-ocr page 1-
/
m/Yï \\*oo\\
443
. L***aÊt tik
l\\%\\ III
<L
•
01129 I18IS1®S, e)
i ■ ■ .
- - , .\'
1*1;
CATIARIM ALBEKDIfföK THIJM.
(Opgedragen aan hare vroegere lezeressen van „Lelie-
en Rozeknoppen" en „de Hollandsche Lelie.")
« ••
BERGEN OP-ZOOM,
JAN A. G. JUTEN.
;
■:■%:
;;.....■»-.,-._-.
\\fak 52
-ocr page 2-
/ •
\\ \\t
-ocr page 3-
• •
Brief aan onze meisjes.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
\'«. Na.- W*
Brief aan
onze meisjes,
DOOR
CATÏÏARIM ALBERDIÏÏGK THIJM.
(Opgedragen aan hare vroegere lezeressen van „Lelie-
en Rozeknoppen" en „de Hollandsche Lelie.")
BERGEN-OP-ZOOM,
JAN A. G. JUTEN.
-ocr page 6-
.*-
-.
Gedrukt bij F. E. Macdonald te Nijmegen.
-ocr page 7-
Lieve meisjes,
Het is voor het eerst sinds twaalf jaar,
dat er 365 dagen verloopen, zonder dat ik
het woord tot U richt. Mijn leven lang
had ik altijd een groot zwak voor jonge meis-
jes; ook, toen ik zelf nog onder haar geteld
werd, interesseerde mij haar denken en
streven, h a a r wèl en wee veel meer dan
dat van alle andere jonge of oude menschen;
daarom ook heb ik mij van mijn twintigste
jaar af meer speciaal aan haar belangen
gewijd. — Hartskwesties zijn moeielijk op
te lossen, vraagt mij dus niet, waarom ik
U lief heb: — het i s eenvoudig zoo! Dat
ik mij met het onderwijs bezig hield, of-
schoon er voor mij geen tijdelijk voordeel
aan verbonden was, (wat ik toen ook ge-
-ocr page 8-
6
lukkig niet noodig had), dat ik eerst
„Lelie- en Koz eknoppen," later
„de Hollandsche Lelie," „La
jeune Fille" en „Journal des
jeunes filles" in \'t leven riep, zijn
sprekende bewijzen voor hetgeen ik zeg,
en nu zult ge wellicht beter begrijpen, dat
het mij zoo hard valt nooit meer met U
bezig te zijn. —
De winter is in \'t land, en in Uw ge-
zellige warme kamers, onder de groote
lampekap, zult gij mij wel een avondje
bij U willen ontvangen, mij een kijkje
gunnen in Uw gemoed, mij vertellen, wat
U in \'t afgeloopen jaar vreugde of verdriet
deed, en welke groote plannen gij voor de
toekomst maakt.
St. Nicolaasavond, het Kerstfeest, Nieuw-
jaarsdag zijn voorbij en in Uwe herinnering
nog zoo levendig! De feeststemming, die
de geheele Christenwereld bezielde bij den
verjaardag van Bethlehemswonder, heeft ook
-ocr page 9-
7
een echo in Uw hart doen trillen. Het
„pax in terra", door de engelen ge-
zongen, — de eerste tranen van het god-
delijk kind, — de ster, die door de Koningen
uit het Oosten gevolgd werd, dat alles is
voor Uw verbeelding getreden! — gij ook
hebt geknield, gebeden, aangebeden ....
een straal van dat hemelsche licht heeft
Uw jeugdig hoofd beschenen! Stille vrede,
onnoembare zaligheid hebben Uw gemoed
vervuld, en gij hebt tot U zelve gesproken:
„Ik ook moet een ster volgen! ik ook heb
een roeping te vervullen!" — Dan weer
kwam er schaduw over Uw gemoed, en
ge hebt Uzelve gevraagd: „Mijn roe-
ping?! — Waartoe leef ik? — "Waar ga
ik heen? — Voor wien is mijn leven
nuttig ? —Wie heeft mij noodig ? —
Waar zal ik mijn dorst naar geluk
lesschen?" —
„Mijn hart is dikwijls vol weemoed; —
„mijn uiterlijke omstandigheden, hoe gunstig
-ocr page 10-
8
„ook, geven mij geen bevrediging; — er
„is zoo iets groots in mijn gevoelens, zoo
„iets onvoldaans na alle mogelijke feesten
„en verstrooiingen, dat ik mij te vergeefs
„afvraag: Wat ontbreekt mij dan? Wat is
„het, dat mij steeds onrustig een nieuw
„pretje doet zoeken, dat mij voortjaagt
„naar andere indrukken, dat mij telkens
„doet denken: „Daar is het geluk!"
„Als ik dan dikwijls onbevredigd terug-
„keer, schijnt mij de wereld kil en mistig,
„alles zoo grijs en vervelend! De wandeling
„met die vriendin, waar ik me zoo veel
„van voorgesteld had; die danspartij, waar-
„voor wij zoo lang vooruit en met zooveel
„spanning onze toiletten gereed maakten;
„dat muziekavondje, waar ik dikwijls toch
„recht genieten kon.... \'t Is alles leeg!
„Ik vind er niet meer in, wat ik zoek.
„Maar, wat zoek ik dan? —
„\'t Is vreemd! Telkens komt een wensch
„in mij op: „Als ik nu maar dat toiletje
-ocr page 11-
9
„kon hebben, dan zou ik wel tevreden
„zijn...." „Als wij eens in dat mooie,
„groote huis wonen, en ik kon dan zoo
„heerlijk gezellig mijn eigen kamer inrich-
„ten met een salonnetje er naast, waar ik
„mijn vriendinnen ontving....." A 1 s ik
„die reis kon maken!... Als mama wat
„zachter voor me was, en niet zoo in alles
„mijn broer voortrok!.... A1 s ik maar
„eens naar hartelust kon dansen!... Als
„ik den volgenden zomer naar Schevenin-
„gen mocht gaan.... A 1 s ik mijn eigen
„toiletgeld had, ik ben nu zoo gebonden...
