-ocr page 1-
-ocr page 2-
YA W^ \\ A O S
f
-ocr page 3-
DE BEOEFENING DER LIEFDE
TOT JESUS CHRISTUS.
HANDLEIDING, GETROKKEN UIT DE WOORDEN VAN
DEN H. PAULUS : Charitaa patiens est. etc.
De liefde is geduldig, enz. Epist. I. Cor. XIII. 4.
J9oor allen, die hunne zaligheid wenschen
te verzekeren en den weg der vol-
maaktheid willen bewandelen.
DOOK
DEN H. ALPHONSUS, M&RIA DE LIGÜORI,
ltisichop, KerkUeraar en Slicnter van de Congregatie dei AUerh. Ferlouerê.
UIT HET ITALIAANSCH VERTAALD
DOOS                                          »
Th. F. BESSDOBF.
Priester zijner Congregatie.
—•>- o^*umv**&<>-»
Bibliotheek
MINDER3RÜE0ERS
AMSTERDAM.va/ p p p T
G. B O R Gvv ^^^ *\'
1890.
-ocr page 4-
Si quis non amat Dominum nosttum Jesura Christum,
sit anathema. 1. Cor. XVI. 22.
Indien iemand onzen Heer Jesus Christus niet be-
mint, hij zij gevloekt.
-ocr page 5-
IMJMI.Mi.
Het werkje , wat wij hier den godvruch-
tigen lezer aanbieden , werd door den H.
Alphonsus, M. in het licht gegeven in 1768.
Volgens het algemeen gevoelen behoort het
tot zijne schoonste werken ; Kardinaal De-
champs aarzelt niet, het op ééue lijn te plaat-
sen met de Navolging van Christus: „La
prdlique de l\'amourenversJesus-Christ
(zie-
daar zijne woorden), pour ne citer qti\'un
des chefs-d\'oeuvre du Saint, lieat-ellepasdig-
tie d\'clre placée a cóté de V Imitation?"
De indeeling van het boekje is hoogst een-
voudig; de eerste vier hoofdstukken zijn
als een inleiding; de H. Alphonsus, M. spreekt
daarin over de liefde tot Jesus in het alge-
meen, zij zijn meer eene opwekking tot
-ocr page 6-
liefde ; in de dertien volgende spreekt de hei-
lige over de verschillende deugden, die als
de eigenschappen, de kenmerken der liefde
zijn, en welke men dus noodzakelijk be-
oefenen moet, om Jesus waarlijk te be-
minnen ; de volgorde der deugden is ont-
leend aan den tekst van den H. Paulus:
Lharitaa paticns est,benigna est, etc; op die
wijze geeft de heilige een beknopte verhan-
deling van de geheele christelijke vol-
maaktheidsleer.
Een ieder, die dit werkje leest, zal er
den TI. Alphonsus in leeren hoogschatten
en beminnen; men zal er hem in leeren
kennen als den ervaren, door God verlich-
ten leeraar, die het geestelijk leven met
zijne gevaren en beproevingen door en
door kent, het zelf heeft doorleefd, het
in zijne verscheiden openbaringen in ontel-
baren heeft aanschouwd; als den geleerden en
belezen schrijver, die volkomen op de
hoogte is van zijn onderwerp; maar bij
al zijne geleerdheid steeds die eenvou-
dige taal spreekt, waardoor zijne werken,
gelijk Kardinaal Dechamps zegt, tevens de
bewondering der wijzen en de troost der
eenvoudigen zijn; als den man der ware,
degelijke godsvrucht, den vertrouwbaren
gids, die u niet langs omwegen leidt; maar
steeds recht atgaat op zijn doel; die u de
-ocr page 7-
volle waarheid zegt, u de moeielijkheden
niet verheelt, maar u ook de juiste mid-
delen aanwijst, om ze te boven te komen;
vooral zal men hem leeren kennen als den
beminnelijken heilige , den vurigen bemin-
naar van God, den ijveraar voor Gods
glorie, wiens eenige zucht is, God vuri-
ger te beminnen en te doen beminnen.
Ziedaar vooral wat zijne werken zoo aantrek-
kelijk maakt: men proeft overal den heilige ;
de godsvrucht, die er uit spreekt, is zoo echt.
Toen in 1768 dit werkje verschenen was,
schreef de heilige aan een kloosterzuster
het volgende: „Ik zend u mijn werkje: „de
beoefening der liefde lot Jesus." Reeds langen
tijd verlangde ik het in, het licht te geven :
Goddank is hel nu eïnlelijk voltooid.....
DU werkje is nuttig voor allen; maar voor-
al voor kloosterlingen. Te Napels begint
het grooten bijval te vinden; om die toe-
juichingen echter geef ik weinig; mijn eenig
verlangen is
, dat Jesus bemind worde."
Moge het werkje ook thans den zelfden
bijval vinden als bij zijn eerste verschij-
nen; moge het vooral er toe bijdragen,
om het verlangen van den H. Alphonsus
te ver wezelijken.
De vertaler. Amsterdam. 12 Dec. 8o_
Laudetttr Jetus et Maria semper virgo:
Piunc et semper.
-ocr page 8-
Door onzen Hoogw. P. Generaal, N.
Mauron gemachtigd, staan wij toe, dat
de Hollandsche vertaling van „Pratica di
atnar G. C."
gedrukt worde
J. Meeuwissen C. S. S. R.
Sup. prov.
Amsterdam 25 October 1890.
Imprimatur
F. T. II. VAN OGTROP
libr. Cens.
Amstellodami, die 28 Octobris, 1890.
-ocr page 9-
HOOFDSTUK I.
Hoezeer Jesus Christus verdient door
ons bemind te worden om de liefde,
welke hij ons betoond heeft in zijn
LIJDEN.
i) Geheel de heiligheid en volmaakt-
heid van eene ziel bestaat in de liefde tot
Jesus Christus, onzen God, ons opperste
goed en onzen Zaligmaker. Wie mij be-
mint, zoo heeft Jesus zelf gezegd, zal
bemind worden door mijnen eeuwigen Va-
der: Ipse enim Pater amat vos, quia vos
me amastis.
i) Velen, zegt de H. Fran-
ciscus van Sales, 2) stellen de volmaaktheid
in de gestrengheid van leven, anderen in het
gebed, anderen in het veelvuldig gebruik der
1)    Jo. 16. 27.
2)    Esprit de S. Francois de Sales, p, i.cli. 25.
-ocr page 10-
Sacramenten, anderen in het geven van
aalmoezen; maar zij bedriegen zich; de
volmaaktheid bestaat, in God uit geheel
zyn hart te beminnen. Super omnia ...
cariiatem ha bete, zegt de Apostel, qitodes!
vinculum perfectionis.
i) De liefde is de
deugd welke alle andere deugden waardoor
de mensch volmaakt wordt, vereenigt en
bewaart; vandaar zegt de H. Augustinus:
Ama, et fac quod vis. 2) Bemin God,
en doe verder wat gij wilt; want als eene
ziel liefde voor God heeft, dan zal de
liefde zelve haar leeren, om nooit iets te
doen wat Hem mishaagt, en daarentegen
alles te doen wat Hem behagelijk is.
2) En verdient God wellicht onze liefde
niet ? Hij heeft ons bemind van alle eeuwig-
heid: In carilate perpetua dilexi te 3) Mensch,
zoo spreekt de Heer, bedenk, dat ik u
het eerst heb bemind; gij waart nog niet
op de wereld, ja de wereld zelfs was er
nog niet, en reeds beminde ik U; zoolang
ik God ben, zoolang ook bemin ik U;
zoolang ik mij zelven bemin, zoolang heb
ik ook U bemind. De H. Agnes had
dus wel gelijk te antwoorden, toen de
1)    Coloss. 3.14.
2)    In Ep. Joan. tr. 7. c. 4. 8.
3)    Jer- 3\'- 3-
•
-ocr page 11-
3
aardsche minnaren, hare liefde kwamen
vragen: Ab alio amatore pracventa sum:
een ander minnaar is V voor geiceest.
Verwijdert U, minnaren dezer wereld, houdt
op te dingen naar mijne liefde, mijn God
heeft mij het eerste bemind, Hij beminde
mij van alle eeuwigheid, en daarom is
het billijk, dat ik ook al mijn liefde
schenke aan Hem en buiten Hem, niets
beminne.
3) Daar God zag, dat de menschen
zich laten trekken door weldaden, zocht Hij
ons voor zijne liefde te winnen door middel
zijner gaven. Hij zeide daarom: In Juni-
culis Adam traham eos, in vinculh cari-
iatis.
1) Ik zal de menschen tot mijne
liefde trekken met ketenen, waarmede de
mensch zich vangen laat, met ketenen van
liefde. Ketenen van liefde ja waren al die
gaven, welke God aan den mensch heeft
geschonken. Niet tevreden, hem verrijkt
te hebben met eene ziel, geschapen naar
zijn beeld, met geheugen verstand en wil,
met een lichaam en deszelfs zintuigen,
schiep Hij daarenboven de aarde, den
hemel en zooveel andere zaken, alles uit
liefde tot den mensch; voor hem schiep
Hij de sferen, de sterren, de planeten, de
1) Osce ir. 4.
-ocr page 12-
4
zeec\'n, de rivieren, de bronnen, de bergen,
de vlakten , de metalen , de vruchten, zoo-
vele soorten van dieren, al die schepselen;
opdat zij den mensch zouden dienen, en
de mensch Hem uit dankbaarheid voor
zooveel gaven zou beminnen. Coelum et
terra
(riep de H. Augustinus uit) et
omnia mihi dicunt ut amcjn te.
i) Heer,
alles, wat ik zie, zoowel op de aarde als
daarboven, het verheft al zijn stem en wekt
mij op, om U te beminnen; want alle
schepselen zeggen mij dat Gij hen hebt ge-
schapen uit liefde tot mij. Wanneer de
abt de Rancé, stichter van La Trappe,
uit zijne cel, zijne oogen sloeg op de
heuvelen, de bronnen, de vogelen, de
planten, de hemelen, dan was elk dezer
schepselen hem een aansporing, om God
te beminnen want hij bedacht dan, hoe
God uit liefde tot hem dit alles had
geschapen.
4. Evenzoo gevoelde de H. Magdalena
de Pazzi, wanneer Zij een schoone bloem
in hare hand hield, zich daardoor in liefde
tot God ontbranden; zoo heeft dan, zeide
zij, mijn God er van alle eeuwigheid aan
gedacht, deze bloem te scheppen uit liefde
tot mij; en op die wijze werd die bloem
I) Confes. 1. 10. c. 6.
-ocr page 13-
5
voor haar een pijl van liefde, d\'e haar
eene zoete wonde toebracht, en haar in-
niger met God vereenigde. Werd op hare
beurt de H. Theresia getroffen door de
schoonheid van een boom, een bron, een
meer of een schoone streek; dan placht
zij te zeggen, dat al deze schoone schep-
selen haar herinnerden aan hare ondank-
baarheid, aan hare geringe liefde voorden
Schepper, die toch juist om door haar be-
mind te worden, dit alles had geschapen.
Ook verhaalt men van een godvreezend
kluizenaar* dat het hem toescheen, wanneer
hij door het veld ging, alsof alle planten
en bloemen, die hij ontmoette, hem zijne
ondankbaarheid verweten jegens God; hij
sloeg ze daarom zachtkens met zijn stok,
en zeide hun; Zwijgt, zwijgt: gij noemt mij
een ondankbare, gij zegt mij dat God u
heeft geschapen uit liefde tot mij,en datik hem
toch niet beminjmaar ik heb u verstaan,zwijgt
zwijgt, houdt op met uwe verwijtingen.
5) Maar het was God niet voldoende,
ons al deze schoone schepselen te geven.
Om zich meester te maken van geheel onze
liefde, heeft Hij ons geheel zich zelven
willen geven. De eeuwige Vader heeft ons
* De II. Siraon Salo. Hetzelfde lezen wij van
den H. Piiulus a Cruce, zie Strambi.
-ocr page 14-
6
Zijn eigen, Zijn eenigen Zoon willen geven.
Sir ctiiin Deus dilexit mundum ut Filium
mum unigeniium dar et.
i) De eeuwige
Vader zag, dat wij allen dood waren, be-
roofd van zijne genade, ter oorzake van
de zonde, en wat deed hij nu? Gedreven
door de onmetelijke, ja, (gelijk de apostel
zegt) door de al te groote liefde, die Hij
ons toedroeg, zond Hij zijn beminden
Zoon, om voor ons te voldoen, en ons al-
dus het leven terug te schenken, wat de
zonde ons had ontnomen: PropUrnimiam
caritatem suam qua dilexit nos, et cum
essemus moriui pcccatis comiviftcavit nos
in Christo.
2) En toen Hij ons dien
Zoon gaf, (aan wien Hij geen vergiffenis
wilde schenken, om vergiffenis te kunnen
schenken aan ons), gaf Hij ons tegelijk
met dien Zoon alle goed: zijne genade,
zijne liefde, het paradijs: want zonder
twijfel, al deze goederen zijn veel min-
der dan Zijn Zoon: Qui eliam proprio
Filio suo non pepercii, sed pro nobis om-
nibus tradidit illum, quomodo non etiam
cum Ulo omnia nobis donavitl
3)
6) Eveneens heeft ook de Zoon, uit
0 Jo. 3. 16.
2)  Eph. 2, 4 en 5.
3)  Rom 8, 32.
-ocr page 15-
7
liefde tot ons, geheel zichzelven gegeven:
Dilexit nos et tradidit semelipsum pro
nobis.
i)
Immers, om ons te bevrijden van den
eeuwigen dood en ons de goddelijke ge-
nade en het paradijs, dat wij hadden ver-
loren , te doen herwinnen, werd Hij mensch,
bekleedde Hij zich met menschelijk vleesch
gelijk wij. Et verbum cclro jactum est. 2)
Ziedaar dan een God vernietigd! Exina-
nivit semelipsum formam servi accipiens el
habitu invenlus ut homo.
3) Ziedaar den
Heer der wereld zich zóó diep vernederen,
dat Hij de gedaante aanneemt van een
slaaf en zich onderwerpt aan al de ellenden,
die ook de andere menschen moeten lijden.
7) Maar wat ons het meest met verbazing
vervult is, dat Hij ons zeer goed had
kunnen verlossen zonder te sterven en
zonder te lijden; doch neen, Hij verkoos
een bedrukt en veracht leven, een bitteren
en smadelijken dood, Hij wilde sterven op
een Kruis, een schandhout, bestemd voor
booswichten. Maar als Hij ons zonder
lijden kon verlossen, waarom heeft Hij
1)  Gal. 2, 29.
2)  Jo. 1, 14.
3)  Phil. 2, 7.
-ocr page 16-
8
dan den dood, en wel den dood des
Kruises verkozen ? Omdat hij wilde toonen,
welk eene liefde Hij voor ons had. Dt/exit
nos ei tradid\'d scmetipsum pro nobis.
Hij
beminde ons, en omdat Hij ons beminde,
daarom gaf Hij zich over aan de smarten,
aan de versmadingen, aan een dood, zoo
bitter, als nooit eenig mensch op aarde
heeft geleden.
8) Vandaar dat woord van dien grooten
beminnaar van Jesus Christus, den H. Paulus:
Caritas Christi urget tws. i De liefde tot
Christus dringt ons; de apostel wil zeggen,
dat, niet zoozeer hetgeen Jesus Christus
heeft geleden, als wel de liefde, ons in zijn
lijden betoond,ons verplicht, ja ons als nood-
zaakt Hem te beminnen. Hooren wij, wat
de H. Franciscus van Sales zegt bij deze
woorden: Te weten, zoo zegt deze heilige,
dat Jesus, die waarachtig God is, ons
zoozeer bemind heeft, dat Hij voor ons
den dood, ja den dood des kruises wilde
lijden, is het niet, als bevond zich ons
hart onder een pers, als werd het met
alle kracht geprangd, en als voelden wij
er de liefde uitdrukken met een geweld, te
sterker naarmate het beminnelijker is?
i) 2 Cor. s, 14.
-ocr page 17-
9
Ach, zoo gaat hij voort, waarom dan
werpen wij ons niet op den gekruisten
Jesus, om te sterven op het Kruis met
Hem, die er aan heeft willen sterven uit liefde
tot ons? Ik zal Hem vasthouden, zoo
moeten wij zeggen, en Hem nimmer ver-
laten; ik zal sterven met Hem en ver-
teeren in de vlammen zijner liefde. Een
zelfde vuur verteere dien goddelijken Schep-
per en zijn ellendig schepsel. Mijn Jesus
yeeft zich geheel aan mij, en ik geef mij
geheel aan Hem. Ik zal leven en sterven
op zijn borst; noch de dood, noch het
leven zal mij ooit van Hem scheiden. O
eeuwige liefde, mijne ziel zoekt U, mijne
ziel heeft U uitverkoren voor alle eeuwig-
heid. Welaan H. Geest, daal neer, ont-
steek onze harten met uwe liefde. Of
beminnen of sterven. Sterven aan elke
andere liefde, om te leven voor de liefde
van Jesus. O Zaligmaker onzer zielen,
doe ons in eeuwigheid zingen: Leve Jesus,
ik bemin Jesus: Leve Jesus, dien ik bemin,
ik bemin Jesus, die leeft in de eeuwen
der eeuwen, i)
9) De liefde, die Jesus Christus den
menschen toedroeg, was zoo groot, dat
I) Traite de 1\'amour de Dieu 1. 7. c. 8. en 1.
12 c. 13.
-ocr page 18-
LO
zij Hem deed verlangen naar liet uur van
zijnen dood, om hun toch maar te kunnen
toonen, welk een liefde Hij voor hen had;
vandaar herhaalde Hij tijdens zijn leven
dikwijls bij zichzelven: Baptismo liabeo
baptizari et i/nomodo coarctor mqucdum
perficiatur.
i) Ik moet gedoopt worden
in mijn bloed, en o hoe gevoel ik mij
geprangd van verlangen, dat toch spoedig
het uur van mijn lijden kome, opdat de
mensch toch spoedig wete welk eene liefde
ik voor hem heb.
Het is daarom ook, dat de H. Joannes,
als hij spreekt van den nacht, waarin Jesus
een begin maakte met zijn lijden, zich
volgender wijze uitdrukt: Sciens Jesus,
quia venit hora ejus ut transcat ex hoc
mundo ad Patrem cum dilexisset suos, in
ünem dilexit eos.
2) Daar Jesus wist, dat
zijne ure gekomen was om uit deze wereld
over te gaan tot den Vader, zoo heeft Hij,
na de zijnen
, die in deze wereld waren
bemind ie hebben, hen ten uiterste bemind.
De goddelijke Verlosser noemt dit uur zijn
uur,
(hora ejus); omdat het oogenblik van
zijnen dood voor Hem het verlangde oogen-
blik was, daar Hij alsdan den menschen
1)  Luc. 12, 50.
2)  Jo. 13, 1.
-ocr page 19-
II
het laatste bewijs zou geven van zijne
liefde, door voor hen, verteerd van smarten
te sterven op een Kruis.
io) Maar wie heeft dan toch een God
kunnen bewegen, om te sterven als een
misdadiger, aan een schandpaal, te midden
van twee booswichten, met zooveel oneer
voor zijne goddelijke majesteit? Wie dit
gedaan heeft?
vraagt de H. Bernardus Quit
fecil hoc?
en hij antwoordt: Fecit amor
digmtalis nescius.
i) Dit deed de liefde,
die geen besef heeft van waardigheid. Oja, als
het er op aan komt om zich te doen
kennen, dan vraagt de liefde niet, wat
betaamt aan de waardigheid van hem, die
bemint; zij vraagt alleen, hoe zij zich het
best aan het beminde voorwerp kan open-
baren.
Wel met reden dan riep een H. Fran-
ciscus de Paula, bij het aanschouwen van
den gekruiste, in vervoering uit: O liefde,
o liefde, o liefde ! Ook wij, wij moesten
allen bij het zien van Jesus aan het kruis,
eveneens brandend van liefde uitroepen:
O liefde, o liefde, o liefde!
n) Ach, indien Gods woord het ons niet
verzekerde, wie zou het ooit kunnen ge-
looven, dat een almachtige God, die aller-
I) In Cant. S. 64.
-ocr page 20-
12
gelukkigst is in zich zelven, tle Heer van
het heelal, den mensch zoozeer heeft willen
beminnen, dat Hij werkelijk buiten zich
zelven schijnt te zijn van liefde tot den
mensch? Wij hebben, zegt de H. Laurentius
Justinianus, de Wijsheid zelve, het eeuwig
Woord, dwaas zien worden door zijn \'al
te grcote liefde tot den mensch: vtdimus
sapietdem prae nimietate amcris infatua-
lum/i)
Hetzelfde zeide ook de H. Magda-
lena de Pazzi; op zekeren dag nam de
heilige in eene geestvervoering een houten
kruisbeeld in hare handen en riep toen uit:
„Ja mijn Jesus, Gij zijt dwaas van liefde.
Ik zeg het, en ik zal het immer zeggen:
dwaas zijt gij van liefde, o mijn Jesus."
Maar neen, zegt de H. Dionysius, de Ar-
eopagiet, het is geeue dwaasheid, maar
het is \'t gewone uitwerksel der goddelijke
liefde, den beminnende buiten zich zelven te
doen treden, om zich geheel te geven aan
het beminde voorwerp. Extasin /acit di-
vinus amor. 2)
O indien de menschen, bij het aanschou-
wen van den gekruisten Jesus, toch eens
een weinig acht gaven op de liefde, welke
1)  Serm. d. Nativ. D.
2)  De div. nom. c. 4.
-ocr page 21-
»3
die Verlosser aan een ieder van hen heeft
toegedragen! door welk eene lietde, (zegt
de H. Franciscus van Sales) zouden zij
niet ontvlamd worden, bij het gezicht der
vlammen, die er blaken in den boezem
des Verlossers! en ach welk een geluk, te
kunnen verteeren van hetzelfde vuur, dat
ook onzen God verteert! Welk een geneugte
verbonden te zijn met God door de ke-
tenen der liefde! De H. Bonaventura noemt
de wonden van Jesus Christus wonden, die
de ongevoeligste harten treffen en de koudste
zielen ontvlammen: Vulnera ditra corda
vulnerantia el meutes ccngelatas inflamtnan-
tia
i) O wat al schichten van liefde komen
er uit die wonden en treffen de versteendste
harten! O wat al vlammen komen er uit
dat brandend Hart van Jesus Christus, en
zetten de koudste harten in vlam ! O wat
al ketenen komen er uit die doorwonde
zijde, die de ontembaarste harten beteu-
gelen !
13) De eerbiedw. Joannes van Avila, die
zoo vol liefde was voor Jesus Christus,
dat hij in geen zijner preken ooit naliet
te spreken over de liefde, welke die aller-
beminnelijkste Verlosser ons toedraagt, heeft
in een zijner verhandelingen over Jesus liefde,
1) Stim div. amor. p. 1 c. 1.
-ocr page 22-
U
de volgende brandende gevoelens neerge-
schreven, die ik, omdat ze zoo uitnemend
schoon zijn, hier heb willen invoegen. Zij
luiden als volgt:
O mijn Verlosser, Gij bemint den mensch
zoo vurig, dat hij, die deze lief de beschouwt,
zich genoodzaakt ziet U ook te beminnen,
want, gelijk de apostel het zegt, uwe hef de
doet onze harten geweld aan
.• Caritas
Christi urget nos. De oorsprong dezer
liefde van Je sus voor de menschen is zijne
liefde tot God. Daarom sprak Hij op den
donderdag ran het laatste avondmaal.
Ut
COGNOSCAT MUNDUS QUIA DILIGO PaTREM ,
SURG1TE EAMUS. OPDAT DE WERELD WETE,
DAT IK DEN VADER LIEFHEB: STAAT 01\', LAAT
ons gaan. En waarom 1 Om ie sterven voor
de menschen op het kruis.
15) Geen verstand zal ooit kunnen be-
grijpen hoe hevig de brand is van dit vuur
in het hart van Jesus Christus. Ware het
Hem bevolen, gelijk Hij nu écnen dood ge-
storven is, er duizend te sterven ,Hij zou liefde
genoeg hebben gehad om het te doen. Ware Hem
opgelegd, om, hetgeen Hij nu voor alle men-
schen heeft geleden, voor de zaligheid van
een enkel te lijden, met evenveel liefde zou
Hij gedaan hebben voor een ieder
, wat Hij
nu gedaan lieejt voor allen; Ja indien het
noodzakelijk ware geweest om, gelijk Hij nu
-ocr page 23-
IS
drie uren aan het kruis heeft gehangen,
daaraan te blijven tot den jongsten dag, Hij
sou liefde genoeg hebben gehad, om het te
doen. Jesus Christus alzoo heeft meer be~
mind dan geleden. O goddelijke liefde,
hoeveel grooter waart gij, dan al hetgeen
Gij van uwe grootheid uiterlijk hebt getoond.
Ja, al die wonden en kwetsuren spreken
ons van eene groote liefde; maar al hare
grootheid melden zij ons niet; inwendig 7oas
er veel meer dan zich uitwendig vertoonde;
dit laatste was slechts een vonk van die
eindelooze vuttrzee van liefde. Het grootste
teeken van liefde is, voor zijne vrienden
zijn leven te geven. Maar om de liefde
van Jesus Christus uit te drukken, was er
geen teeken groot genoeg.
16) Deze liefde is het, welke de brave
zielen buiten zich zelve voert, tien verplet
van verbazing, wanneer zij zich aan hen
doet kennen. Vandaar de gloed, die brandt
in hun binnenste, dat verlangen naar den
marteldood, die blijdschap in het lijden;
ziedaar wal hen doet jubelen op de gloeiende
roosters, hen de gloeiende kolen doet betreden
als ware het rozen, hen doet haken naar de fol-
teringen, hen doet verlangenjietgeen de wereld
vreest, omhelzen, hetgeen de wereld veraf-
schuwt. De H. Ambrosius zegt, dat de
ziel, die verloofd is. aan Jesus op hel Kruis,
-ocr page 24-
i6
niets glorievoller a<\'lit, dan in zich de leeke-
nen te dragen van den Gekruiste.
17)    Hoe dan, O mijn beminde, U die
liefde betalen? Het is billijk, dat bloed
beloond worde met bloed. O mocht ik mij
dan qeverwd zien met dat bloed, vastge-
nageld zien aan dat Kruis. O Heilig
Kruis, neem ook mij op. Verwijd u, o
Kroon, om ook mijn hoofd te ontvangen;
o nagelen/ verlaat die onschuldige handen
van mijnen Heer en doorboort mijn hart
met medelijden en liefde. Gij stier ft, o mijn
Jesus, zrgt de H. Paulus, om te heerschen
over levenden en dooden, niet echter met
kastijdingen, maar met liefde :
In hoc Chris-
tus MORTUUS EST ET RESURREX1T , UT MOR-
TUORUM ET VIVORUM DOMINETUR. i)
18)    O Roover der harten, de kracht
uwer liefde heeft ook onze zoo versteende
harten vermurwd; geheel de wereld hebt
Gij doen branden vati uwe liefde. O aller-
beminnelijkste Heer, maak onze harten dron-
ken van dien wijn, verteer ze door dat
vuur, tref ze met dien schicht uwer liefde.
Uw Kruis, ziedaar de boog, die de harten
wondt. Laat geheel de wereld weten, dat
mij het hart gewond is. O mijne aller-
1) Rom. 14, 9.
-ocr page 25-
\'7
zoetste liefde, wat hebt Gij gedaan ? Gij
zijl gekomen, om mij te genezen, en Gij hebt
mij gewond. Gij ziji gekomen om mij te
heren wel te leven, en Gij hebt mij als
dwaas gemaakt I O allerwijste dwaasheid\'!
dal ik nooit leve zonder U, Heer, alles
wat ik aanschouw op het kruis, noodigt mij
uit tot liefae: het hout, de houding, de
wonden van uw lichaam, alles noodigt mij
uit V te beminnen en U nimmer te ver-
getend
19) Maar om te komen tot de volmaakte
liefde van Jesus Christus moet men de
middelen aanwenden. Ziehier welke mid-
delen ons worden aangegeven door den
H. Thomas van Aquine 1):
i°. Voortdurend denken aan Gods wel-
daden, zoowel algemeene als bijzondere.
2 °. Gods oneindige goedheid overwegen,
die nog voortdurend bezig is met ons wel
te doen, die ons immer bemint en voort-
durend vraagt om onze liefde.
30. Met zorg elke, ook de kleinste zaak
vermijden, die Hem mishaagt.
4°. Vaarwel zeggen aan alle zinnelijke
goederen dezer aarde, aan rijkdommen, eer
en aan de genoegens der zinnen. Nog een
1) Op. de dilect. Dei §. 1 et de duobis prae-
ceptis c. 4.
-ocr page 26-
iS
ander groot middel, zegt Pater Thaulerus, i)
om te komen tot de volmaakte liefde van
Jesus Christus, is de overweging van zijn
H. Lijden.
20)    Wie kan ontkennen, dat de devotie
tol Jesus\' lijden van alle devoties de nut-
tigste is, de teederste, de meest aangename
aan God, zij, die het meest troost geeft
aan de zondaren, het meest de liefde doet
ontgloeien der godvruchtige zielen? Waar-
aan danken wij al het goed, dat wij ont-
vingen , zoo niet aan het lijden van Jesus
Christus? "Waaraan danken wij de hoop
op vergiffenis, de kracht tegen de bekorin-
gen, het vertrouwen om zalig te worden?
Waaraan al die verlichtingen omtrent de
waarheid, al die liefdevolle uitnoodigingen,
die opwekkingen om van leven te veran-
deren? Waaraan anders, tenzij aan het lij-
den van Jesus Christus? Wel met reden
dan ook spreekt de\' apostel den vloek uit
over een ieder, die voor Jesus geene liefde
heeft: Si quis non amat Dominum nostrutn
Jesum Christum, sit anathema.
2)
21)  De H. Bonaventura zegt, dat geene
devotie meer in staat is eene ziel te heil-
1)     Thaulerus ep. 20.
2)   I Cor. 16, 22.
-ocr page 27-
19
ligen dan de overweging van Jesus H. Lijden;
zco wij vorderingen willen maken in de
goddelijke liefde, zegt hij, moeten wij het
lijden dagelijks overwegen. Si vis proftcere
quoüdie medxteris Domini passionem; nihil
enim in anima ita operatur universalem
Sanctimoniam, sicut meditaiio passionis
Christi;
en, gelijk wij lezen bij Bemardus
de Bustis, zegt de H. Augustinus, dat
men meer verdient, wanneer men een
enkelen traan stort bij de herinnering aan
Jesus\' lijden, dan wanneer men een jaar
lang elke week op water en brood zou
vasten. Magis merelur vel unam lacry-
mam emitlens oh memoriam passionis Christi,
quant si qnalibet anni hebdomada in pane
el aqua jejunarel.
i) De Heiligen dan ook
hebben zich ten allen tijde bijzonder toe-
gelegd op de overweging van Jesus smarten;
de H. Franciscus van Assisie werd door
dit middel die seraphijn van liefde. Op
zekeren dag, zoo lezen wij, vond een
edelman den heilige in groote droefheid
en luide weenende, en als hij naar de
reden vroeg van zijne smart, antwoordde
de heilige: „Ik ween om de smarten en
versmadingen van mijnen Heer, en wat
i) Rosar. p. 2. S. 15.
-ocr page 28-
20
mij het meest doet weenen, is, dat de
menschen, voor wie Hij geleden heeft, daar-
aan zoo weinig denken; dit zeggende ver-
dubbelde hij zijne tranen, zoodat ook de
edelman begon te weenen. Wanneer de
heilige een lam hoorde blaten of iets anders
zag, wat hem herinnerde aan Jesus lijden,
brak hij aanstonds los in tranen. Toen
hij eens ziek v/as, en iemand hem den raad
gaf, zich iets te doen voorlezen uit een
geestelijk boek, antwoordde hij: De ge-
kruiste Jesus is mijn boek.
Hij hield dan
ook niet op zijne broeders te vermanen,
om toch immer te denken aan Jesus lijden,
Die geen liefde tot God gevoelt, zegt Tie-
poli, bij het aanschouwen van Jesus aan
het Kruis, hij zal God nooit beminnen.
Gevoelens en smeekingen.
O Eeuwig Woord,- Gij besteeddet drie-
endertig jaren van arbeid en zwoegen, Gij
gaaft uw bloed en uw leven voor de zalig,
heid der menschen, in één woord, niets
hebt Gij gespaard, om U door hen te
doen beminnen; hoe kunnen er dan menschen
worden gevonden, die dit weten en U niet
beminnen! Ach mijn God, helaas, ook ik
ben een van die ondankbaren. Mijn Jesus,
ik erken welk ongelijk ik u heb aange-
-ocr page 29-
21
daan; heb medelijden met mij. Ik breng
U thans het offer van mijn ondankbaar
hart, ondankbaar ja, maar vol berouw.
Ja, mijn dierbare Verlosser, boven alles
is het mij leed, dat ik U heb veracht.
Thans bemin ik U uit geheel mijn hart.
Mijne ziel, bemin toch een God, voor U
gebonden als een booswicht, een God, voor
u verguisd als een spotkoning, een God
eindelijk, voor u gestorven als een misda-
diger aan het kruis. Ja, mijn Zaligmaker,
mijn God, ik bemin U, ik bemin Ü. Ach
doe mij immer denken aan al hetgeen Gij
voor mij hebt geleden, opdat ik toch nooit
meer vergete U te beminnen. Koorden
van Jesus, bindt mij aan Jesus; nagelen
van Jesus, hecht mij vast aan het Kruis
van Jesus, opdat ik leve en sterve in ver-
eeniging met Jesus. O Bloed van Jesus,
maak mij dronken van heilige liefde. O
dood van Jesus, doe mij sterven aan alle
gehechtheid der wereld. Doorwonde voeten
van mijnen Heer, aan u hecht ik mij
vast, bevrijdt mij van de hel, door mij
verdiend. Mijn Jesus, in de hel zou ik
U niet meer kunnen beminnen; maar ik
wil U immer beminnen. Mijn beminde
Zaligmaker, red mij, hecht mij aan U, en
laat niet toe, dat ik U nog ooit verlieze.
O Maria, toevlucht der zondaren, Moeder
-ocr page 30-
22
van mijnen Verlosser, help een zondaar,
die zijn God beminnen wil, en zich daar-
om aan U aanbeveelt; help mij om de
liefde, die Gij toedraagt aan Jesus.
-ocr page 31-
HOOFDSTUK II.
Hoe zeer Jesus Christus verdient, dat
wij Hem beminnen, om de liefde, ons
betoond in de instellinc van het al-
LERHEILIGST Sacrament des altaars.
i). Sciens Jesus quia venit hora ejus ut
transeat ex hoc mundo ad Patrem, cum
dilexisset suos, in finem dilexit eos
i)
Daar onze allerbeminnelijkste Zaligmaker
wist, dat het uur, waarop Hij deze wereld
moest verlaten, was aangebroken, wilde
Hij, alvorens voor ons te gaan sterven, ons
het grootst mogelijke bewijs geven zijner
liefde, en daarom gaf Hij ons het Aller-
heiligste Sacrament des altaars. De H.
Bernardinus van Siena zegt, dat de liefde-
blijken, die gegeven worden bij den dood,
i) Jo. 13 1.
-ocr page 32-
24
het langst in het geheugen blijven en het
hoogste worden geschat. Quae in fine in
signum amiciiiae celebranturjirinius memoriae
tmprimuntur et cariora tenenlnr
i). Vandaar
plegen vrienden, wanneer zij sterven, aan
personen, die zij tijdens hun leven hebben
bemind, een geschenk te geven, bijv. een
kleed, een ring, ter herinnering aan hunne
genegenheid. Maar Gij, mijn Jesus, wat
hebt gij ons, toen Gij weggingt van deze
wereld, nagelaten ter gedachtenis.-\' Gij liet
ons geen kleed, geen ring; maar Gij gaaft
ons uw lichaam, uw bloed, uw ziel, uwe
Godheid, geheel Uzelven, zonder ietsterue;
te houden; 1 o turn tibi dedit, zegt de H.
Joannes Chrysostomus, nihil sibi reüquit:
Hij heeft zich geheel aan U gegeven, Hij
heett niets voor zich gehouden.
2). Het concilie van Trente zegt, dat
Jesus in de gave der H. Eucharistie, al de
schatten zijner liefde • voor de menschen
als het ware heeft uitgestort. Divitias sui erga
liomines amoris velut effudit.
2) En de
apostel merkt aan, dat Jesus den menschen
deze gave schonk in denzelfden nacht,waarin
zij van hunnen kant het plan beraamden
van zijnen dood. In qua nocte tradebatur
1)  t. 2. S. 54. a. 1. c. 1.
2)    Sess. XXIII. c. 2.
-ocr page 33-
2 5
accepit panem, et gr alias agens, fregit et
dixit: Acapite et manducate, hoc est corpus
meum.
i) Jesus Christus, zegt de H. Bernar-
dinus van Siëna, door litfde tot ons ver-
teerd en er niet mede tevreden zijn leven
voor ons te geven, werd door de over-
maat zijner liefde genoopt, nog iets grooters
te doen, Hij gaf ons zijn eigen lichaam
tot spijs: /« il\'o fervoris excessu quando
paralus eralpro] nobis mori, ab excessu amo-
ris majus opus agere coactus est, quam
unquam operatus /uerat, dare tiobis corpus
in cibum.
2)
3). Met reden dan ook noemt de H.
Thomas dit sacrament: Sacramentum chari-
tatis, sacrament van liefde ,pignus charita-
tis, onderpand van liefde.
Sacrament van
liefde ; want alleen de liefde bewoog Jesus
Christus, ons in dit sacrament geheel zich-
zelven te geven; onderpand van liefde;
want, zoo wij ooit aan Jesus, liefde moch-
ten twijfelen, dan bezitten wij in dit sacra-
ment, van die liefde het ontegensprekelijk
bewijs. Het is, als heeft onze Verlosser,
toen Hij het H Sacrament instelde, tot ons
gezegd: O zielen, twijfelt Gij wellicht nog
aan mijne liefde? ziedaar dan, ik geef U
1)    I Cor. II. 23.
2)    Loc, cit.
-ocr page 34-
2 6
geheel mijzelven in dit Sacrament; met
dit onderpand in uwe handen, kunt gij er
toch niet langer aan twijfelen, dat ik U
bemin en U vurig bemin.
Doch de H. Bernardus noemt daarenbo-
ven dit sacrament: amor amorum liefde der
liefde:
omdat in deze gave alle andere gaven,
die de Heer ons heeft geschonken, vervat zijn,
zoowel de schepping en de verlossing als
de voorbeschikking tot de glorie; want de
H. Eucharistie is niet alleen een onderpand
van Jesus liefde; maar (zegt de Kerk) het
is tevens een onderpand van het paradijs
dat Hij ons geven wil. In quo faturae
gloriae nobis pignus datur.
Vanrlaar wist
de H. Philippus Nerius aan Jesus in het
Allerheiligste Sacrament geen anderen naam
te geven, dan liefde. Dit ook was zijn
uitroep, toen hem de H. Teerspijze gebracht
werd: Ziedaar mijne liefde, sprak hij, geef
mij mijne liefde.
4) De profeet Isaias 1) verlangde, dat
men aan allen zou bekend maken, de
liefdevonden, welke God heeft uitgedacht, om
zich door de menschen te doen beminnen.
Wie toch had ooit op de gedachte kun-
nen komen, indien de Heer het niet in wer-
kelijkheid had gedaan, dat het vleeschge-
1) Is. 12. 4.
-ocr page 35-
27
worden Woord zich tegenwoordig zou stel-
len onder de gedaante van brood, om onze
spijs te worden? Schijnt het geen dwaas-
heid, zegt de H. Augustinus, te zeggen:
Eet mijn vleesch, drinkt mijn bloed? Nonne
insania videtur dicere: manducate meam car-
nem
, bibite meam sanquinem ? 2) Toen Jesus
Christus aan zijne discipelen zijn voorne-
men, om hun dit sacrament na te laten,
bekend maakte, konden dezen het niet van
zich verkrijgen, daaraan geloof te slaan;
zij verwijderden zich van Hem, en zeiden:
Qtwmodo potest Mc carnem suam dare ad
matiducandum
? Durus est Mc sermo et quis
potest eum atidire.
1) Hoe kan deze ons
zijn vleesch te eten geven? Dit woord is
hard, en wie kan het aanhoor en?
Maar
wat den menschen niet in de gedachte was
kunnen komen, wat zij niet konden geloo-
ven; de liefde van Jesus Christus heeft het
uitgedacht, heeft het gedaan. Accipite et
manducate,
zoo sprak Hij tot zijne discipe-
len en in hen tot ons allen, alvorens te
gaan sterven, Neemt en eet; maar o Ver-
losser der wereld, wat spijs dan zal het
zijn, die Gij ons voor uw sterven zult geven ?
Accipite et manducate, hoc est corpus meum.
1)   In ps. XXIII. en I.
2)   J°. 6. 53—61.
-ocr page 36-
2 8
Die spijze is geen spijze dezer aarde; Ik
zelf, ik ben het; ik geef mij geheel aan U.
5)    En o, met welk een verlangen haakt
Jesus Christus er naar, om zich met onze
zielen te komen vereenigen in de H. Com-
munie ! Dcsiderio desideravi hoc pascha
manducare vobiscumi) Met groot verlangen
heb ik verlangd dit Pascha met u te eten.
Zoo sprak Hij in den nacht, waarin Hij
dit Sacrament van liefde instelde. Deside-
rio desideravi.
De onmetelijke liefde welke
Hij ons toedraagt, zegt de H. Laurentius
Justinianus, deed Hem aldus spreken: Flag-
rantissimae cantatis est vox huec.
2) En
opdat Hij gemakkelijk zou kunnen ont-
vangen worden door iedereen, heeft Hij
zich willen geven onder de gedaante van
brood. Indien Hij zich gegeven had onder
de gedaante van eene zeldzame of kost-
bare spijs, zouden de armen er van ver-
stoken zijn gebleven; maar neen, Jesus
heeft zich tegenwoordig willen stellen onder
de gedaante van brood, dat weinig kost,
dat overal gevonden wordt; opdat een
ieder Hem overal mocht kunnen vinden
en ontvangen.
6)   En om ook bij ons het verlangen
1)  Luc. 22. 15.
2)  De tr. Ch. Ag. c. 2.
-ocr page 37-
2y
levendig te maken, om Hem in de H. Com-
munie te ontvangen, wekt Hij ons niet
alleen daartoe op door zijne herhaalde uit-
noodigingen; niet alleen zegt hij: Venite,
comedite panem meum et bibite vinum quod
miscui vobis.
3) Komt, eet van mijn brood,
drinkt van den wijn, dien ik u gemengd heb.
Comedite amici et bibité.
4) Welaan vrienden
eet en drinkt;
(Het is van dit hemelsch brood
dezen hemelschen wijn, dat Hij spreekt)
maar Hij legt het ons daarenboven op als
een gebod: Accipite et manducate, hoc est
corpus meum. Neemt en eet, dit is mijn
lichaam.
Nog meer: opdat wij hem toch
maar zouden ontvangen, lokt Hij ons aan
door de belofte van het paradijs. Quiman-
dttcat meam carnem habet vitam aeternami)
Qui manducat hunc panem,vivei in aeternunn)
Die mijn vleescU eet, heeft het eeuwige leven.
Die dit brood eet zal leven in eeuwigheid.
Ja, Hij bedreigt ons met de hel, Hij dreigt
ons te zullen uitsluiten van den hemel, in-
dien wij weigeren Hem te ontvangen. Nis-
manducaveritis carnem filii hominis, non hai
1)  Prov. 9. 5.
2)  Cant. 5. 4.
3)  Jo. 6. 55.
4)  lbid. 34.
-ocr page 38-
hbebiüs vilam in ivbis.i) Indien gij het
vleesch van den Zoon des menschen niet eet,
zult gij het leve/i in u niet hebben.
Die
uitnoodigingen, die beloften, die bedreigingen
zij komen allen voort uit het groot ver-
langen, dat Hij heeft, om door ons ont-
vangen te worden in dit H. Sacrament.
1) Maar waarom dan toch verlangt
Jesus zoozeer, door ons te worden ont-
vangen in de H. Communie? Ziehier de
reden: De liefde, zegt deH. Dionysius, streeft
immer naar vereeniging; en, gelijk de H.
Thomas zegt: Amantes desiderant ex am-
bobus fieri unum
2). Vrienden, die elkander
van harte beminnen, zouden zoo innig ver-
eenigd wenschen te zijn, dat zij beiden
maar één mensch uitmaakten. Welnu Gods
onmetelijke liefde tot de menschen heeft
dit gedaan; niet alleen geeft Hij zich ge-
heel aan hen in het rijk der zaligen, maar
reeds op deze aarde stelt hij zich geheel
in \'s menschen bezit, door de nauwste ver-
eeniging, die er bestaan kan, door nl zich
geheel aan hen te geven, onder de gedaante
van brood in dit Sacrament. Daar, daar
staat Hij als achter een muur, en daar be-
spiedt Hij ons gelijk door dichte traliën.
1)  Ibid. 59.
2)   I. 2. 9. 28. a. I. ad. 2.
-ocr page 39-
3i
En ipse stat post parietem nostrum, rcspi-
ciens per ftnestras prospiciens per canccl-
los.
i) \'t Is waar, wij zien Hem niet, maar
Hij vandaar uit, Hij ziet ons, Hij is daar
werkelijk tegenwoordig; Hij is daar tegen-
woordig, opdat wij Hem zouden bezitten,
maar Hij verbergt zich opdat wij naar Hem
zouden verlangen, en zoolang wij nog niet
zullen zijn aangekomen in het vaderland,
zal Jesus zich daar geheel aan ons geven
en daar geheel met ons vereenigd zijn.
8) Jesus\' liefde was er niet mede te
vreden, zich reeds geheel aan hetmensche-
lijk geslacht te geven in zijn menschwording
en zijn lijden, Hij was er niet mede te-
vreden, voor alle menschen te sterven; Hij
heeft ook het middel willen uitdenken, om
zich geheel te geven aan een ieder van
ons in het bijzonder; daarom dan stelde
Hij het H. Sacrament in; Hij wilde zich
geheel vereenigen met een ieder van ons.
qui mandacat meam carnem, zeide Hij,
in me manét et ego in eo. 2) Wie mijn
vleesch eet, blijft in Mij en Ik in hem,
In
de H. Communie wordt Jesus vereenigd
met de ziel, en de ziel met Jesus, en
1) Cant. 2. 9.
3) Jo. 6.
-ocr page 40-
32
deze verecniging is niet louter een vereeni-
ging van genegenheid, maar zij is wezen-
lijk en waarachtig. Vandaar zeide de H,
Franciscus van Sales. i) „/« geënt hande-
ling komt de teederheid en de liefde van
onzen goddelijken Zaligmaker zoo zeer uit
als in deze, omdat Hij zich daarin als
het ware vernietigt, zichzelven tot spijs
maakt, om onze zielen te kunnen doordringen
en zich met de harten zijner geloovigen te
kunnen vereenigen"
De H. Joannes Chrysostomus zegt, dat
Jesus Christus, gedrongen door de bran-
dende liefde, die Hij ons toedraagt, zich
zoo innig met ons wil vereenigen, dat wij
geheel met Hem vereenzelvigd worden:
Semetipsum nobis immiscuit ut unum quid
simis; ardenter enim amantium hoc est.
2)
9) Gij hebt, in een woord, o goddelijke
Minnaar onzer zielen, (zoo voegt de H.
Laurentius Justinianus hierbij) door dit
Sacrament willen maken, dat uw hart en
het onze maar één hart zou worden, on-
afscheidelijk met elkander verbonden: O
mirabilis dilectio lua, Domine Jesu, qui
tuo corpori taliter nos incorpotari voluisti,
ut tecum unum cor et animam imam habe-
1)   Introduct. p. 2, c. 21.
2)  Ad pop. Ant. hom. 61,
-ocr page 41-
33
remits inseparabilitercolligaiam\\ i) De H.
Bernardinus van Siena eindelijk zegt, dat
deze daad van Jesus, nl. zichzelven aan
ons ten spijs te geven, de hoogste graad
was der liefde, want Jesus gaf zich aan
ons om zich geheel met ons te vereenigen ,
gelijk de spijs zich vereenigt met hen, die
ze eet. Ultimus gradns amoris est, cum
se dedit nobis in cibum, tjuia dedit se nobis
ad omnimodam wüonem, sicul cibus et cibans
invicem uniuntnr. 2)
O welk een genoe-
gen is het voor Jesus Christus, alzoo ver-
eenigd te zijn met onze zielen! Hij zeide
eens na de H. Communie tot zijne beminde
dienstmaagd, Margaretha van Yperen:
Zie eens, mijtie dochter, ivelk eene schoone
vereeniging er thans bestaat tusschen U en
mij ; welaan, bemin mij dan, laten wij immer
vereenigd zijn in de liefde, en nooit meer
van elkander scheiden.
10) Zijn wij er daarom van overtuigd,
dat eene ziel niets kan doen, niets kan
uitdenken, wat aan Jesus Christus meer
behaagt dan eene heilige communnie , zoo
deze althans geschiedt met de behoorlijke
gesteltenis, de verheven gast in aanmerking
genomen, welken men in zijn binnenste
1)    De incendiis div. am. c. 5.
2)    T. II. S. 54. a. 4 c. 1.
-ocr page 42-
34
gaat ontvangen; want door eene H. Com-
munie vcreenigt zich de ziel met Jesus
Christus, en ziedaar wat die liefdevolle
Meester verlangt. Ik zeg met cte behoor-
lijke gesteltenis,
en niet met de waardige
gesteltenis;
want als de waardige gestelte-
nis vereischt werd, wie zou dan nog kun-
nen communiceeren ? Alleen een God zou
waardig zijn een God te ontvangen. Ik
noem behoorlijke gesteltenis eene zoodanige,
welke past aan een ellendig schepsel, be-
kleed met het rampzalige vleesch van Adam.
In het algemeen gesproken is het voldoende,
dat men communiceere in staat van genade,
met een levend verlangen om in liefde tot Je-
sus Christus vooruit te gaan. Alleen uit liefde
moet men Jesus Christus in de II. Communie
ontvangen
(zegt de H. Franciscus van Sales)
daar Hij alleen uit liefde zich aan ons geeft.
Wat nu de vraag aangaat, hoe dikwijls men
moet communiceeren, daarin regele zich
een ieder naar het oordeel van zijnen biecht-
vader; doch hij wete wel, dat geen staat
of bediening, ook niet de gehuwde staat
of de koopmansstaat, een beletsel is voor
de veelvuldige communie, indien de biecht-
vader zulks dienstig oordeelt; Paus Inno-
centius IX in zijn decreet van 1679, heeft
dit uitdrukkelijk verklaard. Frequens acces-
sus
(ad Eucharistiam) conjessariorum judicio
-ocr page 43-
35
est relinquendus qui .... laicis negotiatori-
bus et conjugatis quod prospiciunt eomtn
saluti profuturum id Mis praescribere
debebwit.
n) Wij moeten verder bedenken, dat
er niets is, waaruit wij zooveel voordeel
kunnen trekken als uit de H. Communie.
De eeuwige Vader heeft Jesus Christus tot
meester gemaakt van al zijne goddelijke
rijkdommen: Omnia dedit ei Pater in ma.
mts.
i) Wanneer daarom Jesus in eene
ziel komt door de H. Communie, brengt
Hij onnoemelijke schatten van genade met
zich mede, zoodat iemand, die gecommuni-
ceerd heeft, met volle recht kan zeggen: V ene-
runt autem \'mi/d omnia bona pariter cum
Ma
2) Alle goed heb ik verworven tege-
lijk met Hem.
De H. Dionysius zegt, dat
het H. Sacrament des altaars een buiten-
gewone kracht heeft, om de zielen te heili-
gen, meer dan eenig ander geestelijk
middel: Eucharistia maximam vim habet
perficiendae sanclitatis.
En de H. Vincen-
tius Ferrerius schrijft, dat de ziel meer
voordeel doet met ééne H. Communie, dan
met een geheele week vasten op water en brood.
12) Op de eerste plaats is de H. Com-
0 Jo. «3- 3-
2) Sap.
-ocr page 44-
30
rounie, gelijk het concilie van Trente leert,
het groote geneesmiddel, dat ons bevrijdt
van de dagelijksche zonden en ons vrijwaart
tegen de doodzonden, Antidotum quo a
culpis quotidianis liberemur. ï)
Het concilie
zegt: quo liberemur a culpis quotidianis,
waardoor wij bevrijd worden van de dagelijk-
sche zonden:
want volgens den H. Thomas 2)
wordt de mensch door middel van dit sacra-
ment opgewekt tot acten van liefde, en
door die acten worden de dagelijksche
zonden uitgewischt. Het concilie zegt ook
a mortalibus praeservemur, waardoor wij
gevrijwaard worden voor de doodzonden;
want de H. Communie geeft ons eene ver-
meerdering van genade, die ons voor zware
vergrijpen behoedt. Vandaar zeide Inno-
centius III, dat Jesus Christus ons door
zijn lijden, bevrijd heeft van de macht der
zonde, maar door het H. Sacrament des
altaars ons bevrijdt van de macht om te
zondigen. Per crucis ?nysterium hberavit nos
a potestate peccati; per eucharistiae sacra-
mentum liberat nos a postestate peccandi.
3)
13) Vervolgens, en ziedaar het voor-
naamste uitwerksel van dit sacrament,
1)    Sess. 13. cap. 2.
2)    3 P- q. 79- d- 4.
3)     De a\\t. rayst. 1. 4. c. 44.
-ocr page 45-
37
het doet bovenal de zielen ontbranden in
goddelijke liefde. God is liefde: Deus chari-
tas est.
i) Hij is een vuur, dat alle aard-
sche genegenheden in onze harten verteert.
Ignis consumens est 2). Welnu, dit vuur
van liefde juist kwam de Zoon van God
op aarde ontsteken: Ignem veni mittere in
terram
, Ik ben een vuur op de aarde ko-
men onsteken,
zoo zegt Hij, en Hij voegt er
bij, dat ,Hij niet anders wenscht, dan dit
heilig vuur in onze zielen onstoken te zien :
Et quid volo, nisi ut accendatur. 3) O
wat vlammen van goddelijke liefde on steekt
Jesus Christus in een ieder, die Hem met
godsvrucht ontvangt in dit sacrament! De
H. Catharina van Siena aanschouwde op
zekeren dag Jesus in de hand eens pries-
ters als een bol van vuur, en de heilige
stond verbaasd, dat de harten der menschen
er niet allen door ontvlamdeu en verteerden.
Bij de H. Rosa van Lima schoot het ge-
laat na de H. Communie zulke stralen uit,
dat de oogen er door werden verblind, en
er kwam zulk een gloed uit haren mond,
dat wie er de hand bij hield, zich brandde.
Wanneer een H. Wenceslaus alleen maar
1)    1. Jo. 4. 8.
2)    Deut. 4. 24.
3)    Luc. 12. 49,
2
-ocr page 46-
de kerken ging bezoeken, waar het aller-
heiligst Sacrament bewaard werd, dan brand-
de hij zoozeer van liefde, dat de dienaar
die hem volgde door de sneeuw, slechts zijn
schreden had te zetten in die zijns meesters,
om niets meer te gevoelen van de koude.
De H. Joannes Chrysostomus zegt daarom,
dat dit allerheiligst Sacrament een vuur is,
hetwelk ons ontvlamt, zoodat, wanneer wij
terugkeeren van het altaar, wij zoozeer vlam-
men ademen van liefde, dat wij verschrik-
kelijk zijn voor de hel: Carbo est eucharistia,
quae rios inflammai, ut tamquam leones ignem
spiravles ab il la mensa rccedamus facti dia-
bolo terribilcs.
i)
14) Introduxit me rex in cellam vi\'iari-
am, ordinarit in me cariiatc?n.
2) De Ko-
ning heeft ni\\) binnengeleid in zijnen wijn-
kelder,
zeide de bruid der gezangen. Vol-
gens den H. Gregorius van Nyssa is die
wijnkelder niets anders dan de H. Com-
munie, waar de ziel zoozeer bedwelmd wordt
door de goddelijke liefde, dat zij alle ge-
schapen dingen vergeet en uit het oog ver-
liest. Ziedaar dat kwijnen van liefde waarvan
de gewijde bruid verder spreekt, als zij zegt:
Fulcite me floribus, stipate me malis, auia
1)  Hom. 61 ad Pop.
2)  Cant. 2. 4.
-ocr page 47-
39
amore langneo i) Stut mij met bloet?ien, om-
geef mij met vruchten, want ik kwijn van
liefde.
Maar, zal iemand zeggen, ik nader
niet dikwijlder tot de H. Communie, om-
dat ikmij koud gevoel in de goddelijke liefde.
Aan dezulken geeft Gerson ten antwoord: 2)
Derhalve, daar gij u koud gevoelt, ver-
wijdert gij u van het vuur? Juist omdat
gij u koud gevoelt, moet gij des te eerder
dikwijls tot dit Sacrament naderen, indien
gij althans een waar verlangen hebt om
Jesus Christus te beminnen. Al gevoelt Gij
u koud, zegt de H. Bonaventura, nader
evenwel vol vertrouwen op Gods barmhar-
tigheid; wanneer men zich ziek gevoelt,
heeft men des te meer behoefte aan den
geneesheer, Licet tepide, tarnen confide?is de
misericordia Dei aceedas; tanto magis egel ine-
dicoquanto (juis senserit se aegrotum
3) In den-
zelfden zin spreekt de H. Franciscus van
Sales 4): „Twee soorten van personen\' zeide
hij, moeten dikwijls communieeeren: de vol-
maak ten, om in de volmaaktheid te vol-
harden; en de onvolmaakten, om tot de vol-
maaktheid te komen."
Maar om dikwijls te
1)  Ibid. 5.
2)  De praep ad Miss. consid 4.
3)  De prof.relig. c. 2 c. 77.
4)   hr.r. p. 2. c. 21.
-ocr page 48-
40
communiceeren, is het noodzakelijk, dat men
minstens een groot verlangen hebbe om heilig
te worden en in liefde tot Jesus Christus
aan te groeien. De Heer zeide eens tot de
Heilige Mechtildes: Wanneer gij te com-
munie gaal, moet gij verlangen eene zoo
groote liefde te bezitten, als ooit eenig hart
voor mij bezeten heeft; dan zal ik van
mijnen trant uwe liefde aannemen, als ware
zij werkelijk zoo groot, als gij haar ver-
lang de t.
Gevoelens en Smeekingen.
O God van liefde, o Gij die oneindig
bemint en een oneindige liefde verdient,
zeg mij, hadt Gij iets meer kunnen uit-
denken, om U door de menschen te doen
beminnen ? Het was U niet genoeg mensch
te worden, U te onderwerpen aan al onze
ellenden; het was U ■ niet genoeg al uw
bloed te storten onder de grootste folteringen
en verteerd van smarten te sterven aan een
schandhout, alleen bestemd voor de grootste
booswichten; Gij zijt zoo ver gegaan, dat
Gij U zelfs tegenwoordig hebt willen stellen
onder de gedaante van brood, U hebt
willen maken tot onze spijs, om U alzoo
met een ieder van ons te vereenigen. Zeg
mij, ik herhaal het, hadt Gij nog meer
-ocr page 49-
41
kunnen uitdenken, om U te doen bemin-
nen? O wij ellendigen dan, indien wij u in
dit leven niet beminnen! O in de eeuwig-
heid, welk een wroeging zal het ons dan
veroorzaken, U niet te hebben bemind!
Mijn Jesus, ik wil niet sterven, zonder U
te beminnen en zonder u veel te beminnen
Grootelijks spijt het mij en grieft het mij,
dat ik U zooveel misnoegen heb veroor-
zaakt. Ik heb er berouw over, en zou er
om willen sterven van smart. Thans bemin
ik U bovenal, bemin ik U meer dan mij-
zelven, en wijd ik U al mijne genegenheid.
O Gij, die mij dit verlangen geeft, geef
mij ook de kracht, om het ten uitvoer te
brengen. Nu Gij mij getrokken hebt tot
Uwe liefde, verlaat ik alles, verzaak ik aan
alles, en hecht ik mij alleen aan U, Gij
alleen zijt mij genoeg. O Maria, Moeder
van God, bid Jesus voor mij, maak mij
heilig. Voeg bij uwe talrijke wonderen ook
nog dit wonder van nl. zondaren te ver-
anderen in heiligen.
-ocr page 50-
HOOFDSTUK III.
Hoe groot ons vertrouwen moet zijn
om de liefde, die jesus christus ons
betoond heeft, en om alles wat hij
voor ons heeft gedaan.
i) David stelde al de hoop zijner zalig-
heid op zijnen toekomstigen Verlosser: In
manus tuas,
zoo sprak hij, commendo spiri-
tnm meunt; redemisti me, Domine, Deus
veritatis
i) In uwe handen beveel ik mijnen
geest; Gij hebt mij verlost, lieer, God der
waarheid.
Hoeveel te meer moeten wij
dan ons vertrouwen niet stellen op Jesus
Christus, nu Hij reeds gekomen is, en het
werk onzer verlossing reeds heeft volbracht?
Met grooter vertrouwen daarom dan David
moet een ieder van ons uitroepen en het
immer herhalen: In manus tuas, \'Domine
i) Ps. 3o. 6.
-ocr page 51-
43
commendo spiritum meum, redemhü me
Domine, Deus veritatis. Heer in uwe han-
den beveel ik mijnen geest, Gij hebt mij
vrijgekocht, Heer God van waarheid.
2) Hebbeu wij wel is waar zware re-
denen, om den eeuwigen dood te vreezen,
ter oorzake der beleedigingen, die wij God
hebben aangedaan; veel krachtiger beweeg-
redenen hebben wij, om het eeuwige leven
te verhopen; want de verdiensten van Jesus
Christus zijn eindeloos meer in staat ons
zalig te maken, dan onze zonden in staat
zijn ons te verdoemen. Wij ja, wij hebben
gezondigd en de hel verdiend; maar onze
Verlosser is gekomen, om zich met al onze
schulden te beladen, en ze uit te delgen
met zijne smarten. Yere languores nostros
i-pse tulit et dolores nostros ipse portavit.
i)
3) Op hetzelfde rampzalige oogenblik,
dat wij zondigden, werd door God tegen
ons het vonnis get.eekend van den eeuwi-
gen dood; maar onze liefdevolle Verlosser,
wat deed Hij ? Delens quoi adversus nos
erat chirographum decreti
.... et ipsum
tulit de medio, affigens illud cruci.
2) Hij
heeft met zijn bloed het vonnis onzer eeu-
wige verdoemenis uitgewischt en het ver-
i) Is. 53. 4.
2) ColoSS. 2. 14.
-ocr page 52-
44
volgens vastgehecht aan het kruis, opdat,
zoodikwijls wij het vonnis onzer eeuwige
verdoemenis zouden aanschouwen, wij tevens
het kruis zouden zien, waar Jesus het heeft
uitgewischt door zijn dood, en aldus bij
ons de hoop zou herleven op vergiffenis
en de eeuwige zaligheid.
4)     O het bloed van Jesus Christus, hoe-
veel beter spreekt het voor ons ten beste,
hoeveel krachtiger roept het over ons Gods
barmhartigheid af, dan het bloed van Abel
om wraak riep tegen Cain! Accessisüs ad
meriiatorem Jesum
, et savguinis aspersio-
nem mellus loqueniem quant Abel.
1) Zonda-
ren, zoo zegt de apostel, gelukkig gij,
dat gij na uwe zonde uw toevlucht hebt
genomen tot den gekruisigden Jesus; Hij
toch, Hij heeft al zijn bloed gestort, om
aldus de middelaar te worden van vrede
tusschen de zondaren en God, en hun de
genade te verwerven van vergeving. Uwe
zonden, wel is waar, roepen tegen U om
wraak, maar ten uwen gunste pleit het
bloed des Verlossers; en bij de stem van
dit bloed is het niet mogelijk, dat Gods
Rechtvaardigheid niet wordt verzoend.
5)     Het is waar, eenmaal zullen wij van
al onze zonden een strenge rekenschap
1) Hebr, 12. 24.
-ocr page 53-
45
hebben te geven aan onzen eeuwigen rech-
ter. Maar wie zal die rechterzijn? Pater
.... omne judicium dedit Filio. i) Troos-
ten wij ons, de Vader heeft het oordeel
over ons toevertrouwd aan Hem , die onze
verlosser is. Quis est qui condemnet ?
Christus Jesus qui mortuus est... . qui
etiam interpellat pro nobis
? 2) Wie is de
rechter, welke ons moet veroordeelen? Het
is diezelfde Verlosser, die, om ons niet
te veroordeelen, zich zelven wilde veroor-
deelen om te sterven, die daarenboven
thans in den hemel nog voortgaat bij zijnen
Vader voor onze zaligheid ten beste te spre-
ken. O zondaar, roept hier de H. Thomas
van Villanova uit, hoe kunt gij dan nog be-
vreesd zijn, zoo gij althans uwe zonde ver-
foeit ? Hoe zal Hij U veroordeelen, Hij die
sterft, om U niet te veroordeelen ? Hoe zal
Hij U verstooten, als gij terugkeert aan zijne
voeten, Hij, die van den hemel U
kwam zoeken, toen Gij Hem ontvluchttet?
Quid linies, peccator? Quomodo damnabit
poenitentem, qui moritur ne aamneris?
3)
Quomodo abjiciet redeuntem, qui de coelo
venit quaerens te?
i) Jo. 5.22.
2) Rom. 8.34.
•5) Tract. de Adv. Domini.
-ocr page 54-
46
6.) En doet onze zwakheid ons vreezen,
dat wij misschien later onder de aanvallen
onzer vijanden zullen bezwijken, ziehier
dan wat wij te doen hebben volgens de
vermaning des apostels: Curramus adpro-
positum nobü certamen. aspicientes in mtcto-
rem fidei et consummatorem Jesnm, qui pro-
posito sibigaudio sustinuit crucem
, confusionc
contewipta.
i) Gaan wij met grooten moed ten
strijde, het oog gericht op den gekruisigden
Jesus, die ons van het kruis zijne hulp,
de zegepaal en de kroon der overwinning
biedt.
In het verledene zijn wij gevallen, omdat
wij verzuimd hebben onze blikken te vesti-
gen op de smarten en de versmadingen
van onzen Verlosser. Maar indien wij in
de toekomst voor oogen houden, hoeveel
Hij ter onze liefde heeft geleden, en hoe
bereidvaardig Hij is om ons te helpen, zoo
wij tot Hem vluchten, neen, het is on-
twijfelbaar, dan zullen wij nooit door onze
vijanden verwonnen worden. De H. Theresia
met hare gewone grootheid van ziel placht
te zeggen: Ik begrijp die angsten niet en
dat roepen van „duivel", „dnivef, terwijlwij
slechts den naam van God behoeven Ie noemen,
i) Heb. 12.1.
-ocr page 55-
47
om hem te doen sidderen, i) Maar dezelfde
heilige zegt ook, dat indien wij niet al ons
vertrouwen op God stellen, onze eigene
waakzaamheid, hoe groot die ook zij, ons
weinig of niets zal baten. Al onze inspan-
ning
(ziedaar hare woorden) zal weinig
baten
, indien wij het zei/betrouwen niet vol-
komen afleggen en niet geheel ons vertrouwen
stellen op God.
2)
7) O wat twee groote geheimen van
vertrouwen en lietde, Jesus\' lijden en het
sacrament des altaars! geheimen, die nie-
mand zou kunnen gelooven, indien het
geloof ze ons niet als zeker waarborgde!
Een almachtige God mensch worden! al
zijn bloed storten! sterven van smart op
een kruis! eu waarom? om te betalen
voor onze zonden en zalig te maken ons,
weerspannige wormen! en dan zijn eigen
lichaam, voor ons op het kruis geslachtofferd,
ten spijs geven, om zich alzoo geheel met
ons te vereenigen! O mijn God, die twee
geheimen, zij moesten al de harten der
menschen doen verteeren van liefde. Welke
zondaar, hoe ellendig hij ook zij, mits hij
slechts berouw heeft over zijne misdaden,
zal nog aan vergiffenis kunnen wanhopen
1)    Leven. h. 25.
2)    Leven. h. 8.
-ocr page 56-
48
wanneer Hij een God, zóó vol lietde ziet
voor de menschen en zóó zeer geneigd om
hun wel te doen? Vandaar dan ook dat
een H. Bonaventura, overvloeiende van ver-
trouwen uitriep: Fiducialiter agam im-
mobiliter sperans
, nihil ad salutem necessa-
rium ah eo negandum
, qui tanta pro mea
salute fecit el pertulit.
Hoe zou Jesus mij
de genaden kunnen weigeren, die mij ter
zaligheid noodzakelijk zijn , Hij, die zoo-
veel voor mijne zaligheid heeft gedaan en
geleden ?
8) Adea??ms ergo cum fiducia ad thro-
num gratiae, ut misericordiam consequamur
etgratiam invemamus in auxilio opportuno.
i)
Gaan wij derhalve (zoo vermaant ons de
apostel) vol vertrouwen tot den troon der
genade.
Die troon der genade is het kruis,
waarop Jesus zetelt als op zijn troon, om
aan een ieder, die tot. hem komt, genaden
uit te deelen en barmhartigheid. Maar
gaan wij haastig, thans, nu wij de noodige
hulp om zalig te worden, nog kunnen be-
komen , want later zal er misschien een tijd
komen, dat wij haar niet meer kunnen
verkrijgen. Gaan wij dan spoedig, omarmen
wij dat kruis van Jesus Christus, maar
doen wij het met groot vertrouwen. Laten
I) Hebr. 4. 16.
1
-ocr page 57-
49
wij ons niet ontmoedigen door onze ellen-
den : in den gekruisigden Jesus vinden wij
allen rijkdom en alle genade: In omnibus
divites facit estis in Ulo
.... ita ut nihil
vobis desit in ulla gratia.
i) De verdiensten
van Jesus Christus hebben ons verrijkt met
alle goddelijke schatten en ons in staat ge-
steld om zooveel genade te verwerven als
wij verlangen.
9) Het goed, zegt de H. Leo, wat Jesus
ons heeft aangebracht door zijnen dood,
is grooter dan het nadeel, hetwelk de duivel
ons berokkend heeft door de zonde. Ampliora
adepti sumus per Christi gratiam, quam
per diaboli amiseramus invidiam. 2)
Aldus wordt verklaard hetgeen de H.
Paulus zegt, de gave lieeft de misdaad
overtroffen. Non siatt delictum, ita et do-
num; ubi abundavit delictum, superabun-
davit gratia.
3) Daarom dan ook moedigt
onze goddelijke zaligmaker ons aan, om
door zijne verdiensten alle goed en alle
genade te verhopen. En ziehier welk mid-
del Hij ons aangeeft, om al wat wij wil-
len van zijnen hemelschen Vader te ver-
krijgen: Amen, omen dicovobis, siquidpetie-
1)  1 Cor. 1, 5 et 7.
2)  Serm. 4 de Ascens.
3)  Rom. 5, 15 et 20.
-ocr page 58-
riiis Patrem in nomine meo dabit vobis. i)
Wat gij ook verlangt, zoo zegt Hij, vraagt
het mijnen Vader in mijnen naam , en ik
beloof U, dat gij zult verhoord worden.
En hoe zou de Vader ons ook iets kunnen
weigeren, Hij die ons zijn eenigen Zoon
heeft gegeven, dien Hij bemint gelijk zich
zelven? Pro nobis omnibus tradidit Mum,
qiwmodo non eiiam cum Ulo omnia nol/is
donavitl 2) Foor ons allen heeft Hij Bern
overgeleverd; hoe heeft Hij ons niet ook
alles met Hem geschonken?
de apostel zegt
„omnia," „alles" dus geen enkele genade is
uitgezonderd, noch de genade van vergif-
fenis, noch de volharding, noch de H.
liefde, noch de volmaaktheid, noch het
paradijs, omnia , omnia nobis donavit. Maar
wij moeten God er om bidden: God is
geheel vrijgevigheid voor wien Hem bidt
Dives in omnes qui mvocant Mum. 3)
10) Ik wil hier nog eenige schoone
gevoelens aan toe voegen uit de brieven
van den eerbiedw. Joanues van Avila „over
het vertrouwen, wat wij moeten hebben in
de verdiensten van Jesus Christus."
„Vergeet niet, dat tusschen den Vaderen
1)  Jo. 10, 23.
2)   Kom. 8, 32.
3)   Kom, X, 12,
-ocr page 59-
5i
ons fesus Christus staat a/s middelaar,
Hij, die ons zóó vurig bemint en met wien
wij door zóó hechte banden van liefde zijn
verbonden, dat niets ter wereld ze kan ver-
lircken, zoo de mensch zelf ze niet vaneen-
rijt door eene doodzonde. Het bloed van
fesus roept luide voor ons om erbarming,
en het roept zoo sterk, dat het gedruisch
onzer zonden niet wordt gehoord. De dood
van fesus Christus is de dood getveest voor
onze zonden.
O mors, ero mors tua.
Zij die verloren gaan, gaan niet verloren
uit gebrek aan voldoening; maar omdat zij
door de sacramenten te verwaarloozen, de
voldoening, ons door Jesus gegeven, niet
wilden gebruiken.
12) Jesus heeft de zaak onzer bevrijding
op zich genomen
, ah betrof zij Hem zelcen.
