-ocr page 1-
\\üiiiiiii»iiimj)fi
-ocr page 2-
w\\ w\\ ) 3TM
-ocr page 3-
f. fr. Mi, HUtö8fciv
IfcUWE-HïDOW
-ocr page 4-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000014802866B
1480 2866
-ocr page 5-
z^^/<^
TALMAGE\'S PREEKEN
VOOR ONZEN TIJD.
-®-
EERSTE JAARGANG.
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
COLll JH0MAA9SE
DOETINCHEM. — W. H. ZURTCH.
-ocr page 6-
i
- *■
-ocr page 7-
r
11T H O TJ D.
Bladz.
I. Onze Bijbel........................................ 1
II. Groote Dadcu....................................... 17
III.    Geeft het wat?..................................... 37
IV.    Slecht Gezelschap.................................... 53
V. Waartoe zijt gij geschapen ?........................... 6!)
A\'I. Zelfmoord.......................................... 85
All. Het Zegel......................................... 103
VIII. YcL\'genocgiug....................................... 115
IX. De Schoonste der Sehoonen........................... 129
X. Komt!............................................ 149
XI. Sikkel en Schoven.................................. 107
XII.- Op Straat.......................................... 183
XIII. Waar is .Moeder?................................... 197
XIV. Bruiloft........................................... 213
XV. Onze Tranen....................................... 227
XVI. In \'t Groen........................................ 241
XVII. Martelaars van Dag tot Dag.......................... 257
XVIII. Het leven een School............................... 273
XIX. Een Korf met Zoinervruchten......................... 291
XX. Liefdcvleugclen....................................... 305
XXI. Het Machtigste Wapen............................... 319
XXII. Gods Tuin......................................... 335
XXIII.    Koopers en Verkoopcrs............................... 349
XXIV.    De Keddende Blik................................... 371
XXV. Getuigen........................................... 387
XXVI. Keuzeulokkeu...................................... 403
XXVII. Een AVcgwerpclijk Kleed............................. 423
XXVIII. De Kroon des Levens................................ 439
XXIX. De Arm des Heeren ontbloot.......................... 455
-
-ocr page 8-
ixnorn.
XXX. Kleinigheden....................................... 471
XXXI. Gein Zorgen meer!.................................. 487
XXX]I. Eeuwig Leven...................................... 501
XXXIII.     Daviil en Mefiboseth................................ 515
XXXIV.     Eeu Ouderwetsche Moeder........................... 527
XXXV. O]) het Levenstooneel................................ 541
XXXVI. Geld.............................................. 555
XXXVII. Sningnrs Ossenstok................................... 573
XXXV111. Door God getroost................................... 587
XXXIX. In en om Nazareth.................................. 003
XL. Geloofsversterking................................... 627
XI.I. Op den Dorachvloer................................. fi45
XL11. Vrouwenwerk en Vrouwenloon........................ 661
XLI1I. Silo...............................................075
XL1V. Spreekl............................................ 689
XLV. Kleine Moeilijkheden................................ 705
XLV1. Goddelijk Schrift....................................721
XLVI1. Naar Bethlehem.................................... 737
XLVI1I. Der Jaren Loop....................;............... 757
XL1X. In den Sneeuwtijd.................................. 773
L. Onze Losprijs...................................... 787
LI. Kookpilnren........................................ 79!)
L] 1. Steenen zouder Stroo................................ 81]
- • -—=-ï-SÜÜA;ï£2=——
-ocr page 9-
ONZE BIJBEL.
fïuil zij waarachtig, maaralleïucusch
leugenachtig.
ROMF.FNKN III : 4.
„De Bijbel moet herzien worden," durven som-
migen op en buiten den kansel beweren. Het be-
hoeft ons volstrekt niet te verwonderen, dat de
wereld de Heilige Schrift aanvalt; maar het is wèl
verbazend, Christelijke predikanten te vinden, die
aan dit in den Bijbel tornen, en dat in den Bijbel
loochenen, totdat tal van goede zielen in twijfel en
onzekerheid verkeeren omtrent de gedeelten van
den Bijbel die zij moeten gelooven, en de gedeelten
die zij behooren te verwerpen.
De snoodheid van die predikanten, die in dezen
tijd den Bijbel over den hekel halen, is zoo klaar
als de dag. In onze dagen wordt de Bijbel bestookt
met lafhartige spotternijen, met verdraaide voorstel-
lingen, door ongeloovige mannen van wetenschap,
door al de ondeugden der aarde en al het venijn
der hellewereld; en juist in dezen veelbewogen tijd
zien wij, dat predikers van het Evangelie zich ge-
zamenlijk opmaken om een vijandige critiek te oefe-
nen op het Woord van God!
-ocr page 10-
2
Ach! het doet mij denken aan een stoomschip in
een najaarsstorm: als de golven heenslaan over den
top van den grooten schoorsteen, en de scheepslui-
ken zijn vastgesjord, en menigeen het vergaan en
het zinken der stoomboot voorspelt, — verbeeldt
u, dat er dan juist op dat oogenblik eenigen van
het scheepsvolk, met bijlen en zagen in de hand ,
naar beneden gaan in het ruim van het schip, en
daar dan eenige planken trachten weg te zagen,
en enkele rondhouten los te breken, omdat het
hout, volgens hun gevoelen, niet uit het rechte
bosch afkomstig is! Het schijnt mij geene aanbe-
velenswaardige bezigheid voor de bemanning van
een schip toe, als zij de daar buiten woedende
stormen hier binnen gaat helpen met bijlen en zagen.
Welnu, dit oude Evangelie-schip, met het brullen
en bulderen van de aarde en de hel rondom zijn
voor- en achtersteven, en met muiters op het dek,
heeft een buitengewoon ruwe reis; maar ik heb
opgemerkt, dat er nog geen der rondhouten van zijne
plaats is verwrongen, en de Kapitein heeft gezegd,
dat Hij er wel een oog op zal houden. Het stoomschip
zal tegen den storm bestand blijken, — maar geen ver-
trouwen in hen, die op het dek aan \'t muiten slaan!
Wanneer ik mannen van Christelijke belijdenis in
dezen veelbewogen tijd de Heilige Schrift over den
hekel zie halen, doet mij dat denken aan een ves-
ting, die vreeselijk gebombardeerd wordt, terwijl
de soldaten op de wallen, in plaats van heen te
snellen en de kanonnen te gaan laden, en den be -
noodigden voorraad kruit en lood uit het ammunitie-
-ocr page 11-
3
magazijn te helpen halen, — met houweelen in de
handhun best doen om hier en daar wat steenblokken
uit den muur te halen, omdat die, volgens hunne
meening, niet uit de rechte groeve afkomstig zijn.
O, mannen op de wallen! gij deedt beter met al
strijdend den gemeenschappelijken vijand af te slaan,
en hen al vechtend neer te vellen, in plaats van
uw best te doen om bressen in den muur te maken !
Er staat niets in den Bijbel, dat mij aan \'t twij-
felen brengt. Er staan vele dingen in , die ik niet
begrijp, die ik niet beweer te begrijpen, en hier
in deze wereld nooit begrijpen zal. Maar dat zou
dan toch ook wel een zeer nietige God zijn, die
volkomen begrepen kon worden door den mensche-
lijken geest! Dat zou al een zeer kleine Oneindige
zijn, die afgemeten kon worden door het eindige!
Gij moogt niet verwachten, de bliksemstralen en
donderslagen van den Almachtige op een apothekers
balans te kunnen wegen. Uitgaande van het denk-
beeld, dat God alles doen kan, en dat Hij bestond
in den beginne, en dat Hij op dit oogenblik nog
bestaat, — is er niets in de Heilige Schrift, dat
twijfel of onzekerheid in mijn hart kan wekken. Hier
sta ik, niet als een versteend voorwerp uit lang ver-
vlogen eeuwen , opgedolven uit een van de vroegste
lagen der aardkorst, afgevallen van het rek met zeld-
zaamheden van een oudheidkenner, — maar hier sta
ik, in het laatste gedeelte van onze roemruchte
negentiende eeuw, als een man die in den geheelen
Bijbel gelooft, van regel tot regel, van woord tot
woord, van a tot z!
-ocr page 12-
4
Ik ben een tegenstander van de herziening der
Heilige Schrift, en wel in de allereerste plaats: om-
dat de Bijbel in zijn tegenwoordigen vorm
op zoo wonderbare wijzeis bewaard geble-
ven. Vijftienhonderd jaren nadat Herodotus, de oud-
ste Grieksche geschiedschrijver, die vijf eeuwen vóór
Jezus\' geboorte leefde, zijne historiën te boek stel-
de, was er nog slechts één exemplaar in afschrift
van overgebleven. Twaalfhonderd jaren nadat de
beroemde Grieksche wijsgeer Plato (400 vóór Chr)
zijn boek schreef, was er nog slechts één exemplaar
in afschrift van overgebleven. God droeg zóó groote
zorg om ons den Bijbel in den volkomen zuiveren
vorm te doen bezitten, dat wij zelfs nu nog een
vijftigtal afschriften van het Nieuwe Testament heb-
ben , die wel duizend jaar oud zijn, en sommigen
er van zijn zelfs vijftienhonderd jaar oud. Dit Boek
werd overgebracht uit den tijd van Christus, of kort
na den tijd van Christus, door de handen van zulke
mannen als de kerkvaders Origenes in de tweede
eeuw en Tertullianus in de derde eeuw, en door
mannen uit verschillende eeuwen, die de belijdenis
hunner beginselen met hunnen dood bezegeld heb-
ben. De drie beste exemplaren van het Nieuwe Tes-
tament in manuscript zijn in het bezit van de drie
groote Kerken: de Protestantsche Kerk van Enge-
land , de Grieksche Kerk van St. Petersburg, en de
Roomsch-Katholieke Kerk van Italië.
Het is een vaststaand geschiedkundig feit, dat de
Duitsche godgeleerde Tischendorf zich in het jaar
1859 naar een klooster op het schiereiland Sinaï be-
-ocr page 13-
5
gaf, en daar met touwen over den muur in het
klooster werd getrokken, wat daar de éénige gele-
genheid tot toegang was, — en dat hij daar in de
mand met prullen, waarmede het vuur werd aan-
gemaakt, het oudste Grieksche handschrift van den
Bijbel zag liggen. Nog dien eigen nacht schreef hij
allerlei gedeelten uit den Bijbel over; maar niet voor-
dat hij vijftien jaren van zijn leven had doorgebracht
met ernstige studiën en nasporingen, en het besteden
van veel geld en goede woorden voor zijn doel,
werd dat exemplaar der Heilige Schrift ter hand
gesteld aan den Keizer van Rusland, — dat
ééne exemplaar, dat op zoo wonderbare wijze be-
waard was gebleven! Weet gij niet, dat het regis-
ter van de boeken des Ouden en des Nieuwen Tes-
taments, zooals wij het nu bezitten, hetzelfde regis-
ter is, dat van eeuw tot eeuw heeft voortbestaan ?
Negen en dertig boeken van het Oude Testament
duizende jaren geleden. Negen en dertig nu. Zeven
en twintig boeken van het Nieuwe Testament zes-
tien honderd jaren geleden. Zeven en twintig boeken
van het Nieuwe Testament nu. Zekere Marcion werd,
om zijne goddeloosheid, in de tweede eeuw uit de
Kerk gebannen, en in zijn aanval op den Bijbel en
het Christendom geeft hij terloops een opsomming
van de boeken des Bijbels, en . . . die lijst stemt
volkomen en nauwkeurig met de in ons bezit zijnde
overeen, — een getuigenis dus, dat ons gegeven
is door den vijand van den Bijbel en den vijand van
het Christendom. Het register van nu luidt evenzoo
als het register van toen. Aangevallen en bespuwd
-ocr page 14-
6
en aan stukken gescheurd en verbrand, — en tóch
bijeengebleven! Het boek tot op den huidigen dag,
in driehonderd talen, sprekende tot vier vijfden van
het menschelijk geslacht in hunne eigene «aal. Vier-
honderd millioen exemplaren er van in omloop.
Ziet er dat niet uit, alsof dit Boek eene goddelijke
bescherming had genoten, alsof God zelf het door
alle eeuwen heen behoed had ?
Is het niet een genoegzaam duidelijk argument voor
eiken eerlijken man en elke eerlijke vrouw, dat een
Boek met goddelijke bescherming — en in dezen
vorm beschermd — juist den vorm heeft, dien
God er noodig voor acht? Deze vorm behaagt
God, en behoort ook ons te behagen. De wisse-
lingen des tijds, die duizenden andere boeken in
het graf der vergetelheid hebben geslingerd, heb-
ben den roem van dit Boek slechts te grooter en
te schitterender doen worden. Op de duizend boeken
is er niet één, dat vijftig jaren in \'t leven blijft. Iedere
uitgever zal u dat kunnen zeggen. Er is niet meer
dan één boek op de twintig duizend, dat een eeuw
blijft leven. Maar hier is een Boek, waarvan een
gedeelte reeds zestien honderd jaren oud is, en het
grootste gedeelte vier duizend jaren, — en toch
bezit het meer veerkracht en weerstandsvermogen
en taaiheid, dan toen het Boek voor \'t eerst op per-
kament of papyrus werd neergeschreven!
Dit Boek zag de wieg van alle andere boeken, en
zal er ook de graven van zien. Zoudt gij niet ge-
dacht hebben, dat een oud Boek als dit, gedeeltelijk
veertig eeuwen oud, als een waggelende grijsaard
-ocr page 15-
7
op krukken zou komen aanstrompelen? Integendeel,
verre van dien, het is krachtiger dan eenig ander
boek van dezen tijd. Meer exemplaren er van ge-
drukt in de laatste tien jaren, dan van eenig ander
boek, - de werken der beroemdste Engelsche,
Fransche, Duitsche en Amerikaansche dichters,
romanschrijvers, redenaars en geleerden, met inbe-
grip van al de populaire boeken onzer dagen, heb-
ben in de laatste tien jaren niet zulk een aftrek ge-
had, als dit oude Boek.
Weet gij wel, welk een strijd om het bestaan een
boek moet voeren, ten einde het een of twee eeuwen
te kunnen volhouden? Bij gelegenheid van een
brand in een vrouwenpaleis te Konstantinopel, de
hoofdstad van Turkije, werden er eenige oude boe-
ken op straat geworpen. Een man zonder eenige
wetenschappelijke opleiding raapte een dezer boeken
op, las het, maar zag er de waarde niet van. Een ge-
leerde keek over zijn schouder heen , en ontdekte dat
het een wereldberoemd werk was: de eerste en
tweede „Decades" van den Romeinschen dichter Li-
vius, en hij bood den man een rijke belooning aan,
indien hij de boeken naar zijn studeerkamer wilde
brengen; maar in de drukte en het gewoel van den
brand werden de beide mannen gescheiden, en . .
de eerste en tweede „Decades" van Livius gingen
voor altijd verloren! De Romeinsche geleerde Pli-
nius schreef twintig boek deelen met geschiedenis;
allen verloren gegaan. De meeste geschriften van
den beroemden Griekschen dichter Menander zijn
spoorloos verdwenen. De Romeinsche blijspeldich-
-ocr page 16-
8
ter Plautus schreef honderd dertig comedie\'s, — op
twintig na, zijn ze allen verloren gegaan. De Grieksche
treurspelschrijver Euripidus schreef een honderdtal
drama\'s, — allen op negentien na verdwenen. De
Grieksche dichter Aeschylus schreef honderd dra-
ma\'s, — allen op zeven na verloren gegaan. De
geleerde Romein Varro schreef de doorwrochte
levensgeschiedenissen van zevenhonderd Romeinen;
er is geen snipper van overgebleven. De Romein-
sche redenaar Quintilianus schreef zijn lievelings-
werk over het bederf der welsprekendheid, — spoor-
loos verdwenen. Dertig boeken van den Romein-
schen geschiedschrijver Tacitus totaal verloren ge-
gaan. De vermaarde Romein Dionysius Cassius
schreef tachtig boeken; slechts twintig zijn er van
overgebleven. De Babylonisch-Chaldeeuwsche ge-
schiedenis van den priester Berosius is geheel ver-
loren gegaan En al deze schrijvers waren wereld
beroemde mannen in lang vervlogen eeuwen!
Nagenoeg al de oude boeken zijn als\'t ware mum-
mies geworden, en liggen nu in de graven van
oude boekerijen; en misschien ééns in de twintig
jaren komt er iemand langs, en neemt er een van
ter hand, en blaast er het stof af, en slaat het open,
en bemerkt dat het een boek is, dat hij niet hebben
moet. Maar dit oude Boek , dat gedeeltelijk reeds
veertig eeuwen oud is, staat daar tot op den hui-
digen dag en wordt meer besproken dan eenig ander
boek, en het wekt de bewondering van alle geloc-
vigen, en den nijd en het gif en de vijandschap en
de partijdige critiek van aarde en hel. Ik doe een
-ocr page 17-
9
beroep op uw gezond verstand: of een boek dat
zóó goddelijk bewaakt en beschermd werd in zijn
tegenwoordigen vorm, niet op de door God gewilde
wijze tot ons moet zijn gekomen, — en indien
het God behaagt, behoort het dan ook
niet óns te behagen?
Niet alleen hebben alle pogingen, om iets van
het Boek afte nemen, schipbreuk geleden, maar
ook alle pogingen om er iets aan toe te voe-
gen. Tal van pogingen zijn er in het werk gesteld
om de zoogenaamde Apocriefe Boeken aan het Oude
Testament toe te voegen. Het Concilie vanTrente,
de Synode van Jerusalem, de bisschop van Hippo,
allen besloten, dat de Apocriefe Boeken moesten
toegevoegd worden aan het Oude Testament. Zij
moeten er in staan, zeiden deze geleerde mannen,
— maar zij bleven er buiten. Er is geen enkel
verstandig Christen, die op den huidigen dag het
Boek der Maccabeeën of het Boek van Judith naast
het Boek van Jesaja of den Zendbrief aan de Romei-
nen zou willen leggen.
Toen zeide een groote menigte menschen: „Wij
moeten boeken aan het Nieuwe Testament toevoe-
gen", en er werden Zendbrieven en Evangeliën en
Openbaringen geschreven , en aan het Nieuwe Tes-
tament toegevoegd, maar zij zijn er allen weer afgeval-
len. Gij kunt er niecs aan toevoegen. En
gij kunt er niets afnemen. Het is een door
Goddelijke kracht beschermd Boek in zijn tegen-
woordigen vorm. Laat niemand zich vermeten, er
de handen aan te slaan, met oogmerk om iets van
-ocr page 18-
ro
het Boek af te nemen, of er een van die heilige
bladzijden uit te rukken!
Bovendien ben ik een tegenstander van alle „her-
ziening der Heilige Schrift," om da t, indien deze
poging slaagde, zij op devernietiging van
den geheelen Bijbel uit zou loopen. De
ongeloovige natuurkundigen zouden roepen: „Er
uit met het Boek Genesis!\' De ongeloovige ster-
renkundigen zouden zeggen: „Er uit met het Boek
Jozua!" De menschen die niet gelooven in de ver-
zoenende offerande, zouden zeggen: „Er uit met
het Boek Leviticus!" De menschen die niet geloo-
ven in wonderen, zouden zeggen: „Er uit met al
die wonderbaarlijke histories in het Oude en Nieuwe
Testament!" — Sommigen zouden zeggen: „Er
uit met het Boek der Openbaring!" en anderen zou-
den zeggen: „Er uit met dien geheelen Pentateuch,
met al die vijf boeken van Mozes!" En zoo zou men
voort blijven „herzien /\'totdat hetgeen er eindelijk van
den Bijbel overbleef, nog minder waard zou zijn
dan een almanak van het vorige jaar. De „herziening"
der Heilige Schrift staat gelijk met hare vernietiging.
Ik ben óók een tegenstander van deze voorge-
stelde „herziening" der Heilige Schrift, met het
oog op de omstandigheid, dat — naarmate
de menschen zelfopofferend en goed en
heilig en toewijdend worden — zij het
Boek liefkrijgen zooals het is. Ik zou wel
eens een man of een vrouw willen zien, die zich
onderscheiden heeft door zelfopoffering, door toewij-
ding aan God, door heiligheid van leven, die den
-ocr page 19-
It
Bijbel veranderd zou willen hebben. Velen onzer heb-
ben famielie-Bijbels geërfd. Die Bijbels zijn twintig,
veertig, vijftig, misschien wel honderd jaren onder
eenzelfde geslacht in gebruik geweest. Neemt
vandaag dien familie Bijbel eens ter hand, en zoekt
eens of er zich ook eenige hoofdstukken in bevin-
den, die met potlood of inkt zijn doorgehaald, en
of gij daarbij ergens op den rand de woorden kunt
vinden: „Dit hoofdstuk is niet geschikt om te lezen."
Er heeft ruimschoots gelegenheid bestaan gedurende
de laatst verloopen halve eeuw tot persoonlijke
„herziening" van den Bijbel. Maar is u wel één
enkel geval van zoodanige „herziening" bekend ?
Gaf uw grootvader het Boek niet aan uwen vader,
juist zooals het is, en heeft uw vader het ook niet
weer zoo aan u gegeven?
Bovendien, ik ben een tegenstander van de „her-
ziening" der Heilige Schrift, omdat de zooge-
naamde onkiesehheden en wreedheden
van den B ij bel geen kwade gevolgen heb-
ben teweeggebracht. Een wreed boek zal
wreedheid kweeken , — een onrein boek zal onrein-
heid teweegbrengen. Toont mij één slachtoffer!
Uit het gansche Christendom en uit alle eeuwen,
— haalt mij een slachtoffer, wiens hart verhard is
geworden tot wreedheid door dit Boek, of wiens
leven er onrein door is geworden. Brengt hem mij!
Ik zeg u: indien iemand zich ergert aan wat hij
noemt de onkieschheden van Gods Woord, dan is
hij bedorven in zijn eigen smaak en verbeelding. Wan-
neer iemand het Hooglied van Salomo niet kan lezen,
-ocr page 20-
12
zonder dat het onreine gedachten bij hem doet opwel-
len , dan is hij öf in zijn hart, öf in zijn leven een losbol!
De Oud-Testamentische beschrijving van allerlei
soorten goddeloosheid en onreinheid is opzettelijk
en terecht een weerzinwekkend verhaal, in tegen-
stelling met de pennevruchten van zekere Parijsche
en andere romanschrijvers, die de zonde aanlokke-
lijk inplaats van afschuwelijk voorstellen. Wanneer
die oude profeten uwe aandacht vestigen op een
ziekenhuis voor melaatschen, dan begrijpt gij, dat
het zulk een ziekenhuis is. Wanneer een man, die
begonnen is rechtvaardiglijk te leven, weer tot god-
deloosheid vervalt en zijn goeden naam prijs geeft,
dan zegt de Bijbel niet, dat hij overmeesterd werd
door de betooveringen van den feestdisch, of dat hij
zich schuldig maakte aan al te groote gastvrijheid,
of dat hij een weinigje onstandvastig in zijne dage-
lijksche gewoonten werd. Ik zal u eens vertellen,
wat de Bijbel er van zegt: „De hond is weder-
gekeerd tot zijn uitbraaksel, en de ge-
wasschene zeug tot de wenteling des
slijks!" Geen vergulding van de ongerechtigheid !
Geen bloemkransjes om een doodskop! Geen op-
trekken met een zilveren stokje tegen de goddeloos-
heid , wanneer er een ijzeren voorhamer noodigis!
Ik kan gemakkelijk begrijpen, hoe menschen, mij-
merend over de hier en daar voorkomende beschrij-
vingen van onzedelijkheid in den Bijbel, er ziekelijk van
geest door worden, totdat zij er zoo geheel mede
vervuld en doortrokken zijn, als de vleugels en de sna-
vel en de neusgaten en de klauwen van een gier
-ocr page 21-
13
vervuld zijn met den stank van lijken. Maar wat is
er nu noodig? Niet dat de Bijbel ontsmet worde,
maar dat gij, criticus! uwen geest en uw hart laat was-
schen met het carbolzuur der Goddelijke reinheid!
Ik heb u te zeggen, in dit verband mijner rede,
dat iemand, wien dit boek niet behaagt, die met
critische blikken den inhoud beziet, en die ontstemd
en geërgerd wordt door de daarin voorkomende
beschrijvingen, nooit of nimmer in waarheid tot God
bekeerd is geworden. De handoplegging door kerk-
bestuurders of vertegenwoordigers van kerkelijke
lichamen brengt geen verandering in iemands hart,
en de menschen betreden somtijds den kansel, zon-
der ooit hartgrondig door Gods souvereine genade
veranderd te zijn. Als uw hart in orde is, zal ook
de Bijbel voor u in orde zijn. De moeilijkheid schuilt
hierin, dat de naturen der menschen niet in over-
eenstemming gebracht zijn met het Woord van
God. Ach, mijne vrienden! herziening van het
hart — daar hebben wij behoefte aan.
Gij kunt mij niet wijs maken, dat de Heilige
Schrift, die in dit oogenblik op de tafel ligt van de
reinste en beste mannen en vrouwen dezes tijds, en
die tot stervenstroost strekte aan uwe dierbaren,
welke naar hun eeuwig Tehuis overgingen,—dat er
in die Schrift een vlek of smet is, die door het sterkste
microscoop eener eerlijke critiek zichtbaar gemaakt
zou kunnen worden. Indien menschen reeds hunne
zelfbeheersching verliezen in hunne verontwaardi-
ging, wanneer de ongerepte naam van vrouw of
kind wordt aangevallen, en rechters en gezworenen
-ocr page 22-
r4
een zoo verschoonend mogelijk vonnis vellen in zulke
gevallen van uittarting, — wat moesten dan wel de ver-
pletterende en lang weergalmende donderslagen van
veroordeeling zijn voor een iegelijk mensch, die zich
op een Christelijken kansel plaatst, om van daar een
aanval te doen op de meer dan maagdelijke rein-
heid der Inspiratie, die welbeminde dochter van God!
Den Bijbel „herzien"! Gij zoudt even goed naar
de oude schilderijen-museums in Dresden en in Ve-
netië en in Rome kunnen gaan, om daar de oude
doeken en paneelen te „herzien." Misschien zoudt
gij een voet van Michael Angelo\'s „Laatste Oordeel"
kunnen vinden, die wel eens wat opgeknapt mocht
worden. Wellicht zoudt gij ook nog wel wat meer
uitdrukking kunnen brengen in RaphaëlJs „Madonna".
Misschien zoudt gij nog wat meer kracht kunnen
bijzetten aan Rubens\' „Afneming van het kruis."
Misschien zoudt gij wat juister licht kunnen aanbren-
gen in de meesterstukken van een Rembrandt en
een Dou, een Titiaan en een Murillo. Misschien
zoudt gij ook kunnen gaan naar de oude museums
van beeldhouwwerken , en daar verandering brengen
in de vormen en de houding der standbeelden van
Phidias en Praxiteles. Zulk een beeldstormer zou
al heel spoedig in de gevangenis terecht komen! —
Maar hoeveel afschuwelijker wandalisme is het dan,
wanneer een mensch voorstelt, de meesterwerken
der Inspiratie te vervormen, en een andere ge-
daante te geven aan de zedelijke reuzen in dit
kunstkabinet van den Heer onzen God!
En nu — laat ons een scheiding maken. Laten
-ocr page 23-
15
deze lieden, die den Bijbel niet gelooven en cri-
tisch gestemd zijn omtrent deze en gene gedeelten
der Heilige Schrift, beslist overgaan naar de an-
dere zijde. Laten zij zich posteeren achter het geschut
des duivels. Er k a n geen vergelijk getroffen wor-
den tusschen het ongeloof en het Christendom!
Geeft ons de verst strekkende oppositie van het
ongeloof, liever dan het werk van die tweeslach-
tige godgeleerden, die bastaard-geestelijken, die
half ontwikkelde lieden ; die den Bijbel gelooven en
niet gelooven, die de wonderen aannemen en niet
aannemen , die gelooven aan de ingeving der Heilige
Schrift en niet gelooven aan de ingeving der Hei-
lige Schrift, die eenerzijds hun geloof pasklaar
maken voor de twijfelzucht der wereld , en ander-
zijds hun geloof pasklaar maken voor den trots van
hun eigen hart, en die van meening zijn, dat zij —
om een blijk van hun moed te\'geven — van den
Bijbel een schietschijf moeten maken en op God vuren
Eén ding is er, dat mij grootelijks bemoedigt;
en dat is: dat de Heer onze God zich bezig hield
met het heelal te besturen vóór en aleer zij werden
geboren, en ook waarschijnlijk nog "wel een poosje
na hun overlijden in staat zal zijn om Zich bezig
te houden met de besturing van het heelal.
Terwijl ik verzoek, dat de bestrijders van den Bij-
bel en de critische veroordeelaars van den Bijbel
beslist overgaan naar de plaats waar zij behooren :
aan de zijde des duivels, vraag ik dat alle vrienden
van dit goede Boek ruiterlijk en met open vizier
als voorstanders er van optreden, — van dit Boek, dat
-ocr page 24-
i6
de beste erfenis was, die gij ooit van uwe voor-
ouders hebt ontvangen , en dat de beste nalatenschap
zal zijn, die gij aan uwe kinderen zult vermaken,
wanneer gij hun vaarwel zegt, als gij door het dal
der schaduwen des doods naar de Gouden Stad gaat!
Jonge man, schaam u niet voor uwen Bijbel! Er
bestaat geen deugd, dien hij niet gebiedt; er is geen
verdriet, dat hij niet troost; er staat geen enkele
goede wet in de constitutie van eenig land, of zij
is gegrondvest op deze Tien Geboden. Er zijn geen
moediger en grooter lieden op de geheele aarde,
dan de helden en heldinnen, wier leven in de blad-
zijden van uwen Bijbel beschreven wordt!
Van al de werken van Gustaaf Doré , den grooten
teekenkunstenaar, was er geen zoo indrukwekkend
als zijn geïllustreerde Bijbel. Maar de Bijbel zal nog
betere illustratiën dan die van Doré verkrijgen,
wanneer al de woestijnen zullen herschapen zijn in
tuinen, en al de tuighuizen veranderd, in muziek-
tempels, en al de meren Genesareths zullen gewor-
den zijn, met Christus er op wandelend; en al de
steden zullen herbouwd zijn in Jeruzalems, met de
daarboven zwevende Schechinah! En wanneer de
twee halfronden der wereld op de trommelen zullen
slaan, om Gode lof te brengen, en de ronde aarde
een voetlicht zal zijn voor Immanuels troon! Ja, dat
zal voor alle landen, en alle jaren, en alle eeuwig-
heden, de best geslaagde illustratie van den Bijbel
zijn! — Amen.
-ocr page 25-
II.
GROOTE DADEN.
Maar het volk . die hunnen God ken-
nen , zullen lid doen.
Daniël XI : 32.
Antiochus Epiphanes, de oude zondaar, kwam
tot driemaal toe met zijne legermacht aanrukken, om
de Israëlieten te verdelgen: den eenen keer nade-
rende met honderd en twee gedresseerde olifanten ,
die hunne snuiten her- en derwaarts zwaaiden, en
met twee en zestig duizend man infanterie , en zes-
duizend man cavallerie, en zij werden achterwaarts
gedreven. Daarna, den tweeden keer, kwam hij aan
met zeventig duizend gewapende mannen, en werd
hij wederom verslagen. Doch den derden keer ge-
lukte het hem , een welgeslaagde belegering te onder-
nemen , totdat de schepen der Romeinen kwamen met
het glinsterende schuim op hunne lange roeibanken,
en met den eisch dat het beleg zou worden opge-
broken. En Antiochus Epiphanes zeide, dat men hem
tijd moest laten, om daarover met zijne vrienden te
-ocr page 26-
raadplegen; maar Pomilius, een der Romeinsche
gezanten, nam een stok en trok een kring op den
grond rondom Antiochus Epiphanes, en dwong hem
om een beslissing te nemen vóór hij uit dien kring
kwam, — waarna hij het beleg opbrak. Eenigen der
Hebreeërs hadden zich aan den overweldiger onder-
worpen , maar enkelen hunner bleven hem manhaf-
tig tegenstand bieden, zooals Eleazar, die, toen men
hem met geweld een stuk varkensvleesch in den
mond had gestopt, het weder uitspuwde, ofschoon
hij wist dat hij daarvoor moest sterven, zooals hij
er dan ook voor gestorven is. En ook nog anderen
deden zulke groote daden, als waarop mijn tekst
wijst.
Een groote daad zou ik willen omschrijven als
een heldhaftige handeling, een manmoedig optre-
den, het volbrengen eener gewichtige onderneming.
„O ja," zegt gij, „ik bewonder zulke dingen, maar
er bestaat voor mij nooit gelegenheid om ze te doen ;
ik leid slechts een alledaagsch en huisbakken leven.
Wanneer ik een Antiochus Epiphanes te bestrijden
had, zou ik óók wel groote daden kunnen doen."
Gij hebt gelijk, voor zoo ver het groote oorlogen
betreft. Er zal zich waarschijnlijk geen gelegenheid
aan u voordoen om u in een veldslag te onder-
scheiden. Van de meeste brigade-generaals in Ame-
rika zou men nooit gehoord hebben, als er geen oor-
log gekomen was, — en evenmin zult gij waarschijn-
lijk een groot uitvinder worden. Negentienhonderd
negen en negentig van elke tweeduizend uitvindin-
gen , die in het Octrooi bureau te Washington staan
-ocr page 27-
\'9
ingeschreven, hebben hunnen ontdekkers nooit ge-
noeg geld opgeleverd, om er de kosten van het ge-
nomen octrooi uit te halen. Dus zult ge vermoede-
lijk nooit een Edison of een Pasteur of een Laurens
Koster worden. Er bestaat niet veel waarschijnlijkheid ,
dat ge de ééne uit de honderd zult zijn, die een buiten-
gewoon succes behaalt op het gebied van den handel,
de wetgeving, de geneeskunde of de letteren. Maar wat
dan? Kunt gij geen gelegenheid bekomen om groote
daden te doen? Ik ben voornemens, u aan te too-
nen-, dat er drie gelegenheden voor u open staan,
en dat ze zijn grootsch, indrukwekkend, verreikend,
ontzaglijk en overweldigend. Zij staan op dit o ogen-
blik voor u open. In één daarvan, zoo niet in alle
drie, kunt gij groote daden doen.
De drie grootste dingen, die men op aar-
de doen kan, zijn: een man te redden, een
vrouw te redden, of een kind te redden.
Gedurende den loop van zijn leven wordt bijna
ieder mensch voor een beslissende keuze geplaatst,
tusschen twee vuren gezet, tusschen twee molenstee-
nen gelegd, op den rand van een afgrond geplaatst,
of in eenig ander opzicht op het punt van omkomen
gebracht. Het kan een geldelijke, een zedelijke,
een huiselijke, een maatschappelijke, of een staatkun-
dige levenskeuze zijn. Gij ziet het somtijds in de
rechtszalen Een jonkman is in slecht gezelschap ge-
raakt, en heeft de wet overtreden, en werd in
hechtenis genomen. Met een bloedroode kleur van
schaamte en verlegenheid verschijnt hij in de
tegenwoordigheid der rechters, advokaten en deur-
-ocr page 28-
20
waarders. En nu kan hij regelrecht in de verkeer-
de richting gestuurd worden. Hij beschouwt zich als
een verworpeling, en hij is bijna radeloos en wan-
hopig. Laat de president der rechtbank hem behan-
delen alsof hij een oude booswicht ware; laten de
bekwaamste advocaten der stad weigeren een woord
voor hem te spreken, omdat hij geen aanzienlijk
honorarium kan betalen; laten de rechters geen ge-
legenheid geven om verzachtende omstandigheden
aan te voeren , de zaak in een ommezientje afdoen,
en hem naar de gevangenis of het tuchthuis zen-
den. Wanneer hij zeventig jaren leeft, zal hij zeven-
tig jaren lang een boosdoener blijven , en ieder tien-
tal jaren van zijn leven zal zwarter zijn dan het
voorafgaande tiental. In de tusschenpoozen van zijn
gevangenisleven kan hij geen werk bekomen, en is hij
blijde als hij een spiegelruit kan inslaan, of een brand-
kast openbreken, of als struikroover den omtrek on-
veilig maken, om maar terug te komen binnen die
hooge, sombere muren, waar hij iets te eten kan krij-
gen en zich aan de blikken der wereld onttrekken.
Waarom komt zijn vader hem niet helpen? Zijn
vader is dood. Waarom komt zijne moeder hem
niet helpen? Zij is dood. Waar zijn al de verbete-
rende en heilzame invloeden der maatschappelijke
samenleving? Ze bereiken en raken hem niet.
Waarom heeft iemand niet reeds lang geleden
uit deze zaak begrepen, dat dit een gelegen-
heid was voor een groote daad, die nog beroemd
zou zijn in den Hemel millioenen jaren nadat de
aarde als asch verstrooid zou zijn in den laatsten
-ocr page 29-
21
wervelwind? Waarom nam de president der recht-
bank dien jonkman niet in zijn studeerkamer in
zijn eigen huis, om daar dan tot hem te zeggen : „Mijn
zoon, ik zie dit gij een slachtoffer der omstandig-
heden zijt. Dit is uw eerste misdrijf. Gij hebt er
spijt van. Ik zal den man, dien gij benadeeld hebt,
in uwe tegenwoordigheid brengen, en dan moet gij
hem vergiffenis vragen , en de schade zooveel her-
stellen als gij kunt, — en dan wil ik u daarmede in
de gelegenheid stellen om een beter leven te be-
ginnen."
Of die jonkman wordt de rechtszaal binnenge-
bracht, waar geen enkele vriend van hem aanwezig
is; en de rechter vraagt: „Wie is uw raadsman?"
En hij antwoordt: „Ik heb er geen." En de rechter
zegt: „Wie wil er in de zaak van dezen jonkman
optreden?" En er volgt een doodsche stilte, en er
is niemand die zich aanbiedt; en na verloop van
eenige oogenblikken wendt de rechter zich tot een
der advokaten, die zijn gansche leven nooit één
goede zaak te behandelen heeft gehad, en er ook
nooit een zal hebben, en wiens pleidooien in staat
zouden zijn om zelfs de veroordeeling der onschuld
te bewerken. En de onbekwame pleitbezorger sluipt
langzaam voort tot naast den gevangene, dien hij
niet in staat is van den ondergang te redden, —
terwijl er integendeel een wedstrijd behoorde te
zijn tusschen de beste mannen van het vak, wie
de eer zou hebbenom te trachten dezen ongelukkige
te helpen Hoeveel zou zulk een advokaat ontvan-
gen hebben als salaris voor zulk een pleidooi? Niets
-ocr page 30-
22
in klinkende munt of in papieren geld, — maar uit
alle oogpunten zéér veel in een gelukkig bewust-
zijn , dat zijn eigen leven vroolijker en helderder
zou maken, en zijn eigen sterfbed zachter, en zijn
eigen hemel gelukkiger: het bewustzijn dat hij een
mensch gered had.
En zoo zijn er ook beslissende keuzen op
handelsgebied. Tengevolge van een buitenge-
woon late lente is er totaal geen vraag naar demi-
saisons en voorjaarshoeden en voorjaarskleeren,
van welken aard ook. Honderdduizenden menschen
zeggen: „Het schijnt dat wij dit jaar geen lente
zullen krijgen , en dat wij onmiddellijk uit den winter
in het warme weer zullen overstappen , — en dat wij
het dit jaar dus wel zonder het gewone voorjaars
pak kunnen stellen " Of er komt geen herfstweder,
zoodat men uit de hitte dadelijk in de koude over-
gaat, en de gewone kleeding, die een overgang vormt
tusschen den zomer en den winter, dan niet noodig
is. Dit maakt in den verkoop een verschil van mil-
lioenen en millioenen waarde aan goederen, en —
deze of gene al te voortvarende jonge koopman
blijft zitten met een kolossaal bedrag aan onver-
koopbare goederen, die nooit weer verkoopbaar
zullen zijn, tenzij tegen wanhopig verlaagde prijzen.
De jonge koopman, die met een eenigszins beperkt
kapitaal werkt, verkeert in een benarden toestand.
Wat zullen nu de oude kooplieden doen , terwijl zij
den jongen man deze vreeselijke crisis zien door-
leven? Zullen zij lachend hunne handen wrijven,
en zeggen: „Nu, dat ziet er leelijk voor hem
-ocr page 31-
23
uit! Hij had wijzer moeten zijn. Wanneer hij een-
maal even lang zaken zal gedaan hebben als wij ,
zal hij zijne rekken wel nooit meer op die manier
volstoppen. Ha, ha! nu zal het wel niet lang meer
duren, of hij gaat naar den kelder! Wat had hij zijn
winkel ook zoo dicht bij den onze op te zetten?"
Verkooping bij excecutie. Roode papieren op de deur
en de ramen. „Hoeveel wordt er geboden voor deze
oudervvetsche demisaisons en voorjaarshoeden, of
voor deze uit de mode geraakte najaarspakken ? Hoor
ik daar niet iemand een bod doen?" — Vier dollars!"
— Dat is al te dwaas! Ik kan dat bod van vier dollars
per stuk niet aannemen. Wel, toen deze jassen voor
het eerst in den handel kwamen, werden zij aange-
boden voor vijftien dollars per stuk; en nu wordt
er mij maar vier dollars voor geboden ? Is dat alles?
Vijf dollars, hoor ik ? Daar gaan zij dan; zij gaan
weg voor vijf dollars!" En de bieder neemt den ge-
heelen koop. Als de jonge winkelier dien avond
thuis komt, zegt hij tot zijne vrouw: „Nu, Marie, wij
zullen spoedig dit huis moeten verlaten en onze pi-
ano verkoopen. Die oude koopman, die al geen goed
oog op mij had van het eerste oogenblik af dat ik
mijn winkel opende, heeft heel den voorraad kleeren
opgekocht, en hij zal er een ander fatsoen aan laten
geven, en ze het volgend jaar als nieuw weer in
den handel brengen, — terwijl wij ons uiterste best
zullen moeten doen om buiten het werkhuis te blij-
ven." De jonge man , door dit alles met wanhoop ver-
vuld, zoekt zijn heil in den sterken drank. De jonge
vrouw gaat met haar kindje bij hare ouders inwonen;
-ocr page 32-
24
en niet alleen raakt hij zijn winkel kwijt, maar ook
zijn tehuis, zijne zedelijkheid, en zijne vooruitzichten
voor twee werelden: voor deze en de toekomende.
En de duivelen richten een feestmaal van vuur aan,
en vullen hunne bekers met gal, en drinken ze tot
den laatsten druppel leeg ter eere van dien ouden
koopman, die den jongen winkelier verslond, zoo-
dat hij in de diepte ging en spoorloos verdween.
Dat is de ééne weg; en sommigen uwer hebben dien
bewandeld.
Maar er is ook nog een andere weg. Die
jonge winkelier, die bemerkte dat hij zich misrekend
had, door te veel goederen van ééne soort in te
slaan , en zoo het slachtoffer wordt van de buiten-
gewone weersgesteldheid, staat in zijn winkel achter
de toonbank, waar hij zich zeer neerslachtig gevoelt
en als radeloos op zijne nagels bijt, of zijne kasboe-
ken eens inziet, die er steeds somberder en donker-
der schijnen uit te zien, telkens als hij ze inziet, en
onwillekeurig peinzende hoe zijne jonge vrouw nu
haren intrek zal moeten nemen in een armelijker
huis, dan zij ooit gedacht had te zullen bewonen,
of hoe zij samen onder dak zullen moeten komen in een
pension van den derden rang, waar zij vijf ochten-
den van de zeven beschimmeld roggebrood en ster-
ke boter krijgen. Maar nu komt er een oude koop-
man binnen , die tot hem zegt: „Wel, kerel! \'t is een
kwaad seizoen geweest voor jonge winkeliers, en dit
voortdurende koude weer heeft menigeen leelijk in
\'t nauw gebracht, en ik heb in den laatsten tijd zeer
veel over u gedacht, want kort nadat ik mijne eigene
-ocr page 33-
2=1
zaken begonnen was, heb ik óók eens op die ma-
nier geducht in de klemgezeten. En als ik u nu soms
met het een of ander mocht kunnen helpen, dan zal
ik het met pleizier doen. Wij moesten, dunkt mij,
deze goederen liever voor het oogenblik uit het ge-
zicht leggen en ergens opbergen; tegen het volgen-
de seizoen zullen wij er dan wel het een of ander
plan voor maken. Ik zal u aan eenige artikelen hel-
pen, die gij dan voor mij in commissie kunt verkoo-
pen; en ik zal eens aanloopen bij een paar der goed-
koopste groothandelaars, en hun zeggen dat ik u ken
en u wil voorthelpen. En als gij soms een beetje
geld mocht noodig hebben, om dezen moeielijken tijd
door te komen, kan ik u dat wel bezorgen. Wees
zoo zuinig als ge kunt, doe uw best om goedsmoeds
te zijn, en onthoud dat gij twee vrienden hebt: God
en mij. Goedenmorgen!" — De oude koopman gaat
weg, en de jonge winkelier plaatst zich weer achter
zijn lessenaar, terwijl de tranen over zijne wangen
rollen, \'t Is de eerste maal , dat hij geweend heeft.
De tegenspoed maakte hem verbolgen tegen alles en
allen, verbolgen tegen de menschen en verbolgen
tegen God. Maar deze vriendelijkheid doet hem weg-
smelten, en de tranen schijnen zijn gemoed lucht te
geven, en zijne stemming rijst van tien graden onder
nul tot tachtig in de schaduw, — en hij komt de
crisis te boven.
Ongeveer drie jaar later treedt deze jonge winke-
lier den winkel van den ouden koopman binnen, en
zegt hij: „Wel, mijn oude vriend, ik heb dezen mor-
gen nog eens nagedacht over hetgeen gij drie jaar
-ocr page 34-
26
geleden voor mij gedaan hebt. Gij hebt mij toen
gered uit een vreeselijke crisis in de geschiedenis
van mijn handelsleven. Ik heb wijsheid geleerd, de
voorspoed is gekomen, en de bleeke kleur is van
de wangen mijner vrouw verdwenen, en de rozen, die
er op bloeiden toen ik haar uit haars vaders huis kwam
halen, zijn weder ontloken, en mijne zaken mar-
cheeren nu prachtig, — en ik vond dat ik u toch
eens moest gaan vertellen , dat gij een mensch ge-
red hebt!" — Een korten tijd later wordt de oude
koopman — die reeds sedert een geruime poos wat
zwak in zijne leden is geweest en nogal eens aan-
vallen van flauwte en duizeling had — opgeroepen
om deze wereld te verlaten; en op zekeren ochtend,
nadat hij den drie en twintigsten Psalm heeft gelezen,
over: „De Heer is mijn Her der," sluit hij zijne
oogen in deze wereld, — en een engel, die reeds
sedert tal van jaren was aangesteld om \'s ouden mans
woning te bewaken, roept de tijding naar Boven,
dat de geest, van den patriarch weldra zal opvaren.
En de twaalf engelen, die de twaalf poorten des he-
mels bewaken, roepen eenstemmig naar omlaag tot
zijn naderenden geest: „Kom binnen en wees welkom,
want over heel dit hemelsche land heelt zich het
gerucht verbreid, dat gij een mensch hebt gered!"
Er komen soms beslissende keuzen in het
leven eener vrouw. Op zekeren ochtend, weinige
jaren geleden, zag ik in de courant, dat er in New-
York een jonge vrouw was, wier beursje, zeven
en dertig dollars en drie en dertig cents bevattende,
gestolen was, en dat zij nu geen stuiver meer op
-ocr page 35-
27
de wereld bezat, met den winter voor de deur, in
een vreemde stad, en zonder werk. En ofschoon
zij een vreemdelinge was, liet ik den trein van negen
uur niet vertrekken, zonder dat hij de zeven en
dertig dollars drie en dertig cents medenam. En het
verhaal bleek bij .onderzoek werkelijk echt te zijn.
Nu heb ik al heel wat treurspelen van Engelschen,
Franschen en Amerikanen gelezen, maar nooit
of nimmer las ik een zóó aandoenlijk treurspel als
dit geval, en als de soortgelijke gevallen, die er
bij honderden en duizenden in al onze groote steden
voorkomen: jonge vrouwen zonder geld en zonder
tehuis en zonder werk in den grooten maalstroom
van het leven der wereldsteden.
Wanneer zulk een geval zich aan u voordoet, hoe
handelt gij daar dan tegenover? „Maak dat je weg
komt! Wij hebben in onze zaak geen plaats meer
voor werksters. Ik moet niets meer van die zooge-
naamde helpsters hebben: al die vrouwluï zijn een
traag, verwaand en onhandelbaar slag van volk!
Jan, zorg dat dat mensch eens gauw de deur uit
komt! — Of maakt gij haar complimentjes over haar
uiterlijk voorkomen, en zegt gij dingen tot haar, die,
als iemand ze tot uwe zuster of dochter zeide, hem op
staande voet zouden doen suizebollen onder uw krach-
tigsten vuistslag? Dat is de ééne weg, en die weg
wordt iederen dag bewandeld in de groote steden,—
en velen dergenen die adverteeren om vrouwelijke
werkkrachten in fabrieken, en om gouvernantes in
familiën, hebben bewezen dat zij ongeschikt zijn
om ergens anders te verblijven dan in de hel.
-ocr page 36-
28
Maar er is ook nog een andere weg, en dien zag
ik op zekeren dag bewandelen in een manufacturen-
magazijn te New-York, waar een jonge vrouw
kwam vragen om werk, en de patroon — een heer
in toon en manieren — haar ongeveer dit ten ant-
woord gaf: „Mijne dochter, wij hebben hier in onze
zaak wel vrouwen in dienst, maar ik weet niet of
er op \'t oogenblik wel een plaats open is. Gij moest
liever eens bij mijnheer die en die gaan hooren, en
ik hoop hartelijk, dat het u gelukken zal, daar ge-
plaatst te worden. Hier is mijn adreskaartje; en zeg
hem maar, dat ik u gestuurd heb." De verlegen en
beschaamde vrouw scheen weer op te leven en met
geloovig vertrouwen vervuld te worden. Zij vertrok
met een hoopvollen blik, die haar, dunkt mij,.wel
een plaatsje zal hebben doen verwerven, waar zij
haar brood kon verdienen- Ik geloof werkelijk, dat
die medelijdende en Christelijke patroon een vrouw
gered heeft. New-York en hare voorstad Brooklyn
vermoordden in \'t afgeloopen jaar omstreeks der-
tigduizend jonge vrouwen, en zullen er waarschijnlijk
dit jaar weer evenveel vermoorden. Onder heel dien
langen stoet van vrouwen , die haren weg voortzetten
zonder eenige hoop voor deze wereld of de volgende,
geslagen en gekneusd en geschonden, en van de
steilte afgeworpen, had er toch misschien één ge-
red kunnen worden voor haar tehuis, en voor God,
en voor den hemel. Maar goede mannen en goede
vrouwen houden zich met dat soort van werk niet
bezig. Des te erger, helaas! voor dat arme schepsel,
— niets dan de draad in de naald van dat naaister-
-ocr page 37-
29
tje hield haar vast, en die draad is gebroken!
Ik heb mannen in openbare vergaderingen hooren
beschrijven, wat een man is; maar wat is een
vrouw? Totdat iemand eens een betere omschrijving
zal gegeven hebben, zat ik u zeggen wat een vrouw
is. Rechtstreeks van God, eene geheiligde en tee-
dere gave, met genegenheden zóó groot, dat geen
korter maatsnoer dan dat van den oneindigen God
er de grenzen van kan bepalen. Opzettelijk gevormd
tot verfraaiing en vertroosting en verheffing en ver-
heldering van haar tehuis, van de maatschappij, van
de wereld. Van zóó groote waarde, dat niemand
die op den rechten prijs kan stellen, tenzij zijne
moeder lang genoeg geleefd heeft om het hem te
doen begrijpen, of tenzij hij, in de een of andere
groote crisis van zijn leven , wanneer al het andere
hem in den steek liet, een vrouw had, die hem
weder bezielde met een geloof in God, dat door
niets aan \'t wankelen gebracht kon worden. Spreekt,
gij wiegen! en verhaalt van de voeten, die u deden
schommelen, en van de angstig bezorgde gelaats-
trekken, die zich over u heenbogen! Spreekt, gij
kinderkamers van het geheele Christendom! en gij
huisvertrekken ! hetzij gij eenzaam en uitgestorven
zijt, of nog in vollen bloei prijkt met de gelaatstrek-
ken van vrouw, moeder en dochter, — en helpt mij
om een omschrijving te geven van wat een vrouw
is!
Maar evenals de aardrijkskundigen ons leeren, dat
de diepten der zee overeenstemmen met de hoogte
der bergen, zoo heb ik u ook te zeggen, dat een
-ocr page 38-
goede vrouw zich niet zóó hoog verheffen kan, of
een slechte vrouw kan even diep zinken. Hoe groot-
scher het paleis, hoe afschuwelijker de vuurzee die
het verwoest. Hoe grooter de Atlantische stoom-
boot, des te vreeselijker haar stranden en zinken in
de onmiddellijke nabijheid der kust!
En nu zou het mij niet verwonderen, wanneer gij
een weinig beefdet onder een gevoel van verant-
woordelijkheid, wanneer ik u zeg, dat er zich ternau
wernood iemand in . dit kerkgebouw bevindt, die
nimmer in de gelegenheid komt om een vrouw te
redden. Het kan wellicht in uw geval gedaan wor-
den door goeden raad, of door geldelijke hulp, of
door een poging om haar onder de beademing van
een der duizende Christelijke invloeden te brengen-
Wanneer gij bijvoorbeeld een vrouw vindt — in fi-
nancieele moeilijkheden en geknakt naar lichaam en
geest - die het brood voor hare kinderen tracht
te verdienen, nu haar man dood of ziekelijk is, met
het verrichten van een hoogst belangrijk en ach-
tenswaardig werk — maar dat weinig gewaardeerd
wordt — met het houden van een kosthuis, waaral de
kostgangers, omdat zij een klein kostgeld betalen,
(of zich voornemen om , zonder het minste of ge-
ringste kostgeld te betalen, te verhuizen), op alles
vitten en bedillen , en moeilijk te voldoen zijn , — doe
gij dan uw best om haar meer beschermers te .be-
zorgen , en spreek tot haar van het goddelijk mede-
doogen. En indien gij een vrouwziet, die een gun-
stelinge der fortuin is, met eene in alle opzichten
vriendelijke omgeving, in de holle vleierijen der we-
-ocr page 39-
3i
reld haar grootste genot vindend, levende voor zich-
zelve en voor den tijd, alsof er geen eeuwigheid
ware, — doe dan alle mogelijke moeite om haar
tot het Koninkrijk Gods te brengen, zooals onlangs
een Zondagsschool-onderwijzeres deed, die het mid-
del tot bekeering mocht zijn voor de dochter van
een man van ontzaglijk vermogen. De doch-
ter had zich voorgenomen ter kerk te gaan,
en toen ze van huis ging, zeide zij: „Vader, ik ga
naar de kerk, en ik zou zoo gaarne willen, dat gij
medegingt" — „Och neen," zeide hij, „ik ga nooit
naar de kerk!" - „Wel," sprak zijne dochter, „als
ik vandaag nu eens trouwde , zoudt gij mij dan niet
willen zien trouwen?" — En hij zeide: „ O ja, dat
wel." — „Welnu," hernam zij, „dit is van meer
gewicht, dan dat." — En nu ging hij ter kerk; en
sedert dien tijd is hij steeds blijven gaan ; en hij gaat
er nu gaarne heen. Ik zou zeggen, dat die getrouwe
Zondagsschool-onderwijzeres niet alleen een vrouw,
maar ook een man gered heeft. Onder deze groote
schare toehoorders, uit alle deelend er stad saamge-
stroomd, is er misschien een man, die zich trouwe-
loos gedragen heeft jegens eene vrouw. Laat hij er
berouw van hebben! Sta op, gij meesterstuk van de
zonde en den dood! opdat ik u uwe schuld kan
voorhouden! Voor zoover het eenigszins mogelijk
is, maak het toegebrachte kwaad weer goed! Be-
roem er u niet op, dat gij haar in uwe macht hebt,
en dat zij zichzelve niet kan helpen. Wanneer die
onberispelijke boord en das en elegant gefatsoeneer-
de kleederen wegvallen, en uwe naakte ziel voor
-ocr page 40-
32
den rechterstoel Gods zal staan, zal het beter voor
u zijn, wanneer gij die vrouw gered hebt!
Er is nog een andere groote daad, die gij doen
kunt, en dat is: een kind te redden. Een kind
schijnt niet heel veel te beteekenen. Het is soms
meer dan een jaar oud, eer het een voet kan verzet-
ten. Gedurende het eerste anderhaif jaar kan het geen
woord spreken Gedurende de eerste tien jaren zou
het van honger sterven, als het zijn eigen brood moest
verdienen. Gedurende de eerste vijftien jaren is zijne
meening omtrent een of ander onderwerp volkomen
waardeloos. En ook zijn er zoovelen ! O, wat al mas-
sa\'s kinderen! Sommige menschen hebben zelfs ver-
achtelijk neer gezien op kinderen. Zij achten ze tot niets
anders nut dan om de vloerkleeden te verslijten,
en alles te breken, en u \'s nachts wakker te houden
met hun geschreeuw. Wel, uw oordeel omtrent een
kind verschilt hemelsbreed van het oordeel dier
moeder, die dezen zomer het hare verloor. Men
nam het mede naar de zilte lucht der zeekust, en
naar de prikkelende lucht der bergen , maar het een
baatte evenmin als het ander, en het korte tijdperk
van dat kinderleven is geëindigd. Gesteld dat dit
leven met geld weer teruggekocht kon worden, —
hoeveel zou die kinderlooze moeder er wel voor wil-
len geven ? Zij zou al de juweelen nemen van hare vin-
gers en van haren hals en uit hare toilettafel, en ze er
voor afstaan. En indien men haar zeide, dat dit niet ge-
noeg was, zou zij haar huis nemen en er de eigen-
domsacte van afgeven. En indien dat nog niet ge-
noeg ware, zou zij al het door haar belegde geld
-ocr page 41-
33
opvragen, en al hare hypotheken en effecten over-
leggen; en wanneer men haar zeide, dat dit nog
niet genoeg was, zou zij zeggen : „Ik heb nu af-
stand gedaan van al mijne eigendommen , maar wan-
neer ik dat kind terug kan krijgen , wil ik op dit oo-
genblik de gelofte afleggen, dat ik met mijne eigene
handen zal werken, en mijne eigene schouders
zal zetten onder welken zwaren en moeilijken arbeid
ook, en dat ik wil leven in een kelder en sterven
op een vliering! Als ik mijn verloren lieveling maar
terugkrijg!" — Ik ben blijde, dat er nog menschen
zijn, die iets weten van de waarde van een kind.
Het is zoo iets ontzaglijks, aan de mogelijke toe-
komst van zulk een kind te denken! Wat zullen die
handen eenmaal doen? Waar zullen die voeten zich
eenmaal bewegen? Aan welke bestemming zal die
nimmer stervende ziel zich wijden? Zullen die
lippen de zetels van vloek of van zegen worden ? Komt,
tijdrekenaars! en becijfert voor dat kind de tientallen
aan tientallen, de eeuwen aan eeuwen, van zijn le-
vensduur! O, een kind te redden ! Heb ik geen
gelijk, wanneer ik dat onder de groote daden noem?
Maar wat zijt gij voornemens te doen met die
kinderen, die er nog slechter aan toe zijn, dan
indien op den dag dat zij werden geboren, hun
vader en moeder gestorven waren? Er zijn tiendui-
zenden van dezulken. Hunne ouders waren tegen
hen. Hun naam is tegen hen. De bouw hunner
schedels is tegen hen. Hunne zenuwen en spieren zijn
besmet met de onmatigheid of de losbandigheid hun-
ner ouders. Zij zijn feitelijk bij hunne geboorte neerge-
-ocr page 42-
34
legd op een plank in het midden van den Atlanti-
schen Oceaan, in een vliegenden storm, waarna
hun gezegd werd, dat zij nu maar aan land moesten
zien te komen. Wat met hen te doen? is de reeds
zoo dikwijls herhaalde vraag. Maar er is ook nog
een andere vraag, van even groot en dringend be-
lang, — en die is: wat zullen zij met óns doen?
Zij zullen, tien of elf jaar na dezen, evenveel stem-
men uitbrengen als hetzelfde aantal kinderen van
goeden huize, (\'), en even zeker zullen zij, wanneer wij
hen verwaarloozen, dit land overleveren aan het
anarchisme en de staatkundige verwoesting. Wat
zoudt gij er van zeggen, als ieder onzer eens een
jongen of een meisje redde? Gij kunt het doen.
Wilt gij ? Ik wil het doen!
Hoe zullen wij gereed komen voor een dezer
groote daden, of voor alle drie? Wij zullen eene
totale mislukking lijden, wanneer wij in onze eigen
kracht een man of een vrouw of een kind trachten
te redden. Maar mijn tekst wijst ons de plaats aan,
waar wij de noodige uitrusting kunnen bekomen.
„Het volk, die hunnen God kennen, zullen het
doen/\' Wij moeten Hem kennen door Jezus Christus
in onze eigene redding, — dan zullen wij Zijne
hulp bekomen tot redding van anderen. En terwijl gij
vreemden redt, moogt gij er misschien sommigen
van uwe eigene familie redden. Gij acht uwe broe-
ders en zusters en kinderen en kindskinderen allen
veilig; maar zij zijn nog niet dood, en niemand is
\') In Amerika bestaat het algemeen stemrecht.
-ocr page 43-
35
veilig vóór hij dood is. Op de Engelsche kust woedde
een vreeselijke storm, en er was een wrak in open
zee, en er ging een geroep op: „Laat de reddings-
boot in zee gaan!" Maar Harry, de gewone aanvoer-
der van de bemanning der boot, was op datoogen-
blik nergens te vinden , en daarom gingen zij zonder
hem in zee; en zij brachten al de schipbreukelingen
aan land, op één na. Middelerwijl kwam Harry, de
bevelvoerder der boot, eensklaps opdagen, en
vroeg hij: „Waarom hebt gij dien éénen achterge-
laten ?" en het antwoord was: „Hij kan zichzelf
volstrekt niet helpen, en wij konden hem niet in de
boot krijgen." — „Alle man in de reddingsboot!"
riep Harry, „dan zullen wij ook dien éénen nog
gaan halen!" — „Neen," sprak zijne oude moeder,
die er bij stond, „gij moet niet gaan! In een even
zwaren storm als deze heb ik uwen vader verloren;
en uw broeder William is zes jaar geleden wegge-
gaan , en ik heb taal noch teeken van William meer
gehoord sedert hij vertrokken is, en ik weet niet
waar hij is, mijn arme William, — en nu kan ik
u niet óók nog laten gaan, want ik ben oud en
van u afhankelijk." En wat. was zijn antwoord ?
„Moeder, ik moet gaan en dien éénen man redden;
en wanneer ik er bij omkom, zal God zorg voor
u dragen op uwen ouden dag!"
De reddingsboot ging in zee; en na een vreese-
lijke worsteling met de golven, haalden zij den
armen zeeman uit het want, nog juist bijtijds om
zijn leven te redden, en vertrokken zij met hem
naar den wal. En zoodra zij dien dicht genoeg ge-
-ocr page 44-
36
naderd waren om zich verstaanbaar te kunnen ma-
ken, schreeuwde Harry luidkeels: „Wij hebben
hem gered; en zeg aan moeder, dat het broeder
William is!\'\' — En dus, mijne vrienden! laat ons
uitgaan om iemand te redden voor tijd en voor
eeuwigheid, een man, een vrouw, of een kind!
Want, wie weet, — misschien kan het, rechtstreeks
of middellijk, de redding van een onzer eigen dier-
baren wezen. En dat zal een groote daad zijn, die
waardig is om met lof en roem bezongen te wor-
den , wanneer de wereld zelve als een wrak ver-
gaat, en de zon is weggestorven als een vonk, en
al de sterren dood zijn ! — Amen.
-ocr page 45-
III.
GEEFT HET WAT?
De godzaligheid is tut alle dingen
nut, hebbende de belofte <les tegen-
iroordigcn en des toekomenden levens.
1 Ti motu Kis IV : 8.
Er bestaat een moedelooze en lijdelijke manier
van wachten op de gebeurtenissen, die ons in de
naaste toekomst boven het hoofd hangen, — maar er
bestaat óók een heldhaftige manier van voorwaarts
gaan, om ze het hoofd te bieden, sterk in God en voor
niets vreezend! Toen het lijk van den Romeinschen
keizer Catilina op het slagveld werd gevonden, lag
het daar ver voor al zijne troepen uit, te midden
der vijanden. En de beste manier voor ons is niet,
neer te gaan liggen en ons door de \'gebeurtenissen
des levens te laten trappen, maar voort te rukken
in een Christelijken geest, vast besloten om te over-
winnen.
Dit jaar is nog slechts weinige weken oud. Er
zijn bij den aanvang dezes jaars nieuwe contracten
en verbintenissen gesloten, en sommigen uwer zijn
-ocr page 46-
38
onlangs als nieuwe deelhebbers in zaken opgetre-
den, en anderen uwer bekleeden nu hooger betrek-
kingen in de handelshuizen, waar gij werkzaam
zijt, en anderen hebben nieuwe ondernemingen op
touw gezet, — en zoo hebben er allerwegen dui-
zenden veranderingen op het gebied van handel en
nijverheid plaats gehad. Gij verwacht en hoopt en
rekent op voorspoed; en ik heb besloten, het mijne
te doen — voor zoo ver ik er iets aan doen kan —
dat gij niet teleurgesteld zult worden ; en daarom
ben ik voornemens, indien God mij dezen morgen
wil bijstaan, uwe aandacht te vestigen op een nieuw
middel tot welslagen. Gij hebt in uwe zaken be-
hoefte aan soliditeit, overleg, geduld, ijver, volhar-
ding, zuinigheid, die allen samen een zeer soliede
handelsfirma vormen; maar er behoort nog één
lid aan de compagnieschap te worden toegevoegd,
machtiger dan die allen, en volstrekt geen stille
compagnon, — en deze wordt u voorgesteld door mijn
tekst met de woorden: „De godzaligheid is
tot alle dingen nut, hebbende de belofte
des tegenwoordigen en des toekomenden
leven s."
Ik veronderstel, dat gij allen bereid zijt om te
erkennen, dat de godzaligheid van groot gewicht
is uit het oogpunt harer betrekking tot de eeuwig-
heid; maar misschien zeggen sommigen uwer: „Al
wat ik noodig heb, is een gelegenheid om een ge-
bed te doen eer ik sterf; dan is alles in orde." Er
zijn een groote menigte menschen, die veronder-
stellen, dat, als zij ten slotte maar veilig uit deze
-ocr page 47-
39
wereld in een betere wereld kunnen overgaan, zij
al de voordeden van onzen heiligen godsdienst zul-
len uitgeput hebben. Zij spreken er over, alsof de
godsdienst een knikje van herkenning ware, dat
wij den Heere Jezus moeten toewerpen op onzen
weg naar een hemelsch verblijf; alsof het een toe-
gangskaartje was, dat tot niets anders dient, dan
om aan de deur van den hemel te worden afgege-
ven. En er zijn duizenden menschen, die de grootst
mogelijke bewondering koesteren voor een gods-
dienst van de lijkwa, en een godsdienst van
de doodkist, en een godsdienst van de lijkkoets,
en een godsdienst van het kerkhof; maar die
niet het minste of geringste hechten aan een gods-
dienst voor het kantoor, voor de boerderij, voor
de fabriek, voor het pakhuis, voor den juweliers-
winkel, voor het dagbladbureau Welnu, —hoewel
ik thans volstrekt geen klad wil werpen op wat
men „een post-mortem godsdienst" noemt (een gods-
dienst na den dood), wensch ik dezen morgen, met
den drempel van het nieuwe jaar nog niet ver
achter ons, op de heerlijkheid te wijzen van een
„ante-mortem godsdienst" (een godsdienst vóór den
dood), want een godsdienst die u niets baat en niets
geeft terwijl gij leeft, zal u ook niets baten en niets
geven wanneer gij sterft. „De godzaligheid is
tot alle dingen nut, hebbende de belofte
des tegenwoordigen en des toekomenden
levens." En ik heb altijd opgemerkt, dat, wan-
neer de genade zeer laag staat in iemands hart, hij
het dan in de bidstonden en andere samenkomsten
-ocr page 48-
4o
steeds bijzonder druk heeft over dooden, en over
lijkkisten, en over graven, en over kerkhoven. Ik
heb opgemerkt, dat de gezonde Christen , de mensch
die nabij God leeft, en op den rechten weg naar
den hemel wandelt, vervuld is met juichende tevre-
denheid , en veel spreekt over de plichten van dit
leven, wel begrijpende, dat, indien God hem helpt
om goed te leven, Hij hem óók wel zal helpen om
goed te sterven.
En nu merk ik in de eerste plaats op, dat de
godzaligheid goed is voor \'s menschen
lichamelijke gezondheid. Ik wil hiermede niet
zeggen, dat zij een geknakt gestel zal herschep-
pen, of het rheumatiek uit de ledematen verdrijven,
of de hoofdpijn uit de slapen, of de pleuris uit de
zijde; maar ik wil er mede zeggen , dat zij ons zulke
gewoonten geeft en ons in zulk een toestand brengt,
als het gunstigst is voor de lichamelijke gezond-
heid. Dat geloof ik, en dat belijd ik. Iedereen weet,
dat opgeruimdheid van geest een groot voordeel
voor de gezondheid is. Zwaarmoedigheid, onrust
en neerslachtigheid zijn in strijd met elke klopping
van het hart en met elke ademhaling van de longen.
Het vermindert de levenskracht, het belemmert den
bloedsomloop, — terwijl opgewektheid van geest
den waren balsem des hemels door al de stroomin-
gen des levens giet. Het gevoel van onzekerheid,
dat den onwedergeboren mensch soms overweldigt,
of hem in de ooren gonst met het gedreun van
tienduizend oordeelsbazuinen, is uiterst ontzenuwend
en uiterst afmattend; terwijl het besef, dat alle din-
-ocr page 49-
41
gen voor mij moeten medewerken ten goede, én
hier op aarde, én voor mijn eeuwig welzijn, tot be-
vordering der lichamelijke gezondheid strekt.
Gij zult opmerken, dat de godzaligheid den ijver
aanvuurt, die de grondslag van een goede gezond-
heid is. Er bestaat geen enkele wet op geneeskun-
dig gebied, die een leefregel aan de hand doet om
een luiaard gezond te doen blijven. De pleuris zal hem
als met dolksteken priemen, de roos zal hem bran-
den , de geelzucht zal hem zijne kleur benemen, de
jicht zal hem kreupel maken, — en zijn verstandige
dokter zal hem geen pijnstillende, of koortswerende,
of verdoovende middelen voorschrijven, maar wel
zagen en hamers en duimstokken en houweelen en
hakbijlen. Er bestaat geen mogelijkheid tot het heb-
ben en behouden van een goeden gezondheidstoe-
stand, zonder het verrichten van degelijken arbeid
van dezen of genen aard, al moogt gij u ook te
slapen leggen op zwanendons, of al kondt gij ook
rijden in een koets met de zachtste bekleeding, of
al zoudt gij al de weelde op uwen disch hebben,
die er kon worden uitgegoten uit de wijnvaten
van Ispahan en Shiraz. Onze godsdienst zegt: „voor-
uit naar het kantoor! vooruit naar het veld! voor-
uit naar den winkel! vooruit naar de fabriek! Doe
iets dat al de krachten van uw lichaam, geest en
ziel in beslag zal nemen!" — „Zijt niet traag
in het benaarstigen. Zijt vurig van geest.
Dient den Heer!" — Terwijl op den blooten rug
van den luiaard en den dagdief de scherpe geesel-
slag van den Apostel neerkomt, als hij zegt: „Zoo
-ocr page 50-
42
iemand niet wil werken, dat hij ook niet e te!\'\'
O, hoe gewichtig is het in deze dagen, nu er
zooveel gesproken wordt over ontleedkunde en
natuurkunde en geneeskunde, en er hier en daar
in de wereld telkens weer nieuwe soorten van art-
senijen te voorschijn komen, — hoe gewichtig is
het voor u om wel te begrijpen, dat de hoogste
school der geneeskunde de school van Christus is,
die betuigt, dat „de godzaligheid tot alle din-
gen nut is, hebbende de belofte des te-
genwoordigenen des toekomenden levens."
En dus, wanneer gij twee menschen de wereld laat
ingaan, met dezelfde lichamelijke gezondheid, en
dan een hunner den godsdienst van onzen Heere
Jezus Christus in zijn hart zal aannemen, terwijl de
ander dien niet aanneemt, — dan zal de een, die
een kind van den Almachtigen God is geworden,
het langst leven. „Ik zal hem met langheid
der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn
heil doen zien."
Voorts merk ik op, dat de godzaligheid
goed is voor het verstand. Ik weet, dat som-
migen in den waan verkeeren, dat, zoodra de mensch
tot het Christelijk leven overgaat, zijn verstand aan
een verdrukkingsproces wordt onderworpen. Juist
het tegenovergestelde: het geloof zal een nieuwen
luister aan zijn verstand schenken, nieuwe kracht
aan zijne verbeelding, een nieuw weerstandsver-
mogen aan zijnen wil, en een breeder vlucht aan
al zijne geestelijke vermogens geven. Het Christendom
is het groote centrale vuur, waaraan de wijsbegeerte
-ocr page 51-
43
hare helderste fakkels heeft ontstoken. De godsdienst
van onzen Heere Jezus Christus is de fontein, waar-
uit de wetenschap hare klaarste teugen heeft ge-
dronken. De Helicon (volgens de fabelleer de berg
waarop de goden en godinnen der schoone kunsten
woonden), stortte niet zulke bezielende wateren uit
als die, welke daar vloeien van onder den troon
Gods , helder als kristal. De godsdienst heeft nieuwe
vlucht en veerkracht gegeven aan de Poëzie, wee-
nend in Dr. Young\'s „Nachtgedachten," leerend in
Cowper\'s „Levenstaak," vlammend in Charles
Wesley\'s gezangen , en ruischend met den luister
der aartsengelen door Milton\'s „Verloren Paradijs."
De godsdienst van Jezus Christus heeft in de schil-
derateliers en in de kunstkabinetten en in het Va-
ticaan de beste doeken en paneelen opgehangen:
Titiaan\'s „Hemelvaart", Raphaël\'s „Verheerlijking",
Rubens\' „Afneming van het kruis," Claude\'s „Bran-
dend Braambosch" , en Michaêi Angelo\'s „Laatste
Oordeel". De godsdienst heeft de beste muziek van
de wereld vervaardigd: Haydn\'s „Schepping", Han-
del\'s „Messias", Mozart\'s „Requiem". Is het wel
mogelijk dat een godsdienst, die zulke onverganke-
lijke monumenten bouwt, en die zijne banier plant
op de hoogste toppen der wereldlijke macht, eenige
andere uitwerking op \'s menschen verstand kan
hebben, dan die van verheffing en verruiming?
Welnu, ik beveel de godzaligheid als de beste leids-
vrouw voor den geest aan: beter dan de fraaie
letteren om den smaak te zuiveren, beter dan de
wiskundige wetenschappen om den geest toe te
-ocr page 52-
44
rusten voor alle ingewikkelde en diepzinnige vraag-
stukken , beter dan de logica om de verstandelijke
vermogens te wapenen tegen den aanval en de over-
winning. Zij zal medegaan met den onderzoeker der
aardlagen, en hem de voetstappen des Scheppers
in den rooden zandsteen aanwijzen. Zij zal medegaan
met den plantenkundige, en hem hemelsche heer-
lijkheden toonen, verborgen onder het gordijn van
een waterlelie. Zij zal met den sterrenkundige mede-
gaan op de ontzaglijke hoogten, waar God als Her-
der zetelt over de groote kudde werelden, die langs
de heuvelen des hemels trekken, antwoordende op
zijne stem als Hij hen allen bij hunne namen roept.
Voorts merk ik op, datdegodzaligheidvan
groot nut is voor \'s menschen gemoeds-
stemming. Een Christelijk officier, die naar een
gewichtigen veldslag zou uittrekken, hoorde men
vooraf dit gebed uitspreken: „O Heer! ik zal het
vandaag zeer druk hebben; indien ik U vergeet,
o, vergeet Gij mij niet!" Met zulk eene Christelijke ge-
moedsstemming als deze, is de mensch onafhanke-
lijk van alle omstandigheden. Onze godsvrucht zal
de kleur hebben van onze natuurlijke geaardheid.
Wanneer iemand van nature ruw en norsch en ge-
melijk is, zal hij — nadat hij een Christen is ge-
worden — zich altijd moeten wapenen tegen de
hernieuwde verheffing van die booze neigingen. Maar
de vreeze Gods heeft de wildste natuur getemd, sten
wrevel herschapen in dankbaarheid, zwaarmoedig-
heid in opgeruimdheid, en zij die barsch en onhan-
delbaar en onverdraagzaam waren, zijn er volgzaam
-ocr page 53-
45
en vredelievend door gemaakt. Goede voornemens,
of pogingen tot hervorming, zullen die verandering
niet teweeg brengen. Er is een machtiger arm en
een machtiger hand noodig om kwade gewoonten
in goede om te zetten, dan de hand die het krom-
groeiend boompje in uwen tuin recht boog; en er
wordt een sterker strik toe vereischt, dan waarmee
ooit een buffel in de prairiën werd opgevangen. De
mensch kan niet uittrekken met eenigerlei soort van
menschelijke wapenen en met goeden uitslag strijd
voeren tegen deze reuzen uit de onderwereld , die
gewapend zijn met losgerukte bergen. Maar gij hebt
voorzeker wel menschen gekend, wier geest onder den
invloed van het Evangelie van Jezus Christus kwam,
waardoor hunne gemoedsstemming eene algeheele
verandering onderging. Dit was bijvoorbeeld het geval
met twee kooplieden te New York. Zij stonden als
volslagen vijanden tegenover elkaar. Zij hadden alles
gedaan wat zij konden om elkaar te beleedigen. Zij
dreven handel in dezelfde soort van goederen. Een
dezer beide kooplieden werd tot God bekeerd. Na-
dat hij bekeerd was geworden, vroeg hij den Heer,
hem te onderrichten hoe hij zich moest gedragen
tegenover dien handelsvijand van hem; en nu kreeg
hij er een diep besef van, dat het zijn plicht was,
om — wanneer een klant kwam vragen naar zekere
soorten van goederen, die hij niet had, maar waar-
van hij wist dat zij bij zijn concurrent wèl in voor-
raad waren, — den klant dan aan te raden , naar
dien anderen winkel te gaan. Ik geloof, dat dit wel
zoo ongeveer het moeilijkste is van wat een koop-
-ocr page 54-
46
man doen kan; maar nu hij eenmaal krachtdadig
door God bekeerd was, besloot hij dien moeilijken
stap toch te doen, en toen er dan ook bij hem
gevraagd werd naar een artikel, dat hij niet in
voorraad had, zeide hij: „Ga naar den winkel van
dien en dien aan den overkant, daar kunt gij het
krijgen." Een poos later bemerkte de koopman nu-
mero twee, dat de klanten op die manier tot hem
werden gezonden; en hij bemerkte nu óók, dat
koopman numero één tot God gebracht was, en
hij zocht dienzelfden godsdienst. Thans zijn zij goede
vrienden en goede buren, doordien Gods genade
eene algeheele verandering in hunne gemoedsstem-
ming heeft gebracht.
„O", zegt iemand, „ik heb een ruw, twistziek en
opvliegend karakter, en de godsdienst kan voor mij
niets doen!" Weet gij wel, dat Martinus Luther, en
Isaac Newton, en Richard Baxter mannen van een
heftig en niets ontziend karakter waren, - en
dat zij door Gods genade toch een onberekenbaar
groot nut gesticht hebben ? De eigenaar van een
door waterkracht gedreven fabriek heeft weinig of
niets aan een riviertje, dat traagjes tusschen de wei-
landen doorvloeit; maar langs een krachtigen stroom,
die van rots tot rots springt en met woeste vaart
door het dal bruist en van daaruit naar de zee, —
langs zulk een rivier zult gij snorrende weefgetou-
wen en dreunende molens en schuimende waterrade-
ren vinden. En een karakter dat tot de rumoerigsten,
de driftigsten en de schrikwekkendsten behoort, zulk
een karakter wordt door God tot de grootste din-
-ocr page 55-
47
gen bekwaam gemaakt. O , hoe velen die vroeger
strijdlustig, en moeilijk te voldoen, en opvliegend
waren, en die zich veel meer ergerden over den
splinter in huns naasten oog, dan over den balk in hun
eigen oog, zijn door Gods genade geheelve randerd
geworden, en hebben ondervonden, dat „de god-
zaligheid tot alle dingen nut is, hebbende
de belofte des tegenwoordigen en des
toekomenden levens."
Voorts maak ik er u opmerkzaam op, dat d e
godsdienst goed is voor \'s menschen we-
reldsche zaken. Ik weet wel, dat de algemeene
stelregel is: hoe meer zaken, hoe minder godsdienst,
hoe meer godsdienst, hoe minder zaken. Maar niet
aldus dacht Dr. Hans er over in zijn „Levensbe-
schrijving van een Christelijk koopman," wanneer hij
zegt: „Hij wies meer op in de genade gedurende zijne
laatste zes levensjaren, dan in een der vorige
tijdperken van zijn leven; en gedurende die zes jaren
zag hij zijne zaken méér toenemen, dan in vroeger
tijd het geval was geweest." Met andere woorden:
hoe meer wereldsche zaken iemand heeft, des te
meer gelegenheid heeft hij om God te dienen. Zou
de vreeze Gods de wereldsche zaken in de hand wer-
ken of belemmeren ? is voor u de practische vraag,
die hier besproken moet worden. Drukt de vreeze
Gods als een hypotheek op de boerderij ? Is zij een
kwade post in uw kasboek? Is zij een schuldenlast
op het landgoed ? Verspert zij de deur, waardoor
de klanten moeten binnenkomen om dameslaken en
zijde te koopen? O ja: de godsdienst zal uwe zaak
-ocr page 56-
48
tegenwerken, indien het een slechte zaak is, of
indien het een goede zaak is, die slecht beheerd
wordt. Indien gij leugens opdischt achter de toon-
bank, indien gij valsche maten en gewichten ge-
bruikt, indien gij zand in de suiker doet, en beet-
wortelsap in de azijn, en vet in de boter, en iets
verkoopt dat eigenlijk iets anders is, — dan zal de
godsdienst een stokje komen steken voor die manier
van zaken doen. Maar een eerlijke zaak, eerlijk be-
stuurd, zal in den godsdienst van onzen Heere
Jezus Christus haren machtigsten bondgenoot vinden !
De vreeze Gods zal u gelijkmatigheid, kalmte en
gemoedsrust geven; zij zal u behoeden tegen uit-
barstingen van drift, en gij weet: een groot aantal
prachtige zaken zijn tot gruizels geslagen door een
slecht humeur; zij zal u weerhouden van moede-
loosheid over herhaalde verliezen, zij zal u ijverig
en stipt doen blijven , zij zal u vrijwaren van ver-
kwisting en van verspilling, zij zal aan uw karakter
een minzaamheid en vriendelijkheid geven, die zeer
gemakkelijk te onderscheiden zal zijn van die pure
winkelbeleefdheid, die u in vervoering de hand
drukt, en naar de gezondheid van uwe familie
vraagt, terwijl er geen zweem van echt belangstellend
verlangen bestaat om te weten of uw kind welva-
rend of ziek is, — maar des te grooter verlangen
om te weten, hoeveel dozijn katoenen zakdoeken
gij zult nemen en contant betalen! Zij zal u toe-
rusten en voorbereiden voor de practische plich-
ten van het alledaagsche leven. Ik wil niet zeggen,
dat de vreeze Gods ons finantieel rijk zal maken;
-ocr page 57-
49
maar ik zeg wèl, dat zij ons zal geven, en ons zal
verzekeren, een behoorlijk bestaan in den aanvang,
een behoorlijk bestaan op den ganschen weg, en
dat zij ons helpen zal om het kantoor te besturen,
om de fabriek te beheeren, om al onze handelsza-
ken te leiden, en om de onbeteekenendste zaak
van ons leven tot een zaak van groot gewicht te
maken, verheerlijkt door het Christelijk beginsel.
In de handelsstad New-York woonde een koopman,
die steeds zeer streng optrad in zijn omgang met
zijne confraters, en die boven zijn kantoor of zijn
winkel geschreven had: „Geen schikking!\'\' Toen er
nu over een der kooplieden een crisis kwam, waarin
hij te gronde ging, niet door zijn eigen schuld,
maar door een samenloop van noodlottige omstan-
digheden , waren al de andere kooplieden bereid
om in een schikking te treden, — zij wilden zich te-
vreden stellen met vijf en zeventig percent, of met
vijftig percent, of met twintig percent, — totdat
men het laatst van al!en ook bij den bovengenoem-
den man kwam, die ten antwoord gaf: „Geen schik-
king! Ik zal niet minder aannemen dan honderd
percent, en ik heb den tijd en de middelen om te
wachten V\' Welnu, al spoedig werden de bordjes
verhangen; want eenigen tijd later ging de man zelf
gebukt onder een handelscrisis, en zond hij zijn
advokaat uit om een schikking te bewerken; en
de advokaat vroeg aan de kooplieden: „Zoudt gij
u met vijftig percent-tevreden stellen?" — „Neen!"
— „Wat zoudt gij dan willen aannemen?" — „Wij
willen niet minder dan honderd percent aannemen.
-ocr page 58-
Geen schikking!" En de man, die dat opschrift
boven zijn kantoor plaatste , stierf in het armhuis.
O, wij hebben zoo groote behoefte aan wat meer
van de vriendelijkheid des Evangelies en van den
geest der liefde in onze handelsondernemingen!
Hoevele jongelieden hebben in den godsdienst van
Jezus Christus een practische hulp gevonden! Hoe-
velen zijn er op het oogenblik in dit bedehuis aan-
wezig, die uit hunne eigene ervaringen zouden kun-
nen getuigen, dat de godzaligheid van nut is voor
het tegenwoordige leven! Zij hebben tijden in hun
handelszaken gekend, toen zij hier om hulp vroe-
gen, en daar om hulp aanklopten, en ginds om
hulp smeekten, maar geen hulp kregen, — totdat
zij nederknielden voor den Heere God, en tot Hem
om verlossing riepen, en de Heer hen uit den nood
redde.
Op een bankierskantoor niet ver van de groote
wereldstad New-York, een bankier in een kleine
plaats, kon een der bedienden zijne rekeningen niet
sluitend krijgen. Hij had er dag aan dag aan ge-
werkt , nacht aan nacht, en tengevolge van die over-
groote inspanning was hij bijna doodziek geworden.
Hij wist, dat hij zich geen cent uit de kas had toe-
geëigend ; maar door een of andere oorzaak, om
de een of andere nu nog ondoorgrondelijke reden,
wilden de berekeningen niet sluiten. De tijd ver-
streek; de ochtend van den dag, waarop de boeken
door de patroons zouden nagezien worden, was
aangebroken, en hij begreep dat hem een vreese-
lijk gevaar boven het hoofd hing, daar hij wel over-
-ocr page 59-
5*
tuigd was van zijne eigene eerlijkheid, maar niet
in staat was om die eerlijkheid met cijfers te be-
wijzen. Dien morgen ging hij vroegtijdig naar het
kantoor, waar hij voor God neerknielde en de ge-
heele geschiedenis van zijn zielsangst verhaalde,
waarna hij uitriep: „O , Heer! ik heb rechtvaardig-
lijk gehandeld; ik heb mij niet aan oneerlijkheid
schuldig gemaakt, maar thans ben ik op het punt om
te gronde gericht te worden , tenzij Gij tot mij wilt
komen om mij te redden! O, Heer! verlos mij!"
En een uur lang bleef hij aanhouden in het gebed
tot God; en daarna stond hij op, en ging hij naar
een oud kladboek, waaraan hij tot dusver in \'t ge-
heel niet gedacht had. Hij sloeg het open, en daar
lag een papier met cijfers, die hij slechts behoefde
toe te voegen aan een andere reeks cijfers — een
reeks cijfers die hij had vergeten, en waarvan hij niet
meer wist waar hij die gelegd had — en de berekenin-
gen sloten volmaakt, en de Heer had hem verlost.
Gij zijt een ongeloovige, als gij het niet gelooft.
De Heer verloste hem. God verhoorde zijn ge-
bed, zooals hij ook uw gebed zal verhooren, o
man van zaken! in elke crisis waarmede gij tot
Hem komt. Welnu, indien dit zoo is, dan ben ik
er van overtuigd, evenals gij er overtuigd van zijt,
dat de groote meerderheid der Christenen de waarde
van hun godsdienst niet volkomen beseffen. Zij han-
delen als een landbouwer in Californië, met vijf-
tienduizend bunders goed tarweland, en die toch
slechts het vierde gedeelte van een bunder be-
bouwt. Waarom gaat gij niet heen, en maakt gij den
-ocr page 60-
52
godsdienst van Jezus Christus niet tot een practi-
sche zaak, eiken dag van uw beroepsleven, en dit
jaar, en alle verdere jaren, te beginnen op dit eigen
oogenblik met het voornemen om, van morgenoch-
tend af, den eersten werkdag, dezen heiligen gods-
dienst in practische beoefening te brengen en door
uwe daden werkelijk door uw leven te bewijzen,
dat de godzaligheid van nut is zoowel
hier als hiernamaals?
Hoe zult gij er komen zonder dezen godsdienst?
O, hoevelen zijn er geweest, die, het geloof in Jezus
Christus uitstellend, zich schuldig gemaakt hebben,
aan fouten, welke zij nooit weer konden verbeteren,
ofschoon zij daarna nog tachtig jaar geleefd hebben ! En
als slangen die onder wagenraderen gekneusd zijn en
hunne verbrijzelde lichamen voortslepen tot onder de
rotsen, om daar te sterven, — zoo zijn deze rampzali-
gen gevallen onder het rad der schrikkelijkste ellende,
dat hen hier op aarde verpletterde en in de eeuwig-
heid zal blijven pijnigen. Terwijl een ontelbare
menigte anderen den godsdienst van Jezus Christus
hebben opgenomen in hun dagelijksch leven, en
allereerst in hunne practische beroepszaken, en daarna
op den troon van den hemelschen triomf, terwijl
de engelen het aanzagen, en het heelal het jubelend
toejuichte, daadwerkelijk de heerlijke waarheid heb-
ben bekrachtigd: dat „de godzaligheid tot
alle dingen nut is, hebbende de belofte
des tegenwoordigen en des toekomenden
levens/\' — Amen.
-ocr page 61-
IV.
SLECHT GEZELSCHAP.
Een woord tot Ouders en Jongelieden.
Die der zotten metgezel is, zal ver-
broken
worden.
Spreuken XIII : 20.
„Met welnemen van de heeren rechters," sprak
een van schuld overtuigd boosdoener, nadat hem
gevraagd was of hij nog iets te zeggen had alvorens
de straffe des doods over hem zou worden uitge-
sproken , — „met welnemen van de heeren rechters:
slecht gezelschap is de oorzaak van mijn verderf
geweest. Ik genoot de zegeningen van brave ouders;
en als \'t ware in ruil daarvoor besloot ik, alle kwade
gezelschappen te mijden. Als ik mijne belofte ge-
houden had , zou mij nu de schande van dit oogenblik
bespaard zijn gebleven, en ware ik nu vrij van den
last der schuld, die als een gier om mij heen zweeft,
en mij voor het gerecht dreigt te sleepen wegens nog
verborgen gebleven misdaden. Ik, die vroeger in
de aanzienlijkste kringen der maatschappij verkeerd
heb, en de dischgenoot ben geweest van hoogge-
-ocr page 62-
54
plaatste mannen in het openbare leven, ben redde-
loos verloren gegaan door slecht gezelschap !" — Dit
is slechts één van de duizend bewijzen, dat „der
zotten metgezel verbroken zal worden!\'
Het is de
onveranderlijke regel. Breng een gezond man in de
zalen van een ziekenhuis, alwaar een honderdtal
lijders aan pokken en typhus liggen, — hij zal niet
in zóó hooge mate blootstaan aan het gevaar om
een dezer ziekten op te doen, als een goed man
aan het gevaar om met zedelijke verdorvenheid be-
smet te worden, wanneer hij met goddelooze mak-
kers wordt opgesloten. In den ouden tijd werden
de gevangenen bij elkaar gezet in een en denzelfden
kerker; maar hoofd voor hoofd leerden zij de on-
deugden van al de andere veroordeelden, zoodat
zij — in plaats van door de opsluiting verbeterd te
worden — op den dag hunner invrijheidstelling als
beesten en niet als menschen in de maatschappij te-
rugkeerden.
Wij kunnen in onze handels- en nijverheidssteden
genoodzaakt zijn om te spreken en zaken te doen
met slechte menschen; maar hij, die zich vrijwillig
en uit eigen beweging met verdorven lieden vereen-
zelvigt, is bezig zich te verslingeren aan een Delila,
wier schaar al de lokken zijner kracht zal afknippen ,
en langs zijn hellend pad zal hij afglijden in het ver-
derf.
De zonde is overerfelijk, is besmettend, is epi-
demisch. Ik zal u een overzicht geven over de mil-
lioenen menschen, die thans de aarde bewonen; en
ik daag u uit, mij een goed man te toonen, die één
-ocr page 63-
55
jaar geleden vriendschap gesloten en gemeene zaak
gemaakt heeft met de goddeloozen. Duizend dollars
belooning voor zulk een voorbeeld! Het doet er niet
toe, hoe sterk en krachtig uw karakter moge zijn, —
vergezelschap u met spelers, en gij zult een speler
worden; voeg u bij de inbrekers, en gij zult een
inbreker worden; begeef u onder de onreinen, en
gij zult onrein worden !
Door de waarheid van mijn tekstwoord niet hoog
genoeg te schatten, is menig jonkman te gronde ge-
gaan. Hij ontwaakt den een of anderen ochtend in
de groote stad, en kent er niemand anders dan de
heeren bij wie hij in dienst is getreden. Als hij in
het magazijn of op het kantoor komt, wordt hij door
al de oudere bedienden gemonsterd, gemeten, ge-
wogen en besproken. De rechtschapen jongelui op
het kantoor roepen hem het welkom toe, of. .. wach-
ten misschien eerst tot hij officieel aan hen voorge-
steld is ; en zelfs dan nog leggen zij eenige terug-
houding aan den dag in de manier waarop zij hem
in hunne kringen noodigen.
Maar de slechte jongelui van het kantoor komen
bij de eerste de beste gelegenheid naar hem toe, en
bieden hem hunne diensten aan. Zij nemen hem
onder hunne „bescherming." Zij laten blijken , dat zij
alles afweten van de stad. Zij zullen hem wel over-
al brengen waar hij heen wil, — als hij de entrees
en de vertering maar betaalt. Want als een goed
jonkman en een slecht jonkman samen naar de een
of andere plaats gaan , waar beiden nooit behoorden te
komen, moet de goede jonkman onveranderlijk het
-ocr page 64-
56
gelag betalen. Op het oogenblik dat de entreekaart-
jes genomen moeten worden, of de bestelde cham-
pagne moet worden betaald, voelt de slechte jonk-
man overal in zijne zakken, en zegt hij: „Wel, nu
heb ik toevallig mijn portemonnaie vergeten!" Bin-
nen de tweemaal vierentwintig uren nadat de jonk-
man het kantoor of magazijn is binnengetreden, klop-
pen de slechte bedienden der zaak hem familiaar
op den schouder; en als hij hun dan niet „scherp-
zinnig" genoeg blijkt om zekere toespelingen te be-
grijpen, zeggen zij:,, Beste vrind, je zult eens ont-
groend moeten worden!" En dan maken zij onmid-
dellijk een aanvang met zijne ontgroening of ontbol-
stering, zooals zij het noemen.
Jonkman! in den naam van God waarschuw ik u,
wel toe te zien, hoe gij een slecht mensch in de
gelegenheid laat om op een familiaren toon met u
te spreken. Wanneer zoo iemand u vertrouwelijk
op den schouder klopt, keer u dan om en werp
hem een vernietigenden blik toe, totdat de ellende-
ling in uwe tegenwoordigheid als een worm ineen-
krimpt. Zelfs de reusachtigste goddeloosheid kan
niet met ongebogen hoofde blijven staan onder den
blik van reinheid en eerbaarheid. God houdt de
bliksem van den hemel in Zijn eigen scheede, en
geen menschelijke arm kan dien zwaaien; maar
God geeft aan iederen jonkman een bliksem, waar-
van hij gebruik kan en mag maken, en dat is:
de kracht van een eerbaren oogopslag. Zij die
de dingen goed waargenomen hebben, zullen er
zich niet over verwonderen, waarom ik de waar-
-ocr page 65-
57
schuwing geef: „Wacht u voor slecht gezelschap!"
Ten eerste waarschuw ik u: ontwijk den onge-
loovige
, den jonkman die zijne duimen in de arms-
gaten van zijn vest steekt, en eens hartelijk lacht
om uw ouderwetschen godsdienst, en het een of
andere mysterie van den Bijbel onder handen neemt,
en dan zegt: „Leg dat eens uit, mijn vrome en god-
zalige vriend! Leg mij dat eens uit!" En die zegt:
„Ik stoor mij aan niemand; ik ben niet bang voor de
toekomst; ik geloofde vroeger aan zulke dingen, en
mijn vader en moeder geloofden er óók in, doch
daar ben ik nu al lang overheen 1" Ja, hij is er
overheen; en als gij hem nog een poosje langer
gezelschap blijft houden, zult gij er óók overheen
zijn! Zonder één enkel argument tegen den Chris-
telijken godsdienst aan te voeren, zullen dergelijke
lieden, door hun smaad en spot en carricaturen,
u uwen eerbied benemen voor dat geloof, dat
de kracht uws vaders was in de laatste jaren van
zijn levensavond, en het hoofdkussen uwer oude
moeder, toen zij op haar sterfbed lag. Helaas! er
zal een tijd komen, dat ook die snorkende jonge onge-
loovige zal moeten sterven, en dan zal zijn diaman-
ten ring geen luister doen stralen in de oogen van
den Dood, terwijl hij over zijn bed gebogen staat,
wachtende op zijne ziel. Die prachtige lokken zullen
dan ordeloos op het kussen hangen, en de stervende
man zal uitroepen: „Ik kan niet sterven! — ik kan
niet sterven!" Maar de Dood, gereed staande naast
zijne sponde, zegt: „Gij moet sterven; gij hebt nog
slechts een halve minuut te leven; laat mij nu be-
-ocr page 66-
58
zit nemen van uwe ziel!" — „Neen," zegt de jonge
ongeloovige, „hier zijn mijne gouden ringen en
mijne schilderijen, — die moogt gij allen nemen !" —
„Neen ," zegt de Dood, „wat geef ik om schilderijen?
Uwe ziel moet ik hebben!" — „Ga weg!" roept de
stervende ongeloovige. — „ Ik wil niet weggaan,"
zegt de Dood, „want gij hebt nog maar tien se-
conden te leven, en ik moet uwe ziel hebben!" —
De stervende man zegt: „Blaas mij toch niet dien
ijskouden adem in mijn gezicht! Gij dringt veel te
dicht op mij aan. Het begint zoo donker in de kamer
te worden .... o God!" — „Stil!" zegt de Dood;
„gij hebt altijd beweerd, dat er geen God was!"
— „Bid voor mij!" jammert de zieltogende onge-
loovige. — „Te laat om te bidden!" zegt de Dood;
„nog maar drie seconden levens over, en die zal ik
u voortellen: — een — twee — drie — — ." Hij
is heengegaan! Waarheen? Waarheen? Draagt hem
uit naar buiten, en begraaft hem naast zijn vader
en moeder, die tot aan hun jongsten snik op hun
geloof in Christus bleven steunen ! Die beiden stier-
ven juichend; maar de jonge ongeloovige zeide
slechts: „Blaas mij toch niet met dien ijskouden adem
in mijn gezicht! Gij dringt te dicht op mij aan!
Het begint zoo donker in de kamer te worden!"
Voorts bezweer ik u, het gezelschap van luiaards
en lediggangers te schuwen.
Rondom alle magazijnen
en kantoren en winkels zwerven er lieden rond, die
niets te doen hebben, of althans doen alsof zij niets
te doen hadden. Zij weten heimelijk binnen te sluipen,
wanneer de patroons er niet zijn, en trachten een
-ocr page 67-
59
praatje met u te maken , terwijl gij met uwe dage-
lijksche werkzaamheden druk bezig zijt. Breng zulken
lieden beleefd maar duidelijk onder het oog, dat gij
gedurende uwe werkuren geen tijd voor hen te mis-
sen hebt. Het liefst zouden zij hebben, dat gij
uwe bezigheden in den steek liet en met hen meê
gingt luieren en dagdieven. Het grootste gedeelte
van den dag slenteren zij rond in de nabijheid
van sociëteiten of voor de deuren van voorname
koffiehuizen, of na etenstijd staan zij op de stoep
van een aristocratisch hotel of een restaurant van
den eersten rang, met oogmerk om u daardoor in
den waan te brengen, dat zij gewoonlijk in deze
inrichtingen gaan „dineeren." Doch daar dineeren zij
niet! Zij zinken al lager en lager, al dieper en dieper,
dag aan dag. Laat u bij dag noch bij nacht, laat u
nooit in met de luiaards en lediggangers! Alvorens
gij met iemand kennismaking aanknoopt, moet gij
hem altijd beleefdelijk vragen: „Wat doet gij voor
den kost?" Wanneer hij zegt: „Niets; ik ben een
deftig heer," neem u dan terdege voor hem in acht!
Hij moge bijzonder blanke en zachte handjes hebben ,
en eene in alle opzichten onberispelijke kleeding dra-
gen , en een voornaam klinkenden familietitel be»
zitten, maar: zijne aanraking is de dood! Vóór en
aleer gij het weet, zult gij u in zijne tegenwoordig-
heid schamen over uw werkpakje. Het werken zal
u ordinair en gering beginnen voor te komen; en
dan zal het niet zoo heel lang meer duren, of gij
zult uwe betrekking verliezen, en vervolgens uwe
achtenswaardigheid, en ten laatste van alles uwe
-ocr page 68-
6o
ziel. Luiheid en ledigheid zijn de naaste buren van
slechtheid en schurkerij. Dieven , spelers, inbrekers,
ladelichters en moordenaars worden gevormd uit
het soort lieden, die niets te doen hebben. Wanneer
de politie agenten jacht gaan maken op een boef,
om hem in hechtenis te nemen , gaan zij zelden een
onderzoek doen bij ijverig werkende bedienden of
onder het druk arbeidende fabriekspersoneel, — maar
dan gaan zij eens zoeken onder de troepjes leeg-
loopers en dagdieven. De vertooning in den schouw-
burg is in vollen gang, als er plotseling op de bovenste
galerij een opschudding ontstaat. Wat is er te doen ?
Och, er is een politie-agent binnengekomen; en
zich een weinig naar voren buigend, heeft hij een
jonkman even op den schouder getikt en tot hem
gezegd: „Ik moet je eens spreken, heerschap!" Het
heerschap had den gansenen dag geen slag uitge-
voerd; maar toch heeft hij op de een of andere wijze
het noodige geld bij elkaar weten te krijgen, om
zijne plaats op de bovenste galerij te betalen. Hij
is een luiaard. De man aan zijne rechterhand is een
luiaard, en de man aan zijne linkerhand is een lui-
aard.
Schuw de luiheid in uzelf en in anderen, als gij
op het rechte standpunt wilt blijven staan. Een hoogst
eerwaardig man van naam en invloed, en van meer
dan tachtigjarigen leeftijd, zat op zekeren dag druk
te schrijven, toen hij een bezoek kreeg van een
jonkman, die hem vroeg: „Waarom maakt gij het
u nog zoo druk? Het is voor ü waarlijk wel tijd
om te rusten!" Maar hij antwoordde: „Ik maak het
-ocr page 69-
6i
mij druk, opdat de duivel mij niet slecht zal maken!"
Niemand is sterk genoeg om lui te zijn.
Ziet gij gaarne schilderijen ? Zoo ja, dan zal ik u
eens een der meesterstukken van een ouden kun-
stenaar laten zien. Hier is het: „Ik ging voorbij den
akker eens luiaards
, en voorbij den wijngaard van
een verstandeloos mcnsch; en ziet hij \'was gansch op-
geschoten van distelen, zijne gedaante was niet nete-
len bedekt, en zijn stcencn scheidsmuur zvas a/gebro-
ken. Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte;
ik zag hel, en nam onder mij zing aan: een weinig
slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvou-
wens, al ncderliggcnde, zoo zal uwe armoede u over-
komen als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als
een gewapend man.""
Ik weet geen aangrijpender en
indrukwekkender schildering in den Bijbel, dan deze.
Eerst sist zij zachtkens, als het zundgat van een
kanon; maar op \'t laatst barst zij uit, als een vier-
envijftigponder. Het oude spreekwoord had wel ge-
lijk: „De duivel brengt de meeste menschen in ver-
zoeking, maar de luiaards brengen den duivel in
verzoeking."
Een jonkman kwam tot een man van negentigjari-
gen leeftijd en vroeg hem: „Hoe hebt gij het toch
aangelegd om zoo lang en zoo goed te leven ?" De
oude man nam den jongeling mede naar een boom-
gaard , en op een grooten, zwaar beladen appel-
boom wijzend, zeide hij: „Ik heb dezen boom ge-
plant toen ik een kleine jongen was; en verwon-
dert het u nu, dat ik thans het voorrecht heb, er
de vruchten van in te zamelen?" Wij oogsten op
-ocr page 70-
62
onzen ouden dag wat wij in onze jeugd geplant
hebben. Als wij wind zaaien, zullen wij storm maaien.
Plant vroeg in uw leven een echt Christelijken
geest, en gij zult er op uw ouden dag de sappige
vruchten van eten, en den oogst dezer appelen in
de eeuwigheid verzamelen.
Voorts bid ik u, den rustcloozen genotzoekcr
te schuwen. Ik geloof onvoorwaardelijk, dat ont-
spanning en vermaak een deugdelijk recht van bestaan
hebben. Maar het najagen van vermaken als levenstaak
te beschouwen, maakt iemand per slot van rekening
altijd tot een booswicht of een dwaas. Zekere
George Brummell werd glimlachend toegejuicht
door heel Engeland, en zijn leven was gewijd aan
het vermaak. Hij danste met gravinnen en jonk-
vrouwen , en leefde in een roes van vroolijkheid en
rijkdom en toejuichingen, — totdat hij, met een
totaal uitgeputte beurs, en een afgeleefd lichaam,
en een bankroet gegane reputatie, en een te gronde
gerichte ziel, bij een bakker kwam bedelen om een
stuk brood, en openlijk de verklaring aflegde, dat
het leven van een hond hem verkieselijker voorkwam
dan het leven van zulk een mensch als hij was !
Zulke lieden komen lanterfanten rondom uw les-
senaar of uw toonbank of uw werkbank, of trach-
ten u mede naar buiten te tronen. Zij willen u be-
praten om midden uit uw drukken dag met hen mede
te gaan, of samen een rijtoertje naar het park of
de bosschen of het strand te doen. Zij zullen u
vertellen van deze en gene lieden, die gij eens
moet gaan bezoeken; van een uitstapje, dat gij
-ocr page 71-
63
moet doen; van dezen of genen Dag des Heeren,
dien gij wel eens kondt schenden. Zij zullen met
u spreken over uitgezochte wijnen, die gij moet
drinken; van prachtige opera\'s, die gij moet hooren;
van wonderbare danseressen, die gij eens moet
gaan zien. Maar alvorens gij hun geleide of hun
gezelschap aanneemt, behoort gij te bedenken, dat
— terwijl gij aan het einde van een nuttig besteed
leven misschien in staat zult zijn om terug te zien
op bewezen weldaden, op volbrachten eerlijken
arbeid, op voortgeholpen armoede, op het verdienen
van een goeden naam, op het oefenen van een
Christelijken invloed, op het bevorderen van de
zaak des Heilands, — deze vermaakjagers op hun
sterfbed niets beters hebben te overzien, dan een
verscheurd speellijstje, een entreekaartje voor de
wedrennen, een ledige wijnflesch, en de wegge-
worpen overschotten van een braspartij. En als zij
in den waanzinnig ijlenden angst van hun afgrijse-
lijken dood den beker grijpen en aan hunne lippen
zetten, valt de droesem van den bodem op hunne
tong, en begint hij daar te sissen en zich te ont-
rollen met de adders van een eeuwig vergif! Bant
deze mannen uit uw gezelschap! Gaat niet op ver-
trouwelijken voet met hen om. Maar weest altijd be-
leefd. Er bestaat geen noodzaak, dat gij ooit de be-
leefdheid zoudt prijsgeven. Een jonkman sprak een
vroom Christen eens aan met de vraag: „Wel,
oude jongen! hoe ben je toch aan al je geld ge-
komen?" De Christen antwoordde: „Door handel
te drijven in een artikel, waarin gij óók wel kunt
-ocr page 72-
64
gaan doen, als gij wilt: beleefdheid." Weest altijd
hoffelijk, maar — tegelijk ook flink en standvastig!
Zeg „neen !" op een toon waaraan men hooren kan ,
dat gij het werkelijk meent. Laat iedereen het weten
en begrijpen in het magazijn en den winkel, op het
kantoor en de straat, dat gij niet verkiest te be-
hooren tot het gezelschap der ongeloovigen, der
luiaards en der vermaakjagers!
Neemt, liever dan u bij het gezelschap derzulken
aan te sluiten, de uitnoodiging tot een beier feest-
maal
aan. De beloften van God zijn daar de vruch-
ten op den disch. De harpen des hemels leveren
er de muziek. Trossen van de wijngaarden des
Heeren zijn in de wijnkannen uitgeperst. De zonen
en dochteren van den Almachtigen God zijn de
gasten, — en daar ginds staat, aan den feestdisch,
om de bekers te vullen, en de trossen te verdeelen ,
en de harpen aan te voeren, en de gasten te ver-
welkomen, een dochter des Heeren , wier voorhoofd
met de bloesems van het Paradijs getooid is, en
op wier wangen de blos van den hemelschen zomer
prijkt. Haar naam is Vreeze Gods:
«Hare wegen zijn wegen der lieflijkheid,
En al hare paden zijn vrede.»
Neem nu spoedig een beslissing, o jonkman!
welke richting gij wilt inslaan. Er komt tóch een-
maal zulk een oogenblik van eindbeslissing, —
waarom zal het niet dit oogenblik zijn? Op zekeren
avond zag ik een jonkman op den hoek eener straat
-ocr page 73-
65
staan, blijkbaar in tweestrijd verkeerend, welke
richting hij het best zou inslaan. Zijn hoed zat hem
hoog genoeg op het hoofd, om te doen zien, dat
hij een verstandig voorhoofd had; en hij had een
breede borst, en een krachtig, stoer ontwikkeld
lichaam. Een prachtig jonkman. Een beschaafd
jonkman. Een achtenswaardig jonkman. Waarom
bleef hij daar staan, terwijl zoovelen her- en der-
waarts liepen? De zaak is, dat ieder mensch een
goeden en een kwaden engel heeft, die om de op-
perheerschappij over zijnen geest worstelen, — en
nu waren er een goede engel en een kwade engel
strijdende om de ziel van den jonkman op den hoek
dier straat. „Ga met mij mede!" sprak de goede
engel; „ik zal u huiswaarts geleiden; ik zal mijne
vleugelen over uw kussen uitspreiden; ik zal u lief-
derijk ter zijde blijven, uw gansche leven lang,
onder bovenaardsche bescherming! Ik zal eiken
beker zegenen, waaruit gij drinkt, elke sponde
waarop gij rust, eiken drempel dien gij overschrijdt;
ik zal uwe tranen heiligen, wanneer gij schreit, en
uw zweet, wanneer gij arbeidt; en ten slotte zal ik
uw graf overdragen aan den blinkenden engel der
opstanding in Christus. In antwoord op de smee-
king uws vaders en het gebed uwer moeder, ben
ik door den Heer uit den hemel gezonden, om uw
beschermgeest te zijn. Ga met mij mede!" sprak
de goede engel, met een stem vol lieflijken klank,
die niet van deze aarde was. Het was een muziek,
als uit een luit des hemels ruischt, wanneer een
seraf haar aan zijne lippen zet.
-ocr page 74-
66
„Neen! neen!" sprak de kwade engel, „ga liever
met mij mede; ik heb u iets beters aan te bieden!
De wijnen, die ik te drinken geef, komen uit de
schenkkannen der bedwelmende feestgelagen; de
dans, dien ik leid, gaat over vloeren, welke zijn
ingelegd met onbeteugelde genietingen; er is geen
God om te toornen over de tempelen der zonde,
waarin ik mijn eeredienst houd. De lucht is er blauw
en helder als de Italiaansche. De paden, die ik be-
wandel, loopen door weilanden vol viooltjes en
sleutelbloemen. Ga met mij mede!" — De jonkman
aarzelde op een oogenblik, toen elke aarzeling zijn
verderf moest zijn; en de kwade engel sloeg de goede
engel totdat hij vlood, zijne vleugelen uitspreidende,
door het sterrenlicht naar boven, en al verder en ver-
der weg, tot er eindelijk een deur openging in het
uitspansel, en de vleugelen voor eeuwig verdwenen.
Dat was het keerpunt in de geschiedenis van dien
jonkman. Want nadat zijn goede engel was heen-
gevloden, aarzelde hij niet langer, maar sloeg hij
een pad in, dat aan het begin verleidelijk schoon is ,
maar aan het einde vol pestwalmen. De kwade engel,
die hem den weg wees, opende de eene poort na
de andere, en buiten elke poort werd het pad ru-
wer en de lucht grauwer, — en wat opmerkelijk
was: wanneer de poort dichtsloeg, ging dit ge-
paard met een eigenaardig dreunend geluid, waar-
aan duidelijk gehoord kon worden, dat zij zich nooit
weer openen zou. Bij het doorgaan van ieder por-
taal volgde er een knarsen van sloten en een ver-
schuiven van grendels; en het landschap aan beide
-ocr page 75-
67
zijden van den weg veranderde van tuinen in woes-
tenijen , en de Junilucht werd een snerpende Decem-
berstorm. En de glinsterende vleugelen van den
kwaden engel namen een vaalgrijze kleur aan, en
zijne oogen vol licht werden dof en hol, als door
een hopeloos verdriet, en de fonteinen, die bij den
aanvang hadden overgevloeid van wijn, spoten nu
brandende tranen en schuimend bloed op. En aan de
rechterzijde van den weg was er een slang, en de
man vroeg aan den kwaden engel: „Wat moet die
slang hier?" en het antwoord was: „Dat is de slang
van het wroegend berouw!" Aan den linkerkant van
dien weg was er een leeuw, en de man vroeg aan
den kwaden engel: „Waartoe is die leeuw hier?"
en het antwoord was: „Dat is de leeuw der alles-
verslindende wanhoop!" Er kringde een gier in de
lucht, en de man vroeg aan den kwaden engel:
„Wat komt die gier hier doen?" en het antwoord
was: „Dat is de gier, die op de lijken der slacht-
offers aast \\" En toen begon de man moeite te doen
om zich los te wikkelen uit de kronkelingen van iets,
dat zich geheel om hem heen had gewonden, —
en hij vroeg aan den kwaden engel: „Wat mag het
toch zijn, dat mij in deze afschuwelijke omknelling
perst?" en het antwoord was: „Dat is de worm die
nooit sterft!" En toen vroeg de man aan den kwa-
den engel: „Wat heeft dit alles te beteekenen? Ik
stelde vertrouwen in hetgeen gij tot mij zeidet op
den hoek der straat dien avond; ik vertrouwde u
geheel, en waarom hebt gij mij dus zoo bedrogen?"
Toen wierp de verleider ten volle het masker af en
-ocr page 76-
68
zeide hij: „Ik werd uitgezonden uit den helschen
poel om uwe ziel te verderven; jaren achtereen
heb ik daartoe op een gelegenheid gewacht; toen
gij dien avond op den hoek der straat aarzeldet, be-
haalde ik mijne overwinning, — en nu zijt gij hier!
Ha, ha! gij zijt hier! Kom nu, laat ons deze twee
kelken met vuur vullen , en daaruit samen drinken
op de Duisternis en de Ellende en den Dood! Daar
gaan zij!" — O jonkman! zal de goede engel, uit-
gezonden door Christus, of de kwade engel, uitge-
zonden door de zonde, de overwinning behalen over
uwe ziel? Hunne vleugelen raken en dekken elkaar
op dit oogenblik boven uw hoofd, worstelende om
uwe toekomst, zooals boven het gebergte der Ape-
nijnen de arend en de condor hoog in de lucht om
hun prooi strijden. Deze ure kan beslissend zijn voor
uwe bestemming! God helpe u! Aarzelen staat ge-
lijk met sterven! — Amen.
-ocr page 77-
V.
WAARTOE ZIJT GIJ
GESCHAPEN?
Hiertoe bon Ik geboren.
JollANKKS XVIII : 37.
De Evangelist verhaalt ons, dat Pilatus aan Jezus
vroeg: „Zijt Gij dan een Koning?" En Jezus ant-
woordde: „Hiertoe ben Ik geboren.\'\'1 En voorzeker:
ofschoon heel de aarde en de hel opstonden om Hem
te verpletteren, is Hij tot op den huidigen dag in
een paleis gehuisvest, en op een troon gezeten, en
met een kroon getooid als Koning der aarde en
Koning des hemels. „Hiertoe ben Ik geboren." Dat
is het doel, waarvoor Hij kwam, en dat was de
taak, die Hij volbracht heeft!
Tegen den tijd dat een kind den leeftijd van tien
jaren bereikt, beginnen de ouders iets omtrent de toe-
komst van dat kind te ontdekken; maar tegen den
tijd dat hij of zij den vijftienjarigen leeftijd bereikt,
komt het kind de vraag op de lippen: „Wat moet
-ocr page 78-
7o
ik worden? Wat zal er van mij worden? Waartoe
ben ik geboren ?" Dat is een verstandige en billijke
vraag, en de jeugd behoorde met het herhalen van
die vraag te blijven voortgaan , totdat zij zóó volledig
beantwoord is, dat de jonkman , of de jonge vrouw ,
kan zeggen met evenveel waarheid als de oorspron-
kelijke uitspreker van dit antwoord, ofschoon op
veel minder uitgebreide schaal: „Hiertoe ben ik ge-
boren."
Er is te veel goddelijke scheppingskunst tentoon-
gespreid in de lichamelijke, geestelijke en zedelijke sa-
menstelling van het gewone menschelijke wezen , om
te veronderstellen dat de mensch zonder eenig god-
delijk doel of oogmerk geschapen werd. Wanneer gij
mij mede naar buiten neemt, hier of daar op een
uitgestrekte vlakte, en mij daar een op zuilen rus-
tenden tempel toont, overdekt met een koepelge-
welf als dat van de Sint-Pieterskerk te Rome, en
voorzien van een vloer van kostbare gesteenten, en
met bogen welker teekeningen ontworpen moeten
zijn in het brein van de grootste ingenieurs en archi-
tecten, en met muren vol lijstwerk en nissen en
paneelen en wagenschot en schilderstukken, — en ik
zou u dan vragen, waartoe dat gebouw daar was
opgetrokken, en gij gaaft mij ten antwoord: „O, tot
niets ter wereld!" hoe zou ik u dan kunnen geloo-
ven? En zoo is het voor mij ook onmogelijk om te
gelooven, dat een gewoon menschelijk wezen, dat
in de samenstelling zijner spieren, zenuwen en her-
senen méér wonderen te aanschouwen geeft, dan
de bouwmeester Christopher Wren tentoonspreidde
-ocr page 79-
7\'
in de St. Paulskerk te Londen, of dan de beeld-
houwer Phidias te zien gaf op den Acropolis te
Athene, — dat zulk een wezen met geen enkel be-
paald doel werd saamgesteld, om geen enkele be-
paalde zending te volbrengen, en zonder eenig god-
delijk einddoel in een of ander opzicht. Het oog-
merk dezer leerrede is, u behulpzaam te zijn
om op te sporen, waartoe gij geschapen zijt, en in
welke sfeer gij tehuis behoort, en u te helpen aan
het bereiken van dat standpunt, waarop gij kunt
verklaren met zekerheid en nadruk en geestdrift en
triomf: „Hiertoe ben ik geboren."
Vooreerst dan: ik ontsla u van alle verantzvoorde-
lijkheid voor het meerendeel van uwe omgeving.
Gij
zijt niet verantwoordelijk voor uwe ouders of voor uwe
grootouders. Gij zijt niet verantwoordelijk voor een
der „stumperts", die u misschien in de reeks van uw
geslacht zijn voorgegaan, en die een honderdtal jaren
vóór gij werdt geboren wellicht een levenswijze geleid
hebben, waaraan gij u thans min of meer ergert. Gij zijt
niet verantwoordelijk voor het feit, dat uw gestel bloed-
rijk, of melancholiek, of galachtig, of waterzuchtig,
of zenuwachtig is Evenmin zijt gij verantwoordelijk
voor de plek van uw geboorte; en zoo zijt gij ook niet
verantwoordelijk voor den godsdienst, die in uvvs va-
ders huis beleden wordt, of voor de godsdienstloos-
heid, die daar heerschende is. Kwel u niet met dingen
die gij niet helpen of verhelpen kunt , of met omstan-
digheden waarover gij volstrekt geen zeggenschap
hebt gehad. Neem de dingen zooals zij zijn, en be-
slis de quaestie op zoodanige wijze, dat gij veilig
-ocr page 80-
72
zult kunnen zeggen: „Hiertoe ben ik geboren."
En hoe wilt gij haar beslissen ? Door een recht-
streeksch beroep op het éénige Wezen in het heel-
al , dat bevoegd en in staat is om het u te zeggen:
op den Almachtigen God. Zijt gij bekend met de
reden , waarom Hij de éénige is, die het kan zeg-
gen? Omdat Hij alleen alles overzien kan tusschen
uw wieg en uw graf, al ligt dat graf nu ook nog
tachtig jaren van u verwijderd. En bovendien: Hij is
het éénige Wezen, dat kan zien wat er is voorge-
vallen gedurende de laatstverloopen vijfhonderd
jaren in de reeks uwer voorvaderen, en dan nog
weer duizende jaren verder terug, tot aan Adam
toe, — en er is geen enkel persoon in heel dien
stoet uwer voorvaderen uit de zesduizend jaren , of
hij heeft op de een of andere wijze eenigen invloed
geoefend op uw karakter, — ja, tot zelfs de oude
Adam toe kan van tijd tot tijd in uwe gemoedsstem-
ming nog wel eens het hoofd opsteken. Het éénige We-
zen , dat alle dingen, die met u in betrekking staan, in
één blik kan samenvatten, is God, — en dus is Hij
ook de éénige, Dien gij kunt vragen. Het leven is zóó
kort, dat wij geen tijd hebben om proefnemingen te
doen met werkzaamheden en beroepen. De reden
waarom wij zoovele menschen met „twaalf ambachten
en dertien ongelukken" hebben , is hierin gelegen, dat
de ouders beslissen voor hunne kinderen wat zij zullen
doen, of dat de kinderen zelf, daartoe aangespoord
door de een of andere gril of luim, voor zichzelven
beslissen, zonder het minste of geringste beroep op
de goddelijke leiding. Dientengevolge hebben wij
-ocr page 81-
73
thans op de kansels mannen, die preeken maken, maar
die eigenlijk in de smidswerkplaatsen hadden moeten
zijn, om ploegijzers te maken; en hebben wij er in
de rechtszaal, die, inplaats van de zaken hunner
cliënten te bederven, op schoenmakers-leesten be-
hoorden te kloppen, en dokters, die de grootste
hinderpaal zijn voor het herstel hunner patiënten,
en kunstenaars, die landschappen trachten te schil-
deren, maar veel liever houten schuttingen moesten
verven. Terwijl er weer anderen zijn, die nu steenen
bakken, maar eigenlijk de landswetten behoorden
om te werken, of die nu planken schaven, maar
eigenlijk hervormers der letterkunde behoorden te
zijn. Vraagt God om raad, welken aardschen arbeid
gij ter hand zult nemen, totdat gij voor uzelven zóó
verzekerd zijt1, dat gij met ernst en beslistheid de
hand kunt slaan aan uw ploeghout, of aan uw schaaf-
bank, of aan uwe Grondbeginselen der rechtsgeleerd-
heid , of aan uw Leiddraad op het gebied der ge-
neeskunde, of aan uw Handboek voor godgeleerde
studiën , — en dan kunt ge zeggen : „Hiertoe ben ik
geboren/\'
Er zijn kinderen, die reeds vroegtijdig blijken
geven van een natuurlijken aanleg voor bepaalde
soorten van werkzaamheden. Toen de vader van
den beroemden sterrenkundige Forbes eens uit zijn
dorpje naar Londen zou gaan, vroeg hij aan zijne
kinderen, welke geschenken hij voor elk hunner zou
medebrengen. De knaap, die later een vermaard
sterrenkundige zou worden, riep dadelijk: „Breng
voor mij een telescoop mede!" En er zijn kinderen,
-ocr page 82-
74
die gij, geheel uit eigen aandrift, op hunne lei of
op het papier schepen of huizen of vogels ziet tee-
kenen, — en dan weet gij, dat zij schilders of beeld-
houwers of kunstenaars van den een of anderen aard
zullen worden. En gij vindt anderen met buitenge-
woon veel belangstelling en succes bezig aan het
uitwerken van moeilijke vraagstukken, en daaraan
bemerkt gij dan, dat zij wiskunstenaars zullen wor-
den. En anderen weer maken raderen en vreemd-
soortige werktuigen, en daaraan weet gij, dat zij
ingenieurs zullen worden. En nog weer anderen ziet
men proefnemingen doen met eg en ploeg en sikkel,
en daardoor vermoedt gij, dat zij landbouwers zullen
worden. En anderen zijn altijd aan \'t verkwanselen
van zakmessen, of van ballen, of van vliegers,
daarbij zorg dragende dat zij altijd aan het langste
c ind blijven , — en daaruit begrijpt gij, dat zij op weg
naar den koophandel zijn. Toen de beroemde abt
De Ronce zóó ver gevorderd was met de bestu-
deering van het Grieksch, dat hij op twaalfjarigen
leeftijd de werken van den vermaarden Griekschen
dichter Anacreon kon vertalen, behoefde men er
geen oogenblik meer aan te twijfelen, dat hij in de
wieg gelegd was om een geleerde te worden. Maar
voor bijna eiken knaap komt er een tijd, dat hij niet
weet waarvoor hij bestemd is, en dat ook zijne ouders
het niet weten, — en dan is dat een crisis, waarin
God alleen de beslissing kan geven.
Ook zijn sommigen wel voor een bepaald soort
van werk geboren, maar hun bijzondere aanleg
daartoe ontwikkelt zich eerst zeer laat. Toen Philip
-ocr page 83-
75
Doddridge, wiens predikatiën en boeken tal van
zielen voor de eeuwige heerlijkheid hebben gewon-
nen , voor het predikambt begon te studeeren, gaf
Dr. Calamy, een der beste en verstandigste man-
nen ter wereld, hem den raad om liever eens over
een ander soort van werkkring te gaan denken. Izaak
Barrow, de uitnemende herder en leeraar — zijne
werken zijn tot op den huidigen dag nog altijd
standaardboeken, hoewel hij reeds meer dan twee-
honderd jaar dood is — was een oorzaak van be-
stendige zorg en zwaarmoedigheid voor zijn vader,
die wel eens zeide, dat, indien het God ooit mocht
behagen een zijner kinderen weg te nemen, hij dan
hoopte, dat het zijn zoon Izaak zou wezen. En zoo
zijn sommigen dergenen, die in hunne jongens- of
meisjesjaren berucht waren als toonbeelden van
domheid, later opgetreden als de machtigste wel-
doeners of weldoensters van het menschdom. En
deze dingen alzoo zijnde, heb ik nu niet het recht
om te zeggen, dat het in vele gevallen God alleen
bekend is, wat het geschiktste werk voor u zou
zijn, en dat Hij de éénige is, aan Wien gij het
kunt vragen? En laat alle ouders, en alle scholen,
en alle universiteiten, en alle vereenigingen dit er-
kennen, — en een groot aantal van dezulken, die
de beste jaren van hun leven zoek brengen met
rond te scharrelen in allerlei ambachten en beroe-
pen, nu eens dit probeerend, en dan weer dat be-
proevend , en in niets slagend, zouden in staat zijn om
voorwaarts te gaan met een bepaald, beslist en bezie-
lend levensdoel, zeggende: „Hiertoe ben ik geboren!"
-ocr page 84-
76
Maar mijn onderwerp verheft zich nu tot het ge-
wichtige.
Laat mij u mogen zeggen, dat gij voor
iets nuttigs en voor den hemel geschapen zijt. Ik
leid dit af uit de wijze, waarop uw lichaam ge-
bouwd is. Gij treedt een werkplaats binnen, waarin
slechts één rad draait, bewogen door den voet van
één werkman op de treeplank, en gij zegt bij uzelf:
„Hier wordt iets goeds gedaan, maar op een kleine
schaal." Maar als gij in een fabriek komt, die vele
bunders grond beslaat, en gij vindt er duizende
handen draaiende aan duizende wielen, en gij ziet
er weversspoelen heen en weer vliegen , en de ge-
heele omgeving als bezield met het leven van werk-
tuigen , die gedreven worden door water , of door
stoom , of door electrische kracht, — dan maakt gij
uit dit alles de gevolgtrekking, dat die fabriek daar
gebouwd is om een groot werk te doen, en op een
uitgebreide schaal. Welnu, ik zie u aan; en indien
ik nu bemerkte, dat gij slechts één lichamelijke ei-
genschap bezat, dat gij slechts één spier hadt, slechts
één zenuw; als gij wel kondt zien, maar nietkondt
hooren, of als gij wel kondt hooren, maar niet kondt
zien; wanneer u het gebruik van slechts één voet
of één hand ten dienste stond, — en, wat uwe
hoogere natuur betreft, als gij slechts één verstan-
delijk vermogen bezat, als gij wel geheugen, maar
geen oordeel hadt, of wel oordeel, maar geen wil;
als gij een ziel bezat met het vermogen tot slechts
ééne werkzaamheid, — dan zou ik zeggen, dat er
niet veel van u verwacht wordt.
Maar sta op, o mensch! en laat mij u vierkant
-ocr page 85-
77
in het gelaat zien. Oogen die in staat zijn om alles
te aanschouwen. Ooren die in staat zijn om alles te
hooren. Handen die in staat zijn om alles aan te
vatten. Een geest met méér raderen, dan er ooit
in een fabriek ter wereld rondgewenteld hebben,
en met méér kracht, dan de grootste stoommachine
der aarde ooit ontwikkeld heeft. Een ziel die het
gansche heelal zal overleven, met uitzondering van
den hemel, en die zelfs al de hemelingen zou
overleven, indien het leven der andere onsterflijken
een oogenblik ten achteren bleef bij het eeuwige.
Welnu, wat heeft de wereld het recht, van u te
verwachten? Wat heeft God het recht, van u te
eischen? God is de grootste staathuishoudkundige
in het heelal, en Hij maakt niets nutteloos; en met
welk doel bouwde Hij uw lichaam, geest en ziel
zooals zij zijn gebouwd? Er bsstaan slechts twee
wezens in het heelal, die deze vraag kunnen be-
antwoorden. De engelen weten het niet. De geleerden
weten het niet. Uwe familieleden kunnen het niet met
zekerheid weten. God weet het, en gij behoort het te
weten. Een fabriek, welker exploitatie 500,000 dollars
\'s jaars kost en die voor 70 cents aan waarde van goe-
deren per jaar aflevert, zou nog niet zulk een bespot-
telijke ongerijmdheid zijn , als gij, o mensch! wanneer
gij met zulk eene half oneindige uitrusting niets tot
stand brengt, of nagenoeg niets, op het gebied van
nuttige en heilzame dingen. „Wat zal ik doen?" vraagt
gij. Mijne broeders! mijne zusters! vraagt dat niet
aan mij. VRAAGT DAT AAN GOD. Er is wel
altijd het een of ander pad voor den Christen open,
-ocr page 86-
78
om nuttig werkzaam te zijn. Het kan een ruw pad
zijn, of het kan een effen pad zijn, een lang pad,
of een kort pad. Het kan zijn op een berg die van
alle kanten zichtbaar is, of in een onopgemerkt dal;
maar het is een pad, waarop gij uwen weg kunt
aanvangen met zulk een geloof en zulk een voldoe-
ning en zulk een zekerheid , dat gij kunt uitroepen
ten aanhoore van aarde, hel en hemel: „Hiertoe
ben ik geboren!" Wacht niet op buitengewone ge-
vallen of omstandigheden. Philippus de Veroveraar
behaalde zijne grootste overwinningen, toen hij op
een muilezel zat; en indien gij op de komst van een
opgetuigd godenros als de Bucephalus der fabelleer
wacht, om er mede naar het slagveld te rijden,
zult gij nooit of nimmer op het tooneel van den
wereldstrijd komen. Simson versloeg de vijanden
des Heeren met een ezelskinnebakken. Samgar ver-
sloeg zeshonderd vijanden des Heeren met een
ossenstok. In Gods hand was een weinig speeksel
genoeg om de oogen van den blinde in de Nieuw-
Testamentische geschiedenis te openen. Vat al de
vermogens te zamen, die gij bezit, en zeg: „O, God ,
ziehier wat ik heb! Wijs Gij mij mijn arbeidsveld
aan , en ondersteun er mij op met Uwe almachtige
kracht! Waar ook, hoe ook, altijd voor God!"
Twee ruiters, uit verschillende richtingen komend,
ontmoetten elkaar aan een beek, waar beiden hunne
paarden wilden laten drinken. Terwijl de paarden
dronken, sprak een der twee mannen tot den ander
een paar woorden omtrent de waarde van \'s men-
schen onsterfelijke ziel, en daarna reden zij weg,
-ocr page 87-
79
ieder weer naar een tegenovergestelden kant. Maar
de daar gesproken woorden werden het middel tot
redding van den man , tot wien zij gericht waren ,
en hij werd de vermaarde Champion, een der
uitnemendste zendelingen in de heidenlanden. Jaren
lang bleef hij nieuwsgierig, wie hem dezen echt
Christelijken dienst bewezen had; maar hij kwam
het eerst te weten, toen hij in een pak boeken , door
hem in Afrika ontvangen, de levensbeschrijving van
Brainerd Taylor met bijgevoegd portret vond; want
nu herkende de zendeling het gelaat in dat boek
als van den man, die, bij de drinkplaats voor paar-
den, de woorden tot hem had gesproken, die zijne
ziel hadden gered. — Wat al gelegenheden hebt
gij gehad in het verledene! Wat al gelegenheden
hebt gij thans! Wat al gelegenheden zult gij hebben
in de toekomst! Zet uw hoed op, o vrouw! nog
dezen eigen namiddag, en ga eens een bezoek
brengen en een troostend woord spreken bij die
jonge moeder, die verleden zomer haar kleinen lie-
veling verloor. Zet uw hoed op, o man! en loop
eens in bij dien koopman, die gisteren genoodzaakt
was een acceptatie te teeke.nen , en verhaal hem eens
wat van de eeuwigdurende rijkdommen, welke er
overblijven voor allen die den Heer dienen. Kunt gij
zingen ? Ga dan eens wat zingen voor dien man
daar ginds, die niet weer beter kan worden, en gij
zult hem in den hemel helpen. Laat het uw ver-
stand zijn, uw tong, uwe oogen, uwe ooren, uw
hart, uwe longen, uwe handen, uwe voeten, uw
lichaam, uw geest, uwe ziel, uw leven, uw dood,
-ocr page 88-
8o
uw tijd, uwe eeuwigheid voor God, in uwe ziel
gevoelende: „Hiertoe ben ik geboren!"
Sommigen kunnen er misschien baat bij vinden,
indien ik hun mijne eigene ervaringen in dit opzicht
verhaal. Ik begon in de rechtsgeleerdheid te stu-
deeren, zonder vooraf eenige goddelijke leiding ge-
vraagd te hebben. Ik raadpleegde slechts mijn eigen
smaak en neigingen. Ik had een voorliefde voor
advocaten en rechtszalen en rechters en jury\'s, en
ik vond mijn grootste genot in het aanhooren van
de pleidooien der beroemdste rechtsgeleerden te
New-Jersey; en als assistent van den griffier der
rechtbank , op zestien-jarigen leeftijd, deed ik meê
aan het onderzoeken van eigendomsbewijzen, het
naturaliseeren van vreemdelingen , het inboeken van
akten, het opmaken van de procesverbalen der ge-
tuigenverhooren, het beëedigen van getuigen en
jury\'s en hooge jury\'s. Maar eenigen tijd later ge-
voelde ik een roeping tot de bediening des Evan-
gelies, en ging ik daar dan ook toe over, — en ik
smaakte eenige voldoening bij dezen arbeid. En
in zekeren zomer, toen ik mijn vacantietijd buiten
doorbracht en op een bank in het park eener kleine
stad gezeten was, zeide ik bij mijzelf: „Indien ik
een bepaald werk te verrichten heb in deze wereld,
moet ik het nü te weten komen !" En met dit be-
sluit vervuld, bad ik zooals ik nog nooit van mijn
leven gebeden had; en ik ontving de goddelijke
aanwijzing, en schreef alles op in mijn zakboekje ,—
en ik zag mijn levenstaak toen even duidelijk voor mij,
als ik haar op dit oogenblik voor mij zie. O, weest
-ocr page 89-
8i
niet tevreden met algemeene aanwijzingen ! Tracht
bepaalde, bijzondere aanwijzingen te bekomen. Schiet
niet in het wilde. Kiest u een doel, en vuurt daarop!
O Christelijke mannen! o Christelijke vrouwen!
breekt u toch hier of daar baan! Geen algemeene
verbintenis voor God, maar een bijzondere ver-
bintenis, en gesloten in antwoord op het gebed. In-
dien er zestienhonderd millioen menschen in de
wereld zijn, dan zijn er ook zestienhonderd millioen
verschillende zendingen te vervullen , en verschil-
lende soorten van werk te verrichten, en verschil-
lende kringen om zich in te bewegen ; en indien gij
de goddelijke leiding niet ontvangt, bestaan er min-
stens vijftienhonderd negen en negentig millioen
mogelijkheden, dat gij een vergissing begaat. Op
uwe knieën voor God moet gij de zaak tot eene
beslissing trachten te brengen, zoodat gij stellig en
zeker kunt zeggen: „Hiertoe ben ik geboren."
En nu kom ik tot het hoogste punt van overwe-
ging. Voor zoover het aan mij staat te zeggen,
zijt gij voor een gelukkige eeuwigheid geschapen,
en zullen al de gebreken, waarmede uwe mensche-
lijke natuur behept is, overwonnen worden door
het bloed des Lams, indien gij van ganscher harte
dat verbond met Christus wilt sluiten. Wij zijn allen
verheugd over de toeneming van den levensduur
des menschen. De menschen leven tegenwoordig,
voor zoover ik kan nagaan, gemiddeld tien jaar
langer dan vroeger. Tengevolge van de vorderingen
der geneeskundige wetenschap, en van de grootere
bekendheid met de wetten der gezondheid, en van het
-ocr page 90-
82
feit dat de menschen thans beter weten, hoe zij zich
in acht moeten nemen en zorg voor zichzelven kun-
nen dragen, is de gemiddelde levensduur van den
mensch verlengd geworden. Maar begrijpt gij in
waarheid wel, hoe kort toch, ondanks dit alles, de
duur van ons aardsch bestaan is? Neem het leven
van den jongsten toehoorder in deze vergadering,
en veronderstel dat hij het tot den negentig-jarigen
leeftijd brengt, — hoe kort zou die tijd zijn, en hoe
schielijk voorbijgegaan, terwijl er zich tegenover ons
een eeuwigheid verheft, zóó reusachtig dat de re-
kenkunde geen cijfers genoeg heeft om hare lengte
of breedte of diepte of hoogte uit te drukken. Voor
een gelukkige eeuwigheid zijt gij geboren, tenzij gij
u moedwillig tegen de goddelijke bedoelingen ver-
zet. Indien, terwijl ik met u mede aanwezig ben, mijn
oog mocht vallen op de zwakste der hier aanwezige
zielen, als die ziel zal verschijnen wanneer de wereld
gesloten en de hemel geopend wordt, dan zou ik, dunkt
mij, zóó overweldigd worden, dat ik nedervallen zou
als een doode. Gij hebt de naamlijst op het schutblad
van uwen familie-Bijbel bestudeerd, en de familie-
papieren nagepluisd, en gij bezit misschien silhouetten
van enkelen uwer familieleden uit vroegere geslach-
ten. Gij hebt photographieën laten nemen van wat gij in
uwe jongens- of meisjesjaren waart, en van wat gij
tien jaar later waart, en voor een ieder is het hoogst
eigenaardig en belangwekkend, als hij in staat is
om een terugblik te werpen op de afbeeldingen van
hetgeen hij tien, of twintig, of dertig jaar geleden
was. Maar hebt gij wel ooit eens een afbeelding
-ocr page 91-
83
gezien van hetgeen gij worden kunt, en hetgeen gij
ook worden zult, indien gij God zoekt en de weder-
barende kracht des Heiligen Geestes in uw hart
ervaart? Waar zal ik mijn photographie-toestel zet-
ten, om het portret te nemen? Ik zal het op dit
spreekgestoelte zetten. Ik richt de lens op u. Zit
stil of sta stil, terwijl ik de afbeelding neem! Het
portret zal een instantane zijn, in eene enkele se-
conde genomen. Ziehier, ik heb het! Het is gedaan.
Gij kunt het portret in zijn nog onvoltooiden staat
zien, en u daardoor eenig begrip vormen van wat
het zijn zal, wanneer het zich volkomen zal hebben
ontwikkeld. Hier is uw opstandingslichaam, zóó
luisterrijk, dat de volle middagzon, daarbij verge-
leken , een plek middernachtelijke duisternis is. Hier
is uwe ziel, zóó rein, dat al de krachten en machten
des Satans en der hel haar met geen vlekje van
onvolmaaktheid konden bezoedelen. Hier is uw
wezen, zóó machtig en zóó vlug, dat een tocht uit
den hemel naar de planeet Mercurius of Mars of
Jupiter, en van daar weer naar den hemel terug,
u niet zou vermoeien, en een wereld op eiken
schouder u niet zou verpletteren. Een oog waaruit
nooit een traan zal vloeien. Een geestkracht die
nooit eenige vermoeienis zal gevoelen. Een gelaat
dat nooit zal trillen van pijn. Gij zijt weder jong,
al waart gij ook gestorven aan verval van krachten.
Gij zijt weder gezond, al waart gij ook hoestend
ten grave gedaald. De personen, waarmede gij
omgaat, zijn de Apostelen en de Profeten en de Mar-
telaars, en de uitnemendste zielen, zoowel manne-
-ocr page 92-
84
lijke als vrouwelijke, van alle eeuwen. De aarts-
engel brengt u niet in verlegenheid. God zelf is uwe
tegenwoordige en eeuwigdurende vreugde. Dat is
een instantané-portret van wat gij kunt zijn , en van
wat ik verzekerd ben dat sommigen uwer zullen
worden. Indien gij bespeurt, dat het een onvolledig
en gebrekkig portret is, dan voer ik ter mijner ver-
ontschuldiging aan , wat de Apostel Johannes zeide :
„Het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen."
„Hiertoe ben ik geboren." Als ik dat niet geloof-
de, zou ik overweldigd worden door zwaarmoedig-
heid. Wie zou voor altijd op deze wereld willen
blijven ?! Sommigen gelooven, dat deze aarde ten
slotte in een hemel zal worden herschapen. Mis-
schien is dat zoo, — doch dan zou zij radicale her-
stellingen moeten ondergaan. Maar dit wil ik wel
zeggen, dat het voor mij niets uitmaakt, waar de hemel
is, als wij er slechts in kunnen komen , hetzij dan
binnen een in bloemhoven herschapen Amerika, of
in een tot Paradijs geworden Europa, of in een
wereld die het middenpunt vormt van het gansche
heelal. „Hiertoe ben ik geboren." Indien elk onzer
dat kon zeggen, zouden wij ons, met aangezichten
die blonken van vreugde en straalden van hoop, te
midden van de vreeselijkste tegenspoeden en be-
proevingen dezer aarde bewegen. Nog slechts een
kleine tijd, — dan komt de verlossing! Nog slechts
een kleine tijd, — dan komt de hereeniging! Nog
slechts een kleine tijd , — dan komt de herschepping,
de opstanding, de heerlijkheid, tot in alle eeuwig-
heid! — Amen.
-ocr page 93-
VI.
ZELFMOORD.
En do stokbewaarder trok ecu zwaard,
en zou zichzclven omgebracht hebben ,
mcenendc dat de gevangenen ontvloden
waren. Maar l\'aiilus riep met grootc
stem, zeggende: „Doe uzelvcu geen
kwaad!"
Handelingen XVI: 21 en 28.
Hier wordt een zelfmoordenaar, of althans een
die het dreigde te worden, plotseling tegengehou-
den bij het volbrengen van zijn moorddadigen aanslag.
Hij was een cipier, en overeenkomstig de Romein-
sche wetten moest een cipier zelf de straf onder-
gaan , die een ontsnapten gevangene was opgelegd.
Was dus de uit den kerker ontvluchte gevangene
veroordeeld tot een opsluiting voor den tijd van drie
of vier jaren, dan moest de cipier in zijne plaats
gedurende drie of vier jaren worden opgesloten ;
en indien de uit den kerker ontvluchte gevangene
de doodstraf had moeten ondergaan , moest de dood-
straf nu, inplaats van aan hem, aan zijn cipier wor-
-ocr page 94-
86
den voltrokken. De cipier had een bijzonder na-
drukkelijk bevel ontvangen om terdege een wakend
oog op Paulus en Silas te houden. De Overheid
had bouten en grendels niet voldoende vertrouw-
baar geacht, om deze beide mannen veilig achter
slot te houden, bij wie iets vreemds en bovenna-
tuurlijks in \'t spel scheen te zijn. En het valt dan
ook niet tegen te spreken: door een wonderdadige
Macht werden zij in vrijheid gesteld, — en de ci-
pier, die uit een zwaren slaap ontwaakt, en nu stel-
lig gelooft dat die mannen ontvlucht zijn, en wel
weet dat zij moesten sterven omdat zij Christus ver-
kondigd hadden , en nu maar al te goed begrijpt dat
hij in hunne plaats zal moeten sterven, besluit —
liever dan den volgenden ochtend onder het beuls-
zwaard te vallen en aan de openbare schande te
worden prijsgegeven — met eigen hand zijn dood
te verhaasten. Maar vóór en aleer het scherpe,
blanke, glinsterende wapen zijn hart kan doorboo-
ren, houdt een der ontketende gevangenen het lem-
met tegen met den uitroep: „Doe uzelven geen kwaad7"
In den ouden tijd, en waar het Christendom die
dwaling nog niet bestreden had, werd de zelfmoord
als iets eerbiedwaardigs en als een blijk van moed
beschouwd. De Grieksche wijsgeer en redenaar
Demosthenes maakte door middel van vergif een
einde aan zijn leven, toen hij hoorde dat de gezant
van Alexander de Groote de uitlevering van al de
Atheensche redenaars geëischt had. De om zijne
buitengewone welsprekendheid beroemde Griek So-
crates maakte zich liever van kant, dan zich aan
-ocr page 95-
B7
Philippus van Macedonië over te geven. De Ro-
meinsche wijsgeer Cato benam zich liever het leven,
dan zich aan Julius Cesar over te geven; en nadat
zijne wonden tot driemaal toe weder verbonden wa-
ren geworden, rukte hij er telkens weder het ver-
band af, en vond hij eindelijk zoo den dood. Mithri-
dates, koning van Pontus, maakte liever een einde
aan zijn leven, dan zich aan Pompejus den Vero-
veraar te onderwerpen. Hannibal benam zich het
leven door het inslikken van vergif uit zijn ring,
omdat hij het leven thans als ondragelijk beschouwde.
Lycurgus , wetgever van Sparta, pleegde zelfmoord,
en Brutus, de moordenaar van Julius Caesar, stierf
als zelfmoordenaar. Na den brand van Moscou in 1812
had Napoleon altijd een sterkwerkende hoeveelheid
opium bij zich; en in zekeren nacht hoorde zijn be-
diende den ex-keizer opstaan , iets in een glas schen-
ken en het mengsel opdrinken, — en kort daarna
werden al de huisgenooten door Napoleons gekerm
gewekt, en alleen door de onmiddellijke tusschen-
komst der bekwaamste geneeskundigen werd hij be-
hoed tegen totale bedwelming door opium.
Wij beleven thans andere tijden, maar toch moet
de publieke conscientie gescherpt worden op het
stuk van zelfmoord. Hebt gij in de afgeloopen maand
wel één dag- of weekblad ingezien, waarin geen
melding gemaakt werd van iemand, die door eigen
toedoen de uiterste grenslijn dezes levens over-
schreed? Overtreders der wet, sidderend bij de ge-
dachte dat hun misdaad ontdekt zal worden, ont-
vlieden ten spoedigste dit leven. Lieden die een
-ocr page 96-
88
reusachtig vermogen verloren hebben , verlaten deze
wereld, omdat zij het onder hun aardsch bestaan
niet langer kunnen uithouden. Onbeantwoorde liefde,
huiselijke oneenigheid, zwartgallige moedeloosheid,
drift, wroeging, nijd, jaloezie, achteruitgang in za-
ken of in gezondheid, menschenhaat, — dit alles en
nog zooveel meer wordt beschouwd als voldoende
reden om zich aan dit leven te onttrekken door mid-
del van Pruisisch zuur, van laudanum, van bella-
donna, van een dolk, van een strop, van een sprong
over de leuning eener brug, van vuurwapenen, en
wat dies meer zij. Het kwaad begint zich hoe lan-
ger hoe meer uit te breiden.
Op een kansel sprak iemand er niet lang geleden
eenigszins twijfelend over, of er wel werkelijk iets
verkeerds in gelegen was, dit leven te verlaten
wanneer het onaangenaam begon te worden , — en
in achtenswaardige kringen zijn er menschen te vin-
den, die een verschoonend of althans vergoelijkend
oordeel vellen over de misdaad , welke door Paulus
in mijn tekst wordt tegengehouden. Ik zal u aan-
toonen; alvorens ik verder ga, dat zelfmoord de
ergste van alle misdaden is,
en er een ondubbel-
zinnige waarschuwing tegen uitspreken. Maar in
het eerste gedeelte dezer leerrede wensch ik te er-
kennen , dat sommigen der beste Christenen, die er
ooit op deze aarde geweest zijn, een zelfmoord ge-
pleegd hebben, maar ... altijd in een ijlenden toestand,
en op dat oogenblik dus niet verantwoordelijk voor
hun doen en laten. Ik twijfel evenmin aan hunne
eeuwige gelukzaligheid, als aan het zieleheil van
-ocr page 97-
89
den Christen, die in een ijlende typheuse koorts op
zijn ziekbed stierf. Omdat de slag van zulk een
ramp zoo ontzettend zwaar is, bezweer ik al dege-
nen , die geloovige betrekkingen of vrienden hebben
gehad, welke onder den invloed van gestoorde geest-
vermogens de grenzen dezes levens overschreden,
toch geen twijfel te koesteren aan hun eeuwig heil!
Onze dierbare Heiland bracht hen regelrecht uit
hun verbijsterden en waanzinnigen toestand in een
staat van volkomen gelukzaligheid over. En hoe
Jezus over krankzinnigen denkt, kunt gij zien aan
de medelijdende ontferming, waarmede Hij te werk
ging bij de bezetenen uit het land der Gadarenen
en bij het maanzieke kind, en aan de gebiedende
macht waarmede Hij de stormen stilde zoowel van
den oceaan als van het denkvermogen.
Schotland, het land dat ten allen tijde zoo buitenge-
woon rijk was aan reuzen op het gebied des geestes,
heeft er geen gehad, die grooter was dan Hugo Miller.
Groot voor de wetenschap, en groot voor God. Hem
vloeide het beste Hooglandsche bloed door de aderen,
en hij was een afstammeling van Donald Roy, een
man die vermaard was om zijn godsvrucht en om
de zeldzame gave van „het tweede gezicht." Zijne
verbazende ontwikkeling — nadat hij was opgeklom-
men uit de steengroeve en boven de muren van
den metselaar — was een oorzaak van verrassing
en bewondering voor Bucland en Murcheson, de
mannen der wetenschap, en voor Dr. Chalmers,
den godgeleerde, en bracht de hoogescholen in span-
ning, terwijl hij hun de geschiedenis verhaalde van
-ocr page 98-
go
hetgeen hij aangaande God gezien en gelezen had
in den ouden rooden zandsteen.
Die man deed meer dan een der andere menschen,
die ooit op aarde geleefd hebben, om aan te toonen,
dat de God der bergen de God des Bijbels is, en hij
sloeg zijn stemvork op de rotsen van Chromarty,
totdat hij de aardkunde en de godgeleerdheid had
doen samenstemmen in de aanbidding van God.
Zijne twee boeken , getiteld „Voetstappen des Schep-
pers" en „Het Getuigenis der Rotsen" legden den
band van een eeuwigdurend huwelijk tusrxhen de
echte wetenschap en de goddelijke openbaring. Aan
dit laatste boek arbeidde hij dag en nacht, gedreven
door liefde voor de natuur en door liefde voor God,
totdat hij niet meer kon slapen, zijne hersens er
onder begonnen te lijden, en men hem dood vond
liggen, met een revolver naast hem, welk wreed-
aardig instrument met twee kogels is geladen ge-
weest : een voor hem en de andere voor den wa-
pensmid, die op verzoek van den lijkschouwer het
pistool onderzocht en dood nederviel. Koestert gij
wel eenigen twijfel omtrent de gelukzaligheid van
Hugo Miller, nadat zijne gloeiende hersenen hadden
opgehouden te kloppen in dien winternacht te Porto-
bello? Onder de grootsten der aarde, onder de
grootsten des hemels!
Niemand twijfelde aan de godsvrucht van William
Cowper, de dichter van drie beroemde Engelsche
liederen: „O, wandel dichter bij uw God!" en „Wat
hinderpalen op den weg!" en „Zie die fontein van
dierbaar bloed!" — diezelfde William Cowper, die
-ocr page 99-
9i
met Isaac Watts en Charles Wesly de eer deelt,
van de grootste Christelijke liederendichters in En-
geland geweest te zijn. In een vlaag van zwaarmoe-
digheid besloot hij, een einde aan zijn leven Ie maken ,
en reed hij daartoe naar de rivier de Theems; doch
daar gekomen, vond hij een man op een baal koop-
waren gezeten terzelfder plaatse, waar hij in de ri-
vier had willen springen, waarna hij naar huis terug-
reed. En dien nacht liet hij zich op zijn eigen mes
vallen, maar het lemmet brak; en daarna hing hij
zich op aan den zolder, maar het touw knapte. Geen
wonder, dat hij — toen God hem genadiglijk van
die afgrijselijke ijlhoofdigheid verlost had — zich
nederzette en dat andere, even gedenkwaardige lied
dichtte :
«Hoe ondoorgrondlijk heeft God vaak
Zijn wonderen volbracht:
Hij drukt Zijn voetstap op de zee,
Hem draagt der stormen kracht!
«\'t lUinde ongeloof tast altijd mis,
En deert Zijn arbeid nooit;
Hierboven wordt Gods werken ons
Begrijplijker dan ooit!"
Terwijl ik deze barmhartige en rechtvaardige uit-
zondering maak ten opzichte van dezulken, die tot
een toestand van verstandsverbijstering waren ver-
vallen, verklaar ik, dat de mensch, die — in het
volle bezit zijner rede zijnde en uit eigen beweging
— den band tusschen zijn lichaam en zijne ziel
doorsnijdt, regelrecht naar de hel gaat. Wil ik het
-ocr page 100-
92
u bewijzen? Openbaringen XXI vs. 8: „Maarden dood-
slagers is hun deel in den poel, die daar brandt van
vuur en sulfer.\'\'\'
Openbaringen XXII vs. 15: „Buiten
zullen zijn de honden, en de toovcnaars
, en de hoe-
reerders , c/i de doodslagcrs."
Gij gelooft niet in het
Nieuwe Testament? Welnu, dan gelooft gij mis-
schien wel in de Tien Geboden: „Gij zult niet dood-
slaan!"
Zegt gij, dat al deze Schriftwoorden be-
trekking hebben op het ontnemen van het leven aan
anderen ? Dan vraag ik u, of gij niet evenzeer ver-
antwoordelijk zijt voor uw eigen leven, als voor het
leven van anderen ? God vertrouwde u in uw leven
een bijzonder pand toe. Hij stelde u aan tot be-
waarder en bewaker van uw leven, méér dan Hij
u over eenig ander leven heeft aangesteld. Hij gaf
u bij wijze van wapenen, om het er mede te verde-
digen: twee armen om aanvallen af te slaan, twee
oogen om tegen een overrompeling te waken, en
een van nature ingeschapen liefde tot het leven,
die altijd op hare hoede behoort te zijn. Het ver-
moorden van anderen is een lichte misdaad, ver-
geleken met het vermoorden van uzelven, omdat
het in Jt laatstgenoemde geval verraad jegens een u
bijzonder toevertrouwd pand is; het is de overgave
van een kasteel, met welks uiterste verdediging gij
in \'t bijzonder belast waart; het is een verraad ten
opzichte van eene wet der natuur; en het is een
verraad jegens God, gevoegd bij een gewonen
moord.
Om aan te toonen, hoe God in den Bijbel over
deze misdaad oordeelt, verwijs ik u naar „de gru-
-ocr page 101-
93
welkamer" in sommige gedeelten van den Bijbel:
naar de afbeeldingen der lieden , die deze onnatuur-
lijke misdaad begaan hebben. Hier is de hoofde-
looze romp van Saul op de muren van Bethsan.
Hier is de man die jacht op den kleinen David
maakte: iemand van tien voet lengte, jacht makende
op iemand van vier voet. Hier is de man, die een
geestenbezweerster raadpleegde : de toovenares van
Endor. Hier is een man, die — in den strijd over-
wonnen — in plaats van op waardige wijze zijn
zwaard over te geven, zooals menig man vóór en
na hem gedaan heeft, — zijn dienaar verzocht hem
te dooden; en toen de dienaar weigerde aan dit
verzoek te voldoen, plantte de reus het gevest van
zijn zwaard in den grond, zoodat de scherpe punt
naar boven stak, en liet hij er zijn lichaam op neer-
vallen , en volbracht hij, de lafaard! op die wijze
den zelfmoord. Hier is Achitofel, — de voorgan-
ger van den verfoeilijken dubbelhartigen Staatsman
Machiavelli uit later tijd, — die zijn besten vriend
David verried, met het sluw beraamde doel om
eerste Minister van Absalon te worden, en als de
medeplichtige van dien jonkman optredend bij zijne
poging tot vadermoord. Toen hij door zijn staat-
kundigen omzwaai niet verkrijgen kon wat hij ge-
wenscht had, deed hij een haastigen stap uit een
eerloos geëindigd leven in de nimmer eindigende
eeuwigheid van den zelfmoordenaar. Hier hebt gij
hem, den ondankbaren schurk!
Hier is Abimelech, feitelijk een zelfmoordenaar.
Hij heeft een leger bij zich, en bestormt een toren,
-ocr page 102-
94
totdat een vrouw in dien toren een molensteen van
zijne plaats neemt, en dien op zijn hoofd laat vallen;
en met het weinigje leven; dat er nog onder zijn
gespleten schedel is overgebleven, gebiedt hij zijn
wapendrager: „Trek uw zwaard uit, en dood mij,
opdat zij niet van mij zeggen: een vrouw heeft hem
gedood!" Hier is zijne na den dood genomen pho-
tographie, in het boek Samuel. Maar de held van
deze groep is Judas Iscariot. Zekere Dr. Donne
heeft eens van hem durven zeggen, dat hij een mar-
telaar was, — en wij hebben in ónzen tijd zelfs lie-
den , die hem pogen vrij te spreken. Er, wat won-
der, nu wij in onze dagen boeken hebben, waarin
de gruwelijkste zondaars als toonbeelden van deugd
worden afgeschilderd, — in onze dagen, nu men
standbeelden opricht voor de meest zedelooze Fran-
sche schrijvers en schrijfsters, als voor weldoeners der
letterkunde, — in onze dagen, nu er zich verraders
van Jezus Christus bevinden in de gelederen van
zijne zoogenaamde apostelen: een zóó zwart en af-
grijselijk verraad, dat de gruweldaad van een Judas
Iscariot er bijna wit bij wordt! En tóch is deze man
door zijn eigen hand opgehangen tot een vervloeking
van al de komende eeuwen!
Al de vrome mannen en vrouwen des Bijbels heb-
ben aan God de bepaling van het einde hunner
aardsche loopbaan overgelaten; en zij konden gezegd
hebben met Job, die méér dan eenig mensch ter
wereld het recht zou gehad hebben om zelfmoord
te plegen: — met zijne bezittingen verwoest, en
zijn lichaam aan alle kanten gloeiend onder de on-
-ocr page 103-
95
dragelijk jeukende zweren, en alles uit zijn huis
verdwenen behalve de grootste vloek er van: een
pestilentie van een vrouw, en met vier praatzieke
mannen bij zich, die hem onverpoosd kwellen met
hunne troostelooze praatjes, terwijl hij zelf nederzit
op een aschhoop, en zijne puisten krabt met een
potscherf, — en die toch in triomf uitroept: „Alle
de dagen van mijn besteniden tijd zal ik wachten tot
mijne ure komt!"
Niettegenstaande de Bijbel dit kwaad veroordeelt,
— niettegenstaande den afkeer, dien het opwekt
door het walgelijke en spookachtige schouwspel van
dezulken, die zich moedwillig buiten het leven heb-
ben gebannen , — en niettegenstaande de bestrijding
er van door het Christendom, en de vertoogen
en het practisch heilzame leven en de heerlijke sterf-
bedden zijner discipelen, — is het een algemeen
erkend en hoogst onrustbarend feit, dat de zelf-
moord zich steeds uitbreidt.
Wat is daar de oorzaak van? Al de schuld er
van wijt ik aan het ongeloof en de twijfelzucht! Als
er geen hiernamaals is, of als dat hiernamaals iets
heerlijks zal zijn, zonder dat er gevraagd zal wor-
den hoe wij geleefd hebben en hoe wij gestorven
zijn, — waarom zouden wij dan de breede vleugel-
deuren tusschen deze wereld en de toekomende niet
openslaan? En wanneer ons bestaan hier op aarde
moeitevol begint te worden, waarom zullen wij niet
regelrecht naar de „betere wereld" overgaan? Neem
dit op onder uwe ernstigste overdenkingen, en be-
peins het eens nadat gij thuisgekomen zijt: er is
-ocr page 104-
96
nooit of nimmer een geval van zelfmoord geweest,
waarbij het slachtoffer niet öfeen ijlhoofdige, en dus
ontoerekenbaar, öf een ongeloovige was. Ik roep
al de eeuwen op als getuigen, en ik roep het gan-
sene heelal op. Er is nooit een geval van zelfver-
nietiging voorgekomen, waarbij de betrokken per-
soon het volle besef had van zijne onsterfelijkheid
en van het feit, dat die onsterfelijkheid allerheerlijkst
of allerellendigst zou zijn, al naar mate hij onzen
Heere Jezus Christus aannam, of Hem verwierp!
Gij zegt, dat het door beroepszorgen komt, of gij
zegt dat er electrische stroomen bij in \'t spel zijn,
of dat het dit is, of dat is, of iets anders is. Waar-
om zullen we niet rechtstreeks tot de eerste oor-
zaak teruggaan, mijn vriend! en erkennen, dat die
oorzaak bij elk voorkomend geval gelegen is in de
onttroning der rede, of in deleerstellingen van het
ongeloof, dat feitelijk zegt: „Wanneer dit leven u
niet bevalt, ga er dan uit, en gij zult aanlanden èf
in het Eeuwige Niet, waar geen rekeningen te be-
talen zijn, en geen vervolgingen te vreezen, en over
geen jichtpijnen valt te klagen, — èf gij zult aan-
landen op een plaats, waar alles even schoon en
heerlijk zal zijn, zonder dat gij er iets voor zult heb-
ben te betalen!" Het ongeloof heeft altijd verschoo-
ning en vrijspraak ten beste gehad voor zelfver-
nietiging. Telkens als er weer een boek versche-
nen is, waarin de zelfmoord aangeprezen en ver-
heerlijkt wordt, kan men een duidelijk merkbare
vermeerdering van het aantal slachtoffers dezer
vreeselijkste aller zonden waarnemen.
-ocr page 105-
97
Een man in Londen hoorde den zoogenaamden
wereldhervormer Robert Owen zijne ongeloovige
lezing over het Socialisme voordragen, en ging
naar huis, zette zich neder, en schreef deze af-
grijselijke woorden neer: „Jezus Christus is een van
de zwakste karakters in de geschiedenis, en de Bij-
bel is de grootst mogelijke bedriegerij," — waarna
hij zich doodschoot. — De Engelsche wijsgeer en
geschiedschrijver David Hu me schreef deze woor-
den: „Het zou geen misdaad voor mij zijn, den
Nijl of den Donau uit hun natuurlijke bedding af te
leiden. Welnu, waarin kan dan het misdadige gele-
ger zijn , wanneer ik een paar druppels bloed buiten
hun gewone kanaal leid?" En nadat hij met het schrij-
ven van zijn werk gereed was gekomen, leende hij
het aan een zijner vrienden; zijn vriend las het,
schreef een brief van dank en bewondering, en
schoot zich dood. Een aanhangsel van het werk zelf!
Rousseau, Voltaire, Gibbon, Montaigne — allen
beruchte Fransche en Engelsche godloochenaars —
hebben allen het geoorloofde van zelfvernietiging
bepleit. Het ongeloof legt den mensch geen hinder-
paal in den weg, als hij ongeroepen en eigendun-
kelijk uit deze wereld in de toekomende wil over-
gaan. Het leert ons, dat het er niets af of toe doet,
hoe gij hier op aarde leeft, of hoe gij deze wereld
verlaat: gij komt toch terecht óf in de vergetelheid
van een Niets en een Nergens, óf in een luisterrijk
Ergens. En het ongeloof houdt het boveneind van
het touw voor den zelfmoord vast, en legt het pis-
tool aan, waarmede een man zich voor het hoofd
-ocr page 106-
93
schiet, en mengt de strychnine voor den laatsten
beker. Indien het ongeloof zijn pleit kon winnen en
de groote meerderheid van de bevolking der be-
schaafde landen tot de overtuiging kon brengen, dat
het volstrekt geen verschil oplevert, op welke wijze
men deze wereld verlaat, want dat men er toch
altijd op rekenen kan, behouden en wel te land te
zullen komen, — dan zouden de groote rivieren van
Europa en Amerika weldra zóó vol lijken zijn, dat
de stoombooten er door belemmerd zouden worden
in hun vaart, en dat de knal van het pistoolschot
eens zelfmoordenaars even weinig opschudding zou
verwekken als het rollen van een vrachtwagen op
straat.
God gave, dat de lijkschouwers den moed had-
den om een juist oordeel uit te spreken, en —
evenals zij in een geval van ontoerekenbaarheid zeg-
gen : „Doordien deze man niet wel bij het hoofd was,
benam hij zich het leven," — in het andere geval
te zeggen: „Nadat hij ongeloovige boeken had ge-
lezen en ongeloovige voordrachten had aangehoord,
die uit het hart van dezen man alle gedachten aan
eene toekomende vergelding verdreven, pleegde hij
zelfmoord!"
O, Ongeloof! sta op en hoor uw vonnis! In de
tegenwoordigheid van God, engelen en menschen,
sta op, o monster! terwijl uwe lippen gloeien van
godslastering, uwe wangen branden van zondige
lusten, en uw adem besmet is met de verdorvenheid
van alle eeuwen! Sta op, Satyr, vuig ondier, roof-
gier der natiën, melaaische der eeuwen! Sta op, o
-ocr page 107-
99
monster, o Ongeloof! Deels mensch, deels panter,
deels slang, deels draak, sta op en hoor uw vonnis!