„Als ik maar wat mooier was, en papa
„even graag met mij uitging als met
„mijn zuster... . Als tante Jet niet altijd
„zulke zedepreeken hield___ Als \'t
„mooi weer was in plaats van den heelen
„dag te stortregenen.... Als Piet, mijn
„langen neef, slechts een beetje van me
„hield... niemand houdt van me!.....
„Als Betsy niet zoo vinnig tegen me deed
-ocr page 12-
10
„uit pure jaloezie.... A1 s ik getrouwd
„was.... Als..... ja, ja duizend maal,
„zouden wij het kunnen herhalen, en om
„kort te gaan, eenvoudig zeggen: Als
„alles anders was... dan.... o!
„dan zou ik heel gelukkig zijn, tevreden,
„goed gehumeurd, blijmoedig, opgewekt,
„gedienstig, in één woord een engel!
„Maar.... nu!.,,"
Wij denken er niet eens aan, dat wij
honger, dorst, kou zouden kunnen lijden,
zooals duizenden anderen; dat we arm en
ziek zouden kunnen zijn; wees... mis-
schien, of slechte ouders hebben, wat nog
erger is!... Wij vergeten al het geluk, dat
gelegen is in het leed, dat ons niet treft,
en dat toch ook gedragen zou moe-
ten worden, indien het ons wel trof! Wij
staan stil en betreuren onze onvoldane
wenschen; dat maakt ons wrevelig, dat
stemt ons kregel tegen onze huisgenooten,
het groeft een rimpel in ons voorhoofd, in
-ocr page 13-
11
plaats van een glimlach om onze lippen
te plooien. Toch blijft er nog een licht-
punt: Wat nu op \'t oogenblik niet i s, of
niet kan, zal wellicht straks, of morgen,
of toekomende week, of over een maand,
een jaar.... gebeuren! Maar de d a g gaat
om, het oogenblik is lang voorbij, de
week ten einde, de maand verdwenen,
het jaar verloopen— een ander jaar volgt,
een tweede, een derde, een tiende! —
Niets!! Al ons hopen en wachten is
teleurgesteld; het lichtpunt werd al zwak-
ker en zwakker; ons ongeduld groeit tot
bitterheid! Elke nieuwe poging, die wij
doen om uit deze stemming te geraken,
wordt door ontgoocheling gevolgd. Dat al
die kleine aardsche ontspanningen, al die
kleine verstrooiingen ons niet ten volle
voldoen, bewijst toch, dat wij hoogere
aspiraties hebben.... Ja, gesteld zelfs,
dat alles, wat wij wenschten vervuld
werd: „Wij krijgen het gezellige kamertje
-ocr page 14-
12
met \'t salonnetje er naast, hetgewenschte
toiletje; wij maken die mooie reis. gaan
naar Scheveningen voor \'t badseizoen, wij
dansen naar hartelust;... sinds „broer"
aan de Academie is, zijn wij mama\'s lieve-
lingetje;... papa zegt, dat we opknappen;
tante Jet is in een andere provincie gaan
wonen, zal dus niet meer zoo dikwijls
komen preeken.... het is prachtig zomer-
weer en het regent volstrekt niet.... Lange
Piet is „smoorl ij k", zóó zelfs dat het
wel wat lastig wordt... Betsy is heel
zacht gestemd sinds den dood van haar
zusje... ik___ ik ben getrouwd! En toch ..
en toch.... cen\'estpasgallk zoek
en wensch, en verlang nog altijd; de te-
vredenheid heerscht niet over mijn ge-
moed, het was zelfs, alsof bij de vervul-
ling van elk mijner wenschen, tien nieuwe
wenschen als „paddenstoelen uit den
grond" kwamen. Ik wil niet zeggen, dat
ik geen oogenblikkelijke vreugde smaakte,
-ocr page 15-
13
dat ik de feesten en alles niet heerlijk vond,
niet van alles volop genoot... o ja, dat deed
ik wel; maar dan, den volgenden dag, of
de week, de maand, het jaar daarna, bleek
mij alles weer bij het oude, en ik onder-
vond, dat mij toch niet dat zeker iets
bedeeld was, waar mijn ziel, mijn hart,
mijn geest naar verlangde, en dat men met
het generieke woord van het geluk
bestempelt.
Want, was het niet het geluk, dat
ik zocht? Wat kan men meer verlangen
dan geheel bevredigd te zijn, — maar dan
ook v o o r a 11 ij d! Of zou de wereld be-
volkt zijn met onrustige, ontevreden, slecht
gehumeurde menschen?"
Het geluk.... Want dat is het,
meisjes, dat wij najagen, en dat wij telkens
meenen te vinden, als wij een vvensch trach-
ten te bevredigen. Het geluk!.... Be-
staat het op de wereld ? — De geloovige zegt
„God dienen!" is geluk. De materialist
-ocr page 16-
n
zegt: Rpdom is geluk. Dedaklooze
arme zegt: Een eigen huisje met
vuur, licht, kleeding en voed-
se 1... is geluk. — De dichter zegt:
liefde is geluk. — Zeker, zij hebben
allen gelijk, want het geluk is iets zeer
betrekkelijks, en wij vinden het meestal
daar, waar wij \'t niet zochten, en op een
oogenblik, dat wij er het minst aan dachten.