Daarom heeft Hij onze zonden, ofschoon Hij
ze niet had bedreven
, de zijnen genoemd en
er vergiffenis voor gevrflxigd; met een a lier-
innigste liefde hee)\'t Hij gebeden
, ah bad Hij
voor zichzelven
, dat allen die Hem zouden vol-
gen, mochten bemind ivorden; en wat Hij
gevraagd heeft, heeft Hij verkregen; want
God heeft beschikt, dat Jesus en wij zóó
innig vereend zouden zijn, dat wij ofwel teza-
men bemind zouden worden, ofwel tezamen ge-
haat; daar nu Jesus niet gehaat is, en dit
onmogelijk kan zijn, zoo roorden ook wij,
-ocr page 60-
52
indien wij met Hem, vereenxqd zijn door de
liefde, tegelijk met Hem bemind. Omdat
God Jesus Christus bemint, daarom bemint
Hij ook ons, want Jesus Christus is vermo-
gender, om ons te doen. beminnen, dan ome
zonden, om ons te doen haten
; de eeuwige
Vader toch bemint meer zijnen Zoon dan Hij
de zondaren haat.
13) »Jesus bad tot zijnen Vader.-\'\' i>Ik wil
o Vader, dat waar ik ben. .ook zij zijn, die Gij
mij hebt gegeven:
Pater, quos dedisti mihi
VOLO UT ÜBI SUM EGO ETILLISINTMECUM. i)
De grootheid der liefde heeft het gewonnen
van den haat; en aldus hebben wij vergiffenis
bekomen, icorden wij door God bemind/ver-
zekerd, dat wij nooit zullen verlaten worden,
nn er een zóó sterke band beslaat van liefde.
Kan een moeder haar kind vergeten?
zoo sprak God door den mond van Isaias. 2)
MAAR MOCHT OOK ZIJ HET VERGETEN, IK,
IK ZAL U NOOIT VERGETEN, WANT IK DRAAG
U GESCHREVEN IN MIJNE HANDEN. Ja Hij
heeft ons geschreven in zijne handen, met
zijn eigen bloed. Daarom moeten wij ons
door niets laten verontrusten, want alles
wordt beschikt door die handen, welke aan
1)  Jo. i7. 24.
2)   49. 15.
-ocr page 61-
53
het kruis zijn genageld ten bewijze hoezeer
Hij ons bemint."
14) y>Mets ter wereld is in staat ons zoo-
zeer te verschrikken, als Jesns Cf/ristns in staat
is ons te bemoedigen. Dat vrij mijne bedre-
ven zonden mij omringen, de vrees voor de
toekomst mij benauwe, de duivelen mij strik-
ken spannen, als ik barmhartigheid vraag
aan Jesus Christus, aan Hem die geheel
goedheid is, die bemind heeft tot den dood,
dan kan ik niet kleinmoedig worden. Ik zie
mij zoo hoog geschat, dat een God zich voor
mi; heeft gegeven. O mijn Jesus, veilige
haven voor allen, die in den storm tot u hunne
toevlucht nemen, o waakzame herder, men
dwaalt, wanneer men op u niet vertrouwt,
zoo men zich ten minste wil beteren. Daarom
zeidet Gij: f>Tk ben het, wil niet vreezen; ik
ben het die beproef en vertroost. Somwijlen
laat ik mijne dienaren in, eenen staat van
troosteloosheid, die hun eenc hel schijnt; maar
daarna bevrijd ik hen weder en schenk hun
lafenis. Ik ben uw voorspreker, die uwe
zaak tot de mijne heb gemaakt. Ik ben uw
borg, die voor uwe schulden hen komen vol-
doen. Ik ben 1110 Heer, die V heb vrijge-
kocht met mijn bloed, niet om Ute verlaten,
maar om U te verrijken, want ik heb U
vrijgekocht tot een hoogen prijs. Hoe zal
ik wegvluchten van hem, die mij zoekt,
-ocr page 62-
54
terwijl ik hun, die mij kwamen beleed igcn,
ben te gemoet gegaan? Ik heb het aange-
zicht niet afgewend van die mij sloeg, en
zal ik het dan afwenden van die mij ivil
aanbidden ? Hoe kunnen mijne kinderen twijfe-
len of ik hen bemin, terwijl zij mij ter hunner
liefde in de handen zien mijner vijanden ï
Heb ik dan ooit iemand versmaad
, die mij
beminde 1 Heb ik ooit iemand verlaten, die
mij om hulp vroeg} Ik zoek zelfs dengene,
die mij niet zoekt\'\'
i)
15) „Als gij gelooft, dat de Vader V
zijnen zoon heeft gegeven , geloof dan ook,
dat Hij U het overige zal geven
, daar hel
alles veel minder is dan de Zoon. Denk
niet, dat fesus Christus U heeft vergelen,
wam Hij heeft U tot gedachtenis zijner liefde
het grootste onderpand gelaten wat Hij had,
zichzelven in het H, Sacrament des altaars\'\'\'
Gevoelens en Smeekingen.
O Jesus, mijne liefde, wat geeft uw heilig
lijden mij toch een schoone hoop. Hoe kan
ik vreezen, of ik de vergiffenis mijner zonden,
den hemel, de noodige genade wel zal
ontvangen van een almachtigen God, die
voor mij al Zijn bloed heeft gegeven? O
1) 2e. Part. Ep. 48.
-ocr page 63-
55
mijn Jesus, mijne hoop, mijne liefde, om mij
niet prijs te geven, wildet Gij Uw leven prijs
geven. Ik bemin Ü boven alle goed, o mijn
Verlosser en mijn God. Gij hebt U geheel
gegeven aan mij, daarom geef ook ik U
geheel mijnen wil; nog eens: ik bemin U,
ik bemin U; ik wil het immer herhalen:
ik bemin U, ik bemin U. Aldus wil ik
spreken gedurende geheel mijn leven, en
aldus wil ik sterven; den laatsten adem
wil ik uitblazen met dit zoete woord op
mijne lippen: «mijn God, ik bemin U",
om dan op hetzelfde oogenblik te ont-
branden in een liefde, die altijd duurt, die
nooit zal ophouden gedurende de gansche
eeuwigheid. Ik bemin U dan, en omdat
ik U bemin, spijt het mij meer dan elk
ander kwaad, dat ik U zoozeer heb be-
leedigd. Rampzalige die ik ben, om niet
beroofd te worden van een korte voldoe-
ning, heb ik zoo dikwijls willen beroofd
worden van U, oneindig goed! Die ge-
dachte foltert mij meer dan iedere straf,
maar ik vind troost in de gedachte, dat ik
te doen heb met een oneindige goedheid,
die een hart dat bemint niet kan ver-
smaden. O kon ik voor u sterven, voor U
die gestorven zijt voor mij! Mijn dierbare
Verlosser, vastelijk verhoop ik van U de
eeuwige zaligheid in het ander leven, en
-ocr page 64-
56
in dit leven verhoop ik van U de heilige
volharding in Uwe liefde; ik neem mij
daarom voor U die immer te vragen; Gij
om wille der verdiensten van uw lijden,
geef Gij mij de volharding in dit gebed.
Ziedaar wat ik ook van ü vraag en ver-
hoop, o mijne Koningin Maria.
-ocr page 65-
HOOFDSTUK IV.
Hoe zeer wij verplicht zijn Jesus
Christus te beminnen.
i) Daar Jesus Christus God is, verdient
Hij reeds van zelf al onze liefde, maar
door de liefde die Hij ons betoonde, heeft
Hij ons als het ware in de noodzakelijkheid
willen stellen om Hem te beminnen, Hem
te beminnen, ten minste uit dankbaarheid
voor alles, wat Hij voor ons heeft gedaan
en geleden. Jesus heeft ons veel bemind,
om ook veel bemind te worden door ons.
»Waarom bemint God, zegt de H. Ber-
nardus, tenzij om bemind te worden 1 Ad
quid amat Deus, nisi ut redameturl
i) En
reeds Mozes had gezegd: Et nunc, Israël
quid Dominus Deus peut a te, nisi ut
l) In cant. S. 83.
-ocr page 66-
58
timeas Dominum Detiiu tuurn .... et dili-
gas eum.
i) En nu, Israël wat vraagt God
de Heer van u, tenzij dat Gij den Heer
uwen God vreest, en Hem bemint\'1
Daar-
om ook was het eerste gebod, dat God
ons gaf: Hiliges Dominum Deum tuttin ex
toto corde ttto.
2) Gij zult den Heer, uw
God uil geheel 7tw hart beminnen.
De H. Paulus zegt, dat de liefde de
volheid is der wet, Plenüudo legh est
dilectio.
3) Plenitudo, de Grieksche tekst
heeft: completio legits: de vet vuil ing der
wet is de liefde.
2) Maar wie ter wereld zou bij het ge-
zicht van een God, die sterft aan een kruis
uit liefde tot ons, hardvochtig genoeg kun-
nen zijn om dien God niet te beminnen ? Al
te luid roepen die doornen, die nagelen,
dat kruis, die wonden en dat bloed, al
te luid vragen zij onze liefde voor dien
God, die ons zoozeer heeft bemind. Een
enkel hart is te weinig om dien God te
beminnen, zoo vol liefde voor ons. Om
de liefde van Jesus Christus te betalen
ware het noodig, dat een andere God
1)   Deut 10. 12.
2)  Deut. 6. 5.
3)   Rom 3. 10.
-ocr page 67-
59
uit liefde tot Hem stierf. Ach (zoo roept
de H. Franciscus van Sales uit) waarom
dan werpen wij ons niet op Jesus Christus,
om te sterven op het km is in verceniging
met Hem, c/ie daar gestorven is uit tiefde
tot ons}
i) De Apostel zegt het ons uit-
drukkelijk, dat Jesus Christus daarom voor
ons heeft willen sterven, opdat wij allen
niet meer voor onszelven zouden leven,
maar alleen voor dien God, die voor ons
gestorven is : Pro nobis mort/a/s est Chris-
tus
, ut qui vivunt jam non sibi vivant sed
ei qui pro ipsis mortuus est.
2)
3) Hier geldt het woord van den Eccle-
siasticus: Gratiam fidejussoris ne oblivis-
caris, dedit cnim pro te animam suatn.
3)
Vergeet de goedheid van uwen borg niet,
die om te voldoen voor uwe zonden, met
zijnen dood de straf heeft willen uitboeten
die V toekwam. O hoe gaarne heeft Jesus
Christus dat wij dikwijls denken aan zijn
lijden, en hoe verdriet het Hem, dat wij
verzuimen er aau te denken ! Indien iemand
voor zijn vriend beleedigingen, geeselsla-
gen en kerker had verduurd, hoe hard
zou het hem dan niet vallen, als hij
wist, dat zijn vriend er later in het geheel
1)   Amour de Dieu 1. I. c. 8.
2)  II Cor. 5. 15-
3)  Eccli 29. 20.
-ocr page 68-
6o
niet meer aan dacht, ja er zelfs niet van wil-
de hooren spreken; daarentegen hoe aange-
naam zal het hem zijn, wanneer hij weet,
dat zijn vriend er nog immer met ontroering
van spreekt en hem er aanhoudend voor
blijft bedanken! Zoo is het ook aan Jesus
Christus hoogst aangenaam, dat wij met
liefdevolle erkentelijkheid denken aan de
smarten en aan den dood, die Hij voor
ons heeft geleden. Jcsus Christus is het
verlangen geweest van al de oudvaderen,
Hij was het verlangen van alle volkeren,
toen Hij nog niet op aarde gekomen was;
met hoeveel te meer reden dan, moet Hij
thans ons eenig verlangen, onze eenige
liefde zijn, nu wij Hem hebben zien komen,
nu wij Hem aan het kruis hebben zien
sterven ter onzer liefde.
4) Tot dit doeleinde stelde Jesus, op
den dag voor zijn lijden, het H. Sacrament
des altaars in, Hij drukte ons op het hart,
om zoo dikwijls wij zijn lichaam zouden
nuttigen, te denken aan zijnen dood:
Accipitc et manchicate, hoc est corpus meum...
Hoc facite in meum commemorationem. Quo-
tiescuvque enim manducabitis panem hunc
mortem Domini annuntialiitis.
1) Aleemt
en eet, dit is mijn lichaam. Doet dit ter
I) I Cor. II. 24. ad 26.
-ocr page 69-
6i
mijner gedachtenis. Want zoo dikwijs gij
dit brood zult eten, zult gij den dood des
Heeren verkondigen.
Daarom ook bidt de
Kerk: Heus qui nobis sub Sacramenlo mi-
rabili passionis tuae memoriam reliquisti
etc. God, die ons in dit wonderbaar
sacrament de gedachtenis hebt nagelaten van
uw lijden
enz. En zingt zij: O Sacrum
convivium, in quo Christus sumilur, recoli-
tur metnoria passionis ejus etc. O Heilig
gastmaal, waarin Christus genuttigd icordt,
de gedachtenis van zijn lijden wordt gevierd
enz.
Besluiten wij daaruit, hoe welgeval-
lig men aan Jesus Christus is, wanneer
men dikwijls denkt aan zijn lijden; want
juist daartoe wilde Hij in dit sacrament
op onze altaren wonen; opdat, hetgeen Hij
voor ons heeft geleden, bij ons in blijvende
en dankbare herinnering zou wezen, en
aldus onze liefde tot Hem immer zou aan-
groeien. De H. Franciscus van Sales noemde
den berg van Calvarie den berg der bemin-
nenden.
Het is niet mogelijk te denken
aan dien berg, en Jesus Christus, die daar
ter onzer liefde heeft willen sterven, niet
te beminnen.
5) O mijn God, en waarom dan hebben
de menschen geen liefde voor dien God,
die zooveel gedaan heeft, om door hen be-
mind te worden? Vóór de menschwording
-ocr page 70-
6 2
van het Woord kon de mensch nog twij-
felen of God hem met waarachtige liefde
beminde; maar nu de Zoon Gods gekomen
is, nu wij Hem uit liefde tot de menschen
hebben zien sterven, hoe zouden wij daar-
aan nu nog kunnen twijfelen? O mensch,
zegt de H. Thomas van Villanova, beschouw
dat kruis, die smarten, dien bitteren dood,
welke Jesus Christus voor U heeft geleden ;
na zoovele en zoo groote bewijzen zijner
liefde, is ei geen twijfel meer aan , dat Hij
U bemint en U vurig bemint. Testis crux,
testes do/ores
, testis amara mors quatn pro
te sustinuit;
i) Ja, zegt de H. Bernardus
het Kruis, iedere wonde des Verlossers,
alles spreekt hier en verkondigt ons luide
welk eene liefde Jesus ons toedraagt.
6) Wat in het verheven geheim van
\'s menschen verlossing bijzonder onze aan-
dacht verdient, is de vindingrijkheid, de
zorg, waarmede Jesus Christus allerlei
verschillende wijzen heeft uitgedacht, om
zich door ons te doen beminnen. Indien
Jesus Christus voor onze zaligheid wilde
sterven, was het voldoende, dat Hij stierf
tegelijk met de kinderen, welke gedood
werden door Herodes; maar neen, alvorens
te sterven, wilde Hij eerst gedurende drie
i) Domin. 17. p. Pentec. conc. 3.
-ocr page 71-
63
en dertig jaar een leven vol ellende en
kwellingen leiden; en, om beter onze harten
te winnen, heeft Hij zich gedurende dit
leven aan ons willen vertoonen onder al
die verschillende gedaanten; Hij vertoonde
zich aan ons eerst als een arm kind in
een stal, vervolgens als een knaap in een
winkel, en eindelijk als een schuldige, han-
gende aan een kruis. Maar alvorens te
sterven aan dat kruis, nam Hij nog weder
verscheiden verteederende gedaanten aan,
alles om zich maar te doen beminnen: Hij
gaf zich te aanschouwen in den hof, ziel-
togende , geheel druipend van zweet en
bloed; vervolgens in het voorhof van Pila-
tus, geheel verscheurd door de geesselsla-
gen, mishandeld als een spotkoning, met
een riet in de handen , een lap van purper
over de schouderen geslagen, een doornen-
kroon op het hoofd : dan op den openbaren
weg, ter strafplaats gesleept, het kruis op
de schouderen; en eindelijk op Calvarie,
hangende aan drie ijzeren nagelen. Ver-
dient Hij door ons bemind te worden ot
niet, een God, die zooveel heeft willen
lijden, zooveel middelen heeft aangewend,
om toch maar meester te worden van onze
liefde? Pater Rigoleu zeide: Ik zou niet
anders willen doen dan weenen van liefde
voor een God, die door zijne liefde ver-
-ocr page 72-
64
voerd werd, om te sterven voor de zalig-
heid der menschen.
5) Magna res est amor, i) zegt de H.
Bernardus, Groote, kostbare zaak is de
liefde. Salomon, sprekende van de god-
delijke wijsheid, die niets anders is dan de
goddelijke liefde, noemt haar een schat
van oneindige waarde; want wie de god-
delijke liefde bezit, is deelgenoot van de
vriendschap Gods : Infinitus enim thesaurus
est hominibus
, quo qui usi sutlt participes
facti sunt amicitiae Dei.
2) De H. Tho-
mas, de engelachtige Leeraar, zegt, 3) dat
de liefde niet alleen de koningin aller deug-
den is, maar dat zij ze bovendien, overal,
waar zij heerscht, als haren hofstoet mede-
brengt en ze allen doet medehelpen, om
ons inniger met God te vereenigen; doch,
gelijk de H. Bernardus zegt, is alleen de
liefde eigenlijk de deugd, die ons met God
vereenigt: Caritas est virtm conjungens
nos Deo;
op meerdere plaatsen in de H.
schrift wordt het gezegd, dat God bemint,
die Hem beminnen: Ego diligentes me
diligo.
4) Si quis diligit me .... Pater
1)  Ser. 8 in Cant.
2)  Sap. 7. 14.
3)   Tr. de virt. a. 3.
4)  Prov. 8. 17.
-ocr page 73-
65
meus diligit eum et adeum veniemus et man-
sionem apud eum faciemus.
i) Qui manet
in caritate in Deo manet et Deus in eo. 2)
Ziedaar de schoone vereeniging, welke de
liefde bewerkt, zij vereenigt de ziel met
God. Daarenboven geeft de liefde ons de
kracht, om voor God groote dingen te doen
en te lijden. Fortis ut mors dilectio. 3)
De H. Augustinus zegt: Nihiltam durttm ,
quod non amoris igne vincatur. 4) Niets
is zoo moeielijk, dat de gloed der liefde
het niet te boven komt; want, zegt de
heilige, wanneer men bemint, wordt of de
moeite niet gevoeld of de moeite zelve be-
mind. In eo quod amatur aut non labo-
rator , aut labor amatur.
8) Luisteren wij eens, hoe de H. Joan
nes Chrysostomus de werking beschrijft der
goddelijke liefde in de zielen, waarin zij
heerscht. „Wanneer," zoo zegt hij, „de
liefde Gods zich van eene ziel heeft mees-
ter gemaakt, brengt zij daar een onver-
zadelijk verlangen voort om voor den Wel-
beminde te werken; zoodat hoe vele en
hoe groote dingen die ziel ook verricht,
het haar immer nog niets schijnt, zij het
1)  Jo. 14. 23.
2)  Jo. 4. 16.
3)  Cant. 8. 6.
4)  Lib. de Mor. eccl. c. 22.
-ocr page 74-
66
immer betreurt, zoo weinig voor haren God
te doen. Ware het haar vergund voor God
te sterven, zich voor Hem te vernietigen,
zij zou zich gelukkig achten. Vandaar
komt het, dat zij bij al wat zij doet, zich
steeds als onnut beschouwt; want daar de
liefde haar leert, wat God verdient, ziet
zij bij den glans yan dat licht maar al te
duidelijk de gebreken van hare handelingen,
en zoo vindt zij in alles beschaming en
droefheid, zij beseft, dat al haar werken
uiterst gering is voor een zoo grooten God."
9)    O hoe bedriegt men zich, zegt de
H. Franciscus van Sales, wanneer men de
volmaaktheid in iets anders stelt dan in
God te beminnen! Velen (zegt de heilige)
stellen de volmaaktheid in de gestrengheid,
anderen in het geven van aalmoezen, ande-
ren in het gebed, anderen in het veelvul-
dig gebruik der sacramenten; ik voor mij,
ik ken geen andere volmaaktheid dan God
beminnen uit geheel ons hart; want zonder
de liefde zijn de andere deugden niets
anders dan een menigte steenen. Doch
zoo wij die goddelijke liefde nog niet vol-
maakt bezitten, dan is de schuld aan ons,
daar wij er niet toe overgaan om ons geheel
aan God te geven.
10)    De Heer zeide eens tot de H. The-
resia: Alles wat niet strekt om aan mij
-ocr page 75-
67
welgevallig te zijn, is ijdelheid, i) O dat
allen die groote waarheid begrepen! Porro
unum ent necessarium! Maar een ding is
noodig.
Het is niet noodzakelijk rijk te
zijn op deze wereld, zich door anderen
te doen achten, een gemakkelijk leven te
leiden , waardigheden te bezitten , den naam
te verwerven van geleerd; alleen is nood-
zakelijk God te beminnen, zijnen heiligen
wil te doen; daartoe alleen heeft God ons
geschapen, daartoe bewaart Hij ons in het
leven en daardoor alleen zullen wij in den
hemel komen. Pone ment signaculum super
cor tuum, ut signaculum super brachium
tuum.
2) Aldus spreekt de Heer tot iedere
ziel, die zijne bruid is: plaats mij als een
zegel op uw hart en op uwen arm, zoodat
gij al uwe begeerten en al uwe handelingen
terug brengt tot mij; stel mij op uw hart,
opdat er geen andere liefde binnentrede
dan de mijne; op uwen arm, opdat gij bij
al hetgeen gij doet, geen ander doel moogt
beoogen dan mij. O hoe spoedig bereikt
men de volmaaktheid, wanneer men bij al
zijne handelingen niets anders beoogt dan
Jesus gekruisigd, niets anders zoekt dan aan
Jesus genoegen te geven!
1)   Leven. 40,
2)  Cant 8. 6.
-ocr page 76-
68
n) Dit moet derhalve onze eenige zorg
zijn: trachten eene ware liefde te verkrij-
gen tot Jesus Christus, De meesters van
het geestelijk leven geven de kenteekenen aan
der ware liefde. De liefde, zeggen zij,
is vreesachtig, en hare vrees is geen andere
dan te mishagen aan God. Zij is edelmoe-
dig;
in haar vertrouwen op God durft zij
alles ondernemen voor zijne glorie. Zij is
sterk, want zij overwint alle kwade neigin-
gen, ook te midden van de hevigste beko-
ringen en van de verschrikkelijkste duister-
nissen. Zij is geJworzaam, want aanstonds
tracht zij de goddelijke roepstem te volgen.
Zij is zuiver , want zij bemint God alleen,
en alleen, omdat Hij verdient bemind te
worden. Zij is vurig, zij zou allen willen
doen branden, allen verteerd wenschen te
zien van de goddelijke liefde, Zij is be-
dwelmend,
zij doet de ziel leven, als ware
zij aan zichzelve onttogen, als zag zij, als
hoorde zij niet meer wat dezer wereld is,
als had zij daarvoor ten eenemale het
gevoel verloren, geheel verslonden in de
liefde Gods. Zij is vereenigend; zij ver-
eenigt ten nauwste den wil van het schepsel
met den wil des scheppers. Zij is smach-
tend ;
zij maakt de ziel vol verlan-
gen , deze wereld te verlaten, om zich
volmaakt met God te vereenigen in het
-ocr page 77-
69
hemelsch vaderland en Hem daar uit al
hare krachten te beminnen.
12) Maar de karaktertrekken en de
beoefening der -ware liefde leert ons nie-
mand beter dan de groote prediker der
liefde, de H. Paulus. In zijn eersten brief
aan de Corinthiers, Hoofdstuk XIII zegt
de apostel op de eerste plaats, dat zonder de
liefde de mensch niets is en hem niets baat.
Et si habuero omnem fidem, ita ut montes
transferam, caritatem autem non habnero nihil
sum. Et si distribuero in cibospaupencm on/nes
facultales mens et si tradiderö corpus tneum,
ita tit ardenm
, caritatem autem non habuero,
nihil mihi prodesl.
Indien iemand een
geloof bezat, dat hij bergen kon verzet-
ten gelijk een Gregorius Thaumaturgus,
maar de liefde niet had, hij zou niets
beteekenen; en zou hij ook al zijne goe-
deren aan de armen geven, ja zelfs be-
reidwillig den marteldood lijden, doch
zonder de liefde, met een ander doelnl.
dan om aan God te behagen, het zou
hem niets baten.
Vervolgens geeft de H. Panlus ons de
kenteekenen der ware liefde aan en leert
ons tevens de beoefening dier deugden,
welke de dochters der liefde zijn; hij gaat
aldus voort: Caritas patiens est, henigna
est, caritas non aemulatur, non agit per-
-ocr page 78-
peram, non inflatoir , non est ambiliosa, non
quacrit, quae sua sunt, non irritatur, non
cogilat malum, non gaudet super iniqui-
tate, congaudct autem veritati, omnii suf-
fer t, oninia credit, omnia sperat, ouinia
sustinet. De liefde is geduldig, is goeder-
tieren; de liefde is niet naijverig
, zijpraalt
niet, zij is niet opgeblazen, zij is
«iet eer-
zuchtig ; zij zoel-t het hare niet, zij verbit-
tert zich niet, zj rekent het kwade niet toe ;
zij verblijdt zich niet over de ongerechtgheid
,
maar verblijdt zich mét de waarheid, zij
verdraagt alles, ge/ooft alles, hoopt alles ,
verduurt alles.
Wij gaan in dit boekje de
beoefening d;zer deugden beschouwen, zoo-
wel om te zien, of in ons de ware liefde
tot Jesus heerscht, als ook, om wel te lee-
ren begrijpen , op welke deugden wij ons
vooral moeten toeleggen, om de goddelijke
liefde in ons te bewaren en te vermeerderen.
Gevoelens en smeekingen.
O allerbeminnelijkst en allerliefderijkst
Hart van Jesus, rampzalig het hart, dat
voor U geen liefde heeft. O God, Gij
stierft aan het kruis uit liefde tot de men-
schen, Gij stierft daar zonder eenigen
-ocr page 79-
7i
troost, hoe kunnen de menschen u dan
zoo vergeten ? O liefde van God! o ondank-
baarheid der menschen ! O Menschen , men-
schen ! ach aanschouwt dat onschuldige,
dat goddelijk Lam, hetwelk daar ziel-
toogt op het kruis, daar sterft om aan
de goddelijke rechtvaardigheid voldoening
te geven voor uiue zonden en u aldus te
winnen voor zijne liefde. Ziet, hoe Hij
op hetzelfde oogenblik den eeuwigen Vader
voor u om vergeving bidt. Aanschouwt
Hem en bemint Hem. Ach mijn Jesus,
hoe weinigen zijn het, die U beminnen.
Rampzalige, die ik ben! ook ik heb zoo-
vele jaren geleefd, zonder aan U te denken,
ziedaar dan ook, waarom ik U zoozeer be-
leedigd heb. Mijn dierbare Verlosser, wat
mij doet weenen, is niet zoozeer de straf,
die ik heb verdiend, als wel de liefde, die
Gij mij hebt toegedragen. O smarten van
Jesus, o smaad van Jesus, o wonden van
Jesus, o dood van Jesus, o liefde van Jesus,
prent U in mijn hart; blijve daar immer
uwe zoete herinnering, om mij zonder op-
houden te wonden en te ontvlammen van
liefde. Ik bemin U, mijn Jesus, ik bemin
U, mijn opperste goed, ik bemin U, mijne
liefde, mijn al; ik bemin U, en ik wil U
immer beminnen. Ach, gedoog niet, dat
ik U verlate en U nog verlieze. Maak
-ocr page 80-
72
mij geheel den uwe; doe het om de ver-
diensten van uwen dood. Ik stel daarop
een vast vertrouwen; een groot vertrouwen
heb ik ook op uwe voorspraak, o Maria.
Mijne Koningin, maak, datik Jesus Christus
beminne, laat mij ook U beminnen, mijne
moeder, mijne hoop.
-ocr page 81-
HOOFDSTUK V.
Caritas patiens est.
De ziel, die Jesus Christus bemint,
bemint ook het lijden.
i) Deze aarde is een plaats van ver-
diensten en derhalve een plaats van lijden.
Ons vaderland, waar God ons de rust heeft
bereid in een eeuwig geluk, is het paradijs.
Slechts korten tijd behoeven wij op deze
wereld te blijven; maar de kwellingen, die
wij in dien korten tijd zullen te lijden
hebben, zijn veelvuldig. Humo natus de
de muitere brevi vivens tempore, repletur
multis iniseriis.
i) Wij moeten lijden, en
allen moeten lijden, rechtvaardigen en
zondaars, een ieder moet zijn kruis dragen.
i) Job. 14. 1.
3
-ocr page 82-
74
Die het draagt met geduld, wordt zalig,
die het met ongeduld draagt, gaat verloren,
Dezelfde ellenden, zegt de H. Augustinus,
brengen eenigen in den hemel, anderen
in de hel: Una cademque tunsio bonosper-
ducit ad gloriam
, malus redncit infavxllam
Door de beproeving des lijdens, zegt dezelfde
heilige, wordt in Gods kerk het kaf onder-
scheiden van het koren; wie zich in de
beproevingen vernedert i) zich overgeeft
aan Gods wil, is koren voor den hemel;
wie hoovaardig wordt, zich vertoornt en
daarom God verlaat, is kaf voor de hel.
2) Willen wij op den dag, waarop de
zaak onzer eeuwige zaligheid zal beslist
worden, het gelukkig vonnis ontvangen der
uitverkorenen, clan moet ons leven gelijk-
vormig worden bevonden aan het leven
van Jesus Christus. Nam quos praescivit
et praedestxnavit conformes fieri imagini
Filii sui.
2) Daartoe daalde het eeuwig
woord neder op deze aarde, om ons door
zijn voorbeeld te leeren, de kruisen, die
God ons overzendt, met geduld te verdra-
gen. CUiistus passus est pro nobis, vobis
relinquens exemplum rit sequannni vestigia
1)    Serm. 52 App. E. 13.
2)  Rom. 8. 29.
-ocr page 83-
75
e jus, i) Jesus Christus alzoo wilde lijden,
om ons tot lijden aan te moedigen. O God,
hoedanig was het leven van Jesus Christus?
Een leven was het van versmading en lij-
den. De profeet noemde onzen Verlosser
Despectum, novissimum virorum, virumdo-
lorum. 2)
den mensch, veracht en mishan-
deld als den laatste, den geringste aller
menschen; den man van smarten; en met
reden, want het leven van Jesns Christus
was vol wederwaardigheden en lijden.
3) Welnu, gelijk God zijnen beminden
Zoon heeft behandeld, zoo ook behandelt
Hij een ieder, dien Hij bemint en als zijn
Zoon aanneemt. Quem tnim diligit Do-
minus castigat; flayellat au tem oninem
filium quem recipit.
3) Vandaar zeide de
Heer eens tot de H. Theresia : Weet, dat
aan mijnen Vader het dierbaarste die zie-
len zijn, welke beproefd worden door de
grootste ktvellingen.
4) Daarom ook placht
de heilige, wanneer zij in lijden was, te
zeggen; dat zij hare kwellingen tegen al
de schatten der wereld niet zou willen
ruilen. Zij verscheen eens na haren dood
1)   1. Petr. 2. 21.
2)   Is. 53- 3-
3)  Ilebr. 12. 6.
4)  Vit. addit.
-ocr page 84-
76
aan eene ziel en openbaarde haar, dat zij
in den hemel eene groote belooning genoot,
niet zoozeer echter om hare goede werken,
alswel om de kwellingen, die zij in dit leven
ter liefde Gods bereidvaardig had geleden,
en, voegde zij er bij, als zij nog om eenige
reden verlangen zou naar de wereld terug
te keeren, zou dit geen andere zijn dan
om voor God iets te kunnen lijden.
4) Wie God bemint in lijden, maakt
dubbele winst voor den hemel. Niet lijden
in dit leven, zeide de H. Vincentius a
Paulo 1) moet men als een groot ongeluk
beschouwen. Ook zeide dezelfde heilige,
dat eene congregatie of een persoon, die
niets te lijden heeft en die door de geheele
wereld wordt toegejuicht, den ondergang
nabij is. Vandaar dat de H. Franciscus
van Assisie, als er een dag voorbij ging,
waarop Hij niets voor God had geleden,
zich als het ware door God vergeten waande.
Wanneer de Heer, zoo zegt de H. Joau-
nes Chrysostomus, 2) aan iemand de ge-
nade scheukt van te mogen lijden, bewijst
Hij hem grooter gunst, dan indien Hij hem
de macht schonk om dooden op te wekken ;
want, wanneer de mensch mirakelen doet,
1)  1. 3. ch. 43. Abellij.
2)   In Phil. hom. 4.
-ocr page 85-
77
is hij schuldenaar van God; maar wanneer
hij Hjdt, wordt God schuldenaar van hem;
en, voegde hij er bij, al had hij, die iets
voor God lijdt, ook geen ander voorrecht
dan iets voor zijnen beminden God te
mogen verduren, dit zou voor hem reeds
een groote belooning zijn, De heilige stelde
het daarom in den H. Paulus meer op
prijs, voor Jesus Christus de boeien te heb-
ben gedragen, dan opgenomen te zijn in
den derden hemel.
5) Patientia opus per lectitm habet. 1)
Het geduld ^ zegt de H. jacobus, geeft een
volmaakt werk.
Hij wil zeggen , dat niets
aan God meer behaagt dan het schouwspel
eener ziel, die al de kruisen, welke Hij
haar overzendt, met geduld en vrede draagt.
Ziedaar het werk der liefde, zij maakt die
beminnen , gelijk aan het voorwerp hunner
liefde. Al de wonden des Verlossers, zegt
de H. Franciscus van Sales, zijn even zoo-
vele monden, die ons leeren hoe wij
voor Hem
moeten lijden. Ziedaar de utetenschap der
heiligen: standvastig voor Jesus lijden; dit
is het middel om in korten tijd heilig te wor-
den".
Wie Jesus Christus bemint, verlangt
ook behandeld te worden als Jesus, verlangt
zijne armoede, zijn lijden, zijne verachting
1) Jac. 1. 4
-ocr page 86-
73
De H. Joannes aanschouwde de heiligen
allen gekleed in het wit en met palmtakken
in hunne handen: Amicti stolis albis et
palmae in manibus eorum.
i) De palm is het
onderscheidingsteeken der martelaren; maar
niet alle heiligen ondergingen den martel-
dood, hoe dan dragen zij allen palmen in
hunne handen ? De H. Gregorius geeft
hierop het antwoord: Alle heiligen, zegt
hij, zijn martelaren geweest, was het niet
door het staal, dan was het door het geduld,
en hij voegt er bij: Nos sine ferro mar-
tyres esse possumus, si patientiam custodi-
amus
2) Wij kunnen zonder het zwaard
martelaren zijn, zoo wij slechts het geduld
bewaren.
6) Geheel de verdienste van eene ziel, die
Jesus Christus bemint, bestaat in bemin-
nen en lijden. De Heer zeide eens tot de
H. Theresia : „Meent gij, mijne dochter,
dat de verdienste besta\'atin te genieten? neen,
zij bestaat in te lijden en te beminnen. Be-
schouw mijn leven, het wds geheel vol kwel-
lingen. Geloof mij, mijne dochter, hij, die
het meest door mijnen Vader bemind wordt,
ontvangt van Hem de meeste kruisen; aan
hun aantal beantwoordt de maat zijner liefde
1)  Ap. 7 9
2)    In Ev. hom. 35.
-ocr page 87-
79
Beschouw deze wonden, nooit zullen uwe smar-
ten zulk eene hoogte bereiken. Te denken,
dat mijn Vader lieden in zijn vriendschap
opneemt zonder lijden, is een dwaling."
i)
En tot onzen troost voegt de H. Theresia
hierbij, dat God ons nooit eene kwelling
overzendt zonder die aanstonds te betalen
met een of andere gunst.
Jesus Christus ver-
scheen eens aan de gelukzalige Baptista
Verani 2) en zeide haar, dat de voornaamste
genaden, die Hij aan zijne uitverkoren zie-
len bewijst, drie in getal zijn. De eerste
is de genade van niet te zondigen , de tweede,
en deze is grooter, de genade van goedo wer-
ken te doen, de derde. en dit is de grootste,
de genade om ter zijner liefde te lijden.
Daarom zeide de H. Theresia 3) dat, wan-
neer iemand voor God eenig goed werk
verricht, God het hem vergeldt met lijden.
Ziedaar ook waarom de heiligen, wanneer
zij bezocht werden met rampspoeden, den
Heer er voor dankten. De H. Koning
Lodewijk van zijn gevangschap bij de Tur-
ken sprekende, zeide: Ik gevoel grooter
vreugde en dankbaarheid bij de herinnering aan
hel geduld, wat God mij schonk tijdens mijne
1)   Ibid. ch. 30.
2)  Bolland. 31. maj. oct. c. 7.
3)  Fondat. ih. 31.
-ocr page 88-
Ro
gevangenschap, dan ik gevoelen zou, indien
ik geheel de wereld had veroverd.
En wat
lezen wij van de H. EHzabeth, vorstin van
Thuringen? Na den dood van haren echt-
genoot, met haren zoon uit hare staten ver-
dreven, haveloos en van allen verlaten , ging
zij naar een klooster van Fransicaners en
deed het Te Deum aanheffen, om God
te bedanken, dat Hij haar aldus begunstigde
en haar aldus ter zijner liefde liet lijden.
7) ff aar het geldt dèn hemel te winnen,
zegt de H. Joseph Calasanza, is ieder
lijden gering;
en reeds de apostel zeide
het: Non sunt condignae passiones hujus
temporis ad futuram gloriam quae revela-
bitur in nobis.
i) Het lijden dezer wereld
is van geene beleekenis tegenover de toekom-
stige glorie, die in ons zal worden geopen-
baard.
Het zou reeds een groot voorrecht
zijn, indien wij gedurende geheel ons leven
de pijnen aller martelaren mochten lijden,
om slechts één oogenblik de vreugde te
genieten van het paradijs; met hoeveel be-
reidvaardigheid moeten wij dan niet onze
kruisen omhelzen, nu wij weten, dat het
korte lijden van dit leven ons een geluk
verwerft, hetwelk eeuwig duurt. Momen-
taneitm el leve iribulationu nostrae aeternum
i Rom. 8. j8.
-ocr page 89-
Si
gloriac pondus operatur in nobis. i) De
H. Agapytus, een knaap nog in den aan-
vang zijns leveos , door den tyran bedreigd,
dat men hem het hoofd zou verbranden
met een gloeienden helm, gaf ten antwoord :
„Kan mij wel grooter geluk te beurt val-
len dan mijn hoofd te verliezen , om het
daarna gekroond te zien in de:i hemel?"
In denzelfden zin zeide de H. Franciscus:
„Het geluk wat ik verwacht, is zóó groot,
dat elk lijden mij een genot is." Maar
wie de kroon des hemels verlangt, hij moet
strijden en lijden. Si iustinebimus et con-
regnabimus
2) Men kan geen kroon ver-
werven zonder verdienste, en geen ver-
dienste zonder geduld. Non coronabiiur nisi
qui legitime certaverit
3); en hij wiens ge-
duld het grootste is, verwerft ook de
grootste kroon. Vreemd veschijnsel! wan-
neer het gaat om tijdelijke goederen, dan
zijn de wereidlingen er op uit, zooveel te
krijgen als zij maar kunnen; maar is er
sprake van eeuwige goederen, dan zeggen
zij: Het is genoeg, dat wij een klein hoekje
in den hemel hebben. Geheel anders doen
de heiligen; wanneer het dit kortstondig
0 Cor. 4. 17.
2)   Tim. 2. 12.
3)  Ibid. 5.
-ocr page 90-
82
leven geldt, dan zijn zij met alles tevreden,
ja, zij ontdoen zich zelfs van de goederen
dezer wereld; maar is er spraak van eeuwige
goederen, dan zoeken zij zooveel te win-
nen als zij kunnen. Ik vraag het: Wie
van beiden handelt hier het wijste en het
voorzichtigst?
8) Maar ook al spreken wij van het tegen-
woordig leven, dan nog is het zeker, dat
niemand gelukkiger is dan hij, die gedul-
dig zijn lijden draagt. Er is, zegt de H.
Philippus Nerius i), op deze wereld geen
vagevuur; er is slechts een hemel en een
hel; wie de beproeving met geduld lijdt
smaakt een hemel; wie dit niet doet, ver-
duurt een hel. Ja, want het is waar, wat
de H. Theresia zegt: wanneer men de
kruisen, die God ons overzendt, omhelst,
worden ze niet gevoeld.
Toen de H. Franciscus van Sales eens
bezocht werd door vele wederwaardigheden,
schreef hij in een zijner brieven het vol-
gende : „Sedert eenigen tijd schenken allerlei
tegenspoeden en geheime tegenkantingen
mij een vrede, zoo zoet, dat er niets bij
te vergelijken is, en voorspellen mij de
nabijzijnde vereeniging van mijne ziel met
haren God, hetgeen in alle waarheid de
i) Bacci. 1. 2. c. 20.
-ocr page 91-
»3
eenige zucht, het eenig verlangen mijns
harten is." i) O neen het geluk laat zich
niet vinden door hen, die een onordelijk
leven lijden, maar alleen door hem, die
met God en Gods H. wil vereenigd leeft.
Een zeker kloosterling, die zich als missio-
naris in Indië bevond, was eens tegen-
woordig bij de terechtstelling van een ver-
oordeelde; toen deze laatste reeds op het
schavot stond, om ter dood gebracht te
worden, riep hij den kloosterling en zeide
hem: „Weet Pater, dat ik eenmaal van
uwe orde was: zoolang ik den regel onder-
hield leefde ik immer te vreden, maar toen
ik begon te verslappen, begon alles mij
zwaar te vallen, zoodat ik de orde verliet,
en mij overgaf aan allerlei misdaden, die
mij ten laatste tot den ongelukkigen
staat gebracht hebben, waarin gij mij thans
aanschouwt. Ik zeg u dit ", zoo besloot
hij, „opdat mijn voorbeeld van nut kunne
zijn aan anderen." De eerwaardige Ludo-
vicus Dupont zegt, dat men het zoete in
dit leven moet nemen voor bitter, en het
bittere voor zoet; op die wijze zal men
immer tevreden zijn Inderdaad, want
het zoete, al behaagt het ook aan de zinnen,
laat niettemin immer bitterheid achter, een
I) Esprit p. 10. ch. 19.
-ocr page 92-
84
zekere wroeging nl. van het geweten ten
gevolge van het ongeregeld genoegen, dat
wij er meestal in nemen; maar het bittere,
met geduld uit Gods hand aangenomen,
wordt voor de zielen, die Hem beminnen,
zoet en dierbaar.
9) Zijn wij er wel van overtuigd; in
dit dal van tranen kan alleen hij den waren
vrede des harten vinden, die de kwellingen
des levens geduldig verdraagt en ze ter
wille van God met liefde omhelst; aldus
brengt het mede de staat van bederf, waarin
wij door de zonde allen gebracht zijn. Het
leven der heiligen op deze wereld is lijden
en beminnen; het leven der heiligen in den
hemel is genieten en beminnen. Pater Pau-
lus Segneri, de jongere, gaf aan een zijner
biechtelingen, om haar te bemoedigen in
het lijden, den raad, aan den voet van haar
kruisbeeld de volgende woorden te schrij-
ven : Aldus bemint \'men. Het voorname
teeken echter, waaraan men zien kan of
een ziel Jesus Christus bemint, is niet het
lijden; maar ter liefde van Jesus het lijden
te verlangen. Is er wel grooter geluk denk-
baar,
zegt de H. Theresia, dan een onder-
pand ie hebben, dat men genoegen geef t aan
God?
1) Helaas het grootste deel dermen-
1) Vie. c. 10.
-ocr page 93-
85
schen schrikt reeds terug bij den naam
alleen van kruis, vernedering en lijden;
evenwel ontbreekt het ook niet aan min-
nende zielen, welke in het lijden al hun
geluk vinden en als het ware ontroostbaar
zouden zijn , indien zij hier moesten leven
zonder lijden. „Het gezicht van Jesus aan
het kruis
(zeide eens een heilige ziel) maakt
mij de kruisen zoo beminnelijk, dat het
mij toeschijnt, als kon ik zonder lijden
niet gelukkig zijn; de liej"de van Jesus weeqt
mij tegen alles op.\'\'\'
De raad welken Jesus
geeft aan die Hem volgen wil, is geen
andere dan deze: Hij neme zijn kruis op en
volge mij:" Tollat crucem suam el sequa-
tur me.
i) Maar wij moeten dat kruis opne-
men en dragen, niet gedwongen en met tegen-
zin, maar met nedrigheid geduld en liefde.
10) O, welk genoegen geeft men aan
God, wanneer men de kruisen, die Hij ons
overzendt, met nederigheid, en geduld om-
helst! Er is geen hout, zegt de H. Igna-
tius de Loyola, beter in staat de liefde
Gods voort te brengen en te onderhouden
dan het hout van het H. Kruis, m. a w.
dan God te beminnen te midden van kwel-
lingen. De H. Gertrudis vroeg eens aan
den Heer, wat wel het welgevalligste offer
i) Luc. 9. 23.
-ocr page 94-
sr,
was, dat zij Hem kon aanbieden; en de
Heer antwoordde haar: mijne dochter, gij
kunt mij geen grooter genoegen geven, dan
alle wederwaardigheden, die zich voor-
doen, met geduld lijden. Vandaar zeide
de groote dienaresse Gods, zuster Vic-
toria Angelini, dat één dag doorgebracht
aan het kruis meer waarde heeft, dan hon-
derd jaren doorgebracht in alle mogelijke
andere geestelijke oefeningen; en de eerbied
waardige Pater Joannes Avila placht te
zeggen, dat één „ God zij geloof "d" in tegen-
spoed meet waard is dan duizend dankbe-
tuigingen in voorspoed.
Maar helaas, de
waarde der kwellingen die men voor God
lijdt, wordt door de menschen niet gekend!
Indien wij, zegt de H. Angela van Foligno,
de waarde kenden van het lijden, dan zou het
een voorwerp worden van roof.
d. w. z. een
ieder zou er op uit zijn, anderen de gele-
genheden tot lijden te ontnemen. De H.
Maria Magdalena de Pazzi, die de waarde
van het lijden kende , wenschte daarom veel-
eer haar leven verlengd te zien dan te ster-
ven en naar den hemel te gaan; want,
zeide zij, in de hemel kan men niet lijden.
n) Het eenig streven vaneene ziel,die
God bemint, is zich geheel met God te ver-
cenigen; maar om tot die volmaakte ver-
eeniging te geraken, moeten wij wel ter
-ocr page 95-
s?
harte nemen wat de H. Catharina van Genua
zegt: „Om tot de vereeniging met God te
komen, zoo spreekt deze heilige, hebben
wij behoefte aan wederwaardigheden ; want
ziedaar het middel, waarmede God ons zoekt
te ontdoen van onze ongeregeldheden , zoo-
wel in-als uitwendigen ; en daarom zijn kwel-
lingen van allerei aard, beleedigingen, bespot
tingen, ziekten, koelheid van den kant
onzer bloedverwanten en vrienden , bescha-
mingen , bekoringen en andere wederwaar-
digheden ons allen hoogst noodzakelijk; zóó
toch blijven wij strijden, en kan het ons
door herhaalde overwinningen gelukken, onze
kwade neigingen zóó geheel uit te roeien,
dat wij ze ten laatste zelfs niet meer ge-
voelen ; zoolang niet alle wederwaardigheden,
aldus vervolgt zij, ons niet alleen niet bit-
ter meer, maar ter liefde Gods zelfs aan-
genaam zijn, zullen wij nooit volkomen
met God vereenigd worden."
12) Uit dit alles volgt, dat eene ziel,
die geheel aan God wil toebehooren, het be-
sluit moet maken om, gelijk de H. Joannes
van het kruis zegt, 1) in dit leven niet
het genot, maar in alles het lijden te zoe-
ken; zij omhelze daarom met gretigheid
alle vrijwillige verstervingen, en met nog
1) Monteè du Carmel, 1. 2. c. 7.
-ocr page 96-
SS
grooter gretigheid en liefde de onvrij-
willigen; want deze laatsten zijn aan
God het dierbaarst. Melior estpatiens viro
forti
i), zegt Salomon, een geduldig man
is meer dan een krijgsheld.
Men is God
welgevallig, wanneer men zich versterft door
vasten, boetekleederen, lijfkastijdingen, om
den moed, die men door die verstervingen
toont; maar men maakt zich aan Hem
veel welgevalliger, wanneer men met ge-
duld en blijdschap de kruisen weet te dra-
gen, die Hij ons overzendt. ,,De verstervin-
gen, zegt de H. Franciscus van Sales, welke
van God komen, of door zijne toelating
van de menschen, zijn immer veel kostbaar-
der dan die, welke kinderen zijn van onzen
eigen wil; want het is een algemeene regel,
dat naarmate in iets minder onze eigen
keuze is, het des te aangenamer is aan
God en des te voordeeligcr voor onze zie-
len." 2) Dezelfde opmerking maakt ook
de H. Theresia: Men verdient meer, zegt
zij, in een enkelen dag, door de kwellin-
gen, die ons toekomen van God of van den
naaste, dan in tien jaar door het lijden,
dat wij zelve ons aandoen. 3) Vandaar
het grootmoedig woord van de H. Maria
1)  Prov. 16. 32.
2)  Espit. p. 18. c. 4.
3)  Chemin. de la perf. ch. 37.
-ocr page 97-
89
Magdalena de Pazzi, dat er geen kwel-
ling was op de wereld, zóó bitter, die zij
niet volgaarne zou lijden bij de gedachte,
dat deze vau God kwam; en inderdaad,
te midden dier vreeselijke kwellingen , welke
de heilige doorstond gedurende hare vijf-
jarige beproeving, was het genoeg haar te
herinueren, dat zij door den wil van God
aldus leed, om haar aanstonds weder vrede
te doen vinden. Voor het bezit van God,
dien eindeloozen schat, is elke prijs gering.
Al kost God nog zooveel, zeide Pater Hypo-
litus Durazzo, Hij is nooit duur.
13) O bidden wij den Heer, dat Hij ons
zijne heilige liefde schenke; want indien
wij Hem volmaakt beminnen, zullen al
de goederen dezer wereld voor ons als rook
zijn en slijk, en wij zullen een geneugte
vinden in de versmading en het lijden. Hoo-
ren wij, hoe de H. Chrijsostomus den
staat beschrijft eener ziel, die zich geheel
aan God heeft gegeven. Wanneer iemand,
zoo zegt hij, gekomen is tot de volmaakte
liefde Gods, dan wordt het hem, als be-
vond hij zich geheel alleen op deze wereld ;
hij bekommert zich noch om eer, noch omver-
smading , hij veracht de bekoringen en het
lijden, hij verliest smaak en lust voor alles;
en daar hij in niets ter wereld steun of
rust vindt, streeft zijne ziel zonder verpo-
-ocr page 98-
9o
zen en zonder ooit moede te worden op-
waarts tot zijn Welbeminde; vandaar dat,
hetzij hij werkt of eet, hetzij hij waakt of
slaapt, bij al zijne handelingen en gesprek-
ken, zijn eenige gedachte, zijn eenig stre-
ven is, het voorwerp te vinden zijner liefde:
want alleen daar is zijn hart, waar zijn
schat is.
In dit hoofdstuk hebben wij gesproken
over het geduld in het algemeen; in het
XVe hoofdstuk zullen wij meer bijzondere
omstandigheden bespreken, waarin wij het
geduld vooral beoefenen moeten.
Gevoelens en smeekingen.
Dierbare Jesus , mijn liefde en mijn schat,
de beleedigingen, die ik U heb aangedaan,
maken mij onwaardig U nog te beminnen;
maar ik bid U om uwe verdiensten, maak
mij de gave uwer zuivere liefde waardig.
Ik bemin U boven alles, en uit geheel
mijn hart is het mij leed, dat ik U een-
maal heb verlaten en U heb verdreven uit
mijne ziel, want thans bemin ik U meer
dan mijzelven ; ik bemin U uit geheel mijn
hart, O eindeloos goed, ik bemin U, ik
bemin U; niets anders verlang ik dan U vol-
maakt te beminnen, en ik heb geen andere
-ocr page 99-
9i
vrees dau beroofd te worden van uwe liefde.
O mijn dierbare Verlosser, doe mij inzien
welk groot goed Gij zijt, doe mij de lieide
kennen, die Gij mij hebt toegedragen, opdat
ik genoopt worde U te beminnen. Ach
mijn God, laat niet toe, dat ik langer on-
dankbaar blijvc voor zooveel goedheid.
Genoeg heb ik U beleedigd, ik wil U niet
meer verlaten; de jaren, die mij nog over-
blijven, ik wil ze geheel besteden, om U
te beminnen en genoegen te geven. Mijn
Jesus, mijn liefde, help mij, help een
zondaar, die U wil beminnen, die geheel
de uwe wil zijn. O Maria, mijne hoop,
uw zoon luistert naar U, o bid Hem voor
mij en verwerf mij de genade Hem volmaakt
te beminnen.
-ocr page 100-
HOOFDSTUK VI.
Caritas benigna est.
Wie Jesus Christus bemint, bemint
de goedertierenheid.
i) De geest Gods is een geest van goeder-
tierenheid. Spiritus enim meus super mei
dulcis.
i) Eene ziel daarom, die haren
God bemint, bemint ook allen, die door
God bemind worden, bemint haren even-
rnensch; vandaar dat het hare zoetste, hare
aanhoudende zorg is, zooveel zij slechts
vermag, allen te helpen, allen te troosten,
allen te vreden te stellen. De H. Fran-
ciscus van Sales, de leermeester en tevens
het toonbeeld der heilige goedertierenheid,
zegt, als hij van deze deugd spreekt: „De
i) Eccl. 24. 27.
-ocr page 101-
93
nederige goedertierenheid is de deugd aller
deugden
, de deugd welke ons door God
bijzonder wordt aanbevolen, en daarom
moeten wij haar overal en ten allen tijde
beoefenen",
i) De heilige geeft ons vervolgens
dezen regel: „Als gij ziet, dat g-ij iels doen
kunt met liefde, doe het aan; maar wat gij
niet doen kunt zonder twist, laat liet."
2)
Dit geldt echter alleen van hetgeen men
laten kan zonder zonde; want wanneer
iemand gehouden is eene beleediging van
God te verhinderen, moet hij dit altijd
doen en wel zoo spoedig als hij kan.
2j De goedertierenheid moet men bijzon-
der in beoefening brengen tegenover de ar-
men, want gewoonlijk worden zij om hunne
armoede door de menschen bejegend met
bitterheid; in het bijzonder ook tegenover
zieken, die gebukt gaan onder hun lijden
en bij anderen meestal weinig leniging vin-
den. Meer bijzonder ook moeten wij die
goedeitierenheid in beoefening brengen te-
genover onze vijanden. Vince in bono ma-
lum.
3) Wij moeten den haat verwinnen
door liefde, de vervolging door goeder-
tierenheid ; zoo deden de heiligen, en
1)    Lettre 853.
2)    Lettre 786.
3)    Rom. 12. 21.
-ocr page 102-
94
daardoor wonnen zij de genegenheid zelfs
hunner hardnekkigste vijanden.
3) Er is niets, zegt de H. Franciscus
van Saks, wat onzen evenmensen zoozeer
sticht, als die liefdevolle goedertierenheid
in den omgang. 1) De heilige vertoonde
zich dan ook gewoonlijk met den glimlach
op de lippen. Zijn gelaat ademde slechts
goedheid, gelijk ook al zijne woorden en
manieren. De H. Vincentiusa Paulo getuig-
de 2) nooit goedertierener mensch te hebben
gekend, en placht te zeggen, dat hij in Mon-
seigneur van Sales de levende afbeelding
meende te aanschouwen der goedertierenheid
van Jesus Christus. Zelfs dan, wanneer de
heilige zich door zijn geweten verplicht
zag iets te weigeren, deed hij dit met zoo
groote goedertierenheid, dat men ook zonder
te hebben verkregen, wat men van hem ver-
langde , evenwel geheel met hem ingenomen
en volkomen voldaan van hem wegging. De
heilige was goedertieren jegens iedereen, zoo-
wel jegens zijn oversten, als jegens zijne gelij-
ken en onderhoorigen , in huis zoowel als bui-
tenshuis, geheel verschillend van diegenen,
welke gelijk de heilige zelf zegt, buitenshuis enge-
len schijnen maar binnenshuis duivelen;?,)
Ook
1)    Lettre 605.
2)    Abelly. 1. 3 cli. 27.
3)    Intr. p. 3 c. 8.
-ocr page 103-
95
tegenover zijne dienstboden was hij vol goed-
heid ; nooit beklaagde hij zich over hunne na-
latigheden, nauwelijks gaf hij hun nu en dan
een kleinen wenk; maar altijd met woorden
vol goedheid , iets wat in alle oversten zeer
prijzenswaardig is; de overste toch moet
tegenover zijne onderdanen de grootst mo-
gelijke goedertierenheid toonen; wanneer
hij hun eenig werk oplegt, moet hij eerder
verzoeken dan bevelen. Om gehoorzaamd te
worden
, zegt de H. Vincentius van Paulo ,
is er voor de oversten geen beter middel dan
zachtheid.
Eveneens spreekt de H. Joanna
de Cliantal. Ik heb, zegt zij, in mijn bestier
verschillende wijzen beproefd, maar ik heb
niets beter bevonden dan te bestieren mei
zachtheid en geduld."
4) Zelfs in de berisping moet de overste
goedertieren zijn. Het is iets anders te be-
rispen met klem, iets anders te berispen
met hardheid; somwijlen moet men berispen
met klem, wanneer namelijk de fout be-
langrijk is, en vooral wanneer zij na de
vermaning zich heeft herhaald; maar wach-
ten wij er ons voor ooit te berispen met
hardheid en toorn; want wie met gram-
schap berispt, doet meer nadeel dan nut.
Ziedaar die bittere ijver, welken de H. Jaco-
bus zoozeer afkeurt. Men vindt er, die
er zich op beroemen hun huisgezin in orde
-ocr page 104-
96
te houden door hunne gestrengheid; zij zeg-
gen, dat dit de ware manier is van bestieren;
maar de H. Jacobus zegt dit niet, quod si
zelum atnarum habetis
.... nolite (jloriari. i)
Wanneer gij een bitteren ijver hebt, zegt
hij, wilt u daarop niet beroemm. Mocht
het in een of ander zeldzaam geval noodig
zijn een hard woord te gebruiken, om n.1.
den schuldige de zwaarte van zijn fout te
doen inzien, wij moeten dan toch immer
met zachtheid eindigen en den schuldige
steeds met een hartelijk woord van ons la-
ten heengaan; men moet, gelijk de Sama-
ritaan van het evangelie, de wonden gene-
zen met wijn en olie; maar gelijk de olie
(aldus de H. Franciscus van Sales) in alle
vochten steeds bovendrijft, zoo moet ook
in al onze handelingen de goedertierenheid
steeds de bovenhand hebben. Gebeurt het,
dat de persoon, dien wij moeten berispen,
vertoornd is, dan moeten wij de berisping,
uitstellen en wachten, tot zijne toorn over
is; want anders zullen wij [Zijne gramschap
nog vergrooten. Wanneer het huis brandt,
zeide de H. Joannes, kanunnik regulier,
moet men in het vuur geen hout werpen.
5) Nescitis cu/us tpiritus Mis. 2) Gij
1)  Jac. 3. 14.
2)   Luc. 9. 55.
-ocr page 105-
97
weet niet van wat geest gij zyt; Aldus
luidde Jesus antwoord aan zijne discipelen,
Jacobus en Joannes, toen dezen Hem vroe-
gen de Samaritanen te kastijden, omdat zij
Hem uit hun land hadden verdreven. Maar,
zoo sprak de goddelijke Zaligmaker, wat
geest is dit? voorwaar niet de mijne; mijn
geest is een geest van zachtheid en goeder-
tierenheid; immers ik ben gekomen, niet om
de zielen te verderven; maar om ze zalig
te maken ; Filuis homxnis non venit animas
perdere sed salvare
i) en gij , gij wilt mij
bewegen ze in het verderf te storten? zwijgt,
doet mij zulke vragen nooit meer, want
dit is niet mijn geest. En inderdaad met
welk een zachtheid behandelde Jesus niet
de overspelige vrouw! Hij vergenoegt er
zich mede haar te vermanen, om toch niet meer
te zondigen, en laat haar vervolgens in
vrede weggaan. Mulier, nemo te condem-
navit? ... nee ego te condemnabo
.. . Vade,
et Jam amplius noli peccare.
2; Met hoe-
veel goedertierenheid insgelijks zocht Hij
de Samaritaansche vrouw te bekeeren!
Eerst vraagt Hij haar te drinken; vervol-
gens zegt Hij: O indien gij wist wie het
is die u te drinken vraagt!
Daarna openbaart
Hij haar, dat Hij de verwachte Messias
T) Ibid. 56.
2) Jo. 8 io. en 11.
-ocr page 106-
98
is. Met hoeveel zachtheid ook trachtte
Hij den goddeloozen Judas tot inkeer te
brengen ! Hij laat hem met zich mede eten
van denzelfden schotel. Hij wascht hem de
voeten; op het oogenblik zelf van het ver-
raad vermaant Hij hem nog: Judas, zegt
Hij, verraadt gij mij dan met een kus!
Juda, osculo Mlium hominis tradis?
1)
En hoe bekeerde Jesus Petrus, nadat deze
Hem verloochend had? Conversus Domi-
nu» respexit Petruiu.
2) Zonder hem zijn
zonde te verwijten, zag Jesus bij het uit-
gaan van het huis des hoogepriesters , hem
met een blik vol teederheid aan, en aldus
bekeerde Hij hem; maar bekeerde hem
zoodanig, dat Petrus, zoolang hij leefde,
nooit ophield de beleediging zijnen Meester
aangedaan te bevveenen.
6) O hoeveel meer wint men met zacht-
heid dan met bitterheid! Er is niets, zegt
de H. Franciscus van Sales, zoo bitter als
de groene schil van een noot, maar wan-
neer men haar konfijt, wordt zij zoet en
aangenaam; evenzoo is het met de beris-
pingen: uit hare natuur zijn zij niet aan-
genaam, maar wanneer zij met liefde en
zachtheid geschieden, worden zij gaarne
1)    Luc. 22. 48.
2)    Ibid. 61.
-ocr page 107-
99
aangenomen en doen dan ook veel meer
nut. De H. Vincentius a Paulo verhaalt
van zichzelven, dat hij gedurende den tijd
van zijn bestier in de congregatie nooit
iemand met hardheid heeft berispt, tenzij
alleen drie maal, toen hij meende daarvoor
reden te hebbeu, maar immer, zeide hij,
had het hem later berouwd, daar het steeds
verkeerd was uitgevallen, terwijl de be-
rispingen, die hij met zachtheid had gegeven,
altijd goed waren geslaagd, i)
7) De H. Franciscus van Sales kon
door zijne goedertierenheid van anderen
gedaan krijgen, wat hij wilde; en op die
wijze slaagde hij er in zelfs de meest ver-
harde zondaren tot God te brengen. Dit
was ook de geest van den H. Vincentius
a Paulo; de innemendheid, zoo zeide hij
steeds tot zijne volgelingen, de liefde en
de nederigheid hebben een bewonderenswaar-
dige kracht om de harten der menschen te
winnen, en daardoor laten zij zich overhalen
tot hetgeen het meest strijdig is met de
natuur.
De heilige vertrouwde eens aan
een zijner paters de bekeering van een
groot zondaar toe; maar , wat al moeite
de pater zich gaf, hij kon niets winnen;
hij verzocht nu den heilige een woordje
i) Abelly L. 3. c. 27.
-ocr page 108-
IOO
tot dien zondaar te zeggen; de heilige
deed het en had hem aanstonds bekeerd;
de zondaar nu verklaarde later, dat de
buitengewone zachtheid van Pater Vin-
centius zijn hart had gewonnen. De
heilige kon het dan ook niet verdragen,
dat zijne missionarissen hunne biechtelingen
behandelden met gestrengheid; de helsche
geest, zeide hij, gebruikt de gestrengheid
van sommigen, om de zielen dieper ia het
ongeluk te storten.
8) Wij moeten de goedertierenheid be-
oefenen jegens allen, in elke gelegenheid
en ten allen tijde. Sommigen, zegt de
H. Bernardus, zijn zachtmoedig, zoolang
alles naar hun zin gaat, maar zij hebben
nauwelijks eenigen tegenspoed, zij ontmoe-
ten nauwelijks eeuige tegenspraak, of zij
vatten aanstonds vuur en beginnnen te
rooken als een Vesuvius; i) dezulken zijn
als gloeiende kolen, maar verborgen onder
de asch. Wie heilig wil worden , moet in
dit leven zijn als een lelie tusschen de
doornen; hoezeer hij ook wordt gestoken,
hij moet immer lelie blijven d. i. immer
even zacht zijn en goedertieren. De god-
minnende ziel bewaart immer den vrede
des harten en toont dien ook op haar ge-
l) In adv. D. S. 4.
-ocr page 109-
101
laat, zij blijft in alle omstandigheden des
levens: zoowel in voor- als in tegenspoe-
steeds zichzelve gelijk. Kardinaal Pe-
trucci zingt van zulke zielen:
Zij ziet hoe \'t alles om haar heen
Van vorm verandert en vergaat,
Maar zij, steeds met haar God vereend,
Blijft immer in denzclfden staat.*
9) In den tegenspoed openbaart zich \'s
menschen geest. De H. Franciscus van
Sales beminde met groote teederheid de
orde der Visitatie, welker stichting hem de
grootste inspanning had gekost; meermalen
nu zag hij die congregatie ten gevolge
der groote vervolgingen, waaraan zij bloot-
stond, op het punt van ten gronde te gaan;
maar de heilige verloor nooit de kalmte
der ziel, hij was immer bereid zijne con-
gregatie zelfs geheel vernietigd te zien, in-
dien dit aldus mocht behagen aan God.
Bij die gelegenheid was het, dat hij zeide:
Sedert eenigen tijd schenken allerlei moeie-
lijkheden en tegenkantingen mij een vrede,
zoo zoet, dat er niets bij te vergelijken
is
, en voorspellen mij dat mijne ziel weldra
\' Veda cangiami in diverse jor me
Intoriio di se Ie creature ;
Ma egli, nel piü cupo centro
Del suo cuore, vive uniforme.
-ocr page 110-
102
geheel met God zal vereenigd worden, wat
in waarheid mijn eenig verlangen is.
10) Wanneer het ons gebeurt, dat wij
iemand moeten antwoorden, die ons kwalijk
bejegent, zorgen wij dan immer te ant-
woorden met zachtheid. Responsïo mollis
frangit iram.
i) Een zacht antwoord is
genoeg, om het grootste vuur van gram-
schap uit te dooven. Mochten wij ons
echter verstoord gevoelen, dan is het beter
te zwijgen; want op zulke oogenblikken
meenen wij recht te hebben, om te zeggen
hetgeen ons in den mond komt; doch als
de hartstocht bedaard is, dan zien wij, dat
alle woorden, die wij hebben gesproken,
even zoovele misslagen geweest zijn.
n) En gebeurt het, dat wij zelf een
fout bedrijven, dan moeten wij ook jegens
ons zelven te werk gaan met zachtheid.
Na een bedreven fout op ons zelven toor-
nig te worden is geen nederigheid, maar
een verfijnde hoogmoed; het is een bewijs,
dat wij ons zelven niet voor zoo zwak en
ellendig houden, als wij inderdaad zijn.
Eene nederigheid\', die ons de rust beneemt,
zegt de H. Theresia, komt niet van God,
maar van den duivel 2)
Toornig te wor-
den op ons zelven na een fout, is een veel
1)     Prov. 15. I.
2)    Vie. c. 30.
-ocr page 111-
io3
grooter fout dan de bedreven fout zelve en
is oorzaak van een menigte andere fouten ;
het maakt, dat wij onze godvruchtige oefe-
ningen , het gebed, de H. Communie nala-
ten, of ten minste, dat wij dit alles doen
met weinig viucht. In troebel water, zeide
de H. Aloysius van Gonzaga, kan men niet
zien, en daarin vischt de duivel.
Wanneer
de ziel in onrust is, let zij weinig op God
en op hetgeen zij doen moet. Als wij der-
halve in een tout vallen, moeten wij ons met
nederigheid en vertrouwen tot God wenden ,
Hem vergiffenis vragen en zeggen met de
H. Catharina van Genua: Heer, ziedaar nu
vruchten uit mijnen tuin ; maar toch bemin ik
U uit geheel mijn hart; het spijt mij, dat ik
U dit misnoegen heb veroorzaakt, ik wil
het nooit meer doen , schenk mij uwe hulp.
Gevoelens en Smeekingen.
O zalige ketenen, die de zielen vast-
bindt aan God , ach bindt ook mij en bindt
mij zóó vast, dat ik mij van de liefde van
mijnen God niet meer kunne losmaken. Mijn
Jesus, ik bemin U; o schat, o leven mijner
ziel, aan U hecht ik mij vast, ik geef U
geheel mij zelven. Neen mijn beminde ver-
losser, nooit meer wil ik Uwe liefde verla-
ten. Gij, om te betalen voor mijne zonden
-ocr page 112-
104
hebt willen dulden, dat men U boeide als
een misdadiger, dat men U aldus gebonden
door de straten van Jeruzalem voortsleepte
ter dood, Gij hebt U laten vastnagelen aan
het kruis en hebt het niet verlaten dan na
er eerst het offer te hebben gebracht van Uw
leven; ach om de verdienste van zooveel lij-
den, laat toch niet toe, dat ik ooit van U
gescheiden worde. Het spijt mij meer dan
elk ander kwaad , dat ik U een tijdlang den
rug heb toegekeerd, en met den bijstand uwer
genade maak ik het voornemen liever te
sterven dan U nog weder eene beleediging,
hoe klein dan ook aan te doen. O mijn Jesus
ik geef mij geheel aan U over. Ik bemin
U uit geheel mijn hart, ik bemin U meer
dan mij zei ven. Voorheen heb ik U belee-
digd, maar ik heb er nu berouw over en
ik zou van droefheid willen sterven. Ach
trek mij geheel tot U. Ik verzaak aan alle
vertroostingen der zinnen, ik wil U alleen;
niets anders. Maak slechts dat ik U beminne,
en doe overigens met mij wat U behaagt.
O Maria, mijn hoop, bind mij aan Jesus,
maak dat ik leve met Hem verbonden, en
aan Hem verbonden sterve, om eenmaal
te komen in dat zalig rijk waar ik geen
vrees meer zal hebben mij nog ooit van
Zijne liefde te zien losgemaakt.
-ocr page 113-
HOOFDSTUK VII.
Caritas non aemulatur.
De Ziel, die Jesus Christus bemint,
is niet naijver1g op de grooten dezer
WERELD, MAAR ALLEEN Op HEN, DIE JeSUS
Christus meer beminnen.
i) Dit ander kenteeken der liefde wordt
door den H. Gregorius aldus verklaard : de
liefde, zegt hij, is niet naijverig; want hoe
kan zij den wereldlingen eene aardsche
grootheid benijden, welke zij niet verlangt,
ja zelfs verafschuwt? Non aemulatur, quia
per hoc quod in praesenü inundo nihil appetit
,
invidere terrenis successibus nescii. i) Wij
moeten dus twee soorten van naijver onder-
scheiden , een kwade en een goede. De
kwade is naijverig en bedroefd om de
i) Mor. 1. io. c. 8.
-ocr page 114-
io6
aardsche goederen, welke anderen in deze
wereld bezitten; de heilige naijver echter
is om zulke goederen niet afgunstig; integen-
deel zij beklaagt de grooten dezer wereld,
die moeten leven te midden van eer en
aardsche vermaken; die heiige naijver zoekt
en begeert niets anders dan God, zij zoekt
niets anders in dit leven , dan haren God, zoo-
veel zij maar kan te beminnen , en daar-
om verteert haar een heilige naijver, als zij
iemand ziet, die Hem meer bemint dan zij,
want zij zou zelfs de seraphijnen in liefde
willen overtreffen.
2) Ziedaar dat „ééne doel" der heilige
zielen op deze wereld, doel, wat aan God
zoozeer behaagt, zijn hart zoozeer van
liefde wondt, dat het Hem doet zeggen:
Vulnerasti cor meutn, soror mea sponsa,
milnerasti cor meutn in uno oculorum luo-
rum 1) Gij hebt mijn hart gewond, mijne
zuster, mijne bruid, gij hebt mijn hart
gewond door een uwer oogen.
Dit „een uwer
oogen"
beduidt het ééne doel, wat de god-
vruchtige ziel zich bij al hare handelingen
en gedachten voorstelt, n 1. te behagen
aan God. De wereldlingen beschouwen
de zaken met verschillende oogen, dat is
zij handelen met verschillende verkeerde
bedoelingen, zooals; om aan de menschen
1) Cant. 4. 9.
-ocr page 115-
\'°7
te behagen, zich te doen eeren, rijkdommen
te verwerven of althans om eigen voldoe\'
ning te vinden; maar de heiligen hebben
slechts één oog; bij alles wat zij doen,
letten zij alleen op het welbehagen van
God, en zeggen met David: Quid mihi est
in coelo? et a te quid volui super terramf
Deus co f dis mei et pars tnea, Dtus in
ae Ier mini. i)
O mijn God, wat verlang ik
in dit en in het andere leven, wat anders
dan u? Gij z\'rjt mijn rijkdom, Gij de
eenige meester van mijn hart. Dat de
rijken,
zoo roept de H. Paulinus uit,
dat de rijken zich verheugen in hunne aard-
sche schatten, de koningen in hunne rijken;
Gij mijnjesus, zijt mijn schat, mijn koninkrijk;
HaOeant sibi divitias suas divités
, regna
si/a reges, Christus mihi gloria et reg-
num est. 2)
3) Bedenken wij derhalve, dat het niet
genoeg is goede werken te doen; maar dat
men ze ook goed moet doen. Willen onze
werken goed zijn en volmaakt, dan moeten
wij ze alleen doen, om te behagen aan God.
Dit was de verheven lof, die aan Jesus
Christus werd gegeven: Bene omniafecit. 3)
Hij heeft alles wel gedaan. Vele hande-
1)    Ps. 72. 25 en 26.
