-ocr page 1-
-ocr page 2-
r^ m\\23
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
■ .
f
• ■
\' \'
\\
\' .\'
-ocr page 6-
,/
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000031445962B
3144 596 2
-ocr page 7-
>
*■
-ocr page 8-
-ocr page 9-
-ocr page 10-
VERKLARING.
\\
In geheele onderwerping aan de voorschriften en bepa-
lingen der H. Kerk, verklaar ik de woorden « heiligheid »,
« volmaaktheid », in den gewonen zin te gebruiken, en
geenszins de uitspraak van den Apostolischen Stoel te willen
vooruitloopen in het waardeeren van de heldhaftigheid der
deugden.
Antwerpen, O. L V.-College, 27 april 1890.
R. Butaye, S. J.
-ocr page 11-
Han tet aanöiDDelufe Eiart
ban
on3en Keer Ore5U£*Q)rt0tu$
öe Bron
en
Jet Womtbeelö
ban
alle toare Eteftjat>isï)ei& ^ & v
Zelfopoffering
eettteDftr toesjeimlDttjD.
-ocr page 12-
Alle rechten blijven voorbehouden.
-ocr page 13-
GOEDKEURING.
Ego Leopoldus Delvaux, Pnepositus Provincialis Socie-
tatis Jesu in Belgio, potestate ad hoc mini facta ab Admo-
dum Reverendo Patre Antonio Anderledv, ejusdem
Societatis Prseposito Generali, facultatem concedo, ui opus,
cui titul-us Leven van Pater Damiaan a Renato Butaye,
S. J. conscriptum, et a deputatis censoribus rite recognitum
atque approbatum, typis mandetur.
In quorum fidem has litteras manu mea subscriptas et
sigillo meo munitas dedi.
Antverpiae, die 3 Maii 1890.
L. S.                                          L. Delvaux, S. J.
-ocr page 14-
-ocr page 15-
*>^$^<^$3È^!3£^S£2£^3££S$2
riniinimni
XHIIXIlXXJlUJLmXXXI
lietoen tmn I>ater Damtaan
EERSTE HOOFDSTUK
Een edelmoedige knaap
USSCHEN Mechelen en Aarschot
ligt het kleine dorp Tremeloo. Zijne
nette huizen teekenen zich bevallig
af op een schilderachtig landschap,
waar vruchtbare akkers aangenaam afwisselen
met altijd groenende dennenbosschen. Op een
tamelijken afstand van het nederig kerkje ont-
moet de wandelaar eene .burgerwoning, welke
hij vroeger misschien onverschillig ware voorbij-
gegaan. Voortaan zal die woning door den
vreemdeling met belangstelling en eerbied ge-
groet worden : het is de geboorteplek van Pater
Damiaan De Veuster, apostel der melaatschen
van Molokai.
Gaan wij in den geest een vijftigtal jaren
terug, en treden wij hierbinnen, om de familie
De Veuster nader te leeren kennen.
Tegen den avond, als ouders en kinderen om
dezelfde tafel aanzitten, treft ons daar een too-
neel, dat de zeden onzer katholieke landlieden
uit de Kempen op het levendigst afschildert. De
brave moeder heeft een groot boek vóór zich
open, in ouden gothieken druk, en wellicht een
paar eeuwen oud : zij leest hare kinderen de
-ocr page 16-
2                   LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Levens der Heiligen voor. Van tijd tot tijd
onderbreekt zij hare lezing, om eenige geschikte
toepassing tusschen het verhaal in te vlechten
of eene warme opwekking tot hare jeugdige
toehoorders te richten. Gretig luisteren de kinde-
ren naar die boeiende voorbeelden en vermanin-
gen, en duidelijk staat op hun open gelaat te
lezen dat zij vermaak scheppen in die heilzame
oefening.
Treffend tafereel, dat aan, helaas! lang ver-
leden dagen doet terugdenken. Niettegenstaande
de talrijke bezigheden, die elkander bij de land-
lieden van den vroegen morgen tot den laten
avond onafgebroken opvolgen, wisten de zorg-
volle ouders iederen dag nog tijd te vinden, om
door eene stichtende lezing aan het geestelijk
welzijn hunner kinderen te werken. Welke
troostrijke vruchten heeft die opvoeding dan ook
niet gedragen! Van de zeven kinderen, traden
twee dochters het klooster in. Eenoudere broe-
der werd lid van de Congregatie der HH. Har-
ten van Jezus en Maria, en daarin volgde
hen weldra zijn jongere broeder Jozef, die later
onder de melaatschen van Molokai dezelfde
edele zelfopoffering aan den dag legde, waarvan
hij als kind de voorbeelden in het leven der
Heiligen had bewonderd.
Jozef De Veuster (Damiaan is zijn klooster-
naam) werd geboren den 3" Januari 1840. Zijn
vader, Frans De Veuster, dreef handel in granen
en bebouwde nog wat land. Hij had al de goede
-ocr page 17-
EEN EDELMOEDIGE KNAAP                      3
hoedanigheden van onze katholieke Kempe-
naars. Even oprecht christelijk en werkzaam als
zijne deugdzame echtgenoote, zocht hij zijn geluk
in den schoot der familie, en vond zijn genot in
Geboortehuis van Pater Damiaan, te Tremeloo.
een onverpoosden arbeid en in het zorgvuldig
opvoeden zijner kinderen. Vrij van de angstige
bekommeringen en de rustelooze hebzucht, welke
rijkdom en armoede vergezellen, mochten zij
met blijde hoop en stille tevredenheid aan het
-ocr page 18-
4                   LEVEN VAN PATER DAMIAAN
tijdelijk welzijn hunner kinderen arbeiden. De
vader stierf in 1873, kort na Jozefs aankomst
onder de melaatschen. De moeder verliet dit
leven slechts twee jaar vóór haar edelmoedig
kind, en aldus genoten die godvruchtige ouders
den welverdienden troost, nog op aarde de
gelukkige getuigen te zijn der heldhaftige zelf-
opoffering\' van hun dierbaren zoon.
De kinderjaren van Jozef De Veuster zijn
juist niet rijk aan buitengewone gebeurtenissen.
Schier onopgemerkt groeide onze knaap met
zijne broeders en zusters op. Zich dagelijks
met hen naar school te begeven, buiten den
leertijd zijn vermaak te zoeken in een onschul-
dig spel, dit was jarenlang het eenvormig leven
van den kleinen Jozef.
Als God eene ziel met eene bijzondere zen-
ding begenadigt, heeft Hij wonderbare en zeer
verschillende wegen om tot zijn doel te komen.
Nu eens is alles treffend en krachtig : Saul, de
vervolger van Christus\' kerk, wordt ter aarde
geworpen op den weg van Damaskus ; Ignatius,
de wereldsche ridder, valt gekwetst bij het beleg
van Pampeluna en leest op zijn smartbed de
levens der Heiligen: beiden staan op, herschapen
in groothartige Apostelen van Christus. Dan
weer laat God zijne genade met meer zachtheid
werken ; van de wieg af schijnen zijne uitver-
korenen het zegel hunner zending te dragen, en,
als een dageraad die langzaam opklimt tot den
vollen middag, zijn hunne jeugdige jaren de
-ocr page 19-
EEN EDELMOEDIGE KNAAP                      5
langzame voorbereiding en ontwikkeling hunner
latere bestemming. Bij onzen Jozef schijnt dit
laatste de leiding Gods te zijn geweest.
Van kindsbeen af toonde hij een natuurlijken
afkeer van de luidruchtige spelen, waarmede de
schoolmakkers zijner jaren zich zoo gaarne ver-
maakten. En nochtans, zooals later duidelijk
genoeg zal blijken, stroomde warm bloed in
zijne aderen en klopte een kloekmoedig hart in
zijne jeugdige borst!
Maar uitgestortheid en uitgelatenheid scheen
hij altijd te vluchten. Toen reeds bemerkte men
in hem eene zekere voorliefde voor een meer af-
getrokken leven en stille eenzaamheid. Dikwijls
wandelde hij alleen door de lachende velden,
welke het vaderlijke huis omringden,of liep mede
met de schaapherders die de huppelende kudden
ronddreven, of speelde en dartelde uren lang met
de grazende lammeren. Zijne liefde voor deze
vreedzame gezellen was zoo algemeen bekend,
dat men hem « den kleinen herder » noemde.
Bij zielen die het gewoel en de verstrooiingen
der wereld trachten te ontvluchten, bemerkt men
gewoonlijk eene grootere geneigdheid tot het
gebed en een gemakkelijker verkeer met God.
Jozef was nog maar vier jaar oud, toen hij zijne
liefde tot het gebed duidelijk deed blijken. Het
was op Pinksterdag,en het naburig dorp Werch-
ter vierde zijne jaarlijksche kermis. Waarschijn-
lijk ten gevolge der bezoeken, die bij zulke
gelegenheden plaats hebben, werd de jonge
-ocr page 20-
6                   LEVEN VAN PATER DAMIAAN
knaap uit het oog verloren. Reeds was het tame-
lijk laat in den namiddag, en sedert den morgen
was Jozef niet te zien geweest. Ouders en bloed-
verwanten waren angstig aan het zoeken, en
niemand wist waar hij kon gebleven zijn. Einde-
lijk kwam de grootvader, die de geheime neigin-
gen van zijn welbemind herdertje het best scheen
te kennen, op de gedachte « dat men hem in de
kerk van Werchter moest gaan zoeken. » Aan-
stonds loopt men er heen; want het was reeds
avond. En inderdaad, daar vindt men den on-
schuldigen knaap godvruchtig aan het bidden....
Gelukkig kind, dat zoo vroeg reeds zijn genoe-
gen zoekt in het gebed !
De dagelijksche lezing van de levens der
Heiligen maakte op Jozef een bijzonderen
indruk, en de voorbeelden van boetvaardigheid
en zelfverzaking, welke hem door zijne god-
vreezende moeder voorgelezen werden, vonden
al vroeg weerklank in zijn edelmoedig hart. Hij
ook begeerde reeds de heldendaden der Hei-
ligen na te volgen.
Men verhaalt van sommige veldoversten dat
zij, nog kind zijnde, geheele scharen van houten
soldaten in beweging zetten, en hunne speelmak-
kers tot het innemen van versterkte plaatsen
aanvoerden. Hun latere krijgsroem deed die
anders onbeduidende kinderspelen opmerken.
Onze jeugdige Jozef ging dagelijks naar school
met zijn ouderen broeder August, zijne zuster
en eenen zijner neven. Op zekeren dag kwam bij
-ocr page 21-
EEN EDELMOEDIGE KNAAP                      J
hen eene zonderlinge gedachte op. Waarschijn-
lijk hadden zij in de avondlezing het leven van
eenen of anderen kluizenaar hooren verhalen. Zij
ook wilden kluizenaars worden ! Het was onge-
veer half negen in den morgen ; in plaats van
recht naar school te gaan, zoeken zij een eenzaam
plekje in het kreupelhout langs den weg. Ieder
zet zich op zijne knieën en onderhoudt een
streng stilzwijgen. Tegen den middag neemt elk
zijn deel van den voorraad, dien zij gewoonlijk
zelf medebrachten : ook onder dezen maaltijd
werd geen woord gesproken. Zoo verbleven de
eenvoudige kinderen daar nog den geheelen
namiddag in de eenzaamheid en in het gebed
nedergeknield. Reeds was het avond, toen onze
onbezonnen kluizenaars gelukkig door eenen
voorbijganger werden opgemerkt en aanstonds
naar huis gebracht.
Onbeduidend mag deze trek van kinderlijke
eenvoudigheid heeten. Maar wat belet ons, in dit
voorval een ontkiemend verlangen waar te
nemen naar eene hoogere volmaaktheid, vooral
als wij indachtig zijn, dat drie dezer kleinen later
het klooster zullen intreden ?
Zeker roept God wien Hij wil. Hij kan als
het Hem behaagt, rozen doen bloeien aan ver-
droogde doorntakken en saprijke vruchten pluk-
ken van uitgedorde boomen. Van den meest ver-
steenden zondaar.kan Hij eenen Heilige maken.
Dikwijls nochtans verkiest zijne genade den
vruchtbaren bodem van een zuiver en edel hart.
-ocr page 22-
8                   LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Zij helpt den natuurlijken aanleg, versterkt en
veredelt de aangeborene hoedanigheden. Van
kindsbeen af gaf de H. Vincentius a Paolo bij-
zondere blijken van teedere naastenliefde : wie
weet niet, welke wonderen van liefdadigheid hij
onder de heilzame werking der goddelijke ge-
nade in latere jaren heeft gewrocht ?
En de toekomstige apostel der melaatschen,
toonde hij zich niet reeds vroeg geschikt tot eene
bijzondere roeping? Gaf hij gehoor aan de roep-
stem der genade, die hem tot edelmoedigheid en
zelfverloochening uitnoodigde ? Het volgende
feit, hoe gering ook, zal hierop misschien een
voldoend antwoord geven.
Op zekeren morgen stapten onze reeds be-
kende kinderen met blijderen tred naar school.
Moeder had hun iets buitengewoons tot mid-
dagmaal medegegeven. Dien dag verlangden zij
natuurlijk wat meer naar het einde van de klas.
Zooals hunne andere schoolmakkers die te ver
van huis waren, aten zij gewoonlijk zoo maar uit
de vuist, in de vrije lucht. Na de school wordt
de lekkere voorraad uitgedeeld en met gretige
hand naar den mond, gebracht. Maar zie, daar
komt een arme bedelaar hen verrassen met een
aangenaam nieuws, betreffende hunne kinderspe-
len. Aanstonds krijgt hij een gedeelte van den
koek. Maar dit schijnt onzen goeden Jozef nog te
weinig : « laten wij hem alles geven, zegt hij, de
arme man leeft toch voortdurend in nood. » En
zoo overtuigend klonk zijn woord, dat de bede-
-ocr page 23-
KEN EDELMOEDIGE KNAAP                      9
laar terstond den geheelen voorraad ontving, en
de liefdadige kinderen dien dag geen middag-
maal gebruikten.
Wat mocht men niet verwachten van een
kind dat zulke blijken van naastenliefde gaf? Ja,
met welgevallen moest God op den liefdadigen
knaap nederzien. Reeds nu mogen wij met reden
hopen dat de stem des Heeren, welke hem tot de
edelmoedigste zelfopoffering moet aanzetten, in
zijne ziel weerklank zal vinden. Wij mogen ver-
trouwen dat de nog teedere kiem zijner naasten-
liefde onder den dauw der goddelijke genade
gemakkelijk en welig zal opgroeien, om later alle
noodlijdenden met den overvloed harer vruchten
te verblijden.
Zoo werkte de geest van God al vroeg in dit
uitverkoren kind. Was het misschien niet vrij van
sommige gebreken die de kinderen als aange-
boren schijnen, wij mogen nochtans vertrouwen,
dat zijn handel en wandel over \'t algemeen
in overeenstemming is geweest met die enkele
trekken, welke wij aanhaalden.
En hoe zou zijn goede Engelbewaarder hem
niet in alle gevaren der ziel geholpen hebben,
hij die zijn lieven beschermeling zelfs in de ge-
varen des lichaams zoo krachtig scheen bij te
staan ? Zijn broeder Pamphilus deelt ons het
volgende mede : « Eens, zegt hij, werden wij bij
onzen terugkeer van de school, dooreenen land-
bouwer met een ledigen wagen achterhaald. De
man was ons niet onbekend.en wij vroegen maar
-ocr page 24-
IO LEVEN VAN PATER DAMIAAN
stoutweg om mede te rijden. Dit werd ons goed-
willig toegestaan; het paard hield stil, en juichend
klauterden wij om het vlugst den wagen op.
Jozef kwam de laatste. Maar zie, eer hij gezeten
is, springt het paard vooruit en de verraste
knaap valt voorover en rolt onder den wagen :
in een oogwenk waren de zware wielen hem
dwars over het lijf. Verschrikt snelt de landbou-
wer toe om het schreiende kind op te helpen,
terwijl een van ons naar huis ijlt en daar de
verschrikkelijke tijding brengt, dat Jozef over-
reden en voor dood is blijven liggen. En werke-
lijk, negen van de tien zouden er het leven bij
gelaten hebben : het wiel ging hem dwars over
hoofd en lendenen. Hoe groot was dan niet onze
verbazing en blijdschap, toen wij hem zoo goed
als ongedeerd vonden! Reeds \'s anderdaags
ging Jozef weder met ons naar school... Dit
wonderbaar behoud konden wij zonder eene
bijzondere bescherming van zijn bewaarengel
moeielijk verklaren. »
Jozef zelf verhaalt ons, hoe hij nogmaals aan
den dood ontsnapt is. Hij was een groot liefheb-
ber van schaatsenrijden en kon dan ook met de
vlugste rijders wedijveren.
« Bij een felle koude had ik mijne schaatsen
aangeschoten, om langs de Dyle naar huis te
rijden. Het was heerlijk ijs, effen en glad, zoodat
ik als een pijl over de spiegelende baan vooruit-
vloog. Reeds was ik aan de monding van de
Laak, toen ik mij eensklaps voor eene opening
-ocr page 25-
EEN EDELMOEDIGE KNAAP                    I I
bevond : nog eene schrede en... Gelukkig kon
ik mij op tijd met eene wanhopige poging om-
wenden naar den oever. Angstig zie ik om, als
wilde ik het gevaar meten, en daar zag ik de
insnijding mijner schaats juist aan den boord
eener diepte! Ontroerd viel ik op mijne knieën
om God te bedanken voor die wonderbare red-
ding. »
Mag dit laatste ook eene uitspatting van zijn
vurig karakter heeten, zij is tamelijk onschuldig
en getuigt daarenboven van kinderlijken moed
en onverschrokken levenslust. Geene andere
overigens worden van hem verhaald. Of liever
ziehier, om het verhaal een weinig vooruit te
loopen, wat zijne bekommerde moeder, met
eenen glimlach of eenen traan van bewondering,
in zekeren zin eene kinderlijke buitensporigheid
mocht noemen.
Op zekeren morgen, terwijl zij de slaapkamer
van haren Jozef in orde brengt, ontdekt zij in
het bed van den toen dertienjarigen knaap eene
zware plank ! Aanstonds weet zij wat dit te be-
teekenen heeft : het kind sliep daarop des nachts
uit versterving ! Steeds werd het boetevoorwerp
zorgvuldig onder het bed verborgen, maar dezen
morgen had Jozef vergeten de gewone voorzorg
te nemen, en zoo werd zijn vroegtijdige geest
van boetvaardigheid ontdekt en natuurlijk uit
voorzichtigheid gematigd.
—*©fr—
-ocr page 26-
R is in het leven van ieder kind een
dag,waarnaar het met ongeduld ver-
langt, een dag van heilig geluk voor
zijne onschuldige ziel, van stille be-
wondering en blijden troost voor zijne ontroerde
ouders. De dag der eerste H. Communie, vooral
bij godvruchtige kinderen, doet voor een oogen-
blik den hemel in een harte dalen, en laat van
die indrukken, welke door geene jaren worden
uitgewischt en door geene latere stormen van
driften of beproevingen weggenomen. Hoe
schoon moet onze Jozef dezen dag niet gevonden
hebben ! Hij, altijd zoo voorbeeldig, altijd zoo
godvruchtig, met hoeveel ijver, met welke liefde
zal hij tot de H. Tafel genaderd zijn !
Geen bijzonderheden over deze treffende
plechtigheid zijn echter tot ons gekomen. Maar
een kind, dat als eene aangeboren neiging tot
het gebed toonde, een kind dat reeds zoo rijp
scheen voor mannelijke deugden, zal zich onge-
twijfeld met allen ernst tot die heilige daad
bereid hebben, en bij die eerste liefdevolle
vereeniging met zijnen God eenen rijken schat
van genaden hebben ontvangen!
Bij jongelingen die uitmuntendoor godsvrucht
en edelmoedigheid, komt dikwijls al vroeg de
begeerte op zich geheel aan God in den priester-
-ocr page 27-
LEVEN VAN PATER DAMIAAN 13
lijken staat toe te wijden. Jozef, hoe voorbeeldig
ook, had echter nog geene inwendige stem ver-
nomen,welke hem tot die edele roeping uitnoo-
digde. Ook besloten zijne ouders hem voor het
handelsleven op te leiden. Terwijl dus zijn broe-
der August (Pamphilus werd later zijn klooster-
naam) latijnsche studiën doet, en zich recht-
streeks voorbereidt tot den priesterlijken staat,
zal Jozef althans voorloopig in het ouderlijke
huis blijven, om later de zaak van zijnen vader
over te nemen. Zoo was hij zijne ouders behulp-
zaam tot zijn zeventiende jaar.
Toen besloten zij hem voor eenige jaren naar
de handelsschool van \'s Gravenbrakel (Braine-le-
Comte) te zenden. Daar zou hij gemakkelijk wat
fransch kunnen aanleeren en zijne kennissen
meer uitbreiden, om later met goed gevolg han-
del te drijven.
Deze jongelingsjaren van Jozef, zoo te huis
als op het handelsgesticht, zijn ons ook tamelijk
onbekend. Alleen eenige geringe trekken kun-
nen wij schetsen. Mogen die gebeurtenissen
iemand wat alledaagsch voorkomen, de meeste
lezers nochtans zullen met belangstelling de
kinderschreden volgen van eenen held, die later
ook de dappersten op den weg der zelfopoffe-
ring met reuzenstappen zal vooruitgaan.
Onze jongeling was waarschijnlijk nog niet
aan het studeeren, toen een liefdedienst jegens
een ongelukkigen buurman den naam van Jozef
De Veuster door velen deed zegenen. Hij die
-ocr page 28-
14                 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
met onze Kempen bekend is, weet genoegzaam
hoe behendig sommige huisgezinnen de armoede
weten af te weren. Geef hun een plekje grond,
eene graszode, eene koe, en zij leven betrekke-
lijk in rijkdom en weelde! Maar komt het nuttig
runddier te sterven, dan grijnst hun dikwijls de
armoede tegen!
Een buurman was op het punt zijne eenige
koe te verliezen, en deze ook was al zijn rijkdom.
Reeds stond de slachter aan de deur, om het dier
af te maken, en de ongelukkige familie was nut-
teloos aan het jammeren en weenen. Maar zie!
Jozef heeft het vernomen en verschijnt eensklaps:
€ Wacht, zegt hij tot den slachter met een vast-
beraden toon, ga maar henen. Ik zal voor de koe
zorgen, ik zal ze wel genezen.» En inderdaad, hij
meestert, hij waakt den geheelen nacht, verzorgt
het arme dier, en beurt onderwijlen den weenen-
den buurman op. Angstig wacht de bekommerde
familie den uitslag dezer verpleging af... En ge-
lukkig, den volgenden dag was het lijdende dier
buiten gevaar. De koe was gered! Jozef had een
huisgezin door zijne zelfopoffering en liefdadig-
heid van de armoede bevrijd, en gelijk vroeger
de goede Fénelon, aartsbisschop van Kamerijk,
mocht hij met alle blijdschap aan den arme zijne
koe en zijn geluk terugschenken.
Op het handelsgesticht van \'s Gravenbrakel
stond Jozef bekend als een godvruchtig en werk-
zaam leerling. Met zijn vast geheugen en scherp
verstand moest hij dan ook snellen voortgang
-ocr page 29-
EEN ERNSTIG JONGELING                      15
maken. Aan den arbeid scheen hij waarlijk onver-
moeid. Het was hem niet genoeg zich met allen
ijver onder den leertijd op de studie toe te leg-
gen, hij maakte zich zelfs de wandelingen ten
nutte om zijne kennissen uit te breiden.
Zeldzaam zijn ongetwijfeld de leerlingen, die
na een onverpoosden arbeid niet naar de vacantie
verlangen. Jozef nochtans was van dit getal. Ja,
hij had liever zijne studiën nog voortgezet onder
het schoolverlof. Op het einde van hetjaan858
schrijft hij den 17enJuli aan zijne ouders onder an-
dere deze bijzonderheden:... « Deprijsuitdeeling
zal waarschijnlijk op den i5en Augustus gesteld
worden. Het is jammer dat het zoo vroeg is. Ik
zal veel te lang moeten t\'huis blijven, en in die
zeven weken kan ik al mijn fransch vergeten. Ik
zou nog wel hier blijven na de prijsuitdeeling, als
ik maar eenen makker vond. Maaralleen blijven
is onmogelijk.....»
Bij hoeveel kinderen zien wij niet de gods-
vrucht, hoe teeder dan ook, met de jaren ver-
zwakken en verdwijnen ! Wie kent dat bedrie-
gelijk zonnelicht niet, dat ons soms op eenen
zomermorgen tegenlacht ? Wacht eenigen tijd
en gij zult met droefheid zien, hoe een dikke
nevel de lucht komt betrekken, hoe donkere on-
weerswolken zich samenpakken. Ja, onbelem-
merd schijnt dikwijls eerst het licht der genade
in den onbewolkten hemel van eene zuivere ziel :
maar soms ook komen duistere wolken dat blijde
licht benevelen, en beginnen de stormen van
-ocr page 30-
l6 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
allerhande driften vrij te woeden! De gods-
vrucht van Jozef werd met de jaren niet zwakker,
maar mannelijker. In het gebed vond hij nog
altijd een bijzonderen smaak, en onder zijne
medeleerlingen stond hij bekend als een uiterst
godvruchtig jongeling. Daar hij verder ook
voorbeeldig was in zijnen omgang met meesters
en studiemakkers,scheen hij als voor het altaar of
voor het kloosterleven opgegroeid ; en noch-
tans had men bij hem nog geen dergelijke roe-
ping waargenomen.
Eene zending, welke de Eerw. Paters Redemp-
toristen in de parochiekerk predikten, zou hem
eindelijk den weg wijzen dien hij te volgen had.
Zooals reeds gebleken is, was Jozef een man
van één stuk. Wat hij ondernam, deed hij met
geheel zijn hart. De geestelijke oefeningen dezer
zending volgde hij met al den ijver van een
jeugdig en edel gemoed. Is het te verwonderen
dat de uitslag beslissend was ?
Sedert deze retraite bemerkten inderdaad zijne
medeleerlingen in hem iets bijzonders. Hij was
zoo teruggehouden, zoo ernstig,zoo afgetrokken!
Zijne uiterlijke godsvrucht was zoo teeder! Men
zag eene buitengewone werking van de genade
in zijne handelingen doorstralen. En dan nog,
des nachts bleef hij geruimen tijd op, om zich
met God te onderhouden : al deed hij ook zijn
best om dit godvruchtig nachtwaken niet te laten
merken, leerlingen en oversten hadden het ge-
heim achterhaald.
-ocr page 31-
EEN ERNSTIG JONGELING                     l"J
Wat was er dan omgegaan in dit hart ? Jozef
had aan het licht der groote waarheden van ons
geloof het niet en de vergankelijkheid van al
het aardsche begrepen, en zijn besluit was ge-
nomen : hij zou den veiligsten weg inslaan om
zich eene gelukkige eeuwigheid te verzekeren :
hij zou de gevaren eener onstuimige wereld ont-
wijken en tegen de aanvallen zijner geestelijke
vijanden eene schuilplaats zoeken in de veilige
haven van het kloosterleven. Die genade vroeg
hij in zijne vurige samenspraken met God !
Het kloosterleven doet zich voor onder talrijke
vormen: gezondheid, lichaamsgestel en verstan-
delijke vermogens verschillen bij verschillende
menschen ; ook de genade kent ontelbare wegen
om ons tot het eenig doel der volmaaktheid te
leiden. Jozef wist eerst niet welken weg kiezen.
In zijn eersten ijver wilde hij de Orde der Trap-
pisten intreden, waar de koorzang, de beschou-
wing en de boetplegingen zijne zucht naar ver-
stervingen en godsvruchtsoefeningen zouden
bevredigen. Dit was nochtans zijn weg niet.
Zijn broeder August was sedert twee jaar
te Leuven in de Congregatie der HH. Harten
van Jezus en Maria opgenomen. Jozef deelde
hem zijn verlangen mede. De uitslag dezer
briefwisseling met Pater Pamphilus was, dat
Jozef zich geneigd toonde om zijnen broeder te
volgen. In eenen brief gedagteekend van den
iyn Juli 1858 drukt hij zich aldus uit over het
intreden van zijne zuster in het klooster : « Zij
Leven van Pater Damiaan.
-ocr page 32-
l8 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
heeft het geluk gehad van het moeielijkste werk
te voleinden dat wij te doen hebben op deze
wereld. Ik hoop dat het nu mijn toer zal zijn,
beminde ouders, van te kiezen, welken weg dat
ik zal moeten ingaan. Zoude het voor mij on-
mogelijk zijn van uwen zoon Pamphilus te vol-
gen (\') ?»
Wilde Jozef door deze vraag zijne ouders
alleen tot eene toekomstige scheiding voorberei-
den, of vreesde hij eenigen tegenstand te ont-
moeten, dit is moeielijk uit te maken. Wij weten
slechts dat hij na de vacantie naar \'s Gravenbra-
kel nog terugkeerde. Dit uitstel, wat er ook de
oorzaak van zijn moge, zou nochtans van korten
duur wezen. Jozef was vast besloten het klooster
in te treden, en zijne ouders waren te grondig
christelijk om hunne toestemming volstrekt te
weigeren.
De plechtigheid van Kerstmis kwam zijnen
ijver nog aanvuren. De H. Communie, die hij
met teedere godsvrucht ontving, zijne innige
samenspraken met het kind van Bethlehem en
de treffende voorbeelden van den nieuwgeboren
God-Mensch, onthechtten zijne ziel meer en
meer van al het aardsche.