Het geluk is een diamant met duizend
facetten, die velerlei schakeering van kleuren
heeft, en gewijzigd wordt naar cle indivi-
dualiteit, van zijn bezitter. Maar voor de
vrouw, voor de jonge meisjes in \'t bijzonder,
is er toch een roeping, die haar, in
welke maatschappelijke positie ook, zeker
gelukkig zal maken. Als wij slechts
begrijpen, dat daar onze roeping is, en dan
alle hinderpalen vernietigen, over alle moeie-
lijkheden heen stappen om die roeping te
vervullen, dan z ij n w ij gelukkig, dan
zijn al onze wenschen naar verstrooiing,
-ocr page 17-
15
verandering enz. vernietigd, en als her-
schapen zweven wij door \'t leven in
plaats van moeielijk en vervelend te....
kruipen. Dan is elke dag, hoe grijs
ook, voor ons door zachte zonnestralen
verlicht; dan zingt voortdurend in ons hart
een jubelend lied, dat door geen tegenspoed
overstemd wordt; dan hebben wij men-
schen, dieren, planten, het geheele aardrijk
lief; — de kleine, nare beslommeringen
des levens, met hun dagelijksch terugkeeren,
zijn als weggeveegd; — wij dragen een
hemel in ons hart, een hemel, die door
niets beneveld wordt!
Terwijl ik U schrijf en zoo met U spreek,
opent zich voor mijn blik een verre, onaf-
zienbare horizon. Hier, dicht bij, de omge-
ploegde velden, door menschenvlijt en
handenarbeid doorwoeld en vruchtbaar ge-
maakt; daar achter paarsche heidevlakten
en groenachtige nevelen, die verre weiden
afteekenen, om te eindigen in een zilveren
-ocr page 18-
16
streep — de rivier —, die zich weer ver-
liest in het roode goud van de ondergaande
zon; — dat roode goud wordt afgebakend
door een grooten violet grijzen wolkenberg,
die zich ver uitstrekt, als een donkere
gordel om het wereld-rond; de purperen
zon neigt zich ter ruste achter dat gordijn; —
maar ziet, ten afscheid breekt zij nog even
dien duisteren scheidsmuur dóór, en als
met een tooverslag is de donkere gordel
over de geheele lengte gespleten... en
licht, jong, frisch hemelblauw, als vaneen
nieuwgeboren dag gloort tusschen de wol-
kenrei!... De onbeschrijfelijke schoonheid
van deze kleurenpracht zou u zeker allen
in verrukking brengen, indien ge \'t met
mij zoudt aanschouwen, en, zeg mij, is dat
niet het beeld van ons geluk, — het beeld
van \'t ontdekken onzer roeping, dat als
een nieuw leven door de donkere wolken
onzer onvoldane wenschen breekt? —
Begrijpt gij nu?
-ocr page 19-
17
Laat ik u even een kort verhaaltje ver-
tellen; — \'t is één van de velen, mij
door een jong vriendinnetje gedaan, en
wellicht herkent ge uzelve in de schilde-
ring. — Caroline van Loo was
achttien jaar oud en in Augustus voor
goed... van de kostschool naar huis ge-
komen; zij was zeer opgewonden en vol
droomen — over de „h e e r 1 ij k e v r ij-
h e i d", de „liefde der f a m i 1 i e b a n-
den", de „hulde", die zij „in de w e-
r e 1 d" zou ontvangen — onder het ouder-
lijke dak terug gekeerd. Tot haar lof moet
ik zeggen, dat zij ook de dagen voor haar
vertrek uit de kostschool vurig gebeden
had en God om steun gevraagd in de „w e-
reldsche verleidinge n", waarin zij
nu geplaatst zou worden; (ik durf niet te
zeggen of zij het „gevaa r" van die „w e.
r e 1 d s c h e verleidingen" „p r e t-
t i g" vond, of dat zij \'t in allen eenvoud
„vreesde") dat zij groote bekeerings-
2
-ocr page 20-
18
plannen had met betrekking tot haar vader,
broeders, ooms, neven enz.; dat zij zich
voornam de rechterhand harer moeder te
worden, haar in alles te helpen en te steu-
nen, altijd lief, zacht, voorkomend, gehoor-
zaam en vroom te wezen, een stichtend
voorbeeld voor broers en zusters, een troost
voor de ouders. Aldus toegerust naar de
ziel, — en, naar het lichaam een dik, rood-
wangig, opgewekt meisje, met bruine oogen
en bruin haar, eerder groot dan klein, dat
in haar zwarte uniformjapon met dito pele-
rine en witten hoed met blauw lint op 1
Augustus te zes uur dertig aan het Rijn-
station te Amsterdam uit den Brusselschen
trein stapte. Haar vader was haar tot
Rozendaal te gemoet gekomen, en aan \'t
station stonden twee broers en zusters,
terwijl mama, vol verlangen, haar thuis
met het diner opwachtte.
Haar vader was groothandelaar in koffie
en een van de eerste beursmannen; haar
-ocr page 21-
19
oudste broer was „op kantoor b ij pa"
en de tweede bezocht het gymnasium; de
beide zusjes gingen op eene deftige parti-
culiere meisjesschool, en zouden later ook
„om er de schaaf\' aan te geven één
of twee jaar naar een fransche kostschool
gaan. Onze Caroline was een en al op-
gewondenheid. Nu voelde zij pas, hoe
lief zij haar huisgenooten had! Allen ont-
vingen haar dan ook met veel hartelijkheid
en betoonden zich blij haar te zien. Thuis
komende, na het eerste rondzoenen, ging
men aan tafel; zij had van allerlei te ver-
tellen, van haar reis, van \'t afscheid op
school, van de prijsuitdeeling, van de vrien-
dinnen en onderwijzeressen; iedereen luis-
terde aandachtig, en men verheugde zich
samen te zijn.