Uwe handen rood van het bloed waarin gij u hebt
gebaad, uwe voeten purperkleurig van het men-
schenmoeras, waardoor gij heen hebt moeten
waden, — sta op en hoor uw vonnis! Weg met u
in den poel, en voed u daar met de snikken en
de weeklachten der huisgezinnen, die gij verwoest
hebt, en rol u op het bed van messen, die gij voor an-
deren hebt geslepen, en laat uwe muziek bestaan
in het eeuwigdurend „wee mij! wee mij!" van hen,
die hunne verdoemenis aan u te wijten hebben! Ik
brandmerk het voorhoofd van het Ongeloof met al
de misdaden van zelfvernietiging, gedurende de
laatstverloopen eeuw gepleegd door hen, die in
het bezit hunner rede waren.
O mijne vrienden! als uw leven — tengevolge
van al de verliezen en ontberingen, die gij in den
loop der jaren te lijden hebt gehad — u ooit on-
dragelijk mocht voorkomen, en gij in verzoeking
geraakt om het door uw eigen toedoen te verlaten,
beschouwt uw eigen toestand dan -toch niet als zoo-
veel slechter dan dien van anderen. Jezus zelf werd
in verzoeking gebracht om zich van het dak des
tempels af te werpen ; maar evenals Hij er weerstand
aan bood, zoo hebt ook gij er weerstand aan te
bieden. De Heiland is op deze aarde gekomen om
al onze wonden te helen en te genezen. En ook als
medicijn voor uwe zorgen schrijf ik u het leven in
plaats van den dood voor. Menschen die er slech-
ter aan toe waren, dan ooit of immer met ü het
-ocr page 108-
100
geval zal zijn, hebben juichend hun weg voortge-
zet. Onthoudt dat God met evenveel nauwgezetheid
aanteekening houdt van uw levensloop, als van den
levensloop der volken: zoowel van uw sterfbed als
van uw wieg. Waarom was het, dat te midder-
nacht, juist te middernacht, de engel des verderfs
den slag toebracht, die de Israëlieten vrij maakte
uit de slavernij ? De vierhonderd en dertig jaren
waren dien nacht met klokslag van twaalven ver-
streken. De vierhonderd en dertig jaren waren niet
verstreken om elf uur, al zou één klok ook achter
en te laat geweest zijn. De vierhonderd en dertig
jaren waren om met klokslag van twaalf uur, en de
engel des verderfs bracht den slag toe, en Israël
was vrij. En God weet met volkomen juistheid het
uur, waarop het tijd is om u uit de aardsche slaver-
nij uit te leiden. Om den wille Zijner genade! bezie
de dingen niet van den slechtsten, maar van den
besten kant! Indien gij bittere pillen moet slikken,
kauw er niet eerst op! Uwe eeuwigdurende beloo-
ningen zullen in overeenstemming zijn met uwe aard-
sche ellenden, alsof een slaaf bij zijne invrijheid-
stelling van zijn heer een gouden keten ontvangt,
die even zwaar is als zijn vroegere keten van ijzer.
In antwoord op het gebed — en ik weet niet tot
wie ik spreek in deze talrijke vergadering, maar
het woord is misschien toepasselijk op een bepaald
persoon — in antwoord op uw gebed kunt gij de-
zelfde genade bekomen, welke indertijd geschonken
werd aan den Italiaanschen martelaar Algerius, die,
in den duistersten aller kerkers geworpen, zijne
-ocr page 109-
IÓI
brieven dagteekende uit: „den liefelijken bloemen-
hof der Leonine gevangenis." En onthoudt, dat
dit korte leven omringd is door een heining, een
zeer dunne, maar zeer gewichtige heining, — en
vlak achter die heining is er een groote eeuwigheid;
en nu kunt gij niet beter doen dan daarbuiten te
blijven totdat God zelf die heining verbreekt en de
scheiding wegneemt tusschen dezen kant en genen
kant. Werp u, om ontslagen te worden van de
zorgen dezer aarde, niet in nog grooter zorgen!
Spring, om aan een bijenzwerm te ontkomen, niet
in een kuil vol Bengaalsche tijgers!
Er bestaat een wereld zonder zorgen, en zij is
zóó luisterrijk, dat de volle middagzon dezer aarde
daar slechts een flauwe schemering is; en het Noor-
derlicht, dat aan onze Noordelijke hemels straalt
en de sterrenkundigen in twijfel doet verkeeren om-
trent zijn aard en wezen, is het wapperen der ba-
nieren van den stoet, die gekomen is om de over-
winnaars huiswaarts te geleiden uit de strijdende
Kerk naar de triomfeerende Kerk. En gij en ik heb-
ben duizende en tienduizende redenen om óók daar-
heen te willen gaan , maar wij zullen er evenmin ooit
komen door zelfverminking als door onboetvaardig-
heid. Nademaal al onze zonden zijn uitgedelgd door
onzen Heer en Heiland Jezus Christus, die daartoe
op aarde is gekomen, wenschen wij niets liever,
dan juist op den door God bepaalden tijd tot de
eeuwige heerlijkheid in te gaan, op een door Gods hand
gespreid sterfbed. En dan zal de klank van de dicht-
vallende grafdeuren achter ons overstemd worden
-ocr page 110-
102
door den klank van het openen der hooge paarlen
poort voor ons. O mijn God! wat of hoe anderen
ook mogen kiezen, — gun mij eens Christens leven;
eens Christens dood, eens Christens begrafenis, eens
Christens onsterfelijkheid! — Amen.
-ocr page 111-
VII.
HET ZEGEL.
En geeft oen ring aan zijne linntl,
Lukas XV : 22.
Ik zal de familie-geschiedenis van den lichtzinnigen
jonkman uit deze gelijkenis hier niet nog eens herhalen.
Gij weet, welk een heerlijk vaderhuis hij verliet. Gij
weet, welk een moeilijken tijd hij doorleefde. En gij her-
innert u, hoe hij — na die periode van landlooperij en
verkwisting — het besluit nam om op te staan en terug
te keeren, en zijne ellende uit te weenen aan den
boezem der vaderlijke vergiffenis. Zie, op zekeren
dag ontstaat er eensklaps een geweldige opschud-
ding voor de huisdeur der oude woning. De dienst-
knechten komen toesnellen, en vragen: „Wat is er
te doen? Wat is er toch te doen?" Maar nog eer
zij het gebeurde begrijpen, roept de vader hun toe:
„Geeft een ring aan zijne hand l" Welk een schijn-
bare ongerijmdheid! Wat moet zulk een afzichtelijke
bedelaar, zoo\'n havelooze vent als deze vagebond,
nu met een ring uitvoeren? Ach! hij is de verlo-
-ocr page 112-
ió4
ren zoon. Geen verlangen meer naar de zwijnentrog-
gen. Geen reikhalzen meer naar de schillen van
den broodboom. Geen opengeloopen voeten meer.
Weg met die lompen! Voor den dag met het feest-
kleed! Hier met den ring! — En juist zoo ontvangt
God elk onzer, wanneer wij tot Hem terugkomen.
Er zijn gouden ringen, en juweelen ringen, en
smaragden ringen, en diamanten ringen; maar de
kostbaarste ring, die ooit zijn glans van zich uit
heeft doen stralen, is de ring dien onze Vader aan
een begenadigde ziel geeft.
Ik weet, dat sommige lieden onder den indruk
verkeeren, als zou het geloof den rnensch verlagen
en verkleinen: dat het al den gloed uit zijne ziel
wegneemt, dat hij een blufferige onafhankelijkheid
zal moeten verwisselen met een kerkelijk dwang-
buis. Maar zoo is het niet! Wanneer iemand een
Christen wordt, zinkt hij niet naar beneden, maar
stijgt hij naar boven. Het geloof vermenigvuldigt
één met tienduizend. Neen, de vermenigvuldiger
is de oneindigheid. Het is geen uitwisschen, —
het is een polijsten, het is een ontluiken, het is
een bloesemtooi, het is een zonsopgang vol luister
en stralenglans. Wanneer de mensch het Konink-
rijk Gods binnentreedt, wordt hij niet tot een ver-
nederenden dienst uitgezonden, maar de Heer onze
Almachtige God roept uit de paleizen des hemels
de snelgewiekte engelen tot Zich, die met de bediening
van den Troon zijn belast, dat zij heen zullen vlie-
gen en „een ring aan zijne hand geven." In Jezus heb-
ben wij de ruimste vrijheid en de heerlijkste blijd-
-ocr page 113-
\'°5
schap en de hoogste eer en het kostbaarste sieraad.
„Geeft een ring aan zijne hand!"
Ik merk in de eerste plaats op, dat — wanneer
Jezus een ziel in Zijne liefde ontvangt — Hij haar
de ring der aanneming geeft. Terwijl ik mij in mijne
kerk te Philadelphia bevond, kwam daar een ver-
tegenwoordiger van de Stadszending te New-York.
Hij bracht acht of tien kinderen mede, die hij van
de straat had opgeraapt, en nu trachtte hij huis-
vesting voor hen te vinden in Christelijke gezinnen;
en terwijl de kleinen op het platform stonden te
zingen, was het of ons hart zou breken van deer-
nis en weemoed. Aan het einde der samenkomst
trad er een rijk en edelaardig man naar voren , en
zeide hij: „Ik zal dit kleine meisje met hare helder-
blauwe oogen medenemen, en ik wil haar als een
mijner eigene kinderen aannemen." En hij nam haar
bij de hand, zette haar in zijn rijtuig, en reed met
haar heen.
Toen wij den volgenden dag in de kerk bezig
waren met kleederen voor de armen te New-York in
ontvangst te nemen, kwam dit kleine meisje terug
met een bundeltje onder haren arm, en zeide zij:
„Hier zijn mijne oude kleeren; misschien zal een der
andere arme kinderen ze wel graag willen hebben,"
terwijl zij zelve in een helder en keurig mooi pakje
gestoken was; en die haar meer van nabij bezien
hadden, zeiden dat zij een ring aan hare hand had.
Dat was de ring der aanneming.
Er leven een groote menigte menschen, die zich
op hunne voorouders beroemen, en die niet weinig
-ocr page 114-
io6
trotsch zijn op het koninklijk bloed, dat door hunne
aderen vloeit. In hunne familie hebben zij een graaf,
of een hertog, of een eersten minister, of een ko-
ning gehad. Doch wanneer de Heer, onze Vader,
ons de ring Zijner aanneming aan de hand geeft,
worden wij kinderen van den Heerscher over
alle natiën. „Ziet, hoe grootc liefde ons de Vader
gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods ge-
naamd souden ivorden."
Het maakt niets uit, hoe
armoedig onze kleederen er in deze wereld ook uit-
zien , of hoe schaarsch onze broodtrommel voorzien
is, of hoe schamel de hut is, waarin wij wonen, —
indien wij dien ring van onze aanneming door Jezus
aan onze hand hebben, kunnen wij ons verzekerd
houden van eene eeuwigdurende bescherming.
Aangenomen ! O, dan zijn wij broeders en zusters
van al wat God vreest op de aarde en in den hemel.
Wij hebben den familienaam, het familiegewaad, de
familiesleutels, de familiepapieren. De Vader houdt
toezicht op ons, kleedt ons, verdedigt ons, zegent
ons. Indien wij Zijne kinderen zijn, dan zijn wij prin-
sen en prinsessen, \'t Is slechts een quaestie van tijd,
wanneer wij onze kroon zullen ontvangen. Aange-
nomen! Dan krijgen wij kennis van de familiegehei-
men : „De verborgenheid des Heer en is voor degenen
die Hem vreezen.\'"
aangenomen ! Dan hebben wij deel
aan de familie-erfenis; en ten dage als onze Vader
de schatten des hemels zal uitdeelen, zullen wij be-
zit nemen van ons aandeel in de paleizen en tempels
en lusthuizen. Laten wij ons dus voortaan niet meer
beroemen op een aardsche afkomst! Het zinnebeeld
-ocr page 115-
ioy
der eeuwige heerlijkheid is ons wapenschild. Deze
ring der aanneming begiftigt ons met alle mogelijke
eer en voorrechten.
Men heeft mij wel eens verhaald, dat — wanneer
er leden van het een of ander geheime genootschap
in Amerika zich in een verafgelegen stad bevinden,
en door den een of anderen nood gekweld worden,
of door vijanden in het nauw worden gebracht —
zij slechts een zeker teeken behoeven te geven, en
de medeleden van hunne Vereeniging scharen zich
van alle kanten rondom hen heen, om hen te ver-
dedigen. En wanneer eenig mensch behoort tot deze
groote Christelijke broederschap, — als hij verkeert
in nood, in beproeving, in vervolging, in verzoeking,
behoeft hij slechts dezen ring zijner aanneming door
Christus te vertoonen, en al de gewapende heir-
scharen des hemels zullen tot zijne redding toesnellen.
En voorts, wanneer Jezus eene ziel in Zijne liefde
opneemt, geeft Hij haar een huwelijksring. En dat
is geen gril of verbeelding van mij. Hosea II vs. 18
en 19: „En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuzvigheid;
ja, Ik zal 11 Mij ondertrouwen in gerechtigheid en
in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartig-
heden. En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en
gij zult den Heer kennen."
In vele landen steekt de
bruidegom voor het echtaltaar een ring aan de hand
der bruid, als een bewijs zijner liefde en trouw. De
zorgen mogen zich opeenstapelen in dat huishouden,
en de vloerkleeden mogen verkocht worden, de
schilderijen mogen verkocht worden, de piano moge
verkocht worden, al het andere moge verkocht
-ocr page 116-
io8
worden, — maar het laatste van alles wat te gelde
wordt gemaakt, is de trouwring, want die wordt
als iets heiligs beschouwd. In de ure der begrafenis
wordt hij van de hand afgetrokken, en in een doosje
gelegd. En op den een of anderen verjaar-of gedenk-
of herinneringsdag neemt gij dien ring nog weer eens
ter hand , en poetst gij hem weer op, totdat al de oude
glans er in terugkomt; en dan kunt gij er nog weer de
flikkering in zien van oogen, die reeds lang ophiel-
den met weenen. O, het is geen onbeduidend of
onbeteekenend feit, als ik u zeg, dat, wanneer Jezus
een ziel als Zijn eigendom aanneemt, Hij haar een
trouwring geeft! Hij begiftigt u van dat eigen
oogenblik af met al Zijne rijkdommen. Gij zijt één
— Jezus en de ziel — één in liefde, één in ge-
hechtheid , één in hoop !
Geen macht der aarde of der hel is in staat, een
echtscheiding te bewerken nadat Jezus en de ziel
verbonden zijn geworden. Andere vorsten hebben
hunne gezellinnen verstooten, wanneer zij ver-
zadigd van haar waren geworden, en haar uit de
poorten van het paleis de wijde wereld in gejaagd.
Ahasverus verbande Vashti; Napoleon verzaakte
Josephine; maar Jezus is de Echtvriend, die ons
eeuwig trouw blijft. Wanneer Hij u eenmaal lief-
heeft , zal Hij u liefhebben tot den einde toe.
O neen, gij kunt een ziel niet van Jezus schei-
den ! Het is een eeuwigdurend huwelijksverbond.
Strijd en storm en duisternis kunnen er niet den
minsten of geringsten invloed op oefenen. Is het te
stout gesproken voor een mensch, die slechts stof
-ocr page 117-
109
en asch is, gelijk ik, om in dit oogenblik uit te
roepen: „Want ik ben verzekerd, dat noch dood,
noch leven, noch engelen , noch overheden, noch mach-
ten , noch tegenwoordige, noch toekomende dingen,
noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel,
ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke
is in Christus Jezus, onzen Heer!" ?
Geloofd zij God,
dat — wanneer Jezus en de ziel door het huwelijk
worden vereenigd — zij verbonden worden door een
keten — een gouden keten — als ik het zoo mag
noemen — een keten met één schalm, en die ééne
schalm is de gouden ring van Gods eeuwigdurende
liefde.
Ik ga een stap verder, en zeg u, dat — wan-
neer Jezus een ziel in Zijne liefde opneemt — Hij
haar begiftigt met den fecstring. Gij weet, dat het
ten allen tijde de gewoonte is geweest, bij bui-
tengewoon heugelijke gelegenheden ringen uit te
reiken. Er is niets geschikter voor een verjaarsge-
schenk dan een ring. Het is een genot voor u, bij
zulk een gelegenheid zulk een geschenk aan uwe
kinderen te verstrekken.\'t Is het zinnebeeld van blijd-
schap, van opgeruimdheid, van feestviering. En zoo
ook: toen de vader in onzen tekst wilde doen uit-
komen, hoe verheugd hij er over was, dat zijn zoon
was teruggekomen, gaf hij het op deze wijze te
kennen. Want inderdaad, — alvorens hij bevel gaf,
dat men \'s jonkmans bloote voeten met sandalen zou
bekleeden; alvorens hij bevel gaf, dat het gemeste
kalf geslacht zou worden, om \'s jonkmans honger
te stillen, beval hij : „ Geeft een ring aan zijne hand!"
-ocr page 118-
IIO
O, het is zoo\'n heerlijk oogenblik, als Jezus en
de ziel worden vereenigd!
Eiken dag ontmoet ik geloovige lieden, die ge-
lukkig zijn. Ik ontmoet er sommigen, die geen over-
jas rijk zijn; sommige anderen in hutten of derge-
lijke armoedige verblijven, waar hun geen enkele
aardsche gerieflijkheid ten dienste staat; en tóch
zijn zij zoo gelukkig als zij maar kunnen wezen. Zij
zingen het „Rots der Eeuwen!" zooals niemand
anders ter wereld het zingen kan. Hun gansche leven
lang hebben zij nooit eenig ander juweel gedragen,
dan een gouden ring, en dat was de ring van Gods
onsterflijke genegenheid. O, hoe gelukkig maakt het
geloof ons! Heeft het u somber en droefgeestig ge-
maakt? Loopt gij met het hoofd naar beneden ge-
bogen? Dan vrees ik, dat gij het niet bezit, mijn
broeder! Dat kan geen gevolg van het geloof zijn.
Het echte geloof is een blijdschap. „Hare wegen zijn
wegen der lieflijkheid, en al hare paden zijn vrede.\'1\'\'
Ja, het geloof verlicht al onze lasten. Het effent
al onze wegen. Het lenigt al onze zorgen. Het
doet de knarsende geluiden der aardsche oneenig-
heden veranderen in het lieflijk geklank van blijde
feestklokken. Tegenover den vlammenden oven der
beproevingen plaatst het geloof het aambeeld, waar»
op schepters gesmeed worden. Zoudt gij u in deze
ure niet willen afkeeren van den zwijnendraf, en
het eens beproeven met dit geloof? Al de geneug-
ten des hemels zouden u van verre tegemoet komen,
en de Heer onze God zou van zijn troon roepen:
„Geeft een ring aan zijne hand!"
-ocr page 119-
III
Gij zijt niet gelukkig. Dat zie ik wel. Er is geen
vrede; en somtijds lacht gij, wanneer gij eigenlijk
vrij wat meer lust gevoelt om te schreien. De wereld
is bedrog. Eerst wiegt zij u in slaap met hare
dwaasheden, — en dan stoot zij u neer in de duister-
nis. Zij komt terug van den moord van een millioen
zielen, om thans het verderf van uwe ziel te be-
proeven. Geen vrede buiten God, — maar hier is
de fontein, die den dorst kan lesschen. Hier is de
haven, waarin gij veilig het anker kunt laten vallen.
Zoudt gij niet gaarne, zoo vraag ik u, — niet
vluchtig en in het voorbijgaan, maar zooals de eene
broeder zou spreken met den andere, — zoudt gij
niet gaarne een kussen hebben, om er uw hoofd
op neer te leggen? En zoudt gij niet gaarne; wan-
neer gij u dezen avond ter ruste begeeft, het be-
sef en de overtuiging hebben, dat alles wèl met u
is, hetzij gij morgenochtend om zes uur weef wak-
ker wordt, of dat gij den slaap gaat slapen, die
hier op aarde geen ontwaken kent ? Zoudt gij deze
vreeselijke onzekerheid omtrent de toekomst niet
gaarne willen verwisselen met de heerlijke zeker-
heid van het vooruitzicht op den hemel? Neem van-
daag nog den Heere Jezus aan, en gij wordt aan-
genomen, en alles is wel met u. Wanneer, op
uwen weg uit dit kerkgebouw naar huis, midden
op straat u de een of andere ramp mocht overkomen,
die u het leven benam, — uwe ziel zou er geen
schade bij lijden. Gij zoudt onmiddellijk opstaan.
Gij zoudt uwe oogen opslaan in de straten der
hemelsche stad. Gij zoudt u bevinden te midden van
-ocr page 120-
112
de groote schare dergenen, die tot in alle eeuwig-
heid gelukkig zijn. Indien gij dezen nacht plotseling
door de een of andere ziekte mocht worden getrof-
fen, zoudt gij er u niet bevreesd over maken. Als
gij wist dat gij heengingt, zoudt gij kalm afscheid
kunnen nemen van uw lief en vriendelijk tehuis
hier op aarde, en zoudt gij weten dat gij regelrecht
overgaat in het gezelschap dergenen, die de moeite
en het verdriet reeds ver achter zich hebben.
Gij gevoelt u op Zaterdagavond eenigszins anders,
dan op alle overige avonden der week. Gij komt
thuis van het kantoor, of uit den winkel, of van
het bureau, en gij zegt: „Ziezoo, mijn werk van
deze week is weer afgedaan, en morgen is het
Zondag!" Dat is een aangename gedachte. Zelfs in
het denkbeeld alleen ligt reeds iets verfrisschends
en versterkends. O, hoe aangenaam zal het dan zijn,
indien wij — als onze levensdag ten einde is, en
wij van hier heengaan, en nederliggen op het bed
onzer laatste woning, — indien wij dan kunnen
denken: „Welaan, nu is al het werk afgedaan, en
morgen is het Zondag: een eeuwigdurende Zondag!"
• O, stad des hemels! stad van God!
Wanneer mag \'k u betreden ?
Waar \'k met Gods volk een Sabbath vier
Van eindlooze eeuwigheden !»
Er bevinden zich op den huidigen dag lieden in
dit bedehuis, die reeds zeer dicht bij de eeuwige
wereld genaderd zijn. Indien gij geloovige Ghriste-
-ocr page 121-
ii3
nen zijt, weest dan, bid ik u, goedsmoeds! Neemt
onze heilvvenschen naar de stad des lichts mede. Gij
bejaarden, die weldra zult heengegaan zijn, neemt
onze liefdegroeten mede voor onze dierbaren in het
betere land; en wanneer gij hen ziet, zegt hun dan,
dat wij spoedig komen. Nog slechts eenige weinige
leerredenen uit te spreken en te gaan hooren. Nog
slechts een weinig harteleed meer. Nog slechts en-
kele zware inspanningen. Nog slechts weinige
tranen meer. En dan, — welk een verrukkelijk schouw-
spel zal zich dan voor ons ontsluiten:
«Heerlijke hemel, waar alles is licht!
Heerlijke serafs met blinkend gezicht!
Heerlijke snaren vol eeuwigen klank!
Heerlijke harpen vol juichenden dank!
Dadr breng \'k met de englen aanbidding en eer
Aan mijnen Heiland, mijn Goël, mijn Heer!»
En zoo kom ik nu tot u met eene algemeene uit-
noodiging, — niet hier en daar een man uitkiezen-
de, of hier en daar een vrouw aanwijzende, of hier
en daar een kind boven anderen voortrekkend, —
maar ik kom tot u met een onbeperkte uitnoodiging
en zeg: „Komt, want alle dingen zijn gereed!\'^ Wij
noodigen u uit om te komen tot het warme, liefde-
volle hart van Jezus en tot de gemeenschap der
Christelijke Kerk! Ik weet wel: zeer velen zijn van
meening, dat de Kerk niet veel meer te beteekenen
heeft, dat zij verouderd en in onbruik geraakt is, — dat
zij haar werk gedaan beeft en nu aan het verdwij-
-ocr page 122-
ii4
nen is, zooals het met alle overbodige en nutteloos
geworden dingen gaat. Nu het is, na mijn eigen huis,
de heerlijkste plaats, waar ik ooit geweest ben!
Ik weet dat er sommige menschen gevonden wor-
den, die zeggen dat zij Christenen zijn, maar het
zonder eenige hulp van anderen schijnen te kunnen
stellen, en een soort van geïsoleerde vroomheid
beoefenen. Zij hebben geenerlei regels of inzettingen
noodig. Ik behoor niet tot dat soort van menschen.
Ik kan niet met hen voort. Er zijn zóó vele en zoo
velerlei dingen in deze wereld , die mijne aandacht
afleiden van God en van Jezus en van den hemel,
dat ik wel degelijk behoefte heb aan al de hulpmid-
delen van al de symbolen en van al de Christelijke
genootschappen, — en het is mij een behoefte, om-
ringd te zijn door een kraehtigen en standvastigen
phalanx van menschen die God liefhebben en Zijne
geboden onderhouden. Komen deze woorden wel-
licht tot iemand, die gaarne in dat verbond zou wil-
len worden opgenomen, maar nog aarzelt om den
beslissenden stap te doen? O, vraag dan met een
eenvoudig, kinderlijk geloof om opneming in de
zichtbare Kerk, en gij zult er ontvangen worden!
Geen sprake van vragen omtrent de geschiedenis
van uw verleden, of omtrent uwe tegenwoordige
omgeving. Slechts één toetssteen: Hebt gij den Hecre
Jezus lief?
— Amen.
-ocr page 123-
VIII.
VERGENOEGING.
Zijt vcrgciiiH\'grtl iiH\'1 het lcüi\'mvuorJiiic:.
HERREKEN XIII : 5,
Er ligt heel wat gezond verstand in Paulus\' raad
aan de Hebreeën: „Zijt vergenoegd met het tegen-
woordige!""
Vergenoegd en tevreden te zijn, wil
zeggen: goedsmoeds te blijven onder al onze om-
standigheden , en niet morrend en tegenstrevend in
verzet te komen tegen onze geringheid, of tegen
onze armoede, of tegen onze maatschappelijke po-
sitie. Er bestaan vier of vijf gewichtige redenen,
waarom wij vergenoegd behooren te zijn met het
tegenwoordige.
De eerste reden, die ik vermeld als leidende tot
die gemoedsstemming, welke ons in mijn tekst wordt
aangeraden, is de overweging: dat de armsten onzer
alles bezitten wat onmisbaar is
voor het leven. Wij
maken een grooten ophef van onze ontberingen en
tegenspoeden; maar hoe weinig spreken wij over
-ocr page 124-
n6
onze zegeningen! De gezondheid des lichaams, welke
in de ruimste mate gegeven is aan dezulken, die
nooit verwend of vertroeteld of door hun rijkdom
bedorven zijn geworden, beschouwen wij als iets
volkomen natuurlijks, als iets dat van zelf spreekt.
Bezit liever die weelde der gezondheid, en die al-
leen, dan — zónder haar — door de vensters van
een paleis het uitzicht te hebben op parken vol wild ,
dat fier trotsch rondstapt tusschen fonteinen en stand-
beelden. Deze lieden slapen geruster op een stroo-
matras, dan voorname sukkelaars op een bed van
ivoor en arendsdons.
Het eenvoudige maal van moeskruiden smaakt
beter voor den eetlust, die aangezet is op de bijl
van een houthakker of de zeis van een grasmaaier,
dan voor den rijke met zijne verschijnselen van
slechte spijsvertering, al zit hij ook aan een disch ,
die overladen is met patrijzen en wildbraad en ana-
nassen. De grootste weelde, die God ooit aan den
mensch gegeven heeft, is de gezondheid. Wie dezen
schat verruilt voor al de paleizen der aarde, wordt
onuitsprekelijk bedrogen. Wij zien terug op de glorie
van den laatsten Napoleon; maar wie zou zijn Ver-
sailles en zijne Tuilleriën genomen hebben, als hij
er óók zijn jicht bij had moeten nemen ?
„O," zegt deze of gene, „ik verlang niet naar
ruwe vermaken , maar wel naar die genietingen , die
kunst en goeden smaak ons kunnen verschaffen."
Welnu, gij bezit de oorspronkelijke schoonheden,
waarvan deze schilderijen een copie te zien geven.
Wat is een zonsondergang aan een muur, vergele-
-ocr page 125-
ii7
ken met een zonsondergang, die in lussen van vuur
aan den hemel gehangen is? Wat is een waterval,
stil en onbewegelijk op een stuk doek gespannen,
in vergelijking van een waterval, die den berg doet
beven en sidderen, zoodat het schuim omhoog
vliegt als de onbelichaamde geest van het op de
rotsen te pletter geslagen water? O, er is zoo ge-
weldig veel zinledige vertooning in \'t spel bij dat
dweepen met\'schilderijen door dezulken, die nooit
of nimmer eenige waardeering aan den dag leggen
voor het orgineel, waarnaar die schilderijen vervaar-
digd zijn! Het is alsof een vader of moeder niet de
minste of geringste notitie nemen van hun kind,
maar buiten zichzelven van verrukking geraken bij
het bezichtigen zijner photographie. Dank er nog
op den huidigen dag den Heer voor, o man! o vrouw !
dat — hoewel gij misschien verstoken zijt van de
gelegenheid tot. bezichtiging der werken van een
Rubens, een Rembrandt, een Potter, een Titiaan,
— dat gij nog altijd vrijen toegang hebt tot een
kunstkabinet, grooter dan het Louvre te Parijs, of
het Britsch Museum te Londen, of het Vaticaan te
Rome: de vorstelijke gallerij der middag-hemelen,
het Koninklijk kabinet der middernacht luchten!
Eene andere overweging, die ons tot een geest
van vergenoeging en tevredenheid kan leiden, is
het feit, dat ons geluk niet afhankelijk is van uitwen-
dige omstandigheden.
Gij ziet gelukkige menschen en
ellendige menschen te midden van alle mogelijke
omstandigheden. In een huisgezin waar het laatste
tarwebrood op tafel ligt en het laatste stuk hout
-ocr page 126-
n8
in den haard brandt, vindt gij somtijds een blijmoe-
dig vertrouwen op God; terwijl gij in een bijzonder
fraaie en weelderige omgeving vaak de tweedracht
haar krijgsgeschreeuw kunt zien en hooren aanhef-
fen, waarbij de gastvrijheid doodvriest in een onge-
zellige huiskamer. Op zekeren dag bleef ik een poos
staan op den hoek eener breede, drukke, levendige
straat, die op de Beurs uitloopt, om te zien wie
van al de menschen, welke mij daar voorbijkwa-
men, er wel het gelukkigst uitzag. Ik vond,teoor-
deelen naar hunne gelaatstrekken, dat de gelukkig-
ste menschen niet dezulken waren, die de straat
ingingen; want zij vertoonden op hun gelaat de
angstige begeerte naar den dollar, dien zij op de
Beurs hoopten te winnen. Maar ook evenmin de men-
schen, die de straat uitkwamen; want zij vertoonden
op hun gelaat de angstige smart over den dollar, dien
zij verloren hadden. En al evenmin de lieden, die mij
voorbij vlogen in prachtige equipages, want zij kwa-
men hier en daar een koets tegen, die nóg prachtiger
was dan de hunne. De gelukkigste vrouw te mid-
den van heel die menigte, te oordeelen naar het uiter-
lijk voorkomen; was eene vrouw die achter haar ap-
pelenkraampje zat te breien. Ik geloof, dat het ware
en waarachtige geluk vaker rondziet door het ven-
ster eener armelijke woning, dan door den tooneel-
kijker in een vergulde loge van den schouwburg.
Ik zie Nero, kermend op een troon. Ik zie Paulus,
zingend in een kerker. Ik zie koning Achab, midden
op den dag uit zwaarmoedigheid naar bed gaande,
terwijl in zijne onmiddellijke nabijheid Naboth tevre-
-ocr page 127-
ii9
den en vergenoegd is in het bezit van een wijngaard.
Haman, de minister-president van Perzië, kniest
zich bijna dood, omdat een arme Jood zijn hoed
niet voor hem wil afnemen; en Achitofel, een van
de grootste rechtsgeleerden uit de Bijbelsche ge-
schiedenis, is zoo bevreesd voor den dood, dat hij
zich ophangt. Toen men den rijksten man, die veer-
tig jaren geleden in New-York te vinden was, eens
gelukwenschte met zijne uitgestrekte bezittingen,
gaf hij ten antwoord: „Ach! gij weet niet, hoeveel
moeite ik heb met dat alles te beheeren en in stand
te houden!" De beroemde Engelsche dichter Byron
verklaarde in zijne laatste oogenblikken, dat hij in
zijn geheele leven niet meer dan twaalf gelukkige
dagen had gekend; maar Byron was, ondanks al
zijn roem, een lichtmis en een godloochenaar, en
daarom geloof ik niet, dat hij in zijn gansche leven
ooit twaalf minuten van werkelijke en volkomen
voldoening gesmaakt heeft. Napoleon I zeide: „Ik
wend mij met walging af van de lafhartigheid en
de zelfzucht der menschen. Ik beschouw het leven
als iets afschuwelijks; de dood alleen geeft rust.
Wat ik gedurende de laatstverloopen twintig dagen
te lijden heb gehad, gaat alle menschelijk begrip
te boven!" En aan den anderen kant, om te toonen
hoe iemand gelukkig kan zijn te midden der aller-
ongunstigste omstandigheden: even nadat het reusach-
tige stoomschip Ocean Monarch in het Engelsche
Kanaal vergaan was, kruiste er een stoomboot rond
in de duisternis, en hoorde de kapitein van dat
vaartuig een lied, een liet lijk lied, dat hem over \'t
-ocr page 128-
120
water in de ooren klonk, — en hij boog zich neder
naar die stem, en kwam weldra tot de ontdekking,
dat het een vrome Christin was, die op een plank
van het vergane stoomschip zat en daar met een
aandoenlijk blijmoedige stem zong:
«Dierbre Heiland mijner ziele!
Laat mij schuilen aan Uw hart,
Nu de golven mij bedekken
Met een oceaan van smart!»
Het hart recht jegens God en menschen, en wij
zijn gelukkig. Het hart verkeerd jegens God en
menschen, en wij zijn ongelukkig.
Een andere reden waarom wij behooren te komen
tot dien geest, die in mijn tekst omschreven wordt,
is gelegen in het feit, dat al de verschillen in aard-
sche omstandigheden voorbijgaand en vergankelijk
zijn.
De huizen die gij bouwt, het land dat gij be-
zaait, de lokaliteiten die gij voor uwe zaken noo-
dig hebt, zullen weldra in andere handen overgaan.
Hoe hard gij het thans ook moogt hebben, — als gij
in waarheid een Christen zijt, zult gij u weldra in
eene andere omgeving verplaatst zien. Pijn, beproe-
ving, vervolging, zij kloppen nooit of nimmer aan
de deur van het graf. Een doodkist, van denne-
planken vervaardigd, is een even goede rustplaats,
als een die van mahonie- of rozenhout gemaakt en
met zilver beslagen is. Ga rond tusschen de rust-
plaatsen der dooden, en gij zult bemerken, dat —
hoewel er onder al de daar liggende menschen een
-ocr page 129-
i2r
groot verschil ten opzichte hunner aardsche omstan-
digheden bestond, — zij er thans allen even onbe-
wust van zijn. De hand die een groet toewuifde aan
een raadslid of een prins of een koning, ligt nu
even stil en onbewegelijk , als de hand die hard en
vereelt werd door het werken met den smidshamer
of met het pottenbakkersrad. Het maakt nu voor hen
volstrekt geen verschil meer, of er een eenvoudige
steen boven hen ligt, waarvan de reiziger eerst het
mos moet verwijderen, om den naam er op te kun-
nen lezen, of dat er een hooge zuil op hun graf
staat, die zich bijna tot aan den hemel verheft, als
om aan de vier windstreken hunne deugden te ver-
kondigen.
In dat stille land zijn er geen titels voor groote
mannen, en hoort men geen geratel van rijtuig-
wielen, en laten zich nooit de schuifelende passen
van dansende paren vernemen. De Egyptische guano ,
die op de velden in het Oosten wordt uitgestrooid
tot bemesting van den bodem, is het bijeenverza-
melde stof uit de graven van koningen en edelen
en grootmachtige mannen. O, welk een hartzeer
zou het voor die mannen geweest zijn, als zij ooit
hadden kunnen vermoeden, dat men hen in de
latere eeuwen der wereld Egyptische guano zou
noemen!
Nog een andere reden, waarom wij dien geest
van blijmoedigheid behooren aan te kweeken, is ge-
legen in het feit, dat God weet wat het best voor
Zijne schepselen is.
Gij weet, wat het best voor
uw zoontje is. Hij vindt, dat gij niet zoo vrijgevig
-ocr page 130-
122
tegenover hem zijt, als gij naar zijne meening wel
behoordet te wezen. Hij critiseert uwe tucht, maar
gij overziet het geheele veld, — en, omdat gij dat
kind liefhebt, doet gij wat volgens uwe weloverwo-
gen meening het best voor hem is. En nu: God is
de beste aller vaders. Somtijds denken Zijne kin-
deren, dat Hij hard voor hen is, en dat Hij niet zoo
vrijgevig ten hunnen opzichte handelt, als Hij volgens
hun inzien wel behoorde te doen. Maar kinderen
weten niet zooveel als een vader. Ik kan u zeggen,
waarom gij u niet in weelde baden kunt, en waar-
om gij tot dusver niet voorspoedig zijt geweest.
Het is omdat gij niet tegen de verzoeking bestand
zoudt zijn. Ware uw pad altijd effen geweest, dan
zoudt gij zijn gaan vertrouwen op uwe eigene stand-
vastigheid; doch daarom maakte God dat pad ruw
en oneffen, zoodat gij u aan Zijne hand moest vast-
houden. Als het heden altijd zoel en zacht was ge-
weest, waart gij misschien langs de beekjes blijven
ronddrentelen; maar bij het eerste gehuil van den
storm versneldet gij uwen voetstap hemelwaarts,
en wikkeldet gij u in het kleed der gerechtigheid
uws Heilands.
„Wat heb ik misdaan?" vraagt de korenschoof
aan den landbouwer; „wat heb ik misdaan, dat ge
mij zoo hard slaat met uwen dorschvlegel?" De
landbouwer geeft geen antwoord; maar de hark trekt
het stroo weg, en de molen blaast het kaf in den
wind, en het goudgele graan valt neder aan den
voet van den windmolen. En een poosje later be-
grijpt het stroo, als het van den hoogen stapel neer-
-ocr page 131-
123
ziet op het goudgele graan, dat aan weerskanten
van den dorschvloer ligt opgehoopt, waarom de
landman den korenschoof met den dorschvlegel slaat.
Wie zijn deze, die daar voor den Troon staan?
En het antwoord luidde: „Dezen zijn het, die uit de
groote verdrukking komen; en zij hebben hunne lange
kleedercn gewasschen, en hebben hunne lange kleede-
ren wit gemaakt in het bloed des Lams."1
God gave,
dat wij allen konden begrijpen, dat onze beproevingen
het beste voor ons zijn! Als wij een waardeerend
besef van die waarheid hadden, zouden wij weten,
waarom John Noyra, de martelaar, midden in de
vlammen van den brandstapel, zich nederboog en
een der takkenbossen opraapte, die hem verteer-
den, en er een kus op drukte, en toen uitriep: „God
zij gedankt voor de ure, waarin ik geboren werd
voor deze eervolle onderscheiding!" Zij die met
Hem op aarde lijden, zullen met Hem verheerlijkt
worden in den hemel. Zijt dus vergenoegd met het
tegenwoordige!
Een andere overweging, die ons leidt tot den
geest van mijn tekst, is de verzekerdheid, dat de
Heer zal voorzien. Zal Hij, die het water in de holte
Zijner hand houdt, ooit toelaten dat Zijne kinderen
sterven van dorst? Zal Hij, Wiens het vee is op
duizend bergen, en al de schatten der aarde aan
graan en vruchten, ooit toelaten dat Zijne kinderen
van honger omkomen? Ga morgen ochtend vroeg
naar buiten, in de bosschen, en hoor er de vogelen
zingen. Zij hebben geen ontbijt gehad, zij weten
niet waar zij zullen middagmalen, zij kunnen nog
-ocr page 132-
124
in de verste verte niet vermoeden, waar en hoe
hun avonddisch zal zijn; maar ga de vogelen eens
in den vroegen morgen hooren zingen. „Aanziet de
vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien,
noch verzamelen in de schuren, en uzv hcmelsche
Vader voedt nochtans dezelve: gaat gij dezelve niet
zeer veel te boven?"
Zevenduizend menschen gingen, in de dagen van
Jezus\' omwandeling op aarde, de woestijn in. Het
waren de onvoorzichtigste menschen, waarvan ik
ooit ter wereld gehoord heb. Zij verdienden, van
honger te sterven. Zij hadden spijze genoeg kunnen
medenemen om hen te voeden totdat zij terug-
kwamen. Maar zij namen niets mede. Een jongske,
dat alléén meer overleg had dan zij met hun allen,
vroeg dien morgen aan zijne moeder om wat brood-
jes en een paar vischjes. Zij werden in zijn knapzak
geborgen. En zoo ging hij er meê de woestijn in.
Van dien teerkost werden de zeven duizend gespij-
zigd; en hoe meer zij aten, des te grooter werden
de brooden, totdat de voorraad, dien de kleine
jongen in één zak had medegebracht, zoodanig was
verveelvoudigd , dat hij de overgeschoten brokken
niet in zes zakken naar huis had kunnen dragen.
„O ja," zegt gij, „maar wij leven nu in een anderen
tijd, en de dagen der wonderen hebben wij reeds
lang achter ons!\'1 Ik antwoord u, dat, hetgeen God
toen door een wonder deed, Hij datzelfde nu op
eene andere wijze doet, en door natuurlijke wetten.
„Ik ben jong gezveest," zegt David, „en ook ben
ik oud geworden, maar heb niet gezien den recht-
-ocr page 133-
125
vaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood."
Het is hoog tijd, dat gijlieden, die zit te kniezen
over uwe aardsche omstandigheden, en die vreest
dat gij nog eens gebrek zult moeten lijden , gaat
begrijpen, dat de eed van den Eeuwigen God ver-
vat is in het feit, dat gij genoeg zult hebben om te
eten en u te kleeden.
Voorts vestig ik er uwe aandacht op, dat het ge-
loof in Jezus den grootsten invloed oefent om den
mensch vergenoegd en tevreden te maken.
Een waarborg tegen alle geldelijke en geestelijke
nooden! Het stemt den geest tot kalmte , het verkleint
al het aardsche tot iets onbeteekenends, en verza-
digt de ziel met gedachten aan den hemel. O gij
allen, die nu reeds uw leven lang hebt rondgezwor-
ven van de eene plaats naar de andere, hopende
en verwachtende in een verandering uwer omstan-
digheden iets te zullen vinden, dat verlichting kan
schenken aan uwen geest, — ik beveel u dezen
morgen de ontfermende, ernstige, practische, niet
tegen het gezond verstand indruischende leer van
onzen Heer en Heiland Jezus Christus aan. „De god-
deloozcn, zegt mijn God, hebben gccncn vrede?\'
en
zoo lang gij in uwe zonde voort blijft gaan, zult
gij ellendig zijn. Komt tot Jezus! Maakt Hem tot
uw erfdeel en uitgangspunt voor den hemel, en gij
zult een gelukkig man, gij zult eene gelukkige vrouw
zijn!
En toch, mijne vrienden! niettegenstaande al deze
drangredenen tot een geest van vergenoeging en
tevredenheid, heb ik u dezen morgen te zeggen,
-ocr page 134-
I2Ó
dat het menschelijk geslacht verdeeld is in twee
helften: zij die benijden, en zij die beneden worden.
De timmerman wil alles ter wereld wezen, als hij
maar geen timmerman is, en de metselaar wil iets an-
ders dan een metselaar wezen, en de bankier iets an-
ders dan een bankier, en de advokaat iets anders dan
een advokaat, en de predikant iets anders dan een
predikant; en iedereen zou gelukkig zijn, als hij
slechts iets anders ware. De anjelier wil een
zonnebloem zijn, en de appelboomen laten hunne
bloesems vallen omdat zij geen reusachtige ceders
zijn, en de praam wil een schoener zijn, en de sloep
wil in een mailstoomer veranderd worden, en alle
ouders hebben de stoutste kinderen die er ooit ge-
weest zijn, en iedereen heelt de zwaarste rampen
en tegenspoeden, en alles ligt onderste boven, of
staat op \'t punt om het te worden. Ach, mijne vrien-
den, met een dergelijken geest zult gij nooit eenige
vorderingen maken!
Gij kunt u niet omhoog kniezen; maar eer gij er
op verdacht zijt, hebt gij u in de diepte gekniest!
Te midden van al die knarsende wanklanken sla ik
deze snaar van de harpe des Evangelies aan: „De
godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging.
Want ivij hebben niets in de zvereld gebracht, het is
openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen.
Maar als wij voedsel en deksel hebben
, wij zullen
daarmede vergenoegd zijn."
Laat ons allen bedenken, indien wij Christenen
z{jn, dat wij over eenigen lijd van hier gaan, hoe of
wat onze tegenwoordige omstandigheden ook mogen
-ocr page 135-
1^7
wezen, om een volzalig oord te gaan bewonen.
Evenals wij des zomers onze kleederen uittrekken,
en afdalen in de koele zee, om er een bad te nemen,
zoo zullen wij eenmaal dit gewaad des vleesches
afleggen en in de koele Jordaan stappen. Wij zullen
rondzien naar de een of andere plek, waar wij onze
vermoeienissen neer kunnen leggen, en de boomen
zullen zeggen: „Kom en rust onder onze schaduw!"
en de aarde zal zeggen: „Kom en slaap in mijnen
schoot!" en de winden zullen zeggen: „Wees stil,
terwijl ik een wiegelied voor u zal zingen !" En ter-
wijl zes sterke mannen ons uitdragen naar onze
laatste rustplaats, en asch wederkeert tot asch, en
stof tot stof, zullen wij twee voeten, met de littee-
kenen der nagelen er in, te midden van den opge-
dolven grond zien staan, en een door de doornen
opengereten voorhoofd zich over het geopende
graf zien buigen, terwijl een stem, met de teeder-
heid van alle liefde en met de kracht van alle al-
macht, ons zal toeroepen: „Ik ben de Opstanding
en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ivare
hij ook gestorven!"1
Vertroost elkander met deze
woorden. — Amen.
-ocr page 136-
-ocr page 137-
IX.
de Schoonste der schoonen.
Zie, gij zijt schoon, mijn liefste!
jn liefelijk.
           Hooolikii I : lfl.
Het menschelijk geslacht is in den loop der eeu-
wen verbeterd. Een tijdlang verviel en ontaardde
het, en te oordeelen naar al wat ik er van gelezen
heb, helde het eeuwen achtereen in alle opzichten
naar de barbaarschheid over. Maar onder den zich
steeds verbreedenden en verdiependen invloed van
het Christendom beweegt het zich nu in opwaart-
sche richting. Het natuurlijke voorkomen van het
menschelijke geslacht is op den huidigen dag veel
aantrekkelijker, dan in de zestiende, in de zeven-
tiende, of zelfs in de achttiende eeuw. Uit de ge-
schilderde portretten en de gebeeldhouwde gelaats-
trekken en vormen van dezulken, die beschouwd
werden als de voorname mannen en de aantrekke-
lijke vrouwen van tweehonderd jaar geleden, leid
Jk het hoogere standpunt der mannen en vrouwen
-ocr page 138-
i3ó
van onzen tijd af. Zoodanig gevormde lieden uit lang
vervlogen eeuwen, gelijk door de schilder- en de beeld-
houwkunst zijn voorgesteld als fraaie standaard model-
len van schoonheid en waardigheid, zouden in onzen
tijd juist als het tegendeel daarvan beschouwd worden.
Maar in geen enkele luchtstreek en in geen en-
kele eeuw is er ooit één mensch verschenen , die
uit het oogpunt van lichamelijke aantrekkelijkheid
vergeleken kon worden met Hem, dien mijn tekst
reeds roemde honderden jaren vóór Hij Zijn kinder-
lijken voet zette op den heuvel achter Bethlehem.
Hij was, en Hij is, „schoon, ja liefelijk.\'"\' Het natuur-
lijke voorkomen van den Christus is meerendeels
een gissing van kunstenaars. Sommige schrijvers
zeggen van Hem, dat Hij bruin of donker van tint
is geweest, en anderen weer, dat Hij een blonde of
lichte huidkleur had. Sint-Johannes van Damascus.,
die elfhonderd jaar geleden schreef, dus zooveel
dichter dan wij zelf bij den tijd van Christus, en die
dus ook meer waarschijnlijkheid oplevert voor de
nauwkeurigheid zijner overlevering, stelt Hem voor
met een zwarten en gekrulden baard, ineenloopende
wenkbrauwen, „een geelachtige tinten slanke, spitse
vingers, evenals zijne moeder." Een schrijver van
vijftienhonderd jaar geleden stelt den Christus eIs
blond voor: „Zijn haar heeft de kleur van wijn en
is goudkleurig aan den wortel; het hangt recht neer
en is zonder glans, maar aan den bovenkant der
ooren krullend en glimmend, en beneden de kruin
gescheiden, naar de gewoonte der Nazareners Zijn
voorhoofd is effen en glad, Zijn gelaat zonder vlekken,
-ocr page 139-
*3*
en verfraaid door een zachten blos; de uitdrukking
van Zijn gelaat is ongekunsteld en vriendelijk. Neus
en mond hebben in geen enkel opzicht eenig ge-
brek. Zijn baard is vol, van dezelfde kleur als Zijn
haar, en onder de kin in tweeën gesplitst; Zijne
oogen zijn blauw en buitengewoon schitterend."
Mijne meening is, dat het een Joodsch gelaat was.
Zijne
moeder was eene Jodin , en er zijn geen schoo-
ner vrouwen op aarde dan de Joodsche vrouwen.
Helaas! zou men bijna zeggen, dat Hij zoo lang
leefde vóór de kunsten der daguerrotype en der
photographie geboren werden, anders zouden v\\ij
misschien Zijne gelaatstrekken nauwkeurig geweten
hebben. Ik weet wel, dat de beeldhouw- en de
schilderkunst lang vóór Christus geboren werden,
en die hadden uit den ouden tijd het voorhoofd,
den neus, de oogen en de lippen van onzen Heer
tot op onzen tijd kunnen overbrengen. Phidias de
beeldhouwer legde, vijfhonderd jaar vóór Christus
kwam, van verrukking zijn beitel neder. Waarom
nam iemand dien beitel niet op, en gaf hij ons niet
het profiel of het volle gelaat van onzen Heer te
zien? Polygnotus de schilder legde vierhonderd
jaren vóór Christus zijn penseel neder. Waarom
heeft iemand het niet opgenomen , en ons ten min-
ste het oog van onzen Heer te zien gegeven, het
oog, die souverein van het gelaat? Dionysius, de
kunstzinnige letterkundige, die te Heliopolis in
Egypte de zonderlinge verduistering van den hemel
tijdens de kruisiging van Christus in de nabijheid
van Jeruzalem zag, en niet wist wat het was; maar
-ocr page 140-
132
het als een buitengewone zonsverduistering beschreef
en er van zeide: „óf de godheid lijdt, of zij toont
haar medelijden met een lijder," — die Dionysius
had zijne pen aan \'t werk kunnen zetten en het
portret van onzen Heer teekenen. Maar neen! de
schoone kunsten hielden zich toen alleen bezig met
het weergeven van de gestalten en gelaatstrekken
der gunstelingen dezer wereld, en niet van de
gestalten en gelaatstrekken der landlieden, in wier
midden de Christus optrad.
Het was niet vóór de vijftiende eeuw, dus meer
dan veertienhonderd jaren na Christus, dat bekwame
schilders een poging deden om ons door middel
van hun penseel eenig denkbeeld van Christus\' ge-
laat te geven. De afbeeldingen van vóór dien tijd
waren zoo schandelijk slecht, dat het Concilie van
Konstantinopel verbood, ze in het openbaar ten toon
te stellen. En Leonardo da Vinci, die in de vijf-
tiende eeuw leefde, beeldde het gelaat van den
Christus op twee doeken af, doch het eene was
een terugstootend gelaat, en het andere was een
verwijfd gelaat. Raphaëls portret van den Christus
is een zwak gelaat, Albert Dürers portret van den
Christus is een woest gelaat. Titiaans portret van
den Christus is een gelaat zonder eenige uitdrukking.
De grootste kunstenaars, zoowel met beitel als
penseel, hebben op merkwaardige wijze schipbreuk
geleden bij hunne pogingen om het voorhoofd, de
wangen, de oogen, den neus, den mond van onzen
gezegenden Heiland weer te geven.
Maar aangaande Zijn gelaat kan ik u iets stelligs
-ocr page 141-
J33
zeggen, en dat boven alle tegenspraak verheven is. Ik
ben er verzekerd van, dat het een bezield gelaat was.
Het gelaat is slechts het gordijn der ziel. Het was
onmogelijk, dat eene gemoedsgesteldheid als die
van den Christus zich niet in Zijn uiterlijk voorko-
men zou geopenbaard hebben. Minzaamheid als een
toevallige en oogenblikkelijke opwelling geeft mis-
schien geen verhelderenden glans aan de gelaats-
trekken; maar minzaamheid als een levenslange,
overheerschendé eigenschap , brengt aantrekkelijk-
heid in het voorkomen teweeg, even zeker als de
zonneschijn de bloemen voortbrengt. Kinderen zijn
bevreesd voor een man met een ruw of grommig
gezicht. Zij beginnen te schreien, als hij aanstalten
maakt om hen eens op te nemen. Als hij een poging
doet om hen te liefkoozen, wordt hij veeleer met
een klap dan met een kus beloond. Alle moeders
weten, hoeveel moeite het kost, hare kinderen
mede te krijgen naar een man of een vrouw met
een terugstootend voorkomen. Maar niet zoodra
verscheen Jezus in den huiselijken kring, of er
ontstond een groote opgewondenheid onder het jonge
volkje, en de kleuters begonnen te spartelen om
uit moeders armen weg te komen. Men kon de kin-
deren niet weerhouden. „Ga toch weg met die kin-
deren!" riepen eenige discipelen toornig. Misschien
hadden de dreumissen op straat loopen spelen,
zoodat hunne gezichtjes nu juist niet van de hel-
dersten waren, of misschien zaten ze niet erg netjes
in de kleeren, of wellicht dachten de discipelen dat
het Evangelie van Jezus hoofdzakelijk een Evangelie
-ocr page 142-
134
voor „nette" en groote menschen was. Maar de Hei-
land maakte de kinderlijke opgewondenheid nóg leven-
diger door Zijne betuiging, dat Hij méér hield van de
kinderen dan van de volwassenen, waarom Hij dan ook
openlijk verklaarde: „Voortvaar zeg Ik u: indien gij
u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zoo
zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins in-
gaan f"
Hoe jammer voor zulke menschen, die niet
van kinderen houden. Zij deden beter met maar
stillekens uit den hemel weg te blijven , want daar we-
melt het van dat kleine goed. Dat is, geloof ik, een
der redenen, waarom de groote meerderheid van
het menschelijk geslacht in de prille jeugd sterft.
Jezus is zóó ingenomen met de kinderen, dat Hij
ze tot Zich neemt vóór en aleer de wereld den
tijd heeft om ze te bederven en ruw te maken; en
daarom staan zij nu voor de vensters van het pa-
leis, en zitten zij er op de drempels, en spelen zij
er in \'t groen. Somtijds verhalen Mattheus en Mar-
kus en Lukas een gebeurtenis uit Jezus\' leven, en
somtijds maakt slechts één hunner er melding van;
maar én Mattheus, én Markus, én Lukas werken
allen gezamenlijk mede aan die schilderij van den
Christus, omringd door kleine kinderkens, — en ik
weet uit hetgeen er in die oogenblikken voorviel,
dat Jezus\' gelaat vul blijmoedige opgewektheid was.
Niet alleen zvas Jezus schoon en lieflijk in Zijn
voorkomen, m,aar ook liejlijk in Zijne manieren.
Ik
weet, zonder dat men het mij gezegd heeft, dat de
Heer, die de rivieren en de meren en de oceanen
schiep, rein en zindelijk in Zijn voorkomen was. Hij
-ocr page 143-
135
verafschuwde de ziekte der melaatschheid, niet al-
leen om het diep bedroevende schouwspel, maar
ook omdat zij zoo door en door onzindelijk was,
en Zijne genezende woorden waren: „Ik wil, word
gereinigd
7" Hij zelf betoonde Zich een voorstander
van grondig wasschen en een verklaard vijand van
oppervlakkige reiniging, toen Hij de geveinsden
op de kaak stelde, omdat zij alleen „het buitenste
der drinkbekers\'"
schoonmaakten, en Hij prijst Zijne
discipelen door- te zeggen: „Nu zijt gij rein," en
als Hij vermaningen richt tot hen die vasten,
zegt Hij onder anderen: „JVascht mv aangezicht,"
en tot een blinde dien Hij genezen had: „Ga heen
en wasch u in het badwater van Siloam.n
En hij
zelf waschte met eigen handen de voeten der dis-
cipelen, niet alleen, dunkt mij, om een blijk van
Zijne nederigheid te geven, maar ook omdat hunne
voeten waarschijnlijk een reiniging noodig hadden.
De zaak is, dat de Heer een groot voorstander van
water was. Ik weet dat uit het feit, dat het grootste
gedeelte van de wereld uit water bestaat. En als
ik Jezus zoo voortdurend het gebruik van water
hoor aanbevelen, weet ik, dat Hij persoonlijk steeds
rein en zindelijk was, ofschoon Hij Zich veel onder
zeer ruw volk bewoog en zulke lange tochten over
stoffige zandwegen deed. Hij droeg Zijn haar lang,
overeenkomstig de gewoonten van Zijn land en
Zijn tijd; maar noch zorg, noch ouderdom hebben
zijne lokken gedund of benadeeld, die nooit orde-
loos of ongekamd waren. Ja, Zijn uiterlijk voor-
komen was in alle opzichten liefelijk.
-ocr page 144-
i36
Matigheid was óók een der grondregelen van Zijne
levenswijze.
Als toevoeging aan het water dronk Hij
het sap van den druiventros. Toen men op een
bruiloftsmaal te weinig had van dezen drank, maakte
Pfij kannen aan kannen vol druivensap; maar dit ver-
schilde evenzeer van hetgeen de wereld in onzen
tijd maakt, als gezondheid verschilt van ziekte, en
als een kalme polsslag verschilt van de stuipen der
lijders aan zuiperswaanzin. Er was geen strychnine
in dien drank, en geen campèchehout, of ander
vergif. De drinkebroers en de dwazen, die thans
het wijn maken te Kanaa in Galilea aanvoeren als
een vrijspraak voor de vurige en verderfelijke dran-
ken der negentiende eeuw, vergeten dat de wijn
van de Nieuw Testamentische bruiloft twee kenmer-
kende eigenschappen bezat: ten eerste dat de Heer
hem maakte, en ten andere dat hij van water ge-
maakt was. Koopt zooveel als gij kunt van dat
merk, en drinkt er minstens driemaal per dag wat
van, en laat er in \'t voorbijgaan eeu vaatje van
aan mijn kelder bezorgen. Gij zult mij nooit wijsmaken,
dat onze dierbare Heiland, die het land doorging goed-
doende en de zieken genezende, voor den mensch
een soort van drank zou geschapen hebben, die al-
leen en op zichzelf méér ziekten veroorzaakt, dan
alle andere oorzaken te zamen genomen; of dat Hij,
die den geest der bezetenen stilde en in het
rechte spoor leidde, dat soort van drank zou ge-
schapen hebben, dat meer dan alle andere dingen
doet om de krankzinnigen-gestichten te vullen; of
dat Hij, die zoo hulpvaardig was jegens de armen,
-ocr page 145-
137
een soort van drank zou geschapen hebben, die den
aardbodem met hongerlijders bevolkt; of dat Hij,
die hier op aarde kwam om het menschdom van de
zonde te verlossen, een vocht zou geschapen hebben ,
dat de bron is van de meeste misdaden, die thans de ge-
vangenissen overbevolken. Een lieflijke matigheid
stond op heel Zijn gelaat te lezen , van de haarlijn op
het voorhoofd tot den onderkant der gebaarde kin.
Huiselijkheid ivas óók Zijne gewoonte. Hoewel Hij
te arm was om een eigen tehuis te bezitten, ging
Hij naar buiten, om den nacht te Bethanie door te
brengen, twee of drie mijlen loopen van Jeruzalem,
over een ruwen en heuvelachtigen weg, die den
afstand bijna gelijk maakte aan zes of zeven ge-
wone mijlen , iederen morgen en iederen avond heen
en weer. Ik loop liever tien mijlen ver over een
goede Amerikaansche of Europeesche bestrating,
dan dien weg te bewandelen, dien Jezus tweemaal
daags van Jeruzalem naar Bethanie ging. Maar Hij
beminde de stille rust van het huiselijk leven, en
Hij was liefelijk ook in Zijne huiselijkheid. Welk
een genot was het voor Hem, den uit den dood
opgewekten jongeling weer aan zijne moeder terug
te geven, en het op zijn bevel herrezen doode
meisje aan haren vader, en de huisgezinnen weder te
herstellen, waarin ziekte of dood hunne intrede had-
den gedaan! Evenals het alom bekende Engelsche lied:
„Thuis, dierbaar thuis!" gedicht werd door iemand ,
die destijds geen tehuis bezat, zoo geloof ik dat het
gemis van een eigen tehuis voor Jezus een reden te
meer was tot hooge waardeering der huiselijkheid.
-ocr page 146-
i38
Bovendien, hij was liefelijk in Zijne genegenheden.
Ziet,
waterzucht is een der treurigste kwalen. Zij
veroorzaakt ontsteking en zwelling en martelende
pijnen in elk lid of lichaamsdeel, dat er door wordt
aangetast. Zoodra een geval van dien aard aan Jezus
ter behandeling gegeven wordt, gebiedt Hij, zonder
eenig gebruik van zweetmiddelen, de genezing der
kwaal. En hoe bedreven was Hij als oogarts in het
openen van de lang gesloten poorten des gezichts
voor het blauw van den hemel, en voor het rood
der bloemen, en voor het smaragdgroen der gras-
velden ! Welk een Heiland was Hij voor het koelen
van koortsen, zonder ook maar één grein chinine
of antifebrine; en voor het recht maken van ge-
kromde ruggen, zonder een enkele operatie; en
voor het doen oprukken van gansche muziekkapel-
len langs de doodsche gallerijen van de ooren eens
dooven; en voor het geven van een gezond zenuw-
stelsel aan de slachtoffers van vallende ziekte! Me-
delijden! Hij gaf hun geen hooggeleerd advies,
of geen wijsgeerig vertoog over de geneeskundige
wetenschap, maar Hij zette zich bij hen neder en
schreide met hen.
Men pleegt het wel eens aan te halen als het kort-
ste vers in den geheelen Bijbel, maar voor mij is
\'t eigenlijk het langste en grootste: „EN JEZUS
WEENDE." O , velen onzer weten wel, wat dat
zeggen wil! Toen wij in grooten nood verkeerden,
trad er iemand bij ons binnen met een stortvloed
van breedsprakige vertroostingen, en haalde hij
op een soort van hartelooze manier allerlei teksten
-ocr page 147-
139
uit de Heilige Schrift aan, en — wij hadden er niet
de minste of geringste baat bij. Maar een poosje
later trad er iemand anders bij ons binnen; en
zonder een woord te spreken, ging hij zitten en
barstte hij in een vloed van tranen uit bij het zien
van onze ellende, en op de een of andere wijze
hielp ons dat weer op den goeden weg. „JEZUS
WEENDE." Gij weet, het was een door de teeder-
ste liefdebanden saamverbonden huisgezin, dat van
Maria en Martha en Lazarus. De vader en de moe-
der waren gestorven, en de meisjes waren nu geheel
afhankelijk van hun broeder. Lazarus had tot zijne zus-
ters gezegd: „Kom, Maria! kom Martha! houdt nu op
met schreien. Ik zal wel voor u beiden zorgen. Ik zal
zoowel vader als moeder voor u zijn. Mijn arm is sterk.
Ik verzeker u, meisjes, gij kunt op mij rekenen!"
Maar nu was Lazarus ziek, — ja , Lazarus was
dood. Geheel verslagen door deze ramp, zitten de
zusters ontroostbaar neer, — totdat er zachtkens
aan de deur geklopt wordt. „Binnen!" zegt Martha.
„Binnen!" zegt Maria. Jezus treedt binnen , en ook
Hij staat als verslagen. Het was te veel voor Hem.
Hij was zoo dikwijls en zoo vriendelijk onthaald ge-
worden in dat huis, alvorens ziekte en dood het
havenden, dat Hij hoorbaar zuchtte en snikte, en
de tranen langs het bedroefde gelaat van den me-
delijdenden Heiland vloeiden. „JEZUS WEENDE."
Waarom beproeft gij het óók niet eens met die
manier van helpen? Gij zegt: „Ik ben een man
van weinig woorden," of „ik ben een vrouw van
weinig woorden." Nu, goede ziel! woorden zijn ook
-ocr page 148-
140
volstrekt niet noodig. Volg het voorbeeld van uwen
Heer na, en ga naar die in rouw gedompelde huisge-
zinnen, en ween met hen!
John Murphy! Neen, gij kent hem niet. Maar
op zekeren dag, toen ik over een zwaar verlies
treurende was, trad hij mijn huis binnen. Minzame
bedienaren des Evangelies waren gekomen en had-
den schoon en aandoenlijk gesproken, en met ons
gebeden, en alles gedaan wat zij konden om ons
te troosten. Maar John Murphy, een van de beste
vrienden die ik ooit gehad heb, een grootmoedige,
prachtige Ier, kwam binnen en keek mij eens goed
aan, stak ons zijn breede, sterke hand toe, en sprak
geen woord , maar ging zitten en schreide mèt ons.
Ik ben niet wijsgeerig genoeg om te zeggen, hoe
of waardoor het kwam, — maar op de een of
andere wijze werd de kamer, van deur tot deur,
en van vloer tot zolder, vervuld met een allesdoor-
dringenden troost. „JEZUS WEENDE."
Ik geloof dat het dat is, wat den Heere Jezus tot
zulk een populairen Jezus maakt. Er zijn er zoovelen
die behoefte hebben aan ontferming en deernis en
medelijden. Mejuffrouw Fiske, de beroemde zendings-
zuster, voerde op zekeren dag in de kapel het woord
tot de heidenen; maar het was zeer treurig met hare
gezondheid gesteld, en zij was zóó zwak, dat zij
pp een mat moest blijven zitten,- terwijl zij sprak,
en juist behoefte kreeg aan iemand om tegen te
leunen, toen zij den boezem eener vrouw tegen
haren rug voelde, en de stem eener vrouw hoorde
zeggen: „Leun maar tegen mij!" Zij leunde een
-ocr page 149-
Ijl
weinig, maar wilde liever niet te lastig zijn; doch
de stem der vrouw liet zich weer hooren: „Leun
wat zwaarder! Als ge mij lief hebt, leun dan zoo
zwaar als gij kunt!" En dat maakt Jezus zoo liefe-
lijk en beminnelijk. Hij wenscht niets liever, dan
dat alle zieken en alle bekommerden en alle ver-
moeiden op Hem komen leunen, en Hij zegt:
„Leun zwaar/ Als ge Mij lief hebt, leun dan zoo
zwaar als gij kuntV\'
Ja, Hij is dicht bij u met Zijne
medelijdende hulp. Hadley Vicars, een vermaard
krijgsman en Christen uit den Krim-oorlog, stierf
omdat zijn regiment, toen hij gewond was, te ver
van de tent met gences- en verbandmiddelen ver-
wijderd was. Hij v/as niet doodelijk gewond, en
als de heelmeesters slechts hadden kunnen beschik-
ken over het verbandlinnen en de medicijnen, zou
hij hersteld zijn. Helaas ! o zooveel menschelijk mede-
lijden en veelbelovende bemoediging komt te laat;
maar Jezus is altijd dicht bij ons, als wij Hem noo-
dig hebben, en Hij houdt al de geneesmiddelen in
gereedheid, en Hij heeft het eeuwige.leven voor
allen die er om vragen. Medelijden!
Voorts: Hij ivas licjclijk in Zijne leerstellingen.
Zelfopoffering, of de verlichting van het lijden van
anderen door ons eigen lijden. Hij was de éénige
geneesheer, die ooit het voorstel deed om zijne
patiënten te genezen door hunne ziekten van hen
over te nemen. Zelfopoffering! En wat heeft Hij
niet opgeofferd voor kinderen! Het heerlijkste kli-
maat van het heelal: de lucht des hemels, voor het
onstuimige weer van Palestina; een schepter van
-ocr page 150-
142
onbeperkte heerschappij voor een plaats op de bank
der beschuldigden in een aardsche rechtszaal; een
fonkelende diadeem voor een kroon van stekende
brandnetels; een paleis voor een koestal; een troon
voor een kruis. Zelfopoffering! Wat is er liefe-
lijkers? Moeders die sterven voor hare aan typhus
lijdende kinderen; machinisten die door de open-
staande spoorwegbrug in de diepte gaan, om den
trein te redden; brandweermannen die zich dood
laten schroeien bij hunne pogingen om iemand langs
de ladders naar beneden te helpen uit de vierde ver-
dieping van het vlammende huis; en deze allen te
zamen slechts zwakke en gebrekkige voorbeelden, om
een flauw begrip te geven van de zooveel grootschere,
zooveel machtiger, zooveel verder strekkende zelf-
oppering van Hem, die „schoon, ja liefelijk is."
Verwondert het u nu nog, dat de geschiedenis
van Zijne zelfopoffering honderden en duizenden be-
wogen heeft om voor Hem te sterven? In één en-
kele reeks van vervolgingen zijn er eens meer dan
tweehonderd duizend menschen ter dood gebracht
om Jezus\' wille. Om Zijnentwille werd in de dagen
der eerste Christenen de martelares Blandina aan
een paal gebonden en de wilde beesten op haar
losgelaten; en toen zij nog in het leven was
gebleven na de aanvallen der tanden en klauwen,
werd zij in een net gebonden, en zoo neergewor-
pen voor een wilden stier, die haar met zijne
horens stiet en kneusde , totdat haar laatste levens-
vonk was uitgebluscht. Alles voor Christus] De Hu-
genoten stervend voor Jezus! De Albigenzen ster-
-ocr page 151-
H3
vend voor Jezus! De Waldenzen stervend voor
Jezus! De vlammen der brandstapels verdragen
voor Jezus! De beenderen der martelaren, vlak uit-
gespreid , zouden een pad van verteerd en verbleekt
leven rondom de geheele aarde vormen. De bemin-
nelijkheid van \'s Heilands opoffering is de bezielende
kracht en drijfveer geweest bij al de heldendaden
en al de marteldooden der achtereenvolgende eeu-
wen. Voor Jezus Christus zijn méér mannen en
vrouwen gestorven, dan voor al de andere bewo-
ners der aarde in alle eeuwen.
Voorts: Hij was lieflijk in Zijne toespraken. Hij
wist wanneer Hij moest beginnen, wanneer Hij moest
ophouden, en wat Hij juist moest zeggen. De lang-
ste rede, die Hij ooit hield, voor zoover de Bijbel er
melding van maakt — namelijk de Bergrede — heeft
ongeveer zestien minuten geduurd , berekend volgens
de gewone manier van voordragen. Het langste
gebed, dat wij van Hem vinden opgeteekend, ge-
woonlijk „Het Onze Vader" genoemd, duurde on-
geveer een halve minuut. Ga het maar met uw
eigen horloge in de hand na, en gij zult zien dat
mijne berekening nauwkeurig is. Waarmede ik nu
evenwel niet wil zeggen, dat preeken slechts zes-
tien minuten behoeven te duren, en gebeden slechts
een halve minuut. Jezus had zulk een eindelooze
zeggingskracht, dat Hij genoeg kon samenvatten in
Zijne rede van zestien minuten, en dat Zijn gebed
van een halve minuut al de gedachten en daden
der volgende eeuwen konden omvatten. Niemand
anders dan de Christus was in staat om zóó kort
-ocr page 152-
144
te preeken en te bidden, — doch Hij wilde er ons
door aansporen tot zelfbeperking.
In een Amerikaansche fabrieksstad had ik onlangs
gelegenheid om een katoenpers te bezichtigen, waar-
mede de katoen in zoodanigen vorm werd saamge-
perst, dat ze bij het vervoer de ruimte van slechts
één wagen innam, terwijl er vroeger drie wagens
voor noodig waren, en één schip voor dezelfde
massa, die vroeger drie schepen vereischte. En ik
verbeeld mij, dat wij allen onze preeken en onze
gebeden in kleiner vormen hebben saam te persen.
En Zijne toespraken waren zoo liefelijk om hun
gevoel, en hun practischen geest, en hun eenvoud,
en hunne illustratiën: het licht eener kaars, de kris-
tallen van het zout, het gekloek van een hen om
hare kiekens, het geveinsd-zwartgallige gelaat van
den huichelaar, de mot in de kleerenkast, de zwarte
vleugelen eener raaf, de sneeuwkelk der witte leliën,
onze hooggaande verontwaardiging over den splinter
der onvolmaaktheid in eens anders karakter, de met
paarlen gevoede zwijnen, de wolven die zich als
schapen verkleeden, en de schilderachtige beschrij-
ving van een orkaan, waarin gij het gekraak hoort
van een onverstandig gebouwd en nu ineenstor-
tend huis. Geen wijdloopige bijzonderheden; geen
kloven van haren tusschen den Noord- en Noord-
westkant; maar één groote en machtige polsslag
van Christelijke hulpvaardigheid. Het verwondert
mij dan ook volstrekt niet, dat de geschiedenis
meldt: „ Toen Hij nu van den berg afgeklommen
1»as, zijn Hem vele scharen gevolgd."
Zij hadden
-ocr page 153-
145
slechts één aanmerking op Zijne rede weten te maken:
zij was te kort. God helpe ons allen om bij onzen
arbeid voor Jezus van onze steilten af te komen,
en goed te begrijpen dat wij slechts één ding te
doen hebben: daar is de groote gapende wonde van
de zonde en de nooden dezer wereld, en hier is de
groote, genezende balsem des Evangelies. Wat gij
en ik te doen hebben, is: de balsem op de wonde
te leggen. Alvermogend is dit Evangelie, indien het
slee/ds practisch in beoefening wordt gebracht.
Een
leeraar; die voor een gehoor van zeelieden preekte
over het verderf door de zonde en de reddende
verlossing door het Evangelie, bediende zich daar-
toe van een zeemans uitdrukking en zeide: „Die
plank kan u houden!" Vele jaren later werd die
predikant geroepen om een stervenden zeeman te
bezoeken; en toen hij hem naar den grond zijner
hoop vroeg, kreeg hij het veelbeteekenende ant-
woord : „Die plank kan mij houden!"
Ja: Jezus was liefelijk in de uitvoering Zijner
voornaamste levenstaak.
Er waren duizende dingen
voor Hem te doen, doch Zijn grootste werk was:
onze gestrande, wereld buiten de branding te brengen.
Hij kwam om dat te doen, en dat deed Hij; en Hij
deed het in drie jaren tijds. Hij gebruikte dertig
jaren om zich op die driejarige werkzaamheid voor
te bereiden. Van Zijn twaalfde tot Zijn dertigste
levensjaar vernemen wij niets aangaande Hem. Dat
tusschenliggende tijdperk van achttien jaren zal Hij,
denk ik, op Indischen bodem doorgebracht hebben.
Maar Hij keerde naar Palestina terug, en deed er
-ocr page 154-
140*
alles af in den tijd van een drietal jaren: drie winters,
drie lentes, drie zomers, drie herfsten. Ons leven
is kort, maar God gave, dat wij eens mochten be-
seffen , hoeveel wij konden doen in drie jaren. Sa-
menvatting en beperking! Krachtiger inspanning!
Drie jaren om voor anderen te leven! Drie jaren
van zelfopoffering! Laat ons het beproeven!
Daarbij: Jezus ivas liefelijk in Zijn dood. Hij had
dat laatste uur het recht gehad om in vervloekin-
gen uit te barsten. Nog nooit te voren was iemand
zóó verachtelijk behandeld geworden! Een wieg van
hooi en stroo tusschen geiten en kameelen, — dat
was de ontvangst, die de wereld Hem bereidde!
Een rotsige berg, waarop met zware hamers de
spijkers door Zijne gemartelde spieren gedreven wer-
den, — dat was de afscheidsgroet der wereld! Het
bloedbad van dat tooneel verbergt somtijds de lief-
lijkheid van den Lijder. Onder den stortvloed van
bloed en tranen kunnen wij somtijds het dierbaarste
gelaat van aarde en hemel niet meer zien. Toch
altijd: „schoon, ja lieflijk!\'\'\' Kan de koelste critiek één
onvriendelijk woord vinden, dat Hij ooit sprak, of
één onvriendelijke daad, die Hij ooit bedreef, of
ééne onvriendelijke gedachte, die Hij ooit koesterde?
Welk een wonder is het, dat al de volkeren der
aarde niet opstaan en vol verrukking uitbarsten in
betuigingen van genegenheid voor Hem! Ik moet
het hier, op dit oogenblik, te dezer plaatse getuigen.
Ik hef mijne rechterhand omhoog tot het afleggen
dezer plechtige verklaring. Ik heb Hem lief! —
en het grootste verdriet van mijn leven is, dat ik
-ocr page 155-
Hl
Hem niet nog méér liefheb. Is het een onbeschaamd-
heid van mij, als ik vraag: gij, mijn hoorder, —
gij, mijn lezer, hebt gij Hem lief? Is Hij een deel
uwer natuur geworden? Hebt gij uwe kinderen op
aarde aan Zijne hoede opgedragen, zooals uwe kin-
deren in den hemel reeds aan Zijn hart rusten ?
Heeft Hij genoeg gedaan om uw vertrouwen te win-
nen? Kunt gij op Hem rekenen en staat maken,
levend en stervend, voor altijd en eeuwig? Is uw
rug, of uw gelaat, naar Hem gekeerd? Zoudt gij
u gaarne door Zijne hand willen laten geleiden?
U door Zijne macht laten beschermen? U door
Zijne genade laten troosten? Door Zijn lijden ver-
zoening voor u laten doen? U door Zijne armen
laten verwelkomen? U door Zijne liefde laten om-
helzen? U met Zijn hemel laten kronen? O, dat
wij allen iets mochten hebben van de liefde van den
grooten Duitschen Hervormer voor dezen Jezus, die
hem vrijmoedig deed zeggen: „Indien iemand aan
de deur van mijn hart klopt en vraagt: Wie woont
daar? dan is mijn antwoord: Jezus Christus woont
hier, en niet Maarten Luther!" Zal het niet iets
groots zijn, wanneer wij, dit korte en ruwe levenspad
doorworsteld hebbende, rechtstreeks kunnen verschij-
nen in Zijne tegenwoordigheid en met Hem leven in
een wereld zonder einde? En als wij, de poort dier
hemelsche stad binnentredend, zóó overweldigd moch-
ten worden door onze onwaardigheid eenerzijds, en
anderzijds door de bovennatuurlijke pracht, dat wij
min of meer verbijsterd rondzien en gedurende
eenige oogenblikken verdwaald raken tusschen de
-ocr page 156-
148
straten van goud, en de gepolijste tempels, en des affie-
ren tronen, dan zouden er velen bereid zijn om ons
den weg te wijzen, en ons uit onze vreugdevolle
verbijstering tot bezinning te brengen. Want mis-
schien zal de weduwe van Naïn tot u zeggen : „Kom,
laat mij u naar dien Jezus brengen, die mijn éénigen
zoon uit den dood opwekte!" Of wellicht zal Martha
zeggen: „Kom, laat mij u brengen naar dien Jezus,
die mijn broeder Lazarus uit het graf deed opstaan!"
En een der discipelen zal dan zeggen: „Kom, laat
mij u bij dien Jezus brengen, die ons zinkende
scheepje redde in den orkaan op het meer van Ge-
nezareth!" En Paulus zal zeggen: „Kom, laat mij u
naar dien Jezus brengen, voor Wien ik stierf op
den weg naar Ostia!" En geheele groepen marte-
laren zullen zeggen: „Kom, laat ons u dien Jezus
toonen, voor Wien wij onze ketenen droegen , en
de rivieren doorwaadden, en de brandstapels trot-
seerden!" En onze eigene gezaligde kinderen zullen
zich om ons heen scharen en ons toeroepen: „Wij
hebben een langen tijd op u gewacht; maar vóór
en aleer wij over den ouden tijd gaan spreken, en
wij u verhalen wat wij genoten hebben sedert wij
hier gekomen zijn , en gij ons verhaalt wat gij nog ge-
leden hebt sedert wij heengingen, — komt, en laat ons
U het heerlijkste schouwspel uit dit gansche oord too-
nen: den schitterendsten Troon, en daarop de mach-
tigsten Overwinnaar, de Verrukking des Hemels, den
Jubel der onsterflijken, den Allergrootste, den Aller-
goedertierenste, den Allerschoonste, den Allerieflijk-
ste!" — Amen.
-ocr page 157-
X.
KOMT!
Komt. wnnt nllc dingen zijn nn ge-
reed!
                     Li kas XIV : 17.
Laat mij twee bladzijden uit het boek der Wereld-
geschiedenis voor u mogen opslaan.
Het was een der indrukwekkendste tijdstippen in
de Engelsche geschiedenis, toen Koningin Elisabcth
aan Lord Leicester een bezoek bracht op het kas-
teel Kenilworth. Het oogenblik harer komst werd
als zóó indrukwekkend beschouwd, dat al de klok-
ken van het kasteel stil gezet werden, zoodat de
wijzers dat ééne oogenblik bleven aanwijzen, als het
meestbeteekenende van allen. Zij werd aan de poort
verwelkomd met drijvende eilanden, met fakkels,
met het donderen der kanonnen, met vuurwerken,
die den nacht in gloed zetten, en met een groote los-
barsting van muziek , die alle aanwezigen in de hoog-
ste verrukking bracht. Vervolgens werd de koningin
binnengeleid in een feestzaal, welker weelderige
-ocr page 158-
i5"
overvloed de wereld met verbazing vervulde. Vier-
honderd dienaren stonden gereed tot bediening der
gasten. Het onthaal kostte eiken dag meer dan
twaalfduizend gulden. Lord Leicester richtte dat
groote feestmaal aan op het kasteel Kenilvvorth.
Een andere bladzijde. De Engelsche kardinaal
Wolsey onthaalde de Fransche gezanten in het
lustslot Hampton-Court. De beste koks van het ge-
heele land brachten den feestdisch in gereedheid ;
de hofmeesters togen heen en doorreisden het ge-
heele koninkrijk, om de verschillende benoodigdhe-
den voor dien disch bijeen te krijgen. De bepaalde
tijd was eindelijk daar. De gasten werden overdag
bezig gehouden met de jacht in\'s konings park, op-
dat hun eetlust geprikkeld zou worden; en daarna,
in den avond, op het sein der trompetters, werden
zij binnengeleid in een zaal, welker wanden behan-
gen waren met vergulde zijde en laken, en er ston-
den tafels die aan alle kanten glinsterden van het
prachtigste zilverwerk, en die beladen waren met de
zeldzaamste gerechten, en overal fonkelden van de
kostbaarste wijnen. En toen de tweede reeks van
gerechten werd opgedischt, zag men, dat aan den
inhoud der schotels en schalen den vorm gegeven
was van menschen, vogelen en viervoetige dieren,
en van dansende groepjes en geharnaste tournooi-
ridders, die met hunne lansen tegen elkaar inreden.
Lords en prinsen en gezanten dronken, uit boorde-
volle bekers, allereerst de gezondheid van den Ko-
ning van Engeland; en daarna die van den Koning
van Frankrijk. De Engelsche kardinaal Wolsey richt-
-ocr page 159-
i5i
te dat groote feestmaal op het slot Hampton-Court
aan.
Maar nu heb ik u iets te verhalen van een nog veel
grootscher feestmaal. Mijn Heer, de Koning, is de
aanrichter van dat festijn. De engelen zijn de hof-
meesters. Al de gezaligde verlosten zijn de gasten.
De wijde zalen der eeuwige liefde, behangen met
licht, en bevloerd met blijdschap, en gedrapeerd
met onvergankelijke en onverwelkelijke schoonheid,
zijn de feestlokalen. De harmonieën der eeuwigheid
vormen er de muziek. De tafels zijn gedekt met het
vaatwerk des hemels. En ik ben een der dienaren,
die naar buiten komen met de beide handen vol
uitnoodigingsbrieven , welke ik naar alle kanten
rondstrooi. En o, mocht ge nu ieder voor uzelf het
zegel van dien uitnoodigingsbrief openbreken , en
daar de woorden lezen, die er door de hand van
den stervenden Christus in geschreven zijn: „Komt,
want alle dingen zijn nu gereed
7"
Er zijn groote feestmalen geweest, waarbij het een
of ander tegenviel: er kwam wildbraad te kort,
of de bedienden werden oproerig, of de lichten gin-
gen uit; maar ik heb deze zaak van alle kanten be-
zien, en mijne oogen gevestigd op de verlossing,
die door Jezus Christus is aangebracht, en ik kom
hier om u te zeggen dat zij volkomen is, en ik
werp de breede vleugeldeuren der feestzaal wijd
open, en roep allen toe: „Komt, want alle dingen
zijn nu gereed!"
In de eerste plaats heb ik u bekend te maken,
dat onze Heer e Jezus Christus zelf gereed is. Kardinaal
-ocr page 160-
152
Wolsey kwam op het feest na den eersten rondgang
van gerechten; hij trad gelaarsd en gespoord binnen,
en de gasten stonden op en verwelkomden hem met
gejuich. Maar Jezus treedt binnen op het eigen
oogenblik als het feest een aanvang neemt; ja, Hij
heeft achttien honderd zes en negentig jaren lang
op Zijne gasten gewacht. Hij heeft daar gestaan op
Zijne door de litteekenen der nagelen geschonden
voeten; Hij heeft Zijne gewonde hand op Zijne
doorboorde zijde gehouden, of haar tegen Zijne
opengereten slapen gedrukt, — al wachtende, en
wachtende. Het is verwonderlijk, dat Hij niet onge-
duldig is geworden, en dat Hij niet gezegd heeft:
„Sluit de deur, en laat die achterblijvers buiten
staan!" Maar neen, Hij is blijven wachten. Geen
aanrichter van een feestmaal heeft ooit zóó gedul-
dig op zijne gasten gewacht, als Jezus gewacht
heeft op óns. Om u te bewijzen, hoe bereidwillig
Hij is om ons te ontvangen, gaar ik al de tranen
bijeen, die langs Zijne wangen vloeiden uit deernis
met uw verdriet en uwe zorgen; gaar ik al de drup-
pelen bloed bijeen, die afgleden langs Zijn gelaat
en Zijn rug en Zijne handen en voeten bij het be-
talen van den koopprijs voor uwe verlossing; gaar
ik al de kermende zuchten bijeen, die Hij geslaakt
heeft in de kilheid van het middernachtelijk uur,
en in den honger op den berg, en in de eenzaam-
heid der woestijn; en meng ik ze samen tot één
enkelen kreet, een bitteren, in doodsangst geuiten
overweldigenden kreet. Ik gaar al de pijnen bijeen,
die veroorzaakt werden door speer en nagel en
-ocr page 161-
153
kruis, en voeg ze samen tot één enkelen stoot, één
onmeedoogenden, kneuzenden, martelenden stoot.
Ik neem dezen éénen zweetdruppel van Zijn voor-
hoofd ; en onder het microscoop des Evangelies
wordt die druppel vergroot, totdat ik er meren van
smart en oceanen van zielsangst in zie. En dat-
zelfde Wezen, dat daar staat, uitgeteerd en gegee-
seld en vol bloedende wonden, smeekt u om uwe
liefde met eene van aandoening trillende stem, die
elk woord tot een doodsnik en iederen volzin tot
een martelaarschap maakt. Hoe kunt gij denken, dat
Hij u misleidt?
Ahasverus bereidde een feest, dat honderd tach-
tig dagen duren zou; maar dit feest is voor heel de
eeuwigheid. Vorsten en prinsen en heeren werden
op het eerste genoodigd; gij en ik en onze geheele
wereld zijn genoodigd op dat andere. Jezus is ge-
reed.
Gij weet, dat de feestgangers van den ouden
tijd zich plachten te tooien met kleederen, die opzet-
telijk voor de gelegenheid vervaardigd waren; en
zoo heeft ook mijn Heer en Heiland Jezus Chris-
tus zich bekleed met al wat fraai en liefelijk mag
heeten. Ziet, hoe schoon Hij is! Zijne oogen, Zijn
voorhoofd, Zijne wangen zóó stralend, dat — daarbij
vergeleken — de sterren geen licht hebben en de
ochtendstond geen glanzen. Zijn gelaat weerspie-
gelt al de blijdschap der verlosten, Zijne hand be-
zit die almachtige heelmeesterskunst, waarmede Hij
blinde oogen opende, en gekromde ledematen recht
maakte, en melaatschen reinigde, en aan het Kruis
de poorten des hemels voor de kinderen der men-
-ocr page 162-
154
schen opende. Er zijn niet genoeg bekers in den
hemel, om dezen oceaan van schoonheid uitte put-
ten. Er zijn geen ladders genoeg, om dezen berg
van liefde te beklimmen. Er zijn niet genoeg cym-
balen om mede te klapperen, of harpen om te dreunen,
of bazuinen om te doen weerklinken den lof van
dezen Schoonste der schoonen! O, Gij Bloem der
eeuwigheid, Uw adem is het reukwerk des hemels!
O, volzalige Dageraad, laat al de volken in de han-
den klappen bij het zien Uwer stralen! Dat het
koor zich doe hooren! Komt, menschen, en heili-
gen , en cheribum , en serafim, — alle hoogten , alle
diepten, alle onmetelijkheden! Heft aan, o koor!
Rolt Hem door de hemelen in den wagen van het
gejuich des heelals, over bruggen van Hosanna\'s,
onder booggewelven van kransen en palmtakken,
langs de hooge klokketorens waaruit de eeuwige
juichtonen weergalmen! Welaan dan, o koor: „Hem
die ons lux/t lief gehad, en ons van onze zonden
gcivasschen heejt in Z>jn bloed, en die ons gemaakt
heeft tot koningen en priesters Gode en Zijnen Vader
,
—   Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in
alle eeuwigheid! Amen"
Ik heb een woord van vijf letters; maar geen
enkel blad papier is wit genoeg om dat woord er
op te schrijven, en geen pen is goed genoeg om het
er mede weer te geven. Geeft mij de blankste blad-
zijde uit de hemelsche registers, — geeft mij de
stift waarmee de engelen Zijne victorie boekstaven,
—  en dan, terwijl mijne hand bezield is met boven-
aardsche geestkracht, en ik mijne pen doop in het
-ocr page 163-
155
morgenlicht des dageraads, zal ik schrijven met
hoofdletters van liefde: „J-E-Z-U-S." Het is die
Eéne, eindeloos Schoone, tot Wien gij wordt ge-
noodigd. Christus is u wachtende; wachtende zooals
de aanrichter van een vorstelijk feestmaal wacht op
de nog steeds toevende gasten: het wildbraad staat
dampend op den disch, de bekers tot den rand toe
gevuld, en de harpenaars houden hunne vingers op
de gespannen snaren, wachtende op het getrappel
der hoeven voor de groote poort. Wachtende op
ü, zooals een moeder wacht op haren zoon, die tien
jaar geleden van haar is weggegaan en haar bloe-
dend hart met zich medesleepte. Wachtende! O,
geeft mij een vergelijking, die krachtig genoeg is,
en vurig genoeg, en dringend genoeg, om mijne be-
doeling uit te drukken, — iets dat zoo hoog is als
de hemel, en zoo diep als de diepten, en zoo lang
als de eeuwigheid. En daar ik niet hopen kan of
mag, dat gij mij aan zulk een vergelijking kunt hel-
pen, zal ik er van zeggen: „Hij is wachtende zooals
alleen de alontfermende Heiland kan wachten op de
terugkomst van een verloren ziel."
Voorts: de Heilige Geest is gereed. Hoe komt het,
dat zoovele predikatiën onvruchtbaar blijven, — dat
Christelijke liederen geen ingang vinden onder het
volk, — dat het gebed zoo dikwijls niet hooger
gaat dan het „halloo!" van een jager? Dat komt
doordien er een schakel ontbreekt: het werk van
den Heiligen Geest. Tenzij de Geest ingrijpende
angels en klemmen aan een predikatie geeit, en
het gebed omhoog heft, en het lied door de lucht
-ocr page 164-
156
draagt, wordt alles een totale mislukking. Die Geest
is bereid, in antwoord op onze roepstem te komen,
en u tot het eeuwige leven te geleiden; of gereed
om te komen met dezelfde macht, waarmede Hij
Saulus uit den zadel sloeg op den weg naar Da-
mascus, en Lydia in haren purperwinkel op de knieën
wierp, en de drieduizend op den Pinksterdag uit de
middernachtelijke duisternis overbracht in het licht
der volle middagzon. En met diezelfde macht klopt
Gods Geest nu aan de deur uwer ziel. Hebt gij
nooit opgemerkt, welke eenvoudige en schijnbaar
onbeduidende werktuigen de Geest Gods gebruikt
voor de bekeering des menschen ? Er was een man
op een stoomboot op de Hudsonrivier, wien een
traktaatje werd aangeboden. Vol verontwaardiging
scheurde hij het in kleine stukjes en wierp hij deze
overboord. Maar één van die stukjes bleef aan de
mouw van zijn jas hangen; en op dat stukje papier
las hij het woord „eeuwigheid\'," — en hij vond geen
vrede voordat hij was voorbereid op die groote
toekomst. Weet gij, welk Schriftwoord het was, dat
Maarten Luthers oogen voor de waarheid opende?
„De rechtvaardige zal uit het geloof leven!\' Weet
gij wel, dat het één — slechts één — Bijbeltekst was,
die Augustinus van een leven vol verkwisting te-
rugbracht? „Maar doel aan den Hecre Jezus Christus,
en verzorgt het vleesch niet tot begeerlijkheden.\'\'\'
Het
was slechts één tekst, die Hedley Vicars, den be-
roemden krijgsman, tot Christus bekeerde: „Het
bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden."
Weet gij wel, dat de Heilige Geest één woord uit
-ocr page 165-
157
de Heilige Schrift gebruikte om den vromen Jo-
nathan Edwards te redden? „Den koning nu der
eeuwen, den onverderfelijken, den onzienlijken, den
al/een wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle
eeuwigheid! Amen.\'1\'\'
Een jaar geleden, op den Ame-
rikaanschen Dankdag, las ik als mijn tekst af:
„Looft den Heer, want Hij is goed, zvant Zjite
goedertierenheid is in der eeuwigheid.\'"
En er was
een jonge man in het kerkgebouw, voor wiens
hart de Heilige Geest dien tekst als werktuig be-
zigde tot zijne eeuwige verlossing. Misschien mag
ik er iets uit mijne eigene ervaring bijvoegen. En
dan kan ik u zeggen, dat ik tot den vrede des
Evangelies werd gebracht door den kreet der Syro-
Phenicische vrouw tot Christus: „Doch de liondc-
keus eten ook de brokjes, die er vallen van de tafel
hunner heeren."
Weet gij wel, dat de Heilige Geest zich bijna
altijd van eenvoudige middelen bedient? Wel-
sprekende predikatiën, bovennatuurlijke predikatiën,
wijsgeerige predikatiën, zijn zelden dienstbaar tot
iemands redding. Maar de leeraar betreedt den een
of anderen Zondag zijn kansel, afgetobt door over-
stelpend drukke bezigheden en door het getjingel
van een waanzinnig geworden huisschel; hij heeft
niets anders dan een tekst en twee of drie denk-
beelden, maar hij roept in stilte: „O Heer, help
mij! Hier zijn een groote menigte menschen bijeen,
die ik misschien nooit weer zal zien. Ik heb niet
veel te zeggen. Spreek Gij door mijne gebrekkige
lippen!" En alvorens ds godsdienstoefening is afge-
-ocr page 166-
158
loopen, zijn er betraande oogen en een plechtige
stilte, als bij het uitspreken van een vonnis. De groote
Fransche redenaar, die zijn dooden koning voor
zich zag liggen, sloeg de oogen op en riep uit:
„God alleen is groot!" en de triomf zijner welspre-
kendheid is door de historieschrijvers geboekstaafd.
Maar ik heb nooit gehoord, dat er één ziel gered
is door die bloem van welsprekendheid. De wereld-
sche beoordeelaars zullen van meening zijn, dat de
vroegpreeken van den vermaarden Engelschen kan-
selredenaar Thomas Chalmers \') meesterstukken
waren. Maar Thomas Chalmers zelf verzekert, dat
hij nooit begon te preeken of hij kwam uit de zie-
kenkamer, bleek en vermagerd, om den men-
schen de eenvoudige geschiedenis van Jezus te ver-
halen. In den grooten dag der eeuwigheid zal het
blijken, dat de meeste zielen tot den Heere Jezus ge-
bracht zijn — niet door de grootmeesters van stijl
en voordracht en redenaarskunst — maar door nede-
rige, eenvoudige mannen, die, in de kracht huns
Gods, en geloovende in den Heiligen Geest, de
menschen uitnoodigden om tot den Heiland te komen.
Er waren geleerde zalven en er waren voortreffe-
lijke smeersels, zou ik denken, ten tijde van Jezus\'
omwandeling op aarde, voor blinde of onstoken
oogen. Maar Jezus keerde hun den rug toe, en bracht
den top van Zijn vinger aan Zijne tong; en zoo,
met het speeksel dat aan dien vinger bleef kleven r
•) Wiens beste werken door Bildcrdijk cu anderen iu ouze taal zij»
overgebracht.
                                                                                      Ykrt.
-ocr page 167-
r59
bestreek Hij de oogen van den blinde, zoodat het
daglicht in zijne blinde ziel kon vallen. En zoo ge-
beurt het nu ook, dat de Geest Gods de een of
andere eenvoudige toespraak op een bidstond neemt,
die het echte speeksel van den invloed des Evan-
gelies schijnt te bevatten, en er de oogen der blin-
den mede bestrijkt, en zoodoende het zonlicht van
vergiffenis en vrede op de ziel doet stroomen. O,
mijne vrienden! ik wenschte dat wij meer en meer
doordrongen konden worden van de overtuiging,
dat — indien er ooit iets goeds gedaan wordt —
het geschiedt door de macht van Gods almachtigen
Geest. Ik weet niet, welk Psalmvers u tot Jezus
zal brengen. Ik weet niet, welke woorden uit het
door mij voorgelezen hoofdstuk van den Bijbel uwe
ziel zullen redden. Misschien zal de Geest Gods
u dezen zelfden tekst blijvend in het hart prenten:
„Komt, want alle dingen zijn nu gereed!"
Voorts: de Kerk is gereed. O jonkman, indien ik
het gordijn van voor deze geloovige harten kon
wegschuiven, zou ik u eene groote menigte angstige
bezorgdheden voor uwe verlossing kunnen doen zien.
Gij denkt, dat uw oude vader in slaap is gevallen,
omdat hij het hoofd gebogen en de oogen gesloten
heeft? Neen, hij bidt voor uwe verlossing, en hij
hoopt dat de gesproken woorden uw hart mogen
treffen. Weet gij wel, dat de lucht vol gebeden is?
Weet gij wel, dat het gebed elk uur van den dag
opgaat voor de verlossing dermenschen? En indien
gij plotseling zoudt toesnellen op de deur der Kerk
van Jezus Christus, hoe ijlings zou zij openvliegen !
-ocr page 168-
i6o
Honderden menschen zouden uitroepen : „Geeft heir.
de rechterhand der Christelijke Broederschap, brengt
hem in al onze Christelijke Vereenigingen!" O,
gij zwerver op de koude bergen, kom in de
warme schaapskooi! Ik laat de slagboomen neder en
bid u om binnen te komen. Met den staf des Her-
ders wijs ik u den weg. Honderden Christelijke
handen wenken u toe, om in de Kerk van God te
komen. Een groote menigte lieden houden niet van
de Kerk, en zeggen dat het één groote verzameling
huichelaars is; maar het is een luisterrijke Kerk,
ondanks al hare gebreken. Het beste, het heiligste
Genootschap op aarde.
Voorts: de engelen Gods zijn gereed. Zeer vele
Christenen denken, dat al wat men van de engelen
zegt, slechts in de verbeelding bestaat. Gij zegt,
dat het een zeer geschikt onderwerp is voor can-
didaten in de theologie, die pas beginnen te preeken ,
maar dat het voor bejaarde menschen onbruikbaar
is. Er zijn evenwel bewijzen in dezen Bijbel, dat er
een God is, als dat er engelen zijn. Immers, klom-
men zij niet op en neder langs Jakobs ladder?
Wordt ons niet verhaald, dat zij Lazarus naar den
hemel droegen ? Dat zij voor den troon staan, hunne
aangezichten bedekkende met hunne vleugelen, ter-
wijl zij uitroepen: „Heilig, heilig, heilig is God de Al-
machtige, de Heer der heirscharcn f" ?
Zag David ze
niet bij duizenden? Versloeg één engel niet honderd
vijf en tachtig duizend man van Sanheribs leger? En
zullen zij niet de voornaamste medearbeiders bij het bin-
nenhalen van den oogst zijn op den Dag des Oordeels ?
-ocr page 169-
i6i
Er is een lange reeks van liefhebbende, heilige,
machtige engelen, reikende van de aarde tot den
hemel. Ik houd het er voor, dat zij van hier rei-
ken tot aan de poort des hemels zelve; en wanneer
er een vergadering bijeen is ter vereering en aan-
bidding van Jezus, dan wemelt de lucht er van enge-
len. Indien elk uwer een beschermengel heeft,
hoeveel van die hemellingen zijn er hier dan wel!
Zij dringen zich opeen in deze plaats, zij zweven
er rond, zij vliegen her- en derwaarts, zij zijn vol
blijdschap en verheuging. Zie! die geest is zoo juist
neergedaald van den troon. Een oogenblik geleden
stond hij nog tegenover Jezus, en hoorde hij de
lofliederen der gezaligden. Ziet! Schoone onsterf-
lijke ! welk nieuws brengt gij uit de gouden stad ?
Spreek, gezegende geest! En het antwoord luidt
door de lucht: Komt, want alle dingen zijn mi ge-
reed!"
Engelen gereed om de tijdingen over te bren-
gen, engelen gereed om den zegen naar de aarde
te dragen, engelen gereed om blijdschap te verwek-
ken. Zij hebben in de eeuwige heerlijkheid verkeerd,
—   zij zijn er ten volle mede bekend. Zij hebben de
blijdschap gesmaakt, die daar gesmaakt wordt, waar
geen tranen en geen graven meer \'zijn; eene ont-
sterflijke gezondheid, maar geen ziekten en gebre-
ken; liederen, maar geen zuchten ; bruiloftsklokken,
maar geen lijktoortsen, — oogen die nimmer schreien,
—    handen die nimmer vereelten, — hoofden die
nimmer verzwakken, — harten die nimmer breken,
—  vriendschap die nimmer verflauwt.
Gereed, zij allen! Gereed de tronen, de konink-
-ocr page 170-
IÓ2
rijken, en de machten! Gereed de Seraphim en de
Cherubim! Gereed Michael de aartsengel!
Voorts: de u voorgegane dierbaren in de ceuivige
heerlijkheid zijn allen gereed vvor uwe komst.
Ik
brandmerk het hedendaagsche Spriritisme als iets
zondigs en iets schandelijks. Indien John Bunyan en
Maitinus Luther niets beters te doen hebben, clan
onder een tafel te kruipen of aan de bladen van
een boek te krabbelen, moesten zij liever thuisblij-
ven in de heerlijkheid. Terwijl ik geloof, dat het
hedendaagsche Spiristisme iets slechts is, wegens
de verwoestingen die het in de geesten en de huisge-
zinnen te weeg brengt, leert ons het gezond ver-
stand, bestraald door het Woord van God, dat
onze vrienden in de heerlijkheid vol vreugde deel-
nemen in onze verlossing. Deze Bijbel, die hier voor
mij ligt, zegt duidelijk, dat er blijdschap in den hemel
is onder de engelen Gods over éénen zondaar, die
zich bekeert; en indien de engelen er verblijd en
bekend mede zijn, zouden onze vrienden, die in
hun midden staan, er dan geen kennis van dragen?
Sommigen dezer geesten in de heerlijkheid hebben
geworsteld om uwe verlossing. Toen het bij hen
op een sterven ging, was het hun grootste verdriet,
dat gij nog geen geloovige waart. Zij zeiden: „Moch-
ten wij elkaar wederzien in den hemel!" en staken
hunne hand boven het dek uit, en zeiden: „Vaar-
wel!" En verondersteld nu, dat gij den overgang
doet van een zondig leven tot een heilig leven.
Verondersteld dat gij wedergeboren wordt tot een
erfgenaam van het Koninkrijk Gods. Verondersteld
-ocr page 171-
163
dat gij nu zoudt zeggen: „Vaarwel, o bedriegelijke
wereld! Gaat henen, o mijne zonden! Vloek over
al de dwaasheden mijns harten! O Heere Jezus,
help mij, of ik verga! Ik houd U aan Uwe belofte.
Ik geloof U op Uw Woord. Ik treed in Uwen
dienst!" Verondersteld dat gij dit alles zoudt zeg-
gen en doen. Welnu, de tot u gezonden engel zou
naar boven roepen: „Hij komt!" En de hooger in
de lucht zwevende engel zou verder naar boven
roepen: „Hij komt!" En zoo zou het al hooger en
hooger gaan, langs de geheele lijn van licht, van
vleugel tot vleugel, en van bazuin tot bazuin, tot-
dat het de poort bereikte, — en dan zou het door-
dringen tot „het huis met de vele woningen,"1 en
daar door uwe dierbaren gehoord worden. En
alvorens de tranen van berouw waren afgewischt
van uwe wangen, en alvorens gij uw eerste gebed
hadt voleindigd, zouden uwe dierbaren in de heer-
lijkheid met het heugelijke heilsfeit bekend zijn,
en een nieuwe hemel zou toegevoegd worden aan
hunne blijdschap, en zij zouden uitroepen: „Mijne
gebeden zijn verhoord; alweder is een mijner be-
minden gered en behouden. Geeft mij een harp, om
er mijne blijdschap mede te uiten! Gered! Gered!
Gered!"
En nadat ik u nu heb aangetoond, dat „alle din-
gen gereed zijn": dat Christus gereed is, dat de
Heilige Geest gereed is, dat de Kerk gereed is,
dat de engelen in de heerlijkheid gereed zijn, dat
uwe gezaligde dierbaren gereed zijn, — nu richt
ik, met den nadrukkelijksten ernst mijner ziel, de
-ocr page 172-
i64
vraag tot u : ZIJT GIJ GEREED? - GIJ! Zooals gij
ziet: mijn tekst werpt de volle verantwoordelijkheid
op uzelf. Als gij geen plaats aan mijns Konings
feestdisch verkrijgt, dan is de éénige oorzaak daar-
van, dat gij Zijne uitnoodiging niet hebt aangeno-
men. Gij hebt de dringendste uitnoodiging ontvan-
gen. Twee armen, naar u uitgestrekt van het kruis,
geheel bebloed, van den elleboog tot de vingertoppen;
twee lippen, trillend van onuitsprekelijken zielsangst;
twee oogen, stralend vol eindelooze liefde, die u
toeroepen: „Komt, ivant alle dingen zijn nu gereed!"
Ik heb u verhaald, dat men, toen koningin Elisa-
beth op het kasteel Kenilworth aankwam, al de
klokken stil zette, opdat de vingeren des tijds moch-
ten blijven wijzen naar het heugelijk oogenblik harer
komst. O, indien mijn Koning mocht komen naar
het kasteel uwer ziel, zoudt gij waarlijk wel reden
hebben om al de klokken stil te zetten, opdat de
wijzers u altijd konden herinneren aan dat oogen-
blik, als het heerlijkste, het gezegendste, het ont-
zagwekkendste van heel uw leven! — En nu
wenschte ik wel, dat ik dit gansche kerkgebouw
rond kon gaan, van bank tot bank, en van stoel
tot stoel, en elk uwer hoofd voor hoofd uitnoodi-
gen , overeenkomstig de uitnoodiging van mijn tekst,
en tot. u zeggen: „Kom!"1 Ik zou zoo gaarne elk
uwer een voor een bij de hand willen nemen, en
zeggen: „Kom!" Oude man, die reeds een tocht van
zeventig of tachtig jaren hebt afgelegd, en wiens
zon bijna is ondergegaan, — strek door de nevelen
van den avond uwe vermagerde hand naar Jezus
-ocr page 173-
i65
uit! Hij zal u niet verstooten, oude man! O, dat er
toch één traan van berouw mocht druppelen langs
uwe gerimpelde wang! Nadat Christus u uw gansche
leven lang gespaard en onderhouden heeft, denkt
gij nu niet, dat gij er toe zoudt kunnen komen, één
woord tot Zijn lof te spreken ?
Komt, gij allen die nog het verst van God ver-
wijderd zijt! Dronkaard! de Heere Jezus kan het
vuur van uwen dorst blusschen! Hij kan die kluis-
ters verbreken Hij kan uw verwoest huisgezin weer
bijeenbrengen en herstellen. Ga tot Jezus! — Los-
bol ! de Heere Jezus heeft gezien, waar gij in den
afgeloopen nacht zijt geweest. Hij is bekend met uwe
zonde. En toch, indien gij uwe bezoedelde ziel op
dit oogenblik tot Hem wilt brengen, zal Hij er den
mantel Zijner vergevende liefde over spreiden. Ge-
nade voor u, o gij grootste der zondaren! — Ontuch-
tige deern! die uwe voeten bevlekt hebt met al het
vuil der hel, en wier lach het afschuwelijkste ge-
luid onzer straten is ... o, gij Maria Magdalena,
zie op tot Jezus! Genade ook voor ü, arme verlorene,
gevloekte zwervelinge op onze straten en pleinen !
— En gij, eigengerechtige man , ook gij moet weder-
geboren worden, of gij kunt het Koninkrijk Gods
niet zien! Verbeeldt gij u, dat gij naar het feest kunt
gaan met deze lompen aan ? Neen, \'s Konings die-
naren zouden ze u van het lijf scheuren, en u naakt
en ontbloot aan de poort laten staan. — Gij allen
moet wedergeboren worden!
De dag is reeds ver
verstreken. De heuvelen beginnen hunne lange scha-
duwen over de vlakte te spreiden. Weet gij wel,
-ocr page 174-
i66
dat het feest reeds begonnen is, — het feest waar-
toe gij genoodigd zijt? — En de Koning zit aan
met zijne gasten, en de dienaar staat met zijne hand
aan de deur der feestzaal, en hij begint haar dicht
te draaien. Zij is half dicht. Zij is voor drievierden
dicht. Zij staat nog slechts op een kier. Weldra zal
zij voor goed gesloten zijn. „Komt, want alle dingen
zijn nu gereed!"1
— Amen.
VERBETERING.
In No. 0 staat onderaan op bladz. 141: „En wat heeft
Hij niet opgeofferd voor kinderen /" waarvoor men gelieve
te lezen: „En wat heeft Hij niet opgeofferd voor anderen /"
-ocr page 175-
XL
SIKKEL EN SCHOVEN.
Slaat de sikkel nan, want «Ie oogst
is rijp
geworden. JoËL lil : 13.
Het zwaard is in liederen bezongen, en de wereld
heeft lof toegebracht aan het zwaard van Alexander
den Groote, aan het zwaard van Gustaaf Adolf, en
aan het zwaard van Napoleon I. De pen is naar
verdienste geprezen, en de wereld heeft lof toege-
bracht aan de pen van Paulus, aan de pen van
John Bunyan, en aan de pen van Luther. Wet penseel
van den schilder is met eere gekroond, en de wereld
heeft lof toegebracht aan het penseel van Raphaël,
aan het penseel van Rubens, en aan het penseel
van Rembrandt. De beitel des beeldhouwers heeft
zich aanspraak op hoogen roem verworven, en de
wereld heeft lof toegebracht aan den beitel van
Phidias, aan den beitel van Michel Angelo, en aan
den beitel van Thorwaldsen. Maar hier is nog een
ander werktuig, waarop ik het eerste loflied zing,
dat er ooit op gezongen werd: de sikkel, de sikkel
-ocr page 176-
i68
des Bijbels, de sikkel die den oogst van vele eeuwen
heeft ingezameld. Scherp, en tot een halven cirkel
gebogen, en glinsterend, heeft deze kleine zeis, die
niet langer dan uw arm is, het brood voor duizen-
den jaren geleverd. Haar succes heeft den rijkdom
der volkeren voortgebracht. Zij heeft méér invloed
geoefend op den vooruitgang der wereld, dan zwaard
en pen en penseel en beitel saamgenomen. Chris-
tus bezigt de sikkel als beeldspraak bij het voor-
dragen van een Zijner onvolprezen gelijkenissen,
en gij ziet dit werktuig flikkerend op en neer gaan
door de geheele Openbaring, waar Johannes het
zwaait; terwijl God in mijn tekst door Joel het volk
gebiedt, zooals Hij nog op den huidigen dag gebiedt
door den mond zijner dienaren: „Slaat de sikkel
aan, want de oogst is rijp geworden
/"
In de afgeloopen maand November heerschte er
allerwegen blijdschap in heel Amerika. Met trom-
petten en hoorns en orgels en duizendstemmige
psalmen loofden wij op den „Dankdag" den Heer voor
de aardsche oogsten. Wij loofden God voor de tarwe,
de rogge, de haver, het katoen, de rijst, voor al
de vruchten van den boomgaard en al de granen
des velds; en een natie kan nooit beter doen, dan
zich in den herfst te vereenigen tot feestviering,
en God te danken voor de grootte van den
oogst. Maar ik kom op dezen dag tot u spreken
van grooter oogsten, en wel van de geestelijke.
Hoe zullen wij de waarde van een mensch bepalen?
Wij zeggen dat hij zooveel honderden of duizenden
guldens waard is, of dat hij zich die en die positie
-ocr page 177-
169
heeft veroverd; maar wij weten zeer goed, dat er
sommige menschen op de bovenste sport van de
ladder staan, die eigenlijk op de onderste behooren,
en sommigen op de onderste, die op de bovenste
moesten wezen, — en de éénige maatstaf om de
waarde van een mensch te bepalen, is dus zijne
ziel.
Wij allen gelooven , dat wij altijd zullen blijven
voortleven. De dood kan ons niet vernietigen. An-
dere vaartuigen mogen door den draaikolk medege-
sleept of tegen de rotsen te pletter geslagen wor-
den, maar dit leven in ons binnenste zal alle stor-
men trotseeren en nimmer het anker uitwerpen, en
tien millioen jaren na den dood zal het nog zijne
signalen geven op de hooge zeeën der eeuwigheid.
Gij verjaagt den smeekeling om een aalmoes van
uwen drempel, en zegt dat hij slechts een bedelaar
is; maar hij is evenveel waard als al het goud der
mijnen, evenveel waard als al de paarlen der zee,
evenveel waard als de gansche aardbol, evenveel
waard als de zon en de maan en de sterren, even-
veel waard als heel het stoffelijk heelal!
Neem al het papier, dat tot dusver door de pa-
pierfabrieken is afgeleverd, en leg het zijde aan
zijde en blad aan blad, en laat de pennen der vaar-
digste schrijvers dat papier vullen met cijfers gedu-
rende tienduizenden jaren, — dan zullen zij nog pas
begonnen zijn met het uitdrukken van de waarde
der ziel. Gesteld dat ik eigenaar was van al de
goudvelden in Afrika, Amerika en Australië, — van
hoeveel waarde zouden zij voor mij zijn één oogen-
blik, nadat ik uit dit leven vertrokken ware? De
-ocr page 178-
1-JO
man, die op dit oogenblik een dollar in zijn zak
heeft, is rijker aan wereldsch goed, dan de millio-
nair, die verleden jaar gestorven is. Hoe zoudt
gij wel denken, dat ik mij gevoel, zooals ik hier sta
te midden van eene menigte zielen, elk van meer
waarde dan het stoffelijk heelal? O, mocht ik niet
met recht zeggen, dat deze geestelijke oogst rijker
is dan de aardsche oogst? Ik moet den gordel dich-
ter vastgespen, ik moet de zeis scherpen, ik moet
zorgvuldig toezien, hoe ik het werktuig zwaai bij
de inzameling van het graan, uit vrees dat er één
aar verloren gaat.
Een van de machtigste sikkels voor het maaien
van dezen geestelijken oogst is de prediking des
Evangelies.
Al heeft de sikkel een rozenhouten steel,
en al is zij versierd met kostbare edelgesteenten, en
zij kan toch het graan niet binnenbrengen, dan heeft
zij niet veel van een sikkel, — en zoo leidt ook de
prediking tot niets, tenzij er zielen mede geoogst
worden voor God. Zullen wij wijsbegeerte predi-
ken ? De Plato\'s en de Socratessen van den ouden
tijd zouden ons ver overtreffen. Zullen wij weten-
schap prediken? De Edisons en de Röntgens dezer
dagen zouden ons ver achter zich laten. De dienst-
knecht van Jezus Christus, ook met den zwaksten
arm voortgaande in het ernstig gebed, en deze sik-
kel des Evangelies hanteerend, zal den oogst aan
alle kanten om zich heen zien wachten op de scho-
ven-bindende engelen. O, die oogst der zielen!
Langs de velden gaande, merkte ik op, dat deland-
man niet rechtop staat, wanneer hij het graan inza-
-ocr page 179-
i7i
melt. Ik bemerkte, dat hij zich bij zijn werk moest
buigen, — en ik bemerkte, dat hij, ten einde de
schoven des te beter vast te kunnen binden, er zijn
knie op moest zetten. En als wij met dit werk voor
God vorderingen willen maken, kunnen wij niet
rechtop staan in onze welsprekendheid en onze ge-
leerdheid en onze verhevenheid. Wij moeten ons
buigen bij ons werk. Ja, wij moeten er op onze
knieën bij, of anders zullen wij nooit en nimmer
schoven garen voor de korenschuur des Heeren!
Petrus zwaaide die sikkel op den dag des Pinkster-
feestes, en drie duizend schoven kwamen erbinnen.
Luther zwaaide die sikkel te Wittenberg, en Spur-
geon te Londen, en ontelbare menigten kwamen
binnen voor het Koninkrijk des Heeren onzes Gods.
O, het is zulk een machtig Evangelie! Het kluis-
terde niet alleen een lam als Johannes, maar ook
een leeuw als Paulus. De menschen mogen er met
hunne tanden aan knagen, en er hunne vuisten tegen
ballen, maar het is de kracht Gods en de wijsheid
Gods tot zaligheid. Maar, helaas! waarom wordt
het bijna alleen gepredikt op de kansels en op de Zon-
dagen? Wij moeten uitgaan in onze magazijnen,
onze winkels, onze bankierskantoren, onze fabrieken
en in de straten, en allerwegen den Christus predi-
ken. Wij staan op den Sabbath vier of zes uren lang
op onze kansels, en bevelen het volk den Christus
aan; maar er zijn honderd acht en zestig uren inde
week, en wat zijn de zes uren op den Sabbath in
vergelijking van de honderd twee en zestig overige?
O, daar daalt de ordinantie Gods dezen dag weder
-ocr page 180-
172
op al het volk, op menschen die werken met hun
hoofd of met hunne handen of met hunne voeten:
het bevel komt tot alle kooplieden, tot alle zeeva-
renden, tot alle arbeiders, en God zegt tot u zooals
Hij tot mij zegt: „Gaal dan henen, onderivijst alle
volken
/" Het machtige Evangelie, laat de geheele
aarde het hooren! De geschiedenis van Christus is
daar om de volken te wederbaren, om al het ver-
keerde recht te maken, om de aarde in een para-
dijs te herscheppen. Een oude kunstenaar schilderde
het laatste Avondmaal des Heeren , en wilde de aan-
dacht hoofdzakelijk op het gelaat van Jezus geves-
tigd hebben. Toen hij zijne vrienden op zijn atelier
noodigde, om de schilderij te komen zien en beoor-
deelen , bewonderden zij de bekers en de schotels
op de tafel veel meer dan het gelaat des Heilands,
zoodat de kunstenaar uitriep: „Deze schilderij is
mislukt!" — en hij wischte de daarop afgebeelde
bekers uit, en zeide: „Ik zal nooit toelaten, dat iets
de aandacht van het gelaat des Heilands afleidt;
Jezus is alles op deze schilderij \\"
Een andere machtige sikkel voor het maaien van
dezen oogst is het Christelijk gezang. Ik weet, dat
in vele buitenlandsche kerken dit geheele werk
wordt overgelaten aan eenige weinige menschen , die
op de orgelgallerij staan. Maar, mijne vrienden!
evenmin als anderen berouw voor ons kunnen hebben,
en anderen voor ons kunnen sterven, evenmin kun-
nen wij aan anderen de taak van het zingen voor
ons overlaten. Wanneer er een Psalmvers of een
lied is opgegeven, laten dan honderden en duizen-
-ocr page 181-
173
den stemmen zich vereenigen in het aanheffen van
den lofzang! Op den weg naar de grootheden die
nimmer eindigen, en naar de heerlijkheden die nim-
mer sterven, —laat ons zingen op dien weg! In den
slag van Lützen kwam er een generaal naar den
Koning en zeide: „Die soldaten zingen als zij ten
strijde trekken! Moet ik hen daarmede laten ophou-
den?" — „Wel neen", antwoordde de Koning, „men-
schen die zóó kunnen zingen, kunnen ook strijden!"
O, de kracht van het Christelijk lied! Maar zooals
ik het hier verdedig, zult gij het misschien bestrij-
den. Het argument dat gij tegen den godsdienst aan-
voert, zal misschien scherpzinniger zijn, dan het ar-
gument dat ik bezig ten voordeele van den gods-
dienst. Doch wie is bestand tegen den aangrijpen-
den indruk van een of ander verheven lied, zooals
wij b.v. somtijds zingen:
«Erbarming, Heer! O Heer, vergeef!
Dat een boetvaardig muiter leev\'!
Is Uw gena niet rijk en groot?
En redt ze ons niet van zonde en dood?"
Een andere machtige sikkel voor het maaien van
den Evangelie-oogst is het gebed. Wat doet God
met onze gebeden? Gaat Hij er mede op de tinnen
des hemels en werpt Hij ze van daar weg? Neen!
Wat doet gij met de geschenken , u gegeven door per-
sonen , die u zeer dierbaar zijn ? Gij bewaart ze
met grooten eerbied en zorgvuldigheid. En zoudt
gij dan denken, dat God onze gebeden, Hem aange-
-ocr page 182-
174
boden in de oprechtheid en liefde onzer harten, zal
nemen en naar de vier windstreken verstrooien ? O
neen! Hij zal ze allen op de eene of andere wijze
beantwoorden, O, welk een machtige zaak is het
gebed! Het is geen eindeloos gerammel van „och\'s!"
en „ach\'sP\'en „tot in alle eeuwigheid! Amen\'s." Het is
een ademtocht van het hart in het hart van God.
O, welk
eene machtige zaak is het gebed! Elia reikte er mede
tot aan de wolken, en goot er de regenbuien mede
naar beneden. John Knox gaf er een schok mede
aan Schotland. Martin Luther bracht er de aarde
een schok mede toe. En toen Philippus Melanchton
doodziek op zijn bed nederlag, en reeds stervende
was, zooals velen veronderstelden, trad Luther bin-
nen en zeide hij: „Philippus, wij kunnen u niet mis-
sen !" — „Ach, Martinus," antwoordde hij, „gij moet
mij laten heengaan; ik ben der vervolgingen en des
levens zat! Ik wil liever van hier gaan, om bij en
met mijn God te wezen!"—„Neen," zeide Luther, „gij
zult niet heengaan; gij moet deze spijzen nuttigen,
en daarna zal ik voor u bidden." — „Neen , Marti-
nus/\' zeide Malanchton, „gij moet mij laten gaan."
— Waarop Luther antwoordde: „Gij nuttigt dit
voedsel, of ik zal u in den grooten ban doen!" —
Hij gebruikte het voedsel, en Luther knielde neder,
en bad zooals hij alleen kon bidden; en de beter-
schap trad in, en Luther ging naar huis en zeide
tot zijne vrienden: „God heeft het leven van Philip-
pus Melanchton gespaard in rechtstreeksch antwoord
op mijn gebed." O, die kracht des gebeds! Hebt gij
er al eens de proef van genomen?
-ocr page 183-
175
Prime, van New-York, beschrijft in zijn prachtig
werk, getiteld: „Rondom de wereld," een praalgraf
in Indië, waaraan 20,000 man twee en twintig jaren
lang gebouwd hebben — aan het praalgraf en de
omringende gebouwen — en hij zegt: „Als men in
dat praalgraf staat en er een woord uitspreekt,
wordt het teruggekaatst van een hoogte van 150
Engelsche voet; geen gewone echo, maar een lang
aanhoudende muziek, alsof er engelenwieken door
de lucht suisden." En zoo heeft ook ieder ernstig
gebedswoord, dat wij uiten, een echo, niet uit den
marmeren koepel van een aardsch praalgraf, maar
uit het hart van God en uit de vleugelen der enge-
len, als zij rondzweven en uitroepen: „Ziet, hij
bidt!" O, beproef het toch eens! Het is zulk een
machtige sikkel voor het maaien van dezen Evan-
gelie-oogst, die sikkel des gebeds!
Er is zooveel onderscheid niet in de houding, die
gij aanneemt: of gij zit, of staat, of knielt, of op uw
aangezicht ligt, of in uwen laatsten doodstrijd ligt
op uwen rug. Het maakt, mits er geen moedwillige on-
eerbiedigheid bij in \'t spel zij, volstrekt geen verschil,
welke uwe lichamelijke houding is, zooals onlangs
bleek in een hospitaal, toen de veldprediker zeide,
terwijl hij zijn blik langs de bedden der lijders liet
gaan: „Laat al de gewonden hier, die gaarne zou-
den willen dat er voor hen gebeden werd, de hand
opsteken!" Sommigen hieven twee handen omhoog;
anderen staken één hand op; sommigen, wier han-
den afgezet waren, konden slechts een stomp van
hun arm opheffen. En één man, wien men tot zelfs
-ocr page 184-
i76
de armen toe had afgezet, kon geen ander blijk van
instemming geven, dan door te roepen: „Ik! ik!"
O, het komt niets op de welsprekendheid uwer ge-
beden aan; het komt niets op de houding aan; het
maakt volstrekt geen verschil, of gij slechts één
hand kunt opsteken, dan of gij in \'t geheel geen
hand omhoog te heffen hebt. God is bereid om u
te hooren. Het gebed wordt beantwoord. God is
gereed om antwoord te geven.
„He/t inve oogcn op en aanschouwt de landen , ivant
zij zijn alrccde wit om te oogsten!"
Hoeveel hebt gij
gemaaid voor God? Vraagt gij mij, hoeveel ik voor
God gemaaid heb? Ik kan het niet zeggen. Kunt
gij nu zeggen, hoeveel gij gemaaid hebt? Ik hoop,
dat er eenigen door uwe tusschenkomst tot het
Koninkrijk Gods zijn toegebracht. Zijn er geen? Geen
enkele? Gij, een man van vijf en dertig-, van veer-
tig-, van vijftigjarigen leeftijd, en niet één? Ik zie
zielen aankomen in de heerlijkheid. Hier is een
Zondagsschool-onderwijzer, die tien of vijftien zie-
len brengt. Hier is een traktaatverspreider, die veer-
tig of vijftig zielen brengt. Hier is een man, van
wien gij nooit of nimmer gehoord hadt, dat hij zich
bijzonder verdienstelijk maakte in het brengen van
zielen tot God. Daar komt hij aan met honderd
vijftig zielen. Dat zijn de schoven van zijn oogst.
Hoevelen hebt gij er gebracht? Niet één? — zou
dat mogelijk kunnen zijn? Wat zal God daar wel
van zeggen ? Wat zullen de engelen er van zeg-
gen? \'t Zal het beste zijn, dat gij u in den een of
anderen hoek van den hemel verschuilt, en u nooit
-ocr page 185-
177
weer laat zien. O, die oogst moet nu gemaaid wor-
den ! En dat wel op dit oogenblik! Waarom zou hij
niet voor God gemaaid worden terwijl ik spreek?
„O," zegt de een of ander, „ik ben dertig, of
veertig, of vijftig jaar geleden den verkeerden weg
opgegaan; ik heb den geheelen catalogus van mis-
daden doorloopen, en moet mij eerst verbeteren.\'"\'
Ach! gij zult nooit weer op de been komen, tenzij
Jezus u onder zijne hoede neemt. Gij wordt hoe
langer hoe erger, totdat Hij komt om u te redden.
„Niet om de rechtvaardigen, maar om zondaars te
roepen, kwam Jezus op aarde." Dus, zooals gij
ziet, ik neem het ergste geval dat er is. Indien er hier
iemand is, die zegt dat in zijn hart en zijn leven alles
volkomen in orde is, dan spreek ik thans niet tot
hem, want hij is denkelijk een huichelaar. Ik zal
hem wel op een anderen keer eens iets zeggen.
Maar als er hier iemand is, die gevoelt dat alles
met hem verkeerd geloopen is, dan richt ik mij nu
tot hem. Al zijt gij ook gewond in de handen, en
gewond in de voeten, en gewond in het hoofd, en
gewond in het hart, en al waart gij ook door het
koudvuur van den geestelijken dood aangetast, —
één druppel van het heulsap des goddelijken Levens
zal uwe ziel genezen. Al waart gij ook door en
door besmet met booze hebbelijkheden, al waren
uwe voeten gewend aan onreine plaatsen, al waart
gij een metgezel geworden der verdoolden en ver-
lorenen , — ééne aanraking der goddelijke genade
zal uwe ziel redden !
Ik zeg niet, dat gij daarna geen strijd en geene
-ocr page 186-
178
worstelingen meer zult hebben. O neen! Maar het
zal een geheel ander soort van worstelingen zijn.
Gij gaat in dien strijd, en de geheele hel is tegen
u, en gij zijt alleen, en gij strijdt, en gij strijdt, al
zwakker en zwakker en zwakker, totdat gij ten
laatste struikelt en valt, en de machten der duister-
nis uwe ziel vertreden. Maar in het andere geval
trekt gij ten stiijde, en gij strijdt al krachtiger en
krachtiger en krachtiger, totdat de booze lusten
wijken en gij de overwinning behaalt door onzen
Heere Jezus Christus. O, doe afstand van uwe
zonden! Zijt gij nu nog niet lang genoeg door de
zonde gekneusd en gehavend ? Hebt gij dien last
nog niet lang genoeg getorst? Hebt gij dien strijd
nu nog niet lang genoeg gestreden ?
Ik rammel op den huidigen dag met de deuren
van uw graf. Ik neem de bazuin des Evangelies
en blaas er een langen, luiden toon uit. Roland,
bijgenaamd „de Razende Roeland," een held uit de
dagen van Karel den Groote, zoon van diens zuster
en den Saksischen vorst Milon, trok ten strijde.
Karels leger was teruggeslagen door de drie legers
der Saracenen, - en Roland, bijna wanhopig ge-
worden , nam den hoorn ter hand en blies drie
tonen in een der bergpassen, en onder den over-
weldigenden indruk dier drie tonen deinsden de
Saracenen terug en namen zij verschrikt de vlucht.
Maar de geschiedenis zegt, dat Rolands hoorn in
stukken sprong, toen hij er voor den derden keer
door geblazen had.
Ik neem deze bazuin des Evangelies en blaas
-ocr page 187-
i79
voor de eerste maal: „Al ivic wil F\' Ik blaas voor
den tweeden keer: 9Zockt den Heer terwijl Hij te
vinden isP\'
Ik blaas ten derden male: „Nü is het
de welaangename tijd!\'\'\'
Maar de bazuin breekt niet.
Zij werd door onze voorvaderen aan ons overge-
dragen, en wij zullen haar weder aan onze kinderen
ter hand stellen, opdat zij na onzen dood de bazuin
mogen blazen, om aan de wereld te verkondigen,
dat wij een vergevenden God hebben, een liefheb-
benden God, een ontfermenden God, en dat Hij
de blijdschap over het zien van een verloren zoon,
die zijne hand aan de deurkruk van zijns vaders
huis slaat, nog véél hooger schat, dan den troon
waarop Hij zelf gezeten is!
Ik noodig den grootsten ongeloovige, — of den
hardnekkigsten godloochenaar, — ik noodig hem met
evenveel hartelijkheid tot het Koninkrijk Gods uit,
als dezulken die reeds vijftig jaren lang onder de
verkondiging des Evangelies geleefd hebben en het ge-
heel gelooven. Toen ik in Philadelphia woonde, ver-
telde een heer van goeden huize mij een gebeurtenis,
waarbij hij zelf betrokken was geweest. In een der
hoofdstraten van Philadelphia werden sedert eenigen
tijd rijkgezegende bidstonden gehouden, waarbij ve-
len krachtdadig bekeerd werden, — onder anderen
een der voornaamste leden van het meest beruchte
speelhuis te dier stede. Den volgenden avond be-
sloot de bestuurder van dat speelhuis, de president
der sociëteit, dat hij zijn makker weer mede terug
zou trachten te halen. Hij kwam aan de deur der
zaal, maar alvorens hij binnentrad, hoorde hij er
-ocr page 188-
i8o
een Christelijk lied zingen, en onder den krachtigen
indruk daarvan werd hij in de ziel gegrepen. Hij
ging de zaal binnen en verzocht om de voorbede.
Vóór hij naar buiten kwam, was hij een voorwerp
der wederbarende genade. Den daarop volgenden
avond ging een andere makker de twee opeischen,
die voor hun zondigen kring verloren waren gegaan.
Hij trad binnen, en door de kracht des Heiligen
Geestes werd hij \'een veranderd man; en zoo ging
het werk voort, totdat zij allen gered waren en de
beruchte speelclub ontbonden werd. O, het is zulk
een machtig Evangelie! Al kwaamt gij hier als een
kind der zonde, gij kunt van hier gaan als een kind
der genade, — en heengaande kunt gij zingen:
«Genade Gods! uw hemelklank
Riep me uit den nacht in \'t licht:
Ik was verloren, \'k werd gered,
\'k Was blind, en kreeg \'t gezicht!"
O, doe afstand van uwe zonden ! Het grootste ge-
deelte van uw leven ligt reeds achter u. Uwe kin-
deren zijn denzelfden verkeerden weg opgegaan.
Waarom houdt gij niet op? „Heden is uwen huize za-
ligheid geschied."
Waarom niet dit eigen oogenblik
opgezien tot het gelaat van Jezus en gezegd:
„Zóó als ik ben , — alleen dddrom ,
Dat Gij Uw bloed vergoot
Voor mij, en me uit den dood
Verloste, o Heiland, — zóó nu kom
Ik met mijn zonde en nooden,
Lam Gods! tot U gevloden!"
-ocr page 189-
iöi
„O, mijn God," zegt deze of gene, „hoe kan ik
tot U komen? Ik ben zoo ver van U af! Wie zal
mij helpen, mij! die zoo zwak ben? Het schijnt
zulk een groote onderneming!" — Ja, mijn broeder,
het is ook een groote onderneming! \'t Is iets zóó
groots, dat gij het nooit alleen en uit uzelven zoudt
kunnen volbrengen, — maar Jezus, en Jezus alléén,
kan het voor u doen. Hij wil uw hart reinigen , en
Hij wil uw leven verbeteren. „O," zegt gij, „ik zal
niet langer spotten met het heilige.\'\' Dat zal u niet
redden. „O," zegt gij, „ik zal niet langer den Sab-
bath schenden." Dat zal u niet redden. Er bestaat
slechts één deur, die toegang geeft tot het Konink-
rijk Gods, en dat is het geloof; er is slechts één
schip, dat naar die haven koers zet, en dat is het
geloof. Het geloof is de eerste stap, de tweede stap,
de honderdste stap, de duizendste stap, de laatste
stap. Door het geloof treden wij het Koninkrijk
binnen. Door het geloof blijven wij er in. In het ge-
loof sterven wij. De hemel een belooning voor het
geloof. De aardbeving wierp de muren van den ker-
ker te Philippi neder. De cipier riep: „Wat zal ik doen?"
Sommigen uwer zouden zeggen : „Maak dat gij hoe
eer hoe beter van hier komt, vóór dat de muren u
verpletteren!" Maar wat zeide de Apostel? „Geloof
in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig wor-
den!""
— „Ja juist/\' zegt gij, „dat is voor mij de
groote moeilijkheid." — Wat is het geloof? Gesteld
dat gij dorst hadt, en dat ik u dit glas water aan-
bood, en dat gij geloofdet dat het werkelijk mijne
bedoeling was het u te geven, en dat gij dan tot
-ocr page 190-
IÖ2
mij kwaamt en het aannaamt. Dan volbrengt gij een
daad van geloof. Gij gelooft dat ik voornemens
ben, mijne belofte te houden. Jezus biedt u het
water des eeuwigen levens. Gij neemt het aan. Dat
is geloof.
Treed het Koninkrijk Gods binnen. Treed het mi
binnen. De deur des levens is wijd opengezet. Ik
bezweer u bij het bloedzweet van Gethsemané en
den doodsnik van Golgotha, bij het kruis en de
kroon, bij Pilatus\' rechtszaal en Jozefs graf, bij har-
pen en ketenen, bij koninkrijken van licht en rijken
van duisternis, bij de bazuin des aartsengels, die de
dooden zal opwekken, en bij den troon van den
Heer onzen Almachtigen God en het Lam, dat gij
thans acht geeft op de dingen der eeuwigheid!
O, hoe treurig en hoe vreeselijk zal het zijn,
wanneer wij, zoo dicht nabij het Koninkrijk der
hemelen gekomen, het tóch moeten missen! O, in
het gezicht van de blinkende koepeldaken der stad
gekomen te zijn, en er niet binnen te treden! O,
zóó nabij geweest te zijn, dat wij de ontelbare
schare hebben zien binnentreden, zonder dat wij er
ons bij aansloten! Engelen Gods, zweeft naar dezen
kant! Goed nieuws voor u, — vertelt het gebeurde
aan de verlosten daarboven! Als er daar iemand is,
die in het .bijzonder naar onze zaligheid verlangt,
maakt het hem of haar dan nu bekend. Wij werpen
onze zorgen af. Eere zij God voor zulk een hoop,
voor zulk een vergeving, voor zulk een blijdschap,
voor zulk een hemel, voor zulk een Jezus! — Amen.
-ocr page 191-
XII.
OP STRAAT.
J)e opperste Wijsheid roept overluid
daar buiten; zij vei\'heft hare stem op
de straten.
            SPKEl\'KEN I : 20.
Wij zijn allen bereid om te luisteren naar de stem-
men der Natuur: de stemmen van den berg, de
stemmen der zee , de stemmen van den storm, de
stemmen der sterren. Evenals er zich in sommige
kathedralen van Europa een orgel aan de beide uit-
einden van het gebouw bevindt, en het eene instru-
ment op muzikale wijze het andere beantwoordt, zoo
antwoordt in de groote kathedraal, der Natuur de dag
aan den dag, en de nacht aan den nacht, en de
bloem aan de bloem, en de ster aan de ster, in de
groote harmonieën van het heelal. Het voorjaar is
een evangelist vol bloesems, die Gods liefde pre-
diken; en de winter is een profeet — een witge-
baarde — die het „wee!" over onze zonden uitroept.
Wij allen luisteren gewillig naar de stemmen der
Natuur; maar hoe weinigen leeren iets van de stem-
men der rumoerige en stoffige straat!
-ocr page 192-
4
Gij gaat naar uw kantoor en uwe fabriek, en naar
uwe werkplaats, en gij keert er weer van terug, —
en meestal loopt gij met een onverschillig hart de
straten door. Zijn er geen dingen voor ons te leeren
van die plaveisels, waarover wij heengaan? Groeien
er geen sprietjes waarheid tusschen die keisteenen,
die dagelijks betreden worden door de voeten van
den arbeid en de smart en het genot, door den lang-
zamen tred van den ouderdom, en den vluggen stap
der kindsheid? Ja, er zijn groote oogsten te maaien;
en thans neem ik de sikkel ter hand, omdat de oogst
rijp is. „De opperste Wijsheid roept over luid; zij
verheft hare stem op de straten,\'"
In de eerste plaats prent de straat mij de waar-
heid in, dat dit leven een tooneel van moeite en strijd
is.
Om tien uur iederen ochtend is de stad vervuld
met het geknars van wielen, en het geschuifel van
voeten, en het gegons van stemmen, en den wal-
menden adem van fabrieks-schoorsteenen, en het
rumoerige geschreeuw der straatventers. Een enke-
len keer ziet gij er eens een man, die langs den
weg loopt met over de borst gekruiste armen en
met een doodbedaarden stap, alsof hij niets ter wereld
te doen heeft; maar wat verreweg de groote meer-
derheid betreft: als gij de menschen zoo her- en der-
waarts door de straten ziet gaan, op weg naar hunne
zaken, ligt er meestal een trek van angstige span-
ning op hun gelaat,, alsof zij de eene of andere
opdracht hebben gekregen, die in den kortst moge-
lijken tijd ten uitvoer gebracht moet worden. Tel-
kens komt gij links en rechts in botsing met lieden,
-ocr page 193-
IÖ5
die inkoopen gaan doen of waren te koop heb-
ben. Die ladder op met een hoopje metselsteenen,
dat bankierskantoor uit met een portefeuille vol
bankbiljetten, naar dien vrachtwagen toe met een
lading goederen, aan \'t werk om een kelder uit te
graven, of een dak te beschieten, of een paard te
beslaan, of een muur op te trekken, of een horloge
schoon te maken, of een boek in te binden! De
nijverheid, met hare duizenden armen, en duizenden
oogen, en duizenden voeten, treedt voort onder het
zingen van haar lied van „werk! werk!" terwijl de
fabrieken er de trom bij slaan, en de stoommachines
er de fluit bij bespelen. En dit alles is niet omdat de
menschen den arbeid en de inspanning zoo liefheb-
ben. Iemand heeft eens de opmerking gemaakt:
„Ieder mensch is zoo lui, als hij met mogelijkheid
wezen kan." Maar het is omdat de Noodzakelijkheid ,
met een streng gelaat en met een opgeheven zweep,
tegenover hen staat, altijd gereed om — zoodra zij
in hun arbeid en inspanning verflauwen — een gee-
selslag over hunne schouders te striemen.
En hoe is het nu mogelijk, dat gij, die straten in-
en uitgaande op uwen weg naar de werkplaats of
het kantoor, volstrekt niets bespeuren zoudt van den
arbeid en de zorgen en den strijd dezer wereld ? O,
wat al moedelooze harten, wat al angstig blikkende
oogen, wat al mijlen afgelegd, wat al lasten gedra-
gen, wat al verliezen geleden, wat al strijden ge-
streden, wat al overwinningen behaald, wat al
nederlagen verkropt, wat al verbitteringen getrot-
seerd, — hoeveel teleurstelling, hoeveel honger,
-ocr page 194-
i86
hoeveel ellende, hoeveel bleekheid, hoeveel ziekte,
hoeveel zielsangst, hoeveel wanhoop!...
Soms ben ik wel eens eenige oogenblikken stil
blijven staan op den hoek der straat, terwijl de
menigte her- en derwaarts golfde, en dan scheen
het één groote pantomime te zijn, en terwijl ik er
naar keek, werd mijn hart diep bedroefd. Dit groote
getij van het menschelijk leven, dat door de straat
heenstroomt, is een draaikolk: stootend en wente-
lend naar alle kanten, en omhoog spattend, en weer
achterwaarts gedreven, — vol schoonheid in zijne ver-
warring, en vol verwarring in zijne schoonheid.
In de zwaarbemoste lanen van het bosch, in de
wouden waaruit de eeuwige schaduw nooit ver-
dreven wordt, aan het strand der zee, boven wier
ijzeren kust het grillig dooreenwarrelende schuim
opspat, de gespleten klippen besprenkelend met
een doop van wervelwind en storm, is het de beste
plaats om God te bestudeeren; maar op de drukke,
bedrijvige, rumoerige straat is het de beste plaats
om den mcnsch te bestudeeren. Terwijl ge u naar
de plaats uwer dagelijksche werkzaamheid begeeft,
en van daar weder huiswaarts keert, beveel ik u
aan, eens om u heen te zien: naar al die kentee-
kenen van armoede, van ellende, van honger, van
zonde, van rouw en van droefheid. — En terwijl
gij door de straten gaat, en door de straten terug-
keert , omvat dan met de armen van uw gebed al
de zorgen, al de verliezen, al het lijden, al den
rouw van hen, die u voorbijkomen, en leg dat alles
in het gebed voor een ontfermend en goedertieren
-ocr page 195-
187
God! Dan zullen er in den grooten dag der eeuwig-
heid duizenden lieden zijn, met wie gij in deze we-
reld nooit een woord gewisseld hebt, maar die dan
op zullen staan en uwen naam zullen zegenen; en
duizenden zullen dan in den hemel met den vinger naar
u wijzen, zeggende: „Dat is de man, of dat is de
vrouw, die mij geholpen heeft toen ik hongerig was,
en ziek, en zwervend, en verloren, en wanhopig.
Dat is die man, of dat is die vrouw!" En de zegen
zal op u nederdalen, wanneer Christus zal zeggen:
„Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten
gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te
drinken gegeven; Ik ivas een vreemdeling, en gij
hebt Mij geherbergd; Ik was naakt, en gij hebt Mij
gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij be-
zocht; Ik zvas in de gevangenis, en gij zijt tot Mij
gekomen. Voortvaar zeg Ik u: voor zooveel gij dit
één van deze mijne minste broeders gedaan hebt, zoo
hebt gij dat Mij gedaan!"
Voorts prent de straat mij de waarheid in, dat
alle klassen en standen der maatschappij zich met
elkaar moeten vermengen.
Wij kweeken soms een
goddeloozen geest van uitsluiting aan. Het verstand
veracht de onwetendheid. De verfijning wil niets
te maken hebben met de onbeschaafdheid. De hand-
schoenen haten de door de zon gebruinde hand, en
het hooge voorhoofd minacht den platten schedel,
en de zorgvuldig geschoren heining wil zich vol-
strekt niet bemoeien met het wilde hakhout, en
Athene heeft een haat aan Nazareth. Dat behoorde
niet aldus te zijn ! De sterrenkundige moet afdalen
-ocr page 196-
i88
uit zijne gestrande eenzaamheid, en ons de behulp-
zame hand leenen bij onze zeevaart. De chirurg
moet naar buiten komen uit zijne bestudeering van
het menschelijk organisme, en onze gebroken bee-
nen zetten. De scheikundige moet zijn laboratorium
verlaten, waar hij bezig is geweest met het bestu-
deeren van ontledingen en samenstellingen, en ons
de natuur der gronden en der landerijen helpen begrij-
pen. Ik dank God, dat alle standen en rangen der
bevolking genoodzaakt zijn , elkander op straat te
ontmoeten. Het blinkende rijtuigwiel stoot tegen
de kar van den straatveger. Fijne kleederen glij-
den langs de schamele plunje van den marskramer.
Eene krachtige gezondheid ontmoet eene vaal-
bleeke ziekte. De eerlijkheid staat eensklaps tegen-
over de zwendelarij. Iedere klasse der bevol-
king komt iedere andere klasse tegen. Onafhan-
kelijkheid en bescheidenheid, trots en nederig-
heid, reinheid en dierlijkheid, oprechtheid en hui-
chelarij, ontmoeten elkaar op hetzelfde punt, in de-
zelfde straat, in dezelfde stad. O, dat is het, wat
Salomo bedoelde, toen hij zeide : „Rijken en armen
ontmoeten elkander; de Fher heeft hen allen gemaakt.\'"
Ik houd wel van dat democratische grondbeginsel
van het Evangelie van Jezus Christus, waardoor
het feit erkend wordt, dat wij voor God op één
en dezelfde lijn staan. Neem maar volstrekt geen
airs aan, — welke positie gij u in de maatschappij ook
veroverd hebt, gij zijt niets dan een mensch: ge-
boren uit dezelfde voorouders, wedergeboren door
denzelfden Geest, gereinigd door hetzelfde bloed,
-ocr page 197-
189
om neder te liggen in dezelfde aarde, en om te ver-
rijzen in dezelfde opstanding. Het wordt hoog tijd,
dat wij allen niet alleen het Vaderschap van God,
maar ook de Broederschap der menschen erkennen!
Voorts prent de straat mij de waarheid in, dat
het iets zeer mociclijks voor den tnensch is, zijn hart
recht te houden en in den hemel te komen.
Ontelbare
verzoekingen verrijzen er aan alle kanten op deze
plaatsen van publiek verkeer. Te midden van zoo-
veel weelde en overvloed, hoeveel verzoeking tot
begeerlijkheid en tot ontevredenheid over ons nede-
rig levenslot! Te midden van zoovele gelegenhe-
den tot bedriegen, wat al verzoeking tot afpersing!
Te midden van zooveel statie, wat al verzoe-
king tot ijdelheid! Te midden van zooveel loka-
liteiten voor het gebruiken van sterken drank,
wat al verlokkingen tot onmatigheid! In die maal-
stroomen der straten, hoevelen lijden er een plotselin-
ge en eeuwige schipbreuk! Wanneer er een oorlogs-
schip uit den strijd terugkomt, en naar de marine-
werf wordt gesleept, gaan wij eens kijken naar de
afgesplinterde ra\'s, en tellen wij de kogelgaten, en
zien wij met vaderlandslievende bewondering op
naar de vlag, die zegevierend aan den top van den
mast wappert. Maar die man is in nog véél hoogere
mate zeldzaam en bezienswaardig, die dertig jaren
lang is doorgestevend tusschen de kanonschoten
van het bedrijvige leven, en toch nog altijd voort-
zeilt, zegepralend over de verzoekingen onzer straten!
O, hoevelen zijn er onder dien last bezweken,
zonder ook maar een lapje doek achter te laten,
-ocr page 198-
190
om aan te wijzen waar zij omkwamen! Zij hebben
nooit of nimmer eenigen vrede gehad. Hunne schand-
daden bleven hun in de ooren klinken. Als ik een
bijl had, en de deuren van dat prachtige huis kon
openbreken , zou ik er misschien diep binnenin een
geraamte vinden. In \'s mans allerbesten wijn is een
bijsmaak van het zweet der armen. O, is het wel
zoo vreemd, dat, wanneer een man de huizen der
weduwen heeft verslonden, hij last krijgt van een
slechte spijsvertering? Al de krachten der natuur
zijn tegen hem ! De rivieren zijn gereed om hem
te verdrinken, en de aardbeving om hem te ver-
zwelgen , en het vuur om hem te verteren, en de
bliksemstralen om hem te verpletteren. Maar de
kinderen Gods zijn in iedere straat, en ten dage
wanneer de kronen des hemels worden uitgedeeld,
zullen er eenigen der schitterendsten gegeven worden
aan die mannen, die getrouw waren jegens God
en getrouw jegens de zielen van anderen op de
markten van het bedrijvige leven, waardoor zij zich
als de helden der straat gedragen hebben. Groot
waren hunne verzoekingen, groot was hunne ver-
lossing, en groot zal hunne zegepraal zijn!
Voorts prent de straat mij ook de waarheid in,
dat het leven vol inbeelding en schande is. Wat al
uitvluchten en voorwendsels, wat al dubbelhartig-
heid , wat al veinzerij bij de menschen met tweeërlei
aangezicht! Zouden al de lieden, die u goedenmorgen
zeggen, u werkelijk in hun hart een gelukkigen dag
toewenschen? Zouden al die menschen, die elkan-
der de hand drukken, wezenlijk van elkaar houden ?
-ocr page 199-
i9i
Zijn ze allen zoo bezorgd voor uwe gezondheid, die u
vragen hoe het er mede gesteld is? Zijn ze allen
zoo verlangend u te zien, die u komen bezoeken?
Weet de geheele wereld wel half zooveel als zij
beweert te weten ? Is er niet menige stapel belegen
goed achter een prachtig winkelraam? Wanneer
gij her- en derwaarts door de straten gaat, naar
uw kantoor of uwe werkplaats, komt gij dan niet
onder den overweldigenden indruk van het feit, dat
een groot deel van de maatschappij hol is, en dat
er tal van uitvluchten en voorwendsels in omloop
zijn ?
O, hoevelen zijn er, die grootsch en deftig voort-
trippelen , en hoe weinig menschen , die natuurlijk
zijn en natuurlijk loopen! Terwijl de bluffers grin-
niken , en de zotskappen grijnslachen , en de onnoo-
zele bloedjes giggelen, — hoe weinig menschen
zijn er, die natuurlijk spreken en lachen! De lich-
tekooi en de losbol bewegen zich op straat in de
prachtigste kleeren, terwijl er binnen in hun hart
vulkanen van hartstocht gloeien, die hun leven ver-
teren. Ik zeg deze dingen niet om ongeloof en
menschenhaat bij u aan te kweeken, en evenmin
vergeet ik, dat duizenden menschen heel wat beter
zijn dan zij schijnen, — maar ik geloof niet, dat
eenig mensch behoorlijk is toegerust tot den strijd
dezes levens, vóór en aleer hij bekend is met dit
bijzondere gevaar. Ehud komt onder voorwendsel
van zijn belasting aan koning Eglon te betalen, en
terwijl hij tegenover koning Eglon staat, doorsteekt
hij hem met een zwaard, zoodat ook het hecht
-ocr page 200-
192
achter het lemmet inging. Judas Iscariot kuste
Jezus.
Voorts prent de straat mij de waarheid in , dat
zij een groot arbeidsveld voor de Christelijke liefde
is.
Er is honger en lijden, en gebrek en ellende
in het land; maar die rampen hopen zich voor-
namelijk opeen in onze groote steden. In iedere
straat loert de misdaad, en waggelt de dronken-
schap, en wenkt de wulpsch lachende ontucht, en
strekt de armoede hare vermagerde hand uit, vra-
gende om een aalmoes. Hier is de ellende het
smerigst, en de honger het afzichtelijkst. Een ge-
loovig Christen, die een straat in New-York door-
ging, zag daar een armen knaap; hij bleef even
staan en vroeg: „Zeg eens, mijn jongen! kunt gij
lezen en schrijven ?" De jongen gaf geen antwoord.
De man herhaalde de vraag tot twee- driemaal toe:
„Kunt gij lezen en schrijven?" En toen antwoordde
de jongen met een traan, die op den rug zijner
hand druppelde. Hij zeide op wantrouwenden
toon: „Neen, mijnheer, ik kan niet lezen, en
evenmin schrijven. God heeft niet gewild, dat ik
lezen en schrijven zou leeren, mijnheer! Heeft Hij
mijn vader niet reeds zóó lang geleden weggeno-
men, dat ik mij niet herinneren kan, hem ooit ge-
zien te hebben? En heb ik niet langs de straat
moeten gaan, om iets op te loopen, dat ik thuis
kon brengen, om er eten voor mij en de anderen
voor te koopen? En moest ik niet, zoodra ik
sterk genoeg was om een mand te dragen, er op
uit gaan om vodden te rapen, zoodat ik nooit naar
-ocr page 201-
193
school heb kunnen gaan, mijnheer ? God heeft niet
gewild, dat ik lezen zou leeren, mijnheer! Ik kan
niet lezen, en schrijven evenmin." — O, die arme
zwervers! Zij hebben niet de minste of geringste
kans. Geboren in de vernedering, zetten zij —
zoodra zij van kruipen tot loopen overgaan — hun
eersten stap op den weg der wanhoop. Laat ons
tot hen gaan in den naam van onzen Heere Jezus
Christus, om hen te redden! Indien gij niet bereid-
willig zijt om er zelf op uit te gaan, geef dan van
uwe middelen; en als gij te lui zijt om te gaan, en
als gij te gierig zijt om te helpen, ga dan uit den
weg en verberg uzelven in de holen en spelonken
der aarde, opdat, wanneer Christus\'wagenen voor-
bijkomen, de hoeven der paarden u niet in het
slijk treden. God verhoede, dat de duizenden nood-
lijdenden uit uwe stad in den Dag des Oordeels
tegen u opstaan, en uwe domheid en onverschillig-
heid vloeken!
Op een kouden winterdag, toen een geloovig
Christen langs een der kaden van New-York wan-
delde , zag hij daar een klein meisje bij een hek
zitten, bibberend van koude. „Wel, mijn kind,"
vroeg hij haar, „waarom blijft gij hier zitten? \'t Is
zoo koud van daag!" — „Och," antwoordde zij,
„ik zit te wachten, — ik zit hier te wachten op
iemand, die mij zal komen halen en dan verder voor
mij zal zorgen." — „Zoo ?" vroeg onze vriend
weer; „en waarom denkt gij, dat iemand u van
hier zal komen halen en verder voor u zorgen?"
— „O," riep zij, „mijne moeder is verleden week
-ocr page 202-
i94
gestorven, en ik zat voortdurend bij haar ziekbed
te schreien, totdat zij eindelijk zeide: „Schrei toch
zoo niet, kindlief; al ben ik weg, en al is uw vader
heengegaan, de Heer zal toch wel iemand zenden
om voor u te zorgen." Mijne moeder heeft nooit
een leugen gezegd; zij beloofde mij, dat er iemand
komen zou, om voor mij te zorgen, en nu zit ik
hier te wachten tot hij komt." — Ja voorwaar, zij
wachten op u! Edelmoedige mannen , gaat ze halen !
Gaat ze halen! „Alzoo is de wil niet mes Vaders,
die in de hemelen is, dal één van deze kleinen ver-
loren ga."
Ten slotte: de straat prent mij de waarheid in van
het feit, dat alle menschen vooruit zien. Ik zie hoop-
volle verwachtingen geschreven op ieder gezicht, dat
ik ontmoet tusschen dezen en den anderen kant
der stad, of op eene wandeling door de groote en
kleine straten. Op de duizend menschen, die gij
rechtuit ziet voortloopen, vindt gij er één, die
stilstaat en achter zich omziet. De zaak is, dat God
ons allen bestemde om vooruit te zien, omdat wij
onsterflijk zijn. In dit voetgetrappel der menigte op
de straten hoor ik het dreunen eener groote,
marcheerende legerschaar, die voorttrekt naar de
eeuwigheid. Achter het kantoor, den winkel, het
magazijn, de straat, bevindt zich eene dichtbe-
volkte en ontzaglijke wereld. Mocht gij door Gods
genade dat oord eenmaal binnentreden!
Dichte drommen vullen daar de grachten en kaden
en pleinen, en de straten wemelen er van de zege-
wagens der overwinnaars. De bewoners loopen her-
-ocr page 203-
195
en derwaarts, maar zij weenen nooit en zij worden
nooit moede. Eene rivier stroomt door die stad,
met fraaigeronde en weelderig begroeide oevers, en
de boomen des levens, beladen met eeuwigdurende
vruchten, buigen hunne takken in den kristallen
stroom. Geen met rouwlaken bekleede lijkkoets ratelt
er ooit over het plaveisel, want de bewoners van de
straten dier stad zijn nooit ziek. Nu de onsterflijke
gezondheid eenmaal in al hunne aderen gloeit, weten
zij niet meer wat sterven is. Die torens van kracht,
die paleizen van schoonheid, stralen in het licht
eener zon, die nooit ondergaat. O hemel, heerlijk
schoone hemel! Hemel waar onze dierbaren zijn!
Men houdt geen volkstelling in die stad, want zij
wordt bewoond door „een menigte, die niemand
kan tellen."
Gelid boven gelid. Heirleger boven
heirleger. Gallerij boven gallerij, zich rondom den
geheelen hemel uitstrekkend. Duizenden bij duizen-
den. Millioenen bij millioenen. Welgelukzalig zijn
zij, die binnentreden door de poort in die stad! Ü,
begeef u nog heden derwaarts op weg! Bij het
bloed van het groote zoenoffer van den Zone Gods,
vang uwen tocht naar den hemel aan! „Degeest en
de Bmid zeggen
: Kom ! En die wil, neme het ivater
des levens om niet!"
Sluit u aan bij die groote
menigte, die hemelwaarts trekt. Al de deuren der
uitnoodiging staan wijd open. „En ik zag twaalf
poorten, en de twaalf poorten waren tivaa/f paarlen."
-■ Amen.
-ocr page 204-
-ocr page 205-
Aan de nagedachtenis mijner
lieve, vrome, in Jezus ontslapen
Moeder gewijd.
Goeden Vrijdag ,                             £)E VERTALER.
XIII.
„WAAR IS MOEDER?"
De moeder van Sisern keek uit door
het venster.
RtCHTEREN V : 28.
Vastgenageld aan den grond, in Jael\'s tent, lag de
doode Opperbevelhebber van het Kanaanietische
leger, Generaal Sisera, niet ver van de beek Kison,
die slechts een droog bed van kiezelzand was, toen
wij in \'t jaar 1889, bij gelegenheid van mijn bezoek
aan Palestina, haar dwars overstaken; maar de
kanalen en riolen, die er in uitliepen, deden toch aan
de mogelijke aanwezigheid van groote zoetwater-
vijvers denken, zooals er een ten tijde van mijn
tekst bestond.
Middelerwijl zit verre van daar Sisera\'s moeder,
te midden van een omgeving vol pracht en rijkdom
en heerlijkheid, te wachten op zijne terugkomst.
Elke moeder hoopt en verwacht, dat haar zoon de
overwinning zal behalen; en zoo keek ook deze
-ocr page 206-
198
moeder uit door het venster, niet anders denkende
of zij zou hem nu wel spoedig zien komen aanrijden
op zijn zegekar, gevolgd door wagens vol kostbaar-
heden en door geheele regimenten van overwonnen
en als slaven medegevoerde manschappen. Ik kan
haar hier nu zien zitten aan het venster, in ge-
spannen verwachting naar buiten ziende. Zij luistert
en luistert of zij heel in de verte het knarsende
geratel der wielen ook reeds kan hooren. Zij tuurt
en tuurt of zij ook reeds een door snelle paarden-
hoeven opgejaagde stofwolk kan zien. De eerste
flikkering van het stalen gebit aan de tuigen der
rossen wil zij trachten te bespieden.
De dames harer hofhouding staan rondom haar
heen geschaard, en zij spreekt alvast met haar over
hetgeen zij zullen krijgen, wanneer haar zoon terug-
komt: gouden kettingen, en zeldzaam schoone ju-
weelen, en kleederen van zóó wonderbare pracht
en patronen, als de Bijbel slechts vluchtig aanduidt
en verder aan onze verbeelding overlaat. „Hij moest
nu alweer hier zijn," zegt zijne moeder; „de veld-
slag is stellig en zeker reeds afgeloopen! Ik hoop
nu maar, dat die golven van de rivier Kison hem
niet hebben tegengehouden. Ook hoop ik, dat die
zonderlinge luchtverschijnselen, die wij in den af-
geloopen nacht te zien kregen, geen onheilspellen-
de voorteekenen geweest zijn: de sterren schenen
op hun baan strijd met elkaar te voeren! Maar
neen! neen! hij gedraagt zich altijd zèö dapper op
het oorlogsveld, dat ik ook nu weer van zijne over-
winning reeds zoo goed als verzekerd ben. Hij zal
-ocr page 207-
199
nu wel spoedig hier zijn." Doch helaas! hoe groot
was de teleurstelling dezer moeder : nooit of nim-
mer zal zij weer de glinsterende hoofdstellen der
in vollen galop dravende rossen zien, die haren
zoon zegepralend uit den slag huiswaarts voeren.
Als een eenzame bode, die in waanzinnige haast
komt aansnellen, zijn paard eindelijk doet stilstaan
onder het venster, waarvoor Sisera\'s moeder ge-
zeten is, en met schorre stem naar boven roept:
„Uwe troepen zijn verslagen, en uw zoon is dood \\"
dan volgt er een tooneel vol smart en hartzeer,
waarvan wij ons verschrikt afwenden.
Nu ziet gij den vollen omvang van mijn korten
tekst: „De moeder van Sisera keek uit door het ven-
ster.\'1\'\'
Immers, wij allen zijn uitgegaan in den strijd
des levens; die strijd neemt meer en meer in he-
vigheid toe, en de meesten onzer hebben een moe-
der, die uitziet en wacht naar tijdingen van onze over-
winning of van onze nederlaag. Als zij niet meer zit
voor een venster hier op aarde, dan zit zij nu voor
een venster in den hemel en zal zij er daar alles
van hooren.
Volgens alle regelen der krijgskunst, had Sisera
de overwinning moeten behalen. Hij was te velde
getrokken met negenhonderd ijzeren wagenen en
een heir van vele duizenden manschappen, grooter
dan de legerscharen der kinderen Israëls! Maar
God was aan de andere zijde; en de verbolgen
wateren der beek Kison, en de hagelbuien, en de
bliksemschichten, en de onhandelbare strijdrossen,
en de omver gekantelde wagens, en de raadselach-
-ocr page 208-
20Ó
tige verschijnselen aan den nachtelijken sterrenhemel
brachten Sisera in verwarring. Vandaar het slechte
nieuws, dat aan de moeder van Sisera gebood-
schapt werd, terwijl zij uit het venster keek. En zoo
zal ook ónze moeder, of zij gezeten is aan een ven-
ster hier op aarde, dan wel aan een venster in den
hemel, de tijding van onze overwinning of van onze
nederlaag vernemen. Niet ten opzichte van onze
gaven en talenten, of van onze meer of minder ge-
slaagde opleiding, of van onze kansen op voorspoed
in dit leven, — maar ten opzichte van de vraag,
of God voor of tegen ons is.
Waar is moeder ?" is de vraag, die in de meeste
huisgezinnen het veelvuldigst herhaald wordt. Zij
wordt zoowel gedaan door den vader des huizes
als door de kinderen, wanneer zij tegen het vallen
van den avond thuiskomen. „ Waar is moeder ?"
Het wordt gevraagd door de kleinen, als zij zich
bezeerd hebben, en schreiend van pijn de kamer
binnen komen: „Waar is moeder?" Het wordt ge-
vraagd door hen, die een treffend schouwspel ge-
zien , of eene goede tijding vernomen, of een prach-
tig geschenk ontvangen hebben: „ Waar is moeder ?"
Zij krijgt soms een gevoel van vermoeidheid onder
al dat gevraag, want allen vragen het en blijven
het voortdurend vragen. Zij is niet alleen de eerste,
aan wie elke tegenslag of teleurstelling verteld wordt,
maar zij moet ook recht spreken in alle huiselijke
geschillen. Dat is het, wat die vroegtijdige rimpels
ploegt in zoo menig moederlijk gelaat, en de sneeuw
der grijsheid strooit op zoo menigen moederlijken
-ocr page 209-
201
schedel. Zooals gij weet, is het een vraag die ge-
durende al de jaren der kindsheid blijft aanhouden.
Zij klinkt den ganschen dag uit de kinderkamer, en
\'s avonds uit de leerkamer, waar de jongens en
meisjes hunne lessen nog eens overzien en hun huis-
werk afmaken; en van het rumoerige oogenblik af,
waarop zij \'s ochtends weggaan, als het ceintuur
of de hoed, de lei of het potlood, de parapluie of
de overschoen nergens te vinden is, — totdat de
jonge luitjes tegen den avond, geheel buiten adem,
naar binnen komen en luidkeels roepen, zoodat men
het kan hooren van den kelder tot den zolder en
van de voordeur tot achteraan de schutting van
den tuin: „Waar is moeder?\'" Inderdaad, een kin-
derleven is zóó vervuld met die vraag, dat — als
het kind haar ontnomen wordt — een der dingen
die de moeder het méést mist, en de stilte die haar
het méést drukt, juist de afwezigheid van die vraag
is, die zij hier op aarde nooit weder hooren zal,
behalve als zij er den weerklank van hoort in een
droom, die haar de kinderkamer nog weer eens in
den vroegeren toestand doet zien. En dan klinkt de
stem weder zóó natuurlijk, en zóó liefelijk, en zóó
onschuldig, en zóó hartelijk nieuwsgierig, dat het
visioen verdwijnt bij de woorden : „Waar is moeder?"
