-ocr page 1-
rnyvi
\'^
p^t
..t_^c^D&
tf
ft
1
GOUDKORRELS.
5
LEVENSGELUK EN LEVBHSHEILIC 1HG.
1SKWKHKT DOOR
E. H. VAN DER HEIJDE,
Pastoor.
-)©"@<-
Luiden.
.T. W. VAN LEEUWEN.
Uitgever en Antiq. Boekhandel.
Hoogewoerd 89.
18!)!).
HC
.
"~^-9^i2
^y^f"
ri
^
•
-ocr page 2-
-ocr page 3-
*5^~:______________________________________________u^j»sx|
ï==^®4
rc
-ocr page 4-
?
-ocr page 5-
_i-^2*
GOUDKORRELS.
LEVENSGELUK EN LEVENSHEILIGING.
Naar de fransche „PAILLETTES D\'OR"
BEWERKT DOOI!
E. H. VAN DER HEIJDE,
PASTOOR.           /C^SlS
LEIDEN,
J. W. VAX LEEUW
Uitgever eu Antiq. Bo
Hoogetvoerd 89.
1899.
*S^-\'
•-i-*G*
-ocr page 6-
tl
IMPRIMATUR.
Bmtciihici, 1> Decembris 1898.
.T. .T. VERSTERREN,
Rector,
iid hoc dclosatus.
^Ca*^\'                                                                                  •-^e)*
-ocr page 7-
•frgj?^________________________________________\'^**y%
VOORREDE.
Ziehier een boekje voor allen over alles.
Kr zijn mensehen, die vreezen bij het woord: liei-
ligin?;
— maartcie is er, die niet gelukkig iril zijn?
\'t Is geen boekje om vluchtig gelezen te worden:
maar het wil aandachtig
gelezen, vooral echter (TC-
Iioord worden.
Dan zal het boekjeeene verkwikking zijn; — gelijk
het tracht eenige
verpoozing te schenken aan hen of
haar, die het in een verloren half-uurtje \'ui handen
nemen.
De Verlosser heeft zalig geprezen „die hongeren
en dorsten naar de rechtvaardigheid." Den honger
en dorst naar rechtvaardigheid d.i. naar
waarheid
en oprecht levensgeluk te verzadigen — en den loon,
daarop gesteld, te venverven tracht en hoopt
DE BEWERKER.
Woudrichem, 15 December 1898.
*(a^—                                                                                               *-^*e)*
-ocr page 8-
*g^=.
INHOUD.
Fis.
i. Goudkorrels................     1.
ii. Waar is het geluk?..........     2.
m. Hebt gij een photographio van U?. .     3.
iv. Den goeden (Jod pleizier doen ....     7.
v. Wilt ge goed doen. tracht dan be-
niinnelijk te zijn; wilt ge beminnc-
lijk zijn. doe dan goed.........     9.
Lief zijn..................  12.
vi. \'t Is zoo goed, goed te zijn.......   Ui.
vu. Zich vrienden maken..........   20.
vin. Recept, om zijnen vrienden niet tot
last te zijn.................   25.
ix. Recept voor personen, die samen moe-
ten leven.................
   28.
x. In dat huis werd niet gebeden. . . .   29.
xi. Heidendom in huis............   34.
xn. Een beetje begoocheling (illusie.) . . .   38.
xin. De rechten der vrouw..........   43.
xiv. Het christelijk jong-meisjo.......   45.
xv. Uw plicht, jong-niensch.........   51.
xvi. Het bloemcnmeisje............   53.
xvn. Vertrouwelijk gesprek tusschen twee
Engelbewaarders.............   56.
xvm. Moed, christenmoeders..........   60.
xix. Nog ééne bladzijde............   63.
-ocr page 9-
@*?^-»
•-^*5>*
XX.
Kleine stofjes kleine gebreken . .
65.
f
XXI.
B8.
70.
XXIII.
Kommer en zon? met een milliocn . .
74.
XXIV.
De sluier mijner Eerste H. Communie.
77.
XXV.
Een bezoek op nieuwjaarsdag.....
82.
XXVI.
Het apostolaat door glimlachen. . . .
85.
XXVII.
Vragen geven aannemen. . . .
88.
XXVIII.
Leen mij uwe twintig jaren, als gi
niet weet, wat er mee te doen. . . .
ilt.
XXIX.
XXX.
i)8
108.
XXXI.
Verfraaiingsmiddelen en opsehikbe-
noodigdheden...............
110.
XXXII.
Het Credo van een lezer........
116.
XXXIII.
Aan den schrijver der OoudkorreU..
118.
XXXIV.
Ja Neen...............
120.
XXXV.
Ben ik op den goeden weg?.....
124.
XXXVI.
Wie had hier schuld?.........
124.
XXXVII.
Zeker geneesmiddel tegen eenc vreese-
XXXVIII.
129
Eene goedkoope genezing.......
132.
XXXIX.
XL.
XI,I.
Moeder en Dochter...........
140.
SLII.
Engeltjes van den huiselijken kring
141.
XLUI.
145.
XL1V.
Pas op voor den eersten stap. . . .
150.
l
Is-CS뗕
*^a*
-ocr page 10-
-ocr page 11-
Goudkorrels.
Als de beroemde Pater Lacordaire eens een
plan ontwierp voor eene geestelijke afzondering,
dan wilde hij, opdat zijn droom van geluk zou
verwezenlijkt worden, slechts deze drie woorden:
God, boeken, een vriend.
God ! Hem vindt men altijd, als men zijn hart
in onschuld bewaart, en uur voor uur den plicht
volbrengt, welke is opgelegd;
Een vriend /Deze komt steeds, als het hart dat
hem roept, een hart is van liefde en toewijding ;
Boeken!.....O, mochten de Goudkorrels een
dier weinige boeken zijn, welke men ver van het
gewoel der wereld medeneemt en die men leest
om zich te verpoozen en te verkwikkeD.
Zij zullen maar weinig plaats innemen!
il           GOUDKORRELS.                                                        1 ,\\
-ocr page 12-
II.
Waar is het geluk ?
Het woordje geluk komt zoo dikwijls over onze
lippen. Het streven van ons hart is boven alles
op geluk gericht, en dat arm hart heeft er zoo
groote behoefte aan, dat het dit van elk schepsel
altijd en overal afbedelt.
O, gij zoudt het geluk vinden, als gij niet
zoo ongeduldig waart, zoo gretig, zoo veel-
eischend.
Luister eens naar het volgende vertelseltje.
Daar ginds op het grasperk zie ik een wit
geitje, dat niets te doen heeft dan het gras af te
eten in den geheelen ronde die zijn touw maakt,
waarmede het aan een boom is vastgemaakt.
Er is daar jeugdig gras in overvloed, het golft
als een windje er over waait, en dat gras krijgt
hij te eten.
Bovendien is het touw zoo lang, dat hij
den geheelen dag kan grazen, zonder moei te
worden.
In plaats nu van kalm en bedaard te weiden,
trekt de dwaze geit en blijft hij trekken aan het
touw, waaraan hij vastligt; hij wil maar het gras
hebben, dat daar verder groeit, waar hij niet
bij kan ; hij reikt tot hij buiten adem raakt en
het touw hem de keel dicht trekt; en nu: een
angstig, pijnlijk krijten!
— 2 —
-ocr page 13-
Is dat niet liet beeld van ieder onzer ?
Elk heeft zijn plek, zijn toiac, zijn afgebakende
kring. En daar is door God het noodzakelijke,
voor hart en geest en lichaam geschonken, ja,
wéér dan dat.
En wij, arme dwaze als het geitje, in plaats
van te genieten wat we hebben, wij spannen allo
krachten in om te hebben wat daarginds, ver,
zeer ver van ons is, en wat wij niet kunnen
krijgen.
III.
Hebt g-ij een photographie van U?
Vreemde vraag, welke hier staat aan het
hoofd eener bladzijde, welke moet dienen oin
\\e\\ensgeluk en levensheiliging der lezeressen of
lezers te bevorderen.
In eene photographie te hebben of te laten
maken schuilt altijd min of meer ijdelheid. En
al kan een weinig ijdelheid al eens het levens-
geluk verhoogeu; zeker, zou men zeggen, kan
ze toch niets tot heiliging bijbrengen.
En toch, als men het goed bedenkt, moet
men tegenwoordig den raad geven: Zorg, dat
ge eene photographie van u hebt.
\'t Is, omdat, als zulke photographie ons zui-
ver juist voorstelt, we dan ook eene treffende
-ocr page 14-
gelijkenis van onze ziel hebben; en als deze
dus goed uitgevallen is, kan ze ons heel wat
lessen aan de hand doen.
Niemand zal de volgende stelling in twijfel
trekken.
Ieder, die zich laat photographeeren, neemt
eene houding aan, die hij meent, dat hem het
best staat, of die hem nog schooner doet uit-
komen; — eene houding, die hem niet toont
gelijk hij is, maar zooals hij ineeut of weuscht,
dat hij is.
Deze bemerking is oud, en hij, die dit nu
eens in het geestelijke wil zien, neme er aldus
de proef van:
Als gij nu eens studie wilt maken van u
zelven, vestig dan eens al uwe aandacht op het
portret van deze of gene, die gij van alle kan-
ten kent, misschien beter dan u zelven.... en
wèl van ongunstige zijde.
Als ge dan dieu geestigen glimlach ziet, zegt
ge dan niet tot u zelven: wat ziet zeergees-
tig uit; als men haar niet kende, zou men
werkelijk zeggen. ...
En die dan.. .. Zie: de oogen ten hemel
geheven, lijkent zij wel eene heilige, die naar
inspraken van boven luistert.. .. Toch.... En
gij?___O, als we ondeugend wilden zijn!
4 _.
-ocr page 15-
•^g*
*g^-.
1.     Neem nu eens uw portret vóór u, dat ge-
maakt is toen ge nog pas achttien jaren oud
waart, als wanneer men zich ongekunsteld, braaf,
kinderlijk, te goeder trouw voordoet, en het
portret dus te zien geeft eene schitterende figuur
met halfgeopeude lippen van oprechtheid, met
heldere en vrijmoedige kijkers, die schijnen te
zeggen : ,,ik ben niet bang, dat uw doordringende
blik door mijne oogen in mijne ziel zal kijken".
Bevalt u dit portret niet?
2.     Plaats daar nu neven uw portret, ge-
nomen toen ge zestien tot twintig jaar waart.
Niet meer dezelfde goede trouw, openhartigheid !
Zeker, er ligt iets bevalligs in, dat vreemde
oogen zal trekken; maar gij?.... Ziet gij in
dien min of meer gemaakten glimlach niet de
zucht tot behagen, mogelijk wel: aanstelling?
Doet het u niet een beetje verlegen worden ?
3.     Stel daar nu eens naast een portret, dat
van u genomen is, toen ge de begoochelingen
uwer eerste jeugd achter u hadt en gij door, en
in ondervinding en tegenspoed ouder en wijzer
waart geworden. - De bevallige trekken zijn
van het gelaat verdwenen; om de lippen zweeft
een koude en droeve trek ; de oogen zijn niet ge-
heel geopend, alsof ze vreesden te veel te zien,
of te veel gezien te worden. ... en gij vraagt u
zelve af: ben ik dat wel?
Stemt het u niet een beetje treurig?
^*
Haf^\'
-ocr page 16-
♦ffl^-.__________________________________________.-^S)»
^
Sla nu eens die, portretten, photographien
vau u, aandachtig gade ; blijf kalm ze bezien,
en langzamerhand zullen een menigte aandoen-
lijke, onvervalschte en leerzame herinneringen
rondom u oprijzen.
Laat die uw hart binnendringen en door-
dringen, en als er iii dat hart nog eenig boven-
natunrlijk leven is, dan zult gij voelen, dat
het bewogen wordt: uws ondanks zullen tranen
aan uwe oogen ontsnappen, zult ge behoefte ge-
voelen om uit te roepen:
O jaren mijner eerste kindsheid!
O dag mijner eerste H. Communie !
O mijne moeder!
Bitter berouw zal wellicht uw boezem ver-
kwikken.
Konde ik eens van voren af beginnen!
Zwijg nu een oogenblik en luister.
Misschien verneemt ge wel de spottende stem
vau een dier portretten, en voegt het u dit
harde woord toe, dat niemand u durft zeggen:
gij wordt oud! — maar toch geven zij ook
heilzame lessen.
1. Die twaalf-jarige, lippen zeggen fluis-
terend: „hoe is alles voorbij" Wie zou in dat
____________________________________________%
— 6 —
-ocr page 17-
*2^_____________________________________i=ü2>*
portret het lachende, onbekommerde, braaf kind
van weleer herkennen! Laat dit portret eens
zien aan uwe boezemvriendinnen, zij znllen
vragen: wie is dat kind?
Helaas ja, \'t voorbij! Die jeugdige blos zal
niet meer terugkeeren op uwe gelaatstrekken,
maar, als gij wildet: hij zou opbloeien in uive
ziel!
„Mijne jeugd heeft voor immer hare schoon-
heid en aantrekkelijkheid verloren", mompelt dat
portret met somber uitzicht. Weg dus met alle
misleiding en zelfbedrog. Weg met alle eigen-
liefde, die u voorpraat, dat ge dezelfde blijft,
en die u doet spreken, handelen en u kleeden
alsof ge nog jong waart!
Leef zoolang ge kunt, leef stilletjes aan, maak
een goed gebruik van het leven want er blijft
niet veel meer over te leven.
Ge zult niet zoo gezocht meer zijn als toen
ge twintig jaar oud waart, maar ge kunt maken,
dat ge altijd eerbied en achting waardig blijft.
Bedenk, dat gij heengaat. ... naar den
goeden God!
IV.
Den goeden God pleizier doen.
Wilt gij den goeden God pleizier doen ; weten
ook, dat gij Hem genoegen verschaft; — er
-ocr page 18-
zeker van zijn, dat gij dierbaar zijt aan Zijn
Vaderhart?
Zeker wel!
Welnu, blijf dan stilletjes in liet huisgezin,
waar ge zijt, en tracht den eersten den besten
een pleizier te doen, met de gedachte, dat ge
aan een lieveling van Jezus Christus dat ge-
noegen doet.
Hoe dan?
Wees de eerste om hem „goeden dag" te
wensehen: en doe dat dan met een open, op-
rechten en bevalligeu glimlach.
*t Is toch weinig, heel weinig en gemakke-
lijk ook: maar \'t is voldoende, opdat Jezus
toone tevreden over u te zijn, en u uwen
glimlach en ..goeden dag" vergelde.
Als ge eens wist, hoe weinig noodig is, om
aan Jezus pleizier te doen, als dat weinige
door den evenmensch tot Hem komt. De even-
mensch ! Hij zal vaak niet zien, niet begrijpen,
niet voelen, wat al voorkomendheid, wat gene-
genheid, wat moeite, wat opoffering gelegen is
in dat woordje, dat ge hem toespreekt, in den last,
dien ge u voor hem getroost, in het dienstje
hetgeen ge hem bewijst: in de oplettendheid,
welke ge voor hem hebt; — maar Jezus Christus
ziet alles; schat alles naar waarde, zal alles
vergoeden.
Door middel van den evenmensch wordt
het geringste schooner en grooter, en bereikt
— 8 --
-ocr page 19-
i^§*
J
aldus Jezus Christus, evenals het kleinste hcht-
straaltje ons beschijnt met de warmte der zon.
V.
Wilt ge goed doen,
tracht dan beminnelijk te zijn
Wilt ge beminnelijk zijn,
doe dan goed.
Het eerste gedeelte van dit gezegde bevat
zeer veel waars.
Als ge niet eenige aantrekkingskracht weet
uit te oefenen; als ge de kunst niet verstaat
van verlangen naar u op te wekken, liefde
voor u in te boezemen; als ge, in één woord,
niet weet beminnelijk te zijn; — dan zult ge
niet, of slechts onvolledig het goede doen, dat
God van u vraagt.
Om warmte te voelen, moet men bij het vuur
gaan zitten; om licht te hebben, dichter bij het
licht komen.
Om iets op te vangen van het goede en schoone,
dat God aan uwe ziel, uw hart, uw verstand
geschonken heeft, moet men tot u naderen.
En men zal des te dichter tot u naderen,
*(s^-
•~^*a)#
-ocr page 20-
naarmate men zich meer tot u getrokken ge-
voelt, omdat gij beminuelijk zijt. Wij zeiden
het reeds, zij oefenen aantrekkingskracht uit:
die glimlach, die welwillende blik, dat iets,
hetwelk in al onze manieren, gebaren, han-
deliugen ligt, en ons schijnt toe te roepen:
kom bij mij.
Inderdaad : wilt gij goed doen, streef er dan
naar, beminnelijk te zijn.
Wilt gij beminnelijk zijn, wees dan goed.
Dit ander deel van het oud spreekwoord
bevalt ons op het eerst gezicht, omdat het
zoo juist aan onze hartewenschen beantwoordt.
Is men niet altijd beminnelijk, als men goed
is?
te weten: als men zich zelven geheel geeft;
en, zonder berekening op erkentenis, ook nog
zijn tijd, zijn arbeid, zijne middelen?
Een zoete droom voorzeker, die betoovert
zoolang men alleen is met God, maar waarvan
niets overblijft bij aanraking met de wereld.
Men moet zeer zeker goed zijn, om te be-
vallen, om tot zich te trekken, om ingang te
vinden in de harten, en daar goed te stich-
ten; — toch wordt nog iets meer vereischt:
n.1. weten goed te doen : er slag van hebben.
Deze manier-van-doen moet maken, dat de
— 10 —
-ocr page 21-
goedheid stand boude, en daarom bij de be-
oefening steeds aanwezig zijn: zij moet maat
en overleg aangeven, altijd nieuwe aantrek-
kplijke, aangenaam stemmende vormen be-
zitten, niet dan druppel voor druppel ze uit-
storten in teedere zielen: zorgen, dat ze niet
vernederend voor iemand is, maar beminnelijker
en begeerlijker wordt, dat daardoor meer
uitkomt de macht van het goede.
\'t Is wel droevig, maar het moet gezegd:
er is heden ten dage een soort behendigheid,
sluwheid noodig om .. . . goed te doen.
Op behoorlijke wijze goed te doen, eischt
een menigte kleinigheden, welke niet zoo ge-
makkelijk zijn na te komen; en deze hebben
iets natuurlijks en iets menschelijks; maar
goedheid op godsdienstigen grondslag weet ze
bovennatuurlijk te maken.
Do juiste manier van goeddoen, namelijk die
waardoor men den evenmensen aangenaam is,
en al het goede uitwerkt, wat bereikt kan
worden, vordert, dat men zich inwerkt in de
gebruiken der wereld, en die zooveel mogelijk
volgt; dat men wete toe te geven en zich te
voegen, het geschikte oogenblik te kiezen, on-
gemerkt te vleien; dat men wensche te slagen
en daarom zich veel zeltsverloochening oplegge.
Zij, die de wereld pluiinstrijkers noemt, zij
weten zich in alle bochten te wringen, zij
verstaan het, dit alles onder alle opzichten uit
... 11 .___
-ocr page 22-
#gj^rt_________________________________________________^<*G)A
te voeren, als zij er op uitgaan, om een post
of betrekking te verwerven, waardoor zij kun-
nen schitteren; — • en waarom zouden wij dat
ook niet kunnen, als wij zielen voor ons willen
winnen, om ze daarna tot God te voeren?
* *
Maar die slag, die manier is niet gemakke-
lijk aan te leeren; de aard van sommige
menschen is dusdanig, dat zij het nooit kunnen
uitvoeren; zij kennen wel de theorie, maar de
praktijk is hun onmogelijk.
Dat deze zich vergenoegen met goed te zijn,
maar dan: zeer goed.
V.
Lief zijn.
Wat kost het: lief te zijn!
Niet voor een keer, ter loops, jegens dezen
of genen, dan of dan, als we een goede bui
hebben ; — maar: voortdurend, jegens allen en
alles.
Lief zijn als de immer geurende bloem; —
als de altijd warme vlam, als het steeds licht-
gevende licht. O, wat kost dat! hoe moeielijk
is het!
Zoo menigeen zegt \'s morgens bij zich zelven :
— 12 —
-ocr page 23-
ik zal lief zijn: lief, omdat God het wil; —
lief, omdat dit het eenig middel is, om de
taak mij opgelegd te volbrengen; van n.1. goed
te doen;
— lief, omdat ik dan, en daardoor
alleen waarlijk gelukkig ben.
Sterk en als verjeugdigd door die gedachten
zijn wij den dag begonnen, dien ingegaan,
gelijk men eene bloemrijke laan van den tuin
ingaat: met een blij hart, den glimlach op de
lippen, overal rondziend en ons zelven af-
vragend : voor wie kan ik nu lief zijn van daag?
Gij zijt als een beekje, dat kalm en helder
van uit zijne bronwei vloeit, ter loops de
bioeinen aan zijne oevers baadt, en tot zich
zelve zegt: beekje: zacht aan elkander aan
stroomen mijne wateren, de zou zal mij doen
schitteren en de vischjes zullen spelen op mijne
golfjes, en de bloemen zich ongerept en schoon
in mij weerkaatsen.
En zie: een steen, achteloos door den voet
eens voorbijgangers voortgeschopt, komt u stuiten
in uw loop, doet u uwe kalmte verliezen, om
die belemmering te overkomen; — een worm
heeft het zand omgewoeld, waarover gij zoo
zachtjes heenvloodt en uwo rust verstoord.
Zoo ook was hetgeeu eensklaps onzen vrede
verstoorde eenige onaangenaamheid, die men
niet verwachtte, die ons pijnlijk verraste; —
... 13 _
-ocr page 24-
\'t was, omdat wij op liet gelaat van een vriend,
een boven-ons-gestelde, een mede-werkgezel een
tint van minachting, spot of koelheid meenden
te bespeuren; — \'t was missehien eene on-
voorziene moeilijkheid___ En een lief woordje,
dat we meenden zoo gemakkelijk te kunnen
geven, blijft verstorven op onze lippen: — en
onze als verstijfde ledematen zijn niet in staat
het dienstje te bewijzen, dat ons toch zoo
licht en zoo aangenaam voorkwam.
Wij zien, wij kunnen niets meer; wij zijn
somber geworden, geven een kwalijk antwoord,
wij zijn koel; in één woord; — wij zijn niet
lief meer!
Van voren af aan!
Gelukkig zij, die eiken morgen zich voor-
nemen : lief te zijn.
Men moet maken, zegt Malebrmiche, dat ieder
veel van ons houdt; opdat er niemand meer
zij, aan wien men nuttig zou kunnen zijn.
Opdat nu elk veel van ons honde, is noo-
dig, dat men zich beminnelijk make! En toch,
hoevele overigens goede en brave menschen
kunnen maar niet daartoe komen, dat zij zich
beminnelijk maken. Het komt, omdat er iets
onaangenaams, als een kwaden plooi ligt over
het gelaat; in hunne manieren, in den toon
— 14 —
-ocr page 25-
^(P^,_____________________________________________________----*G)4.
f
hunner stem; — nauwelijks waar te nemen,
maar die nu eenmaal afstoot.
De koele uitdrukking van het gelaat b.v.,
bedekt als \'t ware den geheelen mensch met ijs-
korsten en laat in alles hare indrukken achter.
Wilt gij een onfeilbaar middel om elk tot
u te trekken en overal toegevendheid te vinden,
zelfs voor uwe gebreken ?
Tracht u dan eigen te maken de drie vol-
geude soorten van deugden, welke ook drie
schoonheden, drie bevalligheden zijn.\'\'
Trien (lelijk ontvangen,
Voorkomend zijn,
Willen behagen (niet: uitblinken).
Dat deze overal bij zijn: iu uwe houding,
manieren, den toon uwer stem ; ja dat deze in
uw verstand, uw hart, uwe blikken, uwe stem,
al uwe wezenstrekken liggen, deze vergezellen.
Zijt ge hiermede versierd, dan zult ge ook
altijd beminnelijk zijn; en voor een lief meusch
is er altijd verschooning, vergeving; deze is
immer welkom: gij zult dus goed doen.
En als dat streven, om beminnelijk en aan-
genaain te zijn, voortkomt uit, of gevoed wordt
door de zucht, om Jezus Christus te gelijken,
den beminnelijksten der menschen, dan zal
Jezus Christus zich van u bedienen, om zielen
tot Hem te voeren.
— 15 —
-ocr page 26-
»Qte-^_____________________________________________________i^rï»5)4j
m
\\v
VI.
\'t Is zoo goed, goed te zijn.
Zeker ! ja, dat is wèl goed.
Goedig zijn geeft kalmte, schenkt vreugde,
brengt vrede.
Als men goedig is, krijgt de ziel in oogen-
blikkeu van ongerustheid — waarvan de meest
angstvallige niet vrij is — het liefelijk beeld
te zien van den God-Mensch, die haar de armen
opent, en haar met den beminnelijksten glim-
lach toefluistert: Welaan, gij zijl goedig ge-
weest; Ik zal voor u goed zijn !
Hij, die goedaardig is, heeft zeker zijne
uren van droefheid eu tranen..... doch onge-
lukkig zal hij nimmer zijn.
Goedaardigheid is een balsem, die alle wonden
heelt, — een reukwerk dat elke ongezonde
lucht verdrijft; - eene eenstemmigheid, die
overal de orde herstelt.