Zóó ging het eenige dagen voort; voor
de huisgenooten was het aardig zoo\'n vol-
wassen zuster en dochter in huis te heb-
ben ; zij bleek zoo opgewekt en vriendelijk;
-ocr page 22-
i
20
de eentonigheid van \'t dagelijksch leven
werd als door verrassende frischheid over-
goten. Caroline zelfs buiten het genoegen,
dat haar minnend hart in den familiekring-
vond, voelde zich ook zeer behaaglijk in
het comfort der ouderlijke woning; de ele-
gante japonnen, die zij kreeg in ruil voor
het stille uniformkleed, de artistieke omge-
ving van schilderijen en spiegels, in plaats
van de witgekalkte klasmuren; de satijnen
en fluweelen stoelen in plaats van de rie-
ten schoolkrukjes; de smyrna tapijten onder
den voet in plaats van de geschilderde
houten vloeren, dat alles deed hare fijn-
vrouwelijke natuur hoogst aangenaam aan.
Hoe aardig had papa haar kamertje in
orde laten maken! \'t Was een dotje, een
heiligdommetje; alles zoo licht in tinten,
zoo smaakvol geschikt! Een geheelen dag
was zij bezig geweest haar koffers daar
uit te pakken, al de kostschoolsouvenirs
-ocr page 23-
21
te schikken en zich zelf een recht gezellig
nestje te bouwen.
Het was ook zoo heerlijk, dat zij \'s mor-
gens naar hartelust mocht uitslapen! Mama
had gezegd: „Je bent nu zoo lang vóór
dag en dauw opgestaan, slaap vooreerst
nu maar eens terdege uit." Zoo verliepen
drie, vijf, acht dagen; zij had ook weer
een paar vriendinnetjes van vroeger terug
gezien, maar... dat was niet meer hetzelfde;
haar liefste vriendschapsbanden had zij op
school gesloten, en die zou zij nu door brief-
wisseling aanhouden.
Nadat Caroline zich geheel ingericht
had, en alles verteld had, wat te vertellen
was, voelde zij zich plotseling als verlaten
te midden van de haren. Die uur voor
uur gevulde dagen van den studietijd, die
drukte van heel jong leven voortdurend
om zich heen, dat streng voorgeschreven
reglement, dat haar aanhoudend bezigheid
gaf.... dit alles ontbrak haar. Op verlan-
-ocr page 24-
22
gen der moeder kwam zij nu eiken mor-
gen om acht uur beneden voor \'t ontbijt;
dan gingen de zusjes naar school, papa en
broer naar \'t bureau, de tweede broer
naar \'t gymnasium; om negen uur was
het huis als uitgestorven; mama regelde
dan het huishouden, sprak met de dienst-
boden, die allen haar werk hadden ; daarop
nam zij een handwerk, of schreef brieven;
alles ging den ouden tred, net als toen
Caroline er niet was. En z ij ? Een soort van
lusteloosheid overviel haar : „Wat zal i k
doen, mama?" had zij den tweeden dag,
na het vroege ontbijt gevraagd. Wel,
lieve, wat je wilt!" Wat zij wilde!.....
Ja, wat? Zij ging een beetje op de piano
tikken; toen wat lezen, toen nam zij een
onafgewerkt borduursel, nog van school,
toen begon zij een brief te schrijven.....
doch, het vlotte niet!
Den volgenden dag vroeg zij: „Mama,
geeft U mij liever iets te doen; ik zou zoo
-ocr page 25-
23
graag iets nuttigs doen, of een taak op-
hebben, zoo iets, dat me bindt." „Als je je
eigen goed onderhoudt," sprak de moeder,
„dan zal dat al heel veel wezen; en stu-
deer dan eiken dag nog een uur je piano
en een uur talen om het niet te vergeten;
je kunt ook wel de stof afnemen van al
dat fijne Chineesche goedje in de salon, en,
als je voor je zelf niets te doen hebt, vraag
dan aan de linnenmeid wat verstelgoed, of
wat kousen van papa en de jongens om
te mazen; in een huishouden met mannen
is altijd genoeg bezigheid."
Och, wat was mama toch lief, en goed
en zacht, maar zij scheen haar niet te be-
grijpen; ja, tot t ij d v e r d r ij f bezig zijn,
zeker, dat kon zij wel, maar zoo heel
graag zou zij nuttig, onmisbaar
geweest zijn; — dat werk, wat mama op-
noemde, zou toch wel gedaan worden, ook
al deed zij het niet, en dat onderhouden
van talen en muziek, zóó, zonder leiding
-ocr page 26-
24
zonder direkt doel.... \'t ging zoo lus-
teloos. — Aldus verstreken de ochtenden; —
\'s middags werd er al eens een visite gemaakt,
of Caroline ging met een vriendinnetje
„van vroeger" wandelen; \'s avonds
ging men af en toe uit; nu eens een dineetje,
dan een concert; later zou zij ook wel een
paar bals meemaken. — De weken, de
maanden verliepen. — Een soort spleen
maakte zich van haar meester; overdag
hing zij dan op den éénen fauteuil, dan op
den anderen; nu eens met een boek, dan met
een werkje; vooral, als \'t regende, waren de
dagen eindeloos lang; de eenige variatie
werd aangebracht door de feestjes, waarop
men zich dan weer moest voor bereiden,
maar, waren die dan ook afgeloopen
en viel het leven weer terug in zijn een-
tonigen dagelijkschen sleur.... hoe lus-
teloos voelde zij zich dan !... Zoo geheel
anders had zij gedacht, dat haar leven thuis
zijn zou! — Allerlei beelden had zij zich
-ocr page 27-
25
over deze toekomst, die nu het heden was,
voorgesteld, en geen enkel werd verwe-
zenlijkt. Zij droeg toch de kiemen van
zoo vele goede, edele gevoelens in zich;
hoe gaarne had zij zich opgeofferd! zich
nuttig gemaakt! Maar .... \'t ging niet!
