-ocr page 1-
LEESBIBLIOTHEEK
XXXVI* JAARGANG.
N\\ 2
-
GODS LEIDING.
*r
F.ENE BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS VAN SURINAME
IN DE TWEEDE HELFT DER ACHTTIENDE EEUW.
NAAR HET ÜUITSCH
RICHARD ROT HER.
i
s-HERTOGENBOSCH.
MAAT80HAITIJ DK KATHOLIEKE IWiOBTRAïU,.
.
1890/91.
-ocr page 2-
r^m \\^3&fj
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
GODS LEIDING.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
W
T, /. Zs^fZ
GODS LEIDING.
EEN BIJDRAGE
TOT DE
GESCHIEDENIS YAN SURINAME
in de tweede helft der achttiende eeuw
NAAR HET DUITSCH
VAN
BICHABD ROTHER,
BIBLIOTHEEK DER
LSUNIVERSITEIT
UTRECHT
COLL. THOMAASSE
Uitgave van de Maatschappij
DE KATHOLIEKE ILLUSTRATIE.
\'s-Hertogenboseh.
1890.
Bjbfietheel
MWiEÖBfiQfDÉR8 **
-ocr page 8-
-ocr page 9-
I. Zorgende liefde.
De lente tooide opnieuw de aarde en verwekte vruchten be-
lovende bloesems in bosch en veld, op boom en struik. De
welige akkers voorspelden den zorgenden landman een rijken oogst.
En zoo hadden in het voorjaar van 1745 ook de bewoners van
Keur-Saksen wel met blijd» hoop de komende dagen te gemoet
kunnen zien, ware slechts die tijd niet ten gevolge van de on-
heilvolle oorlogsverwikkelingen zoo uiterst treurig geweest.
Zullen niet weder vijandelijke krijgsbenden de akkers vertreden
en onzen geringen levensvoorraad opmaken ? Of zal niet de
minister Brühl er de onvermoeid verlangende hand op leggen als
vergoeding voor de oninbare belastingen ? En al blijven wij
hiervan bevrijd, hoe zullen wij de veldvruchten beschermen tegen
de vrijbuiters, die de oorlog verwekt, tegen al dat verwilderde
gespuis, hetwelk ongehinderd het land afloopt, rooft, brandt,
plundert en moordt naar welbehagen ? Zoo klaagden met recht
de zwaarbeproefde bewoners van het ongelukkige land.
Over dat onrustbarende onderwerp met elkander pratende, wan-
delden twee bejaarde mannen in de eerste ochtenduren van een
schoonen Meidag door van Gods hand rijk gezegende velden. In
den afgeloopen nacht had er een hevig onweder gewoed en zg
wilden zich nu vergewissen of het zonder schade aan te richten
overgetrokken was. Tot hunne vreugde vonden zij hun hoop
-ocr page 10-
6
bevestigd. Bijna scheen het alsof het jonge zaaisel, door de
onweersbui nieuw bevrucht, plotseling hoog opgeschoten was,
bijkans te hoog en te rijk in verhouding tot het vroege jaar-
getijde. Als fonkelende parelen, ais flikkerend edelgesteente lagen
de regeld roppels op de groene, zich naar den hemel verheffende
halmen. Met stevigen tred stapten de beide wandelaars voort.
Vlug en warm stroomden hun de woorden van de lippen, bijna
al te vlug aan den eene, die in zijn hart reeds weder plaats
gegeven had aan de zorgen des levens en op levendige wijze
zijn bekommering uitdrukte, terwijl de andere bedachtzamer,
daarvoor echter des te overtuigender sprak en altijd weder tot
betrouwen op God vermaande, die alle menschelijke zorgen kende
en alles, soms langs de wonderbaarlijkste wegen, tot Zijn doel
leidde. De menschen waren echter dikwijls kortzichtig; altijd
wilden zij de beschermende hand in het bijzonder zien, den
enkelen akker, den enkelen dag zou Hij naar hun zin behoeden,
terwijl Hij toch over een groot geheel waakte en regeerde.
»6a uw geheele leven na, vriend Clemen," ging hij voort,
»reeds dit zal u zeggen, dat God ten allen tijde een trouw Vader
voor u was. Heeft Hij niet het werk uwer handen gezegend,
zoodat gij u uit behoeftige omstandigheden omhoog gewerkt hebt
en velen uwer buren met raad en daad kunt bijstaan ? Hebt
gij ook niet een spaarpenning voor slechte tijden ter zijde
kunnen leggen en heeft God u niet heerlijk gezegend in uwe
familie ? Uw kinderen zijn uw roem ; mij verstrekt het voorwaar
tot eer de peetoom van een hunner te zijn. En uwe echtge-
noote is een dier vrouwen, op wie het woord van Salomon toe-
passelijk is: Zij is veel edeler dan de kostbaarste parel; het
hart baars mans kan zich op haar verlaten."
»Uwe woorden," viel de andere in, terwijl hij staan bleef en
2ijn begeleider vol in het open gelaat keek, »zijn gouden appelen
in zilveren schalen. Dankbaar erken ik, dat God mij rijk gezegend
heeft en niet het minst met een vriend, gelijk gij zijt.\'\'
«Spreek niet van mij I" verzocht de eerste, en met de. hand
op het voor hunne oogen uitgebreide tafereel wijzende, voegde
-ocr page 11-
7
bij er bij: »Evenals de krans het hoofd der gelukkige bruid
tooit, sieren bloeiende boomen in talrijke tuinen onze stad ; de
groene weiden en akkers gelijken het feestkleed, de daar voort-
vloeiende stroom den zilveren gordel. Daar glinsteren in den
zonnestraal de gevelvensters van uw nette woning. Zie, een
vlucht duiven laat zich vertrouwelijk 0|> den nok neder, zoodat
het ook uitwendig reeds van verre als een beeld des vredes ver-
schijnt."
»De Heer heeft hier waarlijk een paradijs geschapen," beves-
tigde de andere, «waar alle menschen in vrede en eendracht
zouden moeten leven ; maar, helaas ! men kan in deze benarde
tijden geen oogenblik ongestoord geluk smaken."
Inderdaad was en is heden nog de Saksische stad Döbeln, want
van deze is hier sprake, door een liefelijke ligging en inzonder-
heid door hare vruchtbare akkers boven vele andere steden bevoor-
recht. En de golven der Mulde, die voorbij ruischen, voort,
voort naar de verwijderde zee, zij zouden wel kunnen getuigen
van goede vreedzame menschen, die hier zeer vlijtig en bedrijvig
hun beroep uitoefenden. Maar de wateren hebben geen tijd om
te verhalen. Verder! verder! murmelen zij en spoedden zich
rusteloos voort. Van het water echter leert zoo menigeen het
reizen ! In den tijd evenwel, waarin onze geschiedenis valt,
ging het reizen niet zoo gemakkelijk en vlug als heden ten dage
met behulp van het snuivende stoomros, en menige eerbare bur-
german werd in zijn laatste kamertje ter ruste gelegd, zonder
ver over de grenzen zijner woonplaats gekomen te zijn
Geheel anders was het met de beide bevriende wandelaars,
den pastoor Johan Sillig en den goudsmid Godfried Clemen, bei-
den uit Dóbeln geboortig. Op jeugdigen leeftijd had gene reeds
het ouderlijke huis verlaten, om elders zijne geestelijke studiën
te kunnen maken, en had elk jaar een gedeelte van zijn vacantie-
tijd besteed om met het valies op den rug en den stok in de
hand over bergen en dalen te zwerven en nuttige kennis op te
doen. Na verloop van tijd als pastoor naar zijn vaderstad ver-
plaatst, had hij een schat van leerrijke reisherinneringen mede-
-ocr page 12-
8
gebracht, waarvan hij gaarne verhaalde en in de familie Clemen,
waar hij dikwijls des avonds een bezoek bracht, vond hij een
zeer aandachtig en erkentelijk gehoor. Het weetgierigste en on-
vermoeidste had zich hierbij echter steeds de nu zeventienjarige
Karel, zijn petekind, getoond. Ook Clemen behoorde niet tot
degenen, die zich al te angstvallig aan den grond der geboorte-
plaats vasthechten. Reeds als jonge meester had hij ingezien,
dat het persoonlijk bezoek der missen (jaarmarkten) voor hem
voordeelig was. Aanvankelijk had hij zijn bedrijf te huis tijdens
die reizen aan zijn omzichtige vrouw moeten overlaten, wier
kennis van het vak er wezenlijk toe bijdroeg dat de zaak meer
en meer in bloei toenam. Mettertijd waren de kinderen groot
geworden. De pastoor had ze geprezen en zij verdienden dien
lof in alle opzichten, de vier zoons en de eenige dochter, die
reeds uit den gezelligen familiekring gescheiden was, zonder bij
den man, wien zij hare hand geschonken had, vergoeding daar-
voor te vinden. Deze, een koopman, was namelijk ondanks vele
andere goede hoedanigheden, een van diegenen, die volstrekt rijk
willen worden en goud en zilver hooger stellen dan ziele-
rust. »Geld moet men hebben," was zijn woord, »aan Gods
zegen is alles gelegen," het hare. Dat verschil in grondbeginselen
bezwaarde menigmaal haar hart ; nochtans kwamen er geen on-
nutte klachten over hare lippen, hoe dikwijls en gaarne zij ook
uit het huis in de naburige straat onder het vaderlijke dak kwam.
Doch keeren wij tot onze wandelaars terug. In druk gesprek
stapten zij door de velden verder. Vader Clemen was gewoon
elke zorg, hetzij klein of groot, die hem beknelde, aan zijn
waardigen vriend mede te deelen en altijd had hij bij diens raad
welgevaren.
»Karel is nog zoo jong," dus zette Clemen het aangevangen
gesprek vooit; »op den ouderdom van zeventien jaar kan men tegen-
woordig ternauwernood meer een kind de wijde wereld laten
ingaan, al is het lichaam groot en sterk ; ik kan het der moeder
niet euvel duiden, dat zij hem niet uit hare oogen wil laten
gaan; de gedachte daaraan beklemt mij zelf het hart.\'
-ocr page 13-
9
»Mij ook, mij ook," viel de geestelijke hem met levendigheid
in de rede, »maar zeidet gij zelf niet, dat Karel bij u niets
meer kan leeren ? Een leergierige geest mag echter niet stilstaan.
En daar gij een goed onderkomen voorloopig voor een jaar voor
hem gevonden hebt, kan hij het daar beproeven."
»Zeer zeker, het onderkomen is goed, beter kan men het zich
bijna niet denken. Meester Glóckner is een der aanzienlijkste
burgers zijner stad, daarbij eenvoudig en bescheiden, goed en
godvruchtig. Bij hem zou de jongen niet alleen nieuws in zijn
handwerk, maar ook goeds voor zijn hart leeren.\'\'
«Gij hebt derhalve gezorgd zooals het de plicht eens vaders
is. Maak van de gelegenheid gebruik ! Een bepaald besluit moogt
gij ten minste niet langer verschuiven ; zoo of zoo ! de jeugd
moet men den weg zoo goed mogelijk effenen. Ik voor mij heb
een afkeer van alle wankelmoedigheid en besluiteloosheid. Wat
gij doen wilt, doe dat spoedig, dat is een oude goede spreuk.
Voor het overige geldt het: Werp uwe bekommernissen op den
Heer!"
»Welaan ! uw woord zal niet tevergeefs gesproken zijn,"
luidde het bescheid, »nog heden wil ik den mijnen uw goeden
raad in deze ernstige zaak mededeelen."
»Mooi zoo!" hernam de pastoor, terwijl hij zijn vriend tot
afscheid de hand reikte, want zij waren juist de stad binnen-
getreden en hunne wegen scheidden zich, sdoch zend eerst mijn
petekind nog eens naar mij toe, opdat ook ik hem op het gewicht
van zijn stap opmerkzaam make."
Gaarne beloofde de bezorgde vader zulks aan zijn waardigen-
vriend.
-ocr page 14-
10
II. De wijde wereld in.
Het was toch een eigenaardig weemoedig gevoel, dat onzen
handwerksgezel beving, toen zijn vader hem na een ernstig
afscheid verlaten had en hij moederziel alleen op de groote heir-
baan stond, die, zeer ongelijk en uitgereden, juist niet vriendelijk
tot een voetreis uitnoodigde. Zij zou hem langs de Mulde stroom-
opwaarts eerst naar het stadje Hosserein, dan over Rossen naar
Freiberg voeren, waar de achtbare goudsmid Glöckner in de Rin-
nengasse woonde. Met ernstige woorden had zijn peetoom hem
daags te voren nog eenige vermaningen gegeven, en toen hij dien
ochtend diens vriendelijke woning voorbijkwam, had de pastoor
hem en zijn vader gewenkt nog even bij hem binnen te treden.
Hij had Karel een klein in leder gebonden kerkboekje ter hand
gesteld met de woorden : «Lees dikwijls in dit boek, beste jon-
gen, en vergeet niet wat mijne hand op de eerste bladzijde ge-
schreven heeft: Redenk, dat God u overal ziet!"
Met heete tranen had de moeder hem telkens en telkens
weder aan haar hart gedrukt en hem met liefkozingen overladen,
als ware hij nog een klein kind geweest ! Nog klonken hem hare
laatste door tranen bijkans verstikte woorden luide in de ooren :
sVt-rgeet den goeden God niet !"
Daarna hadden de broeders en de zuster hem omarmd en een
ieder had hem een zegenwensch op zijn weg medegegeven. Frits
had met fiere blikken den netten reiziger in reiskleeding met
het ransel op den rug en den stevigen stok in de hand beschouwd
en hem daarop zacht toegefluisterd, alsof de moeder het niet
hooren mocht:
«Spoedig volg ik u, lieve, beste broeder I"
Een eindweegs door zijn vader vergezeld, had hij de reis
begonnen; nu waren ook diens laatste vermanende woorden
door hem vernomen. Een poos stond Karel nadenkend stil,
als moest zyn voet zich keeren en hem terugvoeren naar
-ocr page 15-
11
den verlaten huiselijken haard. Het water ruischte en ruischte,
de vink in den naast bijzij ruien beuk schetterde vroolijk een lok-
roep daartusschen : de stralen der ochtendzon verguldden als
geluk voorspellende akker en bosch. Zijn weekhartigheid met ge-
weld onderdrukkende, wischte hij de opwellende tranen uit de
blauwe oogen en stapte vastberaden voort. Menigen vriendelijken
groet hoorde bij van de eenvoudige landlieden, die hij ontmoette
en welgemeend klonk de wensch: »God behoede dien jongen
bloed voor slechte gezellen !"
Weldra echter zou hij, helaas ! met zulk een te doen hebben.
Na een vermoeiende dagreis had een eenvoudige dorpsherberg
hem een wel is waar net en zindelijk bed verschaft, maar in
dezen eersten nacht had hij onder vreemde menschen geen ver-
kwikkende rust kunnen vinden. Om deze reden had hij op den
tweeden dag zijner voelreis, ofschoon niet ver meer van zijn doel
verwijderd, aan de vriendelijke uitnoodiging van een lommerrijk
plekje tot het nemen van cenige minuten rust niet kunnen weer-
staan. Hij had zich derhalve in het gras nedergevleid alsof hij
slapen wilde. Van dien vermeenden slaap hadden brutale dieven-
handen gebruik willen maken om zich ongemerkt zijn ransel toe
te eigenen. Maar Karel sprong terstond op, en vergold dit den
schavuit met zulke krachtige stokslagen, dat diens luide kreten
weldra een deftig burgerman, die zijn akkers bezichtigde, en een
veldwachter, die op surveillance uit was, deden toesnellen. Terwijl
Karel met vau kwaadheid trillende stem het gebeurde verhaalde,
had de veldwachter den stiaatroover reeds geboeid. Dit alles was
zeer snel in zijn werk toegegaan, te onverwacht snel ook wel
aan den dief, wiens oogen nu met ware tijgerwoede op den jon-
gen handwerksgezel gericht waren, terwijl koeterwaalsche gelui-
den uit zijn mond klonken Overigens vertoonde de dief een
wonderlijken aanblik. Zijn kleeding was die van een bedelaar,
doch men kon aan enkele stukken zien, dat het de droevige,
morsige overblijfselen waren van een uniform. Om zijn hoofd was
tuLbandsgewijze een gescheurde sjaal gewonden. Zijn gestalte was
.zwak en met die van Karel niet te vergelijken.
-ocr page 16-
12
Terwijl uit zijn jammergeschrei duidelijk verstaanbaar klonk
«Arme Wolko honger hebben; booze man dadelijk slaan; o
"VVolko goed zijn I" wendde de burger, die intusschen naderbij
gekomen was, zich tot den van verontwaardiging bevenden Karel,
en sprak :
«Hallo ! wat gebeurt hier? Moord en doodslag in de nabijheid
der stad ?"
»Hij wilde mij berooven, mijnheer,\'\' riep Karel driftig uit;
«hij meende, dat ik sliep en stak driest de hand naar mijn ran-
sel uit."
»Dat wil ik gaarne gelooven," luidde het antwoord, »maar
gij sloegt toe als een wilde, wien het op een menschenleven niet
aankomt. Een Samson tegen een half verhongerden gezel. Zie
maar eens, hoe de man met knikkende knieën voortstrompelt."
De veldwachter was met zijn nog steeds luid jammerende ge-
vangene reeds eenige schreden voort op den weg naar de stad;
zij konden het gesprek der achter hen loopenden niet verstaan.
«Mijnheer," zeide Karel, »ik kon het ergste van hem duchten,
en nood kent geen wet \'"
»Zoo, zoo ! dat is een veelzeggend woord en past voortreffelijk
in den mond der jeugd, die maar al te lichtvaardig tot daden
overgaat."
Wrevelig keek Karel zijn begeleider aan, die er in zijn langen
bruinen rok van fijn laken zeer waardig en deftig uitzag. Hij
meende, dat zijn kordaatheid eerder lof dan berisping verdiend
had. Half gekrenkt, half beschaamd, zweeg hij stil. Vergoelijkend
zeide nu de burger :
»Hoor eens, jong mensch, ik wilde je niet krenken, je heb je ver-
weerd gelijk een ander het wellicht ook gedaan zou hebben. Het is
God geklaagd, dat er zulke erge toestanden in ons schoone vader-
land heersenen en zoo talrijke vagebonden en roovers de wegen
onveilig maken. Die daar is er nog geen van de ergste soort ;
hij draagt ten minste geen wapens. Doch wie zijt ge ? Van-
waar komt ge ?"
Beleefd gaf Karel de verlange inlichting en waagde daarna
-ocr page 17-
13
van zijn kant ook een vraag, namelijk of de heer den leermeester
kende, naar wiens huis hij zich begaf, den heer Glöckner in de
Rinnengasse. Met scherp onderzoekenden blik monsterde de
burger den handwerksgezel, dan eerst volgde het bedachtzame
antwoord :
»Hm ! ja, dat is er zoo een van den ouden stempel. De ge-
heele week wordt er van den vroegen morgen tot den late»
avond gewerkt en des Zondags gaat het \'s morgens en \'s middags
naar de kerk en daarna met de huisgenooten, dat wil zeggen,
niet enkel met het gezin maar ook met de gezellen en leerlingen,
naar buiten; in den winter echter, of als het weder ongunstig is,
zitten allen bijeen in de huiskamer van den meester en wordt er
uit een stichtelijk boek voorgelezen of gezellig gepraat. Naar
het mij voorkomt, kan zulk een leven je niet bevallen, jonge
vriend ; welnu, kom bij mij, ik ben ook een goudsmid en geld
geen jote minder dan Glöckner. Je bevalt me. Hier de hand!
Sla toe !"
Karel weerde de hand af en sprak : »Gij hebt gelijk, veel in
huis zitten valt niet in mijn smaak; doch meer heb ik ook
niet verwacht dan op mooie Zondagen naar buiten, misschien in
het bosch, langs de rivier of naar een naburig dorp te mogen
gaan en het lezen van goede boeken is een mijner grootste uit-
spanningen, vooral wanneer dikwijls een reisverhaal aan de beurt
komt. Bovendien heb ik aan mijn goede ouders beloofd, bij den
heer Glöckner te gaan werken. Aanvaard evenwel mijn harte-
lijken dank voor uw ongetwijfeld goedgemeenden voorslag."
»Ik prijs je daarvoor," luidde het op vriendelijken toon
gegeven antwoord, »je ben op den goeden weg. Denk slechts
niet te veel aan verder reizen ; een schaduwzijde daarvan heb je
zoo even leeren kennen.\' Doch zie, hier zijn we aan de poort en
men verhoort juist onzen misdadiger."
Zij gingen binnen en gaven de verlangde inlichtingen omtrent
den gevangene, die door luid jammeren medelijden wilde opwekken,
waarbij hij zich herhaaldelijk Wolko, en Karel den boozen, dade-
lijk slaanden man noemde. Nadat ook Karels papieren nagezien
-ocr page 18-
14
en in orde bevonden waren, kon hij ongehinderd met zijn bege-
leider verder gaan, terwijl de weeklagende Wolko naar de gevan-
genis gebracht werd.
De burger voerde zijn jongen vriend regelrecht naar de Rin-
nengasse en bleef voor een deftig huis staan. Een meisje, nog
in de kjnderjaren, zat onder de rondboogdeur, welker vleugels
openstonden, en spon goudgeel vlas.
«Dag, vader!" riep zij verheugd. Terwijl zij opsprong, zag zij
zijn begeleider ; vragend keek zij haar vader aan.
»Hildegarde," zeide deze, »ik breng een nieuwen huisgenoot,
reik hem de hand ter verwelkoming !"
«Wees welkom !" dus sprak zij nu harerzijds vriendelijk den
vreemdeling aan en reikte hem de hand.
«Wat beteekent dat ?" vroeg Karel verbluft; »ik uw huisge-
noot ? Gij vergist u, mijnheer, ik moet bij meester Glöckner zijn."
»Je staat voor hem, mijn zoon ; ik zelf ben meester Glöckner
en de vriend van je vader en dat is mijn eenige dochter, mijn
vlijtige Hildegarde !" Plechtig voegde hij er bij: »Karel Clemen,
God zegene je komst in mijn huis !"
»Gij zelf zijt meester Glöckner ?" klonk het blijde uit Karels
mond, »o ! hoe gaarne neem ik bij u mijn intrek, indien gij mij
nog aannemen wilt."
De meester nam hem bij de hand en voerde hem eerst naar de
werkplaats, opdat hij daar, naar handwerksgebruik, zijn belofte af-
leggen en begroet zou worden. Daarna bracht hij hem naar de
huiskamer, waar Hildegard hem reeds bij haar moeder aangemeld
had. Hij noodigde hem uit zich hier als te huis te beschouwen;
hij werd zelfs bij zijn voornaam genoemd en zoo moeten ook wij
hem voorloopig nog Karel blijven noemen. In zijne ontmoeting
op den openbaren weg, bij de stad, die natuurlijk besproken
werd, namen moeder en dochter zeer beslist voor hem de partij
op en billijkten volkomen zijn kordate handelwijze. Toen hij
des avonds in zijn kamertje volgens zijn gewoonte zijn avondgebed
verrichtte, kon hij God met een oprecht hart voor Zijn vaderlijke
leiding danken. Met innige liefde gedacht hij tevens in zijn
-ocr page 19-
15
gebed zijne zorgende ouders. De ziedende gramschap tegen den
vermeteien gezel was vervlogen. In een streng zelfonderzoek
vroeg hij zich daarentegen af, of hij niet al te hard met zijn
belager in het gericht getreden was. Deze echter lag met wraak-
zuchtige gedachten tegen hem vervuld in zijne cel.
III. In de bergstad.
De kroniek verhaalt dat de protestantsche geestelijkheid te
dier tijde een overgrooten bekeeringsijver aan den dag legde.
Ook die der stad Freiberg deed niet voor die van andere plaatsen
onder.
Wolko, een sluwe, doortrapte kerel, werd spoedig gewaar, hoe
en waardoor hij zich het beste de gunst van hoogmogende heeren
verwerven kon. Hij gaf voor een Turk te zijn, die als Oosten-
rijksch deserteur ver weggevlucht was; bedelende, nooit stelend
had hij zich tot voor deze stad voortgesleept, voor welke hem op
zijne bede om een stuk brood tegen den hem folterenden honger
onverdiende slagen gegeven werden; het beste bewijs zijner
onschuld was, dat hij geen wapens bij zich had. Na een be-
trekkelijk korte gevangenschap gelukte het een ijverig leeraar,
hem ten minste voorloopig aan alle straf te onttrekken en wel
vooreerst zoo lang tot de onwetende Turk de leer van het christen-
dom eenigermate begrepen had. Dat Wolko nochtans eenige
dagen achter slot en grendel op water en brood gevangen moest
zitten, verhoogde wel zijn wraaklust tegen Karel, maar goed be-
schouwd was dat in het geheel geen straf; want zoo geregeld en
zonder zorg had hij in ieder geval in langen tijd niet geleefd ;
ook was hem na een degelijke wassching een ordentelijke, zin-
delijke kleeding gegeven, terwijl men zijne lompen uit verklaar-
bare vrees voor besmetting begraven had. Dit zag de ondank-
-ocr page 20-
1G
bare kerel echter niet in. En terwijl hij onderricht ontving in
den godsdienst, die liefde leert, voedde hij in het geheim een
gloeienden haat tegen Karel. Daarbij deed hij zich als vroom eH
goed voor zoodat hij kort daarna gedoopt en den naam van
Ghristaan Frederik Wohlfahrt ontving. Voorname heeren waren
de doopborgen en begiftigden hem rijk, desgelijks vele lieden van
stad en land, die tot de heinde en verre bekend gemaakte plech-
tigheid toegestroomd waren.