Geene grief, hoe smartelijk ook, of zij heeft
het moeten opgeven tegen daden van goedheid,
welke ten doel hadden, ze weg te nemen.
Goedaardigheid is die goddelijke kracht, welke
ons dringt om nuttig te zijn, om alles voor allen te
zijn, teneinde aan allen goed te doen, om elkeen
over ons te laten beschikken, — om aan ieder ge-
noegen te doen, diensten te bewijzen, aangenaam
te zijn; om voor anderen iets te doen van het-
- 16
-ocr page 27-
*2^2£_
geen het Kind Jezus op aarde kwam doen, van
hetgeen de goede God alle oogenblikken van
ons leven voor ons doet, van hetgeen God wil,
dat wij doen voor hen, die Hij Zijne kinderen
noemt.
Goedigheid is, hetgeen er overvloedig goeds
is in ons verstand en hart, overstorten in het hart
en den geest van anderen.
O, als we hoorden, hoe de goede God ons
altijd toeroept: wees goedaardig !
O, als we de gratiën der H. Communie in
ons zorgvuldig bewaarden en als we dan Jezus
Christus — Hem, zoo f/oed — zich eens lieten
bedienen van onze handen, om onzen evenmeusch
ter hulp te komen ; -— van onze lippen, om
ze raad, troost, bemoediging, vreugde te doen
verspreiden, — van het licht onzer rede, om
daarvan aan anderen mede te deelen; — van
onze tijdelijke goederen,
om hen bij te staan ;
van onzen invloed, om hen daarvan niet ver-
stoken te laten.
Mijn God, zijn er niet immer van die reine,
heilige, teedere zielen, wier leven Gij zijt; —
van die zielen, die zich eenvoudig door U te laten
bestieren, leiden, en die ons recht geven te
zeggen, wat de H. Franciscus van Sales om-
trent den H. Vincentius van Paula zeide : Mijn
God hoe goed moet Gij zijn, daar Vincentms
zoo goedig is.
GOUBKOEBELS.                                                                2
-- 17 —
-ocr page 28-
Goedheid is de eerste hoedanigheid, welke
gedrukt werd in het hart van den mensen op
het eigen oogenblik, dat God hem schiep, —
zij doet ons op Hem gelijken in datgene, wat
in Hem den mensch het meest aantrekt —
dat hem het meest bevattelijk is, waaraan onze
arme natuur het meest behoefte heeft.
Goedheid neemt ook den naam aan van
liefdadigheid, medelijden, vergevingsgezindheid,
welwillendheid, toewijding, leederheid,mededoogen.
Zij is geliefd, gezocht, verlangd door, vindt
een goed onthaal bij een ieder.
Goedheid kan het met alle hoedanigheid en
eigenschappen van hart en geest vinden : zij
maakt ze lieflijk en begeerenswaardig, hetgeen
ze zonder haar niet zouden zijn.
Men kan zeggen dat, waar God is, daar
goedheid heerscht; en dat goedhartigheid de
verhevenste daden kan uitvoeren door kinderen,
eenvoudige vrouwen, door bedelaars, door de
kleinsten.
Waarin bestaat de goedheid in het dage-
lijksch leven ?
In iemand vriendelijk te ontvangen.
In hem deelneming te betoonen.
Een opwekkend of vleiend icoord toe te spreken?
\'t Is inderdaad wel weinig. Toch, wie zal zeg-
gen, wat dat alles vermag, wat het uitwerkt?
— 18 —
-ocr page 29-
Eene eenvoudige en hartelijke ontvangst van
een bezoeker — een glimlach, die hein al van
verre het welkom toeroept en zegt, dat hij
niet ongelegen komt, — een hand-schudden,
dat hein aanstonds op zijn gemak doet zijn...
\'t zijn zoovele kleinigheden, maar die het hart
ontsluiten, vooringenomenheden doen verdwijnen,
oude veeten doen vergeten, raadgevingen in
goede aarde doen vallen, die anders kwalijk op-
genomen zouden zijn.
Deelneming is licht betoond ; en hoezeer kan
zij opbeuring schenken!
Gelijk een druppel olie doordringt tot de onge-
naakbaarste spleten, zoo dringt ook de goedhar-
tige deelneming door in eene ontmoedigde,
teleurgestelde, verbitterde ziel, om te zien of er
nog eenig goeds in is — en — dit gevonden
— ziet zij alles: fouten, val, onverschilligheid
voorbij, om alleen dit goede te zien, daarover
hare bewondering uit te drukken...... en het
arme hart, datzich onteei\'d, verloren waande, leeft
op, is verwonderd over zichzelven, en roept uit:
maar ik kan toch nog !... Ja, gij kunt nog
goed zijn!
En wat vermag niet een vleiend woord ?
Weinig menschen die er buiten kunnen!
Hier is natuurlijk geen sprake van laffe
vleierij, die veeleer kwaad doet, maar van die,
waardoor men zijne waardeering in een enkel
woord te kennen geeft, waardoor men een
— 19 —
-ocr page 30-
ps-
• -^>»
open oog toont te hebben voor het goed, dat
een ander doet, -- waardoor men aanmoedigt
tot verdubbelde inspanning; een vleiend woord,
uitgesproken niet op den toon van een meerdere,
maar van een welwillend vriend. —
Hoevele nuttige dingen danken vaak hun be-
staan aan een aanmoedigend woord!
* *
*
Is het niet waar, dat wij zelden of nooit
aan God vragen : goedhartig te zijn ?
Wij zijn liefdadig, medelijdend, opofferend;
maar als die deugden niet doorweekt en ver-
zadigd ziju van goedhartigheid, dan zullen zij
slechts weinig goeds, en dat nog niet dan met
de grootste moeite
uitwerken.
VII.
Zich vrienden maken.
Vrienden hebben is wel het reinst genot en
maakt het leven zoet!
Vrienden bezitten is, zijn leven en zijn weten
verveelvoudigen. Wij zijn met ons drieën, zeide
een wijsgeer, maar \'t is, of we maar één hart
hebben, en één begrip, en zoo werken we met
eene kracht voor drie.
Vrienden hebben is zijn hart sterken tegen
*fc
20
-ocr page 31-
kwellingen; is, het steunen, om gemakkelijker
op te klimmen tot God.
Een vriend, zegt de maistrk, is een gids, die
het verdrietige wegneemt. Geen balsem, die zóó
genezing brengt, als die der vriendschap.
*
* *
Vrienden moeten verkregen worden: want: be-
niind willen worden om zich zelven is een droom-
beeld : zelfs God doet den eersten stap om zich
vrienden te maken: dus moeten wij dat toch
zeker doen!
Het karakter van een mensen brengt zeker er
veel aan toe, om zich vrienden te maken, want
liet wekt de sympathie: maar die sympathie
blijvend te doen zijn, dat is de kunst. Als ge
vrienden wilt hebben, verdien dan, ze te bezitten.
Als meu geene achting voor u gevoelt, al
munt ge uit door buitengewone hoedanigheden,
of door grooten rijkdom, of door een stand,
die tot dienstbetoon van pas kan koinen —
drie dingen, die de pluimstrijkers trekken —
men moge u misschien vleien, beminnen zal men
u niet.
De vriendschap is schroomvallig: zij heeft wel
iets van den aard der duiven. Eenigzins
vreesachtig, in den beginne bijna wild, moet
— 21 —
-ocr page 32-
^--_______________________________________________• >?*
zij zachtjes aangeknoopt worden, maar, eenmaal
gewoon, hoe trouw is zij dan, hoe maakt zij
dan alles lief door hare bevalligheid en toe-
wijdiug! Weet ge wat haar trekt?
1.     Welwillendheid en vriendelijkheid; kleine,
weinig opzienbarende deugden: de eene is
blind voor de gebreken of slaat er geen acht
op; — de andere trekt aan door de lieftallig-
heid, welke in elke handeling, glimlach, woord
verborgen ligt.
Kleine deugden, die weinig kosten en groote
waarde hebben.
Het kan zijn, dat men ooit te goed is; nooit,
dat men te welwillend of te vriendelijk is.
2.     Weldadigheid. Er is geen zoo sterke
band om tot zich te trekken, en aan zich
verbonden te houden, als iemand goeddoen;
het hart, dat daarvoor ongevoelig is, moet al
heel slecht zijn.
Weldoen is een net, dat men elk oogenblik
moet uitwerpen: wel zullen u vele harten ontgaan,
maar wees verzekerd, dat er zullen overblijven,
die u schadeloos stellen voor de gegeven moeiten,
de gemaakte kosten. Zou geluk niet een weinig
moeite waard zijn? De grondslag nu van geluk
is: de weldadigheid.
3.     Voorkomendheid. Deze deugd is als het
kleingeld der weldadigheid en vriendelijkheid:
het is overal en bij allen gangbaar, en werft
altijd een weinig vriendschap.
-ocr page 33-
De voorkomende of gedienstige mensch wacht
zich niet alleen, om aan anderen onaange-
naamheden te veroorzaken; maar hij vorscht
zelfs uit, welke anderer gevoelen, inzicht, enz.
is, en neemt elke gelegenheid waar om pleizier
te doen.
Zoo, bijvoorbeeld, vindt gij dat ik beter
gesproken heb dan een ander, die over dezelfde
zaak sprak — het verdriet u niet mij wat
op te vroolijken — gij tracht mijn humeur te
kennen, om u daarnaar te voegen - gij wilt
mijne eigenliefde niet kwetsen door al te breed
mijne gebreken uit te meten — het een of
ander, dat ik verzuimde te doen, doet gij, en
ge laat anderen in de meening alsof ik het
gedaan had.
Zou het kunnen zijn, dat ik u niet liefhad?
Voorkomendheid eischt echter, dat men
oordeelkundig te werk ga. Doe iveinig, en ge
schijnt onbeleefd. Doe te veel, en ge maakt o
belachelijk. Om voorkomend te zijn, behoort
men een hart te hebben om te beminnen —
verstand en oordeel, om het geschikte oogen-
blik tot handelen te kiezen — geduld, om er
tegen te kunnen, dat goede diensten vergeten,
soms met ondank vergolden worden.
Doen wij dan ons best, om eiken dag een
vriend te winnen.
— 23 —
-ocr page 34-
Wij kunnen ze natuurlijk niet allen behouden;
allicht echter, dat er één onder gevonden wordt,
die zich door onze goedheid voelt aangetrokken;
en, als één daarvan eens onze boezemvriend werd!
Zou het niet verkieselijker zijn, te kunnen
spreken van één vriend, dan van vrienden?
Moeielijker kunst dan vrienden te maken, is:
ze te behouden. Vriendscliaps-jfeHO/ en vriend-
schaps-j)/!c/*< moeten voor goede harten een-
zelfden klank hebben.
Deze twee woorden alleen geef ik u ter
overweging, u vrienden, aan wie genegenheid
dezelfde gedachten en verlangens ingaf.
Wilt gij nu, dat uwe vriendschap lang dure
en innig blijve: leef, en doe dan zóó alsof de
dag van scheiden gekomen is, en ge elkander
eene aangename gedachtenis wilt achterlaten.
Dan: beoordeel uwen vriend nooit, want van
den dag af, dat gij hem gaat beoordeelen, zal
ook uwe vriendschap afnemen.
Wilt ge nu ook nog weten of gij werkelijk
bemint, en of ge oprecht bemind wordt ? Ga
dan eens na, of uw vriend en gij de vier volgende
hoedanigheden hebt:
Voorzichtige vrijmoedigheid, waarmede gij
uwen vriend de gebreken aanwijst, welke ver-
— 24 --
-ocr page 35-
betering behoeven, docli dit met omzichtigheid
en kieschheid, zoodat liet liem niet het rood
der schaamte op de kaken jage.
Oprechtheid en vertrouwelijkheid in den om-
gang.
Hieruit komt van zelf voort, dat men
elkander raad vraagt en geeft.
Onbeschroomd eerlijk zijn; zoodat men de
eer en faam van zijn vriend hooghoudt, ophoudt,
voorstaat, zelfs ten koste van onaangenaamheden.
Standvastige goedheid, die ten steun en troost
des vriends moet zijn, hem tot samenzijn noodt,
daarnaar doet verlaugen, maakt, dat hij immer
en vóór alles op ons kan rekenen.
VIII.
Recept, om zijnen vrienden niet tot last
te zijn.
Dit voorschriftje is geschreven door eene
vrouw, van wie het leven verbitterd, vergiftigd
werd door zeer kleine verdrietelijkheden, die
haar werden aangedaan door eene bloedverwante,
die zeer veel van haar hield, maar wier gene-
genheid tot haar onbescheiden was en al te
hartstochtelijk.
In alles behoort maat te zijn, ook in het
letoonen zijner genegenheid, zoowel als in het
bewijzen van diensten of in het besparen van
25
-ocr page 36-
kleine onaangenaamheden. Dit receptje bevat
vier dingen, die op zich zelve duidelijk zijn en
en zeer juist.
1. Ik laat mijn vriend altijd iets te wenschen
over.
Heeft hij ffaarne, dat ik driemaal hem
bezoek, dan ga ik tweemaal. Des nachts zal
hij van mijn derde bezoek droomen, en ik zal
\'s morgens des te welkomer zijn.
Zoet is het, als meu voelt dat iemand naar
ons verlangt; hard valt het, als men moet
vreezen tot last te zijn.
2. Ik bewijs mijn vriend dienst, zooveel hij
wil; doch ook niet meer.
Vriendschap, die wat druk is, wordt altijd
een last — en wat veel vriendschapsuitingen
maakt haar onuitstaanbaar. Toewijding aan een
vriend bestaat niet in voor hem alles te doen,
wat kan gedaan worden ; maar eenvoudig in dat-
gene
te doen, wat hem aangenaam en voordeelig
is; en dan nog moet hij zelf het merken, maar
ik niet hem er op wijzen, wat ik gedaan heb.
Wij zijn allen te vrijheidslievend, dan dat
wij niet gehecht zouden zijn aan onze eigeuaar-
digheden; — wij blijven liefst van, te veel
bezorgdheid
voor ons verschoond.
3. Ik bemoei me veel met mijne eigene
-ocr page 37-
l-<*§*
zaken, doch slechts weinig met die van mijn
vriend.
Deze regel zal zeker een goeden uitslag heb-
ben. Want als ik me veel met mijne eigene
zaken bemoei, zullen die tot een goed einde
geraken; inmiddels doet mijn vriend zijne
zaken en elk zal zich goed er bij bevinden.
Als hij mijne hulp inroept, ben ik bereid, die
te verleenen; doch als hij inij niet roept, dan
meen ik, hem en mij den grootsten dienst te
bewijzen, als ik mij er niet mee bemoei. Kan
ik hem echter van dienst zijn, zonder dat hij
liet weet,
en zonder dat hij dien dienst van mij
zou vorderen, — dan zal ik dat toch doen.
*
4. In zaken van belang Iaat ik mijn vriend
denken en doen wat hij verkiest.
— Waarom zou
ik willen en hem dringen, dat hij dacht en
deed als ik? Ben ik dan het model van wat
goed en schoon is? En is het niet bespottelijk
te meeuen, dat een ander niet goed doet, als
hij niet denkt en doet gelijk ik ? Daarom behoef
ik hem nog niet altijd gelijk te geven, maar
ik laat hem bij zijne meening.
*
* *
Neem de proef met deze voorschriften en ik
verzeker u, dat uwe vriendschap bestendig zal
zijn.
-ocr page 38-
_________________________________ü^g*
IX.
Recept voor personen, die samen
moeten leven.
Gij houdt veel van elkander, niet waar ?
Zeker, maar___
Maar___ wat is er dan ? Als ge toch veel
van elkaar houdt, zijt ge ook gelukkig.
Ja, maar___ och ! hij heeft een goed hart,
doch als ge eens wist wat een lastig karakter.
Al drie jaren twist ik, bid ik, ween ik, knor
ik___ alles te vergeefs!
Al drie jaren ! Maar als ge nu eens drie
jaren mijn voorschriftje had opgevolgd, dan
zoudt ge de scherpe kanten van zijn karakter
niet meer gevoeld hebbeu, ja gij zoudt er aan
getwijfeld hebben, of er wel doornen zijn rondom
dat zoo toegenegen hart.
Hebt gij daarvoor een recept ?
Ja, en nog wel een zóó eenvoudig, dat ik
het u haast niet durf geven.
In plaats van te twisten met uwen (echt)
vriend, twist met u zelven — bid veeleer voor
u,
opdat gij beter wordet, dan voor hem, opdat
hij zich betere van gebreken, die hij misschien
niet gebeteren kan.
Zet eens een vroolijk gezicht in plaats van
te weenen___in één woord : verbeter gij uwe
fouten en word een heilige.
-ocr page 39-
*@2ü
._^G)\'
Een heilige, een ware heilige is geduldig,
en geduld heeft veel van een wollen kleed, dat
men des winters aantrekt, om geen hinder van
de koude te hebben. Is het ooit bij u opgekomen,
om te maken dat het geen winter werd ?
Een heilige is zachtzinnig ; en zachtzinnig-
heid is als een mollig omhulsel, waarmede de
heiligheid uw hart omgeeft, en dat de scherpte
van bitse of onbillijke woorden niet doet voelen.
Op anderen wei ken is dikwijls moeielijk of
onmogelijk, maar werken op zich zelven kan
men altijd, en dit heeft altijd goed gevolg.
Maar is het niet moeielijk, heilig te zijn?
Och, men behoeft zich slechts te laten ge-
worden van den goeden God, en Hem zoo goed
mogelijk te dienen.
X.
In dat huis werd niet gebeden.
Een handelshuis, in de oogen der menschen
gister nog rijk en aanzienlijk, staakte zijne
betalingen en hield op te, bestaan.
Eene arme, maar godsdienstige vrouw, die
aan dat huisgezin veel te danken had, betreurde
ten zeerste den val en ondergang dier familie. Zij
maakte echter de opmerking: men bad niet
in dat huis!
Dit eenvoudig woord verklaart veel.
- 29 —
-ocr page 40-
Een huis, waar men niet bidt, kan onmo-
gelijk lang overeind blijven, en kan zeker geen
voorspoed hebben.
Die steenen muren zullen wel niet invallen,
maar wat zal verminderen en langzamerhand
verdwijnen : ziel en leven van dat huis. Deze
maakten die koude muren tot een gezellig en
veilig verblijf, waar men \'t best en waar men
\'t liefst is, omdat het een waar te huis is.
Die ziel en leven nu zijn : eensgezindheid,
hartelijke vriendschap, wederzijdsche inschik-
kelijkheid, verknochtheid, kieschheid jegens
elkander ; hetgeen alles samen in staat is, om
ook aan een zwaar beproefd leven nog te
doen hechten.
De steenen van een huis worden door kalk
aan en op elkander gehouden — zoo ook kunnen
de geesten en harten der bewoners slechts één
zijn door het gebed. Zonder deze kalk van het
gebed kan op den duur geene verbintenis een-
dr achttig
stand houden; noch ook liefde, hoe
hartelijk en oprecht gemeend, kan ontsnappen
aan de verveling, langwijligheid en weerzin,
welke het leven meebrengt.
Arme harten, die zooveel van elkander houdt,
en zoo oprecht gemeend zegt: wij zullen immer
elkander liefhebben
: helaas, als gij beiden niet
bidt met, en voor elkander,
dan zal uwe liefde
niet blijven duren !
* *
*
-ocr page 41-
«3^2*
Wij zijn nu twaalf jaren bij elkander, zeide
eens een echtpaar tot eeii priester. Dikwijls
genoeg, helaas ! viel er tnsschen ons iets voor :
eeue oneenigheid, eene verkoeling; al eens
kwam er eene donkere wolk over ons hart; maar
het duurde nooit langer dan één dar/.
Bij ons huwelijk deedt ge ons beloven, dat we
\'s avonds en morgens altijd samen een kort gebed
zouden doen : en dit hebben wij altijd onder-
houden : en als wij dan beiden weer bedaard en
kalm waren, werden we als door God gedreven
naar het kruisbeeld, zagen daar bewogen elkan-
der aan en waren weer eensgezind.
* *
O, \'s avonds te zamen, bij elkaar gezeten, en
hard-op bidden
; wie zal zeggen wat licht het
brengt om zijn ongelijk te erkennen, — wat
wilskracht om dat weer goed te maken, —
wat toeschietelijkheid om te vergeven, — hoe-
zeer het de harten verteedert, opdat ze het
zich aantrekken.
Gij die wilt, dat uwe liefde bestendig zij,
bezweert toch geene belofte, die ge onmogelijk
kunt volbrengen, hoe goed ge het ook meent:
wij zullen immer elkander liefhebben; — maar
belooft elkander, geen avond te laten voorbij-
gaan zonder
samen en luid-op gebeden te
hebben.
(\')
(1) De Aartsbrocderschap der H. Familie schrijft dit
— 31 —
-ocr page 42-
Als men dagelijks thuis bidt, roept men den
goeden God daarbinnen — opdat Hij onze gast,
beschermer, steun
en bestierder zou zijn.
Daarom zal de goede God nog niet alle be-
proevingen van u afweren, of de onaangenaam-
lieden, welke u door anderen worden aangedaan ;
— meen ook niet, dat al uwe pogingen zullen
slagen, als, en omdat gij braaf zijt en uw best
doet; — doch Hij zal verhoeden, dat uw huis
instort.
God dienen, gehoorzamen en bidden zijn als
de bewakers van den voorspoed, vrede en der
eer eener familie.
In de twintig jaren, zegt een fransch genees-
heer, dat ik mijne praktijk uitoefen, heb ik
vele huisgszinnen gekend, die ongelukkig ge-
worden zijn, en heb ik vele personen ontmoet,
die aan lager wal geraakt waren.
Ziehier nu den uitslag van het onderzoek,
dat ik ingesteld heb, hoe deze menschen het
stelden ten opzichte van God.
Van de 342 familiën, die in onmin leefden,
waren er 320, die des zondags nooit in de
kerk kwamen.
voor aan hare leden en voegt er een kort, UageWksch gebed
tot iln H. Familie bij; waarbij het huisgezin zich dit
model-huisgezin tot voorbeeld neemt, en zich aan Hetzelve
aanbeveelt. Zie Kerk, 5Iis- en Lof boekje.
- 32
-ocr page 43-
<-^%-%?
#0^.
;          Slechts 12 van de 417 jongelieden, die de C
schande hunner ouders waren, woonden des
zondags de H. Mis bij.
Op de 23 bankroetiers was er niet één, die
ooit in de Mis kwam. Nu; nergens zijn de
gewetenswroegingen erger dan in eene kerk;
en hoe worden die nog gewekt door de preek
des priesters !
Van de 40 winkels en magazijnen, die zondags
verkochten,
waren er nauwelijks 10, wie het goed
giug-
Een enkel van de 25 kinderen, die hunne
ouders aan hun lot overlieten, hield nog zijn
Paschen.
Eeu oogeublik was ik onder den indruk van,
ja als verpletterd door deze verschrikkelijke getal-
len, die ik zelf had nagegaan; maar toch.....
in het diepst van mijn hart voelde ik eene zekere
voldoening er over, dat God hier beneden zelf
recht doet over hen, die tegen Hem op staan,
Hem den rug toekeeren, en zijne heilige wet
met voeten
treden.
*
* *
Als men — om op dat handelshuis terug
te komen — daar gebeden had, zou in dat
huis meer ware rechtschapenheid en geene
voorgewende en uiterlijke geheerscht hebben —
minder zucht om er maar te komen — minder
koortsachtige bedrijvigheid, om in eenige jaren
1               GOUDKOURELS.                                                              3 |\\
33
-ocr page 44-
rijk te zijn — minder onophoudelijke arbeid
en dorst naar winst, die vreest een halfuurtje
te minnen, iets minder te verkoopen door de
Mis bij te wonen of des zondags te sluiten.
En dat huis zou dan misschien minder ge-
schitterd hebben dan dat van zijn mededinger,
maar liet zou staande gebleven zijn. En de
nachten zouden voor allen rustiger zijn geweest,
en de avondstonden aangenaam en voordeelig;
en de winsten groot genoeg, om iets voor de
toekomst weg te leggen en er van mede te
deelen aan de armen, die er in den naam van
Jezus om vroegen.
XI.
Heidendom in huis.
Deze bladzijde is geschreven voor u, christen-
moeders;
en wij bevelen ze u ter lezing en over-
weging aan, daar gij niet zonder zonde kunt
afstand doen van het recht: Koningin en
meesteres te zijn in het huisgezin,
welk recht
gij ontvangen hebt bij het aangaan van het
Huwelijk.
Gij kunt, gij zijt verplicht den huiselijken
kring rein te houden, dien gezond en heilig
te doen zijn.
— 34 —
-ocr page 45-
Alles in onzen tijd wordt wereldsch gemaakt,
zelfs de huiselijke kring.
Vroeger nam daar het Kruisbeeld de eere-
plaats iu;
hing het wijwatersvat als beschermer aan
moeders en der kinderen rustplaats;
sierden godsdienstige schilderijen in zachte
en vredige tinten de muren.
Als men die christelijke gezinnen binnen
trad gevoelde men zoo iets als bij het binnen-
treden eeuer kerk; en gelijk men hieraan den
naam van huis Gods gaf, zóó sprak men van:
het familie-heiligdom.
