjes gaven
echter aanleiding tot de verdeeling van Egypte in provin-
ciën of, gelijk de Grieken ze noemden, nomen, waarvan
er ongeveer veertig worden opgegeven. In ieder van die
nomen vond men : 1. eene stad, waarin het burgerlijk en
militair bestuur en het middelpunt van den eeredienst ge-
vestigd waren; 2. de gronden, die jaarlijks door den Nijl
overstroomd en voor den graanbouw gebezigd werden ;
3. de streken, die zoo laag waren, dat het water, door de
jaarlijksche overstrooming erop gebracht, niet kon afloo-
pen, en die dus moerassen vormden, waarvan de oevers
tot weiden dienden, en waarin men watervogels, alsmede
lotus- en papyrusplanten, wier merg men at, aankweekte;
-ocr page 56-
52
en 4. kanalen, uit den Nijl afgeleid len behoeve van den
landbouw en de scheepvaart. Het bestuur in de nomen
was toevertrouwd aan erfelijke stadhouders of aan vorsten,
die door den koning werd benoemd. Het geestelijk gezag
werd er uitgeoefend door den hooggepriester des tempels.
In sommige nomen werd de hooggepriester gekozen, in an-
dere was zijne waardigheid erfelijk. De inwoners van eene
nome moesten den koning en diens ambtenaren voort-
brengselen van den grond als belasting opbrengen, krijgs-
dienst verrichtten en in heerendienst arbeiden aan open-
bare werken, zooals tempels, vestingwerken, wegen, dij-
ken en kanalen.
De godheid werd door de Egyptenaren onderde gedaante
van menschen met beestekoppen of van dieren voorgesteld.
Iedere nome had zijn heilig dier. Zoo aanbad men te Mem-
phis den stier Apis, die geheel zwart moest zijn met eene
driehoekige witte vlek voor den kop, het teeken van een
gier met uitgespreide vlerken op den rug en van eene tor op de
tong. De beide laatste teekenen waren alleen maar waar
te nemen door de priesters, ongeveer op dezelfde wijze als
men uit het sterrenbeeld den Grooten Beer de gedaante
van een beer kan opmaken. Te Thebe werd aan den kro-
kodil goddelijke eer bewezen. De priesters wisten een
schoonen te vangen, dien zij in een vijver bewaarden, met
gouden ringen aan de ooren en armbanden aan de voorpoo-
ten versierden, en uit de hand leerden eten. De inwoners
offerden den heiligen krokodil koeken, gebraden visch en
een met honing bereiden drank. De offeraar, die zulk een
geschenk bij zich had, ging met eenige priesters naar den
vijver, waar het dier zich ophield. Twee hunner openden
het den wijden muil, terwijl een derde er achtereenvol-
gens de spijzen en den drank in wierp. Geheel anders
dacht men over de krokodillen te Elephantine, eene stad
ten Zuiden van Thebe, want daar werden zij als schadelijke
dieren vervolgd en gedood. Wie in Thebe een krokodil dood-
de, werd als een zwaar misdadiger om het leven gebracht.
-ocr page 57-
53
De dood van een heilig dier had den openbaren rouw in
de geheele nome ten gevolge. Zijn lijk werd gebalsemd en
op eene zoo kostbare wijze bijgezet, dat niet zelden een
schatrijk man uit vroomheid zijn geheele vermogen daar-
voor ten beste gaf.
Sommige dieren werden in geheel Egypte aangebeden,
zooals de tor, de ibis (eene soort reiger) de sperwer en de
jakhals. Tot de meest beroemde heilige dieren behoorde
ook nog de phenix, eene soort van kievit. De Grieken, die
weinig van den Egyptischen godsdienst begrepen, verhaal-
den, dat de phenix uit het "Westen kwam en zich in den
tempel van Heliopölis in de Delta vestigde. Na verloop van
vijfhonderd jaren bouwde hij zich een brandstapel van
myrrhe en welriekend hout. Zoodra hij zich hier op had
verbrand, kwam hij uit zijne asch weder verjongd te voor-
schijn en vloog dan pijlsnel naar zijn eigenlijk vaderland,
het Oosten.
III. De koningen van Memphis. Menes. Cheops
Omstreeks vier of vijf duizend jaren v. C. hadden de
priesters alle klassen aan hun gezag onderworpen. Aan
die priesterheerschappij werd een einde gemaakt door Me-
nes, een inwoner van Theni in Opper-Egypte. Hij begreep,
dat hij zijn zetel niet kon vestigen in zijne geboortestad,
waar de tempel was van Osiris, den meest algemeen ver-
eerden God vau Egypte. De nabijheid van de invloedrijke
priesters van den Osiristempel zou zijn gezag zeer hebben
geschaad.
Menes begaf zich naar het Noorden van het Nijldal,
waar het water, eer het de Delta bereikte, langs het Li-
bysche gebergte stroomde. Daar wierp hij een dijk op,
die nog bestaat, om de rivier te dwingen haar loop in
het midden van het dal voort te zetten en stichtte
nu tusschen dien dijk en het Libysche gebergte de stad
Memphis, waar tien dinastieën of vorstengeslachten ach-
-ocr page 58-
54
tereenvolgens op den troon zaten en geheel Egypte be-
heerschten.
Een uur gaans ten Westen van Memphis vormt het Li-
bysche gebergte een plateau, dat evenwijdig loopt met den
Nijl en eenige uren gaans lang is. In de dagen van Me-
nes bestond aan het zuidelijk uiteinde van dit plateau reeds
de kolossale, in de rotsen uitgehouwen sphincc, een leeuw
met een menschenhoofd, het zinnebeeld der opgaande zon.
De bewoners van Memphis gebruikten dit plateau als be-
graafplaats voor hunne dooden. De lijken der minder ge-
goeden werden er ongekleed en ongekist in het zand op
een meter diepte begraven, maar voor die van de gegoeden
bouwde men rechthoekige kamers van gelen baksteen,
zonder versierselen. Naast het lijk, dat erin werd neder-
gelegd, plaatste men potten van aardewerk, gevuld met
mondbehoeften, die den overledene op zijn reis naar de
onderwereld werden medegegeven. Voor de aanzienlijken,
wier lijken in steenen kisten besloten werden, vervaar-
digde men sierlijker begraafplaatsen van gehouwen of ge-
bakken steen. In zulk een graf plaatste men een zuil, op
wier wanden de levensgeschiedenis van den overledene was
gebeiteld, terwijl op de wanden van den grafkelder voor-
vallen uit zijn leven waren geschilderd. Verscheidene van
die begraafplaatsen zijn tot op onzen tijd bewaard geble-
ven. Men ziet er op de wanden tooneelen uit het huiselijk
leven: koks, die het vuur opstoken en den maaltijd ge-
reedmaken ; de vrouwen van den harem, die dansen en
zingen bij de tonen van cither, fluit en harp ; elders eene
jacht- of vischpartij; een spiegelgevecht op den Nijl, waar-
bij de schippers, ieder in een bootje staande, elkander met
lange stokken in het water trachten te stooten; dan we-
der een voorval bij eene overstrooming, of het ploegen,
zaaien, oogsten en het vullen der graanschuren. Op een
anderen wand ziet men ambachtslieden, ieder bezig met
zijn handwerk: schoenmakers, metaalgieters, schrijnwer-
kers, glasmakers ; timmerlieden die boomen vellen en een
-ocr page 59-
55
schip timmeren; vrouwen, die aan het weeftouw werken
onder het oog van een opzichter, die de wenkbrauwen
fronst en weinig gezind schijnt haar gesnap aan te hooren.
Ginds staat de huisheer op den achtersteven van een groot
schip, van waar hij de matrozen kommandeert: de zee,
waarop hij vaart, is het westelijk bekken (de Middelland-
sche Zee) en de haven, waar hij heen stuurt, het graf.
Daarnaast is de huisheer zittend afgebeeld, terwijl verschil-
lende rijen personen hem allerlei gaven komen aanbie-
den. Het zijn de bewoners van de goederen, die hij van
zijn vader geërfd of van den koning gekregen had. Zij
stellen er eene eer in de offers, die men hem na zijn dood
brengt, te vermeerderen. Al die schilderijen bevatten bij-
schriften, welke de woorden weergeven, die aan de voor-
gestelde personen in den mond worden gelegd. "Houd
stevig vast," zegt een offeraar, die gereed staat een stier te
dooden, tot zijn helper. »Ik heb hem. Haast u," luidt
het antwoord. Een opgeruimde veerman roept een grijsaard,
die op den oever achter is gebleven, toe : «Kom maar over
het water." «Maak toch zooveel praatjes niet," zegt de
grijsaard.
In deze doodenkamers kwamen de afstammelingen van
den overledene op bepaalde dagen met gebeden en wierook
hulde bewijzen aan hun voorzaat. Daar zagen zij hem dan
afgebeeld, omringd van de dienaren, die hem hadden bij-
gestaan, en van alles, wat hem gedurende zijn leven tot
vreugde of droefheid had gestrekt.
Aldus vormde zich langzamerhand een doodenstad, die
de stad der levenden in omvang overtrof. Maar grootscher
en indrukwekkender waren de begraafplaatsen der konin-
gen, de bekende piramiden. Zoodra een koning aan dere1
geering kwam, zette hij de steenhouwers aan \'t werk om
de steenblokken te houwen voor de piramide, die eens zijn
lijk moest bevatten. Aanzienlijke personen moesten door
het land reizen om het schoonste stuk marmer of graniet
op te sporen, waaruit de lijkkist des konings kon gehouwen
-ocr page 60-
56
worden. De bevolking van gansche steden of nomen werd
beurtelings naar de steengroeven gezonden ot naar de plaats,
waar de piramide werd opgericht. Bij iedere piramide
werd een tempel gebouwd, waarin den overleden vorst de
offeranden van zijne onderdanen en de vereering van de
priesters, aan zijn dienst verbonden, werden aangeboden.
De grootste der piramiden is gesticht door koning
Cheops. Opgetrokken van witten steen, verheft zij zich tot
eene hoogte van 150 M. Deze ontzaglijke steenmassa, waar-
van de zijde van het grondvlak ruim 200 M. telt en de
samenstellende gepolijste steenblokken minstens 10M.lang
zijn, werpt bij ondergaande zon eene onafzienbare schaduw
over de maïs- en tarwevelden van Gizeh. Volgens het ver-
haal van Herodotos werd er tien jaren gewerkt aan den
weg, waarlangs de steenblokken, die in het Arabische ge-
bergte gehouwen werden, naar de plaats hunner bestem-
ming moesten worden gesleept, en toen arbeidden 100,000
menschen, die om de drie maanden door anderen vervan-
gen werden, en van den koning geene andere vergoeding
kregen dan het onmisbare voedsel, nog twintig jaren aan
het bouwen der piramide.
Cheops was een zeer machtig en godvreezend koning,
even geducht voor zijne vijanden als voor zijne onderda-
nen. Zegevierend bestreed hij de Arabische nomaden, die
zich verstout hadden de mijnwerkers te verontrusten van
het aan Egypte onderworpen schiereiland Sinaï, dat koper
en turkooizen opleverde.
Eer een lijk in de kist werd gelegd, moest het worden
gebalsemd. Hiertoe diende het opengesneden en van de in-
gewanden ontdaan te worden. Het schenden van een lijk
was echter eene zware zonde, en daarom werd dat werk
opgedragen aan eene onreine en verachte klasse van men-
schen, paraschieten genaamd. Hadden dezen hun werk
verricht, dan liet men de week e deelen met looistoffen of
zouten doortrekken, waarna men de buik- en borstholte
met welriekende harsen en asphalt vulde of het lichaam
-ocr page 61-
57
eenvoudig liet drogen. Hierna werd het lijk in smalle, met
gom bestreken katoenen zwachtels van verschillende kleu-
ren gewikkeld en dan was de mummie gereed. Daar de
Egyptenaren het hart, dat met de ingewanden uit het li-
chaam werd gehaald, als den zetel der ziel beschouwden,
werd het in een goed gesloten vaas bij de kist der mummie
bewaard.
In een der graven bij Gizeh is een aanzienlijk man be-
graven, die te» tijde der VIdc dinastie leefde en den titel
droeg van bestuurder van hel liuis der hoeken. Hieruit
blijkt, dat de Egyptenaren tijdens de regeering van de ko-
ningen van Memphis reeds eene aanzienlijke hoogte van
beschaving hadden bereikt. Bijna alles, wat die bibliotheek
bevatte, is verloren gegaan, maar het weinige, dat ervan
gevonden is, doet zien, dat zij in de eerste plaats bestond
uit werken van godsdienstigen aard en verder uit geschrif-
ten over wijsbegeerte, zedenkunde, geschiedenis, meet-
kunde, geneeskunde en sterrenkunde.
IV. De eerste koningen van Thebe. Amenemhat III.
Oesortesen I.
Al was Memphis het middelpunt van de Egyptische be-
schaving geworden, de vorsten, die er zetelden, konden
zich op den duur niet handhaven. Langzamerhand begon
het aanzien van Thebe te klimmen. Ammon (de Verbor-
gene), wien de ram gewijd was, tot nu toe slechts de god
van de nome Thebe, werd eerlang ook in andere stre-
ken aangebeden, en nadat Egypte jarenlang aan woelingen
en verwarring ten prooi was geweest, wist een aanzienlijk
bewoner van Thebe denomevandiennaamonafhankelijk te
maken. Na verloop van velej aren slaagden de koningen van
Thebe erin, geheel Egypte onder hunne heerschappij te krij-
gen en het rijkmetNubië, datzij veroverden, te vergrooten.
Bizondere vermaardheid verwierf zich koning Amenem-
hat III. Het bleek hem, dat de waterkommen, die, gelijk nog
-ocr page 62-
58
ïn onze dagen, langs den Nijl liggen, wegens haar geringen
•omvang onvoldoende waren om de overstroomingen der
rivier te regelen. Daarom besloot hij, eene zeer groote ver-
gaderplaats voor het water te maken, die in de jaren, dat
•de Nijl rijkelijk overstroomde, gevuld kon worden, om in
een jaar, dat de rivier te weinig wies om een goeden oogst
te doen verwachten, de overstrooming met behulp van het
bewaarde water grooter uitgestrektheid te geven. Dit werk,
een der wonderen van het oude Egypte, is bekend onder
•den naam van het meer Moeris.
Eenige uren gaans ten Zuiden van Memphis is er
in het Lybische gebergte eene inzinking, die toegang
Terleent tot eene vallei, waarvan de bodem aanvankelijk
dezelfde hoogte heeft als Midden-Egypte, doch verder naar
het Westen zoo laagwordt, dat er zich een natuurlijk meer
heeft gevormd van tien uren gaans. Ten Oosten van dit
meer liet Amenemhat III een dijk door de vallei leggen
van 50 M. breedte en 3,5 M. hoogte, terwijl hij aan den
ingang der vallei tot aan den Nijl twee kanalen liet graven
"van sluizen voorzien. Bij eene overvloedige overstrooming
liep het water in de \'vallei, terwijl de dijk, waarvan heden
nog de overblijfselen bestaan, voorkwam dat het naar het
lager gelegen meer nutteloos wegvloeide. Zoodra de Nijl
begon te vallen, werden de sluizen gesloten, en wanneer
nu een volgend jaar de overstrooming onvoldoende was,
opende men ze en stroomde het bewaarde water weer naar
•den Nijl, wiens stand daardoor voor Midden-Egypte aan-
merkelijk werd verhoogd. AVas het meer aldus geledigd en
volgde er dan een jaar, waarin de Nijl zoo hoog wies, dat
•de steden en dorpen van de Delta, ofschoon zij op kunst-
matige hoogten gebouwd waren, met overstrooming wer-
den bedreigd, dan kon het onheil worden afgewend door
het Nijlwater in het meer Moeris af te tappen.
Aan de Oostzijde van het meer liet Amenemhat III een
ontzaglijk paleis bouwen, dat bijna drie duizend jaren later
door de Grieken het labyrintli is genoemd. De gevel, die
-ocr page 63-
5!)
•op het meer uitzag, was van een zoo witten kalksteen, dat
de Grieken hem voor marmer hielden; overigens was het
gebouw van graniet. Het paleis bevatte, volgens de opgave
•der oude Grieken, 3000 kamers, waarvan er zich 1500
heneden den grond bevonden. Deze waren kleine vier-
kante vertrekken, waarvan de wanden met beeldhouw-
werk versierd waren, en die ieder een enkelen steen
tot zoldering hadden. Zij waren verbonden door gan-
gen, die zoo kunstig door elkander liepen, dat een vreem-
deling zonder gids erin moest verdwalen. Men bewaarde
er de beelden der goden en der overleden koningen alsme-
de kostbare gewaden, die hij godsdienstige plechtigheden
den dienst deden en alleen in een volslagen duisternis tegen
de vernielende werking der insecten en der zonnestralen
beschut waren. In het midden van het gebouw vond men
twaalf groote zalen, twee en twee tegenover elkander ge-
plaatst, zoodat zes harer de deuren aan de Noord-, de ove-
rige ze aan de Zuidzijde hadden. Aan den noordelijken hoek
van het paleis liet Amenemhat III zijn graf houwen, eene
piramide van baksteen, bekleed met gebeeldhouwde stee-
nen platen. Daarin werd hij na eene regeering van veertig
jaren begraven.
Herodötos zegt: »Ik heb het labyrinth gezien en be-
vonden, dat het nog grooter is, dan de roep, die ervan uit-
gaat. Al de Grieksche gebouwen samen genomen doen,
wat werk en kostbaarheid betreft, onder voor dit labyrinth
De piramiden zijn mij grootscher toegeschenen dan haar
roem, en toch overtreft het labyrinth de piramiden nog."
Bij denoverweldigendenindruk, diende piramiden en het
labyrinth als werken van der menschen hand op den toe-
schouwer maken, wordt tegelijkertijd het gevoel pijnlijk
aangedaan door de voorstelling, dat een geheel volk als eene
slavenbende een nutteloozen arbeid moest verrichten tot
streeling van de ijdelheid der koningen.
Deze en andere grootsche bouwwerken, zooals de tempel
"van Ammon, waarmede een aanvang werd gemaakt door
-ocr page 64-
GO
Oesortesen I, een der opvolgers van Amenemhat III, zijn
in latere eeuwen door de vreemde vorsten, die Egypte ver-
overden, zoodanig geplunderd en verwoest, dat zij ons
slechts weinig kunnen leeren van het leven der bewoners
van het Nijldal omstreeks twee of drie duizend jaren v. C.
Meer inlichtingen daarover geven de begraafplaatsen der
bizondere personen, zooals de in het Lybische gebergte bij
Thebe uitgehouwen doodenstad, welke door de overweldi-
gers van Egypte gespaard is gebleven. De nagelaten betrek-
kingen van een stadhouder lieten op diens gedenkzuil het
volgende beitelen: "Ik was een goed meester en had mijn
land lief. Ik heb gearbeid en de ganschenome was in volle
werkzaamheid. Nooit werd een klein kind door mij be-
droefd, noch eene weduwe door mij mishandeld, nooit heb
ik den landbouwer afgewezen, nooit den herder gehinderd.
Nooit was er een bevelhebber over vijf manschappen, van
wien ik dezen heb opgeëischt om voor mij te arbeiden.
Nooit was er een hongersnood in mijn tijd, noch een uit-
gehongerde onder mijn bestuur, want ik liet deakkersder
nome van het Noorden tot het Zuiden allen bebouwen. Ik
reikte mijne gaven evenzeer aan de weduwe als aan de ge-
huwde vrouw, en verkoos den aanzienlijke niet boven den
geringe, wanneer ik gaf." Uit de schildering van zulk een
liefderijk en weldadig landvoogd moet men niet afleiden,
dat het lot der volksklasse benijdenswaardig was. In
brieven uit dien tijd leest men : »Ik heb den smid gezien
voor den mond van den gloeienden oven. Zijnehanden zijn
rimpelig alsof zij met krokodillenhuid zijn bedekt. Heeft
hij meer rust dan de landbouwer? Des nachts, wanneer
hij geacht wordt vrij te zijn, werkt hij, na al wat hij des
daags reeds heeft verricht, nog door bij het schijnsel eener
fakkel. — De barbier scheert tot in den nacht; slechts als
hij zich nederzet om te eten, rust hij. Hij gaat van huis
tot huis om klanten te zoeken en mat zich af om zich den
buik te kunnen vullen. — De metselaar leidt een ziekelijk
leven, want hij is aan alle weer en wind blootgesteld. Zijne
-ocr page 65-
(il
armen verslijten hij den zwaren arbeid. Hij wascht zich
slechts eens per dag. Als hij met moeite zijn brood heeft
verdiend, gaat hij naar huis en slaat hij zijne kinderen. —
De wever, die in huis moet zitten, is ongelukkiger dan
eene vrouw. Nooit geniet hij de vrije lucht. Als hij een en-
kelen dag de voorgeschreven taak niet afwerkt, wordt hij
gebonden. Alleen door de wachters bij de deuren met
brood om te koopen, kan hij eens de open lucht genieten."
Tijdens de XIYde dinastie werd Egypte wederom een
tooneel van verwarring en burgeroorlog, en terwijl menig
stadhouder en leenvorst zich onafhankelijk zocht temaken,
deden herdersvolken uit Kanaiin, het westelijk gedeelte
van Syrië, die bekend zijn onder den naam van Hyksos,
een inval in \'t Noorden des rijks. Steden en tempels wer-
den geplunderd en verwoest, de mannen gedood, en vrou-
wen en kinderen in den toestand van slavernij gebracht.
De Hyksos kozen hierop een koning uit hun midden en
zichten geheel Egypte aan zich te onderwerpen. Twee
eeuwen duurde het, eer zij Thebe ten onder hadden ge-
bracht. Tijdens de heerschappij van de koningen der Hyk-
sos kwamen zich vele Kanaanieten in Egypte vestigen. Dit
deed ook een volksstam, die, uit Midden-Azië afkomstig,
na het overtrekken van den Euphraat den naam Hebreen
(mannen der overzijde) had ontvangen. Hij had zich ver-
volgens bij Hebron neergezet, vanwaar een gedeelte den
Jordaan overtrok en later de staten Moab en Ammon
stichtte, terwijl anderen zich zuidwaarts begaven en zich
met de Edomieten vermengden. Het overblijvende deel,
dat onder den naam Israël zoo belangrijk is geworden,
vestigde zich in de Egyptische landstreek Gosen.
V. De latere koningen van Thebe. Amosis Thoetmes I.
Thoetmes II. Hatasoe Thoetmes III, Ramses II.
Zoolang de koningen der Hyksos de godsvereering der
Egyptenaren eerbiedigden, konden zij zich blijven handha-
-ocr page 66-
62
ven, maar toen een hunner, bijna vier eeuwen na hunne-
vestiging in de Delta, den nationalen god der Hyksos bo-
ven de goden der Egyptenaren verhief, nabij zijn paleis een
prachtigen tempel voor hem stichtte en bovendien over de
waterverdeeling groote ontevredenheid deed ontstaan,
kwam er verzet. De vorst van Thebe stelde zich aan \'t
hoofd der beweging, nam den titel van koning aan en
stichtte aldus de XVIId0 dinastie. De Hyksos werden nu
meer en meer naar het Noorden teruggedrongen. Einde-
lijk moesten zij zelfs Memphis opgeven, maar in het Oos-
ten van de Delta hadden zij zich zoo goed versterkt, dat
drie achtereenvolgende koningen van Thebe vruchteloos al
hunne krachten inspanden om er hen uit te verdrijven.
Toen de bevrijdingsoorlog anderhalve eeuw had geduurd,
gelukte het Amosis of Ahmes I de Hyksos naar Syrië te
verdrijven, waarheen hij hen vervolgde en nogmaals eene
nederlaag toebracht. Nochtans stond hij aan vele Hyksos
en ook aan de Israëlieten toe, in het oostelijke gedeelte
van de Delta te blijven wonen. Zij verkozen den toestand
van slavernij op den Egyptischen grond, boven de kans,
dat zij misschien in ellende zouden moeten rondzwerven,
indien zij Egypte als vrije mannen verlieten.
Dewijl de langdurige oorlog Egypte in verwarring ge-
bracht, en met puinhoopen bedekt had, was het eerste
werk van Amosis het bestuur te regelen. De vorsten der
verschillende nomen werden weder tot erfelijke stadhou-
ders gemaakt, nochtans met bevoegdheid tot hun doodden
titel van koning, dien zij gevoerd hadden, te blijven dra-
gen. Om de negerstammen van Ethiopië aan zich te ver-
binden huwde hij met Nowertari, eene negerin, die later
tot regentes en na baar dood tot godin werd verheven. De
eerbewijzingen, waarmede Amosis zijn zwarte gemalin
overlaadde, deden hem erin slagen de Ethiopiërs in plaats
van tot bondgenooten tot onderdanen te maken.
Vele groote bouwwerken, waarmede men voor eeuwen
een aanvang had gemaakt, doch die gedurende den tijd der
-ocr page 67-
-ocr page 68-
1
ps
a
TT
9
-. :■{:..;.........:.:......■..:,:.\'",\'.\'
-ocr page 69-
65
overheersching onvoltooid gebleven of verwoest waren,
werden nu weder onder handen genomen. Amosis herstel-
de den tempel van Thehe, hij het tegenwoordige dorp
Karnak, en stichtte er nieuwe gehouwen bij voor degods-
vereering. Voor deze en dergelijke werken moesten de
onderworpen Aziaten uit de Delta onder de leiding van
strenge Egyptische opzichters arbeiden, hetzij in de steen-
groeven, hetzij in de steenbakkerijen.
De bevrijdingsoorlog had bij de Egyptenaren den lust
tot krijgvoeren opgewekt. Daar het Zuiden onderworpen
was, vestigden de pharao\'s of koningen van nu af den blik op
Syrië. De tweede opvolger van Amosis, Thoetmes I, deed
een veroveringstocht door deze landstreek en richtte tot
aan de oevers van den Euphraat steenen gedenkteekenen
van zijne overwinningen op. Thoetmes I, die zijne dochter
Hatasoe tot koningin wilde verheffen, huwde haar aan haar
broeder Thoetmes II uit, wiens regeering kort en rustig
was, maar gedurende welke Hatasoe zich een grooten in-
vloed wist te verwerven. Toen Thoetmes II kinderloos
was gestorven, werd aan Hatasoe het regentschap over
haar minderjarigen tweeden broeder Thoetmes III opge-
dragen. Spoedig echter wist zij dezen terzijde te stellen en
zich geheel van de koninklijke macht meester te maken.
Zij stichtte tempels te harer eer, liet zich als een man met
den koninklijken baard, van valsch haar, voorstellen en
voerde zelve hare legers aan. De heerschappij over het
Zuiden en Noorden wist zij ongeschonden te bewaren, en
evenals haar vader ontving zij schatting van de bewoners
van Kanaan. Zij deed een veroveringstocht in het land To-
noeter, het middelste gedeelte van de Westkust van Arabië,
waar nog nooit een Egyptenaar den voet had gezet. Deze
landstreek was zeer belangrijk voor den handel tusschen
Indië en West-Azië. De voortbrengselen van Dekan werden
er met schepen aangebracht en van daar naar Babylon, As-
syrië, Phenicië en de kust van Egypte langs de RoodeZee
gebracht. Hatasoe besloot het land, dat fijne houtsoorten,
5
-ocr page 70-
66
gom, wierook, goud, zilver, edele steenen, kortom alles
opleverde, wat Egypte voor de godsvereering en de weelde
noodig had, aan haar gezag te onderwerpen. Zij hraclitin
de Roode Zee eene oorlogsvloot bijeen, en deed daarmede
eene landing. De bewoners, die zij overviel, onderwierpen
zich zonder slag of stoot, en daar zij het niet raadzaam
achtte verder in het land door te dringen, stelde zij zich
met dit eerste voordeel tevreden, en keerde zij huiswaarts
met rijken buit beladen. Onder hetgeen zij medebracht be-
vonden zich twee en dertig boompjes van eene welriekende
houtsoort, ieder met de wortels in een bak vol aarde ge-
plaatst. Zij liet ze in hare tuinen te Thebe plantenendeed
daarmede misschien de eerste proeve van acclimatatie.
Na den dood van Hatasoe nam Thoetmes III zelf de
teugels der regeering in handen. Bijna bij iedere verwis-
seling van regeering hadden de Syriërs eene poging ge-
daan, het Egyptische juk af te schudden. Thans had er
een geweldige opstand plaats, zoodat in weinige dagen ge-
heel Syrië verloren ging met uitzondering van Gaza. Oogen-
blikkelijk snelde Thoetmes III naar deze stad, vierde er
zijn kroningsfeest en trok toen met zijne troepen langzaam
noordwaarts naar Joehem, waar hij halt hield om berich-
ten van de door hem uitgezonden verspieders te ontvangen
en daarnaar zijn plan van aanval te regelen. Zestien dagen
nadat hij Gaza had verlaten, vernam hij, dat zijne verbon-
den vijanden in de nabijheid vau Megiddo (ten Z. W. van
het meer Genezareth) de passen van het gebergte Karmel
bezet hielden en met eene geduchte legermacht in de vlakte
Jizreël den weg naar den Libanon versperden. Eenige
Egyptische aanvoerders gaven den raad, den vijand we-
gens zijne sterke stelling om te trekken en van achteren,
aan te vallen, maar Thoetmes III verwierp dezen raad,
dien hij laf en smadelijk noemde. Terstond trok hij tegen
den vijand op, en toen vier dagen later de zon onderging,
stond hij voor hem. Daar het te laat was den strijd aan.
te vangen, sloeg hij zijne legerplaats op. Zoodra het mor-
-ocr page 71-
67
genlicht weder aanbrak, schaarde hij zijne troepen in slag-
orde. Door een onstuimigen aanval bracht hij in het leger
der Syriërs een panischen schrik teweeg. De vijanden
sprongen van hunne paarden en strijdwagens en vluchtten
naar Megiddo. De bezetting der stad, vreezende, dat de
troepen van Thoetmes III te gelijk met de vluchtelingen
zouden binnendringen, sloten de poorten en bepaalden er
zich toe, eenige aanvoerders met touwen op de muren te
trekken. Hierop sloegen de andere vluchtelingen den weg
in naar de bergen en dit deden zij met zulk eene snelheid,
dat het Syrische leger slechts 83 dooden en 340 gevange-
nen in de handen van de Egyptenaren achterliet. Daaren-
tegen vonden dezen op het slagveld 2132 paarden, 944
strijdwagens en de gansche bagage der vijanden. Weinige
dagen later gaf Megiddo met al de opperhoofden, die er
eene schuilplaats hadden gevonden, zich over, waarop de
vorsten van Syrië en Mesopotamië den overwinnaar hunne
hulde bewezen en de opgelegde schatting betaalden. Spoe-
dig daarna had er een nieuwe opstand van Syrische vor-
sten plaats, maar zij werden opnieuw bedwongen en door
Thoetmes III genoodzaakt hem hunne zonen en broeders
uit te leveren, die hij naar Egypte zond. Telkens als er
een Syrisch vorst stierf, verving hij hem door een dezer
gijzelaars. Na Syrië voor goed aan zijn gezag onderwor-
pen te hebben, deed hij nog een tocht door Mesopotamië,
welks vorsten hem weinig tegenstand boden en sedert ge-
regeld schatting betaalden,
Thoetmes III stierf na eene regeering van vijftig jaren.
De vorsten van de XVIIIde dinastie, waartoe hij behoor-
de, hielden door herhaalde krijgstochten van den Tigris
tot in Ethiopië de onderworpen volken in den toestand der
schatplichtigheid en vermeerderden steeds op den linker
Nijloever te Thebe de tempelgebouwen, die door muren
van baksteen of door sphinxengangen aan elkander verbon-
den werden en op welker wanden zij het verhaal hunner
daden lieten beitelen.
-ocr page 72-
(>X
Een der laatste vorsten van de XVIIIdi; dinastie trachtte
den Ammondienst van Tliebe door den Zonnedienst te ver-
vangen, ten gevolge waarvan er een geloofsoorlog ontstond,
die de macht van Egypte zoo verzwakte, dat de verove-
ringen van Thoetmes III weder verloren gingen. Delaatste
koning der XVIIIde dinastie herstelde den Ammondienst
te Thebe en weldra traden de Egyptenaren weder als ver-
overaars op. De derde koning der XIXde dinastie, Ram-
ses II, deed zich als geducht krijgsheld kennen. De volken
van het Noorden van Svrië verbonden zich met eern^e
Kleinaziatische volken, waaronder de Trojanen, om op
Egypte een rijken buit te behalen en vereenigden daartoe
hunne legers in het dal van den Orontes. Zoodra
Ramses II van hunne plannen vernomen had, trok hij met
een goed uitgerust leger tegen de verbondenen op. Aan
den bovenloop van den Orontes gekomen zijnde, hield hij
zich daar eenige dagen op om het terrein te verkennen en
berichten in te winnen aangaande de stelling zijner vijan-
den, waaromtrent hij niet voldoende was ingelicht. De
bondgenooten daarentegen, die door spionnen geheel op de
hoogte waren van de bewegingen van Ramses leger, be-
sloten hem door list in \'t verderf te storten. Eens dat Ram-
ses II eene verkenning deed, naderden hem twee vijande-
lijke krijgslieden met de woorden : «Onze broeders, die
aanvoerders zijn van stammen in het leger van uw vijand
den vorst Khota, zenden ons om uwe majesteit te zeggen:
"Wij willen den pharao dienen en den lagen vorst Kheta
verlaten, die uit vrees voor den pharao noordwaarts terug
is getrokken." Ramses II, door deze woorden misleid, trok
haastig den vijand achterna, alleen vergezeld van zijne
lijfwacht, terwijl de vier groote afdeelingen, die het gros
van zijn leger uitmaakten, op eenigen afstand volgden. In
deze orde trok men langs de stad Kadesh, achter welke
het vijandelijk leger in hinderlaag stond om op een gun-
stig oogenblik de Egyptenaren van ter zijde aan te vallen.
Terwijl Ramses II aldus rustig voorttrok, bracht men twee
-ocr page 73-
69
vijandelijke spionnen voor hem, die door de voorwacht
waren gegrepen. Daar de pharao reeds achterdocht was
gaan koesteren, begon hij de gevangenen scherp te onder-
vragen en met behulp van geduchte stokslagen bracht hij
hen tot de bekentenis, dat zij uitgezonden waren om zijne
bewegingen te bespieden, en dat het leger der verbonde-
nen in plaats van te zijn afgetrokken, achter Kadesh tot
den strijd gereed stond. Onmiddellijk zond Ramscs Heen
renbode met bevel aan het gros des legers om den marsch
te bespoedigen, maar reeds vertoonden zich de vijanden,
die, terwijl de pharao ten Noorden van Kadesh was, spoe-
dig hunne hoofdmacht ten Zuiden dier plaats vereenigd
hadden, en nu op het centrum van de Egyptenaren aan-
vielen, dat zij vernietigden. Ramsos II ziende, dat zijn
leger aldus in tweeen was gesneden, viel aan \'t hoofd zij-
ner lijfwacht de vijanden aan, die hem omsingelden. Acht
keer stormde hij op hen in, verbrak eindelijk hunne gelede-
ren en hereenigde zijne verspreide troepen. Tegen den avond
hadden de Syriërs het voordeel, dat zij \'s morgens behaald
hadden, weder verloren. De nacht maakte een einde aan
den strijd, maar den volgenden morgen viel Ramses II
zijne vijanden nogmaals aan en na een woedend gevecht
sloeg hij hen op de vlucht. Op dat oogenblik deed de be-
zetting van Kadesh een uitval, waardoor de Egyptenaren
verhinderd werden eene groote slachting onder hunne
vijanden aan te richten. Den volgenden dag liet de vorst
Kheta om den vrede vragen, en Ramses II stond dien toe.
Deze overwinning maakte aan den oorlog echter geen
einde, want weldra stonden de Kanaiinieten op en de vorst
Kheta sloot zich bij hen aan. Jarenlang duurde de strijd,
totdat beide partijen van uitputting naar den vrede ver-
langden. Terwijl Thoelmes III aan de vorsten tus-
schen de Middellandsche Zee en den Tigris als zijne min-
deren de wet had voorgeschreven, zag Ramses II zich ge-
noodzaakt met hen als zijns gelijken te onderhandelen.
Met den vorst van Kheta sloot hij een verdedigend verbond.
-ocr page 74-
70
Geen pharao heeft op zooveel gedenkteekens zijn helden-
daden zoeken te vereeuwigen als Ramses II. Te Thebe
liet hij twee obelisken van graniet oprichten, waarvan er
tegenwoordig een op de place de la Concorde te Parijs
slaat; te Isamboel stichtte hij een gebouw, waarvan de in-
gang versierd werd met kolossale standbeelden, ieder uit
één steen (monolith) en twintig meters hoog; in alle ste-
den liet hij aan de tempels arbeiden, maar daarbij lieten
de bouwmeesters niel zelden de namen der stichters uit-
wisschen en vervangen door dien van Ramses II, zoodat
er tegenwoordig bijna geene ruïne in Egypte wordt aange-
troffen, waarop de naam van dien pharao niet voorkomt.
Verscheidene opvolgers van Ramses II gingen voort
krijgstochten in Ethiopië en Syrië te ondernemen; maar
toen dat onophoudelijke oorlogvoeren vier eeuwen hadge-
duurd, werd het duidelijk zichtbaar, boezeer Egypte er
door was uitgeput. Ofschoon reeds sedert geruimen tijd
vreemdelingen dienst deden in de legers, wasdebevolking
door den krijg toch in aantal afgenomen. De aanzienlijken,
die zich meer en meer aan een weelderig leven had-
den overgegeven, stelden slechts prijs op burgerlijke be-
trekkingen en spott\'en met alles, wat den krijgsdienst be-
trof. Een schrijver uit die da^en vermeldt het volgende:
\'•Waarom zegt gij, dat een officier gelukkiger is dan een
secretaris?" vraagde een geheimschrijver aanzijn leerling.
— «Kom, ik zal u het lot van den officier schetsen : Als
kind wordt hij in een kazerne opgesloten; het borstharnas
schaaft hem een pijnlijke wonde aan den buik, de druk-
kende helm is oorzaak, dat hij steeds met opene wonden
aan het hoofd loopt; zijn brood en zijn drinkwater moet
hij op den schouder dragen, alsof hij een ezel was; hij
drinkt bedorven water en moet dan weder de wacht be-
trekken ; staat hij voor den vijand, dan trilt hij als eene
gans, want dapperheid bezit hij niet; keert hij in Egypte
terug, dan ziet hij eruit als een stok, dien de worm door-
knaagd heeft; kan hij zich door ziekte niet meer staande
-ocr page 75-
71
houden, dan wordt hij op een ezel gezel; de dieven ontste-
len hem zijne kleederen en zijne dienaren verlaten hem."
In dezen tijd ■wisten de priesters van Ammon te Thebe
hunne macht verbazend uit te breiden, langzamerhand
maakten zij zich van al de hooge burgerlijke en militaire
betrekkingen meester, en eindelijk slaagde een hunner erin
zich tot koning te verheffen. Maar reeds zijn zoon werd
niet algemeen erkend. Er ontstonden burgeroorlogen, de
heerschappij over het Zuiden van Syrië ging verloren, en
eindelijk vestigde zicli te Bubastis in de Delta eene nieuwe
dinastie, de XXIs,e, welke ook de heerschappij over Ethio-
pië moest opgeven.
VI. De koningen van Bubastis en van Saïs. Shabak.
Psamtik I. Necho. Apriës. Amazis.
Om hun gezag te versterken benoemden de koningen te
Bubastis uitsluitend hunne bloedverwanten tot de hoogste
staatsambten. Hun oudste zoon was gewoonlijk hooge-
priester van Ammon te Thebe, terwijl andere zonen en
bloedverwanten tot stadhouders over eene of meer nomen
werden aangesteld en zich deden gelden met behulp van
eene afdeeling Lybische huurtroepen, die toen de kracht
van het Egyptische leger uitmaakten. Die stadhouders
wisten echter langzamerhand hunne waardigheid erfelijk
te maken, en aldus werd het oude leenstelsel met vorsten
der nomen ten voordeele van het koninklijk geslacht her-
steld. Weldra telde Egypte een twintigtal koninkjes, die
wel ondergeschikt waren aan den koning te Bubastis,
maar toch vaak aanleiding gaven tot burgeroorlogen, waar-
door Egypte zoo verzwakte, dat de Ethiopiërs het rijk ver-
overden. Hun vorst Shabak (Sabako) nam den titel van
koning van Egypte aan, en ofschoon hij de verschillende
koninkjes niet afzette, bracht hij hen terug tot den eenvou-
digen rang van zijne stadhouders. Shabak wist Egypte
weer uit den staat van verval, waarin het geraakt was,
-ocr page 76-
72
op te beuren. Met kracht liet hij de verwaarloosde kana-
len en bouwwerken herstellen en om daartoe de noodige
werklieden te vinden veranderde hij de doodstraf in ge-
dwongen arbeid aan de openbare werken. Door dit besluit
verwiei\'f hij zich bij de Egyptenaren den lof van goeder-
tierenheid.
Nadat de Ethiopische heerschappij eene halve eeuw bad
geduurd, wist Psamtik, de stadhouder van Saïs, met behulp
van Grieksche huurtroepen Egypte in zijne macht te krij-
gen. Door zijn huwelijk met eene kleindochter van Shabak,
wier vader van een oud Egyptisch koningsgeslacht afstam-
de, schonk hij in de oogen zijner onderdanen aan zijr.e
daad de noodige wettigheid. Psaintik I, de stichter van de
XXVIs,e dinastie, bracht Egypte spoedig in een goeden
staat van tegenweer, deed de kunsten herleven, zoodat een
nieuw Egypte uit de puinhoopen van het oude verrees, en
bracht wegen en kanalen, die zijn voorganger nog niet
hersteld bad, in een bruikbaren toestand.
Daar hij het voor zijn onderdanen voordeelig achtte met
de ontwikkelde, bedrijvige Grieken in aanraking\' te komen,
stond hij dezen in het Noorden van de Delta grond af, om
er handelskantoren te vestigen. Ook vertrouwde bij bun
Egyptische kinderen toe, opdat deze de Grieksche taal
goed zouden kunnen leeren om als tolken dienst te doen.
Deze maatregelen verwekten echter bij de Eyptenarengroote
ontevredenheid. Hun naijver ging zoo ver, dat toen Psam-
tik I de Grieksche huurtroepen, die hem de heerschappij
hadden helpen verwerven, tot lijfwacht had verheven, een
leger van 240,000 Egyptenaren met wapenen en bagage het
rijk verliet en zich aande samenvloeiing vanden Bahr cl Az-
rek en den Bahr el Abiad ging vestigen. Psamtik 1 bracht nu
zijne overige levensdagen door met Egypte verder in een
goed verdedigbaren staat te brengen, en hierin slaagde hij
zoo wel, dat bij aan zijn zoon Necho een krachtigleger en
een vloot kon nalaten.
Necho zette het werk, waarmede zijn vader geëindigd
-ocr page 77-
7:5
had, voort. Geholpen door Grieksche scheepsbouwmeesters,
verving hij de verouderde Egyptische oorlogsschepen door
eene vloot van triremen, oorlogsschepen met drie rijen roei-
banken boven elkander, en om die vloot zoowel in de Roo-
de als in de Middcllandsche Zee te kunnen gebruiken, be-
gon hij het eeuwenoude kanaal te herstellen, dat den
oostelijken Nijl-arm met de Roode Zee verbond, maar se-
dert de laatste jaren der twintigste dinastieverwaarloosd,
en dientengevolge door verzanding geheel onbruikbaar ge-
worden was. Dit werk voltooide hij echter niet. Volgensde
overlevering kwamen er 120,000 werklieden bij om, en
staakte hij het, toen eene godsspraak hem voorspeld had,
dat hij voor vreemdelingen arbeidde.
Nu ging Xecho tot eene andere onderneming over. Hij
droeg aan de Phenicische zeelieden, die in zijn dienst wa-
ren, op, de landen te gaan zoeken, van waar hunne land-
genooten goud, ivoor en kostbare houtsoorten kregen. De
onderneming was hachelijk, dewijl zij, die daarheen voe-
ren den weg zorgvuldig voor anderen geheim hielden, en
de kleine schepen, die Necho uitzond, steeds in \'t ge-
zicht der kust moesten blijven. Verscheidene maanden
voer de expeditie zuidwaarts. Toen het herfst was gewor-
den, trokken de zeelieden hunne scheepjes op het strand,
zaaiden een gedeelte van hun graan, en toen zij geoogst
hadden, trokken zij verder. Andere bizonderheden van den
tocht worden niet vermeld, behalve, dat de schepen eene
streek bereikten, waar de zon haar loop had veranderd,
dewijl zij daar steeds aan de rechterhand opging, en dat
zij na eene afwezigheid van driejaren door de zuilen van
Hercules (de straat van Gibraltar) thuis kwamen. Uit de
bizonderheid aangaande de zon leidde Herodotos af, dathet
gansche verhaal eene fabel was, terwijl het daardoor voor
ons juist in waarschijnlijkheid wint: bezuiden den equator
toch ziet men de zon, wanneer men haar het pelaat toekeert,
werkelijk van de rechter- naarde linkerhand opgaan. Hetzij
de tocht heeft plaats gehadof niet, hij bleef zonder gevolgen.
-ocr page 78-
7 1
Behalve door werken des vredes wilde Necho den ouden
roem van Egypte door krijgstochten doen herleven. Hij
trok met een leger Azië binnen langs den weg, dien de
pbarao\'s van Thebe steeds hadden gevolgd. Den koningvan
Juda, Jozia, liet hij aanzeggen zich rustig te houden, maar
deze meende een poging te moeten aanwenden, den tocht
van den veroveraar te stuiten. Bij Megiddo, op de plaats,
waar duizend jaren vroeger Thoetmes III eene overwin-
ning had behaald, versloeg Necho den koning van Juda,
waarop hij ongehinderd doortrok tot den Euphraat, op
zijn weg de verschillende vorsten aan zich onderwerpende.
Aldus was Egypte, na vijf eeuwen van tweedracht en
zwakheid, nogmaals meester van Syrië. Die heerschappij
duurde echter slechts drie jaren. De grijze Naboe-bal-oes-
soer (Nabopolassar) zond zijn zoon Naboe-koedoer-oessoer
(Nebukadnezar) tegen Necho, die bij Karkemish (Gircesium)
niet ver van den Euphraat geheel werd verslagen en haas-
tig naar Egypte terug moest keeren.
Het geslacht van Necho zat niet lang meer op den ko-
ningstroon. Zijn tweede opvolger Oehabra of Apriësmaak-
te zich door de bescherming, die hij aan de Grieksche ko-
lonisten in Egypte verleende, bij de priesters en een ge-
deelte zijner onderdanen zoo gehaat, dat er een opstand
tegen hem uitbrak. Nu bevond zich aan zijn hof een zekere
Ahmes of Amazis, die ofschoon van geringe afkomst, door
zijn opgeruimden aard en zijne bekwaamheid, van gemeen
soldaat tot veldheer was opgeklommen. Dezen Amazis zond
Apriës naar de legerplaats der opstandelingen met bevel,
hen tot hun plicht terug te brengen. Maarnauwelijkswas
Amazis begonnen hen toe te spreken, toen een hunner hem een
helm opzette en tot koning uitriep. Dit vond algemeen bij-
val en Amazis liet het zich welgevallen. Aldus van afge-
zant tot koning verheven zijnde, trok Amazis of Ahmes II
tegen Saïs op. Bij Memphis versloeg hij de 30,000 huur-
lingen van Apriës en nam hij dezen gevangen. Aanvanke-
lijk wei\'d Apriës goed behandeld, maar later toen de volks-
-ocr page 79-
75
menigte van Saïs hem opeischte, aan deze overgeleverd en
vermoord. Om aan zijn koningschap de vereischte wettig-
heid te geven huwde Amazis met eene kleindochter van
Psamtik I. Hij wist de opperheerschappij van Egypte over
een gedeelte van Syrië te handhaven en veroverde boven-
dien het eiland Cyprus. Verder wijdde Amaziszijne krach-
ten aan den bloei van Egygte. De kanalen liet hij herstel-
len en vermeerderen, den landbouw moedigde hij aan, den
handel breidde hij uit, de verlaten steengroeven liet hij
weder bewerken en de verwaarloosde tempels en gedenk-
teekenen in een goeden staat brengen. Onder andere liet
hij te Aboe, een weinig beneden ïhebe, een bedehuis ver-
vaardigen uit een enkelen steen van rooskleurig graniet.
Het was 11 M. lang, bijna 8 M. breed en 4 M. hoog.
Toen de steenklomp uitgehold was, woog hijnog500,000
K. G. Dit bedehuis werd naar Saïs gevoerd, een arbeid,
die 2,000 schippers in drie jaren volbrachten.
Na den dood van Amazis werd Egypte een Perzisch
wingewest.
-ocr page 80-
DE ISRAËLIETEN.
I.
De verovering van Kanaan en de richteren.
Dc zware arbeid, dien de Israëlieten voor de vele bouw-
werken van den pharao Rainses II moesten verrichten,
maakte hun het vroeger zoo gewenschte verblijf in Egypte
ondraaglijk. In 1320 v. C. verlieten zij Gosen onder aan-
voering van Mozes. Eerst trokken zij in de richting van
Kanaan, maar reeds den derden dag van hun tocht wend-
den zij zich naar het Zuiden en hegaven zij zich door de
Roode Zee naar het schiereiland Sinaï. Het was zaak, dat
zij zich ter zijde hielden, omdat in die dagen de oorlog tus-
schen de Egyptenaren en de Kanaiinieten weder in vollen
gang was. Toen zij aan den berg Sinaï, waarvan de lig-
ging niet met juistheid te bepalen is, waren aangekomen,
gaf Mozes hun onderricht in de godsdienstleer van Jahwe
en in diens naam eene grondwet van tien tcoorden of, ge-
lijk men zegt, geboden: 1. Ik, Jahwe, ben uw God. 2.
Gij zult geene andere goden voor mijn aangezicht hebben.
3.   Gij zult den naam des Heeren niet ijdellijk gebruiken.
4.   Onderhoudt den Sabbathdag. 5. Eert uwen vader en
uwe moeder. 6. Gij zult niet doodslaan. 7. Gij zult niet
echtbreken. 8. Gij zult niet stelen. 9 Gij zult geen valsch
getuigenis spreken tegen uw naaste. 10. Gij zult niet be-
geer en, wat uws naasten is.
Vervolgens geleidde Mozes de Israëlieten door de woes-
-ocr page 81-
77
tijn naar de grenzen van Kanaan, dat in die dagen meer
dan ooit het tooneel was van bloedige oorlogen met de
Egyptenaren. Voorzichtigheidshalve werden er verspieders
uitgezonden om het land te verkennen, en deze brachten
zulke verontrustende berichten mede, dat men besloot den
terugtocht weder aan te nemen. Veertig jaren lang leid-
den zij nu een zwervend leven in de woestijn en geduren-
de dien tijd geraakten zij gewoon aan onafhankelijkheid
en oefenden zij zich in den wapenhandel. Bovendien
slaagde Mozes erin de twaalf stammen, waarin de Israë-
lieten verdeeld waren, en die ieder door eigen oudsten
bestuurd werden, door den Jahwedienst nauwer aaneen te
sluiten. Het middelpunt van dien eeredienst was de ark
des verbonds,
eene heilige kist. waarom zich het gansche
volk op hooge feestdagen vereenigde.
Eindelijk had de oorlog in Kanaan uitgewoed. De Egyp-
tenaren waren weder in het rustig bezit gekomen van ee-
nige steden, gelegen aan den grooten weg, die van Gaza
naar Megiddo loopt. Met het overige van Kanaan lieten
zij zich weinig of niet in. Nu achtte Mozes den tijd geko-
men om een aanval te wagen op het land, naar welks be-
zit hij en zijn volk zoo lang hadden uitgezien. Om alle
aanraking met de machtige Egyptenaren te vermijden,
richtte hij zich naar de streken der Doode Zee. Hier sloeg
zijn sterfuur. Een gedeelte der Israëlieten viel, na door
het land Moab getrokken te zijn, in Gilead, welks vorsten
herhaalde malen werden geslagen. Weldra werd het gan-
sche land van het riviertje Arnon, dat zich in de Doode
Zee ontlast, tot aan het gebergte Hermon in bezit geno-
men. De stam Ruben vestigde er zich langs den oostelijken
oever der Doode Zee, de stam Gad langs den linkeroever
van den Jordaan tot het Galileesche meer, terwijl de helft
van den stam Manasse het noordelijker gelegen land in be-
zit nam. Tegelijkertijd was de machtige stam Juda, ver-
bonden met dien van Simeon en dien van Levi, langs den
westelijken oever der Doode Zee getrokken. De voortzet-
-ocr page 82-
78
ting van het eenmaal aangevangen werk was voor de Is-
raëlieten eene hoogst moeilijke taak. Wel waren de Ka-
naanieten door de oorlogen met Egypte verzwakt, maar
voor hunne strijd- en zeiswagens waren de Israëlieten zoo
bevreesd, dat zij zich niet in de vlakten durfden wagen.
Met afzonderlijke afdeelingen begonnen zij dus hunne aan-
vallen op de bergstreken, waar de Kanaanieten geen voor-
deel konden hebben van hunne wagens. De hoofdmacht
der Israëlieten stond onder de aanvoering van Jozua, die
menige bergstreek veroverde en er de bewoners van om-
bracht. Van Jozua wordt verhaald, dat hij eens bij Gibeon
eene overwinning behaalde en om meer tijd te hebhen, ten
einde eene geduchte slachting onder de vluchtende vijan-
den aan te brengen, tot Jahwe de bede richtte: »0 zon !
sta stil in Gibeon ! Maan ! in het dal Ajalon !" Twee en
eene halve eeuw gingen de Israëlieten voort, zich steeds
vaster in Kanaan te vestigen. Met sommige Kanaanietische
volken gingen zij verdragen aan, elders geraakte eene af-
deeling Israëlieten schatplichtig aan een Kanaanietischen
stam of gebeurde het, dat de binnendringende Israëlieten
samensmolten met de bewoners van het land. De verschil-
lende stammen waren volstrekt niet nauw verbonden. Ie-
dere stam of afdeeling eener stam beoogde zijn eigen voor-
deel en bekommerde zich daarbij weinig of niet om de ove-
rige stammen. Slechts om een gemeenschappelijk doel te
bereiken sloten zich somtijds voor korteren of langeren tijd
twee of drie stammen aaneen.
Het tijdperk der verovering van Kanaan na Jozua\'s dood
is genoemd naar de richleren, personen, die zich in den
strijd tegen de Kanaanieten grooten roem verwierven. Een
hunner, Barak, leefde in een tijd, dat Jabin, de koning
van Hasor, nabij het meer Merom, de naast bij hem wo-
nende stammen Naftali, Zebulon en Issaschar groot nadeel
toebracht. Hij had de vlakte van Jizreël door zijn veldheer
Sissera met een sterk leger, ruim van strijdwagens voor-
zien, doen bezetten en maakte daardoor alle naburige we-
-ocr page 83-
-ocr page 84-
-ocr page 85-
81
gen onveilig en den handel tusschen Syrië en Egypte on-
mogelijk. Hoezeer de genoemde stammen daaronder leden,
toch waagden zij het niet, den machtigen vijand met zijne
gevreesde strijdwagens aan te vallen. De ellende der Isra-
ëlieten klom; meer en meer zagen de mannen van Naftali,
Zebulon en Issaschar in, dat er een poging moest worden
gedaan om den vijand te verdrijven, wilde men aan een
zekeren ondergang ontkomen; maar wie zou zich aan
\'t hoofd der beweging plaatsen?
Er woonde in de zuidelijker gelegen bergstreek, door
den stam Ephraïm bezet, een zeker man met name Lapi-
doot, wiens vrouw, Debsra, heinde en ver bekend was,
omdat hare woorden voor godsspraken werden gehouden.
Van alle oorden kwam men tot haar om haar raad in te
winnen, en wanneer zij zich op het feest der nieuwe maan,
bij het offeren aan de goden, en bij de offermaaltijden on-
der de verzamelde menigte bevond, sprak zij recht. Dan
eens voer zij in hevige verontwaardiging uit tegen hem,
die de grenssteenen had verzet of zijn vee op het koren-
veld zijns buurrnans had gedreven, of tegen hem, die laag
genoeg was geweest om van den moordenaar zijns bloed-
verwants een zoengeld aan te nemen in plaats van dezen te
dooden ; dan weder wist zij den bedrijver eener misdaad
tot bekentenis te brengen, al voorzag deze, dat hij daarop
door de volksmenigte gesteenigd zou worden. Telkens als
er mannen uit het Noorden tot haar kwamen, hoorde zij,
hoe daar geleden werd, en met den dag klom hare belang-
stelling in het treurig lot der noordelijke broeders. Op ze-
keren feestdag spoort zij de aanwezigen aan, het zwaard
op te heffen tegen den gevreesden Sissera. Wie zal ons
aanvoeren? is de algemeene roep. Daar richt zij oog en
vinger op een der aanwezigen en zegt: \'-Deze, Barak, is uw
aanvoerder." Maar Barak aarzelde, en eerst toen Deböra
beloofd had hem te vergezellen, nam hij vol moed de eer-
volle opdracht aan. Onmiddellijk daarna riep Barak alle
.strijdbare mannen op, om zich in zijne woonplaats op den
-ocr page 86-
82
berg Tabor, aan de Noordoostzijde van het dal Jizreèl, aan
zijne zijde te scharen. Uit allerlei oorden kwamen er op-
zetten, zelfs Benjaminieten, die ten zuiden van Ephraïm
woonden en als slingeraars beroemd waren ; als eene bi-
zonderheid wordt van hen medegedeeld, dat zij de linker-,
in plaats van de rechterhand tot het verrichten van al hun
handenarbeid oefenden.
Weldra trok Barak met zijn strijders tegen Sissera op,
die ondertusschen zijn troepen vereenigd, en niet ver van
Megiddo in slagorde geschaard had. Daar de Israëlieten
in de.vlakte moesten afdalen, waar de vijand zijn talrijke
strijdwagens kon gebruiken, begreep Barak, dat zijn eer-
ste zorg moest zijne deze onschadelijk te maken. Aan de
Benjaminieten, wier steenworpen nooit misten, gaf hij he-
vel, uitsluitend de paarden der wagens tot mikpunt te kie-
zen, en toen hij den vijand voldoende genaderd was, liet
hij zijn gansche leger op een afgesproken teeken een oor-
verdoovend gillend krijgsgeschreeuw aanheffen, dat ver-
sterkt werd door het blazen op horens. Het duel, dat Ba-
rak biermede beoogde, werd volkomen bereikt. De bespan-
ningen der strijdwagens werden onhandelbaar. Zij wend-
den zich van de Israëlieten af, wierpen de voertuigen, die
zij trokken, om, vertrapten de strijders, die er zich uit
zochten te redden en brachten Sissera\'s voetvolk in ver-
warring. Een panifcche schrik beving de Kanaanieten en
plotseling sloegen zij op de vlucht. Sissera, in zijn strijd-
wagen staande, zocht in wilde vaart den dood te ontko-
men. Daar brak zijn wagen en hij moest te voet verder.
De duisternis onttrok hem vooreerst aan het oog van Ba-
rak, die hem nazette; maar waarheen zou hij zich redden,
wanneer het daglicht weder aan den hemel kwam ? Het
viel hem in, dat zich in de vallei eenige zwervende her-
ders ophielden. Het waren Kenieten, die met behulp van
de Judeërs zoo ver waren doorgedrongen, maar toch de
zijde der Kanaanieten hielden. Hierheen richtte Sissera
zijn schreden. In de legerplaats dor Kenieten aangeko-
-ocr page 87-
83
men, ziet hij Jaël, de vrouw des aanvoerders, voor haar
tent staan. Zij herkent hem en noodigt hem binnen te ko-
men. Gaarne voldoet hij aan die uitnoodiging, want in
eene vrouwentent achtte hij zich volkomen veilig. Uitge-
put van vermoeienis valt hij neder. Jaèl werpt een kleed
over hem heen. Hij vraagt een dronk waters. Jaël ver-
kwikt hem met een schotel heerlijke melk, en hij slaapt
in. Jaël was van harte de zaak der Israëlieten toegedaan:
reeds bijna eene eeuw waren hare stamgenooten nauw ver-
bonden geweest met Juda. Zij treedt naar buiten ; rukt
een der scherp gepunte houten pennen, waaraan de tou-
wen der tent bevestigd worden, uit den grond, en grijpt
den hamer, waarmede de pennen in den grond worden ge-
dreven. Zij knielt voor den slapenden Sissera neder, plaatst
hem de pen op een der slapen, en drijft haar met een ster-
ken hamerslag door het hoofd des Kanaaniets.
II. Saai. (1076 1056. v. C.)
Gedurende de twee eeuwen, dat de Israëlieten bezig
waren met zich in Kanaan te vestigen, was het middel-
punt der Jahwe-vereering, de ark, te Silo in het gebied
der Ephraïmieten geplaatst. Geruimen tijd werd het hei-
ligdom te Silo weinig bezocht. Wel ging de vereering van
Jahwe onder de Israëlietische stammen niet verloren, maar
de meesten hunner offerden en hielden godsdienstige fees-
ten nabij heilige steenen of boomen, die in hunne onmid-
dellijke nabijheid stonden. Langzamerhand begonnen de
verstandigsten in te zien, dat de algemeene vereering van
Jahwe een zeker middel zou zijn om te voorkomen, dat de
Israëlieten met de Kanaanieten samensmolten. Het werd
hun duidelijk, dat alleen door de algemeene invoering van
den Jahwedienst de Israëlieten zich innig genoeg zouden
aaneensluiten om een machtig volk te worden. In dezen
geest werkten de profeten, mannen, wien het vermogen
werd toegeschreven, door de kracht van Jahwe de toekomst
-ocr page 88-
SI
te ontsluieren, en die daardoor zooveel invloed bij het volk
kregen, dat zij hen, die onder verdenking lagen, met be-
hulp van geesten, welke buiten den invloed van Jahwe
stonden, voorspellingen te doen, ter dood konden doen
brengen.
Ongeveer 1100 v. C. leefde de beroemde profeet Sa-
muël. Met onverbiddelijke gestrengheid handhaafde hij den
Jahwedienst, en ging hij al wat Kanaanietisch was te keer.
Dit bracht de Israëlieten herhaaldelijk in oorlog met de
geduchte Philistijnen, die in \'t Zuiden van Kanaan langs
de Middellandsche Zee woonden, alsmede met de Amorieten
en Ammonieten, in wier gebied Gaden de helft van den stam
van Manasse zich gevestigd hadden. Tot nu toe hadden de
Israëlieten onder een aartsvaderlijk of patriarchaal bestuur
geleefd. Gelijk de huisvader naar eigen inzicht zijn kin-
deren en onderhoorigen bestuurde, zoo werd ieder der ve-
le geslachten, waaruit een stam bestond, door den oudste
van \'t geslacht bestuurd. Er was dus een volslagen gemis
aan eenheid in de regeering der Israëlieten. Nu zij door
het op den voorgrond treden van den Jahwedienst meer
tot elkander waren gebracht en behoefte gevoelden aan
een krachtige regeering om met goed gevolg hunne vij-
anden te kunnen bestrijden, achtten zij bet noodzakelijk
zich allen ondereen koning te scharen.
In dezen tijd behaalden de Israëlieten onder aanvoering
van den Benjaminiet Saul een luisterrijke overwinning op
de Ammonieten. Hierdoor werd de aandacht des volks op
dien aanvoerder gevestigd, en men koos hem tot koning.
Terstond bracht Saul een nieuw leger bijeen om de Philis-
tijnen, die een gedeelte der Israëlieten onderworpen had-
den, te verjagen. Zoodra de Philistijnen van deze wape-
ning hoorden, trokken zij met eene zoo geduchte macht te-
gen Saul op, dat vele Israëlieten uit vrees hunne vrouwen,
kinderen en bezittingen in spelonken en grotten in veilig-
heid brachten. De dappere Saul trok hen echter te gemoet
en legerde zich vlak bij Gibea, niet ver van Jeruzalem, te-
-ocr page 89-
Saul door Samuël tot koning gezalfd.
-ocr page 90-
-ocr page 91-
87
genover den vijand, zoodat hij slechts door een bergpas
met steile wanden van hem gescheiden was. Eens dat Jo-
nathan, Saul\'s zoon, tegenovereen Philistijnschen voorpost
kwam, en deze hem beleedigende woorden toevoegde, ont-
stak hij in toorn en besloot hij de snoevers een geduchte
straf toe te dienen. Alleen van zijn wapendrager vergezeld,
klom hij tegen den rotswand op, waar zich de Philistijnen
bevonden, en toen hij boven gekomen was, viel hij hen
met zijne pijlschoten en steenworpen zóó onverhoeds aan,
dat er spoedig een twintigtal Philistijnen op den grond la-
gen, die door Jonathans wapendrager onmiddellijk wer-
den afgemaakt, terwijl de anderen in de grootste ontstel-
tenis de vlucht namen. De vluchtelingen verwekten in \'t
leger der Philistijnen een panischen schrik. De Israëlieten
en slaven, die gedwongen in hunne gelederen dienden, vat-
t\'en de wapenen tegen hunne onderdrukkers op, en zoodra
Saul door zijn schildwachten bericht had gekregen van
de verwarring, die in \'t Philistijnsche leger heerschte, viel
hij met zijn gansche macht op den vijand aan, die totaal
werd verslagen.
\' Saul ging voort de vijanden van Israël met voordeel te
bestrijden, maar zijn laatste regeeringsjaren werden ver-
bitterd, doordien hij in onmin geraakte met Samuël, tegen
wiens raad de Israëlieten tot de keuze van een koning wa-
ren overgegaan. Saul en zijn zoon Jonathan stierven den
heldendood in een strijd, waarin de Philistijnen de over-
winning behaalden.
III. David. (1056—1023 v. C.)
Tijdens de regeering van Saul had zich de Bethlehemiet
David, een Judeër, grooten naam gemaakt door zijn hel-
dendaden. Met den moedigen Jonathan had hij eene inni-
ge vriendschap gesloten, maar zich daarentegen zoozeer de
vijandschap van Saul op den hals gehaald, dat hij genood-
zaakt was geworden eene schuilplaats te zoeken bij de Phi-
-ocr page 92-
SS
listijnen. Na den dood van Saul werd David door de mede-
werking der profeten en de Jahwepriesters tot koning ge-
kozen, en weldra toonde hij zich het in hem gestelde ver-
trouwen waardig. Hij bracht den Philistijnen eene neder-
laag toe, en toen deze kort daarop met een nog sterker le-
ger een inval deden, wist hij hunne overmacht in eene hin-
derlaag te lokken en voor goed te verslaan. Nu besloot
David de stad Jebus of Jeruzalem, die in het gebied van
Benjamin lag, maar welker inwoners steeds met de Phili-
stijnen geheuld hadden, aan te tasten. De onderneming
was hachelijk. De berg, waarop de stad lag, en waarvan de
zuidwestelijke top den naam Sion draagt, liep aan de Oost-,
Zuid- en Westzijde steil af en had slechts aan de Noord-
zijde een geringe helling. Hier was de stad door sterke
muren en torens bevestigd, zoodat de Jebuzielen, toen zij
Davids plan vernamen, spottend uitriepen, dat blinden en
kreupelen voldoende waren, hem builen hunne veste te hou-
den. Zij bedrogen zich. David telde in zijn leger eene me-
nigte krijgslieden van ongeëvenaarde dapperheid, en reeds
bij den eersten keer, dat David storm liet loopen, viel Je-
ruzalem in zijne handen. Hier vestigde David zijne residen-
tie en liet hij de ark plaatsen, waardoor Jeruzalem van nu
af het middelpunt werd van de vereering van Jahwe.
Na Jeruzalem opnieuw versterkt te hebben besloot Da-
vid de Philistijnen, die voortgingen van een gedeelte der
Israëlieten schatting te eischen, aan te vallen. In een der
gevechten, die hij hun leverde, trachtte een Philisüjn van
buitengewone lichaamskracht David te dooden, en waar-
schijnlijk zou hij in zijn voornemen zijn geslaagd, ware
niet Abisaï, de broeder van Davids veldheer Joab, toege-
schoten, door wiens lans de geduchte strijder doodelijk
werd getroffen. Bij eene andere gelegenheid plaatste de
Philistijnsche reus Goliath zich tusschen de beide tegen-
over elkander geschaarde legers, en daagde hij met de
meest snoevende bewoordingen alle Israëlieten tot een
tweegevecht uit. De Bethlehemiet Elhanan nam de uitda-
-ocr page 93-
!£■■\'?
^%
hfL
*fecj
IbAM
David voert do ark naar Jeruzalem.
-ocr page 94-
-ocr page 95-
91
ging aan en slingerde Goliath een steen tegen het hoofd,
zoodat hij dood ter aarde viel.
Nadat David er in geslaagd was, de Israëlieten geheel
aan de cijnsbaarheid der Philistijnen te onttrekken richt-
te hij zijne wapenen oostwaarts tegen de Moabieten. Hij
overwon hen, maakte hen schatplichtig, bracht twee der-
den der krijgsgevangenen om het leven en zond toen de
overigen naar huis. Om zijne heerschappij tot aan den
Euphraat uit te breiden, trok David tegen verscheidene
Syrische rijken op. Eerst overwon hij den koning van So-
ba, wiens trawanten gouden harnassen droegen, die door
üavid werden buitgemaakt; vervolgens veroverde hij het
rijk van Damaskus en daarop onderwierp de koning van
Hamat zich vrijwillig. De strijdwagens, die David op de-
zen tocht in handen vielen, vernielde hij op een honderd-
tal na, welke hij met een groote hoeveelheid buitgemaakt
koper naar Jeruzalem bracht. Zijn terugweg uit Syrië nam
hij door het land der Eclomieten. Hij versloeg en doodde
hun koning, richtte een vreeselijke slachting onder hen
aan en legde hun toen een drukkend juk op.
Toen de koning van Ammon, met wien David steeds op
een vriendschappelijken voet had gestaan, overleden was,
had zijn zoon en opvolger de onvoorzichtigheid, de Israë-
lietische gezanten, die hem namens hun koning diens deel-
neming in zijn verlies kwamen betuigen, te beleedigen.
Dit had een oorlog ten gevolge, waarvan de Syrische vor-
sten gebruik zochten (e maken, om het juk, hun door Da-
vid opgelegd, af \'e schudden. Terstond zond David zijn
geduchten veldoverste Joab tegen hen af. De Syriers wer-
den spoedig\' onderworpen, en toen wierp Joab zich met
zijne gansche macht op Ammon. De hoofdstad Rabba bood
hardnekkigen tegenstand, maar Joab zette de belegering
met zulk een kracht door, dat eindelijk de benedenstad in
zijn macht viel. Nu de val van Rabba op handen
was, noodigde Joab David uit zelf in het leger te ko-
men, opdat zijn vorst de eer der overwinning mocht heb-
-ocr page 96-
92
hen. David liet de inwoners onder wreede folteringen ter
dood brengen en nam een rijken buit mede naar Jeruza-
lem.
Met de Pheniciërs bleef David op een vriendschappelij-
ken voet. Hij sloot een verdrag met de Tyriërs, waarbij
dezen zich verbonden hem cederhout en werklieden te
leveren om te Jeruzalem een paleis voor hem te bouwen,
een werk, dat door de Israëlieten wegens hunne geringe
beschaving niet kon worden verricht. Toen het paleis ge-
reed was, richtte David zijn hofhouding in naar het voor-
beeld van andere koningen. Het aantal zijner vrouwen
vermeerde bij aanzienlijk. Dagelijks werd er een keurige
tafel aangericht voor den koning en zijn hooge ambtena-
ren, en verpoosde men zich met muziekuitvoeringen en al-
les, wat het leven kan veraangenamen. 1 Jij plechtige ge-
legenheden zat David op een troon, waarboven de teRabba
buitgemaakte zware gouden, van edelgesteenten schitte-
rende kroon prijkte, en ontving hij, omgeven door zijne
eerste staatsdienaren en den opperpriester, de afgevaardig-
den der stammen Isra^ls en de schatplichtige koningen om
hem hulde te bewijzen.
Maar niet slechts door zijne krijgsbedrijven en de pracht,
waarmede hij zich omgaf, muntte David uit, hij was ook
een voortreffelijk dichter. Van zijne gedichten is slechts
weinig tot ons gekomen. Zeer schoon is de klaagzang,
dien hij op den dood van zijn vriend Jonathan maakte.
De Israëlieten waren hoogelijk ingenomen met zulk een
luisterrijken vorst, te meer omdat zij in hem den voltrekker
zagen van den wil van Jahwe. David sprak in zijn paleis
recht voor ieder zijner onderdanen, die zulks verlangde.
De uitspraak des konings was onherroepelijk. «Eene
godsspraak is op de lippen des konings", meenden de Is-
raëlieten.
Davids laatste levensdagen werden verbitterd door al-
lerlei rampen en teleurstellingen, die hij zich door eigen
schuld op den hals haalde, en door den naijver zijner zo-
-ocr page 97-
93
nen, die verschillende moeders hadden. Absalom, een hun-
ner, zocht hem van den troon te stooten, doch zijn poging-
mislukte. Hij sneuvelde door de hand van Joab. Het le-
ven moede, ontsliep David, korten tijd nadat hij zijn zoon
Salomo tot opvolger had doen uitroepen.
IV. Salomo (1023—975 v. C).
Zoodra Salomo den troon had beklommen, ontstonden
er verschillende opstanden. Edom en Damaskus slaagden
erin zich onafhanknlijk te maken, maar overigens bleef
Salomo in \'t bezit van de uitgestrekte heerschappij, die zijn
vader zich verworven had. Salomo wist op den duur den
vrede te bewaren. Zijn leger, dat behalve het voetvolk
12,000 ruiters en 1,400 strijdwagens telde, boezemde
ontzag in, en bovendien maakte hij zich aangenaam bij
verscheidene koningen der omliggende volken, door van
ieder hunner een dochter tot vrouw te nemen.
De groote schatten, die Salomo van zijn vader had ge-
ërfd, wist hij door den handel aanzienlijk te vermeerderen.
Egypte leverde hem paarden, Arabü; specerijen. Met be-
hulp van Pheniciürs liet hij te Ezeon Geber, aan de golf
van Akaba of Aïla, groote schepen bouwen, die uit het
landOphir, waarschijnlijk Achler-Indiü, almuggim(sandel-)
hout, edelgesteenten, goud, zilver, ivoor, apen en pauwen
haalden. Voor de heen- en thuisreis had zulk een schip
drie jaren noodig. Volgens de overlevering bracht die han-
del jaarlijks 600 talenten gouds aan de koninklijke schat-
kist op, d. i. daar een talent op 87 K. G. wordt gerekend,
ruim 75,000 K. G. goud. Een groot gedeelte van deze
sehatten en die, welks uit den oorlogsbuit van David wa-
ren overgebleven, besteedde Salomo tot het stichten van
schoone gebouwen. In het vierde jaar zijner regeeiïng
begon hij op Möria, den zuidoostelijken heuvel van Jeru-
zalem, de grondslagen te leggen van den Jahwe-tempel.
Om dit gebouw tot stand te brengen sloot hij een verdrag
-ocr page 98-
94
met Hiram, den koning van Tvr, waarbij deze zich
verbond het noodige ceder- en cypressenhout te leveren,
tegen een jaarlijksche vergoeding van een groote hoe-
veelheid tarwe, gerst en olie. Bovendien moest Salomo
dertig duizend Israëlieten overzenden, waarvan een derde
gedeelte dienst deed, om de Tyriërs te helpen het hout
op den Libanon te kappen. Het gevelde hout werd in Phe-
necië bewerkt en dan over zee naar Joppe gevoerd, van-
waar het naar Jeruzalem werd gedragen. Zeventig dui-
zend arbeiders werden hiertoe aan \'t werk gesteld. In de
steengroeven waren tachtig duizend menschen bezig. De
steenen werden daar in den vereiscbten vorm gehouwen en
dan naar den berg Möria gevoerd, zoodat men hier de af-
gewerkte stukken slechts in elkander behoefde te zetten.
Honderden opzieners hielden bet opzicht over het werk, en
alles stond onder de leiding van den opperbouwmeester A-
donïram. De vele sieraden, die de Pheniciërs aan den tempel
aanbrachten, komen overeen met die van andere Aziatische
volken, welke aan de krachten der natuur goddelijke eer
bewezen. Zoo vond men er gianaatsappelen, het zinnebeeld
der vruchtbaarheid. Ter wederzijde van de overdekte ga-
lerij, die den ingang van den tempel vormde, stond een
zuil of obelisk : de eene heette Jachin, de andere Boaz;
waarschijnlijk stelden zij zonnestralen voor. Was men door
de galerij, dan kwam men op een voorplein en dan aan
het gebouw, dat twee kamers bevatte; het heilige, waar
de priesters zich ophielden, en het heilige der heilige, waar
de ark stond en de hoogepriester eenmaal in \'t jaar mocht
binnentreden. In vergelijking van de Egyptische tempels
was het gebouw onbeduidend. Het was een kleine tempel
voor een klein volk. Na zeven en een half jaar was de tem-
pel voltooid en werd hij ingewijd met een plechtig feest,
waarbij de koning voor het gansche volk offerde. Onmid-
dellijk hierna liet Salomo een aanvang maken met het bou-
wen van een paleis op den Sion, waaraan dertien jaren
werd gearbeid, en dat den tempel in pracht overtrof. Vol-
-ocr page 99-
95
gens de overlevering stond in de troonzaal, die den naam
droeg van »huis van den Libanon", omdat alle pilaren en
Celederen van den Libanon.
binten er van cederhout waren, de troon van elpenbeen en
goud. Ook bevonden er zich tweehonderd groote en drie-
-ocr page 100-
96
honderd kleinere schilden, de eerste met ruim 8 en de
laatste met ruim 4 K. G. goud overtrokken, ten dienste
van de trawanten des konings. Bovendien bouwde Salomo
een afzonderlijk paleis voor zijn voornaamste vrouw, een
Egyptische koningsdochter, en als blijk van welwillend-
heid jegens zijne naburen, tempels voor Sidonische, Am-
monietische en Moabietische goden. Als men nagaat, dat
Salomo zestig aanzienlijke vrouwen had, die allen met
hare dieranessen gehuisvest en gevoed moesten worden,
kan het geene verwondering baren, als men leest, dat voor
de koninklijke tafel dagelijks benoodigd waren: 250 H. L.
meel, 100 schapen, :30 runderen, behalve de herten en
het gevogelte. De roem van Salomo\'s rijkdom verspreidde
zich wijd en zijd, en bovendien verwierf hij zich den naam
van een wijs vorst. Ook hij hield zich gelijk David met
letterkundigen arbeid bezig, doch zijne geschriften zijn ver-
loren gegaan.
Om zich echter in al die weelde te kunnen baden, moest
Salomo aan zijne onderdanen drukkende belastingen en
heerendiensten opleggen. Dit verwekte misnoegen, vooral
bij de noordelijke stammen, die steeds het minst innig ver-
eenigd waren geweest met Juda, welke stam zich reeds
vóór de verovering van Kanaan van hen had afgescheiden
en van een anderen kant dit land was binnengedrongen.
Op den duur begon het hen te hinderen, een Judeër tot
koning te hebben. De Ephraïmiet Jerol éam deed eene
poging om Salomo van den troon te stooten, doch hij slaagde
niet en vond een schuilplaats in Egypte, welks koning
voor de macht van den vorst te Jeruzalem begon te vree-
zen. Salomo, gesteund door den krijgsroem, dienzijnvader
had verworven, en door den glans, die van hem zelven
uitstraalde, wist zich nog staande tehouden. Toenhij ech-
ter gestorven was, veranderden de zaken. Zijn zoon Reha-
beam werd wel aanstonds te .leruzelem door de Judeërsals
koning gekroond, doch de noordelijke stammen verzochten
hem naar Sichem in Enhraïm te komen om daar door hen
-ocr page 101-
97
gehuldigd te worden. Rehabeam voldeed aan het verzoek,
doch alvorens hem als koning te erkennen, stelden de
noordelijke stammen hem bij monde van Jerobeam, die na
Salomo\'s dood uit Egypte terug was gekeerd, eenige voor-
waarden. Op onverstandige wijze weigerde Rehabeam aan
de gestelde voorwaarden te voldoen, en dit had in 978
v. C. de scheiding des rijks in twee deelen ten gevolge.
Rehabeam bleef koning over Juda en het zuidelijk gedeelte
van Benjamin, waarin Jerusalem was gelegen. De overige
stammen kozen Jerobeam tot koning.
i
-ocr page 102-
HET RIJK VAN ISRAËL
I.
Achab. (918-879 v. C.)
Daar de tempel te Jeruzalem vele bedevaartgangers uit
de noordelijke gewesten trok, begreep Jerobeam voor zijne
onderdanen eigene plaatsen voor de godsvereering te moe-
ten stichten. Te dien einde liet hij de van ouds bekende
heiligdommen te Dan, dicht bij de bronnen van den Jor-
daan, en te Bethel, een weinig ten Noorden van Jeruza-
lem, verfraaien, en plaatste hij in ieder een gouden stier
als zinnebeeld van Jahwe\'s kracht. < lok schreef hij voor,
om den invloed van den Jeruzalemschen eeredienst op zijne
onderdanen nog meer tegen te gaan, dat het jaarlijksche
oogstfeest, gewoonlijk loofhuttenfeest genaamd, in zijn rijk
eene maand later moest worden gevierd, dan het te Jeru-
zalem plaats had.
Van de eerste koningen van Israël hebljen wij niet veel
lerichten. De zevende hunner, Omri, was tevens de eerste
van de IVde dinastie. Zijn zoon en opvolger was Achab,
die evenals Salomo handel en nijverheid bevorderde, ste-
den versterkte, lusthoven aanlegde en een prachtig paleis
bouwde, rijk met ivoor versierd. Daar hij een bevorderaar
was van kunsten en wetenschappen en zich bondgenooten
moest maken tegen de Syrièrs, die reeds tijdens de regee-
ring zijns vaders eenige steden van Israël bemachtigd had-
den, sloot hij zich nauw aan bij de Pheniciërs. Hij huwde
-ocr page 103-
99
met Izëbel, eene dochter van den koning van Tyr en eene
heerschzuchtige vrouw, door welke hij zich weldra geheel
liet leiden. Om den Pheniciërs van zijne goede gezindheid
te doen Mijken, stichtte hij in zijne hoofdstad Samarïain
\'t Noorden van Ephraïm een tempel voor den Tvrischen
god Baiil, maar tegelijkertijd hield hij den Jahwe-dienst te
Dan en te Bethel in eere.
Ondertusschen besloot de Syrische koning Benhadad II
een nieuwen inval in Israël te doen. Zijn wapenen waren
zóó voorspoedig, dat hij het beleg sloeg voor Samaria en deze
stad zóó in \'t nauw bracht, dat Achab, om van den vijand
verlost te worden, erin toestemde eene groote som gelds te
betalen, zijne schoonste vrouwen aan Benhadad aftestaan
en zijne zonen als gijzelaars uit te leveren. Benhadad, die
het op den ondergang van Israël toelegde, deed, nadat
Achab dat alles reeds had ingewilligd, een nieuwen eisch.
Hij verlangde, dat het aan eenigen zijner hovelingen zou
worden toegestaan uit de paleizen van den koning en diens
eerste staatsdienaren alles weg te halen, wat hunaanstond.
Deze harde voorwaarde werd door Achab verworpen en
toen Benhadad hem liet aanzeggen: »De goden mogen mij
straffen, wanneer ik Samaila niet vergruis, zoodat mijne
volgers met het overblijvende stof nauwelijks hunne han-
den kunnen vullen !" gaf Israids koning dit waardige ant-
woord : vWie het harnas aangordt, beroome zich niet, als
die het ontgespt ?" Benhadad zat in zijn tent met zijn
twee en dertig vazallen aan den maaltijd, toen hem deze
woorden werden overgebracht. Door den wijn verhit, gaf
hij bevel, dat Samarïa onmiddellijk bestormd moest wor-
den. Weldra vielen de Syriiirs met een woest krijgsge-
schreeuw aan, doch een welberaamde uitval van Achab
bracht zulk een schrik onder hen teweeg, dat zij overijld
de vlucht namen, al hunne paarden en strijdwagens in de
handen der Israëlieten latende. In het volgende jaar keer-
de Benhadad met een nieuw uitgerust leger terug. Hij
waagde zich nu niet meer in de bergen, maar bleef in de
-ocr page 104-
100
dalen, waar hij hoopte de Israëlieten gemakkelijker te
zullen overwinnen. Toch werd hij door Achab beslissend
geslagen, en toen hij geen kans zag door de vlucht te ont-
komen, liet hij Achab om lijfsbehoud smeeken, hetgeen
hem grootmoedig werd toegestaan. Er werd nu een vrede
gesloten, waarbij Benhadad al de vroeger veroverde Is-
raölietische steden teruggaf en den Israèlietischen kooplie-
den toestond, zich in een bepaalde wijk van Damaskus te
vestigen. Drie jaren later brak de strijd met de Syrièrs op-
nieuw uit en in een veldslag, die onbeslist bleef, sneuvel-
de Achab.
Terstond na Achab\'s dood wierp Meza, de koning van
Moab, het Israëlietische juk af. In 1868 n. C. vond een
Europeaan, die langs den oostelijken oever der Doode Zee
reisde, een uit dien tijd afkomstigen gedenksteen met
een opschrift, waarvan het begin, vertaald, aldus luidt:
«Ik ben Meza, zoon van Kamosnadab, zoon van Moab.
Mijn vader heerschte dertig jaar over Moab, en ik ben
hem opgevolgd. Ik heb dezen gedenksteen voor Kamos 1)
opgericht, een gedenksteen der redding, want hij heeft mij
gered van al mijne vijanden en heeft mij wrake gegeven
op al mijne haters. Omri, de koning van Israël, trok
op en onderdrukte Moab geruimen tijd; want Kamos
was toen toornig op zijn land. Omri is opgevolgd door
zijn zoon, die ook zeide: Ik wil Moab onderdrukken!
Maar in mijne dagen sprak Kamos: Ik zal hem en
zijn huis aanzien, en Israël gaat voor eeuwig ten gronde.
Omri nu had de stad Medebra bemachtigd en bezet ; hij
en zijn zoon verdrukten Moab veertig jaren. Doch in
mijne dagen kreeg Kamos medelijden met zijn volk. Ik
versterkte l>a;il-meon met muren en grachten, belegerde
daarna Kirjathaïm, waarin de Gadieten van oudsher ge-
woond hadden, en dat door Israëls koning versterkt was,
1. Kamos is de naam van den voornaamsten god der Moabieten.
-ocr page 105-
101
streed tegen die stad en nam ze in, waarop ik al hare be-
woners om het leven bracht, ter eere van Kamos, den god
van Moab. Kamos zeide tot mij: Ga heen en ontneem de
stad Nebo aan Israël! Toen trokikin den nacht op, streed
tegen de plaats van het krieken des dageraads tot den
middag, nam ze in en vermoordde alle inwoners, want zij
waren ter dood gewijd ter eere van Kamos. Ook nam ik
van daar alle offèrgereedschappen van Jahwe en wijdde ze
aan Kamos."
II. Jehu. (884-856 v C.)
Achab werd achtereenvolgens door zijn beide zonen
Ahazia en Joram opgevolgd. Zij traden in het voetspoor
huns vaders en toonden zich verdraagzaam jegens de be-
lijders van den Baiildienst. Hierdoor nam de ontevreden-
heid der aanbidders van Jahwe voortdurend toe. Had A-
chab reeds menige berisping ontvangen van den be-
roemden profeet Elïa, diens opvolger Eliza nam deel
aan een samenzwering tegen Joram, die in een ver-
haal, een paar eeuwen na de gebeurtenis te boek gesteld,
op de volgende wijze wordt beschreven. Eens zaten eeni-
ge veldoversten van Joram voor een woning van de Gi-
leadilische stad Ramoth gezellig bijeen, toon een jongeling
naderde, dien zij aan het dierenvel, dat hij om het naakte
lijf droeg, als een leerling eener profetenschool herken-
den. Profetenscholen waren plaatsen, waar ijveraars voor
den dienst van Jahwe samenwoonden en zich oefenden,
in dichterlijke verrukking uit Jahwe\'s naam te spreken.
De profeten drongen aan op een eenvoudigen en streng
zedelijken levenswandel en de uitsluitende vereering van
Jahwe en bezaten grooten invloed op het volk, dat hun
het vermogen toeschreef, de toekomst te voorspellen. Zoo-
dra de profetenzoon, die met een zending van Eliza be-
last was, den kring der veldoversten was genaderd, sprak
hij tot een hunner, Jehu genaamd : »Ik breng u een gods-
-ocr page 106-
102
woord!" Onmiddellijk daarop zonderde hij zich met Jehu
in een vertrek der woning af, en ging toen voort : «Zoo-
zegt Jahwe, Israèls God : >-Ik zalf u tot koning over Is-
raël. Gij moet het geslacht van Acbab uitroeien en wraak
nemen voor den moord van zijn dienaren, de profeten, en
van andere mijner vereerders, wier bloed Izëbel heeft ver-
goten." Toen Jehu tot zijn amhtgenooten terug was ge-
keerd, gaf hij aanvankelijk op hunne nieuwsgierige vragen
om te weten, wat er had plaats gehad, ontwijkende ant-
woorden. Zij hielden echter niet op hem met vragen te
bestormen, en eindelijk deelde hij hun mede, dat de profe-
tenzoon hem tot koning had gezalfd. De krijgsoversten
onderwierpen zich gaarne aan den wil van Jahwe, die met
hunne wenschen zeer goed strookte. Onmiddellijk lieten
zij de bazuin steken, waarop de krijgslieden en de bewo-
ners van Ramoth bijeenkwamen, en toen riepen zij Jehu
tot koning uit.
Jehu nam terstond de noodige maatregelen om te voor-
komen, dat de tijding van het gebeurde naar Jizreël werd
overgebracht, waar koning Joram zich bevond. Op zeke-
ren dag, toen deze vorst juist een bezoek had ontvangen
van zijn bondgenoot Ahazia, den koning van Juda, wiens
moeder eene dochter van Achab was, meldde de wachter
op den koningsburcht, dat er een afdeeling krijgsvolk
dn aantocht was. Joram zond terstond een ruiter uit
om te vernemen, wat er gaande was, doch de ruiter
keerde niet weder. Er werd een tweede gezonden, doch
ook deze bracht geen bericht. Eindelijk meende de wach-
ter, dat het naderende krijgsvolk niets anders kon zijn
■dan een bende onder aanvoering van Jehu. De onder-
stelling was volkomen juist, en Jehu had de afgezonden
ruiters gedwongen zich onder zijne krijgslieden te scharen.
Joram, die niet den geringsten argwaan koesterde, liet
terstondeenige wagens inspannen en reed, gevolgd door Aha-
zia, zijn veldheer te gemoet, ten einde te vernemen, waar-
om deze zoo plotseling met zulk een gevolg het leger had
-ocr page 107-
103
Terlaten. Zoodra hijJehu was genaderd, riep hij hem toe :
«Toch geen onraad?" Maar het barsche antwoord van
Jehu luidde : »Zou er geen onraad wezen, zoolang de af-
goderijen en tooverijen van uwe moeder Izëbel zoo talrijk
zijn !" IJlings wendde Joram zijn wagen en riep: «Ver-
raad, Ahazia!" maar op het hetzelfde oogenblik trof hem
Jehu\'s pijl tusschen de schouders, zoodat hij dood ter aarde
viel. Ahazia sloeg insgelijks op de vlucht, doch hij werd
op bevel van Jehu nagezet en omgebracht. Ondertusschen
was Jehu voortgerend naar Jizreël, dat hij weldra binnen-
trok, om de door de Jahwedienaars meest gehate vrouw,
Izgbel, van \'t leven te berooven. Deze, haar einde voor-
ziende en als vorstin willende sterven, riep, geblanket en
sierlijk getooid, den naderenden Jehu uit de bovenverdie-
ping van haar paleis de woorden toe: »Zijt gij daar moor-
denaar van uw heer?" Onmiddellijk daarna werd zij op
bevel van Jehu naar beneden geworpen, zoodat zij te
pletter viel.
Jehu zette zijn aangevangen werk voort met een hevige
vervolging tegen de leden van Achabs geslacht en de pries-
ters en aanhangers van Baal, waarvan het gevolg was, dat
de profeten erin konden slagen den Jahwedienst in Israël
sedert de bovenhand te doen houden. Onder Jehu geraakte
Israël weder in de macht der Syriers, maar zijn kleinzoon
«n tweede opvolger, Joas, sloeg hen driemaal, en diens
jzoon Jerobeam II bracht het rijk weder tot hoog aanzien
■en bloei. Hij heroverde al de gewesten, die in \'t Noorden
•des rijks onder Davids heerschappij hadden gestaan en deed
•den handel met Egypte en Phenicië herleven. Zijn zoon en
•opvolger werd vermoord, en sedert ging Israël meer en
meer achteruit. In 719 werd het rijk onder de regeering
van Hosëa door de Assyriërs vernietigd.
-ocr page 108-
HET RIJK VAN JUDA.
I.
I. Athalia. 884-878 v C.)
Terwijl het rijk van Israël achtereenvolgens door negen
verschillende dinastiën is geregeerd, bleven in Juda voort-
durend afstammelingen van David op den troon.
Juda had evenals Israël telkens te lijden van zijn na-
buren, daarentegen bleef het bevrijd van burgeroorlogen.
Terwijl in Israël de aanbidders van Jahwe en die van an-
dere goden sedert de scheuring van Salomo\'s rijk elkander
telkens bloedig vervolgden, heerschte in Juda over het al-
gemeen groote verdraagzaamheid. Wel telde Jahwe de
meeste vereerders, maar iedere stad, ieder dorp, iedergezin,
ieder mensch was vrij, andere goden met of zonder Jahwe
te aanbidden, en evenals in Israël ging de eeredienst van
sommige goden en godinnen met de grofste zedeloosheid en
losbandigheid gepaard. Eindelijk kwam het ook in Juda
tot een bloedigen strijd tusschen de vereerders van Jahwe
en die van Baal. Koning Jozafat, die in 892 v. C. stierf,
liet zijn zoon Joram huwen met Athalia, de dochter van
Achab en I&Sbel. Toen Joram aan de regeering kwam, bracht
hij al zijn broeders om, die van hun vader rijke legaten
en daaronder zelfs versterkte steden gekregen hadden.
Vervolgens behaalde hij een luisterrijke overwinning op
de Edomieten, die tegen hem waren opgestaan, doch hij
-ocr page 109-
105
slaagde er niet in, hen weder te onderwerpen. Na acht
jaren geregeerd te hebhen stierf hij en volgde zijn zoon
Ahazia hem op, die spoedig daarna op bevel van Jelui in
Israël werd gedood. Hierop nam zijne moeder Athalia de
teugels der regeering in handen, en om zich te kunnen
staande houden, liet zij al de prinsen van den bloede en
daaronder hare eigene kleinkinderen ombrengen. Een harer
kleinzonen ontkwam echter aan het bloedbad. Zijn tante Jo^ê-
ba wist hem aan den hooggepriester Jojada toe te vertrouwen,
die hem in den tempel te Jeruzalem een veilige schuilplaats
verschafte. Athalia, die, evenals hare moeder Izebel, nevens
Jahwe den Tyrischen Baal vereerde, schonk den voorrang aan
diens priesters, en bescherming aan allen, die de vervolging
van Jehu in Israël wisten te ontkomen. Van de ontevre-
denheid, die hierdoor onder de priesters en de vereerders
van Jahwe ontstond, begreep de hoogepriester Jojada ge-
bruik te kunnen maken om Athalia en den Baiildienst ten
val te brengen. Hij wist de bevelhebbers der koninklijke-
lijfwacht voor zijn plan te winnen, toonde hun Joas, den
gespaarden koningstelg, en nam hun den eed van geheim-
houding af. In het zevende jaar van Athalia\'s regeering
werd de beraamde aanslag volvoerd. Het was Sabbath,
De trawanten, die het koninklijk paleis bewaakten, moes-
ten worden afgelost. Aan hen, die de wacht betrokken,
werd gelast, de poorten van het paleis te bezetten en aan
ieder den toegang te weigeren. De af trekkenden begaven
zich in plaats van naar hunne kazerne naar den tempel.
Zoodra zij op het voorplein in orde geschaard waren, bracht
Jojada Joas uit zijne schuilplaats te voorschijn, maakte
hem aan het vergaderde volk bekend, zette hem de kroon*
op en zalfde hem tot koning. De krijgslieden juichten deze-
handeling toe, en de andere aanwezigen stemden weldra-
met hen in. Het buitengewoon gejuich en bazuingeschal,,
dat hierbij plaats had, trok de aandacht van Athalia, die-
zich in haar nabij den tempel gelegen paleis bevond. On-
middellijk begaf hij zich tempelwaarts, maar nauwelijk
-ocr page 110-
106
had zij den jeugdigen Joas, met de kroon op het hoofd en
door haar eigen lijfwacht omringd, aanschouwd, of zij be-
greep wat er gaande was. Hare kleederen scheurende snel-
de zij, verraad roepende, naar haar paleis. Op bevel van
Jojada liet men haar ongehinderd uit den tempel gaan, om
dezen niet met haar Moed te ontheiligen; maar toen zij bij
de stallen van haar paleis was gekomen, werd zij door
eenige krijgslieden, die haar gevolgd waren, afgemaakt.
Het volk viel nu op de Haalskapel, die in den voorhof des
tempels stond, aan, verwoestte haar, verbrijzelde het al-
taar en de beelden, die er zich in bevonden, en sloeg den
oppersten Baalpriester, Mathan, dood. Toen de offerdieren
geslacht waren, trokken Joas en de hoofden des volks in
statigen optocht tusschen de stukken door, daarbij door
den hoogepriester met het bloed der dieren besprenkeld
wordende, en vervolgens legden allen den eed af, den
dienst van Jahwe getrouw te blijven.
Van nu af brak er voor de Jeruzalemsche priesters een
gulden tijd aan. In hunne handen vloeiden al de inkom-
sten, die de voorgeschreven en de vrijwillige offers op-
brachten. Wel rustte op hen de verplichting, den tempel,
die ondertusschen zeer vervallen was, te herstellen en te
onderhouden, doch zij hielden al de gelden voor zich. Toen
Joas drie en twintig jaren geregeerd had, begreep hij daar-
aan een einde te moeten maken. Hij bepaalde van welke
offers de priesters zich het geld mochten toeëigenen en liet de
opbrengst van de overige afzonderen om voor het hertellen
van den tempel te worden gebezigd. Te dien einde plaatste
Joas bij het altaar eene gesloten kist met eene sleuf in het
deksel, en daarin moesten de dorpelwachters al het offer-
geld storten, dat niet voor de priesters was aangewezen.
Van tijd tot tijd werd die kist door koninklijke ambtena-
ren geledigd om de werklieden, die aan tien tempel arbeid-
den, te betalen. In het veertigste jaar zijner regeering is
Joas vermoord.
-ocr page 111-
107
II. Jozia. (641—610. v. C.)
Evenals in Israël traden ook in Juda profeten als schrij-
vers en redenaars op. In laatstgenoemd rijk kregen zij ech-
ter nooit zulk een invloed op de staatszaken als de profe-
ten van Israël in de dagen van Jehu. De profeten van Ju-
da, onder welke Jezaja, die ruim zeven eeuwen v. C.
leefde, als verheven dichter uitmunt, drongen aan op een
goed zedelijk leven. Zij stelden Jahwe voor als een vertee-
rend vuur, als den god, die onverbiddelijk de zedeloosheid
strafte niet slechts aan hem, die er zich aan schuldig maak-
te, maar ook aan diens kinderen. Tevens begonnen zij
Jahwe als den almachtigen bestuurder der wereld te be-
schouwen, die, gelijk Jezaja het uitdrukt, "de wateren
meet met de holte en de hemelen met de span zijner hand;
die het stof der aarde in een korenmaat besluit en heuve-
len en bergen in eene weegschaal weegt;" wiens uitverko-
ren volk de Israëlieten waren, die hij tegen alle vijanden
zou beschermen, indien zij slechts zijne geboden onderhiel-
den. Om die reden zochten zij de vereeiïng van andere
goden en ook den beeldendienst te keer te gaan.
Het aantal dergenen, die deze denkbeelden waren toe-
gedaan, vermeerderde langzamerhand zoozeer, dat er on-
der de regeering van koning Jozia eene geheele omwente-
ling in de godsvereering der Judeërs plaats had.
Op zekeren dag deelde de hoogepriester Hilkia aan Sa-
fan, Jozia\'s geheimschrijver, mede, dat hij in den tempel
eene belangrijke vondst had gedaan, bestaande in het boek
der Wet, en noodigde hij hem uit het te hooren voorle-
zen. Safan luisterde met de meeste belangstelling en gaf
er den koning, toen hij hem rekening deed van de tempel-
gelden, een verslag van. Jozia, wiens nieuwsgierigheid
hierdoor geprikkeld was, liet het zich daarop ook voorle-
zen. Waarschijnlijk was het voorgelezene een gedeelte van
het boek, bekend onder den naam Deuteronomium. De le-
zing maakte op Jozia een geweldigen indruk. Hij werd
-ocr page 112-
408
erdoor opmerkzaam gemaakt, dat de godsvereering zijns
volks geheel afweek van de voorschriften, die in dat boek
der Wet stonden en scheurde zijne kleederen van smart.
Terstond was zijn besluit genomen om een geheele hervor-
ming in de godsvereering tot stand te brengen. De aan-
zienlijksten des volks werden met de priesters en de pro-
feten in den voorhof des tempels bijeengeroepen; daar werd
hun het gevonden boek voorgelezen, en vervolgens \'s ko-
nings wil bekend gemaakt, dat voortaan volgens de voor-
schriften dier wet zou gehandeld worden. Luide toejui-
chingen gingen uit de vergadering op en terstond sloeg
men de handen aan \'t werk. Beelden, offertuigen, wijge-
schenken en wat in Jeruzalem verder diende om andere
goden dan Jahwe te vereeren, werden buiten de stad ge-
bracht, verbrand en de asch ervan in den wind verstrooid.
Toen men hiermede gereed was, zond de koning krijgsben-
den door het gansche land om onder de leiding van pries-
ters of profeten hetzelfde te verrichten in alle steden en
dorpen van Juda. Vervolgens trok Jozia, aan het hoofd
eener groote krijgsmacht in het voormalige rijk van Israël,
dat gedeeltelijk ontvolkt was en nu onder een Assyrisch
stadhouder stond, om ook daar alle overblijfselen van de-
vereering van andere goden dan Jahwe te vernietigen. Het
eerst begaf hij zich naar Bethel, waar Jerobeam I dat door
de Judeërs zoo gehate heiligdom met een stierebeeld had
opgericht. Wat brandbaar was werd er van verbrand,,
het overige omvergehaald en de plaats, waar eens het hei-
ligdom stond, met doodsbeenderen uit de graven van den
omtrek bestrooid, waardoor zij onrein, en dus voor iedere-
godsvereering ongeschikt werd gemaakt.
Van nu af werd uitsluitend Jahwe in Juda vereerd..
Het volk hield getrouw de voorgeschreven feesten en
bracht rijkelijk offers, maar op zijne zedelijke verbetering
sloeg het geen acht. Hiertegen trad de profeet Jeremia te
velde: ■> Waartoe dient het," riep hij uit, »dat gij een deel
uwer offers geheel verbrandt ? vraagt Jahwe. Houdt er
-ocr page 113-
109
gerust maaltijden van, want toen ik uit Egypte voerde,
heb ik u niets bevolen over brand- en slachtoffers. Maar
dit heb ik u gelast, dat gij naar mijn stem zult luisteren,
opdat ik u tot God zal zijn, en gij mij ten volk." DatJah-
we Israëls God en de natuurlijke beschermer zijns volks
was, geloofden de Judeërs zoo vast, dat zij het niet eens
noodig achtten, zich voorzichtig jegens hunne naburen te
gedragen. Toen de Egyptische koning Necho Assyrië aan-
viel, had Jozia zich althans vooreerst buiten den strijd kun-
nen houden. Maar zoodra men in Juda vernam, dat Ne-
cho zich in het dal van Jisreèl bevond, ontwaakte in aller
borst de verontwaardiging over de afgodendienaars, die
zich durfden ophouden op den heiligen grond, waar Jah-
we\'s uitverkoren volk vroeger had geheerscht. Overtuigd
van de overwinning, die hem door Jahwe\'s bijstand zou
worden geschonken, viel Jozia met eene geringe macht
het zooveel talrijker en beter uitgeruste leger van Necho
aan, doch hij werd geheel geslagen en verloor in den strijd
het leven. Groot was de verslagenheid in Juda, dat zoo
vast vertrouwd had op Jahwe\'s hulp en nu onderworpen
werd aan Egypte. Van deze stemming zocht Jeremia ge-
bruik te maken om zijn volk op de verkeerdheid te wij-
zen, dat het aan groote nauwgezetheid in de uiterlijkhe-
den van den godsdienst een verregaande onzedelijkheid
paarde. Bij de poort des tempels staande, riep hij de bin-
nenstroomende schare toe: »Zco zegt Jahwe der heirscha-
ren : Bekeert u en reinigt uw leven! Vertrouwt niet op
de ijdele woorden: Jahwe\'s tempel is hier! Indien gij goed
handelt en eerlijke scheidsrechters zijt, den vreemdeling,
den wees en de weduwe niet verdrukt, geen onschuldig
bloed vergiet, noch vreemde goden dient, zal ik u in uw
land gelukkig laten wonen !"
Maar de dagen van Juda\'s volksbestaan waren geteld.
Toen Necho door Naboe-koedoer-oessoer (Nebukadnezar)
was geslagen, geraakte het rijk onder de heerschappij der
Babyloniërs. De gedachte, dat het uitverkoren volk van
-ocr page 114-
110
Jahwe schatplichtig moest zijn aan de ongeloovigen, was
voor vele Judeërs ondragelijk en leidde tot herhaalde op-
standen, waaraan Naboe-koedoer-oessoer voor goed een
einde maakte door Jeruzalem in te nemen en een groot
gedeelte des volks in ballingschap naar Babylon te voeren.
Dit geschiedde onder de regeering van Zedek\'a, den vier-
den opvolger van Jozia, in 586 v. C.
-ocr page 115-
DE ASSYRIËRS.
I.
Asoer-nazir-habal. Toeklat-habal-asar. Salmanassar V.
Babylon, in Chaldêa gelegen, was de grootste stad der
oudheid en wedijverde in ouderdom met Memphis. Assy-
rië is veel later ontstaan. De naam van dat rijk was nog
onbekend, toen koning Sargon I, die zijn residentie te
Aganê had, een stad aan den Euphraat, een weinig ten
Noorden van Babylon, negentien eeuwen v. C. de groote
verhandeling over sterrenkunde en sterrenwichelarij liet
vervaardigen, die nu nog te Londen in het Britsen mu-
seum wordt bewaard. Wel bestonden toen reeds aan den
Tigris de steden Nini\\ ê en het zuidelijker gelegen El As-
soer.
De Assyriërs stonden bij hunne naburen ver achter op
het gebied van kunsten en wetenschappen. Alle bescha-
ving, die zij bezaten, namen zij van de Babyloniërs en
andere volken over. Daarentegen waren zij zeer krijgs-
haftig en de meeste hunner koningen traden als verover-
aars op. Met verachting zagen zij neer op alle naburige
volken, omdat deze vreemde goden aanbaden. De koningen
streden niet slechts voor hun eigen roem en de uitbreiding
van hun gebied, maar ook voor de eer hunner goden, van
welke Assoer, Samas en Bin de voornaamste waren. Wie
hun tegenstand bood, had het ergste lot te wachten. Dit
blijkt uit vele opschriften, die de koningen hebben laten
-ocr page 116-
112
uitbeitelen. Als een voorbeeld kan het volgende dienen,
■dat de koning Assoer-nazir-habal, die omstreeks 880 v. C.
leefde, na een tocht in Koerdistan van zich zelven deed
vermelden; «De vijanden vluchtten op de ontoegankelijke
bergen en versterkten zich daar, opdat ik hen niet zou
kunnen bereiken, want die trotsche toppen verheffen zich
.als zwaardpunten en slechts de vogelen des hemels kun-
nen ze in hunne vlucht bereiken. In drie dagen beklom
ik den berg en verspreidde schrik in hunne schuilplaats;
hunne lijken bedekten de hellingen als boombladeren en
■de overblijvenden verscholen zich in de rotsen." De ver-
overaar verbrandde hierop alle dorpen, die zich op zijn
weg voordeden en gaat dan voort: «Ik velde tweehonderd
.zestig strijders, sneed hun de hoofden af en bouwde daar-
van eene piramide." Toen eene stad in Mesopotamië tegen
hem was opgestaan, en hij tegen haar optrok, boden de
inwoners hunne onderwerping aan en smeekten zij om
genade. De koning was onverbiddelijk, en wat hij deed,
liet hij aldus in den steen beitelen : »De helft der inwo-
ners bracht ik om. Ik bouwde een muur voor de groote
poort der stad; ik liet de hoofden van den opstand villen
en den muur met hunne huiden bekleeden. Eenigen wer-
den levend in den muur gemetseld, anderen gekruisigd of
gespietst. Een groot aantal liet ik in mijne tegenwoordig-
heid villen en den muur met hunne huiden bekleeden;
hunne hoofden liet ik in den vorm van kronen bijeenleg-
gen en hunne doorboorde lichamen in den vorm van
bloemslingers."
Onder de Assyrische veroveraars bekleedt Toeklat-ha-
ba-lasar II (Teglat-pilezer), die in 745 v. C. den troon be-
klom, een eerste plaats. Zijne eerste veldtocht was gericht
tegen Chaldêa met het doel om er zijn opperheerschappij te
doen erkennen. In het noordelijke gedeelte van deze
landstreek zat Naboe-natsir (Nabonassar) op den troon van
Babylon. Deze bood geen tegenstand en werd daarom in
zijne heerschappij gehandhaafd. Met Naboe-natsir begon
-ocr page 117-
113
in 747 voor Babylcn een nieuwe tijdrekening, want ter-
wijl zijn voorgangers steeds bij maanjaren van ongeveer
354 dagen hadden geteld, voerde hij het gebruik van het
zonnejaar van ruim 3()5 dagen in. Een onderkoning in
Chaldëa trachtte zich tegen Toeklat-habal-asar II te ver-
zetten, maar werd geslagen en voor een der poorten zijner
hoofdstad aan het kruis genageld. Vervolgens trok hij
naar Syrië en eischte van alle koningen, die daar heer-
schappij voerden, voor hem te verschijnen en hem hulde
te komen bewijzen. Velen weigerden hem te gehoorzamen,
en daar er juist een opstand in Armenië tegen hem uit-
brak, kon hij hen niet terstond straffen. Toen hij het vol-
gende jaar zegevierend uit Armenië terugkwam, begon
hij de weerspannige Syrische koningen, die zich onderling
verbonden hadden, te bestrijden. Na verloop van weinige
jaren hadden zich achttien koningen onderworpen, waar-
onder die van Samana on van Damaskus. Nu wendde
Toeklat-habal-asar II den blik naar het Oosten, vanwaar
de bewoners van Mesopotamiëgoud, ijzer, koper, geweven
stoffen, kostbare steenen, zooals cornalijn, agaat en
lazuursteen. alsmede vreemde dieren, zooals olifanten,
rhinocerossen en tweebultige kameelen door middel van
den karavaanhandel verkregen. Hij drong tot in de
vlakte van den Indus door, op zijn tocht alles aan zich
onderwerpende. Een zoo verafgelegen en uit Assyrië zoo
moeilijk te bereiken land kon echter op den duur niet in
een toestand van afhankelijkheid gehouden worden. De
herinnering aan den merkwaardigen tocht ging echter niet
verloren en de overlevering kende er weldra de eer van toe
aan zekere veroveringszuchtige koningin Semiramis, die
echter nooit heeft bestaan.
Nauwelijks was Toeklat-habal-asar in 735 v. C. uit
lndië teruggekeerd, of zijne tegenwoordigheid werd in \'t
Westen van zijn rijk vereischt. In Damaskus was de troon
bestegen door Retzin, die het rijk uit den toestand van
machteloosheid, waarin het was vervallen, spoedig wist op
8
-ocr page 118-
114
te heffen. Zich te zwak gevoelende tegen Assyrië, erkende
hij de Opperheerschappij van Toeklat-hahal-asar II. Israël
daarentegen scheen hem een gemakkelijke prooi toe. In dit
rijk had de veldoverste Pekah den koning Pekahja ver-
vermoord en zich daardoor van den troon meester gemaakt.
Daar hij te weinig macht hezat om een aanval af te slaan,
en te weinig geld om hem af te koopen, zag hij zich ge-
noodzaakt Retzm als zijn opperheer te erkennen en met
dezen tegen Juda op te trekken, dat door den twintigjari-
gen Achaz werd geregeerd. Toen deze tweemaal verslagen
was en Retzm en Pekah zich gereed maakten hem te ont-
troonen, zag hij geen anderen uitweg dan de hulp in te
roepen van den machtigen en heerschzuchtigen Toeklat-
hahal-asar II. Hij zond hem een gezantschap voorzien van
rijke geschenken, die uit den tempelschat waren genomen,
en weldra daagde de hulp op. Israël werd zwaar getuch-
tigd en van een aanzienlijk deel zijner inwoners beroofd,
die naar Assyrië werden verplaatst. De Philistijnen,dievan
de verlegenheid, waarin Achaz zich bevond, gebruik had-
den gemaakt om een aanval in Juda te doen, werden schat-
plichtig gemaakt. Eindelijk richtte Toeklat-hahal-asar II
zijne wapenen tegen Damaskus. Twee jaren hield Retzln
den ongelijken strijd vol, maar toen werd zijn hoofdstad
ingenomen en hij zelf gedood. Alvorens Syrië te verlaten,
riep Thoeklat-habal-asar II de vorsten, die hij schatplich-
tig had gemaakt, op om hem hulde te bewijzen. Vijf en
twintig koningen verschenen en daaronder ook Achaz,
om zijn schatting te brengen en zijn redder te danken.
Terwijl de koningen van Babylon trouw hunne schat-
ting bleven betalen, waagden de koningen uit het Zuiden
van Chaldga een nieuwe poging om hunne onafhankelijk-
heid te herwinnen. Toeklat-hahal-asar II trok onmiddellijk
tegen hen op. Den uitslag van zijn veldtocht liet hij in de
volgende bewoordingen op een gedenkzuil vereeuwigen:
«Doegab, den zoon van Amoekkan, sloot ik op in Sapiya,
zijn koningsstad; ik wierp stapels lijken voor zijne poor-
-ocr page 119-
115
ten op. Alle hoornen, die voor zijn paleis stonden, velde
ik. Al zijn steden heb ik verwoest, verdelgd, verbrand.
Het land van Heth-Shilan en dat van Beth-Amoekkan en
van Sahalli heb ik woest gemaakt; ik heb ze in puinhoo-
pen veranderd."
Toen Toeklat-habal-asar II na een roemrijke regeering
van achttien jaren was overleden, had er een algemeene
opstand in de onlangs door hem veroverde landen in het
Westen plaats. Hél Phenicische Tyr en Israël, waar zich
Hofëa van den troon had meester gemaakt, grepen naar de
wapenen. Hosea zond een gezantschap met geschenken en
het verzoek om hulp naar Egypte, welks koning Shabak
de geschenken als schatting, en het verzoek als een bewijs
van hulde aannam. Shabak wenschte voor \'t minst de
Israëlieten en Pheniciërs in hun verzet tegen Assyrië te
stijven, dewijl dit rijk zijne grenzen sedert de laatste twin-
tig jaren tot bij de landengte van Suez had uitgebreid en
dus gevaarlijk werd voor Egypte. Nauwelijks had Salma-
nassarV, de opvolger van Toeklat-habal-asar II, van deze
onderhandeling gehoord, of hij daagde Hosea ter verant-
woording voor zich. Deze gehoorzaamde: wellicht in de
hoop zich te kunnen rechtvaardigen. Indien dit het geval
was, werd hij in zijne verwachting deerlijk bedrogen.
Salmanassar V wierp hem in de gevangenis en sloeg het be-
leg voor Samana. Ofschoon zij zonder koning waren en
geene hulp van Shabak ontvingen, stelden de Israëlieten
zich dapper te weer.
Ondertusschen hadden de Tyriërs het Assyrische juk af-
geschud en andere volken gedwongen, hen in den opstand
ter zijde te staan. Salmanassar V liet daarom een gedeelte
van zijn leger voor Samarïa en trok met het andere Pheni-
cië binnen, waar hij zich weldra weder wist te doen gel-
den. Alleen de stad Tyr, die hare sterkte aan de zee ont-
leende, bleef hem weerstand bieden. Om haar tot overgave
te dwingen, bemande hij zestig schepen, die hij uit Sidon
en andere Phenicische steden bijeen had gebracht, met
-ocr page 120-
116
Assvrische troepen om daarmede Tyr van de zeezijde aan
te tasten. Deze vloot werd echter geheel vernield door
twaalf schepen der Tyriers, die hovendien 500 Assyriërs
gevangennamen. Salmanassar V hesloot nu het beleg te
staken en zich met de insluiting van Tvr te vergenoegen,
in de hoop, de stad door gebrek aan drinkwater tot de
overgave te dwingen. Salmanassar V had zonder zijn doel
te bereiken twee jaren aan zijn onderneming tegen Tyr
en Samarïa besteed, toen hij kinderloos stierf. Een der aan-
zienlijkste heeren van zijn hof, de dappere Saryoekin (Sar-
gon) volgde hem op. Van deze verandering van dinastie
trachtte Suziana, aangemoedigd door den dapperen tegen-
stand van Samaria en Tvr, gebruik te maken om zijn on-
afhankelijkheid te herkrijgen. Saryoekin trok echter in
persoon tegen de Suzianen op, bracht hun een zware
nederlaag toe en zette toen met zooveel kracht het beleg
van Samarïa voort, dat de uitgeputte stad in 719 v. C.
bezweek. Zij werd geplunderd en het overgebleven deel
harer bevolking in verschillende Assvrische en Medische
steden verstrooid. De gevangenen, die Saryoekin in zijn
overwinning op de Suzianen had gemaakt, moesten zich in
Samarïa vestigen. De stad werd de zetel van een Assyrisch
stadhouder en op de plaatsen, waar eens Jahwe was ver-
eerd, verrezen tempels voor de goden der nieuwe bewo-
ners. Het Israelietische landvolk, dat achter was gebleven,
had zulk een afkeer van de Assvrische heerschappij, dat het
in grooten getale naar Juda en Egypte uitweek.
II. Saryoekin. Sin-ache-irib. Assoer-ban-habal.
De val van Samarïa sloeg den moed der Tyriers niet ter
neder, terwijl de Philistijnen, de Moabieten, de Animo-
nieten, de Judeërs en de meeste volken in het Noorden
van Syrië den Assyriërs heimelijk of openlijk vijandig ge-
zind waren en op de hulp van den Ethiopiër Shabak, die
-ocr page 121-
117
over Egypte heerschte, rekenden. Saryoekin trok het eerst
op tegen Jahoebid, den koning van Hamoth, dien hij ver-
sloeg, gevangennam en levend vilde, en richtte zich toen
zuidwaarts tegen Shabak. die eindelijk met een groot leger
was komen opdagen. Bij Ropeh (Raphia) ten Zuiden van
Gaza had de strijd plaats. Shabak werd beslissend geslagen
en had het behoud van zijn leven Ie danken aan een Philis-
tijnsch herder, die hem door de woestijn naar Egypte geleid-
de. De vorsten en stadhouders van Neder-Egypte, maak-
ten van deze gelegenheid gebruik om zich onafhankelijk
te maken van de Ethiopische koningen, wier heerschappij
zich sedert slechts weinig ten Noorden vanThebeuitstrekte.
Zijn overige levensdagen bracht Saryoekin steeds te
midden van het oorlogsgewoel door. Hij onderwierp een
gedeelte van Medio, breidde zijn gebied in Klein-Azië tot
den Halys uit en verdreef den held haftigen koning van Ba-
bylon Mardoek-hal-idinna (door den profeet Jezaja Maro-
dach Baladan genoemd), die in Chaldea tot opperheer werd
erkend. Saryoekin heeft van deze gebeurtenis bet volgende
laten opteekenen : «Mardoek-hal-idinna had zijn leger-
macht te Doer-Yakin bijeengetrokken. Ik schaarde mijne
strijders in slagorde en joeg den vijand op de vlucht. De
wateren van den stroom (Shat-el-arab) sleepten de lijken
zijner krijgslieden als boomstammen voort. Ik vernietigde
de lijfwacht en vervulde de andere legerafdeclingen des
vijands met de vreeze des doods. Mardoek-bal-idinna liet
in zijn legerplaats de teekenen der koninklijke waardig-
heid achter, den gouden draagstoel, den gouden troon, den
gouden schepter, den zilveren wagen, de gouden versier-
selen, en hij ontsnapte door een heimelijke vlucht."
In 704 v. C. werd Saryoekin vermoord en door zijn
zoon Sin-ache-irib (Sanhërib) opgevolgd. Zoodra de tijding
hiervan verspreid werd, hadden allerwegen opstanden
plaats: de oude Mardoek-bal-idinna maakte zich weder
van Babylon meester. Sin-ache-irib trok oogenblikkelijk te
velde, en reeds had hij alle opstandelingen behalve Hiskia,
-ocr page 122-
118
den koning van Juda, ten onder gebracht, toen een leger
door de vorsten van Beneden-Egyple bijeengebracht, hem
aanviel. De Egyptenaren werden met groot verlies terug-
geslagen en moesten het grootste gedeelte van hunne strijd-
wagens en de kinderen van een hunner koningen in de
handen van Sin-ache-irib achterlaten. Deze viel nu in Juda
en liet van dien inval opteekenen: «Geholpen door vuur,
moord en belegeringstorens maakte ik mij van het land
meester. Ik voerde er 200,150 menschen, groote en
kleine, mannen en vrouwen uit weg en nam ezels, muil-
dieren, kameelen, runderen en tallooze schepen als buit
mede." De veroveraar naderde meer en meer Jeruzalem,
waar niets voor de verdediging in gereedheid was. In al-
lerijl liet Hiskia eenige huizen sloopen en met hunne af-
braak de muren herstellen, de bronnen buiten de stad met
zand vullen en binnen de muren nieuwe vergaderbakken
voor het water maken. Toen bij hiermede gereed was en
over de gewapende burgers hoofdlieden had aangesteld,
wier moed hij trachtte te ontvonkcn door hen te verzeke-
ren, dat zij op Jahwe\'s hulp konden rekenen, besloot hij
nog een poging te doen om het dreigend gevaar van Je-
ruzalem af te wenden. Hij liet Sin-ache-irib zeggen : "Ik
heb verkeerd jegens u gehandeld: trek terug, en ik zal u
betalen, wat gij eischt." De Assyrische koning nam er
genoegen mede, maar toen hij vernam, dal de Egyptena-
ren zich ondertusschen van hunne nederlaag hadden her-
steld en met een nieuw leger tegen hem optrokken, kwam
het hem voor, dat Hiskïa slechts onderhandeld had om tijd
te winnen, en liet hij dezen onder vreeselijke bedreigingen
rekenschap van zijn gedrag vragen. Volgens den raad van
Jezaja besloot Hiskia thans, Sin-ache-irib tegenstand te bie-
den. Weldra had hij reden zich over dit moedig besluit te
verheugen, want terwijl de Assyriers naarde Deltaojirukten
om de Egyptenaren te verslaan, werden zij door zulk eene
hevige pestziekte aangetast, dat de helft hunner manschap-
pen bezweek en onder de overigen zulk een ordeloosheid
-ocr page 123-
119
ontstond, dat de koning bijna onverzeld in Ninive moest
terugkeeren. De Joden en de Egyptenaren, heiden even-
zeer verbaasd over de ongehoorde ramp, die hunne vijan-
den had getroffen, schreven ieder voor zich hunne redding
aan hun eigen god toe. Zoo vermeldden de Joden : »Het
geschiedde in denzelfden nacht, dat de engel van Jahwe
uitvoer en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en
tachtig duizend man. En toen zij zich des morgens vroeg
opmaakten, zie, die allen waren doode lichamen." Volgens
de Egyptenaren droeg zich de zaak op de volgende wijze
toe. De krijgslieden weigerden koning Setho, die tevens
priester vanden god Ptah was, te volgen, omdat hij hun ee-
nige voorrechten had ontnomen. Hij ging daarom den tem-
pel binnen, plaatste zich voor het beeld van den god en
klaagde dezen zijn nood. Hier viel hij in slaap, en nu ver-
scheen de god hem in een droom, hem geruststellende met
de verzekering, dat hem hulp zou worden gezonden. Vol
vertrouwen op dien droom trok hij naar Pelusium, met
allen die hem wilden volgen. Dit waren rondventers, vol-
lers en zoetelaars : geen enkel krijgsman voegde zich bij hem.
Gedurende den nacht zond de god Ptah tegen de Assyriërs
een heirleger ratten af, die de pijlkokers, boogpeezen en
handvatten der schilden in het vijandelijk leger aan stuk-
ken knaagden. Toen de Assyriërs des morgens ontwaak-
ten en hunne wapenen onbruikbaar bevonden, sloegen zij
terstond op de vlucht.
Ondertusschen hadden de bewoners van de moerassige
streken in \'t Zuiden van Chaldea wegens hun afkeer van
de Assyrische opperheerschappij, hunne goden en goede-
ren ingescheept en zich daarmede naar de oostelijke kust
van de Perzische golf begeven, waar zij zich vestigden in
eene streek, hun door den koning van Suza afgestaan. Om
hen ten onder te brengen liet Sin-ache-irib Tyrische en
Sidonische scheepsbouwmeesters naar den Tigris overko-
men om daar oorlogsschepen met masten en zeilen, twee
rijen roeiriemen en een scherpe spoor, die in de Perzi-
-ocr page 124-
120
sche golf nog onbekend was, te vervaardigen. Met een
vloot van deze schepen deed hij een aanval op het gebied
van den koning van Suza en diens beschermelingen. Daar
dezen zich hadden voorbereid om een aanval te land af te
slaan, verraste de aanval van de zeezijde ben zoozeer, dat
zij spoedig het onderspit dolven. Weldra echter werden zij
uit hun henarden toestand gered dooreen opstand van Ba-
bylon. Sin-ache-irib trok terug, maar behaalde spoedig
daarop eene overwinning op de vereenigde legers van de
Chaldeesche vorsten. Hij liet die overwinning met de vol-
gende woorden vereeuwigen: «Op den doorweekten grond
lagen de harnassen en wapenen in stroomen bloeds, want
mijne strijd wagens hadden de lichamen der vijanden ver-
pletterd. Ik stapelde hunne lijken tot zegeteekenen opeen.
Hem, die levend in mijne handen vielen, verminkte ik ;
tot straf verminkte ik ben, en hieuw ik hun de handen af."
Te midden van de vele oorlogen, die hij voerde, liet
Sin-ache-irib schoone paleizen en tempels houwen, (leen
Assyriscb vorst heeft zooveel gewichtige gedcnkteekenen
nagelaten als hij. Het verdient opmerking, dat hij op het
beeldbouwwerk, waardoor zijne daden werden vereeuwigd,
een achtergrond liet maken, die eene juiste voorstelling
geeft van de plaats, waar zij zijn verricht. Hier bergen en
rotsen, elders hoornen en wegen of rivieren en meren. Ook
liet Sin-ache-irib op de muren van zijn paleis te Ninive de
gewone voorvallen van het dagelijksch leven uitbeitelen,
b.v. een lange rij bedienden, die iederen dag wild, koe-
ken en vruchten voor zijne tafel in zijn paleis brachten ;
elders al de verrichtingen voor het beeldhouwen van een
kolossaal stierenbeeld, van het oogenblik, dat een ontzet-
tend steenblok uit de steengroeve wordt gesleept, totdat
het, in de gedaante van een gevleugelden stier verwerkt,
langs een hellend vlak op een verhevenheid wordt getrok-
ken om den ingang van een paleis te versieren.
Sin-ache-irib had een droevig uileinde. Hij werd in een
tempel door twee zijner zonen vermoord. Het doel hunner
-ocr page 125-
is^/ËCRrRAN;:.
Gerestaureerde Tempel van Cliorsabad, het oude Ninive.
-ocr page 126-
-ocr page 127-
123
misdaad, zich van de heerschappij meester te maken, werd
echter niet bereikt. Hun half broeder Assoer-ache-idin (Esar-
haddon) werd als koning erkend. Ook deze bracht zijn le-
ven grootendeels te midden van oorlogen door. Hij deed
o. a. een tocht in Egypte, waar hij den Ethiopischen ko-
ning Tahraka versloeg, Memphis veroverde en Thebe plun-
derde. Een twintigtal inlandsche vorsten, die over de ver-
schillende deelen van Egypte regeerden, maakte hij schat-
plichtig en sedert nam hij den titel aan van koning van
Egypte, Thebe en Ethiopië. Hij overleed in 667 v. C. te
Babvlon, nadat hij een paar jaren vroeger wegens ziekte
de regeering in handen had gegeven aan zijn zoon Assoer-
ban-habal (Sardanapalus?). Terwijl deze een opstand demp-
te, die in Egypte tegen de Assyriërs was uitgebroken en
hem gelegenheid gaf veel goud, zilver en kostbare storten,
alsmede twee obelisken van daar naar Ninive te voeren,
zocht hij de bewoners van Chaldea door welwillendheid
voor zich te winnen. Toen Suza door zwaren hongersnood
werd geteisterd, zond hij er koren heen, terwijl alle Chal-
deërs, die, om den dood te ontgaan, naar Assyrië vlucht-
ten, daar gespijzigd werden en later verlof kregen naar
hun vaderland terug te keeren in plaats van in slavernij
te worden gehouden. Assoer-ban-habal bereikte hiermede
echter zijn doel niet. Al de vorsten van Egypte tot aan de
Perzische golf\', en daaronder zelfs zijn broeder Saoel-ma-
sadd-yoekin, die tot onderkoning van Babvlon was aange-
steld, verbonden zich in \'t geheim tegen hem. Assoer-
ban-habal versloeg zijn broeder in \'t open veld, waarna
deze een schuilplaats zocht in Babvlon. Weldra was de
stad door het Assyrische leger omsingeld en ontstond er
zulk een gebrek aan voedsel, dat de inwoners het vleesch
van kinderen aten. Eindelijk moest de stad bukken, en
maakte Assoer-ban-habal zich meester van zijn broeder,
dien hij levend liet verbranden. Het lot, dat de aanzien-
lijke en de geringe inwoners ondergingen, heeft hij op de
volgende wijze doen beschrijven. «De toorn der groote
-ocr page 128-
124
goden, mijne Heeren, drukte zwaar op de dienaren van
Saoel-masadd-yoekin; niemand ontsnapte, niemand werd
gespaard, allen vielen in mijne handen. Hunne strijdwa-
gens, hunne wapenrustingen, hunne vrouwen, de schatten
hunner paleizen werden voor mij gehracht. Dien mannen,
welke eene laaghartige samenzwering tegen mij en tegen
Assoer, mijn god, hadden gesmeed, heb ik de tong laten
uitrukken en daarna een smadelijken ondergang bereid.
Van het overige volk, dat nog leefde, heb ik velen bijeen
doen brengen voor de groote steenen stieren, die Sin-ache-
irib, de vader van mijn vader, had opgericht. Ik heb hun
de ledematen doen af hou wen en hunne lijken doen ver-
slinden door honden, wilde beesten, roofvogels, de dieren
des hemels en der wateren. Door dit alles te volvoeren
heb ik het hart der groote goden, mijne Heeren, verblijd."
Het moorden moede, schonk Assoer-ban-habal aan wie nu
nog leefde vergiflènis.
Assoer-ban-habal zag zich genoodzaakt den verderen
duur van zijne regeering oorlog te blijven voeren. De
opperheerschappij over Egypte moest hij laten varen; maar
toch bleef hij de machtigste koning van zijn tijd. Bij zijn
dood verdween de wapenroem, die Assyrië zooveel eeuwen
had omstraald.
-ocr page 129-
DE BABYLONIERS.
Naboe-bal-oessoer. Naboe-koedoer-oessoer.
Onder de regeering van Assoer-edel-ilani, den zoon en
opvolger van Assoer-ban-habal, werd Assyrië verwoest
door de Scyten en daarna aangevallen door den Medischen
koning Cyaxares. Assoer-edil-ilani stelde zijn veldheer
Naboe-bal-oessoer tot onderkoning van Babylon aan en
trok zelf tegen de Mediërs op. Maar Naboe-bal-oessoer
verried zijn koning, sloot zich bij Cyaxares aan, hielp
Assyrie ten onder brengen en werd daarna onafhankelijk
koning van Babylon.
Naboe-bal-oessoer was reeds oud geworden, toen de
Egyptische koning Necho zijn vroeger beschreven tocht
naar den Euphraat deed. Nadat Naboe-koedoer-oessoer de
Egyptenaren door zijn overwinning bij Karkemish
(Circesium) tot een overhaasten aftocht had gedwongen,
onderwierp hij Jojakin I, den koning van Juda, en andere
kleine vorsten van Syrië (605 v. C), en juist maakte hij
zich gereed Egypte binnen te trekken, toen hij het be-
richt ontving, dat zijn vader Naboe-bal-oessoer overle-
den was.
Uit vrees, dat hem de troon mocht betwist worden,
sloot hij in allerijl een vredesverdrag met Necho en richtte
hij zijne schreden naar Babylon. Daar de weg over Kar-
kemish, welken het leger moest volgen, hem te lang was,
trok bij met een klein gevolg door de woestijn en reed hij
Babylon binnen op een oogenblik, dat men er hem het
-ocr page 130-
126
minst verwachtte. Hij vond er alles boven verwachting.
De priesters hadden de leiding der zaken op zich genomen
en den troon voor den wettigen erfgenaam bewaard.
Door de daden van Naboe-koedoer-oessoer verkreeg Ba-
bylon een grooten naam boven alle voorname steden van
Chaldea, waarmede het tot nu toe gelijk had gestaan.
Vooral in het Westen van zijn rijk moest Nahoe-koedoer-
oessoer zijn gezag meermalen met de wapenen handhaven,
dewijl de Egyptische pharao\'s, bevreesd geworden voorde
Aziatische veroveraars, de Syrische vorsten op hun hand
zochten te krijgen. Vier jaren na zijn nederlaag bij Kar-
kemish wist Necho den koning van Juda, Jojakin I, over
te halen tegen Babylon op te staan, maar Naboe-koedoer-
oessoer onderwierp Juda weder, eer het Egyptische leger
in staat was geweest het ter hulp te snellen. Drie jaren
later schudde Jojakin I op aanstoken van Necho opnieuw
het Babylonische juk af. Naboe-koedoer-oessoer sloeg het
beleg voor de stad, die zich, nadat Jojakin I gestorvenen
door zijn achttienjarigen zoon Jojakin II opgevolgd was,
op genade overgaf. De Assyrische koning spaarde de stad,
maar den tempelschat nam hij in beslag, den koning en
zijn gezin zond hij in ballingschap naar Chaldea, de krijgs-
lieden nam hij als slaven mede, en de hanchverksklasse
zond hij naar Babylon om aan de groote bouwwerken, die
hij er liet volvoeren, te arbeiden. De overblijvenden stelde
hij onder het bestuur van Zedekia, den zoon van den vroe-
geren koning Jozïa. Ofschoon Necho twee jaren later stierf,
wist de partij , die met behulp van Egypte het Babylo-
nische juk wilde afschudden, zich zoo te doen gelden, dat
Zedekïa, in strijd met den raad, dien de profeet Jeremïa
hem gaf, afgezanten van Tyr, van Sidon, van Ammon en
van Moab tot zich noodigde om te beraadslagen over de
beste middelen ter verdrijving van de Babyloniërs. De vrees
voor de macht van Naboe-koedoer-oessoer was oorzaak, dat
men vcorloopig niet tot handelen overging, maar toen
Oehabra (Apries) den troon van Egypte had beklommen,
-ocr page 131-
127
en men zich van zijn hulp had verzekerd, besloot men te
gelijk op te staan. Naboe-koedoer-oessoer, wel wetende, dat
Juda het brandpunt der samenzwering was, trok oogen-
blikkelijk met de hoofdmacht in dit rijk, terwijl hij een
andere legerafdeeling in Phenicië zond om dit land te ver-
woesten en Tyr in te sluiten. Zedekfa, zich te zwak ge-
voelende om de Babvloniërs in het open veld te weerstaan,
wierp zich in Jeruzalem. Alvorens hem daarheen te volgen,
verwoestte Naboe-koedoer-oessoer het land te vuur en te
zwaard, in welk werk hij getrouw ter zijde werd gestaan
door de Philistijnen en de Edomieten. Juist was hij gereed
het beleg van Jeruzalem met kracht te beginnen, toen hij
vernam, dat Oehabra met een aanzienlijk leger in aantocht
was om de stad te ontzetten. Oogenblikkelijk trok Naboe-
koedoer-oessoer hem te gemoet, en het gevolg was, dat de
Egyptische koning, hetzij vrijwillig, hetzij ten gevolge eener
nederlaag, naar zijn land terugtrok. Het beleg van Jeru-
zalem werd hervat. De Judeërs verdedigden zich hardnek-
kig ondanks de tweespalt, die onder hen heerschte. Jere-
mia en zijn aanhang drongen op onderwerping aan: Zede-
kia en zijn raadgevers waren besloten tot het uiterste vol
te houden. Honger en ziekte teisterden de belegerden: er
was geen brood meer in de stad en nog wilde men van
geen overgave weten. Anderhalf jaar had\'hetbeleggeduurd,
toen de Babvloniërs door een bres in de muur de stad
binnendrongen. Zedekïa werd op de vlucht gegrepen en voor
Naboe-koedoer-oessoer gebracht, die een vreeselijk vonnis
over hem uitsprak. Eerst moest hij toezien, hoe zijn zonen
en voornaamste raadslieden werden omgebracht, daarop
werden hem de oogen uitgestoken en eindelijk zond de
overwinnaar hem zwaar geketend naar Baby Ion. Jeruzalem
en zijn tempel werden verwoest. De krijgslieden, de pries-
ters en alle aanzienlijken werden naar verschillende steden
van Chaldea gevoerd, slechts de arme bewoners van het
platteland, wien de overwinnaar de wijnbergen en akkers
der rijken schonk, bleven in Juda onder bet bestuur van
-ocr page 132-
128
Gedalia, een vriend van Jeremia. Maar nog kwam het on-
gelukkige land niet tot rust. Gedalia werd vermoord door
een afstammeling van David, Ismaël geheeten, die op zijne
beurt verdreven werd en eene schuilplaats moest gaan zoe-
ken bij de Ammonieten. De Judeörs, die Gedalia gewroken
en Ismaël verslagen hadden, vreezende dat de toorn van
Naboe-koedoer-oessoer op hen zou nederdalen, vluchtten
naar Egypte en namen daarheen Jeremia mede. Zij wer-
den welwillend ontvangen door Oehabra, die hun akkers
schonk, zoodat zij zich over verschillende deelen van
Egypte, zelfs tot in Thebe, verspreidden. Nog was de maat
der rampen, die de Judeërs troffen, niet vol gemeten. In
581 sloot het overgebleven gedeelte van Juda\'s bevolking
zich bij de Moabieten aan om nogmaals de wapenen tegen
Babylon op te vatten. Een nieuwe nederlaag gevolgd door
een nieuwe verbanning bracht het rijk geheel te gronde.
Toen Jeremia van deze droevige gebeurtenis kennis kreeg,
gaf hij zijn geschokt gemoed lucht in zijn beroemde klaag-
liederen. «Hoe," ving hij aan, "Hoe zit die stad zoo een-
zaam, die vol volk was! Zij is als een weduwe geworden,
zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder
de landschappen, is cijnsbaar geworden. Zij weent steeds
des nachts en hare tranen loopen over hare wangen, zij
heeft geen trooster onder allen, die haar. liefhebben; al
hare vrienden hebben trouweloos met haar gehandeld, zij
zijn haar tot vijanden geworden." — "Jahwe heeft zijn
boog gespannen als een vijand; hij heeft zich met zijn
rechterhand gesteld als een tegenpartijder, dat hij doodde
al de begeerlijke dingen der oogen ; hij heeft zijn grimmig-
heid in de tent der dochter Sions uitgestort als een vuur."
— "De oudsten der dochter Sions zitten op aarde, zij zwij-
gen stil, zij werpen stof op hunne hoofden, zij hebben zak-
ken aangegord; de jonge dochters van Jeruzalem laten haar
hoofd ter aarde hangen." Hij eindigt met de hoop op een
betere toekomst: -Onze vaders hebben gezondigd en zijn niet
meer, en wij dragen hunne ongerechtigheden. Maar gij, o
-ocr page 133-
129
Jahwe! zit in eeuwigheid, uw troon is van geslacht tot
geslacht. Waarom zoudt gij ons steeds vergeten? Waarom
zoudt gij ons zoo langen tijd verlaten ? Jahwe ! keer ons
weder tot u, zoo zullen wij hekeerd zijn; vernieuw onze
dagen als van ouds. Want zoudt gij ons ganschelijk ver-
werpen? zoudt gij zoozeer tegen ons verbolgen zijn?"
Na den val van Jeruzalem tuchtigde Naboe-koedoer-
oessoer Ammon en Moab, en vervolgens deed hij een krijgs-
tucht door Arabië, die hem een grooten buit en een aan-
zienlijk getal krijgsgevangenen opleverde. Deze tocht bleef
in de herinnering der Arabieren bewaard. Onder den naam
van Bokhtnassar werd Naboe-koedoer-oessoer voor hen de
held van velerlei legenden.
Van al de Phenicische steden had Tyr zich alleen kun-
nen staande houden tegen de Babyloniërs. Maar toen de
insluiting der stad dertien jaren had geduurd, begreep de
Tjrische koning Ithobaal III, die de verdediging geleid
had, dat het tijd werd te onderhandelen en de opperheer-
schappij van Babylon te erkennen. Nu had Naboe-koedoer-
oessoer de handen vrij om met Egypte af te rekenen. Dat
hij dit rijk zou aanvallen, was sedert lang voorzien. Jere-
mia had er reeds vaak op gewezen en tevens voorspeld, dat
Egypte erdoor te gronde zou gaan. De uitkomst was echter
geheel anders. Oehabra\'s vloot, door Grieken bemand, ver-
sloeg de Phenicische in dienst van Babylon, en zijn leger
maakte zich meester van de geheele Syrische kust.
Gedurend zijn laatste levensjaren wijdde Naboe-koedoer-
oessoer zich geheel aan de voltooiing van de ontzaglijke
bouwwerken, die zijn naam zoo beroemd hebben gemaakt.
Hij liet de muren van Babylon herstellen, zoodat zij eene
hoogte van omstreeks 60 M. bij eene breedte van 10 M.
verkregen en verdedigd werden door 250 torens. Langs de
oevers van den Euphraat, werden voor zoover hij door de
stad stroomde, hooge steenen kaaien gemaakt en aan de
openingen, die daarin gelaten waren om den inwoners ge-
legenheid te geven langs trappen tot het water af te dalen,
9
-ocr page 134-
130
werden metalen poorten bevestigd om in geval van nood
een vijand het binnendringen der stad te beletten. Om liet
heimwee van zijne vrouw Amytis, die in \'t vlakke land van
Babylon de Medische bergen betreurde, tegen te gaan, liet
hij de zoogenaamde hangende tuinen vervaardigen. Op een
terrein van ongeveer 115 M. in \'t vierkant liet hij stevige
pilaren zetten, waarop dekplaten werden gelegd. Een
breede rand van het vlak, dat hierdoor ontstond werd met
een dikke laag uitstekende teelaarde bedekt en daarbin-
nen werden op nieuw pilaren geplaatst en van dekplaten
voorzien. Op deze wijze ging het eenige verdiepingen hoog.
In de teelaarde werden allerlei hoornen en gewassen ge-
plant, zoodat het gebeel zich voordeed als een prachtig be-
groeide heuvel. Van iedere verdieping waren er tot de vol-
gende hellende vlakken aangebracht, door welke men in staat
was de kruin te paard te bereiken.
Na den dood van Naboe-koedoer-oessoer ging de luister
van het Babylonische rijk met snelle schreden achteruit-
-ocr page 135-
DE MEDEN.
Oevakhshatara Cyaxares .
Medië bevatte aanvankelijk een menigte staatjes, die
hun ontstaan te danken hadden aan verschillende volks-
stammen, welke van de hoogvlakte Pamir en uit Toeran
waren gekomen om er zich te vestigen. Sedert de negende
eeuw v. C. hadden die staatjes veel te lijden van de in-
vallen der krijgszuchtige koningen van Assyrië. In de tweede
helft der zevende eeuw v. C. kwam een nieuwe volksstam
onder aanvoering van Oevakhshatara, door Herodötos
meer bekend onder den naam van Cvaxftres, uit destreken
van de rivier Amoe (Oxus) om zich in Medië te vestigen en
onderwierp zonder veel moeite de verschillende rijkjes.die
hij er aantrof. Cyaxares, aldus de stichter geworden van
het Medische rijk, wilde zijn veroveringen voortzetten en
trok daartoe met het sterke leger, dat hij zich had
gevormd, tegen Assyrië op. Geheel onverwachts ech-
ter zag hij zich gedwongen zijn onderneming te sta-
ken.
Ten Noorden van den Kaukasus woonde sedert onheu-
gelijke tijden een volk, bekend onder den naam vanScyten
of Sarmaten. Ieder jaar trok een afdeeling Scyten over
den Kaukasus om plundertochten te ondernemen. Aanvan-
kelijk hadden de bewoners van Klein-xVzië er het meest van
te lijden. Later, toen Assyrië meer bekend werd, richtten
zij hunne schreden ook wel naar dit land, maar niet zel-
den wierpen zijn strijdbare bewoners hen terug. In het
-ocr page 136-
J32
jaar 032 v. C. trok het gros der Scyten langs de Kaspische
Zee naar het dal van den Tigris, waar Cyaxares, die aan
de Assyriërs een nederlaag had toegebracht, begonnen
was, het beleg te slaan voor Ninive. Toen de Scyten na-
derden, brak Cyaxares het beleg op, en trok hij hen tege-
moet. Hoewel zijn troepen beter geoefend en gewapend
waren, bezweken zij voor de overmacht der Scyten, die
Medië een jaarlijksche schatting oplegden. Daar het arme
Medië hun te weinig buit beloofde, trokken de Scyten
door de rijke gewesten van Mesopotamië en langs de kusten
der Middellandsche Zee. Zij doodden het vee, verwoestten
den oogst en verbrandden de dorpen, deels uit vernielzucht,
deels om schrik aan te jagen. Den bewoners, die noch in
de bergen noch in de vestingen wisten te ontkomen, wachtte
slavernij of dood: leeftijd noch geslacht werd door de
woeste Scyten ontzien. Daar zij te onwetend waren om
sterkten geregeld te belegeren, legden zij deze eenegeringe
schatting op. Was echter hunne begeerte opgewekt door
den rijken buit, dien zij in een vesting hoopten te vinden,
dan sloten zij haar in, om haar door den honger tot de
overgave te dwingen. Na aldus door Damaskus, Phenicië
en Palestina te zijn getrokken, maakten zij zich gereed het
rijke Egypte te plunderen, doch Psamtik I wist hen met
groote geschenken te bewegen terug te keeren. De groote
verliezen, die de Scyten jaar op jaar in de telkens weder-
keerende gevechten leden, verzwakten hen zoodanig, dat
sommige vorsten, die zij schatplichtig hadden gemaakt,
eraan begonnen te denken, liet opgelegde juk af te schud-
den. Het eerst deed dit Cyaxares. Hij noodigde hunne aan-
zienlijkste aanvoerders op een feestmaal, liet den wijn als
met stroomen vloeien, en toen zijn gasten erdoor bedwelmd
waren geworden, vermoordde hij hen. Onmiddellijk viel
hij hierop de Scyten aan, die zich wel dapper te weer stel-
den, doch na in \'t geheel acht jaren meester te zijn ge-
weest in Azië, het veroverde gebied weer moesten ontrui-
men.