Bij de Glóckners stelde men geen vertrouwen in den nieuwen
christen en Karel het allerminst. Zonder juist te kunnen
zeggen, waarom, ging hij hem zoo veel mogelijk uit den weg ;
«en onbestemd voorgevoel zeide hem, dat hem van deze zijde nog
onheil zou berokkend worden. Met grimmige blikken, keek de
nieuwbekeerde hem na, als het toeval hen elkander deed ont-
moeten. Steeds spionneerde Wohlfahrt om te ontdekken of Karel
een herberg bezocht; doch dit was tevergeefs. Herhaaldelijk
zag men hem ook in den omtrek van Glóckners huis rondzwerven
en eens zelfs had hij Hildegard tusschen licht en donker in
de gang van het huis plotseling aangesproken, zonder dat zij
hem had hooren binnenkomen. Het meisje was geweldig verschrok-
ken en had dadelijk om vader geroepen en toen was hij haastig
weer verdwenen. Sedert dien tijd ging meester Glöckner zich
iu den schemeravond zelf overtuigen of al de deuren en venster-
luiken goed gesloten waren.
Ondanks de nabijheid van dien man achtte Karel zich geluk-
kig, dat de zorgende liefde zijns vaders hem naar Freiberg ge-
voerd had. In Glockner\'s werkplaats leerde hij nog kunstiger en
fijner zaken vervaardigen dan te huis, en de waren van Glöckner
stonden tot in verwijderde streken in goeden roep; van de kunst-
vaardige gezellen, die hem gaarne mochten lijden, leerde hij veel,
en de familie Glöckner behandelde hem zoo lief en vriendelijk, als
ware hij er een lid van. Dikwijls was het hem als zat hij te
huis te midden der zijnen en rustten de oogen zijner ouders op
hem. Gaarne nam hij aan de wandelingen der familie deel.
lief waren hem ook de uren, waarin uit een goed boek voor-
-ocr page 21-
17
lezen werd. Meester Glöckner bezat een voor dien tijd aanzien-
lijke bibliotheek, waarin men de beste toenmalige gesehriften
vond. Meester Glöckner was een minnaar van boeken, bezat
de bekwaamheid om ze met oordeel te koopen en behoefde niet
angstig naar den prijs te vragen. Daarbij had hij een broeder
in Leipzig, die daar een aanzienlijke betrekking bekleedde ; deze
zond hem menig voortreffelijk werk. Ook woonde er een wezen-
lijke dichter in zijn huis, die aan het nuttige gaarne het schoone
paarde.
Weinigen zullen den dichter Enderlin kennen, die in 4 710 te
Freiberg geboren, van jongsaf blind was, het echter door zijn
rusteloozen vlijt vereenigd met een voortreffelijken aanleg zoover
bracht, dat hij in 1734 de universiteit te Leipzig bezoeken en in
het recht en de wijsbegeerte studeeren kon. De geldmiddelen
hiertoe waren meerendeels uit het huis der Glöckners gekomen,
eerst van den vader, daarna van den zoon, den tegenwoordigen
meester. In zijn vaderstad teruggekeerd, had hij een gastvrije
opname gevonden in het ruime huis, dat nu ook Karel herbergde.
Zonder veel daarmede te kunnen verdienen, hield hij zich toch
vlijtig met dichten bezig. Op den voor alles edele ontvankelijke
Karel oefende de kiesche geest van dezen armen blinde en zijn
zoo navolgenswaardige volharding en geestkracht een grooten in-
vloed uit.
Toen het jaar van zijn verblijf in Freiberg ten einde liep en
hij zich tot verder trekken begon voor te bereiden, overmeesterde
hem ondanks alle reislust een zelfde weemoedig gevoel als het
jaar te voren in Döbeln. Allen in huis deed het leed, dat hij
nu scheiden wilde.
Op zekeren Zaterdagavond in de maand Mei trad hij voor het
laatst uit de werkplaats. De meester gaf hem een getuigschrift
waarover hij wel reden had zich te verheugen. Des Maandags
morgen vroeg, als alles in huis nog sliep, met het eerste gezang
van den leeuwerik, wilde hij zijn handwerksreis hervatten en wel
Thuringen in, dat ook zijn vader op diens handwerksreis in zijne
jeugd doorkruist had.
2
-ocr page 22-
18
Behoedzaam liep hij des Maandags de trap af naar beneden.
Daar stonden vader en moeder Glöckner aan de deur der huis-
kamer en noodigden hem voor de laatste maal aan de eiken-
houten tafel, die Hïldegard voor aet ontbijt gedekt had. — Daarna
klonken tot afscheid van weerskanten hartelijke groeten en zege-
wenschen. Met treurigen blik reikte hem de dochter des huizes
een tuiltje dat zij zoo even in den tuin geplukt had. Tranen
blonken in aller oogen. Buiten ontvingen hem zijne kameraden ;
geen een ontbrak er. Zij namen hem in hun midden, dan ging
het de straat af. Al zwakker en zwakker klonk hun lied de
familie Glöckner, die aan de deur staande den vertrekkende na-
oogde, in de ooren :
Een bloem op den hoed eu den reisstaf ter hand,
Trekt lustig de zwerver van lande tot land,
Betreedt vele wegen en ziet menig oord,
Maar zit nauwlijks neder of moet weder voort.
Wat lieflijke hloemen langs \'t voetpad ook staan,
Hij kan ze niet plukken, voorbij moet hij gaan.
Zij bloeien zoo heerlijk en lonken hem toe,
Maar steeds moet hij voorwaarts, al wordt hij \'t ook moe.
IV. O ! welk een vreugd soldaat te zijn!
Buiten de stad gekomen zette Geinen, zoo willen wij Karel
voortaan noemen, zijn handwerksreis in westelijke richting voort.
Hij kon zich niet genoeg vermeien in de wonderen, die God in
berg en bosch, in stroom en veld uitgestrooid had. Zoo verstre-
ken lente en zomer. Uij het begin van den winter had hij het
geluk te Arnstadt opname te vinden in een huis, waarin eens in
vroegere jaren zijn vader op zijn handwerksreis voor langeren tijd
gewoond had. De bejaarde echtelieden herinnerden zich nog recht
goed dien tijd en even vol als zij van den lof des vaders waren
-ocr page 23-
19
zoo lief kregen zij nu ook den zoon. Hoe goed God dat geleid
had, toonde zich weldra zeer duidelijk. Cleinen werd onverwachts
door een lieete koorts aangetast, wilde droombeelden woelden
door zijn brein, en in de ergste nachten moest een zoon van den
meester, een handwerksman in dezelfde stad, voor het bed waken
en hem met geweld daarin terughouden. Zonder de zorgvuldige
verpleging, die hem hier te beurt viel, zou hij waarschijnlijk niet
in het leven gebleven zijn. Langzaam herstelde hij eindelijk en
zijne krachten keerden terug. De geneesheer verbood hem echter
voor langen tijd allen inspannenden arbeid. En toch moesten zijn
bescheiden geldmiddelen uitgeput,zijn, zooals hij dit, nadat zijn
bewustzijn teruggekeerd was, gemakkelijk berekende. De brave
echtelieden geboden hem echter in den beginne daarover te zwijgen
zoo dikwijls hij er naai\' vroeg; hij moest eerst hersteld wezen,
gaven zij voor. Doch hij wilde hun niet langer tot last zijn en
zijn vermeende schuld nog vergrooten. Op zijn herhaald, dringend
verzoek rekenden zij eindelijk met. hem af. Terwijl hij echter
gemeend had, dat hem niets anders zou overschieten dan zijne
ouders te verzoeken hem geld te zenden, wisten de goedhartige
oudjes de rekening zoo te maken, dat hem van zijne contanten
nog eenig geld restte, waarmede hij het wagen kon zijn reis te
aanvaarden. Hij nam zich evenwel vastelijk voor zulke liefde te
vergelden zoodra het slechts in zijn vermogen zou zijn.
Zoo was hij uit een groote verlegenheid en nood gered, want
in dien tijd was het een omslachtige en door den oorlogstoestand
zeer onzekere zaak op grooten afstand geld te verzenden in weer-
wil dat, vooral in Saksen, na uitvaardiging van de eerste alge-
meene postregeling in het jaar 1710, het postwezen op lofwaar-
dige wijze ingericht was en het ook van koning Frederik Wil-
helm I (1713—1740) bekend is, dat hij na het militaire zijns
volle aandacht wijdde aan de post en haai\' »de olie van de ge-
heele staatsmachine" noemde. Na een hartelijk afscheid van de
goede menschen, die hem in Arnstadt verpleegd en geherbergd
hadden, nam Clemen den reisstok weder ter hand. De lente, die
buiten weder lachte, schonk hem spoedig nieuwe levenskracht
-ocr page 24-
20
en levenslust terug. Hij besloot het noorden in tot naar de
hoofdstad van Denemarken, Kopenhagen te trekken. Hij schreef
dit omstandig naar huis, gelijk hij ook niet in gebreke bleef den
zijnen uitvoerig het verloop zijner ziekte en de zorgvuldige ver-
pleging, waarvan hij het voorwerp geweest was, mede te deelen.
Wet vele hartelijke groeten en zegenbeden voor allen, die hem
dierbaar waren, ouders, familie en vrienden, eindigde hij den brief
en niemand vergat hij. — Weldra verliet hij de liefelijke dalen
van het Ttiuringer land, trok het schoone Hartzgebergte door om
zich eindelijk in Hildesheira voor een langeren tijd op te houden.
Hier zou een gewichtige verandering in zijn leven tot stand
komen. Met den goud- en zilverarbei.1, zoowel kunstige als een-
voudige, zag het er in Hildesheim zeer ongunstig uit. Clemen
verdiende ternauwernood zoo veel als hij voor zijn onderhoud
noodig had, ofschoon hij slechts zeer bescheiden behoeften had.
Uit verscheidene landen daarentegen waren er vverfofficieren
»
               aanwezig, die het geld lustig in hun zakken lieten klinken en
goedgevormde jongelieden in hunne netten zochten te vangen.
Het kon niet missen of ook de krachtige Clemen werd door hen
ijverig aangezocht om dienst te nemen. Er was in de eerste
plaats een Deen, die hem mededeelde, dat er in geheel Dene-
marken voor hem niets te verdienen was, daar heerschte in alle
vakken nog grooter slapte dan in Duitschland. Clemen echter
stelde geen volledig vertrouwen in den Deen. Wel bevestigden ook
andere lieden wat deze over de slechte verdiensten in zijn-land gezegd
had, maai\' als soldaat wilde Clemen toch niet met hem medegaan.
Meer en meer maakte hij zich evenwel vertrouwd met de ge-
dachte, dienst te nemen als soldaat tot de tijdsomstandigheden
zich gebeterd hadden. Vele andere jongelieden zag hij in de ge-
Jederen der soldaten treden en hiermede den besten weg inslaan
m de nadeelige gevolgen van den oorlogstoestand te ontgaan.
•Of zou hij huiswaarts keeren, het getal der daar leegloopende
handwerkslieden vermeerderen en het vaderlijke vermogen mede
helpen opteren ? Dit kwam hem het minst raadzaam voor.
Daarbij kwam dat hij een Hollandschen werfofficier, Alkhaven
-ocr page 25-
21
genaamd, had leeren kennen, die een zeer rechtschapen man was
en alle oneerlijke praktijken, gelijk die anders bij de wei fbureau\'s
in zwang zijn, vermeed. Met dezen verbond hem een innige,
wederkeerige vriendschap, zoodat ten slotte beiden als broeders
met elkander omgingen en elkander hun levensgeschiedenis ver-
haalden. Daardoor vernam Clemen, dat Alkhaven geen naaste
bloedverwanten bezat en enkel nog een oom van hem in Suriname,
een verre Nederlandsche kolonie aan gene zijde des oceaans,
leefde. Dezen was het daar zeer goed gegaan ; als vermogend
man zou hij welhaast in zijn vaderland terugkeeren.
sllet vaderland blijft toch het vaderland !" voegde Alkhaven
er bij ; »gij kunt u niet voorstellen hoezeer ik mij over mijn op-
handen terugkeer in mijn vaderland verheug !" Daarop verhaalde
hij zooveel van de schoonheden en voortreffelijkheden daarvan, waarbij
de kunstzin en den rijkdom der bewoners niet onvermeld bleven,
roemde zoo welsprekend alle eigenaardigheden van land en men-
schen, dat Clemen dit land een bezoek overwaardig begon te achten.
Om kort te gaan, op zekeren dag trad hij vastbesloten bij zijn
vriend Alkhaven binnen en bood zich voor den Nederlandschen
krijgsdienst aan. Hoe welkom dezen zulks ook zijn moest, was
hij toch van een veel te onbaatzuchtige natuur om niet te zeggen :
»Beste Clemen, gij weet dat ik u nooit tot zulk een stap heb
willen verlokken ; de soldatendienst is een harde dienst; daarbij
staat er oorlog met het roofzuchtige Frankrijk voor de deur. Gij
hebt mij verteld dat uwe ouders en andere vrienden u vóór alles
groote bedachtzaamheid aanbevolen hebben. In hun naam ver-
maan ik u : Eerst overwegen, dan wagen."
»Ik heb lang genoeg overwogen, nu wil ik wagen !:\' was het
korte bescheid. Een krachtige handslag bezegelde het voornemen
en met het aannemen der gebruikelijke dertig gulden als hand-
geld had Clemen zich onherroepelijk verbonden. Alkhaven ver-
raste hem met een aanstelling van korporaal, beloofde hem voor
den anderen morgen reeds de uniform en zette toen eenige fles-
schen goeden wijn op tafel. Onder vroolijk gekout werden deze
geledigd en keerde Clemen met een tamelijk zwaar hoofd uaar
zijn woning terug.
-ocr page 26-
22
V. Bange dagen.
Den volgenden ochtend ontwaakte Clemen met schrik uit een
benauwden droom. Strijdgewoel had hem omgeven ; een woest
uitziende man had een groot mes tegen hem opgeheven, \'waarbij
hij te gelijk met een vreemden tongval geroepen had :
»Je heb je verkocht voor dertig gulden, je zelven verraden,
sterf dus !"
Met een luiden angstkreet schrikte hij uit zijn slaap wakker.
Een gedaante stond voor zijn bed ; hij meende dien vreeselijken
vijand te zien. Het was echter Alkhaven, die hem kwam wekken.
»Oen je ziek?\'\' vroeg hij Clemen bezorgd; »dat zou zeer te
ongelegener tijd komen."
»God zij dank, dat jij het ben ! dat was een kwade droom !\'"
sprak Clemen met een zucht van verlichting. Vlug sprong hij ui,t
zijn bed.
»Naar ik zie ben je gelukkig goed gezond," ging Alkhaven
voort: «luister dus: hedennacht is er een koerier aangekomen.
De Franschen zijn in ons land gevallen ; morgen reeds moeten
wij op marsch zijn; vandaag moet ik nog manschappen aanwer-
ven zooveel ik maar kan ; kom mede, gij zult mij behulpzaam
zijn ! Hier in dit pakket heb ik je uniform meegebracht, die je
naar ik hoop passen zal."
Weldra was Clemen gekleed. De uniform stond den forsnh ge-
bouwden jonkman goed. Alkhaven zette hem zijn plan uiteen.
Clemen zou dien dag het in de stad opgerichte werfbureau waar-
nemen, terwijl hij om aan de ontvangen bevelen zooveel mogelijk
te voldoen en talrijke jongelieden aan te werven, in den omtrek
zou uitzien.
»Spaar je handgeld," vermaande hij nog, »koop niets; je
kon het nog goed noodig hebben !\'\'
Tegen den avond keerde Alkhaven terug, een tamelijk aantal
nieuw aangeworvenen medebrengende; doch deze schenen hem
over het algemeen weinig te bevallen ; barsch verwees hij hen
-ocr page 27-
23
naar de binnenplaats van het huis, waarin het werfbureau ge-
houden werd, dat Clemen dien dag had waargenomen.
»In tijd van nood eet de duivel vliegen,\'\' zeide hij ontstemd,
toen Clemen hem had medegedeeld, dat zich niemand had aan-
gemeld en hem daarop naar de uitkomst zijner eigene werving vroeg.
»Ga met mij naar buiten, ik zal je de kerels toonen."
Hij bracht hem op de plaats, waar de nieuwe kameralen zich
voor het meerendeel op den harden grond hadden uitgestrekt,
dien zij met het kostelijkste bed schenen gelijk te stellen, te oor-
deelen naar de plek, die zij daartoe uitgekozen hadden.
»Zij hebben bijna allen hun handgeld op onwaardige wijze ver-
brast en zich beneden het redelooze dier gesteld, dat slechts
drinkt om zijn dorst te lesschen," gromde Alkhaven ; «doch laat
ze maar liggen ; de nacht is zacht en binnen weinige uren mar-
cheeren wij af."
Clemen wendde zich van dat schouwspel af. Daar zag hij voor
zich een man, die hem met gloeiende oogen onheilspellend aan-
staarde. Dat was de gedaante van zijn droom, dat was echter
ook de arglistige kerel van de heirbaan bij Freiberg en die
spionneerende gluiper rondom het huis van Glöckner, kortom,
het was de christen Wohlfahrt, de voormalige Turk Wolko.
Clemen sprong zoo haastig terug als had hem een giftige adder
gestoken.
»Ken je hem ?" vroeg Alkhaven.
» Heb je dezen man ook aangenomen ?" vroeg Clemen daarentegen.
»Ja, ik heb hem voor de helft van het handgeld kunnen krijgen."
»Vast en onherroepelijk ?"
«Voor dezen oorlog, bepaald."
Zwijgend keerde Clemen zich om en ging het huis weer binnen;
verwonderd volgde hem Alkhaven. Wohlfahrt hief dreigend de
vuist achter hen op en mompelde kwaadaardige woorden.
»Ken je dien man ?" vroeg Alkhaven zijn vriend in de kamer
nogmaals.
»Dat is de eenige vijand, dien ik bij mijn weten op aarde heb;
dat is Wolko, nu Wohlfahrt geheeten, van wien ik je verhaalde,"
-ocr page 28-
24
riep Clemen; »met een schurk kan ik niet te zamcn dienen,
neen, neen ! geef mij mijn woord terug !"
Treurig zag Alkhaven den opgewonden jonkman aan.
»Verlang eerder mijn dood," sprak hij ernstig, »dan dat ik
mijn eed breke. Je bent en blijft soldaat zoowel als die man,
dien je overigens als korporaal niet te vreezen hebt evenmin als ik.\'*
«Vreezen ?" riep Clemen, »dat is het ware woord niet, ik ver-
afschuw hem, want hij evenaart een giftige slang. O ! had ik
mijn woord terug!"
»Je bezit altijd nog een te hartstochtelijke geaardheid, een te
licht opbruisenden toorn, die het kind beheerschen. Ik herinner
mij zeer goed, wat je me van dien man gezegd heb. Zulke
vijandschappen komen in het leven nog meermalen voor. Het
zou er erg uitzien als een verstandig mensch zich daardoor vrees
\'iet aanjagen en niet rustig en onvermoeid zijn weg wilde ver-
volgen. Daarbij gelukt het mij zeker," voegde Alkhaven er bij,
»hem na onze aankomst in het leger in een andere compagnie te
doen overplaatsen, dan is de steen des aanstoots geheel en al
verwijderd."
Hoe bont het gezelschap ook van alle. kanten bijeengeraapt
was, dat onder de leiding van Alkhaven en Clemen des anderen
daags vroegtijdig uit Hildesheim rukte, toch werd er een lied
gemeenschappelijk aangeheven. Ruw waren de keelen en toch
drong het diep in Clemen\'s hart, wat de vrijwilligers zongen :
„Kaptein !" zoo riep de moeder,
Al schreiend aau zijn deur.
„Och, geef mijn zoon mij weder!
„Ach stel mij niet te leur !"
„Al wildet gij hem koopen
Met al uw goed en geld,
Uw zoon moet eenzaam sterven
Op \'t bloedig oorlogsveld!"
bAIs mijne moeder mij thans eens zag gaan," zeide hij neer-
slachtig bij zich zelven, »in gezelschap van den slechten kerel, die
-ocr page 29-
25
mij met zijn haatdragende blikken vervolgt! Of ook zij niet den
kapitein zou opzoeken ? Of vader niet zou zeggen : Mijn zoon, eerst
wegen dan wagen ? Ware het niet beter geweest als ik dit-
maal langer gewogen had ?"
Zoo peinzende en mijmerende, zijn benauwden droom voort-
spinnende, stapte hij aan Alkhaven\'s zijde voort. Deze liet hem sti\'
begaan in de meening, dat hij vanzelf zijne dwaasheid zou in-
zien van zich iets aan zijn vijand te laten gelegen liggen. Vol-
gen wij dit voorbeeld en keeren wg voorloopig naar de geboorte-
plaats van Karel terug.
* »
»
De Silesische oorlogen, welker geschiedenis wij ter zijde laten,
hadden volgens de eigen berekening van Frederik den Groote
aan het rampzalige land van Saksen 40 a 50 millioen thaler
aan oorlogschatting afgeperst, waarbij de onberekenbare sommen
niet medetellen, die door brand en vernieling en door inkwar-
tiering van de verbonden troepen verslonden werden. Waar vlijtige
en gelukkige menschen geleefd en gewerkt hadden, zag men steen-
hoopen en bouwvallen, treurige overblijfselen van de vroegere
welvaart hunner bezitters, den Saksischen minister Brühl aan-
klagende als den hoofdaanstoker van den tegen woord igen oorlog.
Steden en dorpen waren verarmd, tallooze woningen in de asch
gelegd, akkers en velden verwoest, hongersnood en ziekten heersch-
ten alom. Alle crediet was vernietigd, het muntwezen verkeerde
in de grootste verwarring, justitie- en politiewezen in ontzettende
wanorde. Steeds waardeloozer wordend geld werd tegen de volle
waarde uitgegeven, om later tegen een derde deel weer inge-
wisseld te worden; ongestraft oefenden valsche munters en die-
venbenden hun bedrijf uit. Zoo werd het land totaal uitgeput.
Een donkere bladzijde in de geschiedenis van Saksen is de tijd
van Brühl, die bij al het ongeluk zijner landslieden aan een on-
gehoorde verspilzucht den lossen teugel vierde en zich zelven en
zijne gunstelingen nog wist te verrijken.
-ocr page 30-
2G
Hoe treurig zag het er ook in Dóbeln uit! Droevig en be-
kommerd weidde dikwerf het oog van den vromen pastoor van
den preekstoel over de schaar der geloovigen, die in den tempel
samenvloeiden, God om verlossing uit hun lijden smeekende. Het
aantal der geloovigen was steeds kleiner geworden. Velen waren
onder de ellende bezweken; de dood had hun de laatste klacht
van de lippen weggekust en hun verlossing gebracht.
Ook de familie Clemen had ruim haar deel gekregen in den
nood en de ellende, die alom heerschten, dewijl alle vakken van
nijverheid stil stonden en er derhalve niet verdiend werd. Wel
verhief zich de gevel van het huis des goudsmids nog hoog boven de
omliggende huizen, maar de zwermen duiven waren verdwenen. De
door vlijtige hand in de kasten en kisten vergaarde voorraad
was uitgeput; de laatste noodpenning was uitgegeven.
«Wat moet er van ons worden, als de arbeid mij geen ver
diensten meer geeft?" vroeg Clemen zijn geestelijken vriend.
»Gij hebt geen reden om den moed op te geven," troostte
deze; «voor het voedsel van het lichaam en de ziel heeft de
hemelsche Vader altijd nog gezorgd."
»Mijn werkplaats is als uitgestorven; zelfs brengt men mij ter-
nauwernood een zilveren ringje of kettingje om te repareeren, en
die het brengt is zelf zoo arm, dat men niets durft rekenen voor
den geringen arbeid ; ik zie geen uitkomst in de ellende."
«Foei, schaam u ; meent gij dan dat gij door God verlaten zijt ?"
»Ik weet geen raad meer, ook wij kunnen het dagelijksch
brood niet meer verdienen; en hoe zou men hoop kunnen voeden
op betere dagen, als men do verwoeste en platgetreden graan-
velden en akkers ziet ?"
«Een man, een christen, mag nooit de moed en de hoop ver-
liezen ; wat zouden dan de zwakken doen ? Gij moogt niet be-
zorgd zijn en zeggen: wat zullen wg eten, wat zullen wij
drinken ? Hoop, arme ziel, hoop en blijf onversaagd! Vertrouw op
God; Hij zal u uit alle ellende verlossen, wanneer de tijd ge-
komen zal zijn!"
»Ware men maar niet zoo geheel machteloos tegenover het
onverdiende ongeluk, dat iemand dreigt te verstikken."
-ocr page 31-
27
»Door morren en klagen verkrijgt men niets van God;
men moet er om bidden. En «onverdiend" zegt gij ? Wanneer
verdient dan eigenlijk wel een mensch, volgens u, wederwaar-
digheid of tegenspoed ?"
Clemen zweeg. Op dat oogenblik trad zijne vrouw binnen.
Nadat zij den waaidigen geestelijke hartelijk verwelkomd had,
zeide zij tot haar man :
«Vader, onze zieke buurman laat ons door een zijner kleinen
— schuchter staat zij buiten in de gang en ziet zoo bleek en
vermagerd uit — verzoeken hem nog wat meel af te staan ; zij hebben
hoegenaamd niets meer te eten. Denk eens aan; zij hebben
geene moeder meer."