Ga nu heden ten dage eens de huizen bin-
nen, waar vader, moeder, kinderen wonen,
die allen in het Doopsel met het teeken des
kruizes gemerkt zijn: en zeg of, te oordeelen
naar meubileering en sieraden, ge niet veeleer
zoudt meenen in het huis van een heiden dan
van een christen-mensen te zijn?
Nergens is eenig teeken of zinnebeeld te be-
speuren, waaruit men kan opmaken, welken
godsdienst de bewoners zijn toegedaan.
Ziet men er soms schilderijen met geschied-
kundige
voorstellingen; dan zijn deze niet
zelden lasteringen tegen de Kerk; — stellen
ze tafereelen voor, dan dienen die ter verheer-
lijking van ontucht; — portretten; al te vaak
— 35 —
-ocr page 46-
*5^1
f5#
van predikers en bevorderaars van het kwaad
en der ongodsdienstigheid.
Is de geschiedenis van den godsdienst dan
zoo arm aan waarlijk groote mannen, dat we
de muren onzer huizen moeten ontsieren met
voorstellingen, aan het heidendom ontleend, of
door de zinnelijkheid ingegeven en ontworpen?
Merk hierbij wel op dat, als dergelijk plaat-
werk zoozeer in zwang is bij de aanzienlijken,
de huizen der minder-gegoeden ook daarvan over-
stroomd worden; of dat, bij gebrek aan kunst-
werken, deze zich moeten tevredenstellen met
platen in schreeuwende kleuren en van nog minder
allooi, en aldus door den valschen smaak der
gegoeden ook de smaak van het volk bedorven
wordt.
Overigens vragen wij eens in gemoede, welk
begrip van zedelijkheid jongelingen, jonge meisjes
wel moeten krijgen van de schilderstukken, pla-
ten, beeldhouwwerk, waardoor in onzen tijd
zoovele huizen van christenen onteerd worden.
Hoe zou het mogelijk zijn, dat een kind zedig
bleef, hetwelk van zijne prilste jeugd gewend
is, de onzedelijke voorstellingen te zien, welke
zijne wereldschgeziude ouders maar zonder erg
onder zijne oogen laten.
Wel is waar is dit nog niet het ergste teeken
van het verval van het christelijk huisgezin; —
toch is het een verschijnsel, dat ieder welden-
kende droef te moede doet zijn, en aan eiken
— 36 —
-ocr page 47-
katholiek den plicht oplegt hiertegen te ijveren
zooveel in zijn vermogen is.
Wij herinneren ons eene gebeurtenis uit de
geschiedenis van Engeland, welke hier allezins
van pas komt.
Een rijk edelman, die eenmaal zijn koning
Karel 1 in zijn huis mocht ontvangen, kreeg
bericht, dat Cromwell, de man die Karel I
van troon en leven had beroofd, plan had om
op zijne reizen bij hem te overnachten.
Een officier van Cromwell was al te voren
bij den edelman, aanhanger der Stuarts, aan-
gekomen, om het nachtverblijf voor zijn meester
te regelen. Hij doorliep alle zalen van het
kasteel, eiudelijk ook de groote eerezaal, welke
hij dan uitkoos als slaapzaal voor Cromwell.
Tegen den muur dezer zaal hing een prachtig
portret van Karel I.
Dut moet gij laten wegnemen, zeide de of-
ficier, wijzend op het portret van den koning-
martelaar.
Nooit! antwoordde de edelman. Ik heb niet
verzocht om de eer, uw meester te mogen
huisvesten; — nu hij toch komt, denk ik er
niet aan. voor hem de deur gesloten te houden;
trouwens, hij zou ze met geweld doen openen;
maar als hij hier een nacht verblijft, zal
hij hier ook alle voorwerpen en herinneringen
— 37 —
-ocr page 48-
aantreffen, welke aan mij en de mijnen zoo dier-
baar zijn. Het portret van mijn koning blijft
daar waar mijn vader het plaatste. Alvorens er
in toe te stemmen, dat het werd weggenomen
zou ik tot Olivier Cromwell zeggen:
Neem mijn hoofd, en werp het bij dat van
den martelaar; maar onbewegelijk zal zijne
beeltenis blijven in deze zaal, gelijk de herin-
nering aan hem onuitwischbaar is in mijn hart.
Katholieken, gij die fier zijt op dezen naam,
zoudt gij minder over hebben voor God dan
deze edele en trouwe ridder voor zijn koning.
En zoudt gij niet moeten vreezen, dat ook
voor dit heimelijk verraad, aan den goddelijken
Meester gepleegd, u zijn vloek treffen zal:
„omdat gij u Mijner geschaamd hebt voor de
menschen; daarom zal Ik mij ook over u schamen
bij mijn Vader?"
XII.
Een beetje begoocheling" (Illusie.)
Begoocheling — een weinig illusie — is
in betrekking tot familie en vrienden, iets
waaruit ook ons geluk hier beneden bestaat —
dat er althans veel toe bijdraagt.
— 38 —
-ocr page 49-
Het geluk is eene bloem, welke de goede
God ons geschonken heeft om onze hoop niet
te doen wankelen, maar die bloem kan zich
niet geheel gewennen aan onze aarde, en van-
dï\'u\'ir dat zij, om geur te geven, behoefte heeft
aan een element, dat strijdig schijnt met hare
natuur.
Dit vreemd element nu is: — de begoocheling,
de illusie!
*
* *
Wachten wij ons wel, de beteekenis van dat
woord te overdrijven.
Neen wij mogen ons zelven niet misleiden
omtrent ons zelven, noch over onze persoonlijke
waarde, noch omtrent onze verdiensten ; maar
wel in het verdienstelijke van anderen, in hun
goed hart, in hunne toewijding aan ons.
Begoocheling mag niet voorkomen buiten
den kleinen kring van familie en vrienden.
Dan alleen is illusie eene goede zaak, waar-
mede men zijn voordeel kan doen, ja dan is
begoocheling iets heiligs.
Illusie is als een zacht-doorschijnend glas,
waarmede men personen en zaken beziet.
Zelfbegoocheling doet me ternauwernood de
scherpe kantjes zien van het karakter dier
menschen met wie ik moet leven. — Zij kleurt
— 39 —
-ocr page 50-
J&\'«>&^-«
I?
alles met zachte tinten of liever ; zij doet me
alles wat een ander voor me doet, ten beste
uitleggen, en aan genegenheid toeschrijven.
Door haar komt me hnn glimlach ongekun-
steld voor, ongeveinsd en oprecht gemeend.
Illusie, zelfbegoocheling, zelfmisleiding doet
me in het diepst hunner harten blikken en
zien hoe goed zij zijn — doet me doordringen
tot hunne bedoelingen, en ik overtuig me, hoe
inschikkelijk zo zijn, er op uit, om me van
dienst te zijn, me genoegen te doen ; hoe zij
mijne gebreken niet al te erg opnemen, noch
ook mijne tekortkomingen, maar die voor zich
verontschuldigen en voor anderen verbergen.
En wat ik aldus bij anderen meen te zien,
dat, maak ik me wijs, nemen zij, {de mijnen)
ook bij mij waar.
En dit bewustzijn wekt mij op tot dank-
baarheid,
prikkelt tot grootere genegenheid en
en toewijding jegens hen.
Illusie is als een blad watten dat, tusschen het
karakter mijner vrienden en het mijne gelegd,
botsing onmogelijk maakt.
Zij slijt ook de al te scherpe hoeken af, zoo-
dat ik die niet zie noch voel.
Woorden, die op zichzelve vinnig, bits, hard,
misschien zelfs onbillijk waren, hebben door
haar al veel aan krasheid verloren, vóór zij
— 40 —
-ocr page 51-
4Kgfc^
üf^*
tot mij komen ; — daarbij, die woorden kren-
ken mij niet: en als ze al voor een oogenblik
treffen, dan is \'t als van een regendruppel op
een bloem : deze valt op de bloem en buigt
haar, doch slechts voor een oogenblik, want
zij herneemt aanstonds haar vorigen stand.
En als ik aan mijne vrienden denk, hen
aan het werk zie, of des avonds eenigen tijd
met hen doorgebracht heb, dan zeg ik bij mij
zelven : wat zijn het toch goede, inschikkelijke
menschen;
— ze zijn beter dan ik.
Illusie! die gedachte beheerscht al mijne
gedachten ! Zij ligt ten grondslag aan mijne
genegenheid en voedt, koestert die, waar ik
bij mijzelveu denk : men houdt nog al van mij,
men heeft gaarne met mij te doen, men stelt
prijs op mij, men mist mij ongaarne ; — en
ik, ik doe toch ook nog al goed, maak toch
ook gelukkig vvien ik kan.....
Hoe ! zouden deze gedachten, als men daar-
van vol is, niet stemmen tot klimmende geest-
drift, niet prikkelen tot arbeid, toewijding,
zelfverloochening; — zouden deze gedachten
op hare beurt niet een genot verschaffen, waar-
bij alle zwarigheden des levens verdwijnen ?
Hoe! zou deze gedachten niet bij machte
*<ae-\'-\'                                                                                                            \'^se) f»
— 41 —
-ocr page 52-
•-^5ijfr
zijn, om ons al de liefelijkheden van het huise-
lijk leven te doen smaken; het genot, dat de
vriendschap schenkt, de immer nieuwe geest-
drift der liefde ; — hoe ! zou men niet genieten
bij de zijnen, niet begrijpen de waarheid der
woorden van de H. Schrift: hoe goed en zoet
is het, als broedeis te zamen wonen.
Mijn God ! hoe gelukkig zouden de menschen
zijn, hoe zouden ze U liefhebben, wanneer deze
begrippen als de dampkring waren, waarin ze
leefden.
Alle zielen nu, waarin Jezus woont als in
in Zijn huisje te Nazareth, behooren deze illusies
te hebben.
Maar, mijn Jezus, als daardoor dit leven zoo
heerlijk, zoo aangenaam en liefelijk wordt, is
het dan nog wel illusie, en niet veeleer werke-
lijkheid ?
O, konde ik eens tusschen mij en de mijnen
uwe beeltenis plaatsen als een doorschijnend
glas, waarover ik boven sprak ; — hoe zou
ik in mijne vrienden en gezellen immer uwe
goedheid aanschouwen, uwe wijsheid, uwe toe-
gevendheid en genegenheid voor mij. Zij zouden
als uwe boden zijn bij mij, die mij uwe bevelen
brachten, mij over mijne tekortkomingen be-
berispten, mij leidden bij mijn arbeid.
En zoo zou alles, wat ik tot hen sprak,
— 42 —
-ocr page 53-
«-^®
alles wat ik voor hen deed, eigenlijk tot U
gesproken, voor U gedaan zijn, mijn God!
XIII.
De rechten der Vrouw.
Moge de vrouw deze hare rechten kennen
en erlangen, opdat zij daarmee hare plichten
volbrengen.
Het is het heilig en onvervreemdbaar recht
der vrouiv:
1.     haar hart open te stellen en geopend te
houdend voor alle goede indrukken en
edele gevoelens;
2.     te bidden, te beminnen, te troosten;
3.     zich zelve te vergeten;
4.     zich op te offeren voor die zij liefheeft;
5.     het heiligdom des huisgezius door haar
glimlach tot een hemelsch verblijf te maken;
6.    kinderen onschuldig en rein te houden;
7.     hen te leiden en te richten tot het groote
doel der zalige eeuwigheid;
8.     de harten in liefde te ontsteken;
9.     het ontkiemend kwaad er uit te wieden;
10. opkomende hartstochten te breidelen;
— 43 •
-ocr page 54-
r>^-—_______________________________________________._^f) 4
11.     onaangenaamheden in den huiselijken kring
te voorkomen;
12.     aanstoot en ergeuis er uit verwijderd
te honden;
13.     tranen te stelpen en af te droogen;
14.     weduwen en weezen tot hulp en steun te
zijn ;
15.     den ongelukkigen op te beuren;
16.     hem, die misdeed, edelmoedig te vergeven;
17.     tevredenheid en vrede te stichten;
IS. verzoening te bewerken;
19.     zonde-val te verhoeden;
20.     den gevallene de hand te reiken;
21.     hem zijne schande te doen vergeten;
22.     waken over de lijdenssponde;
23.     de stervenden bereiden tot den dood;
24.     hun de zekere hoop instorten, het vaste
vooruitzicht openen op den hemel.
Wat zegening brengende — en verspreidende
taak der vrouw, — - deze hare rechten!
Eisch deze voor u op, vervul ze zonder mor-
ren, met blij gemoed, — en vraag geen andere.
_ 44 —
-ocr page 55-
XIV.
Het Christelijk jong-meisje.
Wij mogen die woorden niet van elkander
scheiden: christelijk en jong-meisje. Zij behooren
bijeen, zij vullen elkander aan, zij loopen in-
één en stellen dat teeder, liefelijk wezen voor,
dat op aarde leeft, maar wiens optreden aan
den hemel doet denken.
Gelijk de bloem haar glans ontleent aan
het daglicht; zóó het begrip: jeugdig meisje
aan het woord; christelijk.
Gelijk de lentenkoelte den heerlijken geur der
bloem verspreidt, zoo doet het woord chirstelijk
aan het jonge meisje ten toon spreiden de
deugd van haar woord, van haren glimlach, van
haren blik. Denk u van de ziel, den geest, het
hart van het jong meisje datgene weg, wat haar
leven christelijk doet zijn, - - Jezus Christus te
kennen, Hein te dienen en te beminnen —
dan zal zij nog wel schoon schijnen, bekoorlijk
en geestig; — maar zij zal geen oog of hart
meer op zich doen rusten; maar zij zal geen
verlangen naar deugd inboezemen; bij en om
haar zal niemand zich tot het goede gedrongen
gevoelen.
Zij zal ontstemming en ontsteltenis teweeg
brengen.
- 45 —
-ocr page 56-
Jezus Christus in haar! Ziedaar de reden
van haren vrede — van hare ordelievendheid,
van haar goed humeur, van iets goddelijks,
dat afstraalde van hare ziel.
Jezus Christus in haar! Daarom dan was zij
zoo vindingrijk in toewijding aan den familie-
kring
; dat was de oorzaak harer lieftalligheid
en bedrijvigheid van haar eeuwigen glimlach.
Jeztis Christus in haar! Dit is de oplossing
van het raadsel, dat zich bij hare dagelijksche
bezigheden
voordoet : vanwaar dat zoo stipt
volbrengen harer taak ; waarom immer er op
uit, diensten te bewijzen, alles voor allen te
zijn, te bemoedigen, te troosten, gelukkigen te
maken ?
Neem Jezus Christus van haar weg, en niets
van dit alles blijft haar bij.
Zij wordt of is slechts eene Kunstbloem!
Ik aanschouwde haar, het jonge meisje in
het huishouden,
als een bewaarengel bestierend
en beredderend, en door hare aangename manier
van doen de gedachte aan God levendig hou-
dend ; —
op straat: waar zij als een lichtstreep
nalaat; —
onder hare vriendinnen ; dan lijkt zij de ge-
zelligheid en beminnelijkheid zelve, en maakt
ongezocht een indruk van vroomheid op deze ; —
— 46 —
-ocr page 57-
«-~-^»!*
in de kerk vóór het H. Sacrament of bij
een altaar der H. Maagd geknield, waar zij
zoo gelukkig is ; —
in de woningen der armen ; daar bracht zij
een straal van vreugde, aan de kinderen lief-
kozingen, aan allen hoop, vertrouwen en ge-
latenheid.
Laat mij nog haar aan u voorstellen, in de
hoogste volmaaktheid misschien, maar dan toch
als een toonbeeld, dat ieder, die haar aanschouwt
doet zeggen : dat kan, dat wil ik navolgen.
Hare ziel
behoort aan God, streeft immer naar God, gaat
immer met God te, werk, wil niets zonder God.
God is de lucht, die zij inademt, de damp*
kring, waarin zij zich beweegt ; niemand en
niets kan hare rust verstoren. Gelijk de lucht
haar lichaam doordringt, zonder hetwelk zij
niet zou kunnen leven, zoo is geheel haar wezen
doordrongen van God.
God is het, bij Wien zij hulp zoekt, op Wien
zij haar vertrouwen vestigt, en Die haar nim-
mer in den steek liet.
Deze gesteltenis harer ziel oefent, zonder dat
zij zelve het opmerkt, invloed op al hare han-
delingen, geeft daaraan zulken hemelschen glans,
dat niets gemaakts of bits er in te bespeuren
— 47 —
-ocr page 58-
,_^3G)%
.. /a*^.
is, die niets van schitterende daden hebben maar
ze welgevallig\' en nuttig doen zijn.
Deze gesteltenis harer ziel behoudt en onder-
houdt zij door dikwijls te comrauuieeeren.
Haar verstand
is ontwikkeld. Het is niet pasklaar gemaakt
maar gevormd.
De kundigheden, die zij heeft opgedaan, zijn
geen los u-eten, die langzamerhand door den
tijd worden uitgevaagd, vergeten; — neen,
het zijn degelijke kundigheden, welke zij ten
volle bezit en die zij in den omgang met anderen
weet te gebruiken.
Zij heeft volgens een vast plan gelezen, en
aan het gelezene alle aandacht geschonken.
Leeren deed zij rustig. Spreken doet zij zonder
gemaaktheid of aanmatiging. Zij bezit een goeden
smaak, en praat niet alles uit wat zij weet.
Gewoon, zich bezig te houden met God en
de dingen, die op God betrekking hebben, heeft
zij liefde opgevat voor al wat goed is; — streeft
zij naar al wat schoon is, — gevoelt zij van
nature afkeer van het kwaad, wendt zij zich
zonder moeite en verbeelding af van wat hare
reinheid zou kunnen besmeuren.
Haar dagrelijksch leven
kan in drie woorden worden uitgedrukt: be-
drijvig, vol toewijding, opgeruimd.
Hare dagtaak begint bij het krieken van
- 48
-ocr page 59-
t^gg#
#(2^.
den dag. — \'t Is niet zoo overal in zwang,
toch is het geene geriuge verdienste en van
niet weinig belang : vroeg op te staan.
Bij uw werk ga ik u niet na, dierbaar kind,
n, die \'s morgens al zeidet tot de H. Maagd,
wier beeld uw kamertje siert : ..Ik ben jong
„en zwak: sta Gij mij bij, goede Moeder, op-
„dat ik rondom mij vrede en geluk verspreide."
Ja, dat is uwe roeping! En gij schenkt vrede,
en gij brengt geluk aan, omdat gij werkt,
omdat gij bedaard en opgeruimd zijt, omdat
gij het lastige en onaangename voor u neemt.
In uw eenvoudig gewaad weet gij uwe moe-
der te holpen, hare plaats in te nemen in de
keuken, te poetsen, te wasschen, te stoffen, te
redderen, vlug de naald te hanteereu..... on
dat alles, omdat deze gedachte u vervult: men
moet gaarne hier thuis zijn ; geene reden tot
ontevredenheid mag hier zijn; allen moeten in
hun schik zijn.
Alsof God het geheele gezin aan u geschon-
ken, tot het uwe gemaakt had, zoo weet ge in
den schafttijd allen neer te zetten, op te vroo-
lijken door uwe kinderlijke opgeruimdheid, in
vervoering te brengen door de heerlijke accoor-
den en melodieën, welke uwe vingers aan de
piano ontlokken ; of wel hun iets voor te lezen,
waarvoor uw fijn voelende geest dan het juiste
onderwerp weet te kiezen.
Geen vreemde voorzeker zal in de kunstenares
GOUDKOKRKliS.                                                                 4          [g
— 49 —
-ocr page 60-
.^S)A
van den avond de bedrijvige dienstmaagd van
den morgen herkennen, maar de Engelen van
den goeden God vinden de eene even beminne-
lijk als de andere, en zij hebben evenveel liefde
en eerbied voor het jonge meisje met den lin-
nen voorschoot, als waar dit schildert of voor
het klavier is gezeten.
Of dan het christelijk jong meisje zonder
fouten, zonder zwakheden is ?
Zij leeft op aarde, en het lot aller sterve-
lingen is ook het hare.
Op aarde: daar brengt de wind de teedere
plantjes in beweging, doet ze buigen, zou ze
knakken, als ze geen steun hadden om zich
staande te houden.
Op aarde: daar zou de winterkoude het
sap der struiken doen bevriezen, ze doen af-
sterven als niet eene zorgzame hand ze dekte.
Op aarde: daar kunnen soms afschuwelijke
insekten zich neerzetten op de bloem, tegen dat
ze door de zonnewarmte ontluikt, — en deze
zou verflensen, als niet een waakzaam tuinman
het oog er op hield.
"Welnu, christelijk jong-meisje, wilt gij kloek
blijven, bedrijvig en rein? — stel dan uw
vertrouwen op Jezus Christus; bekleed u, voed
u met Hem.
— 50 —
-ocr page 61-
^-g<0*
Ga dikwijls te biechten, niet alleen om aan
den biechtvader uwe zwakheden en strijd bloot
te leggen, maar ook om hein uwe herhaalde
overwinningen mede te deelen.
En nader dan met de grootste godsvrucht
tot de H. Tafel zoo vaak hij het zal toestaan.
XV.
Uw plicht, jong--mensch!
is in drie woorden samen te vatten:
Een gouden hart.
Eene ijzeren hand.
Eene ziel van vuur.
Kostelijke schatten zijn het voorzeker; doch
gij moet die niet alleen zelf bewaren, maar ook
aan anderen er van mededeelen.
Goud dat wil zeggen: rein, aangenaam, in-
schikkelijk zijn, vriendschappelijke toegenegen-
heid en zelfverloochening bezitten.
Boven alles : wees rein !
O, als ge wist, hoe niets zoozeer in staat
is iemand beminnelijk te maken als reinheid,
niets zoozeer de harten van anderen trekt,
niets zoo innemend, zóó bekoorlijk doet zijn.
Geene deugd die van het voorhoofd desjonge-
— 51 —
-ocr page 62-
.ffls^_.
t-^g*
lings zoo goddelijken weerschijn doet afstralen,
die zijne oogen zoo helder doet glansen.
Jawel! Zalig de zuiveren van harte, want
God is niet en bij hen !
Wees inschikkelijk voor de gebreken van
anderen; reik liefderijk de hand aan hen, die
jammerlijk gevallen zijn, oin hen op te beuren,
hen te sterken, hen er toe te brengen, dat zij
hunne plichten vervullen.
Onder ijzer wordt hier verstaan de wil, die
gebiedt; kracht, die er uitvoering aan geeft.
On verzettelijke standvastigheid.
Wees kloek!
Hoe hard plichtsvervulling u ook valle, wij-
fel noch wankel ooit!
In droefheid en lijden, geef het niet op!
aanvaard het moedig en onversaagd ; ondersta
het met geduld en berusting.
Als men u uitlacht, bespot, zwicht niet, geef
zelfs niet toe; maar kom tier op, wijs ze van
de hand - fierheid, edele heilige fierheid past,
staat hem schoon, die Gods gaven weet te
waardeeren.
Vuur duidt ijver aan, den ijver, die vóór-
licht, medesleept, verbetering aanbrengt.
Wees dus apostel!                                                •
— 52 —
-ocr page 63-
_^^5#
Apostel door uw voorbeeld, dat voor anderen
als een lichtstraal is, die ook hun den weg
wijst, om hun plicht te doen.
Apostel door uwe woorden, opdat deze als
een bliksemstraal doordringen in de harten —
maar woorden dan, die moed doen vatten, niet
die vernederen of den moed benemen — woor-
den
die prikkelen en tevens steun verleenen.
Apostelen door daden.
Neem ze bij de hand die menschen, die vaak
meer onwetend dan slecht, meer lafhartig dan
bedorven zijn en zeg hun: komt met mij mee !
Wat kan een jongmensch met gouden hart,
ijzeren wil en vurigen ijver veroveringen maken
voor Koning Jezus!
XVI.
Het Bloemenmeisje.
Nauwelijks hebt ge den voet op straat of
plein gezet of, (vooral in Italië en Frankrijk)
ze komt naar n toegeloopen het aardige, zoo
snoeperig gekleede bloemenmeisje. Vriendelijk,
schalks lacht ze; knipt u vleiend toe met de
groote, zwarte, zachte oogen van onder de
weelderige, gitzwarte lokken, die haar gelaat
— 53 —
-ocr page 64-
als omlijsten, neemt het frlschte bloempje uit
haar boordevol korfje, dat ze aau een rozen-
rood lint om den hals voor zich nit draagt
en biedt u een tniltje.
En zij biedt het zoo bevallig, het ruikertje,
— frisch, lief en welriekend — dat men on-
willekeurig de hand uitsteekt, om het aan te
nemen.
Dankje wel!\'\' zegt ze zoo innig dankbaar
bij elk geldstukje, dat zij ontvangt, en bij
elk tniltje, dat zij geeft! — Is hot voor het
gegeven geld, of voor het aangenomen tniltje?
De kleine verkoopster reikt het zoo aanval-
lig over, dat zij alleen dankbaar schijnt te
zijn voor het aangenomen bloempje.
In een ommezien zijn nu allen rondom haar
met bloemen getooid: allen zien er bekoorlijk
uit, den glimlach om den mond, bloemengeur
verspreidend.
Zoudt gij allen niet lieve, aardige bloemen-
meisjes willen zijn ? bij uwe broeders en zus-
ters, bij uwe ouders en vriendinnen, bij uwe
spel- en studiegeuooten, bij uwe meesters,
meesteressen ?