2)    Ep. ad. Aprutn.
3)    Mare. 7. 37.
-ocr page 116-
io8
lingen zullen op zich zelven prijzenswaar-
dig zijn; maar omdat zij met een ander
doel worden gedaan dan om glorie te geven
aan God, zullen zij weinig of niets voor
God beduiden. God beloont onze goede
werken,
zeide de H. Maria Magdalena de
Pazzi, naar het gewicht der zuivere meening i),
zij wil zeggen, dat naar mate onze meening
zuiver is, God naar die zelfde mate onze wer-
ken op prijs stelt en beloont. Maar helaas, hoe
moeilijk is het een handeling te vinden alleen
voor God gedaan! Ik herinner mij een oud
en heilig kloosterling, die veel voor God had
gewerkt, en gestorven is in roep van heiligheid;
welnu, als deze eerbiedwaardige man eens
een blik wierp op zijn leven, zeide hij mij
vol droefheid en ontsteltenis: Helaas onder
alle daden mijns levens
, zie ik er niet eene.
die ik alleen voor God heb gedaan.
Ver-
vloekte eigenliefde! hoe menigmaal doet
Zij ons alles, of althans het grootste deel
der vrucht van onze goede werken verliezen!
Hoevelen, die ia de heiligste bedieningen
arbeiden, zich als prediker, als biechtvader,
als missionaris de grootste moeite geven,
en toch weinig ot niets verdienen; omdat
zij niet uitsluitend God, maar aardsche
glorie, tijdelijk voordeel, ijdele vertooning
of ten minste eigen voldoening beoogen.
I) Puccin. p. I c. 58.
-ocr page 117-
log
4) Ziet toe, zegt de Heer, dat gij uwe
goede werken niet doet, om gezien te
worden door de menschen; anders toch
zult gij volstrekt geene belooning hebben
van den hemelschen Vader : Altendite nejus-
titiam vestram faciatis coram hominibus,
ut videaminx ai eis
, alioquin mercedem non
habebitts apud Patrem vestrum quiincoelis
est.
i) Wie arbeidt om eigen neiging te
voldoen, heeft zijn loon reeds ontvangen :
Amen dico vobis, receperuntmcrcedem suat/12);
loon evenwel, dat zich bepaalt tot een
weinig rook, of tot eene nietige voldoening,
die ras voorbij gaat en zonder eenig nut
is voor de ziel. Hij die met een ander in-
zicht arbeidt dan om aan God te behagen,
bergt, zegt de profeet Aggeus, zijne beloo-
ning in eenen zak met scheuren; wanneer
hij hem opent, vindt hij er niets in weder:
Et qui mercedes congregavit, misit eas in
sacculum pertusum.
3; Vandaar dan ook,
dat dezulken, wanneer de zaak , die zij on-
dernemen den gewenschten uitslag mist, daar-
over zeer gevoelig zijn; een bewijs, dat zij
niet uitsluitend de glorie van God hebben
beoogd. Wie een werk alleen ter eere Gods
verricht, is niet verslagen, ook al gelukt
1)    Math. 16. I.
2)    Ibid. 5.
3)    Agg. I. 6.
-ocr page 118-
110
het volstrekt niet, want zijn doel heeft
hij toch bereikt; immers hij heeft genoegen
gegeven aan God, daar hij gewerkt heeft
met de zuivere meening.
5) Ziehier de teekenen, waaraan men
zien kan, of iemand in een geestelijk werk
alleen arbeidt voor God.
i° Als hij niet gevoelig is, wanneer hij
zijn doel niet bereikt; want als God iets niet
wil, wil iemand, die een zuivere meening
heeft, het ook niet.
2° Als hij zich over het goed, dat an-
deren doen, verblijdt alsof hij het zelf hadde
gedaan.
3° Als hij de eene bediening niet verlangt
boven de andere; maar alleen die bediening
wil, welke hem wordt aangewezen door de
gehoorzaamheid.
4° Als hij na zijne handelingen van
anderen noch dankbetuigingen noch toejui-
chingen zoekt Gebeurt het daarom, dat
anderen hem laken en zijn werk afkeuren,
dan is hij daarover niet bedroefd, maar
stelt zich er mede te vreden, dat hij genoe-
gen heeft gegeven aan God; ontvangt hij
daarentegen van de wereld eenigen lof
voor zijn werk , dan maakt hem dit ook niet
ijdel; maar, hij antwoordt aan de ijdele
glorie, wanneer deze zich wil doen gelden ,
wat de eerbiedw. Joannes van Avila haar
-ocr page 119-
til
ten antwoord gaf: Maak u weg, gij komt
te laat, want ik heb mijn werk reeds
geheel aan God gegeven.
6) Ziedaar dat ingaan in de vreugde des
Heeren, dat genieten om het geluk van God
wat beloofd is aan de getrouwe dienaren :
Euge, sera e bone et ftdelis , quia super pauca
fuisti fidelis, intra ingaudium Dominitui
i)
O als wij zoo gelukkig zijn, zegt de H.
Joannes Chrysostomus, iets te mogen doen
wat behagelijk is aan God, hoe kunnen wij
dan nog iets anders verlangen ? Sixdignus
fueris agere aliquid quod Des placet
, aliam
praeter id mercedem requiris
? 2.) Ziedaar het
grootste loon, het grootste geluk, wat aaD
een schepsel kan te beurt vallen: genoegen
te mogen geven aan zijnen Schepper. Zie-
daar ook wat Jezus verlangt van eene
ziel, die hem bemint. Pone me ut signacu-
lum super cor tuums ut signaculum super
brachium tuum
3) Hij wil, dat zij Hem
stelle als een teeken op haar hart en op
haren arm; — op haar hart; opdat zij bij
alles wat zij voorneemt te doen, de meening
make, het alleen te doen ter liefde Gods;
op haren arm, omdat zij al hetgeen zij ver-
richt, alleen moet verrichten, om genoegen
1)    Matth. 25. 23.
2)    L. 2. de compunct. cord.
3)     Cant, s. 6.
-ocr page 120-
112
te geven aan God, en omdat God immer het
eenig doel moet zijn van al hare gedachten
en al hare daden. Wie heilig wil worden,
zegt de H. Theresia, moet yeen ander ver-
langen hebben ddti genoegen te geven aan
God,
en hare eerste dochter, de eerbiedw.
Beatrix van de Incarnatie zeide, dat eene
handeling, hoe klein ook, die voor God wordt
verricht, met geen prijs ter wereld is te bela-
len. \\)
Inderdaad; want alle handelingen,
die men voor God doet, zijn acten van
liefde, die ons met God vereenigen en ons
verrijken met eeuwige goederen.
8) Men noemt de zuivere meening wel
eens eene hemelsche alchimie, waarmede
men ijzer in goud verandert; men wil daar-
mede zeggen, dat de meest gewone hande-
lingen (zooals werken, eten, ontspanning
nemen, rusten), wanneer zij voor God wor-
den gedaan, in het goud der goddelijke
liefde veranderen; daarom dan ook hield
de H. Maria Magdalena de Pazzi het als
zeker, dat zij, die bij alles wat zij doen,
de zuivere meening hebben, recht naar den
hemel gaan, zonder in het vagevuur te ko-
men. Men verhaalt in „de geestelijke schat"
(f. 4. cap. 4.) dat een heilige kluizenaar,
alvorens eene handeling te beginnen, eerst
I) Vie. c. 2, Kondat c. 12.
-ocr page 121-
"3
een wijl placht stil te staan en dan de oogen
ten hemel sloeg. Als men hem eens vroeg,
waarom hij dit deed, antwoordde hij: „Ik
zoek aan mijn schot de goede richting te
geven." Gelijk een schutter, wilde hij zeggen,
alvorens te schieten, eerst aanlegt op zijn
doel, om aan zijn schot de juiste richting
te geven, zoo legde hij, alvorens eene
handeling te beginnen, op God aan, opdat
het werk Hem mocht behagen. Dit moeten
ook wij doen, ja het is zelfs goed, die
goede meening onder het begonnen werk van
tijd tot tijd te vernieuwen.
9) Zij, die in al hunne aangelegenheden
niets anders dan den goddelijken wil beoo-
gen, genieten die vrijheid van geest, welke
het erfdeel is der kinderen Gods, en welke
maakt, dat men alles wat behaagt aan Jesus
Christus, met bereidvaardigheid omhelst,
ondanks den grootsten tegenzin der eigen-
liefde of van het menschelijk opzicht. De
liefde tot Jesus Christus brengt zijne uit-
verkoren zielen in een toestand van al-
geheele onverschilligheid, waardoor alles
hun gelijk is, zoowel zoet als bitter; waar-
door zij niets willen, wat hun zelven behaagt
en alles willen wat behaagt aan God; met
denzelfden vrede des harten wijden zij zich
aan groote en aan kleine zaken, aan zaken,
-ocr page 122-
U4
die hun bevallen en aan zaken, die hun
mishagen: het is hun voldoende, dat zij
behagen aan God.
io) Velen daarentegen willen God die-
nen, maar in een bepaalde bediening, op een
bepaalde plaats, in gezelschap van bepaalde
personen, in die of die omstandigheden;
anders verzuimen zij hun taak of vervul-
len haar met kwade luim ; dezulken hebben
de vrijheid van geest niet; maar zijn slaven
van hunne eigenliefde, en vandaar dat zij
ook in hetgeen zij doen , weinig verdienen;
daarenboven hebben zij een ongelukkig
leven, omdat het juk van Jesus hun on-
dragelijk wordt. De ware minnaren van
Jesus verlangen alleen datgene te doen, wat
behaagt aan Jesus, en omdat het behaagt
aan Jesus, en op dien tijd, op die plaats
en op die wijze, waarop het behaagt aan
Jesus; het is hun om het even of Jesus van hen
gediend wil zijn ineen.leven, waarin zij door
de wereld worden geëerd of in het verbor-
gen leven, waarin zij door de wereld wor-
den vergeten. Ziedaar wat het zeggen wil
Jesus met zuivere liefde te beminnen; daar-
op dan moeten wij ons met allen ijver toe-
leggen, strijdend tegen de begeerten onzer
eigenliefde, welke ons zoo gaarne ziet arbeiden
in verheven bedieningen, die ons tot eere
strekken en strooken met onze neigingen.
-ocr page 123-
\'15
12) Wij moeten aan alles verzaken,
zelfs aan onze geestelijke oefeningen, zoo-
dra de Heer wil, dat wij ons aan iets
anders wijden, wat Hem behagelijk is. Als
Pater Alvarez zich eens met bezigheden
overladen zag, zocht hij er zich haastig van
af te maken, om te kunnen bidden; want
het scheen hem toe, dat hij te midden
zijner bezigheden niet met God vereenigd
was; maar de Heer berispte hem en zeide:
Al houd ik u niet bij mij, laat het u
genoeg zijn, dat ik mij van u bedien;
een
les voor allen, die niet zelden verontrust
zijn, cmdat zij door de gehoorzaamheid
of door de liefde verhinderd worden in
hunne gewone godvruchtige oefeningen.
Dezulken moeten wel weten, dat die onrust
alsdan zeer zeker niet van God komt; maar
van den duivel of hunne eigenliefde. Be-
hagen aan God, ook al kost het \'t leven,
ziedaar de eerste grondregel der heiligen.
Gevoelens en Smeekingen.
Eeuwige God, ik schenk U geheel mijn
hart; maar, o God, welk een hart helaas
moet ik U ten offer brengen! een hart,
geschapen weliswaar om U te beminnen;
maar dat, in plaats van U te beminnen,
zoo dikwijls tegen U is opgestaan. Maar
-ocr page 124-
n6
o mijn Jesus, is mijn hart ook al een tijd
lang weerspannig jegens U geweest, zie,
thans is het vol droefheid, vol berouw over
het misnoegen, dat het U heeft gegeven.
Ja, mijn dierbare Verlosser, het spijt mij,
dat ik U heb veracht, en ik ben besloten
U voortaan te gehoorzamen en U te be-
minnen, het koste wat het wil. Ach, trek
mij geheel tot uwe liefde; doe het om de
liefde, die gij voor mij hadt, toen gij voor
mij Uw leven liet op het Kruis. Ik bemin
U, mijn Jesus, ik bemin U uit geheel mijne
ziel, ik bemin U meer dan mij zelven,o
waarachtige, o eenige minnaar mijner ziel;
want ik ken niemand anders dan U, die
voor mij zijn leven heeft opgeofferd. Ik
kan mijne tranen niet weerhouden, als ik
zie, hoe ondankbaar ik jegens U geweest
ben. Ellendige die ik ben, ik had mij reeds
in het ongeluk gestort; maar Uwe genade
heeft mij, naar ik hoop, reeds het leven terug
geschonken. Nu zal mijn leven zijn, U,o
mijn opperste goed, immer te beminnen!
Maak slechts, dat ik Ubeminne, o oneindige
liefde, dan vraag ik U niets meer. O
Maria, mijne moeder, neem mij aan voor
uwen dienaar en doe mij ook aannemen
door Jesus, uwen Zoon.
-ocr page 125-
HOOFDSTUK VIII.
Caritas non agit perperam.
Wie Jesus Christus bemint, vlucht
de lauwheid en bemint de volmaakt-
heid , welker middelen zijn: i. het
verlangen. 2. het besluit. 3. üe over-
WEGING. 4. De H. Communie 5. Het gebed.
Daar de liefde, aldus de H. Gregorius,
bij de uitlegging der plaats cliaritas non
agit perperam
, daar de liefde altijd vuriger
haar best doet, om niets te beminnen,
dan God alleen, kan zij niets dulden,
wat niet strookt met deugd en heiligheid.
Quia quae (caritas) se in solum amorem
Dei dilatat, quidquid a reditndine discrepat
i^fiorat.
1) Hetzelfde zeide ook reeds de
apostel, daar hij de liefde een band noemt
j) Mor. 1. 10. c. 8,
-ocr page 126-
n8
welke de verheven ste deugden in de ziel
tezamen bindt: Caritatem habete qnae
est viniculum perfectionis.
t) Maar bemint
de liefde de volmaaktheid, dan haat zij bij
gevolg ook de lauwheid, de lauwheid, waar-
mede helaas zoovelen God dienen, op gevaar
af, om met de goddelijke liefde, Gods genade,
hunne ziel, in een woord, alles te verliezen.
2) Wij moeten evenwel opmerken, dat
er twee soorten van lauwheid zijn: ééne
die onvermijdelijk is; en eene, die men kan
vermijden. Onvermijdelijk is die lauwheid,
waarvan zelfs de heiligen niet vrij zijn. Zij
bestaat in de vele fouten, welke wij bedrij-
ven, hoewel zonder vollen vrijen wil, maar
alleen ten gevolge onzer natuurlijke zwak-
heid , zooals : verstrooidheden in het gebed,
inwendige verstoordheden, nuttelooze woor-
den , ijdele nieuwsgierigheden, verlangens
om de aandacht te trekken , zinnelijkheden
in spijs of drank, bewegingen der begeer-
lijkheid , die men niet aanstonds onderdrukt,
en dergelijken. Zulke fouten moeten wij, zoo-
veel wij kunnen, vermijden; doch ze allen
te vermijden is ons, ter oorzake onzer zwak-
ke , door de zonde bedorven natuur, niet
mogelijk. Als wij dezelve bedreven hebben,
moeten wij ze wel is waar verfoeien, daar
Collos. 3. 14.
-ocr page 127-
ii9
het beleedigingen zijn van God; maar, ge-
lijk wij in het vorig hoofdstuk opmerkten,
wij moeten ons wachten, ons daarover ver-
ontrust te maken. Alle gedachten, zegt de
de H. Franciscus van Sales, tuaardoor
wij de rust verliezen, komen met van God,
die immers een Koning van wede is; maar
komen immer, ofwel van den duivel, of van
onze eigenliefde, o/wel van den Jioogen dunk,
dien wij van onszelven hebben,
i)
3) Zulke verontrustende gedachten moe-
ten wij daarom aanstonds verwerpen en
er geen acht op geven. Gelijk de onvoor-
bedachte fouten
, aldus dezelfde heilige, on-
willekeurig bedreven worden, zoo worden
zij ook onwillekeurig weder uitgewischl.
2) Een
enkele acte van berouw, een acte van
liefde is voldoende om ze uit te wisschen.
De eerbiedwaardige zuster Maria Cruciflxa,
Benedictines, zag eens een bol van vuur;
vervolgens zag zij een groote hoeveelheid kaf
daarop nedervallen, hetwelk geheel en al ver-
teerd werd ; door dit zinnebeeld werd haar te
verstaan gegeven, dat een vurige acte van liefde
alle fouten in onze ziel te niet doet. Hetzelfde
uitwerksel heeft de H. Communie, zooals
1) Lettre. 51.
2) Ibid.
-ocr page 128-
120
wij weten uit het Concilie van Trente, waar
de H. Eucharistie genoemd wordt: antidotum
i/uo liberamur a citlpis qnotidianis: een
tegengif, waardoor tuij bevrijd worden van
onze dagclijkiche fouten.
Zulke fouten al-
zoo zijn weliswaar fouten, maar zijn geen
beletsel voor de volmaaktheid, of liever
gezegd, zijn geen beletsel om naar de vol-
maaktheid te streven, want gedurende dit
leven bereikt niemand de volmaaktheid;
eerst dan zal men haar bereiken, als men
het rijk der zaligen binnengaat.
Een beletsel echter voor de volmaakt-
heid is de lauwheid, die men vermijden
kan; en deze is aanwezig, als men zich
schuldig maakt aan vrijwillige dagelijksche
zonden; want al die vrijwillige fouten kun-
nen met behulp der goddelijke genade, ook
in den tegemvoordigen staat, zeer goed
vermeden worden. Vandaar het woord
van de H. Theresia: God behoede u ook
voor de kleinste vrijwillige zonde,
i) Zulke
fouten zijn: vrijwillige leugens, lichte ach-
terklap , kleine verwenschingen, twist, spot-
ternij , strijdig met de liefde, bijtende
woorden , eigen lof, af keerigheden in het
hart gevoed, ongeregelde genegenheden tot
personen van het ander geslacht. Ziedaar,
l) Chemin de la perf. c. 42
-ocr page 129-
Ï21
zegt de H. Theresia, even zoovele wormen,
die ziek eerst doen kennen, als zij onze
deugden reeds hebben weggeknaagd
i);
Vandaar op een andere plaats hare waar-
schuwing : Met het kleine maakt de duivel
de galen, waardoor hetgroote binnenkomt.
2)
5)     Wij moeten dus zulke voorbedachte
fouten vreezen; want zij zijn de reden,
waarom de Heer ons zijn meer bijzondere
verlichtingen, zijn krachtiger hulpmiddelen
onthoudt en ons berooft van de geestelijke
vertroosting; het gevolg daarvan is, dat de
ziel bij hare geestelijke oefeningen groote
verveling en grooten tegenzin ondervindt,
zoodoende het gebed, de H. Communie,
het bezoek aan het H. Sacrament, de no-
venen begint te verwaarloozen, ja er ge-
makkelijk toe komt, eindelijk alles te laten
varen, gelijk het helaas met zoovele onge-
lukkige zielen is gebeurd.
6)     Ziedaar den zin van die vreesselijke
bedreiging, welke de Heer doet aan de
lauwen; Neque frigidus es, neque calidns,
uitnam frigidus esses etc
; Sed quia tepidus
es .. . incipiam te evomere.
3 ) Gij zijt noch
koud noch warm; och of gij koud waart I
1)  Chateau intérieur 5e dem. c. 3
2)  Livre des foiulations. c. 29.
3)  Apoc. 3 15 en 16.
-ocr page 130-
122
maar daar gij lauw zijl, zal ik beginnen
u uit (e spuwen.
Wonderbaar! Utinam
frigidus esses l dat gij koud waart,
! Maar
hoe? is het dan beter koud te zijn, beroofd
van Gods genade, dan lauw? Ja, in zeke-
ren zin is het beter koud te zijn; want
iemand, die koud is, kan veel gemakkelijker
tot inkeer komen, daar hij wakker wordt
geschud door de wroeging van zijn geweten;
maar de lauwe wordt er aan gewoon, in
zijne fouten voort te slapen, hij bekom-
mert zich om zijne fouten niet, hij denkt
er niet aau zich te verbeteren en aldus
wordt zijn toestand hopeloos. Tepor, qui
a f er vore defecit, in desper atione est.
i)
De eerbiedwaardige Pater Dupont getuigde
van zichzelven, dat hij in zijn leven ontel-
bare louten had begaan; maar dat hij nooit
vrede had gemaakt met zijne fouten. Som-
migen helaas maken vrede met hunne fouten,
en ziedaar de oorzaak van hun verderf,
bijzonder, wanneer er gehechtheid bijkomt
aan een of anderen hartstocht en de touten
voortkomen uit ingenomenheid met zichzel-
ven, uit zucht om vertooning te maken, geld
op een te stapelen, uit afkeer jegens een
onzer evennaasten of uit ongeregelde gene-
genheid jegens een persoon van het ander
i) S. Gregorius. Pastor, r>. 3. Adm. 35
-ocr page 131-
123
geslacht. Dun is het zeer te vreezen, dat
de haren, gelijk de II. Franciscus van
Assisie zegt, voor zulke ziel ketenen wor-
den , die haar ter helle slepen. Ten min-
ste zal die ziel niet heilig worden en de
uitgelezen kroon verliezen, welke de Heer
haar bereidde, indien zij aan de genade
ware getrouw gebleven. Zoodra de vogel
volkomen ontdaan is van zijne banden
verheft hij zich aanstonds in de lucht;
zoodra de ziel volkomen onthecht is van
het aardsche, verhefdt zij zich aanstonds
tot God ; doch een enkel draadje, dat haar
bindt, is genoeg, om hare vlucht te ver-
hinderen. O hoevele geestelijke personen
worden nooit heilig, omdat zij geen geweld
gebruiken, om zich te ontdoen van zekere
kleine gehechtheden.
7) Alles komt hieruit voort, dat men
te weinig liefde heeft voor Jesus Christus.
Al diegenen, welke opgeblazen zijn van eigen-
waan, allen die, als het niet naar hun zin
gaat, zoo spoedig neerslachtig worden, die
zoo toegevend zijn jegens zichzelven uit
vrees voor hunne gezondheid; die hun hart
immer open hebben voor uitwendige zaken,
steeds verstrooid zijn van geest, vol verlan-
gen om allerlei dingen te hooren , die in
het geheel geen betrekking hebben op den
dienst van God, maar alleen strekken tot
-ocr page 132-
124
bevrediging van hunne grillen; die gramstorig
worden bij de minste onoplettendheid, die
zij meenen van iemand te ondervinden,
daarom dikwijls van streek zijn en te kort
blijven aan het gebed of de verzameling
des geestes; die nu eens vol godsvrucht
zijn en als in vervoering van geluk, dan
weder vol ongeduld en droefheid, naarge-
lang de zaken mede of tegenvallen, al de-
zulken, neen, zij beminnen Jesus Christus
niet of beminnen Hem zeer weinig en bren-
gen de ware godsvrucht in diskrediet.
8) Maar wat moet men doen, als men
tot dien rampzaligen staat van lauwheid
vervallen is? Het is waar, een ziel, die
verflauwd is, kan moeilijk haren ouden ijver
terug bekomen; maar wat de menschen
niet kunnen, zegt de Heer, dat kau God.
Quae impossibilia sunt apud homines, pos-
ui bi! ia sunt apud Deum
i) Wanneer men
bidt en de middelen gebruikt, zal men het
zoover brengen, als men zelf\'verlangt. Vijf
middelen vooral zullen ons van de lauwheid
bevrijden en ons weder op den weg der
volmaaktheid brengen : i. het verlangen naar
de volmaaktheid.
2. het vast besluit om haar
te bereiken.
3. de overweging. 4. de veel-
vuldige II. Communie.
5. het g-ebed.
j) Luc. 18. 27.
-ocr page 133-
«5
9) Het eerste middel dus is het ver-
langen naar de volmaaktheid. De heilige
verlangens zijn de vleugelen, die de ziel
ontheffen aan de aarde; want, gelijk de
H. Laurentius Justinianus zegt, het ver-
langen naar de heiligheid vires subminis-
trat
, poenam exhibet leviorem i) van den
eenen kant schenkt het de kracht, om naar de
volkmaaktheid te streven, van den anderen
kant verlicht het den last, dien wij in dit
streven ondervinden. Wanneer men oprecht
naar de volmaaktheid verlangt, zal men
daarin onverpoosd vooruitgaan; maar als
men er niet naar verlangt, zal men steeds
achteruitgaan en steeds onvolmaakter wor-
den dan men was. Op den weg van God
niet vooruitgaan, zegt H. Augustinus,
is achteruitgaan: Non progredi reverü
est.
2) Die geen geweld doet om vooruit
te komen , zal immer teruggaan , medege-
sleept door den stroom onzer bedorven natuur.
io) Het is een groote dwaling, dat God,
gelijk men wel eens beweert, niet wil, dat
allen heiligen worden. Neen, zegt de H.
Paulus: Haec est voluntas Dei, sancti-
ficatio veslra
3); God wil, dat allen heilig wor-
1)   De Disc. mon c. b.
2)  Ep App. G. B.
3)  J.. Thess. 4. 5.
-ocr page 134-
I2Ó
den, een ieder volgciis zijnen staat; de kloos-
terling als kloosterling, de wereldling als \\ve-
reldling, de priester als priester, de gehuwde
als gehuwde, de koopman als koopman,
de soldaat als soldaat, en dit geldt voor
eiken stand. Zeer schoone wenken geeft
omtrent dit punt mijne groote voorspreek-
ster, de H. Theresia. Zoo zegt zij o. a.
Laten wij groote gedachten hebben, want
daarin ligt ons geluk
en op een andere
plaats : Wij moeten met te bescheiden zijn
in onze verlangens
, maar een vast vertrou-
wen hebben , dat wij door onze aanhoudende
pogingen langzamerhand zoover zullen komen
als met Gods genade vele heiligen gekomen,
zijn i);
en tot bevestiging daarvan getuigde
zij bij ondervinding te weten, dat grootmoe-
dige personen in korten tijd groote vorde-
ringen maken; want, zegt zij, de lieer steltonze
verlangens zoozeer op prijs, al hadden wij ze
reeds ten uitvoer gebracht.
Op een andere
plaats weder zegt zij: God schenkt zijn buiten-
gewone gunsten gewoonlijk slechts aan hen,
die vurig naar zijne liefde hebben ver-
langd"
2) Nog op een andere plaats .• God
1)    Vie. c. XIII.
2)    Chemin de la perf. c. 35.
3)    Vie c. 4.
4.    Rib. b. 4, H. 10.
-ocr page 135-
[27
laat geen enkel goed verlangen in dit leven
onbeloond
3), want Hij is een vriend tan
ede/moedige zielen: mits zij zichzelve mis-
trouwen
4). Juist die edelmoedigheid van
geest was het bijzonder kenmerk der heilige
Theresia; zij verstoutte zich eens tot God te
zeggen, dat het haar weinig deerde, later in
den hemel zielen te moeten zien , die er
meer dan zij zouden genieten; maar dat zij
niet wist, hoe zij het zou kunnen verdragen,
als zij daar iemand zou moeten aanschou-
wen , die Hem meer dan zij beminde. 1)
11) Vatten wij dan moed: Bonus est Domi-
nus a?iimae quaerenti Mum
2) God is uiter-
mate goed en vrijgevig voor eenieder, die
Hem van harte zoekt. Zelfs al hebben wij
zonden bedreven, dit is voor ons geen be-
letsel om heilig te worden, indien wij
waarlijk naar de heiligheid verlangen. De
H. Theresia geeft ons hier weder een be-
langrijken wenk: de duivel, zegt zij, tracht
het ons als hoogmoed te doen voorkomen groote
verlangens te hebben en de heiligen te willen
navolgen; maar het is van groot nut, dat
wij onszelven opwekken tot groote zaken,
want al heeft de ziel niet aanstonds de
daartoe vereischte kracht, zij doel dan toch een
1)  Rib. 1. 1. c. 4.
2)  Thren. 3. 25.
-ocr page 136-
128
edelmoedige poging, en daardoor gaat zij
7\'eel vooruit
i) De apostel zegt: Diligentibus
Deum omnia cooperantur in bonum.
2)
Hun die God beminnen, werkt alles mede
ten goede
; de Glossa voegt er bij: etiam pec-
cata,
zelfs de zonden die wij hebben be-
dreven, kunnen medewerken tot onze heilig-
making, in zoover hunne herrinnering ons
nederiger maakt en dankbaarder, bij het ge-
zicht der weldaden, die God ons bewijst, nadat
wij hem zoozeer hebben beleedigd. Ik kan
niets, zoo moet de zondaar zeggen, en ik
verdien niets; niets anders verdien ik dan
de hel; maar ik heb te doen met een God
van oneindige goedheid, die beloofd heeft,
een ieder te zullen verhooien, die tot Hem
bidt: welnu, daar God mij uit den staat van
verdoemenis heeft opgewekt en het zijn wil
is, dat ik heilig worde; daar Hij mij daar-
enboven zijne hulp aanbiedt, dan kan ik
ook heilig worden, wel niet door eigen
krachten; maar door de genade van mijnen
God, die mij versterkt: Omnia possum in
eo qui me confortat
3) Wanneer wij dus
goede verlangens hebben, laten wij dan moed
vatten en trachten wij ze vol betrouwen op
God ten uitvoer te brengen; doch zouden wij
1)  Vie. ch. 13.
2)  Kom. 8. 28.
3)    PWL 4- 13-
-ocr page 137-
129
bij de uitvoering onzer geestelijke ondernemin-
gen een beletsel ontmoeten , dan moeten wij
berusten in den goddelijken wil; de H. Mag-
dalena de Pazzi wilde liever de volmaakt-
heid geheel missen dan haar bezitten tegen
den wil van God.
12) Het tweede middel ter volmaaktheid
is het vast besluit om zichzelven geheel
en al aan God te geven. Velen worden
tot de volmaaktheid geroepen, worden er
door de genade toe gedreven, hebben reeds
het verlangen naar de volmaaktheid; maar,
omdat zij geen moedig besluit nemen, leven
zij voort en sterven zij in het vuil van hun
lauw en onvolmaakt leven. Het verlangen
naar de volmaaktheid is niet voldoende,
indien er geen krachtig besluit bij komt om
haar, het koste wat het wil, te bereiken.
Hoevele zielen voeden zich met loutere
begeerten, zonder ooit een enkele schrede
voorwaarts te doen op den weg van God!
Ziedaar die begeerten, waarvan de wijze
man spreekt, als hij zegt: Desideria occidunt
pigrum
i) De verlangens dooden den trage.
Die trage blijft immer verlangen; maar nooit
neemt hij het besluit, om tot zijn heiliging
de middelen aan te wenden, overeenkom-
stig aan zijnen staat. O, zoo zegt hij, be-
i) Prov. 21. 25.
-ocr page 138-
\'3°
vond ik mij in een woestijn en niet in dit
huis ! O kon ik in een ander klooster gaan ,
ik zou mij geheel aan God willen geven; en
middelerwijl kan hij dezen of dien metgezel
niet verdragen , kan hij geen woordje hooren,
dat hem niet bevalt, stort hij zich uit in allerlei
nuttelooze zorgen, bedrijft hij duizenderlei
fouten, is hij gulzig, nieuwsgierig, hoovaardig,
en zucht dan tegen de muren: och had ik, och
kon ik , enz.
Zulke verlangens doen meer
nadeel dan voordeel; omdat men zich daar
mede geruststelt en middelerwijl in zijne
onvolmaaktheid blijft voortleven. Ik keur
het niet goed,
zegt de H. Franciscus van Sales,
dat een persoon, die aan tenen staat of
roepinq verbonden is, verlangens koestert naar
eene andere levenswijze, welke niet overeen-
komt met zijne bediening, of naar godvruch-
tige oefeningen, die onverccnigbaar zijn met
zijn tegenwoordigen staat, want dit ver-
strooit het hart en- maalt dat men in de
noodzakelijke oefeningen verflauwt.i)
13) Wij moeten dus naar de volmaakt-
heid verlangen en tevens manmoedig de
middelen aanwenden. God, zoo zegt de
H. Theresia, verlangt van ons slechts een
edelmoedig besluit, om dan van zijnen kant
al het overige te doen.
2.) De duivel heeft
1)    Intr. p. III. ch. 26.
2)    Livre tles fondat. ch. 2S.
-ocr page 139-
13\'
geen vrees voor onbesliste zielen, i) Daartoe
dient het inwendig gebed, om de middelen te
kiezen die ons tot de volmaaktheid brengen
Men vindt er die veel mediteeren maar in
hunne meditatie nooit iets besluiten. Ik voor
mij,
zegt dezelfde H. Theresia, heb liever
eene korte meditatie die groote uitwerkselen
heeft, dan eene meditatie van vele jaren,
waarin de ziel nimmer eens ecu edelmoedig
liesluit neemt om iets van beteekenis voor
God te doen.
2); en op een andere plaats
zegt zij: Ik weet het bij ondervinding dat
iemand die van den beginne af een moedig be-
sluit maakt om iets te doen, al is het nog
zoo moeilijk; mits hij het slechts doe ter
liefde Gods, niets heeft te vreezen.
14.) Het eerste besluit nu moet zijn
liever alles te lijden, ja liever te sterven
dan een enkele vrijwillige zonde te bedrijven,
hoe klein die ook zij. Het is waar, zonder
de hulp van God kunnen wij de bekoringen
niet overwinnen, al geven wij ons nog
zooveel moeite; maar het is Gods wil
dat wij van onzen kant ons dikwerf die
moeite geven, daar Hij alsdan met zijne
genade onze zwakheid aanvult en ons-doet
zegepralen. Dit besluit ruimt voor ons het
beletsel weg om vooruit te gaan en ver-
1) Cliemin de la perfectiou ch. 24.
2) Vie ch, 39.
-ocr page 140-
132
vult ons tevens met grooten moed, daar
het ons de verzekering geeft, dat wij in
Gods genade zijn. Het zekerste teeken, zegt
de H. Franciscus van Sales, wat wij op
deze wereld kunnen hebben, van in Gods
genade te zijn, bestaat niet in het gevoel
wat wij hebben van Gods liejde; maar in
de algeheele en onherroepelijke overgeving
van geheel ons 7vezen in zijne handen, en
m het vast besluit van nooit toe te stemmen
aan ecne zonde, hetzij die groot zij of klein." i)
Met andere woorden, wij moeten teeder zijn
van geweten. Men houde echter wel in
het oog, dat het iets anders is teeder van
geweten te zijn, iets anders angstvallig.
Teederheid van gewetenis noodzakelijk, om
heilig te worden; maar angstvalligheid
is een gebrek en berokkent ons nadeel;
wij moeten daarom gehoorzamen aan onze
geestelijke bestierders en onze angstvallig-
heden overwinnen, daar het niets anders
zijn dan ijdele en onredelijke kwellingen
15) Vervolgens moet men het besluit
maken, om steeds het beste te kiezen, d. i.
niet alleen wat aan God behaagt, maar
wat hem het meeste behaagt en dit zonder
voorbehoud. Wij moeten beginnen, zegt
de H. Franciscus van Sales, met een
I) Esprit, p. XIII ch9.
-ocr page 141-
<33
krachtig en standvastig besluit om ons ge-
heel aan God te geven, Hem betuigen, dat
wij voor het toekomende geheel aan Hem
willen zijn , en dit besluit moeten wij dikwijls
vernieuwen"
i) De II. Andreas van Avellino
deed belofte, eiken dag in de volmaaktheid
vooruittegaan; om heilig te worden is het niet
noodig deze belofte te doen ; maar toch moet
men zorgen eiken dag iets vooruit te gaan
„Wanneer iemand ," zegt de H. Laurentius
Justinianus , „waarlijk op den goeden weg
is, dan gevoelt hij in zich een aanhoudend
verlangen om vooruit te gaai); en hoe meer
hij in volmaaktheid groeit, des te grooter ook
wordt dit verlangen; want daar het licht
dagelijks toeneemt, meent hij immer nog
volstrekt geene deugd te bezitten en niets te
doen wat goed is, en ziet hij ook al dat hij
iets goeds doet, het komt hem immer zeer on-
volmaakt voor, en hij telt het niet. Vandaar,
dat zoo iemand aanhoudend zijn best doet,
om de volmaaktheid te bereiken, zonder
ooit moede te worden."
16) Op de derde plaats moet men zijne
besluiten ten uitvoer brengen aanstonds en
niet wachten tot morgen. Wie weet of wij
later nog wel den tijd zullen hebben, om ze
te volbrengen : Quod curque facere potest
manus tua,
zoo vermaant ons de Ecclesiast,
i) Amour de Dien 1. iz ch. 8.
-ocr page 142-
T34
instanter operare i). Wat gij doen kunt, doe
het aanstonds, en stel het niet uit; en als
reden voegt hij er bij .• Quia nee opus nee
ratio nee sapientia ne scientia erunt apud
inferos, quo tuproperas.
Want in het andere
leven is er geen tijd meer, om te werken, is
er geen gelegenheid meer, om wat te verdienen
noch wijsheid, om wel te handelen, noch kennis
of ondervinding, die ukanhelpen; want naden
dood geldt het: wat gedaan is, is gedaan.
In het klooster Torre dei Spceehi, te
Rome, bevond zich eens eer.e religieuse,
met name zuster Bonaventura, die een zeer
lauw leven leidde. Het gebeurde, dat Pater
Lancicius aan die zusters de geestelijke
oefeningen kwam geven ; doch zuster Bona-
ventuia, die volstrekt geen verlangen had,
om uit hare lauwheid op te staan, ging
slechts met weerzin die geestelijke oefeningen
bijwonen; maar ziet, reeds bij de eerste
preek trof haar de goddelijke genade; aan-
stonds ging zij zich aan de voeten werpen
van den pater en zeide hem oprecht beslo-
ten : Pater, ik wil heilig worden, en aanstonds
beginnen.
Met Gods hulp hield zij woord,
want zij leefde daarna nog ongeveer acht
maanden, maar in dien korten tijd heeft
zij geleefd als een heilige en zij is ook als
een heilige gestorven.
i) Eccl. 9. 10.
-ocr page 143-
*35
17) Et dixi, nwic coepi i) sprak David,
En ik heb gezegd: Nu begin ik. In gelijken
zin herhaalde ook de H. Carolus Borromeus
eiken dag: Heden begin ik God te dienen,
Zóó moet men doen, als hadde men
in het verledene nog niets goeds gedaan;
en dat is ook inderdaad zoo; want alles
wat wij voor God doen, beteekent niets,
immers het is niets anders dan onze plicht.
Laten wij dan dagelijks besluiten, dat wij
dien dag willen beginnen geheel aan God
te zijn. Slaan wij geen acht op hetgeen
anderen doen; weinigen slechts zijn het, die
zich waarlijk op de heiligheid toeleggen.
Perfectum non potest esse nisi singulare, zegt
de H. Bernardus : De volmaaktheid moet
noodzakelijk buitengezvoon zijn.
Indien wij
ons willen regelen naar de groote menigte,
dan zullen wij immer onvolmaakt blijven,
want het meerendeel der menschen is on-
volmaakt. Men moet alles verwinnen , aan
alles verzaken , waar het geldt alles te be-
zitten. Omdat wij er niet toe komen, zegt
de H. Theresia, ons hart geheel aan God te
geven, daarom schenkt ook Hij ons geheel
zijne liefde niet.
i) O God, hoe weinig
beteekent het al, wat men voor jesus Christus
i) Ps. 76 : 10.
I) ibid. ch. 39.
-ocr page 144-
136
doet, voor Hem, die voor ons bloed en leven
heeft gegeven! Wat wij ook doen (aldus
dezelfde heilige) liet is alles slijk in vergelij-
king van een enkelen druppel bloed door den
Jleer voor ons vergoten
1) De heiligen weten
niet wat het is, zichzelven te sparen, als
het er op aan komt aan een God te behagen,
die zich geheel en zonder voorbehoud aan
ons heeft gegeven, juist om ons te verplich-
ten Hem niets te weigeren. Totnm iibi
dedit, nihil sibi réliquit,
zegt de H. Joannes
Chrysostomus. God heeft u geheel zich-
zelven gegeven, het is dus niet billijk, dat
gij tegenover Hem karig zijt. Hij is zóó
ver gegaan, zegt de apostel, dat Hij voor
ons allen is willen sterven, opdat een ieder
van ons voor niets anders meer zou leven
dan voor hem , die voor ons gestorven is.
Pro nobis omnibus morluus esl Christus, ut
(/ui vivunt jam non sibi vivant
, sed ei aui
pro ipsis morluus esl. 2)
18 Het derde middel om heilig te worden,
is de overweging. Wanneer men niet medi-
teert , zegt Gerson : 3) is het zonder een
mirakel niet mogelijk als Christen te leven.
De reden is, dat men zonder overweging
1)  Ibid. ch. 39.
2)  II cor. 5. 15.
3)  De MecUt. cons 7,
-ocr page 145-
»37
verstoken is van het noodige licht en rond-
wandelt in de duisternis. De waarheden
des geloofs worden niet gezien met de
oogen des lichaam, maar met de oogen der
ziel, wanneer men ze overweegt; wie ze niet
overweegt, ziet ze niet, maar wandelt in
het donker, en in die duisternis hecht men
zich gemakkelijk aan het zinnelijke, waar-
voor men dan de eeuwige goederen uit
het oog verliest. De H. Theresia schreef
eens aan den bisschop van Osma i :) Wij
meen en soms, dat ivij geene gebreken hebben
;
doch wanneer God de oogen onzer ziel opent,
gelijk Hij het te doen pleegt in de overwe-
ging , dan komen er velen te voorschijn.
En
vóór haar schreef de H. Bernardus 2): hij
die niet mediteert, verafschuwt zichzelven
niet, omdat hij zichzelven niet kent; seip-
siu/i non exhorret quia non sentit.
De
meditatie, zegt de heilige, regit affeclus,
dirigit actus
; regelt onze neigingen en richt
onze handelingen naar God;
maar verzuimt
men de overweging, dan hechten zich onze
neigingen aan de aarde, onze handelingen
volgen onze neigingen en aldus geraakt
alles in wanorde.
1)  Lettre 3.
2)  De consider. 1. I c. 2. en c. 7.
-ocr page 146-
13»
19 Ken vreeselijk voorbeeld betrekke-
lijk deze stof vinden wij in het leven van
de Eerbiedw. zuster Maria Crucifixa van
Sicilië. Als deze dienaresse Gods zich eens
in het gebed bevond, hoorde zij een dui-
vel er zich op beroemen, dat hij eene
zuster de gemeenschappelijke overweging
had doen nalaten, en zij zag in den geest,
hoe hij die zuster na deze tekortkoming
bekoorde tot een zware zonde, en hoe de
zuster reeds op het punt was van toe te
stemmen. Aanstonds begaf zich nu de
dienaresse Gods naar haar heen en behoedde
haar voor den val i). Hij, die de over-
weging achterlaat, zegt de H. Theresia,
wordt binnen korten tijd of een dier of een
duivel.
20) Die dus niet mediteert, zal ook
Jesus Christus niet beminnen. De medita-
tie is die zalige oven waarin het vuur
der goddelijke liefde ontstoken wordt en
onderhouden: In meditatione mea exar-
descit ignis.
2) De H. Catharina van
Bologne placht te zeggen, dat hij, die het
gebed niet beoefent, zich van den band
berooft, welke de ziel met God vereenigt.
Het zal den duivel dan ook niet moeilijk
11 Pall. Hist. laus. c. yS.
3) Ps. 38. 4.
-ocr page 147-
*39
vallen zulke ziel, welke reeds koud is in de
goddelijke liefde, over te halen, om van
een of andere vergiftige vrucht te eten.
Maar, zegt de H. Theresia, ah iemand
in de meditatie volhardt, dan moge de dui-
vel hem nog zoovele zonden in den weg stel-
len , toch zal de lieer
, het is mijne over-
tuiging , hem eindelijk tot de zaligheid bren-
gen, i)
Op een andere plaats zegt zij:
Die op den weg des gebeds niet stilstaat, zal
eindelijk zeker behouden aankomen
2) En
op een andere plaats: Ziedaar, waarom
de duivel er zoozeer op uit is de ziel van
liet inwendig gebed af te trekken, hij weel na-
melijk dat de ziei, die het met volharding
beoefent, voor hem verloren is.
O wat al goed verwerft men door het
gebed ! In het gebed worden de heilige
gedachten geboren , de godvruchtige gevoe-
lens gevoed, de grootmoedige verlangens,
opgewekt, het vast besluit gevormd om zich
geheel aan God te geven , zoodat de ziel ein-
delijk alle aardsche genietingen en al hare on-
geregelde neigingen aan God ten offer brengt.
De H. Aloysius van Gonzaga zegt: Geen
hooge volmaaktheid zonder veel gebed.
Bemint
men dus de volmaaktheid, dan neme men het
1)    Vie. ch. 8.
2)    Ibid ch. 19.
-ocr page 148-
140
gezegde van dezen grooten heilige wel ter
harte.
21)    Men moet zich evenwel niet naar
het gebed begeven, om daar de zoetheid
der goddelijke liefde te smaken; wie er
zich met dit inzicht heen begeeft, zal er
slechts tijd verliezen of althans uit zijn gebed
weinig voordeel trekken. Wij moeten ons
in het gebed begeven, alleen om te weten,
wat God van cns verlangt en Hem
kracht te vragen om dit ten uitvoer te bren-
gen. De eerbiedw. Pater Antonius Torres
zeide: Het kruis zonder vertroostingen
dragen doet de zielen tot de volmaaktheid
vliegen. Het gebed zonder vertroostingen
is het vruchtbaarste voor de ziel. Maar
rampzalig de ziel, die, omdat zij er geen
troost vindt, het gebed achterlaat! De H.
Theresia, zegt dat eene ziel die het gebed ach-
terlaat, zich als het ware van zelve in de
hel werpt, zonder duivelen te behoeven, i)
22)    Een gevolg ook van de beoefening
des gebeds is dat de ziel immer aan God
denkt; Iemand, die waarlijk bemint, zegt
de H. Theresia, denkt immer aan het be-
minde voorwerp
2); en ziedaar de reden,
waarom meuschen van gebed immer van
i) Vie ch. 19.
2) Liore des fondat. ch, 5.
-ocr page 149-
*4t
God spreken; zij weten hoe aangenaam
het aan God is, dat zijne uitverkoren zie-
len er hun genoegen in vinden van Hem
te spreken , te spreken van de liefde, die
God ons toedraagt, en aldus hun best doen, om
ook anderen in die liefde te doen ontvlammen.
Jesus Christus, zegt de H. Theresia, is im-
mer bij de gesprekken van Gods dienaren
tegenwoordig, en het is Hem zeer aan-
genaam, dat zij zich aldus in Hem ver-
heugen i)
23) Uit het inwendig gebed ook komt
dat verlangen voort, om zich terug te trek-
ken naar eenzame plaatsen, waar men in
de stilte met God kan verkeeren , en om te
midden der noodzakelijke uitwendige bezig-
heden de verzameling des geestes te bewa-
ren. Ik zeg: der noodzakelijke uitwendige
bezigheden, die, n. 1., waartoe men verplicht
is wegens het huiselijk bestier of wegens
eene bediening, opgelegd door de gehoor-
zaamheid ; want een persoon van gebed
moet liefde voor de eenzaamheid hebben
en zich niet uitstorten in onnoodige en nut-
telooze zorgen; anders toch verlies, zij den
geest van ingetogenheid, welke een krach-
tig middel is om de vereeniging met God
te onderhouden. Hortus conclusus soror tiiea
i) Vie. ch. 34.
-ocr page 150-
142
sponsa i) De ziel, welke aan Jesus Chris-
tus is verloofd, moet een gesloten tuin zijn
voor alle schepselen en moet in haar hart
geen andere gedachten en geen andere be-
kommeringen toelaten, dan alleen die God
betreffen of voor God zijn. Harten , die
openstaan, worden nimmer heilig. De hei-
ligen , welke arbeiden voor het heil der
zielen, ofschoon zij moeten preeken , biecht-
hooren, geschillen bijleggen, zieken bezoe-
ker, bewaren evenwel te midden van al
hunne inspanning immer hunne intogen-
heid. Hetzelfde geldt van hen, die zich
toeleggen op de studie. Hoevelen zijn er,
die, omdat zij veel willen studeeren en ge-
leerd willen worden, noch heilig worden noch
geleerd; immers de ware geleerdheid be-
staat in de wetenschap der heiligen n.1. in
Jesus Christus te beminnen, want de god-
delijke liefde brengt, de wetenschap, brengt
alle goed met zich mede. Veneruni autem
mihi omnia bona cum Ma 2)
De H. Joannes
Berchmans had eene buitengewone liefde voor
de studie, maar zijne deugd liet nimmer toe, dat
de studie zijnen geestelijken voortgang be-
lemmerde. De apostel raadt ons, maat te
houden in onze zucht naar kennis: Non
1)     Cant 4. 12.
2)     Sap. 7. 11.
-ocr page 151-
\'43
plus quam oportel, sapere; sed sapere ad
sobrietatem
i) Wetenschap is noodzakelijk,
bijzonder voor een priester; want een
priester moet de anderen onderrichten in
de goddelijke wet. Labia enim sacerdoiii
ctistodieub scientiam et lcgcm requirent ex ore
ejas. 2)
Hij moet dus wetenschap bezitten,
maar usque ad sobrietatem, hij moet in zijn
zucht naar weten niet te ver gaan. Wie om
de studie het gebed achterlaat, geeft het
bewijs , dat hij in de studie niet God, maar
zichzelven zoekt. Wie God zoekt, zal
liever de studie nalaten, als deze niet be-
paald noodig is, dan het gebed.
24) Het ergste evenwel is, dat men
zonder inwendig gebed niet bidt. * Op
meerdere plaatsen van mijne geestelijke
werken heb ik gesproken over de noodza-
kelijkheid van het gebed bij zonder in een werk-
je getiteld : Het groote middel der zaligheid;
ik zal er ook in dit hoofdstuk in het kort
het een en ander over zeggen. Hier is het
voldoende de aandacht te vestigen op het-
geen de eerbiedwaardige bisschop van Osma
Mgr. Palafox schrijft. „Hoe, zoo zegt hij, kan
1)    Kom. 12. 3.
2)    Mal 2 7.
* Hier spreekt de II. Alphonsus M. van het gebed
bepaaldelijk in den zin van vragen.
-ocr page 152-
144
de lief Ie duren, als God ons de volharding
niet geeft t Maar hoe zal de lieer ons de
volharding geven, als wij er Hem niet om
wagen ? En hoe zullen wij er Hem om vra-
gen zonder gebed, Zonder gebed geen ge-
meenschop met God
, het eenig middel om
standvastig te blijven in de deugd."
i) En
zoo is het; want wie het inwendig gebed
niet beoefent, ziet maar ten halve de be-
hoeften zijner ziel, kent maar in geringe
mate de gevaren voor zijne zaligheid en de
middelen, welke hij moet aanwenden, om de
bekoringen te overwinnen; daar zooiemand
derhalve ook weinig doordrongen is van de
noodzakelijkheid des gebeds, zal hij het
nalaten en zeker verloren gaan.
25) Wat nu de stof der overweging
aangaat, het nuttigste van alles is te medi-
teeren over de uitersten, over den dood,
het oordeel, de hel en den hemel; bijzonder
nuttig is het te mediteèren over den dood, zich
voor te stellen dat men reeds op zijn doods-
bed ligt uitgestrekt, het kruisbeeld in de
handen en op het punt de eeuwigheid
binnen te gaan. Maar geen beter, geen
krachtiger overweging voor hen, die Jesus
Christus beminnen en immer in zijne liefde
wenschen aan te groeien, dan de over-
1) Lettre S no. 10.
-ocr page 153-
MS
weging van Jesus\' lijden. De H. Franciscus
van Sales zegt, dat de Calvarieberg de lierg
der beminnenden is.
Wie Jesus Christus
beminnen , houden het allen op dezen berg ;
want daar ademt men geen andere lucht
dan goddelijke liefde. Bij het gezicht van
een God, die sterft om onze liefde, die sterft;
omdat Hij ons bemint, (Di/exit tios el tradi-
dit Semetipsum pro nobis)
i) is het onmo-
gelijk, niet van liefde te branden. De wonden
des Gekruisigden schieten voortdurend schich-
ten van liefde uit, in staat zelfs steenen
harten te doonvonden. O zalig hij, die het
gedurende dit leven immer houdt op den
berg van Calvarie ! O zalige berg, o be-
minnelijke berg, o dierbare berg, wie kan
u verlaten? Berg, waarvan een vuur uit-
gaat, dat alle zielen, die getrouw op u
verwijlen, ontvlamt van liefde.
26) Het vierde middel ter volmaaktheid
en tevens het middel, om in Gods genade
te volharden, is de veelvuldige communie.
Wij hebben daarover reeds gesproken in
hoofdstuk II, waar wij zeiden, dat een ziel
aan J. C. geen grooter genoegen kan ge-
ven, dan Hem dikwijls te ontvangen in
het H. Sacrament des altaars. De H.
1) Eph. 5. 3.
5
-ocr page 154-
146
Theresia zeide: Er is geen beter hulpmid-
del ter volmaaktheid aan de veelvuldige
communie ; o, op hoe wonderbare wijze wordt
de ziel dddr door den Heer geheiligd!
Zij
voegt er bij, dat over het algemeen ge-
sproken, zij, die het meest communiceeren,
ook het meest gevorderd zijn in de vol-
maaktheid, en dat inde kloosters, waar men
het veelvuldigst te communie gaat, ook de
meeste ijver is. Vandaar dan ook, dat de H.
Vaders, zooals in het decreet van Innocentius
XI, 1679, gezegcl wordt, de veelvuldige en
zelfs de dagelijksche communie zoozeer aan-
bevolen en bevorderd hebben. De H. Com-
munie, gelijk het concilie van Trente zegt, 1)
bevrijdt ons van de dagelijksche schulden
en behoedt ons voor doodzonden. De H.
communie onderdrukt, zegt de H. Bernardus,
de bewegingen der gramschap en der be-
geerlijkheid, twee hartstochten, die ons het
veelvuldigst en het \'hevigst bevechtenz); en
de H. Thomas zegt, dat de H. Communie de
aanvallen des duivels verijdelt; 3) de H.
Joannes Chrysostomus eindelijk , daj
de H. Communie ons een grootu geneigd,
heid instort tot alle deugden en eene bijzon.
1)    Sess. XIII, c 2.
2)    In coena Dom. I. I.
3)    Sum. p. 3 ij. 75 a. 6.
-ocr page 155-
147
dere vaardigheid, om ze te beoefenen, terwijl
zij ons tevens een grooten vrede schenkt
en ons aldus het streven naar de volmaakt-
heid zoet en gemakkelijk maakt. Geen sacra-
ment bovenal dat de zielen zoozeer in de
goddelijke liefde ontvlamt, als het H. Sacra-
ment des altaars; want als J. C. daar zich -
zelven geheel aan ons geeft, dan geschiedt
dit met geen ander doel, dan om ons ge-
heel met zich te vereenigen door de liefde.
Vandaar het woord van den eerbiedw. Joan-
nes van Avila: Wie de zielen aftrekt van
de veelvuldige communie
, doet het werk van
den duivel.
Ja, want de duivel draagt dit
sacrament een grooten haat toe; omdat de
zielen daar vooral de kracht putten, om in
de goddelijke liefde vooruit te gaan.
27) Maar, om de H. Communie goed te
ontvangen, wordt een passende voorbereiding
vereischt. Als eerste of verwijderde voor-
bereiding, om de H. Communie dagelijks
ot meermalen in de week te kunnen ont-
vangen, wordt gevorderd: i° dat men zich
onthoude van alle voorbedachtelijke fouten,
d. i.van alle fouten, die met open oogen worden
bedreven; 2° dat men veelvuldig het in-
wendig gebed beoefene; 30 dat men
zich toelegge op de versterving \'der zin-
tuigen en der hartstochten. Wanneer
iemand,
zegt de H. Franciscus van Sales,
-ocr page 156-
148
zijne kwade neigingen voor het grootste deel
heeft overwonnen en tot een aanmerkeüjken
graad van volmaaktheid is gekomen, dan kan
hij dagelijks communiceeren,
1) en de H.
Thomas leert, dat men gerust ook dagelijks
de H. Communie kan ontvangen , als men
door ondervinding weet, dat daardoor de
gloed der goddelijke liefde in ons vermeer-
dert. 2) Vandaar zegt Innocentius XI in
bovengenoemd decreet, dat het meerder of
minder veelvuldig ontvangen der H. Com-
munie moet bepaald worden door den biecht-
vader en dat deze zich hierin moet regelen
naar het nut, wat hij de zielen, welke hij
bestiert, daaruit ziet trekken. Wat nu de
naaste voorbereiding aangaat, die nl. welke
geschiedt op den morgen zelven, dat men
communiceert, daarvoor wordt ten minste
een half uur van inwendig gebed gevorderd.
28) Daarenboven .wordt er, om groot nut
uit de H. Communie te trekken^ ook eene
lange dankzegging vereischt. Pater Joannes
van Avila zeide, dat de tijd na de H.
Communie de tijd is, om schatten van genade
te verwerven.
En de H. Maria Magdalena
de Pazzi, dat er geen geschikter tijd is, om
in Gods liefde ontvlamd te geraken, dan de
i) Intr. p. 2 ch. 2.
2) In 4 sent, d. 12, q 3. a. I. s. 2.
-ocr page 157-
149
tijd na de H. Communie. Lalen wij, zegt
de H. Theresia, na ae H. Communie die
achoone gelegenheid, om met God te onder-
handelen, niet voorbijgaan. De goddelijke
Majesteit is niet gewoon haar verblijf slecht
ie betalen, wanneer haar een goede ontvangst
te beurt valt.
29)  Wanneer sommige kleinmoedige zielen
door hunnen biechtvader worden aange-
spoord , om dikwijls te communiceeren, luidt
hun antwoord: Maar ik ben hel niet waar-
dig.
Maar weet gij dan niet, mijne
zuster, dat hoe langer gij uitstelt, gij steeds
des te onwaardiger wordt ? immers, zonder
de H. Communie zult gij minder kracht
hebben, en dus veel meer fouten bedrijven.
Welaan gehoorzaam aan uw bestierder en
laat u door hem leiden; fouten zijn voor
de H. Communie geen beletsel, zoo zij
althans niet geheel en al vrijwillig zijn;
daarenboven de grootste van uwe fouten
is, niet te gehoorzamen aan hetgeen u ge-
zegd wordt door uwen biechtvader.
30)    Maar ik heb vroeger een slecht
leven geleid.
Maar weet gij dan niet, zoo
geef ik u ten antwoord, dat, hoe zieker men
is, men des te meer behoefte heeft aan
geneesheer en artsenij ? Jesus in het Aller-
heiligst Sacrament is geneesheer en genees-
middel. De H. Ambrosius zeide: Qui-
-ocr page 158-
i5°
semper pccco, dcdeo sempcr haberc mcdicinam
i) Ik, die immer zondig, moet immer het
geneesmiddel hebben. Maar
, zal iemand
zeggen, mijn biechtvader zegt tnij niet, dz.t
ik meer moet communiceeren.
Welnu, als
hij het u niet zegt, vraag hem dan verlof
om meer te communiceeren. Als hij het
weigert, wees dan gehoorzaam, maar verzuim
evenwel niet er om te vragen. Dit heeft
den schijn van hoovaardigheid.
Het zou
hoovaardigheid zijn, als gij wildet commu-
niceeren tegen zijn goeddunken; maai niet,
als gij er hem met nederigheid om vraagt.
Dit hemelsch brood vraagt honger; Jesus
wil, dat men naar Hem verlange, sitit sitiri,
zegt een godvruchtig schrijver. 2) Daarbij,
die gedachte: vandaag ben ik te com-
munie geweest,
cf: morgen moet ik com-
municeeren ,
o hoe behoedzaam maakt zij
de ziel, om de fouten te vermijden, en
om Gods wil te volbrengen ! Maar ik heb
geenen ijver.
Indien gij spreekt van den
gevoeligen ijver , deze is niet noodzakelijk;
dien ijver geeft God niet altijd, zelfs aan
zijne uitverkoren zielen niet; het is genoeg,
dat gij den ijver hebt van een vast besloten
I) De Sacr. I. c. 4. 6.
Z) Greg. Naz. Tetr. Sent. 37.
-ocr page 159-
\'5\'
wil, om geheel aan God te zijn, en immer
vooruit te gaan in zijne liefde. Als men,
zegt Joannes Gerson i), de H. Communie
achterlaat; omdat men de verlangde gods-
vrucht niet gevoelt, dan doet men evenals
iemand , die niet naar het vuur gaat, omdat
hij niet warm is.
31) Maar helaas, vele zielen vragen geen
verlof voor de H. Communie, om niet ver-
plicht te zijn, ingetogener en met meer
onthechting aan het aardsche te leven; ziedaar
de ware reden, waarom men niet veelvuldiger
wil communiceeren; men begrijpt, dat met de
veelvuldige communie niet samengaat dat
verlangen om vertooning te maken, die
ijdelheid in het kleeden, die gehechtheid aan
spijs of drank, aan gemakken en nutte-
looze gesprekken; men begrijpt, dat er meer
gebed zou noodig zijn , meer in-en uitwen-
dige versterving, meer afzondering, en daar-
om schaamt men zich, dikwijls tot het altaar
te naderen. Zonder twijfel doen zulke
zielen er goed aan, zich van de veelvuldige
communie te onthouden, zoolang zij zich
in dien rampzaligen staat van lauwheid
bevinden; maar iemand, die tot een vol-
maakter leven geroepen is, moet tot
eiken prijs uit die lauwheid opstaan, ot
I) Sup Mag. Trait- 9. p. 3.
-ocr page 160-
152
hij stelt zijne eeuwige zaligheid in groot
gevaar.
32) Van veel nut ook, om een ziel in den
ijver te bewaren, is de veelvuldige gees-
telijke
communie, welke het concilie van
Trente 1) zoozeer prijst en waartoe het
alle geloovigen aanspoort. De geestelijke
communie bestaat, gelijk de H. Thomas
zegt 2), in een vurig verlangen om Jesus
Christus in het allerheiligste sacrament te
ontvangen, en daarom deden de heiligen
haar meermalen daags. Ziehier de wijze
om de geestelijke communie te doen:
Mijn Jesus, ik geloof, dat Gij in het al-
lerheiligst Sacrament tegenwoordig zijt. Ik
bemin U, ik verlang naar U, kom in mijn
hart. Ik omhels V, en ik bid U, laat niet
toe, dat ik mij ooit van U schelde,
of kor-
ter: Mijn Jesus, kom tot mij, ik verlang
naar ü, ik omhels U, laten wij immer ver-
eenigd blijven.
Die\' geestelijke communie
kan men doen meermalen daags, bijv , wan-
neer men zijn gebed doet, wanneer men
het Allerheiligst Sacrament bezoekt, en
vooral, wanneer men de H. Mis bijwoont,
op het oogenblik van de communie des pries-
ters. De gelukzalige Angela van het Kruis,
1)    Sess. 13 c. 8.
2)    3 p. cj. 8. art. 1. ad, 3.
-ocr page 161-
\'53
Dominicanesse, zeide eens: Indien mijn
biechtvader mij niet geleerd had, om aldus
meermalen daags te communiceeren, zou
ik het mij niet mogelijk achten te leven.
33) Het vijfde en het noodzakelijkste
middel, om het geestelijk leven te bewaren
en om de liefde tot Jesus Christus te ver-
krijgen, is het gebed. Vooreerst merk ik
op, dat God ons in dit middel zijne groote
liefde doet kennen. Kan iemand wel grooter
bewijs van genegenheid aan eenen vriend
geven, dan hem te zeggen : Mijn vriend,
vraag van mij wat gij wilt, en gij zult het
van mij hebben ? Welnu, ziedaar wat de
Heer zegt tot ons: Pelile cl daluur vobis:
quaerite, en invenietis
1). Vraagt en u zal ge-
yeven worden
, zoekt en r/ij zult vinden. Door
die belofte is het gebed alvermogend bij God
en, gelijk Theodoretus zegt, alleen genoeg,
om ons alle goed te verwerven: Oratio cum
s\'xt una omnia polest.
Die bidt, verkrijgt
van God al wat hij wil. Zeer schoon zegt
David: Benedicius Deus qui non amovit
oratio/tem et tnisericordiam suam a me.
2) Ge-
zegend de Heer, die mijn gebed en zijne
barmhartigheid van mij niet leeft wegge-
nomen.
De H. Augustinus, deze plaats
1)     I.UC. II. 9.
2)    Ps. 65. 20.
-ocr page 162-
"54
verklarende, zegt: Als Gij ziet, dat het gebed
in u niet ontbreekt , wees dan zeker, dat
ook de goddelijke barmhartigheid u niet zal
ontbreken ; en de H. Joannes Chrysostomus
voegt er bij : Sempcr olitinetur , etiam duin
adliuc oramus.
d i. Wanneer wij bidden, geeft
de Heer ons reeds, vóór wij met bidden op-
houden, de genade, die wij vragen. Indien wij
dus arm zijn, beklagen wij ons dan niet,
tenzij alleen over onszelven; want wij zijn
arm, omdat wij arm willen zijn, en daarom
verdienen wij geen medelijden. Welk mede-
lijden zou een bedelaar verdienen , die een
zeer rijken beschermer had, bereid hem van
alles te voorzien, mits hij er slechts om
vraagt, en die niettemin arm wil blijven,
liever dan hetgeen hij noodig heeft te vra-
gen ? Welnu onze God, zegt de Apostel,
is bereid een ieder, die zijne hulp inroept,
rijk te maken. Dives in omnes qui inwcant
Mum.
i)
34) Alzoo, het ootmoedig gebed verkrijgt
alles van God; maar men wete het wel,
even nuttig als ons het gebed is, even nood-
zakelijk is het ter zaligheid. Het is zeker,
dat wij, om de bekoringen te overwinnen,
een e volstrekte behoefte hebben aan Gods
hulp. Somwijlen nu, hebben wij meer hevige
1) Rom. 10. ia.
-ocr page 163-
155
aanvallen te verduren, en ofschoon ook dan
de genoegzame genade, welke God aan
alle menschen geeft, ons voldoende zou
kunnen zijn, om weerstand te bieden, zal
deze ons echter, ten gevolge onzer geneigd-
heid tot het kwaad, in werkelijkheid niet
genoeg zijn; er zal een bijzondere genade
worden vereischt. Wie bidt, zal die bijzon-
dere genade verkrijgen; wie niet bidt, ver-
krijgt haar niet en gaat verloren. En in
het bijzonder, wat aangaat de genade der
volharding ten einde toe, de genade van te
sterven in de genade Gods, eene genade,
die ons volstrekt noodzakelijk is ter zalig-
heid, zonder welke wij zeker voor eeuwig
verloren zullen gaan, de H. Augustiuus
zegt 2) , dat God deze genade niet geeft,
tenzij aan hem, die bidt. Ziedaar de reden,
waarom zoo weinigen zalig worden; omdat
er zoo weinigen zijn, die er aan denken, aan
God die genade der volharding te vragen.
3$) Kortom, de heilige vaders zeggen,
dat het gebed ons noodzakelijk is, niet alleen
uit noodzakelijkheid des gebods (zoodat vol-
gens de godgeleerden iemand, die gedurende
een maand nalaat aan God zijn eeuwige zalig-
heid aan te bevelen, niet vrij te spreken is
van doodzonde); maar ook uit noodzake-
1) de Dono pers. c. 16.
-ocr page 164-
tsö
liikheid des middels m. a. w. iemand, die
niet bidt, kan onmogelijk zalig worden; en
de reden is eenvoudig deze , dat niemand
de zaligheid kan bereiken , zonder den bij-
stand der goddelijke genade, en dat God
deze genade niet geeft, tenzij aan hem,
die bidt. Daar nu de bekoringen en de
gevaren van in Gods ongenade te vallen
immer aanhouden, moeten wij ook immer
aanhouden met onze gebeden ; vandaar het
woord van den H. Thomas, dat den mensch
om zalig te worden een aanhoudend gebed
noodig is: Necessaria est Itomini jugis oratio,
ad hoc quod coelum, introeat i). Reeds Jesus
Christus had het gezegd: oportel seviper orare
et non dcficcre2) Men moet altijd bidden
en nooit ophmiden,
gelijk ook op zijn voorbeeld
de Apostel: line intermissionc orale 3):
Jhdt zonder ophouden. Het oogenblik, dat wij
verzuimen te bidden, zal de duivel gebruiken
om ons te overwinnen. Al kunnen wij de ge-
nade der volharding, gelijk het concilie van
Trente leert, 4) niet verdienen, wij kunnen
haar, zegt de H. Augustinus, in zekeren zin
toch verdienen door het gebed: Hoc Deidonum,
perseverantiae suppliciter emereri potest, id est
1)  3 p. qu. 39. a. 5.
2)  Luc. 18. I.
3)   1. Thcss. 5. 17.
4)  Sess. (>. c. 13.
-ocr page 165-
»57
supplicando impetrari. 1) De Heer verlangt
ons zijne genade mede te deelen; maar Hij
wil er om gebeden worden, ja, zegt de H.
Gregorius, Hij wil lastig gevallen zijn en
als het ware gedwongen worden door onze
gebeden. Vult Heus orari, vult cogi, vult
quodammodo importunxlate vinci.
2) En
wanneer wij God genade vragen, zegt de
H. Maria Magdalena de Pazzi, clan verhoort
Hij ons niet alleen, maar Hij is ons dan
in zekeren zin zelfs dankbaar. Ja, want, daar
God een oneindige goedheid is, die verlangt
zich aan anderen uit te storten, heeft Hij,
om zoo te spreken, een eindeloos verlangen,
ons zijne goederen mede te deelen; maar
Hij wil, dat men er Hem om bidde; en
daarom, als Hij ziet, dat eene ziel Hem om
genade bidt, gevoelt Hij daarover eene zóó
groote vreugde, dat Hij haar in zekeren
zin er voor bedankt.
36) Indien wij derhalve immer tot onzen
dood toe in Gods genade willen volharden,
moeten wij immer de rol van bedelaar
vervullen, immer den mond geopend houden,
om God te smeeken, dat Hij ons helpe, en
daarom aanhoudend verzuchten: Mijn Jesus
barmhartigheid, laat niet toe, dat ik van U
1)  de dnno Pers c. 6.
2)  In ps, 6. poenitent,
-ocr page 166-
i58
gescheiden worde; Heer sta mij bij; Mijn
God help mij.
Dit was ook de aanhouden-
de bede der vaders in de woestijn:
Deus in adjuiorium meum ititende, Domine
ad adjuvandum me festina.
Heer, help mij
en help mij spoedig, want als gij toeft om
mij te helpen, zal ik vallen en verloren gaan.
Zoo moet men vooral bidden ten tijde der
bekoringen Wie dit niet doet, is verloren.
37) En hebben wij groot vertrouwen in
het gebed. Het is een goddelijke belofte, dat
een ieder die bidt, wordt verhoordt. Petite et
accipietis : Vraagt en gij zult ontvangen.
Wat
twijfelen wij dan, zegt de H. Augustinus,
terwijl de Heer zich door zijne belofte ver-
plicht heeft en dus niet in gebreke kan
blijven, ons de genade te geven, die wij
Hem vragen? Promitlendo debitorem se fecit.i)
Wanneer wij ons aan God aanbevelen,
moeten wij een vast vertrouwen hebben,
dat God ons verhoort-, dan zullen wij alles ver-
krijgen , wat wij verlangen; Jesus Christus
heeft het gezegd : Omnia quaecunque oranles,
petilis credite quia accipietis et evenient
vobis.2) Alles wat gij biddende mocht vragen,
gelooft, dat gij het zult verkrijgen, en het
zal u geworden.
1)   De veib. Dom. serm, 2.
2)  2. Mare 11. 24.
-ocr page 167-
159
38) Maar ik ben een zondaar, zal
iemand zeggen, ik verdiengeene verhooring.
Doch Jesus Christus zegt: Omnis quipeiit
accipit.
1) Een ieder, die vraagt verkrijgt:
een ieder, hij zij rechtvaardige of zondaar.
De kracht van het gebed, zegt de H.
Thomas komt niet van onze verdiensten,
maar van de barmhartigheid Gods, die be-
loofd heeft een ieder te zullen verhooren,
die Hem bidt. Oratio in impelrando non
innititur merito sed divinae misericordiae.
Daarenboven, om ons alle vreeze bij ons bid-
den te ontnemen, heeft de goddelijke Zaligma-
ker gezegd: Voorwaar, voortvaar ik zeg u, zoo
gij den Vader iets in mijnen naam zult vragen,
zal Hij liet ugeven. Amen, Amen dico vobis, si
quid petierilis Patrem in nomine meo dabit
vobis,
3) Zondaren, zoo scheen Hij te willen
zeggen, gij hebt niet verdiend, Gods ge-
nade te verwerven, maar doet nu aldus:
wanneer gij genade wilt, vraagt ze dan
mijnen Vader in mijnen naam d i. om
mijne verdienste, ter mijner liefde; en
dan, vraagt zooveel gij wilt, het zal u
geworden. Maar letten wij wel op dat
woord: in nomine meo, in mijnen naam;
1)  Luc. 11. 10,
2)  2. 2. 9. 17S. a. 3. ad, I.
3 ) Jo. 16 23.
-ocr page 168-
i6o
dit wil zeggen (volgens de verklaring van
den H. Thomas) in nomine Salvdtoris:
in den naam des Zaligmakers;
m.a.w. het moe-
ten gunsten zijn betrekking hebbende oponze
eeuwige zaligheid. Men dient dus in \'t oogte
houden , dat de goddelijke belofte niet geldt
voor tijdelijke goederen. Wanneer deze nut-
tig zijn voor onze eeuwige zaligheid, zal
de Heer ze ons geven; maar als ze dit niet zijn,
geeft Hij ze ons niet. Die tijdelijke goederen
moeten wij daarom altijd vragen met de
voorwaarde er bij : als het nuttig is voor
mijne ziel. Maar zijn het geestelijke goe-
deren, die wij vragen, dan komen er geen
voorwaarden te pas, maar vertrouwen en vast
vertrouwen; zeggen wij dan eenvoudig:
Eeuwige VaOer, in den naam van Jesus
Christus, bevrijd mij van die of die bekoring;
geef mij de heilige volharding; geef mij
uwe liefde; geef mij den hemel.