«Het gaat niet, moeder," verklaarde Clemen ; sik weet het,
het gebrek is groot; maar ik moet toch ook voor ons zorgen !"
«Al wat gij den arme geeft, zal u honderdvoudig vergolden
worden."
«Maar wij hebben zelf nog zoo weinig !"
«Een kleine hoeveelheid kunnen wij toch nog wel missen 1"
bleef de goede vrouw aandringen en terwijl de bezoeker haar
vriendelijk toeknikte, legde zij vertrouwelijk hare hand op den
schouder haars mans.
«En als ik ulieden nu daarvoor moest laten honger lijden,
hardnekkige voorspreekster ?" antwoordde hij reeds half overwon-
nen en keek haar liefdevol aan.
«Dan gedenkt wellicht iemand anders het woord: «Breng den
hongerenden uw brood !" En al gebeurt dit niet, wij zijn toch
gezond en onze kinderen ook ; God geve, dat onze Karel het ook
zij ! wij kunnen wel wat verduren. Naast ons woont een zieke
man, en de hongerige kinderen zijn zwak en tenger en hebben
geen moeder meer. Weet gij nog hoe gij de brave echtelieden in
Arnstadt zegendet, dat zij ons kind in zijne ziekte zoo liefderijk
verpleegd hadden ?"
»Zwijg stil, moeder, zwijg stil! geef hun zoo veel als u goed-
dunkt; wie zou hardvochtig blijven, als gij verzoekt?"
»Nog kunnen wij iets geven, vader; nog heb ik mijn gouden
-ocr page 32-
28
huwelijksketting met den daaraan hangenden dukaat, en de
akkers zullen ook weder vruchten opleveren; laat ons slechts de
hoop niet verliezen !"
Zij omhelsde haren man en ging heen om met het arme kind
haar meel voorraad te deelen.
Haar met vochtige oogen naziende, zeide Clemen tot den pas-
toor : »Ik heb den ketting zelf gesmeed en haar dien op onzen
trouwdag omgehangen, daarom stelt zij op dat kleinood zoo veel
prijs en houdt het hoog in eere. Ja, gij hebt gelijk, eerwaarde,
zulk een huisvrouw is edeler dan de kostbaarste parel ; het hart
haars mans kan zich op haar verlaten."
»En voedsel zal hem niet ontbreken," voegde de pastoor er bij
en drukte zijn vriend de hand.
»Dat geve God !" zuchtte Clemen^uit het diepste zijns harten.
VI. Soldaten-vreugd, — Soldaten-smart.
Het gelukte Karel Clemen door wilskracht van lieverlede den
slechten indruk, dien de nabijheid van Wohlfahrt op zijn gemoed
gemaakt had, te overwinnen en zich aan zijn droevige gedachten
te ontrukken. Alkhaven deed zijn uiterste best om hem in die betere
stemming te versterken en bleef niet in gebreke de belangstelling
van Clemen voor het voor hem liggende land en deszelfs bewo-
ners levendig te houden, nu eens door ernstige verhalen uit de
geschiedenis der Nederlanders en van hun aanhoudenden kiacht-
dadigen strijd met de zee, dan weder door grappige mededeelin-
gen over hunne eigenaardigheden en gebruiken. Eindelijk kwamen
zij op de plaats hunner bestemming aan. Het was Bergen op
Zoom, een kleine vesting aan het riviertje de Zoom. Hier werden
zij in allerijl geoefend en daarna tegen de Franschen in het veld
-ocr page 33-
29
gebracht. Na het gevecht bij Laveld, waarbij Clemen ongedeerd
bleef, werd Het regiment naar Maastricht gecommandeerd, welke
stad als de sterkste Nederlandsche vesting door de Franschen
erg bedreigd werd. Daar gelukte het Alkhaven, Wohlfahrt in een
andere compagnie te doen overplaatsen. Diens wrok was echter
daardoor niet verminderd, hoewel hij juist in deze nieuwe com-
pagnie de gunst van een luitenant won en door diens aanbeveling
sergeant werd.. Beiden waren bij niemand bemind en zoo kun-
nen degenen wel gelijk gehad hebben, die meenden dat deze
bond rustte op den gemeenschappelijken haat tegen brave, goede
kameraden.
Clemen, die toch den luitenant in het geheel niets in den weg
gelegd had, moest zich ten minste meermalen door hem op on-
gerechvaardigde manier laten krenken, wat zelfs den boven hen
geplaatsten majoor opviel, zoodat deze er den luitenant op zekeren
dag over berispte.
«Maak u niet ongerust," troostte Alkhaven Clemen, »zij zijn
ook mij niet genegen ; ik zou echter niet weten waarin zij ons
zouden kunnen benadeelen."
Werkelijk scheen alle bezorgdheid ongegrond. Meer en meer
verwierf Clemen zich de gunst zijner goedgezinde superieuren ;
de genegenheid zijner kameraden verlichtte hem de vervulling
zijner plichten. Door den in Maastricht vroeger welbekenden Alk-
haven, zoowel als door zijn eigen innemende manieren, won hij
onder de burgers goede vrienden, en hoewel hij na den in het jaar
4 748 te Aken gesloten vrede zijn eervol uitslag had kunnen be-
komen, begeerde hij het in het geheel niet. De aangenaamste
uren sleet hij met Alkhaven. Als zij in vertrouwelijk gesprek na goed
volbrachten dagelijkschen arbeid bij elkander zaten, beseften zij
naar waarde het reine geluk, dat het bezit van een waar vriend
aanbiedt. Als liefderijk zoon spaarde hij zooveel als hem slechts
eenigszins mogelijk was. Te huis was de nood hooger gestegen ;
zijn geringe spaarpenningen waren daar zeer welkom. Men schreef
<hem ook wel van huis, dat ouders en kinderen naar hem
-verlangden, voornamelijk de moeder, maar men verheelde hem
-ocr page 34-
30
ook niet, dat de vroegere welvaart geheel verdwenen was: zijn>
zwager, de koopman, had allen levenslust verloren en zijn zaak
geheel opgeheven. Derhalve moest Clemen alle reden hebben met
zijn toestand tevreden te zijn. Week aan week ging rustig voor-
bij. Daar gelukte het zijnen vijanden hem op een onvoorzichtig-
heid te betrappen en in groot gevaar te brengen.
Tijdens de belegering van Maastricht had de regimentscom-
mandant op zeer zware straffe verboden in de hoofdwacht te
spelen en elkander geld af te winnen, onverschillig of het kaart-
of dobbelspel was. Toen echter na het sluiten van den vrede de
onverbeterlijke, wilde sujetten uit den dienst ontslagen waren
geworden, en het spel niet meer ontaardde, zag men daarin
niets strafbaars meer. Nog nooit had Clemen gespeeld, daar hij
zich liever met een goed boek bezig hield. Op zekeren dag ech-
ter nam hij voor een vriend den wachtdienst waar. Hij had zich
niet vooraf van een boek kunnen voorzien en zag met een kame-
raad de verveling van een eentonigen dienst voor zich. Zijn ka-
meraad stelde hem voor zich door het spelen om een kleinigheid
den tijd te korten. Eerst maakte Clemen eenige bedenkingen,
maar hij liet zich eindelijk overhalen, en onder lach en scherts
speelden zij eenigen tijd, waarbij de ongeoefende Clemen een
kleinigheid won, die hij echter den anderen morgen aan een
eenvoudig ontbijt met zijn tegenpartij weder besteedde; zijne
kameraden plaagden hem er mede, dat het geluk juist dengene
begunstigd had, die het minste van het spel kende.
Daarmede scheen de zaak afgeloopen. Toevallig hoorde even-
wel Wohlfahrt er van. Onder den schijn van onschuldige nieuws-
gierigheid, sprak hij dien kameraad aan, die de kleinigheid ver-
loren had en hoorde hem over het gebeurde uit, waarop gene,
die de slechte bedoelingen niet vermoedde van den vrager, dezen
uitvoerig de geheele toedracht vertelde. Naderhand deed hij zich
zelven natuurlijk bittere verwijten dien boosaardigen man niet kort
en bondig afgescheept te hebben.
Onverhoeds voor den commandant geroepen en wegens deze
zaak verhoord, mocht het Clemen niet gelukken de onbeduidend-
-ocr page 35-
31
heid daarvan in het ware licht te stellen. Niemand anders dan
Wohlfahrt had door zijn luitenant den commandant, die zeer
driftig was, in den waan gebracht, dat Clemen een ingekankerd
speler was, die wetens en willens de verordening van den com-
mandant overtrad, anderen verleidde en hun zelfs het om te leven
onontbeerlijke geld afwon. Toen nu de gestrenge heer kortweg
de vraag stelde, of Clemen gespeeld en geld gewonnen had en
hierop met een »ja\'\' moest geantwoord worden, verklaarde hij de
wet in haar volle gestrengheid te zullen toepassen en een af
schrikkend voorbeeld te willen stellen.
De in oorlogstijd vastgestelde, maar in alle gevallen tot dan
toe niet opgeheven straf bestond echter in degradatie voor het
front van het regiment, spitsroeden loopen en vervallenverklaiing
van den militairen stand.
Zoodra het ruchtbaar went, dat Clemen deze harde straf zou
ondergaan, wilde niemand zulks gelooven. Het kon, zoo meende
men, den commandant onmogelijk ernst zijn dezen harden maat-
regel toe te passen, die zich slechts in oorlogstijd tegen slecht
gespuis rechtvaardigen liet. Wat was er echter tegen te
doen. De woorden der verordening spraken duidelijk en derhalve
kon niemand verhinderen, dat Clemen in harde gevangenschap
gehouden werd. Er was voor gezorgd dat hij niet kon vluchten :
men had hem den valschen Wohlfahrt tot bewaker en bewaarder
gegeven. Geheel ter neder geslagen zat Clemen in een akelige
donkere cel. Aanvankelijk was nog de hoop in hem levendig ge-
weest dat het zoo erg niet kon zijn als Wohlfahrt wol zeide,
daar zijne vrienden hem wel zouden redden. Toen echter dag aan
dag verstreek, zonder dat er een straal van hoop tot hem door-
gedrongen was, begon hij het ergste te duchten. Hij martelde
zijn brein met plannen, tevergeefs, er vertoonde zich geen uitweg.
Rusteloos liep hij zijn cel op en neder, onderzocht de, muren,
schudde aan de dikke ijzeren staven, door welke geen straal
van zon of maan heendrong. Eindelijk voelde hij zich ook licha-
melijk ziek en bereidde zich onder vrome gebeden tot zijn dood
voor, daar hij meende, de hem toegedachte straffen niet te zul-
-ocr page 36-
32
len kunnen doorstaan. Ernstig ontwaakte in hem de wensch, dat
de dood hem nog in den kerker mocht treffen......
Alkhaven was niet weinig verschrikt, toen Vlij de onheilvolle mare
vernam. Nadat hij nauwkeurige inlichtingen omtrent de geheele
zaak en de aanklacht had ingewonnen, liet hij zich bij den com-
mandant aanmelden, bij wien hij vroeger eenigen tijd eerst als
secretaris daarna als eenvoudig schrijver had gearbeid. Hij werd
evenwel slecht ontvangen. Toen hij Clemen verontschuldigen
wilde, werd hem barsch geantwoord, dat hij zelf verdacht werd
en zich wel in acht mocht nemen, dat niet ook hij in verhoor
genomen en gevonnisd werd : overigens wenschte de commandant
verder geen enkel woord meer over deze zaak te hooren ; het
vonnis wns uitgesproken en onherroepelijk. Zulk een gestrengheid
van den overste had men in dit geval niet verwacht. Ook in de
stad werd er veel over gesproken; het betreurenswaardige lot van
korporaal Clemen vond algemeene deelneming.
Alkhaven gaf evenwel den moed nog niet verloren en wilde
een laatste middel beproeven. In den dienst des oversten had
hij zich de genegenheid van al de huisgenooten verworven en
ook het vertrouwen van diens echtgenoote. In 7.ijn angst om
den vriend liet hij zich bij deze dame aanmelden. Zij hoorde
hem ook welwillend aan en verklaarde, dat zij reeds veel over het
geval had hooren spreken en den veroordeelde gaarne zou willen
helpen, maar zich niet in militaire aangelegenheden durfde men-
gen. Reeds wilde Alkhaven treurig weder heengaan, maar het
deed de menschlievende dame toch leed hem zoo te laten schei-
den ; zij riep hem derhalve terug en deelde hem een plan mede,
dat hij met vuur aangreep, hoewel zij er bijvoegde, dat men er
zich niet te veel van beloven mocht.
Ziehier haar plan : de voor de strafuitvoering vastgestelde dag
was de Zaterdag. Nu trof het toevnllig dat de dag te voren de
verjaardag van den commandant was, die ook dit jaar feestelijk
aou gevierd worden. Tot het gezin van den overste behoorde
een zesjarig lief meisje, zijn oogappel. Uit den zoeten kinder-
-ocr page 37-
33
mond zou den vader een klein verjaarsgedicht toeklinken. Dit
zou kinderlijke wenschen en beloften en ten slotte een bede
bevatten, die licht te raden zou zijn. Vastelijk hoopte Alkhaven
dat dit plan gelukken zou.
De feestelijke dag liep echter ten einde, zonder dat zich do
kerker voor Clemen geopend of eenige schemering van hoop zich
aan hem en zijne vrienden vertoond had. De overste was ook
dezen dag, evenals altijd, streng en onverzettelijk in den dienst
geweest. Alkhaven had het gewaagd, zich bij de vrouw van deii
commandant te laten aanmelden, doch was niet ontvangen ge-
worden. Men bleef steeds in de grootste onzekerheid omtrent
het lot van den veroordeelde verkeeren en er heerschte dien ten-
gevolge groote verslagenheid onder zijne talrijke vrienden, terwijl
zijne weinige vijanden jubelden.
Intusschen was er toch eenige verandering in den staat van
zaken gekomen; Zichtbaar verheugd had de commandant den
gelukwensch en de geschenken zijner gade aangenomen en ver-
teederd en vriendelijk had hij daarop het oog gevestigd op zijn
voor hem tredende lieveling, die met gevouwen handjes, den vader
trouwhartig aanziende, de van buiten geleerde strofen had opge-
zegd. Bij de bede om genade voor den goeden man, die in den
donkeren kerker treurde, hadden zijne oogen vragend de gade
aangezien, die daarop in hare verlegenheid haar dochtertje op-
getild had, zoodat het met hare mollige armpjes den hals baars
vaders kon omstrengelen. Hij had het kind gekust en dan zijne
gemalin de hand gedrukt en een langdurig onderhoud met haar
gehad, in verband waarmede zij Alkhaven dien dag niet spreken
wilde.
In den vroegen morgenstond van Zaterdag stelde zich onder
een doffe stilte het regiment op de markt op en werden de
roeden onder de soldaten uitgedeeld. Met ;.1 zijn ordeteekenen
versierd, verscheen de commandant. Deelnemend keken medelij-
dende bewoners der omliggende huizen door de openstaande ramen.
Er bewoog zich ook veel volk op de markt en in de straten.
Bleek als ware hij de veroordeelde /.elf, stond Alkhaven op zijn
-ocr page 38-
34
plaats; zijn gelaatstrekken maakten een beweging als moest hij
met geweld zijne tranen onderdrukken. De bevelvoerende majoor
waagde nog een laatste buitengewone poging. Hij had den ge-
zamenlijken onderofficieren den raad gegeven, dat zij, zoodra hij
van het paard stijgen en den regiments-commandant naderen
zou, uit de gelederen treden, hem op den voet volgen en voor
Clemen smeeken zouden hem ten minste geen spitsroeden te laten
loopen — en als dit nog niet hielp, zouden alle soldaten een
eenparig verzoek doen. Onder het luid geween van toekijkende
vrouwen en kinderen had dit op hartroerende wijze plaats, doch
helaas ! vruchteloos. Toornig vroeg de commandant :
»Hoe! zoudt gij soms in verzet willen komen ?\'\'
Zoo ongunstig zag het er voor Clemen en zijn pardon uit, toen
hij verzocht voor den commandant gevoerd te worden, waarin
deze bewilligde. Clemen boog eerbiedig voor hem, hief de handen
op en smeekte vurig, dat de genadige heer commandant hem
voor de openbare schande mocht willen bewaren, aan iedere
andere strat zou hij zich gewillig onderwerpen. Dit was het
oogenblik dat de commandant afgewacht had. Met luider stemme
verkondigde hij aan de soldaten en de op de markt bijeenge-
stroomde menigte, dat hij ter wille van de algemeene genegen-
heid en achting, waarin de veroordeelde stond en met het oog
op diens tot dusverre steeds vlekkeloos onberispelijk gedrag, hem
volledige gratie schonk, de doorgestane angst zou zijn eenige strat
zijn. Hij kon er niets meer bijvoegen, al had hij ook gewild.
Luid gejubel brak op de geheele markt uit. De soldaten omarm-
den elkander ; want hoe grooter de bezorgdheid geweest was, des
te grooter was de algemeene vreugde. Witte doeken wuifden
uit de ramen, en menigeen, die Clemen gelukwenschend de hand
kwam drukken, kon de opwellende vreugdetranen niet weerhouden.
Alkhaven lag het eerste aan zijne borst en zag daarna dankbaar
den commandant aan, die te midden van het levendigste gedrang
te paard zat. Vele handen strekten zich ook naar dezen uit,
alsof hij. niet meer een bevelhebber, maar een gelijkstaande goede
kameraad was, wien men de hand moest drukken. In warme be-
-ocr page 39-
35
woordingen bedankte hem ook Alkhaven, wiens gelaat van blijj
schap straalde. Later zeide de overste tot zijn gemalin :
»Ik had niet gedacht, dat een buitenlander van zoo onderge-
schikten rang zulk een algemeene achting zou kunnen verwerven.
Dat ik tegenover hem niet te hard geweest ben, daarvan komt
ook u ten deele de verdienste toe; hier hebt gij uwe beloon ing !"
sprak hij, terwijl hij zijn dochtertje op zijn knieën zette en haar
een kus op het rozige mondje gaf.
In zegepraal werd Clemen in zijn kwartier teruggebracht, dat
den gansenen dag door hem gelukwenschende bezoekers gevuld was,
Wohlfahrt en de luitenant waren dadelijk na het pardon van
den commandant teleurgesteld van de markt weggeslopen. De
luitenant meldde zich nog denzelfden dag ziek en verdween daarop
tot algemeene tevredenheid na een stil bekomen ontslag geheel
en al. Wohlfahrt was driest genoeg om te blijven, doch al zijne
kameraden keerden hem den rug toe en vermeden hem zooveel
mogelijk, terwijl zijn superieuren hem koel en gestreng behan-
delden.
VII. Aan gene zijde des oceaans.
Hoe gelukkig deze ongelukkige zaak ook voor Clemen was afge-
loopen en hoeveel geruster hij zich ook kon gevoelen, toch
kon hij het denkbeeld niet van zich afzetten, dat de nabijheid
van Wohlfahrt hem ook verder nog ongeluk zou aanbrengen.
Waarheen zou hij zich echter begeven ? De brieven van huis
werden niet bevredigender; zou hij daar medehelpen met niets
te doen ?
Onverwachts kwam er uitkomst. Er weid op zekeren dag bij
de wachtparade bekend gemaakt, dat er vrijwilligers naar Suri-
name gevraagd werden. Niet voor de eerste maal klonk hem
deze naam, in de ooren ; hij wist ook dat daarmede een Neder-
landsche kolonie op het vasteland van Zuid-A mei ika bedoeld
-ocr page 40-
36
weid; iets na Iers daaromtrent wist liij evenwel niet. De lust
bekroop hem zich voor den dienst aldaar te laten aanwerven ;
maar hij wilde zich niet verbinden, alvorens voldoende ingelicht
te \'zijn omtrent de volgende punten : Hoe ver is Suriname ?
Hoe lang duurt de reis over zee daarheen? Hoe ziet dat land
er uit ? Wat is daar voor de soldaten te doen ?
Een o d-scheepskapitein gaf hem uitvoerig bescheid, waarheid
en verdichting ondereenmengende. Hij roemde den onvergelijke -
lijken rijkdom van het land en hekelde enkel en alleen de in-
boorlingen, die hij roodbruine schurken en bandieten noemde.
Zij onderhielden niet de aan hunne meesters ontvluchte slaven
gemeenschap en waren gevaarlijke vijanden. Niettemin zou hij
in Clemen\'s plaats er in ieder geval heengaan ; daar kon een
gezond en ijverig mensen zich eerder een eervolle positie ver-
werven dan in Europa. Ook had Clemen gelegenheid zich te
overtuigen van de groote vruchtbaarheid van dit land. In groote
magazijnen lagen tallooze balen met koffie, katoen, rijst, suiker,
maïs enz., opgeslagen, allemaal voortbrengselen, die den koop
lieden veel winst opleveren. Spoedig was dan ook zijn besluit
genomen.
Alkhaven weid zeer mistroostig, toen hij bemerkte, dat het
Surinaamsche vraagstuk Clemen zoo levendig bezig hield. Daar
tiij het niet verhinderen kon, dat deze zich als vrijwilliger naar
Suriname aanmeldde, hield hij zich voor verongelijkt en noemde
zulk een handelwijze met het oog op de laatste gebeurtenissen
in Maastricht een ondankbaarheid jegens God, superieuren en
vrienden, zoowel als tegen de gehoele burgerij der stad; hier
had Cli\'tnen zijn brood en daarbij uitzicht op bevordering; de
«tap echter, dien hij doen wilde, geschiedde in een onzekere toe-
komst; geen ander onderofficier, da.n hij alleen, had zich aan
gemeld ; waarom moest dan juist hij naar een verafgelegen
land gaan, waar volslagen ongeordende maatschappelijke toe-
standen heerschten, orn daar voor hoogmoedige plantagebezitters
dienst te verrichten en arme, mishandelingen ontvluchte negiis
■t^ vervolgen ?
-ocr page 41-
37
Clemen had dat alles evenzeer bedacht, alsook dat hij
zich van ouders en familie op een bijna onbereikbaren afstand
scheidde; maai\' de wensch uit Maastricht weg te komen, de
overtuiging het tegenwoordig, weinig loonende en weinig voor-
uitzicht biedende soldatenleven toch eenmaal te moeten opgeven
en een ander arbeidsveld te zoeken, de lust, het vreemde wereld-
deel te zien, de overtuiging dat plichtshetrachtng en ijver ook
aan gene zijde des oceaans op prijs gesteld zouden worden : dat
alles gaf den doorslag.
Op zekeren dag liet de overste Clemen bij zich ontbieden, om
hem mede te deelen, dat men hem tot commandant van den mili-
tairen post in Suriname verkozen had. Wel is waar stond hij
dan altijd nog onder de bevelen van den gouverneur aldaar, die
de heeren der Generale Staten (de afgevaardigden der Kamers in
de Nederlanden) vertegenwoordigde, doch de wijze van uitvoering
dezer bevelen, de leiding der afzonderlijke militaire ondernemin-
gen bleef aan hem overgelaten en bood hem veel moeielijkheden,
maar ook rijke gelegenheid aan zich te onderscheiden. Een der
grootste moeielijkheden was ontegenzeglijk het onvoldoende
aantal der hem ondergeschikte manschappen. Of deze door ver-
trouwbare aan het heete klimaat gewende slaven vermeerderd en
zoo tot een krachtig optreden tegen de boschnegers in staat ge-
steld konden worden, zou overwogen, doch eerst ter plaatse zelve
beslist kunnen worden.
De commandant zette hem dit alles breedvoerig uiteen en gaf
hem nog menige nuttige inlichting omtrent de plichten, die hij
daar te vervullen zou hebben en toonde zich zoo spraakzaam en
vriendelijk, dat Clemen er zich niet genoeg over verwonderen kon.
Alkhaven mokte lang\' en sprak hem slechts met norsche woor-
den toe. Doch hoe meer de dag der scheiding naderde, hoe
meer hij weder bij zijn vriend verscheen. Den laatsten avond, .
dien de landverhuizer in Europa doorbracht, sleten zij in elkan-
ders gezelsch; p.
In den vroegen morgen stond Alkhaven weder voor het bed
van Clemen, evenals vroeger in Hildesheim. Met een treurigen
-ocr page 42-
38
blik beschouwde hij den slapende. Deze sloeg de oogen op en
glimlacht* vergenoegd, omdat hij de genegenheid zijns vriends
teruggevonden had.
«Gij hebt me een zeer groot verdriet aangedaan met voor
Suriname dienst te nemen," klaagde Alkhaven; »je verscheurde
een vriendschapsband en weet niet of je dien in het leven nog
wel ooit weder aanknoopen kan ; nu sta ik weer geheel alleen."
Hij verliet den scheidende geen oogenblik meer, steeds was hij
bij hem en omgaf hem met de liefderijke zorgvuldigheid eener
moeder, die tot zelfs aan de geringste kleinigheid denkt. Ja,
hij had in stilte verlof aangevraagd; hij reisde met hem tot nan
de plaats der inscheping en bleef bij hein, tot hij op de trap van
het oorlogsschip stapte, dat de vrijwilligers voor Suriname zou
overbrengen. Bij het afscheid stopte hij hem een brief in de
hand met de woorden :
»Ik heb je vroeger eens gesproken van een oom, een broeder
mijner moeder-zaliger, die in Suriname woont. Hij is nog met
hart en ziel aan Europa gehecht en schrijft mij wel is waar
zelden, maar altijd even hartelijk. Breng hem dezen brief; ik
denk, dat hij je het hart van dezen man, die zich daar ginds
zeer eenzaam gevoelen moet, zal ontsluiten. Naar ik hoop, komt
hij volgens zijn dikwijls gedane belofte binnenkort terug en.....
brengt je mee."