Hem ook verscheen toen, als het ware, de
blijde sterre van Bethlehem, en in zijn vurig
hart blonk een heldere straal uit den hoogen :
i. De vlaamsche brieven laten wij onveranderd volgen. Al-
leen hebben wij de algemeen aangenomene spelling van de Vries
en te Winkel gebezigd, en het een of ander woord verplaatst. De
meeste brieven zijn oorspronkelijk in het Fransch geschreven.
-ocr page 33-
EEN ERNSTIG JONGELING                     19
ja, hij zag het! Het was de wil van God dat hij
de Congregatie der HH. Harten van Jezus en
Maria zou intreden. Hij wilde dit nogmaals eer-
biedig maar krachtig aan zijne ouders voor oogen
stellen, en vragen om zoohaast mogelijk te ver-
trekken. Den brief waarin hij die toelating vraagt
zullen wij bijna in zijn geheel laten volgen :
« Beminde ouders.
« Ik kan niet nalaten van u te schrijven op
dezen schoonen dag van Kerstmis, die mij heeft
verzekerd dat het de H. Wil Gods is, dat ik de
wereld zoude verlaten en dat ik den religieuzen
staat zoude omhelzen.
« Zoo, beminde Ouders, ik vraag u nog eens
of Gl. zult tevreden zijn met deze zaak. Want,
zonder uwe tevredenheid zoude ik zulk eenen
staat niet durven aangaan.
« Gij moogt niet denken, beminde Ouders,
dat het enkelïjk mijne wil is van dezen heiligen
staat aan te gaan. Maar ik verzeker u, dat het
de H. Wil der goddelijke Voorzienigheid is.
«Ik geloof niet dat gij mij zult weigeren van
dezen staat aan te gaan ; omdat het God is die
mij daartoe roept, aan Wien ik moet gehoor-
zamen. Want, met te weigeren aan uw kind den
wil van God te volgen in het aanvaarden van
eenen staat, zoudet gij u ondankbaar toonen aan
Hem, die u daarvoor zoude kunnen straffen op
eene schrikkelijke wijze ; en ook ik zoude alzoo
kunnen beloopen, eene faute onherstelbaar, van
-ocr page 34-
20               LEVEN VAN PATER DAMIAAN
te verliezen den roep, voor denwelken Hij mij
bestemd heeft van mijne kindsheid af, en alzoo
eeuwig ongelukkig wezen.
« Gij weet, beminde Ouders, dat wij allen
den staat moeten kiezen, dien God ons geschikt
heeft om hiernamaals te kunnen gelukkig zijn.
Het is daarom dat gij UI. niet moogt bedroe-
ven, omdat God mij roept tot dezen staat.
« Auguste heeft mij geschreven dat ik zonder
twijfel zal mogen aangenomen worden in hun
klooster onder den naam van koorbroeder, en dat
ik niet mag uitstellen van te nieuwjaar te komen
om daarvan te spreken aan zijnen Supérieur, en
voor eenigen tijd daar mijn noviciaat te be-
ginnen.
« In afwachting......»
Zijne christelijke ouders verstonden deze rede-
nen ; zij zagen dat de roeping van hunnen Jozef
van God kwam ; hoe pijnlijk het hun ook viel
zich van hem te moeten scheiden, zouden zij
nochtans het verlangde offer brengen, en aan
God het kind terugschenken dat Hij hun ge-
geven had.
Zijn vader nam dus het besluit met Jozef
naar Leuven te vertrekken, na zijne terug-
komst. Daar zou hij die zaak met den Eerw.
Pater Overste der Picpus-Paters gemakkelijker
kunnen afhandelen. Hij zelf moest overigens
in de stad eenige andere zaken regelen. Te
Leuven aangekomen, verwijderde hij zich dan
ook weldra, en liet de twee broeders met elkan-
-ocr page 35-
EEN ERNSTIG JONGELING                     21
der. Aanstonds deed Jozef zich bij den Overste
geleiden en werd door hem nog denzelfden dag
aangenomen.
Welk eene blijdschap voor den edelmoedigen
jongeling ! Hij die reeds zoolang de wereld van
harte verlaten had, hij die in het kloosterleven
zijn tijdelijk en eeuwig geluk zocht, hij zag ein-
delijk zijne vurigste wenschen verwezenlijkt :
hij mocht de Congregatie der HH. Harten van
Jezus en Maria intreden.
Nochtans moest hij nog afscheid nemen van
zijne moeder en zijne overige bloedverwanten.
Toen zijn vader uit de stad terugkwam, wilde
hij dan ook dat Jozef nog voor eenigen tijd naar
Tremeloo zoude terugkeeren. Maar tot zijne
groote verwondering, smeekte Jozef hem beleefd
toch in het klooster te mogen blijven : hij zou
zijne moeder eene nuttelooze hartverscheuring
sparen, en zonder aan zijne plichten te kort te
komen, kon hij zijne.ware liefde en oprechte
dankbaarheid jegens zijne bloedverwanten ook
wel van daar betuigen. De vader vond die re-
denen goed, en Jozef had het genot op den
zelfden dag twee zijner vurigste verlangens te
zien bevredigd: zijne aanneming en zijn intreden
in de Congregatie van de HH. Harten.
-ocr page 36-
DERDE HOOFDSTUK
Ware kloosterdeugd
M Jozef De Veuster in zijn nieuw
leven gemakkelijker te volgen, zal
het nuttig zijn wat nader kennis te
maken met de Congregatie, wier re-
gel hij zal volgen en wier geest hem voortaan
moet bezielen (\').
Tijdens de Fransche omwenteling, toen schier
alle kloosterorden waren verjaagd, en de Kerk
van Frankrijk geleek aan eene herderlooze
kudde door razende wolven vervolgd, vatte een
nog jeugdig priester het stout besluit op, moe-
dige mannen samen te roepen, om die beproefde
kudde den noodigen bijstand te verleenen en het
steeds aangroeiend kwaad der ongeloovigheid
zooveel mogelijk te stuiten.
De Eerw. Heer Coudrin was onder het
schrikbewind in verschillende bisdommen werk-
zaam geweest; dikwijls had hij de vervolgde
katholieken met levensgevaar ondersteund en
getroost. Gunstig gekend om zijn apostolischen
ijver en zijn heiligen levenswandel, kon hij wel-
dra te Parijs talrijke priesters vereenigen, die
met hem onder een zelfden regel en tot een
zelfde doel besloten mede te werken. Zoo
stichtte hij in de hoofdstad een college voor
I. Deze bijzonderheden zijn grootendeels ontleend aan het
Fransch leven van P. Damiaan, door den E. P. Tauvel.
-ocr page 37-
LEVEN VAN PATER DAMIAAN 23
jongelingen, en opende een seminarie om nieuwe
priesters voor de diepbeproefde Kerk zijns
vaderlands op te leiden. Te gelijker tijd gelukte
het hem, met het toedoen van Mevrouw Aymer
de la Chevalerie, eenige kloosterzusters te ver-
eenigen, die zich aan het onderwijzen van
arme meisjes en van juffrouwen zouden toe-
wijden.
Het moederhuis der Paters was gelegen in
de Picpusstraat; van daar dat zij tegenwoordig
nog bekend staan onder den naam van Picpus-
Paters.
Het doel van den Eerw. Heer Coudrin in het
oprichten zijner Congregatie was viervoudig.
Hij wilde dat hare leden hun goddelijken
Zaligmaker in de vier tijden van zijn sterfelijk
leven zouden navolgen : in zijne kindsheid door
het onderwijzen der jeugd en het opleiden van
geestelijken ; in zijn verborgen leven, door de
aanbidding van het H. Sacrament ; in zijn apo-
stolisch leven, door het uitoefenen van den
zielenijver in het land en in de vreemde zendin-
gen ; in zijn lijden, door de oefeningen der
christelijke boetvaardigheid.
Een der voornaamste plichten van de leden
dier Congregatie is de Gedurige Aanbidding
van het H. Sacrament, tot eerherstelling voor
de versmadingen, welke de HH. Harten van
Jezus en Maria door de zonden der men-
schen worden aangedaan. Hierop wijst de naam
van Congregatie der HH. Harten van Jezus
-ocr page 38-
24               LEVEN VAN PATER DAMIAAN
en Maria en der Gedurige Aanbidding van het
Allerheiligste Sacrament des Altaars (\').
Door de Gedurige Aanbidding van het H. Sa-
crament wilde de ijverige stichter in den waren
geest treden van de godsvrucht tot het H. Hart
van Jezus. Dat innig verkeer met den God
onzer altaren, die liefde tot het beminnelijk Hart
van Jezus zou overigens voor zijne klooster-
lingen eene leerschool van ware kloosterdeügd
wezen en eene rijke bron van echt apostolischen
zielenijver (2).
De Congregatie der HH. Harten heeft tot
bijzonder doel de bekeering der ongeloovigen.
Hare kinderen verplichten zich, uit gehoorzaam-
heid zich te begeven overal waar zij gezonden
worden, om aan het heil der zielen te arbeiden,
ware het ook in de meest afgelegene en onher-
i. Ieder lid moet dagelijks zijne aanbidding doen, en in ieder
huis, waar het getal leden groot genoeg is, is men verplicht zich
dag en nacht onafgebroken in die godvruchtige oefening op te
volgen. Reeds zijn er dertig dergelijke huizen, in Frankrijk,
Spanje, Amerika en Oceanië.
2. Zonder lid te zijn van deze Congregatie, kunnen alle ge-
loovigen met hare leden tot eene bijzondere vereering der HH.
Harten van Jezus en Maria medewerken. Iedereen kan zich in
het Genootschap der HH. Harten laten inschrijven en de talrijke
aflaten verdienen waarmede het door den Heiligen Stoel werd
verrijkt. Daartoe is het voldoende, zich schriftelijk te wenden tot
den Overste van een der huizen der Congregatie, of ook tot den
Bestuurder van een Genootschap dat canonisch is ingericht. Men
verbindt zich om een half uur aanbidding te doen, ten minste op
zondagen en feestdagen. Kan men wegens zijne bezigheden die
aanbidding niet dagelijks doen, dan mag men in de plaats wat
bidden ter eere van het H. Sacrament. Hoe aangenaam die
oefening moet zijn aan het H. Hart van Jezus, is licht te begrij-
pen. De goddelijke Meester zelf noodigde de heilige Maria
Alacoque uit, om dat Hart eene gedurige hulde van liefde en
aanbidding te brengen.
-ocr page 39-
25
WARE KLOOSTERDEUGD
bergzame streken. De H. Stoel heeft haar een
uitgestrekt veld aangewezen, waar deze « nieuwe
arbeiders eenen nieuwen oogst souden inzamelend.
De eilanden Sandwich, Taïti en Marquesas
vormen elk afzonderlijk een apostolisch vicariaat,
waar talrijke priesters met on vermoeiden ijver
aan de bekeering der zielen arbeiden.
De Congregatie hangt rechtstreeks van de
Propaganda af en wordt bestuurd door eenen
Generaal-Overste. Er is een noviciaat te Leuven
voor het Noorden, te Miranda in Spanje voor
het Zuiden, en te Valparaiso in Chili voor Zuid-
Amerika. Na 18 maanden beproeving doen de
nieuwelingen eenvoudige maar bestendige ge-
loften.
In 1817 werd deze Congregatie goedgekeurd
door Paus Pius VII, in 1825 door Leo XII, en
eene derde maal in 1840 door Gregorius XVI,
onder den naam van Congregatie der HH. Har-
ten van Jezus en Maria en van de Gedurige
Aanbidding van het H. Sacrament des Altaars.
Sedert hare instelling bleven hare leden
steeds uitmunten door hunne getrouwe nako-
ming van den kloosterregel, en door den onbe-
zweken ijver waarmede zij in den wijngaard
des Heeren arbeidden. Op het oogenblik bloeit
deze jeugdige kloosterstam meer dan ooit : hij
schiet meer en meer uit in saprijke takken
zoo in de nieuwe als in de oude wereld, terwijl
ook troostrijke vruchten van heiligheid getuigen
van zijne gezonde levenskracht.
-ocr page 40-
20               LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Het was in het noviciaat van deze Congre-
gatie dat Jozef De Veuster als koorbroeder werd
aangenomen in het begin van Januari 1858. De
ootmoedige jongeling was uiterst tevreden met
dezen nederigen graad van leekebroeder. Zijne
ziel redden, aan zijne heiligmaking werken, dat
was zijn eenig verlangen ! Hoe of door welke
wegen, door het handwerk of door de studie,
daar liet hij God en zijne Oversten over be-
schikken.
En inderdaad hij dien God leidt, wordt goed
geleid. Op de meest onverwachte wijze werd
dit weldra blijkbaar. Het gebeurde niet zelden
dat de twee broeders zich afzonderlijk onder-
hielden met elkander, onder den gewonen uit-
spanningstijd. Pamphilus nam de gelegenheid te
baat om zijnen broeder soms uitlegging te geven
van de Latijnsche aanhalingen uitdeH. Schriftuur»
welke hij in onderrichtingen mocht gehoord of
in geestelijke lezingen ontmoet hebben. Jozef
had een vast geheugen, en vond er zijn vermaak
in,den volgenden keer de Latijnsche aanhalingen
met hunne uitlegging van buiten op te zeggen.
Zoo kende hij in korten tijd een aantal Latijnsche
volzinnen, en wist de uitgangen van de woorden
goed te verklaren. Dit kwam weldra den Overste
ter oore en deed hem het besluit nemen den
bekwamen jongeling nader te onderzoeken. Jozef
mocht zich op de studie van het Latijn toeleggen :
na een bepaalden tijd zou hij daarover een exa-
men ondergaan. Vlug van begrip als hij was,
-ocr page 41-
WARE KLOOSTERDEUGI)                       2J
kon hij na zes maanden het Latijn van Cornelius
Nepos voor de vuist vertalen. Dit bewijs van
bekwaamheid was voldoende. Jozef werd uit
den graad van koorbroeder toegelaten tot den
hoogeren graad van Scholastiek, en zou zich
langzamerhand tot het priesterschap voorberei-
den. Aanstonds mocht hij het ordekleed nemen
en ontving bij deze plechtigheid den klooster-
naam van Damiaan. Bij zijne intrede had hij
zich vernederd om alleen God te zoeken : God
is het die zijnen ootmoedigen dienaar heeft ver-
heven.
Niet veel valt er te zeggen over den proeftijd
van Broeder Damiaan De Veuster. Gedurende
dien tijd leggen de jeugdige kloosterlingen zich
toe op de meest gewone oefeningen der christe-
lijke volmaaktheid.Zij leeren zich zelven kennen,
hunne krachten meten in het nauwkeurig vol-
brengen der geringste voorschriften eener streng
bepaalde dagorde. De deugden die zij daar aan-
leeren, zullen zij later op grootere schaal moeten
uitoefenen. Vraagt gij nu de geschiedenis van
dat verborgen, van dat inwendig leven in het
noviciaat, wij zullen u op het voorbeeld wijzen
van onzen goddelijken Zaligmaker, die tot den
ouderdom van dertig jaren dat nederig en ver-
borgen leven geleid heeft, en wiens geschiedenis
door den Evangelist in deze woorden wordt
samengevat: et erat subditus iilis, en hij was hun
onderdanig
(\').
I. H. Luc. II, 51.
-ocr page 42-
28 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Nochtans kunnen wij onzen Broeder Damiaan
met enkele trekken nog beter afteekenen. Over
\'t algemeen moest hij meer ingetoomd dan aan-
gewakkerd worden. Zijne liefde tot het gebed,
zijne zucht naar versterving, zijne stipte nauw-
gezetheid in het onderhouden der geringste
regels, getuigden van de edelmoedigheid zijns
karakters, en van de rijpheid zijner deugd.
Laten wij het woord aan eenen zijner me-
debroeders, die hem gedurende zijn noviciaat
van nabij gevolgd had : «... Br. Damiaan was
van den eersten dag het kloosterleven, om zoo
te zeggen, gewend. Zijn ongedwongen omgang,
zijne blijmoedigheid en stille opgeruimdheid
weerspiegelden zijne inwendige zielerust, en
deden het woord herinneren van den H. Aloyzius
bij zijne intrede in zijne kloostercel : « hier vind
ik mijne rust; hier zal ik verblijven, omdat ik
deze woon verkozen heb.
»
« Zoo stipt was hij, dat de meest opmerkzame
oogen in hem niets te berispen vonden. Hij was
door zijne Oversten bemind om zijne nederige
gehoorzaamheid en teedere verkleefdheid... »
Op zekeren dag had Pater Overste tot zijne
novicen eene warme opwekking gericht, waarin
hij al hunne plichten in drie zinvollewoorden had
samengevat: stilzwijgen, ingetogenheid, gebed.
Voortaan zou Br. Damiaan deze woorden altijd
voor de oogen hebben op zijnen lessenaar ; door
eene aanhoudende overweging wilde hij die in
zijn hart prenten, en zijn voorbeeldig gedrag
-ocr page 43-
WARE KLOOSTERDEUGD                         2Q
was dan ook eene levendige uitdrukking dier
zoozeer gewenschte volmaaktheid.
Men had gemerkt dat Br. Damiaan zich da-
gelijks tegen hetzelfde uur naar het oksaal
van de kloosterkapel begaf, en daar eenigen tijd
vertoefde. Wijl het de gewoonte niet was dat de
kloosterlingen zich daar voor hunne geestelijke
oefeningen vergaderden, wekte deze zonderlinge
gewoonte weldra de nieuwsgierigheid zijner
medebroeders. Zijn overste, dit vernomen heb-
bende, vroeg hem wat hij daar zoo regelmatig
te verrichten of te zien had. « Och ! antwoordde
de novice, licht blozende, ik ga daar wat bidden
bij de afbeelding van den H. Franciscus Xaverius
welke bij het venster hangt, en ik vraag door
zijne voorspraak eenmaal naarde missiën te mo-
gen vertrekken. » Van dezen ijverigen novice
mochten de oversten de schoonsteverwachtingen
koesteren. Tegen Octobervan het volgende jaar
werd hij van Leuven naar het noviciaat van Issy
bij Parijs gezonden, om zijne studiën te beginnen.
Daar was het dat hij den 8n October 1860 het
zoo vurig verlangde geluk mocht genieten zijne
kloostergeloften te doen, als Broeder van de
Congregatie der HH. Harten van Je/.us en
Maria in wier dienst
hij wilde leven en sterven.
Hoe zal het edelmoedig hart van Br. Damiaan
bij deze treffende plechtigheid overstroomd
hebben van heilige vreugde ! Hij is nu geheel
aan God,dood aan de wereld ! De lijkbaar waar-
onder hij zich uitstrekt, is het beeld van dien
-ocr page 44-
LEVEN VAN PATER DAMIAAN
geestelijken dood, en, als de stem Gods hem later
zal roepen om zich aan den lichamelijken dood
onder de melaatschen van Molokai bloot te stel-
len, zal hij zich deze plechtigheid herinneren en
edelmoedig antwoorden: ik ben gereed. Of liever
zal hij niet van dit oogenblik af gedurig aan zich
zelven sterven, om alleen Christus in zich te
doen leven ; Mihi autem vivere Christus est(\'):
mijn leven is Christus ?
Bijna onmiddelijk na zijne geloften vertrok de
nieuwe kloosterling naar het moederhuis van
Parijs om daar zijne voorbereidende studiën tot
de priesterwijding voort te zetten. Benevens de
geestelijke oefeningen welke zijn regel hem voor-
schrijft, zal hij nog een geruimen tijd aan de
studie besteden. Godsvrucht, regelmatigheid,
onvermoeide werkzaamheid, ziedaar voortaan
zijne hoofddeugden.
Een zijner ordebroeders deelt over deze stu-
diejaren het volgende mede :
... « Wat mij in onzen braven Damiaan ge-
troffen heeft, is zijne liefde tot de studie en zijne
teedere godsvrucht. Hij was naarstig, werkzaam,
onvermoeid aan den arbeid, ja, zelfs bijna koort-
sig en geweldig om de moeilijkheden te over-
komen. Het was bij hem in den vollen zin des
woords een « labor improbus », een noeste arbeid.
Ook maakte hij snellen voortgang. Want, indien
hij vlug van begrip was, lieten hem ook zijne
lichaamskrachten toe, den gewonen studietijd
I. H. Paul. Phil. i, 21.
-ocr page 45-
WARE KLOOSTEKDEUGD
31
dikwijls te verlengen. Die leerzucht werkte noch-
tans niet nadeelig op zijn karakter of op zijne
godsvrucht. Op de verschillende uren van den
dag, was hij vlijtig student, of gezellig makker,
of godvruchtig kloosterling.
« Ja, bijzonder teeder was zijne godsvrucht.
De nachtelijke aanbidding zocht hij zoo dikwijls
mogelijk te doen. De krachten ontbraken hem
daartoe geenszins, en hij wist deze omstandigheid
bij zijne oversten te doen gelden. Vooral in den
zomer kon hij maanden achtereen de aanbidding
doen om 3 en zelfs om 2 uren in den morgen,
zonder verder nog eenige rust te gaan nemen.
Meer dan eens heeft hij mij door zijne teedere
godsvrucht gesticht, als hij aan den voet des
altaars zijne ziel uitstortte in vurige samen-
spraken met zijnen God en in stille verzuch-
tingen die mijn oor kwamen treffen.
« Hij toonde ook altijd een gelukkig karakter,
was blij te moede, gedienstig, en zeer stipt in het
onderhouden zijner regels ».
Dusdanig is de indruk welke eenen zijner kloo-
sterbroeders 30 jaar later nog was bijgebleven.
Uit eenen brief welken hij den i6nJanuari 1861
uit Parijs tot zijne ouders richtte, spreekt nog
diezelfde ernstige kloosterdeugd, ja, reeds de
zielenijver van een hart, dat zijnen overvloed in
anderen overstort. Na aan zijne ouders de harte-
lijke hulde zijner nieuwjaarswenschen gebracht
te hebben, vervolgt hij... « Ja, beminde Ouders,
ik hoop dat wij allen het jaar gelukkig begonnen
-ocr page 46-
32 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
hebben ; maar wie zegt ons, dat wij ook allen het
einde van dit jaar zullen bereiken ? Misschien
reeds voor het einde van December zal de dood
ons een welbeminden vader of eene teergeliefde
moeder ontrukt hebben, of een dier kinderen die
de ouders zoo nauw aan het harte liggen. De
gedachte der mogelijkheid van een aanstaan-
den dood moet, wel is waar, vol bitterheid zijn
voor eene zondige ziel. Maar wij, christenen
of kloosterlingen, wij, die ons hier als ballingen
aanzien, en verlangen om bevrijd te worden van
dit lichaam en ons hemelsch vaderland te mo-
gen intreden, wij moeten, dunkt mij, met blijd-
schap en vreugde herdenken, dat wij alle oogen-
blikken het plechtig uur naderen, waarop wij
deze troostvolle woorden zullen vernemen :
« komt, gij, gezegenden mijns Vaders, neemt be-
zit van het rijk dat ik u voorbereid heb
(\'). »
„Wij gewaagden daar zooeven van zielenijver.
In eenen brief van den 2 5"April 1861 zien wij, dat
de vreemde missièn nog altijd zijn droombeeld
zijn. Sprekende van eenen hunner missionna-
rissen die hen te Issy een bezoek heeft gebracht,
schrijft hij tot zijnen vader: ... « Ik geloof dat
die ijverige zendeling binnenkort naar zijne mis-
sie van Oceanië zal terugkeeren. Waarschijnlijk
zullen eenigen onder ons met hem mogen ver-
trekken. Zoudt gij niet blijde zijn, indien ik van
het getal was ?... »
Voor het oogenblik zou dit schoon verlangen
1. H. Matth. xxv, 34.
-ocr page 47-
WARE KLOOSTERDEUGD
33
nog niet bevredigd worden. Tegen October van
hetzelfde jaar vertrok hij naar Leuven, om daar
zijne studiën voort te zetten. Ook hier legde hij
zich met hart en ziel op dezen arbeid toe. Het
was hem niet genoeg de gewone lessen met allen
ijver te volgen : hij ging nog verschillende klas-
sen bijwonen, welke niet verplichtend waren.
Hij mocht later zelfs een uitstekend leeraar
geworden zijn, zoo God hem niet onverwachts
den weg van het apostolaat had laten inslaan.
Onder de zware en verstrooiende bezig-
heden van zijn studieleven en niettegenstaande
het aanlokkend vooruitzicht van een nuttigen
arbeid in zijn vaderland, bleef Br. Damiaan altijd
een vurig verlangen koesteren naar de vreemde
missiën. De talrijke voorbeelden van hei-
ligen zielenijver welke hij onder zijne ordebroe-
ders mocht bewonderen, zijne eigene edelmoe-
digheid en zucht naar zelfopoffering, zijne innige
vereeniging met God,onderhielden steeds in zijn
hart die eerste vonken van heldhaftige naasten-
liefde, welke in het noviciaat aan de voeten van
een Xaverius-beeld waren ontvlamd.
Zelfs zou men gezegd hebben dat hij zijne
krachten wilde beproeven, en zich zachtjes voor-
bereiden tot de vermoeienissen en ontberingen
van het missieleven. Hij was verstorven, streng
voor zich zei ven en met weinig te vreden. Niet
zelden bleef hij tot diep in den nacht voor zijn
kruisbeeld nedergeknield en in vurige samen-
spraken met God verslonden.
Leven van Pater Damiaan.
-ocr page 48-
34 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Vond hij eene gelegenheid om eenig handwerk
te verrichten, niet gemakkelijk liet hij die voor-
bijgaan. Met buitengewone lichaamskrachten
begaafd, wist hij er gebruik van te maken om het
lastigste werk voor zich te houden. De bedevaart
naar Scherpenheuvel, hoe vermoeiend ook voor
anderen, was voor hem maar spel. Dien avond
sliep hij hoegenaamd niet, vertrok te midder-
nacht, legde zijnen weg van zes uren te voet
af, en keerde nog te voet terug.
Tijdens zijn verblijf te Leuven werd eene
nieuwe kloosterkapel gebouwd. Voor men den
bouw kon beginnen, moest een hooge en half
gescheurde schoorsteen afgebroken worden.
Niet een der werklieden dorst er aan : het scheen
hun te gevaarlijk. Zoodra Br. Damiaan dit ver-
neemt, vraagt hij eene leer, laat ze stevig vast-
zetten en brengt den schoorsteen stuk voor stuk
naar beneden. De verbaasde werklieden zagen
elkander beschaamd aan, en aeiden in hunne
taal : wat een kerel!
Zijn broeder Pamphilus deelt ons nog twee
omstandigheden mede, waarin hij zijnen zielen-
ijver duidelijk liet blijken : « Onze vader was
een goed christen. Viermaal \'s jaars te com-
munie gaan, heette op ons dorp al zeer voor-
beeldig, en dat deed hij getrouw. Br. Damiaan
meende nochtans dat er nog wat bij kon. Wijl hij
te Leuven niet zelden in betrekking kwam met
de familie, nam hij de gelegenheid te baat, om
vader er toe over te halen, nog dikwijlder tot
-ocr page 49-
WARE KLOOSTERDEUGD                      35
de H. Sacramenten te naderen, en zijne pogin-
gen bleven niet vruchteloos.
« Een anderen keer deed hij al onze bloedver-
wanten in het Broederschap van het scapulier
inschrijven. Het was bij gelegenheid van mijne
eerste Mis.De familieleden namen deel aan eenen
maaltijd door onzen Eerw. Pater Overste van
Leuven voorgezeten. Na afloop van de tafel,
terwijl men nog" eenige woorden wisselde over de
treffende plechtigheid van den morgen, staat
Br. Damiaan eensklaps recht : « ik zal u een
aandenken medegeven van dit schoon feest,
zegt hij glimlachend, het is het kleed van O. L.
Vrouw. Onze Pater Overste heeft de macht u die
livrei te geven ; deze gunst zult ge zeker niet
weigeren. » En meteen haalt hij vriendelijk voor
ieder der aanwezigen een scapulier voor den dag.
Elk liet zich het godvruchtig geschenk goed
gevallen, en bewonderde de gepaste kunst-
greep. »
Met welbehagen zal God ongetwijfeld deze
eerste zegepralen van den toekomstigen mis-
sionnaris aanschouwd hebben. Hoe gering zij
ook wezen mogen, zij getuigen dat een ijverig
hart in zijnen boezem klopte. Weldra zoude God
aan dezen vurigen arbeider een uitgestrekter
veld aanwijzen, en aan Br. Damiaan den weg
openen naar Molokai !
-ocr page 50-
E mensch wikt en God beschikt, zegt
het spreekwoord. Tot nu toe kon
niemand voorzien dat het gebed van
Br. Damiaan, aan de voeten van het
Xaverius-beeld gestort, ooit zoude verhoord
worden.
Dit jaar, namelijk 1863, mochten wederom
verschillende Paters naar de Hawaï- of Sand-
wich-eilanden vertrekken, en onder hen be-
vond zich Pamphilus De Veuster. Van zijnen
broeder Damiaan scheen er geen spraak te
kunnen wezen, omdat hij nog de priesterwijding
moest ontvangen. Maar hoe ondoordringbaar
zijn de beschikkingen der goddelijke Voorzie-
nigheid ! Zie, daar breekt eensklaps de typhus
uit te Leuven. Pater Pamphilus brandt van
verlangen om zich voor zijnen naaste op te offe-
ren, en verkrijgt de toelating de zieken te gaan
verzorgen. Gedurende verschillende weken ziet
men hem aan de sponde der stervenden. Eindelijk
wordt hij zelf aangetast in het begin vanOctober.