Mama was gezond en nog jong, dus van
oppassen of het geheele huishouden voor
haar waarnemen, was geen sprake. Papa,
altijd druk in zaken, was niet zoo ongods-
dienstig, als zij wel meende, en nóch hij,
nóch de broers, nóch eenig ander lid der
familie scheen behoefte te hebben door haar
„bekeerd" te worden; het fortuin bleek
toereikend om verscheidene gedienstige
geesten te bekostigen, dus ook daar was
haar hulp niet bepaald n o o d i g. Waartoe
leefde zij dan eigenlijk? Zij kreeg den in-
druk, dat zoo\'n nietsuitvoerend meisje erg
den schijn op zich laadt van te zitten
wachten op .... een man! Deze gedachte
vernederde haar ongemeen. Eerstens waar-
-ocr page 28-
26
deerde zij haar eigen persoontje genoeg om
de overtuiging te koesteren, dat het een
gunst zou zijn, indien zij ooit haar lot
aan dat van een man verbond; een onbe-
stemde intuïtie huisde in haar, dat, daar
de man vraagt, de toestemming een
gunst is. Het idee, dat zij verdacht zou
kunnen worden, verlangend op zoo\'n hu-
welijksaanzoek te wachten, was haar
een gruwel, en toch, — de logica zeide het
haar: „"Wat doen gefortuneerde meisjes
anders, zoo zij zich geen nuttigen werkkring
scheppen?"
De kleine bewijzen van hulde, die haar
nu en dan op partijtjes of elders te beurt
vielen, waren haar niet onaangenaam, in-
tegendeel ; maar.... wat gaf dat voor haar
hart? En onder al de mannen, die haar hun
opmerkzaamheid wijdden, was er nog geen
geweest van welke zij dacht: „als die mij
vroeg, dan.... misschien ..!" — Neen,
geen één! Wel dacht zij in \'t algemeen, hoe
-ocr page 29-
27
aangenaam het zou zijn een eigen huishou-
den te hebben, dan wist men ten minste,
waarvoor men leefde, maar als dit hebben
„van een eigen huisgezin" zich
onder werkelijke, materieele uitingen aan
haar fantasie voordeed; als zij dacht, dat
zij dan jaar in, jaar uit, den eenen dag
voor en den anderen na met mijnheer X,
Y, of Z. zou zijn.....neen! dat was toch
niets prettig, al was er ook het zoete
aan verbonden, van „m e v r o u w" ge-
noemd te worden en, in de oogen van de
menschen meer te zijn, dan eene onge-
trouwde vrouw.
Ofschoon er thuis wel eens kibbelpar-
tijtjes en harde woorden vielen, toch
wist Caroline, dat zij eigenlijk, wat men
noemt, een gelukkig leven had, voor-
al, toen zij eens twintig jaar oud was, en
nu haar zusje ook van kostschool thuis
kwam. Dat was weer een vroolijkheid!
En hoe gezellig voor haar, nu niet meer
-ocr page 30-
28
zoo alleen zich te voelen; mama had nooit
veel behoefte gehad zich uit te storten,
scheen het, en \'t verschil van leeftijd ook —
de eene zonder illusies in stille plichtbe-
trachting, de andere vol illusies en naar
nieuwe indrukken hakend — had weinig
Seelenaustausch... tusschen moe-
der en dochter uitgelokt; maar nu — met
Marie — de volleerde zuster! \'t Zou heer-
lijk zijn. En — \'t w a s ook heerlijk. Alle
kostschool-herinneringen werden vernieuwd,
de meisjes hadden een massa af te praten,
haar smaken kwamen goed overeen, en met
haar tweeen waren zij sterk om de ouders
telkens over te halen het een of ander plan
ten uitvoer te brengen. Toch — op eenige
punten waren de zusters geheel verschil-
lend. De oppervlakkige, kleine genoegens
van \'t leven bleken Marie volkomen te vol-
doen ; zij had niet dat zoeken der ziel naar
een hooger streven; zij kende niet de leeg-
heid van \'t hart „au lendemain des
-ocr page 31-
29
fêtes." Zij dacht er niet aan „zich
nuttig te maken;" zij haakte niet
naar iets hoogers dan het leven „au jou r
Ie jour" en vond zich daarin volkomen
bevredigd; napret en voorbereiding tot
een nieuwe pret, daarin ging zij geheel
op; de winkelétalages interesseerden haar
zeer; de hoed van juffrouw P. en de bot-
tines van mijnheer Z. wekten haar grootste
belangstelling; zij vond het volstrekt niet
beneden haar waardigheid de jongelui wat
„a a n -1 e - h a 1 e n;" die „malle zooi"
van „nuttigheid" en „fierheid,"
daar moest zij niets van hebben! Caroline
was een droomster, een idealiste; er zou
nog maar aan ontbreken, dat zij dichteres
werd! Hoe goed zij elkaar ook verston-
den, de zusjes, — op dit punt, neen!
Daar werden zij \'t niet eens.