-ocr page 137-
133
Nu vatte Cyaxares het vroegere plan weder op om Assyrië
ten val te brengen, maar door de ondervinding wijzer ge-
worden, zocht hij zich door machtige bondgenooten te
versterken. Hij vond er een in Naboe-bal-oessoer, den
onderkoning van Baby Ion, aan wiens zoon hij zijne dochter
Amytis ten huwelijk gaf. De verbondenen trokken tegen
Assyrië op. Assoer-edel-ilani, die zich in het open veld
niet tegen hen kon staande houden, zocht zich in zijn
hoofdstad Ninïve te redden. Weldra was het beleg voor
de stad geslagen, en toen deze na een dappere verdediging
viel, liet de laatste Assyrische koning zich in zijn paleis
met zijn vrouwen en schatten verbranden om den vijand
niet levend in handen te vallen. Nintve werd verwoest,
en binnen twee eeuwen wist niemand de plaats meer aan
te wijzen, waar de trotsche stad had gestaan.
Cyaxftres zette zijn veroveringstochten voort. Hij trok
Klein-Azië binnen tot aan de rivier Halys, die de oostelijke
grens vormde van het Lydische rijk. Ongeveer dertig jaren
eer de Scyten hun grooten inval in Azië deden, regeerde
over Lydië de koning Gyges, van wien de overlevering
heeft vermeld, dat hij een onzichtbaarmakenden ring be-
zat. Hij was begonnen de Grieksche koloniën op de West-
kust te onderwerpen, maar sneuvelde tegen de Scyten,
die een inval in zijn land deden en zijn hoofdstad Sardes
innamen. De tweede opvolger van Gyges was Alvattes, die
voortging met pogingen om de Grieken te onderwerpen.
Vooral had hij het oog geslagen op Milëte, en toen hij geen
kans zag, het met de wapenen te veroveren, beproefde hij
het door den honger tot onderwerping te dwingen. Ieder
jaar, wanneer de oogst der Milesiërs te veld stond, trok
hij er met een leger heen, verwoestte de akkers en keerde
dan weder huiswaarts. Ondertusschen veroverde hij
Smyrna en breidde hij zijn rijk oostwaarts tot den Halys
uit.
In dezen tijd naderde Cyaxares met zijn leger de grens
van Lydië. Begeerig naar de heerschappij over dit rijke
-ocr page 138-
134
land, zocht hij naar een voorwendsel om Alyattes den oor-
log aan te doen. Het toeval diende hem. Een afdeeling
Scyten, die in zijn leger diende, deserteerde en zocht een
schuilplaats in Lydië. Onmiddellijk liet hij ze terugeischen,
doch Alyattes zond ze niet terug, en nu trok Cyaxares
Lydië hinnen. Nadat er gedurende zes jaren met afwisse-
lend geluk was gestreden, had er weder een veldslag
plaats. Nog was de uitslag twijfelachtig, toen in de hitte
van den strijd de zon werd verduisterd (610 v. C). Het
gezicht hiervan verwekte bij de hijgeloovige krijgslieden
zulk een plotselingen schrik, dat van heide zijden het ge-
vecht werd gestaakt, en de twee koningen weldra een
wapenstilstand sloten, die eerlang door een vrede werd
gevolgd. Volgens het toenmalig gebruik zwoeren Cyaxares
en Alyattes elkander don eed van vriendschap, en bezegel-
den zij dien door zich in den arm een lichte wonde toe
te brengen en elkanders bloed te drinken. Om aan het
verbond no" meer hechtheid te geven, schonk Alvattes
zijn dochter ten huwelijk aan Azi-dahak (Astyages) den
zoon van Cyaxares.
Zijn overige levensdagen bracht Cyaxares, in rust
door.
Azi-dahak (Astyages), die hem opvolgde, was een vreed-
zaam vorst. Hij leefde in zijn hoofdstad Ekbatana in
oostersche weelde, zonder ander tijdverdrijf dan de jacht
in het park van een zijner paleizen of aan den zoom der
woestijn. Zijn kinderen waren allen dochters. Een
harer, Mnndane, huwde hij uit aan Kamboezia(Kambyzes,)
den koning der Perzen, die door Cyaxares schatplichtig
was gemaakt.
-ocr page 139-
DE PERZEN.
I Koeroes (Cyrus).
De Perzen, wier land ten Noorden en ten Oosten door
woeste streken en verder door de zee was begrensd, had-
den onder het bestuur hunner koningen rustig, en door
hun geringen omgang met andere volken eenvoudig ge-
leefd, totdat Cyaxrtres hen onder zijn opperheerschappij
bracht. Cyrus, de zoon van Kambyzes en Mandane
moest op jeugdigen leeftijd het hof zijns vaders, dat
beurtelings te Persepólis en te Pasargadae gevestigd
was, verlaten om op verlangen van zijn grootvader Asty\'a-
ges, te Ekbatana onder diens oogen te worden opgevoed.
Hier leerde Cyrus inzien, dat de krijgshaftigheid der Me-
den, die zich zoo schitterend vertoond had onder Cyaxares,
tijdens het vreedzaam bestuur van Astvages meer en meer
verloren ging. Tevens werd het hem duidelijk, dat de eer,
welke zijn grootvader hem bewees, ten doel had, hem als
gijzelaar voor de trouw der Perzen in handen te hebben.
Hij vluchtte uit Ekbatana naar zijn vader, dien hij over-
haalde, de wapenen tegen Medië op te vatten. In het eer-
ste gevecht leed Kambyzes de nederlaag, en vond hij den
dood; maar Cyrus, die hem opvolgde, zette den strijd
krachtig voort en eindigde met Medië te onderwerpen en
Astydges gevangen te nemen. Aldus ging de heerschappij
der Meden op de Perzen over.
In Lydië was Alyattes ondertusschen opgevolgd door
zijn zoon Kresus, die de vruchtbaarste provinciën van Klein-
Azië veroverde en daardoor de rijkste vorst van zijn tijd
werd. Hij was met zijn schatten zeer milddadig. Aan
-ocr page 140-
136
verscheidene tempels der Grieken, zoowel in Europa als in
Klein-Azië, zond hij kostbare geschenken, en daarvoor ver-
breidden de Grieken zijn lof als den rijksten koning. Toen
Kresus den val van zijn zwager Astyages vernam, meende
hij zich tegen Cyrus te moeten wapenen. Daar ook Ama-
sis, de koning van Egypte, en Naboe-nahid (Nalionïtes),
de koning van Babylon, beducht waren voor de plotseling
opkomende macht van Perzië, sloot hij met die vorsten een
aanvallend en verdedigend verbond. De vereenigde macht
dezer koningen zou zeer goed opgewassen zijn geweest te-
gen de Perzen, maar Kresus ging in zijn verwaandheid
te haastig te werk. Om vooraf den uitslag van den oorlog,
dien hij op het punt stond met Cyrus aan te vangen, te
weten, had hij zich met rijke geschenken tot het orakel
van Delphoi in Griekenland gewend en tot antwoord be-
komen, dat hij een groot rijk te gronde zou richten, wan-
neer liij de Perzen aanviel. Niet twijfelende of door dat
groote rijk werd Perzië bedoeld, trok hij, zeker van de
overwinning en zonder daarom in overeenstemming met
zijn bondgenooten te handelen, in \'t voorjaar van 554 v. C.
over den Halys.
Cyrus, liierdoor verrast, trachtte de Grieken, die op de
"Westkust van Klein-Azië woonden, aan zijne zijde te krij-
gen, doch zij weigerden zich bij hem aan te sluiten, min-
der uit vriendschap voor Kresus, dan uit afkeer van de
Perzische heerschappij. Hierdoor teleurgesteld, besteedde
Cyrus het grootste gedeelte van den zomer om een goed
uitgerust leger bijeen te brengen, en toen dit gereed was,
trok hij Kresus, die ondertusschen een menigte onder Perzi-
sche heerschappij staande steden veroverd had, te gemoet.
De eerste slag, die geleverd werd, bleef onbeslist, ofschoon
de Lydiërs veel geringer in aantal waren dan de Perzen.
Toen Kresus den volgenden morgen zag, dat Cyrus geen
toebereidselen maakte om den strijd te hervatten, meende
hij, dat deze zich als overwonnen beschouwde; maar de-
wijl hij wegens het geringe aantal zijner troepen en den
-ocr page 141-
137
naderenden winter niet in staat was partij te trekken van
het voordeel, dat hij meende behaald te hebben, trok hij
naar Sardes terug, en ontbond hij zijn leger. Meenendedat
Cyrus wel zou overwinteren in de streek, waar hij hem ver-
laten had, zond Kresus aan zijn bondgenooten de uitnoodi-
ging om zich in het volgende voorjaar tijdig ten strijde te
rusten en dan gezamenlijk tegen Cyrus op te trekken. Deze
echter zag in, welk gevaar hem dreigde, wanneer hij
wachtte, totdat de bondgenooten hem gezamenlijk zouden
aanvallen. Ondanks den winter trok hij daarom over den
Halys en regelrecht op Sardes aan. Zoodra Kresus hiervan
bericht kreeg, verzamelde hij in allerijl de beschikbare
troepen en bood hij Cyrus, den slag aan. Ofschoon Cyrus
weder de overmacht had, zou hij wellicht toch het onder-
spit hebben gedolven, indien de ruiterij van Kresus, de
beste, die er toen in de wereld was, had kunnen chargee-
ren. Maar Cyrus had zijn kameelen in \'t front van zijn le-
ger geplaatst, en toen de Lydische ruiters in hunne nabij-
heid kwamen, werden de paarden er zoo door verschrikt,
dat zij niet te regeeren waren en zich van den vijand af-
wendden. Na een heldhaftigen strijd moest Kresus afdein-
zen en zich in Sardes bergen, dat onmiddellijk door Cyrus
werd belegerd. Kresus zond nu bode op bode naar zijne
bondgenooten met het dringend verzoek hem te komen ont-
zetten. Tegelijkertijd verdedigde hij zich met moed en vol
hoop op een goeden uitslag, dewijl Sardes zoo versterkt
was, dat men het voor onneembaar hield. Cyrus liet stormloo-
pen, maar zijn krijgslieden moesten met bebloede koppen
afdeinzen. Het. scheen, dat de stad het lang zouden uit-
houden, maar het volgende voorval bracht haar, volgens
Herodótos, reeds na een beleg van veertien dagen ten val.
Een Lydiër liet zijn helm boven van den burcht der stad
vallen, waarop hij langs de rots naar beneden kwam, hem
opraapte en, denzelfden weg volgende, weder naar boven
klom. Dit was gezien door een Perzisch krijgsman, die,
begeerig naar de belooning door Cyrus uitgeloofd aan hem,
-ocr page 142-
138
die het eerst in Sardes zou binnendringen, den volgenden
dag hetzelfde pad zocht te bestijgen. Vele Perzen volgden
hem, en daar de Lydiërs juist op dit punt, waar zij het
voor onmogelijk hielden, dat de vijand kon binnendrin-
gen, geen wacht hadden uitgezet, slaagden de koene
klauteraars erin, hun doel te bereiken, en daardoor
werd Cyrus meester van Sardes. De verdere verove-
ring van Lydië liet Cvrus aan zijn veldheeren over.
Hij zelf ging terug naar Ekbatana, Kresus met zich
voerende, die weldra zijn vriend en raadsman werd.
Daar Amasis en Naboe-nahid de troepen, die zich
in de haast verzameld hadden om hun bondgenoot Kre-
sus te ontzetten, na den val van Sardes niet te velde brach-
ten, trok Cvrus naar Toeran om daar veroveringen
te maken. Kerst moest Baktrië voor hem bukken, welks
bewoners als de beste krijgslieden der wereld golden, ver-
volgens onderwierp hij de landen aan den Amoe (Oxus) en
den Syr (Jaxartes) en stichtte daar sterkten om er zijne
heerschappij te bevestigen. Daar de Siberische steppen zijn
verderen tocht naar hel Noorden stuitten, wendde hij zich
oostwaarts naar het tegenwoordige Dsjoengarije, waar de
Sacen woonden, die wegens hunne dapperheid en hun rijk-
dom bekend waren. Cyrus versloeg hen en nam hun ko-
ning Amörges gevangen; maar Spaiêthra, de vrouw van
Amörges, verzamelde de overgebleven troepen, bracht den
Perzen een nederlaag toe en dwong Cvrus haar echtge-
noot tegen de krijgsgevangen, die zij gemaakt had, uit te
wisselen. Amörges zag zich intusschen toch gedwongen deop-
perheerscbappij van Cyrus te erkennen, en sedert genoten de
Sacen de eer, de voorhoede van Cvrus\' leger uit te maken.
Na aldus vijftien jaren oorlog gevoerd en de uitgebreid-
heid van zijn rijk verdubbeld te hebben, gevoelde Cyrus zich
sterk genoeg om Babylon aan te vallen. Naboe-nahid had
zich ondertusschen tot een geduchten tegenstand gewapend.
Hij had zijn leger uitgebreid, de grachten en muren zijner
vestingen in een goeden toestand gebracht en de stad Ba-
-ocr page 143-
139
bylon zoodanig versterkt, dat hij, in geval van tegenspoed,
daarin een veilige schuilplaats meende te kunnen vinden.
Vol vertrouwen op den goeden uitslag wachtte hij Cyrus
af, toen deze in 538 v. G. legen hem optrok. Aanvanke-
lijk schenen zijn goede verwachtingen vervuld te zullen
worden. Toen Cyrus over het riviertje Gyndes trok, werd
een der heilige paarden door den stroom medegesleept en
verdronk het dier. Dit ongunstig voorteeken bracht in het
Perzische leger zulk een schrik teweeg, dat Cyrus be-
greep een buitengewonen maatregel te moeten nemen om
zijnen soldaten weder vertrouwen in te boezemen. Hij ont-
stak in hevigen toorn tegen de rivier en zwoer een plech-
tigen eed, haar zoo onaanzienlijk te maken, dat iedere
vrouw erdoor zou kunnen waden zonder zich de knieën
nat te maken. Daarop splitste hij zijn leger in twee dee-
len en liet het eene aan den linker- en het andere aan den
rechteroever der rivier honderd tachtig\' afwateringskanalen
graven, waardoor de waterstand tot een onbeduidend peil
werd gebracht. Met dezen reuzenarbeid was de zomer
voorbijgegaan, en daarom besloot Cyrus zijn aanval op Ba-
by Ion tot de volgende lente uit te stellen.
Toen de winter voorbij was, trok Cyrus op. Hij vond
minder tegenstand, dan hij verwacht had. Zonder belem-
mering te ondervinden, trok hij over den Tigris en daarop
regelrecht naar Babylon. Op eenigen afstand van de stad
had de koning Naboe-nahid zijn leger in slagorde geschaard.
Cyrus viel het aan en dreef het op de vlucht. Het grootste
gedeelte van het verslagen leger vond een schuilplaats in
Babylon, waar Bel-sar-oessoer (Belsasar), \'s konings zoon
en medebestuurder, het bevel voerde. Naboe-nahid zelf
had met een kleine afdeeling krijgslieden elders de wijk
genomen.
Nu viel Cyrus met kracht Babylon aan, doch Bel-sar-
oessoer verweerde zich zoo dapper, dat Cyrus begreep, de
stad niet door een geregeld beleg te kunnen vermeesteren.
Hij liet een klein gedeelte van zijn leger voor Babylon en
-ocr page 144-
140
trok met het andere een eind den Euphraat op. Hier be-
gon hij eene groote menigte kanalen te graven, die hij in
verbinding bracht met de groote waterbekkens, die de
Babyloniërs op de wijze der Egyptenaren gebruikten om
de jaarlijksche overstroomingen der rivier te regelen en
die nu half ledig waren. Bovendien bracht hij al het noo-
dige in gereedheid om de rivier zoodanig te kunnen afdam-
men, dat al het water in de kanalen moest stroomen.
Hierdoor was hij in staat, zoodra hij het verlangde, het
water van den Euphraat binnen en een eind boven Baby-
Ion aanzienlijk te doen vallen. Nu wachtte hij den tijd
af, dat de Babyloniërs een hunner grootste feesten vier-
den, en toen die was aangebroken, liet hij den dam leggen
en het water in de kanalen afloopen. Met het aanbreken
van den nacht werd de rivier doorwaadbaar. Cyrus liet
toen zijn leger in den Euphraat afdalen en door de bedding
der rivier Babylon binnenrukken. Bij een weinig waak-
zaamheid hadden de Babyloniërs hunne tusschen de kaaien
der rivier opgehoopte vijanden kunnen vernietigen, maar
zij waren zoo zorgeloos, dat zelfs de schildwachten hunne
posten hadden verlaten om zich in de genoegens van het
feest te baden. Hierop had Cyrus gerekend. Ongestoord
beklommen zijne soldaten de oevers der rivier binnen de
stad, en nu weerklonk plotseling het krijgsgeschreeuw
der Perzen te midden van het feestgezang der Babyloniërs.
Een vreeselijke slachting had er plaats; Bel-sar-oessoer
kwam in de verwarring om, en het koninklijk paleis werd
een prooi der vlammen. Tegen den morgen was Cyrus
meester van de stad. Naboe-nahid, verderen tegenstand
vruchteloos achtende, gaf zich over, waarvoor Cyrus
hem het leven spaarde en tot stadhouder eener provincie
aanstelde.
Phenicië, dat onder de heerschappij van Egypte stond,
nam gewillig het Perzische juk op zijn schouders. De
Egyptische koning Amasis, die boven alles den vrede wilde
bewaren, deed geen enkele poging om het te behouden»
-ocr page 145-
141
De Joden, die gedurende een halve eeuw onder de
Babyloniërs hadden gewoond, zonder hun geloof te ver-
zaken en zonder het gevoel hunner nationaliteit te verlie-
zen, begroetten Cyrus met vreugde. Zij vraagden hem
verlof naar hun vaderland terug te mogen keeren, en
Cyrus, die niets liever wenschte, dan op de grenzen van
Egypte een volk te beheerschen, waarop hij zich kon ver-
laten, stond hun verzoek toe. Vier en twintig duizend
personen uit de stammen van Juda en Benjamin trokken
onder aanvoering van den landvoogd Zeruhahel en den
hoogepriester Jozua naar de puinhoopen van Jeruzalem,
waar zij terstond stad en tempel begonnen te herbouwen.
Spoedig daarna wendde Cyrus zich weder oostwaarts
en vond hij volgens sommigen den dood in een strijd tegen
«en woest volk.
II. Kamboezia (Kambyzes).
Cyrus had nog bij zijn leven bepaald, datzijnoudstezoon,
Kambyzes, hem in de regeering van zijn uitgestrekt doch
slecht geregeld rijk zou opvolgen, maar tevens, dat aan
zijn tweeden zoon, Bardja (Smerdis), het bestuur zou wor-
den opgedragen over eenige provinciën. Indien Cyrus deze
schikking had gemaakt om de bloedige twisten te voorko-
men, die in het Oosten eene verwisseling van regeering
plegen te verzeilen, werd zijn doel niet bereikt. Zoodra
Kambyzes den troon had beklommen, liet hij om zeker te
zijn van de alleenheerschappij, zijn broeder Bardja ombren-
gen. De misdaad werd zoo geheim volbracht, dat zoowel
aan \'t hof als onder \'t volk de meening heerschte, dat
Bardja in een afgelegen paleis in Medië was opgesloten en
er te eeniger tijd wel weder uit te voorschijn zou komen.
Van al de groot e staten van het Oosten was alleen Egypte
nog onaihankelijk. Dit rijk te onderwerpen, werd het doel
van Kambyzes. Om eene aanleiding tot den oorlog te heb-
ben, liet hij een dochter van den ouden Amasis ten huwe-
-ocr page 146-
142
lijk vragen. Werd hem dit aanzoek geweigerd, dan kon
hij voorgeven, dat hij zich over die beleediging kwam wre-
ken. Amasis, die gedurende het vierde eener eeuw rustig
geregeerd, en zijn rijk tot bloei gebracht had, wenschte,
ofschoon hij zich na den dood van Cyrus terstond op een
aanval van do Perzen had voorbereid, den vrede te bewa-
ren. Hij gaf daarom aan Kambyzes in plaats van zijn eigene
dochter, de dochtervan den doorhem onttroonden Oehabra
(Apriés), Nitetis geheeten, tot vrouw. Eens, dat Kambyzes
haar met den naam van haar gewaanden vader aansprak,
deed zij hem verstaan, dat Amasis hem bedrogen had, en
zij de dochter was van Oehabra. In dolle woede stoof Kam-
byzes bij het vernemen van dit bericht op, en trok hij aan
\'thoofd aan een sterk leger naar Egypte. Tusschen de laatste
Syrische en de eerste Egyptische plaats lag een woestijn,
om welke door te trekken een leger drie dagmarschen noo-
dig had. Vroeger was de afstand tusschen de bewoonde
streken geringer geweest, maar door de oorlogen tusschen
de Egyptenaren en Assyriërs was de bevolking in die oor-
den sterk afgenomen, en sedert vertoonden er zich nu en
dan Arabische nomaden, met het doel om op roof te loe-
ren. Het scheen Kambyzes onmogelijk toe, zijn talrijk le-
ger op dien tocht door de woestijn van water te voorzien.
Een bizondere omstandigheid redde hem uit de verlegen-
heid. Phanes, een Griek in dienst van Amasis, liep tot
de Perzen over en gaf hun den raad den sheik der noma-
den om een vrijgeleide door de woestijn te verzoeken.
Kambyzes deed het, en nu plaatste de sheik op bepaalde
afstanden in de woestijn eene grnote menigte kameelen
met een voldoend aantal waterzakken beladen om in de
behoefte van het leger te voorzien. Toen Kambyzes te Pe-
lusium aankwam, vernam bij, dat Amasis overleden, en
door zijn zoon Psamtik III opgevolgd was.
Ofschoon de Egyptenaren ten volle vertrouwden op
hunne goden en op zich zelve, brachten kwade voortee-
kenen een angstig voorgevoel bij hen teweeg. Zoo regende
-ocr page 147-
143
het in deze dagen te Thebe met kleine druppels, iets, dat
volgens de bewoners dier streek nog nooit was geschied.
De regens zijn daar hoogst zeldzaam en een onweder ver-
toont er zich slechts een of tweemaal in de eeuw.
Nabij Pelusinm had de beslissende slag plaats. Van
weerszijden werd met buitengewone hardnekkigheid ge-
streden. Daar Phanes zijn kinderen in Egypte had ach-
tergelaten, werden dezen door zijne vroegere krijgsmakkers
voor zijne oogen gedood. De onverlaten vingen het hloed
op in zakken, die half met wijn gevuld waren, dronken
het mengsel en stormden toen met doodsverachting op de
Perzen in. Den gansenen dag duurde de strijd met onver-
minderde woede voort; tegen den avond begonnen de
Egyptenaren te wijken en weldra sloegen zij op de vlucht,
Psamtik III was hierdoor zoozeer van zijn stuk gebracht,
dat hij verzuimde zijne troepen achter de kanalen van de
Delta te hereenigen en Kambyzes aldaar onder gunstiger
omstandigheden het hoofd Ie bieden. Hij vluchtte wat hij
kon, tot hij in Memphis was aangekomen. Kambyzes
eischte deze stad op, maar zijn herauten werden door de
woeste volksmenigte vermoord. Toen sloeg hij het beleg
voor de stad en binnen weinige dagen nam hij haar in. Op-
per-Egypte bood geen verderen tegenstand, en zoo viel na
een enkelen veldslag het sedert vele eeuwen bloeiende en
machtige Egypte.
Kambyzes zocht zich bij zijn nieuwe onderdanen aan-
genaam te maken door zich zooveel, als hem als Pers mo-
gelijk was, naar hunne zeden en gewoonten te schikken.
Tegelijkertijd zocht hij zijn veroveringszucht weder te be-
vredigen. Hij wilde zich door middel van een vloot van
Karthago meester maken, doch de Pheniciërs, met wier
hulp alleen hij die onderneming ten uitvoer kon brengen,
weigerden tegen hunne stamgenooten op te trekken. Toen
besloot hij Karthago met een leger te onderwerpen. Te
dien einde zond hij van Thebe 50,000 man als voorhoede
uit om de oase van Ammon te bezetten, doch allen kwamen
-ocr page 148-
1-14
in de woestijn om, zoodat Kambyzes zich genoodzaakt zag
de onderneming te laten varen.
Hij vestigde daarop den Wik naar Ethiopië, dat sedert
het de heerschappij over Egypte had verloren, eene fabel-
achtige vermaardheid in dit land had verkregen. De Egyp-
tenaren wisten te vertellen, dat de Ethiopiërs de schoonste
en grootste menschen waren, dat zij een leeftijd van hon-
derd twintig en meer jaren bereikten; dat zij in \'t bezit
waren van een bron, welks water aan \'t lichaam voortdu-
rend een jeugdige kracht verleende; dat er bij hunne
hoofdstad Xapata eene weide was, steeds overvloedig voor-
zien van spijzen en dranken, waarvan ieder, die het ver-
langde, gebruik kon maken; dat het goud er gebezigd
werd om er de geringste voorwerpen, zelfs boeien en kete-
nen voor gevangenen, van te maken, maar dat hel koper
er zeldzaam en zeer gezocht was. Dit land besloot Kam-
byzes te onderwerpen. De zekerste weg om ei" te komen
was den Nijl te volgen. Hij koos echter den korteren weg
door de woestijn, maar ging daarbij zoo zorgeloos te werk,
dat de levensmiddelen reeds verteerd waren, toen hij nog
slechts een vierde gedeelte van den weg had afgelegd. Nu
moest hij weer terugkeoren, en eer hij weder in bewoonde
streken kwam, was de helft van zijn leger door den honger
omgekomen. Deze tegenspoed ontstemde hein zoozeer, dat
hij de wijze gematigdheid, waarmede hij tot nu toe de Egyp-
tenaren had behandeld, liet varen, en zich geheel overgaf
aan de hem eigene heftigheid.
Tijdens zijn afwezigheid was de heilige stier Apis ge-
storven. De Egyptenaren hadden er den voorgeschreven tijd
over gerouwd en daarna had men een nieuwen gevonden.
Juist gaf men zich aan de vreugde over deze gelukkige ge-
beurtenis over, toen het overschot van het Perzische leger
Memphis binnentrok. Kambyzes, die zich voorstelde, dat
er feest werd gevierd wegens het mislukken van zijn tocht,
liet de overheidspersonen en de priesters voor zich verschij-
nen en hen allen ombrengen, daar hij de ware reden, die
-ocr page 149-
145
zij hem voor de feest viering opgaven, niet gelooide. Daar-
op liet hij den Apis voor zich brengen en doodde hem met
zijn zwaard. Door deze daad maakte hij zich bij de vrome
Egyptenaren meer gehaat dan door de vernietiging hunner
vrijheid. Maar ook de Perzen maakte hij van zich afkee-
rig door de wreede daden, die hij bedreef. Twaalf aan-
zienlijke Perzen liet hij zonder reden levend begraven.
Hij gaf bevel, Kresus, die hem steeds vergezeld had, te doo-
den, maar weldra gevoelde bij hierover berouw, en toen
het nu bleek, dat de officieren, die met de uitvoering belast
waren geweest, zich niet onmiddellijk van hun last hadden
gekweten, liet hij dezen, ondanks zijn vreugde, dat Kresus
gespaard was, ter dood brengen. liij zekere gelegenheid
vraagde hij aan zijn gunsteling Prexaspes, wat de Perzen van
hem zeiden. «OHeer!" antwoorddedeze, "de Perzen prijzen
u in alle opzichten, alleen meenen zij. datgij tezeeraanden
wijn verslaafd zijt." «Welzoo," hernamKambyzes, ••zij mee-
nen dus, dat ik niet goedbij mijn zinnenben. Zieeens, Prex-
aspes, daar in den tuin loopt uwzoontje. Wanneerdepijl,
dien ik op hem zal afschieten, niet door zijn hart gaat, heb-
ben de Perzen waarheid gesproken; indien wel, zoo zijn
zij niet goed hij hun zinnen." Kambyzes greep den boog,
schoot, liet het getroffen kind openen, en men bevond, dat
de pijl door het hart was gegaan. ■> Wat zegt gij nu, Prexas-
pes?" vraagde de dwingeland. «Geen god had beter kun-
nen treffen," luidde het antwoord van den hoveling.
Na een landvoogd in Egypte te hebben aangesteld, be-
sloot Kambyzes naar Eklatana terug te keeren. Reeds
was hij in \'t Noorden van Syrië aangekomen, toen zich
een heraut in \'t leger vertoonde, die openlijk verkondigde,
dat Kambyzes opgehouden had te regeeren, en vervangen
was door zijn broeder Bardja (Smerdis). Aanvankelijk
meende Kambyzes, dat de hoveling, dien hij had opgedra-
gen zijn broeder heimelijk te vermoorden, hem bedrogen
had. Weldra echter bleek hem het tegenovergestelde, en
kwam bij (e weten, dat een der weinigen, die met den
10
-ocr page 150-
146
moord bekend waren, de magiër of priester Gaumata, een
Pers, die sprekend op Bardja geleek, zich voor dezen uit-
gaf. De moeste Perzische provinciën, niet wetende, dat
zij met een bedrieger te doen hadden, onderwierpen zich
terstond aan den gewaanden of pseudo Bardja. Kambvzes
trok met de troepen, die hem getrouw Lieven, tegen hem
op, doch verloor weldra het leven. Vermoedelijk heeft hij
in een vlaag van waanzin een zelfmoord Legaan. De
Egvptenaren verhaalden, dat de god Apis hem gestraft
had door hein in zijn zwaard te laten vallen, en dat dit
hem getroffen had op dezelfde plaats, waar hij de zijde van
den stier had doorboord.
III. Darayavoes (Darius Hystaspis)
Om de onderworpen vulken aan zich te verbinden, stelde
pseudo Bardja hen voor drie jaren vrij van belastingen en
krijgsdienst. Toch duurde zijne heerschappij slechts zes
maanden. De waarheid, dat hij geen zoon van Cyrus was,
geraakte spoedig bekend, en het gelukte aan zeven voor-
name Perzen hem en zijn voornaamste medestanders te
doeden. Een van het zevental. Daiïus Hystaspis, die aan
het koninklijk geslacht verwant was, beklom daarop den.
troon. Bij de ontevredenheid, die in de onderworpen sta-
ten ontstond, nu met den dood van den overweldiger de
vrijstelling van belastingen en krijgsdienst ophield, voegde
zich het verlangen, de onafhankelijkheid te herwinnen.
Weldra was het grootste gedeelte van het uitgestrekte rijk
in opstand. Terwijl Darius zijn veldheeren elders heen-
zond, trok hij zelf tegen Babylon op. Hij ontmoette de
opstandelingen nabij den Euphraat, sloeg hen en joeg een
groot gedeelte hunner in de rivier. De aanvoerder, die
den in Babylon zoo geèerden naam van Naboe-koedoer-
oessoer had aangenomen, vluchtte met eenige ruiters in
Babylon. Spoedig bevond zich Darius met zijn leger voor
de stad, en daar zij niet was voorbereid op eon langdurig
-ocr page 151-
147
beleg, was hij er na weinige weken meester van. Onder-
tusschen hadden Armenië, Assyrie en Medië een afstam-
meling van Cyaxares, Fravartis genaamd, tot koning er-
kend. De troepen, die tegen hem werden afgezonden,
konden geen beslissend voordeel op hem behalen. Daarom
besloot Darms in persoon tegen hem op te trekken. Fra-
vartis werd in Medië geslagen en vluchtte naar het Noor-
den om in de bergen den oorlog voort te zetten, maar op
dien tocht werd hij door Perzische krijgslieden gegrepen
en naar Ekbatana gevoerd, waar Darïus hem liet krui-
sigen.
De provinciën in \'t Westen hielden zich rustig. Alleen
Oroites, de stadhouder van Lydië, dreigde gevaarlijk te
worden, en daarom besloot Danus hem te doen vermoor-
den. Hij zond een vertrouwd persoon naar Sardes, die aan
de Perzische troepen, welke er zich bevonden, het konink-
lijk bevel overbracht, Oroites niet langer te beschermen.
Terstond daarop legden zij hunne pieken neder. De afge-
zant door deze onmiddellijke gehoorzaamheid aangemoe-
digd, liet hun vervolgens een tweeden brief des konings
voorlezen, waarin geschreven stond: «De koning Darïus
beveelt aan de Perzen te Sardes, Oroites te dooden."
Oogenblikkelijk trokken de krijgslieden hunne zwaarden en
begaven zij zich naar den stadhouder,dien zij ombrachten.
In het jaar 516 had Darïus het gansche rijk tot rust
gebracht, en besloot hij aan de Perzische heerschappij meer
hechtheid te geven dan de vroegere Oostersche rijken ooit
hadden bezeten. In plaats van te trachten de volken, die
onder zijne heerschappij stonden, te doen samensmelten,
liet hij hun ongestoord de taal, den godsdienst, dewetten,
de zeden en de gebruiken, waaraan zij gewoon waren,
behouden. De .loden kregen verlof hun tempel te voltooien,
de Pheneciërs behielden hunne koningen en suffeten, de
Aziatische Grieken hun eigen zoo verschillend bestuur,
Egypte de erfelijke bestuurders der nomen. Maarbovendie
plaatselijke bestuurders stelde hij overheden, aan welke
-ocr page 152-
148
zij ondergeschikt waren. Zijn gansche rijk verdeelde hij in
aanvankelijk drie en twintig satrapiën, maar in plaats van
het bestuur over een satrapie aan een enkel persoon toe
te vertrouwen, gelijk vroeger met de provinciën het geval
was geweest, scheidde bij het burgerlijk bestuur van het
militaire. In iedere satrapie stelde hij drie van elkander
onafhankelijke personen aan, den satraap, denalgemeenen
secretaris en den bevelhebber der troepen.
Tot satrapen werden gewoonlijk personen benoemd, die
door geboorte aan het koninklijk geslacht verbonden wa-
ren. Zij werden niet voor een bepaalden tijd aangesteld,
maar konden ieder oogenblik door den koning ontslagen
worden. Zij oefenden het burgerlijk bestuur in zijn gan-
schen omvang uit, bezaten het recht over leven en dood,
hadden paleizen, lusthoven, een hofhouding een lijf-
wacht en een harem, en onderhielden de gemeenschap met
het hof door middel van koninklijke koeriers. Naast zich
hadden zij een koninklijken geheimschrijver, die het hoofd
was der kanselarij, het gebouw, waar alle vonnissen en
openbare stukken opgesteld, uitgevaardigd en bewaard
werden, maar die eigenlijk als spion diende om van alle
handelingen van den satraap kennis te kunnen geven aan
den koning. Al de troepen in de satrapie stonden onder
bevel van den veldoverste, die den satraap en den secreta-
ris niet zelden vijandig gezind was, zoodat deze drie over-
heden elkander in toom hielden en een opstand van een hun-
ner zoo niet onmogelijk dan toch zeer moeielijk scheen.
Tot meerdere zekerheid zond de koning jaarlijks onver-
wachts in de verschillende deelen des rijks hooggeplaatste
ambtenaren, die zijn oogen en ooven genoemd werden,
om alles te onderzoeken, veberteringen in het bestuur aan
te brengen en satrapen, die zich niet voldoende van hun
plicht kweten, te berispen of in hunne betrekking te schor-
sen. Die ambtenaren werden vergezeld door een legeraf-
deeling, sterk genoeg om zich des noods met geweld te
doen gelden. Een ongunstig oordeel van zulk een ambte-
-ocr page 153-
149
naar was voldoende om een satraap in \'t verderf te storten,
somtijds werd hij afgezet, somtijds ter dood veroordeeld.
Een gerin\'ge overtreding kon ten gevolge hebben, dat een
hof koerier aan den hoofdman der lijfwacht van den satraap
een koninklijk bevelschrift overbracht, dezen onmiddellijk
om te brengen, en dit geschiedde dan zondereenigen vorm
van proces.
Met deze regeling beoogde Daruis niet alleen het ver-
krijgen van een vast bestuur in zijn uitgestrekt rijk, maar
tevens een regelmatige vulling van de koninklijke schat-
kist. Daarom zeiden de Perzen spottenderwijze: Cyrus
was een vader, Kambyzes een meester, maar Danusiseen
geldzuchtig herbergier. De Perzen waren van regelmatige
belastingen vrijgesteld, alleen moesten zij den koning, als
hij door hun land trok, een geschenk aanbieden, ieder
naar zijn vermogen, hetzij een rund of een schaap, maar
wie zooveel niet had te geven, kon volstaan met een wei-
nig melk, kaas, dadels of meel. De andere gewesten moes-
ten naar hun vermogen een jaarlijksche schatting in geld
en bovendien in voortbrengselen geven. Zoo moest Egvpte
tarwe leveren voor de 120,000 krijgslieden, die er in be-
zetting lagen; Medië 100,000 schapen, 4,000 muilezels
en 3,000 paarden ; Armenië, 30,000 veulens; Cilicië 366
witte paarden, voor iederen dag des jaars één. Bovendien
moest iedere satrapie zijn satraap onderhouden, die geen
bezoldiging van den staat ontving. Aan den satraap van
Babylon moest dagelijks ruim een millioen Gld. worden
opgebracht.
De regeling van het staatsbestuur hield Darius ondertus-
schen niet terug van krijgstochten. Met een leger van
800,000 man trok hij over den Bosporus, onderwierp de
Oostkust van Thracië en richtte zich toen noordwaarts te-
gen de Scythen. Hij trok over den Donau met behulp van
een schipbrug, die de Jonische Grieken voor hem gebouwd
hadden. De Scythen namen echter den slag, dien Darnis
hun aanbood, niet aan. Zij trokken terug, al het vee, alle
-ocr page 154-
150
levensmiddelen medevoerende en de waterputten, die zij
verlieten, met zand en steenen vol werpende. De inten
dancc
of verzorging der troepen was echter in het Per-
zische leger zoo goed geregeld, dat Daruis lot in het bin-
nenste van Rusland kon doordringen, de dorpen verbran-
dende en alles, wat zich op zijn tocht voordeed verwoes-
tende. Na twee maanden keerde hij naar de brug over
den Donau terug. Hij had de Scythen, wier invallen vroe-
ger zoo geducht waren, zulk een vrees aangejaagd, dat
zij zich vooreerst rustig hielden, en bovendien zijn rijk
met Thracië vergroot.
—j-a^Si^ert—
-ocr page 155-
II.
DE PHENICIËRS.
De oude bewoners van Kanaan waren afkomstig van de
streken ten Noorden van de Perzische golfen droegen daar
den algemeenen naam van Puniërs of Pheniciërs. Vandaar
dat niet alleen de Oost- maar ook de Westkust van Ara-
bië in de oudheid den naam van Poent draagt. De alge-
meene naam van Pheniciërs werd later de bizondere naam
van de bevolking, die zich op een gedeelte van de Oostkust
der Middellandsche Zee vestigde.
Phenicië bestond aanvankelijk uit een groot aantal
visschersdorpen, waarvan er vele, toen de bewoners zich
op zeeroof en later op handel gingen toeleggen tot steden
aangroeiden, die onafhankelijke staatjes vormden. Eerst
schijnen de Gibliten, tot wier voornaamste steden Beiroeth
behoorde , een soort opperheerschappij over de andere
Pheniciërs te hebben uitgeoefend, maar hunne macht ver-
zwakte langzamerhand en ging gedeeltelijk over op Sidon.
Van de veroveringstochten, die de Egyptische koningen
sedert Thoetmes I in Syrië deden, had Phenicië weinig te
te lijden, dewijl het westwaarts was gelegen van den weg,
die uit Egypte naar den Euphraat voerde. Sidon en andere
voorname steden van Phenicië bloven Egypte getrouw, en
daarvoor ontvingen zij het voorrecht in vreemde lan-
den handel te drijven voor rekening van de Egyptena-
ren en in Egypte voor rekening van vreemden. Hierdoor
nam Sidon zoozeer in bloei toe, dat het allerwegen kolo-
-ocr page 156-
152
niën stichten, en veroveringen maken kon. De bizonder-
heden hiervan zijn onbekend, dewijl de stukken, die hier-
op betrekking hebben, uit het archief van Sidon verdwe-
nen zijn. Maar hoe de zaak zich in \'t algemeen heeft
toegedragen, kan men opmaken uit de Phenicische over-
blijfselen, die in verschillende deelen van Europa gevonden,
zijn, en uit de legenden die er haar oorsprong aan te dan-
ken hebben. Een dezer legenden is die van Melkarth, wiens
daden later door de Grieken op rekening van hun halfgod
Herakles (Hercules) zijn gesteld. Hij trok met een vloot
en een leger naar Iberië (het Pvreneesche schiereiland),
onderwierp onderweg een gedeelte van Noord-Afrika, waar
hij den landbouw invoerde, voer vervolgens door de zee-
ëngte, die naar hem, volgens de Grieken, den naam van
Zuilen van Herakles ontving, omdat hij aan weerszijden der
straat een rots, Calpe en Abvlvx, oprichtte, en stichtte in
\'t Zuiden van Iberië de stad Cades (Cadix), Na koning
Gervon, wiens lichaam drievoudig was en dus driemaal
zooveel hoofden, armen en beenen had als een gewoon
mensch, verslagen, en diens runderen, welke met menschen-
vleesch gevoederd werden, medegenomen te hebben, kwam
hij door Gallië en Italië in Phenicië terug. Wat in deze
legende aan den fabelachtigen Melkarth wordt toegeschre-
ven, is echter, met weglating van het onmogelijke, eene
aanwijzing van het stichten van koloniën in die streken
door de Sidoniërs, gedurende een groot tijdsverloop.
Evenzoo is het gesteld met de legende van Kadmos. Deze-
wordt voorgesteld als de zoon van den Sidonischen koning
Agënor, wiens dochter Europe zoo schoon was, dat Zeus
(Jupiter), de opperste god der Grieken, haar wenschte te
bezitten. Eens, dat Europe zich met haar vriendinnen aan
\'t zeestrand verpoosde, verscheen er een stier, die zoo
mak scheen, dat Europe het waagde op hem te gaan zit-
ten. Nauwelijks had zij plaats genomen, of het dier, dat
niets minder was dan de van gedaante verwisselde Zeus,
sprong met haar in zee en zwom met haar naar het wereld-
-ocr page 157-
153
deel, dal sedert haar naam droeg. Nu gelastte Agenor zijn
zoon Kadmos, Europe te gaan zoeken en niet terug te
keeren, eer hij haar had gevonden. Kadmos bezocht Cyprus,
Rhodus, de Cycladen en eindelijk Boiotië, waar hij Thebai
stichtte. Hij stierf later in Illyrië, zonder zijn zuster te
hebben aangetroffen. Dat de Pheniciërs in Griekenland
een landbouwende kolonie stichtten, heeft niets bevreem-
dends. Thebe toch werd vermoedelijk gesticht in den tijd,
dat de Israëlieten Palestina veroverden. Kanaiin werd
toen door een deel der bevolking verlaten, en waarschijn-
lijk trok een landbouwende stam, die onder Sidon stond,
naar Griekenland, en smolt daar langzamerhand samen
met de Hellenen, die door hem met het letterschrift be-
kend werden gemaakt. Uit een en ander blijkt ondertus-
schen, dat de oude Oostersche beschaving hoofdzakelijk
door de Pheniciërs bij de Grieken en andere volken langs
de Middellandsche Zee bekend is geworden.
De voornaamste Phenicische steden, die Sidon naar de
kroon staken, waren Arad ten Noorden en Tyr ten Zui-
den. Arad was gebouwd op een van alle zijden door de
zee bespoelde rots, nabij de kust. Om drinkwater te heb-
ben, vervaardigden de inwoners van Arad een menigte
regenbakken, maar dewijl deze niet altijd in de behoefte
konden voorzien, werd er ook veel drinkwater in schepen
van de kust gehaald. Daar dit in tijden van oorlog dik-
wijls onmogelijk was, wisten de bewoners van Arad op
een vernuftige wijze gebruik te maken van een zoetwa-
terbron, die zij op den niet diepen bodem der zee ontdekt
hadden. Gevoelden zij gebrek aan drinkwater, en konden
zij het van het vasteland niet bekomen, dan lieten zij door
duikers een groote looden klok boven de bron op den
zeebodem plaatsen. In een opening in \'t bovenste gedeelte
der klok was eene lederen buis bevestigd, en hierdoor
borrelde dan het drinkwater op naar het eiland, waar
zich het andere einde der buis bevond.
Tyr, dat sedert de elfde eeuw v. C. zeer in bloei toenam
-ocr page 158-
154
en weldra machtiger werd dan Sidon, bestond uit twee
deelen. Het oude gedeelte was gelegen op een landtong,
het nieuwe op een nabijgelegen eilandje, waar zich
de voornaamste tempels en arsenalen bevonden. De stad
bereikte zijn hoogsten bloei onder koning Hiram, die in
1025 den troon leklom, de Sidonische koloniën op Cyprus
schatplichtig maakte, oud en nieuwe Tyr door een sterken
dam met elkander verbond en de stad aan de landzijde
door een stevigen muur van 50 M. hoogte versterkte. De
laatste koning uit het geslacht van Hiram werd omstreeks
917 v. C. vermoord en opgevolgd door Ethbaal, een pries-
ter, wiens kleinzoon Mutton, die in 852 stierf, twee kin-
deren, een zoon Pygmalion en een dochter Elissa (Dido)
zou hebben nagelaten. Aan laatstgenoemde wordt de
stichting van Karlhago door de volgende sage toegeschre-
ven. Mutton had bepaald, dat zijn beide kinderen ge-
zamenlijk zouden regeeren. Het volk was hiermede niet te-
vreden en droeg de regeeringuitsluitendaan Pygmalion op.
Nu doodde deze den echtgenoot van Dido, die daarna met
vele ontevredenen Tyr verliet, zich naar Afrika begaf en
er in een vruchtbare en voor den zeehandel uitstekend
gelegen streek van de inboorlingen een stuk lands kocht,
dat zij met een ossenhuid kon omspannen. Tegen de be-
doeling der verkoopers werd de ossenhuid in dunne
riempjes gesneden en daarmede een stuk grond omspan-
nen, groot genoeg om ei\' een burcht op te bouwen. Deze
was het begin van een volkplanting, die den naam van
Kartahadasha (nieuwe stad) ontving, welke naam later
overging in Karthada en bij de Romeinen in Carthago.
De visschersbooten, waarmede de Pheniciörs het eerst
de zee bevoeren, werden langzamerhand, toen zij zich
meer op den handel begonnen toe te leggen, door grootere
vervangen. Als koopvaardijschip gebruikten zij eeuwen
lang de gcados, een schip, waarvan boeg en spiegel een
aanmerkelijke hoogte en denzelfden ronden vorm hadden;
het voer door middel van een groot zeil en van twintig
-ocr page 159-
155
tot dertig roeiriemen. Tot oorlogsschepen werden lange,
smalle vaartuigen gebruikt, die door vijftig roeiriemen
voortbewogen werden. Na de untdekking van Iberië, dat
door de Pheniciërs Tartessus of Tarsis werd genoemd en
hun vooral veel zilver opleverde, bouwden zij groote ge-
wapende koopvaardijschepen, die den naam van Tartes-
susschepen droegen en de bewondering der ouden opwek-
ten. Groote koopvaarders konden behalve de bemanning
500 menschen aan boord nemen. Vele van die schepen
waren prachtig versierd, met kostbare houtsoorten be-
kleed en niet zelden met palmhout of ivoor ingelegd. Bij
feestelijke gelegenheden werden zeilen van kostbare stoffen
geheschen.
De Phenciërs regelden hun koers op zee bij dag naar
de zon en bij nacht naar de poolster, die daarom door de
Grieken, welke zelven volgens het sterrenbeeld den Groo-
ten Beer voeren, de Phenicische ster weid genoemd.
Verscheidene uitvindingen, zooals die van "t glas en
van \'t letterschrift werden vroeger ten onrechte aan de
Phenciërs toegeschreven. Waarschijnlijk echter komt hun
de eer toe het eerst de schoone purperkleeren te hebben
bereid. Volgens de overlevering zou het volgende toeval
er hen toe gebracht hebben. Een Phenicisch herder be-
vond zich met zijn hond aan \'t strand. Op eens trekt het
zijn aandacht, dat de bek van het dier zulk een prach-
tige kleur heeft gekregen. Hij onderzoekt naar de oor-
zaak daarvan, en komt tot de overtuiging, dat de hond
purperslakken heeft gebeten.
Vooral langs de Phenicische kust bij Tyr, maar ook op
vele andere kusten, zooals bij Lakedaimon in Griekenland
vond men een groote hoeveelheid trompet- en purper-
slakken, welke dieren tusschen het hart en de lever een
blaasje hebben, gevuld met een vocht, dat lijnwaad of
wol donkerrood, zwart of scharlakenrood kleurt, naarmate
het afkomstig is van jonge of van oude purperslakken of
van trompetslakken. De ouden wisten van dat vocht al-
-ocr page 160-
156
lerlei kleuren te maken, van het helderste rood tot violet
en zwart. Al die kleuren droegen den naam van purper,
maar het hoogroode was het kostbaarste en meest ge-
liefde. De Phenciërs muntten hoven andere volken uit in
het verven van stoften met purper. Om een kilo wol te
verven had men zes kilo ruwe slakken noodig. Het laat
zich dus wel begrijpen, dat de Pheniciërs naar alle kusten
voeren, waar het hun bekend was, dat purper- en trom-
petslakken te verkrijgen waren.
De Pheniciërs, wier hoogste streven op stoffelijke wel-
vaart gericht was, toonden hunne zinnelijkheid ook in
hunne godsdienstoefeningen. In Baiil vereerden zij de
weldadige zon, en naast hem in de godin Baaltis, volgens
de Israëlieten Ashêra, de voortbrengende kracht der na-
tuur. Aan haar waren de vruchtbaarste boomen, de altijd
groene cypres en de granaatappel gewijd. Tot het onder-
houd van haar tempels was iedere jonkvrouw verplicht
haar een offer te brengen. Hare aanbidders meenden haar
het meest te kunnen verheerlijken door zich op de aan
haar gewijde feesten aan de grofste uitspattingen over te
geven. Tegenover den god Baal stond de god Moloch, in
wien de verzengende en verschroeiende zon werd ge-
vreesd. Als god van den vernielenden oorlog werd hij.
onder de gedaante van een stier voorgesteld. Wanneer de
Phenicëirs door oorlog, pest of het mislukken van den
oogst bedreigd werden, brachten zij hem menschenoffers
om zijn toorn af te wenden. Die offers werden door het
lot uit de beste burgers aangewezen, en dan in een
gloeiend gemaakt metalen beeld met een menschenge-
stalte en een stierekop geplaatst. Om de smartkreten der
ongelukkigen te verdooven, maakten de priesters daarbij
met allerlei klankgevende instrumenten een vervaarlijk
geraas. Naast Moloch stond Astarte, de maangodin, de
koningin van den hemel en van den dood. Zij werd door
de Sidoniërs als hunnebizonderebeschermgodin beschouwd
en afgebeeld met koehorens op \'t hoofd of rijdende op een
-ocr page 161-
157
stier. Aan hare priesters en priesteressen was het huwe-
lijk ten strengste verboden, en de schoonste meisjes uit
de aanzienlijkste geslachten werden haar somtijds ten offer
gebracht. Op de feesten, die tot haar eer werden gevierd,
sprongen jongelingen bij den klank van cymbalen en pau-
ken in geestvervoering naar het altaar, grepen het aan de
godin gewijde mes en verminkten er zich op eene gruwe-
lijke wijze mede.
Van de staatsregeling der Pheniciërs is ons weinig be-
kend. In verscheidene steden komen koningen voor, wier
macht echter beperkt was.
-ocr page 162-
DE GRIEKEN.
Sagen uit het Heldentijdperk.
1. Perseus. Herakles.
De Phcmciërs, die gedurende het Pelasgische lijd vak
zooveel eilanden en plaatsen op liet vasteland van Grieken-
land of Hellas hadden bezet, werden gedurende het
heldentijdperk meer en meer door de Grieken of, gelijk zij
zich zelve noemen, Hellenen, verdreven. Eigenlijke ge-
schiedenis bezitten wij van die tijden weinig of uiet.maar
de overlevering spreekt van \'een menigte helden of half-
goden, die door hun moed en hun krachtigen arm <le wel-
doeners hunner tijdgenootcn werden, en wier daden tot op
onze dagen door dichters en beeldhouwers als geschikte
onderwerpen voor de kunst zijn gekozen.
Perseus, zoo luidt de sage, verbond zich, om het hoofd
van Medoesa te halen. Deze was een der drie Gorgonon,
afschuwelijke wezens, wier hoofden door slangen in plaats
van door haren omgolfd werden, en die ieder deden ver-
steenen, op wien zij den blik vestigden. Toen Perseus met
het hoofd van Medoesa in een zak de terugreis had aan-
genomen, kwam hij voorbij een rots, waaraan een beeld-
schoon meisje geketend was, dat wanhopend de handen
wrong, uit vrees voor een gedrochtelijk zeemonster, dat
haar trachtte te bereiken om haar te verslinden. Zoodra
Perseus van hare ouders, Kepheus en Kassiopea, die wee-
klagend aan den voet dor rots stond en, vernomenhad, dat
-ocr page 163-
Grieksche Dichters en Wijsgeeren.
-ocr page 164-
-ocr page 165-
1G1
hunne ongelukkige dochter Andromëda die straf moest
ondergaan, omdat zij eens beweerd liad scliooner te zijn
dan de nereiden (zeenimfen), bood hij aan, haarteredden,
indien zij hem tot vrouw werd gegeven. Hij doodde het
monster en verloste Andromeda. Eer hij echter met haar
kon vertrekken, beproefde haar vroegere verloofde, door
een menigte vrienden bijgestaan, Perseus te dooden.
Misschien zou deze voor de overmacht zijn bezweken, indien
hij niet spoedig het hoofd van Medoesa uit den zakgehaald,
en het zijnen aanranders voorgehouden had, die daarop
onmiddellijk versteenden. Nu keerde hij naar Griekenland
terug, waar hij Mukënai (Mycëne) stichtte. Het hoofd van
Medoesa schonk hij aan de godin Pallas Athene (Minerva),
die het in haar schild plaatste.
Yier sterrenbeelden dragen tot op dezen dag de namen
Perseus, Andromeda, Cassiopea en Cepheus.
Wat van Herakles (Hercules) wordt medegedeeld, is een
samenraapsel van verscheidene sagen in verschillende tij-
den ontstaan. Herakles had tot moeder de koningsdoch-
ter Alkmene, die van Perseus afstamde, en tot vader den
god Zeus (Jupiter), wiens gemalin, de godin Herc (Juno),
don held zulk een onverzoenlijken haat toedroeg, dat zij
kort na zijn geboorte twee slangen op hein afzond, om hem
te dooden. Maar\' reeds bij den zuigeling ontkiemde de reu-
zonkracht, waardoor Herakles zich later kenmerkte: hij
verworgdo de beide slangen met zijn nog teedero handjes.
Als jongeling bevond hij zich eens op een kruisweg, toen
hem van verschillende kanten twee vrouwen naderden.
De eene, van een schoon, beminnelijk uiterlijk, noodigde
hem uit, haar te volgen: zij beloofde hem een gemakvol
leven on allerlei zinnelijke genietingen: haar naam was
Wellust. De andere daarentegen verzekerde hem een
roemrijke toekomst, wanneer hij in haar dienst een leven
van aanhoudenden arbeid met velerlei ontberingen gepaard,
wilde leiden: haar naam was Deugd. Herakles koos de laat-
ste. Hij begon met de omstreken van Tliebai, waar hij zich
11
-ocr page 166-
162
ophield, van wilde dieren te zuiveren, en toen hij ecnigen
tijd later de Thcbanen bevrijdde van een schating, die zij
een naburigcn koning moesten opbrengen, schonk de ko-
ning van Thebai hem zijne dochter tot vrouw. Na
ecnigen tijd gelukkig met haar geleefd te hebben, sloeg hij
haar en de kinderen, die zij hem geschonken had, in een
vlaag van razernij dood. Toen hij weder tot bezinning was
gekomen, begaf hij zich naar Delphoi om van het orakel to
vernemen, wat hij zon kunnen doen om de straf der go-
den voor zijn slechte daad af te wenden en hen weder met
zich te verzoenen, want de Grieken hielden zich overtuigd,
dat liet tot de roeping der goden behoorde, iedere misdaad
te wreken. Het antwoord luidde, dat hij zicli met dat doel
naar Eurustheus, den koning van Mukgnai (Mycene) moest
begeven, en dezen twaalf jaren dienen. Herakles volgde
den raad en volbracht in dienst van dien koning zijn
twaalf groote werken. Die werken worden door de dich-
ters verschillend opgegeven, de voornaamste ervan zullen
wij in \'t kort mededelen. Met zijn knots versloeg hij in \'t
Nemeïsche woud een bizonder sterken leeuw, die de land-
engte van Korinthc onveilig maakte; de huid van het
dier diende hem voortaan tot mantel. Het tweede werk,
dat hein door Eurustheus werd opgedragen, was het doo-
den van de hydra, een vreeselijke slang met negen kop-
pen, die zich in \'t moeras van Lerna ophield en telkens
een geduchte slachting aanrichtte onder de kudden in den
omtrek. Herakles greep het monster aan, dat zich onmid-
dellijk om een zijner boenen kronkelde en bovendien werd
bijgestaan door een groot en kreeft, die met zijne scharen
den held in don voet kneep. Dit alles belette Heraklesniet,
de hydra vreeselijke wonden toe te brongen. Iedere houw,
dien hij deed, koste het monster een kop. Op eens bemerkt
hij, dat iedere afgehouwen kop onmiddellijk door een
anderen wordt vervangen. In plaats vanhierdoordenmoed
te verliezen, roept hij zijn metgezel Iölaus toe, met bran-
dende houten de halzen dicht te schroeien, waarvan pas
-ocr page 167-
-ocr page 168-
Gevecht met de Amazonen.
-ocr page 169-
165
een kop was afgeslagen. Alzoo geschiedde het, en weldra
lag de hydra ontzield aan Herakles voeten.
Nadat Herakles nog vele kwaaddoende dieren versla-
gen of gevangen had, droeg Enrustheus hem op, naar ko-
ning Augias van Elis te gaan en diens stallen, waar sedert
dertigjaren 3,000 runderen hadden gestaan, in één dag to
reinigen. Om zich van dezen last te kwijten groef Herak-
les voor een nabij gelegen stroom een nieuwe bedding, die
door de stallen liep, en deed toen door het stroomendewa-
ter de sedert dertig jaren opgehoopte mest wegspoelen.
Hierna wachtte den held een gevaarlijker onderneming.
In het Noorden van Klein-Azié\' woonden de krijgshaftige
Amazonen, die een staat vormden, waarin geen enkele
man werd geduld. De koningin der Amazonen, Hippolyte,
had van den krijgsgod Ares (Mars) een prachtigen gordel
ten geschenke gekregen, en nu gelastteEurustheusaan Hera-
kles dien gordel voor zijn dochter Admgte te gaan halen.
Vergezeld van een aantal uitgelezen strijders, verscheen
Herakles voor Hippolyte, en bijna was hij erin geslaagd
haar over te halen hem den gordel te schenken, toen de
godin Hcre (Juno), wier haat tegen den held nimmer ver
flauwde, een twist in \'t leven riep tusschen diens metge-
zellen en do Amazonen. Hetgevolghiervanwaseenwoedend
gevecht, waarin Herakles een groot aantal vijandinnen met
zijn knots verpletterde, en die met een nederlaag der
Amazonen eindigde. Hippolyte werd met vele harer onder-
danen gevangengenomen, doch herkreeg haar vrijheid tegen
den afstand van haar gordel.
Vervolgens moest Herakles voor Eurustheus uit den
Godentuin de gouden appelen gaan halen, die door de
Hesperidcn, de aanvallige dochters van don nacht, werden
bewaakt. Terwijl hij overal rondreisde om te weten to ko-
men, waar zich die tuin bevond, zag hij in den Kaukasus
Promëtheus, een titan of onsterfelijkon reus, aan een rots
geklonken. Promëtheus had van de drie elementen : water,
lucht en aarde menschcn gevormd, maar om hen te bezielen,
-ocr page 170-
166
had hij nog liet vierde element, het vuur, noodig. Ten
einde dit te verkrijgen was hij in den Olumpos, liet ver-
blijf\' der goden, geslopen, en had hij hel van daar op de
Aarde gebracht. Zoodra Zeus(Jupiter) dezen diefstal bemerk-
te, zond hij zijn bode Hennes (Mercurius) af om Prometheus
aan den Kankasus te klinken, waarna een gier op hein
toeschoot, die hem de borst openreet, en telkens tot hem
terugkeerde om zijn lever te verslinden, die voortdurend
weder aangroeide. Toen Herakles het ondragelijk lijden
van Prometheus aanschouwde, spande hij zijn boog en
schoot hij den gier dood. Uit dankbaarheid wees Prome-
theus hom den weg naarde Hesperiden, en gaf hij hem den
raad, de gouden appelen door zijn broeder, don titan Atlas,
te laten halen. Op zijn verderen tocht ontmoette Herakles
den reus Antaios, die alle vreemdelingen dwong met hein
te worstelen, en ze doodde zoodra hij ze overwonnen had.
Antaios was een zoon van Gaia, de Aarde, die hem steeds
nieuwe kracht deed toeslroomen, wanneer hij haar, al was
het slechts met één voet, aanraakte. Herakles hiermede
bekend gemaakt door Prometheus, lichtte den reus van
(\\vn grond en drukt*! hem zoo hevig tegen zijn borst, dat
hij hem de ribben brak. Eindelijk kwam Herakles bij Atlas,
die tot straf wegens een vergrijp tegen Zeus het hemelge-
welf op zijn schouders moest dragen. Atlas verklaarde
zich terstond bereid de gouden appelen te gaan halen,
indien Herakles hem zoolang als drager van het hemelge-
welf\' verving. Dit geschiedde. Toen Alias met den buit
terugkwam, was hij niet zeer genegen tien last, waarvan
hij eenigon tijd bevrijd was geweest, weder op zijne schou-
ders Ie nemen, en zeide hij aan Herakles, dat hij de gouden
appelen zelf wel aan Eurustheus zou gaan brengen. Hera-
kles verklaarde hiermede genoegen te nemen, indien hij
oersl maar een kussen op de schouders kon leggen, daar
deze hem door de ongewone drukking pijn begonnen te
doen. Do domme titan, de list niet doorziende, nam voor
een oogenblik bet hemelgewelf weer over, waarop Herakles
-ocr page 171-
167
de gouden appelen opnam, Atlas voor zijne vriendelijkheid
bedankte en zich naar Mukgnai spoedde.
                        —><
Het laatste werk, dat Eurustheus aan Herakles opdroeg,
was niets minder dan Kerbëros, den driekoppigen helhond,
uit de onderwereld to gaan halen, waar onder toezicht
van god Haides (Pluto) de schimmen der gestorven mis-
dadigers in den Tartdrus gekweld werden, en die der
braven de Elyscosche velden mochten bewandelen. Dit
zwaarste van al zijn werken volvoerde hij slechts met be-
hulp der godin Pallas Athene (Minerva). De snolstroomende
rivier de Styx, die de onderwereld omspoelt, zou hem
medegesleept hebben, indien Pallas Athene hem niet staande
had gehouden. Haides (Pluto), de god van de onderwereld,
gat\' Herakles verlof, Kerbëros mede te nomen, indien hij
zich zonder wapenen van hem kon meester maken. Hij
slaagde erin en toonde het monster aan Eurustheus, die
er zoozeer van verschrikte, dat hij Herakles beval het
terstond naar de onderwereld terug te brengen.
              -----
De sage van Herakles\' dood wijst ons op het geloof der
Grieken aan een oppermachtig noodlot (fatum), dat de lot-
gevallen van ieder vooraf bepaalt, en aan welks macht
niemand, zelfs geen god, zich kan onttrokken.
Nadat Herakles zijn vrijheid had herkregen, huwde
hij met Deïaneira, de dochter van den koning van Aitolie.
Toen hij eens met haar een rivier moest oversteken, liet
hij haar door Nessos, een kentauros (half mensch, half
paard), naar de overzijde voeren. De kentauros wilde met
Deianeia ontvluchten, doch zoodra Herakles dit bemerk-
te schoot deze hem een dor pijlen, die door in-
dompeling in het bloed van de Lernasche hydra vergif-
tigd waren, in \'t lijf. Do kentauros, die spoedig bemerkte
dat het gift hem zou doen sterven, besloot een geduchte
wraak te nemen. Hij verzekerde Deianeira, dat zijn bloed
een middel was om haar steeds van de liefde van Herakles
te verzekeren. Indien zij ooit aan de trouw van haar echt-
genoot twijfelde, behoefde zij het gewaad, dat deze droeg,
-ocr page 172-
168
slechts met een weinig bloed te bestrijken, en zij kon ver-
zekerd zijn, dat Herakles geen ander dan haar zou lief-
hebben. Dcïaneira, die de verzekering van den stervenden
kentauros geloofde, nam oen weinig van het bloed, dat
uit zijn wonde vloeide, mede. Toen Herakles, kort daar-
na op Euboia kwam, behaagde Iöle, de dochter van den
Dood van Herakles.
koning Eurtitus hem zoozeer, dat hij haar ten huwelijk vroeg.
De vader sloeg het aanzoek af, en daarop ontstak Herakles
in zulk een toorn, dat hij \'s konings zoon doodde. Tot straf
voor dit misdrijf legden de goden hom op, zich in slaver-
nij te begeven bij Omph&le, een Lydische koningin, die
-ocr page 173-
109
hom beval vrouwenkleederen aan te trekken en te spinnen.
Herakles verdroeg dozen smaad geduldig, en toen hij zijn
vrijheid herkregen had, maakte hij zicli met geweld van
Iólo meester, wier hand hom geweigerd was, en zond hij
haar als slavin naar Deïaneira. Toon deze echter vernam,
dat Iölo haar mededingster was naar de liefde van haar
echtgenoot, besloot zij liet middel van Nessos te beproe-
ven . Zij zond Herakles een kostbaar feestgewaad, waarvan
zij de binnenzijde met het bloed van den kentauros had be-
streken. Haar echtgenoot trok het aan, toen hij den goden
een offer wilde brongen, maar nauwelijks was zijn huid
in aanraking gekomen met het bloed van Nessos, of hij
gevoelde over hot gansche lichaam zulk een ondragelijke
pijn, dat hij besloot een einde aan zijn smarten te maken.
Hij liet zich levend verbranden.
II. Theseus.
De meest geroemde held na Herakles was Theseus, van
wien de sago het volgende mededeelt.i
Do Atheensche koning\' Aigeus had geen kindoren en
begaf zich naar het orakel te Delphoi om te vernemen, of
het noodllot over hem beschikt had, dat hij kinderloos zou
blijven. Het antwoord, dat hij ontving\', was zoo duister,
dat hij zich naar Argölis begaf om hot zich door den wijzen
Pïtthous, koning van Troizëne, te laten verklaren. Terwijl
hij zich aan het hof van Plttheus ophield, huwde hij hei-
melijk met diens dochter Aithra, en deze schonk hem een
zoon, die den naam Theseus ontving. Eer Aigeus naar
Athene terugkeerde, bracht hij Aithra naar oen afgelegen
plaats, verborg daar zijn zwaard en zijn voetzolen onder
een zwaron steen en zeide toen: «Zoodra Theseus krachtig
genoeg zal geworden zijn om dien steen op te lichten, zeg
hem dan, wie zijn vader is, en zend hem, omgord met dit
zwaard en geschoeid met die sandalen tot mij, opdat ik hem
daaraan erkenne"^ Theseus groeide op tot een man van zoo
-ocr page 174-
170
buitengewone lichaamskracht on zoo ongemeen verstand,
dat hij zich, toen zijn moeder hem, volgens afspraak,
naar Aigeus zond, reeds dadelijk een grooten naam ver-
wierf. Hij zuiverde den weg van Troizëne naar Athene,
van eeuigo roevers, die hij op dezelfde wijze ombracht, als
waarop zij gewoon waren de reizigers, van welke zij zich
meester konden maken, het leven te benemen. De eerste
dier onverlaten was Periphëtes in Argolis, die zijn slacht-
offers niet een geduchte knots verpletterde ; de tweede,
Sinnis, op do landengte van Korinthe, die twee pijnbooinen
mot do toppen naar elkander boog, aan iederen top een
der voeten van den reiziger, dien hij eerst vriendelijk had
ontvangen, vastmaakte en dan de booinen losliet, tengevolge
waarvan de ongelukkige intweestukkenwerdgeschourd;de
derde, Skiron, noodigde de voorbijgangers uit of dwong hen,
oen rots in Megara te beklimmen, waar men een fraai
uitzicht had over de zee, en dan wierp hij hen onverwachts
naar beneden, zoodat zij te pletter vielen ; de vierde was
Damestes, die den bijnaam Prokroestes (uitrokker) droeg,
omdat hij de reizigers, die hij eerst met schijnbare voor-
komendheid behandelde, als zij klein van gestalte waren
een lange rustbank tot slaapplaats aanwees en dan, voor-
gevende het te betreuren, dat zij er niet in pasten, hen
zoolang uitrekte tot zij bezweken ; hadden zij een groote
gestalte, dan wees hij hun een kort rustbod aan en hieuw
hij hun de ledematen, die er uitstaken, af. Deze laatste
behandeling deed Theseus Prokroestes zelf ondergaan.
Aigeus was verrukt, Theseus met zooveel roem beladen
als zijn- zoon te erkennen, en benoemde hem terstond als
zijn opvolger. Al spoedig had Theseus gelegenheid zich bij
do Atheners verdienstelijk te maken. Kort voor zijn aan-
komst had zich in de velden van Marathon een wilde stier
vertoond, die do landlieden met schrik en ontsteltenis ver-
vulde. Theseus trok tegen het dier uit, ving het in een
strik en leidde het goed gebonden door de straten van
Athene. Niet lang daarna gelukte het Theseus de Atheners
-ocr page 175-
171
te verlossen van de schatplichtigheid aan de Kretensers.
Reeds sedert geruimen tijd regeerde over liet eiland Kreta
de wijze koning Minos, die zich een grooten naam verwierf
als wetgever. Eens begaf zijn zoon zich naar Athene om
deel te nemen aan do openbare spelen, en daar hij in iedo-
ren wedstrijd overwinnaar bleef, liet Aigens hem uit ijver-
zucht vermoorden. Minos, die over een groote vloot kon
beschikken, deed den Atheners onmiddellijk een oorlog aan,
waarvan het einde was, dathunalsschattingwordopgelegd,
op bepaalde tijden zeven jongelingen en zeven maagden naar
Kreta te zenden om daar in het beroemde labvrinth (dool-
hof) gedreven te worden, waar zij een prooi werden van
den minotauros (half niensch, half stier), die er zich in
ophield. Dit labvrinth was aangelegd door den bekwamen
Daidalos (Dedalus) niet behulp van zijn zoon Ikaros. Toen
het werk voltooid was, stond de koning hun niet toe het
eiland te verlaten, en daarom vervaardigde Daidalos voor
zich en zijn zoon vleugels van was. Hiermede vlogen zij
weg. Ikaros, wieu het vliegen beviel, wilde zich naar de
zon begeven, ondanks de waarschuwing zijns vaders, dat
zijn vleugels zouden smelten, indien hij dat hemellichaam
te veel naderde. Dit had werkelijk plaats en Ikaros stortte
in de zee, waar hij verdronk, Je* ■><■!* £w>J
De tijd was verschonen, dat liet lot de veertien slacht-
offers, die naar Kreta gezonden moesten worden, zou aan-
wijzen. Geheel Athene was in een angstige spanning.
Daar bood Theseus zich vrijwillig als een der veertien aan,
niet de verzekering, dat hij besloten had den minotauros
te dooden. Het volk juichte, maar koning Aigeus, vreezen-
de dat zijn zoon een zekeren ondergang te gemoet ging,
zocht hem over te halen van zijn voornemen af te zien.
Het was te vergeefs. Alleen beloofde Theseus, dat hij, in-
dien zijn voornemen gelukte, bij zijn terugkomst het zwarte
zeil, dat het schip, hetwelk de ongelukkigen overbracht,
voerde, door een wit zou doen vervangen. De veertien
jongelingen en maagden moesten na hunne aankomst op
-ocr page 176-
172
Kreta aan \'t hof verschijnen. Bij die gelegenheid vatte\'
Ariadne, de dochter van Minos, zulk een liefde voor
Theseus op, dat zij besloot den schoonen jongeling
te redden, want al gelukte het hem den minotauros
te dooden, hij zou nooit den weg uit het doolhof kun-
nen vinden.
Voorzien van een kluwen, waarvan hij een der uitein-
den aan den ingang vastknoopte, en dat hij al voortgaan-
de liet afwinden, trok Theseus met zijn lotgenooten al
dieper en dieper het labyrinth in, tot hij don minotauros,
die met vreugde zijn prooi zag naderen, had bereikt. On-
middellijk viel Theseus het monster aan, een hardnekkige
en langdurige strijd volgde, maar eindelijk zonk de mino-
tauros ontzield ter aarde. Nu werd de terugtocht aange-
nomen, het schip, dat de jongelieden had overgebracht,
bereikt en do thuisreis aanvaard. Aigous had ondertusschen
angstig de dagen geteld, die verloopen moesten, eer het
schip kon terug zijn. Toen zij bijna verstreken waren, be-
klom hij dagelijks een rots, van waar hij een ruim uit-
zicht had over de zee. Eindelijk zag hij liet lang gewensch-
te schip, maar het voerde het zwarte zeil, daar Theseus
vergeten had, het door het witte te doen vervangen. Aigeus
meenende, dat zijn geliefde zoon was omgekomen, werd
wanhopig en stortte zich van de rots in zee, die sedert naar
hem de Egeïsche genoemd is.
Deze sago schijnt te wijzen op het afnemen van den in-
vloed der Pheniciërs in de Giïeksche wateren.
De sage verhaalt verder, dat Theseus zijn vader als ko-
ning verving en groote verbeteringen in het staatsbestuur
en het maatschappelijk leven der bewoners van Attika
bracht. Hij zou het volk verdeeld hebben in edelen, die
tot overheidspersoncn en priesters konden worden aan-
gesteld, landbezitters en handwerkers; ook zou hij de ver-
schillende feesten, die jaarlijks in Attika ter eere van de
godin Pallas Athene(Minerva) werden gevierd en atheneën
heetten, tot één groot gemeenschappelijk feest hebben doen
-ocr page 177-
173
•samensmelten, dat daarom don naam droeg vanpanatheneèn
(pan beteekent alles).
In latere eeuwen werd Thoseus, die misschien nooit heeft
bestaan, zoozeer door de Atheners vereerd, dat zij tempels
en altaren voor hem oprichtten.
III. De tocht der Argonauten.
In Boiotië regeerde koning Athamas, die uit zijn eerste
huwelijk een zoon Phrixos en een dochter Helle bezat.
Zijn tweede vrouw legde het er op toe, die kinderen van
kant te maken, doch zij werden gered door een ram met
een gouden vacht, die hunne eigene moedor ten geschen-
ke had gekregen van den god Hennes (Mercurius). Op den
rug van den ram gezeten, reden zij steeds verder en ver-
der. Toen zij aan den Hellcspont gekomen waren, en de
ram met hen overzwom, had Helle het ongeluk van zijn
rug te vallen en te verdrinken. Daarom heet die straat
Hellcspont. Phrixos bereikte met den ram het landschap
"Kok-lus, aan de Zuidoostkust der Zwarte Zee. Toen offerde hij
den ram aan Zeus (Jupiter), maar diens vacht schonk hij
aan den koning des lands, die hem gastvrij had opge-
nomen.
Geruimen tijd daarna had Pelias, een broederszoon van
Athamas, zich van de regeering van Jolkos in Thesalië
meester gemaakt ten nadeele van zijn broeder Aison. Daar
Pelias den jeudigen zoon van Aison, Jason genaamd, naar
het leven stond, werd het kind door zijn vader ver van
Jolkos gezonden en in \'t verborgen opgevoed.
Toen Jason tot een schoon jongeling was opgegroeid, be-
sloot hij, in het volle gevoel zijner kracht, naar Jolkos te
gaan en de hem wettig toekomende heerschappij van zijn
oom terug te eischen. Bij het doorwaden eener bock nabij
Jolkos verloor hij cene zijner sandalen, die in de modder
bleef steken, en daardoor verscheen hij met slechts een
sandaal voor Pelias. Deze ontstelde ervan, want het ora-
-ocr page 178-
174
kol had voorzegd, dat zijn heerschappij bedreigd zou
worden door iemand, die met slechts een geschooiden,
voet aan zijn hof kwam. Jason sprak tot zijn oom : "Gij
hebt mij wel naar het leven gestaan, maar dewijl wij el-
kander zoo nauw verwant zijn, moge de vrede tusschen
ons bewaard blijven. De kudden en landerijen, die gij mijn
vader ontnomen hebt, moogt gij behouden, den troon echter
oisch ik van u terug." De listige Pelias antwoordde : ^Dit
moge alzoo plaats hebben ; maar ik ben oud en gij zijt
jong ; verlos derhalve eerst ons geslacht van den toorn dei-
goden, die erop rust. Phrixos wil, dat het gouden vlies
uit Kolchis worde teruggehaald. Dit heeft hij mij zelf in
een droom medegedeeld, en de Delphische god Apollon
drijft mij aan te zorgen, dat het geschiede. Haal dus eerst
het gulden vlies, en dan stel ik gewillig de heerschappij in
uw handen." Jason, die zich gaarne een naam als held
wilde verwerven, nam met dien voorslag genoegen.
Een vijftigtal helden gaven aan Jason\'s roepstem gehoor,
den tocht met hem mede te maken. Onder hen bevonden
zich Theseus van Athene, de Thracische zanger Orpheus,
die met de betooverende tonen zijner lier verscheurende
dieren temde en zelfs boomen en rotsen van plaats deed
veranderen, alsmede de tweelingbroeders Kastor en Pollux,
zonen van Leda, die de liefde van Zeus (Jupiter) afwees,
maar door dezen, toen hij zich in een zwaan had veran-
derd, werd weggelokt en ontvoerd. Wederzijdsche liefde
verbond Kastor en Pollux zoo innig, dat zij elkander nim-
mer verlieten. Nu bouwde Jason een schip, dat den naam
Argo (de snelle) ontving, en daarom heetten de tochtge-
nooten Argonauten. Na vele gevaren doorworsteld te zijn,
kwamen de Argonauten te Kolchis, doch nu eerst ving het
moeilijkste gedeelte van hunne taak aan. Koning Aiëtes,
die niet gaarne afstand deed van het gulden vlies, legde
hun allerlei bezwaren in den weg, die zij zeker niet te
boven zouden zijn gekomen, indien \'s konings dochter, de
tooveres Medeia, geen vurige liefde voor Jason opgevat,
-ocr page 179-
175
en dezen met haar toovermiddelen niet ter zijde gestaan
had. Eerst moest Jason een akker beploegen met vuur-
spuwende stieren. Hij slaagde erin, nadat hij zicli met een
hem door Medeia verstrekte zalf had bestreken, die hem
voor een gansenen dag onkwetsbaar maakte. Vervolgens
moest hij op dien akker drakentanden zaaien en de gehar-
naste mannen, die eruit zouden opschieten, verslaan. Ook
dit gelukte hem, want toen hij een steen, dien Medeia hem
met dat doel gegeven had, in hun midden wierp, vielen
zij woedend op elkander aan, en streden zij, totdat de
laatste man gesneuveld was. Ten slotte had Jason den
draak nog te verslaan, die het gulden verlies bewaakte.
Ook dit verrichtte Jason zonder moeite, daar Medeia het
monster een slaapmiddel ingaf. Onmiddellijk daarop nam
Jason het gulden vlies, en voer hij met zijn tochtgenooten
weg, Medeia, die hem zoo liefhad, uit dankbaarheid met
zich nemende. Nauwelijks had Aiëtes het vertrek der Argo-
nauten vernomen, of hij zette hen te scheep achterna om
het gulden vlies en zijn dochter Medeia met geweld terug
te halen. Aan de monden van den Ister (Donau) haalde hij
hen in ; maar nauwelijks had Medeia in de verte de zeilen
van haars vaders schip herkend, of zij nam tot een wanho-
pig middel hare toevlucht om zijn gramschap te ontgaan.
Zij doodde haar broertje Apsurtos, dat zij had medegenomen,
sneed hem in stukken, plaatste zijn hoofd op een in zee
uitspringende rots en wierp de overige deelen hier en daar
langs de kust, om door dit jammerlijk schouwspel haars
vaders aandacht gedurende eenigen tijd van de vervolging
af te trekken en hem door het bijeenzoeken der stukken,
die hij gezamenlijk zou willen begraven, op te houden. Het
geschiedde, zooals Medeia had berekend, en zij kwam met
Jason behouden in Griekenland. Eenige jaren leefden bei-
den daar gelukkig met hunne kinderen, toen Jason ontrouw
werd aan zijne vrouw, door wier hulp hij in staat was ge-
weest het gulden vlies machtig te worden, en die alles voor
hem had opgeofferd. Hij had liefde opgevat voor de schoo-
-ocr page 180-
176
ne Glauko en besloten deze te huwen. Medeia scheen zich
alles Ie laten welgevallen, maar de gedachte, dat hare lief-
de werd versmaad, prikkelde haar, op een geduchte wijze
wraak te nemen. Zij zond Glauke een schoon bruidsgewaad,
maar het kleed was vergiftigd, en toen de ongelukkige het
had aangetrokken, stierf zij onderde vreeselijkste smarten.
Nog kon Medeia de droefheid over het verliesvan Jason\'slief-
de niet te boven komen. In haar wanhoop vermoordde zij
haar kinderen en verdween toen. Kort daarna bezweek
Jason.
Het schijnt, dat deze sage doelt op de eerste tochten der
Grieken naar de Zwarte Zee. Zij haalden later zelve uit
Kolchis, wat zij er vroeger door middel van de Pheniciërs
vandaan hadden kregen.
IV. De tocht der Zeven tegen Thebai
Een der afstammelingen van den Pheniciër Kadmos was
Laios, die als koniug over Thebai regeerde en met Jokas-
te gehuwd was. Toen hun een zoon, Oidipoes (Oedipus)
genaamd, werd geboren, besloten zij het kind op een
woeste plaats te vondeling te leggen, daar het, volgens
de uitspraak van het orakel, zijn vader te eeniger tijd zou
dooden. Een herder vond het kind, nam het mede naar
Korinthe, en voedde het daarop. Toen Oidïpocs een man was
geworden, begaf hij zich naar het orakel om iets van zijn
afkomst te vernemen, doch in plaats daarvan ontving hij
den raad niet naar zijn geboorteland terug te koeren, dewijl
hij daar zijn vader dooden en zijn moeder huwen zou. Nu
besloot hij Korinthe, dat hij voorzijn geboorteland hield, voor
altijd te verlaten. Terwijl hij door Phokis trok, ontmoette
hij een grijsaard, met wien hij zulk een hevigen twist kreeg,
dat hij hem doodde. Zonder het te weten had hij zijn vader
Laios verslagen. In dezen tijd werd Thebai door een sphinx
(een leeuw met een menschenhoofd) gekweld. Het ondier
gaf ieder, die Thebai binnen wilde gaan, als raadsel op:
-ocr page 181-
177
-\'Wolk dier gaat \'s morgens op vier, \'s middags op tweeen
\'savonds op drie boenon?" Wie het niet kon oplossen, werd
door den sphinx aangegrepen on van een rots te pletter ge-
gooid . Toen de dood van Laios in Thebai bekend was ge-
worden, nam Kroon, de broeder van Jokasto, de regeering
in handen, en maakte hij bekend, dat wio Thebai van het
monster verloste, de koningin tot vrouw en daarmede de
koninklijke waardigheid zou verkrijgen. Oidipoosbogafzich,
zoodra hij dit vernam, naar Thebai, on toon hij het raadsel
had opgelost, door to zeggen, dat de mensch in zijn jeugd
op handen en voeten kruipt, later op twee boenen loopt en,
als do ouderdom hem hoeft gebogen een kruk of stok ter
hand neemt om te gaan, stortte do sphinx zich zei ven van
de rots. Nu huwde Oidipoes Jokasto, zonder to weten dat
zij zijne moedor was, en hij word koning van Thebai. Na
«enigen tijd richtte de pest groote verwoestingen in \'t land
aan. Het orakel word geraadpleegd en nu vernam Oidipoes,
wie hij was. In de smart, die hij over zijn onwillekeurig
misdrijf gevoelde, stak hij zich de oogen uit, en verliet hij
Thebai om zijne overige levensdagen als oen ongelukkig
zwerveling door te brengen, maar hij ging niet alleen. Zij-
ne liefderijke dochter Antigóno wilde bom niet verlaten en
bleef zijn leidsvouw en zijn troost. Hij vond den dood in
oen nabij Athene gelegen woud, dat gewijd was aan de
Erinnaen of Eumenlden (wraakgodinnen), drie zusters, die
met een fakkel in do cone hand en slangen in de andere,
de bewoners van den Tartaros kwelden.
Oidipoes had behalve zijn dochter Antigone nog twee
zonen Eteókles en Poluncikes,die na zijn vertrok en den
dood van Jokasto, die de hand aan zich zelve had geslagen,
overeenkwamen, beurtelings ieder een jaar te regeercn.
Eteókles beklom het eerst den troon en weigerde, toon zijn
jaar verstreken was, hem aan zijn broeder af te staan. Polu-
neikes wendde zich daarop tot Adrastos, den koning van
Argos, die hom zijn dochter tot vrouw gaf on zijn bijstand
Torzekerdo. Toen Poluneikcs nog vijf andere vorsten op
12
-ocr page 182-
178
zijn hand had gekregen, trokken de zeven vorsten tegeu
Thebai op, dat door Et eókles met goed gevolg werd verdedigd,
omdat de belegeraars de bekwaamheid misten vaste plaat-
scn te veroveren, en Eteökles zich met de zijnen zoo weinig
mogelijk buiten de stad vertoonde. Reeds waren aan weers-
zijde vele dapperen gesneuveld en onder dezen een der Ze-
ven, de reusachtige Capineus, die van een stormladder
welke hij tegen den stadsmuur had opgericht, was neerge-
slagen, toen Eteökles en Poluneikes besloten door een
tweegevecht een einde aan den strijd te maken. De broe-
ders vielen op elkander aan en streden tot beiden den geest
gaven. Hunne lijken werden wel op denzelfden brandstapel
gelegd, doch de vlammen verdeelden zich.
Kreon, de oom der verslagenen, zette den oorlog tegen
de belegeraars voort. Bij den eersten uitval, dien hij decd„
sneuvelden vier vorsten, zoodat Adrastos de eenig over-
gebleven der Zeven was. Deze sloeg nu met zooveel over-
haast ing op de vlucht, dat hij niet eens de lijken der vier
gesneuvelde vorsten, kon doen verbranden, en toen hij er
vergunning toe verzocht, weigerde Kreon het kortaf. Maar
nu kwam Thescus tusschenbeide, die het zoover wist te-
brengen, dat Adrastos aan zijn vrienden de laatste eer kon-
bewijzen. De Thcbanen verheugden zich over de behaalde\'
overwinning, doch tien jaren later trokken de zonen
der verslagen vorsten, bekend onder den naam van Epigo-
nen (opvolgers) met een sterk leger tegen Thebai op en na-
men de stad in. Thersander, de zoon van Poluneikes, be-
klom nu den Thebaanschen troon, doch het rijk werd voort-
durend dooi- rampen bezocht, zoolang nog een afstamme-
ling van Oidipoes en dus ook een nakomeling van den
Pheniciër Kadnios er de kroon droeg.
V, De Trojaansche oorlog.
A. De aanleiding tot den krijg en de tocht
naar Troje.
In liet land Mysie lag tusschen de kusten vandeEgeïsche-
-ocr page 183-
179
Zee en den Hollespoiit ten Westen en de rivier Granïkos
ten Oosten, het rijk Troas, door hetwelk do rivieren Siinoïs
en Skainandcr stroomden. Troje of Ilion, de lioofdstad,
was reeds op grooten afstand zichtbaar, dewijl zijn burcht,
Pergamos, op den berg Ida was gebouwd. Volgens de sage
zouden do Troërs of Trojanen, die in zeden, gewoonten
en taal veel overeenkomst hadden met de Grieken, maar
in beschaving boven hen stonden, van oudsher op een
minder goeden voet met hen hebben gestaan. Een hunner
koningen verdreef den Phrygiër Pelops, die zicli daarop
naar Griekenland begaf, welks zuidelijk deel naar hem
Peloponesos zou zijn genoemd. Herakles bestreed den Tro-
jaansche koning LaomSdon, omdat deze hem bedrogen had.
Laomëdons zoon en opvolger was Priamos, oen door de go-
den begunstigd vorst, die onmetelijke rijkdommen en vijftig
zonen bezat, van welke er één, Paris, doorliet noodlot be-
stemd was zijn vaderstad te gronde te richten.
Toen de neroïdo (zeenimf) Thetis metPelous, den koning
van Phthia in Thessalië, in den echt trad, werden alle
goden en godinnen ter bruiloft genoodigd met uitzondering
van Eris, do godin dor tweedracht. Om zich daarover te
wreken, wierp deze te midden van de feestvierenden een
gouden appel, waarin de woorden gegraveerd waren : Aan
de schoonste. Nu ontstond er een geduchte twist onder de
godinnen over do vraag, wie de appel toekwam. Zeus, die
zelf niet wilde beslissen, droeg zijn bode Hennes (Mercurius)
op, do drie wolko hot meest in aanmerking kwamen, naar
den berg Ida te geleiden, waar zij Paris zouden aantreffen,
en dezen wilde hij de uitspraak overlaten. Hcrc (Juno),
de gemalin van Zeus, beloofde aan Paris de heerschappij
over Azië, indien hij haar tot de schoonste verklaarde, Pal-
las Athene (Minerva) beloofde hem wijsheid en roem, en
Aphrodïte (Vonus) de schoonste vrouw. Toen Paris die
belofte vernomen had, reikte hij Aphrodïte don appel toe.
Nu deelde dozo hem mede, dat Helene, de dochter van Leda
en de gemalin van den Spartaanschen koning McnclSos, de
-ocr page 184-
180
schoonste der vrouwen was. Paris begaf zich naar Sparta
en schaakte er Helene. Terstond was Menelaos erop be-
dacht die schanddaad te wreken, en in zijn voornemen
werd hij gesterkt door zijn broeder Aganiemnon, den mach-
tigen koning van Mnkënai (Mycene). Het gelukte den bei-
den broeders alle koningen van Griekenland over te balen,
gemeenschappelijk naar Trojc te trekken oin Helene met
geweld terug te halen en die stad te verwoesten.
De verbondenen kwamen met hunne troepen te Aulis in
Doiotie bijeen, vanwaar zij met 1200 schepen naai- Troje
zouden oversteken. Agamemnon, de machtigste van alle
Grieksche vorsten, werd als opperhoofd erkend, doch zóó,
dat ieder der andere koningen vrij en onafhankelijk bleef
in zijn gezag over zijn eigene onderhoorigen. Eer men
tot een onderneming overging, werd er beraadslaagd.
Daartoe plaatsten de koningen zich op grooto steenen in
een kring. Wie het woord wilde voeren kreeg, als hij aan
de beurt was, van de herauten, die altijd tegenwoordig
waren, een langen schcpter in de hand, dien hij teruggaf,
zoodra hij had uitgesproken. Dij zulke beraadslagingen leg-
de het gevoelen van den listigen Odüsseus (Ulvsses), den
koning van Ithaka, en dat van den grijzen, ondervinding-
rijken Nestor, den koning van Pulos in Messenië, het meeste
gewicht in de schaal. In den strijd echter muntten door
onverschrokkenheid en lichaamskracht uit : Diomêdes van
Argos, Idomëneus van Kreta, Ajax van Salamis en Ajax
van Lokris. Doven alle helden echter schitterde door zijn
kracht en vlugheid Achilleus, de zoon van Peleus enThetis.
Toen de vloot geruimen tijd door tegenwind verhinderd
was zee te kiezen, begon men te vreezen, dat de goden
misnoegd waren op de Grieken. Om hierin zekerheid te
verkrijgen, werd den ziener Kalebas, die het leger verge-
zelde om toezicht te houden op de offerplechtigheden, de
goden te raadplegen en hun wil uit de ingewanden dor
offerdieren te leeren kennen, opgedragen te onderzoeken,
dooi\' welk middel de goden verzoend konden worden. Het
-ocr page 185-
181
bleek Kalchas, dat Artëmis (Diana), de godin dorjacht, ver-
stoord was op Agamemnon, die een aan haar gewijde
hinde had gedood, en dat zij niet anders te bevredigen was
dan door Iphigenïa, Agamemnons dochter, aan haar te offe-
ren. Tot welzijn van liet gansche volk besloot Agamemnon,
boe zwaar bet hem viel, bet gevraagde offer te brengen.
Maar op bet oogenblik, dat het offormes een einde zou ma-
ken aan bet leven van Iphigenïa, werd zij door Artemis
zelve weggevoerd naar Taurië (de Kriin) en aan \'t altaar
vervangen door een hinde. Nu keerde de wind : de vloot
ging onder zeil en landde na een voorspoedigen overtocht
op de kust van Troas. Maar nu wachtte den Grieken een
buitengewoon zware taak. Troje was door muren en torens
versterkt, en telde bijna evenveel strijders als de belege-
raars, daar vele Aziatische koningen uit den omtrek mot
hunne krijgslieden den Trojanen to hulp waren gesneld.
Daarbij moesten de Grieken zich gedeeltelijk door stroop-
tochten van den noodigen leeftocht voorzien. Mot dit doel
plunderde Achilleus met zijn krijgslieden, de Murmidonen,
bet eiland Lesbos en later nog de kust van Gilicië, en deelde
bij den gemaakten buit, waartoe o. a. een menigte sla-
vinnen behoorden, met de andere legerhoofden. Hij be-
roemde er zich op twaalf, zee- en elf landsteden veroverd
te hebben. Konden do Grieken door de zorg voor hun on-
derhoud zelden vereenigd den vijand bestrijden, hun gemis
aan krijgskunst maakte het hun onmogelijk Troje geregeld
te belegeren. Als zij do kans schoon zagen, of als de Grie-
ken hen uitdaagden, kwamen de Trojanen buiten hunne
muren en werd er een veldslag geleverd, die zich, bij ge-
mis aan eenig krifskundig plan, in een menigte bizondero
gevechten oplosteO\'Do helden, die de verschillende krijgs-
bcnden aanvoerden en tevens voorvechters waren, streden
gewoonlijk op strijdwagens, die zij door een hunner vrien-
den lieten besturen, terwyl zij zelve, naast den wagen-
menner staande, hunne spiets, somtijds ook een zwaren
steen, naarden vijand wierpen, op wien zij het gemunt hadden.
-ocr page 186-
182
B. De eerste zang van do Ilias.
Van allo gedichten, die do Grieken over don Trojaan-
schen oorlog vervaardigd hebben, is do Ilias van Hon.ëros
het oudste en voortreffelijkste. Het bezingt een gedeelte
der gebeurtenissen, die in het tiende en laatste jaar, dat
do Grieken voor Trojc lagen, plaats haddon.
Wij zullen bij den eersten van do vier en twintig zan-
gen der Ilias wat uitvoeriger stilslaan oin oen voorstelling
Homeros.
to geven van de denkwijze der Grieken omstreeks negen
of tien eeuwen v. G.
Op een hunner strooptochten hadden de Achajcrs, naar
welken stam de Grieken in de Ilias genoemd worden, groo-
ten buit medogovoerd en daarbij een menigte vrouwen,
die als slavinnon onder de legerhoofden werden verdeeld.
Aan Agameinnon was Chryseïs, de schoono dochter van
-ocr page 187-
183
Chryses, een priester van Apollon, ten deed gevallen, aan
Achilleus de schoone Briseïs. Nu verscheen Chryses met
rijke geschenken in \'t leger dor Grieken om daarvoor zijne
•dochter vrij te koopen, doch Agamemnon wilde haar voor
geen prijs ter wereld aan haar treurenden vader afstaan.
Deze smeekte nu zijn god daarover wraak te nemen op de
Grieken. Apollon (Phoibos) verhoorde zijn bede, daalde
vertoornd uit don Olumpos (het verblijf der goden) neder,
en plaatste zich met zijn zilveren boog op eenigen afstand
van do Grieksche schepen. Tien dagen vlogen zijn nim-
mer missende pijlen reeds door liet leger en veroorzaakten
bij ieder, die getroffen werd, de pest, toen de blankarmige
Here (Juno), die bekommerd was over de Grieken, den
snel voet igen Achilleus ingaf, een vergadering van de
koningen te beleggen, en voor te stellen, den ziener Kalebas
een onderzoek op te dragon naar de reden van Apollon\'s
toorn, en naar de middelen, waardoor do god verzoend
kon worden. Toen dat voorstel was aangenomen, zeidc
Kalebas, dat het opgeven van die reden hem zeker de
gramschap van een machtig vorst op den hals zou halen,
en hij haar dus niet durfde zeggen, eer Achilleus hem zijn
bijstand had verzekerd. Deze beloofde, hom tegen ieder
te zullen beschermen, al was het tegen Agamemnon zelvcn,
den herder der volken. Nadat Kalebas nu verklaard had,
dat Apollon\'s toorn ontstaan was wegens don smaad, zijn
priester door Agamemnon aangedaan, stond deze, het hart
vol bittere gramschap en oogon als lichtende vlammen, op
•en sprak: «Onheilvoorspeller! nog nooit hebt gij iets ge-
sproken, dat gunstig voor mij was, on nu zegt gij weder,
dat de ver schietende Apollon de Achajers met pest be-
zoekt, omdat ik het meisje, dat mij dierbaar is, niet heb
willen verruilen tegen geschenken. Als het echter zoo
wezen moet, zal ik haar afstaan, daar het mijn plicht is,
te zorgen, dat het volk behouden blijve. Maar bewerk,
dat ik een nieuw geschenk krijg, want het is niet betame-
lijk, dat ik onder al de Achajers de eenige ben, die geon
-ocr page 188-
184
belooning ontvang." Hij zette zich neder, en Achilleus
stond weder op enzeidc: »O, gy eerzuchtige en boven
alles inhalige zoon van Atreus, hoc kunnen de Achajers u
een ander geschenk geven, daar gij even goed als ik weet,
dat er geene goederen meer te verdeelen zijn. Het ge-
schonkene teruggeven en op een hoop leggen om het op-
nieuw te verdeelen, zou immers in \'t geheel niet passen.
Zend echter liet meisje maar naar haar vader terug, wij
zullen het u drie- ja viervoudig vergelden, wanneer Zeus-
(Jupiter) ons toestaat de muren van Ilion te slechten."
Agamemnon antwoordde: ^Weg met uw listen, Achil-
leus! Wel zijt gij dapper als een god, maar toch zult gij
mij niet misleiden. Het staat u fraai, te verlangen, dat
ik mijn aandeel afsta, en gij het uwe behoudt. Maar dit
verzeker ik u, indien mijn verzoek niet wordt ingewilligd,
neem ik voor mij den buit van u of van Ajax of van
< Idüsseus, en ik zal mij noch aan uw, noch aan hun
toorn iets laten gelegen liggen. Daar spreken wij ech-
ter later wel over. Eerst moet maar een schip worden
uitgerust om Ghryseïs aan haar vader terug te brengen,
opdat Apollon bevredigd worde." Dit kon Achilleus niet
verdragen. Met een norsch gelaat sprak hij: «Gij onbe-
schaamde, dien de winzucht listig maakt, vergeet gij dan,
dat wij hier zijn ten einde de Trojanen om den wil van u
en uw broeder Menelaos te straffen? Bijiederen strijd kwam
de zwaarste taak steeds op mij neer, maar als de buit ver-
deeld werd, was uw aandeel altijd veel grooter dan het
mijne. Toch keerde ik, nadat ik vermoeid was van \'t vech-
ten, tevreden met het weinige, dat mij was toegestaan,
naar mijn schepen terug, en nu zoudt gij mij mijn deel
nog willen ontnemen? Dat verdraag ik niet langer. Ik keer
met mijn schepen naar Phthia terug, en denk, dat gij, nu
gij mij zoo onteerd hebt, hier wel niet veel schatten meer
zult bijeenbrengen." -Ga maar heen," hervatte Agamem-
non, "ik zal u niet vragen te blijven, u, die altijd behagen
schept in twist. Keer maar huiswaarts met uw schepen
-ocr page 189-
185
on vrienden om rustig over uw Murmidonen te heerschen.
Er blijven er hier genoeg over, die mij zullen eeren. Maar
dit zeg ik u, omdat Apollon mij van liet meisje berooft,
laat ik Briseïs voor mij uit uw tent balen, opdat gij moogt
weten, dat ik machtiger ben dan gij." Ziedend van toorn
was Achilleus op \'t punt zijn zwaard te trekken, om het
volk uiteen te drijven en dan Agamemnon te doorsteken,
toen Here, die beide belden liefhad, in groote baast Pal-
las Athene (Minerva) naar de vergaderplaats zond. Zonder
dat een ander haar kon zien of hooren, vertoonde Pallas
Athene zich aan Achilleus, die zich op dat gezicht ver-
baasde en deze woorden van haar vernam : -Leg uw toorn
af en trek het zwaard niet, maar ga voort, zoo \'t u lust,
hem met woorden te schelden. Indien gij naar mij luis-
tert, zullen u voor dezen smaad driemaal heerlijker ge-
schenken geworden." Hierop antwoordde Achilleus, terwijl
hij de greep van zijn zwaard losliet: -Het betaamt mij, uw
wil op te volgen, hoe vertoornd ik ook ben, want wie de
goden gehoorzaamt, dien verbooren zij weder." De godin
verdween, en nu ging Achilleus voort, zich opnieuw tot
Agamemnon wendende: «Dronkaard, met uw hondenoo-
gen en met het hart eener hinde, dit zeg ik u: zeker zul-
len de Grieken eens sterk verlangen naar Achilleus, als
velen door Priamos edelsten zoon, door Hektor, den slach-
ter der mannen, sneuvelen; dan zult gij hen niet kunnen
helpen en inwendig van gramschap verteren, omdat gij den
dapperste onder do Achajors geen eer hebt bewezen."
Nadat de wijze Nestor een vorgeefsche poging had ge-
daan om een verzoening tot stand te brengen, word de ver-
gadering opgeheven, en begaf Achilleus zich met zijnvriend
Palröklos naar zijn tent, waaruit Agamemnon weldra
Briseïs liet halen, zonder dat Achilleus er zich tegen ver-
zette. Deze verliet nu zijn vrienden en begaf zich eenzaam
naar het strand der lichtgrauwc zee, waar hij, diep be-
droefd, zijn banden ophief en uitriep: "Moeder! nu het
noodlot bepaald heeft, dat ik vroeg zal sterven, moest de
-ocr page 190-
186
donderaar Zeus mij ook eer vergunnen, en nu laat hij mij
smaad aandoen door den ver heerschenden Agamemnon."
Op deze woorden dook Thetis, die Peleus verlaten had on
weder deel uitmaakte van de hofhouding van Poseidon
(Neptunus) op den bodem der zee, uit de golven op. Vrien-
delijk troostend sprak zij haar zoon aan, die haar dringend
smeekte, Zeus over te halen, den Trojanen in den krijg
voorspoed te schenken, opdat de Achajers, en Agamemnon
allermeest, het diep zouden betreuren, dat Achilleus geen
deel nam aan den oorlog. Thetis, diep bewogen door \'t
leed, dat haar zoon drukte, beloofde het hem en begaf zich
terstond naar de woning der goden, den Olumpos, waar
zij Zeus ver van de andere goden en godinnen alleen vond.
Zij omvatte zijn knieën en verzocht hem dringend om het-
geen haar zoon hegeerde, hem daarbij herinnerende, hoe
zij hem eens, toen de goden en godinnen van den Olumpos
besloten hadden hem te binden, van dien smaad gered had
door den hondordarmigen Briareus te zijner hulp te roe-
pen. Zeus, de wolkenverzamelaar, zuchtte zwaar en zeide:
"\'t Is eene treurige zaak, die mij stellig in twist zal bren-
gen niet mijn huisvrouw Hcre (Juno). Zij toch tergt mij
altijd en beschimpt mij voor\'t oog der onsterfelijke goden,
zeggende, dat ik in den ooi-log mijn hulp verleen aan de
Trojanen. Intusschen zal ik doen, wat gij begeert. Ga nu
spoedig heen, opdat Here u hier niet aantreft, maar eerst
zal ik u met mijn hoofd toewenken, dan zijt gij gerust,
want gij weet, dat alles, wat ik toegeknikt heb, onherroe-
pelijk, onbedriegelijk en ook onfeilbaar is." Hierop knikte
Zeus haar toe en daarbij golfden zijn zware lokken om
zijn onsterfelijk hoofd en bewoog zich de groote Olumpos.
Nadat Thetis met één sprong in de diepte der zee was te-
ruggekeerd, begaf Zeus zich naar zijn paleis, waar alle
goden en godinnen vol eerbied opstonden, toen hij zich be-
daard naar zijn troon begaf. Zoodra hij gezeten was, sprak
de schoonoogige Here hem toe: «Met wie hebt gij nu weer
listig plannen zitten te beramen? Gijschijnterbizondervan
-ocr page 191-
187
te houden, geheimen voor mij te hebben." Zeus, do vader
der goden on menschen, antwoordde hierop: "Here! voed
geen hoop, dat gij al mijn plannen zult te weten komen;
zij zoudon u schadelijk zijn, al zijt gij mijn huisvrouw.
Wat betamelijk is om te hooren zal niemand, noch van de
goden, noch van de menschen eerder dan gij vernemen;
Zeus.
maar gij moet mij nooit vragen naar dingen, die ik buiten
de goden om goedvind te besluiten." "Gij kunt mooi pra-
ten," gaf Here ten antwoord, vincent gij soms, dat ik niet
gezien heb, hoe de zilvervoetige Thetis dezen morgen uw
knieën hoeft omvat? Ik vrees, dat gij haar beloofd hebt
ter wille van Achilleus vele Achajers bij hunne schepen te
-ocr page 192-
188
laten iloodeii." -\'Ach, ongelukkige!" viel Zeus haar in de
rede, -altijd bespiodtgij mij,altijdvcrdenktgijmij. Bemerkt
gij niet, dat mij dit steeds onaangenamer jegens n stemt?
Maar nu zeg ik u, zit stil en zwijg, opdat niet al de Olum-
pischc goden u vruchteloos bijstaan, wanneer ik mijn ono-
verwinnelijke handen aan u sla." Herc ontstelde1 en zweeg.
Nu echter sprak, om zijne moeder Here genoegen te geven,
de kunstvaardige Hephaistos (Vulcanus), de god des vuurs,
die voor Zeus de bliksems smeedde : »\'tls wel treurig, datge
wegens de menschen zoo twist mot elkander, want daardoor
wordt het genoegen van den heerlijken maaltijd, die ons
wacht, bedorven. Moeder, u raad ik, Zeus, mijn beminden
vader, zijn zin te geven, want, indien hij wil, verjaagt bij
u uit uw verblijfplaats, omdat hij van allen de sterkste is.
Verdraag dus maar, ofschoon gij bedroefd zijt, opdat ik u
geen slaag zie krijgen. Ik kan bet niet verbinderen. Ze-
ker weet gij nog wel, hoe vader mij eens, toen ik de partij
voor u opnam, bij een been greep en uit don Olumpos slin-
gerde, zoodat ik den ganschen dag viel en tegen zonson-
dergang met zulk een smak op \'t eiland Lemnos terecht-
kwam, dat ik er nog mank van ga. Geef hem maar wat
vleiende woordjes, dan is hij ons terstond weer genegen."
Dit zeggende bood Hephaistos (Vulcanus) zijn moeder een
grooten beker ncktar (godendrank) aan, dien zij lachende
aan de lippen bracht. Hij ging daarop de gansche rij van
goden en godinnen rond om hunne bekers te vullen, on
toen zij hem zoo zagen bedienen, barstten allen uit in een
onafgebroken gelach. Den geheelen dag duurde het gast-
maal, en de vroolijkheid bleef ongestoord, want niemand
had gebrek aan de smakelijke ambrozijn (godenspijs), en
Apollon, de god der sehoone kunsten, zorgde voor muziek.
Met zijn voortreffelijk citerspel begeleidde hij de liefelijke
stemmen der muzen, de dochters van Zeus en Mncmosüne
(de godin van \'t geheugen), wanneer zij afzonderlijk of in
koor zongen. Heerlijk was het te aanschouwen, als Apol-
lon met zijn citer daar nederzat, omgeven door hot beval-
-ocr page 193-
189
ligo negental. Er&to, de muze van do erotische dichtkunst
en den dans; Eutërpe, van de lyrische dichtkunst en de
fluit; Kalliöpe, van de epische dichtkunst; Kleio van de
geschiedenis: Melpomëne, van het treurspel; Thaleia, van
het blijspel; Poluhümnia, van den lofzang; Terpsichöre,
van den koorzang; en Oeranta, van de sterrenkunde.
Toen de zon ter kimme was gedaald, begaven de goden
en godinnen zich naar hunne rustplaatsen om zich aan een
zoeten slaap over te geven.
C. G e v e c h t e n v o o r T r o j e.
Menelaos en Paris.
Do werkeloosheid van Achilleus boezemde den Trojanen
nieuwen moed in, te meer daar de overige Grieksche hel-
den in kracht, behendigheid en moed onder moesten doen
voor Hektor. Meer dan vroeger waagden de Trojanen zich
buiten hunne muren om de Grieken te bestrijden. Eens, dat
Paris, meteen pantcrvel omhangen, den helm op \'t hoofd,
den boog over den schouder, het koperen zwaard aan de
heup en twee spietsen in de hand onder do Trojanen streed,
daagde hij luidde en met hoonende woorden de dapperste
Grieken tot een tweegevecht uit. Nauwelijks vernam Me-
nelaos, die zich in de nabijheid bevond, deze woorden, of
hij snelde naar hem toe om zich op hem te wreken. Het
gezicht van den geduchten Menelaos deed echter Paris zoo
ontstellen, dat hij de vlucht nam. Zoodra Hektor dit zag,
snelde hij zijn broeder achterna en riep hem toe: "Lafaard,
met uw schoon gelaat, waart gij nimmer geboren ! Een
vrouw schaken en ellende over uw geslacht en uw land
brengen, dat kunt gij ; maar den man weerstaan, dien gij
zoo beleedigd en gegriefd hebt, dat durft gij niet !" "Hek-
tor," antwoordde Paris, "gij berispt mij terecht. Maarwan-
neergij mij heden wilt zien strijden, beveel dan den Acha-
jers het gevecht te staken, zoo zal ik voor aller oog een
-ocr page 194-
190
tweegevecht met Menelaos aangaan om Helene en haar
schatten."Terstond begaf Hektor zich naar de voorste Tro-
janen, strekte zijn lans voor hen uit en beval hun den
strijd te staken, waarop Aganieninon, begrijpende dat Hek-
tor iets tot de beide legers te zeggen bad, den strijdlust
derGrieken intoomde. Menelaos nam de uitdaging van Pa-
ris, door Hektor overgebracht, aan, doch opdat het twee-
gevecht voor goed een einde aan den strijd zou maken, ver-
langde hij, dat Priamos op het slagveld zou komen om niet
Agamemnon een plechtige overeenkomst te sluiten.
Priamos had zich juist met Helene naar den stadsmuur
begeven, toen de heraut bun het voorstel kwam mededeelen.
De grijze koning verklaarde zich terstond bereid, besteeg
zijn wagen, en begaf zicli naar \'t slagveld. Zoodra hij aan-
kwam, plaatsten de Grieksche en Trojaanscho vorsten zich
ineen kring, en toen de herauten de lammeren en den oflér-
wijn gebracht, en de handen der aanwezigen met water be-
sprenkeld baddcn, trok Agamemnon het ofïermcs, dat steeds
naast het zwaard aan zijn zijde hing, sneed do wol van den
kop der lamineren en deelde die aan de aanwezigen uit ;
vervolgens hief hij de handen op en bad : "Vader Zeus en
: gijApollon ,die alles doorziet, en gij Haides (Pluto), die in
de benedenwereld de schimmen straft dergenen, die hier
een meineed hebben gezworen ! weest getuigen van dit ver-
bond. Als Paris Menelaos verslaat, zoo moge hij Helene en
haar schatten behouden en ons zij het vergund met onze
schepen huiswaarts te koeren ; maar bezwijkt Paris door
de band van Menelaos, zoo zullen de Trojanen ons de
sehoone vrouw en hare goederen afstaan en een billijke
schatting betalen tot in de verste tijden."
Nu slacht te hij de lammeren, legde de lillende dieren op
den grond en deed aan de aanwezigen een beker wijn rei-
ken. Alvorens te drinken, goot ieder ecnige druppelen van
den wijn ter eero der goden op den bodem en slaakte daar-
bij de bede ; ^Mogc het bloed van hem, die den gcwijdcn
ecdschcndt, aldus worden vergoten." Hierna werd de kring
-ocr page 195-
191
uitgebreid om plaats te maken voor de strijders ; maar de
oudePriamoszeide : •■ Hoort mij, gij Griekscheen Trojaan-
scho helden ! laat mij huiswaarts keoren, want mijn oogen
kunnen den strijd van mijn zoon Paris met Menclaos niet
aanschouwen.Zeus belisse naar zijn wijs raadsbesluit." De
strijd ving aan. Paris, daartoe door \'t lot aangewezen, slin-
gerde liet eerst zijn lans. De koperen punt trof het schild
van Menclaos, boog er krom op, en de lans viel krachte-
loos ter aarde. "Almachtige Zeus !" riep nu Menclaos uit,
-laat mij mijn beleediger straffen, opdat ieder er voortaan
voor terugdeinze, het recht der gastvrijheid te schenden."
Toen wierp hij zijn lans met zooveel kracht, dat zij het
schild zijns vijands doorboorde en, had deze zich niet ijlings
terzijde gebogen, zij zou hem voorzeker door \'t hart zijn
gegaan. Nu viel Menclaos met zijn koperen zwaard aan en
hieuw orzoo geweldig mede op den stevigen helm van Pa-
ris, dat het brak. «Wreede Zeus !" gilde Menclaos van
woede, «ontrukt gij mij aldus mijne prooi ?" en tegelijker-
tijd greep hij Paris bij diens met een paardestaart versier-
den helm, rukte hem omver en wilde hem medesleepen
naar \'t leger der Grieken, toen Aphrodïte den riem, die
den helm onder de kin vasthechtte, deed breken en haar
gunsteling met zich voerde, zoodat Menclaos alleen met
den helm in de hand bleef staan. Wel riepen de Grieken,
dat Menclaos de overwinning had behaald, doch de Tro-
janen ontkenden, dat hij Paris had verslagen.
2. Dioniëtlcs.
Eens, dat de Trojanen weder buiten hunne muren ge-
komen waren om do Grieken te bestrijden, werden zij
overal in verwarring gebracht, waar de onstuimige held
Diomëles zich vertoonde. Dit bemerkte de nimmer falende
boogschutter Pandiros, en zoodra hij Diomë les voldoende
genaderd was, schoot hij hem een pijl langs de holte van
\'t borstharnas in den rechterschouder, zoodat de koperen
-ocr page 196-
192
punt er aan de andere zijde uitstak. Daarop riep hij:
-Valt nu aan, Trojanen! de voornaamste der Achajcrs is
getroffen, en ik denk niet, (lat zijn oogen lang meer
\'t heldere zonlicht zullen aanschouwen." Diomêles echter,
wiens pantser door zijn bloed geverfd werd, rioj) zijn
krijgsmakkcr Sthcn^los, die naast hem reed, toe: «Dier-
bare vriend! spring even van uw wagen om mij dezen
pijnlijken pijl uit den schouder te trekken. Toen Sthenelos
hem den gevraagden dienst had bewezen, smeekte Diome-
des Athene, hem kracht te geven, ten einde den man te
dooden, die pochend gezegd had : »Diomgdes zal niet
lang meer het heldere licht der zon aanschouwen." De
godin, zich onmiddellijk tot hem begevende, schonk
hem nieuwe kracht en moed, verwijderde uit zijn oogen
de duisternis, opdat hij goed zou kunnen onderschei-
den of hij een menscli of een der onsterfelijke goden aan-
viel en waarschuwde hem, deze laatsten ongemoeid te
laten, behalve wanneer hij Aphrodïte zag, want deze, zoo
gelastte zij, moest hij een wonde toebrengen. Nog heviger
dan te voren woedde Diomgdes nu op liet slagveld, en in
korten tijd had hij acht der uitstekendste Trojaanscho
strijders gedood. Toen Aincias (Enêas), een bloedverwant
van Priamos, en de zoon van Aphrodïte en Ancliiscs, den
koning van Dardanos, zag, dat er zoo velen onder de slagen
van Diomedes vielen, zocht hij Panddros op en riep hem
toe: -Hef uwe handen tot Zeus op en schiet met uw
nimmer missende pijlen op gindschen strijder". »Ach!"
antwoordde Panddros mismoedig, -dat is Diomedes. Voor-
zeker staat hem een godheid bij. Reeds schoot ik een
pijl door zijn rechterschouder en toch strijdt hij nog grim-
miger, dan eer ik hem wondde." Aineias slaagde er
intusschen toch in, Panddros over te halen hij hem op den
wagen te komen. Aineias zou de aan hem gewende rossen
besturen, en Panddros zou, daar zijn pijl de gewone uit-
werking had gemist, beproeven Diomedes met een speer
te dooden. Toen zij nu in pijlsnelle vaart op Diomedes
-ocr page 197-
\\ m:. ^
Diomedes door Fallus Athene beschermd.
13
-ocr page 198-
-ocr page 199-
195
aanhielden, gaf Sthenëlos, die het opmerkte, dezen den
raad wegens zijn vermoeidheid en bloedverlies hen te
ontwijken, doch hij kreeg met eene norschen blik ten
antwoord: »Het is niet edel, vluchtend te vechten: ik
ga hen te gemoet, en als gij ziet, dat ik hen overwin,
maak dan de teugels uwer paarden aan den knop der zit-
bank vast, opdat zij niet kunnen wegloopcn, en grijp dan
het span van Aineias, want zijn paarden zijn van \'t edel-
ste ras, en \'t zal ons grooten roem aanbrengen, wanneer
wij ze als buit in onze legerplaats bij de schepen voeren."
Zoodra hij hem genaderd was, riep Panddros hem toe:
»Mijn scherpe pijl heeft u niet kunnen dooden, thans zal ik
het met mijn speer beproeven," en te gelijk wierp hij deze
met zooveel kracht, dat de koperen punt door \'tscliild van
Diomëdes drong en het harnas van den held trof. Luid
riep daarop Pandiros uit: «Gij zijt getroffen in den buik;
lang zult gij het niet meer maken: gij deed mij grooten
roem verwerven." Diomëdes antwoordde: "Gij hebtgemist!"
en wierp zijn lans, die, door Athene bestuurd, het hoofd
van Pand&ros doorboorde, zoodat deze met zulk een slag,
dood van den wagen viel, dat zijn wapenen ervan rammel-
den. Aineias het lijk zijns makkers niet in de handen der
Achajers willende laten, sprong van den wagen en ver-
dedigde het met schild en lans. Doch Diomëdes nam een
zeer zwaren steen en slingerde dien zoo juist en zoo krach-
tig, dat Aineias met gebroken dijbeen nederviel. Het zou
met hem gedaan zijn geweest, ware zijn moeder Aphrodïte
niet toegeschoten om hem met hare sneeuwwitte armen op
te beuren en weg te voeren. Dit zag Diomëdes, wiens oo-
gen door Pallas Athene geopend waren, en wetende, dat
Aphrodïte een laffe godin was, zette hij haar achterna,
en bracht hij haar met het scherpe koper zijner lans een
wond aan de hand toe. Terstond vloeide er onsterfelijk
bloed uit, aan water gelijk, want de goden eten geen brood
en drinken geen geestrijken wijn en daarom zijn zij bloed-
loos. Zoodra Aphrodïte zich gewond voelde, liet zij met
-ocr page 200-
196
een gil haar zoon vallen, die echter door Apollon opgeno-
men, weggevoerd en spoedig genezen werd. Zij spoedde
zich naar den Ohunpos oin haar vader haar nood te klagen,
doch Apollon wekte Ares (Mars), den ontstuimigonoorlogs-
god, op, om de Trojanen tegen Dioinedes en de andere
Grieken te gaan helpen.
:3. Hektors afscheid van Andromache.
Terwijl de strijd hevig voort woedde, begaf Hektor zich
naar Troje. Toen hij de poort binnenkwam, werd hij door
een menigte schreiende vrouwen niet vragen bestormd
naar hare echtgenoot en, zonen, broeders en vrienden. Hij
gaf haar tot antwoord, dat zij zich naai1 de tempels moes-
ten begeven om voor het heil harer dierbaren te bidden. Nu
richtte hij zijne schreden naai\' het palcis van Priamos, dat
uitmuntte in schoonheid wegens de menigte galerijen en
vertrekken van gepolijst marmer. Daar ontmoette hij zijn
moeder, de eerwaardige Hekabe, die hem aldus aansprak:
«Waarom verliet gij, mijn zoon, den hevigen strijd? Ze-
ker benauwen ons weder de verfoeielijke Grieken, en
kwaamt üïj hier om op den hooaren burcht uw beden tot
Zeus op te zenden.Wacht even, dan zet ik u wijn voor om
er eerst vader Zeus en andere goden van te plengen en er
daarna u zelven mede te versterken dooi\' ervan te drinken."
Maar Hektor antwoordde: «Breng mij geen wijn, lieve
moeder, want ik zou er mijn moed en kracht door verlie-
zen en het betaamt mij niet tot den verheven Zeus te bidden,
zoo bezoedeld als ik ben met het moordbloed van hen, die
ik verslagen heb. (Ja gij echter met uw vrouwen naar
den tempel van Pallas Athene en breng haar oen rijk offer,
opdat zij zich over de stad, de vrouwen en de kinderen ont-
ferme. Ik zal ondertussclien naar de woning van Paris
gaan om hem mede ten strijde te roepen
Toen Hektor in \'t sierlijke paleis van Paris kwam, vond
hij dezen bezig zijn wapenen te schuren en berispte hij
-ocr page 201-
197
hem, zich in zijn paleis op te houden, terwijl anderen voor
zijn zaak streden. "Ja," antwoordde Paris, "gij hebt, wel
gelijk. Helene heeft het mij ook reeds gezegd. Maar ik
zal nu toch mijn wapenrusting aantrekken en mij buiten
de muren begeven." Hektor antwoordde hem niet, maar
nu sloeg Helene haar vriendelijke» oogen tot haar zwager
op, en zeide: -Ach, ware ik, de bewerkster van dezen
noodlottigcn oorlog, niet geboren of althans vroeg gestor-
ven. Maar als die rampen eenmaal door het noodlot be-
paald waren, waarom hebben de goden mij dan niet de
vrouw gemaakt van een dapperder man, die gevoel heeft
voor de verachting en de beschimping der mcnschen! Zet
11 wat neder en geef uw vermoeide leden een oogenblik
rust, want niemand heeft zooveel last als gij van den oor-
log, die om mijnentwil wordt gevoerd." :>Ik zal aan uw
uitnoodiging niet voldoen," zeide Hektor, -want mijn hart
trekt mij weer naar de Trojanen op het slagveld, maar
drijf Paris aan, dat hij zich haaste en mij nog inhale, eer
ik de stad verlaat, want ik zal nog even naar huis gaan
om mijn beminde vrouw en mijn dierbaar zoontje te be-
zoeken, daar ik niet weet of de goden ook besloten heb-
ben, mij todoen sneven."
Hektor vond zijn vrouw Andromaehe niet in haar
woning, waar zij gewoon was toezicht te houden op den
arbeid harer maagden. Vernemende, dat de Trojanen in
groot gevaar verkeerden, was zij in haar angst voor \'t le-
ven van haar dierbaren gade met haar zoontje Astudnax,
dat door zijn voedster gedragen werd, naar de muren ge-
sneld. Hektor keerde terug, en toen hij de Skaïsche poort
had bereikt, die hij door moest om op \'t slagveld te ko-
men, zag hij zijn vrouw en zijn kind. Terwijl hij dit
even toelachte, greep Andromache met tranen in de oogen
zijn hand, drukte die hartelijk en sprak: -\'Moedige man,
uw dapperheid zal u \'t leven nog doen verliezen. Erbarm
u toch over uw teeder kind en over mij, die weldra weduwe
zal zijn. Ach, als ik van u beroofd ben, mocht ik dan
-ocr page 202-
198
ook maar sterven, want dan sla ik alleen in de wereld.
Ik heb geene moeder meer. en Achilleus heeft eerst mijn
vader en daarna op denzelfden dag mijn zeven broeders
gedood. Thans Hektor zijt gij mij tot vader, tot moeder,
tot broeder, en bovendien zijt gij mijn gade. Kom dan,
ontferm u over ons. Plaats de troepen bij den wilden
Hektors afscheid van vrouw en kind..
vijgeboom, waar de muur het gemakkelijkst te beklimmen
is en de beroemde Idomëncus en de beide Ajaxon en Dio-
mëdes het reeds beproefden, en blijf binnen de muren,
opdat gij uw zoon niet tot wees en mij niet tot weduwe
maakt." »0ok mij, dierbare vrouw, bekommert dit," sprak
Hektor, «maar ik vrees zeer voor de Trojanen en hunne
-ocr page 203-
199
•vrouwen en kinderen, wanneer ik mij als een lafhartige
van liet vechten onthoud. Dit verbiedt mij ook mijn moed,
omdat ik altijd geleerd heb dapper te zijn, onder de voor-
sten te strijden en den roem van mijn vader on mij te be-
waren. Toch houd ik mij in mijn hart overtuigd, dat eens
do dag aanbreekt, waarop het/ heilige Ilion neerstort en
Priamos met zijn volk omkomt. Maar noch de toekomstige
smart der Trojanen, noch die van Priamos, noch die van
Hekabe, noch die mijner broeders treft mij zoozeer als die,
welke ik over u gevoel, als een der in \'t koper geharnaste
Achajers u eens schreiende wegvoert, en u de vrijheid
ontrooft, en gij, in Argos zijnde, voor een vreemde moet
weven en water halen tegen uw zin, maar door liet harde
noodlot gedwongen. En als dan iemand u tranen ziet
storten en zegt: "Dat is de vrouw van Hektor, den held
der Trojanen, toen er vóór Ilion werd gestreden," dan zal
uwe smart herleven wegens \'t gemis van een gade, die uw
slavernij kan verbreken, want dan zal ik reeds gevallen
zijn en uw roerende klachten niet meer hooren." Plotse-
ling keerde Hektor zich om en stak de handen uit naar
\'t kind, dat echter schreiend \'t gezichtje verborg in den
boezem der voedster, omdat \'t geschrikt was door \'t ge-
weldig wuiven van den paardestaart, die zijns vaders helm
versierde. Hektor zette glimlachend den glinstcrenden
helm op den grond, nam toen zijn geliefden zoon in de
armen, kuste hem en sprak toen biddend: »Zeus en gij
overige goden! vergunt mijn zoon zoo uitstekend te wor-
den onder de Trojanen, dat men van hem zegge, hij is veel
dapperder nog dan zijn vader! Moge hij, van \'t slagveld
terugkeerende, steeds den buit der gevelde vijanden mede-
brengen, opdat zijn moeder zich over hem verheuge." Nu
gaf hij het kind aan de voedster terug, streelde zijn dier-
bare gade mot de hand en sprak haar troostend toe:
"Wek niet te zeer de droefheid in mijn hart, want niemand
.zendt mij eerder naar den Haides dan het noodlot heeft
bepaald. Ga gij nu naar huis om uw slavinnen bevelen
-ocr page 204-
200
te geven en toe te zien op het spinnen en weven. Ons,
mannen, past het, deel te nemen aan den oorlog." An-
drom&cho begaf zicli naar haar woning, telkens omziende
en bittere tranen schreiende. Paris haalde Hektor nog inr
eer deze de poort verliet, en beiden begaven zich naar het
slagveld.
4. Hektoren Ajax.
Toen Hektor zich weder onder de strijdenden bevond,
dreef zijn moed hem aan, den dapperste der Achajers tot
een tweegevecht uit te dagen. Hij liet daarom de Troja
nen het vechten staken en Agamemnon deed hetzelfde met
de Grieken. Na eenig dralen verklaarde Menelaos zich be-
reid den kamp met Hektor te wagen, doch Agamemnon
deed hem opmerken, dat hij niet was opgewassen tegen
den held, wiens ontmoeting zelfs bij Achilleus schrik ver-
wekte. Hierop boden zich negen Griekscho helden aan
waaronder Agamemnon zelf, om Hektor te bevechten, en
kwam men overeen, het lot te doen beslissen, wie de uit-
daging zou aannemen. De aangewezene was de in lichaams-
kracht uitmuntende Ajax van Salamis, die er zich over
verheugde, en zijne vrienden uitnoodigde, terwijl hij de
wapenen aangordde, voor hem tot Zeus te bidden. Toen
hij gereed was, trad hij vooruit, in de rechterhand een
zeer lange lans drillende, terwijl hij aan den linkerarm een
schild als een toren droeg, met zeven stierenhuiden over-
trokken en daarop nog een bekleedsel van koper. Den
Trojanen ging op het gezicht van dien vreeselijken strijder
een schrik door do leden en zelfs Hektor klopte het hart
in de borst. Dreigende sprak Ajax zijn vijand aldus aan:
"Nu zult gij eens ondervinden, wat voor dappere helden
er onder de Achajers zijn behalve Achilleus, die, nog
steeds verbitterd op Agamemnon, den herder der volken,
bij zijne schepen ligt. Begin nu maar!" «Voortreffelijke
Ajax," hernam Hektor, «beschouw mij niet als een zwak-
-ocr page 205-
201
ken jongen of een vrouw. Ik weet het schild links en
rechts te wenden, ik ben in staat onvermoeid te strijden
en op den wagen staande met mijn vlugge rossen den vij-
and onverhoeds te overvallen. U echter wil ik openlijk
zoeken te treffen." Dit zeggende slingerde hij zijn lans,
die door het koper en door zes huiden van Ajax\' schild
doordrong, maar in de zevende bleef steken. Hierop wierp
Ajax. Zijn zeer lange lans drong door het schild van
Hektor en bleef in diens borstharnas steken, zoodat het
kleed eronder gescheurd werd, maar door een vlugge
wending was Hektor den akeligen dood ontkomen. De
beide strijders namen nu lange lansen. Hektor stiet met do
zijne op het schild van zijn vijand, doch de lanspunt
drong niet eens door het koperen bekleedsel on boog krom.
Ajax daarentegen doorboorde weder het schild van Hektor;
de lans ging snijdend langs diens hals, zoodat er een wei-
nig bloed uit vloeide. Achteruitgaande nam Hektor een
zwaren scherpen steen op en wierp dien met krachtige
hand tegen Ajax schild, zoodat het koper in \'t rond weer-
klonk. Ajax raapte een nog grooteren steen op en wierp
dien met zulk een ontzettende kracht, dat hij Hektors
schild spleet, zijne knieën kwetste en hem achteroverdeed
vallen. Zich aan \'t schild vasthoudende, hief Hektor zich
weer op en nu stonden de helden gereed elkander met het
zwaard te lijf te gaan, toen de herauten hunne staven tus-
schen hen uitstrekten en spraken: "Rokt niet langer den
strijd, want Zeus bemint u beiden evenzeer; reeds nadert
de nacht en het is goed naar dezen te luisteren." "Geeft
dit bevel," zeide Ajax, "aan Hektor, want hij heeft de dap-
persten uitgedaagd. Wil hij den strijd eindigen, dan neem
ik er genoegen mede." Hem nu antwoordde Hektor: "Ajax,
daar een godheid u zulk een groote kracht heeft ver-
leend, en gij de beste van de Achajers zijt om met de lans
te vechten, zullen wij den strijd nu staken. Laten wij el-
kander echter geschenken geven, opdat men bij de Acha-
jers en do Trojanen zegge: "Waarlijk zij vochten uit hart-
-ocr page 206-
202
verterenden strijdlust, maar zij hebbenelkanderalsvrienden
verlaten." Toen hij dit gezegd had, bood hij Ajax zijn
zwaard met zilveren knoppen en scheede en met sierlijk
bewerkten draagband aan, waarop deze hem zijn van pur-
per glinstercnden gordel schonk.
5. Achilleus en Hektor.
Het beleid en do moed van Hektor brachten de Grieken
zulke verliezen toe, dat de wensch steeds luider werd uit-
gesproken, een poging te doen, om Achilleus uit zijn werke-
loosheid te wekken. Toen hierover gesproken werd in een
vergadering, verklaarde Agamemnon, inziende, dat hij, door
een den Trojanen gunstige godheid verblind, Achilleus had
miskend, zich bereid dezen Briscïs en oen rijkdom van
geschenken ter verzoening aan te bieden. Nestor en Odus-
seus begaven zich daarop naar Achilleus, doch waren niet
in staat den fleren held over te halen, de Grieken met zijn
alles overweldigende kracht bij te staan. Om zich over
de ondervonden beleediging te wreken, wilde hij Agamem-
non nog dieper vernederd zien. Eerst wanneer Hektor, die
met de Trojanen voor de Grieksche legerplaats nabij de
schepen stond met het kennelijke doel om deze te verbran-
den, op het punt was hierin te slagen, of de Murmidonon
aanviel, zou Achilleus den Trojaanschen held bestrijden.
Den volgenden morgen begon Hektor krachtig den aan-
val. De voornaamste voorvechters der Grieken, Agamem-
non, Diomëdes, Idomëneus, Odüsseus en anderen moes-
ten gewond het slachveld, verlaten. Do Trojanen drongen
de Grieksche legerplaats binnen, en toen zij ondereen hevig
gevocht, geleid door Hektor, een der schepen in brand
staken, sprak Achilleus tot zijn boezemvriend. Patröklos:
"Nu wordt het onze tijd. Trek, zooals gij verlangt hebt,
mijn wapenrusting aan, die Hephaistos (Vulcanus) voor
mij smeedde; ondertusschen zal ik de Murmidonen van
mijn vijftig schepen verzamelen en hen onder vijf opperbe-
-ocr page 207-
203
"velhebbers indeelen." Toen Achilleus overeenkomstig zijn
spreken had gehandeld, plengde hij voor Zens den wijn,
■en bad hij, dat het zijn Murraidonen onder aanvoering
van Patroklos gegeven moclit zijn, de Trojanen van de
schepen te verdrijven, opdat de Achajers, die nu in zulk
•ecu benauwdheid verkeerden, hem er voor mochten ver-
■eeren. De aanval der Murmidonen, aangevoerd door Pa-
troklos. in wien de Trojanen vol schrik Achilleus zelven
meenden te zien, redde de schepen. Menig aanvoerder
sneuvelde door de lans of het zwaard van den dapperen
Patroklos totdat, hij, na do Trojanen uit de legerplaats go-
•dreven te hebben, door Hektor gedood en van zijne wapen-
rusting beroofd werd. Nu ontstond er een moorddadig ge-
vecht om het lijk van Patroklos, maar dit bleef door den
heldenmoed van Ajax en vele anderen voor de Grieken be-
houden.
Toen Achilleus den dood van zijn dierbaren vriend ver-
nam, was hij buiten zich zelven van droefheid en woede.
Schreiende bracht hij den nacht bij het lijk door, dat hij
telkens met zijn armen omklemde ; maar toen de morgen
daagde, verscheen voor hem Thetis, zijn moeder, met
een nieuwe wapenrusting, welke Hephaistos dien nacht
op haar verzoek voor hem gesmeed had. Volgens haar
raad begaf hij zich naar de vergadering, verzoende zich
met Agamemnon en wekte allen op terstond ten strijde te
trekken tegen de Trojanen. Odüsseus merkte echter op,
dat de strijd, eens begonnen, voorzeker den ganschen dag
zou duren, en het dus noodig was, dat men vooraf met
krachtige spijzen zich sterkte. Met dat doel begaven allen
zich naar hunne tenten, maar Achilleus wilde spijs noch
drank gebruiken, zoo zeer drukte hem de smart over den
dood van Patroklos.
Terwijl de beide legers zich voor den strijd gereedmaak-
ten, riep Zcus de goden en godinnen bijeen op den hoogen
Olumpos en beval hun neder te dalen in de vlakte van
Ilion, om met elkander te strijden, totdat de bcschermgo-
-ocr page 208-
204
don van Trojo het onderspit hadden gedolven. Here, Pallas
Athene, Poseidon on do manke docli sterke Hephaistos
schaarden zich aan do zijde der Grieken ; Ares, Phoibos
Apollon, Artomis en Aphrodlte snelden naar de Trojanen
om lnin moed en kraclit te schonken.
Hevig was do strijd, die nu ontstond, en vreeselijk
woedde Aoliilleus met lans en zwaard onder de Trojanen ;
maar \'t moest was hij bcgcerig Hektor te midden van den
bloedigen kamp te ontmoeten. Toen hij als voorvechter
menigen held had gedood, keerde hij weder tot do troepen
terug en sprak : » Edele Achajers ! Komt moer vooruit om
man tegen man met de Trojanen to strijden, want het is
moeilijk voor mij, hoe dapper ik ook moge wezen, alleen
zulk eene groote menigte aan te vallen." Ook Hektor moe-
digde zijn troepen aan met de belofte, dat hij een kamp
tegen Achilleus zou wagen. Toen niet lang daarna Hektor
zag, hoe een zijner broeders dood nederviel, getroffen door
do lans van Achilleus, besloot hij den vreeselijken held aan
te vallen. Zoodra Achilleus hem zag naderen, riep hij jui-
chend uit : "Haar is de man, die mij zoo bitter in de ziel
heeft gegriefd. Nu mogen wij elkander niet langer ontwij-
ken tusschen do gelederen op \'t slagveld. Nader, opdat er
spoedig een einde komt! aan uw leven !" Onverschrokken
antwoordde Hektor: ->lk weet, dat gij dapper zijt on dat
ik minder ben dan gij; maar of gij mij, dan of ik u van het
leven zal berooven, dat ligt besloten in de hand der goden.
Nu wierp Hektor zijn lans, doch Pallas Athene blies haar
terug. Driftig deed nu Achilles den aanval begeerig zijn vij-
and te dooden, maar Phoïbos Apollon wikkelde Hektor in
een nevel en voerde hem weg. «Nu zijt gij weder den dood
ontsnapt," schreeuwde Achilleus, «maar zoo ik u weder
ontmoet en een god ook mij bijstaat, is het met u gedaan."
De krijgskans keerde zich meer on moer ten nadeele van
do Trojanen, die bij hoopen de Skaïsclie poort binnendron-
gen om het doodaanbrengende koper der Achajers te ont-
gaan en uit te rusten van den vermocienden strijd. Hektor-
-ocr page 209-
205
-echter bleef buiten de poort om de zijnen te beschermen,
ofschoon zijn vader en zijn moeder hem smeekten binnen
te komen en geen nieuwen strijd te wapen met den vree-
selijken Achilleus. Hij echter achtte hot boter het maar
tot een tweestrijd te laten komen om te zien, aan wien
van beiden Zeus roem zou vergunnen. Daar naderde
Achilleus met zwaaiende lans, aan den krijgsgod gelijk.
Toen Hektor hem zag, sloeg hem do scbrik om \'t hart en
niet langer durvende te blijven staan, verliet hij vluchtend
<le Skaïsche poort. De snelvoetige Achilleus zette hem
achterna, en terwijl hij hem driemaal do ganscho stad om
vervolgde, beraadslaagden do onsterfelijke goden, wien
van d(> twee helden de overwinning zou worden geschon-
ken. Eindelijk hief Zeus de gouden weegschaal indehoog-
te oen legde er twee loten in van den akeligen dood, het
•eene voor Achilleus, het andere voor Hektor. Het lot van
dezen daalde en zonk naar den Haides. Toen verliet Phoï-
bos Apollon Hektor, maar Pallas Athene vervoegde zich
bij Achilleus, verzekerde hem, dat hij zou overwinnen,en
vertoonde zich toen aan Hektor in de gedaante van diens
meest geliefden broeder Doïphobos, zeggende : Kom, laat
ons blijven staan en samen den aanval van Achilleus
weren. Hierop antwoordde Hektor : »Steeds waart gij van
al mijn broeders mij de liefste, maar nu gij om mijnent-
wil de veilige muren hebt verlaten, waarachter de anderen
zich verschuilen, vereer ik u nog meer." Hektor hield nu,
stand en sprak tot Achilleus : -\'Thans vlucht ik niet lan-
ger. Mijn moed drijft mij aan u te bekampen. Maar laten
wij met de goden tot getuigen elkander dit beloven: Als
ik u dood, neem ik uwe wapenen, maar laat ik uw lijk
aan de uwen; doe gij evenzoo." Hem norsch aanziende
antwoordde Achilleus: <-Zoo min als leeuwen met men-
schon, en wolven met lamineren in vriendschap kunnen
leven, zoo min kan ik met u een verdrag aangaan. Ont-
vluchten kunt gij niet meer, en thans zult gij boeten voor
al de smarten mijner vrienden." Dit zeggende wierp hij
-ocr page 210-
206
zijn schrikkelijke lans naar Hektor, doch deze ontweek
haar door voorover te bukken, en zij drong achter hem
diep in de aarde : «Gij hebt gemist," riep Hektor, «moge
thans mijn lans uw lichaam doorboren !" Hektors lans
trof het door Hephaistos gesmeede schild van Achilleus en
stiet daarop zijwaarts ver af. Nu riep Hektor om de lans
zijns broeders, doch deze was verdwenen en ondertusschen
had Pallas Athene do in den grond gedrongen lans aan
Achilleus teruggegeven. «Nu zie ik, dat de goden mijn
dood hebben besloten," riep Hektor uit, zijn scherp, ko-
peren zwaard trekkende, maar Achilleus\' stiet hem dclans
juist boven het harnas in de keel. Hektor viel en gaf wel-
dra den geest. Maar nog was Achilleus bitterheid niet ge-
weken. Hij ontnam den verslagene diens wapenen, door-
boorde hem toen de achterpezen tusschen den hiel en den
enkel, stak er riemen door, bond die aan zijn wagen,
dreef de paarden aan en sleurde het lijk door het stof voort.
Toen Achilleus bij de schepen was gekomen richtte hij
een lijkmaal ter eere van Patróklos aan, en nadat allen
verzadigd waren van het brood, het vleesch en den wijn,
ging ieder naar zijn tent ; maar Achilleus, vermoeid van
den strijd, legde zich neder aan "t zeestrand, luid weenen-
de om zijn boezemvriend. Toen de slaap hem daar was
overvallen, verscheen hem diens schim, zeggende : -Slaapt
gij, Achilleus, en denkt gij niet meer aan mij ? Toen ik
nog leefde, miste ik nooit uw zorgen, maar nu ik gestor-
ven ben wel. Doe toch spoedig mijn lijk verbranden en
geef aan mijn asch een graf, opdat ik door de poorten van
Haides kan gaan, want nu weren de schimmen mij af, en
moet ik buiten ronddwalen." Den volgenden dag werd het
lijk van Patróklos verbrand en de overblijvende asch in
een gouden urn gedaan, die ook eens de asch moest bevat-
ten van Achilleus, wien slechts een kort leven was toege-
zegd. Toen de treurige plechtigheid was afgeloopen, liet
Achilleus gouden drievoeten en bekkens, paarden, muil-
dieren en stieren, schitterend ijzer en ook schoone vrou-
-ocr page 211-
207
wen, in werken bedreven en met sierlijke gordels, uit
zijne schepen halen om tot prijzen te dienen bij de wedspc-
len, die hij ter eere van Patröklos gaf. Voor allen, die-
zegevierden in den wedren, het vuistgevecht, het worste-
len, den wedloop, het boogschieten en het werpen met de
lans waren er kostbare geschenken.
Ondertusschen was er in Troje veel gejammer en ge-
ween om den dood van Hektor. "Ik ongelukkige," riep de
troostelooze Androm&che uit, "ach, was ik maar niet ge-
boren, want nu gaat Hektor naar de woning van Haides,
diep onder de aarde, en mij laat hij achter als weduwe en
ons kind kan hij niet langer tot steun zijn! Want, al ont-
komt het in den bctreurenswaardigen strijd aan de Acha-
jers, in do toekomst zal liet steeds kommer en zorgen heb-
ben. De dag, die het kind vaderloos maakt, berooft het
ook van zijn makkers. Gaat het behoeftig naar de vroe-
gere vrienden zijns vaders, dan kennen zij het niet. Schrei-*
end keert het dan terug naar zijn moeder, de weduwe!\'
Den grijzen Priamos was het denkbeeld ondragelijk,
dat zijn meest geliefde zoon onbegraven bij de schepen der
Achajers zou blijven liggen. Met rijke geschenken beladen
waagde hij het, alleen in de Grieksche legerplaats en tot
Achilleus door te dringen, dien hij smeekende aldus aan-
sprak: "Denk aan uw vader, Achilleus, die, even oud als
ik, op den trourigen drempel des ouderdoms zit. Misschien
bedreigen ook hem omwonende volken en er is niemand,
die het dreigend oorlogsgevaar van hem kan weren. Maar
als hij verneemt, dat gij nog in leven zijt, dan is zijn hart
toch verheugd, en hoopt hij iederen dag u, zijn dierbaren
zoon, nog levend te aanschouwen. Maar ik heb bijna al
mijn zonen verloren, en do meest geliefde, Hektor, die
mij en de stad beschermde, viel het laatst en door uw
hand. Nu, kom ik tot u, om u te smoekcn, dat gij mij zijn
lijk lost voor onnoemelijke schatten. Vereer do goden en
ontferm u over mij. Denk aan uw vader en zie hoeveel
ellendiger ik nog ben, daar ik den moed heb, dien nog
-ocr page 212-
208
nooit een sterveling had: de hand te kussen, die mijne
kinderen heeft gedood." Achilleus, door de smart vanden
edelen grijsaard bewogen, stond het verzoek toe en be-
werkte een wapenstilstand van twaalf dagen om den Tro-
janen de gelegenheid te geven, Hektor te beweencn en
zijn lijk plechtig te verbranden.