Deze ge-
naden kunnen wij Ook aan Jesus Christus
vragen in zijnen naam d. i. door zijne ver-
diensten ; want ook daaromtrent hebben
wij Jesus belofte: Si quidpetieritis in nomine
meo
, hoc faciam.. i) Indien Gij iets zult
vragen in mijtten naam, ik zal het doen.
En
wanneer wij God bidden, denken wij er dan
ook aan, ons aan de uitdeelster der genade aan
I) Jo. 14. 14.
-ocr page 169-
i6i
te bevelen, aan Maria. God is het, zegt de
H. Bernardus, die de genade geeft, maar Hij
doet het door de handen van Maria: Quaer-
ainus gratiam eb per Mariam quaeramus,
quict quod qnaerib invenil et frustrari nou
po test,
i) Indien ook Maria voor ons bidt,
kunnen wij gerust zijn, want Maria\'s ge-
beden worden alle verhoord en ondervin-
den nooit eene weigering.
Gevoelens en Smeekingen.
Jesus, mijne liefde, het is mijn vast-
besloten wil, U te beminnen zooveel ik kan,
mijn vastbesloten wil, heilig te worden; en
met geen ander doel wil ik heilig worden
dan om U genoegen te geven, Ü veel te
beminnen in dit en het andere leven. Ik
echter, ik kan niets, maar Gij, Gij kunt
alles, en ik weet dat Gij mij heilig wilt.
Ik zie, dat door uwe genade mijne ziel
reeds naar U verzucht en geen ander ver-
langen meer heeft dan U. Ik wil niet langer
voor mijzelven leven. Gij verlangt, dat ik
geheel de uwe zij; maar dit is ook mijn
verlangen. Kom vereenig mij dan met U
en U met mij. Gij zijt eene oneindige
l) De Aquaed.
-ocr page 170-
IÓ2
goedheid, Gij zijt het, die mij zoozeer hebt
bemind, Gij zijt dus al te liefderijk,
al te beminnelijk, dan dat ik nog iets
anders zou kunnen beminnen buiten U. Ik
geef aan uwe liefde de voorkeur boven
alle dingen der wereld, Gij zijt het eenig
voorwerp, het eenig doel van al mijn ge-
negenheden. Ik laat alles varen, om mij ge-
heel en uitsluitend te geven aan uwe liefde,
mijn Schepper, mijn Verlosser, mijn troost
mijne hoop, mijne liefde, mijn al. Neen, al
heb ik U in de jaren, die vervlogen zijn
beleedigd, ik wil daarom den moed niet op-
geven om heilig te worden ; ik weet, dat
Gij, mijn Jesus, gestorven zijt, om aan allen,
die berouw hebben, vergiffenis, te schenken.
Ik bemin U thans uit geheel mijne ziel, ik
bemin U uit geheel mijn hart, ik bemin U
meer dan mijzelven en het spijt mij meer
dan elk ander kwaad, dat ik U heb veracht,
mijn hoogste goed. Thans ben ik de mijne
niet meer, ik ben de uwe; o God mijns
harten, beschik over mij, gelijk U behaagt.
Om U genoegen te geven, aanvaard ik alle
beproevingen, die Gij mij wilt overzenden:
ziekten, smarten, angsten, versmadingen,
armoede, vervolgingen , troosteloosheden;
alles neem ik aan, om U genoegen te geven,
gelijk ook den dood, dien Gij mij bereid hebt,
met alle angsten en kruisen, die hem zullen
-ocr page 171-
i63
vergezellen; genoeg, dat Gij mij de genade
schenkt U veel te beminnen. Geef mij hul}),
geef mij kracht, om U in het leven dat mij
nog rest, met mijne liefde de bitterheden
te vergoeden, welke ik U heb veroorzaakt
in mijn vorig leven, o eenige liefde mijner
ziel. O Koningin des hemels, o Moeder
van God, o groote Voorspreekster der
zondaren, op IJ stel ik mijn vertrouwen.
-ocr page 172-
HOOFDSTUK IX.
Caritas non inflatur.
Wie Jesus Christus bemint, verheft
zich niet op hetgeen hij voortreffe-
lijke bezit, maar vernedert zich en is
verheugd, zich ook door anderen
vernederd te zien.
De hoovaardige is gelijk een opgeblazen
ballon; evenals deze schijnt hij (ten-
minste aan zichzelven) zeer groot; maar
in werkelijkheid bestaat die geheele groot-
heid slechts in een weinig wind; men opene
den ballon, en in een oogwenk is alles ver-
vlogen. Wie God bemint is waarlijk nede-
rig, hij blaast zich niet op, al ziet hij in
zichzelven ook al iets voortreffelijks; want
hij weet, dat al hetgeen hij bezit, louter gave
Gods is, en dat hij uit zichzelven niets heeft
dan het niet en de zonde. Vandaar dat hij,
-ocr page 173-
i6S
bij het gezicht der gunsten, hem door God
bewezen, zich slechts des te dieper verne-
dert ; daar hij zichzelven zoo onwaardig
en tegelijk zoozeer door God begunstigd
ziet.
2) Wanneer de H. Theresia van de bijzon-
dere gunsten spreekt, haar door God bewe-
zen, zegt zij: „ God doet met mij gelijk
men met een kuis doet
, dat op vallen staat;
men stut liet aan alle kanten",
Wanneer
eene ziel soms eens op een liefdevolle wijze
door God wordt bezocht, een meer dan
gewone vurigheid van goddelijke liefde in
zichzelve ontwaart, vergezeld van tranen
of eene groote verteedering des harten , dan
wachte zij zich wel, te denken, dat de Heer
haar om een of ander harer goede werken
aldus begunstigt; maar zij moet zich dan
meer dan ooit vernederen en denken dat
God haar slechts aldus tot zich trekt, opdat
zij Hem niet verlate; want indien zij om
zulke gaven eenige ijdelheid voedt en waant
meer begunstigd te worden, omdat zij zich
beter dan de anderen jegens God gedraagt,
een dergelijke fout zal maken, dat God haar
ten eenemale van Zijne gunsten berooft. Om
een huis te bewaren, zijn vooral twee dingen
noodzakelijk : de grondslag en het dak. De
grondslag moet in ons de nederigheid zijn,
wij moeten erkennen, dat wij tot niets in
-ocr page 174-
[66
staat zijn, niets kunnen; het dak is de
goddelijke bescherming, waarop wij alleen
moeten vertrouwen.
Wanneer wij ons meer door God begun-
stigd zien, moeten wij ons des te dieper
vernederen. Wanneer de heilige Theresia een
of andere meer bijzondere gunst van God
ontving, dan zorgde zij steeds zich al hare
bedreven fouten voor den geest te brengen,
en op die wijze vereenigde de Heer zich
nog inniger met haar. Hoe meer een ziel
zich de genade onwaardig kent, hoe meer
de Heer haar met genade verrijkt. Thaïs,
vroeger eene zondares en later een heilige,
vernederde zich zoozeer voor God, dat zij
zich onwaardig achtte Hem ook maar te
noemen; zij durfde daarom niet zeggen:
Mijn God, maar zeide: „Mijn Schepper,
ontferm U mijner" : Plasmator meus miserere
mei.
En de H. Hieronymus schrijft, dat hij
om die nederigheid voor haar een verheven
troon zag bereiden in den hemel. Iets der-
gelijks leest men van de H. Margaretha
van Cortona; toen deze heilige eens met
meer dan gewone teederheid door den Heer
werd bezocht, riep zij uit: Maar Heer, zijt
Gij dan vergeten wie ik geweest ben ? Be-
taalt Gij mij met zulke liefdeblijken al die
zware beleedigingen, welke ik U heb aan-
gedaan ? en God antwoordde haar, wat Hij
-ocr page 175-
i(>7
eertijds gezegd had door den mond van
Ezechïel: wanneer eene ziel Mij bemint,
en er oprecht berouw over heeft Mij be-
leedigd te hebben, dan vergeet ik alle ont-
vangen beleedigingen; Si autem impius egerit
poenitentiam.....omnium iniquitaium ejus,
qitas operatus est, nonrecordabor i). En als
bewijs daarvan liet de Heer haar zien, dat
Hij haar een verheven troon had bereid
te midden der seraphijnen. O, dat wij er
toe komen mochten de waarde te begrijpen
der nederigheid! Een enkele acte van
nederigheid is meer waard dan in het bezit
te geraken van alle rijkdommen der wereld.
4) Geloof niet, zegt de H. Theresia,
dat gij voortgang hebt gemaakt in de volmaakt-
heid, zoo gij uzelven niet voor den slecht-
ste van allen houdt, en zoo gij niet ver-
langt, dat men u achter alle anderen steile.
Ziedaar hoe de H. Theresia deed, en hoe alle
heiligen hebben gedaan. De H. Franciscus
van Assisie, de H. Maria Magdalena de
Pazzi en anderen achtten zich de grootste
zondaren der wereld; zij betuigden hunne
verwondering, dat de aarde hen droeg, dat
zij zich niet opende onder hunne voeten;
en zij spraken zoo met waarachtige over-
tuiging. Toen de eerbiedw. Pater Joannes
1) Ez. 18. 31. et 22.
-ocr page 176-
i68
Avila, die van zijne jongelingsjaren af een
heilig leven had geleid, den dood nabij was,
begon de priester, die hem bijstond, gansch
verheven dingen tot hem te zeggen, want
hij behandelde hem als dien grooten dienaar
Gods en uitstekenden geleerde, welke hij
was; maar de eerbiedw. Avila zeide : „Ach
Pater , ik bid u voor mij de acten te doen,
gelijk men het voor een ter dood veroor-
deelden booswicht doet, want niets anders
ben ik. Ziedaar welke gedachten de heili-
gen hebben van zichzelven in leven en dood.
5) Ziedaar hoe ook wij ons moeten ge-
dragen, indien wij zalig willen worden, en
tot onzen dood toe in Gods genade vol-
harden : wij moeten al ons vertrouwen
alleen stellen op God. De hoovaardige
steunt Op eigen krachten, en daarom valt
hij, maar de nederige, die alleen op God
vertrouwt, al wordt hij door alle en de
hevigste bekoringen bevochten, hij staat
pal, hij valt niet; immer blijft hij herhalen .•
omnia passim in eo gut me conforiat 1). Ik
kan alles in hem, die mij versterkt.
De
duivel bekoort ons nu eens tot valsch ver-
trouwen, dan eens tot mistrouwen; wanneer
hij ons zegt, dat er voor ons geen vrees
is van te vallen, zijn wij dan meer dan
1) 1M1. 4. 13-
-ocr page 177-
169
ooit op onze hoede; want als God ons een
oogenblik den bijstand zijner genade ont-
trekt, zijn wij verloren. Bekoort hij ons
echter tot mistrouwen, laten wij ons dan tot
God wenden, en zeggen wij met groot
vertrouwen : In ie Dominc speravi non con-
fundnr in aeiernum.
1) Mijn God, op U
heb ik mijne hoop gesteld, ik vertrouw dat
ik mij nooit beschaamd zal zien, en be-
roofd van uwe genade. Zulke acten van
mistrouwen in onszelven en van vertrouwen
op God moeten wij verwekken tot het laatste
oogenblik van ons leven, God immer vragen-
de, dat Hij ons de heilige nederigheid schenke.
6) Maar, om nederig te zijn, is het niet
genoeg eene geringe gedachte van zichzelven
te hebben en zich voor zoo ellendig te
houden als men is; de ware nederige, zegt
Thomas van Kempen, veracht zichzelven
en verlangt ook door anderen te worden
veracht. 2) Ziedaar juist waartoe Jesus
ons zoozeer aanspoort, en waarin hij ons
zichzelven als voorbeeld stelt. Discite a me
quia milis sum et humilis corde
3) Leert van
mij, dat ik zachtmoedig en ootmoedig van
harte ben.
Die zegt, dat hij de grootste
1)   Ps. 30. 2.
2)    Imit 1. 3. c. 7.
3)    Matth. II. 29.
-ocr page 178-
170
zondaar der wereld is, en zich vertoornt
jegens hen, die hem verachten, geeft blijk,
dat hij nederig is met de lippen , maar niet
met het hart. Wanneer iemand, zegt de
H. Thomas van Aquhie, toornig wordt,
omdat men hem veracht, al deed hij dan
ook mirakelen, men houde voor zeker, dat
hij nog zeer ver verwijderd is van de vol-
maaktheid. De allerheiligste Maagd zond
eens den H. Ignatius van Loyola, om de
heilige Maria Magdalena de Pazzi te onder-
richten in de nederigheid; en ziehier de
les welke de heilige Ignatius haar gaf:
De nederigheid bestaat in zich te verheugen
over alles wat er ons toe brengt onszelven
te verachten.
1) Men lette wel op die
woorden: Zich te verheugen; toont ook al
het gevoel zich afkeerig, wanneer wij ver-
nederingen ontvangen, wij moeten er ons ten
minste in den geest over verheugen.
7) Hoe ook zou eene ziel, die J. C.
bemint en ziet hoe haar God het verdraagt,
dat men Hem in het aangezicht slaat en
Hem bespuwt, geen liefde voor de vernede-
ring hebben? Tune expueruntin facieni ejns
et colaphis turn ceciderunl, alii autempalwas
in faciem. ejns deüerunt.
2) Zij spuwden
Hem in het aangezicht en sloegen Hem met
1)    Puccini P. 2 c. 12.
2)    Matth. 26. 67.
-ocr page 179-
i7i
vuisten, anderen gaven Hem kaakslagen.
Ook nu nog wil Jesus op onze altaren niet
voorgesteld worden in zijne glorie, maar
aan het kruis, opdat wij immer het schouw-
spel voor oogen zouden hebben zijner ver-
nedering. Bij dit gezicht was het den hei-
ligen een geneugte op deze wereld te wor-
den geminacht. Toen Jesus eens aan den
H. Joannes a Cruce verscheen met het kruis
op de schouderen, wist de heilige Hem
niets anders te vragen dan lijden en ver-
achting : Domme pati et conttmni pro te,
zoo riep hij uit. Heer, nu ik U ter mijner
liefde zoo veracht zie , kan ik U niets an-
ders vragen dan op mijne beurt te mogen
lijden en veracht te mogen worden voor U.
8) De H. Franciscus van Sales zegt:
Het verdragen der vernederingen is de toets-
steen der nederigheid en der ware deugd,
i)
Wanneer een of ander zoogenaamd god-
vruchtig persoon veel bidt, dikwijls com-
municeert, vast, zich versterft; en echter
eene beleediging een spijtig woordje niet ver-
dragen kan, wat bewijst dit? Het bewijst, dat
hij een hol riet is zonder nederigheid en
zonder deugd. Wat dan wil eene ziel, die
er aanspraak op maakt Jesus Christus te
beminnen, als zij ter liefde van Jesus niet
l) Esprit, p. 10. ch. 10.
-ocr page 180-
172
eens eene belcediging kan verdragen, terwijl
Hij er zoovele heeft verdragen ter liefde van
haar ? Daar Gij zoo bevreesd zi/tom vernederd
te worden,
zegt Thomas a Kempis in zijn gul-
den boekje, de Navolging van Christus, blijkt
het, dat gij niet dood sijt aan de wereld, dat
gij niet nederig zijl en God niet voor oogen
hebt. Alwie God niet voor oogen heeft.,
verliest den vrede bij het geringste woordje
van blaam
, dat hij hoort. Gij kunt voor
God geen kaakslagen of kwetsuren ver-
dragen; verdraag ten minste een woordje.
9) O wat bevreemding en wat ontstichting
baart een persoon, die dikwijls communiceert
en evenwel toornig wordt bij het minste
woordje, wat hem kan kwetsen! Daaren-
tegen , hoezeer sticht eene ziel, die bij het
ontvangen eener beleediging, den persoon,
die haar beleedigt, met zachtheid antwoordt,
om aldus zijne gramschap te stillen; of-
wel in het geheel" niet antwoordt, noch
zich bij anderen beklaagt, maar een kalm
gelaat bewaart, zonder zich verbitterd
te toonen ! De zachtmoedige, zegt de H.
Joannes Chrysostomus, is niet alleen zich-
zelven nuttig maar ook anderen , door het
goede voorbeeld nl. wat hij hun geeft, van
zachtmoedigheid te midden der vernedering:
Mansueius ■utilis sibi et aliis 1) Thomas
1) In Act, Apost, hom, 6,
-ocr page 181-
173
a Kempis geeft betreffende deze stuf verschil-
lende gevallen aan , waarin wij ons moeten
vernederen : Naar hetgeen anderen zeggen,
aldus schrijft hij, zal worden geluisterd,
en wat gij zegt, zal niet worden geteld.
Anderen zullen iets vragen , en zij zullen
het verkrijgen; gij zult iets vragen, en het
zal u worden geweigerd. Anderen zullen
groot zijn in den mond der menschen, en
over u zal men zwijgen. Aan anderen
zal deze of gene bediening worden toever-
trouwd, maar gij zult tot niets nuttig worden
geoordeeld. Op zulke wijze pleegt de Heer
te beproeven, hoever zijne getrouwe dienaar
zichzelven weet te beheerschen en den
vrede weet te bewaren. De natuur zal
somwijlen gevoelig zijn , maar gij zult een
groot gewin doen, als gij alles met stil-
zwijgendheid verdraagt, i)
10) Die waarlijk nederig is, zeide de H.
Joanna de Chantal, vernedert zich, als hij
vernederd wordt, nog dieper.
2) Ja, want de
ware nederige gelooft nooit zoo diep ver-
nederd te worden , als hij verdient. Die zich
zoo gedragen, worden door J. C. gelukkig
genoemd. Niet zij worden gelukkig ge-
noemd, die door de wereld worden geacht,
1)  Iniit. 1. 3. 1 49,
2)  Marsol 1. 4 ch. 8,
-ocr page 182-
174
geëerd en als edel, als geleerd, als vermogend
worden geprezen, maar zij, die vervloekt
worden door de wereld, die vervolgd worden
en gelasterd; want aan dezulken is, indien
zij alles geduldig lijden, eene groote be-
looning weggelegd in den hemel: Reatiestis
cum maledixerint vobis
, el persecuti vos
juerint et dixerint omne malum adversum
vos mentientes
, propier me. Gaudete et
exnltate, quoniam merces vestra copiosa est
in coelis.
r)
n) Vooral moeten wij de nederigheid
beoefenen, wanneer wij door onze over-
sten of door anderen berispt worden
over een of andere fout. Sommige personen
zijn gelijk aan de egels; wanneer men ze
niet aanraakt, schijnen zij zeer zachtzinnig
en gedwee; maar als een overste of een
vriend hen even te na komt, hen vermaant
over iets wat zij verkeerd hebben gedaan,
dan zijn zij aanstonds vol stekels, zij ant-
woorden met toorn, dat het niet waar is
wat men zegt; dat zij gelijk hadden te doen,
gelijk zij deden en dat zij niet begrijpen
wat de vermaning beduidt, in een woord,
die hen berispt beschouwen zij als hun vijand;
juist als sommige zieken, die toornig worden
op den heelmeester, omdat hij hun pijn
j) Math. 5. 11, ia,
-ocr page 183-
i75
doet bij het genezen hunner wonden. Mcdi-
canll irasciiur
i), zegt de H. Bernardus,
men vertoornt zich op hem, die de ge-
nezing brengt.
Een nederig en heilig mensch, zegt de H.
Joannes Chrvsostomus, zucht, wanneer hij
berispt wordt, maar hij zucht over zijne
bedreven fout; de hoovaardige, als hij berispt
wordt, zucht ook, maar hij zucht, omdat
hij zijne fout ontdekt ziet en daarom ver-
liest hij de kalmte, verdedigt hij zich en
wordt hij toornig op dengene, die hem be-
rispt. De H. Philippus Nerius geeft den
volgenden schoonen regel voor het geval
dat men van iets beschuldigd wordt: Wie
waarlijk heilig wil worden,
(zeide hij) moet
zich nimmer verontschuldigen
, al is ook het-
geen men ons ten laste legt, niet waar
2).
Hierbij moet men alleen één geval uitzon-
deren, namelijk wanneer het noodzakelijk zou
schijnen zichzelven te verdedigen, om geen
ergernis te geven. O hoeveel verdiensten ver-
werft men bij God, als men, ofschoon ook ten
onrechte berispt wordende, evenwel zwijgt en
zich niet verdedigt. Somwijlen, zegt de H.
Theresia, 3) gaat eene ziel meer vooruit in de
1)  In Cant 5 , 42.
2)  Baici 1. 2. c. i7-
3)  Chemin de la perf. ch. 16.
-ocr page 184-
176
volmaaktheid, door zich niet Ie verontschuldigen
dan door hei hooren van tien preeken, want
door zich niet te verontschuldigen begint zii de
vrijheid des ge es les te verwerven en leert zij,
er zich niet meer om ie bekommeren of men goed
of kwaad van haar zegt.
Gevoelens en smeekingen.
O Vleeschgeworden Woord, om de ver-
diensten van uw heilige nederigheid, die U
ter onzer liefde zoovele versmadingen en
zoovele beleedigingen deed omhelzen, smeek
ik U, ach bevrijd mij toch van mijnen hoog-
moed en maak mij ook nederig gelijk Gij.
Hoe kan ik mij beklagen over vernederingen,
die men mij aandoet, al zijn zij nog zoo groot,
ik die zoovele malen de hel heb ver-
diend ! Ach mijn Jesus , om de verdiensten
van al die vernederingen welke Gij ver-
duurd hebt in Uw lijden, geef mij de genade
om op deze wereld te leven en te sterven
in vernedering, gelijk Gij in vernedering
hebt willen leven en sterven voor mij. Ik
zou mij ter liefde van U veracht en verlaten
willen zien van allen , maar zonder U kan
ik niets. Ik bemin U, mijn opperste goed,
ik bemin U, o beminde mijner ziel, ik be-
min U, en van U verhoop ik de kracht,
om gelijk ik mij voorneem, alles voor U te
-ocr page 185-
i?7
lijden, alles, beleedigingen, trouweloosheden,
vervolgingen , smarten , dorheid , verlaten-
heid ; het is genoeg, dat ik niet verlaten
worde door U, eenige liefde mijner ziel.
Laat niet toe, dat ik mij nog van U ver-
wijdere. Geef mij verlangen om U genoe-
gen te geven. Geef mij ijver in U te
beminnen. Geef mij tevredenheid in het
lijden. Geef mij overgeving in alle tegen-
heden. Heb medelijden met mij. Ik verdien
niets, maar ik hoop alles van U, die mij
gekocht hebt met Uw bloed. Ook van U
hoop ik alles, mijne Koningin en mijne
Moeder Maria; want gij zijt de toevlucht
der zondaren.
-ocr page 186-
HOOFDSTUK X.
Caritas non est ambitiosa.
De liefde is niet eerzuchtig.
i) Wie God bemint, geeft zich geen
moeite, om geëerd en bemind te worden
door de menschen; zijn eenig verlangen is
welgevallig te zijn aan God, die het eenig
voorwerp zijner liefde is. De H. Hilarius
zegt, dat alle eer, die men van de wereld
ontvangt, nering des duivels is: Omni»
saeculi honor diaboli negotium est:
i) En
zoo is het; want de vijand drijft nering voor
de hel, zoodikwijls hij in de ziel begeerten
binnenbrengt naar achting, immers, als de
ziel de nederigheid verliest, stelt zij zich in
groot gevaar, in alle boosheid te vervallen.
1) In Matlh. c. 3 n. 5.
-ocr page 187-
i79
Gelijk God , zegt de H. Jacobus, zijne hand
opent voor de nederigen, zoo sluit Hij haar
voor de hoovaardigen; God wederstaat hun:
Deus superbis resisüt, humxlibus attlem
dat gratiam.
2) De apostel zegt: Superbis
resislit,
God wederstaat den hoovaardigen,
d. w. z. God luistert zelfs niet naar hunne
gebeden. Welnu onder de acten van
hoovaardigheid behoort zonder twijfel dat
streven om door de menschen te worden
geacht en dat groot gaan op de eerbewijzen
van hen ontvangen.
2) Een allerverschrikkelijkst voorbeeld
hiervan is de Franciscaner broeder Justinus.
Deze kloosterling was tot een verheven
trap van beschouwing gekomen ; maar wel-
licht, of liever, wel zeer zeker voedde hij
inwendig een zeker verlangen om door de
wereld te worden geacht, en ziet wat er ge-
beurt. Op zekeren dag werd hij ontboden door
paus Eugenius IV; en daar deze paus een
groote gedachte van des broeders heiligheid
had, bewees hij hem veel eer, omhelsde hem
en liet hem naast zich nederzitten; broeder
Justinus werd na dit gunstbetoon zóó vol
van zich zelven, dat de H. Joannes Capristra-
nus hem eens zeide: O broeder Justint»
Gij zijt heengegaan als een engel en gij zijt
2) Jac. 4. 6.
-ocr page 188-
i8o
teruggekeerd als een duivel; inderdaad, de
ongelukkige nam van dag tot dag toe in
hoovaardij, hij vorderde, dat men hem be-
handelde met de onderscheiding, die hij
meende te verdienen; het kwam zoover,
dat hij een broeder met een mes doodde;
hij verliet nu het klooster, vluchtte naar
Napels, maakte zich daar nog aan andere
misdaden schuldig, en stierf eindelijk aldaar,
zonder zich te bekeeren, in een gevangenis.
Zeer wijs dan ook is de volgende opmer-
king van zeker groot dienaar Gods: wan-
neer wij den val lezen of hooren, zoo
zegt hij , van sommige ceders van den
Libanon, zooals van een Salomon, een
Tertullianus, een Osius, die algemeen
voor heiligen werden gehouden, het is een
teeken, dat zij zich niet aan God hadden
gegeven, maar inwendig een zekeren geest
van hoogmoed voedden, ziedaar de reden
van hun afval. Sidderen wij daarom, als
wij in onszelven eenig verlangen voelen
opkomen om vertooning te maken of geacht
te worden door de wereld; en als wij van
de wereld eenige eer ontvangen, wachten
wij er ons voor, daarin behagen te scheppen,
het zou de oorzaak kunnen zijn van ons
verderf.
3) Wachten wij ons bijzonder voor die al
te groote prikkelbaarheid op het punt van eer.
-ocr page 189-
i8j
Waar dat overdreven eergevoel is, zegt de
H. Theresia, zal nooit de ware geest zijn. i)
Vele personen leiden uiterlijk een geeste-
lijk leven, maar zij zijn aanbidders van hun-
ne eigene eer. Zij oefenen sommige uiterlijke
deugden, maar verlangen geprezen te worden
in al hunne gedragingen; en vinden zij nie-
mand, die hen prijst, dan prijzen zij zichzel-
ven; in een woord zij trachten beter te schij-
nen dan anderen; en gebeurt het dat men
hen te na komt in hunnen goeden naam, dan
verliezen zij den vrede, laten de H. Com-
munie na, verwaarloozen al hunne god-
vruchtige oefeningen en vinden geen rust,
alvorens zij, naar hunne gedachte, de ver-
loren achting hebben herwonnen. Maar
niet alzoo doen zij, die God waarachtig
beminnen. Niet alleen hebben dezulken er
een afschrik van, een woord tot eigen
lof te spreken , maar verheugen zich zelfs
niet over den lof, dien zij van anderen
ontvangen; integendeel zij zijn er bedroefd
over en verblijden zich, als zij zien, dat
men van hen een kwaden dunk heeft.
4) O hoe waar is het, wat eenmaal
de H Franciscus van Assisie zeide: Slechts
dalgene ben
«\'/\', wat ik ben in de oogen
van God!
Wat baat het voor groot geacht
I) Cherain de la perf,
6
-ocr page 190-
l82
te worden door de wereld, als wij voor
God ellendig en verachtelijk zijn? En van
den anderen kant, wat is er aan gelegen,
dat de wereld ons veracht, als wij dierbaar
en welgevallig zijn in de oogen van God?
Nee malam contcienüam sanat praeconium
laudantis, nee bonam vulnerat convicianÜs
opprobrium
i), zegt de H. Augustinus. d.i.
Evenmin, als men ons bevrijdt van de
straf onzer booze werken, wanneer men ons
prijst, evenmin ontneemt men ons de ver-
dienste onzer goede werken, wanneer men
ons laakt. Wat komt liet er op aan (zegt
de H. Theresia) of de schepselen ons be-
schuldigen en ons voor ellendig houden, als
wij voor U {o God) groot zijn en zonder
vlek!
2) De heiligen hadden geen ander
verlangen dan ongekend en geminacht te
zijn bij allen. En ook, wat onrecht, zegt
de H. Franciscus van Sales, doet men
ons aan, als men een kwaden dunk van
ons heeft, daar immers ook wijzelven dien
moeten hebben? Of zouden wij misschien,
terwijl wij weten, dat wij slecht zijn, vor-
deren, dat anderen ons voor goed houden?" 3)
5) O hoe veilig is het verborgen leven
1)    Contra Petil 1. 3. c. 7.
2)    Chemin de la perf. ch. 16.
3)    Esprit, part. 12. ch. 3.
-ocr page 191-
i83
voor hen, die J. C. van harte beminnen!
Jesus zelf gaf er ons het voorbeeld van;
want Hij leefde gedurende dertig jaren verbor-
gen en veracht in een werk winkel. Ziedaar,
waarom de heiligen, ten einde de achting
der menschen te ontvluchten, zich gingen
verbergen in woestijnen en grotten. De
zucht om vertooning te maken, de begeerte,
dat men van ons spreke, ons gedrag prijze,
en van ons zegge, dat wij goed slagen, ja,
wonderen verrichten, ziedaar, zegt de H.
Vincentius a Paulo, t) een kwaad, dat ons
God doet vergeten, onze heiligste hande-
lingen bezoedelt en het meest onzen voort-
gang in het geestelijk leven belet.
6) Indien wij dus in de liefde tot J. C.
vooruit willen gaan, moeten wij die zucht
naar eigen eer ten eenen male in ons doen
sterven. Maar hoe zal men die zucht naar
eer dooden? Ziehier, hoe de H. Maria
Magdalena de Pazzi ons dit leert. Het
leven van de zucht naar eigen eer,
zegt
zij, is bij allen in een goeden dunk te
staan; de dood derhalve der eigen eer is
zich te verbergen, ten einde door niemand
te worden gekend. En,
(aldus gaat zij voort)
zoolang iemand er niet toe komt, op
I) Abellij. lib. 3 ch. 34. 48.
-ocr page 192-
I&4
deze wijze te sterven, zal hij\'nooiteen waar
dienaar van God zijn.
i)
7) Alzoo, om ons in de oogen van
God welgevallig te maken, moeten wij ons
wachten voor de zucht om over anderen
te heerschen. De H. Theresia wilde liever,
dat haar klooster met alle zusters een prooi
der vlammen werd, dan dat er ooit die
vervloekte heerschzucht binnentrad. En
daarom was het haar verlangen, dat indien
ooit een harer zusters het er op zou toeleg-
gen , overste te worden, men dezelve
uit het klooster zou verjagen of tenminste
voor immer opgesloten houden in den ker-
ker. 2) De eer van een geestelijk persoon,
zegt de H. Maria Magdalena de Pazzi,
bestaat in achter alle anderen te worden
gesteld en in een afschuw te hebben van
boven anderen de voorkeur te hebben.
De zucht van eene ziel, die God bemint,
moet zijn, gelijk de H. Paulus zegt, alle
anderen te overtreffen in nederigheid, in
humilitate s7iperiores.
3) In een woord,
hij, die God bemint, moet geen andere
zucht hebben dan God.
1)  Cepari. c. 13.
2)  Chemin de la perf. c. 8.
3)  Phil 2. 3.
-ocr page 193-
i85
Gevoelens en smeekingen.
Mijn Jesus, laat mijn eenige zucht zijn, U
genoegen te geven, en doe mij alle schep-
selen en ook mijzelven vergeten. Wat
geeft het mij, of ik door de geheele wereld
word bemind, als ik niet bemind word
door U, eenige liefde mijner ziel? Mijn
Jesus, Gij zijt op deze wereld gekomen,
om U meester te maken van onze harten;
indien ik U mijn hart niet weet te geven,
neem Gij zelf het dan, vervul het met
uwe liefde en laat niet toe, dat ik mij nog
ooit weder van U scheide. In het verledene
heb ik U den rug gekeerd, maar thans,
nu ik zie welk kwaad ik gedaan heb, spijt
het mij uit geheel mijn hart, en er is niets
wat mij meer kwelt dan de gedachte aan
die beleedigingen, welke ik U aandeed. Het
troost mij, te weten, dat Gij eene oneindige
goedheid zijt, die het niet beneden U acht,
een zondaar te beminnen, die U bemint.
Mijn beminde Verlosser, o zoete liefde
mijner ziel, in het verledene heb ik U ver-
acht, maar thans bemin ik U meer dan
mijzelven. Ik bied U mijzelven en al
het mijne aan; niets anders verlang ik dan
U te beminnen en U genoegen te geven.
Ziedaar mijn eerzucht; voldoe haar, ver-
meerder haar en vernietig in mij alle
-ocr page 194-
i86
begeerte naar aardsche goederen. Al te
zeer verdient Gij bemind te worden en al
te zeer hebt Gij mij verplicht, U te beminnen.
Zie, hier ben ik, ik wil geheel de Uwe zijn
en ik wil lijden, zooveel als Gij wilt, o
mijn Jesus, die uit liefde tot mij van smart
gestorven zijt op een kruis. Gij wilt dat ik
heilig worde; Gij kunt mij heilig maken,
op U vertrouw ik. Ook op uwe bescher-
ming vertrouw ik, o verhevene Moeder
Gods, Maria.
-ocr page 195-
HOOFDSTUK XI.
Caritas non quaerit quae
sua sunt.
Wie Jesus bemint , onthecht zich
gaarne aan al het geschapene.
i) Wie Jesus Christus uit geheel zijn
hart wil beminnen, moet daaruit alles
verdrijven wat niet God is, alle eigenliefde.
Dit beteekent: non quaercre quae sua sunt,
niet zichzelven, maar alleen wat God
behaagt zoeken. En ziedaar wat de Heer
van een ieder onzer vraagt, wanneer Hij
zegt: Diliges Dominum Deum tuum ex toto
corde tuo.
i) Gij zult den Heer meen God
beminnen uit geheel uw hart.
Om God uit
geheel ons hart te beminnen, zijn twee
zaken noodig: i° er uit verwijderen wat
i) Matth. XXII 37.
-ocr page 196-
i88
aardsch is, 20 het vervullen met de godde-
lijke liefde. Een hart derhalve, waarin nog
een of andere aardsche gehechtheid is, kan
nooit geheel aan God zijn. Al de liefde,
die wij aan de schepselen geven, zegt de
H. Philippus Nerius 1), ontnemen wij aan
God. Maar hoe zuivert men het hart van
het aardsche? Men zuivert het door de
versterving en door de onthechting. Som-
mige zielen beklagen zich, dat zij God zoeken
en Hem niet vinden; dat dezulken luisteren
naar de H. Theresia: Onthecht, zoo zegt
deze heilige, uw hart gij aan de schepselen,
zoek dan God, en gij zult Hem vinden.
2)
2) Het kwaad schuilt daarin, dat sommigen
heilig willen worden, maar op hunne wijze,
d. w z. zonder te verzaken aan die genoe-
gens, aan die ijdelheid in het kleeden, aan
al die te goede sier aan tafel; zij beminnen
God, maar, als het hun niet gelukt die of
die bediening te krijgen, verliezen zij den
vrede; komt men hen te na in hunne eer,
dan worden ■zij vuur en vlam; genezen zij
niet van die of die ziekte, dan verliezen
zij het geduld. Zij beminnen God, maar wil-
len niettemin gehecht blijven aan de rijk-
dommen, aan de eer der wereld, aan dat ijdel
1)  Bacci L II. c. 5.
2)  Avis. 36.
-ocr page 197-
iSo
verlangen om voor edel, voor geleerd, voor
beter dan anderen door te gaan. Dezulken
bidden, gaan ter communie, maar omdat zij
dit doen met een hart vol van de wereld, trek-
ken zij er weinig vrucht uit. Tot zulke zielen
gewaardigt de Heer zich zelfs niet te
spreken, want Hij ziet dat dit toch nutte-
loos is. Tot vele zielen, zoo zeide Hij eens
tot de H. Theresia, zou ik gaarne spreken,
maar de ivereld maakt zooveel gedruisch in
kunne ooren, dat mijn stem door hen niet
kan gehoord worden. O
, dat zij zich een
weinig van de wereld verwijderden!"
Wie
dus vol is van aardsche gehechtheden, kan
de stem Gods zelfs niet hooren. Maar
rampzalig hij, die zulke gehechtheid aan
zinnelijke goederen voedt; gemakkelijk kan
het gebeuren, dat hij er door verblind , een-
maal de liefde van Jesus vergeet, en om
die vergankelijke goederen niet te verlie-
zen , voor alle eeuwigheid God, het on-
eindig goed , verliest. Het is rechtvaardig,
zegt de H. Theresia, dat hij, die bederfelijke
goedereu najaagt, ook zelf het bederf be-
loopt.
3) De H. Augustinus verhaalt 1) dat keizer
Tiberius door den Senaat van Rome ook
Jesus Christus onder de goden wenschte
i) De cons. Evang. 1. I. c. 12.
-ocr page 198-
190
gesteld te zien ; maar de Senaat verzette
zich, zeggende , dat Jesus een trotsche God
was, die alleen wilde aangebeden worden
zonder deelgenooten. Het is volkomen waar,
God wil alléén aanbeden, alléén bemind
worden, niet echter uit hoogmoed, maar
omdat Hij het verdient, en ook omdat Hij
ons bemint; want daar Hij ons bemint,
wil Hij ook geheel onze liefde en is Hij
jaloersch als Hij ziet, dat anderen deel
hebben in de harten, die Hij geheel voor
zichzelven verlangt; Zelotypus est Jesus 1)
zegt de H. Hieronymus. Jesus is ijverzuchtig;
Hij wil niet, dat wij onze genegenheid
schenken aan iets anders buiten Hem; en
ziet Hij, dat een schepsel deel heeft in een
hart, dan is Hij, gelijk de H. Jacobus
zegt, in zekeren zin jaloersch daarop;
want Hij duldt geene mededingers in de
liefde ; maar wil alléén bemind worden : An
putatis quia inaniter Scripiura dicat: Ad
itwidiam concupiscit spiritus, qux habitat
in vobis. 2)
In het Hooglied zegt de
Heer om zijne bruid te prijzen: Horlus
conclusus soror mea sponsa,
3) Hij noemt
haar een gesloten tuin, want de verloofde ziel
2) Ep. ad. Eust.
O Jac 4- 5-
2) Cant. 4. 12.
-ocr page 199-
IOI
houdt haar hart voor alle aardsche liefde
gesloten, om er alleen de liefde in te bewa-
ren van Jesus. En zou Jesus soms niet
verdienen, dat wij Hem al onze liefde schen-
ken ? O, Hij verdient het bovenmate, èn
om zijne goedheid en om zijne liefde tot
ons. Zoo goed begrijpen dat de heiligen;
daarom zeide eens de H. Franciscus vanSales:
Indien ik wist, dal er zich in mijn hart een
draadje bevond, wat niet voor God was, ik
zou het er aanstonds willen uitrukken
i).
4) David verlangde vleugelen, vrij van
de lijm der aardsche gehechtheid, om op
te kunnen vliegen en zijn rust te vinden
in God: Qtiis dabit miïiipennas siatt colum-
iael volabo etrequiescam.
2) Vele zielen zou-
den wenschen zich eveneens van eiken aard-
schen band ontdaan te zien, om ook tot God
op te vliegen, en inderdaad zij zouden een
hooge vlucht in de heiligheid nemen, indien
zij zich aan al het aardsche wisten te ont-
hechten, maar omdat zij een of andere
kleine ongeregelde gehechtheid bewaren
en geene moeite aanwenden om zich daar-
van te ontdoen, blijven zij immer kwijnen
in hunne ellende, zonder zich ooit een
handbreed van de aarde te verheffen. „Wan-
3)    Esprit p. 10. ch. u.
4)    Ps. 54. 7.
-ocr page 200-
192
neer de ziel aan iets gehecht is," zegt de
H. Joannes van het Kruis, 1) „al is het
nog zoo klein, zal zij nimmer tot de vol-
komen vereeniging met God geraken, al
bezit zij overigens ook vele deugden; im-
mers het doet er weinig aan af, of een
vogel met een dikken of dunnen draad ge-
bonden is; want al is de draad nog zoo
dun, als de vogel hem niet verbreekt, zal
hij steeds gebonden zijn en nimmer kunnen
vliegen. O hoe bedroevend is het, som-
mige zielen te zien, rijk bedeeld met gees-
telijke hulpmiddelen, met deugden en god-
delijke gunsten, maar die den moed mis-
sen, om te breken met een of andere kleine
gehechtheid, en daarom niet tot de volmaak-
te vereeniging met God kunnen komen,
terwijl daar toch niets anders meer voor
noodig was dan een enkele krachtige po-
ging te doen en manmoedig dat draadje
door te breken; want zoodra eene ziel van
alle aardsche gehechtheid is ontdaan, deelt
God zich noodzakelijk in alle volheid aan
haar mede.\'\'
5) Wie wil, dat God geheel aan Hem
zij, moet van zijnen kant zich geheel aan
God geven. Dilecius meus mihi et\'ego illi, 2)
1)  Montec dn Carmel. 1. 1 ch. 12.
2)  Cant. 2. 16.
-ocr page 201-
ï«
zoo sprak de gewijde bruid: Mijn beminde
heeft zich geheel gegeven aan mij, ik heb
mij dan ook geheel gegeven aan Hem.
Daar J. C. ons vurig bemint, wil Hij ge-
heel onze liefde. Zoolang Hij die niet ge-
heel bezit, is Hij nimmer tevreden. De
H. Theresia schreef daarom aan de overste
van een harer kloosters : Zors;, dat Gij
de zielen opvoedt in eene algeheele onthech-
ting aan het geschapene: want zij worden
opgevoed, om de bruiden te worden van eenen
bruidegom, die zóó jaloersch ü, dat zij
alles, ja zich zelven moeten vergelen.
De H.
Maria Magdalena de Pazzi ontnam aan
eene harer novicen een geestelijk boek, om
geen andere reden dan omdat deze daaraan
al te zeer gehecht was. Vele zielen beoe-
fenen het gebed, bezoeken het H. Sacra-
ment, gaan veelvuldig te communie; maar
omdat zij dit doen met een hart, waarin
een of andere gehechtheid is voor de wereld,
gaan zij weinig of niets vooruit in de vol-
maaktheid ; en blijven zij aldus voortleven,
dan zullen zij niet alleen immer ongeluk-
kig zijn; maar verkeeren zij zelfs in groot
gevaar alles te verliezen.
6) Wij moeten derhalve met David God
bidden, dat Hij ons hart reinige van alle ge-
hechtheid dezer aarde. Cor mundum crea
-ocr page 202-
194
in me Deus. i) Anders zullen wij Hem
nooit geheel kunnen toebehooren. Duidelijk
genoeg heeft Hij ons te verstaan gegeven,
dat wie niet aan alles wat dezer wereld is,
verzaakt, zijn waarachtige leerling niet
kan zijn: Qui non renuntiat omnibusquae
possidet non potest meus essc discipulus.
2)
Wanneer daarom bij de Vaders in de woes-
tijn zich een jongeling kwam aanbieden,
om in hun gezelschap te worden opgeno-
men , dan stelden zij hem slechts de vol-
gende vraag: Affersne cor vacuüm, ut
possit Mud Spiritus sancties impleret Brengt
Gij een ledig hart mede, opdat de 11. Geest
het kunne vervullen 1
In gelijken zin sprak de
Goddelijke Zaligmaker tot de H. Gertrudis;
toen nl. deze heilige Hem eens vroeg, wat Hij
van haar verlangde, antwoordde haar Jesus :
Ik verlang niets anders van u, dan een
hart ontdaan van de schepselen
3) Wij
moeten daarom met een manmoedig en
besloten hart tot God zeggen: Heer, ik
geef aan U boven alles de voorkeur, boven
gezondheid, boven rijkdommen, boven waar-
digheden , boven eer, boven lof, boven
wetenschappen, boven vertroostingen, boven
1)   Ps. 50. 12.
2)   Luc XIV. 23.
3)   Insin 1. 4. c. 26,
-ocr page 203-
\'95
verwachtingen , boven verlangens , ja zelfs
boven alle genaden en gaven die ik van U
zou kunnen ontvangen. In een woord, ik
geef aan U de voorkeur boven alle geschapen
goed , boven alles wal Gij niet zijt. Wat
Gij mij ook geeft, o mijn God, buiten
Uzelven , het is mij niet genoeg. Ik wil U
alleen , niets anders.
7) Wanneer een hart onthecht is aan al
het geschapene komt aanstonds de godde-
lijke liefde het vervullen. Neem slechts de
kwade gelegenheden weg, zoo zegt de H.
Theresia, en de ziel zal zich aanstonds keeren
tot de liefde Gods; ongetwijfeld: want de
ziel kan niet leven zonder beminnen , zij
moet of den Schepper beminnen of de schep-
selen ; indien zij de schepselen niet bemint,
zal zij zeker den Schepper beminnen. In een
woord, wij moeten alles verlaten, om alles
te winnen. Totum pro toto , zegt Thomas
a Kempis 1) Alles voor alles. Zoolang de
H. Theresia eeue ofschoon eerbare gene-
genheid voedde voor een harer bloedver-
wanten , was zij niet geheel aan God; maar
toen zij den moed had zich van die gehecht-
heid te ontdoen, verdiende zij, dat Jesus
haar zeide : Nu, Theresia, zijt gij geheel de
mijne en ben ik geheel de uwe."
2) Veelte
1) Nav. b. 3 h. 37.
Z) Vie c. 3\'j.
-ocr page 204-
196
weinig is een enkel hart, om dien God
te beminnen , zoo liefdevol en zoo beminne-
lijk , dat Hij een oneindige liefde verdient,
en zullen wij dat eene hart, dan nog gaan
verdeelen tusschen de schepselen en God !
De eerbiedw. Ludovicus du Pont schaamde
zich tot God te zeggen: Heer, ik bemin U
meer dan alles ter wereld, meer dan alle
rijkdommen, dan alle eer, dan vrienden
en bloedverwanten; want het scheen hem
dan, alsof hij tot God zeide: Heer, ik
bemin U meer dan het slijk , dan den rook,
meer dan de wormen der aarde.
8) De Heer is geheel goedheid voor een
ieder die Hem zoekt, zegt de profeet Jere-
mias. Bonus est Domintts animae quaerenti
lllwn,
1) Maar dit wordt verstaan van
een ziel die God alléén zoekt. O gelukkig
verlies! o gelukkig gewin! verliezen de
goederen der wereld, die het hart niet bevre-
digen en spoedig een einde nemen, om te win-
nen het hoogste het eeuwig goed, God! Men
verhaalt van een godvruchtig kluizenaar, dat
toen de vorst des lands zich eens in zeker
bosch had begeven om te jagen, de klui-
zenaar daar ter plaatse ging ronddwalen;
de vorst, die hem daar aantrof, vroeg wie
hij was , en wat hij ging doen. De kluizenaar
I) Thren. III. 25.
-ocr page 205-
197
antwoordde: En gij Heer, wat gaat gij
doen in deze woestenij}
De vorst antwoordde:
Ik ga jacht maken op wild. En ik, ant-
woordde de kluizenaar, ik maak jacht op
God;
daarop verwijderde hij zich en ver-
volgde zijn weg. Ziedaar wat reeds in dit
leven onze eenige gedachte, ons eenig
doel moet zijn: God zoeken, om Hem te
beminnen , zijnen H. Wil, om dien te ver-
vullen , terwijl wij uit ons hart alle gehecht-
heid voor het schepsel verwijderen. Gebeurt
het, dat in ons hart eenig aardsch goed onze
liefde komt vragen, zijn wij dan immer
bereid om te zeggen : Regnum mundi et om-
nem ornalum saeculi contempsi propter amo-
rem Domini mei Jesu Christi.
i) De aard-
sche heerschappij en alle wereldsche praal
heb ik veracht om de liefde mijns
Heeren Jesus Christus. Wat zijn alle waar-
digheden, wat is alle grootheid der wereld,
wat anders dan rook, dan slijk en ijdelheid,
hetwelk al verdwijnt met den dood. Gelukkig
hij, die zeggen kan : Mijn Jesus ter uwer
liefde heb ik alles verlaten
Gij zijt mijne
eenige liefde, Gij alleen zijt mij genoeg.
9) O ja als de goddelijke liefde ten volle
bezit neemt van een hart, dan is het van
zelf bezorgd (altijd met de hulp der godde-
1) Off. nee Virg nee Martyr.
-ocr page 206-
io8
lijke genade) om zich van alles te ontdoen
wat haar beletten kan geheel aan God te
zijn. Wanneer een huis in brand geraakt,
zegt de H. Franciscus van Sales, icerpl
men alle goederen het venster uit
i); hij
wil zeggen: als een ziel zich geheel aan
God geeft, zal zij vanzelve reeds, zonder
de vermaning van predikers of biechtvaders,
haar best doen om zich van alle aardsche
gehechtheid los te maken. De goddelijke
liefde, zegt Pater Segneri de jongere, is als
een dief, die ons van alles berooft, om ons
niet anders te doen bezitten dan God. Een
godvruchtig persoon, die aan al zijne goe-
deren had verzaakt en ter liefde van Jesus
geheel arm was geworden, werd eens door
een vriend gevraagd, hoe hij toch tot zoo
groote armoede gekomen was; tot antwoord
haalde hij een evangelieboek te voorschijn,
Zie hier, zeide hij , dit heeft mij van alles
beroofd. Wanneer de \'mensen
zegt de H. Geest,
al het goed van zijn huis geeft voor de liefde,
hij zal het als niets beschouwen. Si dederit
homo omnem substantiam domns suae pro
dilectione, quasi nihil dcspicict eam.
2)
Ja, als eene ziel al hare liefde aan God
schenkt, dan veracht zij alles: rijkdommen
1)    Esprit, p. 3. ch. 27.
2)  Cant. 7.
-ocr page 207-
i99
genoegens waardigheden, bezittingen, ko-
ninkrijken ; niets anders wil zij dan God;
voortdurend zegt zij en herhaalt zij: Mijn
God, U alleen wil ik en niets anders.
De zuivere liefde Gods, zegt de H. Fran-
ciscus van Sales, verleert alles wat God niet is
en doel alles in haar zelve overgaan;
want alles wat men ter liefde Gods doel,
is liefde,
i)
io) Introduxit me in cellam vinariam,
ordinavit in me caritatem 2) De Koning
heeft mij binnengeleid in zijnen wijnkelder,
zoo sprak de bruid der gezangen. Deze
wijnkelder, zegt de H. Theresia, is de
goddelijke liefde, want het hart, waarvan
zij bezit neemt, maakt zij zóó dronken, dat
het al het geschapene vergeet. De dronken
mensch is als dood, wat het gebruik der
zinnen aangaat: hij ziet niet, hij hoort niet
hij spreekt niet; aldus ook wordt eene ziel,
die dronken is van goddelijke liefde; het
is als had zij geen besef meer voor de dingen
dezer wereld; aan niets anders wil zij
denken dan aan God, van niets anders
spreken dan van God; niets anders beoogt
zij dan te beminnen en aan God genoegen
te geven. De Heer beveelt in het Hooglied
zijne bruid niet op te wekken uit haren
i) Lettre 531—203.
2) Cant. 2. 4.
-ocr page 208-
200
slaap. Ne susdlelis neque vigilare faciatis
dileciam.
i) Die gelukkige slaap der
bruiden van Jesus Christus, het is niets
anders, zegt de H. Basilius, nisi summa
rerum omnium oblivio,
dan een verheven
en vrijwillig vergeten van al het geschapene,
om alleen te denken aan God en met den
H. Franciscus te kunnen uitroepen: Deus
mens et omnia
! Mijn God en mijn al!
Mijn God, wat rijkdommen, wat waardig-
heden, wat goederen der wereld! Gij zijt
mij alles, Gij mijn eenig goed. Deus meus
et o?nnia.
O zoet woord, zegt Thomas
a Kempis, Mijn God en mijn al; Genoeg
gezegd voor wie het begrijpt, en voor wie
bemint, zoet het immer te herhalen: Deus
meus et omnia, Deus meus et omnia. Mijn
God en mijn al, Mijn God en mijn al.
n) Derhalve, om tot de volkomene
vereeniging met God te geraken, wordt
eene algeheele onthechting vereischt aan de
schepselen. En bepaaldelijk moeten wij ons
onthechten aan de ongeregelde genegenheid
voor onze ouders. Jesus Christus zegt:
Si quis venit ad me et non oiitpatrem suum
et matrem et uxorem et filios et /ratres, ad-
huc au tem et animam suam, non potes t meus
esse discqndus,
2) Indien iemand tot mij
1)  Cant. 2. 7.
2)  Luc. 4. 26.
-ocr page 209-
201
komt en zijnen vader, zijne moeder, zijne echt-
genoole, zijne kinderen enbroedersja zij neigen
leven niet/iaat, hij kan mijne leerling niet zijn.
Eu waartoe die haat tegen onze ouders ?
Omdat wij, wat het belang onzer ziel aan-
gaat, dikwijls geen grootere vijanden hebben
dan onze verwanten. Et inimici hominis
domesticiejus.
i) De H. Carolus Borromaeus
zeide, dat zoo dikwijls hij het huis zijner
ouders bezocht, hij immer minder vurig we-
derkeerde ; en Pater Mendozza, eens naar de
reden gevraagd, waarom hij zijne familie niet
wilde bezoeken, gaf ten antwoord: Omdat
ik weet, dat religieusen nergens zoozeer
de godsvrucht verliezen dan te midden
hunner familie.
12) Wanneer er sprake is van eenen
levensstaat te kiezen, is het zeker, dat
wij, gelijk de H. Thomas leert, niet ge-
houden zijn aan onze ouders te gehoor-
zamen. Als een jongeling geroepen is tot
het kloosterleven en zijne ouders verzetten
zich daartegen, is hij gehouden aan God
te gehoorzamen en niet aan zijne ouders;
daar dezen, zooals eveneens de H. Thomas
zegt, uit eigenbelang en tijdelijke inzichten,
dikwijls onze geestelijke belangen tegenwer-
ken; Frequenter amici carnales aversantur
i) Matth. 10. 36
-ocr page 210-
202
profcctui spiri/uali, en volgens den H. Bernar-
dus, er eerder vrede mee hebben, dat hunne
kinderen verloren gaan dan dat zij het huis
verlaten.
13) Het is wonderbaar om te zien hoe
sommige, zelfs godvreezende vaders en
moeders op dit punt door den harts-
tocht worden verblind; al hunne krach-
ten spannen zij in, geen middel laten zij
onbeproefd, om een kind, dat kloosterling
wil worden, van zijne roeping af te bren-
gen; ofschoon dit (alleen een allerzeldzaamst
geval uitgezonderd) niet vrij te pleiten is
van doodzonde. Maar, zal iemand zeggen,
kan dan mijn kind, als het geen klooster-
ling wordt, niet zalig worden ? Zullen dan
allen, die in de wereld blijven, verloren
gaan? Ik antwoord: Zij, die door God
niet tot het kloosterleven geroepen zijn,
zullen in de wereld zalig worden, wanneer
zij de plichten van -hunnen staat vervullen,
maar zij, die geroepen zijn, en aan God
niet gehoorzamen, voor dezulken zou het
wel is waar mogelijk zijn, zalig te worden;
maar zij zullen de zaligheid moeielijk be-
reiken; want hun zullen die bijzondere
hulpmiddelen ontbreken, welke de Heer
hun in den kloosterlijken staat had voor-
bereid, en zonder welken het hun in wer-
kelijkheid niet gelukken zal zalig te worden.
-ocr page 211-
203
Iemand die niet aan de goddelijke roep-
stem gehoorzaamt, is in de kerk, zegt de
theoloog Habert, als een misplaatst lidmaat,
dat met moeite zijne bediening zal kunnen
vervullen en dus ook moeielijk de zaligheid
kan verwerven. Non sine magnis diffi-
cultatibus poleril salulisuae consulere, manebit-
que in corpora Ecclesiae velut membrum suis
sedibus motum
, quod aegre servire potest et
cum defoimitaU.
i) . . . Heet absolute loqu-
endo salvari possit
, dij)\'kuiter tarnen ingre-
dietur viam, el apprehendet media sahttis.
14) De keuze van staat wordt door Pater
Louis de Granade het hoofdrad genoemd.
Als in een uurwerk het hoofdrad niet goed
is, gaat het geheele uurwerk verkeerd;
welnu zoo ook zal, wat de zaligheid betreft,
geheel het leven verkeerd gaan, indien men
dwaalt in de keuze van een levensstaat.
Hoevele arme jongelingen , die door hunne
ouders van hunne roeping werden afgebracht
hebben later een rampzalig einde gevonden,
en zijn zelve juist de ondergang geweest hun-
ner familie ! Zeker jongeling verloor zijne roe-
ping door het aanhouden zijns vaders, maar
later kwam hij met denzelfden vader in zoo
grooten onmin , dat hij hem met eigen hand
doodde; de jongeling stierf op het schavot.
Een ander jongeling, die zich in een semi-
1) De ordin p. 3. c. I 5 2. .
-ocr page 212-
204
narie bevond, werd eveneens door God ge-
roepen om de wereld te verlaten; maar
daar hij zijne roeping veronachtzaamde,
liet hij eerst het godvruchtig leven varen,
dat hij leidde, verzuimde gebed en H.
Communie; daarna gaf hij zich over aan
de zonde, en werd eindelijk opeen nacht,
terwijl hij het huis eener slechte vrouw ver-
liet, door een medeminnaar aangevallen en
gedood. Er kwamen verscheidene priesters
aansnellen; maar zij vonden hem reeds
dood. O hoevele voorbeelden van gelijken
aard zou ik hier nog kunnen aanhalen!
15) Maar komen wij op ons onderwerp te-
rug. De H. Thomas vermaant degenen, die tot
een volmaakter leven geroepen zijn, daar-
omtrent geen raad in te winnen bij hunne
ouders, omdat dezen op dit punt hunne
vijanden zijn. Ab hoc consilio amocendi
suni carnis propinqui
.. .. propinqui enim
in hoc negoiio amici non suni sed inimici
juxta senientiam Domini: inimici hominis
domestici ejus. i)
Maar, als de kinderen,
wat de roeping tot eenen volmaakteren
levensstaat betreft, zelfs niet gehouden zijn
den raad hunner ouders in te winnen,
dan zijn zij zeer zeker niet gehouden, hunne
toestemming af te wachten, ja zelfs niet
I) C\'ontr. retr. a relig. c. 9.
-ocr page 213-
205
eens dezelve te vragen, althans, wanneer
zij met grond kunnen vreezen, dat deze
hun wederrechtelijk zal geweigerd worden,
en zij aldus in het volgen hunner roeping
zullen worden verhinderd. De H. Thomas
van Aquino, de H. Petrus van Alacantara, de
H. Franciscus Xaverius, de H. Ludovicus
Bertrandus en zoovele anderen zijn naar
het klooster gegaan, zonder hunne ouders
er zelfs van te verwittigen.
16) Doch verkeert men in groot gevaar van
verloren te gaan, wanneer men, om zijne
ouders te believen, de goddelijke roepstem
verwaarloost, men bedenke , dat men zijne
zaligheid evenzeer in groot gevaar stelt,
wanneer men, om zijne ouders niet te be-
droeven , den geestelijken staat omhelst,
zonder goddelijke roeping. Drievoudig zijn
de teekenen, waaraan men de roeping tot een
zoo verheven staat kan kennen, nl. de
wetenschap, de meening om alleen God te
beoogen en de deugdelijkheid van leven.
Om inzonderheid hier van dit laatste te
spreken, het concilie van Trente heeft den
bisschoppen bevolen, niemand tot de heilige
wijdingen toe te laten dan hen, die beproefd
goed van leven zijn. Subdiaconi et diaconi
ordinentur
, habentes bonmn testimonium et
in minoribus ordbübus probati.
i) Het-
i) Sess XXIIf c. 13.
-ocr page 214-
20Ó
zelfde wordt bevolen in den canon Nullus,
dist
24, waar het concilie zegt: Nullus
ordinetur, nisiprobalus fuerit.
En ofschoon
dit allereerst verstaan moet worden van het
uitwendig bewijs, hetwelk de bisschop
omtrent het goed gedrag der wijdelingen,
moet invorderen, lijdt het echter geen twijfel,
dat het concilie niet zoozeer het uiterlijk
goed gedrag vordert, alswel het innerlijk,
daar zonder dit laatste de uiterlijke onbe-
sprokenheid louter een bedrog is; daarom
dan ook zegt het concilie in het 12e hoofd-
stuk van dezelfde zitting: Sciant Episcopi
debere ad hos ordines assumi dignos dum-
taxat et quorum probata vita senectus sit.
Ook is het bekend, dat het concilie met dit
doel, nl. opdat het gedrag der wijdelingen
beproefd zou kunnen worden, de interstitien*
voorschrijft: Ut eis cum aetate vita e meritum
et doctrina major accrescat.
2)
17) De H. Thomas geeft hiervan als
reden aan, dat de wijdeling door iedere
heilige wijding afgevaardigd wordt tot de
verhevenste bediening nl. om Jesus Christus
1) Ibid. c. 11.
* Interstitien zijn bepaalde tijdruimten welke
volgens voorschrift der Kerk tusschen de verschil-
lende wijdingen moeten verloopen.
-ocr page 215-
207
te dienen in het H. Sacrement des altaars.
De Heilige zegt daarom, dat de heilig-
heid van den geestelijke de heiligheid van
den kloosterling moet overtreffen, i) Quia
per sacrmn ordinem aliqnis deputatur ad dig-
nissima ministeriel, quibus Ipsi Christo ser-
vitur in Sacramcnto altaris ; ad quod requi-
riiur major sanctitas interior qiiam requirat
etiam religionis status.
De heilige zegt dit
nog op eene andere plaats 2). en daar spreekt
hij niet zoozeer van hen, die reeds gewijd
zijn, als van hen, die nog gewijd moeten wor-
den, want hij zegt daar, dat de H. H. wijdin-
gen praeexigunt sanctitatem ; (de uitdrukking
praeexigunt beduidt, dat de wijdeling reeds
vóór het ontvangen der wijding heilig moet
zijn) en stelt het onderscheid tusschen den
kloosterlijken staat en den staat der gewijden
juist daarin, dat men in den kloosterlijken
staat zich van zijne ondeugden zuivert, maar
dat men, om de H. H. wijdingen te ontvan-
gen, door een heilig leven reeds gezuiverd moet
zijn. Ziehier de woorden van den engelach-
tigen leeraar: Ordines sacri praeexigunt,
sanctitatem; sed status religiosus est exercitium
ad sanctitatem, unde pondus ordinum im-
ponendum parietibus jam per sanctitatem
1)  2. 2- q. XXXIV. a. 8.
2)  Ibid q. XXXIV a I.
-ocr page 216-
208
desiccatis; sed pondus religionis desiccat
parietes, itlcst hommes abhumore vüiorum.i)
Daarenboven verklaart de H Thomas nog
eens hetzelfde als hij zegt: Ut sicut UU qui
ordinem suscipiun t super plebem constituun-
tur gradu ordinis, ita et superiores sint
merito saneütatis
d. i. opdat gelijk zij,
die de wijding ontvangen, boven het volk
verheven worden door den graad der wijdin-
gen, zij er even zoo hoven verheven zou-
den zijn door verdienste van heiligheid.
En die verdienste van heiligheid vordert
de heilige vóór het ontvangen der wijding;
want hij noemt haar noodzakelijk, niet alleen
opdat de gewijde zijne wijding waardig uit-
oefene, maar ook opdat de wijdeling waardig
onder het getal der dienaren van Jesus Chris-
tus kunne worden opgenomen. Et ideoprae-
exigitur gratia , quae sufficiat adhoc, quod
digne connumeretur in plebem Chrisli. 2)
En
eindelijk besluit hij\': Sed confertttr in ipsa
susceptione ordinis amplius graliae munus
per quod ad majora reddantur idonei. Doch
bij het ontvangen zelve der wijding wordt
eene grootere gave van genade medegedeeld
,
opdat daardoor de wijdeling tol nog grooter
heiligheid tvorde geschikt gemaakt.
Bemerkt
i) Suppl. 9 XXXV. a.
2) Loc. cit.
-ocr page 217-
20Q
dat woord: admajora. De H, Thomas geeft
hiermede te kennen, dat de genade, welke
in het Sacrament zelf wordt medegedeeld
niet nutteloos zal zijn; maar aan den wij-
deling grootere hulpmiddelen zal schenken,
opdat hij in staat worde gesteld, zich groo-
tere
verdiensten te verwerven; maar tevens
drukt hij hiermede uit, dat er in den wij-
deling eene heiligmakende genade wordt
gevorderd, genoegzaam om hem waardig te
maken, onder het uitverkoren volk van
Christus te worden opgenomen.
18) In mijne moraal-theologie i) heb
ik over dit punt eene uitvoerige verhan-
deling geschreven, waarin ik heb aangetoond,
dat zij, die zonder de ondervinding van een
deugdelijk leven, eene heilige wijding ont-
vangen, niet vrij te spreken zijn van doodzon-
de; en wel, omdat zij tot zulk eene verhe-
vene waardigheid opklimmen zonder godde-
lijke roeping; want geenszins kan door
God geroepen worden genoemd iemand, die
tot de heilige wijdingen toetreedt,terwijl hij
nog niet bevrijd is van eene zonde van gewoon-
te, voornamelijk als het de kuischheid geldt. En
al zou zoo iemand ook door het berouw vol-
doende gestemd zijn voor het Sacrament der
biecht; toch is hij in dien staat niet bekwaam,
om het heilig priesterschap te ontvangen, wijl
l) Theol. mor, lib. 6. c. 3 no. 63.
-ocr page 218-
210
daarvoor bovendien een deugdelijk leven
wordt vereischt, dat reeds te voren door
eene langdurige ondervinding beproefd is.
Wanneer deze voorwaarde ontbreekt, dan is
de wijdeling niet vrij te pleiten van dood-
zonde, zoowel om de zware vermetelheid,
waardoor hij zich zonder roeping in de heilige
bediening binnendringt, alsook om het groot
gevaar van eeuwige verdoemenis, waaraan hij
zich blootstelt Qiti enim se ingerit, zegt de
H. Anselmus, etpropriam gloriam quaeritgra-
tiae Dei rapinam facit; el ideo non accipil bene-
dictionem, sed male die tionem-
i) Want wie
zich
(in het priesterschap) indringt, is een
roover van Gods genade, en ontvangt der-
halve geen zegen, maar vloek,
en Monseig-
neur Abelly schrij ft: Die wetens en willens,
zonder e.enige rekening ie honden met de
goddelijke roeping, zich in het priesterschap
zou binnendringen, zou zich zonder twijfel
in een klaarblijkelijk gevaar van eeuwige
verdoemenis werpen. Qui sciens, nnlla divinae
vocationis habila ratione, se in saccrdotium
intrnderet, haud dubie seipsum in apertum
salutis discrimen injiceret.
2) Hetzelfde leert
Soto; want waar hij spreekt over het pries-
schap, zegt hij, dat de positieve heiligheid in
den wijdeling uitdrukkelijk geboden is:
1)  In Hebr. V.
2)  Sacr. oh rist. p. I. c. 4.
-ocr page 219-
211
Quamtis mor urn integritas non sit de essen/ia
sacramenti est tarnen praecepto divïno maxime
necessaria... At ver o quod de idoneitate eorum
qni sacris sunt initiandi ordinibus deftnitur,
twn est generalis Ma dispositio quae in sus-
cipicnte quodcunque sacramentum requiritur
,
ne gratia sacranwitalis obicem inveniai.
Einmvero, quoniam per sacramenlum ordinis
homo, non sou/m gratiam suscipit, sed ad
sublimiorem slatum conscendit, requiritur in
eo tnorum nonestas et virtutum claritas.
i)
Hetzelfde leert Thomas Sanchez 2), hetzelfde
Pater Holzman, 3) hetzelfde leeren de
Salmanticenses; 4) zoodat, hetgeen ik geschre-
ven heb, niet de meening is van een of
anderen geleerde in het bijzonder, maar eene
algemeene sententie; en allen grondvesten
zich op de leer van den H. Thomas.
19) In zulk geval dus maakt zich niet
alleen aan zware zonde schuldig de wijde-
ling, die zich zonder de ondervinding van
een deugdelijk leven laat wijden; maar
ook de bisschop zondigt, die zoo iemand tot
de heilige wijding toelaat, terwijl hij het
noodige bewijs mist, waardoor hij van het
goed gedrag des wijdelings rnoreele zekerheid
1)  In 4 sent 25. 9. 1. a 1.
2)  Consil c. 1. dist 4 b. no. 1
3)  de sacr. ordin.
4)  de sacr. ordin.
-ocr page 220-
212
erlangt. Even zoo maakt zich een biecht-
vader aan zware zonde schuldig, als hij eenen
wijdeling, welke een gewoonte van zonde
had en evenwel zonder een langdurige
proef van beter leven de heilige wij-
ding wil ontvangen, de absolutie geeft.
Ook maken zich aan zware zonde plichtig
de ouders, die bewust van het slecht gedrag
hunner kinderen, het er evenwel op toeleg-
gen, hun de heilige wijdingen te doen
ontvangen, met het doel daardoor hunne
familie onderstand te verwerven. De gees-
telijke staat is door J. C. niet ingesteld,
om de familicn van wereldlingen te onder-
steunen ; maar om de glorie van God en de
zaligheid der zielen te bevorderen. Sommi-
gen stellen zich den geestelijken staat voor
als een wereldlijk ambt of bediening, een
middel om voortgang te maken in eer ot
tijdelijk goed ; maar zij dwalen; en daarom,
als sommige ouders den bisschop komen
lastig vallen, om aan een onwetende of aan
iemand, die slecht van leven is, de H.H.
wijdingen toe te dienen , als reden aanvoe-
rende , dat de familie arm is en zij niet
weten hoe rond te komen, dan moet de
bisschop hun antwoorden: Mijn kind, de
geestelijke staat is niet gemaakt, om te voor-
zien in de armoede der familicn
; maar voor
het we/zijn der Kerk
; op die wijze moet
-ocr page 221-
stj
hij hen beslist afwijzen en hun niet meer het
oor leen en; want, wanneer men zulke od waar-
dige personen aanneemt, plegen zij later de
ondergang te worden, niet alleen van hunne
eigene zielen, maar ook van hunne familien
ja van hunne geheele landstreek.
20) Wat nu aangaat die priesters, welke
bij hunne familie inwonen en van wie hunne
verwanten verlangen,dat zij, met voorbijzien
der verplichtingen hunner bediening, zich
veeleer er op toelegden, hunne familie te doen
vooruitgaan in inkomsten en eer, zij moe-
ten aan die verwanten antwoorden, wat
J. C. aan zijne goddelijke Moeder ten ant-
woord gaf: Nesciebatis qula in hü t/uae
Patris mei sunt oportet me esse?
1) ffist
gij dan niet dal ik mij ?net de dingen mijns
Vaders moet bezig houden
? Ik ben priester,
moeten zij zeggen, mijne bediening is het
niet, geld te winnen, eer te bejagen, noch
ook het bestier waar te nemen mijner fa-
milie; maar in afzondering te leven, het
gebed te beoefenen, te studeeren en de
zielen te helpen. Zou er zich evenwel eene
bepaalde noodzakelijkheid voordoen, om
hunne familie te hulp te komen, dan moe-
ten zij haar helpen zooveel zij kunnen;
doch zonder hunne voornaamste verplich-
ting te verwaarloozen, welke is: te letten
Luc 2: 49.
-ocr page 222-
214
op eigen heiliging en die van anderen.
21) Daarenboven moet hij, die geheel
aan God wil zijn, onthecht wezen aan de
eer der wereld. Hoevelen, die zich om
die vervloekte eer van God verwijderen,
hoevelen, die Hem daarom zelfs verliezen!
Hooren zij bijv. dat men hen laakt om een
of andere fout, wat doen zij dan al niet,
om zich te verontschuldigen, om te doen
gelooven, dat hetgeen men zegt, onwaarheid
en laster is ? Verrichten zij echter eenig goed,
dan doen zij al het mogelijke, om het aan allen
bekend te maken; zij zouden wenschen, dat
geheel de wereld het wist en er hen om prees.
Niet aldus doen de heiligen; de heiligen zou-
den wenschen, dat de geheele wereld hunne
gebreken kende; opdat zij in hare oogen
even ellendig mochten zijn, als zij het zijn
in hunne eigene oogen; doen zij daarente-
gen eene acte van deugd, dan zouden zij wen-
schen , dat dit alleen aan God bekend ware,
aan wien alleen zij verlangen te behagen;
vandaar, dat zij zoozeer het verborgen leven
beminnen, gedachtig aan het woord van
Jesus Christus: Te auiem faciente eleemosy-
nam; nesciat sinislra tua quld faciat dex-
lera tua.
i) Maar als gij een aalmoes geeft,
dat uwe linkerhand dan niet wete, wal uwe
2) Matth. VI: 3
-ocr page 223-
215
redder doet-" en vets 6. Tu dutem cum
oraveris intra in cubiculum iuum, etclauso
ostio ora Patrem tuum in abscondito. Maar
gij, wanneer gij bidden gaat, treed in uwe
binnenkamer
, en de deur gesloten hebbende,
bid uwen Vader in het verborgene.