Als die vraag dezen ochtend aan de meesten onzer
gedaan werd, zouden wij moeten antwoorden, in-
dien wij de waarheid spraken: „Evenals Sisera\'s
moeder, zit zij voor het venster van het paleis."
Zij is nu tot in alle eeuwigheid een koningin in het
Godsrijk geworden, en zij schuift de breede plooien
-ocr page 210-
202
van \'s Konings prachtige statiegordijnen terug,
om op ons neer te zien. Er worden ons geen bij-
zonderheden verhaald omtrent de verblijfplaats van
Sisera\'s moeder, maar er komt in dat tooneel in
het Boek der Richteren zooveel voor aangaande
borduurselen en naaldwerk en kamervrouwen , dat
wij er wel uit op mogen maken, dat hare woning
iets vorstelijks en schitterends moet gehad hebben.
Zoo hebben wij ook geene tot in alle onderdeden
en kleinigheden afdalende beschrijving van het He-
melsche Paleis, aan welks venster onze verheerlijkte
moeder thans gezeten is; maar er staat in de laat-
ste hoofdstukken van den Bijbel zooveel over tro-
nen , en kronen, en paarlen, en gouden straten,
en nieuwe liederen, en muren van edelgesteenten,
en harpen, en witte kleederen, en palmtakken, dat
wij daaruit wel mogen opmaken, dat de hemelsche
woning onzer moeder in heerlijkheid al de kracht
van aardsche penseelen of pennen of tongen ver
te boven gaat, — en voor het venster van dat
paleis zit onze moeder nu, wachtende op tijding uit
den strijd. Welk een tegenstelling tusschen die
hemelsche omgeving en wat vroeger op aarde hare
omgeving vormde! .Welk een werk, een gezin
op de ouderwetsche wijze groot te brengen! Men
deed toen nog zoo niet aan het lezen van door-
wrochte verhandelingen over de beste stelsels van
kinder-opvoeding, om de kinderen zelf intusschen
geheel over te laten aan gehuurde helpsters, be-
houdens een of twee kijkjes per dag in de kinder-
kamer, om te zien of de voorgeschreven grond-
-ocr page 211-
203
regelen wel behoorlijk werden in acht genomen en
toegepast. De meesten van die oude moeders zorg-
den zélf voor het naaiwerk, het wasschen, het ver-
stellen, het kousenstoppen , het „oud maak nieuw,"
het japonnen en hoeden en mantels maken, het
huishouden, — en als zij buiten woonden, en het in
den oogsttijd wat druk was, hielpen zij een handje
mede bij het uitspreiden van het hooi, of aan het
neertrappen van den stapel in de schuur. Zij waren
tegelijkertijd proviandbezorgers, kleermakers, dok-
ters , krankbezoekers en ziekenverplegers voor het
geheele huishouden. Ja, die ouderwetsche moeders,
—   als er ooit menschen op de wereld zijn ge-
weest , die geschikt waren voor een goeden, ge-
makkelijken en gerieflijken hemel, dan waren zij er de
menschen naar; en zij zijn er dan ook gekomen
en hebben er rust gevonden. Zij dragen nu geen
bril meer, want zij hebben hun derde gezicht
—    indien zij lang genoeg op de aarde leefden om
hun tweede gezicht te hebben, — en zij behoeven
niet naar adem te snakken nadat zij de smaragden
trappen zijn opgeklommen in het eeuwige Paleis,
voor welks venster zij nu zitten te wachten op
tijding uit den strijd.
Maar indien deze of gene de vraag blijft doen:
„Waar is moeder?\'" dan antwoord ik: „Zij is in
uw tegenwoordig karakter.\'"
Er bestaat alle waar-
schijnlijkheid , dat de trekken van uw gelaat aan
het hare doen denken. Wanneer er zeven kinderen
in een huishouden zijn, zullen er minstens zes
op hunne moeder gelijken, en hoe ouder gij wordt,
-ocr page 212-
204
hoe grooter uwe gelijkenis op haar. Maar ik spreek
nu voornamelijk van uw karakter, en niet van uwe
gelaatstrekken. Dit laat zich gemakkelijk verklaren.
Gedurende de eerste tien jaren van uw leven waart
gij bijna aanhoudend om en bij haar, en zaagt gij
uwen vader alleen \'s morgens en \'s avonds. Geen
der jaren van het leven zijn zóó ontvankelijk en ge-
wichtig voor indrukken als de eerste tien. Dan wor-
den de indrukken verkregen voor deugd of voor
ondeugd, voor waarheid of voor leugen, voor moed
of voor lafhartigheid, voor godsvrucht of twijfel-
zucht. Gij kunt uwe dochter, vóór zij tien jaar
oud is, zóó verzot maken op mooie kleeren, dat zij
veertig jaren lang op en d\'op een zottinnetje of een mo-
depop blijft. Ezechiël XVI : 44: „Zoo de moeder is,
is hare dochter." Alvorens er één tiental jaren ver-
streken is, kunt gij beslissen, of die jongen een
woekeraar of een barmhartige Samaritaan zal wor-
den. De jongens en meisjes zijn gewoonlijk de echo\'s
hunner vaders en moeders. Indien ik den tijd had
om een statistiek van deze vergadering op te maken,
en ik vragen kon, hoeveel percent der geloovi-
gen in uw midden hunne redding, onder Gods be-
stuur , aan de trouw hunner moeder te danken hebben ,
dan geloof ik, dat minstens drie vierden van u allen
eenparig op zouden staan.
Het gebrek van Sisera\'s moeder was, dat — ter-
wijl zij voor het venster op tijding aangaande haren
zoon van het slagveld zat te wachten — zij de
twee kwade eigenschappen had van én wulpsch
én te zeer verzot op praal en opschik te zijn. Het
-ocr page 213-
205
Bijbelsche geschiedverhaal zegt er van: „De wijs-
sten harer slaalsvrouwen antwoordden, ook beant-
woordde zij hare reden aan zich zelve: zouden zij
dan den buit niet vinden en deelen ? één liejje, of
twee liefjes, voor icgelijken man! Voor Sisera eenen
buit van verscheidene verven, eenen buit van ver-
scheidene verven, gestikt; van verscheidene verve
aan beide zijden gestikt, voor de buithalzen T\'
Zij
maakt volstrekt geene van vrees en bezorgdheid
getuigende opmerkingen omtrent de gewonden
in den strijd, omtrent het bloedbad, omtrent de
stervenden, omtrent de dooden, omtrent de be-
ginselen die bij den thans gevoerden strijd op
\'t spel stonden: een strijd van zóó groot gewicht,
dat de sterren en de golven er deel aan namen ,
en het gekletter der zwaarden beantwoord werd
door de donderslagen der lucht. Waar zij het meest
aan denkt, is de mooie kleur en het borduursel
der buit te maken prachtgewaden: „Voor Sisera
eenen buit van verscheidene verven, een buit van ver-
scheidene verven, gestikt; van verscheidene verve,
aan beide zijden gestikt voor de buithalzen."
Intusschen, noch Sisera\'s moeder, noch iemand
anders ter wereld, kan te veel zeggen tot roem
van de naald. Zij heeft méér heilzame veroveringen
gemaakt dan het zwaard. Puntig aan het eene einde,
en met een oog aan het andere, is de naald —
hetzij van been of van ivoor, zooals in de vroegste
tijden; of van brons, zooals bij de Romeinen in
de eerste eeuw na Christus\' geboorte, of van staal,
zooals in onzen tijd; hetzij op omslachtige wijze be-
-ocr page 214-
2o6
werkt, zooals vroeger, door één hand, of zooals
tegenwoordig, nu een honderdtal werklieden ineen
fabriek gebezigd worden om de onderscheidene deelen
van één en dezelfde naald te bewerken , — de naald
is een van Godswege verordend werktuig voor het
gerief, voor het leven, voor de gezondheid, voor de
versiering van het menschelijk geslacht. Het oog
der naald heeft méér huiselijk gerief en méér op-
gebeurde armoede en méér Christelijke liefdedien-
sten gezien , dan eenig ander oog. De hedendaag-
sche naaimachine heeft in geen enkel opzicht de
naald afgeschaft, doch haar veeleer op een troon
verheven. Gode zij dank voor al den arbeid der
naald, van den tijd af toen de Almachtige uit den
hemel het bevel gaf aangaande de geborduurde
deur van den ouden Tabernakel: „Daarna zult gij
eenen voorhang maken, van hemelsblauw, en purper,
en scharlaken
, en fijn getweernd linnen, van het aller-
kuiistclijkste zverk zal men dien maken
," — tot op
de dagen der vrouwenhanden, die den afgeloopen
winter in dit bedehuis haar naaldwerk voor de zaak
der Christelijke liefde en barmhartigheid hebben
aangeboden. Maar er was niets anders dan ijdelheid
en wereldzin en hebzucht in hetgeen Sisera\'s moe-
der zeide aangaande het naaldwerk, dat zij door
haren zoon uit den strijd hoopte te zien medebren-
gen. En het verwondert mij nu ook volstrekt niet
meer als ik zie, dat Sisera aan de zijde van het
onrecht streed, nu zijne moeder, aan het venster
van mijn tekst, en in die oogenblikken van de vreese-
lijkste spanning, hoofdzakelijk dacht aan opschik en
-ocr page 215-
207
wereldschen tooi. God alleen weet, hoeveel huisge-
zinnen schipbreuk hebben geleden op de kleeren-
kast! En deze of gene moeder, die aan het venster
zit uit te zien naar de hoovaardige zegepraal van
opzichtige toiletten en schitterende kleuren en hui-
selijke afgoderij, zal over eenigen tijd even slecht
nieuws hooren aangaande hare kinderen, die daar-
buiten zijn in den strijd des levens, als Sisera\'s
moeder te hooren kreeg omtrent het gevecht bij
Esdrelon.
En als gij nu rog blijft aandringen op de vraag:
Waar is moeder?" dan zal ik u zeggen, waar zij niet
is, hoewel zij er vroeger wèl was. Sommigen uwer
sloegen hun levenspad in met hare gelijkenis in uwe
gelaatstrekken en hare beginselen in uwe ziel. Maar
gij hebt haar uitgeworpen.
Dat was iets vreeselijks
van u, maar gij hebt het gedaan! Dien stroeven,
laatdunkenden, minachtenden blik, hebt gij nooit van
haar geërfd. Als gij iemand haar een slag hadt zien
geven, zoudt gij hem tegen den grond geslagen
hebben, zonder er u veel om te bekommeren of de
slag juist voldoende of meer dan noodlottig was;
maar, mijn jongen! gij hebt haar tegen den grond
geslagen: hare onschuld uit uw gelaat en hare be-
ginselen uit uwe ziel. Gij hebt haar nedergeveld!
De nagel der tente, dien Jael tot driemaal toe in
den schedel van Sisera dreef, was niet zóó wreed
als de dolksteek, dien gij meer dan driemaal door
uws moeders hart hebt doen vlijmen. Maar zij zit
nu te wachten — want moeders geven hunne jongens
niet spoedig op! — te wachten aan het een of an-
-ocr page 216-
208
dere venster, hetzij dan aan een venster op aarde,
of aan een venster in den hemel. Alle andere men-
schen zullen u misschien uitwerpen. Uwe vrouw zal
wellicht echtscheiding aanvragen en niet langer ge-
duld met u hebben. Uw vader zal u misschien ont-
erven, en zeggen: „Laat zijn voetstap nooit of nim-
mer weer den drempel onzer huisdeur bezoe-
delen!" Maar er zijn twee personen, die u niet op-
geven : God en uwe moeder. Hoevele teleurgestelde
moeders wachten er aan het venster! Misschien zijn
er voor de ruiten van het venster geen groote
stukken glas noodig geweest, en bestaat het venster
uit kleine ruitjes, bijvoorbeeld zes of acht in \'t ge-
heel, die \'s zomers omlijst zijn met opklimmende
wijngaardranken, en \'s winters beschilderd door de
Raphaels der vorst: een echt landelijk venster. De
moeder zit daar te breien, of is met hare naald
bezig aan huiselijk verstelwerk, totdat zij toevallig
even opkijkt, en over het bruggetje van de beek
tusschen de weilanden een vreemdeling ziet naderen,
die vlak voor haar venster uit zijn rijtuig stapt. Hij
licht den zwaren klopper aan de deur van het boeren-
huisje op, en laat hem dreunend vallen. „Kom bin-
nen!" is het antwoord. Hij geeft zijn naam op, en
zegt: „Ik kom hier een treurige boodschap bren-
gen." — „Er is toch immers niets gebeurd met
mijn zoon in de stad, is er wel?" vraagt zij. —
„Ja!" zegt hij, „uw zoon heeft gisteren avond in
een herberg een hoogloopend geschil gekregen met
een anderen jonkman, en is bij de daardoor ontstane
vechtpartij ernstig gekwetst. Men vreest, dat hij er
-ocr page 217-
2og
niet weer van op zal komen. Ik durf u eigenlijk niet
alles ronduit zeggen. Het doet mij wezenlijk leed, u
te moeten zeggen... dat hij dood is." — Dood ? !"
roept zij, waggelend in haar stoel neervallend. „Och ,
mijn zoon! mijn zoon! mijn zoon! God gave , dat ik
voor u gestorven ware !" — Dat is nu het einde
van al hare zorgen en angsten en goede raadgevin-
gen voor dien jongen. Dat is nu haar loon voor al
hare zelfopofferingen in zijn belang. Dat is het
slechte nieuws uit den strijd. En zoo gaan de tijdin-
gen der afdwalingen van Christelijke zonen naar de
vensters der aarde, of naar de vensters des hemels,
waaraan hunne moeders gezeten zijn.
„Maar," vraagt iemand, „vergist gij u niet, dat
mijne verheerlijkte moeder iets te hooren zal krijgen
van mijne slechte daden, nadat zij is heengegaan?"
En iemand anders vraagt: „Is het geen vergissing
van u, dat mijne verheerlijkte moeder iets te hooren
zal krijgen van mijne zelfopoffering en mijn zede-
lijken moed en mijnen strijd voor het recht?" Neen!
hemel en aarde zijn in voortdurende gemeenschap.
Er loopen treinen elke vijf minuten — treinen van
onsterflijken die opklimmen en nederdalen — gees-
ten die van de aarde naar den hemel gaan, om daar
te leven en te wonen. Geesten die uit den hemel
naar de aarde nederdalen, om er te dienen en te
helpen. Zij krijgen eiken dag meermalen iets van
ons te hooren. Hooren zij goed nieuws of slecht
nieuws uit dezen strijd, van dit Sedan, dit Auster-
litz, dit Waterloo, waarin elk onzer strijdt aan de
rechte of aan de verkeerde zijde? O God! wiens
-ocr page 218-
210
ik ben, en wien ik tracht te dienen! laat er, als een
gevolg van deze mijne rede, over alle moeders een
nieuw gevoel van hare verantwoordelijkheid komen ,
en over alle kinderen, hetzij ze zich nog in de kin-
derkamer bevinden, of daarbuiten op het geduchte
Esdrelon van den middelbaren leeftijd of van den
ouden dag, een nieuw besef van het feit, dat hunne
overwinningen of nederlagen onmiddellijk en recht-
streeks doordringen naar de vensters der moederlijke
belangstelling en ontferming. O, is dit niet het oogen-
blik, waarop de wolk van zegeningen, gevuld met
de verdampte tranen van angstig bezorgde moeders,
zal nederkomen in stortregens van genade over
deze vergadering?
Er is nog ééne gedachte, die bijna te teeder is om
haar uit te spreken. Ik durf er bijna niet mede be-
ginnen, uit vrees dat ik mijne ontroering niet ge-
noegzaam in bedwang zal kunnen houden om haar
te voleindigen. Toen wij nog kinderen waren , kwamen
wij dikwijls naar binnen loopen van ons spelen, of
van een smartelijke tuimeling, of van eene ons aan-
gedane kinderlijke onrechtvaardigheid , — en zoodra
dan de deur open was, riepen wij: „ Waar is moe-
der?\'"
en dan antwoordde zij: „Hier ben ik!" en be-
groeven wij onze betraande gezichtjes in haren
schoot. En zoo zullen wij ook, wanneer wij heen-
gegaan zijn door al het lief en leed dezes levens,
over een poos, door de vergevende genade van
onzen Heere Jezus Christus het Hemelsch Tehuis
binnentreden; en onder de eerste vragen — niet de
eerste, maar onder de eerste, — zal ook weer zijn
-ocr page 219-
211
die oude vraag, die wij eertijds plachten te doen,
de vraag die in dit eigen oogenblik op duizende
plaatsen wordt gedaan, — de vraag: „Waar is
moeder?" En dan zal er niet veel tijd noodig zijn
voor ons om haar te vinden, of voor haar om ons
te vinden, want zij zal aan het venster op onze
komst gewacht hebben; en met de andere kinderen
van ons huisgezin op aarde zullen wij ons weder
rondom haar heen scharen , en dan zal zij zeggen:
„Nu, hoe zijt gij door den strijd des levens heen-
gekomen? Ik heb dikwijls door anderen iets van u
gehoord; maar nu zou ik het gaarne van uzelven
willen hooren. Vertel er mij nu eens alles van, kin-
deren!" En dan zullen wij haar vertellen van al onze
aardsche wederwaardigheden: van de feestdagen, de
huwelijken, de geboorten, de begrafenissen, het
hartzeer, de verliezen, de winsten, de overwinnin-
gen , de nederlagen , — en dan zal zij zeggen: „Het
mag geweest zijn zooals het wil,... dat alles is nu
voorbij! Ik zie dat elk uwer een kroon heeft, die
u aan de poort gegeven werd, toen gij er door-
gingt. Legt uwe kronen nu neer aan de voeten van
dien Jezus, die u en mij en ons allen gered en ge-
zaligd heeft! Gode zij dank, dat wij nu nimmer-
meer gescheiden zullen worden, en gij nu geduren-
de al de eeuwen der eeuwigheid nooit weder zult
behoeven te vragen: Waar is moeder ?" — Amen.
-ocr page 220-
-ocr page 221-
XIV.
BRUILOFT.
Gij hebt den goeden wiju tot na toe
bewaard.
JoHANNES II : 10.
Wij bevinden ons vandaag op de bruiloft te Kana
in Galilea. Jezus en Zijne moeder behooren óók tot
de genoodigden. Blijkbaar zijn er meer menschen
aanwezig, dan waarop men gerekend had. Misschien
zijn er sommige menschen gekomen, die niet ge-
vraagd waren, of heeft men meer uitnoodigingen
rondgezonden, dan men verondersteld had dat er
aangenomen zouden worden. En natuurlijk is er nu
geen wijn genoeg in voorraad. Zooals gij weet, is
niets pijnlijker en beschamender voor de be-
stuurders van een huishouden, dan dat zij een on-
toereikenden voorraad hebben , en dus te kort komen.
Jezus ziet de pijnlijke verlegenheid, en onmiddellijk
snelt Hij toe, om er een einde aan te maken. Hij
ziet zes watervaten staan. Hij geeft een der be-
dienden last, ze met water te vullen; daarna wuift
-ocr page 222-
2I,|
Hij met Zijne hand over het water, en onmiddellijk
is het wijn, echte wijn. Proeft en onderzoekt het
zelf maar: er is geen kleursel in, en geen scherpe
zuren, of vergif, — het is wijn van de allerbeste
soort. Als de Heer onze God wijn maakt, maakt
Hij den besten wijn die er bestaat; en tweehonderd
vijfenzestig liters er van stonden er in \'t rond in
die watervaten: zóó goede wijn, dat de leider
van het feest zeide: „Wel, dit is werkelijk beter,
dan alles wat wij tot dusver gehad hebben!" —
„Gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard." Welk
een heerlijk wonder! Er werd eens een prijs uit-
geloofd voor den man, die het beste artikel over
het wonder te Kana zou schrijven. Vele en lange
handschriften werden er voor dezen wedstrijd in-
gezonden , maar een dichter won den prijs, dien hij
hoofdzakelijk te danken had aan dezen éénen regel
ter omschrijving van het wonder:
vHet onbewuste water zag zijn God, en bloosde."
Wij leeren uit dit wonder, dat Jezus een deelne-
mende belangstelling koestert voor bestuurders van
huishoudens.
Gij hadt misschien gedacht, dat Jezus
gezegd zou hebben: „Ik kan Mij niet bemoeien met
dat huishoudelijk tekort aan wijn. Het zou niet pas-
send zijn voor Mij, den Heer des hemels en der
aarde, hier als hofmeester op dit feest op te treden !
Ik heb voor dingen van vrij wat grooter en verhe-
vener aard te zorgen!" Maar dat zeide Jezus niet.
De wijn was op, en Jezus kwam, door Zijne\'won-
derdadige macht, helpend en reddend tusschenbei-
den. Komt er wel eens wat te kort in uw huis-
-ocr page 223-
215
houden? Moet gij alles zeer nauwgezet en angst-
vallig uitrekenen? Is het een zware taak voor u,
om behoorlijk en fatsoenlijk rond te komen ? Zoo
ja, ga dan niet zitten treuren. Loop niet gemelijk
en kniezend de deur uit, maar wend u tot Hem,
die daar in dat huis te Kana in Galilea stond. Bid
in de huiskamer! Bid in de gang! Bid in de kin-
derkamer! Bid in de keuken! Laat er geen enkel
vertrek in uw geheele huis zijn, dat niet gewijd is
door de stem des gebeds. Als gij een microscoop
hebt, leg er dan eens een druppel water onder, en
zie eens hoeveel insecten daarin rondwoelen; en als
gij dan ziet, dat God hen maakt, en voor hen zorgt,
en hen voedt, kom dan tot de gevolgtrekking, dat
Hij óok zorg zal dragen voor u en u voeden, o gij
kleingeloovige!
Een jongen vroeg, of hij de sneeuw van de stoep
voor een huis mocht wegvegen. „Ja wel," ant-
woordde de vrouw des huizes; „je schijnt erg arm
te zijn/\' — „Ja," hernam de jongen, „ik ben erg
arm." — „En," vroeg zij weer, „wordt je dan som-
tijds niet moedeloos, en heb je dan niet wel eens
een gevoel alsof God je zal laten sterven van hon-
ger?" — De knaap sloeg zijne oogen op naar het
gelaat der dame, en gaf haar ten antwoord: „Denkt
gij, dat God mij zal laten sterven van honger, wan-
neer ik op Hem vertrouw en altijd mijn best blijf
doen 1" Theologie genoeg voor volwassen men-
schen! Vertrouw op God, en doe altijd uw best.
Ga tot Hem, te midden van al de beslommeringen
der huishouding: Hij zal u helpen om uw humeur in
-ocr page 224-
2l6
bedwang te houden , en uwe bedienden na te gaan ,
en uwe gasten te onthalen, en uw huishoudgeld te
besteden. Er zijn honderden vrouwen in dit bedehuis
dezen morgen, die zwak, en zenuwachtig, en afge-
tobd zijn door de zorgen en bemoeienissen van het
huishouden. Ik beveel u den Heere Jezus Christus
aan, als de beste raadgever en de krachtdadigste
helper, — den Heere Jezus, die Zijn eerste won-
der volbracht om een huishoudelijken nood weg te
nemen.
Ik leer ook uit dit wonder, dat Jezus de dingen
overvloediglijk doet.
Ik geloof, dat een kleiner toe-
voer van wijn wel in het tekort voorzien zou heb-
ben. Ik durf met zekerheid zeggen, dat men toch
wel genoeg gehad zal hebben voor de helft der gas-
ten. Met vijf liter wijn zou het wel gelukt zijn;
twintig liters zouden ruim genoeg zijn geweest; en
met vijftig liters had men overvloed gehad. Maar
Jezus gaat voort, en Hij geeft hun honderd liter,
en honderd twintig liter, en honderd dertig liter, en
honderd vijftig liter, en tweehonderd liter, en tot twee-
honderd vijfenzestig liter van den allerbesten wijn.
Dot is juist iets voor Hem: alles op de ruimste en
edelmoedigste schaal te doen. Gaat Christus, onze
Schepper , niet nog steeds voort met het maken van
bladeren ? Hij maakt ze bij geheele wouden vol:
getand als die der varens, of zilvergrijs als die der
espen, of breed als die der palmen ; kreupelbosschen
in de tropische gewesten , ondoordringbare oerwou-
den in Zuid-Amerika en Australië. Gaat Hij niet
nog steeds voort met het maken van bloemen ? Hij
-ocr page 225-
217
maakt ze in overvloed: zij vlammen aan de heggen
en heiningen, zij hangen in bloesems aan den top
van den wijnstok, zij rollen in de blauwe golven
der viooltjes, zij heffen hun witte schuim omhoog
in de spirea, — genoeg om elke kinderhand met
een bloem te vullen, genoeg om voor elk hoofd een
krans te vlechten, rijk genoeg aan schoonheid om
de somberheid van alle graven te verbergen. Gaat
Hij niet nog steeds voort met het maken van water?
Hij giet het uit, niet bij een beker vol, maar bij een
rivier vol, een meer vol, een oceaan vol, — het
uitgietend totdat de gansche aarde genoeg heeft om
er van te drinken, en genoeg om er mede te was-
schen. Gaat Jezus, onze Heer, niet nog steeds
voort met het schenken van redding en verlossing?
Het is niet een weinigje zaligheid voor dezen, en
een weinigje voor genen, en nog een weinigje voor
dien anderen, maar genoeg voor allen. „O, alle gij
dorstigen, komt tot de wateren/"
Ieder mensch een
oceaan voor zich alleen. Beloften voor de jeugd,
beloften voor de ouden , beloften voor de geringen ,
beloften voor de blinden, voor de kreupelen, voor
de verstootenen, voor de verlatenen. Vergiffenis
voor allen, troost voor allen, genade voor allen,
een hemel voor allen; niet maar slechts een beker
vol Evangeliewater, maar tweehonderd vijfenzestig
liters. Ja, de tranen van het goddelijk berouw
worden bijeenverzameld in Gods flesch; en den een
of anderen dag, terwijl wij voor den troon staan,
zullen wij onzen vreugdebeker opnemen en vragen
of hij gevuld moge worden met den wijn des hemels;
-ocr page 226-
2l8
en dan zal Jezus, uit die flesch met tranen, in
onzen beker beginnen te schenken en zullen wij roe-
pen: „Houd op, o Heiland! wij begeeren onze tra-
nen niet te drinken !" Maar dan zal Jezus zeggen:
„Weet gij dan niet, dat de tranen der aarde de
wijn des hemels zijn? Des avonds vernacht het ge
iveen, maar des morgens is er gejuich!"
Jezus vergalt ander er vreugde niet met Zijne eigene
droefheid.
Hij had aan dien bruiloftsdisch kunnen
blijven zitten en bij zichzelven gezegd hebben:
„Ik heb zelf zooveel zorg, zooveel armoede, zoo-
veel vervolging, en het kruis is in aantocht, — Ik
zal hier niet vroolijk kunnen zijn , en de naargeestig-
heid van Mijn gelaat en Mijn verdriet zal zich over dit
gansche gezelschap verspreiden." Maar dat zeide Jezus
niet. Hij zeide bij zichzelf: „Hier staan twee menschen
aan den ingang van hun huwelijksleven. Laat het een
dag van blijdschap zijn! Ik zal Mijne eigene droefheid
verbergen, — Ik zal hunne vreugde trachten te be-
vorderen." Er zijn heel wat menschen , die zoo ver-
standig niet handelen. Ik weet een huisgezin, waar
verscheidene jonge kinderen zijn, en waar nu reeds
twee jaar lang de piano gesloten is gebleven, om-
dat er kommer en verdriet over dat huis gekomen
is. Helaas! welk een dwaasheid! De ouders zeggen :
„Wij willen geen feestdagen meer hebben, omdat
er droefheid in ons huis geweest is. Houdt op met
dat gelach daar boven! Hoe kan er sprake van
vroolijkheid zijn in een huis , waar zooveel verdriet
geweest is?" En dus maken zij voortdurend alles
zwartgallig en droefgeestig, en brengen zij hunne
-ocr page 227-
219
eigene zoons en dochters te gronde door de wolk
van somberheid, die zij om zich heen verspreiden.
Och, beste vrienden! weet gij dan niet, dat die
kinderen in later tijd zélf genoeg moeite en verdriet
zullen hebben? Weest maar blijde, dat zij al het
uwe niet kunnen beseffen! Houdt den beker der
bitterheid weg van de lippen uwer dochter. Als
uw hoofd ter ruste gelegd is, onder de zoden van
het kerkhof, zal misschien de armoede tot haar
komen, zal het bedrog tot haar komen, zal de
hand des doods tot haar gezin komen. Houdt de
zorgen weg zoo lang als gij kunt. Weet gij niet,
dat het hart van uwen zoon, over eenigen tijd,
wellicht door wanhoop bedreigd zal worden ? Plaatst
u tusschen hem en alle zorgen. Gij zult deze wor-
stelingen niet lang kunnen volhouden, — houdt ze
vol zoo lang als gij kunt! Werpt het kille waas
uwer eigene verantwoordelijkheid niet over zijne
ziel; denkt en handelt liever als Jezus, die ter brui-
loft kwam om er Zijne eigene droefheid te ver-
bergen en de vreugde van anderen te verhoogen.
Zoo heb ik de zon eens, op een donkeren dag,
zien worstelen te midden van wolken : zwarte, reus-
achtige , onheilspellende wolken; maar na verloop
van eenigen tijd wist de zon, vol gouden glorie,
de duisternis terug te drijven; en nu lachte de zon
het meer toe, en het meer lachte de zon toe, en
van den eenen horizont tot den anderen, onder
den vlekkeloos blauwen hemel, was het water ge-
heel veranderd in wijn.
Ik leer uit dit wonder, dat de Heiland niet on-
-ocr page 228-
220
vcrschillig is voor de geneugten des levens. Het was
niet bepaald noodzakelijk, dat de bruiloftsgasten
dien wijn kregen. Honderden menschen zijn in den
echt verbonden, zonder dat er een druppel wijn
bij te pas kwam. Wij lezen niet, dat er van een
der andere artikelen iets te kort kwam. Toen Jezus
den wijn maakte, was dat geen noodzakelijke behoefte,
maar bepaald een weelde. Ik geloof niet, dat Hij ons
uitsluitend roggebrood wil laten eten, en op harde ma-
trassen laten slapen, tenzij wij daaraan zelf de voor-
keur geven. Ik houd het er voor, dat — als de omstan-
digheden het ons veroorloven — wij vrijheid hebben
om zekere weelde op het stuk van kleeding, op het stuk
van voeding , en op het stuk van woning te genieten.
Er zit niet meer godsdienst in een oude jas, dan in een
nieuwe. Wij kunnen evengoed God dienen, wanneer
wij in een equipage met prachtig opgetuigde paarden
rijden, als wanneer wij te voet gaan. Onze Heere
Jezus Christus wil evengoed bij ons wonen onder
een met fresco\'s beschilderde zoldering, als order
een rieten dak.
Wat is het onderscheid tusschen een leemen hut
en een deftig heerenhuis? Wat is het onderscheid
tusschen de ruwe berenhuiden van den Russischen
boer en de kleeding van een beschaafd man uit
den welopgevoeden stand ? Geen ander onderscheid,
dan door het Evangelie van Jezus Christus, recht-
streeks of zijdelings, is teweeggebracht. Wanneer
Christus de geheele wereld zal hebben overwonnen,
zal, geloof ik, elke woning een heerenhnis zijn, en
elke kleeding een sierlijk gewaad, en elk paard een
-ocr page 229-
221
volbloed harddraver, en elk rijtuig een blinkende
statiekoets, en elke man een koning , en elke vrouw
eene koningin, en de geheele aarde een paradijs,
— de heerlijkheden der natuurlijke wereld overeen-
stemmend met de heerlijkheden der stoffelijke
wereld, totdat zelfs het geluid van de bellen der
paarden den lof des Heeren zal verkondigen.
Ik leer verder uit dit wonder, dat Jezus niet on-
aandoenlijk voor feestvreugde
is, anders zou Hij de
uitnoodiging tot het bijwonen van deze bruiloft niet
hebben aangenomen. Er zullen tr misschien velen in
die zaal geweest zijn , die opgeruimd en gelukkig
waren; maar geen van al de bruiloftsgasten bracht
zooveel bij tot bevordering van de feestvreugde,
als Jezus zelf. Men had het voornamelijk aan Hem
te danken , dat het maal zoo goed slaagde en zoo naar
wensch afliep. Toen de voorraad wijn was uitge-
put, verschafte Hij een nieuwen toevoer; en dus,
zou ik zeggen, zal Hij ons ook niet de genoegens
verbieden, die van zuiver feestelijken aard zijn.
Ik geloof, dat de kinderen Gods meer recht heb-
ben om gelukkig te zijn, dan alle andere menschen,
en om even luide in hunne handen te klappen. Er
is hun geen enkele vreugde ontzegd, die aan andere
menschen geoorloofd is. Neen, het geloof in Christus
Jezus ontneemt der ziel hare vleugelen niet. De vreeze
Gods doet de bloemen niet verwelken. Wat is het
geloof in Jezus Christus ? Ik beschouw het eenvoudig
als een proclamatie van Gods troon tot vrijvev
klaring van alle slaven en verslaafden;
en indien nu
iemand de voorwaarden dier proclamatie aanneemt,
-ocr page 230-
222
en daardoor vrij wordt, heeft hij dan niet het recht
om blijde en vroolijk te zijn? Gesteld, een vader be-
woont een prachtig huis met een uitgestrekten tuin.
Aan wie zal hij dan het recht tot vrije wandeling
in dien tuin geven? Zal hij zeggen: „Hoort eens,
kinderen! gij moogt niet over deze paden loopen,
of daar onder die boomen gaan zitten, of gindsche
vruchten plukken. Dat is altemaal voor de buren
en de vreemdelingen. Die mogen er in wandelen!"
Geen rechtgeaard vader zou ooit zoo iets zeggen,
f lij zou veeleer zeggen: „Het onbeperktste en on-
voorwaardelijkste recht op den geheelen tuin en op
mijn geheele huis zal voor mijne eigene kinderen
zijn." En tóch zijn er menschen, die ons trachten
wijs te maken, dat Gods kinderen buiten het hek
moeten blijven staan, en dat het grootste gedeelte
van de ontspanningen en genoegens des levens voor
de vreemden is en niet voor Zijne eigene kinderen.
Dat is een schrikkelijk wreed atheïsme. Geen enkele
onschuldige drank is te kostbaar, om door een kind
van God gedronken te worden; geen enkel kleed
is te kostelijk, om door hem te worden gedragen;
geen enkele blijdschap is te groot, om door hem
genoten te worden; en geen enkel huis is te fraai,
om hem tot woning te kunnen dienen. Hij heeft
recht op de vreugden der aarde; hij zal eenmaal
recht hebben op de vreugden des hemels. Schoon
rampen en beproevingen en tegenspoeden zijn deel
mogen worden, laat hij zich verheugen! „Verblijdt
n in den Heer, en verheugt u, gij rechtvaardigen!
en zingt vroolijk, alle gij oprechten van harte!"
-ocr page 231-
223
Jezus komt ons te hulp als onze nood op 7 hoogst
is.
Dat er wijn te kort zou komen, wist Hij vóór
en aleer er eenigerlei verlegenheid of ergernis ont-
stond. Waarom volbracht Hij dan het wonder niet
spoediger? Waarom gewacht totdat de geheele voor-
raad uitgeput was, en er van geen enkelen kant
hulp kon komen, — om dan eerst helpend en red-
dend op te treden en het wonder te volbrengen?
Dat is Jezus\' weg en wijze; en toen Hij eindelijk
tusschenbeiden trad, in dat oogenblik van den hoog-
sten nood, maakte Hij van den allerbesten wijn,
zoodat men uitriep: „Gij hebt den goeden ivijn tot
nu toe bewaard
/" Jezus komt altijd tot ons op het
oogenblik van den uitersten nood. Hij schijnt aan
dat oogenblik de voorkeur te geven.
Gij treurdet over uwe zonden. Gij kondt geen
weg of middel vinden om er aan te ontkomen. Gij
zaat verlegen ter neder en zeidet: „God zal mij
niet genadig zijn; Hij heeft mij verworpen!" Maar
juist in die ure, de donkerste ure uwer levensge-
schiedenis, brak het licht van den troon door, en
zeide Jezus: „O zwerver, kom tehuis! Ik heb al
uwe smarten en al uw verdriet gezien. In deze
ure, de ure van uwen uitersten nood, bied Ik u
vergiffenis en het eeuwige leven aan!"
Er kwam leed en zorg over u. Gij waart bijna
tot gruis verpletterd door al dien zwaren last. Gij
poogdet er u tegen te verzetten. Gij zeidet: „Ik zal
nu eens een echte Stoïcijn wezen, en er mij vol-
strekt niets van aantrekken!" Maar nog vóór gij
aan de uitvoering van dat voornemen begonnen
-ocr page 232-
224
v/aart, ontzonk u reeds de kracht er toe. Gij ge-
voeldet, dat al uwe hulpmiddelen verdwenen waren,
— en toen kwam Jezus. „Omtrent de vierde zvake
des nachts,"1
zegt de Bijbel, „kivam Jezus tot hen,
xvandelende op de zee."
Waarom was Hij niet in de
eerste nachtwaak gekomen? Of in de tweede nacht-
v/aak? Of in de derde nachtwaak? Dat weet ik niet.
Hij kwam in de vierde, en schonk Zijnen discipelen
verlossing. Jezus in den hoogsten nood!
Ik vraag mij af, of het in \'t laatste oogenblik
onzes levens óók zoo gaan zal. Wij zullen plotse-
ling ziek worden, en er zullen dokters komen, maar
tevergeefs. Wij zullen het vruchteloos beproeven
niet koortswerende middelen, en met opwekkende
middelen, en met baden. Op de een of andere
wijze zal ons worden toegeroepen: „Gij moet gaan!"
Niemand om ons terug te houden, maar de handen
der eeuwigheid uitgestrekt om ons derwaarts te
trekken. Wat dan? Jezus zal tot ons komen; en als
wij zeggen: „O Heere Jezus! ik ben zoo bevreesd
voor dat water; ik durf er niet doorheen waden
naar de overzijde," dan zal Hij zeggen: „Houd u
aan Mijn arm vast!" — en dan zullen wij ons aan
Zijn arm vasthouden, en Hij zal zijn voet zetten in
de branding der golven, en ons medevoeren naar
de diepte, al dieper, al dieper, al dieper, en onze
ziel zal uitroepen: „Al Uwe golven en baren zijn
over mij heengegaan!"
Zij bedekken de voeten, komen
aan de knieën, stijgen tot boven het midden, en
reiken tot aan het hoofd, en onze ziel schreeuwt
het uit: .,0 Heere Jezus Christus, nu kan ik Uw
-ocr page 233-
225
arm geen oogenblik langer vasthouden!" Dan zal
Jezus zich omkeeren, Zijne beiden armen om ons
heen slaan, en ons op den oever nederzetten, vér
buiten het loeien en bruisen der baren. Jezus in
dien uitersten nood!
Het tooneel van die bruiloft is nu bijna spoorloos
verdwenen. De gouden trouwring is weg, de schenk-
kannen zijn gebroken, het huis is gesloopt. Maar
Jezus noodigt ons op een grootschcr bruiloft. De Bijbel
zegt, zooals gij weet, dat de Kerk de Bruid van
het Lam is; en de Heer zal haar over eenigen tijd
naar huis komen halon. Dan zal er een gloed van
toortsen in de lucht zijn, en de bazuinen van den
Heer onzen God zullen het uitspansel van hun
muziek doen dreunen; en Jezus zal Zijne hand uit-
strekken, en de Kerk, in het wit gekleed, zal haren
sluier ter zijde schuiven, en hare oogen opslaan
naar het gelaat van haren Heer en Koning, en de
Bruidegom zal zeggen tot de Bruid: „Gij zijt Mij
gedurende al die jaren trouw gebleven! Het huis
is gereed! Kom tehuis! Gij zijt schoon, Mijne lief-
ste!" En dan zal Hij op haar fraaigevormd hoofd
de kroon der heerlijkheid zetten, en de tafel zal
aangericht worden, die zich zal uitstrekken van
het eene einde des firmaments tot het andere, en
de grootwaardigheidbekleeders des hemels zullen
binnenkomen, bekleed met onsterflijke schoonheid
en slaande op hunne cymbalen; en de Bruidegom
en de Bruid zullen staan aan het hoofd der tafel,
en de feestgenooten, de oogen opslaande, zullen
met verbazing en bewondering vervuld worden;
-ocr page 234-
226
en tot elkander zeggen: „Dat is Jezus, de Bruide-
gom! Maar de litteekens op zijn voorhoofd Zijn be-
dekt met de kroon, en de steek in Zijne zijde is
bedekt met een feestkleed!" En: „Dat is de Bruid!
A.lle sporen en merkteekenen van haar aardsche
lijden zijn uitgewischt door dezen overstelpenden
stortvloed van bruiloftstriomf en bruiloftsvreugde!"
Er zal wijn genoeg in voorraad zijn op die brui-
loft; en die wijn zal niet afkomstig zijn uit de ver-
giftigde vaten der aarde, maar de wijngaarden des Hee-
ren zullen hunne rijpste trossen uitpersen, en de bekers
en de kelken zullen ten boorde toe gloeien onder
het sap van dien hemelschen wijnoogst, en daarna
zullen al de feestgenooten er staande van drinken.
Esther, herwaarts gekomen van Ahasverus\' bacha-
naalsche braspartij, waaraan een duizendtal feest-
vierende vorsten en heeren deelnamen, zal er zijn.
En de koningin van Scheba, van Salomo\'s feest-
disch gekomen, zal er zijn. En Jezus1 moeder, van
de bruiloft te Kana in Galilea, zal er zijn. En zij
allen zullen eenstemmig verklaren, dat het aard-
sche feestmaal een armelijke vertooning was, ver-
geleken bij dit. En dan, in dat heilige licht hunne
kelken opheffend, zullen zij den Heer en den Koning
van het Feest toeroepen: „ Gij hebt den goeden wijn
tot nu toe bewaard!"
— Amen.
-ocr page 235-
XV.
ONZE TRANEN.
Leg mijne tranen in l\'wc flesnh!
Psalm LV1 : \'J. \'
Dit gebed werd David uit de ziel geperst door
ontelbare rampen; maar het is evenzeer geschikt
voor de treurenden van alle tijden.
In den loop der vorige eeuw hebben reizigers en
oudheidkundigen de ruïnes van vele oude steden
ontgraven en onderzocht; en diep uit het hart dezer
begraven pracht en heerlijkheid van vroeger dagen,
hebben zij de bewijsstukken opgedolven van zeden
en gewoonten, die reeds lang van den aardbodem
verdwenen zijn. Uit de graven dier langvervlogen
tijden heeft men ook traanfistels of tranenfleschjes
naar boven gebracht: kleine kruikjes of flacons van
aardewerk. Het was een gewoonte der ouden, de
tranen die zij over hunne dooden weenden in een
flesch op te vangen, en die flesch dan neer te zetten
in de grafkelders der afgestorvenen. En zoo hebben
wij nu dan ook velerlei soorten van die oude lacry-
-ocr page 236-
228
matoriums of tranenflesschen in onze Museums.
Mijn tekst geeft ons te verstaan , dat er bij God
eene volkomen bekendheid met en eene voortdurende
gedachtenis aan al onze smarten bestaat, en dat
Hij een flesch of flacon of lacrymatorium heeft,
waarin Hij onze tranen opvangt en bewaart; en ik
breng u thans al den troost van dit Christelijk denk-
beeld. Helaas! de wereld heeft hare pijnen en kwel-
lingen; en in deze oogenblikken, terwijl ik tot u
spreek, zie ik dichte duisternissen der ziel voor
mij, die verdreven moeten worden. Ik sta hier in
de tegenwoordigheid van sommigen, die op het
punt zijn om te bezwijken onder de bestormingen
der verzoeking, en wellicht — indien er heden geene
op hun geval toepasselijke woorden gesproken
worden — komen zij voor eeuwig om. Ik zal u
geen zotteklap voorpraten. Neemt voor de genezing
van uwe wonden geen pleisters te baat, die door
menschelijke kwakzalverij gesmeerd zijn; maar regel-
recht tot de kern der zaak doordringende, roep ik
u toe, als een schip in volle zee tot een voorbij-
komend vaartuig: „Schip ahooi!" en noodig ik u
aan boord van een schip, dat het geloof tot roer
heeft, en het gebed tot zeilen, en Christus tot kapi-
tein, en. den Hemel tot een eeuwige haven. De
tranen die eenmaal opgevangen werden in de te
Herculanum en Pompeji opgedolven lacrymatori-
ums, zijn allen verdwenen, en de flesch is nu even
droog als de lava van den vulkaan, die haar ver-
zwolg; maar aldus is het niet met de flesch, waar-
in God al onze tranen verzamelt.
-ocr page 237-
220
Allereerst merk ik op, dat God de tranen van
berouw
voortdurend bewaart. Menig man is \'s mor-
gens, na een nacht vol uitspanningen, zóó ellendig
wakker geworden, dat hij is gaan snikken en
schreien. Pijnen in het hoofd, steken in de oogen,
pijnlijke kloppingen van het hart, en niet in staat om
het volle daglicht te verdragen. Hij treurt, niet over
zijn misdadig gedrag, maar enkel en alleen over
de gevolgen. Op zulk schreien slaat God geen acht.
Van al de millioenen tranen, die er vergoten zijn
als het gevolg van zulke losbandigheden, is er
nooit één in Gods flesch gekomen. Zij verdampten
op de koortsig gloeiende wangen, of werden weg-
gewischt door de opgezwollen hand, of vielen in
den beker, met rooden wijn, toen hij weder aan de
lippen werd gezet, schuimende van nög erger gru-
welen. Maar wanneer een mensch berouw heeft
van zijn verleden, en zich beter tracht te gedragen,
— wanneer hij treurt over zijne verwaarloosde voor-
rechten, en leed gevoelt over zijne verwerping van
Gods genade, en onder de folteringen van een ont-
waakt geweten om hulp roept uit zijn vreeselijken
toestand, — dan luistert God, dan buigt de hemel
zich neder, dan worden er schepters van vergeving
uitgestrekt van den troon, dan dringt zijn schreien
door tot het hart van het hemelsche medelijden,
dan worden zijne tranen opgevangen in Gods flesch.
Gij kent het verhaal van het Paradijs en de Peri.
Ik geloof, dat men het óók wel uit een verhevener
oogpunt mag beschouwen. Een engel gaat van Gods
troon henen, om op de aarde iets te zoeken, dat
-ocr page 238-
2$ó
waardig is naar den hemel gebracht te worden.
Hij gaat door de goud- en de zilvermijnen der
aarde, maar kan er niets vinden , dat het overbrengen
naar de Hemelsche Stad waardig is. Hij gaat door
de diepten der zee waar de paarlen liggen, maar
vindt er niets, dat waardig is om medegenomen te
worden naar den hemel. Maar als hij aan den voet
van een berg komt, ziet hij daar een zwerver wee-
nen over zijn slecht verleden. De tranen van dezen
verloren zoon vloeien, maar vallen niet op den
grond, want de vleugelen des engels vangen ze op,
— en met dien schat spoedt hij zich terug naar den
hemel. God ziet den engel komen, en zegt: „Zie-
daar het schitterendste kleinood der aarde, en het
schitterendste juweel des hemels: de traan van een
berouwhebbend zondaar!"
O, als ik den Hemelschen Schaapherder een lam
uit de wildernis zie terugbrengen; als ik den haas-
tigen tred hoor van een verloren zoon, die zich
huiswaarts spoedt, om weer tot zijn Vader te gaan ;
als ik een jeugdig zeeman langs den steiger aan wal
zie komen en ijlings wegsnellen, om aan zijne moe-
der vergiffenis te vragen voor jarenlange verwaar-
loozing en onhartelijkheid; als ik de daklooze
zwervers tot God zie komen om beschutting, en de
ellendigen, en de verworpenen, en de in zonden
en misdaden verzonkenen, en de door hartstocht
verteerden, allen smeekende om genade tot een
ontfermend God, dan roep ik in triomf en verruk-
king: „Alweder tranen voor Gods flesch!"
Voorts: God houdt een liefderijke gedachtenis
-ocr page 239-
231
van al uwe ziekten. Hoevelen uwer zijn lichamelijk
volkomen gezond ? Niet één op de tien! Ik over-
drijf niet. De groote meerderheid van het mensche-
lijk geslacht is voortdurend onderhevig aan onge-
steldheden en kwalen. En er is een bepaalde vorm
van ziekte, waaraan gij in \'t bijzonder onderhevig
zijt. Gij hebt een zwakke borst of rug, of zijt steeds
lijdende aan hoofdpijnen, of aan duizelingen, of uwe
longen worden spoedig aangedaan. Er zou geen
buitengewoon zware slag noodig zijn, om de gul-
den schaal des levens in stukken te stooten, of de
kruik aan de springader te breken. Velen uwer
hebben door louter wilskracht er het leven bij weten
te houden. Gij denkt, dat niemand zich een goed
begrip kan vormen van den eigenlijken aard uwer
ziekte. Misschien ziet gij er sterk uit, en denken de
menschen dat gij een huichelaar en praatjesmaker
zijt. Zij zeggen, dat het enkel zenuwen zijn, — alsof
dat niets is! God ontferme zich over alle mannen
en vrouwen, die zenuwachtig zijn! Menigmaal zit
gij alleen in uwe kamer. Vrienden komen er niet.
Gij gevoelt u onbeschrijflijk verlaten in uw lijden;
maar God kent het, God voelt het, God heeft mede-
lijden met u. Hij telt de slapelooze nachten; Hij
slaat de aanvallen van pijn gade; Hij let op de be-
nauwdheden in de ademhaling. Terwijl gij uw medi-
cijn uit de flesch schenkt en de druppels telt, telt
God al uwe neervallende tranen. Als gij naar de
medicijnfleschjes vol walgelijke drankjes ziet, en
naar de flacons met onsmakelijke geneesmiddelen,
die op de planken van den apothekerswinkel staan,
-ocr page 240-
232
herinner u dan, dat er nog een grooter flesch
bestaat, die niet gevuld is met een mengsel van
aardsche apothekerskunst, maar dat het Gods
flesch
is, waarin Hij al onze tranen vergadert
heeft.
Voorts: God gedenkt al de zorgen der armoede.
Er bestaat veel gebrek, dat nooit aan het licht
komt. De diakenen der gemeente krijgen er nooit
iets van te zien. De regenten der armhuizen maken
er nooit gewag van. Het komt nooit in de kerk,
want het heeft geen behoorlijk pak kleeren. Het laat
geen roepstem om hulp hooren, maar verkiest lie-
ver te lijden, dan de bitterheid zijner ellende aan
den dag te doen komen. Vaders, die niet voldoende
het brood voor hun gezin kunnen verdienen, zoodat
zij en hunne vrouwen en kinderen aan voortdurende
ontbering ten prooi zijn; naaisters, die niet snel ge-
noeg de naald kunnen hanteeren, om steeds in de
behoefte aan woning en voedsel en kleeding te
voorzien. Maar hetzij ruchtbaar geworden of onge-
klaagd gebleven, hetzij in de schijnbaar deftige
huiskamer, of in den vochtigen kelder, of op de
gloeiende vliering, Gods genade engelen staan op
de wacht. Op dit eigen oogenblik worden deze
smarten bijeengezameld. Daar ginds, in die afgele-
gen straatjes en steegjes, in al de sloppen en krot-
ten , te midden van hutten en schuurtjes, wordt het
werk geregeld voortgezet. De tranen van het ge-
brek — ziedend in de zomerhitte of bevriezend in
de winterkoude — zij vallen niet onopgemerkt neder.
Het zijn juweelen voor den diadeem des hemels.
-ocr page 241-
233
Het zijn onderpanden der goddelijke ontferming. Het
zijn tranen voor Gods flcscli!
Voorts: de Heer bewaart de gedachtenis van alle
ouderlijke bezorgdheden. Gij ziet een man uit de
schandelijkste omgeving overstappen in het Konink-
rijk Gods. Hij heeft geen preek gehoord. Hij heeft
geen treffende waarschuwing der Voorzienigheid
ontvangen. Wat bracht hem op dezen nieuwen weg?
Ziehier het geheim: God aanschouwde de flesch,
waarin Hij de tranen [van Zijn volk verzamelt, en
Hij zag in die flesch een ouderlijke traan , die daar nu
reeds veertig jaren lang onverhoord was gebleven.
En de Heer zeide : „Welaan, laat Mij nu dien traan
verhooren!" — en onmiddellijk wordt de zwerveling
tot God teruggebracht. O, dat werk der opvoeding
van kinderen voor God! Het is zoo\'n ontzaglijk werk!
Sommige menschen denken, dat het gemakkelijk is.
Zij hebben het nooit beproefd. Een kind wordt in
de armen van den jongen vader gelegd. Het is een
prachtig stuk speelgoed. Gij ziet in de lachende
oogjes. Gij bekijkt de kuiltjes in de voeten. Gij
verbaast u over het voortreffelijk organisme. Een
prachtig stuk speelgoed! Maar op zekeren avond,
moeder! terwijl gij den kleine zit te wiegen, schijnt
er een stem regelrecht van Gods troon tot u door
te dringen, zeggende: „Dat kind is onsterflijk! De
sterren zullen sterven, maar dit is een onsterflijke!
Zonnen zullen mettertijd oud worden en vergaan,
maar dit is een onsterflijke /"
En nu, ik weet dat dit bij velen uwer juist jde voor-
naamste oorzaak van bezorgheid is. Het is uw ern-
-ocr page 242-
234
stige wensch, dat uwe kinderen in rechtschapen-
heid opgroeien; maar gij bemerkt wel, dat het
moeielijk is, hen te laten doen wat gij wenscht. Gij
beteugelt hunne hartstochten. Gij gaat hunne buiten-
sporigheden tegen. In het middernachtelijk uur is
uw hoofdkussen nat van het schreien. Gij hebt
in doodsangst geworsteld met God om de zaligheid
uwer kinderen. Gij vraagt mij, of al die angstige be-
zorgheid vruchteloos is geweest. Ik antwoord: Neen!
God begrijpt uw hart. Hij begrijpt, wat al zware
inspanningen gij u hebt getroost om te maken dat
die dochter van u op den rechten weg bleef, hoe-
wel zij zoo buitengewoon dartel en lichtzinnig is;
en wat al moeite het u heeft gekost om dien zoon
te leeren, de paden des rechts te blijven bewande-
len , ofschoon hij zulke sterke neigingen tot los-
bandigheid heeft. Ik spreek een bemoedigend woord.
God hoorde eiken goeden raad, dien gij den jonk-
man ooit gegeven hebt. God is bekend geweest
met al de slapelooze nachten, die gij ooit hebt door-
gebracht. God heeft elke inzinking van uw ver-
slagen geest aanschouwd. God gedenkt uwe ge-
beden. Hij houdt eeuwiglijk aanteekening van uwe
angsten; en in Zijn lacrymatorium — niet zooals
er stonden in de oude graven, maar in een dat
blinkt en schittert naast den troon van God — be-
waart hij al die uitputtende tranen. Het gras moge
welig op uw graf groeien, en de letters op uw
zerk mogen uitgewischt zijn door de elementen, al-
vorens het goddelijk antwoord komt, — maar Hij
die verklaard heeft: „Ik zal u tot een God zijn, en
-ocr page 243-
235
uw zaad na u," zal het niet vergeten. En op den
een of anderen dag, in den hemel, terwijl gij de
velden des lichts doorwandelt, zullen de paarlen
poorten opengeworpen worden , en — bekleed met
heerlijkheid — zal die vroeger zoo lichtzinnige zoon
in uwe verwelkomend en triomfeerend uitgestoken
armen snellen. De heuvelen mogen wegzinken en
de aarde moge verbranden, en de sterren vallen ,
en de tijd vergaan, maar God zal nooit Zijn eed
breken en Zijne beloften vertreden , — nooit/ nooit!
Voorts: God houdt bestendig gedachtenis van alle
sterfgevallen. Dat zijn de beproevingen, die als een
tweesnijdend zwaard door de ziel gaan en de bloe-
dende harten der menschen neerwerpen, om gekneusd
te worden in de wijnpersbak. Moeilijkheden in uw
magazijn of op uw kantoor kunt gij misschien nog
in het magazijn of op het kantoor achterlaten. Mis-
kenningen en lasteringen van de wereld kunt gij
misschien achterlaten op de straat, waar gij ze ge-
vonden hebt. Het proces dat uwe eerlijk verdiende
spaarpenningen zal verslinden, kan misschien in de
gerechtszaal achtergelaten worden. Maar sterfgeval-
len zijn huiselijke beproevingen, en men kan er
zich niet aan onttrekken. Gij zult dien ledigen stoel
zien. Uwe oogen zullen op het welbekende portret
rusten. Gij kunt de aanwezigheid van zulke kwel-
lingen niet ontvluchten. Gij gaat naar Zwitserland,
om ze van u af te schudden; maar vaster ter been
dan het muildier, dat u de Alpen opdraagt, klimmen
uwe smarten voor u uit naar den bovensten berg-
top en zetten zij zich rillend neer op de gletschers..
-ocr page 244-
236
Gij moogt de zeeën doorkruisen, maar uw verdriet
zeilt sneller dan de klipper of de koopvaarder. Gij
moogt u bij de karavaan aansluiten, en door de
Arabische woestijnen trekken, maar uw hartzeer
volgt u als de sammoem, wiens adem al het gescha-
pene met den dood der verstikking onder het zand
bedreigt. Gij daalt neder in de Mammouthgrot,
maar uw rouw en droefenis hangen als druipsteen-
figuren aan het gewelf der groote spelonk. Zij staan
achter u met hunne ontvléeschde vingeren, om u
voorwaarts te drijven. Zij staan voor u, om u terug
te jagen. Zij rennen op u aan als doldriftige ruiters.
Zij bestormen u met glinsterende spiesen. Zij schijnen
in het wilde op u af te komen, schoten lossende uit
het geweer van een onbesuisd jager. Maar zoo is het
niet! Die pijlen worden juist met voordacht op een
bepaald doel gericht, want God is de boogschutter.
Dezen zomer zullen velen uwer vooral dan hun ver-
driet voelen herleven, wanneer gij naar die plekjes
gaat, waar gij eertijds vergezeld werdt door hen,
die nu zijn heengegaan. Uwe bekommernissen zullen
u volgen naar het zeestrand, en gelijken tred houden
met den sneltrein, waarin gij op uwe vlucht hebt
plaats genomen. Of als gij besluiteloos thuis blijft,
zitten zij overdag naast u, en buigen zij zich nacht
aan nacht fluisterend over uw hoofdkussen. Ik vvensch
u de verzekering te geven, dat gij niet aan uw lot
wordt overgelaten , en dat uw schreien in den hemel
gehoord wordt. Gij zult tusschen de heuvelen wan-
delen en zeggen : „Verleden jaar nog klauterde onze
jongen met het grootste genot van de wereld dezen
-ocr page 245-
237
heuvel op, en wuifde hij ons van den top met zijn
muts toe." Of: „Dit is de plek, waar onze kleine
meid bloemen in heur haar stak, en toen lachend
tot haar moeder opzag!" totdat elke druppel bloed
in uw hart tintelde van blijdschap en gij God danktet
met een gevoel van verrukking. En nu ziet gij in
het rond alsof gij woudt vragen: „Wie bluschte dat
licht uit? Wie vulde dezen beker met alsem? Welke
ijzige wind deed deze fonteinen des harten bevrie-
zen?" Sommigen uwer hebben in de laatstverloo-
pen twaalf maanden hunne ouders verloren. Hunne
gebeden voor u zijn geëindigd. Gij neemt hun por-
tret ter hand, en tracht u nog eens goed de vrien-
delijkheid voor te stellen, die u eenmaal uit die oude
gerimpelde gezichten tegenlachte, en met zulk een
bevende stem sprak. En gij zegt, dat het een goed
portret is; maar met dat al voelt gij wel, dat het hen
toch eigenlijk niet weergeeft zooals zij geweest zijn;
en gij zoudt er bijna alles voor over hebben — gij
zoudt er de zee voor willen oversteken , gij zoudt
er de aarde voor willen rondreizen — om nog maar
eens één enkel woord te hooren van die lippen, die
u tot vóór weinige maanden geleden nog altijd bij uw
voornaam aanspraken, hoewel gij zelf reeds zoo
lang vader of moeder waart. Welnu, gij hebt uw
best gedaan om uw verdriet te verbergen. Gij glim-
lacht, alsof gij er niets meer van voelt. Maar al moogt
gij de wereld kunnen misleiden, God weet het wel.
Hij ziet neder op de ledige wieg], op de eenzame
kinderkamer , op het in rouw gedompelde huis, en
op het gebroken hart, en Hij zegt: „Dit is de wijze
-ocr page 246-
238
waarop Ik de tarwe dorsch; dit is de wijze waarop
ik Mijne juweelen polijst! Wentel uwen last op Mijn
arm, en Ik zal u ondersteunen. Al deze tranen heb
ik verzameld in Mijne flesch!"
Maar waartoe dient het, dat er zoovele tranen
in Gods lacrymatorium zijn? Waarom bewaart
God al uwe bekommernissen in dien grooten beker
of vaas? Wat nut heeft die groote opzameling van
tranen gedurende al de eeuwen der eeuwigheid?
Ik weet niet, of zij daar voor altijd bewaard zullen
blijven. Ik weet niet, of in een nu nog vèr ver-
wijderde eeuw des hemels een engel Gods misschien
een blik zal werpen in die flesch, en dan bemerken
zal, dat er evenmin tranen meer in zijn als in de
lacrymatoriums van aardewerk, die uit de oude
stad werden opgedolven. Waar zijn die tranen ge-
bleven ? Welke helsche demon heeft inbraak ge-
pleegd in Gods paleis, en er de lacrymatoriums ge-
stolen? Niemand. Dat waren geheiligde smarten,
en die tranen werden veranderd in paarlen , die nu
in de kronen en de kleederen der verlosten gezet
zijn. Ik kom nader, om die hemelsche kroon te
bezichtigen, die schitterender straalt dan de zon, en
ik roep uit: „Uit welke rivierbeddingen des hemels
zijn die juweelen bijeengebracht?" en duizende stem-
men antwoorden: „Dat zijn herschapen tranen uit
Gods flesch
/" Ik zie schepters van licht uitgestrekt
van de tronen dergenen, die op aarde door de men-
schen vertreden werden; en aan den top van eiken
schepter, en ingelegd in elke ivoren trede van
den gouden troon, aanschouw ik een onbeschrijflijken
-ocr page 247-
n9
rijkdom en luister, zoodat ik uitroep: „Vanwaar
dit stroomende licht, die fonkelende paarlen ?" En
de stemmen der ouderlingen voor den troon, en
der martelaars onder het altaar, en der honderd
vierenveertig duizend, stralende op de kristallen zee,
jubelen: Juweelen tranen uit Gods flcsch !
De eeuwen des hemels mogen voortrollen , de ge-
schiedenis van alle aardsche praal en luister moge lang
geëindigd zijn: de kohinoor-diamanten waarop de
koningen trotsch waren , de kostbare edelgesteenten
die de Perzische tiara versierden en in de sta-
tiegewaden der Babylonische optochten vlamden,
mogen reeds lang vergeten zijn, — maar onwrikbaar
als de eeuwige heuvelen, en zuiver als het licht dat
van den troon stroomt, en helder als de rivier die
uit de eeuwige rots ontspringt, zullen stralen en
gloeien en fonkelen tot in alle eeuwigheid: die her-
schapen tranen uit Gods flesch !
Intusschen, laat het ledige lacrymatorium des
hemels daar voor altijd blijven staan. Laat geen hand
het aanraken. Laat geen vleugel er langs glijden.
Laat geen stoot het doen breken. Zuiverder dan
beryl of chrysopraas. Laat het staan op de trede
van Jehova\'s troon, en onder het gewelf van den
nimmer verflauwenden regenboog. Terwijl zij door
de gallerijen van het paleis gaan, zullen de ver-
losten der aarde er een blik op werpen, en dan
aan al de aardsche zorgen en smarten denken,
waarvan zij voor eeuwig bevrijd zijn geworden ,
en tot elkander zeggen: „Dat is het, waar wij
op aarde van gehoord hebben!" — „Dat is het,
-ocr page 248-
240
waar de Psalmist van sprak!" — „Daar werden
eenmaal onze tranen in gelegd!" — „Dat is Gods
flcsch
!" — En terwijl zij daar deze prachtigste inge-
legde vaas des hemels nog staan te bezichtigen, laten
er zich zilveren tonen hooren hoog uit de klokke-
torens op den koepel van het paleis: „God heeft alle
tranen van alle aangezichten afgewischt. Zoo dan,
vertroost elkander met deze, woorden"
— Amen.
-ocr page 249-
XVI.
IN T GROEN.
„Gaat uit op het gebergte, en
haalt takken van olijf hoornen. en
takken van andere olieachtige booraen ,
en takken van inirtcboonien, en tak-
ken van palmboomen, en takken van
andere dichte boomcn, 0111 loofhutten
te maken, als er geschreven is.
Nehemia VIII : 10.
Het schijnt wel of de Olijfberg geheel onttakeld
moet worden! De rnenschen zijn den berg opge-
gaan , en hebben boomtakken afgesneden en op
hunne schouders gelegd, en zij gaan er nu de stra-
ten van Jeruzalem mede in , en naar de daken der
huizen, en daar vlechten zij die boomtakken saam
tot priëelen of loofhutten. Daarna verlaten de rnen-
schen hunne geriefelijk ingerichte huizen, en wonen
zij zeven dagen lang in die loofhutten of priëelen.
Waarom doen zij dat? Wel, het is een hoog feest-
getij. \'t Is het Feest des Tabernakels; en die rnen-
schen gaan de gedachtenis van de woestijnreis
hunner vaderen vieren, en van hunne verlossing
-ocr page 250-
242
uit hunne nooden: de lotgevallen hunner vaderen,
toen zij, reizende door de woestijn, in loofhutten
woonden op hun weg naar het land Kanaan. En
zoo worden deze loofhutten ook in hooge mate het
zinnebeeld — ik zal niet zeggen dat zij er bepaald
het type van zijn, maar in hooge mate het zinne-
beeld — van onzen tocht naar den hemel, en van
het feit dat wij hier slechts tijdelijk wonen, als \'t
ware in loofhutten of priëelen , op onzen weg naar
het Kanaan der eeuwige rust.
Het is niet noodig; de pennen onzer tenten te
diep in de aarde te steken: wij zijn op reis. De ge-
slachten, die ons vóórgingen, zijn nu reeds zóó ver
weg, dat wij zelfs het geluid hunner voetstappen
niet meer kunnen hooren. Zij hebben de bergen
reeds achter den rug, en wij zijn op weg om hen
te volgen. Maar, Gode zij dank! wij worden in deze
wereld niet zonder dak of schutsel aan ons lot over-
gelaten. Er zijn Evangelie-loofhutten, of Evangelie-
priëelen, waarin onze zielen getroost kunnen en
zullen worden: „Gaat uit op het \'gebergte, en haalt
takken van olijfboomen, en takken van andere olie-
achtige boomen, en lakken van mirteboomen, en takken
van palmboomen, en takken van andere dichte boo-
men, om loofhutten te maken H
En wat in letterlijken zin tot de Joden gezegd
werd, mag op den huidigen dag in figuurlijken zin
tot heel deze vergadering gezegd worden. Ja, wij
bewonen hier slechts een tijdelijke verblijfplaats.
Wij zijn op marsch. De handelsvorsten, die vroeger
hunne lusthuizen en buitenplaatsen in de nabijheid
-ocr page 251-
^43
der groote koopsteden hadden, zijn verdwenen, en
hunne woonsteden zijn nu herschapen in buitenwij-
ken met lange, holle straten, waarin tobbende klein-
handelaars wonen. Waar zijn de prinsen van den
groothandel, die daar vijftig of honderd jaar ge-
leden hunne aristocratische verblijven hadden?
Heengegaan!
Welnu, wij zijn hier vandaag bijeen om een
Evangelie-prieel, of een Evangelie-loofhut te bou-
wen , — en hoe zullen wij er een bouwen ? Wij
moeten al de boomtakken nemen, en er daarvan
een maken. Overeenkomstig mijn tekst, moeten wij
uitgaan op het gebergte en olijftakken halen. Wat
beteekent dat?
De olijfboom groeit in warme luchtstreken, en
hij bereikt een hoogte van zeven of acht meter :
een rechte stam, en daarna een uitwas van dien
stam. En dan komen er menschen, en halen er
soms die takken af. En wanneer in oorlogstijd de
generaal van het eene leger een dier olijftakken
in de hand neemt, en er mede uitgaat naar den
generaal van het andere leger, — wat wil dat dan
zeggen? Wel, het wil zeggen: ontzadelt de strijd-
rossen! Het wil zeggen: hangt de patroontasschen
op! Het is niets anders dan een bloemrijke wijze
om te zeggen: Vrede!
En nu, wanneer wij dezen dag willen slagen in
het opbouwen van dit Evangelie-prieel, dan moe-
ten wij uitgaan op den berg van Gods zegeningen,
en vandaar de olijftakken halen, en al het andere
dat wij moeten hebben. Van de olijftakken moeten
-ocr page 252-
244
wij er minstens twee hebben: vrede met God en
vrede met de menschen. Als ik zeg: vrede met God,
dan bedoel ik daarmede niet, God voor te stellen
als een bloeddorstig heerscher, die een wrok tegen
ons heeft, — maar dan wil ik daarmede doen uit-
komen, dat er geen grooter vijandschap bestaat
tusschen een hond en een haas, tusschen een ha-
vik en een kieken, tusschen een olifant en een
zwijn , dan de vijandschap die er bestaat tusschen
heiligheid en zonde. En aangezien God één en al
heiligheid is, en wij één en al zonde zijn, moet er iets
weer in orde gebracht worden, moet er een herstel
plaats hebben, moet er een onderhandeling gevoerd
worden, moeten er olijftakken worden omhoogge-
stoken.
Er is op \'t oogenblik een groot rechtsgeding in
gang, en wel een rechtsgeding dat de mensch voert
tegen zijn Maker; dat proces is thans aan de orde
gesteld. Het is de Menschheid tegen de Godheid;
het is de onreinheid tegen de onbevlektheid; het is
de zwakheid tegenover de Almacht. De mensch be-
gon er mede; God heeft het proces niet aangevan-
gen. Wij zijn er mede begonnen: wij kwamen ho-
nend in .opstand tegen onzen Maker; en hoe eer
wij een einde maken aan dit gedeelte van den strijd,
waarin het Eindige een poging doet om den Onein-
dige en Almachtige te overweldigen, hoe beter.
Reizigers verhalen ons, dat er zulk een plaats als
de berg Golgotha niet bestaat: dat het slechts een
heuvel is, en slechts een onbeduidende heuvel; maar
ik blijf voortgaan met het den berg van \'s Heeren
-ocr page 253-
245
goddelijke genade en liefde te noemen, véél groot-
scher dan eenige andere plek op den aardbodem,
grooter dan de Alpen of de Himalaya\'s, en geene
andere heuvelen zijn er mede te vergelijken. En ik
heb opgemerkt: in eiken bodem, waarin het kruis van
Christus wordt nedergezet, is het beplant met olijf-
takken. En al wat wij te doen hebben, is: te ont-
komen aan dezen krijg tusschen God en onszelven,
dien wij allen moede zijn. Wij wenschen uit den
oorlog terug te keeren, wij verlangen ontslagen te
worden van die vijandelijkheid. Al wat wij te doen
hebben, is: thans uit te gaan op het gebergte van
Gods zegeningen, en deze olijftakken af te plukken
en er mede te wuiven voor den troon. Vrede door
onzen Heere Jezus Christus!
Ach, het maakt niet veel uit, wat de wereld van
u denkt: wat deze Koning, die Koningin, dat Kamer-
lid van u denkt! Maar kom in de warme, vertrou-
welijke , koesterende en eeuwigdurende gemeenschap
met den God van het wijde heelal, — dat is de blijd-
schap, die een hallelujah iets onbeduidends doet
schijnen!
O, waarom moeten wij vrede hebben door onzen
Heere Jezus Christus? Wel, al waren wij tiendui-
zend jaar achtereen voort blijven gaan met oorlog-
voeren tegen God, konden wij zelfs niet zooveel als
een zwaard of een stijgbeugel buit gemaakt hebben,
of een der wielen van den strijdwagen Zijner almacht
hebben afgerukt. Maar op hetzelfde oogenblik,
waarop wij met dezen olijftak naderen, komen
God en de gansche Hemel aan onze zijde. Vrede
-ocr page 254-
246
door onzen Heere Jezus Christus, — en geene en-
kele andere soort van vrede is iets waard!
Doch daarna moeten wij ook dien anderen olijf-
tak hebben: vrede met de menschen. Och, het is
zeer gemakkelijk een twist gaande te maken. Wij
zijn aan alle kanten door buskruit-Christenen om-
ringd, en het minste of geringste uitdagende vonkje
is voldoende om ze te doen opvliegen. Ja, twist
te maken gaat gemakkelijk genoeg. Maar, mijn
broeder! vindt ge niet, dat ge beter deedt met uwe
hoorns af te laten zagen ? Zoudt ge niet liever
schuld bekennen? Zoudt ge u niet liever een wei-
nigje vernedering getroosten? „O", zegt gij, „zoolang
die man den eersten stap niet doet, zal ik nooit van
mijn leven vrede met hem sluiten; er komt niets
van, zoolang hij niet bereid is om. den eersten stap
te doen." Gij zijt een mooie Christen! Wanneer
zou deze wereld ooit gered zijn, als Jezus den eer-
sten stap niet gedaan had? Wij hadden ongelijk,
Jezus had gelijk: het recht was voor altijd en
eeuwiglijk aan Zijne zijde. En tóch deed Hij den
eersten stap! En in plaats van nu heen te gaan en
een geesel van touwkens te nemen, om er uwe te-
genstanders en uwe vijanden mede te slaan, moest
gij liever uitgaan naar dien stralenden berg, waar
Jezus leed voor Zijne vijanden, en daar den eersten
den besten olijftak nemen, niet om er de zachte,
koele, welriekende bladeren af te plukken, maar om
ze er allen aan te laten, en dan die Evangelietwijg
eens op uwe vijanden te beproeven. Zij zal hun geen
kwaad doen, en zij zal üw behoud zijn. „Vrede met
-ocr page 255-
247
God; vrede met de menschen!" Indien gij u met die
twee beginselen niet kunt vereenigen, zijt gij geen
Christen.
Maar mijn tekstwoord gaat verder. Het zegt: „Gaat
uit op het gebergte , en haalt takken van olijf boo-
men, en takken van andere olieachtige boomen."
Daar zijn in de eerste plaats denneboomen mede
bedoeld, zou ik zeggen. Welnu, waarop zinspelen
die dennetakken? Die denneboom is gezond; hij is
welriekend; hij is altijd groen. Hoe dikwijls zegt
de geneesheer tot zijne ziekelijke patiënten: „Ga de
dennenlucht eens inademen! Dat zal u nieuwe krach-
ten schenken." Waarom trekken er ieder jaar zoo-
vele duizenden lieden naar het Zuiden ? Niet alleen
om in een warmer luchtstreek te komen, maar om
van den geur der dennenbosschen te genieten. Daar
zit gezondheid in, en deze dennetak van onzen tekst
is het zinnebeeld der gezondheid van ons heilig ge-
loof; deze Schriftuurplaats is vol gezondheid: ge-
zondheid voor allen, gezondheid voor den geest,
gezondheid voor de ziel.
Ik heb een bejaard man gekend, die geen kapi-
taal aan lichamelijke gezondheid bezat. Hij had al
de ziekten gehad, die gij kunt bedenken; hij at niet
genoeg om er een kind mede in \'t leven te houden;
hij leefde van een drank van Hosanna\'s. Maar hij leefde
op een grooten voet, want hij zat alle dagen met
den Koning aan tafel. Hij werd enkel en alleen in
\'t leven gehouden door de kracht van ons heilig
geloof. Het is een gezond geloof: gezond voor de
oogen, gezond voor de handen, gezond voor de
-ocr page 256-
248
voeten, gezond voor het hart, gezond voor de
lever, gezond voor de nieren, gezond voor den ge-
heelen mensch. Het geeft den mensch zulk een vrede,
zulk eene gerustheid, zulk eene onafhankelijkheid
van de omstandigheden, zulk een heilig evenwicht.
O, mochten wij allen het bezitten, mochten wij
het nü bezitten! Ik geloof stellig en zeker, dat het
gezond is, als de mensch er maar genoeg van
heeft. Want er zijn sommige lieden, die juist ge-
noeg godsdienst hebben om hen te hinderen, juist
genoeg om hen ziek te maken ; maar wanneer iemand
een volle, diepe, onbekrompen teug van die denne-
takken uit het Evangeliepriëel inademt, zal hij haar
versterkend, prikkelend, onverderfelijk, onsterflijk
gezond vinden.
Maar deze dennetak van mijn tekst zinspeelt ook
op het eenvoudige feit, dat het een groenblijvende
tak is. Wat bekommert die dennetak zich om de
sneeuw op zijne bladeren? Het is slechts een glo-
riekroon. \' De winter kan ze niet doen wegvriezen.
Deze altijdgroene boomtak is \'s winters even fraai
als \'s zomers. En dat is het karakteristieke kenmerk
van ons heilig geloof: in den felsten en koudsten
winter van ramp en tegenspoed is het een evengoed
geloof, als in den helderen zomerzonneschijn. Welnu,
dat is eene waarheid van groot practisch nut. Want
al ging ik dit geheele kerkgebouw rond, zou ik hier
geen vijftig menschen vinden, die niet weten wat
zorg of verdriet is. Maar wel zijn er sommigen
onder u, die buitengewoon zware zorgen hebben.
God alleen weet, wat gij doormaakt. O, hoeveel
-ocr page 257-
249
sterfgevallen , hoeveel armoede, hoeveel vervolging!
Wat al miskenningen!
En nu, mijn broeder, gij hebt het reeds met alle
dingen beproefd, — waarom beproeft gij het niet
eens met dit groenblijvend geloof? Het is thans nog
evengoed voor u, als in de dagen van uwen voor-
spoed, — ja, het is nu nog beter voor u geschikt.
Misschien hebben sommigen uwer bijna hetzelfde
gevoel als Muckle Backie, een visscherman, die op
zekeren dag berispt werd, omdat hij weer aan
\'t werk was gegaan, ofschoon hij pas dien eigen
ochtend zijn kind had begraven. Er kwam iemand
naar hem toe en zeide: „Dat is al heel onbehoorlijk
van u, die boot te gaan kalefateren, nadat gij pas
dezen eigen morgen uw kind hebt begraven!" Maar
onze visscherman keek eens op en zeide : „Mijnheer,
voor u en andere groote lui is het heel gemakke-
lijk, thuis met uwen zakdoek voor de oogen te blij-
ven zitten huilen; maar, mijnheer, mag ik de andere
vijf kinderen honger laten lijden, omdat er één van
hen is verdronken? Neen, mijnheer, wij menschen
werken , al klopt ons hart ook als deze hamer!"
Gij hebt misschien eene opeenstapeling van zorg
en tegenspoed gehad. Zij komen in zwermen, zij
komen als een stortvloed op uwe ziel; en toch heb
ik u te zeggen, dat dit geloof u kan troosten, dat
het u kan helpen, dat het u kan verlossen, wanneer
niets anders het kan. Zegt gij tot mij, dat de rijk-
dommen en de winsten dezer wereld u kunnen
troosten? Hoe ging het met den man, die zóó ver-
zot was op geld, dat, toen hij ziek was geworden,
-ocr page 258-
250
hij een bekken met goudstukken op zijn bed liet
brengen, zoodat hij zijne jichtige handen in die
goudstukken kon dompelen, en er zijne pijnlijk gloei-
ende vingers in kon koelen, waarbij het rollen en
rammelen van die goudstukken dan zijn genot en
vermaak was?
Ach! het goud en het zilver, de eerbewijzen, de
huldeblijken dezer wereld, zijn een armzalige troost
voor een verslagen geest. Gij hebt iets beters noo-
dig, dan deze wereld u kan geven. Een jonge prins,
wien door een troepje kinderen gevraagd werd om
aan hun spel mede te doen, weigerde met hen te
spelen. „Ik wil alleen met koningen spelen!" zeide
hij. En men zou mogen verwachten, dat gij allen
anderen troost en balsem zoudt wegwerpen voor
dit koninklijk genoegen, deze vorstelijke vreug-
de. Gij, die zonen en dochteren van den Almachti-
gen God zijt, behoort alleen met koningen te spelen.
Maar mijn tekst gaat een stap verder, en zegt:
„Gaat uit op het gebergte, en haalt takken van olijf-
boomen, en takken van andere olieachtige boomen,
en takken van palmboomen!" Welnu, de palmboom
stond bij de ouden in zeer hooge eer. Hij kon voor
ontelbaar vele en verschillende bestemmingen dienst
doen. De vruchten werden ingelegd; uit het sap
werd een drank bereid; de takken werden gemalen
tot voedsel voor kameelen; de stelen der bladeren
v/erden gebezigd voor het maken van hoeden, mat-
ten en manden; en de bladeren werden bij zegevie-
rende optochten rondgedragen. En van den wor-
tel des booms tot den top van het hoogste blad
-ocr page 259-
251
was alles nuttig en bruikbaar. De boom werd soms
dertig meter hoog, en hij spreidde naar alle kanten
zijne breede bladeren uit, die vier en vijf meter
lang werden. Hij is het zinnebeeld van practische
bruikbaarheid en van overwinning: bruikbaarheid
wegens hetgeen hij voortbracht, en overwinning
omdat hij medewerkte bij het vieren van triomfen.
En o! hoeveel behoefte hebben wij in dezen tijd
aan palmtakken in de Kerken van Jezus Christus!
Eene groote menigte Christenen brengen het nooit
tot iets. Men zal hen uit den weg moeten duwen,
wanneer \'s Heeren strijdwagenen voorbij komen.
Van dat soort Christenen hebben wij er in de Kerk
niet nog meer noodig!
Het oude spreekwoord zegt: „Doe niet al uwe
eieren in één mand!" Maar ik heb u te zeggen,
dan gij op het stuk van geloof niet beter kunt doen,
dat al wat gij hebt aan God te geven, en dan nog
uzelven er bij. „O," zegt deze of gene, „mijn be-
roep is de handel in zijde en laken." Welnu, mijn
broeder, verkoop dan zijde en laken ter eere Gods.
En een ander zegt: „Mijn beroep is het verbouwen
van koren en beetwortelen." Nu, mijn broeder, ver-
bouw dan koren en beetwortelen ter eere Gods.
En een derde zegt: „Mijn beroep is het vervaardi-
gen van hoefijzer-nagels." Vervaardig dan hoef-
ijzer-nagels ter eere Gods. Al wat gij doet, behoort
gij tot Gods eer te doen!
De palmboom is het type van nuttige bruikbaar-
heid.
Ach! wij hebben in de Kerk geen behoefte
aan nog meer menschen, die louter treurwilgen zijn:
-ocr page 260-
252
zuchtende te midden van het water, die hunne lange
takken staan te bewonderen in de kristalheldere
beek. Geen wiLde kerseboomen, die bittere vruch-
ten afwerpen. Wij hebben behoefte aan palmboomen,
die iets bevatten voor God, iets voor de engelen,
iets voor den mensch. Ik ben moede en misselijk
van dat platte, tamme, smakelooze, op satijnen
muiltjes loopende, geaffecteerde en lamlendige ge-
loof! Het is niets waard voor deze wereld, en in
de eeuwigheid gaat het ten verderve.
Bezorg mij vijfhonderd mannen en vrouwen, die
zich geheel en volkomen aan Christus hebben ge-
geven, en binnen den tijd van drie jaar zullen wij
een stad voor God veroveren. Geef mij tienduizend
mannen en vrouwen, die zich met hart en ziel aan
de banier des Christendoms hebben gewijd; in tien
jaar zouden tienduizend van hen de geheele aarde
voor God veroveren. Maar wanneer zullen wij be-
ginnen ?
Ledyard, de groote reiziger, werd door het En-
gelsche Aardrijkskundig Genootschap ontboden, dat
hem voor eenige ontdekkingstochten in Afrika wilde
uitzenden. Men wees hem op al de gevaren, en op
het zware werk, en op al de ontberingen, waar-
aan hij zich blootstelde; en nadat hem duidelijk ge-
zegd was, wat hij in Afrika te doen zou hebben,
vroeg men hem: „Welnu, Ledyard, wanneer zijt
gij gereed om te vertrekken?" — „Morgenochtend,"
antwoordde hij. — De geleerde mannen waren ver-
baasd; zij hadden gedacht, dat hij weken en maan-
den noodig zou hebben, om zich tot die reis voor
-ocr page 261-
253
te bereiden. Welnu, gij zegt mij, u in allen ernst
aan de zaak van Christus te willen wijden; gij
zoudt zoo gaarne in den dienst van Jezus nuttig
werkzaam willen zijn. Wanneer zult gij beginnen ?
O, dat gij tot het besluit mocht komen om te zeg-
gen : „Vandaag! Nu !"
Gaat nu uit op het gebergte en vergadert de
palmtakken. Maar de palmtak is óók het zinnebeeld
der overwinning. In alle eeuwen, in alle landen,
heeft de palmtak de Victorie voorgesteld. Wij zijn
van nature de dienaren des Satans. Hij stal ons,
hij blijft ons gadeslaan, hij wil ons zoo gaarne be-
houden. Maar nu komt het woord van onzen Vader
tot ons, dat — als wij ons willen trachten los te
rukken van dezen weg des kwaads — onze Vader
ons zal helpen. En den een of anderen dag richten
wij ons op, en zien wij den zwarten tyran eens
goed aan, en vliegen wij op hem toe, en werpen
wij hem al worstelend tegen den grond, en zetten
wij onzen voet op zijn nek, en vertreden wij hem
in het stof, en roepen wij uit: „Victorie! victorie!
door onzen Heere Jezus Christus!"
O, welk een groote zaak is het toch, de zonde
onder den voet en een verbeuzeld leven achter den
rug te hebben ! „ Wclgclukzalig is hij, wiens overtreding
vergeven, wiens zonde bedekt is."
— „Maar," zegt
iemand, „ik gevoel mij zoo ziek en afgemat door
al het getob in dit leven." Gij zult meer dan over-
winnaars worden. „Maar," zegt een ander, „ik heb
met zooveel verzoekingen en zooveel vervolgingen
in dit leven te worstelen." Gij zult meer dan over-
-ocr page 262-
254
winnaars worden. „Ik, die onder zooveel verdriet
en hartzeer lijd, zal ik meer dan overwinnaar wor-
den?" Ja, tenzij gij de verwaandheid zóó verdrijft,
dat gij al de zaken uws levens zelf zoudt willen
besturen, in plaats van ze door God te laten leiden.
Zoudt gij zelf koetsier willen zijn, en God op het
achterbankje zetten ? O neen, zegt gij, ik wil dat
God mijn Leidsman zij. Welnu, dan zult gij meer
dan overwinnaar zijn.
Uwe laatste ziekte zal komen, en de dokters zul-
len in de aangrenzende kamer met elkander beraad-
slagen over hetgeen zij voor u zullen doen. Wat
maakt het uit, of zij dit of dat voor u doen? Gij
gaat weer gezond worden, voor eeuwig gezond.
En nadat de geest het lichaam ontvloden zal zijn,
zullen uwe vrienden met elkaar spreken over de
plaats, waar zij u zullen begraven. Wat maakt het
uit, of zij u hier of ginds begraven? De engel der
opstanding kan u overal uit het stof opheffen, en
al de kerkhoven der aarde staan onder Gods toe-
zicht. O, gij zult meer dan overwinnaars zijn!
Vindt ge niet, dat wij liever nu moesten beginnen,
de komende overwinning te vieren ?
In het oude Evangelisatielokaal te Summerville
placht mijn vader het gezang te leiden, waarbij hij
dan altijd een ouderwetsch gevormde stemvork in
de hand hield, er mede op zijn knie tikte, en ver-
volgens de vork aan zijn oor hield, om de rechte
toonhoogte te treffen en het lied in te zetten. Maar,
mijne vrienden! vindt ge niet, dat wij liever nu den
grondtoon moesten pogen te treffen van het eeuwig-
-ocr page 263-
255
durende lied, het lied der victorie wanneer wij meer
dan overwinnaars zullen zijn? Zouden wij de repe-
titie daarvan niet liever hier op aarde beginnen ?
„Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer
dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch
eenigc hitte: want het Lam , dat in het midden des
troons is
, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman
zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal
alle tranen van hunne oogen a/zvisscheu.\'"
Mijn tekstwoord brengt ons nog één stap verder.
Het zegt: „Gaat uit op het gebergte, en haalt tak-
ken van olijfboomen, en takken van andere olie-
achtige boomen, en takken van mirteboomen, en
takken van palmboomen, en takken van andere dichte *)
boomen." Want gij weet maar al te goed, dat een van
dunne takjes gemaakte loofhut of prieel niet zou
blijven staan. De eerste de beste stormvlaag zou
het ding omver werpen. Dus moet het prieel of
loof hutje vier dikke palen hebben, om het op te
houden, — en daarom moeten wij voor het bou-
wen van het prieel in deze wereld stevige takken
van dikke boomen hebben. En zoo is \'t ook met
het Evangelie-prieel. Gode zij dank, dat wij een
hecht en sterk Christendom hebben, en niet een
dat licht en dicht in elkaar is geslagen! De levens-
stormen zullen ons bestoken, en wij zullen behoefte
hebben aan krachtige leerstellingen: niet alleen liefde,
maar ook gerechtigheid, niet alleen uitnoodiging,
maar ook waarschuwing. Het is een machtig Evan-
*) De Engelseke Bijbelvertaling heeft hier: dikke.
-ocr page 264-
256
gelie; het is een almachtig Evangelie. Daar zijn de
sterke takken van dikke boomen.
Ik herinner hier aan hetgeen Ds. Finney eens
zeide, in een dorpsschool hier in dezen omtrek. Het
dorp was zóó slecht, dat men het den naam van
Sodom had gegeven, en er werd beweerd dat er
in het geheele dorp slechts één deugdzaam man
woonde, dien men den naam van Lot had gegeven.
En Ds. Finney, die daar preekte, beschreef den
ondergang van Sodom, en de prediker verklaarde,
dat God het verderf zou doen regenen op zijne
hoorders, tenzij zij óók berouw toonden en zich be-
keerden. En de lieden in dat schoolgebouw zaten
te knarsetanden van woede, en balden hunne vuis-
ten van verontwaardiging; maar vóór en aleer hij
zijne rede ten einde had gebracht, wierpen zij zich
op hunne knieën en riepen zij om genade, terwijl
er nog genade te vinden was.
O, het is een machtig Evangelie! Niet alleen een
uitnoodiging, maar ook een waarschuwing. Een al-
machtige waarheid: sterke „takken van dikke boomen.\'\'1
Welnu mijne vrienden! zooals ik u heb aange-
toond : hier is de olijftak des vredes, hier is de
dennetak van den altijd groenen Evangelietroost,
hier
is de palmtak der bruikbaarheid en der overwinning,
en hier zijn de sterke takken van dikke boomen. Het
Evangelie prieel is voltooid. De lucht is gebalsemd
met den geur des hemels. De bladeren ruischen
onder de blijdschap Gods. Komt in het prieel! —
Amen.
-ocr page 265-
XVII.
MARTELAARS VAN DAG TOT DAG.
Gij dan lijd verdrukkingen, als ecu
goed krijgsknecht van Jezus Christus.
]I TlMOTIlKlS II : 3.
De historieschrijvers weten vaak geen woorden
genoeg te vinden, om de verdiensten van groote
legeraanvoerders te huldigen. Wij bezitten de ten
voeten uit geschilderde portretten van de Cromwells,
de Napoleons, de Wellingtons en de Moltkes der
wereld. De geschiedenis is niet geschreven met
zwarten inkt, maar met rooden inkt van menschen-
bloed. De goden der menschelijke eerzucht drinken
niet uit bekers van zilver, of goud, of kostbare
edelgesteenten, maar uit de gebleekte schedels der
gesneuvelden. Maar ik ga thans voor uwe oogen
een naamlijst ontrollen van helden, die de wereld
nooit gekend of erkend heeft: van dezulken die
geen geweren aanlegden, geen oorlogsbazuin blie-
zen, geen steden veroverden, geen krijgsgevange-
nen aan de wielen hunner zegewagens ketenden
-ocr page 266-
258
—   en die toch in den grooten dag der eeuwigheid,
hóóger zullen staan dan zij, wier namen de natiën
met ontzag vervulden; en serafs, en gezaligde gees-
ten, en de aartsengelen, zullen hunne daden verkon-
digen aan het luisterend heelal. Ik bedoel de helden
van het gewone, dagelijksche leven. Op die naam-
lijst vind ik, in de eerste plaats, al de helden der
ziekenkamer.
Toen het Satan niet gelukt was Job
te doen vallen, zeide hij tot God: „Strek nu Uwe
hand uit, en tast aan alles, ivat hij heeft; zoo hij U
niet in Uw aangezicht zal zegenen!"
Satan had be-
merkt , wat wij allen bemerkt hebben: dat ziekte
de beste toetssteen van iemands karakter is. De
mensch die daartegen bestand is, is tegen alles be-
stand. Opgesloten te worden in een kamer, even
onverbiddelijk alsof het een Bastille was. Zóó zenuw-
achtig te zijn, dat gij het getrappel van een kinder-
voet niet kunt verdragen. Als de overheerlijkste
spijzen, die den eetlust der sterken en gezonden
prikkelen, bij ons slechts afkeer en walging opwek-
ken, zoodra zij op tafel verschijnen. Wanneer, het
tweesnijdend zwaard der felste pijn door de zijde
of langs de slapen vlijmt, als een scheermes, of
wanneer de voet tot een hel gemaakt wordt, of
het geheele lichaam in den vuurgloed der koorts
wordt geworpen. En toch zijn er mannen en vrou-
wen geweest, — doch meer vrouwen dan mannen,
—   die deze verdrukkingen blijmoediglijk ten einde
toe hebben verdragen. Lange jaren van afmattende
rheumatiek en uitputtende zenuwpijnen hebben zij
doorworsteld, in weerwil van lichaamssmarten, die
-ocr page 267-
259
door de zenuwen snerpten, en de spieren verscheur-
den , en de wangen verbleekten, en de schouders
kromden. Bij het flauwe schijnsel der waskaars in
de ziekenkamer zagen zij op hunnen muur de af-
beelding van dat Land, welks inwoners nooit ziek
zijn. Te midden van de doodsche stilte der nachte-
lijke uren hoorden zij de koren der engelen. De
kanker verteerde moeders leven van week tot week
en van dag tot dag, en zij werd al zwakker en
zwakker, en ieder „goedennacht!" klonk weer flau-
wer dan het „goedennacht!" van den vorigen avond
— maar toch nooit moedeloos. De kinderen aan-
schouwden haar gelaat, en zagen daarop het lijden
herschapen in een hemelschen glimlach. Zij die op
het slagveld leden, te midden van kruit en lood,
waren niet zoo groote helden en heldinnen als de-
zulken , die in het hospitaal te velde of in het zie-
kenhuis koortsen hadden, welke door geen ijs ver-
koeld, door geen dokters genezen konden worden.
Geen welkomstgroet van een kameraad om hen op te
vroolijken, maar verstijfde gewrichten en stekende
pijnen en folterend heimwee, — en tóch gewillig
om te lijden, vertrouwend op God, vol hoop op
den hemel. Helden van het rheumatiek. Helden van
de zenuwpijnen. Helden van het ruggemergslijden.
Helden van de schedelhoofdpijn. Helden der le-
venslange lichaamsgebreken. Helden en heldinnen!
Zij zullen heersenen van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Hoor! ik vang juist één toon van het eeuwige jubel-
lied op: „Er zal geen pijn meer zijn/" Daar zij God
voor gedankt!
-ocr page 268-
2ÓO
Op deze naamlijst vind ik ook de helden van den
arbeid,
die zonder klagen of morren hun werk doen.
Het kost betrekkelijk weinig moeite, een regiment
ten strijde te voeren, wanneer gij weet, dat een ge-
heele natie uwe overwinning zal toejuichen. Het kost
betrekkelijk weinig moeite , als geneesheer een zieke
te behandelen, wanneer gij weet, dat uwe bekwaam-
heid erkend en op prijs gesteld zal worden door
eene breede schare van familieleden, vrienden en
bekenden. Het kost betrekkelijk weinig moeite, eene
vergadering toe te spreken, wanneer gij aan de glins-
terende oogen en de blozende wangen duidelijk
kunt bemerken, dat uwe gevoelens aanvaard en ge-
deeld worden. Maar naaiwerk te doen, wanneer gij
er op rekenen kunt, dat de patroon zal komen en
zijn duim door het werk zal halen, om te laten zien
hpe gebrekkig het is, of dat de geheele japon u
naar het hoofd geworpen zal worden, om alles nog
eens over te doen. Een muur op te metselen, en
te weten dat er niemand zijn zal om tot u te zeg-
gen, dat gij het goed gedaan hebt, maar alleen eene
vloekende baas of opzichter, die u van den anderen
kant des steigers iets toesnauwt. Te werken totdat
uwe oogen dof worden, en uw rug pijn doet, en
uw hart er bijna onder bezwijkt, en tóch te weten,
dat, indien gij er vóór den nacht mede ophoudt,
uwe kinderen zullen sterven van honger. O, het
zwaard heeft er niet zoovelen gedood als de naald!
De groote slagvelden dezer eeuw waren niet die
van Leipzig en Waterloo en Sedan en Gravelotte.
De groote slagvelden dezer eeuw waren in de werk-
-ocr page 269-
261
plaatsen, en de winkels, en de vlieringkamertjes,
waar arme vrouwen voor een paar centen een hemd
zitten te naaien. Zij bleven voortwerken totdat zij
het bestierven. Er werd geen lijkrede aan hun graf
gehouden; maar in den Naam des Heeren mijns
Gods schrijf ik ten huidigen dage hunne namen in
op de lijst dergenen, die de wereld niet waardig
was. Helden van de naald! Helden van de naaima-
chine! Helden van de vliering! Helden van den kel-
der! Helden en heldinnen! Gode zij dank voor hen!
Op deze naamlijst vind ik óók de helden, die zon-
der klagen of morren huiselijke onrechtvaardigheid
leden.
Er zijn mannen, die — ondanks al hun slaven
en sloven — geen medelijden bij hunne gezinnen
vinden. Dank zij \'s vaders slaafsche toewijding aan
zijn beroep, wordt het noodige levensonderhoud
voor hen bijeengebracht, maar eene spilzieke huis-
vrouw verkwist het weer. De man wordt afgesnauwd
van het oogenblik, dat hij de deur binnenkomt, tot-
dat hij er weer uitgaat. De afmattende kwellingen
van het beroepsleven, nog vermeerderd en verer-
gerd door de afmattende kwellingen van het huise-
lijk leven! Zulke mannen worden uitgelachen, maar
zij gaan onder een hartbrekend verdriet gebukt; en
als Gods genade het niet verhoed had, zouden
zij zich reeds lang aan de schrikkelijkste zonden
zijn te buiten gegaan. De maatschappij is in onze
dagen bezaaid met de wrakken van mannen, die
onder den Noordooster storm van huiselijke onaan-
genaamheden tegen de rotsen te pletter zijn gesla-
gen. Er zijn op den huidigen dag duizenden bij
-ocr page 270-
262
duizenden dronkaards in de wereld , die dronkaards
geworden zijn door hunne vrouw. Dat is geen poëzie.
Dat is proza!
Maar het kwaad schuilt meestal in de tegenover-
gestelde richting. Men behoeft zoo heel ver niet te
zoeken, om eene vrouw te vinden, wier leven een
voortdurend martelaarschap is. Dingen die nog veel
zwaarder treffen dan een vuistslag: onvriendelijke
woorden, waggelend thuiskomen te middernacht, en
aanhoudende mishandelingen, die haar thans slechts
een wrak doen zijn van wat zij eenmaal was: op dien
schoonen dag, toen in bijzijn eener feestelijk getooide
en gestemde schare het huwelijk werd ingezegend,
en het dreunende orgel den Bruiloftsmarsch speelde,
en het rijtuig heenrolde, begeleid en gevolgd door de
zegenbeden van alle aanwezigen. Wat was het ver-
branden van Huss en Latimer op den brandstapel,
in vergelijking van dit? Die mannen werden al
spoedig bewusteloos in de vlammen; maar hier is
een vijftigjarig martelaarschap, een vijftigjarig ter
dood brengen , en toch zonder een woord van klacht
of gemor. Geen bittere woorden, wanneer de zwaai-
ende makkers om twee uur in den morgen den
echtgenoot smoordronken op de stoep neersmak-
ken. Geen bittere woorden, wanneer zij van het ge-
zwollen gelaat het bloed afwischt, dat bij een nach-
telijke zwelgpartij er uit geslagen is. Wanneer zij
zich neerbuigt over het gehavende en gekneusde
lichaam van den man, die, toen hij haar uit haars
vaders huis kwam afhalen, haar liefde en vriende-
lijkheid en bescherming beloofde, heeft zij toch niets
-ocr page 271-
263
anders dan ontferming, en gebeden, en vergiffenis,
nog vóór zij er om gevraagd wordt. Geen bittere
woorden wanneer de familiebijbel voor drank ver*
kocht wordt, en de laatste toonbare japon naar de
bank van leening is verhuisd. Den een of anderen
dag, als gij de geschiedenis van haar verdriet eens
wenscht uit te lokken, vraagt gij: „Wel, hoe gaat
het tegenwoordig met u?" En terwijl zij hare be-
vende stem in bedwang houdt, en hare trillende lip-
pen tot eene schijnbare kalmte dwingt, zegt zij:
„O, heel wel, dank u, heel wel!" Zij zal er u nooit
iets van zeggen. In de ijlende droomen harer laat-
ste ziekte zal zij misschien al de geheimen van haren
levensloop verraden, — maar dat zal zij nooit zeg-
gen ! Niet voordat de boeken der eeuwigheid wor-
den opengeslagen op den Dag des Oordeels, zal het
ons bekend worden, wat zij geleden heeft. O gij,
die een krans vlecht voor de overwinning, druk
hem op het voorhoofd van dit verbleekte gelaat!
Als zij dood is, zullen de buren linnen vragen,
om een lijkwa voor haar te maken, en dan zal zij
uitgedragen worden in eene eenvoudige doodkist,
zonder dat eene zilveren plaat op het deksel, haren
ouderdom vermeldt, want zij heeft duizenden jaren
van beproeving en zielsangst doorleefd. De spelers
en zwendelaars, die haren man in het verderf stort-
ten , zullen niet op de begrafenis komen. Eén rijtuig
zal genoeg zijn voor die begrafenis: één rijtuig ten
dienste van de weezen en de twee vrome vrou-
wen, die toezicht hielden bij het afleggen en kisten.
Doch daar is een lichtstraal, en het openen van een
-ocr page 272-
264
deur in den hemel, en een roepstem : „Rijst omhoog,
gij eeuwige deur, en laat haar binnentreden !" En
Christus zal naar voren komen en zeggen: „Kom
binnen! gij hebt met Mij geleden op aarde, word nu
met Mij verheerlijkt in den hemel!"
Ik vind op deze naamlijst ook de helden der Chris-
telijke liefdadigheid.
Wij allen bewonderen de wijd
en zijd beroemde weldoeners der menschheid, die
honderden en duizenden en tienduizenden guldens
aan liefdadige stichtingen en werkzaamheden schen-
ken. Maar ik spreek hier dezen morgen over dezul-
ken , die — ondanks en uit hunne nijpende armoede
— anderen helpen : over zulke mannen als die Chris-
ten-zendelingen in de West, die Jezus aan het
volk verkondigen , terwijl één hunner, in een brief
aan den secretaris te New-York, zegt: „Ik dank u
voor die banknoot van vijfentwintig dollars. Tot
gisteren toe hadden wij nu reeds drie maanden lang
geen vleesch in ons huis gehad. Wij hebben ver-
schrikkelijk geleden. Mijne kinderen hebben van den
winter geen schoenen." En ik spreek nu over die
lieden, die slechts een half brood bezitten, maar er
toch nog een stuk van geven aan hen, die nog grooter
honger hebben; en over hen, die slechts een bak
steenkolen rijk zijn, maar toch nog anderen aan wat
brandstof helpen; en over dezulken, die slechts een
gulden op zak hebben, en er toch vijfentwintig cent
van aan iemand anders geven; en over dien vader,
die een sjofel jasje draagt, en over die moeder, die
zich met een versleten japon behelpt, opdat hunne
kinderen netjes voor den dag kunnen komen. Gij
-ocr page 273-
265
noemt ze proletariërs, of schooiers, of landloopers.
Ik noem ze helden en heldinnen. Gij en ik weten
misschien niet eens waar zij wonen, of hoe zij
heeten. Maar God weet het wel, en er zweven
méér engelen boven hun hoofd dan boven u en mij ,
en in den hemel zullen zij een hoogere plaats krij-
gen. Zij hebben misschien slechts een beker koud
water te geven aan een armen zwerver, of mis-
schien kunnen zij slechts een splinter wegtrekken
onder den nagel van een kindervinger, of hebben
zij slechts twee penningskens in de offerbus te wer-
pen , — maar de Heer kent ze. In aanmerking nemende
wat zij hadden, deden zij meer, dan wij ooit gedaan
hebben; en hun afgedragen pak kleeren zal een
wit gewaad worden, en het kleine kamertje zal
door een eeuwig huis worden vervangen, en de
oude hoed zal plaats maken voor een zegekrans, en
al de toejuichingen der aarde en al de vreugdekre-
ten des hemels zullen verstommen, wanneer God
opstaat, om Zijne belooning toe te kennen aan die
nederige arbeiders in Zijn Koninkrijk, en tot hen te
zeggen : „ Wel gedaan, gij goede en getrouwe dienst-
knechten !"
Velen uwer zullen misschien wel eens iets gelezen
of gehoord hebben van de ruïne der abdij te Melrose
in Engeland. Ik geloof, dat het in sommige opzich-
ten de prachtigste ruïne ter wereld is. En toch,
toen ik haar bezichtigde, kreeg ik er niet zulk een
diepen indruk van, — gij zult het misschien aan
een slechten smaak toeschrijven, — maar ik werd
er niet zoo diep door getroffen als door het zien
-ocr page 274-
266
van een grafzerk aan den voet dier abdij: den door
Walter Scott geplaatsten gedenksteen op het graf
van een ouden man, die hem een lange reeks van
jaren in zijn huis gediend had. Want het op-
schrift op dien steen was van de hoogste beteekenis,
en ik daag iedereen uit, daar te gaan staan en het
te lezen, zonder dat hem de tranen in de oogen
komen, — dat grafschrift: „Wel gedaan, gij goede
en getrouwe dienstknecht!" O, wanneer ons werk
is afgeloopen, — zal het dan blijken, dat zulk een op-
schrift op óns toepasselijk is, omdat wij iets gedaan
hebben voor God\', of voor de Kerk, of voor de lij-
dende menschheid? God geve het!
Wie waren het, die op den naam van de dapper-
sten aanspraak konden maken en de grootste monu-
menten verdienden: de Engelsche kolonel Claver-
house en zijne wreede soldaten, of John Brown,
de Edinburgsche voerman, en zijne vrouw ? De Pro-
testantsche leeraar Atkins, de vervolgde prediker van
Jezus Christus in Schotland, werd heimelijk verbor-
gen gehouden door John Brown en zijne vrouw,
en Claverhouse kwam op zekeren dag aanrijden
met zijne gewapende mannen, en begon vlak tegen-
over het huis met luider stem te roepen. Het doch-
tertje van John Brown kwam naar buiten. „Zeg
eens, kleine meid/\', vroeg hij haar, „is dominee At-
kins hier?" Zij gaf geen antwoord, want zij kon den
verkondiger des Evangelies niet verraden. ,Ha!"
zeide Claverhouse, „ik merk het al: zooals de ouden
zongen, piepen de jongen, niet waar? Maar ik heb
jets voor je in mijn zak! Het is een ruiker. Sommi-
-ocr page 275-
267
ge menschen noemen het een duimschroef, maar ik
noem het een ruiker." En hij steeg van zijn paard,
en zette het ijzer aan \'s meisjes hand, en begon te
draaien totdat de beenderen kraakten en zij het uit-
gilde van pijn. „Schreeuw toch zoo niet," zeide hij,
„schreeuw toch zoo niet! Het is geen duimschroef;
het is een ruikertje!" In huis hoorde men het kind
kermen, waarop haar vader en moeder naar buiten
kwamen, tot wie Claverhouse zeide: „Aha! het lijkt
wel of jelui drieën je vrome koppen bij elkaar ge-
stoken hebt, vastbesloten om evenzoo te sterven als
heel de rest van je valschen , schijnheiligen, huilerigen
troep ! Liever dan dien mooien dominee Atkins, dien
godzaligen dominee Atkins, uit te leveren, willen
jelui Eterven. Ik heb een verrekijker bij me, die je
wat beter zal leeren zien!" En hij haalde een pi-
stool voor den dag. „Komaan, oude stokebrand!"
ging hij voort, „uit vrees dat je kou zoudt vatten
in deze gure Schotsche ochtendlucht, en voor de
eer en de veiligheid van den Koning, gezwegen van
de heerlijkheid Gods en de zaligheid onzer zielen,
zal ik doodeenvoudig en op de netste en handigste
manier van de wereld beginnen met je door je her-
sens te schieten!"
John Brown viel op de knieën, en begon te bid-
den. „Zeg eens," riep Claverhouse, „pas goed op, als
je gaat bidden: bemoei je volstrekt niet met den Ko-
ning, den Raad en Richard Cameron !" — „O God!"
zeide John Brown, „aangezien het Uw wil schijnt te
zijn, dat ik van deze wereld zal vertrekken naar een
wereld, waar ik U beter kan liefhebben en U meer
-ocr page 276-
268
kan dienen, stel ik deze arme weduwvrouw en
deze ongelukkige, vaderlooze kinderen in Uwe han-
den ! Wij hebben langen tijd in vrede samen geleefd,
maar thans moeten wij uitzien naar een betere ont-
moeting in den hemel. En wat deze arme, met ver-
blinding en dwaasheid geslagen schepselen betreft,
die daar voor mij staan, o bekeer hen vóór het te
laat is! En mogen zij, die een vonnis geveld heb-
ben op deze eenzame plaats, op dezen gezegenden
morgen, over mij, een armen, weerloozen mede-
mensch, mogen zij in het laatste oordeel die genade
vinden, die zij geweigerd hebben aan mij, Uwen
onwaardigsten, maar getrouwen dienaar! Amen."
Hij stond op en zeide: „Isabel, de ure is gekomen,
waarvan ik u sprak op dien morgen, toen ik u mijn
hart en hand aanbood; en zijt gij thans bereid, uit
liefde tot God, mij te laten sterven?" Zij sloeg hare
armen om hem heen en zeide: „De Heer heeft ge-
geven, cic Heer heeft genomen, de naam des Heer en
zij geloofd!"
— „Houd nu maar op met dat gejammer!"
schreeuwde Claverhouse; „ik heb er al meer dan
genoeg van! Soldaten! doet je plicht! Legt aan! .. .
Vuur!" — En het hoofd van John Brown spatte
uiteen over den grond. Terwijl de vrouw nog bezig
was met de stukken en brokken van het hoofd haars
echtgenoots op te zamelen in haar boezelaar — om
ze daarna te begraven — keek Claverhouse haar
honend aan en vroeg hij: „Wel, vrouwtjelief! wat
zeg je nu wel van je besten man?" — „O," ant-
woordde zij, „ik heb altijd veel van hem gehouden;
hij is altijd heel goed voor mij geweest; ik had nooit
-ocr page 277-
269
reden om niet van hem te houden, en ik houd nu
nog véél meer van hem dan ooit!" — O, welk een
grootsch schouwspel zal het op den Dag des Oor-
deels zijn, den Heere God Zijne helden en heldin-
nen te zien bijeenzamelen! Wie zijn die verstoo-
tenen der eeuwigheid, wegzwervend van de poor-
ten des hemels? Wie zijn zij? De Claverhouses, en
de Herodessen, en zij die schepters hadden, en
kronen, en tronen, maar voor hun eigen grootheid
en heerlijkheid leefden, en de volkeren tot wanhoop
brachten. Helden der aarde, maar verworpenen
der eeuwigheid. Ik sla den trommel hunner eeu-
wige wanhoop. Wee! wee! wee !
Maar er ontstaat een groote opschudding in den
hemel. Waartoe die lange optochten? Waartoe dat
luiden van de groote klok in den toren? Het is
Kroningsdag in den hemel. Wie zijn zij, die zich
daar oprichten op de tronen, met de kronen van
het eeuwige koningschap? Dat schijnen lieden van
naam op de aarde geweest te zijn, wereldberoemde
lieden! Neen: zij hebben onderwijs gegeven op een
haveloozenschool. Onderwijs gegeven op een have-
loozenschool? Is dat alles? Ja, dat is alles! —Wie
zijn die zielen, die daar de schepters der eeuwige
heerschappij zwaaien? Wel, dat zijn kleine kinderen,
die zwakke en ziekelijke moeders verpleegden. Is
dat alles? Dat is alles! Zij heette „Kleine Marietje"
op aarde. Zij is nu een vorstin. — Wie zijn die
groote menigte op de hoogste tronen des hemels?
Wie zijn zij ? Wel, zij spijzigden de hongerigen, zij
kleedden de naakten, zij genazen de zieken, zij troost-
-ocr page 278-
270
ten de bedroefden van hart en de verslagenen van
geest. Zij hebben zich nooit of nergens rust gegund,
totdat zij hun hoofd nederlegden op het kussen des
grafs. God bleef hen gadeslaan. God zag met een
minachtend lachje neer op de vijanden, die hunne
plompe voeten zetten op den nek Zijner dierbare
kinderen, terwijl Hij zeide: „Ik ben hun God:
alle instrument, dat tegen hen bereid wordt, zal
niet gelukken.\'"
Wat nadeel kan de wereld u
doen, wanneer de Heer onze Almachtige God
zelf voor u strijdt? Ik spreek deze leerrede tot
uwen troost uit. Ga heen naar de plaats, waar God
zelf u gezet heefc om er als held of heldin op te tre-
den. Benijd nooit een enkelen man zijn geld, of zijn
succes, of zijne maatschappelijke positie. Benijd geene
enkele vrouw ooit hare welvoorziene garderobe of
hare prachtige toiletten. Wees een held of een heldin.
Als er geen meel meer in huis is, en gij niet weet
hoe uwe kinderen aan brood moeten komen , luister
dan eens goed toe, en gij zult iets tegen de venster-
ruit hooren tikken. Ga dan naar het venster, en gij
zult bemerken, dat het de bek van een raaf is;
open het venster, en de bode, die Elia spijzigde, zal
naar binnen vliegen. Denkt gij, dat die God, die
het katoen en het vlas laat groeien, u zal laten be-
vriezen door gebrek aan kleeren? Denkt gij, dat
die God, die den discipelen vrijheid gaf om op
den Sabbath-morgen naar het korenveld te gaan,
en daar het graan te plukken en het tusschen hunne
handen te wrijven en op te eten, — denkt gij,
dat die God u zal laten verhongeren? Hebt gij
-ocr page 279-
271
de levenservaring van dien ouden man wel
eens gehoord: „Ik ben jong geweest, en ik ben oud
geworden, maar nooit heb ik den rechtvaardige ver-
laten gezien, noch zijn zaad zoekende brood.\'\'1
Sta
op uit uwe moedeloosheid, o tobbende ziel, o arme
naaister, o werkman die miskend en misbruikt wordt
door een onrechtvaardigen patroon, o gij allen die
fel bestookt wordt in den strijd des levens en niet
weet of gij her- of derwaarts zult gaan, o gij rouw-
dragenden , o gij lijders die uw leed nog aan nie-
mand op aarde geklaagd hebt, — komt en put uwen
troost uit deze bron! Luistert naar de bemoedi-
gende belofte van onzen Oversten Leidsman: „Die
overivint, Ik zal hem geven te eten van den Boom
des Levens, il ie in het midden van het Paradijs Gods
is!" —
Amen.
-ocr page 280-
-ocr page 281-
XVIII.
HET LEVEN EENE SCHOOL.
Ken Hem in al uwe wegen . en Hij
zal uwe paden recht maken,
Sprei-ken 111 : 6.
„Eene belofte die goed genoeg is voor velerlei
soorten van leven, maar niet voor mijn soort van
leven," zegt deze of gene man van zaken; „de wet
van vraag en aanbod beheerscht de handelswereld."
Maar ik heb reden om te zeggen, dat het een be-
lofte is voor alle menschen, in alle mogelijke soorten
van eerlijke werkkringen.
Er is geen strijd tusschen geloof en handel, tus-
schen grootboeken en Bijbels, tusschen kerkgebou-
wen en kantoorlokalen. Integendeel: het geloof be-
spoedigt de zaken, verscherpt \'s menschen geest-
vermogens, verzacht de ruwe trekken van zijn karak-
ter, versnelt den bloedsomloop der trage naturen,
en brengt wat meer voortvarendheid in de raderen
van het zware werk. Het geeft een beter evenwicht
aan het oordeel, meer kracht aan den wil, meer
spieren aan de nijverheid, en deelt een geheiligder
-ocr page 282-
274
gloed aan de geestdrift mede. Gij kunt mij in heel
de wijde wereld geen enkel man aanwijzen, wiens
eerlijke werkkring bedorven is door het geloof.
De werkende standen zijn verdeeld in drie groe-
pen : voortbrengers, vervaardigers en handelaars.
Voortbrengers, zooals landlieden en mijnwerkers.
Vervaardigers, zooals die koren in spijs om-
zetten, en wol en vlas in kleedingstukken. Hande-
laars, zooals dezulken, die winst behalen met het
vervoeren en verruilen van al wat voortgebracht
en vervaardigd is. Ieder man van zaken zal tot één
van deze drie klassen behooren, en geen enkele
dezer klassen is onafhankelijk van de anderen. Toen
de Keizerlijke Prins van Frankrijk in den oorlog
tegen de Zoeloe\'s op het slagveld viel, omdat de
riem, waarmede zijn stijgbeugel aan het zadel be-
vestigd was, doorbrak toen hij er zich aan vast-
klemde , terwijl al zijne krijgsmakkers ontsnapten,
maar hij zelf door de lansen der wilden gedood werd ,
— meenden velen het in de Fransche Keizerin te moe-
ten laken, dat zij haren zoon verlof had gegeven om
naar dat slagveld te vertrekken, en laakten anderen
het in de Engelsche Regeering, dat zij die zelfopof-
fering had aangenomen, en verwenschten nog weer
anderen de Zoeloe\'s om hun barbaarschheid. Maar
het meest te laken, meer dan alle anderen, was
de zadelmaker, die den riem van dien stijgbeugel
uit slecht en onbruikbaar leder vervaardigde, zooals
later het geval bleek geweest te zijn. Indien de riem
had gehouden, zou de Keizerlijke Prins van Frank-
rijk vermoedelijk op den huidigen dag nog in leven
-ocr page 283-
*75
zijn geweest. Maar de riem brak. Geen prins onaf-
hankelijk van een zadelmaker! Hoogen, lagen, wijzen,
onwetenden, gij in den eenen werkkring, ik ineen
anderen, allen in onderling verband met elkaar,
zoodat er eene doorloopende lijn van gemeenschap
met elkanders werk moet bestaan. Maar hoe of wat
werk uwe roeping ook zij , — indien gij eene groote
menigte verbintenissen hebt; indien er zich in uw
leven zoowel verliezen en nadeelen en verlegenheden,
als percenten en dividenden voordoen; indien gij
van Maandagochtend tot Zaterdagavond, en van
i Januari tot 31 December vervolgd wordt door
onverbiddelijke eischen en verplichtingen, dan zijt
gij een man van zaken, of een vrouw van zaken,
en is mijn onderwerp toepasselijk op uw geval!
Wij verkeeren onder den indruk, dat het slaven
en sloven van het beroepsleven eene gevangenis is,
waarin de mensch wordt neergeworpen, of dat het
eene ongelijke worsteling is, waarheen de mensch
ongewapend ten strijde trekt. Ik zal u aantoonen,
dat het beroepsleven door God is ingesteld, als een
grootsche en heerlijke opvoeding en tucht, — en
indien het mij gegeven mag worden om te zeggen
wat ik gaarne zou willen zeggen, dan zal ik eenige
rimpels van zorg in uw gelaat gladstrijken, en en-
kele lasten van uwen rug losgespen. Ik zal niet in
het afgetrokkene spreken. Ofschoon ik het eigenlijke
handels- of beroepsleven nooit heb medegemaakt,
weet ik toch maar al te goed, hoe het onder man-
nen van zaken toegaat. In mijne eerste gemeente
te Belleville, in den Noord-Amerikaanschen Staat
-ocr page 284-
276
New-Jersey, op tien mijlen afstands van New-York,
bestond een groot gedeelte van mijn gehoor altijd
uit New-Yorksche kooplieden. Later vertrok ik
naar Syracuse, eene stad met een krachtig en leven-
dig handelsverkeer; en vervolgens werd ik beroe-
pen naar Philadelphia, en woonde ik lang te midden
van de kooplieden dier stad, de beste menschen van
de wereld; en sedert meer dan twee en twintig
jaren heb ik nu hier in deze stad *) gestaan, Sab-
bath aan Sabbath, predikende voor een gehoor, dat
meerendeels uit mannen en vrouwen van zaken be-
staat, \'t Is dus niet in het afgetrokkene, dat ik spreek,
maar over eene werkelijkheid, waarmede ik goed be-
kend ben.
In de eerste plaats dan doe ik u opmerken, dat
liet beroepsleven is ingesteld als ccne sehool voor onze
geestkracht.
God geeft ons eene zekere hoeveelheid
ruw materiaal, waaruit wij ons wezen en karakter
hebben te vormen. Onze natuurlijke vermogens
moeten bijgewerkt, afgerond en opgescherpt wor-
den. Nadat onze jongelieden zich aan eene middel-
bare of eene hoogeschool een diploma hebben ver-
worven , moeten zij nog eene hoogere opvoeding
ontvangen, die alleen door de wrijving en botsing
van het dagelijksch leven kan plaats hebben. Geest-
kracht wordt alleen in het vuur verkregen. Nadat
een man tien, twintig, dertig jaren lang volijverig
zijne zaken heeft gedreven , laat zijne geestkracht
•) Brooltlyn bij New-York, waar deze leerrede in Januari 1892 werd
uitgesproken. Thans ataat Dr. de Witt Talinagc te \'Washington. Verl.
-ocr page 285-
277
zich niet afmeten met weegschalen , of paslooden,
of ladders. Er is geene hoogte die zij niet kan be-
klimmen , er is geene diepte die zij niet kan peilen,
en er is geen hinderpaal dien zij niet kan over-
winnen.
Welnu, mijn broeder, waartoe plaatste God u in
de school der geestkracht ? Was het enkel en alleen
opdat gij een ellestok zoudt zijn om laken te meten,
of een balans om meel te wegen? Geschiedde het
louter opdat gij beter tot loven en bieden in staat
zoudt zijn? Neen! God bracht u in die school der
geestkracht, opdat gij er de noodige ontwikkeling tot
het verrichten van Christelijken arbeid zoudt be-
komen. Indien al de onontwikkelde talenten in de
Christelijke Kerken onzer dagen te voorschijn ge-
bracht en voldoende toegerust konden worden , ge-
loof ik dat de geheele wereld in korten tijd tot God
bekeerd zou zijn. Er bruisen o zooveel diepe stroo-
men , die geen molenraderen doen draaien, en niet
tot het drijven van machines worden dienstbaar ge-
maakt! Welnu, God vraagt het beste lam uit elke
kudde. Hij vraagt de rijkstbeladen schoof uit eiken
oogst. Hij vraagt den besten man uit elk geslacht.
Eene zaak waarvoor Luther en Newton en Spurgeon
zich inspanden, daar kunnen gij en ik ons óók wel
voor inspannen.
O, wat minder werkeloozen in de zaak van Chris-
tus , en wat meer Christelijke arbeiders: mannen
die dezelfde geestkracht, welke zij van Maandag-
morgen tot Zaterdagavond in \'t werk stellen bij
den arbeid voor hunne broodwinning of het bijeen-
-ocr page 286-
278
brengen van een vermogen, des Zondags dienst-
baar maken tot uitbreiding van het Koninkrijk van
Jezus Christus en het brengen van menschen tot den
Heer! Dr. Duff, een geloovig predikant, zag ergens
een man, die een groot vermogen had geërfd. „Ik
heb," zeide die man tot hem, „vele jaren van mijn
leven hard moeten werken om mijn brood te ver-
dienen. Na verloop van eenigen tijd kwam dit ver-
mogen in mijn bezit, en van dat oogenblik af werd
ik natuurlijk niet meer door de noodzakelijkheid ge-
dwongen om hard te werken. Toen kwam er een
tijd, dat ik tot mijzelven zeide: „Zal ik mij nu uit
de zaken terugtrekken, of zal ik voortgaan en den
Heer dienen in mijn aardschen werkkring?" En na
een oogenblik stilte vervolgde hij: „Ik besloot tot
het laatste; en daarna ben ik op handelsgebied
ijveriger werkzaam geweest dan ooit te voren, en
sedert dat oogenblik heb ik nooit een cent voor
mijzelven behouden. Ik ben gaan bedenken, dat
het eene groote schande zou zijn, indien ik niet in
staat was om mij voor den Heer even zware in-
spanningen te getroosten als vroeger voor mijzelf;
en al de producten mijner fabrieken en mijner han-
delsinrichtingen zijn tot den laatsten cent toe be-
steed aan het bouwen van Christelijke stichtingen
en het ondersteunen der Kerk van God." — O,
als dezelfde geestkracht, die aan de wereld wordt
dienstbaar gemaakt, ook eens voor de zaak des
Heeren kon aangewend worden! O, als een dui-
zendtal mannen in onze groote steden, die een for-
tuin bijeengegaard hebben, het eens als hun plicht
-ocr page 287-
279
mochten beschouwen, al hunne zaken voortaan te
drijven voor Christus en de verlichting van het
lijden der wereld!
Voorts doe ik u opmerken , dat het beroepsleven
eene school van geduld is.
In uw dagelijksch leven,
wat al dingen die u hinderen en verontrusten! In-
koopen zullen tegenvallen. Handelsvrienden zullen
somtijds in gebreke blijven hunne verplichtingen
na te komen. Het kasboek en de geldlade zullen
wel eens met elkaar in strijd zijn. Goederen, die
voor een bepaalde gelegenheid besteld zijn, zullen
te laat komen, of bij het vervoer beschadigd wor-
den. Menschen, die u volstrekt geen kwaad hart
toedragen, zullen bij u komen „winkelen" zonder het
minste of geringste idee om iets te koopen, hoewel zij u
heele stapels artikelen voor den dag laten halen, en er
op aandringen dat gij een of twee stuks levert van
dingen, die alleen per dozijn verkocht worden. Nog
meer schadeposten op het grootboek. Nog meer
valsche bankbiljetten in de lade. Nog meer schul-
den te betalen voor andere menschen. Nog meer
kleinzieligheid van den kant uwer handelsrelaties.
Tegenslag op tegenslag, zwendelarij na zwendelarij,
en verlies na verlies. Al die wederwaardigheden
zullen óf u neerslaan, óf u opbeuren. Het is een
school van geduld. Gij hebt menschen gekend, die
onder deze wederwaardigheden baloorig en opvlie-,
gend en woedend en strijdlustig en dwarsch en
norsch en onhandelbaar werden, en zij verloren
hunne klanten, en hun naam werd een verfoeisel.
Andere lieden zijn opgebeurd onder al deze weder-
-ocr page 288-
280
waardigheden. Zij werden door de beproeving juist
gesterkt. Zij zijn als rotsen: hoe meer zij aan
weer en wind blootstaan, hoe onwrikbaarder zij
blijken. In \'t eerst moesten zij hun toorn bedwingen,
in \'t eerst moesten zij zich op de lippen bijten, in
\'t eerst dachten zij over \'t nemen van eene flinke
weerwraak, — maar zij wisten hun ongeduld mees-
ter te blijven. Zij geven nu vriendelijke woorden
in ruil voor geniepige steken onder water. Met een
minzaam voorkomen behandelen zij nu onhebbelijke
klanten. Zij gebruiken nu geduld tegenover onge-
lukkige schuldenaars. Bij plotselinge tegenspoeden
beschouwen zij de dingen nu van een Christelijk,
een geloovig standpunt. Hoe zijn zij aan dat geduld
gekomen? Door er een dominee \'s Zondags eens over
te hooren preeken? O neen! Zij verkregen het juist
daar, waar gij het óók zult verkrijgen — indien gij
het ooit verkrijgt: — bij het verkoopen van hoeden,
het disconteeren van wissels, het verwerken van
timmerhout, het ploegen van koren, het berieten
van daken, het houden van pleidooien, enz. O, dat
gij te midden van het rumoer en de zorgen en de
overspanning van het dagelijksch leven de stem Gods
mocht hooren zeggen : „Bezit uwe zielen in lijdzaam-
heid! De lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk!"
Verder doe ik u opmerken, dat het beroepsleven
eene school van nuttige kennis is.
Kooplieden lezen
zoo heel veel boeken niet, en bestudeeren geen
wetenschappelijke werken. Zij dalen niet af in de
diepten der geleerdheid ; en toch — door nagenoeg
al hunne werkzaamheden krijgen zij verstand van fi-
-ocr page 289-
28 r
nantieele, en politieke, en aardrijkskundige, en rechts-
geleerde, en zedekundige vraagstukken. Het beroep
is een strenge leermeester. Indien de leerlingen
niet verkiezen te leeren, slaat het hen met zware
verliezen om het hoofd en op het hart. Gij steekt
5000 dollars in de een of andere onderneming. In
een ommezien is alles weg. „Dat is louter verlies!"
zegt gij. O, neen! Gij hebt slechts leergeld betaald.
Dat was louter onderwijs, zeer moeilijk onderwijs
— ik heb u immers gezegd, dat uw bedrijf een
strenge leermeester is? — maar \'t was wel het geld
waard. Door dien gang van zaken hebt gij dingen
geleerd, die gij nooit van uw leven op eene andere
wijze geleerd zoudt hebben. Handelaars in graan
komen iets te weten omtrent de oogsten in den
vreemde; kooplieden in fruit komen iets te weten
aangaande de vooruitzichten der producten in Oos
tersche landen; fabrikanten van Amerikaansche of
Europeesche goederen krijgen verstand van de in-
komende rechten op ingevoerde artikelen; uitgevers
van boeken moeten wel verstand trachten te krijgen
van de nieuwste wetten op het copyrecht; reeders
van schepen moeten wel kennis opdoen van winden
en zandbanken en scheepvaart; en iedere baal katoen,
en ieder vat rozijnen, en iedere kist thee, en elk
suikerbrood vertegenwoordigt zoo- en zooveel litte-
ratuur voor een man van zaken. En nu, mijn broe-
der, wat zijt gij voornemens te doen met die weten-
schap? Verbeeldt gij u, dat God u eenig en alleen
in die school der kennis heeft gebracht, opdat gij
scherpzinniger in den handel zoudt worden, opdat gij
-ocr page 290-
282
meer wereldsch succes hier op aarde zoudt hebben?
O neen! — het is opdat gij die nuttige kennis
zoudt nemen en dienstbaar maken voor Jezus Chris-
tus. Zou het mogelijk kunnen wezen, dat gij handel
op vreemde landen gedreven hebt, en er toch nooit
iets over u is gekomen van den Zendingsgeest, dat
ge nooit gewenscht hebt iets te kunnen doen voor
het zieleheil van vreemde volken? Zou het moge-
lijk kunnen zijn, dat gij bekend zijt geworden met
al de slechte dingen , die er op het gebied van zaken
plaats hebben, en dat gij nooit eene poging gedaan
hebt om dat Evangelie te helpen verbreiden, dat
bestemd ib om alle kwaad uit te roeien, en alle ver-
keerdheden te verbeteren, en alle duisternis te ver-
lichten, en alle ellende weg te nemen, en de men-
schen zalig te maken voor deze wereld en de toe-
komende? Zou het mogelijk kunnen zijn, dat gij —
bekend met al de verwikkelingen van vele beroepen
en bedrijven — niets zoudt afweten van de dingen,
die zullen blijven voortduren nadat alle wissels en cog-
nossementen en effecten en hypotheekacten reeds lang
verschrompeld en in de vlammen van den jongsten
dag verteerd zijn ? Kan iemand wijs willen zijn voor
den tijd, en een dwaas voor de eeuwigheid ? . . .
Ik doe u ook opmerken, dat het beroepsleven eene
school voor de eerlijkheid is.
Niemand weet van te
voren wat hij doen zal, wanneer hij in verzoeking
wordt gebracht. Er leven duizenden menschen, die
eerlijk en rechtschapen zijn gebleven, enkel en alleen
doordien zij nooit op de proef zijn gesteld. Een man
werd eenige jaren geleden tot tresorier ofschatbe-
-ocr page 291-
283
der van den Amerikaanschen Staat Maine gekozen.
Hij was vermaard om zijne rechtschapenheid, prac-
tische werkzaamheid en oprechtheid ; maar vóór en
aleer er een jaar was verstreken , had hij \'s lands
kas ten eigen bate aangewend, en werd hij met
smaad en schande van zijn post ontzet. Vroeger ver-
maard om zijne deugd Later vermaard om zijne
slechtheid. Gij kunt zelf eene lange naamlijst van precies
zulke mannen opnoemen, in wier eerlijkheid gij een
onbepaald vertrouwen steldet, — maar toen zij op
een zeker oogenblik in groote verzoeking kwamen ,
konden zij zich niet staande houden. Nog nooit zoo-
vele verzoekingen tot oplichting en flesschentrek-
kerij als tegenwoordig. Geen enkele bepaling in
het Wetboek van Koophandel, of er is het een of
andere achterdeurtje in te vinden, waardoor een
booswicht kan ontsnappen. O, wat al zwendela-
rijen bij het fabriceeren van goederen ! Wat al „revo-
lutiebouw" bij het uitbreiden van steden! Wat al
schoonschijnend bedrog op het gebied van adverten
tien en reclames! Zooveel afzetterij in de handels-
wereld, dat — als iemand zegt, als koopman een
volmaakt eerlijk en rechtschapen leven te leiden,
— er wel eens menschen zijn, die dit toeschrijven
aan onnoozelheid en gebrek aan takt. Er bestaat
thans gróóter behoefte aan eerlijkheid, dan ooit te
voren : aan beproefde eerlijkheid, aan volmaakte eer-
lijkheid , — meer dan in die dagen, toen het drijven
van koopmanschap eene eenvoudige zaak was, toen
wol wol was, toen zijde zijde was, en toen de men-
schen menschen waren!
-ocr page 292-
284
Hoeveel menschen denkt gij dat er in de handels-
wereld zijn, die naar waarheid zouden kunnen zeg-
gen : „Bij al de dingen, die ik ooit verkocht heb,
heb ik nooit de waarde der goederen overdreven;
bij al de dingen, die ik ooit verkocht heb, heb ik
nooit een gebrek in het metaal of weefsel trachten
te verbloemen; onder al de duizenden dollars, die
ik ooit in ontvangst heb genomen, bevond zich
nooit één oneerlijk verdiende cent?" En toch, on-
danks alles, tóch zijn er menschen, die dat kunnen
zeggen: honderden die het kunnen zeggen, duizen-
den die het kunnen zeggen! Zij zijn nu nog eerlij-
ker, dan toen zij hun eerste baal rijst verkochten,
of hun eerste vaatje boter, omdat hunne eerlijk-
heid en rechtschapenheid op de proef zijn gesteld,
die proef hebben doorstaan , en haar zegevierend te
boven zijn gekomen. Maar zij herinneren zich een
tijd, toen zij een compagnon hadden kunnen beste-
len, of er met het kapitaal van een bank van door
gaan, of een onrechtvaardig vonnis uitspreken, of
een valsche handteekening maken, of tot in hetein-
delooze geld leenen, zonder eenig voornemen of po-
gen om het terug te betalen, of iemand in een don-
keren hoek sleuren, om hem daar te plunderen.
Maar nooit of nimmer hebben zij één stap gezet op
dien weg des verderfs ! Zij kunnen hun gebed doen ,
zonder het gerammel van oneerlijk verdiend geld te
hooren. Zij kunnen hun Bijbel lezen, zonder te
moeten denken aan een tijd, toen zij — door het op-
steken hunner vingers in de rechtszaal — zondigden
tegen het Negende Gebod in dit heilige Boek. Zij kun-
-ocr page 293-
285
nen denken aan den dood, en aan het daarna
komende oordeel, zonder te moeten verbleeken van
angst, — aan dien dag waarop alle kwakzalvers en af-
zetters en bedriegers en falsarissen openlijk verdoemd
zullen worden. Het doet hunne knieën niet tegen
elkaar knikken, en het doet hunne tanden niet klap-
peren, wanneer zij lezen: „Gelijk een veldhoen eieren
vergadert, maar broedt ze niet uit, alzoo is hij die
rijkdom vergadert, doch niet met recht: in de helft
zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn
laatste een dwaas zijn.\'"
O, welk eene school voor rechtschapenheid is het
beroepsleven ! Als gij ooit in verzoeking zijt geweest
om uwe eerlijkheid te doen zwichten tegenover een
u aangeboden voordeel, — als gij ooit ontwaakt zijt
met een gevoel van verlegenheid, eri gezegd hebt:
„Enfin, ik zal een klein eindje van den rechten weg
afwijken; niemand zal er iets van weten, en later
kom ik wel weer geheel terecht, — het is slechts
voor één keer!" — o, dat „slechts voor één keer!"
heeft tienduizenden menschen voor dit leven in het
verderf gestort, en hunne zielen verwoest voor de
eeuwigheid. Het is zoo\'n ontzaglijke school, dat be-
roepsleven: een school van rechtschapenheid. Een
koopman te Liverpool ontving een Engelsch bank-
biljet van vijf pond sterling (f 60,—), en toen hij het
tegen \'t licht hield, zag hij dat er tusschen de regels
eenige woorden geschreven stonden met iets, dat
op rooden inkt geleek. Na veel moeite gelukte \'t hem,
het geschrevene te ontcijferen; en nu kwam hij tot
de ontdekking, dat het schrift afkomstig was van
-ocr page 294-
286
een slaaf in Algiers, die in hoofdzaak dit zeide:
„Wie dit bankbiljet in handen krijgt, zij zoo goed
om kennis te geven aan mijn broeder John Dean, wo-
nende nabij Carlisle, dat ik een slaaf van den Bey
van Algiers ben." De koopman maakte de zaak be-
kend, riep de hulp in van ambtenaren der Regeering,
en ontdekte wie de man was, die de woorden op
het bankbiljet geschreven had. Eenigen tijd later
werd de man gered, na elf jaar lang een slaaf van
den Bey van Algiers geweest te zijn. Hij werd on-
middellijk in vrijheid gesteld, maar hij was zóó uit-
geput door de ruwe behandeling en de doorgestane
ontberingen, dat hij kort daarna overleed. —O, als
sommige bankbiljetten, die door uwe handen gaan,
al de tooneelen konden verhalen, waarvan zij getui-
gen zijn geweest, zou het grootste \'gedeelte een
treurspel vormen, donkerder en aangrijpender dan
een Shakespeare, een Schiller, of andere drama-
schrijvers zich ooit gedacht hebben!
Als ik verder op dit onderwerp inga, word ik
doordrongen van het gewicht dezer waarheid: dat
wij wat meer belangstelling inoefen koesferen voor man-
nen van zaken.
Is het geen schande, dat wij op onze
kansels niet veelvuldiger spreken over hunne worste-
lingen , hunne beproevingen en verzoekingen ? Lieden
die hard met de handen werken, zijn in den regel
niet geneigd om veel belang te stellen in hen, die
hard werken met het hoofd. De landlieden, die het
koren en de haver en de tarwe verbouwen, komen
wel eens in verzoeking om te denken, dat de
graanhandelaars een gemakkelijk leventje hebben,
-ocr page 295-
287
en hunne winst opstrijken, zonder er eenige inspan-
ning voor in ruil te geven. De Grieksche wijsgeeren
Plato en Aristoteles hadden zulk een afkeer van koop-
handel en kooplieden, dat zij den handel voor den
vloek der natiën verklaarden, en den raad gaven
om alle steden op minstens tien mijlen afstands van
de zeekust te bouwen. Maar gij en ik weten, dat
er geen ijveriger en edelaardiger mannen in de we-
reld zijn, dan die zich op het gebied van den han-
del bewegen. Sommigen hunner dragen lasten, die
zwaarder zijn dan stapels metselsteenen, en zijn bloot-
gesteld aan scherper dingen dan de Oostenwind,
en beklimmen hooger bergen dan de Alpen ofHim-
malaya\'s, — en indien zij getrouw zijn, zal Christus
op den jongsten dag tot hen zeggen: „ Wel, gij
goede en getrouwe dienstknecht! over weinig si/t gij
getrouw geweest, over veel zal Ik u stellen. Ga in, in
de vreugde uws Heer en V
Wij spreken over de martelaars der Waldenzer
valleien, en over de martelaars in de Schotsche
Hooglanden, en over de martelaars in de Cevennes.
Maar er zijn even waar en zeker martelaars op de
koren- en op de effectenbeurs, martelaars op de
bankiers- en op de wisselkantoren, martelaars ach-
ter de schrijftafels van kooplieden in graan en in
olie en in suiker en in allerlei andere dingen, —
die door nog heeter vuren gaan, of met hun hals
onder nög scherper bijlen komen. Dus betaamt het
ons, alle gemelijkheid en ontevredenheid uit ons
leven te verbannen, nu de zaak aldus gesteld is.
Wij zien terug op den tijd, toen wij nog school gin-
-ocr page 296-
288
gen , en wij herinneren ons de roede, en wij her-
inneren ons de zware taak, en wij klaagden toen ver-
schrikkelijk; maar thans zien wij in, dat het tot
ons bestwil was. Het beroepsleven is een school,
en de taken zijn zwaar, en de kastijdingen zijn som-
tijds zeer gevoelig, — maar klaag er niet over!
Hoe heeter het vuur, hoe beter de loutering. Er
jubelen op den huidigen dag voor Gods troon
mannen, die hier op aarde uit alles, behalve uit
hun doodkist, verjaagd werden. Zij werden ver-
volgd, zij werden gevangen gezet voor schuld, zij
werden door politie-agenten overstelpt met een stort-
vloed van insinuaties en dagvaardingen , hun in-
boedel werd verkocht door de deurwaarders,
zij konden nooit een accoord sluiten met hunne
schuldeischers , zij moesten altijd acceptaties teeke-
nen. In hun sterfuur werden zij nog beangstigd door
een woesten ruk aan de huisschel, in beweging ge-
bracht door een verwoeden schuldeischer, die het
meer dan schandelijk en onbeschaamd vond, dat
iemand het durfde wagen te sterven vóór en aleer
hij zijn nog openstaand saldootje van zes stuivers be-
taald had. Ik heb eens een vriend gehad , die erg onge-
lukkig was geweest. Alles liep hem tegen. Hij had
goed verstand van zaken, en zijn zedelijk leven liet
niets te wenschen over, maar hij was een van die
menschen, zooals gij wel eens meer gezien zult
hebben: voor wie alles schijnt mis te loopen. Zijn
leven werd hem tot een plaag. Toen ik hoorde dat
hij dood was, zeide ik: „Gelukkig! dan is hij nu
eindelijk van de deurwaarders af!" Wie zijn die
-ocr page 297-
289
blinkende en stralende zielen voor den troon ?
Wanneer de vraag gedaan wordt: „Wie zijn zij?"
antwoorden de engelen, die op de kristallen zal staan:
„Dezen zijn het, die uit de groote verdrukking (de
beroepszorgen) komen; en zij hebben hunne lange
kleederen gewasschcn
, en hebben hunne lange klcedc-
ren witgemaakt in het bloed des Lams."
O, mijne broeders, gij hebt in uw beroep en in
uwe zaken behoefte aan genade. Handelswetten zijn
allen zeer goed in hun soort; maar er komen tijden ,
waarin gij iets meer noodig hebt, dan deze wereld
u kan of zal geven. Gij hebt God noodig! Door
Hem te missen, hebben sommigen uwer bekenden
zich laten verleiden om valschheid te plegen, en
hunne vrienden te mishandelen, en hunne vijanden
te vervloeken, — en hunne namen zijn openbaar
gemaakt onder die der schurken, en zij zijn tot
poeder vermalen; terwijl andere mannen, die gij
óók gekend hebt, denzelfden noodlottigen samenloop
van omstandigheden zegevierend te boven zijn geko-
men. Er zijn op den huidigen dag hier mannen aanwe-
zig, die den strijd gestreden en de overwinning be-
haald hebben. De menschen komen uit den winkel van
dien man en zeggen: „Nu, als er ooit een Christe-
lijk koopman geweest is, dan is hij er een!" De
eerlijkheid houdt de boeken en bedient de klanten.
Het licht uit de eeuwige wereld straalt door de
winkelramen naar binnen. Liefde tot God en liefde
tot de menschen heerschen in dat magazijn. Op
zekeren dag loopen de menschen de straat door en
bemerken zij, dat de luiken niet van de uitstalkasten
-ocr page 298-
29ö
zijn weggenomen. De deur van het magazijn is nog
gesloten en gegrendeld. De menschen vragen: „Wat
zou er gebeurd zijn?" Gij komt wat naderbij , en gij
leest op een papier aan de deur: „Gesloten wegens
overlijden van een lid der firma." Dien geheelen
dag wordt er in al de handelskringen over gespro-
ken, welk een goed man er is heengegaan. De
grootste handelsvereenigingen besluiten, brieven van
rouwbeklag aan het sterfhuis te zenden, en de Ker-
ken van Christus bidden: „Help ons, o Heer! want
de vrome is heengegaan!\'\'\'
Hij heeft zijn laatsten
koop gesloten, hij heeft zijn laatste verlies geleden,
hij heeft onder zijne laatste vermoeienis gezucht.
Zijne kinderen zullen de vruchten van zijn ijver
oogsten, of— indien er tengevolge van de tegenspoe-
den geen geld overblijft — zij zullen een erfdeel van
gebeden en Christelijke voorbeelden hebben, dat tot
in alle eeuwigheid duurt. Hemelsche belooningen
voor aardsche tucht. Daar zullen de goddeloozen
ons niet meer kwellen, en zullen de vermoeiden
rust vinden! — Amen.
-ocr page 299-
XIX.
EEN KORF MET ZOMERVRUCHTEN.
En Hij geide: Wat ziet gij, Amos?
Kn ik zcide. Een korf met zoiner-
vrnchtcn.
                  Amos VIII : 2.
Een breedgeschouderd, zwaargebouwd, kloek-
moedig man was uitgezonden om Israël te bestraf-
fen. Zijn naam was Amos. Hij had zijn leven gesle-
ten te midden van schapen en runderen; en boven
en behalve zijne werkzaamheden als schaapherder,
was hij óók nog belast met het aflezen (inzamelen)
der vruchten van den wilden vijgeboom , een zeer
moeilijk werk, want als men die vruchten niet
behoorlijk rijp liet worden, en zij niet vóór dien tijd
van volkomen rijpheid beprikt werden met de tanden
van een ijzeren kam, liepen zij gevaar van bitter en
totaal oneetbaar te worden. Doordien hij steeds op
het platteland gewoond had, kon Amos nooit begin-
nen te schrijven of te spreken, of zijne uitdrukkin-
gen en zinnebeelden waren van landelijken aard: vol
van dorschvloeren, van met schoven beladen wagens,
-ocr page 300-
292
van sprinkhanen, van korenvelden en maaiers, van
vruchtboomen, van wijngaarden, en in mijn tekst
van „een korf met zomervruchteti." Wat soort van
vruchten dat nu juist waren, weet ik niet bepaald,
— misschien waren het wilde vijgen, of granaat-
appelen, of gewone vijgen; maar dit weet ik wel,
dat God er aan Israël, en ook aan ons, deze waar-
heid mede wilde te kennen geven: dat geestelijke
zegeningen, evenals zomervruchten , onmiddellijk ge-
bruikt moeten worden, omdat zij anders bederven.
Velen uwer zullen zich nog wel herinneren, dat
er — weinige jaren geleden, toen de perzikoogst
zeldzaam vroeg en snel rijp werd — eene menigte
spoortreinen en stoombooten naar onze stad kwamen,
allen beladen met deze overheerlijke vruchten.
Doch die vruchten waren overrijp, en niet ge-
schikt om te wachten totdat de overvoerde markten
hun voorraad opgeruimd hadden; en dientengevolge
werden er honderdduizenden dollars aan waarde
van die vruchten op straat neergeworpen, en in de
rivieren uitgestort, en op wagens buiten de
stad gebracht, om er de landerijen mede te bemes-
ten. O, die vergankelijke natuur der zomervruchten!
En evenzoo is het gesteld met onze geestelijke ze-
geningen, die onmiddellijk aanvaard en gebruikt
moeten worden, of nooit meer te gebruiken zijn.
En daarom wensch ik u — in plaats van met u rond
te wandelen door de zalen van een landbouwten-
toonstelling — met de diepste en innigste gevoelens
uwer ziel een blik te doen slaan op dezen tekst,
die uwe laatste kans op den hemel afschildert, en
-ocr page 301-
293
dit op de zinrijkste wijze doet. „Ziet, een korf met
zomervruchtcn
/"
Was deze uitroep in mijn tekst de ondoordachte
beeldspraak van een man, die zich een volslagen
vreemdeling toont op letterkundig gebied? Wat
dunkt u, zou de vergelijking opgaan? Bestaat er
eenige overeenkomst tusschen het Evangelie en
zomervruchten? O, ja! Zij beiden doen in de eerste
plaats aan gezondheid denken. God geneest eiken zo-
mer de ziekten der wereld door middel van de boom-
gaarden en druiventrossen. Het mislukken van den
vruchtenoogst zet de deur wijd open voor alle soor-
ten van ongesteldheden; en een ruime overvloed
van vruchten brengt gewoonlijk een verbetering in
den gezondheidstoestand teweeg. En zoo staat ook
dit Evangelie gelijk met gezondheid. Het maakt den
mensch krachtig voor den arbeid, en sterk voor
den strijd. Het geneest geestelijke ziekten en kwalen.
Het helpt de afgetobde ziel weer voort op den weg
naar den hemel. Het is eene vernieuwing der jeugd.
Het is beterschap. Het doet de oogen glinsteren
van de heerlijkste verwachtingen. Het doet den
geest huiveren onder het ontzaglijke voorgevoel der
toekomende heerlijkheden. Het is geen zwakke of
ziekelijke sentimentaliteit. Het hielp Paulus om
zonder blikken of blozen te blijven staan op het
dek van het zinkende korenschip, — en het hielp
Luther zijne uitdagende „Stellingen" nagelen aan de
deur der Wittenberger slotkapel, met dreunende
hamerslagen, welker echo\'s door alle eeuwen zullen
blijven weerklinken. Het heeft tienduizenden zielen
-ocr page 302-
294
geholpen om door golven en vlammen heen in de
eeuwige heerlijkheid te springen. O, het is een
krachtig en machtig Evangelie! En omdat het in
zichzelf zoo machtig is, maakt het ook den mensch
machtig. Het geeft hem eene overweldigende kracht
in den dag der ellende. De Kerk roept tot Jezus
in het Hooglied: „Versterk mij mei de appelen!\'1\'\'
en daarom schud ik een geheelen boomgaard vol
vruchten boven u uit, terwijl ik lees, dat „devrucht
des Geestcs is liejde, blijdschap, vrede, lankmoedig-
heid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoe-
digheid, matigheid.\'"
Raapt ze maar op van den grond,
— de voorraad is groot, rijk, overvloedig! En neemt
ze dan mede naar huis, „ecnkorj met zomervruchten.\'"
Ik doe u opmerken, dat de overeenkomst óók
gelegen is in het feit, dat een zomervrucht aange-
naam voor het oog en voor den smaak is.
En zoo heeft
ook het Evangelie, wanneer de mensch het naar den
eisch ziet en smaakt, iets buitengewoon lieflijks.
Hetzij de zomervruchten opgestapeld liggen in den
boomgaard, of op den vloer der schuur, of in een
schotel op de tafel, — die mengeling van groen en
goud en rood en bruin op de wangen der vruchten
is uiterst bekoorlijk. Zooals gij weet, houden
sommige kunstschilders zich hoofdzakelijk bezig
met stillevens en andere afbeeldingen van zomer-
vruchten; en terwijl Correggio zijn genot vindt in
het schetsen van lichamelijke schoonheid, en Mesdag
het zeeschuim op zijn doek laat vallen, en Albert
Cuyp zijne kudden tegen den avond stalwaarts drijft,
en Rosa Bonheur de steigerende rossen bij den hal-
-ocr page 303-
29-r)
ster grijpt op de „Paardenmarkt," en Edwin Land-
seer zijne honden fluit, — zijn er onder onze heden-
daagsche schilders velen, die al hun genie en talent
aan vruchtenstukken wijden, en daar verwonder ik
mij volstrekt niet over. Er is iets onbeschrijflijk
schoons in vruchten. En zoo is het ook met het
Evangelie van Jezus Christus. Het bekoort ouden
en jongen , gezonden en zieken , wijzen en onweten-
den. Het bezit de glinstering der golven, het aroma
der bloemen, de bétoovering der muziek, \'t Is de
verkwikking der eeuwen. De godsdienst van Jezus
wil de menschen niet tot kloosterlingen en huilebal-
ken maken. „Hare wegen zijn wegen der lieflijkheid,
en al hare paden zijn vrede."\'
In de maand Juni van het jaar 1815 was er een
hoogadellijk gezelschap bijeen in een der aanzienlijkste
huizen van Londen. Ook de Prins-Regent was er
bij tegenwoordig, en de feestelijke samenkomst werd
opgeluisterd door heerlijke muziek en een weelde-
rigen maaltijd en fonkelende diamanten. Juist ter-
wijl er een quadrille geformeerd zou worden, snel-
den alle aanwezigen plotseling naar de vensters.
Wat was er gebeurd? Henry Percy was de tijding
komen brengen, dat de slag van Waterloo geleverd
was, en dat Engeland dien slag gewonnen had.
Eensklaps liet men het dansen in den steek; de
feestgenooten stroomden naar alle kanten uiteen; de
lords, de ladies en de muzikanten vlogen de straat
op, — en nog geen vijftien minuten na de eerste aan-
kondiging van het groote en goede nieuws, was er
geen enkele gast meer in het huis te vinden. O, gij,
-ocr page 304-
296
die aan den feestdisch dezer wereld gezeten zijt, of
u rondwentelt in hare lusten en ijdelheden! als gij
nu eens de lieflijke klanken der Evangelie-bazuin
kondet hooren, die Jezus\' zegepraal over zonde
en dood en hel verkondigt, — gij zoudt naar buiten
snellen, verheugd over die eeuwige verlossing! De
slag van Waterloo tegen de zonde is geleverd, en
onze Opperbevelhebber heeft het pleit gewonnen.
O, welk een oorzaak van blijdschap is er over zulk
eene verlossing! \'t Is mij hetzelfde, welke beeldspraak
of welke vergelijking gij bezigt, — breng het tot
mij, opdat ik er gebruik van kan maken. Amos
zal het ééne zinnebeeld brengen, Jesaja een ander,
David weer een ander, Johannes nog een ander.
Schoon om de vergiffenis. Schoon om den vrede.
Schoon om de beloften en verwachtingen. Ik stort
haar voor u uit, de volgestapelde, groote, diepe,
rijkvoorziene „korf met somervruchten"
Gij zult opgemerkt hebben, dat, wanneer een
zomervrucht niet onmiddellijk genuttigd wordt, zij ivel-
dra bederft.
Allereerst komen er vlekjes en spikkels op;
daarna ontstaan er allerlei gebreken aan; na eenigen
tijd begint zij bedenkelijk week en zacht te worden;
en eindelijk moet zij worden weggeworpen. En zoo
heb ik u ook te zeggen, dat alle geestelijke voor-
deden , alle ons door het Evangelie geboden ge-
legenheden, alle godsdienstige voorrechten, juist
omdat zij zoo schoon en zoo aantrekkelijk zijn, zeer
schielijk voorbijgaan , indien gij er geen gebruik van
maakt. Ik denk, dat gij wel eens bespeurd zult heb-
ben , hoe schielijk de dagen en de jaren verstrijken.
-ocr page 305-
297
Elke dag schijnt in mijne oogen „een korf met zomer-
vruchten:\'
de morgenlucht is purperkleurig, de mid-
dag is opaalachtig, de avondwolken zijn gloeiend
rood. Elke dag heeft zijne reeks van zegeningen, en
zijn met vruchten beladen tak van gelegenheden.
Maar hoe spoedig zijn zij weg! Even spoorloos ver-
dwenen als de vruchten, die verleden najaar van
de boomen vielen en wegrotten. Elk jaar heeft
meestal zijn eigenaardig kenmerk. In het eene barstte
de oorlog uit; in het andere richtten de sprinkhanen
zulke vreeselijke verwoestingen aan; in het volgen-
de woedde de cholera, — maar onverschillig hoe
elks eigenaardig kenmerk geweest moge zijn, zij
zijn allen weg, op één na. Van de zesduizend jaren
van het bestaan dezer wereld is er slechts één over-
gebleven. Ja, de helft van dit overgebleven jaar
is nu reeds om , of nagenoeg om, en de klepel in de
klok der maanden zal dus eerlang weer twaalf slaan,
en dan zal ook dit jaar weer even dood zijn als al
zijne voorgangers. In uwe bibliotheek zet gij de
historische werken naast elkaar: eerste deel, tweede
deel, derde deel, vierde deel; en zoo is de ge-
schiedenis van het verleden geboekt in zesdui-
zend deelen, elk deel van driehonderd vijfenzestig
bladzijden, en in den jongsten dag zult gij ze, met
één oogopslag, allen doorlezen. De tijd, hoe snel-
lijk gaat hij henen! Grijze haren beginnen er zich
hier en daar onder u te vertoonen, en sommigen
uwer weten het niet. De „eendenpootjes" komen
dichter bij de hoeken der oogen. Uw houding en
uw manier van loopen is gebukter dan vroeger. Gij
-ocr page 306-
298
hebt er reeds over gesproken, of gij niet veel ge-
mak zoudt hebben door een bril te gaan dragen. Gij
gaat van de dertig in de veertig over, en van de
veertig in de vijftig, en van de vijftig in de zestig,
en van de zestig in de zeventig. De kleur ver-
dwijnt uit de „korj\'met zomervruchten." De angel der
zorgen heeft er het merkteeken van zijn steek op ach-
tergelaten. Het werk der verwoesting heeft een aan-
vang genomen , en de volle korf met menschelijk leven
zal spoedig geledigd zijn in de diepte van den grafkuil.
En voorts maak ik u opmerkzaam op de vergan-
kelijke natuur van alle godsdienstige omgevingen.
Gij
gaat den een of anderen keer naar eene godsdienstige
bijeenkomst, en gij zegt: „Is het toch niet iets heer-
lijks? Hoevele rijpe,godsdienstige ervaringen! Wel,
het is als „een korf met zomervruchten /" Maar weet
gij niet, dat al die Christelijke banden en betrekkin-
gen de ziel zullen loslaten ? Uw geloovige vader en
moeder, die een zegenenden invloed op u hebben
geoefend, begrijpt gij niet, dat zij van u zullen heen-
gaan? Bemerkt gij niet, dat zij hunne ziekten reeds
niet meer zoo spoedig als vroeger te boven komen ?
Bespeurt gij niets van het feit, dat zij zich niet zoo
schielijk meer als vroeger van een gevatte koude
herstellen ? De zaak is, dat zij meer gebeden voor
u gedaan hebben , dan zij ooit weder doen zullen.
Zij zijn den laatsten mijlpaal op den weg naar huis
voorbijgegaan; en indien gij nog een weinig voordeel
wilt hebben van die „korf met zomervruchten/\' doe
het dan nu, of gij zult het nooit meer kunnen doen.
Sommigen uwer weten niet wat het is, daar te staan
-ocr page 307-
299
tegenover en neer te zien op de koude en strakke
gelaatstrekken van een geloovigen vader of eene
geloovige moeder. Ik weet wel, wat het is. In den
tijd van vijf minuten denkt gij aan al de onvriende-
lijke woorden, die gij hun ooit hebt toegevoegd.
Gij kunt hun doodkist bedekken met kransen en
bloemen en linten; maar toch kunt gij er nooit iets
aantrekkelijks van maken. Het is verdriet, en niets
anders dan verdriet, voor hen, die er omheen zitten
te zuchten met het besef, dat die dierbare lippen
nooit weer voor u zullen bidden, en die handen
nooit weer met deelnemende belangstelling de uwe
zullen drukken. Wanneer gij u neerbuigt en voor het
laatst een kus drukt op dat gerimpelde voorhoofd,
even voordat het deksel dichtgeschroefd wordt, zult
gij denken aan hetgeen ik u op dit oogenblik gezegd
heb. O, als uw vader en moeder nog in leven zijn,
nog den invloed van hun geloof op u kunnen doen
werken, — heb hen lief zoolang gij het nog kunt
en nog moogt! Volg hun voorbeeld! Doe uw voor-
deel met hunne gebeden! Zij zijn rijp voor den
hemel en kunnen hier niet altijd blijven. De „korj
met zomervruchten"
zal spoedig verdwenen zijn!
En zoo is het óók gesteld, mijne vrienden! met
al Gods aanbiedingen van genade en zaligheid.
Zijt
gij zoo onnoozel om te meenen, dat al die voor-
rechten steeds zullen blijven voortduren? O neen!
Elke gelegenheid tot redding en zaliging schijnt geen
rust of duur te hebben voordat zij ons verlaten heeft.
Heengegaan de predikatiön; heengegaan het psalm-
gezang ; heengegaan de prikkels van Gods Eeuwigen
-ocr page 308-
3oo
Geest. De vruchten van het onsterflijke leven, zoo
schoon en aanlokkelijk, worden niet zoodra voor de
ziel neergezet, of zij verdwijnen weer. Het The-
baansche legioen bestond uit zesduizend zeshonderd
zes en zestig manschappen: de Romeinsche Keizer
Maximianus (285 na Chr.) gaf bevel, dat dit heir-
leger gedicimeerd moest worden, d. w. z. om de
tien man zou er één met het zwaard worden ter
dood gebracht. En zoo geschiedde het. Maar de
overgebleven soldaten onderwierpen zich niet aan
het keizerlijk gezag, en daarom had er weer een deci-
meering plaats, totdat al de zesduizend zeshonderd
zes en zestig manschappen om het leven waren ge-
bracht. Welnu, ik weet niet hoeveel menschen er
heden in dit bedehuis bijeen zijn, maar het is een
heirleger. Doch het zal gedecimeerd worden. Van
elke tien zal er weldra één heengegaan zijn, en daar-
na zal het werk voortgezet worden; en weder zal
er van elke tien één heengaan, en nogmaals zal de
decimeering plaats hebben, en nogmaals, en nog-
maals, totdat geen der hier aanwezigen meer in
leven is. Onze doode lichamen zullen ergens op
eene begraafplaats, of op een kerkhof, of op een
slagveld, of op den bodem der zee komen te liggen;
maar uwe zielen zullen aanlanden op een der beide
plaatsen, welker namen ik niet behoef te noemen,
omdat zij u op dit eigen oogenblik reeds met over-
weldigende kracht en nadruk in de ooren klinken!
Velen hebben hunne gelegenheid ongebruikt voor-
bij laten gaan. Dit feit is nu niet meer te verbloe-
men: zij hebben hun kans laten verloopen. Zij
-ocr page 309-
3or
kwamen binnen en bezagen de „korf met zomer-
vruchten."
Zij bewonderden de sierlijkheid van het
rietwerk, de fijnheid van den bast, de mooie groene
kleur der bladeren. Daarop gingen zij heen. Zij
kwamen terug, en bewonderden alles nogmaals.
Maar op zekeren dag kwamen zij v/eer, en toen
bemerkten zij, dat al [die heerlijkheid verdwenen
was, en dat de vruchten waren weggeworpen. Zij
kwamen op een zekeren avond. Zij zagen de zon
ondergaan. Zij hebben de zon nooit meer zien op-
gaan. De predikant sprak den zegen over hen uit.
Het was de laatste zegenbede, die zij ooit hoorden.
Zij zetten hun laatsten stap, zij spraken hun laatste
woord, zij deden hun laatsten ademtocht, zij lieten
hun laatste kans verloopen. Gelukkig voor ons is
hunne stem niet krachtig genoeg om hier beneden
tot ons door te dringen, anders zou ons leven op
deze aarde onuitstaanbaar zijn door al dat ge-
huil en gejammer. De muur is zóó dik, dat wij
geen enkel woord van hun kermend geklaag kun-
nen hooren. Vergaan! Vergaan! Zij zeggen nu niet
meer, dat er nog tijd genoeg is. Zij bekommeren
zich nu niet meer om uur of tijd. Zij klagen nu
niet langer over de wispelturigheid der Christenen;
zij hebben nu genoeg met hun eigen toestand te
doen. Zij betoogen nu niet meer, dat er zoo iets
als een verloren ziel niet bestaat; zij hebben den
schok gevoeld, die het gevolg is van een val in
tienduizend vademen diepte. O ongeloovige man! ga
heen en poog hen te overtuigen, dat er geen vergelding
bestaat voor een ziel, die God vergeet! Breek open
-ocr page 310-
302
de poort, snel henen door het vuur; spring op den
rand der uiterste klip, en roep hun toe: „Er is
geen hel!" En tienduizend stemmen zullen terug-
schreeuwen: „Er is wél een hel! Ziet gij de poort
niet? Voelt gij de pijn niet? Wij zijn hier nu reeds
vijfhonderd jaren geweest, en toch zijn de smarten
nog pas begonnen! Keer terug, en vertel alles wat
gij gezien hebt! Zeg hun, dat wij eenmaal waren
zooals zij nu zijn, en dat zij, tenzij zij berouw
hebben en zich bekeeren, zullen worden zooals wij
nü zijn! De vruchten van den boom des levens
waren voor ons neergezet, schoon als „een korf
met zomervritchten
/\' — maar wij wilden er niets
van nemen of weten, en daarom sterven wij nu
den eeuwigen dood. Verloren ! Verloren !"
Mijne vrienden, de practische vraag is nu maar:
Zoudt gij jave kans willen missen? Het aanbod der
zaligheid wordt ons nü voorgehouden. Het zal
niet altijd blijven voortduren. De dag der genade
zal eenmaal voorbij zijn gegaan. De waarschijnlijk-
heid bestaat, dat er onder deze schare toehoorders
sommigen zijn, die hunne gelegenheid ongebruikt
voorbij zullen laten gaan. Ik houd mijne hand aan
uwe pols en ik bemerk, dat de koorts een aanvang
heeft genomen. Ik werp een blik op uw gelaat, en
ik zie daarop de schaduw van een u boven het
hoofd hangend vonnis. Ik luister naar uwe adem-
haling, en ik verbeeld mij, dat die reeds aan
den laatsten snik doet denken. Sommigen uwer
zullen verloren gaan! Zie, daar valt gij nu, —
naar beneden uit den hemel, uit het leven,
-ocr page 311-
3o3
uit den vrede, — naar beneden! naar beneden!
Ik herinner mij, dat ik gelezen heb, hoe Leonidas,
koning van Sparta (491 — 480 vóór Chr.^), met drie-
honderd man in den bergpas tusschen Eta en de
zee stond, om de Perzische legerscharen terug te
slaan. De Perzische troepen kwamen aanrukken.
Zij hakten hem en zijne driehonderd helden in de
pan. O, dat God in deze oogenblikken mij, een
armen, zwakken man, wilde wapenen met bovenna-
tuurlijken moed], om post te vatten in den bergpas
van deze heerlijke Sabbathsure, en den weg te ver-
sperren aan dit leger, dat ik daarvoor mij het pad
des doods zie betreden! Halt! o rampzalige zielen!