Toch brak voor Caroline een tijd aan,
dat zij meende haar ziel en hart bevredigd
te zullen vinden; eene groote, wederzijdsche
-ocr page 32-
30
sympathie ontwaakte tusschen haar en een
vriend haars broeders; langzamerhand kwam
er sprake van een engagement; — maar —
het ging niet door. Het ontbond zich
eenigermate van zelf, geen dramatische
ontrouw, geen jaloezie of iets dergelijks —
zooals men in romans, en in \'t werkelijke
leven, helaas, maar al te dikwijls aantreft; —
neen! hare sympathie koelde af, naarmate
zij meer intiem met- den jongen man om-
ging; zij meende in hem een egoïsme,
een haken naar eigen geluk en eigen wei-
vaart te ontdekken, zooals het haar als
onvereenigbaar met ware genegenheid voor-
kwam ; zij voelde, dat hij niet liefhad zoo-
als zij; wellicht heviger, hartstochtelijker,
maar nooit zich zelf vergetend; zij dacht,
dat op den duur zijn liefde verflauwend,
alleen zijn egoïsme zou overblijven en vroeg
zich zelf af, of haar levensdroom door zoo\'n
huwelijk verwezenlijkt zou worden en —
twee dagen, vóór dat het engagement pu-
-ocr page 33-
31
bliek zou worden, bedankte zij hem heel
kalm en eenvoudig onder het opgeven dei-
reden, dat hare sympathie verminderd
was, — trouw volgens de waarheid. Zij
droeg er dan ook geen „bloedende
wond e" over, en hervatte weer het ge-
wone dagelij ksche leven met dezelfde leegte
in haar gemoed. De eerste dagen vielen
haar wel een beetje hard, omdat er altijd
in liefde zooveel zoets gelegen is, en vele
onbeduidende voorvallen door ons zieleleven
tot ingrijpende gebeurtenissen aangroeien,
maar toen was het ook uit, en haar ge-
woon, gemakkelijk, kleurloos leven ging-
weer zijn ouden gang. Een jaar latei-
trouwde Marie, en ging met haar man in
België wonen, terwijl nu de jongste zuster
Suze van school kwam; hier was de af-
stand in jaren grooter, dus ook de omgang-
wat moeilijker.
Suze leek op geen der beide oudere zus-
ters; niet zoo vroolijk en oppervlakkig als
-ocr page 34-
32
Marie, niet zoo idealistisch als Caroline,
en veel minder beminnelijk dan de twee,
had zij een wrevelig humeurtje, kribbig en
pruttelig met ontevreden, fietsen blik, en
alleen oplevend, lief, op partijtjes en bij
vreemden. Caroline zag, hoe haar moeder
leed onder deze onaangename wrijving aan
den huiselijken haard, en door Suzes on-
vriendelijkheid trad zij haar moeder wel
wat nader.
Zoo ging haar leven voort, tot eens een
schijnbaar onbeduidend voorval plotseling
de mistige sluiers van haar ziel wegscheurde,
zij in diepe ontroering op de knieën zonk
en gebogen onder \'t licht, dat haar door-
tintelde, uitriep:
Daar is de weg! daar is mijn roeping!
daar is mijn geluk!
En wat was er dan gebeurd?
Op straat had zij een arme vrouw ont-
moet, zooals zij al dikwijls veel armen
■en haveloozen gezien had, haar gevende, en
!
-ocr page 35-
33
graag gevend, als zij kon, maar zich verder
geen rekenschap vragend van het pheno-
meen, dat dit schepsel, — die schepselen —
niettegenstaande zij ook menschen en vrou-
wen, zoo als haar moeder en zij, waren,
toch tot eene geheel andere categorie van
wezens scheen te behooren. Zij had nooit
er over gedacht, dat zoo\'n uitgeteerd, groe-
zelig gelaat met oogen vol wanhoop, —
gevuld, blank, van vreugde stralend had
kunnen zijn .... , dat die magere, onge-
wasschen, half verstijfde vingertoppen,
die zich om hulp naar haar uitstrekten, —
gezonde, flinke, warme handen hadden
kunnen zijn .... dat die vuile, gescheur-
de lompen, die zoo akelig riekten, — nette,
propere, h e e 1 e kleederen hadden k u n-
n e n wezen ...; dat zoo\'n arme vrouw ,
of meisje, of man, of kind......gewas-
schen, gekleed, gehuisvest en gevoed, gelijk
zij, — ook, gelijk zij.. . een fatsoenlijk,
deftig mensen had kunnen zijn; dat het
3
-ocr page 36-
34
dus het bezit van aardsche goederen was,
dat haar als een koningin, als een engel
deed schijnen, naast deze uitwerpselen der
maatschappij, — die ... menschen zijn —
gelijk wij; — die ook lijden onder honger
en koude, zooals wij zouden lijden, indien
wij geen eten, geen vuur hadden!... En,
of dien e e n e n dag, toen Carolines oog,
plotseling als ontwaakt, op den droefheids-
blik van die arme vrouw bleef rusten,
was het haar, of zij herboren werd.
Een blik in \'t leven, die haar hart ver-
scheurde en tegelijk deed jubelen, en: de
maatschappij had zich voor haar geopend!