En in dezelfde maand moest hij naar zijne mis-
sie vertrekken! — Onmogelijk!... De overige
missionnarissen zullen zonder hem moeten in-
schepen.— Helaas! hoe smartte het den ijverigen
priester,zich zoo vroeg van het slagveld te moeten
terugtrekken. Hoe zwaar drukte op hem, meer
-ocr page 51-
LEVEN VAN PATER DAMIAAN                  $"]
dan zijne ziekte, de pijnlijke gedachte dat hij
het missionnarisleven moest vaarwelzeggen.
Dit voorval was als een lichtstraal voor zijnen
broeder Damiaan. Indien hij de plaats van Pam-
philus mocht innemen! Misschien zou het den
zieke eene verlichting wezen, te vernemen dat
een nieuwe arbeider, zijn eigen broeder, in zijne
plaats zou optreden, en dat de missie alzoo het
gewenschte getal zendelingen zou ontvangen....
Zoo dacht hij bij zich zelven, loopt ijlings naar
zijn welbeminden zieke, en verrast hem met
het blijde voorstel. Het aanbod werd ten volle
goedgekeurd,en aanstonds schreef hij naar zijnen
Generaal-Overste om hem de verlangde toela-
ting te vragen.
Weldra ontving hij een goedkeurend ant-
woord. Ja, hij mocht als een tweede Jacob de
plaats van zijn ouderen broeder innemen, zijn
voorrecht erven, en nog met October scheep
gaan. Welk eene vreugde voor zijn edelmoedig
hart! Met den brief in de hand ijlt hij naar het
smartbed van zijnen broeder, deelt hem het
blijde nieuws mede, en ontvangt zijne geluk-
wenschingen.
Iedereen stond over die plotselinge beslissing
verbaasd. Br. Damiaan, gebruik makende van de
vrijheid welke aan de kloosterlingen in dit punt
gelaten wordt, had zich rechtstreeks tot zijnen
Generaal-Overste gewend, zonder zijnenOverste
van Leuven te raadplegen, zoodat deze evenzeer
als de andere door de onverwachte tijding werd
-ocr page 52-
38                LEVEN VAN PATER DAMIAAN
verrast. Damiaan De Veuster, zoo wilde het de
goddelijke Voorzienigheid, zou dus gaan arbei-
den in de Sandwich-eilanden, in Molokai. Zijn
broeder Pamphilus zou van zijn smartbed op-
staan, en zielen in zijn vaderland winnen.
De bevoorrechte missionnaris was als buiten
zich zelven van blijdschap en toonde zijne
vreugde met zoo ongewone blijgeestigheid, dat
sommigen zich een oogenblik afvroegen of hij
waanzinnig werd.
Maar de tijd was kort. Br. Damiaan ver-
trok in aller haast naar Tremeloo, om zijne
ouders tot eene aanstaande scheiding voor te
bereiden.Groot was zeker het offer dat hij vroeg:
hartverscheurend was die mededeeling. Maar zij
herinnerden zich nog, hoe God de smarten eener
eerste scheiding,bij zijn intreden in het klooster,
had weten te verzachten en te lenigen, en hoe
zij, na vier kinderen aan God te hebben opgeof-
ferd, in zoete zielevreugde en inwendigen troost
het honderdvoudige hadden teruggevonden.
Niet zonder tranen werd de gewenschte toe-
stemming geschonken en ontvangen. Br. Da-
miaan nam afscheid van zijn welbeminden vader,
maar noodigde zijne moeder en zijne schoon-
zuster uit, hem het laatste vaarwel te komen
zeggen te Scherpenheuvel, aan de voeten van
het miraculeus beeld hunner goddelijke Moeder.
Onder het oog dier Moeder, troost der bedruk-
ten, zou de scheiding voor beiden minder hard
vallen. Zoo keerde hij nogmaals naar Leuven
-ocr page 53-
NAAR DE MISSIE
39
terug, om van zijne geestelijke familie afscheid
te nemen.
Zooals men overeengekomen was,vertrok hij
tegen middernacht met eenige zijner ordebroe-
ders naar Scherpenheuvel, en ontmoette daar
voor de laatste maal zijne moeder. Wat ging er
daar in die harten om ? Welke strijd der genade
tegen de natuur, voor moeder en zoon ! Maar
ook, welke balsemende troost daalde daar, aan
de voeten van Jezus en Maria, in die bloedende
harten! Ja, met eerbiedigen blik mogen wij hier
een schouwspel bewonderen, onbekend buiten
de Roomsch Katholieke Kerk, maar niet zeld-
zaam in haren schoot, het schouwspel van eenen
zoon die zich aan de armen zijner teergeliefde
moeder ontrukt, om in verre en onherbergzame
streken, zonder familie en dikwijls zonder thuis,
voor het eeuwig welzijn van vreemde volkeren
te arbeiden.
Eene laatste maal omhelst de edelmoedige
zoon zijne snikkende moeder, hij wijst haar
nogmaals het beeld hunner hemelsche Moeder,
en verwijdert zich eindelijk stilzwijgend: hij
weende...
Blijde nochtans was zijn offer, want door zijne
tranen heen zag hij het land zijner wenschen,
zijne zoozeer verlangde missie. Bij den terug-
keer bemerkten zijne reisgezellen dat hij, tegen
zijne gewoonte, alleen achtergebleven was. Zoo-
dra hij hen wederom had achterhaald, vroegen
zij met belangstelling of hem iets overkomen
-ocr page 54-
40                LEVEN VAN PATER DAMIAAN
was : « Ik ben O. L. Vrouw nog gaan smeeken,
antwoordde hij, mij de genade te bekomen,
gedurende twaalf jaar in de missie te arbeiden ».
Maria verhoorde ruimschoots zijn gebed, en
bekwam niet 12 maar 25 jaar arbeid voor haren
ijverigen dienaar.
Na afscheid genomen te hebben van zijne
ordebroeders die hem eene tweede familie waren
geworden, en van zijnen nog ziekelijken broeder
Pamphilus, die meer zijn geluk benijdde dan
zijn verlies beweende, vertrok Br. Damiaan
naar Parijs, om zich daar met zijne reisgenooten
in eene driedaagsche retraite tot het laatste
vaarwel voor te bereiden. Tegen het einde van
October verlieten zij het moederhuis, reisden
met eenen sneltrein naar de haven van Bremen
en gingen daar den 30" October 1863 aan
boord van een zeilschip. Met de missionna-
rissen waren nog tien Zusters van de HH. Har-
ten mede uit Parijs vertrokken, om insgelijks
naar de Sandwich-eilanden scheep te gaan. Dat
was, met eenen vreemdeling en de manschap,
de geheele bevolking van het schip voor eene
reis van ruim zes maanden.
De kapitein heette Geerken en was Protestant.
Zijne reizigers behandelde hij met de meest
uitstekende voorkomenheid. Reeds den volgen-
den dag werden twee missen gelezen in de
groote zaal van het schip.
De reis was lang ; in zes maanden kan een
schip veel gevaren loopen op een onmetelijken
-ocr page 55-
NAAR DE MISSIE
4\'
en dikwijls onstuimigen oceaan. Br. Damiaan is
nochtans vol moed en blijdschap. Inderdaad wat
zou hij te vreezen hebben, die zijn vertrouwen
op God stelt ? Die gerustheid en die blijde moed
spreekt duidelijk uit den schoonen brief welken
hij uit de Bremerhaven aan zijne ouders schreef...
« Wij zijn dus op het punt, beminde Ouders,
vaarwel te zeggen niet alleen aan onze ouders,
broeders en zusters, niet alleen aan onze tweede
familie, onze ordebroeders van Leuven en Parijs,
maar ook aan het schoone land van Europa, om
ons te wagen op eene zee, dikwijls onstuimig en
gereed om ons te verzwelgen, ten einde te gaan
leven onder menschen die onbeschaafd zijn en in
vele opzichten gelijk aan redelooze dieren.
« Groot is dit offer voor een hart, dat eene
teedere liefde koestert tot zijne ouders, zijne
bloedverwanten, zijne medebroeders en zijn ge-
boorteland. Maar de stem die ons uitgenoodigd
heeft, die ons geroepen heeft, om al wat wij heb-
ben, edelmoedig op te offeren, is de stem van
God zelven. Onze Zaligmaker zelf is het, die tot
ons gelijk tot zijne Apostelen gezegd heeft :
« Gaat, ondemvijst alle volkeren, hen leerende al
mijne geboden te onderhouden, en ziehier, ik ben
met u tot de voleindiging der eeuwen
(\'). » Deze
laatste woorden van onzen goddelijken Zalig-
maker zijn zeer troostend voor ons. Jezus-
Christus is op eene bijzondere wijze met de
missionnarissen. Hij is het, die al hunne stappen
1. H. Matth. xxviii. 19. 20.
-ocr page 56-
42                 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
richt, die hen van alle gevaren bevrijdt. Hij is
het, die aan de winden gebiedt te gaan liggen,
aan de zee te bedaren, aan de wilde dieren weg
te vluchten, aan onze geestelijke vijanden, den
duivel, de wereld en het vleesch ons in rust te
laten. Hij is het, die te midden der wederwaar-
digheden, der beproevingen en der tegenkantin-
gen, ons een geluk laat smaken, waarvan hij, die
het nooit ondervonden heeft, zich geen denk-
beeld kan maken. Want, zoo krachtig is de
genade, die aan den staat van missionnaris ver-
bonden is, dat de grootste moeilijkheden en
hindernissen hem niet ontstellen. Reeds voelen
wij hare werking. Immers, op het punt staande
eene woelige zee te bevaren, blijven wij niet
alleen vrij van alle vrees, welke nochtans den
reiziger zoo dikwijls benauwt, maar zelfs heerscht
er onder ons eene onbegrijpelijke vroolijkheid.
« Wat ons dus betreft, beminde Ouders, hebt
niet de minste bekommering over ons lot. Wij
zijn in de handen van God, van een almach-
tigen God, die ons onder zijne bescherming
genomen heeft. Al wat ik van u vraag, is dat
gij Hem dikwijls zoudt bidden, ons eene voor-
spoedige reis te schenken, met den moed om
in alles, overal en altijd zijnen heiligen wil te
volbrengen. Dat is geheel ons leven. Mocht
ook gij, dit is mijn wensch, dezen aanbiddelij-
ken wil, u verklaard door de creboden van God
en van de H. Kerk, alsook door de stem der
priesters, die de Heer u heeft gegeven, tot
-ocr page 57-
NAAR DE MISSIE                             43
eenig richtsnoer nemen van uw leven, van al
uwe woorden en daden. Deze wil \'is het, die
ons in het Evangelie voorgesteld wordt als de
nauwe maar troostvolle weg, die naar den hemel
leidt. Vaarwel, beminde Ouders, voortaan zullen
wij het geluk niet meer hebben elkander te
omhelzen; maar,wij zullen vereenigd blijven door
de teedere liefdebanden die ons onderling
verbinden. Laten wij in onze gebeden dikwijls
aan elkander denken......»
Het anker werd gelicht op Zaterdag, omtrent
den middag. Langzamerhand zagen onze dier-
bare reizigers de welbeminde kust verdwijnen,
en weldra gleed het vaartuig met volle zeilen in
de wijde zee.
Verrukkend en tevens ontzagwekkend moet
het schouwspel geweest zijn voor onzen broeder
Damiaan,die de zee voor de eerste maal wellicht
aanschouwen en zeker bevaren mocht. Die on-
afzienbare watervlakte, welke zich in de wolken
schijnt op te lossen, die baren, nu eens zacht en
dan weer onstuimig voortrollende, die bekoor-
lijke lichtspelingen bij de opgaande en onder-
gaande zon, die onpeilbare diepten, waarin een
gansche wereld onbekende wezens schuilt, dat
nachtelijk duister, hetwelk als een verraderlijke
sluier over den onmeetbaren afgrond komt han-
gen, dat alles moet krachtig tot zijne ziel ge-
sproken en zijn fijngevoelig hart diep getroffen
hebben. Ook is het in \'t bewonderen van derge-
lijke tafereelen, en verder in aangename
-ocr page 58-
44 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
gesprekken en velerhande vermaken, dat zee-
reizigers gewoon zijn eene afwisselende ver-
strooiing en rustige bezigheid te zoeken tegen
de anders vervelende eentonigheid van den
overtocht.
Zeker wisten ook onze reizigers door die tref-
fende tooneelen hun hart te verheffen ; maar
verder waren zij geregeld aan het gebed of aan
den arbeid,en leefden juist als in het klooster. Vol-
gens het verslag van Pater Overste toonde
broeder Damiaan eene voorbeeldige stiptheid
in het onderhouden van de minste bepalingen
hunner dagorde. Niets was hem te gering, als
het de wil van God of van zijnen Overste gold.
Overigens stichtte hij zijne broeders en de
andere reizigers door zijnen geest van gebed en
zelfopoffering. Hij was toen nog niet ver-
plicht het brevier te bidden : geregeld nochtans
zegde hij godvruchtig zijne getijden gelijk de
priesters. Dagelijks bijna werd er Mis gelezen :
het daartoe noodige moest iederen morgen
zorgvuldig voorbereid, en dan wederom wegge-
legd worden. Deze geringe maar dikwijls sto-
rende taak werd aan broeder Damiaan toever-
trouwd, en dit nam hij ter harte zooals het
overige. Gewoonlijk stond hij wat vroeger op,
om alles op tijd in orde te hebben, en nog met
de kleine communiteit de gewone overweging
te kunnen doen. Het gebeurde dat er hostiën
ontbraken. Broeder Damiaan werkte lang om er
zelf eenige te maken, en eindelijk mocht hij er
-ocr page 59-
NAAR DE MISSIE
45
in slagen. Gedurende den uitspanningstijd vond
hij er dikwijls zijn vermaak in, de matrozen te
helpen : ook was hij door allen zeer bemind.
De reis was over \'t algemeen voorspoedig.
Bijna zonder storm en zonder ongevallen be-
reikten zij de kaap Horn. Niet zonder vrees
echter begonnen zij deze kaap om te zeilen. Wie
weet immers niet.hoe onstuimig de zee daar dik-
wijls hare baren rolt, en hoe talrijke schepe-n in
de woedende golven dier gevreesde diepten ver-
slonden werden ? Angstig zagen de reizigers en
matrozen wrakken ronddrijven op het bruisende
water. De missionnarissen begonnen aanstonds
eene noveen, en hadden het geluk op den
negenden dag alle gevaar te zien verdwijnen.
Nochtans kwam later nog een storm het schip
op den Stillen Oceaan aanvallen. Het vreeselijk
element rolde zijne schuimende baren uit onaf-
zienbare afstanden en bestookte het eenzame
vaartuig gedurende vier en twintig uren. Midden
in den nacht werd het schip door eene ontzag-
lijke baar plotseling opgelicht, zoodat het neder-
viel met een hevigen schok, die alle reizigers
deed opschrikken. Gelukkig was het vaartuig niet
beschadigd en bleef de storm niet langer voort-
woeden.
Alles samengenomen, was de reis buitenge-
woon voorspoedig ; weldra zagen de verheugde
reizigers de hooge bergen van de Sandwich-ei-
landen in het verschiet blauwen, en, eerder dan
iemand had durven verwachten, zeilden zij de
-ocr page 60-
46 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
haven van Honolulu binnen, op den feestdag van
den H. Jozef, 19 Maart 1864.
Denzelfden morgen werden zij met opene
armen door hunnen apostolischen Vicaris en
hunne toegesnelde medebroeders ontvangen. Te
zamen gingen zij in de kathedraal de heilige Mis
bijwonen, om God over hunne voorspoedige
reis te bedanken.
Broeder Damiaan bevond zich dus eindelijk in
zijne gewenschte missie, en verlangde zoohaast
mogelijk den arbeid te beginnen. Eerst noch-
tans moest hij de priesterwijding ontvangen.
Tegen Paschen werd hij, met weinige dagen
tusschenruimte, subdiaken en diaken gewijd.
Daarna begaf hij zich voor eenige maanden naar
het college zijner Ordebroeders van Ahuimanu,
om zich daar met twee andere jeugdige Paters
in de studie en het gebed tot de laatste wijding
voor te bereiden.
Groot, ontzaglijk is de waardigheid van den
priester, waardigheid welke den mensch eenigs-
zins tot boven de Engelen verheft. Broeder
Damiaan huiverde van eerbiedigen schroom bij
deze enkele gedachte. Maar het heil der zielen
dat hij zou bevorderen, de aanbiddelijke wil
van God die hem tot deze waardigheid had
geroepen, deden hem met vertrouwen tot den
bisschop naderen die hem de handen oplegde.
Des anderdaags deed hij zijne eerste Mis in de
kathedraal van Honolulu.
Welke dagen van onbeschrijfelijke geneugten
-ocr page 61-
NAAR DE MISSIE                              47
voor Pater Damiaan. De priesterwijding, de
eerste H. Mis, zijn plechtigheden, zijn oogen-
blikken van bovenaardsche blijdschap, welke
den hemel in een harte doen dalen! Neen, geen
pen beschrijft wat er dan tusschen den mensch
en zijnen God omgaat. In eenen brief aan zijnen
broeder Pamphilus laat de nieuwe priester iets
raden van de veelvuldige gevoelens die zijn
hart overstelpten.
... «Gij herinnert u welke zoete aandoeningen
gij ondervonden hebt, toen gij het geluk mocht
smaken voor de eerste maal het altaar te bestij-
gen en het heilig slachtoffer op te dragen. Ik
mocht dezelfde gevoelens ondervinden, met
eenig verschil nochtans. Rondom u aanschouw-
det gij bloedverwanten en medebroeders in
onzen godsdienst opgegroeid, terwijl mijne om-
standers nieuwe christenen waren. Van alle kan-
ten waren zij toegesneld om de jeugdige herders
te zien waarnaar zij zoo vurig verlangd hadden,
om diegenen te aanschouwen die hen tegen de
verscheurende wolven zouden verdedigen. Ook
docht het mij, dat mijn steenen hart als was
van aandoening wegsmolt, toen ik voor de eerste
maal het Brood des levens aan een honderdtal
tegenwoordigen uitreikte. Ik dacht er met ont-
roering aan, hoe menigen die nu met het
witte gewaad tot de H. Tafel naderden, vroeger
misschien voor de afgoden hadden nederge-
knield »...
-ocr page 62-
48                LEVEN VAN PATER UAMIAAN
Dusdanig waren de stichtende gevoelens van
den nieuwgewijden priester. Aanstonds zal hij
zelf de afgodendienaars tot den waren God
terugbrengen en met het blanke kleed der on-
schuld tot de H. Tafel mogen leiden.
-ocr page 63-
VIJFDE HOOFDSTUK
De Sandwich-eilanden
ERPLAATSEN wij ons in den geest
naar de Sandwich-eilanden, ook Ha-
waï-eilanden genoemd, en maken
wij nader kennis met het land waar
P. Damiaan omtrent 25 jaar gearbeid heeft.
Ongeveer halfweg tusschen Noord-Amerika
en Australië ontmoet de reiziger eene reeks
eilanden van ongelijke grootte, die statig op de
blauwe wateren van een onmetelijken oceaan
schijnen te drijven. Men zou haast eene half on-
derzeesche bergketen zeggen, die van het Noord-
Westen naar het Zuid-Oosten langzamerhand uit
de ontzaglijke watervlakte oprijst, om einde-
lijk hare hoogste kruinen tot 4000 meters boven
de azuren golven uit te steken. Hawaï, het voor-
naamste en meest zuidelijke dier eilanden, telt
verschillende hooge bergen. Hun reuzenge-
vaarte, dat van op 300 kilom. afstand den zeeman
kan richten, schijnt aan het rijk der wateren te
gebieden, en staat daar in het midden van een
grenzenloozen oceaan de woede der baren en der
winden te trotseeren.
Treden wij wat nader. Betooverend is het ge-
zicht. De azuurblauwe waterplas tintelt onder
den milden stralengloed der tropische zon, welke
uit een smetteloozen hemel bijna loodrecht
nederschijnt. De bruisende golven breken schui-
Leven van Pater Damiaan.
4
-ocr page 64-
50                LEVEN VAN PATER DAMIAAN
mend tusschen het bochtige strand of rijzen in
sneeuwwitte branding tegen de steile rotsen op.
Sommige dier eilanden prijken hier en daar
onder den prachtigen dos eener vreemdsoortige
plantenwereld : alom wuiven de slanke kokos-
boomen hunne bevallige vederbladen; heerlijke
bananen wiegelen hunne lichtgroene bladerkro-
nen onder den adem der winden, terwijl daartus-
schen enkele palmen hunne breede waaiers tegen
het zengende zonlicht ontplooien. Het eiland
Hawaï is de lusthof van den archipel of eilan-
dengroep.
Verder in de dalen, vooral in Hawaï, stuiten
wij ook op maagdelijke bosschen ; daar rijst
statig de heerlijke halapepe in rijke bladeren-
pracht; daar ontrollen rijzige boomvarens in de
zoele schaduw hunne fijngesneden vederen, en
slingert eene reusachtige rumex hare tengere
stengels als zwierige lianen door de hoogste
Doornkronen. Op andere plaatsen zijn het uitge-
strekte berghellingen of valleien, waar eene zelfde
grassoort een groen tapijt over den grond heeft
geweven. Mauï is eene ontzaglijke weide door
water afgesloten.
Schilderachtig is dat landschap. Wilt gij het
grootsche, ja, het verschrikkelijke ? Ziet gij die
kale bergtoppen, die grauwe hellingen welke
hunne reuzengestalten op den blauwen hemel zoo
stout afteekenen ? Van sommige kruinen rijst
eene dikke rookkolom, wier ongelijkvormige wol-
ken statig wegdrijven. Het zijn vuurbergen ! Ja,
-ocr page 65-
DE SANDWICH-EILANDEN                      51
de Sandwich-eilanden zijn eene reeks, deels
uitgedoofde, deels werkende vuurbergen. De
aanwezigheid en de kracht van het vernielend
element is zichtbaar, zoowel op den aschgrond
der kleinere eilanden, als in de vlammende vuur-
inonden van Hawaiï, waar nog altijd brandende
lava kookt en ziedt, gereed om in een Waken-
den vuurstroom over het land neer te vloeien.
Het eiland Kauaï heeft een uitgedoofden
vuurberg van 1800 meters ; op het eiland Mauï
toont de insgelijks uitgewerkte « Haleala>> op de
hoogte van 3109 meters eenen krater of vuur-
mond van 25 kilom. omtrek en misschien 600
meters diepte. Hawaï telt verschillende groote
vuurbergen,waarvan eenige nog altijd in werking
zijn. Het geheele eiland door vindt men gevulde
of nog gapende vuurbergmonden, uitgestrekte
berghellingen of valleien, waar de afgekoelde
lava met gladde oppervlakte blinkt, of met hare
stekelige punten den doortocht afsnijdt, of onder
de werking van zon en regen is weggebrokkeld
en tot vruchtbaren grond herschapen.
De « Mauna-Loa » is zeker de grootste vuur-
berg van de wereld. Op zijne breede hellingen
gapen talrijke kraters, kloven en holen, waaruit
de rook opstijgt of waarin de gloeiende lava
kookt. De aanzienlijkste dier vuurmonden is de
« Kilauea » ; het is een onzaglijke ronde vuur-
poel van omtrent 15 kilometers omtrek ; de
reiziger kan ongehinderd tot aan den boord van
dien vreeselijken krater naderen : daar ziet hij
-ocr page 66-
W//WZZB.
( I {
HUllll llllllllllll
C/a
>
ö
i
n
X
<
r
>
d
H
2
0
\\
ÊS
-ocr page 67-
52                 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
eene onmetelijke uitgestrektheid van brandende
lava, de grond dreunt onder zijne voeten, onder-
aardsche geruchten, gelijk aan het gehuil der
woedende golven of aan het gedruisch van een
ontzaglijken stoomketel, weerklinken schrikwek-
kend in die anders stille eenzaamheid. Bijwijlen
wordt die lava omgewoeld, zij rijst, zij daalt, zij
kookt__
Zoo verschrikkelijk is die vuurpoel dat de
reiziger zich zelven geweld moet aandoen, om
niet van angst weg te vluchten : het is een
treffend beeld van de hel.
In 1868 boorde die lava zich eene nieuwe
opening in de helling van den berg, en een
ontzaglijke virurstroom vloeide in de richting
van de zee. De hardste rotsen werden op zijnen
doorgang weggesmolten en meegerukt. De
brandende stortvloed wierp zich in de zee, en
vormde daar de aanzienlijke landtong van Ka-
laé, welke sinds lang is afgekoeld en waarop nu
de Hawaïaan gerust zijne prauw mag slepen, als
hij in zee wil steken.
P. Damiaan schrijft kort na zijne aankomst:
« Overal vindt men hier lava ; dezen naam geeft
men aan gesmolten steen en metalen welke door
de vuurbergen worden uitgeworpen. Eenige
jaren geleden, werd Hilo, eene voorname plaats
in dit eiland, bijna onder deze brandende lava
begraven. Niets kan dien stroom tegenhouden :
alles wordt weggesmolten of meegesleept; en
die stroom heeft soms van 15 tot 20 kilom.
-ocr page 68-
DE SANDWICH-EILANDEN                      53
lengte. De opening van den krater (Kilauea)
heeft eene breedte van 3 tot 4 uren gaans en
eene diepte van 100 tot 150 m. In den donkeren
ziet men de lava in de opening branden en
koken »...
Dit belet niet dat het eiland zeer vruchtbaar is,
daar waar de werking van het onderaardsche vuur
sedert onheuglijke tijden heeft opgehouden.
Vier der Sandwich-eilanden zijn vrij uitge-
strekt, en tellen eene nog al talrijke maar zeer
uiteengespreide bevolking : de vier andere zijn
kleiner en weinig bewoond. Hawaï, het grootste
van alle, telt 16,946 vierkante kilometers. Het
eiland Oahu heeft maar een tiende van de uitge-
strektheid van Hawaï. Daar echter ligt Hono-
lulu, de hoofdstad van het geheele rijk, en eene
zeer bezochte haven op den weg van Amerika
naar Australië. Kauaï, het derde eiland, heeft
1418 vierkante kilom. Mauï is een weinig klei-
ner. De overige eilanden, namelijk Molokai,
Lanai, Niihau en Kaluhani bereiken de 500
vierkante kilom. niet.
De luchtsgesteldheid is buitengewoon zacht.
De thermometer rijst gewoonlijk niet boven
32 graden (centigraden) en daalt niet beneden
10. De Europeanen gewennen er zicht best, en
niettegenstaande den grooten afstand komt men
daar van Amerika en van Engeland zijne ge-
zondheid herstellen.
In 1884 was de bevolking der Sandwich-
eilanden begroot op 80,578 inwoners. Meer dan
-ocr page 69-
Cd
p>
2.
<
pa
0
Ei
pa
sr
e
»
tr
e
p
&
Si
>c
n
c
c
<
CD
O
c
mï&*£
-ocr page 70-
DE SANDWICH-EILANDEN                      55
de helfc daarvan zijn vreemden, vooral Ameri-
kanen, Chineezen en Portugeezen. De inboor-
lingen of Kanakken zijn bruinkleurig, vrij
schoon van gedaante en hoog van gestalte. Zij
verminderen nog jaarlijks in getal, terwijl ieder
jaar gemiddeld duizend vreemden aankomen.
Van die bevolking zijn er misschien vijftien-
honderd, zoo mannen als vrouwen, met melaatsch-
heid getroffen.
Men verbeelde zich niet dat onze mission-
naris met wilde of onbeschaafde menschen
zal te doen hebben. De Kanakken zijn een
beschaafd volk. Geen knaapje of meisje van
zeven jaar, dat niet vlug kan lezen en schrijven,
en vooral rekenen. P. Damiaan zal enkel
klagen dat ze den Catechismus moeilijk aan-
leeren. Postdienst, telegraaf, telephoon en der-
gelijke inrichtingen laten daar niets te wenschen
over. De volkstaal is nog het Hawaïaansch ; in
de hoogere klassen spreekt men meest Engelsch.
Een Koning is aan het hoofd van den Staat en
wordt in het bestuur geholpen door vier ministers
en twee kamers. Hij houdt zijn verblijf in het
eiland Oahu. Zeer groot is in zaken van bestuur
de invloed der vreemdelingen en inzonderheid
der Amerikanen, die in het kweeken van koffie
en suikerriet of in het veefokken eene bron van
onuitputbare rijkdommen vinden.
De Sandwich-eilanden werden in 1778 door
Kapitein Cook ontdekt. Na zich herhaalde
malen bij de eenvoudige inboorlingen als God te
-ocr page 71-
56 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
hebben laten vereeren, werd de beroemde reizi-
ger het volgende jaar door zijne ontgoochelde
aanbidders verraderlijk omgebracht. In het begin
der volgende eeuw kwamen protestantsche
missionnarissen uit Amerika in deze eilanden
hunne zoogenoemde Evangelieleer prediken.
Zooals Mr Edw. Clifford. een hunner predi-
kanten, zelf getuigt, hadden zij het geluk juist
op het gelegen oogenblik aan te komen, toen
de Kanakken in eenen burgeroorlog alle tempels
verbrand hadden, en zonder ontzag voor hunne
vervallene goden, met alle gretigheid een be-
teren godsdienst moesten aannemen.