Bloemen! bloemen!
Maar zeker! ge hebt er: uw geest, uw hart,
uw gemoed zijn vol bloemen.
Laat dan uwe lippen, uwe handen, uwe
— 04 —
-ocr page 65-
•^9
blikken de bevallige korfjes zijn, waar ze dit
vallen de bloemen: friscli en welriekend.
Des morgens vroeg, bij het aanbreken van
den dageraad gaat het bloemeumeisje de velden
in, om de bloemen te plukken, die zij zooeven
te koop bood.
Eu gij? Ga \'s morgens vroeg eerst ter H.
Mis iu een kort, maar innig-godvruchtig gebed
bloemen plukken: lieftalligheid, gehoorzaamheid,
werkzaamheid, toegevendheid, vredelievendheid;
en keer, aldus beladen en overvloeiend, terug
in den huiselijken kring.
En die bloemen, van den hemel gedaald en
geschonken, zullen een goeden geur rondom u
verspreiden.
Wat het hart aangaat zal die goede geur
bestaan in: toewijding, zonder vertoon of uoode-
looze drukten beoefend, die vorscht en voelt,
wat aan een ander dienstig of aangenaam is.
Voor de ziel; in een opwekkend, bemoedi-
gend, verzoenend tvoord: een woord, dat tot
God voert.
Voor het gemoed ; in gevoegzaamheid, inschik-
kelijkhekl,
die van geen tegenstreven weet,
maar zich naar allen en alles voegt.
Voor den wil; in bestendigheid bij den arbeid,
en in een verstandig maar krachtig doorzetten
van het eenmaal begonnene.
— 55 —
-ocr page 66-
I
Wat zondt ge tal van gelukkigen maken,
vertrouwen inboezemen, deugdzame menschen
vormen — en hoezeer zou de goede God lief-
devol op u neerzien — beminnelijke bloemen-
meisjes!!
XVII.
Vertrouwelijk onderhoud van twee
Engelbewaarders.
Den avond van een feest was de kapel der
H. Maagd nog doortrokken van den bloemen-
en wierookgeur; — trilde nog van den zang
der godvruchtige liederen.
Dien dag had de opdracht der Congreganis-
ten plaats gehad; — voor een jeugdig meisje
en haren Engelbewaarder zeker het schoonst
feest na dat der Eerste H. Communie.
Nog zijn ze daar zwijgend geknield, de ge-
lukkige kinderen, aangedaan en onder den
indruk van de woorden der opdracht, die ze
uitspraken.
Dicht bij het altaar zijn twee Engelen in
druk gesprek.
„Ik vrees voor mijne Joanna"!
Zij is zestien jaar oud; zij ziet er bedaard
56 —
-ocr page 67-
en oprecht uit; haar hart is rein; maar toch,
— wat geen menschenoog vermag te zien —
over haar voorhoofd zie ik als een wolkje
drijven, en ik kan de vrees voor haar niet
van mij afzetten.
Zie; dunkt u wel, dat zij heden zooinnigen
vrede geniet als gister?
Bespeurt gij over haren geest niet een on-
lestemd verlangen naar het kaar onbekende
drijven ; gelijk een nauwelijks merkbare koelte
soms strijkt over eene bloem ?
Dezen morgen zag zij in de zaal een slecht
tijdschrift, dat haar vader daar achteloos had
laten liggen. Voor \'t eerst van haar leven
luisterde zij niet geheel naar mijne inspraken:
zij doorbladerde het en haar oog viel op eenige
volzinnen, die het onvrouwelijk leven eener
vrouw beschreven.
Gelukkig begreep zij er niets van; zij werd
verlegen en sloeg snel het blad om; — maar
het arme kind, zoo gelukkig door niet-weten,
werd nu ontrust door heimelijke zucht om te
weten.
Er is nog wel niets kwaads aan die ziel,
al werd ze even aangeroerd. Zij is nog rein,
en, even als altijd, kon ze zeggen tot
Onze Lieve Vrouw: ik heb u lief....; doch
zij legde zooveel klem en nadruk op de woor-
den der opdracht; zij was zoo bewogen en
aangedaan; haar geheele wezen verraadde
— 57 —
-ocr page 68-
.-^>M
ontroering; —- en dat maakt mij, haar Engel-
bewaarder, zoo ongerust. O mijn beschermelinge!
Hare kracht bestond in het kwaad niet te
kennen,
en is dit niet een machtig behoedmiddel
in de wereld,
waarin zij met haar levendigen
aard moet leven?
Zij is rein, van nature en omdat zij het
kwaad niet kent.
Zij is godvruchtig, omdat zij gevoelig is en
omdat de godsvrucht haar zielsgenot verschaft.
Zij is kalm en glimlachend, want zij had
nimmer te strijden.
Zij is gelukkig, omdat haar nooit de vervul-
ling van een moeielijk te volbrengen plicht
werd voorgelegd.
Nooit heeft iemand haar gewaarschuwd,
want nimmer kwam haar iets moeielijks in
den weg.
Maar.... als bekoringen komen en strijd;
als grooter geluk dan ze thans geniet haar voor-
gespiegeld wordt; — helaas! wat zal dan van
het arme kind geworden?
Broeder ! ik vrees voor mijne Joanna!
De andere Engel fluisterde:
Naast haar zit hare vertrouwde vriendin
Cornelia.
Zij is achttien jaar, nog even onschul-
dig als Joanna; doch wat zielskracht bezit
58 --
-ocr page 69-
v^5>
deze boven haar, en hoe geheel anders is
dezer levenswijze!
Haar aangenaam karakter, haar verheven
geest, haar schander en ontwikkeld verstand
trekken elkeen tot haar: de wereld maakt haar
het hof; maar zij heeft leeren wantrouwen,
versmaden, vlieden, strijde».
Zij heeft geleerd, dat het hart sterk moet
zijn, om rein, teergevoelig, trouw, te blijven —
en dat die sterkte niet dan door strijden ver-
kregen wordt.
Hare wapens, waarbij zij veilig is, zijn: het
geregeld, aanhoudend en aandachtig gebed, —
de arbeid, die haren wil zich doet voegen naar
dien van God, — genegenheid voor al wat
edels is en grootsch, — zelfopoffering, waar-
door niets haar te veel is.
Zij gaat te Communie, niet om gevoelige
vertroostingen te genieten; maar om sterkte
op te doen, en om getrouwer te worden in
het vervullen harer plichten.
Houd gij, mijn broeder, een wakend oog op
Joanna\'s teedere, en dan nog te zeer gekoes-
terde natuur ; op hare, van zich zelve reeds
zwakke, en door verkeerde opvoeding nog ver-
troetelde inborst. Weer van haar af hartstochtige
gemoedsaandoeningen
en weekelijke genegenheden.
Bezigheden, waarbij geene inspanning vereischt
wordt zijn, even als te veel vrije tijd, de weg
tot een leven van beuzelingen.
— 59 —
-ocr page 70-
Zorg daarom, dat haar geest en hand immer
met iets bezig zijn, dat zij zich toeleggen om
altijd iets nuttigs te. doen. De bij, die honig
uit de bloem zuigt, staat ver boven de vronw
die er bloemtnilen van vormt.
Omgeef haar hart van eenige doornen.
Het hart wordt beter bewaard door hetgeen
moeite kost dan door hetgeen in het gevlei
komt. Het zal meer tot beoefening der deugd
gebracht worden door offers te brengen dan
door die van anderen te ontvangen.
Geef haren wil de wilskracht, van nooit een
unr te laten voorbijgaan, waarin zij niet eenigen
plicht of taak heeft te volbrengen.
Alsof zij haren Engelbewaarders afluisterden ;
zoo blijven de beide meisjes in stille over-
peinziug geknield voor het altaar der H. Maagd.
XVIII.
Moed! Christenrnoeders.
Het ontbreekt bijna alle christelijke moeders
aan twee dingen : het bewustzijn der goddelijke
kracht, die uw moederscha2i bezit;
en: de
moed, om voor niemand en niets te wijken,
waar het geldt de zielen meer kinderen.
— 60 —
-ocr page 71-
O, als ge wist, wat kracht hierin ligt.
God heeft u iets van zijne schepping smacht
medegedeeld ; maar u ook aangesteld als een
soort redder, verlosser ; wee u, als ge van deze
macht geen gebruik maakt !
Zeker ; vele kinderen gaan den slechten weg
on niettegenstaande de tranen en deugden
hunner moeders : — maar grooter is het getal
van hen, die, verloren gaan, omdat hunne
moeder hen niet krachtig wist te bewaren voor
het kwaad, of hen er aan te ontrukken.
Moeders, godsdienstige moeders; als uw
kindje nog klein is ; als het aan u zijn hartje
nog blootlegt, gelijk de bloem haar kelk opent
bij zonneschijn ; — zeg dan tot u zelve ; ik
moet in die ziel voor immer zaaien, planten,
doen icortel schieten de liefde en vreeze Gods.
Ik moet die ziel deugdzaam, rein, groot-
moedig, edelaardig maken ; ik moet mijne ziel,
mijn godsdienstigen geest in haar overstorten.
Dat uwe woorden dan immer iets van, of
over God bevatten; dat al uwe daden God
tot doel hebben ; dat uw kind u immer bezig
zie met God.
Wees verzekerd, dat het dan deugdzaam zal
worden en edelaardig van gemoed, dat het
dan rein zal blijven.
Maar de driften dan, zegt ge, de bedorven- r
— 61 —
-ocr page 72-
*2Sü
.-^^j)H^
heid van onzen tijd, zoovele tallooze gevaren,
die eene moeder niet vooruit kan kennen, noch
minder afweren.
Zeker, er zijn gevaren, die eene moeder niet
kan voorzien
; maar gevaren, die eene moeder
niet kan, afwenden, neen! dezulke zijn er niet!
— Want is het eene godsdienstige moeder niet
gelukt, deugden te zaaien in het hart liarer
kinderen ; zij heeft er toch wroeging in neer-
gelegd ; en wroeging zal terugvoeren wie deugd
niet
kon behouden.
Mocht het zijn, dat een kind bezweek voor
het kwaad; gij, godsdienstige moeders, kunt
het doen opstaan van zijn val, het andermaal
doen geboren worden voor de deugd dan, wan-
neer gij wilt.
Dan, wanneer ik ivil ?
Ja, wil het, maar wil het met de krachts-
inspanning van den ongelukkigen, die neerstort
in een afgrond en zich vastklemt aan al wat
hij grijpen kan ! — Wil het met de begees-
tering van den soldaat, die stormloopt, om den
standaard in zijne macht te krijgen, en niet
eens het bloed stelpt, dat uit zijne wonden
vloeit! — Maar wil liet, niet een uur, niet
een dag, doch uw heele leven.
Deze woorden spraken we eens eene arme
moeder toe, die allen moed verloren had ; zij
— 62 —
-ocr page 73-
.^G)4-
had alle middelen aangewend, zeide zij, alles
beproefd : en nn kon zij, zag zij niets meer.
Zij schepte moed :
En als ik wil met al de wilskracht mijner
ziel, zal ik dan mijn kind terugvoeren ? vroeg zij.
In den naam van God, ik verzeker het u.
Welaan, zeide zij met opgetogen gelaat en
de handen uitstrekkend naar het kruisbeeld,
welaan, ik wil\', en gij, mijn kind, zult terugkeer ai.
God is als \'t ware een wonder schuldig aan
moeders, die zoo veel vastberadenheid aan den
dag leggen.
XIX.
Nog eene bladzijde voor u, Christen-
moeders, die de vorige
hebt gelezen.
\'t Is de beschrijving van een huiselijk tafe-
reeltje, zacht verlicht door de vroomheid eener
godsdienstige moeder.
Als men dit aandachtig beschouwt, gevoelt
men over zich iets kalms, iets vredigs, iets
goddelijks, zooals men gevoelt bij \'t binnentreden
eener kerk.
Lamabtinb heeft deze bladzijde geschreven;
en deze ééne maakt vele goed. (L)
(1) Vele werken van lamautixu zijn gevaarlijk.
— 63 —
-ocr page 74-
4^
^2^5*
Onze moeder was eene godsdienstige vrouw....
Godsvrucht was als \'t ware een deel van haar;
en zij verlangde niets vuriger dan die aan
ons mede te deelen. De gedachte, welke haar
het meest bezig hield en die als uit haar moe-
derschap scheen voort te komen, was: om van
ons te maken schepselen, die waarlijk en wezen-
lijk konden gezegd worden Gods schepselen
te zijn.
Dat gelukte haar zonder dat ze volgens een
vast stelsel te werk ging of veel moeite
aanwendde ; maar het gelukte aan hare vaar-
digheid van nature, waarbij geene knnstvaar-
digheid kan halen.
Al hare ademhalingen, geheel haren handel
en wandel ademden godsvrucht, zoodat we leefden
als in een dampkring van een hemel-op-aarde.
Wij dachten zeker, dat God achter haar stond,
en dat ook wij Hem zouden zien en hooreu,
gelijk zij bij alle dagelijksche voorvallen Hem
zag, hoorde, met Hem omging. God was als
iemand, die bij ons thuis behoorde. Hij was ons
ingeboren tegelijk met onze eerste indrukken,
waaraan men geen naam kan geven. We kon
den ons niet te binnen brengen, dat wij Hem
niet kenden : er was geen dag in ons leven,
waarop we niet van Hem hoorden spreken.
Wij zagen Hem immer als de derde persoon
tusschen ons en onze moeder. Met de moeder-
melk hadden wij ook al zijn naam op onze
— 64 —
-ocr page 75-
lippen, nog stamelende, leerden wij toch al dien
Naam uitspreken. Naarmate wij grooter wer-
den moesten wij ook meermalen, twintigmaal
op één dag dingen doen, waardoor wij Gods
tegenwoordigheid als \'t ware voelden.
Men leerde ons \'s morgens, \'s avonds, vóór-
en na het eten een kort gebed storten. Alsof
de knieën onzer moeder een altaar waren, zoo
verrichten wij die gebeden, staande vóór haar,
de gevouwen handen daarop geleund. Hare
eerbiedwekkende, deftige houding omhulde haar
in ons oog als met een waas van heilige inge-
togenheid, en deed ons begrijpen, welke ge-
wichtige handeling wij verrichtten. En als zij
dan met ons en voor ons gebeden had, dan
zag zij er nog liefelijker en liefhebbender
uit dan eerst.
XX.
Kleine stofjes = Kleine gebreken.
Immer vliegen overal kleine stofjes rond,
zonder dat men er bijzonder acht op slaat.
Zij benemen het daglicht wel niet, maar zij
doen het min of meer ondoorschijnend zijn.
Zij bederven wel niet de meubels of stoffen,
waarop zij neerstrijken, maar zij maken die
dof, en geven aan kleinen insecten gelegenheid
GOUDKOBRELS.                                                                 5
— 65 —
-ocr page 76-
4g^J_________________________________________.^a
om zich er onder te verbergen en zich in
meubels of stoffen in te werken.
Gelijken zulke kleine en nauwelijks waar-
neembare stofdeeltjes niet juist op die kleine
en nauw merkbare ijebreken, die maar al te
dikwerf als rondom het karakter zweven en
het ontsieren ? — kleine gebreken waarop
men geen acht slaat, die zich als in de plooien
verbergen en het langzamerhand minder goed
doen zijn, min- of meer afstootend, lastig, on-
aangenaam maken.
Zie, hoe die duizende en duizende stofjes
in de stralen der zon rondom u zweven en
dansen en dwarrelen en trachten zich op u
neer te zetten. Zoo ook omgeven uw karakter tal-
looze vormen van eigenaardigheden, ouheb-
belijkheden, welke trachten ingang bij tl te
vinden en zich aan u te hechten.
Zij heeten : voor een oogenblik lui-zijn, ge-
ringe tekortkomingen plegen in zijn plicht
of taak, — kleine achteloosheden, lichtzin-
nigheden, onoplettendheden, onbeleefdheden, vrij-
postigheden, verzuim van kleinigheden, eenigs-
zinds slordig zijn in kleeding of houding, licht-
geraakt zijn, een manier hebben van aanstonds
iets in \'t belachelijke te trekken of met elk
en alles te gekscheren, wat treuzelachtig zijn,
alle nieuws willen weten.
Dit alles nu beteekeut op zich zelven niets,
ja het kan soms — voor een oogenblik althans —
— 6G —
-ocr page 77-
goed staan, — en toch, als men met zulke
menschen te doen heeft, die deze indringers niet
aan de deur weten te zetten, wie heeft dan
al niet eens ondervonden dat hij tegenover hen
niet op zijn gemak was, dat hij wrevelig,
ontevreden, koel werd: zich gekreukt, droef te
moede gevoelde.
O, men zou zoo gaarne hebben, dat zij,
van wie men veel houdt, volmaakt wareu: en
hoe worden hunne edelste hoedanigheden ont-
sierd door deze kleinigheden!
Gij brengt des morgens vroeg uwe bloemen
in de eerste stralen der zon, opdat zij frisch
zouden blijven, meer opengaan en geur zouden
geven; welnu als gij wilt beminnen en be-
mind worden, als ge aan anderen genoegen
wilt verschaffen en zelf gelukkig zijn, leg dan
eiken morgen voor het tabernakel of het beeld
der H. Maagd uwe ziel, uw hart, uw tril,
uw karakter neer, opdat zij die sterken in den
strijd, ze waakzamer, liefdevoller en bemiune-
lijker makeu.
— 67 —
-ocr page 78-
XXI.
Eene groep lezers.
Met velen zitten zij daar, rondom de met een
groen kleed bedekte lange tafel!
Allen de ellebogen op tafel, de open handen
onder het hoofd over de boeken gebogen___alsof
ze van zoo nabij mogelijk de geestelijke uit-
wasemingen, die uit de boeken opstijgen, wilden
inademen.
Eensklaps kwam over mij de kracht der
X-stralen, de kunst om door ondoorschijnende
voorwerpen te zien.
In plaats van hersenen zag ik in de onbe-
wegelijke schedels dier lezers wondere dingen.
Bij den eersten zag ik in den schedel eene
spons — Deze slurpte langzamerhand den
geheelen inhoud van het boek, gelijk het daar
reilde en zeilde, op : woorden, regels, volzin-
nen, bladzijden, alles werd verzwolgen. En de
spons zwol, vulde de geheele ruimte van den
schedel en maakte dien zwaar. Bij de geringste
drukking zal de spons al het gelezene terug-
geven, zonder maat of oordeel des onderscheids,
alleen een weinig verward, een beetje onzuiver.
______\'1_____|
— 68 —
-ocr page 79-
In den schedel van een ander zag ik een
trechter. Deze lezer leest en leest, en leest
immer door met koortsachtige gejaagdheid:
bladzijden en bladen en hoofdstukken en boek-
deelen. — De trechter opent zijn wijde mon-
ding, waardoor alles heengaat en ingezwolgen
wordt; maar oogenblikkelijk laat hij het door
de kleine opening van onder weer uitloopen.
Na lange vermoeiende uren wil de lezer
zich eenige rekenschap van het gelezene ge-
ven ; hij denkt.... zoekt....
Niets is hein bijgebleven.
Naast dezen zit een lezer, in wiens schedel
een doorzijger (filter) is. Als druppel voor
druppel laat de lezer hierdoor zijgen regels,
bladzijden, bladen: het geheele boek dat hij
voor zich heeft. Woord voor woord, en het
eene idee na het andere zinkt doodbedaard op
den bodem van den filter — Deze lezer zal
eenmaal een geleerde, een geletterde, een be-
lezene
worden — zijne begrippen zijn over-
weldigend keurig, diepzinnig, laten zich wel
hooren.... en fier op zijn weten, waagt hij
het te spreken .... en nu rollen woorden en
zinnen van zijne lippen: één welluidend ge-
rinkel van lettergrepen.
In den filter is slechts bezinksel overgebleven.
— 69 —
-ocr page 80-
%@^--_________________________________________ü^>*
In den schedel van den vierden lezer zie
ik een zeef. Daar komen woorden in, volzinnen
worden er in opgestapeld, allerlei begrippen
uitgestald .... eeue onzichtbare kracht brengt
het zeef in beweging en nu wordt dat alles
eerst geschift, vervolgens eerst er uit gedaan
wat er niet in behoort, en aldus nietswaardige
begrippen, valsche denkbeelden, zinledige vvoor-
den buiten het zeef geworpen.
Oordeel en smaak brachten het zeef in
schuddende beweging.
XXII.
Een zonderling" Apostolaat.
Ja, wèl zonderling, maar toch: een apostolaat:
Dit zal menige ziel ontrukken aan de
klauwen van het menschelijk opzicht. Het zal
wilskracht schenken aan flauwe, laffe, karak-
terlooze menschen, die zich door ijdele vrees
van hun plicht laten afschrikken.
Wat geeft het, of de ivijze van dit aposto-
laat al zonderling is?
De duivel weet zich in alle bochten te
wringen en overal in te dringen; zouden de
Engelen minder goed het geschikte oogenblik
weten te kiezen, of minder slim zijn?
— 70 —
-ocr page 81-
j^fy\'é
\'t Was op een vrijdag aan het buffet van
liet station te Marseille.
Een dertigtal deftig-nitziende lui, die op
een trein moesten wachten, verdrongen zich
rondom de open-tafel, die daar keurig aange-
richt stond, maar waarop niets dan vleeschspij-
zen
prijkten.
Het waren menschen al op leeftijd, met een
rood lintje in het knoopsgat, dames. aanko-
mende jongelingen, jonge meisjes; — die jon-
gelieden schenen noch onbedorven te zijn en
godsdienstig: althans zij trokken eenigszins
ontstemd den neus op bij het zien dat daar
niets anders dan vleeschspijzen opgedicht stonden.
Niemand echter kwam er tegen op.
En zij zetten zich aan tafel en aten.
Daar treedt eensklaps een nette, flinke
jongeling vau een vijf en twintig jaren op
de tafel toe, groet vriendelijk, blijft een oogen-
blik zwijgend staan, ziet af al wat op tafel
staat en zegt dan onbewimpeld; ik moest een
mager diner hebben, geef mij een eierkoek!
Ja, Mijnheer.
Eenige minuten daarna wordt hij al bediend, en
een warme eierkoek staat vóór hem te dampen.
— 71 —
-ocr page 82-
#^fc^._________________________________________^^5*
Allen, die bij hem zaten, kregen min of
meer een kleur, en waren onder het eten verlegen.
Zij voelden hoe laf ze zich aanstelden.
In den trein; — Wél mijnheer, ge hebt
daar een schoone daad verricht, zegt een
der reizigers, die met eene ridderorde ver-
sierd is, tot den wakkeren jongeling, terwijl
hij hem de, hand reikt. Als ge vroeger waart
gekomen, zouden tien, vijftien van ons geen
vleesch genomen hebben.
De jonge man glimlachte en hernam fier:
dat wist ik wel: alle dagen aanschouw ik de
kracht van mijn woord en voorbeeld — maar
heden kwam ik te laat.
Ziet Heeren, nadat mijne moeder op de voor-
bede der H. Maagd, door een wonder de gezond-
heid heeft teruggekregen, heb ik Haar beloofd den
apostel van het vleesch-derren op vrijdag te zijn.
Ik ben handelsreiziger: ik bezit noch tijd,
noch godsvrucht genoeg om vele goede werken
te doen: ik vul dit nu aan door dit apostolaat.
Wij zijn met ons zessen, allen handelsrei-
zigers die op aansporing van onze vroegere
religeuse onderwijzers dit apostolaat van den
eierstruif
hebben opgericht.
Wij komen het eerst aan tafel, vragen op
luiden toon een eierstruif, en wij kunnen
— 72 —
-ocr page 83-
zeggen, dat door ons en na ons er meer zijn,
die daarnaar vragen en het vleesch-eten op
vrijdag nalaten.
Och, Heeren, een weinig christelijke moed,
flinkheid en stoutmoedigheid kunnen veel goeds
uitwerken.
Dit moet er bijgevoegd :\'t is een goede zaak,
reiziger te zijn voor de wetten der Kerk, om
die te doen eerbiedigen. Die taak geeft sterkte
aan de ziel, is gemakkelijk te volbrengen
en een zoo verdienstelijk werk. — Hoevele
zonden worden er door voorkomen; hoeveel
zegen trekt dit apostolaat af.
Ja, wél eene zonderlinge vereeniging, die van
den eierstruif.
Maar mochten juist daarom de
vele jongelieden zich in u doen opnemen, die
eene christelijke opvoeding hebbeu genoten,
maar die langzamerhand alle wilskracht ver-
liezen.
Dan nog: is lid te zijn van deze vereeniging
of ridderorde, zoo ge wilt, belachelijker dan lid
te zijn der bad-orde en van den kousenband,
waarop de Engelschen zoo fier zijn ?
Staat dan de keuken niet ver boven de
kaptafel ?
— 73 —
-ocr page 84-
XXIII.
Kommer en zorg met \'n millioen.
Een jongmensch, dien de dorst naar geld
verteerde, zat op een winteravond met gebogen
hoofd en hangende lippen in sombere stemming
bij een flanwflikkerendeu haard. In zijne opge-
schroefde verbeelding zag hij eene wolk neer-
dalen, zwanger van pleizier, genot, vermaak,
feesten, eer en grootheid, en dit wekte bij hem
de bedwelmende gevoelens van zingenot, dat
geld hein geven zou.