Op den brief stond : «Aan den heer Johannes Meys, directeur
der Plantage Buysenvliet bij Paramaribo in Suriname."
* *
•
De overtocht had plaats in het jaar 1750. Hij was zeer voor-
spoedig, leverde niets vermeldenswaardigs op en beviel den nieuwe-
ling des te beter, dewijl hij geheel en al van zeeziekte bevrijd
bleef. De vaart duurde over de vijf weken en Clemen had
dus ruimschoots den tijd zijn leven te overdenken. Niemand zal
zoo licht, zonder ernstig te overleggen, een nieuw leven, een
onzekere toekomst te gemoet gaan. Vele zorgen doen het hart
onrustig kloppen ; vele bange vragen dringen zich de eene na de
-ocr page 43-
39
andere aan den geest op. Gelukkig degene, die in zulke om-
standigheden tot God zijn toevlueht kan nemen. Clemen vond
in het boek zijns peetooms troost en verkwikking.
Eindelijk klonk het blijde geroep van : »land ! land !\' in zijne
ooren.
De kusten van het land, door uiangroveboomen gezoomd en mee-
rendeels moerassig, vertoonden zich laag1 en vlak. Een lange modder-
bank, waarop slechts weinige voeten water stonden, verhinderde
het schip aan den vasten wal aan te leggen. Er moesten booten
uitgezet worden om de passagiers aan land te brengen. De be-
middelden onder hen lieten zich in lichte kano\'s door negers
langs de Suriname naar Paramaribo, de hoofdstad des lands, die
vier mijlen landinwaarts ligt, roeien. Clemen en zijne manschap-
pen moesten in de tropische hitte te voet naar hetzelfde doel
gaan.
De stad maakte met haar Hollandsche netheid en zindelijk-
heid een aangenamen indruk op de nieuwaangekomenen, die
door de inwoners vriendelijk verwelkomd en op den weg naar
den gouverneur geheel omstuwd en naar het vaderland gevraagd
werden. Daarbij werd ook de ontmoedigende bemerking gemaakt,
dat zulk een handvol soldaten met den besten -wil der wereld
geen voldoende bescherming en hulp kon verleenen. Men liet
dit echter den soldaten niet ontgelden. Vrijgevig lieten zelfs
eenige plantagebezitters hen onthalen en Clemen vond reeds den
eersten dag gelegenheid de in Maastricht ontvangen vermaning
tot matigheid op te volgen en deze ook aan zijne manschappen
aan te bevelen.
De gouverneur, met wien Clemen in de eerste dagen inzon-
derheid veel in aanraking kwam, bewoonde met weinige bedien-
den geheel alleen een schoon, ruim huis, dat veel van een
paleis had , hij had geen gezin, maar men zag er ook geen
bloedverwanten of vrienden uit en in gaan. Gierigheid en
schraapzucht hadden van lieverlede een ieder van zijn hui» ver-
wijderd, dat toch het middelpunt van het Surinaamsche leven
zijn moest. Alle, zelfs de blijkbaar noodzakelijkste uitgaven voor
-ocr page 44-
40
den bloei en de verdere ontwikkeling der kolonie haatte hij, ja,
men beweerde, dat hij gelden der regeering opstak. Hoe dit ook
zij, hij ontving de soldaten, wier bewapening en onderhoud na-
tuurlijk geld kostten, zeer onheusch en gelastte Clemen in alles
de uiterste zuinigheid in acht te nemen en vooral de wapens en
monteeringstukken te ontzien. Hoofdschuddend verliet Clemen
de voorname behuizing om het lage, smakelooze gebouw, dat
voor hem en zijne lieden bestemd was, binnen te treden. De
kolonisten verwachtten blijkbaar veel van zijn ijver en werkzaam-
heid en de gouverneur verlamde die door hem de noodige geld-
middelen daartoe niet te willen toestaan.
Den heer, voor wien zijn aanbevelingsbrief bestemd was, had
hij spoedig gevonden. Hij vond in hem een achtenswaardig
man, wiens haar reeds aan de slapen grauwde. Zonder eenige
belangstelling te laten blijken, las hij den brief ei: gaf daarna
droogweg te kennen, dat hij niet in de gelegenheid zou zijn
Clemen van veel nut te wezen, daar hij binnenkort het sinds lang
gekoesterde voornemen om naar het vaderland terug te koeren, ten
uitvoer zou brengen. Over liet algemeen gold in Amerika de
stelregel : Helpt u zelven, zoo helpt u God ! Zeer teleurgesteld
verliet deinen hem na een kort bezoek met het voornemen dit
niet te herhalen.
Clemen zette zich nogal spoedig over de koele ontvangst van
den plantagedirecteur Meys heen. Moed en vertrouwen vervulden
hem en toen hij van zijn eersten verkenningstocht door het
rijk gezegende land ongedeerd teruggekeerd was en aan Alkha-
ven schreef, eindigde hij overmoedig met deze woorden als post-
scriptum :
»Dit is een land voor mij ! Hieruit zal mij niemand verjagen
tot zoolang ik geen schilderhuisje vol ducaten heb!"
-ocr page 45-
4!
TUI. Boren alles de plicht.
Anderhalf jaar echter gingen voorbij, «onder dat Clemen iets
had kunnen uitrichten. ;iij mocht niet eens de voldoening sma-
ken de taak, die hem als militair commandant was opgedragen,
naar eisch te kunnen vervullen. Miei hij was het zijn eenige troest,
dat hij zich van alle se uld vrijspreken kon. De gouverneur was
zelfs om zijn ijverige plichtsbetrachting verstoord op hem gewor-
den. Deze heer zou de militairen het liefst tot private doeleinden
gebruikt hebben. Vele inwoners der kolonie lieten Clemen wel
recht wedervaren, doch een betere verstandhouding en samen-
werking met den gouverneur was niet in het vooruitzicht en
scheen tot de vrome wenschen te zullen blijven behooren.
De gelederen zijner soldaten waren buitendien \'ui denkelijk ge-
dund. Eenige onvertrouwbare kerels hadden zich reeds in den
beginne uit de voeten gemaakt om hier of daar op eigen hand
hun geluk te beproeven. Menige dappere kameraad was door de
koorts weggeraapt. anderen onder de moordlustige hand des vij
ands gevallen. De dienst was echter niet lichter geworden. De
onvermoeide ijver van Clemen en zijn kameraden was niet meer
voldoende om de boschrebellen op eerbiedigen afstand te houden.
Eens bad hij zes maanden lang onafgebroken in het woud door-
gebracht, de boschnegers bevochten en veel ongemak en ontbe
ring betreffende proviand en drinkwater geleden. Toen zij zonder
schoenen en kousen, met gescheurde uniformen terugkeerden,
vonden zij wel erkenning bij de burgers maar de gouverneur
overlaadde hen met verwijten en dreigde in toomelooze gram-
schap Clemen die schade te doen betalen. Zonder toedoen van
Clemen werd dit in de stad en de omstreken bekend Onmiddel-
lijk belegden de rijkste plantagebezitters een vergadering en brach-
ten niet alleen het noodige geld voor de aanschaffing van nieuwe
kleedingstukken bijeen, maar voegden er ook nog een aanzienlijk ge-
schenk in geld voor Clemen bij, hetwelk deze met zijn kameraden
-ocr page 46-
42
deelde. Hierbij kwam Clemen weder voor het eerst met Meys in
aanraking; want deze was het, die de rijke heeren tot ondersteu-
ning der soldaten had bijeengeroepen en met de overhandiging
der geschenken belast geworden was. Nu verontschuldigde zich
deze, dat hij zoo lang een afwachtende houding aangenomen
had; ondanks goede aanbevelingen had hij met zoovele «overge-
komen lieden" droevige ervaringen gemaakt, zij hadden zich
menigmaal niet alleen ondankbaar, maar ook alle ondersteuning
onwaardig getoond; nu wilde hij hem een des te trouwer vriend
zijn.
De gouverneur ging echter steeds stouter te werk en voelde
niet, dat zijn positie daarbij onhoudbaar werd; alleen voor de
heeren Generale Staten had hij ontzag ; deze waren echter ver
weg. Ongestraft verwaarloosde hij gewichtige plichten van zijn ver-
antwoordelijk ambt ; zijn zucht om zich te verrijken toonde zich
steeds onbewimpelde]-. Zoo had hij sinds lang ter aanvulling van
de verloren soldaten een nieuw militair transport in het moeder-
land moeten aanvragen. Deze aanvulling was toch een levens-
kwestie voor de kolonie ; maar al de daartoe strekkende verzoe-
ken en vertoogen waren vruchteloos en zoo werd de meening,
dat hij zich ook verrijkte met het voor militaire doeleinden be-
stemde en voor een talrijke manschap berekend fonds, steeds
algemeener en geloofwaardiger.
De boschnegers werden intusschen gestadig stoutmoediger. Het
ging zelfs zoover dat op zekeren dag de bezitter van een ver-
wijderde, dicht bij de sluiphoeken der opstandelingen liggende
plantage, de heer Vlielander, door dezen vermoord werd, zoodat
zijn vrouw en zijn zoontje in een hoogst gevaarlijken toestand
verkeerden. Afgezien daarvan dat die heer algemeen bemind was,
deed de bezorgdheid voor het lot zijner nagelaten betrekkingen en
hun bezitting algemeen den wensch uiten, dat hun hulp en bijstand
zou verstrekt worden. Clemen stelde aan den gouverneur voor die-
genen der slaven onder zijne soldaten op te nemen, welke de
plantagebezitters als vertrouwbaar zouden aanwijzen en toonde
aan, dat bij verder voortdringen van den vijand het welzijn der
-ocr page 47-
43
geheele kolonie bedreigd werd. De gouverneur echter beweerde
dat het gevaar niet zoo dringend was en met hulp van afzonder-
lijke plantagewachten kon afgeweerd worden; de regeeringsgelden
werden niet verstrekt om zwarte leegloopers voor de bewaking
van enkele plantages te betalen ; er kwam geen einde aan het
geschreeuw om hulp van de regeering sinds Clemen de begeer-
lijkheid dier lieden voet gaf
Een deputatie, waartoe ook Me}rs behoorde, poogde den gou-
verneur te bewegen zonder verder verzuim van de Generale Sta-
ten een zoo sterk mogelijk troepen transport te eischen, dat onder
het bekwame commando van Clemen te stellen en onder mede-
werking van dezen omzichtigen man in openbare zitting met de
voor hem staande gevolmachtigden der kolonisten te beraadslagen
over de maatregelen, die voorloopig zouden genomen moeten wor-
den om de dreigendste gevaren af te wenden. Dat zag er in de
oogen van den gouverneur als opstand tegen zijne macht uit.
Aanvankelijk antwoordde hij kort en heftig, toen echter de hee-
ren verklaarden, dat zij in dit geval een verslag omtrent den
staat van zaken met nauwkeurige opgave hunner door de om-
standigheden geboden eischen aan de Generale Staten ter be-
slissing moesten opzenden, waagde hij het niet langer te weer-
streven. Hij beloofde eindelijk met de eerste scheepsgelegenheid
het verzoek te zuilen zenden en reeds den volgenden dag de
zitting te houden.
Slechts met weerzin maakte hij Clemen met het verlangen der
inwoners bekend, niet zonder het als overbodig te doodverwen,
Clemen, die vai de voor te stellen maatregelen kennis droeg,
was veel te offervaardig, dan dat hij van zijn kant de handen
voorloopig rustig in den schoot zou laten liggen, doch eerst
moest hij zicli van den bijstand zijner kameraden verzekeren. Hij
verzamelde hen om zich heen en legde hun het gevaar bloot,
waarin de Ylielandersche plantage met haar bewoners verkeerde;
niet alleen werd de vrucht van jarenlange moeiten en zorgen
van vlijtige menschen met volslagen vernietiging bedreigd, de
wilde benden wilden niet alleen bloeiende velden verwoesten, maar
-ocr page 48-
44
ook onschuldige blanken vermoorden, en hunne slaven bevrijden
om dan met dezer hulp ten slotte do geheele kolonie ten onder
te brengen. Het was nu de vraag of zij het zouden durven wagen
met een aantal goedgezinde slaven een beslissende expeditie door
de bosschen tegen de opstandelingen te ondernemen. Natuurlek
zou deze met groote vermoeienissen en gevaren gepaaid gaan,
maai\' de dood in den dienst, op het slagveld, was een eervolle
dood, waarvoor geen hunner te goed was.
Met ernstige gezichten, maai- zonder te aai zelen, gaven de
soldaten, gelijk hij verwacht had, een toestemmend antwoord.
De samenkomst van de plantagebezitters met Clemen tot liet
bespreken van de noodige maatregelen ter bescherming der velschil-
lende plantages, liep tot aller tevredenheid goed af, nadat Cle-
men daarin de bereidwilligheid van hem en zijne kameraden om
tot op den laatsteu man te vechten, te kennen gegeven had en
zijn verzoek om toevoeging van geschikte slaven uit de plantages
zonder bedenking toegestaan was. Toereikende geldmiddelen —
de gouverneur verstrekte die natuurlijk niet — werden uit privé-
kassen toegestaan; voornamelijk was het de eigenaar der plantage
Buysenvliet, Van Buysenvliet geheeten, die door zijn directeur Meys
een groote som ter beschikking stelde, onder voorwaarde dat alleen
Clemen over haar doelmatige aanwending zou beslissen. Hoe weinig
deze heer zich ook in het openbaar liet zien — hij was ziekelijk en had
het geheele bestuur zijner zaken aan Meys overgedragen — stond
hij toch in groot aanzien en des te meer indruk maakte dit be-
wijs van vertrouwen, dat hij in Clemen stelde, in alle kringen.
Eenige der aanzienlijkste heeren kwamen Clemen krachtige slaven,
wapens of andere ondersteuning aanbieden Voor nog het beloofd
verzoek van den gouverneur afgezonden was, dat overigens door
onbegrijpelijke blinde halsstarrigheid zeer weinig dringend werd
opgesteld, was Clemen met zijn blanke en zwarte manschappen
reeds lang uitgetrokken. Vurige wenschen vergezelden de bonte
schaar op haar weg tot den strijd op leven en dood. De gou.
rerneur alleen was er misnoegd over en vaster dan ooit wor-
telde in hem het voornemen dien lastigen Clemen tot eiken prijs
-ocr page 49-
•45
te verwijderen. Terwijl de dappere man in de groote hitte onder de
grootste vermoeienissen zijn leven in de waagschaal stelde, be-
raamde de zelfzuchtige gouverneur op zachte kussens in een koel
vertrek uitgestrekt zijn ondergang.
IX. Dappere dadeii.
i\'e boschnegers moesten zich in groot er aantal verbonden heb-
ben, dan het aanvankelijk den schijn had, mogelijk ook dat in-
boorlingen hun te hulp kwamen. Uit alle hoeken en plaatsen,
waar men hen het minste vermoedde, doemden zij verwoestend
op, waarbij de plantage der weduwe Vlielander het voornaamste
mikpunt hunner aanvallen bleef. Aan dezen het meest aan gevaar
blootstaande post wijdde Clemen zijn grootste aandacht. De dame
schonk hem hierbij haar volle vertrouwen en keurde al zijn
maatregelen onverdeeld goed. Zij had zoo veel gelegenheid om de
onvermoeide waakzaamheid van Clemen en diens manschappen
op te merken, dat zij zich jegens hen tot grooten dank verplicht
gevolde. Zij wist toch dat zij niet alleen al de gemakken des
levens maar ook menigmaal na de doorstane hitte van den dag
de nachtrust ontberen moesten.
Reeds waren eenige weken verstreken, die aan vele oproerlin-
gen, maar helaas ! ook aan menigen strijdmakker van Clemen den
dood gebracht hadden, zonder dat een beslissend gevecht aan
den oorlog een einde gemaakt had. De vijanden waren altijd
nog overal en nergens, vertoonden zich nu eens in grootere dan
weder in kleinere troepen, dikwerf ook alleen. Daarbij gingen zij
iiiét buitengewone sluwheid te werk. Nu eens vond men nabu-
rige voorposten dood op hun post, zonder dat iemand het
minste gerucht vernomen had ; hier brandde een gebouw af, dat
men voldoende bewaakt achtte; daar werd een veld, ondanks de
-ocr page 50-
46
in de nabijheid geplaatste wachten verwoest; nu lagen de binnen-
de omheiningen der huizen des nachts losloopende groote honden
des morgens vergiftigd op den grond, dan weder was de water-
keerende dijk der rivier, die iaarbij slechts op weinige plaatsen
tot dusverre opgeworpen was, geheel vernield. Menig ander aan-
voerder dan Clemen zou den moed verloren hebben; hij echter
legde stalen kracht en taaie volharding aan den dag en scheen
zelfs in den slaap te hooren en te zien. Aan zijn ijzeren gezond-
heid had hij het te danken, dat hij alle vermoeienissen als spelen
verdroeg en geen enkele maal een aanval van koorts had.
Volgens de geruchten was het een blanke, een voormalige
bediende van den gouverneur, die onder den naam van »de
Wilde" de sluwe aanslagen der boschnegers ontwierp en door
zijn koenheid en reusachtige sterkte hun opperhoofd geworden
was. Hij had eens, zoo vertelde men aan Clemen, in blinde
woede het zwaard tegen den gouverneur getrokken en zich
slechts door een overhaaste vlucht naar de bosschen aan de op
dit misdrijf staande doodstraf onttrokken. Wie dezen man on-
schadelijk maakte, hem gevangennam of doodde, besliste daar-
door den tegenwoordigen oorlog. Geloofwaardig scheen de
geschiedenis, doch door zijne bekendheid daarmede had Clemen
geen haarbreed gewonnen.
Het was op een zeer zoelen dag, in het heetste uur kort na
den middag, dat Clemen na een beraadslaging met mevrouw
Vüelander haar huis verliet, dat met voorraadschuren en slaven-
woningen niet ver van het woud, tusschen fraai lommerrijk ge-
boomte als verscholen lag. In wijden kring liep rondom het
gebouw een hooge omheining met een enkel thans dag en nacht
gesloten traliehek. Een slaaf, die zich altijd het vertrouwen
waardig getoond had, dat men in hem stelde, verrichtte den
portiersdienst. De meesteres der plantage en haar zoontje, een
lieve zevenjarige knaap, hadden Clemen dringend uitgenoodigd,
zich in de schaduw van het huis eenige uren rust te gunnen, *
maar hij was daartoe niet te bewegen geweest.
«Wij zijn nooit voor de vijanden zeker," had hij gezegd, ohet
-ocr page 51-
M
is mijn plicht de waakzaamheid mijner uitgezette posten juist in
zulke uren te gaan waarnemen. Als ik het u verzoeken mag,
mevrouw, sta dan ook aan de wachten in uwe omgeving geen
verlichting in hun dienst toe."
Daarna had hij van haar afscheid genomen en hij ware toch zoo
gaarne gebleven ; het huis met zijne eigenaardige bekoorlijkheid,
de beminnelijke manieren der meesteres, hadden hem geheel en al
ingenomen. Hoe licht zou hij hebben kunnen vergeten, dat hij
geen gast, maar een aangestelde en betaalde bewaker was! De
huisslaven beloofden hem zijn ernstige vermaning te zullen onthou-
den en in geen geval te slapen, desgelijks de portier, die voor hem
het hek opende. Geheel onverdroten waakten enkel twee sterke
honden ; zij schenen hun plicht goed te kennen. Het ware een
vreemde niet aan te raden geweest alleen in hun nabijheid te
komen. Gaarne zag Clemen het, dat deze krachtige dieren ook
overdag van den ketting bevrijd waren.
Hij richtte zijne schreden naar het naburige woud en over-
tuigde zich dat de daar opgestelde heden waakzaam waren. Na-
denkend stapte hij daarna op een kleine hoogte toe, op welke
men van uit een halfvervallen, bijkans geheel onder overwoeke-
rende klimopplanten verborgen paviljoen een schoon uitzicht op
de Vlielandersche plantage had.\' Toen hij mevrouw Vlielander
op zekeren keer daarover gesproken had, had zij geantwoord :
«Staat dat paviljoen er nog ? Het werd door den vorigeu be-
zitter mijner plantage gebouwd, bleel evenwel daarna, ten gevolge
van de zich daar menigvuldig in de nabijheid ophoudende slan-
gen onbewoond.\'*
Dien ten gevolge had zij hem voor het bezoeken van die ge-
vaarlijke plek dringend gewaarschuwd. Hij had echter voor die
plaats een bijzondere voorliefde opgevat. Her- en derwaarts
geslingerd, zonder rust of zekerheid, zonder zich meer in het
zoete gevoel van het te huis te kunnen verheugen, zonder voor-
uitzicht op verlichting zijner toch zoo vermoeiende dienstverrich-
ting, ver, ach! zon ver verwijderd vau allen, die hem lief hadden,
vertoonde zich het Vlielandersche huis met zijn stillen vrede «Is
-ocr page 52-
48
een paradijs? Hoe verlokkend liet ook wenkte, hij, de rustelooze,
behoorde er niet in en de voet, dien hij er in zette, moest steeds
weder verder gaan. Weemoedig klonk daarom dikwijls in
zijn hart, wanneer hij zoo uitzag, wat zijn kameraden hem in
Freiberg toegezongen hadden :
Eeu bloem op deu hoed eu den reisstaf ter hand,
Trekt lustig de zwerver van lande tot land,
Jietri\'edt vele wegen eu ziet menig oord,
Maar zit nanwlijks neder of moet weder voort.
Wat lieflijke bloemen langs \'t voetpad ook staan.
Hij kau ze niet plukkci, voorbij moet bij gaan.
Zij bloeien zoo heerlijk en lonken hem toe.
Maar steeds moet hij voorwaarts, al wordt hij \'t ook moe.
Het was als lag er dien dag vloeibaar goud over de velden ;
bijna deden hem de oogen pijn. In het paviljoen was het half
duister, ja, achter in den hoek, waar een breede houten bank
stond, zelfs geheel donker. Van het venster\'terugtredende, zette
hij ziel!, om even uit te rusten, op de bank neder. Mijmerend
zat hij daar en terwijl hij de waarschuwing voor de giftige slangen
vergat, sloten zich zijne oogen. De hand, die naar het wapen in
den zak getast heeft, zinkt langzaam neder en rust nu op het
korte, sterke koord, dat tot allerlei doeleinden op het oorlogsveld
meegenomen werd. O! mochten engelen uw slaap beschermen,
trouwe man, de slangen afweren en u voor alle ongeval behoeden !
Ver over den oceaan stijgen misschien wel op dit uur gebeden
voor u ten hemel, en daar ginds in het huis, dat daar zoo
vreedzaam ligt, doet een edele vrouw, uwer gedenkende, aan haar
kind de handen vouwen om het voor u een gebed te doen op-
stieren. Het is op dit oogenblik wel donker om u heen, maar
gij slaapt onder de hoede des Allerhoogsten, voor wien de nacht
gelijk de dag is.
Plotseling klonk buiten het gerucht van zachte schreden.
Clemen, die slechts dommelde, ontwaakte en luisterde scherp toe
-ocr page 53-
49
Op het gerucht volgde een nauwelijks hoorbaar gefluister. Een blanke
en een zwarte man, beiden echte reuzen, stonden voor het paviljoen.
De blanke fluisterde : »Maak aan de achterzijde gebruik van
de ons bekende ondiepte in de rivier. Wij treffen elkander in de
legerplaats : voer je zaak ditmaal nog eens handig uit, dan heb-
ben wij stellig gewonnen spel. Ik zal van hier uit het oog op
alles houden. Wees sluw en voorzichtig met de honden !"
Behoedzaam sloop de zwarte het pad af. In de overtuiging
van volle zekerheid klom de andere de weinige houten treden op,
drukte zijn breed lichaam door de half begroeide deur en
ging regelrecht naar het raam om uit te zien. Den donker-
ren achtergrond te doorvorschen scheen hem niet noodig toe. En
toch zat daar achter hem een man, een geduchte tegenstander,
die de glinsterende oogen wijd geopend had. Deze oogen ten
minste had de nieuwaangekomene moeten bemerken. Clemen
meende te droomen, doch verried niet door het minste gerucht
zijne aanwezigheid. Spoedig was hij bet met zich zelven eens.
»Dat is niemand anders dan de aanvoerder mijner vijanden !
Hij of ik !*\' zeide hij bij zich zelven.
Luid klopte zijn hart, niet van vrees, hij voelde zich tegen
zijn vijand opgewassen, maar het bewustzijn dat van het naaste
oogenblik zijn leven afhing, stond hem duidelijk voor den geest.
Doch al ware het gevaar ook oneindig grooter geweest, hij zou
het toch nooit ontweken zijn. Ook over de wijze van aanval was
hij het spoedig met zich zelven eens. Deze moest zoo stil moge-
lijk plaats hebben, om niet mogelijkerwijze in de nabijheid ver-
scholen handlangers te doen toesnellen. Opspringen, den onbekende
met krachtige armen omvatten en hem op den grond werpen
was één. Alle. tegenweer baatte niets ; in een oogwenk lag de
man gebonden; een mondprop maakte spoedig aan zijn machte-
loos brullen een einde. Nu stond Clemen bijna zelf verbaasd over
zijn daad ; want de tegenstander was inderdaad een boomsterke
kerel, die niet te verachten was. Zonder kwetsuur was het wel
niet afgeloopen ; met tanden en voeten had de reus vertwijfelde
tegenweer geboden, doch Clemen telde deze wonden niet.