Ik zwaai het tweesnijdend zwaard naar beide
kanten! Halt! halt! Zet geen enkelen stap meer op
dit pad naar de diepte! Waarom zoudt gij sterven,
als het niet noodzakelijk is? Zijt gij zóó belust op
pijn, en zonde, en zorg, en ellende, dat gij de
schuimende golven van het verderf wilt doorwaden
om ze te winnen? Is er dan niets in de deelnemend
belangstellende tranen uwer vrienden, niets in het
verzoenend offerbloed van den Zoon Gods, niets in
de sterfbed-ervaringen van hen, die u lief en dier-
baar waren, niets in den dreunenden slag van het
verpletterend vonnis, — is er in dat alles niets,
dat u tot nadenken kan stemmen.
Ik kan hooren aan de manier, waarop de koster
der dorpskerk de klok luidt, of hij spoedig zal op-
houden met luiden. Wanneer hij begint te luiden ,
zweeft de muziek zachtkens voort in de ruimte: de
klok vult de lucht met muziek. Hij grijpt en trekt
-ocr page 312-
304
met krachtige rukken; maar eene poos later, wan-
neer de paarden zijn ingespannen, en de menschen
van alle kanten toestroomen, begint er wat meer
tijd te verloopen tusschen de slagen der klok. Het
luiden gaat al langzamer en langzamer, want het
zangerig luiden is nu in een eentonig geklepper
overgegaan, en na verloop van eenigen tijd houdt
het geheel op. — O zondaar, hoe lieflijk zijn de
uitnoodigingen van het Evangelie tot u gekomen!
Roepstem na roepstem. Uitnoodiging na uitnoodiging.
Als een stortvloed. Ja, als een u overstroomende
stortvloed. Hoe uitlokkend en aanmoedigend klonk
het klokgelui! Maar het schijnt alsof, ten opzichte
van sommigen uwer, Gods geduld is uitgeput, en
alsof Zijne genade bijna spoorloos verdwenen ware.
De klok luidt heden trager en langzamer, dan zij
ooit te voren geluid heeft, en alsof zij zoo aanstonds
zal ophouden. Ja, wij schijnen reeds aan het weg-
stervende geklepper toe te zijn. Nog driemaal zal de
klepel aanslaan, — misschien slechts driemaal: Klep!
Klep! Klep!
Om deze verheven waarheid te doen uitkomen,
dat godsdienstige voorrechten, zoolang zij duren,
aantrekkelijk zijn , maar ons zeer spoedig ontvallen ,
toonde God aan Amos, den ossenherder, in een
visioen, de schoone, maar vergankelijke „korf met
somervruchten"
— Amen.
-ocr page 313-
XX.
LIEFDEVLEUGELEN.
Uw loon zij volkomen, van den Heer,
den God Israëls, onder Wiens vleuge-
len gij gekomen zijl om tocvluelit te
nemen.
                       KiTir II : 12.
Het tooneel der handeling is een oogstveld in het
Oosten. Graan overal op het land staande. Graan
op hoopen. Graan aan schoven.
Terzijde van het veld eene witte tent, om er het
middagmaal in te nuttigen, — er staan kruiken met
azijn of met rinschen wijn, om den dorst der in de
hitte arbeidende landlieden mede te lesschen. For-
sche, zwaargebouwde mannen slaan hunne sikkels
in het ruischende koren. Anderen vlechten de ban-
den der schoven, nemen het eene einde van den
band onder den arm, en verzamelen met den vrijen
arm en voet de schoof bijeen. Door de zon ge-
bruinde vrouwen rapen de overal verspreid liggende
halmen op, en brengen ze aan de binders. Boaz,
een welgevormd Oosterling, met grijzen baard en
-ocr page 314-
306
vriendelijk gelaat, de eigenaar van het veld, houdt
toezicht op den geheelen gang der werkzaamheden,
taxeert de waarde van het geoogste graan, en bere-
kent hoeveel efa\'s er van eiken bunder zullen komen;
en zijn grootmoedig, deelnemend hart heeft mede-
lijden met de zich overwerkende mannen en vrouwen,
wier bleek gelaat schier een bezwijming doet vree-
zen in deze heete middagzon.
Maar er is ééne vrouw, die in bijzondere mate
\'s mans aandacht trekt. Zij is bestemd om weldra
mede-eigenares van zijn veld te worden. Zij is uit
een vergelegen land herwaarts gekomen, eenig en
alleen met het doel, om een oude vrouw genoegen
te doen. Ik weet niet hoedanig hare gelaatstrek-
ken waren; maar wanneer de Heer onze God achter
het gelaat eener vrouw de lamp van den moed, en
van het geloof, en van de zelfopoffering zet, dan
komt er een glans van heerlijkheid op, die onafhan-
kelijk is van de gelaatstrekken. Zij is bestemd om
een der voorouders van Jezus Christus te worden.
Zoodra Boaz, de eigenaar van den akker, te hooren
krijgt dat het Ruth is, begroet hij haar met eene
zegenbede: „ Uw loon zij volkomen, van den Heer,
den God Israëls, onder Wiens vleugelen gij gekomen
zi/t om toevlucht ie nemen.""
Jezus vergelijkt zichzel-
ven bij eene hen, die hare kiekens onder hare vleu-
gelen vergadert. In Deuteronomium wordt God voor-
gesteld als een arend, die zijn nest opwekt. Op
een groot aantal plaatsen in de Psalmen bezigt David
zinnebeelden uit de vogelenwereld; terwijl mijn
tekst melding maakt van de vleugelen Gods, waar-
-ocr page 315-
367
onder een arme, vermoeide ziel eene toevlucht was
komen zoeken.
Daarom verzoek ik u, mij uwe aandacht te schenken,
nu ik, het zinnebeeld van mijn tekst tot grondslag
nemend, in allen eenvoud en liefde tot u wensch
te spreken over de vleugelen van den Almachtige.
Allereerst doe ik u opmerken, dat het snelle vleu-
gelen
waren, waaronder Ruth eene toevlucht was
komen nemen. In heel het werk van Gods handen
is er niets merkwaardigers dan een vogelvleugel.
Gij zijt er misschien wel eens verbaasd over geweest,
als gij zaagt, hoe ver een vogel kan vliegen met
één slag van zijne vleugels; en wanneer hij op voed-
sel uitgaat, of door vrees gedreven wordt, kan het
voortstuwingsvermógen van een paar vogelvleugelen
eene onberekenbare snelheid verkrijgen. De Engel-
sche lords plachten zich te beroemen op den spoed
hunner valken. Als die vogels getemd waren, had-
den zij iets in hunne bewegingen, dat aan een blik-
semschicht deed denken. Hoe rap waren de post-
duiven ten tijde van den Romeinschen keizer Anto-
nius en in de dagen van het beleg van Jeruzalem!
Een verwonderlijke spoed! Een postduif werd op-
gelaten te Rouaan in Frankrijk en kwam neer te
Gent in België — een afstand van negentig mijlen
— in den tijd van één uur. De postduiven waren
de telegrafen van den ouden tijd. Op de eene plaats
heeft men zwaluwen geschoten, die de nog onver-
teerde rijst van velden op eene andere, ver van daar
gelegen plaats in hun maag hadden, waaruit bleek, dat
zij in den tijd van zes uren vierhonderd mijlen gevlo-
-ocr page 316-
3o8
gen hadden. Men heeft berekend, dat eene zwaluw
in de tien jaren van haren gemiddelden levensduur
ver genoeg vliegt, om negenentachtig maal de reis
rondom de wereld te doen, zóó groot is hare snel-
heid. En zoo zijn ook de vleugelen van den Al-
machtige, waarvan in mijnen tekst gesproken wordt,
snelle vleugelen. Zij zijn snel, wanneer zij op een
vijand aanvallen , en snel wanneer zij Gods vrienden
te hulp komen. Wanneer een vader en zijn zoon
samen langs een weg wandelen, en het kind te dicht
bij een afgrond komt, hoe lang zou het dan wel
duren eer de vader zijn kind uit dat levensgevaar
gered heeft? Langer dan het God tijd kost, om tot
redding Zijner kinderen toe te snellen. Het is een
feit, dat gij u onmogelijk aan Gods nabijheid en toe-
zicht kunt onttrekken. Al neemt gij het stoomschip,
of den sneltrein, Hij is voortdurend bij u. „ Waar
zou ik heengaan voor Uwen Geest? en waar zon ik
heenvlieden voor Uw aangezicht? Zoo ik opvoer ten
hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie,
Gij zijt daar. Nam ik vleugelen des dageraads ; woonde
ik aan het uiterste der zee; ook daar zou Uwe hand
mij geleiden, en Uwe rechterhand zou mij houden!"
De Arabische gazelle is zoo vlug als de wind.
Zoodra zij slechts een schijn of schaduw van den
jager bespeurt, zorgt zij wel, dat er onmiddellijk
een aantal steile klippen tusschen haar en hem zijn.
Salomo vergelijkt tot vier- of vijfmaal toe Christus
bij een Arabische gazelle (hoewel hij er een anderen
naam voor bezigt) als hij zegt: „Mijn liefste is ge-
lijk eene ree.\'1\'1
Het éénige onderscheid is hierin ge-
-ocr page 317-
3°9
legen, dat de ree van ons wegsnelt terwijl Jezus naar
ons toe komt. Wie anders dan Christus kon vlug ge-
noeg bij de hand geweest zijn om Petrus te helpen,
toen het golvend plaveisel onder den druk zijner voe-
ten bezweek ? Ik heb eens een vriend gehad, die tijdens
den grooten Amerikaanschen burgeroorlog op zekeren
dag post had gevat bij den spoorweg te Carlisle in den
Staat Pennsylvanië, toen er te Antietam gebrek aan
ammunitie was gekomen; en toen zag hij den trein uit
Harrisburg vertrekken, beladen met kruit en lood,
waarmede men onder donderend geraas naar het
slagveld ging. Hij zeide, dat die trein aan geen enkel
tusschenstation ophield. Voor geen enkele helling
liet men de remmen werken. Voor geen enkel ge-
vaar hield men op. De wielen waren gloeiend van
de snelle vaart, waarmede zij voorbijsnorden. Indien
de trein niet op tijd aankwam met de ammunitie,
kon hij evengoed in \'t geheel niet aankomen. En
zoo, mijne vrienden, zijn er ook tijden in ons leven ,
waarin wij onmiddellijk hulp moeten hebben — of
vergaan. De genade die te laat komt, is in \'t ge-
heel geen genade. Wat gij en ik noodig hebben,
is een God — nul O, is het geen heerlijke gedach-
te, dat God zich altijd zoo snellijk tot Zijne dierbare
kinderen spoedt? Wanneer een zondaar naar ver-
geving smacht, of een verdoolde ziel hulp noodig
heeft, — sneller dan duivenvleugelen, sneller dan
zwaluwvleugelen, sneller dan arendsvleugelen, zijn
dan de vleugelen van den Almachtige!
Ik doe u, het denkbeeld van mijn tekst verder uit-
werkende , voorts opmerken, dat de vleugelen, waar-
-ocr page 318-
3io
onder Ruth eene toevlucht was komen zoeken, zeer
brecde vleugelen
waren. Op het Rotsgebergte heeft
men arenden geschoten, die vleugelen hadden, welke
van punt tot punt bijna drie meter reikten. Wan-
neer de koning der lucht op zijne rots zit, spreidt
hij zijne vleugelen uit over al de arendjes in het
nest; en als de oude arend van de klip afsteekt,
doet zijne schaduw denken aan eene voorbijdrijvende
onweerswolk. En zoo zijn ook de vleugelen van
God brecde vleugelen. Ruth was onder die vleugelen
geweest in hare kindsche dagen, — in de dagen
van haar gelukkig meisjesleven in het land Moab;
ten dage toen zij hare hand gaf aan Machlon in
haar eerste huwelijk; ten dage toen zij schreide aan
zijn graf; ten dage toen zij heenzwierf in de wil-
dernis der armoede; in de dagen toen zij de weinige
gerstehalmen opraapte, die men volgens de goede
oude gewoonte onderweg liet vallen ten bate van
de armen.
O ja! de vleugelen van God zijn breede vleugelen.
Zij
bedekken al onze nooden, al onze zorgen, al
ons lijden. Zijn eenen vleugel strekt Hij over onze
wieg uit, en Zijn anderen vleugel over ons graf. Ja,
lieve vrienden, het is geen woestijn waarin wij ge-
plaatst zijn, — het is een nest. Soms is het een zeer
hard nest, zooals dat van een arend, uitgespreid
op de rots, van bundels mos en ruwe stokken, maar
het is toch altijd een nest; en — hoe hard het
dan ook ónder ons moge wezen, boven ons hebben
wij toch altijd de vleugelen van den Almachtige.
Er komen soms tijdperken in \'s menschen leven,
-ocr page 319-
3"
waarin de Christen zich geheel verlaten gevoelt.
„Alle dingen zijn tegen mij," zegt hij dan „De we-
reld is tegen mij. De Kerk is tegen mij. Nergens
belangstelling meer; geen hoop meer! Iedereen,
die in mijne nabijheid komt, werpt mij een steen
naar het hoofd. Ik betwijfel, ronduit gezegd, of
er wel een God is!" Alles schijnt scheef en
verkeerd te loopen. Er schijnt geen hand meer
te zijn, die het roer vasthoudt. Jobs gezondheid
wordt geknakt. Davids Absalom wordt een ver-
worpeling. Martha\'s broeder sterft. Abrahams
Sara daalt ten grave in de spelonk van Machpelah.
„Vervloekt zij de dag, waarop ik geboren ben ï"
heeft reeds menig Christen gezegd. David scheen
het uit te gillen van smart, toen hij zeide: „Zal
dan de Heer in eeuwigheden verstooten, en voortaan
niet meer goedgunstig zijn? Houdt Zijne goedertie-
renheid in eeuwigheid op ? Heeft de toezegging een
einde, van geslachte tot geslachte?"
En Job, wiens
keel zóó gezwollen en ontstoken was, dat hij zelfs
het speeksel zijns monds niet meer kon inslikken,
roept uit: „Hoe lang keert Gij U niet af van mij?
en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel in-
zwelgc ?" Zijn
er nooit oogenblikken in uw leven
geweest, waarin gij hen benijddet, die begraven
werden? Waarin gij verlangdet naar den tijd, dat
de doodgraver zijn werk voor u zou beginnen te doen?
O, die ongeloovigheid van het menschelijk hart!
Gods vleugelen zijn breed, of wij het weten of
niet.
Somtijds gaat het vrouwtje weg van het nest,
-ocr page 320-
312
en dan schijnt het zeer vreemd en onverklaarbaar,
dat zij de vederlooze jongen zoo maar aan hun lot
overlaat. Zij steekt haren snavel in den bast van
den boom, en zij boort hem in het korenveld, en
in den hoop stroo bij de deur der schuur, en in de
vorens van het pas omgeploegde land. Ondertus-
schen liggen de jonge vogelkens in het nest te ril-
len , en klagen zij steen en been, en schreeuwen zij
moord en brand, en kunnen zij onmogelijk begrijpen,
waarom hunne moeder toch niet terugkomt. Wel,
zij is uitgegaan om voedsel te halen. Een oogen-
blik daarna laat er zich een gesuis en geklepper van
vleugelen hooren, — en het wijfje staat op den
rand van het nest, en de kleintjes openen hunne
monden, en het voedsel valt er in; en daarna spreidt
de oude vogel hare vederen over hen uit, en alles
is vrede. En zoo verlaat God somtijds ons. Hij
gaat henen om voedsel voor onze ziel te zoeken;
en dan keert Hij na verloop van eenigen tijd weder
naar het nest terug, en zegt Hij: „Doet uwen mond
ivijd open, en Ik zal hem vervullen P\'
— en dan
werpt Hij er de heerlijke beloften Zijner genade in,
en wordt de liefde Gods over ons uitgespreid, en
bevinden wij ons weder onder Zijne vleugelen: de
breede vleugelen van den Almachtige!
Ja, zij zijn zeer breed\\ Er is plaats genoeg onder
die vleugelen voor de zestienhonderd millioen van
het menschelijk geslacht. „Neem de uitnoodiging
niet al te ruim ," voegt ge mij toe , „want er is niets
pijnlijkers , dan te veel gasten en te weinig plaats
te hebben." Dat weet ik wel. De „Evangelisatie onder
-ocr page 321-
3*3
de zeelieden" noodigt alle schepelingen uit. Het
„Traktaatgenootschap" noodigt alle gevallenen uit.
De Zondagsscholen noodigen alle kinderen uit. Het
Zendingsgenootschap noodigt alle heidenen uit. De
drukpersen der Bijbelgenootschappen zijn dag en
nacht in de weer, en doen niets anders dan uit-
noodigingen drukken voor dit groote feestmaal des
Evangelies. „En zijt gij niet bevreesd, dat er meer
gasten dan plaatsen zullen zijn ?" O neen! Allen
die genoodigd zijn, zullen nog niet half de ruimte
van Gods feescdisch bezetten. Er zijn nog stoelen
voor meer. Er zijn nog bekers voor meer. God zou
met één veder van Zijn vleugel al degenen kunnen
bedekken, die gekomen zijn; en wanneer Hij Zijne
beide vleugelen uitspreidt, bedekken zij heel de
aarde en heel den hemel. Gij Israëlieten, die door
de RoodeZee gingt, komt er onder! Gij menigten,
die gedurende de laatstverloopen zesduizend jaren
tot de eeuwige heerlijkheid ingingt, komt eronder!
Gij honderd vierenveertig duizend, en duizenden
bij duizenden, komt er onder! Gij vliegende cheru-
bijnen en aartsengelen, vouwt uwe wieken saam,
en komt onder deze vleugelen! En nóg is er plaats!
Ja, indien God heel de ruimte onder Zijne vleugelen
gevuld zou willen hebben, zou Hij nog andere
werelden moeten scheppen, en die met nog andere
myriaden zielen bevolken, en nog andere Opstan-
dings- en Oordeelsdagen moeten houden; want bree-
der dan alle ruimte, breeder dan de gedachte, wijder
dan de eeuwigheid, van top tot top, zijn de vleu-
gelen van den Almachtige! O, zoudt gij onder zulk
-ocr page 322-
3i4
eene beveiligende hoede niet verheugd kunnen zijn?
Komt er onder, gij zwefvelingen ! o dwalende,
o vermoeide, o bedroefde, o zondige, o stervende
zielen! Komt onder de vleugelen van den Almach-
tige! Al wie komen wil, laat hem komen. Voor al
de haveloozen, voor al de ellendigen, voor al de
verlatenen, voor al de verstootenen is er ruimte ge-
noeg onder die vleugelen: onder de breede vleu-
gelen van den Almachtige! O, welk een Evange-
lie ! Zoo heerlijk en zoo grootsch in zijne beveili-
gende hoede!
Ik doe u verder opmerken, dat de vleugelen,
waaronder Ruth een toevlucht kwam zoeken, sterke
vleugelen
waren. De sterkte van een vogel vleugel
—   bijvoorbeeld van een trekvogel — kunt gij be-
rekenen uit het feit, dat hij soms vijf, zes of zeven
dagen achtereen schijnt te vliegen zonder te rusten.
Er zijn in de Amerikaansche gebergten gieren ge-
weest , die een os of een hert konden meester wor-
den. Er zijn arenden geweest, die kinderen opge-
nomen en naar den top van een rots medegevoerd
hebben. De slag van een arendsvleugel is doodelijk
voor al wat er door getroffen wordt. Er zijn vogels,
wier vleugelen toegerust zijn met de kracht om te
vliegen, om op te heffen, om te verwoesten. En
zoo zijn ook de vleugelen van God sterke vleugelen.
Machtig om te redden. Machtig om te verderven.
Ik predik Hem u: „de Heer, sterk en geweldig,
—    de Heer geweldig in den strijd!"1 Hij sloeg met
Zijn vleugel, en de wereld vóór den zondvloed was
verdwenen. Hij sloeg met Zijn vleugel, en Babylon
-ocr page 323-
3^5
was verwoest. Hij sloeg met Zijn vleugel, en Her-
culanum was onder de asch van den Vesuvius be-
graven. Hij sloeg met Zijn vleugel, en het geslacht
der Napoleons was uitgestorven. Tegenover den
slag van dien vleugel is een vloot niets. Is een leger
niets. Is een Keizerrijk niets. Is een wereld niets. Is
het heelal niets. Als Koning — de Eeuwige en de
Almachtige — vraagt Hij geen raad van de tronen
des hemels. Hij roept den aartsengel niet in Zijn
kabinet. Hij heeft niemand noodig om zijne wagenen
te trekken , want het zijn de winden. Niemand om
Zijne batterijen te laden, want het zijn de bliksem-
stralen. Niemand om de sandalen Zijner voeten vast
te binden, want het zijn de wolken. Machtig om te
redden! Onze vijanden mogen sterk zijn, en onze
zorgen nijpend. Onze zonden mogen groot zijn.
Maar sneller dan een arend ooit een havik of een
raaf van de rotsen afslingerde, zal de Heer onze
zonden en onze verzoekingen afslaan, indien zij ons
aanvallen wanneer wij eenmaal op de eeuwige rots
Zijner verlossing gezeten zijn. Welk een onwaar-
deerbare zegen is het, verdedigd te worden door
de sterke vleugelen van den Almachtige!
Ik heb u nu nog slechts ééne gedachte voor te
stellen. De vleugelen waaronder Ruth een toevlucht
was komen zoeken, waren zachte vleugelen. Er is
niets zachters dan een veer. Gij zult wel- eens op-
gemerkt hebben, als een vogel van zijne rondvlucht
terugkeert, hoe behoedzaam hij zich dan over het
nest buigt. De jonge vogelkens behoeven niet bang
te zijn, dat zij door hun vader of moeder doodge
-ocr page 324-
316
trapt zullen worden: de oude lijster laat zich in zijn
nest van bladeren glijden, de leeuwerik in zijn mandje
van boombast, de kolibrie in zijn wiegje van mos,
— allen zoo zacht als het licht. En zóó zegt de
Psalmist, „zal Hij u mei 2.ijne vleugelen bedekken."
O, die zachtmoedigheid van God! Maar zelfs dit
zinnebeeld geeft de zaak niet volkomen getrouw
weer; want ik heb wel eens een blik geworpen op
een vogelnest, en er een dood vogeltje in zien lig-
gen: het leven was er door de onbeholpen voeten
der moeder uitgeperst. Maar van allen, die een
schuilplaats hebben gezocht onder de vederen van
den Almachtige, is er nog nooit één vertreden!
Gezegend nest! warm nest! Waarom zouden de
menschen buiten blijven staan in de koude, om aan-
gevallen te worden door de verzoeking en te ver-
stijven in den winterstorm, terwijl er toch een god-
delijke schuilplaats voor hen bestaat? Prachtiger dan
alle bloemen, die ik ooit gezien heb, zijn de veeren
op het lichaam van een vogel. Hebt gij ze wel ooit
eens nauwkeurig bezien, in de vrije natuur of in
de diergaarde? De merel, die als een zwarte scha-
duwvlek door het zonlicht heen drijft; de veldleeu-
werik, met een valen kop, een hals van fluweel en
een borst van goud; de roode flamingo\'s, die over
de Zuid-Amerikaansche moerassen heen vliegen, als
vonken uit den vuurgloed der ondergaande zon; de
pelikaan, wit en zwart — morgen en nacht door-
eengestrengeld in zijne vleugelen — , die allen geven
slechts een zeer flauw begrip van de schoonheid,
dje er over de ziel komt, wanneer de vederen van
-ocr page 325-
M
den Almachtige op haar vallen. Vouwt hier uwe
vermoeide vleugelen saam! Dit is het c\'énigc veilige
nest.
Alle andere nesten zullen verwoest worden.
„Al verliieft gij u gelijk de arend, en al steldet gij
uw nest tusschen de ster f en, zoo zal Ik n van daar
nederstooten
, spreekt de Heer.\'" Onder de snelle
vleugelen, onder de breede vleugelen, onder de
sterke vleugelen , onder de zachte vleugelen van den
Almachtige, — zoekt daar een schuilplaats totdat
die rampen voorbij zijn ! En als gij dan van nest
moet veranderen, zal het alleen zijn uit de vallei
der aarde naar de bergtoppen des hemels; en in-
plaats van „de vleugelen eener duive," waarnaar
David verlangde, niet wetende dat zij in de eerste
mijl hunner vlucht reeds krachteloos zouden worden,
zult gij omhoog gevoerd worden door den Heer,
den God Israëls, onder Wiens vleugelen Ruth, de
schoone Moabietische , eene toevlucht vond! — Amen.
-ocr page 326-
-ocr page 327-
XXI.
HET MACHTIGSTE WAPEN.
Er is zijns gelijke niet; geef het
mij!
                   1 Samiki. XXI : 9.
David vluchtte voor zijne vervolgers. De wereld
loopt zeer snel, wanneer zij jacht maakt op een
goed man. De gansche omtrek tracht David te
vangen en hem dood te slaan. David gaat in het
huis van een priester en vraagt hem om een zwaard
of een spies, om er zich mee te verdedigen. De
priester, niet gewoon aan het hanteeren van doode-
lijke wapenen, verzekert David, dat hij er hem niet
aan kan helpen; maar eensklaps herinnert de pries-
ter zich een oud zwaard, dat zorgvuldig ingepakt
en weggeborgen was: hetzelfde zwaard dat Goliath
vroeger gebruikte, — en hij gaat dat zwaard halen ,
en terwijl hij het scherpe, glinsterende, gedenkwaar-
dige lemmet uitpakt, komt David op het denkbeeld,
dat dit het eigen zwaard is, dat tegen hem zelf
gekeerd werd, toen hij strijd voerde met Goliath.
-ocr page 328-
3&J
En nu kan David er bijna de handen niet meer af-
houden en geduldig wachten, totdat de priester het
geheel van zijne omhulsels ontdaan heeft. David
strekt zijne hand naar dat oude zwaard uit en zegt:
„Er is zijns gelijke niet; geef het mij!" Met andere
woorden: „Ik wil in mijn eigen hand het zwaard
hebben, dat vroeger tegen mij gekeerd is geworden
en tegen de zaak des Heeren." En zoo werd het
hem gegeven.
Wel, mijne vrienden, dit is niet het eerste of het
laatste zwaard, dat vroeger door de ongerechtig-
heid van reuzen en Philistijnen gehanteerd werd,
en nu in het bezit is gekomen van Jezus Christus
en Zijne heerlijke Kerk. Ik wensch, voor zooveel
God er mij toe helpen zal, u te doen zien, dat
menig wapen, eertijds gebezigd tegen de heirscharen
des Heeren, thans door ons buitgemaakt wordt en
aan onze zaak dienstbaar gemaakt, en ik doe niets
anders dan Davids voorbeeld volgen, wanneer ik
mijne hand uitstrek naar het lemmet van den Filis-
tijn en uitroep: „Er is zijns gelijke niet; geej liet mij.r\'
In de eerste plaats doe ik u opmerken, dat dit
eene waarheid is ten opzichte van alle ivetenschappe-
lijke nasporingen.
Gij weet, dat van de eerste ont-
dekkingen op het gebied der sterrenkunde en der
aardkunde en der tijdrekenkunde gebruik werd ge-
maakt om het Christendom aan te vallen. De wijs-
heid dezer wereld kwam uit haar laboratorium en
uit haar observatorium, en zeide: „Ziezoo! nu zul-
len wij eens bewijzen, juist uit den bouw en de
samenstelling der aarde, en uit de beweging der
-ocr page 329-
&t
hemellichamen, dat de Bijbel een leugenboek is, en
dat het Christendom, zooals wij het onder de men-
schen aanschouwen , in den volsten zin des woords
bedriegerij is te noemen!" De godvreezende lieden
beefden. De telescoop, de Leidsche flesch, de
electrische batterijen , allen in handen der Filistijnen !
Maar op zekeren dag liet het Christendom, dat rond-
zag naar een wapen waarmede het zich kon verde-
digen , zijn blik vallen op hetzelfde oude zwaard,
dat die ongeloovige Filistijnen tegen de Waarheid
gekeerd hadden, en riep het uit: „Er is zijns ge-
lijke niet; geej liet mij!"
En Copernicus, en Gallileï,
en Kepler, en Isaac Newton traden op, en verhaal-
den aan de wereld hoe zij, bij hun doorvorschen
van de aarde en den hemel, overal de ontzagwek-
kende tegenwoordigheid hadden gevonden van dien
God, dien wij aanbidden. En deze oude Bijbel begon
zich te ontworstelen aan den Koran der Mahome-
danen, en de Shashtra of heilige boeken der Hin-
does, en den Zendavesta der Perzen, waaronder hij
bedolven was geworden; en hij werd neergelegd
op de schrijftafel van den geleerde, en in het labo-
ratorium van den scheikundige, en in den schoot van
den Christen, ongedeerd en onweerlegd, terwijl de
klokketorens onder den middernachtelijken hemel een
zilveren loflied tot zijne eer aanhieven.
De wereldsche wijsheid zeide: „De stof is eeuwig.
Deze wereld is er altijd geweest. God heeft haar
niet geschapen." De Christelijke wijsheid boort haar
houweel in de rotsen, en ontdekt dat de wereld
trapsgewijze gemaakt werd; en als zij trapsge-
-ocr page 330-
322
wijze gemaakt is, moet er een of ander punt
geweest zijn, waarbij de bewerking een aanvang ge-
nomen heeft. Daarna kwam de vraag: Wie maakte
er een aanvang mede? En zoo werd die tegenwer-
ping weerlegd, en in de eerste drie woorden van
den Bijbel vinden wij, dat Mozes een heerlijke waar-
heid boekstaafde, toen hij zeide: Jn den beginne.\'\'1
De wereldsche wijsheid zeide: „Uw Bijbel is een
hoogst onnauwkeurig boek; al die geschiedenissen
in het Oude Testament, die daar telkens en tel-
kens weer verteld worden, over een heirleger van
sprinkhanen, — ze zijn klinkklare ongerijmdheid!
Er is niets in het opkomen van sprinkhanen, dat
aan een leger doet denken. Een leger marcheert,
en sprinkhanen vliegen. Een leger rukt op volgens
een bepaalde orde en in optocht; de sprinkhanen
zonder orde/\' — „Wacht even!" zegt de Christelijke
wijsheid; en in het jaar 1868, in het zuidwestelijk
gedeelte van ditzelfde Amerika, gingen Christe-
lijke mannen uit, om de wijze van voorttrekken der
sprinkhanen te onderzoeken. Er zitten hier recht
tegenover mij mannen, die in het zooeven genoemde
gedeelte des lands moeten opgemerkt hebben, dat
het optrekken der sprinkhanen als bij een leger
ging; en het bleek toen ook, dat al de dagbladen
ze in vollen ernst een leger noemden. Waarom ?
Zij schijnen een aanvoerder te hebben. Zij marchee-
ren als een troep militairen. Zij houden halt als een
regiment krijgsvolk. Geen pijl ging ooit in rechter
vlucht dan de sprinkhanen aankomen, — zij gaan zelfs
niet uit den weg voor den wind. Wanneer de wind
-ocr page 331-
323
opsteekt, laat de sprinkhaan zich zakken, en gaat
dan weer omhoog, nadat hij naar beneden is gegaan,
steeds dezelfde marschlinie houdende, zonder er een
voetbreed van af te wijken. De oude Bijbel heeft
dus gelijk, telken keer wanneer hij van de komst
der sprinkhanen spreekt als van een leger, — en de
wereldsche wijsheid heeft ongelijk.
De wereldsche wijsheid zegt: „Heel dat verhaal
van het licht, dat het „veranderd zou worden gelijk
zcgclleetn
," is eenvoudig dwaasheid en onzin." In
den ouden tijd zeide de wereldsche wijsheid: „Het
licht komt recht naar beneden." De Christelijke
wijsheid zeide: „Wacht een oogenblikje!" en zij gaat
heen, en doet ontdekkingen, en bemerkt dat de damp-
kring de lichtstralen rondom de aarde kronkelt en
buigt, letterlijk „als zegclleem." De Bijbel krijgt weder
gelijk; de wereldsche wijsheid heeft weder ongelijk.
„Och," zegt de wereldsche wijsheid, „al die beeld-
spraak in het boek Job aangaande de fondamenten
der aarde is eenvoudig een ongerijmdheid. „Waar
waart gij,\'"
vraagt God, Jocn Ik de aarde grondde?""
„De aarde heeft geen grondvesten V\' — De Christelijke
wijsheid komt en bemerkt, dat het woord, nu ver-
taald met „gronden," beter vertaald ware geweest
met „in hare holte leggen." En zie nu eens, hoe
het gelezen wordt, indien het juister vertaald is:
Waar waart gij, toen Ik de aarde in hare holte
legde?"1
Waar is die holte? Het is de palm van
Gods hand, — een holte die groot genoeg is, dat
er een wereld in om kan draaien!
Ik dank God, dat de tijd gekomen is, waarin de
-ocr page 332-
324
Christenen niet meer behoeven uitgesloten te worden
van alle wetenschappelijke onderzoekingen. De zaak
is, dat de godsdienst en de wetenschap elkaar de
hand gedrukt hebben ten teeken van eeuwige vriend-
schap; en hoe dieper de geologie nu in de aarde
kan graven, en hoe hooger vlucht de sterrenkunde
kan nemen, des te beter voor ons. De legerscharen
van onzen Heere Jezus Christus hebben de obser-
vatoriums der wereldsche wetenschap bestormd , en
van de hoogste torens hebben zij de banier des
kruises laten wapperen ; en het Christendom strekt
op den huidigen dag, van de observatoriums in alle
Christelijke Staten van Europa en Amerika, hare
handen uit naar het hem bestrijdende wetenschap-
pelijk wapen, uitroepende: „Er is zijns gelijke niet;
geej het mij!"
Ik las gisteren van den grooten Engel-
schen sterrenkundige Sir John Herschel, die door
een telescoop naar een meteoor keek; en toen de
meteoor voorbij de lens van den telescoop kwam,
was het licht zóó krachtig, dat hij zijne oogen moest
sluiten en afwenden. En zoo is ook menig sterren-
kundige naar een observatorium gegaan, en heeft
hij naar boven gezien om den middernachtelijken
hemel te bestudeeren, totdat de Heer onze God,
door middel van de een of andere voorbijwentelende
wereld, een vlam voor het oog zijns geestes deed
opgaan, zoodat de geleerde man uitriep: „Wie ben
ik? Een kind des verderfs ! Een onreine! Wees mij
genadig, o Heere God!"
Voorts doe ik u opmerken, dat de reiszucht der
•wereld, die noodlottig was voor de zedelijkheid en
-ocr page 333-
325
den godsdienst, aan onze zijde gebracht wordt. De
man die naar Jericho ging en onder de moorde-
naars viel, was het type van eene groote menigte
reizigers. Er is menig man, die zich tehuis onkreuk-
baar eerlijk en fatsoenlijk gedraagt, maar — zoodra
hij buitenslands is — zich zijne eer laat ontglippen
en zijne goede manieren ontstelen. Er zijn slechts zeer
weinig mannen, die tegen de verzoekingen eener
expeditie bestand zijn. Zes weken op een badplaats
heeft menigeen in het verderf gestort. In den ouden
tijd verbood God het reizen der menschen wegens
zaken van handel, met het oog op den verderflijken
invloed, die er steeds mede gepaard gaat. Een groote
menigte menschen zijn nog op den huidigen dag
niet bestand tegen de verplaatsing van de eene
stad naar de andere. Sommige menschen, die thuis
zeer standvastig schijnen te zijn in de wijze waarop
zij de Zondagsrust handhaven, gaan altijd, wanneer
zij in Spanje komen, op den Dag des Heeren naar
de stierengevechten kijken. Plato zeide, dat er geen
enkele stad dichter dan op tien mijl afstands van
de zee mocht gebouwd worden, opdat zij niet
verleid zou worden tot den koophandel. Maar
deze reiszucht der wereld, die zoo noodlottig
werkte op hetgeen goed is, wordt naar onzen
kant overgebracht. Die spoortreinen nu, die zijn
er om onze Bijbels te vervoeren; die stoomsche-
pen, zij zijn er om onze zendelingen over te bren-
gen; die zeelieden, zich voortspoedende van stad
tot stad rondom de geheele wereld, zullen bekeerd
worden tot Christelijke herauten, om uit te gaan en
-ocr page 334-
326
Jezus Christus te prediken onder de heidensche
natiën. De Evangeliën hebben onbeschrijflijk ge-
wonnen aan schoonheid en kracht, sedert Engel-
sche en Duitsche en Fransche oudheidkundigen en
historievorschers terug zijn gekomen en ons verhaald
hebben van Siloam, en Kapernaum, en Jeruzalem,
ons de leliën hebben aangewezen waarover Jezus
predikte, de kust waarop Paulus schipbreuk leed,
de veren waar de Jordaan gepasseerd kon worden,
het strand der Roode Zee, waarop de doode licha-
men der verdronken Egyptenaren aanspoelden.
Iemand heeft eens gezegd: „Als een ongeloovige
ging ik naar het Heilige Land, en als een Christen
kwam ik er van terug. Ik kon er niets tegen doen!"
Ik heb nooit iets stuitends kunnen vinden in het
denkbeeld, om een spoorweg naar en door het
Heilige Land aan te leggen. Ik wenschte wel, dat
de geheele wereld Golgotha en Bethlehem kon gaan
zien. Indien wij geen geld genoeg hebben om muil-
ezels en drijvers tte huren, welnu, misschien zijn
wij, wanneer de spoorweg is aangelegd, genoeg bij
kas om een kaartje van Konstantinopel naar Joppe
te koopen, en dan kunnen wij op die wijze het
Heilige Land gaan zien. *) Laat de Christenen dan
gaan reizen! God behoede de spoortreinen, en ge-
leide de stoomschepen, die zich heden nacht al stam-
pend en hijgend een weg banen door het diep in het
phosphorisch lichtende zog der stralende voeten van
*) De lezer neme hierbij in aanmerking, dat deze leerrede werd uitge-
sproken in Augustus 1889, en de aanleg van spoorwegen in het Heilige Laad
sedert dien tijd een feit is geworden.
                                                  1\'crl.
-ocr page 335-
327
Hem, die van de eene goltkruin tot de andere de
onstuimige zee van Tiberias bewandelde!
De Japanners komen van over het water tot ons
en zien onze beschaving , en onderzoeken ons Chris-
tendom , en keeren huiswaarts, en vertellen alles wat
zij gezien en gehoord hebben, en houden dat Rijk
in spanning totdat Jezus daar regeeren zal,
«Vanwaar de zon
«Reeds eeuw aan eeuw, en dag aan dag, haar loop begon.»
En de vuurwapenen, waarmee de ongeloovige
reiziger den Arabischen ruiter en de jakhalzen der
woestijn nedervelde, zijn aan de Kerk overgegeven,
en wij strekken er onze handen naar uit, roepende:
„Er is zijns gelijke niet; geef het mij!
Zoo is het ook gegaan met de geleerdheid en de
welsprekendheid der wereld.
De menschen zeggen:
„Godsdienst is zeer goed voor vrouwen, en zeer goed
voor kinderen, maar niet voor mannen/\' Maar wij
hebben op de monsterrol van Christus\' heirleger:
Mozart en Handel in de muziek; Canova en Angelo
in de beeldhouwkunst; Raphaël en Reynolds in de
schilderkunst; Harvey en Boerhaave in de genees-
kunde; Longfellow en Da Costa in de dichtkunst;
Grotius en Burke in de Staatswetenschappen; Boyle
en Leibnitz in de wijsbegeerte; Thomas Chalmers en
Charles Spurgeon in de theologie. De schitterendste
pennevruchten op wereldsch gebied gloeien allen van
aanhalingen uit, of toespelingen op de Heilige Schrift.
Te midden van de redevoeringen der Parlementen
-ocr page 336-
328
en de voordrachten der professoren dondert Sinaï,
en pleit Golgotha, en fonkelt .Süoam.
Samuel L. Southard was machtig in de rechtszaal
en in de Senaatskamer; maar zijne krachtigste wel-
sprekendheid bewaarde bij voor dien dag, toen hij
stond tegenover de letterkundige genootschappen te
Princeton Commencement en voor de grootheid van
onzen Bijbel pleitte. Daniël Webster verwierf zich
niet zijne rijkste lauweren, toen hij Hayne tot zwij-
gen bracht, noch toen hij de batterijen zijner wel-
sprekendheid opende op Bunker Hill, dien schom-
melenden Sinaï der Amerikaansche Revolutie; maar
op dien dag toen hij, in de vermaarde zaak van het
testament-Gerard, zijne liefde voor het geloof in
Jezus deed blijken en den lof des Bijbels verkondigde.
De welsprekendheid en de geleerdheid, die aan de
overzijde geweest zijn, zijn naar ónze zijde overge-
komen. Waar is Gibbons geschiedschrijverspen?
Waar is Robespierre\'s zwaard? Buitgemaakt voor
God! „Er is zijns gelijke niet; geef het mij!"
Zoo is het ook gegaan met de beeldende kunst der
wereld.
Wij waken er in onze dagen met groote
bezorgdheid voor, dat de drukpers en de kansel aan
de zijde van het Christendom staan; maar wij over-
zien de naald des graveurs en het penseel des
schilders. De oudheidkenner gaat beschilderde ruï-
nes bezichtigen , of hij onderzoekt de gebeeldhouwde
pilaren van Thebe en Nineveh en Pompeji, en komt
dan terug om ons te verhalen van de beestachtige
liederlijkheid der oude kunst; en nu is het een feit,
dat velen der prachtigste meesterstukken — louter
-ocr page 337-
329
uit artistiek oogpunt beschouwd — van beeldhouw-
kunst en schilderkunst, die te midden dier ruïnen
gevonden worden, niet geschikt zijn om bezichtigd
te worden, en daarom zijn zij weggesloten. Wat
moet er niet in Paulus zijn omgegaan, toen hij — staan-
de te midden van aldie onreinheden, die hem van de
muren en de plaveisels en de bazaars van Corinthe
aangrijnsden — den reinen en heiligen Jezus verkon-
digde! De kunst der wereld aan de zijde van on-
tuchtigheid en zonde en dood.
In later dagen werden de paleizen der koningen
versierd met schilderwerken. Maar wat was voor
den onreinen koning Hendrik VIII van Engeland
een prachtig portret der maagd Maria? Wat voor
Lord Jeffreys, den onrechtvaardigen rechter, de af-
beelding van het Laatste Oordeel? Wat voor Nero,
den ongewasschene, een voorstelling van den doop
in de Jordaan? De kunst der wereld nog aan de
zijde van ongeloof en dood! Doch daar is nu ver-
andering in gekomen. De Christelijke kunstenaar
hier in Amerika steekt de zee over, bezichtigt de
schilderijen, en neemt naar zijn atelier veel van de
kracht dier oude meesters mede. De Christelijke
predikant gaat het water over naar Venetië, bezich-
tigt de „Kruisiging van Christus", en keert naar
zijn Amerikaanschen kansel terug, om zooals nooit
vóór dezen te spreken over het lijden des Zaligma-
kers. De particuliere tourist gaat naar.Rome, en
bezichtigt er Raphaels afbeelding van het „Laatste
Oordeel." De tranen komen hem in de oogen, en
hij keert huiswaarts naar zijne kamer in het hotel,
-ocr page 338-
33°
en bidt God om hem bereid te maken voor dien dag,
waarop „de vlammende hemelen, verschrompelend
als een gezengd papier, zullen samenrollen."
De bladen en tijdschriften en wanden onzer Zon-
dagsscholen zijn versierd met afbeeldingen van Jo-
zef in de gevangenis, van Daniël in den leeuwen-
kuil, van Sadrach in den vurigen oven, van Paulus
in de schipbreuk, van Christus aan het kruis. O,
dat wij toch, in onze huisgezinnen, wat méér moch-
ten denken om den machtigen invloed van Christe-
lijke platen en schilderijen! Eén kleine schets van
den biddend neergeknielden Samuel zal op uwe kin-
deren méér indruk maken, dan twintig preeken over
godsvrucht. Eén geduldig gelaat van Christus door
de hand eens kunstenaars zal voor uw kind méér
beteekenis hebben, dan vijftig preeken over lijdzaam-
heid. De kunst der wereld is veroverd voor Chris-
tus. Wat is er geworden van Thorwaldsens beitel
en Gustave Doré\'s potlood? Buitgemaakt voor de
Waarheid! „Er is zijns gelijke niet; geef het mij7"
En zoo, doe ik u opmerken, is het ook met de scherp-
zinnigheid en den tact bij de uitoefening van beroep ofbe~
drijf.
Toen de Heiland op aarde rondwandelde,
hadden de lieden, die Hem volgden, voor het mee-
rendeel geen maatschappelijke positie. Er was slechts
één man van voorname afkomst en groot vermo-
gen in heel den kring der discipelen. Jozef van
Arimathea, de rijke man, getroostte zich volstrekt
geen groote opoffering, toen hij een grot in de rots
voor het lijk van Christus aanbood. Hoeveel handel-
drijvenden in Klein-Azië waren bevriend met Jezus ?
-ocr page 339-
33*
Ik kan er mij slechts één herinneren, eene vrouw:
Lydia. Hoeveel villa\'s en lustsloten op de kust van
Galilea voorzagen in Jezus\' onderhoud? Niet één!
Toen Petrus te Joppe kwam , nam hij zijn intrek ten
huize van Simon, een leerlooier. Welke macht had
Christus\' naam op de Beurs te Rome, of in de ba-
zaars te Corinthe? Geene! De toongevende mannen
dier dagen wilden liever niet hunne reputatie op
het stuk van gezond verstand in de waagschaal
stellen, door te verklaren, dat zij tot Zijne volgelin-
gen behoorden.
Doch nu is dat alles veranderd. Tot de invloed-
rijkste mannen in onze groote steden behooren op
den huidigen dag de Christelijke kooplieden en de
Christelijke bankiers; en indien morgen op de Beurs
of in de Kamer van Koophandel deze of gene den
euvelen moed mocht hebben om den Naam van onzen
Heere Jezus te lasteren, zou hij onmiddellijk tot
zwijgen gebracht of op straat gezet worden. In de
voorste gelederen van al onze Christelijke arbeiders
bevinden zich op den huidigen dag de Christelijke
kooplieden; en de ondernemingen der wereld zijn
naar den rechten kant overgaan. Eenige jaren ge-
leden werd er bij testament een boerderij vermaakt,
met bepaling dat al de opbrengsten dier boerderij
besteed moesten worden aan het verspreiden van
ongeloovige boeken. Op de een of andere wijze
kwam er verandering in den stand van zaken; en
nu komen al de opbrengsten dier boerderij aan de
Zendingszaak ten goede. Een der prachtigste druk-
persen die er ooit in elkaar gezet werden, was ver-
-ocr page 340-
$&
vaardigd met het opzettelijke doel om er ongeloovige
traktaatjes en boeken mede uit te geven. En tegen-
woordig drukt diezelfde pers niets anders dan exem-
plaren der Heilige Schrift! Ik geloof dat er een
tijd zal komen, waarop in de handelskringen de stem
van Christus de machtigste van alle stemmen zal
zijn, en de schepen van Tarsis geschenken zullen
aanbrengen, en de Koningin van Scheba hare heer-
lijkheid , en de wijzen uit het Oosten hunne myrrhe
en wierook. Ik overzie de handelsmannen onzer
groote koopsteden, en verheug mij in het vooruit-
zicht, dat al hun tact, en al hun onkreukbaarheid,
en al hun talent over eenigen tijd aan den
dienst van Christus gewijd zullen worden. Het zal
een der machtigste wapenen zijn: „Er is zijns gelijke
niet; geef het mij!"
Welnu, indien hetgeen ik gezegd heb de waarheid
is, weg dan met alle neerslachtigheid! Indien de
wetenschap aan de rechte zijde komt, en de reiszucht
der wereld aan de rechte zijde, en de geleerdheid
der wereld aan de rechte zijde, en de beeldende
kunst aan de rechte zijde, en de takt en scherpzin-
nigheid in \'s werelds beroepen en bedrijven aan de
rechte zijde, dan: — „U\', o Heer, is het Koninkrijk /"
O, sluit u bij ons aan, alle gij volken! Het is iets
groots, tot zulk een leger te behooren, en geleid
te worden door zulk een Aanvoerder, en dat op
den weg naar zulk een overwinning! O, indien het-
geen ik gezegd heb de waarheid is, dan is Chris-
tus bezig om voor Zichzelven uit deze wereld alles
bijeen te zamelen wat iets waard is, en zal er niets
-ocr page 341-
333
anders dan het kaf overgelaten worden. Een pro-
clamatie van amnestie gaat thans uit van den troon
Gods, zeggende: „O, alle gij dorstigen, komt tot de
wateren
/" Hoe lang gij ook moogt hebben rondge-
zworven, hoe groot uwe zonden ook geweest mo-
gen zijn: „De Geest en de bruid zeggen: Kom! En
die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kotne,
en die wil, neme het water- des levens om niet!\'\'\'
O,
dat ik heel deze schare toehoorders naar de zijde
van Christus kon doen optrekken ! Hij is de beste
Vriend, die de mensch ooit gehad heeft. Hij is zoo
goed, — Hij is zoo liefderijk, zoo medelijdend ! Ik
kan niet begrijpen, hoe gij van Hem kunt wegblij-
ven. Komt nu, en neemt Zijne genade aan. Aan-
schouwt Hem, terwijl Hij de armen Zijner zaligheid
naar u uitstrekt, zeggende : „ Wendt u tot Mij, en
wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik
ben God, en niemand meer!\'"
Doet nu voor altijd een
beslissende keuze. Gij zult zijn öf als wilgen, ge-
plant aan waterbeken, of als het kaf, dat door
den wind her- en derwaarts wordt gestrooid. God
geve u kracht tot het doen en tot het volgen uwer
keuze! — Amen.
-ocr page 342-
-ocr page 343-
XXII.
GODS TUIN.
Gij zult ziju als een gewaterd hof.
Jksaja I.VI1I : 11.
De Bijbel is een groot dichtstuk. Wij vinden er een
vlekkeloozen rhythmus in, en eene stoute beeld-
spraak, en aangrijpende tegenstellingen, en verheven
lyriek, en lieflijke herderszangen, en leerrijke ver-
halen , en godvruchtige psalmen.
Dit groote dichtstuk zet al de juweelen der
aarde in zijn kroon , en het weeft de vlammen des
oordeels in zijne kransen, en stort eeuwige harmo-
nieën in zijn rhythmus uit. Alles wat door dit Boek
wordt aangeraakt, wordt er schoon en verheven
door gemaakt: van de eenvoudige steenen in den
zomerdorschvloer af, tot de dochters van Nahor
toe, die den drinkbak voor de kemelen vulden; van
de vischvijvers van Hesbon af, tot den Psalmist
toe, die God looft met den vollen omvang der
tonen van storm en wervelwind, en tot Jobs toe-
-ocr page 344-
336
speling op den Orion, den Wagen en het Zevenge-
starnte toe.
De Kerk wordt in mijn tekst zeer toepasselijk
vergeleken met een hof, of tuin, omdat het de plaats
is van uitgelezen bloemen, van uitverkoren vruchten,
en van overvloedige besproeiing. Dat zou wel een
zonderlinge tuin zijn, waarin geen bloemen groeiden!
Al waren zij ook nergens elders, dan zouden zij
toch langs de grasranden of aan den ingang bij het
hek staan. Zelfs de eenvoudigste smaak zal iets van
dien aard begeeren, al ware het dan ook niets an-
ders dan de ouderwetsche herfstroos, of de dahlia, of
de narcis; maar wanneer er over ruimer middelen te
beschikken is, dan zult gij de Mexicaansche cac-
tus vinden, en de heerlijk blozende azalea, en
de bloemtrossen der oleanders. Welnu, Christus
komt tot Zijnen tuin, en Hij plant er eenigen
van de uitnemendste geesten in, die er ooit op de
wereld bloeiden. Sommigen hunner zijn viooltjes,
onopgemerkt, maar lieflijk als de hemel. Gij moet
ze gaan zoeken, om ze te vinden. Gij ziet ze mis-
schien niet zeer dikwijls, maar gij kunt bemerken
waar zij geweest zijn, aan het verhelderde ge-
laat van den zieke, aan het takje geraniums op het
beddetafeltje, en aan de nieuwe venstergordijnen,
die den gloed van den zonneschijn buiten houden.
Zij gelijken misschien meer op de ranonkels, die
lieflijk voortkruipen te midden van de doornen en
distelen des levens, en met een kus troostend na
eiken doornsteek. En menigeen die op zijn levens-
pad met de een of andere groote, zwarte rots van
-ocr page 345-
337
zorg en tegenspoed had te worstelen, heeft be-
merkt, dat zij haar aan alle kanten hebben over-
dekt met bloeiende jasmijnen, die overal tusschen
de spleten naar buiten komen. Deze bloemen in
Christus\' tuin zijn niet als de zonnebloem, die \'t
best in het volle licht tiert, — maar overal waar
er donkerheid is gekomen over eene ziel, die be-
hoefte aan troost heeft, daar staan zij, als in den
nacht bloeiende cactussen.
Maar in Christus\' tuin zijn er óók planten, die mis-
schien beter te vergelijken zijn met Mexicaansche
cactussen: doornen van buiten, lieflijkheid van bin-
nen, — menschen met scherpe punten aan hun ka-
rakter. Zij kwetsen bijna iedereen, die hen aan-
raakt. Zij zijn hard om te behandelen. De menschen
verklaren van hen, dat het niets anders dan doornen
zijn, maar Jezus heeft hen lief, ondanks al hunne
scherpte. Menigeen heeft een zeer harden grond te
bebouwen gehad, en alleen door zware beproevin-
gen is het mogelijk geworden, dat hij nog een
klein oogstje van genade heeft kunnen binnenhalen.
Een zeer barsche predikant was in gesprek met een
zeer minzamen ouderling, in den loop van welk
gesprek de minzame ouderling tot den barschen pre-
dikant zeide: „Dominee! ik zou wel willen dat ge
uw humeur wat in bedwang hieldt." — „Mijn vriend,"
antwoordde de predikant aan den ouderling, „ik
bedwing méér humeur in vijf minuten, dan gij in
vijf jaren!"
Voor sommige menschen valt het veel moeilijker
het goede te doen, dan voor andere menschen. De
-ocr page 346-
33Ö
genade, die ü tot den zevenden hemel zou opheffen,
is misschien voor uwen broeder niet voldoende om
hem te weerhouden, zijn naaste te slaan. Ik had
een vriend, die tot mij kwam en zeide: „Ik durf mij
niet bij de Kerk aansluiten." — „Waarom niet?"
vroeg ik. — „O," antwoordde hij, „ik heb zulk
een opvliegend karakter. Gisteren ochtend stak ik
reeds zeer vroegtijdig met de veerpont de rivier
over, en zag ik een melkboer een groote hoeveel-
heid water in zijn melkemmer gieten, waarom ik
hem toeriep: „Zoo zal het wel goed worden, denk
ik \\" hetgeen voor hem een reden scheen te zijn
om mij te beleedigen, zoodat ik hem met mijn
vuist tegen den grond sloeg. Vindt gij wel, dat ik
mij bij de Kerk mag aansluiten?" Niettemin, die-
zelfde man, die zoo ruw en opvliegend in zijne ge-
dragingen was, had Jezus lief en kon niet spreken
over geestelijke dingen zonder tranen van ontroering
en toewijding. Doornen van buiten, lieflijkheid van
binnen: de beste soort van Mexicaansche cactus,
die ik ooit zag.
Er zijn anderen in Christus\' tuin geplant, die al-
tijd stralend, altijd indrukwekkend zijn, — meer ge-
lijkend op de rozen van donkere kleur, die wij nu
en dan wel eens vinden , en „Reuzen uit den strijd" ge-
heeten: de Maarten Luthers, de Paulussen, de Au-
gustinussen, de Spurgeons, de Murray\'s, en zoovele
anderen. Wat in andere menschen een vonk is,
wordt in hen een uitslaande brand. Wanneer zij
zweeten, zweeten zij groote druppelen bloed. Wan-
neer zij bidden, slaat hun gebed omhoog als een
-ocr page 347-
339
vurige vlam. Wanneer zij preeken, is het een Pink-
sterdag. Wanneer zij strijden, is het een worsteling
op leven of dood. Wanneer zij sterven, is het een
martelaarschap. Gij vindt eene groote menigte rozen
in de tuinen, maar slechts zeer weinige „Reuzen uit
den strijd." De menschen vragen: „Waarom hebt
gij er niet meer van dat soort in de Kerk?" En ik
antwoord: „Waarom zijn er niet wat meer Röntgens
en Edisons in de wereld?" God geeft aan sommige
menschen tien talenten, aan anderen één.
In dezen tuin der Kerk, dien Christus heeft ge-
plant, vind ik ook het sneeuwklokje, prachtig, maar
koud van uiterlijk, alsof het de winter in een andere
gedaante is. Ik bedoel die Christenen, die nauw-
lettend en angstvallig in hun smaak zijn, onaandoen-
lijk, zuiver als sneeuwklokjes en even koud. Zij
storten nooit eenige tranen, zij worden nooit opge-
wonden, zij zeggen nooit iets ondoordachts, zij doen
nooit iets overijlds. Hun pols klopt nooit onstuimig,
hunne zenuwen trillen nooit, hunne verontwaardi-
ging stijgt nooit boven het kookpunt. Zij leven lan-
ger dan de meeste andere menschen, maar hun le-
ven staat altijd in een mineurtoon. Zij brengen het
nooit tot de gestreepte c. In de muziek huns levens
hebben zij geen staccato-passages. Christus plantte
hen in de Kerk, en dus zullen zij er wel van eenig
nut zijn, want anders zouden zij er niet wezen;
maar het zijn en blijven sneeuwklokjes, — altijd
sneeuwklokjes.
Maar ik heb u nog niets gezegd van de prachtig-
ste bloem in heel dezen tuin, waarvan in mijn tekst
-ocr page 348-
34°
sprake is. Wanneer gij eene, ééns om de honderd
jaar bloeiende, plant ziet, wordt gij door dit schouw-
spel diep getroffen. „Wel," zegt gij: „deze plant is
honderd jaar lang bezig geweest om één bloem
te maken, en nu zal het nogmaals honderd jaren
duren alvorens er weer een andere kelk uit
te voorschijn kan komen!" Maar ik heb u iets
te zeggen van eene plant, die van alle eeuwig-
heid heeft gegroeid, en die negentienhonderd jaren
geleden haar bloem deed ontluiken: een bloem die
nooit weer verwelken zal. Dat is de Passiebloem
van het Kruis! De profeten hebben hare komst voor-
speld; de Bethlehemsche herders aanschouwden haar
in de knop; de rotsen beefden toen zij ontlook; en
de dooden stonden op in hunne lijkwaden , om haren
vollen bloei te zien. Het is een purperroode bloem:
bloed aan de wortels, bloed aan de takken, bloed
op al de bladeren. Haar geur is bestemd om al de
natiön te vervullen. Haar adem is een hemel. Komt,
gij noordenwinden en gij zuidenwinden, gij oosten-
winden en gij westenwinden! en brengt aan de
gansche aarde de lieflijk geurende reuke van Chris-
tus , mijnen Heer!
Voorts kan de Kerk eigenaardig bij een tuin ver-
geleken worden, omdat het een plaats vol vruchten
is. Dat zou wel een zonderlinge tuin zijn, waarin geen
aardbeien, of geen bessen, of geen appelen, of geen
peren, of geen pruimen groeiden! De grovere vrucht-
soorten zijn geplant in den boomgaard, of krijgen
een plaats aan den zonkant van een heuvel; maar
de uitgezochte vruchten blijven in den tuin zelf. Zoo
-ocr page 349-
34i
heeft Christus ook in de wereld buiten de Kerk eene
groote menigte fraaie dingen geplant: geduld, lief-
dadigheid, edelmoedigheid, rechtschapenheid; maar
de uitgelezen vruchten heeft Hij voor den tuin zelf
bestemd, — en als zij er niet zijn, dan is het een
schande voor de Kerk.
Godsdienst is niet louter iets sentimenteels. Het
is een practische, levenwekkende, gezonde vrucht,-
— geen ruikers, maar appelen. „Och," zegt deze
of gene, „ik zie niet in, wat die tuin der Kerk dus-
ver heeft opgeleverd!" In antwoord daarop vraag
ik u: waar zijn uwe weeshuizen vandaan gekomen?
en uwe asylen voor gevallenen en verwaarloosden?
en uwe ziekenhuizen ? en al uwe andere instellingen
van liefdadigheid ? Christus heeft ze één voor één
geplant; Hij heelt ze geplant in Zijnen tuin. Toen Je-
zus den blinden Bartimeus het gezicht wedergaf,
legde Hij den eersten steen voor alle blindengestich-
ten, die ooit gebouwd zijn of gebouwd zullen wor-
den. Toen Jezus den bezetenen in Galilea tot be-
daren bracht, legde Hij den eersten steen van alle
krankzinnigen-gestichten, die er ooit verrezen zijn
of zullen verrijzen. Toen Jezus tot den kreupelen
man zeide: „Neem uw beddeken op en wandel!" legde
Hij den eersten steen van al de ziekenhuizen, die
de wereld ooit aanschouwde of aanschouwen zal.
Toen Jezus zeide: „Ik was in de gevangenis en gij
hebt Mij bezocht?\'
legde Hij den grondslag van alle
„Vereenigingen tot bijstand van veroordeelden en
ontslagen gevangenen," die ooit opgericht zijn of
zullen worden. De Kerk van Christus is een
-ocr page 350-
342
verrukkelijk schoone tuin, en hij is vol vruchten.
Ik weet, dat er eenige nietige vruchten in zijn.
Ik weet, dat er eenig onkruid in groeit, dat over de
heining behoorde geworpen te worden. Ik weet,
dat er eenige wilde appelboomen in staan, die eigen-
lijk gerooid behoorden te worden. Ik weet, dat er
eenige wilde wijngaarden in groeien, die er uitge-
haald moesten worden. Maar zoudt gij den geheelen
tuin willen verwoesten wegens een paar onoogelijke
of wormstekige vruchten ? In de prachtigste par-
ken zult gij de sporen van wormen in het geboomte
vinden, en in de zorgvuldigst onderhouden tuinen
vliegen gevaarlijk stekende insecten rond. Maar gij
rooit en verwoest toch niet den geheelen tuin, om-
dat er hier en daar wat onsmakelijke, oneetbare
vruchten in schuilen? Ik erken, dat er mannen en
vrouwen in de Kerk zijn, die er niet in behoorden
te wezen; maar laat ons ook aan den anderen kant
even openhartig zijn, en het feit erkennen, dat er
honderden en duizenden en tienduizenden uitne-
mende Christenen en Christinnen in de Kerk zijn:
heilige, gezegende, nuttige, opofferende en tri-
omfeerende mannen en vrouwen. Er is geen
grootscher en edeler genootschap op de geheele
aarde, dan het genootschap der Christenen.
Er bevinden zich hier op dit oogenblik Christenen
in dit bedehuis, wier godsdienst niet maar een
zaak van psalmzingen en kerkgaan is. Morgenoch-
tend zal die godsdienst hen even standvastig en
toewijdend in hun wereldschen werkkring doen
blijven, als hij hen ooit aan een Avondmaalstafel
-ocr page 351-
343
deed zijn. Er bevinden zich hier op den huidigen
dag vrouwen van een nog verhevener karakter, dan
dat van Maria van Bethanië. Zij zitten niet alleen
aan de voeten van Jezus, maar zij gaan de kamer
uit naar de keuken, om daar Martha een handje te
helpen bij haar werk, opdat die er ook kan komen
zitten. Daar is een vrouw, die een aan den drank
verslaafden man heeft, en die meer geloof en ge-
duld en moed ten toon heeft gespreid, dan menig
martelaar op den brandstapel. Zulk een geloofsheld
was in twintig minuten door de vlammen gestikt en
verteerd. Maar zij heeft nu reeds een twintigjarig
martelaarschap achter den rug. Ginds is een man,
die nu reeds vijftien jaar lang op zijn rug heeft ge-
legen, niet in staat om zelf zijn eten en drinken
naar den mond te brengen, en toch even kalm en
vreedzaam, alsof hij op een der groenende oevers
des hemels lag , om daar te zien hoe de roeiers hunne
riemen in de kristallen rivier dompelen! Wel, het schijnt
mij in deze oogenblikken toe, alsof de Apostel Pau-
lus ons een beschrijvenden catalogus toewerpt van
de vruchten , die er in dezen grooten tuin van Chris-
tus groeien: liefde, blijdschap, vrede, geduld , barm-
hartigheid , broederlijke minzaamheid, zachtmoedig-
heid, genade, — altemaal heerlijke vruchten, genoeg
om al de manden der aarde en des hemels te vullen.
Voorts, de Kerk wordt in mijn tekst eigenaardig
een tuin genoemd, omdat zij rijkelijk besproeid wordt.
Geen enkele tuin zou lang kunnen bloeien zonder
overvloed van water. Midden in een woestijn heb
ik een tuin gezien, die toch vol bloemen en rijk
-ocr page 352-
344
aan vruchten was. Alles om ons heen was dor en
kaal; doch daar waren buizen en waterleidingen,
loopende van dezen tuin naar de bergen, en door
die waterleidingen kwam het water naar beneden
stroomen en spoot het omhoog uit prachtige fon-
teinen , totdat alle wortels en bladeren en bloemen
verzadigd waren. En zoo is het ook met de Kerk.
De Kerk is een tuin te midden eener groote woestijn
van zonde en lijden; maar zij wordt terdege be-
sproeid, want: „ik hef mijne oogen op naar de ber-
gen
, vanwaar mijne hulp komen zal."\' Van de bergen
van Gods kracht stroomen er rivieren van blijd-
schap naar beneden. „De beekjes der rivier zullen
verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen
des Allerhoogsten.\'"
De prediking des Evangelies is
één der waterleidingen. De Bijbel is er óók een. De
Doop en het Avondmaal zijn mede zulke waterlei-
dingen. Water om den dorst te lesschen , water om
de onreinen te wasschen, water hoog opspuitend
in het licht van de Zon der gerechtigheid, zoodat
wij eenen regenboog rondom den troon te zien krij-
gen. O, zou er wel ooit een tuin zoo overvloedig
besproeid zijn geworden? Gij weet, dat de schoon-
heid der tuinen van Versailles, van Fontainebleau, van
de Tuilleriën enz. in hooge mate afhankelijk is van den
grooten toevoer van water. Zoo kwam ik eens in
het prachtige park te Chatsworth in Engeland op
een dag, dat er geen vreemdelingen werden toege-
laten ; maar door middel van een introductiebrief,
die altijd even krachtig werkte voor een Engelsen-
man als voor een Amerikaan, kwam ik er in, —
-ocr page 353-
345
en toen ging de tuinman heel hoog de stee-
nen trappen op, en liet hij het water in. Ik zag
het glinsteren op de droge steenen, nederko-
mend van trede tot trede, totdat het zóó dicht bij
mij was, dat ik het muzikaal geruisch en geklater
kon hooren. — En aan alle kanten over de hooge,
breede treden kwam het schuimend, spattend en
ruischend naar beneden, totdat het zonlicht en het
water in een speelsche worsteling samen voor mijne
voeten neertuimelden. En zoo is het ook met de
Kerk van God. Alles komt van boven : vergeving
van boven, blijdschap van boven, aanneming van
boven, heiligmaking van boven.
Luister! Ik hoor den grendel van het tuinhek weg-
schuiven , en ik laat mijne blikken naar alle kanten
rondgaan, om te zien wie er binnenkomt. Ik hoor
de stem van Christus: „Ik ben in Mijnen hof geko-
men!\'
Ik zeg: „Kom binnen, o Heere Jezus! wij
hebben op U gewacht; doorwandel al de paden! Zie
naar de bloemen; zie naar de vruchten; pluk het-
geen Gij voor Uzelf begeert! „Jezus komt in den
tuin, gaat naar dien ouden man toe, raakt hem aan,
en zegt: „Bijna thuis, vader! Nu zult gij niet veel
pijn meer te lijden hebben! Ik zal u nooit verlaten;
houd nog een weinig langer moed, en Ik zal uwe
wankelende schreden steunen, en u troosten in uwe
smarten, en u rust geven. Moed gehouden, oude
man!" Daarna slaat Christus een ander tuinpad in,
en komt Hij bij eene in nood verkeerende ziel, en
zegt Hij: „Vrede zij met u! Alles is wel! Ik heb
uwe tranen gezien. Ik heb uw gebed gehoord. De
-ocr page 354-
346
zon zal u des daags niet steken, noch de maan
des nachts. De Heer zal u behoeden tegen alle
kwaad; Hij zal uwe ziel bewaken. Moed gehouden,
o lijdende Christen!"
Daarna zie ik Jezus nog weer een ander pad van
den tuin betreden, en bespeur ik eene groote bewe-
ging onder de bladeren, en spoed ik mij ijlings naar
dat tuinpad, om te zien wat Jezus daar doet. En
ziet: Hij plukt de bloemen af met een krachtigen
ruk en vlak bij den tak, en ik roep uit: „Houd op,
o Heiland! dood deze prachtige bloemen niet!" Hij
wendt zich tot mij en zegt: „Ik ben in Mijnen hof
gekomen om leliën te plukken , en Ik wil deze me-
denemen naar een hooger terras, voor den tuin
rondom Mijn paleis, en daar zal Ik ze planten; en
in een beteren grond en in eene betere lucht zullen zij
fraaier bladeren krijgen en een nog lieflijker geur
verspreiden, en geen nachtvorst zal ze in eeuwig-
heid meer deren!" En ik vestigde mijne oogen op
Zijn gelaat en dacht: „Welnu, het is Zijn eigen
tuin, en Hij heeft het recht om er mede te doen
wat Hij wil. Uw wil geschiede!" het moeilijkste ge-
bed, dat de mensch ooit gedaan heeft.
Het heeft den schijn gehad alsof Jezus Christus
het beste wegnam; uit velen uwer huisgezinnen is
de beste heengegaan. Gij weet, dat zij te goed was
voor deze wereld: zij had de zachtaardigste manie-
ren , de innigste genegenheden, en toen eindelijk de
ziekte kwam, steldet gij geen vertrouwen meer in
de medicijnen. Gij wist, dat het uur van scheiden
gekomen was; en toen gij, door de rijke genade
-ocr page 355-
347
van onzen Heere Jezus Christus, dien schat over-
gaaft, zeidet gij: „O Heere Jezus, neem haar, —
zij is het beste wat wij hebben, neem haar! Gij zijt
het waardig!" De anderen in het huisgezin waren
misschien van een grooter model. Zij behoorde tot
de fijnsten.
De hemel uwer lieve kleinen zal voor hen niet
zijne volle schoonheid hebben verkregen, voordat gij
zelf er óók gekomen zijt. Al de vriendelijkheid, die
hun door de onsterflijken betoond wordt, kan hen
u niet doen vergeten. Daar zijn zij, die blinkende
groepjes, die uit uwe woningen heengingen. Ik
werp dien kleinen lievelingen een kushand toe. Zij
zijn allen nu goed en veilig geborgen in het paleis.
Ik heb wel eens opgemerkt, dat er rondom de
fraaiste tuinen somtijds hooge schuttingen staan,
zoodat men er niet in kan komen. Zoo is het b.v.
met de koninklijke tuinen gesteld. De éénige gele-
genheid om eens iets van zulk een tuin te zien te
krijgen, is: wanneer de koning in zijne prachtigste
staatsiekoets uitrijdt. Maar zoo is het niet gesteld
met dézen tuin, dezen tuin van den Koning der ko-
ningen. Ik werp de deuren van het hek wijd open,
en noodig u allen uit om binnen te treden. Geen
monopolie op het stuk van godsdienst. Al wie ko-
men wil, mag komen! Doet dus nu een keuze tus-
schen een woestijn en een tuin. Velen uwer heb-
ben het beproefd met den tuin van de genietingen
dezer wereld. Maar gij zijt tot de ervaring geko-
men, dat het niet dan moeite en verdriet is.
O gij vermoeide zielen! treedt op den huidigen
-ocr page 356-
34Ö
dag Christus\' tuin binnen en plukt er een handvol
vergeet-mij-nietjes! Jezus is de éénige rust en de
éénige vergiffenis voor een verslagen geest. Zoudt
gij óók niet denken, dat uwe kans nu bijna geko-
men is? O, gij mannen en vrouwen, die nu reeds
jaar aan jaar gewacht hebt op de eene of andere
goede gelegenheid om Christus aan te nemen, maar
het nu reeds hebt uitgesteld sedert vijf, sedert tien;
of twintig, of dertig jaar lang, — hebt gij niet een
gevoel alsof nü de ure uwer verlossing en vergif-
fenis en zaliging gekomen is ? O mensch! welk een
wrok koestert gij toch tegen uwe arme ziel, dat gij
haar niet wilt laten redden ? Ik heb een gevoel alsof
de zaligheid op den huidigen dag tot de harten van
sommigen uwer zal komen! — Amen.
-ocr page 357-
XXIII.
KOOPERS EN VERKOOPERS.
Het is kwaad, hot is kwaad ! zal de
koopcr zeggen; maar als hij weggegaan
is, dan zal hij zich beroemen.
Spreuken XX : 14.
Paleizen zijn niet zulke gevangenissen, als de
wereld zich verbeeldt. Indien gij denkt, dat koningen
en koninginnen alleen dan door de poorten van hun
vorstelijk verblijf naar buiten komen, wanneer zij
door een grooten lijfstoet en een schitterend gevolg
begeleid worden, dan vergist gij u. Incognito, bij
dag of bij nacht, en vermomd in de kleeding van
den gewonen burger, of in het werkpak van den
arbeider, komen zij naar buiten en zien zij de we-
reld zooals zij werkelijk is. Op geen andere wijze
kon koning Salomo, de auteur van mijn tekst, alles
te weten zijn gekomen wat er voorviel. Uit mijn
tekst kan ik met zekerheid opmaken, dat hij, onder
de eene of andere vermomming, op zekeren dag een
winkel van gemaakte kleeren te Jeruzalem moet zijn
binnengetreden, en daar toen bij de toonbank is
blijven staan, en een gesprek tusschen een kooper
en een verkooper heeft aangehoord. De winkelier
-ocr page 358-
35°
noemde den prijs van een mantel, maar de klant
begon af te dingen en te beknibbelen, en zeide :
„Hoe bespottelijk! die mantel is op verre na niet
waard wat gij er voor vraagt. Wel foei! zie maar
eens, welk een grof goed het is! Kijk eens, wat
een leelijke vlek op de kraag! En bovendien past
hij mij ook niet. En daar zou ik vijftig gulden voor
moeten geven?! Wel; het is ronduit gezegd niet
meer dan twintig waard! Neen, dan kan ik wel
beter waar krijgen, en goedkooper óók , daar ver-
derop bij Gebroeders Bestgoed Mooipas & Co. En
om u de waarheid te zeggen, zou ik zoo\'n mantel
eigenlijk voor niets niet willen hebben. Goeden-
morgen!" — „Hola!" zegt de winkelier, „wacht nog
een oogenblikje, loop nu niet zoo haastig heen. Ik
zou u toch graag dien mantel willen verkoopen. Ik
moet van de week eenige betalingen doen, en ik
heb dus geld noodig. Kom, vertel mij eens: hoe-
veel geld wilt gij geven voor dezen mantel?" —
„Nu," antwoordt de klant, „ik wil het verschil wel dee-
len. Gij hebt vijftig gulden gevraagd, en ik zeide twin-
tig. Dus zal ik er u vijfendertig voor geven." —
„Och, och," zegt de koopman, ,/t is een verlies
van belang; maar neem hem er dan in vredesnaam
voor!" — Dan gaat de klant, met een rol onder zijn
arm, den winkel uit, en begeeft hij zich naar zijn
eigen huis; en Salomo, nog altijd vermomd, volgt
hem op den voet. Hij hoort den klant, terwijl hij
den mantel ontrolt, tot zijne huisgenooten zeggen:
„Kijkt eens even, welk een buitengewoon koopje
ik daar gedaan heb! Hoeveel denkt ge wel, dat ik
-ocr page 359-
351
voor dezen mantel gegeven heb?" — „Nu/\'zegt er
een, die hem een complimentje wil maken over
zijne slimheid, „daar zult gij minstens zestig gulden
voor betaald hebben." Een ander zegt: „Mij dunkt,
dat gij er een mooi koopje aan hebt, als de mantel
u vijftig gulden kost." — „Neen," roept de kooper
nu op triomfantelijken toon, „ik heb hem voor vijf-
en-dertig gulden gekregen. Ik maakte het ding uit
voor al wat leelijk was, en somde er al de gebre-
ken van op, totdat de man inderdaad zelf begon te
gelooven, dat de mantel eigenlijk geen cent waard
was. Men moet mij toch maar hebben om koopjes
te doen. Ha, ha!" — O man, door moedwillig be-
drog hebt gij het goed voor minder gekregen dan
het waard was; en geen wonder, dat Salomo, toen
hij in zijn paleis was teruggekeerd en zijne vermom-
ming had afgelegd, zich aan zijn schrijftafel neer-
zette en voor alle eeuwen een schets van u ontwierp:
„Hel is ktvaad, het is kwaad! zal de kooper zeggen ;
maar als hij zvcggegaan is, dan zal hij zich beroe-
men.1"
Er zijn geen lieden van hooger gehalte in de ge-
heele wereld, dan die thans aan \'t hoofd der han-
delshuizen staan in New-York en in Brooklyn en
in de andere groote steden van dit Amerikaansche
werelddeel. Hunne terloops uitgesproken belofte is
even goed als een gezegelde en geregistreerde acte
met stapels bijlagen. Hunne reputatie van onkreuk-
bare eerlijkheid is even deugdelijk gevestigd, als
die van den Italiaanschen dichter Petrarca (veertien-
de eeuw), toen hij ten huize van den kardinaal Co-
-ocr page 360-
352
lonna vertoefde. Nadat er eene groote oneenigheid
onder de huisgenooten was uitgebroken, liet de
kardinaal al de lieden bijeenkomen, en vroeg hij hun
na het afleggen van een eed de waarheid af, be-
halve Petrarca, — want toen deze naar voren trad
om te zweren, schoof de kardinaal zijn Bijbel ter
zijde en sprak hij: „Wat ü betreft, Petrarca, uw
woord is voldoende!" Zoolang de wereld bestaat,
zijn er nog nooit zooveel kooplieden geweest, wier
contracten de proef der Tien Geboden kunnen door-
staan. Zulke handelaars hebben vooral daarom zoo-
veel aanspraak op onze eer en achting, omdat zij jaar
op jaar weerstand hebben geboden aan verzoekingen,
die menigeen zóó hard en zóó plat hebben geslagen,
dat hij er nooit weer van kan opkomen. Terwijl
alle levenspositiën steeds door krachtige aanvallen
van het kwade bestookt worden, bestaan er be-
paalde vormen van verlokking, die aan eiken af-
zonderlijken werkkring of bezigheid eigenaardig
verbonden zijn, — en daarom kan het nu zijn nut
hebben, over de bijzondere verzoekingen der man-
nen van zaken te spreken.
Ten eerste, zooals in het door mijn tekst be-
schreven tooneel: kooplieden komen dikwijls in ver-
zoeking om aan de volle en eenvoudige waarheid te
kort te doen: de verkooper, door de waarde der goe-
deren te overdrijven, en de kooper, door die waarde
te verkleinen.
Wij kunnen niet nalaten, een ervaren
handelsman te bewonderen. Ziet hoe hij begint
met zijn best te doen om den kooper in een stem-
ming te brengen, die gunstig is voor een juiste
-ocr page 361-
353
beoordeeling van de waarde der goederen. Hij doet
zich als een eerlijk en oprecht handelaar voor. Hoe
zorgvuldig worden de lichten aangebracht, totdat
zij op de voordeeligste wijze op het artikel vallen!
Beginnende met goederen van middelmatige quali-
teit, gaat hij trapsgewijze over tot die van deugde-
lijker fabrikaat en van aantrekkelijker model of pa-
troon. Hoe bespiedt hij al de gebaren en wenken
van zijn klant! Met welk eene volmaakte kalmte
neemt hij de bestelling op, en maakt hij buigend
zijn afscheidsgroet voor den kooper, die op weg
naar huis alvast berekent, dat hij de goederen ge-
kocht heeft tot een prijs, welke hem een aardig
winstje zal doen behalen, wanneer hij ze weer van
de hand doet. De goederen hadden de waarde, die
de handelaar er voor opgaf, en werden ook verkocht
tot een prijs, die de zaak niet in de noodzakelijk-
heid zal brengen om elke tien jaar eens te failleeren,
ten einde den wagen weer op gang te helpen.
Maar met welk eene gloeiende verontwaardiging
denken wij aan de schandelijke listen en kunstgre-
pen, waarmede somtijds bij de behandeling van za-
ken wordt te werk gegaan. Een blik in de ochtend-
bladen maakt u bekend met de aankomst in een
van de hotels uwer woonplaats van een jong koop-
man uit een ver van daar gelegen stad. Hij is nage-
noeg een volslagen vreemdeling in de groote stad,
en natuurlijk moet hij er dus eens rondgeleid wor-
den, — en nu acht deze of gene onzer meest onder-
nemende firma\'s zich verplicht, hem dien dienst te
bewijzen. Hij is een groot kooper en heeft over-
-ocr page 362-
354
vloed van tijd en geld, en het zal dus ruimschoots
de moeite waard zijn, hem zoo voorkomend moge-
lijk te bejegenen. De avond wordt doorgebracht
op een plaats van twijfelachtig vermaak. Daarna
keeren zij naar het hotel terug. Aangezien zij zoo
pas thuis zijn gekomen, moeten zij, natuurlijk, wat
drinken. Een vriend uit hetzelfde handels-etablisse»
ment komt toevallig binnenloopen, en nu brengen
de usance en de royaliteit natuurlijk mede, dat zij
nóg wat moeten drinken. De vooruitzichten der
handelswereld worden besproken, en de vreemde-
ling wordt gewaarschuwd tegen zekere in verval
zijnde koopsmanshuizen, die op het punt staan van
te failleeren, — en na zulk een vriendelijke en edel-
moedige waarschuwing tegen de oneerlijkheid van
andere handelsfirma\'s is het natuurlijk te verwach-
ten, dat zij eens met elkaar klinken en drinken, wat
zij dan ook doen. De kooplieden, die in de aangren-
zende kamers logeeren, kunnen bijna niet slapen
tengevolge van het gerammel der flesschen en
glazen, en de ruwe zwelgpartij dezer, voortdurend
op elkaars gezondheid klinkende, drinkebroers, wordt
hoe langer hoe luidruchtiger. Maar zij blijven niet
den geheelen nacht bij de wijnflesch zitten. Zij
moeten nog eens het een en ander gaan zien. En
zoo waggelen zij de straat op met gloeiende wan-
gen en bloedroode oogen. De buitenste poorten
der hel ontsluiten zich, om de slachtoffers in te la-
ten. De vleugelen der verloren zielen fladderen
tusschen de lichten, en de voetstappen der rinkel-
rooiers klinken in een en dezelfde maat als de rom-
-ocr page 363-
355
melende donderslagen der verdoemden. Vaarwel,
alle vrome en heilige dingen van thuis! Als moeder,
of zuster, of vader, die nu in de ver van daar ge-
legen woning liggen te sluimeren, in het een of
andere visioen van dien nacht een blik konden wer-
pen op de aangerichte ruïne, zouden zij zich de
haren uit het hoofd rukken en de tong aan \'t bloe-
den bijten, uitroepende: „God zij hem genadig!"
Wat, zoudt gij denken, zal er van zulke handels-
inrichtingen terecht komen? En zoo zijn er hon-
derden in de steden! Zij mogen zich beroemen op
reusachtige omzetten, en zij mogen een weergaloo-
zen toevloed van koopers hebben, en de naam der
firma zal misschien al hare concurrenten met schrik
vervullen, en uit dezen weelderigen wortel mogen
er bijkantoren ontspringen in andere steden, en al
de deelgenooten der firma wonen misschien in
prachtige huizen en rijden met hunne volbloed spannen
paarden uit, en hunne vrouwen en dochters vertoo-
nen zich misschien op straat in de verrukkelijkste
toiletten, die \'s menschen kunst ooit vermocht te
weven, of door aardsche pracht ooit opgeluisterd
werden. Maar voorzeker pakt er zich een vervloe-
king boven het hoofd dezer lieden saam, — en in-
dien zij de zuilen niet aangrijpt en met één slag
heel dien tempel van handelsglorie tot een woeste
ruïne maakt, zal zij toch hunnen vrede verstoren,
en zullen zij rillen van de koorts en walgen van al
hunne verstrooiingen, en, voortgestuwd tot de uiter-
ste grens dezes levens, zullen zij pogen staande te
blijven en terug te gaan, en zullen zij om hulp
-ocr page 364-
356
schreeuwen, maar er zal geen hulp komen; en zij
zullen hun goud aangrijpen, om het met zich mede
te nemen, maar het zal aan hunne vuist ontrukt
worden, en een stem zal door hunne ziel weerklin-
ken: „Geen cent, gij berooide geest!" En de dag
des oordeels zal komen, en zij zullen verbijsterden
verslagen voor den Rechterstoel staan, en al de
handelsongerechtigheden van heel een menschen-
leeftijd zullen zich rondom hen heen ophoopen, uit-
roepende: „Herinnert gij u dit?" en, „Denkt gij nog
wel om dat?" En de klerken die zij gedwongen heb-
ben tot oneerlijke handelingen, en loopers en vracht-
rijders en boekhouders, die bij hen achter de scher-
men hebben gekeken, zullen getuigenis afleggen
omtrent hunne afschuwelijke bedrijven, — en de
eene of andere deugdzame ziel, die eens versteld
stond over de pracht en de grootschheid dier kooplie-
den, zal dan weeklagen en jammeren: „Helaas! dit is
nu alles wat er is overgebleven van die groote firma,
die een geheel blok huizen vulde met hare goederen,
en haren invloed over de geheele stad uitstrekte,
en die de rechtvaardigheid en de waarheid en de
reinheid deed vallen onder den verzengenden gloed
van gierigheid en misdaad!"
Terwijl wij onze bewondering en toejuiching over
hebben voor alle scherpzinnigheid en tact bij den
verkoop van goederen, moeten wij al de kunstmid-
delen veroordeelen, waarmede een fabrikaat of pro-
duct wordt voorgesteld als een waarde bezittende,
die het in werkelijkheid niet heeft. Enkel en alleen
klinkklare zucht tot bedrog kan een schijn van vol-
-ocr page 365-
357
maaktheid en onberispelijkheid geven aan laarzen,
die spoedig lostornen en scheuren; aan zijde, die
weldra haren glans verliest; aan katoentjes, die in
de wasch onmiddellijk verschieten; aan kachels, die
bersten wanneer zij voor de eerste maal heet ge-
stookt worden; aan boeken, die niet behoorlijk zijn
ingebonden; aan karpetten, die losrafelen; aan oude
meubelen, die wat opgelapt zijn met stopverf en lijm,
en dan weer te koop gezet worden, alsof zij zoo
kersversch uit de fabriek komen; aan gouden hor-
loges, die van rood kooper vervaardigd zijn; aan
manden fruit, waarin de grootste appelen bovenop
liggen; aan wijn, die aangezet is met strychnine;
aan slecht geweven kousen; aan linnen van binnen-
landsch fabrikaat, dat met uitheemsche etiquetten
pronkt; aan „geïmporteerde" goederen, die als
hoogst zeldzaam en moeilijk te bekomen worden
voorgesteld, omdat de invoerrechten op dat buiten-
landsche goed zoo hoog zijn , en met weergalooze
brutaliteit op de toonbank worden uitgerold, — ja,
werkelijk „geïmporteerd", maar uit het pakhuis in
de naburige straat! — aan een patroon, dat reeds
lang uit de mode en dus onverkoopbaar geworden
is, maar toch als het nieuwste snufje wordt aange-
smeerd aan den een of anderen plattelandskoopmsn,
die naar de stad is gegaan om er zijn eerste aan-
koop van manufacturen te doen, en nu huiswaarts
keert met een grooten voorraad goederen, waar-
mede hij stellig en zeker zal blijven zitten.
Voorts: de kooplieden komen dikwijls in verzoeking
om de manieren en gebruiken van andere handelaars
-ocr page 366-
35Ö
als hun maatstaj van rechtschapenheid aan te nemen.
Er zijn handels-usantiën, die tegen de proef van
den dag des oordeels niet bestand zullen zijn. Toch
zijn vele kooplieden geneigd, om evenzoo te doen
als hunne buren deden. Indien de groote meerder-
heid der handelaren in de eene of andere stad wat
laks op het. stuk van beginselen is, dan zullen de
handelswetten daar ter plaatse ook allicht iets te wen-
schen overlaten uit het oogpunt van trouw en eer-
lijkheid. Het is zeer, zéér moeilijk, geen haarbreed
van den weg des rechts af te wijken, wanneer uw
naaste buurman door zijne toeschietelijkheid op het
stuk van handeldrijven in staat wordt gesteld, zijne
goederen voor veel lager prijs van de hand te doen,
en uwe beste klanten naar zijn winkel te lokken!
Natuurlijk zult gij, die stipt aan al uwe handelsver-
bintenissen voldoet, en uwe wissels altijd prompt
op den vervaldag betaalt, het zeer moeilijk vinden,
te concurreeren met dien koopman, die tot over
zijne ooren in de schulden zit bij den importeur zij-
ner goederen, en bij den huisheer wiens winkel hij
bewoont, en bij de bedienden die op zijn kantoor
werken.
Er bestaan honderden praktijken, die in de han-
delswereld den toon aangeven, en voor den recht-
schapen man toch nooit of nimmer een leefregel mo-
gen worden. Hunne verkeerdheid maakt ze voor u
niet recht. De zonde wordt nooit tot een deugd
door vermenigvuldigd en toegelaten te worden in
de makelaars-sociëteit of op de korenbeurs. Omdat
andere passagiers het een en ander in hunne kof-
-ocr page 367-
359
fers smokkelen, omdat anderen woekerpercenten
nemen wanneer de door hen „geholpene" nergens
meer uitkomst ziet, omdat anderen windhandel drij-
ven in denkbeeldige goederen, omdat anderen u
waardelooze endossementen trachten aan te smeren,
omdat anderen niets anders doen dan bellen blazen,
— daarom behoeft gij nog niet voor de verzoeking te
bezwijken. Holle verwaandheid, en denkbeeldig cre-
diet, en dobbelspel op de Beurs, mogen een poos
groeien en bloeien, maar de dag der afrekening
breekt eenmaal aan, — en boven en behalve den
afschuw en de verwensching der mishandelde mensch-
heid, zal de vloek van God komen, slag na slag.
Gods wil, altijd en eeuwiglijk, is de éénige maat-
staf van recht en onrecht, — maar dien maatstaf
hebt gij niet te zoeken in de gedienstigheden der
handelspraktijk!
Jonge koopman, schuw de eerste oneerlijke daad
op handelsgebied , en gij zult al het andere schuwen!
De kapitein van een schip wandelde in de nabijheid
van de monding eener rivier, terwijl het laag water
was, — en er was daar een lange, zware anker-
ketting, in één van welks schakels zijn voet verward
raakte, en de voet begon op te zwellen, en hij kon
hem er niet uittrekken. De vloed begon op te ko-
men. De ketting kon niet spoedig genoeg losge-
maakt of doorgevijld worden, zoodat er een chirur-
gijn geroepen moest worden om het lichaamsdeel
af te zetten; doch alvorens dat werk volbracht kon
worden, rolde het steeds hooger en hooger stijgende
water reeds over het slachtoffer heen, en was zijn
-ocr page 368-
360
levensvonk uitgebluscht. En nu heb ik u te zeggen,
jonkman! dat juist die ééne verkeerdheid, waarin gij
verward raakt, misschien een schakel van een lange
keten van omstandigheden kan wezen, waaraan gij
niet weer onttrokken kunt worden door uw eigen
beleid of vernuft, of door de hulp van anderen; en
de wateren zullen over u heengaan, zooals zij reeds
vele anderen hebben bedolven! Als Pompejus, de
Romcinsche krijgsoverste, een stad in bezit wenschte
te nemen, en de inwoners de poort niet voor hem
wilden openen, trachtte hij hen te overreden, een
zieken soldaat ter verpleging op te nemen. Maar
de zieke soldaat werd eenigen tijd later weer ge-
zond en sterk , en dan maakte hij heimelijk de poort
open en liet hij het vijandelijke leger binnenrukken.
Eén in de ziel toegelaten onrecht kan wellicht in
kracht toenemen, totdat het een poos later al de
toegangen tot de onsterflijke natuur openwerpt, en
zie . . . de nederlaag is volkomen!
Voorts: kooplieden komen somtijds in verzoeking,
hunne persoonlijke veranfzvoordel/jkheid van zich aj
te werpen op de fmantiëclc instelling
, waarvan zij deel
uitmaken.
Directeuren van bankiershuizen en spoor-
weg-ondernemingen en assurantie-maatschappijen
maken somtijds hunne persoonlijke verantwoordelijk-
heid ondergeschikt aan de handelingen der Maat-
schappij. En hoe dikwijls, wanneer een bankiers-
huis of finantiëele instelling door gepleegde valsch-
heden te gronde gaat, zeggen de respectabele man-
nen in de Commissie van directeuren: „Wel, ik had
altijd gedacht, dat alles op de eerlijkste en zuiverste
-ocr page 369-
361
manier van de wereld toeging, en ik ben ten hoogste
ontsteld over dit treurige wanbeheer!" De bankiers-
kantoren en de brand- en levens- en zeevaart-assu-
rantie-maatschappijen en de spoorweg-ondernemin-\'
gen zullen niet als zoodanig op den dag des oor-
deels terechtstaan, — maar zij die daarin rechtvaar-
diglijk handelden, zullen hoofd voor hoofd een be-
looning ontvangen, en zij die een rol speelden bij
het plegen van valschheid of bedrog, zullen hoofd
voor hoofd een veroordeelend vonnis te hooren krij-
gen. Onwettige dividenden zijn niet zuiver voor
God, al hebt gij ook mede-aandeelhouders, die pre-
cies zoo\'n hoogen stapel inpalmen als gij. Hij, die
de bewerker is van de oneerlijkheid der firma, der
maatschappij, of der vereeniging, neemt al de mo-
reele aansprakelijkheden op zich. Indien de finanti-
ëele instelling steelt, steelt hij. Indien zij zich aan
dolzinnige speculatiën waagt, is hij een speler. Als
zij zonder hooge noodzakelijkheid een schuldenaar
in verlegenheid brengt, maakt hij zelf zich schuldig
aan wreedheid. Als zij de oningewijden misleidt en
afzet, is hij zelf een zwendelaar. Geen enkele finan-
tieele instelling had ooit een brandkast die sterk ge-
noeg was, of een crediet dat onwrikbaar genoeg
was, of een dividend dat groot genoeg was, of een
politiek, die scherpzinnig genoeg was, om de per-
soonlijke zonden harer leden te verbergen. De oude
machtspreuk, dat maatschappijen en vereenigingen
geen ziel hebben, is een onwaarheid. Elke corpo-
ratie van dien aard heeft evenveel zielen als zij leden
telt.
-ocr page 370-
362
Voorts: vele kooplieden komen in verzoeking, hunne
vermaken en verplichtingen uit te stellen tot een toe-
komstige periode van algeheelen vrijen tijd.
Welk
een bron van troost zou het geloof in Jezus voor
al onze kooplieden zijn, indien zij, in plaats van
de aanneming er van uit te stellen tot hun ouden
dag of hun dood, dat geloof nu reeds mede wilden
nemen naar het magazijn of de fabriek of den da-
gelijkschen werkkring! Het is de grootste dwaasheid,
zich te midden van de onzekere wisselvalligheden
van het handelsleven te wagen, en daarbij geen God
tot zijne hulp te hebben. Een koopman, op een dorp
in Nieuw-Engeland, stond vlak bij zijn paard, terwijl
het paard zijn poot ophief om er mede in een plas
water te stampen, zoodat de koopman, om aan het
rondspattende water te ontkomen, even zijn toevlucht
nam in de openstaande deur van den agent eener
assurantie-maatschappij, waarop deze agent hem da-
delijk vroeg: „Gij zijt zeker hier gekomen om uw
assurantie-polis te hernieuwen?" — „O ja/\' ant-
woordde de koopman, „dat had ik vergeten!" De
assurantie werd hernieuwd, en . . . den volgenden
dag brandde het pas opnieuw verzekerde huis tot
den grond toe af. Was het louter toeval, dat de
koopman, om aan het spatten van een paardepoot
in een waterplas te ontkomen, op de stoep van een
assurantiekantoor ging staan? Neen, dat was een
leiding van Gods voorzienig bestuur! En welk een
veelvermogende verlichting voor een koopman, te
weten en te gevoelen, dat alle dingen aan Gods voor-
zienig bestuur zijn onderworpen! Welk een vrede
-ocr page 371-
3^3
en welk eene kalmte van geest ligt er in zulk eene
beschouwing, en hoe heerlijk zou het zijn, indien
alle kooplieden dit konden inzien!
Velen, hoewel thans om zoo te zeggen aan han-
den en voeten gebonden door de wereldsche be-
slommeringen, hebben voor de toekomst een voor-
treffelijke omgeving en levenswijze ontworpen. Zij
hebben in hunne verbeelding, ongeveer twintig jaar
na dato, een huis gebouwd ten plattelande, niet
moeilijk te bereiken uit de groote stad, want zij
zullen daar nog dikwijls zaken te doen hebben, of
oude rekeningen in orde te maken, of geldbeleg-
gingen te regelen. Het huis is groot genoeg om al
hunne vrienden te kunnen bevatten. De kamers en de
zalen zijn ruim en behangen met afbeeldingen van
jachtpartijen en met het gewei van een hert, en
zijn voorzien van gemakkelijke stoelen, die naar
buiten op de veranda gerold kunnen worden , wanneer
het weer daartoe uitlokt, of in den tuin neergezet
onder een der eiken, die als schildwachts rondom
het huis staan, suizend onder de koeltjes van den
wind en weergalmend van het gezang der rood-
borstjes. Er is juist land genoeg om de belang-
stelling gaande te houden , en de oogsten van bijna
fabelachtigen rijkdom groeien op onder toepassing
van de beste stelsels, die er in de landbouwbladen
te vinden zijn. De boerderij is behoorlijk voorzien
van rundvee en paarden, en van schapen, die de
stem van hun eigenaar kennen en vriendelijk blaten
wanneer men naar buiten gaat om eens naar hen
te kijken. In dit rijkgezegende verblijf zullen hunne
-ocr page 372-
3^4
kinderen onderwezen worden in kunsten en weten-
schappen en godsdienst. Dat zal dan de oude woon-
stede zijn, waarheen de op kostschool liggende jon-
gens hunne brieven zullen adresseeren, en de heu-
vel, waarop het huis staat, zal dan Boschzicht
heeten, of Zonderzorg, of Nooitgedacht, of Ons
genoegen, of zoo iets. Moge de toekomst voor
iederen koopman dit alles en nog veel meer boven-
dien in haren schoot dragen ! Maar stelt gij uw ge-
luk tot dien tijd uit? Verdaagt gij uwe genoegens
zóó lang? Veronderstel eens, dat gij alles verkrijgt
wat gij verwacht, — en dat het door mij geschilderde
visioen niet overeenkomt met de werkelijkheid, om-
dat de fonteinen zelfs nóg levendiger zijn, het huis
nóg grooter, en de omgeving nóg schilderachtiger, —
de vergissing is er niet minder noodlottig om. Welke
bekoring zal er in de landelijke stilte gelegen zijn
voor een man, die dertig of veertig jaren lang zijne
geheele natuur heeft gewend aan de spanning en
opgewondenheid van het handelsleven ? Zullen
veestapels en kudden met hun geloei en geblaat in
staat zijn om den onverzadelijken geest van weet-
gierigheid te stillen, die jaren lang zijne volle heer-
schappij over de ziel heeft uitgeoefend ? Zal het
gesuis van het koeltje den man bevredigen, die
thans zijn éénig genot in de fondsenmarkt kan vin-
den? Zullen loof en wolken en fonteinen de oogen
boeien, die gedurende drie vierden van een menschen-
leven niets schooners kenden, dan vaten en balen en
koopmansfacturen ? Zullen de ouders bevoegd en in
staat zijn, hunne kinderen voor hooge en heilige
-ocr page 373-
365
doeleinden op te leiden, indien hunne kindsheid
en jongenstijd en meisjesjaren verwaarloosd werden,
wanneer zij bijna gereed zijn om de wereld in te
gaan, en zij reeds vaste gewoonten en diepgewor-
telde beginselen hebben aangenomen? Neen, neen!
nü is het de tijd om gelukkig te zijn. Nü is het de
tijd om uwen Schepper te dienen. Nü is het
de tijd om een Christen te wezen. Hebt gij het
te druk? Ik heb menschen gekend, die het even
druk hadden als gij, en die toch op den zol-
der van het magazijn een kamertje hadden, waar
zij gingen bidden. Iemand vroeg eens aan een ge-
loovig zeeman, waar hij toch altijd een plaats vond
om te bidden. „Och," antwoordde hij, „in den top
van den mast kan ik altijd een rustig plekje vin-
den!" En ook op den druksten dag van den druk-
ken tijd, — als het goed gesteld is met uw hart,
kunt gij wel een plaats vinden om te bidden. En
zelfs in eene straat, of op eene gracht, of een brug
kunt gij wel een verzuchting tot God slaken, terwijl
gij u naar de plaats uwer dagelijksche werkzaamheden
begeeft. Doe dan ook uw best om een beetje vroe-
ger naar huis te gaan, en houd u daar dan eens
wat meer met uwe kinderen bezig. Wees toch niet
dag en nacht een galeislaaf, vastgeketend aan den
roeiriem uwer zaken! Laat iederen dag zijn uur
hebben voor huiselijke godsdienstoefening en ont-
wikkeling van den geest en gezamenlijke uitspan-
ning. Toon uzelven grooter dan uwe zaak. Ga niet
te werk alsof ge na den dood een eeuwigheid zult
binnentreden van spoorwegaandeelen en koffiebalen
-ocr page 374-
366
en rollen lint. Geef niet bij eiken meter laken, dien
gij verkoopt, een stukje van uwe ziel op den koop
toe. Beschouw en gebruik uwen pakkelder en uw
manden met ijzerwerk als treden der ladder naar
eene practische werkzaamheid vol luister en glorie,
naar de hoogste uitingen van een Christelijken
geest. Beslis nu voor eens en voor altijd, wie de
baas in uwe zaken zal zijn: gij of uw werk!
Voorts: kooplieden komen dikwijls in verzoeking
om hun beroep invloed te doen oefenen op de belan-
gen hunner ziel.
God stuurt de menschen de han-
delswereld in, om er hunne opvoeding te ontvangen,
evenals jongens naar de school en het gymnasium
worden gezonden. Koop en verkoop, verlies en
winst, teleurstellingen en buitenkansjes, voorspoed
en tegenspoed, de oneerlijkheden van anderen,
finantieele crisissen en faillissementen, het zijn allen
slechts verschillende lessen op een en dezelfde
school. Hoe meer zaken, hoe meer genademiddelen.
Velen zijn ongedeerd de verwilderdste paniek te
boven gekomen. „Zijt gij niet bang dat gij om-
ver gaat?" vroeg iemand eens aan een koopman in
een tijd van groote spanning op handelsgebied.
„Wel", antwoordde hij, „ik zal omver gaan, wan-
neer de vijftigste Psalm omver gaat, met het vijf-
tiende vers: „Roept Mij aan in den dag der be-
nauwdheid; Ik zal er n uithelpen, en gij zult Mij
ecren."1
Het magazijn en het kantoor hebben enkelen der
verhevenste karakters tot ontwikkeling gebracht.
Misschien bezaten zij oorspronkelijk slechts weinig
-ocr page 375-
367
scherpzinnigheid en geestkracht, maar twee of drie
zware slagen op het gebied hunner zaken deden
hen ontwaken uit hunne droomerige werkeloosheid,
en er had in hunne harten eene grondige ontwik-
keling plaats van alles wat goed en heilig en ener-
giek en ontzagwekkend was. En nu staan diezelfde
mannen in de voorste gelederen van het leger onzes
Heeren Jezus Christus, en zijn zij als lichtbaken en
vuurtorens in de groote wereld van handel en nij-
verheid. Maar het zaken doen is ook voor meni-
gen man een oorzaak van voortdurende ontlediging
geworden. Eerst ontdeed het hem van alle welwil-
lendheid , toen van alle vriendelijkheid, daarna van
alle godsdienstige indrukken, later van heel zijne con-
scientie, — en ofschoon hij zijn werkkring aanvaard-
de met een ruim hart en een nobel karakter, zal
hij dien eindelijk verlaten als een geraamte, akelig
genoeg om een spook op de vlucht te jagen!
De menschen erkennen allen , hoe hoogst gewich-
tig het is, hunne zaken op een goeden stand te
hebben: een winkel aan de beste zijde der straat,
of op den druksten hoek eener gracht. Welnu,
iedere plaats waar zaken gedreven worden, is „een
goede stand" voor geestelijke ontwikkeling. Gods
engelen zweven boven de handelswereld, om te
steunen en te schragen en dezulken op te bouwen,
die hun plicht trachten te doen. Als gij er morgen
op de plaats uwer aardsche bezigheden naar wilt
luisteren, zult gij er misschien een stem hooren,
luider dan het geratel der vrachtwagens en het ge-
schuifel van voeten en het gerammel van geldstuk-.
-ocr page 376-
368
ken, — en zal die stem in uwe ziel doordringen
en er de woorden doen hooren: „Zoekt eerst het Ko-
ninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en alle deze
dingen zullen u worden toegeworpen/"
En toch heb-
ben sommigen der scherpzinnigsten op het stuk van
koopjes zich hunne eeuwige zaligheid laten ontfut-
selen door listen en kunstgrepen, die gemakkelijker
te doorzien waren dan de lompste gauwdievenstreek
op de openbare straat. Zij beleggen hun geld in
dingen, die voor tijd en eeuwigheid beneden pari
zullen blijven staan. Zij bergen hunne stukken van
waarde in een brandkast, die de vuurproef niet kan
doorstaan. Zij geven een onbepaald crediet aan onder-
nemingen , die later niet in staat zullen zijn om één
percent te betalen. Zij werpen zich blindelings in
een doolhof, waaruit geen enkele faillissementswet
of onderhandsch accoord hen ooit weer zal kunnen
redden. Zij sluiten een compagnieschap met de
wereld, het vleesch en den duivel, — en de aartsvijand
van alle gerechtigheid zal er zich al de eeuwen der
eeuwigheid door op beroemen , dat de man, die ge-
durende heel zijn handelsleven nooit getroefd kon
worden, eindelijk in geestelijk opzicht op zwart zaad
geraakte en door zwendelarij buiten den hemel ge-
houden werd.
Misschien hebben sommigen mijner hoorders nog
den grooten brand hier te New-York in het jaar
1835 gezien. Oude lieden weten ons te verhalen,
dat die ramp alle beschrijving te boven ging. Som-
migen stonden op de daken der huizen van Brooklyn,
en zagen van daar het vuurroode verderf aan, dat
-ocr page 377-
3^9
loeiend door de straten ging en heel de wereldstad
dreigde te verslinden. Maar toch zal de handelswe-
reld zich eenmaal ontzetten over een nog groo-
ter vuurgloed, doch die zal dan ook de laatste zijn.
Wissels en kwitantiën en assurantie-polissen en
hypoteek acten en effecten en nationale schuldbrie-
ven zullen door één vlammentong verteerd worden.
De Beurzen en de Staatsbanken en de Rijksmunten
zullen tot asch vergaan. Het gesmolten goud zal
saamvloeien met het stof der straat. De fondsen-
markten en de granietzuilen van den koophandel
zullen neerploffen met een dreunenden slag, die de
aarde zal doen beven. De rosse gloed van
dat groote licht zal den rechtvaardigen den weg
naar hunne tronen wijzen. Hunne beste schatten in
den hemel zullen zij in bezit gaan nemen. De ver-
moeienissen van het handelsleven, die hier op aarde
gedurende zoovele jaren hunne hersens pijnigden en
hunne zenuwen uitputten, zullen voor eeuwig een
einde hebben genomen. „Daar zal de goddelooze
ons niet meer kwellen, en zal de vermoeide rust
vinden!" — Amen.
-ocr page 378-
-ocr page 379-
XXIV.
DE REDDENDE BLIK.
Ziende op den oversten Leidsman
en Yoleindev des geloofs, Jezus.
Hebreen XTI : 2.
In het Christelijk leven moeten wij de dingen niet
op onze slofjes afdoen. Deze wereld is niet voor
ons gemaakt om er in te rusten. In oorlogstijd kunt
gij hier en daar in de straten der steden, ver van
het tooneel van den strijd, mannen in militaire uni-
form vinden, die het recht hebben om zich buiten
het krijgsgewoel te houden. Zij hebben verlof ge-
kregen , en dus het is volkomen billijk en geoorloofd,
dat zij werkeloos blijven; maar ik heb u te zeggen,
dat er in dezen Christelijken strijd — tusschen het
eerste oogenblik waarin wij ons onder de banier
van den Christus scharen, en het laatste oogenblik
waarop wij victorie roepen — nooit of nimmer een
enkele seconde zal komen, waarin wij het recht
hebben om de wapenen neer te leggen.
De Apostel Paulus omringt dit Christelijk leven
aan alle kanten met de geestdrift der oude Griek-
sche spelen, die een man in een renbaan zonden,
-ocr page 380-
372
met zulk een spanning van zenuwen en spieren,
dat hij soms, juist wanneer hij den eindpaal bereikt
had, uitgeput nederviel. Inderdaad, de geschiedenis
verhaalt ons, hoe het meermalen gebeurd is, dat de
mannen aankwamen, en alleen de kracht hadden om
den paal te grijpen, en dan dood neervielen. En nu
zegt deze Apostel, met toespeling op diezelfde wed-
strijden : wij moeten allen in de renbaan medeloopen ,
niet er in kruipen, niet er in wankelen, maar loopcn
de loopbaan, die ons voorgesteld is, ziende op den
oversten Leidsman en Voleinder des geloojs, Jezus.\'\'1
En evenals er in den ouden tijd een man aan het
einde van den weg stond met een prachtigen krans,
die op het hoofd of om de slapen van den zege-
vierenden looper geplaatst werd, zoo staat onze
Heere Jezus Christus aan het einde van des Chris-
tens loopbaan met den krans der eeuwige heerlijk-
heid, — en God geve, dat wij door de kracht van
Zijn Heiligen Geest zóó loopen, dat die krans ons
deel wordt!
Aan den beroemden Welliston, den scheikundige,
werd eens gevraagd, waar zijn laboratorium was ;
en de vragers verwachtten, dat hun nu een groot
lokaal zou worden aangewezen, aan alle kanten ge-
vuld met zeer kostbare en zeer ingewikkelde toe-
stellen. Maar Welliston gaf zijn bediende last, op
een presenteerblad een paar glazen en een distilleer-
kolf te brengen, en zeide toen tot zijne bezoekers:
„Zietdaar, dat is mijn geheele laboratorium! Daar
doe ik al mijne proefnemingen mede." Welnu, ik
weet dat er een massa menschen zijn, die een ge-
-ocr page 381-
373
heele bibliotheek noodig hebben om hunne theolo-
gie te omschrijven. Zij hebben duizenden theoriën over
tienduizend dingen; maar ik voor mij moet u zeggen,
dat heel mijne theologie zich laat saamvatten in
deze drie woorden: „Ziende op Jezus." En wanneer
wij iets kunnen begrijpen van de hoogte en de diep»
te en de lengte en de breedte en de oneindigheid
en de onmetelijkheid van deze drie tekstwoorden,
dan begrijpen wij alles!
En nu doe ik u ten eerste opmerken, dat wij op
Jezus moeten zien als op onzen persoonlijken Verlos-
scr en Zaligmaker.
Gij weet wel, dat de mensch
thans slechts een ontredderde ruïne is van wat hij
eenmaal was. Ons lichaam is gebrekkig. Hoe wordt
het bestookt door ziekten! Onze geest is gebrekkig.
Hoe moeilijk valt ons vaak het onthouden, en hoe
gemakkelijk het vergeten! Onze geheele natuur ont-
aard en bedorven, van den hoofdschedel tot de
voetzolen: wonden, kneuzingen en etterende zweren.
Er groeit in Brazilië eene plant, die men „de moor-
denaar" noemt, enkel en alleen omdat zij zóó ver-
giftig is, dat zij bijna iedereen doodt, die haar aan-
raakt. Zij begint zich omhoog\'te kronkelen rondom
den wortel van een boom, en zoo al verder naar
boven gaande, bereikt zij weldra de takken, strekt
zich tot de verste twijgjes uit, en doodt zoodoende
ten slotte den geheelen boom. Wanneer zij tot het
uiterste einde der takken is gekomen, is de boom
dood. Intusschen vallen hare zaden op den grond,
waaruit weer andere planten opschieten even
moorddadig als zij. En zoo is het ook met de zonde;
-ocr page 382-
374
zij is eene vergiftige plant, die langen tijd geleden
in onze ziel gezaaid werd, en nu kronkelt zij zich
rondom het lichaam en den geest en de ziel, en al
vergiftigend, al vergiftigend, al vergiftigend, — al
doodend, al doodend, al doodend gaat zij voort.
Maar nu zou het niets baten of ik hier al over
sprak, indien er geen mogelijkheid bestond om die
plant uit te roeien. Het zou hoogst onredelijk van
mij zijn, tot iemand te komen, die ziek is, en lang
en breed over zijne kwaal uit te wijden, indien ik
hem geen geneesmiddel had aan te bieden. Maar
ik heb het recht tot iemand te komen, die in gel-
delijken of lichamelijken nood verkeert, indien ik
hem finantiëelen steun kan aanbieden, of een on-
feilbaar geneesmiddel voor hem weet. God zij ge-
loofd, dat er tusschen de bergen onzer zonde een
lied van verlossing ruischt en weergalmt! Luider
dan al de stemmen der slavernij, is de bazuin van
Gods bevrijding, roepende: „Het heeft u bedor-
ven, o Israël, want in Mij is uive hulp!"
Aan de
met grendels en boomen gesloten deuren van onzen
kerker klopt de Overwinnaar, en de hengsels kraken
en knarsen terwijl de deuren opengaan. De uitge-
hongerde rapen het manna op, dat in de woestijn
valt, en de stroomen klappen in de handen\', zeg-
gende: „Drink, o dorstige ziel, en leef in eeuwig-
heid!" En de voeten die opengereten en diep ge-
kloofd waren op den ruwen en steenachtigen weg
der zonde, komen nu op een vlak en effen pad; en
de droge elzenboomen kraken, terwijl het hijgend
kloppende hart voortsnelt naar de waterbeken, en
-ocr page 383-
375
in den donkeren nacht der ziel begint de morgen
te grauwen , neen te blozen , neen te vlammen : van
den eenen horizont tot den andere. De batterijen
der verzoeking zijn tot zwijgen gebracht. De mach-
ten die ons bestreden , zijn overmeesterd en gedwon-
gen om aan onze zijde strijd te voeren. Niet als
een gevolg van eenigen arbeid of inspanning on-
zerzijds , maar éénig en alleen als een gevolg van
dat „ziende op Jezus"
Maar wat bedoelt gij toch met dat: „ziende op Jezus?"
hoor ik iemand vragen. Daar bedoel ik het geloof
mede. „En wat bedoelt gij met het geloof?" Daar
bedoel ik het gelooven mede. „En wat bedoelt gij
met het gelooven?" Daar bedoel ik dit mede: In-
dien gij mij belooft , iets voor mij te zullen doen,
en ik heb dan vertrouwen in uwe oprechtheid en
waarheidsliefde; indien gij zegt, mij het een of ander
te zullen geven, dat ik dringend noodig heb, en ik
meen dan te kunnen vertrouwen, dat gij een eerlijk
man zijt en doen zult wat gij zegt. En nu zegt
onze Heere Jezus Christus: „Gij hebt behoefte aan
vergeving van zonden, en aan het eeuwige leven,
en aan den hemel, en gij kunt ze krijgen, als gij er
om komt vragen!" Zegt gij nu: „Ik kan er niet
eerst om komen vragen. Ik ben bevreesd, dat Gij
ze mij niet zult geven," — dan zijt gij een ongeloo-
vige. Maar zegt gij: „Ik zal er om komen vragen.
Ik weet, Heere Jezus, dat Gij dit aanbod ernstig
meent. Ik kom vergeving van zonden vragen. Gij
hebt beloofd," mij die te geven, Gij wilt mij die
geven, Gij hebt mij die gegeven!" — dat is dan
-ocr page 384-
376
geloof. Ziet gij het nu? „O," zegt iemand, „dat
kan ik niet begrijpen." Dat heeft niemand ooit be-
grepen , zonder goddelijke hulp. Het geloof is een
gave Gods. „Welnu," zegt gij, „dat werpt de ver-
antwoordelijkheid van mijne schouders af." Neen!
Het geloof is een gave Gods, maar zij komt in
antwoord op het gebed.
Ik doe u voorts opmerken , dat wij op Jezus moeten
zien als een voorbeeld.
Gij weet: louter namaak is
meestal iets gebrekkigs. Als een schilder zijn toe-
vlucht neemt tot een portefeuille met teekeningen
of een museum van schilderijen, hoe uitgezocht en
volledig ook, om zich door middel van die schilder-
werken een denkbeeld van de natuurlijke wereld te
vormen , dan zal hij niet zoo goed slagen als de kun-
stenaar, die \'s ochtends vroeg naar buiten gaat, en
daar de dauwdruppels aan de grashalmen ziet han-
gen , en den morgenstond juist zoo aanschouwt als
God dien in de wolken bouwde, of over de bergen
uitgoot, of op den spiegel der zee liet fonkelen.
De menschen verwonderden er zich over, hoe Tur-
ner, de beroemde Engelsche schilder, zoo goed
slaagde in het weergeven van een storm op den
oceaan. En zij bleven er zich over verwonderen,
totdat men vernam, dat hij zich herhaalde malen
op het dek van een schip had laten vastbinden te
midden van een zwaren storm, en dan oplettend
het woelen en woeden der zee gadesloeg, — en
wanneer hij dan weer in zijn atelier terugkwam,
schilderde hij den storm. Niet de machinale copyist
slaagt, maar de man die de natuurlijke wereld be-
-ocr page 385-
377
spiedt en bestudeert. Indien iemand dus een boek
wil gaan schrijven, en zich daarbij voorneemt, de
rijke beeldspraak van een John Bunyan , of de stoere
kracht van een Carlyle, of de stoute vlucht van een
Milton, of den korten en bondigen stijl van een
Emerson na te bootsen, zal hij nooit zoo goed sla-
gen, als de man, die zijn eigen natuurlijken stijl poogt
te ontwikkelen, te verbeteren en te verfraaien. En
wat in dit opzicht waar is, is ook waar ten opzichte
van het karakter. Zoo waren er indertijd lieden,
die zich betooverd gevoelden door den ongeloovigen
dichter Lord Byron. Hij liep kreupel, en droeg
buitengewoon groote boorden. En toen waren er
tienduizenden menschen, die zich voornamen om
evenals Lord Byron te doen; en zij gingen mank
loopen, en droegen groote boorden, doch daar-
om hadden zij nog volstrekt zijn genie niet, —
wat misschien nu juist niet tot hun ongeluk was.
Gij kunt nooit een volkomen welgeslaagde copy
van een mensch leveren, hetzij hij goed of slecht
is. Al naamt gij den allerbesten man, die er ooit
geleefd heeft, en trachttet gij te leven zooals hij, dan
zoudt gij in die poging te kort schieten. Er was nooit
een beter man dan Edward Payson. Velen hebben
zijne levensbeschrijving gelezen, zonder te begrij-
pen, dat hij een ziek man was; en zij dachten dat
zij toenemende waren in de genade, omdat zij even-
als hij toenamen in neerslachtigheid. Zoo waren
er ook lieden die Cowper copiëerden, den dichter,
een uitnemend en beroemd man, maar somtijds be-
hept met een aan waanzin grenzende zwaarmoedig-
-ocr page 386-
378
heid. De namakers kregen wel Cowpers gebreken,
maar niet één zijner deugden. Ten allen tijde is er
SLECHTS ÉÉN WEZEN GESCHIKT TER NAVOLGING ge-
weest. Eenige eeuwen geleden trad Hij op te mid-
den van eene eenvoudige omgeving, en met een
voorkomen en eene houding en een gedrag, die
gansch anders waren dan alles wat de wereld dus-
ver aanschouwd had. Voor alle klassen van men-
schen was Hij een volmaakt model. Den visschers
wees Hij aan, hoe visschers moesten handelen. Den
tolgaarders toonde Hij aan , hoe tolgaarders moesten
handelen. Den wetgeleerden toonde Hij aan, hoe
wetgeleerden moesten handelen. Den landbouwers
toonde Hij aan, hoe landbouwers moesten handelen.
Den rentmeesters toonde Hij aan, hoe rentmeesters
moesten handelen. Critisch gestemde lieden, vitters
en bedillers, trachtten in Zijne gesprekken of Zijne
prediking iets onverstandigs of onvriendelijks of on-
nauwkeurigs te vinden; maar het is hun nooit ge-
lukt. Zij bespiedden Hem, — o, hoe bespiedden
zij Hem! Nooit trad Hij een huis binnen, of zij
wisten het, — en zij wisten hoe lang Hij er bleef,
en wanneer Hij er uitkwam, en of Hij onder het
eten wijn had gedronken. De laster vlocht zijne
zwepen, en scherpte zijn giftigen tong, en zette
zijne vallen uit, maar kon Hem niet vangen. Kleine
kinderkens snelden naar buiten, om een kus van
Hem te krijgen, en oude lieden strompelden naar
den hoek der straat, om Hem voorbij te zien
komen.
Verlangt gij een voorbeeld van Godsvereering,
-ocr page 387-
379
ziet dan hoe Hij gansche nachten in het gebed door-
brengt! Verlangt gij een voorbeeld van lijden, ziet
dan op Zijn pad door Palestina de sporen van bloed!
Verlangt gij een voorbeeld van geduld, ziet dan
hoe Hij miskend en bespot wordt, en toch nooit
één scherp antwoord geeft! Verlangt gij een
voorbeeld van vlijt, ziet dan hoe Hij geen oogen-
blik ledig is! Verlangt gij een toonbeeld van op-
offering, aanschouwt dan Zijn leven van zelfverloo-
chening, Zijn dood aan het vloekhout, Zijn graf
der vernedering! O welk een voorbeeld! Zijne
voeten gewond, en tóch onderwierp Hij zich aan den
gang naar Golgotha! Zijn rug door de geeselstrie-
men opengereten, en tóch droeg Hij het kruis! Als
Hij geslagen werd, sloeg Hij nooit terug! Schoon
Hij veroordeeld werd, verhief Hij zich toch hooger
dan Zijne lasteraars, en met wonden in Zijne han-
den, en wonden in Zijne voeten, en wonden op
Zijn voorhoofd, en wonden in Zijne zijde, riep Hij
uit: „Vader, vergeef het hun, want zij ivefen niet,
wat zij doenP\'
O, mijne broeders en zusters, dat
is de Poolstar waarnaar gij uw kompas moet stel-
len , dat is het landhoofd waarop gij moet aansturen ,
dat is het licht waaraan gij uwe lampen moet ont-
steken, dat is het voorbeeld dat wij allen moeten
trachten te volgen! Hoe zou het de ruwheden in
ons karakter verzachten! En de wereld zou diep
getroffen worden door die verandering, en zij zou
zeggen: „Ik weet, wat er met dien man gebeurd
is; hij is bij Jezus geweest, en heeft van Hem ge-
leerd."
-ocr page 388-
38o
Alexander trok op met zijn leger door Perzië, maar
de sneeuw en het ijs hoopten zich zoodanig op,
dat de troepen staan bleven en zeiden: „Wij kunnen
niet verder marcheeren!" Toen steeg Alexander van
zijn paard, nam een houweel ter hand, ging aan het
hoofd van zijn leger, en baande er zich een weg
meè door ijs en sneeuw. „Als hij dat doen kan,"
zeiden de soldaten, „kunnen wij het óók!" En zij
namen hunne houweelen, en weldra was de weg
vrij, en kon het leger voortmarcheeren. Zoo daalde
onze Heer en Heiland van den troon Zijner heer-
lijkheid af, en baande Hij door alle ijsbergen heen
een pad voor Zichzelven en een pad voor ons, zeg-
gende: „Volgt Mij! Ik vraag u niet, eenig lijden te
doorworstelen, of eenigerlei strijd te strijden , waar-
in Ik u niet ben voorgegaan. Volgt Mij!"
Voorts doe ik u opmerken, dat wij op Christus
moeten zien als een medelijdend Ontfenncr. Bevindt
er zich op den huidigen dag hier in dit bedehuis
wel iemand, die geen behoefte heeft aan sympathie?
Ik weet niet, hoe iemand kan leven zonder sympa-
thie en belangstelling en ontferming en medelijden.
Er zijn er evenwel, die buitengewoon ruwe paden
in dit leven bewandeld hebben , zonder dat zij een
goddelijken arm hadden om op te leunen. Hoe zij
er doorgekomen zijn, weet ik niet recht. Hun ver-
mogen schoot vleugelen aan, tengevolge van een
ongelukkige geldbelegging, en vlood heen. De Bank
failleerde, en zij konden platzak heengaan. Meedoo-
genlooze schuldeischers namen de stukken en brok-
ken van een landgoed mede, dat zij met vijfentwin-
-ocr page 389-
38i
tig jaren hard werken verdiend hadden. Hoe hebben
zij dat alles doorstaan zonder Christus? De dood
trad de kinderkamer binnen, en er kwam een ledig
bedje. Eén stem minder in den huiselijken kring.
Eén bruisende fontein van vroolijkheid en gelach
minder. Twee handen minder den geheelen dag
aan den sportwagen. Twee voeten minder springend
en huppelend door de gang. Twee oogen minder
om te stralen van liefde en blijdschap. Door heel
dat huis schaduw na schaduw, schaduw na schaduw,
totdat het middernacht was. Hoe doorworstelden
zij dit alles? Ik weet het niet. Zij trokken door de
groote Sahara zonder water in hunne lederen zak-
ken. Zij vielen tot aan hun kin in den Poel der
Wanhoop, zonder dat zij iemand hadden om- hen er
uit te trekken. In een onzeewaardig wrak gingen zij
scheep op een door stormen bestookten oceaan.
O mijn broeder, o mijne zuster! er is een bal-
sem die de ergste wonde geneest. Er is een licht,
dat de ergste duisternis kan verhelderen. Er is een
haven, die tegen de onstuimigste zeeën beveiligt.
Gij hebt de ontfermende liefde van een Zaligmaker
noodig, en zij kan uw deel worden. Gij kunt niet
langer blijven voortgaan op dezen weg. Ik zie, dat
uwe zorgen en angsten u uitputten naar lichaam en
geest en ziel. Ik kom u niet misleiden of bedriegen.
Ik kom tot u met een balsem, die alle wonden kan
heelen. Zijt gij ziek? Jezus is ziek geweest! Zijt
gij vermoeid? Jezus is vermoeid geweest! Wordt
gij vervolgd ? Jezus is vervolgd geworden ! Treurt
gij over lieve dooden? Weende Jezus niet over
-ocr page 390-
382
Lazarus? O ja: gelijk een ree op de bergen van
Bether, komt Jezus heden tot uwe ziel gesneld. Er
is één tekst in de Heilige Schrift, waarvan elk woord
als de slag van een kloppend hart is: „Komt her-
waarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en
Ik zal u ruste geven!\'"
En dan is er nog een andere
tekst, die even goed is als de vorige: „Wentel
uwen weg op den lieer, en vertrouw op Hem, Hij
zal het maken!"
O, er zijn groene weiden,
waarheen de hemelsche Schaapherder de gewonden
en de zieken der kudde leidt. De Zoon van God
staat bij het graf van Lazarus, en zal het vol heer-
lijkheid openbreken te rechter tijd. Het meer van
Genezareth kan zijne golven zóó hoog niet opstuwen,
dat Christus het niet kan bewandelen. Het kruikje
met olie zal vermeerderen tot een onuitputtelijken
voorraad. Nadat de boomgaard van al zijne vruch-
ten beroofd schijnt te zijn, heeft de Heer nog één
boom over, vol met een gouden en rijpen oogst.
De lijkzang moge weemoedige tonen doen hooren
van rouw en van dood, maar na verloop van eeni-
gen tijd komt er een lied, een koor, een gejubel,
een strijdmarsch, een hosannah, eene kroningscantate.
O, voelt gij nu niet den adem van Christus\' mede-
lijdende en ontfermende liefde, o gewonde, o moe-
gestreden zielen?
Zoo gij er nog niets van voelt, dan zou ik u wel
eens iets willen vertellen van dien veldprediker bij
het leger, die gewond was, zoodat hij niet kon
loopen; maar hij hoorde op eenigen afstand tusschen
de stervenden een man, die uitriep: „O mijn God!"
-ocr page 391-
3%
Hij zeide bij zichzelf: „Ik moet dien man helpen,
al kan ik niet loopen!" Zoo rolde hij zich om, en
rolde hij door zijn eigen bloed, en rolde hij over
velen der gesneuvelden, totdat hij op de plek kwam
waar deze zijn arme lijdende krijgsmakker lag, —
en hij verkondigde hem den troost des Evangelies,
en met zijne eigene wonde scheen hij de wonde van
dien man te lenigen. Dat was sympathie, dat was
medelijdende, ontfermende liefde, uitgaande naar
een wezen, dat er de meest mogelijke behoefte aan
had, en een wezen, dat hij gemakkelijk kon begrij-
pen. En zoo is het ook met Christus: schoon Zelf
geheel en al met wonden bedekt, hoort Hij den
kreet van ons berouw, den kreet onzer smart, den
kreet onzer armoede, den kreet onzer ellende, en
zegt Hij: „Ik moet die ziel gaan helpen!" En Hij
komt tot ons met wonden in het hoofd, wonden
in de handen , wonden in de voeten, totdat Hij juist
op de plek is, waar wij ons liggen te wentelen in
ons eigen bloed; en Hij slaat Zijn arm om ons heen,
— en ik zie dat het een gewonde arm en een ge-
wonde hand is, en terwijl Hij ons met Zijn arm
omvat houdt, hoor ik Hem zeggen: Jk heb u lief
gehad met eene eeuwige liefde."
Voorts, wij moeten tot Christus opzien als tot onze
laatste toevlucht.
Wij kunnen met deze onze aardsche
oogen, hoe goed ons gezicht ook zij, geen blik
werpen op het hemelsche land, waarnaar onze zielen
smachten. Maar ik betwijfel evenmin, dat er aan
gene zijde van de koude doodsrivier een plaats van
heerlijkheid en rust is, als dat er aan den overkant
-ocr page 392-
3Ó4
van den Atlantischen Oceaan nog een ander we-
relddeel ligt. Maar tusschen het hemelsche land en
dit aardsche land bestaat het grootst mogelijke con-
trast. Dit is een woestenij, en — dat is een groenen-
de hof. Deze ondiepe stroomen der aarde, die een
dorstige os droog zou kunnen drinken, of de hoef
van een muilezel tot modder zou kunnen stampen,
vergeleken met de heldere kristallen rivier van
onder den Troon, op welker oevers de heirscharen
des hemels kunnen rusten, en in welker klare gol-
ven de boomen des levens hunne takken doopen.
Deze instrumenten van aardsche muziek, die zoo
lichtelijk ontstemd worden, vergeleken met de har-
pen, die onder eeuwige melodieën trillen, en met
de bazuinen, die zulk een verrukkelijke muziek
voortbrengen, dat zij de dooden doen ontwaken.
Deze straten, die wij hijgend doorgaan in de zo-
merhitte, of huiverend in de winterkoude, en waar-
in de arme man zijn last draagt, en de zwerver
om een aalmoes vraagt, en over welker plaveisel
de voetstappen schuifelen van pijn en gebrek en el-
lende , vergeleken met de straten, die eeuwiglijk
weergalmen van de voetstappen van blijdschap en
heiligheid, en met de muren, vervaardigd van al-
lerlei soorten kostbare edelgesteenten, wier glans
afgewisseld wordt door de weerkaatsingen van jas-
pis en chrysoliet en topaas en sardonyx en beryl
en smaragd en chrysopraas.
O, dat contrast tusschen deze wereld, waarin wij
te worstelen hebben met verzoekingen, die zich
niet laten overwinnen, en die andere, die betere,
-ocr page 393-
3Ö5
die hoogere wereld, waar volmaakte blijdschap,
volmaakte heiligheid, en volmaakte rust heerschen!
Wanneer de eenvoudigste Christen-pelgrim voor
de hemelpoort aankomt, opent zij zich voor hem,
en de engelen zweven neder om hem binnen te
leiden, en zij maken den feestdisch gereed, en zij
vieren feest wegens de aankomst van dezen door-
luchtigen gast. En Jezus komt tot hem met een
kroon en zegt: „Draag deze!" en met een palmtak
en zegt: „Wuif hiermede!" en Hij wijst naar een
troon en zegt: „Bestijg dezen!" En daarna scharen
de oude burgers des hemels zich in het rond, om
den nieuw aangekomene den lof te hooren bezin-
gen der voor hem gewrochte verlossing. En als de
pas gezaligde ziel verhaalt van de genade, die haar
vergeving schonk, en van de ontfermende liefde,
die haar redde, stemmen al de hemelbewoners saam
in den roem des Konings, uitroepende: „Prijst
Hem! prijst Hem!"
De onovertroffen John Bunyan aanschouwde een
zweem van al die heerlijkheid, toen hij zeide: „Juist
toen de poorten geopend werden, om de lieden in
te laten, wierp ik achter hen een blik naar binnen
en ziet! de stad straalde als de zon. De straten
waren ook geplaveid met goud, en daarin wandel-
der er velen met kronen op hunne hoofden, en
met gouden harpen, om gezamenlijk lofliederen aan
te heffen. En daarna sloot men de poorten weder
dicht. En nadat ik dit gezien had, wenschte ik in
hun midden te zijn." — Amen.
-ocr page 394-
-ocr page 395-
XXV.
GETUIGEN.
Waarvan wij getuigen zijn.
Handelingen III : 15.
In de dagen van George Stephenson, den vol-
maker van de machine der locomotief, verzekerden
de geleerden met de meest mogelijke beslistheid,
dat een spoortrein nimmer met goeden uitslag en
zonder gevaar door stoomkracht voortgestuwd zou
kunnen worden. Maar de pijlsnelle „bliksemtreinen\'\'
van Parijs naar Berlijn, en van Petersburg naar
Konstantinopel, hebben alle natiën en volken getui-
gen doen zijn van de schitterende wijze, waarop
het denkbeeld ten uitvoer is gebracht. Werktuig-
kundigen en zeevarenden beweerden met de meest
mogelijke beslistheid, dat een stoomboot nooit of
nimmer den Atlantischen Oceaan zou kunnen door-
kruisen ; maar nauwelijks hadden zij met goeden uit-
slag de onmogelijkheid van zulk eene onderneming
betoogd, of het groote werk was tot stand gebracht,
— en de passagiers op de Indische, en de Ameri-
kaansche, en de Noordsche, en de Kaapsche lijnen
zijn er de getuigen van. Uit den kring der geleer-
den ging een storm van minachtend gelach op bij
-ocr page 396-
3ÖÖ
het hooren van Professor Morse\'s voorstel om het
vuur des hemels tot zijn bode te maken , en er
werd met de meest mogelijke beslistheid verzekerd,
dat er van zulk een plan nooit iets zou kunnen
komen; maar op den huidigen dag heeft het nieuws
uit heel de wijde wereld, dat u door de drukpers
iederen ochtend en iederen avond ter hand wordt
gesteld, er al de natiën en volken getuigen van ge-
maakt.
En zoo werd ten tijde van Christus met de meest
mogelijke beslistheid verzekerd, dat het Hem on-
mogelijk was, uit den dood op te staan. Het werd
op logische gronden aangetoond, dat een mensch,
die eenmaal dood is, ook dood blijft; en dat — als
het hart en de lever en de longen eenmaal hebben
opgehouden hunne taak te volbrengen — de ledema-
ten zoodanig moeten verstijven, dat zij met geen
mogelijkheid meer bewogen of opgeheven kunnen
worden. Men verklaarde het voor een absolute on-
gerijmdheid , dat de doode Christus ooit weer levend
zou kunnen optreden; maar nauwelijks had men dit
betoogd, of de doode Christus verrees uit het graf,
en de discipelen aanschouwden Hem, hoorden Zijne
stem, en spraken met Hem, — en zij namen de
omstanders tot getuigen van de waarheid der feiten,
welke door de wijsheidkramers dier dagen voor on-
moge lijk waren verklaard. De hoofdsom van die
ervaring en van dat getuigenis is saamgevi.t in het
Schrift woord : „ Welken God opgewekt heeft uit de
dooden; waarvan wij getuigen zijn."
Welnu, laat ik mij eens voor een oogenblik als
-ocr page 397-
3Ö9
een ongeloovige aanstellen. „Er is geen God," zegt
de ongeloovige, „want ik heb Hem met mijne licha-
melijke oogen nog nooit gezien. Die Bijbel van u
is een pak tegenstrijdigheden. Er is nooit een won-
der gebeurd. Lazarus werd niet uit den dood opge-
wekt, en het water is nooit in wijn veranderd. Uw
godsdienst is een laaghartig misbruiken van de licht-
geloovigheid aller eeuwen." Daar ginds zie ik een
oud man gebaren en bewegingen maken, alsof hij
gaarne zou willen antwoorden. Hier zijn honderden
lieden, wier gelaat met een hoogen blos gekleurd
wordt bij deze verklaringen; en door heel deze ver-
gadering trilt een nauwelijks te bedwingen gevoel,
dat zich gaarne zou willen uitspreken aangaande
de waarheid van ons heerlijk Christendom, door,
evenals in de dagen van mijnen tekst, luidkeels uit
te roepen : „ Waarvan zvij getuigen zijn /"
En de zaak staat dan ook zoo , dat — als deze wereld
ooit tot God gebracht zal worden — het niet door
redeneering, maar door getuigenis zal geschieden.
Al overdekt gij de geheele aarde met vertoogen
ten gunste van het Christendom, en met geleerde
verhandelingen ter verdediging van onzen godsdienst,
— gij zoudt er geen enkele ziel door bekeeren!
Lezingen over de harmonie tusschen wetenschap
en godsdienst zijn prachtige middelen tot opscher-
ping en ontwikkeling van den geest, maar hebben
nog nooit eene ziel gered, en zullen ook nooit eene
ziel redden. Zet een man van de wereld en een
man van de Kerk tegenover elkaar, en de man van
de wereld zal naar alle waarschijnlijkheid de over-
-ocr page 398-
39ö
winning behalen. Er zijn duizenden dingen in onzen
godsdienst, die der wereld onlogisch toeschijnen,
en die altijd onlogisch zullen schijnen. Ons wapen
in dezen strijd is liet geloof, en niet de logica; het
geloof\',
en niet de verheven welsprekendheid; het
geloof,
en niet de diepgaande betoogtrant; het ge-
loof,
en niet de schoolsche geleerdheid. Maar ver-
volgens, ten einde geloof te hebben, moeten wij
getuigenis hebben, — en wanneer nu vijfhonderd
menschen, of duizend menschen, of vijfhonderd
duizend menschen, of vijf millioen menschen op-
staan en tot mij zeggen, dat zij gevoeld hebben
hoe de godsdienst van Jezus Christus hun tot
blijdschap is, en tot troost, en tot hulp, en tot
bezieling, dan ben ik toch als een eerlijk en ver-
standig man verplicht, hun getuigenis te aanvaarden.
En nu wensch ik in deze ure drie voorstellen aan
uw oordeel te onderwerpen, welker waarheid, dunkt
mij, door deze vergadering met overweldigende
meerderheid zal worden aangenomen.
Het eerste voorstel is: Wij zijn getuigen, dat de
Christus macht heeft om een ziel te bckecren.
Het
Evangelie van Jezus Christus moge veel moeite ge-
had hebben om ons te veroveren, en wij mogen er
nog zoo lang tegen gestreden hebben, maar wij
werden overwonnen. Gij zegt, dat de bekeering
slechts iets denkbeeldigs is. Wij weten beter! „ Waar-
van wij getuigen zijn."
Er heeft nog nooit zulk
een groote verandering in ons hart en ons leven
plaats gehad ten opzichte van eenige andere zaak,
als ten opzichte van deze. De menschen lachten de
-ocr page 399-
39i
zendelingen op Madagascar uit, omdat zij tien jaren
predikten zonder één bekeerde; maar op den huldi-
gen dag*) zijn er 33,000 bekeerden op Madagascar.
De menschen lachten Dr. Adoniram Judson, den
Baptisten-zendeling, uit, omdat hij vijf jaar in Birmah
bleef prediken zonder een enkelen bekeerde; maar
op den huidigen dag zijn er 20,coo Baptisten in Bir-
mah. De menschen lachten den in China arbeiden-
den Dr. Morrison uit, omdat hij daar zeven jaar
predikte zonder eene enkele bekeering; maar op den
huidigen dag zijn er 25,000 Christenen in China. De
menschen lachten de zendelingen uit, omdat zij
vijftien jaar op Tahiti predikten zonder eene enkele
bekeering, en evenzoo lachten zij de zendelingen
uit, omdat zij zeventien jaren in Bengalen predikten
zonder eene enkele bekeering; en toch zijn er op den
huidigen dag in al die landen groote menigten van
geloovige, blijmoedige, standvastige Christenen!
Doch waartoe zoo vèr te gaan om een bewijs te
vinden van de macht des Evangelies tot redding
eener ziel? „Waarvan wij getuigen zijn." Wij waren
zóó trotsch, dat geen menschelijk wezen ons had
kunnen vernederen; wij waren zóó hardnekkig, dat
geen aardsche macht ons hoofd had kunnen buigen;
engelen Gods waren aan alle kanten om ons heen,
maar zij konden ons niet meester worden. Maar op
zekeren dag, — misschien was \'t op het uiterste
hoekje van een bank in een vroegbeurt, of op
een benauwd plaatsje in een bidstond, of bij een be-
grafenis, of in den zadel, — werden wij aangegrepen
*) Juli 1890.
-ocr page 400-
392
door eene macht, die ons nederwierp, die ons deed
beven, die ons deed knielen, die ons deed roepen
om genade, — en wij trachtten ons wel aan haar
greep te ontwringen, maar dat konden wij niet. Zij
sloeg ons plat tegen den grond, en toen wij weer
opstonden, waren wij even krachtdadig veranderd
als Gourgis, de heiden, die met een dolk en een
geweer in de hand naar een bidstond ging, om de
samenkomst te verstoren en uiteen te jagen, maar
dien men den volgenden dag jammerend hoorde
uitroepen; „O, mijne groote zonden! O, mijn groote
Verlosser!" en die toen elf jaar lang het Evangelie
van Jezus Christus verkondigde aan zijne mede-
bergbewoners , totdat zijne stervende lippen hier op
aarde hunne laatste woorden stamelden: ,Vrije ge-
nade!" Ja, dat was vrije genade!
Daar is een man, die tien jaar geleden een ver-
slaafde dronkaard was. De vreeselijke drankzucht
had hare wortelen diep rondom zijn gehemelte en
zijn tong geboord, en al dieper en dieper, totdat
zij zich hadden saamgeweven met de levenskrach-
ten van lichaam en geest en ziel. Maar nu heeft
hij reeds sedert tien jaar geen droppel sterken drank
meer gebruikt. Wie deed dat? Geen matigheidsge-
nootschappen. Geen drankwetten. Geen zedelijke
overredingskracht. Dat deed de bekeering! „Wel,
mijnheer/\' zeide iemand, met wien zulk een groote
verandering had plaats gegrepen, „ik heb net een ge-
voel alsof ik iemand anders was!" Daar is een zee-
kapitein, die den ganschen weg vloekte, van New-
York naar Liverpool, en van Liverpool naar Bremen ,
-ocr page 401-
393
— en wanneer hij in de haven was, maakte hij het
nog erger, dan wanneer hij op zee was. Welke
macht was het, die zijne tong van al de godslaste-
ringen reinigde, en hem tot een psalmzinger
maakte? De bekeering door den Heiligen Geest. Er
zijn op den huidigen dag in deze vergadering dui-
zenden menschen, die thans evenmin gelijken op
hetgeen zij vroeger waren, als een waterlelie op
een nachtschade, of een leeuwerik op een gier, of
de dag op den nacht! Welnu, indien ik eens vroeg
of al de hier aanwezige menschen, die bij eigen
ervaring de bekeerende kracht des geloofs hebben
leeren kennen, van hunne zitplaats wilden opstaan,
zouden zij, wel verre van zich door schaamte te la-
ten weerhouden, met méér levendigheid opspringen,
dan zij ooit naar den dans sprongen, — dan zouden
zij onder een mengeling van tranen en van zalige
verrukking uitroepen: tWij zijn getuigen!" En zoo
zij een lofzang ter eere van dit oude Evangelie
poogden aan te heffen, zouden zij door de ontroe-
ring overweldigd worden, wanneer zij aan den
tweeden regel kwamen:
«Zou ik mij schamen voor mijn Heiland,
Op Wien \'k mijn hoop, mijn hemel bouw f
Neen! zoo ik bloos, is dit de reden:
Dat \'k Hem nooit, nóóit genoeg vertrouw!"
Voorts doe ik u opmerken, dat wij getuigen zijn
van de macht des Evangelies om te troosten.
Er zijn
hier ouders aanwezig, die zich gaarne bereid zullen
verklaren om getuigenis af te leggen aangaande de
-ocr page 402-
394
vertroostende macht van dit Evangelie. Uw zoon had
juist zijn einddiploma verkregen op de middelbare of
de hoogeschool, en zou zich nu aan den door hem ge-
kozen werkkring gaan wijden , — toen de Heer hem
wegnam. Of uwe dochter had juist de hoofdacte als on-
derwijzeres verkregen, — en nu dacht gij, dat zij een
nuttig arbeidende vrouw in de maatschappij zou wor-
den en een lang leven zou hebben; maar de Heer nam
haar weg, zoodat gij in de verzoeking kwaamt om uit
te roepen : „Al die studie en opvoeding sedert twintig
lange jaren letterlijk voor niets \\" Of één der klei-
neren kwam thuis van school met eene heete koorts,
die zich niet tot staan liet brengen door het uit
zielsangst opgezonden gebed, of door de bekwaamheid
van den geneesheer, en het kind werd weggenomen.
Of de jongste werd uit uwe armen gerukt door de
eene of andere snel voortwoedende epidemie, zoodat
gij uzelven met verbazing afvroegt, waarom God u
eigenlijk dat kind gegeven had, als Hij het weer
zóó schielijk wilde wegnemen. En toch mort gij
niet, toch toornt gij niet tegen God. Wat heeft u
in staat gesteld om die beproeving tot den einde toe
te doorworstelen? „O," zegt gij, „ik nam de medi-
cijn in, die God voor mijne kranke ziel had gereed
gemaakt. In mijn rouw en droefheid wierp ik mij
neder aan de voeten van een medelijdend en ont-
fermend God; en toen ik te zwak was om te bid-
den , of om op te zien, stortte Hij mij een vrede in,
die, dunkt mij, een voorsmaak moet zijn van dien
hemel, waar geen scheiding, geen graf en geen tra-
nen meer zijn!"
-ocr page 403-
395
Komt allen, gij die naar het graf zijt geweest om
daar te weenen, — komt allen, gij getrooste zielen,
staat op van uwe knieën! Is er geen macht in dit
geloot om de hevigste uitbarsting van smart te
stillen? Daar klinkt een antwoord uit den mond
van getrooste weduwen en weezen en kinderloozen,
zeggende: „Ja, ja, wij kunnen het getuigen \\" Wan-
neer iemand verdriet heeft, treedt de wereld bij
hem binnen en zegt zij: „Komaan, zet het uit uw
hoofd! Ga er eens uit, en schep wat frissche lucht!
Verdiep u nog meer in uwe zaken !" Welk een arm-
zalige raad! Zet het uit uw hoofd! ? Wanneer alles
onderste-boven is gehaald door en na het sterfge-
val, en alles u herinnert aan wat gij verloren hebt.
Zet hel uit u:v hoofd!? Men kon u evengoed den
raad geven om uwe gedachten stil te zetten! Gij
kunt eenvoudig niet ophouden te denken, en gij kunt
niet ophouden met denken in die richting. Ga eens
eene wandeling in de frissche lucht doen! Ach, door
diezelfde straat, of langs datzelfde pad, wandelde
zij vroeger met u mede. Op dat grasveld daar
liep zij bloempjes te plukken, of voor dat winkel-
raam ginds bleef zij verrukt stilstaan en riep zij u
toe: „Kom eens even kijken naar die mooie platen!"
Verdiep u nog meer in uwe zaken ? Ach, zij was
zoo geheel vereenzelvigd met al uwe plannen en
ondernemingen; en sedert zij is heengegaan, hebt
gij geen lust meer om iets te probeeren of op touw
te zetten. O , dit is zoo\'n onhandige en onbeholpen
wereld, wanneer zij een gebroken hart tracht te
troosten! Ik kan even gemakkelijk een „Mozes" van
-ocr page 404-
396
Michaël Angelo beitelen, of een „Madonna" van
Raphaël schilderen, of een vSymphonie Eroïca" van
Beethoven spelen, als de wereld een gebroken hart
kan troosten. En tóch zijt gij getroost. Hoe ging
dat? Kwam Jezus tot u, en zeide Hij: „Kom, zet het
uit uw hoofd! Ga eens een luchtje scheppen! Ver-
diep u nog meer in uwe zaken!" ? — Neen! Er
was een oogenblik, dat Hij tot u kwam, — mis-
schien in den slapeloos doorwaakten nacht, misschien
op uw kantoor of uwen korenzolder, misschien mid-
den op straat, — en dat Hij iets in uwe ziel uit-
stortte, dat u vrede gaf, en rust, en onbeschrijflijke
kalmte, zoodat gij het portret der afgestorvene ter
hand kondt nemen en een blik werpen op de oogen
en het gelaat uwer dierbare, en dan zeggen kondt:
„Het is alles wel zoo! Zij is nu beter af. Ik zou
haar niet terug willen roepen. O Heer! ik dank U,
dat Gij mijn arm hart getroost hebt!"
Voorts doe ik u opmerken, dat wij getuigen zijn
van het feit, dat het geloof de macht heeft om kalmte
te geven in het laatste oogenblik.
Ik zal nooit den
eersten keer vergeten , dat ik een doode aanschouw-
de. Wij gingen tusschen de korenvelden door naar
buiten. Ik liep aan de hand mijns vaders mede, en
zoo kwamen wij aan de boerenwoning, waar het
sterfgeval had plaats gehad, en zagen wij den stoet
wagens en rijtuigen. Maar onder die rijtuigen was
er één, dat meer dan al de anderen mijne kinder-
lijke aandacht trok, want het was met zwarte plui-
men getooid. „Wat is dat? wat is dat?" vroeg ik.
„Waar dienen die zwarte kwasten aan den kap van
-ocr page 405-
397
dat groote rijtuig toe?" En nadat alles mij was uit-
gelegd, gingen wij naar binnen, en werd ik opge-
tild, om een blik te werpen op het vriendelijke ge-
laat eener oude Christinne, die een paar dagen te
voren juichend naar \'den hemel was gegaan. Het
geheele tooneel maakte een diepen indruk op mij,
dien ik mijn leven lang niet zal vergeten!
In onze predikatiën en in onze broederlijke ver-
maningen zijn wij maar al te zeer geneigd, wanneer
wij voorbeelden van triomfeerende afgestorvenen
willen aanvoeren, naar beroemde personen uit de
geschiedenis terug te gaan, — naar een Stefanus
of een Johannes Huss. Maar ik wensch u als ge-
tuigen op te roepen. Ik zou willen weten, of gij
ooit iets gezien hebt, dat u er van overtuigde, hoe
het geloof in Jezus kalmte kan schenken in de laatste
ure? Zie, in de rechtszalen zullen de president, het
openbaar ministerie, en de rechters, nooit iets „van
hooren zeggen" aannemen. Zij eischen dat de ge-
tuige gezien moet hebben met zijne eigen oogen,
of gehoord met zijne eigen ooren, en dus ben ik
ook zeer nauwlettend bij mijn verhoor van u op dit
oogenblik, en wensch ik te weten , of gij wel eens
iets gezien of gehoord hebt, dat u overtuigde, hoe
het geloof in Jezus kalmte geeft in de laatste oogen-
blikken.
„O ja," zegt gij, „ik heb mijn vader en mijne moe-
der zien heengaan. Er was een groot onderscheid
in hunne sterfbedden. Terwijl wij bij het eene ston-
den, gevoelden wij meer een eerbiedige vereering. Bij
het andere was er meer teedere liefde." Voor het
-ocr page 406-
398
eene boogt gij u misschien met een huivering van
ontzag. In het andere geval hadt gij een gewaar-
wording alsof gij gaarne met haar mede wildet
gaan. Hoe gevoelden zij zich in die laatste oogen-
blikken ? Wat scheen er in hen om te gaan? Waren
zij erg bevreesd ? Hielden zij deze wereld met hun-
ne beide handen vast, alsof zij haar niet wilden en
niet konden loslaten? „O, neen," zegt gij; „neen,
— ik herinner het mij nog alsof het pas gisteren
gebeurd was: zij had een vriendelijk woord voor
elk onzer, en er werden eenige gedachtenissen on-
der de kinderen uitgedeeld, en daarna wees zij er
ons op, dat wij goed en liefderijk voor onzen vader
moesten wezen in zijne eenzaamheid, — en eindelijk
gaf zij ons allen een afscheidskus, en sliep zij
even kalm in, als een kind in een wieg." Wat
maakte haar zoo bedaard? Haar natuurlijke moed?
„O neen: moeder was erg zenuwachtig; wanneer
het rijtuig maar een weinigje overhelde naar den
kant van den weg, gaf zij soms een schreeuw van
angst; zij was altijd geweldig zwakjes/\' Maar wat
was het dan, dat haar zoo kalm deed zijn? Kwam
het doordat zij zich niet veel om u bekommerde,
en de smart der scheiding dus zoo groot niet was?
„O," zegt gij, „zij stortte een schat van liefde en
gehechtheid over ons uit! Geen moeder heeft ooit
méér van hare kinderen gehouden, dan onze moe-
der van ons! Dat bewees zij door de wijze waarop
zij ons oppaste wanneer wij ziek waren, en waarop
zij zich voor ons afsloofde totdat hare krachten uit-
geput waren." Maar wat was het dan toch, dat
-ocr page 407-
399
haar kalmte gaf in de laatste oogenblikken? Ver-
berg het niet! Wees openhartig en deel het mij
mede. „O," zegt gij, „het kwam, doordat zij zoo
goed was: zij koos den Heer tot haar deel, en zij
mocht gelooven dat zij uit deze wereld regelrecht
tot de heerlijkheid zou ingaan, en dat wij allen haar
eenmaal zouden ontmoeten aan den voet van den
Troon/\'
Hier zijn menschen, die zeggen: „Ik heb een ge-
loovigen broeder zien sterven, en hij ging juichend
de eeuwigheid in." En iemand anders: „Ik heb een
geloovige zuster zien sterven, en zij ging juichend
de eeuwigheid in." En weer een ander zal zeggen: „Ik
heb een geloovige dochter zien sterven, en zij ging
juichend de eeuwigheid in/\' Komt, gij allen, die de
laatste oogenblikken van een geloovige aanschouwd
hebt, en legt uwe getuigenis af bij de behandeling
dezer zaak! Ontbloot uwe hoofden, legt uwe hand op
den ouden familie-Bijbel, waaruit zij de beloftenissen
plachten te lezen, en beloof als in de tegenwoor-
digheid van den Allerhoogste, dat gij de waarheid
zult zeggen, de geheele waarheid, en niets dan de
waarheid. Blijkens hetgeen gij gezien hebt met uwe
eigen oogen, en blijkens hetgeen gij gehoord hebt
met uwe eigen ooren, — is er dus eene kracht in dit
Evangelie, die kalmte en zegepraal in den laatsten
doodsstrijd kan schenken? Het antwoord komt van
alle kanten, van jong, en oud, en middelbaren leef-
tijd : „ Wij zijn getuigen /"
Zooals gij ziet, mijne vrienden, wat ik u heden
heb voorgesteld, is geen afgetrokken denkbeeld,
-ocr page 408-
4öó
geen hersenschim, en geen redeneering, die louter
op vermoedens berust. Ik leg u beëedigde verkla-
ringen van de beste mannen en vrouwen voor,
levende en doode. Twee getuigen kunnen voor de
rechtbank tot vaststelling van een feit volstaan.
En hier zijn nu niet twee getuigen, maar duizenden
getuigen, — hierop aarde millioenen getuigen,
en in den hemel een groote menigte van getui-
gen, die niemand tellen kan, — allen verklaren-
de , dat er in dit geloof een kracht is om de ziel te
bekeeren, om troost te geven in het lijden, en om
kalmte te schenken in de laatste oogenblikken. In-
dien er eens tien menschen bij u kwamen, terwijl
gij lijdende zijt aan eene gevaarlijke ziekte, en tot u
zeiden dat zij dezelfde ziekte hadden, en dat allen
dezelfde medicijn innamen, en die medicijn hen allen
genas, dan zoudt gij haar waarschijnlijk toch óók
innemen. Welnu , gesteld dat er dan tien andere men-
schen zouden binnenkomen, en zeggen: „Wij ge-
looven niet, dat die medicijn iets te beduiden heeft!"
— „Zoo?" zeg ik, „hebt gij er wel ooit de proef
mede genomen?" — ,Neen, geprobeerd heb ik haar
nooit; maar ik geloof niet, dat zij iets te beduiden
heeft/\' — Natuurlijk slaat gij geen geloof aan hun
getuigenis. En zoo zal ook de ongeloovige komen,
en zeggen: „Er is geen kracht in uw geloof!" —
„Hebt gij er ooit de proef van genomen?" — „O
neen!" — „Maak dan dat ge weg komt!" — Laat
mij het getuigenis aannemen der millioenen zielen,
die tot God bekeerd , en in de beproeving getroost,
Qn in hunne laatste oogenblikken verkwikt en be-
-ocr page 409-
4öf
moedigd zijn geworden. Wij willen hun getuigenis
aannemen, als zij ons toeroepen: „Waarvan wij
getuigen zijn!"
Eenigen tijd geleden ontdekte Professor Henry,
te Washington, een nieuwe ster, en werd de tijding
daarvan door de onderzeesche telegraaf naar alle
kanten verspreid, — en al de observatoriums in Euro-
pa zagen uit naar de plaats, waar die nieuwe ster
moest staan. O, mijn hoorder! die op den huidi-
gen dag uit de donkerheid uwer ziel naar buiten
ziet, kunt gij een helder licht op u zien stralen?
„Waar?" vraagt gij, „waar? Hoe kan ik het vin-
den?" — Zie langs de lijn van het kruis des
Zoons Gods! Ziet gij haar niet trillen van louter
hoop? Het is de Ster van Bethlehem:
«De Wanhoop deed mijn kracht verflauwen,
De dood .... \'k vermocht niets tegen hem....
Tot \'k plotseling een ster zag rijzen:
Het was de Ster van Bethlehem!»
O mijn broeder, o mijne zuster, vestig er uwe
oogen op! Het is beter voor u, nu een Christen
te worden, dan weg te blijven van Christus en
den hemel! — Amen.
-ocr page 410-
-ocr page 411-
XXVI.
REUZENLOKKEN.
„Overreed hom, en zie, waarin zijne
groote kracht zij, en waarmede wij
hem zonden machtig worden, en hem
binden, om hem te plagen; zoo zullen
wij n geven, een iegelijk, duizend en
honderd zilvorlingen."
RlfHTF.REN XVI : 5.
Duizend ponden, of ongeveer vijfduizend dollars
van onze Amerikaans.che munt*), werden dus aan-
geboden voor de gevangenneming van een reus.
Er zou een bekwaam photograaf toe noodig zijn,
om Simson uit te beelden zooals hij werkelijk was.
De buigzaamste woorden zijn nog niet kneedbaar
genoeg om hem te beschrijven. Hij was een reus
en een kind; de overwinnaar en de verslagene; in
staat om een jongen leeuw vaneen te scheuren, en
tóch gevangen door het aanschouwen eener vrouw.
Hij was heerscher en slaaf; een mengelmoes van
deugd en ondeugd, van het verhevene en het be-
lachelijke; scherpzinnig genoeg om een goed raad-
sel op te geven, en toch zwak genoeg om zich te
laten vangen door de onnoozelste krijgslist; eerlijk
*) f 12,500 Ned. munt.
-ocr page 412-
4°4
genoeg om zijne schuld af te doen, en toch een an-
der schandelijk beroovend om de middelen tot be-
taling dier schuld in zijn bezit te krijgen; een won-
der en een bespotting; een stralenkrans vol glorie,
en een hoogroode gloed van schaamte. Daar staat
hij, ver boven alle andere menschen uitstekende,
als een berg van vleesch; zijne armen bespannen
met zwellende spieren, die de poort eener stad
kunnen opheffen ; een uitdagende houding aannemend
tegenover gewapende mannen en wilde beesten. Zijn
haar is nooit geknipt, en het hangt krullend neer in
zeven groote lokken over zijne schouders, als om
den indruk van schrik en wreedheid nog te verhoo-
gen, die door zijne verschijning alleen reeds wordt
opgewekt. De Filistijnen wenschen niets liever,
dan hem meester te worden , — en daartoe moeten
zij trachten te ontdekken, waarin het geheim zijner
groote kracht schuilt.
Er woont in het dal van Sorek eene vrouw met
name Delila. Haar stellen zij tot hoofdpersoon bij
de behandeling dezer zaak aan. De Filistijnen zijn
heimelijk in hetzelfde gebouw verborgen; en nu
gaat Delila aan \'t werk, en poogt zij Simson al
vleiend en liefkoozend te overreden om haar te
zeggen, wat toch het geheim zijner groote kracht
is. „Wel," zegt hij, „indien gij zeven versche zelen
naamt, zooals die waarmede men de wilde dieren
vastbindt, en die om mij heen sloegt, zou ik volko-
men machteloos zijn." En nu bindt zij hem met de
zeven groene zelen. Daarna klapt zij in de han-
den, en roept zij: „Daar komen zij aan, — de Fi-
-ocr page 413-
405
listijnen!" En .... hij loopt heen alsof er geen sprake
was van hindernis of beletsel.
Zij liefkoost hem weder, en spreekt: „Zeg mij
nu toch eens het geheim van deze uwe groote
kracht!" en hij antwoordt: „Indien gij eens eenige
touwen naamt, waarmede nog nooit iets gedaan is, en
mij daar dan mede bondt, zou ik evenals alle andere
menschen wezen." Zij bindt hem met de touwen, klapt
in de handen, en roept: „Daar komen zij, — de Fili-
stijnen I" Maar hij gaat weder even gemakkelijk zijns
weegs als te voren : niets dat hem tegenhoudt.
Zij tracht hem nogmaals te overreden, en hij
zegt: „Welnu, indien gij deze mijne zeven lange
haarlokken naamt, en ze aan een weversboom als
tot een web samenvlocht, zou ik niet weg kunnen
komen." Dadelijk wordt het weefgetouw in werking
gebracht, en de spoel vliegt voorwaarts en achter-
waarts, en de lange haarlokken worden tot een
web saamgeweven. Daarna klapt zij in de handen
en roept: „Daar komen zij aan, — de Filistijnen!"
Maar hij gaat even gemakkelijk heen als vroeger,
een stuk van den weversboom achter zich aan
sleepend.
Maar na verloop van eenigen tijd weet zij hem
toch eindelijk te overreden om haar de volle waar-
heid bekend te maken. Hij zegt: „Indien gij een
scheermes of een schaar naamt, en dit lange haar
afsneedt, zou ik machteloos zijn en overgegeven in
de handen mijner vijanden!" Simson slaapt, en om
hem niet wakker te maken gedurende de bewerking
van het haarknippen, wordt er hulp ingeroepen.
-ocr page 414-
406
Zooals bekend is, weten de barbiers in het Oosten
op zulk eene kunstvaardige wijze het hoofd te be-
handelen, dat zij nog op den huidigen dag iemand,
die klaar wakker is, in diepen slaap kunnen maken.
Ik hoor de bladen der schaar over elkander knarsen,
en ik zie de lange lokken een voor een afvallen.
De schaar of het scheermes volbrengt, wat de ver-
sche zelen en de nieuwe touwen en de weversboom
niet konden doen. Plotseling klapt zij in de handen en
roept zij: „De Filistijnen over u, Simson \\" Hij richt
zich tegenstrevend op, — maar al zijne kracht is ver-
dwenen ! Hij is in de macht zijner vijanden ! Ik hoor
het gekerm van den reus, als zij zijne oogen uit-
graven; en daarna zie ik hem voortwaggelen in
zijne blindheid, onderweg overal rondtastend ter-
wijl hij naar Gaza gaat. De deur der gevangenis
gaat open en de reus wordt er ingeworpen. Daar
zet hij zich neder en slaat hij zijne handen aan de
kruk van het molenrad, dat — met eene afmattende
horizontale beweging — dag aan dag, week aan
week, maand aan maand voortgaat: werk! werk!
werk! Het schrikbeeld der wereld in gevangenschap:
zijne lokken afgeschoren, zijne oogen uitgeboord,
koren malende te Gaza!
Deze Bijbelsche figuur geeft ons eenige lessen te
leeren.
Leer er allereerst dit uit: hoc buitengewoon sterke
menschen zich somtijds tot grootc dwaasheden laten
verleiden.
Simson had niet het recht om het geheim
zijner kracht te openbaren. Delila\'s eerste poging
om dit geheim te ontdekken mislukt totaal. Hij zegt:
-ocr page 415-
407
„Met versche zelen kan ik gebonden worden," maar
het mislukte. Daarna zegt hij: „Een nieuw touw zal
mij houden," maar ook dit mislukte. Vervolgens
zegt hij: „Weef mijne lokken samen tot een web,
dan zal dat mij binden," doch ook deze poging mis-
lukte. Maar eindelijk ziet gij toch, hoe zij hem het
geheim weet te ontlokken. Onbeduidende handelin-
gen in het leven, die geen zedelijk beginsel raken,
kunnen misschien zonder schade tengevolge van
krachtige overredingen verricht of nagelaten worden;
maar zoodra gij genaderd zijt aan de lijn, die recht
van onrecht scheidt, mag geen overreding, vleierij
of liefkoozing u die lijn doen overschrijden.
Gesteld , iemand is in een Christelijk huisgezin op-
gevoed, en op grond van Gods Woord heeft men
hem daar geleerd, den Sabbat te gedenken, om dien te
heiligen. De Zondag breekt aan, gij wilt de frissche
lucht eens genieten. De verzoeking zegt: „De Zon-
dag is precies een dag als alle andere dagen; wees
nu geen kwezelaar of zemelknooper; wij zullen eens
een rijtoer gaan doen te midden van de werken des
Heeren ! De geheele aarde is Zijn tempel: wij zullen
ons volstrekt niet aan uitspattingen schuldig maken.
Kom nu mede, ik heb een rijtuig gehuurd, en wij
zullen vroeg genoeg terug wezen om nog bijtijds
naar de avondkerk te kunnen gaan; laat u nu niet
bepraten door die overdreven fijne begrippen; gij
zult geen haar slechter worden door zoo\'n ritje in
de vrije natuur; de bloesems ontluiken overal, en
men roept er over, zoo verrukkelijk als alles er uit-
ziet!" — «Nu, ik zal dan maar meegaan, om u
-ocr page 416-
408
pleizier te doen," is het antwoord. En zoo rijden
zij daar dan over den straatweg heen , terwijl de
conscientie gesmoord wordt onder het getrappel der
snelle hoeven en het geratel der snorrende wielen.
Die in verzoeking gebrachte man moge kracht ge-
noeg gehad hebben, om de versche zelen van tien-
duizend Filistijnsche verlokkingen te breken, — maar
hij werd overwonnen door mooipraat.