Eensklaps staat een spookachtig wezen voor hem.
Zoudt gij gaarne geld hebben?
Ja, ja, en hij begint te beven aan alle
leden, zijne oogen spalken zich wijd open en
zijne handen trekken krampachtig samen.
Ziedaar dan! En het geheimzinnig wezen
opent zijne armen, en bankbilletten van 1000
gulden vallen als een regenbui er uit, groeien
aan, hoopen zich op, worden een stapel rondom
hem, die daar zat te peinzen.
Is dat voor mij ? dat alles voor mij ?
Alles voor n! En daar is nu, zeide de ver-
schijuing op langzamen toon, om het hem des
te beter te doen beseffen, en er is daar nu een
millioen bij elkaar!
En ik .... ik krijg dat millioen ?
Ja, maar op ééne voorwaarde.
— 74 —
-ocr page 85-
t-^5)^
Ik zal allos volbrengen wat gij wilt.
Deze is, dat ge eiken dag dit millioen op-
mankt,
en eiken dag ook zult ge vóór den
dageraad weer een millioen hebbeu.
Eu ik zal heer en meester zijn van een millioen?
Ja, en ge kunt het besteden zooals ge wilt.
Maar als gij te middernacht van eiken dag;
als ge op het oogenblik, dat de eene dag
eindigt en de andere begint nog één cent over
hebt, zult ge op datzelfde oogenblik dood neer-
storten. Neemt ge dit aau?
Ja.
De verschijning is verdwenen, maar het
millioen is er.
O, wat was me dat \'s anderdaags en vele
dagen nadien een pret, een genot!
Van zich zelveu niet meer meester, werd
hij als onweerstaanbaar gedreven naar alle
uitspanningen, feesten, vermakelijkheden: pleizier
en vermaak liepen hem na: hij vloeide over
van genot. Hij kocht en bleef aan \'t koopen:
landerijen, meubels, edelgesteenten, schilderijen
van hooge kunstwaarde, weelde-paarden....
dan ondernam hij kostbare reizen, speelde op
de bank, richtte feesten aan, woonde die bij.. . .
Met het klimmen der jaren kwam echter vol-
daanheid, werd hij het genieten zat.... maar
— 75 —
-ocr page 86-
daarmee dook de moeielijkheid op: hoe het
millioen op te maken?
Hij geeft zich over aan het dobbel- en
kansspel; docli de fortuin is hem gunstig: hij
wint en nog grooter wordt nu zijn hoop geld,___
het dreigt hem te wurgen ... hij zou zijn geld
willen wegwerpen, maar immer komt het terug.
Wat hij ook aangewend heeft, welke mid-
deleu in het werk gesteld.... op zekeren
avond gaat het al meer naar midder- nacht
en zijn millioen is niet op!
Het geheimzinnig wezen is op zijn post,
luisterend, met onbarmhartig oog den slinger
van het uurwerk gadeslaand — met zijne
beenderige hand toont het den wijzer op de
wijzerplaat.... eindelijk.... daar slaat het
uur .... Met sombere stem telt het langzaam :
één, twee, drie .... twaalf !
Genade, genade! ik heb gedaan wat ik kon!
Neen, dat hebt ge niet.
En wat had ik dan nog kunnen doen?
Één ding, waaraan ge niet gedacht hebt:
De liefdadigheid beoefenen.
Liefdadigheid! gave der fortuin, bezield met
— 70 —
-ocr page 87-
•(W*^.                                                                                                              ^^5)sf\'
den geest van aan God te gehoorzamen en
Hem te behagen, gij alleen zijt in staat te
verhinderen dat het geld ons leven bezoedele,
dat het ons vrede en geluk ontroove, dat het
onze aanklager zij in het uur des doods.
XXIV.
De sluier mijner eerste H. Communie.
Wat aangename taak zou het zijn, de aan-
doenlijke bladzijden te verzamelen, die aan zoo
menig kinderhart zijn ingegeven door de voor-
werpen van aandenken, van gedachtenis
aan hunne
eerste H. Communie.
O hoevele bladzijden zijn geschreven op
kostscholen, of op het kamertje, door de haDd
eener godvruchtige moeder bereid en versierd
voor haar eerste-Communie-kind; — schitte-
rende, verheven, levendige, kernachtige, dichter-
lijke bladzijden!
Sluier, bloemenkrans, medaille, kaars, wit-
kleed, zakboekje met aanteekenhigen van goede
voornemens en beloften, aan God gedurende de
geestelijke afzondering gemaakt
— zoo zorg-
vuldig en geheimvol bewaard! Wat kloeke ge-
dachten en heilige besluiten hebt gij ingeboe-
zemd! Wat zoete tranen hebt gij doen vloeien,
wat bittere vóórkomen! Wat genotvolle oogen-
blikken hebt gij verschaft aan haar, die met
— 77 —
-ocr page 88-
een liefdevol hart nu en dan eens U in stille over-
peinzing kwamen bezien ! — Hoe menigeen, die
een weinig verflauwd was, hebt gij teruggevoerd
tot eene levenswijze van vroomheid en regelmaat!
Ja, gij levenlooze voorwerpen, neemt als het
ware dan eene stem aan, om haar, die u een-
maal droegen, nog eens indrukmakende woorden
toe te spreken, heilzameu raad te geven; —
om haar in bovenmenschelijke taal te binnen
te brengen, dat geen vrede, geen geluk, geene
degelijkheid bestaat buiten den God harer
eerste H. Communie!
Ik lasch hier de merkwaardige woorden in
van eene Congreganiste, die af en toe de lade
opende, waarin, zooals zij zeide, de relikwieën
harer eerste H. Communie
waren opgeborgen,
en die zij dan met eerbied aan hare lippen
drukte. Door hare moeder over die diepe ver-
eeriug ondervraagd, antwoordde zij: Die ge-
dachtenissen
brengen mij den dag te binnen,
waarop ik zoo gelukkig was met den goeden
God. Als ik ze kus, uit ik het verlangen, dat
ze mij dat geluk teruggeven: dat geluk kunnen
zij mij niet hergeven, doch ik gevoel me al
gelukkiger, als ik ze nog eens zie.... Dan
nog, voegde zij binnen \'s monds er bij, mijn
biechtvader heeft mij gezegd, dat ik niet meer
deugdzaam zal zijn, zoodra ik ze niet meer
gaarne aanschouw; en zoo ga ik zien, of ik
nog deugdzaam ben.
— 78 —
-ocr page 89-
Hop diepzinnig is dit eenvoudig\' woord!
Zij, die de gedachtenissen aan hare eerste
H. Communie niet dan noode aanschouwen; —
die niets gevoelen bij dat woord: mijne eerste
H. Communie,
zijn wellicht op weg God te
verlaten .... misschien voor immer.... zoo zij
Hein niet alreeds verlaten hebben.
Ik schrijf hier eene bladzijde over van een
kind, dat op zestienjarigen leeftijd gestorven is.
Op haar sterfbed verzocht zij hare moeder,
al de relikwieën harer eerste H. Communie
neer te leggen op de tafel, waarop de H.
Teerspijs zou geplaatst worden. Dan liet zij
zich den sluier en bloemkrans aandoen, bad
hare moeder, hare hand te steunen, die de
kaars niet meer kou vasthouden, en met de
brandende kaars het offer harer dochter aan
God te brengen.
De sluier mijner eerste H. Communie.
„O, wat zoete herinneringen brengt gij mij
te binnen, liefelijke sluier, dien ik zoo gaarne
zie, aandachtig beschouw, in de handen neem,
aan mijne lippen breng!"... Hoe gelukkig
was ik eens op dien dag — dien schoonen,
overschoonen dag — toen ik u over mijn
— 79 —
-ocr page 90-
hoofd deed en mij in uwe plooien wikkelde
als waren het de vleugelen van mijn Engel-
bewaarder, om Jezus te gemoet te gaan, Die
tot mij zou komen.
Dierbare sluier, gij waart getuige van mijn
geluk: gij zaagt de tranen vloeien, die ik onder
uwe lange plooien verborg; wellicht hebt gij
het gehoord, dat ik mijn grootst geheim
aan God openbaarde. Hoordet gij het, kleine
sluier ?
O, als gij het hebt gehoord, bewaar het
dan voor u alleen; eerbiedig de eerste liefde-
woorden van een kind; verraad niet het ge-
heim, zoo dierbaar aan mijn hart! Gij hebt
het tot heden geheim gehouden; — men ziet,
dat ik meer van u dan van alle andere sieraden
houd, dat ik u kus met vervoering — maar,
omdat ik zoo jong ben, heeft men geen erg
er in, dat er iets geheimvols in gelegen is.
Moeder zelve weet van niets: nog korts
zeide zij: Elisa, gij moet uw sluier afstaan
aan uwe Zus; ik zal u een schooneren en
grooteren koopen.
U afgeven, dierbare sluier van den geluk-
kigsten dag mijns levens! nimmer, nooit zal
ik daarin bewilligen!___ Mijne vriendinnetjes
lachen mij om uwentwil uit: doe dien sluier
toch niet meer aan, zeggen ze, hij is uit de
mode en past niet meer bij uwe gestalte van
vijftien jaren.
• 80 -
-ocr page 91-
•fr@te^-».______________________________________________<^®*
Neen, neen, dat zal niet gebeuren: Kom
hier, gezegende sluier, laat ik u nog eens
over het hoofd spreiden, gij die zoo menigmaal
besproeid zijt met mijne vreugdetranen___
laat ik me nog eens wikkelen in uwe plooien.
Maar na mijn vijftiende jaar zal een dag
komen dat ik, voor eene hooge plechtigheid
uitgedost, van u zal moeten scheiden. Dan
voor \'t laatst zult gij mijn voorhoofd dekken;
mijne vriendinnetjes zullen dan zwijgend en
droevig rondom mij staan: maar ik zal over-
vloeien van zaligheid.
O beschuldig mij niet van ontrouw, gij die
weet, hoe dierbaar mij steeds was de sluier
mijner eerste IJ. Communie;
en gij, eenvoudig
sieraad, mij het liefst van allen, wees niet
i aloersch.
Weet gij nog het eerste geheim van mijn
kinderleeftijd, dat eerste liefdewoord, geweld
uit mijn van geluk overstroomd gemoed ? Wel-
nu, op dien dag, dien plechtigen stond zal
mijn geheim bekend worden, dan zal ik mijne
beloften gestand doen, dan zal ik u, dierbare
sluier, inruilen voor den sluier van \'s Heeren
reine maagden ! Doch ik zal niet dulden dat gij
na dien schoonen dag tot anderer gebruik dient;
maar ik zelve zal u neerleggen op het altaar
der H. Maagd als pand mijner eeuwige dank-
baarheid."
GOUDKORRELS.                                                                6
— 81 —
-ocr page 92-
i-^g*
*£*
XXV.
Een bezoek op Nieuwjaarsdag.
Dit bezoek werd afgelegd den 1 Januari 1832
door een student van 19 jaren, Ozanam, bij
hem, die toen ter tijd eene wereldmacht genoemd
werd, bij Chateaubriand, een onzer roemrijkste
tijdgenooten.
Volgend eenvoudig verhaal is u gewijd, jongge-
lieden van beider kunne: moget gij de strekking
er van begrijpen en uw voordeel er mede doen.
\'t Was tegen den middag en Chateaubriand
kwam uit de H. Mis.
Met zeldzame welwillendheid ontving hij den
jongen student; en na eenige vragen tot hem
gericht te hebben over diens plannen, aanleg,
studiën, vroeg hij hem, of hij plan had naar
den schouwburg te gaan.
Ozanam weifelde: hij wilde der waarheid
getrouw zijn, doch kon de vrees niet van zich
afzetten van kinderachtig te zullen schijnen
aan zijn ondervrager. Want zijne moeder had
hem op het hart gedrukt, van toch nimmer
een voet te zetten in den schomcburg.
Strijd
ontstond in zijn binnenste, en hij zweeg daarom
eenige oogenblikken. Chateaubriand bleef hem
aanzien, als hechtte hij groote waarde aan het
antwoord. De waarheid zegevierde eindelijk:
hij bekende, dat zijne moeder het hein verboden
— 82 —
-ocr page 93-
f\\                                                                      ; if
had .... en de groote Chateaubriand boog zich
tot Ozanam als om hem te omhelzen, en voegde
hem op den toon van hartelijke genegenheid
toe : ik bezweer u, dat ge den raad uwer moeder
opvolgt, want gij zult in den schouwburg
niets
winnen : gij hebt daar alles te verliezen.
Dit woord, zegt Pater Lacordaihe, bleef
Ozanam bij, en als sommige zijner vrienden,
die minder angstvallig waren dan hij, hem
drongen om mede te gaan naar het tooueel,
dan maakte hij zich van hen af met te zeggen:
Chateauhriand heeft gezegd dat het niet goed
is daarheen te gaan.
Eenvoudig! niet waar? En toch, wat ge-
wichtige lessen in die weinige regels.
1. Mijne moeder heeft mij op het hart ge-
drukt, van nimmer een voet te zetten in den
schouwburg.
Gelukkige kindereu, die eene moeder hebbeu,
aan wie de ziel harer kiuderen meer ter harte
gaat
dau huuue gezondheid, welzijn en uitspau-
ningen!
Gelukkige kinderen, die moeders bezitten
sterk en zorgvol; waarlijk christelijke moeders,
die een weinig streng zijn.
Voor haar en voor
haar alleen misschien, behoudt het kind in het
diepst zijns harten eene innige vereering en
l_________________
-ocr page 94-
K3>^-_.
onderdanigheid, welke tijd noch afstand kunnen
wijzigen.
En het kind, voor wien het verhod zijner
moeder heilig is; het kind, dat vereering
koestert voor zijne moeder, zal goed en deugd-
zaam blijven, — het kan een oogenblik afwijken
van zijn plicht, het zal dien spoedig hervatten:
de herinnering aan zijne moeder zal als het
net zijn, gespannen boven den afgrond, waarin
hij dreigde, maar niet kan neerstorten.
2. Ik ga niet naar den schouwburg. De
jongeling, die kan zeggen: ik ben nooit in den
schouwburg geweest,
en de jongedochter, die
hieraan kan toevoegen : ik heb nimmer romans
gelezen,
zijn sterke karakters, waarop God kan
rekenen, en door wie Hij groote daden kan
wrochten.
Vastheid van karakter en buitengewone wils-
kracht
zijn noodig om te wederstaal) aan de
aantrekkelijkheid van het tooneel, waarheen
vrienden en kennissen ons trachten meê te tronen;
— om niet te bezwijken onder de modezucht
van romans te lezen, die overal en altijd in
gezelschappen het onderwerp der gesprekken zijn.
— 84 —
-ocr page 95-
XXVI.
Apostolaat door glimlachen.
Merkt ge niet, hoe bij dit woordje: glimlach,
uwe lippen zich ontsluiten tot een glimlach,
en hoe in uwe verbeelding gedachten van
vrede, onschuld, vreugde, geluk en liefde zich
verdringen als de rozenbladeren door een lichten
wind bewogen?
Dit woordje: glimlach drukt dit alles uit ?
Dit woordje geeft dat alles ook?
Als we iemand zien glimlachen, dan komt
dit niet zoozeer voort uit den bevalligen en
aantrekkelijken plooi welke hij aau zijne lippen
wist te geven, maar dan is dit veeleer de uit-
straling van eene reine en gelukkige ziel, die
er behoefte aan heeft zich naar buiten, en van
haren overvloed mede te deelen.
Dat glimlachen is het liefelijk middel, dat
God gebruikt, om zich door de ziel, waarin hij
zijne woonstede heeft, mede te deelen aan
eene andere ziel; evenals hij zich aan onze
zintuigen mededeelt door den geur der bloem
en de welluidendheid der klanken. En aldus
is de glimlach een nieuw soort van apostolaat.
Wat aangename prediking door__glimlachen.
— 85 --
-ocr page 96-
Het gebeurt zwijgend.
Dringt stilletjes door.
Werkt langzamerhand.
Doet het verlangen van. gelukkig te zijn
ontwaken en bijblijven.
Stort de gedachte aan God in, brengt op
liet gedacht, om tot God te gaan — ja, vaak
is het geschied, dat menschen, die God ver-
geten hadden, tot Hem zijn teruggekeerd, en
al de vreugden van eene oprechte bekeering en
verworven vergeving smaakten, als ze zich de
dagen te binnen brachten, waarop ze konden
glimlachen.
*
* *
Wat liefelijke prediking door — glimlachen!
Het verveelt nooit en strekt nooit tot last:
het is verscheiden, geeft nu eens dit, dan iets
anders te kennen.
De glimlach van het kind is de afstraling
zijner onschuld
De glimlach van den jongeling geeft vreugde
te kennen.
De glimlach van den man op rijperen leef-
tijd beteekent sterkte en plichtsbetrachting.
De glimlach van den grijsaard drukt vrede,
hoop en rust uit.
Hoe geheel anders glimlacht men tegen den
zieke, door eene langdurige, smartelijke ziekte
• • 86 -
-ocr page 97-
gekluisterd — hoe deelneraend-sraartelijk is die
glimlach tegen de moeder, door hartzeer neer-
gedrukt, weenend om hare ellende — wat
liefelijke glimlach op het open gelaat van het
kind, wat geheel andere op dat van den diep
bedorvene! Hoe geheel anders glimlacht eene
moeder als de vader; — geheel verschillend
is de glimlach van een dienstbode, van een
vriend, van een priester! Maar, zonder te
spreken, veropenbaart elk de toestand zijner
ziel door zijn glimlach — de glimlach is de
teedere en beminnelijke stem van God.
Zoet apostolaat door glimlachen!
De glimlach werkt aller aanstekends op
anderen — men ontloopt hem, men keert zich
om, om hem niet te zien, of men geraakt onder
zijn machtigen invloed en tracht zelf te glim-
lachen. Kan men dat niet, dan is men gedwongen
de oogen neer te slaan, en tot zich zelven te
zeggen: ik hen niet meer rein genoeg.
Als de glimlach nog de afstraling is der
vlekkelooze ziel, dan vermag hij bij reine en
onschuldige harten wat de glimlach van Jezus en
Maria uitwerkte: dan is hij bekoorlijk, innemend,
brengt hij kalmte, wekt hij op tot vertrouwen,
tot godsvrucht, tot plichtsvervulling.
— 87 —
-ocr page 98-
•Sfct3te--._______________________________________________________;^-£^
Aan allen verkondigt hij : ziet, ik ben ge-
lukkig, gij kunt het ook zijn zoowel als ik.
Kinderen des huizes, jongeling, hetzij ge bij el-
kaar komt om te werken of om u te ontspannen —
wij allen, wien God gaf, dat we invloed kon-
den uitoefenen, laten we eens beginnen te yre-
diken door glimlachen,
om anderen voor ons,
en door ons voor God te winnen.
Eerst echter moet die glimlach in ons hart
aanwezig zijn, vóór hij op onze lippen ver-
schijnt ; en die glimlach onzer ziel moet uit-
drnkking geven, dat wij gelukkig zijn bij God,
gelukkig met God; gelukkig, Hem toe te be-
hooren,
gelukkig voor Hem te mogen werken.
XXVII.
Vragen — Geven — Aannemen.
Drie dingen, die dagelijks in elk huisgezin
voorkomen: Deze drie zijn het, welke vrede
of oneenigheid in het familie-leven brengen,
de verhoudingen aangenaam of stroef doen zijn,
vertrouwelijke, hartelijke, opofferende genegen-
heid doen heersenen of achterdocht en bitter-
heid, welke levensgeluk of verwijdering en
verdiïetelijkheid veroorzaken.
— 88 —
-ocr page 99-
0, als we de kunst verstonden van vragen,
geven, aannemen,
en dat deden uit christelijken
zin; — hoe zou dit de innige genegenheid tot
elkander te weeg brengen, waardoor het leven zoet
en liefelijk is, en dat aan het leven hechten doet.
1.
De ktaist van vbaoen
is eene moeielijke kunst. — Want het gaat
hier niet over vragen naar noodzakelijke
levensbehoeften, — dit vragen geschiedt on-
willekeurig — maar over het vragen naar
duizend kleinigheden, die eigenlijk gemist
kunnen worden — waardoor men echter een
dienst kan bewijzen, veel genoegen verschaffen,
de verhouding onder elkander verbeteren.
\'t Is eens een raad, dien men vraagt, waar-
door men zich laat leiden, — eenige hulp in
onze ondernemingen — een woord, dat sterken
zou, — eene goedkeuring, die tot meer of
beter krachtsinspanning zou opwekken, — een
streelend, vleiend compliment, dat het arm
hart zou doen opleven; —• soms is het maar
een vriendelijk woord, een glimlach.... iets
van geene beteekenis of waarde; doch dat wij
gaarne zouden hebben.
Eu men zou ons dit geven, als wij ons ver-
langen er naar toonden, als we deden weten,
dat wij gelukkig zouden zijn met dit of dat
— 89 —
-ocr page 100-
^5*
te hebben, als we — in één woord -— het
op de eene of andere wijze vroegen. Vragen
echter is, — als mensch gesproken — zich
min of meer vernederen: en, omdat men niet
nederig is uit christenzin, vraagt men niet,
blijft men in zich gekeerd, onttrekt men zich,
wordt men wrevelig, somber___ men lijdt....
En men voelt, dat men verkeerd handelt__
doch men tracht het goed te maken met dit
woord, waarvan iets waar is: ik zou maar
tot last zijn.
* *
O gij, die niet durft vragen, weet ge, hoe
dit komt? Het is, omdat gij niet liefhebt. —
Als ge oprecht liefhadt, dan zondt ge ook
vertrouwelijk zijn; en als die vertrouwelijkheid
hiervan uitging, dat men u genegen was, dan
zondt ge ook weten, dat ge anderen eenpleizier
deedt met hun te vragen.
Ziet ge niet in, dat dit zoo is? Is vragen
niet vleiend voor hem, tot wien ge u wendt?
Zegt ge daardoor niet van hem, dat hij
goed is, altijd gereed tot goed-doen? En stelt
ge hem niet een weinig gelijk met God?
Welaan dan, den glimlach op de lippen,
opgewektheid in de stem, uwe vraag gedaan!
— \'t valt licht, als men lief-heeft!
— 90 —
-ocr page 101-
IsOto-j_________________________________________,^*fy\\.
2.
De kunst van geven
is ook niet gemakkelijk.
Want er is eene manier van geven die ver-
nedert, verbittert, ondankbaar maakt, verwij-
dering te weeg brengt, het hart sluit!
Maar om te geven zooals het behoort, moet
men zelf goed zijn, goed als de goede God!
Maar goed-zijn wil zeggen, dat men behoefte
heeft, om hetgeen God ons nuttigs, aangenaams,
opgeruimds geschonken heeft, over te storten
in de ziel, het hart, den geest van anderen.
Eu daarmede gaat het als met de versprei-
ding van het licht, of met de uitzetting der
warmte: eensklaps, onvoorbereid, zonder opzien
te baren, zonder te laten merken, dat iets ge-
geven wordt.
Aldus gegeven, wordt eene gave ook met
genoegen aangenomen; dan gaat ze er stilletjes
in, wekt vergenoegdheid, strekt tot wélzijn.
Dan gaat ze van hart tot hart !
Wat aangenaam leven in dat huisgezin,
waar elk lid er op uit is te geven, ieder de
gelegenheid zoekt om te geven, overlegt om te
geven, en zijn dag verloren acht, waarop hij
niet heeft kunnen geven.
Vragen, geven: het is: de schatten zijns
harten ruilen; — het zijn twee zachte banden,
waardoor men aan elkander gehecht wordt; —
^ka^\'*                                                                  • ^
— 91 —
-ocr page 102-
C3^_______________________________________________^£50*
\'t is de zoete ineensinelting van twee zielen;
maar ook, zij onderhouden een leven van ge-
not, van liefde en verdiensten.
O kinderen, broeders-zusters, vrienden-vrien-
dinnen, die God op hunnen levensweg samen-
voegde, opdat ge elkander zoudt steunen, tot
gids verstrekken, beschermen, beminnen; opdat
ge met vereenigde krachten zoudt werken,
uw beroep uitoefenen, elkander trouw zoudt
zijn — wees dan edelaardig jegens elkander:
vraag ongekunsteld, gelijk gij te goeder trouw
hart en hand opent om te geven.
3.
De kunst van aannemen
is al even moeielijk; althans als men bij het
vragen slechts aan zich zelven gedacht heeft,
en gevolgelijk ook bij het aannemen zich zel-
ven alleen beoogt.
Dan volgt een: „dank-je" met meer of
minder klem uitgesproken; vervolgens gaat
men heen, blij te hebben; doch inmiddels stelt
men het hart, dat gaf, te leur.
Een ..dank-je" is zeker genoeg, als ge krijgt
wat ge vraagt, doch dit dient dan toch blij
en hartelijk gezegd: uwe oogen moeten uwe
blijdschap uitdrukken; en aan uwe manier van
aannemen, bewaren, meenemen moeten uwe
dankbaarheid te zien zijn.
*&^»                                                            ^5)#
— 92 —
-ocr page 103-
>(3*^
t^^»)^
Als ge iets krijgt, dat opzettelijk voor u is
klaar gemaakt, gekozen, bewerkt, gekocht —
dan dient de manier waarop ge dat aanneemt
uitdrukking te geven aan uwe dankbaarheid;
dan moet uw „dank-je" zeggen, dat gij ten
volle beseft met wat liefde en toegenegenheid
dat stoffelijk geschenk n gegeven wordt.