Vooral
moeten wij aan onszelven d. i. aan onzen
eigen wil onthecht zijn. Die zichzelven
overwint, zal ook gemakkelijk alle andere
hinderpalen overwinnen: Vince teipsum, ocer-
win u zelve»
was de les, welke de H.
Franciscus Xaverius aan allen placht
te geven; en J esus Christus heeft ge-
zegd : Si quis vult venire post me abneget
semetipsum. Indien iemand na mij wil
komen, hij verloochcne zichzelven.
i) Zie-
daar waar alles op neer komt, wat wij te
doen hebben om heilig te worden: ons zelven
verloochenen, onzen eigen wil niet involgen:
Post concupiscentias tuas non eas et a volun-
tate iua avertere.
2) En dat verwinnen
van zich zelven, dat verloochenen van den
eigen wil is de grootste gave, zegt de H.
Franciscus van Assisie, welke iemand van
God kan ontvangen. Indien alle menschen
zich te weer stelden tegen den eigen wil,
zegt de H. Bernardus, dan zou niemand
1)   Matth. 16. 24.
2)  Eccli. iS. 30.
-ocr page 224-
2l6
ooit verloren gaan. Cesset propla voluntas
et infernus non erit.
i) De eigen wil, zoo
zegt dezelfde Heilige, maakt zelfs, dat uwe
goede werken voor u fouten worden : Grande
maltint propia voluntas, qua fit ut bona tua
tibi bona non sint
2) Wanneer bijv. een
poenitent eene versterving zcu doen, zooals
vasten, eene discipline nemen, dochtegen
den wil van zijnen geestelijken bestierder,
ziet, dan wordt die versterving, gedaan uit
eigen wil, eene tout. Maar hoe rampzalig
is hij, die slaaf is van zijn eigen wil! hoe-
veel zal hij niet verlangen , wat hij nooit
zal kunnen verkrijgen ; hoeveel daarentegen
zal hij moeten lijden, wat hij niet zal
willen lijden. Vnde bella et lites in vobis
nonne hinc ex concupiscentüs vestris quae
militant in meiiibris vestris ? concupiscitis et
non habètis.
3) Vanwaar oorlogen en twisten
onder ui Is het niet van hier , van uwe
begeerlijkheden, die strijd voeren in uwe
leden
? Gij begeert en hebt niet. De eerste
strijd komt van onze zucht naar zinnelijke
vermaken; nemen wij de gelegenheid weg,
versterven wij onze oogen, bevelen wij ons
aan God, en de oorlog zal ophouden. De
1)   Ie temp. I\'ascli. 53.
2)  In Cant. serm. 71.
3)  Jac. 4, I en 2.
-ocr page 225-
217
tweede strijd komt van onze begeerte naar
rijkdommen; zorgen wij de armoede te
beminnen, en de strijd zal ophouden. De
derde strijd komt van onze zucht naar eer;
beminnen wij de nederigheid en het verbor-
gen leven, en de strijd zal ophouden. De
vierde en de verderfelijkste strijd komt van
onzen eigen wil; berusten wij in alles wat
ons door den wil Gods overkomt, en de
strijd zal ophouden. Zien wij, zegt de H.
Bernardus, dat iemand den vrede heeft
verloren, de oorzaak van zijne ontsteltenis
is geene andere, dan dat hij op dit oogenblik
zijn eigen wil niet kan involgen: linde
turbafw nisi qtiia propriam vohmtatem sequi-
mur?
i) De Heer beklaagde zich eens
daarover bij de H. Maria Magdalena de
Pazzi; Sommige zitten, zoo sprak Hij, ver-
langen mijnen geest; maar op de wijze waarop
het aan henzelven behaagt,
en daarom
maken zij zich onwaardig hem te ontvangen.
23) Wij moeten dus God beminnen op
de wijze, waarop het behaagt aan God,
en niet op de wijze waarop het aan ons-
zelven behaagt. God wil, dat eene ziel
van alles ontdaan zij, om haar met zich
te kunnen vereenigen en haar met zijne
goddelijke liefde te vervulleu. liet gebed
I) De Div. s. 2ö.
7
-ocr page 226-
2lS
van vereeniging, schrijft de H. Theresia,
dunkt mij niets anders te zijn dan een, om
zoo te spreken, algeheel afsterven aan
alle dingen dezer wereld, o?n alleen vreugde
te vinden in God. Zeker is het, dat hoe
meer wij ons ontdoen van de schepselen door
er ons ter liefde Gods van te onthechten, Hij
ons des te meer met zich zelven zal vervul-
len en wij des te inniger met Hem vereenigd
zijn.
i) Vele geestelijke personen wenschen
tot de volkomen vereeniging met God te
geraken, maar willen evenwel niet de te-
genheden, die God hun overzendt, willen
niet de ziekten, die hen kwellen, niet de
armoede, die zij lijden, niet debeleedigin-
gen, die zij ontvangen; maar als zij zich niet
weten over te geven, zullen zij er nooit
toe komen, om zich volmaakt met God te
vereenigen. Hooren wij eens wat de H.
Catharina van Genua zegt: „Om tot de ver-
eeniging met God te komen", zoo spreekt
deze heilige, „zijn de tegenheden, die de
Heer ons overzendt, noodzakelijk; want
dit is het middel waarvan Hij zich bedient,
om in ons alle verkeerde bewegingen, zoo-
wel in- als uitwendige uit te roeien. En
daarom zijn beleedigingen van allerlei aard,
ziekten, armoede, bekoringen en andere
i) (Jhateau intérieur d. 5. ch. I.
-ocr page 227-
219
tegenspoeden ons allen hoogst noodzakelijk;
zoo toch zullen wij strijden en zullen door
onze herhaalde overwinningen onze kwade
bewegingen teu laatste zóó geheel onderdrukt
worden, dat wij ze zelfs niet meer gevoe-
len. Ja, zoolang de tegenheden ons niet
alleen niet bitter meer, maar om God zelfs
zoet zullen zijn, zullen wij nooit tot de
volkomen vereeniging met God geraken.\'\'
24) Ik voeg hier aan toe de gedrachslijn,
welke de H. Joannes van het kruis ons
aanwijst, om tot de volkomen vereeniging
met God te geraken. De heilige zegt, 1)
dat voor de volmaakte vereeniging met God
vereischt wórdt eene algeheele versterving
der zinnen en der begeerten. Wat de zinnen
betreft, moet men elke voldoening, welke dan
ook, die zich aanbiedt, wanneer zij niet louter
voor de glorie Gods is, ter liefde van Jesus
aanstonds afwijzen. Gevoelt men bijv. lust
om dingen te zien ofte hooren, die niet voor-
namelijk tot God brengen, men geve er niet
aan toe. Wat vervolgens de verlangens be-
treft, moet men zijn best doen steeds geneigd
te zijn tot het slechtste, het minst aan-
trekkelijke, het armste, zonder iets anders
te verlangen dan te lijden en veracht te
worden. In één woord, wie Jesus Christus
1) Monteé du Carmel 1. I ch. 4 13.
-ocr page 228-
220
waarachtig bemint, verliest alle gehechtheid
voor de goederen der wereld en zoekt zich
van alles te ontdoen, om zich met Jesus
Christus alleen vereenigd te houden. Voor
Jesus Christus zijn al zijne begeerten, Jesus
is steeds in zijne gedachten, immer verzucht
hij naar Jesus , en alleen aan Jesus zoekt hij
op alle plaatsen, ten allen tijde en bij elke
gelegenheid te behagen. Maar om daartoe
te komen, moet men aanhoudend bedacht
zijn, zijn hart van elke gehechtheid, die
niet voor God is, te zuiveren. Wat dus wil het
zeggen, zoo vraag ik, zich geheel aan God
geven ? Dat wil zeggen: i° vluchten alles wat
aan God mishaagt, en doen alles wat Hem
behaagt. Dat wil zeggen : 2U alles zonder
uitzondering aannemen, wat ons toekomt
van Gods hand, hoe hard en onaangenaam
het ook zij. Dat wil zeggen : 31 in alles aan
Gods wil de voorkeur geven boven den onze.
Ziedaar, dat wil zeggen geheel aan God
zijn.
Gevoelens en smeekingen.
Mijn God en mijn al, ik hoor het,
ondanks mijne ondankbaarheden, mijne na-
latigheden in uwen dienst, gaat Gij voort,
mij te roepen tot Uwe liefde; zie, hier ben
ik; ik wil niet langer weerstaan. Ik wil
-ocr page 229-
221
alles verlaten, om geheel de Uwe te zijn.
Niet langer wil ik voor mijzelven leven.
Al te zeer hebt Gij mij verplicht U te be-
minnen. Mijne ziel is op U verliefd ge-
worden ; naar U slechts verzucht zij. Hoe
ook zou ik iets anders kunnen beminnen,
nadat ik U heb zien sterven van smart op
een kruis, om mij zalig te maken ! Hoe zou
ik U daar dood kunnen aanschouwen, ver-
teerd door de smarten, en U niet uit
geheel mijn hart beminnen? Ja, ik bemin
U uit geheel mijne ziel; niets anders be-
geer ik dan U te beminnen, hier in dit
leven en gedurende de gansche eeuwigheid.
Mijne liefde, mijne hoop, mijne sterkte en
mijn troost, geef mij kracht, opdat ik U
getrouw zij. Geef mij licht, doe mij kennen
waarvan ik mij moet onthechten en geef
mij kracht, want ik wil U in alles gehoor-
zaam zijn. O lietde mijner ziel, ik offer mij,
ik schenk mij geheel aan U, om te voldoen
aan het verlangen dat Gij hebt, U met mij
te vereenigen, en mij alzoo geheel te ver-
eenigen met U, mijn God en mijn al. Wel-
aan, mijn Jesus, kom, neem bezit van ge-
heel mijn persoon, trek al mijne gedachten,
al mijne genegenheden tot U. Ik verzaak
aan al mijne verlangens, aan al wat mij
kan troosten, aan al het geschapene; Gij
alleen zijt mij genoeg. Geef mij de ge-
-ocr page 230-
22 2
nade, om aan niets anders te denken dan
aan U, niets anders te verlangen dan U,
niets anders te zoeken dan U, mijn Be-
minde, mijn eenig goed. O Moeder Gods,
Maria, verwerf mij de H. volharding.
-ocr page 231-
HOOFDSTUK XII.
Caritas non irritatur.
Wie Jesus Christus bemint, wordt
nooit vertoornd op zijnen evenmensch.
i) De deugd, waardoor wij bij de te-
genheden niet toornig worden, is eene
dochter van de zachtmoedigheid. Over de
acten van deugd, die tot de zachtmoedig-
heid behooren, hebben wij in de vorige
hoofdstukken reeds meerdere zaken gezegd;
maar, omdat iemand, die onder de menschen
verkeert, deze deugd onophoudelijk beoe-
fenen moet, willen wij er hier nog eenige
andere, meer bepaalde en meer practische
dingen van zeggen.
2) De nederigheid en de zachtmoedig-
heid waren aan Jesus Christus onder alle
deugden het dierbaarst; daarom zeide Hij
tot zijne discipelen, dat zij vooral van Hem
-ocr page 232-
224
moesten leeren ootmoedig en zachtmoedig te
zijn Hoc discite a me, quia mitis stim et liumili
corde.
i) Onze goddelijke Verlosser werd een
Lam genoemd, Ecce Agnns Dei, en dit, zoo-
wel om het offer, dat Hij ter voldoening
onzer zonden van zichzelven zou brengen
op het kruis, alsook om de zachtmoedig-
heid, welke Hij gedurende geheel zijn leven,
maar voornamelijk tijdens zijn lijden heeft
betoond. Toen Hij in het huis van Cai-
phas den kaakslag ontving van dien dienaar,
en deze Hem toesnauwde: Sic respondes
pontificx: antivoordt Gij aldus den hooge-
priester■?
gaf Jesus geen ander antwoord
dan slechts deze woorden: Indien ik kwa-
lijk heb gesproken , geef getuigenis van het
kivaad, maar, indien ik goed heb gesproken,
waarom slaat gij mij 1 Si male locuius turn,
testimonium perhibe de malo
, si autem bene,
ijuid me caedis?
2) Dezelfde zachtmoedig-
heid bleef Hij betoonen tot zijnen dood
toe. Toen Hij aan het kruis hing, en allen Hem
bespotten en verwenschten, deed Hij niet an-
ders dan zijnen Vader bidden, aan allen ver-
geving te schenken: Pater,dimitte illis, non
enxm scinnt quid faciunt.
3) Vader, vergeef
hel hun, want zij roeten niet wat zij doen.
1)   Matth. 11. 29.
2)  Jo IS. 22, 24.
3)  Luc. 23. 34.
-ocr page 233-
225
3) O hoe dierbaar zijn aan Jesus Christus
de zachtmoedige harten , die bij beleedigin-
gen, bespottingen, lasteringen, vervolgingen,
ja zelfs bij slagen en verwondingen, niet
toornig worden op die hen beleedigen of
slaan ! Mansuetoram semper übiplacuit depre-
catio
i)! De gebeden der zachtmoedigen
zijn immer welgevallig aan God, d. w. z.
worden immer verhoord. Aan de zacht-
moedigen is op bijzondere wijze de hemel
beloofd : Beati miles , quia ipsi possidebunt
ter tam.
2) De hemel, aldus placht Pater
Alvarez te zeggen, is het vaderland der
verachten en vertredenen: ja, want aan
dezen en niet aan de hoovaardigen, die
door de wereld geacht en geëerd worden,
is het bezit van dit koninkrijk voorbehouden.
Maar, zegt David, niet alleen zullen de
zachtmoedigen de eeuwige gelukzaligheid
verwerven, reeds hier op de wereld zullen
zij een grooten vrede smaken: Mansueti
haereditalmnt lerram et delectabuntur in
multitudme pacis.
3) Ja, want de heiligen
voeden nooit wrok jegens hen, door wie zij
worden mishandeld; maar beminnen hen
1)  Judith. 9. 16.
2)    Matth. 5. 4.
3)  Ps. 36. n.
-ocr page 234-
22Ó
nog meer dan te voren; en tot beloon ing
van dat geduld, vermeerdert de Heer hunnen
inwendigen vrede. IFat de personen aangaat,
die kwaad van mij spreken
, zegt de H.
Theresia, liei dunkt mij, dat ik voor hen een
bijzondere genegenheid gevoel;
vandaar zei de
later de congregatie der Rota van haar, dat
de beleedigingen haar een reden waren , om
die haar beleedigden, nog meer te beminnen:
offensiones ipsi amoris materiam ministra-
bant.
Doch zulk eene zachtmoedigheid
kan alleen hij hebben , die begaafd is met
eene groote nederigheid en een lagen dunk
heeft van zichzelven, zoodat hij alle soort
van verachting meent te verdienen; de
hoovaardigen toch zijn immer vol toorn en
wraakzucht, daar zij een hoogen dunk van
zichzelven hebben en meenen alle eer
waardig te zijn.
4) Beat\'/ mortui. qui in Domino morïun-
tur.
1) Zalig de dooden, die in den Heer
sterven.
Wij moeten dus sterven in den
Heer, om gelukkig te zijn en reeds in dit
leven te beginnen, het genot te smaken
der zaligheid; der zaligheid, wel te verstaan,
voor zoover die in dit leven mogelijk is,
deze zaligheid is zeer zeker veel minder
dan de zaligheid des hemels, maar even.
I) Apoc 13. 14.
-ocr page 235-
227
wel is zij zóó groot, dat zij naar de uit-
drukking des apostels alle zinnelijke genoe-
gens in dit leven overtreft. Et pax Dei,
quae exsuj>erat omnem sensum custodiat corcla
vestra.
i) Maar, om zoover te komen,
dat men dien vrede ook te midden van
beleedigingen en lasteringen weet te sma-
ken, moet men dood zijn in den Heer.
Een doode, hoezeer hij ook door anderen
mishandeld wordt en vertrapt, vertoornt zich
in het minst niet; zoo ook moet de zacht-
moedige , als ware hij een doode, die ziet
noch hoort, alle beleedigingen, die hem
worden aangedaan, verdragen. Eene ziel,
die Jesus Christus waarachtig bemint, komt
inderdaad zoover; want ganschovergegeven
als zulke ziel is aan den wil Gods, ont-
vangt zij met denzelfden vrede, met een
gelijk gemoed zoowel voorspoed als tegen-
spoed, zoowel vertroostingen als beproe-
vingen , zoowel beleedigingen als vriende-
lijke bejegeningen. Zoo deed de Apos-
tel en daarom ook riep hij uit: Supera-
bnndo gaudio in omni tribulatione nostra.
2)
Ik vloei over van vreugde bij al onze ver-
drukking.
O gelukkig hij, die het brengt tot
deze graad van deugd! Hij geniet een
1)    Philip 4. 7.
2)  2 Cor. 7 4.
-ocr page 236-
228
aanhoudenden vrede en bezit daarin een
goed, dat alle andere goederen der wereld
overtreft. Wat heteekent geheel de wereld,
zeide de H. Francisus van Sales, in ver-
gelijking met den vrede des harten}
i) In-
derdaad, wat baten de rijkdommen, de
eer der wereld, als men in onrust leeft
en in het hart den vrede mist?
5) In een woord, om immer met Jesus
Christus vereenigd te blijven, moeten wij
bij alles den vrede der ziel bewaren en ons
nooit door de tegenheden, welke wij ont-
moeten, dien vrede laten ontnemen. A"<?«
in commotione Dominus. 2) De Heer woont
niet in onrustige harlen. Hooren wij eens,
welke schoone lessen de meester der zacht-
moedigheid , de H. Franciscus van Sales,
hierover geeft: Geef u nooit over aan den
toorn, zoo zegt de heilige, en open hem
nooit de deur, onder welk voorwendsel
ook, want als hij eenmaal is binnen getre-
den; is het niet meer in onze hand hem te
verdrijven of hem te beteugelen, indien wij
willen. De middelen daartoe zijn. in. Alle
gevoel van toorn aanstonds tegengaan, door
onze gedachten op iets anders te vestigen, en
in onze ontroering niet te spreken. 2°. Even-
1)  Lettre 5. 80.
2)  III Reg. 19. 11.
-ocr page 237-
229
als de apostelen, toen zij de zee in beroe-
ring zagen, aanstonds onze toevlucht nemen
tot God, in wiens hand het is,het hart tot
rust te brengen. 3». Ziet gij, dat ten ge-
volge uwer zwakheid, de toorn reeds voet
heeft gekregen in uwe ziel, doe dan al uw
best, weder kalm te worden en tracht daarna
acten van nederigheid en zachtmoedigheid
te doen jegens hem, tegen wien gij u ver-
toornd gevoelt; doch dit alles moet geschie-
den met kalmte en zonder geweld; want
het is van groot belang de wonden niet
te verergeren. De Heilige zeide, dat hij
tijdens zijn leven vooral tegen twee harts-
tochten veel had moeten strijden, nl. tegen
den toorn en de liefde. Om den hartstocht
van toorn te overwinnen, had hij, gelijk hij
getuigde, twaalf jaar moeten arbeiden; wat
den hartstocht van liefde aangaat, daarvan
had hij gezorgd het voorwerp te veranderen,
door zich af te wenden van de schepselen
en al zijne genegenheden tot God te keeren.
Op die wijze verkreeg de heilige een zoo
grooten inwendigen vrede, dat deze zelfs
uitwendig zichtbaar was; men zag hem als
het ware immer met een vergenoegd gelaat
en een lach om de lippen.
6) Unde bcHa, nisi a concnpisceiiiiis
1) Jac. 4. 1.
-ocr page 238-
230
vestris. i) Wanneer men zich door den toorn
bewogen gevoelt, meent men verlichting
en vrede te zullen vinden, als men door
daden of althans door woorden aan zijne
gramschap lucht geeft; maar men bedriegt
zich; want, na zulk eene uitbarsting, zal men
zich nog meer onthutst gevoelen dan te
voren. Wie een voortdurenden inwendigen
vrede wil bewaren , wachte zich, ooit toe te
geven aan kwade luim. Bemerkt men, dat
men door kwade luim overvallen is, dan
zorge men die aanstonds te verdrijven en
er niet mede te gaan slapen; men trachre
zich daarom te verstrooien door iets te lezen,
een godvruchtig liedje te zingen, of zich op
aangename wijze te onderhouden met een
vriend.
7) Ira in simt slultl requiescet 1) zegt
de H. Geest. In het hart der dwazen,d.i.
van hen, die weinig liefde hebben voor Jesus,
vindt de toorn een langdurig verblijf; maar
niet in het hart van hen, die Jesus beminnen;
want komt de toorn daar ook al eens ter
sluiks binnen, hij wordt er aanstonds uit
verdreven en vindt er geen blijvende rust-
plaats. Eene ziel, die den goddelijken Ver-
losser van harte bemint, is nooit slecht
geluimd; want daar zij niets anders wil,
1) Eed. 7 10
-ocr page 239-
23\'
dan wat de wil van God is, heeft zij immer
al wat zij verlangt, en is daarom immer
gerust en aan zich zelve gelijk; hare onder-
werping aan den wil Gods maakt haar kalm
in alle wederwaardigheden: ziedaar waarom
zij jegens iedereen immer even zachtmoedig
is. Maar die zachtmoedigheid kan men niet
verkrijgen, zonder eene groote liefde tot
Jesus Christus; wij zien dan ook inderdaad,
dat wij nooit meer geneigd zijn tot zacht-
zinnigheid en goedertierenheid jegens an-
deren, dan wanneer wij eene groote teeder-
heid voor Jesus gevoelen. Doch omdat
wij deze teederheid niet immer gevoe-
len, moeten wij ons in het inwendig
gebed op alle minder aangename ontmoe-
tingen , die ons kunnen overkomen, voor-
bereiden. Zoo deden de heiligen; vandaar
hunne vaardigheid om beleedigingen, kaak-
slagen , verwondigingen met geduld en
zachtmoedigheid te verdragen. Op het
oogenblik, dat wij door onzen naaste belee-
digd worden, zullen wij niet licht in staat
zijn, te doen, wat wij moeten , om ons
niet door de gramschap te laten over-
winnen, indien wij ons daar niet her-
haaldelijk op hebben voorbereid; de harts-
tocht zal het ons dan als redelijk doen
voorkomen, de driestheid van dengene, die
ons beleedjgt, met driestheid te keer te
-ocr page 240-
= 3*
gaan; maar, zegt de H. Joannes Chrysosto-
mus, het is het rechte middel niet, het
vuur, wat in het hart van onzen naaste
brandt, met het vuur van een toornig ant-
woord te willen blusschen; integendeel, het
zal daardoor nog meer worden aangewak-
kerd. Ignenonpotestignisextingui.x )Maar,
zal iemand zeggen, het is toch niet redelijk,
vriendelijkheid en zachtzinnigheid te gebrui-
ken met een vermetele , die u zonder reden
beleedigt. Doch de H. Franciscus van
Sales zegt: Men moet zich zachtzinnig
betoonen, niet alleen wanneer liet redelijk is,
maar ook wanneer hel niet redelijk is.
2)
8) Wij moeten in zulk geval trachten
te antwoorden met een of ander goedig
woord; want dit is het middel om het vuur uit te
blusschen. Responsio mollis frangit tram. 3)
Wanneer echter de ziel aan ontroering ten
prooi is, dan zal het \'t beste zijn te zwijgen.
De H. Bernardus zegt: Turbatus prae tra
oculus rectum non videt.
4) Wanneer het
oog verblind is door toorn, ziet het niet
meer wat onrechtvaardig is; de hartstocht is
een blinddoek, die maakt, dat wij het recht niet
1)  Hom. 9S in Gen.
2)  Lettre 231.
3)  Prov. 15. I.
4)  De cons. 1. 2. c. 14.
-ocr page 241-
233
meer kunnen onderscheiden van het onrecht.
Wij moeten daarom met onze tong hetzelfde
verbond maken als de H. Franciscus van
Sales, nl. van niet te spreken, als het hart
niet kalm is.
9) Somwijlen echter schijnt het nood-
zakelijk, den een of anderen onbeschaam-
den mensch met harde woorden tot zijn
plicht te brengen. De profeet David zegt:
Irascimini etnolite peccare, 1) Wordt toornig
maar zondigt niet.
Het is dus somwijlen
geoorloofd toornig te worden, mits het
zonder zonde geschiede. Maar ziedaar de
moeielijkheid. In theorie schijnt het som-
wijlen nuttig den een of ander op toornige
wijze toe te spreken of te antwoorden, om
hem alzoo tot zijn plicht te brengen; maar
in practijk is het zeer moeilijk dit te doen
zonder fout. Vandaar dat de zekerste weg
is, immer te verman en ot te antwoorden met
zachtheid en er voor te waken zich ooit
vergramd te toonen. Ik heb mij nooit
toornig getoond,
zegt de H. Franciscus
van Sales, of ik heb er later spijt tan ge-
had.
En als wij in zulk geval ons ook zelf
door den toorn voelen vervoeren, dan is, ge-
lijk ik boven gezegd heb, de zekerste weg, te
zwijgen en de vermaning of het antwoord uit
1) Ps. 4: 5
-ocr page 242-
234
te stellen tot een anderen tijd, waarop het
hart niet meer aan ontroering ten prooi is.
10) Die zachtmoedigheid moeten wij in-
zonderheid beoefenen, wanneer wij van onze
oversten of onze vrienden eene berisping
ontvangen. Wanneer men de berisping be-
mint,
zegt de H. Franciscus van Sales,
toont men liefde te hebben voor de deugd,
welke aan de gebreken waarover men ons
berispt, tegenover staat, en geeft men dus een
groot bewijs, dat men vooruitgaat in de
volmaaktheid,
i) Verder moeten wij ook
de zachtmoedigheid in acht nemen tegen-
over onszelven. De duivel doet het ons als
iets prijzenswaardigs voorkomen, op ons-
zelven toornig te worden, wanneer wij een
ot andere fout bedrijven; maar neen, dit
is het werk van den duivel, die zijn best
doet om ons steeds in onrust te doen ver-
keeren, opdat wij niet in staat zouden zijn iets
goeds te doen. „Houdt het voor zeker," zegt
de H. Franciscus van Sales, 2) „dat alle ge-
dachten, welke u in onrust brengen , niet
uit God zijn, die immers een vorst des vredes
is; maar voortkomen, ofwel van den duivel,
ofwel van de eigenliefde, ofwel van den hoo-
gen dunk, welken wij van onszelven hebben.
1)    Cfr. Esprit p. b, c. 19.
2)    Cfr. Lettre 51.
-ocr page 243-
235
Ziedaar de drie bronnen, waaruit al onze on-
gerustheden voortkomen. Wanneer er daar-
om gedachten in ons opkomen, die ons
verontrusten, moeten wij ze aanstonds ver-
werpen en ze verachten."
11) Verder is ons de zachtmoedigheid
ten hoogste noodzakelijk, wanneer wij aan
anderen eene berisping moeten geven. De
berispingen, die gegeven worden met bit-
teren ijver, zijn dikwijls meer nadeeligdan
voordeelig, vooral wanneer degene, dien men
berispen moet, de kalmte heeft verloren.
In dit geval moet men de berisping uit
stellen en wachten tot de toorn van zulken
persoon bedaard is. Eveneens moeten wij
er ons voor wachten, anderen te berispen,
wanneer wij zelf slecht gehumeurd zijn;
want dan zal de berisping immer met bit-
terheid geschieden, en de schuldige, dien
men aldus vermaant, zal de berisping wei-
nig tellen, denkende, dat zij uit hartstocht
voortkomt. Dit, wat het welzijn van onzen
evenmensch aangaat; maar wat ons eigen
geestelijk voordeel betreft, o, toonen wij Jesus
Christus te beminnen, door de kwade bejege-
ningen, de beleedigingen, de verachtingen
met kalmte, ja met blijdschap te verdragen.
-ocr page 244-
236
Gevoelens en beden.
Mijn verachte Jesus, o liefde, o blijd-
schap mijner ziel, door uw voorbeeld hebt
Gij de verachtingen overbeminnelijk gemaakt
voor hen, die U beminnen. Ik beloof U,
van heden af aan elke beleediging te zul-
len verdragen, en dit ter liefde van U , die
op deze wereld door de menschen zoozeer
veracht zijt uit lietde tot mij. Geef mij
de kracht, om het te doen. Doe mij ken-
nen en doe mij ten uitvoer brengen alles,
wat Gij wilt van mij. Mijn God en mijn al,
geen ander goed wil ik zoeken clan U,
die een eindeloos goed zijt. Gij hebt zoo-
veel zorg gehad voor mijn geluk, geef dat
ik geen andere zorg hebbe dan om U ge-
genoegen te geven. Maak, dat al mijne
gedachten niets anders beoogen, dan te vluch-
ten wat U beleedigen kan en middelen te
zoeken, om U in alles te behagen. Ver-
wijder van mij elke gelegenheid, die mij
van uwe liefde zou kunnen aftrekken. Ik
beroof mij van mijne vrijheid en wijd haar
geheel aan uw goddelijk welbehagen. Ik
bemin U, oneindige goedheid, ik bemin
U, mijn Geliefde; o vleeschgeworden
Woord, ik bemin U meer dan mijzelven.
Heb medelijden met mij, genees mij van
alle wonden, waaraan mijne ziel lijdt ten
-ocr page 245-
237
gevolge der beleedigingen, die zij U heeft
aangedaan Ik geef mij geheel over in
uwe armen , o mijn Jesus; ik wil geheel de
uwe zijn , ik wil alles ter uwer liefde lijden,
en ik verlang niets anders van U dan U.
Heilige Maagd, mijne Moeder Maria, ik
bemin U, op U stel ik mijn vertrouwen,
kom mij te hulp met uwe machtige voor-
spraak.
fr
-ocr page 246-
HOOFDSTUK XIII.
Caritas non cogitat malum, non
gaudet super iniquitate con-
ga udet autem veritati.
Wie Jesus Christus bemint, wil niets
anders tenzij wat jesus christus wil.
i) De liefde gaat immer vereenigd met
de waarheid; daar nu de liefde weet, dat
God het eenig en waarachtig goed is, heeft
zij een afschuw van de boosheid, welke
zich verzet tegen den goddelijken wil en
verheugt zij zich over niets anders tenzij
over hetgeen de wil Gods is. Vandaar
komt het, dat eene ziel, die God bemint,
er zich weinig aan laat gelegen liggen, wat
anderen van haar zeggen; maar er alleen
op bedacht is, te doen wat aan God
behaagt. Dan staat men waarlijk goed met
God, zegt de gelukz. Henricus Suso, wan-
-ocr page 247-
239
neer men zijn best doet, aan de waarheid
haar recht te geven en er daarna volstrekt
geen rekening meê houdt, hoe men behandeld
wordt door de menschen of wat zij van
ons denken.
2) In den loop van dit werkje hebben
wij reeds dikwijls gezegd, dat geheel de
heiligheid en volmaaktheid van eene ziel
bestaat, in zichzelven te verloochenen en
den wil van God te volbrengen, maar hier
is de plaats, om daar meer uitdrukkelijk
over te spreken. Ziedaar dan, wat geheel
ons streven moet zijn, indien wij heilig
willen worden: nimmer onzen eigen wil te
volgen, maar immer dien van God; want
alle goddelijke geboden en alle goddelijke
raden komen hierop neer, dat men moet
doen en lijden wat God wil en gelijk God
het wil. Bidden wij daarom den Heer, dat
Hij ons de heilige vrijheid des geestes geve ;
de vrijheid des geestes doet ons alles omhel-
zen wat behaagt aan Jesus Christus, ondanks
eiken weerstand van eigenliefde of mensche-
lijk opzicht. De liefde van Jesus brengt
zijne beminnaren in eenen staat van alge-
heele onverschilligheid, waardoor zoet en
bitter hun gelijk wordt; niets willen zij wat
aan henzelven behaagt en alles willen zij
wat behaagt aan God; met denzelfden vrede
der ziel wijden zij zich zoowel aan groote
-ocr page 248-
240
als aan kleine zaken, aan hetgeen de
natuur behaagt en aan hetgeen haar mis-
haagt: het is hun genoeg aan God te be-
hagen.
3) De H. Augustinus zegt: Ama etfac
quod vis. Bemin en doe wat gij wilt.
Wie
God waarlijk bemint, zoekt niets anders
dan Gods welbehagen, en in niets anders
vindt hij zijn geluk dan in genoegen te
geven aan God. „Wie niets anders zoekt,"
zegt de H. „Theresia, dan den Welbeminde
te voldoen, is tevreden met alles wat deze
beschikt. Ziedaar de kracht der liefde, als
zij volmaakt is: zij doet de ziel alle eigen
voordeel, alle eigen voldoening vergeten, en
maakt, dat hare eenige gedachte is, genoegen
te geven aan haren Welbeminde en te zoeken,
hoe zij hem door zichzelven of door an-
deren kan eeren. Ach ja, Heer, al ons
ongeluk komt daar vandaan, dat wij de oogen
niet gericht houden op U. Indien wij slechts
op niets anders bedacht waren, dan om voort-
gang te maken zouden wij weldra ons doel be-
reiken ; maar wij vallen en struikelen duizend
malen, ja dwalen zelts af van \'t spoor, omdat
wij niet aandachtig den waren weg in \'t oog
houden." Ziedaar derhalve wat het eenig
doel moet zijn van al onze gedachten, al
onze handelingen, al onze begeerten, al
onze gebeden: het welbehagen van God:
-ocr page 249-
241
ziedaar onze weg naar de volmaaktheid :
wandelen volgens den wil van God.
4) God wil, dat een ieder onzer Hem
uit geheel zijn hart beminne : Diliges Do-
minum, Deum tunm ex toto corde Uw.
Die
ziel nu bemint Jesus uit geheel haar hart,
welke Hem in alle oprechtheid van haar
gemoed zegt wat eens de apostel Hem
zeide : Domme quid me vis facere ? Heer,
doe mij weten wat Gij van mij wilt, ik
wil alles doen. En begrijpen wij het wel; wan-
neer wij willen wat God wil, dan willen
wij ons eigen voordeel; want zeer zeker wil God
slechts wat voor ons het beste is. „De
gelijkvormigheid met Gods wil, zegt de
H. Vincentius a Paulo, 1) is de schat van
den christen en het geneesmiddel voor alle
kwalen, want zij besluit in zich de ver-
loochening van zichzelven , de vereeniging
met God en alle deugden". In een woord,
ziedaar de geheele volmaaktheid : Domine
quid me vis facere ? Neer, wat wilt Gij
dat ik doel
Jesus Christus belooft ons, dat
zelfs een haar van ons hoofd niet zal ver-
loren gaan. El capillus de capite vestro
nonperibit
2) Hij wil daarmede zeggen, dat elke
l> Abelly 1. 3. c, 9.
2) Luc. 21. 23.
-ocr page 250-
242
goede gedachte, die wij hebben om God ge-
noegen te geven, elke beproeving, die wij
met gelatenheid, uit onderwerping aan Zijnen
wil aannemen , ons door den Heer wordt
betaald. De lieer zendt ons nimmer cene
beproeving over,
zegt de H. Theresia, zon-
der haar, wanneer wij ze bereidvaardig aan-
nemen
, met een of andere gunst te betalen.
5) Maar onze gelijkvormigheid met den
wil Gods moet zijn op de eerste plaats: al-
geheel, zonder voorbehoud
, en op de tweede
plaats: standvastig eti onherroepelijk. Daarin
bestaat het toppunt der volmaaktheid en dit
(ik herhaal het) moet het doel zijn van al onze
goede werken, al ODze verlangens, al onze ge-
beden. Wanneer sommige inwendige zielen
over de geestverrukkingen en zielsvervoerin-
gen lezen van de H, Theresia, van den H.
Philippus Nerius en andere heiligen, be-
kruipt hen het verlangen, het ook tot deze
bovennatuurlijke vereenigingen te brengen;
zulke verlangens echter moet men verwerpen,
want zij zijn strijdig met de nederigheid; indien
wij heilig willen worden, moeten wij naar
de ware vereeniging met God verlangen,
welke daarin bestaat, dat wij onzen wil
volkomen vereenigen met dien van God.
„Men bedriegt zich, zegt de H. Theresia, 1)
I) Livre des fondations.
-ocr page 251-
=43
wanneer men gelooft, dat de vereeniging
met God bestaat in verrukkingen, geest-
vervoeringen en zoete genietingen. Neen,
zij bestaat in niets anders dan in de onder-
werping van onzen wil aan den wil Gods;
en deze onderwerping is dan volmaakt,
wanneer onze wil aan alles is onthecht en
alleen vereenigd is met dien van God, in die,
mate, dat onze wil door niets anders dan door
den wil Gods wordt bewogen. Ziedaar de
ware en wezenlijke vereeniging, waarnaar ik
immer heb verlangd en welke ik onophoude-
lijk van den Heer vraag." En dan laat zij er
op volgen: „O hoevelen onzer spreken aldus;
en in werkelijkheid schijnt het ons, dat wij
niets anders dan dit willen; maar wij onge-
lukkigen! hoe weinigen onzer brengen het
zoover!" En dit is de waarheid. Velen onzer
zeggen: Heer, ik geef U geheel mijnen
wil, ik wil niets anders dan wat Gij wilt;
doch wanneer de tegenheden komen, weten
wij ons aan Gods wil niet te onderwerpen;
vandaar dikwijls die klachten, dat wij
slechts ongeluk hebben op deze wereld, dat
alle rampen ons deel zijn en dat wij een
ellendig leven leiden.
6) Indien wij ons bij alle tegenheden
met den wil Gods wisten te vereenigen,
zouden wij zeker heilig worden, en wij zou-
den tevens de gelukkigste menschen zijn der
-ocr page 252-
244
wereld. Ziedaar dus wat ons eenige zorg
moet zijn: bij alles wat ons overkomt, onzen
wil met dien van God te vereenigen, hetzij
het ons behaagt of niet. Ne ventiles te
in omriem venlum,
i) zoo vermaant ons de
H. Geest. Keer u niet om naar eiken wind.
Sommige menschen doen als de windwij-
zers, zij draaien naar den wind; is de wind
gelijk zij het verlangen, voorspoedig, dan
ziet men hen opgeruimd en voorkomend;
maar is de wind tegen, gaat het niet gelijk
zij wenschten, dan zijn zij ter neergeslagen
en ongeduldig, en zoo komt het, dat zij niet
alleen niet heilig worden, maar tevens een
ongelukkig leven leiden ; want hier op aarde
is de tegenspoed veel menigvuldiger dan
de voorspoed. Alles uit Gods handen aanne-
men gelijk het komt, zegt de H. Dorotheus,
is een groot middel om een aanhoudenden
vrede en rust des harten te bezitten; ook
verhaalt hij van de vaders der woestijn,
dat men hen nimmer toornig of neerslachtig
zag; en dit om geen andere reden , dan
omdat zij alles, wat hun overkwam, blij-
moedig uit Gods handen aannamen. O zalig
hij, die leeft in die algeheele overgeving aan
den goddelijken wil! hij blaast zich niet op in
den voorspoed, noch verliest in de tegenheden
i) Eccli 5. 11.
-ocr page 253-
245
den moed; want hij weet, dat beide voort-
komen uit de zelfde goddelijke hand; de
wil Gods alleen is het richtsnoer van zijn
willen en daarom doet hij niets anders,
dan hetgeen God wil en wil hij niets anders,
dan hetgeen God doet. Hij beijvert zich
niet, om veel te doen, maar alleen, om vol-
maakt te doen datgene, wat hij weet, aan
God welgevallig te zijn; hij stelt daarom
de kleinste verplichtingen van zijnen staat
achter daden, die grooter zijn en roemrijker;
want hij weet, dat in deze laatste de eigen-
liefde haar deel kan hebben; maar dat de
eerste zeker de wil van God zijn.
8) Alzoo zullen wij eerst dan gelukkig
zijn, wanneer wij alles wat God over ons
beschikt, met volkomen gelijkvormigheid
aan zijnen goddelijken wil van Hem aan-
nemen , zonder te letten of het naar onzen
zin is of niet. Wanneer zal het zijn, zoo
sprak de H. Joanna de Chantal, dat wij
in alles, wat ons overkomt, de zoetheid
van den goddelijken wil zullen smaken,
op niets anders lettend dan op het goddelijk
welbehagen, waardoor ons toch zeer zeker
met gelijke liefde en slechts tot ons bestwil
zoowel de tegenspoed als de voorspoed
wordt toegedeeld? Wanneer zal het zijn,
dat wij ons geheel en al overgeven in de
handen van onzen allerteedersten Vader
-ocr page 254-
246
in den hemel, aan Hem alleen de zorg
overlatend voor onzen persoon en onze
zaken, en voor onszelven niets overhou-
dend dan alleen het verlangen om aan
God te behagen? De vrienden van den
H. Vincentius a Paulo zeiden van hem,
toen hij nog leefde: „Mijnheer Vincentius is
altijd mijnheer Vincentius;
zij wilden zeggen,
dat de heilige bij elke gebeurtenis, gelukkig of
ongelukkig, immer hetzelfde opgeruimde ge-
laat bleef toonen, immer aan zichzelven,
gelijk bleef ; want daar hij geheel overge-
geven leefde aan God, vreesde hij voor
niets en wilde hij niets anders, tenzij het-
geen aan God behaagde. In deze heilige
overgeving,
zegt de H. Theresia, wordt
die schoone vrijheid des geestes geboren,
welke het erfdeel der volmaakten is, en waarin
al het geluk wordt gevonden, wat men op
deze wereld ka» verlangen
; want, daar men
in dezen toestand niets vreest, en niets ruil
of teenseht van de dingen dezer wereld, be-
zit men alles,
i)
8) Velen echter zoeken de heiligheid
in hetgeen strookt met hunne neigingen;
die van nature droefgeestig zijn, zoeken
haar in het afgetrokken leven; die bedrij-
vig van aard zijn, in preeken en dergelij-
I) Livre des fondations.
-ocr page 255-
*47
ken; anderen, die van een stroeve natuur
zijn, in het oefenen van poenitenties en ge-
strengheden; anderen weder, die van nature
vrijgevig zijn, in het geven van aalmoezen;
anderen in het verrichten van vele mond-
gebeden; weer anderen in het bezoeken
van heiligdommen; en daarin doen zij dan
geheel hunne heiligheid bestaan. De uiterlijke
werken zijn vruchten van de liefde tot
Jesus Christus; doch de ware liefde bestaat
in zijnen wil in alles gelijkvormig te doen
zijn aan den wil Gods, m.a.w. in zich-
zelven te verloochenen en datgene te kiezen,
wat het meest aan God behaagt, en dit
alleen, omdat Hij het verdient.
9) Anderen willen God dienen; maar in
die of die bediening, op die plaats, met die
gezellen, in die omstandigheden; anders laten
zij ofwel den arbeid varen of verrichten dien
met kwade luim; dezulken bezitten de vrijheid
des geestes niet; maar zijn slaven van hunne
eigenliefde; vandaar dat zij ook met hetgeen
zij doen, weinig verdienen; daarenboven
missen zij immer den vrede des harten;
want, daar zij gehecht zijn aan hun eigen
wil, valt het juk van Jesus Christus hun
zwaar. De ware beminnaren van Jesus
beminnen alleen wat behaagt aan Jesus,
en alleen, omdat het behaagt aan Jesus, en
beminnen het wanneer en waar en op
-ocr page 256-
248
welke wijze het de wil is van Jesus;
hetzij Hij hen wil gebruiken in zaken, die
eervol zijn, of in nederige en geringe be-
dieningen ; in een leven dat schittert voor
de wereld of in een verborgen en veracht
leven. Ziedaar wat het zeggen wil, Jesus
met eene zuivere liefde te beminnen; daar-
op dan moeten wij ons met alle kracht
toeleggen, strijdend tegen de begeerten onzer
eigenliefde, die ons zoo gaarne zou gebezigd
zien voor die werken alleen, welke glorie-
vol zijn en met onze neigingen stroken.
Ach wat beteekent het op deze wereld de
meestgevierde, de rijkste te zijn zonder den
wil van God ? De gelukzalige Henricus
Suso zeide: Ik zou veel liever een nietig
aardwormpje willen zijn door den zuil Gods,
dan een serafijn des hemels door eigen wil.
10) Jesus zegt, dat in den laatsten dag
velen Hem zullen zeggen: Heer, wij hebben
in uwen naam de duivelen uitgedreven en
groote dingen gedaan: Domine, nonne in
nomine tuo prophetavimus et in nomine tuo
daemonia ejecimus
, et in nomine tuo virtutes
multas fecimus?
1) Maar de Heer zal hun ant-
woorden : Nunquam novi vos;discedile ame
qui operamini iniquitatem. 2)
Weg van
n Matth. 37. 22.
2) Ibid.
-ocr page 257-
249
mij, ik heb u nooit erkend voor mijne
leerlingen; want gij hebt uw eigen zin willen
involgen, liever dan mijnen wil te volbrengen.
Dit woord geldt bijzonder voor de priesters
en evangelische werklieden, die zich aftob-
ben voer de zaligheid en de volmaaktheid
van anderen, dochmiddelerwijlzelven immer
blijven voortleven in het slijk hunner onvol-
maaktheden. De volmaaktheid bestaat: i".
in eene ware verachting van zichzelven,
2°. in eene algeheele versterving van zijne
neigingen, 30 in eene volmaakte gelijkvormig-
heid aan den wil Gods. Wie in een dezer
deugden ontbreekt, is buiten den weg der
volmaaktheid. Vandaar zegt een groot
dienaar Gods, dat het beter is, in onze
handelingen ons alleen Gods wil ten doel te
stellen dan Gods glorie; want als wij Gods
wil doen, dan bevorderen wij tevens zijne
glorie; doch, als wij ons Gods glorie ten
doel stellen, zullen wij onszelven dikwijls
misleiden, door onzen eigen wil te doen
onder voorwendsel van de glorie Gods. De
H. Franciscus van Sales zegt, dat er velen
zijn, die tot den Heer zeggen: Ik geef mij
geheel zonder voorbehotid aan U;
maar dat
er weinigen zijn, die de practijk dezer over-
geving omhelzen. Deze nu bestaat in een
zekeie onverschilligheid, waardoor men bereid
is, om alle soort van gebeurlijkheden, gelijk
-ocr page 258-
250
zij ons door de beschikking der goddelijke
voorzienigheid overkomen, aan te nemen;
zoowel de beproevingen als de vertroostingen,
zoowel de verachtingen en beleedigingen als
de eer en de glorie, i)
11) Lijden derhalve, met blijdschap om-
helzen hetgeen mishaagt, hetgeen in strijd
is met onze eigenliefde, ziedaar het teeken,
waaraan men kent, wie Jesus waarlijk be-
minnen. Wie niet bereid is, alles voor den
beminde te lijden en in alles den wil te
volgen van den beminde, verdient geenszins
een waar beminnaar te worden genoemd,
zegt Thomas a Kempis. Qui non est para-
lus bmnia pati et ad volunlatem stare clilecti,
non est dignus amator appellari,
2) Daaren-
tegen zegt Pater Baltassar Alvarez, dat hij,
die zich in de tegenspoeden met tevreden-
heid aan den goddelijken wil onderwerpt,
als het ware naar God vliegt. Is er wel
grooter gewin denkbaar,
zegt de H. There-
sia, dan eenig bewijs te bezitten, dat wij
genoegen geven aan God?
3) Welnu, zoo
zeg ik, wij kunnen geen zekerder bewijs heb-
ben , dat wij aan God genoegen geven, dan
wanneer wij met tevredenheid de kruisen,
1)  Entretiens 2.
2)  Imit. 1. 3 c. 5.
3)  Vie c. 10.
-ocr page 259-
251
die Hij ons overzendt, omhelzen. Welgeval-
lig zeker is het den Heer, dat wij Hem
bedanken voor de weldaden, die Hij ons
hier op aarde bewijst; maar, zegt pater
Joannes van Avila, meer waard is één
„God zij geloofd" in tegenspoed dan zes-
duizend dankzeggingen in voorspoed.
12) En men moet hier in \'t oog hou-
den, dat wij niet alleen met gelatenheid
moeten omhelzen de tegenheden, die direct
van God komen, zooals ziekten, gemis van
talenten, toevallig verlies van goederen;
maar ook die, welke indirect van God ko-
men , maar direct van de menschen, zooals
vervolgingen, diefstallen, beleedigingen ;
want in waarheid komen ook deze zaken
alle van God. Op zekeren dag werd
David smadelijk bejegend door een zijner
onderdanen met name Semeï, welke het
niet liet bij beleedigingen, maar hem zelfs
met steenen wierp. Een van Davids diena-
ren wilde dien vermetele het hoofd afhou-
wen; maar David antwoordde: Dimitlc
eum, ut maledicat, Dominus enim praecepit,
ut maledicerct David.
1) Laat hem spreken;
want de Heer heeft hem bevolen, mij aldus
te vervloeken: d. w. z. God bedient zich van
hem, om mijne zonden te kastijden en daarom
1) 2 Reg. 16. 10.
-ocr page 260-
2S2
laat God toe, dat hij mij aldus beleedigt.
13) Daar nu dit alles zoo is, zegt de H.
Maria Magdalena de Pazzi met reden , dat
al onze gebeden geen ander doel moeten
hebben, dan van God de genade te ver-
werven, in alles zijnen H. wil te volbren-
gen. Sommige zielen, belust op geestelijke
zoetheden, zoeken in het gebed niets an-
ders dan aangename en teedere gevoelens
te hebben, om zich daarin te verlustigen;
maar de sterke zielen en die een waar
verlangen hebben om geheel aan God te zijn,
vragen niets anders van God dan licht, om
zijnen H. Wil te kennen en kracht, om dien
volmaaktelijk te volbrengen. Om tot de zuiver-
heid der liefde te komen, is het noodzakelijk,
onzen wil in alles te onderwerpen aan den wil
Gods: Geloojt nooit (zegt de H. Franciscus
van Sales) dat gij lui tot die zuiverheid ge-
bracht hebt,welke gij hebben moet, zoolang uw
wil niet in alles, Ook in hetgeen U het meest
tegenstaat, blijmoedig onderworpen is aan dien
van God.
Want, gelijk de H. Theresia
zegt, alleen het offer van onzen wil brengt
God er toe, zich volmaaktdijk met onze ge-
ringheid te vereenigen.
1 ) Maar hiertoe kan
men niet geraken, tenzij door het inwendig
gebed, door de goddelijke Majesteit aan-
houdend er om te vragen en door een
1) Chemin de la Perf. ch. 33.
-ocr page 261-
253
oprecht verlangen om geheel, zonder voor-
behoud aan Jesus te zijn.
14)    O allerbeminnelijkst Hart van mijnen
goddelijken Zaligmaker, Hart, dronken van
liefde voor de menschen, daar gij ons
immers met zoo groote teederheid be-
mint ; Hart, in een woord, waardig om de
heerschappij te bezitten over ons aller harten,
o kon ik aan allen de liefde doen kennen,
die Gij hun toedraagt en de teederheid,
die Gij bewijst aan de zielen, die U zon-
der voorbehoud beminnen! Welaan, o Jesus,
mijne liefde, aanvaard de gave en het
offer dat ik U thans breng van geheel mijnen
wil. Doe mij kennen wat Gij van mij wilt;
want met uwe genade wil ik alles doen.
Over de gehoorzaamheid,
15)   Maar wat nu is het middel, om bij
hetgeen wij doen, zeker te weten wat God
van ons wil ? Daartoe bestaat er geen beter,
geen zekerder middel, dan te gehoorzamen
aan onze oversten en bestierders. Men vol-
brengt nooit beier Gods wil,
zegt de H.
Vincentius a Paulo, dan wanneer men aan
zijne oversten gehoorzaamt.
De H. Geest zegt:
Melior est obedientia, qnam victimae. 1)
1) Eccl. 4. 17.
8
-ocr page 262-
*54
Meer behaagt aan God het offer van onzen
eigen wil door de gehoorzaamheid, dan
alle andere offers; want in andere zaken,
zooals aalmoezen, vasten, lijfkastijdingen
en dergelijke, geven wij God het ome;
maar, als wij Hem onzen wil geven, geven
wij Hem onszcfrcn. Wanneer wij Hem onze
goederen, onze verstervingen schenken,
geven wij Hem een gedeelte ; maar, wanneer
wij onzen wil geven, geven wij Hem alles.
Wanneer wij daarom tot God zeggen : Heer
doe mij door middel der gehoorzaamheid
hennen wat Gij van mij wilt; want ik icil
dit alles doen,
dan hebben wij niets meer
te geven overig.
16) Wie zich derhalve heeft toegewijd aan
de gehoorzaamheid, moet zich in alles ont-
hechten aan eigen zienswijze. Iedereen, zegt
de H. Franciscus van Sales, heeft zijne eigene
zienswijze; dit echter is niet strijdig met
de deugd ; in strijd met de deugd is alleen
de gehechtheid aan eigen zienswijze, i)
Maar helaas! aan die gehechtheid zegt men
het moeielijkst vaarwel; de reden dan ook,
waarom zoo weinige zielen zich geheel aan
God geven, is, dat zoo weinigen zich in
alles onderwerpen aan de gehoorzaamheid.
Men vindt er, die zóó gehecht zijn aan hun
i) Entretiens 14.
-ocr page 263-
255
eigen wil, dat wanneer hun iets wordt op-
gelegd , ook al is het naar hunnen zin, zij er
niettemin de begeerte en den lust voor
verliezen, alleen, omdat zij het moeten doen
uit gehoorzaamheid; want zij vinden in
niets anders smaak dan in hetgeen hun
wordt ingegeven door hunnen eigen wil.
Maar niet aldus doen de heiligen; de heiligen
toch zijn ni\';t tevreden, tenzij hetgeen zij
doen, hun door de gehoorzaamheid is op-
gelegd. De H. Joanna de Chantal zeide
eens op een dag van ontspanning, tot
hare geestelijke dochters, dat zij dien
dag mochten doorbrengen gelijk hun goed-
dacht ; doch toen het avond geworden was,
kwamen zij haar allen dringend vragen,
hun toch nooit een dergelijk verlof meer te
geven, want zij hadden nooit een vervelen-
der dag doorgebracht dan dien, waarop zij
zich bevrijd hadden gevoeld van den band
der gehoorzaamheid.
17) Het is misleiding, te meenen, dat
men iets beters kan doen, dan hetgeen wordt
opgelegd door de gehoorzaamheid. De taak,
die de gehoorzaamheid ons oplegt, verlaten
,
om zich met God te vereenigen door gebed,
geestelijke lezing of afzondering, is zich van
God terugtrekken, om zich te vereenigen met
zijne eigenliefde,
zegt de Heilige Franciscus
van Sales. De H. Theresia voegt er bij,
-ocr page 264-
256
dat iemand, die een of ander werk verricht, ook
dat in zich goed is, maar tegen de gehoor-
zaamheid, zeer zeker handelt op ingeving des
duivels, en niet op goddelijke ingeving, gelijk
hij zich wellicht inbeeldt; want, zegt de Heili-
ge, de ingevingen van God zijn altijd in over-
eenstemming mei de gehoorzaamheid.
Van-
daar schrijft zij op een andere plaats :
God verlangt van eene ziel, die besloten is
Hem te beminnen
, niets anders dan dal zij
gehoorzame.
1) Een werk uit gehoorzaamheid
verricht (zegt Rodriguez) is meer waard
dan elk ander, welk dan ook. Het is ver-
dienstelijker een stroohalm van den grond
op te rapen uit gehoorzaamheid, dan eene
lange meditatie te houden, zich te geeselen
ten bloede, uit eigen verkiezing. Vandaar
zeide de H. Maria Magdalena de Pazzi,
dat zij liever bezig was met eene oefening
van gehoorzaamheid dan met het gebed;
want, zeide zij, wanneer ik gehoorzaam,
ben ik zeker van den wil Gods, maar
daarvan ben ik niet zoo zeker, als ik met
iets anders bezig ben. 2) Volgens al de
meesters van het geestelijk leven ook is het
beter, uit gehooizaamheid eene godvruchtige
oefening achter te laten, dan dezelve zonder
1)  Livre des fondat. c. 5.
2)  Cepari, c 5.
-ocr page 265-
257
de gehoorzaamheid te volbrengen. De
Allerh. Maagd openbaarde aan de H. Bir-
gitta, i) dat iemand, die uit gehoorzaam-
heid eene versterving achterlaat, dubbel
verdient; want eerst verwerft hij de verdienste
der versterving, daar hij den wil heeft ze
te doen, en daarenboven verwerft hij de
verdienste der gehoorzaamheid, waardoor
hij ze nalaat. Op zekeren dag bracht de
beroemde Pater Franciscus Arias een be-
zoek bij zijnen vriend, den Eerw. Pater Joan-
nes van Avila, en vond hem mijmerend
en droefgeestig; hij vroeg, wat daarvan de
reden was, en nu gaf de eerbied w. Joannes
van Avila dit antwoord: O gelukkig gij,
die leeft onder de gehoorzaamheid en zeker
zijt, te doen wat de wil Gods is. Wat mij
aangaat, wie verzekert mij, wat God het
aangenaamst is: ofwel, dat ik de dorpen afga,
om de arme landlieden te onderrichten , of-
wel, dat ik opgesloten blijve in den biecht-
stoel, om een ieder die komen wil, biecht te
hooren ? maar gij,die onder de gehoorzaam-
heid leeft, gij zijt zeker, dat alles wat gij
doet, volgeus den wil Gods is, ja zelfs het
welgevalligst is aan God. Dit antwoord kan
aan allen, die onder de gehoorzaamheid le-
ven, tot troost dienen.
i) Kev. 1. 4. 26.
-ocr page 266-
25s
18)    Opdat nu de gehoorzaamheid vol-
maakt zij, moet men gehoorzamen met den
wil en met het verstand. Gehoorzamen met
den wil beteekent: bereidvaardig gehoorza-
men en niet uit dwang, gelijk s\'aven. Ge-
hoorzamen met het verstand wil zeggen: zijn
oordeel onderwerpen aan dat van den over-
ste , zonder hetgeen wordt opgelegd en de
wijze waarop het wordt opgelegd, aan een
onderzoek te onderwerpen. Vandaar het
woord der H. Maria Magdalena de Pazzi:
De volmaakte gehoorzaamheid vordert cene
ziel zonder oordeel.
In gelijken zin zegt de
H. Philippus Nerius, dat het, om goed te ge-
hoorzamen, niet genoeg is, te doen wat be-
volen wordt; maar, dat men het doen moet,
zonder te redeneer en voor zeker houdend, dat
hetgeen ons wordt opgelegd, het volmaakste
is wat wij doen kunnen, al was ook het
tegenovergestelde voor God beter. 1)
19)    En dit geldt niet alleen voor de
kloosterlingen, maar ook voor de wereld-
lingen, die onder de leiding hunner gees-
telijke bestierders staan. Zoo dezen zich
door hunnen zielsbestierder eenige regels
laten aanwijzen, waarnaar zij zich zoowel
in hunne geestelijke als tijdelijke aangele-
genheden te gedragen hebben, dan zijn zij
zeker, immer te doen wat het beste is. Zij,
I) Bacci. 1. I. c. 20.
-ocr page 267-
259
die voortgang wenschen te maken op den
weg der deugd, zeide de H. Philippus Ne-
rius, moeten zich een bedreven biechtvader
kiezen en aan hem als aan God zelven
gehoorzamen. Wie aldus handelt, is verze-
kerd, dat hij aan God geen rekenschap zal
behoeven te geven van hetgeen hij doet. 2)
Ook zeide hij, dat men in den biechtvader
vertrouwen moest hebben ; want dat God
dezen niet zou laten dwalen; dat er geen
zekerder middel is, om de strikken des duivels
te verbreken, dan in het goede den wil te doen
van een anderen dat er niets gevaarlijker is,
dan zich te laten leiden door eigen zienswijze.
Evenzoo spreekt de H. Franciscus van Sales;
want als hij handelt over de noodzakelijkheid
van een geestelijken leidsman , om veilig te
wandelen op den weg der volmaaktheid,
schrijft hij als volgt : „Dit is de gewichtigste
aller wenken. Hoezeer gij ook moogt zoe-
ken, zegt de eerbiedw. Pater Joannes van
Avila, gij zult nooit zoo zeker den wil
Gods vinden, dan langs den weg dezer
nederige gehoorzaamheid, door alle god-
vruchtigen der oudheid zoozeer aanbevolen
en beoefend". 1) Hetzelfde zeggen de H,
Bemardus , de H. Bernardinus van Siena,
de H. Antoninus, de H. Joannes van het
Kruis, de H. Theresia, Joannes Gerson
I) Intrad p. I c. 4.
-ocr page 268-
2ÓO
alsmede alle godgeleerden en meesters van
het geestelijk leven. Twijfelen aan deze
waarheid, zegt de H. Joannes van het
Kruis, is bijna aan het geloof twijfelen.
Zich niet wil/en nederleggen bij hetgeen de
biechtvader zegt,
(ziedaar zijne woorden)
is hoogmoed en gebrek aan geloof, i) Van-
daar de volgende twee grondstellingen van
den H. Franciscus van Sales, die zoo bij-
zonder troostend zijn voor angstvallige zielen:
i". Nooit is iemand verloren gegaan, die
waarlijk gehoorzaam tvas.
2°. Men moet
tevreden zijn, als men van zijnen geeste-
lijken bestierder weet, dat men op den goeden
weg is, zonder daarvan het bewustzijn te
verlangen.
Het is de leer van vele god-
geleerden o. a. van Gerson, van den H.
Antoninus, Cajetanus, Navarrus, Sanchez,
Bonacina, Corduba, Castropalao, de Sal-
manticenses en anderen, dat de angstvallige
onder zware zonde, verplicht is, tegen zijne
angsten te handelen; wanneer het nl. te vree-
zen is , dat hij tengevolge zijner zielsangsten
grootelijks schade lijdt naar lichaam of ziel,
m.a.w. dat hij zijne gezondheid of zijn verstand
verliest. Vandaar moeten de angstvalligen
meer bevreesd zijn, niet te gehoorzamen aan
hunnen biechtvader dan tegen hunne angsten
i) Des ep, torn. 3 coll. 4. $ 2. n. 8.
-ocr page 269-
2ÓI
te handelen. Ziehier dus, om hetgeen wij in
dit hoofdstuk gezegd hebben te besluiten,
het kort begrip van al hetgeen noodig
is, om zalig, om volmaakt te worden: i°
zichzelven verloochenen. 2° den wil volbren-
gen van God. 30 God immer bidden, om
zoowel het een als het ander te doen.
Gevoelens en smeekingen.
Quid mi/ii est in coelo ? et a te qnid volui
super terram
? Deus cordis mei et pars
mea Deus, in aeternum.
1)
O mijn dierbare, o eindeloos beminnelijke
Verlosser, daar Gij uit den hemel zijt ne-
dergedaald, om U geheel aan mij te geven,
wat zal ik dan nog zceken op aarde of
in den hemel, tenzij U, die het hoogste goed
zijt, het eenig goed, dat verdient bemind
te worden ? Wees Gij dan de eenige Heer
mijns harten, bezit Gij het alleen; dat mijne
ziel alleen U beminne, alleen aan U ge-
hoorzame , alleen aan U zoeke te behagen.
Laat anderen vrij genieten van de rijkdom-
men dezer wereld; ik verlang U alleen,
Gij alleen zijt mijn rijkdom en zult dit
immer zijn in dit leven en in de eeuwig-
heid. Ik geef U dan, o mijn Jesus,ge-
j) Ps. 72-
-ocr page 270-
2Ó2
heel mijn hart, geheel mijnen wil. Die
wil was U eenmaal weerspannig, maar
thans wijd ik hem geheel aan U toe. Do-
mine qiiid me vis facere 1
Zeg mij, wat Gij
van mij wilt en geef mij uwe hulp, want
ik wil alles doen. Beschik over mij en over
het mijne, gelijk U behaagt; ik neem alles
aan, aan alles onderwerp ik mij. O liefde,
eene oneindige liefde waardig, zoozeer hebt
Gij mij bemind, dat Gij voor mij hebt wil-
len sterven; ik bemin U uit geheel mijn
hart, ik bemin U meer dan mij zelven,
mijne ziel geef ik over in uwe handen.
Ik verzaak thans aan alle aardsche gehecht-
heid ; ik zeg vaarwel aan al het geschapene
en ik geef mij geheel aan U. Welaan dan,
neem mij aan om de verdiensten van uw
lijden en maak mij getrouw tot in den dood.
Mijn Jesus, mijn Jesus, ik wil alleen leven
voor Ü, ik wil niets anders beminnen dan
U, ik wil niets anders zoeken dan uwen
heiligen wil. Sta mij bij met uwe genade;
en Gij Maria, mijne hoop, help Gij mij
met uwe machtige bescherming.
-ocr page 271-
HOOFDSTUK XIV.
Caritas omnia suffert.
Wie Jesus Christus bemint, wil al-
les voor Jesus lijden; bijzonder ziek-
ten, ARMOEDE EN VERACHTINGEN.
In het vijfde hoofdstuk hebben wij ge-
sproken over de deugd van geduld in het
algemeen; hier echter zullen wij eenige be-
paalde omstandigheden behandelen, waarin
wij de deugd van geduld vooral beoefenen
moeten.
i) Pater Baltassar Alvarez placht te zeggen,
dat een Christen niet moet denken, eenigen
voortgang te hebben gemaakt, indien hij
het er niet toe gebracht heeft, immer de
smarten, de armoede, de verachtingen van
Jesus in zijn hart gegrift te hebben, ten-
einde met liefdevol geduld elke smart,
elke ontbering, elke verachting, ter liefde
-ocr page 272-
264
van Jesus te verdragen. 1) Spreken wij op
de eerste plaats van de smarten en ziekten
des lichaams, die ons, wanneer wij ze
met geduld dragen, een groote kroon van
verdiensten verwerven. Indien wij beseften^
zoo zeide de H. Vincentius a Paulo, welk
een kostbare schat er ligt opgesloten in de
ziekten, dan zonden ivij ze met dezelfde
opgetogenheid ontvangen, waarmede men de
grootste weldaden ontvangt.
De heilige zelf
dan ook, ofschoon aanhoudend gekweld
door allerlei smartelijke ziekten, die hem
dikwijls dag noch nacht rust lieten, ver-
droeg evenwel alles met zoo groote ge-
latenheid en opgeruimdheid van gelaat,
zonder zich ooit te beklagen, dat het scheen,
alsof hem niets deerde. 0 wat schoon
voorbeeld geeft een zieke, die met een kalm
gelaat zijne kwalen verduurt, gelijk een
H. Franciscus van Sales dit deed! Was
deze heilige ziek, dan openbaarde hij in
alle eenvoudigheid aan den geneesheer zijn
lijden, gehoorzaamde hem stiptelijk in het
nemen der medicijnen, hoe onaangenaam
die ook waren, en hield zich vervolgens
bedaard, zonder zich ooit over hetgeen
hij leed, te beklagen; hoe verschillend van
hen, die als zij ook slechts het minste on-
I) Vie. c. 3.
-ocr page 273-
2ÓS
gemak gevoelen, maar niet kunnen ophouden
zich daarover bij iedereen te beklagen en
wel zouden willen, dat allen, vrienden en
verwanten, voortdurend bij hen waren, om
deelneming te betuigen in hun lijden!
Zusters, zoo vermaande de H. Theresia
hare religieuzen, leert toch Ier liefde van Jesns
iets lijden, zonder dat een ieder dit weet.
i)
De eerbiedw. Pater Ludovicus du Pont
werd eens op een Goeden Vrijdag door Jesus
Christus onthaald op zóó groote lichaams-
smarten , dat er geen deel van zijn lichaam
was, hetwelk niet zijn afzonderlijke pijn
leed; hij maakte dit zoo smartelijk lijden
bekend aan een vriend; maar toen hij dit
gedaan had, speet het hem zoozeer, dat
hij belofte deed, nooit meer aan iemand
hetgeen hij leed, te openbaren.
2) Ik zeide daar, dat de Ebw. L. du Pont
door God onthaald werd; inderdaad, want
de heiligen beschouwen het als een ont-
haal, wanneer God hun ziekten en smar-
ten overzendt. Als de H. Franciscus van
Assisie zich eens te bed bevond, ten prooi
aan hevige smarten, zeide de kloosterbroeder,
die hem bijstond: Vader, bid toch, dat God
uw lijden een weinig verlichte en zijne hand
met zoo op U drukke.
Maar als de heilige
1) chemin de la Perf. c. 12.
-ocr page 274-
266
dit hoorde, wierp hij zich aanstonds uit
zijne legerstede, knielde neder en begon
God voor zijne smarten te danken; ver-
volgens zich tot den broeder wendend sprak
hij: O broeder, indien ik niet wist, dat gij
uit eenvoudigheid aldus hadt gesproke?i, zou
ik u nooit meer willen zien.
i)
3) Doch, zal mij een zieke zeggen , wat
mij hindert, is niet zoozeer die ziekte, als-
wel, dat ik niet naar de kerk kan gaan,
om mijne devoties te volbrengen, om te
communiceeren, om Mis te hooren ; ik kan
mij niet naar het koor begeven, om met
mijne medebroeders de getijden te bidden,
ik kan niet celebreeren, ik kan zelfs niet
mediteeren; want mijn hoofd is geheel af en
pijnlijk. Maar zeg mij eens, als het u be-
lieft, waarom wilt gij naar de kerk gaan
of naar het koor? waarom wilt gij com-
municeeren en de H. Mis lezen of hooren ?
Om aan God welgevallig te zijn? Maar het
is Gods welgevallen thans, niet dat gij
brevier bidt, niet dat gij communiceert of Mis
hoort, maar dat gij geduldig in uw le-
gerstede blijft en de smart van uwe ziek-
te lijdt. Doch hetgeen ik daar zeg, behaagt
U niet; een bewijs, dat gij niet zoekt wat
aan God, maar aan u zelven behaagt. De
1) Vita c. 14.
-ocr page 275-
267
eerbiedwaardige Pater Joannes van Avila
schreef eens aan een priester, die zich ook in
dien geest beklaagde : Mijn vriend, houd
u thans niet bezig met na te gaan, wat gij
doen zoudt, indien gij gezond waart, maar
stel er u mede Ie vreden ziek te blijven, zoo
lang liet God zal behagen. Indien gij den
wil Gods zoekt, wat is er voor U dan aan-
gelegen of gij gezond zijl of ziek?
1)
4) Gij zegt, dat gij zelfs het inwendig
gebed niet kunt beoefenen, omdat uw hoofd
er niet naar staat; goed, gij kunt niet
mediteeren; maar waarom kunt gij geen
acten van gelijkvormigheid doen aan den
wil Gods? Als gij die acten doet, en met
liefde de smarten omhelst, die u kwellen,
dan maakt gij de schoonste meditatie, die
gij ooit maken kunt. Zoo deed ook de
H. Vincentius van Paulo. Wanneer de heilige
zwaar ziek was, stelde hij zich zachtkens
in de tegenwoordigheid Gods, zonder zich
in te spannen, om zijn geest op een bepaald
punt te vestigen ; alleen trachtte hij nu en
dan eene of andere acte te doen, nu eens
van liefde, dan eens van vertrouwen of
dankbaarheid en allermeest van overgeving,
vooral, wanneer de smarten zich sterker
deden gevoelen. De kwellingen, op zich
(1 Past. 2. Ep. 54.
-ocr page 276-
268
zelve beschouwd, zegt de H. Franciscus van
Sales, zijn vreeswekkend; maar leschouwd
in den wil Gods
, zijn zij liefde engeneugt. i)
Gij kunt niet mediteeren; maar wat is
schooner meditatie dan van tijd tot tijd
een blik te werpen op den Gekruisigde, Hem
uwe pijnen op te dragen en het weinige
wat gij lijdt, te vereenigen met de einde-
looze smarten, die Jesus Christus leed op
het kruis?
5) Toen een heilige vrouw eens, aan
hevige smarten ten prooi, te bed lag,
gaf eene dienstmaagd haar een kruisbeeld
in de handen en zeide haar dat zij den
Heer moest bidden, haar van die pijnen te
bevrijden; maar de zieke antwoordde: „Hoe
wilt gij dat ik van het kruis zoeke af te
dalen, terwijl ik een gekruisigden God in mijne
handen houd ? De Heer beware mij daar-
voor. Gaarne wil ik lijden voor mijn Jesus,
die voor mij veel\' zwaarder pijnen heeft
willen lijden dan de mijne. In denzelfden
zin sprak Jesus tot de H. Theresia, als
zij eens zïek en zeer lijdend was. Hij
verscheen haar geheel doorwond en zeide
haar: Aanschouw, mijne dochter, de hevigheid
der pijnen en zie, of de uwe met de mijne
kunnen vergeleken worden.
Daarom placht de
I) Amour de Dieu 1. 9. c. 3,
-ocr page 277-
269
heilige later, wanneer zij door ziekte bezocht
werd, te zeggen: Als ik bedenk op wat
wij \'.e de Heer heeft gelede», ofschoon Hij vol-
komen onschuldig was, dan begrijp ik niet, hoe
het vdj in \'t hoofd kan komen, mij over mijne
kwellingen te beklagen.
De H. Liduina had
gedurende 38 jaren aanhoudend allerlei
kwalen te verduren; zij had koortsen, jicht
aan handen en voeten, keelpijn, en over het
geheele lichaam wonden; maar omdat zij
immer de smarten van Jesus Christus voor
oogen hield, bevond zij zich op hare leger-
stede immer opgeruimd en welgemoed. Toen
de H. Joseph van Leonissa, capucijn, eens
een zware operatie moest ondergaan, en zijne
medebroeders, bevreesd, dat hij zich door de
hevige smart bewegen zou, hem wilden
vastbinden, greep de heilige man een
kruisbeeld, en riep uit: wat binden ! ziedaar
wie mij bindt
; de gekruisigde Jesus
noodzaakt, mij ter zijner lief de elke smart met
blijdschap te lijden,
en hij onderging de ope-
ratie zonder een enkele klacht. Een H. Jonas,
martelaar bracht op bevel des tyrans een gan-
schen nacht door iu het ijs maar des morgens
zeide hij, nooit rustiger nacht te hebben
gehad ; want hij had zich Jesus aan het
kruis voorgesteld, en bij dit gezicht hadden
zijne smarten hem eerder liefkozingen ge-
schenen dan tormenten.