Eene voorname vorstin, met name Kapiolani,
van koninklijken bloede en ruim 6 voet hoog,
werd tot de sekte der Protestanten gewonnen.
De Kanakken zijn van natuur nog al geestdriftig.
Kapiolani nu was met haren nieuwen godsdienst
zoozeer ingenomen, dat zij op eene plechtige
wijze aan hare afgoden wilde verzaken.
De ontzaglijke vuurberg Mauna-loa heeft
eenen vuurmond die den naam draagt van Ki-
lauea of mond van Pele. De inboorlingen geloof-
den sedert onheuglijke tijden dat de vreeselijke
godin Pele in dien kokenden vuurkuil hare
woning had gevestigd. Niemand onder hen dorst
die opening naderen : de pelgrims, die den
heiligen berg bezochten, bleven met eerbie-
digen schrik bij de afgekoelde lava staan, welke
rondom den krater was afgevloeid : een onhei-
ligen voet op die lava zetten, heette eene heilig-
-ocr page 72-
DE SANDWICH-EILANDEN                    57
schennis, welke, zoo meenden zij, onmiddelijk
door de godin zou gestraft worden.
Welnu, Kapiolani gelooft aan Pele niet meer !
Zij zal de godin trotseeren !... Met haar gevolg
trekt zij naar den heiligen berg, terwijl eene ver-
schrikte menigte van alle kanten toestroomt ;
zij stapt met vasten tred over de gevreesde lava,
nadert tot den geduchten vuurmond, werpt
spottend eene handvol gewijde Ohelo-beien in
den blakenden kuil, en vraagt luidop, of Pele bij
machte is haar te straffen...
Een vreeselijk stil-
zwijgen heerscht onder de sidderende toeschou-
wers. Zij meenen ieder oogenblik dat de
getergde berg zijne kokende ingewanden tegen
die vermetele zal uitspuwen, of dat de hemel
zelf zich tegen de godlasterende vorstin zal
wapenen. Maar de berg gaf geen antwoord, en
uit den blauwen hemel zond het heldere dag-
licht nog zijn vriendelijken glimlach.— Men zegt
dat toen een derde van de bevolking aan den
afgodendienst heeft verzaakt.
Nog een trek die ons het karakter der inwo-
ners kan doen kennen. De Hawaïanen zijn zeer
gevoelig, teeder in hunne vriendschap en ge-
weldig in hunnen haat. Zelden vergeten zij eene
beleediging. Een protestansch leeraar wilde
weten welke zijner leerlingen mochten aange-
nomen worden : « Bemint gij uwe vijanden ? »
zoo vroeg hij aan elk afzonderlijk. Die «ja» ant-
woordde werd christen; die «neen» zegde toonde
te willen heiden blijven.
-ocr page 73-
w.
>
V.
ö
%
r.
X
W
F
>
y.
w
X
w
3
Pi
3
p,
o
3
a
re
P
<
-ocr page 74-
DE SANDWICH-EILANDEN
59
Zeker verdient de arbeid der protestantsche
zendelingen allen lof. Maar wie begrijpt niet, hoe
moeielijk het voor hen is.met den Bijbel alleen en
zonder sacramenten, eene grondige verandering
in de zeden hunner volgelingen teweeg te bren-
gen ?
De katholieke missionnaris, die de zending
en den zegen van God ontvangt, en zijn leven
voor zijne kudde ten beste geeft, hij, zal eene ge-
heele inwendige bekeering bewerken, welke blij-
vende vruchten van heiligheid zal voortbrengen.
In 1825 schonk Paus Leo XII de missie der
Sandwich-eilanden aan de Picpus-Paters. Het
was hunne eerste missie.
Zij begonnen aanstonds met stalen moed en
apostolischen ijver den moeielijken en eerst on-
dankbaren arbeid. Veelvuldig immers waren de
hindernissen die zij ontmoetten. De Hawaïanen
zijn, wel is waar, van den besten aard, gedienstig,
inschikkelijk, buitengewoon herbergzaam en
liefdadig jegens vreemdelingen. Bovendien zijn
hunne verstandelijke vermogens goed ontwik-
keld, en is hun hart door geene ingekankerde
slechte gewoonten bedorven. Maar ook hoe vad-
sig, hoe ongestadig, hoe vatbaar voor uitwendige
indrukken, hoe hartstochtelijk belust op zinge-
not en zelfs op wulpsche vermaken! Ongelukkige
zwakke zijde van hun karakter ! Of is het mis-
schien de zachte en ontzenuwende luchtsgesteld-
heid dier kusten, waar eene eeuwige lente eene
aangename warmte onderhoudt; is het de weel-
-ocr page 75-
6o LEVEN VAN PATER DAMIAAN
derige plantengroei dier vruchtbare eilanden,
waar de aarde zonder dwang hare rijkste schat-
ten welwillend uitdeelt; is het dan het midden
waarin zij leven, dat zoo noodlottig op hun fijn-
gevoelig gemoed werkt, en de teerhartige inwo-
ners dier bekoorlijke eilanden zoo krachtig tot
genieten aanspoort ?
Daarenboven was een groot gedeelte van de
bevolking reeds tot den protestantschen gods-
dienst gewonnen. Dezen dorsten moeielijk tot de
katholieke Kerk overgaan, uit vrees voor hunne
ministers, of meenden ook verkeerd dat de pro-
testantsche en katholieke godsdienst even goed
zijn.
P. Damiaan getuigt dat de heidenen zich ge-
makkelijker laten bekeeren dan de protestanten.
Die heidenen hebben nog hunne afgoden en
brengen hun offeranden op gestelde tijden. Zij
laten zich leiden door eene soort van priesters of
leeraars, die meer den naam van toovenaars ver-
dienen, en weinig of niets tegen den katholieken
missionnaris vermogen.
Daar was dus werk genoeg voor talrijke en
onvermoeide arbeiders. De Picpus-Paters be-
sproeiden dit veld met hun zweet, en mochten
weldra onder de talrijke doornen en distels welke
het goede zaad nog gedeeltelijk bleven verstik-
ken, troostende vruchten van bekeering en van
heiligheid inoogsten. Langzamerhand verrezen,
eerst nederige, en later ook bevallige katho-
lieke kerken, nevens de protestantsche tempels.
-ocr page 76-
DE SANDWICH-EILANDEN                      6l
De Zusters van de HH. Harten kwamen in het
eiland een weeshuis openen en door hun voor-
beeld van ware christelijke liefdadigheid de
oude vooroordeelen tegen onzen godsdienst doen
afleggen. Zelfs stichtten de Paters missionna-
rissen een College te Ahuimanu, nabij Honolulu,
terwijl in de hoofdstad eene Kathedraalkerk
oprees, waar hun bisschop Mgr Maigret, door de
plechtigheden van de pontificale diensten, den
ijver der bekeerlingen mocht aanvuren en de ge-
negenheid der nog verdwaalde schapen winnen.
Dusdanig was de toestand der eilanden bij
de aankomst van P. Damiaan. In het geheel
waren er 20 priesters in de missie, welke ver-
deeld was in vier districten of gebieden. De
apostolische Vicaris Mgr Maigret hield zijn ver-
blijf in Oahu, en bezocht van daar geregeld zijn
uitgestrekt vicariaat. P. Damiaan werd door hem
kort na zijne priesterwijding, naar het district
van Puna, in Hawaï, gezonden, en bereikte zijn
gebied op het einde van Juli 1864.
Hij zelf geeft ons eene korte beschrijving
van het veld dat hij te ontginnen had : « Ik
geloof dat ik wel drie lange dagreizen zou noodig
hebben om geheel mijn district af te loopen.
Talrijke kleine dorpen liggen langs alle kanten
verstrooid. Sedert 7 of 8 jaar is er hier geen
priester kunnen blijven ; alleen in \'t voorbijgaan
kon de missionnaris zijne christenen zien. Ook
zeide Mgr Maigret mij, toen ik vertrok, dat de
missie in mijn gebied opnieuw begon. Er is hier
-ocr page 77-
6j              leven van pater damiaan
zelfs geene behoorlijke kerk om Mis te lezen___
Mijne christenen zijn zoo wat overal verspreid
en gedurig in aanraking met de ketters, die alle
middelen aanwenden om ze te verleiden___»
Die moeielijkheden schrikken hem niet af,
maar schijnen hem veeleer aan te moedigen.
€ Hier is het, vervolgt hij tot zijnen broeder Pam-
philus, dat ik den zielenijver van M1\' Vianneyv
pastoor van Ars, zou moeten hebben. O mijn
welbeminde broeder, ik smeek u, bid voor mij
en voor mijne kudde, bid en doe bidden voor ons,
opdat onze goddelijke Zaligmaker in onze harten
dat vuur gedooge te ontsteken, hetwelk hij op
aarde is komen brengen en zoozeer verlangt te
zien branden. Indien gij dit vuur kunt helpen
aansteken in het hart van den herder, in dat hart
dikwijls, helaas ! zoo koud, hoeveel zieken en
grijsaards zal hij gaan opzoeken, om ze in het
water en in den H. Geest te doen herboren wor-
den, voor zij naar de andere wereld vertrekken,
hoeveel kinderen en onwetenden zal hij aan de
handen der ketters ontrukken ? En wat mijne
dorpelingen betreft, mijn welbeminde Pater,
indien gij ook dat heilig vuur in hunne harten
kunt helpen ontsteken, wat al vruchen van zalig-
heid en heiligheid zult gij voor den hemel doen
rijpen ? »
-ocr page 78-
ZESDE HOOFDSTUK
De missionnaris
|ILT gij weten hoe P. Damiaan na
eenige jaren arbeid het onder zijne
Kanakken stelt ? Ziet maar met
welk kinderlijk vertrouwen zij tot
hem naderen en met hoeveel geestdrift zij van
hem spreken. Ja, zij zijn zonder vrees, zonder
mistrouwen, als kinderen jegens hunnen vader.
Uit dat open en vriendelijk gelaat, uit dien ge-
moedelijken glimlach spreekt hun een vaderhart,
een hart, dat, als het hunne, fijngevoelig en edel-
moedig is. En nochtans welk een eerbied ! Zijne
zedige ingetogenheid en ongedwongen ernst
verraden den man Gods, en geven hem een on-
beperkt gezag over zijne geestelijke kinderen.
Vraagt hun wat zij denken van hunnen nieu-
wen herder. Zij zullen u met den grootsten lof
spreken van zijne onvermoeide werkzaamheid,
welke zij in hunne beeldrijke taal bij die van het
zengende vuur vergelijken; zij zullen u zijne
teedere godsvrucht,zijne onverschrokkene stout-
heid en zijne belanglooze edelmoedigheid met
soortgelijke beelden en vergelijkingen weten af
te schilderen.
Inderdaad P. Damiaan was in den vollen zin
des woords een ijverig missionnaris, een vurig
zielenwinner, en moest dan ook aanstonds de
harten boeien en den eerbied zijner welbeminde
-ocr page 79-
64 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Kanakken afdwingen. Hij ziet op de moeite
niet, « als hij zijne zieken op 7 of 8 uren afstand
moet gaan bezoeken ». Een paar maanden na
zijne aankomst.heeft hij zijne uitgestrekte missie
reeds tweemaal bezocht. «Ik ben bijna gedurig
op reis. Als ik met mijn district gedaan heb,
rust ik eene week, en begin aanstonds met het
gebied van P. Charles die belet is. Dan dring
ik verder tot P. Clemens.en bij mijne terugreis,
zie ik wederom al mijne christenen van Hilo en
Puna, en ga dan P. Celestinus bezoeken. Het is
een weg van ruim 60 uren ».
Talrijke bekeeringen kwamen dien arbeid
beloonen. Vele afgevallen christenen verzoenden
zich met God, en zeker, zoude hij in korten tijd
eene schoone kudde vereenigd hebben, indien
God hem niet het tweedejaar naar een ander dis-
trict geroepen had. Om reden van gezondheid
kon P. Clemens zijn uitgestrekt missiegebied niet
regelmatig bezoeken. P. Damiaan bood zich
aan bij Mgr Maigret,om het zijne af te staan, en
den last van zijnen ordebroeder op zijne sterkere
schouders te nemen. Dit werd hem toegestaan,
en niet zonder hartverscheuring verliet de jeug-
dige herder zijne teergeliefde kudde : « deze
scheiding, schrijft hij, scheen mij harder dan die
met mijne ouders, ter oorzake van de hartelijke
liefde welke ik mijne welbeminde Kanakken
reeds toedroeg ».
Nu zal P. Damiaan nog acht jaar werkzaam
blijven in zijn nieuw district van Kohala. In dit
-ocr page 80-
DE MISSIONNARIS                             65
uitgestrekt gebied zal hij den vrijen teugel kun-
nen vieren aan zijn apostolischen ijver.
« Bij mijn eerste bezoek heb ik aanstonds ge-
zien dat het mij ontzettend veel moeite zou kos-
ten, dit uitgebreid gewest goed te bedienen. Ik
had zes weken noodig om alles af te zien. Vroeger
waren er 15 kapellen met pala-bladeren bedekt.
Ongelukkig zijn ze nu vervallen en onbruikbaar.
Voor de gebeden vereenigt men zich in kanak-
sche hutten. Daar moeten wij prediken, biecht
hooren, doopen en ook soms de H. Mis lezen.
Sedert den dood van P.Eustachius (sedert 4 jaar)
is deze streek zonder priester, zoodat de distels
en doornen boven het goede graan uitsteken,
vroeger door onze missionnarissen gezaaid. De
ketterij en de afgoderij hebben hier vele aanhan-
gers. Op de plaats, van waar ik u schrijf, is er
eene houten kerk, die van binnen tamelijk schoon
is. De pastorie is ook vrij geriefelijk gebouwd.
Onze christenen zijn nog al ijverig. Degene die
in de buurt wonen, komen geregeld \'s morgens
en \'s avonds hun gebed in de kerk doen. Die te
ver wonen, zeggen hun avond- en morgengebed
gezamenlijk in hun huis, en komen alleen \'s zon-
dags naar de kerk. Met Paschen heb ik dertig
volwassenen gedoopt en verschillende afgevalle-
nen met God verzoend.Welk eene aanmoediging
voor eenen missionnaris ! ».
Het reizen moest dikwijls zeer moeilijk en
gevaarlijk wezen voor den missionnaris, die zijne
christenen door bosschen en over bergen, en
Leven van Pater Damiaan.                                                                         5
-ocr page 81-
H
re
3
•e
re
re
3
O
o
re
a
o,
re
V
3
a
§■
I
-ocr page 82-
67
DE MISSIONNARIS
niet zelden langs ongebaande wegen, ging op-
zoeken. P. Damiaan had meermalen gelegen-
heid zich voor het heil der zielen aan ernstige
gevaren bloot te stellen.
«In mijne missie, zoo verhaalt hij, heb ik eene
christenheid die ik moeilijk kan genaken. Te
lande is er geen weg te vinden, en wat de zee be-
treft, daar is zij gewoonlijk zeer onstuimig (\'). Ik
heb vernomen dat P. Eustachius die christenen
maar tweemaal \'s jaars bezocht. Wijl ik ze vurig
bemin, wilde ik hun een bezoek brengen op den
eersten Zondag van October. Op Zaterdag was
de zee tamelijk kalm. Met den vroegen morgen
bevond ik mij op het strand, om op eene kleine
schuit mijner Kanakken over te varen : die
schuit was eenvoudig eene prauw of uitgeholde
boomstam. Voordat ik er instapte had ik mijn
akte van berouw verwekt. Reeds gleden wij vlug
vooruit naar onze christenheid, toen mijn roeier
eensklaps in het kanaksch uitriep: « wij zijn ver-
loren! » en meteen voelde ik onze prauw, die maar
een halven meter breedte had, omslaan, en daar
waren we aan \'t zwemmen. Gelukkig heb ik het
in mijne jonge jaren nog wat geleerd. Mijne twee
roeiers wisten evenmin als ik een middel, om de
prauw recht te krijgen, en wij werden genood-
zaakt met ons vaartuig naar het strand terug te
zwemmen. Mijn tros was stevig aan de schuit
vastgebonden, zoodat ik er nietsbij verloren had...
1. Op vele plaatsen rijzen de schuimende baren niet zelden
10 of 15 meters hoog tegen eenen muur van steile rotsen.
-ocr page 83-
68                 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
« Voor dien dag had ik er genoeg van, en ik
besloot de volgende week de reis over den berg
te beproeven. Na vier dagen gereisd te hebben,
nu eens te paard, dan weer te voet, na zelfs
over eene kleine zeeèngte te zijn heengezwom-
men, bereikte ik eindelijk mijne christenheid. Ik
heb onder hen veel vertroostingen genoten. Zij
zijn bijna allen gedoopt, en leven daar van de
wereld afgezonderd als in een klooster. Ik kwam
juist op tijd om het doopsel toe te dienen aan een
pasgeboren kind dat aanstonds naar den hemel
vertrok.»
Eene andere christenheid lag, naar men zeide,
aan den overkant van een grooten berg, en was
zeer moeielijkte bereiken. P. Damiaan zal tegen
de moeite niet opzien. Hij komt aan den voet
van den berg, bindt zijn paard vast en begint de
opklimming. Hij gaat slechts langzaam vooruit,
kruipt langs de steile bergzijde, klampt zich aan
rotsen en struiken vast, en eindelijk heeft hij de
kruin bereikt! Maar, o teleurstelling ! vruchte-
loos zoeken zijne blikken naareene christenheid :
niets dan eene woeste helling, onbewoonde rots-
wanden, en dan weer, een tweede berg zoo hoog
als de eerste. — Achter den tweeden berg zal de
christenheid liggen ! Welnu, vooruit, een tweede
maal!... en hij glijdt naar beneden, en beklimt
wederom met veel moeite deze hoogte. De zon
is brandend, het zweet doorweekt hem de klee-
deren. Hijgend en vermoeid staat hij eindelijk
wederom op de kruin. Maar... is het een droom ?
-ocr page 84-
DE MISSIONNARIS                             69
of wat zijn dat voor bergen ?... Geen christen-
heid te zien ! Niets dan eene kale vlakte,en daar-
over, nog een derde berg. — Daar nochtans
moet zijne kudde hem wachten! Vertrouwbare
mannen hebben het hem verzekerd!... Hij be-
schouwt zijne bebloede handen, zijne gescheurde
schoenen. Hij meet met het oog den verheven
muur die hem den weg verspert. Maar dat
verschrikt zijn missionnarishart niet. Heeft
onze Zaligmaker dan niet al zijn bloed gestort
voor de zielen die hem ginds verwachten ? Zoo
denkt hij, en gaat moedig vooruit, en spant een
derde maal al zijne krachten in. De liefde kent
geene hinderpalen.Weldra heeft de ijverige her-
der ook deze hoogte beklommen, en ontmoet hij
aan den overkant zijne welbeminde kudde, die
hem alle lijden deed vergeten.
De ontelbare moeielijkheden, welke zich bij
het bouwen zijner kerken opdeden, toonen met
wat stouten ondernemingsgeest hij zijne plannen
ontwierp, en met wat stalen moed en onver-
schrokken standvastigheid hij die wist door te
zetten.
Eerst heeft hij met behulp zijner Kanakken
eene kleine houten kapel gebouwd. Hij helpt
hen de boomen vellen en zagen, hij wordt mees-
ter timmerman, en krijgt, niet zonder veel moeite,
zijne kapel onder dak.
Dat eerste werk wekte de aandacht van wel-
dadige zielen : eene som van iooo fr. werd
ingezameld, en nu zou de missionnaris niet eene
-ocr page 85-
yo                LEVEN VAN PATER DAMIAAN
kapel, maar eene kerk bouwen. Hij liet aanstonds
het hout te Honolulu aankoopen en zagen ; eene
stoomboot bracht de gereedgemaakte planken
en balken in de nabijheid van de bouwplaats.
Maar nu begon pas de moeilijkheid. Die kerk
moest op eenen berg opgetimmerd worden, en
die berg lag op drie uren afstand van de zee; de
helling daarenboven was zoo steil, dat een
span van zes ossen niet zonder moeite met
ongeladen wagen boven geraakte ; en die weg
opwaarts was hoegenaamd niet gebaand, men
moest er over de steenbrokken loopen, gedurig
op en neer, en dat, onder de brandende zonne-
stralen die schier loodrecht op de kale helling
nedervallen.
De kerk nochtans moet er komen. De ijverige
herder weet een middel. Men zal het hout stuk
voor stuk naar boven brengen. Om niet onder
de hitte te bezwijken, zal het werk in den vroegen
morgen geschieden. Hij stelde dus aan zijne
Kanakken voor, iederen avond het dorp te ver-
laten en den nacht te gaan doorbrengen op het
strand, naast het hout dat daar ontscheept werd.
Mannen, vrouwen en kinderen sliepen onder den
blauwen hemel, en \'s morgens nam ieder zijnen
last op de schouderen. De Kanakken, die anders
niet van arbeiden houden, toonden eene buiten-
gewone naarstigheid : het waren nu andere men-
schen. En hoe kon het anders zijn? Hun onver-
moeide herder ging hen gewoonlijk voor met
zijnen last op de schouders, eenen last zoo groot,
-ocr page 86-
DE MISSIONNAKIS                             71
dat twee of drie Kanakken dien slechts met
moeite konden torschen. Naarmate de stukken
aankwamen, werden ze gezet door eenen der
leekebroeders, die in dienst bij de Paters was, en
zoo verrees het bevallige heiligdom langzamer-
hand op den berg onder de blijde toejuichingen
der verbaasde christenen.
Met minder moeite misschien, maar niet zon-
der zwaren arbeid, bouwde P. Damiaan in Kohala
nog drie dergelijke kerken. Hij verkreeg van
zijne Kanakken al wat hij wilde, zooals zijne
ordebroeders getuigden, en zijne christenen wis-
ten niet, wat het meest bewonderen óf zijne bui-
tengewone spierkracht (\') óf zijne meesleepende
werkzaamheid.
Niet overal nochtans was het mogelijk kerken
of kapellen op te richten. Op vele plaatsen
moesten zijne christenen hunne vergaderingen
houden in armoedige hutten. Daar, in die ellen-
dige woningen, onder een bladeren dak, draagt
hij het H. Misoffer op, en daalt de Koning der
hemelen in een nieuwen stal van Bethlehem
neder. Daar predikt hij het woord Gods, en
het is alsof de engelen des Heeren ook dit
schouwspel kwamen toejuichen, en aan die arme
christenen van goeden wil een bijzonderen vrede
brengen. « Het is dikwijls in deze kapellen,
1. Te Tremeloo stond de achttienjarige Jozef bekend om
zijne buitengewone spierkracht : hij kon eenen zak graan van
100 kilogrammen met de handen oplichten en op zijne knieën
leggen. Die zulke stukken hebben behandeld of zien behandelen,
weten dat dit geen kinderspel is.
-ocr page 87-
J2                 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
zegt P. Damiaan, dat men het meeste goed kan
verrichten. »
En dan, had de ijverige priester nog maar
iederen zondag aan al zijne christenen de Mis
kunnen lezen. Maar voor velen was dat geluk
eene zeldzaamheid. Nochtans zou de zorgvolle
herder niet dulden.dat een gedeelte zijner kudde
van de zegeningen der Heiligdagen verstoken
bleef. In iedere christenheid onderrichtte hij
met bijzondere zorg een voorbeeldig christen,
die des zondags de vergadering der godvruchtige
gemeente zou voorzitten; deze voorzitter of
« luna » moest na de gewone gebeden en ge-
zangen eenige woorden tot de godvruchtige
menigte richten.
P. Damiaan was wel is waar de eerste insteller
niet dier Zondagoefeningen : nochtans werkte
hij met ongewonen ijver, om die vergaderingen
meer en meer te vermenigvuldigen en ze de
rijkste vruchten te doen dragen.
Naast het huis des Heeren tracht de katho-
lieke missionnaris altijd eene school op te richten.
Reeds in de vroegste tijden van haar bestaan,
heeft de H. Kerk altijd dat voorbeeld gegeven :
zij werkt niet alleen aan de zaligmaking der zie-
len, maar ook aan de ontwikkeling van het ver-
stand ; zij brengt aan de volken niet alleen de fak-
kel des geloofs, maar ook het licht eener gezon-
de wetenschap, wel wetende dat het twee stralen
eener zelfde lichtbron zijn, twee verschillende
openbaringen eener onverdeelde waarheid. Zoo
-ocr page 88-
DE MISSIONNARIS                             72)
komt het, dat het geloof en de beschaving hand
aan hand gaan op den weg, welken de katholieke
Missionnaris met zijn zweet en zijn bloed be-
sproeit.
In de Sandwich-eilanden waren er toen tal-
rijke scholen van protestanten : geld en invloed
ontbraken hun niet. Deze zoogenoemde onzijdige
scholen werden door den Staat ondersteund. Tot
nu toe hadden de Katholieken hunne scholen op
eigene kosten moeten oprichten en ondersteu-
nen. In het district van Kohala echter moesten
de Katholieken hunne kinderen nog bij de Pro-
testanten ter school zenden ; om scholen op te
richten hadden zij noch geld, noch leeraars. P.
Damiaan zag zijne christenen dagelijks in aantal
toenemen, hij bouwde kerken en bidplaatsen :
hij wilde ook zijne scholen hebben. Eindelijk
gelukte het hem vier katholieke scholen te doen
openen, dank aan de welwillendheid van den al-
gemeenen schoolopziener. Voortaan zal hij aan de
kinderen den catechismus in de school geregeld
mogen uitleggen, terwijl een katholieke leeraar
hun jeugdig verstand ontwikkelt en met de nood-
zakelij kste kennissen verrijkt.
Dusdanig waren de dagelijksche werkzaam-
heden van P. Damiaan in Kohala. Het woord
Gods prediken, de jeugd onderwijzen, zijne
christenen op verre afstanden en door moeielijke
wegen bezoeken, heiligdommen oprichten ter
eere Gods, de godsdienstoefeningen in zijne af-
wezigheid regelen met behulp van den « luna »,
-ocr page 89-
74 LEVEN VAN TATER DAMIAAN
ziedaar het arbeidzaam en stichtend leven van
den ijverigen herder gedurende, zijn tienjarig
verblijf in Hawaï. Zijne apostolische deugden en
werkzaamheden zijn die van een ijverig mis-
sionnaris. Zijn leven was zelfopoffering, onver-
moeide arbeid voor het heil der zielen. Was het
ook niet, in de raadsbesluiten der goddelijke
Voorzienigheid, eene oefenschool, waar hij zich
tot zijne heldhaftige zelfverloochening te Mo-
lokai, onbewust en onbekend mocht voorberei-
den ?
Onbekend ? Toen de dagbladen verkondigden
dat een katholiek priester, dat P. Damiaan zich
in de leprozerij van Molokai was gaan opsluiten,
werd die naam in Amerika met bijzondere geest-
drift gegroet. Ja, P. Damiaan was reeds bekend,
reeds bemind in de nieuwe wereld ! In het jaar
1865 bracht een onverwacht voorval hem in
aanraking met zijne toekomstige bewonderaars.
Op zekeren dag reisde hij langs de kust, toen
hij eensklaps een vaartuig ontwaarde, dat niet
ver van daar doelloos scheen voort te drijven.
Het was geen prauw, en dit vooral wekte zijne
nieuwsgierigheid. Aanstonds stijgt hij van zijn
paard, gaat in het water en tracht de dobberende
sloep te bereiken. Welk eene verbazing toen hij
er intreedt! Acht mannen lagen daar schier
levenloos ; zij hadden nog de roeispanen vast,
maar waren zoo uitgeput en verzwakt dat zij die
niet gebruiken konden. Het waren arme schip-
breukelingen, waaronder drie Amerikanen, vier
»
-ocr page 90-
75
DE MISSIONNARIS
Engelschen en een Hollander. 2ij waren uit
Californië vertrokken op een koopvaardijschip
dat naar Indië zeilde. Onderweg werd hun schip
door het vuur verslonden, en zij hadden zich
trachten te redden op eene sloep. Onder doo-
delijke angsten en tusschen duizend gevaren
waren zij sedert verschillende dagen aan het
roeien om aan land te komen. Eindelijk hadden
zij zich weerloos aan het geweld der winden
en der golven overgegeven, en zoo kwamen zij
terecht aan de Sandwich-eilanden, juist op de
plaats, waar P. Damiaan toevallig voorbijreed
en hun het leven redde. Gemakkelijk kan men
de dankbaarheid der licht geestdriftige Engel-
schen en Amerikanen raden.
Deze wonderbare redding werd in alle dag-
bladen herhaald en opgehemeld. Van toen af
stond P. Damiaan in hooge gunst bij de Protes-
tanten van Engeland en Amerika, waar hij later
als apostel der melaatschen zulke warme bewon-
deraars zal ontmoeten.
-ocr page 91-
ZEVENDE HOOFDSTUK |
i
                          MoJokai I                          {F
—OLOKAI ! Bij wien wekt die naam
niet tevens droevige et troostende
herinneringen? Molokai ! het eiland
der melaatschen, dat uitgebreid hos-
pitaal, waar de afgrijselijkste der ziekten op een
duizendtal ongelukkigen hare verwoestingen
aanricht; maar ook het eereveld der christelijke
liefdadigheid, waar P. Damiaan de schoonste
voorbeelden van heldhaftige zelfopoffering heeft
gegeven.
Laten wij het verhaal niet vooruitloopen. Wij
zijn in het jaar 1873, en P. Damiaan is nog werk-
zaam in Kohala.