D. De ondergang van Troje.
Met de begrafenis van Hektor eindigt de Ilias. Latere
dichters stellen den ondergang van Troje op de volgende
wijze voor. Eens was Achilleus op het punt de poort bin-
nen te dringen, toen Paris hem niet een pijl een Monde
toebracht, waaraan hij bezweek. Den ganschen dag werd
er om het lijk van den held gestreden, en vormden er zich
gansche hoopen van gesneuvelden om heen, totdat de Grie-
ken er eindelijk in slaagden, het naar hunne legerplaats
mede te voeren. N\'u ontstond er bij de Grieken een hevig
geschil over de vraag, wien de door Hophaistos gesmede
wapenrusting toekwam. Odüsscus en Ajax konden de
meeste aanspraak doen gelden. Agamemnon wees den
eerste de begeerde wapenen toe. waarop de andere waan-
zinnig werd dooi\' de teleurstelling en zich in zijn eigen
zwaard stortte (Mussen* wist hierop den sterken, dappe-
ren zoon van Achilleus, ><*eoptolemos te doen overkomen
en schonk dezen de wapenrusting. Sedert waren deze
beiden de voornaamste helden van den oorlog. Eens slopen
Odüsseus en Diomêdes Troje binnen en namen zij het Pal-
ladium, een houten Pallasbeeld, met een lans inde rechter-
cn een spinrokken en een klos in de linkerhand, van welks
bezit de welvaart en het behoud der stad afhingen, heime-
lijk mede. Toch bleek het den Grieken meer en meer, dat
zij Troje niet door geweld in hunne macht konden krijgen.
Op raad van Odüsseus namen zij daarop de volgende list
te baat. Zij bouwden een reusachtig houten paard, dat
veel hooger was dan de grootste poort van Troje, en in
-ocr page 213-
209
welks buik zich een vijftigtal van de voornaamste helden
verborgen. De overige Grieken verbrandden daarop hunne
legerplaats en begaven zich met hunne schepen naar het
nabijgelegen eiland Tenedos.
Toen de Trojanen zich uitgelaten van vreugde naar\'tzee-
strand begaven om zich van den aftocht hunner vijanden te
overtuigen, zagen zij met verbazing het zonderlinge paard.
Zij beraadslaagden, wat zij ermede zouden doen. Sommigen
wilden het zegevierend binnen Troje halen, anderen sloegen
voor, het te verbranden. Te midden der beraadslagingen
verscheen Kassandra, een dochter van Priamos, en waar-
schuwde de Trojanen, dat het paard, indien het niet ver-
nietigd werd, den ondergang der stad zou bewerken; maar
niemand geloofde haar. Als kind had Kassandra eens in
den voorhof van een aan Apollon gewijden tempel nabij
Troje gespeeld en daar zoolang vertoefd, dat het te donker
was geworden om naar huis terug te keeren. Haar voed-
sters hadden haar daarop in den tempel te slapen gelegd, en
toen zij haarden volgenden morgen kwamen wekken, zagen
zij bij het kind twee slangen, die het, in plaats van het leed
te doen, de ooren lekten. Dit wonder had een grooter ten
gevolge. Sedert had Kassandra zulk een scherp gehoor, dat
zij de stemmen der goden kon verstaan. Nuhield Kassandra
zich gaarne in den tempel op, waar Apollon haar in de
kunst van voorspellen onderwees, doch daarvoor om hare
liefde vroeg. Toen Kassandra hem deze weigerde te geven,
sprak Apollon den vloek over haar uit, dat niemand haar
voorspellingen zou gelooven.
Terwijl de beraadslaging nog voortduurden brachten
eenige Trojanen een Griek, Sinon, te voorschijn, dien zij
vreeselijk verminkt aan den oever der zee gevonden had-
den, en die verklaarde door zijn landgcnooten mishandeld
en achtergelaten te zijn. Sinon, over het paard onder-
vraagd zijnde, gaf voor, dat de Grieken het ter eere van
Athene hadden opgericht, om zeker te zijn, dat zij een
gelukkige thuisreis zouden hebben; indien de Tro-
14
-ocr page 214-
210
janen liet paard verbrandden, zoudon zij Athcna verbitte-
ren, die dan do Grieken zeker zou bijstaan, maar indien zij
het paard in de stad trokken en daardoor de goden eerden,
zouden zij hunne vijanden een wissen ondergang bereiden.
Nauwelijks had Sinon geëindigd of de achtbare priester
Laoköon waarschuwde de Trojanen tegen de bedriegerijen
der Grieken, wier woorden nooit te vertrouwen waren.
Hij trachtte het gevoelen te doen zegevieren, dat het paard
vernietigd moest worden; maar terwijl hij nog sprak, werd
hij met zijn beide zonen, die naast hem stonden, plotse-
ling door twee slangen omstrengeld en gedood. In deze
ontzettende gebeurtenis zagen de Trojanen een bewijs van
de juistheid van Sinon\'s woorden. Aineias daarentegen
leidde eruit af, dat Troje\'s ondergang onvermijdelijk was,
en begaf zich met zijn zoon Askanias naar Italië, waar een
zijner nakomelingen, volgens de overlevering, de stichter
van Rome werd.
Een stuk muur van Troje werd door de inwoners afge-
broken, het paard erdoor binnengehaald en het overige
gedeelte van den dag in uitgelaten feestvreugde doorge-
bracht. In het holle van den nacht verlieten de helden den
buik van \'tpaard, gaven een teekcn aan de Grieken, die in
de duisternis terug waren gekeerd en zich gewapend in de
nabijheid der stad ophielden, en nu werden de Trojanen
in hun slaap overvallen. Een ontzettend moorden had
plaats. Neoptolëmos doorstak den grijzen Priamos, kreeg-
de ongelukkige Andromache tot buit en slingerde haar
zoontje van de muren, zoodat het te pletter viel. Menelaos
velde den tweeden Trojaanschen echtgenoot van Helene
(Paris was tijdens \'t beleg gesneuveld) en was op \'t punt
ook haar aan zijn wraak op te offeren, toen hij opnieuw
door haar schoonheid getroffen werd en haar als zijn
gade medenam naar zijn schepen. Kassandra werd door
Ajax van Lokris voor \'t altaar van Pallas Athene gegre-
pen en mishandeld en later als buit aan Agamemnon toe-
gewezen. Een dochter van Priamos, de schoone Poluxëna,
-ocr page 215-
I
I
-ocr page 216-
-ocr page 217-
213
word op het graf van Achilleus geofferd, on ïrojc ver-
brand en niet den grond gelijk gemaakt.
E. I) e t e r n g k e o r d e r G riek e n.
1. De zwerftochten van Odusseus.
Een geschil onder de Grieksche hoofden over don weg,
langs welken men huiswaarts zou koeren, was oorzaak,
dat do vloot gescheiden word. Hevige stormen dreven de
schepen nog moor uil elkaar. Sommige werden in geheel
onbekende wateren bij Sicilië en Afrika gedreven en wel
do holft der manschappen vond don dood in de golven.
Menig held zwierf jarenlang rond, oer hij thuis kwam en
hier vond hij niet zelden gedurende zijn lange afwezig-
heid alles veranderd. Klutaimnëstra, de gemalin van Aga-
inoinnon, was ondertusschen met een ander gehuwd. Zij
hield haar nieuwen echt voor Agamemnon verborgen, toon
deze in MukSnai terugkwam en slaagde er daardoor in,
hem on Kassandra te vermoorden. Tien jaren later werd
zij tot straf voor die misdaad omgebracht door haai\' oigon
zoon Orestes, wiens vriendschap met Puladcs, don zoon
van don koning van Phokis, spreekwoordelijk is geworden.
Het uitstekendste gedicht over den terugkeer dor Grie-
ken is de Odusseia, dio evenals de Ilias aan Honieros is
toegeschreven, en insgelijks de levenswijze en denkbeelden
der oude Grieken doet kennen.
Vol verlangen naar zijn dierbare gemalin Penelöpe, die
hij met haar zoontje Telem&chos voor tion jaren had ver-
laten, wendde Odusseus don stoven naar Ithako. Stormen
dreven zijn schepen naar het onbekende westelijke bokken
der Middellandschc Zoo, waar hij mot eenigen der zijnen
aan wal ging op hot eiland dor eenoogige Kuklopen (Cyclo-
pen). Odusseus, niet wetende, waar hij zich bevond, begaf
zich met een gedeelte der bemanning aan land en trad met
hen een grot binnen, die hun toescheen tot woning te dio-
-ocr page 218-
214
non. Nauwelijks hadden zij er zich verkwikt aan de spijzen,
die zij er vonden, of de bewoner, Poluphëmos, een zoon
van Poseidon, kwam thuis, tcrugkeercnde van het weiden
zijner kudden. Hij sloot de grot door er een zwaar rots-
blok voor te wentelen en bemerkte weldra de Grieken,
waarna hij Odusseus naar de roden van diens komst on naar
diens naam vraagde. Odusseus antwoordde, dat hij door
storm zijn koers had verloren, en dat zijn naam Niemand
was. Poluphëmos verslond nu zes der manschappen van
Odusseus, waarop deze den reus, tijdens diens slaap, het
oog uitstak. Van do hevige pijn ontwakende, hief Poluphë-
mos, zulk een vroeselijk gebrul aan, dat oen menigte Kuklo-
pen kwamen toeschieten om te vernomen, wat hcnischeoldo.
Toen hij echter op hun vragen geen ander antwoord gaf
dan: "Niemand hooft mijn oog uitgestoken", gingen zij, de
schouders ophalend, weder naar huis, mcenende, dat Polu-
phëmos zijn verstand had verloren. Odusseus en de zijnen
konden nu binnen do grot don Kukloop wel ontwijken,
maar zij moesten haar verlaten om aan den hongerdood
te ontkomen, en het ontbrak hun aan kracht om het
rotsblok aan don ingang weg te wentelen. Toch wist
Odusseus raad. Toen hij bemerkt had, dat Poluphëmos,
wanneer hij de grot opende om zijne schapen to laten wei-
den, zich aan don ingang plaatste, om zich to overtuigen,
dat geen Griek ontsnapte, bond hij ieder der zijnen on zich
zelven onder oen schaap en had door deze list het geluk niet
degenen, die hem vergezelden, hot schip weder to bereiken.
Van nu af werd < Klusseus door don toorn van Poseidon, we-
gens het verminken van dienszoon, vervolgd. Aiölos(Acolus),
de god der winden, kwam hem echter te hulp door hein
een zak te geven, waarin do ongunstige winden waren
opgesloten. Odusseus legde dien zak achter den mast,
verbood zijnen manschappen hem aan te raken en bleef
hem zelf met bezorgdheid nacht en dag bewaken. Zoo
naderde hij zijn geliefd Ith&ke. Eindelijk overmande hem
^le slaap. Van doze gelegenheid maakten de manschappen
-ocr page 219-
215
gebruik om hunne nieuwsgierigheid naar den inhoud vanden
geheimzinnigen zak te bevredigen, maar nauwelijks was hij
geopend, of de ongunstige winden braken los, verstrooiden
de schepen en dreven Odusseus naar het onbekende Westen
terug. Hier bereikte hij het eiland van de toovergodin Kirke
(Circe), die een gedeelte der Grieken, welke Odusseus ter
verkenning van het eiland had afgezonden, door de aanraking
met haar tooverstaf in zwijnen veranderde. Nadat Odusseus
van Hennes een kruid had gekregen, dat hem tegen toover-
kunsten beveiligde, wist hij Kirke te bewegen zijn man-
schappen te onttooveren en hem vrijheid te geven te ver-
trekken. Zij gaf hem daarop den raad inlichtingen aan-
gaande zijn lot te gaan vragen in den Haides. Door Kirke
van al het noodige voor dien moeilijken en gevaarlijken
tocht voorzien, begaf hij er zich heen. Na een voorspoe-
dige vaart bereikte hij den Oceaan en het met eeuwige
duisternis bedekte land der Kimmeriërs, dat nooit doorde
zon wordt beschenen. In alles de voorschriften van Kirke
getrouw opvolgende, kreeg hij de schimmen in de onder-
wereld te zien. Onder velen zag hij Minos, eens de om
zijn wijsheid beroemde koning van Kreta, thans rechter
over de schimmen der afgestorvenen, en Orïon, den ge-
weldigen jager, die, toen hij eens de vermetelheid had ge-
had, Artëmis (Diana) tot een wedstrijd uit te dagen, wie
van beiden het meeste wild kon schieten, een doodelijke
beet ontving van een schorpioen, dien de verontwaar-
digde godin op hem had afgezonden. Zijn hart werd met
schrik vervuld, toen hij het lijden in den Tartarus ont-
waarde. Daar stond de eeuwig honger en dorst lijdende
koning Tantalos, de vader van Pelops, in een holder
water, aathem tot de lippen reikte, maar steeds terug-
week, wanneer hij er de brandende tong mede wilde ver-
frisschen, terwijl voor zijn oogen de heerlijkste vruchten
hingen, die verdwenen, wanneer hij er de hand naar uit-
strekte. Elders zag hij de Danaïden, negen en veertig
zusters, die, omdat zij op last van haar vader Daitóos, den
-ocr page 220-
216
koning van Argos, haar echtgenooten vermoord hadden,
gedoemd waren een bodemloos vat te vullen. Ginds zag
hij Sisüphos, een koning van Korinthe, zwoegen, die tot
straf voor zijn roovcrijen een grooten, ronden steen van
den voet tot den top eens bergs, moest opwcntelen, welke
steen echter voortdurend weder naar beneden viel, wan-
neer de ongelukkige bijna zijn doel had bereikt. Na van
de schim van den waarzegger Teirêsias cenige aanwijzigin-
gen gekregen te hebben omtrent zijn terugtocht naarlthake,
verliet hij dit sombere oord. Zonder onheil kwam hij voor-
bij het eiland der Sirenen, monsters met de aangezichten
van schoone jonkvrouwen, die met haar liefelijk gezang de
mannen lokten, maar hen, zoodra zij genaderd waren, met
haar klauwen, die zij onder het water verborgen hielden,
verscheurden en daarna verslonden. Toen Odusseus het
eiland naderde, stopte hij de ooren zijner metgezellen met
was, en liet hij zich stevig aan den mast binden om de
lokstem der Sirenen, die hij wenschte te hooren, niet te
kunnen opvolgen. Nu leidde zijn weg door de straat bij
het Driepunteneiland (Sicilië), waar aan de Oostzijde een
vraatzuchtig monster, de Skulla, aan de Westzijdeeen draai-
kolk, de Charubdis de voorbijvarenden met den ondergang
bedreigde Daar de Charubdis het gansche schip kon verzwel-
gen, voer Odusseus langs de Skulla, die met haar zes kop-
pen evenveel manschappen van het schip greep en verslond.
Een nieuwe storm deed het schip vergaan en de gansche
bemanning omkomen, behalve Odusseus, die zich redde op
het eiland van de nimf Kalupso. Deze vatte liefde voor den
         /
held op en beloofde hem de onsterfelijkheid, wanneer hij bij
haar wilde blijven. Zeven jaren hield Kalupso hem op
haar eiland, zonder erin te kunnen slagen, hem zijn liefde
voor Penelope te doen vergeten. Toen moest zij hem op
bevel van Zeus de vrijheid laten. Haastig vervaardigde
Odeusseus zich een vlot, waarmede hij in zee stak. Acht-
tien dagen ging zijn reisvoorspoedig, toenPoseidon, dienaar
Ethiopië was geweest om een offer van de bewoners aldaar
-ocr page 221-
217
aan te nemen, terugkwam, den held bemerkte en in zijn
toorn zulk een storm verwekte, dat liet vlot uit elkander
werd geslagen. Slechts met de grootste inspanning gelukte
het Odusseus, na zijne kleederen afgeworpen te hebben,
zwemmend de kust van het eiland Scheria (Kerküra, Cor-
cyra) te bereiken. Daar hij, waarheen hij den blik ook
wendde, mensch nog woning ontwaarde, liep hij naar
een boschje en legde zich daarin op een hoop bladeren te
rusten. Nog had de slaap den volgenden morgen zijn af-
gemat lichaam niet verlaten, toen reeds Nausikda, de
dochter van den koning der Phaiakers, die Scheria be-
woonden, zich in de nabijheid van \'t boschje vertoonde.
Ten einde linnen en wollen kleederen te gaan wasschen,
had haar vader op haar verzoek twee muildieren voor een
wagen laten spannen en er een mand in doen plaatsen.
Nausikda had daarop de fijne wollen opper- en onderklee-
ren harer broeders en de lange gewaden der vrouwen in
de mand geleed, vervolgens had zij den wagen beklommen
en wilde juist de teugels in de hand nemen, toen haar
moeder een mandje met zoet gebak, een toegenaaide gei-
tenhuid met wijn gevuld en wat geurigen balsem om na
liet baden het haar te zalven, in den wagen liet zetten.
Nu reed Nausikaa, haar moeder vriendelijk dankbaar toe-
knikkende en gevolgd door ecnigc dienst maagden naar de
heldere beek, die langs het boschje vloot, waar Odusseus
sliep. Toen zij aangekomen waren, wierp Nausikaa, ijverig
geholpen door haar maagden, de gewaden in met water ge-
vulde kuilen aan den oever ; de meisjes sprongen erin en
stampten de wol en het linnen met haar voeten. Nu werden
de kleederen op liet heldere oeverzand uitgespreid om in de
zon te drogen. Terwijl dit plaats had en de muildieren in
de nabijheid graasden, baadden en zalfden zich de meisjes,
waarna zij zich in \'t gras nedervleiden en onder vroolijko
scherts den inhoud van \'t mandje en den wijnzak aanspra-
ken. Na zich hiermede verkwikt te hebben, vermaakten
zij zich met een balspel, en toen werd het tijd de ge waden,
-ocr page 222-
218
die intusschen gedroogd waren, op te nemen, te vouwen
en in de mand op den wagen te leggen. Reeds waren de
muildieren ingespannen en maakte men zich gereed naar
huis te keeren, daar de zon reeds ter kimme neigde, toen
Nausik&a nog eens met een der meisjes begon te stoeien.
Zij wierp naar haar met den bal, doch miste, en de bal
vloog in zee. Het luide gelach en geschreeuw, dat hierdoor
bij de meisjes ontstond, deed Odusseus ontwaken. Dadelijk
sprong hij op en stak het hoofd uit de struiken. Het ge-
zicht van een man, wiens haren, gelaat, borst en armen
met slijk en bladeren bedekt waren, deed de meisjes zoo-
zeer verschrikken, dat zij met een gil de vlucht namen.
Alleen de moedige Nausikaa bleef staan en luisterde naar
de verstandige woorden van Odusseus, die zich als eenon-
gelukkig schipbreukeling bekend maakte en haar om een
kleed verzocht. Nausikaa riepliaardienstmaagdenwedertot
zich, liet haar het floschje met balsem on een gewaad bij
de badplaats nederleggen en wachtte toen, tot Odusseus
gereinigd en gekleed bij haar kwam. De meisjes zetten
hem hetgeen er van gebak en wijn was overgebleven voor,
en toen Odusseus daarvan met graagte gebruik had gemaakt,
beklom Nausikaa den wagen en verzocht zij den vreemde-
ling haar met de dienstmaagden te volgen. Li de nabijheid
der stad wees zij Odusseus een anderen weg, dan zij zelve
volgde, naar \'t paleis baars vaders aan, omdat het voorze-
ker opzien zou baren, wanneer zij met een vreemden man
door de straten ging. Toen Nausikdavoor \'t paleis stilhield,
kwamen haar broeders naar buiten om de muildieren af te
spannen en de gewasschen kleederen naar binnen te dra-
gen. Eenige oogenblikken later trad Odusseus het paleis
binnen, welks buitengewone pracht hem trof. Alles blonk
van zilver en goud. In de zaal, waar de koning gezeten
was, stonden zetels met kostbare tapijten bedekt en naast
den blinkenden haard zat de koningin met het spinrokken
aan haar zijde. Overeenkomstig den raad, dien Nausikaa
hein had gegeven, wendde Odusseus zich het eerst tot de
-ocr page 223-
219
gemalin des konings. Hij omvatte haar knieën, sprak een
zegenwensen uit, en smeekte toen om gastvrij ontvangen
en met een schip huiswaarts gevoerd te mogen worden. Het
verzoek werd toegestaan. De koning beval den schenker
het mengvat met wijn en water, gelijk men toen dronk, te
vullen, en nadat alle bekers ervan voorzien waren, goot
ieder, alvorens te drinken, eenige druppels op den grond
als een offer aan Zeus.denbeschermerderhulpbehocvenden.
Den volgenden dag gaf de koning bevel een schip uit te rus-
ten voor den hem onbekenden vreemdeling, en deed hij al
het mogelijke om hem genoegen aan te doen. Eens liet hij
een zanger in de feestzaal den ondergang vanTroje zingen.
Allen luisterden met welgevallen, maar Odusseus weende.
De koning had zijn onbekenden gast nogniet naar diens naam
gevraagd, want in die dagen herbergde men liever onwe-
tend een vijand, dan dat men het heilige recht der gastvrij-
heid schond. Nu kon de koning echter zijn nieuwsgierig-
heid niet langer bedwingen, en vraagde hij zijn gast, wie
hij was. Odusseus maakte zich daarop bekend en gaf toen
een verhaal van zijn lotgevallen, waardoor hij allen ver-
baasde. Spoedig daarop ging hij scheep, met rijkegeschen-
ken beladen, en door twee en vijftig wakkere jongelingen
geroeid, bereikte hij weldra zijn dierbaar Ithake.
2. Odusseus en Penelope.
Het zag er treurig uit op Ithake. Evenalsop Scheriawas
het bewind onder verschillende vorsten verdeeld, maar Odus-
seus had de opperheerschappij in handen gehad. Zijn
langdurige afwezigheid had de meest mogelijke wanorde doen
ontstaan, en de vorsten vierden den vrijen teugel aan hun
overmoed. Odusseus\' moeder was van verdriet gestorven;
zijn vader Laërtes, verzwakt naar lichaam en geest, had een
geringe woning op een wijnberg buiten de stad betrokken,
en zijn geliefde gemalin Penelope ging gedrukt onder dage-
lijks wederkeerend verdriet. Terwijl ze innig gehecht bleef
.aan Odusseus, wiens terugkomst zij met onverstoord geduld
-ocr page 224-
220
bleef verbeiden, word zij, zoo schoon en rijk, zoo verstandig
en deugdzaam, telkens aangezocht een anderen echtgenoot
te nemen. Zij vermeed een beslissend antwoord te geven,
maar dit verbitterde haar minnaars, die, om haar te dwingen
een keuze uit hen te doen, dagelijks in haar paleis terug-
keerden en er van haar kudden, haar graan en haar wijneen
uitgelaten vroolijk leven leidden. Bij de twaalf vorsten van
Itliake sloten er zich nog van de naburige eilanden aan, zoodat
het aantal minnaars langzamerhand een honderdtal bedroeg..
Er was niemand, die de ongelukkige Penelópebeschermde,
want haar zoon Telemichos was nog een onervaren jonge-
ling. Nauwelijks veilig in haar eigen paleis, bedacht zij een
list om zich aan de woestheid der minnaars te onttrekken. Zij
zeide bezig tezijn niet het weven van een groot stuk lijnwaad,
dat zij bestemd had tot een lijkkleed voordenoudenLaërtes,
en beloofde een keuze te zullen doen, zoodra het voltooid
was. Des daags werkte zij er ijverig aan, maar in \'t holle
van den nacht, als niemand haar kon bespieden, trok zij
het werk van den dag weder uit elkaar. Toen een der
dienstmaagden dit aan de minnaars verraden had, werd Pene-
lópe\'s lot nog verschrikkelijker, maar nu gaf Pallas Athene
(Minerva) haar zoon de gedachte in, bij de helden, die met
Odusseus voor Troje gestreden hadden, navraag naar zijn
vader te doen. Zonder zijn moeder met zijn eigenlijke voor-
nemen bekend te maken, ging Telemachos met een schip, dat
een zijner vrienden hem leende, en waarop zich twaalf kloeke
jongelingen, die hem aanboden als roeiers dienst te doen,
bij hein aansloten, naar Messenië, waar de wijze Nestor
woonde. Deze bracht juist met zijn volk een offer van een
en tachtig stieren (hckatombe) aan Poseidon (Neptunus),
toen Telemachos landde. De dijen der dieren werden ter
eere van den god verbrand, maar het overigevleesch werd
aan speten gebraden en door de aanwezigen gebruikt. Ook
Telemachos en de zijnen, die vriendelijk door Nestor wer-
den ontvangen, kregen er hun deel van, maar de wijze
grijsaard kon den treurenden jongeling, toen deze hem het
-ocr page 225-
2\'Z\\
doel zijner reis had medegedeeld, geen inlichtingen om-
trent Odusseus geven en verwees hem naar Sparta, waar
Menelaos en Helene ■woonden, die wellicht latere berichten
zouden hebben. Telemachos begaf zicli terstond op weg,
werd hartelijk door Menelaos en Helene ontvangen, doch
vernam niets anders dan dat Proteus, een Egyptische rivier-
god, die allerlei gedaanten, zelfs die van vuur en water kon
aannemen, eens aan Menelaos had voorspeld, dat Odusseus
eerst na tien jaren te hebben gezworven, beroofd van al zijn
tochtgenooten, in zijn vaderland zou terugkeeren. Tele-
machos achtte echter deze mededeeling belangrijk genoeg
om ze zijne moeder ten spoedigste te gaan overbrengen.
Op zijne thuisreis moest hij nog een omweg maken, omdat
zijn beschermgodin Pallas Athene hem in een droom had
doen weten, dat de minnaars het op zijn leven toelegden
en een schip hadden uitgezonden om hem op te vangen.
Toen Odusseus op Ithake geland was, verscheen hein
Pallas Athene, die hem met de treurige omstandigheden,
waarin Penelope verkeerde, bekend maakte en hem aan-
beval eerst list en daarna geweld te gebruiken, ten einde
de onbeschaamde minnaars om te brengen. Met dit doel
deed zij den krachtvollen man de gedaante van een afge-
leefden grijsaard aannemen, en verving zij zijn pracht-
volle kleeding door een bedelaarskiel van versleten herte-
vel, aan welks gordel een bedelzak hing. In deze
vermomming baande Odusseus zich over bergen en
door bosschen een weg naar zijn palcis. Na een ver-
moeicnden tocht bereikte hij de hem door Pallas Athene
aangewezen hut van zijn zwijnenhoeder Eumaios. Deze
was een voortreffelijk man van koninklijke afkomst, maar
in zijne jeugd door Phenicische zceroovers weggevoerd
en als slaaf verkocht. Eens, terwijl hij zijn knechten met
de zwijnen naar de bosschen had gezonden, opdat deze zich
met eikels zouden voeden, zat hij voor zijne hut een paar
sandalen (voetzolen) van dik leder voor zich te snijden, om
die, gelijk toen de gewoonte was, met riemen aan de voe-
-ocr page 226-
9,9,9
ten gebonden, als sclioeisol te gebruiken, toen hij een ver-
moeiden grijsaard zag naderen. Dadelijk stond hij op,
noodigde den vreemdeling binnen, en zette toen gebraden
varkensvleesch met meel bestrooid en een houten nap,
waarin wijn met water gemengd was, aan zijn gast voor,
die met hem offerde en zich aan de spijzen verkwikte.
Onder het eten gaf do grijsaard aan Eumaios te kennen,
dat hij voornemens was naar \'t paleis te gaan om zijn
diensten aan de minnaars aan te bieden. Eumaios, die we-
gens zijn gehechtheid aan Odusseus en diens gezin, de
onbeschaamde minnaars uit den grond van zijn hart haatte,
raadde hem dit plan ernstig af, zeggende, dat de minnaars
schoone, sierlijk gckleede jongelingen tot dienaren
noodig hadden, maar geen personen zooals hij, en
dat hij beter deed de terugkomst van Telemachos
af te wachten, die mededoogen had met ongelukkigen.
Kort na dit gesprek verscheen Telemachos tot groote
vreugde van Eumaios, die hem den grijsaard aanbeval. Hij
verzocht daarop den zwijnenhoeder terstond naar \'t palcis
te gaan om heimelijk aan zijn moeder te vertellen, dat hij
behouden terug was gekeerd. Aldus met den bedelaar
alleen achtergebleven zijnde, maakte deze zich aan hem
als zijn vader bekend, en terwijl Odusseus vooreen oogen-
blik van Pallas Athene zijn ware gestalte terugkreeg,
deelde hij zijn zoon, die hem met blijde verrukking aan-
staarde, zijn besluit mede om de minnaars met eigen hand
te dooden. De jongeling verschrikte, toen hij dit hoorde,
maar zijn vader wist hem spoedig moed en vertrouwen in
te boezemen, en daarop stelden beiden het te volgen plan
vast. Toen Eumaios terugkeerde, had Odusseus de bede-
laarsgestalte weer aangenomen. Telemachos begaf zich
daarop naar het paleis, waar de minnaars hem tot hun
spijt ongedeerd zagen binnentreden. Den volgenden dag
begaf Odusseus er zich als bedelaar heen. Onder-
weg ontmoette hem zijn geitenlierder Melantheus, die op
de hand der minnaars was en den gewaanden bedelaar uit
-ocr page 227-
223
moedwil met scheldwoorden en schoppen vervolgde. De
toorn, die hierdoor bij Odusseus ontwaakte, maakte echter
weldra plaats voor eenc zachte aandoening van weemoed.
Toen hij het plein van zijn paleis betrad, lag een hond,
door hem zelven opgekweekt, met stof en ongedierte be-
dekt op een hoop vuilnis te sterven. Zoodra het dier aan
den reuk zijn ouden meester herkende, richtte het zich op,
en kroop kwispelstaartend een eind voort, tot het voor de
voeten van Odusseus den laatsten snik gaf. Dit bewijs van
trouw ontlokte den held een traan, maar hij moest zich
onmiddellijk bedwingen om het stoute plan, dat hij zich
had voorgesteld, niet te doen mislukken.
De honderd minnaars zaten in de zaal op zitbanken met\'
schapevachten bedekt; hunne voeten rustten op schabel-
len, en ieder had een kleine tafel voor zich, waarop brood
en gebraden vleesch lagen. Midden in de zaal stond het
groote koperen mengvat, waaruit een menigte dienaren
de bekers vulden.
Volgens de gewoonte der hulpbehoevenden zette Odus-
seus zich aan den drempel der zaal neder. De minnaars
ergerden zich over de onbeschaamdheid van zulk een
havelooze, maar konden hem volgens de wetten der
gastvrijheid niet verjagen. Melantheus echter, iedere ge-
legenheid aangrijpende om zich aan de minnaars aange-
naam te maken, overlaadde den bedelaar met allerlei
onwaardige beschimpingen. Een oogenblik later, ging
Odusseus bij alle gasten rond en ontving van ieder een
stuk brood en vleesch. Alleen Antinöos, die in verwaand-
heid alle anderen overtrof, wierp hem het voetenbankje tegen
den schouder, terwijl een ander hem een bot achterna smeet.
Odusseus verdroeg die beleedigingen met koelbloedigheid.
Hij wist, dat eens de beurt aan hem zou komen, en dit ge-
schiedde eerder, dan hij berekend had. Penelópe, die on-
kundig was gelaten van de terugkomst van haar gemaal,
kon eindelijk de kwellingen, waaraan zij blootstond, niet
langer verduren. Zij kwam in de zaal, vergezeld van haar
-ocr page 228-
224
dienstmaagden, en sprak: - In de wapenkamer bevindt zich
nog de lievelingsboog van Odusseus. Hij schoot er zijn pij-
len op grooten afstand mede door de opening van twaalf op
een rij staande bijlijzers. Wie uwer die boog het gemak-
kelijkst spant en het doel treft,\'dien kies ik als echtgenoot."
Nu begreep Odusseus, dat zijn wraak kon beginnen. Daar
den volgenden dag de wedstrijd zou plaats hebben, haalde
hij met zijn zoon al de wapenen uit de zaal en verborg ze;
twee zwaarden, twee helmen en twee schilden hield hij
er echter op eene plaats, die niet in \'t oog viel.
Toen de minnaars den volgenden dag teruggekeerd wa-
ren, en de spijzen weder voor zich lieten opdragen, kwam
Telenuchos binnen. Hij sloeg de bijlen in eene rechte lijn
in den grond van de zaal en reikte toen de boog aan An-
tinóos over. Hoezeer deze op zijn kracht snoefde, het ge-
lukte hem niet den boog te spannen. De overige minnaars
slaagden evenmin en daarop stelde Antinöos voor, don maal-
tijd te beginnen en later den wedstrijd te hervatten. Toen
de minnaars hunne plaatsen hadden ingenomen, verzocht
Odusseus, die weder op den drempel stond, den boog ook
eens te mogen beproeven. De minnaars barstten in lachen
uit over zulk een vermetelheid en overlaadden den bede-
laar met smaadredenen. Zij wilden hem denboogweigeren,
maar Telemachos bracht hen in herinnering, dat hij alleen
over den boog te beschikken had en stelde dien den bede-
laar ter hand. Met het meeste gemak liet Odusseus den pijl
door de openingen der bijlen snorren, gaf daarop Eumaios
en den ossendrijver, die ondertusschen van de zaak onder-
richt waren, een teeken om ongemerkt de uitgangen te
sluiten, en sprak toen: «De eerste wedstrijd is gelukkig
volbracht; thans kies ik mij een doel, dat nog door geen
schutter getroffen is." Op hetzelfde oogenblik doorboorde
een pijl den hals van Antinóos, die in zijn val de met spijs
en wijn beladen tafel deed omstorten. De overige minnaars
verbeeldden zich, dat dit bij ongeluk was geschied, doch
op \'t zelfde oogenblik had Odusseus de hem eigene gestalte
-ocr page 229-
225
teruggekregen en riep hij meteen donderende stem: "Gij,
onbeschaamde honden! verbeelddet u,dat ik na den onder-
gang van Troje mijn vaderland niet terug zou zien. Daarom
hebt gij mijn goed verbrast, mijn bedienden vernederd om u
ie dienen, en mijn gade gekweld. Gij hadt geen eerbied voor
goden of menschen, daarom zult gij thans allen sterven.
Doodelijk verschrikt wierpen de ontstelde minnaars de
schuld op Antinöos en boden zij Odusseus aan, hom alles
te vergoeden. Odusseus antwoordde: «Voorzeker niet.
Mijn arm zal niet rusten, eer gij uw schanddaden hebt ge-
boet. Op dan ten strijde. Gij zult nu met mij vechten, en
ik hoop, dat niemand uwer aan mijn wrekende hand zal
ontkomen." Een der minnaars trok het zwaard, dat aan zij-
ne zijde hing, maar oogenblikkelijk schoot Odusseus hem
een pijl door de horst. Eindelijk waren de pijlen verscho-
ten. Toen dekten hij en zijn zoon zich met helm en schild
en begonnen zij de overgeblevenen met lansen te dooden.
Melantheus had ondertusschen wapenen voor de minnaars
gehaald en nu begonnen dezen daarmede op Odusseus te
werpen, maar Pallas Athene beschutte hem. Toen Melan-
theus ten tweeden male wapenen wilde halen, gingen Eu-
maios en de ossendrijver hem achtera, grepen hein aan,
bonden hem de handen op den rug, bevestigden aan den
strik, waarmede dit geschied was, een touw en heschen
hem toen aan een pilaar naar boven. Terwijlzij bemin pijn-
lijken toestand tusschen hemel en aarde lieten hangen, keer-
den zij gewapend naar de zaal terug en hielpen daar de
weinige overgebleven minnaars verslaan. Toen dit verricht
was, liet Odusseus zijn oude, getrouwe voedster voor zich
verschijnen, die bij het gezicht van de verslagen minnaars
luide haar blijdschap te kennen gaf, doch Odusseus zeide
haar: "Juich niet, maar voed stille blijdschap, want het
is niet betamelijk over den dood van anderen te juichen."
Daarop beval hij haar de dienstmaagden aan te wijzen, die
zich aan ontrouw hadden schuldig gemaakt. Dezen werden
op eene afgelegene plaats door de twee herders opgehangen,
15
-ocr page 230-
226
terwijl Melantheus oen smadelijkcn, pijnlijken dood onder
ging. Vervolgens hielpen Odussous en Telcmachos de her-
ders om de lijken uit de zaal te verwijderen, die daarna
door slavinnen gereinigd werd. Pallas Athene had, terwijl
dit alles voorviel, Penelope door een diepen slaap bewus-
teloos gemaakt. Odusseus liet haar nu roepen en weldra
omarmden de zoolang gescheiden echtgeiiooten elkander,
met innige dankbaarheid voor dit wederzien.
De terugkeer der Heraklieden.
De verhalen van hetgeen in de eerste eeuwen nahethel-
den tijd perk in Griekenland plaats had, zijn nog zoozeer met
fabelen vermengd, dat de waarheid zich nietvoldoendevan
de verdichting laat scheiden. Dit hoofdstuk kan daarom wel
in \'t algemeen, maar niet tot in bizonderheden opdennaam
van geschiedenis aanspraak maken.
Iu de dagen van Herakles woonden de Doriërsinde na-
bijheid van den berg Olumpos. Toen zij eens in \'t nauw
werden gebracht door een naburig volk, riep hun koning
de hulp in van Herakles, tegen belofte, dat hij dezen do
koninklijke waardigheid en een derde deel van zijn gebied
zou schenken. De koning hield zijn belofte wel niet,
toen Herakles hem had geholpen, maar liet toch, of-
schoon hij zelf twee zonen had, do heerschappij na aan Hul-
los, den zoon van Herakles en Deïaneira. Hullos doodde
Eurustheus, den ouden vijand van Herakles, en wilde zich
toen, als bloedverwant van dien koning, vanMukênaimees-
ter maken. Al zijne pogingen mislukten echter, doch zijn
aanspraken hield hij staande, en liet hij na aan zijn na-
komelingen. Eenigen tijd na den Trojaanschen oorlog trok
de Gricksche volksstam der Thessaliërs, die in \'t kustland
ten Noorden van Dodöna gewoond hadden, over het Pin-
dusgebergto, hetzij omdat zij door naburige volken opge-
drongen werden, hetzij omdat zij wegens het toenemender
bevolking vruchtbaarder woonplaatsen noodig hadden, en
vermeesterden de landstreek, die sedert naar hen Thessalië
-ocr page 231-
227
is genoemd. De volken, die vroeger onafhankelijk in Thes-
salië hadden gewoond, werden gedeeltelijk onderworpen,
maar gedeeltelijk trokken zij zuidwaarts om zich een nieuw
vaderland te veroveren. Een gedeelte hunner onderwierp
of verdreef do Pelasgische stammen van Boiotia (Beotië),
zooals de Kadmeërs van Tliebai, terwijl de Doriërs, onder
aanvoering van de Heraklieden Temënos, Kresphsntos en
Aristodëmos, de Peloponnesosbinnendrongen. Overeenkom-
stig de uitspraak van liet orakel van Delphoi moesten zij een
drieoogig man tot gids kiezen. Dien te vinden scheen hun
onmogelijk toe, maar toen Temënos den Aitolier Oxulos
ontmoette, die dooreen pijlschot een oog had verlorenen op
een paard met twee oogen zat, begreep hij, dat deze de door
liet orakel aangewezen gids was. Nadat de Doriërs in oen
grooten veldslag overwonnen hadden, was het grootste ge-
deelte van de Peloponnesos weldra in hunne macht. De
broeders besloten nu te loten, welk deel ieder hunner van
het veroverde gebied zou krijgen. Zij zouden daarvoor ieder
een,steen in een met watergevulde urn werpen. Hem, wiens
steen er het eerst uitgehaald werd, zou Argos, hem, wiens
steen daarna te voorschijn gebracht werd, Lakonike (La-
conië) ten deel vallen. Kresphontos, die het liefst beheer-
scher van het vruchtbare Messenië werd, wierp in de
urn in plaats van een steen een aardkluit, die terstond
uiteenviel in \'t water, en bereikte door deze list zijn
doel. Temënos verkreeg Argos, Aristodëmos Lakonike,
terwijl Elis aan den gids Oxulos werd toegewezen. Nu
sloegen de Doriërs het oog op Attika, waarheen de van
elders verdreven Joniërs een toevluchtsoord hadden gezocht.
In \'t Zuiden brachten de Doriërs, in \'t Noorden de Boiotiërs
hen in \'t nauw. Xanthos, de koning der Boiotiërs, naderde
mot een leger en daagde den koning van Attika, een af-
stammeling van Theseus, tot een tweegevecht uit om daar-
door het lot van den oorlog te doen beslissen. Daar echter
de Attische koning de uitdaging van de hand wees, bood
zich Melantheus, die van een jongeren broeder van Theseus
-ocr page 232-
228
afstamde, aan, en het gelukte hein Xanthos te dooden. Do
Atheners zetten nu hun latten koning af en vervingen hem
door Melanthous. Toen deze door zijn zoon Kodros was
opgevolgd, rukten de Doriërs tegen Athene op. Het orakel
van Delphoi had hun de overwinning toegezegd, op voor-
waarde, dat zij den koning van Attika spaarden. Zoodra
Kodros dit vernomen had, besloot hij zich voor zijn vader-
land op te offeren. Wel begrijpende, dat de Doriërs hem
in den strijd zouden ontzien, verkleedde hij zich als een
landman, sloop de vijandelijke legerplaats binnen, en zocht
daar twist met een krijgsman, die hem doodde (lOGSv. C).
Toen zijn lijk herkend was, trokken de Doriërs af, maar
Kodros was sedert dien tijd een voorwerp der innigste ver-
eering bij de Atheners. Zijn dood werd den jongelingen
voorgehouden als een schoon voorbeeld van zelfopoffering
en vaderlandsliefde.
Volgens een weinig geloofwaardig verhaal, zouden de
Atheners verklaard hebben, dat niemand waardig was een
zoo edel mensch als Kodros op te volgen, en daarom de
koninklijke waardigheid hebben afgeschaft. Medon, Kodros
zoon, zou daarom aangesteld zijn tot archont voor zijn leven,
een waardigheid, waarin hij verantwoording schuldig was
aan de edelen (eupatrieden).
Kort nadat Aristodëmos met zijn krijgslieden in Lako-
nïke was teruggekeerd, overviel hem do dood. Hij liet twee-
lingszonen na, Eurusthënes en Prokles, en daar het volk
niet wist, wie hunner het eerst geboren was, besloot het,
beiden te gelijk tot koningen te verheffen. Wellicht hoeft
men op deze wijze het merkwaardige verschijnsel zoeken
te verklaren, dat in Sparta voortdurend twee koningen te
gelijk regeerden.
De Dorische volksverhuizing noodzaakte vele Grieken
hun vaderland te verlaten en in andere streken een woon-
plaats te zoeken. Hierdoor ontstonden de talrijke Grieksche
koloniën. Zulk oene kolonie was Sybaris in Beneden-Italië.
Door den vruchtbaren bodem, dien zij bewoonden, en den
-ocr page 233-
22Ü
levendigen handel, dien zij met de Grieksche koloniën op
de Westkust in Klein-Azië dreven, werden de Sybarieten
ongeloofelijk rijk. Die rijkdom maakte hen echter zoo weel-
derig en verwijfd, dat de naam Sybariet spreekwoordelijk
werd gebruikt voor een vadsig mensch\', die alleen voor
zingenot leefde. In 510 werd hunne stad door de Krotoners
geheel verwoest. Het overblijfsel der bevolking bouwde niet
ver van de puinhoopen zijner woningen een nieuwe stad,
Thurium genaamd, maar bij een oproer, dat uitbrak, kwa-
men bijna allen om. Tegenhangers van de Sybarieten waren
do bewoners vau Abdera, een stad in Thracië. De Abde-
rieten stonden bij de Grieken bekend als menselien van een
zeer bekrompen verstand. Van tijd tot tijd hadden zij aan-
vallen van waanzin, hetgeen de Athecnsche ffcneesheer
HippokrStcs, die 400 j. v. C. leefde, toeschreef aan de
dikke lucht, waarin zij leefden. Door Abdcritismus verstaat
men tegenwoordig de meening, dat de menschheid voor
gcene voortdurende ontwikkeling vatbaar is, maar na eene
zekere hoogte van beschaving bereikt te hebben, weder
tot een lageren trap achteruit moet gaan om dan opnieuw
te beginnen.
Het orakel van Delphoi.
De voornaamste band, die de bewoners der verschillende
Grieksche slaatjes tot één natie vereenigde, was hun dich-
terlijke godsdienst, welke hen het evenwicht deed bewaren
tusschen het stoffelijke en het geestelijke. Zij leefden niet
uitsluitend voor zinnelijke.\' genietingen, ook niet alleen voor
een denkbeeldige wereld: zij wisten beide op een ge-
lukkige wijze te verbinden. In de ganschc natuur zagen do
Grieken de werkingen van het geestelijke. Niet alleen in
de lotgevallen van staten en personen, ook in beken en
boomen, in grotten en op rotstoppen, in het dichte der
wouden, in de bewegingen der zoo, in do verschijnselen van
den dampkring zochten de Grieken de werkingendergoden.
-ocr page 234-
230
Hot geloof, dat de goden onmiddellijk niet de menschen
verkeerden, deed de meening ontstaan, datdeonsterfelijken
met hunne meerdere kennis het bekrompen doorzicht der
stervelingen somtijds met een enkelen wenk voorlichtten.
Aan de zuidwestelijke helling van den berg Parnassos
lag de stad Delphoi (Delphi), in welker nabijheid uit een
rotskloof bedwelmende dampen opstegen. Reeds in de 9de
eeuw v. C. meenden de Grieken, dat op deze plek de god
Apollon raad gaf en de toekomst voorspelde en daarom
werd zij Putho, vraagplaats, genoemd. Om deze heilige
plaats bouwden de bewoners van Delphoi een muur en
binnen de ingesloten ruimte, die een aanzienlijk plein vorm-
de, een tempel. In dien tempel stond het gouden beeld van
Apollon, en onmiddellijk daarachter bevond zich de rots-
kloof. Delphoi was een priesterstaat. Vijf uit oude, adel-
lijke geslachten gekozen opperpriesters, bijgestaan door oen
aanzienlijk getal tempelbeambten, bestuurden den eere-
dienst en den staat. De inkomsten bestonden uit de op-
brengst van een aanzienlijk grondgebied, dat door pachters
en slaven bebouwd werd, en bovendien uit offergaven van
hen, die den god kwamen raadplegen. Aanvankelijk kon
dit slechts op één dag in \'t jaar geschieden, bij den aanvang
der lente, later geschiedde het elke maand, en eindelijk
zoo vaak, als men het verlangde en de voorteekenen gun-
stig waren. Wie den god wilde raadplegen, moest zich
daartoe eenige dagen vooraf voorbereiden door zich te
reinigen met het water van de Kastalische bron, wier
water langs den tempel vloeide. Was dit geschied, dan
werd hij met een laurierkrans om het hoofd den tempel
binnengeleid om den god een offerdier te wijden. Bevonden
de priesters, dat het dier zonder gebreken was, zoo ver-
klaarden zij de voorteekenen gunstig en werd den vragen-
de toegestaan zich naar het vertrek te begeven, waar zich
de rotskloof, "de mond der Aarde," bevond. Zwijgend zette
hij er zich op den drempel neder. Nu naderde de Puthia,
een jonkvrouw, die door de opperpriesters uit een deftige
-ocr page 235-
231
Delphisclie familie was gekozen, en tot haar dood afge-
zonderd in den tempel moest loven. Zij plaatste zich op den
metalen drievoet, die boven de walmende kloof stond, ter-
wijl de door de opperpriesters aangestelde profeet aan haar
zijde ging staan. Weldra gevoelde de Puthia de werking
der dampen. Haar lichaam werd door zenuwtrekkingen
geschokt, schuim kwam haar op den mond en in razernij
stiet zij onverstaanbare klanken en onsamenhangende woor-
den uit. Hieruit maakte de profeet het antwoord van den
god op, dat aanvankelijk meestal in zesvoctige verzen werd
gegeven. De godsspraak was in den regel duister en steeds
voor verschillende uitleggingen vatbaar, zoodat zij, als de
uitkomst eenmaal bekend was, zoo kon worden opgevat,
dat zij ermede overeenstemde. Won het orakel van Delphoi
hierdoor het algemeen vertrouwen der Grieken, zijn aan-
zien klom steeds, dewijl de groote onkosten, die aan het
raadplegen der godheid verbonden waren, slechts aan staten,
vorsten en zeer rijke burgers toestonden, er gebruik van
te maken. De scherpzinnige priesterschap van Delphoi kreeg
een grooten invloed, niet slechts op de handhaving van de
oude zeden en gewoonten, maar ook op de beslissing van
staatkundige vraagstukken, het stichten van koloniën, enz.
Zoolang Sparta en Athene nog geen overwicht over de
andere Grieksche staten hadden verkregen, werkte het
orakel van Delphoi gunstig door ruwe zeden te keer te
gaan, de kunsten des vrodes te bevorderen, bloedige oor-
logen te voorkomen en vrede en eenheid te bewaren. Latei-
was het dikwijls de dienaar van deze of gene partij, die
erin geslaagd was, de opperpriesters om te koopen.
Een twaalftal steden of staten, in de nabijheid van den
tempel van Delphoi, hadden een verbond gesloten, zooals
er in Griekenland meer bestonden, en die bekend waren
onder den naam x&wamphiktionia. HetDelphischeamphik-
tionen-verbond stelde zich ten doel den heiligen tempel te
beschermen, terwijl zijn leden zich verbonden, een stad,
die tot de vereeniging behoorde, nooit geheel te vewoesten,
-ocr page 236-
232
noch haar, hetzij in oorlogs-, hetzij in vredestijd, den toe-
voer van water af to snijden. De leden der amphiktionia
vergaderden tweemaal \'sjaars; in\'t voorjaar te Delphoi,
bij welke gelegenheid de Puthitscho spelen gehouden wer-
den, en in den herfst in den Artemistempel nabij Thermopulai.
Do 01 um p i s c h e spel e n.
In het landschap Elis ligt een vlakte, die door de rivier
Alphëos besproeid, en ten boorden begrensd wordt door
een boschrijke hoogte, welke den naam Olumpos draagt.
Daar, waar de van den Olumpos stroomcnde beek Kladeos
haar wateren in den Alpheos stort, stond het heilige woud
en het altaar van Zeus. Het heiligdom heette Olumpia en
werd alleen bewoond door priesters. Reeds in overoude
tijden werden hier godsdienstige feesten gehouden. Zij
kregen een grooto belangrijkheid, toen in de eerste helft
der !)\'\'" eeuw, de Spartanen met den koning van Elis een
verdrag sloten, waarbij bepaald werd, dat zij om de vier
jaren deel zouden nemen aan de plechtige offeranden, die
de bewoners van Elis er aan den Olumpischen Zeus brach-
1 on. Om te voorkomen, dat bij het feest vijandelijkheden
plaats hadden, werd bepaald, dat de gezanten van Sparta
on allen, die zich bij hen aansloten, in vollen vrede naar
Elis zouden reizen. Tot dit verdrag traden langzamerhand
alle Grieksche staten, zelfs de koloniën, toe.
Als do tijd voor het feest was aangebroken, zond iedere
staat zijn afgezanten, op het prachtigst uitgedost, met een
sierlijk bekranst schip naar Elis, terwijl eengrootemenigte
Grieken, die als medewerkers of toeschouwers aan de wed-
spelen wilden deelnemen, er zich op eigen gelegenheid
beenbegaven. Allen legerden zich in tenten tusschen het
heiligdom en de rivier, en allerwegen vond men kramen, waar
versnaperingen en allerlei benoodigdheden to koopwaren.
De feesten begonnen met offeranden en gezangen ter eere
-ocr page 237-
233
der goden. Was men hiermede gereed, dan begonnen de
spelen. Het oudste, in de vroegste tijden wellicht het
eenige, was de wedloop, die voortdurend in \'t hoogste
aanzien stond. De loopbaan heette liet stadion: zij was
juist eene stadie of 185 M. lang. Hierheen werden nu
allen geleid, die zich tot den wedstrijd hadden aangemeld,
en dit konden alleen vrije Grieken doen, die bij oedo ver-
zekerden, dat zij zich gedurende minstens tien maanden
tot den wedstrijd hadden voorbereid, en de belofte afleg-
den, dat zij noch door omkooping, noch door kunstmiddelen
de overwinning zouden trachten te verkrijgen. Hadden
de scheidsrechters aan het eene uiteinde, binnen de afge-
paalde ruimte, en de toeschouwers erbuiten plaatsgenomen,
dan riep een heraut: «Kan iemand dezen kanipvechtors
verwijten ooit boeien gedragen of een ongeregeld loven
geleid te hebben ?" Verhief iemand tegen een hunner zijn
stem, dan werd de aanklacht onmiddellijk onderzocht.
Werd de vraag van den heraut met oen algemeen stilzwij-
gen beantwoord, zoo nam de wedstrijd terstond een
aanvang. De rechter reikte den overwinnaar oen palmtak
toe, en de heraut maakte zijn naam en die zijner geboorte-
stad luide bekend, waarop duizenden stemmen ze met ge-
juich herhaalden.
Weldra werden aan den wedloop andere spelen toegevoegd,
zooals het worstelen, het vuistgevecht en het werpen niet
de schijf. Evenals de wedloopers verschenen de worstelaars
geheel naakt, het lichaam met olie ingewreven om het
tegen tocht te beschutten en het sterke uitwasenicn te
temperen, en daarna met fijn zand bestrooid om de gladheid
eenigszins weg te nemen. Om overwinnaar te zijn moest
men zijn tegenpartij tweemaal op den grond werpen en
dan zoolang vasthouden, tot hij den arm omhoog stak als
een teeken, dat hij zijn nederlaag erkende. Bij het vuist-
gevecht omwonden de strijders den arm en de hand met
harde lederen riemen van metalen knoppen voorzien,
en kwam het erop aan, zijn tegenstander geduchte
-ocr page 238-
2:54
slagen toe te brengen. Bij dit gevecht werden gewoonlijk
hevige kneuzingen toegebracht, die men zocht te genezen
door op de belecdigde plekken in olie gedoopte lappen te
leggen. Een vuistvechter, vrien door zijn tegenpartij de
tanden stuk waren geslagen, zoo luidt het verhaal, deed
niets van zijne pijn blijken en slikte de stukken tand door,
waarop zijne tegenstander, die bijna uitgeput was, in de
meening een vergeefschen aanval te hebben gedaan, zich
voor overwonnen verklaarde. Menig vuistvechter werd
bewusteloos of dood van de kampplaats gedragen ; maar
in het laatste geval ontving de overwinnaar geen onder-
scheiding. Bij het werpen met de schijf kwam het erop
aan, wie een kleine, maar zware metalen schijf het verst
kon werpen.
Al leerde de ondervinding, datdebesteathletenofkamp-
vechters in den oorlog niets voor hadden boven gewone
strijders, toch bleven de Grieken lichaamsoefeningen op
den hoogsten prijs te stellen, omdat zij begrepen, dat ver-
stand en gemoed zich slechts gezond kunnen ontwik-
kelen, wanneer aan het lichaam de noodige zorg wordt
gewijd.
Sedert 080 werden er ook wedrennen gehouden op
wagens met twee- of vierspan. Tot dit doel was er een
hippodromos, dat de dubbele lengte van het stadion had.
Op de glooiingen der beide langste zijden van het hippo-
droom zaten de talrijke toeschouwers, wier gejuich paar-
den en menners aanvuurde. Aan een der kortste zijden
waren stallen aangebracht, waaruit de paarden en wagens
in \'t renperk snelden ten einde aan de tegenoverliggende
zijde langs twee zuilen te rijden. De overwinnaar moest
twaalfmaal het renperk zijn rondgereden. Aan dezen wed-
strijd konden alleen de edelen, die rijk genoeg waren uit-
stekende paarden te houden, deelnemen. Op een teeken
van den kamprechter werden de touwen, die de renbaan
van de stallen scheiden, weggenomen, en de wedstrijd nam
een aanvang. Het was voor de menners een gevaarlijk
-ocr page 239-
235
werk. Niet zelden stiet een wagen in dolle vaart tegen
■een anderen of tegen een der zuilen; de wagen werd dan
verbrijzeld of de menner door den schok er uit geworpen
•en door de pijlsnel voortrennende rossen door de renbaan
gesleurd. Daar de eigenaar der paarden en niet de men-
ner den eereprijs ontving, zonden zelfs koningen hunne
beste spannen naar de Olumpische spelen.
De spelen, die vroeger één dag, later verscheidene da-
gen duurden, begonnen met zonsopgangen eindigden na den
middag; maar reeds vier, vijf uren voor den aanvang be-
gaven zich toeschouwers naar de renbaan om zich een
goode plaats te verzekeren. Noch de brandende Julizon,
noch het geplaag van de ontelbare zwermen muggen, die
zich in de moerassige streken van Olumpia ophielden, kon
de opgewektheid bij de medestrijders of bij de duizenden
toeschouwers temperen. Onafgebroken volgden dezen uren-
lang met onverminderde belangstelling de spelen, telkens
de kampvechters met hunne toejuichingen aanmoedigende,
terwijl zij hunne behoefte aan voedsel te gemoet kwamen
met wat brood en knoflook, dat ieder in een kleinen ran-
sel bij zich had.
De laatste dag van het feest was aan de bekroning der
overwinnaars gewijd. Nadat onder het gejuich eenerontel-
bare menigte de offerande op het altaar van Zeus in \'t hei-
lige woud waren verricht, hielden de overwinnaars, sierlijk
uitgedost, bij de tonen der fluiten een plechtigen optocht
door de renbaan: sommigen zaten daarbij op paarden, an-
deren op wagens, die het volk met bloemen versierde. De
heraut riep daarna achtereenvolgens de namen deróvcrwin-
naars af, wien de voorzittende rechter ieder een olijfkrans
op \'t hoofd zette. Die krans was de hoogste roem, die een
Griek kon verwerven, en waarin niet alleen de overwinnaar
zelf, maar zijn gansche vaderstad deelde. Zijn medebur-
gers haalden hem in zegepraal binnen, zongen lofliederen
te zijner eere, lieten zijn beeld van marmer vervaardigen
-en te Olumpia plaatsen, en in geheel Griekenland weerklonk
-ocr page 240-
23(y
zijn naam. Diagöras van Rhodos, die eens don olijfkrans
had verkregen, kwam op zijn ouden dag te Olumpia met
zijn twee zonen, die beiden liet geluk hadden, in de spe-
len de overwinning te behalen. Toen zij hunne olijfkran-
sen hadden ontvangen, zetten zij die hun vader op het hoofd
en droegen den grijsaard op hunne schouders door de jui-
chende menigte, die hein met bloemen bestrooide en toe-
riep: r,Sterft nu Diagöras, want voor u blijft er niets te
wenschen over." De overmaat van geluk was den ouden
man te sterk. Hij zonk voor de oogen der vergadering in-
een en bleef levenloos in de armen zijner zonen.
Langzamerhand begonnen kunstenaars en geleerden de
Olumpische spelen te bezoeken om hunne vaardigheid of
hunne werken bekend te maken. Op die uren van den
dag, dat de kampstrijden stil stonden, verspreidden
zich de aanwezigen in verschillende groepen langs de
bekoorlijke oevers van den Alphêos, om zich, ieder
naar zijn smaak, in de kunsten der Muzen te vermeien.
Hier wedijverden fluit- of citerspelers met elkander, elders
las een dichter, een wijsgeer, eenredenaarofgeschiedschrij-
ver (Herodotos deed het o. a.) zijn werken voor. Uitste-
kende mannen, wier roem alom weerklonk, maar die elk-
ander nooit gesproken hadden, maakten hier kennis; bi-
zondere personen, ja zelfs steden sloten hier verbonden van
vriendschap; allerlei zaken van algemeen belang werden
hier bekend gemaakt, terwijl kooplieden bovendien gelegen
heid vonden in "t belang van hun handel werkzaam tezijn.
Later rekende men het jaar 77(> v. C, toen voor\'t eerst
de namen der overwinnaars werden opgeteekend, als
dat der eerste Olumpiade. Zulk een jaar liep van Juli tot
Juli. De verschillende Grieksche staten hadden wel ieder
zijn eigene tijdrekening; zij onderscheidden de jaren niet,
zooals wij, door getallen, maar noemden iederjaar naar den
persoon, die er het hoogste staatsambt in bekleedde; maar
door de tijdrekening der Olumpiaden viel het gemakkelijk
vast te stellen, wannoergroote gebeurtenissen hadden plaats
-ocr page 241-
237
gehad. De Griokschc geschiedschrijvers begonnen hiermede
omstreeks drie eeuwen v. G.
Nog drie andere spelen kregen behalve de Olumpische,
maar in veel geringer mate, een nationale betcekenis: de
Pathische te Delphoi, waar een krans van laurierbladen
(lauwerkrans), de Nemeïschc, waar een klimopkrans en de
Isthmische, nabij Korinthe, waar een krans van pijnboom-
takjes den overwinnaar op \'t boofd werd gezet.
De -wetten van Lukoergos.
De twee koningsjreslachtcn, die over Sparta regeerden
en naar de zonen van Eurusthenes en Prokles, de Agiden
en de Eurupontiden zijn genoemd, leefden in voortdurende
tweedracbt. Dit werd op dendmirgevaarlijk voorden staat,
want het betrekkelijk klein aantal Doriërs, die Lakonike
(Laconié) beheerschten en zich in het dal van den Eurötas
te Sparta gevestigd hadden, moesten zichsteeds mctdewa-
penen in de vuistdoengeldeubijdePerioiken, omwonenden,
die zij schatplichtig, en bij de Heloten, die zij tot staats-
lijt\'eigenen gemaakt hadden. Uit dien gevaarlijken toestand
werden de Spartanen gered door den wijzen, edelen Lukoer-
gos (Lucurgus), die tot het geslacht der Eurupontiden be-
hoorde. Wat van dezen man wordt medegedeeld, is meer
sage dan geschiedenis. Men schijnt te mogen aannemen,
dat hij, na een langdurig verblijf op Kreta, waar de Dori-
sche instellingen het zuiverst bewaard gebleven waren, ge-
steund door een uitspraak van het orakel van Delphoi
en door de achting, die men hem algemeen toedroeg, erin
slaagde, de tucht, die verslapt was, onder de Spartanen
te herstellen, de verhouding tusschen de twee konings-
geslachten op een beteren voet te brengen en het gezag
der verschillende staatsmachten te regelen. Wat door
Lukoergos en wat na hem is vastgesteld, kan niet altijd aan-
gewezen worden. Zeker is het, dat de Spartaansche staats-
regeling geruimen tijd als de uilstekendste van alle Griek-
-ocr page 242-
238
sche staten werd beschouwd. Toon later do meeste
Grieksche staten de Spartanen in beschaving voorbij
streefden, vond men haar zonderling en ondoelmatig. De
staatsregeling der Spartanen, die gedeeltelijk ten tijde van
Lukoergos, gedeeltelijk in latere tijden is vastgesteld,
staat bekend onder den naam van wetten van Lukoergos.
Wij zullen er het voornaamste van aanstippen.
Het doel der staatsregeling was, aan de Dorische ver-
overaars, do eigenlijke Spartanen, de voorrechten van een
adelstand te verzekeren tegenover de overheerschten. Om
zonder de geringste zorg voor hun levensonderhoud alleen
voor de genoegens der jacht en voor het voeren van oorlog
te kunnen leven, moesten de Spartanen den hoogsten trap
van gehardheid en geoefendheid in alles, wat den krijg be-
trof, weten te bereiken; Avant toen zij in oen later tijdvak
8000 huisgezinnen, dus nauwelijks 40,000 zielen telden,
hadden zij bijna 200,000 perioiken of staatshoorigen en
meer dan 500,000 heloten of staatslijfeigenen in bedwang
te houden.
De voornaamste! plichten tier twee koningen bestonden in
het offeren voor het gansche volk, het aanvoeren van het
leger en de rechtspraak. Hunne macht was zeer beperkt.
Zij vormden met acht en twintig voor hun leven gekozen
gei\'onten, die den leeftijd van minstens zestig jaar moesten
hebben, de geroesia of den raad der oudsten, aan wedken
het bestuur van den staat was opgedragen. Ieder Spartaan,
die den leeftijd van dertig jaar had bereikt, was lid van de
volksvergadering, die over de voorstellen van de geroesia
besliste en zonder wier toestemming geen oorlog verklaard
en geen vrede gesloten kon worden. Telkens als het volle
maan was, werd er een volksvergadering gehouden. De
leden mochten daarbij niet over do voorstellen beraadslagen;
zij brachten eenvoudig hunne stem uit door toe te juichen
ofte zwijgen. Kon men mocielijk uitmaken of de meerder-
heid toejuichte of zweeg, dan schaarden zich de voorstan-
ders van het voorstel aan de eene, de tegenstanders aan de
-ocr page 243-
2:?9
andere zijde der markt. I)c volksvergadering koos ook
de hoogste staatsambtenaren. Moest er b. v. een geront ge-
kozen worden, dan lootten allen, die naai\' die waardigheid
dongen, om de volgorde, waarin over hen gestemd zou
worden. Eenige onpartijdige mannen werden daarop zoo
geplaatst, dat zij de candidaten niet konden zien en ver-
volgens liepen dezen, ieder op zijn beurt, door de vergade-
ring, terwijl hunne vrienden en voorstanders een luid
geschreeuw aanhieven. Wanneer allen rond waren ge-
weest, verklaarden de onpartijdige mannen, bij welk num-
mer het luidst geschreeuw was aangeheven, en de persoon,
wiens nummer het was, werd daarop tot geront aangesteld.
Wanneer de koningen te velde waren, stelden zij vijf
ephoren aan om gedurende hunne afwezigheid de staats-
zaken te regelen. De macht dier ephoren nam voortdurend
toe. Later werden zij voor één jaar door den adel gekozen,
en kregen zij het toezicht over alle ambtenaren, zelfs over
de koningen, maar niet over de geronten. In buitengewone
gevallen daagden zij een koning voor ecu uit ephoren en
geronten bestaande rechtbank, die de doodstraf over hem
kon uitspreken. Naar den eersten ephoor werd het jaar
genoemd: zoo sprak men van het jaar, dat Theagenes, of
van het jaar, dat Charikles ephoor was.
De opvoeding der Spartanen had uitsluitend ten doel,
hen tot goede krijgslieden te doen opgroeien. Zoodra een kind
geboren was, werd het door de twee oudsten van de familie,
waartoe het behoorde, onderzocht of het lichaamsgebre-
ken had. Was dit het geval, zoo werd het in een kloof
van het Taugetongebergte (Taygetes) nedergelegd om den
hongerdood te sterven. Werd liet daarentegen goedge-
keurd, zoo gaf men het aan zijn moeder terug, die al
haar zorgen wijdde aan de lichaamsontwikkeling van haar
kind. Zachtheid was aan de Spartaansche moeders geheel
vreemd. Als meisjes moesten zij zich door allerlei lichaams-
oefeningen, zooals hardloopen, worstelen, het werpen niet
de schijf, enz. harden. Hadden zij openbare oefeningen, dan
-ocr page 244-
240
waren do knapen en jongelingen toeschouwers, gelijk dezen
haar tot toesckouwsters hadden bij het afleggen van
proeven hunner behendigheid en kracht. De Spartaan-
scue vrouwen waren sterk en schoon. Zij behoefden
zich niet zooals de vrouwen bij de overige Grieken in
haar huizen te verschuilen. Zij vertoonden zich onge-
dwongen in \'t openbaar, als zij gehuwd waren ech-
ter gesluierd, en spraken zelfs over staatszaken haar mee-
ning uit.
Op hun zevende jaar werden de knapen uit het
ouderlijk huis verwijderd om in kazernen op kosten van
den staat te worden opgevoed. Hier stond een aantal jon-
gere knapen onder het toezicht van een ouderen. Zoodra
zij in \'t gesticht kwamen, werd hun het haar kort
gesneden en kregen zij een bed van stroo zonder
dek. Van hun vijftiende jaar af moesten zij slapen
op riet, dat zij zei ven aan de oevers van den Eurötas
hadden gesneden. Zoowel \'s winters als \'s zomers liepen
zij steeds blootsvoets en droegen zij slechts een wol-
len hemd, chiton. Op lateren leeftijd droegen zij, behalve
den korten chiton, een mantel, himation, een vierkant stuk
wollen stof, dat zij over den linkerschouder sloegen en om
den rug heen onder den rechterarm doortrokken. Om zich
aan ontberingen te loeren gewennen, werden de knapen
zoo schraal gevoed, dat de honger hen dikwijls tot den
diefstal van eetwaren dreef. Gelukte het hun behendig te
stelen, zoo mochten zij er zich op beroemen, en werd hunne
geslepenheid toegejuicht. Werden zij echter op heeterdaad
betrapt, zoo werden zij met de roede gekastijd wegens
hunne onhandigheid. Daar zelfbcheersching als de hoogste
deugd der knapen werd geroemd, moesten zij zich ieder
jaar voor het altaar van Artemis laten geeselen om te
toonen dat zij smart konden verdragen, zonder het gevoel
van pijn door hunne kreten of vertrokken gelaatstrekken
te toonen. Wie de gceseling het langst uithield, was
overwinnaar. Soms gebeurde het, dat een knaap onder
-ocr page 245-
241
de geeseling doodviel, zonder een kreet te hebben geuit.
Een wetenschappelijke opvoeding kregen de knapen
niet. Wie het verlangde, kon onderricht ontvangen in \'t
lezen en schrijven; maar dit werd niet voor onontbeerlijk
gehouden en de meerderheid hield er zich dan ook niet
mede op. Daar de Spartanen ongezellig van aard waren,
hadden zij een afkeer van aan hunne uitdrukkingen een
beschaafden vorm te geven of fraaie redevoeringen uit te
spreken of aan te hoorcn. "Wat zij te zeggen hadden, zei-
den zij meestal kort af, plomp. Sommige Spartanen van
bizondercn geestelijken aanleg wisten die gewoonte te ver-
edelen tot een snedig, kort en bondig antwoorden, datbe
haagt en naar hen dennaamvanfo&wwmehceftontvangon.
Muziek en dans werden voor den Spartaan noodig ge-
oordeeld; daarom leerde hij de citer bespelen en krijgs-en
godsdienstige liederen zingen. Verder leerde bij dansen,
die bij godsdienstige feesten in gebruik waren, en voorna-
melijk den krijgsdans, waarbij allerlei wijzen van aanval
met de werpspies en alle lichaamsbewegingen, waardoor
men een slag, stoot of worp van een vijand kon ontgaan,
werden nagebootst.
Gymnastiek was de hoofdzaak der opvoeding en daar
zij uitsluitend de vorming van krijgslieden ten doel had,
bepaalde men zich daarbij lot loopen, springen, worstelen,
en het werpen met spies en schijf. Op hun twintigste jaar
begonnen de Spartanen dienst te doen bij het leger.
Om liet doel der staatsregeling, de instandhouding van
den adel, des te beter te bereiken, waren de snssitïên of
openbare maaltijden ingesteld. Zoowel in oorlogs- als in
vredestijd waren de edelen boven de twintig jaar in disch-
genootschappen van twaaf tot vijftien personen afgedeeld.
De loden van zulk een genootschap zwoeren, elkander nooit
te zullen verlaten, en moesten iederen dag gezamenlijk den
maaltijd gebruiken. Hierdoor was de gezelligheid en het
genoegen van het huiselijk leven den Spartanen gansch on-
bekend. Zij moesten zich geheel wijden aan het vaderland,
16
-ocr page 246-
242
d. i. aan de belangen van den adel, en daarvan niet wor-
den afgetrokken door liefde voor vrouw en kinderen.
Terwijl de Spartanen de Perioiken met zachtheid behan-
delden, zoodat zij sedert het einde der zesde eeuw hun le-
ger wel eens met eenige duizenden hunner durfden verster-
ken, verdrukten zij de Heloten op de gruwelijkste wijze.
Dezen mochten niets anders dragen dan een lederen kapen
een schaapsvel, terwijl hot hun streng verboden was, zich
De vijf Ephoren.
in den wapenhandel te oefenen of krijgsliederen te zingen.
Het strenge toezicht, waaronder zijstonden,brachthenniet
zelden tot wanhoop. De ephoren gaven iederen herfst, ter-
stond na hunne verkiezing, aan eenige honderden der krach-
tigste en geslepenslo jongelingen last tot de krupfeia of
geheime jacht. Met het zwaard aan de zijde en den ransel
op den rug slopen de jongelingen gedurende don winter
langs de verblijfplaatsen der Heloten om hunne gesprekken
-ocr page 247-
243
af te luisteren. Hoorden zij, dat een Heloot aan zijn onte-
vredenheid lucht gaf, of bemerkten zij iets, dat hun ver-
dacht voorkwam, dan gaven zij er kennis van aan de e-
phoren, die daarop uitspraak deden, of deze of gene Heloot
om \'t leven moest worden gebracht. De jongelingen moes-
ten de aangewezen slachtoffers door sluipmoord het leven
benemen. Dikwijls moesten zij dagen lang in bosschen en
rotskloven den aangewezene belonen, eer het hungelukte
hem, zonder door anderen gezien te worden, te overvallen.
Door de krupteia smoorden de Spartanen menigen opstand
en roeiden zij de beste en krachtigste Heloten uit.
De eenvoudige levenswijze der Spartanen was oorzaak,
dat de handel onder hen niet kon bloeien. In den tijd, dat
het goud nog schaarsch was in Griekenland, gebruikten zij
ijzeren staafjes als ruilmiddel bij den kleinhandel. Toen
later de edele metalen algemeener werden, maakten zijbe-
palingen tegen het gebruik van gemunt goud en zilver. De
staat geraakte echter in het bezit van groot e schatten goud
en zilver, die in daartoe opzettelijk gebouwde schatkamers
in de tempels van Delphoi en Olumpia werden bewaard,*"
totdat bij het eindigen van den Peloponnesischen oorlog de
schatkist naar Sparta werd verplaatst. Bij de Perioiken,
die wel gouden en zilveren munten gebruikten, kwamen
sommigen takken van nijverheid tot een vrij hoogen trap
van ontwikkeling.
De Messenische oorlogen.
De Spartanen, bevreesd, dat de bewoners van het vrucht-
bare Mcssenië eens gevaarlijke vijanden voor hen konden
worden, en begeerig dat land onder hunne heerschappij te
hebben, dewijl het als bolwerk voor hun eigen staat kon
dienen, besloten in de tweede helft der achtste eeuw v. G.
het te veroveren. De verhalen aangaande de twee oor! ogen,
die hiervan het gevolg waren, zijn zoo opgesierd niet legen-
den, dat het niet altijd mogelijk is waarheiden verdichting
-ocr page 248-
244
te onderscheiden. Zij geven echter een getrouwe voorstel
ling van de denkwijze der Grieken.
Toen de Spartanen zich heimelijk ten strijde toegerust, en
gezworen hadden, den strijd niet te eindigen, eerMessenië
veroverd was, overvielen zij bij nacht een Mcssenischegrens-
stad en vermoordden er liet grootste gedeelte der inwoners
op hunne legersteden of in de tempels en voor de altaren,
waarheen velen, in de meening er veilig te zijn, gevlucht
waren. De Messeniérs toonden zich echter door dien on-
verhoedschen aanval niet ontmoedigd. Zij oefenden zich in
den wapenhandel, deden strooptochten in \'t gebied van
Sparta on waagden zich in \'t vijfde jaar van den oorlog
aan een veldslag, die onbeslist bleef. Op den duur echter
bleven de Spartanen in \'t voordeel, en zagen do Messeniërs
zich genoodzaakt hunne steden te verlaten en zich te ver-
eenigen op den berg Itlujmc, waar zij een versterkt leger-
kamp oprichtten. Tevens raadpleegden zij het orakel van
Delphoi, dat bij alle Doriërs in groot aanzien stond, en
kregen ten antwoord, dat Messenië behouden kon blijven,
als een meisje uit het koninklijk geslacht, doorliet lot aan
te wijzen, aan de onderaardsche goden werd geofferd. Toen
het lot geworpen was, verklaarde de offerpriester, dat de
aangewezene niet voldeed, daar zij slechts een aangenomen
kind was. Om een einde te maken aan den twist over de
vraag, of men opnieuw liet lot zou werpen, trad een man
van het koninklijk geslacht, Aristodgmos, die zich in den
oorlog roemrijk onderscheiden had, vooruit en bood aan,
zijn dochter tot heil van \'t vaderland op te otteren. De
verloofde van het schoono meisje trachtte zich tegen het
besluit van den vader te verzetten. Te vergeefs: Aristode-
mos doorstak zijne dochter met eigen hand. De offerpriester
gaf hierop te kennen, dat aan den wil der goden niet was
voldaan, dewijl hot meisje noch door het lot aangewezen,
noch op de gebruikelijke Avijze geofferd was. De koning
beweerde echter het tegendeel, en \'t volk geloofde hem.
Toen kort daarna de koning was gesneuveld, koos het volk
-ocr page 249-
245
in zijne plaats Aristodemos, wien liet gelukte den Spartanen
aan den voet van den berg Ithöme cene geduchte nederlaag
toe te brengen. Sedert werd de oorlog weder niet afwisse-
lend geluk gevoerd, en toen de Spartanen langzamerhand
weder voordeelen behaalden, ondervraagden de Messeniërs
nogmaals bet orakel van Delphoi. De Puthia gaf ten ant-
woord, dat die partij overwinnen zou, welke bet eerst
honderd drievoeten om het altaar van Zeus te IthCmeplaats-
te. Nu meenden de Messeniërs zeker van hunne zaak te
zijn. Het stond aan hen er de drievoeten te plaatsen, wan-
neer zij wilden, en vertrouwende op die zekerheid, lieten
zij het na. Die zorgeloosheid kwam bun duur te staan.
Zoodra de Spartanen door bet bun genegen orakel kennis
hadden gekregen van bet antwoord, vervaardigde een hun-
ner, Oibfllos, in baast honderd kleine drievoeten van leem
en plaatste die, als jager verkleed, in den nacht heimelijk
om het altaar van Zeus te Itböine. Toen de Messeniërs het
den volgenden dag bemerkten, zagen zij in, dat bet noodlot
hun ondergang bad besloten. Aristodemos doorstak nu zich
zelven op bet graf zijner vruchteloos geofferde dochter, en
nadat de Messeniërs nog menig verlies geleden, en hunne
dapperste aanvoerders verloren badden, verlieten zij, door
gebrek gedwongen, hunne veilige stelling en zochten zij
een schuilplaats bij hun bevriende volken. Degenen, die
hun vaderland niet wildon verlaten, waarschijnlijk de meest
beboeftigen, moesten bij cede beloven nimmer iets tegen de
Spartanen te zullen ondernemen, de helft van de opbrengst
hunner landerijen als schatting af te staan en bij de be-
grafenis van een Spartaansch koning bet rouwgewaad aan
te trekken.
Omstreeks een halve eeuw later deden de Messeniërs
een poging om hunne vrijheid terug te erlangen. Een jonge-
ling van koninklijken bloede, Aristomënes, was de ziel
van den opstand en wist zich de hulp te verzekeren van
Arkadië, Argos, en andere staten. Toen hij in een gevecht,
dat onbeslist bleef, de uitstekendste bewijzen van dapper-
-ocr page 250-
24G
heid en beleid had gegeven, wilden de Messeniërs hem
tot koning uitroepen, doch hij weigerde die opdracht en
stelde zich tevreden mot do benoeming tot opperbevelheb-
ber van \'t leger. Spoedig daarop sloop hij op een nacht
Sparta binnen en hing daar in den Pallastompel een schild
op, met hot opschrift: «Aristomenes wijdt dit aan de
godin na zijn overwinning op de Spartanen." Onthutst
over zulk een stoutheid en weldra geheel ternoderge-
slagen door de voortleelen, die Aristomenes op hen behaal-
de, vraagden de Spartanen om raad bij het orakel te Dolphoi,
en dit gaf hun ten antwoord, dat zij to Athene een veld-
heer moesten zoeken. Op hun verlangen zonden de Atheners
Turtaios, die als dichter en veldheer uitmuntte, on er door
zijn aangrijpende krijgsliederen in slaagde, den moed dor
Spartanen weder aan to wakkeren. Weldra gelukte hot
den Spartanen de Arkadiërs door omkooping van het ver-
bond met de Messeniërs af te trekken. Dezen besloten
hierop, evenals in den oorsten Messenischen oorlog, alleen
de Westkust van hun land to verdedigen, terwijl de strijd-
bare manschap van de overige stroken zicli samentrok op
den berg Ira, vanwaar Aristomenes den Spartanen door
uitvallen en strooptochten afbreuk deed. Bij zulk oen ge-
legenheid werd Aristomenes met vijftig zijnor spitsbrooders
door de Spartanen gevangen genomen, die hen in oen rots-
kloof wierpen, waar gewoonlijk misdadigers hun loven
moesten eindigen. Allen vielen to plotter, behalve Aristo-
menes, die, volgons het verhaal, als door een wonder in
\'t leven bleef. Hier zat de held bij de lijken zijner vrienden,
nergens uitkomst ziende, omdat do kloof van alle zijden
door steile rotswanden was omgeven, toen een vos langs
hem heen liep, dien hij bij den staart greep. In zijn pogingen
om te ontkomen trok het dier Aristomenes naar eene kleine
opening in de rotsen, waar hij door wist te worstelen en
aldus buiten de kloof geraakte. Groot was de verbazing en
niet minder de vreugde, toen de Messeniërs hun dood ge-
waanden held zagen terugkeeren, en weldra overtuigde
-ocr page 251-
247
hij tic Spartanen door hun eene nederlaag toe Ie brengen,
dat het hun ongeloofelijk schijnende gerucht van zijn ont-
koming, de volle waarheid behelsde. Om den govreesden
man opnieuw in hunne macht te krijgen omsingelden zij
den beig Ira van alle kanten. Eens sloten zij met de Mes-
seniërs een wapenstilstand van veertig dagen om een gods-
dienstig feest te vieren. Toen Aristomenes, op de heiligheid
van \'t verdrag vertrouwende, zich builen de vesting ver-
toonde, werd hij door Kretensische boogschutters, die in
dienst stonden der Spartanen, gegrepen, en geboeid om
naar Sparla gevoerd te worden. Onderweg namen zij hun
intrek bij een Messenische vrouw om eenigo rust te nemen,
en nu besloot de dochter der vrouw, bewogen door het
vreeselijk lot, dat den held baars vaderlands wachtte, hem
te redden. Zij schonk den Kretensers zoo rijkelijk wijn,
dat dezen bedwelmd raakten, en daarop bevrijdde zij Ari-
stomenes van zijn boeien. Wederom bereikte hij Ira en
werd hij de schrik der Spartanen, maar toen hij eens door
wonden verhinderd werd voor alles behoorlijk zorg te
dragen, verzuimden zijn landgenooten voldoende wachten
uit te zetten. De Spartanen, hiervan door een slaaf onder-
richt, beklommen de bergvesting. Drie dagen en nachten
had er een bloedige strijd plaats. Toen begreep Aristomenes
het uiterste te moeten doen om althans een gering over-
blijfsel van zijn volk te redden. Hij sloot een verdrag met
de Spartanen, waarbij dezen hem en den zijnen een vrijen
aftocht toestonden. Vele Messeniërs begaven zich daarop
naar Sicilië, waar zij zich meester maakten van de stad
Zankle, die sedert den naam MessSna (Messlna) droeg. De
achterblijvende Messeniërswerdenallen tot heloten gemaakt,
hetgeen hen zoo verbitterde, dat zij iedere gelegenheid aan-
grepen om tegen hunne verdrukkers op te staan.
De verovering van Messenië verschafte Sparta de hege-
monie (overwicht) in de Peloponnesos.
-ocr page 252-
248
D r a k o n on S o1 o n.
Ook in Athene wisten de edelen zich voortdurend meer
te doen gelden. Nog geruiinen tijd kozen zij archonten uit
liet geslacht van Kodros, maar tegen den dertienden hunner,
Alkmëon, waagden zij in 752 v. C. op te staan, tengevolge
waarvan de archont niet meer voor zijn leven, doch slechts
voor tien jaren werd aangesteld. Vooreerst koos men de
archonten uit het geslacht van Kodros, maar reeds in 712
v. C. werd bepaald, dat ze uit alle adellijke geslachten ge-
kozen konden worden, en nog dertig jaar later stelden de
edelen vast, dat het bestuur voortaan aan negen voor één
jaar gekozen archonten zou worden toevertrouwd. Naar
een hunner, die den titel cponf/mos droeg, werd het jaar
genoemd, ecu tweede, de basilcus had het toezicht over
de godsdienstzaken, eenderde, de polemarchos over het
krijgswezen : de zes overigen, thesnwthe/en, droegen zorg
voor de rechtspleging.
Van nu af was de macht der eupatrioden of edelen voor
goed gevestigd. Zij deden zich als het eigenlijke volk voor,
genoten ruime voorrechten en verdrukten te hunnen voor-
deele landbouwers, kooplieden, handwerkslieden, kortom
allen, die geen deel van den adel uitmaakten. Het meest
drukte de rechtspraak, die wel op oude gewoonten be-
rustte, maar door de edelen, die ermede belast waren, zeer
willekeurig en wreed op niet-edelen werd toegepast. Toen
dezen door handel en zeevaart tot meer welvaart en ont-
wikkeling waren gekomen, eischten zij zoo dringend, dat
zij naar geschreven en dus niet naar willekeurig te veran-
deren wetten zouden geoordeeld worden, dat de eupatrie-
den zich genoodzaakt zagen toe te geven en den archont
Drakon opdroegen, liet gewoonterecht op te teekenen. Nu
kwam het aan \'t licht met welke eenzijdigheid en wreed-
heid het volk door de edelen werd behandeld. Op de ge-
ringste misdaad, zooals op\' lediggang, het stelen van moes-
kruiden en boomvruehten, stond do doodstraf. Zulke wet-
-ocr page 253-
249
ton, waarvan het volk zeidc, dat zij mot bloed geschreven
waren, konden de edelen niet toepassen, wegens de groote
ontevredenheid, die zij verwekten, en weldra werden zij
afgeschaft. Slechts een instelling, door Drakon in\'t leven
geroepen, bleef bestaan: het bloedgerecht. Vergoten bloed
verontreinigde volgens de Atheners liet land eu vertoorn-
de de goden, daarom werden onder het voorzitterschap
van den basileus eenige afzonderlijke rechters, ephMaige-
noenid, aangesteld om over halsmisdaden te oordeelen.
Sleelits wie een goeden naam had on zijn een on vijftigste
jaar was ingetreden kon onder de ephetai worden opge-
nomen.
Van de verwarring en do misnoegdhoid, die thans
heerschten, trachtte Kulon(Cylo), een aanzienlijk Athener,
gebruik te maken om de opperheerschappij te verwerven.
Het gelukte hem den Akropolis, den burcht der stad, te
vermeesteren, doch de Atheners hadden zulk een af keer van
iemand, die zich door geweld van \'t hoogste gezag mees-
ter maakte (een tiran), dat zij zich onder aanvoering van
het machtig geslacht der Alkmaionieden aaneensloten om
den tiran te verjagen. Kulon en zijn medestanders, aan
allo zijden ingesloten, kregen weldra gebrek aan wateren
leeftocht. Hij zelf wist door de vlucht te ontkomen. De
overigen zochten een schuilplaats bij het altaar van Pal-
las Athene, omdat het als heiligschennis werd beschouwd,
iemand, die een altaar aanraakte, te grijpen; doch door
beloften van lijfsbehoud werden zij ervan weggelokt en
terstond van kant gemaakt. Deze daad verwekte allerwe-
gen verontwaardiging. Thcagenes van Megara deed den
Atheners den oorlog aan en ontnam hun het eiland Salamis.
De edelen waagden het niet de Alkmaionieden, op wie de
algemeene haat was overgegaan, te straffen voor hunne
heiligschennis, en bedreigden ieder, die van de herovering
van Salamis sprak, mot de doodstraf.
Nog geruimen tijd bleef Athene een tooneel van woelin-
gen wegens het gemis aan een voldoende staatregeling.
-ocr page 254-
250
Het werd echter uit dien droevigen toestand verlost door
den voort reffel ijken Solon, die door zijn uitgebreide ken-
nis, zijn kalmte, zijn bescheidenheid en de hein eigene
opgeruimde zachtaardigheid de lieveling der Atheners word.
Uit het oude koningsgeslacht in 639 v. C. geboren, legde
hij van zijn vroegste jeugd een onleschbaren dorst naar
kennis aan den dag. Als jongeling bezocht hij niet een eigen
schip een groot aantal buitenlandsche havens om er handel
te drijven en zijn kennis te vermeerderen. Daarbij ver-
zuimde hij de oefeningen niet, waaraan de adel zich
wijdde: hij werd een geducht krijgsman en tevens
dichter.
Het eerste, dat Solon voor zijn verslagen landgenooten
noodig achtte, was het opwekken van hun moed door de
herovering van Salainis. Daar het echter bij doodstrafver-
boden was erover te spreken, hield hij zich eenigen tijd
krankzinnig. De ouden beschouwden waanzin als een bi-
zondere bezoeking van een god en hadden daarom eerbied
voor iemand, die eraan leed. Nu verscheen Solon op zeke-
ren dag <>p de agóra of markt en droeg daar in zijn ge-
waande krankzinnigheid een bezield gedicht voor, dat hij
vervaardigd had, en waarin hij aantoonde, dat het verbod
der eupatrieden een smaad was voor het gansche volk, dat
beter zou doen met de wapenen aan te gorden en het ver-
loren Salamis te heroveren. Als krankzinnige kon Solon
voor die woorden niet worden gestraft, maar toch had hij
er zulk een bew-cging door in \'t leven geroepen, dat de
eupatrieden aan 500 jongelieden, onder aanvoering van
Solon, moesten toestaan, een tocht tegen Salamis te onder-
nemen, die met een gelukkigen uitslag werd bekroond.
Het aanzien, dat Solon zich door deze daad had verwor-
ven, vestigde aller aandacht op hem, als den man, die het
best in staat zou zijn aan de heerschende verwarring en de
ontevredenheid een einde te maken.
De edelen,die uitgestrekte landgoederen in de .vlakten
bezaten, waren wel het geringst in aantal, maar hadden
-ocr page 255-
251
allo macht in handen en wonschten die te behouden. Als
staatkundige partij droegen zij den naam Pediaioi, vlakte-
bewoners. Lijnrecht tegenover hen stonden de Diakriërs,
de vrije landbouwers van het gebergte, die het meest van
den adel hadden geleden en verlangden, dat Salon zichtot
tiran opwierp, of dat zij een aanzienlijk aandeel in de re-
geering verkregen. Tusschen die twee partijen stonden de
Solon, Wetgever van Athene.
Paraliërs of kustbewoners, reeders, kooplieden en hand-
werkslieden, die slechts een vermindering van de druk-
kende lasten en eenige beperking van de macht des adels
verlangden.
Aan Solon werd door den adel, die zijn onbaatzuchtig-
heid kende, de waardigheid van archont opgedragen, met
den last, een middel te bedenken, ten einde de staatkun-
-ocr page 256-
252
dige partijen met elkander te verzoenen. In do eerste plaats
bracht Solon een verbetering in de drukkendeschuldwet
ten, die door den adel met de meeste gestrengheid Merden
toegepast. Wanneer de oogst mislukte of krijgsdienst hun
den tijd ontnam den noodzakelijken arbeid op het veld te
verrichten, moesten de boeren bij de edelen leenen om te
kunnen leven. Dientengevolge vervielen de meeste lande-
rijen aan den adel, die ze öf aan de boeren in gebruik gaf
tegen vijf zesden van de opbrengst, öf door hen lieten
bewerken tegen den afstand van een kleinen akker. Op
vele akkers van landbouwers, die nog niet tot zulk een droe-
vigen staat van afhankelijkheid waren vervallen, stonden
de pandzuilen der edelen: dit waren steenen, waarop de
naam van den schuldeischer on het bedrag der geleende
som vermeld stonden. Handwerkslieden, matrozen en dag-
looners, die geen grond bezaten, moesten dikwijls hunne
kinderen als slaven verkoopen om hun schuldeischers te
voldoen. Hadden zij geen kinderen, dan moesten zij hun-
ne eigene vrijheid ten offer brengen on kon hun schuldei-
scher hen zelfs in \'t buitenland als slaven verkoopen.
Nu bepaalde Solon, dat de ouders hunne kinderen niet
meer als slaven mochten afstaan, dat niemand wegens
schulden van zijn vrijheid mocht worden beroofd, en dat
ieder,diedoorscliulden totslavernij was vervallen, in vrijheid
moest worden gesteld. Dcpandschuldenblevenbestaan, doch
om hen, die erdoor gedrukt werden, een weinig verlich-
ting aan te brengen, werd de waarde van het geld met
ruim een vierde verminderd, zoodat ieder, die 100 Gld.
schuldig was, met iets minder dan 75 Gld. van de vroegere
munt zijn schuldeischer kon voldoen. Om den ondergang
der vrije boeren te voorkomen, verbood Solon, dat iemand
meer dan eene bepaalde hoeveelheid grond mocht bezitten.
De edelman, die zooveel bezat, kon dus aan geen landman
diens akker ontnemen.
De voorrechten, die tot nu toe aan een adellijke ge-
boorte verbonden waren geweest, schonk Solon aan allen,
-ocr page 257-
253
die, hetzij zij tot den adel behoorden of niet, nagenoeg
een zelfde hoeveelheid voortbrengselen van hunne lande
rijen trokken. Daartoe verdeelde hij de Atheners in vier
klassen. De eerste bestond uit de rijksten, bijna uitsluitend
de aanzienlijkste edelen. Zij moesten de gansche vloot be-
kostigen. De tweede, voor liet meerendeel lagere edelen,
moesten als ruiters dienst doen. De leden der derde klasse
leverden aan het leger de zwaar gewapenden (hophten), en
de vierde, waartoe de minst gegoede boeren, de kooplieden,
de handwerkslieden en de matrozen behoorden, waren
van belastingen vrijgesteld, doch moesten in tijd van nood
als lichtgewapenden bij liet legerofalsmatrozendienstdoen.
De regeering regelde Solon op de volgende wijze. De
negen archonten, die belast waren met de uitvoerende
macht, zouden voortaan door het geheele volk en niet
meer uitsluitend door den adel gekozen worden, doch
alleen uit de leden der hoogste klasse. Den raad of senaat
der edelen verving Solon door een raad van 400prutanen
door het gansche volk voor één jaar uit de leden der drie
hoogste klassen te kiezen. Deze prutanen, waarvan er
beurtelings honderd gedurende een tiende gedeelte des
jaars zitting hadden, waren belast niet het beheer der geld-
middelen en de leiding der buitcnlandsche zaken, en geen
ontwerp van wet of besluit over vrede en oorlog mocht
aan de volksvergadering worden voorgesteld, indien het
niet vooraf door den raad der prutanen was goedgekeurd.
In de volksvergaderingcn kon ieder Athener, die niet door
eenig vonnis zijn burgerrecht had verloren, stemmen en
het woord voeren, mits hij voor- of tegensprak en geen
nieuw voorstel deed. De stemming had plaats door het
opsteken der handen. Indien er een volksvergadering
werd gehouden, stonden aan den ingang van de plaats,
die daartoe diende, de Pnux, gewapende mannen, om
te zorgen, dat alleen de stemgerechtigden binnentraden.
Het staatsbestuur en liet volksleven stonden onder het
toezicht der ephetai, die op den Areiopagos (heuvel van
-ocr page 258-
254
Ares), naar welken hun gerechtshof genoemd werd, ver-
gaderden. Slechts afgetreden archonten, die hun ambts-
jaar onberispelijk hadden ten einde gebracht, konden tot
leden van den Areiopagos worden gekozen. Zij werden
voor hun leven benoemd, en daardoor bezaten de Atheners
nevens de jaarlijks verwisselende staatsambtenaren een
meer onveranderlijk staatslichaam, welks leden door hunne
hooge afkomst, hun rijkdom, hunne bekwaamheden en
hunne rijpe levenservaring de algemeene achting genoten.
De Areiopagos sprak recht over moord en brandstichting
en hield toezicht over de opvoeding der jeugd, den gods-
dienst en de door gewoonte geheiligde gebruiken. Burgers,
die een slecht leven leidden zonder onder het bereik der
strafwetten te vallen, konden door den Areiopagos ver-
maand en zelfs gestraft worden. Van alle Atheners kon
de Areiopagos een opgave eischen van hunne middelen
van bestaan. Waren deze onvoldoende, dan kon hij hunne
burgerrechten verkorten. Ook bezat hij de macht ambte-
naren ter verantwoording te roepen en de uitvoering van
besluiten der volksvergadering, die gevaarlijk voor den
staat schenen, te verbieden.
Bizondere zorg wijdde Solon aan de opvoeding derjeugd.
Tot hun zevende jaar bleven de jongens bij hunne moeders.
Daarna \'gingen zij \'s morgens vroeg, zelfs bij de strengste
koude, barrevoets in een wollen hemd, naar de muziek-
scholen. De zonen der edelen werden er henengebracht
door een slaaf, die paedagoog genoemd word, en het recht
had, de knapen door slagen tot gehoorzaamheid te dwin-
gen, eene straf, die ook in de scholen ruimschoots werd
toegepast. Als zij zich eenige uren hadden beziggehouden
met het van buiten leeren on zingen van liederen ter eere
der goden, begaven zij zich naar de gymnastiekschool,
waar zij zich oefenden in het loopen, springen, worstelen,
zwemmen en het werpen met den bal.
Daar de wetten van Solon, in drie- en vierhoekige hou-
ten pyramiden gegrift, op den akropölis of burcht werden
-ocr page 259-
255
geplaatst, en het derhalve voor de burgers, vooral der drie
hoogste klaseen een vereischte word ze te kunnen lezen,
zonden de gegoeden hunne zonen ook nog terschoolbijeen
grammatist om te leeren lezen, schrijven en rekenen.
Op hun achttiende jaar kregen de jongelingen het be-
heer over hun vermogen, en mochten zij deelnemen aan de
lichaamsoefeningcn, die de volwassenen met ijver in de
gjmnasiën hielden. Zij moesten trouw zweren aan het va-
derland, de strategen of aanvoerders en do krijgswetten,
en beloven den wapenen nooit schande aan te doen. Om
den krijgsdienst te leeren werden zij bij de grenswachters
ingedeeld. Op hun twintigste jaar traden zij op als stem-
gerechtigde burgers en werden zij bij het leger ingelijfd.
Als zij den ouderdom van dertigjaren hadden bereikt, waren
zij verkiesbaar tot staatsambten.
Om de minachting tegen te gaan, waarmede op de am-
bachtslieden, die als leden van de vierde klasse het volle
burgerrecht hadden verkregen, werdnedergezien, verbood
Solon iemand wegens zijn handwerk te beschimpen. Ter
opbeuring van de nijverheid stelde hij vreemdelingen, die-
in Athene een of ander bedrijf wildon uitoefenen, in de ge-
legenheid het burgerrecht te verwerven en gebood hij aan
allo onvermogende ouders hunne kinderen een handwerk,
te doen leeren, daar dezen anders niet verplicht waren hen
in hun ouderdom te onderhouden.
Sedert de invoering van de wetten van Solon moesten
de burgers voortdurend meer tijd besteden aan de staats-
zaken, en werd de behoefte aan slaven voortdurend groo-
ter. In Athene\'s bloeitijd waren er op 20,000 gezinnen
400,000 slaven. Hoe arm een burger ook was, hij bezat
gewoonlijk minstens één slaaf. Rijke lieden, fabrikantenen
groothandelaars bezaten er somtijds honderden. De slaven
werden verkregen door aankoop en door het maken van
krijgsgevangenen op vreemde volken. Over het algemeen
worden zij niet mishandeld en genoten zij een tamelijke:
mate van vrijheid. Hun lot was intusschon zeer afhankelijk
-ocr page 260-
25G
van hunne bedrevenheid. Slaven, die in een kunst of we-
tenschap uitmuntten, genoten een zekere onderscheiding.
Zonder slaven, die het grootste gedeelte van den handenar-
beid verrichtten, kon de Grieksche maatschappij niet bestaan.
Voor de verstandsontwikkeling der meisjes werd zeer
weinig gedaan. Zij genoten geen ander onderwijs dan het
weinigje, dat hare moeders of voedsters haar konden ge-
ven. Daarentegen werd er zeer streng op gelet of zij een
zedig en ingetogen leven leidden. Was dit niet het geval,
dan had haar vader het recht haar als slavin te verkoopen.
Somtijds werden de meisjes reeds op haar vijftiende jaar
uitgehuwelijkt aan iemand, die hare ouders tot echtgenoot
voor haar hadden uitgekozen. De bruiloft begon met een
plechtig offer aan Zeus en aan Here, onder wier bescher-
ming het huwelijk stond. De vader der bruid gaf daarop
een bruiloftsmaal, waarbij het bruidspaar in witte kleedc-
ren en met mirten en viooltjes bekranst aanlag, want ook
de Atheners gebruikten hunne maaltijden op rustbedden
liggende. Alsdemaaltijd wasafgeloopcn, werdhet echtpaar,
in een wagen gezeten, door de vriendinnen der jeugdige
vrouw en de vrienden van haar echtgenoot, allen van fak-
kels voorzien, naar zijn woning geleid. De bruiloftsgasten
zongen bij dien tocht liederen en ieder, dien men voorbij-
kwam, wenschte den jonggehuwden geluk en voorspoed toe.
Nu rustte op de vrouw de taak het huishouden met spaar-
zaamheid te besturen en het opzicht te houden over de sla-
vinnen. Zij mocht niet deelnemen aan de feesten en drink-
gelagen der mannen, en moest zich steeds in de voor haar
bestemde vertrekken ophouden. Zij mocht met niemand
omgaan dan met haar vriendinnen en bloedverwanten, en
wanneer zij dezen een bezoek bracht, moest zij zich door
een slaaf of een slavin doen vergezellen. De vrouw stond
geheel onder de voogdij van haar echtgenoot, die haar,
wanneer zij hem niet langer beviel, naar haar ouders terug
kon zenden, mits hij haar uitzet teruggaf. Slechts als hij
haar mishandelde, kon de vrouw echtscheiding vragen.
-ocr page 261-
257
De Athcners hadden tot op den tijd, dat de weelde hen
begon te bederven, eenvoudige woningen, ofschoon zij schat-
ten besteedden voor tempels en openbare gebouwen. Als
men de deur van een woonhuis opende, zag men voor zich
eene plaats, de auln, aan vier zijden of althans aan den
kant der deur en aan de tegenovergelegen zijde, met zuilen-
gangen omgeven. Van de kolonnade tegenover do deur en
bij grootere woningen ook van die aan de twee aangrenzende
zijden had men toegang tot de verschillende vertrekken,
Ingang van een Grieksch huis.
die zeer klein waren. De aula werd gebruikt om gasten te
ontvangen. In liet midden stond een altaar voor den huise-
lijken Zeus en, eer een afzonderlijk vertrek tot keuken was
ingericht, ook de vuurhaard als altaar van Hestia. Vele
woningen hadden een bovenverdieping, die slaapkamers
bevatte, uit welke \'s avonds onder het waarschuwend ge-
il
-ocr page 262-
258
roep: r\'Gaat uit den weg!" het waschwatcr op de straat
werd uitgegoten.
In hoofdzaak kwam de kleeding der Jonischc Atheners
met die der Dorische Spartanen overeen. Bij de Atheners
was echter de chiton langer en in den zomer meestal van
linnen, terwijl hij met een gordel om de middel werd be-
vestigd, waardoor men hem naar welgevallen kon opnemen.
Slaven en geringen droegen niets dan een chiton, die op de
beide schouders moest worden vastgemaakt; meestal be-
vestigden zij hem alleen op den linkerschouder, zoodat de
rechterschouder en een gedeelte van de borst en den rug
onbedekt waren. De aanzienlijken droegen chitons met
korte, later met lange mouwen. In huis hadden zij niets
dan den chiton aan. Vertoonden zij zich buiten, dan vor-
derde liet fatsoen, dat zij een himation omsloegen; \'s win-
ters droegen zij bovendien een wollen mantel, glaina ge-
heeten. De kleeding der vrouwen verschilde daarin van
die der mannen, dat zij langer en wijder was en in sierlijke
plooien afhing. Bovendien tooiden de vrouwen zich met
gouden ringen, oorringen, armbanden, halssicraden en haken
om de kloeding vast te maken. Als men de woning verliet,
voorzag men de voeten van sandalen of schoenen ; de vrou-
wen bedekten liet hoofd met een sluier, de mannen liepen
blootshoofds en met een stok in de hand; slechts op reis
bedekten zij hot hoofd om het tegen regen en zonneschijn
te beschutten.
Als een Athener overleden was, rustte op zijn manne-
lijke verwanten do zorg voor de begrafenis. Het lijk werd
tentoongesteld en bij den ingang van het huis een ton met
water geplaatst, opdat ieder, die het verliet, zich door bc-
sprenging kon reinigen. Volgens de wetten van Solonmoest
het lijk den dag na liet overlijden zonder groot vertoon van
rouw begraven of verbrand worden. Toch werd de begrafe-
nisstoet, die uit mannen en vrouwen in zwart rouwgewaad
bestond, meestal door zangers van klaagliederen en fluit-
spelers begeleid.
-ocr page 263-
259
Toen Solon de wetten voltooid had, ondernam hij onge-
veer 583 v. C. oen groote reis, op welke hij o. a. Egypte
en Cyprus bezocht.
Solon behoort tot de voortreffelijke mannen, die, als
staatkundigen en raadgevers des volks uitblonken en door
de latere Grieken als de zeven toijzen werden aangeduid,
terwijl zij aan ieder hunner eene kernspreuk toekenden.
Vier behooren er tot de Kleinaziatische Grieken: 1. Kleö-
boelos van Rhodos, «maat te houden is goed"; 2. Pittlkos,
"let wel op den tijd"; 3. Bias, "de moesten zijn slecht";
4. Thalcs, ^borgen brengt leed", en verder: ö.Pcriandros
van Korinthe, "bedenk vooraf"; 6. Ghcilon van Sparta,
"ken u zelven" en 7. Solon van Athene, "niets te veel".
Peisistratos.
Toen Solon na een afwezigheid van misschien tien jaren
terugkeerde, vond hij in Athene veel verwarring. De Dia-
kriérs of landbouwers van \'t gebergte waren ontevreden,
omdat naar hunne meening aan den adel te veel voorrech-
ten waren gelaten, en nu sloten zij zich aan bij den van
eerzucht brandenden edelman, Peisistratos, die een bloed-
verwant van Solon was en door zijn welsprekendheid en
minzaamheid jegens de ontevredenen den noodigen invloed
zocht te verkrijgen om zich tot tiran van Athene op te
Merken. Solon trachtte den jeugdigen Peisistratos het
verkeerde van zijn gedrag onder het oog te brengen,
maar te vergeefs. Wel luisterde Peisistratos geduldig, als
zijn wijze bloedverwant hem vermaande, wel overlaadde
hij hem in \'t oogvallend met eerbewijzen, maar do harts-
tocht der heerschzucht was hem te sterk om raadgevingen,
die ertegen indruischtcn, te kunnen opvolgen.
Solon, dien het zeer griefde, de staatsregeling, dio hij
na zooveel jaren arbeids tot stand had gebracht, in gevaar
te zien, hesloot nogmaals door redevoeringen en gedichten
de Atheners tot een beter inzicht te brengen. Hij slaagde
-ocr page 264-
2G0
echter niet. De Diakriërs kenden geen beter middel om
de macht, die de gcheelc adel nog behouden had, te fnuiken
dan door de pogingen van Peisistratos te steunen, en in 560
wisten zij het door eenparig te stemmen zoover te brongen,
dat zijn aanhangers in den raad de meerderheid verkre-
gen. Nu deed Solon nog een laatste poging. Met schild
en lans gewapend verscheen hij in de volksvergadering,
wees erop, dat Peisistratos zich tot tiran wilde opwerpen
en eischte, dat de raad de staatsinrichting zou handhaven.
Maar de Diakriërs verklaarden, dat Solon op zijn ouden
dag krankzinnig was geworden en hetzelfde volk, dat hem
eens algemeen geacht en tot tiran begeerd had, vergat
zicli (hans zoo zeer, dat het hem bespotte.
Peisistratos meende, dat hij thans een poging kon wa-
gen, om zijn doel te bereiken. Op zekeren dag verschoon
hij gewapend op de agora of markt, terwijl de muildieren,
die zijn wagen trokken, evenals hij bloedden. Hij verhaalde,
dat zijn vijanden, terwijl hij van zijn landgoed naar de
stad reed, een moordaanslag op hem hadden gepleegd, en
het hem slechts niet moeite gelukt was aan hunne handen
te ontkomen. Het volk, dat geloof sloeg aan deze listig
bedachte leugen, want Peisistratos had zelf zich en zijnen
muildieren wonden toegebracht, eischte nu, dat hem ter
bescherming van zijn persoon een lijfwacht van 50 knots-
dragers werd toegestaan. Toen Peisistratos dit aantal lang-
zamerhand tot ;}(J0 huurlingen had uitgebreid, maakte hij
zich eensklaps van de akropolis meester, en daardoor was
hij in slaat geheel Athene zijn wil voor te schrijven. De
hoofden zijner tegenstanders vluchtten, alleen Solon begaf
zich, getrouw aan zijn eigen voorschrift, dat bij een oproer
ieder partij moot kiezen, gewapend naar de markt en ver-
weet daar den Athoners hunne lafheid. Niemand luisterde
echter naar hem. Daarop ging hij bedroefd naar huis en
legde hij zijn wapenrusting voor zijn deur, opdat de
huurlingen van Peisistratos haar zouden medenemen. Hij
vluchtte niet, en toen hem gevraagd werd, op welken grond
-ocr page 265-
261
hij verwachtte, dat do tiran hem niet zou dooden, ant-
woordde hij: ^Op mijn jaren." Peisist ratos deed den ouden,
eenvaardigen man ook geen leed.
De tegenstanders van Peisistratos waren echter nog mach-
tig genoeg, hem tot tweemaal toe te verjagen. Toen hij zich
voor den derden keer van het oppergezag in Athene wilde
meester maken, verzamelde hij bij Eretria op het eiland
Euboia een leger en rukte daarmede Attikabinnen, waar hij
weldra op de troepen zijner tegenstanders stiet. Op den tijd,
dat de Atheensche hoplïtcn na den morgenmaaltijd gewoon
waren een middagslaapje te doen, viel Peisistratos hen aan,
en behaalde hij een gemakkelijke overwinning. Hij liet de
vluchtelingen nazetten door zijn zonen Hippias en Hippar-
chos met den last, geen bloedbad onder hen aan te richten,
maar hen te vermanen rustig naar huis te gaan, in welk
geval hun geen leed zou geschieden. Vele edelen verlieten
het land. Zij, die achterbleven, werden niet met zooveel
verschooning behandeld als vroeger. Om van hunne trouw
zeker te zijn dwong Peisistratos hen, hunne oudste zonen
als gijzelaars aan hem af te staan.
Van nu af voerde Peisistratos onbeperkt heerschappij.
Hij hield de staatsregeling van Solon in stand, doch zorg-
de, dat steeds een zijner zonen tot archont, en zijn vrien-
den tot de overige hoogo staatsambten worden verkozen.
Eens zelfs onderwierp hij zich aan de uitspraak van den
Areiopagos, toen een moordaanklacht tegen hem was in-
gediend. Als staatsman maakte Peisistratos zich zeer ver-
dienstelijk. Door de opbrengst van do verbeurdverklaarde
goederen van den gevluchten adel en van een 5 pcrccnts
belasting op de opbrengst van alle landerijen, was de schat-
kist zoo ruim voorzien, dat hij niet alleen genoeg huur-
troepcn in dienst kon houden ter handhaving van zijn
gezag, maar bovendien handel en nijverheid kon opbeuren.
Menig dor en verlaten veld liet hij op staatskosten met olijf-
boomen beplanten, terwijl hij voor kleine boeren woningen
liet zetten om hen tot het bebouwen van den grond aan te
-ocr page 266-
262
moedigen. Een gedeelte van de opbrengst der zilvermijnen
van Laurion besteedde hij ter verfraaiing van Athene. Hij
versierde pleinen en straten met schoone gebouwen en
voorzag de stad van helder drinkwater door grootsche
waterleidingen. Hij vereenigde de grootste geleerden en
dichters aan zijn hof en liet hen de verspreide Homerische
gedichten bijeenbrengen en rangschikken om ze op hot
feest der Panathenaiën, dat hij den meest mogelijkoa luis-
ter bijzette, te doen voorlezen. Athene maakte hij tot de
letterkundige hoofdstad van geheel Griekenland; in den
tempel op de Akropolis vond men sedert de werken van
alle wijzen en dichters in zorgvuldig geschreven exemplaren
bewaard.
Do Panathenaiën duurden vier dagen en werden bijge-
woond door bewoners uit geheel Attika. Het feest begon
met een luisterrijken optocht. Vooruit gingen de priesters,
gevolgd door een groote menigte offerdieren, waarachter
de in Athene gevestigde vreemdelingen liepen, die do offer-
gereedschappen droegen. Hierop volgden de Attische jonk-
vrouwen, die korven met heilige gerst, honing en offer-
koekcn op het hoofd droegen en door de dochters der
vreemdelingen begeleid werden om haar met zonneschermen
tegen do brandende stralen der zon te beschermen. Nu
verschonen do met mirten bekranste jongelingen, die liede-
ren ter eere der goden zongen en achter hen kwam eene
afdecling van insgelijks mot mirten versierde hoplïten, die
schild en lans droegen. Vervolgens zag men de grijsaards,
de personen, die de prijzen droegen voor de wedspelen, de
vierspannen, die aan de wedrennen zouden deelnemen, en
eindelijk de adollijkcjongelingschap te paard. De wedrennen,
die daarna zoowel bij fakkcllicht des avonds als over dag
plaats haddon, en de wapendanson der jongelingen werden
afgebroken door vroolijke maaltijden, waarbij men uit
groote bekers dronk en het vleesch der offerdieren ge-
bruikte.
Bizondero bescherming verleende Peisistratos ook aan
-ocr page 267-
263
de feesten van Dionüsos (Bacchus), den volksgod, die voor-
namelijk vereerd werd door de landbouwers. Dionüsos was
de vertegenwoordiger van den overvloed der natuur, dio
zich in den wijn openbaart. In lateren tijd werd van hem
verhaald, dat hij in een wagen door leeuwen en tijgers
getrokken, in gezelschap van nimfen on saters, en gevolgd
door don op een ezel gezeten dronken Silênos een tocht naar
Indië deed om de woeste natuurkrachten te beteugelen en
zegeningen onder de mcnschen te verspreiden. Te zijner
eere werden verschillende luidruchtige feesten (Dionasiën,
Bacchanalen) gevierd, waarbij de wijn vooral niet werd ge-
spaard. Op die van Delphoi stelden de vrouwen zich als
razenden (Bacchanten) aan. Bij de Dionusiën, die Pei-
sistratos regelde, hadden wedstrijden en optochten plaats
en werden dramatische voorstellingen gegeven, waaruit
zich langzamerhand do dramatische poëzie ontwikkelde.
Toen Peisistratos in 527 v. G. overleed, werd hij vol-
gens zijn wensch opgevolgd door zijn zoon Hippias, zonder
dat het volk er zich tegen verzette.
Hippias en Hipparcbos.
Hippias deelde de heerschappij met zijn broeder Hippar-
cbos. Zij vergenoegden zich met matige belastingen, ver-
richtten do openbare offers en zorgden steeds, dat hunne
vrienden tot de hoogste staatsambten werden gekozen. Zij
zelve waren krijgsbcvelhebbers, en een hunner bekleedde
steeds de waardigheid van archont. Evenals hun vader be-
gunstigden zij de kunst en de kunstenaars. Zij versierden
de wegen met kunstig bewerkte Hermeszuilen, pilaren met
twee of moer hoofden van dien god, om als wegwijzers te
dienen. Be zuilen bevatten de opgave van de afstanden
naar de plaatsen, waarheen de hoofden wezen, en boven-
dien kernachtige spreuken.
Toch volgden de zonen niet in alles hun vader. Terwijl
deze zich steeds zijn afkomst als gewoon edelman had her-
-ocr page 268-
■M4
innerd, gedroegen zij zich als vorsten. Voortdurend nam
de ontevredenheid too, en deze werd luide aan den dag
gelegd, toen Hippias den steun had verloren van twee ti-
rannen, waaronder Polukr&tes van \'t eiland Samos.
Deze Polukrïttes had zich met huurt roepen en den bij-
stand van koning Amasis van Egypte tot tiran van Samos
weten te verheffen. Steeds op eigen voordeel bedacht,
vereenigde hij aan zijn hof Oostcrscho weelde en Grieksche
kunst. Alles, wat hij ondernam, gelukte hem. Volgens
liet verhaal gaf zijn vriend Amasis hem eens te kennen,
dat zooveel voorspoed reden tot bezorgdheid baarde; hij
vermaande den tiran, indachtig te zijn aan de wisselingen
der fortuin en den nijd der goden, en ried hem, zich van
het dierbaarste, dat hij had, te ontdoen, ten einde zich
zelve smart te veroorzaken en daardoor, zoo mogelijk, de
hemelsche machten te verzoenen. Toen wierp Polukratos
een kostbaren ring, die hem zeer dierbaar was, in de zee;
maar de goden versmaadden zijn offer. "Weinige dagen later
bracht een visscher aan Polukratos een schoonen vischten
geschenke. Toen de kok hem opensneed, vond hij er den
weggeworpen ring in, en haastte hij zich, hem zijn vorst
weder ter hand te stellen. Zoodra Amasis dit had verno-
men, zeide hij Polukratos de vriendschap op, om niet ver-
plicht te zijn hem te beklagen, wanneer de toorn der goden
eens boven hem losbarstte. Dit geschiedde maar al te spoe-
dig. De Perzische landvoogd Oroites wist den hebzucht i-
gen tiran naar Magnesia te lokken en liet hem daar
kruisigen.
"Wel wist Hippias met andere vorsten verbonden aan te
gaan, maar toch gevoelde hij zich zoo weinig zeker, dat
hij achterdochtig werd. Toen zeker edelman, Kimon ge-
naamd, die met toestemming van Peisistratos uit do bal-
lingschap was teruggekeerd, voor den derden keer met
zijn vierspan de overwinning behaalde bij de Olumpische
spelen, verwachtte de tiran als eigenaar der paarden te
worden aangewezen en den olijfkrans te ontvangen. De
-ocr page 269-
265
edelman liet echter zicli zelven bekronen. Hippias leidde
hieruit af, dat de overwinnaar booze plannen togen
hein in den zin had, en liet hein door sluipmoord het leven
benemen.
De volgende omstandigheid bracht de tirannen ten val.
Hipparchos wilde den jeugdigen edelman Harmodios nauwer
aan zich verbinden. Deze echter, die met den edelman
Aristogeiton in innige vriendschapsbetrekking stond, wilde
niets van hem weten. Nu besloot Hipparchos zich te wreken
door Harmodios op een grievende wijze tebeleedigen. Toen
bij gelegenheid van een feest de zuster van Harmodios met
andere jonkvrouwen deelnam aan een optocht, gebood Hip-
parchos haar, de rij te verlaten als iemand, die zulk een eer
onwaardig was. Deze schande drukte op het gansene ge-
slacht van Harmodios, en nu besloot Aristogeiton de bc-
leediging, zijn jeugdigen vriend aangedaan, te wreken.
Daar het weinig zou baten Hipparchos wegens laster aan
te klagen, omdat de leden der rechtbank ter wille van den
tiran gereed waren het recht te verdraaien, maakten de
beide vrienden een samenzwering om de tirannen te ver-
moorden . Op het feest der Panathenaiën zou het plan wor-
den uitgevoerd, dewijl de saamgezworeren dan hunne
wapenen gemakkelijk onder de mirtentakken, waarmede
zij bekranst waren, konden verbergen; dewijl er dan ge-
legenheid bestond de tirannen te treffen, eer hunne lijf-
wacht ter hulp kon snellen, en dewijl zij hoopten, dat de
gewapende burgers, die aan den optocht deelnamen, hunne
zijde zouden kiezen.
Toen de saamgezworenen, kort voor het begin van het
feest, zich op de verecnigingsplaats bevonden, zagen zij
een hunner in een vertrouwelijk gesprek met Hippias ge-
wikkeld. In de meening, dat hun aanslag verraden was,
begaven zij zich ijlings naar de stad terug om ten minste
te beproeven Hipparchos te dooden. Hierin slaagde zij,
maar terzelfder tijd schoot de lijfwacht toe, die Harmodios
ombracht. Nu begon Hippias niet alleen een hevige ver-
-ocr page 270-
2GG
volging tegen de saamgezworenen, die hij liet dooden, maar
tevens maakte hij van deze gelegenheid gebruik om zich
van allen, die hem vijandig gezind waren, te ontslaan.
Van nu af steunde hij alleen op zijn lijfwacht, en om deze
vorstelijk te kunnen beloonen, perste hij den burgers op
allerlei wijzen geld af. De toestand werd ondragelijk.
Velen vluchtten naar de Alkmaionieden, die zich wegens
de vijandschap, waarin zij met de Peisistratieden verkeer-
den, buitenslands ophielden. AVeldra waagde Kleisthënes,
het hoofd der Alkmaionieden, met dezen en de vluchtelin-
gen een inval in Attika te doen. Hij werd echter door Hip-
pias verslagen. Nu wendde Kleisthënes zich om hulp tot do
Spartanen doch dezen stonden op goeden voet met Hippias
en wilden dit blijven. Toch gaven de Alkmaionieden den
moed niet op. Zij wisten het orakel van Delphoi voor
hunne belangen to winnen, en telkens als er Spartanende
godspraak kwamen raadplegen, verklaarde de Puthia, dat
het Spaiia\'s plicht was, de Atheners te bevrijden.
Eindelijk gaven de Spartanen aan den raad van \'t orakel
gehoor. Zij zonden een leger naar Attika, doch het werd
door Hippias verslagen. Nu trok de Spartaansche koning
Kleoinênes met een grooter leger tegen Hippias op on dwong
hein, zich met zijne troepen op de Akropólis terug te trek-
ken. Daar hij echter tegen een langdurig beleg opzag, trok
hij weder af, aan Kleisthënes de zorg overlatende de Pei-
sistratieden ingesloten te houden. De belegering had lang
kunnen duren, indien niet het toeval er een spoedig einde
aan had gemaakt. Hippias wilde zijn jongste zonen in
veiligheid brengen, en daartoe moesten zij, begunstigd door
de duisternis van den nacht, door de vijandelijke leger-
plaats sluipen. Do kinderen werden echter ontdekt en ge-
grepen, en nu lieten de Alkmaionieden Hippias weten,
dat zijn kinderen ter dood zouden worden gebracht, indien
hij zich niet overgaf. De tiran stemdo erin toe, binnen
vijf dagen Attika te verlaten, wanneer hem zijn kinderen
terug werden gegeven. Dit geschiedde, en Hippias begaf
-ocr page 271-
267
zich naar het hof van den koning van Perzië, in de hoop
daar ondersteuning te vinden ter herkrijging zijner verloren
heerschappij.
Kleisthenes slaagde er nu in, de wetgeving van Solon weder
in te voeren en haar op sommige punten te verbeteren. Om
de groote macht, die de archonten bezaten, te beperken,
ontnam hij aan den basileus het beheer der geldmiddelen, en
liet hij nevens den polemarch nog tien strategen ofveldhee-
ren benoemen. Ook stelde hij het ostrakismos ofscherven-
gerecht in, waardoor iemand, wiens heerschzncht of invloed
het volk beducht maakte, voor eenige jaren uit Athene
kon verbannen worden met behoud van eer en bezittingen.
Eiken winter was de raad verplicht aan het volk de vraag
voor te loggen, of hot welzijn van den staat de verbanning
van een burger vorderde. "Was de meerderheid in de volks-
vergadering van oordeel, dat een verbanning wenschehjk
was, zoo werd de dag voor de stemming bepaald. Zoodra
deze was aangebroken, kon ieder burger onder het toezicht
van den raad en de archonten, de scherf (ostrakon), waarop
hij den naam van den persoon, dien hij verbannen wenschte,
geschreven had, in een urn werpen. Daarna werden de
scherven, waarop een zelfde naam voorkwam, geteld en zoo
haar aantal voldoende was, het vonnis der verbanning
uitgesproken.
Histiaios en Aristagoras.
Toen de Perzische koning Darïus Hystaspis op zijn tocht
tegen de Scythen over den Donau was getrokken, stelden
eenige hoofden van de Kleinaziatische Grieken voor, de
schipbrug, die zij voor hem gebouwd hadden, te vernielen.
Zij meenden daardoor aan Darius en zijn leger een stelligen
ondergang te bereiden en van de verwarring, die daardoor
zou ontstaan, gebruik te kunnen maken om hunne onaf-
hankelijkheid te herkrijgen. Histiaios, de tiran van Miléte,
-ocr page 272-
268
wist do uitvoering van dit plan te verijdelen en won daar-
door zoozeer de genegenheid van den Perzischen koning,
dat deze hem zijn verzoek toestond, op de kust van Thracië
een volksplanting aan te leggen. De toenemende macht
van Histiaios wekte weldra de achterdocht van Darius op,
die daarom zijn vazal naar Suza riep en hem als belooning
voor zijn bewezen diensten tot zijn dischgenoot verhief en
met de grootste eerbewijzingen overlaadde. Hoezeer His-
tiaios zich aanvankelijk gestreeld gevoelde door die onder-
scheiding, weldra bemerkte hij, dat zijn schitterend ver-
blijf aan \'t hof niets anders was dan een gevangenschap.
Hij verlangde naar Milête terug te keeren, en meende,
dat daartoe geen ander middel bestond dan de Klcinazia-
tische Grieken heimelijk tot opstand aan te zetten, daar
hij zich overtuigd hield, dat indien zijn toeleg slaagde,
Darius hem terug zou zenden om do rust te herstellen.
Toen Histiaios zich naar Suza begaf, had hij met\'s konings
toestemming zijn schoonzoon Aristagöras in zijn plaats tot
tiran aangesteld. Daar do Perzische politie alle brieven,
die hofkoeriers overbrachten, onderzocht, liot Histiaios
oen slaaf hot hoofd kaal schoren, schreef hem met een
puntig werktuig eenige woorden op de schcdelhuid ; ver-
borg hem, tot hot haar weder was aangegroeid, en zond
hem daarop naar Aristagöras, met den last zich door dezen
het hoofdhaar te doen afscheren. Op deze wijze door zijn
schoonvader aangezet, do .Tonische Grieken in opstand
tegen do Perzen te brengen, aarzelde Aristagöras geen
oogenblik de gewaagde onderneming te beginnen. Hij
legde zelf de alleenheerschappij neder en in don herfst van
\'t jaar 500 v. C. hadden alle Grieksche staatjes in Kloin-
Azië hunne door de Perzen aangestelde tirannen verjaagd
en zich onafhankelijk verklaard. Gedurende den winter
hadden de opstandelingen tijd zich te wapenen en bij hunne
Europeesche stamgenooten hulp te zoeken. Met dit doel
reisde Aristagöras naar Sparta, bet machtigste van alle
Grieksche staatjes. Toen hij er koning Kleomënes over
-ocr page 273-
269
sprak, gaf deze ten antwoord: »Gast vriend van Milëte,
den denden dag na dezen zal ik u bescheid geven". Toen
Aristagóras zich op den bepaalden tijd weder bij hem ver-
voegde, vraagde Kleomenes hem, boe lang de weg wel
was van de zee der Joniers tot den zetel van den Perzi-
scben koning. -Drie maanden", luidde bet antwoord.
Hierop sprak Kleomenes: -Gastvriend van Milëte, gij doet
den Spartanen geen aannemelijk voorstel, daar gij ben
drie maanden landwaarts in van de zee wilt voeren ; ver-
laat onze stad vóór zonsondergang." Kleomenes begaf zicb
hierop huiswaarts, maar Aristagóras nam eensmeekstaf, een
met wol omwonden stok, die als waarborg diende van de on-
schendbaarheid van herauten en vanben, die om bescherming
kwamen vragen, en trad nu \'s konings woning als smeoke-
ling binnen. Daarbij Kleomenes in tegenwoordigheid van
Gorgo, zijn negenjarig dochtertje, aantrof, verzocht hij, den
koning alleen te mogen spreken. Deze beval hem echter
onmiddellijk te zoggen, wat hij verlangde. Aristagóras bood
hem eene groote som gelds aan, indien de hulp werd toe-
gezegd. Kleomenes bleef weigeren, terwijl Aristagóras
voortging steeds grooter som aan te bieden. Eensklaps
riep Gorgo uit: »Vader, de vreemdeling zal u omkoopen,
indien gij hem niet laat staan en u verwijdert." Kleomenes
volgde haar raad, en Aristagóras verliet Sparta.
Peter slaagde bij te Athene, ofschoon dit in een hevigen
oorlog met de strijdbare bewoners van het eiland Aigina
gewikkeld was, want de Atheners vreesden nog steeds,
dat Hippias met behulp van Artapbëmes, een Perzisch
satraap in Klein-Azië, als tiran hersteld zou worden.
Evenzoo zeide Eretrïa op Euboia hulp toe. Aanvankelijk
waren de Grieken voorspoedig. Zij overvielen Artaphënies
en maakten zich van Sardes, zijn residentie, meester.
Hunne hoop, dat de Lydiërs hunne zijde zouden kiezen,
werd verijdeld, want toen een Grieksch soldaat een der
rieten daken, waarmede de huizen te Sardes gedekt waren,
in brand had gestoken, werd de gansche stad een prooi
-ocr page 274-
270
der vlammen en sloten de inwoners zich bij de Perzen
aan om do brandstichters terug te drijven. Het verbranden
van den tempel der godin Kubele (Cybële), de moedor van
Zeus, werd door de Grieksche krijgslieden als een ongun-
stig voortoekon beschouwd. Zij meenden daardoor den toorn
der godin te hebben opgewekt, en werden zoozeer door
vrees bevangen, dat hunne aanvoerders het geraden acht-
ten, den aanval der Perzen in Sardes niet af te wachten,
en terug te trekken. Toch zouden do Grieken vooral door
hunne vloot nog wel opgewassen zijn geweest tegen Arta-
phernes, indien zij zich eendrachtig onder hot opperbevel
van een bekwaam aanvoerder hadden geschaard. Slechts
enkele dagen gehoorzaamden zij aan een kundig man, doch
dewijl doze hun een strenge krijgstucht oplegde en hen
dagelijks in den wapenhandel oefende, ontnamen zij hem
het opperbevel, onder voorwendsel, dat zijn stad niet
meer dan drie schepen had geleverd.
Toen Aristagöras inzag, dat de Perzen zouden zegevie-
ren, week hij uit naar Thracië, waar hij weldra een roem-
loozen dood vond. Histiaios was aan \'t hof van Darius
gebleven, totdat deze hem eens raadpleegde over de beste
wijze om den opstand te dempen. Histiaios antwoordde,
dat er aan geen opstand gedacht zou zijn, indien hij slechts
in Klein-Azië was geweest. De koning liet hein hierop
vertrekken, maar Histiaios zag zich bitter teleurgesteld,
want de Grieken wantrouwden den gunsteling van Darius,
en Artaphernes doorzag zijne huichelarij. Toen Histiaios
hem vraagde, hoe de opstand was uitgebroken, antwoordde
de satraap: "Gij hebt den schoen gemaakt, en Aristagöras
heeft hem aangetrokken." Na het vernemen van deze woor-
den nam Histiaios de vlucht en ging met eenigo schepen
zeeroof plegen. Toen Artaphernes den opstand gedempt
had, viel Histiaios in zijn handen. Terstond liet hij hem
kruisigen, uit vrees, dat Darius hem in een opwelling
van grootmoedigheid vergiffenis zou schenken. Daarna
liet hij hem het hoofd afslaan, en zond het, goedingezouten,.
-ocr page 275-
271
aan Darius. Deze gaf er zijn ongenoegen over te kennen,
dat Histiaios niet levend voor hem was gebracht. Hij liet
hot hoofd reinigen en, slechts denkende aan het goede,
hem eens door Histiaios bewezen, en niet aan diens ver-
raad, schonk hij het een eervolle begrafenis.
Miltiades.
Toen Darius de tijding ontving, dat Sardes door de Joni-
sche Grieken met behulp van de Atheners was ingenomen,
vraagde hij, wie toch die Atheners waren, en toen men
liet hem had medegedeeld, nam hij zich voor, niet alleen
op hen, maar op al de Europeeschc Grieken wraak te
nemen. Hij droeg, volgens het verhaal van Herodotos.aan
een zijner dienaren op, hem, telkens als hij zich aan den
maaltijd zette, toe te roepen: -Heer! gedenk de Atheners."
Hij zond zijn schoonzoon Mardonius met een talrijk leger
en een sterke vloot, die, langs de kust varende, steeds in
de nabijheid van de landtroepen moest trachten te blijven,
naar Griekenland. Zonder veel moeite veroverde Mardo-
nius de Thracische kuststreken en de Grieksche koloniën,
die er zich bevonden, en daarop trok hij Macedonië binnen.
Maar nu eindigde de voorspoed der Perzen. Dij het voor-
gebergte Athos werd de vloot door zulk een zwarcn storm
beloopen, dat 300 schepen met 20,000 man te gronde
gingen; terwijl het leger omstreeks denzelfdon tijd door
een Thracisch volk werd verslagen. Mardonius trok hierop
naar Azië terug. De onderneming was mislukt, maar daar-
om gaf Darius zijn plan nog niet op. Terwijl hij nieuwe
oorlogstoebereidselen maakte, zond hij herauten naar al de
Grieksche staten om aarde en water als een teeken van
onderwerping te eischen. Dijna alle staten onderwierpen
zich. Sparta en Athene niet. De Spartanen waren zóó
verontwaardigd over \'s konings eisch, dat zij zijn herauten
in een put wierpen met de woorden: «Neemt daar zoo-
-ocr page 276-
212
veel aarde en water, als u lust." Op voorstel van Miltiades,
den zoon van den door Hippias vermoorden Kimon, stortten
de Atheners de herauten in den Barathron, den berucliten
afgrond, waarin landverraders de doodstraf ondergingen.
Hetzelfde lot viel op aandrang van den jeugdigen Tlienn-
stökles aan den tolk ten deel, omdat deze de Grieksche
taal tot liet overbrengen Aan den eisch der barbaren bad
durven misbruiken.
Miltiades bij Marathon.
Athene bezat nog zoo weinig macht, dat het slechts me\'
moeite een oorlog volhield tegen liet eiland Aiglna. Om zich
behoorlijk ten strijde te kunnen rusten, had het behoefteaan
vrede. Daar Aigina zich aan Darius had onderworpen, be-
schuldigde Athene liet eiland wegens verraad aan bet alge-
meene vaderland bij Sparta, dat het hoofd was van den
Peloponnesischon bond, waartoe ook Aigina behoorde. De
koningen Kleomënes en Leotuchïdes dwongen daarop de
-ocr page 277-
273
Agineten, aan de Atheners tien gijzelaars uit te leveren
als onderpand van hunne trouw aan Griekenland.
Oiidertusschen liad Darius een leger van 100,000 voet-
kneehten en 10,000 ruiters op een vloot van 000 sche-
pen naar Griekenland gezonden. Het leger werd aange-
voerd door den Mediër Datis en door Artaphcrnes, denzoon
van denevenzoo gcnaaindon satraap te Sardes, terwijl Hippias
zich als raadgever hij hen bevond, in de hoop eerlang weder
als tiran van Athene te kunnen optreden. De krijgsmacht
landde op Euboia en sloeg het beleg voor Eretria, dat zich
dapper verdedigde, maar na zes dagen door verraad den
vijand in handen viel. De bevolking werd voor het mee-
rendeel nedergehouwen en de stad verbrand. De Perzen
staken nu over naar Attika en legerden zich in de vlakte
van Marathon.
De Atheners hadden zich, zoo goed zij konden, tot den
oorlog voorbereid en onder de tien strategen de voortref-
felijke mannen Miltiades, Themistökles en Aristeides ge-
kozen. Zoodra zij het bericht ontvingen, dat de Perzen bij
Marathon stonden, zonden zij een hardlooper naar Sparta,
die na vijf dagen met de weinig troostrijke tijding terug-
kwam, dat de Spartanen wel hulp wilden zenden, doch,
dat zij volgens hunne gewoonten niet vóór volle maan
mochten uittrekken en dus eerst na tien dagen te Athene
konden zijn.
Daar de Atheners slechts 10,000 hoplitenonderdewape-
nen hadden, deed zich de vraag voor, of men den vijand
achter de muren der stad zou afwachten, of hem in \'t open
veld slag leveren. Na een langdurige beraadslaging werd op
krachtigen aandrang van Miltiades tot het laatste besloten.
Daar ieder der tien strategen volgens de wet beurtelings
één dag mot het opperbevel bekleed moest zijn, besloten vijf
hunner, op voorbeeld van Aristeides, hunne beurt aan Mil-
tiades af te staan, omdat zij hem als ten volle bekend met
de vecht wijze der Perzen voor den bekwaamste erkenden.
Toen de Atheners zich op de hoogten legerden, die de door
18
-ocr page 278-
274
den tienmaal sterkeren vijand bezette strandvlakte bij Mara-
thon omgeven, kregen zij een even onverwachte als hoogst
gewenschte versterking. Het waren 1000 zwaar gewa-
penden, de gansche weerbare manschap van Plataiai, dat
dankbaar voor de hulp, die het vroeger van Athene tegen
Thebai had ontvangen, besloten had met Athene te zege-
vieren of te gronde te gaan.
Toen de dag van Miltiades\' beurt was aangebroken,
want eerder wilde hij geen slag leveren, schaarde hij zijn
leger in slagorde. Het sterkst maakte hij de beide vleu-
gels, en daarop gaf hij bevel, dat de gansche slaglinie met
de meeste snelheid op het leger der barbaren moest aan-
loopen. Hij deed dit, omdat de vechtwijze der Perzen daarin
bestond: den vijand met een hagelbui van pijlen te be-
groeten, en wanneer hij daardoor eenigszins in verwarring
was gebracht, hem door hunne voortreffelijke ruiterij te
doen aanvallen. Daar de Grieken beter geoefend en gewa-
pend waren voor den strijd van man tegen man, wilde
Miltiades zijn troepen zoo kort mogelijk aan de pijlschoten
des vijands blootstellen, en het overwicht, dat zij op hem
hadden, ten spoedigste doen gelden. De Perzen slaagden
erin, liet Griekschc centrum te doen wijken, daarentegen
sloegen de Atheners en de Plataiërs de beide vleugels des
vijands op de vlucht, waarna zij zich gezamenlijk op het
Perzische centrum wierpen, dat nu, van alle zijden aan-
gevallen, insgelijks vluchtte. In groote overhaasting zoch-
ten de barbaren hunne schepen te bereiken, waarvan de
vervolgende Grieken er zeven veroverden. Een schitte-
rende overwinning was bevochten, ofschoon duur gekocht
voor 192 gesneuvelden en meer dan duizend gewonde bur-
gers. De lijken van 0400 Perzen bedekten het slagveld,
en de vijandelijke legerplaats met al den voorraad en al de
schatten, die er zich in bevonden, viel in de handen der
overwinnaars
Dewijl Miltiades vreesde, dat Datis en Artaphernes met
hunne vloot onmiddellijk koers zouden zetten naar het on-
-ocr page 279-
275
bewaakte Athene, liet hij Aristeides met een aantal hopli-
ten ter bewaking van de legerplaats achter, terwijl hij met
het leger onmiddellijk den terugweg insloeg. Hoe vermoeid
de krijgslieden ook waren, den avond van denzelfden dag
trokken zij de stad weder binnen. De heugelijke tijding
was er reeds bekend. Een der hopliten had, toen de over-
winning verzekerd was, het slagveld verlaten. Met zijn
zware wapenrusting aan liep hij in pijlsnelle vaart naar
Athene, riep, toen hij binnenkwam, juichend uit: «Wij
hebben overwonnen!" en stortte toen, uitgeput van ver-
moeienis, dood neder.
Miltiades liet zijn troepen de haven van Athene bezet-
ten. Gedurende den nacht kwamen do Perzische schepen
op de reede, maar toen Datis en Artaphcrnes zagen, dat
de stad niet onbewaakt was, ontzonk hun de moed, en
namen zij den terugtocht aan. Hippias ging met hen mede
en vond weldra een roemloos einde. Den avond van den
volgenden dag kwamen de Spartaansche hulptroepen. Uit
naijver had Sparta slechts 2000 man gezonden, niet eens
onder het opperbevel van een hunner koningen. Die hulp-
troepen echter branden zoozeer van begeerte zich met de
Perzen te meten, dat zij den weg van Sparta naar Athene
in drie dagen hadden afgelegd. Nu bleef hun niets over
dan het slagveld te bezichtigen, de dapperheid der Atheners
te prijzen en huiswaarts te keeren.
De gesneuvelden werden op het slagveld bij elkander
begraven, en boven de lijken een graf heuvel opgericht,
die nog heden ten dage een hoogte heeft van 10 M. en
met een groot aantal in den laatsten tijd daarbij gevonden
pijlspitsen de heldendaden der oude Grieken verkondigt.
Militiades werd met de grootste eerbewijzingen overladen.
Zijn marineren standbeeld werd naast dat van Harmodios
en Aristogeiton geplaatst, terwijl bovendien zijn standbeeld
van metaal gegoten als wijgeschenk naar den tempel van
Delphoi werd gezonden. Een tiende deel van den onme-
-ocr page 280-
276
telijkon buit werd afgezonderd voor de vereering van Pal-
las Athene, Apollon en Artemis.
Tot groote bezorgdheid van Themistokles en Aristcides
maakte Miltiades van het groote aanzien,dat hij genoot,
gebruik om het opperbevel over de vloot en het beheer
over de krijgskas te verkrijgen, on toen hij daarna verlangde,
dat men hem zou overlaten de vloot te gebruiken, waar hij
haar ten beste van het volk wilde aanwenden, dewijl hij
hare bestemming geheim moest houden om zijn plan niet te
zien verijdelen, toonden de raad en het volk hem onbepaald
te vertrouwen, daar zijn verzoek werd toegestaan.
In het voorjaar van 489 v. G. stak Miltiades met een
vloot van 70 schepen in zee. Hij plunderde en verwoestte
eenige kleine eilanden van de Kuklaken (Cycladen) en zette
toen koers naar het eiland Paros, dat hij tot straf voor de
onderwerping aan de Perzen een zware schatting oplegde,
onder bedreiging het eiland te zullen veroveren, indien
aan zijn vordering niet werd voldaan. In de hoop spoe-
dig bijstand van de Perzen te ontvangen, besloten de be-
woners zicli krachtig te weer te stellen. Zij trokken
haastig de muren hunner stad op, en Miltiades zag zich
tegen zijn verwachting genoodzaakt er liet beleg voor te
slaan. Daar hij geen belegeringswerktuigon bij zich had,
en de Grieken nog weinig gevorderd waren in de belegc-
ringskunst, kon hij weinig meer doen dan de stad inslui-
ten om haar door gebrek tot de overgave te dwingen.
Reeds lag hij drie weken voor de stad, en gevoelde
hij zijn geestkracht verlammen ten gevolge van een ge-
duchte beenwond, hem door een pijlschot toegebracht,
toen op een avond aan den gezichteindcr een geweldige
gloed werd waargenomen. Miltiades meende evenals de
Pariérs, dat dit liet sein was van de nadering der Perzen
en beval terstond het beleg op te breken. Ofschoon hot
later bleek, dat de gloed veroorzaakt was geworden door
een boschbrand op een naburig eiland, keerde Militiades
met de vloot naar Athene terug.
-ocr page 281-
277
Nu de tocht mislukt was, on do Atheners er zich boven-
dien de beschuldiging door op den hals hadden gehaald
van zecroof te hebben gepleegd, viel liet den tegenstanders
van Miltiades niet moeiclijk hem ten val te brengen, Op
grond van een vet van Solon, volgens welke ieder, die
het volk door valsche beloften bedroog, met den dood ge-
straft moest worden, klaagde Xanthippos, een bloedver-
want van Kleisthenes, Miltiades aan. Wegens zijne vroe-
ger bewezen diensten werd hij niet ter dood veroordeeld,
maar hem werd opgelegd, do kosten van den tocht en
bovendien een zware boete te betalen, en gevangen te
blijven, totdat hij zijn schuld had vereffend. Miltiades
stierf in de gevangenis, eer hij aan de opgelegde verplich-
ting had voldaan. Zijn zoon Kimon, die als erfgenaam,
tot afdoening van de schulden zijns vaders verplicht was,
zou nu de gevangenisstraf hebben moeten ondergaan, indien
hij de boete niet had betaald.
Themistoklcs.
I. Zyn jeugd.
Themistoklcs behoorde tot een adellijk geslacht, dat
zich nog weinig had onderscheiden. Als knaap was hij
zeer onhandelbaar, waarom hij op rijperen leeftijd placht
te zeggen: Uit de wildste veulens groeien de beste paar-
den. Ofschoon hij zich reeds vroeg door overleg en stout-
heid onderscheidde, gevoelde hij zich niet aangetrokken
door de spelen zijner makkers. In plaats van hieraan deel
te nomen, hield hij voor zijn speelkameraden redevoeringen
om een hunner te beschuldigen of tegen een aanklacht te
verdedigen. Alles wat de staatszaken betrof, wekte zijn
belangstelling op, maar van de schoone kunsten, zooals dicht-
kunst en muziek, had hij een afkeer. Toen hij eens alsjonge-
ling in een gezelschap zat, waar ieder op zijne beurt deciter
ter hand nam om daarmede zijn zang te begeleiden, en het
-ocr page 282-
278
speeltuig ook aan Themistocles werd overhandigd, reikte hij
het terstond aan zijn buurman met de woorden: Zingen en
de citer bespelen kan ik niet, maar plaats mij aan het
hoofd van een kleinen, zwakken staat, dan zal ik hem
groot en machtig maken." Een zijner leermeesters, die had
opgemerkt, dat zijn schoonc aanlog gepaard ging met de
brandende begeerte om boven ieder uit te blinken, zeido eens:
«Themistokles zal zich een naam maken, hetzij in \'t goede,
hetzij in \'t kwade." Hoewel Themistokles tot de eerste
klasse behoorde, was zijn vermogen niet aanzienlijk ge-
noeg, om te kunnen doen, wat de rijkeren deden, en daar
hij niet kon dulden minder te zijn dan anderen, ontzag hij
zicli niet, noodeloos schulden te maken. Zijn roemzucht
bracht hem ertoe eens bij do Olumpische spelen met den
jongen, rijken Kimon to wedijveren in kostbaarheid van
tent en het geven van maaltijden, en toen eens een be-
roemd citerspeler uit Argos te Athene kwam, haalde The-
mistokles hem mot rijke geschenken over, zich in zijn
woning to doen hooren, om daardoor gelegenheid te heb-
ben, er de aanzienlijkste Athenors te kunnen ontvangen.
Do menigte wist hij voor zich te winnen door steeds min-
zaam te zijn en ieder terstond bij zijn naam te noemen.