4
-ocr page 54-
50
Wat stond hem nu te doen ? Het was niet te verwachten, dat
men hen hier spoedig zou komen zoeken. Zijn gevangene alleen
te laten, was hem ook nie* naar den zin en schieten kon even
zoo goed vrienden als vijanden aanlokken. Daarover nadenkende,
trad hij voor het raam. Onwillekeurig zochten zijne oogen het
huis, waaraan hij thans zoo gaarne eenig sein zou gegeven heb-
ben. Geen mensch liet zich daar zien. Doch zie, in de nabijheid
van het huis sluipt een neger naar de omheining. Van het gesprek
voor het paviljoen had Clemen niets vernomen ; dat echter de
neger daar ginds een vijand was en welke slpchte bedoelingen
hij koesterde, begreep hij terstond, toen hij zag, dat de neger
onbemerkt op een van het huis niet waar te nemen punt over
de omheming klom, de naar hem toeschietende honden toesprak
en streelde en in een ommezien in een bijgebouw verdween,
waar een groote voorraad van de licht brandbare katoen ge-
borgen lag. Als een bliksemstraal schoot het hem door den geest:
die man sticht brand. Van schrik stond hij een oogenblik als
verstijfd. Hij herinnerde zich van mevrouw Vlielander vernomen
te hebben, dat voor jaren een harer gettouwste huissloven van
een boodschap naar een der naburige plantages, waarheen hij
een aanzienlijke som gelds moest overbrengen, niet teruggekeerd
was ; men had zijn lijk wel niet gevonden, doch hij was toch
stellig vermoord, daar aan oneerlijkheid van hem niet te denken
viel.
Komt er dan geen enkele bewaker uit het huis? Blijft alles
stil?
Hij vergat zijn gevangene; slechts ééne gedachte leefde in
hem: »Ik moet weg, ik moet de. niets kwaads vermoedenden van
den vuurdood redden !\'\'
In wilde vaart snelt hij het pad af, midden door het struik-
gewas heen, niet lettende op de versperrende takken, die hem
in het aangezicht sloegen ; slangen richtten zich voor hem op,
hij zag ze niet; in den geest zag hij de vlammen hoog opflik-
keren, zag ze naai- de slapenden kronkelen, hen omstrengelen,
hoorde hij de kreten van bange vertwijfeling. Toen hij uit het
-ocr page 55-
51
woud te voorschijn stormde, stegen inderdaad de vlammen hemel-
hoog op, gejammer en geschreeuw klonken hem te gemoet. In
de grootste wanorde liepen blanke en zwarte mannen bij den
vuurpoel radeloos rond; steeds verder weken zij voor de vlam-
menzee terug. Als de wind vloog Clemen voort. Eindelijk bereikte
hij de omheining: nog is het hek gesloten. Een stamp met den
voet, nog een, het slot kraakt, de poort vliegt open en een
oogenblik later staat hij onder de radeloozen.
»Zijn allen gered ?" roept hij hijgend. »Waar is de meesteres,
het kind?"
Onthutst staren de omstanders elkander aan. Uit het heeren-
huis slaan de vlammen aan alle kanten naar buiten, het heeft
insgelijks al spoedig vuur gevat, daar het \'t dichtste bij de bran-
dende schuur stond. Van de weduwe en haar kind is niets te
zien. Zij moeten verstikken en verbranden.
Brave man, toon uw moed !
Een oogpnblik flikkert het toornig in zijne oogen op, dan vliegt
hij het huis binnen. De rook dreigt hem te verstikken. Nog is
de trap vrij; in den dikken walm moet hij er tastend naar zoeken.
Hij sluit de oogen en stormt de trappen op. Daar boven aan
de trap stoot zijn voet tegen een menschelijk lichaam. Hij bukt
zich en voelt den knaap door de armen zijner moeder omvat ;
doch geen geluid verraadt dat er nog leven in hen is. Waar-
schijnlijk te Iaat ontwaakt zijn beiden bij hun poging om te
ontkomen verstikt. Hij neemt moeder en kind op en draagt ze
met hovenmenschelijke inspanning naar beneden\'; hier gekomen
wankelt hij en stort bewusteloos neder.
Het was een ontzettende brand ! Mijlen ver zag men zijn gloed
ondanks den helderen zonneschijn. Pas was Clemen in het huis
verdwenen, of van alle kanten stormden zijne kameraden toe.
Be. beide eersten, twee beproefde mannen, zagen hun geliefden
bevelhebber juist nog op zijn gevaai vollen tocht verdwijnen.
Zonder een woord te verliezen ijlden zij hem na en hij viel
hen met zijn kostbaren last in de armen. Zorgvuldig legden
zij alle drie ver van het vuur in het ?achte gras; zij lagen bleek
-ocr page 56-
52
en roerloos als dood. Jammerend en we eklagend wierpen zich de
slaven en slavinnen bij hunne meesteres en den knaap neder,
die zij zoo slecht bewaakt hadden, als kon hun klaaggeschrei
hun nalatigheid weder goed maken. Vloekend gelastten de sol-
daten hen water te halen en wezen hun hoe zij het tot weder-
opwekking van beiden moesten aanwenden, en wijdden daarna al
hunne zorgen aan hun commandant. Terwijl de balken van het
intusschen van onder tot boven in brand geraakte huis instortten,
zoodat de vonken hoog in de lucht opvlogen, sloegen alle drie,
de een na den ander, de oogen op.
Vreugdetranen vergietende sloot de moeder haar zoontje aan
haar borst, een vurig dankgebed steeg uit haren mond tot God
op. Clemen lag nog onbeweeglijk, ook zijn oogen hadden zich
weder gesloten, maar een gelukkige glimlach lag op zijn gelaat,
want zijn oor had hem de zekerheid verschaft, dat zijn reddings-
werk gelukt was. Eerst de vertwijfelende kampstrijd, gevolgd
door het haastige voortsnellen op een moeitevol pad en de ont-
zettende angst moesten hem wel te sterk aangegrepen heb-
ben, want reeds waren van verren afstand helpers komen op-
dagen, ook Meys was op een vluggen draver reeds toegesneld, en
nog altijd lag hij als een zwak kind in het gras, tot hem in een
door het vuur verschoond gebleven gebouw een legerstede bereid
en hij er behoedzaam op neder gelegd was. Zijn lof lag op aller
lippen en dankbaar stond de geredde mevrouw Vlielander met
haar kind aan de hand voor hem. Meys was, zoodra hem van
den door Clemen gevangengenomen blanke bericht werd, on-
verwijld met eenige manschappen naar het paviljoen opgebroken.
Hij was nog juist te rechter tijd gekomen; de sterke kerel, dien
men terstond voor den zoogenaamde wilde herkende, had zijn
boeien reeds bedenkelijk losser weten te maken. In zegepraal
werd hij medegevoerd en zoo spoedig mogelijk naar de stevige
gevangenis van Paramaribo overgebracht. Daar veroorzaakte zijn
aankomst een waren volksoploop. Een ieder had den mond vol
van de heldendaad van Clemen.
Intusschen had zich bij dezen de verraderlijke kustkoorts ge-
-ocr page 57-
53
openbaard en zijn leven hing nog slechts aan een haar. Met
bezorgd voorkomen stond de geneesheer voor zijn legerstede ; diep
bekommerd wonnen zijne vrienden telkens naricht van hem in.
Meys kwam herhaaldelijk, de bezorgdheid stond op zijn gelaat te
lezen; vurige gebeden tot God stierden mevrouw Vlielander en
haar zoon op voor het herstel van hun redder.
X. De gelegenheid wordt gevonden.
»God moge den braven man in het leven sparen !" zeide men
overal, bij voornamen en geringen en hiervoor had men wel
reden. Zijn ziekte verwekte toch te meer deelneming omdat hij
door den strijd en de zegepraal in het paviljoen inderdaad den
gevaarlijken aanvoerder der opstandelingen in handen van het
gerecht overgeleverd en daarmede aan de geheele kolonie een
ontschatbaren dienst bewezen had. Verlicht had stad en land
bij de tijding, dat de »Wilde," de schrik van het woud, gevan-
gengenomen was, geademd.
Slechts écn mensch was de algemeene deelneming in den toe-
stand van Clemen niet naar den zin. Dit was de gouverneur.
Een droevige tegenstelling vormde diens geheime zoeken naar
een gelegenheid om Clemen ter zijde te schuiven met de alge-
meen voor hem bezorgde liefde en erkentelijkheid.
»De gelegenheid om hem zijn afscheid te geven moet gevon-
den worden," zeide hij bij zich zelven; »hij is mij niet volgzaam
genoeg. Misschien, hij heeft de koorts ; misschien...."
Tot een slechten, onchristelijken wensch vervoerde hem zijn
haat, dien de geldzucht, de wortel van alle kwaad opgewekt had.
Ten hocgste bekommerd hield mevrouw Vlielander het toezicht
over de verpleging van den zieke.
»Hij moet zijn gevaarlijk beroep vaarwel zeggen," sprak zij
-ocr page 58-
54
in zich zelf, »de geschikte gelegenheid daartoe moet gevonden
worden. God geve maar dat hij niet sterft."
Met bitter zelfverwijt klaagde Meys zich aan, dat hij den
offer vaardigen man niet van den beginne af vriendelijker te
gemoet gekomen was.
»Ik zou hem terstond meer vertrouwd moeten hebben," zeide
hij tot zich zelven ; »maar het is mijn ongelukkig gebrek iemand
eerst lang op de proef te willen stellen. Nu wil ik beter voor
hem zorgen, de gelegenheid zal zich wel spoedig laten vinden."
Inmiddels kwam het nieuwe militaire transport aan. De mede-
gekomen onderofficier werd bijna onmiddellijk met het opper-
bevel over de soldaten belast. De gouverneur had namelijk
spoedig voor den »nieuwe" — zoo noemden hem de in de
kolonie reeds lang vertoevende soldaten — vertrouwen opgevat,
Deze betoonde zich voor zijne meerderen kruipend en onderdanig,
maar tegenover zijne ondergeschikten aanmatigend en heersch-
zuchtig. Vele door Olemen ingevoerde deugdelijk bevonden maat-
regelen werden zonder grond ingetrokken, andere daarentegen
verordend, wier doeltreffendheid met recht kon betwijfeld worden.
De gouverneur keurde alles goed, mits er slechts uitgaven door
vermeden werden. Verscheidenen der oude soldaten namen hun
ontslag; de aanblijvende!) hoopten op de genezing van Clemen.
Eindelijk nam diens ziekte een gunstigen keer en de arts ver-
klaarde hein voor gered. Mevrouw Vlielander dankte in vereeni-
ging met haar zoontje den lieven God, dat Hij hun redder in het
leven behouden had. Meys liet zich nu niet meer uit de zieken-
kamer wegzenden, maar bracht menig uur aan het bed zijns vriends
door. Na wilde koortsfantazieëu, waarin hem, opmerkelijk, niet de
laatste gewichtige gebeurtenissen door den geest gewoeld hadden,
maar de beelden van gevangenis en spitsroeden, straatroovers en
spionnen, blikte Clemen\'s oog weder helder en verstandig. Nog
echter was hij zeer zwak en hulpbehoevend en mocht niet of
slechts zeer weinig spreken. Zijne zorgvuldige verpleegster moest
al te dikwijls den vinger op de lippen leggen om hem tot Zwijgen
te vermanen, vooral wanneer de praatzieke Meys tegenwoordig
-ocr page 59-
55
was, die steeds meende in Clenien den vroegeren krachtigen man
te zien. Menigmaal sloot, zoo vermaand, de herstellende als een
gehoorzaam kind den reeds half geopenden mond. In geestdrift-
volle bewoordingen schilderde Meys de algemeene erkentelijkheid
en de blijdschap, die men in stad en land gevoelde eerst over de
gevangenneming vanden Wilde en nu over Clemen\'s voortschrijdende
genezing. Niet zelden wreef hij zich vergenoegd de handen en
zeide halfluid, als kon hij den tijd niet afwachten, dat hij meer
durfde verraden : »Ik wist het wel, dat de gelegenheid gevonden
zou worden."
Deze was inderdaad gevonden en wel op zeer natuurlijke wijze.
Menigmaal had mevrouw Vlielander er over nagedacht, hoe zij
het beste haar erkentelijkheid aan den redder van haar en haar
kind zou kunnen bewijzen. Daarbij was zij op de voor de hand
liggende gedachte gekomen, den rechtschapen man aan haar plan-
tage te verbinden ; want hier ontbrak de krachtdadige leiding
van een omzichtig man. Herhaaldelijk hadden haar dit ook
hare vrienden, inzonderheid de heeren Van Buysenvliet en Meys
gezegd met de woorden :
«Slaven moeten een meester hebben ; de hand eener vrouw is
voor zulk een taak te zwak."
Toen zij echter deze beiden heeren te kennen gegeven had,
dat zij Clemen niet als ondergeschikte bij zich wilde zien, en hem niet
alleen de leiding der plantage maar ook het beheer harer zaken toe-
vertrouwen wilde, had Meys met het hoofd geschud en, gesteund door
den heer Van Buysenvliet, de bedenking gemaakt dat dit niet ging,
daar Clemen van de practische bebouwing der plantagevelden en
de Surinaamsche handelszaken geen kennis had en de trouw van
een man voor zijn aanstelling als werkelijke plantage-directeur
wel een gewichtig, doch niet eenig vereischte was. Algemeene
bijval vond daarom zijn voorstel den gemeenschappelijken be-
schermeling bij hem in de leer te geven als plantage-officier op de
Buysenvlietsche bezitting, opdat hij zich daar op de hoogte zou
kunnen stellen. Met nadruk verzekerde hij, dat dit niet lang zou
•uitblijven.
-ocr page 60-
56
Zoodra Cleraen zich weder genoegzaam hersteld voelde on van
de hervatting zijner militaire plichten sprak, bood Meys hem uit
naam van den heer Van Buysenvliet een plaats als plantage-officier
aan, somde de plichten en rechten van zoo iemand op en over-
handigde hem de afkoopsom voor het ontslag uit den dienst,
welke aan den gouverneur betaald moest worden en 55 gulden
bedroeg. Van zijn toekomstig ruim salaris kon Clemen deze
som gemakkelijk terugbetalen, meende hij. Clemen stemde hierin
natuurlijk verheugd toe ; in zijn volle waarde wist hij het geluk
te schatten, dat men hem in het vooruitzicht stelde, te meer
omdat Meys hem ook verhaalde, dat hij verscheidenen zijner
kameraden als opzichters of in een andere betrekking op de
plantage Buysenvliet zou wedervinden ; wellicht kwamen er nog
meer bij. De goedhartige heer Van Buysenvliet had hem ten
minste last gegeven aan allen zoo ver het hem mogelijk was
plaatsing te verleenen.
»Zij kunnen namelijk uw opvolger niet verdragen,\'\' zeide Meys,
»het moet een man van een zeer boosaardig karakter zijn."
Zonder eenig vermoeden van het eigenlijke plan van mevrouw
Vlielander te hebben, narn Clemen eindelijk diep aangedaan af-
scheid van haar en haar zoontje. Weenend klemde de knaap
zich aan hem vast; met tranen in de oogen stond de moeder
voor hem ; ondanks de blijde hoop, die het ontworpen plan haar
schonk, was zij smartelijk bewogen. Zij dnnkte hem nogmaals
met innige woorden en schonk hem rnet de bede haar en haar
kind niet te vergeten, een medaillon, waarin hunne portretten
prijkten. Verheugd glimlachte zij, toen zij zag dat dit geschenk
hem genoegen deed. Hoe hoog schatte hij dit aandenken, dat hij
niet met de oogen der geldzucht beschouwde. Had hij den goe-
den menschen door snel te handelen het leven gered, hij dankte
daarentegen het zijne aan hun zorgvuldige verpleging. Met de be-
lofte zeer dikwijls terug te zullen komen, verliet hij eindelijk het
oord, waar hij zulk een schitterend bewijs van zijn moed en onver-
schrokkenheid gegeven had. De afgebrande gebouwen waren
reeds weder opgericht, eenvoudiger wel is waar dan vroeger, maai\'
ruimer en geheel van elkander afgezonderd.
-ocr page 61-
57
Met groot gejubel werd Clemen in Paramaribo ontvangen. Hoe
dikwijls hij ook betuigde niets dan zijn. plicht gedaan te hebben,
het andere was de bestiering van God, hij kon het niet verhin-
deren, dat vele menschen hem juichende op den weg naar den
gouverneur volgden.
»Ja," riep iemand luid, »had de trotsche heer daar binnen
maar een weinig van onzen braven mijnheer Clemen, dan zou het
er hier in de kolonie geheel anders uitzien."
Toornig ontving de gouverneur Clemen; geen vriendelijke wel-
komstgroet klonk van zijne lippen.
»Gij komt," voegde de gouverneur hem toe, »onder joelen en
schreeuwen van het volk. Past dat aan een soldaat .\' Is dat
eene verontschuldiging voor uw lang wegblijven ?"
«Mijnheer de gouverneur," begon Clemen, die bij deze onver-
diende, barsche ontvangst verbleekte, sik kom volgens mijn
plicht...."
De gouverneur schreeuwde nog luider dan te voren: «Zwijg;
gij hebt steeds andere plichten dan die, welke mij goed voor-
komen ; ik ken uw gezindheid, Uw ziekte heeft zeer lang ge-
duurd ; gij zult het dus wel verklaarbaar vinden dat uw plaats
ingenomen is door een man van een goede gezondheid en groote
omzichtigheid; ook kent hij het woord ondergeschiktheid uit-
muntend. Dezen kan ik om uwentwille niet dadelijk afzetten.
Het is een oude bekende van u."
Verwonderd zag Clemen dat de gouverneur aan de schel trok,
waarop onmiddellijk Wohlfahrt kinnentrad. Onthutst, alsof hij
zijne oogen niet vertrouwen kon, trad Clemen een schrede
terug.
»Aha !" riep de gouverneur, »zulk een getuige uit het verleden
is den volksman Clemen wel niet zeer welkom ? Verheug u toch,
Wohlfahrt zal een welwillend superieur zijn."
Bleek van verontwaardiging antwoordde Clemen : »M\\jnheer de
gouverneur, ik kwam om mijn ontslag te vragen, thans vorder
ik het; de afkoopsom ligt gereed. Wat gij met dezen man
voor hebt is mij onverschillig."
-ocr page 62-
58
Wohlfahrt lachte spottend; zijn gelaat zag er nog somberder
en terugstootender uit dan vroeger, zijne oogen glommen valsch
als kattenoogen.
»Uwontslag vorderen, vorderen!\'\' riep de gouverneur uit. »Gij hebt
stellig Maastricht vergeten ? Gij zijt slechts door eene genade, die
zeer misplaatst was, aan een onteerende straf ontkomen. Neem u
voor mij in acht 1 Ik zou een voorbeeld kunnen stellen, dat u
gedwee maakt!"
»lk vrees uw bedreiging niet, mijnheer de gouverneur. Gij zult
aan uwe verantwoordelijkheid denken; ik ga thans en wacht tot
hedenavond op mijn eervol ontslag ; is dan aan mijn vordering
niet voldaan, dan zal ik het onmiddellijk rechtstreeks bij de
Heeren Generale Staten aanvragen. Dan zult gij ook gelegenheid
hebben, u van de vertrouwbaarheid van dezen uwen zegsman
te overtuigen."
Dit gezegd hebbende, keerde hij zich om en ging met vaste
schreden weg ; den boosaardigen Wohlfahrt verwaardigde hij niet
geen blik.
Ziedend van toorn over de minachting, die Clemen voor hem
aan den dag gelegd had, sprong de gouverneur van zijn zetel op.
>>Ik laat hem kromsluiten !" bracht hij eindelijk met moeite uit-
In de ruime vestibule wachtten de oude soldaten in de hoop
Clemen nu weder als hun geliefden aanvoerder te kunnen be-
groeten. Ontsteld keken zij op, toen Clemen naar beneden kwam
en achter hem boven van de trap het bevel klonk : «Neemt dien
man gevangen !" Zij verroerden hand noch voet en toen Wohl-
fahrt verscheen en het bevel van den gouverneur ten uitvoer
wilde leggen, omringden zij Clemen, hoewel deze hen terug
wees, daar hij wist, dat zij er voor zouden moeten boeten. In-
derdaad, een kwartieruurs later waren allen gevangen genomen ;
zij waren echter nog slechts met hun zessen.
-ocr page 63-
50
XI. liet wordt beter.
Hoe onaangenaam het Clemen ook was, zijn zaak tot een
algemeene te maken, kon hij toch niet verhinderen, dat Meys,
over dit voorval ten hoogste verontwaardigd, een krachtig optre-
den tegen den gouverneur uitlokte, wiens handelwijze bij de tegen
hem heerschendej verbittering in alle gevallen dwaas mocht
heeten. Nog dien zelfden dag kwam de reeds eenmaal gehandeld
hebbende deputatie weder bijeen en besloot tot beveiliging en
eerherstelling van Clemen doortastende maatregelen te nemen.
Aan hun nadrukkelijke tusschenkomst hadden Clemen en zijn
gevangen kameraden dan ook spoedig hun eervol ontslag uit den
dienst en hun invrijheidstelling te danken. De gouverneur be-
daarde spoedig onder het natellen der afkoopsommen.
De heer Van Buysenvliet nam, al had ook het verlies van al
zijn geliefde familiebetrekkingen zoowel als zijne ziekelijkheid hem
een zeer afgezonderd leven tot een behoefte gemaakt en hij
slechts zeer zelden zijn bij de stad in een heerlijk park gelegen
villa verliet, toch een waakzaam aandeel in alle openbare vraag-
stukken. Natuurlijk had hij ook aan de voor de welvaart der
kolonie zoo nadeelige handelingen van den gouverneur zijn aan-
dacht gewijd en zich ook steeds met levendige belangstelling van
het gedrag van Clemen doen onderrichten. Toen Clemen zich
daags na dat voorval bij hem, als zijn patroon aanmeldde, liet
hij zich alles nauwkeurig verhalen en ook omtrent liet gebeurde
te Maastricht inlichten, liij sprak de verwachting uit, dat Clemen
ook in zijn nieuwen dienst dezelfde plichtsbetrachting zou
aan den dag leggen en zoo veel mogelijk de belangen van zijn
patroon bevorderen. Daarna echter stelde hij een verslag op aan
de Generale Staten over het wanbeheer van den gouverneur,
waarbij hij ook vermeldde, dat de soldaten ouder het nieuwe com-
mando in veelvuldige en betreurenswaardige botsingen met de be-
volking kwamen, in plaats van deze te beschermen en terwijl hij
-ocr page 64-
60
er zich slechts over verheugen kon den dapperen Clemen in zijn
dienst te hebben, moest hij het toch van den anderen kant diep
betreuren, dat zulk een uitstekend man zoo lang miskend ge-
bleven en nu voor den dienst van den Staat verloren was.
Met behulp van opzieners, wier getal door de toevoeging van zijne
vroegere kameraden vergroot werd, nam nu Clemen het beheer over
180 slaven op zich ; alzoo moest hij ook hun arbeid regelen en ein-
delijk ook deels op het kantoor schriftelijk, deels aan de haven
praktsch de handelsaangelegenheden behandelen. Dit alles vol-
bracht hij echter met zulk een ijver, geluk en geschiktheid, dat
men hem als den aangewezen plaatsvervanger van Meys begon
te beschouwen. Het was we! toevallig, dat zulk een plaatsver-
vanging thans zoo menigmaal vereischt werd. Onder verschillende
voorwendsels, die alle het karakter van dringende noodzakelijkheid
droegen, moest Meys meermalen voor een, twee, eens zelfs ook
voor volle acht dagen op reis. Dan had de heer Van Buysen-
vliet gelegenheid zich over de omzichtige leiding der zal;en door
Clemen en de duidelijkheid van zijn verslag daarover te verge-
wissen. Daarbij kwam dat alle opzieners en slaven der plantage
Clemen oprecht vereerden en zich zoo spoedig en gaarne naar
zijne bevelen schikten, dat er bijna geen groote onaangenaamheden
meer voorkwamen en Meys meer dan eens in zich zelven bromde:
»Het is alsof men overbodig ware, zoo licht en bijna vroolijk
gaat alles vanzelf." Dat zeide hij evenwel niet, alsof Clemen
zich op den voorgrond gesteld zou hebben ; neen, bescheidener
dan deze kon niemand zijn, evenmin dankbaarder en tevredener.
Zijn betrekking vereischte wel is waar zeer nauwgezette en onafge-
broken werkzaamheid, en ook lichamelijke inspanning, maar
een goed volbrachte arbeid vond hier ook geen onverdiende af-
keuring zooals vroeger van den kant des gouverneurs. Hoe ge-
lukkiger echter Clemen zich gevoelde, des te weemoediger werd hij,
als hij aan zijne geliefden te huis dacht, die onder de zorgen
des levens zoo diep gebukt gingen. Hoe gaarne had hij nog
eens het ouderlijke huis betreden; hoe gaarne had hij slechts
een blik geworpen op de dierbaren! Dikwijls ook kwam het
-ocr page 65-
Cl
verlangen bij hem op naar het wederzien van die gezellige
woning, waaraan het medaillon met zijn portretten hem herinnerde.