Thuis komende, vluchtte zij naar haar
kamertje, dat haar nooit zoo dierbaar, maar
nooit zoo onuitstaanbaar mooi had
geschenen. Zij kon geen woorden vinden
voor de overstroomende ontroering, die zich
van haar meester maakte. — Zij wendt
zich tot God, en vuriger, inniger gebed
werd er nooit door haar gesproken: „O
-ocr page 37-
35
„Heer! mijn Heiland! mijn roeping, mijn
„geluk zal zijn, armen te troosten, te
„steunen, te helpen! — Lijden verzachten,
„anderer verdriet op me nemen, al het
„overtollige opofferen, om aan ongeluk-
„kigen het noodige te bezorgen, ja,
„dat is de roeping van elke vrouw, van elk
„jong meisje, dat een hoogeren aanleg in zich
„voelt; — van elk vrouwelijk wezen, dat
„niet oppervlakkig leven kan, dat voor iets
„hoogers, iets eclelers bestemd is dan het
„niets scheppende leven eener zichzelf be-
„ hagende zorgeloosheid! — Ik voel het voor
„het eerst, wij, vrouwen, zijn geroepen om
„een brug te bouwen over den afgrond, die
„den rijke van den arme scheidt! Van
„onze witte handen zullen wij de gouden
„ringen laten glijden, die in brood veranderd
„moeten worden voor onze misdeelde me-
„dezusteren en haar kindertjes! — Hoe?
„tot nu toe heb ik daar nooit aan gedacht,
„en durfde er tegenop zien mijn, met fijn
-ocr page 38-
36
„leder geschoeide hand, uit mijn mof te halen
„om in de verkleumde blauwe vingeren
„van een medemensen, een cent te laten
„glijden?" De hevigste gemoedsaandoenin-
gen stortten honderden gewaarwordingen
door haar ziel. Zij herstelde zich langza-
merhand en nam zich vóór rustig over alle
indrukken, die zij gekregen had, na te
denken.
Een nieuw leven had zich voor haar
geopend. Verbaasd slechts was zij, dat nu
pas zich deze waarheid met al haar schrille
kleuren aan haar opdrong. Zij had toch
zoo vaak gelezen en gehoord over armoede,
over ontbering, over wanhoop; zij had dit
alles beschouwd als iets dat be-
stond, zeker, doch verder niet gevraagd:
kan \'t veranderd, verbeterd worden ? Wie
moet dat doen ? W i e moet daaraan mee-
werken ? — Doch n u wist zij, dat er bal-
sem voor die wonden moest bestaan,
dat vóór alles en vóór iedereen de vrouw
-ocr page 39-
37
geroepen was om dien balsem aan te bieden ;
dat elke vrouw, elk jong meisje het hare
moest doen om de bitterheid in \'t leven
van andere vrouwen, van andere jonge
meisjes, zooveel mogelijk weg te nemen.
Zij beschouwde plotseling al de armen
als drenkelingen en verweet zich, dat zij
nooit de handen krachtdadig had uitgestoken
om die ongelukkigen uit de golven van
wranhoop en tranen te redden.
Maar, — w a t te doen\'? —
Hoe dat gevoel van m e n s c h e 1 ij k-
h e i d, dien drang van uitwerkende liefde,
voor alles wat lijdt, te bevredigen?
Zij wist, dat er veel genootschappen van
weldadigheid bestonden, dat er veel hulp
verleend werd, maar toch, — de zee van
ellende werd niet tot vruchtbaren grond
herschapen; — maar toch, het bleek vol-
strekt niet toereikend, wat gedaan werd,
en hoe kon zij — z ij, Caroline van
L o o , — een deftig, rijk, doch onbeduidend
-ocr page 40-
38
meisje, — iets bijdragen om den toestand
te verbeteren ? Want handelen moest
zij, er moest iets gevonden worden, —
en — ce que femme veut.... zoo-
dat, indien in elke stad een paarhon-
derd gefortuneerde dames en meisjes zich
vereenigden, al haar overtollige uitgaven
vermeden, zuinig, ja zelfs een beetje
gierig werden, om de — van alles ont-
bloote — zusteren — te helpen, - ze-
k e r een groot werk tot stand kon ko-
men.
Er zijn zoo véél liefdadigheidsgenoot-
schappen. Zeker!
Wij geven zoo veel als wij missen kun-
nen! Accoord!
Maar toch......dat missen kunnen
doelt op geld, dat wij overhouden, nadat
wij zelf eerst al onze wenschen
bevredigd hebben, en— die wen-
schen zijn : 1 e g i o.
Weet ge, hoe of de éénige weg is, die
-ocr page 41-
39
men moet inslaan om de armen niet te
kort te doen?
Een zuinig uitgewerkt budget maken —
en — het overige wegschenken!
Ieder volgens zijn stand; maar, dan moet
men ook een juist denkbeeld van eigen
stand hebben.... en, als eenvoudig bur-
ger of koopman, niet willen wedijveren
met hertogen en prinsen.
Schrijfster dezes kent eene zeer gefortu-
neerde familie, die gemakkelijk equipage
zoude kunnen houden, doch dit niet doet
en de som, die daarvoor bestemd zou zijn,
onder de noodlijdenden verdeelt.
Nu hoor ik den een of ander philoso-
faster zeggen: de koetsiers, palfreniers,
rijtuig- en paardenverkoopers, graanhande-
laars en zadelmakers moeten óók leven...
Zeer waar, maar al die kooplui, en die be-
dienden hebben het niet zoo noodig als
de ongelukkigen, die geen dak boven hun
hoofd hebben en geen bete broods als
-ocr page 42-
40
voeding. Ook zou dat afschaffen van
equipages en andere luxe artikelen niet tot
wet verheven behoeven te worden, en
alleen een beminnelijke en aandoenlijke
exceptie blijven; — terwijl er altijd genoeg
menschenkinderen onder de rijken zijn, die
enkel aan eigen genot en aan steeds
weer bezitten.... zelf bezitten.. ..
om tot eigen plezier te verteren... den-
ken. Als practisch menschlievende daad
zou ik wenschen, dat allen, die verteer- en
koopkracht hebben, hun jaarlijksche uitga-
ven met één tiende verminderden, en
dit aan d i e ongelnkkigen gaven, die van
alles verstoken zijn.