-ocr page 278-
270
6) O wat al verdiensten kan men ver-
werven, alleen door met geduld de ziekten
te verdragen! Aan P. Baltassar Alvarez
werd eens getoond, welke groote glorie God
bereid had aan eene godvruchtige klooster-
zuster, ter wille eener ziekte, welke zij met
groot geduld had verdragen; hij zeide, dat
deze zuster in de acht maanden harer ziekte
meer had verdiend, dan andere godvruchtige
religieusen in verscheidene jaren. Het ge-
duldig lijden van onze ziekten voltooit
voor een groot deel en misschien voor
het grootste deel, de kroon, welke God ons
bereid heeft in het Paradijs. Dit werd
eens geopenbaard aan de H. Liduina. Na-
dat de heilige, gelijk wij boven verhaal-
den , zoovele en zoo smartelijke ziekten had
doorstaan, verlangde zij voor Jesus den
marteldood te sterven; en zie, terwijl zij
op zekeren dag door dit verlangen verteerd
werd, zag zij een schoone kroon, maar
nog niet voltooid; zij begreep, dat die kroon
voor haar was; vol verlangen daarom, dat
hare kroon voltooid mocht worden, bad zij
den Heer hare smarten te vermeerderen.
De Heer verhoorde haar; want Hij zond
haar eenige soldaten, die haar niet alleen
grovelijk beleedigden, maar haar zelfs zwaar
mishandelden. Daarop verscheen haar een
engel met dezelfde kroon; maar nu voltooid;
-ocr page 279-
271
deze laatste beproeving, zeide hij haar, had er
de steenen ingebracht welke er nog aan ont-
braken. Korten tijd daarna stierf de heilige.
7) O ja, aan de zielen, die Jesus vurig
beminnen, zijn de smarten en versmadingen
boven mate zoet en dierbaar! Vandaar die
blijdschap der martelaren bij den aanblik
der pijnbanken, der ijzeren haken, der
gloeiende roosters en der bijlen die hen
wachtten. De H. Martelaar Procopius sprak
op het oogenblik, dat de tyran hem fol-
terde: „Pijnig mij zooveel gij wilt\', maar
weel, dal er, voor wie Jesus Cltrislus bemin-
nen, tiiels zoelcr is dan ter zijner liefde te
lijden.
1) De H. Jordanus, eveneens mar-
telaar, sprak tot den tyran, die hem met
den dood dreigde: Gij bedreigt mij met
den dood ; maar mij spijt het, dat ik niet meer
dan een» kan sterven voor mijnen Jesus.
2)
\'Maar, zoo vraag ik, spraken misschien die
heiligen aldus, omdat zij ongevoelig waren
voorde folteringen, of omdat zij hun verstand
hadden verloren? Neen, antwoordt de H.
Bernardus, Hoc nonfecit slupor sed amor. 3)
Geenszins hadden zij het verstand verloren,
zeer goed gevoelden zij de folteringen, die
men hun aandeed; maar omdat zij God
—ïTApTsür. S. Jul.
2)  J. Bas. hom. in Gord. M.
3)  In Cant. S. 61.
-ocr page 280-
2 72
beminden, achtten zij het een gewin, zoo-
veel te lijden, en alles, tot zelfs het leven
te verliezen ter liefde van God!
8) Bovenal moeten wij tijdens onze ziek-
ten bereid zijn, den dood aan te nemen en
dien dood, welke aan God behaagt. Wij
moeten sterven, en in onze laatste ziekte
moet ons leven een einde nemen; doch wij
weten niet, welke de laatste ziekte voor ons
zal zijn; wij moeten daarom zorgen, bij
elke ziekte bereid te zijn, den dood aan te
nemen, welken God ons heeft voorbestemd.
Maar, zegt een zieke, ik hel zoovele zon-
den gepleegd en nog volstrekt geene boet-
vaardigheid gedaan. Ik zou nog gaarne
leven, niet om het leven zelf, maar om aan
God, alvorens te sterven, eenige genoegdoening
te geven.
Doch zeg mij eens, mijn broeder,
hoe weet gij, dat gij, wanneer gij blijft
leven, boetvaardigheid zult [doen, en het
niet nog erger zult maken dan vroeger?
Thans kunt gij met grond vertrouwen, dat
God U vergiffenis heeft geschonken; is er
schooner boetvaardigheid, dan met bereid-
vaardigheid den dood aan te nemen, indien
het aan God aldus behaagt ? De H. Aloysius
stierf in den jeugdigen leeftijd van drie en
twintig jaren , en bij die gedachte omhelsde
hij met blijdschap den dood: Titans, zoo
zeide hij, bevind ik mij, naar ik hoop, in
-ocr page 281-
273
Gods genade; doch ik weet niet,lioe het later
met mij zal zijn; gaarne daarom wil ik
sterven
, indien het God behaagt, mi; thans
uit dit leven op te roepen.
P. Joannes van
Avila was van gevoelen, dat een ieder, die
zich in een goede, alhoewel middelmatige
gesteltenis bevindt, naar den dood verlan-
gen moet, om nl. aan het gevaar te ont-
komen, waarin wij op aarde immer ver-
keeren, van te zondigen en de genade Gods
te verliezen.
9) Daarbij komt, dat wij ter oorzake
onzer natuurlijke zwakheid, in deze wereld
niet kunnen leven zonder zonde, ten min-
ste niet zonder dagelijksche zonde. Welnu
om die reden alleen, om God niet langer
te beleedigen, moeten wij den dood met
blijdschap omhelzen. Daarenboven, indien
wij God waarlijk beminnen, moeten wij vurig
verlangen, Hem te mogen aanschouwen en
Hem in den hemel uit al onze krachten te
beminnen, hetgeen in dit leven niemand
volmaaktelijk kan doen. Doch, wanneer
de dood ons de deur niet opent, kunnen
wij dat zalig vaderland der liefde niet bin-
nengaan. Daarom riep een H. Augustinus,
die zoozeer brandde van liefde tot God, uit:
E ja, moriar Domine, ultevidea/nl 1) Laat
mij sterven, Heer; want indien ik niet sterf,
I) Sol. an. ad. D. c. I,
-ocr page 282-
274
is het mij niet gegeven, U te aanschouwen en
U van aanschijn tot aanschijn te beminnen.
10) Op de tweede plaats moeten wij
het geduld beoefenen in armoede. Zeer
zeker, wanneer de tijdelijke goederen ons
ontbreken, hebben wij veel geduld noodig.
De H. Augustinus zegt: Wie God niet bezit,
bezit niets
; wie God bezit, bezit alles, i)
Wie God bezit en vereenigd is met den
goddelijken wil, vindt in God alle goed.
Zie slechts een H. Franciscus; barrevoets,
gekleed in een ruwen zak, arm aan alles,
roept hij uit: Deus mens et omma, Mijn
God en mijn al,
en bij dit woord gevoelt
hij zich rijker dan al de monarchen der
wereld. Arm is alleen hij, die begeert
wat hij niet heeft; maar wie niets begeert
en niet zijne armoede tevreden is, hij is
rijk in den volsten zin. Van dezulken
zegt de H. Paulus: Nihil liabentes et omnia
possidentes.
2) Niets hebben zij en toch
bezitten zij alles; want ontbreken hun de
tijdelijke goederen, dan zeggen zij: „Mijn
/est/s
, Gij alleen zijt mij genoeg , en zijn
tevreden. De heiligen zijn niet alleen ge-
duldig geweest in hunne armoede, maar
zelven hebben zij hun best gedaan, zich van
alles te onldoen , om in volkomen onthech-
i) Serra. 85. 5. R.
2) II Cor. 6. 10.
-ocr page 283-
275
ting te leven en alleen met God vereenigcl
te zijn. Hebben wij den moed niet, om aan
alle goederen der wereld te verzaken, zijn
wij dan ten minste tevreden met den staat,
waarin God ons geplaatst heeft; laten wij
niet bekommerd zijn voor de goederen der
wereld; maar voor de hemelsche goederen,
die eindeloos veel grooter zijn en eeuwig du-
ren; doordringen wij ons van hetgeen de H.
Theresia zegt: Jloe minder wij hier hebben,
des te meer ontvangen wij daar.
i)
ii) De overvloed van tijdelijke goederen
is niets anders, zegt de H. LSonaventura,
dan een lijm, welke de ziel belet hare vlucht
tot God te nemen; daarentegen noemt de
H. Joannes Climacus de armoede een weg,
die ons zonder hinderpaal tot God voert. 2)
De Heer zegt: Zalig zijn de armen van
geest, want hunner is het rijk der hemelen.
Beati pauperes spiritu
, quoniam ipsorum
est regnum coelorum.
3) In de andere der
acht zaligheden, bijv., waar Jesus de zacht-
moedigen, de zuiveren van harte zalig
prijst, belooft Hij den hemel in de toekomst;
maar aan de armen wordt de hemel, (d.
w. z. de hemelsche vreugde) beloofd reeds
1)  Livre des fondat c, 14.
2)   Scala spir. gr. i7.
3)  Matth. 5. 3.
-ocr page 284-
276
hier op de wereld : Ipsorum est regnum coe.
lorum. Hunner
is het rijk der hemelen. ]a.,
want de armen genieten hier in dit leven
reeds een hemel vooruit. Pauperes spiritu,
armen van geest,
d. w. z. armen, die de
aardsche goederen niet alleen ontberen,
maar er zelfs niet naar verlangen; die vol-
gens de vermaning des apostels tevreden
zijn, als zij slechts genoeg hebben om zich
te voeden en zich te kleeden: Habentes
au tem alimenta et quibus tegamur, hiscon-
lenti simits,
1) O zalige armoede, roept
de H. Laurentius Justinianus uit, o zalige
armoede, die alles bezit en voor niets be-
ducht is! Zij is immer blijde, immer in
overvloed; want elk ongemak dat zij ver-
duurt , maakt zij dienstbaar aan den voort-
gang harer ziel. 2) Avarus terrena esurit
ut mendicus, pauper contei/init ut dominus,
zegt de H. Bernardus. 3) De hebzuchtige
is immer hongerig als een bedelaar; want
nooit wordt zijn honger naar goederen der
aarde verzadigd; maar de arme, als een
die alles bezit, veracht die goederen, daar
hij er niets van begeert.
12) Indien de armoede niet een groot
i) Tim. 6. 8.
2)  de disc. mon. c. 2.
3)  Serm. 2. in cant.
-ocr page 285-
-77
goed ware, zoo sprak Jesus eens tot de geluk-
zalige Angela de Foligno, zou ik haar niet
voor mijzelven verkozen hebben noch haar ten
er/deel hebben gelaten aan mijne uitverkore-
nen.
Inderdaad, als de heiligen de armoede
zoozeer beminden, het was, omdat zij ook
Jesus arm zagen. De begeerte om rijk te
worden, zegt de H. Paulus, is een strik
des duivels, waarmede hij meer dan een
in het verderf stort: Quivoluutdivitesfieri,
incidunt in laqueum diaboli, et desideria
nociva, quae rnergunt homines in interüum
et perditionem.
i) Rampzaligen! om de
ellendige goederen der wereld niet te ver-
liezen, verliezen zij een oneindig goed,
verliezen zij God ! Keizer Licinius liet aan
den H. Basilius Martelaar beloven , hem
opperpriester te zullen maken, indien hij
Christus wilde verloochenen; maar de heilige
antwoordde: zegt aan den Keizer, dat, al
gaf hij fnij ook gansch zijn keizerrijk, hij
mij nooit zooveel zou kunnen geven, als hij
mij ontnemen zou, wanneer hij mij God deed
verliezen.
2) Laat dan God ons genoeg zijn,
en zijn wij tevreden met de goederen, die
Hij ons geeft; verheugen wij ons in onze
1)   I. Tim 6. 9.
2)   Boll. 26 April. Act. n, II.
-ocr page 286-
27S
armoede, als ons ontbreekt, hetgeen wij
gaarne zouden hebben; want daarin is de
verdienste gelegen. Velen zijn arm, maar
omdat zij hunne armoede niet beminnen,
verdienen zij niets. De deugd van armoede,
zegt de H. Bernardus, bestaat niet in arm
te zijn, maar in de armoede te beminnen.
Non paupertas virtus reputaltir, sea pauper-
tatis amor,
i)
13) Die liefde tot de armoede moet bij-
zonder eigen zijn aan de religieusen, daar
zij immers belofte van armoede hebben
gedaan. Vele kloosterlingen, zegt de H.
Bernardus, willen wel arm zijn, maar op
voorwaarde, dat hun niets ontbreekt. Pau-
per es esse volunt, eo tarnen pacto, ut nihil
eis desit.
2) Met andere woorden , zegt de
H. Franciscus van Sales, 3) zij willen wel
de eer, maar niet de ongemakken der
armoede. Doch op dezulken is van toe-
passing, wat de gelukzalige Solomea, zus-
ter van de orde der H. Clara, eenmaal
zeide: Eene kloosterzuster, die arm wil zijn,
en cvemvel zich beklaagt, als haar iets ont-
breekt , zal de spot zijn van engelen en
mensclten.
Goede religieusen doen zoo
1)   Epist. 100.
2)   In adv. D. 3. 4.
3)   Intr. p. 3. c. 16.
-ocr page 287-
279
niet; integendeel, zij beminnen hunne ar-
moede boven allen rijkdom. Toen de doch-
ter van keixer Maximiliaan II, van de bar-
revoeler orde der H. Clara, zuster Mar-
garetha van het Kruis genaamd, eens met
een versteld kleed in de tegenwoordigheid
verscheen van haren broeder, aartshertog
Albert, gaf de vorst daarover zijne verwon,
dering te kennen, als kwam dit niet over-
een met hare hooge geboorte; maar de
prinses antwoordde hem: Mijn liroeder, ik
ben tevredener met dit versleten kleed dan
al de moiiarclien met hun purper.
O ge-
lukkige religieusen, roept de H. Magdalena
de Pazzi uit, i) gij, die door de heilige
armoede van alles onthecht, in waarheid zeg-
gen kunt: Dominuspars haereditatis mcae: 2)
Gij, o mijn God, zijt mijn erfdeel. Gij
mijn eeniggoed.
De H. Theresia liet eens aan
een koopman, van wien zij vele aalmoezen
ontvangen had, mededeelen, dat zijn naam
stond opgeteekend in het boek des levens
en dat tot bewijs daarvan de goederen der
aarde hem alle zouden ontnomen worden;
inderdaad, de koopman ging failliet en
bleef arm tot zijnen dood. Geen zeker-
der teeken, zegt de H. Aloysius van
1)  Cepar. c. 22.
2)  Ps. 15. 5.
-ocr page 288-
280
Gonzaga, dat iemand tot het getal der
uitverkorenen behoort, dan wanneer hij
godvreezend is en tegelijk beproefd wordt
door vele kwellingen en bitterheden op
deze wereld.
14) Tot de heilige armoede behoort in
zekeren zin ook het verlies van verwanten
en vrienden door den dood; ook ten op-
zichte daarvan moet men grootelijks geduld
oefenen. Men vindt er, die, wanneer zij
een verwant of vriend verliezen, maarniet
tot bedaren kunnen komen; zij sluiten zich
op in een kamer, om te weenen en geven
zich geheel over aan hunne droefheid; het
gevolg is, dat zij ten laatste zoo lastig van
humeur worden, dat er met hen niet is om
te gaan. Ik zou van dezulken wel eens willen
weten , aan wien zij door deze overmatige
droetheid en door dit buitensporig tranen stor-
ten genoegen geven? Misschien aan God?
Neen, aan God nïet; want God wil, dat wij
berusten in zijnen H. wil. Aan de ziel des
overledenen? Evenmin; want, is die ziel
verdoemd, dan verfoeit zij zoowel u als uwe
tranen; is zij zalig en reeds in den hemel,
dan verlangt zij, dat gij God voor haar
bedankt; is zij eindelijk in het vagevuur,
dan verlangt zij, dat gij haar door uwe ge-
beden te hulp komt, u onderwerpt aan
den goddelijken wil, en u zelven tracht
-ocr page 289-
28]
te heiligen, opdat gij eens haar deelgenoot
moogt worden in den hemel. Dat over-
matig weenen alzoo, waartoe dient het?
Toen de eerbiedw. Josephus Caracciolo,
Teatijn, eens door den dood een broeder
had verloren, en zijne bloedverwanten niet
ophielden te weenen , zeide hun de heilige
man: Kom, bewaren tvij deze tranen liever
voor iets beters
; beweenen wij liever den
dood van Je sus Christus
, die ons niet alleen
een broeder, maar tevens een vader en een
bruidegom is geweest, en die ter onzer liefde
gestorven is.
In zulke gevallen moeten wij
doen evenals Job, die, toen hij de tijding
van den dood zijner kinderen ontving,
vol onderwerping aan Gods wil uitriep:
Dominus dedit, Dominus abstulit. De Heer
heeft mij deze kinderen gegeven; de Heer
heeft ze mij ontnomen, sicut Domino placuit,
iia factum est; sit nomen Doniini benedic-
tum.
i) Het heeft aldus aan God behaagd,
het behaagt dan ook aan mij; de naam
des Heeren zij immer gezegend.
15) Op de derde plaats moeten wij het
geduld beoefenen en onze liefde tot God
toonen, door met geduld de verachting
van de menschen te verdragen. Wanneer
eene ziel zich geheel aan God geeft, dan
1) Job. 1. 21.
-ocr page 290-
2S2
maakt God zelf of ten minsten laat Hij toe,
dat zij door de menschen veracht en vervolgd
wordt. Op zekeren dag verscheen een engel
aan den gelukz. Henricus Suso en zeide hem:
Henricus, tol nu toe heht gij u verstorven op
nw manier, maar van nu af aan zult gij u
moeien verstenen naar het goeddunken van
anderen.
Toen de gelukzalige den volgenden
dag bij het venster kwam, zag hij een hond,
bezig een ouden lap, welken hij inden bek
hield, geheel te verscheuren ; terzelfder tijd
hoorde de gelukzalige eene stem, die zeide:
Zoo zult gij worden verscheurd door den
mond der menschen;
de gelukz. Henricus
ging naar beneden, raapte den lap op en
bewaarde hem tot bemoediging in den tijd
der beproeving, hem voorzegd, i)
16) De beleedigingen en verguizingen
waren voor de heiligen de gezochtste en uit-
gelezenste geneugten. De H. Philippus Nerius
had in het huis van den H. Hieronymus
te Rome, gedurende 30 jaren, veel te ver-
duren van zekere personen; maar juist
daarom weigerde hij het te verlaten en
wilde hij niet over gaan naar het nieuw
oratorium en de nieuwe kerk, door hem ge-
sticht; ofschoon toch daar zijne dierbare
kinderen woonden, die hem dringend uit-
noodigden in hun midden te komen; slechts
1) Vie. ch. 22.
-ocr page 291-
283
na een uitdrukkelijk bevel van den paus
ging hij er toe over. Als de H. Joannes
van het Kruis ten gevolge eener ziekte,
die hem later naar het graf sleepte, van
lucht moest veranderen, wees hij een klooster,
dat geriefelijk was, en welks prior hem zeer
was toegedaan, van de hand en koos een
arm klooster, waar een prior aan het hoofd
stond, die hem een kwaad hart toedroeg,
en die hem ook inderdaad gedurende langen
tijd, ja bijna tot zijnen dood toe vernederde
en op allerlei manieren kwelde, zóó zelfs,
dat hij den anderen religieusen verbood den
heilige te bezoeken. Daaruit ziet men, hoe
de heiligen er zelfs naar streven, om veracht
te worden. De H. Theresia geeft den vol-
genden gedenkwaardigen grondregel: Wie
naar de volmaaktheid streeft, moet zich wel
wachten van te zeggen: Zij heiben mij dit
ten onrechte aangedaan. Indien gij geen
kruis wilt dragen, tenzij wal op recht ge-
grond is, dan is de volmaaktheid niet voor
11.
i) Men kent het antwoord van den ge-
kruisigden Jesus aan den H. Petrus mar-
telaar, toen de .heilige zich beklaagde, dat
men hem ten onrechte gekerkerd had, daar
daar hij volstrekt geen kwaad had gedaan.
Maar wal kwaad had ik dan gedaan, sprak
Jesus, om aldus aan liet kruis te hangen,
i) Chemin de la perf. ch. 14.
-ocr page 292-
284
en daaraan voor de menschen te sterven ? 1)
O, a.\'s de heiligen worden beleedigd, hoe
goed weten zij zich dan te troosten met
de versmadingen , welke Jesus Christus heeft
geleden voor ons! Den H. Eleazarus werd
eens door zijne echtgenoote gevraagd, hoe
hij toch met zoo groot geduld al die be-
leedigingen kon verdragen, welke hij tot
zelfs van zijne eigene slaven had te verduren ;
de heilige antwoordde: Tk vestig mijne blik-
ken op den verachten Jesus, ik zie dan, dat al
de beleedigingen, die men mij aandoet, niets
zijn, vergeleken bij die, welke Jesus voor
mij heeft verduurd; en op die wiize geeft
God mij de kracht, om, alles met gelatenheid
te verdragen.
In één woord, de beleedigingen;
de ontberingen, de smarten, en in \'t algemeen
alle wederwaardigheden zijn voor de zielen,
die geen liefde voor God hebben, gelegen-
heden, om zich verder van Hem te ver-
wijderen ; maar vgor eene ziel, die haren God
bemint, zijn het redenen, om zich inniger
met Hem te vereenigen en Hem vuriger
te beminnen. Aquae multac non poluerunt
exlinguere carilatem.
2) Al zijn de beproe-
vingen nog zoo groot en menigvuldig, in een
hart, dat niets dan God bemint, zullen zij
i) Boll 29 Apr. V. c. 1.
2) Cant. S. 7.
-ocr page 293-
285
het vuur der liefde niet uitdooven ; maar
integendeel het nog meer doen cntgloeien.
17) Maar waarom overlaadt God ons
met zoovele kruisen? waarom ziet Hij zoo
gaarne, dat wij lijden, dat de wereld ons
veracht, ons vervolgt en mishandelt? Is
Hij dan een tyran, zoo wreed van aard,
dat Hij in ons lijden genoegen heeft ? Neen,
God is geen tyran, God is niet wreed van
aard, Hij is geheel goedheid en liefde voor
ons; Hij is uit liefde tot ons gestorven,
ziedaar genoeg gezegd. Zeer zeker, God
wil, dat wij lijden; maar Hij wil het tot
ons welzijn. God wil het; opdat wij, door
op deze wereld te lijden, bevrijd blijven
van de pijnen, die ons tot straf onzer zon-
den wachten in het andere leven. God
wil het, opdat wij ons niet hechten aan
de zinnelijke vermaken dezer wereld; zoo
doet ook eene moeder; wanneer zij haar
kind wil ontwennen aan de borst, doet zij
er iets bitters aan, opdat haar kind er een
afkeer van zou krijgen. God wil het, op-
dat wij door ons geduld en onze gelaten-
heid Hem een bewijs geven van onze liefde;
God wil het eindelijk, opdat wij door ons
lijden een grooteie glorie verwerven in den
hemel. Om deze redenen, die alle rede-
nen zijn van goedheid en liefde, is het
God aangenaam, ons in lijden te zien.
-ocr page 294-
286
i8) Eindigen wij dit hoofdstuk. Om in
alle beproevingen het heilig geduld goed
te bewaren, moeten wij er ons wel van
doordringen, dat elke beproeving ons toe-
komt van de hand Gods, hetzij onmiddel-
lijk, hetzij door bemiddeling der menschen ;
wanneer wij daarom in lijden zijn, moeten
wij God er voor bedanken, en met blij
gemoed alles, wat Hij over ons beschikt,
aannemen, zoowel voorspoed als tegenspoed;
want God beschikt alles tot ons welzijn;
Diligentibus Deum, omnta cooperanlur in
borium,
i)
Het is ook zeer nuttig, wanneer wij in
lijden zijn, eens een blik te werpen op de
hel, die wij eenmaal verdiend hebben; want
bij de hel vergeleken, zal iedere smart
onbeduidend schijnen. Doch het groote
middel, om in alle smarten, allebeleedigin-
gen, alle wederwaardigheden het geduld te
bewaren, het middel, dat meer helpt dan
elke bespiegeling, is het gebed; de god-
delijke hulp, welke ons door het gebed wordt
geschonken, zal ons de kracht geven, die
wij zelven niet hebben. Dit middel heb-
ben de heiligen gebruikt, zij hebben hun
toevlucht tot God genomen en hebben dan
ook over alle folteringen en alle vervolgin-
gen gezegevierd.
l) Kom. 8. 23.
-ocr page 295-
287
Gevoelens en Smeekingen.
Mijn God, ik ben er van overtuigd:
zonder te lijden en zonder met geduld te
lijden, kan ik de kroon des hemels niet
verwerven. Maar, wat de profeet David
zeide: Ab ipso pafieniia mea. 1) Vdn den
fleer komt mij het geduld,
dat zeg ook ik :
Het geduld in het lijden, het moet mij ge-
schonken worden door U. Ik neem mij
wel voor, alle wederwaardigheden met ge-
latenheid aan te nemen; maar als zij in-
derdaad komen, dan ben ik aanstonds
neerslachtig, en ik verlies den moed; ik
lijd; maar lijd zonder verdienste, zonder
liefde; want ik lijd niet, om genoegen te
geven aan U. Ach mijn Jesus, om de
verdiensten van uw geduld te midden
van die vreesselijke smarten , welke Gij
geleden hebt uit liefde tot mij, geef mij de
genade, om geduldig mijne kruisen te ver-
dragen uit liefde tot U. Ik bemin U,
mijn opperste goed; ik bemin U, mijne
liefde, een oneindige liefde waardig. Ik
heb over niets meer spijt, dan over al die
beleedigingen, welke ik U heb gedaan.
Ik beloof U, de wederwaardigheden, die Gij
mij overzendt, alle met geduld aan te
nemen; maar van U verhoop ik de kracht,
1) I\'s. 61. 5.
-ocr page 296-
288
om dit voornemen ten uitvoer te brengen,
vooral, om met gelatenheid de smarten van
mijnen laatsten strijd en van mijnen dood
te verduren. O Maria, mijne koningin,
verwerf mij in al het lijden, wat mij nog
wacht, in leven en in dood, eene oprechte
overgeving.
-ocr page 297-
HOOFDSTUK XV.
Caritas omnia credit.
Wie Jesus Christus bemint, gelooft
al zijne woorden.
i) Iemand, die bemint, slaat geloof aan
al hetgeen de beminde zegt; hoe meer
daarom eene ziel Jesus bemint, hoe sterker,
hoe levendiger haar geloof is. Als de goede
moordenaar onzen goddelijken Verlosser
aan het kruis zag worstelen met den dood,
zonder dat Hij iets kwaads had bedreven en
Hem zag lijden met zooveel geduld, begon
hij Hem te beminnen en ziet, nauwelijks
heeft die liefde zich van hem meester ge-
maakt of, voorgelicht door een goddelijk
licht, gelooft hij, dat Jesus waarachtig de
Zoon Gods is, en bidt Hem zijner te ge-
denken, wanneer Hij in zijn rijk zou geko-
men zijn.
-ocr page 298-
290
2) Het geloof is de grondslag der liefde,
maar de liefde op hare beurt vervolmaakt
het geloof. Hoe volmaakter men God
bemint, hoe volmaakter men gelooft. De
liefde maakt, dat de mensch niet alleen
gelooft met het verstand, maar ook met
den wil. Zij, die alleen met het verstand
gelooven, en niet met den wil, zij, m a. w.
die maar al te goed weten, hoe waar de
leerstukken des geloofs zijn, doch niet
volgens de goddelijke voorschriften willen
leven, dezulken hebben een zeer zwak ge-
loof; want, als zij een levend geloof hadden,
dan zouden zij zeker van leven veranderen ;
immers zij gelooven, dat de goddelijke ge-
nade een goed is, grooter dan alle ander goed
en dat de zonde een kwaad is, erger dan
elk ander kwaad, daar zij ons berooft van
de goddelijke genade; wanneer zij dus
aan de ellendige goederen der wereld boven
God de voorkeur geven, dan is dit een
bewijs , dat zij ofwel in \'t geheel niet ge-
looven, of dat hun geloof zeer zwak is.
Wie daarentegen gelooft, niet met het ver-
stand alleen; maar ook met den wil en
dus niet slechts gelooft, maar ook gelooven
wil, uit liefde tot God, en het gaarne
doet, zoo iemand gelooft volmaakt eu
daarom tracht hij ook zijn leven met de
-ocr page 299-
291
waarheden, die hij gelooft, in overeenstem,
ming te brengen.
3) Het gebrek nu aan geloof in hen,
die in zonde leven , komt niet voort uit de
duisternis des geloofs; want ofschoon God
gewild heeft, dat de waar/tedeu van het ge-
loof duister en verborgen zouden zijn, om
ons gelooven verdienstelijk te maken, is
niettemin de •WB.axheid des geloofs door des-
zelfs kenteekenen zóó klaarblijkelijk, dat
het niet alleen onvoorzichtig, maar zelfs
goddeloos en dwaas is, het niet aan te
nemen. De zwakheid des geloofs derhalve
van zoovele n is een gevolg van de bedor-
venheid hunner zeden. Wie de goddelijke
vriendschap veracht, om de ongeoorloofde
vermaken niet te derven, zou wenschen,
dat er geen wetten bestonden, die ze ver-
boden, geen kastijding voor wie zondigen;
vandaar vluchten dezulken de gedachte
aan de eeuwige waarheden, de gedachte
aan den dood, het oordeel, de hel, de
goddelijke gerechtigheid; maar, daar dat
alles hen evenwel blijft kwellen en hunne
genoegens verbittert, gaan zij ten laatste
hun hoofd uitputten, om redenen te vinden
met althans eenigen schijn van waarheid,
ten einde zich te overtuigen of liever zich-
zelven wijs te maken, dat er geen ziel, geen
God, geen hel bestaat, om te leven en te
-ocr page 300-
202
sterven als dieren , die noch wet noch rede
hebben.
4) De verdorvenheid der zeden, ziedaar
de bron, waaruit dag aan dag al die boe-
ken , al die stelsels voortkomen van mate-
rialisten, indifferentisten, politicisten, deis-
sten en naturalisten. De een loochent het
godsbestaan , een ander de goddelijke voor-
zienigheid, en beweert dat God, na de
menschen te hebben geschapen, er zich vol-
strekt niet om bekommert, of zij Hem be-
minnen of niet, of zij zalig worden of ver-
loren gaan ; een ander loochent Gods goed-
heid en zegt, dat God vele zielen opzette-
lijk heeft geschapen voor de hel, dat Hij
die zielen zelf tot de zonde aandrijft; opdat
zij zeker verdoemd zouden gaan en Hem
eeuwig zouden vervloeken.
O ondankbaarheid, o boosheid der men-
schen ! een God schiep hen uit louter barm-
hartigheid, om hen-eeuwig gelukkig te maken
in den hemel, Hij overlaadde hen met
zooveel verlichtingen, met zooveel welda-
den en genaden, om hen het eeuwig leven
te doen verwerven; met hetzelfde doel heeft
Hij hen ten koste van zooveel smarten en
met zooveel liefde verlost; en zij, zij doen
hun best, om aan niets te gelooven, ten
einde naar hartelust te kunnen voortleven
in de boosheid! Maar neen; wat moeite
-ocr page 301-
=93
zij zich ook geven, om aan niets tegeloo-
ven, het zal hun nooit gelukken die wroe-
ging van hun boos geweten, die vrees voor
de goddelijke wraak tot zwijgen te bren-
gen. Ik heb over deze stof onlangs een
werkje in het licht gegeven, getiteld : de
Waarheid des geloofs, waarin ik op duide-
lijke wijze de onhoudbaarheid van alle
stelsels dezer moderne ongeloovigen heb
aangetoond. O dat die rampzaligen eens
braken met hun zondig leven, dat zij eens
hun best deden, om Jesus Christus te be-
minnen , zeer zeker, dan zouden zij de leer-
stukken des geloofs niet langer in twijfel
trekken; maar alle waarheden, door God
geopenbaard, vastelijk gelooven.
6) Wie Jesus Christus waarachtig be-
mint, heeft immer de eeuwige waarheden
voor oogen en richt daarnaar zijne hande-
lingen in. Wie Jesus Christus bemint, o
hoe goed begrijpt hij dat gezegde van den
Wijzen Man: Vanitas vanitatum, et omnia
vanitas.
i) IJdelheid der ijdelheden en alles
is ijdelheid,
hoe goed begrijpt hij, dat alle
grootheid der were d niets anders is dan
rook, slijk en bedrog; dat het eeniggoed,
het eenig geluk van eene ziel bestaat in
haren Schepper te beminnen en zijnen wil
te doen; dat wij slechts datgene zijn, wat
wij zijn in de oogen van God, dat het tot
-ocr page 302-
294
niets dient de geheele wereld te winnen,
als onze ziel verloren gaat; dat alle goe-
deren der wereld het hart van den mensch
niet bevredigen kunnen; maar dat alleen
God het bevredigt; in één woord, dat men
alles moet verlaten, om alles te winnen.
7) Caritas omnia credit. He liefde ge-
looft alles.
Andere christenen echter zijn
niet zoo bedorven als zij, waarvan wij zoo-
even spraken; verre van hen dat streven,
om aan niets te gelooven, ten einde met
meerder vrijheid en zonder wroeging te
kunnen voortleven in de zonde; neen zij
gelooven; maar zij hebben een flatnv geloof;
zij gelooven aan de heilige geloofsgehei-
men , zij gelooven aan de waarheden ge-
openbaard in het evangelie, aan de Allerh.
drievuldigheid, aan de verlossing, aan de
sacramenten, aan andere waarheden; maar
zij gelooven alles niet. Jesus Christus heeft
gezegd: Zalig de. armen; zalig zij die be-
droefd zijn
; zalig zij, die zich versterven ;
zalig zij, die door de menschen vervolgd,
belasterd, vervloekt worden: Beati paupe-
res.
1) Beati qui lugent. 2) Beati qui esu-
riunl.
3) Beati qui persecutionem patiun-
1)  Luc. 6. 20,
2)  Matth. 5. 5.
3)  Ibid. 5. 6.
-ocr page 303-
295
tur. i) Beati estis, cum maledixerint vo-
bis
, et dixerint omne malum adversum vos. 2)
Zoo spreekt Jesus in het evangelie. Maar
hoe kan men dan zeggen, dat zij aan dat
evangelie gelooven, zij die zeggen: Geluk-
kig hij, die geld heeft. Gelukkig hij, die
niets heeft te lijden. Gelukkig hij die zich
vermaken kan. Rampzalig hij, die door an-
deren vervolgd en mishandeld wordt?Zeer
zeker van dezulken moet men zeggen, dat
zij, ofwel met gelooven aan het evangelie,
of er slechts gedeeltelijk aan gelooven.
Wie er geheel aan gelooft, acht het een
geluk, een goddelijke gunst, in deze wereld
arm, ziek, in lijden te zijn, door de menschen
veracht en kwalijk behandeld te worden.
Ziedaar hoe iemand denkt, hoe iemand
spreekt die niet een gedeelte, maar alles ge-
looft, wat er in het evangelie staat en die
een ware liefde voor Jesus Christus heeft.
Gevoelens en Smeekingen.
Beminde Verlosser , o leven mijner ziel,
ik geloof, dat Gij het eenig goed zijt, het-
welk verdient bemind te worden. Ik ge-
loof , dat Gij de grootste beminnaar zijt
1)  Ibid. 10.
2)  Ibid. II,
-ocr page 304-
296
mijner ziel; want alleen door uwe liefde
zijt Gij er toe gebracht, om uit liefde tot mij
in eene zee van smarten te sterven. Ik
geloof, dat er noch in dit, noch in het an-
dere leven grooter geluk bestaat, dan U
te dienen en uwen H. wil te doen. Dit
alles geloof ik vastelijk; en daarom ver-
zaak ik aan alles, om geheel de uwe te
zijn en niets anders te bezitten dan U.
Om de verdiensten van uw lijden help mij,
en maak mij, zooals gij verlangt dat ik
ben. Onfeilbare waarheid, ik geloof in
U; oneindige barmhartigheid, ik vertrouw
op U ; oneindige goedheid, ik bemin U;
oneindige liefde, die U geheel aan mij
hebt gegeven in uw lijden en in het H.
Sacrament des Altaars, ik geef mij op
mijne beurt geheel aan U. Ook beveel
ik mij in uwe bescherming, o toevlucht
der zondaren, o Moeder van God, Maria.
-ocr page 305-
HOOFDSTUK XVI.
Caritas omnia sperat
Wie Jesus bemint, verhoopt alles
van Jesus.
i) De hoop vermeerdert de liefde en
de liefde vermeerdert de hoop. Zonder
twijfel doet de hoop op Gods goedheid de
liefde tot Jesus groeien. Zoodra wij, zegt
de H. Thomas, van iemand eenig goed ver-
hopen, beginnen wij op hetzelfde oogen-
blik hem ook te beminnen: Ex hoc enim quod
per aliquem speravimus nol/is posse prove-
nire bona
, movemur in ipsum sicut bonum
nostrum, et sic incipimus ipsum amare.
i)
Om die reden wil de Heer, dat wij onze
hoop niet stellen op de schepselen: Nolite
I) 2. 2. q. 40. a. 2,
-ocr page 306-
293
confidere in principibus, 1) en vervloekt
Hij al wie op den mensch vertrouwt. Male-
dictus ho?no
, qui confidit in hominc. 2) God
verbiedt ons op de schepselen te vertrou-
wen ; omdat Hij niet wil, dat wij aan hen
onze liefde schenken. Vandaar het woord
van den H. Vincentius a Paulo: „Zijn wij
op onze hoede, niet te veel op den bijstand
der menschen te vertrouwen; want als de
Heer ziet, dat wij daarop vertrouwen,
trekt Hij zich terug; daarentegen hoe meer
wij op God vertrouwen, hoe meer wij
vooruitgaan in zijne liefde." Viam mandato-
rum tnorum cucurri, cum dilatasti cor
meum.
3) O hoe gaat hij voorui: in de
volmaaktheid, hij, die het hart verruimd
heeft door het vertrouwen op God! Niet
alleen gaat hij vooruit; maar hij vliegt;
want, daar hij op God zijn hoop heeft ge-
steld, houdt hij op, zwak te zijn gelijk hij
was, en wordt Hij sterk door de kracht
Gods, welke kracht aan allen, die op God
vertrouwen, wordt medegedeeld. Qui conft-
dunt in Domino, mutabunt Jorütudinem
,
asmtnent pennas ut aquilae, current et non
1)  Ps. 145. 2.
2)  Jer. 17. 5.
3)  Ps. 118. 32.
-ocr page 307-
299
laborabunt, amhulabunt et non deficiënt, i)
Gelijk de arend naar omhoog stijgt en
steeds nader komt bij de zon, zoo maakt
de ziel, sterk door haar vertrouwen, zich
los van de aarde en vereenigt zich steeds
inniger met God door de liefde.
2) Gelijk nu de hoop de liefde doet
groeien, zoo vermeerdert de liefde weder-
keerig de hoop; want de liefde maakt ons
aangenomen kinderen Gods. In de orde
der natuur zijn wij slechts het maaksel van
Gods handen; maar in de bovennatuurlijke
orde, zijn wij door de verdiensten van Jesus
Christus, Gods kinderen geworden en, gelijk
de H. Petrus zegt. deelgenooten van de
goddelijke natuur: Ut efficianüni divinae
consorten naturae.
2) Maar, als de liefde
ons kinderen Gods maakt, dan maakt zij
ons ook erfgenamen des hemels: Si au tem
filü et luredes
3) Welnu, aan de kinde-
ren komt het toe te wonen in het huis
huns vaders, aan de erfgenamen behoort
de erfenis; de liefde bij gevolg vermeerdert
de hoop op den hemel. Vandaar dan ook,
dat de zielen, die God waarlijk beminnen,
zonder ophouden verzuchten: adveniat, ad-
1)  Is. 40. 31.
2)  2. Petr. 1. 4.
3)  Rom. g. 17.
-ocr page 308-
3co
veniat regnum tuum. Laat, Heer, laat ons
ingaan in uw rijk.
3) Daarenboven, God bemint die Hem
beminnen: Ego diligentes me diligo. 1);
en Hij overlaadt met zijne genade een
ieder, die Hem met liefde zoekt: Bonus
est Dominus animae quaerenti Illum. 2)
Wie bij gevolg God het meest bemint,
hoopt het meest op zijne goedheid. Dat
vertrouwen brengt in de heiligen die on-
verstoorbare rust te weeg, waardoor zij
immer opgeruimd en tevreden zijn, ook
te midden der grootste wederwaardigheden.
Hun ziel is vol liefde voor Jesus Christus;
zij weten hoe vrijgevig Jesus is met zijne
gaven voor wie Hem beminnen, zij stellen
daarom alleen op Hem hun vertrouwen
en vinden rust. Ziedaar dan ook, wat de
gewijde bruid deed overvloeien van geneug-
ten; geen andere liefde kennend dan voor
haren Beminde, steunde zij alleen op Hem
en wetend daarbij, hoe goed Hij is voor wie
Hem beminnen, was zij volkomen gelukkig.
Daarom staat van haar geschreven: Wie is zij
die daar opstijgt uit de woestijn, overvloeiende
van geneugten, steunend op haren Bemindel
Quae est in ia, quae ascendit de deserto
1)  Prov. 8. 17.
2)  Thren. 3. 25.
-ocr page 309-
Joi
delic\'üs affluens, innixa super dilectum. i)
suum. Met volle recht zegt de Wijze Man :
Venerunt autem mihi omnia bona pariter
cum Ma.
2) Met de liefde komt alle goed
in de ziel.
4) Het eerste voorwerp van de christe-
lijke hoop is het bezit van God in het
rijk der zaligen. Maar meenen wij niet,
dat de hoop om God in den Hemel te
bezitten een beletsel is voor de liefde; want
de hoop op den hemel is aan de liefde
onafscheidelijk verbonden, immers in
den hemel wordt de liefde vervolmaakt
en daar erlangt zij hare volkomen-
heid. De liefde is die eindelooze schat,
welke ons, naar het woord van den Wijzen
Man, Gods vrienden maakt. Infinitus
enim thesaurus est hominibus quo qui
usi sunt, participes facti simt amicitiae
Dei.
3) De vriendschap, zegt de engelachtige
Leeraar, heeft tot grondslag de mededeeling
van goederen; 4) want daar de vriendschap
niets anders is dan de liefde, die vrienden
elkander toedragen, ishet noodzakelijk, dat
zij elkander, naar gelang ieder hunner
i) Cant. 8. 5.
2)  Sap. 7. 11.
3)  Sap. 7. 14.
4)  2. 2. qu. 65. a 5.
9
-ocr page 310-
302
betaamt, wederkeerig goed doen. Daarom
zegt de heilige: Si nulla est communicatie,
nulla essel amiatia. Indien er geene mede-
deelzaamheid is, is er ook geene vriendschap.
Vandaar ook het woord van Jesus tot zijne
apostelen: Vos autem dixi atnicos, quia
omnia quaecunque audici a Patre meo,nota
Jeci vobis.
i) Ik heb U vrienden genoemd,
omdat ik
U alles heb bekend gemaakt, wal
ik van mijnen Vader gehoord heb.
Daar
Jesus hen als vrienden had aangenomen,
had Hij hun al zijne geheimen medegedeeld.
5) Veronderstel eens, zegt de H Francis-
cus van Sales, het onmogelijk geval, dat er
eene oneindige goedheid, m. a. w. een God
bestond, aan wien wij op geenerlei wijze
toebehoorden en met wien wij hoegenaamd
geene gemeenschap of vereeniging konden
hebben; dan zouden wij dien God zonder
twijfel hooger achten dan onszelven, er
zou bij ons zelfs verlangen kunnen ontstaan
Hem te beminnen; maar Hem werkelijk
beminnen zouden wij niet; want de liefde
beoogt vereeniging; immers de liefde heeft
tot grondslag de onderlinge gemeenschap
en tot doel de vereeniging. Daarom leert
de H. Thomas , dat de liefde het verlangen
niet uitsluit naar het loon, wat God ons
1) J°- 15- \'S-
-ocr page 311-
3°3
bereidt in den hemel, integendeel er naar
doet streven als naar het voornaamste
voorwerp onzer liefde; dit toch is God,
gelijk hij zich door de gelukzaligen genieten
doet; want het is eigen aan de vriendschap,
dat de vrienden wederkeerig van elkander
genieten. Amicorum est qitod quaerant
invicem per f rui: sed nihil aliud est merces
nostra quam per f rui Deo, videndo ipsnm;
ergo caritas non sobum excludit, sed etiam
facit habere oculum ad mercedem.
r)
6) En ziedaar die wederkeerige mededee-
ling van gaven waarvan de gewijde Bruid
spreekt, als zij zegt: Dilectus mens mild
et ego ilh.
2) Mijn Beminde is aan mij en
ik ben aan Hem.
De ziel geeft zich in den
hemel geheel aan God, en God geeft zich
daar geheel aan de ziel, zoover deze naar
de maat harer verdiensten daarvoor vatbaar
is. Maar, daar de ziel beseft, hoe nietig zij
is in vergelijking van de oneindige bemin-
nelijkheid Gods en bijgevolg inziet, dat God
oneindig meer verdient bemind te worden
door haar, dan zij verdient bemind te wor-
den door God, verlangt zij veel vuriger,
dat God voldaan is, dan haar eigen vol-
1)   I Thom. in 3. sent. dist. 29. q. ï. a. 4.
2)   Cant. 2. 16.
-ocr page 312-
3<M
doening; en daarom is zij gelukkiger, omdat
zij zich geheel aan God kan geven en aldus
aan God genoegen kan doen, dan omdat
God zich geheel aanhaar geeft — en slechts
in zoover verheugt zij er zich over, dat God
zich geheel aan haar geeft, als dit haar
aanspoort, om zich met des te inniger liefde
aan God te geven. Zij verheugt zich zeker
over de glorie, die God haar mededeelt;
maar zij verheugt, er zich over omdat zij
die glorie tot God terug kan brengen en aldus,
zooveel in haar vermogen is, zijne glorie kan
vermeerderen.
In den hemel, waar de ziel God ziet, is
het haar niet mogelijk, Hem niet uit al haar
krachten te beminnen; van den anderen
kant is het ook aan God onmogelijk, eene
ziel, die Hem bemint, te haten; maar ver-
onderstel eens het onmogelijk geval, dat God
eene ziel, die Hem bemint, kon haten en
dat de ziel des zaligen kon leven zonder God
te beminnen, dan zou die ziel er veel liever
in toestemmen, al de pijnen der hel te lijden,
mits zij God maar mocht beminnen, hoezeer
God haar dan ook haatte, dan te leven,
zonder God te beminnen, al kon zij overigens
ook al de andere geneugten smaken van
het paradijs. Ja, want daar de ziel inziet,
dat God eindeloos meer verdient, bemind
te worden dan zij, verlangt zij veel vuriger
-ocr page 313-
3°5
God te beminnen dan door God te worden
bemind.
7) Caritas omnia sperat. De christelijke
hoop is, zooals de H. Thomas met Petrus
Lombardus leert, eene zekere verwachting
van het eeuwig geluk. Spes est expectatio
certa beatiludinis.
De zekerheid dezer ver-
wachting is gegrond op de onfeilbare belofte
van God, dat Hij aan alle getrouwe die-
naren het eeuwig leven zal geven. Welnu,
daar de liefde de zonde wegneemt, neemt
zij tevens ook het beletsel weg, om de
zaligheid te verwerven; vandaar, dat, naar-
mate de liefde grooter is, zij ook onze hoop
grooter en sterker maakt. Onmogelijk nu
kan de hoop van haren kant een beletsel
voor de zuiverheid der liefde zijn; want de
liefde, gelijk de H. Dionysius, de Areopagiet
zegt, streeft uit haren aard naar de veree-
niging met het beminde voorwerp; de liefde,
zegt de H. Augustinus, is als een gouden
band , die de harten der beminnenden aan-
eenbindt: Amor est quasijnncturaquaedam co-
pulans.
Daar nu deze vereeniging niet geschie-
den kan uit de verte, daarom verlangt hij, die
bemint, immer naar de tegenwoordigheid
van den beminde. De gewijde bruid kwijnde
weg, als zij van haren Welbeminde ver-
wijderd was, zij bad hare gezellinnen, Hem
haar lijden bekend te maken, opdat Hij
-ocr page 314-
6
haar spoedig mocht troosten met zijne
tegenwoordigheid: Adjuro vos, filiae Jeru-
salem, si inveneritis dilectum mei/m, ut
nuntietis ei, quia amore langueo.
i) Eene
ziel diejesus vurig bemint, moet noodzake-
lijk verlangen, moet hopen, dat zij zoo spoe-
dig mogelijk deze aarde mag verlaten, om
zich met haren beminden God te kunnen
vereenigen in den hemel.
8) Wanneer wij dus verlangen, God in
den hemel te mogen aanschouwen, en wij
dit verlangen, niet zoozeer om de voldoe-
ning , die wij zelven daar zullen smaken in
God te beminnen, alswel om de voldoe-
ning, die wij door onze liefde aan God
zullen geven, dan is dit zuivere en volmaakte
liefde. Ook is de vreugde, die de geluk-
zalige in den Hemel smaakt in God te
beminnen, voor de zuiverheid der liefde
geen beletsel; die vreugde toch is van de
liefde onafscheidelijk; de gelukzaligen echter
verheugen zich veel meer over de liefde,
die zij God toedragen, dan over de vreugde,
welke zij in die liefde vinden. Maar, zal
iemand zeggen, verlangen naar loon is
toch geen volmaakte liefde, dit is liefde
van begeerlijkheid [amor concup\'xscentiae),
geen liefde van vriendschap (amor amicitiae).
Doch wij moeten onderscheid maken tus-
I) Cant. 5. 8.
-ocr page 315-
3°7
schen belooningen, welke dóór de menschen
worden toegezegd en het loon des hemels,
dat God aan die Hem beminnen, belooft;
het loon wat de menschen geven, is onder-
scheiden van hun persoon; want als de
menschen eene belooning schenken, geven
zij zkhzelvm niet, maar alleen hunne
goederen; het voornaamste loon daaren-
tegen, wat God geeft aan de zaligen, is
Hij zelf: Ego merces tua magna nimü i) Ik
zelf zal uw overgroot loon zijn.
Daarom, naar
den Hemel verlangen is hetzelfde als naar God
zelven verlangen, die ons laatste einde is.
9) Het komt mij nuttig voor, hier ter plaatse
een twijfel op te lossen, welke aan iemaDd,
die God bemint en zich in alles aan zijnen H.
wil zoekt te onderwerpen, gemakkelijk in de
gedachte zou kunnen komen. Veronderstel,
dat aan eene ziel hare eeuwige verdoemenis
werd geopenbaard, zou zij dan verplicht
zijn die uit onderwerping aan den godde-
lijken wil aan te nemen? Neen, zegt de
H. Thomas, integendeel, zij zondigt, indien
zij daarin toestemt; want daardoor zou zij
hare toestemming geven, om te leven
in eenen staat, die onafscheidelijk is van de
zonde en in strijd is met het laatste doel,
haar door God gegeven; immers God schept
de zielen niet voor de hel, waar zij Hem
1) Gen. 15. 1.
-ocr page 316-
3o8
haten, maar voor den hemel waar zij Hem
beminnen. Hij wil daarom den dood zelfs
des zondaars niet; maar wil, dat allen zich
bekeeren en zalig worden. God, zoo zegt
de Engelachtige Leeraar, wil niemands ver-
doemenis tenzij om de zonde; wanneer
daarom iemand zou toestemmen in zijne
eeuwige verwerping, zou Hij zich niet een-
vormig maken met den goddelijken wil;
maar met den zondigen wil. Unde veile
damnationem suam absolute, non esset con-
formare voluntatem voluntati divinae ted
volnntati peccati.
i)
Maar indien God iemands zonde voorzag
en daarop het vonnis velde zijner eeuwige
verdoemenis, zou zoo iemand dan gehouden
zijn in zijne verwerping toe te stemmen,
indien dit vonnis hem werd geopenbaard?
Evenmin, zegt de Engelachtige Leeraar op
de aangehaalde plaats; want hij zou deze
openbaring moeten beschouwen, niet als een
onherroepelijk besluit; maar als gedaan per
modum comminaiionis,
bij wijze van bedrei-
ging, voor het geval, dat hij in de zonde
volhardde.
io) Maar een ieder trachte zulke verder-
felijke gedachte te verzetten; want zij dienen
tot niets anders dan om ons vertrouwen en
I) De verit. 9. 3. a. 8.
-ocr page 317-
3°0
onze liefde te verminderen. Beminnen wij
Jesus, zooveel wij kunnen hier op de wereld
en verzuchten wij er voortdurend naar, Hem
te mogen aanschouwen in den Hemel, om
Hem daar volmaaktelijk te beminnen. Laat
dit het voornaamste voorwerp zijn onzer
hoop: Jesus uit al onze krachten te beminnen
in den hemel. Ook hier op aarde wel is
waar hebben wij het gebod, God uit al onze
krachten te beminnen: Dihges Dominum
Deum tuutn ex toto corde tuo
, ex iota anima
tua, et ex omnibus viribus tuis etc
i);maar,
zegt de Engelachtige Leeraar, dit gebod kan
op aarde door de menschen niet volmaakt
worden vervuld; slechts Jesus Christus, die
God en mensch was , en de Allerh. Maagd
Maria, die vol was van genade en vrij-
bleef van de erfschuld, vervulden het vol-
maakt ; maar wij, arme kinderen van Adam,
door de zondeschuld besmet, wij kunnen
God niet beminnen zonder eenige onvol-
maaktheid; eerst in den hemel, waar wij
God zullen aanschouwen van aanschijn tot
aanschijn, daar zullen wij Hem beminnen,
ja zullen wij genoodzaakt zijn Hem te be-
minnen uit al onze krachten.
n) Ziedaar dan wat het doel moet zijn
van al onze verlangens, van al onze ver-
2) Luc, io. 27.
-ocr page 318-
3\'°
zuchtingen, van al onze gedachten, van al
onze hoop: God te mogen genieten in den
hemel, om hem daar uit al onze krachten
te beminnen en ons te verheugen in het
geluk van God. Want ja de gelukzaligen
verheugen zich wel is waar over hun eigen ge-
luk in dat rijk van geneugten; maar hun voor-
naamste geluk, een geluk, waarin alle andere
geneugten opgaan, zal zijn de aanschou-
wing van het eindeloos geluk, hetwelk hun
beminde God geniet; want eindeloos meer
beminnen zij God dan zichzelven. Zóó
groot is de liefde der zaligen tot God, dat
ieder hunner gaarne al zijne geneugten zou
willen prijs geven en elke smart zou wil-
len verduren , liever dan dat God, (veron-
dersteld dat zijn geluk verminderen kon) ook
maar het kleinste deeltje daarvan zou moeten
missen. De overtuiging dan ook, dat God
oneindig gelukkig is en dat zijn geluk in
alle eeuwigheid niet kan verminderen, zie-
daar geheel hun paradijs. Zoo wordt het
duidelijk, wat de Heer zegt tot de zielen,
wanneer Hij hun deel geett in de eeuwige
glorie : Intra in gaudium Domini tui i)
Treed binnen in de vreugde uws Heer en.
De vreugde treedt niet binnen in den zali-
ge, maar de zalige treedt binnen in de
I) Ma\'.th. 25. 26.
-ocr page 319-
3"
vreugde Gods; want Gods vreugde is het
voorwerp van de vreugde der zaligen.
Gods goed derhalve zal het goed der zaligen
zijn, Gods rijkdom de rijkdom der zaligen,
Gods geluk het geluk der zaligen.
12) Zoodra eene ziel den hemel binnen-
komt en daar zonder sluier, bij het licht der
glorie de oneindige schoonheid ziet van God,
zal zij aanstonds geheel ontvlamd, geheel
verteerd worden van liefde. Dan geschiedt het,
dat de zalige ziel zich vol geneugten verliest
in die eindelooze zee der goddelijke goedheid,
en daar geheel in verzwolgen wordt, dan
vergeet zij zichzelve en. dronken van god-
delijke liefde, denkt zij om niets anders
dan om God te beminnen. Inebriabun-
tur ab uberlate domus tuae.
1) Zij zullen
dronken worden door den overvloed van
uw huis.
De beschonken mensch denkt
niet meer om zich zelven; aldus denkt ook de
heilige ziel om niets anders meer, dan om
te beminnen en den Welbeminde welge-
vallig te zijn; zij verlangt Hem geheel te
bezitten en ter zelfder tijd bezit zij Hem
geheel, zonder vrees Hem nog ooit te ver-
liezen; zij verlangt zich uit lietde ieder
oogenblik aan Hem te geven, en tevens
heeft zij wat zij verlangt; want ieder
i) Ps. 35 i 9.
-ocr page 320-
312
oogenblik geeft zij zich geheel, zonder
voorbehoud, aan God; — en God van zijnen
kant, met liefde omhelst hij haar, Kij houdt
haar gesloten in zijne armen, en de gansche
eeuwigheid door zal deze omhelzing duren.
13) In den hemel derhalve is de ziel geheel
met God vereenigd, zij bemint Hem daar
uit al hare krachten, met een volkomene
en volmaakte liefde; en ofschoon die liefde
niet oneindig is, omdst het schepsel niet
vatbaar is voor eene oneindige liefde; toch
is zij zóó groot, dat zij de ziel volkomen
gelukkig maakt, volkomen verzadigt, en
maakt, dat deze niets meer verlangt. Ook
God van zijnen kant, Hij deelt zich geheel
mede aan de ziel; geheel en al vereenigt
Hij zich met haar, vervult haar met zich-
zelven, in zoover de ziel volgens hare ver-
diensten daarvoor vatbaar is; en God ver-
eenigt zich met de ziel, niet slechts door
middel zijner gaven, zijner verlichtingen,
zijner liefdevolle opwekkingen, gelijk hij het
met ons doet in dit leven; maar Hij ver-
eenigt zich met haar door zijn eigen goddelijk
wezen. Gelijk het vuur het ijzer doordringt
en het geheel in zich schijnt te doen opgaan,
zoo doordringt God de ziel, zoo vervult Hij
haar met zichzelven; de ziel daarom, zonder
wel is waar haar wezen te verliezen, wordt
zoozeer vervuld van de goddelijke zelfstan-
-ocr page 321-
3\'3
digheid en raakt in dien eindeloozen oceaan
zoozeer verloren, dat zij als vernietigd wordt
en als het ware niet meer bestaat. Dit is
het zalig lot, wat de Apostel afsmeekte voor
zijne discipelen: Ut imphamiiii in omnem
plenitudinem Dei.
i) Opdat gij vervuld
moogt worden in alle volheid Gods.
14) Ziedaar onze bestemming, ziedaar
het laatste doel, wat God ons in zijne
goedheid heeft gegeven, en wat Hij wil,
dat wij in het ander leven zullen be-
reiken. Zoolang het daarom aan de ziel
niet vergund is zich met God te vereenigen
in den hemel, daar waar de volmaakte ver-
eeniging plaats vindt, zoolang kan zij haar
volkomen rust niet vinden. Het is waar,
de zielen, die Jesus beminnen, zij vinden
den vrede in hunne onderwerping aan den
goddelijken wil; maar zij vinden in dit
leven hunne volkomene rust niet; want die
volkomene rust\' verwerft men eerst, wan-
neer men het laatste doel bereikt, het-
welk bestaat in God te zien van aanschijn
tot aanschijn, en verteerd te worden
door de goddelijke liefde. Zoolang de ziel
dat doel niet bereikt, is zij immer in on-
rust, zoolang verzucht en klaagt zij: Ecce
in pact amariludo mea amarissima
: 2) „Ja
1)   Eph.1. 19.
2)  Is. 38. 17.
-ocr page 322-
3»4
mijn God, zoo roept zij uit, „ik leef te-
vreden in dit dal van tranen; omdat het
aldus uw wil is; maar toch het is mij
onmogelijk niet een onbeschrijflijke bitter-
heid te gevoelen; omdat ik van U geschei-
tden ben, omdat ik mij nog niet volmaak-
elijk vereenigd zie met U, die mijn mid-
delpunt, mijn al, mijn volkomene rust zijt."
15) De heiligen dan ook, ofschoon zij
hier op aarde reeds brandden van liefde tot
God , hielden niet op te verzuchten naar het
paradijs; Ileu mihi, quia incolatus meus
prolongalus est.
1) zoo riep David uit. Wee
mij, dat mijne ballingschap zoolang duurt \\
t^aüabor cum apparuerit gloria tua.
2) Ik
zal verzadigd worden, als uwe glorie zich zal
openbaren.
De H. Paulus getuigt van zich
zelven, dat hij vurig verlangt ontbonden te
worden, en met Christus te zijn. Desiderium
habens dissoloi et esse cum Christo.
3) Zóó groot
is het goed, dal ik verwacht,
roept een H.
Fransciscus uit dat elke smart mij genot
schijnt.
4) Ziedaar zoovele acten van vol-
maakte liefde; want, zoo leert het ons
1)  Ps. 119. 5.
2)  Ps. 16. 15.
3)  Phil. I 23.
4)  Apophth. 57.
-ocr page 323-
3i5
de Engelachtige Leeraar, i) de hoogste
graad van liefde, waartoe in dit leven een
ziel kan opklimmen, is vurig te verlangen
om met God vereenigd te worden in den
hemel en Hem daar van aanschijn tot aan-
schijn te genieten. Ter Hum at/tem studium
est, ut homo ad hoc principaüter intendat,
ut Deo inhaereat, et eo perfruatur, et hoc
pertinet ad perfectos, qui cupiunt dissolei et
esse cum Christo.
Maar, gelijk wij gezegd
hebben, dit genieten van God in den hemel
bestaat niet zoo zeer in het geluk, wat God
daar aan de ziel mededeelt, als wel in de
blijdschap, welke de ziel gevoelt over het
geluk van God, dien zij veel meer bemint
dan zichzelven.
16) De grootste straf der heilige zielen
van het vagevuur is hun verlangen naar
het bezit van God. Deze straf zullen in het
bijzonder die zielen lijden, welke in hun
leven weinig naar den hemel hebben ver-
langd. Ja, kardinaal Bellarminus zegt,
dat er in het vagevuur een zekere kerker
is, Carcer honoralus genaamd, waar de
zielen geen andere smart lijden dan alleen
de berooving van Gods aanschijn. De H.
Gregorius, de eerbiedw. Beda, de H.
Vincentius Ferrerius en de H. Birgitta
i) 2. 2. 99. Xxiv. a 9.
-ocr page 324-
3i6
verhalen daarvan vele voorbeelden. Deze
straf nu wordt gegeven, niet om bedreven
zonden, maar alleen om het flauw verlan-
gen wat men gehad heeft naar den hemel.
Vele zielen streven naar de volmaaktheid
en toch verlangen zij maar al te weinig naar
de aanschouwing Gods. Doch het eeuwig
leven is een veel te groot goed; Jesus heeft
het ons ten koste van zijn leven moeten
verdienen; geen wonder dus, dat Hij de zielen
kastijdt, die er in hun leven zoo weinig
naar hebben verlangd.
Gevoelens en smeekingen.
O mijn God, mijn Schepper en Verlosser ,
Gij hebt mij geschapen voor het paradijs,
Gij hebt mij verlost van de hel, om mij
in den hemel te brengen; en ik, zoovele
malen heb ik door mijne zonden voor
uwe oogen aan den hemel verzaakt en
er in bewilligd, tot de hel te worden ver-
oordeeld. Maar immer geprezen zij uwe
barmhartigheid, daar Gij mij, naar ik vast
vertrouw, vergiffenis hebt geschonken, en
mij zoo vele malen van de hel hebt bevrijd.
Ach mijn Jesus, had ik U toch nooit be-
leedigd! Och had ik U immer bemind I
Gelukkig, dat ik nog tijd heb, het te doen.
Ik bemin U, liefde mijner ziel, ik bemin
-ocr page 325-
3>7
U uit geheel mijn hart, ik bemin U meer
dan mijzelven. Ik zie het, Gij wilt mij
zalig, cpdat ik U gedurende de gansche
eeuwigheid beminne in dat rijk van liefde.
Ik dank U, en ik bid U mij in mijn
overig leven bij te staan; want ik wil U daarin
veel beminnen, om U later veel te bemin-
nen in den hemel. O mijn Jesus, wanneer
zal die gelukkige dag aanbreken, dat ik
mij bevrijd zal zien van het gevaar, U nog
te kunnen verliezen; dat ik van liefde ver-
teren zal bij de aanschouwing van uwe
oneindige schoonheid, zoodat ik genood-
zaakt zal zijn, U te beminnen? O zoete
noodzakelijkheid, o gelukkige, o dierbare,
o vurig verlangde noodzakelijkheid, die mij
alle vrees zal ontnemen van U nog ooit
te bedroeven en mij dwingen zal, U uit al
mijne krachten te beminnen. Mijn gewe-
ten jaagt mij schrik aan, het roept mij toe:
hoe durft gij nog te dingen naar den he-
mel? Maar uwe verdiensten, o mijn dierbare
Verlosser zijn mijne hoop. O Koningin des
Hemels, Maria, uwe voorspraak is alvermo-
gend bij God, op Ü stel ik mijn vertrouwen.
-ocr page 326-
HOOFDSTUK XVII.
Caritas omnia sustinet.
Wie Jesus met een krachtige liefde
i5emint, blijft hem beminnen ondanks
alle üekoringf.n en te midden der
grootste troosteloosheid.
i) De kwellingen, welke de Godminnen-
de zielen het meest doen lijden, zijn niet
de armoede, noch de ziekten, noch de
oneer en vervolgingen; maar het zijn de
bekoringen en de troosteloosheid van geest.
Wanneer eene ziel de zoete tegenwoordig-
heid van God geniet, dan zijn alle smarten,
alle beleedigingen en mishandelingen van
den kant der menschen, wel verre van haar
te bedroeven, veeleer een troost voor haar;
omdat dit alles haar in staat stelt, aan God
een bewijs harer liefde te geven; in een
woord, het is voor haar brandstof, waardoor
-ocr page 327-
3i9
net vuur der liefde wordt onderhouden en
gevoed. Maar zich door de bekoringen
in gevaar te zien, de genade Gods te verliezen,
of in de troosteloosheid te wanen, die genade
reeds te hebben verloren , ziedaar kwellin-
gen bovenmate bitter voor eene ziel die
haren Jesus van harte bemint; doch het
is juist de liefde tot Jesus, welke haar de
kracht geett, om die kwellingen met geduld
te verdragen en in weerwil daarvan den
ingeslagen weg der volmaaktheid te blijven
bewandelen. O welk een voortgang maken
de zielen, wanneer het God behaagt hunne
liefde op die wijze te beproeven!
§. i. Over de bekoringen.
2) Voor de zielen, die Jesus Christus
beminnen, is er geen meer folterende kwelling
dan de bekoringen. Alle andere kwellingen
zijn voor haar een spoorslag om zich inni-
ger met God te vereenigen; maar de be-
koringen, gelijk wij reeds zeiden, drijven
haar tot zonde aan, drijven haar aan, om
zich te scheiden van Jesus Christus, en daar-
om zijn zij voor die zielen bovenmate bitter,
bitterder dan elk ander lijden. Ofschoon
het nu waar is, wat de H. Jacobus zegt,
dat de bekoringen die ons tot de zonde
aansporen, nimmer van God, maar steeds
-ocr page 328-
320
van den duivel of van onze booze neigingen
voortkomen: Deus enim intentator malorum
est, >/>se aittem neminem tentat.
i), moet men
echter wel in het oog houden, dat door
Gods toelating, juist de zielen, die Hem
het dierbaarst zijn, dikwijls het sterkst be-
koord worden. De eerste reden, waarom
God dit toelaat is, opdat de ziel door de
bekoring zou leeren inzien, hoe zwak zij
is en hoe zeer zij Gods hulp behoeft, om
niet te vallen. Als eene ziel door God
begunstigd wordt met vertroostingen, dan
meent zij in staat te zijn om eiken aanval
van den vijand te weerstaan en alles ter
eere Gods te volbrengen; maar, als zij aller-
hevigst bekoord wordt, zich op den rand
des afgronds ziet, slechts een handbreed ver-
wijderd van den val, dan besett zij maar al
te wel hare ellende, dan erkent zij, hoe on-
machtig zij zou wezen, om te weerstaan,
indien God haar niet te hulp kwam. Zoo
geschiedde het met den H. Paulus; de
Heer, gelijk hij zelf schrijft, liet toe, dat
hij hevig geplaagd werd door eene vleesche-
lijke bekoring, opdat hij zich niet zou
verheffen op de openbaringen, waarmede
God hem begunstigd had. Et ne multitudo
revelationum extollat me, datus est mihi
I) Jac. I. 13.
-ocr page 329-
321
stimulus camis meae angelus Satanae, qui
me colaphizet.
i)
3) Verder laat God de bekoringen toe;
opdat wij in grooter onthechting zouden
leven van deze wereld en met grooter
vurigheid zouden verlangen naar zijne aan-
schouwing in den hemel. Vandaar dan
ook, dat brave zielen, ziende hoe zij in
dit leven door zoovele vijanden bevochten
worden, bij nacht en bij dag, van het
leven een walg krijgen; vandaar dat zij
uitroepen: Ileu mikt quia incolalus mens
prolongatus\' est
2) Helaas dat mijne bal-
lingschap zoo lang duurt!
en verzuchten
naar het uur, waarop zij zeggen kunnen:
Laqueus contritus est et nos liberaiisumus. 3)
De strik is verbroken, en wij, wij zijn bevrijd.
De ziel zou willen opvliegen naar God,
maar, zoo lang zij leeft op deze wereld,
is zij gebonden met een strik, die haar
omlaag houdt, omlaag, hier in dit oord van
ballingschap waar zij aanhoudend bevochten
wordt door bekoringen; die strik wordt niet
verbroken tenzij door den dood; en daarom
verlangen de brave zielen naar den dcod,
zij willen gered worden uit dat gevaar van
hunnen God te verliezen.
i) Cor. 12. 7.
2)    Ps. 119. 5.
3)    Ps. 123. 5.
-ocr page 330-
322
4) Op de derde plaats laat God de bekoring
toe, om ons rijker aan verdiensten te maken.
Daar gij welgevallig waart aan God, zoo
werd tot Tobias gezegd, was het noodzakelijk,
dat gij beproefd werdt door de bekoring.
Et quia acceptns eras Deo, necesse f uit ut
tentatio probaret te.
i) Dus al wordt eene
ziel bekoord, daarom moet zij niet vreezen
in Gods ongenade te verkeeren ; integendeel,
zij moet dan meer dan ooit vertrouwen,
dat God haar bemint. Het is eene dwaling,
dat de bekoringen, gelijk de duivel het
sommige kleinmoedige zielen doet gelooven,
zoude zijn en de ziel besmeuren. Niet de
slechte gedachten zijn het, die ons God
doen verliezen, maar alleen de toestemming
daarin. Hoe hevig ook de aanlokselen zijn
des duivels, hoe levendig ook de booze
verbeeldingen, die ons verstand benevelen;
wanneer wij ze verfoeien, dan werpen zij
niet de minste" smet op onze ziel; inte-
gendeel zij maken haar nog zuiverder,
nog sterker dan te voren en nog dierbaarder
aan God. Zoo dikwijls wij eene bekoring
overwinnen, zoo dikwijls verwerven wij ons
een nieuwe kroon, zegt de H. Bernardus:
Quoties vincimus, Mies coronamur. 2) Aan
1)   Tob. 12. 13.
2)  In Quadrag s. 5,
-ocr page 331-
323
een cistersienser kloosterling verscheen eens
een engel, welke hem een kroon in de hand ga f
met de opdracht, die aan een ander klooster-
ling te brengen en hem te zeggen, dat deze
die kroon verdiend had door de bekoring,
welke hij zoo juist had overwonnen. Zijn wij
ook niet ontsteld, wanneer de slechte ge-
dachte ons niet wil verlaten en ons blijft
kwellen; het is genoeg, dat wij haar verfoeien
en ons best doen, om haar te verdrijven.
S) God is getrouw, zegt de Apostel, Hij
laat niet toe, dat wij boven onze krachten
bekoord worden; maar Hij zal maken, dat wij
met rie bekoring vooruitgaan. Fidelis autem
Deus, qux non patietur
, vos tenlari supra
id quod. po testis, sed /adel etiam cu m tentatione
provenlum.
i) Dus als men aan de bekoring
weerstaat, lijdt men er niet alleen geen
schade door; maar doet men er groot gewin
mede : sed fatiel cum tentatione provenlum;
en daarom laat de Heer toe, dat zijne
uitverkoren zielen het hevigst bekoord wor-
den; opdat zij aldus grooter verdiensten
verwerven op de wereld en grooter glorie
in den hemel. Water, waarin geen beweging
is, begint te bederven; zoo gaat het ook
met de ziel; als de ziel in rust is, geen be-
koringen en geen strijd meer heeft, dan loopt
i) I Cor. io. 13.
-ocr page 332-
324
zij gevaar, dat een ijdel zelfbehagen haar ten
gronde richt; want zij zal dan wellicht denken,
de volmaaktheid reeds te hebben bereikt, en
daarom minder bevreesd zijn, er minder
aan denken te bidden en zich weinig moeite
geven, om hare zaligheid te verzekeren: maar,
als zij wordt lastig gevallen door de beko-
ringen en zich in gevaar ziet, in zonde te
vallen, dan neemt zij hare toevlucht tot God,
zij roept de Moeder Gods aan, vernieuwt
haar besluit , liever te sterven dan te zon-
digen, vernedert zich , geeft zich over in de
armen van Gods barmhartigheid , en aldus
verkrijgt zij meer kracht en vereenigt zij
zich inniger met God, gelijk de ondervin-
ding het leert.