Op zekeren avond, nadat de dienst geëindigd was, magazijnen
en poort gesloten waren en de slaven hunne hutten, die zij
familiesge wijze bewoonden, opgezocht hadden, trad Meys bij
Clemen binnen en vond hem in het verschiet starende voor het
open raam zitten, door hetwelk een verkoelende, door heerlijke
geuren verzadigde lucht naar binnen stroomde.
Meys zette zich op een stoel naast hem neder, vatte zijn
vriend bij de hand en sprak op deelnemenden toon : »Wat zit
je toch te peinzen, mijn vriend ! Reeds lang drukt je een geheim
leed; wat bekommert je? Ontbreekt je iets in je positie?"
»Hoe kunt ge denken, dat ik zoo ondankbaar zou wezen?"
antwoordde Clemen verrast. »Mijn werkkring bevalt mij uitste-
kend en je bent voor mij een zoo vaderlijke als trouwe vriend.
Hoe zou ik zulk een geluk niet op prijs stellen ?"
«Hm ! wat mijn gezelschap betreft, dat zal wel niet juist zoo
geheel onontbeerlijk voor je geluk zijn. Dat zou er erg uit-
zien ; want nu is de tijd gekomen, dat wij van elkander zullen
moeten scheiden."
«Moeten? Hoe moet ik dat verstaan?" antwoordde Clemen,
door den ernstigen toon van de stem zijns vriends getroffen;
»wil je dan naar het vaderland terugkeeren ?"
Zoo sprekende sprong hij op, en stak haastig eenige der witte
waskaarsen op gelijk zij in Suriname bijzonder fijn bereid worden;
haar helder schijnsel toonde Meys een ontsteld gelaat.
»Naar het vaderland terugkeeren ?" herhaalde deze vragend.
Daarop ging hij, aan deze gedachte vasthoudende, voort: »En
waarom zou ik dat niet doen ? Zie je niet, dat het grijs op
myn hoofd zachtjes aan in sneeuw veranderd ? Dat vermaant,
beste Clemen."
»Je wil weg," klaagde Clemen, »ik zal mijn goedigen chef
verliezen?"
«Natuurlijk !" luidde het antwoord tamelijk koel, )idien zal je
zeer zeker verliezen."
-ocr page 66-
62
»En dat zeg je zoo bedaard ? O ! een wreed noodlot vervolgt
mij : den vijand zendt het mij na, den vriend scheidt het
van mij."
»Foei I schaam je om zoo te denken en te spreken. Heb je
niet overal vrienden, waarheen je ook het oog wendt ?"
»Neen, neen, niet overal, en evenwel, je ben mijn beste
vriend."
Meys vatte Clemen\'s beide handen en ze warm drukkende,
zeide hij :
«Zorg en klaag toch niet! God leidt alles goed; je zal het
ook in dit geval nog inzien. Wellicht verheugt je reeds deze
brief, dien ik vandaag ontvangen heb. Daar, lees hem eens!\'
Hij reikte Clemen een brief, dien hij in den zak verborgen
had gehouden ; hij kwam uit Europa uit Maastricht van Alkhaven
en bevatte het bericht, om welks voorloopige geheimhouding
echter nog verzocht werd, dat voor Suriname een nieuwe gouver-
neur, benoemd was en wel dezelfde commandant uit Maastricht,
die in het leven van Clemen zulk een gewichtige rol gespeeld
had. Met het eerstvolgende regeeringschip, dus kort na aan-
komst van dien brief, zou hij met zijn vrouw en dochter in
Suriname aankomen en te gelijl; mot hem nog een oud vriend
van Clemen, die in den laatsten tijd het fabelachtige geluk go-
had had majoor te worden en belast was met de leiding der
militaire ondernemingen van de kolonie. Zijn naam wilde hij
hun nog niet noemen. Dat was een vreugdevolle tijding op de
bedroevende.
»De majoor is natuurlijk onze Alkhaven zelf;" riep Clemen;
«merk je dat niet, beste vriend? Dat is een groote vreugde
voor mij, te meer," voegde hij er zegevierend bij, somdat je nu
stellig ook niet van hier gaat. Wat zou je ook ginds doen, als
je eenige bloedverwant herwaarts komt ?"
»Je meent, dat het Alkhaven zou kunnen wezen?" hernam Meys..
«Het zou niet onmogelijk zijn, dat hij majoor geworden is. Doch
zou hij op eens zijn weerzin voor de nieuwe wereld overwonnen
hebben ? Ik geloof het niet. En al ware het zoo, beste Clemen,
-ocr page 67-
63
ditmaal is de zaak stellig besloten. Mijnheer Van Buysenvliet
heeft er zijn ja en amen op gegeven, wij zullen derhalve moeten
scheiden en dit wellicht eerder dan gij denkt. Overigens heb ik
een uitnoodiging voor ons beiden aangenomen. Den eersten van de
volgende maand wil mijnheer Van Buysenvliet op de Vlielandersche
plantage den door de meesteres gekozen nieuwen directeur
in tegenwoordigheid van vele genoodigden in zijn ambt aanstellen.
Wij moeten natuurlijk aan de uitnoodiging gevo|g geven.\'\'
Daarmede ging hij weg en liet Clemen met zijn gedachten
alleen. De laatste mededeeling beroerde dezen opnieuw onaange-
naam ; niet wijl hij meende, dat men aan hem had moeten
denken, hoé zou hij zoo vermetel hebben kunnen zijn ? Neen, het
scheen hem slechts toe, dat de mogelijkheid om de voortreffelijke
vrouw en haar zoontje nog eenmaal van dienst te kunnen wor-
den, daardoor in een nevelachtig verschiet teruggedrongen werd, en
dit was bedroevend. De gedachte aan Alkhaven zou hem als de
eenige troostvolle over al het andere weghelpen, hoopte hij
echter.
Sinds dien dag keek Clemen menigmaal de Suriname af zoo
ver zijn oog reikte, of geen boot met de nationale vlag kwam
opdagen en met de andere welkome gasten den dierbaren Alkhaven
medebracht; want natuurlijk kon de majoor niemand anders
zijn dan hij. Op zekeren dag zag hij eindelijk het gewenschte
sein. Een brandend ongeduld maakte zich van hem meester;
had zijn plicht hem niet teruggehouden, hij ware naar de lan-
dingsplaats gesneld. Reeds wilde hij een bode uitzenden, daar
kwam het gerucht uit de stad — windsnel werd het door de
kolonie gedragen — er was een nieuwe gouverneur aangekomen,
voor allen onverwacht, een deftig heer met een scïioone, vriende-
lijke dame en een lief meisje, benevens nieuwe soldaten, waarvan
eenigen in prachtige uniformen ; de nieuwe gouverneur was met
den voornaamste dezer het paleis van den tegenwoordige binnen-
gegaan. De menpchen konden niet door de gesloten ramen zien ;
nochtans verhaalde men elkander, dat de oude gouverneur een
uitvoerig schrijven van de rpgeering ontvangen had, bij welks-
-ocr page 68-
64
lezing hij zoo wit geworden was als krijt; thans pakte hij reeds
zijne koffers
Men gelooft over \'t algemeen gaarne, wat men wenscht.
Ditmaal echter stemden geloof en werkelijkheid met elkander
overeen.
Ongeduldig wachtte Clemen op Meys, die als lid der burger-
deputie terstond naar Paramaribo geroepen was. Tegen den
avond kwam hij terug en bracht een officier mede, het was —
iMkhaven.
»Ik wist het wel, ik wist het wel !" juichte Clemen, terwijl
hij zijn wedergevonden vriend omhelsde.
Welk een zalig gevoel, vooral in een vreemd land, is het toch,
weder in een lang gemist, dierbaar aangezicht eens vriends te
kunnen zien, door de trouwe armen eens vriends weder om -
sloten te worden ! Welk een geluk ligt toch in zulk een wederzien!
Daarbij boren de blikken zoo diep in de oogen, als wilden zij
levenswarm opeens weder al de draden aanknoopen, die de harten
weleer verbonden. Nadat de eerste vervoering van vreugde een
weinig bedaard was, waren de beide vrienden spoedig in een druk
gesprek gewikkeld over hun wedervaren sinds zij van elkander
gescheiden waren.
In de stad Paramaribo was intusschen alles op de been.
Als waren de menschen allen onverwachts rijk begiftigd geworden,
liepen zij met blijde aangezichten door de straten. Vreemden
drukten elkander de hand als waren het goede bekenden. Voor-
name heeren werden door slaven op straat ondervraagd en gaven
bereidwillig het welkomen bescheid: »Jawel, hij moet weg; hij
heeft niets meer te bevelen en Wohlfahrt evenmin.\'\'
Met dien »hij" was de oude gouverneur bedoeld , wiens
huis door drommen van menschen omstuwd bleef, als hadden
zij verwacht, dat hij het nog heden voor hunne oogen zou
ontruimen. Het huis echter bleef stil en de jaloezieën bleven vast
gesloten. Die stilte was echter slechts schijnbaar. In de statie-
vertrekken heerschten twist en oneenigheid. De bij besluit een-
voudig ontslagen gouverneur rommelde woedend in laden en
-ocr page 69-
65
kasten en overlaadde den voor hem staanden, spottend lachen-
den Wohlfahrt met scheldwoorden, die ze met drieste bedreigin-
gen vergold. De gouverneur wilde nog eenige andere zaken ter
sprake brengen, maar Wohlfahrt overschreeuwde hem, tot hij
zijn oogmerk, hem een groote geldsom af te persen, bereikt had,
daarna eerst ging hij heen. Ook uit onzen gezichtskring verdwijnt
daarmede de valsche man. In het duistere van den nacht zou
een boot hem stroomafwaarts gevoerd hebben. Jaren daarna
liepen er onzekere geruchten omtrent hem in Paramaribo. In
Cayenne, een strafkolonie van het naburige Fiansche koloniaal
gebied, zou hij zich opgehouden en ten slotte zeeroof gepleegd
hebben. Daarbij was hij door de Engelschen gevangengenomen
en opgehangen geworden.
De ontslagen gouverneur zond een memorie aan de Generale
Staten om zich te rechtvaardigen, maar dat mocht hem zoo
weinig gelukken, dat hij de achting van al zijn medeburgers
verloor; hij stierf korten tijd daarna, door niemand betreurd.
XII. Een onterwachte benoeming.
Er was een groot aantal voorname gasten voor de installatie
van den nieuwen directeur op de plantage Vlielander bijeenge-
komen. Het baarde niet weinig opzien, dat de nieuwe gouver-
neur en de heer Van Buysenvliet insgelijks verschenen. Dat liet
zich echter daarmede verklaren, dat de directeur eener plantage
een zeer verantwoordelijke en eervolle betrekking bekleedde en
mijnheer Van Buysenvliet voor mevrouw Vlielander en haar zoon
steeds een zorgvuldige vriend geweest was en ook daarom op
dezen dag niet afwezig wilde blijven. In feestgewaad stor.den de
beambten en de slaven met hunne kinderen op de voorplaats
van het heerenhuis, welks rechtervleugel tot woning van den
5
-ocr page 70-
66
nieuwen directeur ingericht was. In verschillende groepen ston-
den de naburige plantagebezitters en hoogere beambten met
elkander te praten. Onder hen merkte men Alkhaven, Meys en
Clemen op, welke laatste door zijn hooge gestalte boven allen
uitstak. Terwijl aller oogen zich naar de wijdopenstaande poort
richtten, door welke juist de beide voornaamste, bovengenoemde
gasten in een sierlijke koets binnenreden, trad de meesteres des
huizes met haar kind nnar buiten. Vriendelijk beantwoordde zij
de haar toegebrachte eerbiedige groeten en keek glimlachend
haar zoontje na, die zich van haar hand losgerukt had en naar
zijn vriend Clemen snelde. Allen ontblootten het hoofd en luis-
terden aandachtig, toen mijnheer Van Buysenvliet het woord op-
nam en hun sprak van de verschrikkingen en gruwelen, die op
deze plantage gewoed hadden sinds den op hun meester ge-
pleegden moord, en hoe deze plaats hier een wildernis geworden
en al hare bewoners als offers van roof en bloedgierige opstan-
delingen gevallen zouden zijn, ja, hoe allen in de kolonie in hun
leven en eigendom bedreigd zouden zijn, had niet Gods hand zoo
zichtbaar ingegrepen en hun een man gezonden, die hun een
redder in den nood geworden was. De plek, waarop zij in dit
plechtige uur stonden, was inzonderheid een welsprekende getuige
van zijn heldenmoed en plichtsvervulling, die zelfs den dood niet
schuwden. Innige dankbaarheid riep dezen man, die zulk een
vertrouwen ook door zijn handelskennis verdiende, ongetwijfeld tot
vreugde van alle aanwezigen, tot den gewichtigen post van zelf-
standig bestuurder van dit goed, vol gerustheid legde de mees-
teres het bestuur in diens handen en vertrouwde, dat een ieder
van zijn kant zijn best zou doen den nieuwen directeur zijn
ambt licht te maken.
De blikken der gezamenlijke gasten vestigden zich nu op
Clemen, die zich tot zijn groote verbazing tot middelpunt van
het feest gemaakt zag. Het was hem minder dan anderen on-
ingewijden opgevallen, dat de nieuwe directeur noch met mevrouw
Vlielander, noch met hare vrienden van Buysenvliet medegeko-
men was, hij had zijn volle opmerkzaamheid uitsluitend op de
-ocr page 71-
67
beide door hem geredde, zoo hartelijk beminde menschen gericht.
Hoe zonderling te moede had hij toegeluisterd, hoe verbasterd
zag hij op, toen\'de heer Van Buysenvliet hem wenkte, voor te
treden. Meys stootte hem aan en fluisterde, terwijl hij zijn ont-
roering met moeite kon verbergen :
«Ziet gij dan niet, dat gij voortreden moet? Voorwaarts!"
Als droomende volgde Clemen dit bevel. Nu benoemde hem
mijnheer Van Buysenvliet in naam van mevrouw Vlielander
plechtig tot den over de geheele plantage gebiedenden, alleen
aan zijn meesteres verantwoordelijken directeur. Mevrouw Vlie-
lander reikte hem de hand en zeide :
oNiet uwe meesteres, uwe dankbare vriendin wil ik zijn !"
Clemen kon geen woord uitbrengen. Glimlachend wendde de
heer Van Buysenvliet zich tot de opzichters en vroeg :
j)Is hij u welkom ?"
Het toestemmend geroep was niet noodig, op aller gelaat was
bijval duidelijk te lezen. Nu vroeg hij ook aan de slaven : «Zult
gij hem gaarne gehoorzamen ?"
Blijde klapten dezen in de handen en lieten lachende hunne
witte tanden zien. Daarop trad hij nog nader op Clemen toe
en sprak :
»Zoo wensch ik u, mijnheer de directeur, Gods besten zegen
in uw nieuw ambt f\'
Wederom moest Meys Clemen aanstooten, terwijl hij hem toe-
fluisterde : »Wel, directeur Clemen, hebt gij geen enkel woord
van erkentelijkheid ?\'\'
Nu loste zich de betoovering op, die zijne tong geboeid hield.
Aan woorden van diepgevoelden dank en onmiskenbare vreugde
knoopte hij de belofte al zijne krachten aan zijn nieuw hem zoo
hoog vereerend ambt te zullen wijden. Nog spraakzamer dan zija
mond waren zijn stralende oogen. Al de gasten, met den
gouverneur aan het hoofd, kwamen naar hem toe en wenschten
hem met warme woorden geluk. "De laatste voegde er nog bij
dat hij hoopte, den heer directeur Clemen binnenkort in zijn
huis te Paramaribo te begroeten en daar nog meer te kunnen
zeggen, wat hem verheugen zou.
-ocr page 72-
68
Het spreekt vanzelf, dat er op dezen feestelijken dag op de
plantage niet gewerkt werd en de slaven onthaald werden.
Op de plantage Vlielander begon nu voor Clemen een drukke
en toch gelukkige tijd. Zonder de bebouwing der vruchten voort-
brengende velden te verwaarloozen, ging de directeur over tot
verwezenlijking van plannen, die men tot dusvene, ondanks hun
onmiskenbaar gewicht, wegens de vele groote hinderpalen had laten
rusten. Op een verre uitgestrektheid veroorzaakte de rivier door
jaarlijks wederkeerende verwoestende overstroomingen veel schade
aan tot de plantage behoorende velden, bloedig ondernam de
nieuwe directeur den eindeloos schijnende bouw van een dijk in
verband met een door hem ontworpen voortreffelijk bewaterings-
plan. Het hout op den heuvel met het bekende paviljoen en
een gedeelte van liet daarachter liggende woud viel onder de
slagen van de rooiende bijl, waardoor aan slangen en boschnegers
nabijgelegen sluiphoeken ontnomen en daarentegen nieuwe vrucht-
bare velden gewonnen werden. Hierbij kwam het Clemen zeer testade,
dat de heer Van Buysenvliet een aanzienlijk crediet verleende. Nieuwe
handelsbetrekkingen werden aangeknoopt; oude goed bevestigd door
mondeling en schriftelijk verkeer. Van den morgen tot den avond,
zelfs in de heetste uren, was hij in de weer, nu op het veld, dan
op het kantoor.
Onder drukke werkzaamheid ging een geruime tijd voorbij
en Clemen dacht niet meer aan de woorden, die de gouver-
neur bij zijn gelukwensch geuit had. Op zekeren dag echter
jioodigde deze heer de aanzienlijkste mannen der kolonie bij zich.
Ook Clemen zag zich met een vriendelijke uitnoodiging vereerd.
De vergadering was zoo talrijk, dat hij zich met de hoop kon
•vleien onopgemerkt te blijven. Fluisterend onderhield hij zich
«iet Meys en Alkhaven, die echter met de overige aanwezigen
vermoedden, dat de regeering nu in een of anderen vorm Clernen
■de hem tot dusverre onthouden gebleven voldoening voor aan-
gedaan onrecht zou schenken. Met onverdeelde opmerkzaamheid
luisterde men naar de woorden van den gouverneur, die verhaalde
hoe in waarheid zich de door Wohlfahrt valsch voorgestelde ge-
-ocr page 73-
09
beuitenis te Maastricht had toegedragen en een bij allen geacht
man bijna een onteerende straf zou ondergaan hebben en wel niet
zonder eenige schuld van hem, den voor hen staande gouverneur. Hij
dankte het zijne gade en zijne dochter, dat hij voor zulk een misslag
bewaard gebleven was; deze beide schutsengelen waren met hem
medegekomen ; zij zouden hem ook hier ter zijde staan en hem
waarschuwen als er een onrecht te voorkomen of te herstellen
was. De niet genoeg te schatten verdiensten van den dapperen com-
mandant van den militairen post was de regeering sedert lang bekend,
ook had in den laatsten tijd zijn verbazingwekkende werkzaamheid
in het beheer der plantage algemeen opzien virwekt. Men had in
hoogeren kring zoolang met de erkenning van zulke verdiensten ge-
talmd, tot men na verscheidene beraadslagingen met mijnheer Van
Buysenvliet en eenige andere heeren eindelijk den eenigen juisten
weg gevonden had, waarop men van den eenen kant de tevre-
denheid over Clemen\'s handelingen zou kunnen uitdrukken en
van den anderen kant zijn uitstekende klachten weder voor den
dienst van den staat zou kunnen winnen. Terwijl hij een groot
papier ontvouwde, dat het regeeringszegel droeg, verklaarde hij
de opdracht ontvangen te hebben aan den hier tegenwoordig
zijnde directeur Clemen, onder overhandiging van dit decreet,
zoomede aan de gezamenlijke bewoners der kolonie, door deze
geëerde vergadering, konde te doen, dat hij onder den titel van
plantagekapitein" voor alle gewichtige vragen in de kolonie,
bij voorbeeld ontwerpen van wetten of beheer der gouvernements-
plantages, een raadsman van den gouverneur zijn zou. De
regeering wenschte, dat dit ambt als een hoog eereambt zou
beschouwd worden.
Ontroerd zag Clemen den gouverneur aan, die hem het de-
creet zijner benoeming overreikte en hem daarna gelukwenschend
de hand drukte, liij vond geen tijd om te antwoorden, want
terwijl de aanwezigen zich om hem verdrongen en hem met de
hooge onderscheiding gelukwenschten, trad de gemalin van den
gouverneur met hare dochter binnen. Ook zij naderde Clemen,
wenschte hem geluk en boeide hem dun door een vriendelijk
-ocr page 74-
70
gesprek, waarbij zij ook naar de dame en het kind vroeg, die
hij gered had. Hij kwam niet eerder tot een duidelijk besef
van de hooge onderscheiding, die hem ten deel gevallen was dan
toen hij alleen in zijn wagen zat en naar huis reed. Meys en
Alkhaven hadden hem in Paramaribo willen houden en met hem
en eenige andere vrienden een vroolijken avond hebben, maar
hij had dit verzoek afgeslagen. In den borstzak van zijn rok
droeg hij het vereerende decreet. Hoe klopte daaronder zijn hart
zoo blijde en toch zoo bezorgd !
»Zal ik het in mij gestelde vertrouwen kunnen rechtvaardigen?
Ben ik liet waardig ? God, laat mij nooit vergeten, dat Gij mij leidt;
laat mij niet hoovaardig worden, wanneer de menschen mij meer
prijzen dan ik verdien ! Schenk mij kracht, dat ik niet wankele
op den weg van den pücht."
Zoo ondervroeg zich Clemen, zoo bad hij op den terugweg
en God was niet hem. Hij bleef met ijver zijn zware verplich-
gen vervullen en daarbij dezelfde hulpvaardige, bescheiden man.
Daarom was niemand op hem afgunstig toen eenigen tijd later
een nieuwe gelukster voor hem opging. Na langdurige beraad-
slagingen met mijnheer Van Buysenvliet, waarbij ook veel sprake
was van een knaap, wien de leiding van een liefdevol man tot
zegen zou strekken, legde de weduwe Vlielander het lot van haar
en haar kind geheel in zijne hand en reikte hem de hare tot
een huwelijksverbindtenis. De verloving van den plantagekapitein
met mevrouw Vlielander verwekte veel opzien. De huwelijks-
voltrekking werd vereerd met de ambtelijke tegenwoordigheid
van den gouverneur, Alkhaven met de gezamenlijke militairen en
de aanzienlijkste inwoners der kolonie.
XIII, Heimwee.
Verscheidene jaren vlogen voorbij. Het geluk, dat Clemen
smaakte in het beheer van eigen grond en bodem werd voor hem
-ocr page 75-
71
nog daardoor verhoogd, dat zijne plantage niet alleen schuldenvrij
en voorbeeldig ingericht, maar ook door aankoop van aangien-
zende stukken grond vergroot was.
Alkhaven en Meys, welke laatste nog steeds van zijn ophanden
terugreis naar het vaderland sprak, hoewel hij nog nooit ernstige
toebereidselen hiertoe gemaakt had, waren dikwijls bij Clemen
verschijnende en steeds gaarne geziene gasten. Ook de familie
van den gouverneur behoorde tot de drukke bezoekers, te meer
omdat de Clemensche plantage een voor Europeanen gunstiger
klimaat aanbood dan de stad Paramaribo. Zijn ambt als kapitein
riep Clemen ook dikwijls naar deze stad en stelde hem in de
gelegenheid den bloei der geheele kolonie bevorderlijk te zijn.
Zijn aanzien steeg meer en meer. Voorname Nederlanders zon-
den hunne zonen over zee tot hem, om door hem in den handel
der kolonie opgeleid te worden. Daarbij bleef hij zoo bescheiden,
dat men altijd meende, hein nog niet genoeg geëerd te hebben.
Hoe meer echter eer, geluk en geld vermeerderden, hoe menig-
vuldiger hij zich zelven op de gedachte aan het geboorteland be-
trapte. Legde dan zijn hem opmerkzaam gadeslaande echtge-
noote stil hare hand op de zijne en keek hem vragend in de
oogen, dan zweeg hij, maar hield zich overtuigd, dat hij ongelijk
had aan het verlangen naar het vaderland plaats te laten. Een
of ander hoofdbrekende onderneming ontrukte hem wel een tijd
ang aan zulke gedachten, doch zij keerden altijd terug. Geen
arbeidsveld was groot genoeg om zijn heimwee op den duur te
verdrijven. Heimelijk leefde het in zijn hart voort.
Zijne vrienden, Alkhaven en Meys, vermoedden zulks het aller-
minst. De eerste schertste slechts, als hij zeide :
»Mij dunkt, dat je nu wel een schilderhuisje vol ducaten
hebben zal; wanneer ga je nu van hier weg ?"
De laatste echter kon zich niet verbeelden, dat iemand anders
eerder aan een reis naar Europa zou kunnen denken, dan hij.
Uit verschillende uitdrukkingen, die Clemen zich had laten ont-
vallen, en door zijne vrouw, die hem om de oorzaak zijner neerslach-
tigheid te ontdekken aandachtig gadesloeg, waren opgevangen, had
-ocr page 76-
72
deze eenig vermoeden opgevat van den waren zielstoestand van
haar man. Ten einde zich hieromtrent zekerheid te verschaffen,
mocht het de liefdevolle vrouw gelukken hem op een avond, dat
zij gezellig bijeenzaten, tot verbalen van vader en moeder, broeders
fin zuster te brengen. Zij had op behendige wijze de gevoeligste
snaar zijns harten weten te doen trillen De beelden der
geliefden werden levendiger dan ooit in hem ; in den geest zag
hij zich voor de zijnen staan, zag hij zijn eerwaardigen peetoom;
in den geest hoorde hij den geliefden klank der moederlijke stem
die hij bijna vergeten had Hij schilderde haar het geluk van
allen nog eens weder te zien in zulke geestdriftvolle bewoor-
dingen, dat haar geen twijfel meer restte. Haar besluit was
spoedig genomen.