Twee jongelieden, die samen een straat doorgaan,
komen een herberg voorbij, waar een roode lan-
taarn boven de deur hangt, om de menschen op
den weg des verderfs bij te lichten. „Laat ons hier
eens binnengaan," zegt de een. — „Neen, ik wil
niet," zegt de ander; „ik ga nooit naar zulke huizen."
— „Nu, gij wilt daarmede toch zeker niet zeggen,
dat gij zoo zwak op uwe beenen staat? Kom, ik
ben er nu reeds twee jaar lang heengegaan, en het
heeft mij volstrekt niet gehinderd! Komaan, kerel!
wees nu een man! Als gij iets sterkers niet kunt
verdragen, neem dan een glaasje likeur. Gij moet
de wereld toch óók eens zien zooals zij er werke-
lijk uitziet, en weten wat er in te koop is. Ik ben
evenmin een voorstander van onmatigheid als gij,
hoor! Ik kan altijd ophouden met drinken, precies
wanneer ik wil. Zoo komt gij niet van mij af. Gij
zult en gij moet eens mede. Komaan, vooruit nu
maar!" De overredingskracht heeft de overwinning
behaald. Simson bezwijkt voor de vleitaal, en er
wordt feest gevierd in de hel dien nacht door de
Filistijnen, en zij roepen met luider stem: „Ha, ha!
Wij hebben hem te pakken!"
-ocr page 417-
409
Zij , die de meegaandste en toeschietelijkste naturen
hebben, zijn hier juist aan de grootste gevaren
blootgesteld. Juist uw streven om anderen altijd ter
wille te zijn en genoegen te doen, zal de val zijn,
die zij voor u uitzetten. Wanneer gij koel en barsch
en streng van karakter waart, zoudt gij geen last
van hen hebben. De menschen strijken nooit lief-
koozend met de hand over den rug van een egel.
Zelfs de sentimenteelste Groenlander kust nooit een
ijsberg. De warmte en ontvankelijkheid uwer natuur
zal de Sirene aanmoedigen. Al zijt gij ook zoo sterk
als een reus, pas op Delila\'s schaar! Simson, de
sterkste man die er ooit geleefd heeft, werd over-
wonnen door vleierijen en liefkoozingen.
Voorts, dit verhaal doet ons de macht ccner slecht-
geaarde vrouw kennen.
In de portretten-gallerij der
Bijbelsche koninginnen vinden wij Abigaïl en Ruth
en Mirjam en Vasti en Debora; maar in de schur-
kengallerij van een politie-bureau vindt gij zoowel
de afbeeldingen van vrouwen als van mannen. Deli-
la\'s portret behoort in de schurkengallerij thuis;
maar zij had méér macht dan al de met zwaard en
speer gewapende Filistijnen samen. Zij kon de ijze-
ren poorten van Simson\'s standvastigheid even ge-
makkelijk wegdragen, als hij de poorten van Gaza
op zijne schouders nam. De kracht welke den jongen
leeuw gedood had, die op zekeren dag vraatzuch-
tig uit het kreupelhout te voorschijn was gespron-
gen, bezweek ten slotte in het zijden net, dat Delila
voor den reus geweven had. Hij die een leger tot
een verwilderden terugtocht gedwongen had met
-ocr page 418-
410
een vochtig ezelskinnebakken, en het met zware
slagen her- en derwaarts had gedreven, valt nu
als een gevangene neder aan de voeten eener on-
tuchtige vrouw. De Delila uit den Bijbel staat in
het gedenkwaardige gezelschap van Ada en Zilla
en Bathseba en Jezebel en Athalia en Herodias. Hoe
betreurenswaardig is de invloed van dezulken, in
tegenstelling met Rebekka en Phebe en Hulda en
Tryfena en Jephta\'s dochter en Maria, de moeder
van Jezus! Terwijl de laatstgenoemden aan het fir-
mament van Gods wereld glinsteren als sterrenbeel-
den met een bestendig, vroolijk, heilig licht, schieten
de eersten als onheilspellende meteoren langs den
hemel, als voorboden van krijg, ziekten en dood.
Indien er cene goddelijke macht schuilt in de
goede moeder: haar gelaat blinkend van reinheid,
eene onzelfzuchtige liefde uit hare oogen stralende,
eene minzaamheid die door pijnen en lijden en heilige
angsten nog verzacht en verteederd is geworden
gedurende tal van jaren en zich uitspreekt in elke
lettergreep, eene waardigheid die niet onttroond
kan worden, gepaard met eene opgeruimdheid die
zich door niets uit het veld laat slaan, hare hand
het toovermiddel, dat oogenblikkelijk de pijn zal
wegnemen uit der kinderen ergste wonde, hare aan-
wezigheid eene voortdurende zegening, haar naam
onze verdediging wanneer wij in verzoeking komen,
hare nagedachtenis een overvloeiende bronwel van
tranen en gelukwenschen en dankzeggingen, haar
hemel een palmengewuif en een kroningsfeest, —
dan ligt er juist een even groote invloed in de tegen-
-ocr page 419-
4ii
overgestelde richting in de slechte moeder: haar
gelaat bewolkt door onbeteugelde hartstochten, hare
oogen gloeiend van een onheilig vuur, hare lippen
de fontein van wrevel en verdorvenheid, haar voor-
beeld een honigdauw en een pestwalm; haar naam
eene vervloeking voor de toekomende geslachten,
hare nagedachtenis een aanleiding tot de bitterste
verwenschingen, hare eeuwigheid een wervelwind
en eene verstikking en eene duisternis. Eene onver-
standige , hartelooze moeder kan één kind bederven,
en dat ééne kind, groot geworden, kan honderd
menschen in het verderf storten, en die honderd
kunnen duizend anderen te gronde doen gaan, en
die duizend weer een millioen.
De levenssfeer der vrouw is een schier onbegrensd
gebied van eer en macht. Welk een zegen was
Sara voor Abraham, was Debora voor Lappidoth,
was Hulda voor Sallum! Er zijn ontelbare menigten
mannen op de markten van den handel, die hun
fortuin te danken hebben aan de spaarzaamheid
eener vrouw. Vier handen hebben gindsche buiten-
plaats verdiend: twee in den winkel en twee in het
huishouden. De lasten des levens zijn betrekkelijk
licht, wanneer er andere handen zijn, die ze ons
helpen optillen. De grootste moeilijkheden zijn dik-
wijls verdwenen doordien er vier oogen waren om
ze weg te kijken. Wat bekommert gij u om de
harde slagen in de wereld, zoolang gij een aange-
namen huiselijken kring tot vluchthaven hebt! Eén
hartelijk en opbeurend woord als gij \'s avonds de
huiskamer binnenkwaamt, heeft pijnstillend gewerkt
-ocr page 420-
412
op het verdriet over onbetaalde rekeningen en op de
teleurstelling over onvoordeelige geldbeleggingen.
Uwe tafel moge slechts matig voorzien zijn, toch
komt zij u schooner voor, dan menige andere tafel,
waarop het wildbraad staat te dampen en de Bour-
gonjewijn de kristallen kelken doet gloeien. De vrede
wacht u op aan de deur, zet zich naast u aan tafel
neder, steekt in de schemering de lamp aan, en zingt
in de kinderkamer.
Gij hebt een paar bejaarde echtelingen gezien,
die elkaar sedert vele tientallen van jaren hebben
voortgeholpen op den pelgrimstocht door dit leven,
en nu hand in hand de steile glooiing der jaren af-
gaan. De langdurige omgang heeft hen veel op el-
kaar doen gelijken. Zij verheugden zich beiden over
dezelfde gebeurtenis, zij bogen zich samen over
dezelfde wieg, zij weenden samen aan hetzelfde
graf. \'s Avonds zitten zij in stilte na te denken
over het verledene: moeder breiend aan de tafel,
vader in zijn leuningstoel bij het vuur. Af en toe
komt er eens een der kleinkinderen binnen, en zien
zij hem aan met onuitsprekelijke liefde, en zij zou-
den hem bijna bederven door hunne overstelpende
vriendelijkheid. De gebeurtenissen van het dage-
lijksch leven doen hunne polsen nog slechts flauwtjes
kloppen, maar hun werk zal spoedig afgedaan zijn,
en dan zal de Meester hen roepen. Enkele korte
dagen zullen hen scheiden, maar niet lang nadat
een van beiden is vooruitgegaan, zullen zij el-
kaar aan gene zijde der rivier wedervinden. Laat
Jakob en Rachel naast elkaar begraven worden»
-ocr page 421-
4i3
Laat één treurwilg zich over hunne graven buigen.
Laat hunne zerken naar één model gemaakt zijn,
met dezelfde Bijbelplaats tot opschrift. De kinderen
en de kleinkinderen zullen er in het voorjaar bloe-
men op komen strooien. De aartsvaders der stad
zullen komen en tranen storten over het verlies van
zooveel waarde. Naast elkander aan het trouwaltaar.
Naast elkander op de lange reis. Naast elkaar in
hunne graven. Na het koortsig jagen en jachten
dezes levens, rusten en slapen zij wel.
Maar er zijn ook, gelijk uit mijn onderwerp blijkt,
huiselijke tooneelen van minder rustigen aard. Welk
een vloek waren voor Job en Potifar hunne levens-
gezellinnen , was Jezebel voor Achab, was Athalia
voor Joram, was Xantippe voor Socrates, was De-
lila voor Simson! Terwijl wij de voortreffelijkste en
zegenvierendste toonbeelden van karakter kunnen
vinden onder de vrouwen der geschiedenis, en de
wereld vol eerbied en verrukking huivert bij het
hooren der namen van Maria Antoinette en Jose-
phine en Jeanne d\'Arc en Maria Theresia en hon-
derden anderen, die de vriendelijkste huiselijke krin-
gen hebben geleid, en de liefelijkste liederen hebben
gezongen, en de natiën in verrukking hebben ge-
bracht door hare kunst, en de machtigste schepters
hebben gezwaaid, — hebben daarentegen de na-
men van Maria de Eerste van Engeland, van Mar-
garetha van Frankrijk, van Julia van Rome, en
van Elizabeth Petrowna van Rusland de oogen der
geschiedenis doen gloeien van verontwaardiging
over hare schandelijkheden, en zijn hare namen,
-ocr page 422-
4i4
als verdoemde geesten, gillend en vloekend door
de wereld gegaan. In de levensbeschrijvingen der
vrouwen vinden wij de beide uitersten van voor-
treffelijkheid en misdaad. De vrouw staat het dichtst
bij de poort des hemels, of bij de poort der hel.
Wanneer zij getooid is met de genade, bereikt zij
een punt van Christelijke verhevenheid, dat de man
niet bereiken kan; maar wanneer zij de prooi wordt
van de misdaad, zinkt zij dieper dan de man ooit
kan vallen. Toch verheugt het mij, dat de gevallen ,
waarin het karakter der vrouw totaal schipbreuk
lijdt, betrekkelijk zeldzaam zijn.
Maar, zegt deze of gene cynische geest, wat
doet gij dan met die woorden in den Prediker, waar
Salomo zegt: „Ziel, dit heb ik gevonden, zegt de
prediker
, het eene bij het andere, om de sluitrcde te
vinden; dewelke mijne ziel nog zoekt, maar ik heb
haar niet gevonden: e\'e\'nen man uit duizend heb ik
gevonden, maar eene vrouw onder die allen heb ik
niet gevonden" ?
Mijn antwoord is, dat — als Salomo
zich eerbaar en fatsoenlijk gedragen, en liederlijke
gezelschappen geschuwd had — het hem dan niet
zooveel moeite zou gekost hebben om onkreukbaar-
heid van karakter onder vrouwen te vinden, en hij
zulk een ontboezeming dan nooit zou hebben uitge-
sproken. Sedert mijne vroegste kindsheid heb ik
sprekers zich bewonderend hooren uitlaten over
Diogenes, den cynischen wijsgeer, die in een ton
huisde, omdat hij op klaarlichten dag met een lan-
taarn in de hand door de straten van Athene liep,
en — toen men hem vroeg waarom hij dat deed —
-ocr page 423-
415
ten antwoord gaf: „Ik zoek een eerlijk man/\' Nu sta
ik er u borg voor, dat die wijsgeer, wien het zoo
moeilijk viel, een eerlijk man te vinden, zelf oneer-
lijk was. Ik geloof, dat hij zoowel de lantaarn als
de ton gestolen had. En zoo ook, wanneer ik een
man hoor uitwijden over de zwakheden der vrouwen,
wantrouw ik hem, en zeg ik, dat hij een tweede Sa-
lomo is, minus Salomo\'s wijsheid. Maar toch zou
ik niet willen, dat de door mij opgenoemde voor-
beelden van buitengewone voortreffelijkheid in de
levensgeschiedenissen der vrouwen u deden ver-
onderstellen , dat er geen gevaren op het levenspad
der vrouw aanwezig zijn. Gods genade alleen kan
ons een Dorcas, of een Tabitha, of een Elisabeth
Fry, of een Florence Nightingale geven. De ver-
zoekingen liggen op de loer rondom den gelukkig-
sten huiselijken kring. Het was niet zonder bedoe-
ling, dat de Heer onze God, te midden der luister-
rijke karakters in Zijn Woord, die figuur der lie-
derlijke Delila plaatste.
Voorts, deze zonderlinge geschiedenis in het hoofd-
stuk van mijnen tekst leidt er mij toe, uwc aandacht
te vestigen op de velerlei wijzen, waarop sterke man-
nen hunne lokken verliezen.
God maakte, om de een
of andere reden, die Hij zelf het best kende, Sim-
son\'s kracht afhankelijk van de lengte zijner haren;
nadat de schaar ze had afgeknipt, was zijne kracht
verdwenen. De kracht der menschen is op allerlei
wijzen verdeeld. Somtijds is zij gelegen in lichame-
lijke ontwikkeling, somtijds in verstandelijke begaafd-
heid, somtijds in geestkracht, soms in maatschap-
-ocr page 424-
416
pelijke positie, soms in een opeenstapeling van finan-
tieel vermogen; maar er wordt altijd een schaar in ge-
reedheid gehouden om die kracht te vernietigen.
Eiken dag worden er Simsons van onoverwinnelijke
reuzen tot machtelooze gevangenen gedegradeerd.
Ik heb een jonkman het leven in zien treden onder
de bemoedigendste vooruitzichten. Zijn scherpzinnige
geest was thuis op elk gebied van wetenschap. Hij
bereikte niet alleen alle gewone trappen van ken-
nis, maar door zijne buitengewoon fijne begaafd-
heid kon hij de kleurschakeeringen der wolken na-
bootsen , en de tinteling der golven, en het geluid
van den donder. Zooals hij daar op zijn levenspad
voortschreed, stak hij in geestelijken bouw met
hoofd en schouders boven anderen uit. Hij kon wor-
stelen met reuzen in tegenovergestelde begrippen
van wijsbegeerte, en de poorten der hem bestrij-
dende scholen van geleerdheid wegdragen, en de
vijanden der waarheid her- en derwaarts verstrooien
met groote slachting. Maar hij begon zich af te
geven met de schitterendste vernuften onder de
vrijdenkers. De moderne theoriën omtrent de ziel
wierpen hunne verlokkende netten over hem heen.
Het ongeloof was de Delila, die zijne lokken af-
schoor , en al de Filistijnen van twijfel en duisternis
en wanhoop vielen op hem aan. Hij stierf letterlijk
in een kerker van ongeloof, met uitgegraven oogen.
Ver van hier, in de plattelandsdistricten — de juiste
plaats zal ik met opzet verzwijgen — werd er
iemand geboren, wiens vermaardheid even lang zal
duren als de Amerikaansche instellingen. Zijn naam
-ocr page 425-
417
was de schrik van alle vijanden eener vrije regeering.
Hij stond daar, bewonderd door miilioenen; al het
volk ontblootte het hoofd in zijne tegenwoordigheid;
en wanneer hij sprak, zat de Senaat ademloos onder
de toovermacht van zijn woord. De samenzweer-
ders tegen een goede regeering poogden hem te
binden met versche zelen en weefden zijne lokken
samen tot een web, — maar toch ontkwam hij on-
gedeerd aan de hem gelegde listen en lagen, zonder
zelf te weten, dat hij een strik had doen breken.
Maar uit den wijnkelk rees er een verwoestende
geest op, die op hem aandrong, om zijne ziel ge-
vangen te nemen. Hij dronk, totdat zijne oogen dof
werden, en zijne knieën tegen elkaar knikten, en
zijne krachten hem ontzonken. Uitgeput door zijne
levenslange uitspattingen , ging hij naar huis om te
sterven. Predikanten hielden welsprekende lijkrede-
nen, en dichters zongen, en schilders schetsten,
en beeldhouwers beitelden de majestueuse gestalte
in marmer, en de wereld weende, — maar aller-
wegen was het bekend, dat het de sterke drank
was, die als de laaghartige Delila op hem afkwam,
en dat zijne lokken toen werden afgeschoren.
Van het eiland Corsica trad er een figuur op,
toegerust met weergalooze begaafdheden des ver-
stands en des geestes, om tronen te doen beven en
de aarde krampachtig te doen sidderen. Piemont,
Napels, Beieren, Duitschland, Italië, Oostenrijk en
Engeland stonden op, om dien steeds hooger rij-
zenden man te verpletteren. Zoodra hij zijne bajo-
netten liet vellen, sprongen de bastilles open. De
-ocr page 426-
4i8
aarde kreunde onder de doodsangsten van Rivoli,
Austerlitz, Saragossa en Eylau. Vijf millioen men-
schen in zijne oorlogen gesneuveld. Het regende
kronen aan zijne voeten, en de koningrijken richtten
triomfbogen op, om er hem onder door te laten
trekken, en heel Europa werd verlicht door den
vlammengloed der in brand gestoken steden. Hij had
bijna een straatweg van menschenbeenderen kunnen
doen aanleggen tusschen Lissabon en Moscou. Geen
mindere macht dan die van den Almachtigen God
kon hem tegenhouden. Maar uit den oceaan van
menschenbloed rees er een geest op, waarin de
veroveraar méér dan zijn evenknie vond. Dezelfde
eerzucht, die de wereld had doen beven, zou nu
zijn verderfengel worden. Hij wilde te veel omvat-
ten , en bij die poging verloor hij alles. Hij strekte
de hand uit naar den schepter der wereldheer-
schappij , maar hij gleed uit en stortte neer in een
staat van verlatenheid en verbanning. De Ameri-
kaansche schepen, die schade geleden hebben in
stormweer, loopen nog op den huidigen dag de
haven van St. Helena binnen, en het scheepsvolk
gaat aan wal om de plek te zien, waar de Fransche
balling in eenzaamheid en ongenade den laat-
sten adem uitblies: de machtigste van alle Simsons
van zijne lokken beroofd door de Eerzucht, de on-
meedoogendste van alle Delila\'s.
Ik heb geen tijd om meer voorbeelden op te som-
men. Slechte gezelschappen , plotselinge voorspoe-
den, verkwistende gewoonten, verderfelijke nei-
gingen en uitspattingen, zijn de namen van sommige
-ocr page 427-
pg
scharen, waarmede menschen dag aan dag machte-
loos gemaakt worden. Zij hebben den aardbodem
bestrooid met de geraamten van reuzen, en de groote
gevangenhuizen gevuld met onschadelijk gemaakte
Simsons, die daar de molens der wanhoop zitten
te draaien , met afgesneden lokken en uitgegraven
oogen. Indien de ouders slechts wisten, aan wat al
verzoekingen hunne kinderen zijn blootgesteld, zou-
den zij ernstiger in hunne gebeden en zorgvuldiger
ten opzichte van het door hen gegeven voorbeeld
zijn. Er is geen enkel jonkman, of het pad der zonde
wordt met de levendigste en aantrekkelijkste kleu-
ren voor hem afgeschilderd!
Toen ik voor den eersten keer van mijn leven in
een groote stad kwam — het was de stad Phila-
delphia — was ik nog niet veel meer dan een op-
geschoten jongen. Ik nam mijn intrek in een hotel,
en ik weet nog heel goed, dat tegen den avond
een liederlijk man zijne helsche kunst op mij kwam
beproeven. Hij had natuurlijk terstond bemerkt, dat
ik nog „een groene" was. Hij wilde mij op zijne
manier de merkwaardigheden der stad eens laten
zien. Hij schilderde het pad der zonde zóó heerlijk
af, dat het er als smaragd uitzag; maar ik was
bang van dien man. Ik deinsde terug voor dien ba-
silisk. Het werd mij duidelijk, dat hij een basilisk
was. Ik herinner mij nog, hoe hij zijn stoel vlak
tegenover den mijne rolde, en met een hardnekkige en
satanische inspanning mijne ziel in het verderf poogde
te lokken; maar er zweefden dien avond goede
engelen om mij heen. Het kwam niet door een goed
-ocr page 428-
\\1Ö
besluit van mijnen kant, maar door de alles om-
vattende genade van een goedertieren God, die mij
verloste. Zie toe! zie toe! o jonkman! Er is een
weg, die iemand recht schijnt, maar het laatste van
dien zijn wegen des doods.
Indien al de slachtoffers van een ontuchtig leven
in alle landen en alle eeuwen saamvergaderd kon-
den worden , zouden zij een grooter heirleger vormen,
dan waarmede Xerxes de Hellespont overstak, dan
Tamerlan door Indië voerde, dan waarmede Wil-
lem de Veroveraar door Engeland trok, dan Aboe-
bekir door Syrië deed marcheeren; en indien zij op
een enkele rij dwars door dit werelddeel geplaatst
konden worden, geloof ik dat de voorhoede van
dat leger op het strand der Stille Zuidzee zou staan,
terwijl de achterhoede nog op het sirand van den
Atlantischen Oceaan stond.
Ik zeg dit niet omdat ik allen meen terug te kun-
nen roepen, die naar dit rampzalige pad zijn afge-
dwaald; maar omdat ik een waarschuwend woord
wensch te richten tot dezulken, die tot op dit oogen-
blik nog een kuisch en eerbaar leven leiden. De
gevallen van terugkeer dergenen , die zich met lichaam
en ziel aan wellust en ontucht hebben overgegeven ,
zijn zóó gering in aantal, dat gij waarschijnlijk niet
één enkel geval van dien aard weet op te noemen.
Ik heb er heel wat dien weg zien opgaan. En hoe-
velen heb ik er van zien terugkomen? Niet één,
voor zoover ik mij op dit oogenblik kan herinne-
ren. Het schijnt alsof zij onder de toovermacht des
doods gevangen zijn, en geen menschelijke stem
-ocr page 429-
42 ï
kan die toovermacht verbreken. Hunne voeten zijn
gekluisterd, hunne polsen zijn geboeid. Zij hebben
een gordel van kruipende dieren om het lijf, die
als een kluwen om hun midden hangen en hen als
met een ijzeren greep oTisluiten; telkens als zij
ademhalen, worden zij door de gevorkte tongen ge-
stoken, en trachten zij er zich aan te ontworstelen,
totdat hunne pezen knappen en het bloed naar bui-
ten stroomt; en te midden van hun sluipachtig wrin-
gen en kronkelen Jammeren zij dan luidkeels: „Breng
mij terug naar mijns vaders huis! Waar is moeder ?
Breng mij naar huis! Breng mij naar huis!"
Sta ik hier op dit oogenblik tegenover een man
of een jonkman, met de lokken van wiens kracht
reeds gespeeld wordt, dan bezweer ik u, zoo on-
heilig spel te ontvluchten, uit vrees dat de scharen
des verderfs uwe zedelijke en geestelijke reinheid
voor altijd zullen rooven! Ziet gij niet, dat uwe san-
dalen beginnen om te krullen op dat roodgloeiende
pad? Op den huidigen dag ruk ik, in den naam
van den Almachtigen God, den prachtigen sluier
en den geborduurden mantel weg van deze oude
furie der onkuischheid, en toon ik u de roode pest-
builen, en den bloedigen etter, en de verkankerde
lippen, en de wegrottende lichaamsdeelen, en de
uitgeteerde ledematen, en de walgelijk ontstoken]
plekken, — en dan roep ik uit: „O gruwel der!
gruwelen!"\' In de stilheid dezer heilige Sabbatsure\'
hef ik waarschuwend den vinger op. Onthoud het
wel: het is véél gemakkelijker, slechte gewoonten
aan te nemen, dan ze weer af te leggen; in één
-ocr page 430-
422
minuut tijds kunt gij in een zonde vallen, waarvan
een gansche eeuwigheid u niet weer kan verlossen!
O, dat de stem van den Heer onzen God de stem
aller Delila\'s tot zwijgen mocht brengen ! Komt allen
op de wegen der lieflijkheid en de paden des vredes,
en begeeft u door de genade van een vergevend
God op weg naar tronen der eere en der heerlijk-
heid, waarop gij eenmaal moogt heerschen, in plaats
van den weg te bereizen naar een gevangenhuis,
waarin de verdoemden den molen der wanhoop
draaien, met afgesneden lokken en uitgegraven
oogen! — Amen.
-ocr page 431-
XXVII.
EEN WEGWERPELIJK KLEED.
,\\1 onze gerechtigheden zijn als ecu
wegwerjielijk kleed.
Jksaja LXIV : (S.
De zonde is altijd vermomd. Opgetooid, en ver-
nist, en geparfumeerd, en gemaskerd, weet zij
zich toegang te verschaffen tot plaatsen, vanwaar
zij anders verdreven zou worden. Even stil als toen
zij in den hof van Eden voortschuifelde, en met
even schijnbare aannemelijkheid als toen zij tot
Christus op de tinnen des tempels sprak, richt zij
zich thans tot den mensch. Konden de menschen
de zonde aanschouwen zooals zij in werkelijkheid
is: een pestwalm uit den put des verderfs, de ver-
woesting van ontelbare capaciteiten, het spookach-
tige, walgelijke, door God verworpen monster, dat
Eden ontwortelde en den Christus doodde, en heel
het menschelijk geslacht in duisternis en pijn wil
dompelen, — dan zou hare helsche tooverkracht
spoedig verbroken zijn. Alvorens onze eerste voor-
ouders het gebod overtraden, scheen de zonde hun
toe als een heerlijke vrucht en als het gelijk wor-
den aan goden. Voor Absalom was zij het genot
-ocr page 432-
424
van op een troon te zitten. Voor de thans levende
menschheid is de zonde een vrijbrief tot bevrediging
hunner vleeschelijke lusten. De profeet Jesaja
zinspeelt hier in mijn tekst op een feit, dat
iedereen behoorde te kennen , namelijk dat de zonde,
om hare wanstaltigheid en hare schande te verber-
gen , gewoon is zich met omhulsels of kleederen te
bedekken; en de ziener plaatst ook de waarheid
op den voorgrond, dat de Heer onze God regelrecht
door al zulke omkleedsels en bedekselen heen kan
zien.
En nu wensch ik tot u te spreken over verschil-
lende soorten van bekleedselen, waarmee de men-
schen hunne ongerechtigheden hopen te bedekken,
want de mode ten opzichte van deze kleederen is
voortdurend aan verandering onderhevig, en eiken
dag ziet men weer de een of andere nieuwe manier
om ze te dragen, — en als gij dan nog een weinig
geduld wilt hebben, zal ik ü het patroon der ver-
schillende soorten van kleedingstukken eens laten
zien.
Nu doe ik u ten eerste opmerken, dat er mcnschcn
zijn, die
na met officieele macht vereerd te zijn
er op rekenen, dat zij van die macht een bruik-
baar dekkleed voor hunne zonden kunnen maken.
Er
is iets gewijds, iets heiligs, in een Staats-of ander
officieel ambt. God zelf is een Koning, en allen
die in deze wereld eenig gezag uitoefenen, dienen
onder Hem. Een stad of dorp of gemeente begaat
eene monsterachtige dwaasheid, als men er tot de hoog-
ste waardigheden zulke personen gaat verheffen, die
-ocr page 433-
425
er of door hunne onwetendheid, öf door hunne on-
zedelijkheid niet bevoegd toe zijn. En alle natiën,
welke op de posten van gezag zulke lieden aanstellen ,
die de bevoegdheid niet hebben om ze te bekleeden ,
zullen er de gevolgen van moeten ondervinden.
Salomo bracht die gedachte onder woorden, toen
hij zeide: „Wee u, land! welks koning een kind is,
en welks vorsten in den morgenstond eten
." Maar hoe-
wel positifin van vertrouwen te schande gemaakt kun-
nen worden door het karakter van hen, die voor
deze posten zijn aangesteld, geloof ik toch, dat
God eerbied van ons eischt voor de ambten zelf,
al koesteren wij ook geen bewondering voor de
ambtsdragers als zoodanig. Maar toch kan deze
achtbaarheid, die onafscheidelijk aan het ambt zelf
verbonden is, geen vrijbrief voor vergrijpen en
overtredingen zijn. Nebukadnezar, en Achab, en
Herodes, zullen in den Dag des Oordeels op één
lijn staan met de herders, die hunne kudden weid-
den, en met de visschers van Galilea. Paus en
Koning, President en Gouverneur, Keizer en Kan-
selier, zullen allen eenmaal rekenschap moeten afleg-
gen aan God, en zullen dan geoordeeld worden
naar dezelfde wet als de bedelaar en de slaaf.
De zonde werkt vooral dan zoo heilloos, wan-
neer zij door vorsten en grooten wordt gepleegd.
Gij kunt de hooghartigheid, of de onrechtvaardig-
heid, of de wreedheid niet heiligen, door ze op een
troon te zetten. Belsazar\'s vorstelijke bokalen kon-
den den geheimzinnigen vingers niet beletten, hun
onheilspellend schrift op den muur te griffelen.
-ocr page 434-
426
Achabs zonde slingerde hem letterlijk van den troon
af voor de honden. De koninklijke gewaden van
den goddeloozen Joram konden Jehu\'s pijl niet be-
letten , hem door zijn hart te schieten. Jezebel\'s
vorstelijke verwaandheid kon haar niet redden van
over den muur geworpen te worden. Geen barri-
cade van tronen kan Gods gerechtigheid tegenhou-
den in haren onfeilbaren loop. Geen pracht of dikte
van ambtelijke kleederen kan een afdoend bedeksel
der zonde zijn. Hendrik VIII, Lodewijk XV,Catha-
rina van Rusland, Maria van Engeland, — vermoch-
ten hunne kronen hen te redden? Geen enkele
heerscher zat ooit zóó hoog, dat de Koning der
koningen niet boven hem zat. Alle overwin-
naars zullen buigen voor Hem , die op het witte
paard daar henen gaat, overwinnende en ter over-
winning.
Voorts: Voornaamheid van manieren is geen af-
doend middel om de ongerechtigheid te verbergen voor
Gods oog.
Ons model van wellevendheid in toon
en in uitdrukking, de Apostel Paulus, schrijft ons:
„Een dienstknecht des Hecren moet niet twisten, maar
vriendelijk zijn jegens allen."
Iemand wien het aan
goede manieren ontbreekt, kan geen achtenswaardig
wereldling en geen beslist Christen zijn. Hij is uit-
gesloten van beschaafde kringen, en men behoorde
hem ook zekerlijk te beletten om de kerk binnen
te treden. Wij kunnen in een mensch niet door de
vingers zien wat wij ternauwernood zouden veront-
schuldigen in een beer. Een der eerste uitwerkselen
van Gods genade bij den mensch is, dat zij een
-ocr page 435-
427
werkelijk beschaafd man van hem maakt.*) Grof-
heid, lompheid, familiehaat, wrok, ruwheid,
tweedracht en twist zijn vruchten van den duivel;
terwijl zachtmoedigheid en toegevendheid vruchten
van den Heiligen Geest zijn. Maar — hoe gewichtig
zulke voortreffelijke manieren ook zijn, zij kunnen
geen enkele wanstaltigheid van het zedelijk karakter
verbergen. Hoe menigmaal vinden wij persoonlijke
aantrekkelijkheden , bevallige manieren, innemende
conversatie, een ridderlijk gedrag, als kransen ge-
worpen op een zedelijk doode! Al groeien er ook
bloemen op de hellingen van den Vesuvius, hij is
er toch niet minder een vuurspuwende berg om.
De graven uit Christus\' tijd hebben den ganschen
voorraad witte pleisterkalk niet opgebruikt.
Sommigen der grootste schurken hebben de inne-
*) Zoo verklaart de Engclschc zendeling J. Kixnu van Mngata, een in-
landseh opperhoofd in de nabijheid van Pretoria, waar de Hermannsburgcr
zendelingen werkzaam zijn, dat hij zelfs niet in Engeland „een volmaakter
gentleman" had ontmoet, iu de beste beteekcnis van het woord. Ook over
het bekende opperhoofd K haina of Kehama sprekende, verklaart hij, dat het
een hoofdman is, op wiens woord men staat kan maken: „hij is een heerlijk
voorbeeld van ecu welgeslaagden en gezegendeu zcudingsarbeid. Zijn Chris-
tendom bestaat volstrekt niet slechts in naam, gelijk dat vnu zoovele andere
zwarten en . . . blanken, maar is iets levende en beslist, dat eeneu beslissendcn
invloed op hem en zijn volk uitoefent. Hij heeft den invoer van sterken
drank in zijn land afgeschaft, en is steeds op de eene of andere hervorming
bedacht. Zijn woord wordt altijd vertrouwd, niet alleen door de zendelingen,
maar ook door de koopliedeu cu de jagers, die anders wantrouwend gestemd
zijn omtrent alles, wat door de Zending tot stand is gebracht. Hij is op-
recht, kloekmoedig en mannelijk ; en indien al de opperhoofden der Kaffers
op hem gelekeu, zou het Kafferland er geheel anders uitzien dan tegenwoor-
dig."
                                                                    (Noot van den Vertaler.)
-ocr page 436-
428
mendste, betooverendste manieren. Indien dezen en
genen mochten vertrouwen op hunne uiterlijke be-
valligheid en op de aantrekkelijkheid van hun ge-
drag, min of meer hopend dat God hun daarom de
zonde hunner ziel zal kwijtschelden, — dan moet
ik hun de verzekering geven, dat de Goddelijke
Rechtvaardigheid zich niet laat paaien met hoffelijke
glimlachjes en elegante gebaren. Christus ziet dieper
dan de oppervlakte der huid; en zulk een haveloos
kleed, als dat waarmede gij u tracht te bedekken,
zal u niet voor Hem kunnen verbergen ten dage van
de openbaring Zijner macht. God zal bij het Laatste
Oordeel niet vragen, hoe bevallig gij hebt geloopen,
of hoe hoffelijk gij hebt gebogen, of hoe vriendelijk
gij kondt glimlachen, of hoe indrukwekkend uwe
gebaren zijn geweest. De in het lichaam gepleegde
daden zullen den doorslag geven, en niet de voor-
schriften der etiquette uit het Handboek van Wel-
levendheid.
Voorts heb ik u te zeggen, dal de enkele belijde-
nis van godsdienst slechts een armzalig dekkleed is
om een naakte ziel te beschutten.
Het gewicht van de
aflegging eener openbare geloofsbelijdenis, indien
het hart vernieuwd is, kan niet te hoog gewaar-
deerd worden. Beslist en stellig, en met al den
ernst van den nacht vóór Zijne kruisiging, heeft
Jezus ons de belijdenis des geloofs bevolen.
Maar zij is het gevolg van een Christelijken geest,
en niet de oorzaak er van. Het bewijs van inschrij-
ving in het lidmatenboek onzer Kerk is geen toe-
gangskaan tot den hemel. Wij kunnen den naam
-ocr page 437-
429
hebben, zonder de werkelijkheid. Er zijn er, die zich
met innerlijk welgevallen schijnen te verhoovaardi-
gen op hunne openbare belijdenis van den Christus,
hoewel zij geene blijken van vernieuwing des harten
geven. Wanneer Satan iemand kan bepraten om op
zulk een vermolmd fondament te gaan bouwen, heeft
hij zijn oogmerk bereikt. Wij kunnen ons onmoge-
lijk een voorstelling maken van het afgrijzen, waar-
mede de Heer onze God op zulk eene handelwijze
neerziet. Wat zou er wel in het gemoed van een
herder omgaan, indien hij een wolf zag in één en
hetzelfde veld met zijne kudde schapen, hoe stil
het verscheurende dier ook schijnt te liggen, —
of van een generaal, indien hij onder zijne man-
schappen er één zag, die wel de voorgeschreven
uniform droeg, maar niettemin in werkelijkheid tot
de vijandelijke partij behoorde ? Zoo moet de hemel-
sche Herder neerzien op dezulken, die — hoewel
zij Zijne schapen niet zijn — langs een anderen weg
zijn binnengeklommen, en zoo ook moet de Heer
der heirscharen neerzien op dezulken, die zich voor
krijgsknechten des Kruises uitgeven , terwijl zij in
waarheid zijne gewapende vijanden zijn. Indien
iemand uwer bemerkt, dat hij op het stuk van de
groote hoofdbeginselen des Christelijken levens te
kort schiet, — zie dan, wat ik u bidden mag! niet
op uwe geloofsbelijdenis als iets vertroostends neer.
Indien gij tot uwen tegenwoordigen staat en toe-
stand zijt gekomen door een blik, dien gij op Chris-
tus hebt en op uwe behoefte aan Hem, verheug
u dan met onuitsprekelijke vreugde en in volle glo-
-ocr page 438-
43°
rie en klap in uwe handen van blijdschap; maar
indien ge bij uzelven niets anders dan een leven
in naam vindt, terwijl gij in werkelijkheid dood zijt
in de zonden en de misdaden , sta dan op vóór en
aleer de deur is gesloten! Die vergulde belijdenis,
— de wereld moge niet in staat zijn om haar te
doorzien, maar ten dage der goddelijke afrekening
zal het blijken , dat al uwe gerechtigheid is als een
wegwerpelijk kleed.
Verder : Uiterlijke zedelijkheid zal geen bedekscl zijn
voor de verborgen ongerechtigheid van den geest.
Het
Evangelie van Jezus Christus doet geen aanval op
goede werken. Zij zijn in Gods oogen even schoon
als in de onze. Stiptheid, waarheidsliefde, liefdadig-
heid , genegenheid, en vele andere voortreffelijke
eigenschappen voor dit leven, die hier nog aan
toegevoegd zouden kunnen worden, zullen ten allen
tijde door God en menschen bewonderd worden, —
maar wij hebben de vaste overtuiging, dat onze
goede werken niet de grondslag onzer verlossing
kunnen zijn. Het goede dat wij doen, kan geen
schadeloosstelling zijn voor het kwade dat wij doen.
Gesteld dat gij in het bezit zijt van al de eigen-
schappen en karaktertrekken, die u alle mogelijke
achtenswaardigheid en invloed in deze wereld doen
verwerven, toch zult gij moeten erkennen, gedu-
rende den loop van uw leven velerlei dingen ge-
daan te hebben, die gij niet hadt mogen doen. Hoe
is deze moeielijke zaak weer in het reine te bren-
gen ? O mijne vrienden , wij moeten een Verzoener
hebben! Geen Christus: geen verlossing. Degroote
-ocr page 439-
43i
Verlosser komt tot ons en zegt: „Ik zal uwe schul-
den betalen." En wat dus vroeger zeer donker was,
is nu zeer helder. De striemen die wij verdiend heb-
ben, zijn op Christus neergekomen. Op Zijne open-
gereten en bloedende schouders draagt Hij ons over
de bergen onzer zonden en over de heuvelen
onzer ongerechtigheden. Christus\' goede werken,
door ons aangenomen, zijn voldoende voor ons;
maar zij, die ze verwerpen, en zich op hunne eigene
werken verlaten, moeten omkomen. Karaktertrek-
ken, die ons veel aanzien en invloed hier op aarde
schenken, zullen in geen geval voldoende blijken
om ons de poort des hemels te ontsluiten. De plank
die sterk genoeg is voor de vloer van een huis,
kan niet volstaan voor de kiel van een schip. Zede-
lijkheid alleen is misschien genoeg hier op aarde,
maar kan u niet, midden door den storm des doods
heen, in de haven des hemels brengen. Christus
heeft het voor alle volgende eeuwen verkondigd:
„Ik ben de zveg, de waarheid en het leven; die tot
Mij komt, zal Ik geenszins uitzL\'erpcn."
Maar diep
beklagenswaardig zal ten dage der vergelding de
toestand van dien man zijn, die — al heeft hij al
zijne goederen geschonken aan liefdadige instellin-
gen en zijn leven doorgebracht met het bezoeken
van armen en verlatenen, en veel gedaan om de
bewondering der goeden en grooten op te wekken],
— geen innige gemeenschap met onzen Heer en
Heiland Jezus Christus heeft leeren kennen. Hij is
nog nooit tot de ontdekking gekomen van den hoog-
moed en de verdorvenheid, die er in zijne ziel hui-
-ocr page 440-
432
zen. Een schitterend uiterlijk zal geen vergoeding
opleveren voor innerlijke goddeloosheid. En dit is
geen stelsel van mijn eigen vinding, maar een uit-
spraak van den hoogen God, die niet liegen kan:
Uit de werken der tvet zal geen vleeseh gerechtvaar-
digd worden"
Open de deur des hemels, en zie
naar binnen! Gij vindt er allerlei troosters en wel-
doeners der menschheid, maar zij hebben zich den
toegang niet verworven door de kerkers, die zij ver-
helderden, of door de ziekbedden, waarheen zij ge-
neesmiddelen brachten. Paulus is er óók; maar dat
hij er kwam, is geen belooning voor zijne schip-
breuken en gevangenschappen en geeselslagen. Op
een troon die boven al de anderen uitsteekt, be-
halve dien van Christus, verheft de oude Apostel-
Zendeling der heidenen zijne stem, uitroepende:
„Door de genade Gods ben ik, wat ik ben!"1
Voorts : Een hoogverheven maatschappelijke positie
zal geen voorwendsel of dekkleed voor de zonde zijn.
De menschen werpen een blik door het kijkgaatje
van de deuren der gevangeniscellen, en als zij daar
dan de gekerkerde boosdoeners zien, roepen zij
uit: „Och, och! wat is er toch een slechtheid in de
wereld!" En zij gaan door de slechtst befaamde
straten eener groote stad; en als zij dan de deuren
der schandhuizen en de holen der ontucht
zien, noemen zij ze woonsteden der goddeloosheid.
Maar wanneer gij een wandeling doet door de def-
tigste wijken en de voornaamste straten der stad,
waar de kinderen der weelde in hunne prachtige
staatsiekoetsen rondrijden en in hunne luisterrijk
-ocr page 441-
433
versierde huizen wonen, zult gij misschien bemer-
ken , dat Satan zelfs in die veelbewonderde en veel-
benijde levenskringen de zonde en den dood werkt.
De eerste verzoeking volbracht Satan in den prach-
tigsten tuin, die er ooit op deze aarde geweest is:
in een Paradijs, — en ook op den huidigen dag
verstaat hij nog maar al te meesterlijk de kunst om
zich toegang te verschaffen in een verblijf van rijk-
dom en overvloed. De menschen beoordeelen de
zonden gewoonlijk in verband met de plaatsen; maar
de ongerechtigheid in satijnen kleederen is in de
oogen van den Heer onzen God even gruwelijk als
de ongerechtigheid in de havelooze lompen, — en
op den Dag des Oordeels zullen de zonden uit de
paleizen en de villa\'s , en de zonden uit de hutten
en de kelders en de vlieringen, naar één en den-
zelfden vuurpoel worden gedoemd. De mensch zal
zich in het jongste gericht niet kunnen redden met
de verontschuldiging, dat hij een fatsoenlijk zon-
daar is geweest. Gij weet dat de rijke man uit de
gelijkenis gekleed was met purper en zeer fijn lijn-
waad , levende allen dag vroolijk en prachtig, —
maar zijne fraaie kleederen en welvoorziene tafels
hebben hem niet kunnen redden. Hier op aarde
had hij de uitgezochtste wijnen en likeuren gedron-
ken, doch later smeekte hij om één druppel water.
Gij kunt uwe aantrekkelijke verblijven hier beneden
niet verruilen voor een huis met vele woningen hier
boven , — en uwe heerlijke vruchtboomen en wijn-
gaarden op deze aarde waarborgen u in den hemel
geen zitplaats onder den boom des levens. Toen
-ocr page 442-
434
de Heer onze God Adam en Eva uit den hof van
Eden verdreef, bewees Hij daarmede, dat het leven
in een tuin van genietingen en vertroostingen op
zich zelf nooit genoeg is om een man of een vrouw
te behouden. Door u zooveel aardsche weelde en
verlustiging te schenken, gaf Hij u te kennen, dat
Hij u het leven wilde doen genieten, — maar Hij
wilde niet, dat gij er u mede zoudt omhullen, als
een voorwendsel en een dekkleed, om uwe zonden
te verbergen. De Heer onze God wandelt thans in
uwen tuin , zooals Hij in den hof van Eden wandelde,
zelfs als de dag koel wordt; en Hij staat bij uwen
waterput, zooals Hij stond bij een waterput in Sama-
ria; en Hij wilde uwe welvaart hier op aarde tot
een afschaduwing maken van uwe zalige verrukking
in den hemel.
Voorts : Zuiverheid van godsdienstig geloof alleen
zal onze ongcrcelitiglicden niet verbergen.
Men vindt
menschen, wier hoofd gaaf, maar wier hart rot is.
Het is een zaak van gewicht, dat wij theoretische
Christenen zijn. Het is in deze dagen de grootste
dwaasheid voor den mensch, geen voorkeur te heb-
ben voor den een of anderen vorm van geloof, ter-
wijl men zich toch met zoo weinig moeite vertrouwd
kan maken met het geloof der verschillende belijde-
nissen. Een beschonken man trad op zekeren avond
waggelend mijn huis binnen, met verzoek om nacht-
verblijf. Hij maakte grooten ophef van zijn godsdienst.
Ik vroeg hem, waar hij ter kerk ging. „Nergens /\'
zeide hij, „ik behoor tot het liberale Christendom."
Maar er zijn er, die nooit Christenen worden, om-
-ocr page 443-
435
dat hunne hardnekkigheid hen belet, ooit een eer-
lijken blik te slaan op hetgeen godsdienst is. Zij
zijn gelijk aan het redelooze vee, namelijk in dit
opzicht, dat hunne grootste kracht in hunne hoorns
gelegen is. Zij zijn strijdlustig, en het éénige dat
zij ooit bereid zijn voor hunne zielen te doen, be-
staat in het deelnemen aan een kerkelijken strijd. Ik
heb menschen ontmoet, die den ganschen dag aan
één stuk konden doorpraten over Romeinen IX,
maar met hun mond vol tanden stonden als Johannes
XIV op het tapijt kwam. Maar er zijn er, die —
na zich aan dezen toestand ontworsteld te hebben
— zich nu geheel en al verlaten op de zuiverheid
hunner godsdienstige theorieën. De leerstukken van
\'s menschen verdorvenheid en Christus\' verzoenend
sterven en Gods souvereiniteit worden theoretisch
door hen aanvaard. Maar helaas! daar blijven zij
stilstaan. Het is alleen de schil van het Christen-
dom, zonder het Evangelisch leven er in. Zij staan
naar en in den hemel te kijken, en bewonderen
zijne schoonheid en zijne liederen, — en zijn zóó
ingenomen met het aanzien van den buitenkant,
dat zij niet kunnen besluiten om er binnen te treden.
Zij zouden misschien een veel beter pleidooi voor
de waarheid kunnen houden , dan tienduizend Chris-
tenen, die haar in hun hart ontvangen hebben. Als
hunne ziel gered kon worden door vertoogen en
argumenten en zuivere redeneeringen en theologi-
sche gevoltrekkingen, zouden zij tot de beste Chris-
tenen behooren. Zij zouden eene onberispelijke om-
schrijving kunnen geven van het berouw en het ge-
-ocr page 444-
43Ó
loof en de borgtochtelijke verzoening, hoewel zij
nooit één oogenblik met vertrouwen hun toevlucht
genomen hebben tot het groote Zoenoffer. Zij staan
bijna onwrikbaar op hun standpunt. Wij kunnen
niets aanvoeren omtrent den godsdienst van Jezus
Christus , of zij zijn er reeds mede bekend. Onze
Zaligmaker beschreef het lot van dezulken in Zijne
gelijkenis: „Eu die dienstknecht, welke geweten heeft
den wil zijns heer en, en zich niet bereid, noch naar
zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele slagen ge-
slagen worden."
Theorieën in zake den godsdienst
zijn op zichzelf zeer schoon , maar indien wij ze niet in
de warmte van het Christelijk leven omzetten, is
het de schoonheid van hoornblende en veldspaath.
Geeft aan die koudheid en hardheid niet den naam
van Godsdienst. De Rivier des Levens bevriest
nooit. Er hangen nooit ijskegels aan de gewelven
des hemels. Zuiverheid van verstandelijk geloof is
een uitnemend fraai voorwendsel, een prachtig dek-
kleed, keurig geweven en netjes gefatsoeneerd, —
maar in de ure waarin God onze ziel van ons zal
opeischen, zal het niet toereikend zijn om onze on-
gerechtigheden te verbergen.
Mijne vrienden , ben ik wellicht onheusch geweest
en heb ik u de een of andere hoop ontrukt, waarop
gij voor tijd en eeuwigheid dacht te rusten? En
inderdaad, ik zou onvriendelijk zijn, indien ik — na
uwe onvoldoende bedekking te hebben weggeno-
men — u niet iets beters aanbood. Wij zijn hier
in een koude wereld, en gij hebt iets noodig om
er uwen geest in te wikkelen. Christus biedt u
-ocr page 445-
437
heden een kleed aan. Hij weefde het Zelf, en Hij
wil het nu met Zijne eigene handen pasklaar maken
voor uwe ziel. De gerechtigheid, die Hij u aanbiedt,
is gelijk aan den rok, dien Hij droeg op Zijne om-
wandeling door Judea: zonder naad van boven tot
onder. Er is een Dag des Oordeels. Het zou laf-
hartig van mij zijn, indien ik u dat niet durfde aan-
zeggen. Het zal een dag van onuitsprekelijke teleur-
stelling zijn voor dezulken, die vertrouwd hebben
op hunne officiëele waardigheid, op hunne elegante
manieren, op hunne uiterlijke zedelijkheid, op de
zuiverheid van hun verstandelijk geloof. Maar ik
zie een ziel voor God staan, die eens een mensch vol
smetten en vlekken was, van den hoofdschedel tot
den voetzool. Gij ziet hem aan, en gij kunt nergens
meer eene enkele overtreding aan hem ontdekken.
Hoe komt dat? vraagt gij. Was hij vroeger geen
Sabbatschender, geen godslasteraar, geen roover,
geen meineedige , geen dief, geen moordenaar? Ja,
dat was hij, — maar Jezus heeft hem gereinigd.
Jezus heeft hem opgeheven. Jezus heeft hem zijne
lompen van het lijf gerukt. Jezus heeft hem be-
kleed met het smettelooze kleed der gerechtigheid.
Dat is de oorzaak, waarom gij nu niets meer van
zijne vroegere vernedering kunt bemerken. Die
heerlijke hoop wordt u op den huidigen dag in
Jezus\' naam aangeboden. O, dwalende en weer-
spannige ziel! is deze zaligheid het kornen niet waard?
Verwondert het u, dat zoovelen er onder een vloed
van bittere tranen om hebben gesmeekt, en onder
de overstelping van hunne smarten en zorgen heb-
-ocr page 446-
438
ben geschreid om de goddelijke ontferming? Ver-
wondert gij u nu nog over den ernst van hen, die
van hunne kansels de menschheid smeeken om zich
met God te laten verzoenen ? Ja, — verwondert
gij u nu nog over de voor u misschien hinderlijke
volharding van den Heiligen Geest, die thans
worstelt met uwe ziel? In vele paleizen van Europa
zijn de muren met mozaïekwerk bekleed. Stukken
van schelpen en glas worden door de hand van een
kunstenaar op smaakvolle wijze geschikt, en tot een
geheel van schilderachtige pracht saamgevoegd.
Hoe! en dat wordt van gebroken schelpen en ge«
broken glas gemaakt? Ja, inderdaad, — en God
geve, dat wij allen door de wederbarende kracht
Zijns Heiligen Geestes tot een deel der eeuwige
paleizen gemaakt mogen worden: onze verslagen en
verbrijzelde harten gepolijst en vervormd en opge-
heven , om deel uit te maken van de eeuwigdurende
pracht en heerlijkheid des hemelschen tempels! —
Amen.
-ocr page 447-
XXVIII.
DE KROON DES LEVENS.
(Een aantal jongelieden zonden eenparig een schrijven
aan Dr. Talmage, waarin zij hem verzochten, een toespraak
tot jongelieden te honden. Met de hier volgende leerrede
voldeed de groote prediker aan dit verzoek.)
Wees getrouw tot Jou dood, en
Ik zal u geven de Kroon des Levens.
Openbaringen II : 10.
Deze jongelieden, die mij een verzoekschrift heb-
ben gezonden, vertegenwoordigen — naar ik meen
— ontelbaar vele andere jongelieden, die gereed
staan om den strijd.des levens te ondernemen, en
die nu méér vraagteekens in hunne gedachten heb-
ben, dan er ooit in een letterkast te vinden waren,
of door de vingers van een letterzetter gehanteerd
werden. Doch slechts weinige menschen, die de
vijftig jaar achter den rug hebben, zijn in staat om
raad te geven aan jongelieden. Er zijn er maar al
te veel, die hunnen raad beginnen met te vergeten,
dat zij zelf eenmaal óók jongelieden geweest zijn.
En toch hebben alle jongelieden het recht om hun,
die vele en velerlei gelegenheden hebben gehad tot
-ocr page 448-
44ó
het bestudeeren van deze wereld en de toekomen-
de , te vragen om hun heilzame en practische wenken
te geven betreffende de levensbeginselen die men
behoort aan te nemen, en de gevaren die men be-
hoort te vermijden. Opgelet, jongelieden !
Allereerst: Houdt uwc ziel in orde! Gij weet: dat
is uw kostbaarste deel. Het is de gewichtigste kamer
in uw huis. Het is de bezoek- of pronkkamer van uw
geheele wezen. Hangt er de beste schilderijen aan
de wanden! Speelt de beste muziek onder hare zol-
dering! \'t Is van groot gewicht, de keuken in orde
te houden, en de eetkamer in orde te houden, en
den kelder in orde te houden, en al de andere
kamers uwer natuur in orde te houden; maar o!
die bezoek- of pronkkamer der ziel! Weest nauwlet-
tend omtrent de gasten, die er binnentreden. Werpt
hare deuren dicht voor het gezicht dergenen, die
haar zouden willen bederven of bezoedelen. Er
zijn prinsen "en koningen, die er gaarne in zouden
willen komen , terwijl er moordenaars zijn , die gaarne
te voorschijn zouden willen komen van achter hare
gordijnen, om met onhoorbaar voortsluipenden tred
hunne roekelooze en bloeddorstige plannen te vol-
brengen. Laat den Koning binnenkomen! Hij staat
nu aan de deur. Laat mij de deurwachter zijn om
Zijne komst aan te kondigen, en den Koning dezer
wereld binnen te leiden, den Koning van alle werel-
den, den eeuwigen, onsterflijken, onzichtbaren Koning.
Maakt ruim baan. Gaat achterwaarts. Houdt den
weg vrij. Buigt, knielt, aanbidt den Koning. Als
gij Hem eenmaal tot uwen Gast hebt, maakt het
-ocr page 449-
44*
niet veel verschil, wie er komt of gaat. Zoudt gij
gaarne een waarborg willen hebben tegen zedelijk
verderf, en de zekerheid van eene nobele loopbaan?
Leest eiken dag uws levens, op uwe knieën , ten-
minste één hoofdstuk uit den Bijbel.
Mijn volgend woord is: Houdt mo lichaam in
orde.
„Hoe vaart gij?" vraag ik dikwijls, wanneer
ik zekeren vriend van mij hier ter stede ontmoet.
Hij is reeds over de zeventig, maar toch nog vlug
en krachtig, en daarbij een zeer uitnemend rechts-
geleerde. En dan antwoordt hij: „Ik leef van de
rente eener welbestede jeugd." Daarentegen zijn
er honderdduizenden goede lieden, die aan de ge-
volgen van jeugdige zonden lijden. Gods genade
geeft den mensch wel een nieuw hart, maar geen
nieuw lichaam. Zelfs David, de Psalmist, moest
uitroepen: „Gedenk niet der zonden mijner jonkheid7"
Laat een jonkman van zijn lichaam een wijnvat
maken, of een jeneverkruik, of een rumflesch, of
een bierton; laat hij vergiftigde cigaretten rooken
totdat zijne handen beven, en hij zwarte kringen
onder zijne oogen krijgt, en zijne wangen invallen;
en laat hij dan bij de eene of andere Kerk godsdienst
gaan zoeken en vinden, — tóch zullen al de gebeden,
die hij doen kan, de lichamelijke gevolgen van het
schenden der natuurwetten niet kunnen tegenhouden.
O jongelieden, draagt zorg voor uwe oogen, die
vensteren der ziel! Draagt zorg voor uwe ooren,
en luistert nooit naar iets, dat besmet of onteert.
Draagt zorg voor uwe lippen, en ziet wel toe, dat
zij geen godslasteringen uitspreken. Draagt zorg
-ocr page 450-
442
voor uwe zenuwen door voldoenden slaap, door
het vermijden van ongezonde prikkelingen, en door
lichaamsoefeningen in de open lucht, hetzij door bal-
spelen, of schaatsenrijden, of paardrijden, of lawn-
tennis, of door middel van het opwekkende rijwiel,
als gij daarbij slechts rechtop zit en u niet gaat voegen
bij dien dichten drom van verscheidene honderdduizen-
den, die het rijwiel als een geschikt middel beschou-
wen tot het aankweeken van kromme ruggen, en
benauwde borsten, en misvormde lichamen, zoodat
zij hoe langer hoe meer op handen en voeten drei-
gen te gaan loopen, in de houding van de beesten
die vergaan. Alles wat het lichaam, den geest of
de ziel naar de aarde buigt, is ongezond. O, ge-
zondheid is zulk een groote schat, — maar rekent
niet op de dokters en de apothekers om u gezond
te maken. Tracht gezond te blijven. Leest goede
handboeken over de gezondheid en de ziekten van
lichaam en ziel, en voorts alles wat gij in handen
kunt krijgen over het kauwen der spijzen, en over
de opneming der voedende bestanddeelen in het
lichaam. Tegen één gezonden man of gezonde
vrouw, vindt gij vijftig half-dooden. Uit mijne eigene
ervaring kan ik getuigen, dat — in de dagen toen
ik nog als leerling het gymnasium bezocht — menig-
maal een oogenblik alvorens naar de rekstokken en
de katrollen en de gewichten te gaan, de gedachte
bij mij opkwam, dat Satan op het punt stond om
bezit te nemen van de maatschappij en de Kerk en
de wereld; maar na een uur geklauterd en geheschen
en getild te hebben, had ik een gevoel alsof ik ten
-ocr page 451-
443
spoedigste naar huis moest, om daar te zijn wan-
neer het duizendjarig rijk een aanvang zou nemen.
Maakt eiken dag een flinken marsch. Ik vind in
dien leefregel, waaraan ik trouw ben gebleven
sedert ik op achttienjarigen leeftijd een der boven-
bedoelde werken over de gezondheid van lichaam
en ziel las, méér ontspanning en verfrissching, dan
in iets anders ter wereld. Onze jongelieden zullen alle
mogelijke zenuwen , en alle mogelijke gezichtsscherp-
te, en alle mogelijke ontwikkeling hunner spierkracht
behoeven, vóór en aleer zij den vreeselijken
strijd om \'t bestaan hier op aarde achter den rug
hebben.
Mijn volgend woord is: Draagt zorg voor uw
verstand!
Hier komt de stroom van romans en no-
vellen, en negenennegentig van de honderd keer
een misleiding voor ieder, die ze openslaat. Hier
komen verderflijke nieuwsbladen, waarin de echte,
goede en verheffende journalistiek verdrinkt. Hier
komt een geheele pestkuil van gedrukte verfoeiselen,
die als eene sombere wolk hangen over de ontbijt-
tafel, over de theetafel, en over de salontafel. Houdt
er ten minste één goed nieuwsblad op na, met dege-
lijke hoofdartikelen , en met nieuwskolommen, die
meerendeels worden ingenomen door practisch bruik-
bare inlichtingen; die melding maken van huwelijken
en sterfgevallen, en van philantropische en gods-
dienstige vergaderingen, en van legaten aan Chris-
telijke liefdewerken, en van de daden van goede men-
schen, — maar die slechts weinig plaats inruimen voor
ongure echtscheidings-processen en voor misdaad-
-ocr page 452-
444
en zonde-geschiedenissen, welke, evenals gif-
tige adders en slangen, allen steken die ze aan-
raken. O, hadden wij maar wat meer nieuwsbladen
die de deugd uit de groote mediaan-of dessendiaan-
letter en de ondeugd uit de kleine brevier of non-
pareil lieten zetten ! Ieder uwer heeft wel eens de
negatief-platen van een photograaf gezien. Tien of
twintig jaar geleden heeft hij er een afdruk van ge-
nomen. Thans vraagt gij hem weer om een portret
naar datzelfde negatief. Hij opent de groote kast,
waarin de zwarte negatieven van 1886, of van 1876,
zijn geborgen, en hij maakt nogmaals een afdruk
van het portret. Jongelieden! uw geheugen wordt
gevormd door de nagatieven eener onsterflijke pho-
thographie. Alles wat gij ziet of hoort, gaat in uwe
ziel, om beelden voor de toekomst te maken. Tot
in den Dag des Oordeels zult gij de negatieven bij
u hebben van al de slechte platen , die gij ooit be-
keken hebt, en van al de liederlijke tooneelen, die
gij ooit beschreven of voorgesteld hebt gezien.
Toont mij de nieuwsbladen die gij er op na houdt,
en de boeken die gij leest, en ik zal u zeggen, wat
uwe vooruitzichten zijn voor uw welvaart in dit leven ,
en wat uwe verblijfplaats zal zijn over een millioen
jaren nadat de planeet, waarop wij thans leven,
uit het heelal verdwenen zal zijn. Ik reis nooit op
Zondag, tenzij het een geval van noodzaak of van
liefdearbeid betreft. Maar verleden najaar bevond ik
mij in Indië in een door de pest geteisterde stad.
Bij honderden waren de menschen daar lijdende aan
de vreeselijke ziekte. Wij begaven ons naar den
-ocr page 453-
445
apothekerswinkel, om er een voorbehoedmiddel
tegen de koorts te koopen; de stad was propvol
zieken , en wij hadden geen vertrouwen in het voor-
behoedmiddel , dat wij van de Hindoes kochten. De
sneltrein zou dien Zondagavond vertrekken. „Ik ge-
loof," zeide ik, „dat de Heer ons onschuldig zal
houden, indien wij met den eersten trein de beste
deze stad ontvluchten," — en wij namen er plaats
in, en gevoelden ons niet weer volkomen gerust
voordat wij honderden mijlen ver van de stad af
waren. Ik begreep, dat wij recht gehandeld hadden
door de pest te ontvluchten. Welnu, de lucht in
velen onzer groote steden is bezwangerd met een
giftige pest: de pest der verdorvene en vloekwaar-
dige litteratuur. Gaat zoo spoedig mogelijk uit die
giftige atmosfeer! Zij is reeds ten verderve gewor-
den voor de lichamen, geesten en zielen eener
menigte, die — als zij op een lange rij stond —
een ongelooflijk grooten afstand zou beslaan. De
pest! De pest!
Mijn volgend woord is: Begeeft u nooit naar
ecne plaats, waar gij u zoudl schamen te sterven,
Neemt dit als uw vaste stelregel aan, en gij zult
nooit de eene of andere ongeoorloofde vermakelijk-
heid bezoeken, of in eene verdachte omgeving ge-
vonden worden. Hoevele ontzettende gevallen , bin-
nen de laatste weinige jaren, van menschen, die
plotseling uit deze wereld werden weggeroepen,
en waarbij de nieuwsbladen ons dan met verbazing
vervulden, wanneer zij de plaats en het gezelschap
vermeldden! Om slechts een der minst gewichtige
-ocr page 454-
446
argumenten aan te voeren: gij behoordet nimmer
naar zulk een verboden plaats te gaan , want als gij
in dergelijke omstandigheden uit dit leven scheidt,
brengt gij familieleden, vrienden of predikanten ,
die een woord bij uw graf wenschen te spreken, in
de grootste verlegenheid. Indien gij geen medelijden
met uzell hebt, hebt dan tenminste medelijden met
hem , die wellicht geroepen zal worden om uwe
lijkrede te houden. Sterft tehuis, of op de eene of
andere plaats van eerlijken arbeid, of ergens waar
een reine lach klinkt, of te midden van een eerbaar
en veredelend gezelschap. Onthoudt het wel, dat
elke plaats, waarheen wij ons begeven, ons uit-
gangspunt naar de toekomende wereld kan worden.
Wanneer wij de haven des Hemels binnenloopen,
en de Havenmeester bij ons aan boord komt, laat
ons dan in staat zijn om te toonen, dat onze scheeps-
papieren van het rechte kantoor herkomstig zijn.
Mijn volgend woord is: Zet zoo fpoediq als gijkunt,
door ijver en spaarzaamheid, een eigen huishouden
op.
Wat ik bedoel met een eigen huishouden? Ik
bedoel twee kamers en de zegen Gods op beiden;
één kamer om in te slapen en één kamer voor het
eten, om het er in toe te bereiden en te nuttigen.
Let wel: ik gun u gaarne het bezit van een huis
met dertig kamers, allen met prachtige meubelen,
schilderijen en beeldwerken, — maar ik heb nu
eens het minimum genomen. Eene echtgenoote en
huisvrouw, die niet gelukkig kan zijn met een te-
huis van twee kamers, zou ook niet gelukkig zijn in
den hemel, indien zij daar kwam, Hij die de liefde
-ocr page 455-
447
wint en behoudt van eene goede , practische vrouw,
heeft iets grootsch verricht. Wat ik bedoel met
eene goede vrouw? Ik bedoel zulk eene, die God
liefhad vóórdat zij u liefhad. En wat ik bedoel met
eene practische vrouw? Daar bedoel ik zulk eene
mede, die u desnoods behulpzaam kan zijn om het
brood te verdienen, want in het leven van bijna
iederen man komt er een tijd, dat hij door zware
tegenspoeden geteisterd wordt, en dan moet gij
geene zwakkelinge hebben, die door het huis loopt
te jammeren en te klagen dat zij het zooveel
beter had vóór zij met u trouwde. De eenvoudige
reden waarom duizenden mannen nooit vooruitko-
men in de wereld, is daarin gelegen, dat zij een
meisje met twee linkerhanden trouwden , en deze
ramp nooit weer te boven kwamen. Het éénige wat
Job\'s vrouw hem voor zijne zweren en etterbuilen
aan de hand kon doen, was een warme pap van
godslasteringen, toen zij zeide: „Zegen God en
sterf!" Wanneer een man trouwt, trouwt hij óf voor
den hemel öf voor de hel; en dat is in nög hooger
mate het geval, wanneer eene vrouw trouwt. Gij,
jongelieden , hebt ruimer keuze.
Mijn volgend woord is: Slaat uzelven niet te
hoog aan. Slaat uzelven liever te laag aan.
Wan-
neer gij uzelven te laag aanslaat, zal de wereld
zeggen: „Ga hooger op!" Wanneer gij uzelven te
hoog aanslaat, zal de wereld zeggen: „Ga lager
af!" \'t Is een kwaad geval, wanneer een man even
buitensporige denkbeelden omtrent zichzelven koes-
tert als de Engelsche graaf Buchan, wiens rede-
-ocr page 456-
448
voering door den Edinburgschen drukker Ballantyne
niet gezet en uitgegeven kon worden, omdat zijne
letterkasten daartoe niet genoegzaam voorzien waren
van de hoofdletter I, het Engelsche woordje voor
ik. Bedenkt wel, dat de wereld zonder u haren
gang is gegaan gedurende bijna zesduizend jaar
voordat gij geboren werdt; en tenzij de een of
andere meteoor met onze planeet in botsing komt,
of er eene inwendige ontploffing in het hart der
aarde plaats heeft, zal de wereld vermoedelijk nog
verscheidene duizenden jaren blijven bestaan nadat
gij gestorven zijt!
Mijn volgende woord is: Toef niet te lang niet
het verrichten van eene beslissende daad voor God,
de menschhetd en uzelven.
De grootste dingen zijn
tot stand gebracht vóór den veertigjarigen leeftijd.
De krachtigste slagen, die gij waarschijnlijk voor
de Waarheid of tegen de Waarheid zult toebrengen,
zullen vallen vóór gij den meridiaan des levens be-
reikt. Wacht niet tot er iets komt dat gij aan kunt
pakken. Gaat naar uw werk, en pakt dat aan. Zulke
dingen als „goed geluk" en „goed gesternte" bestaan
er niet. Geen sterveling heeft het ooit beter op de
wereld gehad dan ik; maar toch heb ik nooit het
minste of geringste van een goed geluk of een
goed gesternte bemerkt. Maar wèl heeft, inplaats
daarvan, eene goedertierene Voorzienigheid mijn leven
met genadeblijken gekroond. Gij zult nooit veel tot
stand brengen, zoolang gij met uw werk een aan-
vang maakt in de allerlaatste minuut waarop het
van u verwacht wordt, en er mede ophoudt in de
-ocr page 457-
449
allereerste minuut, waarop gij het rechtens weer kunt
neerleggen. De nuttigste en voorspoedigste mannen
der volgende eeuw zullen die zijn, die een halfuur
begonnen te werken vóór zij het behoefden te doen,
en nog minstens een half uur aan \'t werk bleven
nadat zij hadden kunnen vertrekken. Indien gij niet
somtijds bereid zijt om twaalf uren per dag te wer-
ken, zult gij altijd op een lagen trap blijven staan
en zal uw leven veel op een voortdurende domme-
ling gelijken.
Mijn volgend woord is: Bedenkt dat liet slechts
een klein gedeelte van ons leven is, dat wij\' hier op
aarde doorbrengen.
Minder dan de nagel van uw
vinger in vergelijking met uw geheele lichaam, is
het leven hier op aarde, wanneer wij het vergelij-
ken met het toekomende leven. Ik geloof, dat er
niet meer dan een half dozijn menschen op deze
wereld honderd jaar oud zijn. Slechts zeer weinig
menschen, in welk land ook, bereiken den tachtig-
jarigen leeftijd. De groote meerderheid van het
menschelijk geslacht daalt vóór den dertigjarigen
leeftijd ten grave. Welnu, welk een bron van kalmte,
troost en geruststelling ligt er in de overdenking
van deze waarheid! Al loopt alles u tegen, ach!
\'t is slechts voor een kleinen tijd! Hebt gij niet ge-
noeg zedelijken moed en veerkracht om het hoofd,
te bieden aan de slagen, en de tegenspoeden, en
de onrechtvaardigheden, en de miskenningen, in
de kleine tusschenruimte tusschen de twee eeuwig-
heden ? Het is zeer goed, zich gereed te maken
voor de ééne mijl aan deze zijde van de blauwe graf-
-ocr page 458-
450
zerk; maar véél gewichtiger is het, reisvaardig te
zijn voor de eindelooze mijlen, die zich tot in eene
onafzienbare verte uitstrekken aan gene zijde van
diezelfde zerk. Jonkman! gij zit nu ingesloten
tusschen allerlei dingen om u heen, maar na ver-
loop van eenigen tijd zult gij vrijuit uwe vleugelen
kunnen uitslaan. Iemand ving eens een adelaar van
het Rotsgebergte, en hield het beest in een getra-
liede kooi opgesloten , totdat het al zijn moed en
geestkracht verloren had. Toen de arend op zekeren
dag uit zijne kooi werd losgelaten, scheen hij eerst
niets liever te willen, dan naar zijne vroegere ge-
vangenis terug te keeren. De zaak was, dat er in
\'t geheel geen arend meer in hem stak. Hij hield
zijne vleugels naar beneden. Maar een poos later
zag hij op naar de zon, en draaide hij zijn kop eerst
naar den eenen en daarna naar den anderen kant;
vervolgens spreidde hij eerst zijn eenen vleugel en
daarna zijn anderen vleugel uit; en toen begon hij
te stijgen, al hooger, al hooger, totdat de heuvelen
ver beneden hem waren, en hij uit het gezicht was
in de hemelruimte. O mijn broeder! mijn zoon! in-
dien gij, dit leven verlatende, door de genade Gods
zijt toebereid, zult gij uit de kooi van dit belemme-
rende sterfelijke lichaam komen, en opziende naar
de hemelsche hoogten, zult gij uwe vleugelen uit-
spreiden tot eene onsterfelijke vlucht, en de zon, de
maan, en de sterren beneden u laten bij uw stijgen
naar heerlijkheden die nooit verwelken, en naar
glansen die nooit verflauwen. Uw lichaam is de
kooi. Uwe ziel is de arend.
-ocr page 459-
45\'
Mijn volgend woord is: Voedt uwen geest met de
levensbeschrijvingen van menschen, die roemrijke din-
gen tot stand brachten op het gebied van de hoop-
manschap, of van het studievak, of van het ambacht,
dat gij gereed staat te kiezen, of reeds gekozen hebt.
Ik richt mij tot u, jongelieden die hier aanwezig
zijt, en tot alle andere jongelieden : gaat, inplaats van
uwen tijd te verspillen met onvruchtbare proefne-
mingen aangaande de beste wijze om groote dingen
te doen , gaat naar de afdeeling Levensbeschrijvingen
in uwe dorps- of stadsbibliotheek, en maakt u daar
vertrouwd met de mannen, die ten aanschouvve van
de aarde, den hemel en de hel groote dingen heb-
ben gedaan. Bedenkt het wel: de grootste dingen
moeten nog gedaan worden. Als de Bijbel waar
is, — of laat mij liever zeggen : aangezien de waar-
heid des Bijbels boven alle tegenspraak verheven
is, — moet de grootste slag nog geleverd worden, en
in vergelijking daarvan waren Jena en Sedan en
Spitskop slechts kinderspel met houten pistooltjes.
Wij kennen zelfs den naam van den slag, hoewel wij
niet zeker zijn omtrent de plaats, waar hij zal ge-
leverd worden. Ik denk m Armageddon (Openb. 16 :
16). De grootste ontdekkingen zijn nog niet gedaan.
De toekomende tijden zullen onze roemruchte negen-
tiende eeuw onder de donkere middeneeuwen rang-
schikken. Door de macht en de kracht der Evangelie-
verkondiging wordt de wereld allengs zoozeer ver-
beterd, dat de zwaarden en de geweren van onzen
tijd eenmaal in Museums te kijk gehangen zullen
worden , evenals wij nu kijken naar pijnbanken, duim-
-ocr page 460-
452
schroeven en oude foltertuigen. O, wat al gelegen-
heden zult gij hebben , jongelieden onder de dertig
jaar, over de geheele wereld! Hoe dankbaar behoort
gij te wezen, dat gij n:et vroeger geboren zijt! Ge-
zegend zijn de wiegen , die nü geschommeld wor-
den! Gezegend zijn de leerlingen in de klassen der
eerstbeginnenden! Gezegend zij, die nog jonge-
lieden zullen zijn wanneer de nieuwe eeuw aan-
breekt vier of vijf jaar na dezen! Het was een
moeilijk leven op de wereld in de achttiende eeuw.
Ik begrijp niet, hoe de oude menschen het er uit-
hielden. In den loop dezer negentiende eeuw is
de wereld door Christelijke en wetenschappelijke in-
vloeden zoozeer verbeterd geworden , dat zij nu heel
goed geschikt is voor eene tijdelijke verblijfplaats. Maar
o die twintigste eeuw! O, dat zal de tijd zijn om
grootsche visioenen te zien en grootsche daden te
doen. O jongelieden, maakt u gereed voor het inhalen
van die machtigste, en grootste, en roemrijkste
eeuw, die de wereld dusver ooit aanschouwd heeft!
Nog slechts vier zomers meer, vier herfsten meer,
vier winters meer, vier lentes meer, — en dan zal
de klok des Tijds het doodsuur slaan van de oude
Eeuw en het geboorte-uur van de nieuwe. Maakt
er u voor gereed. Houdt uw hart in orde, uwe
zenuwen in orde, uw brein in orde, uwe spijsver-
tering in orde. Aan uwe handen zullen wij onzen
koophandel overdragen, onze werktuigkunde, onze
kunsten en wetenschappen, onze ambachten en be-
roepen, onze kansels, — heel onze nalatenschap.
Wij gelooven in u. Wij vertrouwen u. Wij bidden
-ocr page 461-
453
voor u. Wij zegenen u. En hoewel wij eerlang —
wanneer gij in het heetst van den strijd voor God
en de rechtvaardigheid zijt gewikkeld — misschien
reeds van dit wereldtooneel verdwenen zullen zijn ,
zal onze belangstelling in uwe worstelingen toch
nooit verflauwen. En indien de Heer onze God ons
voor een kleinen lijd wil laten heengaan uit den
Tempeldienst en het Huis der vele Woningen,
zullen wij naar buiten komen op de tinnen van jas-
pis om u aan te moedigen. En misschien , indien
het dan op deze wereld een zeer stille nacht is,
zult gij onze stemmen kunnen hooren, die uit
eene onmetelijke verte tot u komen, als wij roepen:
„Wecst getrouw tot den dood, en gij zult de Kroon
des Levens ontvangen f"
— Amen.
-ocr page 462-
-ocr page 463-
XXIX.
DE ARM DES HEEREN ONTBLOOT.
I)e Heer heeft Zijnen heiligen arm
ontbloot.
                Jksaja LII<: 10.
Wij durven ternauwernood ademhalen bij het lezen
van sommige zinnebeeldige voorstellingen in den
Bijbel. Er is zulk een stoutheid van beeldspraak in
mijn tekst, dat het een tijdlang duurde eer ik den
moed kon vinden om er over te prediken. Jesaja,
de Evangelische profeet, laat het jubellied onzer
verloste wereld weerklinken , en roept uit: „De Heer
heejt Zijnen heiligen arm ontbloot!"
Welk een over-
weldigende diepte en rijkdom van gedachten in die
zinnebeeldige uitdrukking: „De arm des Heeren ont-
bloot!"
De lieden in Palestina dragen, ook nog op
den huidigen dag, veel belemmerende kleedij, en
wanneer zij eens buitengewoon hard willen loopen,
of een buitengewoon zvvaren last willen optillen, of
een buitengewoon moeilijken strijd willen strijden,
trekken zij hun overkleed uit, evenals de mannen
in ons land, wanneer zij een buitengewoon moeilijk
werk moeten volbrengen, hun jas uittrekken en
hunne hemdsmouwen opstroopen. Ga eens rond
-ocr page 464-
I
456
door onze ijzersmelterijen, onze machinefabrieken ,
onze mijnen, onze steengroeven, en gij zult bemer-
ken, dat de meeste werklieden hun jas uitgetrokken
en hunne hemdsmouwen opgestroopt hebben.
Jesaja zag, dat er eene reusachtige hoeveelheid
werk gedaan moest worden, vóór en aleer deze
wereld is wat zij behoort te wezen, en in den geest
ziet hij het geheel volbracht door den Almachtige;
niet zooals wij ons Hem gewoonlijk voorstellen , maar
door den Almachtige met de mouw van Zijn kleed
opgenomen tot aan Zijn schouder: „De Heer heeft
Zijnen heiligen arm ontbloot.\'1\'1
Er is niets in den Bijbel, dat zulk een diepen in-
druk op mij maakt, als het gemak waarmede God
de meeste dingen doet. Er is nog zulk een ongebruikte
voorraad van macht en kracht. Hij bezit meer blik-
semstralen , dan Hij ooit heeft weggeslingerd; meer
licht, dan Hij ooit heeft uitgestraald; meer blauw,
dan waarmede Hij het uitspansel heeft bekleed;
meer groen, dan Hij als smaragdenstof over het
gras heeft gestrooid; meer purper> dan waarmede
Hij de zonsondergangen heeft doen gloeien. Ik zeg
het met diepen eerbied en ontzag: te oordeelen
naar alles wat ik kan zien, heeft God nog nooit de
helft Zijner macht gebruikt.
Gij weet evengoed als ik, dat velen van de uit-
nemendste en kostbaarste machinerieën onzer wereld
gebezigd worden tot het voortbrengen van kunstmatig
licht. De helft van onzen tijd leeft de wereld in
het donker. De maan en de sterren hebben hunne
heerlijke bestemming, maar als middelen van ver-
-ocr page 465-
457
lichting zijn ze onvoldoende. Zij kunnen u geen
gelegenheid geven om een boek te lezen, en geen
paal en perk stellen aan de schurkerijen onzer
groote steden. Ware de duisternis niet voortdurend
tegengewerkt en verdreven door de kunstmiddelen ,
dan had het meerendeel van \'s werelds ondernemingen
den halven tijd stil moeten staan, terwijl de misdaden
onzer groote wereldsteden den halven tijd onbetoomd
en naar hartelust hadden kunnen huishouden. Van-
daar al die uitvindingen tot het voortbrengen van
kunstmatig licht: van het stuk vuursteen af, dat
in langvervlogerf* eeuwen tegen een stuk staal ge-
slagen werd, tot de dynamo-machines in onze fa-
brieken van electrisch licht toe. Welk eene ontel-
bare massa menschen aan \'t werk , het geheele jaar
door, tot het vervaardigen van kandelaars, en lam-
pen, en draden, en batterijen, waarin het licht zal
voortgebracht worden , of waarlangs het licht geleid
zal worden, of waaruit het licht zal stralen! Wat
al ontbloote armen van menschelijken arbeid — en
sommigen dier ontbloote armen zijn zéér vermoeid!
— voor de schepping van dat licht en de daarbij
behoorende toestellen; en ondanks al dat werken
en sloven, hebben het grootste gedeelte der landen
en werelddeelen des nachts volstrekt geen licht,
uitgenomen misschien de vuurvliegen, die hunne
kleine lantaarns over de moerassen laten flikkeren.
Maar zie nu, hoe gemakkelijk God het licht maakt!
Hij behoefde er niet Zijn arm voor te ontblooten;
Hij strekte er niet eens Zijne hand voor uit; Hij hief
er zelfs geen vinger voor op. Het kwarts, waaruit
-ocr page 466-
45Ö
Hij de volle middagzon sloeg, was Zijn woord. „Licht."
„Daar zij licht!" Hebt gij ooit van iets zoo gemak-
kelijks gehoord? Zoo eenigs? Uit één enkel woord
ontstond de gloeiende zon: de bron van de bloemen ,
van de warmte, van het licht! Uit één enkel woord
ontstond een vuurhaard, waaraan al de natiën der
aarde zich konden warmen! Ja, ook nog zeven
andere werelden, waarvan er vijf onnoemelijk veel
grooter zijn dan onze eigene, en ontelbaar veel aste-
roïden, of werelden van kleiner afmeting! De
warmte en het licht voor deze groote broederschap,
deze groote zusterschap, deze groote familie van
werelden, grootere of kleinere werelden, alles uit
dien éénen kolossalen vuurhaard, die ontstaan is op
dat ééne woord: „Licht !" Ik weet niet, hoeveel
grooter zonnestelsel de Heer onze God geschapen
zou kunnen hebben, indien Hij Zijn ontblooten arm
had uitgestrekt! Maar dit weet ik wel: dat onze
middagzon een vonk was, geslagen uit het aanbeeld
van één woord, en dat ééne woord was: „Licht."
„Maar," zegt iemand, „zoudt gij niet denken, dat
de schepping der machinerie van het heelal, waar-
van ons zonnestelsel betrekkelijk slechts een klein
rad is, te midden van grootere raderen werkend,
den Heer onzen God toch wel eenige inspanning
gekost moet hebben? Het opheffen van een arm,
hetzij dan een bekleeden arm, of een ontblooten
arm?" Neen; ons wordt duidelijk het tegendeel ge-
leerd. De machinerie van een heelal schiep God
eenvoudig met Zijne vingeren. David, zich bezield
gevoelend om in een lofzang ook den nacht te ge-
-ocr page 467-
459
denken, zegt er van: „ Als ik Uwen hemel aanzie,
het zvcrk Uwer vingeren.\'"
Een Schotsch predikant verhaalde mij eenigen tijd
geleden, hoe de zwaarmoedige Thomas Carlykle
op zekeren avond, toen de hemel vol prachtige
sterren stond, eens een wandeling deed met een
zijner vrienden; doch toen zijn vriend naar boven
zag en uitriep: „welk een prachtige lucht met ster-
ren l" antwoordde Carlykle, terwijl hij óók naar boven
keek: „Een droevig schouwspel!\'" Niet aldus dacht
David er over, toen hij het grootsche letterschrift
van den nachtelijken hemel las. Het was een strook
borduursel, een reusachtig naaldwerk, door God
zelf gewrocht. Dat is de toespeling van den Psal-
mist op de geweven behangsels van borduurwerk,
zooals zij reeds lang vóór Davids tijd bekend waren.
Als wij ver terug gaan in de eeuwen, — welk een
verrukkelijke pracht van draden en kleuren in het
Florentijner fluweel van zijde en goud, en in de Per-
zische tapijten, geweven van geitenhaar! Indien gij
ooit een bezoek hebt kunnen brengen aan de fabrie-
ken van Gobelin-behangsels te Parijs — die er,
helaas! nu niet meer zijn — dan zijt gij daar oogge-
tuige geweest van wonderbare dingen, terwijl gij
de houten naald of spoel heen en weer en in en
uit zaagt gaan; gij waart vervuld met bewondering
over de daar geweven patronen. Geen wonder, dat
Lodewijk XIV het recht tot vervaardiging dezer
behangsels kocht en het tot eene uitsluitende bezit-
ting der kroon maakte; en gedurende langen tijd
mochten alleen de keizerlijke en koninklijke paleizen
-ocr page 468-
460
met deze behangsels versierd werden. Welk een
triomf van het weefgetouw! Welk eene zegepraal
van vaardige vingeren! En zoo zegt David van de
hemelen, dat Gods vingeren er het licht in weef-
den; dat Gods vingeren ze behingen met sterren;
dat Gods vingeren ze borduurden met werelden.
Hoeveel begrip David bezat omtrent de onmetelijk-
heid der hemelen, zou ik u niet kunnen zeggen. De
sterrenkunde werd geboren in China, achtentwintig-
honderd jaren vóór de geboorte van Christus. Ge-
durende de regeering van Hoang-Ti werden de ster-
renkundigen ter dood gebracht, als zij eene verkeerde
berekening omtrent den loop der hemellichamen ge-
maakt hadden. Job kende de weerkaatsing der zon-
nestralen, en zegt, dat zij „veranderd worden gelijk
zegcllccm."
Men houdt het nu algemeen voor zeker,
dat de Pyramiden dienst hebben gedaan als sterren-
kundige observatoriums. De eerstgeborene van
alle wetenschappen is de sterrenkunde. Hetzij op
grond van kennis, die reeds elders bestond, of krach-
tens rechtstreeksche bezieling, — het komt mij voor,
dat David een uitgebreide kennis van de hemelli-
chamen bezat. Of hij den vollen omvang begreep
van wat hij schreef, weet ik niet; maar de God,
die hem bezielde, wist het, en Hij zou David nim-
mer iets anders dan de waarheid hebben laten
schrijven. En derhalve: al de werelden, die de teles-
coop ooit bereikte, of die Copernicus, of Galileï,
of Herschel, of Adams, of Mitchell ooit zag, werden
zóó gemakkelijk gemaakt, dat zij gemaakt werden
met Gods vingeren. Even gemakkelijk als gij met
-ocr page 469-
461
uwe vingers het was, of de klei, of het deeg kunt
kneden in alle mogelijke vormen, besliste Hij
over den vorm van onze wereld en over hare
zwaarte, en schreef Hij allen werelden hare banen
voor en bestemde hij hare kleuren: de witte kleur
voor den Sirius, de roodachtige voor Aldebaran,
de gele voor Pollux, de blauwe voor Altair; en heeft
Hij sommige sterren paarsgewijs saamgevoegd, zoo-
als de 2400 dubbele sterren, die Herschel waarnam ;
en bestuurt Hij de wisselingen der veranderlijke
sterren, zoodat hun glans helderder of dofïer wordt,
waardoor Hij in gereedheid brengt wat de sterren-
kundigen „De gordel van Andromeda" noemen, en
den nevel in het zwaardgevest van Orion. Werelden
aan werelden! Werelden onder werelden ! Werel-
den boven werelden ! Werelden achter werelden !
Werelden rondom werelden ! Zóóvelen, dat cijfers
ons niets baten bij de berekening! Maar Hij heeft
ze geteld terwijl Hij ze maakte, en Hij maakte ze
met Zijne vingeren! Een niet ten volle ontwikkelde
kracht! Een inhouden van de Almacht! Nog onge-
bruikte hulpmiddelen! Een nog ongeopenbaarde
Almacht!
En nu vraag ik, in het belang van alle moede-
looze Christelijke arbeiders: indien God zooveel
volbracht heeft met Zijne vingeren , wat kan Hij dan
niet doen wanneer Hij al Zijne kracht aanwendt,
en wanneer Hij al de batterijen Zijner Almacht ont-
laadt? De Bijbel spreekt telkens en telkens weder
van Gods uitgestrekten arm; maar slechts éénmaal, en
dat wel in mijn tekst, van „de arm des Meeren ontbloot."
-ocr page 470-
462
Mijn tekst maakt het duidelijk, dat de herschep-
ping dezer wereld eene ontzaglijke onderneming is.
Het vereischt méér macht om deze wereld nog eens
over te maken, dan om haar voor het eerst te
maken. Eén woord was er slechts noodig voor de
eerste schepping; maar voor de nieuwe schepping
wordt de onbekleede en onbelemmerde arm van den
Almachtige vereischt! De reden daarvan kan ik
begrijpen. Op de scheepswerven van Liverpool, of
Glasgow , of New-York wordt een groot schip ge-
bouwd. De scheepsbouwmeester teekent het ontwerp :
hij bepaalt de lengte der dwarshouten, de hoeveelheid
van den tonneninhoud, het aantal omwentelingen van
de raderen of de schroef, de grootte der hutten, de
lengte en de dikte der masten, en al de verdere afme-
tingen van cit groote zeekasteel. De scheepsbouw-
meester voleindigt zijn werk zonder eenige moeilijk-
heid, en de timmerlieden en andere arbeiders werken
zoo- of zooveel uren per dag aan het vaartuig, elk hun-
ner het hem aangewezen deel, totdat met breed
uitwaaiende vlaggen, en met duizende juichende
menschen er omheen op de werf, het schip te wa-
ter wordt gelaten. Maar midden in volle zee heeft
de stoomboot het ongeluk , haar schroefas te breken;
en terwijl zij nu langzaam naar de haven voortsuk-
kelt , steken de zware passaatwinden op, die gewel-
dige jagers der zee, die steeds op de loer liggen
om een schip buit te maken, en omringen zij het
gewonde vaartuig aan alle kanten, en slingeren zij
het op eene rotsachtige kust, en laten zij er de bran-
ding tegen opstuiven en op neersmakken, totdat al de
-ocr page 471-
463
gebinten losraken, en al de ra\'s en masten zijn weg-
geslagen , en elke golf over het campagnedak spoelt,
terwijl het schip in \'t midden opensplijt. Zou het nu
niet méér kracht en bekwaamheid vereischen om
dat ontredderde schip van de rotsen af te krijgen
en het geheel te herstellen, dan er oorspronkelijk
noodig was om het te bouwen? Ja voorzeker!
Onze wereld, die door God zoo schoon gebouwd
is, en die van stapel liep met al de vlaggen van
Eden\'s gebladerte en onder het gezang der vogels
in de Paradijs-priëelen , heeft nu zestig eeuwen vast-
gezeten op de klippen van zonde en ellende; en er
haar weer af te brengen, en er haar uit te brengen,
en haar weder op den rechten weg te brengen,
zal méér Almacht vereischen, dan er noodig was
om haar te bouwen en te water te laten. En dus
ben ik er volstrekt niet verbaasd over, dat, hoewel
onze wereld in het droogdok van één woord ge-
maakt werd, het „den ontblooteti arm des Heereii"
zal vereischen om haar weder in den rechten koers
te brengen. Het blijkt zonneklaar uit mijn tekst en
uit de vergelijking er van met andere teksten, dat
het niet zulk eene groote onderneming zou zijn, een
geheele sterrengroep van werelden te maken, en
een geheelen melkweg van werelden, en een geheele
astronomie van werelden, en ze in hunne juiste
banen te doen voortwentelen, — als om deze ge-
wonde wereld, deze gestrande wereld, deze gefail-
leerde wereld, deze geruïneerde wereld te nemen,
en haar weder even goed te maken als in den be-
ginne.
-ocr page 472-
464
Welnu, werp slechts even een blik op de reus-
achtige hinderpalen, welker wegruiming, welker
omverwerping, den ontblooten rechterarm des Al-
machtigen schijnt te vereischen. Daar staat het Hei-
dendom met zijn 860,000,000 belijders. Het is mij
onverschillig of gij hen Brahminen, of Boeddhisten,
of Confucianen of Fetisch-aanbidders noemt. Op de
groote Wereldtentoonstelling in den zomer van
1893 te Chicago deden die monsterachtige gods-
diensten hun uiterste best om zich eerwaardig voor
te doen; maar de lange haren en de wijde broeken
en de kinderachtige uitmonsteringen hunner ver-
tegenwoordigers, konden voor de oogen der wereld
de waarheid niet verbergen, dat die godsdiensten
de bewerkers zijn van de brandstapels der Indische
weduwen, en van de verpletterende Jaggernaut-kar-
ren, en van de kindermoorden aan de boorden van
den Ganges, en van de folteringen der Chineesche
schoenen, en van de eindelooze moorden gedurende
vele eeuwen. Zij hebben hunne voeten op Britsch-
Indië, op China, op Perzië, op Borneo, op drie
vierden van het grondgebied onzer arme oude
wereld. Ik weet, dat de zendelingen, die de opof-
ferendste en Christelijkste mannen en vrouwen op
aarde zijn, voortdurend de heerlijkste bressen schie-
ten in dit lange bolwerk van de verfoeiselen der
eeuwen. Al die onzin, dien gij in sommige nieuws-
bladen vindt, omtrent zendelingen, die in weelde
en luiheid hun leven doorbrengen, is afkomstig
van goddelooze Amcrikaansche of Engelsche of
Schotsche kooplieden, wier lage handelingen in de
-ocr page 473-
465
heidensche steden door de zendelingen worden tegen-
gewerkt; en die goddelooze kooplieden schreven
naar huis, of vertelden aan onnoozele en onergden-
kende bezoekers van Britsch-Indië of China of de
in duisternis gehulde eilanden der zee, deze leugens
omtrent onze geordende zendelingen, die, den rug
toekeerend aan hun tehuis en het vaderland en een
goed inkomen en eene aangename omgeving, hun
leven wijden aan de poging om de genade van
het Evangelie onzes Heeren Jezus Christus te bren-
gen tot de arme verblinden, die onder het juk des
heidendoms gebukt gaan. Sommigen dezer koop-
lieden verlaten hunne familiën in Amerika of Enge-
land of Schotland, en vertoeven eenige weinige
jaren in de havensteden van het heidenland, om
daar dan hun fortuin te maken met den thee-, of
den rijst of den opiumhandel; en terwijl zij daar
dan ver van huis en haard zijn, geven zij zich over
aan zulke bandelooze en liederlijke uitspattingen,
dat geen pen of tong, zonder de uiterste grenzen
der eerbaarheid te overschrijden, ze zou kunnen
verhalen. De aanwezigheid der zendelingen, met
hun rein en nobel huiselijk leven in die heidensche
havensteden, is eene voortdurende beschuldiging te-
gen zulke uitspattingen en liederlijkheden. Als Satan
eens een bezoek kon brengen aan den Hemel,
waaruit hij eens en voor goed, maar rechtvaardiglijk,
verbannen werd, en hij dan van daar naar zijn huis
in het Rijk der duivelen brieven kon schrijven , ter
plaatsing in de „Demonen-Courant" of het „Apollyon-
Nieuws", handelende over hetgeen hij gezien had, zou
-ocr page 474-
466
hij den Tempel van God en Christus zeker beschrij-
ven als eene bouwvallige kerk, en het Huis met de
vele Woningen als eene plaats, die in een kwaden
naam stond, en de Cherubim als lieden van ver*
dachte zeden. De zonde heeft altijd een hekel ge-
had aan de Heiligheid, en daarom moet gij liever
geen vertrouwen stellen in Satan\'s verslagen om-
trent den verheven en veelvermogenden arbeid onzer
zendelingen in vreemde landen. — Maar niettegen-
staande al hetgeen deze mannen en vrouwen Gods
hebben volbracht, gevoelen zij — en gevoelen wij
allen — dat, zullen de landen der afgodendienaars
gekerstend worden, er eene Macht uit den hemel
noodig is, die thans nog niet is nedergedaald, en
gevoelen wij behoefte om met de woorden van
den dichter uit te roepen:
«Ontwaak, o arm van God, ontwaak!
«Opdat Uw kracht de volkren wakker maak!"
Ja, het is niet alleen de arm des Heeren, dien
wij noodig hebben, den heiligen arm, den uitge-
strekten arm, maar „de ontbloote arm."
Daar staat óók het Mohammedanisme, met zijne
176,000,000 belijders! Zijn Bijbel is de Koran, een
boek nog niet zoo als groot ons Nieuwe Testament, dat
door Mohamed werd ontworpen als hij vlagen van
zenuwtoevallen had, en wanneer die aanvallen dan
bedaard waren, dicteerde hij alles aan zijne secretaris-
sen. Toch wordt het, na den Bijbel, op den huidi-
gen dag door méér menschen gelezen dan eenig
-ocr page 475-
467
ander boek, dat er ooit geschreven is. Mohammed,
de .stichter van dien godsdienst, was een polygamist,
een voorstander der veel wij verij, — en de eerste
stap van zijn godsdienst was op het lichaam, den
geest en de ziel der vrouw, — geen wonder dus , dat
de hemel van den Koran een eeuwigdurend Sodom
is, een eindelooze harem, waarin Mohammed be-
looft dat elk zijner volgelingen twee en zeventig
vrouwen zal hebben, boven en behalve al de vrou-
wen , die hij reeds hier op aarde had , doch met dien
verstande, dat geene enkele oude vrouw ooit dezen
hemel zal mogen binnentreden. Deze vuile en valsche
leer heeft zich reeds over vele landen en gewesten
verspreid, en houdt zich nog steeds gereed om hare
ongure en gevloekte banier ook nog verder voort
te dragen, — want wat zij voor Turkije gedaan heeft,
wil zij eveneens doen voor andere volken. Maar
een godsdienst, die de vrouw met een beest gelijk-
stelt, behoort nooit of nimmer in een vrij land toe-
gelaten en aangemoedigd te worden. Doch er is nog
nooit een godsdienst zoo onzinnig of zoo goddeloos
geweest, of hij wist zijne discipelen aan te werven,
en in elk land der wereld zijn er dwazen genoeg om
een groote reeks van volgelingen voor het Mohame-
danisme mogelijk te maken. Deze verdorven gods-
dienst heeft ons menschelijk geslacht nu reeds sedert
honderden van jaren onder het slavenjuk gekromd,
en daar staat hij nog altijd, die reus der zonde, met
den eenen voet op het hart der vrouw, en den
anderen op het hart van Christus, terwijl hij van
de tinnen zijner moskeeën en minarets de woorden
-ocr page 476-
468
prevelt: „God is groot, en Mohammed is Zijn pro-
feet!" Mogen de Christelijke drukpersen te Beynout
en te Konstantinopei met hunnen arbeid voortgaan,
en de mannen en vrouwen Gods op het zendings-
veld blijven voortwerken, totdat de Heer hen kroont!
Doch waar wij allen op hopen, is iets bovennatuur-
lijks
uit den hemel, dat tot dusver nog niet aan-
schouwd is; iets dat naar ons wordt uitgestrekt uit
de wolken; iets als een onbedekte arm: de ont-
bloote
arm van den God der Volken!
Daar staat ook de Aartsdemon van het alcoholisme.
Zijn troon is wit, en gemaakt van gebleekte men-
schenbeenderen. Aan den eenen kant van dien troon
knielt in gehoorzaamheid en aanbidding: de Wan-
hoop, en aan den anderen kant: de Waanzin,
— en wie de verkankerde en rottende voeten van
dezen despoot het meest kust, bekomt de meeste
zegeningen. Er stroomt een Rijn, een Nijl, een Mis-
sissipi van sterken drank door de volken; maar ter-
wijl de rivieren, waaraan ik mijn beeldspraak ont-
leen , uitmonden in de Noordzee, de Roode Zee of
de Golf van Mexico, ledigen deze reusachtige stroo-
men van ziekte, en krankzinnigheid, en ondergang
der huisgezinnen, en misdaad, en bankroeten, en
ellende, zich in de harten, en de huizen, en de ker-
ken , en den tijd en de eeuwigheid van eene me-
nigte, welker telling of beschrijving alle statistieken
te boven gaat.
Veel goeds is er tot stand gebracht door den
heldenmoed en de getrouwheid van Christelijke her-
vormers ; maar toch blijft het een feit, dat er op
-ocr page 477-
4^9
dit oogenblik méér voortreffelijke mannen en uitne-
mende vrouwen over den Niagara-afgrond der on-
matigheid gaan , dan ooit of immer sedert de eerste
druif in wijn werd omgezet, en de eerste handvol
gerst in een branderij begon te gisten. Wanneer de
menschen dit onderwerp behandelen, leveren zij
meestal statistieken, om te bewijzen hoeveel millioe-
nen slachtoffers van den drank er in dronkaards-
graven liggen, of er zich met haastige schreden
heen spoeden. In alle landen heeft men den mond
vol over in- en uitgaande rechten, over accijnzen en be-
lastingen , maar men vergeet de zwaarste van alle
belastingen ter wereld: den last van de duizend-
millioenen guldens, dien de Alcohol als een onver-
biddelijke cijns op de schouders der natiën en volken
legt, als een offer dat — hoe zwaar ook — toch
gewillig gebracht wordt! Gij beeft niet, of gij wordt
niet bleek, terwijl ik dit zeg. De zaak is, dat wij
hardleersch zijn geworden op het stuk van statis-
tieken, en dat zij weinig of geen indruk meer op
ons maken. Maar indien iemand eens één reus-
achtig meer kon vormen van al de tranen, die uit
de oogen van weezen en weduwen zijn geperst; of
in één orgeltoon al de kermende zuchten kon weer-
geven , die reeds geslaakt zijn door de lijdende
slachtoffers van dit helsche monster; of in één or-
kaan al de smartkreten over eeuwen vol uitspattin-
gen kon verzamelen; of door het tralieraam van
één onmetelijke gevangenis een blik op ons kon
doen werpen uit de akelig glinsterende oogen
van die allen, die door den sterken drank in
-ocr page 478-
470
den kerker zijn gebracht, — dan zouden wij mis-
schien iets begrijpen van de hartverscheurende el-
lende. Maar neen! neen! dat schouwspel zou ons
voor altijd het gezicht benemen; dat geluid zou voor
altijd onze zielen verdooven. Gaat voort met uw
schrijven tegen den drank; gaat voort met uwe
redevoeringen tegen den drank; gaat voort met uwe
wetten tegen den drank! Maar wij allen hopen op iets
van boven, en terwijl de ontbloote armen van het
lijden, en de ontbloote armen der ziekten, en de ont-
bloote armen van het gebrek, en de ontbloote armen
der verwoeste huisgezinnen, van al welke armen de
sterke drank de mouwen heeft opengereten, biddend
en smeekend en wanhopig worden opgeheven, —
moge „de ontbloote arm des Heereti" neerkomen op
de branderijen, en op de drankwinkels, en op de
goddelooze jenever-politiek en op de „vergunningen"
en op heel het helsche gebroed van herbergen en
kroegen en bordeelen in alle oorden der wereld!
Wie kan aan den goeden uitslag twijfelen, wanneer
— overeenkomstig mijn tekst — Jehovah Zijn arm
ontbloot, wanneer de nog ingehouden krachten der
Almacht ten strijde trekken, wanneer het zwaard
der Eeuwige Macht uit de scheede springt! Wij
heffen onze oogen naar de bergen!
Het zal zóó ze-
kerlijk volbracht worden, dat Jesaja in mijn tekst
het reeds aanschouwt door den telescoop der pro-
fetie, en er van spreekt als iets dat reeds volbracht
is. — Amen!
-ocr page 479-
XXX.
KLEINIGHEDEN.
Worden niet twee muschjea om een
penningsken verkocht? En niet eïn
van deze zal op de aarde vallen tonder
uwen Vader.
Mattiieus X : 2U.
Zooals gij ziet, is de Bijbel niet beperkt in de
keuze van zinnebeelden. Er bestaat bijna geen enkel
viervoetig dier, of vogeltje, of insect, dat geen dienst
heeft gedaan om de eene ol andere goddelijke waar-
heid te illustreeren: het geduld van den os, de ijver der
mier, de vaardigheid der spin, de vlugge en zekere
voetstap der hinde, de snelheid van den arend, de
zachtmoedigheid der duif, en zelfs de kleinheid en
onbeduidendheid der musschen. In de Oostersche
landen zijn het alleen de armste lieden, die de mus-
schen koopen en eten: zóó bitter weinig vleesch
zit er op het gebeente, en zóó schraal is hetgeen
er van afkomt. De gedachte om er den mond aan
te zetten, komt bij welgestelde menschen evenmin
op, als bij ons om een vleermuis of een bunsing
te gaan eten. En nu zegt de Heere Jezus: indien
God zoo getrouwelijk zorg draagt voor een armen
-ocr page 480-
472
vogel, die niet eens een cent waard is, zal Hij dan
geen zorg dragen voor ü, een onsterflijk wezen?
Wij vereenzelvigen den Heer onzen God met de
groote wereldgebeurtenissen. Wij kunnen een godde-
lijke leiding zien in de ontdekking van Amerika, in de
uitvinding der boekdrukkunst, in de ontdekking van
het Londensche buskruitverraad, in de uitvinding
van het naaldgeweer, in de fnuiking der tyrannie
van een Alva of een Napoleon; maar hoe moeilijk
valt het ons, Gods hand te zien in de kleine per-
soonlijke aangelegenheden van ons leven! Wij stel-
len ons voor, dat God het heirleger der sterren
telt, maar kunnen ons geen begrip maken van de
Bijbelsche waarheid, dat Hij weet hoevelen de haren
onzes hoofds zijn. Het schijnt ons iets grootsch toe,
dat God voorzag in de behoefte aan voedsel voor
honderdduizenden Israëlieten in de woestijn; maar
wij kunnen ons geen voorstelling vormen van de
waarheid, dat, wanneer een muschje honger heeft,
de Heere God zich nederbuigt en den bek van het
vogeltje opent en er het zaad inwerpt. Wij worden
getroffen door het denkbeeld , dat God het heelal
vervult met Zijne tegenwoordigheid, maar kunnen
niet begrijpen hoe Hij aanwezig is in het kristallen
paleis van een dauwdruppel^ of ruimte kan vinden
om tusschen de albasten zuilen der waterlelie te staan.
Wij kunnen God zien in de wolken. Kunnen wij
God zien in de bloemen aan onzen voet?
Wij zijn geneigd om God te plaatsen op het een
of ander groote wereldtooneel — of dit trachten wij
althans te doen — in de verwachting dat Hij van
-ocr page 481-
473
daar Zijne ontzaglijke plannen ten uitvoer zal bren-
gen; maar wij vergeten, dat het leven van een
Cromwell, of een Alexander den Grooten, of een
Bunyan, of een aartsengel, evenzeer onder godde-
lijke leiding en besturing staat, als uw leven of het
mijne. Pompejus dacht, dat er een nevel voor Gods
oogen moest zijn, omdat Hij Caesar in zoo hooge
mate begunstigde. Maar — er is geen sprake van
zulk een nevel. Hij ziet allen en alles. Wij zeggen ,
dat \'s Heeren weg is in de groote wateren. En dat
is maar al te waar; maar niet minder zeker is Hij
in het water, dat in een glas op de tafel staat. Wij
zeggen, dat God de sterren in hunnen loop bestuurt.
Heerlijke waarheid! Maar even zeker als die waar-
heid is deze andere, dat Hij beslist welke gracht of
straat gij zult nemen, als gij naar de kerk gaat. Be-
grijp toch goed, dat God niet op een onverschilligen of
onaandoenlijken Troon zit, maar dat Hij op den huidi-
gen dag naast u zit, op den huidigen dag naast mij
staat, en dat geene enkele aangelegenheid onzes levens
zoo onbeduidend is, of zij is van gewicht voor God.
In de eerste plaats: God kiest onze bezigheden voor
ons.
Ik verbaas mij altijd wanneer ik zie, hoeveel
menschen ontevreden zijn over het werk dat zij te
doen hebben. Ik geloof dat drie vierden wel wensch-
ten, dat zij in een anderen werkkring geplaatst waren,
en zij brengen een groot deel van hunnen tijd door
met er over te treuren, dat zij in het verkeerde vak
of beroep zijn beland. Maar ik wensch u te zeggen,
dat God al de. omstandigheden deed werken, welke
u tot die bepaalde keuze geleid hebben. Velen uwer
-ocr page 482-
474
zien zich niet in den werkkring geplaatst, dien gij
gewenscht of verlangd hadt. Uw hart ging uit naar
het predikambt, en gij leerdet den koophandel; gij
voeldet u aangetrokken tot de rechtsgeleerdheid, en
gij werdt een geneesheer; gij gaaft de voorkeur
aan den landbouw, en toch zijt gij een werktuig-
kundige geworden. Gij dacht over dezen weg, God
dacht over een anderen. Doch daarom behoeft gij
toch niet te gaan nederzitten om te treuren over
het verledene. Gij behoort u steeds te herinneren,
dat God al de omstandigheden leidde, waardoor gij
gemaakt werdt tot hetgeen gij zijt.
Hugo Miller zegt: „Ik wil een metselaar worden;"
maar God zegt: „Gij zult een geoloog worden en
de korsten en lagen van den aardbodem onderzoe-
ken !" David gaat het veld in, om zijns vaders scha-
pen te hoeden; maar God roept hem van daar, om
een groot volk te regeeren. Saul gaat uit om zijns
vaders ezels te zoeken, maar vóór hij nog thuis
is, vindt hij de kroon der koninklijke heerschappij.
Hoeveel gelukkiger zouden wij zijn, indien wij te-
vreden waren met de plaatsen en de posten, die de
Heer onze God ons heeft aangewezen en toebedeeld!
God zag uw humeur, uw karakter, en al de om-
standigheden, waarin gij geplaatst waart, en ik ge-
loof dat negen tienden uwer den werkkring vervul-
len , waarvoor gij het best geschikt zijt. Ik hoor een
harden knap in mijn horloge, en ik bemerk dat de
wijzers en de raderen en de veer geheel van hun
plaats zijn geraakt. Ik zend het naar den horloge-
maker , en laat hem zeggen: „Bekijk dat horloga
-ocr page 483-
475
eens, en zeg aan de raderen, en aan de veer, en
aan de wijzers, dat zij zich elk met hun eigen werk
moeten bemoeien." Gij kent een man die een groote
boerderij heeft. Hij roept \'s morgens zijne werklieden
bij elkaar, en zegt tot den een: „Ga heen en snoei
dien wijngaard!" tot een ander: „Ga heen en bind
deze bloemen op!" tot een ander: „Ga heen en
ploeg dat stuk grond om!" en dan gaat elk hunner
aan zijn bepaalde werk. De eigenaar der boerderij
wijst den mannen het werk aan, dat hij voor elk
hunner het meest geschikt acht, — en zoo is het
met den Heer óók.
God heeft ook de plaats onzer woning bepaald. De
bepaalde groote of kleine stad, straat of gracht of
huis, waarin gij u metterwoon gaat vestigen, schijnt
louter een zaak van het toeval te zijn. Gij gaat uit
om een huis te zoeken, en „toevallig" gaat gij de
een of andere straat door, en „toevallig" ziet gij
daar een bordje hangen, en gij kiest dat huis. Was
dit alles een gevolg van het toeval ? O neen! de
Heere God geleidde u van stap tot stap. Hij voor-
zag de toekomst. Hij kende al uwe omstandigheden,
en Hij koos juist dat ééne huis uit, als beter voor
u, dan een der tienduizend andere woningen in de
stad. Ons huis, hoe nederig het dak en hoe laag
de portalen ook zijn, ligt even na aan Gods hart
als een Alhambra of een Kremlin. Bewijs mij dat
eens! zegt gij. Spreuken III vs. 33: „De woning der
rechtvaardigen zal Hij zegenen."
God regelt al onze vriendschapsbanden. Gij waart
tot wanhoop gedreven. En juist in dat kritieke oogen-
-ocr page 484-
476
blik vondt gij een man, die belang in u bleek te
stellen, die zich deelnemend betoonde, die medelij-
den met u had, en u hielp. „Welk een gelukkig
toeval was dat toen!" zegt gij. Er was geen sprake
van een gelukkig toeval. God zond toen even zeker
dien vriend tot u, als Hij een engel zond om Chris-
tus te sterken. Uwe huisvrienden, uwe handelsvrien-
den, uwe Christelijke vrienden, God zond ze u als een
zegen uit Zijne hand toe; en indien één hunner zich
trouwelooslijk jegens u gedragen heeft, dan \'ge-
schiedde dit slechts om de waarde der anderen, die
u trouw bleven, beter te doen uitkomen. Indien er
een of meer sterven, dan is dat slechts opdat zij
aan de buitenposten des hemels kunnen staan, om
er u bij uwe aankomst te begroeten.
Ik hoop, dat gij allen vrienden hebt: warme
vrienden, hartelijke vrienden, grootmoedige vrien-
den. Wanneer er dan ziekte komt over uwen drem-
pel , zullen er verplegers zijn; wanneer er zorgen
komen over uw hart, zal er belangstellende deel-
neming zijn; wanneer de dood komt, zullen er
zachte vingeren zijn om de oogen te sluiten en de
handen te vouwen, en vriendelijke lippen om ovqr
eene opstanding te spreken. O, wij zijn omringd
door een lijfwacht van vrienden! Iedere man, indien
hij zich goed gedragen heeft, is door drie kringen
van vrienden omgeven: die van den buitensten kring,
die hem alles goeds toewenschen; die van den vol-
genden kring, die steeds gewillig zijn om hem te
helpen; terwijl hij dicht aan zijn hart eenige wei-
nigen heeft, die bereid zijn om voor hem te ster-
-ocr page 485-
477
ven. God zij den ongelukkige genadig, die in \'t ge-
heel geen vrienden heeft!
God heejt de grens van onzen aardse/ten voorspoed
bepaald.
De finantieele wereld schijnt geen God te be-
vatten. Gij kunt niet zeggen, waar een man zal belan-
den. De rijke valt; de arme verheft zich. De vernuftige
faalt; de onwetende slaagt. Een grootscheepsch aange-
vangen onderneming sluit met een bankroet, terwijl
uit de turf, hier of daar uit een braakliggend veen
gedolven, de millionair zijn vermogen opbouwt. De
arme man denkt, dat het „de fortuin" is, die hem
omlaag houdt en niet toelacht; de rijke man denkt,
dat het „de fortuin" is, die hem omhoog helpt;
maar beiden hebben ongelijk. Het is zoo moeilijk
te gelooven, dat God de geldmarkt beheerscht, en
een vischhaak in den neus van den beursspeculant
geslagen heeft, en dat al de handelscrisissen der
wereld tot welzijn van Gods kinderen zullen uitloopen.
O mijne broeders, verzet u niet tegen de god-
delijke besiieringen!
God weet precies, hoeveel
geld gij tot uw bestwil moet verliezen. Gij wint
nooit iets, tenzij dat winnen het best voor u is.
Gij gaat vooruit, wanneer vooruitgaan het best
voor u is; en gij gaat achteruit, wanneer achteruit-
gaan het best voor u is. Bewijs mij dat eens! zegt
gij. Dat zal ik doen; Romeinen VIII vs. 28: „Den-
genen, die God liefhebben, werken alle dingen mede
ten goede."
Gij treedt een fabriek binnen, en ziet
er twintig of dertig raderen, en al die raderen be-
wegen zich in verschillende richtingen. Deze riem
rolt dezen kant uit, en die riem rolt dien kant uit,
-ocr page 486-
478
en een andere riem rolt weer een anderen kant uit,
en een naar boven, en de ander naar beneden.
„Welk een verwarring in zoo\'n fabriek!" zegt gij.
O neen! al die verschillende riemen verbinden juist
verschillende deelen der machinerie. Zoo werp ik een
blik op en in uw leven , en krijg ik er vreemde dingen
te zien. Hier is ééne leiding der Voorzienigheid,
die u dezen weg opdrijft, en elders eene andere leiding
der Voorzienigheid, die u een anderen weg opdrijft.
Maar dat zijn onderscheidene deelen van één en
dezelfde machinerie, waarmede Hij uw tijdelijk en
eeuwigdurend welzijn wil bevorderen.
Nu weet gij wel, dat een tweede hypotheek, en
een derde en een vierde hypotheek dikwijls niets
waard zijn. Alleen de eerste hypotheek is een goede
geldbelegging. Ik heb u te zeggen, dat ieder Chris-
ten een eerste hypotheek heeft op elke beproeving,
en op elke ramp, zoodat zij een rente van eeuwig
voordeel aan zijne ziel moeten uitbetalen. Hoeveel
tobberijen en beslommeringen zou het uit uw hart
kunnen doen verdwijnen, indien gij dat volkomen en
ten volle geloofdet! Gij doet een inkoop van goe-
deren en hoopt dat de prijs naar boven zal gaan;
maar tegelijkertijd zijt gij vol angst en zorg, uit
vrees dat de prijs naar beneden zal gaan. Gij koopt
de goederen niet eenvoudig volgens uw beste ken-
nis en oordeel te dezer zake, en zegt dan : „O Heer!
ik heb zoo goed mogelijk mijn best gedaan; ik stel
nu deze geheele onderneming in Uwe handen!" Daar
zijn geloof en godsdienst goed voor, of anders deu-
gen zij nergens toe.
-ocr page 487-
479
Er zijn twee dingen, zegt een oud spreekwoord,
waarover gij niet behoort te kniezen: ten eerste de
dingen waaraan gij iets doen kunt,
en ten tweede de
dingen zvaaraan gij niets doen kunt.
Indien gij er
iets aan doen kunt, waarom past gij er dan niet het
geneesmiddel op toe? En indien gij er niets tegen
doen kunt, zoudt gij ze evengoed nu als later kun-
nen overlaten. Mijne waarde broeders! zit toch
niet langer te suffen boven uw kasboek. Zit toch
niet zoo mistroostig te kijken naar uwen voorraad
onverkoopbare goederen. Denkt gij, dat God ooit
zal toelaten dat gij, een Christen , uwe zaken alléén
drijft ? God is de toeziende compagnon van elke
firma; en al liggen uwe schuldeischers in het duis-
ter op de loer, al laten uwe borgen u in den steek,
al brandt uw pakhuis of uw winkel tot den grond
toe af, — God zal, uit eene eindelooze menigte ge-
volgen van dit alles, voor u het allerbeste gevolg
kiezen.
Haal u toch nooit in het hoofd, dat gij de grens-
lijn zult kunnen overschrijden, die God voor uwen
voorspoed getrokken heeft. Gij zult er nooit een
duimbreed overheen komen. God heeft bepaald,
hoeveel voorspoed gij redelijkerwijze kondet verdra-
gen , en nuttig besteden, en rechtvaardiglijk behee-
ren; en aan het einde des jaars zult gij precies zoo-
en zooveel guldens en centen hebben, precies zoo-
veel kleederen, precies zooveel meubelen, precies
zooveel effecten en hypotheken, en niets meer of
minder. Ik zal u honderd gulden geven voor eiken
cent, dien gij meer hebt dan u werd toebedeeld.
-ocr page 488-
480
God heeft uwen geheelen levensloop overzien. Hij
weet wat het beste voor u is, en Hij zal u zegenen
voor den tijd, en u zegenen voor de eeuwigheid;
en Hij zal het op de beste wijze doen. Uw jongste
kind zegt: „Vader, ik zou zoo graag dat mes willen
hebben!" „Neen," — zegt gij, „het is een scherp mes
en gij zoudt er u mede snijden!" — „Ik moet het
hebben!" zegt het kind. — „Maar gij moogt het niet
hebben!" is uw antwoord. Hij wordt boos en krijgt
een kleur van kwaadheid, en zegt nog altijd dat hij
het wil hebben, maar gij blijft zeggen dat hij het
niet krijgt. Is het geen liefde van u, dat gij hem dat
mes onthoudt? Zoo behandelt God zijne kinderen.
„Ik wensch dat te bezitten, Hemelsche Vader \\" zeg
ik. — „Neen, mijn kind," zegt God. — „Ik moet
het hebben," zeg ik. — „Gij moogt het niet heb-
ben," zegt God. — Ik word boos en zeg: „Ik wil
het hebben!" — Maar God zegt: „Gij zult het niet
hebben!" En ik krijg het niet. Is Hij niet vriende-
lijk en liefhebbend en de beste der Vaders? Gij durft
tot mij zeggen, dat er geen orde en regelmaat in
deze dingen is? Zeg dat aan de lieden, die niet in
God en in den Bijbel gelooven! Maar zeg dat niet
aan mij!
Een man die groote zaken doet, besluit zich uit
den handel terug te trekken, maar laat een groot
gedeelte van zijn kapitaal in de zaak zitten, en zegt
dan tot zijne zonen: „Welnu, ik draag nu dit kan-
toor geheel aan uwe zorgen over. Misschien kom
ik over eenigen tijd terug, en misschien niet.
Terwijl ik weg ben, zult gij wel zoo goed willen
-ocr page 489-
481
zijn om een oogje op de zaken te houden." Na
verloop van eenigen tijd komt de vader terug,
en vindt hij alles overhoop en in de war, zoo
dat de geheele zaak verkeerd blijkt te loopen. „Ik
ga het beheer van dit kantoor weer in handen
nemen", zegt hij; „zooals gij weet, heb ik er nooit
geheel en ten volle afstand van gedaan, en voort-
aan hebt gij uzelven als ondergeschikten te beschou-
wen !" Heeft hij niet het recht om aldus te handelen?
Hij redt de zaak en het kantoor. De Heer schijnt
ons somtijds ons eigen leven te laten leiden , met
onze eigene bekwaamheid en scherpzinnigheid tot
gids, maar wij brengen het er ellendig af. Dan
daalt God tot onzen winkel of onze werkplaats
neder, en zegt Hij: „De dingen loopen hier ver-
keerd; Ik kom het beheer voeren. Ik ben de Mees-
ter, en Ik weet wat het beste is , en Ik kondig Mijn
oppergezag af!" Wij zijn slechts ondergeschikten.
Het is evenals een jongen op school met een lange
som, die hij niet maken kan. Hij heeft er reeds
uren aan gewerkt; hier cijfers zettend en daar cijfers
uitwisschend, en alles loopt door elkaar; en de on-
derwijzer, die over den schouder van den knaap
heen ziet, weet dat hij er op die wijze nooit gereed
mede komt, en daarom zegt hij, na de lei schoon-
geveegd te hebben : vBegin nog eens van voren af!"
En juist zoo doet God met ons. Onze zaken loopen
op de schromelijkste wijze in de war, totdat Hij
alles uitwischt en zegt: „Begin weer van voren af!"
Is Hij niet wijs en liefderijk, als Hij zoo doet?
Ik geloof dat de moeilijkheid daarin zit, dat er
-ocr page 490-
482
zulk een hemelsbreed onderscheid bestaat tusschen
de Goddelijke en de menschelijke opvatting omtrent
hetgeen genoeg is. Ik heb veel gehoord van men-
schen, die hun uiterste best deden om genoeg te
krijgen, maar ik heb nog nooit gehoord van iemand
die genoeg had. Wat God genoeg noemt voor den
mensch, noemt de mensch te weinig. Wat de
mensch genoeg noemt, beschouwt God als te veel.
Het verschil tusschen een armen man en een rijken
man komt alleen neer op het verschil in banken. De
rijke man belegt zijn geld in een Fransche Bank, of
een Russische Bank, of een Amerikaansche Bank,
of op een ander bankierskantoor van dien aard , terwijl
de arme man daar aankomt en zijn kapitaal belegt
in de Bank van Hem, die al de steengroeven, al de
mijnen, al het goud, heel de aarde, heel den hemel
beheert. Zoudt gij denken, dat iemand bezwijken
kan, wanneer hij zulk een steun in den rug heeft ?
Gij zult wel eens een landkaart gezien hebben,
waarop met rooden inkt een voorstelling is gegeven
van de reizen der kinderen Israëis door de woes-
tijn naar het beloofde land. Gij kunt daarop zien,
hoe zij nu eens deze en dan weer gene richting in-
sloegen, de rivier overstaken en door de zee gingen.
Weet gij wel, dat God een kaart van uw leven
heeft gemaakt, met paden die hier op een bittere
teleurstelling uitloopen, en daar op een onverwacht
succes, door deze rivier en over die zee? Maar
Gode zij dank! het pad loopt altijd uit in het Be-
loofde Land. Denk daaraan! Onthoud dat!
Al die dingen, die slechts toevallige gebeurtenissen
-ocr page 491-
4Ö3
in ons leven schijnen, staan onder goddelijk ioczicht.
Wij schijnen somtijds zonder roer en zonder anker
rond te dwalen. „Als ik maar in een ander artikel
handel dreef," zegt gij; „als ik daar dezen zomer
maar niet naar toe was gegaan; als ik maar in een
ander huis had gewoond." Gij hebt geen recht om
dat te zeggen. Iedere traan, dien gij schreidet,
iedere stap , dien gij hebt gedaan, iedere last, dien
gij hebt gedragen, stond onder goddelijk toezicht,
— en die gebeurtenis, die het geheele huisgezin
van afgrijzen deed rillen, werd door God met vol-
komen kalmte aangezien, omdat Hij wist dat het
goed voor u was. Die gebeurtenis maakte deel uit
van een groot plan, lang geleden ontworpen. In
de eeuwigheid, wanneer gij de u te beurt gevallen
genadeblijken kunt opsommen, zult gij die droefenis
aanteekenen als een uwer grootste zegeningen.
Toen ik eenige jaren geleden de Witte Bergen
beklom, dacht ik aan die plaats in den Bijbel, die
van God spreekt als de bergen wegende in een
schaal. Toen ik die reusachtige bergen aanschouw-
de, dacht ik: Zou het mogelijk kunnen zijn, dat
God deze groote bergen in weegschalen kan leggen ?
Het denkbeeld was mij te machtig om het te omvatten;
maar toen ik, den berg Washington bestijgend, vlak
naast den poot van mijn muilezel een korenbloempje
zag, begreep ik de vriendelijkheid en de goedheid
Gods. Het is niet zoozeer in de groote dingen, dat
ik God kan begrijpen, dan wel in de kleine dingen.
Daar is een man, die zegt: „Deze leer kan niet
waar zijn, omdat de dingen zoo schromelijk ver-
-ocr page 492-
4Ö4
keerd gaan." Ik antwoord hem, dat er geen sprake
is van onbestendigheid aan de zijde Gods, maar wel
van gebrek aan begripsvermogen onzerzijds. Ik hoor
dat de menschen in sommige fabrieken buitengewoon
prachtige shawls maken. Ik kom op de eerste verdie-
ping, zie daar slechts de ruwe materialen, en vraag:
„Zijn dit nu de shawls, waarvan ik gehoord heb?"
„Neen," zegt de fabrikant, „dan moat gij naar
de volgende verdieping gaan." En ik ga naar boven,
— en daar begin ik het patroon te zien. Maar de
man zegt: „Blijf hier niet; ga naar de bovenste ver-
dieping der fabriek, daar zult gij het denkbeeld vol-
ledig uitgewerkt zien/\' Ik doe het, en als ik ge-
heel boven gekomen ben, zie ik het volkomen af-
gewerkte patroon van een zeldzaam prachtigen shawl.
En zoo gaat het ook in ons leven: als wij op een
laag peil van Christelijke kennis en ervaring staan,
begrijpen wij Gods handelingen niet. Maar Hij be-
veelt ons al hooger en hooger te gaan, totdat wij
iets van de goddelijke bedoelingen ten onzen op-
zichte beginnen te begrijpen. En zoo gaan wij steeds
verder, tot wij eindelijk voor de hemelpoort zelve
staan en daar Gods gedachte geheel uitgewerkt
zien: een volmaakt denkbeeld van genade, van
liefde, en van vriendelijkheid. En wij zeggen: „Recht-
vaardigheid en waarheid zijn al Uwe wegen." Daar-
boven blijkt het ons, dat alles in orde is. Onthoud
het dus: er is geen sprake van onbestendigheid aan
de zijde Gods, maar alleen van verstandelijke en
geestelijke onbevattelijkheid onzerzijds.
Sommigen uwer zullen dezen zomer wellicht te-
-ocr page 493-
4Ö5
leurgesteld zijn — de vacantiedagen plegen maar
al te dikwijls teleurstellingen op te leveren — maar
van welken aard uwe ergernissen en tegenspoeden
ook mogen zijn, bedenk, dat „het hart des menschen
overdenkt zijnen weg, maar de Heer stiert zijnen gang."
Vraag maar eens aan de bejaarde lieden hier in
deze kerk, of het zoo niet is. In mijn eigen leven
is het óók zoo geweest.
In zekeren zomer begaf ik mij op weg naar de
Adirondacks (in het Noordoosten van den Staat
New-York), maar mijne plannen werden zóó gewij-
zigd, dat ik te Liverpool aan wal stapte. Ik stu-
deerde in de rechtsgeleerdheid , en ik werd Evan-
geliedienaar. Ik besloot als zendeling naar China
te gaan, en ik bleef in de Vereenigde Staten. Ik
dacht, dat het mij in \'t Oosten van Amerika het best
zou bevallen, en ik ging naar het Westen. Al de
omstandigheden mijns levens, en al mijn werk, dus ge-
heel anders dan ik verwacht had. , Het hart des menschen
overdenkt zijnen weg
, maar de Heer stiert zijnen gang."
En dus, waarde vrienden! neemt voor vandaag
dit onderwerp mede ter overdenking naar huis.
Weest tevreden met de dingen die gij hebt. Leert
uit iederen grashalm onder uwe voeten de les van
Gods trouwe zorg, en laat nooit het kleinste vogel-
tje over uw pad zweven, zonder dat het u indach-
tig maakt aan de waarheid, dat twee muschjes om een
penninksken verkocht worden, en dat niet één van deze zal
op de aarde vallen zonder uwen Vader."
Geloofd zij
Zijn heerlijke Naam tot in eeuwigheid! —Amen.
-ocr page 494-
-ocr page 495-
XXXI.
GEEN ZORGEN MEER!
En een regenboog; was rondom den
troon.
Openbaring iv : 3.
Evenals, na een nacht van vreeselijke stormen op
zee, soms één schip, hechter en sterker dan al de an-
dere schepen, ongedeerd voortstevent tusschen de
brokstukken van masten en rompen, die overal rond-
drijven, zoo voer de ark van den ouden Noach, na het
eindigen van den zondvloed, over het wrak eener
doode wereld. Als ge door de raampjes der ark een
blik naar buiten werpt, ziet gij de planken van huizen,
en de saamgebonden tarweschoven, en de geraam-
ten van runderen, en de lijken van menschen. Er
is geen torenklok meer over, om bij de begrafenis
geluid te worden; geen lijkdienaars om met hunne
rijen en gelederen den rouwstoet te vormen; geen
grond om er de dooden in te begraven. Als gij een
peillood tien meter diep laat zakken, bereikt gij
juist de toppen der hoogste bergen. Hoe spookach-
tig! hoe afgrijselijk! De ark, in plaats van de zee
te bevaren als een hedendaagsch schip, vol ma-
jesteit en schoonheid, zwalkt hulpeloos rond; geen
-ocr page 496-
488
roer om het vaartuig te sturen, geen zeil om het
voort te stuwen, geen kust om er op aan te
stevenen. Waartoe den angst der goede lieden in
zulk een vaartuig te verlengen, nu zij door één
strooming der golven uit hunne ellende verlost kon-
den worden ?
Maar op gindsche plek aan den horizont zien wij
kleuren in de lucht samenvloeien; en juist op het
tegenovergestelde punt aan den horizont vloeien
weer andere kleuren bijeen. Ik bemerk, dat het de
twee grondzuilen van een boogvormige brug zijn.
Het geel, het rood, het oranje, het blauw, het
indigo, het violet zijn dooreen gemengd, en door
onzichtbare handen wordt het geheele bouwge-
wrocht in de lucht opgehangen, en de ark heeft
een triomfboog om er onder door te varen. Een
engel zwaait zijne hand langs het luchtruim, en in
de zeven kleuren van het prisma schildert hij met
een penseel van zonnestralen het eeuwig verbond
tusschen God en alle levende schepselen. God richt-
te die groote boogvormige brug op, en stelde haar
boven Zijn eigen hoofd in den hemel. Johannes zag
haar, want hij zegt: „En een regenboog zvas rondom
den troon.\'"
Niemand anders dan de lieden, die in de ark waren,
zag den regenboog.
Hij weerspiegelde zijne heldere kleuren duidelijk
in het water, waarin de menschen begraven lagen,
en bestraalde hunne doode gelaatstrekken met een
zonderlingen glans, maar zij konden er niets van
zien. Zoo zullen alleen zij, die ten laatste gevonden
-ocr page 497-
4Ö9
worden in Christus, de Ark, al de heerlijkheden zien ,
waarmede de troon is overwelfd. Daarom kunt gij
niet beter doen dan in de Ark te gaan! Evenals gij,
na afloop van een zwaren stortregen, uwe huisgc-
nootcn naar buiten roept, om hun het teeken in den
hemel aan te wijzen, zoo zou ik wenschen dat gij
allen ten laatste den grooteren regenboog rondom
den troon moogt aanschouwen. „Zie eens/\' zegt
Noach tot zijne vrouw, „naar dien boog daar in de
wolken; en Sem en Japhet! kijk! kijk! het groen,
het geel, het rood en het oranje!" Het zou mij niet
verwonderen, als eenigen uwer eigen kinderen in
het Goede Land u over eenigen tijd toeriepen:
„Kijk, vader! kijk, moeder! er is een regenboog
rondom den troon!" Gij kunt niet beter doen dan
in de Ark te gaan, met al uwe huisgenooten, als
gij gaarne den boog wilt zien.
De grootste heerlijkheid Gods komt na den regen.
Geen stortbui, geen regenboog; geen zorgen, geen
verkwikking van den Christelijken troost. Wevers
zijn somtijds, uit den aard van hun arbeid, ruw en
bestoven van uiterlijk; en zoo is het ook met den
ruigen storm, wiens handen en voeten den spoel
zwaaien, die den regenboog weeft. Vele Chris-
tenen zijn stompzinnig, en dom, en onbruikbaar,
omdat zij geen rampen en tegenspoeden genoeg
hebben gehad om hen wakker te maken. De kleu-
rigste sjerp, die de hemel maakt, wordt over de
schouders van den storm geworpen. Gij kunt een
echt Christelijk leven onmogelijk alleen van zonne-
schijn maken. Er zijn enkele zeer donkere tinten
-ocr page 498-
490
in het lint van den regenboog; gij moet in dit leven
even goed het blauw als het oranje hebben. De
vermenging van al de kleuren vormt het witte licht;
en zoo zijn ook al de schaduwen, en droefhe-
den, en beslommeringen dezes levens noodig, om
den witten glans van een echt Christelijk karakter
te vormen.
Uw kind vraagt u: „Vader, wat maakt den re-
genboog?" En gij zegt: „\'t Is het zonlicht, dat
door de regendruppelen gebroken wordt." Daar-
om verwonderde het mij, dat er in den hemel een
regenboog kon zijn, aangezien daar geen stor-
men woeden; maar toen kwam ik tot de gevolg-
trekking, dat die regenboog gevormd moest wor-
den door de weerspiegeling van het hemelsche
zonlicht in de neerdruppelende tranen der aard-
sche smarten en zorgen. Wanneer wij een mensch
overstelpt zien door verdriet, en zijne gezondheid
geknakt, en zijne bezittingen verloren gegaan, en
zijne vrienden verdwenen, dan zeg ik: „Nu zullen
wij de heerlijkheid Gods aanschouwen in de ver-
lossing van dezen goeden man!" Evenals ik in den
Niagara op zekeren dag tien regenbogen zag, die
de ijzingwekkende diepte van dezen waterval over-
spanden, zoo zweven boven den maalstroom van
\'s Christens beproevingen de rijkgekleurde vleugelen
van al de beloften.
De prachtigste dingen dezer wereld worden in den
hemel bewaard.
Wanneer gij de laatste kleur van
den regenboog der aarde ziet wegsterven, gevoelt
gij u niet weemoedig gestemd; want eenmaal zult
-ocr page 499-
491
gij den regenboog rondom den troon aanschouwen.
Die beschrijving van den grooten wereldbrand heeft
mij reeds menig pijnlijk oogenblik berokkend. Toen
ik in het jaar i8"i las, dat Parijs belegerd was,
zeide ik: „Nu zullen al de schilderijen en de stand-
beelden in het Louvre en het Luxembourg verwoest
worden; al die portretten van Rembrandt, en die
forsche doeken van Rubens, en die prachtstukken
van Raphaël, en die beeldwerken van Canova!" Maar
is het niet een véél weemoediger gedachte, dat het
verderf eenmaal zal komen over deze groote heer-
lijkheid der aarde, waarin de bergen de gebeitelde
beeldhouwwerken vormen, en over het uitspansel,
waaraan de „illustratie" van den zonsopgang en
den zonsondergang is opgehangen met lussen en kwas-
ten van vuur? Ik slaakte een zucht van verlichting
toen ik bemerkte, dat de schilderstukken uit het
Louvre en het Luxemburg in veiligheid gebracht
waren; en zoo gevoel ik mij ook nu verlicht, wan-
neer ik bedenk dat de beste gedeelten dezer aarde
öf overgebracht naar, öf afgebeeld in het Goede
Land zullen worden. De boomen moeten verschrom-
pelen in den laatsten brand: de eiken , en de ceders,
en de sparren; maar in den hemel zullen de levens-
boomen staan aan de oevers der rivier, en de palm-
boomen waarvan de overwinnaars hunne takken
zullen afplukken. De Nijl, en de Donau, en de
Orinoco zullen in den laatsten vlammengloed ver-
dampen , maar wij zullen méér dan hunne schoon-
heid hebben in den Stroom des Levens onder den
troon. De viooltjes, en de leliën, en de rozen der
-ocr page 500-
492
aarde zullen verwelken in den heeten sirocco van
den Dag des Oordeels, maar Johannes spreekt van
de kransen, waarmede de gezaligden getooid zijn ;
en dus moeten er bloemen wezen, want anders
konden er geen kransen zijn.
De regenboog aan ons luchtruim, die slechts het
hoofdkussen van den stervenden storm is, moet
weggenomen worden; doch ook daarna is er, ge-
loofd zij God! een regenboog rondom den troon."
Ik behoef slechts op te zien naar den schitterenden
boog boven den troon van God, om er mij van
te overtuigen , dat de heerlijkste dingen der aarde
in den hemel bewaard zullen worden. Laat dus de
wereld vrij branden; alles wat waard is gered te
worden, zal uit het vuur worden gerukt. Ik zie
dezelfde waarheid aangetoond in de twaalf funda-
menten van den muur des hemels. Johannes meldt
ons, dat de twaalf fundamenten van dezen muur
zijn: het eerste jaspis, dus geel en rood; het
tweede saffier, donkerblauw; het derde chalcedon,
dus weer een andere schoonheid; het vierde sma-
ragd , dus een heldergroene kleur ; het vijfde sar-
donix, dus een blauwachtig wit; het zesde sardius,
dus rood en vurig; het zevende chrysoliet, dus een
goudgele tint; het achtste beryl, dus een blauwach-
tig groen; het negende topaas, dus bleekgroen ge-
mengd met geel; het tiende chrysopraas, dus een
blauwachtig gouden tint; het elfde hyacinth, dus gloei-
end rood als een zonsondergang; het twaalfde ame-
thist. Maar deze kostelijke gesteenten vormen slechts
het fundament van den muur des hemels: het onderste
-ocr page 501-
493
gedeelte er van. Op den bovenkant van dit fundament
verheft zich een reusachtige muur van jaspis: van
schitterend geel en gloeiend karmijn. Een verrukke-
lijk schoone waterval van kleuren! Een troon van
pracht en heerlijkheid!
Gij ziet dus dat de schoone kleuren , die de klee-
deren der heerlijkheid onzer aarde zijn, in dezen
muur des hemels ten eeuwigen dage bewaard
zullen blijven. Onze blauwe luchten, die somtijds
bijna schijnen neer te vallen met rijkdom van kleur,
zullen verheerlijkt en vereeuwigd worden in het
donkere, eeuwigdurende blauw van dien vurigen
steen , die het tweede fundament van den hemelschen
muur vormt. Het groen dat langs de oevers der
beek sluimert, en op de golven der zee drijft, en
zijne banieren over de bergtoppen spreidt , zal ver-
eeuwigd worden in het smaragd, waaruit het vierde
fundament van den hemelschen muur bestaat. De
vurige luister van den morgenstond; de purperen
gloed van den zonsondergang in het najaar; de
electriciteit die haar gespleten tong uit de onweers-
wolk schiet; de vlam onder wiens adem Moscou
viel en de Etna brandt, — zullen vereeuwigd wor-
den in het fonkelende jaspis. Het schijnt alsof alle
aardschc schoonheid in één golf is saamgevat, om
naar dien muur des hemels te rollen en er tegen
te breken; zoodat de prachtigste dingen der aarde
zullen behouden blijven of in den muur, öf in de
fundamenten, öf in den regenboog rondom den troon.
O, die onbeschrijflijke aantrekkelijkheden des he-
mels!
Op andere plaatsen verhaalt de Bijbel ons
-ocr page 502-
494
van den vloer des hemels: de wateren, en de stee-
nen, en de vruchten; maar thans verhaalt Johannes
ons van het dak: het met fresco\'s versierde ge-
welf der eeuwigheid, en de regenboog rondom den
troon. Neem een kaartje, en , zorgvuldig bewaakt,
treedt gij de koninlijke fabriek te Parijs binnen,
waar de Gobelin-behangsels der wereld gemaakt
worden; en daar ziet ge dan, hoe een man jaren
achtereen bezig is met een bal gekleurde wol tus-
schen de fijne draden door te steken, en reeds te-
vreden is, als hij op één dag zooveel als een vinger-
breedte schoonheid voor een koninklijk tapijtwerk
kan maken. Maar ziet hoe mijn Heer, in één uur,
met Zijne beide handen het dekkleed weefde, dat
nu boven den troon golft, in een regenboog van
eindelooze heerlijkheid. O, welk een plaats moet de
hemel zijn ! Gij hebt tot dusver naar den vloer ge-
zien ; slaat dezen morgen een blik op de zoldering.
Hoe groot moet het gevoel van veiligheid bij de be-
ivoners des hemels zijn!
Hebt gij ooit een wolkbreuk
gezien? Er zijn dagen geweest, dat het regende
alsof het nooit weder op zou houden. Gij weet: \'als
het lang op die wijze bleef voortgaan , zouden al
de volkeren verdrinken; maar toch zoudt gij u daar-
voor niet bevreesd maken, want gij denkt aan den
Boog der Beloftenissen, op de wolken geschilderd
in Noachs tijd. En zoo behoeven ook de gezaligden
slechts naar den boog rondom den troon des Ko-
nings te zien, om en op nieuw verzekerd van te
wezen, dat de zondvloed der beproevingen voor
altijd voorbij is.
-ocr page 503-
495
Hier op aarde bedekt de zondvloed der zonde de
toppen der hoogste bergen. Ik heb eens een Alpen-
gids , te midden der heerlijkste bewijzen van Gods
macht, vloekend en tierend tegen zijn muilezel hoo-
ren uitvaren, omdat het dier in een bergpas strui-
kelde. Ja, de zondvloed der zonde golft over den
top der hoogste bergketenen. Wraakzucht, dron-
kenschap, goddeloosheid, leugen, godslastering,
zijn slechts de onderscheidene golven van een vloed,
die de natiën overstroomd heeft. New-York is er
in verdronken , Boston is er in verdronken, Londen
is er in verdronken, Parijs is er in verdronken,
Berlijn is er in verdronken, St. Petersburg is er in
verdronken, — twee groote halfronden zijn er in
verdronken. Maar de verlosten , de oogen opheffende
naar den „regenboog rondom den troon," zien het
verbondsteeken, dat voor hen dit alles nu voor eeu-
wig heeft opgehouden. Zij hebben hunne laatste
zonde bedreven, en hunne laatste verzoeking be-
streden. Geen zelfmoord springt er in die heldere
wateren; geen godslastering verontreinigt die zuivere
lucht; geen laaghartige toorts zal die tempelen in
brand steken; geen moordende hand zal die kinde-
ren Gods neervellen. Zij weten dat voor hen de
zondvloed der zonde tot staan gebracht is, want
„er is een regenboog rondom den troon."1
Thans is de wereld overdekt met een zondvloed
van bloed.
De volkeren hier op aarde zijn voort-
durend bezig om öf het zwaard te gebruiken, of
het te wetten. De fabrieken der wereld zijn nacht
en dag in de weer om de wapenen des doods te
-ocr page 504-
496
vervaardigen. Troon tegen troon, koninkrijk tegen
koninkrijk. De geest van dwingelandij en de geest
van vrijheid elkaar beoorlogend in al\'e landen: het
despotische Amerika tegen het vrije Amerika, het
despotische Engeland tegen het vrije Engeland, het
despotische Duitschland tegen het vrije Duitschland,
het despotische Frankrijk tegen het vrije Frankrijk,
— de groote veldslag der aarde wordt geleverd :
het Armageddon der natiën. Het lied dat uit de
wolken ruischte in den eersten Kerstnacht, de En-
gelenzang van „vrede op aarde, in de menschen
een welbehagen,"
wordt overstemd door het gebulder
der groote belegeringskanonnen. Ga ter zijde, en
laat de lange reeks ambulances voorbij trekken!
Gekerm na gekerm. Sla dat lijkkleed op, en werp
een blik op de gapende wonden der dooden. Bloed!
bloed! — een zondvloed van bloed!
Maar de verlosten des hemels, de oogen opslaan-
de naar den heerlijken boog, die zich boven den
troon welft, zullen zien dat de zondvloed voorbij
is. Geen batterijen worden er geplant op die heu-
velen; geen barricaden versperren die straten; geen
vijandelijke vlag wappert er boven de muren; geen
rook van brandende dorpen; geen gegil van ge-
slachte menschen , — maar enkel Vrede! De Duit-
scher en de Franschman, die met hunne door den
haat saamgestrengelde armen op het veld des doods
vielen, staan nu, door Christus in den hemel, met
door liefde saamgestrengelde armen. De wapenen
voor eeuwig op een hoop gestapeld; de oorlogs-
schilden opgehangen. De duif inplaats van de ade-
-ocr page 505-
497
laar; het lam inplaats van den leeuw. Er zal niets
zijn om kwaad te doen of om te verderven op
Gods ganschen heiligen berg, want „er is een re-
genboog rondom den troon!\'
Nu is de aarde overdekt met den zondvloed der
smarten.
Zorg! zorg! zorg! Het allereerste geluid,
dat wij doen hooren wanneer wij ter wereld ko-
men , is een smartkreet. Zonder dat men het ons
ooit behoeft te onderrichten, leeren wij schreien.
Wat heeft het gelaat van dien man zoo gerimpeld?
Wat heeft zijn haar reeds zoo vroegtijdig grijs doen
worden ? Wat doet hem dien zucht slaken ? Wat perst
hem dien traan uit de oogen? De zorg! de zorg!
Ik vind haar in de kelderwoning der armoede, en
ver van daar tusschen de hoogten op den top der
rotsen: want ook dit is tot boven de kruinen der
hoogste bergen gestegen. Er is geen ontkomen
aan. Gij treedt uw kantoor binnen, en het zit u
te wachten aan uw schrijftafel; gij loopt de straat op,
en het komt u op den hoek tegemoet; gij gaat uw
huis in, en het ziet op de stoep naar u uit. Tranen
van armoede! tranen van vervolging! tranen van
droefheid en rouwe! — een zondvloed van tranen!
Als zij van de geheele aarde bijeengezameld wer-
den , zouden zij een ark kunnen dragen, grooter
dan die van Noach.
Maar de gezaligden, de oogen opheffend tot den
boog, die den troon overspant, zullen zien, dat de
zondvloed voorbij is. Geen huiverende ellendige
op de stoep van het paleis, geen blindeman aan de
poort van den hemelschen tempel, smeekend om een
-ocr page 506-
498
aalmoes; geen geknars van den schroevendraaier
op het deksel van een doodkist. Zij zien op
naar den regenboog, en lezen daar in letters van
geel, en rood, en groen, en blauw, en oranje, en
indigo, en violet: „Zij zullen niet meer hongeren,
en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen
niet vallen, noch eenige hitte: ivant het Lam, dat in
het midden des troons is, zal hen weiden
, en zal
hun een leidsman zijn tot levende fonteinen der wate-
ren ; en God zal alle tranen van hunne oogen a/wis-
schen.\'"
Gode zij dank voor de heerlijkheid,, die
den troon overwelft!
In onzen jongenstijd vertelde men ons de legende,
dat er aan den voet van den regenboog een gou-
den kistje met juweelen begraven lag; maar ik kan
u mededeelen, dat er zich aan den voet van dezen
hemelschen regenboog een doos bevindt, vervaar-
digd van het hout des kruises. Open haar, en gij
zult er al de schatten des hemels in vinden!
O, dat ons aller oogen mochten opzien tot dien
boog der beloften, die daar is opgericht door
Christus\' eigen hand! Wij zullen de afzonderlijke
lijnen van schoonheid langs het firmament trekken.
In de lijn van het rood zal ik het. bloed van mijnen
Heer zien; in het blauw de vuistslagen die Zijn
wang deden gloeien; in het groen de frischheid
Zijner genade; in het violet Zijne nederigheid; en
in heel die kromme lijn van schoonheid het buigen
van den rechterarm Zijner liefde, dien Hij over al
de verlosten houdt uitgestrekt.
Maar onthoudt wat ik u in den aanvang gezegd
-ocr page 507-
499
heb, en wat ik nu aan het einde nogmaals tot u
zeg: dat niemand anders dan alleen Noachs huisgezin
in de ark den regenboog aanschouwde, — en dat
alleen zij, die ten laatste in Christus zijn, dien boog
zullen bespeuren te midden van de heerlijkheden
des hemels. „ Tenzij dat iemand wederom geboren
worde
, Hij kan het Koninkrijk Gods niet zien /"
Amen.
c
-ocr page 508-
-ocr page 509-
XXXII.
EEUWIG LEVEN.
Mankt u dan op, en gaat henen:
want dit land zal de ritst niet zijn.
Micha 11 : 10.
Dit was de alarmtrom van een profeet, die de
kinderen zijns volks wenschte te doen ontwaken en
opstaan uit hun toestand van verdrukking en zonde;
maar hij zou nü zijne oproeping evengoed kunnen
doen hooren als toen. Klokken, die lang aan weer en
wind zijn blootgesteld en veel geluid worden, verlie-
zen hun helderheid van toon; maar deze wekkerklok
des Evangelies laat nog altijd een even zuiveren
toon hooren, als toen zij voor de eerste maal in de
lucht weerklonk.
Voor zoover ik er over kan oordeelen, hebben
gij en ik groote behoefte aan rust. Van het oogen-
blik af, dat wij ter wereld komen, hebben wij met
een groote menigte bezwaren en moeilijkheden te
worstelen. Wij mogen onze vacantiedagen hebben,
en onze tijden van ontspanning en verpoozing, doch
waar is de man, die den middelbaren leeftijd be-
-ocr page 510-
502
reikt en volkomen rust gevonden heeft? De zaak
is, dat God deze wereld niet gemaakt heeft om er
in te rusten. Een schip kon evengoed in een draai-
kolk gaan, om er een kalm vaarwater te zoeken,
als een mensen in deze wereld om er rust te vin-
den. Uit de wijze waarop God overal distelen en
doornen heeft gestrooid, en de wolken in het lucht-
ruim heeft opgehangen, en de slagtanden der ver-
scheurende dieren heeft gescherpt; uit de koude die
ons nijpt, en de hitte die ons doet bezwijmen, en
de pleuris die ons door de zijde vlijmt, en de koorts
die onze krachten sloopt, — uit dit alles weet
ik, dat Hij deze wereld niet gemaakt heeft als
een plaats om er talmend en luierend in te blijven
hangen. God verricht alles met volkomen goeden
uitslag; en deze wereld zou een geheel andere
wereld zijn, indien zij voor ons bestemd ware om
er in te blijven ronddrentelen. Dat gaat heel goed
voor een paar uur. Ja wezenlijk, zij ziet er verruk-
kelijk uit! Niets anders dan eindelooze wijsheid en
goedheid kon de bestanddeelen van dit drinkwater
dooreengemengd hebben, of die vlammende starren-
toortsen hebben opgehangen, of die stemmen der
murmelende beekjes, en der kweelende vogels, en
der bruisende zee geoefend hebben, zoodat God
slechts Zijne hand behoeft op te heffen, en de ge-
heele wereld barst los als één reusachtig orkest.
Maar ondanks dit alles is het slechts de heerlijkheid
van eens Konings heirbaan, waarlangs wij ter eeu-
wige overwinning optrekken.
Gij en ik hebben wel eens menschen gezien, die
-ocr page 511-
5°3
hier poogden te rusten. Zij bouwden groote pak-
huizen, winkels en kantoren voor zich. Zij omring-
den zich met de beschermende gunst der handels-
vorsten. De stem van hun bod deed de geldmark-
ten sidderen. Zij bezaten aandeelen in de winst-
gevendste spoorwegen, en in „brandvrije kluizen"
hadden zij groote pakken effecten en obligatiën lig-
gen. Zij hadden equipages met prachtige wapen-
schilden op de portieren, vurig brieschende ras-
paarden, goed gedresseerde livreiknechts, zilver-
werk dat de afgunst opwekte van de edellieden en
de aristocraten, die aan hun disch zaten, behang-
sels waarop uitheemsche wevers hunne rijkste pa-
tronen deden schitteren, verrukkelijke doeken en pa-
neelen aan den muur, keur van muziek, ruischend
rondom marmeren beelden op bronzen voetstukken,
en neervloeiend, zacht als het licht, op de sneeuw-
witte beeldhouwwerken. En hier mogen zij dan nu
rusten! Schuift de geborduurde gordijnen open, en
schudt de donzen kussens op! Draait de lichten uit!
Het is elf uur in den avond. Laat de sluimering
neerdalen op de oogleden, en de frissche buiten-
lucht door de half geopende jaloezieën naar binnen
stroomen, bezwangerd met de geuren van den schoon-
sten zomertijd. Wijkt van |hier, alle zorgen, alle
angsten, alle nooden! Maar neen! zij zullen niet
wijken en wegblijven. Zij rammelen aan de jaloe-
zieën. Zij gluren rond onder den hemel van het
ledikant. Met een ruwen greep vatten zij den man bij
zijne polsen. Terwijl de middernachtklok slaat, roe-
pen zij hem toe: „Word toch wakker, man! Hoe
-ocr page 512-
S°4
kunt gij slapen, terwijl alle dingen zoo onzeker
staan? Hoe moet het met de stapels goederen,
die gij nog in voorraad hebt? Hoort gij die brand-
klok daar wel luiden? Het is in de buurt van uw
pakhuis! En wat zal er van worden, als gij eens
spoedig komt te sterven? Word dan toch wakker,
man! Denk eens na! Wie zal eigenaar van uwe be-
zittingen worden, wanneer gij zijt heengegaan ? Wat
zullen de menschen met uw goed doen? Word
wakker! sta toch op! Rijkdommen vlieden soms
heen als op arendsvleugelen! Verbeeld u, dat gij
eene arm moest worden! Wordt dan toch wakker!"
En terwijl hij zich op zijn elleboog opricht, tuurt
de schatrijke man in de schemering zijner slaapka-
mer rond, en wischt hij het klamme angstzweet
van zijn voorhoofd, en roept hij uit: „Helaas! on-
danks heel deze omgeving van pracht en weelde
en overvloed, — géén rustl"
Ik liep met een koopman door zekere straat eener
handelsstad. In al de fraaiste huizen der straat was
hij bekend. „Al die huizen hebben hun kruisen,"
zeide hij. „In dat eene woont een ongelukkig hu-
welijk. In dat andere heeft men een verkwistenden
zoon. In dat volgende een losbandigen vader. In
dat daar op den hoek is één der kinderen een
idioot. Daar aan den overkant hangt er een ban-
kroet boven het huis." De rijkdom dezer wereld
kan geen blijvende voldoening schenken. „Dit land
zal de rust niet zijn!"
Gij en ik hebben de menschen ook wel eens op
eene andere wijze zien handelen. Een man zegt:
-ocr page 513-
5°5
„Als ik mij maar tot dien of dien schitterenden post
kon opwerken; als ik dat eereambt slechts kon be
komen; als ik het spreekgestoelte slechts kon be-
klimmen, en de ontwikkeling mijner denkbeelden
en gevoelens slechts kon hooren begroeten met een
eenparig toejuichend handgeklap; als ik slechts een
boek kon schrijven, dat duurzame waarde had, of
een rede kon uitspreken, die een rilling van be-
wondering door mijne toehoorders deed gaan; of
als ik eens iets kon doen, dat wijd en zijd ruchtbaar
werd!" De dingen nemen voor hem een gunstigen
keer. Zijn naam leeft op tienduizend lippen. Men
groet hem met een diepe buiging; men zoekt en
eert en vleit hem; men plaatst hem telkens verder
op den voorgrond. Bij groote feestmalen drinken de
menschen op zijne gezondheid. Onder den indruk
zijner gloeiende taal barst de menigte in juichkre-
ten los. Van galerijen vol schoone vrouwen werpt
men hem kransen en bouquetten toe. Overal waar
hij aan het hoofd van een langen stoet voorbijtrekt,
laat men uit de gevels der huizen de nationale vlag
wapperen. — Laat hem dan nu hier rusten! Het is
elf uur in den avond. Laat hij zich nederleggen op
een hoofdkussen, dat gevuld is met den lof eener
natie. Zwijgt stil, al gij storende stemmen en ge-
luiden ! Laat er in zijn droom een troon opgezet
worden, en een optocht naderkomen om hem te
huldigen en te kronen. Stil! Stil! „Word wakker!"
roept een schorre stem. „De staatkundige begrippen
en zienswijzen zijn zeer wisselvallig. Wat moet er
van u worden, als gij deze plaats der eere eens ver-
-ocr page 514-
5o6
liest? Word toch wakker! De ochtendbladen zullen
vol aanklachten en verwijten tegen u wezen! Luis-
ter eens naar de vloeken en verwenschingen van
hen, die u vroeger de schoonste namen gaven. Nog
eer de dag van morgen om is, zullen duizenden de
woorden uitfluiten, waarvan gij gisterenavond nog
hooptet, dat zij de algemeene bewondering zou-
den wegdragen. Hoe kunt gij slapen, wanneer alles
afhangt van het eerstvolgende bedrijf in het groote
treurspel? Sta op, man! Weg van dit kussen!"
En de man, wiens hoofd nog gloeit van zijne laat-
ste redevoering, springt plotseling op, kijkt in de
nachtelijke stilte en eenzaamheid overal rond, maar
ziet niets anders dan de bloemen, die op zijn tafel
liggen, of het manuscript waarvan hij zijne rede
voorlas, of de boeken van gezaghebbende auteurs,
waaraan hij zijne argumenten ontleende, — en dan
gaat hij aan zijn schrijftafel zitten, om zijne achter-
stallige correspondentie bij te werken, of een briefje
vol verontwaardiging aan een verslaggever te schrij-
ven , of het plan te ontwerpen voor een openlijke
verdediging tegen de aanvallen van het publiek.
Hoe gelukkig was hij, toen hij zijne eerste verkie-
zing tot Kamerlid vernam; hoe overgelukkig toen
hij zijn eersten politieken tegenstander had versla-
gen; en toch — hoewel hij nu het toppunt bereikt
heeft van al den roem en den lof, dien deze wereld
heeft, aan te bieden, roept hij uit: „Geen rust\\
geen ntstV\'
Diezelfde wereld, die nu toejuicht, zal weldra uit-
fluiten. Die wereld zeide van den grooten Ameri-
-ocr page 515-
5°7
kaan Daniël Webster: „Welk een Staatsman ! Welk
een wonderbare uiteenzetting van de Grondwet!
Die man is als geknipt voor alle mogelijke Staats-
ambten!" En diezelfde wereld zeide eenigen tijd
later: „Weg met hem! Hij is een baantjesjager!
\'t Is een dwaas, \'t Is een losbol. Weg met hem !"
En de man vindt geen rust of vrede vóór en aleer
hij zijn gebroken hart in het graf te Marshfield ne-
derlegt. De arme Schotsche dichter Robert Burns
meende, dat hij wel alles veil mocht hebben om
de gunst der hoven en der vorsten te winnen; hij
won haar, en — te midden der juichkreten van een
groot feest, toen dichters en redenaars en hertogin-
nen zijn genie kwamen huldigen, wenschte hij wel
terug te kunnen sluipen naar de eenzaamheid en de
vergetelheid, waarin hij leefde, toen hij zong van
„het madeliefje, die kleine, bescheiden, met karmijn
omzoomde bloem."
Deze wereld een plaats om er in te rusten ? „Aha!"
roepen de wateren, „geen rust hier: wij stroomen
naar de zee!" — „Aha!" roepen de bergen, „geen
rust hier: wij verstuiven naar de vlakte !" — „Aha!"
roepen de torens, „geen rust hier: wij volgen Ba-
bylon, en Thebe, en Nineve in het stof!" — Geen
rust voor de bloemen: zij verwelken. Geen rust
voor de sterren: zij veranderen. Geen rust voor
den mensch: hij moet werken, tobben, lijden en
zwoegen.
En waartoe heb ik nu dit alles gezegd ? Juist om
u voor te bereiden op den tekst: „Mank/ u dan op,
en gaat henen: ivant dit land zal de rust niet zijn!\'\'1
-ocr page 516-
5o8
Ik sta gereed om u een grootsch aanbod te doen.
Sommigen uwer zullen zich nog wel herinneren,
dat er — toen men in Californië het eerste goud
had ontdekt — groote maatschappijen werden ge-
vormd, en de menschen in massa\'s daarheen stroom-
den, om er hun fortuin te maken. En zoo wensch
ik nu op den huidigen dag een gezelschap bijeen
te brengen, om naar het Eeuwige Goudland te ver-
trekken. Hier heb ik in mijne hand een acte van
den Eigenaar der plaats, waarin Hij aan allen, die
zich bij het gezelschap zullen aansluiten, tienduizend
aandeelen van eindelooze waarde aanbiedt in een
stad, welker straten van goud zijn, welker harpen
van goud zijn, welker kronen van goud zijn. Gij
hebt van de Kruisvaarders gelezen: hoe vele dui-
zenden hunner optrokken, om het Heilige Graf te
gaan veroveren. En nu kom ik u uitnoodigen, u
aan te sluiten bij een grootscher kruistocht: niet
met het doel om het graf van een dooden Christus
te veroveren, maar om den troon van een levenden
Jezus te bereiken. Wanneer er een leger gevormd
moet worden, onderwerpt de werfofficier al de
vrijwilligers aan een nauwkeurig onderzoek; hij
stelt hun gezichtsvermogen op de proef, hij klopt
op hunne longen, hij meet hun lichaamsbouw: zij
moeten volkomen in orde zijn, of zij worden afge-
wezen. Maar er zal geen partijdigheid zijn bij het
vormen van dit leger van Christus. Welke uwe
zedelijke of lichamelijke gestalte ook zij, hoe groot
uwe uitspattingen ook zijn , hoe groot uwe misdaden,
hoe groot uwe zwakheden, ik heb een opdracht
-ocr page 517-
5°9
van den Almachtigen God om dit regiment van
verloste zielen bijeen te brengen, en ik roep u allen
toe : „Maakt u dan op, en gaat henen: ivant dit tand
zal de rust niet zijn!"
Sommigen uwer zijn geheel
en al doorstoken geworden. Gij draagt de litteeke-
nen van duizend gevechten, waarbij gij uit elke
porie hebt gebloed, en gij zucht: „Och! dat mij
iemand vleugelen, als eener duive, gave! ik zou
henenvlieden, waar ik blijven mocht!" Gij hebt den
beker van de genietingen dezer wereld ter hand
genomen en dien tot den bodem toe geledigd, en
toch knaagt de dorst aan uw tong, en gloeit de
koorts in uwe hersens. Gij hebt het genot nagejaagd
door alle dalen, langs alle rivieren, bij eiken zon-
neschijn, en in elke schaduw; maar juist op het
oogenblik wanneer gij ten volle gereed waart om
de hand te leggen op de blozende, lachende woud-
nimf, wendde zij zich naar u om met den grijns
van een demon en den blik van een sater, met
adders tot haarlokken, en haar adem als de kilkoude
damp van een grafkuil. Buiten Jezus Christus geen
rust! Geen stem om den storm te doen stillen. Geen
licht om in de duisternis te ontsteken. Geen droogdok
om het gescheurde pantserschip te herstellen.
Gode zij dank! ik kan u iets beters verkondigen.
Al is er geen rust op aarde, er is rust in den he-
mel. O gij allen, die u overwerkt hebt onder den
last van uwen arbeid, wier handen vereelt zijn,
wier ruggen gekromd zijn door zwakte en pijn en
vermoeienis, wier oogen reeds ten halve zijn uitge-
doofd, wier vingeren schier krachteloos zijn geworden
-ocr page 518-
5io
onder het hanteeren der naald, die gij in deze
wereld nooit moogt nederleggen! O gij moedeloo-
zen, die u om den broode in een strijd van man
tegen man hebt gewaagd; gij allen, wien de nacht
slechts weinig rust en de morgen weer nieuwe sla-
vernij brengt, — o gij allen met vermoeide handen,
en vermoeide lendenen, en vermoeide voeten! hoort
mij tot u spreken van rust, van rust, van RUST.
Zie ginds die menigte op tronen! Zie naar hunne
handen; zie naar hunne voeten; zie naar hunne
oogen. Die blinkende gedaanten hebben toch im-
mers nooit gewerkt en gesloofd? Ja! ja! dat heb-
ben zij wel. Deze hier pakten in China de kisten
met thee in, en door het onderwijs der zendelingen
vonden zij den weg, waarlangs zij de eeuwige
rust deelachtig werden. Deze hier bezwijmden van
de hitte op de plantages in Zuid-Amerika; en in
zekeren nacht, na afloop van den katoenoogst, kwa-
men zij even wit in het land der ruste, alsof zij
nooit zwart waren geweest. Die daar zijn gestorven
tengevolge van overmatigen arbeid in de Schotsche
tapijtfabrieken, en die anderen in de weverijen van
Manchester. Deze hielpen de pyramiden bouwen,
en die daar bezweken onder hun werk op den dag
toen Christus smadelijk uit Jeruzalem werd verjaagd.
Geen torens meer te bouwen; de hemel is voltooid.
Geen kleederen meer te weven; alle gewaden zijn
afgewerkt. Geen oogsten meer in te zamelen; de
korenschuren zijn allen gevuld. O zonen en doch-
teren van den arbeid! maakt u dan op, en gaat
henen: want dit land zal de rust niet zijn!
-ocr page 519-
5"
Maar er zijn sommigen onder u, die iets naders
wenschen te vernemen omtrent het land, waar zij
nooit meer door eenig hartzeer zullen gekweld
worden, en waar geen graven worden gedolven.
Waar zijn uw vader en moeder ? De meesten uwer
zijn weezen. Eén lam heengegaan uit deze kudde;
één bloem geplukt uit dien krans; één gouden scha-
kel gebroken uit dien keten; hier een helder schij-
nend licht uitgebluscht, daar een ander, en ginds
weer een ander. Met al zulk verdriet, hoe zult gij
rust vinden? Zal er ooit een macht zijn, die deze
tot zwijgen gebrachte stem weer welluidend kan
maken ? Of den glans dier gesloten oogen weer kan
ontsteken ? Of die koude, verstijfde voetjes weer
kan doen springen en huppelen? Wanneer wij de
groeve boven de dooden hebben dichtgeworpen,
zullen de zoden dan nooit weer worden opgebroken ?