Toen de naam van Miltüdes na den slag bij Marathon op
ieders lippen zweefde, zocht Themistokles de eenzaam-
heid, en bracht hij mcnigon nacht wakend door, en toen
zijn vrienden hem naar de reden daarvan vraagden, gaf
hij ten antwoord: «De roem, dien Miltiades geniet, belet
mij te slapen."
Ondertusschen hadden de Aiginëten, verstoord, dat
hunne gijzelaars nog steeds te Athene werden gehouden,
op een verraderlijke wijze een aantal aanzienlijke bewo-
ners van dczo stad in handen weten te krijgen. Zij boden
aan, hun do vrijheid terug te schenken, indien de Athe-
ners de gijzelaars weder uitleverden. Dit werd geweigerd,
en nu brak do oorlog tusschen Athene en Aigïna opnieuw
uit. Van deze omstandigheden meende Themistokles ge-
-ocr page 283-
279
bruik te kunnen maken om het door Miltiades begonnen
werk voort te zetten en Athene tot den machtigsten staat
van Griekenland te maken. Themistokles meende, dat
Athene zich vooral zou kunnen verheffen door het vormen
van een machtige vloot, en daar de oorlog met Aigina
langdurig dreigde te werden, stelde hij voor, de opbrengst
van de zilvermijnen van Laurion, in \'t Zuiden van Attika,
voor het bouwen en uitrusten van oorlogsschepen te be-
steden, in plaats van zo onder do burgers te verdeelen,
gelijk het plan was. Zijn vurige welsprekendheid sleepte
het volk mede, en de vergadering keurde het voorstel
goed.
De rijke grondbezitters waren echter met de plannen
van Theinistokles niets ingenomen. Zij zagen in, dat de
ontwikkeling van handel en scheepvaart hun aanzien zou
verkleinen, en begonnen Themistokles tegen te werken.
Aan hun hoofd stond do om zijn rechtvaardigheid ge-
achte Aristeides, naar wiens meening Athene zeer goed
tot grootheid kon geraken door zijn landmacht, waarvan
de voortreffelijkheid zoo schitterend was gebleken bij
Marathon.
De strijd tusschen de partijen nam in hevigheid toe.
Het belang van den staat eischte, dat een der beide tegen-
standers Athene verliet. Men nam zijn toevlucht tot het
ostrakisme. Aristeides werd voor tien jaren verbannen.
Themistokles liet, toen hij in \'t volgende jaar (482 v. G.)
tot archont was benoemd, met groote kracht aan de sche-
pen arbeiden, en daar de haven Phalëron te klein was
om de nieuwe vloot te bergen, stichtte hij met goed-
keuring van de volksvergadering een nieuwe haven, den
Peiraieus.
2. Xerxes en het groote leger.
Na de nederlaag bij Marathon besloot de Perzische ko-
ning Darïus I een derden tocht tegen Athene te onderne-
-ocr page 284-
280
men. Hij wilde het althans op grooter schaal doen dan
vroeger. In zijn gansclie rijk schreef hij lichtingen van
krijgsvolk uit. Driejaren lang liet hij oorlogsschepen bouwen
en magazijnen aanleggen. Maar in het vierdejaar deden de
Egyptenaren een poging om het gehate juk der Perzen af te
schudden, on daarbij ontstonden er aan \'t hof hevige twis-
ten over de vraag, wie der vele kinderen, die Darius bij
zijn verschillende vrouwen had, hem zou opvolgen. Toen
Darius in 485 overleed, had de veelvermogende koningin
Atossa weten te verkrijgen, dat haar oudste zoon, Xerxes,
zijn vader verving. Deze begon met al zijn broeders, van
wie hij gevaar duchtte, te laten ombrengen en onderwierp
daarna Egypte weder. Den tocht naar Griekenland zou hij
misschien hebben opgegeven, maar de aanzoeken van de
Peisistratiedcn, van den door toedoen van Klomënes uit
Sparta verdreven koning Demaiatos en\'vooral van den
eerzuchtigen Mardonius, die de Grieken wenschte te ver-
nederen, haalden hem over. In het jaar 481 v. C, toen
in de verschillende deelen des rijks de krijgsbendon be-
hoorlijk waren uitgerust, liet hij haar allen oprukken naar
de in Klcin-Azië aangewezen verzamelplaats. Op zijn weg
daarheen kwam Xerxes bij den Lydiër Pythius, die na den
koning voor den rijksten man van het rijk werd gehouden.
Pythius onthaalde niet alleen den koning en het geheele
leger, dat hem vergezelde, hij bood Xerxes bovendien zijn
gansche vermogen aan goud en zilver aan, ongeveer 45
millioen Gld. bedragende, min 7000 dariekcn (gouden
muntstukken met hot borstbeeld van Darius). Xerxes toon-
de zich echter zoo weinig hebzuchtig, dat hij niet alleen
het vriendelijk aanbod van de hand wees, maar Pythius
bovendien de hem ontbrekende 7000 darieken schonk om
zijn millioenental volledig te maken. Hij bedankte hem
voor het kostbaar onthaal en benoemde hem tot zijn gast-
vriend. Toon in \'t volgende jaar het Perziche leger op
marsch zou gaan, verzocht Pythius den koning, hem te
willen toestaan, den oudsten zijner zonen, die alle vijf bij
-ocr page 285-
281
het Lydische contingent dienden, thuis te mogen houden.
De despoot geraakte over dat verzoek in zulk een heftigen
toorn, dat hij dien oudsten zoon in tweeën liet hakken en
aan iedere zijde van den weg, langs welken het leger moest
trekken, een helft van \'t lijk ten toon stelde.
Toen Xerxes Abydus, de laatste Aziatische stad, waar
hij zou doortrekken, naderde, gaf hij bevel, dat haarinwo-
ners een zeer hoogen troon van witten steen voor hem moes-
ten bouwen. Hij plaatste er zich op om zijn krijgsbenden
te kunnen overzien, en hij gevoelde zich gelukkig de bc-
heerschor te zijn van minstens zes en vijftig volken, wier
uitgelezen manschap hem voorbijtrok. Daar zag liij Perzen
met hooge, spitse mutsen, bonte, nauwe lijfrokken met
mouwen, lange broeken en gewapend met lans, pijl en
dolk ; Assyriërs, die helmen en met ijzer beslagen knot-
sen droegen; Scythen met strijdbijlen; Indiërs met ka-
toenen gewaden, bogen en pijlen van riet; Kaspiërs met
pelzen; Ethiopiërs, wier lichaam half rood, half wit be-
schilderd was, met een leeuwen- of panterhuid om den
schouder geworpen en de van manen voorziene huid van
een paardekop als helm. Eensklaps viel het hem in, dat
een eeuw later van al die honderd duizenden niemand
meer zou over zijn, en de gedachte aan den kortstondigen
duur van zijn macht deed hem tranen storten.
Ondertusschen had Xerxes aan Egyptische en Phenici-
sche bouwmeesters last gegeven, twee groote schipbruggen
over den Hellespont te leggen, tusschen Abydus en Sestus,
de eene rustte op 3G0, de andere op 340 schepen en ge-
middeld hadden zij ieder een lengte van 2000 schreden.
Nauwelijks waren zij voltooid, of een hevige storm ver-
nielde het met zooveel moeite tot stand gebrachte werk.
Xerxes wreekte zich daarover op de bouwmeesters, die
hij ter dood liet brengen, terwijl hij, volgens het verhaal
van Herodótos, als een belachelijk despoot, aan de zee 300
geeselslagen liet toedienen. Terstond werden er nieuwe
bruggen gebouwd, en nadat de magiërs ze gewijd hadden
-ocr page 286-
282
door ze met mirtentakken te bestrooien en welriekende
kruiden te verbranden, sprak Xerxes bij zonsopgang een
gebed uit, waarin bij de goden bad, liem en liet leger te-
ffen ongeval te beboeden. Nu begon de overtocht. De
Onsterfelijken, de lijfwacht des konings, gingen vooruit en
zeven dagen duurde het, eer het gansche leger den Europee-
sclien oever had bereikt. Opnieuw hield Xerxes een
wapenschouwing, en bij die gelegenheid telde hij zijn strijd-
bare manschappen. Met dit doel liet hij een vooraf getelde
afdeeling van 10.000 man de gelederen zoo dicht mogelijk
opsluiten, en toen dit geschied was, er eene soort schut-
ting omheen maken. De afdeeling moest daarop de afge-
paalde ruimte verlaten, die daarop gevuld werd door andere
krijgslieden. Had men op deze wijze 10,000 man geteld,
dan moesten zij weder plaats maken voor anderen. Dit
geschiedde 170 maal, zoodat Xerxes 1,700,000 strijders
in zijn leger telde. De vloot werd verdeeld in vier afdee-
lingen, ieder van 300 schepen, behalve de 300 transport-
schepen. Leger en vloot sloegen nu den weg in naar
Griekenland.
3. Thermopulai.
Daar het ouderling verkeer der volken in de oudheid
zeer gering was, vergeleken bij dat van onzen tijd,konden
do toerustingen van Xerxes voor de Grieken lang verbor-
gen blijven. Toen eindelijk het doel ervan bekend werd,
ontstond er onder de Grieken een algemeeno verslagen-
heid. Athene alleen liet den moed niet zakken, al was het
te voorzien, dat het in den ongelijken strijd bijna alleen
zou staan. Zelfs Sparta had een poging gewaagd, den
toorn van den Perzischen vorst wegens het doodon van de
gezanten zijns vaders te doen bedaren. In de meening, dat
de goden nog steeds vertoornd waren op hunne vaderstad,
hadden twee Spartanen, Sperthios en Bulis, zich als zoen-
offers aangeboden. Gretig was hun voorstel aangenomen
-ocr page 287-
283
en daarop waren zij naar Perzië gereisd om daar te sterven.
In Klein-Azië gekomen, waren zij door Hydarnes, een
Perzisch legerhoofd, gastvrij opgenomen. Aan den maal-
tijd had Hydarnes tot hen gesproken: "Gij mannen van
Sparta, waarom versmaadt gij toch de eer, vrienden des
konings te worden? Gij kunt immers aan mij zien, dat
Xerxes rechtschapen mannen op prijs weet te stellen. Zoo
gij u aan hem onderwerpt, zal hij u gewis een voordeelig
ambt in Griekenland schenken." De Spartanen hadden ge-
antwoord: -\'Hydarnes, gij weet, wat dienstbaarheid is,
maar de vrijheid kent gij niet. Indien gij wist, wat zij is,
zoudt gij ons raden goed en bloed voor haar over te hebben".
Te Suza had men hen willen dwingen zich voor den koning
ter aarde te werpen, doch zij hadden standvastig gewei-
gerd, een mensch zulk een slaafsche hulde te betoonen.
Staande hadden zij daarom tot Xerxes gezegd: \'-Koning
der Meden, de Spartanen hebben ons tot u gezonden als
zoenoffers voor de herauten, die zij om \'t leven hebben ge-
bracht." Op edelmoedige wijze had Xerxes geantwoord,
dat hij niet voornemens was hun aan te doen, wat hij in
hunne landgenooten afkeurde, en hen ongedeerd huis-
waarts laten kecren.
In den herfst van \'t jaar 481 v. C. richtten de Athcners
tot alle Grieksche staten de uitnoodiging, gezanten naar
den Isthmus, de landengte van Korinthe, te zenden, om
over de middelen te beraadslagen ter afwending van het
gemeenschappelijk gevaar. De vergadering\' was slecht be-
zocht. Behalve Athene waren Sparta en zijn bondgenooten
en een paar kleine staatjes van Poiotië, waaronder Plataiai,
vertegenwoordigd. Op voorstel van Themistokles besloot
men in de eerste plaats een einde te maken aan de bestaan-
de onderlinge twisten, en daarop kwam de vrede tusschen
Athene en Aigina weder tot stand. Vervolgens nam de
vergadering het besluit nogmaals gezanten te zenden naar
de niet vertegenwoordigde staten, doch ook thans geschiedde
dit met weinig gevolg. Sommige staten, zooals Argos, dat
-ocr page 288-
284
op Sparta, on Thcbai, dat op Athene gebeten was, legden
onverholen hunne goede gezindheid jegens de Perzen aan
den dag. Niet minder verontrustend waren de berichten,
die men over de sterkte van \'t Perzische leger inwon. De
Grieken hadden spionnen naar Sardes gezonden, om het
leger des vijands op te nemen. Maar nauwelijks waren zij
er aangekomen, of zij werden als vreemdelingen herkend,
gegrepen en door pijniging gedwongen, het doel hunner
komst bekend te maken. Zij werden ter dood veroordeeld,
maar eer hun vonnis ten uitvoer werd gebracht, kwam de
zaak Xerxes ter oore, die hen, verzeld van eone afdeeling
zijner Onsterfelijken, de gansche legerplaats in oogenschouw
deed nemen en toen terugzond met den last, aan de Grie-
ken een getrouw verslag te doen van alles, wat zij gezien
hadden.
De maat der onheilspellende berichten was echter nog
niet vol. Do Atheners zonden een gezantschap naar Delphoi
om het orakel te raadplegen, en dit voorspelde den onder-
gang van Athene. Met dit antwoord durfden de gezanten
niet huiswaarts te koeren. Het was hun bekend, hoe zij
van het orakel een gunstige uitspraak moesten verkrijgen.
Zij wendden zich tot een invloedrijk inwoner van Delphoi,
en door diens tusschenkomst beklom de Putlha nogmaals
haar driovoot voor de Atheensche gezanten. Met olijf-
takken, om welke wol was gewonden, traden deze als
smeekelingen het heiligdom binnen, en nu verklaarde de
godspraak, dat als het gansche gebied van Attika in han-
den des vijands viel, Zeus toch de houten muren van Athene
zou beschermen. Deze uitspraak sloeg de Atheners ter
neer, maar Themistokles wist er eene uitlegging aan te
geven, die den moed deed herleven. Hij deed opmerken,
dat de grootc macht van Athene in de vloot bestond, en
het orakel met de houten muren klaarblijkelijk de schepen
had bedoeld.
Op een vergadering van de bondgenooten werd op voor-
stel van Themistokles door allen verklaard, zich op het
-ocr page 289-
285
hardnekkigst te zullen verdedigen. Nu moest worden uit-
gemaakt, welke staat met het opperbevel zou worden bo-
last. Dat dit voor de landmacht aan Sparta werd opgedra-
gen, vond algemeene goedkeuring. Voor dat van de vloot
meenden de Atheners het eerst in aanmerking te zullen
komen. De zelfzuchtige Spartanen eischten echter ook het
opperbevel over de vloot, ofschoon zij niet eens een zee-
macht bezaten. De van Sparta afhankelijke staten van de
Peloponnesos ondersteunden dien eisch, en wellicht zou
het tusschen de bondgenootcn tot een scheuring zijn geko-
men, indien het Themistokles niet gelukt was, de Atheners
over te halen een schoon voorbeeld van zelfverloochening
in \'t belang van \'t gemeenschappelijk vaderland te geven,
door den onbillijken eisch der Spartanen in te willigen.
De Atheners maakten den meesten spoed, om do belofte,
200 oorlogsschepen te leveren, na te komen. Weldra sta-
ken zij in zee onder het opperbevel van Themistokles. De
geheele Peloponnesos rustte slechts 115 schepen uit. De
Spartaan Eurubi&des stond aan \'t hoofd der gansche vloot.
Veel minder ijver legden de Spartanen aan den dag,
dewijl zij niet voornemens waren meer te doen dan de
Peloponnesos te verdedigen. Zij beweerden, hunne krijgs-
macht in \'t land te moeten houden, omdat do Olumpische
spelen op handen waren; maar dewijl hun het opperbevel
over het leger was toevertrouwd, zonden zij hun koningLeo-
nidas, die met Gorgo, de dochter van zijn voorganger Kleo-
m;nes gehuwd was, aan \'t hoofd van slechts 300 man
naar Midden-Griekenland, om de passen van het Oita-ge-
bergte tegen de Perzen te verdedigen. Dit gebergte strekte
zich te dien tijde tot aan de zee uit, slechts aan zijn voet
een weg open latende, breed g->noeg om door een wagen
bereden te worden. Tegenwoordig is die weg ten gevolge
van aanslibbing zeer veel broeder. Bij dezen pas, waar-
schijnlijk naar de een half uur zuidelijker gelegen warme zwa-
velbronnen, Thermopölai geheeten, verzamelde Leonidasde
Grieken, die onder zijn bevelen stonden. Dewijl er echter
-ocr page 290-
286
nog oen pad over het gebergte liep, zond hij 1000 Phokers,
wier gebied, Phokis (Phocis), onmiddellijk voor de Perzen
open lag, zoodra zij door den pas van Thermopulai waren,
de hoogte op om te voorkomen, dat de vijand daar binnendrong.
Eindelijk naderde het leger van Xerxes. Een Griek, die
het gezien had, verhaalde vol angst in de legerplaats zijner
landgenooten, dat de Perzische boogschutters talrijk genoeg
waren om door het afschieten hunner pijlen de zon te ver-
duisteren. «Vriend! gij brengt ons goede tijding," viel een
Spartaan hem hierop in de rede, »wij zullen dus in de
schaduw strijden". Xerxes kon niet geloo ven, dat het hand-
je vol Grieken een poging zou durven wagen om hem te-
gen te houden. Hij zond derhalve een gezant naar Leoni-
das om de wapenen der Grieken op te eisenen. «Kom ze
halen," was het lakonieke antwoord, dat de Spartaansche
koning voor Xerxes medegaf. Deze beval daarop den berg-
pas te bestormen. Daartoe werden de afdeelingen der Me-
den aangewezen, die reeds bij Marathon hadden gestreden
en die nu in de gelegenheid werden gesteld, hun krijgsroem
te herwinnen en den dood van zoo velen der hunnen te wre-
ken. Xerxes had zijn zetel op eene hoogte doen plaatsen,
die hem het uitzicht op de kampplaats verleende, en van
daar zag hij hoe zijn dapperen herhaaldelijk vastberaden
op de Grieken aanvielen, maar telkens terug werden ge-
dreven. Woedend over het mislukken hunner pogingen,
gaf hij bevel, dat andere benden de vermoeide Medische
moesten aflossen: te vergeefs. Eindelijk droeg de despoot
aan zijn Onsterfelijken op, de Grieken uit den pas te ver-
drijven. Met hunne bekende dapperheid vielen zij aan, maar
de Grieken hielden niet alleen stand, zij dreven de keur-
benden zelfs een eind in de vlakte terug. Plotselinggaf Leo-
nidas den zijnen bevel zoo snel mogelijk in den pas terug
te koeren. De onsterfelijken meenden, dat de Grieken op de
vlucht waren geslagen en zetten hen in den pas achterna,
totdat Leonidas weder bevel gaf stand te houden. Nu richt-
ten de Grieken onder de op den nauwenwegopeengehoop-
-ocr page 291-
287
te menigte van vijanden ecne geduchte slachting aan. Hon-
derden vielen onder hunne slagen, honderden werden in
het diepe moeras aan de Oostzijde van den pas gedrongen
en smoorden daar. Tegen den avond had Xerxes 6000
man verloren, en hij had geen duimbreed gronds gewon-
nen. Maar ook de Grieken hadden veel geleden. Duizend
der hunnen bedekten met hunne lijken het slagveld. Leo-
nidas zag in, dat hij zich nog eenige dagen zou kunnen
staande houden, indien de Perzen voortgingen met hem
aan te vallen, maar dat ten laatste zijn legertje geheel zou
versmelten. Op hulp had hij niet te rekenen. De Spartanen
hadden hun leger in den Isthmus opgesteld om de Pelo-
ponnesos te verdedigen; Midden-Griekenland hadden zij be-
sloten aan den vijand over te laten. Toch was Leonidas
vast besloten zijn plicht tot het uiterste na te komen. Daar
ontving hij plotseling de verpletterende tijding, dat het de
Perzen gelukt was over het gebergte te komen, en dat hij
weldra ook in den rug zou worden aangevallen. Een Griek,
Ephialtes, had in \'t vooruitzicht een vorstelijke belooning
te zullen ontvangen, in den nacht aan deafdeolingOnster-
felijken het bergpad gewezen, dat de 1000 Phokers moes-
ten bewaken. Di de vaste overtuiging, dat de Perzen met
dien weg onbekend waren, hadden de bewakers zich aan
een rustigen slaap overgegeven. Tegen den morgen werden
zij door het gedreun van de voetstappen der Perzengewekt,
en eer zij den tijd hadden zich in slagorde te scharen,
werden zij door een regen van pijlen begroet. Ijlings
vluchtten de Phokers naar een naburige hoogte, terwijl
de Perzen, zonder zich om hen op tehouden,aan de Zuid-
zijde van het gebergte afdaalden.
Leonidas begreep, dat het gansche leger verloren was, in-
dien hij met allen terugtrok, want de Onsterfelijken zouden
hem kunnen ophouden en zoo aan \'t groote Perzische leger
gelegenheid geven, hem in de vlakte in te halen, waarbij
tegen degeweldigde overmacht niet bestand zou zijn. Slechts
als hij met een gedeelte zijner troepen de hoofdmacht der
-ocr page 292-
X8S
Perzen ecnigen tijd kon tegen houden, zouden de anderen
gelegenheid hebben te ontkomen. Hij besloot daarop zich met
de 300 Spartanen, onder zijn bevelen, op te offeren, en om
Thebai te dwingen zich voor goed bij de verbonden Grieken
aan te sluiten, beval hij aan de troepen, door die stad ge-
Leonidas en zijn leger door Megistias ten doode gewijd
zonden, insgelijks bij hem te blijven. In deze netelige om-
standigheden streelde het Leonidas een blijk van edele
zelfopoffering van de onder zijn bevelen staande Thespiërs
te ontvangen. Onder hunne levendige toejuichingen ver-
klaarde hun aanvoerder Demophïlos, dat hij en de zijnen
-ocr page 293-
28<J
met Leonidas zouden blijven en sterven. De Spartaan-
sche koning hield daardoor nog 1200 zwaar gewapenden
onder zijne bevelen; de overigen, ongeveer 3000 man,
trokken af.
Nu viel Leonidas de hoofdmacht der Perzen in de vlakte
aan. De Spartanen en Thespiërs vochten met ongegeëven-
aarde dapperheid. Twee broeders van Xerxes sneuvel-
den, maar weldra viel ook Leonidas, die aan \'t hoofd der
zijnen streed, van pijlen doorboord. Een hevig gevecht
ontstond om zijn lijk. De Spartanen bleven er meester
van. Nu kwam de tijding, dat de Onsterfelijken door den
pas drongen om de Grieken in den rug aan te vallen. De-
zen trokken daarop terug naar eene hoogte om zich tot
den laatsten man te verdedigen. De Thebanen echter lie-
pen naar den vijand, om lijfsbehoud smeekende, de overi-
gen stierven allen den heldendood. Xerxes had de kleine
schare overwonnen, maar 20,000 strijders verloren. Li
zijn toorn liet hij al de Thebanen, die zich hadden over-
gegeven, met het brandmerk zijner slaven teekenen en
zond hen toen naar huis, opdat iedere Griek zou weten,
wat hom te wachten stond, wanneer hij tegen Perzië\'s ko-
ning de wapenen durfde opvatten. Drie Spartanen waren
afwezig, toen de strijd begon. Een hunner, Plantites, die
door Leonidas naar Thessalië was gezonden, benam zich
van smart het leven, omdat hij met de zijnen den helden-
dood niet had kunnen sterven. Van de twee overigen,
die wegens oogziekte door Leonidas uit het leger verwij-
derd waren, liet Eurütos zich, zoodra hij \'t verraad van
Ephialtes had vernomen, door zijn slaaf naar het slag-
veld geleiden en sneuvelde, dapper strijdende, aan de zijde
zijner kameraden; de andere Aristodëmos, keerde naar
Sparta terug, waar hij door ieder ontweken en lafaard
genoemd werd.
10
-ocr page 294-
290
4. Salamis.
Daar de Perzische vloot langs de kust voer om steeds
met het landleger in verbinding te blijven, hadden de
Grieksche bevelhebbers ter zee het voornemen opgevat,
de zeeëngten tusschen de eilanden en het vasteland te ver-
dedigen. Toen zij echter zagen, welk een ontzaglijke
overmacht tegen hen over stond, weken zij terug in de
straat, die het eiland Euboia van Midden-Griekenland
scheidt, on lieten zij het anker vallen nabij Ghalkis in het
nauwste gedeelte der straat.
Terwijl Xerxes zich voor Thcrmopülai legerde, kon
zijn vloot hem niet terstond volgen wegens de aanwezig
beid van de Grieksche schepen in de straat van Euboia.
De Perzische vlootvoogd koos zich een ankerplaats nabij
kaap Sepia, doch hier konden al de schepen niet nabij het
strand ankeren, zoodat zij in acht rijen achter elkander
moesten liggen. In dezen toestand werd do vloot door een
geweldigen storm uit het Noorden overvallen. Slechts die
schepen, welke nabij bet strand lagen, konden op hot
droge getrokken, en aldus tegen de woedende zee bevei-
ligd worden. De overige leden vrccselijk: zij sloegen van
de ankers en stieten tegen elkander of tegen klippon. Tc
vergeefs zochten de magiërs den storm door tooverspreu-
ken te bezworen; meer dan vierhonderd schepen gingen
te gronde. Toon de Grieksche vloot van dit onheil konnis
kreeg, bracht de bemanning uit dankbaarheid offers aan
Poseidon en aan Boreas, den god van den Noordenwind,
en besloot Eurubiides, den vijand te gemoet te gaan. Wel
slaagde hij erin vijftien Perzische schepen af te snijden en
te veroveren, maar de zeemacht des vijands kwam hem
nog te sterk voor om bet geraden te achten, haar aan te
tasten. Hij besloot naar do kusten van de Pcloponnesos te
wijken. Toen de bewoners van Euboia dit vernamen, smeek-
ten zij den Spartaan ten minste te toeven, tot zij hunne
vrouwen en kinderen in veiligheid hadden gebracht. Daar
-ocr page 295-
291
Eurubi&des hun verzoek niet inwilligde, wendden zij zich
tot Thcmistokles, wien zij heimelijk dertig talenten zilver
zonden. Deze bood daarop aan Eurubiades vijf en aan Acli-
niantos, don Korintischen bevelliebber, drie talenten aan,
waardoor hij hen wist over te halen, de Perzische vloot
nogmaals aan te vallen. Het viel Tliemistokles te gemak-
kelijker zijn doel te bereiken, daar de Grieken vernomen
hadden, (lat de Perzen 200 schenen hadden afgezonden
om langs de Oostzijde van Euboia hot Zuiden der straat te
bereiken en hen daar in te sluiten. Bij kaap Artemiston
werden de vijanden aangevallen, en het gelukte den Grie-
ken 30 hunner schepen te veroveren. Bij bet vallen van
den avond werd het gevecht gestaakt, en toen verhief zich
een storm uit het Zuiden, die de 200 afgezonden Perzi-
sche schepen met man en muis deed vergaan. De twee
volgende dagen streden de Grieken nog met voordeel,
maar zij slaagden er niet in, op de overmacht een heslis-
sonde overwinning te behalen. Daar ook hunne schepen
zwaar geteisterd waren en het bericht kwam, dat Leoni-
das en zijn dapperen bij Thermopulai gevallen Maren,
liet Eurubiades zich niet langer weerhouden, het bevel
tot den terugtocht te geven, en weldra ankerde de vloot
in de nauwe zecëngte tusschen het eind Salainis en Attika.
Toen Xerxes door Thermopulai was gekomen, zond hij
een afdeeling van zijn leger naar Phokis om dit en dus
ook het heiligdom van Delphoi te verwoesten. Een vreese-
lijk onweder bracht die afdeeling in verwarring, en daar-
na werd er door de bewoners van Delphoi zulk een slach-
ting onder aangericht, dat de Grieken latei- verhaalden,
hoe Apollon zelf voor het behoud van zijn tempel had ge-
streden. Herodotos verklaart twee rotsblokken te hebben
gezien, die Apollon van de bergtoppen had geworpen om
de Perzen te verpletteren.
De bewoners van Attika hadden op de nadering van
Xerxes hun vaderland verlaten en een schuilplaats ge-
zocht op de naburige eilanden, vooral op Sakmiis. Slechts
-ocr page 296-
292
een handvol Atheners had de Akropolis -willen verdedi-
gen, doch was er over de kling gejaagd. Xerxes was
meester van Atüka, doch hot was een land zonder bevol-
king.
Eurubildes riep nu de bevelhebbers bijeen om te over-
leggen, wat hun te doen stond. De meesten wilden ten
spoedigste de engte bij Salamis verlaten, doch Themistok-
les, die de overtuiging had, dat juist daar de beste kans
bestond om de grooto Perzische vloot met voordeel te be-
strijden, omdat zij er zich niet kon ontwikkelen, zocht
Eurubiades tot zijn gevoelen over te halen. Toen Adinian-
tos erop wees, dat Thcmistokles zulk een hoogen toon niet
moest voeren, omdat hij geen vaderland meer had, gaf de
held ten antwoord: "Wij hebben wel een vaderland: onze
200 flink bemande en goed uitgeruste schepen. Van die
schepen hangt den uitslag van den strijd af. Wij moeten
hier blijven om onze vrouwen en kinderen niet in de han-
den der barbaren te doen vallen. Verlaat gij ons, dan
moeten wij ook u verlaten ; dan stevenen wij naar Italië
om ons nieuwe woonplaatsen te stichten." Daar de mees-
te bevelhebbers er toch op bleven aandringen te vertrek-
ken, zond Theniistoklcs heimelijk een getrouwen slaaf
naar Xerxes, met het bericht, dat hij, de bevelhebber der
Atheners, den koning gunstig gezind was en hem daarom
liet weten, dat de Grieken, den ongelijken strijd tegen de
Perzische vloot vreezende, voornemens waren de ruime
zee te kiezen, en dat de koning de Grieksche schepen,
wier bevelhebbers oneenig waren, kon vernielen, indien
hij hen spoedig aanviel. Xerxes volgde den raad. Hij
liet met het aanbreken van den nacht zijn vloot stelling
nemen tegenover de Grieken, terwijl de Phenicische
schepen last kregen, het eiland Salamis om te varen, ten
einde den vijand in te sluiten. Nog zaten omstreeks mid-
dernacht de Grieksche bevelhebbers met elkander te twis-
ten, toen Themistokles uit de vergadering werd geroepen.
Het was door Aristeides, wiens ballingschap was opgehe-
-ocr page 297-
293
ven en die nu, als een rechtschapen man het hem aangedane
leed vergetende, aan Themistokles liet bericht bracht, dat de
Griekscho vloot omsingeld was. Thans hielp geen beraad-
slagen meer, er moest gestreden worden. Met zonsopgang
gaf Eurubkdes het teeken tot den strijd, die van de hoog-
ten van Salamis door de Attische vrouwen, kinderen,
grijsaards en gekwetsten, en van een heuvel nabij Athene
door Xerxes werd gadegeslagen. Lang bleef de uitslag
van het gevecht twijfelachtig. Do rechtervleugel der Grie-
ken, die uit Peloponnesischc schepen bestond en bij welke
Eurubiades streed, werd fel bestookt, maar eindelijk ge-
lukte het den Atheners, die den linkervleugel uitmaakten,
hunne tegenstanders achteruit te slaan. Het vijandelijk
centrum werd daarop van twee kanten aangevallen, en nu
geraakte de Perziche vloot wegens de beperkte ruimte,
waarin zij zich moest bewegen, in de grootste verwarring:
het cene schip hinderde het andere in zijn bewegingen,
of zij naderden elkander zoozeer, dat de roeiriemen ver-
brijzeld werden, of een grooter schip stiet met zulk een
geweld tegen een kleiner, dat het laatste zonk. De Per-
zische vloot was versterkt door vijf voortreffelijk uitge-
ruste, schepen van Halicarnassus in Klein-Azië, die door
Artemisia, de koningin van dat land, zelve werden aange-
voerd . Het zeegevecht werd tegen haar raad geleverd; zij
had erop aangedrongen met het leger door den Isthmus
te breken. Di de hitte van den strijd ziet zij eenAtheensch
schip met groote vaart op het hare toeloopen om dit in den
grond te boren. Terstond geeft zij bevel met alle macht
voorwaarts te roeien, maar daardoor stoot de sneb van
haar schip met zulk eene kracht tegen een haar dwars in
den weg liggend Perzisch schip, dat dit oogenblikkelijk
met de gansche bemanning in de diepte zinkt. Haar ver-
volger, dit ziende, geloofde met een bondgenoot to doen
te hebben en veranderde van koers. Ook Xerxes had hare
manoeuvre gezien en in de meening, dat zij een Grieksch
schip in den grond had geboord, zou hij uitgeroepen heb-
-ocr page 298-
294
ben: "De vrouwen zijn hier mannen geworden!" Met liet
vallen van don nacht was de strijd beslist. Aan do be-
kwame leiding vanTliemistokles en den moed der Atheners
hadden do Grieken het to danken, dat zij een schitterende
overwinning hadden behaald.
Xerxes was woedend over de geleden nederlaag. Hij
liet de Phenicische bevelhebbers, die hot eerst de vlucht
hadden genomen, ombrengen, waarop de Phenicische
schepen van den nacht gebruik maakten om de vloot hei-
melijk te verlaten. Wel kon hij 400 schepen stellen te-
genover de 300, waarover de Grieken nog te beschikken
hadden, maar in oen krijgsraad werd toch tot den terugtocht
besloten. Thans volgde Xerxes den raad van Artemisia,
die wegens haar gewaande heldendaad en de slechte uit-
komst van den tegen haar gevoelen ondernomen schecps-
strijd, zeer bij hom in achting was gerezen. De vloot kreeg
bevel naar den Hellespont te stevenen om de bruggen te
bewaken, on Xerxes trok met liet gros dos legers terug,
Mardonius met 200,000 man in Thessalië achterlatende
om in hot volgende voorjaar don strijd te hervatten. Aller-
jammerlijkst was die terugtocht. De vrees voor de Perzen
was geweken. De volken, door wier landen het leger trok,
leverden niet meer vrijwillig levensmiddelen. De krijgs-
lieden leden zulk een honger, dat zij zich met boomschors
trachtten te voeden. Besmettelijke ziekten raapten dui-
zenden weg, en toon de troepen na oen tocht van vijf en
veertig dagen den Hellespont bereikten, hadden do No-
vemberstormen de bruggen vernield. Gelukkig was het
overblijfsel van de vloot aanwezig om hot sterk gedunde
leger over te zetten.
Toen de Grieken in den morgen na den slag bij Salamis
de vijandelijke vloot verdwenen zagen, stelde Themistokles
voor, haar na te zetten en to vernielen. Eurubiadcs, ge-
steund door de Peloponnesischo bevelhebbers, was er tegen.
Nu stelden do Atheensche bevelhebbers voor, dat dan al-
leen hunne schepen naar den Hellespont zouden gaan,
-ocr page 299-
295
doch hiertegen verzette zich Themistokles, en zoo bleven
de Grieksche schepen werkeloos liggen. Herodotos ver-
haalt, dat Themistokles den Perzisclien koning zou hebben
doen weten, dat dit door zijn toedoen geschiedde. Nadat
een gedeelte van den buit aan de goden was geofferd, ging
de Grieksche vloot eenige der Kukladen(Cycladen)straffen,
omdat zij den Perzen schepen hadden geleverd, en bij die ge-
legenheid zouden Eurubiadesen Themistokles van sommige
eilanden geld hebben aangenomen om de strafaftekoopen.
Groote eer werd Themistokles door de Spartanen aange-
daan, toen hij spoedig daarop hunne stad bezocht, en nog
grootere, toen hij de Olumpische spelen bijwoonde. Zijn
lof klonk van aller lippen, en men vergat de kampvechtcrs
om den blik te kunnen vestigen op den held. Dit was
voor Themistocles de schoonste dag zijns levens.
Dezelfde eerbewijzingen ontving Themistokles niet van
zijn stadgenooten, die zich na den slag bij Salamis ter-
stond weder in hunne woonplaats hadden nedergezet. Zij
konden het hem niet vergeven, dat hij met de Atheensche
schepen het overschot der Perzische vloot niet was gaan
vernietigen, en beschuldigden hem van geldafpersingen op
de Kukladen.
Aristeides.
1. De slagen bij Plataiai en bij Mukale.
Het was wel te voorzien, dat Mardonius in \'t volgende
voorjaar (479 v. C.) den strijd zou hervatten. Toch kozen
de Atheners Themistokles niet meer onder de strategen,
maar Avel Aristeides, een vriend, en Xantippos, een bloed-
verwant van Kleisthenes. De Perzische opperbevelhebber,
wien het duidelijk was, dat het mislukken van den tocht
zijns konings moest worden toegeschreven aan de kracht, die
do nieuw geschapen zeemacht van Athene had ontwikkeld,
-ocr page 300-
296
meende, indien het hem gelukte dezen staat op zijne zijde
te krijgen, in de onderwerping van Griekenland te zullen
slagen. Alexander, de koning van Macedonië, die thans
afhankelijk van Perzië was, en wiens geslacht van oudsher
in vriendschappelijke betrekking stond met Athene, werd
door Mardonius tot onderhandelaar gekozen. Zoodra de Spar-
tanen van dit plan hoorden, werden zij bevreesd, dat de
Atheners indachtig zouden zijn aan den vroeger betoonden
onwil van Sparta om Athene tegen de macht van Xerxes
te verdedigen, en de gunstige voorslagen van Mardonius
aannemen. Zij zonden daarom onverwijld gezanten, die
er bij de Atheners op aandrongen toch geen geloofteslaan
aan de beloften, die de eenc dwingeland (Alexander) in
naam van den anderen dwingeland (Xerxes) gaf, en be-
loofden, dat Sparta hen krachtdadig tegen de Perzen ter
zijde zou staan. Op raad van Aristeides gaven de Atheners
aan Alexander ten antwoord: »Zeg aan Mardonius, dat
de Atheners nimmer bondgonooten van Xerxes zullen zijn,
zoolang de zon niet van loopbaan verandert, en dat zij
zullen strijden, steunende op de hulp der goden, wier
tempels hij heeft verwoest. En gij, kom nooit weer tot
ons met zulke voorslagen, want wij willen niet, dat u
onder ons eenig leed geschiede, daar gij door vriendschap
met ons zijt verbonden." Toen Mardonius hierop Attika
binnentrok, zonden de Spartanen de toegezegde hulp niet.
Zij haddenzich don tijd ten nutte gemaakt om op de landengte
van Korinthe een stevigen muur te bouwen, die hen in
staat stelde de Perzen uit de Peloponnesos te weren, en
toen het werk voltooid was, had hun koning Kleombrótos
onder wiens toezicht het werk was verricht, het grootste
gedeelte der troepen naar huis gezonden. De Atheners
zagen zich thans opnieuw genoodzaakt hunne stad te verla-
ten en een schuilplaats te zoeken in de grotten en rots-
kloven van Salamis. Kimon, do zoon van Miltiadcs, werd
daarop naar Sparta gezonden, maar hij slaagde er niet in,
de ephoren te bewegen hulp te zenden. Toen de Spartanen
-ocr page 301-
297
eindelijk vernamen, dat Mardonius Attika niet verwoestte,
in het vooruitzicht de Atheners, door den nood, waarin zij
verkeerden, nog tot zijne zijde te kunnen overhalen, in
welk geval hij wellicht van de Atheensche vloot gebruik
zou kunnen maken, om een inval in de Pcloponnesos te
doen, namen do ophoren eindelijk het besluit het leger
tegen de Perzen te doen oprukken.
Zoodra Mardonius hiervan tijding had gekregen door de
hem genegen Argivers, verwoestte hij Attika en trok, ver-
heugd, dat hem de moeite bespaard zou worden, den muur
op den Isthmus te bestormen, naar Boiotië, in welks vlak-
ten hij zijn leger, waartoe een talrijke ruiterij behoorde,
beter kon ontwikkelen. Hij nam een versterkte stelling
in langs de rivier Asopos, en weldra legerde zich het Griek-
schc leger, 110,000 man sterk, waaronder l6,O0OAthe-
ners, aangevoerd door Aristeides, tegenover hem op do
noordelijke helling van het Kithairongebcrgte. De Grieken
stonden onder het opperbevel van Pausanias, den oom en voogd
van den onmondigen Spartaanschen koning Plistarchos,
een zoon van Leonidas. Dewijl ieder der beide legers zicli
op een terrein bevond, dat voor zijn eigene vechtwijzc het
beste was, en de waarzeggers — Mardonius bediende zich
hier ook van Grieksche — hadden verklaard, dat het aan-
vallende leger het onderspit zou delven, kwam het niet
spoedig tot een slag. Wel liet Mardonius de Grieken voort-
durend door zijn ruiterij verontrusten, waardoor scher-
mutselingen ontstonden, in eene waarvan een Athenerden
aanvoerder der Perzische ruiterij, een man, die na Mardo-
nius liet hoogste gezag in \'t leger bezat, doodde.
Gebrek aan water dwong eindelijk de Grieken een an-
dere stelling in te nemen. Zij daalden af naar do vlakte
van Plataiai en hadden nu hun front naar het Oosten ge-
keerd. De Atheners maakten den linker-, de Spartanen den
rechtervleugel uit. Mardonius plaatste hierop zijn beste
Perzische troepen tegenover de Spartanen, de met hem
verbonden Thessaliërs en Boiotiërs tegenover de Atheners.
-ocr page 302-
298
Acht dagen had men aldus tegenover elkander gelegen,
toen Mardonius door zijn ruiterij den hoofdpas van het
Kithairongebergte liet vermeesteren, waardoor hij instaat
was, den toevoer, die uit de Peloponnesos naar het Grick-
sche leger werd gezonden, af te snijden. Kort daarna ver-
stopte de Perzische ruiterij de bron, die de Grieken van
water voorzag. Pausanias besloot daarop des nachts meer
westwaarts naar Plaitaiai te trekken en veranderde tevens
met goedvinden van Aristeidcs de slagorde zoodanig, dat
de Atheners tegenover de Perzen kwamen te staan; hij
Pausanias mept de goden aan.
gaf tot dit laatste als reden op, dat de Atheners bij Mara-
thon getoond hadden met de vechtwijze der Perzen goed
bekend te zijn. Toen Mardonius den volgenden morgen be-
richt kreeg van den aftocht der Grieken, die niet zonder
wanorde had plaats gehad, besloot hij hen na te zetten.
Hij bereikte zijn doel om met zijn Perzen de Spartanen
-ocr page 303-
299
aan te vallen. Reeds viel menige Spartaan door de pijl-
schoten der Perzen, en nog gaf Pausanias liet bevel tot
den aanval niet, want de voorteekenen waren ongunstig\'.
Daarop riep hij de goden aan, en toen weldra de waarzeg-
gers een beteren uitslag konden voorspellen, aanvaardde
hij den strijd. Een bloedig gevecht onstond. In \'t bizonder
onderscheidde zich Aristoc\'.ëmos, die wegens zijn gedrag
bij Thermopölai door zijn landgenoten de lafaard werd ge-
heeten; te midden van een drom van vijanden stierf\'hij den
heldendood. Mardonius, op een wit paard gezeten, voerde
in persoon zijn krijgslieden aan. De overmacht, waarover
hij te beschikken had, gaf hem een groot voordeel op de
Spartanen, maar toen hij doodclijk gewond van zijn schim-
mel stortte, trokken do Perzen terug. Een groot gedeelte
hunner vluchtte terug naar de legerplaats, gevolgd door
de Spartanen, die, wegens hunne onbedrevenheid in de
belegeringskunst, tegen de daar aangebrachte verster-
kingen niets vermochten. DeAthenerswarenondertusschen
in een scherp gevecht gewikkeld geweest met de Grieken,
die aan do zijde der Perzon streden. Zij hadden gezege-
vierd en kwamen nu de Spartanen te hulp, die nog steeds
voor het versterkte kamp stonden. Met vereenigde krach-
ten brak men er eindelijk in door, en de zege was door
de Grieken bevochten. De overwinnaars maakten zicli mees-
ter van een onmetelijken buit, waaronder gouden drinkscba-
len, rustbedden met gouden voeten, kostbare tapijten, met
goud- en zilverdraad doorweven stof, waarvan de tenten
der bevelhebbers vervaardigd waren, enz. Een tiende ge-
deelte daarvan werd aan de goden geofferd, d.i. men schonk
aan verschillende tempels kostbare voorwerpen. Een ander
tiende deel werd aan Pausanias toegewezen. Toen men
daarop ging overleggen aan welk volk de prijs der dapper-
heid toekwam, ontstond er een bedenkelijke twist tusschen
de Atheners en de Spartanen, die hem ieder voor zich be-
geerden. Gelukkig kwam daaraan een einde, toen het bleek,
dat allen zich konden vereenigen met het voorstel van een
-ocr page 304-
300
Korinthiër, om dien prijs toe te kennen aan de strijders
van Plataiai, op wier grondgebied de roemrijke overwin-
ning was bevochten. De Spartanen erkenden, dat onder
hunne landslieden Aristodcmos den meesten heldenmoed
aan den dag had gelegd, maar overwegende, dat hij een
roemvollen dood had gezocht om zich van den smaad, die
op hem kleefde, te zuiveren, bewezen zij de hoogste eer
aan andere gesneuvelden.
Op denzelfden dag behaalden de Grieken ook een over-
winning bij kaap Mukale in Klein-Azië. Hunne vloot, HO
schepen sterk, werd aangevoerd door den Spartaan Lco-
tuchïdes, onder wien Xanthïppos de Athccnscho schepen
aanvoerde. Zij had in last een Perzische vloot van300sche-
pen onder Mardontes te beletten, aan Mardonius hulp te
verleenen. Den geheelon zomer had de Grieksche vloot wer-
keloos gelegen, omdat Mardontes zich bij het eiland Samos
bleef ophouden, ten einde mot een Perzisch leger, dat
onder Tigianes bij kaap Mukale had post gevat, ter voor-
koming van een mogclijken opstand van de Kleinaziatische
Grieken, te kunnen samenwerken.
Toen nu Leotuchïdes door geheime boden van de Samiërs
het verzoek ontving, den Klcinaziatischen Grieken, die het
Perzische juk verlangden af te schudden, hulp te verleenen,
besloot hij, hoe gering zijn macht ook was in vergelijking
van die der Perzen, den steven naar Samos te wenden.
Mardontes waagde het echter niet, hem slag te leveren.
De Phenicische schepen, die onder zijn bevel stonden, maar
die hij niet vertrouwde, zond hij naar huis, en daarop voer
hij naar kaap Mukale, waar hij de schepen op strand liet
trekken, en zich toen met de troepen van Tigranes in een
versterkte legerplaats, waarachter ook de schepen beveiligd
waren, opsloot. Woldra naderde Leotuchides, die zijne
troepen liet landen, en ofschoon zij een strijd moesten aan-
gaan van één tegen twintig, trokken zij met onverschrok-
kenheid tegen do Perzen op. Dezen hadden zich, steunende
op hunne overmacht, vóór de versterkingen geplaatst. De
-ocr page 305-
301
Atheners, aangevoerd door Xanthippos, vielen zoo onstui-
mig op de vijanden aan, dat zij moesten wijken. Xanthippos
drong te gelijk, met de vluchtelingen de versterkte leger-
plaats binnen, en nu had er een vreeselijke slachting ouder
de Perzen plaats, wier schepen door de overwinnaars wer-
den verbrand. Deze overwinning had de bevrijding van de
eilanden ten gevolge, die nu in het verbond der Grieken
werden opgenomen. De Grieksche steden op de kust van
Klein-Azié werden aan haar lot overgelaten, slechts do
Atheners beloofden, haar tegen de Perzen te zullen be-
schermen.
3. De Atheners versterken hunne stad en veranderen
hunne staatsregeling.
Daar de Grieken de redding uit de hand der Perzen in
de eerste plaats aan de goden toeschreven, besteedden vele
staten een gedeelte van den grooten buit, die hun ten deel
was gevallen, tot het stichten of verfraaien van tempels en
het instellen van jaarlijkscho feesten, ter herinnering aan
de grootsche daden, die zij met behulp der goden hadden ver-
richt. De verworven schatten kwamen bovendien den Athe-
ners uitmuntend te pas om hunne verwoeste stad te herbou-
wen; maar Themistokles, die steeds den blik op de toekomst
gevestigd hield, wist door de volksvergadering een voorstel te
doen aannemen, waarbij besloten werd, de herstelling van de
verwoeste huizen en gebouwen uit te stollen, totdat men Athe-
ne vaneen sterken ringmuur zouhebben voorzien. Terstond
ging men met kracht aan den arbeid; maar de bewoners van
Aigina, die nog steeds naijverig waren op de Atheners,
gaven er bericht van aan de Spartanen. Dezen, beducht
voor de toenemende macht van Athene, kwamen met
kracht op tegen het plan om die stad te versterken, voor-
gevende, dat Sparta ook niet ommuurd was, en dat in ge-
val de Perzen nog eens een aanval deden en zich weder
van Athene meester maakten, zij moeilijk te verdrijven
zouden zijn, indien zij er zich achter muren konden ver-
-ocr page 306-
302
dedigen. Theniistokles wel inziende, dat liet onversterkte
Athene niet in staat was het hoofd te bieden aan de
ganschePeloponnesos, wist de volksvorgaderinghet besluit te
doen nemen, afgevaardigden met een geruststellend antwoord
naar Sparta te zenden. De Atheners kwamen hierop over-
een met den meesten spoed de muren af te werken en in-
middels Themistokles, een der drie gekozen afgevaardig-
den, naar de Spartanen af te vaardigen, om dezen op\'t sleep-
touw te houden. Themistokles wist de Spartanen op be-
hendige wijze te misleiden, zonder het verlangde antwoord
te geven. Ondertusschcn kwamen er te Sparta telkens
boden der Aigineten met do verzekering, dat de Atheen-
sche muur met snelle schreden zijn voltooing naderde.
Als dan do Spartanen hij Themistokles op het verlangde
antwoord aandrongen, gaf hij te kennen daarmede te
moeten wachten, totdat zijn medegezanten, waaronder
Aristeides behoorde, waren aangekomen. Het ongeduld
der Spartanen werd eindelijk zoo groot, dat hij hun aanried,
zelve een gezantschap naar Athene te zenden, om op te
nemen, hoe de zaak stond. Hiertoe werd besloten, en wel-
dra overtuigden zich do Spartaanscho gezanten, dat de muur
te Athene bijna gereed was. Toen zij echter wilden vertrek-
ken, werd hun, op raad van Themistokles, medegedeeld, dat
zij te Athene als gijzelaars moesten blijven voor do Atheen-
sche gezanten te Sparta, want ondertusschcn had zich
Aristeides met zijn medeafgezant daarheen begeven. Thans
legde Themistokles te Sparta de verklaring af, dat de
versterking van Athene voltooid was. Hij wees erop, dat
do Atheners den moed hadden gehad hunne stad te verlaten
en hunne oorlogsschepen te bemannen, toen zij dit noodig
oordeelden, en dat zij hot nu noodig oordeelden hunne stad
te versterken, hetgeen zij thans gedaan hadden met het-
zelfde recht, waarmede andere staten van het bondgenoot-
schap hunne stad hadden versterkt. Tot hun spijt zagen
de Spartanen in, dat zij misleid waren geworden on zich
thans in de omstandigheden moesten schikken.
-ocr page 307-
303
Terwijl Thomistokles aldus aan de macht en toekomstige
grootheid van Athene arbeidde, wist Aristeideshettedoen
door de staatsregeling overeenkomstig do behoeften vanden
tijd te wijzigen. Vele grondbezitters waren door den
oorlog zoo achteruitgegaan, dat zij tot de vierde klasse
waren vervallen en dus niet meer tot staatsambten ver-
kiesbaar waren. Bovendien hadden de leden der vierde klas-
se als zeelieden zich zoozeer onderscheiden, dat er wel iets
mocht gedaan worden om hunne diensten te erkennen.
Op voorstel van Aristeides werd daarom in 477 v. C. de
beperking opgeheven, dat de leden der vierde klasse van
het bekleeden van staatsambten waren uitgesloten. De
verarmde grondeigenaars behielden dus het recht, dat zij
ten gevolge van hunne opofferingen voor het vaderland
hadden verloren, terwijl den leden der vierde klasse het
voorwendsel tot ontevredenheid werd ontnomen, bij ande-
ren te worden achtergesteld, ofschoon zij hun leven voor
het vaderland hadden veil gehad. Wel was het te ver-
wachten, dat de leden der vierde klasse zich liever aan
den arbeid, die hun brood verschafte, zouden wijden, clan
aan het vervullen van een onbezoldigd ambt, maar
thans stonden de hooge staatsambten ook open voor den
rijken koopman en den talentvollon kleinen burger.
3. Het uiteinde van Pausanias.
Na den slag bij Plataiai zonden de bondgenooten hunne
vloot uit onder het opperbevel van Pausanias, terwijl Aris-
teides en Kimon, de zoon van Miltiades, de Alhecnsche
schepen aanvoerden, om de eilanden en kusten der Egeï-
sche Zee van Perzen te zuiveren. Pausanias volbracht die
taak zonder moeite en nam eindelijk ook het sterke en
rijke Byzantium in. De hoerschzucht, die Pausanias be-
heerschte,deed hem met smart het tijdstip te gemoet zien,
waarop hij de koninklijke waardigheid, met welke hij als
voogd van don onmondigen zoon van Leonidas bekleed
-ocr page 308-
304
was, aan zijn kwoekeling zou moeten overdragen. Daarbij
hinderde het hem, dat de macht der koningen door de
ephoren zoozeer werd beperkt. De pracht en weelde,
waarin de Perzische satrapen zich baadden, hadden voor
hem zooveel aanlokkelijks, dat hij met minachting op de
eenvoudige levenswijze zijner landgenooten begon neer te
zien. Hij verlangde een Perzisch satraap te zijn, en ein-
delijk besloot hij, een dochter van Xerxes tot vrouw te
vragen, en dien vorst zijn hulp aan te bieden om Grie-
kenland te veroveren. Niets kon Xerxes meer welkom
zijn dan zulk een aanbod. Hij droeg zijn satraap Artabazus
op met Pausanias te onderhandelen, en deze gevoelde zich
daardoor zoo gestreeld, dat hij alle voorzichtigheid vergat
en reeds bij voorbaat, terwijl hij zich nog met de Griek-
sche vloot te Byzantium ophield, als een Perzisch satraap
begon te leven. Niet slechts volgde hij de Perzische ge-
bruiken in kleeding, opschik en tafel, hij liet zich door
Medische en Egyptische lijfwachten vergezellen en behan-
delde de bondgenooten met stugheid.
Het misnoegen, dat hierdoor ontstond, was oorzaak, dat
de schepen van alle .Tonische bondgenooten zich onder het
bevel van Aristeides en Kimon schaarden, en Pausanias
naar Sparta werd geroepen. Aanvankelijk slaagde hij er
in, alle verdenking van zich af te werpen, maar onder-
tusschen zette hij de onderhandelingen mot Artabazus per
brief voort. Bijna waren zij ten einde. Pausanias moest
zijn laatsten brief verzenden, en daarmede belastte hij een
slaaf, die steeds zijn volle vertrouwen had genoten, on die
aan hem gehecht was. Toen deze zich gereedmaakte te
vertrekken, viel het hem in, dat van alle slaven, die door
Pausanias belast waren geworden met het overbrengen
van een brief naar Klein-Azië, geen enkele was terugge-
keerd. De slaaf, hierdoor wantrouwend geworden, opende
den brief en las daarin aan \'t slot het verzoek van Pausa-
nias aan Artabazus, om den overbrenger evenals de vroe-
gere ter dood te brengen. De slaaf moest thans kiezen,
-ocr page 309-
305
zich zelve» op te offeren of zijn meester. Hij besloot tot
het laatste en maakte de ophoren met den inhoud van den
brief bekend. De ephoren wilden echter geen geloof\'slaan
aan een besehuldiging door een slaaf\'ingebracht, doch be-
willigden erin, dat deze hun de gelegenheid zon verschaf-
fen , de zaak uit den mond van Pausanias zelven te verne-
men . Op verzoek van den slaaf verborgen de ephoren zich
in een tempel aan Poseidon gewijd, terwijl de slaaf\'er
zich als smcekeling voordeed en zijn heer liet roepen. Pau-
sanias verscheen en vraagde verwonderd aan zijn slaaf
naar de reden van deze handelwijze. De slaaf bekende
daarop, dat hij den brief aanArtabazns geopend en gelezen
had, en smeekte om het behoud zijns levens. Uit het nu
volgende gesprek tusschen Pausanias en zijn slaaf\' werd
het den ephoren duidelijk, dat de aanklacht van den slaaf
volkomen gegrond was. Nadat Pausanias zijn slaaf een
schitterende belooning had toegezegd, wanneer deze den
brief\', met weglating der laatste zinsnede, overbracht,
keerde hij naar Sparta terug. De ophoren volgden hem
niet het doel zich van hem meester to maken. Li de nabij-
heid van den Pallas-tempel haalden zij hem in. Pausanias
las uit hunne dreigende blikken, wat zij met hem voor
hadden, en vlucht Ie als smcekeling binnen de tempelnm-
ren. Hier mocht men hem niet aangrijpen, doch de epho-
ren riepen het volk bijeen, en na kort beraad lieten zij de
toei>anü\'en tot het inwendige van den temiiol toemetselen.
Men zegt, dat <!e moeder van Pausanias, uit afschuw van
het door haar zoon gepleegde verraad, zelve stcenen voor
dit werk aanbracht. Vervolgens werden de steenon, die
tot dekplaten dienden, boven van don tempel genomen en
keken de ophoren zorgvuldig toe, hoe de ongelukkige van
honger en dorst eek weid, langzaam den dood te gemoet
ging. Toen hij op het punt was te sterven, werd hij haas-
tig uit den tempel gehaald, opdat deze door zijn dood niet
zou worden ontwijd (4G9 v. C.)
20
-ocr page 310-
306
4. Het uiteinde van Themistoklss.
Hot gedrag van Pausanias te Byzantium was oorzaak
geweest, dat de door Joniërs bevolkte eilanden der Egeï-
sche Zee zich nauwer bij Athene hadden aangesloten.
Men wenscbte met elkander een verbond te sluiten en
droeg de regeling daarvan aan Aristeides op. Daar de
bondgenooten tot nu toe hunne vergaderingen te Sparta
hadden gehouden, kwam het Aristeides niet wenschelijk
voor ze naar Athene te verleggen. Hij koos daartoe het
eiland Delos, waar dikwijls vele Grieken bijeenkwamen,
om deel te nemen aan de feesten, die er ter eere van
Apollon gegeven werden. Op voorstel van Aristeides werd
besloten, dat de bondgenooten jaarlijks een vaste bijdra-
ge zouden leveren om steeds een oorlogsvloot in gereed-
beid te hebben. Aan Aristeides werd opgedragen die bij-
dragen vast te stellen. De grootere staten moesten behal-
ve geld, een of meer bemande oorlogsschepen leveren, de
kleinere alleen geld. De bondskas werd in den Apollon-
tempel te Delos bewaard. Ieder lid van het verbond zou
volkomen onafhankelijk blijven en een stem kunnen uit-
brengen in de vergaderingen, waarin over liet besteden
der gelden werd beslist. Aan Athene werd hel voorzitter-
schap en het opperbevel in den oorlog opgedragen.
Met deze regeling was Tliemistokles weinig tevreden.
Hij verlangde, dat Athene zoo machtig werd, dat het aan
de bondgenooten in alles de wet kon voorschrijven. Had
Themistokles als volksleider weinig te vreezen van den
eerlijken, gematigden Aristeides, langzamerhand kreeg
hij in Kimon een geduchten tegenstander. In zijn jeugd
was Kimon door het volk met onwil en bezorgdheid
gadegeslagen, omdat hij, trotsch op zijn hooge afkomst,
slechts behagen vond in zinnelijk genot en door zijn
lompe manieren alle geringeren van zich afstiet. Dit
alles veranderde echter spoedig, toen Aristeides hem tot
zich had weten te trekken. Door zijn aangenainen om-.
-ocr page 311-
307
gang wist hij do aanzienlijken, door zijn mildheid en
gastvrijheid de gcringcren voor zich in te nemen. In
do volksvergaderingen onderscheidde hij zich door eenc
vurige welsprekendheid, in den krijg door moed en be-
leid.
Jarenlang stond de held van Salamis aan de aanvallen
van Kimon bloot, die, gesteund door de adellijke parlij
en de vrienden van Aristeides, niet ophield hem te be-
schuldigen van geldgierigheid en omkoopbaarheid. Thc-
mistokles slaagde erin, alle tegen hem ingebrachte aan-
klachten te ontzenuwen, eens zelfs met behulp van den
eerlijken Aristeides. Zijn tegenstanders besloten eindelijk
het ostrakisme te baat te nemen, en zij slaagden erin, The-
mistokles te doen verbannen. Hij vestigde zich in Argos,
bezocht van daar andere steden van de Peloponnessos en
leefde rustig, totdat de dood van Pausanias nieuwe onhei-
len over hem bracht.
Pausanias had geschriften nagelaten, waaruit bleek, dat
zijn voornemen aan Thcmistokles bekend was geweest. Zoodra
de Spartanen dit bemerkt hadden, zondenzij gezanten naar
Athene om Thcmistokles van hoogverraad aan te klagen en
te verzoeken, dat het onderzoek in deze zaak teSpartazou
plaats hebben. Thcmistokles, wetende welkeen doodelijken
haat de Spartanen hem toedroegen, besloot den stormniet
af to wachten. Hij begaf zich naar het eiland Kerkura
(Gorcyra) rekenende op de dankbaarheid van de bewoners,
aan wie hij menigen dienst had bewezen, doch toen hij be-
merkte, dat zij hem niet in bescherming durfden nemen
tegen Sparta en Athene, stak hij over naarEpeiros, welks
zuidelijk doel door do Molossers werd bewoond. Admëtos,
do koning van dit volk, was vroeger door Themislokles
boleedigd geworden. Toch begaf deze zich naar hot hof en
kwam er aan, terwijl de koning afwezig was. Thcmisto-
kles wist daarop de koningin zoozeer van medelijden met
zijn droevig lot to vervullen, dat zij hem bijden haard deed
plaats nemen on hem haar kind in de armen gaf, om aldus
-ocr page 312-
308
den koning bij zijn thuiskomst als smeekeling te kunnen
aanspreken. Edelmoedig vergat Admetos liet gebeurde, en
verleende hij den vluchteling bescherming, ondanks den
aandrang van Athene en Sparta om hem uit te leveren.
Toen Themistokles den wensch te kennen gaf, zich naar
Perzië te begeven, zond hij hem onder goed geleide naar
de zeekust, om zich daar aan boord van een Perzisch koop-
vaarder in te schepen. Na het overwinnen van vele moei-
lijkheden slaagde Themistokles erin Suza, de residentie van
koning Artaxerxes, te bereiken. Hij vertoonde zich aan
Artaxerxes als smeekeling, beriep zich op den goeden raad
eens aan diens vader Xerxes gegeven on vond genade in
\'s konings oogen. Een jaar lang leefde Themistokles af-
gezonderd van liet hof, om zich de Perziche taal eigen te
maken, en toen hij hierin uitmuntend was geslaagd, werd
hij de dischgenoot des konings. Maar nog grooter eer be-
wees deze hem, door drie steden met zijn onderhoud te
belasten. Het was namelijk bij do Perzische koningen
gewoonte, in plaats van jaarwedden, aan hunne gunste-
lingen steden ofgcheele landstreken te scheideen, die dan
verplicht waren alles te verschaffen, wat de begunstigde
noodighad. (lelijk aan een der koninginnen geheel Egypte
werd geschonken, opdat dit land voor haar kleeding zou
zorgen, zoo kreeg Themistokles de Kleinaziatische steden
Lampsakos voor den wijn, Magnesia voor het brood en
Muos voor de toespijzen.
Do Egvptonarcn waren naden moord, op Xerxes gepleegd,
opgestaan. Artaxerxes vreczende, dat de Grieken hen zou-
den bijstaan, droeg, naar verhaald wordt, aan Themistokles
het opperbevel over do vloot op. Niet lang daarna stierf
hij te Magnesia, volgens sommigen aan vergif, dat hij in-
nam, dewijl hij noch ondankbaar jegens Xerxes, noch een
bestrijder van zijn vaderland wilde zijn. Dat hij zijn vader-
land nog innig liefhad, blijkt daaruit, dat hij bevel had
gegeven zijn gebeente naar Attika te vervoeren.
-ocr page 313-
309
Kimon.
Nog voor den dood van Themistokles was Aristeides
overleden. Deze rechtvaardige, die\'jarenlang de schatten
van den staat had beheerd, liet niets na. Zijn ganschevcr-
mogen had hij aan zijn vaderland opgeofferd, en uu moest
dit de kosten van zijn begrafenis betalen en de zorg voor
zijn familie op zich nemen.
Ondertusschen was het aanzien van Kimon (Cimon)
voortdurend gerezen. Jaar on jaar werd hij tot strateeg
verkozen, en in deze betrekking bestreed hij de Perzen
met voordeel. De schitterendste overwinning behaalde hij
in 469 v. C. aan de rivier Eurum£don. Na den dood
van Pausanius wilde Xerxes nog een poging wagen om
Griekenland Ie onderwerpen. Hij bracht niet dat doel
een leger en een sterke vloot in het Zuiden van Klein-
Azië bijeen. Eer echter de Phenicischo schepen daar
waren aangekomen, naderde Kimon met een vloot
van 200 scheepen. Ofschoon de Perzische vloot talrijker
was, zocht zij zich in den mond van den Eurumedon te
bergen. Kimon viel haar aan, versloeg haar, ging onmiddellijk
niet zijn troepen aan land en bracht denzelfden dag aan het
Perzische leger insgelijks de nederlaag toe. Den volgenden
dag stak hij met zijn schepen weder in zee om de Pheni-
cische vloot te gemoet te gaan, en toen hij haar gevonden
had, werd zij insgelijks verslagen.
Te gelijk met zijn rijk, verzwakte de eens zoo machtige
koning Xerxes. Hij vertoonde zich niet moer buiten zijn
paleis, en gaf zich geheel aan zinnelijke genietingen over.
Het Perzische hof werd een tooneel van de laagste harts-
tochten en misdaden. In deze omstandigheden vatte Arta-
banus, de aanvoerder van \'s konings lijfwacht, het voor-
nemen op, zich van de heerschappij meester te maken.
Met behulp van een kamerheer, die hem genegen was, wist
hij in \'t slaapvertrek van Xerxes te dringen en dezen te
doorsteken. Onmiddellijk daarop begaf hij zich naar Ar-
taxerxes, den tweeden zoon van Xerxes en deelde hem
-ocr page 314-
310
mede, dat zijn oudste broeder, Darius,zijn vader vermoord
Iiad om den troon te kunnen beklimmen. Hij zette Arta-
xerxes tot wraak aan en verzekerde hem van den steun der
lijfwacht. De misleide begaf zich naar de vertrekken zijns
broeders en doodde hem. Hierop viel Artabanus op Arta-
xeres aan, doch hij werd door dezen afgemaakt. Aldus
werd Artaxerxes koning over het verzwakte Perzische rijk,
dat niet meer in staat was, aan do Grieken het hoofd te
bieden.
De Atheners hadden het meest toegebracht aan de over-
winningen op de Perzen. Langzamerhand begonnen zij zich
als meerderen over hunne bondgcnooten te beschouwen,
en toen zij op raad van Kimon met de meesten hunner
overeenkomsten aangingen, waarbij Athene do verplichting
op zich nam schepen en krijgsvolk voor hen te leveren,
wanneer zij jaarlijks een som geld betaalden, geraakten
zij langzamerhand in den toestand van onderworpenen,
en werd eindelijk ook de bondskas van Delos naar Athene
verplaatst.
Kimon verslond nu de kunst, zich bij de volksklasse be-
mind te maken. Van den rijken buit, dien hij in den
oorlog had behaald, besteedde hij een gedeelte om Athene
te verfraaien en aan de feesten luister bij te zetten. Met
groote gastvrijheid stond zijn huis voor ieder open, terwijl
daar dagelijks spijzen werden bereid voor behoeftigen, en
gelduildeelingon plaats hadden onder de armen. Buitens-
huis vertoonde hij zich steeds gevolgd door een stoet wol-
gekleede slaven, on ontmoette hij dan een schamel gekleed
man, zoo liet hij dezen mot een zijner slaven van klee-
deron ruilen. Op deze wijze slaagde Kimon er in, zelfs
bij het volk steun te vinden om de uitbreiding van de
rechten des volks, waaraan Kleisthenes on Aristeides zoo
krachtig gearbeid hadden, te keer te gaan en die dor aan-
zienlijken in stand te houden. Kimon was daarom ook
ingenomen met de regeering van den adel in Sparta, en
toen die adel aan Athene om hulp vraagde om de heloten
-ocr page 315-
311
te onderwerpen, die, gebruik makende van de verwarring,
door een hevige aardbeving ontstaan, den zoogenaaniden
derden Messnischen oorlog waren begonnen, aclilte Kiiuon
liet de plicht der Atheners den gevraagden bijstand te
verkenen op grond van liet bondgenootschap, dat tusschen
de beide staten sedert liet begin der Perzische oorlogen
was gesloten. De volkspartij trad krachtig tegen Kinion
op. Haar woordvoerder Ephisltes wees er met wegslee-
pende welsprekendheid op, hoe dwaas het zou zijn een
staat bijstand te verleenen, die steeds een vijandelijke ge-
zindheid jegens Athene aan den dag had gelegd. Doch
Kimon bezwoer het volk niet toe te laten, dat Grieken-
land aan één voet kreupel zou worden geslagen, dat Athene
en Sparta nauw vereenigd moesten zijn, zou het den Grie-
ken welgaan. Het voorstel van Kimon werd goedgekeurd,
en hij vertrok aan \'t hoofd van 4000 hopllten om de Spar-
tanen te helpen de bergvesting Itliömo, waarin de heloten
zich terug hadden getrokken, te belegeren. De heloten
(Messeniërs) bleven zich echter dapper te weer stellen, en
terwijl het beleg aanhield, en steeds nieuwe bondgenooten
de Spartanen kwamen versterken, ontwaakte bij dezen
de oude naijver op de Atheners. Nog eer Ithome was inge-
nomen, verklaarden de Spartanen, dat zij de hulp der Athe-
ners niet meer noodig hadden, waarom zij hen verzochten
naar huis te trekken. Deze smadelijke behandeling griefde.
de Atheners zeer diep. Zij ontbonden het verdrag met Spar-
ta, en dewijl het wel te voorzien was, dat dit te eeniger
tijd een oorlog ten gevolge moest hebben, zochten zij zich
door verbonden met andere staten te versterken.
De invloed van Kimon had door het gebeurde een ge-
duchten knak gekregen, en de volkspartij wilde daarvan
gebruik maken. De omstandigheden waren haar gunstig.
Na den dood van Xerxes had een zoon van Psamtik III
Egypte in opstand tegen Perzië weten te brengen. Hij
verzocht aan de Atheners om hulp, en dezen zonden hem
200 schepen, onder aanvoering van Kimon. NutradEphial-
-ocr page 316-
312
tcs in de volksvergadering op met het voorstel om den
Areiopagos af te schaffen. Hij wees er op, dat de voor hun
leven gekozen leden dier rechtbank het recht bezaten, al-
le voorgestelde hervormingen tegen te houden, en zij be-
schomvd moesten worden als oude mannen, die hun tijd
niet meer begrepen en tegen allen vooruitgang gekant wa-
ren. Ondanks den tegenstand der aanzienlijken werd het
voorstel van Ephialtes aangenomen. Toen Kimon terug-
kwam, vond hij de zaken veranderd. Hij trachtte het ge-
beurde ongedaan te maken, doch te vergeefs. Hij werd
door het ostrakisme verbannen, en Ephialtes werd ver-
moord.
Perikles.
I.
Perikles, de zoon van Xanthippos, den overwinnaar bij
Muklle, had een voortreffelijke opvoeding genoten, die.
gepaard niet een voorbeeldige vlijt, zijn gelukkigen aan-
leg tot den hoogsten trap van ontwikkeling bracbt. Zijn
onweerstaanbare welsprekendheid en de ijver, waarmede
hij zich aan do staatszaken wijdde, hadden reeds vroeg de
aandacht op hem doen vestigen, en daar hij de beginselen
der volkspartij was toegedaan, koos deze hem tot leider,
nadat Ephialtes vermoord was geworden.
In dezen tijd geraakte Athene in oorlog met verschillen-
de Grieksche staten, en daaronder ook met de Spartanen.
Perikles, die den vrede voor zijn vaderstad het wensche-
lijkst achtte, om haar tot bloei te brengen, en meende dat
Kimon de eenige man was, die haar met Sparta kon ver-
zoenen, wist te bewerken, dat zijn staalkundige tegenstan-
der terug werd geroepen, ofschoon diens verbanning\' nog
geen vijfjaren had geduurd. Kimon slaagde wel niet in
\'t tot stand brengen van den vrede, maar verkreeg een
wapenstilstand met de Spartanen voor vijfjaren. Hierop
-ocr page 317-
313
wist hij de Atheners te bewegen, den oorlog met de Perzen
weder krachtig door te zetten, en stevende hij niet eene
vloot naar Egypte, dat opnieuw de hulp van Athene
had ingeroepen. Eerst echter deed hij Cyprus aan.
Toen hij hier plotseling zijn einde voelde naderen, liet hij
zijn vrienden bij zicli komen, en beval hij zijn dood ge-
heim te houden, totdat zij aan de Perzische vloot, die zich
in de nabijheid ophield, slag zouden hebben geleverd. Zijn
bevel werd nagekomen en een schitterende overwinning
was het lijkfcest van den held.
Ondertusschen liep de wapenstilstand met Sparta ten
einde. Do oorlog met dezen staat dreigde opnieuw uit te
barsten, doch liet gelukte Perikles, die zich ondertusschen
als krijgsheld onderscheiden had, tegen niet geringe op-
offeringen van de zijde van Athene, een vrede voor den
tijd van dertig jaar tot stand te brengen.
Van nu at\' wijdde Perikles zich met al zijn krachten
aan den bloei van Athene, dat hij tol de eerste stad van
Griekenland wenschtc te maken. In het huiszijnsvadcrshad
hij de voornaamste wijsgeeren van zijn tijd loeren kennen.
Uit hunne gesprekken had hij geleerd, niet uitsluitend eerbied
te hebben voor hetgeen zijn voorvaderen goed, schoon en
heilig hadden geacht, maar ook prijs te stellen op hetgeen
door nieuwe onderzoekingen aan het licht wasgekomen, en het
oude, overgeleverde ervoor te laten varen, wanneer het
bleek, dat dit minder aan de eischen van den tijd voldeed.
Door ernst, gematigdheid, zelfbehecrsehing en onbaatzuch-
tigheid genoot hij tot aan zijn dood het vertrouwen des
volks, dat hem jaar op jaar tot strateeg, bestuurder der
geldmiddelen en opziener over de bouwwerken benoemde.
Perikles wijdde zich zóó onafgebroken aan de belangen
van Athene, dat hij den tijd niet had, gelijk de overige
aanzienlijke Grieken, aan feestmalen deel te nemen. Zijn
huishouding werd met spaarzaamheid bestuurd. Zijn lan-
derijen verpachtte hij, en zijn trouwe slaaf Eurualos voerde
met nauwgezetheid het beheer over de pachtgelden. De
-ocr page 318-
314
genoegens van een gezellig huiselijk, leven smaakte Perikles
aanvankelijk niet. Gelijk alle Atheensche vrouwen, was
Telesippe, zijn echtgenoote, weinig onderwezen. Wat
niet tot don kring van het bereiden van spijzen en andere
huiselijke zaken behoorde, begreep zij niet en boezemde
hapr ook geen belang in. Geheel anders was het gesteld
met de Jonische vrouwen van Klein-Azië. Dezen ontvingen
onderwijs in allerlei kunsten en wetenschappen en wisten
zich aangenaam te maken in den omgang met beschaafde
mannen. Toen Perikles zulk een Jonische vrouw, de rijk
begaafde Aspaste van Milële, had leeren kennen, en deze
toonde, hem in zijn verheven denkbeelden over weten-
schap en kunst te kunnen volgen, gevoelde hij zich zoo-
zeer door haar aangetrokken, dat hij van Telesippe scheidde
en met Aspasia huwde. In haar bijzijn vond hij verpoozing
van de onafgebroken vermoeiende staatszorgen.
Sedert de Atheners hunne vroegere bondgenooten als
schatplichtig beschouwden en behandelden, moesten zij
steeds ten strijde gereed zijn. Ten einde hunne stad te
ieder ure in verbinding te houden met hunne sterke vloot,
liet Perikles ontzaglijke muren bouwen van Athene tot de
reeds versterkte haven Peiraieus. Voor deze on andere
bouwwerken meende hij de schatting, die vele Gricksche
staten aan Athene betaalden, te kunnen gebruiken, indien
hij slechts zorgde, te allen tijde gereed te zijn hen to be-
schermen ."
Hij liet Athene verfraaien met de schoonste bouw- en
beeldhouwwerken, die ooit zijn voortgebracht. Aan het
einde der straat, die toegang verleende tot de rots, waarop
de Akropölis was gebouwd, stichte hij de Propulaia, een
grootsch gebouw, geheel van marmer, welks middelste
gedeelte uit een zuilenpoort met vijf doorgangen bestond,
die toegang verleenden naar de Akropölis. Een breede, mar-
meren trap voerde van de straat naar do Propulaia die
ver boven de huizen van Athene uitstaken, en Mnestkles
tot bouwmeester hadden. Op het hoogste punt der rots,
-ocr page 319-
315
welks bovenvlak de Akropölis vormde, bouwden Iktïnos en
KallikrStes de prachtige marnieren tompol van Pallas
Athene, het Parthcnon, dat door den vriend van Periklos,
den beeldhouwer Plieidias, en diens kunstbroeders met
beeldhouwwerk word versierd. Het gebouw was in den
vorm van een rechthoek, aan de vier zijdon door een zui-
lengang omgeven, langs welker gansche lengte aan den
buitenkant trappen naar den boganen grond afdaalden, ter-
wijl de lijst, die de kolommen droegen, met de heerlijkste
reliëfs was versierd. Binnen den tempel bevond zich het
beroemde 10 M. hooge beeld der godin, door Phoidias
van ivoor gebeeldhouwd en met een gouden gewaad om-
hangen. Toen Pheidias in de volksvergadering had voor-
gestold, het beeld van marmer te vervaardigen en bij de
redenen, die hij daarvoor opgaf, ook aanvoerde, dat mar-
nier de goedkoopste stof was, die men voor het doel kon
bezigen, riep hot volk uit, dat voor het beeld van de be-
schermgodin der stad de kostbaarste stoffen gebezigd moesten
worden. Niet minder beroemd was het indruk wekkende,
kolossale beeld van Zous, door Pheidias insgelijks van ivoor
en goud voor den tempel te Olumpia vervaardigd.
Tusschen do Propulaia en de Akropölis bevond zich een
tweede beeld van de beschermgodin der stad, door Pheidias
van het bij Marathon op de Perzen buitgemaakt metaal
vervaardigd. Het was 20 M. hoog, en wanneer de zeelie-
den kaap Sunion oinvoeren, zagen zij den helm en de punt
van de speer, die het beeld in de hand hield, reeds blinken.
Op verscheidene plaatsen was Athene versierd met prach-
tige zuilengangen, waarvan de opene zijde naar de straat
was gekeerd, zoodat de burgers er, beschut tegen den regen
of do brandende zon, heen en weer konden wandelen.
Een dezer zuilengangen, de stoa poikile (bonte), was door
de hand van Polugnötos met schilderstukken versierd, die
tafereelen uit den Trojaanschen oorlog, het leven van The-
seus en den slag bij Marathon voorstelden. Twee andere
schilders Zeuxis on Parrhasios hielden eens een wedstrijd.
-ocr page 320-
310
Zeuxis schilderde zoo natuurlijk druiven, dat vogels erop
aanvlogen om ervan te pikken. Daarna zou Parrhasios zijn
schilderij aan Zeuxis toonen. Toen deze erbij was gebracht,
riep hij ongeduldig; -Welnu schuif dan het gordijn ervoor
weg!" Maar liet gordijn was geschilderd. Zoo bad Zeuxis
slechts de vogels, Parrhasios een schilder misleid.
Aan den voet der Akropolis lag bet Odeion, een voor
dichterlijke en muzikale wedstrijden bestemd gebouw, dat
ter herinnering aan de Perzische oorlogen was opgetrokken
in den ronden vorm van koning Xerxes\' buitgemaakte tent,
Het dak steunde op masten van op de Perzen veroverde
schepen, en de zitplaatsen, die er zicli in bevonden, waren
van marmer.
Tot de voornaamste feesten, die jaarlijks in Attika wer-
den gehouden, behoorden de Dionusiën, ter eere van Dio-
nusos (Bacchus), den god van den wijn en van delierleving.
Nadat de druiven geperst waren, hield men in do verschil-
lende deelen van Attika uit dankbaarheid voor den ver-
kregen wijn vroolijke, landelijke feesten, waarbij men
optochten hield met een zinnebeeld van de voortbrengende
kracht der natuur, liederen zong, en daarbij dansen om
het altaar van Dionusos uitvoerde. Wanneer de feesten op
het land waren afgeloopen, bad er nog een gemeenschap-
pelijk feest plaats in de stad Athene, waarbij het echter
minder ruw toeging, terwijl in den tijd, dat de wijnstok
bloeide, de overwinning van Dionusos over de win termachten
werd gevierd. Deze dionusiën kregen den bijnaam van do
groote, omdat dan wegens het schoone jaargetijde de groot-
ste toeloop van vreemdelingen plaats had, en ze daarom
ook prachtiger werden ingericht. De koorzangen, die bij
de dionusiën plaats hadden, kregen langzamerhand meer
uitbreiding, dewijl men ze begon af te wisselen met voor-
drachten, waarin de lotgevallen van Dionusos werden ver-
haald. Om dit aanschouwelijk te kunnen doen, nam de
aanvoerder van het koor de rol van den god op zich, ter-
wijl de leden van hot koor met behulp van bokkevcllen
-ocr page 321-
317
saters (oorspronkelijk nietsdoende boschgoden, later vol-
gelingen van Dionusos) voorstelden. De vorm, waarin tot
op lieden saters worden voorgesteld, is afkomstig van den
beroemden beeldhouwer PraxitJles (330 v. C). Op den
duur verlangde men nog iets anders te hooren dan de ver-
halen aangaande Dionusos, en toen werd er een begin ge-
maakt met het voordragen van de gedichten van Homeros
en andere oude sagen. Tot in de dagen van Perikles was
alleen do aanvoerder van het koor als voordrager of too-
neelspeler opgetreden, maar toen voerde do uitstekende
dichter Aisclnilos een tweeden persoon ten tooneele, zoodat
er een samenspraak kon worden gehouden, en de voor-
treffelijke dichter Sophökles bracht het aantal personen,
die te gelijk opliet tooneel waren, tot drie. Aldus ontstond
de tooneolkunst, voor welke nu weldra een beter gebouw
werd vervaardigd, voorzien van de noodde werktuigen
om schimmen uit de grond te laten oprijzen en goden in
de lucht te doen zweven.
Di1 schouwburg te Athene, evenals het Odeion aan den
zuidelijken voet van de Akropolis gelegen, bestond uit drie
deelen : 1. een breed maar niet diep tooneel; 2. het orkest,
een zich voor het tooneel bevindende en lager dan dit ge-
legen ruimte, in den vorm van een halven cirkel, waar
zich het altaar voor Dionusos bevond en het koor plaats
nam, en 3. daarom heen trapsgewijze in de rots uitgehou-
wen zitplaatsen voor de toehoorders. De Atheensche
schouwburg kon er 30,000 bevatten. Het koor droeg aan
het einde van een tooneel of een bedrijf, half zingend,
half sprekend, gedichten voor, waardoor de gewaarwor-
dingen werden uitgedrukt, die de toeschouwers moesten
ondervinden.
Bij de dionusiën werden er wedstrijden gehouden tus-
schen de treur- en de blijspoldichters. De bij de opvoering
benoodigde koren leverden de rijken, die verplicht waren
er beurtelings een te bezoldigen, te voeden en te kostu-
meeron, hetgeen met zulk eene pracht geschiedde, dat
-ocr page 322-
318
menig vermogend man in zijn ijver om voor de uitrusting
van een koor den uitgeloofden eereprijs te behalen, zich
erdoor te gronde richtte. Zoowel do koristen als de too-
neelspelers droegen maskers ; do tooneelspelers bovendien
hooge, kurken zolen (koihurncn). Vrouwenrollen werden
door mannen vervuld.
De maatregelen van Pcrikles maakten Athene niet
slechts luisterrijk op het gebied van kunsten en weten-
schappen, ook belangrijk op het gebied van handel en
nijverheid. Een tijdgenoot, de Grieksche schrijver Xenö-
phon, riep daarom uit: »Wie kan de stad Athene missen!
Alle landen, die rijk zijn aan graan en kudden, aan olie
en wijn hebben haar noodig. Niemand, die met zijn ver-
stand of zijn schatten winst wil doen, kan haar ontberen:
handwerkers, wijsgeeren, dichters, allen, die in het bur-
gerlijke en het godsdienstige iets merkwaardigs wenschen
te zien en te hooren, allen die spoedig veel willen koopen
en verkoopen, waar zouden zij, hetgeen zij verlangen, ge-
makkelijker kunnen vinden dan te Athene!
Perikles.
II.
Terwijl Athene door de kunsten en bedrijven des vredes
in aanzien en luister won, was het tevens herhaaldelijk in
oorlogen gewikkeld. Niet altijd slaagde Perikles erin zijn
gevoelen over dat zijner staatkundige tegenstanders te doen
zegevieren. Zoo werd tegen zijn raad, op voorstel van
Tolmulas, besloten een krijgstocht tegen de vijandige Poio-
tiërs te ondernemen, met het ongeiukkigo gevolg, dat
Tolmidas, die het Atheensche leger aanvoerde, verslagen
en gedood werd. Daarentegen slaagde Pcrikles er in, het
eiland Euboia, dat zich van het verbond met Athene wilde
losscheuren, weder te onderwerpen, en na een langdu-
rigen, moeielijken strijd de bewoners van het eiland Sa-
-ocr page 323-
319
mos, dat in macht Athene naar de kroon begon te sleken,.
tot het slechten van de muren hunner hoofdstad te dwin-
gen. Toen Perikles in Athene terug was gekeerd, hield
hij een zoo treffende lijkrede op hen, die in den strijd
tegen Samos gesneuveld waren, dat de vrouwen hem,
toen hij het spreekgestoelte had verlaten, met bloemen be-
kransten. Elpinïkc echter, de zuster van Kimon, voegde
hem de woorden toe: "Verdient gij dezen roem, gij, die
ons niet, evenals mijn broeder, in den strijd tegen Perzen
en Pheniciërs, maar door de onderwerping van stamge-
nooten zooveel voortreffelijke burgers ontrukt?"
Behalve staatkundige tegenstanders had Perikles ook
veel benijders, die, daar zij zijn persoon nog niet durfden
aanranden, een blaam op hem zochten te werpen door
zijn vrienden en aanhangers, waaronder er waren, die
zich niet onberispelijk gedroegen, van allerlei verkeerd-
hedon te beschuldigen. Zoo werd Pheidias door Menon,
insgelijks een kunstenaar, aangeklaagd, een gedeelte van
het goud, door den staat verstrekt voor het beeld van
Pallas Athene in het Parthënon, te hebben verduis-
terd. Het goud werd van liet beeld genomen, gewogen
en geheel overeenkomstig het bepaalde gewicht bevonden.
Menon liet zich hierdoor echter niet ontmoedigen en be-
schuldigde nu den grooten beeldhouwer van goddeloos-
heid, omdat hij aan de twee koppen op het schild der
godin een treffende gelijkenis had gegeven met het hoofd
van Perikles on dat van hemzelven. Eer deze zaak
was onderzocht, stierf Pheidias in do gevangenis. De
vijanden van Perikles verspreidden het lasterlijk gerucht,
dat deze zijn vriend had laf en vergiftigen om hem te ver-
hinderen schandelijke geheimen aan \'t licht te brengen.
Niet het minste griefde het Perikles, dat onder de velen
zijner vrienden en aanhangers, die door zijn vijanden van
goddeloosheid en zedeloosheid werden aangeklaagd, zelfs
zijn beminde vrouw Aspasia behoorde. Hij zelf trad als
-ocr page 324-
:*20
haar verdediger voor de rechters op en slaagde erin, haar
te doen vrijspreken.
Te midden van al deze onaangenaamheden, die Perikles
ondervond, brak door de ijverzucht van Sparta de Pelopon-
nesische oorlog uit (431—404). Perikles had steeds ge-
zocht den vrede met Sparta te bewaren, dochtevensgezorgd
aan dien staat het hoofd te kunnen bieden. Tegenover de
(S0.000 zwaargewapendcn (hoplïten), die Sparta met zijn
Peloponncsischc bondgenooten te velde kon brengen, had
Athene er slechts .\'50.000 tegenover te stellen ; maar
Athene beheerschte met zijne 300 voortreffelijk uitgeruste
oorlogsschepen de zee, terwijl ruim 300 verbonden steden
ingeval van nood verplicht waren matrozen en soldaten te
leveren ter bescherming van de hoofdstad. Daar\'t Atheen-
sche leger in \'t open veld niet bestand wus tegen het Spar-
taansche, brachten de bewoners van Attika hun vee in
veiligheid op het eiland Euboia, terwijl zij zelve een
schuilplaats vonden in tenten achter domuren van Athene.
De Spartanen konden dientengevolge gedurende het eerste
jaar van den oorlog met hunne groote en kostbare macht
niets anders doen dan den te veld staanden oogst in Attika
verwoesten. Weer zweefde door deze verkregen uitkomst
de lof van Perikles op de lippen van het Atheensche volk,
en men besloot voor het volgende jaar geheel op dezelfde
wijze te handelen, met dit onderscheid, dat men de velden
onbebouwd zou laten. Maar zoodra de scheepvaart geopend
was, brachten de schepen uit Klein-Azië de daar heer-
schende pest naar den Peiraieus over.
Vreeselijk woedde de gevreesde ziekte onder de dicht
opecngehoopte bevolking, die in de boete zomerdagen ge-
brek aan water begon te krijgen. Zij, die aangetast wer-
den, stierven meestal zeven of negen dagen later. Do
weinigen, die herstelden, werden lam of blind; slechts
enkelen kregen hunne vorige gezondheid terug. De kunst
der geneesheeren vermocht niets. Zelfs de wijze Hippo-
krStes zag radeloos toe, hoe de ziekte dagelijks nieuwe
-ocr page 325-
321
offers eisclite, totdat hij opmerkte, dat de smeden, die
steeds voor het vuur stonden, minder dan anderen werden
aangetast, waarop hij den raad gaf, grooto vuren in de
straten te hranden tot zuivering van de lucht. De pest had
een verderfelijken invloed op het zedelijk leven der Athe-
ners. De handen van bloedverwantschap en vriendschap
werden verbroken; de voorschriften der wet overtreden.
Daar ieder vreesde binnen kort als een offer der ziekte te
vallen, dacht niemand aan de toekomst. Geen vrees voor
de goden dreef aan tot het goede of weerhield van het
kwade, want men zas: zonder onderscheid de vromen en
de goddeloozen vallen. In tal van woningen lagen de ster-
venden hulpeloos over elkander, want de hevige vrees voor
besmetting verlamde bij menigeen de werking van het
medelijden. Vele lijkon bleven onbegraven, andere wer-
den naar vreemde begraafplaatsen gebracht. Men nam
zijn toevlucht tot het verbranden der lijken; maar wan-
neer iemand een brandstapel voor een der zijnon had op-
gericht en er kwamen dragers voorbij met een vreemd lijk,
21
-ocr page 326-
322
dan werd dit er haastig opgeworpen en het hout aange-
stoken.
Te midden van al die ellende gelukte het den tegen-
standers van Perikles het volk tegen hem in te nemen.
De Spartanen, die veertig dagen verwoestend door Attika
waren getrokken, maar toen uit vrees voor do besmetting
terug waren gegaan, meenden, dat Perikles ten val was
gebracht, en deden voor do Atheners vernederende vredes-
voorslagen. Het volk weet dezen smaad aan Perikles en.
eischte, dat er een volksvergadering zou worden ge-
houden. Het geschiedde. Kalm en vastberaden trad de
groote man voor het misnoegde volk op en sprak het op
de volgende wijze toe: "Uw ontevredenheid verrast mij
niet, want ik ken er de oorzaak van. Gedrukt door uwe
huiselijke rampen, onttrekt gij u aan de behartiging van
liet algemeen welzijn. Gij verwijt mij, dat ik u tot dezen
rampzaligen oorlog heb aangezet; maar gij hebt zelven
het besluit daartoe genomen, en moot dus de verwijtingen
lot u zelve richten. Waarom zijt gij misnoegd op mij,
die beter dan iemand anders met de behoeften van onzen
staat bekend ben, op mij, die in liefde voor het vaderland
voor niemand onderdoe, en nooit getracht heb mij ten
koste van den staat te verrijken. Ik ben nog dezelfde,
die ik altijd geweest ben, maar gij zijt wankelnioedig ge-
worden. Toen er ongestoorde welvaart onder ons hcerschte,
hebt gij u vrijwillig aan mijn leiding toevertrouwd, maar
nu het onheil ons treft, gevoelt gij daarover berouw. De-
wijl ieder uwer slechts vervuld is met de rampen van het
tegenwoordige, komen mijn denkbeelden u verkeerd voor.
Gij zijt zwak van verstand. Gij moest den moed hebben
aan de grootste ramp hot hoofd te bieden on uw waar-
digheid als Atheensche burgers te handhaven. Gij meent
geen anderen steun te hebben dan uwe bondgonooten,
maar ik verklaar u, dat gij nog meester zijt van de zee.
Hoe gering is het verlies der woningen en landerijen,
waarover gij u beklaagt, in tegenoverstelling van de macht,
-ocr page 327-
323
dio gij nog bezit." Aldus voortgaande slaagde Perikles er
nogmaals in, liet volk door de kracht van zijn woord te
beheerschen. Toen echter zijn ambtsjaar verstreken was,
wisten Kleon en anderen zijner tegenstanders te bewer-
ken, dat hij niet meer tot ecnigo staatsbetrckking werd
verkozen. Het leed, hom door deze miskenning berok-
kend, bcteekende weinig bij do smarten, die hij door de
heerschendc ziekte ondervond. Niet slechts werden velen
zijner vrienden en trouwste medestanders door de pest
weggerukt, zijn oudste zoon, van wien hij weinig vreugde
had beleefd, maar dien hij toch liefhad, stierf, eer hij
zich met hem had kunnen verzoenen. Maar toen hij ook
op hot hoofd van zijn geliefden jongsten zoon den lijk-
krans moest leggen, toen was hij zich niet langer meester,
toen welden de tranen uit zijn oogen, en barstte hij
in luide klachten uit over de rampen, die zijn huis
troffen.
Terwijl Perikles zich aan zijn droefheid overgaf, liep
het met de staats- en krijgszaken der Atheners ongunstig.
Zij, die hom hadden verdrongen, waren niet in staat hem
te vervangen. Dit bracht do Athcensche burgers tot in-
keer. Opnieuw vertrouwden zij aan Perikles de leiding
dor zaken toe. Mocht hem dit al tot troost zijn in zijn
smart en begon met zijn bestuur het geluk den Atheners
weder eenigszins toe te lachen, de kracht van don grooten
man was gebroken. Langzaam kwijnde hij weg. Hij werd
bedlegerig. Welhaast stonden zijn vrienden om zijn sterf-
bed. Reeds meenden zij, dat de grootste Athener hun
ontvallen was; luid weeklagende roemden zij zijn schit-
terende daden__daar richtte de stervende zich eensklaps
op en voegde hun toe: «Gij vergeet, dat nooit een Athener
door mijn toedoen het rouwkleed heeft aangetrokken !"
Toen zonk hij neder, on was niet meer.
-ocr page 328-
324
K1 e o n.
De dood van Pcriklcs was voor Athene een zware slag.
Door aan de volkspartij een bepaald overwicht te geven,
was hij erin geslaagd, de eenheid in den Atheenschen
staat te handhaven. Nu hij er niet meer was, ontstond
er tweedracht. Nikias, een rijk grondbezitter, een geluk-
kig veldheer en hel hoofd der aristocratische partij, zocht
het volk door het geven van prachtige optochten, offer-
feesten en geschenken voor zich te winnen, maar slaagde
slechts gedeeltelijk, omdat hij niet welsprekend en niet
vastberaden was. Zijn tegenstander, het hoofd der demo-
cratische partij, was Kloon, de eigenaar cener lederfa-
briek, en daarom door blijspeldichters spottenderwijze do
leerlooier genoemd. Hij was geslepen, vlug in \'t spreken,
en ofschoon hij geen kennis van de krijgskunst bezat,
door zijn vleierij in staat, het volk in een oorlogzuchtige
stemming te houden.
In het zesde jaar van den oorlog gelukte hot don stout-
moedigen Atheenschen strateeg Demosthenes de haven Pulos
(thans Navarino) op de Westkust van Messenië to verove-
ren. Do Spartanen, die weldra inzagen, hoe gevaarlijk
het voor hen was, indien do Athcnors daar vasten voet hiel-
den, zonden hun bekwamen opperbevelhebber Brasidas
met een vloot van acht *en veertig oorlogsschepen uit om
Pulos te hernemen. Met dit doel zette Brasidas 420 Spar-
tanen, waaronder een groot aantal aanzienlijken, op het
rotsachtig eiland Sphakteria aan wal, dat den ingang der
haven bcheerschte, doch do dappere tegenstand, dien
Demosthenes bood, verhinderde hein mot zijn overmacht
eonig voordeel to behalen. Weldra zag hij zich zelfs in \'t
nauw gebracht, daar de Atheners vijftig schepen tot ontzet
van Pulos zonden. Brasidas werd zoodanig geslagen, dat
hij niet eens in staat was de 420 dapperen op Sphakteria
aan boord te nemen. Om dezen te redden, deden de Spar-
-ocr page 329-
325
tanen voor Athene gunstige vredesvoorslagen, doch de
onstuimige Kleon wist het Athcenschc volk te bewegen
veel grootcr voordeelen te eischen, eer zij in den vrede
toestemden. De oorlog werd hervat, en nu zagen de Athe-
ners met ongeduld den dag te gemoet, dat de op Sphaktcria
ingesloten Spartanen als gevangenen naar Athene zouden
worden gebracht. Nikias en zijn vrienden verweten Kleon,
dat er door zijn toedoen geen voordeelige vrede was geslo-
ten. Kleon daarentegen noemde het in de volle vergade-
ring een schande voor de Atheners, dat de Spartanen op
Sphakteria nog niet gevangen waren genomen, en beschul-
digde daardoor Nikias, die als opperbevelhebber de toe-
stemming weigerde tot de uitvoering van het door Demos-
thcnes ontworpen plan om het eiland te bestormen. In het
vuur zijner rede liet Kleon zich ontvallen, dat de zaak
reeds lang tot een goed einde zou zijn gebracht, indien bij
opperbevelhebber was geweest. Daar Kleon geen kennis
van krijgszaken had, meenden Nikias en zijn vrienden
van die onvoorzichtige woorden gebruik te kunnen maken
om hun tegenstander ten val te brengen. Nikias verklaar-
de, dat hij afstand deed van het oppcrbevelhebberschap en
gaf het volk tien raad, Kleon in zijn plaats te kiezen.
Aldus verloor hij het staatsbelang uit het oog ten bate van
het partijbelang. "Wel trachtte Kleon het oppcrbevelhcb-
berschap van zich af te schuiven, maar hij zwichtte einde-
lijk voor den aandrang zijner vrienden en vijanden, en
beloofde binnen twintig dagen de dapperen op Sphakteria
gevangen te nemen ofte dooden. Ofschoon veel Atheners
om deze grootspraak lachten, hield do lecrlooicr zijn woord.
Hij voerde Demosthenes nieuwe troepen toe, liet dezen
zijn plan volvoeren, en weldra werden 292 Spartanen ge-
vangen naar Athene gebracht; de overigen waren ge-
sneuveld.
Do Spartanen, wier krijsroem door deze gebeurtenis ver-
donkcrd was, vraagden, diep terneergeslagen, nogmaals
om vrede, doch Kloon, wiens invloed door hel behaalde
-ocr page 330-
320
voordeel zcor was toegenomen, wist de Atheners gemak-
kelijk te bewegen, den oorlog voort te zotten. Aanvan-
kelijk bleef liet krijgsgeluk op de zijde der Atheners, maar
eindelijk slaagde Brasidas erin, groote voordeden in
Thracië te behalen. Thans verhief zich do parlij van Nikias
weder om op het eindigen van den oorlog .aan te dringen,
want zij hoopte in vredestijd het overwicht op do demo-
craten te kunnen verkrijgen. Kloon echter drong erop
aan, een leger togen Brasidas af to zenden, en hot volk
stemde mot hom in. Kloon word tot opperbevelhebber
gekozen, maar verscheidenen zijner onderbevelhebbers be-
hoorden tot zijn verklaarde tegenstanders. Slechtsmct 1200
hoplilen en 300 ruiters trok hij togen Brasidas, don be-
kwaamste der Spartaansche veldheeren, op, en werd bij
Amphipolisgeheel verslagen. Kloon werd op de vlucht gedood,
en Brasidas stierf kort na don slag aan zijn wonden. Do
dood van deze beide voorstanders van den oorlog bracht
eon toenadering tusschen Sparta en Athene teweeg.
Nikias wist zich weer te doen golden en bracht in het
tiende jaar van den oorlog een vrede voor vijftig jaren
tot stand.
Alkibi&dcs.
I.
Alkibiddes, die tot oon dor aanzienlijkste en rijkste ge-
slachten van Athene behoorde, verloor op vijfjarigen leef-
tijd zijn vader. Hij kwam toen onder de voogdij van Pe-
rikles, die roods geen tijd had de opvoeding zijner eigene
kinderen behoorlijk te behartigen en daardoor ook die van
zijn jeugdigen bloedverwant verwaarloosde. En toch had
hij zoozeer behoefte aan een verstandige, krachtige, man-
nelijke leiding, want bij zijn uitstekenden aanleg om te
loeren, bezat hij hevige hartstochten. Zijn eigenzinnig-
heid, zijn overmoed on zijn heorschzucht kenden geen
-ocr page 331-
327
palen. Terwijl do vlugheid, waarmede hij alle takken van
wetenschap en kunst, die tot een beschaafde Atheensche
opvoeding behoorden, leerde, de schoonste verwachting
van hem deed koesteren, boezemden zijn onstuimigheid,
wispelturigheid en zelfzucht gegronde vrees voor de toe-
komst in. Eens was hij met zijn makkers op de straat
aan \'t kootcn, toen een wagen kwam aanrijden. De voer-
man wenkte de knapen uit den weg te gaan. Alkibifldcs,
geheel vervuld met het spel, eischte, dat de voerman zou
wachten tot hij er mede gereed was, en toen de voerman
toch doorreed, ging Alkibiades midden op den weg liggen,
ten ffovolü\'e waarvan de voerman, die hem niet wilde
overrijden, stilhield. Eens worstelde Alkibiades met een
jongen, die sterker was dan hij. Niet kunnende verdra-
gen, dat een ander hem in iets overtrof, beet Alkibiades,
zijn tegenstander, die daarop uitriep : -Gij bijt als eene
vrouw!" -\'Neen, als oen leeuw," hernam Alkibiades. De
fluit wilde Alkibiades niet leeren bespelen, omdat men
daarbij liet gezicht vertrok, en niet kon zingen en spre-
ken, zooals bij het bespelen van snaarinstrumenten. "Laat
do kinderen der Thebanen, die toch niet spreken kunnen,"
zeido hij, »de fluit leeren bespelen." Zijn schoone ge-
stalte, zijn welsprekendheid en de innemendheid zijner
manieren, maakten hem zoozeer tot do lieveling des volks,
dat dit niet kon nalaten, hem de dolle streken te verge-
ven, die hij telkens uitvoerde om de aandacht op zich te
vestigen. Eens kocht hij een prachtigen hond voor een
buitensporig hoogen prijs. Ieder sprak van Alkibiades en
zijn hond. Toen het nieuwtje eraf was, hakte hij den
hond den staart af. Zijn vrienden maakten hem opmerk-
zaam, dat alle verstandige lieden zijn onbezonnenheid
om het schoone dier zoo te verminken, scherp afkeur-
den. «Doen zij dat werkelijk," zeide Alkibiades, -dan
heb ik mijn doel bereikt, ik begeer, dat zij van mij
spreken."
Den meesten invloed op Alkibiades bezat de wijsgeer
-ocr page 332-
328
Sokrites, die den jongeling tot zich zocht te trekken, om
hein van zijn gebreken te bevrijden. Alkibiades ver-
klaarde, dat hij zich in tegenwoordigheid van Sokrates
dikwijls over zich zelven schaamde. Als hij Soknites
hoorde spreken, kwam somtijds de gedachte bij hem op,
dat hij niet waard waste leven, indien hij zich niet verbe-
terde; maar als hij den wijsgeer verlaten had, en het volk
hem toejuichte, miste hij de kracht zijn goede voorne-
mens ten uitvoer te brengen.
Eens ging hij met zijn makkers een weddenschap
aan, dat hij Hipponikos, een aanzienlijk, deftig man een
slag in \'t aangezicht zou geven. Alkibiades volvoerde zijn
laag opzet, maar den volgenden dag begaf hij zich naar
den beleedigden man, ontblootte zijn rug en verzocht Hip-
ponikos hem zooveel geeselslagen te geven als deze zou
goedvinden. Hipponikos schonk hem echter vergiffenis en
kreeg hein weldra zóó lief, dat hij hem zijn dochter Hip-
pareto tot vrouw, en haar een groot gedeelte van zijn vor-
stelijk vermogen tot uitzet gaf. Hipparete, een vrouw
van stille, huiselijke deugden, paste weinig bij den wuft en
Alkibiades ; zij gevoelde zich zoo diep gekrenkt door zijn
losbandigheid, dat zij besloot van hem te scheiden. Met
dit doel verscheen zij voor den archont om dezen, over-
eenkomstig de wet, in persoon den scheidsbrief te over-
handigen. Plotseling echter verscheen Alkibiades, greep
Hipparete om de middel en droeg haar naar huis, zonder
dat iemand op de gedachte kwam, hem deze schending
der wet te beletten
Aanvankelijk had Alkibiades een afkeer van de volks-
partij, en was hij op de hand der Spartanen. Toen echter
na den dood van Kleon de Spartanen aan Nikias boven
hem als onderhandelaar over den vrede de voorkeur gaven,
veranderde hij plotseling van zienswijze. Bleef Nikias
steeds het hoofd van de aristocratische vredespartij, Alki-
biades werd nu liet hoofd van de voorstanders van den oor-
log met Sparta. Alkibiades wcnschte Athene een verbond
-ocr page 333-
329
te doen sluiten met Argos, dat steeds vijandig tegen Sparta
gezind was. Deze staat daarentegen zocht den vrede met
Athene te bewaren en zond er met dat doel een gezantschap
heen. Toen de Spartaanscho gezanten in den Raad der
Vijfhonderd, die met de uitvoering van de besluiten der
volksvergadering belast was, verklaard hadden, dat zij
gemachtigd waren den vrede te sluiten, gaf Alkibiades hun
den raad, het tegendeel te verklaren in de Atheenscho
volksvergadering, dewijl het volk anders buitensporige
eischen zou doen. Nauwelijks hadden de Spartanen in de
volksvergadering de hun door Alkibiades in den mond ge-
legde verklaring afgelegd, of deze vroeg het woord, en
deelde het volk mede, dat de afgezanten in den Raad der
Vijfhonderd juist het tegendeel hadden verzekerd. Daarop
toonde hij aan, dat met een zoo dubbelzinnig volk als de
Spartanen geen eerlijk verdrag kon worden gesloten, en
slaagde hij erin, het volk voor het verbond met Argos te
doen stemmen. Van nu af nam Athene deel aan den strijd,
dien sommige Gricksche staten tegen Sparta voerden, doch
door den invloed der vredespartij werd de oorlog van de
zijde der Atheners met weinig kracht gevoerd, totdat de
Siciliaanscho stad Egeste de hulp van Athene inriep tegen
het machtige Sjracuse, dat het gansche eiland trachtte te
overheerschen.
Hoezeer Nikias den Atheners het gevaarlijke voorspie-
gelde van een onderneming in een zoo afgelegen en onbe-
kend oord, wist Alkibiades door zijn vurige welsprekend-
heid het volk tot den oorlog te doen besluiten. Alkibiades
en Nikias werden tot aanvoerders met onbeperkte macht
benoemd, terwijl hun de als krijgsman uitmuntende Lamd-
chos ter zijde werd gesteld. Alkibiades meende nu het
toppunt zijner wenschen te zullen bereiken. Hij twijfelde
niet, of hij zou door zijn talenten Nikias en Lantóchos
overschaduwen; en keerde hij, na Sicilië veroverd te heb-
ben, met roem beladen terug, clan zou niemand in Athene
meer in staat zijn, zich tegen hem te verzetten.
-ocr page 334-
330
Met opgetogenheid en vol van de stoutste verwachtingen
zag de saamgestroomde menigte de schoonste vloot, die ooit
den Peiraieus had verlaten, het anker lichten en zee kie-
zen. Zonder ongeval naderde zij de Italiaansche kust, maar
nu ook openbaarde zich de verdeeldheid onder de veldhee-
ren over liet te volgen plan. Alkibiades wist door zijn
welsprekendheid zijn voorstel te doen zegevieren om zich
met de Grieksche steden op Sicilië tegen Syracuse te ver-
binden, gezamenlijk deze stad te veroveren en daarna het
gansche eiland onder Athene te brengen. Alkibiades, die
onuitputtelijk was in \'t bedenken van listen en hulpmiddelen
om de Siciliaansche steden over te halen, de partij van
Athene te kiezen, Avas juist de geschikte man ter volvoering
van dit plan. Reeds hadden zich twee steden bij hem aan-
gesloten, waaronder Catcina, dat aan de vloot een ge-
schikte haven aanbood, toen hier de Salaminia, het Athcen-
sche staatsschip, aankwam met het bevel, dat Alkibiades
op staanden voet naar Athene moest terugkeeren.
Sedert Alkibiades zijn oorlogzuchtige staatkunde in de
volksvergadering had doen zegevieren, hadden zijn vijan-
den niet stil gezeten. De aristocraten hadden geheime
vereenigingen, hetairiën opgericht. Onder het voorwend-
sel van gezellige bijeenkomsten en vroolijke drinkgelagen
te houden, kwamen zij bijeen om staatkundige plannen te
beramen. De afzonderlijke hetairiën stonden met elkander
in nauw verband en hare leden hadden zich verbonden,
elkander bij het dingen naar openbare ambten en het voe-
ren van rechtsgedingen niet goed onblocd terzijde te staan.
Zij gehoorzaamden aan de bevelen van een geheim bewind,
stonden in betrekking met do regecring van Sparta en
waren steeds bereid door middel van list en geweld een
poging te doen om de heerschappij va» den adel te herstellen.
Kort voor het vertrek der vloot vond men op een mor-
gen de straten van Athene met stukken marmer bedekt.
Zij waren afkomstig van de Hermeszuilen, die gedurende
den nacht door moedwillige handen verbrijzeld waren.
-ocr page 335-
331
Deze heiligschennis ontstemde het volk. Er werd een
commissie van onderzoek henoemd en een premie van
4500 Gld. uitgeloofd aan hem, die het spoor der misdadi-
gers zou kunnen aanwijzen. Alle moeite was te vergeefs.
Nu werd eerst gemompeld, daarna luide uitgesproken, dat
niemand dan de overmoedige Alkibiades zich op zoo ver-
metele wijze aan het volk en de goden kon hebben vergre-
pen. Aldus wisten de vijanden van Alkibiades het volk
op de aanklacht voor te bereiden, die zij tegen hem wil-
den inbrengen. In de volksvergadering, waarin de
laatste besluiten aangaande den tocht naar Sicilië werden
genomen, beschuldigde zekere Puthontkos Alkibiades van
goddeloosheid. Op zijn verzoek werd een slaaf toegelaten,
die verklaarde tegenwoordig te zijn geweest, toen Alkibi-
ades met zijn vrienden op een drinkgelag heilige, gods-
dienstige gebruiken bespot had. Met het oog op Alkibiades\'
vroeger leven werd aan de waarheid der aanklacht niet
getwijfeld, te meer daar zijn vrienden zich, eer er een
onderzoek was ingesteld, door de vlucht in veiligheid
stelden. Zijn vijanden, in hun opzet versterkt, brachten
nieuwe aanklachten in, en nu besloot de Raad der Vijf-
honderd de volksvergadering te laten beslissen of men een
rechtsgeding tegen Alkibiades zou aanvangen of niet. Op
den dag der vergadering trad Alkibiades moedig en vast-
beraden voor het volk op. Hij eischte zelf een gestreng
onderzoek en verklaarde zich bereid de strafte ondergaan,
indien hij schuldig werd bevonden. Zijn woorden maakten
zulk een diepen indruk, dal het volk geneigd scheen hem
vrij te spreken. Om dit te voorkomen stelden zijn vijan-
den voor, het onderzoek te verdagen tot zijn terugkomst
van Sicilië, dewijl de tocht niet uitgesteld, en op het be-
slissend oogcnblik de veldheer niet van de vloot gescheiden
kon worden. Hiertegen verzette Alkibiades zich met al
zijn macht. Hij eischte als zijn recht, dat zijn zaak ter-
stond onderzocht zou worden, doch de vergadering besloot
tot het uitstel. Ka het vertrek der vloot zetten de aris-
-ocr page 336-
332
tocraten hun werk voort. Zij wisten in Athene grooto
onrust te wekken door uit te strooien, dat er geheime
plannen tegen de staatsregeling werden gesmeed. Omtrent
Alkibiades werd het gerucht verspreid, dat hij naar do
alleenheerschappij streefde, en toen Thessalos, de zoon van
Kimon en een der hoofden van de aristocraten, onwedersprc-
kelijke bewijzen had bijeengebracht, dat Alkibiades degods-
dienstplechtigheden had bespot door zo op drinkgelagen na
te bootsen, nam de volksvergadering het besluit, dat Alki-
biades zich moest komen verantwoorden. Daar het bekend
was, hoezeer leger en vloot op do hand waren van Al-
kibiades, bewerkten zijn vijanden, dat de bevelhebber
van de Salaminia in last kreeg met zachtheid en voorko-
mendheid te werk te gaan en in geen geval geweld te ge-
bruiken.
Alkibiades achtte het niet geraden zich tegen het bevel
des volks to verzetten, en daar hij zijn lot wel voorzag,
wanneer hij naar Athene terugkeerde, waar nu zijn vijan-
den de macht in handen hadden, terwijl zijn vrienden op
de vloot waren, liet hij het voorkomen, alsof hij niets lie-
ver verlangde dan zich te gaan verantwoorden. Hierdoor
viel het hem gemakkelijk, toen de Salaminia op do terug-
reis te Thurii was gekomen, te ontsnappen. Toen hij door
iemand werd herkend, die hem vraagde of hij zijn eigen
vaderland niet meer vertrouwde, gaf hij ten antwoord:
«Als het op mijn leven aankomt, vertrouw ik zelfs mijn
moeder niet ; zij zou bij vergissing een zwarten, in plaats
van een witten steen in do urn kunnen werpen." Alkibi-
ades begaf zich naar Sparta en de Salaminia kwam zonder
hem to Athene, waar het doodvonnis over hem werd uit-
gesproken. Toen hij dit vernam, riep hij uit: "Ik zal hun
toonen, dat ik nog leef!"
De rijke, bedaagde, dralende Nikias, die meer invloed
bezat dan do arme, jeugdige, maar beleidvolle Lamachos,
sloeg nu het beleg voor Syracuse. In menig gevecht bleef
hij overwinnaar en hij slaagde erin, de stad niet alleen van
-ocr page 337-
333
de zee- maar ook van de landzijde in te sluiten, zoodat
de Syracusanen, geen hoop op ontzet meer hebbende,
vredesonderhandelingen aanknoopten. In plaats van deze
spoedig ten einde te brengen of door een bestorming de
stad nog meer te benauwen, rekte Nikias de besprekin-
gen. Dit stortte hem en de schoone vloot in \'t verderf.
De zelfzuchtige Alkibiades, thans alloen bezield met de
gedachte om wraak te nemen op zijn tegenstanders te
Athene, wist door de hem eigene buigzaamheid van geest,
die hem in staat stelde in zeer korten tijd de Spartaansche
levenswijze aan te nemen, en door de middelen, waarover
hij kon beschikken om zich bij anderen aangenaam te ma-
ken, grooten invloed te Sparta te verkrijgen. Met kracht
kon hij daarom Syracuse\'s verzoek om hulp ondersteunen.
Hij schetste den Spartanen aan welk gevaar zij zich bloot-
stelden, indien zij Athene toelieten Sicilië te veroveren,
en gaf hun een plan aan de hand om de Atheners op de
voordeeligsto wijze in hun eigen land te beoorlogen. On-
middellijk besloten de Spartanen, den raad van Alkibiades
op te volgen. Onder aanvoering van Gullppos, een hunner
bekwaamste en dapperste aanvoerders, zonden zij eene
weinig talrijke vloot ter hulp van Syracuse. Nikias ver-
zuimde Gulippos het landen te beletten en daardoor was
deze in staat, hulptroepen van verschillende Grieksche
steden op Sicilië tot zich to trekken. Zonder door de Athe-
ners in zijn tocht te worden belemmerd, kon hij Syracuse
naderen en er met zijn macht binnendringen. Nu her-
leefde de moed der belegerden. Zij waagden uitvallen,
die met een goeden uitslag bekroond werden, en weldra
moesten de Atheners in plaats van langer aan te vallen,
op zelfverdediging bedacht zijn. Nikias, wiens toestand
met den dag hachelijker werd, daar bovendien ziekten in
zijn leger uitbraken, verzocht aan de Atheners verlof het
beleg op te breken, of zich door een jeugdigen veldheer
te doen vervangen. De brief van Nikias bereikte Athene,
toen daar een groote ongerustheid heerschte, want, over-
-ocr page 338-
334
eenkomstig den raad van Alkibiades, had do Spartaansche
koning Agis liet sloclits vier mijlen van Athene gelegen
Dekeleia bezet en er zich versterkt. In weerwil van het
gevaar, waarin zij verkeerden, besloten de Atheners het
beleg van Syracuse niet te doen opbreken, noch Nikias
te vervangen, maar dezen een versterking van 73 schepen
te zenden onder aanvoering van den bekwamen Demos-
thenes. Toen deze voor Syracuse verscheen, zag hij ter-
stond, dat er gcene mogelijkheid was, de krijgskans te
doen keeren dan door een onvorhoedschen aanval. Hij
ondernam hem, doch werd teruggeslagen. Nu gaf hij
don raad, liet beleg onmiddellijk op te breken om ten
minste vloot en leger voor Athene te redden. Nikias
kon hiertoe echter niet besluiten, omdat hij geen ver-
lot\' uit Athene had ontvangen. Sparta zond nieuwe
versterking, en welhaast was de toestand van Nikias\'
leger en vloot zoo hopeloos, dat hij zich niet langer tegen
den terugtocht kon verzetten. In den nacht van den
27sten Augustus 41;] zouden de schepen bij het licht der
volle maan vertrekken. Het was negen uur \'s avonds. De
laatste manschappen van het leger hadden hunne plaats
op de schepen gevonden, toen onverwachts de maan werd
verduisterd. Dit ongunstig voorteeken deed Nikias en het
nieerendeel der zijnen van schrik verstijven. De waarzeg-
gers werden ondervraagd en verklaarden, dat volgons den
wil dor goden de vloot eerst na driemaal negen dagen
mocht vertrokken. De bijgeloovige Nikias durfde niet in
strijd met deze uitspraak te handelen, en zocht door offer-
ploehtigheden de goden te verzoenen, in plaats van althans
voor een veiliger ligplaats voor de vloot te zorgen.
Toen de Syracusanon van het gebeurde onderricht wa-
ren, besloten zij het uiterste te wagen om de Athecnschc
vloot te vernielen. Zij versperden de haven on beletten
haar daardoor ongedeerd te ontsnappen. Te laat zag Ni-
kias zijn misslag in. Ofschoon de door de wichelaars aan-
gegeven tijd nog niet verstreken was, besloot hij een ge-
-ocr page 339-
335
vecht tegen de scheepsmacht van Syracuse te wagen, daar
de vloot anders een zekere prooi des vijands moest wor-
den. Het gevecht liep ten nadeele der Atheners af, maar
nog gaven Nikias en Demosthënes alle hoop niet verloren,
daar het aantal hunner schepen dat van Syracuse over-
trof. Zij besloten een tweede poging te wagen om de
haven te verlaten. Het bijgeloovige scheepsvolk echter
was geheel ontmoedigd en eischte met oprocrige kreten
over land van Syracuse naar een bevriende stad te wor-
den weggevoerd. De veldheeren zagen zich genoodzaakt
aan het verlangen van dien grooten hoop moedeloozcn,
met wie toch niets te beginnen was, toe te geven, of-
schoon zij zich van de uitkomst weinig goeds konden
voorspellen. Eerst vertrok Demosthenes met G000 man.
Hij werd omsingeld en gedwongen zich over te geven.
Deze schande niet willende overleven, hief hij het zwaard
op om een einde aan zijn loven te maken, toen zijn arm
vastgehouden, en hij gevangen genomen werd. Eenige da-
gen later onderging Nikias hetzelfde lot, nadat hot groot-
ste gedeelte zijner manschappen gesneuveld was. Gulïppos
wilde het leven der Atheenscho aanvoerders redden om
hen in zegepraal naar Sparta te voeren, doch de Sy-
racusanon brachten hen ter dood. De overige gevange-
nen, waaronder vele aanzienlijke Atheners, werden als
slaven verkocht.
Alkibiades.
II.
De tijding van den zwaren ramp verwekte in Athene
verslagenheid en verdeeldheid. De eene partij beschul-
digde de andere als de oorzaak van het onherstelbaar ver-
lies. De aristocraten, sterk door hunne hetairiën, wisten
de leiding der zaken in handen te krijgen. Zij voerden
bezuinigingen in bij de godsdienstplechtigheden en de
-ocr page 340-
336
openbare spelen en begonnen zich toe te rusten tot den
zwaren strijd, die te wachten was, daar niet alleen de
Spartanen in de nabijheid der stad genesteld waren, maar
ook de gegronde vrees bestond, dat vele bondgenooten
Athene zouden afvallen.
Ondertusschen spoorde Alkibiades de Spartanen aan,
de Atheners niet alleen te land maar ook ter zee te be-
strijden. Dewijl de Spartanen echter de middelen niet
bezaten om spoedig een groote vloot uit te rusten, gaf
Alkibiades den raad, een verbond met Perzië te sluiten,
dat over voldoende schatten kon beschikken om het
bouwen eener Spartaanscho vloot te bekostigen. Er kwam
een verdrag\' tot stand met een der Perzische satrapen in
Klein-Azië, Tissaphërnes. Deze verhond zich, de kosten
te dragen voor het onderhoud eener Spartaanscho vloot,
wanneer Sparta hem hielp de Jonische steden in Klein-
Azië, in wier bondgenootschap de groote macht van Athene
gelegen was, onder zijn gezag te brengen.
Sedert zijn komst in Sparta had Alkibiades zich vijan-
den gemaakt en hun aantal nam meer en meer toe. Som-
migen vreesden hem als een gevaarlijk mensch, anderen wa-
ren ijverzuchtig op den invloed, dien de vreemdeling had
verworven, en eindelijk waren er, die grievend door hem
beleedigd werden. Onder deze laatsten behoorde Agis,
wiens gemalin Timaia Alkibiades geheel voor zich had
weten te winnen. Al die vijanden voreenigden zich tegen
hem. Zij wezen erop, hoe dubbelzinnig en trouweloos hij
was, en de regeering van Sparta gaf bevel, hem heimelijk
uit den weg te ruimen/ om op deze wijze voor zijn wraak-
lust beveiligd te zijn. Gewaarschuwd door de schoone
koningin Timaia slaagde Alkibiades er nochtans in te ont-
komen, en begaf hij zich naar Tissaphërnes, die hem met
vreugde ontving.
Had Alkibiades te Athene als een Athener, te Sparta als
een Spartaan geleefd, de buigzaamheid van zijn aard liet
hem toe te Sardes, den zetel van Tissaphërnes, als een
-ocr page 341-
337
Pers te leven. Hij werd de raadsman van den stadhouder
en wist dezen te beduiden, dat liet belang van Perzië mede-
bracht, de Spartanen, zonder het verbond met hen te ver-
breken, zoo weinig mogelijk te ondersteunen. Hij weesop
het voordeel, dat de Perzen ervan zouden trekken, indien
Sparta en Athene elkander verzwakten, en het dus zaak
was te zorgen, dat het trotsche Sparta geen te groot over-
wicht verkreeg. Tegelijkertijd stelde hij zich in betrekking
met de voornaamste edelen van de Atheensche vloot. Hij
zeide hun zijn vriendschap en het bondgenootschap met
de Perzen toe, op voorwaarde, dat de democratische re-
geeringsvorm te Athene veranderd, en hij in die stad weder
toegelaten zou worden. De meerderheid der aristocraten
nam met het voorstel genoegen, maar toen Alkibiades aan
Tissaphernes voorstelde een verbond met Athene te sluiten,
toonde deze zich daartoe ongenegen. Alkibiades redde zich
uit de verlegenheid door aan de aristocraten namens Perzië
zulke overdreven voorwaarden te stellen, dat de Atheners
daaraan nooit konden voldoen. Het afspringen der onder-
handelingen bracht de aristocraten, waaronder er waren,
die hun ouden vijand Alkibiddes in geen enkel opzicht ver-
trouwden, weder nader tot elkander, en nubeslotenzij liet
opgevatte plan om de democratische staatsregeling ten
val te brengen, tocli door te zetten. Zij slaagden erin met
behulp van een hoop gepeupel, dat onder aanvoering van
jonge edelen in dienst stond van de hetairiën, om de aan-
zienlijkste voorstanders der democratie door sluipmoord
uit den weg te ruimen.
Toen men op de Atheensche vloot, die voor het eiland
Samos lag, liet bericht der omwenteling ontving, riepen
twee aanzienlijke mannen, Thrasuboelos en Thrasullos, de
bemanning tot een volksvergadering bijeen. Zij wisten
de krijgslieden bij eede te doen beloven, aan de democra-
tische staatsregeling getrouw te blijven en haar belagers
even standvastig te bestrijden als de Spartanen. «Niet wij,"
zeide Thrasuboelos, «zijn van Athene afgevallen ; Athene
-ocr page 342-
338
is van ons afgevallen. Hel is onze taak clo vrijheid en de
staatsregeling te beschermen; wij maken voortaan den
staat uit." De krijgslieden kozen hierop Thrasuboelos en
Thrasullos tot aanvoerders, doch Thrasuboelos verklaarde,
dat Athene thans de leiding behoefde van den ecnigen man,
die in staat was het te redden: Alkibiades. Niet zonder
moeite gelukte het Thrasuboelos Alkibiades tot bevelhebber
te doen uitroepen. Deze houding van de vloot had in Athene
weder een tegenomwenteling ten gevolge, waardoor de
democratische staatsregeling hersteld werd.
Kenigen tijd later behaalde Alkibiades een zoo schitte-
rende overwinning op de Spartanen, dat deze in echt Lako-
nischen stijl dezen brief naar hunne regeering zonden; » Het
geluk is geweken, do opperbevelhebber is gesneuveld,
de manschappen lijden honger, wij wetenniet, wattedoen."
Thans achtte Alkibiades den tijd gekomen, zich weder in
Athene te vertoonen. Een onafzienbare menigte stond op
liet strand geschaard om den man, die de redder des vaderlands
was geworden, te ontvangen, toen hij mctzijn zegevierende
vloot, waarbij zich meer dan honderd veroverde vijandelijke
schepen bevonden, den Peiraieus binnenviel. Hij achtte het
echter niet geraden zijn galei te verlaten, eer hij zijn
vrienden aan den oever ontdekt had. Nu verdrongen jong
en oud elkander om hem te zien. Men wierp hem kransen
toe en geleidde hem in zegepraal naar do stad. In de
volksvergadering wist hij de burgers, door de macht van
zijn woord, weder aan zich te binden. Van het verleden
sprekende, zoide hij, dat niet Athene de schuld droeg van
zooveel dwaling en misverstand, maar een ijverig noodlot,
aan welks macht de staat onderworpen was geweest. Hij
werd weder in het bezit van zijn vermogen gesteld en tot
opperbevelhebber over leger en vloot benoemd.
Terwijl Alkibiades zich ten strijde rustte, slaagde de
sluwe Spartaansche vlootvoogd Lusandros er in, een ver-
bond met de Perzen tot stand te brengen. Tissaphernes
was als satraap in Klein-Azië vervangen door oen jongeren
-ocr page 343-
3:39
zoon van koning Danus II, Cyrus den Jongeren, die Lu-
sandros in staat stolde, aan zijn scheepsvolk een soldij
van vier obolen (30 ets.) daags uit te keeren, terwijl de
Atlieners er slechts drie gaven. Hiervan verwachtte Lu-
sandros, dat de gehuurde matrozen der Athcners tot hem
zouden overloopen, en hij bedroog zich niet. Hij vermeed
daarom zorgvuldig in een treffen te geraken met Alkibia-
des, die ondertusschen Mas uitgeloopen en voortdurend
zijn volk zaff verminderen zonder eenicr voordeel te kun-
nou behalen. Eens, dat Alkibiades de vloot moest verlaten
om een onderhoud te hebben met den aanvoerder van een
smaldeel, dat liij op verren afstand had doen post vatten,
gaf\' hij aan zijn ondelbevelhebber Antióchos strengen last,
zich gedurende zijn afwezigheid in geen gevecht met Lu-
sandros in te laten. Antióchos was echter zoo onvoor-
zichtig de Sparlaansche vloot voorbij te varen, waarop
Lusandros hem aanviel en versloeg.
Onmiddellijk maakten de aristocraten van dezen tegen-
spoed, die echter gemakkelijk te herstellen was, gebruik
om Alkibiades ten val te brengen. Een hunner verliet de
vloot om Alkibiades te Athene aan te klagen als de oor-
zaak van het geleden verlies. Hij beschuldigde hem, niet
zonder grond, van een losbandig leven te leiden, aan on-
bekwame deelgenooten zijner uitspattingen posten van ver-
trouwen te schenken, en zich in Thracië een veilig toe-
vluchtsoord voor zijn persoon te hebben bereid. Het viel
den aristocraten niet moeilijk de volksvergadering te over-
tuigen, hoe gevaarlijk het was het opperbevel in handen
te laten van iemand, die altijd met kuiperij omging, en
Alkibiades werd ontslagen. Hij trok zich terug naar den
Chersonnesus.
Toen de ambtslijd van den bekwamen Lusandros ver-
streken was, werd hij, niet herkiesbaar zijnde, vervangen
door den dapperen Kallikratidas, die echter een geduchte
nederlaag leed, waarbij hij omkwam. De ephoren be-
noemden nu oen nieuwen vlootvoogd, doch stelden dezen
-ocr page 344-
340
Lusandros ter zijde, die daardoor als het ware opperbevel-
hebber was. Lusandros verzamelde de gansche Spartaan-
sche vloot en begaf zich daarmede naar den Hellespont
vóór de stad Lampsacus. Terstond volgde hem de vloot
der Atheners, die tegenover de zijne stelling koos aan den
mond van den Aigos Potómos (Geitonrivier). De ligging
der Atheensche vloot was zeer ongunstig, daar de kust in
de nabijheid geen haven aanbood; daarbij heerschte er
Aveinig orde en verlieten de manschappen herhaalde malen
de schepen om aan land levensmiddelen te zoeken of er
zich te vermaken. Alkibiades, die zich in de nabijheid
bevond, begaf zich naar de Atheensche bevelhebbers om
hen tegen hunne nalatigheid te waarschuwen. Hij bood
hun don steun der Thraciërs aan, bij wie hij grooten in-
vloed bezat, en verzekerde hun, dat zij een beslissende
overwinning zouden behalen, indien zij hem het opper-
bevel wilden toevertrouwen. Hij kreeg tot antwoord :
vHier hebben wij te bevelen, niet gij."
Met de hem eigene sluwheid had Lusandros de Athe-
ners in hunne zorgeloosheid gestijfd. Hij nam den schijn
aan, alsof hij niet voornemens was, iets tegen hen te onder-
nemen, doch hield hen daarbij scherp in \'t oog. Eens, toen
een groot gedeelte van de bemanning der Atheensche vloot
weder aan land was gegaan, deed hij onverwachts den
reeds lang beraamden aanval. Bijna zonder slag of stoot
maakte hij zich van de Atheensche schepen, op negen na,
meester; de gevangenen, die hij maakte, liet hij ter dood
brengen. Niet minder groot dan de groote opgetogenheid
te Sparta, was de neerslachtigheid te Athene. Ieder oogen-
blik vreesde men den overwinnaar Lusandros in den Pei-
raious te zien verschijnen, doch hij bleef vooreerst uit.
Zijn eerste werk was, de Atheensche bezittingen enbondge-
nooten te onderwerpen en ze een aristocratisch bestuur onder
een Spartaan als harmost (stedevoogd) te geven ; daarna
zou de beurt aan Athene komen. Nadat do stad aan de
landzijde door een Spartaansch leger was ingesloten, ver-
-ocr page 345-
341
schoen eindelijk Lusandros aan den zeekant. Hoe man-
moedig do Atheners zicli gedroegen, zij waren niet bestand
tegen den honger, dio weldra in de stad begon te heer-
schen. Menig onbemiddelde was reeds door gebrek aan
voedsel omgekomen, toen do aristocratische partij het be-
sluit wist door te drijven om met de Spartanen te onder-
handelen. Onder de voorwaarden, die do Spartanen
Lusandros laat do muren van Athene omverwerpen.
eischton, behoorde het slechten van Athene\'s muren. Hierin
wilde het volk niet bewilligen. Toen stelde, do aristocraat
Theramënes voor, dat men hom naar Lusandros zou afvaar-
digen om te beproeven betore voorwaarden to bedingen.
Hij werd afgevaardigd. Gedurende drie maanden liet hij
niets van zich hooren en daarna keerde hij onverrichter zake
terug. Do ellende in de stad was ondragelijk geworden.
Eenigc onversaagde mannen stelden voor, liever met eero
-ocr page 346-
342
te sterven dan een schandelijken vrede te sluiten. Tliera-
menes en de zijnen wisten hen door valschc aanklachten
uit den weg te ruimen. Toen werd aan Thcramenes vol-
macht gegeven, den vrede te sluiten. Athene moest een
bondgenoot worden van Sparta, zijn macht beperken tot
Attika, zijn oorlogsschepen uitleveren en zijn vesting-
werken slechten.
Kort na den val van zijn vaderstad, die hij beurtelings
ten zegen en ten vloek was geweest, sloeg liet laatste uur
voor Alkibiades. Hij had bemerkt, dat Cyrus de Jongere
zijn broeder Artaxerxes II, die Darius II in 404 was opge-
volgd, van den troon wilde stooten, en daarom het voor-
nemen opgevat, zich naar liet Perzische hof te Suza te he-
geven om Artaxerxes II de bewijzen te leveren van het
gevaar, dat hem dreigde. Met dit doel verzocht hij een
geleide aan Pharnabaxus, insgelijks satraap in Klein-Azië,
die hem echter alleen toestondinPhrygiëvorblijftohouden.
Weldra liet Pharnabazus zich door Cyrus den Jongeren en
Lusandros overhalen den gevaarlijken man te doen om-
brengen. Hij zond moordenaars op hem af, doch zoo groot
was de vrees voor Alkibiades, dat zij hem niet openlijk
durfden aanvallen. Zij slopen naar het huis, waar hij
met zijn geliefde Timandra leefde, en staken het inbrand.
Met den mantel om den linkerarm gewonden en het zwaard
in de vuist kwam Alkibiades uit de vlammen te voorschijn.
De moordenaars weken, maar schoten uit de verte pijlen
op hem af, die hem doodelijk wondden. Timandra wik-
kelde zijn lijk in haar eigene kleederen en begroef het.
De dertig tirannen.
Met behulp van Lusandros slaagden de aristocraten er
in, de staatsregeling te Athene af te schaffen en dertig
mannen, bekend onder den naam van de dertig tirannen,
te benoemen, om een nieuwe staatsregeling te ontwerpen,
en hel bewind te voeren, totdat deze zou zijn ingevoerd.
-ocr page 347-
•M:\\
Zij begonnen onmiddellijk met het beschuldigen en ver-
oordeelen van ieder, die zieli vroeger tegen de aristocraten
had verzet, en plaatsten een hunner, Satflros, aan het
hoofd van elf mannen, die met de uitvoering der dood-
vonnissen waren belast. Als de bloeddorstigste der
tirannen deden zich Kritias, evenals Alkibiades een leerling
■van Sokrates, en Theramëneskennen. Toen laatstgenoemde
evenwel meende, dat er genoeg burgers omgebracht waren
om de oligarchie (regeering van een gering aantal aristo-
craten) bevestigd te achten, wenschte hij het bloedvergie-
ten te staken, uit vrees, dat het volk afkeer zou krijgen
van het bewind. Kritas verzette zich daartegen. Hij
meende, dat het volk het best in bedwang was te houden
door vrees, en verzocht met dat doel aan Lusandros om
700 Spartaansche hopliten, die op de Akropolis gelegerd
werden, ter bescherming van de dertig tirannen. Tevens
bracht Kritias een bende nietswaardigen bijeen,die steeds
gewapend waren en gereed om op zijn wenk allerlei daden
van geweld te plegen. Met onverminderden ijver werd
het aanklagen en veroordeelen der beste burgers, die niet
op de hand der dertig tirannen waren, voortgezet. Me-
nigeen, voor een valsche aanklacht of de hand eens moor-
denaars vreczende, nam de vlucht en liet zijn goederen
door de dertig tirannen verbeurd verklaren. Een dier
vluchtelingen was Thrasuboolos.
Voortdurend trachtte Theramënes do willekeur zijner
ambtgenooten tegen te gaan, maar hoe krachtiger hij er
zich tegen verzette, en hoe meer hij er op aandrong spoed
te maken met de hun opgedragen voltooiing der staatsre-
geling, des te stouter trad Kritias op. Deze liet een
lijst opmaken van 15000 aanhangers der tirannen, en het
besluit nemen, dat ieder, wiens naam niet op die lijst
voorkwam, geen wapenen mocht dragen en op bevel der
Dertigmannen ter dood kon worden gebracht. Het woe-
den der tirannen deed den invloed van Theramënes toe-
nemen. Kritas besloot daarom, hem uit den weg te rui-
-ocr page 348-
344
men. Hij beschuldigde hem in de vergadering, een vijand
van het bestuur te zijn. Theramënes verdedigde zich oj>
welsprekende wijze. Kritias gaf een wenk, dat de moor-
denaarsbende zou naderen, en sprak toen : -Deze mannen
eiscben de veroordeeling van een misdadiger, die het be-
stuur omver wil werpen. Ik schrap den naam van The-
ramënes van de lijst der 3000 en nu veroordeelen wij,
de Dertigmannen, hem ter dood." Theramënes snelde
naar het nabijstaande altaar, omvatte het en zeide : •\'Man-
nen, wanneer gij duldt, dat Kritias mij van de lijst der
3000 schrapt, verkeert gij allen in hetzelfde gevaar."
Niemand waagde het echter een woord te zijnen voordeele
te spreken. Nu beval Kritias aan Satüros met zijn Elf-
mannen Therauicnes weg te voeren. De ongelukkige werd
niet geweld van het altaar gerukt en over de markt naar
de gevangenis gesleept. -Luide riep hij, dat hem onrecht
werd aangedaan. «Zwijg," zeide Satüros, of gij zult er
voor boeten!" -Moet ik er dan niet voor boeten, wanneer
ik zwijg?" hernam Theramënes. Zoodra do veroordeelde
in de gevangenis was gekomen, bood Satüros hem den
giftbeker aan. TlieramC\'iies dronk hem onmiddellijk ledig,
maar gelijk dat bij gastmalen ter eerc der goden gebruike-
lijk was, stortte hij er vooraf eenige druppels van op
den grond met de woorden: «Dit voor den zachtmoedigen
Kritias!"
Het schrikbewind der tirannen duurde voort, maar het
aantal hunner vijanden nam met den dag toe. De haat,
die Thebai, Korinthe, Argos en Megira vroeger aan het
trotsche Athene hadden toegedragen, was geweken, sedert
het zijne macht had verloren, daarentegen nam de afkeer
tegen het overmoedige Sparta toe. Hier had een groote
omkeering in do oude zeden plaats. Lusandros had groote
schatten medegebracht. Om een zeemacht te kunnen on-
derhouden achtte hij het noodig, dat Sparta zijn vroeger
beginsel liet varen om geen staatsschat te hebben. Een
voorstel, door hem daartoe gedaan, werd aangenomen en
-ocr page 349-
345
nu gedroeg hij zich zoo overmoedig, dat een der koningen,
Pausanias, het in \'t belang der koninklijke waardigheid
noodig achtte, zijn invloed te fnuiken. Pausanias slaagde
er in ophoren te doen benoemen, die Lusandros vijandig
waren, en nu was deze niet langer in staat de hechtste
steun der tirannen te Athene te zijn.
Spoedig daarna verzamelde Thrasuboelos een kleine
schaar dappere vluchtelingen om zich heen, en bezette met
hen een kleine versterkte plaats in de nabijheid van
Athene. Deze stoute daad verwekte alom verbazing. Een
menigte ballingen wisten Thrasuboelos te bereiken, en
schaarden zich onder zijn bevel, en toen hij op die wijze
liet aantal zijner strijders tot eenige honderden had zien
aangroeien, maakte hij zich van den Peiraieus meester.
Nu openbaarde zich in Athene zulk een geest van verzet
tegen de Dertigmannen, dat zij het voor hunne veiligheid
geraden achtten niet een menigte gewapende edelen naar
Eleusis de wijk te nemen. Hier lieten zij een groot aantal
weerbare mannen, die zij niet vert rouwden, voor zich ver-
schijnen. Een voor een werden de gedaagden door een
deur gelaten, waar de gewapende edelen hen aangrepen
en in boeien sloegen. Den volgenden dag riepen de tiran-
nen de 3000 op de lijst geschreven personen tot een ver-
gadering op. Kritias voerde er het woord en eischte, dat
allen, die den vorigen dag in boeien waren geslagen, als
schadelijk voor den staat, ter dood gebracht zouden wor-
den, (leen der aanwezigen had den moed als verdediger
der ongelukkigen op te treden. Het doodvonnis werd uit-
gesproken en onmiddellijk voltrokken. De tirannen deden
nu een poging om Thrasuboelos uit den Peiraieus te ver-
drijven. Zij werden echter teruggeslagen en Kritias sneu-
velde. De tegenstanders der Dertigmannen schepten
nieuwen moed, en weldra was het met de macht der ti-
rannen gedaan. De democratische staatsregeling werd her-
steld, doch gewijzigd naar de behoeften van den tijd.
-ocr page 350-
.•540
S o k r & t e s.
Een dor mannen, die liet tijdperk van Perikles door de
eigenaardige en verhevene ontwikkeling van hun geest
hebben opgeluisterd, is Sokr&tes. Deze merkwaardige man,
de zoon van een beeldhouwer, trachtte reeds van zijn
jeugd af nuttige kennis op te doen. Hij beoefende wis- en
natuurkunde, rede-, toon- en dichtkunst en bovenal wijs-
begeerte. In het bizonder dacht hij na over het zedelijk
leven van den niensch, en hij kwam tot het inzicht, dat
de boven een tempel geplaatste spreuk »Ken u zelven,"
den waren weg tot wijsheid voorschreef. Sedert leerde
hij. dat de mensch vooral moet streven, te loeren kennen,
wat goed en wat kwaad is, en zich rekenschap te geven
van zijn doen en laten. Tot zijn dertigste jaar oefende
Sokiwtes het beroep zijns vaders uit, maar na dien tijd
loefde hij hoogst eenvoudig van een zeer kleine bezitting,
ten einde zich geheel te kunnen wijden aan overdenkin-
gen en aan het onderrichten van ieder, die er belang in
stelde den uitslag zijner onderzoekingen te vernemen. Of-
schoon hij zijn vaderland niet als staatsman maar als
volksleeraar en hervormer der zeden wilde dienen, kwam
hij zijn plichten als staatsburger getrouw na. Steeds
toonde hij zich een man van karakter; hij onthield zich
van wat hij als slecht erkende en deed, wat hij goed
achtte, zonder zich ooit te laten weerhouden door de ge-
dachte, dat zijn handelingen tot zijn nadeel, misschien
op het verlies van zijn leven konden uitloopen. Eens, dat
de Atheners zonder voldoende gronden verlangden, dat
het doodvonnis van eenige veldheeren zou worden uitge-
sproken, was Sokrfttes, die toen juist zitting in de recht-
bank had, de eenige, die er zijne stem tegen verhief. Te-
genover do toenemende weelde, achtte hij hot noodig een
voorbeeld te geven van gohardheid en van de kracht, ont-
beringen te kunnen doorstaan. In het begin van den Pe-
-ocr page 351-
347
loponnesischen oorlog moest Sokrites mede uittrekken om
PotidSa te helpen belegeren. Het "\\vas winter en zoo koud,
dat niemand zijn tent verliet zonder de voeten in bont te
wikkelen. Sokrates ging echter, ondanks liet gure weder
blootsvoets en met dezelfde kleeding, die hij in den zomer
droeg. Door zijn dapperheid redde hij eens het leven van
Alkibiades. Bij een andere gelegenheid, toen het Atheen-
sche leger op de vlucht werd geslagen, wilde Sokrdtes
niet anders dan vechtende wijken. Hij geraakte daardoor
omringd door vijanden, die hem zeker gedood zouden
hebben, indien Alkibiades hem niet was komen verlossen.
De bevelhebbers verklaarden, dat zij den strijd gewonnen
zouden hebben; indien ieder zijn plicht had gedaan gelijk
Sokrates.
Sokrates was gehuwd met Xanthippe, die hij wegens
hare goede zorgen voor de huishouding en de opvoeding
harer kinderen hoogschatte, maar die, wellicht omdat zij
somtijds aan hare luimen toegaf, door de overlevering ver-
keerdelijk als eene boosaardige vrouw is afgeschilderd.
Gelijk Sokrites tot eigen ontwikkeling het gezelschap
zocht van beschaafde mannen en vrouwen, zooals Pheidias
en Aspasia, die hem ondanks zijn armoedige omstandig-
heden in hun gezelschap toelieten, trok hij jongelingen, in
welke hij aanleg bespeurde, tot zich, om hen door ge-
sprekken op de markt of in de werkplaatsen der kunste-
naars in zijn wijsheid op te leiden. Sokrates heeft geen
geschriften nagelaten. "Wat wij van zijn denkwijze we-
ten, wordt ons medegedeeld door zijn leerlingen Aischi-
nes, Xonophon en Platon, meestal in samenspraken, den
vorm, waarvan Sokrates zich bij zijn onderricht bediende.