6) Wij moeten daarom evenwel niet
naar de bekoringen verlangen; integendeel,
wij moeten God immer bidden, dat Hij er
ons van bevrijde, vooral van die bekorin-
gen, waarvan Hij voorziet, dat wij er in zou-
den bezwijken. Dit juist isde beteekenis der
bede van het „Onze Vader": En leid ons niet
in bekoring;
doch als God toelaat, dat de
bekoringen ons aanvallen, dan moeten wij,
zonder ons over die leelijke gedachten te
verontrusten en zonder den moed te ver-
liezen , een vast betrouwen stellen op Jesus
Christus en Hem om hulp vragen, en zeer
zeker, dan zal Hij van zijnen kant niet in
-ocr page 333-
323
gebreke blijven, ons de kracht te geven
om weerstand te bieden. Verlaat u op God,
zegt de H. Augustinus en wees niet bevreesd;
want als Hij u in het kampperk stelt, zal Hij
u zonder twijfel daar niet alleen laten en
niet toelaten, dat gij valt: Projüe te in eum,
noli metuere: non se subtrahet ut cadas.
i)
7) Gaan wij nu over tot de middelen,
om de bekoringen te overwinnen. De
meesters van het geestelijk leven geven er
vele aan; maar het noodzakelijkste en het
veiligste middel, het middel, waarover ik dan
ook alleen hier wil spreken, is aanstonds
ootmoedig en vol vertrouwen zijne toevlucht
tot God te nemen met de bede: Deus in
adjutorium meum intende ; Domine, ad
adjuvandum me festina: Heer help mij
en help mij spoedig.
Deze bede alleen
is genoeg, om ons overwinnaar te doen
blijven, ook al kwamen al de duive-
len der hel ons bevechten; want God
is oneindig machtiger dan al de duivelen
te zamen, God ook weet, dat wij uit ons
zelven geen kracht hebben, om aan de
aanvallen der helsche machten te weerstaan;
en daarom, wanneer wij bevechten worden
en in gevaar zijn van te vallen, dan, zoo
zegt kardinaal Gotti, is God verplicht, ons
I) Confess. lib. 8. c. II.
10
-ocr page 334-
326
genoegzame hulp te schenken om weerstand
te bieden, zoo dikwijls wij Hem daar om
vragen. Tenetur Deus, cum tentamur, nobis
ad eum confugientibus vires praebere
, qua
possimus resistere et actu resishmus.
i)
8) En hoe ook zouden wij er aan kun-
nen twijfelen, of Jesus ons te hulp zal komen,
terwijl wij daarvan zoovele beloften hebben
in de H. Schrift? Venite ad me omnes,qui
caboratis et onerati estis
, et ego reficiam
vos. 2)
Komt allen tot mij, zegt Jesus,
gij, die u afmat in den strijd tegen de be-
koringen, en ik zal uwe krachten herstel-
len. Invoca me in die trïbulationis; eruam
te el honorificabis me.
3) Als gij belaagd
wordt door uwe vijanden, roep dan tot
mij; ik zal u redden uit het gevaar, en
gij zult er mij voor prijzen. Tune inwca-
bis et Dominus exaudiet, Uamalis
, et dieet\':
Ecce adsum. 4) Dan zult gij den Heer
ter hulp roepen, en Hij zal u verhooren;
gij zult roepen: „Heer spoedig toch, kom
mij te hulp," en Hij zal u zeggen: „Zie
hier ben ik, om u te helpen." Quis invoca-
1)   Card. Gotti Theol. Schol, t 2. tract 6. qu.
2 J 3 N°. 30.
2)   Matth. 11. 2S.
3)   Ps. 49. 15.
4)  Is. 56. 9.
-ocr page 335-
327
vit eutn, et despexit Mum. i) Wie, zoo
roept de proleet uit, wie heeft God ooit
aangeroepen, zonder dat God hem ver-
hoord en hem geholpen heeft? Vol ver-
trouwen op die kracht van \'t gebed, hield
David het voor vast en zeker, dat hij nooit
door zijne vijanden zou verwonnen worden.
Lovend, zoo roept hij uit, lovend zal il
den Heer aanroepen, en ik zal verlost zijn
van mijne vijanden. Laudans invocabo Do-
minum, et ab inimicis meis saivus ero. 2)
Want David wist, dat de Heer nabij is aan
een ieder, die Hem ter hulp roept. Prope
est Dominus omnibus invocantibus eutn
3)
en dat Hij, gelijk de H. Paulus zegt, niet
karig, maar mild met zijne genade is voor
allen, die Hem aanroepen: Dives in omnes
qui invocant eutn.
4 )
9) Och gave God, dat alle menschen, wan-
neer ze tot zonde worden bekoord, tot
Hem hunne toevlucht namen, ongetwijfeld,
dan zou niemand Hem beleedigen; maar
zoovelen verzuimen dit en vandaar dat zij
vallen, de rampzaligen; vandaar dat zij door
hunne kwade neigingen verblind, er in be-
willigen, God, hun hoogste goed, te verliezen,
1)  Eccli 2. 12.
2)  Ps. 17. 4.
3)    Ps. 144. 18.
4)  Rum, 10. 12.
-ocr page 336-
328
om niet beroofd te worden van een ellendig
genot. De ondervinding leert het maar al
te wel: Wie tot God zijne toevlucht neemt
in de bekoringen, hij valt niet; maar wie
dit niet doet, hij valt onvermijdelijk, vooral
als het bekoringen zijn van onkuischheid.
Ik wist, zegt Salomon, dat ik niet kuisch
kon zijn, indien God het mij niet gaf, en
daarom heb ik in de bekoringen mijne toe-
vlucht tot God genomen door het gebed:
Et utsc\'wi, quxniam non aliter possem esse
conünens, nisi Deus det . . . aciii Do?ni-
num et deprecatus sum illum.
i)
In de bekoringen van onkuischheid (en
hetzelfde geldt voor de bekoringen tegen
het geloof) is het zaak, de bekoring niet
rechtstreeks te bestrijden; maar men moet haar
reeds in den aanvang zijdelings verdrijven,
door een acte van liefde of van berouw te
verwekken, of wel door afleiding te zoeken
in een of andere onverschillige handeling.
Zoodra wij een gedachte bemerken van
verdacht allooi, moeten wij haar aanstonds
afwijzen, haar, om het zoo uit te drukken,
de deur voor den neus sluiten, zonder te
vragen wat zij zegt of verlangt. Zulke booze
aanzoekingen moet men terstond afslaan,
gelijk een vonk, die ons op het lichaam valt.
10) Indien echter de onzuivere bekoring
I) Sap. 8.2 I.
-ocr page 337-
3^9
reeds ingang heeft gevonden in onzen geest,
reeds haar begeeren heeft bekendgemaakt
en reeds het gevoel in beweging brengt,
dan, zegt de H. Hieronymus, moet men
aanstonds zijn toevlucht tot God nemen en
uitroepen: Heer kom mij te hulp: statitn,
ut libido titillaterit sensum; erumpamu* in
vocem Domine, auxiliator mens.
i) Men moet
dan de namen aanroepen van Jesus en van
Maria, die een bijzondere kracht hebben
tegen dit soort van bekoringen. Wanneer
de kinderen, zegt de H. Franciscus van
Sales, een wolf zien, vluchten zij aanstonds
in de armen van hun vader of moeder,
en daar achten zij zich veilig; zoo ook
moeten wij doen ; wij moeten aanstonds tot
Jesus en Maria vluchten, door hunne heilige
namen aan te roepen. Ik herhaal het: wij
moeten aanstonds tot Jesus en Maria vluch-
ten, en niet in onderhoud treden, met de
bekoring, er niet mede redeneeren. De H.
Pacomius. aldus wordt verhaald in het
boek, getiteld: de spreuken der Vaders ,
hoorde eens, hoe een duivel er zich op be-
roemde, dikwijls een zekeren monnik tot val
te hebben gebracht, omdat deze immer met
de bekoring redeneerde en zich niet
aanstonds tot God wendde; een anderen
duivel daarentegen hoorde hij klagen: „Ik,
I) Ep. 22 ad. Eustoch,
-ocr page 338-
33°
zoo zeide deze, vermag op mijnen monnik
niets; want hij neemt altijd aanstonds zijne
toevlucht tot God en blijft immer over-
winnaar."
n) Indien de bekoring echter voortgaat
met ons te kwellen, wachten wij ons dan,
onszelven ongerust te maken of ongeduldig
te worden; want de duivel zou van die
verwarring gebruik kunnen maken, om ons
te doen vallen. Wij moeten ons dan liever
vol ootmoed onderwerpen aan den wil van
God, wien het behaagt alsdan toe te laten,
dat wij door zulke leeKjke gedachten ge-
kweld worden; zeggen wij daarom: Heer
tot straf mijner zonden verdien ik door zulke
onreinheden gekweld te worden ; maar nu is
het aan U mij te helpenen mij te bevrijden.
En daarom, blijft de bekoring ons kwellen,
blijven wij dan de namen van Jesus en
Maria aanroepen.
Het zal veel helpen in zulke omstandig-
heden, aan God nog eens de belofte te
vernieuwen, dat men liever alles willijden,
ja liever duizendmaal wil sterven dan Hem
te beleedigen; terzelfder tijd evenwel moet
men niet ophouden, Hem om hulp te vragen.
Zou echter de bekoring zóó hevig zijn, dat
wij in groot gevaar verkeeren van toe te
stemmen, dan moeten wij onze gebeden
verdubbelen, onze toevlucht nemen tot het
-ocr page 339-
33i
Allerheiligst Sacrament, ons nederwerpen
voor het kruisbeeld of voor een beeld der
H. Maagd, bidden met grooter vurigheid,
en onder zuchten en tranen om hulp vragen.
Het is waar, God is bereidvaardig, om een
ieder, die Hem bidt, te verhooren; ook is
het waar, dat ons van Hem, niet van onze
eigen inspanning, de kracht moet komen
om te weerstaan; maar toch wil God somwij-
len van ons zulke krachtige pogingen, waarna
Hij dan zelf onze zwakheid te hulp komt
en ons de overwinning doet behalen.
iz) Ook is het van groote kracht ten
tijde der bekoring, dikwerf het voorhoofd
en de borst te teekenen met het H. teekeu
des Kruises; eveneens de bekoring te open-
baren aan zijnen geestelijken bestierder.
De bekoring, die men bekend maakt, zegt de
H. Philippus Nerius, is reeds half overwon-
nen. Wij moeten er hier echter opmerkzaam
op maken, dat, volgens de leer van alle
godgeleerden zelfs van de strenge richting,
de personen, die gedurende langen tijd een
godvruchtig leven hebben geleid en zeer
godvreezend zijn, zoo dikwijls zij in twijfel
verkeeren en niet zeker weten, of zij hebben
toegestemd in eene zware zonde, het voor
zeker moeten houden, dat zij de genade
Gods niet hebben verloren; want het is zede-
lijker wijze onmogelijk, dat de wil, die gedu-
-ocr page 340-
33*
rende langen tijd in het goede heeft vol-
hard, op eens verandert en zijne toestemming
geeft in een zware zonde, zonder dit duide-
lijk te weten; de reden ligt voor de hand:
immers de doodzonde is een zóó afschuwelijk
monster, dat zij onmogelijk in eene ziel,
die haar gedurende langen tijd heeft ver-
afschuwd, kan binnendringen, zonder hare
tegenwoordigheid duidelijk te doen kennen.
Wij hebben dit zonneklaar bewezen in onze
theologie i.) Niemand, zegt de H. Theresia,
stort zich in \'t verderf \', zonder het te weten ;
en niemand wordt bedrogen, zonder dat hij
bedrogen wil zijn
2.)
13) Voor sommige zielen, die teeder van
geweten zijn en een soliede deugd bezitten,
maar lijden aan angstvalligheid en gekweld
worden door bekoringen , zal het daarom
somwijlen goed zijn, dat de biechtvader hun
verbiedt hunne bekoringen te openbaren
of er van te spreken; en dit geldt bijzonder
voor de bekoringen tegen het geloof of de
kuischheid; want wanneer die zielen zulke
bekoringen moeten openbaren, zullen zij
moeten nagaan, hoe die gedachten bij hen
zijn opgekomen; vervolgens of zij er bij
hebben stil gestaan, eindelijk of er behagen
1)  Lib. 6. N. 476.
2)  Vie. Addit.
-ocr page 341-
333
of toestemming bij is geweest; doch daar-
door zullen die kwade verbeeldingen zich
nog dieper in hunnen geest prenten en zal
hun onrust nog vermeerderen. Wanneer
de biechtvader zedelijker wijze zeker is,
dat de poenitent in dergelijke bekoringen
niet toestemt, zal het \'t beste zijn, hem
onder gehoorzaamheid te verbieden er van
te spreken. Ik lees, dat ook de H. Joanna
van Chantal dien regel volgde; i) de hei-
lige toch verhaalt, dat zij verscheidene ja-
ren vreesselijke bekoringen had te verdu-
ren ; maar dat zij zich daarvan nooit beschul-
digde in de biecht; omdat zij nooit een
klaar bewustzijn had te hebben toegestemd;
zij handelde aldus op raad van haren biecht-
vader. Men lette op de uitdrukking, welke
de heilige gebruikt, nl. dat zij nooit een
klaar bewustzijn had van te hebben toege-
stemd
, zij geeft daarmede te kennen, dat haar
wel eenige gewetensangst was overgebleven
omtrent deze bekoringen; maar zij stelde
zich daarin gerust met het bevel van haren
biechtvader, die haar bevolen had over
deze twijfels niet te spreken. Overigens,
gelijk wij reeds gezegd hebben, is het in
den gewonen regel, om de bekoringen te
overwinnen, van groot nut, ze aan den biecht-
vader te openbaren.
i) Mem. de la Mére de Changy. 3e Part.
-ocr page 342-
33-1
14)    Maar nog eens, het krachtigste, het
noodzakelijkste middel tegen de bekoringen,
het middel der middelen is, God te bidden
om zijne hulp en te blijven bidden, zoolang
de bekoring aanhoudt. Dikwijls zal de
Heer de overwinning hebben gehecht niet
aan de eerste bede; maar aan de tweede,
de derde, de vierde. In één woord, zijn
wij er van overtuigd, dat van het gebed
alles afhangt: van het gebed hangt af de
verandering van leven , van het gebed hangt
af de overwinning in de bekoringen, van
het gebed hangt af het verwerven der god-
delijke liefde, de volmaaktheid, de vol-
harding, de eeuwige zaligheid.
15)  De een of ander, die mijne geestelijke
werken leest, zal het misschien vervelend
vinden, dat ik zoo dikwijls terugkom op
het gewicht en de noodzakelijkheid van
het aanhoudend gebed. Maar aan mij
komt het voor, daarvan niet te veel gezegd
te hebben, maar al zeer weinig. Ik weet,
dat wij dag en nacht bestreden worden door
de bekoringen der hel; dat de duivel geen
gelegenheid ongebruikt laat, om ons te doen
vallen; ik weet, dat wij zonder de god-
delijke hulp geen kracht hebben, om aan
de aanvallen des duivels te weerstaan.
Vandaar de vermaning des apostels: Doet de
wapenrusting Gods aan, opdat gij bestand
-ocr page 343-
335
kunt zijti tegen de belaging des duivels; want
wij hebben den strijd niet tegen vlecsch en
bloed, maar tegen de Overhederi en Machten,
tegen de wereldbeheerscher» dezer duisternis:
Induite vos armaturdm Dei
, utpossitis stare
adversus insidias diaboli; quoniam non estno-
bis colluctatio adversus carnem et sanguinem,
sed adeersus principes, etpotestates, adversus
wundi rectores tenebrarum harum.
i) Welke
nu zijn de wapenen, waarmede wij, volgens
de vermaning des apostels, omgord moeten
zijn, om aan de duivelen te weerstaan ? Die
wapenen zijn de beden, de aanhoudende en
vurige smeekingen tot God, dat Hij ons te
hulp kome en dat wij niet mogen overwonnen
worden. Per omnem orationem , et in ipso
vigilantes in omni instaniia.
2). Ook weet
ik, dat al de schriften, zoowel van het oude
als van het nieuwe verbond, van het begin
tot het einde, ons voortdurend vermanen
tot bidden: Roep mij aan, en ik zal u be-
vrijden. Roep tot mij enikzal uverhooren.
Men moei immer bidden en niet ophouden.
Vraagt, en u zal gegeven worden. Waakt
en bidt. Bidt zonder ophouden. Invoca me
et eruam te.
3) Clama ad me et exaudiam
1)    Eph. 6. 11 en 12.
2)    Ibid. c. 18.
3)    Ps. 49. 15.
-ocr page 344-
33<i
ie. i) Oportctsemper oraré etnon deficcre. 2)
Fetite et dabiiur vobis.
3) Vigilate et orale. 4)
Sitte intermissione orate; 5) En daar-
om dunkt mij, dat ik niet te veel heb ge-
sproken van het gebed; maar al zeer weinig.
16) Wat mij betreft, ik wilde, dat alle
predikers hunnen hoorderen niets zoozeer
op het hart drukten als het gebed, dat de
biechtvaders hunne poenitenten tot niets
met meer ijver opwekten dan tot het ge-
bed; dat de geestelijke schrijvers over niets
met meer breedvoerigheid spraken dan over
het gebed; maar, ik zie het met droefheid
en ik beschouw het als eene straf voor
onze zonden, dat zoovele predikers, zoovele
biechtvaders en schrijvers van het gebed
zoo weinig spreken. Zonder twijfel, van
groot nut voor het geestelijk leven zijn de
preeken, de meditaties, de communiën, de
verstervingen; maar als de bekoringen
komen, en wij bidden niet, dan zullen wij
vallen ondanks alle preeken, ondanks alle
meditaties, ondanks alle communiën, on-
danks alle boetewerken en gemaakte besluiten.
Dus, willen wij zalig worden, zorgen wij
1)   Job. 33. 3.
2)    Luc. 18. I.
3)    Matth. 7. 7.
4)    J°- 4- 2.
5)     I Thess. 5. 17.
-ocr page 345-
337
dan steeds te bidden; nemen wij onze
toevlucht tot onzen Verlosser Jesus Christus,
en doen wij dat vooral in het oogenblik
der bekoring. Nemen wij ook steeds onze
toevlucht tot de H. Moeder Gods, die,
naar het woord van den H. Bernardus, de
uitdeelster der genade is. Quaeramus gra-
tiam et per Mariam quaeramus. Vragen
wij genade, en vragen wij ze door Maria ;
want, gelijk dezelfde Bernardus zegt, het is de
wil Gods, dat wij geene genade ontvangen,
die niet door de handen van Maria gaat.
Nihil Deus hapere nos voluit, quod per
manus Mariae non Iransiret.
i)
Gevoelens en Smeekingen.
O Jesus, mijn Verlosser, ik hoop, om de
verdiensten van Uw H. Bloed, dat Gij mij
vergiffenis hebt geschonken van alle be-
leedigingen, die ik U heb aangedaan; ik
hoop U daarvoor eenmaal eeuwig te bedan-
in den hemel. Misericordias Domini in aeter-
num cantabo.
2) Ik zie, dat ik in het ver-
ledene zoo ellendig gevallen en hervallen
ben; omdat ik er zoo nalatig in ben ge-
weest, U om de heilige volharding te vragen.
1)  In Vig. Nat. 53
2)   Ps. 88 2.
-ocr page 346-
333
Maar die volharding, ik vraag reUthans:
Ne permittas me separari a te; en ik
neem mij voor, er U immer om te vragen,
vooral wanneer ik bekoord word, om U te
beleedigen. Dit neem ik mij voor en dit
beloof ik U; maar waartoe zal mijn
voornemen en mijne belofte baten, indien
Gij mij uwe genade niet geeft en mij niet
helpt, om steeds tot U mijn toevlucht te
nemen ? Welaan dan om de verdiensten van
uw lijden, geef mij die genade, maak, dat
ik mij in al mijne noodwendigheden steeds
tot U wende. O Maria, mijne koningin en
mijne moeder, ik bid U om uwe liefde
voor Jesus, geef mij toch die genade; maak,
dat ik geheel mijn leven, steeds mijn toe-
vlucht neme tot Jesus en tot U.
§. II. Over de troosteloosheid.
i 7) Men bedriegt zich, zegt de H. Fran-
ciscus van Sales, 1) wanneer men de gods-
vrucht wil afmeten aan de vertroostingen,
die men gevoelt. De ware godsvrucht in
den dienst des Heeren bestaat in een vast-
besloten wil, om alles te doen wat aan God
behaagt.
De zielen, die God het dierbaarst
zijn, hecht Hij aan zich door de dorheid.
Het groote beletsel voor de waarachtige
I) Intr. p. 4. ch. 13.
-ocr page 347-
339
vereeniging met God is de gehechtheid aan
onze ongeregelde neigingen. Wanneer God
daarom eene ziel tot zijne volmaakte liefde
wil opvoeren, zorgt Hij haar eerst te ont-
doen van alle gehechtheid aan het gescha-
pene. Hij begint met haar gaande weg te
berooven van alle tijdelijke goederen, van
aardsche genoegens, eer, bezittingen , vrien-
den , verwanten, gezondheid des lichaams.
Door middel dezer wederwaardigheden,
door droefheid, vernederingen, sterfgevallen,
ziekten maakt God de ziel los van al het
geschapene; opdat zij al hare genegenheid
schenke aan Hem alleen.
18) Om vervolgens de ziel liefde te doen
opvatten voor het geestelijke, laat God haar
in den beginne vele vertroostingen smaken,
vergezeld van overvloedige tranen en groote
teederheid. In \'t genot dier vertroostingen
tracht de ziel zich aan alle zinnelijke ge-
noegens te onttrekken, ja zij zoekt daaren-
boven nog haar lichaam te kastijden door
gestrengheden, door vasten, cilicen en lijf-
kastijding. Doch als de ziel eenmaal zoo
ver gekomen is, dan moet de biechtvader
haren ijver beteugelen en haar de verster-
vingen, die zij vraagt, althans gedeeltelijk
weigeren; want door hare gevoelige gods-
vrucht vervoerd, zou zij dan gemakkelijk
in onberaden ijver hare gezondheid kunnen
-ocr page 348-
340
vernielen. Ziedaar een gewone list van den
duivel; wanneer hij ziet, dat eene ziel zich
aan God geeft en bespeurt, dat God haar
begiftigt met de gewone vertroostingen der
beginnenden, dan tracht de vijand te be-
werken , dat zij door buitensporige gestreng-
heden hare gezondheid schade doet; opdat
zij in ziekte gevallen, niet alleen hare ver-
stervingen, maar ook het gebed, de H.
Communie en alle andere godvruchtige oefe-
ningen nalate en weder tot haar vorig le-
ven terugkeere. Daarom moet een ziels-
bestierder jegens zielen, die een geestelijk
leven beginnen en verstervingen vragen,
zeer karig zijn met zijne toestemming; hij
vermane hen liever, zich inwendig te
versterven, geduldig de vernederingen
en de tegenheden te verdragen, gehoor-
zaam te zijn aan hunne overheden, zich
te onthouden van nieuwsgierigheden in
zien of hooren en dergelijke; en, zoo
moet hij hun zeggen, als zij zich de ge-
woonte van zulke inwendige verstervingen
hebben eigen gemaakt, zij dan misschien
ook waardig zullen zijn de uitwendige te
beoefenen. Overigens is het een verderfe-
lijke dwaling dat, gelijk sommigen beweren,
de uitwendige verstervingen van weinig of
geen nut zijn. Zonder twijfel zijn de in-
wendige verstervingen voor de volmaakt-
-ocr page 349-
34i
heid noodzakelijker; maar dit belet niet,
dat ook de uitwendige noodzakelijk zijn.
Wie de uitwendige versterving niet beoefent,
zegt de H. Vincentius a Paulo, i) zal noch
uitwendig noch inwendig verstorven zijn.
De H. Joannes van het Kruis zegt, dat men
aan een zielsbestierder, die de kastijding
des lichaams veracht, niet moet gelooven,
ook al zou hij mirakelen doen. 2)
19) Maar komen wij op ons onderwerp
terug. In het begin dan, dat de ziel zich
aan God geeft en die gevoelige vertroos-
tingen smaakt, waarmede de Heer haar
zoekt aan te trekken en haar van de aard-
sche genoegens zoekt los te maken, ont-
hecht zij zich langzamerhand aan het ge-
schapene en hecht zij zich aan God; maar
zij doet dit niet volmaakt; want zij doet
het meer uit zucht naar geestelijke ver-
troostingen dan wel uit waarachtig verlan-
gen om aan God genoegen te geven;
verkeerdelijk meent zij, dat, naarmate zij
meer smaak vindt in die gevoelige devotie,
zij naar die mate ook God meer bemint.
Vandaar komt het, dat de ziel, wanneer zij
in de oefeningen, waarin zij voedsel vond
voor hare devotie, verhinderd wordt en
andere bezigheden moet verrichten, waar-
1)  Abellij. 1. 3 ch. 46.
2)  Sententie. 72.
-ocr page 350-
342
toe zij uit gehoorzaamheid, naaste-
liefde , of plicht van staat gehouden
is, ongerust en bedroefd wordt — het is
een algemeen gebrek van onze ellendige
menschelijke natuur, in alles eigen voldoe-
ning te zoeken — of wel, dat zij in die
godvruchtige oefeningen de gewone ver-
troostingen niet meer smakend, ze achter-
laat of ten minste ze vermindert, en, door
ze van dag tot dag al meer te vermin-
deren, ze ten laatste geheel verwaarloost.
Dit ongeluk overkomt aan vele zielen, die
door God tot zijne liefde geroepen worden;
zij beginnen den weg der volmaaktheid
te bewandelen, en zoolang de vertroos-
tingen duren, maken zij eenigen voortgang;
maar nauwelijks houden deze op, of zij
laten alles varen en keeren tot hun vorig
leven weder. Zijn wij er toch wel van
overtuigd: de liefde Gods en de volmaaktheid
bestaan niet in een. gevoel van teederheid
en in vertroostingen; maar in het overwinnen
der eigenliefde en in het volbrengen van
den wil Gods. God is even beminnelijk,
wanneer Hij ons vertroost, ah wanneer Hij
ons beproeft,
zegt de H. Franciscus van
Sales.
20) In dien staat van vertroostingen is
het geen bewijs van groote deugd, wanneer
men aan de zinnelijke genoegens vaarwel
-ocr page 351-
313
zegt en de vernederingen en wederwaardig-
heden geduldig verdraagt. Te midden dier
zoetheden verduurt de ziel alles; maar die
lijdzaamheid is dikwijls meer het gevolg van
de vertroostingen, die men smaakt, dan
van eene krachtdadige en waarachtige liefde
tot God. Om dan de ziel solied te maken
in de deugd, trekt de Heer zich terug,
ontneemt Hij haar de gevoelige vertroos-
tingen, teneinde haar te ontdoen van hare
eigenliefde, welke door deze geestelijke ge-
noegens gevoed werd; en zoo komt het, dat
de ziel, terwijl zij vroeger haar geluk vond
in acten te doen van overgeving, van ver-
trouwen en liefde, later, wanneer de bron-
ader is opgedroogd, zulke acten met moeite en
ongevoeligheid doet; dat zij bij de schoonste
oefeningen van godsvrucht, zooals bij het ge-
bed, de geestelijke lezing, de H. Communie,
verveling gevoelt, ja daarin slechts duisternis
en zielsangsten vindt, en het haar toeschijnt,
alsof alles verloren ware. Zij bidt, zij bidt
opnieuw; maar vindt geen troost; want het
is haar, alsof God haar niet wil verhooren.
21) Zien wij nu, wat wij van onzen kant
in deze omstandigheden moeten doen. Wan-
neer de Heer ons in zijne barmhartigheid
vertroost met zijn liefdevol bezoek, ons de
tegenwoordigheid zijner genade doet ge-
voelen, is het niet goed om, gelijk sommige
-ocr page 352-
344
valsche mystieken het willen, die goddelijke
vertroostingen af te wijzen. Neen , nemen
wij ze met dankbaarheid aan, maar zijn
wij op onze hoede, om niet bij het genot
dezer geestelijke teederheden te blijven
verwijlen, ons daarin niet te verlustigen;
de H. Joannes van het Kruis noemt dit
eene geestelijke gulzigheid; het is dan
ook in strijd met de volmaaktheid en be-
haagt niet aan God. Zijn wij bezorgd, om
alsdan het gevoelig welgevallen in zulke
zoetheden uit onzen geest te verwijderen, en
vooral, wachten wij ons, te meenen dat
God ons zulke blijken van genegenheid
schenkt, omdat wij Hem beter dan ande-
ren dienen; zulk eene gedachte van ijdel-
heid zou Hem noodzaken, zich ten eene-
male van ons te verwijderen en ons aan
onze ellende over te laten. Wij moeten
Hem in zulke oogenblikken zeer zeker
met innigheid voor die geestelijke vertroos-
tingen bedanken; want het zijn groote gun-
sten, welke God aan de zielen schenkt; gun-
sten veel grooter dan alle tijdelijke rijkdom-
men en eer ; doch wij moeten in die gevoelige
vertroostingen geen genot trachten te vin-
den; maar ons vernederen, door ons de zon-
den van ons vorig leven voor den geest te
roepen. Wij moeten dan bedenken, dat
zulke liefdeblijken louter het gevolg zijn van
-ocr page 353-
345
Gods goedheid, dat de Heer ons misschien
eene zware beproeving voorbereidt, en
ons door deze vertroostingen bestand wil
maken, om ze met geduld te verdragen.
Bieden wij ons daarom in zulke oogenblik-
ken aan, om alles te lijden, alles: zoowel
inwendige als uitwendige beproevingen, alle
ziekten, alle vervolgingen, de bitterste gees-
telijke troosteloosheid. „Heer, hier ben ik,
zoo moeten wij dan zeggen , doe met mij
en al het mijne wat (J behaagt; geef mij
slechts de genade, U te beminnen en vol-
maakt uwen heiligen wil te doen, anders
vraag ik U niets."
22) Wanneer echter de ziel de genoeg-
zame zekerheid heeft, dat zij in Gods genade
verkeert, dan is zij, ofschoon dan ook
zoowel van de goddelijke als van de mensche-
lijke geneugten verstoken, niettemin tevre-
den met haren toestand; immers zij heeft
toch het bewustzijn, God te beminnen en we-
derkeerig door God te worden bemind;
maar de Heer, die haar nog meer wil zui-
veren, haar ontdaan wil zien van alle ge-
voelige voldoening en haar aan zich ver-
binden wil door de tuttere liefde, werpt
haar in den smeltkroes der troosteloosheid ;
eene beproeving, veel bitterder dan alle an-
dere beproevingen, zoowel in- als uitwendige,
die eene ziel kan lijden; de Heer berooft
-ocr page 354-
346
haar van het bewustzijn, dat zij in zijne
genade is en laat haar in dichte duister-
nissen, waarin het de ziel voorkomt, alsof zij
God niet meer vinden kan. Ja somwijlen
laat God toe, dat zij overvallen wordt door
hevige bekoringen van het vleesch, verge-
zeld van booze bewegingen der zinnen,
ofwel door gedachten van mistrouwen of van
wanhoop en zelfs van haat tegen God, waar-
door het haar toeschijnt, dat God haar geheel
van zich afstoot en niet meer luisteren wil
naar hare beden. Daar nu van den eenen
kant de bekoringen des duivels en de be-
wegingen der begeerlijkheid allerhevigst
zijn, en van den anderen kant de ziel in
die allerdichtste duisternis is gedompeld,
kan zij, hoezeer zij ook weerstand biedt
met den wil, niet duidelijk genoeg onderschei-
den, of zij aan die bekoringen wel naar
behooren wederstaat en of zij er misschien
niet in toestemt; yandaar nieuwe vrees,
dat zij God verloren heeft en dat God,
om hare ongetrouwheden in dien strijd met
de bekoringen, haar krachtens een recht-
vaardig vonnis, geheel en al heeft verlaten.
Zoo meent zij dan tot de uiterste diepte
te zijn vervallen, zij verbeeldt zich God niet
meer te beminnen en een voorwerp te zijn
van zijn haat. Ook de heilige Theresia
heeft die beproeving ondervonden, en de
-ocr page 355-
347
heilige belijdt, dat, toen zij in dien toestand
verkeerde , de eenzaamheid , wel verre
van haar te troosten, haar veeleer een
kwelling was en dat zij, wanneer zij
zich tot het gebed begaf, daar een hel
meende te vinden, i)
23) Wanneer dit alles aan een God-
minnende ziel overkomt, moet zij niet klein-
moedig worden; ook de biechtvader, die
haar bestiert, moet niet verschrikt zijn; die
bewegingen der zinnen, die bekoringen tegen
het geloof, dat mistrouwen, die gevoelens
van haat tegen God, het zijn angsten, het
zijn kwellingen van de ziel, pogingen van
den vijand; maar het zijn geene vrijwilli-
ge acten en daarom zijn het geene zonden.
Eene ziel, die haren Jesus waarachtig
bemint, biedt dan zeer goed weer-
stand en geeft aan zulke bekoringen
hare toestemming niet; maar door de duis-
ternissen , die haar omringen, kan zij dit niet
onderscheiden, weet zij niet, hoe zij het
heeft, en, daar zij zich beroofd gevoelt van
de tegenwoordigheid der genade, is zij angs-
tig en bedroefd. Maar men kan zeer goed
merken, dat in de zielen, die aldus door
God beproefd worden, alles louter angst
en schrikbeeld, doch geene waarheid is;
1) Vie. ch. 30.
-ocr page 356-
348
vraagt hen, ook in dien toestand van ver-
latenheid , waarin zij verkeeren, of zij ooit
met open oogen een enkele dagelijksche
zonde zouden willen bedrijven; zij zullen
u aanstonds antwoorden, dat zij niet een-
maal, maar duizendmaal den dood willen
sterven, liever dan vrijwillig aan God dit
misnoegen te geven.
24) Wij moeten daarom wel het volgen-
de onderscheid in het oog houden: het is
iets anders eene goede daad te verrichten,
bijv. de bekoringen bestrijden, op God
vertrouwen, wenschen en beminnen wat
de wil Gods is; iets anders, ook te ■weten,
dat men inderdaad die goede daad verricht.
Dit besef, van een goede daad te doen
strekt ons tot voldoening; maar de ver-
dienste bestaat in het eerste, nl in wer-
kelijk de goede daad te verrichten. God
nu is tevreden met het eerste, en Hij
berooft ons van het tweede, nl. van het
besef, dat wij die goede daad verricht heb-
ben, ten einde ons alle eigen voldoening
te ontnemen, die overigens aan de waar-
achtigheid van onze goede daad niets afdoet.
God zoekt meer onzen vooruitgang dan
onze voldoening. Hoort, wat deH. Joan-
nes van het Kruis eens schreef aan eene
troostelooze ziel: Nooit, zoo zegt hij, waart
gij in een beleren staal dan titans; omdat
-ocr page 357-
349
Gij nooit zoo vernederd en zoo onthecht waart
aan de wereld, en uzelven nooit zoo boos
erkendet, als gij dit nu doet. Nooit ook
waart gij minder in staat en er verder van
af om u zelven ie zoeken."
i) Om kort te
gaan, gelooven wij niet, dat, naarmate wij
meer verteedering des geestes gevoelen,
wij naar die mate ook meer door God bemind
worden; want niet daarin bestaat de vol-
maaktheid; de volmaaktheid bestaat in onzen
wil te versterven en dien te vereenigen
met den wil Gods.
25) In dien staat dus van troosteloos-
heid moet de ziel geen gehoor geven aan
den duivel, die haar influistert, dat God
haar verlaten heeft; ook moest zij het gebed
niet achterlaten. Ziedaar juist, wat de
duivel verlangt, om op die wijze de ziel
in een of anderen afgrond te doen vallen.
De H Theresia zegt: Met dorlieid en be-
koringen neemi de Heer de proef op zijne
beminde zielen. Al zou die dorheid ook geheel
het leven duren, toch moet de ziel het gebed
niet laten varen; er zaleen tijdkomen, dat alles
haar overvloedig zal vergolden worden.
2)
In dien staat moet de ziel zich vernede-
ren en bedenken, dat zij om de beleedigin-
gen, die zij God heeft aangedaan, verdient
1)  Lettre 8.
2)  Vie. et. 17
-ocr page 358-
35°
aldus te worden behandeld; zij moet zich
vernederen en berusten in den wil Gods,
zij zegge dan: Heer, zie mij hier
aan uwe voeten, indien het uw wil is dat
ik geheel mijn leven, ja gedurende de gan-
sche eeuwigheid zoo bedrukt en troosteloos
blijve, welaan geef mij dan slechts uwe
genade, f naak dal ik U beminne en doe
verder met mij wat U behaagt.
26) Ook zal het nutteloos zijn en wel-
licht nog tot grooter onrust strekken, u
in dien toestand er van te willen verzeke-
ren , dat gij in Gods genade zijt, dat het
alles slechts beproeving en geen werkelijke
verlatenheid is; want God wil in zulke
oogenblikken niet, dat gij dit weet; en Hij
wil het niet; opdat Gij grooter voortgang
zoudt maken, opdat gij des te veelvuldiger
zoudt bidden en des te meer acten zoudt
doen van vertrouwen op zijne barmhartig-
heid. Gij wilt dari zien, en God wil niet,
dat gij ziet. Overigens, het besluit, zegt
de H. Franciscus van Sales, van nooit toe
te tsiemmen in eene zonde, hoe klein dan ook,
geeft ons de verzekering, dal wij in Gods
genade zijn.
1) Maar, wanneer de ziel in
eene diepe troosteloosheid is gedompeld,
kan zij ook dit niet duidelijk onderschei-
I) Esprit. 1. 5. c. 4.
-ocr page 359-
35»
den; doch zij moet in dien toestand niet
verlangen, hetgeen zij wil ook te gevoelen;
het is genoeg, dat zij wil met het hoogere
gedeelte van haar wilsvermogen; ziedaar,
hoe zij zich geheel moet overgeven in de
armen van Gods goedheid. O die acten
van vertrouwen en overgeving, te midden
dezer duisternissen en dezer troosteloosheid,
hoe wonden zij Gods hart! Ach hebben
wij toch vertrouwen in een God, die, ge-
lijk de H. Theresia zegt, ons meer bemint
dan wij onszelven beminnen.
27) Dat zij zich dan troosten, die aan
God zoo dierbare zielen, welke verlangen
geheel aan Hem toe te behooren en ter zelt-
der tijd beroofd zijn van allen troost. Hunne
toosteloosheid is een teeken, dat zij door
God vurig bemind worden en dat Hij hun
een plaats bereid houdt in den hemel,
waar de vertoostingen volkomen en eeuwig
zijn. Laten zij er van verzekerd zijn: hoe
meer zij op deze aarde bedrukt zijn geweest,
hce meer zij in het rijk der zaligen zullen
getroost worden. Secundum mulliiudinem
dolorum meorum in corde meo, consolationes
tnae laetificaverunt animam meam.
1) Tot
troost dezer bedrukte zielen, wil ik hier iets
aan toevoegen uit het leven der H. Joanna de
1) Ps. 93. 19.
-ocr page 360-
352
Chantal. Een en veertig jaren lang werd
deze heilige vrouw aanhoudend gefolterd
door vreeselijke inwendige kwellingen,
door bekoringen en door de vrees, dat zij
in Gods ongenade leefde, ja zelfs, dat zij
van God verlaten was. Zóó aanhoudend
en zóó hevig waren hare bitterheden, dat,
gelijk de overmaat der smart haar deed
zeggen, alleen de gedachte aan den dood
haar eenige verlichting schonk. „De aan-
vallen (zoo zegt zij) zijn zóó geweldig,
dat ik niet weet, waar voor mijne arme ziel
eene schuilplaats te vinden. Het is mij
somwijlen, alsof het geduld mij reeds begeeft
en alsof ik op het punt ben, alles prijs te
geven en te laten varen." „De tyrannij
der bekoring is zóó wreed, (ziedaar nog
eens hare woorden) dat ik ze elk uur en
eiken dag tegen het verlies van mijn leven
zou willen ruilen; meermalen ben ik er
niet door in staat te eten of te slapen." i)
28) In de laatste acht of negen jaren
van haar leven waren hare bekoringen nog
veel heviger. Onze heilige moeder de Chantal
verduurde nacht en dag een aanhoudende
inwendige marteling bij al wat zij deed, hetzij
zij bad of werkte, ja zelfs wanneer zij rust-
te ; aldus getuigt de Eerw. Moeder de Changy,
1 Mem. de la Mér e de Changy, 3 Part. c. 27.
-ocr page 361-
353
die dan ook een allerinnigst medelijden
met haar had. Behalve de kuischheid was
er geene deugd, waartegen de heilige niet
bevochten werd met stormen van twijfels,
duisternissen en angsten. Somwijlen be-
roofde God haar van zijn licht, scheen Hij
haar vertoornd en als op het punt, haar
van zich weg te stooten, zoodat zij uit
schrik en om eenige verlichting te vinden,
haren blik naar iets anders wendde; maar
daar zij de gewenschte verlichting niet vond,
was zij genoodzaakt hare oogen weder op
God te richten en zich over te geven aan
zijne barmhartigheid. De goddelijke bijstand
wel is waar ontbrak haar niet; maar aan
haar scheen het, dat God haar verlaten had;
want noch in het gebed, noch in de lezing
van godvruchtige boeken, noch in de H.
Communie, noch in eenige andere geeste-
lijke oefening vond zij ook maar de minste
voldoening, doch alleen verveling en angsten.
Hare eenige gedragslijn in dien staat van
verlatenheid was, hare oogen op God te
vestigen en Hem te laten begaan.
Doch, zoo zegt de heilige, deze eenvoudige
wijze van doen was haar ie midden liarer
verlatenheid een nieuw kruis, en die onmacht
om te werken eene vermeerdering van smart.
Zij vergeleek zich bij een zieke, die
overstelpt is van smarten en niet in staat
-ocr page 362-
354
is zich van de eene zijde naar de an-
dere te bewegen, die van zijn spraak
is beroofd en zijn lijden niet kan open-
baren, blind is en niet weet of zij, die
bij hem komen, hem medicijnen of vergif
toedienen; en onder bittere tranen voegt
zij er bij: Het is mij alsof ik geen geloof\\
geen hoop en geen liefde tot mijnen God
meer heb.
Te midden van dat alles behield
de heilige nochthans een opgeruimd gelaat,
was zij liefderijk in den omgang en hield zij
haren blik aanhoudend op God gevestigd,
rustend in de armen van den goddelijken
wil. De H. Franciscus van Sales dan ook,
die haar bestierder was en zeer goed wist,
hoe dierbaar hare schoone ziel aan God
was, schrijft van haar het volgende: Haar
hart is als een doove zanger, die aller-
heerlijkst zingt, maar er zelf volstrekt niet
van kan genieten.
En aan haar zelve schrijft
hij: Gij moet uwen Zaligmaker dienen al-
leen uit liefde tot zijn heüigen wil, ondanks
de berooving van allen troost en temidden
dezer stroomen van droefheid en angst.
Zie-
daar hoe de heiligen worden gevormd.
Scalpri salubris iciibus
El tunsione plurima
Fabri polita malleo
Hancsaxa molem construunt
-ocr page 363-
355
Aptisqiie juncta nexibus
Locantur in fastigio.
De heiligen zijn als uitverkoren steenen,
die, gelijk de H. Kerk zingt, bewerkt onder
de slagen van het houweel, d. w. z. onder
bekoringen, angsten, duisternissen en andere
in- en uitwendige kwellingen, waardig wor-
den , om de tronen te beklimmen van het
zalig rijk des hemels.
Gevoelens en smeekingen.
Jesus, mijne hoop, mijne liefde, eenige
liefde mijner ziel, ik verdien uwe vertroos-
tingen niet; bewaar ze voor de onschuldige
zielen, die U immer hebben bemind; ik,
zondaar verdien ze niet en ik vraag ze U
ook niet; wat ik U alleen vraag, is:
maak dat ik U beminne, maak dat ik Uwen
wil volbrenge en beschik verder over mij
gelijk het U behaagt. Ellendige die ik ben!
andere duisternissen, andere angsten, andere
verlatenheid had ik verdiend om de belee-
digingen, U aangedaan; de hel had ik ver-
diend, daar moest ik, voor immer van U
gescheiden en geheel van U verlaten, reeds
eeuwiglijk jammeren. Doch neen, mijn Jesus,
ik neem elke strat aan; maar deze niet.
Gij verdient een eindelooze liefde, Gij hebt
-ocr page 364-
356
mij al te zeer verplicht U te beminnen;
neen, ik kan zonder U te beminnen niet leven.
Ik bemin U, mijn hoogste Goed, ik bemin U
uit geheel mijn hart, ik bemin U meer dan
mijzelven, ik bemin U en ik wil niets anders
beminnen dan TJ. Ik weet het, Heer, de goede
wil, welke mij thans bezielt, is louter gave van
uwe genade; maar voltooi uw werk, sta
mij bij tot aan mijnen dood, laat mij niet
aan mijzelven over, geef mij kracht, om
de bekoringen, om ook mijzelven te over-
winnen, en daarom, maak, dat ik immer
mijne toevlucht neme tot U. Ik wil geheel
de uwe zijn, ik geef U mijn lichaam, mijne
ziel, mijnen wil, mijne vrijheid; ik wil
niet meer voor mijzelven leven, maar
alleen voor U, mijn Schepper, mijn Ver-
losser, mijne liefde, mijn al. Deus meus
et omnia.
Ik wil een heilige worden, en
verhoop dit van U. Doe mij lijden zoo-
veel als gij wilt, beroof mij van alles, het
is mij genoeg, dat gij mij niet berooft van
uwe genade en uwe liefde. O Maria, hoop
der zondaren, Gij zijt zoo machtig bij God,
ik heb een groot vertrouwen in uwe voor-
spraak; ik bid U, om uwe liefde voor
Jesus, help mij en maak mij heilig.
-ocr page 365-
Samenvatting van de deugden,
waarover in dit werk is gehan-
deld en welke een ieder, die liefde
voor Jesus heeft, beoeienenmoet.
ï) Men moet geduldig lijden al de kwel-
lingen dezes levens, de ziekte, de smarten,
de armoede, de vernederingen, de vervol-
gingen, in één woord, alle wederwaardig-
heden. Begrijpen wij het wel, de kwellingen
dezes levens zijn teekenen, dat God ons
bemint en dat Hij ons in het andere leven
gelukkig wil zien. Begrijpen wijook goed,
dat de onvrijwillige verstervingen, de ver-
stervingen , die God ons overzendt, Hem
veel welgevalliger zijn, dan alle vrijwillige,
dan alle, die wijzelve ons opleggen.
2) Zorgen wij in ziekte, ons geheel over
te geven aan den wil Gods; want dit be-
haagt aan God meer dan elke andere de-
votie. Is onze geest dan niet in staat om
te mediteeren, werpen wij dan van tijd tot tijd
een oogslag op den Gekruisigde, dragen wij
Hem onze pijnen op, en vereenigen wij
-ocr page 366-
358
ze met de smarten, welke Hij voor ons
leed op het kruis. Kondigt men ons aan,
dat wij moeten sterven, nemen wij dan
den dood met tevredenheid en in den geest
van offer aan, betuigen wij dan, dat wij
willen sterven, om genoegen te geven aan
God; want juist die wil gaf aan den dood
der martelaren alle verdienste. Zeggen wij
dan: Heer, zie hier ben ik, ik wil alles
wat Gij wilt, ik wil lijden zooveel Gij wilt,
ik wil sterven, wanneer het U behangt.
Verlangen wij alsdan niet naar het leven,
teneinde boetvaardigheid te doen voor onze
zonden. Den dood met volkomen over-
geving aannemen is meer waard dan de
grootste boetvaardigheid.
3)    Wij moeten ons ook overgeven aan
den goddelijken wil, bij armoede en bij alle
ongemakken,die haar vergezellen, zooals: kou-
de, honger, vermoeienis, oneer, bespotting.
4)    Eveneens bij-het verlies van verwan-
ten en vrienden , wier leven ons nuttig kon
zijn. Gewennen wij ons bij alle wederwaar-
digheden te herhalen : God wil het zoo;
ook ik wil het aldus ;
en bij den dood van
verwanten, in plaats van onzen tijd te ver-
liezen met weenen , gebruiken wij dien dan
liever om te bidden voor hunne ziel; offe-
ren wij dan de smart, die wij gevoelen over
hun verlies, aan Jesus op.
-ocr page 367-
359
5)    Doen wij verder ons best, om met ge-
duld en kalmte de verachtingen en belee-
digingen te verdragen. Antwoorden wij hun,
die ons beleedigen met zachtheid; doch wan-
neer wij ons vertoornd gevoelen, is het
\'t beste te lijden en te zwijgen, totdat de
geest weder kalm is geworden; zorgen wij
middelerwijl ons over de ontvangen belee-
diging bij niemand te beklagen; maar dia-
gen wij haar in stilte op aan Jesus , die er
ter liefde van ons zoovele verdragen heeft.
6)    Zijn wij zachtzinnig jegens allen,
jegens oversten en onderhoorigen, jegens
grooten en minderen, jegens huisgenooten
en vreemden; maar meer bijzonder jegens
armen en zieken, meer bijzonder ook jegens
allen, die ons met een kwaad oog aanzien.
7)    Wanneer wij een ander moeten beris-
pen over zijne fouten, helpt de zachtzin-
nigheid beter dan elk ander middel; wach-
ten wij ons daarom, iemand te berispen,
wanneer wij vertoornd zijn; want dan zal
de berisping altijd bitter zijn ; hetzij om de
woorden , hetzij om de wijze. Wachten wij
er ons ook voor den overtreder te verma-
nen, wanneer hij zelf vertoornd is; want
alsdan zal de berisping hem veeleer verbit-
teren dan tot inkeer brengen.
8)    Benijden wij den grooten der wereld
de rijkdommen, de eer en de toejuichingen
-ocr page 368-
360
der menschen niet; benijden wij alleen hen,
die Jesus het meest beminnen ; want
zonder twijfel, dezen zijn gelukkiger dan
de grootste koningen der wereld. Bedan-
ken wij ook den Heer, dat Hij ons de ijdel-
heid doet inzien der wereldsche goede-
ren, waarvoor helaas, zoovele ongelukkigen
zich in het verderf storten.
9)    Zoeken wij bij al onze handelingen
en gedachten niet onze eigene voldoening;
maar alleen het welbehagen van God. Zijn wij
daarom niet ontstemd, wanneer een of ander
werk niet slaagt volgens ons plan; of, wan-
neer het slaagt, zoeken wij dan de toejuiching
en den dank der menschen niet; en zijn wij
er ook niet gevoelig over, wanneer men het
laakt; troosten wij ons met de gedachte, dat
wij gehandeld hebben, om aan God te beha-
gen en niet om te behagen aan de menschen.
10)    De voornaamste middelen ter vol-
maaktheid zijn : i°- Elke voorbedachte zonde
vluchten, al is zij ook klein; doch als wij
bij ongeluk een kleine fout bedrijven, wachten
wij er ons dan voor, ongeduldig en op ons-
zelven toornig te worden; wij moeten er
dan met kalmte berouw over verwekken,
een acte van liefde doen, Jesus beloven
die fout niet meer te zullen bedrijven en Hem
om hulp vragen.
11)   20 Verlangen om tot de volmaaktheid
-ocr page 369-
361
der heiligen te komen, en om alles te lijden,
teneinde genoegen te geven aan Jesus.
Hebben wij dat verlangen niet, bidden wij
Jesus dan, dat Hij het ons in zijne goedheid
geve; want als wij niet een waar verlangen
hebben om heilig te worden, zullen wij
nooit een enkele schrede voorwaarts doen
in de volmaaktheid.
12)    3" Vast besloten zijn om de vol-
maaktheid ook werkelijk te bereiken. Wie
niet vast besloten is, werkt met traagheid,
en weet bij de voorkomende gelegenheden den
weerstand der natuur niet te overwinnen; een
besloten ziel daarentegen, sterk door de hulp
Gods, welke nimmer ontbreekt, overwint alles.
13)    4" Dagelijks twee uren of minstens
één uur aan het inwendig gebed besteden;
en zonder strikte noodzakelijkheid het nooit
nalaten, welke verveling, welke dorheid en
onrust wij ook ondervinden.
14)    50 Meermalen in de week commu-
niceeren, naargelang onze zielbestierder
het goed vindt; want zonder toestemming
der zielbestierders moet men niet veelvuldig
communiceeren. Hetzelfde geldt voor de uit-
wendige verstervingen, zooals : vasten, cilice
dragen, discipline nemen en dergelijke.
Wanneer men zulke verstervingen beoefent
zonder het goedvinden van zijnen zielsbe-
stierder, zullen zij, ofwel de gezondheid te
11
-ocr page 370-
3Ö3
niet doen of ijdele glorie te weeg brengen.
En daarom moet men noodzakelijk • een
vasten bestierder hebben, teneinde alles
naar zijn goedvinden te regelen.
15) 6° Zonder ophouden bidden, onze
toevlucht nemen tot Jesus in al onze be-
noodigdheden, onze toevlucht nemen ook tot
de voorspraak van onzen H. Engelbewaar-
der, van onze H. H. Patronen en bijzon-
der van de Moeder Gods, door wier handen
God ons alle genade schenkt. Wij heb-
ben reeds aangetoond, (op het einde van
het XVIII hoofdstuk), dat van het gebed
alles afhangt. Inzonderheid moeten wij
God iederen dag de volharding vragen
in zijne genade. Wie die volharding vraagt,
verkrijgt ze; wie ze niet vraagt, ver-
krijgt ze niet en gaat verloren. Vragen
wij Jesus ook zijne heilige liefde en de
volkomene gelijkvormigheid met zijnen H.
wil. Die genaden • nu moeten wij immer
vragen door de verdiensten van Jesus Chris-
tus. Die beden moeten wij doen, zoodra
wij des morgen opstaan, wij moeten ze
vervolgens herhalen bij het inwendig gebed,
bij de H. Communie, bij het bezoek aan
het Allerheiligste Sacrament en bij het ge-
wetensonderzoek des avonds. Vooral moe-
ten wij ten tijde der bekoring aan God
zijn hulp vragen, om te weerstaan, inzon-
-ocr page 371-
363
derheid als het bekoringen zijn tegen de
kuischheid; roepen wij dan meermalen de
namen van Jesus en Maria aan. Wie bidt,
verwint; wie niet bidt, is reeds verwonnen.
16) Wat de nederigheid aangaat, wij
moeten ons niet verheffen op rijkdommen,
op eer, op adel van geboorte, op talenten,
noch eenig ander natuurlijk voorrecht; en
des te minder op geestelijke voorrechten;
bedenken wij, dat het al gave is van God.
Houden wij ons voor de slechtsten van allen,
en daarom, zijn wij blijde, als anderen ons
verachten; doen wij niet gelijk sommigen,
die zeggen , de slechtsten van allen te zijn ;
maar evenwel willen behandeld worden als
de besten van allen. Ontvangen wij daarom
met nederigheid de berispingen zonder ons
te verontschuldigen, zelfs niet, als wij ten
onrechte beticht worden; ten minste indien
het niet noodzakelijk is ons te verdedigen,
teneinde ergernis te vermijden.
17 Wachten wij er ons nog meer voor,
in de wereld vertooning te willen maken
en de eer der menschen te zoeken; houden
wij daarom dien grooten grondregel van
den H. Franciscus voor oogen: Slechts dat.
gene zijn wij, wat wij zijn in de oogen
van God.
Vooral voor een kloosterling
zou het erg zijn, als hij naar ambten van
eer of van gezag in zijne orde streefde;
-ocr page 372-
364
de eer van een kloosterling is de nederig-
ste van allen te zijn, en diegene is het
nederigste, die met de grootste blijdschap
de vernederingen aanneemt.
18) Onthechten wij ons hart van al het
geschapene. Wie aan iets ter wereld, hoe klein
ook, gehecht is, kan nimmer opwaarts vliegen,
om zich geheel te vereenigen met God.
Inzonderheid, onthechten wij ons aan de
ongeregelde genegenheid voor verwanten.
De H. Philippus Nerius placht te zeggen, dat
wij al de genegenheid, die wij aan de schepse-
len geven, ontnemen aan God. Vooral
wanneer er spraak is van een levens-
staat te kiezen, moeten wij op onze hoede
zijn voor onze ouders ; want meestal zoeken
zij meer hun eigen belang dan ons waar-
achtig geluk. Wij moeten ons ook losmaken
van het menschelijk opzicht en van alle zucht
naar ijdele glorie; vooral moeten wij ons
onthechten aan onzen eigen wil. Wij moeten
alles verlaten, om alles te -winnen, Totum
prö toto,
gelijk Thomas a Kempis zegt.
20) Laten wij nimmer toornig worden,
wat er ook gebeure. Worden wij ooit door
den toorn verrast, nemen wij dan aanstonds
onze toevlucht tot God, en handelen of
spreken wij niet, voor en al eer de toorn be-
daard is. Het is daarom nuttig, zich in het
gebed cp alle gebeurlijkheden voor te be-
-ocr page 373-
3«5
reiden; opdat, wanneer zij werkelijk plaats
grijpen, wij ons niet bezondigen door toorn.
Gedenken wij het woord van den H. Fran-
ciscus van Sales: Ik ben nooit toornig ge-
weest, of ik heb er later spijt van geliad.
21)  Geheel de heiligheid bestaat in God
te beminnen, en geheel de liefde tot God
bestaat in het volbrengen van zijnen H.-wil.
Wij moeten ons dus zonder voorbehoud
onderwerpen aan alles, wat God over ons
beschikt, en daarom met tevredenheid alles
aannemen, hetzij zoet of bitter, wat God
wil; geen andere gezondheid verlangen dan
die God wil; met al onze gebeden slechts
beoogen, van God de genade te verwerven,
om volmaakt zijnen wil te volbrengen. Om
nu zeker te zijn van Gods wil, moet men
zich onderwerpen aan de gehoorzaamheid,
hetzij van zijnen overste, indien men
kloosterling is, hetzij van zijnen biechtvader,
indien men in de wereld is. Men houde
voor zeker wat de H. Philippus Nerius zegt:
Van hetgeen men uit gehoorzaamheid doet,
behoeft men aan God geen rekenschap
te geven,
zoo het althans niet klaarblijke-
lijk zonde is.
22)  Tegen de bekoringen zijn de middelen
twee in getal: de overgeving en het gebed.
De overgeving: want, hoewel de bekoringen,
die ons tot zonde aanzetten, niet van God
-ocr page 374-
366
komen, laat God ze echter toe tot ons
welzijn, en daarom, hoe lastig de bekoringen
ook zijn, wachten wij er ons voor, toornig
te worden; doch onderwerpen wij ons aan
den wil Gods, die ze toelaat, en wapenen
wij ons met het gebed, dat onder alle het
krachtigste en veiligste wapen is, om den
vijand te overwinnen. De slechte gedachten
zijn geen zonde, zij mogen nog zoo afschuwe-
lijk en zoo goddeloos zijn; alleen de toestem-
ming is zonde. Wanneer wij de namen van
Jesus en Maria aanroepen, zullen wij nimmer
overwonnen worden. Als de bekoring ons
overvalt, is het goed, onsbesluitte vernieuwen,
van liever te sterven dan God te beleedigen;
ook is het goed, meerdere malen het kruistee-
ken te maken met wijwater, ook de bekoringen
te openbaren aan den biechtvader; maar
het noodzakelijkste middel is, te bidden en
aan Jesus en Maria hulp te vragen, om te
weerstaan.
23) In de troosteloosheid des geestes moe-
ten wij ons vooral in twee acten oefenen.
i° Moeten wij ons vernederen, erkennen,
dat wij verdienen aldus te worden behan-
deld. 20 Ons onderwerpen aan den wil Gods
en ons overgeven in de armen zijner goed-
heid. Wanneer God ons vertroost, berei-
den wij ons dan voor op beproevingen, daar
deze meestal op de vertroostingen volgen.
-ocr page 375-
367
Wanneer God ons echter in troosteloosheid
laat, vernederen wij ons dan en geven wij
ons over aan den goddelijke wil; op die
wijze zullen wij veel meer voordeel trekken
uit de troosteloosheid dan uit de vertroosting.
24) Om immer goed te leven, moeten
wij ons zekere algemeene geestelijke grond
beginselen in den geest prenten, bijv.: Alles
op deze wereld neemt een einde; er komt
een einde aan het genot, er kom teen einde
aan het lijden ; maar de eeuwigheid eindigt
nooit. — Waartoe dient al de grootheid
der wereld op het oogenblik van ster-
ven ? — Al wat van God komt, hetzij voor-
of tegenspoed, het is alles goed, het strekt
al tot ons welzijn. — Wij moeten alles ver-
laten, om alles te winnen. - Zonder God kan
men nooit waren vrede hebben. — God bemin-
nen , onze ziel zalig te maken, dat alleen
is noodzakelijk.— Alleen voor de zonde moet
men vreezen. — God verloren, alles verloren.
— Wie niets van deze wereld verlangt, is van
geheel de wereld meester. - Wie bidt, wordt
zalig; wie niet bidt, gaat verloren — Genoegen
geven aan God, ook al kost het \'t leven. — Al
kost God nog zoo veel, Hij is nooit duur. —
Voor wie de hel heeft verdiend, beteekent
het grootste lijden weinig. — Wat men
niet voor God doet, wordt al kwelling.—
Wie niets dan God wil, is rijk aan alle
-ocr page 376-
368
goed, — Gelukkig hij, die in alle oprecht-
heid kan zeggen: Mijn fesus, ik wil U
alleen, en niets anders.
— Wie God bemint,
vindt in alles genoegen; wie Gcd niet
bemint, vindt in niets een waar genoegen.
DEO GRATIAS ET MARIAE.
Wij laten hier nog eenige kleine werkjes
volgen, welke door de uitgevers, in de ge-
schriften van den H. Alphonsus zijn ver-
spreid, doch nergens beter hunne plaats
vinden dan hier, als aanhangsel van dit
schoone werkje.
-ocr page 377-
Zekere teekenen, om te weten
of wij de goddelijke liefde bezitten.
De goddelijke liefde wordt in de H.
Schrift vergeleken bij het vuur.
Wanneer de Heer in het evangelie wil
te kennen geven, dat Hij de liefde Gods op
aarde is komen brengen, dan zegt Hij: Ik ben
vuur op de aarde komen brengen: Ignem
veni mittere in terram,
i) en in de Apoca-
lyps spoort God de ziel aan, van Hem goud
te koopen in den gloed des vuurs. Suadeo
tibx emere a me aurum ignitum.
2) Goud
in den gloed des vuurs,
d. w. z. de god-
delijke liefde. Het vuur nu heeft de twee
volgende eigenschappen: Vooreerst het weer-
staat aan de tegenkantingen, aan wind en
tocht; ja welverre van daardoor uit te doo-
ven, ontbrandt het er te feller door. Op
de tweede plaats is het werkzaam; is er
vuur, dan wil het werken. Ziedaar der-
halve twee zekere kenmerken, om jn ons
1) Luc. 12. 49.
3) Apoc. 3. 18.
-ocr page 378-
37°
de liefde Gods te onderkennen: arbeid en
geduld.
Werken wij immer voor onzen God?
Hebben wij ten minste de goede meening
om in alles zijn goddelijken wil te doen,
in alles zijn goddelijk welbehagen te vol-
brengen? Verduren wij bereidwillig voor
Hem allen tegenspoed: armoede, kwellin-
gen, ziekten en dergelijke? Welverre, dat
dit alles ons van Hem verwijdert, hecht
het ons inniger aan Hem? Zoo ja, dan
bezitten wij de liefde Gods, onze liefde is
een vuur, dat werkt, dat weerstand biedt
aan de tegenkantingen; maar zoo niet,
dan is onze liefde tot God niet waarachtig,
het is een valsche liefde, het is een liefde
met de tong, geen liefde van het hart.
Tegen die liefde waarschuwt ons de H.
Joannes in zijn tweeden brief, als hij zegt:
Filioli, non düigamus verbo neque, lingua,
sed o per e et veritaie.
i) Myne kindertjes
(welk eene liefde spreekt er uit deze woor-
den!) mijne kindertjes, beminnen wij niet
met woorden en met de tong; maar met de
daad en in waarheid.
Als de liefde niet
werkt, zegt de H. Gregorius, dan is zij
geen liefde. Si non operatur, amor non est. 2)
1)   1. 3-
2)   Hom. 80. in evang.
-ocr page 379-
37\'
Jesus Christus zegt: Qui habet mandata
mea et servet ea, ille est qui diligit me.
i)
Die mijne geboden heeft, en ze bewaart,
die is het, die mij liefheeft. Hoe bitter,
hoe vreeselijk iets ook is,
zegt de H. Augus-
tinus, de Hef de maakt het gemakkelijk en
als niets: Omnia saeva et immaniaprorsus
facilia, et f er e nul/a efficit a/nor.
Arbei-
den wij dan op die wijze immer voor onzen
God? Onderhouden wij de goddelijke gebo-
den? Onderhouden wij ze nauwkeurig?
— Onder de goddelijke geboden komen
ook de geboden der H. Kerk , de
plichten van onzen staat en elke andere
bijzondere verplichting. —■ Overwinnen wij
edelmoedig, ja zelfs met blijdschap elke
tegenkanting, hoe bitter die ons ook zij?
Zoo ja, wij bezitten de liefde Gods; onze
liefde is een vuur, dat werkt, dat weerstaat
aan de tegenkantingen; maar zoo niet, dan
is onze liefde tot God niet waarachtig; het
is eene valsche liefde; het is eene liefde
met de tong geen liefde van het hart. Filioli
non diligamus verbo neque lingua, sed
opere et veritate. Mijne kindertjes óeminnen
mij niet met u ooraen en met de tong; maar
met de daad en in waarheid.
Treden wij meer in bijzonderheden. De ge-
legenheid biedt zich aan, om een groot gewin
i) Jo. 14. 21.
-ocr page 380-
372
te behalen; maar het is onrechtvaardig; — gij
zijt in staat u zelven eene voldoening te
verschaffen; maar die voldoening is niet
geoorloofd; — de plichten van uw staat staan
u tegen, de moeite, die gij u moet geven in
uwe bediening, verveelt u;—en gij, ter wille
van God, gij versmaadt dat gewin, gij
verzaakt aan die voldoening, — ondanks uwen
tegenzin doet gij alles, waartoe gij verplicht
zijt, brengt gij alles ten uitvoer; twijfel er
niet aan: gij bezit de goddelijke liefde,
uwe liefde is een vuur, dat werkt; maar
handelt gij anders, neen dan is uwe liefde
tot God niet waarachtig, het is eene valsche
liefde, een liefde met de tong, geen liefde
van het hart. JFilioli mei, non diligamus
verbo, neque lingua sed opere et veritate.
Mijne kindertjes, beminnen mij met met
woorden en met de tong
; maar met de daad
en in waarheid.
Gaan wij verder. Onverwachts bezoekt
u eene beproeving, onverwacht ontstaat er
een geschil, waarvan voor u alles afhangt,
onverwachts verliest gij dien persoon, op wien
geheel uw hoop was gevestigd, die uw
eenige steun was; en gij, gij biedt alles
bereid vaardig aan God ten offer, gij ver-
draagt alles, zelfs met blijdschap; twijfel
er niet. aan: gij bezit de liefde Gods, uwe
liefde is een vuur, dat weerstaat aan de
-ocr page 381-
373
tegenkantingen; maar zijt gij anders gesteld,
neen, dan is uwe liefde tot God niet waar-
achtig, het is eene valsche liefde, eene
liefde met de tong, geene liefde van het
hart. Filloli mei, non diligamus verbo,
neque lingua sed ope e et veritate. Mijne
kindertjes
, beminnen wij niet met woorden
en met de long, maar mei de daad en in
waarheid.
Het lijden vooral, o welk een schoon
teeken van liefde! hoeveel zekerder nog dan
de arbeid! Wie arbeidt voor den beminde, hij
geeft zich zelven ten dienste van het
voorwerp zijner liefde, en levert daarom
het bewijs, dat hij bemint; maar wie lijdt,
hij vergeet ten gelieve van den welbeminde
zelfs zijn eigen persoon, en daarom geeft
hij blijk van grooter liefde. Door dit ken-
teeken dan ook heeft God de groote liefde
willen beproeven van den heiligen Job.
Een groot beminnaar van God was on-
getwijfeld de heilige Job; maar wanneer
betoonde hij zich waarlijk zoodanig? Was
het misschien, toen hij zich omgeven zag
door een talrijk kroost ? Was het, toen hij
zich baadde in den overvloed ? toen hij zich
in een volmaakten staat van gezondheid
bevond? Zeer zeker ook toen; want ook
toen erkende hij, alles aan God verschuldigd
te zijn, hij was God dankbaar, droeg offer-
-ocr page 382-
374
anden op, behartigde zijn plichten , want
hij gaf heilige lessen aan zijne kinderen
en bad onophoudelijk voor hen ; opdat zij
den Heer toch nooit mochten beleedigen:
Ne forte peccaverint ftüimei. i) Maar zijne
liefde tot God toonde zich eerst in hare
ware grootheid, toen de Heer, juist om
deze liefde te beproeven, hem op één oogen-
blik van al zijne goederen beroofde, op
één oogenblik al zijn kinderen deed sterven,
hem op één oogenblik geheel en al zijne
gezondheid ontnam, toen God het zoover
liet komen, dat Job, geheel en al slechts
ééne wonde, op een mesthoop gezeten, met
een scherf het vuil van al zijn leden moest
vagen en de heilige man echter bij deze
vreeselijke ongelukken, te midden van al
deze ongehoorde kwellingen, met een
onbezweken en immer gedenkwaardig
geduld voortdurend niets anders herhaalde
dan : De Heer heeft mij al deze goederen
gegeven. De Heer heeft ze mij ontnomen.
Het is geschied gelijk het behaagd heeft aan
God; de naam des Heeren zij gezegend:
Dominus dedit, Dominns abstulit; sicut Do-
mino placuit ita faclum est. Sit nomen
Dotnini benediclum.
2)
Maar wat spreek ik van Job! Wat heeft
O Job 1. 5.
2) Job. I. 21.
-ocr page 383-
375
Jesus Christus tot zijn Apostelen gezegd,
toen hij zijn H. lijden ging beginnen? Mijne
apostelen, zoo sprak Hij, opdat de wereld
erkennen moog\', dat ik den Vader bemin,
welaan, laten wij gaan: XJtcognoscat mundus,
quia diligo Palretn, surgite,eamus.
i) Zie-
daar dan, zfedaar het zekerste, het onte-
gensprekelijk teeken van de ware liefde tot
God: geduld, geduld; bereidwaardig alles
voor Hem lijden.
Merkwaardig zijn de woorden en daden
der heiligen op dit punt. Of lijden ofsterven,
roept de H. Theresia uit; de H. Maria
Magdalena de Pazzi: dj den en niet sterven;
de H. Joannes van het Kruis: lijden en zwijgen.
De heilige maitelaren wekten de beulen
op, om hen te folteren, hitsten de wilde
dieren aan, om hen te verscheuren.
De H. Liduina verdroeg bereidwillig eene
pijnlijke ziekte van 38 jaren De H. Fran-
cisca Romana verdroeg bereidvaardig de
onrechtvaardige verbanning van haren echt-
genoot en de verbeurdverklaring van al hare
goederen. De H. Joannes van het Kruis, reeds
genoemd, verdroeg bereidvaardig een harde
gevangenschap van negen maanden, gepaard
met onnoemelijke ongemakken enkwellingen
Ziedaar dan, ziedaar het zekerste, het
ontegensprekelijk teeken van de ware liefde
I) To 14. 31.
-ocr page 384-
3 7 f\'
Gods : geduld; alles lijden, alles bereid-
vaardig voor God lijden.
O gelukkig, o zalig hij, die in het bezit is
dezer twee zoo zekere kenteekenen : arbeiden
geduld; die voor den grooten God werkt
en lijdt en dus genoegzaam zeker is, dat hij
de liefde Gods bezit!
Al het goud der wereld, het is, bij het
minste graadje van goddelijke liefde verge-
leken, niet meer dan een luttel zands. Omne
aurum in comparatione illius arena est
exigaa. ï)
Ja alle rijkdommen der wereld,
zij zijn bij een gering graadje van liefde
Gods niet meer dan een niet; de Wijze
Man zegt het uitdrukkelijk in de H. Schrift:
Divitias nihil esse duxi in comparatione Mins
2.) Rijkdom hield ik voor niets in vergelijking
van haar.
Maar wat spreek ik van al het goud der
ivereld, van allen wereldschen rijkdom
, daar
zelfs de hoogste bovennatuurlijke gaven
zonder de litfde Gods niets beteekenen?
De H. Apostel Paulus, hij, die de liefde
Gods in zoo hoogen graad bezat en daarom
zoo goed hare waarde kende, getuigt het.
Indien ik, zoo zegt hij, 3) de gave aller
1)  Sap. 7. 9.
2)  Ibid. S.
3)  1 Cor. 13.
-ocr page 385-
377
talen had, indien ik alle talen kon spreken,
niet alleen de taal der menschen, maar ook
die wonderbare taal, welke de engelen spreken
met elkander; doch ik had de liefde niet,
ik zou niets anders zijn dan een wan-
luidende symbaal. Si linguü höminum loquar
et angelorum, charitatem autem non habeam
fadus sum velut aes sonans, aut cymbalum
ünniens.
Indien ik de hoogste gave had van profetie,
zoodat ik in de diepst verborgen geheimen
kon doordringen, indien ik de gave had van
alle wetenschappen, en een gave van geloof,
zoo groot, dat ik bergen kon verzetten; maar
de liefde Gods niet bezit, dan ben ik een niet.
Si habuero prophetiam, et noverim mysteria
omnia; si habuero omnen scientiam et omnem
f idem, ila ut montes transferam
, caritaiem
autem non habeam nihil sum.