Wat is Molokai ? Welke was toen de toestand
van Molokai (\') ?
Verplaatsen wij ons in den geest op de zuider-
kust van het eiland Molokai. Eene uitgestrekte
vlakte rijst met lichte golvingen zoo ver het oog
kan reiken, en loopt aan den noorderkant in
eene verhevene bergkruin uit. Men zou zeggen
dat het geheele eiland niets anders is dan eene
breede berghelling. De grond, eerst rotsachtig en
verzengd door de blakende zonnestralen, wordt
vruchtbaarder naarmate wij hooger stijgen; wel-
dra waait ons eene frische lucht tegen, en een
sierlijke plantengroei lacht ons van uit de dalen
1. Cf. Father Damien, door Edward Clifford. — The
Lepers of Molokai, door CA. W. Stoddard.
v
-ocr page 92-
■k(^ XL \\ J
\'wiiCs*"
ft
^;\'
-ocr page 93-
78                LEVEN VAN PATER DAMIAAN
toe. Beklimmen wij die hooge kruin, welke wij
van ver hare sombere gestalte op den blauwen
hemel zagen afteekenen. Welk een betooverend
panorama komt ons hier verrassen !
Rechts en links verheft.de lange rij der Sand-
wich-eilanden hare blauwende toppen boven den
onmetelijken waterspiegel. Onder den milden
gloed van de heerlijke dagvorstin spelen de stra-
lende wateren rondom die schijnbaar zwem-
mende zeegevaarten. Verder, aan den scheme-
renden gezichteinder, laat de heerlijke Oceaan
het saffier zijner trillende golven met het azuur
van een smetteloozen hemel in een lichtblauwen
gordel samensmelten.
Slaan wij onze blikken naar beneden. Een
afgrond gaapt aan onze voeten. De rots loopt
bijna loodrecht naar beneden op eene breedte
van 4 tot 5 kilom. en stuit links en rechts op de
schuimende baren. Aan den voet van dezen ont-
zaglijken granietmuur, zien wij eene halfkring-
vormige landtong ongeveer drie kilometers
ver in de blauwe golven uitloopen. Deze vallei,
aan den eenen kant ingesloten door de zee,
aan den anderen door eenen granietmuur van
ruim 400 meters hoogte, is het ballingsoord
der melaatschen, de algemeene leprozerij der
Sandwich-eilanden.
Laten wij in die treurige vallei langs den on-
effen rotswand afdalen, welke op vele plaatsen
met een prachtig gordijn van groen behangen is,
en hier en daar met lachende bloemtuilen gestikt.
-ocr page 94-
MOLOKAI !                                    79
Eigenaardig en indrukwekkend is het landschap
der leprozerij. In die vallei der dooden prijken
geen wuivende palmen, geen wiegelende kokos-
boomen ; het is niet, zooals sommige schrijvers
beweren, een aardsch paradijs : die weelde van
plantengroei zou misstaan in dat treurig kerkhof.
Voor onze oogen strekt zich in hare eenvoudige
sierlijkheid eene breede vlakte uit, waar de
natuur met matigen en plechtigen tooi dit bal-
lingsoord, den droevigen doodenakker tracht
op te vroolijken. De vallei is met verstrooide
rotsblokken bezaaid, waartusschen het dichte
gras een groen borduursel heeft geweven ; heer-
lijke varens wiegelen hier en daar treurig hunne
nederkrullende vederbladeren. Verder rijzen ver-
schillende struikgewassen te midden van vreemd-
soortige kruiden.
Uit het midden der vlakte rijst een heuvel, op
wiens rotsachtige en sombere kruine wij eenen
kuil van 150 voet breedte zien gapen. Deze kuil
is vol van modderig, groenachtig water; men zegt
dat men er geen bodem voelt. Die heuvel is het
middelpunt van een uitgedoofden krater. De
vallei zelve ligt waarschijnlijk in de oude kom
van eenen vuurbergmond, die nog een gedeelte
zijner wanden heeft behouden, terwijl het ove-
rige, bij sinds lang vervlogen uitbarstingen, zeker
werd afgescheurd en in de zee begraven. Molo-
kai zou dan niets anders zijn dan een half ver-
zonken vuurberg, die door het langzame werk
der eeuwen is verweerd en vruchtbaar geworden.
-ocr page 95-
80                 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
De geheele vallei is in vakken verdeeld ; het
waren vroeger zoovele akkers of erfgoederen,
waar talrijke huisgezinnen bijna zonder arbeid
de rijkste vruchten mochten inoogsten. Sedert
de aankomst der melaatschen ligt de grond
braak. Aan beide uiteinden der vallei hebben
eenige rijen hutten het voorkomen van twee
kleine dorpen : het eene ligt tegen den ontzag-
lijken rotswand, en heet Kalawao ; het andere,
dat wat minder woningen telt en dichter aan zee
ligt, draagt den naam van Kalaupapa. Tusschen
beiden loopt een weg, waarlangs nog enkele
huizen uit het groen kijken. Die hutten, die dor-
pen zijn bewoond door melaatschen. Rondom
ons zien wij de zee hare schuimende baren
tegen het rotsige strand breken, en den steilen
waterboord met sneeuwwitte franjes omzoomen.
De luchtsgesteldheid van Molokai is zacht en
aangenaam. De Noordenwind heeft daar vrijen
toegang en blijft er de blakende hitte eener
tropische zon matigen.
Het is nu meer dan eene halve eeuw dat de
lepra of melaatschheid in de Sandwich-eilanden
woedt. Lang waren de Hawaïanen vrij gebleven
van al die aanstekelijke ziekten, welke zoo dik-
wijls onze gewesten beproeven. Zachte luchts-
gesteldheid, matig leven, voordeelige ligging van
hun land te midden van den Oceaan, alles
spande samen om de bevoorrechte bewoners dier
gezonde eilanden van alle besmetting te vrijwa-
ren. In deze eeuw deden de vreemdelingen veel
-ocr page 96-
MOLOKAl!                                     8l
kwaad met het inbrengen van sterke dranken. Een
vreemdeling, een zoon van het Hemelsch Rijk,
naar men zegt, bracht er ook de melaatschheid.
Daarom noemt men haar de Chineesche ziekte (\').
De Hawaïanen zijn buitengewoon gezellig en
onbezorgd. Zij staan gedurig in betrekking met
vrienden en bloedverwanten, en brengen elk-
ander bezoek op bezoek. Gij zijt vreemd in dat
eiland ? Klop maar aan, waar gij wilt. Zij zullen
u met blij gelaat en open armen ontvangen. Gij
moogt er eten, slapen als een kind van het huis.
Alleen sedert zij aanhoudend in aanraking met
vreemden zijn, hebben de Kanakken de gastvrij-
heid met meer voorzichtigheid leeren uitoefenen.
Even groot is hunne onbezorgdheid en on-
verschrokkenheid. Zeg hun dat iemand van de
familie, dat een vader, een kind, een broeder of
zuster eene aanstekelijke ziekte heeft, dat men
den zieke behoort af te zonderen, te verwij-
deren ; zij zullen die taal als beleedigend aan-
schouwen voor hunne naastenliefde.
Onder zulk een volk moest de melaatschheid
natuurlijk al spoedig vele slachtoffers maken. In
korten tijd breidde zich de geduchte geesel zoo
snel uit dat men weldra in alle eilanden, in alle
dorpen verschillende ongelukkigen ontmoette,
die er het vreeselijk kenteeken van op het ge-
laat droegen. De ziekte spaarde geen enkele
i. Sommigen nemen dien oorsprong der ziekte niet aan. Er
zijn immers eilanden waar de Chineezen nooit den voet hebben
gezet, en waar de melaatschheid evenzeer woedt als in de Sand-
wich-eilanden.
Leven van Pater Damiaan.
-ocr page 97-
82 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
klas der maatschappij en trof onmeedoogend
den edele zoowel als den arme.
Vooral in de laatste 10 jaren was de besmet-
ting schrikwekkend. Dit verontrustte de Regee-
ring. Er moesten in aller haast strenge maat-
regelen genomen worden, wilde men het nog
gezonde gedeelte van de bevolking niet bloot-
stellen. Aan genezing immers viel er niet te
denken. Er bleef maar één middel over, hatelijk
maar hoogst noodzakelijk middel ! Voortaan zou
ieder melaatsche, wie hij ook zijn mocht, man,
vrouw of kind, rijk of arm, van alle recht tot
samenleving met de gezonde burgers worden
beroofd, en zonder mededoogen naar Molokai
verbannen, om daar den dood af te wachten. Deze
geweldige, deze hartverscheurende afzondering
moge wreed schijnen : de nood kent geene wet,
en het bijzondere welzijn moet voor het alge-
meene wijken.
Een Gezondheids-comiteit werd aanstonds
ingericht om de wet uit te voeren. Aan de tegen-
woordige bewoners der vallei van Molokai werd
de keus gelaten óf op hun vaderlijk erf te blijven
óf zich elders te gaan vestigen : maar eenmaal de
keus gedaan, mochten zij niet meer vertrekken.
Alle verkeer tusschen deze vallei en het hoogere
land, tusschen de melaatschen en de niet-me-
laatschen zal onverbiddelijk blijven afgesneden.
De Regeering belastte zich met het onderhoud
der ongelukkige bannelingen.
Hij, die weet hoe gezellig en teergevoelig de
-ocr page 98-
MOLOKAI!                                     83
Hawaïanen zijn, zal licht begrijpen welk een
tegenstand de uitvoering dier wet onder hen
ontmoette. — Hoe? zich van hunne bloedver-
wanten scheiden, eenen vader, eene moeder, een
kind verlaten, om ze gevankelijk naar Molokai te
zien wegvoeren, hunne dierbare zieken als het
ware levend zien begraven !Neen,daartoe konden
zij niet besluiten: zij zouden hunne zieken verber-
gen, en ze wel zelven verplegen met gevaar van
hun leven!... Van den anderen kant nochtans
was de nood dringend, en de wet zonder genade!
Toen begon eene vreeselijke menschenjacht.
Gewapende mannen doorkruisten het land om
de melaatschen op te zoeken, en, was het noo-
dig, met geweld weg te voeren. Zij haalden de
slachtoffers der ziekte uit hunne schuilplaatsen in
de bosschen, in afgelegene hoeken. Wie verdacht
wasof beschuldigd werd, namen zij onmeedoogend
naar het policiebureel mede. Daar onderzocht
hen de geneesheer, en bij eene bevestigende
verklaring van den dokter, werden zij in hech-
tenis genomen. Die geweldige scheidingen waren
hartverscheurend als begrafenissen, maar de wet
was onverbiddelijk als de dood zelve. Eene bloed-
verwante van den koning vond geen genade.
In de haven van Honolulu zag men iedere week
die ongelukkige bannelingen inschepen. Zij kwa-
men daar aan, vergezeld van hunne bloedverwan-
ten, en het was onder menig gesnik en gejammer,
dat de zieken een eeuwig vaarwel aan hunnen
geboortegrond zeiden.
-ocr page 99-
84 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Was het afscheid van hunne familie smartelijk
geweest, even hartverscheurend was het tooneel
hunner aankomst te Molokai. Schreiend zetten
de melaatschen voet aan wal: de zee rechts, een
granietmuur van ruim 1200 voet links, toonde
hun genoeg, dat zij in eene gevangenis traden,
of liever in een graf, waaruit zij nimmermeer
zouden verlost worden.
En als zij dan het schip zagen verdwijnen,
ging ieder zich een onderkomen zoeken in eene
der bestaande hutten, of bouwde zich met wat
hout en bladeren eene armoedige schuilplaats.om
daar gedurende twee of drie jaren langzaam
door den dood te worden overvallen. Welk eene
vereeniging van smarten ! Is het wonder dat die
ziekte, met den banvloek die haar volgt, in onze
gewijde boeken als eene bijzondere straf der
zonde staat aangeteekend ?
Meenen wij nochtans niet, zooals men het ten
onrechte beweerd heeft, dat de Regeering die
ongelukkigen zoo maar zonder hulp aan hun
treurig lot heeft overgelaten. Neen, het Gezond-
heids-comiteit heeft over \'t algemeen zijne taak
ter harte genomen. Te Kalawao werd een hospi-
taal opgericht: daar zouden de melaatschen bij
het naderen van den dood de noodige verpleging
ontvangen. Eene stoomboot bracht geregeld iede-
re week mondbehoeften en anderen voorraad.
Zou het geen wreedheid geweest zijn, die onge-
lukkigen te dwingen eenen grond te bebouwen,
waarvan zij misschien de vruchten niet meer
-ocr page 100-
MOLOKAl!                                     85
konden inoogsten ? Ook werd het bestuur der
leprozerij door den Staat geregeld, en aan me-
laatschen toevertrouwd, omdat geen andere eene
zoo gevaarlijke bediening verlangde waar te ne-
men. In een woord, de Regeering heeft haren
plicht gedaan, en het zoude onbillijk zijn, haar
van wreedheid te beschuldigen.
Gesteld nochtans, dat er in de leprozerij geen
gebrek, maar veeleer overvloed was, ja, dat het
een aardsch paradijs van weelde en wellusten
mocht heeten, waarom konden echter die banne-
lingen zich eerst aan hun lot niet onderwerpen,
hoe kwam het dat al hun genot op de bitterste
wijze werd vergald ? Was het, om het langzaam
voortwoekeren der melaatschheid, die het ge-
bouw van hun lichaam stuk voor stuk kwam
afbreken, was het om het schrikwekkend voor-
uitzicht eener altijd naderende dood of om eene
dergelijke reden, dat de wanhoop in de eerste ja-
ren de werking hunner ziekte zoo zeer versnelde?
Neen : te Molokai ontbrak iets, dat de Regee-
ring, dat het Gezondheids-comiteit niet gegeven
had en niet geven kon! En zoolang dat zou ont-
breken, moest Molokai de vallei der wanhoop
heeten. Daar ontbrak de opbeurende troost van
den waren godsdienst, de hulp eener liefdevolle
verpleging en eener deelnemende liefdadigheid,
hulp waarvan de katholieke priester, de katho-
lieke liefdezuster, zoo getuigen het de prote-
stanten zelven, alleen het ware geheim kennen.
In die behoefte zal aanstonds voorzien wor-
-ocr page 101-
86 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
den, door de edele zelfopoffering van P. Da-
miaan en diegenen, die hem later zullen ter zijde
staan of zijne voetstappen zullen drukken. Maar,
vooraleer wij onzen held laten optreden, zal het
nuttig zijn den zedelijken toestand der melaat-
schen nog nader te leeren kennen.
Indien eene vreeselijke ziekte aan hun lichaam
knaagde, ook hunne ziel was door den kanker
der schandelijkste ondeugden aangetast. Bij de
aankomst der ballingen in het gevloekte dal,
klonk hun uit den mond der oudste bewoners
een afschuwelijk spreekwoord tegen : « Aole
kanawai ma keia wahi!» wat beteekent: Hier
zijn geene wetten ! Ja, de meesten hadden noch
God, noch gebod, en leefden in de schandelijkste
losbandigheid. Hun verdriet te smoren in een dol-
makenden drank, hun genot te zoeken in het vol-
doen van oneerbare wellusten, dat was het leven
der melaatschen van Molokai, die, gebrandmerkt
met den dubbelen stempel der vervloeking naar
ziel en lichaam, zich hopeloos aan den tijdelijken
en eeuwigen dood prijsgaven. Maar, indien wij,
uit eerbied voor den lezer, liever eenen sluier
werpen over het afzichtelijk gelaat dier lepro-
zen, zoo zal het misschien ook beter zijn het
doek van het aanstootelijk tafereel hunner zeden
niet verder op te lichten.
Nochtans waren er eervolle uitzonderingen.
Ook hier had God zijne uitverkorenen, en tot lof
van de H. Kerk mogen wij het fier verklaren, het
waren katholieken, die zich aldus onder de
-ocr page 102-
MOLOKAI !
87
menigte der heidenen en protestanten onder-
scheidden.
Eerst konden de Roomsche missionnarissen,
om reden van hunne talrijke bezigheden, deze
kleine kudde maar eens in het jaar bezoeken.
Ook werden vele katholieken in het begin door
de slechte voorbeelden medegesleept. In 1871
en 1872 verbleef P. Raymundus verschillende
weken onder de melaatschen. In dezelfde jaren
kwam P. Aubert meermalen de leprozerij be-
zoeken.
Lang werden de godsdienstige vergaderingen
in ellendige hutten gehouden. In 1872 besloten
de Paters eene nette houten kapel te bouwen, te
Kalawao. Zij werd voltrokken in 1873, en toe~
gewijd aan de H. Philomena. Daar konden de
arme melaatschen zich iederen Zondag veree-
nigen, onder de leiding van den « luna » of voor-
zitter der vergadering, en alzoo mochten zij, ook
in de afwezigheid van den missionnaris, den
troost van onzen godsdienst en de zegeningen
van de Heiligdagen genieten.
In 1873 bezocht P. Bonifacius de leprozerij
gedurende den vasten ; ongeveer 90 christenen
namen de gelegenheid te baat om hunne Pa-
schen te houden. De stichtende dood van eenen
melaatsche dien de missionnaris met de laatste
Sacramenten bediende, toont ons, hoe onder de
distels en doornen van dien verwilderden akker,
toch schoone vruchten van heiligheid rijpten :
« Joane, stierf eenen stichtenden dood, zoo ver-
-ocr page 103-
88                 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
haalt P. Bonifacius. Zijn kruisbeeld, zijn rozen-
hoedje, zijn gebedenboek, dat was hem alles...
Die brave christen had aan de rechterhand
maar twee vingeren meer. Hij gebruikte ze om
het boek te houden, waarin hij zijne gebeden
las voor en na de Communie, toen ik hem de
H. Teerspijs bracht. Na zijne dankzegging,
vroeg hij mij dringend, dat ik met hem zoude
blijven bidden tot aan zijnen doodstrijd... Dit
schouwspel trof zoo diep eenige grijsaards die
zich in de zaal bevonden, dat zij aanstonds
vroegen om gedoopt te worden. Hoe kostbaar
is de dood der heiligen! Hoe schoon is die ziel,
welke uit een lichaam ontsnapt, waarvan kon ge-
zegd worden, dat er van het hoofd tot de voeten
geen gezonde plaats zuas te vinden
(\'). »
Schoon voorbeeld voorwaar van christelijke
gelatenheid, maar helaas! al te zeldzame uitzonde-
ring. In de lente van 1873 werd de zedelijke toe-
stand der melaatschen nog eenigszins verergerd
door de aankomst van een groot aantal nieuwe
bannelingen. De wet der gedwongene afzonde-
ring werd om dringende redenen met nieuwe
strengheid toegepast. « Men wilde de eilanden
voor goed zuiveren van de vreeselijke ziekte, »
zooals P. Damiaan wat later schrijft. De melaat-
schen werden met groote zorgvuldigheid opge-
zocht. Men sprak van niets anders meer dan
van aanhoudingen, van gerechtelijk onderzoek,
van haastige vervoering. In Mei 1873, schreef de
1. Isaias, 1, 6.
-ocr page 104-
MOLOKAI !                                    89
E. P. Provinciaal het volgende over die nieuwe
jacht, welke de policie moest maken, en de hart-
verscheurende tooneelen die ze vergezelden :
« Hier is het een bevallig kind, de lieveling zijner
moeder, daar een jeugdig meisje, de vreugde
harer ouders ; verder eene huismoeder, de liefde
van haren echtgenoot en van hare nog minder-
jarige kinderen; eindelijk een huisvader, met ge-
weld aan de liefde en aan de armen der zijnen
ontrukt.
« Zoodra iemand het eerste kenteeken der
ziekte in zich ontwaart, neemt hij de vlucht en
houdt zich verscholen. Maar de policie waakt,
en vroeg of laat worden zij ontdekt.
« Het gebeurde dat een arme heiden, door de
melaatschheid aangetast, het besluit nam den
geneesheer, die hem moest onderzoeken, te
vermoorden. Hij nam een pistool met dubbel
schot, en gaf vuur : gelukkig schoot hij mis.
Zoodra de policie-commissaris dit vernam,
begaf hij zich met eenige gendarmen naar de
woning van den schuldige, om hem aan te
houden. Nieuw schot, dat evenmin raak was.
De ongelukkige werd ontwapend en met ge-
weld weggeleid. »
Dit voorval baarde veel opspraak en bracht
eene zekere gisting in de gemoederen van de
melaatschen en van hunne bloedverwanten
teweeg. En dan, te Molokai! Iedere week zag
men de stoomboot met eene nieuwe vracht ver-
oordeelden aankomen; en toen stroomden de in-
i
-ocr page 105-
90                LEVEN VAN PATER DAMIAAN
woners der leprozerij naar het strand ; de eene
ontmoette daar eene moeder, de andere eenen
vader, een kind, dat zijn ballingschap kwam dee-
len. Dit zoo dikwijls herhaalde schouwspel, moest
natuurlijk eene zekere ontevredenheid teweeg-
brengen. Daarenboven had men de leprozerij,
ten onrechte zeker, met de afgrijselijkste kleuren
afgeschilderd. Er was spraak geweest van ver-
latene zieken, die zonder onderkomen, zonder
hulp, als redelooze dieren, op het naakte strand
lagen te sterven. Verbittering en wanhoop
heerschten onder de oudste melaatschen, terwijl
de laatst aangekomenen, met den dood in het
hart ten gevolge der smarten hunner scheiding,
daarenboven nog, op het sombere voorkomen
van dat sterk afgesloten ballingsoord en op het
verminkte en wanhopig gelaat hunner onge-
luksbroeders, het verschrikkelijk woord schenen
te lezen, dat boven de deur der hel van Dante
stond geschreven :
Die intreedt, legg\' de hoop, voor eeuwig, eeuwig, af (*)!
i. Bilderdijk : Ziekte der geleerden, B. III, v. 112.
-ocr page 106-
fUSDANIG was de toestand der
melaatschen van Molokai, toen een
onverwacht bezoek het gelaat dier
ongelukkigen kwam ophelderen. Den
iin Mei 1873 zagen de bannelingen wederom
de welbekende stoomboot aankomen. Zooals zij
gewoon waren, stroomden zij met beklemde
harten naar de landingsplaats. Welke was niet
hunne verwondering, toen zij eenen Bisschop,
Mgr Maigret, met een jeugdigen priester, voet
aan wal zagen zetten en met een vriendelijken
glimlach tot hen naderen ? Welk blijde nieuws,
welke troost werd hun dan gebracht ?... De Bis-
schop kwam aan deze ongelukkige kudde eenen
herder geven! Deze priester, was P. Damiaan; hij
kwam zich in de leprozerij vestigen om met hen
te leven, te lijden en, was het noodig, te sterven!
Blijde herhaalde men elkander het troostvolle
nieuws. Met kinderlijke uitgelatenheid gingen de
melaatschen het vertellen, hoe een missionnaris
voortaan met hen zou blijven, om hen te troos-
ten en te verplegen. Niet minder was de vreugde
van den ijverigen priester, die zich nu naar
hartelust zou mogen opofferen. Maar hoe had
de goddelijke Voorzienigheid hem hier geleid ?
Er zijn in \'s menschen leven soms van die on-
verwachte voorvallen die hem doen uitroepen :
-ocr page 107-
92                 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
welk een geluk! welk een toeval! — Toeval, ja,
voor ons, die de plannen van God niet kennen.
Maar laten wij over het gebeurde ernstig na-
denken, en sommige omstandigheden samen-
knoopen, weldra zullen wij misschien duidelijk
zien, dat het zoogenaamde toeval een bedoeld \'
gevolg van een wijs raadsbesluit der goddelijke
Voorzienigheid is. Of was het toeval, dat de
jeugdige Jozef De Veuster, als koorbroeder
aangenomen, bij wijze van spel wat Latijn van
buiten leerde en alzoo bekwaam geacht werd
om priester te worden ? Was het toeval, dat
P. Pamphilus onverwachts ziek werd toen hij
naar Hawaï moest scheep gaan, dat P. Damiaan
op de gedachte kwam en zoo plotseling de toela-
ting verkreeg om in zijne plaats te vertrekken?...
Toevallig dus, zoo men wil, was P. Damiaan
zijnen Bisschop gaan bijstaan bij de plechtige
inwijding eener nieuwe kerk te Wailuku, in het
eiland Mauï. In een gemeenzaam gesprek,
deelde Mgr Maigret aan zijne missionnarissen
den droevigen toestand der melaatschen van Mo-
lokai mede : hun getal vermeerderde dagelijks;
tot nu toe had de priester alle vrijheid gehad
om ze te bezoeken ; voortaan zou dit door de
Regeering verboden worden ; en nochtans
waren die christenen zonder geestelijke hulp.
P. Damiaan had het begrepen : « Monseigneur,
hernam hij, op den dag mijner geloften heb ik
onder de lijkbaar gelegen, om te toonen dat ik
aan de wereld wilde sterven. Nu ook ben ik
-ocr page 108-
P. DAMIAAN TE MOLOKAI                     93
gereed om mij levend met de melaatschen te
begraven. » Drie andere missionnarissen drukten
hetzelfde verlangen uit. Maar de keus van den
Bisschop viel op P. Damiaan.
Die beslissing werd geheel onverwachts en
schijnbaar toevallig genomen. De Bisschop
durfde aan niemand een zoo zwaren last opleg-
gen ; maar, nu vier zijner onderhoorigen zich
aanboden, haastte hij zich aan de verlatene kudde
van Molokai eenen herder te geven. Waarom
werd P. Damiaan voor dien gevaarlijken en
eervollen post gekozen ? Het is het geheim
van God. Maar wij, die de edelmoedigheid
en de nederigheid van den missionnaris van
Kohala kennen, wij willen gaarne gelooven
dat God den ootmoedigen kloosterling heeft
willen verheffen, dat Hij den groothartigen her-
der heeft willen beloonen, en het licht op den
kandelaar zetten, opdat velen den Naam des
Heeren zouden verheerlijken.
Sedert eenige dagen reeds had P. Damiaan .
een geheim voorgevoel van zijne nieuwe bestem-
ming. Zijne gedachten waren op Molokai
gevestigd. In eenen brief vier maanden later tot
zijnen Overste gericht, verhaalt hij hoe reeds 800
melaatschen in de leprozerij vereenigd zijn, en
vervolgt aldus: «Verschillende mijner christenen
van Kohala zijn insgelijks vertrokken. Toen
had ik een duidelijk voorgevoel dat ik ze weldra
zou volgen. Het was voorzeker de stem van
God. Ten gevolge nochtans van een achtja-
-ocr page 109-
94                LEVEN VAN PATER DAMIAAN
rigen arbeid onder christenen, die men bemint
en door wie men bemind wordt, was onze onder-
linge liefde diep in onze harten geworteld. Een
woord al lachende gesproken over Molokai,
bracht ze in onrust. Toen ik mij eindelijk van
Kohala verwijderde om de kerkwijding van
Wailuku te gaan bijwonen, hoorde ik eene
inwendige stem die mij zeide, dat ik mijne wel-
beminde christenen, mijne vier schoone kerken
niet meer zoude wederzien. Met de tranen in de
oogen wierp ik een laatsten blik op mijne chris-
tenheid van Kohala.
« En zie, bij gelegenheid der kerkwijding
van Wailuku, drukte Zijne Hoogwaardigheid
het verlangen uit, dat iemand de christenen
van Molokai zou gaan bezoeken. Ik begreep
aanstonds dat de wil der goddelijke Voorzie-
nigheid in mij zoude volbracht worden. Den
volgenden Zaterdag keerde ik niet meer naar
Kohala terug. »
In de omstandigheden zijner aankomst te
Molokai, is de wijze beschikking der Voorzienig-
heid even blijkbaar. Mgr Maigret was voorne-
mens met de eerste stoomboot naar Honolulu
terug te keeren. Deze nu was toevallig met eene
vracht van 50 melaatschen en met mondbehoef-
ten geladen, en daarom moest het schip bij uitzon-
dering te Molokai aanleggen. Dit scheen P. Da-
miaan eene gunstige gelegenheid om aanstonds
in dienst te treden. Hij,die bij zijne intrede in het
klooster het onnoodig achtte in persoon afscheid
-ocr page 110-
P. DAMIAAN TE MOLOKAI                    95
te gaan nemen van zijne bloedverwanten van
Tremeloo, zou nu ook zijne liefde tot zijne
geestelijke familie van Kohala onderdrukken en
zijne geliefde kudde niet meer terugzien. Hij
vertrok aanstonds met Monseigneur. Aan tros
of voorraad had hij niet eens gedacht. Gelijk de
Apostelen die met een enkelen reisstok uitgin-
gen, zou hij alles van God en van zijne liefda-
dige christenen verwachten. Zoo zette hij op
Molokai voet aan wal, den nn Mei 1873.
Deze vereenigde omstandigheden wonnen
hem aanstonds de harten zijner melaatschen, en
verwekten in de Sandwich-eilanden bij katho-
lieken en protestanten eene algemeene en geest-
driftige bewondering.
In een protestantsch dagblad van Hawaï
« The Advertiser » lezen wij het volgende, in
een art. van 17 Mei 1873 :« Menigmaal hadden
wij opgemerkt dat de arme melaatschen van
Molokai in hun ballingsoord zonder herder en
zonder geneesheer zijn, en aan de christelijke
heldhaftigheid de gelegenheid van eene schoone
en edele zelfopoffering aanbieden. Wij hebben
het geluk mede te deelen dat die held gevonden
is... P. Damiaan heeft geheel onverwachts dat
besluit genomen. Hij is daar zonder huisvesting,
en heeft geen ander lijnwaad dan hetgene de
melaatschen hem zouden kunnen geven...