O, als ge eens wist wat plannen en overleg
het u minnend hart beraamt, om iets te zoe-
ken, waarmede het u genoegen kan doen! Als
ge eens begreept, wat vreugde dat hart al
genoot bij de gedachte, dat gij tevreden zoudt
zijn, dat gij al de genegenheid, de zorg, de arbeid
van zijn toegenegen hart in dat geschenk
als in een spiegel zoudt zien en op prijs stellen.
\'t Is maar een eenvoudig prentje, doch hij
heeft uw naam er opgeschreven — \'t is een
godsdienstig voorwerp, maar hij heeft het juist
naar uw zin gekozen ....
Maar toen ge moest raden, wat het geschenk
zou zijn, toen hebt ge niet anders geraden
dan hetgeen ge gaarne zoudt zien, dan het-
geen u dienstig kon zijn.
In dezen zin is aannemen gelukkig zijn, maar
niet minder ook: op bescheiden, hartelijke,
ongekunstelde wijze toonen gelukkig te zijn.
Aannemen bestaat in het geschenk als met
een goddelijken straalkrans te omgeven, in het
met zooveel zorg te bewaren, alsof het eene
relikwie ware; — en somtijds is het waarlijk
— 93 —
-ocr page 104-
eene relikwie, dat geschenk namelijk, wat ook
wel eene gedachtenis wordt genoemd.
*
*
Gelukkige huisgezinnen en familie\'s, waar
men de kunst verstaat: te vragen, te geven
aan te nemen en te heivaren.
XXVIII.
Leen mij uwe twintig: jaren, als gij niet
weet, wat er mêe te doen.
Twintig jaar!
Dat zijn de jaren van geestdrift,
De leeftijd ook van overmoed,
De jaren, waarin men voor geene moeite
terug wijkt.
De leeftijd, waarop men behoefte heeft aan
liefde, aan toegenegenheid zonder grenzen,
aan toewijding aan al wat schoon, grootsch is,
aan al wat hulp, voorlichting, opoffering vraagt.
O jongeling, laat uwe twintig jaren toch
niet nutteloos voorbijgaan in niets-doen, in
beuzelingen, in plannen te maken terwijl ge
nooit aan de uitvoering begint.
Laat, ze toch niet in weekelijkheid, in
droomerijen, in werkeloosheid vervliegen!
— 94 —
-ocr page 105-
*
*   *
Later — als ge een man had kunnen zijn,
en als ge dan niets zijt als een nietswaardig,
verachtelijk wezen, die u nog wel gelukkig
voelt, omdat ge eerloos genot kunt genieten
door uw geld, dat u tot schande strekt; -
op lateren leeftijd zullen die twintig jaren u
zwaar vallen, even als de verdoemden uit
Dante\'s „Divina Comoedia" gedrukt gingen
onder de looden mantels, waarmede hij ze be-
kleed zag, — zij zullen u onder hun gewicht
verpletteren, en als een scherpe angel zal u
onophoudelijk en immer het verwijt pijnigen,
dat ge een mensch zijt van niets?
*   *
Twintigjarige leeftijd! dat is juist de tijd, om
zich te scharen onder de banier van ons Opper-
hoofd Jezus Christus.
Want dat zijn de jaren, waarin men buiten
den familiekring handelend dient op te treden,
— waarin men met anderen zich vereenigt en
zich verbindt, om onder eenzelfde zinspreuk
naar eenzelfde doel te streven, — waarin men
altijd vooruit wil om te strijden, zoo noodig,
om te sterven.
Dat handelend optreden is noodzakelijk om
het leven der ziel, van verstand en hart te
__________________________________________________________________________________________________________>
• -.. «.,
— 95 —
-ocr page 106-
onderhouden, te ontwikkelen, te staven. —
Leven toch is: ontwikkelen; wat is dus een
wezen, dat zicli niet ontwikkelt?
De veroveringen welke het leger des kwaads
maakt, eischt een krachtig handelen, een ge-
zamenlijk bestrijden,
om het in zijn loop van
oproer en misdaad te stuiten.
Dat leger is niet slaperig, noch droomerig,
en blijft niet stilstaan .... zie slechts de ver-
woestingen, welke het aanricht!
Dat handelend optreden is noodig, om de
traagheid der weidenkenden te breken — ont-
moedigd als ze soms zijn door de vele moeielijk-
heden, welke als met het uur toenemen — of
verdrietig geworden door den geringen goeden
uitslag van al hunne pogingen, — en die daarom
telkens het vadsige en ellendige woord in den
mond hebben: waar zou H toe dienen ? Het
helpt toch niet!
Neen niet: „het helpt toch niet!"
Toont gij, jonge lieden, dat ge nog kunt
worstelen, strijden, overwinnen!
Die uren, welke u wanhopend maken, zijn
de uren Gods! Welnu, thans zijn die uren daar
— vooruit dan, strijders voor God!
— 96 —
-ocr page 107-
Dat handelend optreden moet geëvenredigd
zijn aan uwen leeftijd: moet dus zijn: vol
geestdrift:
het wapen bij de hand, den zege-
zang op de lippen, hoopvollen moed in het hart.
meesleepend: niemand laten achterblijven —
aan elk het woord van den Apostel toevoegend:
„als God met ons is, wie zal dan tegen ons
zijn?" - nooit spreken van strijd, altijd van
overwinning! edelmoedig en belangeloos; met
slechts één doel voor oogen: God, de Kerk,
het heil der zielen.
Vooruit dan, katholieke jeugd, vooruit: gij
hebt de toekomst in handen !
Vooruit! gewapend met het woord, om kennis
te verspreiden, de leugen te verdrijven, en de
waarheid in het helderste licht te doen schijnen.
Vooruit! door de pers, die tot daar, en tot hen
genaakt, waar het woord niet kan doordringen.
Vooruit! door uw voorbeeld, dat auderen mede-
sleept en immer wars is van zwakheid, lafheid
of meegaandheid.
Vooruit! maar nimmer alleen, nooit zonder
raadslieden!
Wij, ouderen, moeten het betreuren, dat wre
niet meer zóó kunnen optreden als gij; —
doch gij zult ons altijd aan uwe zijde zien, u
door onzen invloed gesteund, door onze tegen- v
GOUDKORRELS.                                                                 7 Ik
— 97 —•
-ocr page 108-
---------------------------------------------------------------B
woordighoid gesterkt voelen; wij zullen iramer
uwen moed schragen door n den krijgskreet toe
te roepen en te herhalen :
Vooruit! voor God en Kerk, voor Vaderland
en Vorst.
O gij, mijn twintigjare leeftijd!
Met mijne, mij zoo dierbare en glansrijke
begoochelingen en voorspiegelingen ;
Met mijne zoo gekoesterde geestdrift, en
droomen van toewijding en opoffering, en vurig
verlangen naar strijd! —
O gij, die nog vol leven en begeestering u
aan mij voordoet, nu mijne ziels- en lichaams-
krachten beginnen t« falen ; doordring hot aan-
komend geslacht van uwen geest, wek ook de
weifelenden op ten strijd; vorm elk jong mensch
tot een strijder voor Jezus Christus!
XXIX.
Burger-Zouaven.
Omtrent het jaar 1870 bestond in Frankrijk
en elders eene Courant getiteld: „ Vrijwillige, dienst
neming"
of: „Burger-Zouaven". Gelijk in die
dagen de Zouaven der geheele wereld, niet het
minst de Xederlandsche, den Paus verdedigden
— 93 —
-ocr page 109-
.-^fr>»
•fr(g*-^
met hun bloed en leven; zoo werden door dit
tijdschrift opgeroepen alleu van wat stand, leef-
tijd of kunne, om door woord en voorbeeld op
te treden als verdedigers van God, Kerk en
H. Stoel. Zou de tijd niet daar zijn, om deze
vrijwillige dienstneming nog eens op te warmen?
„Er ziju tijden", zegt P. Fabek, „waarin
„men niet te trouw kan zijn; die tijden zijn
„thans daar. Bovendien: zou wèl ooit de aau-
„haukelijkheid aan den Plaatsbekleeder van Jezus
„Christus overdreven of te groot zijn geweest"?
* *
Stel u nu echter niet voor, dat ge moet breken
met uwe gewoonten — of dat ge een ander
leven moet beginnen — vergaderingen bijwonen
— anderen opwekken — of ijveren om leden
te winnen.
Neen: dit dienstnemen eischt niets van dit alles.
Het brengt geen stoornis in het gewone, dage-
lijksch leven — men behoeft niet meer dan
gewoonlijk te bidden — geene nieuwe betrek-
kingen aan te knoopen .... Al wat vereischt
wordt is dit: flink en ongezocht katholiek zijn ...
het karakter harden en toonen man te zijn en
christelijken zin te hebben.
I.
Ziehier eenige verplichtingen, welke die dienst-
j neming
oplegt.
i______________________|
— 90 —
-ocr page 110-
<S^j
,^*Gtffl
Als gij eene Kerk voorbijgaat, begroet het
H. Sacrament, daar aanwezig, door bet hoofd
te ontblooten of het teeken des kruizes te maken.
Groet een priester, kloosterlinge of geestelijke,
omdatzij dienaren van den goddelijken Meester zijn.
Vóór gij n op reis begeeft met tram of trein,
maak bij u zelven een kruisje.
Eene vrouw, die zich daarmede onder Gods
hoede stelde, bemerkte een spottend lachje op
de lippen van iemand die het had gezien: „ik
beveel mij aan den goeden God, zeide zij, en
als de trein verongelukte, zou ik er heel be-
daard bij blijven."
Maak bedaard en kalm een kruis, en bid vóór
het eten, al ziet ge ook, dat niemand anders
dat doet.
Zooveel uwe plichten van staat toelaten, tracht
immer het H. Sacrament te begeleiden naar de
huizen, werwaarts het door den priester plech-
— 100 —
-ocr page 111-
tig (1) wordt heengevoerd. Zet u op de knieën
en buig liet hoofd, als het u gebeurt, dat ge
het H, Sacrament ontmoet — opdat God u
zegene,
*
# *
Is het u bekend, dat ergens een zieke is,
wien men niet wil of durft spreken van den
gevaarlijken toestand, waarin hij zich bevindt;
— ga tot hem, spreek hem van den goeden God,
die troost, sterkt en geneest; belast gij u er
meê, om den priester te waarschuwen, hem
derwaarts te geleiden.
Bedenk toch, dat die ziel verloren kan gaan
en in eeuwigheid God vloeken.
Opkomen tegen elk woord, dat tegen den
godsdienst, de kerk, de geestelijken gericht is,
is gemakkelijker dau men wel denkt. Jeugdige
meisjes
en jonge vrouwen hebben eene bijzon-
dere, haar eigene manier, om het zwijgen op
te leggen : zij hebben slechts te icillen en zij
zullen altijd slagen.
Vrouwen, alreeds op jaren gekomen, en vooral
moeders zijn zich bewust van hare meerderheid
(1) In sommige plaatsen in Noord-Brabant en in allen
van Limburg, België, Pruisscn.
— 101 —
-ocr page 112-
ora haren leeftijd en waardigheid; mijn kind
is bij mij.
zeide ééne dame, heb daar eerbied en
ontzag voor.
Wat kracht ten goede schuilt er in vl, jeugdige
meisjes
en vrouwen, als gij u ernstig en kloek
christinnen wilt toonen.
„Maar hoe," sprak eens een priester in eene
vergadering van godsdienstige moeders, „maar
hoe!" dames, men durft in uwe tegenwoordig-
heid niet rooken, zonder uw verlof... en men
zon wel onbetamelijke ivoorden durvenspreken!?"
Evenmin voorzeker, als gij het niet duldt!
Al te vrije en ergerlijke taal kan niemand
zoo goed vóórkomen of doen ophouden als een
jongmensch met rechtschapen inborst en open
gelaat.
„\'t Is niet veel moois, wat u daar zegt,
Mijnheer," zeide eens vrijmoedig een jongeling
tot een heer, die al te vrij was in zijne uit-
drukkingen: en deze zweeg, omdat dit onbe-
schroomd woord vergezeld ging van een glimlach.
O, als wij maar durfden!
*
* *
Er is een woord, dat bestorven ligt in den
mond van kinderen, een woord dat we dikwijls
hooren, en dat immer treft door zijne op-
rechtheid eenvoud en kracht.
Als een kind op zijne manier redetwist, zal,
— 102 —
-ocr page 113-
als het in zijne redeneering vast raakt, en toch
voelt, dat het gelijk heeft, zijn laatste woord
zijn: moeder heeft het gezegd; want wat moeder
gezegd heeft is zeker waar, en moeder kan
geen abuis hebben, en moeder heeft altijd gelijk.
Zoo ook wij, Katholieken ; — kunnen wij zeg-
gen: de Paus heeft het gezegd, dan is alles
uit, dan hebben we de waarheid.
Het kan zijn dat we niet kunnen antwoor-
den op de spitsvondigheden, welke worden op-
geworpen, — dat dwaal- en drogredenen ons
verblinden door een schijn van waarheid; —
wij kunnen zeker en gerust zijn gelijk te
hebben, de waarheid te bezitten.
Als iemand, die ouder of meerder is, in
uwe tegenwoordigheid eene godslastering uit-
braakt en gij hem dus niet goed kunt berispen,
weet dan op die manier rood van schaamte
te worden, dat gij toont pijnlijk aangedaan
te zijn ; — uw ernstige en strenge blik zoeke
en ontmoete den zijnen, om hem te beduiden,
dat zijn hoogere leeftijd of waardigheid alleen
u weerhoudt, hein te laken,
Op reis zijnde, koop katholieke couranten,
geef ze aan anderen of laat ze liggen op de
•>i?j r;-
— 103 —
-ocr page 114-
plaats, dien ge in spoor of train innaamt.
Lees in het openbaar, zonder vertoon, maar
ook zonder menschelijk opzicht katholieke cou-
ranten, tijdschriften, brochures!
Mogen wij onverschillig zijn voor de ver-
spreiding van katholieke couranten, tijdschrif-
ten, brochures; terwijl we den ijver moeten
bewonderen, waarmede het kwaad en de dwa-
liug de hunne, vaak belangeloos, aan den man
trachten te brengen.
Heden ten dage is men tot deze geestelijke
aalmoes
evenzeer verplicht als tot de lichamelijke.
Koop nimmer, adverteer nooit in, abbonneer
u zeker niet op couranten, tijdschriften, welke,
slecht, of der kerk en godsdienst vijandig ge-
zind zijn.
\'t Is een soort verraad aan de Katholieke
zaak.
II.
Of dit nu alles is?
Voorzeker neen ; maar vele en velerlei daden
en handelingen en optreden hangen af van
den stand of staat, dien men in de maatschappij
inneemt; van de omgeving, de plaats waar
men zich bevindt.
Hoe, waar, wanneer ook ; men behoort altijd
bezield te zijn met den Christelijken geest, met
dien geest, die denkt en leeft en zich beweegt
— 104 —
-ocr page 115-
#@5ï==L
<-^*»>»
onder den indruk van Gods grootheid en ma- \'•
jesteit; — die God beschouwt als het begin
en het einde van alles : — God, die ons in het
leven houdt, — God, wiens oog op ons rust, —
God, die van ons verwacht en vordert gehoor-
zaamheid en liefde; zooals een overste van zijn
ondergeschikte, een vader van zijn kind mag
verwachten.
Deze christelijke geest moet ons dit fiere woord
van Petrus tot zinspreuk doen nemen : al zouden
allen u verlaten: ik nooit
!
lederen morgen zegge men dus tot God:
Mijn God, geef mij heden gelegenheid om
uwe zaak te verdedigen of voor mijn geloof
uit te komen, en daardoor u mijne trouw te
toonen.
Voor zijn geloof uitkomen: daarvoor moet
men altijd en overal klaar staan!
In de kerk, door den eerbied, welke men
aan den dag legt; door zijne ernstige en inge-
togen houding; door de wijze, waarop men een
Kruis maakt; door zijn blik, zijn gaan en staan,
waardoor men toont te voelen, dat men in de
tegenwoordigheid van God is.
In zijne kamer; door er onverbiddelijk uit
te verwijderen of verwijderd te houden, alle
kunstwerken, die min of meer de zinnelijkheid
I_______________________________________))
— 105 —
-ocr page 116-
£5*
prikkelen: half-naakte beeldjes, natuur-naboot-
sende prenten, platen, etsen, geestelooze en
smakelooze schoorsteensioraden.
De christelijke kunst bezit, Goddank, onder-
werpen en kunstenaars genoeg, om aan de
hoogste eischen van kunstsmaak en kunstliefde
te voldoen.
Wij, christenen, moeten het mooie overlaten
aan wie daarvan houdt; maar het schoone
komt ons rechtens toe en dit moeten wij voor
ons behouden.
Een schoon kruisbeeld b.v. ; — kan men zich
schooner sieraad in do kamer denken! en is
het niet tevens liet zinnebeeld van Gods be-
scherming - en straalt het niet rust en vrede
af over den huiselijken kring ? — eeue schoone
schilderij der H. Maagd ; — roept ze niet allen
huisgenooten toe : weest rein !
Dan nog moet men zijn geloof toonen in
Meeding. Net, zindelijk en smaakvol mag en
moet ze zijn naar de verschillende standen en
leeftijden; doch immer: zedig, en nooit: op-
zienbarend.
Den H. Vader werd voor eenigen tijd eene
brochure aangeboden, waarin aan godsdienstige
vrouwen instemming en medewerking werd ge-
vraagd tor beteugeling van de mode-zucht. Vol-
gaarne zegende de Paus het streven dier edele
vrouwen, en moedigde in levendige bewoordiu-
gen haar pogen aan, waarbij zij zich verbonden
— 106 —
-ocr page 117-
~                              j
om zich niet te bedienen van modemaaksters die
zich leenden tot het vervaardigen van onzedige
Meeding.
Hier ligt ook een vruchtbaar apostolaat!
III.
Aan het werk dan, gij edelmoedige zielen,
die misschien niet wist, dat het ook uw plicht
is Jezus Christus en Zijne Kerk te verdedigen,
— en die niet dacht dat ge op zoo eenvou-
dige wijze en met zoo geringe middelen ware
christelijke soldaten
kondct worden.
Aan het werk! niet echter aanvallender wyze.
Er zullen wel eens uren en dagen van ver-
nedering komen ; wat maakt het? Het zijn
oorlogskausen tegen het kwaad; maar eindelijk
zal de overwinning aan u zijn.
Zouaven van Jezus Christus, vergeet echter
nooit, dat al wat ge noodig hebt: ijver, sterkte,
voorzichtigheid, oordeel, manier van handelen,
moed en dapperheid van boven moeten komen;
en dat deze slechts van boven gegeven worden
op een edelmoedig gebed, dat voortkomt uit
een hart, dat zich zelven geheel en al schenkt;
op een gebed van toewijding en zelfverloochening,
dat geen arbeid ot\' oft\'er schroomt.
Herinner u het kinderlijk-vertrouwvoi en rid-
derlijk woord van den dapperen Lahire :
— 107
-ocr page 118-
5>^»_________________________________________.^g>»
Heer, doe voor Lahirk, wat hij voor u doen
zou, als Gij Lahike waart en ik de goede God.
Met die woorden ging hij ter overwinning!
Zouaven van Jezus Christus, verdedig uw Mees-
ter, en uw Meester zal u verdedigen.
XXX.
Vandaag* maar!
Hoe liefelijk is het gebed eener rustige ziel,
die kinderlijk, ter goedertrouw dagelijks omgaat
met den goeden God. De ziel, die zich dit gebed
eigen maakt, ademt vrede, zachtzinnigheid en
vrome berusting.
Heer, ik vraag U niet voor morgen of vooi
hetgeen ik morgen behoef: bewaar mij vrij van
alle zonden; dat mijn leven U aangenaam zij,
Vandaag maar!
Heer, blijf bij mij in arbeid en gebed; dat
mijne woorden en daden U behagen,
Vandaag maar!
i
— 108 —
-ocr page 119-
(Ote^»
j.^£?\';"
Heer, geef, dat het mijn streven niet zij
mijn wil te doen, doch dat ik dien lichtelijk
voege naar den wil van anderen, als ik bemerk
hun daarmee genoegen te doen,
Vandaag maar!
Heer, laat niet toe, dat ik een enkel nutte-
loos, kwetsend of zondig woord nite: leg op
mijne lippen woorden, die stichten, troosten,
opvroolijken,
Vandaag maar!
Heer, dat de zoete glimlach uwer Moeder
mijn weg verlichten, en mij dien van anderen
doe verlichten; dat toch niemand in mijne om-
geving lijde, weene, droevig zij, zonder dat ik
troost aanbrenge,
Vandaag maar!
*
*    *
Heer, laat mij in den geest altijd bij U
verwijlen, die mijne ware vreugde zijt:enGij,
mijn licht en mijne sterkte, blijf Gij bij mij,
Vandaag maar!
*
*    *
— 109 —
-ocr page 120-
Heer, als droefheid of lijden mij neerdrukken;
doe mij daarmede tevreden zijn, omdat zij komen
van uwe rechtvaardigheid en liefde,
Vandaag maar!
Heer, ik vraag U niet voor morgen___want
morgen zal ik misschien niet meer zoo verre vau
U zijn ; doch Heer, bescherm, geleid, bemin mij,
Vandaag maar!
XXXI.
Verfraaiing-smiddelen en opschik-
benoodigdheden.
AANTEEKENINGEN ÜIT DE NAGELATEN PAPIEREN
VAN EEN ENGELBEWAARDER.
Engelbewaarders zien alles, weten alles, ont-
houden alles.
En als men het geluk heeft, vertrouwelijk
met hen om te gaan, dan bemoeien zij zich
zoowat met alles wat onze belangen raakt,
helpen ons met hun raad en ondervinding, en
loeren ons dingen kennen, die op aarde geheel
onbekend zijn.
Men zegt, dat de hier volgende aanteekeningen
— 110 —
-ocr page 121-
geschreven zijn door een Engel, en wél aan een
jong meisje, dat nog al van pronken hield.
De Engel hield veel van haar en trachtte door
deze regelen haar wijzer en braver te maken.
Wellicht kunnen deze ook dienen voor de
lezeressen der ..Goudkorrels" als er soms onder
zijn, die ook vau pronken en behagen houden.
Hier beginnen de geheimen van den Engel-
bewaarder.
Wees beminnelijk, kleine Sus, lief en glim-
lachend, maar pas op, dat ge, om uwe schoon-
heid, lieftalligheid en lachend wezen te be-
houden, geen gebruik maakt van die middelen,
welke de menschen aanwenden om mooi te zijn ;
maar die het werk van God eerder leelijk maken.
Wees van binnen schoon en lieftallig!
Deze schoonheid der ziel ligt dan van zelf
over het gelaat verspreid, glanst uit de oogen,
spreekt zich uit door de zachte, welluidende stem.
En wilt ge nu van binnen en buiten schoon
en aanvallig blijven; wend dan eens de mid-
delen aan, welke wij daarboven in den hemel
vau God geleerd hebben oin de schoonheid te
behouden.
Een buitengewoon kostbare en welriekende
__________________________________________\\
— UI —
-ocr page 122-
i-^§*
@^2i
olie, die altijd en overal zijn geur behoudt en
af geeft van hem die er van doortrokken is, is
de deugd.
*
* *
Een welwillende glimlach is als liet genees-
middeltje,
dat men gebruikt, om de lippen hare
frischheid te doen behouden.
* *
Toewijding, teederheid en bestendigheid, in
ongeveer gelijke hoeveelheden onder elkander,
bewijzen denzelfden dienst als het mengsel dat
gebruikt wordt om uitwendige schoonheid te
krijgen, te doen toenemen, te onderhouden.
*
*    *
Als lang-leven-elixer geldt de godsvrucht;
want deze is bij machte den goeden geur van
deugd, den levendigen glimlach, de toewijding
en bestendigheid des harten immer krachtiger en
teederder te doen zijn.
*
*    *
Evenals amandelmelk kleine barstjes doet ver-
dwijnen, zóó ook het goed-doen of oplettendheid
bewijzen
aan hen, die hetzij door een scherp
woord, een verzuim, hetzij door een spotternij
in ons karakter of in ons hart leed deden.
— 112 —
-ocr page 123-
----------------------------------------------------------------------------------------------M
Wilt ge ecu stilmiddel tegen velerlei kleine on-
gesteldheden, voortkomende uit lichtgeraaktheid,
overgevoeligheid, onvermijdelijke wrijvingen?
Ziehier: geduld om ze zwijgend te verdragen ;
een beetje goedhartigheid in den omgang met, —
en toegevelijkheid in het beoordeelen van anderen.
Het volgend receptje is goed voor bijna alle
kwalen, die in het meuschelijk leven voorkomen,
en mag ook bij het voorgaande stilmiddel niet
verzuimd worden: niet alles zien —niet te veel
weten
— niet te veel navorschen — niet alles
onthouden.
Zout doet den geheelen tooi beter uitkomen,
doet hein opleven en glansen. Toch is zout van
nature vluchtig, vervliegt, zoodat men zich met
oordeel des onderscheids er van moet bedienen :
zoo ook: vermijt en oordeel.