De schoone deugd der liefde Gods is onder
alle andere deugden de koningindeugd,
wier heerschappij in eeuwigheid zal duren.
Het geloof zal na den dood zijne be-
looning hebben; want het zal zien, wat
het geloofd heeft; maar de deugd van ge-
loof zal in den hemel niet zijn.
De hoop zal na den dood hare belooning
hebben; want zij zal bezitten wat zij gehoopt
heeft; maar de deugd van hoop zal in den
hemel niet zijn.
-ocr page 386-
37»
De liefde tot God zal na den dood hare
belooning hebben en zij zal in alle eeuwig-
heid heerschen; want in een eindeloos
geluk zal zij dien God blijven beminnen,
welken zij op aarde heeft bemind.
Wel gelukkig dan, wel zalig hij, die deze
twee zoo zekere kenteekenen der liefde Gods
bezit: arbeid en geduld, hij, die bereid vaardig
voor zijnen God werkt en lijdt, en dus ge-
noegzame zekerheid heeft, dat hij in\'t bezit is
der heilige, der waarachtige liefde Gods!
Beminnen wij dan allen, beminnen wij
allen, en allen op gezegde wijze onzen
God. Hebben wij bij ieder werk steeds
den goeden God voor oogen, verrichten
wij iedere handeling volgens zijn goddelij-
ken wil, volgens zijn goddelijk welbehagen,
en verdragen wij, niet alleen met geduld,
maar zelfs met blijdschap, alles, wat met
onze eigenliefde en onze menschelijke ge-
voeligheid in strijd is. Onzen God te be-
minnen, ziedaar het eenig doel, waarom
wij door God zijn geschapen en op de
wereld geplaatst.
Laat dan het nastreven van dit eenig
doel onze eenige zorg, onze eenige be-
kommering zijn op deze wereld.
Achten wij alleen die heilige liefde als
een zaak van gewicht, laten wij die heilige
liefde alleen aan God dikwijls met aan-
-ocr page 387-
379
drang vragen. Geef ons slechts uive liefde,
o Heer,
zoo moeten wij allen en ieder
onzer dikwijls zeggen, geef ons slechts
uwe heilige liefde en uzve genade, dan ben
ik rijk genoeg- en vraag U niets meer. Arno-
rem tui solum cum (jratia tua mild dones
et dives sum satis nee aliud quidpiam ultra
posco;
dit was ook de aanhoudende bede van
dien grooten heilige, van dien man zoo vol
van liefde tot God, den grooten H. Ignatius.
Korte acte van volmaakte
liefde tot God, die men, zeer
dikwijls moet herbalen-
Mijn God ik bemin U boven alles, met
geheel mijn wezen; omdat Gij het verdient.
Twaalf korte schietgebeden voor de twaalf
groote feesten des /aars, (zeeën feestdagen
des Heeren en vijf der H. Maagd) die men
echter naar zijn devotie ook op andere dagen
kau gebruiken:
Voor kerstmis.
O mijn Jesus, word geboren in mijn hart.
Voor \'s Heeren besnijdenis.
Uw naam, o Jesus, zij mijne vreugde.
-ocr page 388-
3S0
Voor Driekoningen.
Ik aanbid U, o Jesus, en ik bemin U
in vereeniging met uwe heilige Koningen.
Voor Paschen.
Mijn Jesus, eerst met U lijden, en dan
met U genieten.
Voor \'s Heeren hemelvaart.
O Jesus, neem ook mijn hart met U ten
hemel.
Voor Pinksteren.
Heilige Geest, licht, ijver en volharding!
Voor H. Sacramentsdag.
Jesus onze spijs, Jesus onze zoetheid,
Jesus ons geluk!
Voor het feest van Maria, onbevlekt
ontvangen.
H. Maagd, Gij zonder smet en vol van
genade in het eerste oogenblik van uw
aanzijn, en ik zonder smet en in staat van
genade in het laatste oogenblik mijns levens !
Voor het feest van Maria geboorte
Allerheiligste Maagd, uwe geboorte heilig
en mijn dood heilig!
-ocr page 389-
3» i
Voor O. L. V. Boodschap
Allerheiligste Maagd, Gij verheven, om de
gezegende Moeder Gods te zijn; en ik om
getrouw te zijn in zijnen dienst!
Voor O. L. V. Hemelvaart
Allerheiligste Maagd, Gij zijt gestorven
van louter liefde, dat ik ten minste sterve
met een volmaakt berouw.
Zijn wij toch allen dienaren, allen die-
naren van Maria; na God de Allerheiligste
Maagd. Zalig de Christen , welke de aller-
heiligste Maagd aan zijn zijde heeft en
rampzalig de Christen, welke de allerheilig-
ste Maagd niet heeft aan zijne zijde.
De Allerheiligste Maagd vermag alles bij
God; omdat zij zijne waarachtige Moeder
is en God haar zoo vurig bemint. De
Allerh. Maagd wil ons alle goed; want
zij is ook onze waarachtige moeder, zij
bemint ons zoo zeer.
Trachten wij Haar dan immer meer voor
ons te winnen, trachten wij haar immer
meer voor ons te winnen, door voortdurend
aan te groeien in godsvrucht tot Haar.
Eiken dag haar Rozenkrans.
Eiken zaterdag de vaste ter harer eer.
Voor elk harer voornaamste feesten de
novene en de vastendag; op ieder van hare
-ocr page 390-
3*2
feestdagen, ook de kleinste, bijzondere oefe-
ningen van godsvrucht.
En dan in al onze benoodigdheden, bij
alle voorvallen steeds tot Haar onze toe-
vlucht genomen, op Haar steeds vertrouwd;
door Haar beveiliging in dit leven, bevei-
liging in den dood, beveiliging in alle
eeuwigheid.
En zou het ook anders kunnen zijn? Weet
gij hoe in den hemel de zaken zich toedragen?
De Allerh. Maagd plaatst zich voor haren god-
delijken Zoon: Mater stat ante Filium. Zij
toont haren boezem, waarin Hij negen maan-
den opgesloten was, hare heilige borst,
waaraan zij hem zoo dikwijls heeft gevoed.
De Zoon plaatst zich voor zijnen godde-
lijken Vader : Films stat ante Patrem. Hij
toont den Vader Zijne doorboorde zijde,
de heilige wonden, die Hij voor ons ontving:
Et ostendit Patrt lalus et vuhiera. Bij het
gezicht nu dezer allerzoetste onderpanden
van liefde van den Zoon, kan de Vader
Hem niets weigeren, en wij, wij worden in
alles verhoord : Ibi nulla poterit esse repulsio
ubi sunt tot amoris insignxa.
Aldus bemoe-
digt ons die vurige vereerder der Aller-
heiligste Maagd, de H. Bernardus, Daar
nu de Allerh. Maagd; omdat zij de waarachti-
ge Moeder van God is, ook tevens de Moeder
is der schoone liefde: Materpulchraedilec-
-ocr page 391-
3^3
twnis, moge zij ons dan de heilige liefde
verwerven, moge God zelf, door hare be-
middeling, ons hart met zijne heilige liefde
vervullen. Ignetn sui amoris accendat Deus
in cordibm nostris.
Leve Jesus onze liefde en Maria ome hoop.
-ocr page 392-
Godvruchtige verzuchtingen tot
Jesus.
VAN EENE ZIEL, DIE HEM GEHEEL WIL
TOEBEHOOREN.
I. Verzuchtingen van geloof.
0 godloochenaars, gij, die het geloof aan
God verwerpt, dwazen, die gij zijt! Als gij
niet gelooft, dat er een God is, zegt mij,
wie heeft u dan geschapen? Hoe kunt gij
u voorstellen, dat er schepselen zijn, zonder
een beginsel, dat ze geschapen heeft? Die
wereld, welke gij bewondert, waarin alles
in zoo schoone en blijvende orde geregeld
is, zou die voortgekomen zijn van het
toeval, waarin noch orde noch verstand is ?
Rampzaligen! gij tracht u te overtuigen,
dat evenals het lichaam ook de ziel sterft;
maar o God! wat zult gij zeggen, wanneer
gij de eeuwigheid binnengegaan, zult zien,
dat uwe zielen eeuwig zijn en dat er in
eeuwigheid geen herstel meer is voor uw
ongeluk!
-ocr page 393-
385
Maar, als gij gelooft, dat er een God
is, dan moet gij ook aannemen, dat er
een ware godsdienst bestaat. Wanneer
gij echter niet gelooft, dat onze godsdienst,
dat is de Roomsch-Katholieke, de ware
is, zegt mij, waar zult gij dan den waren
godsdienst vinden? Wellicht bij de heide-
nen, welke zoo vele goden aannemen en
ze zoodoende allen te niet doen en looche-
nen? Wellicht bij de Mahomedanen, wier
godsdienst een mengsel is van fabelen, on-
gerijmdheden en tegenspraak; een godsdienst,
uitgevonden door een eerloozen bedrieger,
en eerder gemaakt voor de dieren dan voor
den mensch? Wellicht bij de Joden, die,
wel is waar, een tijdlang het ware geloof
hebben bezeten, maar hunnen verwachten
Verlosser hebbeu verloochend, de wet der
genade, door Hem geleerd, hebben ver-
smaad, en daarom hun geloof, hun land
en alles hebben verloren? Wellicht bij de
ketters, die zich van onze kerk, de
eerste, door Jesus Christus met de belofte
van onvergankelijkheid gesticht, hebben af-
gescheiden en de geloofswaarheden zoo zeer
hebben verward, dat zij allen in hun geloof
met elkander in tegenspraak zijn ? Ach, hoe
overduidelijk is het, dat ons ge loof het eenig
ware is! Ofwel er is een geopenbaard geloof,
en er kan geen andere ware godsdienst zijn
-ocr page 394-
386
dan de onze: ofwel er is geen geopenbaard
geloof, en alle godsdiensten zijn valsch.
Doch dit laatste kan niet zijn; want als
er een God bestaat, moet er ook een waar
geloof en een ware godsdienst zijn.
Hoeveel dwazer echter zijn die Christe-
nen, welke aan het ware geloof vasthou-
den, en evenwel leven alsof zij niet geloof-
den? Zij gelooven, dat er een God is,
rechtvaardig Rechter, dat er een hemel
is en een hel, die eeuwig duren; en toch
leven zij, alsof er noch oordeel, noch he-
mel , noch hel, noch eeuwigheid, noch
God bestond.
O mijn God, hoe kunnen de Christenen
gelooven in Jesus Christus; gelooven in een
God, die geboren wordt in een stal; in
een God, die gedurende dertig jaren ver-
borgen leett in een werkwinkel, daar gelijk
een eenvoudige knaap arbeidt en van een
daggeld leeft; in een God eindelijk, aan een
kruis genageld, stervend van smarten; en
toch Hem niet beminnen, ja Hem ver-
guizen door hunne zonden!
O heilig geloof, verlicht die arme blin-
den, welke voor eene gansche eeuwigheid
hun verderf te gemoet gaan! Maar reeds
straalt dat licht, het verlicht alle menschen,
geloovigen en ongeloovigen. Lux veraquae
illuminat omriem hominem.
Hoe komt het
-ocr page 395-
3*7
dan, dat zoovelen venloren gaan? O ver-
vloekte zonde, gij verblindt het verstand
van die arme zielen; in de eeuwigheid
ja, zullen hunne oogen open gaan; maar
dan zal er geen herstel meer zijn voor hunne
dwaling.
Hoe komt het, mijn Jesus, dat zoovelen
uwer dienaren zich afgezonderd hebben in
grotten en woestijnen, om aan het werk
hunner zaligheid te arbeiden, dat zoo vele groo-
ten, ja vorsten dezer wereld zich hebben op •
gesloten in een klooster, om daar arm en
onbekend te leven, teneinde hunne eeuwige
zaligheid in veiligheid te stellen? zoovele
martelaren alles hebben verlaten? zoovele
maagden de hand der eersten onder de
grooten dezer wereld hebben versmaad en
met liefde de pijnbanken, de bijlen, de tangen,
de gloeiende roosters, den vreeselijksten dood
hebben omhelsd, om uwe genade niet te ver-
liezen , terwijl zoovele anderen van U verwij-
derd leven in zonde, maanden en jaren lang?
Ik dank U, mijn Jesus, voor het licht,
dat Gij mij geeft, waardoor ik inzie, dat
al de goederen dezer wereld niets an-
ders zijn dan rook, slijk, ijdelheid en
bedrog; en dat Gij alleen het waarachtige,
het eenige goed zijt.
Mijn God, ik dank U, dat gij mij dit
heilig geloof hebt gegeven en dat gij het
-ocr page 396-
383
ons zoo geloofwaardig hebt gemaakt door
die vele kenteekenen, gelijk daar zijn ver-
vulling der profetieën, de waarachtigheid der
mirakelen, de standvastigheid der marte-
laren, de heiligheid der leer, de wonderbare
verspreiding er van over de gansche wereld.
Inderdaad, als ons geloof niet het ware was,
dan zou men moeten zeggen , dat Gij
ons hebt bedrogen, daar Gij het zóó vele
kenteekenen hebt gegeven van waar.
achtigheid. Ik geloof alles, wat de H.
Kerk mij leert te gelooven; omdat Gij
ons dit alles hebt geopenbaard. Geenszins
verlang ik de mysteriën, welke mijn verstand
te boven gaan, te begrijpen. Uw woord is
mij genoeg. Ik bid U, vermeerder mijn
geloof: Adauge nobis fidem.
II. Verzuchtingen van ver-
trouwen.
Mijn Jesus, het gezicht mijner zonden
jaagt mij groote vrees aan; maar veel grooter
dan die vrees is de moed, de troost, dien ik
ontwaar, wanneer ik U aan het kruis aan-
schouw. Neen, Gij zult mij geen vergiffenis
weigeren, Gij, die mij uw Bloed en
uw leven niet geweigerd hebt. Wonden
van Jesus, Gij zijt mijne hoop.
Mijn dierbare Verlosser, in het uur van
mijnen dood, bij die laatste en daarom
-ocr page 397-
389
dubbel felle aanvallen, waarmede de hel
mij zal bekampen, moet Gij mijne kracht
zijn. Ik hoop, dat Gij om wille van uwen
bitteren dood, mij zult doen sterven in uwe
genade en brandend van uwe liefde. Ach, om
die drie uren van doodsangst, welke Gij leedt
aan het kruis, geef mij de genade, om al de pij-
nen van mijnen doodstrijd met gelatenheid en
uit liefde tot U te lijden. O Maria, om de bitte-
re smart die Gij gevoeldet, toen uw Jesus den
geest gaf, verwerf mij de genade, van te
sterven met een acte van liefde tot God,
om Hem daarna in vereeniging met U
eeuwiglijk te beminnen in den hemel.
Mijn Jesus, om uwe verdiensten hoop ik
van U vergiffenis van alle beleedigingen,
die ik U heb aangedaan. Maar, mijne ge-
kruisigde Liefde, hoe kan ik vreezen voor
vergiffenis, daar Gij juist, om mij vergiffe-
nis te schenken, gestorven zijt? Hoe kan
ik vreezen voor barmhartigheid, daar deze
U uit den hemel deed neerdalen, om mijne
ziel te zoeken? Hoe kan ik vreezen, dat
Gij mij de genade zult weigeren van U te
beminnen, daar Gij juist zooveel geleden
hebt, om U meester te maken van mijn
hart? Hoe kan ik vreezen, dat mijne be-
drevene zonden, die ik thans van ganscher
harte vertoei, mij wellicht berooven zullen
van uwe genade, terwijl Gij al uw bloed
-ocr page 398-
390
hebt gestort, juist om mijne zonden uit te
wisschen en mij aldus uwe vriendschap te
te doen herwinnen ? Ik zie, dat Gij mij een
afschuw geeft van de beleedigingen, die ik
U heb aangedaan, dat Gij mij licht geeft,
om de ijdelheid in te zien der wereld, dat
Gij mij doet beseffen de liefde, die Gij mij
hebt toegedragen, dat Gij mij verlangen
inboezemt, om geheel de uwe te zij a; dit
alles is een teeken, dat Gij mij zalig wilt
zien; ook ik, dierbare Verlosser, ook ik
wil mijne zaligheid, om alzoo eens in den
hemel uwe barmhartigheid eeuwiglij k te
loven. Miseticordias Domxni in aeternum,
cantabo.
Dat immer die spijt over mijne
zonden in mijn hart gevestigd blijve, gelijk
ook het verlangen, om U uit geheel mijn
hart te beminnen.
Mijn beminde Verlosser, mijn Rechter,
wanneer ik in het oogenblik van sterven
in uwe tegenwoordigheid verschijn, ach
verwerp mij dan niet van uw aangezicht.
Cutn veneris judtcare, noli me condem-
nare.
Verwijs mij toch niet naar de hel;
want in de hel kan ik U niet beminnen.
Ach maak toch, dat die wonden , welke Gij
in uw lichaam draagt, als zoovele bewijzen
van de liefde, die Gij mij hebt toegedra-
gen , mij niet ten eeuwigdurende foltering
zullen strekken. Vergeef mij dan, vóór dat
-ocr page 399-
39\'
het uur aanbreekt, om mij te oordeelen.
Maak, dat, wanneer ik U de eerste maal
zie, ik U met een kalm en niet met een
toornig gelaat aanschouwe; verklaar mij
dan voor uw uitverkoren schaapje en niet
voor een verworpen bok. Redemisti crucem
passus
, tantus labor non nit cassus. Maak
toch, dat uw bloed voor mij niet verloren zij.
Ik ben zondaar, het is waar; maar Gij
hebt gezegd, dat Gij den dood des zon-
daars niet wilt: Nolo mortem impii, sed
ut convertatur et vivat.
Ik zeg aan alles
vaarwel; ik verzaak aan alle goederen dezer
wereld: aan genoegens, rijkdommen, waar-
digheden, eer; ik zie, dat het alles slijk,
logen en vergif is ; ik wend mij daarom tot
U, o mijn God. Mijn gekruistigde Jesus,
U alleen begeer ik, niets anders.
O mijn God! om mij den hemel te
verwerven, hebt Gij, o mijn dierbare Ver-
losser, uw leven gegeven; en ik, ik heb
ter wille mijner vervloekte voldoeningen
verzaakt aan den hemel en aan U, eiudeloos
Goed. Ik verdien dan ook niet, in dat rijk
der heiligen binnen te gaan; maar uw
heilig Bloed en uw dood bemoedigen mij
in mijne hoop op dit geluk. Ja ik hoop,
ik verlang naar den hemel. Ik verlang den
hemel, mijn Jesus, niet om meer te ge-
nieten, maar om U meer te beminnen en
-ocr page 400-
392
verzekerd te zijn, U eeuwig te beminnen.
Wanneer zal het zijn , mijn liefde en mijn
al, dat ik daar aan uwe voeten zal neer-
vallen en die heilige wonden zal kussen,
die het onderpand uwer liefde en de oor-
zaak mijner zaligheid zijn geweest!
Ik lees , mijn Jesus , in mijn geweten het
vonnis des doods, dat ik verdiend heb door
de beleedigingen U aangedaan; maar op
uw kruis lees ik het vonnis der genade, dat Gij
mij verdiend hebt met uwen dood. In te,
Domine, speravi, non confundar in aeternum
Mijn dierbare Verlosser, ik hoop, dat
Gij mij, wat het verledene aangaat, verge-
ving hebt geschonken. Doch , als ik aan
mijne vroegere trouweloosheden denk, vrees
ik voor de toekomst; echter juist die vrees
doet mijn vertrouwen groeien; want nu ik
mijne zwakheid ken, zie ik in , dat ik cp
mijzelven en op mijne besluiten niet meer
vertrouwen kan ; van U alleen daarom ver-
hoop ik de kracht, om U getrouw te zijn.
Ook beangstigt mij die onzekerheid:
zal ik zalig worden of zal ik verloren
gaan ? maar, mijn dierbare Jesus, als ik
U aan het kruis aanschouw, stervend, om
mij de zaligheid te verwerven, dan verkwikt
mij eene zoete hoop, die mij zegt, dat ik
U zal beminnen, dat ik nimmer zal op-
houden U te beminnen noch in dit noch
-ocr page 401-
393
in het ander leven ; die mij zegt, dat ik mij
eens in het rijk der liefde zal bevinden, waar ik
geheel en voortdurend voor U van liefde zal
branden, zonder vrees, U nog ooit te verliezen
Zelfs thans weet ik niet of ik uwe liefde
dan wel uw haat waardig ben; maar ik
gevoel in mijzelven een grooten haat tegen
de zonde ; ik gevoel mij bereid, liever eiken
dood te sterven, dan uwe genade te ver-
liezen; ik gevoel daarenboven een groot
verlangen, om U te beminnen en geheelde
uwe te zijn ; dit alles is uwe gave en het zijn
teekenen, dat Gij mij bemint. Heb ik derhalve
reden, om te vreezen ter oorzake mijner zon-
den/ ik heb veel meer reden, om te vertrouwen
op uwe goedheid, daar Gij mij zoo veel barm-
hartigheid betoont. Ik geef mij daarom over
in uwe handen, handen met nagelen doorboord
op het kruis, om mij te bevrijden van de hel:
In manus luas commendo spiritum meum; rede-
misti me, Domine Deus teritatis. In uwe
handen beveel ik mijnen geest; Gij hebt
mij vrijgekocht, Heer, God van Waarheid.
God, zoo zegt de Apostel, heeft zelfs zijn
eigen Zoon niet gespaard; maar Hij heeft
Hem voor ons allen overgeleverd; heeft Hij
ons dan mei dien Zoon niet
alles
gegeven? Qui etiam propio Filio suo non
petercit, sed pro nobis omnibus tradidtt illum
;
quomodo non etiam cum Ulo omnia nobis
-ocr page 402-
394
donavin Indien dan, mijn Jesus, uw Vader
U aan ons heeft gegeven en U heeft ge-
zonden , om voor ons te sterven, hoe
kunnen wij dan vreezen, dat Hij wei-
geren zal ons de vergeving onzer zonden,
zijne genade, de volharding, zijne liefde,
den hemel te geven ? Cum Ulo omnia,
otnnia, omnia nobis donavit. Met Hem heeft
hij ons alles gegeven.
Ja, mijn Verlosser,
ik hoop alles van het Bloed, dat Gij voor
ons hebt gestort. Tuis famulis subveni quos
pretioso sanguine redemisü.
O Koningin des hemels, o Moeder
Gods, o hoop, o toevlucht der zondaren,
heb medelijden met ons. Spes nostra salve.
Refugium peccatorum
, ora pro nobis.
III. Verzuchtingen van berouw.
Mijn Jesus om dat afgrijzen, wat Gij van
mijne zonden hadt in den hof van Geth-
semani, smeek ik U, mij een ware droetheid
te geven over alle beleedigingen, die ik U
heb aangedaan. Vervloekte zonden! ik haat
en verfoei u; gij hebt mij de genade van
mijnen Heer doen verliezen. Het spijt mij,
mijn Jesus, dat ik U den rug heb toegekeerd.
Had ik maar alle rampen geleden; doch
U niet beleedigd.
-ocr page 403-
395
Ach, mijn zoete Verlosser, als ik denk
aan het misnoegen, dat ik U heb aangedaan,
dan is het niet zoozeer de hel, door mij
verdiend, die mij doet weenen, alswel de
liefde, die Gij mij hebt toegedragen. Ja, want
het vuur der hel die ik verdiend heb, is
niet zoo groot als die eindelooze liefde,
welke gij mij betoond hebt in uw lijden. O
mijn God, Gij hebt U voor mij laten binden,
voor mij laten geeselen, voor mij in het
aangezicht laten spuwen, voor mij aan het
kruis laten nagelen, Gij hebt daaraan voor
mij willen sterven; hoe heb ik dan, wetend,
dat Gij dit alles voor mij hebt gedaan,
zoo dikwijls uwe genade kunnen verachten
en U den rug toekeeren? Ach ik zou er
om willen sterven van smart; ik heb er
berouw over, het spijt mij meer dan elk
ander kwaad.
Ik besef het kwaad, dat ik gedaan heb,
door mij van U te verwijderen, opperste
Goed. Ik had liever iedere kwelling, iedere
ramp, iederen dood moeten Jijden dan U
te beleedigen; want kon ik grooter kwaad
doen, dan vrijwillig uwe genade rrijs
geven? Ach mijn Jesus, er is niets wat mij
meer kwelt dan dit; niets wat mij meer
kwelt, dan dat ik U, eindelooze goedheid,
heb veracht. Ik dank U, Heer, voor de
zoete belofte, die Gij den zondaren hebt
-ocr page 404-
396
gedaan, de belofte, dat Gij hunne ongerech-
tigheden niet meer gedenken zult, indien
het hun spijt U beleedigd te hebben. Om-
nium iniquitatum non recordabor.
Het is
alles de vrucht van uw lijden. O zoet
lijden! O zoete barmhartigheid! O zoete liefde
van mijn Jesus, Gij zijt mijne hoop O mijn
Jesus, wee mij, indien Gij niet voor mij ge-
storven waart en voor mij niet voldaan hadt.
Ach mijn God, ik ging om met de ge-
dachte, om U te beleedigen; en Gij, Gij
waart er reeds op bedacht, mij barm-
hartigheid te betoonen. Ik dacht er niet
aan, na de zonde, om berouw te hebben;
maar Gij, Gij dacht eraan, om mij tot
boetvaardigheid op te wekken. In één woord,
ik heb gedaan wat ik kon, om mij zei ven
te verdoemen ; en Gij, Gij hebt (om het
zoo uit te drukken) gedaan wat Gij kondet,
om mij niet verloren te zien gaan! Gij
zijt dan een oneindig goed, en ik heb Ü
versmaad! Gij zijt mijn Heer; en ik heb
het gezag voor U verloren! Gij zijt eene
oneindige liefde waardig en hebt mij een
zoo groote liefde betoond; en ik, ik heb
U mijne liefde geweigerd en U zoo veel
misnoegen veroorzaakt! Maar Gij hebt ge-
zegd, dat Gij een vermorzeld en berouwvol
hart niet kunt versmaden; welnu dan, ik
werp mij berouwvol neder voor uw kruis;
-ocr page 405-
397
het is mij leed uit geheel mijn hart, dat
ik U versmaad heb; neem mij op in uwe
genade, om wille van het kostbaar Bloed,
dat Gij voor mij gestort hebt.
O hoop der zondaren, allerheiligste Ma-
ria, verwerf mij vergeving, volharding en
liefde tot Jesus.
IV. Betuigingen van goed
voornemen-
Mijn Jesus, ik bemin U en ik maak het
vast besluit, liever alles te verliezen dan
uwe genade. Ik, ik ben zwak, maar Gij
zijt sterk, uwe sterkte moet mij sterk ma-
ken tegen al mijne vijanden. Uw lijden
doet mij dit hopen. Dommus illuminatie)
mea et salus mea, qutm timebol De Heer
is mijn lichten mijn heil
, wien zal ik vreezen 1
Mijn gekruisigde Zaligmaker, ik ben niet
bevreesd, om mijne goederen, mijne ver-
wanten, ja mijn leven te verliezen; ik vrees
alleen, beroofd te worden van uwe vriend-
schap en uwe liefde. Ik vrees, dat ik U
misschien weder bedroeven zal en mij beroofd
zal zien van uwe genade. Maar Gij zijt mijne
hoop. Ik bid U , de heilige liefde in mij
te bewaren; geef mij uwe hulp, opdat ik
alles overwinne, om U in alles welgeval-
lig te zijn.
Jem dulchsime, ne permittas me separaria
12
-ocr page 406-
39»
te: Allerzoetste Jesus, laat niet toe, dat
ik van U gescheiden worde. Ik ben het maak-
sel uwer handen, ik ben verlost door uw
Bloed, laat mij toch niet zoo rampzalig
worden, dat ik uwe liefde verlieze en mij
van U scheide. Sta mij bij in alle geva-
ren, die ik zal ontmoeten en maak, dat
ik daarin steeds mijn toevlucht neme tot
U. Ik gevoel een groot verlangen, om U
getrouw te blijven en om gedurende het
leven, wat mij nog overblijft, alleen te le-
ven voor U; doch Gij moet mij de kracht ge-
ven, ik verwacht die dan ook van U.
Mijn Jesus, vermeerder mijne vrees, om
U te bedroeven. Ik word ontsteld bij het
gezicht van mijne herhaalde ontrouw jegens
U in het verledene; maar ik word weder
vol moed, als ik let op uwe verdiensten
en op die talrijke genaden, die Gij mij hebt
geschonken. Zij doen mij vastelijk hopen,
dat Gij mij niet zult verlaten, thans nu ik
U bemin, daar Gij mij zoo veel barmhartigheid
hebt bewezen, toen ik er niet aan dacht
U te beminnen. Ik vertrouw niet op mijne
krachten, ik weet genoeg, hoe weinig zij
beteekenen ; maar ik beu vol vertrouwen op
uwe goedheid, ik hoop vastelijk dat ik mij
nooit van U gescheiden zal zien.
Och, ware ik verzekerd mijn Jesus U
nooit meer te zullen verliezen en Ü immer
-ocr page 407-
399
te zullen beminnen ! maar ik geef mij over
aan uwen goddelijken wil, die beschikt en
dit tot mijn welzijn beschikt, dat ik immer,
tot mijnen dood toe leve in die onzeker-
heid; opdat ik mij steeds inniger met U
vereenige en U steeds bidde : JS\'e permittas
me separari a te; Heer, laai niet toe, dat
ik van U gescheiden worde.
Ja, mijn Jesus,
ik herhaal het en geef mij de genade het
immer te herhalen : Ne permittas me separari
a te, ne permittas me separari a te. Laat niet
toe, dat ik van V (jescheideti worde, laat niet
toe, dat ik van U gesclieiden toorden.
Mijn Verlosser, ik wil mij niet van U
verwijderen. Indien het gebeurde, dat alle
menschen U verlieten, ik wil U niet verlaten ,
al moest het mij ook het leven kosten. Ik
betuig het, al zou er geen hemel zijn noch
hel, ik zou toch niet ophouden U te be-
minnen; omdat Gij, o mijne liefde, ook indien
er geen hemel bestond voor die U beminnen
en geen hel voor die U niet beminnen, toch
verdient, dat men U eindeloos bemint.
Och of de jaren van mijn vroeger leven
terugkeerden, ik zou ze allen willen besteden,
om U te beminnen! Maar helaas, zij keeren
niet terug. Ik dank U, dat Gij mij hebt af-
gewacht, en mij niet, gelijk ik verdiend had,
naar de hel bebt verwezen. Daar Gij dan
zoo goed met mij geweest zijt, offer ik het
-ocr page 408-
400
leven, dat mij nog overblijft, geheel aan U
op. Ik wil dat mijne gedachten, mijne be-
geerten, mijne genegenheden, alle niets an-
ders beoogen, dan U genoegen te geven en
uwen H. wil te volbrengen.
Mijn beminde Jesus, ik wil niet wachten,
om U te omhelzen, tot men mij uw beeltenis
zal geven in het uur mijns doods; nu reeds
omarm ik U en omhels ik uwe doornagelde
voeten. Mijne gekuisigde liefde, om mij een
goeden dood te verwerven, hebt Gij zelve
een zoo smartvollen, een zoo troosteloozen
dood willen lijden ; ach in dat uur, waarop
allen, die van deze wereld zijn, mij zullen
verlaten, verlaat dan Gij mij niet, mijn
Verlosser; laat dan niet toe, dat ik Uver-
lieze en mij van U scheide. Ontvang mij
dan in uwe heilige wonden, maak dat ik
daarin mijne ziel teruggeve, terwijl ik U bemin,
om dan daar te komen, waar Gij verblijft,
om eeuwig te wórden bemind.
V. Ontboezemingen van liefde
O Herder brandend van liefde voor uwe
schaapjes, die voor hen niet uwe rijkdommen,
maar al uw Bloed hebt gegeven ! O goedheid,
o liefde, o teederheid van een God voor de
zielen ! Och kon ook ik, mijn Jesus, mijn
bloed en mijn leven geven aan een kruis
-ocr page 409-
4oi
of onder een bijl, uit liefde tot U, die uw
leven hebt gegeven aan een kruis uit liefde
tot mij. Dat alle engelen en alle schepselen
in eeuwigheid uwe eindelooze liefde voor
de menschen prijzen! O kon ik maken ten
koste van van mijn leven, dat allen U bemin-
den ! Neem, o Heer, dit verlangen met wel-
gevalligheid aan en geef mij de genade, iets
voor U te lijden, alvorens te sterven.
Ach! hoe weinig deden de martelaren,
o Verlosser der wereld, toen zij de
folteringen der pijnbanken, der ijzeren
haken, der gloeiende roosters doorston-
den en den bittersten dood omhelsden,
uit liefde tot U, die hun God zijt en ge-
storven zijt ter hunner liefde! Gij zijt
gestorven ook voor mij, en ik wat heb ik
in mijn voiig leven ter uwer liefde gedaan ?
Mijn Jesus, laat mij zoo niet sterven, ik
bemin U en ik bied mij aan, om voor U
te lijden zooveel Gij wilt. Neem dit offer
aan en geef mij kracht, om het te verwe-
zenlijken. Mijn gekruisigde Jesus, van uw
kruis voorzaagt Gij de beleedigingen, die
ik U zou aandoen; en reeds bereiddet Gij
mij vergeving. Gij voorzaagt mijn ongeluk;
en Gij bereiddet mij het redmiddel; Gij
voorzaagt mijne ondankbaarheden, en Gij
bereiddet mij de wroeging, de angsten , de za-
lige verlichtingen, de opwekkingen tot boet-
-ocr page 410-
402
vaardigheid, de geestelijke vertroostingen,
de teederheden, die honderde oplettendheden
van uwe liefde. Gij gingt derhalve niet mij een
wedstrijd aan. om te zien, wie van ons het
zou winnen: ik met U te beleedigen of
Gij met mij steeds meer genade te schen-
ken ; ik met uwe rechtvaardige kastijding
uit te lokken of Gij met mij tot uwe liefde
te trekken ! O mijn God, wanneer toch
zal het geschieden , dat ik alles verwinne,
om genoegen te geven aan U , die voor mij
uw leven hebt opgeofferd ? Wanneer zal
het zijn, dat ik aan alles onthecht, mij ge-
heel vereenigd zal zien met U en uwen hei-
ligen wil? Vurig verlang ik het , ik wil
er toe over gaan ; maar Gij, Gij moet het
doen. Niet aan mij is de kracht, om het
ten uitvoer te brengen. Gij hebt beloofd,
een ieder te zullen verhooren, die U bidt,
welnu ik bid U er om uit geheel mijn hart;
ik wil niet sterven, ik wil ook niet langer
leven, zoo ondankbaar jegens een zoo groote
goedheid.
O vleeschgeworden Woord! o man van
smarten, geboren, om een leven te leiden
geheel vol kwellingen ! O hoogste en laagste
der menschen! Hoogste, omdat Gij God
zijt, meester van het heelal, Laagste, om-
dat Gij er op deze aarde genoegen mee hebt
genomen, behandeld te worden als de el-
-ocr page 411-
4°3
lendigste aller menschen, zóó zelfs, dat Gij
U kaakslagen , bespuwing, beschimping
en den hoon van het laagste gemeen hebt
laten welgevallen. O goddelijk Lam! o
oneindige lietde , eene oneindige lietde waar-
dig ! o Gij, die voor mij uw Bloed en leven
hebt gegeven ! ik bemin U , ook ik breng
mijn bloed en leven ten offer; maar wat
beteekent het bloed van een worm bij
het bloed van een God ? het leven van een
zondaar bij het leven van de oneindige
Majesteit?
Mijn beminde Jesus, die, gedrongen door
uw innige barmhartigheid, op aarde geko-
men zijt, om ons, verloren schaapjes te
zoeken, ach, houd niet op, mij, ellendige,
te zoekeu, totdat Gij mij gevonden hebt.
Gedenk, dat Gij ook voor mij uw Bloed
hebt gestort.
O mijn Jesus, die ter mijner liefde geofferd
hebt willen worden op het kruis, daaraan
hebt willen sterven, van smarten verteerd,
ik bemin U en ik verlang mij geheel op te
offeren aan uwe liefde. Ik bid U, strek
een uwer doorboorde armen uit en hef mij
op uit het slijk mijner zonden, genees die
tallooze wonden mijner ziel, verbrand , ver-
teer in mij alle genegenheden, die niet voor
U zijn. Gij kuni het doen; doe het om
wille van uw lijden; vastelijk hoop ik het.
-ocr page 412-
40.}
Gij hebt, omdat Gij mij bemint, mij
uw Bloed en loven niet geweigerd; ik wil,
omdat ik U bemin, U niets weigeren, van
hetgeen Gij mij vraagt. Gij hebt U zonder
voorbehoud geheel aan mij gegeven in uw
lijden en in het H- Sacrament des altaars,
ik geef mij zonder voorbehoud geheel aan
U. Zeg mij, wat wilt Gij van mij ? met
uwe hulp wil ik alles doen.
O verdoemden, spreekt; zegt ons van
uit dien kerker, waarin gij verblijft, wat
u het meest foltert in de hel: het vuur,
dat u brandt, of de liefde van Jesus? Ach
ja, dit is de hel van uw hel, die gedachte,
dat een God op aarde is nedergedaald, om
u zalig te maken, en dat gij, de oogen
sluitend voor dat licht, u vrijwillig in het
ongeluk hebt willen storten en dat einde-
loos goed hebt willen verliezen, uwen God,
die nu nooit meer de uwe zal zijn en dien
gij nooit meer zult kunnen herwinnen.
Ach mijn Jesus, mijn schat, mijn leven,
mijn troost, mijne liefde, mijn al, ik dank
U voor het licht, dat Gij mij geeft; ik
bemin U; niets anders duoht ik, dan U te
verliezen en mij beroofd te zien van de
mogelijkheid om U te beminnen. Maak,
dat ik U beminne en doe verder met mij
wat U behaagt.
Mijn gekruisigde Jesus, welaan, verbreek
-ocr page 413-
405
de ketenen mijner ongeregelde genegenhe-
den, die mij beletten mij geheel met U
te vereenigen, en bind mij met de gouden
banden uwer liefde; maar bind mij zóó
vast, dat ik mij niet meer van U kunne
losmaken. De buitensporige goedheid, die
Gij mij betoond hebt, was reeds voldoende,
om mij aan U te binden; maar ik zie mij zel-
ven nog niet met U vereenigd, gelijk ik
het wenschte Bind Gij mij dan zoo; Gij
alleen kunt het doen.
O liefde van mijnen Jesus, Gij zijt mijne
liefde en mijne hoop. Mijn Jesus, ik ver-
lang uwe zuivere liefde, vrij van alle eigen-
belang. Al moet ik iedere eigen voldoening
derven, het is niets. Maak, dat ik V be-
minne, dat alleen is mij genoeg.
Ik begrijp het, Heer, Gij verlangt mijne
liefde; daarom hebt Gij mij niet ter hel
verwezen en hebt Gij mij zoovele jaren
achtervolgd, terwijl Gij mij immer die woor-
den liet hooren: bemin mij, bemin mij uit
gehed uw hart.
Zeg mij, wat moet ik doen
om U volkomen welgevallig te zijn? Zie
hier ben ik, ik geef Ü mijnen wil, mijne
vrijheid, geheel mij zelven; ik weet niets
meer wat ik U nog kan geven. Ik ver-
lang hier op aarde geen geluk noch eer;
het eenig geluk, de eenige eer, die ik
verlang, is geheel de uwe te zijn. Neem
-ocr page 414-
406
mijn offer aan. kom mij te hulp met uwe
genade en verlaat mij nimmer. Adjutor
tneus esto, iie derelinqiias me
, nequt despicias
me, Deus Sahator mens.
i) Mijne liefde
en mijn Zaligmaker, versmaad mij niet,
gelijk ik verdiende; gedenk, watU mijne
ziel heeft gekost en maak mij zalig; mijne
zaligheid nu bestaat in U te beminnen en
niets anders te beminnen dan U.
Mijn Jesus, ik verlang niets anders van
U dan U. Gij hebt gezegd, dat Gij be-
mint, die U beminnen: Ego aiügentes me
diligo.
Ik bemin U; bemin ook Gij mij dan.
Rampzalige, die ik ben, een tijd lang zag
ik mij door U gehaat, ter oorzake mijner
zonden; maar nu verfoei ik die zonden
meer dan alle kwaad en bemin ik U boven
al; bemin ook Gij mij dan, haat mij niet
langer; ik ben meer bevreesd voor uw
haat dan voor alle pijnen der hel.
Mijn beminde Verlosser, zoo zeg ik U
met de H. Theresia, daar men mi eenmaal
moet leven
, dat men dan alleen leve voor U ;
het zij nu gedaan met alle inzichten van
eigenbelang; wat kunnen wij meer verlan-
gen dan genoegen te geven aan U?
i) Ps. 26.
-ocr page 415-
407
VI. Betuigingen van gelijkvor-
migheid aan den wil Gods.
Mijn Jesus, zoo dikwijls ik zal zeggen:
God zij geloof d, ofwel: Gods wil geschiede,
heb ik de meening, om alles aan te nemen
wat Gij in tijd en eeuwigheid over mij
hebt beschikt. Ik wil geen andere bedie-
ning, geen andere woonplaats, geen andere
kleederen, geen andere spijs, geen andere
gezondheid dan het behaagt aan U.
Ik wil geen andere bezigheid, geen ander
talent, geen andere fortuin dan Gij mij
hebt toegedacht Indien Gij wilt, dat mijne
zaken niet slagen, dat mijne plannen in
duigen vallen, dat ik verongelijkt worde
in mijne geschillen, dat mij ontnomen worde
al wat ik bezit; ook ik wil het aldus. In-
dien Gij wilt, dat ik veracht worde, on-
gaarne gewild, achtergesteld, dat ik be-
lasterd en mishandeld worde, zelfs door
hen, die mij het allerdierbaarst zijn ;ook ik
wil het aldus.
Indien Gij wilt, dat ik arm worde aan
alles, verbannen worde uit mijn vaderland,
gekerkerd in een onderaardsche gevangenis,
dat ik leve in aanhoudende angsten en
benauwdheden; ook ik wil het aldus.
Indien Gij wilt, dat ik immer ziek zij,
dat ik bedekt met wonden, onbewegelijk
-ocr page 416-
4o8
en door allen verlaten, neerligge op mijne
legerstede; dan wil ook ik het, en wel op
die wijze en voor zoolang als het U behaagt.
Mijn leven zelfs stel ik in uwe handen,
en ik neem den dood aan, dien Gij mij
voorbestemt; evenzoo neem ik den dood
aan van mijne verwanten en van mijne
vrienden, als ook alles, wat Gij van mij wilt.
Ik onderwerp mij ook volkomen aan
uwen wil, wat aangaat mijnen geestelijken
vooruitgang. Ik verlang U in dit leven
te beminnen uit al mijne krachten, en in
den hemel, U met de liefde der serafijnen
te beminnen; maar ik stel mij evenwel
tevreden met hetgeen Gij wilt. Indien Gij
mij slechts een enkelen graad van genade
en glorie wilt geven, dan verlang ook ik
niet meer; omdat het aldus uw wil is.
Ik stel meer prijs op de vervulling van
uwen heiligen wil dan op ieder eigen gewin,
onder welk opzicht dan ook. In één woord,
o mijn God, beschik over mij en al het
mijne, gelijk aan U behaagt; sla geen acht
op mijnen wil; want ik wil niets anders,
tenzij wat Gij wilt. Wat gij ook over mij
beschikt, hetzij dit zoet is of bitter,
naar mijn zin of niet naar mijn zin, ik
keur het goed en omhels het; omdat het
in elk geval, mij toekomt van t/we hand.
Op bijzondere wijze, o mijn Jesus, om-
-ocr page 417-
4°9
hels ik mijnen dood met alle pijnen, welke
hem zullen vergezellen, op de plaats en op
den tijd, waarop het U behaagt. Ik ver-
eenig hem, mijn Verlosser, met uwen dood
en offer hem U op ten teeken der liefde,
die ik U toedraag. Ik wil sterven, om U
genoegen te geven en om uwen heiligen
wil te volbrengen.
VII. Verschillende gemoedsbe
wegingen.
O rampzalige staat van eene ziel in zonde,
van eene ziel, die haren God heett verlo-
ren! Zij leeft, de rampzalige, maar zij
leeft zonder God. God slaat haar gade,
maar Hij bemint haar niet meer. Hij haat
en verafschuwt haar. Derhalve, mijne ziel;
er is een tijd geweest, waarin gij leefdet
zonder God! Uw aanblik baarde Jesus geen
genoegen meer, gelijk, toen gij in genade
waart; maar baarde Hem afschuw. Gij
gingt naar de H. Mis en in de H. Hostie
zaagt gij Jesus, uwen vijand! Ach mijn
God, door mij versmaad, door mij prijs-
gegeven , schenk mij vergiffenis en doe mij
U wedervinden. Ik heb U willen verliezen;
maar Gij hebt mij niet willen verlaten. Zoo
Gij nog niet in mij zijt teruggekeerd, keer
dan thans terug, nu het mij uit geheel mijn
-ocr page 418-
4to
hart leed doet, U beleedigd te hebben.
Ach doe mij uw terugkeer gevoelen, door
mij een groot berouw te doen gevoelen
over mijne zonden en eene groote liefde
tot U.
Mijn beminde Heer, liever dan mij nog
weder van U gescheiden te zien en berooid
van uwe genade, wil ik gaarne elke straf
lijden. Eeuwige Vader, geef mij, bid ik U,
ter liefde van Jesus, de genade, Ü tot mijnen
dood toe nimmer meer te beleedigen; laat
m\'y sterven, liever dan dat ik U nog eens
den rug toekeere.
Ach mijn gekruisigde Jesus, zie mij aan
met diezelfde liefde, waarmede Gij mij een-
maal aanzaagt, toen Gij aan het kruis voor
mij te sterven hingt; zie mij aan en ont-
ferm U mijner; geef mij een algeheele ver-
giffenis van alle beleedigingen, die ik U
heb aangedaan; geef mij de heilige volhar-
ding ; geef mij uwe heilige liefde ; geel mij
een volkomen onderwerping aan uwe hei-
lige wilsbeschikkingen ; geef mij den hemel,
om U daar eeuwig te kunnen beminnen.
Ik verdien wel is waar niets; maar uwe
heilige wonden geven mij moed, om van
U alle goed te verhopen, Welaan, Jesus
mijner ziel, om die liefde, die U voor mij
deed sterven, geef mij uwe liefde. Neem
weg van mij alle genegenheid voor de schep-
-ocr page 419-
4U
selen, geef mij overgeving in de beproe-
vingen en maak U tot het eenig voorwerp
van geheel mijne liefde; opdat ik van nu
af aan niets anders beminne dan U.
Gij hebt mij geschapen, Gij hebt mij
verlost, Gij hebt mij Christen gemaakt,
Gij hebt mij gespaard, toen ik in zonde
leefde, Gij hebt mij zoo dikwijls vergeving
geschonken; in één woord, in plaats van
mij te kastijden, hebt Gij uwe weldaden
verdubbeld. Zoo ik dan U niet bemin,
wien zal ik dan beminnen? Welaan dan,
triomfeere over mij uwe barmhartigheid;
maak, dat zoo groot als het vuur moest
zijn, dat mij folteren moestin de hel, thans
even zoo groot het vuur der liefde zij, dat
mij doe branden voor U, o mijn Jesus,
mijne liefde, mijn schat, mijn hemel, mijn al.
O menschwording! o verlossing! o lijden
van Jesus! O Calvarie! o geesels! o door-
nen ! o nagelen! o kruis, foltertuigen mijns
Heeren, o zoete namen, die mij herinnert,
met welke liefde ik bemind ben door een God,
ach verwijdert U nooit uit mijn geest en uit
mijn hart! Doet gij mij immer gedenken,
welke pijnen Jesus, mijn Verlosser, voor mij
heeft willen lijden. O allerheiligste wonden,
weest Gij de aanhoudende verblijfplaats mij
ner ziel, weest Gij de zalige vuuroven, waarin
zij immer brande van goddelijke liefde.
-ocr page 420-
412
Mijn beminde Jesus, ik heb de hel ver-
diend, ik heb verdiend, immer van U ge-
scheiden te zijn; ik weiger dan ook niet
het vuur en de andere straffen der hel aan
te nemen, indien het U behaagt, mij ter
rechtvaardige kastijding daarheen te ver-
wijzen; maar ééne straf kan ik niet aane-
men en deze is. U niet meer te kunnen
beminnen. Maak, dat ik U beminne en
verwijs mij dan waarheen Gij wilt. Het is
rechtvaardig, dat ik lijde voor mijne zon-
den; maar bovenmate onrechftaardig zou
het zijn, dat ik U zou haten en vervloe-
ken, U, die mij geschapen hebt, mij hebt
verlost en mij zóó zeer hebt bemind; neen
het is rechtvaardig, dat ik U immer beminne
en zegene. Ik zegen U dan en ik bemin
U, o Jesus, mijne liefde, en ik hoop U te
zegenen en te beminnen in alle eeuwigheid.
Mijn zoete Verlosser, ik zie nu, dat Gij
mij geheel voor U wilt. Ach laat dan
niet toe, dat de schepselen van nu af aan
nog deel hebben in de liefde, die alleen aan
U behoort. Gij alleen verdient al mijne
genegenheid, Gij alleen zijt oneindig be-
minnelijk , Gij alleen hebt mij waarachtig
bemind, U alleen dan wil ik beminnen en
ik wil doen wat ik kan, om U genoegen
te geven. Ik verzaak aan alles: aan ge-
noegens, rijkdommen, eer, aan alle schep-
-ocr page 421-
4\'3
selcn der aarde; Gij alleen, mijn Jesus,
zijt mij genoeg; U alleen wil ik, en niets
anders.
Weg van mij genegenheden dezer aarde.
Eenmaal heb ik u een plaats gegeven in
mijn hart, maar toen was ik blind; thans,
nu God mij in zijne barmhartigheid verlicht
heeft, en mij de ijdelheid der wereld en
zijne liefde voor mij heeft doen kennen, nu
Hij mij begrijpen doet, dat Hij geheel mijne
liefde verlangt, nu wil ik haar ook geheel
en al, alleen aan Hem wijden. Ja, mijn
Jesus, neem bezit van geheel mijn hart;
en indien ik het U niet geheel en al weet
te geven, gelijk Gij verlangt, neem Gij
zelf het dan en maak het geheel \'t uwe.
Ik bemin U, mijn God, uit geheel mijn
hart, ik bemin U meer dan mij zei ven.
Tralie me post te. Trek mij geheel tot U,
o Heer, en maak, dat ik alle liefde voor
het geschapene veriieze.
O paradijs, o vaderland der beminnende
zielen, o koninkrijk der liefde, o veilige
haven, waar men God in eeuwigheid bemint
en geen vrees meer kent, Hem te verliezen,
wanneer zal het zijn, dat ik uwe poorten
zal binnengaan, mij ontbonden zal zien
van dit lichaam en bevrijd van al die vijan-
den, welke mij aanhoudend belagen, om
mij de genade Gods te doen verliezen?
-ocr page 422-
•4\'4
Ach mijn gekruisigde Jesus, doe mij ken-
nen, wat Gij bereid hebt voor de zielen,
die U beminnen. Geef mij een groot ver-
langen naar den hemel; opdat ik deze aarde
vergetend, daar mijne blijvende rustplaats
zoeke, en zoolang ik leef niets anders ver-
lange, dan bevrijd te worden uit deze bal-
lingschap, om U te aanschouwen en U
van aanschijn tot aanschijn te beminnen
in uw koninkrijk. Ik heb het niet ver-
diend ; eenmaal, ik weet het, ben ik opge-
schreven geweest in het boek der veroor-
deelden; maar thans ben ik, naar ik hoop,
in uwe genade; welaan dan, om wille van
het Bloed, dat Gij voor mij vergoten hebt
aan het kruis, schrijf mij nu in het boek
des levens. Gij zijt gestorven, om mij den
hemel te verwerven; ik wil dan ook den
hemel, ik verzucht er naar, en door uwe
verdiensten hoop ik eens het geluk te heb-
ben, daar geheel verteerd te worden door
uwe liefde en er U uit al mijne krachten
te beminnen. Daar zal ik, mij zelven en
al het andere vergetend, aan niets anders
meer denken dan aan U te beminnen,
niets ander meer verlangen dan U te be-
minnen, niets anders meer doen dan U
beminnen. O mijn Jesus, wanneer zal dit
zoo zijn? O Maria, Moeder Gods, uwe
gebeden moeten mij in den hemel brengen.
-ocr page 423-
4i5
E ia er<jo advocata nostra. Jesum bcnedictum
fructum ventris tui nobis post hoc exilium
ostende. Welaan dan onze voorspreekster,
toon ons na deze ballingschap de gezegende
vrucht uws lichaams, Jesus.
Verzuchtingen van liefde tot God-
1.    Heer, wie ben ik dan toch, dat Gij mij
zoozeer bemind hebt en zoozeer verlangt, door mij
te worden bemind?
2.    O oneindig beminnelijke, ik bemin U. Xeen,
beter gezegd, ik bemin U niet, mijn God.
3.    Ik bemin U boven alles, meer dan mijn
leven, meer dan mijzelven; maar toch zie ik, dat
ik U te weinig bemin.
4.    O Koning des hemels, maak U ook Koning
van mijn hart; neem geheel en al bezit van mij.
5.    Ik zeg aan alles vaarwel en ik keer mij tot
U, Ik omhels U, ik druk U aan mijn hart; wijs
mij niet af; oneindig goed, ik bemin U.
6.    Reeds hebt Gij mij aan U gebonden, o mijn
Jesus, hoe zal ik dan nog van U kunnen geschei-
den worden ? Ik bemin U, en ik zal nooit ophou-
den U te beminnen.
7.    Vereenig U met mij, o Heer; dat het vuil
mijner zonden U niet van mij verwijdere.
8.    O God, o God, wat zal ik beminnen, als
ik U niet bemin, mijn leven, mijne liefde, mijn al?
9.    Electus ex millibus. Mijn God, U alleen,
U alleen kies ik uit tot voorwerp om te beminnen.
10.    Mijn Verlosser, ik wil niets anders van U
dan U.
11.    Ach kon ik mij geheel voor U vernietigen,
die U geheel vernietigd hebt voor mij!
-ocr page 424-
4i6
12.    Neem geheel mijnen wil, Heer, en doe
met mij wat Ü behaagt.
13.    O. God, die niet gekend zijt! 0 God, die niet
bemind wordt: O dwazen, die U niet beminnen!
14.    O mijn God, ik wist, toen ik zondigde,
dat ik U een groot misnoegen aandeed: en ik
heb het gedaan? en ik heb het kunnen doen?
15.    Als ik toen gestorven was, zou ik U niet
meer kunnen beminnen. Ik wil U dan beminnen,
nu ik het kan doen.
16.    Heer, laat niet toe, dat ik U, na zooveel
gunsten opnieuw verrade; laat mij veeleer sterven.
17.  Gij hebt mij verdragen ; opdat ik U zou be-
minnen. Ja ik wil U beminnen.
18.    Mijn God, Gij hebt verwonnen; ik wil niet
langer weerstand bieden; ik geef mij aan U over.
19.    O God, hoevele jaren heb ik verloren,
waarin ik U had kunnen beminnen!
20.    Het leven, wat mij nog overblijft, wijd ik
U toe, mijn God! en wie weet hoeveel mij nog
overblijft?
21.    Wat rijkdommen! wat eer! wat genoegens!
God, God; ik wil God alleen.
22.    O Koning der harten , heersch in mijn hart ,
ach, trek mij geheel tot U.
23.    Bind mij zóó vast aan U, o mijn God,
dat ik mij niet meer van U kunne losmaken.
24.    Gij zult mij niet verlaten, en ik U niet;
zoo zullen wij dan elkander immer beminnen, o
mijn God, o mijn God.
25.    Ach maak mij geheel den uwe, vóórdat
ik sterve, mijn Jesus, mijne liefde, mijn leven ,
mijn schat, mijn al.
26.  Ach mijn Jesus, maak dat ik U verzoend moge
zien, den eersten maal, dat ik V zal aanschouwen.
27.    Wanneer zal het zijn, dat ik zal kunnen
-ocr page 425-
4i7
zeggen: Mijn God, nu kan ik U niet meer ver-
liezen?
28.    Wanneer zal het zijn, Meer, dat ik U zal
aanschouwen zonder sluier en U zal beminnen
van aanschijn tot aanschijn, gedurende de gansche
eeuwigheid en uit al mijne krachten?
29.    Ach mijn oneindig goed\', zoo ben ik dan,
zoolang ik leef, voortdurend in gevaar, U te ver-
liezen !
30.    Mijn Jesus, Gij hebt mij al te zeer ver-
plicht U te beminnen; ja, ik wil U beminnen.
Ik bemin U, ik bemin, ik bemin U.
31.    Eeuwige Vader, om de liefde van Jesus,
geef mij uwe liefde.
32.    Laat U beminnen door den ondankbaarste,
dien de aarde heeft gedragen.
33.    Mijn God, ik wil U veel beminnen in dit
leven, om U veel te beminnen in het andere.
34.    O mijn Jesus, Gij hebt U geheel gegeven
aan mij; ik geef mij geheel aan U.
35.    Wat grooter genoegen kan ik verlangen
dan genoegen te geven aan U, o mijn God!
36.    Mijn beminde Jesus, zoozeer als ik U vroeger
beleedigd heb, zoozeer wil ik U thans beminnen.
37.    Ik bemin U, oneindige goedheid; doe mij
beseffen, welk groot goed ik bemin.
38.    Mijn Jesus, Gij zijt de wijnstok, ik ben
een uwer ranken; houd mij immer met U ver-
oenigd; laat niet toe, dat ik mij ooit van U los-
rukke.
39.    O mijn God, hoe verheug ik mij er over,
dat Gij oneindig gelukkig zijt!
40.    Ach Heer, waar zijt Gij? Zijt Gij met mij
of niet? Ben ik in uwe genade of niet? Weet,
dat ik U bemin, dat ik U bemin, dat ik U meer
bemin dan mijzelven.
-ocr page 426-
4i3
41.    Geet mij die liefde, o Jesus, welke Gij van
mij vraagt.
42.    Och, had ik U immer bemind!
43.    Och, dat ik U beminde, mijn God, dat
ik U beminde! Ik bemin U; maar ik bemin U veel
te weinig.
44.    Maak Gij, Heer, dat ik U veel beminne,
en dat ik alles verwinne, om U genoegen te geven.
45.    Ik geef U mijnen wil. Niets anders wil
ik tenzij wat Gij wilt.
46.    Ik verlang van U geen genoegens; ik wil
alleen U genoegen doen, mijn God, mijn liefde,
mijn al.
47.    O oneindige God, ik ben niet waardig U
te beminnen ; maar laat toe , dat ik U beminne.
48.    Ik hoop U in eeuwigheid te beminnen, o
eeuwige God!
49.    O mijn dierbare Jesus, Gij hebt zooveel
voor mij geleden, ik wil voor U lijden al wat
U behaagt.
50- O God mijner ziel, neen ik kan niet leven,
zonder U te beminnen.
51.     O wil van God, Gij zijt al mijne liefde.
52.    O almachtige God , maak mij heilig.
53.    Het zal uwe \'glorie zijn, Heer, wanneer
Gij maakt, dat een uwer vijanden een groot
minnaar van U wordt.
54.    Gij hebt mij gezocht, mijn God, toen ik U
ontvluchtte; Gij zult mij niet verstooten thans
nu ik U zoek.
55.    Mijn allerbeminnelijkste Jesus, om verge-
ving te schenken aan mij, hebt Gij geen verge-
ving geschonken aan U zelven.
56.    Ik dank U, dat Gij mij tijd geeft, om U
te beminnen. Ja mijn God, ik bemin U, ik be-
min U, ik bemin U en ik zal U immer beminnen.
-ocr page 427-
419
57- O God, eene oneindige liefde waardig,
laat liet heden de dag zijn, dat ik mij geheel tot
U keere, mijn liefde, mijn al.
58.    Kastijd mij, gelijk Gij wilt; maar maak
niet, dat ik U niet meer kunne beminnen.
59.    Eeuwige Vader, Gij hebt mij uwen Zoon
gegeven; ik geef U mij zei ven, zoo ellendig als
ik ben, neem mij aan uit barmhartigheid.
60.    Ik wil U, o Heer, het misnoegen, wat ik
U heb aangedaan, vergoeden, door te doen wat
ik kan, om U genoegen te geven.
61.    Ik wil U beminnen, mijn God, zonder ei-
genbelang, zonder ophouden en zonder voorbehoud.
62.    Mijn Jesus, voor mij veracht, laat mij
veracht worden voor U.
63.    Mijn verguisde Jesus, doe mij met liefde
de kwellingen dezes levens lijden.
64.    Ik zou, mijn Verlosser, voor U willen ster-
ven, daar Gij voor my gestorven zijt.
65.    Ik neem heden het besluit, mij geheel aan
U te geven.
66.    Ach, dat allen U beminden, gelijk Gij
verdient!
67.    Maak, Heer, dat ik nooit iets verzuim,
wat ik weet, dat U aangenaam is.
68.    O mij gelukkige, indien ik alles verlies,
om U te winnen, mijn God, mijn al!
69.    O Tesus, voor mij geslachtofferd, ik offer
U geheel mijnen wil.
70.    O mijn God, wanneer zal ik mij geheel
den uwen zien.
71.    Domine, quid me vis f neer e? Heer wat-vilt
Gij dat ik doe ?
72.    Misericordias Domini in aetcrntcmcantabo.
Oe barmhartigheden des I/eeren zal ik in eeu-
wigheid zingen.
-ocr page 428-
420
73- Q"ü me separabit a carilale Christi? Wie
zal mij scheiden van de liefde van \'Jesus?
74.     Quid mihi est in coelo et a te quid volui
super terram ? Deus cordis vlei et pars mea
, Deus
in aeternum. Wat heh ik in den hemel en \'wat
verlang ik op de aarde, buiten U, God mijns
harten en mijn deel in eeuwigheid.
Ps. 72.
75.    Amore amoris tui moriar qui amore amo-
ris mei d\'igiiilus es mori. Dat ik sterie ter liefde
van U, die gestorven zijl ter liefde van mij.
S Franciscus.
76.    Amor mens crticifixus est. Mijnt liefde is
gekruisigd.
S. Paschalis.
77.    Amorem tuum solum cum gratia tua mihi
dones et dives sum saiis. Geef mij slechts uw.
liefde en moe genade, dan ben ik rijk genoeg.
S. Ignatius Loy.
78.    Moriar, Domine, ut te videam. Dat ik
sterve, Heer, opdat ik U moge aanschouwen.
S. Augustinus.
79.    Ach mijn Jesus! die U niet bemint, hij
kent U niet.
80.    Heer, ik bemin uw welbehagen meer dan
alle genoegens der wereld.
81.    Mijn gekruisigde Jesus, hoe is het moge-
lijk, dat niet allen voor U vol liefde zijn!
82.    Gij zijt gestorven voor mij, o, kon ik
sterven voor U, mijn Jesus, mijne liefde, mijn
schat, mijn al.
83.    Heer, wat zal ik U wedergeven voor alle?,
wat Gij voor mij geleden hebt!
84.    Oneindige goedheid, ik schat U boven
alles, ik bemin U uit geheel mijn hart; ik geef
mij geheel aan U; neem gij mijne liefde aan en
geef mij nog meer liefde.
85.    Doe mij alles vergeten, opdat ik alleen
-ocr page 429-
42 1
denke aan U, mijn liefde, mijn al.
86.    Ik zou U willen beminnen, gelijk Gij ver-
dient. Neem, o mijn God, dit verlangen aan en
schenk mij uwe liefde.
87.    Genoeg heb ik U beleedigd; thans wil ik
U beminnen.
88.    O God, o God, ik ben de uwe, en Gij,
Gij zijt de mijne.
89.    Och mochten wij alles verliezen, als wij
God maar niet verliezen.
90.    Laat God kosten wat Hij wil, Hij is nooit
duur.
91.    Gij alleen, o mijn Jesus, Gij alleen zijt
mij genoeg.
92.    O Maria, zie mij aan en trek mij geheel
tot God.
93.    Allerbeminnelijkste Maria, vurig bemin ik U.
94.    O Moeder, geef mij vertrouwen op U en
geef, dat ik immer tot U mijne toevlucht neme.
95.    O Maria, Gij moet mij zalig maken. Gij
kunt mij heilig maken, ik hoop, dat Gij het doen
zult; heb medelijden met mij.
Gedragsregels voor eene ziel, die on-
zen Heer Jesus volmaakt wil beminnen.
1.    Immer verzuchten, om in liefde tot Jesus
Christus aan te groeien.
2.    Dikwijls acten doen van liefde tot Jesus;
bij het ontwaken den dag beginnen en eveneens
des avonds inslapen met een acte van liefde. Trach-
ten immer den eigen wil te vereenigen met den
wil van Jesus Christus.
3.    Dikwijls zijn lijden overwegen.
4.    Immer aan Jesus Christus zijne liefde vragen.
-ocr page 430-
422
5.    Dikwijls communiceeren en meermalen daags
op geestelijke wijze.
6.    Dikwijls het Allerheiligst Sacrament be-
zoeken.
7.    lederen morgen uit de handen van Jesus
zijn eigen kruis aannemen.
8.    Naar den hemel en den dood verlangen ,
om Jesus Christus volmaakt en in eeuwigheid te
beminnen.
9.    Dikwijls over de liefde van Jesus Christus
spreken.
10.    De tegenheden aannemen ter liefde van Jesus.
11.    Zich verheugen over het geluk van God.
12.    Doen hetgeen het meest aan Jesus behaagt
en Hem niets weigeren, wat Hem welgevallig is.
13.    Verlangen en zijn best doen, dat allen Jesus
beminnen.
14.    Immer bidden voor de zondaren en voor
de zielen van het Vagevuur.
15.    Uit het hart alle genegenheden verdrijven,
die niet voor God zijn.
16.    Dikwijls zijn toevlucht nemen tot de Al-
lerheiligste Maagd Maria, opdat zij ons de liefde
tot Jesus verwerve.
17.    Maria vereeren, om genoegen te geven aan
Jesus Christus.
18.    Alles doen, om genoegen te geven aan
Jesus Christus.
19.    Zichzelven aan Jesus aanbieden, om alles
ter zijner liefde te lijden.
20.    Vast besloten zijn, liever te sterven dan
vrijwillig eene dagelijksche zonde te bedrijven.
21.    Geduldig de kruisen verdragen, zeggende:
het behaagt aldus aan Jesus.
22.    Zich ter liefde van Jesus eigen voldoenin-
gen ontzeggen.
-ocr page 431-
4^3
23. Zooveel gebed beoefenen, als wij maar
kunnen.
24 Alle verstervingen verrichten, die de ge-
hoorzaamheid ons toelaat.
25.    Al onze oefeningen verrichten, alsof het
de laatste maal was.
26.    Tijdens de dorheid, in onze goede werken
volharden.
27 . Niets doen of niets nalaten uit menschelijk
opzicht.
28.    Zich in ziekte niet beklagen.
29.    De eenzaamheid beminnen, om zich in stilte
met Jesus te kunnen onderhouden.
30.    De zwaarmoedigheid verdrijven,
31.    Zich dikwijls in de gebeden aanbevelen van
personen, die Jesus beminnen.
32.     In de bekoringen zijne toevlucht nemen tot
den Gekruisigden Jesus en de Moeder van smarten.
33.    Veel vertrouwen stellen in Jesus\' lijden.
34.  Na eene fout niet mismoedig worden; maar
berouw verwekken en besluiten, zich te beteren.
35.    Goed doen aan die ons kwaad doen,
36.    Goed spreken van allen, en de meening
verontschuldigen als wij het de daad niet kunnen.
37.    Zooveel in ons vermogen is, onzen even-
naaste nulp bieden.
38.    Niets doen of zeggen wat hem mishaagt;
en als wij aan de liefde ontbroken hebben, ver-
geving vragen of hem ten minste liefdevol toe-
spreken.
39.    Immer spreken met zachtzinnigheid en zon-
der verheffing van stem.
40.    Alle verachting en kwade bejegening, die
ons wordt aangedaan, opofferen aan Jesus.
41.    In de oversten den persoon van Jesus
Christus zien.
-ocr page 432-
424
42.    Gehoorzamen zonder tegenspraak of weer-
zin ; en geen eigen voldoening zoeken.
43.    Voorliefde hebben voor de geringste be-
dieningen.
44.    Voorliefde hebben voor het armoedigste.
45.    Niet van zichzelven spreken, noch ten
goede noch ten kwade.
46.    Zich vernederen ook tegenover minderen.
47.    Zich niet verontschuldigen bij berispingen.
48.    Zich niet verdedigen, wanneer men ons
iets ten laste legt.
49.    Zwijgen , wanneer ons gemoed niet kalm is.
50.    Immer het besluit vernieuwen, om heilig
te worden, door te zeggen: Mijn Jesus, ik wil
gektcl de uwe zijn en Gij moet geheel de mijne zijn.
Leve Jesus, onze liefde,
en Maria, onze hoop na Jesus.
-ocr page 433-
«OTD<
bladz.
Inleiding.............
Hoofdstuk I. Hoe zeer Jesus Christus verdient
door ons bemind te worden, om
de liefde, welke hij ons be-
toond heeft in zijn lijden . . I
II. Hoe zeer Jesus Christus verdient,
dat wij hem beminnen, om de
liefde, ons betoond in de in-
stelling van het allerheiligst
Sacrament des altaars ... 23
III.    Hoe groot ons vertrouwen moet
zijn om de liefde, die Jesus
Christus ons betoond heeft,
en om alles, wat hij voor ons
heeft gedaan......42
IV.    Hoe zeer wij verplicht zijn, Jesus
Christus te beminnen . . . 55
V. Caritas patiens est. De ziel,
die Jesus Christus bemint, be-
mint ook het lijden. ... 71
VI. Caritas benigna est. Wie Jesus
Christus bemint, bemint de
goedertierenheid.....92
-ocr page 434-
INHOUD.
bladz.
VII. Caritas non aemulatw. De
ziel, die Jesus Christus bemint,
is niet naijverig op de grooten
dezer wereld; maar alleen op
hen, die Jesus Christus meer
beminnen........105
VIII. Caritas non agit perperam.
Wie Jesus Christus bemint,
vlucht de lauwheid en bemint
de volmaaktheid, welker mid-
delen zijn: 1. Het verlangen.
2. Het Besluit. 3. De over-
weging. 4. De H. Communie.
5. I Iet gebed......115
IX. Caritas non iitflatur. Wie
Jesus Christus bemint, verheft
zich niet op hetgeen hij voor-
treffelijks bezit; maar verne-
dert zich en is verheugd, zich
ook door anderen vernederd
te zien.........164
X. Caritas non est ambitiosa. De
liefde is niet eerzuchtig. . .178
XI. Caritas non rjuaerit i/uae sua
sunt.
Wie jesns bemint, ont-
hecht zich gaarne aan al het
geschapene.......187
XII. Caritas non irritatur. Wie
Jesus Christus bemint, wordt
nooit vertoornd op zijnen
evenmensen.......223
XIII. Caritas non cogitat malum,
non gaudet super iniquï-
tate, congaudet aulem veri-
tati.
Wie Jesus Christus be-
-ocr page 435-
INHOUU.
bladz.
mint, wil niets anders tenzij
wat Jesus Christus wil . . . 238
Over de gehoorzaamheid . . . 253
XIV. Caritas omnia su/fert. Wie
Jesus Christus bemint. wil
alles voor Jesus lijden ; bijzon-
der ziekten, armoede en ver-
achtingen........261
XV. Caritas omnia credit. Wie
Jesus Christus bemint, gelooft
al zijne woorden.....2S9
XVI. Caritas omnia sperat Wie
Jesus Christus bemint, ver-
hoopt alles van Jesus . . . 297
XVII. Caritas omnia sustinet. Wie
Jesus met een krachtige liefde
bemint, blijft Hem bemin-
nen , ondanks alle bekoringen
en te midden der grootste
troosteloosheid......318
*;. 1. Over de bekoringen. . .319
§. 2. Over de troosteloosheid . 338
Samenvatting van de deugden ,
waarover in dit werk gehan-
deld wordt en welke een ieder,
die liefde voor Jesus heeft,
beoefenen moet......357
Zekere kenteekenen, om te we-
ten, of wij de liefde Gods be-
zitten ....... . . 369
Korte acten van volmaakte liefde
tot God, die men zeer dikwijls
moet herhalen......379
Twaalf korte schietgebeden voor
de twaalf groote feesten des
-ocr page 436-
NHOUD.
bladz.
jaars (zeven feestdagen des Ilce-
ren en vijf der H. Maagd) . ibid
Opwekking tot godsvrucht jegens
Maria.........2S1
Godvruchtige verzuchtingen tot
Jesus.
I. Verzuchtingen van geloof. . . 384
II. Verzuchtingen van vertrouwen . 388
III.    Verzuchtingen van berouw . . 394
IV.    Betuigingen van goed voornemen 397
V. Ontboezemingen van liefde . . 400
VI. Betuigingen van gelijkvormigheid
aan den wil Gods .... 407
VII. Verschillende gemoedsbewegingen 409
Verzuchtingen van liefde tot God 415
Gedragsregels voor eene ziel ,
die onzen Heer Jesus volmaakt
wil beminnen......421
-ocr page 437-
Zinstorende fouten.
p. 75- II. r. v. o. Zoon, lees: zoon.
p. lil. Sixdir/nus, lees: Si dignus.
„ „ Des , lees : Deo.
I)p. 141. 4 r. v. o. verlies\', lees: verliest.
• 2)p. 133. 2. r. v. o. quod cujv/ue, lees: cjuod-
cunrjue.
p. 266. o. r. maar aan u zelven , lees : maar
wat aan u zelven.
De andere fouten , vooral tegen spelling en punc-
tuatie, gelieve de lezer goed willig over het hoofd
te zien.