« Zonder ons over het verschil van godsdienst
te bekommeren, zeggen wij het luide: die man
is een christenheid. »
-ocr page 111-
96                LEVEN VAN PATER DAMIAAN
In het geheele rijk heerschte er eene onge-
meene geestdrift; overal hoorde men met den
grootsten lof van den edelmoedigen missionna-
ris spreken, die alleen had ondernomen, wat
niemand tot nu toe gedurfd had. De E. P. Pro-
vinciaal der Picpus-Paters schreef den 2in Mei
het volgende : « Zoodra de Kilauea van Molokai
in onze haven terugkwam, verspreidde zich het
nieuws door geheel Honolulu. Iedereen sprak
van de zelfopoffering van P. Damiaan, van het
gevaar waaraan hij zich blootstelde. Men bewon-
derde zijnen moed, men prees zijne zelfopoffe-
ring, die hem deed leven met melaatschen, zon-
o\'
der huisvesting, zonder zelfs van het noodigste
voorzien te zijn.
« De missionnarissen nochtans zijn niet zoo
ongewoon zonder voorraad te reizen. In deze
omstandigheid echter is de bevolking van Ho-
nolulu daarover van bewondering opgetogen.
Gisteren nog, stapte een geneesheer uit zijn
rijtuig, om mij 25 fr. ter hand te stellen voor
P. Damiaan ï>.
Ondertusschen maakte de nieuwe herder van
Molokai kennis met zijne diep ongelukkige
kudde, zonder ooit te denken dat hij een held
was. Zoo ellendig nochtans was de toestand
dier christenheid, dat hij in de eerste weken
inderdaad geen onderkomen kon vinden. In de
hutten zijner christenen vernachten, was onmo-
gelijk. Zou het niet roekeloos geweest zijn onder
het dak van eenen melaatsche te slapen, en zou
-ocr page 112-
P. DAMIAAN TE MOLOKAI                     97
deze onvoorzichtigheid niet een grooter goed
beletten ? Andere woningen waren er nochtans
niet te vinden !
Naast de kapel van de H. Philomena, waar
hij den eersten dag zijn diep bewogen hart was
komen uitstorten en zich zelven met zijne dier-
bare kudde aan God aanbevelen, had de zelf-
vergeten missionnaris een bladerrijken boom
ontwaard. Het was een Pandanus, die zijne
breede kroon koepelvormig uitstrekte, en hem
eene schuilplaats onder zijn dicht bladerendak
scheen aan te bieden. Zoodra hij dus de zon voor
de eerste maal over dit doodendal zag ondergaan,
en een plechtig duister de vallei des ongeluks
kwam omsluieren, ging hij onder dien herberg-
zamen Pandanus nederknielen om een laatste
gebed tot God te richten, en nam daar aan den
voet van dien boom zijne eerste nachtrust. Uit
den donkeren hemeltrans fonkelden hem dui-
zenden sterren door het trillende gebladerte
tegen, en daarboven zeker staarden de Engelen
met bewondering over dit treffend schouwspel
neder. Gedurende drie weken ging hij daar den
nacht doorbrengen, en was door niets anders
beschut dan door het groene dak van den breed-
gekroonden boom en door de onzichtbare vleu-
gelen van zijn wakenden Engelbewaarder. Na
drie weken had hij zich een houten huis gebouwd
van 16 voet lengte en 12 voet breedte.
Den herbergzamen Pandanus zal hij dankbaar
blijven. Hij blijft er later met zorg over waken
Leven van Pater Damiaan.                                                                          7
-ocr page 113-
98                LEVEN VAN PATER DAMIAAN
en laat hem in het kerkhof insluiten. Onder zijn
bladerendak zal hij zich met waakzamen naijver
eene laatste rustplaats voorbehouden, en, nu
zijne edelmoedige ziel de eeuwige rust is gaan
genieten, strekt de geliefde Pandanus zijn bree-
den koepel nog treurend over de stoffelijke over-
blijfselen van den eersten herder der melaatschen.
Niet lang behoefde P. Damiaan rond te zien
om te begrijpen wat Molokai was, en wat een har-
de en onaangename arbeid hem daar wachtte.
Het schouwspel dier vereeniging van de uiterste
ellenden naar ziel en naar lichaam, deed hem
eerst huiveren ; maar zijn moed was beneden
dien arbeid niet, en God zou hem niet verlaten.
Met een hart door de genade verruimd en ver-
licht, moedigde hij zich zelven gemeenzaam aan:
« Jozef, jongen, hier hebt ge werk voor geheel
uw leven ». Dit schijnt hij zelf aan M. Clifford
te hebben medegedeeld. Ja, zich geheel en altijd
opofferen voor zijne melaatschen, dit was zijn
eenige wensch, zooals hij den 1311 Augustus 1873
aan zijnen Provinciaal schreef: «... Gij kent
mijn verlangen; ik wil mij voor de ellendige
melaatschen opofferen ; de oogst schijnt rijp. »
Is het wonder dat de nieuwe geestelijke vader
aanstonds de harten zijner kinderen had gewon-
nen ? Pij zijne aankomst kwam een vreugdestraal
hun misvormd gelaat ophelderen. Zijne tegen-
woordigheid alleen was eene verlichting voor
hen, eene opbeuring voor hun neergedrukt
gemoed. Nu hebben zij eenen vader die aanhou-
-ocr page 114-
Haven van Hilo in de Sandwich-eilanden.
-ocr page 115-
IOO LEVEN VAN PATER DAMIAAN
dend over hen zal waken, eenen voorspreker die
hunne belangen bij medelijdende zielen zal voor-
staan. Ja, hij die gezond zijnde, zich vrijwillig
met melaatschen komt opsluiten, moet tot alle
edelmoedigheid bekwaam zijn ; zij mogen met
kinderlijk vertrouwen tot hem naderen en alles
van hem verwachten...
Wie had het durven vermoeden ? Onze mis-
sionnaris was niet tevreden over zijne zelfopoffe-
ring. Zijn teeder geweten vreesde dat zijn arbeid
aan God niet aangenaam zou zijn. Was het de wil
van God dat hij zich aldus blootstelde ? Hij was
daartoe gekozen door Mgr Maigret; maar, moest
hij als kloosterling de toestemming van den E. P.
Provinciaal niet afwachten ? Schoone teergevoe-
ligheid van geweten in een werkzaam en onder-
nemend man als P. Damiaan ! Bovenal was hem
de gehoorzaamheid dierbaar : hij wist, hoe kost-
baar die deugd in de oogen van eenen God is, die
gehoorzaam geweest is tot de dood des kruises ;
hij begreep hoe wij, door de zinnen dikwijls ver-
blind of door een onbezonnen ijver verleid, in
de gehoorzaamheid eene veilige leiding en een
nuttigen toom vinden. Ten anderen, zooals de
H. Gregorius ons leert, is het de volmaakte
zielen eigen, daar ook kwaad te willen zien, waar
er hoegenaamd geen te vinden is.
Weldra ontving hij een bezoek van P. Aubert
en deelde hem zijnen twijfel mede. Deze stelde
hem natuurlijk volkomen gerust : « hij kon met
reden veronderstellen dat de E. P. Provinciaal de
-ocr page 116-
P. DAMIAAN TE MOLOKAI                   IOI
keuze van den Bisschop had goedgekeurd; hun
Overste heeft dien arbeid aan niemand durven
opleggen, maar met alle voldoening zal hij zeker
gezien hebben, hoe edelmoedig een zijner on-
derdanen dien last uit eigen beweging op de
schouders had genomen. » Nochtans schreef
P. Aubert daarover een woord aan P. Provinciaal,
die hem aanstonds de gewenschte toestemming
liet geworden.
Eene onverwachte beproeving kwam weldra
den arbeid van P.Damiaan belemmeren en zijnen
moed op eene harde proef stellen. Toen hij naar
Molokai was gekomen,had hij zich nooit kunnen
verbeelden, dat hij daar voor goed van alle ver-
keer met zijne medebroeders zou beroofd worden.
Eerst ontving hij dan ook geregel J het bezoek
van een naburigen missionnaris, en dit was hem
een groote troost. Weldra echter begon het Ge-
zondheids-comiteit moeielijkheden temaken.—
Moest de waakzaamheid dan zoo ver gedreven
worden ? Of was er wat anders in het spel ?
Dagbladen van alle geloofsgezindheid hadden
den heldenmoed van den katholieken missionna-
ris zoo hoog verheven, en het nieuws, eervol ze-
ker voor de katholieken, zoo spoedig in de oude
en nieuwe wereld verspreid dat eenige Puriteinen
van Hawaï daarover bekommerd werden. De
katholieke\'priester werd alom geprezen, en nie-
mand sprak van den protestantschen minister ;
of, werd er een woord over gerept, dan deed men
opmerken, hoe deze voorzichtige herders zich
-ocr page 117-
102 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
met vrouw en kinderen op een eerbiedigen af-
stand van de gevaarlijke leprozerij hielden, hoe
zij, bezorgd voor hunne kostbare gezondheid, het
levensgevaar, de ware zelfopoffering aan de
katholieken overlieten. Deze kwetsende verge-
lijking moest natuurlijk sommige leiders tegen
den gevierden missionnaris in het harnas jagen.
Over \'t algemeen nochtans, hebben de Pro-
testanten P. Damiaan met eene lofwaardige en
belangelooze onpartijdigheid beoordeeld,en zelfs
met woord en daden ondersteund. Dit kon
echter niet beletten, dat er in den hoop eenige
kleingeestige vitters het hoofd opstaken, en het
zich tot een heiligen plicht rekenden, den edel-
moedigen arbeider uit partijgeest te kortwieken
en in zijne menschlievende pogingen onbarm-
hartig te dwarsboomen.
Er werd heimelijk op het Gezondheids-comi-
teit gewerkt, waar die Puriteinen talrijke ver-
tegenwoordigers telden.
Weinige weken na zijne aankomst meende
P. Damiaan de leprozerij te mogen verlaten, en
begaf zich naar de Hoofdstad, waarde Bisschop
en de Voorzitter van het Gezondheids-comiteit
hun verblijf hielden. Overal werd hij met geest-
drift gegroet en ontvangen. Na Zijne Hoogwaar-
digheid den toestand der leprozerij te hebben
blootgelegd, meende hij insgelijks een beleefd-
heidsbezoek bij gemelden Voorzitter te moeten
brengen.
Welke was niet zijne teleurstelling, toen hij
-ocr page 118-
P. DAMIAAN TE MOLOKAI                   IO3
daar met koude terughouding werd onthaald! In
plaats van dankzegging, van aanmoediging.ont-
ving hij het onaangename verbod, voortaan nog
den voet buiten de leprozerij te zetten. Nutteloos
trachtte P. Damiaan hem van die ongehoorde
strengheid te doen afzien, en hem het hatelijke
van dien nutteloozen maatregel onder de oogen
te brengen : niets baatte. Hoezeer moet deze
vervolging den missionnaris gegriefd hebben !
Neen, het was niet uit eigen belang dat hij zich
daartegen verzette, maar voor zijne ongelukkige
kinderen wier zaak hij niet meer mondeling
bij vermogende personen zou kunnen bepleiten.
Wat meer is, er gewerd hem, eenige dagen na
zijne terugkomst te Molokai, een schriftelijk
verbod zijne leprozerij nog te verlaten, indien
hij niet van rechtswege wilde aangehouden en
gestraft worden.
Dagbladen die de katholieken alles behalve
genegen zijn, toonden zich over die handelwijze
verontwaardigd, en beweerden openlijk dat het
partijzucht en kleingeestige plagerij was. Wat
er ook van zij, enkele gebeurtenissen schijnen te
toonen dat die dweepzuchtige leiders, wier ge-
drag zelfs door hunne geloofsgenooten werd
gebrandmerkt, geene alleszins zuivere meening
hadden.
Zoo gebeurde het dat P. Provinciaal naar
Molokai kwam met eene stoomboot, die levens-
middelen aanbracht en daar gedurende drie uren
moest stilhouden. P. Damiaan zou met zijn
-ocr page 119-
104 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
bezoek in die gedwongen afzondering getroost
zijn, en verlangde zeker ook eenen biechtvader te
ontmoeten. Reeds wildede Provinciaal met eene
sloep naar de landingsplaats afsteken, toen de
kapitein hem met een droog : « onmogelijk! »
terughield. P. Damiaan stond aan het strand te
wachten. Zoodra hij zijnen Overste heeft ont-
waard, springt hij in eene schuit, en komt met alle
snelheid aangevaren : hij ook meende aan boord
te gaan om zijn geestelijken vader te groeten.
Bittere teleurstelling! wederom een onverbidde-
lijk « onmogelijk! » Toen zag het medelijdende
scheepsvolk den Provinciaal over de schutting-
balie van de stoomboot heenleunen, en met
ernstige aandacht en ingetogenheid luisteren,
terwijl de missionnaris van uit de schuit met
allen eerbied en ootmoed in eene onbekende
taal tot hem sprak : P. Damiaan deed hardop
zijne biecht in het Fransch !
In eene andere gelegenheid dreigde de zaak
nog slechter af te loopen. P. Aubert was in het
hoofere sredeelte van het eiland eenen ster-
vende komen bedienen. Onverschrokt als hij
was, besloot hij kost wat kost aan P. Damiaan
een bezoek te brengen. Dit was echter niet zoo
gemakkelijk. De reeds beschreven rotsmuur
opende tusschen hem en zijnen medebroeder
eenen afgrond van ruim 1200 voet ; daarbij was
een wakkere wacht nog gedurig op de loer, om
alle verkeer tusschen het hoogere eiland en de
leprozerij te beletten. Hij verkleedt zich derhalve
-ocr page 120-
P. DAMIAAN TE MOLOKAI                   105
zorgvuldig.en begeeft zich in een donkeren nacht
op weg. Aan den boord van den afgrond geko-
men, laat hij zich van rots tot rots glijden, daalt
met de handen op den rug langs de steile hel-
lingen en staat eindelijk ongedeerd in de vallei,
van waar hij zonder moeite en ongemerkt de
woning van zijnen ordebroeder bereikte. Hij
keerde insgelijks naar het hoogere eiland terug,
zonder eene levende ziel te ontmoeten. Later
nochtans hoorden wij onrustwekkende geruch-
ten ; ernstige opzoekingen werden door de poli-
cie gedaan, en hij zou er slecht van af gekomen
zijn, zoo de goddelijke Voorzienigheid niet eene
onverwachte hulp had gezonden.
De Fransche consul van Hawaï, Dr Trous-
seau, was lid van het Gezondheids-comiteit, en
deed al zijnen invloed gelden om de Paters
aan die kleingeestige plagerijen te onttrekken.
Daarenboven greep er eene plotselinge verande-
ring plaats in de Regeering. Koning Kalakaua be-
klom den troon, en achtte het zich een plicht
het algemeen verlangen van zijn volk te bevredi-
gen en den katholieken missionnaris recht te
doen wedervaren. Hij liet aan Mgr Maigret goed-
gunstig berichten, dat hij en zijne missionna-
rissen voortaan vrijen toegang tot de leprozerij
hadden. Van staatswege en door middel van
den Franschen consul ontving P. Damiaan ook
bericht dat het hatelijk bevel zijner afzondering
voor goed was ingetrokken.
*.■
-ocr page 121-
LS de gure winterdagen voorbij zijn
en de blijde lentezon hare koeste-
rende warmte over de nog kille aarde
zendt, hoe wondervol verrijst dan
de doodsche natuur uit haren droevigen slaap !
De velden leggen hunne treurige lijkwade af;
de sombere naaktheid der bosschen wordt met
een rijken bladertooi gedekt; nieuwe stengels
schieten op, en als bij tooverslag ontluiken aller-
wegen de liefelijkste bloemen : onder den mil-
den warmtegloed die van boven nederstraalt,
schijnt alles een lachend aanzien te nemen, een
frisscher leven te ademen.
Alzoo ook herleefde Molokai onder den bezie-
lenden invloed der katholieke liefdadigheid.
Over de vallei der melaatschen lag eerst een
somber lijkkleed gespreid ; treurig was het aan-
zien van dien doodenakker. P. Damiaan ver-
schijnt! Geholpen door de Regeering, door de
christelijke milddadigheid ondersteund, en voor-
al, door een warmen zielenijver en eene vurige
zucht naar zelfopoffering aangedreven, begint
hij de hervorming : alles verandert, alles her-
leeft; de stoffelijke toestand verbetert, de gods-
dienst bloeit, ware blijdschap schittert nog uit
de betraande oogen der melaatschen, en de
droevige zuchten der smart worden door blijde
-ocr page 122-
LEVEN VAN PATER DAMIAAN                IOJ
vreugdekreten afgebroken. Molokai, zooals een
reiziger in 1888 getuigt, is geen beeld der hel
meer met hare vreeselijke wanhoop, maar ten
hoogste een vagevuur, waar men de lachende
hoop op lijdende aangezichten ziet stralen.
Hoe werd die verandering tot stand ge-
bracht ?
Wij kunnen alles in een woord samenvatten.
P. Damiaan was de vader der melaatschen.
Liefde voor allen, behulpzaamheid zoowel jegens
zijne christenen als jegens de verdwaalde scha-
pen, geregelde vermaningen en onderrichtingen,
teedere liefdadigheid jegens de armen, getrouwe
verpleging der zieken, dusdanig waren de mid-
delen welke de ijverige herder aanwendde om
eene hervorming te bewerken. De Regeering
stond hem daarin getrouw ter zijde ; dikwijls
was hij slechts de uitvoerder harer bevelen ;
meermalen trad hij als voorspreker der nood-
lijdenden op.
P. Damiaan begint de goddelijke diensten
geregeld te houden en te doen bijwonen. Hij
weet dat alle goed van God komt, en dat hem,
die eerst het rijk der hemelen zoekt, al het ove-
rige zal toegeworpen worden. Talrijke christenen
gaven gehoor aan zijne uitnoodiging en woonden
iederen dag de heilige Mis bij. Op den zondag
was de menigte zoo talrijk dat zijne kapel weldra
te klein werd. Binnen weinige maanden werd hij
genoodzaakt het eenvoudige heiligdom te ver-
grooten. Na de heilige Mis hield hij eene onder-
-ocr page 123-
IOS              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
richting; \'s avonds vereenigden zich wederom
de vurigste christenen in de kapel om het
rozenhoedje te bidden.
Na de onderrichting gaat de liefdevolle herder
zijne zieken in hunne armoedige woningen be-
zoeken. Men begrijpt wat een tijd daartoe noodig
was, wijl die hutten verspreid zijn over de ge-
heele vallei, welke eene uitgestrektheid van om-
trent 1500 hectaren heeft. « Als ik van den
morgen tot den avond van het eene huis naar het
andere loop, dan kan ik nog geen derde van mijne
christenen bezoeken... » « Overal waar ik bin-
nenga, zoo schrijft hij in November 1873, begin
ik met het geestelijk geneesmiddel der ziel aan te
bieden. Wie weigert, wordt daarom niet beroofd
van de stoffelijke hulp, welke ik aan allen zonder
onderscheid verleen. Allen ook, met uitzondering
van een gering getal versteende ketters, aan-
schouwen mij als hunnen vader. En ik, ik maak
mij melaatsch met de melaatschen, om ze allen
tot Christus te winnen : als ik preek, zeg ik hun
gewoonlijk : wij, melaatschen.
« De volgende gebeurtenis zal u toonen hoe
groot hier het gezag is van den missionnaris.
Zaterdag laatstleden wilden eenige jongelingen,
uit ontevredenheid over hun lot, tegen het bestuur
in opstand komen. Allen, behalve twee, waren
Calvinisten of Mormonen. Welnu, ik moest mij
maar toonen en een woord zeggen : aanstonds
onderwierpen zich de muiters.
« Het spreekt van zelf dat wij alles voor niets
-ocr page 124-
HOE MOLOKAI VERANDERT                 109
doen ; maar God zal het ons wel vergelden,
zooals hij voor zijne Apostelen deed. Ofliever, hij
heeft het reeds gedaan. Ja, indien O. L. Heer
mij vroeg : als ik u gezonden heb zonder geld,
zonder reiszak, zonder schoenen, hebt gij aan iets
gebrek geleden ?
ik zou hem moeten antwoorden :
aan niets, Heer (\').
« Inderdaad, na al wat ik te Kohala bezat aan
mijnen opvolger te hebben achtergelaten, ben ik
hier van alles ontbloot aangekomen; ik heb geen
duit inkomst, en nochtans lijd ik hoegenaamd
geen gebrek ; ik heb zelfs nog veel over, om
gedurig aalmoezen uit te deelen. Hoe is dat mo-
gelijk ? Het is het geheim van Hem, die beloofd
heeft het honderdvoudige terug te geven, voor
hetgeen men in zijnen naam zou verlaten.
«Ik heb deze dagen eene nieuwe kapel ge-
bouwd, op twee mijlen van hier, aan den anderen
kant van de leprozerij. Die kapel heeft 1500 fr.
gekost, behalve mijn eigen arbeid. Ik heb nog
vijf en twintig frank schuld. Ik moet u zeggen dat
de H. Jozef mijn schatmeester is. Ik zal er noch-
tans bijvoegen dat onze Zusters van Honolulu
mij kleederen zenden, en dat liefdadige zielen
het overige doen... »
De dronkenschap heerschte vrij algemeen
onder de melaatschen. Velen waren zoo goed als
ongeloovig, en trachtten hun verdriet in den
drank te smooren. Aan den voet van het steile
rotsgevaarte groeit eene zekere plant, die bij de
1. H. Luc, xxii, 35, 36.
-ocr page 125-
IIO LEVEN VAN PATER DAMIAAN
inboorlingen den naam van « Ki », en bij de plan-
tenkundigen den naam van Draccena terminabilis
draagt. Het is uit den wortel van die plant dat
de melaatschen een dronkenmakend sap weten te
trekken. Daartoe gebruiken zij een bijzonder
gereedschap. Bij de aankomst van P. Damiaan
werd deze bedwelmende drank in zeer vele hutten
bereid, niettegenstaande de waakzaamheid en
dikwijls ook dank aan de medeplichtigheid der
policie, welke eerst evenmin godsdienstig en
bijgevolg zoo gewetenloos als de overige bevol-
king was. Kaartspelen, Ki drinken, op de dolste
wijze zingen en dansen, dat was het leven van
vele melaatschen. Als zij goed beschonken waren,
zag men ze dikwijls als uitzinnigen of bezetenen
tieren en rondloopen. De gewone vergaderplaats
dier dolzinnige drinkers was een dorp, dat met
den naam van dorp-der-zotten was gebrandmerkt.
Om die misbruiken des te zekerder uit te
roeien, besloot P. Damiaan de bijl aan den boom
te leggen, en het distilleeren van den drank, zoo
veel het in zijne macht was.onmogelijk te maken.
Nu eensmet bedreigingen, dan weer met vader-
lijke vermaningen of teedere liefdediensten, haalt
hij vele schuldigen er toe over, hem het nood-
lottig gereedschap ter hand te stellen. Hij ver-
biedt aan al zijne christenen den gevaarlijken
drank te gebruiken. Die maatregelen hadden
den besten uitslag. Eerst nochtans bleven som-
migen wedcrspannig: P. Damiaan ondervond
hoe grievend smartelijk het is, bitteren ondank,
-ocr page 126-
>
HOE MOLOKAI VERANDERT                 III
ja, snooden haat voor zijne weldaden in te
oogsten !
Met den tijd nochtans zegevierde zijne liefde.
Als de steeds toenemende ziekte den hardnek-
kigen zondaar op zijn sterfbed machteloos had
uitgestrekt, kwam de liefdevolle herder met aan-
drang terug: hij verpleegde den stervende, hij
sprak hem van den dood, van de eeuwigheid,
welke hij aanstonds moest intreden, en gewoon-
lijk kon hij zich verheugen het kwaad door het
goed te mogen overwinnen De dronkenschap
geheel uitroeien was onmogelijk. Het getal harer
slachtoffers echter verminderde zichtbaar, en
weldra was de «A7» nog slechts de drank
eener misprezen minderheid. Het zoogenaamde
dorp-der-zotten werd geheel bekeerd en ontving
ter herinnering van die bekeering den veelbe-
teekenenden naam van Niniveh.
Bedorvenheid en wreedheid gaan dikwijls
hand aan hand. Het gebeurde in de eerste jaren,
zoo getuigt M. Clifford, dat vrouwen of kinderen,
zoodra zij zich zelven niet meer behelpen konden,
door hardvochtige huisgenooten onbarmhartig
werden weggejaagd en elders een onderkomen
moesten zoeken. Soms ook in plaats van ze naar
het hospitaal te doen brengen, legde men ze
achter eene rots neder om die ongelukkigen daar
te laten sterven. Die onmenschelijke wreedheid
werd door P. Damiaan met alle kracht en niet
zonder goed gevolg bestreden. Hij zelf droeg
bijzondere zorg voor de zieken, hij preekte aan
-ocr page 127-
\'
112 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
anderen de liefdadigheid, liet de stervenden op
tijd naar het hospitaal vervoeren, en deed ze met
zooveel nauwgezetheid verplegen, dat de me-
laatschen zich gelukkig achtten daar hun einde
te mogen afwachten : het vroeger zoo gevreesde
hospitaal werd nu het gezegend toevluchtsoord
van talrijke hopelooze zieken.
Niets misschien werkte voordeeliger op het
gemoed der zondaren dan die liefdadigheid van
den edelmoedigen herder jegens zijne geestelijke
kinderen. En hoe zouden de Hawaïanen hieraan
wederstand kunnen bieden, zij die zoo fijngevoe-
lig, zoo hartelijk zijn ? Voor hunne aankomst te
Molokai leefden zij in den kring eener teergelief-
de familie; zij beminden hunne bloedverwanten :
in weerwil van hunne afstootelijke ziekte, ont-
moetten zij van hunnentwege eene liefdevolle
verpleging. Maar zie, eensklaps heeft men ze uit
de armen hunner vrienden weggerukt, en naar
het afgelegen ballingsoord van Molokai ver-
voerd ; daar moeten zij den dood afwachten in
eene vreemde vallei, onder vreemde lotgenooten.
O ! met welke vreugde zien zij den katholieken
priester glimlachend tot hen naderen. Ja ! hij is
hun vriend, hun vader! Hij ook buigt zich met
liefde en zonder vrees over hunne bedsponde, om
hun een troostend woord toe te fluisteren, om
hun een geneesmiddel toe te reiken! Hem
zullen zij hun hart openen....De meest versteende
zondaars lieten zich door die liefde overwinnen.
Bijna alle protestantsche ministers bekeeren zich
-ocr page 128-
HOE MOLOKAI VERANDERT                  I 13
op hun sterfbed. De liefdadigheid van den katho-
lieken herder zegevierde!
Vooral getrouwde personen, die daar zonder
hunne echtgenooten aankwamen, gevoelden eene
groote behoefte aan rechtzinnig medelijden en
troostende opbeuring. Velen bezweken al vroeg
onder de vereenigde werking van het knagend
verdriet en de voortwoekerende ziekte ; of
zij zochten eene verpoozing aan hunne smarten
in het schandelijk voldoen der laagste wellusten.
Komen de twee echtgenooten daar te zamen
aan, dan gewennen zij zich gemakkelijker.
Niettegenstaande de bezorgdheid van de
Regeering, hadden de melaatschen een zeker
gebrek aan warme kleeding.aan geneesmiddelen,
aan zuiver water en aan gezonde woningen.
Het Gezondheids-comiteit, hoe waakzaam
ook, kon moeielijk van al die bijzonderheden
onderricht zijn.
De koude werkt zeer nadeelig op de melaat-
schen: zij krijgen dan de koorts, hoesten deerlijk,
voelen aangezicht en lichaam zwellen, en indien
zij niet goed opgepast worden, slaat de ziekte
op de longen, en dan is het weldra gedaan.
P. Damiaan ontving van weldadige personen uit
Honolulu warme kleederen voor ruim 200 per-
sonen, en bekwam nog eene bijzondere onder-
steuning van de Regeering.
Een melaatsche die zich weerloos aan de wer-
king zijner kwaal overgeeft, ziet er ellendig uit
en dreigt in korten tijd geheel weg te kankeren.
Leven van Pater Damiaan.
i
-ocr page 129-
114 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Toen P. Damiaan te Molokai aankwam, had het
arme volk schier geene geneesmiddelen aan de
hand. Men zag de ellendige zieken ronddwalen
met afzichtelijke wonden die aan allen invloed
der luchtsgesteldheid en aan alle oogen bloot-
stonden. Velen wisten niet wat het was eene
wonde te verbinden. Leed iemand aan de koorts,
of aan eene dier talrijke ongesteldheden en kwa-
len die het gevolg der melaatschheid zijn, ge-
woonlijk bezweek hij er onder, bij gebrek aan
eenig geneesmiddel. Weldra werd ook in deze
behoefte voorzien door het toedoen van den
waakzamen herder.
De kleederen der melaatschen evenmin als
hunne gezichten onderscheidden zich door
netheid. En hoe kon het anders zijn ? Wilden
zij wasschen, dan moesten zij het water op verre
afstanden gaan halen, en in kruiken op hunne
lijdende schouders thuis brengen. P. Damiaan
was sedert lang over dien toestand bekommerd.