De wijze, waarop hij kennis maakte met Xenophon,
wordt op de volgende wijze medegedeeld. Eens hield So-
krates hem in een straat staande met de vraag : -"Weet
gij» waar meel te koop is?" Verwonderd zag Xenophon
hem aan en antwoordde: »Op de markt." — -En waar
koopt men olie?" — "Ook op de markt." — -En weet
-ocr page 352-
348
gij wel, waar wijsheid en deugd te verkrijgen zijn ?" —
Hierop zag Xenophon hem verbaasd aan en bleef het ant-
woord schuldig, waarop Sokrates vervolgde: »Kom met
mij mede, ik zal het u wijzen." Twee andere jongelingen
Kukleides van Megara enAntisthënes, die in den Peiraieus
woonden, gevoelden zich zoozeer aangetrokken doordege-
sprekken met Sokrates, dat zij hem ondanks den grooten
afstand, waarop hunne woningen van Athene verwijderd
waren, zoo vaak mogelijk bezochten. Toen liet eens tij-
dens een oorlog tusschen Athene en Megdra aan de bewo-
ners van laatstgenoemde stad op doodstraf verboden was,
zich op Atheensch grondgebied te vertoonen, waagde
Kukleides het \'s avonds in vrouwenkleeren te Athene te
komen, om met Sokrates te kunnen spreken. Sokrates
waarschuwde zijn leerlingen tegen de verderfelijke ge-
volgen, die de weelde kon hebben, maar gelijk dat meer
geschiedt, waren er onder hen, die zich verdienstelijk
meenden te maken door de leer van hun verstandigen
meester te overdrijven. Een hunner was Antisthënes, die
zich, als blijk, dat hij de weelde verachtte, in een mantel
met scheuren begon te vertoonen. Om hem te doen be-
grijpen, dat dit niet overeenkomstig zijn bedoeling was,
voegde Sokrates hem toe: «Antisthënes, door de scheuren
van uw mantel heen, kan ik uw ijdelheid zien." Aischi-
nes, een arm jongeling, wenschto vurig in den kring van
Sokrates te worden opgenomen, doch hij durfde er zich
niet bij aansluiten, omdat er zooveel rijke jongelieden on-
der waren. Toen Sokrates dit bemerkte, en hem de reden
zijner bedeesdheid had doen opgeven, zeide hij: «Acht
gij u zelven dan zoo gering; weet gij niet, dat gij in uw
persoon een schat aanbrengt?"
Sokrates had bij uitnemendheid de gave door vragen op
dwalingen te wijzen, de leugen aan \'t licht te brengen en
het verkeerde te hekelen. Hij maakte zich daardoor ge-
haat bij velen, die in zijn dagen valsche leerstellingen
verkondigden; zij noemden hem een onuitstaanbaren vraag-
-ocr page 353-
349
al. Het was zijn bedoeling, de menschen, met welke hij
in aanraking kwam, tot nadenken te brongen, en dewijl
nadenken al spoedig twijfel opwekt aangaande overge-
leverde denkbeelden, werd hij zelfs beschuldigd, het geloof
aan de goden te ondermijnen. Om deze reden werd hij
door Aristoph&nes in diens blijspelen gehekeld. Over het
algemeen werd Sokrcites echter geacht, en daar hij zich
met geen staatkunde inliet, zelfs niet door de dertig ti-
rannen vervolgd. Maar toen dezen verdreven waren, werd
hij door eenige volksleiders en priesters zoo gevaarlijk voor
hunne bedoelingen geacht, dat zij het naderend einde van
den zeventigjarigen grijsaard niet durfden afwachten. Drie
mannen leverden de aanklacht tegen hem in, dat hij de
goden loochende en dezeden der jeugd bedierf, en eischten
daarom, dat hij volgens de wetten ter dood veroordeeld
zou worden. Om aan de beschuldiging, dat hij de zeden
der jeugd bedierf, kracht bij te zetten, wezen zij erop, dat
mannen als Alkibiades en Kritias zijn leerlingen waren
geweest. Volgens de gewoonte te Athene, moest hij zelf
zijn verdediging voor de rechters voordragen. Hij deed
het op een wijze, die geheel afweek van de gebruikelijke,
want zonder te trachten zijn handelingen in eon licht
voor te stellen, dat zijnen rechters aangenaam moest zijn,
en zonder op hun gevoel te werken, legde de grijsaard
zijn bedoelingen oprecht en eenvoudig voor hen bloot. Hij
zeide, dat zijn wijsheid vooral daarin had bestaan, dat
hij zich niet verbeeldde te weten, wat hij eigenlijk niet
wist, en dat hij hot zijn plicht had geacht zijn medebur-
gers door zijn vragen van hunne zelfverblinding te over-
tuigen, dat zij meenden te weten, Avat zij niet konden
weten. Oordeelde iemand, dat dit dwaas was geweest,
omdat liet te voorzien was, dat hij zich op die wijze den
haat der menigte en misschien een gewelddadigen doodop
den hals zou halen, dan moest hij doen opmerken, dat
men zich niet mag laten afschrikken iets nuttigs te doen,
uit vrees, dat men zijn leven daardoor in gevaar brengt.
-ocr page 354-
:350
Gij zoudt zoggen, dat ik schandelijk gehandeld had, indien
ik voor Potidêa en elders, waar ik het vaderland als
krijgsman moest dienen, den post, mij door de bevelheb-
bers aangewezen, lafhartig had verlaten, maar zou het
niet even schandelijk zijn geweest, indien ik niet trouw
op den post was gebleven, mij door de godheid aangewe-
zen om de waarheid te zoeken en mij zelven en anderen te
beproeven. Gesteld dus, dat gij mij vrijspraakt op voor-
waarde, dat ik zou ophouden to doen, gelijk ik tot nu toe
hel) gedaan, dan zou ik antwoorden: «Atheners! ik ben u
Mei genegen als uw oprechte vriend, maar ik moet de
godheid meer gehoorzamen dan u, en zal zoolang ik leef,
voortgaan de waarheid te zoeken, de deugd te betrachten
en anderen daartoe op te wekken. Indien ik den dood
vreesde, zou ik dwaas handelen, want niemand weet, wat
de dood is; misschien is hij voor den mensch wel het
hoogste goed." Toen Sokrdtes met spreken geëindigd had,
gingen de rechters tot de stemming over en veroordeelden
hem met een kleine meerderheid ter dood. Het stond
aan veroordeelden vrij ^zich tegen to schatten", d. i. een
zachtere straf te vragen, en indien zij dit deden, stomden
de rechters erover, of zij die zouden toestaan of niet.
Sokrates nam daarom nog eens het woord en zeide, dat
hij zich steeds als een weldoener zijns volks bleef beschou-
wen, en het hem toescheen, dat hij ovenzeer als do over-
winnaars in de Olumpische spelen verdiend had op staats-
kosten levenslang te worden verzorgd. Hij zou dit echter
niet vragen, omdat het den schijn op hem zou halen van
eigenwaan, lïovon gevangenis en verbanning verkoos hij
don dood, want wat zou op zijn ouden dag voor hem een
leven zijn, dat hem dwong van stad tot stad te zwerven.
Ook kon hij niet vragen, dat de doodstraf in eon boete
werd veranderd, omdat hij bijna niets bezat. Nu boden
verscheidene zijner leerlingen zich als borgen aan, indien
hem eeno boete werd opgelegd. Do rechters stemden op-
nieuw, en daar velen hunner zicli door zijn taal beleedigd
-ocr page 355-
351
achtten, werd hij nu met een aanzienlijke meerderheid ter
dood veroordeeld. Sokrates hoorde het vonnis, dat nu on-
herroepelijk was, met dezelfde gelatenheid aan, die hij
gedurende het gansche rechtsgeding had bewaard. Hij
verzekerde, geen berouw te hebben, dat hij niet gesproken
had op een wijze, die de rechters meer te zijnen gunste
had kunnen stemmen, omdat bij steeds do overtuiging had
gehad, niets onedels te mogen doen om zicb uit eenig ge-
vaar te redden; dat het gemakkelijker was den dood te
ontgaan dan de schande, omdat de schande sneller was
dan de dood, en dat hij het geluk had gehad aan de schande
te ontkomen.
Nu werd Sokrates naar de gevangenis gebracht, en daar
juist den vorigen dag een schip tot het brengen van het
jaarlijksch offer naar Delos was uitgevaren en in Athene
geen doodvonnis mocht worden voltrokken, zoolang het
schip afwezig was, kon Sokrates nog een dertigtal dagen
voor zijn leerlingen gespaard blijven. Dagelijks bezochten
zij hem, en daar zij zeer weemoedig gestemd waren door
het vooruitzicht, dat zij den dierbaren grijsaard eerlang
zouden moeten missen, zocht hij somtijds door aangename
scherts hunne stemming opgeruimder te maken. Toen
Apollodöros eens zijn smart niet kon onderdrukken en
hem weemoedig toevoegde: -\'Welk een lot, zooonschuhlig
te moeten sterven!" vroeg Sokrates hem met een glimlach
op de lippen: ->Zoudt gij soms liever zien, dat ik schuldig
stierf?"
Twee dagen voor zijn dood kwam zijn vriend Kriton
hem mededeelen, dat hij een groote som gelds verzameld
had om de wachters om te koopen, en dat alles in gereed-
heid was gebracht om hem in den nacht naar Thessalië
te doen vluchten, waar hem een goede ontvangst was be-
reid. Kriton voegde erbij, dat Sokrates aan zijn vrouw.
aan zijn kinderen, aan zijn vrienden verplicht was, een
poging te doen om zijn leven te redden. De wijsgeer wei-
gerde echter bepaald van dit aanbod gebruik te maken en
-ocr page 356-
352
bracht Kriton onder liet oog, dat niemand zich door onder-
vonden onrecht mag laten verleiden, iets te doen, dat in
strijd is met de wetten van zijn vaderland.
Toen de laatste dag van Sokrates\' leven was aangebro-
ken, kwamen zijn vrienden vroeger dan gewoonlijk in zijn
kerker. Zij vonden hem ongeboeid en in gezelschap van
zijn vrouw en zijn jongsten zoon. Xantbippe barstte uit
in tranen, en toen Sokrates hierdoor werd bewogen, ver-
zocht hij, dat men haar naar huis zou geleiden. Toen dit
geschied was, vroegen zijne vrienden, waarmede zij hem
genoegen konden doen. -Met zóó te leven," was het ant-
woord, -als ik u steeds heb aanbevolen." -Wij zullen er
met al onze krachten naar streven", was het antwoord,
•■maar hoe verlangt gij, dat wij na uw dood met u hande-
len?" — «Gelijk gij wilt," zeide Sokrates, ■■ indien gij mij
namelijk dan nog hebt, en ik u niet ontsnapt ben." Gelijk
gewoonlijk bracht hij den dag in gesprekken met zijn leer-
lingen door, maar thans werd geen ander onderwerp be-
handeld dan de onsterfelijkheid. Tegen zonsondergang
kwam een gevangenbewaarder Sokrates aankondigen, dat
hij zich gereed moest houden den giftbeker te drinken. -Ik
vrees niet", voegde de man erbij, dat gij mij, zooals ge-
wone misdadigers doen, zult verwensehen, want ik doe
slechts, wat mijn meerderen mij bevolen hebben, en ik
heb u als den besten man leeren kennen, die ooit binnen
deze muren is gekomen. Vaarwel! en schik u zoo goed
mogelijk in het onvermijdelijke." Toen hij den kerker ver-
laten had, zeide Sokrates: »Wat een braaf man! Zoo heb
ik hem nu al de dagen, dat ik hier ben, leeren kennen.
Maar laat een uwer nu eens gaan zien, of de dollekervel-
drank gereed is." Zijn vrienden verzochten hem, het uiter-
ste af te wachten, maar Sokratos achtte het dwaasheid, zijn
leven nog een paar oogenblikken te willen verlengen. On-
middellijk daarop bracht een dienaar den giftbeker binnen.
Sokrates vroeg hem, of hij bij het gebruik ervan op iets
had te letten. -Als gij gedronken hebt," was het antwoord,
-ocr page 357-
353
^moet gij wat heen en weer loopen tot uw beenen zwaar
beginnen te worden, en dan moet gij op uw legerstede
gaan liggen." Hij nam den beker aan, maar eer hij hem
aan de lippen bracht, verzocht hij te mogen weten, of er
genoeg in was om een gedeelte van den inhoud aan de goden
te mogen plengen. De dienaar antwoordde, dat er niet
meer gereed werd gemaakt dan juist noodig was. -Wel-
nu", hernam Sokrrttes, -dan zullen wij ten minste bidden,
dat de overgang naar ginds gelukkig moge zijn." Onmiddel-
lijk daarop ledigde hij den beker. De leerlingen en vrienden,
die hem omringden, konden nu hunne tranen niet langer
bedwingen. Zij weenden niet om hem, maar om zich zelve,
dewijl zij zulk een uitstekend vriend moesten verliezen.
SokrStcs, die een onverstoorbare kalmte behield, vermaande
hen, zich als mannen te gedragen, dewijl hij juist met
het doel om in een bedaarde omgeving te sterven, zijn
vrouw verwijderd had. De vrienden schaamden zich over
hunne zwakheid en onthielden zich van wecnen, terwijl
Sokrrttes langzaam heen en weer wandelde. Toen zijn
beenen stijf begonnen te worden, legde hij zich op den rug
neder en bedekte het gelaat. Een oogenblik later naderde
hem de man, die hem den criftbekcr had gereikt, betastte
.zijne voeten, drukte ze sterk en vraagde Sokrates of hij
het voelde. »Neen," sprak de stervende. Toen betastte
hij hem steeds hooger en deed de omstanders opmerken,
dat het lichaam koud en stijf werd. Eensklaps sloeg So-
knttes het dek van \'t gelaat en zeide: ,,Kriton, wij zijn
Asklepias*) een haan schuldig; zorg er voor, dat hij ge-
offerd worde!" Kriton vraagde hem of hij nog iets te
zeggen had; maar er kwam geen antwoord meer.
*) Do god der geneeskunde; men offerde hem uit dankbaarheid,
als men van een ziekte genezen was.
a:i
-ocr page 358-
354
Terugtocht dor Tienduizend.
Cyrus de Jongere had ondertusschen , begunstigd
door zijn moeder, wier lieveling hij was, zijn po-
gingen doorgezet om zijn broeder Artaxerxes II, dien
hij in verstand en geestkracht ver overtrof, van den
troon te zetten. Hij wist zich te verbinden met oen
vriend van Lusandros, den bekwamen, maar geweten-
loozen Klearchos, die geruimen tijd voor Sparta bevel-
hebber van Byzantium was geweest, en thans een leger
bijeenbracht, dat door onderscheidene personen in de ver-
schillende deelen van Griekenland voor Gyrus was ge-
storven. Weldra had deze een leger van ruim 100,000
man bijeen, waarvan een huurbende van 13,000 Grieken
de kern uitmaakte. Het voorkomen, de wapening en de
krijgshaftige houding der Grieken boezemden ontzag in
aan de Aziaten, die op het bloote gezicht hunner wapen-
oefeningen, van schrik werden bevangen.
Gyrus trok thans op Babylon aan om zijn broeder, die
door Tissaphernes met het gevaar, dat hem dreigde, be-
kend was gemaakt, te verrassen, eer hij met zijn krijgs-
toerustingen gereed was. Maar toen Gyrus den Euphraat
was overgetrokken, kwam ArtaxerxesII hem met 400,000
man te gemoet. De beide legers geraakten bij Cunaxa,
ten N. van Babylon gelegen, met elkander slaags. De
Grieken, die tegenover den rechtervleugel des vijands
stonden, brachten dezen in verwarring en dreven hem
terug, maar aan den anderen vleugel zegevierde Arta-
xerxes. De troepen waren nog niet lang handgemeen, toen
Gyrus zijn broeder ontdekte. Onmiddellijk reed hij op
hem aan, met het doel honi eigenhandig te dooden, en
bracht hem een wond toe; doch de begeleiders van Ar-
taxerxes stelden zich manmoedig voor het leven huns ko-
nings in de bres en velden Cyrus. Toen hun aanvoerder
gevallen was, sloegen de troepen van Cyrus onmiddellijk
-ocr page 359-
355
op de vlucht. Alleen de Grieken hielden stand en weer-
den een aanval van het overwinnend gedeelte van Ar-
taxerxes\' leger af.
Zegevierend stonden de Grieken, wier aantal nu tot
10,000 was ingekrompen, op het slagveld; maar toch
bevonden zij zich in het uiterste gevaar, \'s Konings eisch
om de wapenen neder te leggen hadden zij met fierheid
afgewezen. Zij wisten dus, dat hij alles in\'t werk zou
stellen om hen in \'t verderf te storten, en nu bevonden
zij zich zeer ver verwijderd van hun vaderland, allerwe-
gen omringd door hen vijandige volken en onbekend met
de streken, door welke zij huiswaarts moesten keeren.
De vrees voor de Grieken was echter zoo groot, dat de
koning besloot hen door list te verdelgen. Hij liet Tissa-
phernes onderhandelingen met hen aanknoopen, die een
verdrag ten gevolge hadden, waarbij hun vrije aftocht werd
toegezegd. De listige satraap wist hierop te bewerken ,
dat er telkens botsingen met de Perzische troepen plaats
hadden, en toen Klearches zich hierover beklaagde en een
onderhoud met Tissaphernes verlangde, antwoordde deze
daartoe genegen te zijn, mits het plaats had in tegenwoor-
digheid van al de Grieksche opperbevelhebbers. Aan zijn
wensch werd voldaan, maar nauwelijks waren zij in de
Perzische legerplaats aangekomen, of zij werden in boeien
geslagen, en naar den koning geleid, die hen terstond liet
nederhouwen.
De Perzen hadden gemeend, dat de Grieken weerloos
zoudon zijn, indien zij hunne aanvoerders hadden verloren.
Zij wisten niet, dat menige Griek, die het eene jaar opper-
bevelhebber was, het volgende somtijds weder als gemeen
soldaat diende, en dat zich dus onder de gewone soldaten
menig uitstekend aanvoerder bevond. Niet weinig ver-
baasde het dan ook de Perzon, dat hun vernieuwde eisch
om de wapenen neder te leggen door de Grieken ronduit
werd afgeslagen.
Zoodra de tijding van liet vermoorden hunner aanvoer-
-ocr page 360-
356
ders in de Grieksche legerplaats bekend was geworden,
had do vroeger genoemde Athener Xenöphon, die den tocht
als vrijwilliger medcmaakte, zijn medestrijders aange-
maand den moed niet te verliezen en onmiddellijk over te
gaan tot het benoemen van aanvoerders. Diensvolgens ver-
koos het leger hem tot bevelhebber, terwijl hij den Spar-
taan Cheirisóphos tot aanvoerder der voorhoede aanwees
en tot de krijgslieden sprak : »Maakt u thans gereed op
te trekken. Wie uwer de zijnen wenscht terug te zien,
zij erop bedacht, zich dapper te betoonen, want op geen
andere wijze kan zijn wensch vervuld worden. "Wie in
\'t leven verlangt te blijven, trachle te zegevieren, want de
overwinnaars kunnen den dood geven, de overwonnenen
echter moeten hem ondergaan." Xenöphon, die in een be-
roemd werk, bekend onder den titel Anabasis een keurige
beschrijving van den ganschen tocht heeft gegeven, be-
schrijft hetgeen hierna plaats had op de volgende wijze.
"Toen zij deze woorden gehoord hadden, stonden de
«krijgslieden op, en gingen zij uit elkander om hunne wa-
gens en tenten te verbranden. Ieder gaf van hetgeen hij
"Overtollig had, aan anderen, die erom verlegen waren,
"en wat niet medegenomen kon worden, werd in \'t vuur
"geworpen. Nadat dit geschied was, ontbeten zij. Terwijl
«zij hiermede nog bezig waren, kwam Mithridates, een
"Perzisch aanvoerder, met omstreeks driehonderd ruiters
"aanrennen. Op een afstand, dat hij zich kon doen ver-
"Staan, hield hij halt, verzocht den Griekschcn legerhoof-
"dcn, naar hem te luisteren en sprak toen: ""Ik was,
" "gelijk gij weet, niet alleen Cyrus getrouw, maar thans
»"ben ik u ook nog goedgezind en met groot gevaar bier-
eneen gekomen. Als ik nu wist, dat gij een plan tot
»»uwe redding hadt gemaakt, zou ik mij met al mijne
«"krijgslieden bij u aansluiten. Zegt mij, uw vriend, die
""het goed met u meent, wat gij voornemens zij t te doen \'"
"Nadat de legerhoofden beraadslaagd hadden, besloten zij
«bij monde van Cheirisóphos het volgende antwoord te
-ocr page 361-
357
,,geven: »»Ons voornemen is, wanneer men ons onge-
,,,,stoord huiswaarts laat trekken, het gebied deskonings
,,,,zooveel mogelijk te sparen; maar als iemand ons den
,,,,weg verspert, hem zoo dapper mogelijk te bestrijden.""
«Nu trachtte Mithridates hun te bewijzen, dat er zonder
«den wil des konings geen uitzicht op redding voor hen
»was. Hieraan bemerkte men, dat hij een uitgezonden
«spion was. De aanvoerders besloten daarom zoolang zij
«in \'s vijands land waren, den oorlog voort te zetten zon-
«der zich verder met onderhandelaars in te laten, daar
«dezen bovendien de soldaten zochten te verleiden. Dit
«gelukte hun maar al te goed met een hoofdman, die zich
«\'s nachts met twintig minderen uit de voeten maakte.
«Toen het ontbijt was afgeloopen, trokken zij over het
«riviertje Zabrftos in goede orde verder, terwijl zij het
«trekvee en den tros in hun midden hadden. Zij waren nog
«niet lang voortgegaan, toen Mithridates zich weder ver-
«toonde met tweehonderd ruiters en vierhonderd vlugge en
«behendige boogschutters en slingeraars. Hij kwam als met
«vredelievende bedoelingen, maar tocnhij genoegzaam gena-
«derd was, begonnen de ruiters en voetknechten met
«pijlen te schieten en met steenen te werpen, waardoor
«vele Grieken gewond werden. De Grioksche aclitcr-
«hoede leed zeer,dewijl de Gneksche boogschutters, Kre-
«tenzers, niet zoo ver schoten als de Perzische, en daar
«zij slechts licht gewapend waren, een schuilplaats zoch-
«ten tusschen de hoplïtcn ; ook was het niet mogelijk de
«slingeraars met de werpspietsen te bereiken." Tegen den
avond kwamen de Grieken in veiligheid in een dorp. Zij
waren geheel moedeloos, maar Xenophon wist hunen
geestkracht weder te verlevendigen. Hij sprak : ,,,,Wij
,,,,mogen de goden danken, dat de vijand met geen groo-
,,,,tere macht tegen ons is opgerukt, want nu heeft hij,
,,,,zonder ons een groot verlies toe te brengen,laten zien,
,,,,wat ons ontbreekt. Willen wij voorkomen, dat hij
,,,,cns, terwijl wij voortrukken, nieuwe verliezen toe-
-ocr page 362-
358
,,,,brengt, dan moesten wij ten spoedigste zorgen, dat
,,,,wij van ruiters en slingeraars voorzien zijn. Nu hoor
,,,,ik, dat er in ons leger Rhodiërs zijn, waarvan de
„„meesten de kunst van \'t slingeren verstaan, terwijl zij
,,,,tweemaal zoo ver werpen als de Perzen. Want terwijl
,,,,dezen steenen slingeren zoo groot als eene vuist, weten
,,,,de Rhodiërs zich van kleine looden kogels te bedienen.
,,,,Indien wij nu de slingers, die zij bij zich hebben, van
,,,,hen koopcn, aan anderen geld bieden om nieuwe te
,,,,maken en ieder, die vrijwillig als slingeraar in dienst
,,,,wil treden, vrijstellen van eenige lastposten, zooals do
,,„wacht te houden, te fourageeren, enz., zoo zouden
,,,,wij, wat dit betreft, spoedig geholpen zijn. Ook zie
,,,,ik, dat wij paarden bij het leger hebben, eenige, die
,,,,ik medevoer, eenige, die aan Klearehos hebben toebe-
,,,,boord, en nog vele andere, die aan den vijand ontno-
,,,,men zijn om de bagage te dragen. Indien wij nu
,,,,daaruit eene keuze deden, de gekozene paarden door
,,, .andere lastdieren vervingen en ze van teugels en zadels
,,,,voorzagen, zoo zouden wij er gebruik van kunnen ma-
,,,,ken om den vijand afbreuk te doen."" Dit voorstel
vond bijval, en nog in denzelfden nacht bracht men twee-
honderd slingeraars bijeen. Den volgenden dag werden
,,vijftig paarden en ruiters uitgekozen en dezen van le-
,,deren pantsers en harnassen voorzien. Nadat men den
,,geheelen dag rust had genomen, brak men den volgen-
den in de vroegte op, want men moest door een hollen
„weg trekken, waar men vreesde door den vijand te wor-
,,den aangevallen. Reeds was men er door, toen Mithri-
,,dates opdaagde met duizend ruiters en vier duizend
,,slingeraars en boogschutters. Hij had een zoo groote
,,macht van Tissaphernes verzocht en verkregen, dewijl
,,hij hem beloofd had, de Grieken daarmede in zijn han-
dden te zullen leveren. «Mithridates toch schatte de
„Grieken zeer gering, omdat hij bij zijn vroegeren aanval
,,zelf niets geleden, en hun, naar hij dacht, een zwaar
-ocr page 363-
359
,,verlies toegebracht had. Toen nu de Grieken den pas
„reeds een goed eind achter den rug hadden, zagen zij,
,,dat Mithridates er insgelijks doortrok. Aan de ruiters
„werd aanbevolen onversaagd op den vijand in te dringen,
„dewijl zij door een voldoende macht van hopliten, die
„daartoe reeds aangewezen waren, ondersteund zouden
„worden. Zoodra Mithridates hen had ingehaald en de
„slingersteenen en pijlen de Grieken reeds bereikten, gaf
„de trompetter het teeken tot den aanval, en nu storm-
„den ruiters en voetknechten op den vijand los. Deze
,,hield geen stand maar vluchtte in den hollen weg. Bij deze
„vervolging verloren de barbaren niet alleen veel voet-
„volk, maar in den hollen weg werden zelfs achttien rui-
kers gevangen genomen. De Grieken verminkten de
„lijken der verslagenen om den vijanden, die liet slagveld
„bezochten, afschrik in te boezemen." Eenige dagen later
ontmoetten de Grieken, die zich intusschen in de dorpen
van levensmiddelen, lood en wat zij verder noodig hadden,
behoorlijk hadden voorzien, een groot leger onder aan-
voering van Tissaphernes. Deze waagde het niet een aan-
val op hen te doen. maar gaf bevel do Grieken op vol-
doenden afstand met slingersteenen en pijlen te bestoken.
Toen daarop de Rhodièfs, verspreid opgesteld, begonnen
te slingeren en de Kretenzers met pijlen te schieten, en
niemand hunner miste, hetgeen niet mogelijk was wegens
den dichten drom der vijanden, trok Tissaphernes zoover
terug, dat hij buiten het bereik van het Grieksche geschut
kwam. Steeds trokken de Grieken naar het Noorden het
bergland in en met den dag namen de moeielijkheden toe.
Eens, dat zij met de grootste inspanning door een berg-
engte waren gekomen, zagen zij zich aan twee zijden door
de troepen van Tissaphernes bedreigd, terwijl zich vóór
hen de Armenische bergen verhieven, die door een zoo
woest volk waren bewoond, dat liet niet eens aan de Per-
zen onderworpen was. Men besloot dit bergland binnen te
trekken, in de overtuiging, dat Tissaphernes het niet zou
-ocr page 364-
300
wagen hun tocht daar te bemoeilijken. Zeven dagen lang
trokken zij onder de grootste bezwaren dooi- het woeste
bergland, toen zij aan een riviertje kwamen, aan welks
overzijde de Perzen, die hen langs een anderen weg voor-
uitgekomen waren, hadden post gevat, terwijl zij zich door
de bergbewoners in den rug bedreigd zagen. De satraap,
die de Perzen aanvoerde, wilde de Grieken door list ver-
delgen en zocht onderhandelingen met hen aan te knoopcn,
maar zij beantwoordden zijn aanzoek met een woedenden
aanval, die hun in de gelegenheid stelde, den tocht noord-
waarts te vervolgen. Maar nu geraakten zij in een met
dikke sneeuw bedekt bergland, waar de vinnige koude
sommigen deed bezwijken, van velen de kracht verlamde
en aan bijna allen den moed benam. Xenophon slaagde
erin de geestkracht weer een weinig te doen herleven, en
wel kwam hun dit te stade, toen zij eerlang op een strijd-
baar bergvolk stieten, dat hen door zijn aanvallen dwong"
den tocht noordwaarts te staken en zich meer westelijk
te bewegen. Dit was bun geluk. Dooi\' noordwaarts te trek-
ken zouden zij den Kaukasus bereikt hebben, nu naderden
zij de Zwarte Zee. "Welk een opschudding was er onder
de Grieken, toen eenigen van de. voorhoede haar op een
scboonen dag op den top van een berg onverwachts aan-
schouwden en weldra door het gansche leger de vreugde-
kreet weergalmde: -De zee! de zee!" Allen snelden naar
de plaats, waar zij to zien was, om zich van die heugelijke
waarheid met eigen oogen te overtuigen. Tranen van
vreugde stroomden over veler wangen ; de geharde krijgers
omhelsden elkander en dankbaar hieven zij de handen tot
de goden op. Nooit hebben schipbreukelingen met inniger
blijdschap het land aanschouwd, dat hen kon redden, dan
nu de Grieken de zee, in welker nabijheid zij den eindpaal
van de lange reeks hunner rampen meenden te vinden.
Nog moesten zij een volk, dat hun den weg naar het vader-
land versperde, bestrijden, maarzij dreven het op de vlucht,
en toen zij ten getale van 8000 man TrapJzus, de eerste
-ocr page 365-
361
Griekscho stad op hun weg, bereikten, legden zij hunne
dankbaarheid door offeranden en wedspelen ter eere der
goden aan den dag. Eindelijk bereikte het overschot der
Tienduizend Europa, maar het duurde nog lang, eer zij
hunne haardsteden wederzagen, want zij waren slechts
korten tijd in Thracië, toen zij genoodzaakt werden weder
terug te keeren naar Klein-Azië, waar een oorlog was uit-
gebarsten tusschen de Perzen en de Spartanen.
Age s i la o s.
Toen do Spartaansche koning Agis gestorven was, lieten
de Spartanen uit haat tegen Alkibiades, die zoo begunstigd
was geworden door Agis\' gemalin Timaia, niet toe, dat
haar zoon met de koninklijke waardigheid werd bekleed.
Lusandros wist te bewerken, dat Agis\' tongere, kreupele
broeder Agesilaos, dien hij tot zijn werktuig meende te
kunnen gebruiken, den troon beklom.
De roemrijke terugtocht der Tienduizend had de innerlijke
zwakheid van het Perzische rijk aan \'t licht gebracht. Toen
nu eenige Grieksche steden in Klein-Azië het Perzische juk
afschudden, maar terstond door de satrapen bedreigd, de
hulp van Sparta inriepen, verklaarde deze staat zich on-
middellijk bereid aan het verzoek te voldoen. De ophoren
zonden Agesilaos, die zich veler achting had verworven,
omdat hij de oud-Spartaansche eenvoudigheid bleef betrach-
ten, terwijl de weelde in Sparta hand over hand toenam,
met een leger naar Klein-Azië. Hij werd vergezeld door
Lusandros, die, evenals bij een vroegere gelegenheid, het
gansche beleid van den krijg in handen meende te krijgen,
ofschoon hij niet de eerste in rang was. Zoodra het leger
in Klein-Azië was aangekomen, verdrongen zich de afge-
vaardigden der Grieksche steden om Lusandros, wiens
voorkomen veel meer ontzag inboezemde dan dat des ko-
nings, terwijl zich tevens ieder, die een gunst te verzoe-
-ocr page 366-
362
ken had, zicli tot hem wendde. Agesilaos was echter niet
voornemens zich door Lusandros te laten heheerschen. Op
een in liet oog loopende wijze stelde hij de gunstelingen
van Lusandros bij anderen achter, en toen deze bemerkte,
dat hij zich in den koning had vergist, keerde hij verbitterd
naar Sparta terug. Nu opende Agesilaos den veldtocht, en
slaagde erin, menige overwinning op Tissaphernes te beha-
len, die daardoor bij Artaxerxes II in ongenade viel. Zijn
opvolger Tithraustcs kreeg last hem te vermoorden en vol-
bracht dit schandelijk werk. Tithraustcs, zich evenmin als
zijn idachtofïer tegenAgesilaosopgcwassenvoelende, knoop-
te onderhandelingen niet dezen aan, doch kon niet anders
verkrijgen, dan dat de koning zich voor een groote som
gelds liet bewegen, zijn satrapie te verlaten en in die van
Pharnabazus te gaan stroopen. In 395 beraamde Agesilaos
een tocht naar Baby Ion. Met dit doel wenschte hij Phar-
nabazus op zijn hand te krijgen, door hem het uitzicht te
openen op een onafhankelijk vorstendom. Er had een sa-
nienspreking tusschen den koning en den satraap plaats.
Agesilaos, vergezeld door dertig aanzienlijke Spartanen,
kwam het eerst op de plaats der samenkomst en zette zich
met de zijnen in het gras neder, om den Pers af te
wachten. Weldra verscheen deze, omringd door een
luisterrijken stoet. De slaven begonnen prachtige tapijten
uit te spreiden, waarop hun heer zich zou kunnen neder-
zetten, doch toen deze den koning zagzitten, schaamde hij
zich, en nam hij aan zijn zijde plaats. Nadat Agesilaos
had medegedeeld op welke voorwaarde hij Pharnabazus tot
bondgenoot hoopte te krijgen, antwoordde deze: "Ik wil
vrijmoedig en oprecht tot-u spreken. Wil de koning een
anderen veldheer zenden en mij onder diens bevelen plaat-
sen, dan zal ik uw vriend en bondgenoot zijn; maar ver-
trouwt hij mij liet opperbevel toe, dan schrijft de eer mij
voor, u met mijn beste krachten te bestrijden."Agesilaos
reikte den Pers na deze openhartige verklaring de
hand; betreurde het, dat hij zijn bondgenoot niet kon
-ocr page 367-
363
zijn en einigde met de verzekering, dat hij zijn satrapiezou
sparen, zoolang hij elders de Perzen kon bestrijden.
Den voorgenomen tocht naar het binnenste van Perzië
kon Agesilaos echter niet ten uitvoer brengen. Meer en
meer was de ontevredenheid der Grieksche steden tegen
Sparta toegenomen, wegens de verdrukking, die het hun
liet ondergaan. Van deze stemming maakte de sluwe satraap
Tithraustes gebruik om Thebai, Argos, Korinthe en an-
dere steden door aanzienlijke geldsommen over te halen,
tegen Sparta in het strijdperk te treden. Tevens had de
Athener Konon, die na den slag bij den Aigos Potdmos
met enkele schepen naar Cyprus was ge weken, Artaxerxes
II in zijn residentie Suza bezocht en hem overtuigd, dat
de Spartanen het best ter zee te bestrijden waren. De ko-
ning droeg daarop het opperbevel over een aanzienlijke
vloot aan Konon en Pharnabazus op, terwijl in Grieken-
land de oorlog uitbarstte en de Thebanen, bijgestaan door
de Athcners, de Spartanen onderLusandrosversloegen, die
daarvoor ter dood werd veroordeeld, maar voor de uitvoe-
ring van het vonnis ontsnapte. Nu werd Agesilaos met
zijn troepen uit Klein-Azië teruggeroepen. "Helaas !"
riep hij uit, "de Perzische koning verdrijft mij met
slechts 10.000 boogschutters !" Hij bedoelde hiermede
het geld, waarvoor de Grieksche staten waren omgekocht:
de toenmalige Perzische munten vertoonden het beeld van
een boogschutter. Agesilaos moest den weg over land
nemen. Toen hij do grenzen van Macedonië naderde, liet
hij den koning van dit land om vrijen doortocht verzoeken.
Aarzelend gaf deze ten antwoord, dat hij er zich op bo-
denken zou. --Zeer wel," riep Agesilaos spottend uit, "hij
moet er maar eens goed over denken, ik zal ondertusschen
maar voorttrekken." Toen Agesilaos in Boiotië was geko-
men en Koroneia naderde, waar het vijandelijk leger stond,
ontving hij het bericht, dat Konon de Spartaanscho vloot
bij Knidos zóó geducht had verslagen, dat de Spartaansche
zeemacht als vernietigd was. Vreezende, dat het zijn sol-
-ocr page 368-
364
daten zou ontmoedigen, indien hij hun de waarheid mede-
deelde, maakte hij hekend, dat de Spartaansche vloot een
luisterrijke overwinning had behaald. Nu kwam het bij
Koroneia tot een veldslag. Van weerszijde werd met de
uiterste dapperheid en verbittering gestreden. Al spoedig
waren de speren aan splinters gevlogen en de schilden van
den arm gerukt, en nu bestreden de zwaargcwapenden
elkander man tegen man met het korte zwaard. Een diep
stilzwijgen heerschte onder de strijdenden, nu en dan af-
gebroken door de laatste kreet van een stervende. Omringd
door een lijfwacht van vijftig vrijwilligers stortte Agesilaos
zich telkens in de dichtste, vijandelijke drommen. Allen,
die hem volgden, sneuvelden; hij zelf bloedde uit menige
wond. De nacht maakte een einde aan den afgrijselijken
moord. De bondgenoot en lieten den volgenden morgen aan
Agesilaos om een korten wapenstilstand vragen om de
lijken hunner gesneuvelden te kunnen begraven. Volgens
de gewoonte der Grieken was zulk een verzoek een er-
kenning van de nederlaag, maar het leger van Agesilaos
had zoo geleden, dat het den strijd niet kon voortzetten:
hij trok door naar Sparta. Met verbittering werd de oor-
log voortgezet. Konon wist van Pharnabazus de toestem-
ming te verkrijgen, dat de muren van Athene weder
werden opgebouwd. Aan het hoofd eener Perzische vloot
begaf hij zich naar den Peiraieus, waar het volk den zege-
vierenden held met gejuich ontving. Terstond werd met
behulp der zeelieden de herbouw der muren begonnen.
Alle Atheners, die in staat waren te arbeiden, zoo rijken
als armen, sloegen de handen aan \'t werk, en weldra
vierden de Atheners met plechtige offeranden en prachtige
feesten den herbouw hunner vestingwerken. Ter eere van
Konon werd een gedenkzuil opgericht.
Van nu af trad Athene weder krachtig op onder de
Grieksche staten, terwijl Sparta het, na de geleden ver-
liezen, noodig oordeelde tot een vrede te geraken. Het
zond Antalkïdas, een sluw man, naar Klein-Azië om met den
-ocr page 369-
365
satraap Tiribazus te onderhandelen, die om zijn wel willende
gezindheid jegens Sparta te toonen, Konon gevangenzette,
waarna deze spoedig overleed. Terwijl er nog menig gevecht
werd geleverd, in een waarvan de Atheners hun bevrijder
Thrasuboelos verloren, zette Antalkidaszijn onderhandelin-
gen voort, totdat hij erin slaagde een voor de Grieken schande-
lijk vredesverdrag tot stand te brengen. De Atheners wilden er
zich eerst tegen verzetten, doch daar het krijgsgeluk hun
den rug toekeerde, moesten zij toegeven. In het jaar 387
zonden alle Grieksche staten afgevaardigden naar Tiribazus.
Hij ontving hen, zooals een heer zijn minderen ontvangt,
en las hun het volgende door het koninklijk zegel gewaar-
merkte stuk voor : »Koning Artaxerxes houdt het voor
rechtmatig, dat de steden in Klein-Azië en de eilanden
Klazomenai en Cyprus hem toebehooren. Het dunkt
hem ook goed, aan alle andere Grieksche staten hunne
onafhankelijkheid te laten, met uitzondering van Lenmos,
Imbros en Skuros, die aan Athene zullen behooren, gelijk
vroeger het geval was. Indien een der staten mocht wei-
geren, dezen vrede aan te nemen, zal ik hem met de overige
zoowel te land als ter zee, zoowel met schepen als met
geld beoorlogen."
Mot dezen vrede bereikte Sparta in zooverre zijn doel,
dat het den voorrang in Griekenland behield.
Pelopidas.
De vrede van Antalkidas zeide aan alle staatjes in Hel-
las wel onafhankelijkheid toe, maar toch wisten de Spar-
tanen er zich te doen gelden, door de cene of andere staat-
kundige partij desnoods mot geweld te ondersteunen. Te
Thcbai stonden de aristocraten en de democraten scherp
tegenover elkander, zonder dat een der partijen erin kon
slagen het overwicht te verkrijgen. De leider der aristocraten
was Leontiades, een stoutmoedig man, die geen middelen
ontzag om zijn doel te bereiken; die der democraten was
-ocr page 370-
366
Ismonias, die om zijn onbesproken wandel door ieder ge-
acht werd. Beiden bekleedden de waardigheid van pole-
march,
het hoogste staatsambt te Thebai, toen een Spar-
taansch leger onder Phoibidas in de nabijheid der stad
verscheen, op weg naar het in Macedonië gelegen Olyntlius,
dat tegen den zin van Sparta een stedenvcrbond tot stand
zocht te brengen. Leontiades knoopte met Phoibidas on-
derhandelingen aan en wist dezen te bewegen hem behulp-
zaam te zijn in het onderdrukken der democratische partij.
Toen spoedig daarna een godsdienstig feest te Thebai werd ge-
vierd, bij welke gelegenheid de vrouwen op den burcht Kad-
meia moesten zijn, terwijl de mannen zich beneden in de stad
bevonden, bezette Phoibidas onverwachts die sterkte. Zoo-
dra dit geschied was, snelde Leontiades met eenigc gewa-
pende aanhangers naar den Raad, gaf daar kennis van
het gebeurde en de verzekering, dat de Spartanen geen
vijandelijke oogmerken koesterden, maar eischten, dat
Ismonias gevangen zou worden genomen. Zonder het
antwoord van de verschrikte raadsleden af te wachten,
beval hij do ge wapenden, Ismonias naar den burcht te
brengen. Daar de burgerij hot niet waagde in verzet te
te komen, behield Leontiades gemakkelijk de overhand.
Toen het bericht van \'t gebeurde te Sparta kwam, waren
de ophoren zeer verstoord op Phoibidas, omdat hij zich op
eigen gezag mot zulk een onderneming had durven inlaten.
Agesilaos wist hun toorn eenigszins te doen bedaren. "De
eenige vraag," zeido hij, "is, of Phoibidas den staat voor-
of nadeel heeft toegebracht. In het laatste geval is hij
strafbaar, maar men handelt altijd overeenkomstig de
wet, al is het op eigen gezag, wanneer men den staat
voordeel aanbrengt." Do ophoren ontnamen Phoibidas het
opperbevel en legden hem een geldboete op, maar de
Kadmeia hielden zij met 1500 krijgslieden bezet. Ook
zonden zij drie afgevaardigden, die mot eenige gezanten
van hunne bondgenooten een rechtbank vormden, voor
welke Ismonias door Leontiades werd aangeklaagd. On-
-ocr page 371-
367
danks zijn welsprekende verdediging werd Ismenias ter
dood veroordeeld, en nu hadden Leontiades en zijn mede-
aristocraten de regeering in handen. Driehonderd der
aanzienlijkste democraten zagen zich voor hunne veiligheid
genoodzaakt Thebai te verlaten, en weldra had zich het
aristocratisch bestuur algemeen gehaat gemaakt.
Onder de ballingen, die een schuilplaats te Athene
hadden gevonden, bevond zich Pelopidas, een jong, rijk
Thebaan van aanzienlijke afkomst. Hij bleef in verstand-
houding staan met eenige vrienden, die hunne ware ge-
zindheid voor de aristocraten verborgen hadden weten te
houden. Een hunner was Charon, een ander Phullidas,
die zelfs de gewichtige betrekking van geheimschrijver der
polemarchen bekleedde. Eens, dat Phullidas voor staatsza-
ken te Athene was, beraamde hij met een zevental ballin-
gen, waaronder Pelopidas, het plan om Thebai vandeover-
heersching deraristocraten en Spartanen te verlossen. Op een
kouden, regenachtigen winteravond kwamen de zeven bal-
lingen, omstreeks den tijd, dat de laatste arbeiders van het
veld huiswaarts keerden, als boeren of jagers verkleed, en
slechts gewapend met een dolk, dien zij onder de klecderen
verborgen hielden, afzonderlijk de stad binnen, en begaven
zich naar het huis van Charon, waar zij verborgen werden
gehouden. Tegen den volgenden avond had Phullidas de
beide polemarchen, Archias en Phillippos, op een feest
genoodigd, dat schitterend beloofde te zijn, zoodat geen
der gaston zich liet wachten. Nog niet lang was er ge-
geten en gedronken, toen de polemarchen het bericht ont-
vingen, dat er ballingen in de stad gekomen waren, die
zich ergens schuilhielden. Terstond besloten zij Charon
te ontbieden. Toen hun bode aan Charon het bevel had
overgebracht, dat deze terstond voor de polemarchen
moest verschijnen, begrepen de saamgezworenen, dat hun
toeleg verraden was. Toch verloren zij den moed niet.
Zij drongen erop aan, dat Charon aan het bevel zou ge-
hoorzamen, en zij stelden zooveel vertrouwen in hun
-ocr page 372-
368
vriend, dat toen deze aanbood hun zijn vijftienjarigen
zoon tot gijzelaar te geven, zij dit aanbod met afschuw
van de hand wezen. Charon trof de Polornarchen reeds
in halfbeschonken toestand aan, en met behulp vanPhul-
lidas viel het hein niet moeilijk hen gerust te stellen. De
feestvreugde klom. Daar kwam een bode uit Athene, die
dringend verlangde de polemarchen te spreken. Hij bracht
een brief over, waarin het plan der saamgezworenen was
uiteengezet. Archias nam den brief aan en legde hem on-
gelezen terzijde. »Dit schrijven handelt over hoogst ge-
wichtige zaken," zeidc de bode. "Ernstige zaken kunnen
wachten tot morgen," gaf Archias lachend ten antwoord,
en hij stak den brief onder het kussen van het rustbed,
waarop hij aanlag.
Het was bij de Grieken een gewoonte, dat drinkge-
lagen werden opgeluisterd door hetairen, vrouwen, die
de gasten door gezang en dans moesten vermaken. Phul-
lidas had den Polemarchen medegedeeld, dat hij voor
dezen avond bizonder schoone en kunstvaardige hetairen
had gehuurd. Verhit door den wijn, drongen de Pole-
marchen erop aan, dat Phullidas toch de hetairen zou
laten binnenkomen. Deze verwijderde zich een oogenblik
en kwam terug met de tijding, dat de hetairen niet in de
feestzaal wilden komen, eer de slaven eruit verwijderd
waren. De gasten verlangden, dat dit dan oogcnblikkelijk
zou plaats hebben, en daarop traden drie prachtig ge-
klecde en gesluierde hetairen, gevolgd door vier slavinnen
de feestzaal binnen. De polemarchen waren verrukt over
die verschijning, maar het genoegen, dat zij er zich van
voorstelden, smaakten zij niet. De hetairen en hare sla-
vinnen waren de als vrouwen verklcedo saamgezworenen,
die onverwachts op de polemarchen aanvielen en hen met
de onder hunne kleederen verborgen dolken doodden.
Leontiades, die dit jaar geen polemarch, maar toch de
ziel der heorschendo partij was, had het feest niet bijge-
woond, maar moest, volgens het besluit der saamgezwo-
-ocr page 373-
\'
369
renen, ook vallen. Drie hunner, waaronder Pelopidas,
begaven zich, geleid door Phullidas, naar zijn woning.
Hij zat na den avondmaaltijd in tegenwoordigheid van
zijn vrouw, die bezig was met wol te spinnen, toen de
geheimschrijver der polemarchen zich bij hem liet aan-
dienen. Zoodra Phullidas met de drie saamgezworenen
binnentrad, begreep Leontiades wat er gaande was. Hij
greep zijn zwaard en bracht er een der aanvallers een
doodelijke wond mede toe. Nu ontstond ei\'een hevig ge-
vecht, maar eindelijk slaagde Pelopidas erin, zijn gehaten
vijand het zwaard in de borst te stooten.
Vervolgens snelden de saamsjezworenen naar de are-
vangenis, schonken er aan hunne geboeide vrienden de
vrijheid en trokken met dezen door de stad om de bur-
gers te wapen te roepen. Onder de eersten, die zich bij
hen aansloten, behoorde Epameinöndas. Men had hem
in de samenzwering willen belrekken, doch hij had ge-
weigerd er deel aan te nemen, omdat hij zich met geen
moord wilde inlaten. Nu het echter een eerlijken strijd
gold, het verdrijven der Spartanen uit de Kadmeia, was
hij terstond bereid. In grooten getale sloten de burgers
zich bij de saamgezworenen aan. Dezen zonden boden om
de overige ballingen terug te roepen, die terstond kwa-
men, terwijl een menigte Atheners zich als vrijwilligers
aanboden om te helpen de Spartanen te verdrijven. De
bezetting van den burcht deinsde echter voor een strijd
tegen zulk een overmacht terug. Do Spartaansche bevel-
hebber verklaarde zich bereid de sterkte over te geven,
indien men hem mot krijgseer liet aftrekken, en de The-
banen namen hiermede genoegen. Verscheidene aristocra-
ten wilden zich met de Spartanen verwijderen, doch dit
stond de verbitterde bevolking niet toe, die velen hunner
het leven benam en aan sommigen haar woede koelde door
zelfs hunne kinderen om te brengen.
Door het bezit van twee mannen als Pelopidas en Epa-
meinöndas gelukte het den Thebanen de verworven vrij-
24 *
-ocr page 374-
370
heid to handhaven. Epameingndas bracht zulke hervor-
mingen in liet krijgswezen zijner vaderstad tot stand, dat
deze in staat was aan de Spartanen liet hoofd te biedenr
terwijl Pelopidas van een keurbende van driehonderd
uitgelezen jongelingen uit den hoogsten stand, die door
vriendschap verbonden waren en zich ten doel stelden de
dapperste en beste soldaten te zijn (de heilige schaar), de
kern vormde van het Thebaansche leger.
De Spartanen zochten zoo spoedig mogelijk het verloren
gezag te Thebai te herkrijgen, maar al hunne pogingen
mislukten. Eens overvielen zij Pelopidas, terwijl deze zich
met de heilige scbaar nabij Tegüra, ten N. W. van Thebai
bevond. Ondanks hunne groote overmacht werden zij door
Pelopidas geheel verslagen. Het ongehoorde feit, dat de
Spartanen in het open veld hadden moeten onderdoen voor
een geringere macht, schonk aan de Thebanen het zelf-
vertrouwen, dat zij zoozeer behoefden in den zwarenstrijd,
die hun te wachten stond.
E pameingnda s.
Een der merkwaardigste mannen der oudheid is Epa-
meinondas. Hij was evenals zijn vriend Pelopïdas van
aanzienlijke afkomst, maar hij had niet, gelijk deze, rijke
goederen geërfd. Terwijl Pelopidas zich met voorliefde aan
lichaamsoefeningen wijdde, besteedde Epameinsndas zijn
vrije uren aan het vermeerderen zijner kennis en liet over-
denken van het doel van \'s menschen leven en de wijze,
waarop men zich behoort te gedragen. En wat hij door
ernstig nadenken als goed leerde erkennen, dat bracht hij.
in zijn daden ten uitvoer. Terwijl de Boiotiërs zich door
een spreekwoordelijk geworden zwelgcrij en ruwheid van
de overige Grieken onderscheidden, en hunne zucht tot
grof zinnelijk genot hen zelfzuchtig en ongeschikt voor edeler
aandoeningen maakte, was Epameinöndas een toonbeeld
van eenvoudigheid, matigheid, belangeloosheid en zolfop-
-ocr page 375-
371
offering. Het jagen naar rijkdommen en uiterlijk aanzien,
dat aan zijn tijdgenooten in Griekenland, zelfs aan de
uitmuntendsten onder hen, eigen was, keurdehij af. Daarom
wilde hij arm blijven, al zou het hem niet moeilijk zijn ge-
vallen, zijn uiterlijke omstandigheden te verbeteren. Hij
ontbeerde menig stuk van het noodigste huisraad en bezat
slechts één mantel. Toen zijn vrienden hem eens vraagden,
waar hij geweest was, daar zij hem gedurende eenige dagen
niet gezien hadden, gaf hij ten antwoord; ?>Ik heb thuis
moeten zitten, dewijl mijn mantel gewasschen moest wor-
den." Eens trachtte een Perzisch afgezant hem voor de
belangen van zijn koning te winnen door hem een geschenk
van 30,000 goudstukken aan te bieden. In plaats van
den schat aan te nemen, zeide Epameinöndas: -Wanneer
de bedoelingen van uw meester voordeelig zijn voor mijn
vaderland, zal ik zo zonder geschenken ondersteunen; zijn
zij het niet, dan is al het goud der wereld niet in staat er
mij voor te winnen. Ik vergeef u, dat gij mijn hart naar
het uwe beoordeelt, maar verlaat op staanden voet Thebai,
gij mocht anders door uw goud soms anderen in verzoeking
brengen." Op een anderen tijd was Epameinöndas in
zulk een geldelijke verlegenheid, dat hij om zijn uitrus-
ting voor den aanstaanden veldtocht in orde te brengen,
van een vriend twintig Gld. moest leenen. Jason, de vorst
van Thessalië, die zich in die dagen juist in Thebai bevond,
bood den waardigen man, als blijk van hoogachting,
een geschenk van 2000 goudstukken aan, maar
Epameinöndas weigerde het aan te nemen. Toen hij te
velde was getrokken, vernam hij, dat zijn wapendrager
zich voor een grooto som gelds had laten omkoopen, een
gevangene te laten ontsnappen. Terstond ontsloeg hij hem
uit zijn dienst met de woorden : ,,Geef mij mijn schild
terug en koop u een uitdragerswinkel, want nu gij een rijk
man zijt geworden, zult gij geen lust of geen moed moer
hebben, u aan doodsgevaar bloot te stellen." Op zekeren
feestdag, toen de Thebanen zich naar hunne gewoonte aan
-ocr page 376-
•M2
het zwelgen overgaven, vraagde een bekende hem, waar-
om hij alleen geen deelnam aan de algemeene feestvreugde?
„Opdat gij allen," was het antwoord, ,,u des te geruster
aan de zorgeloosheid kunt overgeven."
Epameinöndas en Pelopidas, die door de innigste vriend-
schap verbonden waren, slaagden erin hunne landgenooten
duchtig voor den strijd uit te rusten en in den wapenhan-
del te oefenen, dewijl een oorlog met Sparta niet te ver-
mijden zou zijn. Daar Athene ook in oorlog was geraakt
met Sparta, maar naar den vrede verlangde, knoopte het
onderhandelingen aan, die ten gevolge hadden, dat er te
Sparta een vergadering van afgevaardigdendcrverschillen-
de Grieksche staten werd gehouden. Sparta en Athene
wilden de vrijheid der Grieksche staten erkennen; ook
Thebai was hiertoe genegen, in dien zijn heerschappij over
lioiotië erkend word, gelijk die van Sparta over Lakonike
en Messenië, en die van Athene over Attika. Sparta en
Athene wilden dit niet toegeven. Epameinöndas, de afge-
vaardigde van Thebai, verdedigde in een schoone rede de
vordering zijner vaderstad en deed daarin uitkomen, dat
Sparta alleen uit eigenbelang op de onafhankelijkheid der
steden van Boiotië aandrong, en dat het geen machtigen
Griekschen staat nevens zich kon dulden. Agesilaos, de
Sparlaansche koning, ongeduldig wordende, viel hem op
eene barsche wijze in de rede met de vraag: ,,Spreek
ronduit, wilt gij elke stad van Uoiotië hare onafhankelijk-
heid laten, ja of neen?" Epameinöndas antwoordde met
de wedervraag: ,,Wilt gij elke stad van Lakonike in \'t
bezit harer onafhankelijkheid laten." In plaats van verder
te antwoorden, brak Agesilaos de onderhandelingen af. De
overige Grieksche steden keurden het verdrag goed, en nu
stond Thebai alleen tegenover Sparta.
Onmiddellijk gaven de ephoren aan koningKleombrótos
last, met een groot leger tegen Thebai op te trekken. Of-
schoon de bewoners dezer stad het volste vertrouwen had-
den in hunne veldheeren Epameinöndas en Pelopidas, wa-
-ocr page 377-
3?:}
reu zij toch over de toekomst bekommerd, dewijl zij op verre
na niet in staat waren een zoo talrijk leger op de been te
brengen als de Spartanen. De bekommering werd onstel-
tenis, toen zich bij bet uittrekken van bet leger allerlei on-
gunstige voorteekenen voordeden. Toen men de poort uit-
trok, kwam juist een heraut aan, die een vluchteling ge-
grepen bad en uitriep: „Hij mag niet uit de stad gevoerd
worden." Daarna stak een hevige wind op, die linten,
waarmede men zich voor bet offerfeest bekransd bad, weg-
voerde en tegen een zuil dreef, die op een graf stond. Al-
gemeen verlangde men, dat het legerzouterugkeeren, maar
Kpameinöndas, die verbeven was boven bet bijgeloofzijner
tijdgenooten, sprak, om den moed der zijnen op te wekken,
deze scboone woorden uit de Ilias.: „Eén is bet beste
voort eeken: voor \'t vaderland dapper te strijden!" Daarbij
liet bij toe, dat men elkander in bet leger van voorteeke-
nen vertelde, die het zelfvertrouwen der krijgslieden kon-
den opwekken. Zoo werd er verhaald, dat de wapenen van
Herakles, die te Tbebai geboren was, uit den hem gewij-
den tempel waren verdwenen, en de god ze dus bad aan-
gegord om voor zijn stadgenooten te strijden. Weldra ston-
den de beide legers nabij Leuktra tegenover elkander. Epa-
meinöndas, wien zijn vriend Pelopidas gaarne de opperste
leiding overliet, en zich vergenoegde met de heilige schaar
aan te voeren, wist, dat de groote kracht der Spartanen vooral
bestond in het doen van een aanval met een afdeeling, die
verscheidene gelederen diep was, terwijl alle volken zekeren
schroom badden, een aanval op een afdeeling Spartanen
te doen. Hij besloot van deze omstandigheden gebruik te
maken om zich de overwinning te verzekeren. Indien bij
zijn leger op de gewone wijze tegenover den vijand in slag-
orde bad geschaard, zou deze hom wegens zijn overmacht
licht hebben kunnen overvleugelen. Hij liet daarom zijn
linkervleugel voorwaarts trekken, terwijl de rechter, of-
schoon aangesloten blijvende, achterbleef. Kleombrótos
had de Spartanen op den rechter-, de hulptroepen op den
-ocr page 378-
374
linkervleugel zijner slagorde staan, zoodat Epameinöndas
het eerst de Spartanen kon aanvallen. Genoegzaam gena-
derd zijnde beval Epameinöndas aan de voorste afdeeling
van zijn linkervleugel, die hij vijftig gelederen diep had
gemaakt, tot den aanval over te gaan. Ondanks «Ie dichte
menschenmassa had dit onder de leiding van Pelopidas
met zulk een groote snelheid plaats, dat de Spartanen
geen tijd hadden een beweging uit te voeren, die moest
voorkomen, dat zij overvleugeld werden. Kort, maar
hevig was de strijd. Klembrotos sneuvelde, de Spartanen
moesten terugdeinzen en hun gansche leger sloeg opde vlucht.
Een Spartaan, die een nederlaag overleefde, was eer-
loos, en alleen om deze reden kon hij verbannen worden.
Daarom juichten do moeders, wier zonen bij Leuktra ge-
sneuveld waren, maar de bloedverwanten der overwonne-
nen keken elkander bedrukt aan. Zelfs de ephoren waren
verlegen, want hoe kon op zulk een aantal, als de nederlaag
overleefde, de straf worden toegepast ! Toen gaf Agesilaos
den raad te besluiten, dat de wetten dien ongeluksdag
geslapen hadden, en aldus geschiedde het.
Aanvankelijk vond de tijding van de overwinning der
Thebanen nergens in Griekenland geloof. Toen zij weldra
niet meer te loochenen viel, ondervond Sparta ei\' de na-
deelige gevolgen van. Verscheidene staten van de Pelo-
ponnesos, die van Sparta afhankelijk waren,eisehtenhunne
vrijheid, en Epameinöndas maakte zich gereed dien eisch
niet de kracht zijner wapenen te komen ondersteunen. In
dezen nood zochten de Spartanen hulp bij de Atheners, die,
ijverzuchtig op de toenemende macht van Thebai, het leed
vergaten, dat hun staat van de Spartanen had onder-
vonden, en een leger tot ondersteuning zonden. -Men
mocht niet dulden", zeiden zij, \'-dat Griekenland van een
zijner oogen, Athene en Sparta, werd beroofd.
Nu trok Epameinöndas met een leger, dat door de troe-
pen der Thebaansche bondgenooten tot 70,000 man was
aangegroeid, de Peloponnesos binnen. Nergens konden de
-ocr page 379-
375
Spartanen een leger tegenover het zijne stellen, en met
snelle marschen naderde hij Sparta. In dezen nood wapen-
den de Spartanen zelfs de Heloten. Zij riepen hen ten
strijde op tegen belofte van de vrijheid, maar de Heloten
hadden reeds ondervinding van zulke beloften. Duizenden
hunner meldden zich aan, maar zoodra zij gewapend waren,
liepen zij tot den vijand over. Door verstandige maatrege-
len wist Agesilaos Sparta te redden. Epameinsndas onder-
nam geen ernstigen aanval op de stad, maar ondanks de
hevigheid van den Lakonischen winter, waardoor de troe-
pen zwaar leden, hield hij zich nog geruimen tijd in die
streken op, om het oude Messenië te herstellen. Hij be-
vestigde de stad en riep de afstammelingen der vroegere
bewoners uit alle oorden der bekende wereld op om er
zich te komen vestigen. Het groot e aantal Heloten, dat
zich bij Epameinöndas had aangesloten, vestigde er zich
insgelijks, en sedert was Messenië weder een onafhanke-
lijke staat, die door zijn democratische staatsregeling
afkeerig bleef van het aristocratische Sparta, zonder er
nochtans mede in oorlog te geraken.
Ondertusschen zochten de ïhebanen hun invloed ook in
Noord-Griekenland en zelfs verder tedoen gelden. Zij meng-
den zich in de twisten over de troonsopvolging in Macedonië.
Pelopidas werd erheen gezonden om de zaken te regelen en
keerde met Philippus, eenjeugdiglidderkoninklijkefamilie,
alsgijzelaar terug. Vervolgens ontving Pelopidas de opdracht,
met een leger naar Thessalië te gaan, waar naden dood van
Jason hevige twisten over den troon waren uitgebroken en
Alexander zich door zijn broeder te vermoorden van den
troon had meester gemaakt. Zijn wreede regeeringbracht
zulk een verbittering te weeg, dat verscheidene Thessali
sche steden de hulp van Thebai inriepen. Pelopidas dwong
Alexander den vrede af te sineeken, maar toen hem deze
was toegestaan, zon hij op wraak. Toen Pelopidas kort
daarna voor de Macedonische zaken door Thessalië reisde,
liet Alexander hem dringend uitnoodigen tot een samen-
-ocr page 380-
376
komst. Niets kwaads vermoedende, kwam Pelopidas zon-
der gewapende geleide bij den vorst, maar deze liet hem
terstond grijpen en naar de gevangenis voeren. Men ver-
haalt, dat Pelopidas tot zijne begeleiders de woorden sprak:
,,Zegt uwen meester, dat hij de grootst mogelijke dwaas-
heid begaat, indien hij mij het leven spaart, want dat ik
mij, zoodra ik vrij kom, op hem zal wreken wegens de wreed-
heid, waarmede hij zijn eigene onderdanen vervolgd, en
zooveel onschuldigen vennoord heeft." Alexander was ver-
baasd over die zonderlinge boodschap en liet den Thebaan
vragen, waarom hij zoozeer verlangde te sterven? Pelopi-
das antwoordde: ,,Indien de tiran mij vermoordt, zal hij
bij goden en menschen nog meer gehaat, en des te eerder
in \'t verderf gestort worden." De vrouw van den dwinge-
land, Thebe genaamd, kwam den Thebaanschen held in
zijn gevangenis bezoeken en klaagde over het lot van zijn
vrouw en kinderen. „Die zijn niet te beklagen," zeidePe-
lopidas, ,,maar gij zijt liet, omdat gij zulk een onmcnsch
tot echtgenoot hebt."
Zoodra de Thebanen vernamen, wat er geschied was,
zonden zij een leger naar ïhessalië, om Pelopidas te be-
vrijden. Hot stond onder het opperbevel van zekeren Kleo-
menes, onder wien Epameinöndas als eenvoudig zwaarge-
wapende diende. Evenals alle groote mannen had Epamei-
nöndas benijders, en dezen hadden weten te bewerken, dat
hij niet tot aanvoerder was gekozen. Nauwelijks was het
Thebaansche leger Thessalië binnengerukt, of Alexander
ontving hulp van Athene, dat een verbond met hem had
gesloten, terwijl de Thessalische steden, die ïhebai haar
hulp hadden toegezegd, hun woord niet nakwamen. Het
leger geraakte hierdoor in groot gevaar. Kleomenes durfde
geen slag in \'t open veld wagen en wist evenmin, hoe hij
zicli uit de verlegenheid zou redden. In zijn radeloosheid
legde hij het opperbevel neder, waarop de soldaten Epa-
meingndas tot hun aanvoerder, kozen, die hen ongedeerd
weder naar Thcbai terugbracht. Terstond zonden de The-
-ocr page 381-
377
banen Kpameinöndas met een grooter leger in Thessalië,
waarop Alexander bevreesd werd en Pelopidas ontsloeg.
De oorlog tegen Sparta en Athene riep hetleger toen elders,
maar weldra zagen de Thebanen zich genoodzaakt opnieuw
tegen Alexander ten strijde te trekken. Aan het hoofd van
een sterk leger trok Pelopidas tegen hem op. Alexander
kwam hem met zijn troepen te gemoet. Bij Pharsalos
kwam het tot een strijd. In de hitte van \'t gevecht
ontdekt Pelopidas Alexander, aan \'t hoofd zijner
lijfwacht strijdende. Zonder op het gering aantal bege-
leiders te letten, die met hem waren, stormt hij op den ge-
haten man in om hem eigenhandig het leven te benemen,
maar Pelopidas wordt omsingeld en valt weldra doodelijk
gewond neder. Wel behaalden de Thebanen de overwin-
ning, maar de dood van hun geliefden bevelhebber verbit-
terde er de vreugde over. De krijgslieden verdrongen el-
kander om hem nog voor \'t laatst te zien, zelfs de gekwet-
sten weigerden, zich te laten verbinden, eer zij hem nog
een blijk van toegenegenheid hadden gegeven. Als zege-
teeken stapelden zij de wapenen der gesneuvelde vijanden
om zijn lijk, en den volgenden dag sneden de krijgslieden
ten teeken van rouw zich zelve de haren, en hunne paar-
den de manen af. De Thebanen schonken aan alle Thessa-
lische staten de vrijheid en lieten aan Alexander niets dan
Pherai, waar hij weldra zijn euveldaden op een gruwe-
lijke wijze boette. In een bui van dronkenschap verried
hij zijn heimelijk plan om zich van zijn gemalin Thebe te
ontdoen. Om den dwingeland te voorkomen haalde zij hare
broeders over hem te vermoorden. Dit was eene moeilijke
onderneming, daar hij, gekweld door zijn geweten, alle
mogelijke voorzorgen had genomen om zich tegen moorde-
naars te beschutten. Hij sliep op de bovenverdieping, waar-
heen men slechts toegang had door een ladder, die de
dwingeland iederen avond optrok. Beneden de opening
lag een groote hond aan den ketting en stond een soldaat
op schildwacht, terwijl rondom de woning een afdeeling
-ocr page 382-
378
van de hom getrouwe lijfwacht was geschaard, en de dwin-
geland, eer hij zich ter ruste legde, al de kasten zijner
slaapkamer doorzocht om zich te overtuigen, dat er zich
geen moordenaar bevond. Toch wist de list zijner vrouw
al die voorzorgen te verijdelen. Eens verborg Thebe haar
broeders op een geschikte plaats in de woning, \'s Avonds
laat kwam Alexander in beschonken toestand thuis, en
toen hij zich ter ruste had gelegd, nam Tbebe het zwaard,
dat onder zijn bereik hing, weg, sloop vervolgens uit de
slaapkamer, en beval den schildwacht den hond weg te
brengen, omdat Alexander niet in zijn slaap gestoord wilde
worden. Zij haalde daarop bare broeders uit hunne schuil-
plaats, liet \'hen de ladder, welker sporten zij niet wol be-
kleed had, opklimmen, en nadat zij de deur der slaapka-
mer gegrendeld had, werd de tiran door een der broeders
bij bet hoofd, door den tweeden bij de boenen gegrepen,
terwijl de derde hem het zwaard door de borst stiet. De
moordenaars werden door de Grieken als helden geprezen.
Ondertusschen was do strijd tusschcn Thebai en Sparta
weder heviger ontbrand. Dewijl Agesilaos mot een leger
in Arkadië was gevallen, wilde Epameinöndas met een
talrijk leger een poging doen om de stad Sparta te over-
rompelen. Zijn plan werd verraden, on hij vond de Spar-
tanen op hunne hoede. Het gelukte hem wel tot op de
markt van de opene stad door te dringen, maar de Spar-
tanen streden met zulk een moed, — zelfs knapen en
grijsaards offerden hun leven voor het behoud hunner vader-
stad op, — dat zij de Thebanen weder buiten de stad
wierpen. Nu wilde Epameingndas de geleden nederlaag
door een overwinning op Agesilaos vergoeden. Hij trok
naar Arkadië en stond weldra met 33.000 man in de
vlakte van Mantineia, thans die van Tripolitza genoemd,
tegenover het leger van Agesilaos, dat 22.000 man telde.
Op dezelfde wijze als bij Leuktra verbrak Epameinöndas
bier de gelederen der Spartanen, maar terwijl hij aan het
hoofd eener afdeeling zwaargewapenden de Spartanen
-ocr page 383-
379
terugdrong, trof hem een speer in de borst. De schacht
brak af en de punt bleef erin steken. Zijn vrienden vingen
hem in hunne armen op en voerden hem naar zijn tent.
De artsen onderzochten de wond en verklaarden, dat hij
moest sterven, zoodra liet ijzer uit de borst werd getrok-
ken. Kalm, gelijk hij altijd was, hoorde Epameinöndas
de uitspraak aan. -Is mijn schild gered?" vroeg hij eens-
Dood van Epameinöndas.
klaps; zijn wapendrager toonde het hem. Toen verlangde
hij berichten over den slag te ontvangen. Men zeide hem,
dat de ïhebancn gezegevierd hadden. Een oogenblik later
vroeg hij naar twee onderbevelhebbers, die hij bestemd
had om hem op te volgen. Het antwoord was, dat zij
beiden gesneuveld waren. -Dan moet Thebai met den
vijand vrede sluiten," sprak de stervende, en daarop
-ocr page 384-
380
trok hij manmoedig do speerpunt uit de borst. Onmiddel-
lijk daarna gaf hij onder eene hevige bloedstorting
den geest.
Weldra sloten de uitgeputte staten den vrede, en daar-
bij werd het groote werk van Epameinöndas, de bevrijding;
van Messenië, bevestigd.
Philippus II van Macedonië.
Terwijl bij de onderlinge oorlogen in Griekenland de staten
in macht, en haar bewoners in zedelijke grootheid achter-
uitgingen, ontwikkelde zich het door een ruw, onbe-
schaafd volk bewoonde Macedonië in korten tijd tot een
overheerschenden staat, door liet genie van zijn koning Phi-
lippus II. Als gijzelaar had hij te Thebai, waarschijnlijk van
zijn 15de tot zijn 18de jaar, de Grieksche beschaving leeren
kennen en groot voordeel getrokken uit gesprekken met
mannen als Epameinöndas en Pelopidas, wier kunst om
het volk te leiden en legers aan te voeren hij bewonderde.
Op den leeftijd van drie en twintig jaar trad hij op als
bestuurder voor zijn onmondig neefje, wien de troon was
toegevallen. De krachtige hand, waarmede hij de teugels
van hot bewind aangreep, de overwinningen, die hij op de
Illyriërs, die Macedonië bedreigden, behaalde, deden het
verlangen ontstaan, dat hij in plaats van zijn beschermeling
zou blijven regeeren, en deze wensch strookte maar al te
zeer met zijn geheime bedoelingen. Hij werd koning en
ontdeed zich van zijn bloedverwanten, die hem in den weg
stonden, door hen of tot ballingschap te noodzaken of te
dooden.
De schitterende aanleg; die Philippus deed uitblinken
als staatsman en veldheer, werd geheel verduisterd door
zijn gemis aan zedelijke grootheid. Hij gaf zich gaarne aan
laag zingenot over, maar zijn alles bedwingende heersch-
zucht deed hem meester zijn van zich zelven, wanneer zijn
vaak eerlooze plannen dit vorderden. Om do losbandige;
-ocr page 385-
381
■edelen van Macedonië aan zich te verbinden, wedijverde
hij niet hen in uitspattingen. Toch was hij ook vatbaar
voor edeler genot: ware kunstenaars vonden in hein een
beschermer en weldoener. Hij was wreed oi\' zachtmoedig,
naarmate zijn belang dit medebracht. Zijn doel bereikte
hij liever door list dan door geweld: «Geen vesting zoo
sterk," placht hij te zeggen, -of zij is verloren, wanneer
zij een poortje heeft, waar een ezel niet goud beladen dooi\'
kan." Om zijn plannen te doen gelukken, schroomde hij
list noch trouwbreuk aan te wenden : \'-Kinderen," zeide
hij, -bedriegt men met dobbelsteenen; mannen meteeden."
Terwijl hij bezig was zijn heerschappij in Thracië uit te
breiden, waar hij ter bescherming van de goudmijnen de
stad Philippi (Philippopel) stichtte, ontving hij eens drie
verblijdende tijdingen tegelijk: n.1. dat hem een zoon,
Alexander, geboren was; dat zijn veldheer Parmenio de
Illyriërs, die tegen hem waren opgestaan, verslagen had;
en dat zijn vierspan bij de Ohunpische spelen den prijs
had gewonnen. De laatste tijding was voor Philippus
vooral van groot belang. Hij begreep, dat hij den Grieken
een goeden dunk van zich zou geven, wanneer hij toonde
belang te stellen in hetgeen zij voor het meest eervol hiel-
den, en daardoor des te beter gelegenheid zou hebben zich
met de zaken van Griekenland te gaan bemoeien, dat hij
onder zijn gezag hoopte te brengen. Eerder dan hij kon
vermoeden, werd hij in de Griekscbe zaken betrokken.
Over akkers, nabij den tempel van Delphoi gelegen, was
een oorlog ontstaan tusschen de Phokers en de hen omrin-
gende volken. Om den strijd te kunnen voeren hadden de
Phokers Delphoi bezet en gebruik gemaakt van de in den
tempel sedert eeuweif opgehoopte schatten. Door het dub-
bele van de soldij, die hunne vijanden betaalden, aanhunne
troepen te geven, was hun leger zoo versterkt, dat zij alom
de bovenhand behielden; en nu riepen de tegen Pbokis
verbonden staten Philippus te hulp. Wel werd deze een
paar malen verslagen, maar hij liet den moed niet zinken
-ocr page 386-
382
on slaagde er eindelijk in, een beslissende overwinning
in Thessalië te behalen. Daar de Grieken de Phoker&
wegens hun tempelroof als heiligschenners beschouwden,
begreep hij de gevangenen als zoodanig te moeten behan-
delen. Hierdoor meende hij, zou hij zich voordoen als
een man, die de ijoden eerde, en zich dus in Griekenland
achting verwerven. Dienovereenkomstig liet hij het lijk
van den gesneuvelden\' aanvoerder aan het kruis nagelen
en alle gevangen Phokers in de zee verdrinken. Nu was
Philippus voornemens door Thermopulai naar Phokis te
trekken, maar de Atheners, die evenals de Spartanen op
de hand der Phokers waren, bezetten den bergpas, en
daar hij het niet geraden achtte nu reeds met hen in
oorlog te geraken, trok hij terug. Hij liet de Grieken door
ouderlingen strijd elkander verzwakken, terwijl hij zelf
zich versterkte door zijn heerschappij in Thessalië te
bevestigen.
Eene der eerste zorgen van Philippus was, zijn leger
zoodanig in te richten, dat het in staat zou zijn dat der
Grieken te overwinnen. De Grieken Avaron gewoon met
afdeelingen te strijden, die een dicht opeengedrongen
inenscliemnassa, phalanx genaamd, vormde, meestal van
acht gelederen diep. Epameinóndas had een phalanx
aangewend van vijftig gelederen diep, opdat de achterste
gelederen de voorste met kracht vooruit zouden dringen.
Nu voerde Philippus een phalanx in van twaalf tot zes-
tien gelederen diep en wapende de soldaten, die haar
vormden, met lansen van ruim (> M. lengte, zoodat de
eerste vijf gelederen ze konden vellen. De lansen der
Grieken lieten slechts toe, dat zij door de drie voorste
gelederen werden geveld. De soldaten van do Macedo-
nische phalanx hadden bovendien schilden, die het gan-
sche lichaam konden bedekken, en werden geoefend, in
de phalanx vlug te marcheeren.
-ocr page 387-
383
Demosthënes.
!n dezen tijd was er in Athene een man, die de plan-
nen van Philippus doorzag, Demosthënes, de grootste
redenaar der oudheid. Op zeventienjarigen leeftijd ver-
loor hij zijn vader, een rijken zwaard veger. Zijn groot
vermogen kwam toen onder het toezicht van drie voog-
den, door wier slecht beheer het allengs verloren ging.
Demosthënes kreeg evenals de zonen der aanzienlijke Athe-
ners een opvoeding, die hem voor den dienst van den
staat geschikt kon maken, alleen kon hij geen deel nemen
aan de voor Atheners onmisbare lichaamsoefeningen, om-
dat hij daartoe te zwak en te ziekelijk was. Als knaap
hoorde hij eens een uitstekend redenaar, en de geestdrift,
waarmede het volk dezen toejuichte, deed den wonscli bij
hem ontstaan ook eens zulk een redenaar te worden. Van
nu af legde hij zich met vlijt toe op de kennis van alles,
wat daartoe vereischt werd, maar om te slagen had hij
buitengewone moeilijkheden te overwinnen. Zijn stem
was zwak, zijn uitspraak slecht, hij had volstrekt geen
indrukwekkend voorkomen, zijn lichaamsbewegingen wa-
ren onbehagelijk en daarbij was hij kortademig en ver-
legen. Toch besloot hij, al die gebreken te overwinnen.
Hij oefende zich niet steentjes in den mond te spreken om
daardoor zijn spraakwerktuigen leniger te maken, be-
klom onder het uitspreken van redevoeringen heuvels om
zijn kortademigheid te overwinnen, en zocht zijn stem
te versterken door bij stormweder aan de kust te gaan
staan en te trachten onder het gebulder van wind en
golven verstaanbaar te spreken. Na zich aldus ge ruimen
tijd geoefend te hebben, waagde hij het, voor het volk op
te treden, maar hij maakte niet den minsten indruk en
ging moedeloos naar huis. Terwijl hij daar treurig ne-
derzat, kwam zijn vriend Saturos hem bezoeken, Deze
had opgemerkt, dat de inhoud der redevoering schoon
was, maar dat het Demosthënes aan voordracht ontbrak.
-ocr page 388-
:*84
■Om dozen hiervan te overtuigen, verzocht hij hem een ge-
deelte van een treurspel voor te lezen. Deinosthenes vol-
deed aan het verzoek, en toen hij geëindigd hadJasSaturos
hetzelfde stuk voor en deed daarbij zijn jeugdigen vriend
opmerken, dat het doel der voordracht is, hetgeen men
spreekt, voor de hoorders goed verstaanbaar te maken, en
dat dit verkregen wordt door het leggen van den juisten
klemtoon, het behoorlijk buigen van de stem en het bosje-
leiden van de woorden door gepaste gebaren. Spoedig was
Deniosthenes overtuigd van de juistheid dezer opmerkingen,
en terstond begon hij niet een nieuwe reeks oefeningen.
Somtijds sloot hij zich dagen achtereen in een donker vertrek
op om zich ongestoord aan de verbetering zijner voordracht
te kunnen wijden, en daarbij sprak hij dan, staande voor
een grooten metalen spiegel, om te kunnen nagaan of zijne
gebaren goed waren.
Eindelijk trad Demosthénos weder op voor hetvolk.dat,
misleid door slechte raadgevers, in die dagen zeer diep was
gezonken. Door de macht van zijn talent en zijn vader-
landsliefde wist hij alleen met zijn redevoeringen het volk
zoozeer met betere gevoelens te bezielen, dat het, schoon
ontwend aan den krijgsdienst, weder naar de wapenen
greep om het vaderland te verdedigen, en dat duizenden
armen afstand deden van de ondersteuning\', die zij uit de
staatskas genoten, opdat Athene zich beter ten strijde zou
kunnen toerusten. Daarin vooral toonde Demosthenes zich
waarlijk groot, dat hij ongestoord voortging het volk wij-
zen raad te geven, terwijl hij niet alleen op de hatelijkste
wijze werd gedwarsboomd en bespottelijk gemaakt door
stadgenooten, die Philippus door goud voor zich had weten
te winnen, maar zelfs krachtig werd tegengewerkt door
rechtschapen mannen als Phokfon. Deze man, die als een
voorbeeld van deugd wordt geroemd, hield zich zoozeer
van de wankelmoedigheid, de ongeschiktheid voor
den krijgsdienst en de ontaarding der Atheners overtuigd,
dat hij het onmogelijk voor hen achtte, Philippus met goed
-ocr page 389-
385
gevolg te weerstaan. Telkens als Demosthencs zijn beste
krachten aanwendde om den volksgeest op te wekken en
te veredelen en de overtuiging te vestigen, dat de Atheners
goed en bloed moesten overhebben voor de handhaving
hunner onafhankelijkheid, gaf Phokion den raad zich lie-
ver opofferingen voor den vrede te getroosten, dan een strijd
te wagen, waarvan hij teleurstelling als het einde voorspel-
de. Phokion, die een man van veel kennis, maar geen re-
denaar was, minachtte het volk zoozeer, dat hij eens, toen
het hem, nadat hij op zijn eenvoudige wijze gesproken
had, toejuichte, aan hen, die naast hem stonden, de vraag
deed: ?-Heb ik iets doms gezegd?"
Naarmate het plan van Philippus om de Grieken te be-
heerschen meer en meer tot uitvoering, en duidelijker
aan \'t licht kwam, steeg de ongerustheid der Atheners en
■daarmede de invloed van Demostenes. In oen der redevoe-
ringen, waarin hij de Atheners opwekt zich krachtig tegen
Philippus te verzetten, zegt hij: «Burgers! geeft in de te-
•■genwoordige omstandigheden, hoe verontrustend zijuook
^mogen toeschijnen, den moed niet op. Hetgeen iku thans
-zal zeggen, mag u ongerijmd toeschijnen, \'t is nochtans de
•■waarheid: Het ergste van onze vroegere ongelukken is
••het vooruitzicht, dat wij hebben, opeen betere toekomst.
-Onze zaken staan immers alleen zoo slecht, omdat wij
•volstrekt niet hebben gedaan, wat wij hadden moeten
«doen. Hadden wij volbracht, wat de plicht vanonseischt,
-en het was met onze zaken even slecht gesteld als thans,
••dan bleef er voor ons geen hoop op redding over. Nu
-heeft Philippus wel gezegevierd over onze werkeloosheid
»en zorgeloosheid, maar niet over onzen staat. Niemand
-kan zeggen, dat gij ten onder zijt gebracht, want gij hebt
-uw krachten nog niet beproefd. Het is volkomen waar,
"dat Philippus een zeer gevaarlijke, machtige vijand is,
••maar, mijn Medeburgers! bedenkt toch, dat er een tijd
-geweest is, dat wij in \'t bezit waren van Pvdna, Potidea
»en Methone, en dat vele volken, die nu aan hem onder-
is
-ocr page 390-
386
,,worpen zijn, vrije onafhankelijke staten vormden, veel
„moor genegen om zich met ons dan met hom te verbinden.
,, Had Philippus.dietocnzonderbondgcnooten was, gemeend,
,,dat het te bezwaarlijk voor hemwas, de Athenerstobeoor-
,,logen, die in die dagen de sleutels van zijn land in han-
dden hadden, dan zou hij niets ondernomen, en nimmer
„zulk een macht verkregen hebben. Maar Philippus wist,
„dal al die landen als prijzen, voor den overwinnaar open
,,lagen; hij wist dat de bezittingen van zorgeloozen den
„werkzamen en onVerschrokkenen toevallen, en met
,,dezo gedachte bezield, gelukte het hem, alles te ver-
moveren. Indien gij, mijn Medeburgers! thans nog ge-
,,negen zijt die gedachte tot de uwe te maken ; indien ie-
,,der uwer oprecht gezind is, zich in alles, wat zijn plicht
,,van hom vordert, naar ziin vermogen een waar burger
,,te beloonon, de rijken door het opbrengen van geld, de
„jongeren door het opvatten der wapenen; om kort te
„gaan, indien gij weder u zelve wilt wezen, indien nie-
,,mand meer denkt, dat hij zelf niets behoeft te doen,
„omdat anderen het noodigo wel zullen verrichten, dan
„kunt gij mot de hulp der goden herwinnen, wat gij laf-
,,hartig verloren hebt, en u op uw vijand wreken.
„Wanneer toch, mijn Modeburgers! zult gij de lian-
„den aan \'t werk slaan? Zult gij wachten tot een ramp
„ons treft, of tot de nood er u toe dwingt? Wat denkt
„gij toch wel van uw tcgcnwoordigon toestand? Ik ben
„van gevoelen, dat er voor vrije inenschen goen dringen-
„der nood kan zijn dan een slecht bestuur. Zoudt gij
„soms willen voortgaan met door de stad te loopen en
„elkander te vragen: „,,Wat nieuws is er?"" Kan er
„wel gewichtiger nieuws zijn dan dat een Macedoniër
„Athene ten onder brengt en aan Griekenland de wet
„voorschrijft? — ,,,,Is Philippus dood?""— „„Neen,
„„hij is ziek."" — Wat scheelt u dat? want gesteld, dat
„hij stierf, ras zult gij een tweeden Philippus verwekken,
„indien gij voortgaat uw zaken te verwaarloozen.
-ocr page 391-
387
,,En wat is de oorzaak van uw onbegrijpelijke werke-
loosheid? Er moet immers een oorzaak zijn, waarom
,do Grieken, anders zoo gereed om hunne vrijheid te
.beschermen, thans zoo genegen schijnen tot slavernij.
,Do oorzaak, Athencrs, is deze, dat men een beginsel
,heeft laten varen, dat te voren diep in ieders gemoed
,was gegrift: een beginsel, dat op de schatten van Perzië
,zegevierde, do vrijheid van Griekenland bevestigde en
,tegen alle macht te land en ter zee bestand was. Dit
, eenvoudig en natuurlijk beginsel bestaat in een algemeenen
.afkeer van ieder, die van heerschzuchtige vorsten of van
,hen, die den ondergang van Griekenland zoeken, ge-
schenken aanneemt. Werd vroeger iemand betrapt zulke
.geschenken te hebben aangenomen, dan beschouwde men
,heni als den grootsten misdadiger, en hem wachtte zon-
,der genade de zwaarste straf. Maar nu? Wordt het
.ruchtbaar, dat iemand vreemd geld heeft ontvangen,
,mcn benijdt hem; bekent hij het, men lacht erom;
,wordt de daad bewezen, zij vindt vergeving, en men
.toont slechts afkeer van hem, die zulk een daad
, afkeurt.
,,Is er iemand onder u, die zonder door Philippus om-
gekocht te zijn, door diens schijnbare grootheid ontzet
,is, en hem voor onoverwinnelijk houdt, ik zal hem ter-
stond overtuigen, dat Philippus de hulpmiddelen, waar-
,door het hem gelukt is tot die schijnbare grootheid te
.geraken, reeds heeft uitgeput. Ik zelf, mijn Medcbur-
,gers! zou hem eveneens vreezen en bewonderen, wan-
,neer hij zich langs een eerlijken weg die grootheid had
,verworven. Wanneer eendracht en genegenheid afzon-
derlijke krachten samenbrengen en hot algemeen welzijn
,do vereenigde macht bijeenhoudt, dan worden alle moei-
lijkheden met vaardigheid aangetast en alle gevaren met
.standvastigheid doorgestaan. Maar wanneer iemand door
.heerschziicht en slechte middelen, gelijk hij, groot is gc-
,worden, dan is elk toeval, elke geringe omstandigheid
-ocr page 392-
388
,genoeg om die grootheid te vernietigen. Het is toch
,onmogelijk, Atheners! volstrekt onmogelijk op ongerech-
tigheid, boosheid en trouweloosheid een bestendige
,macht te bouwen. Zulke middelen mogen voor eens of
,voor een korten tijd gelukken en groote verwachtingen
,opwekken, de tijd verijdelt ze en die vermeende groot-
heid stort van zelf\'ter neder. Want gelijk bij alle soorten
,van gebouwen de grondslagen de meeste vastheid moeten
.bezitten, zoo moet iedere groote onderneming op waar-
heid en gerechtigheid stounen, en dit juist ontbreekt aan
,de ondernemingen van Pliilippus.
„Gij behoeft slechts met meer ernst de zaken aan te
,vatten en uw ware belangen beter te behartigen, zoo
,zult gij niet alleen van de zwakheid en ontrouw vanPlülip-
,pus\' bondgenooten, maar ook van de slechte gesteldheid
,zijner macht volkomen overtuigd worden. Verbeeldt u
,toch niet, dat zijn onderdanen evenzoo gezind zijn als hij.
,Philippus dorst uitsluitend naar roem, en zoo hij kans
,ziet dien te behalen, ontziet hij moeite noch gevaren; de
,gedachte, meer gedaan te hebben dan ooit cenig koning
,van Macedonië, is hem meer waard dan het leven. Maar
,zijn onderdanen hebben aan die roemzucht van hun
,vorst geen deel; zij zijn misnoegd, dat zij onophoudelijk
,in afgelegen landen te velde moeten trekken en telkens
,aan nieuwe ongemakken worden blootgesteld, in plaats
,van thuis hunne zaken te kunnen waarnemen en hunne
,dagen in den schoot van hun huisgezin te slijten. Philip-
,pus heeft derhalve door al die oorlogen, om welke som-
,migen hem voor een groot vorst aanzien, zijn rijk, dat
,reeds zwak was, nog grooter knak toegebracht. Het is
,waar, dat zijn tegenwoordig geluk dat alles verdonkerl
,en bedekt, maar laat slechts de geringste tegenspoed hem
.treffen, en de ware toestand zal aan \'t licht komen.
,Want gelijk het kwaad in ons lichaam, zoolang wij uit-
.wendig gezond schijnen, niet gemerkt wordt, maar bij
,het ontstaan eener ziekte dadelijk te voorschijn komt,
-ocr page 393-
389
„zoo blijft ook de zwakheid van een land of vorst gedu-
,,rende een buitenlandschen oorlog veeltijds verborgen;
,,maar niet zoodra slaat het oorlogsvuur tot do grenzen
,,over, of die zwakheid komt duidelijk aan \'t licht.
,,Denkt iemand, dat Philippus bezwaarlijk te weerstaan
,,is, omdat het geluk hem begunstigt, zoo heeft hij daarin
„geen ongelijk, want het geluk heeft vermogenden, ja,
,,bijna beslissenden invloed op alle menschelijkc zaken.
„Zoo ik echter voor mij moest kiezen, zou ik, zoo gij maar
„eenigszins uw belangen wildet behartigen, hetgelukvan
„Athene ver boven dat van Philippus verkiezen, want wij
„hebben veel meer grond ons van de gunst der goden ver-
„zekerd te houden dan hij. Maar dan moet gij niet met
„de handen in den schoot zitten en niets doen. Indien do
„werkeloozc niet eens hulp kan verwachten van zijn
„vrienden, hoe veel te minder kan hij iets hopen van de
„goden. Het is daarom geen wonder, dat gij, die steeds
„draalt, steeds besluiteloos blijft en u met ijdele nieuws-
gierigheid bezighoudt, te kort schiet bij den man, dio
„zelf zijn leger aanvoert, in alles werkzaam is, geen oogcn-
,.blik nutteloos laat voorbijgaan. Het zou integendeel zeer
„te verwonderen zijn, indien wij, door niets te doen van
„hetgeen de omstandigheden vorderen, hem, die van zijn
„kant alles doet, overwonnen. Terwijl wij steeds dralen,
„heeft de vijand zich reeds meester gemaakt van de lan-
„den tot welker bescherming onze vloot bestemd was. De
„tijd van handelen gaat met het maken van toebereidselen
„verloren, en de gunstige gelegenheden wachten niet, tot
„wij gereed zijn.
„Laat dan uw gewoonte om langdurig»! beraadslagin-
„gen te houden, zonder tot handelen over te gaan, varen.
„Roemt niet op uw tien duizend en twintig duizend ge-
,,huurde vreemdelingen, maar laat uw legermacht uit
„Atheensche burgers bestaan."
De woorden van Demosthenes maakten diepen indruk.
Hij werd als afgezant naar de verschillende staten van
-ocr page 394-
390
Griekenland gezonden om deze tot een verbond te bewegen.
Het was een mociclijke taak, daar hij verlangde, dat
geen huurtroepcn gezonden, maar door de burgers zelve
de wapenen aangcgord zouden worden, om voor hunne
vrijheid te strijden, terwijl in alle Grieksche stalen de zaak
van Philippus openlijk bepleit werd door omgekochte per-
sonen, en Messenië zich uit haat legen Sparta bij hem aan-
sloot. Toch slaagde Dcmosthenes erin, een menigte stalen.
waaronder Thcbai, Korinthe en Achaja, tot het bondge-
nootschap met Athene te doen toetreden.
In kleinere gevechten streden de bondgenooten mei voor-
deel tegen de Macedoniërs. Dcmosthenes, die geen veld-
heer was, vormde zich van de opgewekte geestdrift de
schoonste verwachtingen. Hij had met een groot aantal
Atheners dienst genomen als eenvoudig zwaargewapende.
Eindelijk trok Philippus met zijn hoofdmacht, 30.000 man
I\'oiotië binnen en leverde den bondgenooten, wier leger het
zijne in getalsterkte overtrof, bij Chaironeia slag. De Athe-
ners die op den linkervleugel stonden en Philippus tegenover
zich hadden, streden met zulk een heldenmoed, dal zij den vij-
and terugdrongen. Reeds riepen hunne veldlieerenjuichend
uit: -Laten wij hem tot Macedonië vervolgen!". Maar zij
verheugden zich te vroe;; in de overwinning. Alexander.
de zoon van Philippus, had de Thcbanen, die in den rech-
tervleugel der bondgenooten stonden, verslagen en greep
nu de Atheners, die zicli bij de vervolging te veel verspreid
hadden, in de flank, aan. Nu moesten ook zij zwichten,
en de overwinning van Philippus was volkomen. Hij was
buiten zich zelvon van vreugde, richtte een groot feest maal
aan en begaf zich, toen hij door onvermengden wijn be-
dwelmd was geworden, te midden der gevangenen, om hen
te bespotten. Ken hunner, de Athcenschc redenaar Deca-
des, voegde hem toe: -Jlct lot heeft u de plaats van Aga-
memnon toegewezen; schaamt gij u niet als een Thersites
(een bekend spotter en lasteraar in \'t Grieksche leger voor
-ocr page 395-
391
Troje) te handelen?" Philippus, door dit woord getroffen,
verwijderde zich en schonk Domsdes de vrijheid.
Spoedig daarop nam hij Thobai in, dat niet de meeste
hardheid behandeld werd. Tegenover Athene nam hijcene
geheel andere houding aan. Hier had Demosthenes, dieaan
den strijd ontkomen was, de verslagenheid, die zich na de
tijding der nederlaag van allen had meester gemaakt, door
Dood van koning I\'lrilipnus.
zijn toespraken doen wijken. Op zijn raad werd met de
meeste kracht gearbeid om Athene in een geduchten staat
van tegenweer te brengen. Philippus achtte het daarom
geraden met de Atheners in onderhandeling te treden. Hij
behandelde hen met de meeste welwillendheid en stelde er
zich mede tevreden, dat zij hem op een eerlang te houden
congres zouden steunen in zijn cisch om de hegemonie te
-ocr page 396-
:}92
verkrijgen over al de Grieksche staten. Op dit congres, dat
te Korinthe werd gehouden, maakte Philippus aan de
Grieksche gezanten zijn plannen bekend, een grooten veld-
tocht in Pcrzië te ondernemen om wraak te oefenen over
den inval van Xerxes in Griekenland. Allen bogen voor
den wil des konings en kozen hem tot opperbevelhebber.
Sparta echter was op het congres niet vertegenwoordigd
geweest en bleef standvastig weigeren de Macedonische
opperheerschappij te erkennen. Toen Philippus eens de
Spartanen met zware straffen bedreigde, als hij hunne stad
zou hebben bezet, kreeg hij ten antwoord: «Als!". Niet
lang daarna werd Philippus vermoord.
Alexander de Groote.
1.
Philippus had voor de opvoeding van zijn zoon Alexan-
der veel zorg gedragen. De leiding van de verstandsont-
wikkeling zijns zoons had hij toevertrouwd aan uitmunten-
de leermeesters, waarvandc wijsgeer Aristotëles de beroemd-
ste is. Van meer invloed op Alexander\'s leven was echter
Lusimüchos, die bij den knaap eene vurige geestdrift voor
de gedichten van Homeros wist op te wekken. Daar de
Macedonische koningen voorgaven van Achilleusaf te stam-
men, noemde Lusimachos zijn leerling steeds met den naam
van dien grootsten held uit de Ilias, Alexander\'s speelniak-
ker Hiphaistion met dien van Patröklos, en op dezelfde
wijze ontleende hij aan dat gedicht namen voor Alexanders
geheelc omgeving. Zoo werd Achilleus voor Alexander liet
voorbeeld, dat hij zocht na te streven, en do indrukken,
in zijn jeugd ontvangen, waren hem zoo dierbaar, dat hij
later zelfs op zijn veldtochten een afschrift van de Ilias bij
zicli had.
Even krachtig als aan zijn wetenschappelijke vorming
wijdde hij zicli aan lichaamsoefeningen. Welk een uitste-
-ocr page 397-
393
kond ruiter hij werd, blijkt uit hot volgende voorval. Kous
word oen prachtig paard aan zijn vader te koop aangebo-
den. Philippus wenschte er eigenaar van te worden en
verzocht een zijner edelen het te bestijgen. Deze kon er niet
in slagen, want telkens, wanneer hij erop wilde springen,
begon hot paard to steigeren. De ruiter moest het opgeven
Alexander do Groote.
en evenzoo ieder, die na hein het schoone dier trachtte
te berijden. Tot zijn leedwezen wilde Philippus van den
koop afzien, maar nu verzocht Alexander, zijn kracht eens
te nicgen beproeven. Hij had opgemerkt, dat het paard bij
iedere poging, die aangewend werd om het te bestijgen,
zoo geplaatst was geweest, dat het de schaduw van zich-
-ocr page 398-
394
zelf en van den ruiter had kunnen zien. Alexander nam
het daarop bij den teugel en plaatste het met\'den kop naar
ile zon, streelde liet om het tot rust te brengen en wierp
er zich onverwachts op. Nu vierde hij het dier den teugel
en liet het uit alle macht loopen, en toen het van het ren-
nen vermoeid was geworden, had hij het in zijn macht.
Het werd thans zijn eigendom, ontving naar den eigenaar-
digcn vorm van het hoofd den naam Boekcphalos (ossekop)
en diende zijn meester op diens veldtochten als strijdros.
Men zegt, dat Philippus, toen hij zijn zoon het paard had
zien bedwingen, zou hebben uitgeroepen: «Mijn zoon, zoek
u een ander koninkrijk, Macedonië is voor u to klein !"
Zeker is het, dal deze wcnsch met de uitzichten van Ale-
xander geheel si rookte. Door het onderwijs van Lusintó-
chos had Alexander, overeenkomstig zijn aard, met het le-
zen van de Ilias bijna uitsluitend zijn heerschzucht en zijn
strijdlust gevoed. Een Achillcus te zijn, dezen te overtref-
fen, was zijn geliefkoosd denkbeeld. Hij werd naijverig
op den krijgsroem, dien zijn vader verwierf. Telkens als
aan diens naam een nieuwe overwinning of verovering
werd verbonden, riep hij mistroostig uit: „Mijn vader zal
voor mij niets te veroveren overlaten."
Niet altijd was de verhouding lusschcn vader en zoon
gelukkig. Hij gelegenheid van een feest, waarbij naar ge-
woonte de onvermengde wijn bij stroomen vloeide, sprak
een vriend van Philippus eenige woooden, die door Alexan-
der als eene boleediging opgevat, en beantwoord werden
niet het werpen van een beker naar het hoofd des sprekers.
Philippus trok partij voor zijn gunsteling en wilde zijn
zoon met het ontbloote zwaard te lijf gaan, maar hij was
te zeer door den wijn bcwehnd om zijn dronken voornemen
ten uitvoer te brengen en viel voorover op den grond,,, Die
wil Azië veroveren", riep Alexander op zijn vader wijzende,
,,en is niet eens in staat van de eene tafel naar de andere
te loopen." Hij verliet het vertrek, weck uit naar Epeiros,
doch verzoende zich na ecnigen tijd weder met zijn vader.
-ocr page 399-
395
Alexander was een en twintig jaar oud, toen hij den
troon beklom, en terstond zag hij zich te midden vangroote
moeilijkheden geplaatst. In Macedonië openbaarde zich
een hevige gisting. Velen hielden hem medeplichtig aan
den moord op zijn vader gepleegd en wilden een zijner
bloedverwanten als koning erkennen. Alexander liet zijn
vader op de luisterrijkste wijze begraven, en daarna al
zijn bloedverwanten, die hem in den weg konden staan,
benevens alle aanzienlijken, die op hunne hand waren,
vermoorden of terechtstellen.
Terzelfder tijd kwamen de ten Noorden van Macedonië
wonende en door Philippus onderworpen volken tot op-
stand, terwijl de Grieksche staten luide te kennen gaven,
dat met den dood van Philippus de hegemonie van Mace-
donië in Griekenland geëindigd was. Deniostheneswenschto
in de volksvergadering te Athene zijnen medeburgers geluk
met den dood van Philippus. Hij roemde den moordenaar
des konings en tegen den raad van Phokion brachten de
Athoners dankoffers aan de goden. Onmiddellijk trok
Alexander met een leger naar Griekenland en sloeg zijn
legerplaats op in de nabijheid van Thebai, dat zich terstond
onderwierp. Athene ging wel voort zich te versterken,
maar zond hem toch een gezantschap, om zijn hegemonie
te erkennen. Daarop riep hij afgevaardigden der Grieksche
staten tot oen vergadering te Korintho op, waar hij te
kennen gaf, het plan zijns vaders om een krijgstocht naar
Porzië te ondernemen door te zetten, en vervolgens tot
opperbevelhebber werd verkozen. Do Spartanen hadden
geen afgevaardigden gezonden, en Alexander achtte het
raadzaam hen met rust te laten.
Terwijl Alexander in Korintho was, leefde daar de be-
kende zonderling Diogenes. Hij was afkomstig van Sinópe
on hield zich overtuigd, dat de mensch, om gelukkig te
zijn, zijn behoeften zooveel mogelijk moest beperken.
Zijn woning bestond uit een grootc ton, die hem in staat
stelde, te verhuizen, wanneer het hem behaagde, en die
-ocr page 400-
390
hij zoo kon stollen, dat hij, erin zittende, geen last had
van wind, regen, zonneschijn of schaduw. Zijn huisraad
bestond aanvankelijk, uit een schaal, die hij gebruikte om
uit de naburige bron water te scheppen, maar toen hij eens
een kind uit de holle hand water zag drinken, begreep hij
door insgelijks zoo te doen, het verdriet te kunnen ont-
gaan, van ooit zijn schaal te missen, en hij ontdeed er
zich van. Diogenes achtte het gedrag zijner tijdgenooten,
Alexancler en Diogeries.
die hoofdzakelijk naar rijkdom en zinnelijk genot streefden,
en weinig deden voor hunne zedelijke veredeling, den
inensch onwaardig. Eens vertoonde hij zich op klaarlich-
ten dag in Korinthe met een brandend lampje in de hand
en in do houding van iemand, die iets zocht. "Wat zoekt
gij, Diogenes," vraagden spottend de Korinthiërs, die hom
zagen. ^Mouscben," was zijn antwoord. Alexander, zoo
luidt hot verhaal vorder, wcnschte met Diogenes kennis te
-ocr page 401-
397
maken, en trof hein aan, liggende naast zijn ton en zicli koes-
terende in de zonnestralen. Langen tijd onderhield Alexan-
der zich met hem en toen deze, getroffen door de verstan-
dige opmerkingen van den tonbewoner, welwillend de
vraag tot hem richtte, of hij hem niet eenigen dienst kon
howijzen, gaf Diogenes hem ten antwoord: «Jawel, ga een
beetje uit de zon." De hovelingen, die Alexandcr vergezel-
den, waren over dit antwoord verontwaardigd, maar deze
zeide: "Bij Zeus! indien ik Alexandcr niet was, zou ik
Diogenes willen zijn."
Alexandcr moest zich weder naar het Noorden zijns
rijks begeven om de onderwerping der opgestane volken
te voltooien, en terwijl hij daar voortdurend overwinnin-
gen behaalde, verspreidde zich onder de Grieken plotse-
ling het gerucht, dat hij gesneuveld was. Terstond wekte
Demosthenes de Grieken op, zich vrij te verklaren en met
een aantal Atheners hielp hij de Thebanen in een vrucli-
telooze poging om de Macedonische bezetting uit de Kad-
mcia te verjagen. Zoodra Alexandcr de tijding van dezen
opstand ontving, trok hij met versnelde marsenen op
Thebai aan, en eer de Grieken het bericht hadden ontvan-
gen, dat hij nog in leven was, stond hij voor de stad. Hij
eischte haar op en beloofde den inwoners genade op voor-
waarde, dat zij hem de belhamels zouden uitleveren. Dit
weigerden de Thebanen, en zij besloten zich tot hot uiter-
ste te verdedigen, ofschoon geen der andere Grieksche
staten hun hulp durfde te vcrleenen. De Atheners hadden
den raad van Phokion gevolgd om niets te ondernemen,
eer zij een stellig bericht van Alexanders dood hadden ver-
kregen. Ondanks den heldenmoed, dien de Thebanen aan
den dag legden, bezweken zij voor Alexandcr. Hunne
stad werd ingenomen en zoodanig verwoest, dat zij weldra
niet meer was dan een ontzettende puinhoop. Slechts het
huis van don dichter Pind&ros bleef gespaard en aan diens
afstammelingen schonk Alexandcr de vrijheid, evenals aan
de priesters, de priesteressen en de Macedonisch gezinde
-ocr page 402-
398
burgers; al de overigen, omstreeks 30.000 personen, wer-
den tot slavernij gedoemd. Alexander verwekte door zijn
wreedheid in geheel Griekenland een groote ontsteltenis.
Hij liet te Athene, waar ïhebaanschc vluchtelingen een
schuilplaats hadden gevonden, de voornaamste volkslei-
ders, waaronder Demosthenes, opeischen. Phokion ried
den Atheners, den eisch van Alexander in te willigen
en drong erop aan, dat Demosthenes en andere hoofden
van de anti-Macedonischc partij zich vrijwillig in han-
den van Alexander zouden stellen om daardoor de ram-
pen des oorlogs van hunne vaderstad of to wenden.
Demosthenes kwam met kracht tegen de voorstellen
van zijn tegenstander op. Hij waarschuwde de Atheners
tegen het uitleveren hunner leidsheden en wees hen op de
fabel van don wolf, die met de schapen vrede sloot, op
voorwaarde, dat zij hem hunne wachthonden zouden uit-
leveren, maar die, toen dit was geschied, des te nrooter
slachting onder hen aanrichtte. Hel volk vereenigde zich
met het gevoelen van Demosthenes, maar zond toch een
gezantschap om niet Alexander te onderhandelen. Deze
Milde het echter niet ontvangen. Een tweede, waartoe
Phokion behoorde, slaagde beter, en toen stelde de Mace-
donische koning zich ermede tevreden, dat de Atheners de
twee bekwaamste krijgskundigen van de hem vijandige
parlij\' uit de stad verbanden.
Toen Alexander Griekenland tot rust had gebracht,
maakte hij zich gereed tot den krijgslocht naar Perzië. Dit
rijk, thans door Darius III bestuurd, was voortdurend
meer verzwakt. De eigenlijke Perzen vormden niet meer
zooals vroeger de kern dos legers; zij waren vervangen
door Grieksche huurbenden. Alexander zette de onder-
neming door, tegen den raad van zijn verdienstelijke veld-
heeren Antipater on Parmgnio. Hij hield zicli zoozeer ver-
zekerd, dat do schatten van Perzië hem zouden toevallen,
dat hij zijn bezittingen in Macedonië aan zijn veldhceren
schonk om hun vertrouwen in te boezemen. Een hun-
-ocr page 403-
Alexander de Groote voor Thebai.
-ocr page 404-
-ocr page 405-
401
nor, Perdikkas, vroeg daarop verbaasd: "Maar wat
blijft u dan, o Koning?" — "De hoop," antwoordde
Alexander.
Alexander de Groote.
II.
Toen Alexander met zijn leger, dat 35.000 man telde,
over den Hellespont was getrokken, richtte hij zijn tocht
eerst naar de puiiihoopen van Troje, om bij het graf van
Achilles en Patröklos te offeren en te hunner eere wed-
spelen to houden. Van hier trok hij naar het riviertje den
Granïkos, waar een Perzisch leger van 100,000 man hem
afwachtte. Dit geschiedde tegen den raad van den Rhodiër
Memnon, een aanvoerder van Grieksche huurtroepen, die,
het lot van het groote leger, waarin tucht, bekwaam-
heid en moed gemist werden, wel voorzag en daarom den
raad gaf, dat men voor Alexander, die niet ruim van le-
vensmiddelen was voorzien, steeds terugtrekken en de
streken, die men verliet, verwoesten moest, om zijn leger
door gebrek den ondergang te bereiden.
Aan den oever van het snelstroomende riviertje stond
de Perzische ruiterij in slagorde geschaard en daarachter
de Grieksche huurbendo. Alexander besloot onmiddellijk
aan te vallen en antwoordde, toen Parmenio het hom
afried: "Ik zou mij schamen, indien dit riviertje mij
terughield, nu ik den Hollespont ben overgestoken." Aan
het hoofd zijner ruiterij daalde hij in den stroom af en met
grooten moed viel hij, aan do overzijde gekomen, de Per-
zische ruiterij aan. Zijn witte vedorbos wapperde steeds,
waar de strijd het hevigst was. Zijn speer vloog aan
splinters, een vriend reikte hem een andere toe. Op het-
zelfde oogenblik sprong Mithridates, de Perziche bevel-
hebber, op hem aan en bracht hem met een werpspiets
een wonde aan den schouder toe. Alexander stiet hom
26
-ocr page 406-
402
zijn speer door de borst. Van twee andere aanzienlijke
Perzen, die waren toegesneld, bracht er een Alexander
een houw toe, die hem den helnikam afsloeg, maar terstond
stortte de aanvaller, door \'s konings speer doodelijk getrof-
fen, neder. Op hetzelfde oogenblik had de andere Pers
zijn zwaard opgeheven, om Alexanders onbeschermd hoofd
te kloven, toen de oude veldheer Klcitos het leven zijns
konings redde door den arm, die het tegen hem opgeheven
zwaard omklemde, van \'s vijands lichaam af te houwen.
Ten koste van ruim honderd gesneuvelden behaalde Alexan-
der een beslissende overwinning.
Op zijn zegevierenden tocht door Klein-Azie kwam
Alexander te Gordion, de oude hoofdstad van Phrygië.
Toen in overoude tijden dit land van naburige vijanden te
lijden had, wendden de ontmoedigde Phrygiërs zich om
raad tot een godspraak, en deze gaf hun te kennen, dat
zij, om te zegevieren, den eersten, dien zij op weg naar
het heiligdom op een wagen gezeten tegenkwamen, tot
koning moesten verkiezen. Dit lot viel zekeren Gordion te-
beurt, die den wagen in een tempel plaatste en het juk
met zulk een kunstigen knoop aan den dissel bevestigde,
dat niemand hem kon losmaken. Hieruit ontstond het volks-
geloof, dat wie erin slaagde den knoop te ontwarren, be-
hoerscher van Azië zou worden. Alexander, die er steeds-
op uit was, de volksmenigte te zijnen gunste te stemmen,
besloot den Gardiaanschen knoop los te maken, en toen
hij er op gewone wijze niet in slaagde, hakte hij hem met
zijn zwaard door.
Op zijn verderen tocht kwam hij op een heeten dag, na
een moeilijken tocht door het bergland, aan een koelen
bergstroom. Hij kon de verzoeking niet weerstaan, zich
door een bad te verfrisschen. Nauwelijks was hij echter
te water gegaan of hij zonk, en niet zonder moeite werd
hij, daar hij reeds bewusteloos was, door zijn gevolg op
den oever gehaald. Hij kreeg een zware ziekte. Degenees-
hecren "wanhoopten aan zijn herstel. Een hunner, Philippos„
-ocr page 407-
403
die Alexaiider sodcrt zijn jeugd had gadegeslagen, ver-
klaarde hem, dat hein nog slechts één geneesmiddel bekend
was, dat redding kon brengen, maar het was gevaarlijk.
Alexander, die de gedachte niet kon verdragen, dal hij in
den aanvang van zijn onderneming zou moeten sterven,
verlangde, dat het gereed werd gemaakt. Terwijl Phillip-
pus zich met dit doel had verwijderd, werd Alexander een
brief ter hand gesteld, waarin zijn veldheer Parmenio hein
kennis gaf, vernomen te hebben, dat Philippos door Darius
III was omgekocht om zijn koning door vergift om \'l leven
te brengen. Toen Philippos weder binnenkwam, nam
Alexander met de eene hand de schaal van hem aan, en
terwijl hij het geneesmiddel, dat erin bereid was, dronk,
reikte hij hem met de andere den pas ontvangen brief ter
lezing over. Alexanders\' vertrouwen werd heerlijk beloond.
Binnen weinige dagen was hij hersteld.
Ondertusschen had Darius III een leger van 500.000
man, waaronder 30,000 Grieksche huurlingen, bijeenge-
bracht, en daarmede wachtte hij in een uitgestrekte vlakte,
die hem de beste gelegenheid gaf zijn macht goed te ont-
wikkelen, Alexander af. Daar deze niet verscheen, besloot
hij, op raad zijner ongeduldig wordende Perzische veld-
heeren, hem te gaan opzoeken, en drong hij de enge kust-
vlakte van Issus binnen. Zoodra Alexander hiervan bericht
had ontvangen, trok hij zijn twintigmaal sterkeren vijand
te gemoet, viel hem aan en versloeg hem. Darius III moest
zijn heil zoeken in een overijlde vlucht, zijn strijdwagen,
zijn gansche legerplaats, zelfs zijn moeder, gemalin en
kinderen vielen den overwinnaar in handen. Alexander
hield zich niet aan het in zijn dagen zelfs bij de Grieken
nog bestaande gebruik der Oudheid, om de buitgemaakte
koninklijke vrouwen tot slavinnen te maken, hij hield haar
gevangen, maar behandelde haar met eerbied, overeen-
komstig haar hoogen rang.
Daar Alexander slechts over een geringe vloot beschik-
te, en hij de Grieken niet wilde drukken door haar uit te
-ocr page 408-
404
breiden, besloot hij de Perzische vloot, tegen welke de
zijne niet was opgewassen, onschadelijk te maken door, in
plaats van Darius III, die tot over den Euphraat gevlucht
was, te vervolgen, zich van de Syrische kust meester te
maken. De Phenicische steden gaven zich zonder slag
of stoot aan hem over, met uitzondering van Tyr, waar-
voor Alexander zich genoodzaakt zag het beleg te slaan.
Daar hij over geen genoegzaam aantal schepen kon beschik-
ken, besloot Alexander een broeden dijk aan te leggen,
van de kust tot aan het eiland, waarop de stad gebouwd
was. Om dit werk, dat spoedig vorderde, te belemme-
ren, plaatsten de Tvriérs op den hoogen stadsmuur een
soort geschut, ballisten of blijden genaamd. Dit waren
stevige toestellen van balken, waartusschen twee sterke
pezen dicht bij elkander waren gespannen. Tusschen deze
pezen werd een eindje steel van een kolossalen houten
of metalen lepel gestoken, zoodat deze, als hij met kracht
naar achteren was getrokken en weder losgelaten werd,
door de wringing der pezen met grooto kracht terug, en
tegen een stevigen balk sloeg. Hierdoor kon men zware
steenen, gloeiende kogels, of een groot aantal kleine looden
kogels in een boog naar den vijand werpen. Somtijds wa-
ren de blijden aldus vervaardigd : Tusschen twee zware
vaststaande balken werd eene spil gestoken om welke een
zware hefboom, met zeer ongelijke armen draaide. Aan
het uiteinde van den kortst en arm werd een bak bevestigd,
die mot zware gewichten werd beladen. Trok men nu het
uileinde van den langsten arm naar beneden en liet men
het weder los, zoo werd het door het gewicht aan den
kortsten arm met grooto snelheid naar boven getrokken.
Ook maakte men gebruik van catapulten, een soort van voet-
bogen van zeer groote afmetingen, waarmede men zeer
zware pijlen en brandpijlen schoot. Om zijn arbeiders
tegen het geschut der belegerden te beveiligen, liet Alexan-
der twee belegoringstorens maken, die van schutdaken
voorzien en tegen het in brand schieten met natte huiden
-ocr page 409-
405
bekleed waren. De Tyriërs bedachten nu een ander middel
om den dijk te vernielen. Daar deze voor een groot ge-
deelte uit houten palen en rijshout bestond, vulden zij een
schip met droog hout on andere brandbare stoffen, zooals
zwavel en pek. Door twee oorlogsschepen werd de bran-
der voortgesleept, en nadat zijn inhoud was aangestoken,
liet men hem met groote vaart tegen den dijkloopen. Een
sterke wind begunstigde de onderneming der Tyriërs, en
weldra stonden de torens en het houtwerk van den dijk
in lichtelaaie. Maar Alexander was hierdoor niet ontmoe-
digd. Hij liet het werk hervatten en middelen aanwenden
om een herhaling van de ramp te voorkomen. Tevens
wist hij van de Phenicische steden, die zich aan hem on-
derworpen hadden, een aantal schepen te verkrijgen,
waarop hij blijden, catapulten en stormrammen plaatste,
om aan do Westzijde der stad, Maar de muur minder sterk
en hoog was, een bres te maken. De schepen konden
echter niet genoeg naderen, dewijl de Tyriërs, toen zij
Alexanders toeleg hadden bemerkt, daar zware steenen
hadden laten zinken. Alexander liet deze uit het water
opwinden en verwijderen, en nu konden de schepen vlak
voor den muur het anker laten vallen; maar Tyrische dui-
kers sneden de ankerkabels door, zoodat de schepen afdre-
ven. Eerst toen de ankers aan zware ijzeren kettingen
waren bevestigd, kon de stad aan hare zwakste zijde wor-
den aangetast.
Ondertusschon was aan de andere zijde de dam gereed-
gekomen, en had Alexander bolegeringstorens laten ver-
vaardigen, die even hoog waren als de muur, en van welke
valbruggen konden worden nedergelaten. Toch gaven de
Tyriërs den moed niet op. Zij vervaardigden drietanden
van groote weerhaken voorzien, wierpen ze onder de sol-
daten, die op de torens stonden, en trokken ze dan met
groote kracht door middel van een touw, dat eraan beves-
tigd was, naar zich toe. Gewoonlijk bleef een weerhaak
in een schild zitten, en wanneer do krijgsman uit vrees
-ocr page 410-
400
voor de schande, die erop rustte, liet niet wilde verliezen,
zoo werd hij van den toren en tegen den muur te pletter
getrokken. Ook vervaardigden zij koperen en ijzeren
schilden, die zij niet zand vulden en dan totdat dit gloeiend
was geworden, boven een vuur hielden. Door middel van
een werptuig werd het schild dan op de aanvallers gewor-
pen. Het gloeiende zand drong door do openingen van
pantsers en kleederen en veroorzaakie ondragelijke pijnen.
Hevig verdedigden de Tvriers hunne stad. Konden som-
tijds do krijgslieden van Alexander zich voor een oogenblik
op den muur staande houden, niet zelden drongen de
Tvriërs over de valburg in een belegeringstoren. Toch
moesten zij, na zeven maanden den moedigsten tegenstand
geboden te hebben, zwichten. Allen, die zich bij de dap-
pere verdediging hadden onderscheiden, liet Alexander aan
het kruis nagelen ; aan hen, die zich op het laatste oogen-
blik hadden overgegeven, schonk hij genade.
Alexander zette nu zijn veroveringstocht ongestoord
zuidwaarts voort, tot hij Gaza bereikte, dat zich eerst na
een beleg van twee maanden aan hem overgaf. Toen de
bevelhebber van Gaza, Hal is, een neger, zwaar gewond
voor den overwinnaar werd gebracht, liet deze hem galen
door de voelen steken en daardoor riemen, niet welke do
ongelukkige aan een wagen werd gebonden. Toen betseeg
Alexander zelf den wagen en reed ermede door de gelede-
ren zijner soldaten, totdat het lijk van 1\'atis niets dan een
afzichtelijkon klomp vertoonde.
Nu trok Alexander Egypte binnen, welks bewoners
niet blijdschap de poorten hunner steden voor hem open-
den uit haat tegen de Perzen, die hunne godsdienstige
gebruiken hadden gestoord en bespot. Alexander gedroeg
zich geheel anders. Hij bracht offers aan de Egyptische
godheden en kreeg daardoor de priesters op zijn hand.
Hij trachtte de Egyptische zoden met de Grieksche te
verbinden en liet daartoe zijn krijgslieden wedspolen
houden in de voorhoven der tempels. Om het verkeer van
-ocr page 411-
407
<lo Egyptenaren met andere volken te bevorderen, stichtte
hij aan den toenmaligen mond vanden westelijken Nijlarm
een nieuwe stad, aan welke hij den naam Alexandrië gaf,
en die hij spoedig in bevolking deed toenemen door de
kooplieden van het nabijgelegen Kanopus te dwingen er
zich te komen vestigen. Het bestuur over het land ver-
trouwde hij aan Egyptenaren toe, maar het opperbevel
over de troepen aan Macedoniërs. Alexander deed een
tocht naar den Ammontempel in een oase van de Lybisehe
woestijn. Na zijn terugkomst verspreidde zich spoedig het
gerucht, dat de god hem tot zijn zoon had verklaard. Man-
nen als Parinento en Kleitos spotten met dit verhaal,
doch Alexander liet het den vrijen loop gaan, en begon
te toonen, dat hij voor een halfgod wenschte gehouden te
worden.
Darius III had ondertusschen een nieuw leger van mis-
schien wel een millioen krijgslieden bijeengebracht, on be-
sloten zijn vijand daarmede in de vlakte tusschen Arbêla
en Gaugamêla, ten Oosten van den Tigris, af te wachten.
Na de zaken in Egypte geregeld te bebben trok Alexander
met snelle marschen op hem aan. De langdurige, ver-
moeiende tocht begon zijn soldaten te verdrieten. Er ont-
stond o-einor. Toen Alexander den Tisms was over«eti\'ok-
ken, schonk hij aan zijn soldaten eenigo rust. Dit gat\'
verademing. Maar op een schoonen nacht werd eensklaps
de maan verduisterd. Men herinnerde zich dat een maans-
verduistering den slechten afloop van Xerxes\' tocht naar
Griekenland had aangekondigd, en er ontstond een alge-
meene ontsteltenis. Alexander was echter niet zoo spoedig
uit het veld te slaan. Hij liet een der wichelaars bekend
maken, dat de maan het hemellichaam der Perzen, de zon
^Phoibos Apollon) dat der Grieken was, en de maansver-
duistering dus den zekeren ondergang der Perzen voor-
spelde. Deze vernuftige uitlegging deed den moed der
Grieken herleven. De tocht werd voortgezet en eenigo
dagen later aanschouwden de Grieken op een schoonen
-ocr page 412-
408
morgen, na een moeilijken tocht gedurende den nacht, het
ontzaglijke leger der Perzen voor zich.
Terstond belegde Alexander een krijgsraad. De meeste
veldheeren, blakende van strijdlust, waren ervoor, onmid-
dellijk tot don aanval over te gaan, maar de oude Parmcnio
ried tot voorzichtigheid aan. Hij wees op het groot aan-
tal der vijanden, de afgematheid der troepen en de onbe-
kendheid van het terrein. Alexander besloot den slag uit
te stellen. Tegen den avond liet hij de veldheeren weder
bij zich komen en kondigde hun aan, dat hij beslo-
ten had den volgenden dag aan te vallen, en den soldaten
een rustigen nacht te gunnen. Parmenio gaf den raad in
den nacht aan te vallen, omdat de Perzen dan eerder in
verwarring zouden geraken en zij bovendien door hunne
vrees voor booze geesten in de duisternis met minder zelf-
vertrouwen zouden strijden. "Maar meent gij dan," ant-
woordde Alexander, "dat ik de overwinning wil stelen?"
Alexander sliep des nachts zoo gerust, dat Parmenio hem
den volgenden morgen moest wekken. Hij deed het met
de woorden: "Gij slaapt zoo vast, alsof wij reeds overwon-
nen hadden!" — «Hebben wij dan de overwinning niet
in de hand, nu de vijand voor ons staat?" vraagde
Alexander.
Het Perzische leger was niet zoo geschikt tot den strijd
als het Macedonische. Darius III had gevreesd, dat Ale-
xander bij nacht zou aanvallen en daarom zijn troepen
onder de wapenen doen blijven, terwijl hij voortdurend
door de gelederen was gereden om allerwegen tot moed op
te wekken. De aanval begon. Met uitnemend beleid be-
stuurde Alexander den slag, en na weinige uren had hij
den twintigmaal sterkeren vijand verslagen.
Onmiddellijk trok hij naar Babjlon, dat do poorten voor
hem opende. Hier hield hij een korte rust, betoonde zich
zeer welwillend jegens de inwoners en vergunde niet al-
leen, dat zij hunne godsvereering behielden, maar bracht
zelfs offers aan hunne goden. Geheel anders handelde hij
-ocr page 413-
40!)
met Persepölis, dat hij ter plundering aan zijn soldaten
overgaf. De onmetelijke schatten, die Alexander in handen
vielen, stelden hem en zijn veldheeren in staat, zich aan
de buitensporigste weelde over te geven, maar daarbij ver-
loor hij zijn doel om beheerscher van Azië te worden niet
uit het oog. Na aan zijn troepen te Persepolis de noodige
rust gegund te hebben, trok hij op naar Ekbatana, wer-
waarts Darius III gevlucht was, en waar deze nu vruch-
telooze pogingen aanwendde nog een leger bijeen te bren-
gen. Alexander vond er hem reeds niet meer, en verdub-
belde daarop zijn pogingen om bemin handen te krijgen,
daar volgens het Oostersch volkenrecht de veroveraar, die
den vorst van een land gevangennam of doodde, als diens
rechtmatige opvolger werd beschouwd. Rusteloos zette
Alexander den vluchtenden koning achterna door woeste
streken, waar menigmaal geen drinkwater te vinden was.
Menig strijder moest van vermoeienis achterblijven en stierf
van uitputting. Op zekeren dag, dat allen van dorst ver-
smachtten, vond men een weinig water. Men kon er ech-
ter niet meer dan een helm mede vullen en bracht het
Alexander, die vermoeienissen en ontberingen met zijn
soldaten deelde. Maar hij dronk niet; hij stortte het water
op den grond uit. Waar allen dorst leden, wilde hij al-
leen zich niet laven. Dit voorbeeld van onthouding gaf den
krijgslieden nieuwe kracht den tocht onvermoeid voort te
zetten.
Darius vluchtte steeds verder, maar onder do satrapen,
die hem vergezelden, waren verraders. De aanzienlijkste
hunner, Bessus, vermoordde zijn vorst, om in diens plaats
op te treden, en stervend viel Darius III in handen van
Alexander, die het lijk te Persepolis in het grafgewelf der
koningen liet bijzetten.
-ocr page 414-
410
Alexander de Groote.
III.
Van au af beschouwde Alexander zich als koning van
Perzië, en omgaf hij zicli met den luister van eenOostersch
despoot. Hij wist aan zijn hofhouding aanzienlijke Per-
zen te verbinden, die meer slaafs voor hem bogen dan zijn
Macedonische veldheeren, en bij feestelijke gelegenhe-
den vertoonde hij zich in Perzische kleedcrdracht. Deze
handelwijze wekte ontevredenheid bij eerwaardige mannen,
die reeds zijn vader gediend hadden, thans nog de steun
waren des jeugdigen konings, en daarom voor dezen vrij-
moedig hun afkeurend oordeel uitspraken. Dit kwetste
Alexander. Hij verlangde zich van hen te ontslaan. Par-
menio en anderen werden de oftérs van zijn argwaan. Hij
liet hen door sluipmoord uit den weg ruimen. Nu zette hij
onder groote moeilijkheden, die het terreinheminden weg
legde, zijn tocht door Baktrië voort, om Bessus in handen te
krijgen. Deze werd door den satraap van Sogdiana verraden,
aan Alexander overgeleverd en volgens de uitspraak eener
Perzische rechtbank achtereenvolgens gestraft met het
afsnijden van neus en ooren, tepronkstellingen kruisiging.
Nadat Alexander de rivier Syr (Jaxartes), de noordelijk-
ste grens van Sogdiana en een der uiteinden van de bij
de Ouden bekende wereld had bereikt, keerde hij terug.
Gedurende de twee jaren, die hij aan deze tochten had
besteed, was hij meer en meer een Perzisch despoot gewor-
den. De Macedoniërs, die de Perzische kleeding, taal en
manieren aannamen, stonden bij hem in de hoogste gunst;
hij voerde in het Grieksch-Macedonisch leger de wreede
Perzische strafoefeningon in, en hij huwde met Rox&ne,
een Perzische, om hare schoonheid «de parel van het
Oosten" geheelen. Hierdoor stiet hij zijn beste veldheeren
en degelijkste raadslieden van zich af. Op een feest, waar-
bij volgens Macedonische gewoonte onmatig wijn werd ge-
-ocr page 415-
111
dronken, beweerden de vleiers des konings, dat deze hoo-
ger stond dan Herakles. Dit verdroot Kleitos, die Alexan-
ders leven bij den Granikos had gered, en deed hem zeg-
gen, dat Philippus, \'s konings vader, hooger stond dan Ale-
xander, daar deze slechts had voortgezet, wat gene was
begonnen. Toen Kleitos daarbij nog van Parmenio sprak,
kon Alexander zijn toorn niet meer bedwingen. Hij nam
een der lijfwachten de spiets uit de hand en stiet deze den
redder zijns levens door de borst met de woorden: «Volg
dan Philippus en Parmenio." Zoodra hij deze schanddaad
had gepleegd, gevoelde hij er het bitterste berouw over.
Met do verovering van het gohccle Perzische rijk was
Alexanders heerschzucht nog niet voldaan. Hij wilde zijn
gebied tot in Indië uitbreiden, dat aan de meer\'westwaarts
wonende volken slechts bij overlevering bekend was. Met
een leger, dat door hulptroepen uit de verschillende pro-
vinciën van het veroverde rijk versterkt was en 100,000
voetknechten en 15,000 ruiters telde, begon hij den tocht
langs den rechteroever van de rivier de Kaboel. Hier en
daar ontmoette hij een grooteren tegenstand, dan hij nog
ooit had ondervonden. Hij kwam voor de bcrgvesting Aor-
nos, die voor onneembaar werd gehouden. Juist daarom
achtte Alexander het van het hoogste belang haar te ver-
overen. Terwijl Alexander, wien slechts één weg om de
hoosmdeaen vesting te bereiken bekend was, over de
middelen peinsde om zijn doel te bereiken, werd een
grijsaard voor hem gebracht, die jarenlang in de nabijheid
had gewoond en zich aanbood eën pad te wijzen, waarlangs
men op de hoogte in de nabijheid der vesting kon komen.
Toen Alexanderlangs het aangewezen, moeilijke pad een groot
gedeelte van zijn krijgsmacht op de hoogte had gebracht,
zag hij zich van de vesting gescheiden door eeno bergkloof
van ruim 1000 schreden wijd. Toch besloot hij hier den
aanval te doen, omdat een bestorming van beneden afge-
slagen en onmogelijk gebleken was. Hij gaf aan zijn soldaten
bevel rotsblokken en boomstammen in de kloof te werpen
-ocr page 416-
412
ten einde er een dam door te leggen. Daar hij zelf de
handen aan liet werk sloeg, arbeidden de krijgslieden met
zulk een ijver, dat des avonds reeds een dam van HOO
schreden was voltooid. Te vergeefs trachtten de beleger-
den den voortgang te verhinderen. Weldra kon Alexander
de muren der vesting met zijn belegeringswerktuigen beu-
ken. Nu verloor de bezetting den moed. Zij zond Alexander
een heraut om hem aan te kondigen, dat zij zich den vol-
genden dae zou overgeven. Alexander doorzas terstond haar
plan om zich des nachts langs hem onbekende paden in vei-
ligheid te brengen. Hij hield zich echter, of hij niets bemerkte
en nam met de mededeeling genoegen. Gedurende den nacht
liet hij zijn troepen zich in alle stilte wapenen en overviel do
bezetting, die op het punt stond weg te trekken. Bijna alle be-
legerden werden nedergehouwen, slechts enkelen ontkwa-
men. Alexander liet in ditgewichtigpunt, datdenganschen
omtrek beheerschte een Macedonische bezetting achter on
spoedde voort naar den Indus. Toen hij don stroom wasover-
getrokken, bevond hij zicli in het land van koning Taxiles,
die hem als zijn heer erkende, on met den meesten luister
ontving. Terwijl Alexander in de residentie van Taxtles
de prachtigste feesten bijwoonde, kwamen nog andere
Indische vorsten hem hunne onderwerping aanbieden. Hij
bevestigde hen allen in het bewind hunner landen, doch
onder zijn opperheerschappij. Ten Oosten van het rijk
van Taxiles strekte zich het rijk van den grijzen koning
Porus uit. De beide vorsten waren elkander zeer vijandig
gezind. Om uitspraak te doen over een twist, die tusschen
hen was gerezen, zond Alexander een heraut naar Porus
met den eisch, dat deze hom aan de grenzen van zijn rijk
te gemoet zou komen. Porus antwoordde, dat hij daar
aan het hoofd van zijn leger te vinden zou zijn en riep
terstond al zijn bondgenooten met hunne krijgsmacht
te hulp.
Toen Alexander de Hidaspes, een der rivieren in de
Pendsjab, bereikte, zag hij den anderen oever bezet door
-ocr page 417-
413
het leger van Porus. Dit was zoo talrijk, dat hij het niet
waagde terstond den overtocht te beginnen. Door welbe-
rekende schijnaanvallen wist hij den vijand af te matten
en zorgeloos te maken, totdat hij er eindelijk in slaagde
op een verwijderd punt zijn leger ongedeerd over den
stroom te brengen. Zoodra Porus daarvan bericht had
ontvangen, trok hij Alexander te gemoet en stelde in een
ruime vlakte zijn goed uitgeruste troepen op, waarbij ecne
afdeeling behoorde van tweehonderd olifanten, die afge-
richt waren om onder den vijand een geduchte slachting
aan te brengen. De strijd werd geopend met een ruiter-
gevecht, waarbij nagenoeg al de strijdwagens der Indiërs
vernield werden. Porus liet daarop zijn olifanten voor-
uitrukken, die de Grieksche en Macedonische krijgers
vertrapten, met de slagtanden doorboorden of met den
snuit van den grond hieven en met kracht weder neder-
smakton. Alexanders troepen lieten zich daardoor echter
niet ontmoedigen. Zij doodden de kornaks en de tusschen
de olifanten geplaatste Indische soldaten, en brachten met
hunne speren zulke wonden toe aan de van hunne gelei-
ders beroofde dieren, dat dezen, woedend van pijn, zich
omkeerden en de gelederen van Porus in verwarring
brachten. Een poging van den Indischen vorst om de
kans te doen keeren mislukte, daar hij door oen pijl aan
den schouder werd gewond. Zijn leger sloeg op de vlucht.
Hij zelf werd gevangengenomen en tachtig olifanten vielen
den overwinnaar in handen. Toen de gevangen vorst voor
Alexander werd gebracht, vraagde deze hem, hoe hij be-
handeld wenschte te worden, waarop Porus antwoordde:
"Als een koning." Alexander voldeed aan zijn wensch.
Hij liet Porus zijn rijk behouden. Om zich van de opper-
heerschappij te verzekeren stichtte Alexander in de rijken
van Taxiles en Porus verschillende steden, waarin hij Ma-
cedonische bezetting legde. Aan eene dezer steden gaf
hij den naam Boekeph&la ter herinnering aan zijn strijd-
ros, dat in het laatste gevecht gedood was.
-ocr page 418-
414
Alexandor gedroeg zich zoo welwillend jegens Porus,
omdat hij nog verder oostwaarts wilde dringen ; maar nu
ontmoette hij een onverwachten tegenstand bij zijn leger.
Onverholen gaven de soldaten hun verlangen te kennen,
huiswaarts te keercn, en in een krijgsraad moest Alexan-
der hetzelfde van zijn veldheeren liooren. Hierover ver-
stoord antwoordde Alexander, dat hij geen Macedoniër zou
dwingen hem verder te volgen. Wie lust gevoelde, kon
vrouw en kinderen gaan opzoeken en tevens in \'t vader-
land berichten, dat hij zijn koning te midden van \'s vijands
land in den steek had gelaten. In de hoop dat deze woor-
den iets zouden uitwerken, sloot Alexander zich drie dagen
in zijn tent op, maar niemand vervoegde zich bij hem niet
de verzekering, zijn koning verder te willen volgen. Niet
willende buigen voor den wil des volks, gaf Alexander
daarop te kennen, dat hij besloten had de goden te laten
beslissen, of hij verder zou trekken of niet. Hij liet aan de
goden offeren en de tichelaars verklaarden, datdevoortee-
kenen ongunstig waren, waarop Alexander verzekerde aan
de goden te zullen gehoorzamen. Denzelfden weg verkoos
Alexander echter niet terug te gaan. Hij besloot eerst langs
den Indus en vervolgenslangsdezeekusttc trekken. Hiertoe
liet hij een vloot van 2000 schepen bouwen, waarmede
liij niet een gedeelte van het leger den Indus afvoer, terwijl
de andere troepen langs den oever volgden. Telkens wan-
neer hij door een onafhankelijk rijk kwam, Merden de
troepen ontscheept om het te onderwerpen. Bij die gele-
genheden legde Alexander de hem eigene wreedheid en
heldhaftigheid aan den dag. In het land der Malliërs, waar
het tegenwoordige Moeltan ligt, ondervond hij een heftigen
tegenstand. Hij de bestorming eenor vesting deinsden zijn
soldaten terug voor den hevigen pijlregen, die op hen werd
afgezonden. Alexander vloog met een ladder vooruit en
stond weldra door drie getrouwen gevolgd op den muur.
Opgewonden door zulk een voorbeeld, stormden zijn sol-
daten hem juichend achterna, maar de ladders braken onder-
-ocr page 419-
415
liet gewicht dor opeengepakte menigte. Daar stond Alexan-
der, kenbaar aan zijn schitterende wapenrusting en slechts
door liet drietal volgelingen omringd, aan de tallooze pijlen
der Malliërs blootgesteld. De Macedoniërs ziende, dat hij
in dien toestand verloren was, riepen hem toe den muur
te verlaten. Hij deed het, maar in plaats van naar de
zijnen te springen, sprong hij in de vesting. Hij plaatste
zich niet den rug tegen den muur, dekte zich niet zijn
schild en hieuw iederen vijand, die hem te na kwam, met
zijn zwaard neder. Zijn drie getrouwen sprongen, zoodra
zij hun koning daar zagen, hem na. Een hunner viel ter-
stond door een pijl doodelijk getroffen neder. Spoedig daar-
op doorboorde een pijl Alexanders pantser. Het bloed
stroomde uit zijn wond, en hij zonk bewusteloos neder.
Met moeite beschermden hem de twee overgeblevenen, tot
do Macedoniërs erin geslaagd waren den muur te beklim-
men, en nu werden allen, die zich in de vesting bevonden,
zelfs vrouwen en kindoren over de kling gejaagd.
Toen Alexander hersteld was, werd de tocht onder
herhaalde gevochten voortgezet. Aan don mond van den
Indus nam Alexander voor \'t eerst het aan de oevers der
Middellandsche Zee onbekende verschijnsel van eb en vloed
waar. Nearchos, den aanvoerder der vloot, gaf hij bevel
langs de kust naar Habvlon te varen, terwijl hij met het
landleger insgelijks nabij de kust zou blijven, opdat leger
en vloot steeds niet elkander in verbinding zouden staan.
De tocht, die nu volgde, was een niet eindigende reeks
van rampen en ellende. Daar leger noch vloot voor gerui-
men tijd van levensmiddelen waren voorzien, en men bijna
voortdurend door woeste stroken trok, loden schepelingen
en krijgslieden zulk een honger en dorst, dat menigmaal
orde en tucht verloren gingen. Toch wist Alexander al
die ellende te trotseeren en kwamen leger en vloot, of-
schoon niet zonder zware verliezen, na zestig dagen in
herbergzame oorden.
Toen Alexander in de residentie Suza was aangekomen,
-ocr page 420-
416
richtte hij zijn hofhouding geheel op Perzische n voet in.
Volgens Perzisch gebruik nam hij behalve Roxdne nog an-
dere gemalinnen. Jegens zijn veldheeren en Macedonische
krijgslieden betoonde hij zicli zeer mild. Hij betaalde al
hunne schulden, die gezamenlijk een verbazende som be-
droegen, en overlaadde ieder hunner, die met een Per-
zische vrouw huwde, naar zijn stand met rijke geschenken.
Terwijl Alexander zich in weelde baadde en de schit-
terendste feesten gaf, verloor hij zijn doel niet uit het oog.
Om o]) den duur niet afhankelijk te zijn van de Mace-
donièrs en Grieken, liet hij 30.000 Aziatische jongelingen
op Macedonische wijze wapenen en in den krijg oefenen,
en weldra kon hij een hoogeren toon aannemen tegen hen,
door wier moed en beleid hij erin geslaagd was zulk een
groot deel der wereld te veroveren.
Van Suza begaf Alexander zich naar Ekbatana, waarHe-
phaistion, de vriend van zijn jeugd, die hem steeds had verge-
zeld, aan de gevolgen van het ongebonden leven, dathijmet
zijn vriend leidde, overleed. Alexander was buiten zich zel-
ven van smart, en sedert werd hij telkens gekweld door
een sombere stemming, die hij door woeste drinkgelagen
zocht te verdrijven. Hij liet het lijk van Ilephaistion te
Babylon op een prachtigen brandstapel, welks samenstel-
ling millioenen Gld. had gekost, verbranden. Ondertusschen
was Alexander reeds weder begonnen met toeberoidselen
te maken voor een veldtocht naar Arabië, dat thans aan
de beurt lag om onder zijn heerschappij te worden ge-
bracht, maar tegelijkertijd gaf hij zich weder zoo teugelloos
aan zijn hartstocht tot zwelgerij over, dat ook zijn krach-
tig gestel eronder bezweek. Na op een feest een groote
drinkschaal, den beker van Herakles genoemd, in één
teug geledigd te hebben, stortte hij plotseling kermend
van pijn neder. Hij werd op zijn legerstede gebracht, die
hij niet meer verliet. Weinige dagen later had hij den
geest gegeven.
-ocr page 421-
417
Alexandrië.
Met Alexanders dood stortte het wereldrijk, dat hij ge-
sticht had, plotseling ineen. Er ontstond een onbeschrij-
felijke verwarring, daar de verschillende veldheeren elkan-
der bestreden, om ieder voor zich het grootst mogelijke
deel van Alexanders heerschappij machtig te worden. Ook
de Grieken deden nog een poging om zich aan de Mace-
donische opperheerschappij te onttrekken. "Weder stond
Athene aan het hoofd der onderneming, maar de kracht
der Grieken was gebroken. Demosthënes, op wien de Ma-
cedoniërs sedert lang gebeten waren, moest voor hen naar
Kalauria, bij de kust van Argölis, vluchten. Toen hij hier
achterhaald werd door eenige Macedonische krijgslieden,
onder aanvoering van Archïas, een voormalig tooneelspeler,
zocht hij een schuilplaats bij het altaar in den tempel van
Poseidon. Archias zocht hem met welwillende woorden
van daar te verwijderen, waarop Demosthënes hem toe-
voegde: "Archias! gij hebt mij nooit op het tooneel kun-
nen bedriegen, en nu gij mij zulk een blijde boodschap
brengt, zal het u ook niet gelukken." Nu dreigde Archias
geweld te gebruiken, waarop Demosthënes antwoordde:
"Thans zijt gij in uw rol. Natuurlijk moet ik u volgen,
maar gun mij een oogenblik tijd, opdat ik nog een enkel
woord aan de mijnen schrijve." Hij nam zijn schrijftafeltje
en stak de schrijfstift in den mond, gelijk zijn gewoonte
was, wanneer hij bedacht, wat hij zou schrijven. Het lot,
dat hem wachtte, had hij voorzien, en daar hij het schande
achtte, levend in de handen der Macedoniërs te vallen,
droeg hij een met vergift gevulde schrijfstift bij zich.
Toen hij het vergift ingenomen had, omhulde hij het hoofd.
De soldaten, meenende, dat dit een teeken van vrees was,
lachten hem uit. Archias moedigde hem aan mede te gaan,
door de verzekering, dat er met zachtheid over hem ge-
oordeeld zou worden. Toen Demosthënes de werking van
27
-ocr page 422-
418
liet vergift voelde, riep hij Archias toe: »Een heerlijke
toevlucht is de dood, hij bewaart voor schande; thans
kunt gij mijn lijk buiten den tempel laten werpen." Daarop
zonk hij in elkander en stierf.