Acht dagen na dat gesprek met zijne gade wandelde hij op
zekeren Zondagnamiddag stil in de palmenlaan bij zijn huis op
en neder. Eindelijk zette hij zich peinzend op een bank. Gedempt
door den afstand klonk uit de slavenwoningen vroolijk gelach en
gesnap, vermengd met het zingen van liederen, geljjk hun eens
wel de moedermond geleerd zal hebben. O ! moedermond, mocht
ik u nog slechts eenmaal mogen kussen, o! vaderhart, u nog een-
maal voelen slaan; o ! broeder- en zusteroogen mij nog eenmaal in
u kunnen spiegelen! Zoo mijmerend zat hij stil voor zich te
staren met het hoofd op de borst geneigd. Hij werd niet ge-
waar, dat de snel naderende nacht zijn donkere vleugels begon
uit te breiden.
Naar haren man uitziende, verliet mevrouw Clcmen het huis
en ging, hem in de palmenlaan ontwarende, naar hem toe.
«Waarover peinst gij, Karel, waarover bekommert gij u toch
zoo ? Maak mij deelgenoote van hetgeen u op het hart drukt."
Met weeke stem richtte zij deze woorden tot haar echtgenoot,
zette zich naast hem neder en vatte zijne beide handen.
»Ach ! lieve, hoe zou ik van kommer mogen spreken, daar
God mij zoo overvloedig gezegend heeft ? Geluk, eer, gezondheid,
geld en goed heeft Hij mij geschonken. Uwe trouwe liefde en
de vreugde van uw braven zoon, alles heb ik Hem te danken."
-ocr page 77-
73
«Hoe lang denkt gij wel," begon zij thans, rechtstreeks op
haar doel afgaande, szou een reis naar uw geboorteplaats u wel
van hier afwezig doen blijven ?"
Ontroerd «prong hij op. «Wat zegt gij ? Wat beteekent dat?"
riep hij uit.
»Blijf nog even zitten, Karel," verzocht zij ; »ik zou zoo gaarne
deze gewichtige zaak met u bespreken.\'\'
»Gij spreekt van een reis naar mijn geboorteplaats ? Ik zou....
naar Duitschland gaan ?"
»Wel ja, waarom niet? Maar ga toch zitten: deze zaak moe-
ten wij in bedaard overleg regelen."
Hij ging weder naast haar zitten; daarop zeide hij «Regelen ?
Gij spreekt als ware het reeds een vastbesloten zaak."
«Vastbesloten ? Neen, dat nog niet, maar de uitvoering komt
mij niet zoo moeilijk voor en stellig ook u niet, als gij slechts
bedaard zijt. Uw jarenlange, trouwe vlijt heeft alles zoo goed
geregeld, dat gij wel eenige maanden weg kunt. Ziet gij, ik
beschouw een reis voor u naar huis als een plicht. Met geld is
een ouderhart niet tevreden te stellen. Vader en moeder willen
hun kind ook eenmaal wederzien en uit zijn mond vernemen,
dat het hen nog bemint en eert.\'\'
»Ik naar huis ? En gij ?"
»Uwe ouders hebben andere rechten op u dan ik, en heb ik
niet mijn kind en weet ik niet, dat gij spoedig wederkeert ?"
»De zee is rijk aan gevaren."
»Ik zal bidden, dat Gods engelen u op de handen dragen en
u behoeden op al uwe wegen."
»En mijn arbeid, het opzicht over de plantage ?"
Zij poogde te schertsen. »Ei! meent gij dan werkelijk dat
niemand u zou kunnen vervangen ? Denkt gij, dat ik in den
laatsten tijd ook niet iets geleerd heb ?" En weder ernstig wor-
dende, voegde zij er bij: «Overigens bespeurde ik reeds lang,
wat u kwelt, en ik heb alles goed overdacht."
Daarop deelde zij hem mede, dat mijnheer Van Buysenvliet
haar gaarne vriend Meys als raadsman wilde zenden, als deze,
-ocr page 78-
74
gelijk wel te verwachten was, tot zulk een dienstbetoon geneigd
was. Het andere ging vanzelf, daar men zich op alle beambten
verlaten kon. Overigens zouden toch ook de gouverneur en Alk-
haven haar met raad en daad gaarne ter zijde staan. Zij zette
hem dit alles zoo duidelijk uiteen, dat hij aangedaan uitriep :
«Gij scherpzinnige, goede vrouw, gij zijt het ware evenbeeld
mijner moeder ! Zou het mogelijk zijn, dat ik de dierbaren te
huis wederzien zal ? Gij hebt de diepste plooien van mijn hart
doorvorscht en zijn geheimsten wensch geraden. O ! als gij wilt,
dan zou het wel gaan, dat ik nog eenmaal, nog slechts eenmaal
het ouderlijke huis wederzag I"
Nog lang zaten zij, ernstig beraadslagend, bij elkander en het
was donker geworden toen zij arm in arm op het huis toegingen:
Licht en warm was het in hunne harten.
XIV. Het vertrek.
Sinds dien dag was de reis van Clemen een besloten zaak.
Meys zette wel is waar eenigszins groote oogen op en Alkhaven
wilde werkelijk eenige bezwaren opperen, maar ten slotte namen
beiden er genoegen mede. Terwijl al de toebereidselen nauwlet-
tend getroffen worden en de beide negers, die Clemen zouden
vergezellen, zich de zonderlingste voorstelling maakten van het
land, waar de witte regen op boomen, daken en velden soms
wel een half jaar lang blijft liggen en zoo hard wordt dat men
er overheen loopen en rijden kan, achten wij het noodig vooraf
een bezoek in het ouderlijke huis te brengen.
De kleine Frits was een groote Frits geworden en dat was
geen wonder; want over de twintig jaren waren verloopen sinds
dien dag, waarop hij gezegd had :
»Karel, ik kom je spoedig achterna 1"
Tot Freiberg was hij hem gevolgd, bij Glóckner had hij lief-
-ocr page 79-
75
devolle opname gevonden, maar verder was hij met den besten
wil niet gekomen. Na het vertrek van den broeder was het in
Duitscliland van kwaad tot erger geworden. Wie arbeid zoeken
wilde, moest het in zijn eigen woonplaats doen en blij zijn, als
hij het daar vond; elders was geen werk te vinden en zonder
werk ook geen brood. Hoe zouden de Glóckners hem dus verder
hebben kunnen laten trekken ? Hierbij kwam nog, dat de liefde tot
blijdschap der beide ouders tusschen hunne dochter Hildegarde en
hem een band geweven had, die hen voorliet leven vereenigen zou.
Op den dag van het huwelijk waren de ouders en familiebe-
trekkingen van Frits allen — behalve Karel — naar Freiberg
gekomen om de trouwplechtigheid bij te wonen. In stilllen op-
tocht trok men naar de kerk, waar twee jonge menschenharten
zich in een ernstige stond trouw wilden beloven tot in den dood.
Ja, het was een ernstige stonde in ernstigen tijd. De laatste slag
•van den zevenjarigen oorlog was bij Freiberg geleverd geworden.
Handel en nijverheid waren ook hier, evenals overal, vernietigd.
Pruisische officieren hadden reeds meermalen hun verwondering
te kennen gegeven, dat er in de, naar zij meenden, zoo rijke
stad zoo veel arme menschen waren. Meester Glóckner had dik-
wijls zijn sterk vergrijsd hoofd geschud, alsof hij niet geloofde,
dat het nog ooit weder beter in de wereld kon gaan. En
toch, toen hij op den trouwdag op de geliefde dochter, den
braven behuwdzoon blikte, die naast elkander voor het altaar
knielden en om Gods zegen smeekten, meende hij dat de jonge
krachtige schouders de zorgen zouden dragen, die de Hemel
overgezonden had en het jonge paar er wel in zou slagen, den
glans van zijn huis weder te herstellen.
Om dezen tijd legde Clemen in Suriname de laatste hand
aan zijne toebereidselen voor de reis. In het midden der maand
Mei 1771 was hij daarmede gereed ; naar menschelijke bere-
kening was sdles voortreffelijk geregeld.
»Blyf niet te lang weg!" verzocht Alkhaven.
»Wees gerust, ik zal uwe zaken naar mijn beste vermogen be-
hartigen ; mijn terugreis stel ik nog wat uit!" verzekerde hem Meys.
-ocr page 80-
76
Volledigen bijval vond het reisplan in het huis van den gou-
verneur. De vrouw des huizes inzonderheid prees het zeer en
schilderde het verlangen van een vader- en moederhart naar het
geliefde kind met zulke war ne bewoordingen, alsof zij zulk een
gevoel uit eigen ervaring kende; doch met haar fijngevoelig hart
kon zij zich gemakkelijk in dien toestand verplaatsen. De
dochter verblijdde zich harerzijds met de belofte van Clemen
persoonlijk verscheidene brieven en geschenken en duizenden,
duizenden groeten aan hare talrijke vriendinnen te Maastricht te
zullen overbrengen en eveneens uitvoerige berichten van deze
mede terug te zullen brengen. Zij hechtte naar den aard van
alle jonge meisjes daaraan groote waarde.
Reeds stond een licht met twee vlugge paarden bespannen
rijtuig gereed. Zijne pakkage was reeds vooruit naar Paramaribo
gezonden. Als bedienden voor den geliefden echtgenoot had me-
vrouw Clemen twee negers uitgekozen, wier liefde jegens hun
heer zij dikwijls beproefd had. Het waren de groote, breedge-
schouderde Hassan en de schrandere Ben, een jongeling in
jaren. Dezen stonden reisvaardig naast den koetsier, die met
krachtige hand de ongeduldig scharrelende paarden in bedwang-
hield. Rondom verdrongen elkander zwarte mannen, vrouwen en
kinderen, om toch vooral bij het afscheidnemen niet over het
hoofd gezien te worden. Zacht mompelende, maar daarom des
te levendiger gebaren makende, bespraken zij de op handen ge-
wichtige gebeurtenis. Hun dunne katoenen kleeding stak op de
donkere huidskleur verblindend wit af. Tusschen hen stonden,
eveneens in lichte kleeding de opzieners, maar niet met zweepen,
gelijk men anders op afbeeldingen wel ziet, zulke, werktuigen
werden hier bijkans nooit gebruikt.
Thans verscheen Clemen in de dein-. Aan de eene hand
voerde hij de gade, aan de andere den zoon. Achter hem ver-
toonde zich het vriendelijke gelaat van den goeden Meys, die
Clemen nogmaals op het hart gedrukt had, zich wegens de terug-
reis niet te overhaasten, daar het hem omtrent zijn eigen reis
naar het vaderland toch op een maand vroeger of later niet aan-
-ocr page 81-
77
kwam. De slaven omstuwden hun meester als een troep woelige
kinderen. Ten volle spiegelde zich in hunne gelaatstrekken hunne
verantwoordelijkheid, toen hij zyn gezin, gebouwen en velden in
hunne hoede aanbeval. Goedige woorden sprak hij tot hen, vrien-
delijk drukte hij hunne handen, ernstig vermaande hij hen tij-
dens zijne afwezigheid zeer vlijtig te leeren. Clemen had name-
lijk door daartoe geschikte opzieners een soort school opgericht,
waarin de gezamenlijke negers op eenvoudige wijze onderricht in
den christelijken godsdienst ontvingen: eenigen zelfs leerden lezen
en schrijven. De uitkomsten waren natuurlijk zeer verschillend.
Zoo brachten hem thans jonge negervrouwen hare kinde-
ren, opdat hij ze zou zegenen; andere echter boden hem in haren
eenvoud heidensche amuletten aan tegen de gevaren der reis.
Met een berisping wees hij deze terug ; hij droeg toch een talis-
man in zijn hart, het betrouwen op den Heer, dat hij steeds
opnieuw versterkte door het gebed. Nadat hij ook van de opzie-
ners afscheid genomen en hen vermaand had, hun gedane belofte,
dubbel zorgvuldig te zijn gestand te dcen, omarmde hij Meys en
bedankte hem in geroerde bewoordingen voor zijn liefde en goed-
heid, waarvan hij ook nu weder opnieuw blijk zou geven. Ten
laatste drukte hij moeder en zoon, die de droefheid overweldigd
had, aan zijn hart. Gaarne ware de knaap naar de grootouders
in Saksen medegereisd ; doch kon hij moeder alleen laten ? De
zelfbeheersching van deze laatste scheen geheel verdwenen. Dat
zij offervaardig geweest was en de reis had kunnen uitlokken,
kwam haar thans schier ondenkbaar, ongelooflijk voor. Liefderijk
vertroostte Clemen de weenende en poogde hare tranen te stillen.
Een laatste kus, een laatste handdruk, een laatste groet: »God
zij met u !" nog een blik vol liefde, die alles omvatte en het
rijtuig vloog met hem voort.
-ocr page 82-
78
XV. Wederzieu.
Na een zeereis van bijna twee maanden kwam Clemen der»
lOn Juli 1771 te Amsterdam aan, vanwaar bij aan de zijnen
in Suriname zijn behouden overtocht meldde en de geliefden in
Saksen met de mededeeling verheugde, dat hij bun binnenkort
een bezoek zou komen brengen. Reikhalzend zag hij deze blijde
stond te gemoet, maar om zich geheel en onverdeeld aan de
vreugde des wederziens te kunnen overgeven, besloot hij eerstal
zijne zaken af te doen. In de eerste plaats moest hij zich aan
de Heeien \'Jenerale Staten voorstellen, om hen voor den geschon-
ken eerepost te bedanken en mondeling omtrent eenige met den
gouverneur overwogen questies inlichting te geven. Zeer duidelijk
wist hij hierbij de beteekenis der kolonie voor het moederland
in het ware licht te stellen en de middelen aan te geven, waar-
door haar rijkdom nog productiever kon gemaakt worden. Zijne
uiteenzetting was zoo overtuigend, dat zich de gevolgen daarvan
tot vreugde der bewoners van Suriname spoedig vertoonden. Men
trof namelijk nieuwe maatregelen, om de kolonisten te water en
te land ten krachtigste tegen roofgierige aanslagen te beveiligen,
door invoering van geregelde scheepvaarten den handel te bevor-
deren en begon er ook voor te waken, dat niet elk in Europa
onbruikbaar sujet zich voortaan naar Suriname inscheepte, alte-
maal dingen van het hoogste gewicht voor het gedeien dei-
kolonie.
Als koopman had hij natuurlijk ook particuliere zaken af te
doen , die hem eveneens langer dan hem lief was in Amsterdam
ophielden. In Maastricht verwekte zijn aankomst met zijn zwarte
bedienden zeer verklaarbaar het grootste opzien. Aanvankelijk
wilde het niemand gelooven, dat de rijke Amerikaan en de voor-
malige, tot spitsroedenloopen veroordeelde soldaat Clemen een en
dezelfde persoon was. Vriendelijk sprak hij oude bekenden aan,
onderhield zich met dezen en genen op de hem zoo welbekende markt,,
openlijk van dien tijd sprekende en toen de bijna ongelooflijke mare
-ocr page 83-
79
ook in de familiën, waarin de opdrachten der dochter van den
gouverneur hem voerden, door hem bevestigd werd, was de ver-
bazing daarover grenzenloos. Den ouden scheepskapitein, die
hem aangeraden had voor de koloniën dienst te nemen, kon hij
niet meer opzoeken, deze was gestorven en had daardoor, om zijn
spreekmanier te gebruiken, den laatsten ankergiond in de rustige
haven gevonden. Ook de goede lieden in Arnstadt vond hij niet
meer: zij waren naar een bet>\'.r leven overgegaan. Hun zoon,
die Clemen in diens hevigste koortsaanvallen bewaakt had, leefde
in armoedige omstandigheden. De som geld, die Clemen hem,
gedachtig de hem eens door diens brave ouders bewezen liefde,
met vriendelijke woorden schonk, hielp hem weder op de been,
zoodat ook hier de oude spreuk bewaarheid werd: »Goede werken
brengen zegen !\'\'
Hoe dichter Clemen het vaderland naderde, hoe machtiger het
verlangen naar het ouderlijke huis werd. Maar de wegen waren
slecht en zijn koffers zwaar. In Leipzig nam hij daarom een
met vier paarden bespannen extra-post en nu ging het in galop
op Dóbeln toe.
Het was den vierden September tegen den avond, dat hij de
vaderstad voor zijne blikken zag opduiken. De zon overgoot het
geheele landschap met een tooveractitigen goudglans. Uit het
dicht gebladerte der boomen langs den weg kweelden de vader-
landsche vogels :
»Nu is hij eindelijk daar, de lang verwachte ! Nu zullen wij
onzen tocht naar verre landen aanvaarden !"
De kudden weiden op de afgemaaide akkers, herdersknapen
zitten op de grenssteenen, hun eenvoudig gezang klinkt in de
ooren van den reiziger.
En zie \' Daar verheft zich de toren van de lieve kerk in het
zachte blauw des hemels ; hier kabbelt de rivier en ruischt het Duit-
sche woud. Wat riekt zoo verkwikkend, wat geurt zoo zoet tot
*n den wagen ? De herfst staat toch reeds voor de deur en niet
de bloesems schenkende lente ? Hier wenken roodwangige appelen
aan den boom ? Hoe lang is het wel geleden, o vreemdeling! dat
-ocr page 84-
80
gij er een geproefd hebt? "Ver buigt gij u uit het rijtuig. Wat
grijpt u zoo aan, dat gij laat ophouden! Luister, het is de
avondklok, die van den naburigen toren den vlijtigen menschen
daar beneden in huis en akker aankondigt, dat de arbeid ge-
staakt moet worden ! Dat is de klok, die u vroeg wekte, die u
des Zondags toeriep: »Kom, kom naar Gods huis !"
Wonderbaarlijke klank ! Zoet als de taal der moeder, verma-
nend als de stem des vaders dringt hij uw hart binnen en wekt
daar andere klanken, roept daar oude, bijkans vergeten beelden
wederom op. Gij stapt uit het rijtuig ? Ja, ga snel, uw
ouders verwachten u daar ginder in het stille huis. Juist; dezen
zijweg ingeslagen, hij voert u het spoedigste en onbemerkt
naar hen toe..,.
Overal had de aankomst van de negers tallooze nieuwsgierigen
aangelokt, waarom dus ook niet in Dóbeln ? Toen nu de negers
in het uitsluitende bezit van het rijtuig waren en de postiljon
onder luid trompetgeschal naar de hem aangewezen herberg
reed, toen rechts en links aan elk portier een zwart aangezicht,
een echte Moorenkop naar buiten keek, krioelde het weldra ron-
dom het rijtuig alsof er een mierennest verstoord geworden was.
De paarden konden slechts langzaam voortstappen en toch blies
de postiljon nog altijd lustig en onvermoeid het oude volksdeuntje :
»Als ik kom, als ik kom, als ik wederkom !" enz.
Met bliksemsnelheid verbreidde zich het gerucht »Karel Clemen
is daar 1" Men keek zich bijna de oogen uit naar den genoemde,
maar men zag slechts twee negers.
»Zoo sterk kan hij toch onmogelijk veranderd zijn !" riep men
op een toon, wien men kon aanhooren, dat de bevestiging van
zulk een natuurwonder in het geheel niet onwelkom zou geweest
zijn. Intusschen vertrokken Hassan en Ben, om allen mogelijken
twijfel aan hun welwillende gezindheid al dadelijk weg te nemen,
hunne gezichten tot een vriendelijken lach. Daardoor werden
tusschen de dikke lippen twee lange rijen hagelwitte, gezonde
tanden zichhaar, die de tot wantrouwen in zulke heidenen maar
a\\ te zeer geneigde lieden gevaarlijk genoeg voorkwamen. Gillend
-ocr page 85-
81
rukte een bijzonder angstige moeder haar jongen terug, die in zijn
onervarenheid en verderfelijke waaghalzerij bijna een der zwarte
uitgestoken handen vastgegrepen had. Dien zelfden avond nog
verzekerde zij zenuwachtig aan haar niet minder vreesachtige
buurvrouw, dat het in het geheel geen menschelijke hand ge-
weest was : men had er klauwen aan gezien als messen zoo scherp;
anderen verhaalden de schier ongelooflijke heldendaad van een
moedigen smidsgezel, die den grnoten zwarte aangesproken en in
zuiver Döbelnsche taal gevraagd had hoe hij heette en wie zijn
meester was. Daarop had het zwarte wanschepsel geluiden uit-
gestooten, die iemand een kruis zouden hebben doen maken ; dat
waren geen geluiden van een redelijk mensch, maar eerder van
een of ander Amerikaansch dier geweest
Dat was echter toch al te veel gezegd en zou den goeden
Hassan niet weinig gekrenkt hebben, als hij het gehoord en —
verstaan had. Zeker is het, dat de smid op zijn beleefde vraag
een antwoord gekregen had, dat zonderling in een Saksisch oor
klinken moest en eigenlijk ook geen antwoord op de natuurlijk
onbegrepen gebleven vraag, maar enkel de verzekering van vriend-
schappelijke gevoelens was. De negers van Suriname spreken bijna
allen een soort Koeterwaalsch, een mengelmoes van Af\'vikaansche,
Amerikaansche en Hollandsche woorden, dat men niet gemakkelijk
leert verstaan, maar zulk een vergelijking, voorwaar, ware wel
geschikt geweest om kwalijk te nemen.
Nog eenmaal gluurt de zon nieuwsgierig door de vensters van
het hooge goudsmidshuis, als moest zij tot aan het beslissende
oogenblik de beide oud geworden menschen in de benedenkamer met
hare stralen verwarmen. Aan de eikenhouten tafel zitten vader en
moeder alleen bij elkander. De vader leest de toeluisterende
moeder uit een godvruchtig boek voor. Het zwarte-xfluweelen
kapje, dat gewoonlijk zijn wit hoofd bedekt, ligt op de tafel naast
het boek, waaruit hij leest. De zwakheid van den ouderdom
doet de hand beven, die het blad omslaat; voorovergebogen zit
het moederje.
Komt de zoon dan nog niet opdagen ? Meent hij dat de levens-
6
-ocr page 86-
82
vlam niet plotseling kan uitdooven ? 0! hij moest maar eens-
zien, welke diepe voren ouderdom en zorgen met elkander ver-
eenigd in die geliefde gelaatstrekken gegroefd hebben.
Wie opent zacht slot -n deur ? Wie staat reeds op den
drempel ? Wie is die vreemde, bruine man ? De zon heeft hem
nog niet gezien; haar laatste straal kust de beide grijze hoofden.
Als moest de geringste beweging het liefelijke beeld verstoren,
zoo stil staat de vreemdeling- met de handen houdt hij zich
aan den deurstijl vast.
Zijt gij zoo vermoeid, reiziger, dat gij wankelt ?
De vader leest nog steeds hardop met gevoel en warmte ; de
moeder luistert aandachtig. Tranen vloeiden uit de oogen des
luisteraars; onophoudelijk druppelden zij neder. Eindelijk kon
Karel, want hij is het, de langverwachte zoon des huizes, zich
niet langer inhouden. Wijd breidt hij de armen uit, als moest
hij de wereld omvatten. »Vader. moeder!" stamelen zijne-
lippen.
Wederzien ! O! gij tooverwoord ! Gelijk schnduwen voor het
licht der zon, verdwijnen voor u alle bange, droevige dagen!
Wie maalt naar waarheid met woorden het zoete geluk,
dat gij in de harten verwekt, wanneer na lange jaren
uit verre landen een geliefd kind tot vader en moeder weder-
keert ?
»Mijn zoon, mijn Karel!" Met dezen kreet sprong de moeder
op en viel sprakeloos haar zoon om den hals. Vreugdetranen
stroomden over haar aangezicht en hare lippen konden geen ander
woord stamelen dan: »mijn Karel!\'\'
In stomme ontroering stond de grijsaaard nog aan de tafel,
die zijne hand, een steun zoekende, vastgegrepen had.
»Is dat mijn zoon ?" sprak hij met trillende stem.
Karel trad op hem toe en riep met de oogen vol tranen:
» Vader, lieve vader, kent gij mij niet meer ?"
«Hij is het! God zij dank, hij is het!" jubelde de vader.
In dit gelukkige oogenblik verzonk al het leed in het niet, dat
de scheiding hun veroorzaakt had. Geheel medegesleept door de
-ocr page 87-
83
zoete bekoorlijkheid des wederziens zat de zoon tusschen vader
en moeder met hunne hand in de zijne. Zij zagen niet dat het
steeds duisterder werd, zij hoorden niet het loopen en vragen der
menschen in de straten. Vragend en antwoordend vernamen zij
slechts de klanken uit zijn geliefden mond en vergaten geheel en al
de buitenwereld. Met hare gerimpelde handen streek de grijze
moeder haar wedergevonden kind liefkozend over voorhoofd er>
wangen ; dan weder vatte zij zijne hand en drukte die aan haar hart.
Plotseling werden zij in hun gezellig onderhoud gestoord door
een geweldig rumoer op straat voor de huisdeur; deze vloog open
en ademloos stormden eenige mannen, vrouwen en kinderen het
nu volslagen duister geworden vertrek binnen.