Zal het kerkhof nooit een ander geluid hooren, dan
het knarsen van de wielen der lijkkoets, of het
kleppen van de bel aan de poort, als de lange op-
tochten binnen komen met hunne sombere lasten
van rouw en verdriet? Bestaat de bodem van het
graf uit kiezelzand, en de bovenlaag uit aarde?
Neen! neen! neen! De groeve is slechts een plaats,
waar wij ons in onze kleederen wikkelen
voor eene vreedzame sluimering op onzen weg naar
huis. De hooggaande golven der Jordaan zullen
slechts dienen om het stof des wegs van ons af te
spoelen. Op den top van het graf bespeuren wij een
schemering van de torens, glinsterend in de stralen
der zon die nooit ondergaat.
-ocr page 520-
512
O gij allen, wier lokken bevochtigd zijn door den
dauw van den nacht der smarte; gij allen wier hart
bezwaard is, omdat die welbekende voetstappen zich
niet meer voor de huisdeur laten hooren, — daar
ginds is uwe ruste! Geen sloven, geen slaven , geen
tronen, geen scheiding, geen ziekten, geen doods-
snik meer! Geen stormen om de kristallen zee op
te zwepen. Geen alarmklokken om te kleppen in
de torens van het koepeldak. Geen lijkzang trillend
van de harpsnaren der Serafijnen. Geen stoornis
in het eeuwigdurende lied. Niets dan rust — vol-
komen rust — eindelooze rust!
En tot die rust, hoevelen onzer dierbaren zijn er
reeds toe ingegaan! De kleine kinderkens zijn bij-
eenvergaderd aan het hart van Christus. Een hunner
ging henen uit de armen eener tot weduwe gewor-
den moeder, en volgde zijn vader, die weinige weken
te voren was gestorven. In zijne laatste oogenblik-
ken scheen het kind zijn heengeganen vader te aan-
schouwen , want het riep uit, terwijl het met een
van vreugde stralend gelaat naar boven zag: „Vader,
neem mij op!"
Anderen moesten hun werk nederleggen op den
middag des levens, hoewel zij gevoelden dat zij
moeilijk gemist konden worden op het kantoor, of
in het magazijn, of in den winkel, al ware het
slechts voor één dag, — en nu moesten zij er toch
voor altijd uit gemist worden. Uwe moeder ging
heen. Na hier op aarde een leven van Christelijke
trouw en volharding en standvastigheid geleefd te
hebben, altijd met liefde bezig voor hare kinderen,
-ocr page 521-
5^3
haar hart vervuld met dien zachten en stillen geest,
die in de oogen des Heeren zulk een groote waar-
de heeft, werd hare gedaante plotseling veranderd
en verheerlijkt; en de poort werd geopend, en zij
nam hare plaats in te midden van die groote wolke
van getuigen, die daar zweven rondom den troon!
Heerlijke troost! Zij zijn niet dood. Gij kunt mij
niet wijsmaken dat zij dood zijn. Zij zijn slechts
verhuisd. Met méér liefde dan waarmede zij ons
hier op aarde begroetten, blijven zij ons gadeslaan
daar uit den hooge; en hunne stemmen juichen ons
bemoedigend toe bij ons worstelend voorwaarts
streven naar den hooge. Heil u, gezegende gees-
ten! nu gij aan de overzijde van den stroom ge-
komen zijt en de kroon verworven hebt! Met onze
loome en vermoeide voeten treden wij voorwaarts
op het lichtende pad, totdat wij bij onze laatste,
onze eeuwige hereeniging elkaar weer zullen aan-
schouwen. O , zal het dan niet iets grootsch en iets
heerlijks wezen, wanneer wij — als al onze strijd voor-
bij en al onze rouwe doorworsteld is — in de han-
den zullen klappen en juichend uitroepen: „Dit is
de hemel!"? — Amen.
-ocr page 522-
-ocr page 523-
XXXIII.
DAVID EN MEFIBOSETH.
En David zeide ■ Is er nog iemand ,
die overgebleven is van het huis van
Sanl, dat ik weldadigheid aan hem
doe, om Jonathans wil\'r Alzoo woonde
Mefiboseth te Jeruzalem, oiudathijge-
duriglijk at aan des Konillgs tafel; en
hij was kreupel aan luide zijne voeten.
II Samiki. IX : IenIS.
Er is zooveel Evangelie in deze merkwaardige
gebeurtenis, dat ik verlegen sta bij de keuze, waar
te beginnen. Aan wien doet Mefiboseth, aan wien
doet David, aan wien doet Jonathan u denken?
Mefiboseth is in de eerste plaats het beeld der zwakke
en gebrekkige menschenziel. De Engelsche dichter
Lord Byron beschreef de zonde als een bekoorlijke
achteloosheid, als een galanterie, als een Don Juan;
de Fransche schrijfster George Sand stelt de zonde
voor als de zegevierende partij bij vele moeielijkc
verwikkelingen; de Fransche plaatteekenaar Gavarni,
met zijn graveernaald arbeidend, beeldt de zonde
altijd af als een groote paskwil; maar de Bijbel
geeft ons de zonde te aanschouwen als een Mefibo-
seth
, kreupel aan beide zijne voeten. De zonde trachtte,
evenals de voedster in de geschiedenis van Mefibo-
-ocr page 524-
5i6
seth, ons te dragen, maar liet ons vallen, zoodat
wij kreupel werden; en in heel onze zedelijke na-
tuur zijn wij nu zwak en machteloos en onstand-
vastig. Soms kibbelen de godgeleerden over een
technische uitdrukking. Zij gebruiken de woorden
„algeheele verdorvenheid", en sommige menschen
gelooven in die leer, en sommigen verwerpen haar.
Wat bedoelt gij met algeheele verdorvenheid? Be-
doelt gij daarmede, dat ieder mensch zoo slecht is
als hij met mogelijkheid wezen kan? Dan geloof ik
er óók niet in. Maar verstaat gij er onder, dat de
zonde ons heeft laten vallen, dat zij heel onze ze-
delijke natuur heeft misvormd, en gekneusd, en ge-
brekkig gemaakt, zoodat wij niet behoorlijk meer
kunnen loopen, en kreupel zijn aan beide onze voe-
ten? Dan stem ik met uwe zienswijze in. Ik be-
kommer mij niet om hetgeen de gevoelsmenschen
of de dichters ten opzichte van de zonde zeggen. In
den naam van den Heer onzen God verklaar ik
u op den huidigen dag, dat de zonde is een ver-
woesting, een verscheuring, een afzichtelijke mis-
vorming, een waggelende wanstaltigheid.
Uwe moderne theologen zeggen u, dat de mensch
een weinig ontstemd, verdrietig, in een kwade luim
is; dat hij somtijds verkeerd denkt; dat hij somtijds
verkeerd handelt; in één woord: dat zijne natuur
behoefte heeft aan een weinigje zedelijke medicijn,
aan een paar stevige spalkjes, aan een zacht com-
pres, aan een gedeeltelijke opknapping. Godsdienst te
hebben, zeggen zij, is toch wel goed; het moest
eens wat meer gewoonte worden. De mensch, is
-ocr page 525-
5*7
gedeeltelijk niet in orde; maar niet geheel. Hij is
kreupel aan één voet. Breng de\' zalf der goddelijke
genade, en den balsem , en de pijnstillende middelen
maar eens, dan zullen wij zijn eenen voet wel gene-
zen. De mensch is slechts half niet orde, niet ge-
heel en al. —• Mag ik u vragen: in welk opzicht
is Js menschen natuur dan wèl in orde? Ten op-
zichte van zijn wil? van zijne genegenheden? van
zijn oordeel? Neen! Er is een oud boek, dat zegt:
„Het gansclie hoofd is krank, en het gmische hart
is mat." Mefiboseth kreupel aan beide zijne voeten!
Ons geloof aan het feit dat de zonde onze zielen
gebrekkig en wanstaltig heeft gemaakt, neemt bij
ons met de jaren toe. Toen gij hel leven ingingt,
dacht gij dat de mensch een weinig bezoedeld was
door de zonde, en dat hij voor ongeveer een tiende
gedeelte niet in orde was. Nadat gij de eerste er-
varingen hadt opgedaan op het gebied van uwen
handel, of van uw vak, of van uw beroep , of van uw
ambt, meendet gij dat de mensch voor omstreeks de
helft niet in orde was. Toen gij den middelbaren
leeftijd bereikt hadt, geloofdet gij dat de mensch
voor drie vierden niet in orde was. Maar sedert
de laatstverloopen jaren, sedert men u zoo bedro-
gen en afgezet en bezwendeld heeft, zijt gij tot de
gevolgtrekking gekomen, dat de mensch heel en al
niet in orde is, en nü kunt gij zeggen met de Hei-
lige Schrift: „Er is niets geheels in mijn vlecsch.\'"
Nü gelooft gij met den profeet: „Arglistig is het
hart, meer dan cemg ding
, ja doodel/jk is het; wie
zal het kennen?\'\'\'
Wat gij vroeger ook geloofd moogt
-ocr page 526-
5i8
hebben, — nu gelooft gij, dat Mefiboseth kreupel is
aan beide zijne voeten.
Bovendien doet Mefiboseth in mijn tekst de ge-
brehkclijke menschenziel vernederd en hersteld
zien.
Toen deze invalide uit mijn tekst het bevel ontving
om ten paleize van koning David te verschijnen,
begon hij te beven. Want de zaak was, dat de
grootvader van Mefiboseth den tegenwoordigen
koning David indertijd zeer onbarmhartig behandeld
had; en nu zegt Mefiboseth bij zichzelf: „Wat zou
de koning met mij voor hebben? Is het nog niet
genoeg dat ik aan beide voeten kreupel ben ? Zou
hij mij het leven willen benemen ? Zou hij den haat
aan mij willen koelen, dien hij mijn grootvader
Saul toedraagt? Dat zou al te vreeselijk zijn!" Maar
naar het paleis gaan moet Mefiboseth, aangezien de
koning het bevolen heeft. Met een stok en een
kruk, en door zijne vrienden geholpen, zie ik Mefi-
boseth de stoeptreden van het paleis opstrompelen.
Ik hoor zijn stok en zijn kruk over den mozaïekvloer
der troonzaal schuiven en tikken. En niet zoodra aan-
schouwen deze beide mannen elkaar — Mefiboseth en
David, de koning — of Mefiboseth werpt zich plat op
zijn aangezicht voor den koning, en noemt zichzelven
een dooden hond. Wanneer iemand in de Oostersche
landen zich bij een hond vergelijkt, gaat hij totdenlaag-
sten trap van zelfvernedering. Wij hebben geen enkele
zóó krachtige uitdrukking hier in ons land, waar een
hond , als hij er een goede gelegenheid toe heeft, soms
méér adeldom van karakter doet blijken, dan zekere
welbekende vertegenwoordigers van het menschen-
-ocr page 527-
5r9
Tas; maar de schurftige mormeldieren der Oostersche
steden zijn, «ooals ik uit eigen ervaring weet, hoogst
afzichtelijk «n verfoeilijk. Mefïboseth gebruikt dus
•den sterksöen vorm van zelfverachting, wanneer hij
■zicbizelven toij etn hond vergelijkt, en dan nog wel
bij «een dooden hond.
En let nu op de overeenkomst. Wanneer aan de
■menscheHjke ziel het bevel gegeven wordt om in
het paleis des hemels te komen, dan begint de ziek.
■te beven. Dan zegt zij: „Wat zal God nu met mij
igain doen ? Zal Hij mij willen vernietigen ? Zal
Hij Zijne wraak op mij willen uitgieten?"\' Meer
■dam één Mefïboseth beeft op dit oogenblik, omdat
de Heer hein in het paleis der goddelijke genade
:haeft ontboden\'! Maar waarom beeft gij eigenlijk?
•God heeft geen lust in den dood van een zondaar.
Hij laat u niet komen om u kwaad te doen. Hij
iaat ti komen om u goed te doen. Gij huivert van
vree» en schrik, omdat gij denkt dat het toorn is.
Het is genade. Waarom zoudt gij dan beven, wan-
neer de Koning des hemels en der aarde u in Zijn
paleis roept ? Houd op met beven , en ga er onmiddel-
lijk heen! „Ach," zegt gij, „ik kan er niet heen
gaan ! Ik ben zoo kreupel geworden door de zonde,
en zoo kreupel geworden door slechte gewoonten:
ik kan er niet heengaan. Ik ben kreupel aan beide
mijne voeten!" Mijn vriend, wij komen tot u met
onze gebeden en onze sympathieën, om u naar het
paleis te helpen. Als gij behoefte gevoelt om naar
het paleis te gaan, zult gij er wel komen óók. Ga
dus nu op weg. De Heilige Geest zal u helpen.
-ocr page 528-
520
Alles wat gij te doen hebt, is u op uw aangezicht
neder te werpen aan de voeten des Konings, pre-
cies zooals Mefiboseth deed.
Mefiboseths vergelijking van zichzelven met een
hond is in de oogen der wereld overdreven; maar
wanneer de mensch zichzelven eens te zien heeft
gekregen zooals hij werkelijk is, en dan ook ziet
hoe hij tegenover den Heer gehandeld heeft, dan
zijn er geen woorden sterk en krachtig genoeg om
zijne zelfveroordeeling uit te drukken. De doode
hond uit Mefiboseth\'s vergelijking is dan nog op
verre na niet voldoende om \'s menschen diepste
verachting van zichzelven te omschrijven. Mefiboseths
gestalte schijnt niet geschikt om te buigen. Wan-
neer de mensch bekeerd wordt, bidt hij eerst recht-
op staande. Daarna beginnen zijne nekspieren zich te
ontspannen, en is hij in staat om zijn hoofd te buigen.
Na verloop van eenigen tijd, en door schier boven-
menschelijke inspanning, knielt hij neder om te bid-
den. Nog een poos later, wanneer hij God gezien
en zichzelven gezien heeft, werpt hij zich plat op
zijn aangezicht aan de voeten des Konings, evenals
Mefiboseth. De zaak is, dat — als wij onszelven
konden zien zooals God ons ziet, — wij bij dit schouw-
spel zouden bezwijken. Gij zoudt geen tijd hebben
om andere menschen te bezien. Uw éénige kreet
zou zijn: „O God! wees mij zondaar genadig!"
Mefiboseth vertegenwoordigt voorts in mijn tekst
de gebrekkige menschenziel, die ter wille van een an-
der gered wordt.
Mefiboseth zou nooit uit eigen
beweging naar het paleis zijn gegaan. Waartoe
-ocr page 529-
52i
deed David het geheele koninkrijk doorzoeken, ten
einde dien armen man te vinden, en hem daarna
een groot vermogen toe te kennen, en aan een boer
met name Ziba bevel te geven om het landgoed te
bebouwen en aan dezen gebrekkigen Mefiboseth
ieder jaar de helft der opbrengsten te geven?
Waarom gaf "koning David zich zoo geweldig veel
moeite voor een armen drommel, die nooit van
eenig nut voor den troon van Israël zou zijn? Het
was om den wille van Jonathan. David kon niet
vergeten, wat Jonathan in vroeger dagen voor hem ge-
daan had Tot driemaal toe staat er in dit hoofdstuk,
dat al deze vriendelijkheid van Davids kant jegens
Mefiboseth enkel was ter wille van zijn vader Jona-
than. De dochter van Peter den Martelaar verviel,
door de slechtheid van haren echtgenoot, tot ar-
moede, en toen droeg de Senaat van Zurich, ter
wille van haren vader, zorg voor haar. Het is wel
eens gebeurd, dat er iemand een beroep kwam doen
op uwe hulp, en dat gij hem een weigerend ant-
woord gaaft; maar wanneer het u dan bleek, dat
hij de zoon of de broeder was van iemand, die in
vroeger dagen uw weldoener was geweest, en gij
bij een enkelen oogopslag de gelijkenis met uwen
ouden vriend in het gelaat van den smeekeling zaagt,
dan kwaamt gij op uwe afwijzing terug en zeidet
gij: „Nu, ter wille van uwen vader zal ik het doen\\"
Gij weet dus uit eigen ervaring, wat mijn tekst be-
doelt. Welnu, mijne vrienden, op dien grond kun-
nen gij en ik in het paleis des Konings komen.
Het belangrijkste gedeelte van ieder gebed zijn
-ocr page 530-
522
de laatste drie of vier woorden ervan: „Om Jezus\'
wil."
Raffel die woorden niet zoo maar af, alsof zij
enkel dienden om een behoorlijk slot aan het gebed
te krijgen. Zij vormen het belangrijkste gedeelte
van het gebed. Wanneer gij in ernst tot God gaat
en zegt „Om Jezus"1 wil!" dan ontrollen die woor-
den als het ware voor Gods geest al de herinne-
ringen van Bethlehem en Genezaret en Golgotha.
Wanneer gij voor God zegt: „Om Jezus\' wil!" dan
houdt gij voor Gods oogen elke klacht, eiken traan,
eiken purperen bloeddruppel van zijn ééniggeboren
Zoon. Indien er in het gansche heelal iets is, dat
God ooit zal kunnen bewegen tot een daad van
koninklijke gratie, dan is het de bede: „Om Jezus\'
wil!"
God is almachtig, maar Hij is niet sterk ge-
noeg om weerstand te bieden aan dien kreet: „Om
Jezus\' wil!"
Indien een klein meisje eens neder-
knielde achter Gods troon en daar uitriep: „Om
Jezus\' wil!"
dan zou de groote Jehova zich omkee-
ren op Zijn troon, om naar haar te zien en te luis-
teren. Geen gebed bereikt ooit den hemel dan om
Jezus\' wil. Geen ziel wordt ooit getroost dan om Je-
zus\' wil. De wereld zal nooit verlost worden dan om
Jezus\' wil. Onze naam, hoe schitterend en beroemd
hij ook moge zijn onder de menschen, vertegen-
woordigt in Gods oogen slechts zonde en ongerech-
tigheid; maar er is één Naam, een machtige Naam,
een gezegende Naam, een heerlijke Naam, een
eeuwigdurende Naam, dien wij op onze lippen
mogen nemen als een sacrament, en op ons voor-
hoofd mogen zetten als een kroon, en dat is de
-ocr page 531-
523
Naam van den Heere Jezus, onze goddelijke Jona-
than , die zichzelven van Zijn kleed ontdeed en
onze lompen aantrok, die ons Zijn zwaard gaf en
zelf onze gebroken rietstaf nam, zoodat nu, hetzij
wij gezond of ziek zijn, hetzij wij leven of sterven,
indien wij dien Naam uitspreken, hij den hemel
tot in zijne binnenste roerselen aandoet en God
zegt: „Laat dien armen mensch binnenkomen!
Draagt hem voort naar de troonzaal van het paleis.
Al heeft hij in ballingschap geleefd, al heeft de
zonde hem geknakt aan de rechterzijde, en de zorg
hem gekromd aan de linkerzijde, zoodat hij nu kreu-
pel is aan beide zijne voeten — brengt hem hier
in het paleis, want Ik wil hem tot in alle eeuwig-
heid mijne goedertierenheid bewijzen om Jezus\' wil!"
En Mefiboseth vertegenwoordigt in mijn tekst ook
de gebrekkelijke menschenziel aan \'s Konmgs tafel
verheven.
Het was in die dagen voor gewone men-
schen zelfs nóg moeilijker dan nu, om in een vor-
stelijke eetzaal te komen. De onderdanen konden
zich misschien nog wel rondom het traliehek van
het paleis scharen, waar zij de lichten konden zien
ontsteken, en het gerammel der messen konden
hooren, en het rinkelen der gouden bekers, —maar
zij konden niet binnenkomen. Sterke mannen met
sterke voeten konden er hun gansche leven niet
éénmaal binnenkomen, om zich aan één feestdisch
neer te zetten, — en toch gaat de arme Mefiboseth
er binnen, woont hij daar , en eet hij geduriglijk
aan des konings tafel. O, welk een heerlijk en be^
moedigend vooruitzicht in deze wereld voor eiken
-ocr page 532-
524
armen Mefiboseth! O mijne vrienden, al zijn gij en
ik ook nog zoo jammerlijk kreupel geworden door
de zonde, — in den Naam van onzen goddelijken
Jonathan hoop ik, dat wij allen zullen binnenkomen
en eten aan des Konings tafel!
Maar alvorens aan den maaltijd deel te nemen,
moeten wij voorgesteld worden. Wanneer gij ge-
noodigd zijt in een gezelschap van personen, waarbij
er zijn die zich door geboorte of rang onderschei-
den, clan wordt gij voorgesteld : „Dit is de Minister."
„Dit is het Kamerlid." „Dit is de Burgemeester."
Alvorens wij ons nederzetten aan \'s Konings tafel
in den hemel, zullen wij, denk ik, gaarne voorge-
steld willen worden. O, welk een oogenblik zal
dat wezen, wanneer gij en ik , door de genade Gods,
in den hemel komen , en dan aan daar de aanwezige
reuzengeesten voorgesteld worden, en iemand dan tot
ons zal zeggen : „Dit is Jozua." „Dit is Paulus.\'J „Dit is
Mozes." „Dit is Martinus Luther." „Dit is Melanch-
ton." „Dit is Johannes Husz." O, zal er nog wel eenige
kracht in ons zijn- overgebleven na den rondgang
van zulk een hemelsche voorstelling? Ja! wij zullen
zelven heerschers en machthebbenden zijn. Daarna
zullen wij ons nederzetten aan \'s Konings tafel met
de zonen en dochteren Gods, en een hunner zal
fluisterend over de tafel tot ons zeggen: „Ziet, hoc
grootc liejdc ons de Vader gegeven heeft, namelijk
dat wij kinderen Gods genaamd zonden voorden
/"
En deze of gene aan de tafel zal vragen: „Hoe lang
zal het duren? Alle andere feestmalen, waaraan
ik aanzat, namen eenmaal een einde. Hoe lang zal
-ocr page 533-
I
525
dit duren?" En dan zal Paulus antwoorden: „tot
in alle eeuwigheid \\" en Jozua zal zeggen: „tot in
alle eeuwigheid!" en Martinus Luther zal zeggen:
„tot in alle eeuwigheid!" en Johannes Husz zal
zeggen: „tot in alle eeuwigheid!"
En de wijn op dien feestdisch zal oude wijn zijn;
het zal zeer oude wijn zijn; het zal de oudste wijn
des hemels zijn; het zal de wijn zijn, die uit de
roode trossen getreden werd ten dage toen Jezus
de wijnpersbak alleen trad. Wijn die nu reeds
meer dan achttien eeuwen oud is. En niemand zal
ons bespotten of uitlachen om hetgeen wij in deze
wereld geweest zijn. Niemand zal de gebreken ter
sprake brengen, die wij hier hadden, of de zonden
die ons hier aankleefden. Al onze aardsche fouten
en gebreken volkomen bedekt en verborgen. Mefi-
boseth\'s voeten onder de tafel. Koninklijke gerechten.
Koninklijke gewaden. Een koninklijk gezelschap.
Wij zullen heersenen van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Ik geloof, dat dit feestmaal nog hooger waarde zal
hebben voor hen, die het hard en moeilijk hadden
in deze wereld, dan voor hen die het er gemakke-
lijk hadden. Die koninklijke tafel in Davids paleis
had voor Mefiboseth hooger waarde dan voor iemand
anders, omdat hij arm en kreupel en veracht en
verstooten was geweest. De man, die in deze we-
reld blind was, zal het licht des hemels beter weten
te waardeeren, dan wij, die in deze wereld een paar
goede oogen hadden. En de man, die in deze we-
reld doof was, zal de muziek des hemels beter
weten te waardeeren dan wij, die in deze wereld
-ocr page 534-
52Ó
een goed gehoor hadden. En dezulken zullen eert
hoogere waarde hechten aan de gemakkelijke ma-
nier, waarop zij zich in dat Land bewegen, die in
deze wereld Mefiboseths waren!
O mijne ziel, welk een heerlijk Evangelie! Het
brengt den mensch in zulk eene diepte, en verheft
hem zoo hoog! Welk een Evangelie! Komt dan nu
gij allen, die aan den feestdisch wenscht neer te
zitten en in het paleis te wonen! Ik sta hier thans
voor u als de bode van het paleis, die Mefiboseth
uitnoodigt om binnen te komen. Ik ben hier op
den huidigen dag gekomen om u te zeggen , dat de
Heer onze God u een schat van goedertierenheid
heeft te schenken om Zijns Zoons wil. De deuren
van het paleis staan open, om u te ontvangen. De
hofmeesters hebben de bekers reeds op de tafels ge-
zet; en het groote, liefhebbende, teedere, ontfer-
mende hart Gods buigt zich op dezen oogenblik tot
u, met de vraag: „Is er nog iemand, die overgeble-
ven is van het huis van Said
, dat Ik weldadigheid
aan hem doe, om Jezus\' wil?"
— Amen.
-ocr page 535-
XXXIV.
EEN OUDERWETSCHE MOEDER.
Eu zijne moeder mankte hem eencn
kleinen rok, en bracht hem dien vnn
jaar
tot jaar, als zij opkwam met haren
mail, om het jaai-lijksehe offer te bren-
gen.
                     1 Samuel 11 : 19.
De geschiedenissen van Debora en Abigaïl zijn
zeer geschikt om het hart eener vrouw totaal moe-
deloos te maken. „Het is onmogelijk," zegt zij bij
zichzelve, „dat ik het ooit of immer tot zulk een
grootheid van karakter zou kunnen brengen, en ik
denk er dan ook zelfs niet aan om het te beproe-
ven!" precies als een kind dat de acht noten van
de toonladder niet wil spelen, omdat het Weber\'s
„Jubel-Ouverture" nog niet ten gehoore kan bren-
gen. Deze Hanna van mijn tekst is echter eene gansch
andere, dan de personen, die ik zooeven genoemd
heb. Zij was eene gewone vrouw, met gewone ver-
standelijke geestvermogens, geplaatst in gewone om-
standigheden, — en toch, om hare buitengewone
godsvrucht staat zij daar ten aanschouwe van al
de toekomende eeuwen als het model der Christelijke
-ocr page 536-
528
moeder. Hanna was de vrouw van Elkana, een man
die in zeer vele opzichten haar evenbeeld was: on-
gekunsteld en eenvoudig, zonder ooit in een veld-
slag meegevochten te hebben, of —voor zoover wij
weten — door een wonderbare redding aan den
dood ontsnapt te zijn. Geen van beiden had men ze
een genie kunnen noemen. Juist zoo ongeveer als
gij en ik zijn, zoo waren Elkana en Hanna. Het
heerlijkste oogenblik , in heel de geschiedenis van dat
huisgezin, was de geboorte van Samuel. Ofschoon
er geen ster aan den hemel verscheen, om de plek
zijner geboorte aan te wijzen, geloof ik toch wel,
dat de engelen Gods zich neerbogen bij de komst
van een zoo wonderbaren profeet. Dewijl Samuel in
antwoord op het gebed gegeven was, toog Elkana
met zijn gansche gezin, behalve Hanna, naar Silo,
om daar dankofferen te offeren. De wieg, waarin het
kind sliep, was altaar genoeg voor Hanna\'s dank-
baar hart; maar toen de knaap oud genoeg was,
nam zij hem mede naar Silo, met drie varren, en
eene efa meel, en een flesch met wijn, en bracht zij
haar dankoffer aan den Heer. En overeenkomstig
eene vroegere gelofte, liet zij hem daar achter; want
daar zou hij nu moeten blijven al de dagen zijns
levens, en dienst doen in het heiligdom. Zoo ver-
liep het eene jaar na het andere; en alle jaren
maakte Hanna met hare eigene handen een kleedje
voor Samuel, en ging zij hem dat brengen. De jon-
gen had het zeer goed zonder dat kleedje kunnen
stellen, want ik houd het ervoor, dat hij wel behoorlijk
van kleederen voorzien werd door de opzieners van
-ocr page 537-
529
den tempel; maar Hanna was niet tevreden, als zij
niet telkens iets voor haren lieven jongen deed. En
zoo lezen wij dan ook: „En zijne moeder maakte
hem eenen kleinen rok, en bracht hem dien van jaar
tot jaar
, als zij opkwam met haren man, om het jaar-
lijkschc offer te offeren?\'
En nu staat Hanna hier dus op den huidigen dag
voor u, in de eerste plaats als eene ijverige moeder.
Het was volstrekt niet noodig, dat zij hard werkte.
Elkana, haar echtgenoot, was allesbehalve arm. Hij
behoorde tot eene aanzienlijke familie, want de Bij-
bel verhaalt ons, dat hij was de zoon van Jerocham,
de zoon van Elinu, de zoon van Tochu, de zoon
van Zuf. „Wie waren dat? vraagt gij. Dat weet ik
niet; maar het waren ongetwijfeld lieden van aan-
zien en invloed, anders zouden hunne namen niet zoo
opzettelijk vermeld zijn geworden. Hanna had zich in
hare huiskamer kunnen nederzetten en daar, met over
elkaar geslagen armen en ordeloos loshangende
haren, romannetjes gaan zitten lezen, jaar in jaar
uit, als die er toen te lezen waren. Maar nu ik
haar dat kleedje zie maken, om het daarna aan Sa-
muel te brengen, nu weet ik dat zij, zoowel uit be-
ginsel als uit liefhebberij, ijverig is. God heeft nooit
gewild, dat eene moeder eene sloofster of eene slavin
zou worden; Hij heeft gewild dat zij al de hulp zou
hebben, die er in deze dagen mogelijk is, bij de op-
voeding harer kinderen. Maar Hanna behoeft er zich
nooit over te schamen, dat men haar een rokje voor
Samuel heeft zien maken. De meeste moeders heb-
ben in dit opzicht geen raad noodig. De rimpels in
-ocr page 538-
53ö
haar gelaat, de bleeke kleur harer wangen, de spo-
ren van den vingerhoed aan hare rechterhand be-
wijzen , dat zij getrouw zijn in de vervulling harer
moederlijke plichten. De blos en de vroolijkheid en
de bewegelijkheid der meisjesjaren hebben plaats
gemaakt voor de groote vaardigheid en nuttigheid
en werkzaamheid van den moederlijken leeftijd. Maar
er schijnt een heidensch begrip te heerschen in som-
mige huisgezinnen; er zijn moeders, die zich uit den
huiselijken kring verbannen. Voor drie vierden
harer moederlijke verplichtingen verklaren zij zich
onbevoegd. Zij zijn onwetend ten opzichte van wat
hare kinderen dragen, en wat hare kinderen eten, •
en wat hare kinderen lezen. Zij vertrouwen deze
jeugdige zielen aan onverantwoordelijke personen
toe, en gedoogen, dat zij zich blootstellen aan invloe-
den, die hunne lichamen kunnen schaden, of hunne
reinheid bezoedelen, of hunne manieren bederven,
of hunne zielen verwoesten. Aan den slechten snit
van Samuels kleed kunt gij wel zien, dat zijne
moeder Hanna het niet gemaakt heeft. Luie en
trouwelooze moeders zullen hare kinderen lui en
trouweloos doen worden. Men kan geen netheid en
orde verwachten in een huis, waar de dochters
niets anders dan slordigheid en halsoverkopperig-
heid in hare moeders te zien krijgen. Laat Hanna
traag zijn, en hoogstwaarschijnlijk zal Samuel als
een luiaard opgroeien. Wie zijn de ijverige, werk-
zame mannen in al onze vakken en ambachten ?
Wie zijn zij? Voor het meerendeel stammen zij af
van ijverige moeders, die in het oude woonhuis ge-
-ocr page 539-
53i
woon waren haar eigen garen te spinnen, en hare
eigen tapijten te weven, en hare eigen vloermatten
te vlechten, en hare eigene stoelen te bekleeden,
en haar eigen werk te doen. De krachtige mannen
en de invloedrijke mannen van dezen tijd heb-
ben voor negen en negentig honderdsten zulk een
doorluchtige afkomst van harde knoken en eigen
geweven linnengoed. En wie zijn deze lieden in de
maatschappij, licht als schuim, voortdurend her-en
derwaarts geblazen door de verzoekingen en de
mode: de rondbazuiners van vuile geschiedenissen,
de Jan-Klaasen\'s der politieke partijen, het uit-
vaagsel der maatschappij, de luiwammessen in de
kroegen, de verpesters der kantoren en winkels en
magazijnen, de mannen met gemeene knipoogjes,
en liederlijke grappen, en kopervergulde hemds-
knoopjes, en verdorven gezelschappen? Voor het
meerendeel zijn zij nakomelingen van moeders, die
lui en afzichtelijk waren , lastertongen der samenle-
ving, van huis tot huis gaande om op ieders vin-
gers te kijken, behalve op hare eigene, geloovende
aan heksen en spoken, en aan de macht van hoef-
ijzers om den duivel uit de karnton te houden, en
door een goddeloos leven hare kinderen op het steil
glooiende pad naar de hel plaatsend.
En nu, — terwijl ik alle Christelijke moeders ge-
lukwensch met den overvloed en de hedendaagsche
wetenschap, die haar allerlei soorten van hulp kan
verleenen, heb ik u te zeggen, dat elke moeder
nauwlettend behoort toe te zien op de handelingen
harer kinderen, op het gedrag harer kinderen, op
-ocr page 540-
532
het voedsel harer kinderen, op de boeken harer
kinderen, op de vrienden en kennissen harer kinde-
ren. Hoeveel hulp Hanna ook moge hebben, ge-
loof ik toch, dat zij ieder jaar minstens één kleeding-
stuk voor Samuel behoort te maken. De Heer onze
God zij den man genadig, die zoo ongelukkig is,
eene luie moeder te hebben !
En Hanna staat ook op den huidigen dag hier
voor u als een verstandige moeder. Uit de wijze
waarop zij in dit opzicht spreekt, en uit de wijze
waarop zij dezen knaap leidde, kunt ge wel opmaken
dat zij verstandig was. Er zijn geen lieden in de
gemeente, die zóó wijs en welonderricht moeten
zijn, als de moeders. O, dat werk van kinderen op
te voeden voor deze wereld en de toekomende! Dit
kind is bloode en bedeesd, en moet dus worden op-
gewekt en aangespoord tot waakzaamheid. Dat kind
is voortvarend, en moet dus in bedwang worden
gehouden, en gedwongen tot bescheidenheid en be-
leefdheid. Belooningen voor den een, bestraffingen
voor den ander. Wat\' George goed zou doen,\' zou
nadeelig voor Karel wezen. De roede is noodza-
kelijk in het eene geval, terwijl een blik van mis-
noegen meer dan genoeg is in een ander. Slagen
en opsluiting in een donker hok zijn niet de éénige
hulpmiddelen der huiselijke tucht. Er zijn kinderen
geweest, die opgegroeid en naar den hemel gegaan
zijn, zonder ooit een klap om hunne ooren gehad
te hebben. O, hoeveel zorg en verstand en beleid
is er noodig bij de opvoeding van kinderen! Maar
in deze dagen, nu er zooveel boeken over dit on-
-ocr page 541-
533
derwerp bestaan, kan geen vader of moeder zich
verontschuldigen met onwetendheid ten opzichte van
de beste wijze om een kind groot te brengen. In-
dien de ouders beter op de hoogte waren van de
leefregels, zouden er niet zooveel slechte spijsver-
teringen en zwakke zenuwen en ziekelijke levens
onder de kinderen zijn. Indien de ouders beter be-
kend waren met de gezondheidsleer, zouden er niet
zooveel verkromde ruggegraten en benauwde bor-
sten en ontstoken keelen en zieke longen zijn, als
er nu onder de kinderen gevonden worden. Als
de ouders wat meer op kunstgebied thuis waren,
en sympathieke belangstelling koesterden voor al
wat schoon is, zouden er niet zooveel kinderen de
wereld ingaan met ongemanierde gewoonten en heb-
belijkheden. Indien de ouders meer wisten van Chris-
tus, en meer Zijn godsdienst in beoefening brachten,
zouden er niet zoovele kleine voetjes zijn, die reeds
den slechten weg betreden, en zouden er zich niet
aan alle kanten om ons heen, met zulk een vervoe-
ring van helschen triomf, stemmen van oproer en
godslastering verheffen. De jonge arenden in het
adelaarshest bezitten geen meerdere voorrechten
dan de jonge arenden van een duizendtal jaren ge-
leden ; de geitenbokjes kennen geen verhevener ma-
nier van de rotsen te beklimmen, dan de oude geiten
hun reeds vóór honderden jaren leerden; de leeuwen-
welpen van den huidigen dag weten niet meer, dan
de welpen van eeuwen geleden, — er wordt hun
niets anders en niets meer geleerd door de leeuwen
der woestijn; maar het is een schande, dat er in
-ocr page 542-
534
deze dagen, nu er zoovele gelegenheden bestaan
om onszelven te verbeteren in de beste wijze van
de opvoeding der kinderen, — dat er nu zoo dik-
wijls in dit opzicht evenmin eenige vooruitgang be-
staat , als er is op te merken onder de geitenbokjes
en de jonge arenden en de leeuwenwelpen.
En Hanna staat hier op den huidigen dag voor
u als eene godsdienstige moeder. Uit hare gebeden,
en uit de wijze waarop zij haren zoon aan God
wijdde, weet ik dat zij vroom was. Eene moeder
moge de meest verfijnde beschaving bezitten, en in
de schitterendste omgeving huizen, — zij is niet
geschikt voor de vervulling harer moederlijke ver-
plichtingen , wanneer zij niet een godsdienstige, waar-
mede ik nadrukkelijk bedoel eene geloovigc moeder
is. Er moge een uitgezochte verzameling boekwer-
ken in het huis aanwezig zijn, en heerlijke muziek
in de huiskamer, en doeken van de beste kunste-
naars mogen er aan de wanden prijken, en de gar-
derobe moge er gevuld zijn met de smaakvolste
toiletten, en de kinderen mogen bewonderd worden
om hunne bekwaamheden, en het huis doen weer-
galmen van hun gelach en onschuldige scherts, —
toch bestaat er een rampzalige leemte in dat huis,
indien het ook niet tegelijkertijd de verblijfplaats eener
Christelijke moeder is. Ik dank er God voor, dat
er niet vele moeders zijn, die nooit bidden. Delast
der verantwoordelijkheid is zóó zwaar, dat zij be-
hoefte gevoelen aan Gods hand om haar te helpen,
aan Gods stem om haar te troosten , aan Gods hart
om zich over haar te ontfermen. Duizenden moeders
-ocr page 543-
535
zijn het Koninkrijk Gods binnengeleid door de hand
harer kleine kinderen. Er zijn op den huidigen dag
honderden moeders, die zonder het gekeuvel harer
kleinen geen Christinnen zouden zijn geworden. Toen
zij op zekeren dag in de kinderkamer stonden, be-
dachten zij: „Dit kind heeft God mij gegeven om
het op te voeden voor de eeuwigheid. Van welken
aard is mijn invloed op dat kind? Als ik zelve
geen Christin ben, hoe kan ik dan ooit verwachten,
dat mijn kind een Christen zal worden? O Heer,
help mij!" O, zijn er beangstigde moeders, die niets
afweten van de eindelooze hulp van het geloof?
Dan verwijs ik u naar Hanna, de vrome moeder
van Samuel. Denk toch niet, dat het zoo totaal on-
mogelijk zou zijn, dat uwe kinderen later slecht
worden. Juist uit zulke lieve gezichtjes en heldere
oogen en mollige handen en onschuldige harten
gaart de misdaad hare slachtoffers, — en dan drijft
zij de reinheid uit het hart, en striemt zij de zachte,
kalme lijnen uit het gelaat, en dooft zij den glans
in de oogen, en gaat zij alles yerschrompelen en
vergiftigen en verpesten en bederven en verschroeien
en verzengen en verbranden onder schande en
smart!
Ieder kind is een bundel huiveringwekkende mo-
gelijkheden. En of nu dat kind zijn levenspad zal
bewandelen met een hart, dat gestemd is volgens
de eeuwige harmonieën, en na een nuttig werk-
zaam leven hier op aarde zal overgaan tot een
leven van blijdschap in den hemel, — dan of
in zijn hart de echo\'s van eeuwige wanklanken
-ocr page 544-
536
zullen trillen, en hij na een leven van wandaden
op aarde zal overgaan naar een oord van on-
doordringbare duisternis en een afgrond van on-
peilbare diepte, — dat zal beslist worden door de
wiegeliederen en de Bijbelvertellingen en de avond-
gebeden, en door de wandelingen en de rijtoer-
tjes en de blikken en de gefronste wenkbrauwen
en de glimlachende lippen. O, hoevele kinderen in
de heerlijkheid, die de eeuwige woningen bevol-
ken en daar een duizendstemmig Hosanna aanheffen,
zijn door Christelijke ouders tot God gebracht! Hon-
derdtwintig predikanten waren bijeen, en zij vertel-
den elkander hunne ervaringen en hunne afkomst;
en van die honderdtwintig predikanten, hoevelen
hunner denkt gij dat er, als het middel tot hunne
bekeering, den invloed eener geloovige moeder aan-
wezen? Honderd van de honderdtwintig! Philip
Dorddridge werd tot God gebracht door het voor-
lezen van de Schriftwoorden op de Hollandsche
tegels der schoorsteenplaat. De moeder denkt,
dat zij slechts een kind wiegt; maar tegelijkertijd
wiegt zij misschien de toekomst van koninkrijken,
wiegt zij misschien het lot van natiën, wiegt zij mis-
schien de heerlijkheden des hemels. Dezelfde moe-
derlijke macht, die een kind kan opheffen, kan een
kind neerdrukken. Een dochter kwam tot een we-
reldsche moeder, en zeide dat zij zich beangst ge-
voelde van wege hare zonden en den geheelen nacht,
gebeden had. „Och, houd maar op met dat bidden!"
sprak hare moeder. „Ik hecht niets aan bidden.
Gooi al die godsdienstige begrippen maar over boord,
-ocr page 545-
537
dan zal ik u een costuum geven, dat vijfhonderd
dollars zal kosten, en dat moogt gij dan de volgen-
de week op die groote partij dragen." De dochter
trok het costuum aan, en zoo bewoog zij zich in
den vroolijken kring, waar zij dien avond de vroo-
lijkste van al de vroolijken was; en inderdaad: alle
godsdienstige indrukken waren verdwenen, en zij
hield op met bidden. Een paar maanden later lag
zij op haar sterfbed, en in hare laatste oogenblikken
zeide zij: „Moeder, ik wenschte wel, dat ge mij dat
costuum eens bracht, dat vijfhonderd dollars gekost
heeft." De moeder vond dit een zeer zonderling
verzoek; maar zij bracht het baltoilet toch, om
haar stervend kind genoegen te doen. „Nu moeder,"
sprak de dochter, „hang dat costuum nu eens aan.
het\' voeteneinde van" mijn bed," en het costuum werd
daar gehangen, aan het voeteneinde van haar bed.
Daarna richtte het stervende meisje zich op haren
elleboog op en zag zij hare moeder aan, en daarna
wees zij naar het baltoilet en sprak zij: „Moeder,
dat costuum is de prijs mijner ziel!" O, hoe onbe-
rekenbaar gewichtig is het\', een moeder te zijn!
En eindelijk staat Hanna op den huidigen dag
hier voor u als de beloonde moeder. Voor al de
rokken die zij voor Samuel maakte, voor al de ge-
beden die zij voor hem opzond, voor de tucht die
zij op hem uitoefende, ontving zij overvloedige ver-
goeding in de godsvrucht en den heilzamen arbeid
en de populariteit van haren zoon Samuel. En dat
is waar voor alle eeuwen. Iedere moeder wordt ten
volle betaald voor al hare gebeden en tranen ten
-ocr page 546-
538
behoeve harer kinderen. Die man sticht groot nut
in de handelswereld; die man munt boven alle an-
deren uit in zijn studievak; die man is een meester
op het gebied der werktuigkunde, — welnu, elke
stap dien hij in het leven doet, wekt een echo
van blijdschap in het oude hart, dat hem lang ge-
leden leerde een heldhaftig en ernstig Christen te
zijn. De geschiedenis van hetgeen gij hebt gedaan
of hetgeen gij hebt geschreven, \'van den invloed
dien gij hebt uitgeoefend, heeft ook haren weg ge-
vonden naar het oude, welbekende woonhuis —
want er staat altijd iemand gereed om goede tijdin-
gen over te brengen — en dan doet die geschiede-
nis de naald in de bevende hand der oude moeder
nog sneller vliegen , en dan komt de dorschvlegel
in \'s vaders hand met nog krachtiger slagen op* het
koren neer. Ouders hooren zoo gaarne goed nieuws
van hunne kinderen. God geve dat al de ouders,
die op den huidigen dag deze woorden hooren of
deze regelen lezen, de groote voldoening mogen
smaken hunne kinderen tot Christenen te zien op-
groeien! Maar o! het hartzeer van die "moeder, die
— na een leven van uithuizigheid en straatslijpen
en tijdverpraten, en na hare kinderen omhangen te
hebben met al de ijdelheden en beuzelarijen dezer
wereld — die kinderen rond ziet dwalen op de
zee des levens als het schuim op de golven, of ze
als nulliteiten voort ziet sukkelen in eene wereld,
waar alleen een gespierd en gestaald karakter de
schokken kan weerstaan! Maar gezegend zij de
moeder, die hare kinderen beschouwt als zonen en
-ocr page 547-
S39
dochteren van den Almachtigen God! O, die voldoening
van Hanna, toen zij Samuel dienst zag doen aan het al-
taar, en van moeder Eunice, toen zij haren Timotheus,
de Heilige Schrift zag bestudeeren! Dat is de belooning
der moeder: hare kinderen nuttig en heilzaam werk-
zaam te zien in de wereld, om de verlorenen op te zoe-
ken en terug te brengen, de zieken te genezen,
zich over de onwetenden te ontfermen, ernstig en
practisch arbeidend in eiken werkkring. Dat werpt
weer een nieuw licht op den ouden familiebijbel,
wanneer zij er in zit te lezen; en dat zal een bal-
sem zijn, die op den ouden dag de lichaamspijnen
lenigt, en het zal de laatste uren van den levens-
avond bestralen met al den luister van den onder-
gang der najaarszon!
Daar zit zij — de oude Christelijke, geloovige
moeder — rijp voor den hemel. Hare oogen zijn
nagenoeg blind; maar de pracht der hemelsche stad
doet haar in den geest de schoonste heerlijkheden
aanschouwen. De dageraad van \'s hemels morgen
speelt reeds door de grauwe lokken, die naar
achteren zijn gestreken over de gerimpelde slapen.
Zij is nu zeer diep gebogen onder den last der zor-
gen , die zij ten allen tijde aan hare kinderen heeft
gewijd. Zij zit thans den ganschen dag thuis, te oud
om zich naar het huis des Heeren te begeven; maar
terwijl zij daar zit, keert heel het verledene tot haar
terug, en de kinderen die veertig jaar geleden
rondom haren leuningstoel krioelden met hunne
kleine smarten en vreugden en kibbelarijen — die
kinderen zijn nu allen van haar heengegaan. Som-
-ocr page 548-
546
migen zijn reeds opgenomen in eene betere wereld,
waar zij nooit meer zullen sterven, en anderen in de
wijde wijde wereld hier beneden, waar zij de voor-
treffelijke vruchten van de vermaningen eener vrome
moeder te aanschouwen geven. Hare laatste levens-
dagen zijn vol vrede; en steeds meerder kalmte en
lieflijkheid zal er over haren geest komen. Totdat
de poorten des Levens omhoog zullen rijzen, en de
afgetobde pelgrims zullen toegelaten worden in het
Rijk van de fonteinen der eeuwige rust en der eeu-
wige jeugd, waar hunne ledematen nimmermeer pijn
doen, en hunne oogen nimmermeer dof worden, en
waar de krukstok van den zwakken en waggelenden
pelgrim zal vervangen worden door den palmtak
van den onsterflijken athleet! — Amen.
-ocr page 549-
XXXV.
OP HET LEVENSTOONEEL.
Een ieder zal over hem met zijne
handen kluppelt. en over hem ilniten
uit zijne plaats.
Joji XXVil : 28.
Deze beeldspraak schijnt aan de tooneelwereld
ontleend te zijn. De Bijbel maakt meer dan eens*
zulke toespelingen. De Apostel Paulus zegt: „Wij
zijn een sc/ioinvspcl geworden der wereld, en der
engelen, en der menschen." Het blijkt zonneklaar
uit mijn tekst, dat sommige gewoonten der schouw-
burgbezoekers reeds bekend waren in Jobs tijd, omdat
hij hier zinspeelt op een acteur, dien de toeschou-
wers door hun gefluit van het tooneel trachten te
verjagen. De vertegenwoordiger van den een of
anderen persoon verschijnt op de planken,maar hetzij
door onvoldoende bestudeering van de hem opge-
dragen rol, of door onbekwaamheid, of door een
ander gebrek, hij neemt het publiek tegen zich in,
en nu tracht men door middel van uitfluiten lucht te
geven aan zijn gevoel van tegenzin en verachting.
„Een teder zal over hem met zijne handen klappen,
en over hem fluiten uit zijne plaats."
-ocr page 550-
54^
Mijn tekst herinnert er aan, dat elk onzer op het
toourcl dezer wereld is geplaatst om er de een of
andere rol te vervullen.
Wat al bezwaren en leed
en strenge tucht de groote tooneelspelers zich jaar
aan jaar moeten getroosten, om met de grootst mo-
gelijke volmaaktheid hunne rollen te kunnen uitvoe-
ren , zult gij reeds dikwijls gelezen hebben. Maar
wij, op het tooneel dezes levens geplaatst, om er
de broederliefde en het geloof en den ootmoed en
de hulpvaardigheid te vertegenwoordigen, — hoe
weinig en hoe slecht hebben wij ons voorbereid,
ofschoon wij drie galerijen met toeschouwers heb-
ben: de aarde en den hemel en de hel! Hebben wij
niet véél meer aandacht gewijd aan de door anderen
^ te vervullen rollen, dan aan de rol, die wij zelf te
vervullen hebben ? En terwijl wij hoog noodig toe-
zicht moesten houden op ons eigen huis, en ons tot
het volbrengen van onze eigen taak bepalen, zijn wij
de andere vertooners gaan critiseeren en hebben wij
geroepen: „Dat was te hoog!" of .,te laag!" of „te
zwak!" of „te overdreven!" of „te flauw!" of „te
hoogdravend!" — terwijl wij zelf jammerlijk fiasco
maken, en alle kans loopen om onder een vernede-
rend gefluit van het tooneel verjaagd te worden.
Elk onzer is eene plaats aangewezen; en er zwerven
geen losse mannetjes rondom het levenstooneel, om
deze of die of eene andere rol over te nemen, voor
\'t geval zij er toe geroepen mochten worden. Nie-
mand kan onze plaats innemen; en wij kunnen de
plaats van iemand anders niet innemen. Evenmin
kunnen wij ons karakter afleggen: geen verandering
-ocr page 551-
543
van kostuum kan ons tot iemand anders maken, dan
wat wij eeuwiglijk zijn.
Velen schieten te kort bij de vervulling hunner
rol op het levenstooneel door verkwisting. Zij be-
zitten genoeg geestesgaven, en genoeg verstande-
lijke bekwaamheden, en een onbeperkten voorraad
genialiteit. Maar zij houden er een wijnkelder op
na, die al de noodige krachten bevat voor hun maat-
schappelijken en finantieelen en zedelijken ondergang.
Reeds in de grijze oudheid, in het jaar 959, maakte
Koning Edgar van Engeland een wet, dat er in den
kant der drinkbekers op zekere hoogte pennen
moesten geslagen worden, zoodat de onmatige op
die wijze gewaarschuwd werd om op te houden
vóór hij den bodem bereikt had. Maar er steken nu
geen pennen meer uit de zijden der hedendaagsche
wijnroemers en jeneverglazen , en het punt waarbij
millioenen pas ophouden met drinken, is de zandige
bodem van hun eigen graf.
Het is hier een vruchtbaar land, en wij zamelen
rijke oogsten van tarwe en rogge en haver in; maar
de grootste oogst, dien wij hier te lande inzamelen,
is de dronkaardsoogst. Met sikkels, die gemaakt
zijn van de scherpe kanten van brandewijnflesschen
en jeneverkruiken, worden zij afgesneden, en er
zijn geheele bossen en geheele rijen van hen, en al
de ziekenhuizen en gevangenissen en grafkuilen en
kerkhoven moeten dienst doen om dien oogst der
hel op te bergen. Sommigen uwer gaan gebukt on-
der dit kwaad; en de nimmer stervende worm van
den sterken drank heeft reeds een zijner kronkels om
-ocr page 552-
544
u heen gewonden, en vóór den eerstvolgenden
Nieuwjaarsdag zal hij nóg weer een kronkel om u
heen hebben geslagen, en over niet zoo heel veel
langen tijd zal hij een kronkel slaan om uw tong,
en een kronkel om uwe hersenen, en een kronkel
om uwe longen, en een kronkel om uwe voeten,
en een kronkel om uw hart, — en op den een of
anderen dag zal deze nimmer stervende worm , met
één wrong, al die kronkels tegelijk dichttrekken,
en in de laatste wenteling uwer vreeselijke stuip-
trekkingen zult gij dan uitroepen: „O mijn God!"
en den geest geven. De grootste aller dramatur-
gen, de groote Shakespaere, laat in zijn treurspel, „De
Storm",
den beschonken hofmeester Stephano wag-
gelend over het tooneel loopen; maar over het too-
neel des menschelijken levens laat de sterke drank
keizerlijke en koninklijke en prinselijke naturen wag-
gelend voortloopen naar de voetlichten der openbare
schande, en daarna terugwaggelen naar de bespot-
ting, totdat de wereld met ongeduld het oogenblik
van hun verdwijnen tegemoet ziet, en de stemmen
der menschen en der duivelen zich vereenigen, om
hen onder een verpletterend gefluit van het tooneel
te verjagen.
Velen hebben ook geen succes op het levenstoo-
neel tengevolge van hun gemakzucht. Zij zijn altijd
bezig met het maken van berekeningen, om te zien met
hoe weinig zij volstaan kunnen tegenover de betaling
die zij ontvangen. Er zijn méér luie predikanten,
advocaten, dokters, kooplieden, schrijvers, kunste-
naars en boeren, dan men ooit gedacht zou hebben.
-ocr page 553-
545
De stad is vol leegloopers en dagdieven. Ik kan
het zien aan de manier waarop zij langs de straat
slenteren, aan hun bestendig te laat komen op af-
gesproken plaatsen en uren, aan de looden schoe-
nen , die zij steeds schijnen te dragen, wanneer zij
hunne voeten opheffen, aan hunne handen wanneer
zij ze uitsteken, aan hunne woorden wanneer zij
spreken.
De menschen zijn te lui om te doen wat zij kun-
nen doen, en willen altijd dingen ondernemen, die
zij niet doen kunnen. Op het levenstooneel willen
zij geen gewoon soldaat wezen, die met een
hellebaard over de planken loopt, en ook geen val-
kenier, en ook geen eenvoudig figurant; en daarom
blijven zij werkeloos wachten op de tooneelen,
waarin zij tot iets groots geroepen hopen te worden
Na korten of langen tijd, door een toevalligen voor-
spoed of tengevolge van een hun buitengewoon gun-
stigen samenloop van omstandigheden, worden zij
op de plaats gezet, die zij zoo vurig begeerden, maar
waartoe zij geen aanleg of bekwaamheid hebben.
En al heel spoedig, indien de held een koopman is,
gaat hij bij zijne crediteuren rond, om te zien of hij
tegen tien percent een onderhandsch accoord kan slui-
ten, ten einde het hem bedreigende faillissement af
te weren. Of indien hij een bedienaar van den
kansel is, kan men hem vertoogen hooren houden
over de ondankbaarheid der Kerken. Of indien hij
een advokaat is, verliest hij door zijn onhandig plei-
dooi eene zaak, tengevolge waarvan weduwen en
weezen beroofd worden van hun erfdeel. Of indien
-ocr page 554-
546
hij een geneesheer is, geeft hij door zijne achteloos-
heid zijn patiënt een snelwerkend middel, in om den
overgang uit deze wereld in de toekomende te be-
spoedigen. Onze onbevoegde vriend zou zoo tame-
lijkjes voldaan hebben als paardendokter; maar hij
wilde met alle geweld professor in de ontleedkunde
aan een hoogeschool worden. Hij had genoeg sui-
kergoed kunnen verkoopen om het brood voor zijn
gezin te verdienen; maar hij wilde zoo gaarne aan
het hoofd der grootste suikerraffinaderij van het land
staan. Tegen het einde huns levens zijn deze lieden
totaal uitgeput: zij hebben geen geduld meer, zij
hebben geen geld meer, zij hebben geen vrienden
meer, zij hebben niets meer! Zij gaan naar het
armenhuis, of zij trachten er buiten te blijven door
zich in schulden te steken bij al de kruideniers- en
de manufactuurwinkels, die hun nog crediet willen
geven. De menschen beginnen benieuwd te wor-
den, wanneer de gordijn dit weerzinwekkend too-
neel aan hunne oogen zal onttrekken. Eene poos
later, zonder iets anders achter te laten dan hunne
complimenten om den dokter, den apotheker, den
aanspreker en den doodgraver te betalen, verdwij-
nen zij. Af! Met gefluit van het tooneel verjaagd!
Anderen zien hunne pogingen op het levenstooneel
mislukken tengevolge van brutale zelfzucht. Zij laten
al de rivieren uitloopen in hun eigen zee, al de
wegen van „emolumenten" en ,,gratificatiënJ\' eindigen
aan hunne deur, en zij trachten al de pluimen der
eere op hun eigen hoed te steken. Zij helpen nie-
mand, steunen niemand, bemoedigen niemand, red-
-ocr page 555-
547
den niemand. „Hoe\'n hoogen stapel geld kan ik wel
bijeen schrapen?" en „Hoeveel kan ik van de we-
reld opslokken?" zijn hunne levensvragen. Zij zien
zoo ongeveer op gewone menschen neer als de
Turken op de Asapi\'s of gemeen-soldaten, die zij
slechts goed genoeg achten om de grachten en sloten
en kuilen met hunne doode lichamen te vullen, zoo-
dat de andere troepen dan over de lijken kunnen
stappen, om de vesting in te nemen. Na verloop
van eenigen tijd wordt de prins van het wereldsch
succes ziek. De eenige belangstelling, waarmee de
maatschappij den loop van \'s mans ziekte volgt,
blijkt uit den invloed, dien het vooruitzicht van zijn
overlijden op de geldmarkten oefent. Na verloop
van eenigen tijd komt hij te sterven. Met groote
letters staat in de nieuwsbladen te lezen, hoe hij
met niets begon en met alles eindigde. Hoewel
sommige menschen, fatsoenshalve en om den schijn
te bewaren, een zakdoek voor hunne oogen hou-
den, wordt er geen enkele echte traan geschreid!
De erfgenamen blijven den geheelen nacht op zitten ,
terwijl hij op zijn praalbed ligt, om te bespreken,
hoe de oude heer hun wel in zijn testament zou be-
dacht hebben. Al de livereistallen binnen twee mijlen
in den omtrek moeten medehelpen om het benoo-
digde aantal lijkkoetsen te leveren, en al de winkels
van rouwgoed hebhen \'t overstelpend druk met het
verkoopen van krip en floers. De steenhouwers
zenden aanbiedingen voor een monument. Bij de
plechtige begrafenis leest de predikant iets over de
opstanding der dooden voor, hetgeen de hoorders
-ocr page 556-
548
oet vreezen, dat — als de gewetenlooze Beursman
eens bij de algemeene verrijzing weer te voorschijn
komt — hij dadelijk zijn best zal doen om een specu-
latie in zerken en graafnaalden op touw te zetten.
Alle eerlijke lieden zijn verheugd, dat die moreele
schandvlek voor goed verdwenen is. De Beursspecu-
lanten zijn blijde, omdat er nu wat meer plaats voor
hen zelf is gekomen. De neven en nichten zijn blijde,
omdat zij nu eindelijk in \'t bezit komen van de lang-
verwachte erfenis. Terwijl hem al de veeren uit
al zijne pluimen ontvallen, al de effecten uit zijn
brandkast, al de akten uit zijn trommel met hypo-
theken , al de dollars van zijn vermogen, gaat hij
heen, — en al de sombere tonen van Beethoven\'s
Doodenmarsch, en al de praal van zijne begrafenis,
en al de versierselen aan de lijkkist, en al de over-
dreven loftuitingen aan den rand van zijn graf uit-
gesproken, kunnen het feit niet wegcijferen, dat
mijn tekst weder op huiveringwekkende wijze ver-
vuld is: „Een ieder zal over hem met zijne handen
klappen, en over hem fluiten uit zijne plaats."
En\' vergelijk nu eens eenigen dezer levenseinden
met het heengaan van mannen en vrouwen, die op
het levenstooneel de rol vervuld hebben, welke God
hun had toebedeeld, en toen aftraden: door de men-
schen toegejuicht en door den Almachtige geëerd!
\'t Is nu omstreeks vijftig jaar geleden, dat in eene
betrekkelijk kleine woning der stad door een jong-
gehuwd paar een eigen huishoudentje werd opgezet.
De eerste Gast, die in deze woning genoodigd werd,
was onze Heer en Heiland Jezus Christus; en de
-ocr page 557-
549
Bijbel, die op den dag van haar huwelijk aan de
bruid geschonken werd, was de leidsman van dit
huishouden. Dagen van zonneschijn werden gevolgd
door dagen van schaduw. Hebt gij wel ooit een
huis gekend, waarover in een tijdsverloop van vijf-
tig jaren geen beproevingen zijn gekomen? De jonge
vrouw, die uit haars vaders huis naar het huis van
haren jongen man trok, ging derwaarts met een
ouderlijken zegen en een goeden raad, dien zij nooit
zal vergeten. Hare moeder sprak aan den voor-
avond van den huwelijksdag tot haar: „Welnu, mijn
kind! thans gaat gij ons verlaten. Natuurlijk — zoo-
lang als uw vader en ik leven, begrijpt gij wel,
dat gij zoo dikwijls bij ons kunt komen als gij ver-
kiest. Maar uw eigenlijk tehuis zal voortaan ergens
elders zijn. Door eene langdurige ervaring heb ik
geleerd, dat er niets beters is, dan God te dienen.
De toekomst lacht u thans zeer helder toe, mijn
kind! en gij zoudt misschien denken dat gij het wel
zonder godsdienst kunt stellen; maar de dag zal
komen, waarop gij God zult noodig hebben. En nu
geef ik u dezen raad: stel eene huiselijke godsdienst-
oefening in, en — als het noodig mocht zijn — leid
dan zelf dien eeredienst." De raad werd aangeno-
men, en de jonge vrouw wijdde elke kamer van
haar huis aan God.
De jaren verstreken , en er braken voor dit huis-
gezin vroolijke dagen aan, maar zij waren goed en
gezond; en er kwamen zorgen over dat huis, maar
zij werden gelenigd door troost. Huwelijken zóó
feestelijk als óranjebloesems ze maken konden, en
-ocr page 558-
55°
begrafenissen waarbij aller hart rouw droeg. Zij
hebben een familiegraf op het kerkhof, maar die ge-
heele omgeving wordt bestraald door geschiedenis-
sen van opstanding en hereeniging. De kinderen
van het huishouden dat daar woonde, zijn allen
opgegroeid als geloovige Christenen en Christinnen,
waartoe de vader en moeder hun den weg gewezen
hebben en de kinderen gevolgd zijn. Hoe zorgvul-
dig gaf de moeder acht op kleeding en opvoeding,
op karakter en manieren! Hoe hard moest zij dik-
wijls werken! Wanneer het hoofd van \'t gezin on-
gelukkig was in zijne zaken, naaide zij, totdat hare
vingertoppen stram waren en aan de toppen bloed-
den. En welk eene nauwlettende berekening om
steeds zuinig te wezen en te sparen, en wat al ver-
nuftige vindingskracht in de moeielijke kunst van
„oud maken nieuw" bij het verwerken van de klee-
ren der oudere kinderen voor de jongeren! God
alleen hield boek van de hoofdpijnen en rugpijnen
en hartkloppingen dier moeder, en van de met
bevende stem uitgesproken gebeden naast de wieg
van dat zieke kindje of het bed vaq dien kranken
volwassene! De buren merkten dikwijls hoofdschud-
dend op, dat zij er zoo vermoeid en zwakjes uitzag,
en oude kennissen herkenden haar bijna niet meer,
als zij haar op straat tegenkwamen. Maar zonder
één woord van klacht of tegenzin, bleef zij zorgen
en werken en verdragen en voltooien, al die jaren.
De kinderen zijn nu het huis uit en de wereld in,
waar zij zichzelven en hun ouders eer aandoen.
Eindelijk legt de moeder zich op haar laatste ziek-
-ocr page 559-
55i
bed neder. De kinderen en kleinkinderen, van wijd
en zijd ontboden, treden zachtkens en behoedzaam
de ziekenkamer binnen, één voor één, want zij is
reeds te zwak om er meer dan één tegelijk te zien.
Zij laat hare stervende vingers liefkoozend over hun
hoofd glijden, en zegt hun, dat zij niet moeten schreien,
want dat zij nu wel heengaat, maar over een kleinen
tijd zullen wij elkander weerzien in een betere
wereld, — en daarna geeft zij hun een afscheidskus
en zegt zij tot elk hunner: „De Heer onze God
zegene u en behoede u, mijn dierbaar kind!" De
dag der begrafenis breekt aan, en de predikant die
uitgenoodigd is om aan haar graf een woord te
spreken, verhaalt de geschiedenis dier vrouwelijke
en moederlijke volharding; en vele harten op aarde
en in den hemel stemmen vol blijdschap en dank-
baarheid met die feiten in. En terwijl zij voorgoed
van dit aardsche levenstooneel aftreedt, hoort men
uitroepen als: „Getrouw tot in den dood!" of „Zij
heeft gedaan wat zij kon!" — terwijl ver boven
alle stemmen der aarde en des hemels uit, zich het
welkom doet hooren van dien God, die haar van
het eerste oogenblik haars levens tot het laatste
bleef gadeslaan, en die nu tot haar spreekt: „Wel,
gij goede en getrouwe dienstmaagd! over weinig zijt
gij getrouw geiveest, over veel zal ik u zetten; ga
in, in de vreugde uws Heer en!"
En wat werd er van den vader van dat huisgezin ?
Hij zette op betrekkelijk jeugdigen leeftijd een zaak
op, en hij had slechts een klein inkomen; en toen
hij een beetje vooruit begon te komen, zag hij ten-
-ocr page 560-
552
gevolge van ziekten in zijn huisgezin al zijne spaar-
penningen verdwijnen. Hij maakte veertig jaren lang
al de handelscrisissen mede, waarbij hij door vele
en zware verliezen getroffen werd, en onder veel
bedrog en verraad had te lijden, — maar hij bleef
steeds kloekmoedig recht door zee gaan, zijn ver-
trouwen op God stellend, hetzij de zaken goed of
slecht gingen, altijd zijnen kinderen een goed voor-
beeld te zien gevend en hun altijd den besten raad
verstrekkend, — en nimmer deed hij in al die jaren
een gebed, of zij werden er in gedacht. Nu is hij
oud, en hij begrijpt wel, dat het thans zoo heel lang
niet meer zal duren, of hij zal van het levenstooneel
moeten aftreden. Maar hij zal zijnen kinderen een erf-
deel van gebeden en Christelijke beginselen nalaten,
waaraan al de bedriegers en oplichters der aarde
nooit iets kunnen ontnemen; en als hij uit deze we-
reld zal heengaan, zendt de Kerk van God en van
Christus hem haren zegen, en de arme trekt aan
zijn huisschel, om te hooren of hij weer wat beter
is. En zijn graf is omringd door eene menigte, die
te voet is gekomen en daar reeds stond vóór de
lijkwagen en de familiekoetsen en de rouwstoet na-
derden. En dezen en genen zeggen: „Er zal niemand,
zijn, die zijne plaats kan innemen!" En anderen
vragen: „Wie zal zich nu over mij ontfermen?" En
anderen verzekeren: „Zijne nagedachtenis zal ten
eeuwigen dage in zegening blijven!" En als hij voor
goed van het levenstooneel scheidt, zijn aldejuich-
kreten en bravo\'s en terugroepingen, die ooit bin-
nen de wanden der aardsche schouwtooneelen weer*
-ocr page 561-
553
galmden, slechts mat en onbeteekenend, vergele-
ken met de lange en luide uitbarstingen van gejuich
en goedkeuring, die zich dan zullen doen hooren uit
de wolk van getuigen langs de hoogverheven galle-
rijen des hemels. Kiest dan nu heden tusschen het
leven, dat zal eindigen met een smadelijk fluitend
verjagen van het tooneel, en het leven dat eindigen
zal onder de toejuichingen van verlosten en geza-
ligden, van serafs en aartsengelen! — Amen.
-ocr page 562-
.
-ocr page 563-
XXXVI.
GELD.
Die rijk willen worden, vallen iu
verzoeking, en iu den strik, en in
vele dwaze en schadelijke begeerlijk-
heden, welke de menschen doen ver-
zinken in verderf en ondergang.
1 TlMOTHEL\'8 VI : 9.
Dat is de Niagara-waterval waarover eene menigte
zielen heenvliegen, namelijk het voornemen om in
ieder geval geld te krijgen, hoe dan ook, langs den
rechten of langs den ónrechten weg. Zeg mij, hoe
een man aan zijn geld is gekomen en wat hij er
mede doet, en ik zal u zeggen, hoe zijn karakter is
en wat zijn lot zal wezen in deze wereld en in de
toekomende. Ik heb mij voorgesteld, dezen morgen
tot u te spreken over de verderflijke manieren om
in het bezit van geld te komen.
Wij hebben hier in Amerika pas een nationale
verkiezing doorgemaakt, waaraan — volgens eene
globale berekening — dertig millioen dollars waren
ten koste gelegd. Ik geloof, dat ongeveer hvintig
millioen daarvan besteed zijn aan weergalooze om-
koopcrij.
Beide partijen brachten voor dit doel, al
wat zij konden, bijeen. Maar dat was slechts op
eene groote schaal wat vijftig jaar lang en in alle
-ocr page 564-
55Ó
takken van bestuur op kleiner schaal gedaan is.
De staatkunde, oorspronkelijk de wetenschap om
op de beste wijze te regeeren, is vaak zóó bezoe-
deld en vernederd geworden, dat zij op denzelfden
lagen trap stond als zedeloosheid en verdorvenheid.
Eene monsterachtige zonde, zeer aannemelijk op \'t
oog, machtig, verpestend, is uitgetogen om haar
vreeselijk werk te doen door alle eeuwen. Hare
beide handen zijn rot van melaatschheid. Zij houdt
hare rechterhand in een diepen zak verborgen. De
linkerhand is tot een vuist gebald, en met hare wa-
terzuchtige knokkels klopt zij op de deur van de
Amerikaansche rechtszaal, van de vergaderzaal der
wetgevende macht, van het Congres, en van het
Parlement. De deur gaat open, en het monster
treedt binnen, en het sluipt de raadkamer door,
even zacht en onhoorbaar als een, op pantoffels loo-
pende, page; en daarna haalt het zijne rechterhand
uit zijn diepen zak, en steekt het die groetend den
Amerikaanschen rechter of wetgever toe. Wanneer
die hand wordt aangenomen, en de handpalm van
den verleider met de handpalm van den ambtenaar
in aanraking komt, gaat de melaatschheid van palm
tot palm over, in eene ronde vlek, zoo rond en zoo
groot als een fonkelnieuw goudstuk, en het vergif
verspreidt zich al verder en verder, en het vonnis
is geveld, en het slachtoffer bezwijkt. Laat de om-
kooperij, vervloekt door God en menschen, voor
de vierschaar verschijnen!
De Bijbel brandmerkt haar telkens en telkens weer.
Samuel zegt van zijne twee zonen, die rechters
-ocr page 565-
557
waren geworden: „Zij namen geschenken, en bogen
liet recht."
David zegt van sommigen zijner vervol-
gers: „Welker rechterhand vol geschenken is."" Amos
zegt van sommige menschen in zijn tijd: „Zijnemen
zoengeld, en verstooten de nooddmftigcn in de poort\'\'1
Eliphaz voorspelt de verpletterende slagen van Gods
verontwaardiging, als hij verklaart: „Het vuur ver-
teert de tenten der geschenken.""
Het is geen lichte verzoeking. De machtigsten
zijn er onder bezweken. Lord Bacon, lord kanse-
lier van Engeland, de grondlegger onzer nieuwere
wetenschap, de schrijver van „Novum Organum"
en van eene geheele bibliotheek van boeken, de lei-
dende denker zijner eeuw, reeds zóó vroeg verstan-
dig, dat hij, toen hem in zijn prille jeugd eens door
koningin Elisabeth van Engeland gevraagd werd:
„Hoe oud zijt ge?" ten antwoord gaf: „Ik ben
twee jaar jonger dan de gelukkige regeering Uwer
Majesteit", — van wiens redenaarstalent Ben Jonson
schreef: „De vrees van ieder die hem hoorde, was
dat hij zou eindigen"; - die een inkomen had, waar-
van gij verondersteld zoudt hebben, dat het hem
boven alle verzoeking van omkooperij zou verheffen:
zesendertigduizend dollars per jaar, en met een kas-
teel als een paleis, en met vorstelijke landgoederen
in het heerlijkste gedeelte des lands, — en toch:
onder die verzoeking der omkooperij valt hij redde-
loos in zijn verderf, en terwijl hij bekent, dat hij ge-
schenken heeft aangenomen, geeft hij als verschoo-
nende omstandigheid op, dat al zijne voorgangers
ze aannamen. Hij werd veroordeeld tot eene boete
-ocr page 566-
55Ö
van tweehonderdduizend dollars — of wat overeen-
komt met tweehonderdduizend dollars van onze munt
— en in den Tower te Londen gevangen gezet.
Het zwarte hoofdstuk in de Engelsche , de Iersche,
de Fransche en de Amerikaansche staatkunde, is het
hoofdstuk der omkooperij. Allen herinnert gij u de
Wilson- en de Panama-schandalen in Frankrijk,
de Panamino\'s in Italië — en elders. De zonde
der omkooperij spoorde Görgey aan om Hongarije
te verraden, spoorde Achitophel aan om David te
verloochenen, en Judas Iscariot om den Christus te
kussen. Als ik zoovele beroemde mannen zie be-
zwijken onder deze verzoeking, denk ik onwillekeu-
rig aan den rooden draak, waarvan in de Openba-
ring gesproken wordt: met zeven koppen en tien
hoornen en zeven kronen, een derde gedeelte van
de sterren des hemels achter zich aan sleepend.
De couloirs der Wetgevende Lichamen regeeren
hier in Amerika het land. Het land is dronken van
omkooping! „O", zegt deze of gene, „het is vol-
strekt niet noodig, te getuigen tegen omkooping door
middel van beloften of van dollars, omdat ieder
man zijn vasten prijs heeft!" Dat geloof ik niet.
Zelfs het heidendom en de donkere middeneeuwen
hebben voorbeelden van onbedorven rechtschapen-
heid opgeleverd. Een kadi van Smyrna moest von-
nis vellen in een aan zijn oordeel onderworpen zaak.
Ten einde hem om te koopen, gaf een man hem
vijfhonderd dukaten. De zaak kwam aan de orde.
De omkooper had eene menigte getuigen. De arme
man daarentegen had er geen enkele. Nadat de
-ocr page 567-
559
zaak behandeld was, sprak de kadi: „Deze arme
man heeft geen getuigen, denkt hij; daarom zal ik
in zijn voordeel vijfhonderd getuigen van de tegen-
partij laten voorkomen!" En daarna den zak met
dukaten onder zijn zitbank uithalend, slingerde hij
dien voor de voeten van den omkooper tegen den
grond, en zeide hij: „Ik vel mijn vonnis in uw na-
deel!" — Toen den Griekschen veldheer en Staats-
man Epaminondas een geschenk werd aangeboden,
ten einde hem om te koopen, antwoordde hij: „Ik
zal deze zaak doen, als zij recht is; maar als zij
niet recht is, kunnen al uwe bezittingen mij niet tot
het tegendeel overreden!"
Den President van het Amerikaansche Congres
gedurende de Amerikaansche Revolutie, Generaal
Reed, werden door buitenlandsche bemiddelaars
tienduizend guinjes aangeboden, indien hij zijn land
wilde verraden. En wat was zijn antwoord? „Mijne
heeren, ik ben een zeer arm man; maar zegt aan
uwen koning, dat hij niet rijk genoeg is om mij te
koopen!" Doch waartoe zoo ver te gaan, terwijl
gij en ik, indien wij ons in fatsoenlijke kringen be-
wegen, mannen en vrouwen kennen, die door al de
machten der aarde en der hel niet omgekocht zou-
den kunnen worden. Zij zouden zich evenmin laten
omkoopen, als dat bij u de gedachte zou opko-
men om een engel des lichts in verzoeking te bren-
gen, den hemel der heerlijkheid te verruilen voor
den poel des verderfs. Het aanbod van omkoopen is
een schurkenstreek, maar het is ook een zeer armzalig
compliment voor den man, wien het wordt aangeboden.
-ocr page 568-
560
Ik heb niet veel vertrouwen in die lieden, die er
overal op loopen te pochen, hoeveel zij zouden kunnen
krijgen, als zij zich maar wilden verkoopen. Die
vrouwen die er over klagen, dat zij zoo dikwijls belee-
digd worden, moesten begrijpen, dat er in haar rijtuig
iets is om de beleediging uit te lokken. In alle ste-
den van Amerika en van de geheele wereld zijn er
mannen, die evenmin last zullen hebben van een
poging tot omkooping, als dat eene zeerooversboot
met een paar hartsvangers een aanval zou durven
doen op een Britsch oorlogsschip met twee rijen
kanonnen aan eiken kant, welker loopen tot aan
het laadgat gevuld zijn. Het zijn onkreukbare man-
nen, en zij zijn de weinige mannen, die de stad en
het land zullen redden.
Een ander verkeerd gebruik van geld is gelegen
in het misbruiken van ons toevertrouwde fondsen. Aan
bijna ieder man wordt gedurende den loop van zijn
leven, op een grooter of kleiner schaal, het eigen-
dom van anderen ter bewaring toevertrouwd. Hij
is, in zooverre, een veilige bewaarder: hij is een
administrateur, en heeft de belangen der familie van
een overleden vriend in zijne hand. Of hij is een
advocaat of procureur, en door zijne tusschenkomst
geschiedt de betaling van den schuldenaar aan den
schuldeischer; of hij is werkzaam als kassier voor
eene handelsfirma, die hem vergoeding geeft voor
zijne verantwoordelijkheid; of hij is de penningmees-
ter eener inrichting van liefdadigheid, en als zoo-
danig heeft hij de aalmoezen in bewaring, die ter
leniging van nood en ellende zijn bijeengebracht; of
-ocr page 569-
56i
hij is een finantieel ambtenaar van de stad of den
Staat of de natie, in welke hoedanigheid hij belas-
tingen en subsidieën en salarissen en kasgelden on-
der zijne berusting heeft.
Een toevertrouwd pand is zoo heilig als God het
kan maken. Het is een saamvatting en vermenigvul-
diging van velerlei vertrouwen. Van dien man hangt
het levensonderhoud van een vaderloos huisgezin
af, of de moraliteit van ondergeschikten, of de juis-
te bewegingen van een duizendtal raderen der grootn
maatschappelijke machinerie. Een man moge met
zijn eigen geld en goed doen wat hij wil, — maar
wie misbruik maakt van hem toevertrouwde fond-
sen, pleegt door en in die ééne daad diefstal, valsch-
heid en meineed, en wordt, in de volste en vreese-
lijkste beteekenis van het woord, een misdadiger.
Hoevele weduwen en weezen zijn er, die niets an-
ders tusschen zich en den hongerdood hebben dan
eene naaimachine, of die boven den gapenden afgrond
van den reddeloozen ondergang alleen worden vast-
gehouden door den draad eener naald, die rood is
van hun eigen hartebloed, terwijl zij nog slechts een
kleinen tijd geleden in \'t bezit waren van een vol-
doend levensonderhoud, hun door den echtgenoot
en vader nagelaten. Wat is er gebeurd? De admi-
nistrateurs of executeurs hebben het geld verloren
doen gaan, door er kansen mede te wagen, waar-
aan zij het niet hadden durven blootstellen, als het
hunne eigene, partuculiere belangen had ge-
golden.
Hoe dikwijls gebeurt het, dat een man in het
-ocr page 570-
562
zweet zijns aanschijns een kapitaal verdient, en
daarna sterft, en — binnen den tijd van een paar
maanden verdwijnen al de gelden en goederen in de
speculatie-draaikolken van den effectenhoek! Hoe
dikwijls hebt gij het reeds beleefd dat de man, wien
in goed vertrouwen het beheer van fondsen werd
opgedragen, ze uit de Spaarbank en van de han-
delmaatschappijen en de bankierskantoren wegnam,
en de oude woonsteden in klinkende munt omzette,
en daarna de geheele nalatenschap in den bodem-
loozen kolk van het beursspel stortte. Verduistering is
een \'gemakkelijk uit te spreken woord, maar het
heeft tienduizend vertakkingen. Er is geen enkele
Amerikaansche stad, die niet geleden heeft onder
het misbruik van toevertrouwde fondsen. Waar is
de rechtszaal, of het stadhuis, of de gevangenis, of
het postkantoor, of het ziekenhuis, waarbij tijdens
den bouw geen politiek geknoei heeft plaats gehad?
Lang voordat het nieuwe gerechtsgebouw te New-
York voltooid was, kostte het over de twaalf mil-
lioen dollars! Er was geen enkele eerlijke paal, of
steen, of lat, of nagel, of vierkante voet lood, of
vierkante duim pleisterwerk, of inktkoker of deur-
kruk aan dat geheele gebouw!
Dat slechte voorbeeld wordt gevolgd in vele andere
steden, die niet zooveel stelen, omdat er niet zoo-
veel te stelen is. Er behoorde een scherper, nauw-
lettender toezicht te zijn, en er behoorde minder ge-
legenheid te bestaan tot verduistering. Opdat de
man zich geen vijfcentsstuk zal toeëigenen, dat hem
niet toebehoort, moet hier in Amerika de tramcon-
-ocr page 571-
563
ducteur bij elke betaling zijne schel laten hooren ; en
wij zijn zeer waakzaam tegen kleine overtredingen ,
maar geven aan zondaars op grooter schaal ruim-
schoots gelegenheid om te ontsnappen. Voor een
jongen, die bij den bakker op den hoek een tarwe-
brood steelt om zijne moeder van den hongerdood
te redden, de gevangenis; maar voor zwendelaars,
dié er met een half millioen dollars van doorgaan,
een kasteel aan de oevers van den Rijn, of—na ge-
wacht te hebben tot de zaak in \'t vergeetboek is ge-
raakt — een buitenplaats in hun vaderland!
Nog eene andere opmerking moet er gemaakt wor-
den, namelijk dat de menschen zich niet moesten
wagen op plaatsen, of in zaken, of in betrekkin-
gen , waar de verzoeking machtiger is dan hun ka-
rakter.
Indien er groóte sommen gelds door de han-
den gaan, en de man niet volkomen zeker is van
zijne eigene eerlijkheid, dan hebt gij geen recht om
met een onzeewaardig vaartuig in een orkaan uit te
zeilen. Een man kan beoordeelen, naar het gevoel
van zwakheid of van kracht tegenover een gelegen-
heid om kwaad te doen, of hij zich in een, voor hem
veilige, omgeving bevindt. Hoevele ouders begaan
eene rampzalige vergissing, wanneer zij hunne jon-
gens plaatsen op bankierskantoren en in winkels en
magazijnen en agentschappen en op andere posten van
heilig vertrouwen, zonder ééne gedachtenwisseling
over de vraag, of zij tegen de verzoeking bestand
zijn! Gij voorziet den jongen ruimschoots van geld,
en houdt er geen toezicht op, en maakt op die wijze
den weg naar de diepte zeer gemakkelijk voor hem,
-ocr page 572-
564
— en gij legt hem een last op, dien hij niet dragen
kan. Er zijn menschen, die posten vol verzoekingen
aanvaarden, enkel en alleen rekening houdend met
het feit, dat het winstgevende posten zijn.
Een abt wenschte een stuk grond te koopen, dat
de eigenaar niet van de hand wilde doen; maar
eindelijk stemde de eigenaar er in toe, dat hij het
in bruikleen mocht houden totdat hij er één oogst
van zou kunnen inzamelen, — en de abt zaaide er
eikels in: een oogst van tweehonderd jaren! En ik
zeg u, jonkman, dat de ongerechtigheden, die gij
in uw hart en uw leven plant, u misschien zeer on-
beteekenend voorkomen; maar zij zullen opgroeien
totdat zij u zullen overschaduwen met afgrijselijke
duisternis, en u ten allen tijde en in alle eeuwig-
heid zullen overschaduwen. Het zal niet een oogst
zijn voor tweehonderd jaren, maar een oogst voor
eeuwigdurende eeuwen!
Ik sta hier dezen morgen tegenover velen , wien
fondsen zijn toevertrouwd. Het is een compliment
voor u, dat men zooveel vertrouwen in u heeft ge-
steld; maar ik waarschuw u , in de tegenwoordig-
heid van God en de wereld: weest even voorzichtig
met den eigendom van anderen, als gij het met uw
eigen goederen en bezittingen zijt! Boven alles:
houdt uwe eigen particuliere rekening met de Bank
ten strengste afgescheiden van uwe rekening als be-
heerder van een kapitaal, of als beheerder van lan-
derijen. Dat is het kritieke punt, waarop duizenden
menschen schipbreuk lijden. Zij vermengen het geld
en goed van anderen met hun eigen geld en goed;
-ocr page 573-
565
zij trachten het zoo winstgevend mogelijk te beleg-
gen, en — weg gaat alles, en zij kunnen niet weer-
geven vyat zij geleend hebben. Daarna volgt de uit-
barsting, en de geldmarkt krijgt een schok, en de
pers maakt alarm, en de Kerk slingert haren ban-
vloek.
Gij hebt het recht niet om het eigendom van
vreemden te gebruiken op andere wijze dan in hun
voordeel, en ook evenmin zonder hunne toestemming,
behalve wanneer zij minderjarigen zijn. Indien het met
hunne toestemming geschiedt, belegt gij hun eigendom
zoo goed als gij kunt, en al gaat dan ook alles verloren,
gij zijt niet te berispen: gij hebt de zaak zoo goed
behandeld als gij kondt. Maar verval niet in de dwa-
ling, die reeds zooveel mannen van zaken in het ver-
derf heeft gestort, namelijk de meening, dat iets hun
eigendom is, omdat zij het tijdelijk in hun bezit heb-
ben. Het is een heilig pand, dat God u gegeven heeft.
In deze talrijke vergadering zijn er wellicht som-
migen, die misbruik hebben gemaakt van hun toever-
trouwde fondsen. Geeft ze terug, of indien gij een
zóó schromelijke en hopelooze verwarring hebt aan-
gericht, dat gij ze niet meer £««/teruggeven, bekent
alles wat er gebeurd is aan hen, die gij bedrogen
en te kort gedaan hebt, dan zult gij misschien
\'s nachts beter slapen, en eene betere hoop voor uwe
ziel hebben. Hoe droevig en hoe vreeselijk zou het
zijn, wanneer — nadat gij gestorven waart — uw
boedelberedderaar uit uwe kasboeken, of uit de
afwezigheid van de vereischte obligatiën, tot de
ontdekking zou moeten komen, dat gij niet alleen
-ocr page 574-
566
finantieel bankroet waart, maar dat ook uwe ziel
verloren was gegaan!
Een bluftftrig jongroensch trad eens een hotel bin-
nen, ergens in het Westen van Amerika, en zag
da?, in de vestib ile iemand staan, dien hij voor een
werkman hield; en op een vrij ruwe en norsche
manier, waarop geen enkel man het rechtheefteen
arbeider toe te spreken, voegde liij hem toe: „Breng
dezen kofor een" nar boven!" De man droeg den
koffer naar boven, en kwam toen weer beneden,
en nu gaf de jonkman hem een kwartdollar, die niet
meer gangbaar was, en daarom inplaats van vijf en
twintig cents slechts twintig cents waarde had. Daar-
na stelde de jonkman zijn kaartje aan den werkman
ter lvnd en zeide hij: „Br^ng dit eens aan den Gou-
verneur Grimes, ik moet hem spreken!" — „Wel!"
sprak de gewaande werkmpn, „ik ben Gouverneur
Grimes zelf." — uO!" storterde de jonkman nu in
de vreeselijkste verlegenheid, „clan — ziet gij — gij
—   ik — ik — vraag u wel duizendmaal excuus!"
—    Maar de Gouverneur zeide: „Ik had een zeer
gunstigen indruk van u gekregen door dien brief,
dien ge mij geschreven hebt, en waarin ge mij om
die betrekking vroegt, die ik te begeven heb; en
ik had dan ook reeds het besluit genomen, dat gij
haar hebben zoudt. Maar een jonkman die een arbei-
der voor vijf cents tracht te bedriegen, zou \'s Rijk&
kas bestelen, als hij haar in handen kreeg. Ik heb u
niet noodig. Goedenmorgen meneer!"
Geloof niet, dat er ooit een beter voorbeeld van
eerlijkheid geweest is, dan dat door den Hertog van
-ocr page 575-
567
Wellington geleverd werd. Hij trok met zijn leger
de Fransche grens over, en het leger leed gebrek,
en hij wist bijna niet, hoe hij er mede voort moest
komen. Gelegenheid om te plunderen was er aan
alle kanten in overvloed aanwezig; maar toch gaf
hij ten strengste bevel, dat niemand een hand mocht
uitsteken om iets te plunderen. In die dagen schreef
hij deze merkwaardige woorden naar huis: „Wij
zitten tot over de ooren in de schulden, en ik durf
bijna mijn huis niet uit, om de vele schuldeischers,
die ik overal op straat ontmoet en die mij om be-
taling van het hun toekomende geld aanspreken."
En toch — in diezelfde dagen kwamen de Fransche
boeren hem hunne gelden en voorwerpen van waar-
de brengen, om ze voor hen te bewaren. Een be-
roemd schrijver getuigt van deze treffende te-
genstelling: „Er is geen grootscher of nobeler ori-
gineel aan te wijzen, dan deze bekentenis. Deze
oude soldaat, na een dertigjarigen diensttijd, deze
ijzervreter en altijd zegevierende veldheer, vertoe-
vend in een vijandelijk land aan de spits van een
reusachtig leger, is . . . bang voor zijne schuld-
eischers! Dit is een soort van vrees, die verover-
aars en annexeerders nog maar zelden gekweld
heeft; en ik betwijfel of de geschiedboeken der te-
genwoordige oorlogen wel iets opleveren, dat met
dien verheven eenvoud vergeleken kan worden."
O, is het niet hoog tijd, dat wijde Evangelie-
moraal
onmiddellijk naast het Evangelie-geloof pre-
diken? De heer Froude, de beroemde Engelsche
historicus, heeft omtrent zijn eigen land deze merk-
-ocr page 576-
568
waardige woorden geschreven: „Van het groote
huis in de stad Londen tot het kleine dorpswinkel-
tje, is het handelsleven van Engeland geheel door-
trokken met valschheid en bedrog. Zóó diep is het
doorgedrongen, dat een strikt eerlijk koopman het
bijna niet tegen dat soort van concurrentie kan uit-
houden. Gij kunt er niet langer op vertrouwen, dat
een door u gekocht artikel werkelijk is wat het be-
weert te zijn. Wij zijn aan alle kanten omringd door
valsche gewichten, valsche maten, oplichterij en ge-
zwendel. En toch hebben de bedienaren van den
godsdienst dit alles met volslagen onverschilligheid
zien aankomen en toenemen. Vele honderden predi-
katiën heb ik in Engeland gehoord: over de godde-
lijke zending der geestelijkheid, over de bisschoppen,
over de rechtvaardigmaking, over het leerstuk der
goede werken, over de letterlijke ingeving, over de
kracht der sacramenten, — maar gedurende al die
dertig wonderbare jaren heb ik, voor zoo ver ik
mij kan herinneren, nooit een preek gehoord over
de maatschappelijke eerlijkheid!"
Dat is nu misschien een overdreven beschrijving
van den staat van zaken in Engeland; maar toch
ben ik er volkomen zeker van, dat het in alle lan-
den der aarde hoog noodig voor ons is , de Evan-
gelie-moraal onmiddellijk naast het Evangelie-geloof
te prediken.
Mijn hoorder, wat gaat gij doen met het valsche
document, dat gij daar in uw zak hebt? Mijn andere
hoorder, hoe maakt gij het tegenwoordig, met dat
goddelooze stelsel, dat gij thans in toepassing
-ocr page 577-
569
brengt? Is dat een „kaartje naar de hel", dat ik
daar uit uw zak zie steken? Waarom, o jonk-
man! hebt gij u gisterenavond beziggehouden met
pogingen om de handteekening van uw patroon na
te maken ? En waar zijt gij in den afgeloopen nacht
geweest? Zijn uwe gewoonten en uwe levenswijze
nog even goed, als toen gij uws vaders huis ver-
liet? Gij hebt misschien geloovige ouders en groot-
ouders gehad, en er zijn te veel gebeden voor u
opgezonden, dan dat ge nu overboord zoudt gaan.
Dr. Livingstone, de beroemde reiziger door Afrika,
was een afstammeling van de Schotsche Hooglan-
ders ; en hij verhaalt ergens, dat een zijner voorou-
ders, een van die Hooglanders, op zekeren dag al
de leden van zijn huisgezin om zich heen riep. De
Hooglander was stervende; hij had zijne zonen rond-
om zijn doodsbed. „Welnu, jongens," zeide hij, „ik
heb de geschiedenis van ons geslacht doorgezien
zoo ver als ik kon teruggaan, en in onze geheele
familie heb ik nooit één oneerlijk man gevonden,
en daarom wensch ik u terdege onder het oog te
brengen, dat gij goed bloed erft. Gij hebt geen
verontschuldiging wanneer gij kwaad doet. Jongens!
weest eerlijk!"
O, mijne vrienden, weest eerlijk tegenover God,
weest eerlijk tegenover uwe medemenschen, weest
eerlijk tegenover uwe ziel! Als er zich hier van de-
zulken mochten bevinden, die afgedwaald zijn, —
o, komt dan nu terug, komt naar huis, komt nü,
allen, geen enkele uitgezonderd in heel deze groote
vergadering, komt tot het Koninkrijk Gods! Komt
-ocr page 578-
57°
terug op den rechten weg! De deur der genade
staat wijd open, en het eindeloos ruime hart Gods
is vol ontferming en mededoogen. Komt weer thuis!
O, ik zou meer dan voldaan zijn, indien ik dezen
morgen den een of anderen jonkman mocht redden:
dezen of genen jonkman , die ver weg is afgedoold ,
en gaarne terug zou willen komen!
Ik ben blijde, dat iemand die gebeurtenis uit
de maand Augustus 1881 op muziek gezet heeft,
toen een jong meisje een geheelen spoortrein vol
passagiers van den dood redde. Sommigen uwer
zullen zich nog wel herinneren, dat in dat jaar, in
een stormachtigen nacht, een orkaan uit het Westen
een gedeelte van een spoorwegbrug wegsloeg. Er
kwam een goederentrein aanrijden, die reddeloos
in zijn verderf liep; de machinist, de stoker en de
conducteur kwamen er bij om. Een meisje bevond
zich op dat oogenblik in haars vaders huisje, dicht-
bij het tooneel der ramp. Zij hoorde den slag van
den neerploffenden goederentrein, en zij wist dat
er binnen weinige minuten een sneltrein vol passa-
giers langs denzelfden weg zou naderen. Zij stak
een lantaarn aan, en klauterde langs een der balken
van de gebroken brug naar het gedeelte, dat nog
was blijven staan, en uit blokwerk bestond, — en
dien overtocht begon zij te midden van de donder-
slagen en de bliksemstralen van den storm, en het
gebulder van den stroom beneden haar in de diepte.
Eén misstap , — en het zou haar dood geweest zijn.
En te midden van heel die vreeselijke omgeving
ging haar lantaarn uit.
-ocr page 579-
57*
Nu eens kruipend en dan weer loopend over de
glibberige rails, en over het blokwerk, kwam zij
aan den anderen kant der rivier. Zij wilde naar het
telegraaf kantoor trachten te gaan, waar de sneltrein
niet stilhield, opdat de waarschuwing tegen het ge-
vaar getelegrafeerd kon worden naar het station,
waar de trein wél stil zou houden. De trein zou
binnen weinige minuten komen. Zij was nog een
mijl van het telegraafkantoor verwijderd, maar ge-
lukkig was de trein laat. Met opengereten en bloe-
dende voeten vloog zij als de wind voorwaarts.
Toen zij eindelijk het telegraafkantoor binnenholde,
hijgend, bevend, bijna stervend van afgematheid en
uitputting, had zij nog slechts kracht genoeg om
luidkeels te roepen: „De brug is weg!" waarna zij
bewusteloos neerviel en ternauwernood weer kon
bijgebracht worden. De tijding der ramp werd van
dat station onmiddellijk naar het volgende station ge-
zonden , en de trein hield stil, en dien nacht redde
het moedige meisje het leven van honderden pas-
sagiers, en behoedde zij menig huisgezin tegen smart
en rouwe.
Maar elke straat is een baan, en elke vorm van
werkzaamheden is een baan, en elke dag is een
baan, en elke nacht is een baan, en ontelbare me-
nigten komen onder de drijfkracht der verzoeking
aansnellen, en hollen voort naar bulderende en
ijzingwekkende gevaren. God helpe ons om uit te
gaan en den trein tegen te houden! Laat ons een
of ander signaal doen hooren. Laat ons de een of
andere waarschuwing geven. Bij den troon Gods
-ocr page 580-
572
bezweer ik u: laat ons eenigen invloed oefenen om
dat voorthollen naar de diepte tegen te houden.
Redt ze! Behoedt ze! Behoedt ze! De brug is weg-
geslagen , de afgrond is diep, en de bliksemschich-
ten van den Heer onzen God doen heel den nacht
der zonde gloeien van deze waarschuwing: „Een
man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek ver-
hardt, zal schielijk verbroken worden, zoodal er geen
genezen aan zij!" —
Amen.
-ocr page 581-
XXXVII.
SAMGARS OSSENSTOK.
Na hom nu was Samgai\', een zoon
van Anath; die sloeg de Filistijnen,
zeshonderd man, met een ossenstok:
alzoo verloste hij ook Israël.
KlCHTEHEN III : 31.
Op zekeren dag toen Samgar, de landbouwer,
aan \'t ploegen was met een juk ossen, werd zijn
goedhartig bevelend en aanzettend „hort!-hu!-hort!-
hu!" plotseling veranderd in een oorlogskreet. De
Filistijnen, altijd gereed om angst en onrust te ver-
wekken, komen aanrukken met zwaard en spies.
Samgar, de ploegende landman, heeft geen zwaard,
en zou waarschijnlijk niet geweten hebben, hoe hij
het moest hanteeren, ook al had hij er een bezeten.
Maar vechten moest hij, of bezwijken onder de sla-
gen der Filistijnen. Hij had een ossenstok: een wa-
pen dat gebezigd werd om het luie span trekdieren
tot meerder spoed en inspanning aan te sporen;
een wapen van omstreeks acht voet lengte , met een
scherpe ijzeren punt aan het eene einde, om de
beesten te prikkelen, en een breeden ijzeren beitel
-ocr page 582-
574
of schoffel aan het andere einde , waarmee de klom-
pen aarde van de ploegschaar werden afgeschraapt.
En dus, — met niets anders dan die ijzeren punt
aan het eene einde van den ossenstok, en dien ijze-
ren krabber aan het andere einde, was het niet
zulk een wapen, als men wel gaarne had willen ge-
bruiken in den strijd tegen de voortreffelijk toege-
ruste Filistijnen. Maar God hielp den landman ; en
de ossen voor het oogenblik aan hun lot overlatend,
trok hij tegen de overweldigers van zijn huis en
haard op.
Sommige Schriftverklaarders, die het wat gemak-
kelijker voor Samgar willen maken, opperen de
veronderstelling, dat hij wellicht een geheel regiment
boeren ten strijde aanvoerde, zoodat zijn ossenstok
slechts één onder vele andere ossenstokken geweest
zou zijn. Maar de Heer heeft niemand onzer noodig
om de Heilige Schrift te helpen aanvullen; en Sam-
gar, met den Heer aan zijne zijde, was machtiger
dan zeshonderd Filistijnen, met den Heer tégen hen.
De strijd nam een aanvang. Samgar, wiens spie-
ren gestaald waren door de versterkende buiten-
lucht en door den arbeid van het ploegen en maaien
en dorschen, maakt gebruik van het éénige wapen,
dat hij bij de hand heeft, Hij zwaait den ossen-
stok op en neer, en naar rechts en links, — nu
eens stekend met den ijzeren prikkel a ;n het eene
einde van den stok, en dan weer stootend met den
ijzeren krabber aan het andere einde, om straks
weer het werktuig in zijn volle zwaarte op de hoof-
den der vijanden te laten neerkomen. Er ontstaat
-ocr page 583-
575
eene paniek onder de Filistijnen , die waanzinnig wor-
den van vrees en schrik; en de bovennatuurlijke
krachten werken mede, en een slag, die in andere
omstandigheden niemand neergeveld of gedood zou
hebben, deed nü het slachtoffer levenloos ter aarde
storten, zoodat — toen Samgar later over het slag-
veld rondging — hij daar kon tellen: éénhonderd
dooden , tweehonderd dooden, driehonderd dooden,
vierhonderd dooden, vijfhonderd dooden, zeshon-
derd dooden; en al dat werk gedaan door een os-
senstok met een ijzeren prikkel aan het eene einde
en een ijzeren krabber aan het andere einde ! De
roemvolle mare van dit stoute stuk, door dezen
landman volbracht met zulk een vreemdsoortig oor-
logswapen , werd wijd en zijd ruchtbaar en maakte
hem tot den held van den dag, zoodat hij weldra
tot de hoogste plaats van gezag en eere verheven
werd, en als de derde van Israëls machtige richte-
ren heerschte. En zoo ziet gij, dat de Romeinsche
Consul Cincinnatus niet de eerste en de éénige land-
bouwer was, die van den ploeg tot den troon werd
verheven.
Om welke reden werd deze weergalooze en onge-
ëvenaarde overwinning van een boerenossenstok
geboekstaafd in dezen Bijbel, waarin geen ruimte
afgestaan kon worden voor onbelangrijke en beuzel-
achtige dingen?
Dit geschiedde, in de allereerste plaats , tot on-
derwijzing van u, en tot onderwijzing van mij, en
tot onderwijzing van alle toekomende eeuwen: dat
wij — in den strijd voor God en tegen de zonde —
-ocr page 584-
57é
het beste gebruik behooren te maken van het wapen,
dat wij op een gegeven oogcnblik bij de hand hebben.
Waarom wachtte Samgar niet totdat hij een krijgs-
ros kon bestijgen, een heren hengst met een sier-
lijk gewelfden nek, en met een veelkleurig schabrak
over den rug, en met neusgaten die reeds uit de
verte de strijdlucht opsnuiven ? — of totdat hij zich
van een volledige wapenrusting kon voorzien, om
daarin ten oorlog te trekken? of totdat hij een regi-
ment kon afexcerceeren, en — na zijne manschap-
pen in slagorde geschaard te hebben — hun bevel
kan geven om ten strijde te trekken? Doch daarop
te wachten, zou gelijk gestaan hebben met een
nederlaag en vernietiging! En daarom neemt hij
het beste wapen, dat hij op \'t oogenblik in handen
kon krijgen, en dat is een ossenstok. Wij worden
geroepen tot den strijd voor het recht, en tegen
het kwade; en velen onzer hebben nu juist niet dat
soort van wapen, dat wij boven alle andere zouden
verkiezen, \'t Is misschien niet het zwaard der logi-
sche argumenten, \'t Is misschien niet de spies van
het scherpe, vlijmende vernuft, \'t Is misschien niet
de stormram der openlijke beschuldiging. Maar er
is toch wel iets dat wij doen kunnen, en er zijn
toch wel eenige krachten waarvan wij ons kunnen
bedienen.
Wacht niet op hetgeen gij niet bezit, maar gebruik
wat gij hebt!
Misschien kunt gij niet beschikken
over welsprekendheid, maar hebt gij wel een glim-
lach. Welnu, een aanmoedigend glimlachje heeft
een omkeer gebracht in het gedrag van tienduizen-
-ocr page 585-
577
den zwervelingen, en hen tot God terug doen kee-
ren. Gij zijt niet in staat om met onweerstaanbare
overredingskracht het woord te voeren, maar gij kunt
wel een voorbeeld geven, — en een goed voorbeeld
heeft meer zielen gered, dan gij in een jaar zoudt
kunnen tellen, ook al teldet gij dag en nacht door.
Gij kunt missschien geen vijftig duizend gulden
geven, maar gij kunt toch zeker wel zooveel geven
als de weduwe uit het Evangelieverhaal, wier twee
penningskens, de kleinste geldstukjes der Hebree-
ers, in zulk een gemoedsstemming werden gegeven,
dat zij deze gift beroemder hebben gemaakt dan al de
contributiën en de legaten, waarmede al de hospi-
talen en universiteiten der Christenheid uit alle eeu-
wen bedacht zijn geworden.
Gij beschikt misschien slechts over een zeer be-
perkten woordenschat, maar gij kunt toch wel „Ja!"
of „Neen!" zeggen, — en een standvastig „Ja!" of
een nadrukkelijk „Neen!" heeft de eeuwen met zijn
invloed ten goede doordrongen, en zal ze er tot in
alle eeuwigheid meê blijven doordringen. Gij hebt
misschien niet den moed om voor eene groote ver-
gadering op te treden; maar gij kunt toch wèl aan
een Zondagsschoolklasse van twee leerlingen — een
jongen en een meisje — vertellen hoe men tot Jezus
kan komen, en één hunner zal misschien een man
worden als William Carrey, de Engelsche schoen-
maker-zendeling, en een invloed van zich doen uit-
gaan, die Indië uit de kluisters van het heidendom
zal verlossen, — en de andere een vrouw als Flo-
rence Nightingale, de koningin der diaconessen,
-ocr page 586-
578
en haar reddend en troostend licht doen stralen op
de slagvelden vol gewonden en stervenden!
Gij zijt misschien niet in staat om\'een Armstrong-
kanon te laden; gij zijt misschien niet in staat om
met een bom of granaat te mikken; gij zijt misschien
niet in staat om een glinsterend musket te schou-
deren ; maar bedien u dan van iets anders, dat gij
wèl hanteeren kunt. Beproef het eens met een
smidshamer, of een koopmans-ellestok, of een met-
selaarstroffel , of een timmermans-teekening, of een
werkmeids bezem, of een boeren-ossenstok. Eén
van de verrassingen des hemels zal zijn, dat er
hier op aarde zulke grootsche dingen zijn tot stand
gebracht met zulke eenvoudige middelen! Mat-
thias Joyce, een eenvoudig man, werd een groot
apostel der rechtvaardigheid, niet doordat hij John
Wesley had hooren prediken, maar doordat hij John
Wesley op de trappen van den preekstoel een klein
kind een kus had zien geven.
En ten andere doet mijn tekstwoord ons de ge-
dachte aan de hand, dat wij — bij het bepeinzen
der vooruitzichten onzer pogingen op godsdienstig
gebied — óók rekening moeten houden met de
almacht, en de alwetendheid, en de alomtegenwoor-
digheid, en al de andere eigenschappen Gods.
Wien
ziet gij daar op dat beploegde veld van mijn tekst?
Een der toehoorders zegt: „Ik zie Samgar." Een
ander toehoorder zegt: „Ik zie zeshonderd Filistij-
nen." Mijne hoorders, gij hebt geen oog gehad voor
de voornaamste Persoonlijkheid op dat slagveld van
dien beploegden grond. Ik zie óók Samgar, en ik
-ocr page 587-
579
zie óók de zeshonderd Filistijnen; maar méér dan
die allen, en machtiger dan die allen, en indruk-
wekkender dan die allen: ik zie God\\ Samgar al-
leen met zijn ongeoefenden arm, hoe gespierd ook,
en met dat eenvoudige werktuig, dat uitsluitend
v.oor het bedrijf van den landbouwer was gemaakt,
en nooit tot oorlogswapen bestemd werd, kon zulk
eene overwinning niet behaald hebben. Dat deed de
Almacht boven, en beneden, en achter, en aan de
punt van dien ossenstok. Vóór en aleer de strijd
was afgeloopen, begreep de ploeger dit, en al de
zeshonderd Filistijnen begrepen het óók, en allen
die later het slagveld bezochten, waardeerden het.
Ik ben verlangend om de geschiedenis in den
hemel te hooren, want hier op aarde kan zij nooit
in hare volle waarheid verteld worden — misschien
zal er eens een bepaalde dag worden afgezonderd
voor het verhaal, terwijl heel de hemel aandachtig
toeluistert: — de geschiedenis van de wijze waarop
God de eenvoudige en nederige hulpmiddelen ge-
zegend heeft. Wanneer de menschen zeggen, dat
de misdaad zal triomfeeren, en dat de wereld nooit
bekeerd zal worden, wegens de schijnbare onge-
schiktheid en ontoereikendheid der daartoe gebezigde
middelen, dan tellen zij de zeshonderd gewapende
Filistijnen aan de eene zijde, en Samgar, den land-
bouwer, met zijne vreemdsoortige uitrusting, aan de
andere zijde, — zonder te beseffen, dat de strijd-
wagenen Gods zijn twintigduizend, en dat al de
hemelen, al de cherubims, al de serafijnen, al de
aartsengelen, al de goddelijke geesten, zich ge-
-ocr page 588-
I
58o
schaard hebben aan wat anders de zwakke zijde zou
zijn.
Napoleon, die eens gezegd moet hebben: „God
staat altijd aan den kant der sterkste bataillons,"
leefde lang genoeg om zijne dwaling te bemerken ;
want bij Waterloo wonnen de honderdzestig kanon-
nen der Engelschen het van de tweehonderd vijftig
kanonnen der Franschen. God is aan de zijde van
het recht; en één man die het recht aan zijne zijde
heeft, zal ten slotte sterker blijken te zijn, dan zes-
honderd man der partij van het onrecht. Bega toch
niet — bij al uwe ramingen van allerlei soorten van
Christelijke werkzaamheden — de eiken dag begane
vergissing: namelijk den Heer des Heelals buiten
rekening te laten!
Ook doet mijn onderwerp de gedachte bij ons op-
komen , dat het in den dienst van den Heer onzen God
het beste is, zulke wapenen te gebruiken . die in
V bij-
zonder voor ons geschikt zijn.
Samgar was, gelijk ve-
len onzer, op een boerderij grootgebracht. Hij wist
letterlijk niets af van werpspiesen, en schilden, en
helmen, en borstharnassen, en metalen kniestukken,
en catapulten , en ballistra\'s, en stalen seizen, die
aan de assen der strijdwagens zijn bevestigd. Maar
hij was vertrouwd met den vlegel van den dorsch-
vloer, en hij wist hoe hij daarmee slaan moest; en
met de bijl der bosschen, en hij wist hoe hij daar-
mee hakken moest; en met den ossenstok van den
ploeger, en hij wist hoe hij daarmee steken en stoo-
ten moest. En daarom zal het ook voor u en mij
het beste zijn, dat wij ons van die middelen bedie-
-ocr page 589-
SBi
nen, waarmee wij het best kunnen omgaan: van die
wapenen, waarmee wij de krachtigste uitwerking te
weeg kunnen brengen. Sommigen zullen in den
dienst des Heeren het best terecht kunnen met de
pen; sommigen met de stem; sommigen met een
voor de vuist uitgesproken rede, want zij hebben
heel den woordenschat hunner moedertaal halver-
wege tusschen hun brein en hun tong; en anderen
zullen het best voortkomen met het manuscript voor
hen uitgespreid. Sommigen zullen God dienen door
micdel van den ploeg, om tarwe en boekweit te
verbouwen, en van hetgeen zij verkoopen mildelijk
gevende aan de Kerken en de Zending; sommigen
als kooplieden, en van al hunne winsten zullen zij
een tiende voor den Heer afzonderen; sommigen als
geneesheeren, voorschriften gevend tot bestrijding
van de ziekten en de kwalen dezer wereld; en sommi-
gen als advokaten, de onschuld verdedigend en rech-
ten verkrijgend, die anders niet erkend zouden zijn;
en sommigen als zeelieden, om de oceanen te hel-
pen overbruggen voor de Zending; en sommigen als
onderwijzers en predikanten.
De komst van het Koninkrijk Gods op aarde wordt
jammerlijk vertraagd door zoovelen onzer, die rus-
teloos pogingen in \'t werk stellen om te doen wat
wij niet doen kunnen: reikhalzend smachtend naar
een slagzwaard, of een hartsvanger, of een bajon-
net, of een degen, of een achterlader, of een Maxim-
kanon, — terwijl wij ons tevreden behoorden te
stellen met onzen ossenstok. Ik dank er God voor,
dat er tienduizenden Christenen zijn, van wie gij
-ocr page 590-
582
nog nooit gehoord hebt, en ook nooit zult hooren,
totdat gij hen op de hooge eereplaatsen des hemels
ziet, die thans hier beneden, op hunne stille en
kalme wijze, in de huizen, en op de scholen, en in
bidstonden, en aan ziekbedden, en in donkere ste-
gen en sloppen, het reddende woord spreken en de
reddende daad verrichten, — zoodat de hoeveelheid
van het door hen gedane werk de stoutste bereke-
ningen nog te boven gaat!
Bij de groote revue des hemels, wanneer de
regimenten voorbij den Heer der heirscharen henen-
trekken , zullen er geheele regimenten zijn van zie-
kenverpleegsters, en van Zondagsschool-onderwijzers
en onderwijzeressen, en van tractaatverspreiders,
en van stille, bescheiden arbeiders, voor wie, als
zij voorbijkomen, de koningen en koninginnen Gods
luisterrijke kransen zullen opheffen, en zich met eer-
bied en erkentelijkheid zullen neerbuigen. Het groot-
ste gedeelte van den Christelijken arbeid voor de
redding en zaliging der wereld zal verricht worden
door lieden van één talent, en van twee talenten;
terwijl de mannen en vrouwen van tien talenten zich
heel in de hoogte ophouden, in de sterrenkundige
observatoriums, waar zij andere werelden bespieden
en bestudeeren, ofschoon zij weinig of niets uitvoe-
ren voor de verlossing van déze wereld; of zij zwe-
ven rond in den ijlen dampkring der „Hoogere Cri-
tiek," waar zij alle mogelijke moeite doen om uitte
vinden, dat Mozes den Pentateuch niet geschreven
heeft, of te bewijzen dat het keelgat van den wal-
visch niet groot genoeg was om den prediker in te
-ocr page 591-
583
zwelgen, die weigerde naar Ninevé te gaan, — en
den Almachtige rekenschap vragend van sommige
onverklaarbare dingen , die zij in de Heilige Schrift
hebben aangetroffen. Op den jongsten dag zal het
aan \'t licht komen, dat de Krupp-kanonnen lang
zooveel niet gedaan hebben om deze wereld voor
God te veroveren, als de ossenstokken.
Jaren geleden bracht ik een zomer door in de
Adirondacks, een woeste bergstreek in het Noorden
van den Amerikaanschen Staat New-York, toen mijn
welgestelde vriend, die een groot liefhebber van jagen
en visschen was, tot mij zeide: „Ik zelf heb dit jaar"
geen plan om naar de Adirondacks te gaan, dus
kunt gij van mijn jachtgereedschap gebruik maken,
ik zal het er ten uwen behoeve heen zenden." En
het was er dan ook werkelijk, toen ik in de Adi-
rondacks kwam: een prachtige uitrusting, die vele
honderden dollars gekost had, een zeldzaam mooie
tent, allerlei kunstige vischwerktuigen, allerlei soor-
ten en vormen van geweren, het een al keuriger
dan het andere, en snoeren, en weitasschen, en
aas, en fakkels, en provisiemandjcs, en nog een
massa andere dingen, waarvan ik zelfs de bestem-
ming niet kon vermoeden. En mijn edelaaardige
vriend had zelfs een schriftelijke opdracht gezonden
aan mannen, die mij zouden vergezellen in de bos-
schen, om de door mij geschoten herten en gevan-
gen forellen naar huis te dragen. Als de bergen het
toen hadden kunnen zien en begrijpen, zou er een
panische schrik ontstaan zijn onder al de gehoornde
en gevinde dieren in dien ganschen omtrek....
-ocr page 592-
584
Maar ach! ik ben geen jager, en geen enkelen hup-
pelenden reebok geen ronddartelend vischje deed ik
eenig leed. Doch er waren daar in dien tijd jagers,
die niets anders bij zich hadden dan een eenvoudig
geweer, en een mat om op te slapen, en een klos
vischtouw, en een doos met lood en kruit, en wat
aas, — die altijd en immer thuiskwamen met zoo-
veel gevangenen uit de bosschen en de stroomen,
als zij zelf en twee of drie helpers konden dragen.
En nu vrees ik, dat vele Christelijke arbeiders,
die in het bezit zijn van een buitengewoon weten-
schappelijke, en theologische, en ambtelijke uitrus-
ting, en van een zeldzaam welvoorzien wapenrek,
voldoende — zoudt gij denken — om een geheele
stad of een geheele natie voor God te veroveren,
op den Dag des Oordeels niet veel anders te
vertoonen zullen hebben dan hun mooie pakje en
gereedschappen; terwijl sommigen, die geene andere
hulpmiddelen hadden, dan die zij zich door het ge-
bed en door hunne toewijding verwierven, met de
door hen naar den oever van het eeuwig heil ge-
brachte zielen zullen bewijzen, dat zij buitengewoon
voorspoedig zijn geweest als visschers van menschen,
en in het medenemen van velen, die —- gelijk het
hert — schreeuwden naar de waterstroomen.
Waarom koos David den slinger, toen hij tegen
Goliath optrok en Goliath tegen hem? Op het veld
grootgebracht, gelijk alle andere herdersjongens,
wist hij goed met een slinger om te gaan. Eerst
werd hem Sauls wapenrusting aangetrokken, maar
het harnas van den kolossus was te zwaar voor
-ocr page 593-
5%
den herdersknaap. De helm zat hem als een dom-
per over het hoofd, en daarom zeide David: „Ik
kan in deze niet gaan, want ik heb het niet verzocht!\'\'1
En de eerste verstandige daad van David nadat hij
Sauls wapenrusting had aangetrokken, was dat hij
haar weer uittrok. Daarna leverde de beek Ella, wel
ker bedding droog was, toen ik haar zag, en uit één
groote massa keien bestond, de „vijf gladde steenen
uit de beek/\' waarmede Goliath werd neergeveld.
Of het een jongensslinger is, als "van David, of
een gebroken waterkruik, als van Gideon, of een
ossenstok, als van Samgar, — neem ter hand wat
gij kunt hanteeren, en vraag God om Zijne hulp, en
geene macht op de aarde of in de hel kan het dan
tegen u uithouden-
En trek dan op, ik beveel het u, tegen de Filistij-
nen ! Wij moeten erkennen, dat de kans tegen ons
is: zeshonderd tegen één. Uit finantieel oogpunt:
de gelden die gewijd worden aan wereldzin en
zonde en verkwisting, vergeleken met de gelden
die gewijd worden aan heiligheid en deugd — zes-
honderd tegen één. De huizen die opengesteld zijn
voor de ondeugd en de liederlijkheid en het ver-
derf, vergeleken met de huizen die voor het goede
bestemd zijn, — zeshonderd tegen één. Van de
stapels nieuwsbladen, die dagelijks wijd en zijd ver-
spreid worden, staan de verderflijke tot de verhef-
fende als zeshonderd tot één. De inrichtingen om
de wereld slechter te maken, vergeleken met de
inrichtingen om de wereld beter te maken, — zes-
honderd tegen één. Maar Mozes zingt in zijn lied;
-ocr page 594-
586
„Hoc zou een ccnigc duizend jagen, en twee tienduizend
doen vluchten
?" en in mijn tekst behaalt een ossen-
stok de overwinning op zeshonderd opgeheven strijd-
bijlen ; en de dag van de verovering des heelals zal
eenmaal komen, of de Bijbel moest een verzinsel
wezen. Mét ons, of zónder ons, — het werk zal
gedaan worden! O, komt dan en schaart u hier of
daar in de gelederen, gewapend op de eene of an-
dere wijze: gij met een naald, gij met eene pen, gij
met een goed boek, gij met een stuk brood voor
den hongerige, gij met een flesch medicijnen voor
den zieke], gij met een paar schoenen voor den bar-
revoetsgaande, gij met een woord van aanmoedi-
ging voor den jonkman, die zijn best doet om
terug te keeren van den slechten weg, gij met de
verkondiging, op wat wijze of manier dan ook, van
dien Jezus, die op aarde is gekomen om de ergste
wonden te genezen, en de zwartste zonden te ver-
geven , en ook den verst afgedwaalde naar het Va-
derhuis terug te brengen. Ik roep u toe, wat de
nachtwakers in Londen bij het vallen van den avond
plachten toe te roepen aan de huisvaders , vóór de
dagen der straatlantaarns waren aangebroken:
„Hangt uw licht uit! Hangt uw -licht uil ?" — Amen.
-ocr page 595-
XXXVIII.
DOOR GOD GETROOST.
En God zal alle tranen van hunne
oogen afwissehcu.
Openbahtno VII : 17.
Terwijl ik ergens in \'t Westen van Amerika dwars
over een prairie reed, waar de wilde bloemen tot
aan de assen der rijtuigwielen reikten, doch waar ook
heinde en verre geen beschuttend dak te zien was,
brak er plotseling eene stortbui los; en terwijl de
regen bij stroomen neerviel, scheen de zon zoo
vroolijk, als ik haar ooit heb zien schijnen. En ik
dacht: Welk een prachtig schouwspel is dat! En
zoo zijn de tranen uit den Bijbel ook geen midder-
nachtelijke storm, maar regen op de bebloemde
weilanden in Gods lieflijken, gouden zonneschijn. -
Gij herinnert u die flesch, waarop David als etiquet
schreef, dat zij tranen bevatte, *) en gij denkt aan
Maria\'s tranen, en aan Paulus\' tranen, en aan
Christus1 tranen, en aan den oogst van gejuich, die
er ontspruiten zal na het zaaien van tranen. God
mengt ze. God strooit ze rond. God wijst hun de
*) „Taj.mage\'s 1\'reeken", No. XV.
-ocr page 596-
588
plekken, waar zij moeten nedervallen. God doet ze
verdampen. Zij worden allen geteld, en er wordt
zoowel aanteekening gehouden van het oogenblik
waarop zij geboren werden, als van de plaats hun-
ner graven.
De tranen van slechte menschen worden niet
bijgehouden. Ik spreek over de tranen van Gods
kinderen. Helaas! zij vallen ten allen tijde. Des
zomers hoort gij somtijds het rommelen van den
donder, en ziet gij, dat er mijlen verder een storm
woedt; maar gij bemerkt uit het drijven der wolken,
dat hij niet in uwe onmiddellijke nabijheid zal komen.
En zoo, ofschoon het misschien aan alle kanten
helder en zonnig rondom u is, valt er altijd hier of
daar een stortbui van angsten en zorgen. Tranen !
Tranen !
Maar waartoe dienen ze eigenlijk? Waarom wor-
den zij niet vervangen door gelach? Waarom is
deze wereld niet gemaakt tot een oord, waar alle
menschen gezond zijn en ten eeuwigen dage onbe-
kend blijven met pijn en smarten ? Wat is het nut
van een Noordwester storm, terwijl wij een be-
stendig zuidoostelijk koeltje konden hebben? Waarom
kunnen, wanneer een huisgezin eenmaal bijeenge-
bracht is, de leden van dat huisgezin niet allen
bijeen blijven? Of indien zij overgeplant moeten
worden, om naar een ander tehuis over te gaan,
waarom kunnen zij dan niet allen levend blijven,
zoodat de familie-kroniek wel van huwelijken en ge-
boorten verhaalt, maar niet van sterfgevallen?
Waarom volgen de oogsten elkaar niet Qp zonder
-ocr page 597-
589
vermoeiender) arbeid ? Waartoe het harde kussen,
de harde korst, de harde strijd? Het valt gemak-
kelijk genoeg, de bestemming te verklaren van een
glimlach, of van een succes, of van een gelukwensch;
maar kom nu hier, en breng al uwe woordenboe-
ken mede, en al uwe wijsgeerige werken, en al
uwe godsdienstige litteratuur, en help mij de be-
teekenis verklaren van een traan. Een scheikundige
zal u zeggen, dat een traan bestaat uit zout en
kalk en andere samenstellende deelen; maar hij
heeft geen oog voor de voornaamste ingrediënten:
de wrange droesem van een verzuurd leven, de
venijnige steek eener bittere herinnering, de stuk-
ken en brokken van een gebroken hart. Ik zal u
zeggen wat een traan is: het is een oplossing van
zielsangst.
En luistert nu toe, terwijl ik tot u spreek
over het nut der zorgen.
Het doel der zorgen is allereerst, deze wereld niet
al te aantrekkelijk te maken.
Er moest iets gedaan
worden om ons bereidwillig te maken, dit leven [af
te leggen. Als het niet om de zorgen was, zou
deze wereld een vrij goede hemel voor mij wezen.
Gij en ik zouden er wel idéé in hebben, voor dit
leven een huurceel te teekenen voor een honderd
millioen jaren, als er maar geen zorgen waren.
Als deze aarde overal voorzien was van zachte
kussens en mollige bekleedsels en gebeeldhouwde
zuilen en blinkende kandelaars, alles even rijk en
kostbaar, dan zou geene beschrijving van andere
werelden ons in verrukking kunnen brengen.
Wij zouden zeggen: „Laat mij liever met rust!
-ocr page 598-
59"
Als gij zoo gaarne wilt sterven, en uw lichaam
laten ontbinden tot stof, en uwe ziel op een hemelsch
avontuur laten uitgaan, dan kunt gij het mijnent-
wege doen; maar voor mij is deze wereld goed ge-
noeg!" Gij zoudt evengoed tot iemand kunnen gaan,
die zoo pas het Louvre te Parijs is binnengetreden,
en hem zeggen, dat hij zich zoo spoedig mogelijk
naar de museums van schilderijen in Venetië of in
Florence moet begeven. „Waarom?" zou hij vra-
gen, „om welke reden zou ik daarheen gaan? Er
zijn hier Rembrandts en Rubensen en Raphaëls,
die ik nog niet bezichtigd heb." Niemand wenscht
uit deze wereld te gaan, of uit een huis, tenzij hij
eene betere verblijfplaats kan krijgen. Ten einde dit
verlangen om hier te blijven weg te nemen, moest
God op de eene of andere wijze een afkeer van
onze omgeving doen ontstaan. Hoe zou Hij dat
doen ? Hij kan niet gedoogen, het gelaat van zijn
horizont te misvormen, of een vurig paneel van
den zonsondergang af te rukken, of een zaadlob
aan de waterlelie te ontnemen, of den doordringen-
den geur uit de resida te verbannen, of het gewaad
van den morgenstond door het slijk te sleuren. Gij
kunt niet verwachten, dat een Christopher Wien
zijn eigen St. Paul\'s kathedraal zal omver halen,
dat een Michael Angelo zijn eigen „Laatste Oordeel"
zal uitwisschen, of dat een Handel zijn „Israël in
Egypte" door wanklanken zal bederven; en zoo
kunt gij ook niet verwachten, dat God den bouw
en de muziek Zijner eigene wereld zal verstoren.
Maar hoe moeten wij dan bereidwillig gemaakt
-ocr page 599-
59i
worden om te vertrekken? En hier treden nu de
zorgen op.
Nadat iemand een groote menigte zorgen gehad
heeft, zegt hij: ,,Welnu, ik ben bereid om heen te
gaan. Als er hier of daar een huis is, waarvan het
dak niet lekt, dan zou ik daar gaarne in willen gaan
wonen. Als er ergens een dampkring bestaat, die
de longen niet pijnlijk aandoet, dan zou ik dien wel
willen gaan inademen. Als er ergens een maatschap-
pelijke samenleving te vinden is, waarin niet gebab-
beld en gelasterd wordt, dan zou ik daarin wel wil-
len gaan leven. Als er hier of daar een huiselijke
kring mocht zijn, waarin ik mijn verloren vrienden
kan wedervinden, dan zou ik daar gaarne heen wil-
len gaan." Vroeger las hij meestal het eerste gedeelte
van den Bijbel, — nu leest hij meestal het laatste
gedeelte. Waarom heeft hij Genesis met de Open-
baring verwisseld? Och, vroeger was hij voorna-
melijk nieuwsgierig om te weten, hoe deze wereld
gemaakt is, en om met al de bijzonderheden van
hare geologische samenstelling bekend te worden.
Thans is hij voornamelijk verlangend om te weten,
hoe de toekomende wereld is gemaakt, en hoe zij
er uitziet, en wie daar komen, en hoe zij gekleed
zijn. Hij leest nu tienmaal in de Openbaring, tegen
éénmaal in Genesis. Het oude geschiedverhaal: „In
het begin schiep God den hemel en de aarde",
maakt nu
niet half zooveel indruk meer op hem, als dat an-
dere geschiedverhaal: „Ik zag een nieuwen hemel en
een nieuwe aarde."
De hand van den ouden man
beeft, als hij deze bladzijde der Openbaring opslaat,
-ocr page 600-
592
en hij moet zijn zakdoek uithalen , om zijn bril af te
vegen. Dat Boek der Openbaring is hem nu eene
beschrijving van het land, waarheen hij weldra ver-
huizen zal; het land waarin zijn erfdeel reeds is af-
gebakend, en zijn plantsoen is aangelegd, en zijne
woning is gebouwd.
En tóch zijn er hier op aarde menschen, voor
wie deze wereld heerlijker is dan de hemel. Wel,
goede zielen! ik zal er u niet hard over vallen. Het
is natuurlijk. Maar over eenigen tijd zult gij wel be-
reid zijn om heen te gaan. Niet voordat Job uitge-
put was onder de slagen en de verliezen, die hem ge-
troffen hadden , wenschte hij God te zien. Niet voor-
dat de verloren zoon walgde van het leven te mid-
den der zwijnen, werd hij begeerig om naar het
huis zijns vaders terug te keeren. De bestemming
der zorgen is: deze wereld minder waard en de
hemel meer waard te maken.
Het doel der zorgen is voorts, ons onze afhanke-
lijkheid van God te doen gevoelen.
De menschen
denken, dat zij alles kunnen doen, totdat God hun
laat zien, dat zij volstrekt niets kunnen doen. Wij
ontwerpen groote plannen, en wij zouden ze gaarne
ten uitvoer willen brengen. Zij zien er zoo grootsch
uit. Maar God komt, en velt ons neder. Toen Pro-
motheus door zijn vijand werd aangevallen en de
lans hem trof, opende zij een groot gezwel, dat
hem met den dood bedreigd had, en werd hij weder
gezond. En zoo is het ook de pijl der zorg, die
groote gezwellen van hoogmoed en trots bij ons
opent. Wij gevoelen nooit onze afhankelijkheid van
-ocr page 601-
593
God, voordat wij in zorgen komen. Ik reed eens met
mijn dochtertje langs den weg, toen zij mij verzocht
of zij het paard eens mocht mennen. „Wel zeker,
beste meid!" zeide ik. Ik stelde haar de leidsels ter
hand, en bewonderde in stilte het gemak en de op-
gewektheid waarmede zij reed. Maar een poosje
later kwamen wij een ander rijtuig tegen, en moes-
ten wij dus uithalen. De weg was smal, en aan
beide kanten bevond zich een steile helling. Nu gaf
zij mij de teugels weer terug en zeide zij: „Ik ge-
loof, dat het beter is, dat u zelf het paard stuurt."
Zoo zijn wij allen kinderen; en op dezen weg des
levens zouden wij zoo gaarne zelf willen rijden. Het
geeft iemand zulk een voorkomen van meerderheid
en macht. Het ziet er zoo grootsch uit. Maar na
verloop van eenigen tijd stuiten wij op den een of
anderen hinderpaal; en wij moeten uitwijken, en de
weg is smal, en aan beide kanten is er een steile
helling; en dan zijn wij gewillig en bereid, dat God
de teugels neemt en Zelf stuurt. Ach, mijne vrien-
den, wij tuimelen zoo dikwijls omver, doordien wij
niet spoedig genoeg de leidsels overgeven!
Nadat iemand door zorgen is overstelpt gewor-
den , is het gebed bij hem een vasthouden van Gods
arm en een schreiend roepen om hulp. Voor zoover
ik mij herinneren kan, heb ik bij twee of drie gele-
genheden bijzonder ernstige gebeden gehoord. Eens,
in den sneltrein naar Cincinnati, die met een vaart van
veertig mijlen in het uur reed, sprong de trein uit het
spoor, op een plek waar wij in de nabijheid van
een tachtig voet diepen afgrond waren; en dezelfde
-ocr page 602-
594
Heden, die weinige minuten te voren nog hadden
gevloekt en gelasterd tegen God, begonnen nu te
trekken en te rukken aan de noodschel, en klommen
op de leuningen der banken, en riepen luidkeels:
„O God! bewaar ons!" Den anderen keer was het
omstreeks 800 mijlen ver in volle zee, op een zin-
kend stoomschip, nadat de laatste reddingsboot aan
splinters was geslagen, kleiner dan stukjes brand-
hout. Toen baden zij aan boord van dat schip. Waar-
om hoort gij de menschen, die de laatste oogenblik-
ken van dezen of genen vriend verhalen, zoo dik-
wijls zeggen: „Hij deed het mooiste gebed, dat ik
ooit gehoord heb?" Wat maakte het zoo mooi? De
ernst van zoo\'n gebed. O, ik verzeker u: de mensch
meent het ernstig, wanneer zijne ontbloote en
naakte ziel rondzwalkt op den peilloozen, strandde-
loozen, bodemloozen oceaan der eeuwigheid!
Het is de nood, mijne vrienden, die ons onze
afhankelijkheid van God doet gevoelen. Wij ken-
nen onze eigen zwakheid of Gods kracht niet,
voordat de laatste plank breekt. Het is iets laags
en verachtelijks van ons, dat wij God eerst dan
vastgrijpen, wanneer wij niets anders meer heb-
ben om ons aan vast te houden. Hoe! weet gij niet
wie de Heer is ? Hij is geen tyran, ver weg in een
paleis gezeteld, waaruit Hij eens per jaar te voor-
schijn komt, voorafgegaan door herauten, die met
hunne blanke zwaarden om zich heen slaan, ten
einde ruim baan voor Hem te maken. Neen! Maar
hij is een Vader, die gewillig en bereid is om, in
antwoord op onze roepstem, ons bij te staan in alle
-ocr page 603-
595
nooden en bezwaren dezes levens. Ik zal u eens
zeggen, waaraan sommige mannen van zaken in uw
midden mij doen denken. Een jonkman verlaat het
ouderlijk huis, om zijn geluk te beproeven. Hij ver-
trekt met de toestemming en de zegenbede zijner
moeder. Zij bezit groote rijkdommen; maar hij wil
zijn eigen fortuin maken. Hij gaat ver weg; hij wordt
ziek; hij raakt al zijn geld kwijt. Hij ontbiedt den
eigenaar van het hotel, waarin hij verblijf houdt,
en vraagt hem om toegevendheid en uitstel; maar
het antwoord, dat hij krijgt, luidt: „Als gij aan-
staanden Zaterdag niet betaald hebt, laat ik u naar
het gasthuis brengen!"
De jonkman laat nu een kameraad ontbieden , die
in hetzelfde gebouw woont. Geen hulp! Hij schrijft
aan een bankier, die een vriend van wijlen zijn
vader was. Geen uitkomst! Hij schrijft naar een
ouden schoolmakker; maar krijgt geen hulp. De
Zaterdagavond breekt aan, en hij wordt naar het
gasthuis gebracht ....
Als hij daar komt, is hij schier waanzinnig van
hartzeer en verdriet. En nu leent hij een vel post-
papier en een postzegel; en hij zet zich neder, en
schrijft een brief naar huis, waarin niets anders
staat dan deze woorden: „Dierbare moeder! ik ben
doodziek! Kom bij mij!" \'t Is tien minuten vóór
tienen, als zij dien brief krijgt. Om tien uur gaat
de trein. Zij woont op vijf minuten afstands van het
station. Zij komt er tijdig genoeg om nog vijf mi-
nuten te kunnen missen. Zij verwondert er zich
over, dat een trein, die dertig mijlen in een uur
-ocr page 604-
596
kan afleggen, nu geen zestig mijlen in een uur kan
rijden. Zij snelt het ziekenhuis binnen. „Mijn zoon/\'
zegt zij, „wat moet dit alles beteekenen ? Waarom
hebt ge mij niet gewaarschuwd? Gij hebt bij ieder-
een om hulp aangeklopt, behalve bij mij! En gij
wist toch zeer goed, dat ik u wel kon en wel wilde
helpen! Is dat nu het loon voor de liefde, die ik u
altijd betoonde?" Zij pakt zijn goed bijeen, neemt
hem mede naar huis, en verzorgt hem zóó goed,
dat hij spoedig weer hersteld is. Welnu, sommigen
uwer behandelen God evenzoo, als die jonkman
zijne moeder behandelde. Wanneer gij in geldelijke
verlegenheid zit, doet gij een beroep op uwen
fondsenmakelaar, doet gij een beroep op uwe schuld-
eischers, doet gij een beroep op uwen advocaat
om een rechtsgeleerd advies; gij doet een beroep
op iedereen — en eerst wanneer gij nergens hulp
kunt krijgen, dan gaat gij tot God. Gij zegt: „O
Heer! ik kom tot U! Help mij toch uit mijn angst
en benauwdheid!" En de Heer komt, al is het ook
ter elfder ure. „Waarom hebt gij niet vroeger om
Mij gezonden?" vraagt Hij; „Als een, dien zijne
moeder troost, a/zoo zal Ik u troosten!"
Ons naar
God terug te drijven, - dat is het grootste doel
onzer tranen.
Ook moet zorg en nood dienst doen om ons be-
kwaam te maken tot den arbeid der medelijdende
en ontfermende liefde.
Onder de oude bedeeling
werden de priesters afgezonderd door het sprenke-
len van water op hunne handen, hunne voeten, en
hun hoofd; en door het besprenkelen met tranen
-ocr page 605-
597
worden de lieden thans afgezonderd tot den dienst
der barmhartigheid. Wanneer wij in voorspoed leven,
hebben wij gaarne eene groote menigte jonge men-
schen om ons heen, en dan lachen wij, wanneer zij
lachen, en wij schertsen, wanneer zij schertsen, en
wij zingen, wanneer zij zingen; maar als wij in nood
zitten, hebben wij gaarne veel oude lieden om ons
heen. Waarom? Zij weten, hoe zij met ons spre-
ken moeten.
Neem eene oude moeder, van zeventigjarigen leef-
tijd, en gij zult zien, dat zij bijna in alle gevallen
weet te troosten. Hoe komt dat? Zij heeft dat alles
óók doorleefd. Om zeven uur \'s ochtends gaat zij
uit, om eene jonge moeder te troosten, die zoo pas
haar kindje heeft verloren. Grootmoeder kent die
smart: zij weet er alles van. Vijftig jaar geleden
voelde zij dat zwaard reeds door hare eigene ziel
gaan. Tegen het middaguur van dienzelfden dag
gaat zij uit, om een treurende weduwe te troosten.
Ook daar weet zij alles van. Twintig jaar geleden
heeft zij zelve dien donkeren weg betreden. Om
vier uur \'s namiddags komt er iemand aan hare deur
kloppen, die een stuk brood vraagt. Zelfs daar
weet zij alles van. Twee- of driemaal in haar leven
is het haar gebeurd, dat zij haar laatste brood op-
sneed, en geen geld meer had om nieuwen voor-
raad te koopen. Om tien uur gaat zij uit, om te
waken bij iemand die ernstig ziek is. Zij weet er
alles van. Zij weet alles van koortsen en ontstekin-
gen en gebroken ledematen. Zij heeft heel haar leven
gedokterd: pleisters gesmeerd en gelegd, en bittere
-ocr page 606-
598
drankjes ingeschonken, en heete kussens opge-
schud, en sommige kostjes zoo weten toe te berei-
den , dat een zwakke eetlust er door werd aange-
wakkerd. Dokters als Boerhaave en Jenner en Pas-
teur waren groote geneesheeren; maar de grootste
geneeskundige, die de wereld ooit aanschouwde, is
eene oude geloovige vrouw. Wat hemelsche goed-
heid! Herinneren wij ons niet, hoe zij zich door de ka-
mer bewoog als wij ziek waren, in onzen jongenstijd ?
Was er wel iemand ter wereld, die zóó een wonde
plek kon aanraken , zonder ons zeer te doen ?
Vanwaar had Paulus den inkt, waarmee hij zijn
troostende zendbrieven schreef? Vanwaar had David
den inkt, waarmee hij zijne troostende Psalmen
schreef? Vanwaar had Johannes den inkt, waarmee hij
zijn troostende Openbaring schreef? Zij mengden
dien van hunne eigene tranen. Wanneer een man
den loop geëindigd heeft, en een cursus heeft mee-
gemaakt op het gebied van kerkers en gevangenis-
sen en schipbreuken, dan is hij bekwaam tot den
arbeid der barmhartigheid.
Toen ik pas begon te preeken , waren mijne leer-
redenen over het onderwerp van zorg en nood
allen even dichterlijk, en vloeiden de woorden als
versregels van mijne lippen. Maar God heeft mij
reeds lang geleden de versregels uit Jt hoofd gesla-
gen; en toen ben ik tot de ontdekking gekomen,
dat ik de menschen niet kan troosten, tenzij ik zelf
in nood verkeerd heb. God make mij een zoon der
vertroosting voor het volk! Ik zou liever het mid-
del willen zijn om op den huidigen dag één versla-
-ocr page 607-
599
gen geest tot kalmte te brengen, dan een lied te
spelen, dat al de kinderen der ijdelheid zich tot
een rondedans zou doen scharen.
Ik ben een dokter die met kruiden werkt. Ik
werp in den ketel den Wortel uit een dorre aarde,
zonder gedaante of heerlijkheid. Daarna doe ik er
de Roos van Saron en de Lelie des Velds bij. Daar-
na werp ik in den ketel eenige bladeren van den
Boom des Levens, en het Hout dat in de woestijn
Mara in het water werd geworpen. Daarna giet
ik er de tranen van Bethanië en Golgotha in; daar-
na roer ik alles dooreen. Daarna ontsteek ik onder
den ketel een vuur, gemaakt uit het hout des kruises.
En één druppel van dien drank zal de ergste ziekte
genezen, waardoor ooit eens menschen ziel werd
aangetast. Maria en Martha zullen hunnen Lazarus
uit het graf terug ontvangen. Het dochtertje van
Jaïrus zal uit den dood opstaan. En na de duister-
nis zal de morgen aanbreken, en „ God zal alle tra-
nen van hunne oogen afwisschen."
Jezus had genoeg geleden , om Hem medelijdend
te doen zijn met alle lijders. Het kortste vers in
den Bijbel verhaalt ons de aandoenlijkste geschiede-
nis : „Jezus weende." Het litteeken op den rug van
elke hand, het litteeken op den wreef van eiken
voet, de rij litteekens langs de haarlijn op het voor-
hoofd , zal heel den hemel steeds tot nadenken
stemmen. O, die groote Weener is juist geschikt
om alle aardsche nooden te stillen, om alle sporen
van aardsch verdriet uit te wisschen! Zoo zacht-
moedig! Ja, Zijn stap is zachter dan de stap van
-ocr page 608-
6oo
den dauw. Het zal geen tyran zijn, die u gebiedt
om uw schreien te staken. Het zal een Vader
zijn, die u in Zijn linkerarm zal nemen, terwijl de
glans van Zijn getaat afstraalt op het uwe , en Hij
zal met de zachte vingertoppen der rechterhand
alle tranen van uwe oogen afwisschen!
Mijne vrienden, indien wij ons eenig begrip kon-
den vormen van hetgeen God voor ons in gereed-
heid houdt, zou het zulk een heimwee naar den
hemel bij ons doen ontstaan, dat wij ongeschikt
zouden zijn voor ons dagelijksch werk. Professor
Leonard, voormalig hoogleeraar aan de Universi-
teit te Jowa, gaf mij eens een meteoorsteen in
handen: een steen die van een andere wereld op
de onze was gevallen. Hoe velerlei gedachten deed
die steen bij mij opkomen! En ik heb u te zeggen,
dat de beste gedenkstukken, die wij van den he-
mel bezitten, slechts zulke aërolithen of meteoor-
steenen zijn, weggeslingerd uit die wereld, die
daar voortrolt en de menigten der verlosten draagt.
Wij ontleden deze aërolithen, en ontdekken dat zij
uit gekristalliseerde tranen bestaan. Geen wonder,
— weggeworpen uit den hemel! „God zal alle tra-
nen van hunne oogen afwisschen"
Kunt gij u eenig begrip vormen van het goede
en heerlijke leven , dat uwe dierbaren thans in den
hemel hebben? Hoe groot is het verschil, wanneer
zij daar de tijding ontvangen van den dood eens
Christens, vergeleken bij wat het hier is! \'t Is het
onderscheid tusschen eene inscheping en een binnen-
loopen van de haven. Alles hangt af van de zijde
-ocr page 609-
6oi
der rivier, waarop gij staat, wanneer gij den dood
eens Christens verneemt. Indien gij aan déze zijde
der rivier staat, treurt gij omdat zij heengaan. In-
dien gij aan de overzijde der rivier staat, verblijdt
gij u omdat zij aankomen. O, welk een verschil tus-
schen een begrafenis hier op aarde en een feestelijk
gejubel daarboven in den hemel, — tusschen een
rouwklacht hier en een triomflied daar, — hier een
scheiding en daar een hereeniging! Weer bij elkan-
der! Hebt gij daar wel eens aan gedacht? Zij zijn
weer bij elkander. Niet een uwer heengegane dier-
baren in één land, en een andere in een ander land;
maar allen bij elkander, in verschillende kamers van
hetzelfde huis: het Huis met de vele woningen. Allen
bij elkaar!
Ik heb die gedachte nog nooit zoo gewaardeerd,
als toen wij mijne zuster Sara naar hare laatste
rustplaats geleidden. Terwijl ik daar op het dorps-
kerkhof stond, zag ik rondom mij heen en zeide ik:
„Daar is vader, daar is moeder, daar is grootva-
der, daar is grootmoeder, daar zijn geheele kringen
van dierbaren!" — en ik dacht bij mijzelven: „Samen
in het graf, — samen in de heerlijkheid!" Ik ben
zóó doordrongen van dat denkbeeld, dat ik niet ge-
loof, het als dweepzucht te moeten beschouwen,
wanneer gij, als er iemand uit deze wereld heengaat,
hem het overbrengen van groeten opdraagt aan uwe
dierbaren, die u reeds zijn voorgegaan, en tot hem
zegt: „Breng mijn liefdegroet over aan mijne ouders,
breng mijn liefdegroet over aan mijne kinderen,
breng mijn liefdegroet over aan mijne oude makkers,
-ocr page 610-
6o2
die nu in de heerlijkheid zijn, en zeg hun, dat ik
hier op aarde den goeden strijd des geloofs tracht
te strijden, en mij over een kleinen tijd bij hen zal
komen voegen." Ik geloof, dat de boodschap zal
overgebracht worden; en ik geloof, dat zij de blijd-
schap zal verhoogen van hen, die voor den troon
zijn. Zij zijn nu bij elkaar, en al hunne tranen zijn af-
gewischt en verdwenen.
Mijne vrienden, neemt deze blijde boodschap
mede naar huis. Deze tranen van rouw en droef-
heid , die nu langs uwe wangen vloeien, en van
vervolging, en van beproeving, zullen er niet altijd
blijven. De moederlijk troostende hand onzes Gods
zal ze allen wegwisschen. Waartoe, op den weg
naar zulk een voleinding, waartoe nog over iets te
treuren ? O, welk eene opbeuring en bemoediging
behoorde dat te zijn bij onzen Christelijken arbeid!
Ziet gij ginds die tinnen en spitsen wel tegen de
lucht afsteken? Dat is de stad onzes Gods en —
wij naderen haar. O, laat ons volijverig zijn in de
dagen die ons nog resten!
Ik leg dezen balsem op de wonden van uw hart.
Verblijd u bij de gedachte aan al de zorgen en noo-
den, waarvan uw ontslapen dierbaren thans verlost
zijn, — en bij de gedachte, dat gij het vooruitzicht
hebt, er nu weldra zelf óók aan te zullen ontkomen!
Onderwerp u blijmoedig aan de les, die uwe tranen
u te leeren hebben; en juich bij de gedachte, dat
er nu spoedig een einde aan zal komen. — Amen !
-ocr page 611-
XXXIX.
IN EN OM NAZARETH.
En het kindeken wies op, en werd
gesterkt in den geest, en vervuld met
wijsheid; en de genade Gods was over
Hem.
                        Ll\'KAS II : 40.
Over Christus als jeugdig dorpeling te Nazareth
wensch ik in deze ure tot u te spreken. Er heerscht
voor het meerendeel een stilzwijgen van meer dan
achttien eeuwen lang aangaande den Christus tus-
schen Zijne kindsheid en Zijn mannelijken leeftijd.
Wat soort van knaap was Hij? Was Hij in alle op-
zichten een echte jongen, of spreidde Hij van het
eerste \'_oogenblik af al de kracht en de grootheid
van het martelaarschap ten toon? Wij bezitten te dezer
zake slechts een weinig vermoedens, en hier en daar
een onbeduidend „misschien." Omtrent hetgeen dien
knapenleeftijd aan beide zijden begrensde, hebben
wij geheele bibliotheken vol boeken, en geheele
kunstgalerijen met paneelen en doeken en marmer-
werken. Voor het kindeken Jezus in Maria\'s armen,
of Zijn eersten slaap genietend in de eenvoudige
plattelands-woning, buigen zich al de schilders. En
zoo hebben we Paul Veronese\'s .Heilige Familie",
-ocr page 612-
604
en Perugino\'s „Geboorte", en Angelico da Fieso-
le\'s „Kindeken Jezus", en Rubens\' „Aanbidding der
Wijzen", en Tintoret\'s „Aanbidding der Wijzen",
en Ghirlandajo\'s „Aanbidding der Wijzen/\' en Rapha-
els „Madonna," en Orcagna\'s „Madonna", en Muril-
lo\'s „Madonna", en Madonna\'s door al de scholen
der schilderkunst in allerlei lichten en schaduwen , en
met alle stijlen van aantrekkelijke gelaatstrekken en
indrukwekkende omgevingen; maar pen en penseel
en beitel zijn, behoudens enkele uitzonderingen , den
Christus als knaap voorbijgegaan. En toch geloof
ik, dat wij door het bijeenvoegen van drieërlei ge-
tuigenissen kunnen komen tot een even nauwkeurig
denkbeeld van hetgeen Jezus als knaap was, als wij
ons kunnen vormen van hetgeen Jezus als man
was.
Vooreerst bezitten wij het korte Bijbelverhaal,
waarin Hij ons als knaap wordt voorgesteld. Voorts
hebben wij het langere verhaal van hetgeen de
Christus op dertigjaren leeftijd was. Nu behoeft gij
dat verhaal slechts op wat kleiner schaal over te
brengen, en gij ziet wat Hij op tienjarigen leeftijd
was. De temperamenten veranderen nooit. Een
sanguinisch temperament wordt nooit of nimmer
een phlegmatisch temperament. Een nerveus tempe-
rament wordt nooit een lymphatisch temperament.
Het geloof brengt wel verandering in Js menschen
streven en genegenheden, maar hij blijft hetzelfde
temperament van vroeger behouden, dat nu slechts
in eene andere richting gaat werken. En aangezien
er bij den Christus geen verandering op het stuk
-ocr page 613-
6o5
van geloof of godsdienst behoefde plaats te heb-
ben , was Hij als knaap wat Hij als man was, slechts
op niet zoo groote schaal. Aangezien alle traditiën
en alle kunst en alle historie Hem uitbeelden als
blond, met gouden lokken, weet ik, dat Hij ook in
Zijne jeugd een blonde knaap geweest is.
Wij bezitten bovendien een niet door den Heiligen
Geest ingegeven boek, dat gedurende de eerste
drie of vier eeuwen na Christus\' verschijning door
velen als wel ingegeven werd begroet, en dat een
breedvoerig verhaal van Jezus\' leven als knaap be-
vat. Misschien is er iets van waar, misschien is het
meerendeel waar, misschien is er niets van waar.
Het berust misschien gedeeltelijk op feiten; of mis-
schien zijn, in den loop der eeuwen, sommige wer-
kelijk gebeurde feiten verdraaid en verwrongen.
Maar omdat een boek niet door goddelijke ingeving
ontstaan is, behoeven wij daarom toch nog niet tot
de gevolgtrekking te komen, dat er geen ware din-
gen in staan. Flavius Josephus\' „Geschiedenis van
den Joodschen oorlog" werd niet onder goddelijke
ingeving geschreven, maar toch gelooven wij het,
hoewel het misschien fouten bevat. Macaulay\'s „Ge-
schiedenis van Engeland" werd niet door God inge-
geven , maar toch gelooven wij dat boek, ofschoon
het wellicht door tal van fouten ontsierd wordt. Van
het zoogenaamde Apocriefe Evangelie, waarin over
de jeugd van Christus wordt uitgeweid, geloof ik
niet, dat het onder goddelijke ingeving is geschre-
ven, en toch staan er misschien feiten in vermeld,
die der overweging waard zijn. Omdat het melding
-ocr page 614-
6o6
maakt van wonderen, die door Jezus als knaap vol-
bracht werden, hebben sommigen heel dat apocriefe
boek overboord geworpen. Maar welk recht hebt
gij om te zeggen, dat de Christus niet evengoed
op tienjarigen leeftijd wonderen gedaan heeft, als
op dertigjaren leeftijd ? Hij was in Zijne kinderjaren
evenzeer een goddelijk Wezen als in Zijn mannelij-
ken leeftijd. En daarom moet Hij dan ook als
knaap de macht bezeten hebben om wonderen te
doen, hetzij dan dat Hij ze wel of niet gedaan
heeft. Toen de Christus, nadat Hij den mannelij-
ken leeftijd bereikt had, water in wijn veranderde,
werd dit wonder geboekstaafd als het „beginsel der
teckencnP
Maar dit beduidt wellicht, dat het de
aanvang der lange reeks van wonderen uit den
mannelijken leeftijd was. In één woord: ik geloof
dat het Nieuwe Testament slechts een zeer klein
gedeelte beschrijft van alles wat Jezus gedaan en
gezegd heeft. De Bijbel zelf verklaart dan ook stellig
en nadrukkelijk, dat — indien alles wat de Christus ge-
daan en gezegd heeft, te boek gesteld ware — ook de
wereld zelve de geschrevene boeken niet zou kunnen
bevatten. Dus staat het ons vrij, die gedeelten van
het Apocriefe Evangelie te gelooven of te verwer-
pen, waarin ons b. v. vermeld wordt, dat, toen de
Christus als knaap met Zijne moeder een dieven-
bende voorbijging, Hij aan Zijne moeder zeide, dat
twee hunner, Dumachus en Titus geheeten, de beide
boosdoeners zouden zijn, die later ter rechter- en
linkerzijde van Hem aan hunne kruishouten zouden
sterven. Was dat wonderbaarlijker, dan sommige
-ocr page 615-
607
van Jezus\' profetiën uit zijn mannelijken leeftijd? Of
het ongewijde verhaal , dat de Christus als knaap
een beek deed ontspringen uit de wortels van een
vijgeboom, zoodat Zijne moeder Zijn kleed in het
stroomende water kon wasschen, — was dat onge-
looflijker dan het wonder uit den mannelijken leef-
tijd, waardoor gewoon drinkwater in den heerlijk-
sten wijn werd veranderd? Of het ongewijde ver-
haal, dat twee zieke kinderen herstelden door een
bad in hetzelfde water, waarin de Christus gebaad
was, — was dat miraculeuser dan het wonder uit den
mannelijken leeftijd, waardoor de vrouw, die twaalf
jaar lang aan een ongeneeslijke ziekte had geleden,
gezond gemaakt werd, alleen door den zoom van
Jezus\' kleed aan te raken?
Met andere woorden: hoewel ik niet geloof, dat
een der zoogenaamde Apocriefe Niéuwe-Testamen-
ten onder goddelijke ingeving is geschreven, geloof
ik toch wel, dat er veel waars in staat, juist zoo-
als ik duizenden andere boeken geloof, die geen van
allen zijn ingegeven. Veel er van stemt volkomen
met de Bijbelsche beeltenis van den Christus over-
een. Even zeker als Jezus in Zijn mannelijken
leeftijd bijna voortdurend bezig was om menschen
uit den nood te redden, even zeker geloof ik, datjezus
als knaap er meest altijd op bedacht was om jongens
uit den nood te helpen. Ik heb u op den huidigen dag
een kinderlijken Christus te zien gegeven. En aan zulk
een Christus heeft de wereld behoefte. Hij ging
niet overal zitten kniezen over hetgeen er gebeuren
zou, of over hetgeen er gebeurd was. Uit de
-ocr page 616-
6o8
wijze waarop Hij, den mannelijken leeftijd bereikt
hebbende, allerlei voorwerpen der natuur in Zijne
leerredenen invlocht, maak ik de gevolgtrekking,
dat er mijlen ver in den omtrek van Nazareth geen
rots of heuvel of grot of boom was, waarmede
Hij in Zijne kindsheid niet door eigen aanschou-
wing vertrouwd was geworden.
De kindsheid en de knapenleeftijd onzes Heeren
werden doorgebracht te midden van een landschap,
dat twaalf honderd voet boven den waterspiegel
der zee was gelegen, en aan alle kanten omgeven door
bergen van nog vijf- of zeshonderd voet grooter
hoogte. Vóór en aleer zij het dorp kon beschijnen,
waar deze knaap sliep, moest de zon zoolang stij-
gen , dat zij over heuvelen kon zien, die hunne toppen
tot eene aanmerkelijke hoogte verhieven. Van gind-
schen heuvel omvatten Zijne oogen met één blik de
reusachtige kom der valleien, en omvatten zij met een
anderen blik de Middellandsche Zee ; en gij hoort de
majesteit der klippen en het zwellen der groote wate-
ren in Zijne vlekkelooze leerredenen. Op zekeren dag
zie ik dien goddelijken knaap, terwijl de wind Zijn
haar over Zijn door de zon gebruind voorhoofd
doet spelen, op den top van een heuvel staan, en
van daar uitzien naar het meer Tiberias, waarop
bij zekere gelegenheid, volgens de ongewijde ge-
schiedenis, vierduizend schepen bijeen zijn geweest.
Sommige schrijvers hebben zich moeite gegeven om
te bewijzen , dat deze landelijke omgeving geen in-
druk maakte op den Christus, en dat Hij van bin-
nen uit naar buiten leefde, onafhankelijk van plaat-
-ocr page 617-
609
sen en omstandigheden. Een bewering die in lijn-
rechten strijd met de waarheid is: Hij was het ge-
voeligste Wezen, dat ooit deze aarde bewandelde;
en indien de zwakke vinger eener bleeke, lijdende
vrouw den zoom Zijns kleeds niet kon aanraken,
zonder dat er kracht van Hem uitging, konden deze
bergen en deze zeeën Zijn oog niet getroffen heb-
ben zonder dat Zijne geheele natuur vervuld werd met
den luister hunner grootheid en pracht. Ik sta er
u borg voor, dat Hij alle vijftien de heuvelen en
bergen rondom Nazareth had bezichtigd en beklom-
men, onder anderen den Hermon, met zijn kristallen
kroon van eeuwige sneeuw, en Karmel en Tabor en
Gilboa, en die allen lieten in later tijd hunne hoogver-
heven echo\'s hooren van den kansel op den Olijfberg.
Door het bestudeeren van het luchtruim tusschen
die bergen en heuvelen, had Jezus de voorafgaan-
de verschijnselen van helder en van donker weder
waargenomen, en zoo wist Hij, dat een purperen
avondhemel droog weder den volgenden dag voor-
spelt, en dat een purperen ochtendhemel vochtig
weer voorspelt tegen den avond van dien dag. En
op wat schoone wijze maakt Hij daarvan gebruik in
later jaren, als Hij toornt tegen de schijnheilige
Pharizeën en Sadduceën, door hun toe te roepen:
„Als het avond gezvorden is, zegt gij: schoon weder,
want de hemel is rood; en des morgens: heden on-
weder , zvant de hemel is droevig rood. Gij geveins-
den ! het aanschijn des hemels weet gij wel te onder-
scheiden , en kimt gij de teekenen der tijden niet onder-
scheiden?"
Overdag slaat Hij, zooals alle knapen
-ocr page 618-
6io
doen, het gevogelte op het erf achter het huis
gade, en ziet Hij hoe de klokhen, als zij den boven
haar zwevenden havik ontdekt, haastig hare kiekens
onder hare vleugelen doet schuilen; en daarom zegt
Hij dan ook in later jaren: „O Jeruzalem! Jeruza-
lem l hoe menigmaal heb Ik iiivc kinderen willen bij-
eenvcrgadercn, gelijkcrwijs ecne hen hare kiekens bij-
cenvergadcrt onder de vleugelen!"
Des avonds had
Hij Zijne moeder zien zitten bij het licht der een-
voudige kaars, die, als zij slechts van tijd tot tijd
gesnoten en het overtollige stuk pit op den kande-
laar neergelegd werd, haar helder en vriendelijk
schijnsel verspreidde door de geheele huiskamer
van het gezin, terwijl Zijne moeder bezig was Zijne
kleederen te verstellen, die in den loop van dien
dag gescheurd waren bij het ronddwalen over de
rotsen of tusschen de struiken; en jaren later kwam
dat aan den dag in de beeldspraak der verhevenste
leerrede, die er ooit hier op aarde is uitgesproken:
„Noch steekt men een e kaars aan, en zet die onder eene
korenmaat
, maar op eene kandelaar , en zij schijnt
allen, die in het huis zijn. Laat uw licht alzoo schijnen!"
Somtijds, wanneer Zijne moeder in het najaar klee-
deren te voorschijn haalde, die bij het naderen van den
zomer waren opgeborgen, bemerkte Hij, hoe het stof
van de motten er uitvloog en dat één der kleedingstuk-
ken ter zijde werd geworpen, omdat het bedorven
en onbruikbaar was geworden. En daarom liet Hij
twintig jaar later de waarschuwing hooren: „ Ver-
gadert u schatten in den hemel, waar ze noch motte
noch roest verderft!"
Nadat Hij Zijne jeugd te mid-
-ocr page 619-
ÓII
den van vogels en bloemen had doorgebracht, kweel-
den en bloeiden zij vijftien jaren later allen weer
opnieuw, toen Hij uitriep: „Aanziet de vogelen des
hemels!\'"
en „Aanmerkt de leliën des veldsP\'
Een hevige storm maakte op zekeren dag, gedu-
rende Jezus\'jeugd, den hemel zwart en de rivieren
onstuimig. Misschien was Hij, in de deur der tim-
mermans werkplaats staande , er getuige van, hoe
de wind al luider en woester bulderde, totdat twee
C3rclonen, de een nederkomende van den berg Tabor
en de andere van den berg Karmel, elkaar in het
dal van Jizreël ontmoetten, en hoe twee huizen door
hunne woede werden getroffen, — en verpletterd
slaat het eene tegen den grond, en triumfantelijk
blijft het andere staan. En nu bemerkte Hij, dat
het eene schuivend zand tot een fondeering had,
terwijl het andere op eene onvergankelijke rots ge-
grond was. En twintig jaren later gaf Hij dat ge-
heele tooneel weer te aanschouwen in een rede over
de waterstroomen en de wervelwinden, die Zijne
toehoorders aangreep, en hen met de twee groote
armen van zeggingskracht en ontzetting ophief tot
de hoogten van het goddelijk verhevene.
Ja, uit de natuurlijkheid, den eenvoud, de frisch-
heid Zijner gelijkenissen en beeldspraken en figuur-
lijke uitdrukkingen in Zijne voordracht kan ik opma-
ken , dat Hij als knaap had rondgedwaald door de vel-
den , en zich had gebaad in de stroomen, en geluisterd
had naar de stem van den nachtegaal, en zich een
weg had gebaand door de bebloemde heggen, en
had uitgezien door de schietgaten der vesting, en ge-
-ocr page 620-
ÓI2
dronken had uit de welputten, en jacht had gemaakt
op de vlinders en kapellen, die volgens de verhalen
der reizigers altijd een der rondzwevende schoon-
heden van dit landschap zijn geweest, en dat Hij
gesproken had met de vreemdelingen uit Damascus
en Egypte, en Sapphoris en Syrië, die in karavanen
of te voet dien omtrek passeerden, zoodat de
honden begonnen te blaffen als zij tegen zonson-
dergang naderden. Evenals Hij later een volmaakt
man was, zoo was Hij ook in den tijd waarvan ik
spreek een volmaakte knaap: met de vlugheid van
een jongensvoet, de fonkeling van een jongensoog,
de veerkracht van een jongensleven , en juist het
tegendeel van dat soort jongelui, die mistroostig en
lusteloos in een hoek blijven zitten, als oude man-
netjes van tien jaar. Ik heb geen verdere ingegeven
of oningegeven mededeelingen noodig om er mij over-
tuigd van te houden, dat Hij een stralende knaap,
de grootste, de heiligste, de machtigste knaap van
alle eeuwen geweest is. Vandaar dat ik Hem aan-
beveel als een Christus voor de jongelieden, voor
de jeugd, voor de kinderen. Hoe talloos velen tus-
schen de tien en de vijftien jaar hebben Hem door
genade leeren kennen als de Eénige, die door Zijne
eigene persoonlijke levenservaringen juist geschikt
is om alle jongens en knapen te helpen!
Laat de wereld dus terdege toezien, hoe zij een
jongen mishandelt, want op hetzelfde oogenblik mis-
handelt zij Christus. Slaat gij een jongen, gij slaat
Christus; beleedigt gij een jongen, gij beleedigt
Christus ; bedriegt gij een jongen, gij bedriegt Chris-
-ocr page 621-
613
tus. Het is een ontzaggelijke en onberekenbaar groote
misslag, het tot den mannelijken leeftijd te brengen
zonder een Christus, nu hier een knaap is, die Chris-
tus heet. Dat was één der redenen, veronderstel
ik, waarom Jonathan Edwards, later de grootste
Amerikaansche wijsgeer en prediker van zijn tijd,
op zevenjarigen leeftijd een Christen werd; en waar-
om Robert Hall, die later met zijne gewijde wel-
sprekendheid een schok door het Christendom deed
varen, op twaalfjarigen leeftijd een Christen werd ;
en waarom Isaac Watts, die met Charles Wesley
het gebied van den heiligen zang deelde, op negen-
jarigen leeftijd een Christen werd. En indien in de
eene of andere groote godsdienstige samenkomst eens
gevraagd werd of alle mannen en vrouwen, die vóór
hun vijftiende levensjaar Jezus leerden liefhebben,
zoo goed wilden zijn om hun rechterhand op te
heffen, zouden er genoeg handen worden opgesto-
ken om aan het gewuif en gejuich op een kronings-
feest te denken. Wat in godsdienstig opzicht waar
is, is ook waar in wereldsch opzicht! Themisto-
cles bracht zijne schoolkameraden in verbazing en
verrukking door talenten, die in later jaren de wereld
met ontzetting vervulden. Isaac Newton, als kleine
jongen spijkers slaande in den zijmuur van een huis,
om de helling der zonnebaan aan te duiden, gaf toen
reeds blijk van een aanleg tot het doen van proef-
nemingen, die later aan de volkeren zou doen zien,
hoe de wereld zich om hare as wentelt. Robert
Stephenson, als jongen met zijn vlieger op een wei-
land spelend, nam proeven met electrische stroomin-
-ocr page 622-
614
gen, en voorspelde toen reeds het werk, dat
zijn naam eenmaal ontsterfelijk zou maken. „Maak
dat je weg komt!" zeide een ruwe man tot een
jongen; „maak datje uit mijn gezicht komt! Waar
deug je toch eigenlijk voor?" De jongen antwoord-
de: „Zij maken mannen van zulke dingen als wij
zijn!" Hoort het, vaders! moeders! Hoort het,
menschlievenden en vaderlandslievenden ! Hoort het,
gij allen die nog jong zijt! De tijdelijke en eeuwige
bestemming van de meeste bewoners dezer aarde is
vóór hun veertienjarigen leeftijd beslist. Ziet den
Christus van Nazareth, den Christus uit een dorp, den
Christus van het platteland, den Christus als knaap!