Tc midden van al de beroeringen en oorlogen, die de
toenmaals bekende wereld teisterden, gelukte het Ptole-
niëus, een halfbroeder van Alexander, zijn heerschappij
in Egypte te vestigen. Bij het beleg van Rhodus had hij
zich zoo welwillend jegens de inwoners gedragen, dat dezen
hem uit dankbaarheid goddelijke eer bewezen en den bij-
naam Soter, redder, gaven. Hij verstond uitmuntend de
kunst zich de volksgunst te verwerven en slaagde er daar-
door in, de Grieksche zeden met de Egyptische te doen
samenvloeien. Zijn zetel vestigde hij te Alcxandrië, dat
door de goede zorgen van hem en zijn opvolgers, die
allen evenals hij den naam Ptolemëus droegen, gedurende
een paar eeuwen het middelpunt van de beschaving der
wereld werd. Ptolemëus Soter breidde de grenzen van zijn
gebied uit. Toen hij Jeruzalem had veroverd, zond hij
100,000 Joden naar Egypte, die er een uitstekende
behandeling ondervonden. Zijn zoon Ptolemëus Pliila-
dëlphus kocht ongeveer 200,000 Joden, die aan Egyp-
lenaren behoorden, vrij, en schonk hun dezelfde voor-
rechten, die de Grieken genoten. Zij kregen den naam van
Grieksche Joden, omdat zij zich van de Grieksche taal gin-
gen bedienen. Het zachte bestuur der Ptolemeussen deed
liet aantal Grieken en Syriërs, die zich in Egypte kwa-
men vestigen, voortdurend toenemen. De bevolking van
Alcxandrië bestond daardoor uit Egyptenaren, Griekenen
Joden. De samenwerking dezer verschillende nationalitei-
ten was beslissend voor de latere beschaving.
Grieksche bouwkundigen maakten Alcxandrië tot de
schoonste stad dor aarde. Zij prijkte met prachtige tem-
pels, paleizen en schouwburgen. In het midden der stad,
daar waar de twee hoofdstraten elkander rechthoekig sne-
den, verhief zich het praalgraf van Alexander. Men had
-ocr page 423-
419
zijn lijk mot oen plechtigon stoet uit Babvlon ]atcn komen,
het op Egyptische wijze laten balsemen en toen in een
marmeren kist gelegd. Eerst had men er eone gouden
kist voor vervaardigd, maar uit vrees, dat deze zoozeer de
hebzucht zou kunnen opwekken, dat het graf geschonden
werd, liet men haar ongebruikt.
In het belang van de scheepvaart liet Ptolemeus een
vuurtoren bouwen, die tot een der zeven wonderen van
de wereld werd gerekend. Voor de grootste haven van
Alexandrië lag het eiland Pharus, dat Ptolemeus door een
dam van rotsblokken van 15 minuten gaans met de kust
liet verbinden. Op dit eiland werd op een rots de vuur-
toren van marmer zoo hoog opgetrokken, dat de zeelieden
het licht, volgens het verhaal, op een afstand van zeven
mijlen konden zien. De vuurtoren, wiens hoogte naar men
schat, 180 M. bedroeg, heeft tot in het begin der veertien-
de eeuw bestaan. Tot de overige zeven wonderen worden
gerekend : 1. De pvramidcn. — 2. De muren en 3. de
hangende tuinen van Babvlon. — 4. De kolossus van
Rhodus, een van metaal gegoten menschenbeeld, dat on-
geveer 50 M. hoog, in het jaar 280 v. G. voltooid, en aan
den nationalen Khodischen zonnegod gewijd was. Reeds
in 224 v. G. werd de kolossus met een groot gedeelte der
stad door een vreeselijke aardbeving verwoest. Op grond
van een godspraak werd het beeld niet hersteld en bleven
de stukken ervan liggen, totdat ze in het jaar 072 n. G,
door den Mohammedaanschen veldheer Moawïa, die het
eiland veroverde, aan een Jood werden verkocht. Men zegt,
dat deze, om ze te vervoeren 900 kameelen noodig had.
— 5. Het mausoleum, dat Artemisia, de koningin van
Karië, een rijk in het Z. "W van Klein-Azië, voor haar
overleden gemaal Mausölus, 350 v. C, liet oprichten. Het
had een hoogte van ruim 30 M. en een omtrek van on-
geveer 45 M. Op het vierkante onderstuk verhief zich een
afgeknotte pvramide van 24 treden, op welker plat zich
oen prachtig gebeeldhouwde quadriga, een wagen, ge-
-ocr page 424-
420
trokken door vier naast elkander gespannen paarden, be-
vond. Het geheel was omgeven door 3(> sierlijke zuilen.
— 6. De tempel van Arte-mis (Diana) te Ephëze. Hij was
140 M. lang, 65 M. breed en versierd met 127zuilen van
20 M. hoogte. Nog schooner dan het gebouw waren de
standbeelden en schilderijen, die er zich in bevonden. In
don nacht, dat Aloxandcr de Groote werd geboren, stak
zekere Herostrdtos don tempel in brand, om door die daad
zijn naam te vereeuwigen. Ofschoon het terstond verboden
werd zijn naam te noemen, om zijndoel te doen mislukken,
werd het maar al te goed bereikt. De Epheziërs herbouw-
den hun tempel nog schooner dan hij geweest was : zelfs
vrouwen stonden daartoe haar sieraden af. De nieuwe tem-
pel werd door keizer Nero van zijn schatten beroofd en
in 262 n. C. door de Gothen geplunderd en vernield.
Toen Ptolemeus Soter nog bij zijn leven zijn geliefden
zoon Ptolemeus Philadelphus tot koning liet kronen, wer-
den feesten gehouden, diealleswat van dien aard ooit gezien
was, in pracht en luister overtroffen. Openbare spelen, in
navolging van de Olumpische, wisselden met optochten af,
die de aandacht trokken door de aanwezigheid van een
groot aantal vreemde dieren en kunstige automaten. Een
dezer stelde eene vrouw voor van 4 Meter lengte, die, ge-
zeten op een wagen, van tijd tot tijd opstond en melk uit
een gouden schaal goot. Op een anderen wagen zag men
een mot klimop begroeide grot, waaruit melk en wijn op-
borrelden. Als de rots zich van tijd tot tijd opende, vlogen
er duiven uit.
Het belangrijkste echter, dat Alexandrië aanbood, was
het museum. Het werd gesticht door Ptolemeus Soter on
voltooid door Ptolemeus Philadelphus. Het gebouw was
opgetrokken van marmer, gelegen in de nabijheid van het
koninklijk paleis, en omgeven door galerijen. In de rijk
gebeeldhouwde zalen, werden oen groote menigte schil-
derijen en beeldhouwwerken on ongeveer 400,000 boek-
rollen bijeengebracht. Toen het gebouw niets meer kon
-ocr page 425-
o
-ocr page 426-
-ocr page 427-
423
bevatten, werden nog 300,000 boekrollen in het Serapëum,
den aan Serapis gewijden tempel, geplaatst. De opperste
bibliothecaris had in last alle bestaande boeken, in welke
taal ook, te koopen, maar dewijl sommige eigenaars hunne
boeken niet wilden verkoopon, waren er een menigte af-
schrijvers aan liet museum verbonden. Ieder boek, dat in
Egypte werd ingevoerd, en niet op het museum voorhan-
den was, moest er worden heengezonden. Daar werd er
dan een nauwkeurig afschrift van gemaakt, dat den eige-
naar ter hand werd gesteld, terwijl liet oorspronkelijke op
liet museum bleef.
Om de wetenschap verder te brongen. werden aan liet
museum een zeker aantal geleerden verbonden, die op \'sko-
nings kosten gehuisvest en onderhouden werden. Voorde
beoefening der natuurlijke historie was er bij het museum
een dieren- en een plantentuin. Ook vond men er een
observatorium voor sterrenkundige waarnemingen, en voor
de geneeskunde een zaal ter bereiding van geneesmiddelen
en, ondanks het vooroordeel der Egyptenaron, een ont-
leedkamer, waar niet slechts onderzoekingen werden ge-
daan op lijken, maar zelfs op levende lichamen van ter dood
veroordeelden.
Eindelijk werd aan het museum voor ieder de gelegen-
heid opengesteld 0111 zijn kennis te vermeerderen, daar er
voorlezingen en besprekingen werden gehouden over alle
takken van wetenschap en letterkunde. Uit alle landen
kwamen daarom leergierige personen naar Alexandrië om
hunne studiën voort te zetten.
-ocr page 428-
DE ROMEINEN.
Romulus.
Van de oudste geschiedenis van Rome is ons weinig niet
zekerheid bekend. De waarheid is door de nakomeling-
schap zoozeer naar haar geliefkoosde denkbeelden verwron-
gen, dat het meestal niet meer mogelijk is uit de overge-
leverde verhalen de ware toedracht der gebeurtenissen op
te maken. Het is waar, dat de Grieken en Romeinen van
één oorsprong zijn, maar de wijze, waarop de Romeinen
dit aanduidden, o.a. door het verhaal, dat Aineias, een
zoon van den Trojaanschen koning Priamos, zich in Latiuni
zou hebben gevestigd, moet verworpen worden. Evenals
zooveel andere volken verhaalden de Romeinen, dat hunne
koningen regelrecht van de goden afstamden. Roinülus en
Romus heetten zonen te zijn vanden krijgsgod Mars en Rhea
Silvia, de dochter van een afstammeling van Aineias, Nu-
mitor geheeten, die over Alba Longa moest regeeren, maar
door zijn jongeren broeder Amulius van den troon was go-
stooton, doch in \'t leven gespaard. Toen Amulius de geboorte
van de tweelingbroeders Romulus en Reinus vernam, liet
hij Rhea Silvia, die als Vcstaalsche maagd met het onder-
houden van het heilige vuur in den tempel van Vesta belast
was, en daarom niet had mogen huwen, ter dood brengen
en hare beide kinderen in een trog in den Tiber plaatsen.
De rivier was juist buiten haar oevers getreden, de trog
werd tegengehouden door de wortels van een wilden vijge-
boom, en toen het water viel, naderde een dorstige wolvin
-ocr page 429-
425
den trog. In plaats van den kinderen leed aan te doen, zorgde
zij voor hen als een moeder. Toen de behoeften der
kleinen grooter werden, bracht een specht, de aan hun
vader Mars gewijde vogel, hun voedsel, en eindelijk wer-
den zij gevonden door een herder der kudden van Amulius,
Faustülus geheeten, die hen medenam. Acca Laurontia,
\'s herders vrouw, voedde Romulus en Remus bij haar twaalf
zonen op, tot zij in staat waren hun pleegvader in het be-
waken der kudden bij te staan. Zij muntten weldra boven
andere herders in kracht en vermetelheid uit, werden
daardoor overmoedig en waagden niet zelden een stroop-
tocht ten nadeelo van de herders van Numitor. Dezen
wisten Remus door list gevangen te nemen en brachten
hem voor hun heer, die in den jongeling de gelaatstrekken
zijner dochter herkende en daardoor tot de ontdekking
kwam, dat Romulus en Remus zijn kleinzonen waren.
Terstond besloten dezen het onrecht, hun grootvader aan-
gedaan, te wreken. Zij doodden Ainulius, en toen Numitor
den troon weder had beklommen, schonk hij hun een groot
stuk lands aan den Tiber, waar zij met hunne vroegere
makkers een stad gingen bouwen op [den Palatijnschen
berg, nabij de plaats, waar de wolvin hen had gevonden.
Nauwelijks was aan dit plan een begin van uitvoering ge-
geven, of de beide broeders kregen twist over de vraag,
naar wien hunner do stad zou worden genoemd. Zij be-
sloten de goden te laten beslissen. Ieder hunner plaatste
zich op een heuvel om een teeken af te wachten. Daar zag
Remus zes gieren naar zich toevliegen, maar oogcnblikke-
lijk daarna zag Romulus er twaalf. Nu ontstond een nieuwe
twist over de vraag, wie het hoofd der stad moest zijn,
Remus, die het eerst, of Romulus, die de meeste gieren
had gezien. Ook hunne makkers waren het er niet over
eens. Het kwam tot een strijd. De partij van Remus werd
overwonnen, en Romulus als koning der nieuwe stad, die
nu don naam Rome ontving, erkend. Naar oud gebruik
trok Romulus met een ploeg, die met een witten stier en
-ocr page 430-
426
oen witte koe was bespannen, een voor om de plaats aan
te duiden, waar de stadsmuur moest verrijzen. Deze had
aanvankelijk een zoo geringe hoogte, dat een vlug man
er overheen kon springen. Remus deed het eens om zijn
broeder te beschimpen, waarop deze in toorn ontstak en
hem doodde.
Om de bevolking te doen toenemen stelde Romulus zijn
stad open voor alle ballingen en weggeloopen misdadigers
en slaven zijner naburen. Te vergeefs zocht hij met de
omringende volken verdragen te sluiten, opdat dezenhunne
dochters aan zijn onderdanen tot vrouwen zouden geven.
Wat hem op zijn verzoek werd geweigerd, wist hij door
list en het schenden van de heilige wetten der gastvrijheid
te verkrijgen. Hij liet de naburige volken uitnoodigen
tegenwoordig te zijn bij de wedspelen, die de Romeinen
eerlang ter ecre van Neptunus zouden houden. Velen
kwamen in gezelschap van hunne vrouwen en dochters,
maar terwijl de spelen in vollen gang waren, stoven de
Romeinen op een gegeven teeken op do toeschouwers in
en roofden ieder een meisje.
Verontwaardigd over deze handelswijze besloten de
omliggende volken wraak te nemen. Zij deden echter geen
gemeenschappclijkcn aanval en daardoor kon Romulus
hun aanvankelijk met goed gevolg het hoofd bieden. In
een overwinning, die hij op de inwoners van de Latijnsche
stad Gaenïna behaalde, doodde hij eigenhandig den vijan-
delijken bevelhebber. Hij ontnam hem zijn wapenrusting
en plaatste haar als den besten buit, spolia opima, in
den tempel van Jupiter, op den Capitolijnschen berg. In
de Romeinsche geschiedenis komt het driemaal voor, dat
de aanvoerder de spolia opima te Rome brengt.
Zwaarder strijd had Romulus met de Sabijnen, die zich
eerst goed ten strijde gerust en met bondgenooten versterkt
hadden, eer zij tot den aanval overgingen. Hun koning
Titus Tatius wist de versterking op den Capitolijnschen berg
in handen te krijgen door Tarpëja. de schoono dochter van
-ocr page 431-
427
den bevelhebber, om te koopcn. Tot straf voor baar verraad
werden zulk een menigte gouden sieraden op haar geworpen,
dat zij het bestierf. >"og leeft deze sage onder de Romeinen
voort, door de jonkvrouw voor te stellen als geketend op
den bodem eener diepe bron, en overdekt met gouden ver-
sierselen. Met alle macht zocht Romulus de verloren sterkte
te heroveren, maar do Sabijnen hielden goed stand. De
strijd werd heviger, toen onverwachts de echtgenooten der
Romeinen zich tusschen de strijdenden wierpen met de
Romulus en Tatius.
bede, het gevecht te staken, dat haar onvermijdelijk tot
weduwen en wezen zou maken. Deze tusschenkomst had
de gewenschte uitwerking. De beide volken besloten voort-
aan één staat te vormen. De Sabijnen vestigden zich op
den Gapitolijnschen en den Quirinaalschen berg onder het
bestuur van Titius Tatius; maar toen deze eenige jaren
later vermoord was, erkenden zij ook Romulus tot hun
koning, die voortging zijn leven in oorlogen door te bren-
gen en na zijn overlijden onder den naam van Quirinus als
god werd vereerd.
-ocr page 432-
428
Numa Pompilius. Tullus Hostilius.
Ancus Martius.
Na den dood van Romulus ontstond er een groote twist
over liet verkiezen van een nieuwen koning. Eindelijk
werd bij overeenkomst bepaald, dat do Romeinen iemand
Numa Pompilius bij Egcria.
uit de Sabijnen tot koning zouden kiezen. De keus viel op
den om zijn wijsheid alom geachten Numa Pompilius, die
raadgevingen ontving van de nimf Egeria, welke hij van
tijd tot tijd met dat doel in een heilig bosch bezocht. Om
aan zijn onderdanen liet gerust bezit hunner akkers te ver-
zekeren, vaardigde hij een wet uit, waarbij ieder, die do
-ocr page 433-
429
grenssteenen, waardoor de uitgestrektheid van liet grond-
bezit der landeigenaars werd aangewezen, verplaatste,
vogelvrij werd verklaard. Om de herinnering aan deze
wet levendig te houden, voerde hij het jaarlijks wederkee-
rende feest der grenssteenen, de Therminalia, in, dat met
onbloedige offers werd gevierd. Nog schrijft de overleve-
ring hein toe, voor den zonnegod Janus, die met twee
aangezichten werd voorgesteld, een tempel te hebben ge-
sticht, die gedurende den oorlog geopend en gedurende den
vrede gesloten was. Dit laatste had plaats tijdens de lang-
durige regeering van Numa Pompilius en daarna nog
slechts tweemaal voor korten tijd; na den eersten Puni-
schen oorlog en tijdens de regeering van keizer Augustus.
Tullus Hostilius, een Romein, werd na den dood van
Numa Pompilius tot koning gekozen. Hij was even strijd-
lustig als Romulus was geweest, en geraakte spoedig in
oorlog met Alba Longa. Volgens de legende zond Mettus
Fufetius, de aanvoerder der Albanen, zoodra de beide
legers elkander genaderd waren, een heraut naar Tullus
Hostilius om hem tot een mondgesprek uit te noodigen. De
Romeinsche koning voldeed aan het verzoek, en toen
maakte Mettius Fufetius hem opmerkzaam op de Etruscen,
die, sterk te land en ter zee, niets liever zouden zien dan
dat de Latijnsche volken elkander door onderlinge oorlogen
verzwakten, om hen dan gemakkelijk te kunnen onder-
werpen. Men kwam daarop overeen geen slag te leveren,
maar door een kleinen kampstrijcl te beslechten, welk der
beide volken over het andere zou heerschen. Nu bevon-
den zich in het Romeinsche leger drielingbroeders, do Ho-
ratiërs, terwijl drie zonen van de zuster hunner moeder,
de Curiatiërs, insgelijks drielingen, in \'t Albaansche leger
dienden. Ofschoon de Horatiërs en de Curiatiërs bloedver-
wanten waren, en een der Curiatiërs, met de zuster der
Horatiërs verloofd was, werd er besloten hen den strijd te
laten uitmaken. In \'t gezicht der beide legers had het ge-
vecht plaats. Rij den eersten aanval stortten twee Hora-
-ocr page 434-
430
tiërs doodelijk gowoad neder, maar de Curiatiërs waren
alle drie gewond. De overgebleven Horatiër had nog
geen letsel bekomen, maar hij voorzag geen goeden
uitslag van oen strijd tegen drie tegenstanders te gelijk. Hij
nam daarom schijnbaar de vlucht en do Curiatiërs zetten
hem oogenblikkelijk achterna. Op dit gezicht stegen de
juiehtonen op uit het leger der Albanen, die zich reeds
van do overwinning verzekerd hielden, terwijl uit de ge-
lederen der Romeinen verwenschingen werden geuit tegen
don lafaard, die voor den vijand week. Maar eensklaps
hield de vluchteling stand. Zijn doel was bereikt. De
Curiatiërs, die in verschillende mate gewond waren, had-
don hom niet met gelijke snelheid kunnen volgen, en nu
zij verstrooid waren, werden zij achtereenvolgens doorhem
gedood. De Albanen erkenden do heerschappij der Romei-
nen en trokken huiswaarts, terwijl de Romeinen den over-
winnaar in triomf naar Rome geleidden, de wapenrustin-
gen der verslagen Curiatiërs voor hem uitdragende. Toen
men de stad binnentrok, bevond zich de zuster van Hora-
tius aan de poort. Zij zag den bebloeden, door haar zelve
geweven wapenrok van haar verloofde on brak daarover in
luide jammerklachten uit. Horatius, wien zulks te midden
van de eerbewijzingen, die hij ontving, een wanklank in
de ooron was, geraakte daardoor in zulk een drift, dat
hij liet zwaard togen zijn zustor ophief en haar doodde,
uitroepende: «Zoo mogo het iedere Romeinsche jonkvrouw
vergaan, die ooit om oen vijand treurt." Na dezedaad ver-
stomde het gejubel des volks. Do pas verheerlijkte over-
winnaar werd voor den rechterstoel des konings gebracht.
Deze verlangde dat het volk uitspraak zou doen. Nu ver-
hief de vader van Horatius zijn stom. Hij smeekte, dat
men hem niet van den laatste zijner kinderen zou beroo-
ven, en men spaarde den misdadiger hot leven. Tot ver-
zoening echter van den zustermoord moest Horatius met
gesluierd hoofd onder hot juk, een als galg opgerichten
dwarsbalk, doorgaan. Deze vernederende straf word later
-ocr page 435-
431
meermalen toegepast op vijanden, die zicli hadden overge-
geven, de balken, dio men daarbij gebruikte, droegen den
naam van zusterbalken.
Tijdens do regeering van Tullus Hostilius, die steeds
voortging oorlog te voeren, werd de bevolking van Rome
met die van Alba Longa, dat verwoest werd, vermeerderd.
Zijn opvolger was Ancus Martius, een kleinzoon van Nu-
ma Pompilius. Ondanks zijn vreedzamen aard, kon tijdens
zijn regeering de Janustempcl niet worden gesloten. Hij
onderwierp do bevolking, die tusschen Rome en de zee
woonde, en stichtte aan den mond van den Tiber de ha-
venstad Ostia, waardoor Rome voor den zeehandel werd
geopend. Terwijl Rome op den oostelijken of linkeroever
van den Tiber was gelegen, liet hij op den anderen oever
den berg Janiculus versterken, en dezen door een houten
brug met het eigenlijke Rome verbinden.
Tarquinius Priscus. Servius Tullius.
Tarquinius Superbus.
Toen Ancus Martius regeerde, had zich een rijk man
uit Etrurië, Lucümo geheoten, in Rome gevestigd en zoo-
zeer do algemeene gunst verworven, dat do koning hem
tot voogd over zijn zonen aanstelde en het volk hem na
diens dood tot opvolger benoemde. Hij veranderde zijn
naam in dien van Lucius Tarquinius en kreeg later den
bijnaam Priscus, den Ouden. Aan dezen koning worden
door de overlevering reusachtige bouwwerken toegesehre-
ven, zooals de grootc tempel van Jupiter op den Capito-
lijnschen berg, het forum, do markt, in het dal tusschen
genoemden berg en den Palatijnschcn, en decloacae, reus-
achtige riolen om de verschillende deelen der stad van hel
overtollige water te ontlasten. Het zijn ruime gewelven
van zware, grootc op elkander gestapelde steenen, die tot
op dezen dag, dus ruim twee duizend jaren, weerstand
hebben geboden aan den tijd en de aardbevingen.
Tanaquil, de gemalin van Tarquinius Priscus, dio bekend
-ocr page 436-
432
stond als waarzegster, had zich het lot aangetrokken van
■den zoon van een harer slavinnen, omdat kort na zijn
geboorte een lichtkrans om zijn hoofd was waargenomen,
en zij daaruit had afgeleid, dat de goden dit kind tot iets
groots hadden bestemd. Het kind, dat den naam Servius
Tullius ontving, verwierf later zoozeer het vertrouwen
van Tanjuinius Priscus, dat deze hem zijn dochter tot
vrouw gaf en hem tot zijn opvolger bestemde. De zonen
van Ancus Martius echter, die hun vroegeren voogd steeds
beschouwd hadden als den man, die hun den troon had
ontroofd, wilden een poging wagen zich er meester van te
maken, toen Tarquinius Priscus reeds een tachtigjarig
grijsaard was geworden. Met dit doel zochten zij uit hunne
herders twee personen, die voor niets terugdeinsden. Dit
tweetal begaf zich, schijnbaar in een hevigen twist gewik-
keld, tot voor het paleis des konings. Het misbaar, dat
zij maakten, wekte de aandacht van \'s konings dienaars,
die hen toelieten zich naar Tarquinius Priscus te begeven,
omdat zij eischten, dat deze in hun geschil uitspraak zou
doen. Toen zij voor den koning gekomen waren, spraken
zij gelijktijdig met zooveel drift, dat hij een hunner het
stilzwijgen oplegde om eerst den ander en daarna hem te
kunnen aanhooren. Terwijl nu de koning al zijn aandacht
wijdde aan den spreker, bracht de andore horder hem een
doodelijke wonde in het achterhoofd toe. De booswichten
slaagden erin te ontkomen, maar zij, die hen afgezonden
hadden, bereikten hun doel niet. Tanaquil zorgde, dat
het lichaam van haar gemaal terstond op het bed werd
gelegd, liet er niemand bij, onder voorgeven, dat volstrekte
rust noodig was, en verkondigde aan het volk, dat de
koning, ofschoon gewond, voorzeker zou herstellen en ge-
durende den tijd, dat hij zich van de leiding der zaken
moest onthouden, aan Servius Tullius had opgedragen hem
te vervangen. Van nu af verscheen deze in het koninklijk
gewaad, sprak hij recht, en stelde hij zich bij sommige
zaken aan, alsof hij \'s konings wil moest vernemen, eer hij
-ocr page 437-
433
een uitspraak kon doen. Tarquinius Priscus was onder-
tussclien reeds lang gestorven en eerst toen Servius Tullius
zich genoegzaam bevestigd achtte in de koninklijke waar-
digheid, werd dit aan \'t volk medegedeeld.
Evenals zijn voorganger was Servius Tullius voortdu-
rend in oorlog met de omringende volken. Aan hem wordt
het ontwerpen eener staatsregeling toegeschreven, die eerst
na den dood zijns opvolgers met eenige noodzakelijke wij-
zigingen werd ingevoerd, alsmede het bouwen van den
grooten uit zware steenblokken opgetrokken ringmuur,
die de zeven heuvelen, waarop Rome nu gebouwd was,
omgaf.
De vrije Romeinen droegen dikwijls drie namen. Eerst
den eigennaam, dan den naam van hun geslacht en daar-
achter somtijds nog dien eener bizondcrc familie van het
geslacht. De dochters van een Romein droegen allen den-
zelfden, aan het geslacht, waartoe zij behoorden, ontleen-
den naam. Waren er twee dochters, dan werden zij onder-
scheiden door de bijvoeging oudere en jongere; waren er
meer, door de bijvoeging eerste, tweede, derde, enz.
Servius Tullius had twee dochters. Tullia do oudere,
heerschzuchtig en wreed van aard, huwde hij uit aan
Aruns Tarquinius, den zachtaardigen jongsten zoon van
Tarquinius Priscus, terwijl hij aan diens oudsten zoon,
den trotschen Lucius Tarquinius, zijn stille, welwillende
dochter Tullia de jongere tot echtgenoote gaf. Tullia de
oudere wist Lucius Tarquinius tot de misdaad over te
halen om hunne echtgenooten, bij wie zij zoo weinig
pasten, van kant te maken en daarna samen een huwelijk
aan te gaan. Toen dit geschied was, wist het snoode
echtpaar zich een aanhang te verwerven onder de aanzien-
lijken, die reeds misnoegd waren over de door Servius
Tullius ontworpen staatsregeling, en toen Tarquinius
zeker van zijn zaak meende te zijn, plaatste hij zich eens
op den koninklijken zetel, omringd door de hem getrou-
we aanzienlijken. Servius Tullius, hiervan onderricht,
28
-ocr page 438-
434
begaf zicli onmiddellijk naar de vergaderzaal on vraagde
zijn schoonzoon rekenschap van deze onroerige daad.
Tarquinius gaf hierop niet alleen een bcleedigend ant-
woord, maar gaf den koning een dmv, zoodat deze van
eenige trappen viel en het bestierf. Zoodra Tullia de
oudere bericht had ontvangen van het gebeurde, zoo ver-
haalt de overlevering verder, zette zij zich in haar wagen
om een der eersten te zijn, die haar man als koning be-
groetten. Toen de wagenmenner het lijk van Servius
Tullius zag, hield hij de paarden in, waarop Tullia bevel
gaf door te rijden, zonder het lijk haars vaders te ontzien.
Tarquinius regeerde als een dwingeland en kreeg den
bijnaam van Stipcrbus, den Trotschen. In zijn oorlogen
was hij voorspoedig. Van Gabii maakte hij zich, volgens
de overlegering, door list meester. Zijn zoon Sextus begaf
zich als vluchteling naar die stad, welke Tarquinius sedert
geruimen tijd vruchteloos belegerde, en gaf voor, dat zijn
vader hem naar het leven stond. Volgens afspraak deed
Sextus eenige uitvallen, waarin hij de Romeinen telkens
terugdreef. Toen hij hierdoor het algemeen vertrouwen
der burgers had verworven, zond hij een vertrouwden bode
naar Tarquinius om dezen te vragen, wat hem nu te doen
stond. In plaats van te antwoorden nam Tarquinius den
bode met zich naar een veld, waarop maankoppen groei-
den, en sloeg met zijn stok iederen maankop, die ver bo-
ven de anderen uitstak, af. De bode begreep er niets van
mi bracht Sextus het bericht, dat de koning hem waan-
zinnig toescheen. Sextus zag echter duidelijk in, wat zijn
vader bedoelde. Hij liet de uitstekendste burgers van Gabii
van kant maken en dwong daardoor de stad tot overgave.
Ondanks al de veroveringen, die Tarquinius maakte, en
den luister, waarmede hij zich door den grooten buit,
dien hij behaalde, omringde, was hij algemeen gehaat om
zijn dwingelandij. Hij liet een zijner zwagers en een van
diens zonen vermoorden om zich van hunne rijke bezittin-
gen meester te maken. Lucius Junius, een anderen zoon
-ocr page 439-
435
zijns zwagers, liet hij in loven, omdat die zich onnoozel
hield, een toestand, die steeds met verschooning werd be-
handeld en hem den bijnaam van Brntus (Domme) ver-
schafte.
Eens belegerde Tarquinius de sterke stad Ardea in
Latium, toen bij een drinkgelag, dat zijn bloedverwanten
met andere aanvoerders hielden, het gesprek kwam op
hunne echtgenooten. Ieder roemde de zijne als de voor-
treffelijkste, en daar men het niet eens kon worden, stelde
Lucius Tarquinius Collatïnus voor, aan den twist een einde
te maken door te paard te stijgen en te gaan zien, waar-
mede de vrouwen zich bezighielden. Het voorstel werd
aangenomen en men vond de vrouwen te Rome in vroolijk
gezelschap aan een Avclvoorzienen disch. Toen reed men
naar Collatia, waar Lucretia, de gade van Collatinus
woonde, en deze vond men te midden harer slavinnen bezig
met wol te spinnen. Haar werd de ecreprijs toegekend, en
men keerde naar de legerplaats terug. Eenige dagen later
begaf Sextus, die bij het vorige bezoek tegenwoordig was
geweest, zich naar Lucretia terug en beleedigde haar op
de schandelijkste wijze. Zoodra Sextus haar had verlaten,
zond zij een bode naar haar vader en haar echtgenoot met
liet verzoek, terstond bij haar te komen en ieder een ver-
trouwd vriend mede te brengen. Toen aan haar verzoek vol-
daan was, en zij het gebeurde had medegedeeld, verklaarde
zij de haar aangedane schande niet te willen overleven, en stiet
zij zich een dolk, dien zij onder hare kleederen verborgen
had gehouden, in het hart. Brutus, die Collatinus verge-
zelde, trok hel bebloede moordtuig uit de wond en het in
de hand houdende, zwoer hij een duren eed, dat hij van nu
af Tarquinius of een der zijnen niet langer als koning zou
dulden. De overigen volgden zijn voorbeeld. Het lijk van
Lucretia werd naar Rome gevoerd, en op het forum ten-
toongesteld. Met verbazing hoorde daar het volk, hoe Brutus,
die door ieder voor een idioot was gehouden, een treffen-
de redevoering hield ter verdrijving van Tarquinius. Zijn
-ocr page 440-
436
opwekking om de wapenen op te vatten tor verdrijving
van den tiran, werd met luide bijvalskrotcn begroet en ter-
stond verklaarde een volksbesluit, dat Tarquinius afgezet
en met de zijnen voor altijd uit Rome verbannen was. Nu
vertoonde zich Brutus aan bet hoofd eener menigte gewa-
penden in het leger, dat zich ook tegen den koning ver-
klaarde, die zich oogenblikkelijk naar Rome begaf, doch
smadelijk terug werd gewezen.
Volgens do overlevering werd na het verdrijven van
Tarquinius terstond een nieuwe staatsregeling ingevoerd,
waarbij de macht des konings bijna geheel werd opgedra-
gen aan twee voor één jaar gekozen consuls. De eerste
twee zouden dan geweest zijn Brutus en Gollatinus.
Tarquinius verzocht gezanten naar Rome te mogen zen-
den, om zich bij het volk te verdedigen en zijn eigendom
terug te vorderen. Ondanks het verzet van Brutus word
het laatste gedeelte van Tarquinius\' verzoek toegestaan, en
nu wisten zijn gezanten, die ruim van geld voorzien wa-
ren, een aantal aanzienlijke, vooral jeugdige Romeinen,
wien het hofleven behaagde, over te halen, oen poging te
beproeven ter herstelling van den verdreven vorst in zijn
vorig gezag. Op een hunner bijeenkomsten werden de
saaingezworcnen door een slaaf beluisterd, die hetgeen hij
vernomen had, aan do consuls bekendmaakte. Dezen lieten
hen voor hun rechterstoel verschijnen, en nu zag Rrutus
zich genoodzaakt recht te spreken over zijn eigen zonen,
die ook tot de samenzweerders behoorden. Brutus weifelde
geen oogenblik in de keuze lusschen het belang van den
staat en do liefde voor zijn kinderen. Hij gaf een voor-
beeld van wat bij do Romeinen als de hoogste deugd gold:
liet welzijn van den staat boven alles te stellen. Niet
slechts sprak hij het doodvonnis over zijn zonen uit,
maar met onafgewend gelaat zag hij toe, dat hot voltrok-
ken werd.
Tarquinius had ondertusschon een leger van Etruscen
bijeengebracht, en het bevel daarover toevertrouwd aan
-ocr page 441-
437
zijn zoon Aruns. Brutus trok hem te gemoet en bij het
Arsische woud kwam het tot een hevigen strijd, waarin
Aruns en Brutus elkander ontmoetten. Het kwam tusschen
de beide aanvoerders tot een tweegevecht, dat met beider
dood eindigde, en waarna de Etruscen de vlucht namen.
Maar weldra werden de Romeinen in het nauw gebracht
door don Etruscischen koning Porsenna, die het zwaard
Brutus veroordeelt zijn zonen.
voor Tarquinius had aangegord. Met een leger, dat het
Romeinschc in sterkte ver overtrof, maakte hij zich meester
van den berg Janiculus en behaalde hij aan diens voet een
overwinning. De Romeinen vluchtten over de houten brug,
die den Janiculus met de eigenlijke stad verbond. Drong
de vijand er insgelijks over, dan was Rome verloren. In
dezen benarden toestand besloot Horatius Gocles zich voor
-ocr page 442-
438
zijn vaderland op to offeren. Slechts door twee krijgsmak-
kers bijgestaan besloot hij den vijand het betreden der brug
te beletten, waarna hij den overigen Romeinen toeriep,
haar achter licni af to breken. Terstond werd met dit
werk een aanvang gemaakt, terwijl Horatius met leeuwen-
Horatius Cocles.
moed de aandringende Etruscen tegenhield. Toen het af-
breken een klein eind gevorderd was, word hom toegeroe-
pen, dat hij zijn leven moest redden. Zijn twee makkers
gaven aan die roepstem gehoor; hij zelf hield nog stand,
totdat een vreeselijk gekraak hem do overtuiging gaf, dat
-ocr page 443-
430
het grootste gedeelte der brug vernield was. Toen riep
hij do bescherming van den stroomgod in, sprong in den
Tiber . en zwom onder een hagelbui van pijlen ongedeerd
naar den anderen oever.
Rome werd nu door Porsenna en de zonen van Tarqui-
nius ingesloten. De Romeinen waagden geen grooten uit-
val meer; hongersnood begon hen te kwellen, en de val
der stad was te voorzien. Nu sloeg een aanzienlijk Ilo-
meinsch jongeling voor, het vaderland te redden door
Porsenna te vermoorden. Zijn voorstel word aangenomen,
en met een dolk onder zijn klecderen verborgen begaf
hij zicli naar \'s vijands legerplaats. Hier werd juist
soldij uitbetaald, en zoo viel liet hem niet moeilijk tot
den koning door te dringen, onder wiens toezicht de naast
hem gezeten secretaris de betaling regelde. Reide hoog-
geplaatste personen waren door hunne kleeding niet te
onderscheiden, en toen Mucius op hen toesprong, stiet hij
den secretaris neer, in de mcening dat hij den koning trof.
Onmiddellijk werd hij gegrepen en ontwapend, en toen
hem gevraagd werd, wie hij was, gaf hij fier ten antwoord:
••Ik ben de Romein Mucius. Als vijand kwam ik een
vijand dooden; nu het mij mislukt is, vrees ik niet, zelf
den dood te ondergaan." Op de vraag of hij medeplichti-
gen had, gaf hij geen antwoord. Porsenna dreigde hem in
\'t vuur te laten werpen, indien hij bleef zwijgen. Toen stak
Mucius de rechterhand in do vlam van het in de nabijheid
staande altaar en zeido: »Zoo veracht hij, die een hooge-
ren roem najaagt, de smart." Allen werden op dat gezicht
van ontzetting vervuld, en de koning, getroffen door zulk
een vastheid van karakter, liet hem van het vuur weg-
rukken en kondigde hom de vrijheid aan. •• Uit dankbaar-
heid voor uw geschenk," sprak hierop Mucius, die sedert
Scaevola, de Linksche, werd genoemd, »verwittig ik u,
o koning, dat driehonderd jongelingen met mij gezworen
hebben u te dooden, wanneer gij het beleg voor Rome niet
opbreekt. Het lot heeft mij aangewezen de eerste poging
-ocr page 444-
440
te wagen. Gij weet thans, wat u te wachten staat." Spoe-
dig daarop sloot Porsenna vrede met de Romeinen.
Het leven der Romeinen tijdens
de Republiek.
Reeds in de vroegste tijden waren de Romeinen verdeeld
in edelen en hoorigen, De edelen, die het eigenlijke Ro-
meinsche volk uitmaakten, waren verdeeld in geslachten,
gentes, nakomelingen van een zelfden stamvader. Ieder
edelman droeg den naam van zijn geslacht, geus. Gelijk
wij zagen werd een edelman vaak met drie namen aange-
duid: de eerste was dan een persoonlijke eigennaam, de
tweede die van zijn geslacht, en de derde die van de tot
het geslacht behoorende familie, die hem tot lid telde.
Iemand, die door een ander tot zoon werd aangenomen,
kreeg do namen van zijn nieuwen vader, doch voegde daar-
achter den geslachtsnaam van zijn eersten vader met veran-
dering van den uitgang in anus. De zoon van Aemilius
Paulus werd door Publius Cornelius Scipio tot zoon aange-
nomen en heette sedert Publius Cornelius Scipio Aemilianus.
De koningen raadpleegden somtijds den senaat, een
vergadering, die eerst 100, later 300 leden telde, welke
in den aanvang vermoedelijk hoofden van geslachten waren
en daarom vaders, patres, werden genoemd. Aan dit
woord is de naam ■patriciërs ontleend, waarmede alle
edelen werden aangeduid. De senaat kreeg na den val der
koningen een veel uitgebreider macht en bleef tot den val
van den Romeinschen staat in stand.
De hoorigen, die den naam cliënten droegen, waren
waarschijnlijk afstammelingen van oud-Italiaanscho stam-
men, die door de veroveraars, waaruit de stand der patri-
ciërs ontstond, van hun landbezit beroofd, en in een toe-
stand van afhankelijkheid gebracht waren. De cliënten
behoorden niet aan afzonderlijke patriciërs. Ieder geslacht
-ocr page 445-
441
bezat een aantal cliënten, maar ieder patriciër was de be-
schermer of patroon van een of meer cliënten van zijn ge-
slacht. Het was een eer, de patroon van veel cliënten te
zijn. De patroon was verplicht de belangen en het vermo-
gen van zijn cliënten te beschermen, en hunne zaak voor
voor den rechter te bepleiten, wanneer hun onrecht was
aangedaan. Kwam de patroon zijn verplichtingen jegens
zijn cliënten niet na, dan werd hij vogelvrij verklaard.
Daarentegen waren de cliënten verplicht hun patroon met
geldelijke bijdragen te steunen, wanneer hij voor zich of
zijn zonen een losgeld moest betalen om uit krijgsgevan-
genschap te geraken; wanneer hij een bruidschat aan zijn
dochter moest geven of wanneer hij met een boete gestraft
was. Bovendien moesten zij met den patroon ten strijde
trekken. De cliënten leefden van handwerken en van ak-
kerbouw op het stuk land, dat hun patroon hun schonk,
doch dat deze hun kon ontnemen, wanneer zij hunne ver-
plichtingen jegens hem verwaarloosden. In verloop van tijd
hield de verhouding van zulke cliënten tot hunne patroons
langzamerhand geheel op, terwijl daarentegen de stand
der plebejers in aantal sterk toenam, xs\'iet zelden gebeur-
de liet, dat de Romeinen de bevolking eener veroverde
stad geheel of gedeeltelijk naar Rome overbrachten, om zo
daar te doen wonen. Deze nieuwe inwoners werden even-
als de cliënten, die zich vrijkochten of die onbeheerd ach-
terbleven als de patricische familie, tot welke zij behoor-
den, uitstierf, plebejers. Zij konden geen deelnemen aan
het bestuur, noch zich door huwelijken met patricische fa-
miliën verbinden. Daarentegen waren zij evenals de patri-
ciërs tot het betalen van belastingen en het verrichten van
krijgsdienst verplicht.
Eindelijk waren er in den Romeinschen staat slaven,
van welke de rijken zich bedienden tot het bebouwen hunner
landerijen, het hoeden van hun vee en het verrichten van
huisdiensten. Slaven werden verkregen door aankoop en
door het maken van krijgsgevangenen. De slaaf was het
-ocr page 446-
442
eigendom van zijn meester, die hem kon verkoopen, mis-
handelen en dooden. Over het algemeen werden de slaven
niet zeer hard behandeld. Somtijds stond hun meester hun
toe eenig eigendom te bezitten, en enkele malen schonk
hij hun de vrijheid. Hadden zij deze verkregen, dan heet-
ten zij vrij gelul enen.
Bij voorkeur woonden de Romeinen op het land, en
slechts als staatszaken hunne tegenwoordigheid in de stad
vereischten, begaven zij zich daarheen. Mettertijd werd de
aanwezigheid der patriciërs bijna voortdurend in de stad
vereischt, doch als hunne bezighedenhettoelieten,brachten
zij ook eenigen tijd op het land door. Aanvankelijk woon-
den de Romeinen in eenvoudige hutten, later bouwden zij
zich huizen van gehouwen steen. Het voornaamste gedeel-
te van zulk ecu huis was de voorzaal (atrium), een lang-
werpig vertrok, dat licht ontving door een in het midden
van de zoldering aangebrachte opening, die door luiken ge-
sloten kon worden en onder welke zich een grootebak be-
vond tot het opvangen van het regenwater. Het atrium,
waarin ook de vuurhaard en de geldkist stonden, was het
tooneel van het huiselijk leven der Romeinen. Daar zaten
de leden van het huisgezin bijeen, daar werden gasten ont-
vangen, daar werd gegeten, daar werkte de huisvrouw
met hare slavinnen. Aan twee zijden van hot atrium be-
vonden zich kleinere vertrekken, die tol slaap-en berg-
plaatsen dienden. In een dier vertrekjes werden de huis-
goden bewaard en stond een altaar, waarop hun offers
werden gebracht, want het was bij de Romeinen een al-
gemeene gewoonte, geen zaak van aanbelang te beginnen,
zonder vooraf de goden te gedenken en hunne hulp in te
roepen.
De kleeding der Romeinen bestond uit een wit wollen
lijfrok, tunica geheeten, die aanvankelijk geen mouwen
had. Begaf de Romein zich buitenshuis, dan sloeg hij een
toga om, een wollen mantel in den vorm van een halven
cirkel. De toga, die alleen door Romeinsche burgers ge-
-ocr page 447-
443
dragon mocht worden, werd over den linkerschouder ge-
worpen en onder den rechterarm doorgehaald, zoodat de-
ze vrijblecf, en het uiteinde van het doorgehaalde gedeelte
weder over den linkerschouder kon geworpen worden.
Romcins-clic man en vrouw.
Aan de voeten droegen de Romeinen in huis sandalen,
daarbuiten schoenen. In de stad gingen de Romeinen bloots-
hoofds. Op reis hadden zij oen soort hoed met broeden
rand bij zich om zich tegen regen en zonneschijn te kun-
-ocr page 448-
141
nen beschutten, en bovendien een regen- en wintcrman-
tel (paenüla), die uit een grooten lap van zware wollen
stof bestond, met een opening in het midden om er het
hoofd door te steken. Deftige vrouwen droegen over de
tunica een stola, een voor en achter lang afhangend kleed,
dat aan den hals met eene gesp, om de middel met een
gordel bevestigd was.
Sedert den val der koningen waren de vrije Romeinen
en cliënten naar hun vermogen in vijf klassen verdeeld,
die ieder in tijd van oorlog een aantal centuriën of afdcc-
lingcn van 100 soldaten te velde moesten brengen. De
eerste klasse, waartoe de rijksten behoorden, moest 80 cen-
t uriën voetvolk en 18 centuriën ridders leveren ; de overige
klassen leverden alleen voetvolk. In het geheel waren er
193 centuriën. De centuriën werden vereenigd tot legi-
oenen van 4000 tot 5000 man. Het legioen werd aange-
voerd door zes krijgstribunen, waarvan er waarschijnlijk
telkens twee gedurende twee maanden het bevel voerden,
doch zóó dat die twee elkander om den dag afwisselden.
Ook plebejers konden tot krijgstribunen verkozen worden.
De senaat had na den val der koningen het eigenlijke
bestuur in handen. Zijn leden werden door de consuls
gekozen, en daar dezen evenals de andere hooge staats-
ambtenaren, patriciërs waren, die gewoonlijk na het ver-
strijken van het jaar, dat hun diensttijd duurde, weder
leden van den senaat werden, streefden zij er meer naar,
het aanzien van deze vergadering, dan de macht van hun
kortstondig ambt te vergrooten.
Als de Romeinscho burger, hetzij patriciër of plebejer,
den leeftijd van zeventien jaar had bereikt, werd hij dienst-
plichtig en kreeg hij stem in de volksvergadering. Iedere
centurie bracht één stem uit, zoodat de patriciërs, die tot
de rijksten behoorden, verreweg de meerderheid hadden.
Om eenig ambt, zooals consul, te bekleeden, moest men
er, als de tijd der jaarlijksche verkiezingen was aangebro-
ken, naar dingen. De volksvergadering, comitiacenturiata
-ocr page 449-
445
genoemd, deed dan uit de candidatcn een keuze bij meer-
derheid van stemmen. In geval de staat door burgertwist
of door vijanden in grooten nood verkeerde, kon de senaat
aan een der consuls opdragen uit do oud-consuls een dic-
tator
te benoemen, die voor niet langer dan zes maanden
een nagenoeg onbeperkte macht bezat.
De Romeinen gingen tot geen gewichtige handeling
over, eer de wichelaars uit een of ander voorteeken, zooals
de vlucht of het geschreeuw der vogels, het onverwacht
uiten van een woord, de kleur of een andere eigenaardig-
heid van de ingewanden der offerdieren, den bliksem, het
weerlicht, het verschieten van sterren, het eten der heilige
hoenders, enz. hadden opgemaakt, dat de goden hun gun-
stig gestemd waren. Alleen de hooge staatsambtenaren
mochten dit onderzoek aan de wichelaars opdragen. "Was
de dag voor een volksvergadering vastgesteld en bleken
de voorteekenen ongunstig te zijn, dan werd zij verdaagd.
Waren de voorteekcnen gunstig, dan werd op het capitool
en op de stadsmuren op den hoorn geblazen ten teeken,
dat stemgerechtigden bijeen moesten komen. Op een
tweede teeken door de hoorns gegeven begonnen de be-
raadslagingen, en als de hoorns een derde signaal hadden
gegeven, trokken de stemgerechtigden, ieder met de leden
van de centurie, waartoe hij behoorde, in statigen optocht
naar het Marsveld (Campus Martius), het noordwestelijke
deel der stad op den linkeroever van den Tiber, waar in
een afgeperkte ruimte de stemming plaats had.
Het Marsveld was bovendien de oefenplaats voor de
jongelingen. Daar werd de wedloop gehouden, met den
bal geworpen, geworsteld, gereden en het paard gedres-
seerd.
Bij de godsvereering namen de spelen een voorname
plaats in. Zij bestonden in den wedren met wagens, den
wedloop, den wapendans, en het werpen met speer en met
schijf {discus). Bij lijkfeestcn liet men geoefende slaven,
zwaard vechters (gladiatoren), op leven en dood met el-
-ocr page 450-
446
kander strijden, omdat de Romeinen oudtijds meenden, dat
de schimmen der afgestorvenen door bloed tot rust moesten
worden gebracht.
Tot de voornaamste godsdienstige volksfeesten behoor-
den de Ludi Romani (Romeinsche spelen), welke in de
maand September gedurende zestien dagen ter eere van
Jupiter, Juno en Minerva, voor welk drietal een tempel
op het capitool was opgericht, werden gevierd, en de
Saturnaliën, in het laatst van December, ter gedachtenis
aan de lang vervlogen gouden eeuw, toen op aarde onder
het bestuur van den god Saturnus de menschen in volko-
men gelijkheid en ongestoord geluk leefden. Gedurende
dit feest stond alle arbeid stil, werden de slaven als vrijen
behandeld, verraste men elkander met geschenken en
heerschte een uitgelaten vroolijkheid.
Menenius Agrippa. Coriolanus.
Sedert de invoering der republiek was de macht der pa-
triciërs, die niet meer door een boven hen geplaatsten
koning in bedwang gehouden konden worden, zeer toege-
nomen, en weldra ondervonden de plebejers al het onaan-
gename daarvan.
Terwijl de algemeene dienstplicht voor de patriciërs wei-
nig drukkend was, daar zij hunne akkers door slaven lieten
bebouwen, waren de meeste plebejers, als zij krijgsdienst
moesten verrichten, dikwijls niet in staat behoorlijk voor
den oogst van hun stukje land te zorgen, en toch moesten
zij de belasting betalen, want deze werd geregeld naar
iemands onroerende goederen, zonder dat daarbij in aan-
merking werd genomen of deze met schulden waren be-
zwaard. Dan schoot den plebejers niets over dan geld te
leenen bij de rijke patriciërs, die acht tot twaalf percent
interest namen, en wanneer deze niet kon worden voldaan,
het kapitaal met de onbetaalde renten te vergrooten. Nu
waren de schuld wetten te Rome zeer hard. Kon de schul-
-ocr page 451-
447
denaar aan zijn verplichtingen niet voldoen, dan had de
schuldeischer het recht hom zestig dagen in de boeien te
slaan of voor zich te laten arbeiden, en was gedurende
dien tijd de schuld niet vereffend, dan kon hij hein als slaaf
vorkoopen of dooden.
De gestrengheid, waarmede vele patriciërs hunne schul-
denaars behandelden, deed onder de plebejers een groote
ontevredenheid ontstaan. Zij wezen er elkander op, dat de
getrouwe vervulling van hunne plichten jegens den staat
hun ondergang ten gevolge had, en nadat zij verscheidene
malen bij de patriciërs vruchtelooze pogingen hadden aan-
gewend om verbetering in hun drocvigen toestand te ver-
krijgen, besloten zij, toen eens do Sabijnen en Aequers
tegen Rome optrokken, te weigeren den vijand te bestrij-
den, indien de patriciërs geen maatregelen wilden nemen
om hun lot te verzachten. Dewijl de senaat hunne eischen
opnieuw afwees, verlieten de plebejers do stad, en leger-
den zij zich op een nabijgelegen berg, sedert aan Jupiter
gewijd en heilige berg geheeten. Daar verschansten zij
zich, kozen een aanvoerder uit hun midden en verklaarden,
een nieuwe stad te willen stichten.
Nu begrepen de patriciërs, dat Rome verloren was, in-
dien zij er niet in slaagden de plebejers terug te doen koe-
ren, want zonder dezen konden zij geen genoegzame
krijgsmacht op de been brengen. Zij zonden hun daar-
op een gezantschap, waarvan Menenius Agrippa, een bij
de plebejers goed aangeschreven patriciër, hot hoofd was.
Volgens de overlevering verhaalde deze waardige man hun
de volgende fabel. Eens werden de ledematen van een
nienschelijk lichaam verstoord op de maag. Zij verbeeld-
den zich, dat al hun werken slechts strekte om de maag
een rustig, gemakkelijk leventje te bezorgen. Zij besloten
daarom allen arbeid, die hun, naar zij meenden, toch geen
voordeel aanbracht, te staken, en evenals de maag voort-
aan rustig te leven. De maag kreeg nu wel is waar geen
voedsel meer en begon te verzwakken, maar dit laatste
-ocr page 452-
4-18
was ook liet geval met de ledematen, die niet wisten, dat
juist de maag hunne kracht onderhield. Gelukkig zagen
zij dit nog bijtijds in en hervatten zij den arbeid, zoodat
de maag weder voedsel kreeg en daardoor hunne kracht
hersteld werd. Door deze fabel gelukte het Menenius
Agrippa de plebejers te doen inzien, dat de binnenland -
scho twisten evenzeer op hun eigen ondergang als op dien
der patriciërs zouden uitloopen. Er kwam een verdrag tot
stand, waarbij bepaald werd, dat de plebejers voortaan
twee, later vijf, volkstribunen mochten verkiezen, die
onschendbaar waren, hen tegen de gewelddadigheden der
consuls moesten beschermen, hen tot het houden eenor
vergadering, comitia tributa, mochten bijeenroepen en
een senaatsbesluit, dat zij voor de plebejers nadeelig acht-
ten, krachteloos konden maken door het uitspreken van
het woord veto (ik verbied) (494 v. C.)
Al waren de plebejers nu een macht in den staat gewor-
den, en gevrijwaard tegen erge mishandelingen, toch was
hun lot nog verre van benijdenswaardig. Wanneer de Ro-
meinen een gebied hadden veroverd, werden er eenige ple-
bejers heen gezonden, die daar een akker verkregen, maar
dan ook verplicht waren de landstreek te verdedigen. Het
grootste gedeelte van het veroverde land werd bij gedeel-
ten tegen een matige opbrengst ten voordeele van de
schatkist verpacht, en nu zorgden de patriciërs, dat dit
steeds aan hunne standgenooten geschiedde. De oorlog bleef
dus steeds drukkend voor de plebejers in \'t algemeen en
bracht den patriciërs niet zelden voordeel aan.
Drie jaren na de instelling van het tribunaat heerschte
er te Rome een hongersnood, waaronder de arme plebejers
vreeselijk leden. De senaat zond schepen naar Sicilië om
graan te halen, en toen deze aankwamen, was men in staat
den nood des volks te lenigen. Maar nu deed Gajus Mar-
cius, een jeugdig patriciër, die om de heldhaftige verove-
ring van de stad Corióli in \'t land der Volscen den bijnaam
Goriolanus had verkregen, in den senaat den voorslag,
-ocr page 453-
449
het volk kosteloos van koren te voorzien, op voorwaarde,
dat liet toestemde in de afschaffing der volkstribunen. De
plebejers waren over dit voorstel zoo verontwaardigd, dat
de volkstribunen Coriolanus voor de comitia tribüta daag-
den en veroordeelden. Coriolanus had ondertusschen Rome
verlaten en een schuilplaats gevonden bij den koning der
Volscen, wien hij zijn diensten aanbood. Aan liet hoofd
van een leger Volscen trok hij op Rome aan en bracht
de stad zoo in \'t nauw, dat zij verloren scheen. Herhaalde
malen zonden de patriciërs een gezantschap naar Coriola-
nus om te trachten zijn toorn te doen bedaren. De
pogingen waren vruchteloos. Eindelijk kwam zijn moeder
Vcturia met zijn vrouw Volumnïa aan het hoofd van een
schare deftige Romeinsche vrouwen tot hem met de bede,
haar vaderstad niet in \'t verderf te storten. Volgens de
overlevering zou hij aan de smeekingen zijner moeder ge-
hoor hebben gegeven met de woorden: »Moeder, gij hebt
Rome gered, maar uw zoon verloren!"
Giucinuat u s.
Voortdurend zochten de patriciërs de eischen der plebejers
om nieuwe rechten te keer te gaan en hen in de uitoefe-
ning van de reeds verkregene te storen. Zoo drongen som-
migen hunner in de comitia tributa, verhinderden er het
nemen van besluiten, en wanneer dit niet gelukte, ontza-
gen zij zich niet, de vrienden en leiders der plebejers door
sluipmoord uit den weg te ruimen. De plebejers handhaaf-
den hunne verkregen rechten met zooveel kracht, dat me-
nig patriciër zich genoodzaakt zag in ballingschap te gaan.
Een hunner, die ter dood was veroordeeld, redde zich door
de vlucht, maar nu moest zijn vader LuciusQuinctiusCin-
cinnatus, die borg voor hem was gebleven, zijn borgtocht
lossen met opoffering van bijna zijn gansche vermogen,
zoodat hem niets dan een kleine akker overbleef.
In het jaar 400 v. G. wist de Sabijn Appius Herdomus
-ocr page 454-
450
een aantal Romeinsche ballingen om zich te vereenigen en
op zekeren nacht het capitool te overrompelen en de bezet-
ting neder te houwen. Groote ontsteltenis heerschte in
Rome, toen te midden der duisternis de kreet: •> Te wapen!
de vijand is in de stad!" werd vernomen. De burgers
kwamen bijeen op het forum (marktplein), en toen de ple-
bejers aangemaand werden zich te wapenen en den vijand
uit het capitool te verjagen, gaven zij ten antwoord, dat
zij daartoe bereid waren, indien zij de verzekering ontvin-
gen, dat de patriciërs aan hunne grieven te gemoet wilden
komen. Een der consuls, Publius Valerius Publicöla, die
bekend stond als een vriend der plebejers, wekte hen op
hunne hoogste godheden, wier tempel zich op het capitool
bevond, te hulp te komen, en toen hij beloofd had, dat de
tribusvergaderingen niet meer door de patriciërs zouden
worden gestoord, verklaarden de plebejers zich bereid en
werd het capitool hernomen. Publicöla was bij de bestor-
ming gesneuveld, en nu wisten de patriciërs, die niet ge-
negen waren, de door hem afgelegde belofte na te komen,
den vroeger genoemden Cincinnatus, een verklaard vijand
van do plebejers, tot consul te doen verkiezen.
Herdonius had de Volscen en Aequers te hulp geroepen,
en de strijd, dien de Romeinen met deze volken moesten
voeren, was langdurig en niet altijd voorspoedig. Eens
slaagden deze volken erin een Romeinsch leger, dat door
een consul werd aangevoerd, in te sluiten. Rome scheen
verloren. Slechts één middel wist men te bedenkon om
den ondergang af te wenden, het benoemen van den dap-
peren en ondervindingrijken Cincinnatus totdictator. Deze
was, na het verstrijken van zijn ambtstijd weder als een-
voudig landman op zijn kleine bezitting gaan leven. Het
gezantschap van den senaat, dat hem de dictatuur moest
opdragen, vond hem bezig met den veldarbeid. Men ver-
zocht hem zich met de toga te klecden om de opdracht op
een waardige wijze te kunnen aanhooren. Daarop riep hij
zijn vrouw toe, hem dat kleedingstuk uit de hut te bren-
-ocr page 455-
451
gen, terwijl hij zich van het stof, dat hem bedekte, reinig-
de. Cincinnatus aanvaardde de hem opgedragen waardig-
heid en nam zulke krachtige maatregelen, dat hij na verloop
van zestien dagen den vijand verslagen, het ingesloten
leger gered, en het dictatorschap weder nedergelegd had
om tot zijn veldarbeid terug te koeren.
De Tienmannen.
Onvermoeid herhaalden de plebejers steeds hunne eischen,
om, terwijl zij dezelfde plichten jegens den staat te ver-
vullen hadden als de patriciërs, ook dezelfde rechten als
dezen te bezitten. Een der voornaamste grieven van de
plebejers was gericht tegen de rechtspraak. Deze geschiedde
door de patriciërs, die zich daarbij naar de oude gewoon-
ten regelden, en dus niet zelden willekeurig te werk gin-
gen. De plebejers verlangden, dat de wetten geschreven
zouden worden, opdat ieder ermede bekend zou kunnen
zijn en er eenparigheid zou komen in de rechtsbedeeling.
Wel zochten de patriciërs dit verlangen te keer te gaan
door den plebejers andere rechten toe te staan, zooals de
vermeerdering van het aantal volkstribunen van 5 op 10,
maar do plebejers gaven hun eisch niet op, en eindelijk
waren de patriciërs genoodzaakt toe te geven. Eerst zon-
den zij drie der hunnen naar Athene en naar Groot-Grie-
kenland, om door het bestudceren van de daar heerschendo
wetten te leeren, op welke wijze men wetten op schrift
diende te brengen, en toen dit werk na twee jaren ver-
richt was, werden in de centuriën-vergaderingen Tien-
mannen (Decemviri), allen patriciërs, gekozen, wier taak
was de wetten op te stellen, en gedurende het jaar, dat
hun ambt duurde, den staat te besturen. Met ijver gingen
zij aan het werk. De Avettcn, die zij vervaardigden, wer-
den op tien koperen tafelen gegrift, en ieder burger stond
het vrij er zijn bezwaren tegen in te brengen. Bovendien
bestuurden zij met rechtvaardigheid; beurtelings was
-ocr page 456-
152
ieder hunner gedurende tiea dagen met het hoogste gezag
bekleed. Toon het jaar verstreken was, verklaarden de Tien-
mannen, dat zij hun arbeid niet hadden kunnen voltooien,
en het volk was bereid voor het volgende jaar weder Tien-
mannen te benoemen om den aangevangen arbeid voort te
zetten. Onder de Tienmannen was er een geweest, die
zieh bizonder werkzaam had beloond. Dit Mas Appius
Glaudius, die, ofschoon hij zich vroeger als een heftig te-
genstander van de plebejers had betoond, tijdens zijn
decemviraat alle krachten had ingespannen om zich bij
hen bemind te maken, Dit was hem zoo goed gelukt, dat
voor het tweede jaar niet alleen hij zelf, maar nog negen
andere personen, en daaronder drie plebejers, werden
gekozen, die gezind waren, hem in alles blindelings te
volgen. De nieuwgekozen Tienmannen maakten-nog twee
tafelen met wetten, zoodat er nu in \'t geheel twaalf waren,
maar hunne regeering was buitengewoon willekeurig. Ter-
wijl zij de patriciërs ontzagen, verdrukten zij de plebejers,
waarvan zij velen, en daaronder algemeen geachte; man-
nen, lieten geeselen of onthoofden, terwijl zij met de goe-
deren, die verbeurd verklaard werden, zich zelve verrijk-
ten of wel jeugdige patriciërs, die hen steunden, in de ge-
legenheid stelden een losbandig leven te leiden. Toen hun
ambtsjaar verstreken was, traden zij niet af. Het was de
bedoeling van Appius Glaudius over Rome te blijven heer-
schen, en hij deed dit met verregaand)1 wreedheid. Toen
eerlang de Sabijnen plunderend in het Romeinsche grond-
gebied vielen, riep Appius Claudius den senaat weder bij-
een. Ofschoon enkele leden in de vergadering hevig tegen
de Tienmannen uitvoeren, besloten de meeste senatoren,
die liever de willekeur van don hun gunstig gezinden Ap-
pius Glaudius toelieten, dan mede te werken aan liet her-
stel der staatsregeling, die de plebejers tegen hen in be-
scherming nam, tot den oorlog. De plebejers waagden het
thans niet den krijgsdienst te weigeren, gelijk zij vroeger
zoo vaak hadden gedaan om de patriciërs te dwingen hun-
-ocr page 457-
453
ne eischen in te willigen. Zij streden echter niet met de
vroegere dapperheid, en daardoor leden do Romeinen me-
nige nederlaag.
Terwijl acht der Tienmannen zich bij liet leger bevonden,
was Appius Glaudius met den overige in Rome gebleven,
waar hij voortging zich aan allerlei moedwil tegen de ple-
bejers schuldig te maken. Eens zaffhiiVirfirinia,deschoone
dochter van Lucius Virginius, een aanzienlijk plebejer,
en wenschte liaar als zijn vrouw te bezitten. Zij was echter
verloofd niet zekeren Icilins, en dezen wilde zij niet ontrouw
worden. Nu sprak hij met een zijner cliënten, Marcus Glau-
dius, af, dat deze zou verklaren, dat Virgiuia de dochter
van een zijner slavinnen was en dus hem wettig toebe-
hoorde; dat Virginia hem kort na haar geboorte ontstolen,
(>n bij Virginius gebracht was en daarom sedert voor diens
dochter was gehouden. Toen Marcus Glaudius dit met de
verzekering, dat hij alles door getuigen kon bewijzen, voor
den rechterstoel van Appius Glaudius had verklaard, ver-
zochten de verdedigers van Virginia, dat er geen uitspraak
zou gedaan worden, eer haar vader, die zich bij het leger
bevond, te Rome zou zijn gekomen. Appius Glaudius be-
val toen, dat Virginia zich zoolang bij Marcus Glaudius
aan huis moest ophouden, doch nu nam Icilius, gesteund
door een groot aantal aanwezigen, zulk een dreigende
houding aan, dat de Tienman het geraden achtte zijn bevel
in te trekken. Zoodra Virginius te Rome was aangekomen,
verscheen hij met zijn dochter voor den rechterstoel van
Appius Claudius. In strijd met hetgeen de aanwezigen
verwachtten, wees de Tienman Virginia als slavin aan zijn
cliënt toe. Nu verzocht Virginius nog een laatste woord
met zijn dochter te mogen spreken. Dit werd hem toege-
staan. Hij geleidde haar een weing ter zijde tot in de na-
bijheid van een slachters winkel, greep onverwachts een
mes van de slachtbank en stiet het Virginia in de borst
met de woorden : "Slechts op deze wijze kan ik u van
slavernij en smaad verlossen, dierbaar kind!" Terwijl
-ocr page 458-
454
Icilius zorg droeg voor het lijk zijner bruid, snelde Virgi-
nius, dien Appius Glaudius vergeefs zocht te doen grijpen,
naar het leger, dat hij door het verhaal van het gebeurde
tot opstand tegen de Tienmannen bracht. Het trok op
Rome aan en herstelde den vroegeren regeeringsvorm.
Appius Clandius werd in de gevangenis geworpen en sloeg
daar de hand aan zich zelven.
Spurius Maelius. Gamillus.
Om den grooten afstand tusschen patriciërs en plebejers te
verminderen, stelde de volkstribuun Ganulêjus voor, het
verbod, dat tusschen de beide standen huwelijken werden ge-
sloten, op te heffen,en toen dit voorstel was aangenomen,
eischtehij,dat ook plebejers tot consul konden worden ge-
kozen. Hiertegen verzetten zich de patriciërs met al hunne
macht, doch zij bewilligden erin, dat de senaat jaarlijks
zou beslissen of de centuriën-vergaderingen twee consuls,
die dan patriciërs moesten zijn, of in plaats daarvan drie
of meer hrijgsfribunen met consulaire macht, waartoe
ook plebejers benoembaar waren, zouden verkiezen. Ge-
ruimen tijd wisten do patriciërs, op grond van do voor-
teekenen, consuls te doen verkiezen. Bovendien slaagden
zij erin, een gewichtig deel van het consulschap, dat zij
wel inzagen op den duur niet aan de plebejers te kunnen
onthouden, aan patricische censoren op te dragen. De
censoren moesten om de vijf jaar de burgers naar hun
vermogen in klassen indeelen, en waren bovendien zede-
rechters, d. i. zij konden iemand, die naar hun inzicht
niet goed leefde, een straf opleggen.
Toen Rome in het jaar 440 v. C. opnieuw door een
vreeselijken hongersnood werd geteisterd, en de senaat er
niet in slaagde genoeg koren te doen aanvoeren, wist de
rijke plebejer Spurius Maelius op eigen kosten zooveel
graan te Rome bijeen te brengen, dat hij door het koste-
loos of tegen een lagen prijs aan de behoeftigen af te staan,
-ocr page 459-
455
menigeen van den hongerdood redde. Het aanzien, dat hij
hierdoor bij de minder gegoede bevolking kreeg, wekte
den haat der patriciërs tegen hem op. Een hunner beschul-
digde hem, dat hij naar het koningschap stond, en daarop
benoemde de senaat den tachtigjarigen Cincinnatus tot dic-
tator. Deze beval aan zijn onderbevelhebber Spurius Mae-
lius, voor zijn rechterstoel te brengen, doch de rijke plebe-
jer, wel wetende welk lot hem te wachten stond, stelde
zich onder de bescherming des volks. Aan het hoofd eener
bende jeugdige patriciërs baande do onderbevelhebbor zich
een weg door de menigte, liet Maelius grijpen en, in plaats
van hem met zich te voeren, doorsleken. Cincinnatus
roemde deze daad, op grond dat daardoor de vrijheid van
den staat was gered.
De ontevredenceid, die door dezen moord teweeg werd
gebracht, dwong de patriciërs tot nieuwe inwilligingen. Zij
stonden toe, dat het aantal quaestoren, wien het beheer
van de staatskas werd toevertrouwd, op vier werd gebracht
en dat eerlang ook plebejers tot dat ambt werden ge-
kozen .
De toenadering, die aldus langzamerhand tusschen de
beide standen plaats had, deed de macht van den Romein-
schen staat zeer toenemen. Tot nu toe hadden de Romei-
nen slechts korte zomerveldtochten gehouden, maar toen
zij in oorlog geraakten met het machtige Veji, en zij zich
ten doel stelden die stad te veroveren, moest het leger
langer onder de wapenen blijven, want het beleg duurde
een geruimen tijd; volgens de overlevering tien jaren. Het
werd daarom noodig geacht aan het voetvelk soldij uit te
koeren. Gedurende het laatste jaar van het beleg, be-
noemden de Romeinen Camillus tot dictator. Hij liet de
stad nauw insluiten en van zijn voorposten een onder-
aardschen gang graven, die in de stad uitkwam. Toen het
werk gereed was, deed hij stormloopen en te gelijk een
afdeeling soldaten door den onderaardschen gang in de
stad dringen. DeVejenten, van twee zijden aangevallen, delf-
-ocr page 460-
156
den het onderspit en werden meestal tot slaven gemaakt.
Onmiddellijk daarop sloeg Camillus het beleg voor Falërii,
dat den Vejenten hulp had geboden. Volgens de overleve-
ring kwam euu onderwijzer, aan wien de zorg voor de
zonen der aanzienlijken van Falerii was toevertrouwd, en
die zijn leerlingen somtijds buiten de stad geleidde om hen
gymnastische oefeningen te doen houden, eens bij Camillus-
en bood hem de knapen,.die hem vergezelden, aan om ze
als middel te gebruiken, Falerii tot een spoedige overgave
te dwingen. Camillus vertoornd op den man, die tot zulk
een lage daad in staat was, liet hem de handen op den rug
binden, maakte de knapen met liet gebeurde bekend, en
beval hun den onwaardige met stokslagen naar de stad
te drijven. Kort daarna gaf de stad zich over. Camillus-
had door die veroveringen het Romeinschc grondgebied
zeer vergroot, maar toen hij na het eindigen van den
veldtocht Rome op een met vier witte paarden bespannen
wagen binnentrok, een eer, die alleen aan koningen toe-
kwam, nam hij door die aanmatiging de bevolking zeer
tegen zich in, en toen hij kort daarop een tiende gedeelte
van den reeds verdeelden buit terugeischte om het den go-
den te offeren, werd hij van verduistering van gelden be-
schuldigd. Wel voorziende, dat hij veroordeeld zou wor-
den, begaf hij zich vrijwillig in ballingschap naar Ardêa,
bij liet verlaten zijner vaderstad den wensch uitende, dat
de goden haar voor haar ondankbaarheid zoo mochten
straffen, dat zij hem eens terug zou roepen. Indien die
wensch werkelijk is geuit, werd hij spoedig vervuld.
De Senonische Galliërs, aldus genoemd naar de
stad Scna, ten N. van Ancöna, brachten in 391 v. C. de
stad Clusium in \'t nauw, die daarop hulp verzocht aan do
Romeinen. Dezen zonden drie leden van het geslacht Fa-
bius, om een bemiddeling te beproeven. Op de vraag der
Fabiussen, met welk recht de Galliërs op veroveringen uit-
gingen, gaven dezen ten antwoord, dat hun recht op de
pnnt van hun zwaard zat, en dat de wereld aan de dap-
-ocr page 461-
457
persten behoorde. Daar de Galliërs niet aftrokken, deden
de Clusiërs een uitval, en daarbij lieten de Fabiussen zicli
door hun strijdlust medesleepen, aan het gevecht deel te
nemen. De Galliërs eischten nu, dat de drie Fabiussen aan
hen uitgeleverd zouden worden, en daar de Romeinen dit
weigerden, trokken de Galliërs onder hun brcn (aanvoer-
der) tegen Rome op. Bij het rivierrje do Alha behaalden
zij een schitterende overwinning, en nu lag Rome voor
Dood van Jon Consul Marcus Papirius.
hen open. Een gedeelte der weerbare Romeinen bezette
het capitool, en de verdere bevolking verliet de stad met
uitzondering van tachtig der oudste senatoren, die den on-
dergang hunner vaderstad niet wilden overleven en zich
in feestgewaad met den staf in do hand op ivoren zetels
in de voorportalen hunner meest alle op het forum gelegen
huizen plaatsten. Weldra trokken de Galliërs Rome binnen.
-ocr page 462-
458
Het verbaasde hen, nergens tegenstand te ontmoeten. Met
de meeste behoedzaamheid trokken zij voorwaarts. Daar
kwamen zij op het forum en meenden er een verzameling
godenbeelden te aanschouwen. Eerbiedig hielden zij zich
op eenigen afstand. Eindelijk naderde oen Galliër den se-
nator Marcus Papirïus en streelde hem aarzelend den zil-
verwitten baard. Onmiddellijk ontving hij een slag met
den ivoren staf van den senator. Hierover vertoornd stiet
hij den grijsaard neder. Dit was het sein tot een algcmeenen
aanval op de senatoren, dieweldraallen ontzield ophetforum
lagen. Nadat de Galliërs Rome geplunderd en verbrandhad-
den, bestormden zij het capitool. Zij werden echter afgeslagen
en bepaalden er zich thans toe,de vesting in te sluiten.
De uitgeweken Romeinen waren ondertusschen niet wer-
keloos gebleven. Zij hadden menige afdeeling der Galliërs,
die op een strooptocht uitging, verslagenen meenden thans
Rome te kunnen heroveren, indien zij onder Gamillus
streden, wien zij het dictatorschap wilden opdragen. Dit
kon echter alleen geschieden door den senaat, cndezewas
op het capitool ingesloten. Een stoutmoedig jongeling,
Pontius Gominius bood zich aan, de toestemming van de
senatoren te gaan halen. Bij nacht zwom hij over den Ti-
ber en beklom daarna de Tarpejische rots, waar deze on-
beklimbaar geacht, en daarom door de Galliërs niet be-
waakt werd. Toon hij van den senaat de benoeming van
Gamillus tot dictator had verkregen, koerde hij op dezelfde
wijze, als hij gekomen was, terug. De Galliërs hadden
echter hot spoor van Gominius ontdekt, en op zekeren
nacht beklommen zij evenals hij de rots om do bezetting
in den slaap te overvallen. Aanvankelijk slaagde hunne
onderneming goed: de schildwachten on de honden wa-
ren ingeslapen, maar de aan Juno gewijde ganzen, die
ondanks het groote gebrek, dat op het capitool hecrschte,
gespaard waren, hoorden het geklauter der vijanden en be-
gonnen te kwaken. Hierdoor gewekt sprong Marcus Manlius
van zijn legerstede op en kwam juist aan den muur, toen
-ocr page 463-
459
■de voorste Galliër er hot been overheen had geslagen.
Met een stevigen duw en onder luid geschreeuw wierp hij
hem terug, andere Romeinen kwamen opdagen en het
capitool was gered. Maar weldra moest de bezetting onder-
handelen, want de levensmiddelen waren verteerd. De
bren verklaarde zich bereid af te trekken, wanneer de
Romeinen hem duizend pond goud betaalden. De krijgs-
tribuun Sulpicius sloot de overeenkomst en liet het goud
aanbrengen, maar toen hij bemerkte, dat de Galliërs oneer-
lijk wogen, en hij zich daarover beklaagde, wierp do bren
zijn zwaard in de schaal, waarin de gewichten stonden,
en sprak daarbij: .\'Wee den overwonnenen!" Op dit
oogenblik, zoo gaat de overlevering voort, verscheen juist
CamiUus aan het. hoofd van zijn leger. Hij verklaarde de
getroffen overeenkomst van onwaarde, daarbij, alsdictator,
alleen de macht had er een met den vijand te sluiten,
viel de Galliërs aan, enbracht hun een groote nederlaag toe.
Daar Rome verwoest was, wilden do plebejers, dat de
bevolking zich in Veji zou gaan vestigen. Hiertegen verzette
Gamillus zich met alle kracht. Terwijl in den senaat over
deze zaak werd beraadslaagd, trok een afdeeling soldaten
over het forum. Plotseling riep do hoofdman: »Halt !
hier blijven wij!" De senatoren, die deze woorden hoorden,
beschouwden ze als een wenk der goden, en men besloot
Rome te herbouwen.
Manlius Gapitolinus. Licinius Stolo.
Manlius, die het capitool van den nachtelijken overval
der Galliërs gered had, en daarvoor met den bijnaam Capi-
tolïnus werd vereerd, toonde zich een beschermer van de
plebejers, die weder voel te lijden hadden van do verdruk-
king der patriciërs. Veel plebejers hadden geld moeten
Jeenen bij de patriciërs om hunne woningen weder op te
bouwen, en terwijl het hun bijna onmogelijk werd gemaakt
hunne schuld af te lossen, wegens de onafgebroken oorlogen,
-ocr page 464-
460
waaraan zij dool moesten nemen, en de drukkende bolas-
tingen, die zij hadden op to brengen, lieten do patriciërs
do harde schuld wetten in al haar gestrengheid melden.
Eens zag Manlius, hoe oen oud krijgsbevelhebber, die we-
gens zijn dapperheid bij het volk in hoog aanzien stond, \'om
zijn schulden gehooid naarde woning van zijn schuldeischer
werd gevoerd. Door medelijden bewogen, bood Manlius
aan, de schuld van don ongelukkige terstond te voldoen.
Opgetogen van dankbaarheid smeekte de bevrijde de goden,
dat zij Manlius de hem bewezen woldaad zouden vergolden.
Een menigte menschen schoolden om den ouden krijgsman
samen. Deze toonden hun de wondon, die hij in verschil-
lende oorlogen had ontvangen, verhaalde, hoe hij tijdens
die oorlogen zijn vermogen had verloren, hoe hij door de
hooge rente, die van hem geëischt werd, de geleende som
roods eenigc malen had terugbetaald, en daardoor eindelijk
in het verderf was gestort. „Dat ik thans vrij bon," zoo
eindigde hij, ,,heb ik aan Manlius Capitolinus te danken."
Manlius liet het niet bij deze enkele daad. Hij verkocht
zijn boste landerijen om achtereenvolgens 400 verarmde
plebejers uit de handen hunner harde schuldeischers te
verlossen. Dat hij hierom door de plebejers bijna afgodisch
werd vereerd, maakte hom in de oogen zijnor standge-
nooton tot een gevaarlijk mensch. Zij achtten het noodig
hem uit den weg te ruimen, verspreidden het gerucht, dat
hij naar de koninklijke waardigheid stond, klaagden hem
aan, dat hij de patriciërs belasterd had, en wisten hem ter
dood te doen veroordeelen. Hij werd van de Tarpejische
rots geworpen, de plaats, waar hij door zijn heldhaftig-
heid Rome eens had gered.
Hadden de plebejers, ontzet over de stoutheid der patri-
ciërs, niets gedaan om het leven van hun beschermer te red-
don, weldra tradon zij weder met kracht voor hunne rech-
ten op, toen zij daartoe werden aangezet door hun standge-
noot Licinius Stolo, die met de dochter van een patriciër was
gehuwd. Toen hij tot volkstribuun was gekozen, stelde hij
-ocr page 465-
461
drie wetten voor: 1. dat voortaan alleen consuls zouden
worden gekozen, en een hunner een plebejer moest zijn;
2. dat de schulden met de betaalde rente zouden worden
verminderd, en 3, dat geen Romeinsch burger meer dan
500 morgen van de staatslanderijen mocht bezitten.
Nadat de patriciërs tien jaren lang tegenstand hadden
geboden, werden de Licinische wetten eindelijk aangeno-
men, doch niet zonder dat het den patriciërs gelukt was, do
macht der consuls opnieuw te verminderen door de instel-
ling van het ambt van praclor. De praetor was belast met
de rechtspraak en moest een patriciër zijn.
Eindelijk wist Licinius nog te bewerken, dat de tien
uitleggers van de Sibyllijnschc boeken voor de helft uit
plebejers moesten bestaan. Deze boeken bevatten, naar
men meende, voorspellingen, en waren door eene sibylle
(waarzegster) aan Tarquinius Superbus verkocht. Zij
mochten niet anders dan in tegenwoordigheid van een
hooggeplaatst ambtenaar geraadpleegd worden.
Sedert de scheidsmuren tusschen plebejers en patriciërs
wegvielen, door aan beide standen bij gelijkheid van plich-
ten ook gelijke rechten toe te kennen, konden de Romei-
nen voortdurend krachtiger tegen het buitenland optreden,
en werden zij meer en meer een veroverend volk.
Heldenfeiten van Marcus Curtius, Manlius
Torquatus en Valerius Corvus.
Weinig üjds later ontstond, volgens de overlevering\',
ten gevolge van een aardbeving, een onpeilbare diepe
kloof op het forum. Hoeveel aarde en steenen de bevol-
king ook aanbracht, men kon haar niet dempen. De goden
werden geraadpleegd, en dezen gaven ten antwoord, dat
de kloof zich niet zou sluiten, eer dat de Romeinen het
kostbaarste, dat zij bezaten, erin wierpen. Men was met
dit antwoord zeer verlegen. Daar verscheen de jonge pa-
-ocr page 466-
462
triciër Marcus Curtius in volle wapenrusting op zijn strijd-
ros gezeten, op het forum en met de woorden : »Wect gij
niet, dat de heldenmoed de kostbaarste bezitting der Ro-
meinen is?" sprong hij in de kloof, die zich daarop onmid-
dellijk sloot.
In het jaar 361 v. C. deden de Galliërs weder een inval
in het Romeinsclie gebied. De Romeinen trokken tegen
hen op, en toen zij den vijand genaderd waren, verscheen
een reusachtige Galliër, die den dapperste der Romeinen
tot een tweegevecht uitdaagde. Een jeugdig patriciër,
Titus Manlius, bood zich bij den opperbevelhebber aan, om
den gevaarlijken tweestrijd te aanvaarden. Met een schild
en een kort zwaard gewapend, ging hij den Galliër te ge-
moet, die hem in een schitterend bont gewaad en met goud
versierde wapenen afwachtte. Daar de Galliër een lang
zwaard voerde, drong Manlius onmiddellijk op hem aan,
duwde met zijn schild dat van zijn vijand ter zijde, on ter-
wijl deze zijn wapen door de lucht zwaaide, om een houw
toe te brengen, stiet Manlius hem het zijne in \'t onderlijf.
Doodelijk gewond stortte de Galliër ter aarde. ManliuS
ontnam hom de gouden halsketen, on Aviorp die om zijn
eigen hals, waarom hij den naam Torquatus (met de hals-
keten) ontving. Do Galliërs waren door den uitslag van
dit tweegevecht zoo ternedergeslagen, dat zij in den nacht
aftrokken.
Een andere overlevering verhaalt, dat twaalf jaren later
op dezelfde wijze een strijd met de Galliërs werd aangevangen.
Toen verzocht Marcus Valerius om de eer, de uitdaging van
een Galliër te mogen aannemen. Zoodra de strijd begon, kwam
een raaf aanvliegen, die zich op den helm van Valerius
plaatste. De moedige jongeling zag hierin een bewijs, dat
de goden hem bijstonden. De raaf nam weldra deel aan den
strijd. Zij vloog op den Galliër aan en wondde diens gelaat
met snavel en klauwen. Hierdoor ontsteld gaf hij zijn
tegenstander gelegenheid hem eene doodelijko wond toe te
brengen. Om dit voorval verkreeg Valerius den bijnaam
-ocr page 467-
463
van Corvus (raaf.) Toen Valorius zijn verslagen vijand van
diens wapenrusting wilde berooven, schoten eenige Galliërs
toe om het hem te beletten. Eenige Romeinen kwamen hun
makker te hulp, en zoo ontstond een bloedig gevecht, dat
met de nederlaag der Galliërs eindigde.
De Latijnsche en de Samnietische oorlogen.
Drie jaren nadat de Romeinen met de Samnieten in
oorlog waren geraakt, trokken ook de Latijnen tegen hen
ten strijde. De consuls Manlius Torquatus en Decius Mus
voerden het leger naar Gampanië, waar zij voornemens
waren den Latijnen en den met hen verbonden volken
aan den voet van den Vesuvius een beslissenden slag
te leveren. Daar zij liet in dezen gevaarvollen tijd noodig
oordeelden, de meest mogelijke voorzichtigheid in acht te
nemen, verboden zij iederen Romein, zich in een afzonder-
lijk gevecht met den vijand in te laten. Op een verken-
ningstocht werd do zoon van Manlius Torquatus door een
Latijnsch onderbovelhobbor tot een tweegevecht uitgedaagd.
De dappere jongeling kon zijn strijdlust niet bedwingen.
Ondanks het verbod zijns vaders ging hij den strijd aan,
en versloeg hij zijn tegenstander. Omringd door zijn
juichende makkers koerde hij naar de legerplaats terug en
legde de buitgemaakte wapenrusting aan de voeten zijns
vaders neder. Manlius Torquatus ontving zijn zoon met
droevigen ernst. Hoezeer hij zich ook over diens dapper-
heid verheugde, hij zag zich verplicht in het belang van
den staat de overtreding van zijn verbod gestreng te straf-
fen. Terstond liet hij de soldaten bijeenroepen en in hunne
tegenwoordigheid veroordeelde hij zijn zoon wegens over-
treding van do krijgstucht ter dood. Het vonnis werd on-
middellijk ten uitvoer gelegd. Een kreet van afschuw ging
uit de gelederen op. De soldalen bedekten het lijk mot de
buitgemaakte wapenrusting en verbrandden het op een
builen de legerplaats opgerichten brandstapel. Sedert
-ocr page 468-
4G4
werd een hardvochtige eiscli tot naleving der wetten een
Manlisch bevel genoemd. Manlius had echter zijn doel
bereikt; van nu af kon de meest gestrenge krijgstucht ge-
handhaafd worden.
Kort voor den slag droomden, volgens de overlevering,
de beide consuls, dat het leger, welks aanvoerder zich aan
de goden der onderwereld wijdde, de overwinning zou be-
halen. Zij besloten daarop, dat diegene hunner, wier ben-
den het eerst weken, zich voor het vaderland zou opofferen.
De veldslag begon. In de gelederen van Decius Mus ont-
stond verwarring. Terstond liet hij- den priester komen om
hem aan den dood te wijden. Zoodra de plechtigheid was
afgeloopen, stortte hij zich in den dichtsten drom der vijan-
den. Deze daad bracht bij de bijgeloovige Latijnen ont-
steltenis en weldra verwarring te weeg. De Romeinen
drongen met nieuwen moed hun veldheer achterna, en
terwijl deze onder de vijandelijke1 lanssteken bezweek,
slaagden zijn landgenooten erin den vijand overhoop te
werpen. De Romeinen behaalden een beslissende over-
winning en weldra daarna dwongen zij de Latijnen zich
te onderwerpen.
Niet zoo spoedig kwam aan den Samnictschen oorlog
een einde. Eens gelukte het Pontius, den veldheer der
Samnieten, een Romeinsch leger in de bcrgpassen van
Gaudium in te sluiten. Hij had het in zijn macht het Ro-
meinsche leger geheel te vernietigen en hield nu met zijn
onderbevelhebbers een krijgsraad om te overleggen, wat
te doen. Daar men het niet eens kon worden, besloot
Pontius aan zijn wijzen vader, die zich wegens ouderdom
aan de krijgszaken had onttrokken, om raad te vragen. De
uitgezonden bode kwam terug mot de tijding, dat de grijs-
aard aanried, de Romeinen te laten aftrekken, zonder hun
een haai\' te krenken. Dit kwam Pontius zoo vreemd voor,
dat deze den bode nogmaals naar zijn vader zond, die
thans den raad gaf, alle Romeinen tot den laatsten man
neder te bouwen. Daar de krijgsraad niet begreep, hoe
-ocr page 469-
465
deze twee tegenstrijdige antwoorden te rijmen waren, werd
de oude man uitgenoodigd over te komen en een zitting
bij te wonen. Hij voldeed aan het verzoek en gaf toen de
volgende verklaring van zijn antwoorden. Volgde men
zijn eerste raadgeving, die hij voor de beste hield, dan
zouden, meende hij, de Romeinen genegen zijn een duur-
zaam verbond van vrede en vriendschap met do Samnieten
te sluiten. Wilde men dit niet, dan moest het gansche
leger vernietigd worden, want hierdoor zouden de Romei-
nen zoo verzwakt worden, dat zij in geruimen tijd den
oorlog niet met kracht zouden kunnen hervatten. Sloeg
men niet een van die twee wegen in, dan kon men zeker
zijn, dat de Romeinen niet zouden rusten, eer zij voor de
geleden nederlaag geduchte wraak hadden genomen.
Pontius kon echter niet besluiten den raad zijns vaders
te volgen. Hij trad met de consuls Postumius en Veturius
in onderhandeling, eischte van hen de belofte, dat de
Romeinen de op de Samnieten veroverde steden terugge-
ven, en den vrede bewaren zoudon, en toen hij haar ver-
kregen had, liet hij de Romeinen aftrekken, nadat zij als
blijk, dat hij aller leven in zijn hand liad gehad, onder
het juk waren doorgegaan.
De tijding van deze vernedering verwekte in Rome een
groote verslagenheid. Toen het onteerde leger de stad was
binnengetrokken, kwam de senaat bijeen, die de consuls
ter verantwoording riep. Postumius zeide, ook namenszijn
ambtgenoot, dat hij zicli over hetgeen hij, na het ongeluk,
dat aan het leger was overkomen, gedaan had, niet kon
verdedigen, dat liet door hem gesloten verdrag van on-
waarde was, omdat het volk er zijn goedkeuring niet aan
had gehecht, maar dat hij nu voorstelde, dat hij en Veturius
geboeid aan de Samnieten zouden worden uitgeleverd, op-
dat daardoor Rome ontslagen zou worden van de door hen
aangegane verplichting. Twee volkstribunen beweerden,
dat die verplichting niet kon worden opgeheven, indien
niet het gansche leger aan de Samnieten werd uitgeleverd,
30
-ocr page 470-
466
docli de senaat keurde het voorstel van Postumius goed,
en de oorlog werd hervat. Toen Postumius en Veturius
aan Pontius werden uitgeleverd, weigerde deze hen te ont-
vangen. Hij beweerde, evenals de volkstribunen, dat de
Romeinen het gesloten verdrag moesten nakomen of het
gansche vrijgelaten leger in zijn macht geven. De Romein-
sche gezanten meenden echter, dat aan de eervoldaan was,
en brachten Postumius en Veturius weder terug.
Van nu af had het krijgsgeluk de Samnieten geheel ver-
laten. Verscheidene malen werden zij verslagen, en ein-
delijk viel zelfs hun veldheer Pontius in handen der Ro-
meinen. Hij werd naar Rome gevoerd om de zegepraal
zijner vijanden op te luisteren, vervolgens in de gevangenis
gezet en daar omgebracht. Nadat de Sabijnen door Manius
Curius Deutates opnieuw waren verslagen, zagen zij zich
genoodzaakt om vrede te vragen. Ten einde gunstige voor-
waarden te bedingen, zonden zij Curius Dentatos een ge-
zantschap, dat hem eenc groote hoeveelheid goud moest
aanbieden. De gezanten troffen hem aan, terwijl hij in
zijn schamele hut zijn eenvoudig maal van een houten
bord gebruikte, en kregen ten antwoord: "Meldtuwvolk,
dat ik mij evenmin door geld als door de wapenen laat
overwinnen, en dat ik het als een grooter geluk beschouw
over rijke lieden te heerschon, dan zelf rijk te zijn."
De oorlog met de Tarcntijnen,
Nog eer de Samnietische oorlogen geëindigd waren, had-
den de bewoners van Thurii, eenstadgelegenaandegolfvan
Tarente, Rome\'s hulp ingeroepen tegen de woeste en roof-
zieke Bruttiërs en Lucaniërs. De Romeinen voldeden aan
het verzoek en zonden tien oorlogsschepen. Het bericht
hiervan werd in het weelderige Tarente verspreid, toen er
de Dionusiën onder het bedrijven van allerlei losbandigheid
gevierd werden. ReedslanghaddendeTarentijnenmetonwil
-ocr page 471-
467
gadegeslagen, hoe Rome zijn gebied voortdurend zuidwaarts
uitbreidde, en terwijl zij nu ontstemd waren over de ont-
vangen tijding, bracht een hunner een bijna reeds vergeten
verdrag in herinnering, waarbij bepaald was, dat geen
Romeinsche oorlogsschepen zich in de golf van Tarente
mochten vertoonen. Opgewonden door het overmatig ge-
bruik van wijn, stormde het volk naar de haven,bemande
eenige galeien, viel onverhoeds op de niets kwaadsvermoe-
dende Romeinen aan en nam of vernielde vijf hunner schepen.
Niet lang daarna verschenen te Tarente eenige Romein-
sche gezanten om voldoening te eischen. De brooddronken
Tarentijnen bespotten hen wegens hunne kleeding en hun-
ne minder juiste en nauwkeurige uitspraak van het Grieksch,
en toen een baldadig Tarentijn tegen de toga van den
woordvoerder der gezanten vuil wierp, barstte het gansche
volk in luid gelach uit. Met waardigheid sprak toen de
Romein: "Lacht, zoolang hij nog lachen kunt, want eer-
lang zult gij reden hebben te treuren; dit bemorste kleed
zal in stroomen van uw bloed gewasschen worden."
Nu de oorlog was uitgebroken, verzochten de Tarentij-
nen Purrhos (Pyrrhus), den koning van Epeiros, om hulp.
Deze vorst, die een groot veldheerstalont bezat, en zich
gaarne in avontuurlijke ondernemingen inliet, verklaarde
zich terstond bereid, de gevraagde hulp te verleenen. Hij
kwam met een leger van 20,000 man voetvolk, 3,000
ruiters en twintig krijgsolifanten te Tarente. Geheel tegen
de bedoeling der Tarentijnen, die hem slechts als bondge-
noot hadden verlangd, nam Purrhos terstond het bewind
over Tarente in handen. Hij liet alle openbare uitspannings-
plaatsen sluiten en dwong de verwijfde Tarentijnen zich
dagelijks in den wapenhandel te oefenen. Nadat zijn aan-
bod om als scheidsrechter tusschen de Tarentijnen en de
Romeinen op te treden door den consul Laevinius was af-
geslagen, trok hij dezen te gemoet. Toen hij van een heu-
vel de legerplaats der Romeinen aanschouwde, riep hij uit,
dat de maatregelen der barbaren hem niets minder dan
-ocr page 472-
4G8
barbaarsch toeschenen. Bij Heraclëa kwam het tot een slag.
Zeven malen moest Purrhos op de Romeinsehe gelederen
instonnen, eer hij hen tot wijken bracht, en dat hem dit
gelukte, had hij alleen te danken aan zijn olifanten, bij
de Romeinen tot dien tijd geheel onbekende dieren, die
hunne ruiterij in verwarring brachten en van hen den
naam van Lucanische ossen ontvingen. Toen Purrhos na
den afloop van den strijd het slagveld aanschouwde en op-
merkte, dat alle gesneuvelde Romeinen slechs van voren
gewond waren, riep hij uit: »Met zulke soldaten zou ik
de gansche wereld veroveren!"
Na deze overwinning trok Purrhos naar Praeneste, in
de nabijheid van Rome, en sloeg daar oen legerplaats op.
Hij zond zijn welsprekenden vriend en geheimschrijver
Kineas naar Rome om den vrede aan te bieden, op voor-
waarde, dat de Romeinen al de op de Grieken, Samnieten
en nog eenige volken veroverde steden, terug zouden ge-
ven. Kineas had in last zoowel door omkooping als door
overreding zijn doel te bereiken. Het eerste middel bleek
geheel werkeloos te zijn, maar de welsprekendheid, waar-
mede hij de Romeinen vleide, die de gevolgen van het
voortzetten des krijgs begonnen te duchten, deed een groot
aantal senatoren tot den vrede neigen. Op zekeren dag liet
de grijze senator Appius Claudius, die wegens blindheid
de zittingen sedert geruimen tijd niet meer bijwoonde, zich
naar de raadzaal voeren. Nadat zich weder menige stem
had doen hooren om op het aannemen der vredesvoorwaar-
den aan te dringen, sprak Appius Claudius: "Sedert lang
heb ik het gemis mijner oogen betreurd, maar nu wensch-
te ik ook doof te zijn om uw lafhartige taal niet te kun-
nen hooren!" En daarop stelde hij voor, geene vredeson-
derhandelingen met Purrhos aan teknoopen.eerdeze Ralië
verlaten had. Zijn raad werd opgevolgd, en toen Kineas
den uitslag zijner mislukte zending aan Purrhos mededeel-
do, voegde hij erbij: ,,De senaat scheen mij een vergade-
ring van koningen toe."
-ocr page 473-
IVMM r "T ! f P*^
De blinde Appius Clnudius en Kinias in de Raadsvergadering.
-ocr page 474-
-ocr page 475-
471
De Romeinen dwongen nu Purrhos terug te trekken
naar Campanië en zonden hem Fabricius als gezant om over
de uitwisseling van gevangenen te spreken. Reeds menige
overlevering hebben wij medegedeeld, die in lateren tijd is
verzonnen om een vroegeren toestand of denkwijze voor te
stellen; de volgende is van denzelfden aard. Purrhos, die
van Kinéas vernomen bad, dat Fabricius, ondanks zijn
armoede, wegens dapperheid en rechtschapenheid de hoog-
ste achting in Rome genoot, wilde een poging wagen om
don invloedrijken man gunstig voor zich te stemmen. Hij
bood hom een geschenk aan met het verzoek het als een
bewijs van zijn hoogachting te willen aannemen. Fabricius
antwoordde, dat hij geen geschenken behoefde en ze bo-
vendien niet van een vijand van Rome aannam. Den vol-
genden dag hield Purrhos weder een gesprek met hem, en
toen dit was afgeloopen, gaf hij een toeken, waarop een
gordijn in de tent, waar zij zich bevonden, werd wegge-
schoven en een olifant te voorschijn trad, die den snuit
over het hoofd van den Romein heen en weer zwaaide.
Zonder in het minst te ontstellen sprak Fabricius: "Zoo
min, o koning! als gisteren uw goud mij bekoorde, ver-
schrikt mij nu uw olifant." Purrhos weigerde de gevan-
gengenomen Romeinen uit te leveren, maar als een bewijs
van achting voor Fabricius stond hij hun toe, de Satur-
naliën te Rome te gaan vieren.\' Toen de feesten waren
afgeloopen, keerden allen in krijgsgevangenschap terug.
De senaat had ieder met de doodstraf bedreigd, die het
wagen zou achter te blijven.
Di het volgende jaar behaalde Purrhos weder een over-
winning op de Romeinen. Hij had echter in den slag een
wond hekomen en zulk een groot aantal van zijn beste
troepen verloren, dat hij uitriep: »Nog zulk een over-
winning en ik ben verloren!" Toen kort daarna Fabricius
tot consul was gekozen en aan liet hoofd van \'t leger tegen
Purrhos optrok, kreeg hij volgens de overlevering van
diens lijfarts een brief, waarin deze aanbood, den koning
-ocr page 476-
472
voor oen goede som gelds te vergiftigen. Fabricius zond
terstond den brief aan Purrhos, die verbaasd uitriep: „Eer
zal men de zon van loopbaan doen veranderen, dan Fabri-
cius van het pad dor deugd te verwijderen."
Purrhos deed den arts zijn verdiende straf ondergaan,
en schonk uit dankbaarheid aan alle Romeinsche gevan-
genen zonder losgeld de vrijheid, waarop do Romeinen
een gelijk getal gevangengenomen krijgslieden van Purrhos
terugzonden. Maar toen hij daarop weder den vrede aan-
bood, ontving hij hetzelfde antwoord, dat hem op raad van
Appius Glaudius vroeger was gegeven.
Purrhos voldeed nu aan het verzoek der Grieken op
Sicilië om hen tegen de Carthagers bij te staan. Bijna had
hij de Carthagers van Sicilië verdreven, toen zijn heersch-
zuchtig gedrag hem zoo gehaat maakte bij hen, die hem
te hulp hadden geroepen, dat zij van hom afvielen, en hij
zich genoodzaakt zag naar Tarente terug te koeren. Hij
trok op tegen don consul Curius Dentatus, die hem bij
Beneventum slag leverde. De vrees der Romeinen voor
de olifanten was reeds geweken. Zij beschoten hen met
brandpijlen en zwaaiden brandende fakkels voor hunne
oogen, waardoor do dieren schuw werden, terugliepen en
verwarring brachten in de gelederen van Purrhos. De
Romeinen behaalden een beslissende overwinning. Pur-
rhos moest Ralië verlaten en in hetzelfde jaar (212 v. C),
dat de Romeinen Tarente innamen, werd hij in een strijd
voor Argos door oen steenworp van het paard geslingerd
en door een vijandelijk hoofdman gedood.
Syracuse.
Ruim een eeuw voor het uitbreken van den oorlog tus-
schen Rome en Tarente maakten de Carthagers zulke ver-
overingen op Sicilië, dat de ontsteltenis, die daarover in de
Grieksche republiek Syracuse ontstond, aan Dionusios, den
dapperen, bekwamen zoon van een muildierdrijver, gele-
-ocr page 477-
47.3
genhoid gat\'zich als tiran van dien staat optewerpen. Om
zich in de alleenheerschappij te kunnen handhaven kocht
hij van de Cartliagers den vrede tegen den afstand van
een aanzienlijk grondgebied. Hij verrijkte zich door aller-
lerlei afpersingen, en zelfs de standbeelden der goden ont-
gingen zijn roofzucht niet. Aan het beeld van Asklepias,
den god der geneeskunde, ontnam hij den gouden baard,
voorgevende, dat het een zoon niet paste er een te dragen,
wanneer zijn vader (Apollon) er geen had. Ook verrijkte
hij zich met dengouden mantel vanhetbeeld vanZeus, omdat
zulk een kleedinostuk in den zomer te warm en in den winter te
koud was. Maar te midden van zijn koninklijke pracht
was Dionusios niet gelukkig. Hij wantrouwde bijna ieder-
een. De burcht, waar hij woonde, was door een ophaal-
brug van de stad gescheiden en de wachters moesten er
hem kennis van geven, zoodra iemand haar naderde. Hij
liet ieder, die bij hem werd toegelaten, in zijn tegenwoor-
digheid van mantel verwisselen, om zich te kunnen overtui-
gen, dat de bezoeker geen verborgene wapenen bij zich
had. Uit vrees voor moordenaars liet hij geen barbier bij
zich toe, maar moest en zijn dochters hem met gloeiende
notedoppen den baard afschroeien, terwijl hij bovendien
iederen nacht van slaapvertrek verwisselde. Toen
eens, volgens het verhaal, zijn gunsteling Dainriklcs hem
gelukkig roemde, stond hij dezen toe een ganschen dag de
genoegens der vorstelijke waardigheid te genieten. De gun-
steling plaatste zich aan een koninklijke tafel, die met keur
van spijzen en dranken prijkte, terwijl de dienaren van
den tiran gereed stonden hem op zijn wenken te bedienen;
maar boven zijn hoofd hing aan een dunnen draad een
zwaard, dat hem doodelijk moest treffen, indien de draad
brak. Dit was het getrouwe beeld van het leven van den
tiran.
Dionusios beoefende wijsbegeerte en dichtkunst, en hij
beleefde den eersten gelukkigen dag tijdens zijn regeering,
oen hij vernam, dat zijn verzen te Athene bekroond wa-
-ocr page 478-
474
ren. In zijn vreugde bracht hij den goden een kostbaar
offer en richtte een koninklijk gastmaal aan; en ofschoon
hij steeds zeer matig had geleefd, ging hij zich aan het
feest zoozeer te buiten, dat hij er zich een zware ziekte door
op den hals haalde, die hem ten grave sleepte.
Zijn zoon Dionusios II, die hem als tiran opvolgde, was
zoolang hij zich aan de leiding toevertrouwde van den
Atheenschcn wijsgeer Platon, dien hij aan zijn hof had ge-
roepen, een toonbeeld van wijsheid in \'t regeeren en van
ingetogenheid in \'t leven. Eens gaf hij Platon zijn voorne-
te kennen, zijn onbeperkte macht te veranderen in een
beperkt koningschap, waarop de wijsgeer hem antwoord-
de: "Ga daar thans nog niet toe over; doorloop eerst uw
leercursus." Dien cursus bracht do tiran echter niet ten
einde. Hij werd willekeurig, wreed en losbandig. Platon
verloor zijn invloed en begaf zicii weder naar Athene.
Terwijl de Carthagers hun gebied op Sicilië verder uit-
breidden, werden vele aanzienlijke Svracusanen zoo onte-
vreden over de dwingelandij van Dionusios II, dat zij Ko-
rinthe, Syracusc\'s moederstad, te hulp riepen om den tiran
te verdrijven. Kort te voren had Korinthe zelf onder het
juk van een tiran, Timophanes, gestaan. Toon Timophanes
de alleenheerschappij had verworven, smeekte hem zijn va-
derlandlievendo en vrijheidminnende broederTimoléon, die
hem innig liefhad en eens in een veldslag het leven voor
hem had gewaagd, afstand te doen van de tirannie; Timo-
phanes weigerde. Timoléon, die do vrijheid van zijn va-
derland bovenzijn eigen loven en dat zijner dierbaarste bloed-
verwanten stelde, verbond zich nu met eenigc vrienden en
begaf zich nogmaals met hetzelfdeverzoeknaarzijnbroeder.
Deze lachte hem onbeschaamd uit en verklaarde, niet te
dulden weder op die wijze te worden lastig gevallen. Nu
bedekte Timoléon zich het hoofd, waarop zijn begeleiders
den tiran nederstieten.
Deze Timoléon werd met een geringe krijgsmacht naar
Syracuse gezonden. Hij verdreef DionusiosII, die zich naar
-ocr page 479-
475
Korinthe begaf, waar hij in geen ruime omstandigheden
zijn volgende levensjaren sleet. Toen hij daar eens een
bezoek ontving van iemand, die bij het binnentreden, gelijk
dat aan het hof van Dionusios I gebruikelijk was geweest,
zijn mantel \'uitschudde, zeide Dionusios II: «Doe dat lie-
ver, als gij heengaat." Hij wilde daarmede te kennen
geven, dat hij hem niet meer als moordenaar, maar thans
wel als dief vreesde.
Timoleon behaalde spoedig een schitterende overwin-
ning op de Garthagers, ontrukte aan hunne heerschappij
alle Griekschc steden en bevrijdde deze van de tirannen.
Het zou Timoleor. geen moeite gekost hebben, zich thans
tot tiran op te werpen, doch hij bleef getrouw aan zijn
beginselen en liet de oppermacht aan het volk. Toen hij
gestorven was (337 v. C), richtten de Syracusanen een
gedenkteeken, het Timolconlion, voor hem op, dat langer
bleef bestaan dan de door hem herstelde vrijheid, want
eerlang wist een bekwaam legeraanvoerder, Agathökles,
een pottenbakkers zoon, zich weder tot tiran te verheffen.
De vijanden van Agathökles riepen de Garthagers te hulp,
die daarop het beleg sloegen voor Syracuse. Daar de be-
legering niet met kracht werd doorgezet, maakte Agathö-
kles van een gunstig oogenblik gebruik om met een goed
bemande vloot midden door de Garthaagsche schepen, die
voor de haven van Syracuse lagen, te breken en op de
Noordkust van Afrika te landen. Hij liet al zijn man-
schappen, waaronder leden waren van alle aanzienlijke
geslachten te Syracuse, aan land gaan, verbrandde daarop
zijn schepen en veroverde een groot gedeelte van het Gar-
thaagsche gebied. Toen hij hier zijn heerschappij voldoen-
de gevestigd achtte, begaf hij zich, het opperbevel aan zijn
zoon overdragende, weder naar Syracuse, waar hij aan de
Garthaagsche vloot, die voor de haven lag, een zware
nederlaag toebracht. Maar van nu afkeerde het geluk hem den
rug toe. De wreedheid, waarmede hij regeerde, bracht zulk
een verbittering teweeg, dat een zijner kleinzonen hem
-ocr page 480-
476
vergift liet toedienen. Weldra werd hij door hevige pijnen
aangetast en namen zijn krachten merkbaar af. Toen hij
den dood voelde naderen, riep hij het volk bijeen, schonk
het de oude republikeinsche staatsregeling terug, spoorde
het aan, zicli op zijn moordenaar te wreken en werd, ter-
wijl hij nog lag te stuiptrekken, op den vlammendcn brand-
stapel gelegd.
Na zijn dood ontstond op Sicilië een onbeschrijfelijke
verwarring. Een afdeeling Campaansche huurlingen,
naar den krijgsgod Mars of Mamers Mamertijnen genaamd,
die in dienst waren geweest van Agathokles, maakten zich
meester van Messina, joegen alle mannen over de kling en
verdeelden niet slechts de woningen en bezittingen, maar
zelfs de vrouwen en de kinderen. Aanvankelijk vonden de
Mamertijnen steun bij de Carthagers, die daardoor meen-
den Syracuse in het nauw te kunnen brengen, waarop
deze stad de hulp van koning Purrhos inriep. Toen deze
vorst vertrokken was en de Carthagers weder groote ver-
overingen op Sicilië maakten, wierpen de Syracusanen zich
in de armen van don bekwamen veldheer Hieron wien zij
toelieten zich tot tiran te verheffen. Hieron bracht aan de
Mamertijnen zware verliezen toe, en zoodra dezen verna-
men, dat de Carthagers zich met Syracuse tegen hen ver-
bonden hadden, riepen zij de hulp van de Romeinen in. De
gevraagde hulp werd toegezegd, en toen de Romeinen aan
de Carthagers en aan Hieron lieten weten, dat zij Messina
ongemoeid moesten laten, dewijl het met Rome verbonden
was, zag Hieron van verderen strijd af.
De eerste Punische oorlog.
In het jaar 204 staken de Romeinen naar Sicilië over
en begonnen zij den strijd met de Carthagers. Terwijl dezen
op Sicilië zware verliezen leden, brachten zij ter zee aan
de koopvaardijschepen van Rome\'s bondgenooten groot
nadeel toe. De Romeinen zagen in, dat zij op de Carthagers
-ocr page 481-
177
geen duurzaam voordeel kouden behalen, wanneer zij ter
zee niet tegen hen waren opgewassen. Dewijl zij slechts
kleine oorlogsschepen bezaten, bouwden zij naar het voor-
beeld van een gestranclen Garthaagschen vijfdekker, een
vloot van grooto vaartuigen.
De consul Gajus Duïlius, wien het bevel over de vloot
werd opgedragen, zag wel in, dat zijn schepelingen in
het snelle wenden bij de Carthaagsche achterstonden, en
dit hem een nederlaag zou moeten berokkenen. De hoofd-
zaak was bij een zeegevecht, niet de zware, ijzeren sneb,
die aan den voorsteven bevestigd was, een vijandelijk
schip met groote snelheid in de zijde te loopen en het daar-
door in den grond te boren. De Carthaagsche driedekkers
hadden met dat doel 170, de vijfdekkers 300 roeiers aan
boord, terwijl er zich niet meer dan een twintigtal solda-
ten op bevonden. Nu zocht Duïlius naar oen middel om
het overwicht, dat de Romeinen bij een gevecht te land
op de Carthagors hadden, ook op zee te doen gelden, en
zoo kwam hij tot de uitvinding van de enterbruggcn. Hij
liet op den voorsteven zijner schepen ophaalbruggen ma-
ken, die aan beide zijden van borstweringen voorzien wa-
ren, ruim een meter breedte hadden, en zoowel vooruit
als aan bakboord- en aan stuurboordzijde neergelaten kon-
den worden. Kwam nu een Carthaagsch schip op een Ro-
meinsch aanroeien, dan moesten de soldaten, die 100 of
120 per schil) bedroegen, do enterbrug erop neer laten
vallen, zoodra het genoeg genaderd was. De enterbrug viel
dan met groote kracht op het vijandelijke schip, en de
ijzeren punt, die aan het uiteinde bevestigd was, drong
diep in het dek. Onmiddellijk stormden dan de Romeinsche
soldaten het Carthaagsche schip op. Aldus gelukte het
Duïlius bij de Liparische eilanden een schitterende over-
winning op de Carthaagsche vloot te behalen. Uit dank-
baarheid richtten de Romeinen voor hem een met scheeps-
snebben versierde eerezuil op, waarvan nog een overblijf-
sel te Rome te zien is, terwijl hem werd vergund, zich
-ocr page 482-
478
door een fakkeldrager en fluitspeler te doen voorafgaan,
wanneer hij \'s nachts van een gastmaal huiswaarts keerde.
In het volgende jaar zond de Romeinsche senaat een
vloot van 330 groote oorlogsschepen, met vier legioenen
aan boord onder het bevel van consul Regülus naar Afrika. Zij
ontmoette onderweg 350 Garthaagsche oorlogsschepen, en
terstond had er een verschrikkelijk zeegevecht plaats. Bij-
na 700 schepen en 300,000 roeiers en krijgslieden namen
Regulus.
er deel aan. De Romeinen zegevierden, en weldra werden
de legioenen op het gebied van Garthago ontscheept. Re-
gulus behaalde aanmerkelijke voordeden. De Carthagers
verkeerden in de grootste ontsteltenis en versterkten
zich met ^nieuwe huurtroepen. Xanthippos, een Spartaan,
de aanvoerder van een der huurbenden, zeide eens, dat
de Carthagers door zich zelve en niet door Regulus wa-
ren verslagen. Dit gezegde kwam den Carthaagschen se-
-ocr page 483-
479
naat ter oore, die Xanthippos voor zich liet verschijnen
om rekenschap van zijn woorden te geven. De Spartaan
deed opmerken, dat de kracht der Carthagers in hunne olifan-
ten en ruiterij bestond, dat deze aan den strijd weinig of
geen deel hadden genomen, omdat er tot nu toe slechts
op heuvelachtigon grond was gestreden, doch dat de uit-
slag wel anders zou zijn, wanneer de Carthagers den vij-
and in de vlakte tot den strijd wisten te dwingen. De se-
naat achtte deze opmerking zoo juist, dat het opperbevel
aan Xanthippos werd opgedragen. Dat deze juist gezien
had, bleek weldra. Hij lokte Regulus, die overmoedig was
geworden, in de vlakte, vernietigde bijna zijn geheele le-
ger en nam hem met 500 man gevangen.
Door deze overwinning kon Carthago zich geheel her-
stellen, te meer dewijl de Romeinen nog eenigen tijd on-
voorspoedig waren: een paar hunner vloten werden door
storm vernield. Zij lieten zich door die tegenspoeden ech-
ter niet ternederslaan en zetten den krijg zoo hardnekkig
voort, dat Carthago uitgeput begon te raken, en een ge-
zantschap naar Rome zond ten einde den vrede te verkrij-
gen. Volgens de overlevering werd Regulus met de gezan-
ten medegezondcn. Men verwachtte, dat hij, in de hoop
zijne vrijheid terug te krijgen, zijn beste krachten zou
inspannen om den vrede te bewerken en liet hem daarom
zweren, dat hij naar Carthago terug zou keeren, indien
het doel niet bereikt werd. Toen hij met de gezanten voor
Rome was aangekomen, weigerde hij zijn vrouw, zijn
kinderen en zijn vrienden te zien, omdat hij niet langer
Regulus, zelfs geen Romein, maar een Carthaagsch gevan-
gene was. Hij werd uitgenoodigd in de vergadering van
den senaat te verschijnen, doch hij verscheen er niet, eer
hij de toestemming der Carthaagsche gezanten had ont-
vangen zich erheen te begeven. Op de vraag hem door
den senaat voorgelegd, of het geraden was met Carthago
vrede te sluiten of anders de krijgsgevangenen uit te wis-
selen, gaf hij ten antwoord, dat Rome\'s belang vorderde
-ocr page 484-
480
don oorlog voort te zetten, daar de Carthagers bijna uit-
geput waren, en dat de Carthaagsche krijgsgevangenen
niet uitgeleverd moesten worden, aangezien zich onder hen
mannen bevonden, die hunne vaderstad van groot nut
zouden zijn. De senaat nam een besluit overeenkomstig
zijn raad, en Regulns maakte zich gereed met de Car-
thaagsche gezanten terug te keeren. Nu smeekten hem zijn
bloedverwanten en vrienden te Rome te blijven, dewijl
hem, nu de Carthagers hun doel door zijn toedoen hadden
gemist, een wisse en smadelijke dood wachtte, maar noch
het smecken van allen, die hem zoo innig dierbaar waren,
noch de vrees voor een marteldood, waren in staat hem
zijn gegeven woord te doenbreken. De overlevering eindigt
met de niededeeling, dat de Carthagers hem onder de pijn-
lijkste folteringen ter dood brachten.
De oorlog werd met kracht voortgezet. Eens wilde de
consul Claudius Pulcher, die met een vloot was uitgezon-
den, de Carthagers aanvallen. Hij liet den wil der goden
door de wichelaars navorschcn en kreeg ten antwoord, dat
de voorteekenen ongunstig waren, daar de heilige hoen-
ders, die aan boord waren medegenomen, niet wilden eten.
"Laat hen dan drinken,alszijniet eten willen,"riep Pulcher
toornig uit, en gaf daarop bevel, de dieren in zee te wer-
pen. Hij viel aan, doch leed een vreeselijke nederlaag.
Kort na die ramp ging een nieuwuitgeruste vloot door
storm te gronde. Rome geraakte uitgeput, en de senaat
besloot de Carthagers hunne heerschappij ter zee niet lan-
ger te betwisten. Nu brachten eenige aanzienlijke Romei-
nen op eigen kosten een groote, goed uitgeruste vloot
bijeen, die onder aanvoering van Lutatïus Catnlus de Car-
thaagsche zeemacht nabij de Aegatische eilanden geheel ver-
nielde. Thans moest Carthago den strijd opgeven. Na een
oorlog van drie en twintig jaren werd de vrede gesloten.
Carthago moest Sicilië aan Rome afstaan en zware oorlogs-
kosten betalen.
-ocr page 485-
481
De tweede Punische oorlog.
Terstond na den vrede hadden de Carthagers met nieu-
we rampen te worstelen. Er ontstond onder do huurtroe-
pcn een opstand, die ook tot Sardinië oversloeg, waar de
opstandelingen de hulp der Romeinen inriepen, die daarop
het eiland in bezit namen en weldra de Carthagers dwon-
gen hun ook Corsica af te slaan.
De Carthagers werden uit den netcligen toestand, waar-
in zij verkeerden, gered door Hamdkar Barkas, die her-
vormingen tot stand bracht in de regeering en in het leger.
Nu begreep hij zijn vaderland voor de geleden verliezen
vergoeding te moeten schenken, door de verovering van
het weelderige zuidelijke deel van Spanje, aan welks kus-
ten Phenicische en Griekschc koloniën gevonden werden,
en dat verder bewoond werd door Iberiërs, Kelten en uit
dezen gesproten Keltiberiërs, dappere volken, die zich
echter nooit tegen een gemeenschappelijken vijand veree-
nigdcn. Toen hij op het punt stond met zijn vloot en
krijgsmacht naar Spanje over te steken, liet Hamükar zijn
negenjraig zoontje Hannibal bij zich komen, en vraagde
hem, of hij lust had mede te gaan. Met opgetogenheid gaf
het kind een bevestigend antwoord, waarop de vader
cischte, dat het dan aan de goden moest zweren, de Ro-
meinen eeuwig te haten. Hannibal legde dien vreeselijken
eed af en heeft hem nooit geschonden.
Gedurende negen jaren veroverde Hamilkar een groot
gedeelte van Zuid-Spanje, toen sneuvelde hij en kwam zijn
schoonzoon Hasdrubal in zijn plaats, die het land tot aan
de Ebro onder Carthaagsche heerschappij bracht. Hasdru-
bal werd door een slaaf vermoord en vervangen door Han-
nibal, die thans den leeftijd van negen en twintig jaar
bereikt, en als staats- en krijgsman een rijke ondervin-
ding opgedaan had. Daar hij evenals zijn vader voorzag,
dat een oorlog tusschen Rome en Carthago op den duur
niet kon uitblijven, achtte hij den tijd gekomen dien te
31
-ocr page 486-
482
doen uitbreken, daar de Galliërs in Noord-Italië ten hoog-
ste verbitterd waren op de Romeinen, die er hun gezag
zochten uit te breiden.
                                  !(i"J<£"-Ivxsbj
Hannibal begon met de verovering van het met Rome
verbonden Saguntum. De Romeinen, die niets gedaan
hadden, om de stad te ontzetten, zonden nu een gezant-
schap naar Carthago om de uitlevering van Hannibal te
Hannibal.
eischen. Daar de Garthaagsche senaat niet genegen was
aan dien eisch te voldoen, werden de Romeinschegezanten
ongeduldig. Een hunner hief een deel van zijn toga in
de hoogte, greep hot samen on riep, terwijl hij het heen
en weer schudde: "Hier brengen wij u vrede of oorlog.
Kiest, wat gij wilt." Hij kreeg ten antwoord, dat hij kon
-ocr page 487-
483
geven, wat hij verkoos. Toen ontplooide do Romein liet deel
van zijn toga en zeide: „Dan geef ik u den oorlog."
Ondertussclien had Hannibal het plan ontworpen de
Romeinen in Italië te gaan bestrijden. Daar hij het gevaar-
lijk achtte zijn leger met schepen over te brengen, omdat
een storm of een Romeinsche vloot den tocht kon doen
mislukken, besloot hij over de Pyreneën en de Alpen erheen
te trokken.
In de lente van het jaar 218 v. C. viel Hannibal met
een leger van 90,000 man voetvolk, 12,000 ruiters en
37 olifanten in het land ten Noorden van de Ebro en be-
reikte na een reeks hevige gevechten tegen de inwoners
dier landstreek, waarbij hij een vierde gedeelte van zijn
leger verloor, den voet der Pyreneën. Zonder moeite trok
hij over dit gebergte en bereikte onder onafgebroken strijd
tegen de volken, door wier land hij trok, tegen September
den westelijken voet der Graïschc Alpen. Tot nu toe had-
den de Romeinen door een onverklaarbaartalmen nogniets
gedaan om hem tegen te houden, en hun consul Publius
Cornelius Scipio, die met een leger tegen hem was
afgezonden, achtte het onmogelijk, dat Hannibal thans
zijn tocht kon voortzetten. De Alpenpassen waren toen
nog niet begaanbaar gemaakt door kunstwegen, en in Sep-
tember zijn zij reeds met sneeuw bedekt. Met zijn aan
Afrikaansche hitte gewende soldaten, met zijn ruiters, die
gewoon waren zich in do vlakte te bewegen, met zijn logge
olifanten en met den geduchten legertrcin, die de levens-
middelen voor zijn krijgsmacht moest medevoeren, be-
reikte Hannibal langs paden, waarop zelfs de muildieren
zich met moeite staande hielden, onderdagelijkschegevech-
ten tegen de borgbewoners na een tocht van negen dagen
het hoogste punt van den kleinen St. Rernardspas. Opeen
door bergen beschutte hoogvlakte, rondom een klein meer,
waaruit de Dora Baltea ontspringt, schonk hij aan zijn
soldaten, die bij het toenemend gebrek aan levensmid-
delen geheel moedeloos waren geworden, eenige rust. Het
-ocr page 488-
484
gelukt e Hannibal aan zijn soldaten nieuwe veerkracht
te schenken door er hen op te wijzen, dat zij slechts wei-
nige dagmarschen verwijderd waren van de met hen be-
vriende Galliërs van Noord-Italië. De tocht werd hervat,
maar ofschoon men thans bijna niet meer verontrust werd
door de bergvolken, bood het afdalen nog grooter moei-
lijkheden aan dan het opstijgen. Den tweeden dag bereikte
het leger een plaats, waar de paarden en de olifanten
niet over konden. Met inspanning van alle krachten begon
men toen een weg uit te houwen langs den borg, en toen
deze vermoeiende arbeid ten einde was gebracht, trok men
verder. Nog gedurende drie dagen gleden telkens man-
schappen, paarden, lastdieren en olifanten in den afgrond,
en toen werd het dal van de Dora Baltea broeder en beter
begaanbaar, en trof men den volksstam der Salassers aan,
die de Garthagers als hunne bevrijders beschouwden. Om-
streeks het midden van September kwam het leger in de
vlakte van Ivrëa. Het telde nog slechts 20,000 man voet-
volk, 6000 ruiters en een paar olifanten. De door honger,
koude en vermoeienis uitgeputte soldaten werden in de
verschillende dorpen ingekwartierd en kregen voertien da-
gen rust om hunne door ontbering verloren krachten te
herstellen.
Ondertusschen had de consul Publius Gornelius Scipio
zich met oenigc troepen naar het Po-dal hegeven en zich
vereenigd met de twee legioenen, die er zich bevonden, en
die niets tegen Hannibal hadden ondernomen, toen deze
met zijn uitgeputte Garthagers in de vlakte was aange-
komen. Ofschoon zijn strijdmacht geringer was dan die
van Hannibal, waagde Scipio het, dezen bij den Tessino
slag te leveren. Hij leed de nederlaag, werd zelfs gewond
en zou door de Garthagers gevangen zijn genomen, indien
zijn zeventienjarige zoon, insgelijks Publius Gornelius Scipio
geheeten, hem niet met eenige ruiters had ontzet. Scipio
trok terug en sloeg achter de Trebia een versterkte leger-
plaats op, daar hij tot spijt van Hannibal niet opnieuw een
-ocr page 489-
485
gevecht wilde aangaan, oer zijn medeconsul Sempronfus
met versche troepen was aangekomen. Hannibal versterkte
ondertusschen zijn leger met op de Romeinen verbitterde
Galliërs en zocht een tweeden slag te leveren. Scipio
wenschte dien uit te stellen om te trachten de Galliërs te
bewegen weder van Hannibal af te vallen, maar Sempro-
nius, die het opperbevel voerde, omdat Scipio van de ver-
kregen wond nog niet hersteld was, verlangde, daar zijn
ambtsjaar ten einde spoedde, zich door een overwinning
beroemd te maken, Hij nam den slag, dien Hannibal voort-
durend aanbood aan, doch werd ondanks do dapperheid,
waarmede de Romeinen streden, verslagen.
Vroeg in het voorjaar bezetten de Romeinen de twee
groote heirbanen, die van de Po-vlakte naar Rome liepen.
Hannibal trok daarom doorliet moerassige Arno-dal, waar
zijn troepen door besmettelijke ziekten aangetast werden
en hij zelf een oog door ontsteking verloor. Ondanks dezen
tegenspoed slaagde hij erin de Romeinen om te trekken.
Zoodra de consul Flaminius dit vernomen had, ging hij,
zonder zich met zijn ambtgenoot te vereenigen, Hannibal
te gemoet. Onbedachtzaam trok hij het dal, waarin het
Trasimeensche meer gelegen is, binnen. Hannibal had zijn
lichte troepen op de helling der bergen aan weerszijden ge-
schaard en stond met de kern des legers dieper liet dal in.
Het was morgen, toen Flaminius het dal binnentrok. Een
dichte nevel hield de vijanden voor zijn oog verborgen.
Plotseling liet Hannibal de Romeinen van drie zijden aan-
vallen, en in korten tijd was hun leger vernietigd.
De Romeinen vreesdon, dat Hannibal nu regelrecht op
Rome zou aantrekken en stelden Quintus Fabius Maximus
tot dictator aan. De Garthaagsche veldheer begreep echter,
dat zijn macht niet voldoende was om Rome te belego-
ren en trok Umbrië binnen in de hoop, de aan do Ro-
meinen onderworpen volken aan zijn zijde te krijgen.
Fabius trok hem te gemoet, doch niet met het doel hem
slag te leveren. Hij wilde hem verzwakken door hem de
-ocr page 490-
486
toevoer van levensmiddelen af te snijden en tevens door
zijn tegenwoordigheid Romo\'s bondgenooten verhinderen,
zich bij de Garthagers aan te sluiten. Fabius volgde Hannibal
op den voet, toen deze naar Apulië en van daar naar Gam-
panië trok, zonder een gevecht te leveren; slechts toen de
Garthagers van Campanië naar Apulië terugkeerden, be-
proefde hij door het bezetten van een bcrgpas hen tegen te
houden. Doch Hannibal wist den dictator te verschalken.
In den nacht liet hij door lichtgewapenden eenige hoogten
langs den pas bezetten en een groot aantal ossen met bran-
dende takkenbosschen aan de horens tegen de Romeinsche
voorposten injagen. De Romeinen geraakten op dit vreem-
de gezicht in verwarring en gaven daardoor aan de Gar-
thagers gelegenheid hun weg voort te zetten.
De wijze van oorlog voeren, door Fabius gevolgd, mis-
haagde aan zijn soldaten. Zij gaven hem den naam van
Cunctator (Draler), on toen eens, terwijl hij afwezig was,
zijn onderbevelhebber Minucius hot waagde de Carthagers
aan te vallen en daarbij eenig voordeel op hen behaalde,
werd de handelwijze van Fabius ook te Rome streng af-
gekeurd. Men wees erop, dat Minucius bewezen had, dat
Hannibal niet onoverwinnelijk was, en bepaalde, dat de
dictator het opperbevel met zijn onderbe vel hebber moest
deelen. Zoodra Minucius bet bevel over de helft des legers
had aanvaard, greep hij Hannibal aan, doch hij zou ver-
nietigd zijn geworden, indien Fabius niet met zijn troe-
pen was toegeschoten, om hem te ontzetten. Minucius er-
kende nu het betere inzicht van Fabius en stelde zich vrij-
willig weder onder diens opperbevel. Toen de tijd van de
dictatuur verstreken was, benoemden de Romeinen Marcus
Terentius Varro en Lucius Aemilius Paulus tot consuls,
en brachten zij een buitengewoon groot leger op de been,
waarvan een gedeelte naar het Noorden werd gezonden,
om de Galliërs aldaar weder teondcrwerpen. De beide con-
suls trokken met 86,000 man, waaronder 6000 ruiters,
tegen Hannibal op, die slechts 40,000 man voetvolk, doch
-ocr page 491-
1
=
I
BC
-ocr page 492-
-ocr page 493-
489
10,000 ruiters onder zijn bevolen had. Hannibal, wien
liet in tegenwoordigheid van zulk oen geduchten vijand
moeilijk viel in het onderhoud zijner troepen te voorzien,
wenschte niets liever dan in de vlakte van Cannae, waar
hij zich bevond, en die hem gelegenheid gaf goed gebruik
te maken van zijn talrijke ruiterij, slag te leveren. Aemi-
lius Paulus wenschte Hannibal in een voor ruiterij ongun-
stiger terrein aan te tasten, doch Varro meende, dat de
strijd, met het oog op de overmacht der Romeinen, niet
mocht worden uitgesteld. Te dien tijde hadden de beide
consuls om den anderen dag liet.opperbevel. Toen Varro
ermede bekleed was, begon hij het gevecht. De Romeinen
leden de vreoselijkste nederlaag, die zij ooit hadden onder-
gaan. Zij verloren 70,000 man aan dooden, gewonden on
gevangenen. Maharbal, de aanvoerder der Carthaagsche
ruiterij, stelde Hannibal voor, onmiddellijk naar Rome op
te trekken, en toen deze, geheel bekend met de macht,
die de Romeinen nog konden ontwikkelen, ten antwoord
gaf, dat dit niet in zijn bedoeling lag, riep de dappere,
maar minder voorzichtige aanvoerder uit: "Gij weet wel
een overwinning te behalen, maar niet, er gebruik van te
maken."
Groote ontsteltenis heerschte in Rome, toen de tijding
van de geduchte nederlaag er bekend was geworden, maar
do senaat hield moedig het hoofd op. Aan de vrouwen,
die een echtgenoot of een zoon beweenden, word verboden
zich in de straten te vertoonen, en alle weerbare mannen
kregen den last, zich gereed te houden om de stad tegen
den naderenden vijand te verdedigen. Ook aan het bijge-
loof moest te gemoel worden gekomen, want ongunstige
voortcekenen hadden een ramp aangekondigd, en nu wilde
het volk in de eerste plaats de goden verzoenen. Twee
Vestaalsche maagden, Opimia en Floronia, hadden haar
plicht verzaakt: de cene werd levend begraven, de andere
maakte door zelfmoord een einde aan haar loven. De sy-
byllijnscho boeken werden geraadpleegd, en bovendien
-ocr page 494-
490
zond de senaat een afgezant naar het orakel van Delphoi
om te vernemen, op welke wijze de goden te verzoe-
nen waren. Terwijl de afgezant op reis was, bracht men
de goden allerlei offers; zelfs menschenoffers. Een Galli-
sche man en vrouw en een Grieksche man en vrouw wer-
den in een gewelf op het forum gemetseld. Toen Varro,
een der weinige aanvoerders, die den dood was ontkomen,
(ook Aemilius Paulus was gesneuveld) te Rome kwam,
werd hij eervol ontvangen door den senaat, die hem prees, dat
hij niet aan liet behoud zijner vaderstad had gewanhoopt.
Met buitengewone krachtsinspanning brachten de Ro-
meinen een nieuw leger op de been, dat zij aan liet opper-
bevel van den bekwamen Marcellus toevertrouwden. Deze
trok naar Gampanië, werwaarts Hannibal zicli had bege-
ven, omdat Capua zich bij hem had aangesloten, en behaalde
bij Nola een overwinning op den Carthaagschen veldheer.
Terwijl de Carthaagsche soldaten in liet weelderige Capua
ontzenuwd werden en aan de krijgstucht ontwenden, kreeg
Hannibal bericht, dat zijn verzoek om onderstand aan troe-
pen, koren en geld door den Carthaagschen senaat was
afgeslagen. Een zijner tegenstanders had erop gewezen,
dat een verslagen veldheer geen hulp verdiende en een
overwinnaar ze niet noodig had.
Terwijl Hannibal zich met moeite in Italië staande hield,
leden de Carthagers in andere stroken zware verliezen. Na
den dood van Hiëron had Syracuse zich bij de Carthagers
aangesloten. Marcollus werd erheen gezonden om de stad
in te nemen, doch hij vond daar een on verwachten tegen-
stand door het vernuft van den wis- en natuurkundigen
Archimedes. Door ijzeren haken, aan reusachtige liefboo-
men bevestigd, wist hij Romcinsche krijgslieden, die zich
nabij de muren waagden, op te lichten en in de hoogte te
slingeren, ja, er wordt zelfs verhaald, dat hij hetzelfde
met Romeinsche schepen zou hebben gedaan. Verder be-
dacht hij werktuigen, waarmede hij rotsblokken engroote
hoeveelheden lood op de Romcinsche schepen en belege-
-ocr page 495-
491
ringswerktuigen slingerde om ze te verbrijzelen, en liet hij
schietgaten in de muren maken, waardoor de Syracusanen
hunne vijanden met pijlen konden troffen zonder zclven aan
gevaar te zijn blootgesteld. Na verloop van acht maanden
zag Mareellus zich genoodzaakt het beleg in een insluiting
te veranderen, en eerst in het derdejaar slaagde hij erin
zich met behulp van verraad van de stad meester te maken.
Hij gaf de stad ter plundering aan zijn soldaten prijs en
zond haar schoone voortbrengselen van Grieksche kunst
Mareellus.
naar Rome. Men verhaalt, dat Archimedes bij do inne-
ming der stad in zijn wiskundige studiën verdiept was, en
met onafgewenden blik naar de figuren staarde, die hij op
den met zand bestrooiden vloer had geteekond. Toen een naar
buit zoekend Romoinsch soldaat het vertrek van den ge-
leerde binnentrad, riep deze hem toe: «Wisch mijn cirkel
niet uit!" De krijgsman, over die toespraak verstoord,
doorstak hem.
Ondertusschen hadden ook de zaken in Spanje voor de
-ocr page 496-
492
Cartkagers een ongunstigen keer genomen. Nadat Has-
drubal, de broeder van Hannibal, aan de Romeinen een
zware nederlaag\' had toegebracht, wenschten de consuls
een bekwaam legerhoofd naar Spanje te zenden, maar de
centuriënvergaderingen konden geen benoeming doen,
dewijl niemand naar die waardigheid dong. Aangezien
in Spanje niet alleen de Carthagers maar ook de inboorlin-
gen moesten bestreden worden, vreesde ieder, dat daar
slechts schande in plaats van roem te behalen viel. Einde-
lijk bood zich een vierentwintigjarig jongeling voor de ge-
vaarlijke betrekking aan. HetwasPubliusCorneliusScipio,
die zijn vader bij de Trebia uit de handen der Carthagers
had verlost. Onverwachts viel hij Carthagena van de land-
en de zeezijde aan en veroverde het. Hij maakte er de aanzien-
lijke Carthaagsche krijgskas en een groote hoeveelheid koren
buit. Ofschoon hij volgens het toenmalig gebruik het recht
had, de stad te plunderen, liet hij dit na. Hij wilde door
zachtheid de inboorlingen op zijn zijde krijgen. De Car-
thagers hadden in Carthagena een groot aantal aanzienlijke
inboorlingen als gijzelaars bewaard. Scipio schonk hun de
vrijheid. Toen brachten de soldaten de beeldschoone bruid
van Allucius, een aanzienlijk Keltibcriër, als gevangene
voor Scipio. Deze kon haar als slavin in bezit nemen, maar
hij zond terstond om hare ouders en haar bruidegom, om
haar af te halen. De ouders van het meisje verzochten
Scipio dringend, als bewijs van hunne dankbaarheid, een
aanzienlijke som gelds als geschenk aan te nemen. Na lang-
durige weigering voldeed Scipio aan hun verzoek, maar
terstond legde hij het geschenk aan de voeten der jonk-
vrouw neder, en bood hij het haar als bruidsgeschenk aan.
Allucius was zoo opgetogen, dat hij alom de deugd van
Scipio onder zijn landgenooten verkondigde, en een bende
van 1400 ruiters op de been bracht, waarmede hij zich bij
het leger van Scipio aansloot. Aldus gelukte het dezen in
korten tijd een groot gedeelte van Spanje de zijde der Ro-
meinen te doen kiezen, maar hij slaagde er niet in Hasdru-
-ocr page 497-
493
bal te verhinderen met een leger langs denzelfden weg, dien
Hannibal gegaan was, naar Italië te trekken, om zijn broe-
der te hulp te komen.
Door het onderscheppen van brieven kwamen de Ro-
meinen achter het plan, dat Hasdrubal in Italië wilde val-
len. Reeds stond hij op het punt, den Metaurus in Um-
brië over te trekken, toen hij door de consuls Nero en
Livius werd aangevallen. Na een Moedigen strijd werd het
Carthaagsche leger vernietigd. Nero liet Hasdrubal, die
gesneuveld was, het hoofd afbouwen, trok toen met snelle
marsenen naar de legerplaats van Hannibal on liet het
hierbinnen\'worpen. Toen Hannibal het hoofd zijns broeders
aanschouwde, riep hij uit: "Thans is het lot van Carthago
beslist!"
De Romeinen begonnen er nu aan te denken den oorlos-
in Afrika over te brengen. In deze dagen keerde Scipio,
die, nadat Hasdrubal Spanje had verlaten, dit rijk tot een
Romeinsche provincie had gemaakt, naar Rome terug. Hij
werd tot consul benoemd en trok weldra met een leger
naar Afrika. Terstond sloot zich Massinïssa, die door de
Garthagers van den Numidischen troon was verjaagd, bij
hem aan. Bij Utica behaalde Scipio een overwinning op
de Carthagers en do met hen verbonden Numidièrs, wier
koning Syphax gevangengenomen en terstond door Massi-
nissa vervangen werd. Carthago, thans van den steun van
Numidië beroofd, deed vredesvoorslagen, maar eer de on-
derhandelingen waren afgeloopen, riep het Hannibal uit
Italië terug. Onder dezen grooten veldheer, dien het zoo-
zeer verwaarloosd had, wilde het nog eens het geluk der
wapenen beproeven. Het griefde Hannibal, het land van
zijn zegepralen te moeten verlaten, eer hij zijn doel, den
ondergang van Rome, had bereikt, en na een afwezigheid
van zes en dertig jaren zag hij zijn vaderstad weder.
De Carthagers braken de onderhandelingen af, en Han-
nibal trok tegen Scipio op. Nabij Zama ontmoetten de le-
gers elkander. Eer de strijd aanving, hielden de beide
-ocr page 498-
494
groote veldheeren een mondgesprek. Hannibal wilde de
eischen van Scipio matigen; deze gaf niets toe. Hannibal
stelde zich zelven als voorbeeld van de wisselvalligheid der
fortuin in den oorlog; Scipio bleef onverzettelijk. De strijd
nam een aanvang en de Carthagers werden volkomen ver-
slagen. De overwonnenen moesten de harde vredesvoor-
waarden aannemen: alle eilanden in de Middollandsche
Zee alsmede Spanje en de oorlogsvloot aan Rome afstaan,
en Massinissa als koning van Numidië erkennen.
De derde Punische oorlog.
Hoezeer Carthago\'s macht door de Romeinen geknakt
was, wist Hannibal door wijze maatregelen zijn vaderstad
spoedig weder tot eenigen bloei te brengen. De Romeinen,
hierdoor verontrust, eischten, dat Hannibal hun zou wor-
den uitgeleverd. IJlings verliet hij daarop Carthago om
tegen de gehate Romeinen een schuilplaats te zoeken bij
Antióchus III, koning van Syrië, die met Rome in oorlog
was geraakt, omdat hij geweigerd had overeenkomstig den
cisch van dien staat eenige steden op de Thracische Cher-
sonnësus (schiereiland) te ontruimen. Nadat de Romeinen
verscheidene overwinningen op zee hadden behaald, ver-
sloegen zij onder aanvoering van Lucius Cornelius Scipio,
het Syrische leger zoo beslissend bij Magnesia, dat Anti-
óchus III hun bijna al zijn bezittingen in Klein-Azie
moest afstaan. Tevens eischten zij, dat hij hun Hannibal
zou uitleveren, die zich weder door de vlucht redde en
aan het hof van Prusias, den koning van Bithynië, een
schuilplaats vond. Maar toen de Romeinen hem ook hier
vervolgden en op het punt waren zich van hem meester te
maken, nam hij het vergift in, dat hij sedert eenigen tijd
bij zich droeg om niet levend in de handen dor Romeinen
te vallen.
Terwijl de Carthagers door zich aan den handel te wij-
den van jaar tot jaar hun rijkdom zagen toenemen, werden
-ocr page 499-
495
zij voortdurend gekweld door de aanmatigingen van den
Numidischen koning Massinissa. Daar hij een bondgenoot
der Romeinen was, mochten de Carthagers hem volgens
het vredesverdrag niet bestrijden. Zij riepen de tusschen-
komst van Rome in, dat een gezantschap naar Garthago
zond. Een der gezanten was Marcus Porcius Cato, een
man van strenge zeden en door zijn gehechtheid aan de
voorvaderlijke gewoonten een vijand van het machtige ge-
slacht der Scipio\'s, die groote vereerders waren van de
Grieksche beschaving. Hij schrapte als censor den naam
van Lucius Cornelius Scipio, toen deze op de aanklacht
van oneerlijke handelingen tot een geldboete was veroor-
deeld, van de lijst der ridders, en werkte ertoe mede, dat
Publius Cornelius Scipio Rome verliet en zich op zijn
landgoed te Liternum terugtrok, waar deze in hetzelfde
jaar als Hannibal, 183 v. C, overleed.
Het gezantschap beslechtte den twist tusschen Massinissa
en Carthago niet, maar Cato had gezien, hoezeer Cartha-
go in bloei en macht was toegenomen, en van nu af ein-
digde hij iedere redevoering, die hij, over welk onderwerp
ook, te Rome hield, met de woorden: »Eovendien ben ik
van gevoelen, dat Carthago verwoest moet worden!" Wel
was er in den senaat een sterke partij, die er zich mot
kracht tegen verzette, Carthago een onrechtvaardigen oor-
log aan te doen, maar Cato liet niet na de aandacht te
vestigen op het gevaar, dat Rome voortdurend van het
nabijgelegen Carthago te vreezen had. Eens bracht hij in
den senaat een handvol vijgen mede, wier schoonheid door
de senatoren werd geroemd. „Weet," zoo sprak Cato,
,,dat die vijgen eerst drie dagen geleden te Carthago zijn
geplukt."
Eindelijk zagen de Carthagers zich genoodzaakt de wa-
penen tégen Massinissa op te vatten, maar nauwelijks had-
den de Romeinen dit vernomen, of ook zij rustten zich ten
strijde. Zoodra de Carthagers hiervan bericht ontvingen,
zonden zij een gezantschap naar Rome met de verklaring,
-ocr page 500-
496
dat zij zich aan dezen staat wilden onderwerpen. Cato en
zijn vrienden waren met dit aanbod niet tevreden; zij
verlangden de vernietiging van Carthago. Om dit doel te
bereiken, werd bet Carthaagsche gezantschap door den se-
naat schijnbaar vriendelijk ontvangen en teruggezonden
met de verklaring, dat bet Carthaagsche volk zijn grond-
bezit, zijn vrijheid en zijn bezittingen zon kunnen behou-
den, indien bet aan de consuls, die het naar Afrika gezon-
den leger aanvoerden, driehonderd kinderen uit de aan-
zienlijkste geslachten als gijzelaars uitleverde, en zich bo-
vendien naar cenigc voorschriften, die later gegeven zouden
worden, gedroeg.
De Carthagers, die de heimelijke bedoeling der Romei-
nen niet doorzagen, leverden luid jammerend de kinderen
uit, en daarop begaf hun senaat zich naar de legerplaats
der consuls om de verdere eisenen te vernemen. ,,Indien
gij niet voornemens zijt, ons te bestrijden, zoo lever ons
al uwe wapenen uit," eischten de consuls. De Carthagers
voldeden aan dien harden eisch en meenden hunne vijan-
den bevredigd te hebben, maar nu verlangden dezen, dat
de bevolking van Carthago zich op twee mijlen afstands
van de zee zou gaan vestigen en haar stad ter verwoesting
aan de Romeinen overlaten. Aan dezen eisch wilden de
Carthagers niet voldoen uit liefde tot hun vaderstad en
wegens het vooruitzicht, dat zij door het gemis van den
zeehandel het weelderige leven, waaraan zij gewoon
waren geraakt, met een leven vol ontberingen zouden
moeten verwisselen. Ofschoon zij van hunne wape-
nen beroofd waren, besloten zij toch een strijd op
leven en dood met de gehate Romeinen aan te gaan.