«Vader, moeder, grootvader, grootmoeder!" klonk het ver-
ward dooreen, »Karel is aangekomen ; wij hebben zijn mooren
gezien; ja, twee koolzwarte mooren, een grooten en een kleinen,
in een vierspannig extra-postrijtuig !"
De ouders kenden de onstuimige indringers wel, het waren
hun kinderen en kindskinderen, een talrijke familie; Karel be-
greep ook wel, met wie hij te doen had. De eene stem over-
schreeuwde de andere, alsof men zich verbeeldde, dat men in
de duisternis even zoo min kon hooren als zien. Daar stond
de zoo woelig aangekondigde op en sprak met helderklinkende
stem: «hier is uw Karel! Wilt gij hem een weinig lief hebben ?"
Diepe stilte volgde op deze woorden. Daar klonk het uit den
mond eener vrouw : «Broeder, zijt gij werkelijk hier ?"
Het was zijne zuster, die, terwijl zij vroeg, reeds den weg
naar het hart naars broeders gevonden had.
«Hebt gij dan niet een klein stompje kaars," klonk het nu bij
de deur, «opdat men den jongen kan zien ? Hier heerscht eene
ware Egyptische duisternis."
Een der aanwezigen sloeg vuur en er werd licht aangesto-
ken. Karel zag ernstige mannen voor zich, zijn oudere broeders,
en den man zijner zuster; iets verder stonden vrouwen en kin-
deren : hunne familieleden. Bij de deur stond de pastoor met
zijn goedig open gelaat en keek vel teederheid naar zijn petekind.
-ocr page 88-
84
terwijl de zuster het licht hoog omhoog hield, opdat zij en de
overigen het aangezicht van den wedergekeerde goed zouden
kunnen zien.
»Goede, beste broeder," riep zij uit, J>nu pas is alles goed,
dewijl je teruggekomen ben. Vele, zeer vele tranen hebben wij om
je vergoten."
x>Het waren meerendeels vreugdetranen, beste jongen I" ver-
klaarda de pastoor, terwijl hij vooruit poogde te dringen. Maar
de broeders versperden hem nog den weg; zij omringden Karel
om hem aan hun hart te drukken en te verwelkomen.
»Kus mij toch eens," verzocht zijne zuster, wie de heldere
vreugdetranen in de oogen parelden; smaar buk je wat, want je
ben zoo lang geworden !" Daarbij hield zij zijn hoofd vast, keek
hem diep in de oogen, en riep uit: »Ja, dat zijn de oude har-
telijke oogen !"
»Laat mij hem nu toch ook eens naderen !" ijverde de pastoor,
die zijne ontroering niet langer bedwingen kon en thans zijn pe-
tekind met warmte omhelsde.
Door Karels vriendelijke manieren en hartelijke woorden aan-
gemoedigd, traden ook de overigen grooten en kleinen nader en
reikten hem de hand.
sJarenlang heb ik mij bij voorbaat in dit blijde uur des we-
derziens verheugd !" zeide Karel, nadat allen om hem plaats
genomen hadden ; sgelooft mij, mijne geliefden, er verging geen
dag, dat ik niet aan u gedacht heb ! Hoe dankbaar ben ik den
goeden God, dat ik u nog eens wedergezien heb! Het zou als een
groot onrecht tegen uwe liefde beschouwd kunnen worden, dat
ik zoo lange jaren wegbleef, maar de omstandigheden waren
machtiger dan ik. Gemakkelijk rukt men zich meestentijds van
het vaderland los, moeielijk vindt men den weg uit den vreemde
terug.\'\'
Put was een vertellen en vragen over en weder, en tevergeefs
blies de nachtwaker juist heden zeer luid en lang voor dit huis,
als wilde hij zich als een der overheidspersonen der stad ook be-
werkbaar maken. (;ur op uur verliep, men werd niet moede; elke
-ocr page 89-
85
kleinigheid boezemde ook belang in. Toen men eindelijk toch
scheiden moest, zeide de pastoor:
«Morgen, mijn zoon, wacht ge met het vertellen tot ik kom;
dan begint gij geheel van voren af aan en gaat zoo geregeld
in de volgorde der jaren voort.\'\'
Het was reeds zeer laat, toen na een hartelijk sgoeden nacht"
de gasten het huis verlieten. Verwonderd keek de maan op
pastoor Sillig neder, dien zij sinds vele jaren niet, de nachtelijke
vervulling van zijn priesterambt uitgezonderd, op zulk een onge-
woon uur had beschenen. Beide ouders voerden den zoon
naar zijne kamer. Onder de bescherming van het vaderlijke dak
sloot de vreemde man als een gelukkig kind de oogen. Toen de
moeder nog eens binnentrad, zorgvuldig het licht met haar hand
verbergende, opdat zijn schijnsel hem niet mocht wekken, glim-
lachte hij in den droom.
XVI. Te huis.
Hoewel de komst van den Amerikaan te voren in de huizen
genoegzaam besproken was geworden,\' verkeerde de goede
stad Dóbeln toch in geen geringe opschudding en werd het huis
van den goudsmid Clemen van dat oogenblik af letterlijk belegerd.
Alles wilde den schatrijken plantagekapitein uit Suriname zien,
zocht hem te naderen en de vroegere vriendschap, die in
de meeste gevallen zeer twijfelachtig was, te hernieuwen.
Wien dit niet gelukte, getroostte zich de moeite, met de geens-
zins ontoegankelijke negers, die van lieverlede alle afschrikwek-
kends in de oogen der inwoners verloren, kennis aan te knoopen
en te pogen zich aan hen begrijpelijk te maken. Zoo wilde het
toeval hoe langer hoe meer, dat als de zwarten voorbijwandelden,
nu deze, dan gene burger op hetzelfde oogenblik zijn huis verliet,
waar juist zoete koek en koffie op de tafel gezet werd. Zulk
een gelegenheid liet men niet voorbijgaan zonder de beide zwarte
-ocr page 90-
86
heeren door allerlei hoffelijke en komische gebaren uit te noo-
digen binnen te treden; het was toch mogelijk, dat men op de
eene of andere manier iets van hen omtrent hun heer vernam.
Het was dikwijls zeer opmerkelijk, meende men; Hassan en Ben
toonden bij een voor zuinige huisvrouwen altijd schrikwekkenden
eetlust den besten wil om hun erkentelijkheid door uitvoerige
mededeelingen te bewijzen : maar het bleef in de hoofdzaak bij
hunne wonderlijke geluiden en zonderlinge grimassen, die ondanks
alle aan den dag gelegde beminnelijkheid eenigszins afkoelend
werkten, hetgeen wederom met de vreedzame bedoelingen dei-
belangwekkende gasten niet strookte. Enkel de woorden: »Massa
goed, zeer goed !" werden algemeen verstaan.
Een slimmert had eenig zilvergeld uitgehaald en door gebaren
te verstaan gegeven, dat hij gaarne wilde weten of massa veel van
die waar had Daarop had Hassan eenige wichtige goudstukken
uit zijn zak te voorschijn gebracht, alsof het duiten waren en
behendig weten te verduidelijken, dat massa een geheele kamer,
een huis een groot, zeer groot huis, misschien wel zoo groot als
dat met den toren waar het »bom bom" klinkt, vol van die stuk-
ken had. Dit sprookje verbreidde zich snel tot in de naburige
dorpen en nog verder, en hoe reusachtiger deze vermeende schat
aangroeide, des te liever werd er aan geloofd. Op niet geheel
onbaatzuchtige wijze verrieden weldra ook de gezamenlijke stads-
kinderen, kleine en groote, een onvermoeide aanhankelijkheid voor
de negers, voor wie zij eerst niet weinig bang geweest waren. Deze
beide kindervrienden schenen namelijk onuitputtelijke zakken vol
lekkernijen te hebben en het is te veronderstellen dat behalve de
medegebrachte voorraad er ook nog veel in de winkels van de stad
gekocht werd. Wat lachten de goedhartige, zwarte gezichten,
als de vlasharige jongens en meisjes hunne handjes verlangend
uitstrekten en de ontvangen lekkernij dan snel in den mond lie-
ten verdwijnen.
Hoe meer echter de bedienden met iedereen kennis aanknoop-
ten en onderhielden, des te minder liet zich hun heer in het
openbaar zien, daar hij zich in den eersten tijd van zijn verblijf
-ocr page 91-
87
in de geboorteplaats enkel aan zijn naaste verwanten en zijn
vrienden wijdde. Hiertoe behoorde natuurlijk het jonge echtpaar
uit Freiberg, Frits en Hildegard. Deze hadden het niet kunnen af-
wachten, dat hij volgens zijn belofte naar Freiberg zou komen.
Een licht wagentje had hen naar Döbeln gebracht, zoodat den
vierden dag na zijn aankomst alle broeders en zusters weder om
de ouders verzameld waren. In de grootste spanning luisterden
allen naar het mondelinge verhaal zijner ontmoetingen, trokken
met hem in den slag, hoorden huiverend van zijn avonturen
en van de booze aanslagen zijns vijands en verheugden zich bij
de schildering van zijn tegenwoordig geluk. De Surinaamsche
producten, die hij in groote hoeveelheid medegebracht had, wer-
den bekeken en bewonderd. Uit zijne levendige uitdrukkingen
kon echter ook een ieder opmaken, hoe innig de verhaler ge-
voelde, dat het Gods hand was, die hem steeds trouw geleid had
in lief en leed, en dat aan diens zegen alles gelegen Is.
Karel kon overredend spreken ; zijn woord vond den weg naai-
de harten en dit te meer omdat alles, wat hij zeide, uit een
oprecht hart kwam en de vrucht was van een in zijn veel-
bewogen leven beproefd vertrouwen op God. Het zal dan wel niet
ongelooflijk klinken, dat ook de man zijner zuster daardoor diep
getroffen werd en hem op zekeren dag de woorden toevoegde:
«Beste vriend, gij bevestigt wat uwe zuster, wat de pastoor
mij reeds zoo dikwijls zeiden en wat mij ook mijn eigen leven
voorspiegelt: niet het geld adelt den mensch, diens schoon-
ste sieraad is veeleer trouwe plichtsbetrachting en volledig ver-
trouwen op God."
Karel nam ook het innigste aandeel aan alle groote en
kleine zorgen der zijnen en overlegde met zijn ouders en den
pastoor hoe en waarmede het noodig was hen bij te staan. Het
verschafte hem groote vreugde, dat hij de middelen bezat om
onbekrompen te kunnen geven waar met aardsche goederen te
helpen was.
Na de eerste godsdienstoefening, die hij in zijne geboorteplaats
ibijwoonde, overhandigde hij in het geheim aan den ouden pastoor
-ocr page 92-
88
een aanzienlijke som voor de kerk en de school. Ook voor de
armen der stad zette hij een kapitaal uit, welks interesten ieder
jaar den 4 September — zijnde de dag, waarop hij na lange
scheiding zijne ouders wedergevonden had, uitgedeeld moesten
worden. Zijne broeders en hunne kinderen ondersteunde hij
natuurlijk op de mildste wijze.
Hier gaf hij aan een nichtje een uitzet ; daar delgde hij een
drukkende schuld; voor deze richtte hij een werkplaats in; gene
verschafte hij crediet tot contante inkoopen; hij streefde er naar
hun in alle opzichten het leven te verlichten.
»De beste hulp," zeide hij ook, »is die, welke men den kin-
deren biedt, door te trachten hen tot goede, degelijke menschen
op te voeden. Uwe jongens, beste broeders, moeten, voor zoo
verre zij nog niet volwassen zijn, naar een goede school gezonden
worden, onverschillig waar. Houdt de meisjes stil te huis en
laat ze goed het huishouden leeren! Geloof mij, dat is een
zekert\' weg tot welvaart en geluk."
Het klinkt verwonderlijk wat hij in dien tijd doorzette en toch
is het waar. Na lange beraadslagingen met de ouders en onder
inachtneming der neiging en begaafdheid der knapen, bracht hij
dien ten gevolge een zijner neven naar Freiberg, om daar na
verdere opleiding de nieuwe mijn-academie te bezoeken en werden
twee stevige jongens voor de zeevaartkundige school te Gouda,
en een andere voor de landhuishoudkunde bestemd, terwijl hij
een zijner neven, die van denzelfden ouderdom was als zijn zoon,
met zich mede wilde nemen naar Suriname, om hem met dezen
het bestuur eener plantage en den Surinaamschen handel te
doen leeren.
Zulk een vertrouwen genoot Karel, dat zijn broeders ook
hierin volkomen zijn raad volgden. Weldra kwamen van heinde
en verre verzoekers in menigte tot hem ; ook schriftelijke ver-
zoeken ontving hij, waaronder er tal waren, die hem vrij onbe-
scheiden eischen deden. Had hij alle verzoekers naar hun wensch
willen dienen, dan zouden alle rijkdommen van Suriname en
nog veel meer daartoe noodig geweest zijn.
-ocr page 93-
89
Na verloop van eenige weken werd de reis naar Freiberg on-
dernomen, waar men lieni reikhalzend verwachtte. De ouders
gingen natuurlijk mede en Hassan en Ben insgelijks; de laatsten
echter dezen keer in een afzonderlijken wagen, die te gelijk ver-
scheidene groote pakken voor de familie Glockner bevatte. Karel
had namelijk ook allerlei voorwerpen medegebracht, die hij als
aandenken weggaf. Zijn vrouw zelve had hiertoe sieraden en fijne
gewaden uitgekozen en medegegeven en niemand vergeten, ook
het oude en het jonge paar in de bergstad niet. Buitendien
hadden deze ook aanspraak op Surinaanische produkten. Op dezen
tocht keken Hassan en Ben weder eendrachtig uit den wagen en
hoewel het heinde en verre bekend geworden was, dat de Ame-
rikaan twee zwarten meegebracht had en men dus op hun ver-
schijning voorbereid kon zijn, gebeurde het toch, dat menige
eerzame boerin bij den onverwachten aanblik der zwarte gezich-
ten verschrikt in huis liep. In de stad Freiberg, waar men hun
gelijken reeds nu en dan gezien had, werden zij evenwel niet
minder aangegaapt. Zij bezichtigden hier alle merkwaardigheden
en knoopten allerwegen kennis aan, die onder het onvermoeide
gebruik van koekjes en lekkers bezegeld weid. Karel doorleefde
gezellige uren in het huis der Glöckners, waar men zich zeer
gelukkig gevoelde dat hij zich zijn vroeger verblijf daar herin-
nerde en vertrouwelijk en vriendelijk met allen verkeerde, alsof
er tusschen voorheen en thans geen verandering plaats gegrepen
had. Een oud tijdschrift zegt : «Inzonderheid toonde hij in den
vriendschappelijken omgang met den 89-jarigen burger Glockner,
waar hij vroeger als gezel gearbeid had, hoe weinig hij zich over
het beroep zijner jeugd schaamde."
XVII. Afscheid.
Al nader en nader kwam het zoete Kerstfeest, waarna Karei
voornemens was naar zijn nieuw vaderland terug te keeren.
-ocr page 94-
90
Vrouw en kind wachtten hem met reikhalzend verlangen. Met
een beklemd hart zagen ouders en verwanten dat anders zoo
blijde verwachte feest naderen. Onder tranen maakten die ou-
ders, wier zonen de geliefd? gast naar Gouda of zelfs naar
Suriname zou medenemen, de laatste, noodzakelijke toebereidselen.
Karel was niet minder smartelijk bewogen. Hij zeide tot zich
zelven, dat dit samenzijn met zijn ouders, familiebetrekkingen en
vrienden naar allo waarschijnlijkheid het laatste hier op aarde zou
zijn. Met een zeilschip van dien tijd had men toch voor een reis
vier- a vijfmaal meer tijd noodig dan tegenwoordig met behulp
der snelle en geriefelijk ingerichte stoomschepen. Wat wonder
dat\' hij de dierbaren geen uur ontberen, dat dezen den geliefde
geen oogenblik missen wilden ?
Geheel en al kon hij zich toch niet aan de buitenwereld ont-
trekken. Toen men hem ter eere een feest inrichtte, beloofd»
hij er aan deel te nemen, maar onder voorwaarde dat het een
ernstig karakter dragen en zeer eenvoudig zijn zou.
De groote zaal van het gemeentehuis kon de deelnemers aan
het feest onmogelijk allen bevatten. Arm en rijk, voornaam en
gering, oud en jong was gekomen om den Amerikaan te hooren
spreken. De vaderen der stad begroetten hem en zijne ouders
en familieleden allen hartelijk. De burgemeester betuigde hem
hierop namens de stad den dank voor zijne weldadigheid en be-
noemde hem en zijn vader onder algemeenen bijval tot eereburgers
der stad.
»Dit geschiedt te recht." dus sprak hij, »niet enkel omdat de
plantagekapitein Clemen ons geld en goed tot weldadige doelein-
den geschonken heeft, neen, deze heer heeft ook voor zijne arme,
bescheidene geboorteplaats een trouwe liefde bewaard en haar in
het geluk, dat het verre land hem biedt, niet vergeten. Zijne
deugden hebben hem aan gene zijde van den oceaan het volle
vertrouwen van een geheele bevolking verworven en hem tot een
buitengewoon eereambt doen verheffen. Evenals dit de stad
eert, waar hij gebaren is, wil ook deze hem trachten te eeren,
zooveel het in haar vermogen ligt. Niet meer dan billijk echter
-ocr page 95-
91
;s het, dat men ook de ouders als gelukkig prijst en eert, wier
voortreffelijkheid door zulke kinderen bewezen wordt."
Deze woorden van den spreker weiden door zulk een luid ge-
jubel der aanwezigen begroet, dat hij eenige oogenblikken moest
ophouden.
»Het eereburgerreeht," dus ging hij weder voort, nadat de stilte
zich hersteld had, »kan ik volgens gebruik en recht natuurlijk
alleen aan den vader van onzen hooggeëerden gast verleenen;
sinds lange jaren geldt hij door zijne ons allen bekende deugden
als een sieraad onzer stad. Meer ontsnapt aan de algemeene
opmerkzaamheid de verrichtingen eener vrouw. Nietemin is
moeder Clemen u bekend als een onvermoeide weldoenster dei-
armen, een trouwe bestuurderes eener gezegende huishouding, een
goede opvoedster harer kinderen en een vrome christin, die ons
in goede en slechte dagen niet minder dan haar echtgenoot een
navolgenswaardig voorbeeld gegeven heeft. Zoo zal dan ook zij
voor ons als een echte en rechte eereburgeres gelden."
Diepbewogen dankte Karel in zijn naam en dien zijner ouders.
Terwijl hij op zijn eenvoudige en bescheiden wijze van de geva-
ren gewaagde, waarin hij verkeerd had, en luide de goedheid
Gods prees, blonken er in veler oogen tranen. Hij besloot zijne
rede met de volgende ernstige vermaning :
i>Gij ziet, geliefde vrienden, een man voor u, dien het geluk
in de nieuwe wereld veel te hoog voor zijne verdiensten verheven
heeft. Gelooft nochtans niet dat het geluk daar ginds lichter te
vinden is dan hier. Luistert inzonderheid gij allen, die, belust
om het land te verlaten en in een vreemd werelddeel uw fortuin
te beproeven, mij met vele verzoeken om raad en hulp bestormd
hebt; daar ginds ligt waarlijk het geld ook niet op de straat.
Die meent, dat men zich daar slechts behoeft te bukken, om
het geluk te vinden, die vergist zich geweldig. Men moet daar
zwaarder en harder arbeiden en gaat eerder ten gronde dan
hier, waar men van kindsbeen af goede vrienden en buren om
zich heeft. Jaren lang kan men daar ginds hard zorgen en
zwoegen eer de vreemde een vriendenhart voor zich ziet ontslui-
-ocr page 96-
92
ten. Het beste wel is waar moet altijd de Vader in den hemel
daartoe bijbrengen ; Hij moet ons leiden, dan worden wij goed
geleid....................
Onze geschiedenis loopt ten einde.
Het kerstfeest was voorbij. Indrukwekkend en gevoelvol had
de oude pastoor gepredikt, voor den laatsten keer voor zijn pete-
kind, dat met ouders, verwanten en vrienden in het Godshuis den
H. dienst bijwoonde. Hoe bitter hadden zij in het voorgevoel
der scheiding geweend ! — Toen nu het afscheidsuur geslagen
had, wisten allen, dat het een afscheid was voor dit leven. Alleen
de ouders, die hunne jonge zonen tot de verre reis uitgerust hadden,
mochten hopen dezen op aarde weder te zien, en toch viel hun
het scheiden oneindig zwaar.
* *
Beknoptelijk willen wij den vriendelijken lezer, alvorens te ein-
digen, nog mededeelen, hoe het verder met de hoofdpersonen van
ons verhaal gegaan is.
Karel Clemen keerde welbehouden in Suriname terug en leefde
nog lange jaren met zijne echtgenoote in hoog aanzien onder
de menschen. De neef, dien hij uit het Duitsche vaderland
medegebracht had, was evenals zijn eigen zoon onder zijne oogen
en die zijner zorgvuldige gade voortreffelijk ontwikkeld naar
lichaam en geest. Beiden werden later zijn opvolgers : de neef
op de plantage Buysenvliet, die nog aangekocht was geworden,
de zoon in de overige bezittingen; zij werkten in zijn geest voort.
Van zijne dierbaren in Duitschland berichtten de brieven niets
dan goed. Toen men hem het overlijden zijner teergeliefde
ouders melden moest, kon men hem tot zijn troost ook mede-
deelen, dat zij tot hun laatsten ademtocht zegenend aan hem
gedacht hadden. Nog vóór hen waren meester Glockner en diens
echtgenoote ter laatste rustplaats gedragen geworden; de wensch,
dien zij gekoesterd hadden, de oude zaak weder tot luister en
bloei te zien geraken, mochten zij nog vervuld zien. Pastoor Sillig
-ocr page 97-
93
stierf op hoogen leeftijd; zijne nagedachtenis bleef bij al zijne
parochianen in groote vereering. Clemen\'s oudere broeders kwamen
in hun vaderstad tot groot aanzien en beleefden veel vreugde
van hunne kinderen. Zijn zwager, de koopman, werd later raads-
heer in zijne stad; na een gelukkig leven ging hij zijne vrome
gade in den dood voor; nog op zijn sterfbed herhaalde hij haar
spreuk: Aan Gods zegen is alles gelegen ! Gelukkig en algemeen
geacht leefde de gouverneur met zijne familie in de kolonie.
Wegens zijne groote verdiensten in de uitoefening van zijn. ambt
achtte men hem algemeen en niet minder zijn gade en zijne
dochter, die zich inderdaad zijne beide schutsengelen toonden. De
heer Van Buysenvliet bleef ziekelijk tot aan zijn einde; doch had
nog, omgeven door de liefde van zulke goede menschen, een ge-
lukkigen levensavond gesmaakt. Zijn aanzienlijk vermogen liet hij
na aan weldadige instellingen, voor welke Clemen en Alkhaven
de grondslagen gelegd hadden. Meys keerde niet naar Europa
terug, ofschoon hij er tot in het laatste jaar zijns levens van
sprak als van een besloten zaak. Nog voor Meys echter naar
het hemelsch vaderland vertrok, vond de brave Alkhaven den
dood, veel te vroeg voor zijne vrienden ; het was echter den dood
op het veld van eer: hij viel in een gevecht tegen de bosch-
negers.
En als men een welbesteed menschenleven meteen vruchtbaren
akker wil vergelijken, die een vlijtige en godvruchtige hand
goed toebereid heeft, en als men goede werken zaadkorrels noemt,
uitgestrooid in de voren der eeuwigheid, dan is zulk een gelijkenis
inzonderheid van toepassing op den handel en wandel van Kare)
Clemen en diens gade. Lang waren zij tot stof en assche vergaan,
toen men hun nagedachtenis nog eerde en hun deugden roemde.
Als zijn schoonste deugd gold echter het levendige vertrouwen in
Gods leiding, dat zich in alle omstandigheden zijns levens openbaarde.
EINDE.
-ocr page 98-
INHOUD.
IH.ADZr
I.     ZORGENDE LIEFDE............        5
II.      DE WIJDE WERELD IN............     10
III.      IN DE BERGSTAD............     15
IV.      O ! WELK EEN VREUGD SOLDAAT TE ZUN.....     18
V.     BANGE DAGEN.............      22
VI.     SOLDATENVREUGD ---- SOLDATENSMART......      28
VII.     AAN GENE ZIJDE DES OCEAANS........     35
VIII.      BOVEN ALLES DE PLICHT..........      41
IX.     DAPPERE DADEN.............     45
X.     DE GELEGENHEID WORDT GEVONDEN......     53
XI.     HET WORDT BETER............     59
XII.      EEN ONVBRWACHTE BENOEMING........     65
XIII.      HtilMWEE...............      70
XIV.      HET VERTREK.............      74
XV.     WEDERZIEN..............      78
XVI.      TE HUIS...............      85
XVII.     AFSCHEID......:........     89
>
-ocr page 99-
•
VAN DEZE
LEESBIBLIOTHEEK
VOOB
Christelijke Huisgezinnen,
die reedB vijf en «Iertig jaren duizenden inteekenaren telt,
VERSCHIJNEN JAARLIJKS
TWAALF BOEKDEELEK
voor slechts TWEE GULDEN VIJFTIG CENTS; franco per post DR1K
GULDEN TIEN CENTS, betaalbaar in twee gelijke termijnen.
Men teekent in voor den geheelen jaargang.