Onschuld en zielevrede zijn als een blan-
ketsel,
maar dat niet in de buitenlucht van kleur
verschiet: integendeel: dat, goed bewaard, aan
den mensch de schoonheid van Gods Engelen
geeft,
ÜOUDKORRELS.                                                                8         \\\\
— 113 —
-ocr page 124-
#@^a»______________________________________________.-^H
De balsem, welke wel niet aan hitte mag
blootgesteld worden, maar die dan ook de eigen-
schap heeft van \'s levens verdrietelijkheden te
verzachten en de vreugden te vermeerderen is :
de vriendschap.
* *
Welwillend ontvangen, goed zijn wereld kennen,
vroolijke en aardige zetten
zijn als zoovele bandjes,
waarmede men aangename menschen aan zich
bindt.
Wassching dient om rimpels te voorkomen,
die het hart oud, het karakter lastig en het
gelaat leelijk zouden maken;___ datzelfde
werkt gulle vroolijklieid uit.
Nadenken is als een spiegel, waarvan men
dikwijls gebruik moet maken, vooral als men
nieuwe betrekkingen aangeknoopt heeft, of als
eene belangrijke zaak te behandelen is.
Eenkkuekjes lossen zich wel niet dadelijk op
en zijn eenigzins bitter in den mond, doch zij
— 114 —
-ocr page 125-
(ik bedoel: de arbeid) bestrijden en verdrijven
de verveling. Vandaar, dat men minstens alle
nren er eert diende te nemen.
Cold-Cream is een zalf om zomersproeten te
voorkomen, die ons bijna onkenuelijk maken en
aan heel wat teleurstelling\' bloot stellen. Het-
zelfde uitwerksel heeft de voorzichtigheid.
Wonderwnter om eene blanke huid te be-
houden is : \'s morgens vroeg opstaan.
Een geestig woordje, een vleiend complimentje
zijn als zaadjes, in het gemoed van anderen
gestrooid, welke hun immer den glimlach op de
lippen doet hebben, en hen aan ons lieftallig
doet voorkomen.
De beste, waterdichte omslag, waarin men al
deze middeltjes om zich te tooien kan bewaren
en voor bederf behoeden is: de morgen-over-
weging
en een godvruchtig gebed.
Hier eindigen de geheimen van den Engel-
bewaarder.
— 115 —
-ocr page 126-
XXXII
Het Credo van een lezer.
Eene behartigingswaardige bladzijde voor
ouders, zoons, dochters, voor allen. Zij is ge-
nomen uit een boekje, dat wij bij deze gelegen-
heid aanbevelen: „Nieuwe reis rondom mijne
kamer\'.
Op zekeren dag, zegt de schrijver, trachtten
eenige gevaarlijke boeken zich op mijne schrijf-
tafel in te dringen.
Onrust en gisting van gemoed waren al
aanstonds het gevolg en deden mij schrikken;
waarom ik het dienstig oordeelde oogenblikke-
lijk een raad samen te roepen, en hun, wier
ondervinding ik inriep, te vragen, dat zij mij
een juisten en nauwkeurigen regel of Credo
zouden opstellen, waarnaar ik te werk kon gaan
bij het lezen in het algemeen en bij het lezen
van romans
in het bijzonder.
Ter vergadering verschenen: de Zedigheid,
de Vreugde, de Verbeelding, de Arbeid, de Tijd,
de Rede, de H. Schrift en de Overlevering,
zoowel de gewijde als de ongewijde.
De beraadslaging was nog al levendig. De
Verbeelding verzette zich er tegen, dat men
eene beslissende uitspraak deedt.
— 11« —
-ocr page 127-
Toch werden zij het eens, en stelden het
volgende Credo op.
Lk geloof dat de lectuur van den mensch de
vorm is, waarnaar zijn geest gevormd wordt,
en dat hetgeen hij leest hem ook maakt wat
hij is.
Zeg mij, welke boeken ge leest, en ik zal u
zeggen wie ge zijt.
Ik geloof, dat de gesteldheid des geestes
gevormd wordt door de lectuur, evenals die des
lichaams hoofdzakelijk door de spijzen, welke
gebruikt worden.
Ik geloof, dat geen enkel karakter op den
duur bestand is tegen eenzelfde soort lectuur:
zij zal eindelijk de overhand houden.
Ik geloof, dat slechte lectuur even schadelijk
is voor den geest als vergif voor het liehaam.
Ik geloof, dat het lezen van romans, -
ook van de zoogenaamd-goede — aan het
karakter zijne degelijkheid beneemt, aan het
leven d«n ernst, aan het hart zijne vlekkeloos-
heid,
aan den wil diens kracht.
Ik geloof, dat vele menschen zich wat wijs
maken omtrent hetgeen zij zelven lezen of
anderen toelaten te lezen; — als lazen zij
slechts voor tijdverdrijf, — omdat het zoo schoon
geschreven is — als een middel om de wereld
te heren kennen en niet bedrogen uit te komen
— om de verveling te verdrijven
— Eu toch,
het zijn niets dan voorwensels, waarmede zij
— 117 —
-ocr page 128-
hun nog godsdienstig geweten in slaap trach-
ten te wiegen!
Ik geloof, dat zij voor God eene allergrootste
verantwoordelijkheid op zich laden, die gevaar-
lijke, slechte, zelfs lichtzinnige lectuur toestaau,
bevorderen of aanraden.
Ik geloof, dat in deze zaak veel zelfbedrog in
het nnr des doods zal verdwijnen, maar tot
schade en schande van eene menigte zielen.
Ik geloof, dat wij verschrikt eenmaal zullen
opzien tot het verbazend groot getal zielen,
die door slechte lectuur zijn verloren gegaan.
Ik geloof, dat, als de slechte boeken kouden
spreken, zij schrikwekkende dingen zouden ver-
halen omtrent het kwaad, dat zij alom gesticht
hebben.
Ik geloof eindelijk, dat men verplicht is elk
gevaarlijk boek uit zijne kamer te bannen;
daar de aanwezigheid daarvan alreeds een bron
van bederf is.
En dit alles geloof ik in den naam van het
gezond verstand, der ondervinding en des geloofs.
XXXIII.
Aan den Schrijver der Goudkorrels.
De schrijver der Goudkorrels wijst ons aan
als zijnde in den schoot onzer familie de kost-
bare schat en de aanvallige verschijning, welke
heet: het jonge meisje.
— 118 —
-ocr page 129-
Hij schetst ons onder het beeld van den
Engelbewaarder des gezins. Wat vredesstraal-
krans vlecht hij dns om het hoofd van het
jonge meisjel
Die beminnelijke schrijver is de ware apos-
tel voor het huisgezin. Zijn streven is: rein
en oprecht te doen zijn het voorhoofd van
het jonge meisje.
Hij stelt zich haar voor ; bloemen, dat zijn :
verborgen deugden kweekend, beoefenend in den
familiekring; rondom haar tranen droogend als
een deelnemend jong meisje.
Zij moet, volgens hem, nu eens de engel dan
het kind des huizes zijn. De eerbied en liefde,
eener koningin verschuldigd, moeten het deel
zijn van het jonge meisje.
Zacht en teeder hare heerschappij over allen
en alles aan den huiselijken haard : uit onschuld
en liefde
de kroon gevlochten van het jonge
meisje.
Zij moet de gezegende Engel des huizes zijn,
de vreugd en band der familie. Zoo zal ze de
bevalligheid en beminnelijkheid zijn in persoon:
het jonge meisje.
— 119 —
-ocr page 130-
*(0b-^
En als dan eenmaal de moeder des gezins
van den hiüselijken haard zal zijn weggenomen,
wie moet dan trachten hare plaats in te nemen,
tenzij het jonge meisje?
Eindelijk wijst de schrijver in alle leed en
kommer naar den eenigen trooster, Jezus, heen,
Die nimmer zijn steun en zegen onttrekt aan
het jonge meisje.
Hij is dus wel de vriend des huizes, de
schrijver der „Goudkorrels"; zijne boekjes zijn
een ware schat voor het jonge meisje.
BENE CONGREGANISTE.
XXXIV.
Ja — Neen.
I.
Ja.
Wat liefelijk, immer aangenaam klinkend
woordje, vooral op de lippen van eeu kind.
Ja! dat zeggen ook altijd de Engelen daar-
boven in den hemel; — en hier op aarde de
Heiligen!
Een ja! is elke mensen aan God schuldig,
hetzij Hij spreekt, of iets verlangt of beveelt
of zich doet vertegenwoordigen.
4<se>^\'
120 —
-ocr page 131-
Ja! is het woordje om uitdrukking te geven
aan liefde en dankbaarheid, om gehoorzaamheid
te betoonen.
Ja! veroorzaakt vreugde aan hem die het
uitspreekt, en niet minder aan hem, die het
hoort. — Het is als de bevalligheid, liefelijk-
heid, schoonheid in persoon.
Hij die ja zegt, maakt zich ook aaugenaam
en bemind.
Ja! wil zeggen: ik wil al wat gij wilt; —
ik zal al doen, wat gij beveelt.
Ja! is een vleiend woordje; een woordje
ook, dat den glimlach op de lippen doet komen,
toorn doet bedaren, dat het hart raakt en
vrede sticht.
Ja! om dit uit te sprekeu behoeft men geene
moeite te doen; als een ademtocht komt het
op de lippen.
Ja! behoeft nog niet eens uitgesproken te
worden; evenals men om te glimlachen slechts
ten halve de lippen behoeft te openen, zóó, op-
dat ja gehoord worde. •
Glimlachen dat is : ja-zeggen !
Vragen wij aan God, dat wij immer ja zeg-
gen op al wat goed, wat schoon, wat heilig
is: — ja, als ons hart aangespoord wordt om
een offer te brengen, wat God eischt, — ja, om
— 121 —
-ocr page 132-
.-r*g>#
eene daad van zelfverloochening te plegen,
om onzen wil te dwingen tot plichtsvervulling,
— ja, op al wat meu van ons vraagt of ver-
langt, als het niet tegen Gods wil of wet
indrnischt.
II.
Ne ex.
Neen! Ziedaar het woord der hel: het woord
van ongehoorzaamheid en opstand, van grillen
en nukken, van stijfhoofdigheid en haat.—
Neen! werd in den hemel nooit gehoord!
Neen! komt niet van de lippen, of men moet
zijn gezicht vertrekken.
Neen!: om het uit te spreken moet de tong
met geweld tegen het gehemelte slaan, gelijk
een kwaad mensen met den voet op den grond
stampt.
Neen! daartoe moet de mond geheel open,
alsof het hart het wilde inhouden.—
Het hart is dan ook niet gemaakt om neen
te zeggen.
Neen! stoot af en maakt hatelijk.—
Neen! dat is: de geweldadige scheiding tus-
schen twee willen; — de hinderpaal, die alle
bijeen-komen onmogelijk maakt; — de dood der
vriendschap; — eene wonde, die elk hart,
maar vooral dat eener moeder, doet bloeden!
__ 122 ~
-ocr page 133-
Ea toch, ofschoon neen van een oproerigen
Engel afkomstig is, toch zijn er soms tijden
en omstandigheden, waarop men het vastbe-
raden moet weten uit te spreken!
Gelukkig hij, die dan neen kan zeggen.
Joug-meusch, gij die uwe loopbaan in de
wereld begint, wilt gij uwe reinheid, uwe
waardigheid en vrijheid in al haren luister
behouden en bewaren?
Weet dan neen te zeggen zelfs op de beve-
len uwer meerderen, evenzeer als op de beden
uwer vrienden, of de tranen die u trachtten
over te halen — als eer en geweten het u
oplegt/en.
Weet ook aan uw hart neen te zeggen, als
het u wil heentronen, waar de naam van God
niet meer te zien is; of als het u de onder-
richtingen en vermaningen uwer moeder wil
doen vergeten !
Let eens op hen, die door wroegingen ver-
scheurd, of verpletterd worden onder de ver-
achting van alle weldeukenden: zij hebben
geen neen kunnen zeggen, en vandaar dat zij
zoo diep gezonken zijn.
Dit neen der getrouwe ziel; dit neen, zoo
krachtig der schepselen toegevoegd, die u van
uw plicht wilden afbrengen, is wel het krach-
— 123 ~-
-ocr page 134-
tigste ou aau God aangenaamste ƒ«, dat ge
kimt uitbrengen.
XXXV.
Ben ik op den goeden weg?
Ja ; als er :
geeue afkeerigheid in mijn hart is;
geene ijdelheid in mijn geest;
geene zonderlinghedeii of grillen in mijne daden:
geeue baatzvchtigheid in mijn verhouding tot
familie en vrienden :
geene onbuigzaamheid in mijn karakter ;
geeue kivade trouw in mijne oordeelvellingen.
Dan uog: als ik ongekunsteld maar ook fliuk
al mijne plichten voor God volbreng.
XXXVI.
Wie had hier schuld?
Een oude geestelijke gaat een huis zijner
parochianen biuuen. Hij weet, dat ouder dat
dak geleden wordt, en lijden trekt hem, den
man Gods, gelijk den wereldling de geuoegeus.
De man des gezins staat voor het venster
te rooken, terwijl hij doellooos naar buiten ziet.
— 124 —
-ocr page 135-
-^cs^~~-._____________________________________________________.-^*5-j?
De vrouw zit op hare gewone plaats, doch
zij werkt niet, zij weent.
Gij ziet er zoo treurig uit, zegt de priester,
wat is er vandaag gebeurd?
Altijd nog hetzelfde, Mijnheer Pastoor, als
toen ge den laatsten keer hier zijt geweest, en
erger.
Met uw zoon, niet waar ?
Ja, met hein, hij is nu de derde al, die van
den werkwinkel is weggezonden.
Kn kimt ge hem niet verbeteren ?
Verbeteren ? ! zeide de moeder, in tranen uit-
barstend; o, als ge eens wist, hoe hij lacht
met al wat men hem zegt___ een oogeublik
luistert hij, dan haalt hij de schouders op en
gaat heen, zonder dat men weet wanneer hij
terugkomt.
Wèl, goede vrienden, handeldet gij ook zóó
met uwe ouders?
"Wij ? O, riep de vader uit — en tranen
kwamen hem in de oogen — nimmer, nooit
hebben wij onze moeder bedroefd. Als vader
sprak in huis, dan hadt ge moeten zien___
Nog ééne vraag, arme man! bad Louis nog ?
Bidden ? ! De ongelukkige kon niet eens meer
een kruis maken.
En toen gij zoo oud waart, deedt gij het toen ?
Gij weet dit wèl, Mijnheer Pastoor, dat wij,
kinderen van zulke ouders, onze plichten moesten
waarnemen. Zondags morgens moesten wij met
— 125
-ocr page 136-
hen mede naar de H. Mis, en des avonds op de
knieën voor dat beeld bidden. Arme vader,
arme moeder! wij hielden zooveel van hen, en
gehoorzaamden hun zoo gaarne! Maar hij ...
Welnu, mijn vriend, hernam de priester,
terwijl hij dichter op den man toetrad en hem
de hand drukte, begrijpt gij, wat ge daareven
gezegd hebt: Gij gehoorzaamdet aan uwe ouders,
omdat zij u geleerd hadden aan God te gehoor-
zamen; gij Meldt veel van uwe ouders, omdat zij
u ingeprent hadden, God te beminnen.
Herinnert gij u, dat ik dikwijls u vermaande :
gij houdt uwe kinderen thuis uit kerk en kate-
chismus; gij zendt ze, naar eene school, waar
niet van God gesproken wordt, pas op___ze
zullen u tranen doen storten.
Had ik ongelijk?
Goede vrienden, ge hebt, de een vóór en de
ander na, het bidden verzuimd: gij hebt uw
zoon laten opgroeien en God doen vergeten;
gij zelf hebt Hem vergeten; welnu, de goede
God heeft uw huis verlaten; en als God eene
ziel of een huis verlaat, neemt Hij ook alle
goeds
mêe n. 1. vrede, eensgezindheid, gehoor-
zaamheid
en vreugde.
Zou deze bladzijde niet hoogst nuttig zijn
voor vele huisgezinnen ?
— 126 —
-ocr page 137-
En zou men vele vaders en moeders, die
zuchten over het slecht gedrag, de onverschillig-
heid en ondankbaarheid hunner kinderen, niet
mogen vragen: aan wie de schuld?
Gij hebt het geloof uwer kinderen laten ver-
flauwen, bijna uitdooven. Dat geloof deed hun
u kennen als de plaatsvervangers van God;
leerde hun, dat zij u moesten gehoorzamen en
beminnen om God en God in u___ en nu zien
zij in u, ongelukkige vader en moeder, niets
dau ïnenschen, die hunue grillen hebben te ver-
dragen en hun hebben te verschaffen wat ze
gaarne hebben: en tegen wie ze kunnen op-
staan, als hun zin en lusten niet voldaan worden.
Gij hebt dat geloof laten dooven, hetwelk
hen van nature dreef tot godsdienstigheid, reiu-
heid en onderworpenheid... en daarvoor is in
de plaats gekomen een geest van verzet, van
veinzerij en zucht naar onafhankelijkheid.
Gij hebt nagelaten aan uwe kinderen het
voorbeeld te geven van een christelijken levens-
wandel, terwijl toch kinderen het best geleid
en gevormd worden door hetgeen zij zien. En
zij zagen niet meer, dat gij hen des morgens
en des avonds riept, om met u op de kuieën
te bidden; — zij hebben gehoord, dat gij zooal
niet met minachting, dan toch lichtzinnig over
de wetten der kerk spraakt; zij hebben gezien,
hoe gij zonder gewetenswroeging die wetten
overtradt, hoe gij glimlachtet, als al eens in uw
— 127 —
-ocr page 138-
!^S#
4=S^sl
bijzijn gespot werd met God, met zijne recht-
vaardigheid, zijne voorzienigheid, inet wonderen,
met godvruchtige gebruiken.... en nu hebben
zij zich aan uw gezag onttrokken, zich vrij ge-
maakt van het volbrengen van plichten, die
hun te lastig waren, om___ slechts te kunnen
genieten!
Begin opnieuw samen te bidden.
Begin opnieuw uw huisgezin godsdienstig te
maken. Dat de gedachte aan God daar heersche,
en alles beheersche; weer er uit den geest der
wereld;
maak uwe woning tot een heiligdom,
waar gebeden wordt, waar men elkander onder-
richt in den godsdienst d.i. in den katechismus,
waar men stipt en nauwkeurig de wet van God
en der kerk onderhoudt, waar aangename ver-
poozing gezocht wordt in een genoegelijk samen-
zijn,
in het lezen der Bijbelsche geschiedenis,
van de Levens der Heiligen.
Dan, vader, zult gij geëerbiedigd; gij, moeder
geliefd; beiden gehoorzaamd
worden en, - - vrede,
vreugde
en eensgezindheid zullen heerschen in
den huiselijken kring.
— 128 —
-ocr page 139-
XXXVII.
Een zeker geneesmiddel tegen eene
vreeselijke ziekte.
Deze vreeselijke ziekte heet: lafheid.
Wie van ons heeft het niet ondervonden,
dat hij een oogcnblik van zedelijke verslapping
had,
dat inwendig de veerkracht losser werd,
waardoor we het tot dusver op de been hielden,
ons werkdadig en vaardig gevoelden.
Wie van ons, als hij voor een arbeid stond,
waarbij meer dan gewone vastberadenheid, zorg,
zelfverloochening noodig was, heeft al niet
eens die ons welkome en verleidende stemmen
gehoord, welke ons influisterden:
Gij kunt dat niet; \'t is te moeizaam !
Gij weet dat niet: \'t is te moeilijk!
Later, er is geen haast bij!
En waartoe dient het?
Pas op! Die stemmen zijn niet slechts ge-
luiden,
die, even gehoord, ophouden; het zijn
slechte inblazingen, die alles sloopen, waar zij
binnendringen: karaktervastheid, teergevoeligheid
van geweten, werkzaamheid van den geest
en
toewijding des harten .... langzamerhand houdt
dit alles op door de lafheid, terwijl nauwelijks
eenige spijt over het verlies daarvan overblijft.
GOUDKORRELS.                                                             Ö
____________________________________________________________________________________)l£J
— 129 —
-ocr page 140-
Wèl is lafheid dus eene verschrikkelijke
ziekte!
Zij knaagt aan hetgeen in ons het meest
goddelijks is : den wil, gelijk de druifluis knaagt
aan de wortel van den wijnstok en het sap
er uit zuigt; — en na korteren of langeren
tijd is de wil als \'t ware ontwricht.
Hij kan niet meer willen. — Want willen
is, zijn plicht onder \'t oog zien, dien met vast-
beradenheid beginnen en tot het einde toe vol-
brengen.
Hij kan geen weerstand meer bieden. — Want
weerstand bieden is, zich niet in zijn werk laten
weerhouden of ophouden door moeielijkheden,
— nog veel minder hierdoor, dat men niet
toegejuicht of ontzien wordt, of dat het werk
niet opschiet of geen goeden uitslag heeft.
Hij kan niet meer tegen-inwerken. — Tegen-in-
werken is: zich opheffen na een oogenblik van
te kort koming; dat is: zichzelf moed inspreken,
zich zelven overwinnen.
Lafheid laat maar loopen wat loopt; blijft
loom hij het nakomen van plichten, glimlacht
eens flanw en meesmuilt: ik kan niet.
*
* *
Wat op dit gezegde te antwoorden ?
Niets! — Maar begin dan toch te werken, al zou
een stroom bloeds uit al uwe poriën springen!
— 130 —
-ocr page 141-
En als ge meent, dat u de krachten ontbreken ;
als ge meent, dat ge verpletterd gaat worden
onder de u opgelegde taak; welnu, laf en weeke-
lijk mensch, stel o dan eens de volgende vraag, die
u misschiou wel wat bar zal voorkomen, maar
waarvan ge de noodzakelijkheid zult inzien,
als uwe lafheid ten minste niet ingekankerd is:
Als ik nu, — in plaats van die taak te
volbrengen, waaraan ik maar niet kan beginnen,
omdat de moeielijkheden mij zoo afschrikken,
— als ik nu binnen een kwartier onbarmhartig
moest gegeeseld worden ; zou ik dan hier vadsig
en werkeloos blijven?
Antwoord; en luister of ge niets hoort!
Waarom, mijn God, laat Gij nu en dan niet
eens aan onze ooren het klappen hooren der
koorden — der zweep, welke Gij in de hand had
om de koopers en verkoopers uit den tempel
te drijven?
O mijn oude meester, zeide een scheepskapitein
tot een matroos, als hij dezen na eene lauge
reis ontmoette, o, hoe moet ik u nog danken
voor de zweepslagen, die gij mij, nogscheeps-
jongen zijnde, gaaft, omdat ik te bang was
in den top van den mast te klimmen.
In de „Dinina Conredia" van Dante ontmoet
de dichter in de hel een groep veroordeelden,
— 131 —
-ocr page 142-
die vreeselijk gepijnigd werden, maar op wier
voorhoofden niet, gelijk bij de anderen, ge-
schreven stond, welke misdaden zij hadden
bedreven.
Meester, vroeg hij aan hem, die hem bege-
leidde: wat hebben deze toch gedaan, dat zij
zoo verschrikkelijk lijden?
Die, antwoordde de gids, terwijl hij hen
ter nauwernood met een blik verwaardigde, die
hebben niets goeds gedaan: het zijn lafaards!
Hoe droevig is het, en wat straffen bereiden
zij zich ter uitboeting van een laug leven van
plichtverzuim die niet het goede doen, die lui,
vadsig, werkeloos, laf daarhenen leven!
XXXVIII.
Eene goedkoope genezing.
I.
Dokter Frantz is een beminnelijk grijsaard,
zeer eenvoudig, zachtzinnig, vroolijk van uit-
zicht, op wiens gelaat een ondeugend glimlachje
speelt: werkelijk, een goede man.
Eens werd hij geroepen bij eene voorname
dame, die dood ging van___verveling Zij was
nog slechts 28 jaren oud, had een inkomen
van 25000 gulden: en bij dit alles lag eene
akelige bleekte over haar gelaat, was zij zoo
lusteloos, dat niets haar kou opbeuren.
— 132
-ocr page 143-
O, Dokter, riep zij uit, toen hij bij haar
kwam, al acht dagen wacht ik op n als op
mijn redder!
Als zoodanig kom ik ook: zeker, als redder!
en wèl als een redder, die u in den kortst
mogelijken tijd zal genezen.
Dan zal ik n eens zeggen, wat mij scheelt.
Dat heb ik al gezien, zeide de dokter, ter-
wijl hij een blik wierp op de tallooze overbodige
dingen, welke in hare kamer waren uitgestald.
— Laat mij maar doen! Ik begin altijd eerst
met het gemoed te behandelen : u zuiveren van
kwade luim, eene aderlating toedienen van eeno
hartstochtelijke neiging, de verveling verdrijven;
vervolgens geef ik eene sterke dosis : verandering
van levenswijze, goede Iniin, het derven van een
en ander, werken, en de liefdadigheid beoefenen.
Het Evangelie is mijn wetboek; en mijne
beginselen zijn: reinheid van ziel, geestes- en
handenarbeid;
De zieke dame zette groote oogen op en
trachtte te glimlachen alsof ze wilde zeggen:
gij houdt me voor den gek, dokter!