Laat ons nu een blik slaan op den goddelijken
knaap in de timmermanswerkplaats. Jozef, Zijn
aardsche vader, stierf zeer vroeg, onmiddellijk na de
beroemde reis naar den tempel te Jeruzalem, en
deze jongeling moest toen niet alleen in Zijn eigen
onderhoud voorzien, maar ook in dat Zijner moeder,
— en wat dat zeggen wil, weten sommigen uwer
maar al te goed ! Er leeft een koninklijk geslacht
van jongelieden op aarde, die tegenwoordig even-
zoo doen. Zij hebben geen kroon op het hoofd.
Er hangt geen purperen kleed in plooien om hunne
schouders. De eenvoudige stoel waarop zij zitten ,
lijkt evenmin op een troon, als andere dingen die
gij kunt bedenken. Maar God weet wat zij doen,
en hoeveel opofferingen zij zich getroosten; en tot
in alle eeuwigheid zal God hen betalen voor hun
ouderlievend gedrag. Zij zullen een volle maat met be-
looningen ontvangen: een neergedrukte , en wel ge-
-ocr page 623-
6i5
schudde, en overloopende maat. Zij hebben hun
voorbeeld in den Christus als jongeling, die zorg
draagt voor Zijne moeder. Van Zijn vader had Hij
het timmermanshandwerk geleerd. De knaap had
den eenvoudigen arbeid in de werkplaats verricht,
terwijl Zijn vader de laatste hand aan het werk
van kostbaarder aard legde. De knaap ruimde ook
de spaanders en de krullen en het zaagsel op. Hij
hielp de verschillende werkstukken vasthouden, ter-
wijl Zijn vader ze in elkaar zette. In onze dagen
hebben wij allerlei soorten van handswerkslieden,
en wordt het werk onder hen verdeeld. Maar een
timmerman in de dagen van Jezus\' jeugd moest be-
dreven zijn in het maken van ploegen, jukken ,
schoffels, wagens, tafels, stoelen, rustbanken, huizen,
en bijna alles wat er toen van dien aard vervaar-
digd werd. \'t Was een geluk dat de knaap het vak
geleerd had, — want wanneer het hoofd des ge-
zins komt te sterven, is het eene groote zaak, een
zoon te hebben, die in staat is om voor zichzelven
te zorgen, en ook in de behoeften der anderen te
helpen voorzien.
En nu Jozef, Zijn vader, overleden is, en de ver-
antwoordelijkheid voor het onderhoud van \'t gezin
op de schouders van dezen jongeling rust, hoor ik van
den ochtend tot den avond Zijn hamer kloppen,
Zijne zaag knarsen, Zijne bijl neerkomen, Zijne boor
draaien; en terwijl Hij daar te midden van het stof
en den afval in de werkplaats staat, zie ik de zweet-
droppels parelen op Zijn voorhoofd, en bespeur ik
de vermoeidheid van Zijn arm, — en als Hij een
-ocr page 624-
6i6
oogenblik ophoudt, om te rusten, zie ik dat Hij hijgt,
met de hand op de zijde, van afmatting. Daar
gaat Hij uit, in den vroegen morgen, beladen met
werktuigen, die véél zwaarder zijn dan een onzer
hedendaagsche mandjes of bakken met gereedschap.
Hij versmacht bijna onder den gloed der Oostersche
zon. Tillen, schuiven, passen, hakken, kloven, den
ganschen dag. Bij het vallen van den avond keert
Hij huiswaarts naar den eenvoudigen disch, die door
Zijne moeder in gereedheid is gebracht, — en als
Hij zich neerzet, is Hij te moede om te spreken.
Werken! werken! werken! Gij kunt den Heiland
niets nieuws vertellen van blaren op de handen,
of van pijn in de enkels, of van gekneusde vingers,
of van stijve gewrichten, of van \'s ochtends even
vermoeid opstaan als toen gij \'s avonds gingt liggen.
Omdat Hij eenmaal een jonkman geweest is, heeft
Hij dat alles ondervonden, heeft Hij dat alles ge-
voeld, heeft Hij dat alles geleden. Deze jongeling
een timmerman! Deze jongeling een wagenmaker!
Deze jongeling een huizenbouwer! O Heiland, wij
hebben U gezien als volwassen man in PilatusJ
rechtszaal; wij hebben U gezien als volwassen man
vermoord op Golgotha; maar o Heiland! dat al de
moede handwerkslieden en arbeiders dezer aarde
U mochten aanschouwen, terwijl Gij, nog niet ge-
heel volwassen, en met nog niet volkomen gespier-
de armen, en met de onontwikkelde kracht van den
jongelingsleeftijd, Uws vaders plaats tracht te ver-
vullen, door het brood te verdienen voor het huis-
gezin !
-ocr page 625-
6i7
Maar nu wensch ik u een nog wonderbaarlijker too-
neel te doen aanschouwen: Christus, de knaap met
het zachte, gladde, blozende gelaat, te midden van
de geestelijke heeren des Tempels, met hunne lange
baarden, grijze haren en hooge voorhoofden. Hon-
derdduizenden vreemdelingen waren naar Jeruzalem
gestroomd, om daar een groot godsdienstig feest
te vieren. Toen de gastvrije huizen stampvol be-
zoekers waren, werden er overal buiten de stad
tenten opgeslagen, om de ontelbare massa\'s vreem-
delingen te herbergen. Het was zeer licht mogelijk,
onder die dichte menigten van komenden en gaan-
den een kind te verliezen. Men heeft berekend, dat
er meer dan twee millioenen lieden te Jeruzalem
zijn bijeen geweest voor de viering van dat natio-
nale feest. Gij moet u die landstreken niet als
schaarsch bevolkt voorstellen. De oude geschied-
schrijver Flavius Josephus zegt, dat er in Galilea
twee honderd steden waren , waarvan de kleinsten
nog vijftienduizend inwoners telden. Geen wonder
dat te midden van zulke volkmassa\'s, als daar toen
opeengehoopt waren, de knaap Jezus verloren ge-
raakte. Zijne ouders, wel wetende dat Hij verstan-
dig genoeg en ook vlug genoeg is om voor zich-
zelven zorg te dragen, zijn op hun weg naar huis
in \'t eerst volstrekt niet ongerust, veronderstellend
dat hun kind wel met eenige andere groepjes zal
medekomen. Maar een poos later beginnen zij toch
ernstiglijk te vreezen, dat Hij verloren is geraakt;
en met koortsig gloeiende wangen en een angstigen
blik snellen zij her- en derwaarts, en vragen zij:
-ocr page 626-
6i8
„Hebt gij ook iets van ons kind gezien? Hij is
twaalf jaar oud, blozend van kleur, en heeft blauwe
oogen en donkerblond haar. Hebt gij Hem ook ge-
zien sedert wij de stad hebben verlaten?" In vlie-
gende haast keeren zij terug; zij loopen straat in,
straat uit, in en uit de particuliere woonhuizen,
en zoeken zelfs tusschen de heuvelen in den omtrek
der stad. Drie dagen lang blijven zij zoeken en na-
vraag doen, zich reeds angstig afvragend, of Hij wel-
licht vertreden zou zijn onder de voeten van deze of
gene volksmenigte, of dat Hij zich gewaagd heelt op de
rotsen en van een steilte is\' afgevallen. Zij laten door al
de straten en stegen der stad en over al de bergen
en heuvelen in haren omtrek dien allertreurigsten
uitroep weerklinken: „Een kind verloren! een kind
verloren!" En ziet! .... na verloop van drie dagen
ontdekken zij Hem in den grooten tempel, gezeten
te midden van de vermaardste godsdienstleeraren
der geheele wereld. De wanden van geen enkel
ander gebouw hebben ooit op zulk een tooneel neer-
gezien. Een twaalfjarig kind omringd door grijs-
aards van zeventig, — Hij Zijne eigene vragen
doende, en de hunne beantwoordende!
Vergun mij, enkelen dezer geestelijke heeren aan
u voor te stellen. Dit is de groote Rabbi Simeon!
Dit is de eerwaardige Hillel! Dit is de beroemde
Shammai! Dat zijn de zoons van den vermaarden
Betirah! Wat kan deze twaalfjarige knaap hun
onderwijzen, of welke vragen kan Hij hun stellen,
die waard zijn dat zij er over nadenken? O, voor
het eerst in heel hun lange leven hebben deze
-ocr page 627-
6ig
godsdienstleeraren hun evenknie gevonden , en méér
dan hun evenknie. Hoe jong Hij ook nog is, weet
Hij alles van dien beroemden tempel, onder welks
dak zij de wonderbaarste gedachtenwisseling der
gansche wereldgeschiedenis houden. Hij kent de
beteekenis van elk altaar, van elk offer, van eiken
gouden kandelaar, van elk geborduurd gordijn, van
eiken kruimel toonbrood, van eiken druppel olie in
dit gewijde gebouw. Hij wist alles van God. Hij
wist alles van den mensch. Hij wist alles van den
hemel, want Hij kwam er vandaan. Hij wist alles
van deze wereld, want Hij had haar geschapen. Hij
kende alle werelden, want zij waren slechts de fon-
kelende druppelen ochtenddauw langs de laan tegen-
over Zijn hemelsch paleis. Zet deze vijf Bijbelwoor-
den in een krans van ernst en nadruk: „Hen hoo-
rend e, en hen ondervragende."
Ik gevoel niet zooveel belangstelling voor de vra-
gen, die zij Hem deden, als voor de vragen, die
Hij hun deed. Hij deed hun die vragen , niet om inlich-
ting van deze Professoren en Doctoren in de theo-
logie te krijgen, want Hij wist het reeds; maar om
hen te verootmoedigen, door hun de hoogte en de
diepte en de lengte en de breedte hunner eigene
onwetendheid te doen zien. Terwijl de majestueuse
knaap deze verwaande wijsgeeren in het nauw brengt
met zijne vraagteekens, drukken zij den wijsvinger
hunner rechterhand tegen den slaap van hun hoofd,
als om daardoor hun denkkracht tot hooger inspan-
ning te prikkelen; en dan staren zij peinzend naar
boven, en dan fronsen zij weer de wenkbrauwen,
-ocr page 628-
Ö20
en dan bekennen zij eindelijk door een bot stilzwij-
gen of door eene besliste verklaring, dat zij niet in
staat zijn om de vragenreeks te beantwoorden. Met
elk Zijner honderd vragen over theologie, over philo-
sophie, over astronomie, over tijd , over eeuwigheid,
had Hij hen doen ontstellen, hen in verwarring ge-
bracht, hen verpletterd. Aanschouw den knaap
Christus, terwijl Hij vragen doet, — en luister wan-
neer uw kind u vragen doet. Het heeft recht, u
vragen te doen. Hoe meer het vraagt, hoe beter!
Wee het domme kind, dat geen blijken van vraag-
lust geeft! Het handelt als Christus, wanneer het
vragen doet. Beantwoord ze, als gij kunt. Zeg niet:
„Daar moet gij mij nu niet mee lastig vallen!"
\'t Is uwe roeping en uw plicht, u met vragen te laten
lastig vallen. Als gij niet in staat zijt om te ant-
woorden, erken en belijd dan uwe onbekwaamheid,
evenals zonder twijfel gedaan is door Rabbi Simeon
en Hillel en Shammai en de zonen van Betirah,
toen die buitengewoon verstandige knaap, die daar
zat of daar stond met een kleed aan, dat van Zijn hals
tot Zijne enkels reikte, en om het midden met een gor-
del was saamgebonden, hen met den mond vol tan-
den deed staan, \'t Is geen schande om te zeggen:
„Ik weet het niet." De geleerde Doctoren en Pro-
fessoren , door wie Christus zich dien dag in den
tempel omringd zag, wisten iets niet, anders zouden
zij Hem geen vragen hebben gedaan. Het éénige
Wezen in het heelal, dat nooit behoeft te zeggen:
„Ik weet het niet/\' is de Heer onze almachtige God.
Juist bet feit dat zij iets niet wisten, prikkelde Kep-
-ocr page 629-
Ö2I
Ier en Cuvier en Columbus en Humboldt en Herschel
en Morse en Pasteur, en al de reusachtigste figuren
der wereld, tot de nasporingen en onderzoekingen,
waarmede zij zich hun gansche leven hebben bezig
gehouden. De telescoop en het microscoop en de
stethoscoop en de electrische batterij en de telefoon,
en al de wetenschappelijke openbaringen van alle
eeuwen, zijn slechts vragen, gedaan aan de deur
van het mysterie. Zie hoe deze knaap uit N zareth
vragen doet, en den stempel der eeuwigdurende
waardigheid drukt op het waarlijk ernstige vragen!
Maar terwijl ik de oude godgeleerden rondom
den knaap Christus zie staan, ontvang ik een ge-
weldiger indruk dan ooit te voren van het feit, dat
de theologie aan niets zoozeer behoefte heeft als
aan meer kinderlijken eenvond. De wereld en de Kerk
hebben ontzaggelijke stelsels van theologie opge-
bouwd. De helft daarvan tracht ons te vertellen wat
God dacht, welke plannen God ontwierp, wat God
gedaan heeft vijfhonderd millioen jaren vóór de kleine
planeet, waarop wij leven, geschapen werd. Ik heb
heel wat keeren rustig zitten slapen onder preeken
over de raadsbesluiten Gods, en over het geheim
der eeuwige generatie van den Zoon, en onder ver
toogen om aan te toonen wie Melchizedek niet was,
en ik waarschuw hier ruiterlijk en onbewimpeld,
dat — indien een predikant ooit een leerrede over
zulk een onderwerp in mijne tegenwoordigheid be-
gint — ik dadelijk met mijn hoofd op de bank tegen-
over den preekstoel zal gaan liggen, om er zoo
zwaar te slapen als ik maar met mogelijkheid slapen
-ocr page 630-
Ö22
kan! Jammerlijke tijdverkwisting, die pogingen om
het onmeetbare te meten, en het onpeilbare te pei-
len, terwijl de menschen behoefte hebben aan het
brood des levens en aan de blijde boodschap van
het middel waardoor zij verlost kunnen worden van
hunne zonden en zorgen! Waarom zouden gij en
ik ons kwellen met de raadsbesluiten Gods? Be-
moei u met uwe eigene zaken, en God zal wel voor
de Zijne zorg dragen. Bij de besturing van het
heelal zal Hij het, dunkt mij, wel buiten ons weten
te stellen. Indien gij waarlijk begeerig zijt om God
lief te hebben en te dienen, en om goed en nuttig
te wezen en naar den hemel te gaan, dan sta ik er
u borg voor, dat niets van hetgeen achthonderd
quintillioen jaren geleden voorviel, u ook maar één
minuut zal hinderen. Het zijn niet Gods besluiten,
die ons eenigen last of moeite veroorzaken, maar
onze eigene besluiten om zonde te doen en dwaze-
lijk te handelen. Gij behoeft volstrekt niet verder
in de geschiedenis terug te gaan dan ongeveer 1863
jaren. Gij weet dat wij thans in het jaar 1896 leven.
Christus stierf-op omstreeks 33Jarigen leefiijd. Trekt
ge nu 33 van 1896 af, dan houdt ge slechts 1863
jaren over. Zoover, en niet verder, behoeft gij slechts
terug te gaan. Op dien dag is er onder een ver-
duisterde zon iets gebeurd, dat ons allen voor eeu-
wig vrij maakt, indien wij met ons geheele hart en
leven het ontzaggelijke aanbod aannemen. Laat onze
Kerken van Evangelischen huize, hoe ook genaamd
of hoe ook ingericht, geen tijd besteden aan pogin-
gen tot het handhaven van oude geloofsbelijdenis-
-ocr page 631-
623
sen, die allen onvolmaakt zijn , zooals alle menschen-
werk onvolmaakt is! Ik stel een nieuwe geloofsbe-
lijdenis voor al de Evangelische Kerken van het
Christendom voor: een geloofsbelijdenis van slechts
drie artikelen , zonder dat er iets meer aan toege-
voegd behoeft te worden. Indien ik al de predi-
kers en voorgangers van alle belijdenissen der aarde
op één groote vlakte vereenigd had, en ik een stem
bezat die luid genoeg was om mijn voorstel door
allen te doen verstaan, zou dat Credo van slechts drie
artikelen worden aangenomen met eenparigheid van
stemmen en onder een donderend ja, dat de aarde
zou doen beven en de hemelen doen daveren van
Hosanna\'s. Ziehier de geloofsbelijdenis, die ik voor
het geheele Christendom voorstel:
Artikel i. — „A/200 lief heeft God de wereldge-
had
, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft,
opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve,
maar het eeuwige leven hebbe."
Artikel 2. — „Dit is een getrouw woord, en alle
aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld
gekomen is om de zondaren zalig te maken, van
welke ik de voornaamste ben.1"
Artikel 3. — „Het Lam, dat geslacht is, is waar-
dig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid,
en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging\'\'
Amen."
Maar gij blijft uwe oude geloofsbelijdenissen op-
lappen, en gij kalefatert, en gij verstelt, en gij zet
iets tusschen de regels, en gij voegt iets bij, en gij
schrapt iets weg, en gij vult weer iets in, en gij
-ocr page 632-
624
heldert iets op, — en 200 verliest gij uwen tijd en
maakt gij uzelven tot het mikpunt van de pijlen der
aarde en der hel. Laat ons geloofsbelijdenissen
hebben, die niet zijn voortgesproten uit menschelijke
vernuften, maar uit de taal en den zinbouw der
Heilige Schrift, en al de kanonnen van het bombar-
dement, dat al de schietgaten van het ongeloof en
het verderf uitbraken , zullen in duizenden jaren geen
splinter ter grootte van een borduurnaald van Gods
Kerk afslaan! Waaraan thans de meeste be-
hoefte bestaat, is: dat wij al onze theologiën bijeen-
brengen rondom den Knaap in den Tempel: de
hoogdravendheden rondom de eenvoudigheden, en
de diepzinnigheden rondom de barmhartigheden, de
tachtigjarigen der schoolsche geleerdheid rondom
de ongerimpelde wang der twaalfjarige jeugd. „In-
dien gij n niet verandert, en wordt gelijk de kindcr-
kens
, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geens-
zins ingaan,"
en wanneer gij niet wordt gelijk de
kinderkens, kunt gij den godsdienst van Christus
niet verstaan. Het beste wat Rabbi Simeon en Hil-
lel en Shammai en de zonen van Betirah ooit ge-
daan hebben, was daar in dien Tempel, toen zij
zich luisterend bogen naar den knaap, op Wiens
wangen eerst een roode blos was gespreid door
den frisschen wind van Judea\'s heuvelen en op Zijn
weg naar de timmermanswerkplaats, waar Hij wel-
dra de steun werd van zijne weduwlijke moeder,
— en die zich nu lang genoeg in den Tempel op-
hield , om een gedachtenwisseling te voeren met de
eerwaardige schriftgeleerden van het Oosten, „hen
-ocr page 633-
Ó25
hoorcndc, en hen ondervragende." Sommigen heb-
ben, op den Christus wijzende, uitgeroepen: Eccc
Deus! Ziet
den God! Anderen hebben uitgeroepen:
Eccc homo! Ziet den mensch! Maar op denhuidigen
dag, en naar aanleiding van mijn onderwerp, roep
ik u allen toe: Eccc adolcsccns! Ziet den knaap! —
Amen.
-ocr page 634-
-ocr page 635-
XL.
GELOOFSVERSTERKING.
Hccrt vermeerder ons het geloof!
Lucas XVII : 5.
„Hoe jammer, dat hij daarheen gaat!" zeide een
mijner vrienden, toen men hem mededeelde, dat ik
de viering van een nationalen feestdag te Brooklyn
niet kon bijwonen, omdat ik dien eigen dag op reis
was gegaan naar het Heilige Land. — „Hoe be-
doelt ge dat?" vroeg iemand. — „Och," antwoordde
mijn militaire vriend, „hij zal bitter teleurgesteld en
ontgoocheld worden, wanneer hij al de morsigheid
en de onbeduidende alledaagschheid van Palestina
te zien krijgt, en zijn geloof in het Christendom zal
er door geschokt worden, want dat is meestal het
gevolg van die reizen!" De beroemde generaal be-
oordeelde de zaak verkeerd. Ik ging naar het Heilige
Land met het éénige doel, dat mijn geloof er door
versterkt mocht worden, en dat is er dan ook het
gevolg van geweest. Bij al onze reizen en tochten,
bij al onze lectuur, bij al onze vergaderingen, bij
het vormen van al onze plannen en voornemens,
moet de vermeerdering, en niet de slooping van
-ocr page 636-
628
ons geloof ons hoogste doelwit zijn. Wij behooren
van ganscher harte in te stemmen met het gebed,
dat door de discipelen van Jezus Christus werd
uitgesproken in de woorden van mijn tekst: ,Hecr!
vermeerder ons het geloof!"
De eerste wijze waarop dit gebed kan worden ge-
daan , is: den Bijbel zelf te bestitdccrcn. Ik geloof niet,
dat er op dit oogenblik één ongeloovige in leven
is, die den geheelen Bijbel heeft doorgelezen.
Maar aangezien zulk een belangrijk document min-
stens tweemaal doorgelezen behoort te worden, om
grondig te worden begrepen, en wel achtereenvol-
gens doorgelezen, loof ik thans een belooning van
honderd dollars uit voor iederen ongeloovige, die
den Bijbel tot tweemaal toe achter elkaar heeft door-
gelezen.
Maar ik kan dat niet op het eigen woord van
zulk een man gelooven, want de man die de bron
der Waarheid verwerpt, — hoe kan ik diens waar-
heidsliefde aannemen ? Dus moet ik een anderen ge-
tuige in de zaak hebben, alvorens ik de belooning
toeken. Ik moet het getuigenis hebben van iemand,
die hem het Boek tweemaal geheel heeft zien door-
lezen. De ongeloovigen visschen in dezen Bijbel
naar onjuistheden en tegenstrijdigheden en onge-
rijmdheden , en als gij hunnen Bijbel open slaat,
zult gij zien, dat er allerlei streepjes en kruisjes
staan in het boek Jona, en dat sommige hoofdstuk-
ken van dien profeet nagenoeg stukgelezen zijn door
het vele raadplegen, en sommige gedeelten van
II Samuel of van I Koningen zult gij geweldig be-
-ocr page 637-
629
duimeld vinden, — maar op de bladzijden die de
Tien Geboden bevatten , en de Psalmen, en de Berg-
rede, en het Evangelie van Johannes, zal geen
enkel potloodstreepje langs de kanten staan, en
zij zullen niet beduimeld zijn door het langdurige
en veelvuldige gebruik. De vader van een der
Presidenten van de Vereenigde Staten was een be-
slist ongeloovige. Ik bemerkte dit, toen ik vele
jaren geleden zijne uitnoodiging aannam om den
nacht ten zijnen huize door te brengen. Even voor-
dat ik mij ter ruste begaf, zeide hij op een schert-
senden toon tot mij: „Ik veronderstel, dat gij ge-
woon zijt in den Bijbel te lezen vóór gij naar bed
gaat, en dus hebt gij hier mijn Bijbel, dan kunt gij
daarin lezen." Hij deelde mij toen mede, welke
gedeelten hij het liefst zou hebben dat ik las, en
hij sprak slechts over die gedeelten, waarmede hij
het gemakkelijkst den spot kon drijven.
Zooals gij weet, kan men alles in een belachelijk
daglicht stellen. Ik veronderstel, dat gij den laatsten
brief zoudt kunnen nemen, dien uw vader of moe-
der hier op aarde schreef, en dan wel iets kunt
vinden in de taal, of den stijl, of de spelling, of de
vormen der met bevende hand geschreven letters,
waarover men eene spottende critiek zou kunnen uit-
brengen. De innerlijke bewijskracht van de waarheid
des Bijbels is zóó machtig en overweldigend, dat
geen enkel mensch uit de zeshonderd millioen van
de tegenwoordige bevolking der wereld, of uit de
nog talrijker millioenen van het verledene, ooit den
geheelen Bijbel achtereenvolgens doorlas, en hem
-ocr page 638-
630
biddend en nauwgezet las, of hij werd tot het ge-
loof in dien Bijbel gebracht. John Murray, de ver-
maarde uitgever en de boezemvriend van Southey,
Coleridge, Walter Scott, Canning en Washington
Irving, kocht van Moore, den dichter , de „Gedenk-
schriften van Lord Byron," die eerst na Byrons
dood mochten worden uitgegeven. Maar zij waren
niet geschikt om gedrukt en uitgegeven te worden,
hoewel Murray er tienduizend dollars voor betaald
had. Dat was een plechtige vergadering, toen acht
van de voornaamste letterkundigen dier dagen na
Byrons overlijden een bijeenkomst hielden in de Albe-
marle-Straat, om te beslissen wat er gedaan moest
worden met de „Gedenkschriften," die beladen en
overladen waren met schandelijkheden en godslaste-
ringen. De „Gedenkschriften" werden gelezen en
rijpelijk overwogen, en toen volgde de beslissing:
dat zij verbrand moesten worden; en niet voordat
het laatste woord dier „Gedenkschriften" tot asch
vergaan was, ging het letterkundig gezelschap uit-
een. Maar gesteld nu eens, dat al de edelste gees-
ten van alle eeuwen een bijeenkomst hielden, om te
beslissen over het lot van den Bijbel, die de Laat-
ste Wil en het Testament van onzen Hemelschen
Vader is, en over deze Gedenkschriften van onzen
Heere Jezus Christus, — wat zou dan de uitspraak
wezen ? Zullen zij verbrand worden, of zullen zij in
wezen blijven? De eenparige uitspraak van allenis:
„Laat ze in wezen blijven, al moesten ook alle an-
dere dingen verbranden!" En breng daartegenover
dan bijeen al de losbollen en al de overspelers en
-ocr page 639-
631
al de moordenaars van alle eeuwen, en hun eenpa-
rige uitspraak omtrent den Bijbel zal zijn: „Laat hij
verbrand worden!" Let wel: ik zeg niet dat alle
ongeloovigen onzedelijk zijn, maar ik zeg, dat al de
schurken en schelmen van het heelal eenstemmig
met hen denken aangaande den Bijbel. Laat mij
mogen stemmen met hen, die in de Heilige Schrift
gelooven.
De menschen gelooven andere dingen op grond
van de helft der bewijzen, die er noodig zijn om
den Bijbel te gelooven. De innerlijke bewijskracht
van het gezag der Schriften is zóó juist, en zóó
levendig, dat geen enkel mensch, die eerlijk en van
gezonden zinne is, ze grondig en bestendig en bid-
dend kan lezen, zonder er een aanhanger en volge-
ling van te worden. Daarom verklaar ik die inner-
lijke bewijskracht als oppermachtig. Hoe komt gij
er toe om te gelooven in een brief, dien ge van
uw man of vrouw of kind of vriend hebt ontvan-
gen? Gij kent het handschrift. Gij kent den stijl.
Gij herkent de gevoelens. Wanneer de brief komt,
ontbiedt gij niet den postdirecteur van het kantoor
van afzending, en den postdirecteur van het kantoor
van aankomst, en den besteller die hem in het brie-
venbusje van uw huisdeur schoof, om u te bewijzen
dat de brief echt is. De innerlijke bewijskracht is
hier afdoende; en op dezelfde wijze kunt gij voor
altijd het feit vaststellen, dat de Bijbel van de hand
des eeuwigen Gods afkomstig is.
Bovendien kunnen wij, zooals ik reeds heb aan-
gestipt , ons geloof vermeerderen door het getuige-
-ocr page 640-
632
nis van anderen. Misschien zijn wij, zwakker van
geest, overmeesterd door bijgeloof, of verleid tot
het aannemen van een onhoudbaar verzinsel. Daar-
om wensch ik heden morgen dit kerkgebouw te
veranderen in een rechtszaal, en er getuigen in op
te roepen. En gij zult de jury zijn, en ik installeer
u nu als zoodanig, en op de bank der getuigen zal
ik mannen doen plaats nemen, van wie de geheele
wereld erkent, dat zij sterk van geest en verstand
zijn , en wier verklaring in alle andere rechtszalen
als onweerlegbaar zou worden beschouwd. Ik zal
geen enkelen bedienaar des Evangelies op de getui-
genbank dagen, want tegen hem zou een veroor-
deel kunnen rijzen. Er bestaan twee wijzen om in
een rechtszaal den eed af te nemen. De eene is,
door de lippen op den Bijbel te drukken, en de
andere door de rechterhand naar den hemel op te
heffen. Welnu, aangezien het in dit geval de Bijbel
zelf is, waarover de quaestie loopt, zullen wij den
getuige niet vragen het boek aan zijne lippen te
brengen , want dat zou beteekenen, dat de heiligheid
en goddelijkheid van het Boek onbetwist is, en daar-
mee zou de kwestie beslist zijn. Daarom zal ik eiken
getuige verzoeken, ten teeken van bevestiging zijne
hand naar den hemel op te heffen. Samuel P. Chase,
Opperrechter van het Hooggerechtshof der Veree-
nigde Staten , als zoodanig aangesteld door President
Lincoln, zal op de bank der getuigen plaats nemen.
„Opperrechter Chase, op uw eed, gelieve ons mede
te deelen wat gij te zeggen hebt omtrent het boek,
dat men gewoonlijk den Bijbel noemt!" De getuige
-ocr page 641-
633
antwoordt: „Er is een tijd in mijn leven geweest,
toen ik aan de goddelijkheid der Heilige Schrift twij-
felde, en daarom het besluit nam, als rechtsgeleer-
de en rechter, het boek op de proef te stellen , zooals
ik met alle andere dingen in de rechtszaal doe: door de
bewijzen vóór en tegen in overweging te nemen.
Het was een lange en ernstige en diepgaande stu-
die; en door dezelfde grondregelen van bewijskracht
in deze zaak van godsdienst toe te passen, als ik
altijd in wereldsche zaken doe, ben ik tot deze eind-
beslissing gekomen, dat de Bijbel een bovennatuur-
lijk boek is, dat het van God afkomstig is, en dat
er voor het menschdom geen andere kans op red-
ding bestaat, dan door de lessen en vermaningen
van dien Bijbel op te volgen/\' Daarna zet ik op
de getuigenbank een President der Vereenigde Sta-
ten: John Quincy Adams.
„President Adams, wat hebt gij te zeggen aan-
gaande den Bijbel en het Christendom?" De Presi-
dent antwoordt: „Ik heb vele jaren geleden de ge-
woonte aangenomen, telkens in het tijdsverloop van
een jaar den geheelen Bijbel door te lezen. Gewoon-
lijk lees ik eiken morgen vier of vijf hoofdstukken,
onmiddellijk nadat ik uit bed ben opgestaan. Ik ben
er ongeveer een uur mede bezig, en het schijnt mij
de meest gepaste manier toe om den dag te begin-
nen. In welk licht wij den Bijbel ook beschouwen,
hetzij met betrekking tot de openbaring, tot de ge-
schiedenis, of tot de zedelijkheid, altijd is het een on-
waardeerbare en onuitputtelijke goudmijn van kennis
en deugd." Vervolgens plaats ik op de bank der getui-
-ocr page 642-
634
gen Sir Isaac Newton, den schrijver van de „Prin-
cipia" en den grootste natuurkundige en wijsgeer,
dien de wereld ooit aanschouwd heeft. „Sir Isaac,
wat hebt gij te zeggen betreffende den Bijbel?" En
het antwoord van den wijsgeer luidt: „Wij belijden,
dat de door God ingegeven Schrift de verhevenste
wijsbegeerte bevat."
Daarna plaats ik op de bank der getuigen den
geestigste en sierlijkste van alle schrijvers: Sir
Walter Scott; en als ik hem vraag, wat hij denkt
van de plaats, die ons groote Boek behoort in te
nemen onder de andere boeken, dan antwoordt hij:
„Er is maar één boek, en dat is de Bijbel." Ver-
volgens zet ik op de bank een der beroemdste
geologen van alle tijden: Hugo Miller, een ouder-
ling van Ds. Guthrie\'s Presbyteriaansche Kerk te
Edinburgh, en naast hem Faraday, en naast hem
Kepler, en die alle getuigen hetzelfde. Zij allen
zeggen , dat de Bijbel van God afkomstig is, en dat
de machtigste invloed ten goede, die ooit op deze
wereld gewerkt heeft, het Christendom is. „Kan-
selier Kent! wat dunkt u van den Bijbel?" Ant-
woord : „Geen ander boek heeft zich ooit met zoo-
veel gezag en zooveel nadruk tot het oordeel en
het zedelijkheidsgevoel van het menschdom gericht!"
—  „Edmund Burke, hoe denkt gij over den Bijbel?"
—   Antwoord: „Ik heb den Bijbel gelezen \'s mor-
gens, \'s middags en \'s avonds, en door dat lezen
heb ik mij telkens gelukkiger en beter gevoeld."
—  En thans doe ik op de bank der getuigen plaats
nemen William E. Gladstone, die meermalen aan
-ocr page 643-
635
het hoofd der Engelsche regeering heeft gestaan,
den „grooten ouden man", zooals men hem in zijn
vaderland algemeen noemt, en ik hoor hem zeggen
wat hij tot mij zeide in Januari 1890, toen ik, ter
voldoening aan zijn telegram: „Wees zoo goed,
morgen op Hawarden te komen," hem op zijn bui-
tenplaats was gaan bezoeken. Bij deze gelegenheid
vroeg ik hem, of — in den loop der jaren — zijn
geloof in de Heilige Schrift en het Christendom
toe- of afgenomen was; en toen wendde hij zich
tot mij met een nadruk en een geestdrift, waarvan
niemand, die niet mondeling met hem van gedach-
ten heeft gewisseld, zich een juist begrip kan vor-
men , — en betuigde hij door den klank zijner stem
door zijne levendige gebaren door den stralenden glans
op zijn gelaat zijn steeds toenemend geloof in God
en in den Bijbel en in het Christendom, als de
éénige hoop onzer verdorven wereld. De volgende
man, dien ik op de getuigenbank doe plaats nemen,
is wijlen de Graaf van Kintore; en als ik hem vraag
wat hij van het Christendom denkt, geeft hij ten
antwoord: „Waarom vraagt ge mij dat? Hoort ge
mij Jezus Christus niet prediken in de Middernacht-
zending te Londen?" — „O ja, nu herinner ik het
mij!" — Doch ik zie een menigte van getuigen op
den huidigen dag in de rechtszaal, en ik roep u op
naar de getuigenbank, maar ik heb slechts één
seconde tijds voor elk uwer. Terwijl gij voorbijgaat,
behoeft gij slechts ééne verklaring ten opzichte van
het geloof in Jezus en in den Bijbel af te leggen.
„Door Gods genade heeft het mijne geheele natuur
-ocr page 644-
636
veranderd," zegt er een. „Het bracht mij van dronk-
kenschap en armoede tot matigheid en een gezellig
tehuis," zegt een ander. „Het schonk mij troost,
toen ik mijn kind had verloren," zegt een ander.
„Het gaf mij de hoop op toekomstige schatten , toen
mijn geheele vermogen verzwolgen werd door de
jongste beurscrisis," zegt een ander. „Het heeft mij
méér vrede en voldoening geschonken, dan alle
andere dingen dezer wereld/\' zegt eenander. „Het
is voor mij licht, en muziek, en reukwerk, en stra-
lende profetie geweest," zegt een ander. O, houd
op met dien langen stoet van getuigen! Genoeg!
Genoeg! Al die stemmen uit het verleden en het
heden hebben ons geloof krachtiglijk vermeerderd.
Ons geloof wordt voor is versterkt door de oudheid-
kundige onderzoekingen.
Wij moeten erkennen, dat
de goede menschen vroeger bevreesd waren voor
den hamer van den geoloog, en voor de smeltkroes van
den scheikundige, en voor de nasporingen vanden
oudheidkundige; maar verstandige Christenen ont-
vangen en verwachten thans niets anders dan be-
vestiging uit al zulke bronnen. Waardoor wordt de
Engelsche „Vereeniging tot onderzoek van Palestina"
in stand gehouden ? Door de bijdragen van Christe-
lijke Kerken en Christelijke weldoeners. Ik zag de
duidelijke sporen der spaden en houweelen dier
onderzoekende Vereeniging te midden der ruïnen
van het oude Jericho, en alom in het zand van
de Doode Zee tot aan Cesarea Philippi. „Graaf
weg!" zegt de Kerk van God, „en hoe dieper gij
graaft, hoe liever ik het heb!" Op de ontbloote
-ocr page 645-
637
monumenten van Egypte zijn getuigenissen gebeiteld
omtrent het lijden der Israëlieten in de Egyptische
slavernij, zooals wij het in den Bijbel beschreven
vinden; daar ziet men in onvergankelijk gesteente
afbeeldingen van de slaven, van de zwepen en
van de aandrijvers, die hen tot het maken van stee-
nen zonder stroo dwongen. Het opgegraven Ninevé
en Babylon verklaren met hunne bestoven lippen,
dat de Bijbel waar en waarachtig is. Napoleons
soldaten in den Egyptischen veldtocht hieven een
steen op, dien gij thans te Londen in het Britsch
Museum kunt vinden: een steen die, als ik het mij
goed herinner, een beschreven oppervlakte van on-
geveer twee vierkante voet heeft. Hij behelst woor-
den in drie talen. Die steen was de sleutel, waar-
mede men de beteekenis ontcijferde van de hiëro-
glyphen op graven en obelisken, die telkens en tel-
kens weer dezelfde gebeurtenissen verhalen, welke
door Mozes werden geboekstaafd. De zwavelach-
tige graven van Sodom en Gomorra zijn blootge-
legd. De overblijfselen van den toren van Babel
zijn gevonden. Assyrische documenten, opgedolven
uit het zand, en Behistunsche inscriptiën, honderden
voeten hoog op de rotsen, doen weerklank op
weerklank van de waarheid der Bijbelsche geschie-
denis hooren. De teekenen des tijds wijzen er op, dat
bijna ieder feit uit den Bijbel, van Genesis I tot Open-
baring XXII, zijne toelichting en bevestiging zal
ontvangen uit de eene of andere oude, opgegraven
stad, of van een ouden muur, dien men van het
stof der eeuwen heeft ontdaan, of van een oud
-ocr page 646-
638
document, dat door de archeologen ontrold is. Vóór
en aleer de wereld zoo ver is voortgewenteld in de
twintigste eeuw, als zij thans is voortgewenteld in
de negentiende eeuw, zal een geloovige een man
zijn, die zijne eigene zintuigen niet gelooft, en de
boekdeelen vol critische en afbrekende vertoogen
tegen den Bijbel zullen — als de mot en de worm
ze dan nog niet geheel verteerd heeft — van de plank
genomen en bekeken worden als curieuse staaltjes
van onkunde en stompzinnigheid. Alle mogelijk suc-
ces zij toegewenscht aan de spaden en de bijlen en
de houweelen en de buskruitontploffingen van die
apostelen der oudheidkundige onderzoekingen!
Ik stem van ganscher harte in met het fiere,
heldhaftige antwoord van de oude Hugenoten tot
de aanvallers van het Christendom: „Pakt u weg,
rebellen! Uwe hamers breken, maar het aambeeld
van Gods Woord blijft staan!" Hoe wonderbaarlijk
zijn het verband en de samenhang van dat oude Boek!
Het is een bibliotheek, samengesteld uit zes en zes-
tig boeken, en geschreven door minstens negen en
dertig auteurs. Het is iets bovennatuurlijks, dat zij
zoo bijeen zijn gebleven. Neem eens de geschriften
van een ander negen en dertigtal auteurs, of van
een tiental auteurs, of van een vijftal auteurs, en
plaats die naast elkaar, — hoe lang zullen zij naast
elkaar blijven? Boeken met „bloemlezingen," saam-
gebracht uit de werken van vele auteurs, hebben
een spreekwoordelijk kort leven. Ik heb nog nooit
gehoord van zulk een boek, dat er — om een uit-
geversterm te gebruiken — vijf jaar „leven in zat."
-ocr page 647-
639
Hoe komt het dan dat de Bijbel, saamgesteld uit
de geschriften van minstens negen en dertig auteurs,
sedert zulk een lange reeks van eeuwen bijeen is
gebleven, terwijl hunne natuurlijke neiging zou zijn
geweest, her- en derwaarts te vliegen, als losse
bladen papier waarover een windvlaag heenstrijkt?
Dat kwam doordien de Heer onze God er eenheid
aan gaf, en ze bij elkander houdt. Anders zou
Jozua heengedwaald zijn in deze richting , en Paulus
in gene richting, en Ezechiël in eene andere, en
Lukas ook in eene andere, en Habakuk weer in eene
andere, en al de negen en dertig auteurs in negen
en dertig richtingen. Plaats de geschriften van
Shakespeare en Tenn3^son en Longfellow, of een
gedeelte er van, eens naast elkaar, — hoe lang
zullen zij bijeen blijven? Geen boekbinderskunst zou
ze bij elkaar kunnen houden! Maar het kanon der
Heilige Schrift is thans nog geladen met dezelfde
ammunitie, waarmee de profeten en de apostelen
het geladen hebben.
Met andere woorden: het Boek boezemt mij ver-
trouwen in door zijn bovennatuurlijken samenhang
tusschen geschrift en geschrift. Zelfs in het grootste
schip wil de lading wel eens verschuiven, — en dat
maakte voor ons het gevaar des te grooter in het
schip Griekenland van de „Nationale Lijn," toen de
cycloon ons van de kust van Newfoundland deed
afdrijven, en de lading ijzer aan \'t rollen was ge-
gaan , terwijl het schip van bakboord naar stuur-
boord zwaaide. Maar Gode zij dank! in dit oude
Bijbelschip, al heeft het duizenden stormachtige jaren
-ocr page 648-
640
meegemaakt, is de lading goud en edelgesteenten
vast fcn veilig opeen gebleven, en is er in al die
eeuwen niets van verwrikt of verschoven. Daar
staan zij, schouder aan schouder, daar staan zij al-
len , en met de zekerheid van daar te zullen blijven,
totdat de hemel en de aarde voorbij zijn gegaan.
Door dit ontzaglijke feit wordt mijn geloof ver-
sterkt. Er wordt nog altijd eene eindelooze discus-
sie gevoerd over het auteurschap van die Bijbel-
boeken , die samen de Pentateuch heeten: of zij
door Mozes of Hilkia of Ezra of Samuel of Jeremia
of een andere groep ouden geschreven zijn. God
is de auteur, Zijne uitverkoren dienaren zijn de werk-
tuigen , en in deze dagen van stenographie en schrijf-
machines moest dat niet zoo moeilijk te begrijpen
zijn. De groote kooplieden en rechtsgeleerden en
redacteurs en indistruëelen onzer handels- en fa-
briekssteden dicteeren bijna al hunne brieven; zij
zetten, na ze gedicteerd te hebben, er alleen hun
handteekening onder. De profeten en de evangelisten
en de apostelen waren Jehova\'s stenographen ofty-
pewriters. Zij schreven slechts neer wat God dic-
teerde; Hij onderteekende het later. Te midden
van al de wisselingen der eeuwen heeft Hij er zijn
naam op geschreven.
Maar ik kom eerst tot de volle hoogte van mijn
onderwerp, wanneer ik zeg: het beste middel ter
versterking van ons geloof, is: er om te bidden.
Langs
dien weg ontvingen ook de discipelen in mijn tekst
hun overvloedig geloof: „Heer! vermeerder ons het
geloof!"
Hier hoor ik iemand de vraag opperen:
-ocr page 649-
641
„Denkt gij werkelijk, dat het gebed tot iets nut is?
Ik zou evengoed kunnen vragen, of er een reeks
telegraafpalen staat tusschen Parijs en St. Peters-
burg, en of er een reeks telegraafpalen staat tus-
schen Manchester en Londen, of tusschen Keulen
en Berlijn, of tusschen New-York en Washington!
Alle menschen die wel eens een bericht langs die
telegraaflijnen hebben verzonden of ontvangen,we-
ten, dat zij bestaan. En zoo zijn er ook millioenen
zielen, die in voortdurende gemeenschap hebben
geleefd met de Hoofdstad van het Heelal, met den
Troon van den Almachtigen God, met den Grooten
God Zelf, sedert jaren en jaren en jaren. Er is
geen dag omgegaan, dat er geen smeekbeden op-
stegen en geen zegeningen neerdaalden. Zal nu de
een of andere onnoozele bloed, die nog nooit een
telegram ontvangen of verzonden heeft, ons komen
vertellen , dat er niets bestaat wat op telegrafische
gemeenschap gelijkt? Zal deze of gene, die nog nooit
een gebed heeft gestameld, dat verhoord en beant-
woord werd, ons diets komen maken, dat het bid-
den pure dwaasheid is? Het komt misschien niet
op den tijd en de wijze, waarop wij het verwacht
hebben; maar even stellig en zeker als een ernstig
gebed ten hemel stijgt, even zeker zal er een gena-
dig antwoord komen. Tijdens een sneeuwstorm, die
eenige jaren geleden hier in Amerika woedde, wer-
den er, zooals gij weet, vele telegraafpalen omver
geworpen; toen telegrafeerde ik uit New-York naar
Chicago over den weg van Liverpool in Engeland,
en een poos later kwam het antwoord langs den»
-ocr page 650-
642
zelfden grooten omweg. En zoo kan het gebed, dat
wij opzonden, terugkomen langs een weg waaraan
wij nooit gedacht hadden, en indien wij vragen om
vermeerdering van ons geloof, — al komt het mis-
schien langs een weg, die hemelsbreed verschilt van
den door ons verwachte, ons vertrouwen zal er zeker-
lijk door versterkt worden.
O-, neem het op in ieder gebed, dat gij ooit doet
tusschen uwe eerstvolgende ademhaling en uw jong-
sten snik: vHccr! vermeerder ons hei geloof!" — Het
geloof in Christus als onze persoonlijke Verlosser
van onze tegenwoordige schuld en van ons eeuwig
verderf; het geloof in den almachtigen Heiligen Geest;
het geloof in den Bijbel, het waarachtigste boek dat
ooit gedicteerd of geschreven of gedrukt of gelezen
is; het geloof in de schijnbaar tegenstrijdige leidin-
gen der Voorzienigheid, voor ons tijdelijk en eeuwig
welzijn aldus in harmonie met elkaar gebracht; het
geloof is een dag des Oordeels, die alle dingen recht
zal maken, welke eeuwenlang geheel verkeerd zijn ge-
weest. Vermeerder ons het geloof, niet door een
luttele toevoeging, maar door een eindeloozen aan-
voer van nieuwen voorraad. Ik gevoel mij het meest
aangetrokken tot de wijze waarop die profetenwe-
duwe uit Eliza\'s tijd te werk ging, die met haar
gezin diep ongelukkig was geworden , zoodat hare
twee zonen bijna voor schuld moesten worden ver-
kocht , en zij niets anders meer in huis had dan een
potje met olie. Op last van Eliza leende zij bij hare
buren al de vaten, die zij kon krijgen; en daarna be-
gon zij de olie in die vaten uit te gieten, en bleef
-ocr page 651-
^43
zij voortgieten, totdat zij allen vol waren, — en zoo
werd zij een oliekoopvrouw, met meer kapitaal dan
schulden. En toen zij riep: „Breng mij nu nóg een
vat!" toen volgde het antwoord: „Er is geen vat
meer!" En laten ook wij zoo het vele of weinige ne-
men, dat wij aan olie des geloofs bezitten, en er van ge-
bruiken totdat de voorraad op wonderdadige wijze
vermeerderd zal worden. Brengt nu allen uwe ledi-
ge vaten; en door de macht des Heeren, des Gods
van Eliza, zullen zij gevuld worden , totdat zij tot
overloopens toe vol zijn met een jubelend, een al-
les bezielend, een triomfeerend geloof! — Amen.
-ocr page 652-
-ocr page 653-
XLi.
OP DEN DORSCHVLOER.
AYant men dorseht de wikken niet
niet den donchwogen, en men laat het
wogenrad niet rondom over het komijn
gaan; maar de nikken slaat men uit
met eenen staf, en het komijn met
eeneu stok: het broodkoren moet ver-
brijzeld worden, maar hij dorseht het
niet geduriglijk dorsehendc.
Jesaja XXVIII: 27 en 28a.
Hier worden drie soorten van zaad genoemd:
wikken, komijn en koren. Met het laatstgenoemde
zijn wij allen bekend. Maar wij mogen wel aanne-
men , dat de wikken en het komijn kleine zaden waren,
evenals het karwei of de sissererwt. Wanneer die
korrels of gewassen gedorscht moesten worden,
werden zij op den dorschvloer uitgestort, en dan
kwamen de arbeiders er omheen staan met staven,
of stokken. of vlegels, en sloegen zij er op, totdat
het zaad van zijn omhulsel ontdaan was. Maar wan-
neer het koren moest gedorscht worden, dan werd
dat op den dorschvloer uitgespreid , en dan spanden
de boeren hunne paarden of ossen voor een kar,
welker wielen van ijzeren tanden voorzien waren;
-ocr page 654-
646
die kar werd dan over den dorschvloer getrokken,
en zoo werd het werk ten uitvoer gebracht. Ver-
schillende wijzen van dorschen voor verschillende
producten.
De groote gedachte, die ons door mijn tekst op
het hart wordt gedrukt, is deze: dat wij allen aan
de eenc of andere soort van dorschingsproces onder-
worpen moeten worden.
De omstandigheid, dat gij
misschien uw leven wijdt aan de uitvoering van
edele en lofwaardige plannen, zal in dit opzicht
volstrekt geen reden van vrijstelling voor u wezen.
Wilberforce, de Christelijke bevrijder der slaven,
werd in zijn tijd spottend genoemd: „Dokter Kan-
niet-goed." Norman Mac Leod, de groote vriend
der Schotsche armen , werd allerwegen onverbid-
delijk gesmaad en belasterd , hoewel er op den dag,
toen hij naar zijne laatste rustplaats werd uitgedra-
gen, een werkman naar den voorbijtrekkenden begra-
fenisstoet stond te kijken, en daarbij de opmerking
maakte: „Al had hij voor niemand anders iets meer
gedaan dan voor mij, dan zal hij tóch tot in alle
eeuwigheid stralen en schitteren als de sterren!"
Al de flauwe grappenmakers van heel Londen had-
den John Wesley , den vader van het Methodisme,
tot hun mikpunt gekozen.
Indien zulke mannen niet konden ontkomen aan
de boosaardigheid dezer wereld , dan kunt ook gij
niet verwachten , dat gij bevrijd zult blijven van de
zware, snerpende slagen der bezwaren en moeilijk-
heden.
Wij lezen in onzen Bijbel: „Allen, die godza-
lig lijk willen leven in Christus Jezus, zullen ver-
-ocr page 655-
647
volgd worden.\'\' En bovendien komen de ziekten,
en de faillissementen, en de ergernissen, en de
teleurstellingen, die telkens een beker alsem aan
onze lippen zetten. Die rimpels op uw gelaat zijn
hiëroglyphen, die, als zij eens ontcijferd werden,
eene aandoenlijke lijdensgeschiedenis zouden vormen.
De voetsporen van het konijn zijn den volgenden
morgen op de sneeuw te zien; en op de grijze
hoofden der bejaarden staan de voetsporen, die ons
doen bespeuren, waar de snelvoetige zorgen hunnen
stap gezet hebben.
Zelfs te midden van de genoegens en de ver-
makelijkheden dezes levens breken de zorgen zich
somtijds baan. Evenals toen de menschen bijeen
waren in den schouwburg der Noord-Amerikaansche
stad Charleston tijdens den revolutie oorlog tegen
Engeland in 1776, — terwijl zij daar zaten te kijken
naar een kluchtspel, en terwijl het publiek in de
hoogste verrukking was, — evenals zich toen plot-
seling de kanonschoten van een aanrukkend leger
lieten hooren, en het publiek door eene razende
paniek overweldigd werd, en de lieden al vluchtend
en worstelend hun leven poogden te redden, zoo
hoort ook gij dikwijls, terwijl gij te midden van de
vreugden en de festiviteiten dezer wereld gezeten
zijt, het kanongebulder van de eene of andere groote
rarnp. Al de wikken en het komijn en het koren
moeten op den dorschvloer uitgestort en gestampt
en gekneusd worden!
Mijn onderwerp brengt ons in de eerste plaats
onder het oog, dat het geen compliment voor ons is,
-ocr page 656-
648
als wij aan zware beproevingen ontsnappen. De wik-
ken en het komijn op den dorschvloer zouden wel
eens om kunnen zien naar het koren op een ande-
ren dorschvloer, en zeggen: „Och! kijk dat arme,
ellendige, gekneusde en gebeukte koren eens aan!
Wij zijn maar een klein weinigje getikt; maar dat
daar is bijna platgeslagen!" Welnu, dan zou het
koren, als het lippen had, kunnen antwoorden en
zeggen: „Weet gij wel, om welke reden gij niet
zoo zwaar geslagen zijt als ik? Dat komt doordien
gij niet zooveel waarde hebt als ik; indien gij even-
veel waarde hadt, zoudt gij wel even streng behan-
deld worden!" En toch vindt men menschen, die
in den waan verkeeren, dat zij zich \'s Heeren bij-
zondere gunstgenooten mogen noemen, enkel en
alleen, omdat hunne schuren altijd vol zijn, en hunne
rente geregeld betaald wordt, en er geen begrafe-
nissen in de familie voorkomen. Het komt misschien
doordat zij „wikken en komijn" zijn; terwijl die
arme weduwe, daarginds aan het eind van dat
straatje, wellicht \'s Heeren „koren" is. Gij wordt
slechts weinig geslagen, omdat gij weinig waard zijt;
en zij wordt gekneusd en gemalen, omdat zij het
beste gedeelte van den oogst is.
De zwaarte van het dorschwerktuig stemt over-
een met de waarde van het graan. Indien gij in uw
leven nooit veel gedorscht zijt, was er misschien
niet veel te dorschen! Dat gij niet door veel zor-
gen geschokt en geschud zijt, komt wellicht door-
dien er slechts een schaarsche vruchtenoogst zou
vallen. Wanneer er veel aalbessen zijn, gaan de pluk-
-ocr page 657-
649
kers er met groote manden op uit; maar wanneer
de vrucht door de droogte bijna geheel verschrom-
peld is, dan kan men het best met een vierde ge-
deelte van de manden stellen. De vergiftige slang
orn Paulus\' arm, en zijne steeniging totdat hij voor
dood werd opgenomen, en de knarsend achter hem
dichtdraaiende gevangenisdeuren, en zijne worste-
ling tegen de wilde dieren te Epheze, en zijne ont-
velde enkels tusschen het pijnlijk schrijnende blok,
en het vergaan van het Alexandriesche korenschip,
en de kaakslag van den Romeinschen hoofdman,
— dat alles was noodig om Paulus tot de voor hem
vereischte ontwikkeling te brengen.
Niet omdat Robert Moffat en Lady Rachel Rus-
sel en Frederik Oberlin zooveel slechter waren dan
andere menschen, hadden zij zooveel te lijden, maar
omdat zij beter waren, en omdat God hen tot de
besten wilde maken. Naar de zorgvuldigheid van
het dorschen, kunt gij altijd de waarde van het
graan beoordeelen.
En voorts kunnen wij uit mijn tekst dit afleiden:
dat God onze beproevingen in verhouding doel blijven
met hetgeen wij kunnen dragen.
De staf voor de
wikken. De stok voor het komijn. Het getande ijze-
ren rad voor het koren. Somtijds zuchten de men-
schen onder hunne zware beproevingen: Ach! dat
kan ik niet uithouden!" Maar toch hield gij het uit.
God zou het u niet hebben toegezonden, als Hij
niet geweten hadt, dat gij het kondt verdragen. Gij
beefdet en gij bezwijmdet, — maar tóch zijt gij het
te boven gekomen. De Heer onze God zal niet één
-ocr page 658-
650
enkelen traan te veel uit uwe oogen persen, noch
één te diepen zucht uit uwe borst, noch één te
bangen zweetdruppel uit uw voorhoofd! In al de
beslommeringen van uw aardsch bestaan is er geen
enkele valstrik om u ten verderve te brengen.
Gij hebt somtijds een gevoel alsof deze onze we-
reld vol knuppels en knotsen is, die er naar wille-
keur in rondvliegen. O neen! — dat zijn dorsch-
werktuigen, die God juist op uwen toestand bere-
kend en pasklaar gemaakt heeft. Er is geen enkele
kwade post op uw grootboek, geen enkele teleur-
stelling in zake fondsen, waarvan gij dacht dat zij
zouden rijzen, maar die naar beneden zijn gegaan,
geen enkele zwendelarij van uwen handels-compag-
non , en geen enkele valsche streek van den kant
dergenen, die in hetzelfde artikel handeldrijven als
gij, of God beoogde daarmede het welzijn uwer
ontsterflijke ziel. „O," zegt gij, „maar zoo behoeft
er niet tot mij gesproken te worden: ik ben er vol-
strekt niet op gesteld, misleid en beleedigd te wor-
den !" Zoo is het koren ook niet gesteld op het
dorschwerktuig; maar nadat het gedorscht en ge-
zift is, heeft het een heel wat betere gedachte van
alles wat met ziften en dorschen in verband staat.
„Nu ja," zegt gij, „als ik zelf mijne zorgen mocht
kiezen, zou ik mij er gewillig aan onderwerpen!"
Och, mijn broeder, dan zouden het geen zorgen
zijn. Gij zoudt iets kiezen, dat u geen pijn doet;
en als het geen pijn doet, kan het ook niet heiligen.
Uwe beproeving is misschien een kinderloos huwe-
lijk. Gij zijt verzot op kinderen. „Waarom/\' zoo
-ocr page 659-
65t
vraagt gij, „zendt God wèl kinderen naar dat andere
huishouden, waar zij niet welkom zijn, en waar zij
voortdurend worden mishandeld en geslagen, —
terwijl ik ze in de armen mijner genegenheid zou
genomen hebben?" Of gij zegt: „Liever elke andere
beproeving, dan deze!" Uwe beproeving is wel-
licht een misvormd lichaam, een gelaat dat zich ge-
makkelijk tot het teekenen van carricaturen leent,
en daarom zegt gij: „O, ik zou alles kunnen ver-
dragen, als ik er maar goed uitzag!" En uwe be-
proeving is misschien een opvliegend karakter, en
gij hebt er evenveel moeite mede als met het be-
sturen van zes wilde paarden te midden der dreu-
nende kanonschoten, - honderd en één, — vaneen
koninklijk eeresaluut, zoodat het telkens en telkens
weer met u op hol gaat. Uwe beproeving is het
asthma. Gij zegt: „O, als het rheumathiek was, of
zenuwachtigheid, of roos, — maar het is dat afschu-
welijke asthma, en dat benauwde ademhalen is zoo
vermoeiend!" Uwe zorg is een ruwe, driftige, kort
aangebonden man, een echt kruis voor zijn huis, die
een leven als een oordeel maakt omdat er een knoop
van zijne jas is! Hoe kondt gij weten, dat die knoop
er af is? Uwe beproeving is eene vrouw, die altijd
en immer overhoop ligt met de dienstboden, en boven-
dien een rechte slons is. Hoewel zij vroeger altijd
groote zorg droeg om te maken, dat zij er in uwe
tegenwoordigheid goed uitzag, is zij nu volslagen
zorgeloos in dit opzicht, omdat, zoo als zij zegt,
haar fortuin gemaakt is! — Uwe beproeving is een
moeielijke schoolles, die gij niet kunt leeren, en gij
-ocr page 660-
652
hebt op uwe nagels gebeten, totdat zij er afzichtelijk
uitzien. Ieder heeft de eene of andere ergernis
of moeilijkheid of beproeving, en elk onzer denkt,
dat de zijne of de hare juist de onuitstaanbaarste
is. „Liever alle andere dingen dan dit!" zeggen zij
allen; „liever alle andere dingen dan dit \\"
Ach, mijn hoorder! schaamt gij u niet, zoo voort-
durend tegen God te klagen? Wie bestuurt in
ieder geval de zaken dezer wereld? Is het een
eeuwige Moloch, of een almachtige Nero? Neen,
\'t is het genaderijkste en heerlijkste en wijste We-
zen uit het gansche heelal! Gij kunt de Almacht
niet iets leeren. Gij hebt meer dan genoeg gezwoegd
en getobd. Gelooft gij dat óók niet? Sommigen uwer
maken zich belachelijk in de oogen der engelen.
Hier is een scheepsbouwmeester, en hij teekent de
plannen en ontwerpen voor een schip van vele dui-
zenden tonnen Tal van werklieden zijn er een ge-
ruimen tijd aan bezig. Het schip is gereed, en op
zekeren dag, met de wapperende vlaggen aan de
toppen der masten en terwijl de lucht davert van het
gejuich , wordt dat schip te water gelaten, om een
overzeesche reis te doen. Op hetzelfde oogenblik
komt een jongske van zes jaar langs het dok aan-
loopen met een klomp, waarvan hij met zijn eigen
zakmes een schuitje heeft gefabriceerd, en nu zegt
hij: „Kijk eens hier! mijne boot is vrij wat beter dan
de uwe! Zie maar eens naar dien kluiverboom en
die tegen weer en wind bestande masten \\" En hij
laat zijn klompbootje naast het groote schip varen,
— en er volgt een uitbarsting van schaterend gelach
-ocr page 661-
653
langs de dokken. O, mijne vrienden! dat groote schip
is uw leven , zooals God het ontworpen en gebouwd
heeft: groot, van millioenen tonnen, voor den groo-
ten oceaan bestemd, om in de eeuwigheid binnen
te loopen. Die kleine boot is uw leven, zooals gij
zelf het tracht uit te houwen, en te fatsoeneeren,
en te water te laten. O, tracht den grooten Jehova
toch niet naar de kroon te steken! God heeft altijd
gelijk, en in negen van de tien gevallen hebt gij
ongelijk. Hij zendt u juist die moeilijkheden, juist
die faillissementen, juist die kruisen, die het best
voor u geschikt zijn. Hij weet wel, wat soort van
graan gij zijt, en daarom zendt Hij het rechte dorsch-
werktuig. Het zal een staf, of een stok, of een ijze-
ren wiel zijn, al naar mate gij wikken, of komijn,
of koren zijt.
Ook zien wij uit mijn onderwerp , dat God onze
beproeving laat voortduren totdat wij ons hebben
overgegeven.
De landman roept „ho !" tot zijne paar-
den , zoodra het graan uit den halm is gevallen.
De landman komt met zijn hooivork en stapelt het
stroo op een hoop, en hij ziet dat het stroo het
graan heeft losgelaten, en dat het graan volkomen
gedorscht is. En zoo doet God óók. Zoowel het
kloppen met den staf als het slaan met den stok en
het draaien van het wiel houdt op, zoodra wij los-
laten. Wij houden ons vast aan deze wereld, met
al hare vermaken , en rijkdommen , en buitenkansjes,
en onze vingers zijn er zóó stevig aan vastgeklemd,
dat het schijnt alsof wij er ons wel eeuwig aan kon-
den vasthouden. Maar nu komt God tot ons met de
-ocr page 662-
^54
eene of andere dorschende zorg, en slaat Hij ons
los. Wij hadden van meet af in den waan verkeerd,
dat dit eene groote wereld was. Wij hadden uit onze
aardrijkskunde geleerd, dat zij zoo- en zooveel dui-
zend mijlen in middellijn was, en zooveel duizend
mijlen in omtrek, en wij zeiden: „Wel, wel! wat is
dat een wereld!" In ons latere leven kwamen de
zorgen, en deze zorg sneed dit gedeelte van de
wereld af, en gene zorg sneed een am\'er gedeelte
van de wereld af, en zoo is het een kleinere wereld
geworden, en in de schatting van sommigen uwer
zelfs een zeer onbeduidende wereld, en als geeste-
lijk goed krijgt zij voortdurend hoe langer hoe min-
der waarde. Tien percent er af, vijftig percent er
af, en er zijn er, die geen tien cents voor deze
wereld zouden geven — voor de geheele wereld —
als bezitting voor de ziel.
Wij meenden dat vriendschap iets grootsch was.
Op school leerden wij opstellen maken over de
vriendschap; en misschien hebben wij op den dag
onzer promotie eene rede gehouden over de vriend-
schap. O, het was iets heerlijks! Maar staat zij
thans nog wel even hoog bij u aangeschreven als
vroeger? Gij zijt nu verder gevorderd op uwen
levensweg, en de eene vriend heeft u bedrogen,
en de andere vriend heeft u verkeerd begrepen,
en een derde vriend heeft u al spoedig links laten
liggen, en thans schijnt het u somtijds toe, dat de
vriendschap eenvoudig niets anders is dan een nieuw
middel om u te kwellen.
En zoo gaat het ook met het geld. Wij dachten,
-ocr page 663-
655
dat, als iemand een bestaan had, hij bezorgd was
voor heel zijn volgend leven; maar wij hebben ge-
leerd , dat een hypotheek verloren kan gaan door
een van te voren onbekende, eerst later gerezen
moeilijkheid; dat het plaatsen van uwe handteeking
op de achterzijde van een wissel misschien uw
doodvonnis als koopman kan zijn; dat een nieuw
tarief verandering kan brengen in de strooming van
den handel; dat iemand vandaag schatrijk kan zijn,
en morgen doodarm. En door al deze tegenspoe-
pen tracht God nu onze hand los te maken van de
wereld, — maar nog altijd blijven wij haar vast-
houden. God slaat ons met een staf; maar wij houden
nog vast, En hij slaat ons met een stok; maar wij hou-
den nog vast. En Hij laat het ijzeren wiel van den te-
genspoed over ons heengaan, maar wij houden vast.
Er zijn menschen, die zich tot hun laatste oogen-
blik aan deze wereld blijven vastklemmen , en die
mij doen denken aan den toestand en het gedrag
van een armen Indiaan in een bootje op den Nia-
gara, waarmede hij den waterval naderde. Toen
hij zag, dat hij den dood niet meer kon ontkomen,
— een paar seconden voordat hij den rand van den
afgrond bereikte, — hief hij een gevulde wijnflesch
omhoog en dronk hij die achter elkaar leeg, en daarna
slingerde hij de flesch in de lucht. En zoo zijn er
menschen, die deze wereld vastgrijpen; en zij gaan
naar de diepte over de bergstroomen van verzoeking
en zonde, en zij houden ztch aan haar vast tot het aller-
laatste oogenblik huns levens, een toost drinkende
op hun verderf, terwijl zij er heen en. er in gaan!
-ocr page 664-
656
O, laat los! laat los! De beste fortuinen zijn in
den hemel. Er zijn geene zich verwijderende kas-
siers aan die Bank, en de toegezegde betalingen
blijven nooit achterwege. „Bedenkt de dtngcn die
boven zijn
, niet die op de aarde zijn." Laat los!
Reken er op, dat God den staf of den stok of het
ijzeren wiel op u zal laten werken totdat gij loslaat!
Er is nog iets anders, dat mijn tekst ons leert:
dat er aan de zorgen des Christens stellig en zeker
eenmaal een einde zal komen. Mijn tekst zegt:
„Het broodkorcn moet verbrijzeld worden, maar Hij
dorscht het niet gcdnriglijk dorselicndc."1
Daar zij
God voor gedankt! Sla neder, o dorschvlegel!
Draai rond, o wiel! Uw werk zal spoedig gedaan
zijn. „Hij dorse/ii het niet gcdnriglijk dorschcnde"
Thans maakt de Christen bijna evenveel gebruik in
het orgel van het tramblant-register als van het
bazuin-register. Maar over eenigen tijd zal hij zijn
laatste klaaglied voor altijd in de muziek-portefeuille
kunnen bergen. Voor zooveel wij tarwe zijn, zullen
wij gescheiden worden van wat zooveel als kaf is,
en er zal geen behoefte aan slagen meer zijn.
Er wordt nooit geschreid in den hemel, omdat
er geen reden tot schreien bestaat. Er worden geen
tranen van rouw gestort, want gij zult al uwe dier-
bare betrekkingen en vrienden om u heen hebben.
Er worden geen tranen van armoede vergoten, om-
dat iedereen aan \'s Konings tafel zit, en zijn eigen
zegewagen heeft, en naar verkiezing beschikken
kan over de kleedkamer, waaruit de prinsen hunne
gewaden bekomen. Geen tranen van ziekte, want
-ocr page 665-
^57
de lucht doet er geen longontsteking ontstaan, en
er komen geen malaria-koortsen door de uitdampin-
gen van de golvende rivier des levens, en geen
krukken voor kreupele voeten, en geen spalken
voor gebroken armen. Want de polsen kloppen
er met de gezondheid van den eeuwigen God, in
een klimaat als van onze Junimaand vóór de bloe-
sems afvallen, of van onze prachtigste Octoberdagen
vóór de bladeren neerdwarrelen.
In dat land zullen de heiligen spreken over de
verschillende wijzen van dorsching. O, die geschie-
denissen van den staf, die de wikken sloeg, en van
den stok, die op het komijn neerkwam, en van
het ijzeren wiel dat over het koren heenging. Daniël
zal de leeuwen beschrijven, en Jona den walvisch,
en Paulus de zweepen waarmede hij gegeeseld
werd, en Johannes Husz zal verhalen van de ver-
schroeiende vlammen, en Elia van den wagen met
de vurige paarden, die hem langs de trappen van
het luchtruim omhoog voerde. Daar zijn zij allen
voor den troon Gods. Op eene verhevenheid al de-
genen , die door den staf werden getroffen. Op
eene hoogere verhevenheid al degenen, die door
den stok werden geslagen. Op de hoogste verhe-
venheid, en te midden van de hoogste tinnen des
hemels, al degenen die onder het wiel zijn geweest.
„Hij dorscht het niet geduriglijk dorschende.\'"
O, mijne hoorders! is er niet genoeg zalf in dezen
tekst om een pleister te maken, die groot genoeg
is om al uwe wonden te helen ? Wanneer een kind
zich bezeerd heeft, hoort men de moeder meestal
-ocr page 666-
é58
zeggen: „Nu, het zal wel spoedig over zijn!" En
dat is het juist wat God zegt, wanneer Hij alle
zorgen stilt met de geruststellende kalmte dezer
groote belofte : „Des avonds vernacht het geween,
maar des morgens is er gejuich.\'\'1
Al hebt gij uwen
zakdoek doornat van tranen op uw doodsbed laten
liggen, — volkomen bevrijd van alle zorgen zult gij op-
staan. Uwe treurende achterblijvenden zullen zwarten
rouw dragen; maar gij zult met witte kleederen be-
kleed worden. Graf kransen voor hen; psalmen voor ü!
„Hoe is het mogelijk, dat ik hier ben ?" zult gij
vragen. „Is dit de hemel? En ben ik nu zóó rein,
dat ik nooit meer kwaad zal doen ? Ben ik zóó gezond,
dat ik nooit meer, ziek zal worden ? Is mijne vriend-
schap met deze mijne medegenooten zóó krachtig,
dat zij nooit meer zal worden verbroken? Is dat
Maria? Is dat Johannes ? Is dat mijne dierbare
vrouw, die ik inden duisteren graf kuil heb neerge-
laten? Zouden dat werkelijk de lieve gezichtjes
zijn van hen, die daar zoo bleek en zoo uitgeteerd
in onze achterkamer lagen, in dien akeligen sterf-
nacht? O, hoe stralend zien zij er nu uit! Daar
komen zij aan! Hoe schitterend zien zij er uit!
„Wel, hoe geheel anders is het hier, dan ik mij
had voorgesteld toen ik de benedenwereld verliet!
De predikanten gaven beschrijvingen van dit land,
maar hoe mat waren zelfs hunne verhevenste , hunne
stoutste schilderingen, in vergelijking van deze wer-
kelijkheid ! Men vertelde mij op de aarde, dat de
dood een zonsondergang was! Neen, neen! het is
een zonsopgang! Een luisterrijke zonsopgang! Ik
-ocr page 667-
^59
zie het licht nu zijn purperen gloed over de heu-
velen verspreiden, en de wolken blozen van blijd-
schap over het aanbreken van den komenden dag !
Dan zullen de poorten des hemels geopend wor-
den, en de verrukte ziel, die nu de scherpte en de
kracht van het hemelsch gezichtsvermogen bezit,
zal tien duizend mijlen ver den optocht met vaandels
en banieren zien naderen — als een rivier van fonke-
kelende pracht — en dan zal zij uitroepen: „Wie
zijn deze?" En de engel Gods, die dicht bij haar
staat, zal vragen: „Weet gij niet, wie dat zijn?"
— „Neen", zegt de verrukte ziel, „ik kan niet begrij-
pen , wie dat zijn." — En dan antwoordt de engel:
„Welnu, dan zal ik u zeggen wie het zijn. Dezen
zijn het, die uit de groote verdrukking, of dorsching,
komen, en zij hebben hunne lange kleederen gewas-
schen, en hebben hunne lange kleederen wit ge-
maakt in het bloed des Lams!"
O, mocht ik eens eenige druppelen van dit he-
melsche pijnstillende middel kunnen toedienen aan
alle zenuwachtige en overspannen zielen! Als gij
er genoeg van neemt, zou het al uwe kwalen en
pijnen genezen. Bedenkt slechts, dat gij over een
kleinen tijd dit alles te boven zult zijn, al deze zor-
gen en al deze nooden. Wij zullen een groote me-
nigte dagen in den hemel hebben, maar ik zal u
zeggen wat de gewichtigste dag van al de millioe-
nen eeuwen des hemels zal zijn. „Kunt gij mij dat
met zekerheid zeggen?" vraagt gij. „Ja, dat kan ik!
Het zal de dag zijn, waarop wij\'er komen /" — Amen.
-ocr page 668-
-ocr page 669-
XLII.
VROUWENWERK EN VROUWENLOON.
En te Joppe wns eene zekere disci-
pclin, met name Tabitha, hetwelk,
overgezet zijnde, is gezegd Oorkus. Deze
was vol vau goede werken en aalmoe-
zen , die zij deed.
Handelingen IX : 30.
Nu ik u de gelegenheden wensch op te sommen,
die de vrouw heeft om nuttig werkzaam te zijn, be-
gin ik met te zeggen, dat zij het naaste en hoogste
recht heeft om zieken te verkwikken en te troosten.
Welk land, welke straat, welk huis heeft de slagen
van krankheid en kwalen niet gevoeld? Tienduizen-
den ziekbedden! Wat zullen wij er mede doen? Zal
de man , met zijn ruwe hand en plompen voet en
ongeduldig humeur, hier handelend optreden ? Neen,
hij kan de pijn niet stillen! Hij kan de zenuwen
niet tot bedaren brengen. Hij weet niet, waar hij
het licht moet zetten. Zijne hand is niet vast en niet
rustig genoeg om het juiste aantal druppels uit het
medicijnfleschje te laten vallen. Hij is niet waak-
zaam genoeg om een waker te zijn.
-ocr page 670-
662
De Heer onze God heeft de vrouw, de moeder,
en de dochter, toegerust voor deze kiesche, maar
ontzaglijke taak. Gij hebt mannen gekend, die met
minachting neerzagen op de vrouw; maar zoodra zij
door eene ernstige ziekte overvallen werden, zonden
zij niet om hunne vrienden op het kantoor, of om hun
compagnon in de zaak , of om hunne kennissen in de
groote wereld, — maar was hun eerste kreet:
„Breng mij naar mijne vrouw!" De jeugdige door-
brenger op de hoogeschool heeft slechts een spot-
tend lachje ten beste voor het denkbeeld, dat hij
nog onder huiselijke invloeden zou staan; maar bij
den eersten gloed der typheuse koorts op zijne
wang zegt hij: „Ik moet mijne moeder hebben!"
Walter Scott schreef deels een satire en deels een
lofspraak, toen hij zeide:
«O woman} in our hour of ease,
Uncertain, coy, and hard to please;
When pain and anguish wring the brow,
A ministering angel thou.» *)
Mij dunkt, de aandoenlijkste passage in heel den
Bijbel is de geschiedenis van den knaap, die uitging
naar het oogstveld te Sunem en daar door een zon-
nesteek getroffen werd, zoodat hij zijne handen te-
gen zijne slapen drukte en uitriep: „O mijn hoofd!
mijn hoofd!" waarop zijn vader zeide: „Draag hem
tot zijne moeder!" En dan zegt het geschiedverhaal:
„Hij zat op hare knieën tot aan den middag toe;
•) O vrouw, bij \'t zonnetje om ous heen,
Vaak grillig, stug cu ontevreêu ;
Trekt zorg of ziekte bij ons in, —
Een trouwe, troostende engelin I
-ocr page 671-
66$
toen stierf hij." Het is iets vreeselijks, ver van huis
ziek te wezen in een vreemd hotel, waar slechts
een enkelen keer eens iemand naar n komt zien,
die dan nog een doek voor den mond houdt, uit
vrees van eene besmetting op te zullen doen. Hoe
hardhandig keeren de menschen u om in bed!
Hoe luidruchtig spreken zij! Hoe vurig verlangt gij
naar de goede verzorging, die gij thuis hadt! Ik
ken iemand, die uit een van de aangenaamste hui-
selijke kringen vertrok, om verscheidene weken
achtereen voor zaken in een ander gedeelte des
lands te vertoeven. Te middernacht kwam er een
telegram, dat hij op zijn sterfbed lag, ver weg van
huis en haard. Met den sneltrein begaven zijne
vrouw en dochters zich er heen; maar zij gingen
te laat. Hij was niet bevreesd voor den dood; maar
wél verlangde hij met al den angst zijner ziel, nog
in leven te blijven totdat zijne familie gekomen zou
zijn. Hij trachtte den dokter als \'t ware om te koo-
pen, om hem nog een poosje langer te laten leven.
„Ik ben bereid om te sterven", zeide hij, „maar
niet alleen!" Doch de polsslagen verflauwden, de
oogen vielen dicht, en het hart bleef stilstaan. De
sneltrein kwam in het holle van den nacht aan:
zijne vrouw en dochters hadden zich in westelijke
richting voortgespoed, — maar met het zielloos
overschot van hun man en vader keerden zij oost-
waarts terug. O, het was een weemoedig, bekla-
genswaardig, hartbrekend schouwspel! Wanneer
wij ziek zijn, wenschen wij het liefst thuis ziek te
zijn. Wanneer de tijd van sterven voor ons aan-
-ocr page 672-
664
breekt, wenschen wij thuis te sterven. De kamer
moge zeer eenvoudig zijn, en de gezichten die het
onze aanzien, zijn misschien zeer alledaagsch, —
maar wie bekommert zich daarom? Liefhebbende
handen om onze slapen te betten! Liefhebbende
stemmen om ons een bemoedigend woord toe te
spreken! Liefhebbende lippen om ons de troosten-
de beloften Gods voor te lezen!
Ook liccft de vrouw het hoogste recht om zorg voor
de armen te dragen.
Er zijn honderden en duizen-
den armen in al onze steden. Er bestaat eene soort
van werk, dat de man niet doen kan voor de ar-
men. Hier komt een troepje kleine, havelooze kin-
deren aan de deur der Dorkas-Vereeniging. Zij
moeten noodzakelijk gekleed en verzorgd worden.
Wie van die directeurs van bankierskantoren zou
wel weten , hoeveel meter goed men hebben moet
om een jurkje voor dat kleine meisje te maken ?
Welk paar van al die mannenhanden zou een hoedje
kunnen opmaken voor het hoofd van dat kleine
meisje? Wie van al die wijze mannen zou wel
weten, hoe dat nieuwe paar schoenen moet worden
aangeregen? De man reikt menigmaal zijne liefde-
gave op eene ruwe wijze uit, en dan valt zijn aal-
moes neer als de vrucht van zekeren boom in de
Oostersche landen, welke vrucht zóó zwaar neder-
korr.t, dat zij somtijds den schedel verbrijzelt van
den man, die haar tracht in te zamelen. Maar de
vrouw treedt, of liever zweeft zóó zachtkens het
klaaghuis binnen, en weet al de zorgen van
het gezin op te sporen, en legt zóó stil hare gave
-ocr page 673-
665
op de tafel, dat het geheele gezin bij haar vertrek
op de stoep gaat staan , om te zien of zij niet onder
haren omslagdoek twee vleugelen uit zal slaan en er
regelrecht mede naar den hemel zal vliegen, van-
waar zij schijnt neergedaald te zijn.
O, jonge Christinne! als gij uzelve gelukkig wilt
maken en den zegen van Christus verwerven wilt,
ga dan uit onder de noodlijdenden! Een lang tarwe-
brood en een paar of wat kousen is misschien geen
sierlijk pakje om meê te loopen, — maar de enge-
len Gods zullen naar buiten komen om u na te
oogen, en de Heer onze almachtige God zal Zijnen
heirscharen een bevel geven, zeggende: „Slaat die
vrouw gade! Beschut haar met uwe vleugelen, en
behoedt haar tegen alle kwaad!" En terwijl gij daar
dan in dat huis der armoede en des lijdens gezeten
zijt, zullen de kleintjes rondom u heen in de kamer
fluisteren: „Wie is zij? Is zij niet schoon?" En als
gij zeer scherp toeluistert, zult gij den Engelenzang
hooren druppelen langs het lekke dak, en neer-
rollen langs de wormstekige trappen, — dienzelf-
den zang die Bethlehem in verrukking bracht:
„Eere zij God in dè hoogste hemelen, vrede op aarde,
m de menschen een welbehagen!"
Kunt ge mij zeggen, waarom eene geloovige Chris-
tin, die afdaalt in de holen der ongerechtigheid, om
daar eene Christelijke zending te volbrengen, nooit
over eene onwaardige behandeling heeft te klagen?
Ik stond in de kapel van Helena Chalmers, de doch-
ter van den beroemden Dr. Thomas Chalmers, in
het verwilderdste gedeelte der stad Edinburgh, en
-ocr page 674-
666
ik vroeg haar, terwijl ik mijnen blik liet gaan over
de schrikwekkende omgeving dier plaats: „Komtgij
hier \'s avonds godsdienstoefening houden?" — „O
ja," antwoordde zij. — „Kan het mogelijk zijn, dat
u nooit eene beleediging wordt aangedaan, terwijl
gij deze Christelijke taak volbrengt?" — „Nooit!"
verzekerde zij, „nooit!"
Die jonge vrouw, die haar vader naast zich heeft
terwijl zij de straat doorgaat, en een gewapenden
politieagent op eiken hoek der straat, is niet zoo
goed beschermd, als die Christin, die voor haren
Evangelisatie-arbeid uitgaat naar de holen der on-
gerechtigheid , om er den Bijbel en een stuk brood
te gaan brengen. Iemand zeide eens: „Het bevalt
mij volstrekt niet, die vrome vrouw daar op de
Zendingsschool onderwijs te zien geven aan die
kwade jongens. Ik ben bang, dat dat onderwijs
geven haar zal berouwen!" — „Zoo?" zegt een
ander man; „ja, ik ben óók bang \\" — „Ik ben
bang," herneemt de eerste, „dat zij in haar bijzijn
vuile taal zullen uitslaan." — „O neen," verzekert
de andere man, „diiar ben ik niet bang voor! Waar
ik bang voor ben, is dit: dat — als één dier jon-
gens in hare tegenwoordigheid een leelijk woord
mocht uiten — de andere jongens hem op staande
voet zouden vermoorden en aan stukken scheuren!"
Die vrouw is het best beschut, die beschermd
wordt door de Almacht; en gij gaat altijd veilig,
waar God u gebiedt te gaan.
Het schijnt dat God de vrouw geordend heeft
tot een bepaalden arbeid in het vragen van liefde-
-ocr page 675-
667
gaven. Omringd door trommels waarin geen brood
is , en door kachels waarin geen vuur is , en door
kasten waarin geen kleederen zijn , heeft eene vrouw
iets onweerstaanbaars; en als zij tot het volbrengen
harer zending uitgaat, zegt God tot haar: „Gij gaat
naar c\'ien kassier, of dat magazijn , of dien winkel, en
haalt het geld.J\' Zij gaat naar binnen, en zij krijgt
het. De man heeft sterke, harde vuisten; maar
zij krijgt het. Zij wist zelf niet, hoe het kwam;
maar zij kreeg het. Het was van eeuwigheid tot
eeuwigheid bepaald, dat zij het zou krijgen. Het
baat u niet, of gij haar al den rug toekeert en u
houdt alsof gij haar niet hoort; gij hoort haar wél.
Het baat niet, of gij al zegt, dat men u nog arm,
ja dood zal bedelen. Het baat niet, of gij al op die
wijze uwen tijd verspilt; en gij zoudt u evengoed
dadelijk als ten langen laatste gewonnen kunnen
geven. Gij deedt beter met maar dadelijk uw che-
queboekje te nemen, het bedrag in te vullen, uw
naam er onder te zetten, en haar het briefje ter
hand te stellen. Al dat tijdverkwisten is volstrekt
niet noodig. Die arme kinderen daar in de steeg
hebben nu al lang genoeg honger geleden. Die
zieke man daar ginds moet eens wat verster-
kende middelen hebben. Die teringlijder moet iets
hebben om zijne pijnlijke hoestbuien te stillen. Ik
ontmoette deze medewerkster van een liefdadig ge-
nootschap, terwijl zij uit den winkel van een hard-
handig man kwam, en ik vroeg": „Hebt gij het geld
gekregen?" — „Natuurlijk," zeide zij; „natuurlijk
heb ik het geld gekregen, — daar ging ik voor!"
-ocr page 676-
668
Ook heb ik u te zeggen, dat de vrouw een bijzon-
der recht heeft om troost te brengen onder de slagen
der vreeselijkstc rampen.
Zij wordt het zwakkere
vat genoemd ; maar zoowel heel de ongewijde als
heel de gewijde historie getuigen, dat — wanneer
er eenmaal een crisis komt — zij beter toegerust
is dan de man, om aan de hooggaande golven het
hoofd te bieden. *) Hoe dikwijls hebt gij eene vrouw
gezien, die eene priesteres der beuzelarij en der
ledigheid scheen te zijn, maar onder den slag van
eene zware ramp plotseling veranderde in eene hel-
din! O, welk eene kolossale vergissing begaan
de mannen van zaken, die hunne handelszorgen
nooit aan hunne vrouw bekend maken! Hunne
zaak wordt door het een of ander zwaar verlies
getroffen, of een paar hunner vakgcnooten plegen
eene grove zwendelarij jegens hen, en — zij dragen
den last geheel alleen. In den huiselijken kring
wordt den man telkens en telkens weder gevraagd:
„Wat is er toch gebeurd ?\'J maar hij verkeert steeds
in den waan, dat het eene soort van Christenplicht
is, al die zorgen in zijn eigen hart te begraven.
Neen, waarde heer! uw eerste plicht was, uwe
vrouw er alles van te vertellen. Zij zou, misschien,
uwe financiën niet ontward, of uw crediet niet heb-
ben uitgebreid; maar zij had u den tegenspoed
*) Wie denkt hier uiet aan de selioone regels uit Ten Kate\'s f>clicjij/i»t/?
„Somtijds echter, zij — de mcerdre,
sterker dan de trotsche Man,
Wien ze in geestkracht, trouw en garen
menigmaal besehamen kan."
A\'eht.
-ocr page 677-
669
helpen dragen. Zij had met u kunnen lijden , met
u kunnen bidden , met u kunnen hopen. Gij hebt
het recht niet om op één schouder te dragen, wat
bestemd is voor twee.
Er zijn mannen van zaken , die wel weten wat ik
bedoel. Er komt eene crisis in uwe zaak. Gij wor-
stelt er manmoedig en lang tegen in; maar na ver-
loop van eenigen tijd komt er een dag, waarop gij
zegt: „Nu zal ik wel moeten ophouden!" en gij roept
uwe aandeelhouders bijeen, en gij ontbiedt de voor-
naamste mannen van uw vak, en gij zegt: „Wij
moeten er een eind aan maken!" Zoo spoedig mo-
gelijk verlaat gij uw kantoor of magazijn. Gij kunt
het bijna niet van u verkrijgen, de straat door te
gaan en de brug over te loopen of op den tram te
stappen. Gij hebt een gevoel alsof iedereen naar
u zal kijken , u zal minachten, en u zal aanklagen.
Zoo spoedt gij u naar huis. Gij vertelt alles van
de zaak aan uwe vrouw. Wat zegt zij er van ?
Stelt zij zich aan als de vermoorde onschuld ? Be-
gint zij te praten, om er van af te zijn , over zijden
japonnetjes, of over het verven van linten, of over
de nieuwste modes? Neen! Zij gaat tegen den
stroom in. Zij bezwijkt niet onder den slag. Zij
helpt u om dadelijk met het ontwerpen van nieuwe
plannen te beginnen. Zij doet uit eigen beweging
het aanbod om het groote, gerieflijke huis te ver-
laten en in een kleiner te gaan wonen, en om haren
ouden mantel van verleden jaar, een beetje veran-
derd, nog eens een winter te dragen. Zij is iemand
die uwe zaken begrijpt, zonder één woord van ver-
-ocr page 678-
670
wijt tot u te richten. Gij ziet neer op hetgeen gij
dacht, dat een broze, zwakke vrouwenarm was,
die u het hoofd boven water hielp houden ; maar
terwijl gij naar dien arm ziet, komt er in die
zwakke spieren iets van de kracht des eeuwigen
Gods. Geen gepruttel. Geen geknies. Geen steken
onder water aan uw adres over dat prachtige huis
van haren vader, waaruit gij haar als bruidegom zijt
komen halen, tien, twintig, of dertig jaar geleden.
Op hetzelfde oogenblik toen gij totaal uitgeput waart,
zond God u een Debora toe, om het hoofd te bie-
den aan het heir der Amalekieten, en hen als kaf
over de vlakte te verstrooien.
Men vindt somtijds vrouwen, die sentimenteele
romannetjes zitten te lezen, en die wel wenschten,
dat zij het groote arbeidsveld hadden, waarop zij
al hun Christelijke werkkracht konden tentoonsprei-
den. O, wat al groote en heerlijke dingen zouden
zij kunnen doen, als zij er slechts de gelegenheid
toe hadden! Mijne zuster, gij behoeft volstrekt niet
op zulk een tijdstip te wachten. Er zal eene crisis
komen in uw leven. Een Thermopylae zal er zijn
in uw eigen huishouden, waar God u een stand-
plaats zal aanwijzen. Er zijn honderden huishoudens,
waarin evenveel moed geëischt wordt van de vrouw,
als door een Grace Darling, of een Marie Antoi-
nette, of een Jeanne d\'Arc werd aan den dag ge-
legd!
De vrouio is voorts bestemd om ons in het Konink-
rijk der hemelen te brengen.
Een vrouw kan ge-
makkelijker eene Christin zijn, dan een man een Chris-
-ocr page 679-
671
ten. Waarom? Gij zegt, dat zij zwakker is. Neen!
Haar hart is ontvankelijker voor de roepstemmen
der goddelijke liefde. Het feit dat zij gemakkelijker
eene Christin kan worden, bewijs ik door de om-
standigheid , dat drie vierden van de leden der
Kerken van het geheele Christendom vrouwen zijn.
Zoo stelt God hen aan om de voornaamste werk-
tuigen te zijn voor het terugbrengen dezer wereld
tot God. De gewichtigste leerredenen worden niet
uitgesproken op beroemde kansels: zij worden ge-
houden voor een gehoor van twee of drie personen
en in den stillen huiselijken kring. Een ge-
duldige, liefhebbende, Christelijke houding tegen-
over ongerechtigheid, tegenover ruwheid, tegen-
over hardvochtigheid en misdaad, is een argument,
aan welks krachtigen invloed geen enkel man zich
kan onttrekken.
Een van de bijzondere rechten der vrouw t\'s, door de
genade van Christus
, eindelijk en ten laatste den hemel
te bereiken.
O, welk eene menigte vrouwen in den
hemel! Welk een aantal, waarvan men hier op
aarde nooit gehoord heeft, of althans slechts zeer
weinig, zijn ingegaan tot de rust en den vrede des
hemels! Welk eene rust! Welk eene verandering
was het: uit het kleine kamertje zonder vuur, en
met slechts één raam, waarvan nog een ruit ge-
broken was, en met die voortdurende pijn in de
zijde en die moêgewerkte oogen , naar het „huis
met de vele woningen \\" Nu geen zoomen en stikken
meer tot \'s nachts twaalf uur; nu geen patroon
meer, die met zijn duim het werk openscheurt,
-ocr page 680-
672
om te laten zien , dat het niet naar zijn zin gedaan was.
Eindelijk dan toch overvloed van brood. Een hemel
voor pijnlijk kloppende hoofden. Een hemel voor ge-
broken harten. Een hemel voor afgetobde en afgezorg-
de lichamen. Geen opzitten meer tot lang na midder-
nacht, om op de thuiskomst van waggelende voetstap-
pen te wachten. Geen ruwe slagen meer op en tegen
het hoofd. Geen brutale, honende, bittere vloeken
en verwenschingen meer. Sommigen uwer zullen
nooit rust hebben in deze wereld. Het zal sloven
en worstelen zijn en blijven heel den langen
levensweg. Gij zult voortdurend aan de deur moe-
ten blijven staan, om den wolf af te weren met uw
eigen hand, die rood is van het bloed. Maar God
heeft een kroon voor u. Ik wensch u te doen be-
seffen, dat Hij haar thans maakt; en telkens wan-
neer gij een traan schreit, zet Hij een nieuw juweel
in die kroon; telkens wanneer gij een vlaag van
pijn hebt naar lichaam of ziel, zet Hij weer een ander
juweel in die kroon; totdat er, na verloop van eeni-
gen tijd, in heel de tiara geen plaats meer zal zijn
voor een volgend kleinood, en God tot Zijn engel
zal zeggen: „De kroon is gereed; breng de ziel nu
herwaarts, opdat zij haar kan dragen." En ter-
wijl de Heer der Gerechtigheid de kroon op
uw voorhoofd drukt, zal de eene engel tot den
anderen engel roepen: „Wie is zij?" en dan zal
Christus zeggen: „Ik zal u zeggen, wie zij is. Zij
is het, die uit de groote verdrukking komt, en
zij heeft haar kleed gewasschen en wit gemaakt in
het bloed des Lams!" En dan zal God een feest-
-ocr page 681-
673
maal aanrichten, en Hij zal al de grootwaardigheid-
bekleeders des hemels uitnoodigen om zich aan dien
disch neer te zetten; en de tafels zullen blozen on-
der de beste trossen uit de wijngaarden Gods, en
gloeien onder de twaalf soorten van vruchten van
den Boom des Levens, — en het water uit de fon-
tein der rots zal stroomen uit de gouden schenk-
kannen, en de oude harpenaars des hemels zullen
daar zitten, om muziek te maken met hunne har-
pen; en Christus zal u aanwijzen te midden van de
vorsten" en de prinsen des hemels, zeggende: „Zij
heeft met Mij geleden op aarde , nu zullen wij samen
verheerlijkt worden!" En de feestgenooten, die niet
langer in staat zijn zich stil te houden, zullen losbarsten
in den gelukwensch: „Heil! Heil!" En er zullen
handschriften op den muur zijn, — niet zooals die
den Perzischen monarch met afgrijzen vervulden,
— maar de in vuur gedoopte vingers zullen met
fonkelende hoofdletters van licht en liefde en zege-
praal den groet uws Gods neerschrijven: „ Wel,
gij goede en getrouwe dienstmaagd, ga in tot de
vreugde tnvs Hccren!"" —
Amen.
-ocr page 682-
-ocr page 683-
XLIII.
SILO.
De scepter zal van Juda niet wijken,
noch de wetgever van tusschen zijne
voeten, totdat Silo komt, en Denzelven
zullen de volken gehoorzaam zijn.
Genesis XIJX : 10.
Door eene bovennatuurlijke lens, of wat ik zou
kunnen noemen een prophescoop, staart de sterven-
de Jakob ver weg in de portalen der eeuwen, en
ziet hij, dat de Christus, het middelpunt van de ver-
rukking aller volken en het grootste Wezen in de
geheele wereld, alom als zoodanig erkend wordt.
Op den huidigen dag is de naam van Jezus Chris-
tus de populairste naam op aarde. Ieder, die op den
huidigen dag een brief schrijft of een document on-
derteekent, eert, wetend of onwetend, Jezus Chris-
tus. Wij dagteekenen alles als V. C. of A. D.: —
V. C. wil zeggen: vóór Christus, en A. D., of Anno
Domini,
wil zeggen: in het jaar onzes Heeren.
Alle eeuwen der historie verzamelen zich rondom
het Kruis van den Zoon van God. Het is mij on-
verschillig, hoe gij Hem noemt: hetzij gij Hem
Overwinnaar noemt, of Koning, of Morgenster, of
Zon der Gerechtigheid, of Balsem van Gilead, of
-ocr page 684-
676
Ceder van den Libanon, of Broeder, of Vriend, of
dat gij den naam kiest, die in het vers gebezigd
wordt, dat ik tot tekst mijner rede genomen heb,
en Hem Silo noemt, - ik wensch er nü slechts meer
in \'t bijzonder uwe aandacht op te vestigen, dat de
volken Hein gehoorzaam zullen zijn.
In de eerste plaats zullen de volken zich aan Je-
zus onderwerpen en Hem gehoorzaam zijn, om ver-
giffenis
van Hem te verwerven. Geen enkel verstan-
dig of in gezonden zin eerzuchtig man is voldaan over
zijn vroeger leven. Een dwaas denkt misschien,
dat alles met hem in orde is. Maar een verstan-
dig man weet heel goed, dat dit niet zoo is. Ik be-
kommer er mij niet om, wie de nadenkende man
is, — maar de terugblik op zijn levensgedrag te-
genover God en menschen verschaft hem geen bij-
zondere voldoening. „O", zegt hij, „er zijn zoovele
dingen geweest, die ik gedaan heb, en die ik niet
had behooren te doen; er zijn zoovele dingen ge-
weest , die ik gezegd heb, en die ik nooit had moe-
ten zeggen; er zijn zoovele dingen geweest, die ik
geschreven heb, er die ik nooit had moeten schrij-
ven, nooit had moeten bedenken, — ik moet die
dingen op de eene of andere wijze weer zien te her-
stellen , ik moet op deze of gene manier het verle-
dene weer trachten goed te maken: er zijn dagen
en maanden en jaren, die mij met de bitterste ver-
wijten overladen." O, mijn broeder! Christus
maakt het verledene weder in orde, door het uit te
wisschen.
Hij streept onzen schuldenpost niet door
met een druppel inkt uit eens boekhouders pen,
-ocr page 685-
677
maar Zijne rechterhand opheffende, gekneusd en
rood aan den palm, drukt Hij haar tegen Zijn bloe-
dend voorhoofd, en daarna tegen Zijne doorboorde
zijde, en met het dooreengemengde purper uit al
deze wonden haalt Hij den ons beschuldigenden post
door. Hij delgt onze overtredingen uit. O, wees
nooit ongerust over de toekomst; wees liever onge-
rust over het verledene! Ik zet het niet aan het
einde mijner leerrede, — ik zet het aan \'t begin:
Genade en vergiffenis door Silo, door den zonden-
vergevenden Christus! Aan Hèm zullen de volken
zich onderwerpen: „Hem sullen de volken gehoor-
zaam zijn." — „O,"
zegt iemand, „veertig jaren
geleden ben ik zoo slecht geweest, als ik maar
met mogelijkheid wezen kon, en zou er nu nog
genade voor mij zijn?" Ja, genade voor ü! — „O",
zegt een ander, „ik had de voortreffelijkste ouders:
den teederst levenden vader en de teederst lievende
moeder, en voor mijn laaghartig en trouweloos ge-
drag is dus geene enkele verontschuldiging aan te
voeren. Zoudt gij denken, dat er nog genade voor
mij te bekomen is?" — Ja, genade voor ü! —
„Maar," zegt een ander, „ik vrees dat ik begaan
heb wat men de onvergeeflijke zonde noemt: de
zonde tegen den Heiligen Geest; en de Bijbel zegt,
indien een mensch deze zonde begaan heeft, zal zij
hem nimmer vergeven worden, noch in deze wereld,
noch in de toekomende. Denkt gij dat er nog ge-
nade voor mij te vinden is?" Het feite dat gij ook
maar een zweem van ongerustheid koestert omtrent
de zaak zelve, bewijst duidelijk en beslist, dat gij
-ocr page 686-
678
de onvergeeflijke zonde niet begaan hebt. Genade
voor u? O, ja: die groote genade van God, die
ons de zaligheid aanbrengt!
De genade van God! Laat ons een landmeters-
ketting nemen, en Gods genade door Jezus Chris-
tus trachten te meten. Laat de eene landmeter dien
ketting nemen en er mede naar het Noorden gaan,
en een andere landmeter dien ketting nemen en er
mede naar het Zuiden gaan, en een andere landme-
ter dien ketting nemen en er mede naar het Oosten
gaan, en een andere landmeter dien ketting nemen
en er mede naar het Westen gaan, en daarna een
berekening leveren omtrent het aantal vierkante mij-
len van dat uitgestrekte Koninkrijk der genade Gods.
O, gij zoudt tot in alle eeuwigheid moeten wachten
op den uitslag dier meting! Het kan niet gemeten
worden. De Apostel Paulus trachtte er den top
van te beklimmen, en hij ging hoogte na hoogte,
heuvel boven heuvel, berg boven berg, om toen
moedeloos neer te zinken en het op te geven, want
hij zag Sierra Nevada\'s voor zich en Matterhorns
achter zich, en met de hand wuivend naar ons,
die in de vlakte staan, zegt hij: „Onnaspeurlijk!
Ondoorgrondelijk
/" Gij zult wel eens opgemerkt
hebben, dat velen der zondaars, van wie in den
Bijbel gemeld wordt dat zij vergiffenis hebben be-
komen , zeer groote zondaars waren: David een
groot zondaar, Paulus een groot zondaar, Rachab
eene groote zondares, Magdalena eene groote zonda-
res, de Verloren Zoon een groot zondaar, Petrus
een groot zondaar. De wereld begrijpt heel ge-
-ocr page 687-
679
makkelijk, hoe Christus aan een half-om-half zon-
daar vergiffenis kan schenken; doch waar de wereld
overtuigd van wenscht te worden, is: dat Christus
vergeving heeft voor den ergsten zondaar, voor
den verhardsten zondaar, voor den oudsten zondaar,
voor den onvergeeflijksten zondaar. Mogen aan dien
zondaren vergevenden Silo alle volken gehoorzaam
en onderworpen worden!
Maar, merk ik verder op, de volken zullen Hem
óók gehoorzaam zijn, omdat Hij een Ontfermer is.
O, wij hebben allen zooveel behoefte aan sympathie
en medelijden! Ik hoor menschen spreken, alsof zij
daar wel buiten konden. Niemand onzer zou kun-
nen leven zonder sympathie. Wanneer er leden
van ons gezin naar verre landen vertrokken zijn,
hoe eenzaam en verlaten ziet het huis er dan uit,
zoolang zij niet allen zijn teruggekeerd! Maar helaas!
er zijn er, die nooit weder thuiskomen. Somtijds
schijnt het, alsof dit iets onmogelijks is. Wat! zal
hun voet nooit weder dien drempel overschrijden?
Zullen zij nooit weder met ons aan tafel zitten?
Zullen zij nooit weder met ons nederknielen in het
gebed? Zullen wij nooit weder een blik werpen op
hunne gelaatstrekken? Zullen wij nooit weer met
hen hier op aarde raadplegen over ons werk? Wee
mij! wie kan onder dit hartzeer staande blijven?
O Heere Jezus Christus, Gij kunt méér doen voor
eene rouwende en treurende ziel, dan iemand anders!
Hij is het, die naast ons staat, om over de opstan-
ding der dooden te spreken. Hij is het, die den
vrede kwam brengen. Hij is het, die tot ons komt
-ocr page 688-
68o
en ons met den geest der onderwerping bezielt,
totdat wij kunnen opzien van het wrak of den puin-
hoop onzer heerlijkste verwachtingen, en uitroepen:
„Vader, niet mijn wil, maar Uw wil geschiede I" O,
gij die onder rouw gebukt gaat, gij die door angst
verteerd wordt, komt in deze schuilplaats! Denaam-
lijst dergenen, die om troost en steun tot Jezus kwa-
men , wordt al grooter en grooter. Aan dezen Silo
der almachtige ontferming, zullen de volken in liefde
en dankbaarheid gehoorzaam zijn. O, die Christus
zou willen staan bij al die ledige wiegen, bij al die
treurende huisgezinnen, bij al die gebroken harten,
en ons er van overtuigen, dat alles wel is!
De wereld kan u in zulke oogenblikken niet de
minste of geringste hulp verstrekken. Gesteld, de
wereld komt tot u en biedt u geld aan. Gij zoudt liever
van eene broodkorst in een kelder willen leven, en
uwe heengegane dierbaren weder bij u hebben, dan
in eene vorstelijke omgeving te verblijven, waar zij
niet bij u waren! Gesteld, de wereld biedt u hare
eereblijken aan, om u te troosten. Wat beteekende
het Presidentschap der Vereenigde Staten van Noord-
Amerika voor Abraham Lincoln, toen zijn kleine
Willie bleek en koud op zijn doodsbedje lag in het
Witte Huis? Misschien komt de wereld tot u en
zegt zij: „De tijd heelt alle wonden!" O, er zijn
wonden, die reeds veertig jaar lang geschrijnd heb-
ben , en die nóg schrijnen! En tóch zijn er honder-
den getroost, zijn er duizenden getroost, zijn er
millioenen getroost, — en al dat werk had Jezus te
doen. O, het is Medelijden en Ontferming, waaraan
-ocr page 689-
68i
gij zoo groote behoefte hebt! Als het op deelneming
en sympathie aankomt, klopt het hart der wereld
zeer onregelmatig. Een overvloed van sympathie,
als wij er geen behoefte aan hebben; en dikwijls,
als wij er de schreiendste behoefte aan hebben,
geen sympathie. Er liggen tallooze menigte men-
schen te sterven uit gebrek aan sympathieke be-
langstelling: belangstelling in hun werk, belangstel-
ling in hunne vermoeienissen, belangstelling in hunne
sterfgevallen, belangstelling in hunne geldelijke ver-
liezen , belangstelling in hunne lichaamskvvalen , be-
langstelling in hunne geestelijke nooden, belangstel-
ling tijdens het verflauwen en verminderen hunner
levenskrachten, — breede, diepe, hooge, eeuwig-
durende, Almachtige sympathie en ontferming! Dat
moeten wij hebben, en dat geeft Christus. Dat is een
koord, waarmede Hij al de volken tot Zich zal trekken!
Bij het verhaal eener mishandeling beginnen de oo-
gen van een man te fonkelen, en klemt hij zijne tanden
op elkaar, en balt hij zijne vuisten, en zet hij zich
schrap om te strijden, al moest hij ook tegen den
hemel den strijd aanbinden; maar welk hart, hoe
verhard ook, dat niet zal bezwijken bij het verhaal
der ontferming! Zelfs de sympathie van een mensch is
aangenaam en bemoedigend. Wanneer wij in een
oogenblik van zwakte verkeeren, en wij hebben
dan een kloekmoedig man naast ons staan, die ons
belooft, dat hij ons tot den einde toe getrouw zal
blijven, welk een moed geeft dat dan aan ons hart,
en welk een kracht geeft het aan onzen arm! Nog
machtiger is de sympathie eener vrouw. Laat die
-ocr page 690-
682
man het maar eens vertellen, die, toen zijn gansche
vermogen verdwenen was en de geheele wereld
zich tegen hem gekeerd had, naar huis ging en in
zijn huis eene vrouw vond, die op het deksel van de
ledige meelkist kon schrijven: „De Heer zal het
voorzien
/" of die op de deur der ledige kleerenkast
kon schrijven: „Aanziet de leliën des velds; indien
God het gras des velds alzoo bekleedt, zal Hij dan ook
niet ons en de onzen kleeden ?"
Of laat die jonge
man zijne geschiedenis eens vertellen, die den ge-
heelen cirkelgang der losbandigheid heeft doorloo-
pen. De schaduw van het verbeterhuis ligt over zijn
wezen verspreid, en zelfs zijn vader zegt: „Ga
weg! Kom nooit weer in mijn huis terug!" Maar de
jonkman ziet, dat de armen zijner moeder nog altijd
naar hem zijn uitgestrekt, — en hij vertelt, hoe zij
voor het tralievenster der gevangenis heeft gestaan ,
om hem woorden van troost toe te fluisteren,
of hoe zij op hare knieën viel voor de rechters,
om genade voor hem af te smeeken, — hoe zij nog
hopen bleef voor haren afgedwaalden jongen , nadat
al de anderen wanhopig waren geworden. Of laat
zij eens hare geschiedenis vertellen, zij die — onder
den invloed van verderflijke aanlokselen, en uit weer-
barstigheid tegen het ouderlijk gezag — ver weg
is afgedwaald van een huis, welks afgod zij was,
in den stikdonkeren en onstuimigen middernacht der
verlatenheid, — weg van God, en al verder en
verder weg, totdat zij eindelijk weer komt aanspoelen
op het strand van dat aardsche huis, niet veel meer
dan een brokstuk van een wrak. Wie zal nu mede-
-ocr page 691-
683
lijden met haar hebben ? Wie zal die onteerde lokken
in haren schoot saambinden ? Wie zal het bloed af-
wasschen van haar opengereten voorhoofd? Wie
zal tot haar spreken van dien Christus, die op aarde
is gekomen om de verlorenen te redden? Wie zal
dat moede hoofd op het hagelwitte kussen leggen,
en bij haar waken overdag en bij haar waken des
nachts, totdat de schorre stem der lijderes een zacht
gefluister wordt, en het zachte gefluister slechts een
zwakke beweging der lippen is geworden, en de
zwakke beweging der lippen veranderd is in een stil-
len blik, en de opengeloopen voeten stil zijn, en de
moede oogen stil zijn, en het als waanzinnig bonzende
hart stil is, en alles stil is geworden? Wie zal me-
delijden met haar hebben, wanneer niemand anders
meer medelijden met haar heeft? Moeder! O, moeder!
O, er is iets schoons in de sympathie: in manne-
lijke sympathie, in vrouwelijke sympathie, in moeder-
lijke sympathie, ja, in buren sympathie. Hoe kwam het,
dat eene geheele stad in rep en roer werd gebracht,
toen er een klein kind uit een der straten was ge-
stolen? Waarom waren geheele kolommen der
nieuwsbladen gevuld met de geschiedenis van een
klein kind? Het kwam doordien wij allen één zijn
in sympathie, en alle ouders zeiden: „Als het mijne
Lize eens geweest was? Als het mijne Marie eens
geweest was? Als het mijne Betsy eens geweest
was ? Als het mijn kind eens geweest was ? Als er van
nacht eens één ongebruikt hoofdkussen in ons groote
kinderledikant geweest was? Als mijn eigene kleine —
been van mijn been en vleesch van mijn vleesch —
-ocr page 692-
684
dezen avond eens aan handen en voeten gebonden
ware weggevoerd naar het een of andere landloo-
pershol, om nooit weer bij mij terug te komen?
Als ik eens het verdriet had moeten hebben, om
voortdurend uit het venster naar rechts en links te
turen, al wachtend en spiedend en hopend, — een
angst die erger is dan de dood ?" En toen men haar
eindelijk gevonden had , — waarom maakten wij toen
het blijde nieuws ruchtbaar van huis tot huis en van
hart tot hart, en waarom hoorde men iedereen,
die wist wat bidden was, met luider stem uitroe-
pen: „Gode zij dank!" Omdat wij allen één zijn;
saamverbonden door één grooten gouden keten van
sympathie. O ja, — maar toch heb ik u te zeggen, dat,
al kondt gij al de sympathie van uwe buren , van uw
man, van uwe vrouw, van uwe moeder bijeenbrengen,
het toch slechts iets gebrekkigs en armoedigs zou
blijken, vergeleken met het medelijden en de ontfer-
mende genade van onzen grooten Silo, die de
zorgen der eeuwen in Zijn schoot heeft genomen,
en die bereid is om aan Zijn heilig hart de ellen-
den te stillen van allen, die tot Hem willen ko-
men. O, welk een God, welk een Zaligmaker
hebben wij toch!
Maar wanneer wij onzen gezichtskring wijder uit-
breiden , zien wij de volken altijd in de eene of an-
dere soort van nood en zorg verkeeren, sedert de
wereld uit het rechte spoor geraakte en langs de
afgronden werd geslingerd. De demon der zonde
kwam tot deze wereld, maar andere demons zijn
door andere werelden gegaan. De demon der brand-
-ocr page 693-
685
stichting, de demon der vulkanische uitbarstingen,
de demon der verwoesting.
O, er zijn sporen van stoornis en verwarring
achtergebleven op de rotsen, aan het luchtruim, op
de zee, op de plantenwereld en op de dierenwe-
reld! Astronomische stoornissen, geologische stoor-
nissen, oceanische stoornissen, politieke stoornis-
sen, huiselijke stoornissen, — en nu ik hier tegen-
over al die ontzaglijke verwoestingen sta, vraag ik
u, of ik geen gelijk heb met te zeggen, dat deze
eeuw en alle volgende eeuwen de grootste behoefte
hebben aan goddelijke ontferming en almachtigen
troost? En die zijn niet te vinden in den Brahma
van den Hindoe, of in den Allah van den Mahome-
daan, maar in den Christus, Wien de volken ge-
hoorzaam zullen zijn in geloof en in liefde. Andere
werelden mogen vallen, maar deze Morgenster zal
nooit van den hemel verdwijnen. De aarde moge
beven, maar deze Rots der Eeuwen zal nooit of
nimmer op hare grondvesten wankelen. Diezelfde
Christus, die de vijfduizend in de woestijn spijzigde,
zal den honger der gansche wereld stillen. Diezelfde
Christus, die Bartimeus genas, zal alle blinde oogen
verlichten. Diezelfde Christus, die de stommen deed
spreken, zal op elke tong een Hosanna leggen. Die-
zelfde Christus, die Lazarus uit den grafkuil op-
wekte, zal ons allen eenmaal weder bijeen brengen
door een luisterrijke opstanding. „Ik weet, dat mijn
Verlosser leeft!"
en Denzelven zullen de volken ge-
hoorzaam zijn "
als de Silo ze onder Zijn scepter heeft
bijeengebracht. O, mijne vrienden! als de Christus
-ocr page 694-
686
beslist en snellijk uitgaat om het ellendige wrak
eener in de diepte gezonken wereld op te heffen,
zal Hem dat niet veel tijd kosten!
Er zijn menschen die denken, dat de Christus in
persoon zal komen en op een troon zal zitten. Mis-
sch ien zal Hij dat. Ik zou gaarne de doorboorde
voeten de trappen van een paleis zien opgaan, waar-
in al de heerlijkheden van het Alhambra te Grana-
da, en van de Sint-Sophiakerk te Konstantinopel,
en van de Sint-Markuskerk te Venetië, en van het
Winterpaleis te St.-Petersburg zijn bijeengebracht.
Ik zou zoo gaarne zien, dat de wereld Jezus met
liefde betaalde voor wat zij Hem door hare zonden
en mishandelingen deed lijden. Ik zou gaarne een
der stalknechts willen zijn, die den stijgbeugel vast-
houdt terwijl de Koning zich in den zadel zet. O,
welk een heerlijke tijd zou het op aarde zijn, indien
de Christus uit den hemel nederdaalde, en als hier be-
neden , waar Hij geleden heeft en gestorven is, deze
profetie vervuld werd: „Denselven zullen de volken
gehoorzaam zijn."1
Maar als dat niet gebeurt, hoop
ik u toch te mogen ontmoeten aan de ontzagwekkende
poort des hemels, ten dage als de Heer onze Hei-
land wederkomt. Kransen van al de Hem gehoor-
zamende volken om Zijn voorhoofd: van de gebrons-
de natiën uit het Zuiden en van de bleeke natiën uit
het Noorden, — Europa, Azië, Afrika, Noord- en
Zuid-Amerika, en de andere vastelanden, die er
vroeger of later uit de zee mogen oprijzen, om de
plaats hunner verzonken voorgangers in te nemen.
De Boog van Trajanus en de Boog van Titus te
-ocr page 695-
687
Rome, en de Triomfboog in de Champs-Elysées te
Parijs, zijn allen te nietig en te gering tot het ver-
welkomen van dezen Koning der koningen, van
dezen Heer der heeren, van dezen Overwinnaar
der overwinnaars bij Zijne doorluchtige aankomst.
Maakt u op, alle gij hemelen, om Hem tegemoet te
gaan! Hangt allerwegen langs Zijn pad de vlaggen
der aardsche heerschappij, hetzij ze versierd zijn
met eene halve maan, of met eene ster, of met een
adelaar, of met een leeuw, of met eene kroon ! Steekt
de kleurigste banier des hemels uit, met haar ééne
Ster van Bethlehem en hare bloedstrepen van het
Kruis! Ik hoor den stoet naderen. Luistert: het ge-
trappel der voeten, het geratel der wielen, de hoef-
slagen der paarden, en de juichkreten der ruiters!
Tienduizend maal tienduizend , en duizenden bij dui-
zenden. De oude belofte, die zich door al de eeu-
wen een weg heeft gebaand, eindelijk en ten laatste
vervuld: „De scepter zal van Juda niet wijken, noch
de wetgever van tusschen Zijne voeten, totdat Silo
komt, en
Denzelven zullen de volken gehoorzaam
zijn !" — Amen.
-ocr page 696-
-ocr page 697-
XLIV.
SPREEKT!
Dat zulks de bevrijden des Meeren
zeggen I
PSALM (\'VII : 2.
Eene ouverture, een beurtzang, een loflied is deze
Psalm; en in mijn tekst roept de Psalmist om een
uitgesproken godsdienst, en verzoekt hij aan allen
die gered en gezegend zijn, deze heerlijke feiten
niet langer verborgen te houden, maar ze openbaar
te maken, er ruchtbaarheid aan te geven, en — voor
zoover dit mogelijk is — er de geheele wereld mede
bekend te maken. „Dat zulks de bevrijden des Heeren
zeggen!"
Er bestaat een zondige achterhoudendheid,
die bijna tot regel is geworden. De menschen zijn
zoo rap van tong als men maar kan verlangen, wan-
neer het allerlei onderwerpen van politieken aard
geldt; ze zijn bijzonder woordenrijk en welbespraakt
over de Oostersche quaestie, en over den dubbelen
muntstandaard, en over inkomende rechten , hooge en
lage en herziene, en over het kiesrecht der vrouw,
— en gij moet met de grootste behendigheid uw
kans waarnemen, indien gij tusschen de levendige
-ocr page 698-
6gö
gesprekken een bescheiden opmerking uit uw eigen
mond zoudt willen plaatsen. Maar op het stuk van
goddelijke weldaden, godsdienstige ervaringen en
eeuwigdurende zegeningen, bewaren zij niet alleen
het stilzwijgen, maar beroemen zij zich nog op hun-
ne achterhoudendheid. Want immers: indien gij be-
vrijd zijt geworden door den Heer, waarom zegt
gij het dan niet? Indien gij in uw hart de parel van
groote waarde bezit, waarom laat gij haar dan ook niet
aan anderen zien ? Indien gij van het wrak in de
branding zijt afgebracht, waarom zoudt gij dan nooit
iets verhalen van de sterke reddingsboot en van
hare bemanning, waardoor gij veilig en behouden
naar den vasten wal zijt gevoerd ? Indien gij bij ge-
legenheid van een brand uit de vierde verdieping
van een huis zijt gered, waarom verhaalt gij dan nooit
iets van den brandweerman en van de ladder, waar-
langs hij u naar beneden droeg? Indien u eene wo-
ning in het huis uws Hemelschen Vaders is bereid,
waarom laat gij uwe acte van bezit dan niet eens zien
aan hen, die misschien, op diezelfde wijze als gij,
een verblijf in datzelfde huis met de vele woningen
zouden kunnen bekomen? Met de woorden van mij-
nen tekst doet de Psalmist een beroep op ons allen,
die uit de hand Gods eenigerlei genade hebben ont-
vangen , om toch niet langer in hun handel en wan-
del als dooven en stommen te werk te gaan, maar
ten aanhoore van mannen en vrouwen en engelen
en duivelen en al de werelden het te zeggen!
Ik gevoel slechts weinig belangstelling voor het-
geen de menschen zeggen omtrent den godsdienst
-ocr page 699-
6gr
in het afgetrokkene; maar ik stel oneindig veel be-
lang in hetgeen de menschen zeggen omtrent alles
wat zij persoonlijk op het stuk van godsdienst ge-
voeld hebben. Het was de prikkel zijner eigene
dankbaarheid voor persoonlijke redding, die Charles
Wesley — na een tijdperk van groote vertwijfeling
aangaande den toestand zijner ziel, en nadat Chris-
tus het woord der vergevende liefde tot hem had
gesproken — er toe aanspoorde om dat onsterflijke
jubellied te schrijven:
«O, dat ik duizend tongen had,
Om \'s Heilands lof te zingen!»
Eerst nadat Abraham Lincoln getroost was over
het verlies van zijn lieven „Tad", den vroolijken
knaap in het Witte Huis, het paleis van den Presi-
dent der Vereenigde Staten van Noord-Amerika,
riep hij uit: „Nu zie ik als nooit te voren de dier-
baarheid van Gods liefde in Jezus Christus, en hoe
wij door Hem tot God als onzen Vader gebracht
worden \\"
Welk een huivering van eerbied en ontzag ging
er door die vergadering te Portland, in den Ameri-
kaanschen Staat Oregon, toen een gewezen Procu-
reur-Generaal der Vereenigde Staten opstond en
zeide: „Gisterenavond stond ik hier óók, en vroeg
ik om de voorbede van Gods volk. Ik gevoel mij nu
volkomen tevreden gesteld. De last is afgewenteld
en geheel verdwenen, en ik gevoel dat ik nu zou
kunnen loopen of vliegen in de armen van Jezus
Christus!"
-ocr page 700-
692
Welk een bevestiging zou er komen, wanneer
allen, die een antwoord op hunne gebeden ontvin-
gen, eens wilden spreken! Wanneer alle koop-
lieden, die door den slechten tijd in het nauw
gebracht werden, eens wilden vertellen, hoe zij,
in antwoord op hunne smeekbeden, het geld kregen
om hunne rekeningen te betalen! Wanneer alle
landlieden in tijden van droogte eens wilden ver-
halen, hoe — in antwoord op hun gebed — de
regen nog juist bijtijds kwam om den oogst te red-
den! Wanneer alle ouders, die tot God baden dat
hun verloren zoon weer thuis mocht komen, eens
wilden mededeelen, hoe zij niet lang daarna de hand
van den jongen aan de klink der huisdeur hoor den!
O, die macht van het gebed! Toen Melanchton
eens in een toestand van de uiterste moedeloosheid
verkeerde, ging hij een huis voorbij, waarin hij kin-
deren overluid hoorde bidden, — en zoodra hij
weer terugkwam, zeide hij; ,,Broeders, schept moed !
De kinderen bidden voor ons \\" Niets kan weerstand
bieden aan het gebed. Een ongeloovige verscheen eens
voor de klasse eener Zondagsschool, om er raadsel-
achtige vragen te doen. Velen der geburen traden
mede binnen, om de woordenwisseling aan te hoo-
ren. De ongeloovige stond op en zeide tot den lei-
der der Zondagsschool: „Ik heb gehoord, dat gij
hier gelegenheid geeft om vragen te doen." — „O ja,"
antwoordde de onderwijzer; „maar laat ons beginnen
met neder te knielen en den Heer om Zijne leiding te
bidden." — „O neen", hernam de ongeloovige, „ik
ben hier niet gekomen om te bidden, maar om vra-
-ocr page 701-
693
gen te doen en antwoorden te hooren." — „Nu ja,"
sprak de onderwijzer, „maar gij zult u natuurlijk
toch wel willen onderwerpen aan den regel onzer
school, en die is: altijd te beginnen met het gebed."
De onderwijzer knielde neer, deed een gebed,
stond toen weer op, en zeide tot den ongeloo-
vige: „Nu is het üwe beurt om te bidden!" —
Maar de ongcloovige antwoordde: „Ik kan niet
bidden; ik heb geen God, tot Wien ik kan bidden.
Laat mij heengaan! Laat mij gaan!" — De toeschou-
wers, die op een grappige vertooning gerekend
hadden, aanschouwden niets anders dan eene in-
drukwekkende , overweldigende plechtigheid; en in
dien omtrek ontstond door Gods genade een her-
leving van doodsbeenderen, en onder de eersten
die toegebracht werden, behoorde diezelfde onge*
loovige. Dat gebed had het gedaan. In ons leven
zijn er oogenblikken geweest, waarin wij gevoelden
dat ons gebed verhoord werd. Zegt het voort!
Ik zou dezelfde openhartigheid betracht willen
zien ten opzichte van hen, door wie wij persoonlijk
bevoorrecht zijn geworden. Waartoe zouden wij
wachten totdat zij dood zijn, met er van te getui-
gen? Uwe ouders hebben nu al deze jaren plannen
tot uw welzijn en uwen voorspoed beraamd. Zij zijn
misschien, doordien hun zenuwgestel totaal in de
war is, door al de zorgen, al de verliezen, al de
teleurstellingen, al de verdrietelijkheden dezes le-
vens, wat prikkelbaarder dan zij behoorden te we-
zen\', en zij hebben waarschijnlijk gebreken, die in
den loop dier vele jaren hoe langer hoe hinderlijker
-ocr page 702-
694
zijn geworden. Maar die oogen hebben, lang voor-
dat zij met een bril moesten worden gewapend, voor
en over uw welzijn gewaakt; en die handen, die
nu lang zoo glad niet meer en veel rimpeliger zijn
dan vroeger, hebben menige zware dagtaak voor u
verricht. Het leven is een moeilijker worsteling
voor hen geweest, dan gij ooit zult weten of ver-
moeden , en veel van die worstelingen hebben zij
zich in üw belang getroost, en hoeveel gij aan hen
voor uw welzijn te danken hebt, zult gij nooit naar
den eisch kunnen waardeeren. Hebt gij hun door
uw woord of uw geschenk of uw gedrag uwen dank
reeds betuigd? Of indien gij nu niet bij hen kunt
komen, om het hun van aangezicht tot aangezicht
te zeggen, — hebt gij het hun dan wel eens geschreven
in uwen heilwensch bij de een of andere feestelijke
gelegenheid? Hun tijd zal spoedig verstreken zijn,
en dan zult gij ze uit het gezicht hebben verloren :
hunne ooren zullen dan niet meer hooren, en hunne
oogen zullen niet meer zien. Indien gij hun de eene
of andere vriendelijke daad verschuldigd zijt, waar-
om doet gij het dan niet ? Of, indien gij hun wel eens
een woord van waardeering zoudt willen toespreken,
waarom zegt gij het dan niet? Hoeveel wroeging
en berouw zouden wij allen ons kunnen besparen,
indien wij niet toefden tot het te laat is met een
betuiging van erkentelijkheid, die de laatste jaren
van hun aardsche leven aantrekkelijker zou gemaakt
hebben ! Het graf is doof, en de opschriften op het
koude marmer kunnen het gepleegde onrecht niet
weer goedmaken.
-ocr page 703-
695
In het huwelijksleven zijn de „wittebroodsweken"
spoedig voorbij, en elk der echtgenooten beschouwt
het als een stilzwijgende conditie, dat de een door
den ander — de vrouw door den man en de man
door de vrouw — volkomen zal worden begrepen.
Hoe afhankelijk worden zij van elkaar! En de jaren
gaan voorbij, en misschien wordt er niets gezegd
om te maken, dat de ander dat besef van afhanke-
lijkheid volkomen begrijpt. Ongeduldige woorden
komen er somtijds over de lippen, en sommige be-
weegredenen worden verkeerd uitgelegd, en het
wordt als iets volkomen natuurlijks en van zelf spre-
kends beschouwd, dat zij samen het pad des levens
naast elkaar zullen blijven bewandelen, totdat hun
tocht op hetzelfde oogenblik een einde zal nemen;
maar de eene of andere plotselinge en ongeneeslijke
ziekte maakt de rechterhanden los, die jaren gele-
den in elkaar werden gelegd voor het altaar van
oranjebloesems, — de scheiding heeft plaats, — en
tot de ergsten van alle smarten behoort deze, dat
gij niet veelvuldiger, zoo gij het al ooit gedaan
hebt, tot haar of tot hem hebt gezegd, hoe onmis-
baar zij of hij voor uw geluk was, en dat gij bij ge-
legenheid van een af ander eenvoudig, vertrouwelijk
gesprek, lang geleden, geen vergiffenis gevraagd
hebt voor gebreken en nalatigheden, en niet door
een onbewimpelde verklaring hebt doen begrijpen,
dat gij al de trouw en de krachtsinspanning van
zoovele jaren waardeerdet. Helaas! hoevelen van
dezulken hebben gedurende hunne overige levens-
dagen moeten jammeren : „O, had ik \'t maar gezegd!"
-ocr page 704-
696
Mijn onderwerp neemt een breeder vlucht, De
Heer onze God heeft honderdduizenden lieden on-
der dezulken, die zich nooit bij Zijn leger hebben
aangesloten, omdat zij zich het een of andere hooge
ideaal gevormd hadden omtrent hetgeen een Chris-
ten behoort te wezen, of omdat zij vreesden, dat
zij het op den duur misschien niet zouden kunnen
volhouden, of omdat zij zich door een geest van
aarzeling en uitstel lieten leiden. Nooit hebben zij
openlijk den Christus beleden. Zij hebben evenveel
recht op de Sacramenten en evenveel recht op al
de voordeden der Kerk als de duizenden, die reeds
sedert jaren op de naamlijst der Christelijke Kerk
staan ingeschreven, — en toch hebben zij nog geen
stellige verklaring afgelegd, waardoor de wereld
kan weten dat zij God liefhebben en op weg naar
den hemel zijn. Zij zijn verlosten des Heeren, en
toch zeggen zij het niet. O, welk een aanwinst zou
het zijn, als door de eene of andere goddelijke aan-
sporing, al die buitenstaanden eens binnen kwamen!
Ik zal u zeggen, wat hen op hunne rechte plaats
zou brengen, en wat misschien door niets anders
gedaan zal worden. Dagen van vervolging! Als zij
eens gedwongen werden om eene, keuze te doen
tusschen den Christus en Zijne vijanden, zouden
zij de partij van den Christus kiezen, — en al de
brandstapels en de pijnbanken en de vervloekingen
der geheele aarde en der hel zouden hen dan niet doen
zwichten. Martelaars worden er gevormd uit dezul-
ken als zij zijn. Maar laten zij niet wachten op
zulke dagen, als ik van God bid, dat er nimmer voor
-ocr page 705-
697
hen mogen aanbreken! Gedreven door hun besef van
eerlijkheid en rechtvaardigheid en verplichting, be-
hooren zij hunne kleuren te vertoonen. Dat zulks
de bevrijden des Heeren zeggen!
Deze Psalm, waaraan ik mijn tekst ontleen, noemt
verscheidene klassen van personen, die hun gevoelen
openlijk behoorden uit te spreken, b.v. al degenen, die
een reis gaan doen. Wat al gelegenheden hebt gij, die
zoo\'n groot deel van uwen tijd doorbrengt in de coupé
van een spoortrein of aan boord van eene stoomboot,
hetzij op de meren, op de rivieren, of op zee! Geef
ruchtbaarheid aan de geschiedenis van Gods goed-
heid en van uwe eigene verlossing, waar gij ook
heengaat! Gij zult menigen langen rit moeten maken
naast iemand, dien gij nooit van uw leven weer zult
zien , iemand die misschien reikhalzend wacht op één
woord van redding of troost. Maak eiken spoortrein
en elke stoomboot tot een beweegbaar paleis van
geredde zielen! Toevallige gesprekken hebben reeds
menigen grooten oogst voor God doen inzamelen.
Er zijn tal van geloovige arbeiders op kansels, op
zendingsposten, op Zondagsscholen, op onbekende
plaatsen, die ijverig hun best doen voor God, en
zonder eenige erkenning- Zij komen en zij gaan,
en niemand juicht hen toe. De éénige belooning,
die hun ten deel valt, is misschien een scherpe critiek,
of een moedwillige tegenwerking, of hunne eigene
zware vermoeienis. Indien het u ooit ter oore komt, dat
zij iets goeds hebben uitgewerkt, laat het hun dan
weten. Indien gij iemand mocht ontmoeten, die
beweldadigd is door hunne aalmoezen, of door
-ocr page 706-
698
hunne gebeden, of door hunne bemoedigende woor-
den, ga het hun dan zeggen. Zij staan misschien
juist op \'t punt om den moed te verliezen en hunne
taak te laten varen. Zij dreigen misschien wanho-
pig te worden onder het schijnbaar uitblijven van
alle vruchten op hunnen arbeid. Eén woord uit
uwen mond zal misschien de prikkel zijn, die hen
weer met nieuwen moed hunne voornaamste levens-
taak zal doen hervatten. Een geloovige vrouw
zeide eens tot haren predikant: „Ik ben tot niets
meer nut. Ik begrijp niet, waartoe mijn leven
nog langer gespaard wordt, omdat ik toch niets
goeds meer doen kan." En wat gaf de predi-
kant haar toen ten antwoord? „Gij doet mij veel
goeds, eiken Zondag!" — „Wel," vroeg zij,
„hoe kan ik ü eenig goed doen ?" — En hij ant-
woordde : „In de eerste plaats zit gij eiken Zondag
op uwen stoel in de kerk, en dat helpt mij; in de
tweede plaats zijt gij altijd klaar wakker en luistert
gij aandachtig, waarbij ge mij voortdurend oplettend
aanziet, en dat helpt mij; en in de derde plaats zie
ik dikwijls tranen langs uwe wangen vloeien, en
dat helpt mij." Hoe goed, dat hij niet wachtte tot
zij dood was,\' met haar dit te zeggen !
Er zijn honderden predikanten, wien het groote
moeite kost hunne preeken op te stellen, omdat
niemand hun ooit eenig blijk van waardeering geeft.
Zij zijn telkens bang , dat zij hunne preek tevergeefs
houden. Zoodra de zegen is uitgesproken , maken zij
rechtsomkeert en gaan zij heen. Misschien was het
een onderwerp, waaraan hij nu eens buitengewoon
-ocr page 707-
699
veel zorg had besteed. Hij zocht naar den rechten
tekst, en daarna deed hij zijn best om de oude ge-
dachte in den een of anderen nieuwen vorm te
kleeden. Hij had gebeden, dat zijne woorden tot de
harten zijner hoorders mochten doordringen. Hij
had zijn betoog toegelicht met de pakkendste voor-
beelden, die hij zich kon herinneren. En dat alles
had hij uitgesproken met eene zeggingskracht, die
hem bij het „Amen!" schier deed neerzijgen van
uitputting. Vijfhonderd menschen zijn er misschien
door gezegend geworden, zoodat zij het besluit namen
om zich aan een hooger leven en een edeler levens-
taak te wijden. En toch — al wat hij hoort,is het dicht-
slaan van de deuren der kerkbanken, of het geschuifel
der voeten over den vloer, of eene alledaagsche opmer-
king over het weer , het laatste toevluchtsoord der on-
beduidendheid. Waarom is die man niet tot hem geko-
men en heeft hij niet ruiterlijk gezegd: „Gij hebt mij
goed gedaan I" ? Waarom is deze of die vrouw niet tot
hem gekomen, om hem te zeggen: „Als ik thuis
kom, zal ik blijmoediger den last des levens opvat-
ten!"? Waarom kwam niet de een of andere arbei-
der naar hem toe, om hem te zeggen: „Dank u ,
dominee, voor dien goeden raad! Ik zal hem op-
volgen. God zegene u!"? Waarom hebben zij geen
van allen zoo tot hem gesproken ? Ik weet van
predikanten, die — in de zenuwachtige reactie, welke
er bij iemand volgt na het uitspreken eener leer-
rede zonder zichtbare resultaten — thuiskwamen
en zich als in doodsangst op den vloer rondwentelden.
Maar om in deze leemte aan onuitgesproken ge-
-ocr page 708-
70O
loof volkomen en ten volle te voorzien, is er noo-
dig en zal er komen een Groote Dag, waarop, te
midden van de plechtigheden en de grootheden van
een luisterend heelal, God zulks zal zeggen. Geen
statistieken kunnen opsommen, hoevele moeders
wiegen geschommeld hebben, en zich over zieke
kinderkens hebben gebogen, en hare zonen en doch-
ters tot mannen en vrouwen hebben opgevoed, en
hen nuttige en voorspoedige levensbanen hebben
doen betreden, —en toch nooit of nimmer één „dank
u!" ontvingen, dat iets te beteekenen had. De doch-
ters werden koninginnen in het maatschappelijk
leven, of werden vermaagschapt met de voorste
gelederen van den voorspoed; de zoons bekleedden
de hoogste eereplaatsen aan de universiteit, en
maakten hun naam beroemd op finantieel of weten-
schappelijk gebied. En nu behoorde het geheim van
heel dien verheven moederlijken invloed aan den
dag te komen. Doch de maatschappij zeide er niets
van; de Kerk zeide het niet; de wereld zeide het
niet; maar op dien Dag der dagen — den jongsten
Dag — zal God het zeggen!
Er zijn menschen, voor wie het leven eene marte-
ling en een strijd is: erfelijke neigingen moeten
overwonnen worden, toevallige omgevingen moeten
zij zich laten welgevallen, aan een afmattenden
tegenstand moet het hoofd geboden worden, en nooit
werd ook maar het kleinste roosje van bewondering
in het knoopsgat van hun jas gestoken. Zij hebben
nooit een lied aan hun naam zien wijden. Er werd
hnn nooit een boek aangeboden met een vleiend
-ocr page 709-
Jöt
woord op het schutblad. Litteekens zijn het éénige,
wat zij van hun levenslangen strijd kunnen laten
zien. Maar op den jongsten Dag zal hunne geschie-
denis aan het licht komen, en dan zal dat leven op
eene heilige en bovenaardsche muziek gezet worden,
en zullen hun moed en volharding en geloof en
overwinning niet alleen bekend gemaakt, maar ook
beloond worden. „Dezen zijn het, die uit de groote
verdrukking komen; en zij hebben hunne lange k/ee-
deren gewasschen, en hebben hunne lange klcederen
wit gemaakt in het bloed des Lams!\'\'\'1
Dat zal God
zeggen!
Wij missen een der voornaamste begrippen van
een Laatste Oordeel. Wij plaatsen op dat tafereel het
vuur, en den rook, en de aardbeving, en deneder-
dalende engelen, en de uit het graf verrijzende
dooden; maar wij vergeten datgene in het tafereel te
brengen, dat het Laatste Oordeel tot zulk een heer-
lijk oogenblik maakt. Wij zien het feit over \'t hoofd,
dat het een dag zal zijn van glorierijke ontsluiering
en loftuiting. De eerste rechtvaardiging, die aan
millioenen onbeloonde en onerkende en ongewaar-
deerde mannen en vrouwen te beurt valt, zal op
dien Dag plaats hebben, wanneer diensten, die nooit
in de couranten vermeld werden, zelfs niet met het
kleinste brevier- of gaillard-lettertje, zooals de druk-
kers het noemen, zullen worden opgeroepen ter
kroning. Dat. zal de dag der troonsbestijging zijn
voor hen, die hier door de wereld „stumperts" wer-
den genoemd.
En nu zal ik eindigen met mijn eigen, persoonlijk
-ocr page 710-
702
getuigenis af te leggen, — want ik mag anderen
niet aansporen tot iets, dat ik zelf weiger te doen.
Geboren te Boundbrook, in den Noord-Amerikaan-
schen Staat New-Jersey, uit de vroomste en geloo-
vigste ouders die de wereld ooit aanschouwd heeft,
leg ik hier ten aanhoore van de aarde en den hemel
de verklaring af, dat ik altijd den verheffenden en
beveiligenden invloed heb gevoeld, die er van een
goeden vader en eene goede moeder op hunne kin-
deren uitgaan, — en als ik in staat gesteld mag
worden om voor mijne eigene kinderen de helft te
doen van al hetgeen mijne ouders voor mij gedaan
hebben, dan zal ik er ten allen tijde dankbaar voor
zijn. Het eene jaar mijns levens verstreek na het
andere, totdat ik op ongeveer achttienjarigen leeftijd
een drang naar de eeuwig blijvende dingen gevoel-
de ; en na gebed en godsdienstige raadpleging ging
ik over tot hetgeen ik als een veiligen toestand be-
schouwde, en sloot ik mij aan bij de Kerk; en ik
getuig ten aanhoore van aarde en hemel, dat ik het
als een zeer krachtig, machtig en bezielend bondge-
nootschap heb leeren waardeeren. Ik stel mijne ver-
bintenis met de Kerk op zóó hoogen prijs, dat ik
niet voldaan zou zijn, wanneer ik er een dag min-
der dan de geheele eeuwigheid van had. Na aan
het gymnasium en de hoogeschool de opvolgende
graden behaald te hebben, werden te Belleville
(New-Jersey) de handen van tien of, twaalf geloo-
vige mannen ter plechtige wijding op mijn hoofd
gelegd, — en ik verklaar ten aanhoore van aarde
en hemel, dat het werk der Evangelie-bediening
-ocr page 711-
703
een genot voor mij is geweest, en dat ik hoop te
blijven prediken tot mijn laatste uur slaat. Menigma-
len ben ik gegaan door de diepe wateren van schei-
ding en rouwe, en als ik de goddelijke toezegging
van eene hereeniging in den hemel niet gehad had,
zou ik er onder bezweken zijn; maar ik getuig ten
aanhoore van aarde en hemel, dat de vertroostingen
des Evangelies hoog en diep en heerlijk en eeuwig
zijn. Menigmalen ben ik belasterd en is mijn werk
miskend, maar al deze verraderlijke aanslagen en
vervolgingen zijn op mijn voordeel uitgeloopen en
hebben mij een wijder arbeidsveld ontsloten, en ik
leg hier ten aanhoore van aarde en hemel het ge-
tuigenis af, dat God jegens mij Zijne beloften ver-
vuld heeft: „Ziet, Ik ben met u alle de dagenT en
„De poorten der hel zullen u geenszins overweldigen P\'
Jongelieden uit alle rangen en standen, laat mij
u tot uwe bemoediging mogen zeggen, dat gij er u
het best bij zult bevinden, als gij u slechts met uwe
eigene zaken bemoeit en geduldig zijt. De beleedi-
gingen en aanvallen der wereld moet ge maar van
u afwrijven met een harden, ruwen badhanddoek,
en dan bevorderen zij den bloedsomloop en maken
zij iemand frisscher en sterker. Terwijl de toekomst
velerlei raadselen en geheimen voor mij verborgen
houdt, aan welker oplossing en ontsluiering ik mij
niet zal wagen, leef ik in de verwachting, dat ik
— wanneer mijn gebrekkige arbeid verricht is —
door de poorten zal binnentreden en daar mijnen
Heer zal aanschouwen en al mijne dierbaren, die
mij reeds zijn voorgegaan : een lieflijke groep, die ik bij
-ocr page 712-
7o4
het kh\'mmen der jaren hoe langer hoe meer begin te
missen; en ik getuig ten aanhoore van aarde en he-
mel , dat de luister der hemelsche wereld nu reeds
hier mijn levensweg verlicht. In de rechtszalen
mogen de getuigen den Bijbel kussen of hunne
rechterhand opheffen bij het afleggen van den eed ;
maar evenals ik het dierbare oude Boek reeds dik-
wijls gekust heb, hef ik nu mijne rechterhand om-
hoog en zweer ik bij Hem , die leeft en zal leven
tot in alle eeuwigheid, dat God goed is, dat
het Evangelie een machtige troost is in dagen van
nood en zorg en smart, dat de beste Vriend
dien de mensch ooit kan hebben , onze Heere Jezus
Christus is, en dat de hemel ontwijfelbaar zeker
het deel wordt van hen, die hun vertrouwen stel-
len op en hunnen dienst wijden aan onzen gezegen-
den Verlosser, —- Wien zij de heerlijkheid en de
heerschappij en de overwinning en het lied, en
het koor der met witte kleederen bekleede onsterfe-
lijken, die daar staan op glazen zeeën met vuur
gemengd! — Amen; ja Amen!
-ocr page 713-
XLV.
KLEINE MOEILIJKHEDEN.
naartoe zal de Heer, uw God, ook
horzelen onder hen zonden.
Dei\'tebkoxii\'x VII : 20.
In mijn tekst vliegt de horzel uit, om hare taak
te gaan volbrengen. Het is eene soort van wesp,
vlug van beweging en vlijmend van steek. Hare
aanraking is een marteling voor mensch en beest.
Elk onzer heeft het rundvee wel eens loeiend en
brullend zien weghollen onder de hevige pijn van
haren angel. In onzen jongenstijd hebben wij vaak op
een eerbiedigen afstand staan kijken naar het bol-
vormige nest, dat hier of daar aan den tak van een
boom hing; maar terwijl wij de wondervolle om-
kleeding bewonderden, werden wij door iets gesto-
ken , dat ons gillend deed heenloopen. De horzel
gaat in zwermen uit. Zij heeft „hoofdmannen over
honderd ," en wanneer twintig horzels op een mensch
aanvallen, kunnen zij hem den dood aandoen.
De Perzen poogden eene Christelijke stad te ver-
overen , maar de olifanten en de beesten waarop de
Perzen reden, werden door de horzels aangevallen,
-ocr page 714-
jo6
zoodat het geheele leger verstrooid en de belegerde
stad gered werd. Dit brandende en giftige insect
verdreef al stekend de Hethieten en de Kanaanieten
uit hun land. Wat het glinsterende zwaard en de
ratelende oorlogswagen niet konden volbrengen,
werd door het prikken van een insect gedaan. „De
Heer zond de horzel.\'"
Mijne vrienden , wanneer wij aangevallen worden
door groote leviathans van zorg en smart, dan worden
wij ridderlijk en vallen wij op onze beurt hen aan:
wij bestijgen het vurig brieschende ros van onzen
moed, en wij brengen een cavallerie-charge tegen
hen ten uitvoer, — en als God met ons is, komen
wij sterker en beter uit den strijd , dan wij er in
gingen. Maar helaas! O! die insectachtige verdriete-
lijkheden des levens, — die vijanden, die veel te
klein zijn om er op te schieten — die dingen zonder
eenig waarneembaar gewicht — de muggen en de
muskieten en de vliegen en de wespen en de hor-
zels! Met andere woorden: het zijn de kleine, steke-
lige moeilijkheden onzes levens, die ons afmatten en
ons uitputten. Ook in het leven onder de gunstigste
omstandigheden wordt, om het een of ander groot
en heerlijk doel, door God de horzel gezonden.
En nu doe ik u in de eerste plaats opmerken,
dat die kleine, stekelige moeilijkheden misschien tot
u komen in den vorm van een zcnuivachlig gestel.
Menschen, die lijdende zijn aan typheuse koort-
sen, of machteloos nederliggen met een gebroken
arm of been, hebben niet te klagen over gebrek aan
sympathieke en deelnemende belangstelling; doch
-ocr page 715-
707
wie heeft er medelijden met iemand, die „maar ze-
nuwachtig" is? De dokters zeggen, en de familie-
leden zeggen, en iedereen zegt: „O, zij is alleen
maar wat zenuwachtig; dat is alles!" Het dreunen
van een zwaren voetstap, het luidruchtige schrapen
van een keel, een wanklank in de muziek, een ge-
brek aan harmonie tusschen de das en de hand-
schoenen van denzelfden persoon, een bits ant-
woord, een toevallige miskenning, de wind uit het
noordoosten, — één van al die tienduizenden ergernis-
sen opent de deur voor de horzel. De zaak komt
hierop neer, dat de groote meerderheid van het
menschdom in deze dagen overwerkt is, en de ze-
nuwen dier overwerkte lieden bezwijken het eerst.
Eene groote menigte verkeeren in hetzelfde geval
als Leyden, die, toen zijn geneesheer hem waar-
schuwde, dat — als hij niet ophield met werken,
nu zijne gezondheid reeds zoo slecht was geworden
— hij er ontwijfelbaar aan zou sterven, ten ant-
woord gaf: „Dokter, hetzij dat ik leef of dat ik
sterf, de molen moet blijven draaien!" Deze gevoe-
lige personen waarvan ik spreek, bezitten een bloe-
dende gevoeligheid. De vliegen zetten zich gaarne
neer op iets rauws, en deze lieden zijn gelijk de
Kanaanieten, waarvan in den tekst of in het ver-
band gesproker» wordt: zij hebben eene zeer dunne
huid en zijn op alle punten kwetsbaar.
De kleine stekelige moeilijkheden kunnen óók tot
ons komen in den vorm van vrienden en kennissen,
die altijd onaangename dingen zeggen.
Er zijn van
die menschen, met wie gij geen half uur samen kunt
-ocr page 716-
708
zijn, of gij gevoelt u opgewekt en getroost. Maar
er is ook een ander slag van lieden, waarmede gij
geen vijf minuten kunt zitten praten, of gij gevoelt
u reeds diep ellendig. Het is volstrekt hun doel
niet, u te hinderen of boos te maken, maar zij ste-
ken u tot op het been. Zij winden eerst al het garen
op, dat door den laster en de achterklap gesponnen
is, en winden het dan in uw bijzijn weer af. Zij
verzamelen al de booze en bittere critiek over uw
persoon, over uwe zaken, over uw huiselijk leven,
over uwe Kerk, — en dan maken zij uw oor tot
den trechter, waarin zij dat alles uitgieten. Zij lachen
er kostelijk om, terwijl zq het u vertellen, alsof het
de hartelijkste grap is, die zij ooit gehoord hebben;
en gij lacht óók, — maar alleen van buiten.
Op dat soort van menschen wordt onze aandacht
gevestigd in den Bijbel, in het boek Ruth. Naomi
trok heen, als eene schoone vrouw en met de prach-
tigste aardsche vooruitzichten, naar een ander land;
maar na eenigen tijd kwam zij terug als weduwe,
als eene treurende, zieke, arme vrouw. Wat deden
hare vrienden, toen zij de stad binnentrad? Zij lie-
pen allen hunne huizen uit; maar in plaats van haar
op verstandige wijze te troosten, — wat deden zij ?
Sla het boek Ruth op, en lees het daar. Zij sloegen
hunne handen in elkaar en zeiden: „Is dat Naomi ?!\'
alsof zij wilden zeggen: „Mensch! wat ziet gij er
vreeselijk slecht uit!" N.dat ik de Evangeliebedie-
ning aanvaard had, zag ik jaren achtereen erg bleek;
en ieder jaar, wel vier of vijfjaren lang, minstens
honderd maal per jaar, werd mij gevraagd of ik de
-ocr page 717-
7°9
tering niet had; en als ik een kamer doorging, hoorde
ik de menschen soms zuchten en zeggen: „Och, och !
die zal het óók niet lang meer maken!\' In die dagen
nam ik het besluit, dat ik nooit, in geen enkel ge-
sprek , iets ontmoedigends zou zeggen, — en met
Gods hulp ben ik aan dat besluit getrouw gebleven.
Deze lieden, waarvan ik nu spreek, maaien en bin-
den hunne schoven op het groote oogstveld der
moedeloosheid. Den een of anderen dag begroet gij
hen met een opgeruimd: „Goeden morgen!" maar
dadelijk komen zij u om de ooren gonzen met een
horzelzwerm van weemoedige jobstijdingen.
Wanneer ik op deze wereld zoovele menschen
zie, die er behagen in vinden om onaangename din-
gen te zeggen en onaangename dingen te schrijven,
dan ben ik in mijne zwakke oogenblikken bijna ge-
neigd om te gelooven, wat iemand te Philadelphia
op zekeren Maandagmorgen tot mij zeide. Ik ging
naar de manege, om er mijn paard te halen, en de
stalknecht, een eenvoudig man, vroeg mij bij die
gelegenheid: „Dr. Talmage, is het waar, dat gij
gisteren voor jongelieden gepreekt hebt?" — „Ja,\'»
zeide ik, — „Allemaal boter aan de galg!" sprak
hij hoofdschuddend; „de menschen zijn onverbeter-
lijk !"
De kleine, stekelige moeilijkeden dezes levens
komen somtijds in den vorm van plaatselijke lichaams-
smarten ,
die zich wel niet tot eene bepaalde ziekte
verheffen, maar u toch alleronaangenaamst kwellen,
wanneer gij u nu juist zoo gaarne eens goed gezond
zoudt willen gevoelen. Misschien is het een uit de
-ocr page 718-
710
maag voortkomende hoofdpijn, die ten allen tijde de
plaag van uw leven is geweest, en nu hebt ge een
afspraak gemaakt tot bijwoning van eene feestelijke,
of maatschappelijke, of liefdadige samenkomst, maar
als het afgesproken uur slaat, kunt gij onmogelijk
op de afgesproken plaats verschijnen. Misschien
huist het kwaad tusschen het oor en het voorhoofd,
in den vorm van eene zenuwachtige trekking en
spanning. Niemand kan er iets van zien of er me-
delijden mede hebben; maar juist op het oogenblik,
dat gij uw verstand het helderst, en uw humeur
het opgeruimdst zoudt willen hebben, voelt gij een
scherpen, vlijmenden, ontstemmenden steek.
Wellicht zullen die kleine insectachtige moeilijk-
heden komen in den vorm van huiselijke ergernissen.
De huiskamer en de keuken zijn niet altijd in vol-
komen harmonie. Goede dienstboden te bekomen,
en goede dienstboden te houden, is een van de
grootste quaestiën die er bestaan. Somtijds ligt het
misschien aan de hooghartigheid en de verregaande
zelfzucht van den heer of de vrouw des huizes, of
van beiden saam; maar hoe of wat ook de oorzaak
moge wezen, wij allen moeten erkennen, dat er
van die stekelige moeilijkheden zijn, die uit het keu-
kendepartement naar ons toe en om ons heen flad-
deren. En als de genade Gods dan niet in het hart
der huismoeder woont, kan zij onmogelijk hare
kalmte en tegenwoordigheid van geest bewaren. De
mannen komen \'s avonds laat thuis en hooren het
verhaal van al die ergernissen en verdrietelijkheden,
en zeggen dan: „Och, die huiselijke dingsigheden
-ocr page 719-
7ir
hebben weinig of niets cm \'t lijf!" Ja, zij zijn klein:
zoo klein als wespen, maar o zij steken zoo ! Martha\'s
zenuwen waren een en al overspanning, toen zij haastig
kwam binnenloopen en den Heere Jezus vroeg of
Hij Maria toch eens wilde bestraffen, — en zoo zijn
er duizenden en tienduizenden vrouwen, die er on-
der bezwijken en sterven, ten doode toe gestoken
door die giftige huiselijke moeilijkheden.
Deze kleine, horzelachtige narigheden kunnen óók
komen in den vorm van ergernissen in uwe zaken.
Er zijn mannen hier, die de grootste crisissen op
de geld- of goederenmarkt zijn doorgekomen, zon-
der hun evenwicht te verliezen, en die toch eiken
dag uit den zadel gelicht worden door kleine moei-
lijkheden : de lompe manieren van een bediende, of
eene inktvlek op een vrachtbrief, of de buitensporig-
heid van een compagnon die zijne rekening over-
drijft, ot het onderkruipen door een concurrent, of
het rondfluisteren van uwe winkelgeheimen op de
openbare straat, of het voorkomen van een schade-
postje, dat uws inziens veeleer bij ieder ander dan
juist bij ü had moeten wezen.
Het zijn niet de panieken , die de kooplieden doo-
den. Een paniek komt slechts ééns in de tien of
twintig\' jaren voor. Juist het eindelooze geroesemoes
van die alledaagsche nesterijen berokkent zoovelen
onzer beste kooplieden een stoornis hunner maag-
zenuwen , en eene verlamming van rechter- of linker-
zijde , en een vroegtijdig graf. Terwijl de handel in
\'t geheele land bijna machteloos nederlag, stonden
deze mannen op en hadden zij een gevoel alsof zij
-ocr page 720-
712
bijna de gansche wereld konden trotseeren; maar
nu kwijnt hun leven weg onder den zwerm dezer
giftige horzelsteken.
Ik heb in de geschiedenis van sommige menschen
opgemerkt, dat hunne moeilijkheden zich vermeer-
deren,
en dat zij er nu een honderdtal van hebben,
terwijl zij er vroeger slechts een tiental van bezaten.
De beoefenaars der natuurlijke historie verhalen
ons, dat één wesp somtijds een familie heeft
van twintigduizend wespen, — en zoo schijnt
het ook, of ieder struikelblok op uw levenspad een
millioen andererf voortbrengt. Maar met Gods hulp
wensch ik u de andere zijde te doen zien. Dient
de horzel nergens toe? O ja! De natuurvorschers
leeren ons, dat de horzels eene zeer belangrijke
plaats beslaan in de huishouding der wereld: zij
dooden de spinnen, en zij zuiveren de atmosfeer;
en ik geloof werkelijk, dat God ons moeilijkheden
onzes levens toezendt, om de spinnen der ziel te
dooden en de atmosfeer onder ons geestelijk lucht-
ruim te zuiveren.
Die moeilijkheden worden ons toegezonden , ge-
loof ik, om ons te doen ontwaken uit onze dofhcid en
slaperigheid.
Niets maakt een mensch zoo vlug en zoo
bewegelijk als een nest vol wespen of hommels, —
en zoo geloof ik ook, dat die moeilijkheden bestemd
zijn om ons terdege te overtuigen van het feit, dat
deze wereld niet voor ons geschapen is om er al-
tijd in te blijven. Als wij ons ten allen tijde konden
uitstrekken op een bed, dat gevuld was met alles
wat boeiend en zacht en gemakkelijk is, — welke
-ocr page 721-
7J3
behoefte zouden wij dan hebben aan den hemel? Wij
gelooven misschien, dat de holle boom de horzel
doet voortkomen; of wellicht zijn wij van meening,
dat de duivel de horzel op ons afzendt. Ik zal trach-
ten uwe zienswijze te verbeteren: „De Heer zendt
de horzel"
Bovendien geloof ik, dat die moeilijkheden ons
worden opgelegd om ons geduld aan te kweeken. In
de gymnastiekzaal vindt gij loodrecht en evenwijdig
naast elkaar staande palen, — rechtstandig geplaatste
palen, waarin gaten boven elkander zijn aange-
bracht, om er pennen in te steken. Dan neemt de
gymnast in elke hand eene pen en begint hij te
klimmen: eerst een voet hoog, dan twee voet,
daarna nog weer een of meer voet hooger, en
door aldus zijne krachten te versterken en te ver-
meerderen , kan hij na verloop van eenigen tijd de
zoldering bereiken. En zoo komt het mij ook voor,
dat die moeilijkheden onzes levens eene zedelijke en
geestelijke gymnastiek voor ons zijn, en dat de zorg
eene pen is, waarmede wij al hooger en hooger
moeten klimmen in het Christelijk geloofsleven. Wij
allen zijn groote voorstanders en bewonderaars van
het geduld, maar dat kan niet worden aangekweekt
in schoon weder. Het geduld is een kind van den
storm. Als gij alles hadt wat wenschelijk is, en er
niets meer te begeeren of te bezitten was, wat
zoudt gij dan doen met geduld? De één;ge gelegen-
heid om het te beoefenen en te bevorderen, doet zich
voor, wanneer gij machteloos nederligt, en ziek zijt,
ja half dood.
-ocr page 722-
7^4
„O", zegt gij, „als ik maar in de omstandigheden
van een welgesteld man verkeerde, zou ik óók wel
geduldig zijn!" Gij zoudt evengoed kunnen zeggen:
„Als het water maar niet zoo nat was, zou ik wel
gaan zwemmen!" of: „Ik zou dat geweer wel
durven afschieten, als het maar niet geladen was!"
Wanneer gij tot aan uw kin in de zorgen en moei-
lijkheden staat, is het tijd voor u om heen te zwem-
men naar de groote landhoofden des Christelijken
levens, — of met andere woorden: om Christus
te leeren kennen in de kracht Zijner opstanding, en
deelgenootschap te verwerven aan Zijn lijden. Niets
anders dan de smeltoven zal ooit het schuim en de
erts uit ons kunnen wegbranden. Ik heb dezen regel
vastgesteld met betrekking tot onze kleine moeilijk-
heden en ergernissen. Er is juist zooveel last en
moeite noodig, om ons geschikt te maken voor een
practisch nuttig leven en voor den hemel. De ééni-
ge quaestie is : of wij alles in eens en tegelijk krij-
gen , of bij korrels en in poeders. Hier is b.v. één
man, die alles tegelijk krijgt. Zijn rug is gebroken,
of zijn gezichtsvermogen wordt hem ontnomen, of
hij wordt door een andere schrikkelijke ramp ge-
troffen , — terwijl de groote meerderheid der men-
schen het stuksgewijze krijgt. Aan welke manier van
toediening zoudt gij voor u persoonlijk de voorkeur
geven ? Natuurlijk aan de stuksgewijze, \'t Is beter,
vijf pijnlijk stekende tanden te hebben, dan een ge-
broken kakebeen; beter tien Spaansche vliegen, dan
een amputatie; beter twintig rukwinden, dan één
hoos. Er kan verschil van meening bestaan om-
-ocr page 723-
7i5
trent de voordeelen der allopathie en der homoeo-
pathie; maar op het stuk van zorg en smart ben ik
een beslist voorstander van de homoeopatische ge-
neeswijze : kleine korreltjes moeilijkheid inplaats van
één groote verpletterende dosis ellende. Geef ons de
horzel inplaats van den bliksemstraal. Als gij aan het
hoofd van een bankierskantoor staat, zou het u heel
wat aangenamer zijn, dat er vijftig personen binnentra-
den met een wissel beneden de honderd dollars,
dan dat er op een en denzelfden dag twee inleggers
van gelden kwamen, die ieder tienduizend dollars
moesten hebben. In het laatstgenoemde geval kucht
ge eens een paar maal bedenkelijk, en kijkt ge eerst
naar den vloer, en dan naar den zolder, alvorens gij
in uw brandkast kijkt. Welnu, mijne vrienden,
zoudt gij die kleine wisseltjes van alledaagsche
moeilijkheid niet veel liever op uwe bank zien trek-
ken, dan dat er een allesoverweldigende aanval op
uwe volharding en standvastigheid werd gedaan?
Maar bedenk wel, dat beiden, kleine en groote
moeilijkheden, evenzeer van u eischene dat gij op
Jezus uw vertrouwen stelt tot het verkrijgen van
hulp en tot verlossing van ongeduld en prikkelbaar-
heid. „Die Uwe wet beminnen , hebben grooten vrede,
en zij hebben gccnen aanstoot."
Hoeveel toetsen gaf Leonardo da Vinci aan zijne
schilderij van „Het laatste Avondmaal des Heilands"
of aan zijne „Aanbidding van het Kindeken Jezus
door de Oostersche wijzen?" Ik veronderstel onge-
veer vijftigduizend toetsen. Nu hoor ik het doek
vragen: „Waarom doet ge mij met dat penseel toch
-ocr page 724-
716
zoo lang beven? Waarom kunt gij de verf er niet
met één enkelen streek op leggen ?" — „Neen,"
zegt Leonardo da Vinci, „ik weet wel hoe ik een
schilderij moet maken; er zullen vijftigduizend van
deze toetsen voor noodig zijn." En zoo zou ik ook
u, mijne vrienden, zoo gaarne doen begrijpen, dat
het die tienduizend kleine moeilijkheden zijn, die, in
Gods hand, de schilderij uws levens vormen, die dan
ten laatste kan opgehangen worden in de kunstgale-
rij des hemels, waar zij zich niet behoeft te schamen
om door de engelen bezichtigd te worden. God
weet wel, hoe een schilderij gemaakt moet worden!
Ik treed de werkplaats van een beeldhouwer bin-
nen , en zie hem daar een standbeeld vormen. Hij
heeft een beitel in de eene en een hamer in de
andere hand, en hij geeft een zeer zachten slag:
tik! tik! tik! „Waarom slaat gij niet harder?" vraag
ik hem. — „O," antwoordt hij, „dat zou het standbeeld
bederven. Op die manier kan ik het niet doen; ik
moet het op deze manier doen." — Zoo werkt hij
voort; en na verloop van eenigen tijd komen de
vormen te voorschijn en wordt iedereen, die het
atelier binnentreedt, er door bekoord en verrukt.
En nu — de Heer onze God heeft uwe ziel aan een
bewerking van ontwikkeling onderworpen, en het
zijn juist de kleine bezwaren en moeilijkheden des
levens, die uwe onsterflijke natuur uit de ruwe
stof uitbeitelen. Het gaat: tik! tik! tik! Ik vraag mij
af, waarom er niet de eene of andere groote daad
van Gods voorzienig bestuur tusschenbeiden komt
en u met één slag voor den hemel toebereidt. O
-ocr page 725-
717
neen! — God zegt dat dit niet de rechte manier is.
En zoo blijft Hij voortgaan met slagen van kleine
moeilijkheden, totdat gij ten slotte een verblijdend
schouwspel zult zijn voor engelen en voor menschen.
Gij weet, dat een groot vermogen verloren kan
gaan door eene kleine speculatie, en een groote
voorraad zedelijk karakter kan verspild worden door
kleine uitspattingen. De kleine zorgen en nooden
des levens maken meer indruk op u, dan groote.
Een zwerm sprinkhanen zal een korenveld spoedi-
ger verwoesten, dan een inval van drie of vier run-
deren. „Sedert ik mijn kind verloren heb ," zegt gij,
„sedert ik mijn eigendom verloren heb, ben ik een
geheel ander mensch geworden/\' Maar gij miskent
den vormenden arbeid der kleine moeilijkheden, die
houwend en gravend en snijdend en saamvoegend
op uwe geestelijke en zedelijke eigenschappen wer-
ken. De ratten kunnen een schip doen zinken. Een
lucifer kan het vuur der verwoesting brengen over
een geheel blok magazijnen en pakhuizen. Catharina
de Medicis vond den dood door het ruiken aan een
vergiftigde roos. Christophorus Columbus kwam,
door stil te houden en om een stuk brood en een
dronk water te vragen aan een Franciscaner kloos-
ter , tot de ontdekking eener nieuwe wereld. En zoo
bestaat er een innig verband tusschen beuzelingen
en reusachtigheden, tusschen een niets en een alles.
En draag er nu terdege zorg voor, dat geen dier
bezwaren of moeilijkheden vruchteloos over en door
uwe ziel gaan. Dwing ze om bevorderlijk te wezen
aan uw geestelijk welzijn. De schram van een ge-
-ocr page 726-
7iÓ
wonen spijker doet soms de mondklem ontstaan,
en de klip eener schier onmerkbare moeilijkheid zou
u voor eeuwig schade kunnen doen. Laat geen en-
kele zorg of smart uwe ziel treffen, zonder u beter
te maken.
De Regeeringen achtten het niet te onbeduidend,
eene belasting op kleinere voorwerpen te leggen. De
belasting van ieder voorwerp op zichzelf brengt
niet veel op; maar alles saamgenomen levert zij mil-
lioenen bij millioenen in de schatkisten der natiën. En
zoo zou ik willen, dat ook gij, Christenen en Christin-
nen, eene hooge belasting legdet op elke moeilijkheid en
eiken tegenspoed, die uwe ziel wedervaart. Dit zal mis-
schien niet veel opleveren in elk bijzonder geval,
maar van al die gevallen saam zou het een groot
inkomen aan geestelijke kracht en voldoening vor-
men. Eene bij kan zelfs uit een brandnetel honig zui-
gen; en indien gij de genade Gods in uw hart be-
zit , kunt gij een bron van lieflijkheid vinden in het-
geen u anders slechts zou ergeren en verbitteren.
Een uit de heidenlanden teruggekeerde zendeling
verhaalde mij eens, dat een gezelschap gelukzoe-
kers, die met hun boot op den Ganges roeiden,
doodgestoken werden door de vliegen, die in zekere
tijden van het jaar dien omtrek verpesten. Ik heb
den grond bezaaid gezien met de geraamten van
menschen , die door insectvormige tegenspoeden om
\'t leven waren gebracht. De éénige manier om voor-
bereid te worden voor de groote nooden en rampen
des levens, is: deze kleine rampen te boven te komen.