Om tijd te winnen verzochten en verkregen zij van de
consuls verlof, eer zij zich overgaven, nog eens door een
gezantschap te beproeven, den senaat te Rome de laatst
gestelde voorwaarde te doen intrekken. Dag en nacht ar-
beidden nu de Carthagers aan de vervaardiging van wape-
nen. Scboone gebouwen werden omvergehaald om balken
-ocr page 501-
497
en metaal te verkrijgen tot het vervaardigen van werptiii-
gen, zwaarden en pijlpunten. De vrouwen sneden zich
de lange haren af om er pezen voor de hogen van te ver-
vaardigen.
Toen het gezantschap, gelijk verwacht werd, onverrich-
ter zake was teruggekeerd, meenden de Romeinen zonder
moeite Carthago binnen te kunnen trekken, maar zij von-
den de stad tot hunne verbazing behoorlijk versterkt en
vxerden teruggeslagen. Twee jaren lang hadden de Car-
thagers zegevierend tegen hunne vijanden gestreden, toen
Rome den bekwamen Publius Cornelius Scipio Aemilianus
tot bevelhebber van het ontmoedigde leger aanstelde. Nadat
hij de bijna uitgedoofde geestkracht in het Romeinsche
leger had aangewakkerd, slaagde hij erin, de voorstad van
Carthago gedurende den nacht te overrompelen. De Car-
thagers zagen zich nu genoodzaakt een afdeeling van hun
leger, die tot nu toe in een versterkte legerplaats buiten
do poorten had gestaan, binnen de stad te trekken. Has-
drubal, de aanvoerder dier troepen, werd tot opperbevel-
hebber benoemd. Hij was een onbekwaam veldheer en
bracht door zijn willekeurige handelingen en de wreed-
heid, waarmede hij de gevangengenomen Romeinen op de
muren voor de oogen hunner landgenooten dood liet mar-
telen, oneenigheid onder de Carthagers teweeg. Toch
bleven zij hunne stad met den moed der wanhoop verdedi-
gen. Tegen het beleid van Scipio waren zij echter niet
bestand. Eindelijk drong deze stormenderhand de stad
binnon. Drie nauwe straten leidden naar den burcht. Zes
dagen streed Scipio om die straten to nemen, daar de Car-
thagers huis voor huis verdedigden. Toen had hij de rots,
waarop de burcht gelegen was, ingesloten. Daar waren
50.000 menschen, niet het tiende gedeelte der vroegere
bevolking, opeengchoopt. Zij hadden gebrek aan levens-
middelen, en daar alle hoop op redding verloren was, be-
sloten zij zich over te geven. Scipio schonk hun het leven,
maar niet de vrijheid; hij zond hen weg in slavernij.
32
-ocr page 502-
498
Negenhonderd personen wilden zich aan die voorwaarde
niet onderwerpen. Onder hen bevond zich Hasdrubal met
zijn vrouw en twee kinderen. Zij verdedigden zicli tot-
dat hun gansche voorraad levensmiddelen verteerd was.
Toen besloten zij het gedeelte van den burcht waar zij zich
staande hadden gehouden, aan de vlammen prijs te geven
en daarin den dood te vinden. Op het uiterste oogenblik
ontzonk Hasdrubal den moed. Hij verliet volgens de over-
levering de zijnen, en smeekte Scipio om het behoud van
zijn leven. Terwijl hij voor den overwinnaar neergeknield
lag, verscheen zijn vrouw met haar kinderen op de tinne
van den brandenden tempel, en een vloek uitsprekende
over haar lafhartigen echtgenoot, wierp zij eerst haar lie-
velingen, en daarna zich zelve in de vlammen. Op last
van den senaat werd Carthago met den grond gelijkge-
maakt en daarna de plaats, waar het gestaan had, ten
eeuwigen dage vervloekt, opdat er nooit weer een huis
verrijzen of een korenveld golven zou. Eeuwen lang is de
plaats, waar het oude Carthago stond, onbekend gebleven.
In deze eeuw heeft men overblijfselen van den ouden
stadsmuur opgegraven. Zij waren bedekt met een onge-
veer 1,5 M. dikke aschlaag, waarin overblijselen van
wapenen gevonden werden. Het Carthaagsche gebied werd
een Rorneinsche provincie onder den naam van Afrika.
De gebroeders Gracchus.
Sedert het eindigen van den strijd tusschen patriciërs en
plebejers, hadden de leden der beide standen gewedijverd in
zelfopoffering voor het vaderland, terwijl de republikeinsche
staatsinstellingen ongeschonden bewaard bleven, zoowel ten
gevolge van do eenvoudige levenswijze, die evenzeer bij de
gegoeden als bij de armen heerschte, als van het jaar-
lijksch aftreden der staatsambtenaren en krijgsbevelhebbers.
Gedurende de Punische oorlogen ontstond hierin een ver-
andering.
-ocr page 503-
499
Door met de Grieken in aanraking te komen was bij
de Romeinen de zucht tot rijkdom en weelde opgewekt,
en nu vormde zicli uit rijke patriciërs en plebejers een
nieuwe adel, de optimaten, die zich door oneerlijke mid-
delen van de hoogste ambten in den staat wisten meester
te maken. Tot de meest gewenschte betrekkingen behoor-
de die van stadhouder eener provincie. Bij de verovering
van zulk een provincie hadden de Romeinen er groote
schatten uit medegevoerd, die aangewend werdan om de
burgers van Rome minder belasting te doen opbrengen, en
terwijl de provinciën voortdurend schatting aan hunne
overheerschers moesten blijven betalen, wisten de stad-
houders en hunne ondergeschikten er zich door allerlei af-
persingen aanzienlijke rijkdommen te verwerven. Slechts
zelden werd een onrechtvaardig ambtenaar gestraft, om-
dat de optimaten elkander gewoonlijk uit de verlegenheid
hielpen.
Om over het volk te kunnen blijven heerschen, wisten
de bevelhebbers het krijgsvolk aan zich te verbinden, door
het toe te staan zich oorlogsbuit te verwerven, terwijl zij
de arme burgers op hunne hand konden houden, door hun
liet koren voor niet of tegen zeer lage prijzen te leveren.
Daar de hooge staatsambtenaren door de volksvergadering
gekozen werden, zocht ieder optimaat, die naar zulk een
betrekking dong, het grootst aantal stemmen op zich te
vereenigen, door het volk te onthalen en met gladiatoren-
spelen te vermaken.
De wet van Licinius Stolo, ten opzichte van de akker-
verdeeling, was wel aangenomen, maar nooit uitgevoerd
geworden, en daar een menigte boeren door het drukken-
de van den krijgsdienst verplicht waren geweest hunne er-
ven aan een optimaat te verkoopen, had menig Romein
een zeer groot landgoed verworven, dat hij door slaven
liet bebouwen. Het aantal der slaven nam sedert ontzet-
tend toe, want nu er een goede aftrek van bestond, gin-
gen zeeroovers en slavenhandelaars op menschenroof uit,
-ocr page 504-
500
vooral in Klein-Azië. Terwijl aldus een klein gedeelte der
Romeinen ongehoorde schatten bezat, behoorde de meer-
derheid des volks tot de armen. Aan dezen ongelnkkigen
toestand zocht Tiberius Sempronius Gracchus een einde
te maken. Hij was de zoon van de verstandige, edele Gor-
nelia, eene dochter van P. G. Scipio. Eens, dat een
vriendin haar de kostbare sieraden, die zij bezat, had ge-
toond en daarop verlangde nu ook de hare eens te zien,
nam Cornelia haar beide zonen Tiberius en Gajus bij de
hand enzeide: -Dat zijn mijn kleinoodiën."
Toen Tiberius dertig jaar oud was, dong hij naar de
waardigheid van volkstribuun en werd gekozen. Gesteund
door eenige gelijkgezinden stelde hij voor, dat de Licini-
sche akkerwet ten uitvoer zou worden gelegd, en om dit
gemakkelijker te maken bracht hij er eenige wijzigingen
in, ten voordeele van de rijken. Do optimaten besloten
Tiberius met alle kracht te bestrijden on slaagden erin,
den volkstribuun Oclavius over te halen zich tegen het
voorstel van zijn ambtgenoot te verklaren, zoodat het we-
gens gemis aan eenstemmigheid der volkstribunen niet in
stemming kon worden gebracht. Nadat Tiberius vruchte-
loos had getracht Octavius van gevoelen te doen verande-
ren, sloeg hij, ofschoon een volkstribuun onschendbaar on
onat\'zetbaar was, het volk voor, zijn tegenstander van diens
betrekking vervallen te verklaren. Dit had werkelijk
plaats, en daarop werd de akkerwet, zooals die door Ti-
berius was voorgesteld, aangenomen.
Aan een commissie, bestaande uit Tiberius, zijn twin-
tigjarigen broeder Gajus en hun oom Appius Claudius,
werd opgedragen de wet ten uitvoer te leggen. Nukwamhet
erop aan uit te maken, welke grond staats- en welke bi-
zonder eigendom was, endaardcoptimatenweigerdenhunne
medewerking daarbij te verleenen, vorderde hot werk
der commissie bijna niet. De optimaten kwamen er open-
lijk voor uit, dat zij zich op Tiberius wilden wreken, en
deze zag zich genoodzaakt, om tegen hunne aanslagen
-ocr page 505-
501
veilig te zijn, zich niet anders dan vergezeld van drie tot
vier duizend aanhangers op het forum te vertoonen. Het
ambtsjaar van Tiberius spoedde ten einde, en als dit ver-
streken was, hield hij op onschendbaar te zijn. Werd hij
voor hel volgende jaar weer tot volkstribuun verkozen,
dan kon hij misschien de akkerwet doen uitvoeren, en aan
zijn voornemen, nog andere hervormingen in het belang
des volks voor Ie stellen, gevolg geven. Hij dong daarom
opnieuw naai\' het tribunaat, en nu besloten de optimaten
hem met al hunne kracht tegen te werken. Op den dag
der verkiezing ontstond er een hevig getwist, daar de op-
timaten de herkiezing van een volkstribuun voor onwettig
verklaarden. Men besloot de verkiezing tot den volgenden
dag uit te stellen. Toen hel verkiezingswerk hervat werd,
hernieuwden een menigte optimaten het getier van den
vorigen dag, en verdrongen zij de vrienden, die Tiberius
omringden. Deze wees hierop naar zijn hoofd, wellicht om
aan zijn aanhangers te kennen te geven, dat zijn leven in
gevaar was, want- de tijd zijner onschendbaarheid was nu
verstreken. De optimaten schreeuwden daarop luide, dat
hij de koninklijke diadeem verlangde en eenigen hunner
gingen dit aan den senaat berichten, die op dat oogenblik
in den nabijzijnden tempel der Trouw vergaderd was. Een
der senatoren, Scipio Nasica, eischte, dat de consul Pu-
blius Mucius Scaevola terstond maatregelen van geweld
tegen den tiran zou nemen, doch de consul verklaarde
niets onwettigs te willen doen en zich eerst dan tegen Ti-
berius te zullen verzetten, wanneer deze de wet overtrad.
,,De consul verraadt de republiek!" riep Scipio Nasica nu
in woede uit, ,,Wio de wet wil beschermen, volge mij!"
en onmiddellijk stormde hij met een aantal van stokken
voorziene optimaten de volksvergadering binnen. De on-
verwachte verschijning van een aantal senatoren bracht
daar zulk eene verbazing teweeg, dat de optimaten en een
hoop gepeupel, dat hen volgde, gelegenheid vond op Tibe-
rius en zijne vrienden in te slaan. Tiberius door een der
-ocr page 506-
502
moordenaars bij de toga gegrepen, liet liet kleedingstuk
glippen en trachtte te ontvluchten, doch hij struikelde
over het lijk van een zijner aanhangers, en eer hij zich kon
opheffen, trof hem een doodelijke slag. Driehonderd zijner
vrienden vonden bij die gelegenheid niet hein den dood.
Gajus verzocht den moordenaars hem het lijk zijns broeders
af te staan om het behoorlijk te begraven; het verzoek
werd geweigerd en het lijk in den Tiber geworpen.
Gajus, die zijn broeder Tiberius in rechtschapenheid en
liefde voor het volk evenaarde, maar in plaats van diens
kalinen, zachten aard te bezitten, zeer hartstochtelijk was,
werd door den senaat als quaestor (bestuurder van de
schatkist en betaalmeester) naar Sardinië gezonden. Het
was de bedoeling van de optiiiiaten hein op die wijze uit
Rome verwijderd te houden, en daarom werd hij niet te-
ruggeroepen. Toen echter zijn ambtstijd ruim verstreken
was, keerde hij op eigen gezag naar Rome terug. De cen-
sor riep hom wegens die daad ter verantwoording, en toen
verdedigde hij zich op de volgende wijze: ,,Ik heb langer
gediend dan de wet voorschrijft; ik heb mijn geldbuidel
vol naar Sardinië medegenomen en hem ledigteruggebracht,
terwijl anderen hunne wijnzakken gevuld naar de provi-
cièn nemen om ze daar leeg te drinken en met goud en
zilver gevuld weder thuis te brengen." Hoezeer de optima-
ten vreesden, dat Gajus het voorbeeld van zijn broeder
zou volgen, achtten zij het tocii niet geraden hem te straf-
fen. Hij dong naar de betrekking van volkstribuun, en
toen hij gekozen was, begon hij aan de uitvoering van zijn
plan om, al was het niet mogelijk zonder omwenteling,
het volk van den druk der optimaten te verlos-
sen, en op dezen den moord zijns broeder, het kostte
wat het wilde, te wreken. Cornelia, vreezende, dat
zij weldra haar eenig overgebleven zoon in den
ongelijken strijd zou verliezen, zocht hem van zijn laatste
voornemen af te brengen. Zij schreef hem: „Ook in mijn
oog is het schoon en verheven zijn vijand te straffen, maar
-ocr page 507-
503
kan dit niet geschieden, zonder dat liet vaderland tegronde
gaat, dan is liet duizendmaal beter, dat onze vijand onge-
straft blijve." Gajus was echter niet van zijn plan af te
brengen. Met kracht drong hij op hervormingen aan, en
de meeste zijner voorstellen werden goedgekeurd. Toenzijn
ambtsjaar verstreken was, werd hij opnieuw tot volkstri-
buun verkozen. Een zijner aangenomen voorstellen bevatte,
dat in de provinciën koloniën van arme burgers zouden
worden gesticht. Om voor de goede uitvoering van dit
voorstel te zorgen, begaf hij zich naar Afrika, waar op het
verwoeste grondgebied van Carthago de kolonie Juiionia
moest verrijzen. Tijdens zijn afwezigheid slaagden de op-
timaten erin, het volk op hunne hand te krijgen, door het
allerlei beloften te doen, waarvan de nakoming of niet ge-
meend of onmogelijk zou blijken. Toen Gajus in Rome
terugkwam, bevond hij, dat het volk geheel anders jegens
hem gezind was. Hij dong voor den derden keer naar het
tribunaat, doch werd niet gekozen. Nu stelde de senaat
een wet voor, waarbij de; stichting van de kolonie Junonia
werd verboden op grond, dat de plaats, waar Carthago
had gestaan, vervloekt was. Gajus wilde alles beproeven
om dit wetsvoorstel te doen verwerpen, maardeoptimaten
hadden hunne maatregelen genomen, In de volksvergade-
ring ontstond twist, en nu liet de consul Lucius Opimius
gewapenden op Gajus en de zijnen inbouwen. Er ontstond een
hevig gevecht. De aanhangers van Gajus moesten onderdoen
en nu bezwoeren zij hem, zijn leven om den wil des volks te
redden. Schoorvoetend gaf hij aan het verzoek gehoor. Van
een getrouwen slaaf vergezeld, nam hij de vlucht, maar
onder het gaan struikelde hij, en vcrstuikte hij den voet,
Zijn doel om den anderen oever van den Tiber te bereiken,
kon hij niet volvoeren. Hij sloeg met zijn slaaf een bosch
in, waar men weldra beider lijken vond. Drie duizend
aanhangers van Gajus verloren bij deze gelegenheid het
leven.
De optimaten waren met zulk een haat tegen de gebroe-
-ocr page 508-
504
dors Gracchus vervuld, dat het aan lniiine moeder verbo-
den werd de rouw over haar zoon aan te nemen. Hunne
nagedachtenis werd echter weldra zoozeer door liet volk
geëerd, dat het Cornelia sedert niet anders noemde dan
de moeder der Gracchen.
Marius.
Na den dood der Gracchen nam hel verzot tegen do
optimaten een einde. De uitvoering van al de hervormin-
gen, door de Gracchen doorgedreven, werd gestaakt.
Behalve Narbo (het tegenwoordige Narbonue)werdergeene
nieuwe kolonie gesticht, want de optimaten wenschten
een groote bevolking \\&i\\prolelariërs (liaveloozen) in Rome
te houden, dewijl dezen gemakkelijk om te koopen waren,
om in de volksvergaderingon naar den zin der aanzienlij-
ken te stemmen. De zedeloosheid nam in Rome hand over
hand toe. Menigeen ontzag zich niet zijn naaste bloed-
verwanten met vergift te vermoorden om daardoor een erfe-
nis deelachtig te kunnen worden. Verscheidene doelen des
rijks worden door slavenoproeren gekweld. In dezen droe-
vigen toestand brak er een oorlog metNumidiëuit. Koning
Massinissa had zijn rijk nagelaten aan zijn drie zonen,
van welke de oudste Micipsa zijn beide broeders over-
leefde. Micipsa vreozende, dat zijn beide zonen Abherbal
on Hiëinpsal door Jugurtha, don bekwamen en heorsch-
zuchtigen zoon van eon zijner broeders, van den troon
zou worden gestooton, bepaalde onder goedkeuring van de
Romeinen, dat na zijn dood Numidië onder zijn beide
zonen en Jugurtha verdeeld zou worden. Jugurtha
liet echter Hiëmpsal terstond na den dood van Micipsa
vermoorden en bestreed daarop Adherbal, dien hij, na hem
overwonnen te hebben, insgelijks liet ombrengen. Wel
hadden de Romeinen om dit te voorkomen gezantschap-
pen naar Jugurtha gezonden, doch deze had zijn plan-
-ocr page 509-
505
non kunnen volvoeren, omdat hij, geheel bekend mei de
Romeinschc toestanden, erin geslaagd was, de meerder-
heid der senatoren door omkooping op zijn hand te
krijgen. Thans echter eischte de volkstribuun Gajus
Memmius, dat Jugurtha voor zijn misdaden gestraft zou
worden, en men zond een leger naar Afrika. Opnieuw
wist Jugurtha zich door omkooping van de Romeinsche
bevelhebbers uit de verlegenheid te redden. Nu eischte
liet volk op voorstel van Gajus Memmius, dat Jugurtha
zich te Rome zou komen verantwoorden. De Numidische
koning voldeed aan den gestelden eisch, doch door nieuwe
omkoopingen zag hij zicli in staat gesteld ongehinderd
huiswaarts te koeren, zonder dat hij zich had behoeven te
verantwoorden. Toen hij Rome verliet, riep hij verachte-
lijk uit: "O veile stad! uw ondergang is nabij, zoodra
zich een kooper voor u opdoet!"
De ontevredenheid der goedgezinden in Rome dwong
den senaat, don oorlog togen Jugurtha te hervatten. Het
Romeinsche leger word echter, waarschijnlijk ten gevolge
van nieuwe omkoopingen, zoo slecht aangevoerd, dat
Jugurtha een volkomen overwinning behaalde, en de Ro-
meinsche krijgslieden dwong onder het juk door te gaan.
Na deze ramp verkozen de Romeinen den onomkoopbaren
optimaat Metêllus tot opperbevelhebber, die echter geen
middelen, hoe verraderlijk ook, ontzag om zich de over-
winning te verzekeren. Mctellus koos zich tot onderbevel-
hebber Gajus Marius, een boerenzoon, die zicli onder Sci-
pio Aemilianus zoozeer door dapperheid en krijgsbeleid had
onderscheiden, dat deze, toen hem eens aan een gastmaal
werd gevraagd, wie hem als veldheer zou kunnen opvol-
gen, Marius op den schouder klopte en antwoordde:
«Misschien deze." Marius had zich daarna in de betrekking
van volkstribuun als een krachtig verdediger van do rech-
ten des volks doen kennen en eindelijk zijn aanzien ver-
hoogd door in het huwelijk te treden met Julia, uit de pa-
tricische familie Caesar.
-ocr page 510-
500
Met behulp van Marius slaagde Mctcllus erin orde en
tucht in liet leger te herstellen en een beslissende over-
winning op Jugurtha te behalen. Toen de tijd voor het ver-
kiezen van consuls was aangebroken, verliet Marius het
leger om naar die betrekking te dingen, en hij werd geko-
zen. Vau nu af betoonde hij zich een beslist tegenstander
der optimatcn. Om den oorlog tegen Jugurtha met kracht
te kunnen voortzetten, bracht hij een nieuw leger op de
been, dat hij hoofdzakelijk uit proletariërs samenstelde,
die zich in \'t vooruitzicht van buitte kunnen behalen gaar-
ne bij hem aansloten, terwijl hij zich daardoor tevens de
boeren, die liever op hunne landhoeven bleven dan ten
strijde trokken, tot vrienden maakte.
Toen Marius in Afrika was aangekomen, behaalde hij
menige overwinning, maar spoedig werd het hem duide-
lijk, dat de oorlog niet tot een goed einde zou worden ge-
bracht, indien hij Jugurtha niet in handen kreeg. Dit doel
was niet te bereiken, indien hij er niet in slaagde Bocchus,
koning van Mauritanië en schoonvader van Jugurtha, tot
een verbond met Rome over te halen. Hij knoopte daarom
onderhandelingen met Bocchus aan, en deze toonde zich
bereid de aangelegenheden te regelen met den optimaat
Sulla, den bekwamen aanvoerder der Romeinsche ruite-
rij. Met overleg en geslepenheid wist Sulla het zoover
te brengen, dat Jugurtha door zijn schoonvader op ver-
raderlijke wijze gevangen nomen en aan de Romeinen uit-
geleverd werd. Spoedig daarna keerde Marius naar Rome
terug, waar hij zijn zegepraal hield. Vóór zijn wagen
liep Jugurtha in koninklijk gewaad gedost en vergezeld
van zijn beide zonen. Slechts met moeite kon de ge-
vallen koning legen het grauw beschermd worden, dat
hem de oorlellen openscheurde om de kostbare oorringen,
die eraan hingen, machtig te werden. Jugurtha werd daar-
op in een kerker geworpen, waar hij weldra ten gevolge
van de ondergane mishandelingen en den honger stierf.
Terwijl Marius in Afrika streed, waren Germaansche
-ocr page 511-
507
volken, bekend onder den naam van Kimbrenen Teutonen
uit het Noorden op het Romeinschc rijk aangetrokken, en
hadden zij de tegen hen afgezonden legers geheel versla-
gen. Een groote angst maakte zich van de Romeinen
meester, en daar niemand zulk een algemeen vertrouwen als
veldheer bezat als Marius, werd deze tot opperbevelhebber
tegen de Germanen gekozen.
Waarschijnlijk wegens de groote moeilijkheid om geza-
menlijk door dezelfde Alpenpassen Italië binnon te dringen,
scheidden de Kimbrcn en Teutonen zich van elkander. De
Teutonen zouden de westelijke, de Kimbrcn de meer oos-
telijke passen doortrekken. Toen Marius met zijn leger
Romeinsch Gallië binnentrok, vond hij alleen de Teutonen
tegenover zich. Terstond richtte hij een zeer sterke leger-
plaats op, van welker wallen zijn soldaten de Germanen
konden aanschouwen. Dit was noodig, omdat do krachti-
ge, deels naakte, deels met pantsers bedekte gestalten en
het woede krijgsgeschreeuw der Teutonen do Romeinen
met schrik vervulden. Door zijn soldaten aan het gezicht
dier vreesaanjagende mannen te gewennen, kwamen zij
hun angst langzamerhand to boven. Bovendien werkte
Marius op het bijgeloof zijner krijgers. Hij had een Syri-
sche waarzegster bij zich, die in haar slaap den Romeinen
de overwinning verzekerde, terwijl hij op eenigen afstand
twee tamme gieren liet opvliegen, die, toon zij op do le-
gerplaats aanvlogen, door de soldaten beschouwd werden
als boden eener aanstaande overwinning.
In de meening, dat Marius hen wel zou aanvallen, om-
ringden de Teutonen de legerplaats der Romeinen. De Ro-
meinschc veldheer achtte den tijd om te strijden echter
nog niet gekomen, en hield zijn krijgslieden binnen de
verschansingen. De Teutonen schreven dit aan lafhartig-
heid toe. Zij begonnen de Romeinen, die aan hunne uitda-
gingen geen gevolg gaven, te beschimpen en waag-
den weldra een bestorming. Drie achtereenvolgende dagen
trachtten de scharen der Teutonen met teugelloozen moed
-ocr page 512-
508
en doodsverachting de Romeinen van achter hunne wallen
te verdrijven, maar telkens werden zij teruggeslagen. Toen
trokken zij af, den weg inslaande naar Italië en den Ro-
meinen spottend toeroepende: of zij ook iets aan hunne
vrouwen en kinderen te Rome hadden te zeggen. Zoodra
de avond was gevallen, verliet Marius de legerplaats. Daar
hij zich met zijn troepen, die langzamerhand gewend wa-
ren geraakt aan het gezicht der gevreesde vijanden, snel-
ler kon bewegen dan de Teutonen, die met hunne vrou-
wen en kinderen optrokken, had Marius na eenigo dagen
zijn leger in de nabijheid van Aquae Sextiae (Aix) samen-
getrokken tegenover liet centrum van de Teutonen, die
over eene groote uitgestrektheid een zeer lange linie vorm-
den. Nu besloot hij tot den aanval over te gaan. Met zijn
overmacht wierp hij de voor hem staande Teutonen terug,
en drong hij door tot den wagenburcht, een kring van
wagens, in welke zich de vrouwen met de kinderen, de
grijsaards en de mondbehoeften bevonden. Maar nu storm-
den do vrouwen deels gewapend, deels ongewapend op de
Romeinen in, ener ontstond een nieuwe strijd, hachelijker
voor de Romeinen dan de vorige: menige ongewapende
vrouw ontrukte aan een Romein schild on zwaard en sloeg
dan verwoed op de aanvallers los. De duisternis maakteeen
einde aan dit bloedig gevecht. Den volgenden dag werd de
strijd hervat. De Teutonen werden zoo goed als vernietigd,
want toen do Romeinen opnieuw tot den wagenburcht wa-
ren doorgedrongen en de vrouwen, ondanks haar helden-
moed het onderspit moesten delven, brachten zij, om niet
levend in de handen der Romeinen te vallen, eerst haar
kinderen en daarna zich zelve om het leven. Onder de
gevangenen, die de Romeinen hadden gemaakt, behoorde
de reusachtige aanvoerder Teutöbod.
Gedurende den winter trokken do Kimbren, misschien
over den Brennerpas,zuidwaarts.De consul QuinctusLutatius
Gatülus, die de Alponpassen, welke toegang\'tot de Po-vlakte
verleenden, moest bewaken, werd door hen verslagen, en
-ocr page 513-
509
nu drongen zij hot weelderige Italië binnen, waar zij spoe-
dig hunne ruwe, geharde levenswijze lieten varen. Onmid-
dellijk begaf Marius zich naar de Po-vlakte, waar hij de
verstrooide benden van Catulus weder bijeenbracht en zich
gereedmaakte den vijand aan te vallen. De Kimbren, die
zich verspreid hadden, en behagen waren gaan scheppen
in een meer weelderig leven, dan zij vroeger konden lei-
den, zonden een gezantschap naar Marius, van wien zij
den afstand van een voldoend grondgebied eiscliten, om er
met hunne broeders, de Tontonen, te kunnen wonen, in
welk geval zij beloofden vreedzame buren der Romeinen te
zullen zijn. Marius deed de onderhandelaars opmerken,
dat hunne broeders vernietigd waren. De Kimbren konden
het niet gelooven, waarop Marius eenigegevangengemaakte
Teutonen zijn verzekering liet bevestigen. Deze tijding bracht
onderdo Kimbren een groote woede teweeg. Hun aanvoerder
Bojorix reed naar do legerplaats van Marius, en daagde
hem uit tot hot leveren van een veldslag, hem overlatende
tijd en plaats to bepalen. ÜS\'iets kon Marius aangenamer
zijn dan dit aanbod. Hij koos als strijdplaats de voor zijn
ruiterij zeer geschikte vlakte bij Vcrcelli, en weldra had
hier het gevecht plaats, dat met den gebeden ondergang
der Kimbren eindigde.
Toen Marius in Rome was teruggekeerd, werd hij door
het volk, dat in hem den redder van den staat erkende,
luide toegejuicht. De lof, die hem werd toegezwaaid, wekte
den naijver tegen hem op van de optimaten, dio, ofschoon
zij zijn krijgstalonten moesten erkennen, toch alles deden,
wat zij konden, om zijn diensten te verkleinon. Marius
werd hierdoor hun verbitterde vijand en trachtte, ofschoon
hij geen staatsman was, zoowel in vredes- als in oorlogs-
tijd de eerste man in Rome te zijn.
Gedurende de vijf achtereenvolgende jaren, dat Marius
tot consul was verkozen, had hij groote hervormingen in
de Romeinsche legers tot stand gebracht. Terwijl de Ro-
meinen vroeger hunne beste troepen achteraan plaatsten
-ocr page 514-
510
om den strijd lang te kunnen volhouden, had Marius, ten
einde woeste aanvallen des te beter te kunnen afslaan, de
noodzakelijkheid ingezien oin de bestekrijgsbenden vooraan
te plaatsen. Om dit te gemakkelijker te kunnen doen, was
op zijn verlangen ieder ligioen in tien cohorten verdeeld,
ieder van zes centuriën of afdeelingen van 100 man. Iedere
cohorte had een zilveren adelaar tot veld teeken, en kon
door den veldheer naar goedvinden in de eerste, tweede
of derde slaglinie worden geplaatst, Ondertusschen had de
beschaafde volksklasse, die vroeger de kern des legers uit-
maakte, zich meer en meer aan den krijgsdienst onttrok-
ken. Het was daarom noodig geworden de gelederen aan
te vullen met arme lieden, die voor soldij dienden en het
vooruitzicht hadden, indien zij niet sneuvelden, van den
behaalden buit een rustigen ouden dag te hebben. Dat
uitzicht op buit maakte, dat de huurlingen zich met ge-
trouwheid hechtten aan een bekwaam veldheer, onder
wien zij kans hadden ter overwinning te worden geleid.
Dit was vooral het geval met depraetorianen, een cohorte
van de beste krijgslieden, die als het ware de lijfwacht
van den veldheer vormde.
Steunende op de trouw zijner oude krijgslieden en op
de liefde der menigte, zocht Marius aan de optimaten het
hoofd te bieden. Te midden van het getwist, dat hieruit
ontstond, kwamen Rome\'s bondgenooten in Italië tot op-
stand, omdat de krijgsdienst voor hen drukkender werd
naarmate de Romeinen zelve minder krijgsdienst verricht-
ten. Na geruimen tijd met afwisselend geluk te hebben
gestreden, slaagden de Romeinen erin verdeeldheid onder
de opstandelingen te verwekken en daardoor het grootste
gedeelte van Italië weder tot rust te brengen. InCampanië
bleef echter de opstand aanhouden, en daarheen werd de
optimaat Sulla als consul gezonden.
Sulla.
Toen Sulla zich naar zijn leger in Campanië had be-
-ocr page 515-
511
geven, zag de senaat zicli verplicht den oorlog te verkla-
ren aan Mithridstes, den koning van Pontus, die Klein-Azië
veroverd, en een Romeinsch gezant gedood had door hem
gesmolten goud in den mond te laten gieten, „ter bevre-
diging van de onverzadelijke hebzucht der Romeinen."
Uit haat had hij na het ontvangen der oorlogsverklaring
den heimelijken last gegeven al de Romeinen, die zich in
de steden van Klein-Azië bevonden, op een zelfden dag te
vermoorden, en dit wreed bevel werd aan 80,000 mannen,
vrouwen en kinderen voltrokken, wier lijken als aas voor
de roofvogels moesten strekken.
Terwijl Sulla zich verheugde in het vooruitzicht door
den oorlog tegen Mithridates grooten roem te behalen, wist
de volkspartij, die hem vreesde, te Rome te bewerken,
dat Marius benoemd werd tot bevelhebber van het leger,
dat in Campanië stond, om daarmede naar Klein-Azië te
trekken. Sulla was echter niet voornemens zich aan dat
besluit te onderwerpen. Hij bezat in hooge mate do kunst,
zich van de genegenheid zijner krijgslieden te verzekeren.
Terwijl hij in alles, wat den krijgsdienst betrof, de streng-
ste tucht handhaafde, gaf hij den soldaten alle gelegenheid,
zich in hun vrijen tijd aan uitspattingen over te geven: hij
zelf nam er somtijds deel aan, en hij liet oogluikend toe,
dat de boeren door het krijgsvolk worden afgeperst. Sulla,
zeker van zijn zaak, deelde het besluit van den senaat,
om hem door Marius te vervangen, aan zijn troepen me-
de, en dezen verklaarden daarop, dat zij Sulla getrouw
zouden blijven en hem volgen, waarheen hij verkoos. Sulla
trok tegen Rome op en drong de stad binnen, ondanks den
tegenstand, dien Marius hem met eenige haastig bijeenge-
trokken troepen bood.
Meester van Rome zijnde, wist Sulla den senaat een
besluit te doen nemen, waarbij twaalf hoofden der volks-
partij, en daaronder Marius, van hoogverraad beschuldigd
en vogelvrij verklaard werden. Slechts één senator, de
grijze Quinctus Mucius Scaevola, had het gewaagd zich
-ocr page 516-
512
tegen Sulla te verzetten met de woorden: ,,Al dreigen
uw krijgslieden, die de vergaderzaal omringen, mij niet
den dood, nooit znll gij van mij verkrijgen, dat ik Marius,
den man, die den staat heeft gered, tot een vijand des
vaderlands verklaar."
Marius zocht zich door do vlucht te redden. Hij hield
zich eenigen tijd op in de moerassige kuststreek, tusschen
Rome en Napels, maar werd daar opgespoord door de rui-
ters, die Sulla had uitgezonden om zich van hem meester
te maken. Hij werd naar Minturnae gevoerd, waar men
reeds het bevel had ontvangen Marius om te brengen, zoo-
dra hij daar zou zijn aangekomen. Xa een langdurige
beraadslaging zond het bestuur der stad een Kimbrischen
slaaf naar de gevangenis, waarin Marius gebracht was,
met het bevel dezen te dooden. Zoodra de Kimber met
zijn zwaard den kerker van Marius binnentrad, bemerkte
deze, wat er gaande was, en overeind springende, riep hij
met donderende stem den slaaf toe: ,,Kerel, durft gij het
wagen, Gajus Marius te vermoorden!" De slaaf hierdoor
verschrikt, liet het zwaard aan zijn hand ontglippen en
snelde terug. Toen het bestuur van het voorval kennishad
gekregen, liet het, zich schamende den redder van Italië
te hebben willen vermoorden, Marius met een schip ver-
trekken, dat hem naar do kust van Garthago overbracht.
Nauwelijks was hij aan land of een dienaar van den Ro-
mcinschen praetor, die in deze streek het bevel voerde,
kwam hem aanzeggen, dat hij dat gebied moest verlaten,
wilde hij niet als vijand behandeld worden. Hierover ver-
ontwaardigd, zat de grijze balling geruiinen tijd sprakeloos,
toen stond hij op en sprak tot den dienaar: ,,Zeg uw mees-
ter, dat gij Gajus Marius hebt gevonden, zittende op de
puinhoopen van Garthago." Intusschen zag Marius zich
genoodzaakt verder te trekken en zwervend aan de wraak
van Sulla te ontkomen.
Het was ondertusschen hoog tijd geworden, dat Sulla
tegen Mithridates optrok, die zich reeds van de Romeinsche
-ocr page 517-
513
provincie Achaja had meester gemaakt. Met slechts vijf
legioenen stak Sulla naar de kust van Epïrus over en be-
haalde in Beotië op de v\'eldheeren van Mithridates een
overwinning, waardoor hij meester werd van geheel Grie
kenland met uitzondering van Athene. Sulla sloeg het
beleg voor deze stad, die door do veldheeren van Mithri-
dates moedig verdedigd werd. Wegens geldgebrek zag
Sulla zich genoodzaakt zich van de tempelschatten van
Delphi en Olympia meester te maken, maar eindelijk, toen
Athene uitgehongerd was, gelukte het hem de stad stor-
menderhand in te nemen.
Terwijl Mithridates door een Romeinsch leger onder
Fimbria in Klein-Azië in \'t nauw werd gebracht, werd zijn
leger in Thessalië zoozeer door Sulla verslagen, dat deze
naar Klein-Azië kon oversteken en den koningvan Pontus, die
zich door zijn tiranniek bestuur, bij de door hem overwon-
nen volken gehaat had gemaakt, tot een vrede dwong,
waarbij deze afstand deed van al zijn Kleinaziatische ver-
overingen. Nu besloot Sulla met zijn leger naar Rome
terug te keeren.
Ondertusschen had hier de volkspartij weder de boven-
hand gekregen. Door haar toedoen was, tijdens de afwe-
zigheid van Sulla, Cinna tot consul gekozen. Dezeeischte,
dat allen, die door Sulla verbannen waren, teruggeroepen
zouden worden, en dat aan de bewoners der steden van
Italië dezelfde rechten zouden worden geschonken, die de
inwoners van Rome bezaten. De senaat verzette zich tegen
die eischen, op grond, dat Cinna beloofd had geen veran-
deringen in de staatsregeling te brengen. Op den dag, dat
over zijn voorstellen zou worden gestemd, verscheen Cinna
met zijn aanhangers gewapend op de vergaderplaats. Daar
werd hij echter door de eveneens gewapende optimaten
aangevallen. Er ontstond een bloedig gevecht, dat aan
10,000 menschen het leven kostte en met de nederlaag
van Cinna eindigde. Nu verklaarde de senaat Cinna ver-
vallen van zijn ambt als consul, docli deze had zich ter-
33
-ocr page 518-
514
stond naar liet leger in Gampanië begeven, en dit bleef hem als
den wettigen consul erkennen. Ginna trok nu tegen Rome
op en riep de ballingen weder terug. Vijfhonderd hunner
met Marius aan het hoofd landden weldra op de kust van
Etrurië. Aangedreven door wraakzucht, liet Marius zijn
Partijen in strijd,
manschappen de slavenkerkers met geweld openbreken,
en schonk aan alle slaven de vrijheid en wapenen, op voor-
waarde, dat zij zich onder zijn gelederen zouden scharen.
Daar ook vluchtelingen uit Rome en andere bewoners van
Italië zich bij Marius aansloten, had deze weldra een leger-
-ocr page 519-
515
tje van 6,000 man en een vloot van 40 schepen onder
zijn bevel, welke laatste den ïiber blokkeerde om Rome
den toevoer van graan af te snijden. Ondanks den wak-
keren tegenstand, dien de optimaten boden, gelukte het
Cinna en Marius Rome te veroveren ennuliet Mariusallen,
die hem eens hadden gekrenkt, op onmenschelijke wijze
opsporen en om het leven brengen. Vijf dagen en nachten
werd er voortdurend gemoord op een wijze, diezelfsCinna
tegen de borst stuitte. Slechts weinigen slaagden erin aan
do bloeddorst van Marius te ontkomen. Tot die gelukkigen
behoorde Cornatus, wiens slaven een lijk, dat zij heimelijk had-
den weggehaald, den gouden ring en een gewaad van hun
meester aandeden, vervolgens in de woning van Cornutus
ophingen, en het daarna aan de trawanten van Marius als
hot lijk van hun meester toonden.
Het toegeven aan zijn wraakzucht ontroofde Marius
zijn gemoedsrust. De slaap ontvlood zijn legerstede en
bij dag zocht hij do herinneringen aan zijn bloeddorstige
daden in woeste drinkgelagen op zijde te zetten. Tegen
zulk een leven was hij niet lang bestand. Hij stierf weldra
in den ouderdom van zeventig jaar. Na zijn dood liet
Cinna de woeste bende, die Marius zoo gewillig ten dienste
had gestaan, neersabelen, en daarna regeerde hij vier
achtereenvolgende jaren als consul, zonder herkozen te
worden: hij zelfbenoemde ieder jaar zijn niedeconsul. G-e-
durende dien tijd heerschten rust en veiligheid in de stad,
totdat eensklaps de tijding werd verspreid, dat Sulla den
oorlog tegen Mithridates geëindigd had en voornemens
was naar Rome terug te koeren. Terstond begaf Cinna
zich naar het leger, dat zich bij Ancona bevond, met het
doel ermede tegen Sulla op te trekken. Toen hij echter
dit plan aan de krijgslieden had medegedeeld, werden dezen
oproerig en vermoordden hem.
Niet lang daarna landde Sulla met zijn troepen te Brun-
dusium. Hij handhaafde zulk een strenge krijgstucht en
betoonde zicli zoo zachtmoedig en vergevensgezind, dat hij
-ocr page 520-
516
veler vertrouwen won en niet alleen optimaten, zooals
Marcus Crassus, maar zelfs aanhangers van Ginna, zooals
Gnaeus Pompejus, zich bij hem aansloten. Nadat Sulla de
tegen hem afgezonden legers had verslagen, dronghij strij-
dende Rome binnen. Hij liet 4000 gevangenen in een ge-
bouw nabij de vergaderzaal van den senaat bijeenbrengen
en gaf daarop bevel allen neer te houwen. Dit geschiedde
op een tijd, dat Sulla met den senaat vergaderde, en toen
de senatoren op het hooren der angst- en stervenskreten
van de ongelukkigen verschrikt opsprongen, sprak Sulla
met ijzingwekkende koudheid: ,,Laat u niet storen, het
zijn maar eenige boosdoenders, die ik laat straffen."
Op zijn verlangen werd Sulla voor zijn leven tot dicta-
tor benoemd, en nu begon hij zijn tegenstanders te ver-
volgen, met een koelbloedigheid en wreedheid, die het
woeden van Marius in de schaduw stelden. Allen, die
slechts het geringste tegen hem misdreven hadden, werden
vogelvrij, en hunne goederen verbeurd verklaard. Wie een
vogelvrij verklaarde ombracht, ontving een belooning van
12,000 denariën (0,000 Gld.), wie hem een schuilplaats
verleende, al was het zijn naaste bloedverwant, werd met
den dood gestraft. Een onbeschrijfelijke angst en onrust
maakte zich van de gansche bevolking meester, want nie-
mand wist aanvankelijk, of hij soms onbewust op goeden
voet stond met een vogelvrij verklaarde, en dit kon hem
het leven kosten. Om velen gerust te stellen, liet Sulla
dagelijks lijsten uitgeven, waarop de namen zijner slacht-
offers vermeld stonden. Niemand was echter in die dagen
zijn leven zeker, zelfs bloedverwanten en vrienden wan-
trouwden elkander, want Sulla\'s aanhangers zochten te
bewerken, dat hunne persoonlijke vijanden op de proscrip-
tie-lijsten werden geplaatst, zelfs al hadden zij nooit iets te-
gen Sulla of de partij der optimaten misdreven, en wan-
neer hun dit soms mislukte, namen zij hunne toevlucht tot
sluipmoord, een misdaad, welke in die dagen straffeloos
kon worden gepleegd. Met de verbeurdverklaarde goede-
-ocr page 521-
517
ren verrijkte Sulla zich zelven en zijn vrienden: vooral wist
Crassus met onbeschaamde schraapzucht zich een groot
gedeelte van den buit toe te eigenen. Zelfs getrouwe aan-
hangers, die aan Sulla uitstekende diensten hadden be-
wezen, verkeerden in levensgevaar, wanneer zij zich niet
in alles naar den wil des dictators gedroegen. Een hunner,
Ofella, dong, in strijd met Sulla\'s verlangen, naar het
ambt van consul. Sulla liet hem op de markt nederhouwen
en kwam openlijk voor deze schanddaad uit. Hij vergoe-
lijkte haar voor het volk met de opmerking, dat hij ge-
handeld had als zekere boer, die, na tweemaal vruchteloos
zijn kleederen van ongedierte gezuiverd te hebben, einde-
lijk zijn gansche plunje maar op \'t vuur had geworpen.
Toen er een einde aan het bloedvergieten wasgekomen,
maakte Sulla een groote verandering in de staatsregeling
door de macht der optimaten voor goed te vestigen, en
bracht hij eenige goede wetten, vooral betreflende het
strafrecht, tot stand. Na eenige jaren begon de last der
alleenheerschappij Sulla te vervelen. Hij legde haar vrij-
willig neder, om zich te Puteöli, aan de Campaansche
kust, ongestoord aan een losbandig leven te kunnen over-
geven. Omringd door tooneelspelers, danseressen ei. zan
gers, baadde hij zich in alle mogelijke zinnelijke genietin-
gen, terwijl hij zich van tijd tot tijd van het gejoel der
losbandigheid afzonderde om zijn gedenkschriften, die
echter voor ons verloren zijn, op te stellen. Slechts korten
tijd bracht hij te Puteöli door, hij stierf er weldra op zes-
tigjarigen leeftijd aan de gevolgen zijner uitspattingen.
Pompejus,
Sedert Sulla het staatstooneel had verlaten, zochten
verschillende personen de alleenheerschappij te verwerven.
Tot de voornaamsten hunner behoorden de rijke Grassus
en de nog jeugdige Gnaeus Pompejus, een man met een
-ocr page 522-
518
gezond en sterk gestel, een voortreffelijk ruiter, een voor-
zichtig en dapper veldheer, die door zijn rijkdom en het
geluk, dat hem bij al zijn ondernemingen diende, spoedig
de aandacht op zich vestigde, en daardoor zoo vermaard
werd, dat hij zich overtuigd hield, boven al zijn tijdge-
nooten uit te blinken.
Onder de ballingen, die, beducht voor Sulla\'s wraak,
Italië hadden moeten verlaten, behoorde de voortreffelijke
leider der volkspartij, Sertorius. Hij had zich naar Spanje
Gn. Pompejus, in zijn jeugd.
begeven en won daar door zijn rechtschapenheid en zijn
veldheerstalent zoozeer de achting en de liefde der Lusi-
taniërs, dat dezen hem tot veldheer verkozen. Sulla had
zijn bekwamen veldheer Metellus Pius tegen hem afgezon-
den, doch Sertorius was zegevierend gebleven, en nu voeg-
den zich zooveel Romeinsche ballingen, en daaronder een
groot aantal Senatoren, bij hem, dat hij uit hen een senaat
samenstelde, dien hij den eenig wettigen noemde.
Gedurende de twisten, die na het aftreden van Sulla in
-ocr page 523-
519
Italië plaats hadden, trok de ontevreden veldheer Perpenna
met zijn leger insgelijks naar Spanje om zich bij Sertorius
aan te sluiten. Het was zijn bedoeling zelfstandig naast
dezen te staan, doch zijn soldaten dwongen hem Sertorius
als opperbevelhebber te erkennen. Nu besloot desenaat te
Rome zich beter ten strijde te rusten om aan den opstand
in Spanje een einde te maken. Het opperbevel werd toe-
vertrouwd aan Pompejus, die in 77 v. C. over de Alpen
trok, en in Spanje de troepen van Metellus Pius met de
zijne vcreenigde. Sertorius hield zich met beleid staande,
maar \'bij vermoedde niet, dat in zijn gelederen verraad
schuilde. Perpenna haatte Sertorius, omdat deze zijn
meerdere was, en slaagde erin een samenzweering tot
stand te brengen met het doel den wakkeren veldheer te
vermoorden. Op een feest, dat Perpenna gaf, en Maarbij
Sertorius als gast tegenwoordig was, werd deze om het
leven gebracht. Perpenna bereikte zijn doel niet om in de
plaats van Sertorius opperbevelhebber te worden. Slechts
een deel van het leger gehoorzaamde hem, en nu werd hij
door Pompejus aangevallen en verslagen. Weldra daarna
was de opstand in Spanje onderdrukt.
Terwijl Pompejus in Spanje zoo voorspoedig was, werd
Rome door een nieuw gevaar bedreigd. Het aantal slaven
was in Italië op onrustbarende wijze toegenomen. Deland-
bouw, de veehoederij en de geringe handwerken werden
bijna uitsluitend door slaven uitgeoefend. Bovendien wer-
den de sterkste en dapperste slaven gebruikt om als gladia-
toren het Romeinscho volk bij de openbare spelen te ver-
maken. Het was voor de ontaarde Romeinen zulk een
genot geworden, de kreten van smart der gewonden te
hooren en de pijnlijke stuiptrekkingen der stervenden te
zien, dat menigeen er een winstgevend bedrijf van begon
te maken, slaven tot gladiatoren af te richten. Te Capua
en te Ravenna, waar de levensmiddelen goedkooper wa-
ren dan te Rome, ontstonden er gladiatoren-scholen, waar
de slaven volgens vastgestelde regelen onderwezen werden
-ocr page 524-
520
in de kunst om elkander liet leven te benemen. De eige-
naars dier scholen verhuurden hunne gladiatoren tegen
hoogc prijzen aan de aanzienlijken, die zich door het geven
van spelen in de gunst des volks wilden dringen. Nu
kwamen een paar honderd gladiatoren van de school te
Capua overeen, liever hun leven voor hunne eigene vrij-
heid te wagen, dan in den strijd tegen elkander tot ver-
maak van hunne verdrukkers, de Romeinen. De samenzwe-
ring werd ontdekt en daardoor slaagden slechts ruim zeventig
erin naar den Vesuvius te vluchten en zich van wapenen
te voorzien. Zij kozen drie hunner tot aanvoerders, \'waar-
van Spartrtcus, een afstammeling van Thracische koningen,
door zijn heldenmoed en veldheerstalent het meest uitblonk.
Van den Vesuvius uit ondernamen de gladiatoren telkens
strooptochten om in hun onderhoud te voorzien en om de
slavenkerkers te openen, ten einde met de bevrijde slaven
hunne bende te vergrooten. Een afdeeling van 3000
Romeinsche soldaten werd afgezonden om de opstandelin-
gen in te sluiten en uit te hongeren, doch de gladiatoren
klauterden langs steile bergwanden naar beneden, over-
vielen de Romeinsche wachtposten en joegen weldra hunne
aanvallers op de vlucht. Van nu af kreeg Spartacus zulk
een toevoer van manschappen, dat hij eerlang over 70,000
strijders het bevel voerde. Nadat hij gedurende twee jaren
menige overwinning bevochten, en grooten buit behaald
had, besloot hij naar het Noorden van Italië op te trekken
om zich van daar naar zijn vaderland te begeven. Dit plan
werd afgekeurd door de Galliërs, die onder zijn bevelen
stonden, en hierdoor kwam er in het leger der opstande-
lingen oneenigheid. De Galliërs scheidden zich af en wer-
den spoedig daarna door het groote leger der Romeinen,
dat onder het bevel van Crassus stond, verslagen. Nu kon
Spartacus aan de overmacht niet langer het hoofd bieden.
Ook hij werd door Crassus verslagen en vond dapper strij-
dende den dood. Vijf duizend vluchtelingen waren voor-
nemens zich over de Alpen in veiligheid te brengen, toen
-ocr page 525-
521
zij op hun weg Pompejus ontmoetten, die zegevierend uit
Spanje terugkwam. Het viel hem niet moeilijk, de kleine
bende geheel te vernietigen en daarop eigende hij zich, tot
groot verdriet van Grassus, de eer toe, aan den slavenop-
stand een einde te hebben gemaakt.
Zoodra Pompejus in Rome terug was gekeerd, eischte
hij voor zijn soldaten landerijen en voor zich zelven het
consulaat en het recht een zegepraal te houden. Volgens
de veranderingen, die Sulla in de staatsregeling had ge-
bracht, mocht niemand tot consul worden benoemd, die
niet vooraf met eenige andere hooge staatsambten bekleed
was geweest. De eisch van Pompejus was daarom in strijd
met de wet, maar hij sloot zich nu evenals Grassus, die
insgelijks naar het consulaat dong, bij de volkspartij aan
en de optimaten, bevreesd voor de legers der beide candi-
daten, lieten toe, dat zij verkozen werden. De staatsregeling
van Sulla werd daarop, om de volkspartij genoegen te doen,
op voorstel van de consuls afgeschaft.
Sedert den ondergang van Carthago hadden de Romei-
nen hunne oorlogsvloot moor en meer verwaarloosd. De
zeeroovers waren daardoor in aantal toegenomen. Somtijds
landden zij aan de kusten om zich van menschen meester
te maken, die zij als slaven verkochten, en dan weder
maakten zij koopvaarders buit. De Romeinsche ballingen
hadden een schuilplaats gevonden onder de zeeroovers on
door hen was er een rooversstaat gesticht, die over een
duizendtal schepen beschikte en een bondgenoot werd van
Mithridates. De tochten door verschillende Romeinsche
veldheeren tegen de zeeroovers ondernomen, waren zonder
gevolg gebleven. Dientengevolge kwam er een groote stil-
stand in den handel en begonnen de graanprijzen te Rome
op een onrustbarende wijze te stijgen. Het werd tijd, dat
aan de zeerooverij op zulk een uitgebreide schaal een
einde werd gemaakt, en nu droeg men aan Pompejus, of-
schoon tegen den wil der optimaten, een soort dictatuur
op met den last om de zeeroovers uit te roeien. Boven
-ocr page 526-
522
-verwachting volvoerde Pompejus de hem gedane opdracht.
In drie maanden tijds versloeg hij hen in een zeegevecht,
ontnam hij hun de steden en eilanden, die zij bezet hiel-
den, veroverde hij op hen negentig groote en een veel
grooter aantal kleine oorlogsschepen en nam hij 20,000
zeeroovers gevangen. Ter belooning voor deze daad werd
hij benoemd tot opperbevelhebber tegen Mithridates, die
reeds sedert eenige jaren den oorlog tegen Rome had
hervat.
Nadat Mithridates door Sulla tot den vrede was ge-
dwongen, had hij zich gcdueht ten strijde toegerust,
daar hij wel inzag, dat Rome, zoodra het elders rust
had gekregen, een poging zou doen om zijn rijk te ver-
meesteren. Toen in het jaar 75 v. G. koning Nicode-
mus III van Bjthinië als de laatste afstammeling van zijn
geslacht bij zijn overlijden zijn rijk aan de Romeinen had
vermaakt, en de Romeinen daardoor de onmiddellijke na-
buren van Pontus waren geworden, begon Mithridates zelf
den oorlog. De krijgskans was hem echter niet gunstig.
Door den consul Lucullus werd hij te land en ter zee zoo
geducht verslagen, dat hij zijn rijk moest verlaten en een
schuilplaats zoeken bij zijn schoonzoon Tigranes, den koning
van Armenië, die zich als een opvolger van de vroegere
Perzische koningen beschouwde, zijn rijk door veroverin-
gen vergroot, en een koningsstad, Tigranocgrta, gebouwd
had, die in pracht het oude Uabylon moest evenaren.
Nadat Lucullus te vergeefs de uitlevering van Mithridates
had geëischt, viel hij TigrSnes aan, op wien hij een luis-
terrijke overwinning\' bij Tigranocerta behaalde. Om van
het vorkregen voordeel partij te trekken, zette Lucullus
zijn tocht voort, en kwam hij op de Armenische hoogvlak-
ten, waar reeds de winter in alle gestrengheid heorschte.
De aan een warmer klimaat gewende soldaten moesten
voortdurend over sneeuwveldon trekken en begonnen te
morren. Tevens werd hij als optimaat door de volkspartij
te Rome tegengewerkt, ten gevolge waarvan hij eerstzon-
-ocr page 527-
523
der onderstand gelaten, en daarna door Pompejus vervan-
gen werd. Hij ging nu te Rome als ambteloos burger le-
ven, docli op een zoo weelderigen voet, dat ieder zijner
gewone dagelijksche maaltijden 5000 Gld. kostte (Luculli-
sche maaltijden).
Ondertusschen hadden Mithridates en Tigranes zich we-
der eenigszins hersteld, doch zij werden door Pompejus
volkomen geslagen, die hierop geheel Syrië onder de Ro-
meinsche opperheerschappij bracht.
Mithridates, gedrukt door de vele rampen, die hem
troffen, gedroeg zich steeds met meer wreedheid. Hij meen-
de voortdurend door verraders omringd te zijn, en ieder,
dien hij verdacht, liet hij het leven ontnemen. Reeds had
hij drie zijner zonen uit achterdocht doen ombrengen, toen
een vierde, Pharnïces, zijn lieveling, het lot zijner broeders
vreezende, zicli aan het hoofd van een opstand plaatste.
Mithridates bevond zich nabij den Bospórus, waar hij een
leger bijeen had gebracht, met het doel daarmede den oor-
log in Italië over te brengen, toen Pharnaces tegen hem
optrok. Het leger des konings verklaarde zich voor zijn
zoon. Van allen verlaten, begaf de ongelukkige vader zich
naar zijn zoon, ten einde om het behoud zijns levens te
smeeken, De zoon wilde zich echter tot niets verbinden,
en nu keerde Mithridates terug naar het kasteel van An-
ticapaoum, waar zijn vrouwen en dochters zich ophiel-
den. Niet bij machte zijnde zich hier te verdedigen, liet
hij zijn vrouwen en dochters vergift innemen en nam het
daarna zelf in; doch dewijl het niet snel genoeg bij hem
werkte, liet hij zich door een slaaf doorsteken. Pharnaces
zond het lijk zijns vaders aan Pompejus, die weldra zijn
veroveringen genoeg had bevestigd om naar Italië terug te
kunnen keeren.
Tijdens het verblijf van Pompejus in het Oosten had
Rome aan een groote ramp blootgestaan. Het Romeinsche
volk was diep bedorven. Het bekreunde zich weinig meer
om rechtvaardigheid en streefde bijna uitsluitend naar
-ocr page 528-
524
zinnelijk genot. De lagere volksklasse was afkeerig van
werken, en liet zich door den staat of de rijken onderhou-
den : zij vraagde om brood en spelen (panem et circen-
sis).
De eenigszins meer gegoede burgers streefden de rij-
ken na in de zucht naar uitspanningen en verkochten hun-
ne stemmen aan wie er het meest voor bood. Onder zulke
omstandigheden kon het den talentvollen maar bedorven
Catillna niet moeielijk vallen een samenzwering tot stand
te brengen, die haar vertakkingen door geheel Italië
had, en niets minder beoogde, dan dat hij zich aan
het hoofd van den staat zou plaatsen, ten einde te gemak-
kelijker zijn zinnelijke lusten te kunnen bevredigen. Het
jaar 63 v. G. was bepaald voor het uitbreken van den op-
stand, en om hem te doen slagen achtten de saamgezwore-
nen het wenschelijk, dat eenigen hunner met de hoogste
waardigheden werden bekleed. Gatilina dong daarom
naar het consulaat. Toch werd zijn tegenstander Marcus
Tullius Cicero, een man der volkspartij, gekozen, daar de
optimaten, ofschoon aarzelend, liever op dien rechtschapen
man hunne stem uitbrachten dan op hun verachtelijken
standgenoot.
Uit vrees voor den terugkeer van Pompejus uit het
Oosten, besloten de saamgezworenen hun plan te volvoe-
ren op den dag, dat de consuls voor het jaar G2 v. G. ge-
kozen zouden worden, en dan o. a. Cicero te vermoorden.
Hun plan word echter, eer het tot uitvoering kwam, ver-
raden. Een der saamgezworenen, Curius, die wegens zijn
schandelijk levensgedrag door de censoren uit den senaat
was verwijderd, had liefdesbetrekkingen aangeknoopt met
Fulvia, een slechte vrouw. Dewijl hij haar, ten gevolge
van zijn verkwistingen, niet zulke rijke geschenken als
vroeger kon geven, toonde zij hem minder genegenheid.
Curius, hopende op het welslagen van de samenzwering,
spiegelde haar voor, dat hij weldra weder in staat zou zijn
haar evenals vroeger en nog beter te begiftigen. Hierdoor
nieuwsgierig geworden, wilde Fulvia weten, op welken
-ocr page 529-
525
grond hij uitzicht had weder rijk te worden, en nu deelde
hij haar het plan der samenzweerders mede. Terstond
berichtte Fulvia, hetgeen zij vernomen had, aan den consul
Cicero, die daarop in den senaat in tegenwoordigheid van
Catilina, die zijn misdadige plannen niet ontkende, de
gansche samenzwering in het licht stelde en zulke maat-
regelen nam, dat zij mislukte. Catilina vluchtte uit Rome
en sneuvelde weldra in een gevecht tegen de troepen, die
M. Tullius Cicero.
hem achterna waren gezonden. Sedert noemde het volk
Cicero, als redder der republiek, Vader des Vaderlands.
Caesar.
I.
Ondertusschen had de jeugdige Gajus Julius Caesar zich
door zijn schitterende talenten en door de feesten, die hij
-ocr page 530-
526
gaf, tot den lieveling des volks weten temaken. Desenaat
benoemde hem tot stadhouder van Spanje, doch hij kon
niet terstond zijn ambt aanvaarden, dewijl hij zoozeer met
schulden overladen was, dat zijn schuldenaren hem niet
wilden laten vertrekken. Uit dezen nood werd hij gered
door den rijken Crassus, die voor een zeer groote som borg
voor hem bleef, en nu begaf hij zich op weg. Gedurende
den tocht kwam Caesar door een onaanzienlijk plaatsje, en
nu werd door een van zijn gevolg de vraag opgeworpen,
of daar ook zulk een strijd om den voorrang zou zijn als
in Rome. Terstond gaf Caesar hot hem kenschetsende
antwoord: ^Ik zou hier liever de eerste dan in Rome de
tweede zijn." In Spanje gaf Caesar blijken van zijn veld-
heerstalent, en gedroeg hij zich overigens als andere stad-
houders, daar hij in één jaar zooveel geld bijeenschraapte,
dat hij zijn ontzaglijke schulden kon betalen.
Pompejus was inmiddels met zijn troepen te Brundusi-
um geland. De optimaten vreesden; dat hij aan hun hoofd
naar Rome zou trekken om zich tot dictator op te werpen,
doch hij trachtte zijn heerschzuchtige bedoelingen niet door
wapengeweld te bereiken. De optimaten schepten nu weer
nieuwen moed, on de senaat stond hem wel de eer oener
zegepraal toe, maar sloeg zijn verzoek af om de door hem
gemaakte beschikkingen in Azië te bekrachtigen, aan zijn
veteranen landerijen te schenken en hem tot consul te hel-
pen benoemen.
Toen het dienstjaar van Caesar was geëindigd, weigerde
de senaat ook hem zijn steun bij het dingen naar het con-
sulaat. Caesar besloot zijn wil toch door te zetten, maar
om te kunnen slagen had hij de hulp noodig van invloed-
rijke personen. Hij wendde zich daarom tot Pompejus en
Crassus, bracht tusschen die beiden een verzoening teweeg
en sloot toen met hen een verbond, bekend onder den
naam van het eerste driemanschap, waarbij zij beloofden
in alle openbare aangelegenheden elkander bij te staan.
De invloed, dien deze drie mannen bij het volk bezaten,
-ocr page 531-
527
was zoo groot, dat zij nu in staat waren de republiek te
beheerschen. Wilde de senaat, waarin de optimaten de
meerderheid hadden, hun zin niet volgen, dan brachten
zij de zaak voor de volksvcrgadering, die steeds overeen-
komstig hun wil besloot. Ondanks de tegenwerking der
optimaten werd Caesar tot consul verkozen. Voor tweeden
consul viel de keus op den optimaat Calpurnuis Bibnlus,
die echter spoedig door Caesar zoozeer op den achtergrond
Julius Ccsar.
werd gedrongen, dat hij do zaken geheel aan zijn ambtge-
noot overliet. Daar de Romeinen gewoon waren het jaar
naar de beide consuls te noemen, werd het thans door het
volk spottenderwijze het jaar van Julius en van Caesar
genoemd (59 v. C).
De driemannen wisten nu te bewerken, dat hun ieder
een aanzienlijk stadhouderschap voor den tijd van vijfjaren
werd opgedragen: Caesar dat van Cis- en Transalpijnsch
Gallië, Pompejus dat van Spanje, en Crassus dat van Syrië.
-ocr page 532-
528
Bovendien zorgden zij, dat hunne vrienden met de hoogste
staatsambten werden bekleed. Pompejus bleef in Romeen
liet zijn provincie door legaten besturen, terwijl Crassus
spoedig den dood vond in een strijd tegen de Parthen.
Dewijl de Romeinen slechts het zuidelijk gedeelte van
Transalpijnsch Gallië in hunne macht hadden, besloot
Caesar zich krijgsroem te verwerven door het overige ge-
deelte te onderwerpen. Een Keltische stam, de Helvetiërs,
die liet tegenwoordige Zwitserland bewoonden, werden
door de Germanen zoozeer in bet nauw gebracht, dat zij
besloten in Gallië nieuwe woonplaatsen te zoeken. Zij
vraagden daarom aan Caesar verlof, door liet aan Rome
behoorende gedeelte van Gallië te trekken. Dit verzoek
werd afgeslagen, en nu besloten de Helvetiërs hun weg
noordelijker te nemen door de Jura-passen. De Keltische
volken, die daar woonden, vreezende uit hunne haardsteden
verdrongen te worden, riepen de hulp van Caesar in, die
terstond optrok om aan liet verzoek te voldoen. Reeds
was Caesar met zijn troepen de Helvetiërs genaderd, toen
hij uit gebrek aan levensmiddelen naar Bibracte (thans
Autun) terugtrok. De Helvetiërs zetten daarop de Romein-
sche achterhoede achterna. ,,Zoodra Caesar dit bemerkte,"
aldus verhaalt bij zelf in de meesterlijke beschrijving, die
hij van den Gallischen oorlog heeft gegeven, „voerde hij1)
,,zijn troepen op de naastbijzijnde hoogte en zond hij de
,,ruiterij uit om den vijand op te houden. Hij zelf stelde
,,ondertusschen op de helft der helling zijn vier oude
„legioenen in drie slagliniën op; op de kam der hoogte
„daarentegen liet hij de twee onlangs in het Cisalpijnsche
„Gallië gelichte legioenen stelling nemen, zoodat de gansche
„berg bezet was. Legertros en bagage liet hij op eene
„plaats samenbrengen, die terstond door de naar boven
„gemarcheerde troepen verschanst werd. Ondertusschen
„hadden ook de Helvetiërs, die met al hunne karren ge-
1) Caesar spreekt van zich zei ven steeds in den derden persoon
-ocr page 533-
529
,,volgd waren, hun legertros bijeengebracht; zij zei ven,
,,in dichte drommen vereenigd, wierpen onze ruiterij terug
,,en rukten toen in goed gesloten gelederen tegen onze
,,eerste slaglinic op. Caesar liet eerst zijn eigen paard
„en daarop de overige wegvoeren: het gevaar moest voor
,,allen gelijk zijn, niemand op ontvluchten kunnen rekenen;
„toen liet hij, na een korte aanspraak, het gevecht be-
„ginnen. Daar de soldaten hunne werpspietsen van boven
„naar beneden wierpen, maakten zij zonder moeite
„openingen in de vijandelijke gelederen. Terstond
„daarop grepen zij naar liet zwaard en stormden op den
„vijand in. Voor de Helvetiers was de volgende omstandig-
„heid zeer lastig, toen men handgemeen was geworden.
„Een zelfde werpspiets had niet zelden twee of meer
„schilden doorboord on ze aan elkander genageld. Was
„daarbij de ijzeren punt omgebogen, dan kon men er de
„spiets niet gemakkelijk uittrekken. Zij, die de schilden
„droegen, konden daardoor den linkerarm niet vrij bewe-
, ,gen en werden levens gehinderd in het gebruik der wape-
, ,nen. Velen lieten daarom, na den arm lang geschud te
„hebben, het schild los en streden zonder verdedigings-
„wapen. Toen de Helvetiers zware verliezen hadden ge-
„leden, begonnen zij te wijken, en trokken zij terug naar
„een hoogte, waar zij zich opnieuw in slagorde schaar-
„den. De onzen volgden hen op den voet. Ondertusschen
„waren de Bojers en Tulingers, omstreeks 15,000 man
„sterk, die de vijandelijke achterhoede vormden en den
„legertros dekten, opgetrokken en de onzen in do onge-
„dekto flank gekomen, waar zij terstond hun aanval be-
„gonnen. Zoodra de Helvetiers op do hoogte dit zagen,
„hervatten dezen den strijd. Do Romeinen maakten door
, ,een zwenking front naar beide zijden: de eerste en de
„tweede slaglinic tegen de reeds geslagen en tcruggewor-
„pen hoofdmacht, de derde slaglinie tegen de pas versche-
„nen troepen. Aldus werd de strijd lang en hevig voort-
„gezet. Toen eindelijk de vijanden de onzen niet langer
34
-ocr page 534-
530
,,konden weerstaan, trokken de eenen geheel op de hoogte
,,terug, de anderen naar de legertros en de karren. In
,,den gansenen strijd, die van het zevende uur (1) tot zons-
ondergang duurde, had geen vijand ons den ruggekeerd.
„Nog tot diep in den nacht duurde het strijden bij den
,,legertros. De vijand had namelijk van zijn karren een
, ,wagenburcht gevormd en ontving hier de onzen met zijn
,,op de wagens geplaatste schietwerktuigen, terwijl tus-
„schen de wielen der wagens opgestelde manschappen
,,hunne werpspietsen naar boven slingerden. Daardoor
,,werden velen onzer lieden gewond. Na een langdurigen
,,strijd maakten wij ons van den wagenburcht meester."
Na dezen slag, die de Helvetiërs dwong naar hun hand
terug te keeren, besloot Caesar de Germanen, die zich in
Gallië hadden nedergezet, aan te vallen. In een oorlog,
die twee afdeelingen der Kelten, de Anduers en de Sequa-
ners, met elkander voerden, hadden laatstgenoemden den
Germaanschen vorst Ariovistus te hulpgeroepen. Deze was
in het jaar 71 v. G. over den Rijn getrokken, had de
Anduers verslagen, vervolgens de Sequaners onderworpen
en zich toen in Gallië een rijk gesticht, dat wegens zijn
heerlijke ligging en vruchtbaarheid steeds nieuwe afdee-
lingen Germanen lokte. Do onderdrukte Kelten riepen nu
heimelijk Caesar te hulp, en deze zond een gezantschap
naar Ariovistus om hem tot een mondgesprek uit tenoodi-
gen. Fier gaf deze ten antwoord: «Wanneer ik Caesar
,,noodig heb, zal ik bij hom komen; wil Caesar iets van
,,mij, zoo moet Caesar bij mij komen. Bovendien kan ik
,,mij slechts aan het hoofd van een leger in het gedeelte
,,van Gallië begeven, dat in Caesar\'s handen is, en ik kan
,,niet zonder groote kosten en moeite een leger samentrek-
(1) Eén uur namiddag. De Romeinen begonnen met zonsopgang de
uren te tellen. De tijd van zonsopgang tot zonsondergang, werd in
twaalf uren verdeeld en evenzoo de tijd van zonsondergang zoodat
\'s zomers de uren van den dag langer waren dan die van den nacht,,
terwijl \'swinters het omgekeerde plaats had.
-ocr page 535-
531
,,ken. Ook begrijp ik niet, wat Caesar te doen heeft in
,mijn deel van Gallië, dat ik in een eerlijken strijd ver-
,,overd heb." Toen Caesar hierop aan Ariovistus eenige
eischen stelde, o. a. dat hij geen nieuwe benden Germa-
nen in zijn rijk zou toelaten, antwoordde Ariovistus, dat
volgens het oorlogsrecht de overwinnaar met het overwon-
nene naar welgevallen kon handelen.
Nu besloot Caesar tegen de Germanen op te trekken.
Hij verhaalt zijn tocht met de volgende woorden: ,,Na
„een marsch van drie dagen kreeg hij tijding, dat Ario-
vistus met zijn geheele leger was opgebroken om Besontio
„(Bcsancon), de hoofdstad der Scquaners, te bezetten.
„Caesar meende dit voornemen tot eiken prijs te moeten
,.verhinderen, want alle krijgsbenoodigdheden waren daar
„zeer gemakkelijk te verkrijgen, en de stad was door haar
„ligging en versterkingen bizonder geschikt om in den
„oorlog tot steunpunt te dienen. De rivier Dubis (Doubs)
„namelijk omstroomt als in een regelmatigen kring bijna
„de geheele stad. De eenige toegang, dien de rivier open-
„laat, wordt ingenomen door een berg, wiens hellingen
„aan beide kanten tot aan den oever der rivier reiken.
„Voorzien van een ringmuur, die hem tevens met de stad
„verbindt, vormt liij haar burcht. Hierheen Irok Caesar
„met geforceerde marschen bij dag en bij nacht, nam de
„stad in bezit en legde er garnizoen in.
„Terwijl Caesar eenige dagen bij Besontio vertoefde om
„de verpleging en den toevoer te regelen, verschaften de
„onzen zich inlichtingen bij de Galliërs en bij de kooplie-
„den. Dezen konden niet genoeg vertellen van de reus-
„achtige grootte der Germanen, hunne fabelachtige dap-
„perheid en hunne geoefendheid in het voeren der wapenen;
„zij hadden dikwijls, als zij met hen samen waren, hun
„barsch uiterlijk en hun vurigon blik niet kunnen ver-
„dragen. Deze verhalen verspreidden eensklaps in het
„leger de grootste vrees: alles geraakte in een koorts-
„achtige beweging. De vrees openbaarde zich het eerst
-ocr page 536-
532
„bij de krijgstribunen, praefecten en anderen, die zonder
,,juist veel van liet krijgswezen te verstaan, Caesar slechts
,,uit genegenheid waren gevolgd. Dezen kwamen hem
„onder verschillende voorwendsels dringend om verlof
„vragen. Slechts weinigen hunner lieten dit na, oin de
„verdenking van lafhartigheid te ontgaan; zij konden
„echter telkens noch hun gelaat beheerschen, noch hunne
„tranen weerhouden; zij zaten in hunne tenten en klaag-
„don eenzaam over hun lot of jammerden met hunne ver-
trouwden over het gemeenschappelijk govaar. Overal
„werden in het leger testamenten gemaakt. Deze opwel-
lingen van vrees werkten mettertijd op de oudgedienden,
„de centurionen en de oversten der ruiterij. Eenigen van
„dezen, die niet voor vreesachtig wildon doorgaan, ver-
„klaarden, dat zij niet bang waren voor den vijand, maar
„voor de moeilijke passen en de uitgestrekte wouden, die
„ons nog van Ariovistus scheidden, of zij toonden zich be-
„zorgd, dat de geregelde toevoer van levensmiddelen zeer
„bezwaarlijk zou zijn. Sommigen meldden Caesar, dat de
„soldaten uit vrees zouden weigeren te gehoorzamen, en
„niet zouden optrekken, wanneer het bevel om op te bre-
„ken werd gegeven."
In een algomeenen krijgsraad, dien Caesar belegde, ge-
lukte het hem door een flinke toespraak, den zinkenden
moed bij zijn troepen weder op te wekken. Caesar had
zijn rede geëindigd met de woorden : „Wanneer niemand
„anders mij durft volgen, zal ik alleen met het tiende le-
„gioen tegen den vijand optrekken, want van dit ben ik
„zeker, en het zal in \'t vervolg mijn lijfwacht zijn!" De
manschappen van het tiende legioen lieten daarop door
hunne krijgstribunen Caesar bedanken voor de eer, die
hij hun had aangedaan.
Toen Ariovistus vernam, dat Caesar tegen hem optrok,
zond hij dezen gevolmachtigden met de boodschap, dat
daar Caesar werkelijk tot hem was gekomen, hij zich nu
ook bereid verklaarde een mondgesprek met hem te hou-
-ocr page 537-
533
den. Men kwam overeen dat de bijeenkomst vijf dagen
later zou plaats hebben, en daarbij stemde Caesar toe in
den eisch van Ariovistus, dat de beide aanvoerders slechts
een bereden gevolg bij zich zouden hebben. Dewijl Caesar
slechts Gallische ruiterij had, en hij zijn persoon aan
deze niet durfde toevertrouwen, liet hij soldaten van
het tiende legioen zich in het rijden oefenen op de
paarden der Galliërs. Een soldaat van het tiende legioen
zeide daarop: ,,Caesar doet meer dan hij beloofd heeft :
„hij heeft het tiende legioen de eer toegezegd zijn lijf-
,,wacht te vormen, en nu verheft hij het tot den rid-
,,derstand," Terwijl het mondgesprek plaats had, kreeg
Caesar bericht, dat do Germaansche ruiters de zijnen waren
genaderd en hen met steenen en spietsen wierpen. Caesar
brak daarop het onderhoud af. De legers waren weldra in
elkanders nabijheid, doch Ariovistus nam den slag, dien
Caesar hem dagelijks aanbood, niet aan en vergenoegde
zich met ruitergevechten. ,,Dc Germanen," zoo verhaalt
Caesar, ,,gingen daarbij op de volgende wijze tewerk. Er
,,waren zes duizend ruiters en even zooveel in vlugheiden
„dapperheid uitmuntende voetknechten, van welke ieder
,,ruiter er een uit de gansche menigte krijgers tot zijn
„persoonlijke bescherming had gekozen. Deze voetknechten
„begeleidden hunne ruiters in het gevecht; op hen trokken
,,de ruiters terug; zij gingen goed aangesloten vooruit,
„wanneer het tot een heftigen strijd kwam; zij waren bij
„de hand, wanneer een ruiter zwaargewond van het paard
„stortte. Zij waren zoo vlug ter been en zoo goed geoefend,
„dat zij zich bij een verder vooruitdringen of een snellen
„terugtocht aan de manen der paarden vasthielden om op
„deze wijze met de ruiters gelijken tred te houden."
Eens vernam Caesar uit den mond van gevangenen de
reden, waarom Ariovistus geen veldslag leverde. Het was
namelijk bij de Germanen gewoonte door waarzegsters te
laten bepalen, of het doelmatig was een strijd te beginnen,
en nu hadden dezen verklaard, dat de Germanen volgens
-ocr page 538-
534
den wil der goden niet zouden zegevieren, wanneerzij vóór
nieuwe maan een beslissenden slag waagden, Nu begreep
Caesar Ariovistus tot den strijd te moeten dwingen. Hij
stelde zijn troepen weder in drie slagliniën op en naderde
de Germaansclie legerplaats van zoo nabij, dat Ariovistus
wel verplicht was zijn strijders insgelijks in slagorde te
scharen. Op de beide vleugels en in den rug zijner krijgs-
lieden liet de Germaansche aanvoerder de karren plaatsen,
om den zijnen alle hoop op de vlucht te benemen. Op de
karren stonden de vrouwen, die met saamgevouwen han-
den en met tranen de mannen smeekten, haar toch tegen
de Romeinsche slavernij te beschutten.
,,Nu plaatste Caesar," zoo verhaalt deze, „zich aan het
,,hoofd van den rechtervleugel en opende met dezen den
,,strijd, omdat hem hier de vijand het zwakst toescheen.
„Met zooveel vuur drongen de onzen na het gegeven tee-
,,ken op den vijand in, en zoo plotseling naderden de Ger-
,,manen, dat de Romeinen geen tijd hadden hunne werp-
,,spietsen op den vijand te werpen. Men liet ze daarom
,,vallen en greep terstond naar het zwaard. De Germanen
„sloten echter, volgens hunne wijze van strijden, snel
„hunne gelederen vast aaneen en zochten op deze wijze
„den aanval met het zwaard af te slaan. Nu deed hetzich
„meermalen voor, dat onze soldaten op de goed gesloten
„gelederen lossprongen, de schilden met de handen naar
„beneden rukten en daarover heen den vijand nederstie-
„ten. Terwijl op deze wijze de linkervleugel des vijauds
„teruggeworpen en op de vlucht geslagen werd, bracht de
„overmacht van zijn rechtervleugel de onzen zeer in \'t
„nauw. Dit bemerkte de jonge Publius Crassus, die de
„ruiterij aanvoerde, omdat hij een ruimer uitzicht had dan
„zij, die te midden van het gevecht waren. Hij liet daar-
„om de derde slaglinie ter ondersteuning van den in gevaar
„verkoerenden vleugel oprukken. Hierdoor veranderde de
„stand van zaken. De vijand sloeg op de vlucht en rustte
„niet, eer hij den Rijn over was getrokken."
-ocr page 539-
535
Om den Germanen den lust te benemen vooreerst weder
te keeren, besloot Caesar een tocht over den Rijn te onder-
nemen. Hoe hij de rivier overtrok, verhaalt hij aldus : ,.Op
„schepen over te steken achtte hij noch veilig genoeg,
„noch overeenkomstig zijn eigene en de Romeinsche waar-
digheid. Wel was het bouwen van een brug wegens
,,de breedte, de snelheid en de diepte van den stroom
„schijnbaar aan groote zwarigheden onderhevig, maar
„het besluit stond bij hem vast, dit plan door te zetten,
„of in \'t geheel niet over den Rijn te gaan. De brup
Brug over den Rijn.
„bouwde hij op de volgende wijze. Hij liet telkens een
„paar jukpalen van anderhalven voet dikte, van onder
„gepunt en overeenkomstig de diepte van de rivier
„van verschillende lengte, op een afstand van twee
„voet onderling met elkander verbinden. Deze werden
„dan met behulp van werktuigen in den stroom neder-
„gelaten, vastgezet en met rammen erin geslagen,
„echter niet loodrecht, gelijk men dat gewoonlijk met
, jukpalen doet, maar schuin als daksparren, en wel hel-
,,lende naar de richting van den stroom. Tegenover ieder
-ocr page 540-
536
„dezer paren werd een dergelijk op dezelfde wijze ver-
,,bonden paar op een afstand van veertig voet stroomaf-
„waarts van het vorige in den bodem des waters geramd,
„doch zoo, dat het tegen de richting van den stroom in
„helde. Elk tweetal bij elkander bchoorendc paren juk-
„palen werden door een twee voet dikken dwarsbalk
„verbonden, die van boven tusschen de beide palen van
„ieder paar — waarvan de afstand twee voet bedroog —
„nedergelaten werd en door twee groote pinnen aan ieder
„zijner uiteinden de paalparcn uit elkander hield. Terwijl
„aldus de paalparcn door de dwarsbalken uit elkander
, .gehouden en tegen de beweging naar beide richtingen
„verzekerd werden, verkreeg het bouwwerk op natuur-
„lijke wijze zulk eene stevigheid, dat het des te beter
„in elkander sloot, naarmate de stroom er sterker tegen
„aan kwam. De dwarsbalken werden door lengtebalken
„verbonden, en deze met staken en vlechtwerk bedekt.
„Bovendien werden aan don oenen kant stroomafwaarts
„nog schoren in scbeeve richting in don bodem geheid,
„die de jukpalen steunden en met het gansche bouwwerk
„verbonden de kracht van don stroom braken, aan de
„andore zijde boven de brug andere schoren om de brug
,,te beveiligen togen schepen en boomstammen, die de
,,barbaren misschien de rivier zouden laten afdrijven om
„de brug te vernielen."
Caesar hield zich slechts korten tijd in Germanië op, en
toen hij Gallië onderworpen had, deed hij tot tweemaal
toe een tocht naar Britannië. Slechts met weerzien droe-
gen de Kelten het juk der Romeinen. Verscheidene malen
deden zij pogingen om liet af te schudden; hot laatst onder
den moedigen, helderzienden vrijheidshcld Vercingetórix,
die wel menige overwinning op Romeinscho legorbonden
behaalde, maar eindelijk voor de krijgskunst van Caesar
moest zwichten. Om de wraak der Romeinen van zijn
krijgers af te wenden, offerde hij zich zelven op. Te
paard en in volle wapenrusting verscheen hij voor Caesar,
-ocr page 541-
537
steeg af en zette zicli zwijgend aan de voeten zijns
overwinnaars neder, die hem in gevangenschap naar Rome
zond.
Caesar.
II.
De roem, dien Caesar zich in Gallië verwierf, had Pom-
pejus in hooge mate ijverzuchtig gemaakt. Geheel over-
eenkomstig diens verlangen stelde de consul Marcellus in
den senaat voor, Caesar uit Gallië terug te roepen. Caesar,
die evenals Pompejus naar de opperheerschappij streefde,
had voor zware geldsommen eenige aanzienlijken op zijn
hand gekregen, en nu stelde een dezer voor, dat Pom-
pejus te gelijk met Caesar van zijn amhten zou worden
ontzet. Nu liet Caesar den senaat weten, dat hij terstond
bereid was als ambteloos burger naar Rome te komen, in-
dien ook Pompejus van zijn waardigheden afstand deed.
Deze was echter tot zulk een stap niet te bewegen, en nu
begaf Caesar zich met een gedeelte van zijn leger naar
Cisalpijnsch Gallië. Eindelijk gelastte de senaat toch, dat
alleen Caesar zijn stadhouderschap zou nedorleggen. Twee
tribunen, Marcus Antonius en Quintus Cassius, die hun
veto tegen dit besluit hadden uitgesproken, achtten zicli
niet langer veilig te Rome en begaven zich naar Caesar
om zich onder diens bescherming te stellen. Men ver-
haalt, dat Caesar eenigcn tijd geweifeld zou hebben om
tegen Rome op te trekken, maar dat hij, aangemoedigd
door gunstige voorteekenen, eindelijk zou hebben uitge-
roepen : »\'Wij willen gaan, waar de goden en de ontrouw
onzer vijanden ons roepen : de teerling is geworpen !" Ver-
trouwende op zijn soldaten, die hem met warme genegen-
heid aanhingen, trok Caesar, daar zijn overige troepen te
ver verwijderd waren, slechts met het dertiende legioen
en driehonderd ruiters over het riviertje den Rubico, dat
zijn provincie van Ralië scheidde. Dewijl het. een stad-
-ocr page 542-
538
houder niet geoorloofd was, eigenmachtig met troepen uit
zijn provincie in Italië te komen, begon Caesar dus den
burgeroorlog. Op zijn tocht naar Rome groeide zijn leger
spoedig tot 40,000 man aan, terwijl Pompejus, die vroe-
ger de optimaten gerust had gesteld met de woorden: »Ik
behoef slechts met den voet op den grond te stampen om
legioenen te doen verrijzen!" zich met slechts 25,000 man
te Brundusium naar Epirus inscheepte.
Zonder moeite trok Caesar Rome binnen. Hij beproefde
Marcus Antonius.
met zachtheid en zonder verder de wetten te schenden zijn
wil door te drijven, doch toen hem dit niet gelukte, ge-
bruikte hij geweld. Nadat hij zijn gezag te Rome vol-
doende gevestigd had, besloot hij de legers van Pompejus,
die in Spanje stonden en hem gevaarlijk konden worden,
wanneer hij terstond zijn tegenstander in Griekenland op-
zocht, te gaan bestrijden. Terwijl Caesar in Spanje bloe-
dige gevechten moest leveren om zich van dat land meester
te maken, rustte Pompejus zich in Thessalië en Macedonië
-ocr page 543-
539
geducht ten strijde. Weldra gebood hij over een groot leger
en een vloot. Toen Caesar zegevierend uit Spanje was
teruggekeerd, hield hij zich een korten tijd in Rome op
en stak daarna van Brundusium met 15,000 man naar
Griekenland over. Om zijn geheele leger in eens over te
brengen had hij te weinig transportschepen, en toen deze
terugvoeren, ten einde Marcus Antonius met het overige
gedeelte te halen, werden er verscheidene van genomen
door de vloot van Pompejus. Toen Antonius weder ge-
noeg schepen had om de onder zijn bevel staande legioenen
te vervoeren, durfde hij den overtocht niet wagen, dewijl
de tijd der stormen was aangebroken. Caesar, die intus-
schen in groot gevaar verkeerde en wel voorzag, dat de
vloot van Pompejus den overtocht van Antonius zou be-
letten, zoodra met de lente de stormen ophielden, werd
ongeduldig, en besloot zelfde troepen te gaan halen. Als
slaaf verkleed waagde hij in een ranke boot den overtocht
naar de Italiaansche kust. Maar hij was nog niet ver van
wal, toen de stuurman, bevreesd voor het onstuimige weer,
den steven wendde en terugkeerde. Woedend over deze
teleurstelling\' sprong Caesar op en riep: "Vrees niet, gij
hebt Caesar en zijn geluk aan boord!", doch het mocht
niet baten.
Eindelijk bracht Antonius de troepen toch gelukkig over,
en nu legerde Caesar zich tegenover Pompejus. Herhaal-
delijk hadden er hardnekkige gevechten plaats, in welke
Pompejus meestal de overhand behield. De toestand van
Caesar werd met den dag hachelijker, dewijl hij gebrek
aan levensmiddelen had, en de vloot van Pompejus ver-
hinderde, dat hem iets van de zeezijde Averd toegevoerd.
Hij trok daarom plotseling op naar Thessalië. Pompejus
ontving nu den raad met zijn troepen naar Italië over te
steken en zich van Rome meester te maken; hij achtte
het echter beter Caesar, dien hij reeds in zijn macht
waande, in \'t verderf te storten. Hij volgde daarom zijn
tegenstander en legerde zich nabij Pharsalus tegenover
-ocr page 544-
540
Caesar. Een veldslag wilde hij echter zoolang mogelijk
vermijden, dewijl zijn leger ruimschoots van alles voorzien
was, en dat van Caesar gebrek leed. De optimaten, die
in \'t leger van Pompejus waren, drongen echter op den
strijd aan en noemden langer dralen lafheid. Tegen zijn
overtuiging zag Pompejus zich nu gedwongen slag te leve-
ren, en hij leed in het jaar 48 v. C. een beslissende neder-
laag. Hij vluchtte naar Egypte, waar de tienjarige koning
Ptolemeus XII Dionysius met zijn zestienjarige halfzuster
Cleopfttra, die tevens tot zijn gemalin bestemd was, den
troon had geërfd. De voogden van den jeugdigen koning
hadden Cleopatra verdreven, toen zij de tijding ontvingen,
dat Pompejus voornemens was in Egypte een schuilplaats
te zoeken. Zij vreesden evenzeer zich dezen als Caesar tot
vijand te maken en meenden ieder gevaar te kunnen ont-
gaan, door Ponipejus te vemoorden. Dit lage voornemen
was volvoerd, toen Caesar, die zijn tegenstander terstond
achtervolgd had, in Egypte aankwam. Men zegt, dat
Caesar tranen vergoot, toen men hem het hoofd van Pom-
pejus toonde.
Caesar daagde nu Ptolemeus XII, en diens zuster Cleo-
patra voor zijn rechterstoel en bepaalde, dat het testament
van den overleden koning moest worden uitgevoerd. Cleo-
patra, die door hare buitengewone schoonheid Caesar had
weten te boeien, nam genoegen met die beslissing, doch
de raadslieden van den jeugdigen koning waren er zoo
ontevreden over, dat zij het Egyptische leger tegen Alexan-
drié aanvoerden, waar Caesar zich met een kleine afdee-
ling troepen te midden eener hem vijandig gezinde bevol-
king ophield. In welk een hachelijken toestand hij zich
ook bevond, hij had besloten zijn wil in Egypte door te
drijven. Hij gaf bevel, dat hem terstond troepen uit Azië
moesten worden toegezonden, doch eer deze waren aan-
gekomen, viel het Egyptische leger hem aan, dat alle on-
dersteuning ondervond van de inwoners van Alexandrië.
Slechts met moeite kon Caesar zich staande houden in den
-ocr page 545-
541
koninklijken burcht, telkens moest hij bloedige gevechten
leveren, en niet zelden kwam zijn leven in gevaar. Einde-
lijk daagde de verlangde hulp op. Het Egyptische leger
werd beslissend geslagen en Ptolemeus XII verdronk op
de vlucht in den Nijl. Uit liefde voor Cleopatra, maakte
Caesar Egypte niet tot een Romeinsche provincie. Hij be-
vestigde haar in het koninklijk gezag en voegde haar haar
jongsten halfbroeder Ptolemeus XIII als echtgenoot en
mederegent toe. Nog drie maanden hield Caesar zich bij
Cleopatra op. Toen toog hij naar Klein-Azië, waar Phar-
nSces, die zijn vader Mithridates was opgevolgd, het rijk
van Pontus zocht uit te breiden en den Romeinschen stad-
houder had verslagen. Caesar onderwierp door een enke-
len veldslag liet nieuwe Pontische rijk. Hij meldde dit aan
den senaat met den volgenden brief : » Veni, vidi, vief\'
(Ik kwam, zag, en overwon !).
Nu spoedde Caesar zich naar Rome, waar tijdens zijn
afwezigheid een schromelijke verwarring had geheerscht.
Zijn tegenwoordigheid herstelde de rust. "Weldra echter
moest hij naar Afrika trekken, waar de bekwaamste on-
derbevelhebbers van Pompejus de overblijfselen van diens
leger hadden heengevoerd. Gedurig ontstond er onder de
leiders dier troepen twist over do vraag, wie opperbevel-
hebber zou zijn, totdat Cato, een echt republikein, dien
het leger zeer was toegedaan, een voorbeeld van zelfopof-
fering gaf door te verklaren, dat hij het vaderland even
goed in een ondergeschikte als in de hoogste betrekking
kon dienen, en bewerkte, dat Metellus Scipio met het op-
perbevel werd bekleed. Rij Thapsus behaalde Caesar op
zijn overmachtigen vijand een schitterende overwinning.
Het meerendeel dor aanvoeders, die niet gesneuveld waren,
maakten door zelfmoord een einde aan hun leven.
Cato bevond zich tijdens den slag jte Utica. Zoodra
hij vernam, dat het leger der republikeinen bij Thapsus
vernietigd was, stelde hij allen, die het verlangden, in de
gelegenheid over zee te ontvluchten. Verder was hij den
-ocr page 546-
542
ganschen dag druk bezig met het nemen van maatregelen
voor de veiligheid der stad. Den avond bracht hij meteenige
vrienden door, die hij over allerlei wijsgeerige onderwerpen,
zooals de stelling, dat de wijze alleen vrij is, onderhield.
Toen begaf hij zich naar zijn slaapvertrek, waar hij een
geruimen tijd in een werk van Plato las, dat over de on-
sterfelijkheid handelt. Cato\'s vrienden, die wel wisten, dat
hij de republiek, aan welke Caesar een einde zou maken,
niet wilde overleven, hadden getracht alle wapenen te ver-
wijderen, doch hij had zich van een zwaard voorzien, waar-
mede hij zich in \'t holle van den nacht een vreeselijke wond
toebracht. Zoodra zijn vrienden, die zich uit bezorgdheid niet
ter ruste hadden begeven, eenig gerucht in zijn kamer hoor-
den, schoten zij toe. Zij vonden hem bewusteloos in zijn
bloed badende, namen hem op en verbonden zijn wond.
Eenigen tijd later kwam Cato weder tot zich zelven, en
toen hij bemerkte, hoe hij verpleegd was, rukte hij hot ver-
band los en gaf weldra daarop den geest.
Intusschen was Caesar nog geen meester van het rijk.
In Spanje was een geduchte opstand tegen hem uitgebro-
ken, en daar stond Gnaeus, de oudste zoon van Pompejus,
aan het hoofd van dertien legioenen. Met acht legioenen
trok Caesar tegen hem op. Hij Munda had de beslissende
veldslag plaats. Hardnekkig was de strijd. Een gedeelte
van Caesar\'s troepen begon te wijken. Onmiddellijk snelde
hij naar hen toe on bracht hen met de grootste inspanning
weder tot staan. Reeds begon de avond te vallen en nog
was niets beslist. Een afdeeling van Caesar\'s leger deed
toen een aanval op den legcrtros van Gnaeus Pompejus,
die daarop eenige troepen de slaglinie liet verlaten om haar
terug te drijven. »De vijand vlucht!" riep Caesar zijn sol-
daten toe, en weldra klonk het opgetogen door de gelede-
ren: >.De vijand vlucht!" De troepen van Pompejus, mee-
nende dat liet geroep van Caesar\'s soldaten waarheid be-
vatte, verloren den moed en keerden den vijand don rug
toe. Gnaeus Pompejus werd achterhaald en gedood.
-ocr page 547-
543
Caesar keerde naar Rome terug, waar hij van nu af al-
leen regeerde. Wel hield hij de volksvergadering en den
senaat, die hem de waardigheden van dictator en van cen-
sor had opgedragen, in stand, doch hij ontnam hun alle
macht. Zijn overwinningen vierde Caesar met oen luister-
rijken triomf of zegepraal, die vier dagen duurde. Witte
paarden trokken zijn zegewagen, die vooraf werd gegaan
door een gevangen koningszoon, een zuster van Cleopatra
en Vercingetörix, dien Caesar spoedig daarna ter dood liet
brengen. Ook werden in den optocht de schatten gedra-
gen, die Caesar had buitgemaakt, een som van bijna 150
millioen Gld. en 2822 gouden kransen, die gezamenlijk
20,000 K. G. wogen. Na den triomf gaf Caesar aan het
volk zulke luisterrijke spelen als in Rome nog nooit waren
vertoond. Om het volk te vermaken werden op de kamp-
plaats 400 leeuwen gedood, en in een verbazende water-
kom, die Caesar had laten graven, word een scheepsstrijd
geleverd. Do senaat nam het besluit, voor Caesar een bron-
zen standbeeld te doen vervaardigen met het opschrift
"Aan den halfgod," een priester voor zijn dienst aan te
stellen en bij plechtige optochten naast de beelden dor go-
den, die dan op wagens werden rondgcvoerd, ook dat van
Caesar te plaatsen. Bovendien stond de senaat hem toe,
een purperen mantel en een lauwerkrans te dragen, welken
laatsten hij zelden afzette, omdat hij zijn kalen schedel,
waarover hij zich schaamde, ermede kon bedekken.
Caesar ontwierp nu een menigte voor den staat nuttige
plannen, zooals het opdrogen van moerassen, het aanleg-
gen van groote wegen, het stichten van schoone gebou-
wen en van een kolossale bibliotheek te Rome, doch de
tijd werd hem niet gelaten ze ten uitvoer te brengen. Hoe
verdorven en zedeloos de Romeinsche bevolking in Rome
ook was, toch bevonden er zich nog een menigte edele
mannen onder, die zich uit liefde tot de republiek ver-
plicht achtten, Caesar\'s streven naar de koninklijke waar-
digheid tegen te gaan. Zij meenden dit in hun oog misda-
-ocr page 548-
544
dig streven bij menig voorval te kunnen opmerken. Toen
Caesar eens een plechtigen intocht in Rome hield, ging uit
de volksmenigte de kreet op : "Leve de koning !" Wel
beantwoordde hij dien kreet met de woorden : »Ik ben
Caesar, niet uw koning !"; maar toen de door hem be-
noemde volkstribunen eenigen dergenen, die medegeroepen
hadden, in de gevangenis lieten werpen, toonde Caesar
zich over dien maatregel zoo verstoord, dat hij die volks-
tribunen afzette en door anderen verving. Hij gelegenheid
van feesten ter eere van den god Lupërcus (een herdersgod,
meer bekend onder den naam van Pan, die wordt afgebeeld
met horens en met bokkepooten) bood Marcus Antonius,
Caesars meest vertrouwde aanhanger, hem de koningskroon
aan. De aanwezige republikeinen, dit als afgesproken werk
beschouwende, gaven terstond luide teekenen van afkeuring,
waarop Caesar het aanbod afwees met de woorden: » Breng
die kroon op het capitool aan Jupiter, den eenigen koning
der Romeinen!
Daar zij geen ander middel konden bedenken, kwamen
de republikeinen langzamerhand tot de overtuiging, dat
alleen de dood van Caesar de rcpublikeinsche instellingen
kon redden. Met dat doel stelde Cassius zich aan hethoofd
eener samenzwering van aanzienlijke mannen, die het ver-
moorden van een tiran niet voor misdadig hielden. Het
was voor hen van het hoogste belang een man in hun mid-
den te hebben, die zoo algemeen geacht werd, dat hij hen
desnoods tegen de woede van het gepeupel zou kunnen be-
schermen. Het eerst sloegen zij daartoe het oog op Cicero,
die, gelijk bekend was, Caesar haatte, doch toen men be-
dacht, dat hij besluiteloos en wankelmoedig was, vestig-
den zij de aandacht op den rechtschapen Marcus Junius
Brutus. Ten einde dezen algemeen geachten man, die de
genegenheid van Caesar bezat, voor te bereiden op het
aanzoek, dat Cassius hem doen zou, om zich bij de repu-
blikeinen aan te sluiten, gingen dezen op de volgende wijze
te werk. Op zekeren nacht bevestigden zij aan het stand.
-ocr page 549-
545
beeld van den stamvader van de familie Brutus, die voor
ruim vier en eene halve eeuw de Tarquiniussen had helpen
verdrijven, het opschrift: "Waart gij nog inleven!" Bij
een andere gelegenheid vond Brutus op den rechterstoel,
waarop hij als praetor moest zitten, een briefje met de
woorden: -\'Brutus, gij slaapt!" Den volgenden dag las hij
er de woorden: "Gij zijt geen echte Brutus!" Hierdoor tot
nadenken gebracht, sloot Brutus zich bij de saamgezwore-
nen aan.
Caesar had zich voorgenomen een krijgstocht tegen de
Parthcn te ondernemen. Hij had Marcus Antonius en
Dolabella tot consuls benoemd om tijdens zijn afwezigheid
te besturen. Voor zijn vertrek zou hij een senaatsvorga-
dering bijwonen. De daarvoor bestemde dag, delöeMaart
van het jaar 44 v. C, werd door de saamgezworenen ge-
kozen, om hun aanslag te volvoeren. Een waarzegger had
Caesar voor dien dag gewaarschuwd.
De senaat vergaderde dien dag in een zaal van den
schouwburg van Pompejus. Vóór diens standbeeld was de
gouden stoel van Caesar geplaatst. Banger dan gewoonlijk
liet Caesar zich dien dag wachten. Een der saamgezwore-
nen, Decimus Brutus, in wien Caesar vertrouwen stelde,
werd naar hem afgevaardigd om hem over te halen, de
zitting bij te wonen. Calpurnia, Cacsar\'s gemalin, had des
nachts een onheilspellenden droom gehad en trachtte haar
echtgenoot over te halen, thuis te blijven. Toch besloot
Caesar met Decimus Brutus mede te gaan. Onderweg ont-
moette hij den waarzegger, die hom voor dezen dag had
gewaarschuwd, en dreef den spot met hem. "Do dag is
nog niet voorbij," merkte de waarzegger aan. Toen Caesar
de vergaderzaal binnen zou treden, werd hem een brief
overhandigd, waarin de samenzwering werd blootgelegd.
Caesar stak het geschrift bij zich zonder het te lezen. Toen
hij plaats had genomen, naderde hem Tullius Cimber om
genade te vragen voor zijn verbannen broeder. Caesar gaf
•een weigerend antwoord. Nu naderden de andere saam-
35
-ocr page 550-
546
gezworenen, die dolken onder hunne kleederen verborgen
hadden. Cimber greep Caesar bij de toga, en onmiddellijk
daarop bracht Casca hem een dolksteek toe. Slechts licht
gewond stond Caesar op, greep Casca bij den arm en voegde
hem toe: «Dat is geweld! Vermetele Casca, wat wilt gij?"
Nauwelijks had hij die woorden gesproken, of nieuwe
dolksteken werden hem toegebracht. Men zegt, dat Caesar
toen hij Brutus ontwaarde, zou gesproken hebben: «Ook
gij, Brutus?" en dat hij daarop zijn gelaat in zijn toga
hulde. Weldra lag hij ontzield neder met drie en twintig
wonden bedekt. De senatoren, die niet tot de saamge-
zworcnen behoorden, waren van schrik gevlucht.
M a r c u s Antonius.
De moordenaars van Caesar hadden op de toejuiching
des volks gehoopt, omdat zij de republiek van een tiran
hadden verlost; doch zij zagen zich in hunne verwachting
bedrogen. Een algemeene schrik had zich van de bevol-
king van Rome meester gemaakt. Vol angst bleef ieder
in zijn woning. Niemand durfde openlijk voor of tegen
de moordenaars partij te kiezen.
Zoodra Marcus Antonius bemerkte, dat de saamgezwo-
renen in verlegenheid geraakten, omdat de volksmenigte
hen niet openlijk toejuichte, begreep hij, dat zijn kans
schoon stond om als Caesar\'s plaatsvervanger op te treden.
Hij maakte zich meester van de staatskas, alsmede van
de bezittingen en papieren van Caesar en sloot een ver-
bond met Lepidus, die voor de poorten van Rome lag met
een leger veteranen, met welke hij zich als stadhouder
naar Spanje zou begeven.
Cicero, die terstond na den moord aan de saamgezwo-
renen zijn instemming met hunne daad had betuigd, gaf
den raad, dat terstond de senaat bijeen moest komen.
Volgens de wet mocht deze echter niet vergaderen zonder
door een consul of een volkstribuun te zijn bijeengeroepen.
-ocr page 551-
-ocr page 552-
-ocr page 553-
549
Men wendde zich daarom tot den consul Marcus Antonius,
die, verzekerd, dat hij de macht in handen had, den
senaat tegen den volgenden dag bijeenriep. Hij stemde
terstond in met een voorstel om de moordenaars van
Caesar ongestraft te laten en verborg achter die gematigd-
heid zoo voortreffelijk zijn geheime plannen, dat het hem
niet moeilijk viel don senaat alle verordeningen, die van
Caesar uitgegaan, evenals de bepalingen, welke in diens
testament vervat waren, als wettig te doen erkennen.
Hierop belegde Antonius een volksvergadering om het
testament van Caesar voor te doen lozen. Daaruit bleek,
dat deze tot erfgenaam had benoemd zijn negentienjarigen
achterneef Gajus Octavius, die sedert den naam aannam van
Gajus Julius Caesar Octavianus, en dat hij sommigen zijner
moordenaars rijkelijk had bedacht. De afkeer, dien het
volk bij deze laatste mededeeling tegen de moordenaars
opvatte, vermeerderde niet weinig, toen het vernam, dat
Caesar zijn prachtigen tuin aan de overzijde van den
Tiber als openbare wandelplaats aan het volk had nage-
laten.
Het lijk van Caesar, dat aanvankelijk in den Tiber was
geworpen, werd door de zorg van Antonius op het raad-
huis ten toon gesteld. Daar hield Antonius een lijkrede,
waarin hij de deugden van den vermoorde schetste, en
toen hij aan het einde zijner redevoering Caesar\'s door-
boorden purperen mantel toonde, steeg de afkeer, die bij
het volk tegen de moordenaars was verwekt, tot haat.
Toen het lijk op den brandstapel was gelegd, klonk het
van alle zijden : «Wraak aan de moordenaars!"
Daar hun leven in gevaar was, zagen de saamgezwore-
nen zich genoodzaakt Rome te verlaten, en nu stelde
Antonius zich meer op den voorgrond. De aristocratische
partij met Cicero aan \'t hoofd, zocht hem te keer te gaan
en werd spoedig versterkt door Octavianus, die zich voor-
genomen had niet slechts de erfgenaam van Caesar\'s goe-
deren, maar ook van diens macht te zijn. Terwijl Octa-
-ocr page 554-
550
vianus meer en meer de liefde der mindere volksklasse
won door een stipte uitvoering van Caesar\'s testament,
trad Antonius, die tevens een schandelijk leven leidde,
steeds krachtiger tegen de partij der optimaten op. Dit
had ten gevolge, dat Cicero bij verschillende gelegenheden
in den senaat veertien redevoeringen tegen hem uitsprak,
die, omdat men ze met die van Demosthënes tegen Phi-
lippus van Macedonië vergelijkt, Philippica\'s worden ge-
noemd. In de tweede dier redevoeringen sprak Cicero
hem aldus toe: , ,Doch om wellicht de allerschoonste uwer
,,vele daden, Antonius! niet over te slaan, wil ik thans
„wijzen op hetgeen gij gedaan hebt bij de feesten ter eere
,,van den god Lupërcus.
„Uw ambtgenoot (Caesar) zat op het verheven speekge-
,,stoelte in een purperen toga, op een gouden zetel, met
,,den krans om het hoofd. Gij klimt tot hem op, gij nadert
„zijn zetel. Gij waart wel een priester van Pan, maar had
„moeten bedenken, dat gij ook consul waart — gij ver-
„toont een koningskroon. Het geheele forum zuchtte.
„Van waar kwam die kroon? Gij hadt ze daar niet ge-
„vonden; gij hadt ze van huis medegebracht, om met
„voorbedachten rade een misdaad to begaan. Gij zettet
„hem de kroon op: het volk weeklaagde; hij weigerde de
„kroon: het volk juichte! Gij, misdadige, zijt dus de eeni-
„ge, die zich er toe liet vinden, om, terwijl gij de konink-
lijke regeering wildet instellen en uw ambtgenoot tot
„uw heer verheffen, eens een proef te nemen van hetgeen
„het Piomeinsche volk wel zou kunnen verdragen en dul-
„den. Maar gij wildet ook het medelijden opwekken, gij
„wierpt u smeekend aan zijn voeten. Wat vroegt gij ?
,, Of gij dienstbaar mocht wezen ? Voor u zei ven mocht
„gij dat vragen, gij, die van jongs af zoo hadt geleefd,
„dat gij alles verdragen, en dus ook wel dienstbaar wezen
„kondt; maar door ons en het Romeinsche volk was u
„volstrekt niet opgedragen dat verzoek te doen. Wat
„was dat een heerlijke welsprekendheid, toen gij daar
-ocr page 555-
551
,,naakt \') een redevoering hieldt! Wat is schanderlijker,
„wat afschuwelijker, wat strafwaardiger dan dit? Ver-
,,wacht gij nog, dat wij u met prikkels zullen steken?
„Deze redevoering geeselt en verscheurt u, indien gij nog
„eenig gevoel hebt. Ik vrees den roem van groote man-
„nen 2) te verkleinen, maar tocli zal ik, door smart be-
„wogen, spreken. Wat is onwaardiger dan dat hij leeft,
,,dio de kroon opzette, terwijl allen erkennen, dat diege-
,,ne met recht gedood is, welke haar weigerde ? En gij
„hebt zelfs in de gewijde aanteekeningen bij de feesten
„ter eero van Lupgrcus doen opteekenen: «Aan Caesar,
„„den dictator voor zijn leven, heeft de consul Marcus
„„Antonius op bevel des volks de koninklijke regeering
„„aangeboden, maar Caesar heeft er geen gebruik van
„„willen maken." Nu verwonder ik mij niet meer, dat
„gij de rust verstoort, dat gij niet alleen de stad, maar
„ook het licht haat, dat gij met de meest bedorven roo-
„vers niet alleen den dag, maar ook den nacht doorbrengt.
„Waar toch zult gij in vrede vertoeven? Is daartoe Tar-
„quinius verdreven, zijn Cassius, Maelius, Manlius daar-
,,toe gedood, opdat vele eeuwen later door Marcus Anto-
„nius, geheel in strijd metde wet, te Rome het koningschap
,,zou worden ingesteld?"
Weldra zag Antonius, dat hij den tegenstand van den
senaat alleen door geweld van wapenen kon breken. Hij
verliet daarom Rome en stelde zicli aan liet hoofd eener
legerafdeeling. Octavianus werd hierop door den senaat
tot opperbevelhebber togen Antonius bonoemd, en weldra
dwong hij dezen naar Gallië de wijk te nemen. Nu meen-
de Octavianus tegen den senaat te kunnen optreden. Hij
deelde aan zijn getrouwe krijgslieden zijn voornemen me-
de, naar het ambt van consul te dingen. Vierhonderd
hunner begaven zich daarop naar den senaat met den
1)  Aldus verrichtten de priesters van Lupercus hun dienst.
2)  Cicero bedoelt de moordenaars van Caesar.
-ocr page 556-
552
eiscli, dat Octavianus mot die waardigheid zou worden be
kleed, en toen hun geantwoord werd, dat hij den bij de
wet vereischten leeftijd om consul te zijn nog niet had be-
reikt, riep een centurio, op zijn zwaard slaande uit: »Dan
zal dit hom consul maken !" Werkelijk werd Octavianus
tot consul benoemd, en nu stelde hij een vervolging tegen
de moordenaars van Caesar in, waarna hij optrok tegen
Antonius, maar niet met het doel om hem te bestrijden.
Te Bononia (Bologna) in Bovcn-Italié\' had hij een samen-
komst met Antonius en Lepidus. Daar kwamen de drie
mannen met elkander overeen, de rcgeering voor den tijd
van vijfjaren gezamenlijk in handen te nemen, maar om
dit te kunnen doen moeslen zij zich ontslaan van hunne
persoonlijke vijanden en van de aanhangers der republiek.
Evenals eens Sulla maakten ook zij lijsten van personen,
die vogelvrij werden verklaard, en Rome was opnieuw het
tooneel van de afschuwelijkste moorden. Cicero\'vicl, on-
danks de pogingen van Octavianus om hem te redden, als
een slachtoffer van Antonius\' wraak. Toen de driemannen
hunne vijanden in Rome hadden omgebracht, begaven zij
zich met hunne troepen naar Macedonië, waar Brutus
en Casius zich aan het hoofd van een leger bevonden. Bij
Philippi kwam het tot een strijd. Antonius drong Casius,
die tegen hem over stond, tot wijken, terwijl Brutus de
troepen van Octavianus terugdreef. Brutus zond daarop
een ruiterbende ter ondersteuning van Cassius, doch de-
ze zag haar voor naderende vijanden aan, en daar hij niet
levend in hunne handen wilde vallen, liet hij zich door
een vrijgelaten slaaf den doodsteek geven. Drie weken la-
ter werd de strijd hervat, en nu onderging Brutus een
beslissende nederlaag. Vol wrevel stortte hij zich in zijn
zwaard, met de wanhopige woorden : »De deugd, waar-
aan ik mijn leven heb gewijd, is niets dan een hersen-
schim."
Na den slag bij Philippi werd Lepidus door zijn ambt-
genooten ter zijde gezet, die nu het rijk verdeelden. Octa-
-ocr page 557-
553
vianus nam het bestuur over het Westen, Antonius dat
over het Oosten.
Antonius trok onder zulke woeste uitspanningen door
zijn gebied, dat hij als Bacchus werd begroet. Te Tarsus
in Cilicië daagde hij Cleopatra voor zijn rechterstoel, om-
dat zij Brutus en Cassius had ondersteund. In een ver-
gulden gondel met purperen zeilen en liggende op witte
kussens, onder een met gouddraad gestikt tentdak, voer
M. J. Brutus.
zij de rivier, waaraan de stad gelegen is, op. Het volk
juichte, dat Venus aankwam om Bacchus te begroeten.
Cleopatra maakte een machtigen indruk op Antonius, zoo-
dat zij in plaats van als een misdadige haar vonnis van
hem te vernemen, weldra als meesteres over hem kon ge-
bieden. Hij volgde haar naar Alexandrië, waar hij alles
vergat om zich met Cleopatra aan een voortdurend feest-
genot te kunnen overgeven.
Ondertusschen trachtte Octavianus zijn gezag te Rome
-ocr page 558-
554
voor goed te vestigen, en toen hij hierin na veel moeite
door het herstellen der orde en door gematigdheid was
geslaagd, begreep hij zich van zijn mededinger te kunnen
ontslaan. Hij bracht in den senaat zware beschuldigingen
tegen Antonius in, en deze rustte zich daarop ten strijde
toe. Ontzenuwd door zijn uitspattingen, ging de steeds
feestvierende Antonius, dien Cleopatra overal vergezelde,
zoo talmend te werk, dat hij Octavianus den tijd liet een
leger en een vloot bijeen te brengen. Bij kaap Actium
kwam het tot een zeestrijd. Octavianus had het opperbe-
vel toevertrouwd aan den bekwamen Agrippa. Antonius
bestuurde zelf den strijd. Reeds lang was er gevochten,
zonder dat een der partijen een beslissend voordeel had
behaald, toen Cleopatra plotseling met zestig Egyptische
schepen de slaglinie verliet en naar Alexandrië stevende.
Zoodra Antonius dit zag, volgde hij met zijn schip de
schoone Cleopatra, en liet hij zijn vloot in den steek.
Nog eenigen tijd hielden zijn schepelingen den strijd vol,
doch toen zij zagen, dat hun aanvoerder hen verlaten
had, legden zij de wapenen neder en sloten zij zich bij
Octavianus aan. Terwijl deze zich naar Klein-Azië moest
wenden om er de rust te herstellen, hervatten Antonius
en Cleopatra hun losbandig leven. Eindelijk trok Octa-
vianus op Egypte aan. Antonius wilde nog een poging
wagen om den overwinnaar tegen te houden, doch het
meerendeel zijner troepen wilde niet vechten, en terne-
dergeslagen keerde hij naar Alexandrië terug. Zoodra hij
hier aankwam, vernam hij, dat Cleopatra zich het leven
had benomen. Deze tijding maakte hem zoo wanhopend,
dat hij zich een doodelijkc wonde toebracht, maar nog
had hij den laatsten adem niet uitgeblazen, toen hij het
stellige bericht kreeg, dat zij nog leefde, waarop hij zich
naar haar paleis liet vervoeren om in haar armen te ster-
ven.
Toen Octavianus Alexandrië naderde, liet Cleopatra
hem weten, dat zij zich met al haar schatten zou laten
-ocr page 559-
555
verbranden, indien men haar geweld wilde aandoen. Oc-
tavianus, die zich in het bezit van haar rijkdommen wilde
stellen en zijn triomf te Rome met hare tegenwoordigheid
opluisteren, wist Cleopatra door zijn gezanten zoo te mis-
leiden, dat zij ge vangenomen kon worden. Daar zij als
koningin werd behandeld, beproefde zij Octavianus aan
haar persoon te boeien, gelijk zij Caesar en Antonius had
gedaan. Haar pogingen mislukten, en den smaad niet
willende beleven van door het Romeinsche volk bespot te
■worden, bracht zij zich, daar alle andere middelen haar
op last van Octavianus ontnomen waren, door vergift om
het leven. Volgens sommigen had zij zich door eene
giftige slang laten bijten, volgens anderen had zij zich
in den arm geprikt met een haarnaald, die vergift be-
vatte.
Thans was Octavianus alleenheerschcr over het Ro-
meinsche rijk. Om echter het lot van Caesar te ontgaan,
stichtte hij een keizerrijk op de grondslagen dor afgeleef-
de republiek. Hij hield den senaat, de consuls, de volks-
vergaderingen en een menigte oude ambten en vormen
in stand, daarentegen liet hij zich benoemen tot impera-
tor, waardoor hij opperbevelhebber was van het leger,
tot censor (zedenmeester), waardoor hij het recht had on-
waardige leden uit den senaat te verwijderen, tot eerste
van den senaat, waardoor hij in die vergadering het eerst
zijn stem uitbracht, en verder tot consul en tot volkstri-
buun, met het recht zijn ambtgenooten te kiezen. Later
werd hij ook nog hoogepriester. Al nam hij geen titel van
vorst aan, al noemde hij zich slechts Caesar of imperator,
woorden, waaruit later de titels keizer en empcrcur zijn
ontstaan, niettemin was hij door de menigte ambten, die
in zijn persoon vereenigd waren, in waarheid onbeperkt
gebieder. Hij ontving den eerenaam Augustus (Vermeer-
der), en met dien naam wordt hij als de eerste keizer van
Rome genoemd.
-ocr page 560-
556
Het leven der Romeinen tijdens
het keizerrijk.
Terwijl de Romeinen vroeger eenvoudig leefden, omdat
het welzijn van den staat bij de burgers op den voorgrond
stond, was sedert de Punische oorlogen de zucht naar
weelde en zingenot hand over hand toegenomen. De Ro-
meinsche ambtenaren achtten zich gerechtigd in de pro-
vinciën door afpersingen schatten te verzamelen, om na
liet verstrijken van hun ambtstijd te Rome op een groo-
ten voet te gaan leven. Daardoor werd Rome tevens een
stad van prachtige woningen. Ten tijde van Augustus
waren or ongeveer 47,000 huurhuizen en 1800 heeren-
liuizen. Zelfs de huurhuizen waren veelal van meer dan
een verdieping, doch evenals de heerenhuizen gewoonlijk
zonder vensters aan de straat. Was een bovenwoning af-
zonderlijk verhuurd, dan kon men haar door een trap
onmiddellijk van de straat bereiken. De heerenhuizen wa-
ren in den regel van gehouwen steen. Aan den ingang,
die met prachtige deurposten versierd, en waarboven
moestal het woord salvc (gegroet) in mozaiek aangebracht
was, vond men een klopper of een schel. Ging men de
deur binnen, dan was men in een vestibule, waarin zich
de portier ophield, die niet zelden met een ketting aan
den muur was bevestigd, om buiten de mogelijkheid te
zijn, zijn post te verlaten. Niet zelden had de portier vei-
ligheidshalve een hond bij zich, en zag men, al was er
geen hond om kwaadwilligen af te schrikken, aan den
ingang de woorden geschilderd of ingelegd: cave canem !
(..Pas op den hond !"). Uit de vestibule kwam men in
het atrium of de voorzaal, die veel prachtiger was inge-
richt dan vroeger en thans tot het houden van feesten
diende. Evenals de zaal zelve was de opening boven den
regenbak veel groot er dan voorheen, zoodat deze niet
zelden omgeven was door schoone marmeren pilaren, die
-ocr page 561-
557
de zoldering hielpen dragen. Achter het atrium vond
men den binnenhof (cavaedium) door zuilengangen om-
geven, die, gewoonlijk aan de Westzijde, zoodat de mor-
genzon ze kon beschijnen, toegang verleenden tot de
meeste vertrekken voor het huiselijk gebruik, zooals slaap-
en eetkamers, terwijl zich aan de overzijde de voorraad-
kamers bevonden, die evenals de woonvertrekken licht
konden verkrijgen van den binnenhof. Midden in den
binnenhof bevond zich een waterbekken van grootere af-
metingen dan dat in het atrium, en omgeven door bloem-
perken. Daar de Romeinen zich meestal buitenshuis,
vooral op het forum ophielden, waren de vertrokken voor
het huiselijk gebruik gemiddeld slechts 5. M. diep en 3
M. breed. De feestzalen daarentegen, waar men gasten
ontving, waren zeer ruim. Het heerenhuis bevatte steeds
een badkamer, een schilderijenkabinet (pinacotheek) en
een bibliotheek. De boeken waren geschreven op groote
vellen, die van den fijnen bast der Egyptische papyrusplant
vervaardigd waren. De verschillende vellen, die een boek
vormden, werden aan een ronden stok bevestigd en daar-
omheen gerold. Gewichtige stukken werden op het veel
duurdere perkament geschreven, dat van de huid van
schapen, kalveren, geiten, ezels of zwijnen werd vervaar-
digd, door haar in plaats van ze te looien oenigen tijd in
kalkwater te leggen en daarna glad te schuren. Tot schrijf-
pennen gebruikte men riet en tot inkt een mengsel van
roet en gom of het sap van de sepia (inktvisch). De boek-
verkoopers vermenigvuldigden een boek door het te laten
afschrijven door een menigte kundige slaven, aan wie
het te gelijk werd gedicteerd. De meeste boeken wemel-
den van fouten. Als aanteekeningsboekjc gebruikten de
Romeinen wastafeltjes: dunne plankjes met opstaandon
rand, die bestreken waren met een laagje was, zoo toe-
bereid, dat het bij de sterkste zomerhitte niet smolt. In
het was krabde men de letters met een stift (stilus),
waarvan het andere einde spatolvormig uitliep om daar-
-ocr page 562-
558
mede het was weder glad te strijken. Voor brieven ge-
bruikte men een paar van zulke wastafeltjes, die met de
opstaande randen tegen elkander gelegd, en dan met een
draad omwonden werden. Waar de draad aan elkander
was geknoopt, werd er een zegel van was aan bevestigd.
Dewijl er geen brievenposterij bestond, verzond men een
brief gewoonlijk met een slaaf.
Het huiselijk leven der Romeinen verschilde veel van
dat der Grieken, daar de Romeinsche vrouw, ofschoon zij
volgens de wet geen hoogcren rang dan dien van oudste
dochter in het huis van haar echtgenoot bekleedde, door
zeden en gewoonten in den waren zin des woords vrouw
des huizes was, en met de mannen op meer gelijke hoogte
van verstandelijke ontwikkeling stond. Reeds zeer vroeg
hadden de Romeinen bepalingen gemaakt, waarbij was
voorgeschreven, dat de kinderen onderricht moesten ont-
vangen in het lezen, schrijven en rekenen, en de wetten
der twaalf tafelen moesten leeren. De meisjes kregen het-
zelfde onderricht als hare broeders. Behoorden zij niet tot
den rijken stand, dan bezochten zij met hare broeders de-
zelfde scholen. De aanzienlijken lieten hunne zoons en
dochters door geletterde slaven onderwijzen en namen
dikwijls zelven een werkzaam aandeel in de opvoeding
hunner kinderen. Reeds op den leeftijd van twaalf of
veertien jaar kon een meisje in den echt treden. Ge-
woonlijk had het huwelijk na een verloving plaats. Was
de huwelijksdag aangebroken, dan werd de bruid door
een schare bloedverwanten en vrienden naar de woning
van haar bruidegom geleid. Daar aangekomen bestreek
zij de deurposten met varkensvet, want dit werd be-
schouwd als een voorbehoedmiddel tegen tooverij. Dewijl
de Romeinen geloofden, dat er kwade voorteekenen be-
stonden, en dathet een voorbode van onheil was,wanneer
men bij liet binnengaan den voet tegen den drempel stiet,
werd de bruid in het huis getild. Zoodra dit geschied was,
kwam de bruidegom haar vragen : «Wiezijtgij ?"on daarop
-ocr page 563-
559
luidde haar antwoord : »Waar gij meester zijt, ben ik
meesteres!" De liuwelijksplcchtigheden, die hierna plaats
hadden, werden met een bruiloftsmaal besloten. Den vol-
genden morgen aanvaardde de vrouw het bestuur der
huishouding, met een offer op het altaar der huisgoden.
Den tijd, dien zij niet aan de huiselijke bezigheden be-
hoefde te wijden, bracht zij te midden harer slavinnen
met spinnen en weven door. Toen echter de weelde de
overhand kreeg, bemoeiden vele vrouwen van aanzienlijken
zich weinig meer met de huishouding, om al haar tijd te
kunnen besteden aan den opschik, het afleggen van be-
zoeken, het geven en bijwonen van feesten en het deel-
nemen aan staatkundige kuiperijen.
Op zijn landgoed had de aanzienlijke Romein woningen
voor den bouwknecht en de slaven met hunne opzieners,
alsmede voorraadschuren, veestallen, kelders om olie te
persen, wijnkelders en de slavengcvangenis, die gedeelte-
lijk onder den grond was gelegen en slechts door hocg
aangebrachte, zeer nauwe vensters licht ontving. Al die
gebouwen stonden om een plein, waarin zich de bakken
bevonden, waarin het drinkwater werd bewaard. Een
goed eind verwijderd van deze boerderij verhief zich het
buitenverblijf van den heer. Het was een trotsch gebouw,
rijk voorzien van alles, wat het leven aangenaam kon ma-
ken. Men vond er een belvedère, zalen voor het balspel
en voor andere lichaamsoefeningen en een koele gaanderij,
waar men de hitte van de zomerzon kon ontvluchten.
Rondom de woning vond men tuinen, boschjes, boom- en
diergaarden, wijnbergen en vijvers, met de kostbaarste ri-
vier- en zelfs zeevisschen, want sommige vijvers werden
door middel van ontzettend lange buizen met de zee in ge-
meenschap gebracht om ze steeds van versch zeewater
voorzien te houden.
Evenals in de kleeding kwam er in het huisraad meer
en meer weelde. Tot de voornaamste meubelen behoorden
tafels. Zij waren laag, en oudtijds rechthoekig op vier
-ocr page 564-
560
pooten ; thans kwamen ook ronde op één poot in gebruik.
Voor tafels werden zeer groote sommen besteed, vooral
als het blad uit een enkel stuk kostbaar hout bestond. Niet
zelden waren de pooten van zilver. In de eetzalen vond
men pronktafels, die met de prachtigste vazen en schenk-
kannen prijkten. Om de sierlijke tafels niet te bederven
werden de spijzen in een tafelbak binnengebracht en daar-
mede op tafel gezet. Gedurende den keizerstijd kwamen
de tafellakens in gebruik. Servetten waren aan tafel on-
misbaar, daar men vork, noch mes gebruikte en dus
alleen met de vingers at, die daarom telkens gewasschen
en aan het servet afgedroogd moesten worden. Het was
gewoonte, dat iedere gast zijn eigen servet medebracht.
Ongehoorde sommen besteedden de aanzienlijken om met
hunne gasten heerlijk te smullen. Voor een slaaf, die als
een uitstekende kok bekend stond, werd soms 12,000
Gld. betaald. Het was een ellendige maaltijd, wanneer
b. v. gevogelte in zijn geheel op tafel werd gebracht en
men niet uitsluitend de fijnste stukjes voordiende. Boven-
dien liet men uit het buitenland tegen ongehoorde prijzen
lekkernijen komen. Hoe zeldzamer en kostbaarder een
vreemde spijs of wijn was, des te meer werd er prijs op
gesteld. De feestzaal schitterde door purperen dekens, door
tapijten, waarop met gouddraad de schoonste figuren ge-
stikt waren, door zilveren vaatwerk en door dienende
slaven, die op het prachtigst waren uitgedost. Aan tafel
lag men op rustbedden, ieder voor drie personen en naar
do tafel toe een weinig oploopende. Ook bediende men
zich van sofa\'s, als men las of schreef; overigens zat men
wel op houten of bronzen tabouretten. De vertrekken
werden des avonds verlicht door aarden of bronzen olie-
lampen, die aan den zolder hingen, en ook wel door was-
kaarsen in candelabers, die een of twee meters lang waren
en op den grond stonden. Wandspiegels bezaten de Ro-
meinen niet. Zij gebruikten kleine handspiegels, die vroe-
ger van glad koper, later van gepolijst zilver waren.
-ocr page 565-
561
De Romeinen reisden zelden buiten noodzakelijkheid, om-
dat de wegen, met uitzondering van de heirbanen (wegen
voor legers), slecht, de rijtuigen zeer ongemakkelijk, en de
herbergen voor aanzienlijke personen te weinig comfortabel
waren. De rijken hadden gewoonlijk in plaatsen, waar zij
zich meermalen ophielden, goede kennissen, bij wie zij
hun intrek konden nemen. In de inrichtingen voor warme
baden, die te Rome door de aanzienlijken druk bezocht
worden, omdat zij er alle genietingen des levens konden
smaken, trof een voornaam vreemdeling gemakkelijk een
gastheer aan.
Van begrafenissen werd bij de Romeinen veel werk ge-
maakt wegens het heerschendo geloof, dat de schim of
geest van iemand, wiens lijk onbegraven was gebleven,
aan de oevers van de Styx moest ronddwalen en niet tot
rust kon komen. Zoodra iemand overleden was, werd zijn
lijk gewasschen en een begrafenis voor hem besteld bij de
Libilinarii, de dienaren van Libitïna (de godin van den
dood), in wier tempel alles bijeen was, wat bij een ter-
aardebestelling te pas kwam. De Libitinarii trokken het
lijk een met zijn stand overeenkomend gewaad aan en
legden het op een praalbed. Het vuur op den haard van
het sterfhuis werd uitgedoofd om eerst na de lijkplechtig-
heid weder ontstoken te worden. Naast het lijk werd een
wierookvat geplaatst en voor de woning een cyprosscboom
geplant. Nadat het lijk cenige dagen te pronk had gele-
gen, werd de lijkstatie gehouden. Vooraf gingen trom-
petters en klaagvrouwen, die, begeleid door do fluit,
klaagliederen zongen. Daarop volgden mimen of gemas-
kerden, waarvan er één, die den overledene voorstelde,
ernstige gedichten voordroeg, somtijds door grappen af-
gewisseld. Vóór het lijk werden de door den overledene
veroverde wapenen en verworven eerekranson gedragen,
erachter volgden de bloedverwanten, vrienden en vrijge-
latenen. Op het Forum hield de stoet stil voor liet spreek-
gestoelte, dat door een der naaste bloedverwanten werd
36
-ocr page 566-
562
beklommen om er een lijkrede uit te spreken. Was dit
geschied, dan begaf men zich naar de plaats buiten de
stad, waar het lijk in een graf gelogd of verbrand zou
worden.
In de vroegste tijden werden de lijken der Romeinen
alleen begraven, en sommige aanzienlijke geslachten hiel-
den dit overoude gebruik in eere. Bij verbranding werd
bet lijk op een brandstapel, meestal van cypressenhout,
gelegd, en nadat men er kransen en reukwerk over ge-
strooid had, stak een der bloedverwanten met afgewend
gelaat den brandstapel aan. Somtijds hadden gedurende de
verbranding gladiatorenspelen plaats. Was de stapel uit-
gebrand, dan verzamelde men de on verbrand gebleven
beenderen, en deed die mot reukwerk in eene urn. De
aanzienlijken hadden op hunne landgoederen of langs de
heirbanen dikwijls schoone praalgraven, waaronder de lij-
ken of de met lijkasch gevulde urnen werden bijgezet.
Ook waren er grafgebouwen met een groot aantal boven
elkander geplaatste nissen, waar zij, die geen familiegraf
bezaten, een plaats vooreen urn konden koopen. De lijken
der arme burgers werden in doodkisten op een algemeene
begraafplaats bijgezet.
De Romeinen waren zeer verzot op openbare spelen.
Reeds in de eerste tijden der republiek had de senaat het
daarom nuttig geoordeeld eenig geld uit de staatskas af te
zonderen, om het volk gedurende het vierdaagsche feest
in September genoegen te verschaften. Drie dagen waren
aan tooneelvoorstollingen en de vierde aan wedrennen ge-
wijd. Langzamerhand nam het aantal feestdagen, waarop
openbare spelen gegeven werden, toe, vooral toen de rijk
geworden optimaten, om de gunst des volks te winnen,
voor eigen rekening openbare spelen begonnen te geven,
die somtijds tonnen gouds kostten. Tegen het einde der
republiek bedroeg het aantal feestdagen reeds zes en zes-
tig per jaar en gedurende den keizerstijd werd dit aantal
nog aanzienlijk vermeerderd. In een goed tooneel had
-ocr page 567-
5G3
het volk weinig smaak meer, liet gevoelde zich alleen nog
aangetrokken, wanneer er mimen, laffe kluchten zonder
zin of samenhang, werden opgevoerd. Platte uitdrukkin-
gen werden toegejuicht, ruwe en ongemanierde gebaren
wekten den lachlust op, en men vermaakte zich het meest,
wanneer de tooneelisten, zoo mannen als vrouwen, elkan-
der klappen uitdeelden. Het hoogste belang stelde het
volk in wedrennen en in gladiatoren. Reeds Tarquinius
Priscus had een renbaan laten bouwen, den circus maxi-
mus,
die later herhaaldelijk werd verfraaid en verbeterd.
Toen Caesar hem had laten vergrooten, was hij 1000
schreden lang en bijna 300 schreden breed en kon hij on-
geveer 200,000 toeschouwers bevatten. De zitplaatsen,
die behalve aan een dor kortste zijden, waar zich de
stallen bevonden, rondom de renbaan trapsgewijze waren
aangebracht, vormden drie rangen. De zitplaatsen van
den eersten waren van steen, onmiddellijk langs de ren-
baan oploopend, en omsloten door een ringmuur, die ruim
een manslengte boven het hoogste gedeelte van den eer-
sten gang uitstak, omdat in dien muur de openingen waren
van de gangen, die in den buitenmuur uitkwamen en
toegang tot dien rang verleenden. De tweede rang was
op dezelfde wijze door een ringmuur met poortjes van den
derden gescheiden, om welken heen de buitenmuur liep,
die zich door de toegangen voordeed als uit drie boven el-
kander geplaatste bogenrijen te bestaan. De zitplaatsen
van den derden rang, die voor het mindere volk dienden,
waren van hout.
Over haar grootste lengte liep midden door de renbaan
een verhevenheid, spina, van ruim 1 M. hoog, doch zoo,
dat er tusschen de uiteinden dier spina en de zitplaatsen
ruimte genoeg overbleef om de wagens door te laten. Aan
ieder uiteinde der spina stond een stevige eindpaal [meta).
De wedren had telkens tusschen vier wagens plaats, daar-
om waren de menners in vier groepen verdeeld : de witte,
de groene, do blauwe en de roode. De tunica\'s der men-
-ocr page 568-
564
ners en de tuigen der paarden hadden de kleur der groep.
Bij iedercn ren reed er van iedere kleur één wagen. De
vier wagens kwamen te gelijk uit vier poorten, links van
de spina, zwenkten om den eindpaal aan de tegenoverge-
stelde zijde en keerden rechts van de spina terug. Zeven
achtereenvolgende keeren moesten zij dien weg afleggen,
hetgeen met elkander een afstand vormde van twee
uren gaans, en wie dan het eerst over de krijtstreep
was, die dicht bij de poorten was getrokken, had de
overwinning behaald. De wagens waren tweewielig, van
achteren open, en met twee of vier paarden bespannen.
De menners hadden een helm op het hoofd, die zoodanig
gemaakt wTas, dat hij, bij een val, voorhoofd en wangen
tegen kneuzingen kon beschermen.
De voorzitter van den wedren, die zijn plaats had op
een balkon boven de poorten, gaf het teeken tot den aan-
vang door een witten doek in de renbaan te werpen. Dan
vlogen de deuren open en stormden de wagens met pijl-
snelle vaart de renbaan in. De menners zetten, ver voor-
over gebogen, met de zweep en met geroep do paarden
aan. Niet zelden stortte een menner op de grond, en ge-
raakte hij onder de paarden van een wagen, dien hij voor-
uit was gekomen. Het gevaarlijkste was het zwenken bij
de eindpalen. Nam de menner den draai een weinig te
te kort, dan werd zijn wagen verbrijzeld tegen den paal,
een volgend span stortte erover heen en paarden en men-
schen lagen bloedend tusschen de splinters der wagons.
Meteen hartstochtelijke, aan razernij grenzende belangstel-
ling volgden de tienduizenden toeschouwers den wedstrijd.
Zij zwaaiden met doeken, klapten in de handen, schreeuw-
den, sprongen van hunne zitplaatsen op, moedigden aan,
verwenschten, dreigden, twistten, juichten al naarmate
do wagen hunner partij in \'t voor- of in \'t nadeel was.
Zoodra de strijd beslist was, stegen de oorvcrdoovende
jubelkreten van de overwinnaars op, zonder dat iemand
acht gaf op de doodskreten van de stervende wagenmenners.
-ocr page 569-
565
Nog aantrekkelijker dan de wedrennen waren voor de
Romeinen de gladiatorenspclen. Aanvankelijk werden zij
in den circus of op het forum gegeven. Sedert Caesar
werd er een amphitheater voor gebouwd, dat van den
circus alleen daarin verschilde, dat de zitplaatsen voor de
toehoorders het gansche strijdperk omgaven, dewijl er
geene stallen bij noodig waren, en dat de eerste rang der
zitplaatsen zoo hoog boven het strijdperk uitstak, dat de
toeschouwers er volkomen veilig waren voor de wilde die-
ren, die bestreden moesten worden. De gladiatoren waren
niet langer uitsluitend slaven, men vond er ook vrije man-
nen onder, die zich, door gebrek gedwongen of uit lagen
strijdlust, aan het verachtelijk bedrijf overgaven om elk-
ander ten genoegen van anderen op kunstige wijze om het
leven te brengen.
Op den avond voor den strijd werd den gladiatoren, die
er deel aan zouden nemen, een feestelijke maaltijd aange-
boden. Reeds dan kwamen vele Romeinen de strijders be-
zien, en gingen zij weddenschappen aan op het leven van
dezen of genen gladiator. De voorstelling begon met een
schitterenden optocht der strijders in feestgewaad door
het strijdperk. Vervolgens had er een spiegelgevecht
plaats, en eindelijk begon de strijd op leven en dood. Om
den toeschouwers een aangename afwisseling te bezor-
gen waren de zwaard vechters in verschillende soorten
verdeeld. Er ware rcliarii, gewapend met een net, een
drietand en een dolk. Dan eens bestreden zij de met helm,
schild en zwaard gewapende seeidores, dan weder de
zwaar gewapende mirmillones. De retiarius zocht zijn
net over zijn tegenstander te werpen, zoodat deze zijn wa-
pen niet vrij kon gebruiken, en hem dan met zijn drie-
tand of dolk te dooden. Verder waren er Samnieten, die
een zeer groot schild voerden en hun klein, recht zwaard
kruisten met den krommen sabel der Thracièrs, die
slechts een klein, rond schild hadden. De hoplSmdchi
hadden volledige metalen wapenrustingen, tusschen wel-
-ocr page 570-
560
ker voegen zij elkander met hunne lansen zochten te tref-
fen. De andabatae hadden helmen, die hunne oogen zoo-
ver bedekten, dat zij in den blinde op elkander moesten
toeslaan, en de essedarii streden op strijdwagens, die be-
stuurd werden door menners, welke naast den gladiator
stonden. Had een kampioen zijn tegenpartij zoodanig ge-
wond, dat deze den strijd moest opgeven, clan liet hij, die
het feest gaf, de toeschouwers beslissen of do overwonne-
53
Gladiatorcn-strij d.
ne al of niet gedood moest worden. Smeekte de gewonde
om het leven, dan deed hij dit door den wijsvinger op te
steken. Staken de toeschouwers den arm uit met den duim
naar beneden gekeerd, dan moest de overwinnaar den
smeekeling den doodsteek geven. Deze werd echter ge-
spaard, wanneer de toeschouwers met doeken wuifden.
Sommige strijders weigerden de tusschenkomst des volks
-ocr page 571-
567
en gaven door gebaren te kennen, dat zij den genadeslag
verlangden. Hierdoor verwierven zij groote toejuichingen,
terwijl lafhartigen de menigte tegen zich verbitterden,
daar do toeschouwers hot als een beleediging beschouw-
den, wanneer een zwaardvechter niet volgaarne voor hun
genoegen stierf. Afgematte en bevreesde strijders werden
met geeselslagcn en gloeiende ijzers opnieuw tot het ge-
vecht aangedreven, en de onmenschclijke toeschouwers
herhaalden in hunne opgewondenheid telkens de kreten :
„Sla dood ; geesel; brand ! Waarom valt hij zoo bevreesd
,,in het zwaard ? Waarom brengt deze zoo flauw den
„laatstcn slag toe? Waarom sterft die zoo lafhartig ?"
Na het eindigen van een strijd werden do lijken op ge-
reedstaande baren weggedragen en de bloedvlekken in het
strijdperk onzichtbaar gemaakt door er zand op te
strooien. Somtijds had er in het amphitheater een veld-
slag of een zeegevecht {naumachia) plaats, waarbij het
dikwijls zeer moorddadig toeging. Om een zeegevecht te
kunnen voorstellen, liet men liet strijdperk door onder-
aardsche buizen vol water loopen.
Niet minder vreeselijk waren de dierengevechten. Voor
verbazende geldsommen liet men olifanten, rhinoccrossen,
leeuwen en andere wilde dieren bij honderden uit Afrika
komen. Niet al die dieren waren voor het gevecht be-
stemd. Sommigen hunner werden gedresseerd. Men ver-
toonde aan het volk verscheurende dieren, die knapen op
hun rug lieten dansen, of die in een door paarden snel
voortgetrokken wagen zaten met de teugels in den bek ;
leeuwen, die in het strijdperk hazen tusschen hunne tan-
den opnamen en de verschrikte dieren weder lieten loopen
zonder hun leed te doen; panters, die geduldig een wa-
gentje voorttrokken; olifanten, die op den grond en op
het koord dansten, een tafel dekten, Latijn schreven of
met hun vieren een vijfden in een draagstoel droegen.
Plinius, een Latijnsch schrijver uit het begin van den kei-
zerstijd, verhaalt, dat een olifant, die niet vlug was in\'t lee-
-ocr page 572-
568
ren en daarom dikwijls straf onderging, des nachts bespied
werd, terwijl hij bezig was zich in het geleerde te oefenen.
Bij de gevechten streden olifanten tegen rhinocerossen,
beeren tegen buffels, enz., somtijds met een lang touw aan
elkander verbonden. Om die dieren strijdlustig en woe-
dend te maken, werden zij met zweepen geslagen of met
lansen en gloeiende ijzers gewond. Sedert Caesar werden
te Rome, in navolging van de Thessaliërs, stierengevech-
ten gehouden.
De wilde dieren werden niet alleen bevochten door
daartoe afgerichte zwaardvechters ; zeer vaak werden mis-
dadigers veroordeeld hen te bestrijden. Zij werden daartoe
van een gebroken zwaard of een ander onvoldoend wapen
voorzien : maar niet zelden ook werd de misdadiger aan
een paal gebonden om door het dier verscheurd te worden.
Somtijds werden misdadigers gebezigd om tooneelvertoo-
ningen te geven, waarbij liet sterven echter werkelijk
plaats had. Zoo moest een misdadiger den roover Laure-
olus voorstellen, die aan een kruis hangend door de wilde
dieren werd verscheurd; een ander trad op als Mucius
Scaevola, en liet zijn hand werkelijk boven eenkolenvuur
verbranden; een derde stelde Hercules voor, die zich op
den berg Oeta liet verbranden. Om de dierengevechten
aantrekkelijker te maken werd het strijdperk somtijds
door rotsblokken en boomen in een heuvelachtig landschap
herschapen, waar het wilde dier als in de natuur zijn
vijand besprong of door dezen opgespoord en geveld werd.
Augustus.
Niet alleen in Italië, ook in de provinciën werd
Augustus alleenheerscher. Wel liet hij aan den senaat
het recht, in de provinciën, waar het rustig was en dus
slechts weinig krijgsvolk op de been werd gehouden, de
stadhouders (proconsuls) te benoemen, doch daar hij in
de vergadering het eerst zijn stem uitbracht, en niemand
-ocr page 573-
569
zich tegen hem durfde te verzetten, werd steeds de door
hem genoemde persoon gekozen, In de provinciën, waar
nog te strijden viel, benoemde Augustus zelf de stadhou-
ders, die den titel voerden van propaetor oflegaat. Augus-
tus maakte echter een einde aan de afpersingen, die de
bewoners der provinciën vroeger van de stadhouders en
hunne ondergeschikten te lijden hadden gehad. Al ver-
hoogde hij er de belastingen, toch was de meerdere vei-
ligheid, die men er genoot, oorzaak, dat handel en nijver-
heid konden herleven, en de welvaart der burgers toenam.
Augustus bevorderde kunsten en wetenschappen en werd
daarin krachtig bijgestaan door zijn vriend Maecênas,
wiens naam sedert in gebruik is gekomen om een begun-
stiger van de schoone kunsten te vermelden. Onder de
dichters van zijn tijd muntten Vergïlius en Horatius uit,
terwijl Livius zich beroemd maakte door het schrijven van
een geschiedenis der Romeinen. Ook werd gedurende
zijn regeering in het rijk der Joden Jezus Christus gebo-
ren, die de leer verkondigde, dat God de liefderijke vader
van alle menschen is, en daarom ieder oprecht moet zijn
en zijn naasten liefhebben. Onder zijn leerlingen waren
er twaalf uitverkorenen, die, nadat hij op aanstoken van
de Jahwe-pricstcrs den kruisdood had ondergaan, als
apostelen (zendelingen) zijn leer wijd en zijd verkondig-
den en ingang deden vinden.