De dokter deed echter, alsof hij dat niet be-
greep, zette zich bij haar neer en vroeg: mag
ik u eens de geschiedenis eeuer zieke, die mij
is voorgekomen, mededeelen?
— 133 —
-ocr page 144-
II.
Gij kent Mevrouw A..., misschien de ge-
lukkigste, en ik mag zeggen, zeker de gezondste
vrouw uwer kennissen.
\'t Is nu tien jaren geleden, dat zij een
allerliefst meisje van 17 jaren was, omringd van
de zorgen haars vaders en van al wat weelde
bieden kan.
Langzamerhand werd zij bleek, treurig, kwij-
nend, en de ter hnlpe geroepen geneesheeren
kwamen tot het besluit, dat zij zenuwachtig was.
De vader ontbood mij, en bezwoer me, toch
zijne dochter te genezen. Hij bracht me in een
keurig gemeubileerd kamertje, wit-mousseline
behangen, hetgeen alles bood, wat eene jonge
dame maar uitdenken of droomen kan.
Diïar lag het arm kind neer op een kanapee,
bleek als een marineren beeld, de oogen half
gesloten, het hoofd achterover, ongevoelig en
onverschillig voor alles, zelfs voor het lente-
koeltje, den vroolijken zonnestraal, die haar
door het half-geopende venster tegenlachte.
Zij stak mij de hand toe, en ik werd door
medelijden bewogen, als ik zag hoe dat kind
van 17 jaren, zoo gelukkig, zoo rijk, zoo ge-
liefd, zoo maar moest sterven.
— 134 —
-ocr page 145-
III.
Ik begreep hare kwaal. — Ja, Mevrouw,
dit duifje zou iu zijn gouden kooitje gestorven
zijn, omdat het te gelukkig was. Het ontbrak
hare ziel aan voedsel, haren geest aan strijd.
Zij ging dood, omdat zij geen hinderpaal te
overkomen,
— omdat zij niet te werken had.
Zij teerde uit, omdat zij voelde tot niets te die-
nen, en omdat zij zich aan niets kon wijden.
Dit is het geval met alle edele zielen.
Gewone menschen geven zich aan zinnelijk-
heid of zelfzucht over___ die lijden niet.
Mejuffrouw, sprak ik haar aan, kunt ge u
niet inderhaast iu dier voege kleeden, dat gij
overal kunt komen.
Maar, Mijnheer, waarom dat? Om met mij
uit te gaan. — Met u? Waar naar toe?
Dat is mijn geheim!
De nieuwsgierigheid deed haar al opleven.
Om haar te doen besluiten, zeide ik haar
zachtjes: het leven van uw vader is er mee
gemoeid! Eu ik ging de kamer uit, haar vader
met mij nemend, die mij met groote oogen
aanzag. — Maar zeg eens___
Neen, antwoordde ik, — maar als ik uwe
dochter zal genezen, dan moet ik alle morgen
twee uren over haar kunnen beschikken.
Dat zal ze niet willen, ze wil niet eens
gaan wandelen.....
— 135 —
-ocr page 146-
4w?fe^.___________________________________________________________»—^)H
Daar is zo___en daarmede hebt ge antwoord.
Waarlijk, daar stond Jenny voor ons: zij
zag er bekoorlijk uit.
Wij stegen in een rijtuig en ik voerde haar
mee naar mijne arme zieken.
IV.
Ik verzeker u, dat het edele kind daar iets
vond, wat hare belangstelling gaande maakte,
haar ontroerde en deed leven; o, ik had wel
juist in haar hart gezien.
Dij het eerste huis moest ik haar ondersteu-
nen om op de vijfde verdiepiug te komen; bij
een ander huis klom ze al alleen naar een
zolderkamer, en elders was ze mij al vooruit.
Hare wangen hadden eene kleur, zooals er
in langen tijd niet meer op te zien was ge-
weest; als de kleine kinderen haar de hand
kusten, of de arme moeders haar een hartelijk
„danige" toevoegden, dan weende zij van ge-
luk. Ik zag, hoe hare ziel zich verruimde.
V.
De tijd was voorbij: laten wij nu huis-
waarts keeren, — zeide ik. — Xu al, vroeg
zij. Maar dan toch tot morgen, nietwaar Mijn-
heer? Zeker, jonge juffrouw, tot morgen!
Den avond bracht zij door met wat linnen te
4W-
136 —
-ocr page 147-
#g^aï
zoeken, dat zij kou weggeven — en bij het
diner weende haar vader van vreugde, als hij
haar aanzag: nog nimmer zag hij haar zóó
frisch en vergenoegd.
Het goede en brave kiud had begrepen, dat
ze nuttig kon zijn: Zij was ingenomen met
goed-doen: zij was genezen, liefdadigheid en
bezigheid hadden haar doen opleven.
VI.
De dokter zweeg. — De jonge zieke reikte
glimlachend hem de hand: Ik heb w begrepen;
kom me morgen halen!
XXXIX.
Vrede houden.
Wilt gij met de heele wereld in vrede leven,
doe dan zooals, en hetgeen ten tijde der fransche
Omwenteling een aanzienlijk persoon deed. -
Deze, ondervraagd hoe hij aau zijne vervolgers
en aan de beulen had kunneu ontsnappen, ant-
woordde: ik hield me klein en zweeg.
Wilt ge vrede houden met uv/ohuixgenooten,
vooral met hen die eenigzins boven u staan?
-ocr page 148-
*(C^5_________________________________________b^ü*1
Gebruik dan de volgende middelen, door eene
godsdienstige vrouw, die met een lastig mensch
moest. samenwonen, aangegeven :
1.     Ik volbreng mijne taak en plicht al
glimlachende, zonder ooit mijn weerzin te laten
merken;
2.     Ik doe al wat zij gaarne heeft;
3.    Ik ondersta geduldig wat mij niet bevalt;
4.     Ik vraag haar raad in vele dingen, die
ik beter ken dan zij.
Wilt gij in vrede zijn met God en uw ge-
weten
? Dat dan uw Engelbewaarder u altijd
bezig vinde met eene dezer vier zaken, die
de dagorde uitmaakten eener brave ziel: Ik
bid, werk, tracht nuttig te zijn, en ik bewaar
mijn geduld.
Om een groot Heilige te worden, behoeft ge
bij het boven aangegevene slechts het volgende
te voegen: orde, geest van geloof, strijd en
vastberadenheid.
Wilt ge altijd en overal welwillenheid vinden ?
Stel er vermaak in, kleine dienstjes te bewijzen
— 138 —
-ocr page 149-
en ook te vragen. Door kleine dienstjes te be-
wijzen,
hebt ge uw best gedaan om een vriend
meer te hebbeu; en als ge hem ook kleine
dienstjes vraagt, zal hij zich gestreeld gevoelen
door dit uw teeken van vertrouwen, dat ge in
hem stelt. — Uit dit ruilen van dienstjes zal
de gewoonte van wederzijdsche welwillenheid
en voorkomendheid ontstaan, alsmede de vrees,
van niet elkander ter wille te zijn in belang-
rijke zaken.
XL.
Een lesje.
Ik weet niet, verhaalde een arme drommel,
ik weet niet, wie me eens zeide: Jan-Baptist,
ge zijt wel arm! —
Dat is waar. — Als ge eens ziek werd,
waart ge met vrouw en kinderen zonder middelen.
Dat is zoo. — En den geheelen dag was
ik bekommerd en ongerust.
Des avonds bij het luiden van de „Engel
des Heeren"
begon ik weer er over na te
denken en werd wijzer.
Jan-Baptist, zei ik tot mij-zelven, gij zijt
nu al 40 jaar op de wereld: ge hebt nooit
iets gehad en toch geleefd; eiken dag vondt
ge voedsel en eiken nacht rust.
— 139 —
-ocr page 150-
Van tegenspoed heeft God u nooit meer dan
uw part gegeven; en wat hulp betreft, het
heeft u nooit aan het noodzakelijke ontbroken...
en wie heeft u dat alles gegeven?
Natuurlijk: God!
Jan Baptist, wees dan ook niet ondank-
baar, ban alle koranier. Want hoe kunt ge er
toch op komen, om te meenen dat, als ge oud
geworden zult zijn, als ge meer noodig zult
hebben, dat dan Hij de hand dicht zal houden,
van Wien ge al zoo veel ontvaugen hebt?
Ik bad den „Kugel des Heeren", eu \'t was
voor altijd gedaan niet zorgen!
XLI.
Moeder en Dochter.
Welken indruk een wereldsch feest maakt
op het hart van een jong-meisje, weet ik niet; —
en wat het daar achterlaat, evenmin.
Maar één ding is opvallend. Van den eersten
keer af, dat zij die hebben bijgewoond, heeft
ook de argelooste onder haar, de onschuldigste,
de reinste, de meest oprechte geheimen voor hen
en haar, voor wie haar hart eertijds als open lag.
Moeder ging het hart harer dochter binnen,
als dat van zich zelve: het was eene altijd
opene kamer. En nu moet zij eerst aankloppen;
en als er open gedaan wordt, mag zij toch
— 140 —
-ocr page 151-
t^"j>^
«ös^
niet meer a^es zien... en men kan zoo merken:
<?/;\' 6Z///Ï wel irat lang!
Maar wat is er van die wereldsche vermake-
lijkheden daar dan toch achtergebleven ?
Arm kind, arme moeder!
En nn die twee zielen voor elkander iets
geheim te houden
hebben, terwijl ze voor elkan-
der open moesten liggen; nu heeft de dochter
hare argeloosheid, en de moeder hare blijheid
verloren.
God heeft aan moeders een scherpen blik
gegeven, opdat zij hare kinderen voor bederf
zouden behoeden.
Laat dan, kinderen, dien blik bij u door-
dringen, als ge iets ontwaart, wat u tot dusver
onbekend was ; — \'t is een zachte, welwillende
en weldoende blik, voor geen schijn vervaard; —
wees dus gerust, dat hij u uw geluk niet zal
ontnemen.
XLII.
De Engeltjes van den huiselijken kring1.
1.
TOEGEVENDHEID.
Een liefelijke Engel in het huisgezin is zij,
die ik daar noem; geen, die er zooveel aan
— 141 —
-ocr page 152-
bijbrengt, om den huiselijken kring aangenaam
en dierbaar te maken.
Doch ik wilde niet den lof der toegevelijkheid
bezingen, maar hare raadgevingen doen hooren.
Toegevendheid is meer dan goedheid; gene
veronderstelt deze; — doch toegevendheid sluit in
zich een vast karakter, komt voort uit sterke
toegenegenheid: en slechts eene reine, schulde-
looze ziel zal toegevend zijn.
Zij die geen liefderijk hart hebben, begrijpen
niet eens den zin van het woord : toegevelijkheid.;
Zij, die weinig oordeel bezitten, meenen, dat
zij aan hun plicht te kort komen, als zij toe-
gevend
zijn.
En zij, die het met hun eigen geweten niet
best stellen, zij zijn gewoonlijk veeleischend en
streng.
Niets toegeven aan anderen is vaak een be-
wijs, dat men veel toegeeft en door de vingers
ziet voor zich zelven.
Toegevend zijn is heel wat meer dan: ver-
geven ;
— het is: verontschuldigen ; — het is :
alles ten goede uitleggen; — het is: toonen,
dat deze of gene manier van doen ons niet ge-
— 142 —
-ocr page 153-
hinderd heeft, of men dat ze niet kwalijk heeft
genomen.
Toegevelijk-zijn is zeggen van dezen of genen
die ons heeft aanstoot gegeven: hij dacht er
niet aan, of hij zou het niet gedaan hebben,
—
hij houdt te veel van me, om me last te ver-
oorzaken,
— hij heeft het zeker niet anders
kunnen doen, en wellicht lijdt hij bij de gedachte,
mij mishaagd te hebben.
—
Geen zachter balsem voor hartewonden dan
de verschooning, welke wij voor anderen uit-
denken.
Toegeeflijk zijn bestaat, in alle avonden een
streep te halen door alle moeielijkheden, welke
men des daags onderstaan heeft; en in eiken
morgen tot zich zelven te zeggen: ik zal van-
daag lijdzamer en bedaarder blijven dan gister.
Toegevendheid gaat zoover, dat men zich
zelven beschuldigt,
niet goedig genoeg, liefelijk
en inschikkelijk geweest te zijn.
Toegeeflijk zijn bestaat dus hierin, dat men
niet slechts de verontschuldigingen aanneemt,
welke men ons aanbiedt; maar hen zelfs vóór-
komt, die uit bedeesdheid talmen om verschoo-
ning te vragen.
* *
Moet men dan nooit straf geven?
Zeker— door meer te beminnen!
— 143 —
-ocr page 154-
Het strafwetboek van het huisgezin moest
bijna geen enkel ander artikel bevatten als dit:
liefhebben.
Gij gelooft dus nooit dat ik ondeugend ben,
zeide een jongeling tot zijne zuster, die hij
dikwijls lastig viel door zijne deugnieterijen,
en die toch immer hem verschoonde.
Neen, antwoordde zij, zoolang gij veel van
mij houdt, geloof ik niet, dat gij het doet om
mij te plagen.
Niets onderhoudt zoozeer de genegenheid voor
elkander als do toegeeflijkheid, waarmede men
iemand behandelt; en als de genegenheid maar
stand houdt, dan zal men eindelijk er wel in
slagen, om zoo iemand op den goeden weg te
krijgen.
Als men nog jong is, weet men dikwijls niet
toegeeflijk te zijn, omdat men de menschelijke
gebreken en zwakheden nog niet kent.
O als ge wist, wat strijd er omgaat in het
hart van dien vriend, die u hinderlijk is door
zijn levendig karakter, die u knorrig maakt
door zijne lichtzinnigheid, die u ergert door
zijne gebreken.... O, als ge wist, hoe hij dat
— 144 —
-ocr page 155-
betreurt, hoe hij boos op zich zelven wordt, en
wèl om uwentwil; hoe zoudt ge veeleer mede-
lijden met hem hebben!
Houd veel van hem! verontschuldig hem!
maar laat hem niet bemerken, dat gij zijne
zwakheden kent.
Iemand laten gelooven, dat hij goed is, is
hem helpen om, zijns ondanks, goed te worden.
XLIII.
Des dichters zonde.
Zoo lang reeds zuchtte eene ziel in de duis-
t er nissen, in do vlammen des Vagevuurs.
En als haar Engelbewaarder nu en dan af-
daalde in haren kerker, en haar hiermede
trachtte te troosten, dat op aarde voor haar
gebeden werd door eenige goede vrienden; —
dan vroeg zij immer:
Zal ik nog lang moeten boeten?
Het was de ziel van iemand, die immer
gedweept had met — en gestreefd naar al
wat schoon, grootsch, goed en waar was; maar
die op zekeren dag voor tijdverdrijf en zonder
er erg in te hebben, in eenige bladzijden een
min of meer zinnelijk tooneeltje had bezongen,
zonder nog te bedenken, dat die bladzijde aan-
. stoot kon geven aan teedere, schuldelooze harten.
/            GOUDKORRELS.                                                           10
hSp^5                                                                                              • ~^sa "ir
- 145 —
-ocr page 156-
^g^.______________________________________________.-^g)4j
En zoo lang, zoo ontzettend lang was zij
reeds daar, om te lijden, ter uitboeting dier
bladzijden.
Ga met mij mede, gaf haar de Engel ten
antwoord op hare vraag.
Eensklaps voelde zij zich in de plooien van
een langen witten mantel gehuld, en ver-
plaatst te midden eener groote stad in de
nederige kamer van een werkman.
Bij eene wieg, waarin een kindje lag te
slapen, zat een jong meisje te bladeren in een
boek, dat haar vader had meegebracht, en dat
zij zoo even in de hand had genomen. —
De Engel gaf aan de ziel een teeken om
dichter bij te komen, en de dichter herkende
met ontzetting een zijner werken, eene verza-
meling van gedichten,
waarin eenige bladzijden
voorkwamen, welke een jong meisje niet moest
lezen. — Dat begreep hij nu.
Ach, zeide hij tot zijn Engelbewaarder, konde
ik haar doen ophouden!
Neen, sprak deze, dat moogt gij niet; zij is vrij.
De dichter zag droevig toe, en wachtte
angstig af wat gebeuren zou.
- 146 —
-ocr page 157-
w^g>#
Ofc^
* *
Het jonge meisje las eenige verseii; dan
vloog plotselings een blos over hare wangen
en zij sloeg het boek dicht.
Zij ging het neerleggen op de tafel, waar
zij het genomen had, toen zij eensklaps, als
\'t ware door eene onzichtbare macht gedrongen,
het boek weer opende. Nu verwijderde zij zich
eenigzins van de wieg, die haar zou behoed
hebben, ging bij het venster zitten, las eerst
met eenige wijfeling, dan met belangstelling,
eindelijk met hartstocht.
En wat de lezing van die bladzijden uit-
werkte in die reine en onschuldige ziel, dat
zag de dichter nu weerspiegelen op de ver-
standige en bewegelijke gelaatstrekken van
het meisje.
Haar eerst zoo kalme en open blik kreeg
iets droefgeestigs, dan kwam er eene vreemde
flikkering in die oogen, vervolgens vestigden
zij zich strak ergens op als om iets te zien.
En als ze ophield met lezen, liet ze het boek
zacht op haren schoot glijden en begon te
mijmeren.
Arm kind, arme ziel!
Ze zag nog wel niet iets bepaald-slechts;
het waren onbestemde voorstellingen, die hare
verbeelding voorbijtrokken, maar die haar toch
- 147 —
-ocr page 158-
deden ontstellen, hare rust benamen, haar als
met een duisteren nacht omhulden; — haar,
die immer zoo vredig, zoo ongestoord, zoo op-
geruimd en helder van geest was.
De rampzalige dichter zag nu, in al zijn
omvang, het kwaad, dat hij had gesticht:
en zich tot zijn Bewaarengel wendend, riep
hij uit: ach, ik meende niet zoo schuldig te
zijn; maar nu begrijp ik hoe rechtvaardig ik
lijd en boet!
En toch, vervolgde hij weenend, en toch, mijn
God, ik had geen kwaad bedoeld : — barmhar-
tigheid, heb medelijden met die onschuldige ziel!
Wees getroost, schuldige ziel, hernam de
Engel; — omdat gij te goedertrouw en niet
met slechte bedoelingen gehandeld hebt, zal
God in Zijne goedheid niet toelaten, dat de
duivel het kwaad doe, wat hij door uw toe-
doen kon, en gaarne wilde doen. - Zie slechts !
En hij zag het jonge meisje zich nederwer-
pen voor een beeld der H. Maagd, de handen
gevouwen, de oogen vol tranen; en hij hoorde
haar vergeving vragen, dat zij een oogenblik
aan zondige niewsgierigheid had toegegeven.
Dan aanschouwde hij, hoe een zacht, vredig
licht zich over het gelaat van het kind ver-
spreidde en afdaalde tot in haar hart.
Hoe goed is God! glimlachte hij zijn Engel
tegen : Hij hondt haar terug van het kwaad, dat
ik aangericht zou hebben.
i
— 148 —
-ocr page 159-
f
Ja, God is goed! hernam de Engel. "\\\\ an-
neer nog eenige lezers uwer werken den palm
der overwinning behalen over de bekoringeu,
door die lectuur verwekt, gelijk gij bij dit
meisje zaagt; — dan zullen u uwe onbezonnen-
lieden vergeven worden, zal uwe boetedoening
een einde nemen.
Het zijn onnoozele onbezonnenheden, licht-
zinniglieden in woorden, — in houding, — •
in eenige bladzijden schrift, — in glim-
lach, — in blik, — in platen of schilde-
rijen, die den wand versieren, — in het ver-
zuim van een boek toe te slaan, dat iets
ziunolijks bevat___
Wij zien dat alles aan als kleinigheden. — •
Zeker, op zichzelve beschouwd zijn die licht-
zinnigheden nietige dingen: maar in de hand
des duivels zijn zij eene ontzettende macht ten
kwade.
Maar door die nietigheid werd dau toch de
nieuwsgierigheid geprikkeld, het verlangen, om
te zien, te weten, te voelen opgewekt; —
maar het blijft niet bij die nieuwsgierigheid,
dat verlangen; — zij gaan verder!
Was het niet JJossuet, die zeide:
Meer dan ééne ziel kreeg de duivel in zijne
macht door het zinnelijk-gei(ren eener bloem.
— 149 —
-ocr page 160-
i^§*
XLIV.
Pas op voor den eersten stap!
Deze regelen richten wij bijzonder tot u,
jongelieden, die u in de wereld gaat begeven,
en daarom het ouderlijk huis, de kostschool moet
verlaten, waar vrede, wetenschap en liefderijke
zorg de schutsengelen uwer onschuld waren.
Misschien zult ge nog niet alles begrijpen,
wat deze bladzijden bevatten, wat de ongeluk-
kige schrijver er van, de Lamenais, heeft willen
zeggen toen hij hierin den toestand zijner eigene
ziel beschreef.
Des te beter!... . Maar dat ze u ten tijde
van gevaar en verleiding te binnen brengen
het gevoel van vrees, dat bij u gewekt zal wor-
den door het lezen dezer regelen ; en dat de
herinnering aan de vrees krachtig genoeg zij,
in uw binnenste de ernstige waarschuwing te
doen weerklinken : pas op voor den eersten stap!
Het was uitermate warm: — een man be-
speurde ouder tegen de helling van een heuvel
een wijngaard, met heerlijke druiventrosen be-
laden : — de man had dorst en hij wenschte
vurig zijn dorst met die druiven te lesschen.
Maar tusschen hem en den wijngaard lag een
stinkend moenis, dat hij moest doorwaden om
den heuvel te bereiken ; en daartoe kon hij maar
— 150 —
-ocr page 161-
.^g*
niet besluiten. Intusschen werd zijn dorst heviger
en hij zeide hij zich zelf: misschien is het
moeras zoo diep niet; waarom zou ik het niet
eens beproeven, gelijk zoo vele anderen ? —
ik zal hoogstens mijne voeten wat vuil maken,
en dat is dan toch zoo erg niet. Hij zet dan
den voet in het slijk, dat daaronder uitwijkt,
en weldra zit hij er tot de knieën in. Hij blijft
staan, hij wijfelt: hij vraagt zich af, of het
maar niet beter was terug te gaan? Maar de
wijngaard met zijne heerlijke druiven ligt daar
voor hem, en hij gevoelt al erger dorst.
Ik ben al zóóver, zegt hij, waarom terug-
gaan, alle moeiten zou verloren zijn? Of
er nu al een beetje meer of minder slijk is
maakt me al heel weinig. En bij het eerste het
beste stroompje, kan ik het afwasschen.
Dit gaf den doorslag: hij gaat verder, ver-
der, raakt al dieper in het slijk: tot de borst—
tot den hals.... tot de lippen; .... het gaat
hem over het hoofd heen. Bijna smorend, buiten
adem doet hij nog een laatste poging en is
aan den voet van den heuvel.
Geheel bedekt met, en druipend van zwarten
modder, plukt hij de zoo begeerde vrucht: hij
eet zooveel hij kan.
Daarna echter wordt hij wrevelig, schaamt
zich over zijne kleeding; — hij doet ze uit
en zoekt overal rond naar helder water, om
ze schoon te maken.
— 151 —
-ocr page 162-
Maar wat hij ook wascht, de reuk blijft er
bij; .... de geur van liet moeras heeft zijn
vleesch en gebeente doortrokken; onophoudelijk
wasemt hij die uit en verpest de lucht rondom
hein : hetzij hij bij menschen komt of van hen
weggaat; elk vlucht, vermijdt hem.
Hij is als een kruipdier geworden;... •— hij
moet er dan maar onder leven !
Heeft het lezen hiervan geen treurigen indruk
op u gemaakt; — heeft dit tafereeltje in uwe
ziel geen gevoel van walging gewekt?
Ja ?!
Welaan dan, gij ziel, door God en uwe ouders
zoozeer geliefd; pas op voor den eersten stap!
Zeg niet: ik zal niet verder gaan.
Noch ook: ik zal me schoon maken.
Minder nog : ik zal me weer naar boven werken.
Want er zijn hellingen, waarop menniet staande
kan blijven; — er is een slijk, dat men niet
kan afwasschen; — er zijn afgronden, waaruit
men niet kan opstijgen!
*
* *
Gij alleen, o God, zoudt de hand kunnen
toereiken aan „die arme Ziel en haar opheffen.
• 0-&-0 .
— 152 —
-ocr page 163-
ERRATUM.
Blz.
staat:
moet zijn :
3.
dwaze.....
dwazen.
5.
achttien ....
acht tot tien.
7.
\'t voorbij ....
\'t is voorbij.
17.
te laten ....
laten.
18.
hoedanigheid.
hoedanigheden.
18.
toe te spreken ?.
.
30.
eendrachttig .
eendrachtig
41.
gedachteu.
gedachte
43.
volbrengen
volbrenge.
43.
hondend ....
houden.
45.
lentenkoelte .
lentekoelte.
48.
zonder moeite en .
zonder moeite at
53.
Apostelen ....
. Apostel.
«5.
Kleinen insecten.
. Kleine insecten.
87.
aller aaustekends .
alleraanstekends.
104.
abbonneer. . . .
abonneer.
117.
voorwensels .
voorwendsels.
131.
in de hand had
in de hand hadt.
150.
druiventrosen . . .
druiventrossen.