Wat zoudt gij zeggen van een soldaat, die beslist
-ocr page 727-
V9
weigerde zijn geweer te laden of ten strijde te trekken,
omdat het slechts eene schermutseling gold, en die
ronduit verklaarde: „Ik ben niet van plan, mijn kruit
en lood te verspillen aan eene schermutseling; wacht
totdat er een algemeene aanval op al de liniën
plaats heeft, — dan zult ge eens zien, hoe moedig
ik ben en hoe manhaftig ik kan strijden!" De gene-
raal zou tot zulk een krijgsman zeggen: „Als gij niet
getrouw zijt in eene schermutseling, zoudt gij niets
waard zijn bij een algemeenen aanval op alle liniën!"
En zoo heb ik ook u te zeggen , o mijne broeders
en zusters! dat — als gij de beginselen van Chris-
tus\' leer niet op eene kleine schaal kunt toepassen —
gij nooit in staat zult zijn tot hunne toepassing op
een grooter schaal. De Heere onze God zegene al
de horzelsteken der kleine moeilijkheden aan onze
harten, tot sterking onzer zielen en tot vermeerde-
ring van ons geloof! — Amen.
-ocr page 728-
-ocr page 729-
XLVI.
GODDELIJK SCHRIFT.
Verblijdt u veel meer, dat uwe namen
geschreven zijn in de hemelen.
Lckas X : 20.
De graphologie, of de kunst om uit iemands hand-
schrift zijn karakter te beoordeelen, schijnt nog
slechts in een onbevredigenden toestand te verkee-
ren, ofschoon velen verklaren , dat zij haar tot eene
wetenschap hebben weten te verheffen. Er zijn men-
schen die beweren, dat zij de gansche ziel van an-
dere menschen uit hun schrift kunnen lezen. Zoo
zegt men ook, dat de manier waarop iemand de
letter „I" schrijft, beslissend is voor zijne zelfzucht
of zijne nederigheid, en dat de manier waarop
iemand de letter „O" schrijft, omtrent de hoogte
en diepte zijner aandoeningen beslist. Men verzekert
dat eene krampachtig bevende hand eene bevende
natuur beteekent, en dat eene losse, loopende hand
het kenmerk van een plooibaar en toegevend karak-
ter is. Maar als er werkelijk iets ernstigs en dege-
lijks in deze wetenschap is, dan moeten er eenige,
thans nog niet bekend gemaakte regelen voor be-
-ocr page 730-
722
staan, want enkelen van de stoutmoedigste en on-
dernemendste mannen schrijven eene kleine en fijne
hand, terwijl sommigen der schroomvalligsten hun
naam zetten met de hoogte en de breedte en den
omvang der handteekeningen van een Jehu of een
Goliath, die wel niet buitengemeen klein en gepeu-
terd zullen geweest zijn. Sommigen der reinsten
van persoon en gedachten, zenden u hun schrift vol
inktvlekken en spatten toe, en enkelen der ruwsten
en verdorvensten, beschikken over een, in alle op-
zichten, onberispelijk handschrift. Niet ons karakter,
maar het schrijfvoorbeeld, dat ons in onzen school-
tijd werd voorgelegd, heeft op de algemeene ken-
merken van ons handschrift een beslissenden invloed
geoefend. Ook bestaat er eene soort van mode op
het gebied van schrijven: gedurende het eene tiental
jaren worden de letters buitensporig groot gemaakt,
en gedurende het volgende tiental jaren, schier onzicht-
baar klein; nu eens rechtop staand, en dan weer schuin,
nu eens grof, en dan weer fijn. Een album van auto-
grafen is altijd eene verrassing , en gij bemerkt al spoe-
dig, hoe menigmaal het handschrift in tegenspraak is
met het karakter des schrijvers. — Maar terwijl de
aardsche graphologie onzeker is, biedt de Heiland ons
in dezen tekst de graphologie des Hemels aan. Wan-
neer Hij de zeventig discipelen aanspreekt, die tegen-
over Hem geschaard staan, zegt Hij: „Verblijdt u,
dat uwe namen geschreven zijn in de licnielenP
Natuurlijk spreekt de Bijbel, wanneer hij van de
hemelsche wereld gewaagt, meestal in figuurlijken zin,
telkens als hij melding maakt van boeken, en bazui-
-ocr page 731-
m
nen, en vleugelen, en poorten, en gouden plavei-
sels, en boomgaarden met twaalf vruchtenoogsten
— één oogst per maand — en van de witte paar-
den der hemelsche ruiterij; maar wij kunnen niet
beter doen, dan die bezielde beeldspraak uit te wer-
ken, en er moed en hooggestemde verwachting en
troost en zegepraal aan te ontkenen. Zoo wordt
ons ook verhaald, dat er in de hemelsche biblio-
theek een „Boek des Levens" is. Misschien bestaat
dat boek uit een groot aantal deelen. Wanneer wij
spreken van een boek, dan bedoelen wij alles wat
de auteur over zijn onderwerp geschreven heeft.
Ik kan niet zeggen, hoe groot die hemelsche boek-
deelen zijn, en ook niet hoe prachtig hunne banden
er uitzien, evenmin hoe groot het aantal hunner
bladzijden is, en ook niet of zij geïllustreerd zijn
met eenige verrukkelijke tafereelen uit deze wereld.
Ik weet alleen, dat de woorden niet gedrukt zijn
door middel van lettertypen, maar neergeschreven
door de eene of andere hand, en dat allen, die —
gelijk de zeventig discipelen, tot wie ons tekstwoord
gesproken werd — zich bekeeren en op den Heer
vertrouwen voor hunne eeuwige zaligheid, er staat
op kunnen maken, dat hunne namen geschreven
zijn in den hemel. Het is misschien niet dezelfde
naam, dien wij op aarde droegen. Wij hebben
misschien,, tengevolge van de onverschilligheid of
achteloosheid onzer voorouders, een naam , die min
of meer zonderling klinkt, of die in later tijd ont-
eerd werd door iemand, naar wien wij genoemd
werden. Ik weet niet, of de zeventig inschrijvingen
-ocr page 732-
724
van de namen der zeventig discipelen overeenstem-
men met den inhoud hunner geslachtslijst. Het is
misschien niet de naam, waarmede wij op aarde
genoemd werden, maar het zal de naam zijn , waar-
onder de Hemel ons zal kennen; en die naam zal
ons bekend gemaakt worden , wanneer wij er bin-
nentreden, en dan zullen wij het zóó zeker weten,
dat wij er geen tweemaal bij geroepen behoeven te
worden, zooals sommige lieden in den Bijbel tot
tweemaal toe door den Heer bij hunnen naam moesten
worden geroepen: „Saul! Saul!" of: ,,Samuel! Sa-
muel!" of „Martha! Martha!"
Wanneer gij in de hemelsche archieven naar
uwen naam gaat zien, en hem daar dan ook wer-
kelijk vindt, zult gij bemerken, dat hij er met een
vaste hand geschreven is. De beslistheid en het ver-
trouwen, blijkbaar uit de wijze waarop uw naam
in den hemel geschreven staat, is eene uitdaging tot
heel de aarde en heel de hel, om op te komen als
zij kunnen en uwe verloste ziel te heroveren. De
wijze waarop uw naam daar geschreven staat, wil
zooveel zeggen als: „Ik heb hem verlost; Ik stierf
voor hem; Ik zal hem een kroon en een troon
geven! Niets zal er ooit gebeuren, daar beneden
in die wereld waar hij nu leeft, dat Mijn besluit om
hem te behouden, om hem te beschermen, om hem
te redden, om hem te verheerlijken, zou kunnen
te niet doen." Welk een vast en krachtig hand-
schrift! \'t Is het kloekste, dat er ooit werd neer-
geschreven, zooals uw naam en mijn naam daar
staan! Hij kent onze zwakheden en onze booze
-ocr page 733-
725
neigingen, beter dan wij zelven. Hij kent al de
heirscharen van Apollyon , die gezworen hebben ons
te vernietigen , als zij kunnen. Hij kent al de verzoe-
kingen, die ons zullen aanvallen tusschen dit hui-
dige oogenblik en het oogenblik der allerlaatste
klopping van ons hart, — en toch schrijft Hij daar
onzen naam! Vastheid! Kunt gij de vastheid van
het handschrift niet zien, waarmede onze namen
daar reeds geschreven zijn? Apostel Petrus, wat
denkt gij er van ? En hij antwoordt: „In de
kracht Gods bewaard door het geloof tot de zalig-
heid!"
O gezegende Heiland, wat bedoelt Gij er
mede? En Hij antwoordt: „Zij zullen niet verloren
gaan in der eettzvigheid
, en niemand zal ze uit
Mijne hand rukken.\'"
— „Uwe namen staan ge-
schreven in den hemel!"
Indien gij ook, overeenkomstig de beloften van
onzen tekst, vergunning krijgt om inzage te nemen
van de boekdeelen der eeuwigheid, en gij uwen naam
daar zult zien geschreven staan, dan zult gij hem
daar geschreven vinden met onbedriegclijke regels
en woorden en letters. Sommige menschen zijn er
toe gekomen om een onduidelijk en onleesbaar hand-
schrift als een kenmerk van genie te beschouwen,
en daarom bootsen zij het na. Omdat iedere volzin,
dien Thomas Chalmers en andere machtige mannen
op theologisch gebied geschreven hebben, een raad-
sel was, maken hunne nabootsers hun eigen hand-
schrift óók tot een raadsel. Er zijn sommigen, die
— door al te zware eischen aan hun geestkracht en
door gebrek aan tijd — het vermogen verliezen
-ocr page 734-
726
om hun pen verstaanbaar te maken; en veel van
het schrift dezer wereld is dan ook niet te ontcijfe-
feren. Wij hebben stapels onbegrijpelijke grapholo-
gie gezien, en velen onzer hebben die massa nog
helpen vermeerderen. Wij zijn niet zeker geweest
van de daaronder geplaatste handteekening, of van
de daarin uitgedrukte gevoelens, en of het antwoord
bevestigend dan wel ontkennend was. Tengevolge
van onduidelijk handschrift zijn testamenten en laat-
ste beschikkingen vernietigd geworden, zijn wedu-
wen en weezen beroofd van hun erfdeel, zijn spoor-
treinen met elkaar in botsing gebracht door de duis-
tere woorden van een telegram, dat aan een con-
ducteur ter hand was gesteld, en zijn gansche re-
gimenten, die op deze wijze verkeerde instructiön
ontvingen , op het slagveld aan eene dwaling ten of-
fer gebracht. Ik vroeg eens aan bisschop Covvie in
Auckland (Nieuw-Zeeland), welke bisschop vele oor-
logen heeft medegemaakt, wat Tennyson in zijn
onsterflijk poëem „De charge der lichte cavallerie"
bedoelde met de woorden: „Iemand had zich ver-
gist," en toen zeide de bisschop mij, dat het afgrij-
selijke bloedblad van Balaklava een gevolg was van
een onduidelijk geschreven en verkeerd gelezen mi-
litaire order. „Iemand had zich vergist." Maar uw
naam, eenmaal geschreven in het Boek des Levens
des Lams, zal zóó ondubbelzinnig en onbedriegelijk
zijn, dat de geheele hemel hem bij den eersten oog-
opslag lezen kan. Het zal niet voor den naam van
iemand anders worden aangezien, zoodat er twist
zou kunnen ontstaan omtrent de juiste opvatting.
-ocr page 735-
727
Niemand van de millioenen en billioenen en quadril-
lioenen der toekomstige verlosten zal er aan twijfe-
len, dat gij — en gij alléén — er mede bedoeld
wordt. O, die heerlijke, die verrukkelijke zeker-
heid van uwe inschrijving op de hemelsche naamlijst!
Niet gered en behouden en gezaligd op een onduide-
lijke manier. Niet geplaatst te midden van een gedrang
van verheerlijkten. Neen, neen ! Al kwaamt ge er ook
binnen als de ergste zondaar, die ooit gered werd,
en al zou de een of ander, die u hier beneden op
deze wereld vroeger gekend had als volslagen los-
bandig en verwilderd, ook tot u zeggen: „Ik heb
nooit iets van uwe bekeering vernomen , en ik kan
dus niet gelooven, dat gij het recht hebt om hier
te zijn," gij zoudt hem terstond met een triomfan-
telijk lachje kunnen aanzien en, de bladzijden om-
slaande, die de namen der verlosten bevatten, tot
hem kunnen zeggen: \'„Lees het dan zelf! Daar staat
mijn naam, voluit geschreven; en herkent gij het
handschrift niet? Geen jonge klerk des hemels heeft
dien naam daar ingevuld. Geen onbekende schrijver
heeft hem daar neergezet. Ziet gij niet, hoe vast
en hoe kloek de letters zijn ? Zijn zij niet even dui-
delijk zichtbaar als gindsche troon, even duidelijk
als gindsche poort? Is de naam niet onbedriegelijk
en het handschrift niet onbedriegelijk ? De gekrui-
sigde Heiland schreef dien naam daar, ten dage toen
ik berouw kreeg en mij bekeerde van mijne zonden.
Hoort! Hoort! Mijn naam staat daar geschreven!
Daar! Daar!"
Ik kom wel eens in verzoeking van te gelooven,
-ocr page 736-
728
dat velen onzer in den hemel zullen zijn, die
men onder de dichte menigte uit het oog verliest.
Maar neen! Elk onzer zal er even duidelijk onderschei-
den en herkend worden als Abel, toen hij er van
de aarde binnentrad, als de allereerste geredde en
gezaligde zondaar, en aan de spits van die lange
reeks zondaren, die door alle eeuwen gered en geza-
ligd zijn, en zullen worden. Mijne waarde hoorders,
indien wij daar eenmaal komen, zou ik niet gaarne
in het onzekere wilen verkeeren of wij er wel
zullen blijven. Nadat gij en ik daar fraai gehuisvest
zijn, in ons hemelsch tehuis, zouden wij niet gaarne
willen, dat onze aanspraken ongegrond bleken. Wij
zouden niet gaarne buiten de hemelsche lustoorden
verbannen willen worden. Wij zouden niet gaarne
willen, dat iemand ons kwam zeggen: „Dit is uwe
kamer niet in het huis met de vele woningen,
en gij hebt een kleed aan,~ dat gij niet uit den
hemelschen kleedervoorraad hadt mogen nemen,
en dat is niet werkelijk üw naam, die daar op
de boeken vermeld staat! Als gij het schrift in
het register aan de poort zorgvuldiger onderzocht
hadt, zoudt gij bemerkt hebben, dat die naam vol-
strekt niet de uwe, maar wel degelijk de mijne was.
Ga er dus uit, en laat mij er in!" O, welk een
rampzaligheid zou dat zijn: na eenmaal te hebben
aangebeden in de hemelsche tempels, gedrongen te
worden om de muziek uw rug toe te keeren;
na u eenmaal bij het gezelschap der gezaligden te
hebben aangesloten, gedwongen te worden om het
voor altijd te verlaten; en, na onze langverloren
-ocr page 737-
729
dierbaren in een hemelsche omhelzing aan het hart
te hebben gedrukt, nogmaals eene scheiding te zien
volgen! Welk een helsche zielsangst zou er zijn in
zulk een afscheid van den hemel! Maar neen! neen!
neen! . . . Eere zij God in den Hooge, dat onze
namen in die boekdeelen zóó duidelijk geschreven
zullen staan, dat noch heilige, noch cherub, noch
seraf, noch aartsengel er één oogenblik aan zal
twijfelen, gedurende vijfhonderd eeuwigheden, als
er plaats voor zoovelen was. De oudste bewoner
des hemels kan hem lezen, en het kind, dat inden
afgeloopen nacht van \'s moeders schoot naar den
hemel ging, kan hem lezen. En gij zult niet vluchtig
een blik op uwen naam werpen en dan het boek weer
dichtslaan, maar gij zult er peinzend bij blijven stil-
staan en in u zelven spreken en zeggen: „Is het
eigenlijk geen onuitsprekelijk wonder, dat mijn naam
daar staat?! Hoeveel heeft het mijnen Heiland gekost
om dien naam daar geschreven te krijgen! On-
waardig ben ik om in één en hetzelfde boek ge-
schreven te staan met de zonen en dochteren van
het martelaarschap, en met de uitverkoren geesten
van alle tijden! Maar zie! — daar staat mijn naam,
en hoe duidelijk is het woord, hoe duidelijk zijn al
de letters!" En gij zult de bladen van voren naar
achteren en van achteren naar voren omslaan, en daar
zult gij dan nog andere namen zien staan: den naam
van uw vader misschien, en den naam uwer moeder,
en den naam van uw broeder, en den naam uwer
zuster, en den naam uwer vrouw, en de namen
der Apostelen, — en dan zult gij zeggen: „Dat die
-ocr page 738-
73°
namen hier geboekt staan, verwondert mij volstrekt
niet! Zij waren goed en heilig. Maar ik ben over-
stelpt door grenzelooze verbazing, dat mijn naam
hier in dit Boek staat!\'\' En weer terugkeerend naar
de bladzijde, waarop üvv naam staat ingeschreven,
zult gij er naar blijven staan kijken, totdat gij —
— ziende dat anderen staan te wachten, om de re-
gisters te raadplegen met betrekking tot hunne eigene
namen — in de rijen der verlosten terugtreedt, om
met hen over dit wonder der wonderen te spreken.
En als gij dan zoo gelukkig moogt zijn , uwen naam
in de boekdeelen der eeuwigheid geschreven te vin-
den , zult gij bemerken , dat hij er onuitwischbaar ge-
schreven is. Ga eens naar het Staatsarchief in deze
hoofdstad des lands (Washington), en bezichtig daar
dan de oude tractaten, die door de regenten van
vreemde natiën kort vóór of kort na den aanvang
dezer eeuw onderteekend werden, — dan zult gij
bemerken, dat sommigen dier documenten zóó ver-
bleekt zijn, dat gij er nog slechts hier en daar een
woord van kunt lezen. Van het papier, geel van
ouderdom, of van het voor u ontrolde perkament,
heeft de tijd regel na regel uitgewischt. Gij moet
raden naar den naam, en misschien raadt gij ver-
keerd. De oude Tijd wordt afgebeeld als een grijs-
aard met eene zeis in de hand, wTaarmede hij de ge-
slachten wegmaait; maar hij heeft óók scheikundige
stoffen bij zich, waarmede hij geheele paragrafen uit
onbelangrijke documenten wegknaagt. Wij spreken
over onuitwischbaren inkt, maar onuitwischbare inkt
bestaat er niet. \'t Is slechts een quaestie van tijd, de
-ocr page 739-
73[
totale vernietiging van alle aardsche handteekeningen
en bescheiden. Maar van uw naam, in het hemelsch
register geplaatst, kan door al de \'millioenen bij mu-
loenen jaren des hemels het geschrift niet verflauwd
worden. Wanneer gij zoolang in de heerlijkheid zult
geleefd hebben, dat — als gij niet in \'t bezit van
een onvergankelijk geheugen waart — gij den dag
uwer aankomst totaal vergeten zoudt zijn, zal uw
naam op die bladzijde nog even vurig schitteren, als
op het oogenblik toen hij daar door de hand van
den Grooten Verzoener werd neergeschreven. Er
zullen nieuwe geslachten den hemel binnenkomen ,
en over duizend jaar na dezen kunnen er zielen van
deze of van eene andere planeet het verblijf met
de vele woningen binnentreden, — en gesteld dat
uw naam, die vroeger zoo duidelijk in de boeken stond,
dan eens verbleekt en verdwenen ware! Hoe zoudt
gij den nieuw aangekomenen kunnen bewijzen, dat
uw naam daar werkelijk eenmaal geschreven had
gestaan? Maar die naam staat er onuitwischbaar!
Onmogelijk hem te doen verdwijnen! De eeuwigheid
is even machteloos als de tijd bij het doen van po-
gingen om hem ontzichtbaar te maken! Welk een
versterkende en verheffende gedachte! Andere regis-
ters in den hemel mogen verdwijnen, en zullen ver-
dwijnen. Er zijn daar registers, waarin de Engel
der Gedachtenis onze zonden heeft neergeschreven,
maar het is een boek vol doorhalingen, zoodat veel
van het daar geschrevene niet meer gelezen , ja zelfs
niet meer geraden kan worden. De Engel der Gedach-
tenis schreef het neer, maar onze Verlosser en Zalig-
-ocr page 740-
732
maker haalde er de strepen door; want heeft Hij
niet beloofd: „//\' zal hunne overtredingen uitdelgen?"
En indien iemand in den hemel zich enkelen onzer
aardsche ongerechtigheden mocht herinneren en er
God naar vragen, dan zou de Heer antwoorden:
„O, die heb Ik vergeten! Ik heb ze totaal vergeten
die zonden, want Ik heb beloofd: „Hunne zonden en
hunne ongerechtigheden zal ik niet tneer gedenken!\'"
Bij den brand , die onze wereld in vlammen zal doen
opgaan, zullen al de brandkasten, en al de hypo-
theekacten, en al de archiefgebouwen, en al de
bibliotheken verdwijnen , erger dan toen de 200,000
boekdeelen en de 700,000 manuscripten van de
Alexandrijnsche Bibliotheek tot asch verteerden onder
den fakkel van Omar, — en geen blad of woord
zal aan de vlammen ontsnappen bij dien laatsten
brand, dien men, dunkt mij, zal kunnen aanschou-
wen op de andere planeten, welker bewoners elkaar
zullen toeroepen; „Ziet! daar staat een wereld in
brand!" Maar er zal slechts één vlammengloed in
den hemel zijn, en die zal niet verwoesten, maar
schitteren en stralen! Ik bedoel den vlammengloed
der luisterrijke pracht, die daar uitstraalt van de
torens en de koepels, van de tempels en de tronen,
en van de robijnen en diamanten muren, bij het licht
der zon die nooit ondergaat. Onuitwischbaar!
Er bestaat hier op aarde geen eigenhandige brief
of naamteekening van Christus. De éénige maal dat
Hij op deze aarde een woord schreef — hoewel Hij
toch de schrijfkunst zeer goed machtig was — schreef
Hij met het doel om het geschrevene spoedig weer
-ocr page 741-
733
door den voetstap der menschen te laten uitwis-
schen: bij gelegenheid dat Hij zich nederboog en
met Zijn vinger de huichelarij der Pharizeeën in
den grond schreef. Maar wanneer Hij uwen naam
in de hemelsche archieven neerschrijft, zooals ik
geloof dat Hij gedaan heeft, of hoop dat Hij doen
zal, dan doet Hij het om hem daar te laten staan van
eeuw tot eeuw, van cyclus tot cyclus, van aeon
tot aèon. En daarom doe ik nu voor u allen, o
Christenen! wat John G. Witthier, de stervende
Amerikaansche dichter, voor zich liet doen in zijn
huis. Welk een beminnelijk man was hij! Een gehee-
len zomermiddag zat ik naast hem op een hooibergje,
luisterend naar zijne levensgeschiedenis, die hij mij
vertelde. Hij was reeds sedert tal van jaren lijdende
aan slapeloosheid, zoodat hij meestal weinig of geen
nachtrust genoot, en daarom had hij altijd het ven-
stergordijn zijner slaapkamer hoog opgetrokken,
zoodat hij de eerste schemering der opgaande zon
kon zien. Toen hij op zijn sterfbed lag, \'s ochtends
vroeg, in zijne woning in een der dorpen van Mas-
sachusetts, meende de verpleegster, dat het licht
der opgaande zon te sterk voor hem zou zijn, en liet
zij daarom het venstergordijn zakken. Maar het
laatste wat de groote, vrome dichter deed, was
een gebaar met zijne hand te maken, dat het gor-
dijn weer moest worden opgetrokken. Hij wenschte
heen te gaan in den vollen stroom van het morgen-
licht. En zoo dacht ik ook, dat het sterkend en
bezielend voor alle geloovige Christenen zou kun-
nen werken, als zij wat meer licht hadden omtrent
-ocr page 742-
734
de toekomst, — en daarom haal ik het gordijn op,
om u den heerlijken zonsopgang in mijn tekst te
laten zien, en zeg ik: „ Verblijdt u, dat uwe namen
geschreven zijn in de hemelen!"
Maar nu bestaat er over heel dit onderwerp van
goddelijk schrift in den hemel slechts één woord
dat mij in verlegenheid brengt, namelijk het kleine
bijwoord, dat Johannes bezigt, wanneer hij dezen
tekst aanhaalt in de Openbaring en daar spreekt
van sommigen : „welker namen niet zijn geschreven
in het Boek des Levens
, des Lams dat geslacht is.\'\'1
O, dat vreeselijke bijwoord „niet!" Laat dooreene
volkomene en algeheele onderwerping aan Chris-
tus den Heer, in dit oogenblik, de weg geheel ge-
baand en geëffend worden tusschen u en de hoog-
verheven inschrijving van uwen naam! Waarom
zoudt gij de oogen niet naar boven slaan, en daar
dan zien, dat zij allen gereed staan om ook uwen
naam onder de volzalige onsterflijken op te nemen?
Daar ligt het reusachtige boekdeel: het is wijd open.
Daar is de pen: zij is genomen uit den vleugel
van den „Engel des Nieuwen Verbonds." Daar is
de inkt: het is de roode inkt van het offer op Gol-
gatha. En daar is de Goddelijke Schrijver: de Heer
der Heerlijkheid, die den naam uws vaders daarin
schreef, en den naam uwer moeder, en den naam
van uw kind, en die bereid is om ook uw naam
daarin te schrijven. Wilt gij er in toestemmen, dat
Hij het doet? Vóór en aleer ik met ons „Amen!"
deze godsdienstoefening besluit, vraag Hem of Hij
het doen wil! Ik zal een oogenblik wachten, voor
-ocr page 743-
735
die ontzaglijke daad van uwen wil, — want het is
enkel en alleen een daad van uwen wil.
En indien er in heel deze vergadering een hope-
loos geval mocht zijn, hopeloos genoemd door uzelf
en door anderen, dan neem ik de verantwoordelijk-
heid op mij, om u aan te zeggen, dat er eene plaats in
dat Boek is, waar uw naam juist uitnemend goed
zou staan en een fraaien indruk zou maken, — en
sneller dan ik mijne handen in elkaar kan slaan, kunt
gij hem daar geplaatst krijgen. Er werd ergens eene
godsdienstige samenkomst gehouden , en allen die ge-
tuigenis konden afleggen van de bekeerende genade
Gods, werden uitgenoodigd om te spreken. Een
oogenblik heerschte er eene diepe stilte, — totdat
er een man , die in zijn geheele voorkomen de spo-
ren van een losbandig leven vertoonde, van zijne plaats
opstond en zeide: „Gij kunt aan mijn uiterlijk wel
zien, wat ik geweest ben; maar nü ben ik een ge-
redde. Toen ik mijn ouderlijk huis verliet, een dui-
zendtal mijlen van hier, had ik mijns vaders naam
zóó onteerd en geschandvlekt, dat hij tot mij zeide:
„Nu gij heengaat, heb ik u slechts twee dingen te
verzoeken: ten eerste dat gij nooit weer thuiskomt,
en ten tweede dat gij een anderen naam aanneemt \\"
Ik beloofde het hem. Sedert tal van jaren heb ik
mijn waren naam nooit weer hooren uitspreken. Ik
maakte den geheelen cirkelgang der zonden mede,
totdat er geen lagere diepte te peilen was. Maar
nu ben ik, door Gods genade, een veranderd man.
Ik schreef een brief naar huis, waarin ik vergiffe-
nis voor mijne afdwalingen vroeg, — en nu heb
-ocr page 744-
73^
ik hier twee brieven ten antwoord ontvangen: een
van mijn vader en een anderen van mijne zuster.
Mijne moeder stierf aan een gebroken hart. Maar
deze beide brieven vragen mij of ik weer thuis wil
komen, en morgenochtend ga ik op reis!" De zaak
was, dat de naam van dien man geschreven stond
in den hemel, — en ik hoop en bid van God, dat
al onze namen daar opgeschreven mogen staan,
hoe onwaardig de besten onzer, ja wij allen ook
mogen zijn. Als gij ooit in de dichte bosschen hebt
rondgezworven, en daar de klokketonenderdorpskerk
hebt gehoord, dan weet gij ook , dat die klanken
belemmerd en gedempt worden door het gebladerte,
ofschoon zij toch nog altijd min of meer lieflijk blij-
ven ; maar als gij aan den zoom van het woud komt,
wordt het klokgelui helderder en bekoorlijker, —
en wanneer gij uit de donkere schaduwen , in het
klare, heldere zonlicht overstapt, hoort gij eerst
goed de volle, ronde, welluidende tonen der kleppen-
de klokken. O, gij allen, die ver weg zijt afgedwaald
in de dichte schaduwen van het ongeloof, en daar
nu slechts den zwakken nagalm dezer Evangelieklok
hoort! komt naar buiten in den helderen zonneglans
van vergiffenis en vrede, en hoort het volle klok-
gelui der eeuwige harmoniën van al de torens des
hemels weerklinken! O, komt uit de bosschen!
Komt tot het zonlicht! Komt tot Jezus! — Amen.
-ocr page 745-
XLVII.
NAAR BETHLEHEM.
Laat ons dan heengaan naar Jicth-
letieni!
T.1KAS II . 15.
De met Kerstmis herdachte en gevierde en bezon-
gen gebeurtenis is het heugelijkste feit aller eeuwen.
Jezus\' wieg was even wondervol als Zijn kruis.
Overtuig mij van het eerste, en ik ben niet ver-
baasd over het laatste. De deur waardoor Hij binnen-
trad, was even wonderbaar als de deur waardoor Hij
uitging.
In den winter van 1889 en \'90 was ik in het
huis , waarin men beweert, dat Jezus gewoond heeft
terwijl Hij zich in Afrika bevond. Het was te Caïro
in Egypte, de eindpaal van dien vreeselijken tocht,
dien Hij aflegde toen Jozef en Maria met Hem
vluchtten uit Bethlehem naar Egypte, om aan de
moordzucht van Herodes te ontsnappen. Alle tradi-
tiën wijzen dit huis te Caïro aan als de woning,
waarin deze drie vluchtelingen verblijf hebben ge-
houden, terwijl zij zich in Afrika ophielden. De kamer
is negen treden onder de oppervlakte der straat ge-
legen. Ik heb de maat van die kamer eens geno-
-ocr page 746-
738
men, en toen bleek het mij, dat zij ongeveer zeven
meter lang en drie meter hoog was. Er zijn daar
drie steil glooiende rotsen, en ik denk, dat op één
daarvan de wieg van onzen Heiland heeft gestaan.
Er is geen raam in het huisje, en al het licht moest
er dus óf door de openstaande deur, óf van een
lantaarn komen. Het drietal kwam hier aan uit
Bethlehem, na de barre woestijn doorkruist te heb-
ben.
Op de stoomboot, waarmede ik de Middellandsche
Zee van Athene naar Alexandrië overstak, ontmoet-
te ik den voortrefïelijken geleerde en theoloog Dr.
Lansing, die ruim dertig jaren te Cairo gewoond
heeft; en deze vertelde mij, dat hij den geheelen
weg had afgelegd, waarlangs de drie vluchtelingen
uit Bethlehem naar Egypte waren getrokken. Hij
verzekerde, dat het een echte woestijnweg is, en dat
de gedwongen reis van het kindeken Jezus een
vreeselijke reis moet geweest zijn. Nadat hij uit
Egypte vertrokken was, ontmoette Dr. Lansing lie-
den uit Bethlehem, wier tong gezwollen was en
uit hun mond hing, tengevolge van de ontsteking
door den dorst, en hoewel zijn reisgezelschap nog
slechts één geitenleeren zak met water over had,
dien hij en de anderen dringend noodig hadden,
was hij toch zóó geroerd door het schouwspel van
den dorst dezer arme pelgrims, dat hij — schoon
het de verontwaardiging zijner medereizigers gaande
maakte — den vreemdelingen water te drinken gaf.
Langs dezen schrikkelijken weg nu begaven Jozef
en Maria zich naar dit land van Egypte. Geen
-ocr page 747-
739
tijd om veel toebereidselen te maken. Herodes zat
hen op de hielen, en wat hadden die dorpelingen
te beteekenen in de oogen van een vertoornden ko-
ning? Jozef, de echtgenoot en in naam de vader,
sprong in zekeren nacht hevig ontroerd van zijne
legerstede op, terwijl de zweetdruppels op zijn
voorhoofd parelden en hij over al zijne leden beefde
en sidderde. Hij had gedroomd van moordenaars,
die op zijne vrouw en zijn kind aanvielen. Zij moes-
ten nog dien eigen nacht vertrekken, en wel oogen-
blikkelijk. Maria trok in allerijl wat kleeren aan, en
Jozef bracht het getuigde en gezadelde lastdier voor
de deur, en was zijne vrouw met het jonge kind
behulpzaam bij het opstijgen. Ach! die brooden zijn
niet genoeg, en die kruiken water zullen niet toe-
reikend zijn voor zulk een langen tocht! Maar er
is nu geen tijd meer om er nog iets bij te doen.
En zoo trekken zij dan henen. Zij nemen afscheid van
het oude huis, dat zij misschien nooit zullen weer-
zien. Hunne harten zijn bedrukt. Ons huis behoeft
juist geen groot huis te wezen, om met smart door
ons verlaten te worden.
Over de heuvelen en omlaag tusschen die diepe
bergkloven, zetten zij hun weg voort. Door Hebron,
door Gaza, over en door het heete zand, onder
eene verschroeiende zon, het kindeken schreiend, de
moeder aemechtig, de vader uitgeput. Hoe traag
kruipen de dagen en weken om! Zal het afgematte
drietal ooit de oevers van den Nijl bereiken ? Zullen
zij ooit Caïro aanschouwen? Zal er dan aan die
woestijn nooit of nimmer een einde komen? Maar
-ocr page 748-
740
als zij eindelijk en ten laatste de grenslijn over-
schrijden , waarbuiten de oude Herodes het recht
niet heeft hen te vervolgen, kent hunne vreugde
geen palen. Eindelijk vrij! Nu mogen zij afstijgen
en rust nemen. Thans zetten zij hun weg met min-
der angst en zorg voort. Zij zullen hier of daar
wel een plaats vinden, die hun huisvesting aanbiedt
en waar zij hun brood kunnen verdienen. Hier zijn
zij te Caïro, in Egypte.
Zij trekken door de bochtige straten, die onge-
veer drie of vier meter breed zijn, en treden het
armoedige huisje binnen, waarvan ik zooeven ge-
sproken heb. Maar de eindpaal der reis van deze
drie vluchtelingen was toch nog niet zoo armoedig,
als hun punt van uitgang te Bethlehem. Eindigde
die reis door de woestijn in een kelder, zij nam
haren eersten aanvang in een stal. In en om dien
stal te Bethlehem vertoeven wij met onze gedach-
ten op den huidigen dag.
Alles is even eenvoudig en gering in en rondom
dien stal, — • doch daarboven is alles even heerlijk
en luisterrijk. Christus\' komst#had plaats in de her-
berg bijgenaamd het huis van Chim Ham; de nacht
wees, met een diamant aan den vinger, de plek
aan; de deur des hemels was wijd open gezet, om
er door naar buiten te kunnen zien; hemelsche or-
chesten brachten, te midden van licht en stralenglans,
de oratoriums van den Messias ten gehoore ; op den
drempel des hemels getuigden de gezanten Gods
van eer en vrede en welbehagen. Kort daarna komen
de sterrenkundigen met hunne lange witte baarden,
-ocr page 749-
74*
en knielen zij voor het kindeken neer; en uit hunne
lederen beurzen rammelen de gouden sikkels, en
uit hunne geopende reiszakken stijgt de geur van den
wierook op en ritselen de bosjes mirre. De zwe-
vende ster; het losbarstende jubellied der hemelingen ;
de kille Decembernacht overladen met de heerlijk-
heid van een Meischen morgenstond; onze wereld
een dwaalster, een verloren ster; en een andere
Ster, dien nacht langs den hemel trekkend, om de
dolende weder huiswaarts te wenken, zal nu oor-
zaak worden, dat al de natiën tóch hun Kerstmis
vieren.
Zijn er geen nieuwe lessen te putten uit deze ge-
schiedenis, die door de veelvuldige herhaling nog
niets van al het bekoorlijke harer nieuwheid en frisch-
heid heeft verloren? O ja! Weet dan in de eerste
plaats: het zcas een verschijnsel uit de sterrenwereld,
dat den weg wees.
Waarom geen zwarte wolk in
den vorm van een hand of een vinger, naar bene-
den wijzend op de heilige geboorteplaats? Een wolk
beteekent smart of zorg, — en de wereld heeft al wol-
ken genoeg gehad! Waarom geen bundel bliksem-
stralen , trillend en gloeiend en vlammend neerko-
mend boven de heilige geboorteplaats ? De bliksem
beteekent verwoesting, een uiteendrijvende en ver-
delgende kracht, — en de wereld had geen behoefte
aan nog méér verwoesting!
Maar het was EEN STER, en dat beteekent blijd-
schap, dat beteekent hoop, dat beteekent goed ont-
haal, dat beteekent hemelvaart. Een ster! Dat be-
teekent scheppende kracht, want zongen de mor-
-ocr page 750-
742
gensterren niet gezamenlijk, toen de bewaarplaats
der werelden ontsloten werd? Een ster! Dat be-
teekent verdediging, want streden de sterren niet
in hunne banen tegen Sisera en voor het volk des
Heeren ? Een ster! Dat beteekent een schitterend
voortbestaan, want zijn de rechtvaardigen niet be-
stemd om te blinken als de sterren tot in alle
eeuwigheid? Een ster! Dat beteekent de aanvang
van eeuwige blijdschap. De dagster in het hart.
De morgenster des Verlossers.
Het vreemde verschijnsel in dien nacht is mis-
schien een buitengewone samenstand van werelden
geweest. Evenals de overgang van Venus in onzen
tijd reeds vele jaren te voren door de sterrenkun-
digen voorspeld was geworden, en de sterrenkun-
digen ons kunnen zeggen, welke samenstand van
werelden er over duizend jaren na dezen zal zijn,
zoo kunnen zij in hunne berekeningen ook terug-
gaan; en zelfs ongeloovige sterrenkundigen zijn ge-
noodzaakt geweest om te getuigen, dat er zich om-
streeks dien tijd een buitengewoon schouwspel aan den
hemel vertoond heeft. De Chineesche geschiedboe-
ken, natuurlijk geheel onafhankelijk van het Woord
van God, vermelden als een historisch feit, dat er
omstreeks den Adventstijd een vreemdsoortig en
onverklaarbaar verschijnsel aan den hemel is ge-
weest.
Maar het kan ook een meteorenster geweest
zijn, zooals gij en ik er wel eens naar den horizont
hebben zien schieten. Eenige jaren geleden zag ik
aan den noordelijken hemel een ster verschieten en
-ocr page 751-
743
neervallen met zooveel glans en duidelijkheid, dat
—    als ik op een heuvel gestaan had, even hoog
als die. van Bethlehem, waarop de herders stonden
—   ik binnen eene kleinere ruimte de plaats harer
nederdaling had kunnen aanwijzen. De Universiteit te
Jowa en het Britsch Museum bezitten exemplaren
van meteoorsteenen, die van het veld zijn opge-
raapt : brokstukken die door andere werelden werden
uitgeworpen en een vurig spoor aan den hemel
achterlieten. Zootlat er volstrekt niets onwaarschijn-
lijks is in het verhaal van dat sterren- of meteoren-
verschijnsel in dien nacht waarvan wij spreken.
Geen zwarte wolk van bedreiging, maar een glin-
sterende Ster van hope is ons heerlijk geloot in
Christus Jezus!
Merk ook in dit tafreel op, dat andere zverclden
onzen Heer en Meester schenen te eeren.
Lieflijke
ster van den nacht, wentel voort op uwe baan!
„Neen," sprak de ster, „ik moet naderbij komen,
en ik moet mij buigen, en ik moet opletten en zien, wat
gij met Jezus doet." Eene andere wereld vereenigde
zich dien nacht met onze wereld in aanbidding. Die
ster maakte een buiging van onderdanigheid. Ik hoor
de menschen wel eens zóó spreken over Christus\'
heerschappij, alsof zij zich uitsluitend zou bepalen tot
de weinige duizende mijlen van den omtrek onzer
eigene wereld; maar ik geloof, dat de millioenen en de
billioenen en de quadrillioenen werelden allen be-
woond zijn, — zoo al niet door zulke wezens als wij
zijn, dan toch door zulke wezens als God bedoelde te
scheppen, — en dat al die werelden deel uit ma-
-ocr page 752-
744
ken van het gebied , waarover Jezus heerschappij
voert.
Ik geloof, dat alle werelden schuldeloos zijn, be-
halve deze van ons. Het groote orgel van het heel-
al, zijne pedalen en zijne pijpen en zijne toetsen,
alles één groote harmonie, uitgenomen één bescha-
digd pedaal, uitgenomen één gebroken register: de
vox humaiia , de stem van het menschelijk geslacht,
van deze schuldige wereld. En nu weet ge wel,
dat — hoe groot en hoe voortreffelijk het instrument
ook moge wezen — als er één toets niet in orde
is, hij de geheele harmonie bederft. En nu moet
Jezus dezen toets herstellen. Hij moet dat gebroken
register weer in orde brengen. Gij weet met wel-
ke bloedende handen, en met welk eene doorboorde
zijde, en met welke gekneusde voeten Hij het werk
deed. Maar de wereld zal weer op den rechten
toon gestemd zijn, en alle werelden zullen thans
harmonieeren. Zoo niet, waartoe dan die hemelsche
begeleiding? Zoo niet, waartoe dan die schildwacht
met zijn fonkelend vaandel boven de caravansera? Zoo
niet, waartoe dan die middernachtelijke wachter op
het balkon des hemels? De sterrenkunde maakte
zich dien macht ondergeschikt aan den Christus.
Deze planeet voor Christus! Het zonnestelsel voor
Christus! De nog gloeiende werelden en de uitge-
brande werelden, — alle werelden voor Christus!
De sterkste microscoop kan de eene zijde van dat
grondgebied niet ontdekken. De verst reikende
telescoop kan de andere zijde van dat grondgebied
niet vinden. Maar ik zal u zeggen, hoe het heelal
-ocr page 753-
745
begrensd is. Het wordt begrensd ten noorden en
ten zuiden en ten oosten en ten westen en van bo-
ven en beneden door God; en die God is Chris-
tus; en die Christus is God; en die God is de on-
ze! O, verruimt het niet uwe denkbeelden omtrent
het gebied des Zaligmakers, als ik u zeg, dat al
de werelden slechts vonken zijn, gespat van Zijn
aambeeld? dat al de werelden slechts de wollige
kudden zijn, die den éénen Herder volgen? dat al
de eilanden des lichts in hunne onmetelijkheid slechts
één groote archipel zijn, die het eigendom is van
onzen Koning?
Maar dit tafreel vestigt ook al mijne aandacht op
het feit, dat de wijzen uit het Oosten tot Christus
kwamen.
Het waren geen dwazen, het waren geen
idioten. Het Bijbelsch geschiedverhaal zegt duidelijk,
dat er wijze mannen tot den Christus zijn gekomen.
Wij zeggen dat het magiërs of toovenaars waren,
dat het alchimisten of goudzoekers waren, dat het
astrologen of sterrenwichelaars waren, en wij zeg-
gen dit op een minachtenden toon. Welnu, het
waren de voortreffelijkste en schitterendste mannen
hunner eeuw. Het waren natuurvorschers en man-
nen van wetenschap. Zij wisten al wat er te weten
was. Wij moeten wel in het oog houden, dat de
astrologie of sterrenwichelarij de moeder der astro-
nomie of sterrenkunde was, en dat de alchimie of
goudmakerij de moeder der chemie of scheikunde
was, — en omdat kinderen schooner zijn dan hun-
ne moeder, behoeft gij de moeder nog niet te ver-
achten.
-ocr page 754-
746
Het was de levenslange bezigheid dezer astrolo-
gen, de sterren te bestudeeren. Twee en twintig-
honderd en vijftig jaren vóór Christus geboren
werd, kenden de wijze mannen de opeenvolging
.der dag- en nacht-eveningen, en hadden zij de baan
en de terugkomst der kometen berekend. Professor
Smith verklaart als zijne meening, dat zij met den
afstand tusschen de zon en de aarde bekend waren.
Wij zien uit het boek Job, dat de menschen in den
ouden tijd niet veronderstelden, dat de wereld plat
was, zooals sommigen beweerd hebben, maar dat
hij en de menschen van zijn tijd wisten, dat de we-
reld bolvormig is. De Eg}\'ptische pyramiden wer-
den gebouwd voor astrologische en astronomische
studiën. De alchimisten besteedden hun leven met
het bestudeeren van metalen en gassen en vloeibare
en vaste stoffen, en met het vullen van de biblio-
theken der wereld met hunne wonderbare ontdek-
kingen. Het waren uitermate wijze mannen, die
daar uit het Oosten kwamen, en de overlevering
zegt, dat de drie wijsten kwamen: Caspar, een
jonge man, Balthazar, een man van middelbaren\'
leeftijd, en Melchior, een tachtigjarige. De drie
wijste mannen dier geheele eeuw. Zij kwamen
tot de kribbe.
Zoo is het altijd geweest: de wijste menschen
komen tot Christus, de schitterendste genieën komen
tot de kribbe.
Wie was de grootste natuurkundige,
dien Amerika ooit heeft voortgebracht? Jonathan
Edwards, een Christen. Wie was de grootste ster-
renkundige der wereld? Isaac Newton, een Chris-
-ocr page 755-
747
ten. Wie was de grootste dichter? John Milton,
een Christen. Wie was de geleerdste schrijver
over recht en wet? Blackstone, een Christen! Hoe
komt het, dat alle gymnasiums en hoogescholen
hier in Amerika een kapel hebben? Zij moeten een
plaats hebben, waar de wijzen kunnen aanbidden.
Komaan, laat ons deze geheele zaak eens bij
onsen en duimen behandelen. Men heeft op de
hersens van vele beroemde mannen na hun dood
een nauwkeurig onderzoek bewerkstelligd; en
nu zal ik het grootste, het zwaarste, het mach-
tigste brein nemen, dat ooit door Amerika is
voortgebracht, en ik zal er aan vragen, hoe dat
brein over den Christus dacht. Hier is het: deze
hersens wegen zes en dertig Engelsche onsen, het
grootste brein dat ooit in Amerika is voortgebracht.
En laat mij nu eens zien, hoe dat brein dacht over
den Christus. In het oogenblik van zijn sterven,
riep die man uit: „Heer! ik geloof! kom mijne on-
geloovigheid te hulp! Wat ik anders ook doe, Al-
machtige God, neem mij tot U op om Jezus\' wil!
Dezen nacht zal ik in het licht en de vreugde en
de zaligheid zijn !J\' Zoo kwam Daniël Webster tot
de kribbe. De wijzen van het Oosten gevolgd door
de wijzen van het Westen.
Let er in dit tafreel ook wel op, dat het een win-
termaand was, die God voor de geboorte van Zijnen
Zoon koos.
Ware het de maand Mei geweest, — dat is
het seizoen der bloesems. Ware Hij in de maand
Juni geboren, — dat is het seizoen der rozen.
Ware Hij in de maand Juli geboren, — dat is het
-ocr page 756-
748
seizoen der groote oogsten. Ware Hij in de maand
September geboren, — dat is het seizoen der rijpe
boomgaarden. Ware Hij in de maand October ge-
boren, — dat is het seizoen waarin de bosschen
gloeien van pracht en heerlijkheid. Maar Hij werd
in eene wintermaand geboren.
\'t Was in het laatst van December, dat Hij ge-
boren werd, om aan te toonen dat Hij een Christus is
voor lieden in felle stormen, voor lieden ónder een
bewolkten hemel, voor lieden met verkleumde en
bevrozen verwachtingen, voor lieden met een ther-
mometer onder nul. Dat is de reden waarom Hij
zoo dikwijls onder de verarmden en noodlijdenden
wordt gevonden. Gij kunt Hem eiken nacht uit de
moerassen zien komen. Gij kunt Hem eiken nacht
door de donkere sloppen en stegen der stad zien
gaan. Gij kunt Hem Zijne hand zien leggen onder
het bezwijkende hoofd in de hut van den arme. Hij
herinnert zich, hoe de wind gierde rondom de ca-
ravansera te Bethlehem in dien Decembernacht; en
Hij heeft deernis met allen, die in hunne armoede
de luiken hooren klapperen onder de ijzige Noord-
ooster stormen.
Het was deze December-Christus, dien de Ame-
rikaansche generaal Washington en zijn leger aan-
baden te Valley Forge, toen zij zonder dekens in
de Decembersneeuw lagen. Het was deze Chris-
tus, dien de Pelgrimvaders aanriepen, toen de May-
flowcr,
het schip, waarmede zij uit Engeland wa-
ren vertrokken, om in Amerika vrijheid van geloof
en geweten te zoeken, eindelijk zijne bestemming
-ocr page 757-
749
had bereikt. O, ik zeg u, dat wij een Decem-
ber-Christus noodig hebben: niet een Christus
voor mooi weer, maar een Christus voor don-
kere dagen , bewolkt door ziekte, en kil door teleur-
stellingen, en tot stikkens toe benauwd door sterf-
gevallen, en huiveringwekkend bang door de wijd-
geopende graven! Geen voorjaars Christus, geen
zomer-Christus, geen herfst Christus, maar een
winter-Christus. O, deze lijdende en strijdende we-
reld heeft zoo groote behoefte om te worden ge-
stild, en getroost, en gewiegd, en in slaap gemaakt
in de armen der Ontfermende Almacht! Geen moe-
der zette ooit met meer teederheid haren voet op
den trapper der wieg van een ziek kind, dan Chris-
tus tot ons nederdaalt, naar deze kranke en ge-
brekkige wereld. En Hij wiegt haar tot stilheid en
kalmte, terwijl Hij zegt: „Mijnen vrede geef Ik u\\
niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u"
Let ook op een feit, waarop niemand acht schijnt
te slaan: dat deze Christus geboren werd te mid-
den van schapen en runderen en paarden en ka-
meelen , opdat Hij een versachtenden invloed op heel
de dierlijke schepping zou uitoefenen.
Het beteekent
barmhartigheid voor de afgebeulde, slecht gevoede,
ellendig gestalde, gesarde en mishandelde dierlijke
schepping. Zou de Christus, die Zichzelf bij een
duif vergeleek, onverschillig zijn voor de wreed-
heden van het duivenschieten? Zou de Christus, die
Zichzelf vergeleek met een lam, geen deernis heb-
ben met de schapen, die daar gebonden en saam-
gewrongen nederliggen, met hun nek over den
-ocr page 758-
750
scherpen rand van de slagerskar, of in een veetrein
bij een gloeiende warmte van Omaha naar New-
York, zonder één druppel water, vijftienhonderd
mijlen van doodsangst ? Zou de Christus, Wiens be-
lasting betaald werd door een visch, die het geld-
stuk in den bek had, geen medelijden hebben met
de krimpende vinnen op de vischmarkt? Zou de
Christus, die ons toeriep: „Gaat naar de mieren!"
geen acht slaan op de vastgeprikte insecten ? Zou
de Christus, die tot ons zeide: „Aanziet de vogelen
des hemels
/" nimmer een ontfermend oog hebben voor
de mishandelingen, waarmee de dierlijke schepping
overstelpt wordt, die hare smarten niet onder klan-
ken en woorden kan brengen? . . Deze Christus kwam
niet alleen om het menschelijk geslacht van zijne
zonden en ellenden te verlossen, maar óók om de
dierenwereld uit haar leed en kwelling op te hef-
fen. In den heerlijken tijd waarvan het profetisch
woord gewaagt (Jesaja n en 65), zal het kind den
leeuw leiden en met den adder spelen, enkel en
alleen omdat de wilde en de kruipende dieren dan geen
mishandelingen meer te wreken zullen hebben. Om
den toestand der dierenwereld te verbeteren, werd
Christus in een veestal geboren. De eerste adem-
halingen van het Lam Gods gehoord te midden
van de vermoeide kudden der Bethlehemsche schaap-
herders !
Maar let óók in dit verhaal op de drie Kerstge-
schenken, die naar de kribbe werden gebracht. Goud,
Wierook en Mirre.
Goud voor Christus, — dat be-
teekent; heel de overvloed der wereld aan Hem
-ocr page 759-
75i
overgegeven! Geen ziekenhuizen meer, die door
geldgebrek even sukkelend voortstrompelen als de
kreupelen, die zij te hulp komen, of even moeilijk
en op den tast hun weg moeten voortzetten als de
blinden, dien zij huisvesting en voedsel willen ver-
schaffen ! Millioenen dollars voor Christus! waar er
nu slechts honderden voor Christus zijn! De spoor-
wegen in het bezit gekomen van Christelijke aan-
deelhouders, en bestuurd door Christelijke directiën,
en tegen Christelijke prijzen de passagiers en de
goederen vervoerend. De George Peabody\'s en an-
dere koninklijk milddadige weldoeners der mensch-
heid geen hooge uitzonderingen en zeldzaamheden
meer! De Engelsche Bank, de Fransche Beurs, de
schatkist der Vereenigde Staten, al de finantieele
inrichtingen der wereld voor Christus! Het Goud
voor Christus!
Het goud bekostigde niet alleen den tocht van
Jozef en Maria en den Goddelijken vluchteling naar
Egypte, maar het was ook een typisch zinnebeeld van
het feit, dat Christus\' tocht rondom de geheele we-
reld betaald zal worden. Het goud voor Christus,
het zilver voor Christus,de juweelen voor Christus.
De goudmijnen van Australië, de zilvergroeven van
Nevada, en de diamantvelden van Golconda voor
Christus! Het schitterende, ronde, prachtige ju-
weel eener wereld, als een halssieraad geplaatst op
den boezem van Christus!
Maar ik bemerk, dat deze wijze mannen uit hunne
zakken ook de mirre schudden. De beesten kwamen
en snuffelden er aan. Doch zij aten er niet van,
-ocr page 760-
752
omdat het bitter was. De scherpe gomhars uit Abes-
synië, mirre geheeten, aan de voeten van Christus
gebracht. Dat beteekent bitterheid. Bitter verraad,
bittere vervolging, bittere dagen van lijden, bittere
nachten van zielesmart. Mirre. Dat is het, wat
zij in Zijn beker mengden, toen Hij stervende aan
den kruispaal hing. Mirre. Dat is het, wat zij
onder Zijn hoofd legden in de wildernis. Mirre.
Dat. is het, waarmede zij Zijn pad bestrooiden, over
den geheelen weg, van den veestal in Bethlehem
tot het praalgraf op Jozefs buitenplaats. Mirre. Ja,
zegt de Psalmist: „Al Uwe klcederen zijn mirre."
Dat is het, wat de wijze mannen in de zwachtels
en windselen van den jonggeborene wikkelden. Dat
is het, wat de Maria\'s vlochten in de lijkwa van
den gekruisigden Christus. De mirre. O, de hoog-
te, de diepte, de lengte, de breedte van des Za-
ligmakers lijden! Wél mochten de wijzen van het
Oosten hunne mirre uitstorten!
Maar ik bemerk óók, dat zij uit een anderen zak
den tvierook stortten. Tot in de hoogste zolder-
balken van den stal wordt de lucht nu vervuld met
welriekende geuren, en de stalknechts en de ka-
meeldrijvers in de achterste hoeken van het
gebouw ademen ze in, en de heerlijke reuk
zweeft in de lucht al verder en verder voort,
totdat de voorbijgangers elkaar met verbazing af-
vragen , of er in dien geringen stal wellicht een
albasten flesch met reukwerk kan gevallen en
gebroken zijn. Wierook. Dat is het, wat men oud-
tijds in de reukvaten der tempels brandde. Wie-
-ocr page 761-
753
rook. Dat beteekent aanbidding. Wierook. Dat is
bestemd om al de woonhuizen te vervullen, en al
de kerken, en al de hoofdsteden, en al de natiën,
uit de diepte der druipsteengrot tot aan het zilver-
grijze koepeldak van den hemelhoogen dom. Wie-
rook. Dat storten wij op den huidigen dag uit onze
harten, zoodat de neusgaten van den Christus, een-
maal gepurperd door de bloedvloeiing aan het kruis,
vervuld zullen worden met de welriekende geu-
ren eener aanbiddende wereld. Wierook in onze
liederen, onze gebeden, onze predikatiën, onze
dankzeggingen, onze feestvieringen. Looft Hem,
bergen en heuvelen, valleien en zeeën, en luchten
aarde en hemel! — cyclonen met uwe bazuinen,
noorderlichten met uwe vlammende schilden, mor-
genstonden met uwe kasteelen van wolken, en avon-
den met uwe golvende wolken van den zonsonder-
gang! Looft Hem!
Weet gij, hoe men oudtijds het wierookvat placht
vast te houden, en waar het van gemaakt was?
Hier is een metalen pan met een handvatsel, waarbij
zij werd vastgehouden. Binnen in die metalen pan
werden gloeiende kolen gelegd, en daar bovenop
een van gaatjes voorzien deksel. In een vierkante
doos werd de wierook naar den tempel gebracht.
Deze wierook werd dan uit de doos genomen en
over de gloeiende kolen gestrooid, en daarna werd
het van gaatjes voorziene deksel er op gelegd: en
wanneer alle aanwezigen gereed waren voor de
aanbidding, dan werd het deksel afgenomen van dit
wierookvat en van al de wierookvaten, en stegen
-ocr page 762-
754
de welriekende rookwolken omhoog, totdat zij over-
al tusschen de plooien der gordijnen en gewaden
hingen, en neerzweefden tusschen al de altaren,
en dan weer oprezen als in reusachtige zuilen van
lof en dankzegging tot buiten en tot boven den
tempel, regelrecht opstijgend naar den troon van
God.
En zoo hebben wij dezen dag twee vaten met
Kerstmis-wierook. Hier is het eene vat met aardschen
wierook. Daarop leggen wij onzen dank voor al de
genadeblijken van het bijna afgeloopen jaar, voor
de genadeblijken van heel ons vorig leven, voor
persoonlijke goedertierenheden, voor huiselijke goe-
dertierenheden, voor maatschappelijke goedertie-
renheden, voor nationale goedertierenheden, — en
onze harten, brandende van dankbaarheid, zenden
den geurigen rook van onzen lol omhoog naar den
troon van Christus. Brengt nog méér wierook aan,
en laat de wolken van onzen lof al hooger en hoo-
ger stijgen! Laten zij zich kronkelen rondom al deze
pilaren, en rondzweven tusschen al deze bogen,
en dan zich verheffen naar den Troon!
En hier is het hemelsche wierookvat van dank-
zegging en aanbidding. Laat ieder al zijn wierook
brengen: dat de Cherubijnen den hunne brengen,
en de serafijnen den hunne, en de honderdvieren-
veertig duizend den hunne, en alle eeuwigheden
den hunne, en laat hen reukwerk branden in dit
hemelsche wierookvat, totdat de wolken den troon
Gods omhullen ! Dan neem ik deze twee vaten —
het vat met den aardschen wierook en het vat met den
-ocr page 763-
755
hemelschen wierook , — en ik zwaai ze voor den
Troon, en daarna sla ik ze tegen elkaar in één
groot Hallelujah ter eere van Hem, tot Wien
de wijzen van het Oosten het goud, en de mirre,
en den wierook brachten. GELOOFD ZIJ ZIJN
HEERLIJKE NAAM VAN EEUWIGHEID TOT
EEUWIGHEID! - Amen.
-ocr page 764-
-ocr page 765-
XLVIII.
DER JAREN LOOP.
Een Nieuwjaars-preek.
Merk op do jaren van elk geslacht!
Dki rniioxoMHM XXXII : 7.
Om twaalf uur in den afgeloopen nacht, terwijl
zoovele eerzame lieden nog wakker waren, heeft een
oud vriend ons huis verlaten, en is er een vreemde
binnengetreden. De oude vriend, die ons zijn af-
scheidsgroet toeriep, was 1896; de vreemdeling, die
pas aankwam, is 1897. *) De oude vriend kon druk
meepraten over de gebeurtenissen van vele dagen;
maar de vreemde hield zijn vinger voor den mond
en zeide niets, en scheen beladen met tal van ge-
heimen en mysteriën. Vaarwel, 1896! Welkom, 1897!
Evenals een legercorps verdeeld is in brigades en
regimenten en compagnieën, en allen die volgorde bij
hun marsch in acht nemen, en hun tred iets majes-
tueus heeft, zoo is ook de tijd van het bestaan der
wereld verdeeld in een onder goddelijk bevel staand
leger: de groote historische tijdperken zijn de bri-
gades, de eeuwen zijn de regimenten, en de jaren
\') Deze leerrede werd vier jaar geleden uitgesproken; de oorspronkelijke
jaartallen zijn dus 1892 en 18\'J3.
                                                      Veht.
-ocr page 766-
75Ö
zijn de compagnieën. Voorwaarts! in de eeuwig-
heid van het verleden, uit de eeuwigheid der toe-
komst! Voorwaarts! luidt het commando, en niets
kan hen staande houden, ook al zou de wereld
sterven. Aan de hand van mijn tekstwoord: „Merk
op de jaren van elk geslacht!\'1\'1
stel ik mij voor, in
deze ure tot u te spreken over „de Chronologie
of Tijdrekenkunde des bijbels, of God te midden
der Eeuwen."
Wij maken een onderscheid tusschen tijd en eeu-
wigheid; maar de tijd is slechts een brokstuk van
de eeuwigheid, en de chronologie heeft dienst ge-
daan bij het hoogverheven werk om dat fragment
der eeuwigheid, dat wij tijd noemen, te splitsen in
atdeelingen, en de gebeurtenissen in hunne juiste
afdeeling te plaatsen. Het is een even groote on-
rechtvaardigheid jegens het verledene, de gebeurte-
nissen in verkeerde volgorde te rangschikken, als
het een onrechtvaardigheid zou zijn, indien er, met
verwaarloozing van de chronologische juistheid, in
een ver verwijderde toekomst gezegd werd, dat Ame-
rika in het jaar 1776 ontdekt is geworden, en dat de
officieele verklaring van Amerika\'s onafhankelijkheid
in het jaar 1492 onderteekend werd (inplaats van
het omgekeerde), of dat Luther zijne twee-en negen-
tig stellingen aanplakte in het jaar 1870, en dat
de Fransch-Duitsche oorlog verklaard werd in het
jaar 1517. Terwijl God al de tijdsgebeurtenissen
op de juiste plaats zet, behooren wij zorgvuldig toe
te zien, dat wij ze niet op de verkeerde plaats zetten.
De Chronologie of Tijdrekenkunde des Bijbels doet
-ocr page 767-
759
zes stappen, maar die stappen zijn zóó groot ert
zóó lang, dat wij onzen adem inhouden terwijl wij de
beweging gadeslaan. Van Adam tot Abraham; van
Abraham tot den Exodus of uittocht uit Egypte;
van den Exodus tot de stichting van SalomoJs Tem-
pel ; van de stichting van Salomo\'s Tempel tot
de verwoesting van dien Tempel; van de ver-
woesting van dien Tempel tot den terugkeer uit
de Babylonische gevangenschap; en van de Baby-
lonische gevangenschap tot de geboorte van Chris-
tus. De Chronologie neemt pen en potlood, en na
de sterrenkunde en de geschiedkunde te hulp te
hebben geroepen, zegt zij: „Laat ons één gebeurte-
nis vaststellen, om vandaar uit alles te berekenen!
Laat het een Ster zijn: de Ster van Bethlehem, de
Kerstster." En vandaar gaan wij dan terug en leeren
wijl dat de wereld, overeenkomstig de chronologie
van den Aartsbisschop Ussher, 4004 jaren vóór
Christus geschapen werd; dat de zondvloed 2348
jaren vóór Christus gekomen is; dat de uittocht uit
Egypte 1491 jaren vóór de geboorte van Christus
plaats had; en dat Salomo\'s tempel verwoest werd
in het jaar 586 vóór Christus. De chronologie slaat
het eerste hoofdstuk van Genesis op, en zegt ons,
dat de daar vermelde „dag" geen dag is van vier-
entwintig uren, maar van eeuwen : het woord dat
daar met „dag" vertaald is, beteekent op andere
plaatsen „eeuwen", en zoo stemmen dus de mede-
deelingen van den Bijbel omtrent de Schepping en
de mededeelingen der geologen omtrent de Schep-
ping volmaakt overeen. De chronologie slaat het
-ocr page 768-
760
boek Daniël op, en zegt dat de woorden „tijdenen
een gedeelte eens tijds" anderhalf jaar beteekenen.
De chronologie slaat eene andere bladzijde op, en
toont ons aan, dat er toen slechts twee jaargetijden
bestonden: zomer en winter. Wij vinden dat het
Bijbeljaar uit 360 dagen bestond, inplaats van 365;
dat de dag berekend werd van zes uur in den och-
tend tot zes uur in den avond; dat de nacht ver-
deeld werd in vier „waken", namelijk: de late wake, de
middernacht, het hanengekraai, en de vroege wake.
De klok en het horloge werden zóó lang na het
begin der wereld uitgevonden, dat de dag in den
Bijbeltijd niet zeer scherp verdeeld was. Ahazia
had een zonnewijzer, of een hooge trap met een
zuil op de bovenste trede; en de schaduw, door
die zuil op de lagere en laagste treden geworpen,
wees het uur van den dag aan, doordien de schaduw
van trede tot trede langer of korter werd. Maar
de gebeurtenissen des levens en de gebeurtenissen
der wereld bewogen zich meerendeels zóó langzaam
in den Bijbeltijd, dat men toen nog geen behoefte
had aan zulke uurwerken, als wij thans op onze
schoorsteenmantels plaatsen, of in onzen vestzak
dragen, in een tijd als deze, nu iemand een half of
een heel dozijn afspraken maakt voor één enkelen
dag, en dus op de minuut af den voor iedere af-
spraak bestemden tijd moet weten. De aarde zelve
was in den Bijbelschen tijd het voornaamste uur-
werk: zij draaide éénmaal om hare as, en dat was
een dag, en éénmaal om de zon, en dat was een
jaar. Niet vóór de veertiende eeuw werd de alma-
-ocr page 769-
761
nak geboren, de almanak, dien wij thans achteloos
laten rondslingeren, zonder te bedenken dat het op-
eengehoopte vernuft van meer dan vijfduizend jaren
vereischt werd om er een te maken. De chrono-
logie moest de monumenten van Egypte in haren
dienst nemen, en de boekrollen van Assyrië, en
de steenen van Babylon , en het vaatwerk van Ninevé,
en de in Antiochiö geslagen medailles voor den slag
van Actium, en al de hiëroglyphen die ontcijferd
konden worden, en zag zich belast met de uiterst
moeilijke taak om inlichtingen te vragen aan de eeu-
wen van Adam, en van Seth, en van Enoch, en
van Methusalem, die, met hunne driehonderd jaren
achter den rug, er toch nog gaarne jong wilden
uitzien.
Ik geloof dat het uit erkentelijkheid is voor het
ontzaglijke werk der vervaardiging van den almanak,
dat al de dagen der week naar de goden genoemd
zijn. De Zondag naar de Zon, die van oudsher
als een godheid werd aangebeden. De Maandag
naar de Maan, die óók als godin werd vereerd. De
Dinsdag naar Tuesco, den god des oorlogs. De
Woensdag naar Wodan, de voornaamste godheid
der Scandinaviërs. De Donderdag naar Thor, den
god des donders. De Vrijdag naar Frya, de godin
van het huwelijk. En de Zaterdag naar Saturnus.
Het oude Bijbeljaar begint met den 25Sten Maart.
Eerst met 1572 kreeg de iste Januari de eer, in de
Engelsche wetten en Staatsstukken de eerste dag
des jaars genoemd te worden. Gaandeweg en lang-
zamerhand zijn er allerlei verbeteringen in de chro-
-ocr page 770-
762
nologie aangebracht, totdat nu de kalender en de
almanak en de klok en het horloge den trap der
volmaaktheid bereikt schijnen te hebben, en al de
natiën des Christendoms gelijkheid van tijdrekening
bezitten, en allen den zoogenaamden „Nieuwen Stijl"
hebben aangenomen, behalve Rusland, dat nog al-
tijd den zoogenaamden „Ouden stijl" blijft behouden,
en daardoor steeds een verschil van twaalf dagen
heeft, zoodat, als gij uit een plaats buiten Rusland
schrijft en volkomen accuraat wilt zijn, gij uwen
brief dagteekent Januari 1 en Januari 12, of Decem-
ber 10 en December 22. Er is waarlijk alle reden
om er God voor te danken , dat er zulk eene vol-
maakte eenstemmigheid bestaat in het berekenen
van de tijdvakken, de eeuwen, de decenniën, de
jaren, de maanden, de weken, de dagen, deuren,
de minuten, en de seconden. Verbeeld u eens, dat
gij een afspraak moest maken, zooals in de Bijbel-
dagen, volgens den tijd der nieuwe maan! Verbeeld
u eens, dat ge, evenals in den Bijbeltijd, het uur
van den nacht moest bepalen volgens het kraaien
van een haan. Wij lezen toch: „Eer de haan ge-
kraaid zal hebben
, zult gij Mij driemaal verloo-
chenen!"
en elders: dat „de heer des huizes met het
hanengekraai komen zal"
want dat was toen de wijze
waarop de tijd na middernacht werd aangeduid.
Dat kraaien van dien koning der hoenderwereld is
altijd hoogst wispelturig, onzeker en onvertrouw-
baar geweest. Het kraaien heeft plaats bij de laag-
ste temperatuur van den nacht, en de hoeveelheid
dauw en de richting van den wind kunnen die laag-
-ocr page 771-
763
ste temperatuur doen voorkomen om elf uur in den
avond of om twee uur in den ochtend en op elk an-
der der zes uren. Kort vóór een nachtelijke regen-
bui blijft het kraaien der morgenwekkers bijna nooit
achterwege.
Vergelijk die wijzen van tijdsaanduiding met ónze
wijzen van tijdsaanduiding, nu twaalf uur is twaalf
uur, en zes uur is zes uur, en tien uur is tien uur,
alles totaal onafhankelijk van weer of wind, en
dank er God dan voor, dat gij thans leeft! Maar
niettegenstaande al de gebrekkige wijzen van aan-
duiding der uren of jaren of eeuwen, komt de chro-
nologie des Bijbels nooit verkeerd uit, faalt zij nooit,
is zij nooit met zichzelf in tegenspraak, — en hier is
wel een der beste argumenten voor de geloofwaar-
digheid der Heilige Schrift. Wanneer gij voor de
rechtbank een alibi kunt bewijzen, en gij het als
boven allen twijfel verheven kunt doen blijken, dat
gij op een bepaalde plaats waart op het oogenblik
dat gij, volgens de tegen u ingebrachte beschuldi-
ging, iets gedaan of gezegd zoudt hebben op een
geheel andere plaats, dan behaalt gij de overwin-
ning. En nu heeft het Ongeloof een alibi trachten
te bewijzen door hardnekkig vol te houden, dat
zekere gebeurtenissen en omstandigheden in den
Bijbel, voorgesteld als op bepaalde tijden voorge-
vallen, op een anderen tijd moeten hebben plaats
gehad, aangenomen dat zij werkelijk geschied zijn.
Maar de chronologie van dit Boek der boeken is
nog nooit op een fout betrapt geworden. Het is be-
wezen , dat — toen de Israëlieten naar Egypte
-ocr page 772-
764
trokken — zij slechts met hun zeventigen waren,
en dat zij, uit Egypteland terugkeerend, drie milli-
oen zielen telden. „Kijk nu eens aan," zegt het On-
geloof met een onbeschrijflijk minachtenden grijns-
lach, „welk een bespottelijke ongerijmdheid! Zij gin-
gen met hun zeventigen naar Eg3Tpte, en met drie
millioen kwamen zij er weer uit! Die leugen is zoo
klaar als de dag. Zóó vlug gaat het bij de vermeer-
dering der volkeren niet toe !" — Maar wat ik u bidden
mag, mijn sceptische vriend, wacht eens een oogen-
blikje ! De Bijbel zegt dat de Joden 430 jaren in Egyp-
te vertoefden, en dit verklaart de vermeerdering
van zeventig personen tot drie millioen, want dan
is het niet méér, maar eer minder dan c\'e gewone
toeneming eener bevolking. De Engelsche Pelgrimva-
ders gingen met de Mqyflower naar Amerika, één
kleine scheepslading passagiers, nog geen driehon-
derd jaar geleden , en thans hebben wij een volk van
zestig millioen. Wat blijft er dus nu over van die
zoogenaamde onmogelijkheid, dat de zeventig Joden,
die naar Egypte gingen en wier nakomelingen, er
430 jaren bleven wonen, tot een zielental van drie
millioen aanwiesen? Het Ongeloof krijgt ongelijk,
en de chronologie des Bijbels heeft gelijk!
Welaan, wacht nu even en denk er eens goed
over na, hoe het toch komt, dat een zoo verheven
onderwerp als de Bijbelsche chronologie zoozeer
verwaarloosd is geworden, en dat de meesten uwer
nog nooit een tiental minuten aan de bepeinzing er
van gewijd hebben, en dat dit de eerste preek is,
die ik ooit over zulk een ontzaglijk en indrukwek-
-ocr page 773-
765
kend onderwerp gehouden heb? Wij hebben wel
eens een halven dag of een geheelen dag naar een
groote revue staan kijken, en dan zagen wij leger-
korpsen voorbij trekken. Maar breng de groote
revues van al de volkeren bijeen, en zij zijn nietig
en onbeduidend in vergelijking van de revue, waar-
van wij op dezen Nieuwjaarsdag — gij uit uw bank of
gestoelte in dit kerkgebouw en ik van dezen kan-
sel — getuigen zijn IHoor ze in chronologische volg-
orde voorbij trekken: al de jaren vóór den zond-
vloed; al de jaren sedert den zondvloed; tientallen
jaren in \'t gelid; eeuwen naast elkaar; tijdvakken
naast elkaar; duizenden" bij duizenden jaren naast
elkaar; Egyptische beschaving; Babylonische bevol-
kingen ; Assyrische heerschappij; legerscharen uit
de Perzische, de Grieksche, de Peloponesische en
de Romeinsche oorlogen; het Byzantijnsche Rijk;
de heirscharen der Saracenen; de Ridders van den
Eersten, den Tweeden, den Derden Kruistocht,
en ten laatste .... een stortvloed van menschen-
kinderen; de duistere Middeneeuwen met zwarte
epauletten, en de lichtere Eeuwen der beschaving
met schilden van zilver en helmen van goud; Italië,
Spanje, Frankrijk, Rusland, Duitschland, Enge-
land, en Amerika, het heden en het verleden; dy-
nastiën, leenregeeringen , despotismen , monarchiën,
republieken, eeuwen aan eeuwen, eeuwen aan
eeuwen, op den huidigen dag langs ons henentrek-
kend in een chronologische revue, totdat men geen
kracht meer heeft om de oogen gevestigd te hou-
den op de voorttrekkende colonnes, nu eens schit-
-ocr page 774-
766
terend, dan weer walgelijk, nu eens getooid met
vrede, dan weer purperrood door het bloed der
slagvelden, nu eens afgrijselijk als een spookver-
schijning, dan weer stralend van liefde en blijdschap !
Deze chronologische studie wekt, onder vele an-
dere practische gedachten , er voornamelijk twee bij
ons op: de eene in de hoogste mate bemoedigend,
en de andere huiveringwekkend. De bemoedigende
gedachte is deze: dat de voornaamste aandrift der
eeuwen een streven naar verbetering is geweest,
met slechts nu en dan een terugval in het kwade.
De Grieksche beschaving was een reusachtige ver-
betering van de Egyptische beschaving, en de Ro-
meinsche beschaving een reusachtige verbetering
van de Grieksche beschaving; en de Christelijke
beschaving is een reusachtige verbetering van de
Romeinsche beschaving. Wat was de hooggeroem-
de eeuw van Pericles, vergeleken met de eeuw van
Longfellow en Tennyson? Wat was koningin Eli-
sabeth van Engeland als type van vrouwelijke mo-
raliteit, vergeleken met koningin Victoria? Wat
waren de wreedaardige krijgslieden van den ouden
tijd, vergeleken met de uitnemendste krijgslieden
uit de laatste helft dezer eeuw, die zich allen even-
zeer onderscheiden door minzaamheid en goede ze-
den als door heldenmoed; en waren de beide mili-
taire leiders van den Amerikaanschen Burgeroorlog,
aan de zijde der Noordelijken en aan de zijde der
Zuidelijken, geen besliste aanhangers der Christe-
lijke Kerk, en was hun huiselijk leven niet even
rein als hun openbaar leven? Niets maakt bij deze
-ocr page 775-
767
chronologische revue zulk een diepen indruk op mij
als het feit, dat de regimenten jaren al beter wor-
den naar gelang de troepen voortrukken. Ik dank
God, dat gij en ik niet vroeger geboren werden,
dan wij geboren zijn. Hoe zouden wij bestand ge-
weest zijn tegen het ongeluk van geboren te wor-
den in de achttiende of de zeventiende of de zestiende
eeuw? Ik ben er blijde om, dat wij ons bij het regi-
ment bevinden, dat nü de revue passeert, en dat
onze kinderen met een nèg beter regiment de revue
zullen passeeren. God heeft deze wereld niet ge-
bouwd om er een slachthuis of een schandhol van
te maken! Er zal nog heel wat schoonmaak noodig
zijn, alvorens deze wereld er zoo rein en helder
uitziet, als zij behoort te wezen; maar de bezems
en de boenders en de behangers en de zinkwerkers
zijn reeds druk in de weer; en wanneer de wereld
eenmaal geheel gereed en opgeleverd is, en Adam
en Eva haar dan nog eens bezoeken, wat ik stellig
verwacht, dan zullen zij tot elkander zeggen: „Zie
eens, nu is het hier nog mooier dan in het Para-
dijs, toen wij daar woonden!" Sedert ik in mijn eigen
gemoed ten volle overtuigd werd van het feit, dat
God sterker is dan de duivel, heb ik nooit opge-
houden te gelooven, dat onze planeet nog eens in
een Paradijs zal worden herschapen. Met uitzonde-
ring van een achteruitgang in de Middeneeuwen, is
de beweging der wereld steeds vooruitgaande en
omhoog gaande geweest; en daarom hef ik juichend
twee hosanna\'s aan: een voor het oude jaar, en de
andere voor het nieuwe jaar!
-ocr page 776-
768
Maar de tweede gedachte, die bij de beschouwing
van dit onderwerp opwelt, is deze: dat de Bijbel-
sche chronologie, en eigenlijk alle chronologie, de
wereld aanspoort tot grooter stiptheid en voortva-
rendheid. Hoe lastig en onzeker moet het voor een
paar kooplieden ten tijde van Ahazia geweest zijn,
een afspraak te maken in dezer voege: „Wij zullen
morgen die handelszaak wel samen in orde maken,
wanneer de schaduw op den zonnewijzer van Ahazia
den tienden trap van bovenaf gerekend bereikt
heeft/\' of „ik zal u wachten in de straat genaamd
de rechte, te Damascus, in den tijd der nieuwe
maan," of die, wanneer hun bij een rechtszaak ge-
vraagd werd , omstreeks welken tijd een gebeurtenis
had plaats gegrepen, ten antwoord moesten geven:
„het was gedurende den jongsten regentijd/\'of „het
was omstreeks het derde hanengekraai!" Gij en ik
herinneren ons nog wel, hoe bedienaren des Evan-
gelies ten plattelande, als zij een aanstaanden avond-
dienst bekend maakten, niet spraken van: om zes,
of om zeven, of om acht uur, maar in plaats daar-
van zeiden: „De dienst zal beginnen zoodra de
lantaarns worden opgestoken." Gode zij dank voor
de chronologische meesterstukken, die wij thans be-
zitten in den vorm van kalenders en almanakken en
klokken en horloges, en tegen zóó lagen prijs, dat
zij binnen ieders bereik vallen! De chronologie, begin-
nende met het op prijs stellen van de waarde der jaren
en de waarde der dagen, is in die richting voort blijven
gaan, totdat zij nu uitroept: „Onsterflijke man! On-
sterflijke vrouw! Geef acht op die minuut, geef acht
-ocr page 777-
769
op die seconde!" Wij hebben den mond vol over
de waarde van den tijd; maar wij zullen zijne waarde
eerst dan volkomen op den rechten prijs stellen,
wanneer het laatste gedeelte er van voor altijd aan
ons bezit is ontsnapt. De grootste zwendelarij, die
iemand kan plegen, is een ander zijn tijd te ont-
stelen. Hoort het, gij dagdieven! en bekeert u. Al
de vingers der chronologie wijzen stiptheid als een
der grootste deugden aan. Hij had geen juist be-
grip omtrent de waarde van den tijd, die bedienaar
des Evangelies, die gedurende een tijdperk van
ziekte, inplaats van zijn tijd te besteden met nuttige
dingen te lezen of te schrijven, een ziekelijk-gods-
dienstig romannetje opstelde, dat langs een tot nog
toe onbekend gebleven weg in het bezit kwam van
den beruchten Joe Smith, die het boek deed door-
gaan voor eene goddelijke openbaring, zoodat het
den grondslag legde van het Mormonendom, de
beestachtigste afschuwelijkheid van alle eeuwen. De-
zulken hebben het beste begrip omtrent de waarde
van den tijd, die hunne Zondagen verspild en ver-
zondigd hebben, wier gelegenheden tot berouw en
bekeering en nuttige werkzaamheid onherroepelijk
voorbij zijn, en wien niets anders is overgebleven
dan hartverscheurende en rampzalige herinneringen.
Zij staan in den guren Novemberwind, blootshoofds
en barrevoets, op de scherpe stoppels van een afge-
maaid korenveld, uitroepende: „De oogst is voorbij!"
Maar laat ons van de chronologie niet den indruk
krijgen, dat — aangezien de jaren des tijds nu reeds
zoo lang als in een optocht zijn voorbij getrokken —
-ocr page 778-
ffd
zij ten eeuwigen dage zoo zullen voort blijven gaan.
De stof is niet eeuwig. Neen! Neen! Indien gij een
halven dag, of een geheelen dag, of twee dagen lang,
zooals ik eens gedaan heb, naar het voorbij trekken
van een militairen stoet kijkt, herinnert gij u nog
wel, dat de laatste brigade en het laatste regiment
en de laatste compagnie eindelijk voorbij waren; en
toen wij opstonden om heen te gaan, zeiden wij
tot elkander: „Nu is alles voorbij!" En zoo zal er
ook aan dezen reusachtigen optocht van aardsche
jaren eenmaal een einde komen. Het juiste tijdstip
waarop dit einde komen zal, ben ik niet in staat te
voorspellen; maar de wetenschap bevestigt de Bij-
belsche profetie, dat de aarde niet altoos duren kan.
Eigenlijk heeft er steeds een noodlot op de werel-
den gedrukt. De maan is nog slechts het lijk van
wat zij vroeger geweest is, en de mannen der we-
tenschap hebben keer op keer hunne observatoriums
beklommen, om daar aan het doodsbed van ster-
vende werelden te staan, waarna zij ze tot asch
hebben zien verbranden. En zoo ben ik er ook ver-
zekerd van, beiden op grond van het Woord Gods
en van de wetenschap, dat de chronologie dezer we-
reld vroeger of later aan haar laatste hoofdstuk zal
komen. De slot-eeuw zal aanbreken en verloopen,
en dan zal het laatste decennium komen, en daarna
het laatste jaar, en de laatste maand, en de laatste
dag. De laatste lente zal de wierookvaten harer
apppelbloesems zwaaien, en de laatste winter zijne
sneeuwbergen opstapelen. De laatste zonsondergang
zal gloeien en vlammen als de brand van Moscou,
-ocr page 779-
1P
en de laatste ochtendstond zal met zijn purperen
glans de heuvelen bestralen. De klokken zullen hun
laatste uur slaan, — en de horloges zullen hunne
laatste seconde tikken.
Geen brandstichters zullen er noodig zijn, die
her- en derwaarts loopen met fakkels in de hand,
om de wereld in vlam te zetten. De scheikunde
leert ons, dat er in het water een zeer licht brand-
baar element aanwezig is. Terwijl zuurstofgas een
gedeelte van het water uitmaakt, bestaat het andere
gedeelte van het water uit waterstofgas, en dit is
zeer licht ontvlambaar. Zoodra het zuurstofgas een-
maal aan het water onttrokken is, kan het ontbrand-
bare waterstofgas de Hudsons en de Orinoco\'s en de
Mississipi\'s en de Rijnen en de Oerals en de Donau\'s,
de Atlantische en de Indische en de Middellandsche
en de Groote Stille Zuidzee in vlammen doen op-
gaan. En dan zou de Engel des Heeren, nederda-
lende van den Troon, een zijner voeten kunnen
zetten in de branding der zee, en den anderen voet
op het strand, en tot de vier winden des hemels
roepen: „De tijd is voorbij ! En de tijd zal niet we-
derkomen !" En toch — als wij in Christus gevon-
den worden, als wij door Hem vergeving hebben
ontvangen en door Hem geheiligd zijn, zullen wij
dien dag met méér blijdschap verwelkomen, dan
waarmede gij ooit een Kerstdag of een Nieuwjaars-
morgen begroet hebt! — Amen.
-ocr page 780-
-ocr page 781-
XLIX.
IN DEN SNEEUWTIJD.
Ook ging hij af, en versloeg reu
leeuw in liet midden des kuils.iudeu
sneemvtijd.
1 Kkonvkk.n XI : ili.
Hebt gij wel ooit van hem gehoord? Hij heette
Benaja. Hij was een man van sterke spieren en
van groot lichaamsgewicht. Zijn vader was een
held, en hij erfde heldenmoed. Hij had een athletische
gestalte en er was ijzer in zijn bloed, en het sterkste
been in zijn lichaam was zijn ruggegraat. Ook nog
door andere wonderdaden, behalve die uitmijn tekst,
is hij bekend geworden. Een Egyptisch man, een
man van groote lengte, van vijf ellen, liep bluffend
en snoevend rond, al zwaaiende met een dikke,
lange spies, roekeloos in \'t wilde wondend en
moordend; en Benaja uit mijn tekst, met niets anders
dan een wandelstok gewapend, trad op hem toe,
rukte de spies uit des Egyptenaars hand, en maakte
met één steek van de scherpe punt een einde aan
al die brullende snorkerij. Maar Benaja uit mijn
tekst staat gereed om iets te doen, dat zelfs deze
heldendaad in de schaduw zal stellen. Er heerscht
-ocr page 782-
774
angst en spanning in den geheelen omtrek, \'s Nachts
worden er lammeren weggesleurd, en als de kin-
deren zich slechts een klein eindweegs buiten het
ouderlijk huis wagen, vindt men ze hier of daar
dood en verscheurd terug. De oorzaak daarvan was,
dat het land onveilig werd gemaakt door leeuwen;
en slechts weinige menschen durfden tegen een dezer
schrikwekkende beesten op te trekken, en nog veel
minder hen aan te vallen. Maar dank zij de leiding
van Gods voorzienig bestuur, zag men op zekeren
ochtend, dat er voetsporen van een leeuw in de
sneeuw waren achtergebleven. Het beest was uit-
gegaan tot het volbrengen van zijn bloeddorstigen
en verslindenden tocht in de duisternis; maar ein-
delijk bemerkte men aan den indruk der vier klau-
wen in de witte oppervlakte van den grond, langs
welken weg het wilde dier gekomen was, en langs
welken weg het weer was verdwenen. Een gevaar-
lijke onderneming: maar Benaja, de held van onzen
tekst, rust zich toe met de wapenen, welke in dien
ouden tijd gebezigd werden. Zonder twijfel reken-
de hij op de scherpe stalen punt voor zijne eigene
verdediging en voor het dooden van den leeuw,
terwijl hij het spoor door de sneeuw volgde. Mis-
schien is het een spies geweest, misschien was het
slechts een mes; maar wat Benaja ten opzichte
zijner wapenen te kort schiet, zal hij ruimschoots
vergoeden door de kracht van zijn arm en de vaar-
digheid bij het toebrengen van den beslissenden
stoot. Doch waar is de leeuw? Wij moeten zijn
spoor in de sneeuw niet uit het oog verliezen. Het
-ocr page 783-
775
land heeft tal van regenbakken , of putten , voor het
opvangen van het regenwater, want in sommige tijd-
perken van het jaar valt er zeer weinig regen, en
daarom worden die regenbakken, of reservoirs, hier
en daar en ginds gegraven. De leeuwen bezitten
een instinct, dat hen schijnt te waarschuwen wan-
neer zij vervolgd worden; en het geduchte monster,
waarvan ik nu spreek, verschuilt zich in een dier
regenbakken, waarin toevallig geen water stond,
en ligt daar nu te hijgen na den langen, razenden
loop.
Benaja is voortdurend op zijne hoede, en sluipt
omzichtig voorwaarts naar de schuilplaats van deze
verschrikking der velden. Zoodra hij bij den rand
van den kuil is gekomen, kijkt hij in de diepte naar
den leeuw, en de leeuw kijkt omhoog naar hem.
Welk een seconde moet dat geweest zijn, toen
hunne oogen elkaar ontmoetten! Maar terwijl een
hedendaagsche Stanley, of Samuel Baker, ofDavid
Livingstone, of Emin Pacha slechts even het ge-
weer aan den schouder zou hebben gelegd, en het
oog tegen het vizier gehouden, en een schot gelost
in de diepte, en daarmede het wilde dier afgemaakt
zou hebben, — kan Benaja, die slechts over een
ouderwetsch wapen beschikt, niets doen of onder-
nemen vóór en aleer hij op gelijke hoogte met het
beest staat. En daarom springt hij in den kuil; en de
leeuw, wiens tanden glinsteren van woede, en wiens
klauw reeds is opgeheven om het laatste spoor van
leven uit dit menschelijk lichaam weg te scheuren,
vliegt op den man aan, terwijl Benaja op het dier
-ocr page 784-
776
aanvliegt. Maar de snelle stoot der stalen punt
flikkert telkens en telkens en telkens weer, totdat
de sneeuw niet langer wit is en de rechtervoet
van den zegevierenden Benaja halverwege bedekt
wordt door de rosse manen dezer doode verschrik-
king van Palestina.
Nu ziet gij, hoe indrukwekkend en tragisch ont-
zaglijk de woorden van mijn tekst zijn: „Hij ging
af, en versloeg een leeuw in het midden des kuils,
in den sneeuwtijd."
Waarom staat dat tot tweemaal
toe in den Bijbel: eens in het boek Samuel, en
hier in het boek der Kronyken ? ü , er schuilen zoo-
vele practische lessen in voor u en voor mij!
Welk een heerlijke bemoediging ligt er in dit on-
derwerp voor allen in uw midden, die in botsing
zijn gekomen met hun vijandige omstandigheden! Drie
dingen had de Benaja van mijn tekst tegen zich op
het oogenblik van den strijd: de sneeuw die zijne
bewegingen belemmerde, de kuil die hem binnen
een beperkte ruimte opsloot, en de leeuw met
wijdgeopenden muil en opgeheven klauw. En tóch
hoor ik den triomfkreet van Benaja\'s overwinning.
O mannen en vrouwen met drie zorgen! „Met één
zou ik het wel kunnen uithouden /\' zegt gij; „en
ik geloof ook wel, dat ik er aan twee het hoofd
zou kunnen bieden; maar van de drie is er min-
stens één te veel!"
Hier is een man met achteruitgang in zijne zaken,
en met ziekten in zijn gezin, en met den ouden dag
voor de deur. Drieërlei ellende: een leeuw, een
kuil, en een sneeuwveld. Daar is een brave vrouw
-ocr page 785-
777
met eene wankelende gezondheid, met een losban-
digen echtgenoot, en met een onhandelbaren jongen :
drieërlei ellende! Ginds is een jonkman: zijn inko-
men verminderd, een leelijke hoest, een donkere
toekomst, — drieërlei ellende! Daar is een meisje
met moeilijke schoollessen, die zij niet in \'t hoofd
kan krijgen, met een gezichtje dat lang zoo aan-
trekkelijk niet is als van sommigen harer schoolka-
meraadjes, en met het vooruitzicht dat zij, tenge-
volge van den slechten tijd, de school zal moeten
verlaten voordat zij haar einddiploma heeft kunnen
halen: drieërlei ellende! Daar is een schrijver: zijn
manuscript afgewezen en teruggezonden, zijne ver-
beeldingskracht afnemend, een stijfheid in den wijs-
vinger en den duim die met verlamming dreigt, —
drieërlei ellende! Daar is een reporter, een man
van ontwikkeling en fijnen smaak: hij wordt als
verslaggever uitgezonden naar een bokspartij in-
plaats van naar een oratorium, de door hem inge-
leverde copy wordt terzijde gelegd omdat het blad
vol is, thuis moet hij van zijn kleine inkomen nog
eene oude moeder onderhouden, — drieërlei ellende!
Welk een plaats zouden zij beslaan, indien ik ze
allen hier voor mij kon doen verschijnen: vijfhon-
derd menschen met drieërlei ellende. Dit is de ge-
legenheid om als held of heldin op te treden, niet
op een klein tooneel, met een paar honderd men-
schen om goedkeurend in de handen te klappen,
maar met al de galerijen des hemels vol deelne-
mende en juichende toeschouwers, want wij zijn
„omringd door een groote wolk van getuigen." Mijn
-ocr page 786-
778
broeder, mijne zuster, mijn vader, mijne moeder,
welk een kans hebt gij! Al bevindt gij u ook in
het heetst van den strijd, indien gij slechts door de
genade van Christus moogt luisteren, klinkt er eene
stem uit den hemel, die u toeroept: „Mijne genade
is n genoeg
7" „IVicn de Heer liefheeft, kastijdt Hij7"
„Gij zult meer dan ovcnvinnaars zijn!\'\' En dit her-
innert mij aan een brief op mijn schrijftafel, ge-
schreven door iemand, van wien ik veronderstel
dat hij hier op dit oogenblik wel aanwezig zal zijn ,
en waarin hij zegt: „Waarde Dr. Talmage! Gij zult
het schrijver dezes niet ten kwade duiden, hoop
ik, als hij u komt verzoeken, of gij den een of
anderen keer, wanneer gij er u toe gestemd voelt,
zoo vriendelijk zoudt willen zijn om eens te predi-
ken over den dertigsten Psalm , het vijfde vers: „Des
avonds vernacht er geween
, maar des morgens is er
gejuich,"
waarmede gij grootelijks zult verplichten
een koopman uit de buitenstad." En daarom roep
ik allen kooplieden uit de buitenstad en allen koop-
lieden uit de binnenstad toe: Als gij goederen in
voorraad hebt, die gij niet kunt verkoopen, en
schuldenaars die niet willen of kunnen betalen, en
als gij bovendien lijdt onder de onzekerheid of de han-
delstarieven verhoogd of verlaagd of niet veranderd
zullen worden, dan hebt gij drieërlei ellende, en
dus genoeg om u binnen het bereik der vertroos-
tingen van mijn tekst te brengen, waar gij den triomf
van Benaja aanschouwt over een leeuw en een kuil
en een sneeuwlaag. Als gij slechts ééne ellende
hebt, kan ik vandaag geen tijd voor u missen. Gij
-ocr page 787-
779
moet er ten minste drie hebben, — en herinner u
dan, hoevelen er getriomfeerd hebben over zulk
een klaverblad van rampen en tegenspoeden. Pau-
lus had drieërlei zorgen: het Sanhedrin klaagde
hem aan, — dat was één groote zorg; lichamelijk
lijden, dat hij „een doorn in het vleesch" noemde,
en ofschoon wij niet weten van welken aard die
doorn was, weten wij toch uit de door hem gebe-
zigde beeldspraak, dat het iets vlijmends voor hem
geweest moet zijn, — dat was dus de tweede zorg;
het vooruitzicht op den marteldood, — dat maakte
het drietal zorgen volledig. En toch, hoor wat hij
zegt: „Als ik slechts één ongeluk had, kon ik het
wel uithouden; maar drie zijn twee te veel!" O
neen — ik vergis mij! Hij zegt: „Als droevig c/jnde,
doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende;
als niets hebbende, en nochtans alles bezittende." „Godc
o/j dank, die ons de overwinning gegeven heeft door
onzen He er e Jezus Christus F\'
Merk voorts op, dat er in mijn tekst een zege-
praal over slecht weer
is. Het was een dag met
donkere lucht en sneeuwbuien, waarop iemands
geestkracht op het laagste peil staat, en zijne stem-
ming uit den aard der zaak gedrukt is, en men weinig
of geen lust gevoelt om een groote onderneming
aan te pakken. Maar Benaja vouwt zijne handen in
elkaar, om ze door eene buitengewoon krachtige
wrijving eens goed te verwarmen, of hij slaat zijne
armen een paar maal rondom zijn midden, om den
bloedsomloop te versnellen, — en daarna gaat hij
op den leeuw af, die door de scherpe koude nog veel
-ocr page 788-
780
vraatzuchtiger en bloeddorstiger was geworden. Zelfs
in dit gewijde geschiedverhaal wordt het erkend,
dat weer en wind ernstige hinderpalen kunnen zijn.
De sneeuwdag bij Valley Forge had bijna een einde
gemaakt aan den strijd voor Amerika\'s onafhanke-
lijkheid. De sneeuwbuien vernietigden Napoleons
legermacht op den terugweg van Moscou. De ruw-
heid van het weer in Januari en Februari heeft in
sommige jaren duizenden kooplieden failliet doen
gaan. Een lange opeenvolging van stormachtige
Zondagen heeft tal van kerken zwak en gebrekkig
gemaakt. Onder de sneeuw bedolven vuurtorens
zijn op menige gevaarlijke kust in gebreke gebleven,
de in doodsgevaar verkeejende schepen te waar-
schuwen tegen de nabijheid der noodlottige rotsen.
Tienduizenden Christenen met een zenuwachtig ge-
stel beginnen onder de neerdrukkende stemming
van een sneeuwdag bijna altijd te wanhopen, dat zij
ooit in den hemel zullen komen. En toch — in dit
soort van weer behaalde de Benaja van mijn tekst
zijn beroemdste overwinning. Mogen ook wij al-
dus door Gods genade de overwinning behalen op
de nadeelige invloeden van weer en wind! Indien
wij ons alleen gelukkig gevoelen wanneer de wind
uit het heldere Zuid-Oosten blaast, en de thermo-
meter boven het vriespunt staat, en de barometer
op „bestendig mooi weer" wijst, en de hemel een
omgekeerde blauwkristallen beker is, waaruit zonne-
schijn over ons allen wordt uitgegoten, dan schuilt
er 95 percent kaf onder het koren van onzen gods-
dienst. Maar Gode zij dank! er zijn Christenen , die —
-ocr page 789-
781
ofschoon hun geheele leven tengevolge van ziekten
en tegenspoeden één lange, donkere sneeuwdag is
geweest, — al de leeuwen van moedeloosheid en wan-
hoop hebben gedood, die hun roofgierigen klauw
naar hunne lijdenssponde waagden op te heffen. Het
was een sneeuwdag, toen de Pelgrimvaders aan
land stapten, niet op een bebloemden oever, maar
op de koude rotsen van Nieuw-Engeland, — en
toen zij uit een schip, dat veeleer naar een Decem-
ber-orkaan dan naar een Mei bloem (The Mayjlower)
genoemd had moeten worden, bezit kwamen nemen
van dit groote werelddeel. Zn te midden van nóg
killer aardsche omstandigheden heeft menige vrome
man of geloovige vrouw bezit genomen van eene
geheele wereld vol geestelijke verzadiging: dalen
des vredes, rivieren van blijdschap, en bergen van
vreugde. Christus betrad onze wereld niet in de
maand Mei, maar in de stormachtige maand Decem-
ber, om ons te doen zien, dat wij Christus kunnen
hebben in het winterweer en op een dag met sneeuw-
buien.
Let er op, dat alles in den kuil op dien sneeuw-
dag van Benaja\'s wapen afhing. Er huisde even-
veel kracht in één spier van dien leeuw, als in al
de spieren der beide armen van Benaja. De leeuw
is het sterkste van alle wilde dieren, en het is be-
kend dat hij in staat is om een os weg te sleuren.
Zijne tong is zóó ruw, dat zij als een rasp het
vleesch afscheurt, waarover zij likt. De twee groote
snijtanden aan eiken kant van den muil maken het
ontsnappen onmogelijk voor alles wat hij eenmaal
-ocr page 790-
782
gegrepen heeft. En toch zet Benaja zijn voet op
den nek van dezen „koning der dieren." Had hij
een dolk? Had hij een spies? Had hij een mes?
Dat kan ik niet zeggen; maar dit weet ik wel, dat
alles er van afhing! Als hij dat wapen niet gehad
had, zou Benaja\'s lijk onder één verpletterenden
slag van het monster roerloos en verminkt in de
sneeuw zijn blijven liggen. En zoo ook: wanneer
gij en ik strijd voeren tegen de verzoeking, — in-
dien wij niet het rechte soort van wapen hebben,
zal, inplaats dat wij den leeuw dooden, de leeuw
óns verslaan! Het zwaard des Geestes! Niets op
aarde of in de hel kan daaraan weerstand bieden.
Daarmede moet de overwinning behaald worden,
of de overwinning wordt in \'t geheel niet behaald.
Daarmede bedoel ik het gebed tot God , het ver-
trouwen in Zijne reddende macht, Zijne zaligma-
kende genade, Zijne almachtige verlossing. Het
is mij onverschillig, hoe gij het noemt; ik noem
het: „Zwaard des Geestes." En al zouden de leeu-
wen uit al de bosschen der verdoemenis tegelijker-
tijd op uwe ziel aanvliegen, met dat wapen van
hemelsch metaal kunt gij hen afslaan, en hen doen
terugdeinzen, en hun den kop klieven, en hen mach-
teloos aan uwe voeten laten liggen. De werking
van uwe goede besluiten en voornemens tegenover
de zondige, helsche machten, die op u aanvallen,
staat gelijk met de kracht van een windpistooltje
tegenover die van een Kruppkanon; met den in-
vloed van een pennemesje, dat opgeheven wordt
om de flikkerende sabels van een brigade cavallerie
-ocr page 791-
783
af te weren. Trek ten strijde tegen de zonde in
uw eigen kracht, en het gevolg zal zijn : de gloeiende
adem van den leeuw tegen uw doodsbleek ge-
laat en zijne voorpooten op uwe borst. Wee den
man die niet volkomen gewapend is, en die dan
afdaalt in den kuil, op een dag in den sneeuwtijd ,
en daar een leeuw tegenover zich krijgt!
Al mijne hoorders en lezers hebben den een of
anderen zwaren strijd te strijden; maar de grootste
en de woedendste leeuw, dien gij te bestrijden hebt,
is wat de Bijbel noemt: „de brieschende /eeuw, die
rondgaat, zoekende ivat hij zou mogen verslinden."
Maar nu hebt gij nog nooit van uw leven een echten
leeuw gezien, tenzij dat gij er een gezien hebt in
Indië of Afrika, dadelijk nadat hij gevangen was.
De langdurige opsluiting breekt zijne geestkracht,
en de voortdurende aanwezigheid van menschelijke
wezens maakt hem tam. Maar gij moest hem eens
tegen de ijzeren traliën van zijn hok zien opsprin-
gen in den zoölogischen tuin te Calculta in Engelsch-
Indië, en hem daar hooren brullen om zijne prooi.
Het doet u \'t bloed in de aderen stollen , en gij deinst
vol ontzetting terug, ofschoon gij volkomen goed
weet, dat er geen gevaar bestaat. In den ouden
tijd had men een overvloed van leeuwen. Zeshon-
derd dezer dieren werden er tegelijk geslacht bij
ééne enkele gelegenheid, in tegenwoordigheid van
Keizer Pompejus in het Romeinsche Amphitheater.
Leeuwen snelden toe en verscheurden de kameelen,
die de bagage van Xerxes\' heirleger droegen. In
den Bijbelschen tijd waren er zooveel leeuwen, dat
-ocr page 792-
784
er herhaalde malen in de Heilige Schrift op gezin-
speeld wordt. Joel, de profeet, spreekt van „ken-
wentanderi"
en van „bcktanden eens ouden Zeeuws "
wellicht even groot als de leeuw van Benaja; en
Jezaja vermeldt onder de aantrekkelijkheden des
hemels: „dat er geen /eeinv zal zijn;" Salomo be-
schrijft den rechtvaardige als : „moedig als een jonge
leeuw"
Daniël was een groot leeuwentemmer; en
ook David, Jeremia en Johannes maken herhaal-
delijk gewag van dit dier.
Maar den diepsten en krachtigsten indruk heb ik
verkregen door hetgeen ik heb aangehaald van den
Apostel Petrus, wanneer hij den duivel een leeuw
noemt. Dat beteekent bloeddorstigheid. Dat betee-
kent wreedheid. Ja, hij-is een wilde duivel. Maar
het verheugt mij, tot u allen te kunnen zeggen, dat
er een Leeuw aan onze zijde is, indien uw verlan-
gen naar Hem uitgaat. Openbaring V vs. 5: „De
Leeuw uit Juda\'s stam." Een Lam voor óns, maar
een Leeuw om den strijd aan te binden tegen dien
anderen leeuw; en gij kunt gemakkelijk raden, wie
de overwinning zal behalen in dien strijd, en wie
de nederlaag zal lijden. Wanneer twee strijdlusti-
ge leeuwen elkaar in een Indisch woud ontmoeten,
kunt gij niet vooruit zeggen, welke van de twee
overwinnen zal, of overwonnen zal worden. Maar
indien gij en ik in dezen strijd tegen de verzoe-
kingen genoegzaam onze zwakheid gevoelen, en
om de hulp des Heeren smeeken, dan zal te-
gen dien ouden leeuw der hel, beschreven door
den Apostel Petrus, de sterke Leeuw optrekken,
-ocr page 793-
7Ö5
die ons in de Openbaring beschreven wordt, en dan
zal het geen onzekere schermutseling wezen, maar
onder één almachtigen slag zal het verscheurende
monster, dat onze ziel wilde dooden, neerploffen
en achterwaarts tuimelen in een put, die tiendui-
zend maal dieper is dan de kuil, waarin Bensija den
leeuw versloeg op een dag in den sneeuwtijd!
Een zvoord tot allen die een donkeren sneeuwtijd
doorworstelen.
O vaders en moeders, die kinderen
verloren hebt door den dood! dat is het ruwe weder dat
door lichaam en ziel snijdt. Maar drijft de leeuw der
wanhopige rouwe en droefheid terug met dezelfde
gedachte, welke David Roe, van Edinburgh, te
hooren kreeg van den Schotschen doodgraver, die
altijd witte klaver en de prachtigste bloemen op de
kindergraven van het kerkhof plantte; en toen hem
gevraagd werd, waarom hij dit deed, gaf hij ten
antwoord: „Wezenlijk, mijnheer, ik kan de sprei
niet mooi genoeg maken voor die lieve kleine sla-
pers, die daar liggen te wachten tot het Gods tijd
is om hen wakker te maken, en hen met een wit
kleed te bekleeden, en hen over te brengen in de
eeuwige heerlijkheid! Als hun, door de genade van
onzen Heere Jezus Christus, daar ginds zulk een
zaligheid wacht, is het ook niet meer dan billijk,
dat zij hier behoorlijk gedekt worden. Ik geloof dat
de Zaligmaker, die de zielen der kinderen zoo dier-
baar achtte, met welgevallen het witte klaverkleed
over hun graf gespreid zal zien. Gelooft u dat óók
niet, mijnheer?" Schept moed, o allen gij ontroost-
baren! Het beste werk voor God en de mensch-
-ocr page 794-
7Ö6
heid is in den sneeuwtijd verricht. Ezechiël, ver-
bannen en eenzaam lijdend op de oevers van den
Chebar, had zijn onvergetelijk visioen van de
Cheribum, en van raderen in raderen. Bij het sche-
merlicht van een kerkerraampje te Bedford beschreef
John Bunyan de „Liefelijke Bergen." Milton dichtte
het grootste poëem van alle tijden zonder een let-
ter zijner verzen te kunnen zien. Michel Angelo
boetseerde een standbeeld van sneeuw, en heel
Florence staarde met verbazing en bewondering
naar de heerlijke schoonheden van dat beeld, — en
velen van Gods dienstknechten en dienstmaagden
hebben uit de koude hunne ontsterflijkheid gefor-
meerd. Vervolgingen waren de donkere achtergrond,
waartegen de moed en de toewijding van een Savo-
narola te indrukwekkender uitkwam, — van den
man die, toen hij bedreigd werd met het onthouden
van een eerlijke begrafenis aan zijn lijk, ten ant-
woord gaf: „Werpt mij in de Arno, als gij wilt,
de Dag der Opstanding zal mij vinden, en dat is
genoeg!" Benaja zegepraalde op een vochtigen,
snerpend kouden dag in den sneeuwtijd over een
leeuw. Tegenspoeden en zorgen hebben telkens en
telkens weer een verheffenden, bezielenden en ver-
heerlijkenden invloed geoefend op hen, die er aan
onderworpen werden. Mogten zij dat ook op u en
op mij doen! — Amen.
-ocr page 795-
L.
ONZE LOSPRIJS.
Want gij zijt duur gekocht.
I COBJNTHBN VI : 20.
Uw vriend leidt u door zijn kostbaar huis rond.
Gij bezichtigt de booggewelven, de fresco-schilder-
werken, de grasperken, de vischvijvers, de broei-
kassen, de hertenparken, en gij zegt bij uzelf, of
gij zegt het overluid: „Wat zou dit alles wel ge-
kost hebben ?" Gij ziet prachtige kleederen, of gij
ziet een vurig span paarden, opgetuigd met zilver
en goud, en gij begint een berekening te maken
omtrent de waarde van al deze dingen. De man
die eigenaar van een groot landgoed is, kan u op
het oogenblik niet zoo dadelijk zeggen, wat de to-
tale waarde van alles is. Hij zegt: „Ik zal nu eens
zooveel voor het huis stellen, zooveel voor de meu-
belen , zooveel voor de beplanting der terreinen, zoo-
veel voor de provisiën, zooveel voor den stal, zoo-
veel voor de equipage, — en wanneer ik dit alles
dan optel, zal het ongeveer zooveel zijn."
Welnu, mijne vrienden! ik hoor zooveel omtrent
onze woning in den hemel, omtrent hare stoffeering
-ocr page 796-
788
en de prachtige omgeving aan alle kanten, dat ik
gaarne zou willen weten, hoeveel dit alles waard
is, en wat er feitelijk voor betaald is geworden. Ik
kan de grootsche berekening niet in den tijd van
een maand of een jaar geheel voltooien; maar al-
vorens ik den dag van heden verder verstrijken laat,
hoop ik u toch de noodige cijfers te verstrekken.
Gij zijt duur gekocht."
En wanneer gij een groot bedrag aan geld te be-
talen hebt, betaalt gij niet alles in eens, maar be-
taalt gij het bij termijnen: zooveel op den eersten
Januari, zooveel op den eersten April, zooveel op
den eersten Juli, zooveel op den eersten October,
totdat het geheele bedrag betaald is. En zoo heb
ik ook aan deze schare toehoorders te zeggen, dat
„gij duur gekocht zijt" en dat die koopprijs in ver-
schillende termijnen betaald is geworden.
De eerste termijn, betaald voor de vrijmaking on-
zer ziel, was de nederige geboorte van Christus te
Bethlehem.
Al wordt er later ook nooit weer de
minste of geringste zorg aan ons gewijd, — bij
onze komst in de wereld worden wij zorgvuldig be-
waakt. Wij komen ter wereld te midden van vrien-
delijke oplettendheden. Afzondering en stilte wor-
den zoo streng mogelijk gehandhaafd, wanneer God
een onsterflijke ziel voor \'t eerst den drempel dezer
wereld doet betreden. Maar ik heb u te zeggen,
dat er in het dorp langs de glooiing van den heuvel
een aan razernij grenzend rumoer heerschte, toen
Jezus geboren werd. In een dorp, dat slechts eeni-
ge weinige honderden menschen kon bevatten, waren
-ocr page 797-
789
nu duizenden opeengehoopt; en te midden van stal-
knechts en ezeljongens, en terwijl de kameeldrijvers
tegen hunne domme lastdieren uitvoeren, verscheen
de Messias op aarde. Geen stilte. Geen afzondering.
Een veel geschikter en beter toebereide plaats heeft
de jonge arend in het adelaarshorst, — heeft de
pasgeboren welp in het leeuwenhol.
Laat ons de deur der caravansera te Bethlehem
openen, en de kameelen wegdrijven. Wij dringen
door den troep leegloopers [en nietsdoeners heen.
„Wat is dat, Maria! geen licht?" — „Geen licht,"
zegt zij; „behalve hetgeen er door de deur komt/\'
— „Wat is dat, Maria! geen spijzen?" — „Neen,"
antwoordt zij, „geen andere spijzen dan die wij in
onzen reiszak hebben medegebracht." Laat de Beth-
lehemsche vrouw, die hier met vriendelijke minzaam-
heid is komen helpen ; het dekkleed van het Kin-
deken eens opslaan, zoodat wij er een blik op kun-
nen werpen. Ontbloot uw hoofd ! Laat ons knielen!
Laat alle stemmen gestild en tot zwijgen gebracht
worden! Zoon van Maria! Zoon van God! Eere zij
God, dat Jezus van den troon tot de kribbe kwam ,
opdat wij uit de kribbe tot den troon verheven zou-
den worden, en dat al de poorten nu open zijn, en
dat de deur des hemels , die eenmaal naar dezen
kant draaide , om Jezus uit te laten, nu naar den an-
deren kant draait, om ons in te laten!
De tweede termijn, voor de verlossing onzer ziel be-
taald, was: het voorgevallene gedurende liet verblijf van
veertig dagen in de tvoestijn
, een bergachtige streek
vol holen en spelonken, alwaar zich nog op den hui-
-ocr page 798-
79Q
digen dag allerlei soorten van tijgers en andere
wilde dieren ophouden, zoodat gij er ook nu nog,
zeggen de reizigers, niet anders heen kunt gaan
dan gewapend met jachtmes, geweer of pistool.
Daar was het, dat Jezus heen ging om te peinzen
en te bidden; en daar was het, dat dit monster der
hel, sluwer en vreeselijker dan alles wat in die streek
op een prooi jacht maakte, — Satan zelf, aan Chris-
tus verscheen.
De honger moet eiken vezel van het lichaam ge-
marteld hebben, en als met tanden des doods aan
de maag hebben geknaagd. Het was onder die fol-
teringen van den honger, dat Jezus werd aange-
sproken en dat Satan tot Hem zeide: Welnu, verander
deze steenen in brood!" Ware onder die omstandig-
heden de verzoeking tot u of tot mij gekomen, dan
zouden wij terstond hebben uitgeroepen: „Steenen ,
wordt brood!" en hadden wij in ons ongeduld bijna
het oogenblik niet kunnen afwachten, waarop wij
er de tanden in konden zetten. Maar Christus slaat
met de ééne hand den honger af, en met de andere
hand slaat Hij den Vorst der duisternis af. O, gij
allen tot wie de verzoekingen komen, — onze Heere
Jezus Christus is óók in verzoeking gebracht!
„Maar!" zegt Satan nog verder tot Jezus, „kom,
en ik zal U eens iets laten zien, dat waard is om
gezien te worden!" En zij gingen naar den top van
den Tempel. Even alsof iemand thans den toren van
Antwerpen beklimt en vandaar op België neerziet,
zoo bracht de Satan den Christus naar den top des
Tempels. Sommige menschen beginnen duizelig te
-ocr page 799-
79i
worden, als zij zich op een hoogte bevinden,
en gevoelen een zonderlinge neiging bij zich
opkomen om naar beneden te springen; zoo komt
Satan tot Christus met een krachtige verzoeking in
datzelfde oogenblik. Daar op de tinne des Tempels
staande, zien wij naar beneden. Een verrukkelijk
schoone landstreek! Korenvelden , wijngaarden , olijf-
bergen, bosschen, heuvels, rivieren, rundvee in het
dal, kudden op de heuvels, en dorpen en steden en
provinciën. „Welaan," zegt Satan, „ik wil een koop
sluiten. Spring hier nu af. Ik weet wel, het is een
groote afstand van den top des Tempels tot be-
neden in het dal, maar indien Gij waarlijk een god-
delijk wezen zijt, kunt Gij ook wel vliegen. Spring
er dus af. Gij zult U niet bezeeren. De engelen
zullen U opvangen. Uw Vader zal U ondersteunen.
Bovendien zal ik U een groot geschenk geven, in-
dien Gij het doen wilt. Ik zal U de geheele wereld
geven." Welk een vernedering moet dat geweest
zijn!
Ga morgenochtend vroeg de straat op, en zoek
dan eens twist met den eersten den besten ellen-
digen dronkaard, die den nacht in kroegen en bor-
deelen heeft doorgebracht. „Neen," zegt gij, „ik
wil mijzelven niet vernederen, door te gaan twisten
en vechten met zóó\'n diep verachtelijk wezen!" En
stel u dan eens voor, wat de Koning van hemel
en aarde doorstaan moet hebben, toen Hij neder-
kwam en dien grootsten ellendeling der hel bestreed,
en hem bestreed in de wildernis en op den top van
den Tempel! Maar ik dank God, dat Christus ons
-ocr page 800-
792
in dien triomf over de verzoeking de verzekering
heeft gegeven , dat ook wij zullen triomfeeren! Nadat
Hij zelf verzocht is geworden, is Hij instaat om
allen bij te staan, die in verzoeking komen.
De derde termijn, voor de verlossing onzer zielen
betaald, was de schandelijke terechtstelling des Zalig-
makers.
Ik noem het een schandelijke terechtstelling,
— er is nooit iets stuitenders of onrechtvaardigers
gezien, dan bij het verhoor en de rechtspleging van
den Christus aanschouwd werd. Immers, zij dreven
Hem de rechtszaal binnen om twee uur in den mor-
gen. Zij gunden Hem geen tijd om zich te beraden.
Zij gaven Hem geen gelegenheid om getuigen a
décharge op te roepen. De schelmen en gauwdie-
ven, die na middernacht nog op straat zwierven,
zagen natuurlijk de gevangenneming en gingen mede
de rechtszaal binnen. Maar Jezus\' vrienden waren
eerbare en ingetogen lieden, waren achtenswaardige
mannen, en op dat uur, omstreeks twee uur in den
morgen, waren zij natuurlijk allen in huis en in
slaap. Derhalve trad Christus met de schelmen en
gauwdieven de rechtszaal binnen.
O, zie Hem daar staan! Niemand om een woord in
Zijn voordeel te spreken. Ik hef de lantaarn om-
hoog , totdat ik een blik op Zijn gelaat kan werpen;
en terwijl mijn hart vol deernis klopt voor Hem,
den besten Vriend dien de wereld ooit had, terwijl
Hij zelf nu totaal verstoken is van alle vriendenhulp
of vriendentroost, komt er een gerechtsdienaar uit
de zaal naar Hem toe en geeft hij Hem een slag
op den mond, en ik zie het bloed uit Zijn lippen
-ocr page 801-
793
en tandvleesch stroomen. O, het was een spotbeeld
van een rechterlijk verhoor, dat misschien slechts
een uur duurde; en daarna staat de rechter op, om
het vonnis te vellen!
O, ik dank God, dat wij te midden van al de
onrechtvaardigheden, die ons in deze wereld kun-
nen worden aangedaan, een goddelijken Ontfermer
hebben. De wereld kan u nooit zóó grievend be-
lasteren of zóó boosaardig mishandelen, als zij het
Christus gedaan heeft; en daarom staat Jezus op
den huidigen dag in elke rechtszaal, in elk huis,
in elke werkplaats, en zegt Hij: „Houd moed! Bij
al de uren Mijner mishandeling beloof Ik u, dat Ik
hen zal beschermen, die vertrapt en vertreden wor-
den!" En wanneer Christus dat tooneel om twee
uur in den ochtend vergeet, en den slag van dien
booswicht op Zijn mond, en het gebrul dier ver-
dierlijkte menigte, — dan zal Hij u en mij óók ver-
geten te midden van de onrechtvaardigheden des
levens!
Is er wel iemand in dit bedehuis, die het zonder
sympathie kan stellen ? Ik geloof niet, dat ik er een
dag buiten zou kunnen. En toch zijn er zeer velen,
die zonder eenige goddelijke deernis of ontferming
schijnen te kunnen leven! Hun vermogen in de
brandkast op het kantoor, of in het magazijn,
of in de assurantie-maatschappij, schiet vleugelen
aan en vliegt henen. Zij ontknoopen de koorden
eener geldelooze beurs. Zij zitten in armoede
en gebrek neder, nadat zij vroeger weelde en
overvloed gehad hebben; en tóch is er geen
-ocr page 802-
794
Jezus om hen bij te staan en tot hen te zeggen:
„O mensch! er zijn schatten die nooit vergaan, in
banken die nooit failleeren! Ik zal zorg voor u dra-
gen. Mijns zijn de beesten op duizend bergen, en
gij zult nimmer gebrek lijden!" Zij hebben zulk
een goddelijken Verlosser niet, die dat tot hen kan
zeggen. Ik weet niet, hoe zij zonder Hem voort-
komen. De Dood treedt de kinderkamer binnen.
Eén stem minder in den huiselijken kring. Eén
bron van blijdschap en vroolijkheid minder. Twee
handjes minder om den ganschen dag in de weer
te zijn. Twee voetjes minder om door de gang te
huppelen. Wolken na wolken elkaar opvolgend
boven dat huishouden, — en tóch geen Jezus om
daar tegenwoordig te zijn en te zeggen: „Ik ben
de Goede Herder. Dat lam is niet verloren. Ik
haalde het huiswaarts van de koude bergen. Het is
wèl met het kind!" O, kunt ge mij het geheim ont-
sluieren ? Kunt ge mij het raadsel oplossen ? Zeg
mij hoe het mogelijk is, dat mannen en vrouwen
met smarten en pijnen en zorgen en verliezen en
teleurstellingen en sterfgevallen, het kunnen uithou-
den zonder een medelijdenden en ontfermenden en
troostenden Jezus! Ik kan het niet begrijpen!
Maar nu ben ik dezen morgen hier gekomen om
u te zeggen, dat, als gij werkelijk begeerig zijt naar
goddelijke ontferming, gij die kunt bekomen. Er
zijn twee of drie tekstwoorden in de Heilige Schrift,
waarin louter deernis en teederheid en liefde trilt.
„Wentel uwen weg op den Heer, en vertrouw op
Hem: Hij zal het maken!"
en: „Komt herwaarts tot
-ocr page 803-
795
Mij, allen die vermoeid en belast zijl, en Ik zal u
ruste geven!"
O, er zijn groene weiden, waarop de
hemelsche Herder de zieke en gewonde schapen
der kudde leidt! Wanneer al de andere boomen
van den boomgaard ons teleurstellen, heeft God
toch nog altijd één vruchtboom voor Zijne dierbare
kinderen. Al laat het orgel mi ook zijn requiem
hooren , later komt er een feestzang , een jubellied,
een Hosanna, een Hallelujah, een kronings cantate,
een triomfmarsch. Hebt gij geen behoefte aan de
ontfermende liefde van Jezus? Ik bied haar dezen
morgen eiken man en elke vruuw in dit bedehuis
aan. Gij hebt Hem noodig. Ü, gij hebt Hem zoo noodig!
Voorts wijs ik er u op, dat de laatste groote ter-
mijn, voor onze verlossing betaald, de zoendood van
Christus
was. De wereld heeft vele donkere dagen
aanschouwd; maar de allerdónkerste dag sedert de
schepping der wereld was de dag, waarop de slach-
ting op Golgotha voltrokken werd. Het was om-
streeks den middag, toen het gordijn begon te zakken,
\'t Was niet het vallen van den avond, die ontspant
en verfrischt; \'t was het neerdalen eener diepe duis-
ternis allerwegen langs den hemel. God hing dat
gordijn daar. Evenals men, wanneer er een doode
in huis is, de luiken sluit, zoo sloot God dien na-
middag de vensteren der wereld. Evenals het ge-
bruikelijk is , een zwart lijkkleed over de doodkist
te spreiden, wanneer zij door de straten grafwaarts
trekt, zoo was het ook voegzaam , dat alles er som-
ber uitzag op dien dag, toen de groote rouwkoets
der aarde voortrolde, het lijk des Konings dragende.
-ocr page 804-
796
Aanschouw nu, o wereld, wat gij gedaan hebt!
Ik sla het dekkleed van den ten doode gemartelden
Christus op, om u de wonden te laten tellen en
den prijs te laten berekenen. O, toen de nagelen
door Jezus\' rechterhand en Jezus\' linkerhand dron-
gen, — toen zijn daarmede uwe beide handen ge-
kocht,
met al hunne kracht om te werken en te til-
len en te schrijven. Toen de nagelen door Jezus\'
rechtervoet en Jezus\' linkervoet drongen, — toen
zijn daarmede uwe voeten gekocht, met al hunne
kracht om te wandelen, ofte draven, ofte klimmen.
Toen de doornen in Jezus\' slapen doordrongen, —
toen is daarmede uw brein gekocht, met al zijne
kracht om te denken en te ontwerpen. Toen de
speer Jezus1 zijde doorboorde, — toen is daarmede uw
hart gekocht,
met al zijne kracht tot beminnen en
berouwen en bidden. O zondaar, o zondares, keer
terug!
Als iemand geen pijn heeft, als hij voorspoed ge-
niet, als hij welvarend is, en hij u dan vraagt om
tot hem te komen, dan neemt gij er den tijd voor
en zegt gij: „Ik kan nu niet komen. Ik kom straks
wel. Er is geen haast bij.\'J Maar als hij in nood en
ellende verkeert, zegt gij: „Ik moet er dadelijk en re-
gelrecht heen. Ik moet nu terstond gaan!" Op den
huidigen dag strekt Jezus Zijne beide gewonde han-
den naar u uit, en vraagt Hij u om tot Hem te ko-
men. Kom, en gij zult leven. Blijf weg, en gij zult
sterven. O, geven wij aan Hem, die ons gekocht
heeft, al onzen tijd, en al onze gebeden , en heel ons
hart! Hij is zóó schoon, Hij is zóó liefdevol, Hij
-ocr page 805-
797
is zóó ontfermend, Hij is zóó goed, dat ik wensch-
te dat wij allen onze armen om Zijn hals konden
slaan en zeggen: „De uwe, o Heer! de uwe wil ik
zijn tot in alle eeuwigheid!" — Amen.
-ocr page 806-
-ocr page 807-
LI.
ROOKPILAREN.
Viie is zij, die daar opkomt uit de
woestijn , als rookpilaren?
Hooglied iii : 6a.
De bouw van den rook is wonderbaar, hetzij de
Heer onze God hem met Zijn vinger krult tot een
wolk, of hem afrondt tot een koepel, of hem kron-
kelt tot een spiraal, of hem uitspreidt tot een vleu-
gel , of — zooals in het tekstwoord — hem omhoog
doet rijzen tot een pilaar. Meer dan veertig of vijf-
tig maal wordt er in den Bijbel van rook gesproken,
en het begon dus tijd te worden dat iemand eens
een preek hield ter behandeling van dezen zonder-
lingen , grilligen, fraaien. veerkrachtigen, bekoor-
lijken , schrikwekkenden of benevelenden damp.
Langs den blauwen hemel drijft de rook van Si-
naï, de rook van Sodom, de rook van Ai, de rook
van den put der hel, de rook der vulkanische ber-
gen wanneer God ze heeft aangeraakt, — en in mijn
tekst komt de heerlijke Kerk van God als rookpila-
ren uit de woestijn op.
In de eerste plaats wijzen deze rookpilaren in
mijnen tekst op het lijden, dat de Kerk van God
-ocr page 808-
8oo
heeft doorstaan. Wat bedoel ik met de Kerk? Ik
bedoel niet een gebouw, niet een belijdenis, maar
al degenen, die — in alle eeuwen, en in alle lan-
den, en van alle gelooven — God liefhebben en
het goede trachten te doen. Vele eeuwen lang is
de hemel zwart geweest door den rook van het
martelaarschap. Als zij naast elkander werden ge-
zet, zoudt gij de aarde kunnen omgorden met de
vuren der vervolging.
De Protestanten hebben de Katholieken voorge-
steld als een monopolie van vervolgers hebbend;
maar beiden, Protestanten en Katholieken, hebben
schandelijke wreedheden gepleegd. Het schijnt wel,
of — wanneer de een of andere belijdenis onbeperkte
heerschappij over eenig land verkreeg — de duivel
van vervolging en wreedheid tegelijkertijd bezit nam
van die belijdenis. Een roode lijn loopt er door de
Kerkgeschiedenis van negentien honderd jaren . . .
een lijn van bloed! Niet bij de honderdduizenden,
maar bij de millioenen moeten wij ze tellen, die
wegens hunne belijdenis van den Christus zijn om-
gebracht. Geen wonder dat John Milton het gekerm
der martelaren in een onsterflijk lied bezong, ener
van schreef:
„Wreek, Heer! uw heiige martlaars, wier gebeente
Verspreid ligt op der Alpen kouden top!"
Als al de rook van de huizen der martelaren en van
de lichamen der martelaren eens tegelijk kon op-
stijgen , zou hij de volle middagzon verduisteren en
den heldersten dag, dien de wereld ooit aanschouw-
de , in middernachtelijke duisternis veranderen. „ Wie
-ocr page 809-
8oi
is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpi-
larcn ?"
Heeft de vervolging nü opgehouden ? Vraag dat
eens aan dien jonkman, die zijn best doet om een
Christen te zijn in een winkel of op een fabriek,
waar hij van den vroegen morgen tot den laten
avond overstelpt wordt met al de laaghartige spot-
ternijen van ongeloovige kameraden. Vraag dat eens
aan die vrouw, wier echtgenoot hare gehechtheid
aan het huis des Meeren , en zelfs haar knielend bid-
den \'s avonds naast het ledikant, tot het mikpunt
zijner hatelijkste scherts maakt, en die evenmin ge-
schikt is voor haar heilig gezelschap, als een oude
vuile kraai zou passen voor gezellin bij een rood-
borstje of een blanke duif. Sluit vrede met de we-
reld en geef u blindelings aan hare eischen en voor-\'
schriften over, en zij zal u met rust laten; maar
„allen die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus,
die zullen vervolgd worden!"
Wees een schouwburg
bezoekend , kaartspelend, sterken drank drinkend,
walsend en polkeerend Christen, en gij hebt alle
kans om van critiek en van maatschappelijke onder-
drukking bevrijd te blijven. Maar wees van boven
tot onder, van binnen en van buiten, een volge-
ling van Christus, en de eene wereldling zal den
anderen wereldling een spotziek knipoogje toewer-
pen bij het uitspreken van uwen naam, en gij zult
tot onderwerp van menig vuilaardig pruldicht strek-
ken, en met den nek worden aangezien door lieden,
die niet waard zijn dat zij uwe oudste schoenen
poetsen!
-ocr page 810-
802
Toen de spoorbrug te Ashtabula instortte, en
het meerendeel der passagiers uit de dichtbezette
wagens oogenblikkelijk den dood vonden, zat de
Amerikaansche musicus Bliss op een bank aan den
eenen kant van een wagon, waar hij bezig was met
het opschrijven van een Kerstlied, dat hij gecom-
poneerd had, terwijl vlak tegenover hem, aan den
anderen kant van den wagon , eenige heeren zaten,
die aan \'t kaartspelen waren. Wiens plaats van aan-
komst in de eeuwigheid zoudt gij verkiezen: die
van den Christelijken liederendichter Bliss, den
Evangeliezanger, of die der kaartspelers?
Indien lieden die zich Christenen noemen, in de
week naar schouwburgen en al zulke publieke ver-
makelijkheden gaan, zal niemand hen ooit vervol-
gen om hunnen godsdienst, want zij hebben er
geen , en zij worden nog uitgelachen door de hel op
den\' koop toe. Maar laat hen een geheiligd Chris-
telijk leven leiden, en al spoedig zullen zij het hoold
hebben te bieden aan den boosaardigsten tegen-
stand.
Wie zijn Christelijk karakter plooien en schikken
wil, kan het hier op aarde gemakkelijk hebben,
maar voor een geheiligd leven is er niets anders
dan schimpdichtjes en spotternijen. Voor het lichaam
zijn er, Gode zij dank! thans geen vlijmende zwaar-
den of vurige brandstapels meer; maar voor de zielen
van duizenden vromen is er, in figuurlijken zin;
nog altijd galg en rad en pijnbank in overvloed be-
schikbaar. Het symbool van het huiselijk en maat-
schappelijk en particulier en openbaar lijden eener
-ocr page 811-
8o3
groote menigte van Gods dierbare kinderen is:
rookpilaren. Maar terwijl wij het oog laten gaan
over de geschiedenis van hen, die in den loop aller
eeuwen voor de waarheid hebben geleden — en wij
de wraak aan den Heer overlaten — willen wij ons
te zamen verbinden tot één plechtige gelofte, tot
één indrukwekkenden eed, na het heirleger der
martelaren geteld te hebben : dat er voor ieder dezer
roemrijke mannen en vrouwen, die voor de waar-
heid stierven, een onsterflijke ziel zal leven, zal
leven met God en zal leven voor eeuwig!
Maar zooals ik reeds in den eersten volzin dezer
leerrede herinnerde: niets schooners dan de rook-
figuren langs een helderen hemel. Gij kunt alles zien
wat gij wilt in de omtrekken van dien vluchtigen
damp: nu eens tooverkasteelen, dan weer een troep
ruiterij, nu eens een optocht met vlaggen en banie-
ren , dan weer gevleugelde rossen, nu eens een zwarte
engel des toorns, onder een speer van den zonne-
schijn herschapen in een engel des lichts, en dan
weer van horizont tot horizont de lucht een kunst-
gallerij vol meesterstukken, waarvan de Heer onze
God de scheppende Kunstenaar is: ochtend-rook-
wolken, geboren in den zonsopgang, en avond-
rookwolken , neergelegd in de gepolijste graven van
den zonsondergang.
De schoonheid der voortdurende gedaantever-
wisselingen van den rook is een goddelijk symbool
van de schoonheid der Kerk. De schoonste van alle
schoonen is zij. Noem toch niet die vervolgers,
waarvan ik zooeven sprak, de Kerk. Zij zijn de
-ocr page 812-
804
woekerplanten der Kerk, niet de Kerk zelve. Hare
zendingstaak is: de aarde te vervullen met een bo-
vennatuurlijke blijdschap, al de gevangenisdeuren
te openen, alle wonden te balsemen, alle graven
met mos te bedekken, den nacht te verbranden in
den vuurhaard van een grooten morgen, handboeien
te veranderen in diamanten armbanden, heel het
menschelijk geslacht te doen omkeeren, en terwijl
het den dood voor oogen heeft, het te bevelen:
„De oogen regelrecht naar den hemel!" In over-
eenstemming met het aantal spitsen der kerken
in al onze steden, dorpen en gehuchten zijn de
goede tehuizen, de aardsche voorspoed, en de
reine zeden, en de gelukkige zielen.
Hoe grooter het aantal kerken is, des te kleiner
is het aantal misdaden. Hoe geringer het aantal ker-
ken , des te grooter het aantal misdaden. De prach-
tigste organisatie, die de wereld ooit gezien heeft
of ooit zien zal, is de zwaar mishandelde Kerk, de
vriendin van al wat goed is, de vijandin van al
het booze, „schoon gelijk de maan, zuiver als de
zon."1
Schoon in haar Schepper, schoon in het doel
harer zending, de heldin der eeuwen, de bruid van
Christus , de koningin der natiën !
De menschen mogen haar smaden en belasteren ,
of plannen tot haren ondergang smeden , gelijk aller-
wegen door sommigen gedaan wordt, wier hoog-
moed en haat en losbandigheid veroordeeld worden
door de Tien Geboden met hunne donderslagen,
en door de Bergrede met hare suizende koelten.
Maar zij zal zoo lang stand houden als de aarde
-ocr page 813-
8o5
zelve stand houdt: altijd en immer dezelfde éénige
en wonderwerkende en zegenende en wonderbaarlijke
instelling, waartoe God haar geschapen en bestemd
heeft. Kleinzielige grappenmakers martelen hun brein
af, om dingen te zeggen, die haar in een ongun-
stig licht kunnen stellen; maar velen hunner zullen
hare vertroostingen inroepen, wanneer zij op hun
sterfbed liggen, en hunne kinderen zullen onder
hare zegenende vleugelen vergaderd worden, nadat
de ouderlijke vloek is weggenomen. Door hare
poorten zullen al de invloeden ten goede uitgaan ,
die ooit of immer onze wereld bereiken zullen.
Haar ledental als eene massa beschouwd en geno-
men , zonder te spreken van de uitzonderingen ,
zijn de nobelste, de grootste, de vriendelijkste,
de beste mannen en vrouwen van alle eeuwen. Als
zij er niet geweest waren, zou de aarde reeds lang
een uitgebrande vulkaan zijn. Zij zijn het zout ge-
weest , dat het menschdom behoed heeft tegen een
verrotting, die zoowel voor de reukzenuwen van
menschen als van engelen onverdragelijk zou zijn
geworden.
O gij leugenachtige en huichelende wereld, houd op
met die lasteringen tegen de Kerk van Jezus Chris-
tus, eene instelling, die — wel verre van te zijn wat
zij behoorde te wezen, en nimmer bewerende dat zij
den trap van volmaaktheid bereikt heelt — toch vijf-
honderdmaal beter is dan alle andere instellingen, die
de wereld ooit aanschouwd of zich ooit gedroomd
heeft. De hoogste eer die ik ooit genoot, en de
hoogste eer die mij ooit zal bewezen worden, en de
-ocr page 814-
8o6
hoogste eer die ik ooit zal begeeren, is: dat mijn naam
op de lijst harer lidmaten geschreven staat. Binnen
hare muren betreurde ik mijne zonden. In hare sacra-
menten geloofde ik. In haren dienst moge ik ster-
ven. Uit hare deuren moge ik begraven worden l
O Kerk van God! Gij woonstede der rechtvaardi-
gen! Gij vluchthaven uit de stormen! Gij schuil-
plaats voor de moeden! Gij vuurtoren veler volkeren !
Gij zinnebeeld des hemels! Ik zou in de verrukking
mijner liefde het stof van uwen vloer kunnen kussen l
„Voor hddr rijst mijn gebed ten hemel,
Voor hridr vergiet ik vaak een traan, ■—■
Voor hddr mijn werken en mijn zorgen,
Tot zorg en werk is afgedaan!"
„Berookt met mirre en wierook," zegt Salomo in
de woorden, onmiddellijk volgende op mijn tekst.
Niet gelijk de rookwolken, uitgehoest door het keel-
gat van een stoomschoorsteen, of vergiftigd met de
gassen van chemische fabrieken, of in zwarte grim-
migheid heendrijvend uit de haardvuren der woon-
huizen , of met zwaveldamp bezwangerd uit de flik-
kerende batterijen, — maar zoet en liefelijk riekend
als een brandend kaneelboschje of sasafrasriet, of
als de geuren van den wierook eens tempels. „ Wie
is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpila-
ren, berookt met mirre en wierook?"
Hoort het,
mannen en vrouwen allerwegen, dat de nadering
der echte Kerk van Christus vrede voor alle volke-
ren beteekent!
In een zijner werken, getiteld „Drie en negentig",
zegt Victor Hugo: „Niets zoo kalm als rook,
-ocr page 815-
807
maar ook niets zoo schrikwekkend. Er is vreedzame
rook, en er is boosaardige rook. De dichtheid en
de kleur van een rookstreep vormt het hemelsbreede
onderscheid tusschen oorlog en vrede, tusschen
broederschap en doodelijken haat. Het gansche ge-
luk van den mensch of zijne volkomene ellende
wordt somtijds uitgedrukt door dezen ijlen damp,
dien de wind naar willekeur uiteendrijlt." De groote
Franschman had gelijk; maar ik ga verder, en zeg,
dat — wanneer het Koninkrijk Gods nadert als
rookpilaren — de zwarte dampmassa\'s, uitgebraakt
door de oorlogsbatterijen en opdwarrelend uit de
geschutpoorten der pantserschepen, voor altijd zul-
len verdwijnen.
Een beroemd generaal uit den jongsten oorlog
verhaalde mij onlangs, dat Abraham Lincoln een
poging had voorgesteld om den Amerikaanschen
burgerkrijg te vermijden, door al de slaven in Zuid-
Amerika los te koopen en in vrijheid te stellen. Hij
berekende, hoe groot het totale bedrag zou zijn,
als er een redelijke prijs voor hen betaald werd;
maar toen het aantal millioenen dollars, dat voor
de uitvoering van zulk een plan benoodigd zou
zijn, bekend was gemaakt, werd het voorstel uit-
gelachen , en wilde Noord-Amerika het aanbod niet
doen, en wilde Zuid-Amerika het niet aannemen,
ook al werd het gedaan. „Maar", zeide mijn mili-
taire vriend, „de oorlog ging door; en juist het
aantal millioenen dollars, waarvan de heer Lincoln
berekend had, dat het voldoende zou zijn om een
redelijken koopprijs voor al de slaven te betalen,
-ocr page 816-
8o8
werd nu aan den oorlog besteed, boven en behalve
al de kostbare levens, die in de tweehonderdvijf-
tig veldslagen werden weggemaaid." Waarmede ik
dit slechts zeggen wil: de tnenschen behoorden eene
andere wijze van beslechting hunner geschillen te
hebben , — beslechting zónder slachting.
De Kerk van God zal toch eenmaal als scheids-
rechter tusschen de natiën optreden. Indien de
wereld het wilde toestaan, zou de Kerk zich op
den huidigen dag kunnen plaatsen tusschen Duitsch-
land en Frankrijk en de reeds meer dan 25 jaar
bestaande spanning in zake Elzas —Lotharingen doen
verdwijnen, en evenzoo tusschen Engeland en zijne
tegenstanders, en tusschen Rusland en zijne vijan-
den, en tusschen al de andere natiën, die elkander
naar de keel vliegen. En zij zou vrede gebieden en
afdanking der legers, en de krijgsrossen voor den
ploeg tuigen, die nu voor ammunitiewagens ge-
spannen of voor cavallerie-charges gezadeld worden.
Mijn Bijbel zegt mij, dat de smidswerkplaats eenmaal
haren grootsten dienst zal bewijzen, wanneer de
krijgsman en de landman haar gelijktijdig naast el-
kander zullen binnentreden, en de soldaat zijn
zwaard in den gloeioven zal werpen, en de land-
man het als een ploegijzer zal medenemen; en de
sterkste spies zal aan beide einden tot een haak
omgebogen en dan in tweeën geslagen worden, en
van wat eens één spies was, zullen dan twee snoei-
messen zijn gekomen.
Vrede! Verdrijf gij voor eeuwig van het lucht-
ruim de zwarte rookwolken van de Marengo\'s, de
-ocr page 817-
809
Salamanca\'s, de Borodino\'s , de Sedans en de Ma-
juba\'s der aarde! En doe, dadelijk daarna, langs
den hemel de vreedzame dampen opkomen uit de
schoorsteenen van de boerenwoningen en de asylen en
de kerken en de hoofdsteden der Christelijke volken!
En als de zonnestralen door die dampen gebroken
worden, zullen zij met letters van zwart en goud,
over heel het luchtruim , van den horizont tot het
zenith schrijven: „Eere zij God in de hoogste heme-
len! Vrede op aarde! In de menschen een ivelbc-
hagen !"
O, kom in de Kerk door Christus de deur, —
een hoogheerlijker deur dan die van den Tempel
van Hercules, die twee pilaren had: één van goud
en de andere van smaragd! Kom er op den huidi-
gen dag in! De wereld die gij achter u laat, is een
armzalige wereld, en zij zal verbranden en ver-
dwijnen gelijk rookpilaren. Of de beslissende we-
reldbrand zal uitbreken in de kolenmijnen van Penn-
sylvanië, die op sommige plaatsen reeds sedert vele
jaren brandende zijn en in het hart der bergen
voortwoekeren; of dat het zal beginnen bij de gey-
sers in Californië; of dat het uit de vulcanische
vuurtorens van den Cotopaxi, en den Vesuvius, en
den Stromboli, zal uitbarsten en op de verbijsterde
volkeren neerstroomen, kan ik niet voorspellen:
maar al de geologen verzekeren ons, dat wij op
het deksel staan van een wereld, welker hart uit
loeiende, brullende, ijzingwekkende vlammen be-
staat. En den een of anderen dag zal God die roode
monsters uit hun eeuwenlange gevangenis loslaten;
-ocr page 818-
8io
en de brand van New-York in I835, en van Char-
leston in 1865, en van Chicago in 1872, en van
Boston in 1873, was slechts één vonkje uit een
smidsoven, vergeleken bij dien laatsten gloed des
heelals, die op andere werelden gezien zal worden.
Maar dat zal geen schade doen aan uwe bezittin-
gen , indien gij Jezus Christus tot uwen Zaligmaker
hebt aangenomen. Wanneer de hemel u als uw
eeuwig huis gewaarborgd is, kunt gij zonder de
minste of geringste ontroering neerzien op een ge-
sloopte, verbrokkelde en uiteengevallen aarde. Dat
zij, door Gods genade, uw deel en het mijne! —
Amen.
-ocr page 819-
LIL
STEENEN ZONDER STROO.
(Leerrede na Dr. Ta/mage\'s reis door Egypte.)
De last van Egypte.
Jesaja XIX : 1.
Wat is de oorzaak van al die opschudding in de
straten der Egyptische stad Cairo, terwijl wij er
rondzien op dezen Decembermorgen van het jaar
1889? Gaat achteruit! Wij hooren luidruchtige stem-
men, en zien de volksmenigten ruim baan maken
naar de kanten der straat. De opgewondenheid der
anderen deelt zich onwillekeurig aan ons mede. In de
verte dagen soldaten op. Zij hebben een stok in de
band en een muts met zijden kwast op het hoofd,
en hunne armen en voeten zijn bloot. Hun uniform
is zwart tot op het midden, behalve waar zij met
goud geborduurd is, en de rest is wit. Zij maken
den weg vrij voor een hooggeplaatst ambtenaar in
een galarijtuig of staatsiekoets. Zij zijn vlug ter
been, en somtijds loopen zij dertig of veertig mijlen
aan één stuk voor een equipage uit. Op zijde! Zij
zijn de beste en snelste hardloopers ter wereld,
-ocr page 820-
ÖI2
maar zij sterven spoedig, want \'s menschen lichaam
is niet berekend op zulk een overmatige inspanning.
Ik vroeg aan alle lieden om mij heen, wie de
man in het rijtuig was, doch niemand scheen het
te weten. Maar terwijl ik met al de anderen achter-
uit tegen den muur gedrongen werd, zeide ik bij
mijzelf: Dit is de oude gewoonte, die wij overal in
den Bijbel vermeld vinden: — voetvolk voor de
heerschers uit dravend, om gehoorzaamheid te
eischen, evenals in Genesis voor Jozefs zegewagen
aan het volk werd bevolen: „Knielt!" En terwijl ik
de snelle voeten der mannen zie, gevolgd door de
snelle voeten der paarden, — hoe waar klinken mij
nu deze woorden van Jeremia door de ziel: „Als
gij loopt met de voetgangers, zoo maken zij u moede;
hoc_ zult gij u dan mengen met de paarden
?"
Welk een nauw verband tusschen den Bijbel en
Egypte! Bijna driehonderd maal verwijst de Bijbel
naar Egypte en de Egyptenaren. Geen wonder!
want Egypte was de moeder der natiën: Egypte de
moeder van Griekenland, Griekenland de moeder
van Rome, Rome de moeder van Engeland, Enge-
land de moeder van dit land, van Amerika. Dien-
overeenkomstig is Egypte Amerika\'s over-over-groot-
moeder. In vorige leerredenen heb ik met u bepeinsd,
wat Egypte en de Egyptenaren moeten geweest
zijn in hun glorietijd: getuige de Hypostile-Tempel
van Karnac; de architectonische wonderen te Lu-
xor; de zuilenrijen van Horamheb; de kerkhoven
van Memphis; de waarde van een koninkrijk in één
monument: de Sphinx, die met steenen lippen luid
-ocr page 821-
Öi3
genoeg spreekt om door alle eeuwen heen gehoord
te worden; Heliopolis en Zoan, het onoplosbare
raadsel der archeologen. Maar heel die overdadige
weelde van paleizen en tempels en monumenten
was de oorzaak van een verdrukking, zoo hoog als
de hemel en zoo diep als de hel. Het gewicht dier
steenblokken, zwaarder dan een onzer hedendaag-
sche werktuigen zou kunnen opheffen, kwam op de
Hebreeuwsche slaven neer, en hun bloed vermengde
zich met de kalk voor de troffels.
Wij zagen telkens en telkens weder langs den Nijl
een opzichter of werkbaas zich hardhandig vergrij-
pen aan een zijner onderhoorigen, die iets deed dat
hem niet beviel. Het is volstrekt geen zeldzaamheid,
lange rijen mannen te zien onder zware lasten, op
korten afstand gevolgd door opzieners, die hen in
■\'t voorbijgaan aanzweepen tot grooter spoed, — en
dan die werklieden, afgemat door de zengende hitte
des daags, of uitgestrekt op den kalen grond, plotse-
ling huiverend onder de koude nachtlucht, biddend
te hooren uitroepen: „Ya, Allah! Ya, Allah!" of in
onze taal: „O God! O God!" Maar hoe groot in dien
ouden tijd de wreedheid moet geweest zijn, waar-
mede de Egyptenaars hunne Israëlitische slaven be-
handelden, kan men opmaken uit een schilderwerk in
de graven van Beni-Hassan, waarop een man is af-
gebeeld , die voorover gehouden wordt door twee
andere mannen, terwijl een derde de voeten van het
slachtoffer vasthoudt en de gerechtsdienaars hem
op zijn blooten rug slaan, zoodat iedere slag — daar
twijfel ik niet aan — het bloed uit het lichaam perst.
-ocr page 822-
814
Nu ziet gij, hoe het voor de Farao\'s mogelijk
was, zulke prachtige gebouwen te zetten. Zij kost-
ten hun niets aan arbeidsloon, niets dan de tranen en
het bloed der werklieden, — en tranen en bloed zijn
een goedkoope drank voor duivels. „Steenen zonder
stroo" komt u misschien zoo wreed niet voor, totdat
gij weet dat de steenen gewoonlijk vervaardigd wer-
den met „gemalen stroo", stroo dat fijngestampt was
door de pooten der ossen op den dorschvloer; en
toen dit gemalen stroo den werklieden onthouden
werd, moesten zij hier en daar wat halmen van een
korenveld plukken, of biezen garen langs den water-
kant. Dit verhaal uit den Bijbel wordt bevestigd door
het feit, dat bij vele steenen muren in Egypte de on-
derste lagen uit met stroo vervaardigde steenen be-
staan , maar de hoogere lagen uit steenen die be-
werkt zijn met ruw stroo, of met biezen van den
oever der rivier, zoodat de waarheid van het boek
Exodus geschreven staat in de steenen muren, welke
de hedendaagsche oudheidkundigen ontdekt hebben.
Hardvochtigheid van regeeringswege is altijd een
karaktertrek der Egyptische heerschers geweest.
Een belasting die aan uitmergeling grensde, was de
Egyptische regel zoowel in den Bijbeltijd als in onzen
eigen tijd. Een hedendaagsch reiziger geeft ons de
cijfers betreffende de bebouwing van zeventien bun-
ders , en hij toont aan, dat 70 percent van hetgeen
de Egyptische landbouwer voortbrengt, als belas-
ting aan de Regeering moet betaald worden. Nu,
dat is eigenlijk meer dooddrukken dan belasten. Wat
dunkt u daarvan ? Gij, die reeds onder zulke zware
-ocr page 823-
8i5
lasten gebukt gaat, hoe vindt gij dat? Ik heb ge-
hoord , dat de werklieden in Egypte een lied heb-
ben van dezen inhoud: „Zij mergelen ons uit, zij
mergelen ons uit, zij slaan ons, zij slaan ons, maar
hierboven woont er Een, maar hierboven woont er
Een, die hen wel zal straffen, die hen wel zal straf-
fen." Maar 70 percent aan Rijksbelasting in Egyp-
te is nog genadig, vergeleken bij hetgeen de He-
breeuwsche slaven daar te lijden hadden in den
Bijbeltijd. Zij kregen geen andere spijzen dan die
nauwelijks voor een hond eetbaar waren , en hunne
kleederen waren een en al lompen, en hun dak was
de gloeiende hemel overdag en de sterren des he-
mels bij nacht. ,,Waarom verdroegen zij dat?"
vraagt gij. Omdat zij het moesten verdragen. Ver
terug in de geschiedenis der wereld was er een
hongersnood in Kanafin, en de oude Jakob en zijne
zonen gingen naar Egypte om brood. De zoon van
den ouden man, Jozef, was Eerste Minister; en
Jozef, die daartoe van Farao vergunning had ver-
kregen, gaf aan zijne familie, zoodra zij in het land
was gekomen, het rijkste gedeelte van Egypte: de
vruchtbaarste korenvelden en de sappigste weilan-
den en de prachtigste boerderijen. Jakobs nakome-
lingen vermeerderden met groote snelheid. Eenigen
tijd later brak er weder een hongersnood uit, en
de afstammelingen van Jakob, de Israëlieten, bega-
ven zich toen naar een groote voorraadschuur, die Jo-
zef had laten bouwen en vullen, en betaalden het ko-
ren met geld. Maar na verloop van eenigen tijd was
de geldvoorraad uitgeput, en toen betaalden zij met
-ocr page 824-
8i6
vee. Een poos later waren al de beesten in het
bezit der Regeering overgegaan, en toen kochten
de Hebreeërs koren van het Rijk, door zichzelf als
slaven over te geven.
Toen begon de slavernij in Egypte. Het Gouver-
nement was eigenaar geworden van al de Hebree-
ërs. Onbeperkte en onbetwiste Staatsalmacht! En
nu kunnen de hedendaagsche dweepers, die voor-
stellen doen om alle telegraaflijnen en alle spoor-
wegen en alle andere dingen te laten exploiteeren
door den Staat , eens zien hoe dwaas het is, den
Staat alles in handen te laten nemen. Ik zou alles
nog liever hier aan het volk toevertrouwen, dan aan
welke Regeering de Vereenigde Staten ooit gehad
heeft of zal hebben. Wee dien dag, wanneer de
wetgevers en de Kamers en de Senaten en de Rijks-
bureaux iets meer onder hun beheer krijgen , dan
zij onvermijdelijk moeten hebben ! Dat zou hier en
elders de herleving zijn van die oud Egyptische ty-
rannie, waarvoor de Heer onze God nooit iets an-
ders dan roodgloeiende bliksemschichten heeft ge-
had. Maar door zulke onverstandige maatregelen
werd Israël in Egypte tot slavernij gebracht, en nam
de lange reeks van zielsangsten stroomopwaarts en
stroomafwaarts langs den Nijl een aanvang. Zwaar-
der en snerpender kwam de zweep neer, hongeri-
ger en magerder werden de werklieden, luider en
langer stegen de gebeden op, totdat drie millioen
der tot slavernij gedoemden eenparig uitriepen: „Ya,
Allah! Ya, Allah!" („O God! O God!") Maar ein-
delijk en ten laatste kwam er verlossing naar Gods
-ocr page 825-
817
raad door de hand van Mozes, zooals ons beschre-
ven is in Exodus.
Zoo werd de last der verdrukking opgeheven;
maar een andere last van Egypte wordt gevormd
door de woestijnen. Trouwens, Afrika is één groot
werelddeel van woestijnen: de Libysche woestijn,
de Sahara woestijn, woestijnen hier en daar en
ginds, die onafzienbare landstreken van Afrika tot
onvruchtbaarheid veroordeelen, en één dier woes-
tijnen is zelfs drieduizend mijlen lang en duizend
mijlen breed. Maar al deze woestijnen zullen een-
maal door waterstroomen doorsneden en bevloeid
en zoo vruchtbaar gemaakt worden. De Lesseps
heeft gezegd, dat het gedaan kan worden; en de
man die het Suezkanaal ontwierp, dat de Roode Zee
aan de Middellandsche Zee huwde, wist wel wat
hij zeide. Het menschelijk geslacht is zóó vermeerderd,
dat het behoefte heeft aan meer bouwland, en daar-
om moet de wereld hare woestijnen afschaffen. Acht-
honderd millioenen menschenkinderen leven en voeden
zich thans op bodems, die nooit met regens gezegend
worden, maar geheel afhankelijk zijn van besproei-
ing; en door middel van besproeiing wenschen wij
ruimte te maken voor nog andere achthonderd
millioen. Uoor irrigatie- of bevloeiingswerken zal
de profetie vervuld worden, en „de woestijn zal bloei-
en als de roos.\'1\'\' Zoo zal
van Egypte de last des
zands worden afgenomen.
Een andere last, die van Egypte moet afgenomen
worden, is de last van het Mahomedanisme, of-
schoon men toch wel enkele goede dingen aan dien
-ocr page 826-
8i8
godsdienst vindt. Zijne discipelen moeten zich al-
tijd wasschen vóór zij bidden, en dat doen zij vijf-
maal daags. Zindelijkheid is een aanbevelenswaar-
dige deugd. Het gebruik van sterken drank wordt
stellig en beslist verboden door het Mahomedanisme;
en ofschoon sommigen misschien wel eens een
dronken Mahomedaan hebben gezien, zag ik er in
de Oostersche landen nooit een. Het is een gods-
dienst van matigheid. Voorts schamen zij zich niet
wegens hunne godsdienstige ceremoniën. Zoodra
de oproeping tot het gebed zich van de minarets
laat hooren, spreidt de Mahomedaan onmiddellijk
een mat op den grond uit en valt hij op zijne knie-
en , en zelfs de talrijkste menigten toeschouwers
brengen hem daarbij niet in verlegenheid, — een
ernstig verwijt voor menig Christen, die zijn gebed
achterwege laat als de menschen naar hem kijken.
Maar het Mahomedanisme, met zijne veelwijverij,
verpest alles wat het aanraakt. Mahomed, de stich-
ter van dien godsdienst, had vier vrouwen, en
zijne volgelingen zijn vijanden van alle goede en eer-
bare vrouwen. Het Mohamedanisme stortte zijn vloek
uit qver geheel Egypte; en een zondigen Arabier
hooger te plaatsen dan den vlekkeloozen Christus,
is een allesovertreffende godslastering. God helpe
de moedige en zelfopofferende zendelingen, die hun
leven gewijd hebben aan de bestrijding van dien
gruwel!
Maar vóór ik het vergeet, moet ik allen mogelij-
ken nadruk leggen op het feit, dat de laatste mis-
handeling , die uitliep op de verlossing der Hebree-
-ocr page 827-
819
ers, hierin bestond, dat zij gedwongen werden om
steenen te maken zonder stroo. Dat was de laatste
druppel, die den emmer deed overloopen. God
wilde de tyrannie tegen Zijn volk niet verder laten
gaan. Steenen maken zonder stroo!
En die verdrukking duurt nog altijd voort! Van
uwe vrouw een behoorlijke kleeding en een wei-
voorziene tafel te eischen, zonder er haar de noo-
dige middelen toe te verstrekken: steenen zonder
stroo!
Schoolbesturen die in hunne scholen een
nauwgezet en vruchtbaar onderwijs verlangen, zon-
der den onderwijzers een behoorlijk tractement te
geven: steenen zonder stroo! Regeeringen die van
de Kamerleden en rechters en burgemeesters en
politiebeambten een algeheele toewijding aan de pu-
blieke zaak en aan de belangen des volks eischen,
doch tegen een vergoeding die misschien ruim ge-
noeg was in een tijd, toen men met vijfentwintig
cents evenveel doen kon als met een gulden nu,
maar die in dezen tijd niet meer voldoende is om
hun invloed en prestige te bewaren: steenen zonder
stroo!
In vele deelen des lands eischen de kerken
van hunne predikanten gespierde leerredenen en
met hart en ziel vervulde ambtsplichten tegen uit-
keering van een hongerloon. Geestelijke Cicero\'s
tegen duizend gulden \'s jaars: steenen zonder stroo!
Dat is één der redenen, waarom er zooveel misbak-
ken steenen zijn. In alle steden en dorpen en vlekken
vindt ge ongelijke steenen, of steenen die brokkelen,
of steenen die in \'t geheel geen steenen zijn. Behoor-
lijk betaald werk is veel meer waard, dan slechl
-ocr page 828-
820
of onbetaald werk. Méér stroo, — dan komen er wel
betere steenen !
Maar in alle landen en steden zijn er Farao\'s:
somtijds is het Kapitaal een Farao, en somtijds is
de Arbeid een Farao. Wanneer het Kapitaal bloeit
en veel percenten van zijne geldbeleggingen maakt, en
weigert om rekening te houden met de nooden der
werklieden, en hen behandelt als zoovele mensche-
lijke machines, of hunne zenuwen en spieren niet
hooger schat dan de riemen om de vliegwielen in
de fabriek, — dan is het Kapitaal een Farao. Maar
aan den anderen kant: wanneer de werklieden, zon-
der acht te slaan op de zorgen en de finantieele
moeilijkheden der firma waarbij zij in dienst zijn,
en in een tijd als de firma haar best doet om een
prachtige bestelling te krijgen, en zij al hare werk-
krachten noodig heeft om die ten uitvoer te brengen,—
als dan in zulk een tijd de arbeiders een werksta-
king op touw zetten en zij hun patroons de bit-
terste ongelegenheid en de vreeselijkste verliezen
berokkenen, — dan wordt de Arbeid een Farao
van de ergste verdrukking, en heeft hij de oordee-
len Gods te wachten!
Toen ik in December 1889, in het Museun te Bou-
lac (Egypte), de mummiën der oude Farao\'s bezich-
tigde, van diezelfde ongeloovigen die eeuwen lang
als duivels geregeerd hebben, en ik daar hunne
tanden en hun haar en de nagels hunner vingers
zag, en het strak gespannen vleesch over hunne
wangbeenderen, — al de sarcophagen dezer doode
monarchen daar naast elkaar — en ik door dit schouw-
-ocr page 829-
821
spel zóó overweldigd was, dat ik mij slechts met
de grootste moeite van de plek verwijderen kon,
— toen had ik niet de laatsten der Farao\'s gezien.
Farao dacht dat hij iets moois deed, iets slims,
iets afdoends en beslissends, toen hij tot totale uit-
roeiing der Israëlieten in Egypte bevel gaf, dat al de
Joodsche knaapjes vermoord zouden worden. Maar hij
vond het niet zoo mooi en zoo slim, toen zijn
eigen eerstgeborene dien nacht door den engel des
verderfs dood werd nedergeworpen op den mozaïek-
vloer aan den voet der witmarmeren zuilen van
het paleis!
Laat al de Farao\'s daar een waarschuwend voor-
beeld aan nemen. Sommigen van de ergsten hunner
vindt gij op een kleine schaal in de huishoudens,
b. v. wanneer de man, omdat zijn arm sterk en zijne
stem luid is, zijne ongelukkige vrouw tot een leven
van huiselijke slavernij doemt. Er zijn duizenden van
die toestanden, waarin de vrouw levenslang een
slavin is, hare meening onopgemerkt blijft, haar smaak
en haar gevoel beleedigd worden , en haar bestaan één
en al jammer en ellende is, ofschoon de wereld er
misschien niets van weet. Het is een Farao, die
daar zit aan het hoofd van die tafel, en een Farao
die dat huis tyranniseert. Er is geen afgrijselijker
Farao, dan een huiselijke Farao. Er zijn duizenden
vrouwen, voor wie de dood een overgang is uit
Egypte naar KanaSn, omdat zij er door verlost
worden van een wreedaardigen „aandrijver." Welk
een driewerf gevloekt monster is die man, die zijne
vrouw voortdurend beangst doet zijn voor elke uit-
-ocr page 830-
822
gave ten behoeve van het huishouden, en haar telkens
met bezorgdheid doet vragen, hoe zij — zonder
vernederende raadpleging en verontschuldiging —
een vrouwelijk kleedingstuk of iets van de mode-
maakster zal kunnen binnensmokkelen!
En wie is de man, die zoo te werk gaat? Zes
maanden geleden zond hij — om het hart dier vrouw
te winnen — haar bijna eiken dag een ruiker bloe-
men , met een wit lint saamgebonden , begeleid door
een roerend minnedichtje, en nam hij haar mede
naar concerten en schouwburgen, en hielp hij haar
in de trams en de rijtuigen stappen, alsof zij een
prinses was, en liep hij zoo vlug als een haas de
kamer door, om haren zakdoek op te rapen, — en
op den trouwdag zeide hij op alles, wat in het hu-
welijks formulier van hem gevraagd werd: „Ja ik,
van ganscher harte!" met een ernst en een nadruk,
die de bewondering van al de toehoorders gaande
maakte. Maar thans misgunt hij haar drie centen
voor een postzegel, en ergert het hem, als zij op
een regenachtigen dag met den tram gaat, omdat
het loopen niets kost. Hij vindt thans dat zij akelig
dom en onnoozel is, en hij gaat te keer als een
duivel terwijl hij haar toebrult: „Waar heb je dien
nieuwen hoed nu weer vandaan gehaald? Daar
gaat mijn goede geld maar mee op! Waarom staat
er nog niets op tafel? Het is al lang twaalf uur!
Noem je dat koffie? Waarom zit je nu weer te
grienen? Kom, maak wat voort en haal mijn pan-
toffels eens! Waar is de krant?" De toon, de blik,
het ongeduld, de wreedheid — van een Farao!
-ocr page 831-
823
Daarom zien vele vrouwen er zoo schuw en mis-
troostig uit. O Farao! gij moest liever uw ijzeren
hiel van den hals dier vrouw afnemen, anders zal
God u wel helpen, dien hiel weg te trekken! Zij
zegt niets. Om tot eiken prijs een schandaal te ver-
mijden, blijft zij zwijgen; maar hare tranen en jam-
merklachten zijn opgeteekend in een gedenkboek,
waarmede gij voorzeker eenmaal kennis zult hebben
te maken, even zeker als Farao zich had te onder-
werpen aan den hagel en den bliksem en de duis-
ternis en den engel des doods! God heeft nooit of
nimmer aan eenig man het recht gegeven, een vrouw
te tyranniseeren! En welk een Judas van valschheid
zijt gij, om daartoe misbruik te maken van hare
trouwbelofte, nu zij zichzelve niet kan helpen of red-
den, en dat onder beschutting van uw eigen dak,
waardige naneef van Farao den Egyptischen ver-
drukker ! Er is een rampzalige misstand in een huis-
houden, waar de vrouw niet naast, maar beneden
den man staat. Geen plaats op deze wereld voor
nog meer Farao\'s!
Maar de gedachte overweldigt mij met groote
macht en kracht, dat wij allen slaven zijn geweest
daarginds in Egypte, en dat de zonde onze „aan-
drijver" is geweest, en dat wij telkens en telkens
weder hare zweepslagen gevoeld hebben. Doch de
Heere Jezus Christus is onze Mozes geweest, om
ons uit de gevangenschap uit te leiden, en nu zijn
wij voor eeuwig vrij. De Roode Zee van\'s Heilands
offer rolt diep en breed tusschen ons en onze voor-
malige slavernij; en schoon wij nog woestijnen heb-
-ocr page 832-
~>rlZJ2-d>
ben te doorkruisen, tóch zijn wij op weg naar het
Beloofde Land. Gode zij dank voor dit bevrijdende
en verlossende Evangelie! Komt op uit Egypte,
allen gij die daar nu nog in slavernij leeft. Wat
Christus voor ons deed, wil Hij ook voor i\'i doen.
„Exodus!" is het woord. Exodus: uitgang! In plaats
van de steenovens van Egypte, komt in de purper-
roode wijngaarden des Heeren onzes Gods, waar alle
trossen druiven nóg grooter zijn dan die ééne, dien
de verspieders aan de Israëlieten brachten over de
beek Eskol, ofschoon die druiventros reeds zóó
groot was, „dat zij dien droegen met hun tweeën,
op een draagstok."
„Komt nu , arme zondeslaven ,
Komt nu tot Zijn heiige rust!
U te troosten, U te Laven,
Is Zijn wensch, Zijn liefde en lust!" — Amen.