Daar de Germanen hunne strooptochten over den Rijn
begonnen te hervatten, zag Augustus zicli genoodzaakt den
strijd tegen hen te hervatten. Hij benoemde zijn stiefzoon
Drusus, een talentvol aanvoerder, tot opperbevelhebber.
Deze drong tot aan de Elbe door, allerlei afzonderlijk wo-
nende Germaansche volken onderwerpende. Toen hij op
zijn terugtocht weder nabij den Rijn was gekomen, viel
hij van zijn paard en stierf, slechts dertig jaar oud, aan
de gevolgen van den val. Zijn broeder Tiberius werd in
zijn plaats benoemd, en toen deze naar Pannonië was
gezonden om een opstand te dempen, werd het stadhou-
-ocr page 574-
570
derschap in Germanië aan Saturninus opgedragen. Sa-
turninus gedroeg zich vriendelijk en zachtmoedig jegens
de Germanen. Daardoor haalde hij vele Germaansche
edelen over om de Romeinsche levenswijze aan te nemen.
De goede gezindheid, die de Germanen jegens de Romei-
nen waren gaan koesteren, veranderde spoedig, toen Sa-
turninus door Varus was vervangen. Vertrouwende op
zijn aanzienlijke krijgsmacht, met welke hij zich in een
versterkte legerplaats nabij Wezel bevond, achtte Varus
het niet noodig de Germaansche edelen met voorkomend-
heid te behandelen. Hij verving de Germaansche rechts-
pleging door de Romeinsche en verwekte daardoor de
grootste verbittering. Onder de edele Germaansche jon-
gelingen, die zich vroeger bij de Romeinen hadden aan-
gesloten, en zich nog steeds in de legerplaats van Varus
ophielden, behoorde Herman, door de RomeinenArminius
genoemd. Ook hij betreurde zoozeer de onderwerping van
zijn vaderland, dat hij met Segestes, evenals hij een aan-
zienlijk Gheruskcr, en vele anderen een samenzwering
tegen de Romeinen beraamde. Terwijl zij zich als vrien-
den van Varus bleven voordoen, zorgden zij, dat de Ger-
manen zich allerwegen in stilte ten strijde toerustten.
Nu trof het, dat Herman bij een bezoek aan Segestes
diens beeldschoono dochter Thusnelda leerde kennen. Daar
de jongelieden weldra liefde voor elkander gevoelden, ver-
zocht Herman aan Segestes om de hand zijner dochter,
doch de vader sloeg het aanzoek af. Nu besloot Herman
zijn geliefde te schaken. Dit was een vermetele daad,
want indien Segestes er in slaagde de vluchtelingen te
achterhalen, dan had hij liet recht zijn dochter te
dooden en hem, die haar ontvoerde, tot zijn slaaf te
maken. Herman wist echter zijn plan te volvoeren, en
Thusnelda werd zijn vrouw. Ziedend van toorn vond
Segestes geen ander middel om zijn wraaklust aan
Herman te koelen, dan zich naar Varus te begeven en
dezen met de samenzwering bekend te maken. De Romein
-ocr page 575-
571
zag in de mededeeling slechts de vrucht van de geprik-
kelde verbeelding eens beleedigden vaders en bleef Her-
man als een gastvriend ontvangen.
Op Hermans bevel kwam in \'t jaar 9 n. C. een ver-
wijderde Germaansche stam in opstand. Varus zag zich
nu genoodzaakt zijn veilige legerplaats te verlaten en
tegen de opstandelingen op te trekken. Zijn legioenen
werden gevolgd door de Germaansche hulptroepen, in
welke hij nog steeds vertrouwen stelde, ofschoon zij
reeds van verlangen tintelden om zich bij hunne broe-
ders aan te sluiten. Zich van een gemakkelijke over-
winning verzekerd houdende, trok Varus onbezorgd die-
per in het land der Germanen. De opstand breidde zich
met den dag uit. De vrijheidszucht werd zoo levendig,
dat vele Germaanscbe edelen, die aanvankelijk uit ge-
hechtheid aan de Romeinen den opstand haddon afge-
keurd, zich er bij aansloten. Dit deed zelfs Segestes.
Toen Varus in het Teutoburgcrwoud was gekomen ,
werd de tocht voor zijn leger moeilijker. Aan alle kanten
ontdekten zijn soldaten vijandige Germanen, die de
Romeinen bespiedden en afgedwaalde soldaten of afdee-
lingcn aanvielen en ombrachten. Van tijd tot tijd kwam
het zelfs tot schermutselingen, maar nog zag Varus het
gevaarlijke van zijn toestand niet in. Het aantal Germanen,
die het leger omringden, nam echter dagelijks met dui-
zenden toe. Varus begon in te zien dat hij meer op zijn
veiligheid bedacht moest zijn en liet voor den nacht in
allerijl een versterkte legerplaats op een boschrijke
hoogte opslaan. Den volgenden morgen trok hij verder.
Aanvankelijk ging de tocht goed, maar weldra zagen de
Romeinen de wegen versperd door omgeworpen boom-
stammen. Terwijl zij de wegen weder begaanbaar zoch-
ten te maken, werden zij heftiger dan vroeger van alle
kanten aangevallen. De Germaansche hulptroepen maak-
ten gemeene zaak met hunne stamgenooten. Een geweldig
onweer brak los en hevige plasregens herschiepen de
-ocr page 576-
572
boschwegen in poelen. Toen de nacht inviel, waren de
Romeinen zoo afgemat, dat zij niet in staat waren hun
nachtleger te versterken. Den volgenden morgen was het
somber, regenachtig weer. De Romeinen huiverden van
koude. Een stormwind stak op, maar boven zijn geloei
weerklonk het krijgsgeschreeuw der Germanen, die met
alle kracht op de Romeinen aanvielen. Herman bestuurde
de bewegingen der Germanen, die weldra een schitte-
Tiberius.
rende overwinning behaalden. Toen Varus zag, dat alles
verloren was, stortte hij zicli in zijn zwaard.
De tijding van de vernietiging van Varus\' leger bracht
in Rome de grootste ontsteltenis teweeg. Augustus riep
handenwringend uit : «Varus, Varus ! geef mij mijn
legioenen weder !"
Toen Augustus vijfjaren later overleden was, verklaar-
de de senaat, dat hij onder de goden opgenomen was en
voortaan als een god vereerd moest worden. Er werden
-ocr page 577-
573
voor hem afzonderlijke tempels opgericht, feesten inge-
steld en priesters benoemd.
Tiberius. Caligula. Claudius.
Augustus was gehuwd geweest met de schoone Livia,
die in een vroeger huwelijk moeder was geworden van
Tiberius en Drusus en niets, zelfs geen sluipmoord onbe-
proefd liet, om Tiberius, haar oudsten zoon, den opvol-
ger van Augustus te doen worden. Daar Tiberius door
Augustus tot zoon was aangenomen, droeg hij ook den
naam Caesar, die sedert de titel werd van de allecnhcer-
schers van Rome. Tiberius had een droevige jeugd. Zijn
stiefvader Augustus trok zijn jongeren broeder Drusus bo-
ven hem voor. Dit was een bron van vele huiselijke twis-
ten, en Tiberius zag zich verplicht, nauwlettend op al zijn
woorden en daden toe te zien om niet bij Augustus in
verdenking te komen. Hij huwde met Vipsania Agrippi-
na, die hij zeer liefhad, en met wie hij gelukkig leefde,
maar, toen hij dertig jaar oud was, dwong hem zijn
moeder Livia, die het voor zijn toekomst noodig achtte,
dat hij van zijn vrouw scheidde on met de zedelooze, door
hem gehate Julia huwde. Tiberius, door al wat hij had
ondervonden somber en achterdochtig geworden, werd na
den dood van Augustus door den senaat als diens opvol-
ger erkend. De troepen in Germanië en Pannonié kwa-
men echter in opstand en verlangden den zoon van Dru-
sus, Germanicus, dien Tiberius op verlangen van Augus-
tus tot zoon had aangenomen, als keizer. Tiberius wist
zich echter staande te houden en werd daarbij krachtig
ondersteund door Germanicus, die door zijn weigering om
de opvolger van Augustus te zijn, zoozeer de woede der
soldaten gaande maakte, dat zij zijn leven ernstig be-
dreigden .
Germanicus, die door Tiberius tot stadhouder van
Germanië was aangesteld, achtte het noodig zijn troe-
-ocr page 578-
574
pen door een oorlog afleiding te geven en tevens wraak
te nemen over de nederlaag, die de Romeinen onder
Varus in liet Teutoburgerwoud hadden geleden. Onver-
wachts trok hij daarom nabij Xanten over den Rijn, en
overviel hij de niets kwaads vermoedende Marsen, op
een tijdstip, dat zij vereenigd waren om een groot feest
te vieren. Duizenden vielen onder liet zwaard der Ro-
meinen. Wel grepen de Germanen na dezen aanval alom
weder naar de wapenen, docli zij waren wegens de twee-
dracht, die onder hen heerschte, niet in staat eenig
voordeel op Germanicus te behalen. Segestes was er
namelijk in geslaagd zijn dochter Thusnelda in handen
te krijgen. Om weder in het bezit van zijn vrouw te
geraken had Herman het beleg voor den burcht van Se-
gestes geslagen, en nu riep deze do hulp in van Germa-
nicus, wien het gelukte Herman te verdrijven. Hij maak-
te zich echter meester van Segestes en van Thusnelda,
die hij naar Rome zond, waar zij moeder werd van
een zoon, die onder den naam van Thumelicus be-
kend is.
Nu stelde Herman zich weder aan het hoofd van de ver-
eenigde Germanen en bracht aan de troepen van Germa-
nicus zulke verliezen toe, dat de Romeinsche veldheer zich
genoodzaakt zag, zich ten krachtigste ten strijde te rusten.
In een grooten veldslag nabij de Wezer werd Herman ge-
slagen en gewond, doch spoedig daarna leverde Herman
een tweeden veldslag, die onbeslist bleef. In het volgende
jaar wilde Germanicus den strijd hervatten, doch hij werd
door Tiberius teruggeroepen, die hem de eer eener zege-
praal toestond. Thusnelda moest met haar driejarig zoon-
tje Thumelicus den triomf opluisteren. Weldra stierf de
ongelukkige vrouw in Romeinsche gevangenschap; haar
verlaten kind werd te Ravenna als gladiator opgevoed.
Ook Herman had een droevig uiteinde; hij werd door zijn
eigene bloedverwanten vermoord.
Terwijl Augustus schatten had uitgegeven om het volk
-ocr page 579-
575
met spelen te vermaken en Rome met prachtige, marme-
zen gebouwen te verfraaien, was Tiberius spaarzaam in
zijn uitgaven om den druk der belastingen te verminde-
ren. Konden de lagere volksklassen daarom den somberen
keizer de liefde niet schenken, die zij eens Augustus had-
den toegedragen, zijn streven om de burgers in bescher-
ming te nemen tegen de afpersingen der optimaten en ge-
lijk recht voor allen in te voeren, haalde hem den haat
der aanzienlijken op den hals. Dewijl dezen hunne hoop
vestigden op den met roem gekroonden, en door de solda-
ten innig beminden Germanicus, zag Tiberius in zijn aan-
genomen zoon een gevaarlijk mededinger. Hij zond hem
als opperbevelhebber naar Azië, doch stelde hem den boog-
hartigen Gnaeus Piso als stadhouder van Syrië ter zijde.
Terwijl Germanicus nieuwe lauweren won, zocht Pisohem
in alles tegen te werken. Hierdoor kwam het tussclien hen
te Antiochië tot een hevig twistgesprek, waarna Piso on-
middellijk de stad verliet. Germanicus werd dooreen he-
vige ziekte aangetast en verklaarde op zijn sterfbed aan
zijn aanwezige vrienden, dat hij zich overtuigd hield door
Piso vergiftigd te zijn. De droefheid over den dood van
Germanicus was te Rome zoo groot, dat het volk naliet
de openbare spelen te bezoeken. Ook Tiberius toonde zich
bedroefd, maar toen er aan het rouwbetoon geen einde
scheen te komen, verbood hij het, en beval hij, dat de ge-
wone bezigheden en uitspanningen hervat moesten wor-
den. Hij liet een streng onderzoek instellen tegen Piso,
doch deze onttrok er zich aan door zelfmoord. Voortdurend
werd Tiberius meer wantrouwend. Hij had vroeger wel-
eens vergiffenis geschonken aan wie hem persoonlijk had
beleedigd, meer en meer leende bij het oor aan beschuldi-
gingen tegen zijn vijanden ingebracht, en strafte hij zon-
der genade. Eindelijk vaardigde hij een Avet uit, waarbij
bepaald werd, dat ieder vergrijp tegen den keizer als ma-
jesteitsschennis (waardoor men vroeger alleen een ver-
grijp tegen de veiligheid en de waardigheid van den staat
-ocr page 580-
576
had verstaan) met den dood of met verbanning en ver-
beurdverklaring der goederen gestraft zou worden. Dewijl
er aanzienlijke belooningen werden uitgereikt aan aan-
brengers van personen, die zich door woord of daad tegen
den keizer hadden vergrepen, nam het aantal van ware
en valsche aanklachten voortdurend toe, vooral toen Ti-
berius het beleid der staatszaken overliet aan den talent-
vollen maar eerzuchtigen gunsteling Sejanus. Deze wist
Tiberius op grond van de vele aanklachten in den waan
te brengen, dat de aanzienlijken steeds tegen den keizer
samenspanden, en hem zijn voorstel te doen goedkeuren,
dat de 10,000 praetorianen (keizerlijkelijfwacht), waarvan
tot nu toe een klein gedeelte te Rome in garnizoen was
geweest, allen in een kazerne bij een der poorten van de
stad samen werden gebracht. Sejanus gaf voor, dat dit
geschiedde, dewijl de praetorianen aan de krijgstucht ont-
wenden door den omgang met do burgers van de steden,
waar zij ingekwartierd waren, doch in waarheid was het
om Rome te allen tijde in bedwang te houden. Van nu af
kregen de praetorianen een grooten invloed op den gang
van zaken te Rome.
De zedeloosheid nam in Rome hand overhand toe. Tel-
kens worden vergift en dolk aangewend tot het plegen
van moorden, zelfs in de keizerlijke familie. Tiberius ge-
voelde zich diep ongelukkig. Hij leefde in voortdurende
angst voor een moordaanslag en besloot eindelijk Rome te
verlaten. Hij vestigde zich op het eiland Capreae (Capri)
en liet de uitvoering zijner besluiten aan Sejanus over,
die, door het wantrouwen des keizers op te wekken, de
leden dor keizerlijke familie wier invloed hij vreesde, kon
doen verbannen of gevangenzetten. Eindelijk begon Tibe-
rius ook Sejanus, die de praetorianen voor zich gewon-
nen, den senaat tot zijn werktuig verlaagd, en den kei-
zerlijken troon tot het doel van zijn streven gemaakt had,
te wantrouwen. Om den machtigen gunsteling ten val te
brengen, ging Tiberius met groote geslepenheid te werk.
-ocr page 581-
577
Terwijl hij Sejanus nieuwe cerbewijzingen en uitbreiding
van macht voorspiegelde, benoemde hij Macro tot opper-
bevelhebber der praetorianen en gaf hij dezen last, Seja-
nus gevangen te nemen. Bij een scnaatsvergadering waar-
in Sejanus op grond van valsche inlichtingen nieuwe
gunstbewijzen van Tibcrius hoopte te ontvangen, liet
Macro de wachthoudende praetorianen, die Sejanus aan-
hingen, vervangen door troepen, op welke hij rekenen
kon, en las hij den brief des keizers voor, waarin de ge-
vangenneming van Sejanus werd gelast. Dit bevel maakte
op Sejanus een geweldigen indruk. Hij zat als bewuste-
loos op zijn plaats. Tot twee malen toe werd hem gelast
op te staan, maar hij verroerde zich niet. Toen het hem
voor den derden keer werd bevolen, ontwaakte hij als uit
een diepen slaap, en vraagde hij : "Roept gij mij ?" Nu
begreep hij zijn toestand, en liet hij zich zonder verzet
gevangennemen. De senaat, die zoo slaafs voor dien man
gebogen had, veroordeelde hem ter dood.
Tiberius, die zich in hem, dien hij het meest vertrouwd
had, bedrogen zag, werd sedert nog meer met menschen-
liaat vervuld. Van Gapri zond hij zijn doodvonnissen naar
Rome, die door Macro met onverbiddelijke gestrengheid
werden uitgevoerd. Op den leeftijd van acht en zeventig
jaar werd hij ongesteld. Macro snelde naar Capri. Toen
men Tiberius dood waande, huldigden Macro en andere
aanzienlijken Gajus Caesar, den zoon van Germanicus, tot
keizer. Daar kwam plotseling het bericht tot hen, dat Ti-
berius uit de bezwijming, die hem zoo lang bewusteloos
had gemaakt, weder geheel was bijgekomen. Gajus en de
overigen vreesden, naar men verhaalt, dat do voorbarige
huldiging hun het leven zou kosten, maar Macro wist raad.
Hij snelde naar de slaapkamer des keizers en smoorde de-
zen onder een kussen.
De opvolger van Tiberius was Gajus Caesar, die in de
geschiedenis Caligula wordt genoemd. Hij had met zijn
moeder Agrippina vaak in de legerplaats van Germanicus
37
-ocr page 582-
578
vertoefd en daar gewoonlijk soldatenlaarsjes {caligaej ge-
dragen, om welke reden de krijgslieden hem schertsend
den naam van Caligöla hadden gegeven. OfschoonCaligula
door een zedeloos leven zijn verstands- en lichaamskrach-
ten reeds vroegtijdig had verzwakt, deed hij in de eerste
maanden van zijn regeering. toen hij nog velen moest
ontzien, het goede van zich verwachten. Maar nauwelijks
achtte hij zich veilig genoeg op den keizerstroon, of hij be-
gon als een waanzinnige te woeden. Geen vermogend man
was veilig voor hem, want daar de belastingen niet vol-
doende waren om zijn uitspattingen te bekostigen, ontzag
hij zich niet, aanklachten te laten doen tegen personen,
wier goederen hij zich door verbeurdverklaring wenschte
toe te eigenen. Vier jaren lang wist Caligula met behulp
der praetorianen dat leven voort te zetten en zich zoozeer
te doen vreezen, dat de senaat hem als godheid erkende en.
een priesterschap voor hem instelde, waarvan hij zelf liet
hoofd, en zijn lievelingspaardlncitatus leden waren! Vrees
voor hun eigen leven deed eindelijk eenige Romeinen sa-
menspannen om den dwingeland door sluipmoord uit den
weg te ruimen. Op zekeren avond drongen de saamge-
zworenen het paleis van Caligula binnen en doorstaken
hem, zijn vrouw en zijn kind. Onmiddellijk kregen de
praetorianen tijding van het gebeurde. Zij ijlden terstond
naar het paleis om de moordenaars te straffen, die door
hen gedood werden. Bij het doorzoeken van de keizerlijke
vertrekken vonden de praetorianen achter een gordijn een
oom van Caligula, Glaudius Caesar, die zicli uit vrees voor
de moordenaars had verscholen. De praetorianen haalden
den sidderenden ouden man uit zijn schuilhoek te voor-
schijn en riepen hem tot opvolger van Caligula uit. Aan-
vankelijk wilde Claudius de waardigheid niet aanvaarden,
daar hij wegens zijn zwakheid van lichaam en gemis aan
karakter steeds een voorwerp van spot was geweest voor
zijn bloedverwanten en bekenden; ten slotte liet hij zich.
echter de keuze welgevallen.
-ocr page 583-
579
Claudius, die geen verstand had van staatszaken, hield
zich liefst op niet oudheidkundige onderzoekingen en liet
het bestuur over aan vertrouwde personen. Zijn vrouw
Messalina was een verachtelijk, zedeloos wezen; zij wist
ieder, die de voldoening harer zinnelijke lusten in den weg
stond, een bevel tot verbanning of een doodvonnis te be-
zorgen. Wel trachtte de goedhartige Claudius de ondcr-
teekening van zulke schandelijke vonnissen te weigeren,
maar dan wist Messalina hem te overtuigen, dat de ver-
oordeelden hem naar het leven stonden en daarvoor was
de onbeduidende man bevreesd. Zijn vertrouwelingen,
Narcissus en Pallas, werden eindelijk zelve bevreesd, dat
Messalina er te eeniger tijd in zou slagen ook hen ter dood
te doen veroordeelen, en nu wisten zij Claudius te overtui-
gen, dat Messalina hem naar het leven stond om met een
ander te huwen en dezen tot keizer te verheffen. Hierop
toekende Claudius haar doodvonnis.
Naar zijn vermogen zocht Claudius de bewoners der
provinciën tegen de afpersingen der ambtenaren te bescher-
men. Hij liet het zuidelijk gedeelte van Brittannië verove-
ren en woonde eenigen tijd den moeilijken veldtocht te-
gen de Britten bij, om welke reden hij en zijn zoon den
bijnaam Brittannicus ontvingen. Ten behoeve van Rome
liet hij twee reusachtige waterleidingen maken en een
nieuwe haven aan den mond van den Tiber aanleggen.
Het meer Fucinus, welks waterspiegel steeds hooger werd,
en dat daardoor een aantal dorpen met den ondergang be-
dreigde, liet hij door een afwateringskanaal, dat een uur
gaans door een berg liep, voor een gedeelte droogmaken
en in bouwland herscheppen.
Claudius trad ten tweeden male in\'t huwelijk met Agrip-
pïna, de dochter van Germanicus. Zij was weduwe en bad
een zoon, Nero genaamd. Het was het streven van deze
heerschzuchtige vrouw haar zoon met voorbijgang van
Brittannicus, denzoon van Claudius en Messalina, op den
kcizerstroon te verheffen. Zij werd daarin gesteund door
-ocr page 584-
580
Burrhus, don bevelhebber der praetorianen, en door den
wijsgeer Seneca, die beiden met de opvoeding van den
jongen Nero belast waren. Toen zij zoover gekomen was,
dat Claudius Nero als zoon aangenomen, en hem zijn
dochter Octavia tot vrouw gegeven had, meendeAgrippina
zich als gebiedster van het rijk te kunnen gedragen. Nar-
cissus durfde haar echter te weerstreven, en toen deze den
keizer voor haar had gewaarschuwd, meende Agrippina,
dat het tijd was te zorgen, het lot van Messalina te ont-
gaan. Met behulp van de beruchte giftmcngster Locusta
diende zij Claudius vergiftigde spijzen toe, die hem woldra
ten grave deden dalen.
Nero.
Met behulp der praetorianen bevestigde Agrippina haar
zeventienjarigen zoon in de heerschappij. Geleid door Burrhus
en Seneca, schafte Nero vele misbruiken af, verminderde
hij de belastingen, staaktehij het gerechtelijk bloedvergieten
en trachtte hij in alles het heil des volks te behartigen. Hij
was zoo zachtaardig, dat toen hem eens een doodvonnis
ter onderteekening werd voorgelegd, hij het betreurde te
hebben leeren schrijven. Burrhus en Seneca deden echter
niets om te verhinderen, dat hij zich overgaf aan losban-
digheid en met zijn makkers na een drinkgelag door de
straten ging om de burgers te kwellen. Langzamerhand
werd Nero omringd door een menigte vloiers, die hem
toejuichten, wanneer hij hun de weinig betoekenende ver-
zen, die hij maakte, voorlas, of wanneer hij voor hen
zong of hun zijn onbeduidende schilderstukken of beeld-
houwwerken toonde, of als wagenmenner voor hen
optrad.
Agrippina zag zich weldra in haar verwachting bedro-
gen, door middel van haar zoon Rome te beheerschen.
Eens verweet zij hem, dat zij zooveel voor hem had ge-
daan en hij toch meer den raad van anderen dan van haar
-ocr page 585-
581
volgde. Zij vermaande hom, wel te bedenken, dat Briltan-
nicus de rechtmatige erfgenaam van Claudius was en niet
hij. Deze woorden wekten bij Nero wantrouwen op. Hij
wilde zich in de heerschappij handhaven, en daarom liet
hij Brittannicus vergiftigen. Na deze misdaad holde Nero
op de baan der ondeugd voort. Toen zijn moeder hem in
Red mij! Ik ben do moeder van den Keizer.
zijn uitspattingen te keer zocht te gaan, besloot hij, ook
haar te doodcn. Hij deelde zijn voornemen aan Burrhus en
Seneca mede, doch deze verleenden hunne medewerking
daartoe niet. Daarop wendde hij zich tot Anicêtes, een
vrijgelatene, die bevelhebber was over de vloot in de Mid-
-ocr page 586-
582
dellandschc zee, en deze verklaarde zich bereid om de mis-
daad te volbrengen. Nero noodigde zijn moedor op een
feest en liet haar na den afloop daarvan gedurende een
helderen nacht per schip naar haar woning terugbrengen.
Het schip was zoo ingericht, dat het te midden van het
water uit elkander moest vallen. Door de onbedrevenheid
van de schippers slaagde het plan echter slechts ten decle.
Er ontstond verwarring en de schepelingen doodden met
<le voorhanden zijnde wapenen de begeleidster, die, om
haar meesteres te redden, zich in de duisternis voor Agrip-
pina uitgaf. Aan den oever had men het gebeurde bemerkt,
en weldra kwamen er booten te hulp, waarvan er een
Agrippina opnam. Daar zij een grooten aanhang had, be-
greep Nero, dat do moord niet kon worden uitgesteld.
Hij zond Anicetos met gewapende mannen naar de villa,
die zijn moeder bewoonde, en waar zij zich weder in haar
slaapkamer bevond. »Anicetes," zoo verhaalt de Roniein-
sche geschiedscdi\'ijver Tacitus, in wiens jeugd deze ge-
beurtenis plaats had, «zet om de villa posten uit, breekt
"de huisdeur open en houwt de slaven, die zich te weer
^stellen, neder. Hij bereikt de deur van de slaapkamer,
,,die nog maar door weinige slaven wordt bewaakt, om-
,,dat de meesten gevlucht zijn. Do kamer was zwak ver-
plicht, en bij Agrippina bevond zich slechts een enkele
,,dienstmaagd. Daar de bode, dien Agrippina naar Nero had
„gezonden, niet terugkwam, was haar angst ieder oogen-
,,blik vermeerderd. Zij had iets hooren naderen, dat de
,,bode niet kon zijn. Terwijl zij dacht, dat er niemand
,,nabij haar woning was, had zij plotseling geraas en voor-
,,boden van het ergste waargenomen. Toen nu de dienst-
,,maagd uit de kamer ging, zeide zij : «Verlaat gij mij
,,ook?" — en op hetzelfde oogenblik zag zij Anicetes, van
,,gewapenden vergezeld, binnentreden. Zij sprak hem toe ;
,,Gij komt mij bezoeken om te kunnen molden, dat mij
,,goen leed is wedervaren, want een gruweldaad kan ik
,,van mijn zoon niet gelooven, een moedermoord kan hij
-ocr page 587-
588
„niet bevolen hebben." Een der aanwezigen sloeg haar
„daarop met een stok op liet hoofd, en toen vervolgenseen
„ander liet zwaard ophief om haar den doodsteek te ge-
„ven, ontblootte zij haar borst met de woorden : «Stoot
„hier." Nog denzelfden nacht werd zij op een rustbed van
„de eetzaal verbrand zonder eenige lijkplechtigheid, en
„zoolang Nero leefde, werd er geen aarde over haar asch
„geworpen. Eenst daarna richtten haar bedienden ecnklei-
,,nen graflienvel over haar asch op."
Spoedig daarna stierf Burrhus en verloor Seneca al zijn
invloed op den keizer, die dag op dag aanzienlijke Romei-
nen liet ter dood brengen, wanneer zij hem in \'t geringste
mishaagden. Toch bleef hij de lieveling van het ontaarde
gepeupel, dat niets van hem te lijden had en zich vermaakte
bij de openbare spelen, waarin Nero zelf als tooneelspe-
ler, gladiator en wagenmenner optrad.
»Ondcrtusschcn", zoo verhaalt Tacitus, «vertoonde zich
«een komeet, waarvan men algemeen gelooft, dat zij een
«verandering van regeering aankondigt, en zoo begon
«men, alsof Nero reeds was afgezet, elkander te vragen,
»wien men zou kiezen..... In diezelfde dagen brachten
«uitspattingen Nero in opspraak en gevaar, daar hij in de
«bron van de Marcische waterleiding had gezwommen, en
«men geloofde, dat hij het heilige drinkwater en den eer-
«bied, welke die plaats toekomt, door het wasschon van zijn
«lichaam had ontwijd. Een ziekte, die hem daarna over-
"viel, deed algemeen aan den goddelijken toorn geloo-
ft ven."
In het jaar 64 brak in Rome een brand uit, die met
groote snelheid gansche wijken der stad in vlam zette. Te
midden van die vreeselijke ramp vereenigden zich een
groote menigte roovcrs en moordenaars, die sedert gerui-
men tijd in kroegen en holen een schuilplaats hadden ge-
vonden en wier aantal in de laatste jaren sterk was toe-
genomen, om het blusschen tegen te gaan en in de alge-
jmeeno verwarring te plunderen. Nero deed al wat in zijn
-ocr page 588-
584
vermogen was om de ongelukkkigen, die van alles beroofd
waren, te ondersteunen. Hij liet voor hen op zijn land-
goederen in allerijl schuren optrekken, verlaagde don prijs
van liet graan, en spijzigde hen, die niets meer bezaten.
Ook beval hij, dat liet afgebrande gedeelte der stad volgens
een vast plan herbouwd moest worden. De huizen moes-
ten van steen on minder hoog worden opgetrokken langs
rechte, breede straten, die hij op eigen kosten met zuilen-
gangen verfraaide. Ofschoon velen de doelmatigheid van
deze voorschriften erkenden, waren er, die aan de oude
wijze van bouwen de voorkeur gaven met het oog op de
gezondheid, dewijl naar hunne meening de hooge huizen
en de nauwe straten een betere beschutting verleenden
togen de lieete stralen der zomerzon. Terwijl aldus alles,
wat de menschelijke wijsheid vermocht, word aangewend
om de droevige gevolgen van do ramp weg te nemen, liet
men ook niets onbeproefd om de goden door offers te ver-
zoenen. Dit alles hielp echter niet om de openbare mee-
ning te wijzigen, dat Nero do opzettelijke oorzaak was
van den brand. ,,Daarom liet hij," aldus schrijft Tacitus,
,,die menschen als daders aanwijzen en straffen, welke
„wegens hunne misdaden verafschuwd, gewoonlijk Ghris-
,,tenen worden genoemd. Zekere Christus, van wien deze
„naam afkomstig was, was onder de regeering van Titus
„door den procurator Pontius Pilatus met den dood ge-
,,straft geworden. De daarop voor het oogenblik onder-
„drukte, vloekwaardige dweperij had opnieuw het hoofd
„verheven, niet slechts in Judea, de bakermat van dit on-
„heil, maar ook in de hoofdstad, waar alles wat afschu-
„welijk en schandelijk is, van alle zijden samenkomt en
„aanhang vindt. Daarom werden eerst diegenen gegrepen,
„welke getuigenis aflegden, en op hunne aanwijzing een
„buitengewoon aantal menschen, die juist niet wegens
„de hun toegedichte brandstichting, maar als voorwerpen
„van haat voor de gansche wereld als schuldig werden
„erkend. Men maakte zich nog vroolijk met de veroordeel-
-ocr page 589-
I
ja
m
-ocr page 590-
-ocr page 591-
587
„den, daar men hen in dierenhuiden naaide en zoo door
,,de honden liet verscheuren, of aan liet kruis genageld,
„met brandbare stoften besmeerde om hen tot verlichting
,,van den nacht te laten branden. Nero had zijn eigen park
,,tot deze vertooningen aangewezen en stond daar als wa-
,,genmenner verkleed onder het gepeupel of op een wagen.
,,Zoo kwam het, dat de strafwaardige lieden, die het erg-
,,ste lijden verdienden, deelneming opwekten als men-
,,schen, die niet voor het alge mee ne welzijn, maar voor
,,den moordlust van een enkele moesten sterven."
Een jaar na den grooten brand maakten ecnige aazien-
lijkcn een samenzwering tegen Nero. Zij werd echter
verraden, en Rome was het tooneel van nieuwe gerechte-
lijke moorden. Aan Seneca, die van medeplichtigheid ver-
dacht werd, liet Nero aanzeggen, dat hij moest sterven.
\'Toen hem dit bericht werd overgebracht, braken zijn
vrienden, die bij hem waren, in weeklachten uit. «Seneca,"
zoo verhaalt Tacitus, „vraagde daarop, waar nu zijn lcs-
,,sen van wijsheid bleven, waar hunne houding tegenover
„het noodlot, op hetwelk zij zich zooveel jaren hadden
„voorbereid, daar toch Nero\'s moordlust aan ieder bekend
,,was en dezen, na het vermoorden van zijn broeders, zijn
„zusters en zijn moeder, niet anders overbleef dan
„het bloed van zijn opvoeder en leermeester te vergieten?
„Daarna omarmde hij zijn vrouw, en in tegenspraak met
„de pas getoonde vastberadenheid eenigszins weeker ge-
„stemd, smeekte en bezwoer hij haar, zicli aan geen ein-
„delooze smart over te geven, maar met het oog op zijn
„deugdzaam leven, zich het verlies van haar echtgenoot
„door edele troostmiddelen dragelijk te maken. Hierop
„verklaarde zij ernstig, dat ook haar de dood was toege-
„dacht, en dat zij door een vreemde hand begeerde te
„sterven. Om dit roemwaardig besluit niet tegen te gaan,
,,en ook uit teedere voorzorg om het innig geliefd wezen
,,aan geene latere mishandeling prijs te geven, antwoordde
,,Seneca: »Ik heb u gewezen op de dingen, die tot het
-ocr page 592-
588
,,loven uilnoodigen; gij kiest een schoonen dood. Ik laat
,,u den voorrang. Zoo zal dan onze wilskracht in een zoo-
„moedig scheiden gelijk, maar uw sterven het eervolst
„zijn." Hierop lieten zij zich met één snede de armen ope-
,,nen. Daar echter uit Scneca\'s oud, door karig voedsel
„bovendien verzwakt lichaam liet bloed slechts langzaam,
„wegvloeide, liet hij zich ook aan de boenen de aderen
„openen. Uitgeput door het vreeselijk lijden, vreesde hij,
„dat het zien van zijn smart den moed zijner gade zou
,,verzwakken, en dat hij zelf kleinmoedig zou worden door
„het aanschouwen van haar leed. Hij ried haar daarom
,,naar een andere kamer te gaan. Tot op het laatste oogen-
,, blik was hij in staat te spreken, en liet hij zijn schrijvers,
„die hij binnen geroepen had, nog vele dingen optee-
,,kenen."
Onder het bedrijven van zooveel gruwelen bleef Nero al-
lerlei vermaken najagen. Tot afwisseling besloot hij naar
Griekenland te reizen om daar als dichter, zangeren wa-
genmenner in de Olumpischc spelen op te treden. Alle
prijzen werden hem toegekend, zelfs voor den wedren, of-
schoon hij daarbij van den wagen was gevallen. Eerder
dan zijn plan was geweest, zag Nero zich genoodzaakt
naar Rome terug te keeren, dewijl er in Gallië een opstand
tegen hem was uitgebroken, die zich met snelheid uit-
breidde. De grijze Galba, de stadhouder van Spanje, die
door Nero zonder verhoor ter dood was veroordeeld, werd
weldra als het hoofd van den opstand erkend. Nu zag Ne-
ro zich plotseling door het volk en bijna al zijn gunstelin-
hen verlaten, zelfs door de praetorianen, die hij met wel-
daden overladen, en met wier hulp hij gehoopt had, staan-
de te kunnen blijven. Hij wist niet, wat te doen. Elk
oogenblik kon hij in zijn paleis overvallen en vermoord
worden. De vrijgelatene Phaon bood hem een schuilplaats
op zijn landgoed in de nabijheid van Rome aan. Nero be-
sloot er gebruik van te maken en verliet Rome in den
nacht onder het loeien van den storm, slechts van een vier-
-ocr page 593-
589
tal personen vergezeld. Op don weg kwamen zij verschei-
-dene lieden tegen, die hun vroegen, of zij ook iets van
Nero wisten. Nero en zijn begeleiders reden met grooten
spoed. Hij hoorde een voorbijganger zeggen: «Die zitten
zeker Nero achterna." In doodelijken angst bereikte Nero
het landgoed van Phaon. Den volgenden dag vernam hij
daar, dat hij tot vijand des vaderlands was verklaard,
waardoor ieder liet recht had gekregen hem te dooden.
Zijn eenig overgebleven vrienden rieden hem zich vrijwil-
lig den dood te geven, om de schande eener terechtstelling
te ontgaan. Hij had er den moed niet toe. «Acli, welk een
kunstenaar gaat in mij ,,verloren !" riep hij sidderend uit.
Daar naderden ruiters. Hij herkent in hen personen,
die zich van hem zouden meester maken. Nu kon hij het
leven niet langer rekken: hij liet zich door een vrijgelatene
den doodsteek geven.
Vespasianus. Titus. Domitianus.
Treurig zag het er in Rome uit. Galba en Otlo volgden
elkander binnen het jaar als keizer op, en nu verhief het
leger aan den Rijn zijn veldheer Vitellius tot keizer. Nau-
welijks had deze zich van den troon meester gemaakt, of
do legioenen in het Oosten riepen hun aanvoerder Vespa-
sianus tot keizer uit, en Vitellius werd daarop in Rome
door de aanhangers van zijn tegenstander vermoord.
Drie jaren lang had Vespasianus doorgebracht om een
opstand der reeds door Pompejus onderworpen Joden te
dempen. Met weergalooze dapperheid en met de grootste
doodsverachting streden de Joden voor hunne vrijheid.
Waar zij tegenover de Romeinsche krijgstucht het onder-
spit moesten delven, brachten zij liever elkander om het
leven, dan in de handen der Romeinen te vallen. Vespa-
sianus was juist met het beleg van Jeruzalem, de laatste
plaats, die zich staande hield, begonnen, toen hij naar
-ocr page 594-
590
Romo nioest om den keizerlijken zetel in te nemen. De
voortzetting van hel beleg liet hij aan zijn zoon Titusover.
Jeruzalem was geducht versterkt. Het lag op twee hoog-
ten, die aan de Oost-, Zuid- en Westzijde steil afliepen,
en waarom een ringmuur gebouwd was, die hier en daar
met een hoek insprong om de aanvallers van ter zijde te
kunnen beschieten, en die beschermd werd door torens
van 20 M. en bij de inzinkingen zelfs van 40 M., zoodat
zij dezelfde hoogte bereikten. Daarbinnen bevond zich een
tweede ringmuur om den koningsburcht, terwijl de tem-
pel bovendien nog een eigen ringmuur had en als een ge-
duchte burcht kon worden beschouwd. Op uitstekende
wijze was er voor drinkwater gezorgd, niet alleen door
het aanbrengen van groote regenbakken, maar ook door
diepe putten in de rotsen uit te houwen, waardoor men
onuitputtelijke bronnen verkreeg. De verdedigers van den
buitensten ringmuur stonden onder het bevel van Simo,.
die van den binnensten onder Johannes en die van den
tempel onder Eleazar. Onder de Joden heerschte echter
zulk een geloofsverdeeldheid, dat de verschillende secten
elkander met de wapenen bestreden, wanneer zij niet ver-
ecnigd den Romeinen het hoofd moesten bieden. Zoo zond
Johannes een groot aantal manschappen naar den tempel
onder voorgeven, dat zij daar kwam offeren, maar nauwe-
lijks waren zij binnen de versterkingen van den tempel
gelaten, of zij vermoordden Eleazar en een menigte zij-
ner lieden. Tacitus verhaalt: ,,Er geschiedden wondertee-
,,kenen, waarvan echter het bijgeloovige volk, dat den
„godsdienst weerstreefde, de ongunstige beteekenis niet
,,door offers en gebed meende te mogen afwenden: men
,,zag aan den hemel heirscharen, bloedige wapenen, enden
,,tempel door verlichting uit de wolken plotseling in vlam
„men; de deur van het heiligdom sprong onverwachts
„open en men hoorde een geroep, sterker dan dat cener
„menschelijke stem, dat de goden uittogen, en te gelijk
„ook de geweldige beweging van een uittocht. Slechts
-ocr page 595-
591
,,weinigen legden dit als iets dreigerids uit; de meerder-
.,heid verkeerde in de vaste overtuiging, dat in de oude
„oorkonden der priesters opgetcekend stond, hoe in dien
.,tijd het Oosten krachtig zou opstaan, en de macht zou
,,uitgaan van Juda, dat de wereldheerschappij zou verwer-
,,ven. Het duistere woord was een voorspelling op Ves-
,,pasianus en Titus, maar de Joden legden, gelijk bij
„sterk verlangen gewoonlijk gaat, de groote dingen, die
„komen zouden in hun eigen voordeel uit, en lieten zich
„door hun tegenspoed niet tot andere gedachten bron-
„gen." Titus belegerde de stad met behulp van
alle hulpmiddelen, die de krijgskunst tot op dien tijd
had bedacht, zooals blijden, catapulten, stormrammen,
schutdaken en belegeringstorens.
De Joden bleven zich met de grootste hardnekkigheid
verdedigen, ofschoon tweedracht en hongersnood de bitter-
ste ellende in de stad teweegbrachten. Men verhaalt, dat
\'de honger er hen toe bracht menschen te eten, ja, dat een
moeder haar eigen kind zou geslacht, gebraden en gegeten
hebben. Titus veroverde na een moeielijken strijd den bui-
tensten en daarna den binnensten ringmuur. Het over-
blijfsel der Joden was teruggetrokken in den tempelburcht,
waar het zich onoverwinnelijk achtte: dat Jahwe zijn uit-
verkoren volk te gronde zou doen gaan, konden zij niet
gelooven. Toch geschiedde het. De Romeinen stormden
den tempelburcht binnen, en tegen het bevel van Titus,
die den tempel had willen sparen, ging dit schoone ge-
bouw, dat koning Herodes gesticht had, in vlammen op.
Van de gevangengenomen Joden verkozen er 11,000 den
hongerdood te sterven boven het leven in slavernij, dat hen
wachtte.
De regeering van Vespasianus was in vergelijking met
die zijner laatste voorgangers weldadig. Hij begon met de
drukkendste wetten, zooals die op de majesteitsschennis af
te schaffen, maar zijn heb- en heerschzucht verleidden
hem wel eens tot onwaardige daden. Toen men hem eens
-ocr page 596-
592
opmerkzaam maakte, dat sommige stadhouders van provin-
ciën zich aan roofzucht schuldig maakten, antwoordde hij
lachend: »Ik gebruik hen als sponzen, het vocht, dat zij
inzuigen, kan ik er gemakkelijk weder uitpersen." Nadat
hij een belasting had gelegd op zekere vergaderplaatsen
van vuilnis, verklaarde zijn zoon Titus dit walgelijk te
vinden. Daarop hield hij dezen een geldstuk onder den
neus met de woorden: "Ruik maar, er is geen onaange-
name lucht aan." Zekere Sabinus had deelgenomen aan een
opstand in Gallië en toen deze onderdrukt was, zich naar
zijn villa in dat land begeven, die spoedig daarna door
brand werd vernield. Nu werd algemeen gelooid dat Sa-
binus in de vlammen was omgekomen, doch deze had zelf
zijn woning door vuur vernield om zich ongemerkt in een
onderaardsch hol te verbergen. De liefde voor zijne vrouw
Epponine maakte het hem onmogelijk Gallië te verlaten en
van haar te scheiden. Negen jaren lang bracht hij in het
hol door, waar zijn trouwe gade zijn lot met hem deelde,
toen werd zijn schuilplaats ontdekt en liet Vespasianus,
ofschoon niets meer van hom te vreezen hebbende, niet
alleen hem, maar ook Epponine ter dood brengen.
Vespasianus herstelde in Rome de orde door aan den
overmoed der praetorianen een einde te maken, en een
gestrenge krijgstucht bij hen in te voeren. Zijn aan gie-
righeid grenzende spaarzaamheid, stelde hem in staat een
<;inde te maken aan de verwarring, die in het geldelijk be-
heer was ontstaan, terwijl hij door zijn voorbeeld paal en
perk stelde aan de overmatige weelde der aanzienlijken.
Zelfs de afgelegenste deelen des rijks bracht Vespasianus
tot rust. Zijn veldheer Cerialis maakte een einde aan den
gevaarlijken opstand van de Batavieren en hunne bondge-
nooten, terwijl Agricöla, de schoonvader van den geschied-
schrijver Tacitus, de Britten, die sedert Caesar telkens te-
gen de Romeinen waren opgestaan, door een gematigd,
welwillend bestuur met de Romeinsche overheersching
verzoende.
-ocr page 597-
593
Toen Vespasianus op zeventigjarigen leeftijd overleden
was, zagen de Romeinen met angst zijn zoon Titus den
troon beklimmen. Titus had, nadat hij uit het Oosten te-
ruggekeerd, en door zijn vader tot mederegent aangeno-
men was, een schandelijk leven geleid. Zijn wreedheid
herinnerde aan Caligula en Nero. Wenschte hij een tegen-
stander uit den weg te ruimen, dan liet hij diens terecht-
stelling door zijn huurlingen op openbare plaatsen luide
vorderen, en aldus bereikte hij zijn doel door schijnbaar
aan don volkswensch gehoor te geven. Een ander noodig-
de hij op een feest en liet hem in tegenwoordigheid der
overige gasten ombrengen. Hij was in stilte gehuwd met
de beeldschoone Jodin Berenïce, de dochter van den vroe-
geren Joodschcn koning Herodes Agrippa, en toen hij
meende, dat zij zekeren Gaecina lief had, liet hij dozen op
de straat vermoorden.
Zoodra Titus echter keizer was geworden, werd hij een
geheel ander mensch. Hij verwijderde onmiddellijk de dcel-
genooten zijner vroegere uitspattingen en Berenice uit zijn
nabijheid en wijdde zich geheel aan liet welzijn des volks,
dat hij met gematigdheid en rechtvaardigheid bestuurde.
Hij streefde naar het onbereikbare doel, dat niemand zijn rech-
terstoel onbevredigd zou verlaten. De geschiedschrijver Sue-
tonius verhaalt, dat Titus op zekeren avond uitriep: »Ik
heb een dag verloren! " omdat hij dien dag geen enkele
goede daad had verricht. Met kracht bevorderde hij do ont-
wikkeling van kunsten en wetenschappen. Hij voltooide
de reusachtige inrichting voor warme baden, waarvan ook
de minder gegoeden tegen zeer geringen prijs gebruik
konden maken, en welker ruïnen nog heden den naam van
Thermen van Titus dragen. Ook kwam onder zijn regee-
ring het door zijn vader aangevangen reusachtigamphithe-
ater tot stand, welks ruïne nog heden ten dage onder den
naam Coliseum aan do bezoekers van Rome getoond wordt.
De kortstondige regecring van Titus werd gekenmerkt
door twee zeer groote rampen. In het jaar 79 had de eerst
38
-ocr page 598-
594
bekende uitbarsting van den Vesuvius plaats, waarbij de
steden Pompeji, Herculanum en Stahiao door lava en asch
bedolven werden. Duizenden mensclien verloren bij die
ramp bet leven en onder ben de beroemde geleerde Plinius
de Oude, die als opperbevelhebber der vloot juist in de
nabijheid was, en zich te veel aan het gevaar blootstelde
om bet verschijnsel beter te kunnen waarnemen. In het
volgende jaar werd Rome geteisterd door een brand, die
drie dagen en drie nachten duurde en eerlang gevolgd
werd door een hevige pestziekte. Zooveel in zijn vermogen
was, zocht Tilus de door die rampen ontstane ellende te
lenigen.
Titus werd opgevolgd door zijn aanvankelijk in alles
op hem gelijkenden broeder Domitianus. Ook deze had
zich door zijn uitspattingen en wreedheid gevreesd ge-
maakt, doch onderscheidde zich gedurende zijn eerste re-
geeringsjaren door edelmoedigheid, getrouwe plichtsbe-
trachting en rechtvaardigheid. Langzamerhand kregen zijn
oude ondeugden weder de overhand. Het werd een zijner
grootste genoegens den doodstrijd van mensch en dier te
aanschouwen. Men verhaalt, dat hij vliegen aan een naald
stak om zich in haar gespartel te kunnen verlustigen. Een
groot aantal aanzienlijken liet hij achtereenvolgens ter
dood brengen om zich met hunne goederen te kunnen ver-
rijken, en dat alles kon hij straffeloos doen, omdat hij de
gunst der soldaten wist te behouden door verhooging van
soldij, en die der lagere volksklasse door luisterrijke open-
bare feesten. Niet tevreden met evenals zijn voorgangers
na zijn dood goddelijke eer te ontvangen, liet hij zich reeds
tijdens zijn loven als een godheid veroeren. Zijn aan ra-
zernij grenzende wreedheid bracht hem eindelijk ten val.
Eens kwam aan zijn gemalin, de even schoono en hegaafdo
als zedelooze Domitia, bij toeval een lijst in handen,
waarop een nieuwe reeks namen stonden, van personen,
die Domitianus besloten had te doen terechtstellen. Tot
haar verbazing ontdekte Domitia haar eigen naam op de-
-ocr page 599-
595
lijst, en nu besloot zij haar gemaal te voorkomen. On-
middellijk maakte zij een samenzwering met anderen, die
op de lijst voorkwamen. Met behulp van Domitia werd de
keizer in zijn slaapvertrek overvallen, en ondanks den he-
vigen tegenstand, dien zijn buitengewone lichaamskracht
hem toeliet te bieden, na een geduchte worsteling ver-
moord.
Nerva. Trajanus. Hadrianus.
AntoninusPius. MarcusAurelius.
De saamgezworenen riepen nu den algemeen geachten
senator Nerva tot keizer uit, en senaat en volk keurden
deze keuze goed. Het bijgeloovige volk wist, dat een ster-
renwichelaar kort te voren aan Nerva had voorspeld, dat
hij eens de wereld zou beheerschen.
Daar Nerva te weinig geestkracht bezat om zijn goede
bedoelingen doortastend uit te voeren, nam hij tot aller ge-
noegen den bekwamen veldheer Trajanus, die in Spanje
uit een Romeinsch geslacht was geboren, tot mederegcnt
aan. Trajanus beklom den troon, toen Nerva na een re-
geering van zestien maanden overleden was.
Met kracht trad Trajanus als keizer op, en gedurende
zijn regeering heerschten een orde en een eerbied voor
de wet, als men na den val der republiek nog niet had ge-
kend. Hij schafte de Oosterscho hofpraal, door Domitianus
in \'t leven geroepen, weder af en verkeerde met de aan-
zienlijke Romeinen op de wijze, als Augustus had gedaan.
Ofschoon hij do belastingen verminderde, wist hij toch
door een spaarzaam beheer de schatkist in een goeden toe-
stand te brengen. Met zorg waakte hij tegen omkooporij
bij de rechtspraak, en personen, die er een broodwin-
ning van maakten om verdachte personen aan te brengen,
verbande hij uit de stad. Trajanus achtte het noodig de
grenzen van het rijk uit te breiden. Gedurende drie jaren
-ocr page 600-
596
(101—103) beoorloogde hij de Daciërs aan den Beneden-
Donau, en toen hij hen geheel onderworpen had, vierde
hij zijn overwinning met oen feest, dat 123 dagen duur-
de en waarbij 10.000 gladiatoren en 11,000 wilde bees-
ten in het amphitheater streden. Bovendien liet hij zijn
krijgsdaden vereeuwigen op eene zuil van 35 M. hoogte
en waarbinnen een wenteltrap van 185 treden is aange-
bracht, die naarden top voert. Het beeld van Trajanus,
dat op de zuil prijkte, heeft paus Sixtus V (f 1500) door
dat van Petrus doen vervangen. De zuil staat midden in
een door Trajanus aangelegd forum, dat door prachtige
gebouwen on zuilengangen de bewondering opwekte. Zijn
gansche leven bracht Trajanus in oorlogvoeren door. Hij
maakte Armenië, Assyrië en Mesopotamië tot Romeinsche
provinciën, doch op een minder voorspoedigen tocht in
Arabië werd hij door een ziekte aangetast, die hem ten
grave sleepte. De Romeinen hielden zijn nagedachtenis
in zulk een hooge eer, dat de senaat iederen volgenden
keizer toewenschte : »Wees gelukkiger dan Angustus en
beter dan Trajanus!"
Trajanus was kinderloos gestorven, maar zijn gemalin
Plotma bewerkte door list, dat zijn bloedverwant Hadria-
nus hem opvolgde. Zij vertoonde namelijk een valsch ge-
schrift, waarin Trajanus zijn bloedverwant Hadrianus tot
aangenomen zoon en opvolger verklaarde. Hadrianus achtte
het niet wenschelijk de grenzen des rijks verder uit te
breiden. Hij liet integendeel de opperheerschappij over ver
afgelegen en moeielijk te handhaven landstreken varen,
o. a. de landen ten Oosten van den Euphraat en de noor-
delijke gewesten van Brittanië. Om het zuidelijk gedeelte
van dit rijk tegen de invallen der Scoten en Pieten te ver-
dedigen, liet hij oen muur bouwen tusschen de golf van
Solway en den mond der rivier Tyne. Een groot gedeelte
van zijn regeering bracht Hadrianus door met reizen,
meestal te voet, in alle provinciën van zijn uitgestrekt
rijk. Groote schatten besteedde hij aan het bouwen van
-ocr page 601-
597
tempels, schouwburgen, badinrichtingen en prachtige za-
len, die met voortreffelijke schilderstukken en beeldhouw-
werken versierd werden. Een der prachtigste gebouwen,
die hij stichtte en waarvan het voornaamste gedeelte nog
bestaat, is zijn praalgraf, vroeger de Hadriaansburcht,
thans de Engelenburcht geheeten. Het gebouw mist tegen-
woordig zijn bekleeding van marmer.
De openbare rust werd tijdens de Regeering van Ha-
drianus alleen verstoord door een hevigen opstand der
Joden. Na de verwoesting van Jerusalem door Titushad-
den zij zich in verschillende oorden der wereld gevestigd
en, steeds vol verbit lering over den ondergang van hun
staat, onder Trajanus hier en daar opstanden verwekt.
Hetmeestgriefdehen, dat.Jerusalem herbouwd was onder den
naam Aelia Capitolïiia, en dat op de plaats, waar eenmaal
Jahwe\'s heiligdom had gestaan, een tempel voor Jupiter
was verrezen. De dvveepzieke volksleider Simeon, bijge-
naamd Bar Kochba (sterre-zoon), die zich voor den mes-
sias uitgaf, was een der vorrnaamste hoofden van den op-
stand. Zoowel door de Romeinen als door de Joden wer-
den de schandelijkste gruwelen bedreven, en eerst nadat
ruim een half millioen Joden gesneuveld, een groot aantal
door honger en pest omgekomen, en Palestina in een
wildernis herschapen was, gelukte het Hadrianus den op-
stand te dempen (135).
Hoe voortreffelijk Hadrianus als keizer was, alsmensch
was hij ijdel en wreed. Wat in wetenschap of kunst bo-
ven hem stond en hcniditdeedgevoelen, waszijnleven niet
zeker. Toen Hadrianus tijdens de regeering van Trajanus
eens een oordeel uitsprak over een gebouw, werd hem
door een bouwmeester aangetoond, dat hij verkeerd oor-
deelde. Hadrianus was hierdoor zoo beleedigd, dat hij, na
den troon te hebben beklommen, Tien bouwkunstenaarliet
ombrengen. Daar ook hij kinderloos was, nam hij Antoninus
tot zoon en opvolger aan.
Hadrianus had zich gedurende zijn laatste levensjaren
-ocr page 602-
598
door zijn wreedheid zoo gehaat gemaakt, dat de senaat
hem na zijn dood de vergoding weigerde en al zijn beslui-
ten wilde vernietigen. Antoninus wist echter den senaat van
deze voornemens af te brengen en verwierf zich door den
eerbied, dien hij hierdoor zijn pleegvader betoonde, den
bijnaam Pius (Vrome). Geen keizer had zich met zooveel
ijver en opoffering aan het welzijn zijns volks gewijd als
Antoninus. Hij onderscheidde zich niet door schitterende
wapenfeiten, die honderd duizenden in ellende gestort, en
toch aan menig vorst den bijnaam van den Grooten ver-
schaft hebben; maar grootcr dan ieder veroveraar was hij,
omdat hij gedurende de drie en twintig jaren, dat hij re-
geerde, ernaar streefde het volk gelukkig te maken. De
voordeelen van het keizerrijk kwamen onder Antonius Pius
schitterend uit. De verschillende staten, waaruit het rijk
bestond, verscheurden elkander niet langer door onder-
linge oorlogen, maar werden door het aanleggen van ka-
nalen en goede wegen en door instelling van een postwe-
zen nauwer met elkander in verbinding gebracht. De ont-
wikkeling van handel en nijverheid werd hierdoor ten
zeerste bevorderd. Ofschoon in de verschillende deelen des
rijks de volkstalen standhielden, werd door de beschaaf-
den in het oostelijke gedeelte des rijks Grieksch, in het
westelijke Latijn gesproken, terwijl vele aanzienlijken met
beide talen bekend waren. Hierdoor gingen de denkbeel-
van het eene deel des rijks gemakkelijk naar het andere
over. Allerwegen werden scholen opgericht naar het voor-
beeld van die van Rome. Niet alleen de Italiaansche ste-
den, maar ook die der provinciën, zooals Nimes en Trier,
werden in navolging van Rome met prachtige bouwwer-
ken verfraaid. Te Rome kwamen aanzienlijke jongelingen
uit alle deelen des rijks kennis maken met het voortreffe-
lijkste, dat de toenmalige beschaafde wereld \'aanbood.
Men vond er winkels, waar Oostersche zijde en Spaansche
wol, fijn lijnwaad en kostbaar glaswerk uit Alexandrië,
visch uit de Zwarte Zee en diamanten uit Indië, marmer
-ocr page 603-
599
uit Klein-Azië en kostbare houtsoorten van liet Atlasgeberg-
te, te kooi) werden aangeboden. In groote bibliotheken kon
men kennis maken met de geschriften dor uitstekendste
schrijvers; in boekwinkels waren er afschriften van tegen
matigen prijs te koop, en in verschillende gehoorzalen vond
men gelegenheid de voordrachten der beroemdste geleer-
den te hooren. Ook bleef men te Rome gemakkelijk op
de hoogte van het staatkundig en ander nieuws. Reeds
Caesar had dagelijks de handelingen van de rechtbanken,
de volksvergaderingen en verschillende besturen bij ge-
schrifte openbaar doen maken, weldra werden er mede-
deelingen aangaande geboorten, huwelijken, echtscheidin-
gen, aanzienlijke personen, feesten, schouwburgen, enz.
en somtijds verslagen van de vergaderingon vanden senaat
aan toegevoegd. De vele afschriften, die ervan werden
gemaakt, dienden niet alloen den inwoners der stad, maar
zelfs den bewoners der provinciën en den soldaten in de
legers tot nieuwsbladen.
Autoninus werd opgevolgd door zijnschoonzoonMarcus
Aurëlius, een wijsgeer, van wien nog een in \'t Gricksch
geschreven werk «Bespiegelingen over zich zei ven" tot ons
is gekomen. Zijn leer om streng jegens zich zei ven en
toegeeflijk jegens anderen te zijn, bracht hij voortdurend
in toepassing. Tijdons zijn regeering, die negentien jaar
duurde, werd het rijk gekweld door hongersnood, pest-
ziekten, aardbevingen, overstroomingen en oorlogen. De
Germanen waren begonnen zich tot groote volkcnverbon-
den te vereenigen, die een dreigende houding aannamen
tegen liet Roineinsche rijk. Een dier verbonden, dat der
Markomannen, waartoe o. a. de Langobarden, Vandalen
en Quaden behoorden, en dat ten Noorden van den Boven-
en den Middel-Donau gevestigd was, deed strooptochten
tot aan de Adriatischc Zee. Marcus Aurëlius trok tegen
hen op. Om den angst dor Romeinen voor de gevreesde
Germanen te temperen, volgde hij den raad, hem door
een waarzegger aan de hand gedaan, om twee leeuwen
-ocr page 604-
600
over den Donau te laten zwemmen. De Markomannen
zagen de leeuwen voor groote honden aan en sloegen hen
met knotsen dood. Aanvankelijk waren de Romeinsche
wapenen niet voorspoedig, maar toen Marcus Aurelius
over den Donau was getrokken, nadat de rivier dicht ge-
vroren was, behaalde hij een overwinning, waarna het
hem gelukte met verscheidene volken van liet verbond
der Markomannen afzonderlijke verdragen te sluiten. Zijn
tocht tegen de Markomannen werd evenals die van Traja-
nus tegen de Daciërs op een zuil vereeuwigd, die nog aan-
wezig is. Marcus Aurelius stierf te Vindobona (Weenen).
Gommodus. Alexander Severus.
Aurelianus.
De dood van Marcus Aurelius maakte een einde aan de
goede dagen van het Romeinsche rijk. De grensvolken
werden voortdurend machtiger en deden met steeds gun-
stiger gevolg invallen. De staande legers moesten daarom
versterkt worden, en terwijl dit gepaard ging met toene-
mende ontzenuwing van het eigenlijke Romeinsche volk,
moesten er voortdurend meer barbaren in dienst worden
genomen, waardoor de soldatcnheerschappij hand over hand
toenam. Marcus Aurelius werd opgevolgd door zijn zoon
Commódus, die wel uitmuntte als boogschutter en paard-
rijder, maar losbandig leefde en een afkeer had van alle
inspanning van den geest. Aanvankelijk scheen hij in de
voetstappen zijns vaders te willen treden, maar toen hij op
een avond uit het amphitheater naar zijnpaleisterugkeerde,
viel een sluipmoordenaar met getrokken zwaard en onder
het uiten der woorden : «Dit zendt u de senaat!" op hem
aan. De lijfwacht maakte zich van den boosdoener meester,
die spoedig bekende een huurling te zijn van eenige saam-
gezworenen, waaronder \'s keizers zuster Lucilla be-
hoorde. Ofschoon de saamgezworenen terstond ter dood
-ocr page 605-
601
veroordeeld en terechtgesteld werden, bleef Commodus in
de senatoren en andere aanzienlijken geheime vijanden
zien, die hem naar het leven stonden. Hij liet door spion-
nen hunne vertrouwelijke gesprekken beluisteren en wie
iets zeide, dat den keizer verdacht voorkwam, werd van
hoogverraad beschuldigd en ter dood gebracht. Van nu af
was Commodus een monster van wreedheid. Zijn grootste
genoegen was bloed te vergieten, de hoogste eer, waarnaar
hij streefde, de uitstckendste gladiator te zijn. Hij liet in
het amphitheater een gelegenheid maken, waar hij veilig
kon staan, en toen ten aanschouwen van het volk in het
strijdperk honderd leeuwen loslaten, die hij een voor een
met zijn pijlen doodde. Wat den gladiatoren aangaat, zagen
de Romeinen het liefst den strijd tusschen een secütor en
een retiarius. Nu trad Commodus in het strijdperk als se-
cütor om retiarii te bestrijden, die echter geheel ongekleed
en slechts met een loodendrietand gewapend waren. In dezen
ongelijken strijd doorstak Commodus menigen gladiator.
Slechts door de praetorianen was Comm<">dus erin geslaagd
zich zoolang staande te houden, maar toen hun aanvoerder
voor zijn eigen leven begon te vreezen, maakte hij een
samenzwering met andere personen uit \'s keizers omgeving,
en Commodus werd door hen vermoord. De senaat had
de dwingelandij van Commodus wel straffeloos geduld,
maar legde bij het vernemen van den moord evenals het
gansche volk de grootste vreugde aan den dag, en liet de
standbeelden des keizers verbrijzelen.
Gedurende de dertig jaren, die op den dood van Com-
modus volgden, werden achtereenvolgens vijf personen
door soldatengeweld op den troon gebracht en door moord
ervan verwijderd. Somtijds boden de krijgslieden den
troon aan den meestbiedende te koop aan, maar indien de
kooper het hun als keizer niet naar den zin maakte, stieten
zij hem neder.
Een betere tijd brak weder voor Rome aan, toen de
zeventienjarige AJexander Sevërus den troon beklom. Hij
-ocr page 606-
602
eerbiedigde de macht van den senaat en wilde een einde
maken aan do soldatenheerschappij. Aanvankelijk slaagde
hij hierin zoo weinig, dat de praetorianen hun bevelheb-
ber, die naar den wil des keizers de verloren krijgstucht
onder hen trachtte te herstellen, voor de voeten van den
ontstelden Severus vermoordden, en deze zich genoodzaakt
zag den voornaamsten oproermaker met het stadhouder-
schap over Egypte te bekleeden. Een oorlog stelde Seve-
rus in de gelegenheid de krijgslieden weder aan tucht te
gewennen.
De Parthische koning Artabanus IV was door zijn stad-
houder Artaxerxes, een Pers, van den troon gestooten.
Artaxerxes aanvaardde nu zelf de regeering, voerde de
zeden en den godsdienst der oude Perzen weder in, en
noemde het hervormde rijk het Xieuwperzische. Hij had
tot stelregel: «De macht van den vorst berust op het
«leger; het leger kan slechts in stand worden gehouden
«door liet heffen van belastingen; de belastingen drukken
«voornamelijk den landbouw; daarom moet de landbouw
«door een rechtvaardig bestuur tot bloei worden gebracht."
Hij streefde ernaar het Perzische rijk weder de uitgebreid-
heid te geven, die het onder de regeering van Darayavoes
(Darius I) had gehad en deed daarom den Romeinen, die
hij uit Azië wilde verdrijven, den oorlog aan. Alexander
Severus trok tegen hem op en belette hem zijn heerschap-
pij ten Westen van den Euphraat uit te breiden. Na het
eindigen van dezen oorlog trok Severus naar Germanië,
waar een nieuwe krijg hem wachtte. Nabij Mainz werd
hij door zijn troepen vermoord, die zijn meest vertrouw-
den veldheer, Maximïnus, een barbaar, tot keizer verhie-
ven. Gedurende vijf on dertig jaren beklommen tien ach-
tereenvolgende keizers den troon, en was het rijk weder
ten prooi aan allerlei woelingen. Daar de Romeinen de
steeds stouter wordende barbaren voortdurend met meer
kracht te keer moesten gaan, werd langzamerhand de
legerplaats de zetel der regeering. Het behoud van den
-ocr page 607-
603
staat hing van de veldheeren af, en dezen wezen vaak bij
onderlinge schikking aan, wie hunner den troon zou be-
zetten. In 270 werd Aurelianus, de zoon van een Illyri-
schen boer, door den stervenden keizer Glaudius II tot
diens opvolger aanbevolen, en het leger keurde die keuze
goed. Hij handhaafde een gestrenge krijgstucht, streed
zegevierend tegen de Germanen en zag zich toen genood-
zaakt den oorlog naar Azië over te brengen.
Odeiiathus, een der aanzienlijkste burgers van Palmyra,
het kruispunt van den karavaanhandel tusschen de Mid-
dellandscho Zee en de Perzische Golf, had zich tot beheer-
scher dier stad opgeworpen en zich van Syrië en een groot
gedeelte van Klein-Azië meester gemaakt. Hij werd door
een zijner bloedverwanten vermoord, en daarop greep zijn
schoone, bekwame gemalin Zenobia met krachtige hand
de teugels der regeering. Zij strafte den moordenaar van
haar gemaal, veroverde daarop Egypte en waagde toen
een aanval op de door haar gemaal nog niet onderworpen
deelen van Klein-Azië. In dezen tijd had Aurelianus juist
zijn veldtocht in Germanië ten einde gebracht, en nu
voerde hij zijn legioenen tegen Zenobia. Deze wordt ons
geschetst als een vrouw met een donkere gelaatskleur,
schitterend zwarte oogcn, tanden als paarlen, en een
krachtige welluidende stem. Aan haar hof heerschte
Oostersche pracht. Haar onderdanen bewezen haar de eer
der kniebuiging. Toch leefde zij ingetogen, en was zij rein
van zeden. In het openbaar verscheen zij met een helm
op \'t hoofd en gehuld in een purperen, met juweelen be-
zetten mantel. Als zij het leger aanvoerde, zat zij in
krijgsgewaad te paard of in een open wagen; somtijds legde
zij met de troepen vier of vijf uren te voet af. Jacht en
studie waren haar lievelingsbezigheden. Zij sprak Syrisch,
Egyptisch, Grieksch en, hoewel gebrekkig, Latijn. Laatst-
genoemde taal moesten haar zonen spreken.
Aurelianus versloeg Zenobia bij Antiochië en bij Emesa,
waarna hij haar in Palmyra belegerde. Zenobia verdedigde
-ocr page 608-
604
zich met mannenmoed, doch gebrek aan levensmiddelen
gebood baar den strijd te staken. Om niet in de handen
der Romeinen te vallen, besloot zij naar Perzië te vluch-
ten. Zij werd echter door krijgslieden van Aurelianus
achterhaald.
Na de vlucht van hunne koningin openden de bewoners
van Palmyra de poorten voor den keizer, die ben met een
zachtaardigheid behandelde, welke niet overeenstemde met
de hem eigene wreedheid. Hij verbood zijnen soldaten
aan de inwoners en de krijgslieden eenig leed te berok-
kenen. Zenobia verzaakte in haar gevangenschap de fier-
heid en standvastigheid, die haar vroeger hadden geken-
merkt. Om haar eigen leven te redden, beschuldigde zij
haar raadslieden van haar tot een harnekkige verdediging
te hebben aangezet, en hierop liet Aurelianus hen ter dood
brengen. Nu keerde Aurelianus, in de meening, dat Pal-
myra zich voor goed onderworpen had, naar Rome terug,
Zenobia met zich voerende. Maar eerlang kreeg hij tij-
ding, dat de Romeinsche bezetting te Palmyra was afge-
maakt en de stad zich weder vrij had verklaard. Hij
keerde terug, verwoestte Palmyra, liet het grootste ge-
deelte der inwoners nederhouwen, en verkocht de overi-
gen als slaven. Te Rome vierde Aurelianus een luisterrij-
ken triomf, die door Zenobia werd opgeluisterd, en daarna
wees hij haar een villa tot woonplaats aan, waar zij zich
met haar dochters vestigde. Kort daarna werd Aurelianus
door eenigen zijner onderbevolhebbers vermoord (275).
Gedurende de tien volgende jaren bestegen achtereenvol-
gens zes keizers den troon. Op een na werden zij allen
vermoord.
Diocletianus.
In het jaar 285 werd de Romeinsche troon beklommen
door Diocletianus, een Illyriër, wiens ouders slechts vrij-
gelatenen waren, doch die zich door zijn grooten verstan-
-ocr page 609-
605
delijken aanleg tot zulk een hoogen rang had weten te
verheffen. Daar de grenzen des rijks van alle zijden
voortdurend meor door de barbaren worden bedreigd, zag
hij in, dat het de krachten van één mensch te boven ging,
het gansche bestuur in handen te hebben. Hij nam daar-
om zijn landgenoot Maximianus tot mederegent aan en
schonk hom den titel Augustus, terwijl hij dezen den be-
schaafden Gonstantius Ghlorus, en zich zelven den krijgs-
haftigen Galerius als Caesar toevoegde. Diocletianus, die
het hoofd der regeering bleef, nam meer bepaald het be-
stuur over het oostelijk gedeelte des rijks op zich en koos
tot zijn residentie Nicomedië, aan den oostelijken oever
van de Zee van Marmora; Galerius bestuurde Grieken-
land, Macedonië en Ulyrië; Maximianus had het bewind
over Italië en Afrika en zijn zetel te Milaan, terwijl Con-
stantius Chlorus zich te Trier vestigde om Britannië, Gal-
lië en Spanje te besturen. Wel werd door deze regeling
de rust des rijks beter verzekerd, maar daar stond te-
genover, dat voor de vier hofhoudingen aan de ingezetenen
nieuwe en drukkende lasten werden opgelegd.
Diocletianus richtte zijn hofhouding geheel op Ooster-
sche wijze in en was gelukkig in zijn buitenlandsche oor-
logen en het dempen van opstanden, die fortuinzoekers,
zooals in Britannië, of het door ellende tot wanhoop ge-
brachte landvolk, zooals in Gallië, deden ontstaan. Met
bizondere hevigheid ging hij het Christendom te keer.
De eerste Christenen hadden overeenkomstig het gebod
van hun Heer als broeders geleefd. De Jeruzalemsche
Christenen hadden door liefde gedreven of in de verwach-
ting, dat Jezus zou wederkeeren om het koninkrijk Gods
op aarde te stichten, al hunne goederen tot gemeenschap-
pelijk gebruik afgestaan. In de door den apostel Paulus
onder de heidenon gestichte gemeenten had dit wel geen
plaats, maar werd onder de leden de meest mogelijke ge-
lijkheid gehandhaafd. Mannen en vrouwen, vrijen en
slaven, armen en rijken, hooggeplaatsten en geringcn be-
-ocr page 610-
606
schouwden elkander als kinderen van den Hemelschen
Vader. Deze leer maakte een diepen indruk op velen, die
ellende te verduren hadden door de willekeur der ambte-
naren, door de vooroordeelen van hun tijd, door de zware
lasten, die sommige keizers oplegden, of door de rampen,
die de aanhoudende oorlogen teweegbrachten, en niet min-
der op velen, die het geloof aan de oude goden hadden
verloren, on toch behoefte gevoelden aan de erkenning
van een opperwezen. Eer iemand onder de Christenen
kon worden opgenomen, moest hij zich daartoe gedurende
eenigen tijd voorbereiden. Zoolang zijn proeftijd duurde,
heette hij catechumeen. De leden eener gemeente kwa-
men in de woning van een hunner bijeen. Dan werd door
dezen of genen een gedeelte van een apostolisch geschrift
gelezen, een korte rede gehouden om tot standvastigheid
in het geloof op te wekken, een gebed uitgesproken, en
het geheel besloten met een liefdemaaltijd, die door de ge-
goeden bekostigd werd, maar waar rijken en armen zon-
der onderscheid aanzaten. Ter gedachtenis aan Jezus\'
dood werden, in navolging van zijn laatste avondmaal,
gebroken brood en een beker wijn rondgegeven. De meest
broederlijke gezindheid betoonden de Christenen niet
alleen aan de leden hunner eigene gemeente, maar ook
aan iederen vreemdeling, die de leer van Jezus beleed.
Aan het hoofd der gemeenten stonden opzieners of ouder-
lingen. Uit de Grieksche woorden episkopos (opziener) en
presbatï\'ros (ouderling) zijn de woorden bisschop en pries-
ter
ontstaan. De opzieners haddon bijna geen gezag; zij
werden door de gemeenteleden gekozen en bijgestaan door
diakenen, die met de verzorging van de armen belast waren.
Bij de snelle uitbreiding van het Christendom ging het
beginsel der gelijkheid weldra verloren. Er moest gezorgd
worden, dat de leer van Christus niet verbasterde, en nu
begon men de ouderlingen en opzieners als de opvolgers
der apostelen te beschouwen, als de personen, bij wie de
ware leer door overlevering bewaard bleef. Dientengevolge
-ocr page 611-
607
vormde zich een bizondere geestelijke stand uit de opzie-
ners en ouderlingen, die zich verheven achtten boven de
andere gemeenteleden (leeken), on allerwegen verrezen
afzonderlijke gebouwen voor den Christelijken eoredienst
(kerken). De priesters van het platteland kwamen in een
ondergeschikte betrekking tot den bisschop eener naburige
stad, en de bisschoppen van de hoofdsteden bekleedden
eerlang den hoogsten rang.
Het Christendom was aldus een staat in den staat ge-
worden, en daar de Christenen met hunne strenge zedelijke
beginselen zich niet konden verdragen met liet zedelooze
heidendom; daar zij het zich ten plicht rekenden zich af
te scheiden van hunne heidenscho medeburgers; daar zij
openlijk hun afkeer van de Romeinsche goden en gods-
dienstige gebruiken aan den dag legden, en daar zij zich,
overeenkomstig hunne beginselen, zooveel mogelijk aan
den krijgsdienst en het vervullen van staatsambten ont-
trokken, werden zij door verscheidene keizers als een
voor den staat gevaarlijke secte beschouwd. Behalve
Nero hadden o. a. Trajanus en Marcus Aurelius
vervolgingen tegen de Christenen ingesteld. De moed,
waarmede echter vele Christenen den marteldood on-
dergingen, deed menig heiden eerbied opvatten voor hunne
leer, en zoo werd het bloed der martelaren het zaad der
kerk.
Op voorstel van Galerius werd in het jaar 303 eene
vergadering van hooge staatsambtenaren en legeraan-
voerders te Nicomedië gehouden om te beraadslagen over
de houding, die do regeering tegenover de Christenen moest
aannemen. Men kwam tot het besluit om door hetgansche
rijk een algemeene vervolging tegen de Christenen in te
stellen, en onmiddellijk werd hunne kerk te Nicomedië
door keizerlijke troepen verwoest. De Christenen werden
onbevoegd verklaard staatsambten te vervullen, de bezit-
tingen hunner kerken werden aan den staat getrok-
ken, hunne heilige geschriften moesten worden uitgele-
-ocr page 612-
008
verd, op hot bijwonen eener godsdienstige bijeenkomst
werd de doodstraf gesteld, en den rechters werd opgedra-
gen, de Christenen door pijnigingen tot bekentenis te
brengen. Behalve in het gebied van Constantius Chlorus,
die met Christin HeKna, gehuwd was geweest, doch haar
verstooten had, en die de meest mogelijke gematigdheid in
acht nam bij de uitvoering der genomen besluiten, hadden
de Christenen vreeselijk te lijden.
Reeds twee jaren had de vervolging geduurd, toenDio-
cletianus met Maximianus overeenkwam hungezag op den-
zelfden dag neder te loggen on aan hunne Caesars over
te dragen. Toen dit geschied was, vestigde hij zich op een
prachtig buitenverblijf, dat hij in Dalmatië had laten bou-
wen op de plaats, waar thans de stad Spakto ligt. Hij hield
zich daar bezig met land- en tuinbouw, en toen Maximia-
nus hem eens bezocht en hem trachtte over te halen, de
teugels der regeering weder in handen te nemen, ant-
woordde hij: „Als gij de prachtige kooien zaagt, die ik
hier met eigen hand heb geplant, zoudt gij geen poging
doen, mij op mijn besluit terug te doen komen!"
Constantijn de Groote. Julianus de Afvallige.
Dioletianus moest het nog beleven, dat de door hem in-
gevoerde staatsregeling omver werd geworpen. Galerius
en Constantius Chlorus hadden zich ieder een caesar toe-
gevoegd, maar toen laatstgenoemde reeds in 300 te Ebo-
racum (York) in Britannië stierf, wilden zijn legioenen
zijn caesar niet erkennen, en riepen zij Constantijn, den
zoon van Constantius Chlorus en Hek-na, tot augustus
uit. Dientengevolge ontstond er een groote verwarring,
die niet weinig vermeerderd werd door de inwoners van
Rome, die, ontevreden dat zich geen augustus of caesar in
hunne stad had gevestigd, door den senaat Maxentius,
een zoon van Maximianus, tol augustus lieten uitroepen.
Constantijn, die naar de alleenheerschappij streefde,
-ocr page 613-
fi09
zocht de Christenen, wier aantal ondanks de vervolgingen
steeds was toegenomen, en die een geduchte macht in den
staat vormden, op zijn hand te krijgen. Daarom vaardig-
de hij een verdraagzaamheids-edict uit, waarbij hij ver-
klaarde, dat ofschoon zijn pogingen om de Christenen
van hunne dwalingen te overtuigen, schipbreuk hadden
geleden, hij hun toch, omdat zij anders van allo openbare
godsdienstoefeningen verstoken waren, toeliet, hunne leer
in hunne kerken te belijden, op voorwaarde, dat zij den
verschuldigden eerbied aan de wetten en aan de regee-
ring betoonden.
Maxentius, die zijn zetel te Romehad, beschouwde zich
als den eenigen gebieder des rijks. Hij besloot daarom
Constantijn aan te vallen, doch deze, die dit gewenscht
en voorzien had, trok met een voortreffelijk leger in Italië.
De overlevering verhaalt, dat Constantijn op dezen tocht
een wonderbare verschijning van het heilige kruis zag,
en daarbij de woorden vernam: ,,In dit teeken zult gij
overwinnen !" Hij liet daarom een purperen vaandel ver-
vaardigen met het kruis en de letters Ch en R, de begin-
letters van het woord Christus, erin. Zulk een vaandel
kreeg den naam laMrum, en werd nog in latere tijden
als do heilige vaanbeschouwd. Constantijn overwon Maxen-
tius, die sneuvelde, en was weldra alleenheerscher over
het westelijk gedeelte van het Romeinsche rijk. Hij nam
de Romeinen door een zachtmoedig gedrag voor zich in en
hief de praetoriaanschc benden op.
Het oostelijk gedeelte des rijks stond onder Licinius,
die zich vroeger met Constantijn verbonden, en diens ver-
draagzaamheids-edict goedgekeurd had, doch eerlang we-
der begonnen was, de Christenen te vervolgen. Eindelijk
brak de strijd om de alleenheerschappij over het gansche
rijk tusschen de twee keizers uit. De heidenen waren
op de hand van Licinius, de Christenen op die van Con-
stantijn .
Constantijn zegevierde, en nu hij zijn doel had bereikt,
39
-ocr page 614-
Ü10
werd hij dwingeland. Terstond vaardigde hij een edict
uit, waarbij hij verklaarde, dat er samenzweringen be-
stonden tegen zijn persoon en zijn regeering, en hij dus
ieder aanspoorde verdachte personen aan te klagen. Eer-
ambten en geldsommen zouden het loon der aanbrengers
zijn. Volen werden nu aangeklaagd en ter dood gebracht:
onder dezen de oudste zoon van Constantijn.
De alleenhoerscher vestigde zijn zetel te Byzantium
(Constantinopel), waar hij zijn hofhouding op de meest
schitterende wijze inrichtte. Om het rijk te besturen, ver-
deelde hij het in vier praefecturen. Iedere praefectuur in
een aantal diocesen en ieder diocees in een aantal provin-
ciën. Rome kreeg een afzonderlijken stadspraefect. De
praefecten werden evenals de bestuurders der diocesen en
provinciën door den keizer aangesteld en waren alleen met
het burgerlijk bestuur belast.
Ofschoon Constantijn de hooge belrekking van opper-
priester bleef beklecden, en eerst kort voor zijn dood den
Christendoop onderging, liet hij zijn kinderen in do Chris-
telijke leer opvoeden, en voerde hij het gebruik der week
van zeven dagen in het Romeinschc rijk in, met het voor-
schrift, dat de eerste dag der week in \'t bizonder aan de
godsdienstoefening zou worden gewijd. Evenals in den
staat, achtte Constantijn in de kerk een despotisch bestuur
wenschclijk. Met dat doel schonk hij aan do bisschoppen
grootere voorrechten. De geestelijken kregen een bezol-
diging uit de schatkist, on de kerk het recht, goederen te
bezitten en erfenissen te aanvaarden, ten gevolge waar-
van, na verloop van ccne halve eeuw, ongeveer een tiende
gedeelte van den grond aan de geestelijkheid behoorde.
Niet weinig klom ook de invloed der geestelijken, dewijl
hun het toezicht op het onderwijs werd toevertrouwd. Al-
lerwegen verrezen prachtige kerkgebouwen; de eeredienst
werd opgeluisterd door een schitterende priesterkleeding,
het branden van wierook en het ontsteken van tallooze-
waskaarsen, en men werkte op de verbeelding der geloo-
-ocr page 615-
(il 1
vigen door het verzamelen en vertoonen van reliqiiiè\'n,
bestaande in kleederen, beenderen, bloed, asch, enz. van
martelaren of andere als heilig geachte personen.
De twisten over leerstellingen, die sedert den aposto-
lischen tijd onder do Christenen hadden beslaan, namen in
hevigheid toe nu het Christendom staatsgodsdienst was ge-
worden. Een groote opschudding bracht een twist tus-
schen twee gecslelijken te Alexandrië teweeg. Daar leerde
de presbyter Anus, dat Jezus wel hoog verheven was bo-
ven de menschen, docli niet hetzelfde wezen was als God.
Zijn bisschop Alexander beweerde, dat God en Jezus het-
zelfde wezen waren. De gansche Oostersche geestelijk-
heid geraakte door dezen twist verdeeld, en eindelijk
maakte bisschop Alexander van zijn macht gebruik om
Anus als ketter buiten de kerkelijke gemeenschap te slui-
ten. Constantijn wenschte de twee partijen te verzoenen
en riep met dat doel al de bisschoppen des rijks tot het
eerste oecumenische of algemeene concilie te >sicaea bijeen
(325). Op staatskosten begaven zich een driehonderdtal
bisschoppen naar die stad. Constantijn, ofschoonnogsteeds
heidensch opperpriester en ongedoopt, was niet alleen
tegenwoordig, maar nam zelfs deel aan de beraads]a-
gingen, en nu werd er een geloofsbelijdenis opgesteld, die
de leerstellingen van Arlus veroordeelde. De Arianen wer-
den nu in den ban gedaan, maar zaten daarom niet stil.
Het gelukte hun na driejaren Constantijn te overtuigen,
dat zij gelijk hadden, waarop zij van den ban ontheven
werden en bisschop Athanasius, de opvolger van Alexan-
der, op zijn beurt uit de kerk word gebannen. Do leer
van Anus was nu de staatsgodsdienst. De aanhangers van
Athanasius en de heidenen hadden vervolgingen te lijden.
De dood van Constantijn gaf opnieuw aanleiding tot be-
roering en burgeroorlog, totdat eindelijk zijn zoon Con-
slantius erin slaagde, weder allecnheerscher overliet gan-
sche rijk te worden. Daar de grenzen van den uitgebrei-
den staat weder zeer verontrust werden, besloot Constan-
-ocr page 616-
612
tius zelf legen de Porzen op te trekken, en zond hij zijn
neef Julianus naar Gallië.
Julianus was ver van liet hof door Christen-geestelijken
opgevoed, die hem onderwijs gaven in de kerkleer en hem
steeds aandreven te vasten, te hidden en offergaven te
brengen aan de graven der martelaren. Zij beoogden
Gevecht tusschen Romeinen en Germanen.
hiermede, hem tot een waar Christen en een getrouw on-
derdaan te maken. Daar zijn leermeesters zijn onderzoe-
kendon geest niet konden bevredigen, en hij er bovendien
getuige van was, dat men spionnen bezigde om ketters op
te sporen, die dan gepijnigd en ter dood gebracht werden,
-ocr page 617-
613
vatte hij een afkeer op van het Christendom. Die ongun-
stige stemming nam nog toe, toen hij op lateren leeftijd
gelegenheid had de lessen der heidensche wijsgeeren te
Athene te volgen.
Ofschoon Julianus tot nu toe zijn tijd aan de beoefening
der letteren en der wijsbegeerte had gewijd, toonde hij zich
een voortreffelijk veldheer en bestuurder. Hij won hier-
door de liefde van zijn soldaten en van de Galliërs, maar
dit juist maakte hem gevaarlijk in de oogen van Constan-
tius, die zich door zijn onmenschelijkc wreedheid meer
en meer gehaat maakte. Deze durfde het niet wagen hem
onverwijld terug te roepen, en besloot daarom, op raad
zijner hovelingen, eerst de hem getrouwe legioenen van
hem te vervreemden. Hij vaardigde het bevel uit, dat een
gedeelte der troepen, die in Gallië stonden, naar het Oos-
ten verplaatst moest worden. Dit bevel verwekte de groot-
ste ontevredenheid bij de soldaten in en om Parijs, waar
Julianus zijn verblijf hield. Zij besloten hun geliefden veld-
heer tot keizer uit te roepen, en volvoerden hun plan on-
danks al de pogingen, die hij aanwendde om hen van hun
voornemen af te brengen. Eer het tot een strijd kwam,
stierf Constantius, en Julianus werd als keizer erkend.
Terstond verklaarde hij openlijk zijn heil in de onsterfelijke
goden te stellen, en deze afval van het Christendom, die
hem den bijnaam van den Afvalligen (apostüta)heett doen
geven, was voor velen, die slechts met het oog op hun
voordeel of de gunst der vorige keizers tot het Christen-
dom waren overgegaan, het sein tot het heidendom terug
te keeren.
Zoodra Julianus zijn intrek had genomen in het keizer-
lijk paleis te Constantinopel, ontbood hij een barbier. Ter-
stond werd een schitterend gekleed heer bij hem binnen-
gelaten, waarop Julianus eenigszins ongeduldig uitriep:
,,Ik heb om een barbier gevraagd, niet om den beheerder
der geldmiddelen!" De rijk gekleede heer verklaarde, do
keizerlijke barbier in eigen persoon te zijn. Uit een onder-
-ocr page 618-
614
zoek, dat Julianus hierop instelde, bleek hem, dat de bar-
bier een inkomen genoot, dat hem in staat stelde twintig
bedienden en evenveel paarden te houden, dat het aantal
barbiers, koks, schenkers en andere bedienden, aan de
keizerlijke hofhouding verbonden, verscheidene duizenden
beliep, dat bet anderhoud van den keizerlijken hofstoet
moer bedroog dan het onderhoud van het leger. Julianus
gaf aan al de dienaren, op enkele uitzonderingen na, on-
middellijk hun ontslag en richtte zijn hofhouding op een
overdreven eenvoudige wijze in. Hij verbood, dat men zich
in zijn paleis blankotte, en pruiken, armbanden en bals-
snoeren droeg.
Julianus logde een ongeëvenaarde werkzaamheid aan
den dag: geen oogenblik wijdde hij aan uitspanningen. Hij
trachtte met gematigdheid en rechtvaardigheid te regeeren
en toonde den grootsten eerbied voor de wet. Toen hij
eens een slaaf vrijverklaarde en men hem opmerkzaam
maakte, dat hij hierdoor inbreuk had gemaakt op de macht
der consuls, veroordeelde hij zich zei ven wegens deze wets-
overtreding tot een boete van tien pond goud. Dewijl
volgens zijn meening het Christendom het vrije denken
verbood, dreef hij er den spot mede, en betuigde hij on-
verholen zijn eerbied voor den ouden staatsgodsdienst. Hij
meende zelfs mot do goden in betrekking te staan, dewijl
zij al zijn droomen verwezenlijkt hadden, en onder-
zocht angstvallig de ingewanden der offerdieren, om den
wil der goden en do toekomst te leercn kennen. Groote
schatten besteedde hij aan het bouwen van tempels en het
beloonen van hoidensclie priesters en waarzeggers. Hij be-
val, dat alle geloofsvervolging, ook van de Christenen on-
derling, moest gestaakt worden, en verbood aan Christen-
geestelijken als leeraar dor redekunst en der taalkunde op
te treden, omdat menschen, voor wie een blind geloof de
hoogste wet was, niet geschikt waren voor de beoefening
der wetenschap. De Christenen waren over deze besluiten
zeer ontevreden en toonden dit somtijds door heidonsche
-ocr page 619-
Oio
tempels te vernielen, waarvoor Juliaan hen dan weder
strafte.
Toen do Perzische koning Sapor, die de Romeinen met
voordeel had bestreden, vernomen had, dat Constantius
was opgevolgd door een keizer, die getoond had een goed
veldheer te zijn, zond hij Julianus een gezantschap om den
vrede mei de Romeinen te herstellen. Julianus wilde ech-
ter geen vrede sluiten. Hij bracht een groot leger op de
been, en liet aan de Perzische grens eene vloot van 1100
rivierschepen bouwen om den Euphraat te bewaren en de
levensmiddelen mede te voeren. Nu trok hij op. Zijn rech-
ter vleugel gedekt door de rivier, de linker door zijn tal-
rijke ruiterij. Na eonige sterke plaatsen veroverd te heb-
ben, was zijn doel Ktesiphon te vermeesteren, maar daar-
toe moest zijn vloot met de zware belegeringswerktuigen
in de Tigris worden gebracht. De kanalen, die dit in vroe-
ger eeuwen mogelijk hadden gemaakt, waren onder de
heerschappij der Parthen en der Perzen door aanslibbing
onbevaarbaar geworden. Julianus liet ze door zijn solda-
ten weder uitdiepen in \'t gezicht des vijands, die telkens
als hij weerstand zocht te bieden, verslagen werd. Vervol-
gens liet hij in de Euphraat een dam leggen, waardoor
het water dezer rivier gedwongen werd in \'t kanaal te
stroomen en weldra zagen de bewoners van Ktesiphon de
vloot in de Tigris verschijnen. Toen het leger over de ri-
vier was gezet, ondervond het een geduchtcn tegenstand
van de Perzen, die den strijd twaalf uren vol hielden,
maar toen genoodzaakt waren binnen de muren van Kte-
siphon te wijken.
Julianus had erop gerekend, dat de 18.000 man, die
hij onder Procopius, in \'t Noorden van Mesopotamië had
achtergelaten, zich thans bij hem zouden aansluiten. Zij
verschenen niet, en daar hij de 40,000 man, over welke
hij nog te beschikken had, onvoldoende rekende om het
sterke, ruim van garnizoen voorzien Ktesiphon to vero-
veren, besloot Julianus tot den terugtocht. Dewijl zijn vloot
-ocr page 620-
016
nist tegen den stroom op kon roeien, liet hij haar ver-
branden op twaalf schepen na, die op wagens vervoerd
zouden worden om, waar het noodig was, een schipbrug
te slaan. Toen de terugtocht begonnen was, werd nu eens
de voorhoede, dan weder de achterhoede door de Perzen
aangevallen. Waren zij teruggeslagen, dan haastte ieder
Romein zich om de in de zomerhitte zoo hinderlijke wa-
penrusting af te leggen. Eens dat dit weder plaats had,
hernieuwden de Perzen onverwachts den aanval. Julia-
nus, die altijd te vinden was op de meest bedreigde pun-
ten, gunt zich den tijd niet zijn wapenrusting aan te gor-
den. Zonder te letten op de snorrende pijlen of do waar-
schuwingen zijner omgeving, stormt hij op den vijand in
en brengt hem aan \'t wijken. Daar wordt hij door een
werpspiets doorboord en stervend van het slagveld gedra-
gen. Hij was toen een en dertig jaar oud en had nog geen
twee jaar geregeerd. Zijn laatste woorden waren : „Het is
misschien wat te vroeg. Jongte sterven is somtijds een gunst
van de goden. Ik kan het doen met een gerust geweten.
De wijsbegeerte heeft mij do meerderheid van den geest
boven het lichaam geleerd. Ik heb de vaste hoop mijn te-
genwoordigen toestand voor een beteren te verwisselen.
Waarom zou ik mij dan bedroeven in plaats van mij te
verheugen!"
De Romeinen sloegen nogmaals den vijand af, maar
weldra zagen zij zich door gebrek aan levensmiddelen ge-
dwongen met Sapor te onderhandelen, die hen rustig liet
aftrekken tegen teruggave van het door Julianus verover-
de (363).
Zeven jaren vroeger was in den ouderdom van honderd
vijf jaar de heilige Antonius overleden, die, door vroom-
heid gedreven, zijn bezittingen onder de armen had ver-
deeld en zich toen in de woestijn, niet ver van Thebo in
Egypte, vestigde om zijn verdere leven met gebeden door
te brengen. Zijn voorbeeld vond navolging, en hij liet
toe, dat eenige personen zich bij hem kwamen vestigen
-ocr page 621-
617
om onder zijn leiding boete te doen voor hunne zonden.
Hierdoor legde hij den grond tot het kloosterleven. Zijn
leerling Pachomuis, stichtte het eerste monnikenklooster
op een eiland in den Nijl. Weldra nam het aantal kloos-
ters toe, en verrezen er ook nonnenkloosters. Terwijl de
kloosterlingen gemeenschappelijk volgens vaste regels leef-
den, meenden de kluizenaars of anachoreten nog heiliger
leven te leiden, door steeds in de eenzaamheid te verkee-
ren en zich het lichaam door onthouding, door het torsen
van zware ketenen, enz. te pijnigen.
Valontinianus I en Valens. Theodosius.
Do veldheeren kozen na den dood van Julianus dendap-
peren Valcntinténus I tot keizer. Deze nam zijn broeder
Valens tot mederegent aan en schonk hem hot bestuur
over het Oosten, terwijl hij zelf het Westen regeerde. Va-
lens was Ariaan en vervolgde de andersdenkende Christe-
nen. Valontinianus was Athanasiaan of katholiek, doch
toonde zich verdraagzaam jegens alle Christensecten. Bei-
den vervolgden echter met hevigheid de toovenaars, waar-
aan toen zoowel Christenen als heidenen geloofden. De
aanklagers werden beloond en de aangeklaagden door pij-
niging tot de bekentenis van alle mogelijke dwaasheden
gebracht en daarna gedood.
De talentvolle Valentinianus I stierf in 375, en toen
begon de groote volksverhuizing. In het vorige jaar was
een ontzettende zwerm Mongolen, bekend onder den naam
van Hunnen, in Europa gevallen. De Hunnen worden be-
schreven als van een afzichtelijk uiterlijk. Hunne wangen
zaten vol litteekens, ten gevolge van de sneden, hun in
hunne jeugd toegebracht om het groeien van den baard
tegen te gaan. Ieder van hen bezat slechts één kleed van
linnen of van een dierenhuid, dat gedragen werd tot het
aan lompen aan \'t lichaam hing. Wegens hun slecht schoei-
sel gingen zij moeilijk te voet, maar op hunne leelijke,
-ocr page 622-
618
doch onvermoeide paarden zaten zij als vastgegroeid: zelfs
bij hunne vergaderingen en het verrichten van allerlei
bezigheden, zooals eten en drinken, koopen en verkoopen
zaten zij te paard. Vuur gebruikten zij niet, want worte-
len en kruiden aten zij rauw, evenals het vleesch van
allerlei dieren, dat zij onder den zadel murw reden.
De Hunnen kwamen langs den noordelijken oever der
Kaspische Zee in Europa en stielen op de Alanen, die
overwonnen werden en zich toen bij hen aansloten. Nu
werden de Oost-Goten overwonnen, en daarna vielen de
Hunnen op de West-Goten aan, waarvan een gedeelte
door den omgang met de Oost-Romeinen eenige meerdere
beschaving had gekregen on tot het Christendom was be-
keerd. Hun bisschop Ulfilas, die met zijn ouders door de
Goten op een strooptocht uit Cappadocië was medegevoerd,
had een eigen alphabet voor de Goten vervaardigd en
den bijbel in het Gotisch vertaald. De heidensche Goten
vluchtten naar Zevenburgen, doch de tot het Christendom
bekeerde zonden Ulfilas naar keizer Valens, die hun toe-
liet met behulp van vlotten en schuiten, hun door de Ro-
meinen verstrekt, over den Donau te komen, onder voor-
waarde, dat zij hunne wapenen achterlieten en voor alles.
wat zij noodig hadden, betaalden. Het was zeer moeilijk
genoeg levensmiddelen voor de West-Goten, die ongeveer
een millioen menschen uitmaakten, te doen aanvoeren,
maar de Romeinsche ambtenaren maakten er ook weinig
werk van. De prijs der levensmiddelen steeg zóó hoog,
— voor een brood moest b.v. een slaaf, voor een dooden
hond een kind betaald worden, — dat de West-Goten,
bovendien nog op andere wijzen door de Romeinen ge-
kweld, naar do wapenen grepen, die zij in strijd met het
verdrag hadden medegebracht. Op het gerucht daarvan
sloten zich ook Oost-Goten bij hen aan, en nu trok men
op naar Constantinopel. Keizer Valens ging de indringers
met een leger te gemoet. Bij Adrianopel werd hij beslis-
send geslagen. Daar hij ten gevolge eener bekomen wonde
-ocr page 623-
619
slechts langzaam kon vluchten, zocht hij een schuilplaats
in een hut. De Goten achterhaalden hem. De lijfwacht
verdedigde haar keizer met zulk een heldenmoed, dat de
Goten geen kans zagen, zich van den keizer meester te
maken. Toen staken zij de hut in den brand, en Valens
kwam in de vlammen om.
Gratiauus, die Valentinianus I als augustus in het "Wes-
ten was opgevolgd, stelde den bekwamen veldheer Tlieo-
dosius als opvolger van Valens aan. De moeilijke taak om
de Goten tot onderwerping te brengen, werd door Tlieo-
dosius gedurende de eerste zeven jaren zijner regeering
tot een gelukkig einde gebracht. Hij wist de Gotische aan-
voerders den een na den ander verdragen met hem te doen
sluiten, en stond daarbij den Goten woonplaatsen in
Thracië af, waartegen dezen het Romeinsche leger met
40,000 man versterkten.
Theodosius, die zeer vroom was, riep in 381 te Con-
stantinopel een tweede oecumenisch concilie bijeen, dat
opnieuw een geloofsleer vaststelde, en daarna richtte bij
een geloofsrechtbank op om de aanklachten van ketterij
te beoordeelen. De kerken der Arianen werden gesloten
en de kettersche bisschoppen afgezet.
Toen bij een opstand te Thessalonïca eenige keizerlijke
ambtenaren waren omgebracht, gaf Theodosius, die op-
vliegend van aard was, onmiddellijk last, dat de inwoners
in zijn naam tot een feest in den circus zouden worden
uitgcnoodigd, om, zoodra zij daar vergaderd waren, door
een afdeeling Gotische troepen te worden afgemaakt.
Duizenden Thessalonicensen verloren daardoor het leven.
Toen Theodosius het bericht ontving, dat zijn bevel was
uitgevoerd, gevoelde hij diep berouw erover, het gegeven
te hebben. Hij bevond zich toen juist te Milaan, en begaf
zich naar de kerk, maar aan den ingang kwam de invloed-
rijke aartsbisschop Ambrösius hem te gemoet, en verbood
hem aan de godsdienstplechtigheid doel te nemen, eer hij
zich wegens zijn wreede daad met God had verzoend.
-ocr page 624-
620
Theodosius onderwierp zich aan de uitspraak van den
aartsbisschop, deed openlijk boete en werd na acht maan-
den weder in de kerkelijke gemeenschap opgenomen.
Terwijl Theodosius het Oosten des rijks bestuurde, had-
den in het Westen telkens woelingen om den troon plaats.
Hij besloot daaraan met geweld van wapenen een einde te
maken, doch eer hij ten strijde trok, wenschte hij den wil
des Hemels te loeren kennen. Vele Christenen geloofden
in die dagen, dat sommige personen, die een in hun oog
heilig leven leidden, zoozeer door den Heiligen Geest wer-
den voorgelicht, dat zij de toekomst konden voorspellen.
Zulk een heilig man was Simon, bijgenaamd Slijlites,
pilaarheilige, die van steenen een 20 M. hooge zuil bouw-
de, op welke hij zonder eenigo bedekking do laatste dertig
jaren zijns levens met bidden en het aannemen van allerlei
kwellende lichaamshoudingen doorbracht. Een ander was
de kluizenaar Johannes, die zich op een heuveltop een
kluis had gebouwd, welke hij gedurende vijftig jaar niet
verliet. Vijf dagen in de week wijdde hij uitsluitend aan
het gebed, maar op Zaterdag en Zondag beantwoordde hij
door een opening zijner kluis de vragen der personen, die
uit alle oorden der Christenheid tot hem kwamen. Hij
voedde zich evenals Simon met hetgeen weldadige men-
schen hem nu en dan toereikten. Naar dezen Johannes
zond Theodosius een vertrouweling om van hem te verne-
men, hoc de uitslag der onderneming zou zijn. Het ant-
woord luidde, dat Theodosius ten koste van veel bloed zijn
doel zou bereiken. Do voorspelling werd bewaarheid en
Theodosius bleef tot zijn dood (395) alleenheerscher over
het geheele Romeinsche rijk.
Arcadius en Honorius.
Volgens den wil van Theodosius volgden zijn beide
zonen hem op: de zeventienjarige Arcadius in het Oosten,
de elfjarige Honorius in het Westen. Daar beiden nog
-ocr page 625-
021
jong waren, werd het bestuur over liet Qosten voorloopig
opgedragen aan den Galliër Ruftnus, dat over het Westen
aan den bekwamen Vandaal Stilico.
Spoedig na den dood van Theodosius slaken de "West-
Goten het hoofd weder op, en trokken zij plunderend
door Macedonië en Thessalië. Tc midden van de hierdoor
ontstane verwarring werd Ruftnus met medeweten van
Stilico vermoord; toch slaagde Arcadius erin, een verdrag
met de Goten te sluiten, die hierop onder aanvoering van
Abrik in Italië vielen, en liet Po-dal plunderden. Om hen
te keer te gaan moest Stilico de troepen uit Brittannië en
uit Gallië ontbieden, en toen liet hem gelukt was de Goten
te verdrijven, hield hij met Honorius een triomftocht in
Rome, die als van ouds door gladiatorenspelen werd opge-
luisterd. Het was voor het laatst, dat de gladiatoren el-
kander tot vermaak van \'t volk ombrachten, want docr den
invloed van de Christen-geestelijken word dit barbaarsch
gebruik afgeschaft.
Ondertusschen drongen verschillende Germaansche
volksstammen, zooals de Vandalen, de Sneven, de Alanen
en de Bourgondiërs Gallië binnen. Laatstgenoemden
stichtten in het Oosten van dat land tusschen de Middel-
landsche Zee en de Vogesen het Bourgondische rijk. Daar
Stilico niet in staat was geweest do Germanen uit Gallië
te keeren, slaagden zijn vijanden erin, hem bij Honorius
in verdenking te brengen en deze zwakke vorst liet den
cenigen man, door wien hij zich nog kon staande houden,
vermoorden. Honorius luisterde naar den raad van zijn
nieuwen gunsteling Olympius om steun te zoeken bij de
geestelijkheid en vaardigde allerlei besluiten te haren voor-
deele uit. Volgens een dezer besluiten mocht geen Ariaan
een staatsambt, zelfs niet dat van legerhoofd vervullen, en
werd den overheden gelast, ketters te vervolgen. De Gcten
waren Ariaansch en de vele duizenden hunner, die in de
Romeinsche legers dienden, verlieten ontevreden hunne
adelaars en sloten zich aan bij Alarik, die een nieuwen in-
-ocr page 626-
022
val in Italië deed. Honorius had geen leger om de Golea
tegen te honden en sloot zich op in hot sterke Ravenna.
Roovend en plunderend trok Alarik op Rome aan, dat hij
insloot. De stad telde te dien tijde ongeveer een millioen
inwoners en zou dus wel in staat zijn geweest den Goten
het hoofd te hieden, indien bij do Romeinen do geestkracht
en de heldenmoed hunner voorouders nog had bestaan,
maar de rijken waren door de weelde, de armen door het
leegloopen en het leven ten koste van de gegoeden geheel
ontzenuwd. Toen er gebrek in de stad begon te heersenen,
zond de senaat aan Alarik een gezantschap om hem te
verklaren, dat, indien hij geen eervol verdrag met hen
sloot, de inwoners, wier aantal ontelbaar was, voornemens
waren hem niet den moed der wanhoop aan te vallen.
Deze pochende verklaring beantwoordde Alarik met de
woorden: »Hoe dichter het gras, hoc lichter het maaien."
Dit antwoord stemde den toon der gezanten heel wat laarer,
en toen zij Alrtrik vraagden, voor welken prijs hij het beleg
zou willen opbreken, gaf hij tenantwoord: ?,Vooraluwe
kostbaarheden en al uwe slaven, die aanspraak hebben op
den naam barbaar." De koning der Goten stelde zich
later tevreden met 2,000 KG. goud, 12.000 KG. zilver,
4000 zijden gewaden, 3000 vellen rood gciteleder en
1,200 KG. peper. Om dit alles bijeen te brengen moesten
zelfs de gouden en zilveren tempelbeelden gesmolten wor-
den; onder deze bevond zich ook dat van de Virtns, den
heldenmoed, eens de hoogste Romeinsche deugd. Toen
Alarik aftrok, sloten zich 40,000 slaven bij hem aan. Nu
bood hij Honorius vrede en vriendschap aan op voorwaar-
de, dat deze hem tot veldheer benoemde en een jaarlijksch
inkomen gaf. De keizer sloeg dit aanbod verachtelijk van
de hand, en Alarik was daarover zoo gebelgd, dat hij ten
tweeden male op Rome aantrok, de stad innam en haar
ter plundering aan zijn soldaten overgaf. De Christen-
kerken spaarde hij echter. Van Rome trok hij naar Re-
neden-Italië, waar de dood hem overviel. De Goten lie-
-ocr page 627-
G23
ten door krijgsgevaiigonen een klein kanaal graven om
liet riviertje Busento nabij Cosentia af te leiden, begroeven
hun grootcn koning met vele kostbaarheden in de droog-
gemaakte bedding, en toon aan het water zijn gewonen
loop was hergeven, doodden zij de arbeiders, opdat nie-
mand do plaats zou kunnen aanwijzen, waar Alarik begra-
ven lag. Zij kozen zijn zwager Athaulf tot koning. Deze
voerde hen naar het Zuiden van Frankrijk en maakte
Tolosa (Toulouse) tot den zetel van het Wcstgotische rijk.
Van hier uit vielen zijn in Spanje, waarheen de Alanen,
Vandalen en Sueven zich reeds hadden begeven. De Alanen
werden bijna geheel uitgeroeid, en de Sueven naar het
"Westen, de Vandalen naar het Zuiden van het schiereiland
gedrongen.
Na den dood van Honorius hadden er nieuwe woelingen
plaats, totdat zijn neef Valcntinianus III den troon be-
klom. Do jeugdige keizer stond geheel onder den invloed
van zijn moeder Placidia, die haar steun vond in den
bekwamen veldheer Aëtius. Door zijn toedoen ontsloeg
Placidia den stadhouder van Afrika, Bonifacius, die, om
zich staande te kunnen houden, de hulp der Vandalen in-
riep. Gcnsêrik, hun koning, een talentvol maar wreed
man, kwam met een aanzienlijk leger in Afrika, plunderde
er op een gruwelijke wijze en stichtte er daarna een
heerschappij, zoodat het Romoinsche rijk ook van de pro-
vincie Afrika was beroofd.
Attila.
Toen de Hunnen bij hunne komst in Europa de Goten
verdreven hadden, vestigden zij zich aan de noordelijke
oevers der Zwarte Zee. Zij begonnen zich in verschillende
stammen te verdeelen, wier opperhoofden vaak in strijd
met elkander leefden, en door dit gemis aan eenheid ver-
dween de macht, waardoor zij zich bij hun eerste optreden
-ocr page 628-
024
zoo geducht haddon gemaakt. Het Oost-romeinschc rijk had
echter nog zooveel van hunne plundertochten te lijden,
dat Theodosius II, de opvolger van Arcadius, zich verplicht
zag aan een hunner opperhoofden, Rugilas, schatting te
betalen. Rugilas werd opgevolgd door zijn neven Attila
en Bleda. Attila vermoordde Bleda en wist niet alleen
door de grootc kracht, die in zijn onooglijk lichaam huisde,
en door buitengewoon verstand, maar ook door middel
van het heerschende bijgeloof de Hunnen in den waan te
brengen, dat hij onoverwinnelijk was, en hen onder zijn
heerschappij te vereenigen. Eens zag een Hun, die zijn
schapen weidde, een zwaardpunt uit den grond steken.
Toen het wapen opgegraven en aan Attila ter hand gesteld
was, verklaarde hij, dat het den krijgsgod toebehoorde
en deze het hem bad toegezonden als een bewijs, dat hem
de wereldheerschappij toekwam. Sedert liet Attila ter
ecre van dat zwaard, bij plechtige gelegenheden schapen,
paarden en zelfs krijgsgevangenon offeren. De Sarmaten,
de Slaven on eonige Germanen erkenden hem vrijwillig
als hun opperheer. Do zwakke Theodosius II moest hom
steeds moor schatting opbrengen, on als hij het een enke-
len keer waagde aan de eischen van Attila niet te voldoen,
nam deze geducht wraak. Zoo viel hij met zijn Hunnen
in de jaren 416 en 447 in het Oostromeinsche rijk, plun-
derde en verwoestte er zeventig steden, en zou op Con-
stantinopel zijn aangetrokken, indien de keizer den vrede
niet van hom had gekocht.
Attila had zijn residentie, opgeslagen in de vlakte tus-
schen de Donau on de Tlioiss. Zijn paleis was evenals
dat zijner onderbevelhebbers van hout, doch er heersehto
in dio woningen een groote, hoewel smakclooze pracht.
De aanzienlijke Hunnen droegen bonte, rijk versierde
kleedercn. Zelfs hun schoeisel was met goud en edelge-
steenten getooid. De meeste pracht spreidden zij aan de
zadels en de tuigen hunner paarden ten toon. De talrijke
vrouwen van Attila hadden allen binnen den omtrek van
-ocr page 629-
625
zijn paleis eigene woningen, die met houten pilaren, keu-
rig snijwerk, sierlijke tapijten, zachte rustbanken, gouden
en zilveren vaatwerk prijkten. En te midden van al die
pracht, bewoog zich de gevreesde Attila in een eenvoudige
kleeding, zonder sieraad aan zadel of paardetuig. In zijn
paleis zat hij op een houten zetel, gebruikte hij houten
drinkbekers en schotels, en at hij slechts vleesch, dewijl
hij brood als weelderige spijs versmaadde.
In het jaar 451 trok Attila met ruim een half millioen
strijders naar Gallië op. Alles moest voor hem bukken,
tot hij de stad Orleans bereikte, die hem een dapperen
tegenstand bood. Vruchteloos liet hij de stad bestormen,
hij moest er zich toe bepalen haar in te sluiten en door
den honger tot de overgave te dwingen. Ondertusschen
had de Romein Aëtius al zijn krachten ingespannen om
een groot leger op de been te brengen en zich met dat doel
verbonden met legerafdeelingen van de West-Goten,
Alanen, Franken, Saksers, enz. Reeds begonnen de door
gebrek uitgeputte inwoners van Orleans van de overgave
der stad te spreken, toen Aëtius tot ontzet kwam opdagen.
Attila, die een beslissenden slag wilde leveren in een
groote vlakte, waar hij zijn troepen beter ontwikkelen,
en zijn talrijke ruiterij op alle punten van het slagveld
gebruiken kon, brak het beleg op, en trok naar de Cata-
launische vlakte (Chalons sur Marne). Aëtius volgde
hem op den voet, en weldra stonden de legers in slag-
orde tegenover elkander. Aëtius had de dappere West-
Goten onder hun bekwamen koning Theodörik op den
rechtervleugel geplaatst. Hij zelf bevond zich op den lin-
kervleugel, en in het centrum stonden de Alanen, in wie
hij minder vertrouwen stelde. Alarik plaatste zijn Oost-
Goten tegenover hunne stamgenooten, de West-Gothen,
en de Gepïden tegenover de Romeinen, terwijl hij zelf met
zijn Hunnen het centrum uitmaakte. De beide legers
waren door een kleine heuvelkling gescheiden. Plotseling
trokken de West-Gothen voorwaarts en bezetten zij de
40
-ocr page 630-
620
hoogten. De Oost-Goten vielen hen aan om hen terug
te drijven, docli zonder gevolg. Langs de geheele linie
werd men nu handgemeen. Het was een bloedige strijd.
Tien duizenden bij tien duizenden vielen, zonder dat de
overwinning zich tot één der twee partijen neigde. Ein-
delijk kwam Attila met zijn Hunnen de Oost-Goten te
hulp, doch ook hij slaagde er niet in, de West-Goten
terug te werpen. De duisternis maakte een einde aan den
strijd. Attila trok met zijn strijders in zijn wagenburcht
en liet gedurende den nacht een brandstapel van zadels
opwerpen, misschien met het doel er zijn leven op te ein-
digen, wanneer de vijand hem weder aanviel en zegevierde.
De verbondenen herhaalden echter den aanval niet. Aëtius
was gedurende den strijd verdwaald geraakt en de West-
Goten hadden in plaats van Theodórik, die gesneuveld
was, diens dapperen zoon ïhorismund tot koning uitge-
roepen.
Attila trok over den Rijn terug, en toen kort daarna
het verbond tusschen Aëtius en de West-Goten werd ver-
broken, viel Attila, die wel ingezien had, dat alleen de
bijstand van dit volk de Romeinen in staat had gesteld,
hem te noodzaken Gallië te verlaten, plunderend in liet
Noord-Oosten van Italië. De stad Aquilêja, westwaarts van
de golf van Triest gelegen, bood dapperen tegenstand.
Daar Attila het noodig achtte haar te vermeesteren, eer hij
verder trok, liet hij haar herhaaldelijk, doch vruchteloos,
bestormen. De Hunnen begonnen mismoedig te worden
en te morren. Op zekeren dag zag Attila eenige ooievaars-
uit de stad vliegen : «Ziet," riep hij daarop den zijnen toe,
«dit is het teeken, dat Aquilêja vallen moet." De moed
der Hunnen herleefde, en de krachten der verdedigers ge-
raakten eindelijk uitgeput. De stad werd stormenderhand
ingenomen, en tot den grond geslecht en haar gansche be-
volking omgebracht. Als een Geesel Gods, gelijk hij
sedert genoemd werd, trok Attila voort, alle steden en
dorpen, die zich op zijn weg voordeden, verwoestende.
-ocr page 631-
^
<\\%m?ii:i; n
!tëSK?*3
M^mm
BS
MfK
mM
^jJBSF
K
Ül
«v|
^
<?,*!.;
Bestorming van Aquileja.
-ocr page 632-
-ocr page 633-
029
Een stroom vluchtelingen trok voor hem uit. Velen hunner
zochten een schuilplaats in de moerassige streken nabij de
Adriatische Zee. Zij vestigden zich on de eilandjes in do
lagunen en gaven daardoor aanleiding tot het ontstaan van
de stad Venetië.
Nadat door het belegeren van steden, door gebrek aan
levensmiddelen on daaruit ontstane besmettelijke ziekten
de troepen van Attila zeer waren gedund, sloeg hij zijne
legerplaats aan de samenvloeiing van de Mincio met do Po
op. Hier kwam een gezantschap uit Rome, bestaande uit
den bisschop Leo I, later bijgenaamd den Grooten, en twee
senatoren, tot hem, met het ootmoedig verzoek die stad
te sparen, op voorwaarde, dat zij zijn opperheerschappij
erkende en hom een jaarlijkschc schatting betaalde. Attila
stond het verzoek toe trok kort daarna af en stierf in het
volgende jaar, volgens sommigen aan een bloedspuwing,
volgens anderen door den dolk der schoono Idilko, die hij
pas had gehuwd, en die zich verplicht achtte, den dood
van een harcr bloedverwanten op hem te wreken. Zijn
lijk werd in een gouden kist gelegd, die ineen zilveren,
en met deze in een ijzeren werd geplaatst. Do slaven, die
het graf gedolven, en het lijk bijgezet hadden, werden
omgebracht, opdat niemand ooit do overblijfselen van den
grooten koning der Hunnen zou kunnen terugvinden.
De ondergang van het Westromeinsche
keizerrijk.
Valentinianus III, die na den dood zijner moeder zelf
de teugels der regeering in handen had genomen, vermoordde
uit achterdocht eigenhandig Aètius, gaf zich aan een schan-
delijk, losbandig leven over en werd op zijn beurt ver-
moord door den senator PetronUis Maximus, wiens vrouw
bij op een lage wijze had beleedigd. Petronius Maximus
werd nu tot keizer uitgeroepen, en toen zijn vrouw over-
-ocr page 634-
030
leden was, dwong hij Eudoxia, de weduwe van Valenti-
nianus III met hem te huwen. Het schijnt dat Eudoxia
den koning der Vandalen, Genserik, te hulp riep om haar
van den gehaten echtgenoot te ontslaan. Genserik verscheen
althans met een groote vloot in den mond van den Tiber.
Petronius Maximus wilde hierop de vlucht nemen, doch
zoodra hij zich op straat vertoonde, viel het volk op hem
aan en werd hij gedood. Op verzoek van de bevreesde
Romeinen begaf zich bisschop Leo I naar Genserik, van
wien hij de belofte verkreeg, dat Rome niet verbrand en
de inwoners niet gemarteld of gedood zouden worden.
De Vandalen trokken nu het eens zoo trotsche on onover-
winnelijke Rome zonder tegenstand binnen. Zij roofden
alles, wat geldswaardig was, zonder op de kunstwaarde
te letten, o.a. het vergulde dak van het kapitool en het
gouden vaatwerk, dat eens in den tempel van Jeruzalem
had geprijkt on door Titus naar Rome was gevoerd, en
wat zij niet konden medenemen, zooals menig kunstwerk
van marmer of brons, werd door hen geschonden of ver-
nield. Deze handelwijze der Vandalen wordt sedert met
den naam Vandalisme gebrandmerkt.
Na den dood van Petronius Maximus werd de troon
nog door eenige zoo onbeduidende keizers beklommen,
dat de opperbevelhebbers van het leger het hoogste gezag
uitoefenden. Eerst was dit Ricimer, die niet eens voor
zich zelven naar de keizerlijke waardigheid dong, maar
naar welgevallen een keizer aanstelde of van den troon
stiet. Toen Ricimer aan de pest was gestorven, stelde de
veldheer Orêstes, die vroeger onder Attila had gediend,
zijn zoontje Romtilus, wien spottenderwijze de bijnaam
Augustulus is gegeven, tot keizer aan. Ondertusschen
was Odoaker, de zoon van een onderbevelhebber van Attila,
door zijn leger, dat geheel uit Germanen bestond, tot
koning uitgeroepen en deze trok nu tegen Orestes op. Na
een nederlaag te hebben geleden, vluchtte Orestes in
Pa via. Odoaker sloeg het beleg voor de stad, nam haar
-ocr page 635-
631
in en liet Orestes ter dood brengen. Den onbeduidenden
Romulus Augustulus schonk hij liet leven, daar deze vrij-
willig afstand van den troon deed. Odoaker nam den titel
van Koning aan, nadat Zeno, de keizer van het Oostro-
meinsche rijk hem den titel van Romeinseh patriciër ver-
leend, en zelf de uiterlijke teekenen van "NVestersch keizer
aangenomen had. Odoaker koos tot residentie Ravenna.
De oude stad Rome bleef onder het bestuur van een senaat,
op welken de bisschop voortdurend meer invloed kreeg.
In de provinciën van het thans vernietigde Westromein-
sche keizerrijk ontstonden verschillende Germaansche
staten. Alleen hield zich tusschen de Loire en de Seine
vooreerst nog een Romeinseh vorstendom staande onder
den veldheer Aegidius.
-ocr page 636-
-ocr page 637-
Alphabetische lijst der persoonsnamen.
Ahrnes I (Amosis). 62.
Ahmes II (Amasis). 74.
264.
Ahoera-mazdao 20.
Aiëtes. 174.
Aigeus. 169.
Aineias (Eneas). 192.210.
424.
Aiscbines. 347. 348.
Aischulos. 317.
Aiölos. (Aeölus). 214.
Aison. 173.
Aitbra. 109.
Ajax van Lok ris. 180.
210.
Ajak van Salamis. 180.
200. 208.
Aldrik. 621.
Alexander van Macedonië.
296.
Alexander van Thessalië.
375.
Alexander de Groote.
392.
Alexander (bisschop). 611.
AlkibiSdes (Alcibiades).
326. 347.
Alkmaion. 248.
Alkmaionieden. 266.
A.
Abderieten. bl. 229.
Abisaï. 88.
Absalom. 93.
Achab. 98.
Acliaz. 114.
Achilleus. 180. 183.202.
208.
Adbêrbal. 504.
Adimaatos. 292.
Admëtos. 307.
Adonïram. 94.
Adrastos. 178.
Aegidius. 031.
Aemilius Paulus. 486.
Aëtius. 625.
Ahazia. 102.
Agamëmnon. 180. 213.
Agatbökles. 475.
Agënor. 152.
Agesilaos. 361.366.374.
Agïden. 237.
Agis. 334. 336. 361.
Agricöla. 592.
Agrippïna, V. 573.
Agrippïna. 577.
Agrippïna (moeder van
Nero). 579. 582.
-ocr page 638-
634
Archias. 367. 417.
Archimgdes. 490.
Ares (Mars). 196.
Argonautem 173.
Ariadne. 172.
Ariërs. 19.
Ariovïstus. 530.
Aristagöras. 267.
Aristeides. 273.279.295.
Aristodëmos. 227.
Aristodëmos vanMessenië.
244.
Aristodëmos (bij Termopü-
lai). 289. 299.
Aristogeiton. 265.
Aristomënes. 245.
Aristophanes. 276.
Aristoteles. 392.
Arius. 611.
Arminius (Herman). 570.
Artabaous. 309.
Artabgnus IV. 602.
Artabazus. 304.
Artapbarnes. 269.
Artapliërnes (zoon van den
voorg.). 273.
Artaxerxes I. 308.
Artaxerxes II. 354.
Artaxerxes (zoon van Sas-
san). 602.
Artemis (Diana). 181.
215. 240.
Artemisia (van Halicarnas-
sus). 293.
Artemisia (van Karië).
421.
Allucius. 492.
Alyattes, 133.
Amazonen 165.
Ambrosius 619.
Amenemhat III. 57.
Ammon. 57.
Amookkan. 84.
Amorges. 138.
Amulius. 424.
Amytis. 130.
Andromache. 190. 210.
Androineda. 161.
Anicêtes. 581.
Anromainyas. 20.
Antaios. 166.
Antalkidas (Anlalcidas).
365.
Antigóne. 177.
Antiöchos (veldheer).
388.
Aiitióchus III. 49").
Antipater. 398.
Antisthenes. 348.
Antonïiius Pius. 597.
Antonius, M. 538, 546.
Antonius (kluizenaar).
616.
Apis. 52.
Aphrodïte (Venusl. 179.
191. 195.
Apollodöros. 351.
Apollon (Phoibos). 183.
204. 291.
Apriès(Oehabra). 74.142.
Apsürtos. 175.
Arcadius. 620.
-ocr page 639-
635
Askanias. 210.
Asklepias (Esculapius).
473.
Aspasia. 314. 319.
Assoer. 111.
Assoer-ache-iddin (Ezar-
haddon). 123.
Assoer-ban-habal. 123.
Assoer-edil-ilani. 125.
133.
Assoer-nazir-habal. 112.
Astarte. 156.
Astudnax. 197.
Athalia. 104.
Ath&mas. 173.
Athanasius. 611.
Atlutulf. 623.
Atlas. 166.
Attila. 623.
Augustus (Octaviatius).
555. 568.
Aurelianus. 603.
Aurelius. M. 599.
Azi-dahak(Astvdges). 134.
Bessus. 400.
Bias. 259.
Bin. 111.
Bleda. 624.
Bocchus. 506.
Boeddha. 7. 25.
Bojorix. 509.
Bonifacius. 623.
Brahma. 23.
Brasidas. 324.
Briüreus. 186.
Bri^ëis. 183.
Britannicus. 570. 581.
Brutus, L. J. 435.
Brutus, M. J. 544, 552.
Brutus, D. 545.
Bulis. 282.
Burrhus. 580.
c
Caesar, G. J. 525.
Caligüla. 577.
Calpnriiia. 545.
Calpurnius Bibalus. 527.
Calypso (Kalüpso). 216.
Camillus. 455.
Canulëjus. 454.
Capiineus. 178.
Casca. 546.
Cassius, Q. 538. 552.
Cassius, T. 544.
CaUlina, 524.
Cato, M. P. 490.
Cato 541.
Catülus, 480.
Cerberus (Kerberos). 167.
B.
Bacchus (Dionüsos). 263.
Barak. 78.
Bardja (Smerdis). 141.
Bardja (Gaumata). 145.
Bar Kochba. 597.
Batis. 406.
Bel-sar-oessoer (Belsasar).
139.
Benhadad. 99.
Benjaminieten. 82.
-ocr page 640-
636
Cerialis. 592.
Charibdis. 216.
Charon. 367.
Cheilon (Chilo). 259.
Clieirisophos. 356.
Cheops. 56.
Christus, Jezus. 569.
584.
Chrysêïs. 182.
Chryses. 182.
CicCro, M. T. 544. 546.
550.
Ciniber, T. 545.
Cincinnatus, 44\'.). 455.
Cinna. 513.
Circc (Kirke), 215.
Claudius, A. (tienman).
452.
Claudius, M. 45.3.
Claudius, A. 468.
Claudius, A. (volkstri-
buun). 452.
Claudius I. 578.
Claudius II. 603.
Cleop;1tra. 540. 553.
Collatüius. 435.
Comniinius, Pontius. 458.
Commodus. (>00.
Confucius (Kong-tso). 11.
Constantius Chlorus. 605.
Constantius. 611.
Constantijn do Grootc.
608.
Coriolanus, 448.
Cornelia. 500.
Coruütes. 515.
Crassus, M. 517. 520.
526.
Crassus, P. 534.
Curiatiërs. 429.
Curius. 524.
Curtius, M. 461.
Cvaxares (Oevakshatara).
131 .
Cybcle (Kubele). 270.
Cyclopen (Kuklöpen). 213.
Cyrus (Koeroes). 135.
Cvrus de Jongere, 339.
\'341, 354.
D.
Daidalos. 171.
Damastes (Prokroestes).
170.
Damokles. 473.
Danaïden. 215.
Darayavoes (Darius) I.
146. 267.
Darius II. 339.
Darïus III. 403. 408.
Datis. 273.
David. 87.
Deböra. 81.
Deïaneira. 167.
Deniades. 390.
Dcmarates. 280.
Demophilos. 288.
Demosthënes (veldheer.)
324. 334.
Demosthënes (redenaar).
395. 417.
Dentatus, C. 466. 472.
-ocr page 641-
Diana (Artémis). 181.
Diagóras. 236.
Dido (Elissar.) 154.
Diocletianus. 604.
Diogenes. 395.
Diomedes. 180. 191.
Dionusos. 316.
Dionusios I. 472.
Dionusios II. 474.
Dionasos (Bacchus). 263.
Domitia. 594.
Domitianus.
Drakon. 248.
Drusus. 569.
Duïlius, G. 477.
E
Egeria. 428.
Elcazar. 290.
Elhanan. 88.
Elia. 101.
Elissar (Dido). 154.
Eliza. 101.
Elpimke. 319.
Epameinondas. 369. 370.
Ephialtes (bij Thermopü-
lai). 287.
Ephialtes. 311.
Ephraïm. 81.
Epigonen. 178.
Epponïne. 592.
Erato. 189.
Erinnüen. (Eumenieden).
177.
Eris. 189.
Esculapius (Asklepias).
473.
Etcckles. 177.
Ethbaal 154.
Eudoxia. 630.
Eukleides. 348.
Eumaios. 221.
Europe. 152.
Eurubüdes. 285. 291.
Eurupontieden. 237.
Eurüstheus. 162. 226.
EurQstheus van Sparta.
228.
Eurutos bij Thormopulai.
289.
Eutërpe. 189.
F.
Fabius. 456.
Fabius Maximus. 485.
Fabricius. 471.
Faustulus. 424.
Flamiinus. 485.
Floronia. 401.
Fravartis. 147.
Fulvia. 524.
G
Gad. 77.
Galba. 583.
Galerius. 605.
Gedalia. 128.
Genserik. 623.
Germanicus. 573.
Geryon. 152.
Giblieten. 151.
-ocr page 642-
Hephaistos (Vulcanus).
188. 203.
Herodotos. 49. 73.
Herostra tos. 420.
Hesperieden 165.
Hiëmpsal. 504.
Hieron. 476.
Hilkia. 107.
Hindoes. 21.
Hipparchos. 261. 263.
Hipparête. 328.
Hippias. 361. 263. 273.
Hippokrates. 229. 320.
Hippolyte. 165.
Hipponikos. 328.
Hiram. 94. 154.
Hiskïa. 117.
Histiaios. 267.
Homëros. 182.
Honorius. 620.
Horatiërs. 429.
Horatius Coclos. 437.
Horatius. 569.
Hosëa. 103.
Hullos. 226.
Hydarnes. 283.
Hyksos. 61.
I.
Icilius. 453.
Idomeneus. 180.
Idilko. 627.
Ikaros. 171.
Iktinos. 315.
Iolaus. 162.
Iole. 168.
Goliath. 88.
Gordion. 402.
Gorgo. 268. 285.
Gracchus, T. S. 500.
Gracchus. G. S. 502.
Gratianus. 619.
Gulippos. 333.
Gyges. 133.
H.
Haides (Pluto). 167. 190.
215.
Hadrianus. 596.
Hamïlkar Barkas. 481.
Hannibal. 481.
Harmodios. 265.
Hasdrubal. 481.
Hasdrubal (broeder van
Hannibal). 493.
Hasdrubal (veldheer). 498.
Hatasoe. 65.
Hekabe. 196.
Hektor. 185. 196. 200.
202.
Helene. 608.
Helene. 179. 210. 221.
Helle. 173.
Herakles (Hercules.) 161.
Heraklieden. 226.
Here (Juno). 161. 179.
186.
Herdönius. 449.
Herman (Arminius). 570.
Hermes (Mercurius). 173.
263.
Hephaistion. 392. 416.
-ocr page 643-
639
Jada. 77.
Jugurtha. 504.
Julianus de Afvallige. 6 12.
Juno (Here). 101. 179
186.
Jupiter (Zeus) 152. 161.
179. 186. 205.
Iphigeneia. 181.
Ismaël. 128.
Ismenias. 366.
Issaschar. 78.
Ithobaal III. 129.
Izêbel 103.
J.
Jaël. 83.
Jabin. 78.
Jahoebid. 117.
Janus. 429.
Jason. 173.
Jason van Thessalië. 371.
375.
Jehu. 101.
Jeremia. 109. 126. 128.
Jerobeam I. 96.
Jerobeam II. 103.
Jezaja. 107.
Joab. 88.
Joas (Israël). 103.
Joas (Juda). 106.
Johannes. 590.
Johannes (kluizenaar).
620.
Jojada. 105.
Jojakin I. 126.
Jojakin II. 126.
Jokaste. 176.
Jonathan. 87.
Joram. 101.
Jozaphat. 104.
Jozëba. 105.
Jozia. 107.
Jozua. 78.
K.
Kadmos (Cadmus). 152.
Kalebas. 180.
Kallikrates. 244.
Kallikratides. 315.
Kalliope. 189.
Kalüpso (Calypso). 216.
Kamboezia (Cambizes).
134.
Kamboezia (zoon van Cy
rus). 141.
Kamos. 100.
Kassandra. 209. 210.
Kassiopeia (Cassiopëa).
161.
Kastor. 174.
Kenieten. 82.
Kentauros (Centaurus).
167.
Kepheus (Cepheus). 161.
Kerberos (Cerberus). 167.
Kheta. 68.
Kimmeriërs. 215.
Kimon (vader van Miltia-
des). 264.
Kimon. 277. 306. 309.
Kineas (Cineas). 468.
Kirke (Circe). 215.
-ocr page 644-
Klearchos. 355.
Kleio (Clio). 189.
Kleitos (Clitus) 402.411.
Kleisthenes. 266.
Kleoboelos. 259.
Kleombrotos I. 296.
Kleombrotos II. 372.
Kleomenes. 208. 272.
Kleomenes (van Thebai).
370.
Kleon. 323. 324.
Klutaimnêstra (Clytemnes-
tra). 213.
Kodros. 228.
Koeroes (Gyrus). 135.
Kong-foe-tse (Confusius).
11.
Konon. 303.
Kreon. 178.
Kresphöntes. 227.
Kresus. 135.
Kritias. 342. 345.
Kriton. 351.
Kubele (Cybele). 270.
Kuklopen (Cyclopen). 213.
Kulon (Cylo). 249.
L.
Laërtes. 219.
Laevinius. 407.
Laios. 170.
Lamachos. 329.
Laokoon. 210.
Laomedon. 179.
Lao-tse. 15.
Lapidoot. 81.
Laurentia, Acca, 425.
Leda. 174. 179.
Leo I. 630.
Lenonidas. 285.
Leontiades. 305. 309.
Leotuchides. 272. 300.
Lepidus. 540.
Levi. 77.
Libitïna. 561.
Licinius. 460.
Li via 573.
Livius (consul). 493.
Livius. 509.
Locasta. 579.
Lucüllus. 522.
Lucretia. 435.
Lucumo. 431.
Lukoergos (Lvcurgus).
237.
Lupërcus (Pan). 544.
Lusandros (Lysander).
338. 340. 301.
Lusimachos. 392.
Lutatius Catulus, Q. 508.
M.
Macro. 577.
Maccenas 509.
Maelius, Spurius. 454.
Malia Bharata. 26.
Maharbal. 480.
Manasse. 77.
Mandane. 134.
Manlius, M. 458. 459.
Manlius, T. 462. 463.
Marcellus, 492.
-ocr page 645-
641
Miltiades. 271.
Minerva (Pallas Athene)
104. 179. 185. 204.
221.
Minos. 171. 215.
Minotauros. 171.
Minncius. 480
Mitliridates (van Pontus
511. 522.
Mnemosune. 188.
Mnesikles, 314.
Moloch. 150.
Mozcs. 70.
Mucius Scaevola, 439.
Mucius Scaevola, P. 501.
Mucius Scaevola, Q. 511.
Mus, Decius. 403.
Murmidoncn. 181.
Mutton. 154.
Muzen (De negen). 189.
N.
Naboe-bal-oessoer (Nabo-
polassar). 125. 132.
Naboe-koedoer-oessoer
(Nebukadnëzar). 125.
Naboe-nahid (Nobonites).
138. 140.
Naboo-natsir (Nabonas-
sar). 112.
Naftali. 78.
Narcissus. 579.
Nausikaa. 217.
Nearchos. 415.
Neoptolcmos. 208. 210.
Neptunus (Poseidon). 214.
41
Mardoek-bal-idinna. 117.
Mardonius. 271. 290.
Mardantes. 300.
Marius. 505. 514.
Mars (Arcs). 105. 424.
Martius, Ancus. 431.
Massniissa, 494. 490.
Matlian 100.
Mausölus, 421.
Maxentius. 009.
Maximianus. 005.
Maximinus. 002.
Medeia. 174.
Medoesa (Medusa). 158.
Medon. 228.
Melautheus. 222.
Mclantlieus van Attika.
227.
Molkartli. 152.
Menimius, G. 505.
Mom non. 401.
Menclaos. 179, 189.210.
221.
Meng-tse. 10.
Menenius Agrippa. 447.
Menos. 53.
Menon. 319.
Mercurius (Hermes). 173.
203.
Messalina. 579.
Metellus. 505.
Metollus Pius. 518.
Mettus Fufetius. 429.
Meza. 100.
Miao-tso 0.
Micïpsa. 540
-ocr page 646-
Orion. 215.
Oroites. 147.
Orpheus. 174.
Otho. 583.
Oxulos. 227.
P
Pachomius. 017.
Palladium. 208.
Pallas Athene (Minerva).
164. 179. 185. 204.
221.
Pan (Lupërcus). 544.
Pandaros. 191.
Papirius, M. 458.
Parasehieten. 50.
Paris. 179. 189. 208.
Pannenio. 298. 401.
403. 408. 410.
Parrhasios. 315.
Patrsklos. 202.
Pausanias. 297. 303.
Pausanias (koning). 345.
Peisistratos. 259.
Pekah. 114.
Pekalija. 114.
Peleus. 179.
Pelias. 173.
Pelopidas. 305. 370.
375.
Pelops. 179.
Penclope. 213. 219.
Perdikkas. 401.
Periandros. 259.
Perikles. 312.
Peripliëtes. 170.
Necho. 73. 12G.
Noro (consul). 403.
Nero (keizer). 580.
Ncrva. 595.
Nessos. 107.
Nestor. 180. 185.
Nicodgmus III. 522.
Nikias. 324. 329.
Nitëtis. 142.
Nowertari. 02.
Numa Pompilius. 428.
Numitor. 424.
O.
Oclavianus. 549. 555.
Octavius. 500.
Odenallius. 003.
Odoaker. 030.
Odusseus (l\'lvssos). 180.
213. 219.
Ochabra (Apriès). 74.
142.
Oerania (Urania). 189.
Oesortescn I. 60.
(tevakshatara (Cyaxares).
130.
Ofella. 517.
Oidipoes (Oedipus). 170.
Oibalos. 245.
Olympius, 021.
Omphale. 108.
Omri. 98.
Opimia. 491.
Opimius, L. 503.
Orestes. 213.
Orestes. 030.
-ocr page 647-
643
Poluncikes (Polynices).
177.
Poluphëmos. 214.
Poluxena. 210.
Pompcjus, Gn. 517. 537.
Pompejus, Gn. (do zoon).
542.
Pontius. 464.
Pontius Pilalus, 584.
Porscnna. 437.
Porus. 412.
Poseidon (NeptOnus).
214.
Postumius. 405.
Praxiteles. 317.
Proxaspes. 145.
Priamos. 179. 207.
Prokles. 228.
Prokroestes (Dainastes).
170.
Prometheus 165.
Prusias. 495.
Psamtik I. 72.
Psamtik III. 142.
Ptolemcus Soter. 418.
Ptoloineus Philadelphus.
418.
Ptolemeus XII. 540.
Ptolemeus XIII. 541.
Publicola. 450.
Pulades (Pyladus). 213.
Pulcher, Cl. 480.
Purrhos. (Pyrrhus).
407.
Pygmalion. 154.
Pytldus. 280.
Perpenna. 510.
Porseus. 158. 161.
Petronius Maximus. 027.
Phanes. 142.
Pliaon. 583.
Pharnab&zus. 341. 302.
Pharnaces. 541.
Pheidias. 315. 319.
Plienix. 53.
Philippos (polemarch).
307.
Philippus (van Macedonië).
380. 391.
Philippos (geneesheer).
402.
Philistijnen. 84.
Phoibidas. 300.
Phokion. 385. 395.
Phrixus 173.
Phullidas. 307. 309.
Pindaros. 397.
Piso, Gn. 575.
Pittakos. 259.
Pittheus. 259.
Placidia. 023.
Plantites. 289.
Platon. 347.
Plinius. 594.
Plistarchos. 297.
Plotina. 590.
Pluto (Haides). 107. 190.
Pollux. 174.
Poliignotos. 315.
Poluhumnia (Polyhym-
nia). 189.
Polukrates. 204.
-ocr page 648-
644
Saturos. 383.
Sanl. 83.
Scipio, P. C. 483. 484.
Scipio, P. C. Africanus.
484. 493, 490.
Scipio, L. C. 404. 490.
Scipio Aemilianus. 497.
Scipio Nasica. 501.
Scipio, Met. 541.
Segestes. 570.
Sejanus. 570.
Sempronius, 485.
Seneca. 580. 587.
Sertorius. 518.
Servius Tullius. 432.
Setho. 119.
Severus, Alexander. 001.
Sextus. 435.
Sliabak. 71.
Silenos. 203.
Silvia, Rbea. 424.
Sinieon. 77.
Simo. 590.
Simon Stylites. 620.
Sin-acbe-irib (Sanbcrib).
117.
Sinnis. 170.
Sinon. 209.
Sirenen. 210.
Sissera. 78.
Sisuphos. 216.
Skiron. 170.
Skulla (Scylla). 216.
Smerdis (Bardja). 141.
Sokrates. 346.
Solon. 250. 259.
Q
Quirinus. 4 27.
R.
Ramayana. 41.
Ramscs II. 08.
Regulus 478.
Rchabeam. 96.
Reinus. 424.
Rotzin. 114.
Ricimer. 030.
Romulus. 424.
Romulus Augustulus.
030.
Roxane. 410.
Ruben. 77.
Ruftnus. 021.
Rugilas. 024.
s.
Sabinus. 592.
Sacen. 138.
Safan. 107.
Salman-asar V. 115.
Salomo. 93.
Samas. 111.
Samuel. 84.
Saoel-mazadd--yoekin.
124.
Sapor. 615.
Sargon I. 111.
Saryoekin. 116.
Satiirninus. 570.
Satumus. 440.
Saturos. 343.
-ocr page 649-
645
Theodorik. 625.
Theodosius I. 619.
Theodosius II. 624.
Tlierainenes. 341. 342.
Thersites. 390.
Thersauder. 178.
Theseus. 169.
Tliessalos. 332.
Thetis. 179. 186.
Thoetmes I. 65.
Tboetmes II. 65.
Thoetmes III. 66.
Thrasuboelos (Thrasybü-
lus). 337.
Thrasüllos, 337. 345.
Thoresmund. 626.
Tlmmelicus. 574.
Thusnelda. 570. 574.
Tiberius. 569. 573.
Tïgrttoes. 300.
Tigranes. 522.
Timaia. 336. 361.
Timandra. 342.
Timoleon. 474.
Timophanes. 474.
Tiribazus. 365.
Tissaphernes. 336. 354.
Tithraustes. 362.
Titus Tatius. 427.
Titus. 590. 593.
Tolmidas. 318.
Toeklat-habal-azar II (Te-
glat-pilezer). 112.
Trajanus, 595.
Tullus Hostilius. 429.
Tullia (de oudere). 433.
Sophokles. 317.
Sparelhra. 138.
Spartacus. 520.
Sperthios. 282.
Stlienelos. 192.
Stilico. 621.
Stolo, L. 459.
Sulla. 510. 515.
Sybarieten. 228.
Syphax. 494.
T.
ïacitus. 582. 584.
Tahraka. 120.
Tanaquil. 431.
Tantalos. 215.
Tarpeja. 420.
Tarquinius Priscus. 431.
Tarquinius Superbus. 434.
Tarquinius, Aruns. 437.
Tarquinius, Lucius. 433.
Tarquinius, Sextus. 434.
Tartaros. 215.
Taxiles. 412.
Teireisias. 216.
Telemachos. 213. 219.
Telesippe. 314.
Temenos. 227.
Terentius Varro. 486.
Terpsicbore. 189.
Teutobod. 508.
Thaleia (Thalia). 189.
Thales. 259.
Theagenes. 249.
Themistokles. 272. 277.
291.
-ocr page 650-
646
Tullia (de jongere). 433.
Turtaios (Tyrtaeus), 246.
U.
Ulysses (Odusscus), 180.
213. 219.
Ulfilas. 018.
V.
Valens. 017.
Valentinianus I. 017.
Valenüiiianus III. 623.
627.
Valerius, M. 462.
Varus. 570.
Venus (Aphrodite). 179.
191. 195.
Vercingetorix. 537. 543.
Vergilius. 569.
Vespasianus. 589.
Vesta. 424.
Veturia. 448.
Veturius, 465.
Virginia. 453.
Virginius, L. 453.
Vitellius. 589.
Volumnia. 448.
Vulcanus (Hephaistos).
188. 203.
w.
Wonderen der wereld
(De zeven) 421.
Wijzen (De zeven) 259.
X.
Xantliippc. 352.
Xanthippos. 277. 295.
301.
Xanthippos. 4 78.
Xanthos. 227.
Xenophon. 347. 35(5.
Xerxes. 279. 309.
z.
Zarathoestra. 20.
Zebulon. 78.
Zedekia. 110. 126.
Zenobia. 603.
Zerubabel. 141.
Zeus (Jupiter). 152. 161.
179. 186. 205.
Zeuxis. 315.