Op zekeren dag verneemt hij dat men in een af-
gelegen dal eene natuurlijke waterkom heeft
gevonden. Aanstonds vertrekt hij met twee
blanken en eenige zijner weezen, en vindt in de
aangewezene plaats eenen bijna cirkelvormigen
kuil met een frisch en helder water. De kom
was 72 voet lang en 55 voet breed; niet ver van
den boord was zij 18 voet diep. De inboorlingen
beweerden dat die kuil, zelfs in de grootste
droogte, nooit ledig was gezien. De schrandere
herder heeft aanstonds zijn plan ontworpen : hij
-ocr page 130-
HOE MOLOKAI VERANDERT 115
vraagt aan de Regeer ing het noodige om eene
waterleiding te leggen, en houdt niet op, zijne
vraag met aandrang te herhalen totdat zijn ver-
zoek eindelijk wordt ingewilligd. Zoodra de
waterpijpen daar zijn, stelt hij zich met zijne
melaatschen aan het werk, en weldra ziet men
-ocr page 131-
Il6 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
een helder en frisch water midden in het dorp
vloeien. Ieder kan nu wasschen en baden,
zooveel hij verkiest.
Ook de woningen der melaatschen lieten veel
te wenschen over. Behalve de tachtig zieken die
in het hospitaal verbleven, waren de melaat-
schen in twee dorpen verspreid ; vele hutten
lagen over de geheele vallei verstrooid. Sommi-
gen hadden de oude stammen van den pandanus
of punhala tot balken en planken gezaagd om
zich eene woning te bouwen ; de meesten verge-
noegden zich met eenige boomtakken tot een
vierkant samen te vlechten, en daarboven een
dak van ki- of suikerrietbladen te leggen.
Dit was misschien voldoende om de zieken
tegen de brandende zonnestralen te beschutten,
maar niet om ze tegen de felle regenbuien
te vrijwaren. In de wintermaanden blaast de
wind geregeld uit het Zuiden; de warme lucht
die van den Evenaar aanstroomt is met dampen
bezwangerd, welke op de hoogte der Sandwich-
eilanden afkoelen, en in geweldige regenbuien
nederstorten. Dan valt er eene ontzaglijke
hoeveelheid water. Terwijl de regenmeter in
België nauwelijks 80 centimeters water per jaar
aangeeft, heeft men er in Hawaï van zeven tot
acht meters waargenomen. Die regenbuien zijn
dikwijls zoo geweldig dat zij aan eene wolkbreuk
doen denken. In Molokai is misschien een goed
huisdak nog meer onmisbaar dan in ons Vlaan-
deren.
-ocr page 132-
HOK MOLOKAI VERANDERT                 I I7
Daarenboven waait die zuidenwind soms zoo
geweldig, dat het een ware storm mag heeten.
De inboorlingen noemen dat een « kona » of
evenwichtsbreuk. In 1874 werden de meeste
hutten der leprozerij door een « kona » als weg-
geschoren. Vele arme melaatschen lagen bijna
zonder onderkomen in den killen regen te bib-
beren. De matten waarop zij rustten werden
zelfs door de vochtigheid aangetast en wasemden
eenen onaangenamen reuk uit.
P. Damiaan wendde zich tot den bestuurder
der leprozerij en bracht hem dezen ellendiger)
toestand onder de oogen. Weldra liet de Regee-
ring eene groote hoeveelheid hout aankoopen
en aanvoeren, om nieuwe hutten te bouwen :
sommige melaatschen ontvingen van hunne
bloedverwanten het noodige gereedschap ;eenige
timmerlieden zetten zich aan het werk. P. Da-
miaan zelf zag men, nu hier, dan daar, met hamer
en zaag onder de felle zonnestralen arbeiden.
Als een reiziger Molokai bezoekt en de inwoners
dier nieuwe woningen ondervraagt, antwoorden
zij met fierheid: dit heeft onze herder gebouwd !
Ook voor het voedsel werden belangrijke
verbeteringen aangebracht, dank wederom aan
de vereenigde werking van het Bestuur en van
den ijvervollen herder.
Is het wonder dat de leprozerij in weinige
jaren van aanzien veranderde ; in plaats van
ellendige hutten verrezen alom bevallige wonin-
gen ; die stoffelijke welvaart werkte op de ge-
-ocr page 133-
I 18              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
moederen : ook de gezichten zagen er lachender
uit. De sterfgevallen werden zeldzamer. De
godsdienst verruimde de harten en beurde de
gemoederen op. Zij die de leprozerij voor de
tweede maal bezochten, ondervonden eene aan-
gename verrassing. Men sprak niet meer van
klachten, van oproer tegen de Regeering.
Integendeel, toen P. Aubert in 1875 de me-
laatschen over hunnen toestand ondervroeg,
plooide zich een glimlach om hunne misvormde
lippen, en met tranen van dankbaarheid ant-
woordden zij : « Wij beklagen ons lot niet; de
Regeering zorgt meer voor ons, dan onze bloed-
verwanten zouden gedaan hebben. Wij zijn
over den bestuurder der leprozerij, en vooral
over onzen herder zeer tevreden. Hij bewijst
ons alle mogelijke diensten, hij bouwt onze
hutten. Aan de meest lijdende zieken geeft hij
thee, beschuit en suiker; aan de armen deelt
hij ook kleederen uit. Hij zorgt zonder onder-
scheid voor katholieken en protestanten. Welk
een verschil met den protestantschen minister,
die ons eens in het voorbijgaan uit nieuwsgie-
righeid bezocht heeft, en zonder tot ons te
naderen. Daaraan erkennen wij den waren
herder die zijn leven voor zijne kudde bloot-
stelt van den huurling die op winst uitgaat».
-ocr page 134-
E N woord over de melaatschheid zal
ons onderwerp nog meer ophelderen
en de zelfopoffering van P. Damiaan
beter doen waardeeren.
De melaatschheid is zeker een der oudste en
der hardnekkigste geesels die ooit het vervallen
kroost van Adam hebben beproefd. Reeds
bekend bij de Hebreeuwen en de Aziatische
volken, vóór Christus geboorte, bleef zij nu hier,
dan daar, met afwisselende woede het mensch-
dom teisteren.
In de middeleeuwen maakte zij,geheel Europa
door, ontelbare slachtoffers, en zoo groot waren
de verwoestingen, die zij in ons werelddeel aan-
richtte, dat de droevige herinnering aan die
geduchte kwaal nog vrij levendig bewaard is.
En bij wien wekt de naam van melaatschheid
niet de vreeselijke gedachte van levend wegkan-
keren, van langzaam tot ontbinding overgaan?
Bij wien doet die naam niet het vreeselijk
beeld voor den geest rijzen van den heiligen
man Job, door vrienden en bloedverwanten ver-
laten en op eene reinigingsplaats aan het bederf
ter prooi geworpen ? Ja, zoo geducht woedde
vroeger de melaatschheid in onze streken, dat het
volk zich nog herinnert, hoe op hare slachtoffers,
als een zware vloek, de dubbele schande weegt
-ocr page 135-
120 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
van eenen langzaam wegvretenden kanker, en
van eenealgemeene en altijddurende verstooting ?
Maar nog heeft die kwaal niet uitgewoed.
Neen. men verbeelde zich niet dat de melaatsch-
heid thans op enkele eilanden van de Stille
Zee verbannen is ; nu nog richt zij over den
geheelen aardbodem verschrikkelijke verwoes-
tingen aan, en wellicht is geene andere ziekte zoo
algemeen verspreid. Men treft haar overal aan.
Geen vruchtbare bodem, geen luchtsgesteldheid,
geen hoogere of lagere grondligging kan den
mensch van hare besmetting vrijwaren. Bezoek
de heete gewesten van Sumatra, waar onder de
brandende zonnestralen het leven en het bederf
met haastigen tred vooruitgaan, of het koude
IJsland, waar een snijdende vorst en bijna eeu-
wige winter de ontbinding en de ontwikkeling
der gewassen en dieren schijnt te belemmeren,
gij zult er overal de melaatschheid in al hare ge-
duchte kracht aantreffen. Laat onafgebroken
regens of moerassige gronden eene zoo dikwijls
ongezonde vochtigheid onderhouden ; laat eene
gematigde droogheid en zuivere lucht de le-
vensverrichtingen ongehinderd bevorderen, de
ongenadige kwaal zal even zegevierend voort-
woekeren en haar ontbindingswerk in het men-
schelijk lichaam even gerust voltrekken.
Arabië, Batavia, Afrika, Azië, zoo verschillend
van lucht en grond, tellen talrijke melaatschen.
Men vindt er te gelijk in Rusland, in Noorwegen,
in Portugaal, in Spanje, bij Marseille en Toulon;
-ocr page 136-
DE MELAATSCHHEID                       I 2 I
in Griekenland, in Klein-Azië, en op de Ioni-
sche eilanden; Mexico, de Antillen, Brazilië\',
de Guyana\'s hebben hunne melaatschen. In
West-Indië alleen zijn er 250,000, die deze
vreeselijke besmetting in zich omdragen.
De geduchte ziekte heeft Afrika en Europa
als met eenen besmettingsgordel omringd. Zij
betwist den mensch bijna overal den grond.
Weinig talrijk zijn de bevoorrechte landen welke
zij niet bezoekt. Zij schijnt de onafscheidbare en
afgrijselijke gezellin van alle kustbewoners, en
woedt vooral met ongemeene kracht in vele
eilandengroepen van den Stillen Oceaan. De
eilanden Taïti en Marquesas worden vreeselijk
door dien geesel beproefd en zien hunne bevol-
king jaarlijks afnemen. Sommigen beweren dat
geheele volkstammen met den tijd aan de ge-
duchte kwaal zullen bezwijken, zoo talrijk zijn de
slachtoffers die zij onder inboorlingen nedervelt.
Geen leeftijd ontsnapt aan de melaatschheid.
Het kind met zijne versche levenssappen, de
dertigjarige man met zijne ontwikkelde krachten,
de grijsaard met zijn uitgedroogd lichaam worden
met dezelfde gretigheid door den ongenadigen
geesel aangetast. Zoek geen wapen tegen de
ziekte in zuivere kleeding en woning, in uitgele-
zen spijzen ; zoowel onder de ellendige hut van
den weerloozen arme als in het weelderige paleis,
waar de rijke zich tegen haar verschanst, weet zij
haar vergift in de aderen te storten en tallooze
slachtoffers te maken.
-ocr page 137-
122              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Zij slaat als de dood zelve, zonder toezien,
zonder mededoogen. In het ballingsoord van
Molokai zucht eene koninklijke vorstin. De
koningen van Engeland Hendrik III en Hen-
drik IV, waren melaatsch; Baldwijn IV, koning
van Jerusalem stierf in den ouderdom van 33
jaren van de melaatschheid. Te Molokai ziet
men teedere kinderen naast afgeleefde grijsaards
aan dezelfde kwaal bezwijken.
Te allen tijde heeft men deze ziekte voor
aanstekelijk gehouden. Die aanstekelijkheid
wordt nochtans door velen geloochend, vooral
sedert eenige jaren.. Wat daar ook van zij, zeker
is het dat er onloochenbare uitzonderingen voor-
komen. Sommige missionnarissen brachten tien,
twintig jaar onder de melaatschen door, zonder
door de ziekte te worden aangetast. Wonder-
baar is vooral het behoud van Pater Donders,
te midden der leprozen van Surinam of Hol-
landsch Guyana. Deze ijverige Redemptorist
leefde 28 jaar in eene goed bevolkte leprozerij.
Hij was in gedurige aanraking met zijne zieken,
en stierf eindelijk in een gezegenden ouderdom,
zonder dat men ooit eenig spoor van melaatsch-
heid in hem heeft waargenomen. P. Damiaan
ontsnapte tien jaar lang aan de besmetting, en
nochtans had hij zelf verschillende honderden
zijner melaatschen begraven.
Was die vreeselijke kwaal hoegenaamd niet
aanstekelijk, dan ware zekerde afzondering der
zieken een hatelijke en nuttelooze maatregel.
-ocr page 138-
DE MELAATSCHHEID
123
Die verbanning der melaatschen uit het gezel-
schap der gezonde burgers werd nochtans altijd
als een onfeilbaar middel tegen de verspreiding
der ziekte beschouwd. In het wetboek der
Israëlieten zijn die voorzorgsmaatregelen tot in
de geringste bijzonderheden bepaald. Het huis
dat besmet is, moet gezuiverd worden; men
moet de muren afschrabben, of afbreken en
vernieuwen, de kleederen wasschen of verbran-
den ; in sommige gevallen moeten de huizen
zelve worden gesloopt. Aan alwie met melaatsch-
heid is geslagen, wordt onmeedoogend alle
gemeenschap met het gezonde gedeelte der be-
volking ontzegd.
In de middeleeuwen werden dergelijke maat-
regelen genomen. De melaatschen verklaarde
men dood aan de maatschappij en verwijderde
men uit de samenleving. Zij moesten zich in de
eenzaamheid eene hut bouwen en altijd op een
zekeren afstand van de andere woningen blijven ;
zij waren voorzien van eenen ratel, om den voor-
bijganger te waarschuwen niet te naderen.
Meer gewoonlijk werden hospitalen of lepro-
zerijen gebouwd, waar die ongelukkigen eene
liefdevolle verpleging ontvingen. In de twaalfde
eeuw hadden schier alle steden en dorpen van
Frankrijk hun hospitaal voor melaatschen, ook
lazaret (\') of ladrerie genoemd. In iedere
1. De eerste leprozerijen droegen den naam van Lazarus-huis
of Lazaret, naar den naam van den beschermheilige der melaat-
schen, den welbekenden Lazarus van het Oude Testament, die
ook melaatsch was.
-ocr page 139-
124 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
voorname stad van Engeland vond men derge-
lijke leprozenhuizen. Hetzelfde geldt voor Italië,
voor noordelijk Europa, en inzonderheid voor
België.
Is het nu aan die afzondering der zieken, dat
wij de verdwijning der melaatschheid uit het
binnenland van Europa te danken hebben, of
moet dit aan andere oorzaken worden toe-
geschreven ? Daarop is nog geen voldoend ant-
woord gegeven, en de uitleggingen der mannen
van het vak zijn zeer uiteenloopend.\' Nochtans
houden velen die afscheiding der zieken als een
zeker middel tegen de verdere verspreiding
van de kwaal. De uitkomsten, welke deze afzon-
dering tegenwoordig in Noorwegen en in Molo-
kai oplevert, schijnen dit buiten twijfel te stellen.
Wat ook de waarheid omtrent de aanstekelijk-
heid der melaatschheid zijn moge, de leprozerijen
zijn zoo oud als de ziekte zelve, en in onze eeuw
zoowel als in de middeleeuwen, zoowel als in de
oudste tijden, zoekt men in de afzondering een
wapen tegen de gevreesde kwaal.
Men heeft veel kwaad gezegd van de lepro-
zerijen, meer uit onwetendheid of overdreven
gevoeligheid, zooals het dikwijls gebeurt, dan
met eenigen grond van waarheid. Eene korte
uitweiding over deze liefdadige inrichtingen zal
in een zoo belangwekkend onderwerp, den lezer
ongetwijfeld welkom zijn (\').
I. Cf. Torfs. Fastes des calamités publtques. — Epidémies.
Ch. m.
-ocr page 140-
DE MELAATSCHHEID                        125
Sommigen noemen het wreedheid en on-
menschelijke hardvochtigheid, de melaatschen
uit de samenleving te verbannen. Hier echter
moet men een valsch medelijden onderdrukken.
Laat dien melaatsche met zijne medeburgers in
betrekking blijven, hij zal uwe menschlievend-
heid roemen, maar gij zult oorzaak zijn, dat hij
zijne besmetting aan anderen mededeelt; gij
zult één slachtoffer der ziekte troosten, en mis-
schien ontelbare nieuwe slachtoffers maken. Hier
zeker moet in al zijne kracht het bekende woord
gelden : qui atnat, castigat: die waarlijk bemint
moet te goeder uur kunnen kastijden.
Men stelle zich ook de leprozerijen niet voor
als gevangenissen, waarin de zieken onmee-
doogend werden opgesloten, om daar schier
hulpeloos aan den dood te worden prijsgegeven.
In zijn Hugo van Craenhove heeft onze gevierde
volksschrijver, Conscience, de pest van Luik
(zeker was het de melaatschheid) meesterlijk af-
geschetst. Misschien nochtans is die beschrijving
een weinig overdreven. Wat daar ook van zij,
zeker is het dat de leprozerij van Luik als eenig
in haar soort moet aanschouwd worden.
De melaatschen die in de leprozerijen leefden,
waren goed van alles voorzien en ontvingen
eene liefdevolle verpleging. Zelfs werd eene
kloosterorde van mannen en vrouwen voor het
verzorgen dier zieken ingesteld. De Pausen
schreven Bullen, om de geestelijken te vermanen
over de gezondheid der christelijke gemeente
«
-ocr page 141-
I2Ó              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
te waken, en om herders en kudde tot liefdadig-
heid jegens de melaatschen aan te wakkeren.
Zoo ver had het de christelijke zelfopoffering
in vele leprozerijen gebracht, dat, zooals geloof-
waardige bronnen getuigen, de zieken er tevreden
en gelukkig leefden, ja, dat gezonde burgers er
zich trachtten in te dringen, om daar nevens de
melaatschen een gemakkelijk leven te slijten.
Plechtig geschiedde de afzondering dergenen
die door de ziekte waren aangetast. Zoodra
iemand van melaatschheid was overtuigd, werd
hij als dood beschouwd aan de wereld en aan de
maatschappij. De Kerk vierde eene soort van
lijkdienst, niet om den zieke schrik aan te jagen,
maar om hem door die plechtigheid aan te
sporen zich aan den wil van God te onderwerpen,
in den godsdienst zijnen troost te zoeken en zich
door een heilig leven tot den aanstaanden dood
voor te bereiden.
Op vele plaatsen ging de pastoor van
de parochie den melaatsche in zijne woning
halen en leidde hem processiesgewijze naar
de kerk. Daar werd eene lijkwade over hem
uitgespreid, terwijl de droevige tonen van het
Miserere in het heiligdom weerklonken :
de kerk was in rouw gehuld, talrijke kaarsen
brandden aan het altaar, en de wierookwolken
stegen naar den hemel met de plechtige gebeden
van den herderen de verzuchtingen van vrienden
en bloedverwanten. Na den dienst richtte de
priester eenige woorden tot de toegestroomde
-ocr page 142-
DE MELAATSCHHEIO
127
menigte, en vermaande eindelijk den melaatsche
al de voorschriften van de Kerk betreffende
zijne afzondering stipt te onderhouden. Hij deed
hem het nieuw kleed aantrekken dat hij voortaan
moest blijven dragen, verbood hem zonder dat
kleed of barrevoets uit te gaan, in de kerken of
kloosters te treden, zich met eene menigte volks
te vermengen, aan eene openbare bron of fon-
tein te gaan drinken, koopwaren aan te raken
alvorens hij ze gekocht zou hebben, in een woord,
zich iets te veroorloven waardoor hij zijne ziekte
aan anderen zou kunnen mededeelen.
In België waren er al vroeg leprozerijen. Na-
men had er eene in 1118, Gent in 1146, Brussel
in 1150, Luik in 1180, Yperen in 1187, Mechelen
in 1200, Leuven en Bergen in 1216, Antwerpen
in 1231, {Tersiecken, buiten de S. Joris-poort),
Doornik in 1237. Sommigen verbeelden zich dat
er in ieder dier hospitalen eenige honderden
melaatschen waren geherbergd. Dit mag mis-
schien hier en daar gedurende eenige jaren het
geval geweest zijn ; maar gewoonlijk nochtans
was het aantal zieken vrij gering, wijl de vreem-
delingen en de behoeftigen moeilijk toegang
hadden tot die gestichten, en zich in hunne eigene
woning moesten afzonderen (\').
Wat Conscience over de leprozerij van Luik
heeft geschreven mag geenszins op alle andere
1. Cf. Annales de VAcad. d\'Archéol. de Belgique. Visite des
Lépreux a Anvers. Broeckx. — Miscellanées poter servir tl
l\'histoire de la Lipre a Anvers,
par Broeckx.
-ocr page 143-
128              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
worden toegepast. In die stad heeft de melaatsch-
heid met ongemeene hevigheid gewoed; op an-
dere plaatsen ging de kwaal langzamer vooruit,
en maakte zij minder slachtoffers. Nochtans
werd België diep genoeg beproefd, en zeker
zouden wij huiveren bij het schrikwekkend tafe-
reel, hetwelk eene volledige afschetsing van de
verwoestingen door de melaatschheid in België
aangericht voor onze verschrikte blikken zou
doen oprijzen.
Hoe is die kwaal in ons land gekomen, hoe is
zij verdwenen ? Men beweert vrij algemeen dat
de kruisvaarders de ziekte uit het Oosten hebben
medegebracht. Al staat het vast dat er reeds vóór
de kruisvaarten leprozerijen in Europa waren,
nochtans kan men aannemen dat de melaatsch-
heid in hevigheid heeft toegenomen ten gevolge
der nauwere betrekkingen, welke te dien tijde
tusschen het Oosten en het Westen zijn ontstaan.
In de i6e eeuw begon de melaatschheid uit
Europa te verdwijnen, zonder dat men de juiste
oorzaak daarvan heeft weten op te sporen. In
vele leprozerijen waren er toen niet meer dan
vier of vijf melaatschen, en langzamerhand smolt
die geringe bevolking geheel weg ; die liefdadig-
heidsgestichten zelven verdwenen of begonnen
ook andere zieken te herbergen.
Na deze korte geschiedenis der melaatsch-
heid, zullen wij een woord zeggen over den aard
dier ziekte.
Men neemt algemeen aan, dat ook hier micro-
-ocr page 144-
DE MELAATSCHHEID                        129
ben in het spel zijn. Dokter Hansen van Bergen,
een Noorweger, heeft eerst de bacterie der
melaatschheid ontdekt (\').
Maar hoe komen die microben zich in het
bloed huisvesten ? Wat bevordert hunne ont-
wikkeling en vermenigvuldiging ? Is het on-
zindelijkheid, onreinheid, en zou dan de ziekte
zooals vele andere voorde beschaving achteruit-
wijken ? Is het misschien slecht voedsel,
bedorven visch, en kan men alzoo hare tegen-
woordigheid op schier alle zeekusten verklaren?
Is het wellicht, om niet te spreken van de aan-
tasting door besmetting of aanraking, een los-
bandig gedrag, een wulpsch en zinnelijk leven,
dat de vreeselijke kiem dier ziekte in het bloed
nederlegt en doet ontwikkelen? Ziedaar zooveel
vragen, waarop door de wetenschap nog geen
voldoend antwoord is gegeven. Tegen iedere
verklaring van den oorsprong der melaatschheid
kunnen ernstige bedenkingen worden inge-
bracht. Tegenwoordig, vooral in Engeland, zijn
talrijke geleerde dokters bezig met de zaak te
bestudeeren. Mocht het aan deze eeuw voorbe-
houden zijn ook dit geheim te ontsluieren, dan
zou de wetenschap door deze nuttige ontdekking
evenzeer de dankbaarheid van het menschdom
verdienen, als de katholieke liefdadigheid door
hare heldhaftige verpleging.
De naam van lepra of melaatschheid wordt
1. Cf. Dict. encycl. des Sciences médicales. T. 11 & t. xxxm,
I &2.
Leven van Pater Damiaan.                                                                          Q
-ocr page 145-
I30              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
dikwijls op zeer onderscheidene huidziekten toe-
gepast. Allen hebben dit gemeen, dat zij over
het geheele lichaam uitslaan, den mensch afzich-
telijk en afstootelijk maken, en zeer hardnekkig
en gevaarlijk zijn.
Soms ziet men de huid afschilferen ; het haar
verschiet van kleur; het geheele lichaam is met
witte schubben bedekt, waarvan het middelpunt
is ingedrukt ; die schubben hebben soms ver-
schillende centimeters, ja, eenen decimeter door-
snede. Deze ziekte was onder de Hebreeuwen
zeer verspreid, en had den dood niet ten gevolge.
Dit is de eigenlijke lepra, welk woord zou kun-
nen vertaald worden door schubziekte (\'). Het
is de creduchte kwaal van de middeleeuwen.
De naam van « melaatschheid » wordt even
algemeen toegepast op eene geheel andere ziekte.
Bij het invallen van deze tweede soort van me-
laatschheid verschijnen op het gelaat, vooral op
de wangen, roodachtige, gevoellooze vlekken. Op
die plaatsen verandert het haar van kleur ; de
wenkbrauwen vallen uit. Het is een onmisken-
baar teeken van melaatschheid. Die alzoo aan-
getast is schijnt overigens zeer gezond : hij gaat,
hij werkt, hij lacht. Die roode vlekken nochtans
vermenigvuldigen zich over het geheele lichaam.
Eefst waren zij enkel gevoelloos ; nu wordt het
eene zweer, eene afstootende wonde. Het is
een algemeene kanker, die het geheele lichaam
1. Het Grieksche woord asi:o; (lepos) beteekent schub, Xntprfc
(lepros) de geschubde, X&rpet, de leper, de melaatschheid.
-ocr page 146-
DE MELAATSCHHEID                        [31
aantast, maar met meer gretigheid de uiteinden
van de leden, zooals handen, voeten, neus, knieën
en ellebogen wegknaagt (\'). De stem wordt
heesch, de ademhaling belemmerd. Die wonden
verspreiden eenen zeer onaangenamen geur.en
de adem der lijders verpest de lucht.
Het verlies van gevoel op de roode vlekken
wordt dikwijls door hevige pijnen voorafgegaan.
Over \'t algemeen nochtans lijden de melaatschen
weinig of geen lichamelijke pijn, evenmin als
personen die van de tering sterven.
Maar wat moet het hart niet lijden ! Het is de
wreede dood die zijne prooi langzaam verslindt,
en het gebouw van het menschelijk lichaam stuk
voor stuk afbreekt. Het zijn de afgrijselijkheden
van het graf die lang vóór den dood beginnen,
en onder het oog van dien gedwongen martelaar
tot het laatste oogenblik worden voortgezet.
Als die vraatzuchtige kanker zijn ellendig
slachtoffer bijna heeft weggeknaagd, en van bui-
ten geen voedsel meer vindt, dan tast hij de
ingewanden en de longen aan, en de ziel mag
eindelijk het lichaam verlaten dat voor haar niet
meer geschikt is.
1. Een Oostersch reiziger, Dr. Halbeck, bezocht de leprozerij
van Hamel-en-Arade, en zag twee melaatschen die bezig waren
met erwten te planten. « De eene, zegt hi], had geene handen
meer, en de andere geene voeten : die ledematen waren weg-
gekankerd. Degene die zijne voeten verloren had, zat schrijlings
op den rug van den andere, en naarmate hij voortgedragen werd,
liet hij nu en dan eene erwt vallen welke zijn makker met den
voet in den grond trapte (?). Cf Ch. W. Stoddart. The Lepers of
Molokai.
-ocr page 147-
132              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Deze tweede soort van melaatschheid doet
zich onder verschillende vormen voor. Soms
komen er op de huid niets dan roode vlekken,
die het gevoel wegnemen en later in ontbinding
wegvloeien : het is de gevoel verlammende of
de anaestetische melaatschheid. Dikwijls ook
verschijnen over het geheele lichaam eene soort
van knobbelen, geelachtig van kleur en zacht
op het gevoel. Als de ziekte wat gevorderd is,
begint een dergelijke uitwas in eene soort van
walgelijken kanker te vervloeien : het worden
nu afzichtelijke zweren, gapende wonden die
zich meer en meer uitbreiden. Dit is de knob-
belige melaatschheid. Gewoonlijk verschijnen
er te gelijker tijd roode vlekken en knobbelen.
Het zijn deze twee laatste soorten van melaatsch-
heid die men vereenigd of afzonderlijk in de
Sandwich-eilanden aantreft. Bij de geneesheeren
stond deze ziekte lang onder den naam van « ele-
phantiasis
» bekend (\'), wat eigenlijk beteekent
de olifantziekte. Als men in acht neemt dat deze
melaatschheid het gelaat doet zwellen, de huid
met korsten overdekt en buitengewoon ruw en
hobbelig maakt, de handen, neus en ooren in
omvang doet toenemen, dan begrijpt men licht
de gepastheid dier benaming.
Het bestaan dezer elephantiasis bij de
Hebreeuwen, wordt tegenwoordig nog door
sommigen betwist. Zij heerschte ongetwijfeld in
1. Elephantiasis Grcecorum, elephantiasis van de Grieken,
omdat de Grieken het eerst deze ziekte beschreven hebben.
-ocr page 148-
DE MELAATSCHHEID                        I33
Europa in de middeleeuwen, vooral in het
Noorden. Nochtans zou men ver van de waar-
heid zijn, indien men meende, dat alle lepro-
zenhuizen vol zaten van dergelijke melaatschen:
in zekere eeuwen waren die gevallen vrij zeld-
zaam. Tegenwoordig is deze vreeselijke ziekte
maar al te zeer bekend : wat wij van de heden-
daagsche verspreiding der melaatschheid gezegd
hebben, moet van deze elephantiasis verstaan
worden.
Hoe onverbiddelijk die kwaal ook zij, lang-
zaam nochtans is hare werking : een melaatsche
kan tien, vijftien, twintig jaar leven. De ban-
nelingen van Molokai sterven gewoonlijk het
vierde of vijfde jaar na hunne aankomst.