Zoo zou b. v. een jong meisje, dat twee
kwartjes weekgeld krijgt, telkens één stuiver
voor de armen kunnen afzonderen, en zich
gedragen, alsof zij slechts negen stuivers
ontvangen had; terwijl die meisjes en dames,
die 200, 300, 600, 1000, 3 a 4 duizend
gulden toiletgeld in \'t jaar verbruiken,
-ocr page 43-
41
met eenig overleg stellig één tiende gedeelte
van die som zouden kunnen uitzuinigen
voor d i e arme vrouwen, welke nauwelijks
één hemd bezitten, en van welke de ha-
velooze kleeren als een anathema werpen
op de rijke stoffen, die wij ons omhangen.
En dit is nu nog slechts met betrekking
tot de kleeding; maar in een huishouding
kan het budget door afschrapping van
nuttelooze uitgaven ook zeer, ten bate
der armen, — verminderd worden!-----En,
vinden wij geene nuttelooze uitgaven om
te schrappen, — ontzeggen wij ons dan
eenige douceurs van \'t leven, iets op \'t
gebied van wijn, likeur, parfum, suiker,
bloemen......
Meisjes, jonge vrouwen, dames, gij allen,
die mij leest, als wij onze roeping als
vrouw ontdekt hebben, onze roeping, die
ook buiten den familiekring ligt — als
troosteressen en helpsters van misdeelde
zusters.. .., laten wij die dan uitoefenen,
-ocr page 44-
42
doch altijd — o! luistert nog een oogenblik
naar mij — met een blik op God!!! —
Waaruit zal de arme anders onderwerping
putten? Wat zal hem terug houden van
bij duizenden en duizenden op te staan
en uw huizen omver te werpen, zich uw
rijkdommen toe te eigenen, — indien hem
de hoop ontnomen wordt, dat er een ver-
gelding komt, dat ééns het evenwicht her-
steld zal worden?!
Volksaanvoerders, die in de harten der
menigte het beeld van G-od trachten te
verbrijzelen, — welk doel hebben zij? —
Nemen zij niet de laatste flikkering van
hoop voor die ongelukkigen weg? En zou-
den z ij, vooral z ij... niet moeten begin-
nen met alles, wat zij bezitten met de ar-
men te d e e 1 e n , omdat zij denken, dat
met d i t leven alles ophoudt. Dat een ge-
loovige niet alles met de armen deelt, zou
te begrijpen zijn, omdat hij denkt: Ja, gij
zijt nu wel arm, doch in den hemel zal
-ocr page 45-
43
het u duizendvoudig vergolden worden,
wat u hier ontbreekt! maar, dat een atheïst
onmenschelijk genoeg is, om tegen zijn
armen broeder te zeggen : „ik neem van
\'t leven allen rijkdom, die het
m ij biedt, wees g ij m a ar ongeluk-
kig en arm, en hoop niet op een
beter leven, na dit, want dat
bestaat niet!" dit is een wreedheid,
die onmenschelijk is.
Onder de schepselen zijn voorzeker de
vrouwen minder machtig dan de mannen;
zoo zijn ook de arme vrouwen onge-
lukkiger dan de arme mannen: de meeste
genootschappen van liefdadigheid, van
werkverschaffing enz. houden zich meer
speciaal met de mannen bezig, omdat
zij nu eenmaal door mannen opge-
richt en geleid worden. Daarom, doe ik,
als vrouw, heden, een beroep op alle
Hollandsche vrouwen en meisjes, — om
-ocr page 46-
44
speciaal ongelukkige vrouwen te
steunen.
Dit was ook het idee, dat door \'t hoofd
van mijn vriendinnetje Caroline van
L o o trok. Zij zocht, hoe het mogelijk
zou zijn ongelukkige vrouwen, arme,
verlaten, gebrekkige, dakloozen.... te
helpen. De ongelukkigsten — eerst. —
Onder dezen zijn zeker de dwalende
dakloozen het meest te beklagen;
die, vooral in den winter, in onze groote
steden rondzwerven.... en, als die d a k-
1 o o z e n dan nog kleine kindertjes hebben,
die, even als zij, aan al \'t ontzettend lijden
van koude, vocht, donkerte, in onze lange
winternachten blootgesteld zijn ? ?!
Het is huiveringwekkend, als men zich
daarvan rekenschap geeft.
Welnu, Caroline van Loo zocht...
en vond.
Wilt ge weten waar?
Wilt ge weten hoe?
-ocr page 47-
45
Vraag het aan de schrijfster dezer rege-
len! Is ook u w gemoed getroffen door
den steeds stijgenden nood ? Hebt ook g ij
een stem gehoord, die u riep: Daar!
daar! in \'t vertroosten van zooveel lijden, in
\'t u wijden aan zóó\'n gezegende, heilige,
opofferende taak, zult ge rust, vrede, ge-
1 u k vinden!
Indien gij dat alles in u voelt, indien
uw blik hoog genoeg zweeft om eenige
aardsche weelde en genot te offeren, —
indien uw hart groot is en vol liefde klopt,
vol medelijden, bij eiken klaagtoon, — in-
dien ge werkzaam wilt optreden, en
u geroepen gevoelt een engel te zijn voor
haar, die slechts nood en droefheid ken-
den. .. o zeg het mij, — laat ik u toonen,
hoe wij helpen, redden kunnen!
Catharina Alberdingk Thijm.
-ocr page 48-
46
N.B. Jonge meisjes of dames, die met
de schrijfster dezes over dit onderwerp in
briefwisseling wenschen te treden, worden
verzocht tot 1 Mei haar schrijven te adres-
seeren te Hoogerheide (N.-Br.)