Is die ziekte wel degelijk ongeneesbaar, zooals
men het altijd beweerd heeft ? Een feit is buiten
twijfel : namelijk dat men ze sedert onheuglijke
tijden voor dusdanig heeft gehouden, en dat de
soms aangehaalde gevallen van genezing als
geheel buitengewoon worden beschouwd.
In het geneeskundig Congres van Wiesbaden,
beweerde Dr. Unna, van Hamburg, iemand van
die ziekte te hebben genezen. In Molokai spreekt
men ook van een of ander geval van genezing.
Sedert een paar jaren gebruikt men veel de
« gurjun-olie », om die geduchte besmetting uit
de aangetaste lichamen te verdrijven.- Deze olie
is een uittreksel uit eenen denneboom van de
Andaman-eilanden (Zee van Bengalen). De Gou-
verneur dier eilanden meldt in een officieel verslag,
-ocr page 149-
134              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
dat alle melaatschen die zich met deze olie lieten
inwrijven, na eenige maanden volkomen genezen
werden. Alleen wanneer een edel gedeelte, zooals
de longen, door de ziekte was aangetast, bleek de
wonderbare olie krachteloos te zijn. M. Edw.
Cliffbrd, aan wien wij deze bijzonderheden heb-
ben ontleend, bracht het kostbaar geneesmiddel
in 1889 naar Molokai mede : hij liet deze olie in
het hospitaal gebruiken. De toekomst zal ons
leeren, of zij inderdaad zoo heilzaam werkt op de
beklagenswaardige slachtoffers van de meest
geduchte der ziekten.
Tot nu toe echter geneest bijna niemand,
en de melaatschen zijn tot een tragen maar
zekeren dood veroordeeld. De leprozerijen zijn
tegenwoordig zoo noodzakelijk als in de middel-
eeuwen, niet alleen om de besmetting te
beletten, maar ook om de hulpelooze zieken te
verplegen.
Ook heeft de H. Kerk in die behoefte voor-
zien, en telt zij nu, zoowel als in vroegere tijden,
talrijke helden die den dood trotseeren om den
naaste te helpen.
Neen, hij die de katholieke liefdadigheid in
het verplegen der melaatschen wil bewonderen,
behoeft niet op de middeleeuwen terug te
zien, of zijrte blikken uitsluitend op Molokai te
vestigen. Waar er katholieke melaatschen zijn,
zal hij katholieke liefdezusters, kloosterlingen
en priesters aantreffen, die hun leven veil hebben
voor hunne broeders. Het eiland Bourbon heeft
-ocr page 150-
DE MELAATSCHHEID                       135
zijn leprozenhuis, waar een priester van de Con-
gregatie van den H. Geest en van het Onbevlekt
Hart van Maria in gedurige aanraking is met de
ongelukkigen die hij verpleegt. Madagascar heeft
zijn hospitaal voor melaatschen, waareen Jezuïet
zich sedert lange jaren gelukkig acht zijn leven
voor zijne dierbare zieken te mogen blootstellen.
In Surinam (Hollandsch Guyana) bestaat
sedert 1826 eene leprozerij, waar reeds vier ka-
tholieke priesters het slachtoffer huns helden-
moeds zijn geworden. In 1868 werd de dienst der
melaatsche gemeente aan de Paters Redempto-
risten toevertrouwd, en waargenomen.eerst door
Pater Donders, die onlangs, na 28 jaar heldhaf-
tige zelfopoffering, is gestorven, en vervolgens
door twee zijner medebroeders, waarvan reeds
één de verschrikkelijke sporen der melaatsch-
heid aan handen en voeten ontwaart.
Op geen andere plaats van de wereld noch-
tans zal men, zooals te Molokai, eene uitge-
strekte vallei ontmoeten waar niets dan melaat-
schen wonen, en nergens ook kan de katholieke
liefdadigheid een schooner eereveld aantreffen,
nergens heeft zij zoo schoone wonderen gewerkt
en zoo luistervolle zegenpralen behaald. Ook
heeft Molokai het voorrecht genoten bijna uit-
sluitend de aandacht en de bewondering der
wereld te wekken. P. Damiaan mag bij uitstek
Apostel der melaatschen worden genoemd, al
hebben vele andere missionnarissen leprozerijen
bediend. In den held van Molokai nochtans
-ocr page 151-
136 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
wordt ook de katholieke liefdadigheid zelve ver-
eerd, en in de glorierijke lauweren die men om
zijne slapen heeft gevlochten zien wij ook eenen
schitterenden eerekrans voor den katholieken
priester, voor alle helden die gelijk hij melaatsen
willen worden om de melaatschen voor Christus
te winnen.
Molokai is als een hartverheffend schouwspel
geworden voor de geheele wereld. Hoezeer de
vijanden der H. Kerk er dikwijls op uit zijn,
om haren roem te verduisteren of te bezwalken,
om over hare weldaden den sluier der vergetel-
heid te werpen, te glansrijk was thans de
luister, die den naam van Pater Damiaan om-
straalde. Zij ook, zij juichten zijne edele zelf-
verloochening eenstemmig toe, en zij bekenden
dat het de katholieke Kerk, de Kerk der mar-
telaren, uitsluitend eigen is, apostelen der me-
laatschen onder hare kinderen te tellen.
-ocr page 152-
ELAATSCHEN bezoeken! Onder
melaatschen leven ! Bij die gedachte
alleen loopt ons eene koude rilling
door de leden. De melaatschheid is
eene vreeselijke ziekte, en die ziekte is misschien
aanstekelijk!
Ieder weet wat al doodsangsten eene pest
doet uitstaan. Als eene besmettelijke ziekte in
ons land verschijnt, wat geweld moet men zich
niet aandoen om eenen zieke te naderen ? Gij
moet een huis binnentreden waar iemand door
de pest is aangetast; onwillekeurig voelt gij u
door eene natuurlijke vrees teruggehouden. Gij
zijt met eenen pestzieke in aanraking geweest ?
Welk eene moeite gevoelt gij niet, om de ge-
dachte te verwijderen dat gij zelf zijt aange-
tast ! Elk oogenblik meent gij de vreeselijke
werking der ziekte ook te gevoelen.
Men verbeelde zich niet dat Pater Damiaan,
hoe heldhaftig hij ook mocht zijn, geheel vrij ge-
weest is van die vrees, en nooit een gevoel van
schrik en afkeer heeft moeten onderdrukken.
Het voorbeeld van onzen Zaligmaker, die zijn
leven voor den mensch ten beste gaf, een
onverzadelijke ijver voor de bekeering der zielen,
of liever de alvermogende genade Gods, ziedaar
wat hem ondersteunde, wat hem versterkte en
-ocr page 153-
138 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
aanmoedigde in den dienst der melaatschen,
waar alles afkeer en schrik inboezemt. Hij
gevoelde een natuurlijken weerzin, hij moest
onrustwekkende gedachten verdrijven, en zich
aan den dood of liever aan het graf gewennen.
Hij ook voelde soms oogen, hart en handen
zich afwenden van den dierbaren zieke dien hij
kwam vertroosten : maar een schietgebed tot
God, eene heldhaftige poging, en die vrees was
overmeesterd ! Geholpen door die genade, welke
onzen natuurlijken aanleg versterkt en veredelt,
mocht hij reeds tien dagen na zijne aankomst
schrijven : « Ik gevoel hoegenaamd geenen af-
« keer meer van de melaatschen. »
En nochtans, wat zag hij, wat hoorde hij al
niet op eenen dag ? Ja, wat leed hij ook niet
door het reukzintuig! De lezer zal het ons niet
ten kwade duiden, dat wij nog een oogenblik
bij die overmaat van menschelijke ellende ver-
toeven, welke onze welbeminde held gedurende
15 jaren met al zijne zintuigen heeft waarge-
nomen.
Kort na zijne aankomst schrijft hij : « Ik heb
veel moeite gehad om mij aan die lucht te ge-
wennen. Op zekeren dag, gedurende de H. Mis,
had ik het zoo benauwd, dat ik meende mij van
het altaar te moeten verwijderen, om buiten wat
versche lucht te gaan inademen. Maar ik werd
teruggehouden door de gedachte aan onzen
goddelijken Zaligmaker die het graf van Lazarus
deed openen. Nu heb ik niet meer te lijden van
-ocr page 154-
-
Mtm.....*
I
-ocr page 155-
I4O LEVEN VAN PATER DAMIAAN
dergelijke prikkelbaarheid van mijn reukorgaan,
en zonder tegenzin ga ik de hutten der melaat-
schen binnen. Somwijlen nochtans gevoel ik
eenigen weerzin, namelijk als ik zieken moet
biechten, in wier wonden er van die wormen zijn
welke de lijken verslinden. Dikwijls ook vind
ik moeilijk eene gezonde plaats voor de zalving
van het H. Oliesel: handen en voeten zijn maar
ééne wonde. Het is een teeken van een aan-
staanden dood.
« Deze beschrijving zal u een denkbeeld geven
van mijn dagelijkschen arbeid. Verbeeld u maar
een almoezenier van een hospitaal, waar 800
melaatschen zouden vergaderd zijn. Hier is geen
dokter, zijne wetenschap zou tot niets dienen.
Een blanke die melaatsch is, en uw dienaar die
het niet is, belasten zich met de zorgen der
geneeskunde. »
Kort en uiterst eenvoudig is die beschrijving.
Pater Damiaan meende hoegenaamd niet dat
hij iets zoo buitengewoons verrichtte. Misschien
zouden wij nooit geweten hebben, wat hij al ge-
leden heeft in die liefdadige bezoeken, in dat
alledaagsch verkeer met melaatschen, indien
zijne medebroeders ons geen uitvoeriger ver-
halen hadden ter hand gesteld.
Ziehier een verslag van P. Aubert, die meer-
malen de leprozerij heeft bezocht: « Wat zal ik u
zeggen van de melaatschen ? In hun lichaam
neemt men de veelvuldige vormen der afzichte-
lijkheid waan De melaatschheid knaagt af, zij
-ocr page 156-
LIJDEN EN TROOST                         141
verteert met altijd versnellende gretigheid de
uitstekende deelen van het hoofd, en de uitein-
den van de leden, handen, voeten, elleboog en
knieën. Sommigen hebben geenen neus meer; bij
anderen integendeel is dit lidmaat bovenmate ge-
zwollen. Velen zien achtereenvolgens al hunne
vingerleden te midden van scherpe pijnen af-
vallen ; er zijn er die slechts het beenachtige
gedeelte der vingeren overhouden. Bij anderen
blijft er nog hier en daar een stuk van een vinger
over. Velen worden blind of eenoogig. Men vindt
er ook, gelukkig weinigen, bij wie het geheele
aangezicht niets dan eene ontzaglijke wonde van
donkerroode, bloedige kleur aan het verschrikte
oog vertoont. Arme ongelukkigen ! Ook voor
zich zelven zijn zij een voorwerp van afschrik.
En met dat alles hebben zij nog, gelijk alle andere
melaatschen, de ongelooflijke gril van altijd
eenen spiegel in handen te hebben, om zich ieder
oogenblik daarin te bezien. Bij velen is het aan-
gezicht bovenmate breed of lang, en geheel ge-
zwollen en met diepe plooien doorsneden. Kin-
deren zien er uit als kleine grijzaards. Bij anderen
zijn de lippen verwrongen of ziet men het on-
derste ooglid bloedkleurig en vreeselijk gapend
nederhangen. Ook het spraakzintuig heeft veel
te lijden van deze verschrikkelijke ziekte. De
stem is hol en wordt langzamerhand uitgedoofd.
Daarbij komt nog eene soort van aamborstig-
heid die vele melaatschen verstikt, of ook een
geweldige hoest met sterke bloedspuwingen.
-ocr page 157-
142              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
« Laten wij niet spreken van den verpestenden
reuk welke uit die half verrotte lichamen wordt
gewasemd, vooral bij degenen wier voeten erg
zijn aangetast : \'t is om er onder te bezwijken.
Terwijl ik aan de kerk schilderde, heb ik soms
uren lang eenen dier ongelukkigen aan mijne
zijde gehad; hij scheen hoegenaamd niet te ver-
moeden hoe hinderend zijn gezelschap mij was.
Andere keeren, terwijl ik preekte, biecht hoorde,
of een nieuwbekeerden zieke bediende, werd
ik verschillende malen genoodzaakt, gedurende
den langen tijd dien ik er aan besteedde, een
oogenblik buiten te gaan om wat versche lucht
in te ademen, en mijn walgend hart met geweld
terug te houden bij het zien der duizenden wor-
men, waardoor die ellendigen levend worden
verslonden. Ach! men moet naar Molokai ko-
men te midden van zeven of acht honderd me-
laatschen van allen ouderdom, van alle kunne,
in alle graden van die verschrikkelijke ziekte,
wil men begrijpen wat de melaatschheid van het
lichaam is, en een treffend en natuurlijk beeld
aanschouwen van de melaatschheid der ziel.
« Behalve op sommige tijdstippen van hunne
ziekte, lijden zij geene scherpe pijnen. De aan-
getaste deelen zijn eer gevoelloos en dood.
« Ik heb er ontmoet die zonder huiveren met
een mes in handen en voeten als in een stuk
hout sneden* Het gebeurt dat zij zich erg ver-
branden zonder het te merken. »
Tot dusverre P. Aubert. Ook P. Gregorius
-ocr page 158-
LIJDEN EN TROOST
\'43
had niet zelden het voorrecht zijn edelmoedigen
ordebroeder in zijne bezoeken te volgen :
« Eenige dagen voor het begin der retraite,
zegt hij, bezocht ik met P. Damiaan bijna al de
hutten. Na de zieken onderzocht en ondervraagd
te hebben, spraken wij hun eenige woorden van
aanmoediging, en hoorden hunne biecht, als zij
dit verlangden.
« Behalve de melaatschheid, ontmoet men hier
vele andere ziekten, die er het gevolg van zijn.
Men vindt er blinden, lammen, krankzinnigen.
Maar niets is zoo schrikwekkend als de ontbin-
ding die de ziekte, bij het naderen van den dood,
veroorzaakt. Ziet gij dien ongelukkige daar in
die verwijderde cel, waar hij weldra den laatsten
snik zal geven ? Er blijft niets meer dan een
vormlooze, verminkte en half weggekankerde
romp! Bij dat gezicht deinst de natuur terug
maar het geloof ondersteunt den priester.
« Volg mij nu in de groote zaal van het hospi-
taal. Daar verblijven de vrouwen wier melaatsch-
heid het meest gevorderd is. Nauwelijks kunnen
zij zich door die zaal voortsleuren. Welnu, wat
doen zij in dien ellendigen staat ? Zij bidden.
Het gebed is hun eenige troost. Aldus bereiden
zij zich tot het ontvangen van het Brood des
Hemels, dat de priester hun aanstonds zal bren-
gen. De katholieken, die in de naburige zalen
verblijven, maar wier voeten niet in staat zijn
naar de kapel te gaan, komen vervolgens in deze
zelfde zaal de H. Communie ontvangen.
-ocr page 159-
144 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
« Die bezoeken zijn, wel is waar, rijk aan troost;
maar dit belet niet dat de natuur er onder lijdt.
Ik heb het menigmaal gemerkt aan de hevige
hoofdpijn welke er het gevolg van was. Op ze-
keren dag, toen ik er erg aan leed, maakte mijn
welbeminde broeder mij deze opmerking, die
ons toelaat zijnen heldenmoed te waardeeren :
« Troost u maar, sedert drie jaar dat ik hier
ben, heb ik dikwijls hetzelfde ondervonden. »
Schoone verzachtende uitdrukking, die ons
genoegzaam laat raden, wat de herder van Molo-
kai dagelijks te lijden had! Want, vergeten wij
het niet, dat was niet eens in \'t voorbijgaan, maar
alle dagen, maar maanden en jaren lang__
Zoet nochtans was dat lijden, als het lijden
der harten die Jezus beminnen, en voor Hem
aan het heil der zielen arbeiden. Dit blijkt ge-
noegzaam uit hetgeen Pater Damiaan tot zijnen
overste schrijft in Augustus 1873.
«Zie, hier ben ik te midden mijner melaat-
schen. Afschuwelijk, ja, zien zij er uit ; maar zij
hebben eene ziel, door het aanbiddelijk bloed
van onzen goddelijken Zaligmaker vrijgekocht;
Hij ook vertroostte de melaatschen in zijne goe-
dertierene liefde.
« Indien ik, gelijk Hij, hun de gezondheid
niet kan terugschenken, nochtans geeft mijne
heilige bediening mij het middel om ze te troos-
ten ; en ik heb het vertrouwen dat velen onder
hen, door de Sacramenten van de melaatsch-
heid der ziel gezuiverd, waardig zullen gevonden
-ocr page 160-
LIJDEN EN TKOOST                         145
worden, in het hemelsch Jeruzalem te treden ».
En verder : « Er is veel te doen in de huis-
bezoeken ; maar men is genoodzaakt eene ver-
peste lucht in te ademen. Ik ga van de eene
woning naar de andere ; zij zijn bijna alle vol.
Ik vind er dikwijls ongelukkige melaatschen
die zich met moeite voortsleuren, omdat hunne
handen en voeten door de vreeselijke ziekte
zijn weggeknaagd.
« Gewoonlijk luisteren zij met aandacht naar
het zaligmakend woord dat ik aan ieder volgens
zijne gesteldheid uitdeel. Eene andere woning
vraagt ook dikwijls een anderen toon. Hier zijn
het zoete troostwoorden. Daar voeg ik er wat
bitterheid bij, om de oogen van eenen zondaar
te doen opengaan. Elders moet ik ook de stem
verheffen, en de versteende zondaars met ver-
schrikkelijke straffen bedreigen.
« Hier, gelijk overal, is het gebed het beste
bekeeringsmiddel. Nutteloos had ik verleden
Donderdag een armen Calvinist de dringendste
redenen voor oogen gelegd, om hem tot onzen
godsdienst over te halen. Twee dagen later,
wendde ik nieuwe pogingen aan ; er was niets
aan te doen. \'s Zondags liet ik voor hem bidden,
en reeds \'s anderdaags deed hij mij roepen, en
vroeg mij gelijk de berouwhebbende Joden aan
den Heiligen Petrus : wat moet ik doen? — Na
zijne afzwering werd hij op voorwaarde gedoopt,
en toonde een oprecht berouw ».
Pater Damiaan wil niet alleen bekeeren, maar
Leven van Pater Damiaan.
-ocr page 161-
.
I46 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
opbeuren en troosten. Gelijk eene teedere moe-
der, die bij het bed van haar wegkwijnend kind
zich het hart van droefheid voelt breken, maar
nog moed vindt om haren lieveling op te beuren
en met eene gemaakte blijdschap door hare tra-
nen heen te lachen, zoo ook tracht deze liefde-
volle herder, deze geestelijke vader, zich blijde
en opgeruimd te toonen, om zijne lijdende
kinderen het hart te verruimen :
« Ik tracht mij vroolijk te toonen, om hun wat
moed te geven. Ik spreek hun van den dood als
van het einde huns lijdens. Velen ook zien met
onderwerping en somwijlen met blijdschap het
laatste uur naderen ».
Wil men zien hoe de katholieke godsdienst op
het sterfbed zegeviert ?
«Ik heb zooeven, schrijft Pater Damiaan,
eenen mijner beste christenen begraven. Zijn
dood was zeer stichtend. Hij verzuchtte naar het
geluk des hemels, en zonder ophouden herhaalde
hij deze woorden van den Heiligen Paulus,
(Phil. 1,23): «Ik ivensch van mijne banden verlost
te worden, en met Christus te zijn
».
Vandaar die eenigszins vreemde mengeling van
lijden en vreugde in de vallei der melaatschen.
Alles spreekt er van bittere smarten, van vree-
selijke ziekten, van dood en graf. Nochtans is
de vreugde uit de leprozerij niet verbannen. De
ware deugd, weet in het bitterste lijden nog
eenen glimlach om de lippen te plooien. Zij kan
onder de droevigste smartezuchten nog woorden
-ocr page 162-
LIJDEN EN TROOST                         147
van dank, ja, nog een blijden lofzang doen
weerklinken. De reizigers die de bannelingen
van Molokai bezochten, ontvingen eenen indruk
van schrik en van bewondering. Niet zonder
verbaasdheid zagen de protestantsche bezoekers,
hoe op het misvormde gelaat van vele me-
laatschen door hunne tranen heen een glimlach
speelde als die der martelaren.
-ocr page 163-
TWAALFDE HOOFDSTUK
Plechtigheden van den Gods-
dienst in de leprozerij
N Dl EN de dood te Molokai onge-
stoord de lichamen mocht aan-
tasten en het stoffelijke leven ver-
woesten, toch behaalde de goddelijke
genade heerlijke zegepralen in de zielen dier
diep beproefde christenen, en deed zij alom
schoone deugden bloeien en overvloedige vruch-
ten van heiligheid rijpen. De melaatschen, hoe
onrein zij eerst ook waren, werden in den smelt-
kroes des lijdens gelouterd en gezuiverd. De
katholieke godsdienst schitterde met liefelijken
glans in die akelige vallei der ellende, en de
kracht der goddelijke genade zegevierde over
dood en hel: de lezer oordeele zelf.
Reeds in Juli 1873, een paar maanden na de ,
aankomst van P. Damiaan, was het getal der
geloovigen van 200 tot boven de 400 gestegen.
De katholieken waren ijverig en voorbeeldig,
velen kwamen dagelijks de H. Mis bijwonen en
\'s avonds het rozenhoedje bidden, \'s Zondags
werd eene plechtige Mis gezongen, welke alle
melaatschen, die door de ziekte niet belet waren,
met de grootste blijken van godsvrucht bijwoon-
den, en zelfs met zang en muziek wisten op te
luisteren.
Een katholieke Amerikaan, M. Ch. Stoddart,
-ocr page 164-
LEVEN VAN PATER DAMIAAN               149
was reeds sedert 3 jaar in het eiland Hawaï
woonachtig, en kreeg in 1884 de toelating om
de leprozerij van Molokai te bezoeken. Hij
heeft ons eene treffende beschrijving van zijne
reis gegeven, en in \'t bijzonder van de eigen-
aardige plechtigheden der Zondagmis onder
de melaatschen: « Eene Hoogmis te Kalawao !
Het H. Misoffer wordt opgedragen in den
geest van eene Mis van Requiem ; want de
omstaanders zijn allen tot den dood veroordeeld.
P. Damiaan deed mij links aan het altaar in eene
afgeslotene zitting plaats nemen. Een latwerk
sluit die plaats af, en nooit mag een melaatsche
daar binnentreden.
« De koorkinderen waren net gekleed, maar
allen min of meer misvormd : sommigen zagen
er afzichtelijk en deernis waardig uit... Het gelaat
van den priester schitterde van minzamen ernst.
De kapel was vol geloovigen, en allen zongen de
eenvoudige kerkliederen, wier tonen ons eenigs-
zins vreemd uit hunne heesche kelen toeklonken.
« De godsvrucht der katholieke Hawaïanen is
merkwaardig, omdat zij van natuur eene kinder-
lijke eenvoudigheid hebben. Ik heb nergens
zoo duidelijke teekenen van waar berouw gezien,
en zeker niet in de protestantsche godsdienst-
oefeningen, vooral sedert zij door inboorlingen
worden voorgezeten ; want de Amerikaansche
protestantsche zendelingen hebben zich terugge-
trokken en de zaken in de handen der inboor-
lingen gelaten.
-ocr page 165-
150              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
« Welk eene tegenstelling hier! Een schitte-
rend altaar, met smaak versierd, een jeugdige
priester, bloeiend van gezondheid en met hel-
dere, welluidende stem, het « Pater Noster »
zingende: aan zijne voeten koorknapen die op
hunne kinderlijke trekken den stempel van den
dood dragen. En verder niets dan het vreese-
lijkste bederf. Nauwelijks was er één gelaat dat
men zonder afschrik kon aanzien, en sommige
gedaanten schenen uit de verrotting van het graf
te zijn opgestaan. En buiten, het plechtig ge-
ruisch van de woedende zee, en het huilen van
den wind die als een zucht van medelijden in
mijne ooren klonk.
« De lucht was bedorven... en die indruk-
wekkende schaar met al haar afgrijselijkhedeh,
scheen mij als eene onderaardsche doodenver-
gadering.
« Zoo viert men den Zondag te Kalawao;en
het is P. Damiaan gegeven die plechtigheid
voor te zitten. Ik dacht toen aan deze woorden
van den H. Lucas (xvn, 12-13): « Toen hij eene
-zekere stad binnentrad, daar ontmoetten hem tien
mannen die melaatsch waren, die op eenen afstand
bleven staan en hunne stem verhieven, zeggende:
« Je/.us, Meester, heb medelijden met ons. » Ja,
hun gebed werd verhoord : want Hij heeft me-
delijden met hen, en zegent hen in den persoon
van zijnen dienaar. »
Niet minder eigenaardig zijn de processièn te
Kalawao. Reeds in 1871 wordt de processie
-ocr page 166-
PLECHT. VAN DEN GODSD. IN DE LEPROZERIJ 151
van het H. Sacrament, met groote plechtigheid
gehouden. De melaatschen willen alles zelven
voorbereiden : de vrouwen, wier handen nog
niet door de ziekte zijn aangetast, naaien vaan-
dels en banieren : de mannen gaan op den berg
bamboesstokken snijden om eenen troonhemel
en een draagbaar altaar te vervaardigen ; twee
rustplaatsen worden voorbereid, de eene aan het
uiteinde van het eiland.de andere in het hospitaal.
Pater Andreas was den herder van Kalawao
komen helpen, en beschrijft, als volgt, de tref-
fende plechtigheid: « Op Sacramentsdag las ik
om 6 ure eene eerste Mis, waaronder er eene
algemeene Communie plaats had. Te 9 ure zong
P. Damiaan de Hoogmis, met uitstelling van
het H. Sacrament ; daarna sermoen en rozen-
hoedje. Om 3 ure, zette de processie zich in
aantocht : de stoet was verdeeld in 3 groepen.
In den eersten, zag men 3 banieren, eene van de
jongens,-eene van de meisjes en eene van de vol-,
wassenen ; daarom heen wapperden 30 wimpels.
«In den tweeden groep, zag men eerst een
draagbaar altaar, daarna de muzikanten, vervol-
gens de zangsters en eindelijk de zangers. De
derde groep omringde het H. Sacrament. Vier
van de sterkste mannen, met een groen kleed,
waarop een rood kruis schitterde, droegen den
troonhemel; aan de vier hoeken hielden koor-
kinderen brandende flambouwen ; vóór den
troonhemel traden nog koorkinderen met den
wierook ; geheel vooraan gingen jeugdige meis-
-ocr page 167-
152              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
jes in wit feestgewaad en met blauwen schouder-
band; zij strooiden frissche bloemen en lieflijk
groen op den doorgang van hunnen God. Mu-
zikanten in het blauw gekleed, sloten den stoet.
« Gedurende de processie wisselden de blijde
tonen der fanfaren geregeld af met de stem
der zangers, terwijl de andere geloovigen zonder
ophouden het rozenhoedje baden. De geheele
leprozerij was op de been. De protestanten
zelven volgden met eerbied of ontdekten zich
bij het voorbijgaan van het H. Sacrament ;
eenigen zelfs waren in den stoet.
« Mijne zangers waren zoo vermoeid bij
hunnen terugkeer in de kapel, dat wij ons ver-
genoegden met een kort Lof zonder Te Deum;
maar de schoone plechtigheid had genoeg op
de gemoederen gewerkt; eenige dagen daarna
kwamen acht protestanten het heilig Doopsel
vragen, en omtrent veertien anderen bereiden
zich om het binnenkort te ontvangen ».
Zoo kwamen blijde feestelijkheden de me-
laatschen van tijd tot tijd opvroolijken, en in hun
anders eentonig leven eene aangename afwisse-
ling brengen. De processie was eene groote ge-
beurtenis te Kalawao en te Kalaupapa, en al
duurde het feest maar eenige uren, lang bleven
hun de zoetste herinneringen ervan bij.
In 1884 beschrijft P. Damiaan zelf een dier
processiên. Hij is nu reeds sedert elf jaar te
Molokai, en zijne christenheid is in vollen bloei;
« Het is een waar genot te zien, hoe die arme
-ocr page 168-
PLECHT. VAN DEN GODSD. IN DE LEPROZERIJ 153
melaatschen de voorbereiding dier plechtigheid
ter harte nemen. Reeds met Paschen, kwam men
overeen dat de processie, op H. Sacramentsdag,
van Kalawao zou uitgaan. Toen vergaderden
mijne twee zangerskoren te Kalaupapa om de
muziekstukken te kiezen, die zij onder de Hoog-
mis, de processie en het lof wenschten uit te
voeren. Aanstonds bereidden zij zich daartoe
met eene standvastigheid, welke men zelden ont-
moet onder Kanakken, en vooral onder zieke
Kanakken. lederen dag leerden zij afzonderlijk
een of ander stuk zingen ; somwijlen nochtans
kwamen zij samen, nu eens te Kalawao, dan
weer te Kalaupapa, om met meer eenstemmig-
heid hunne stukken te kunnen uitvoeren. Op
den dag der processie kwamen al de christenen
mijner twee parochié\'n eene vroegmis bijwonen
en naderden tot de H. Tafel. Om 10 ure werd
de plechtige Hoogmis gezongen. Dien dag was
de kapel natuurlijk te klein.
«Mijne christenen van Kalawao lieten uit voor-
komenheid de plaats vrij voor hunne broeders
uit Kalaupapa, en bleven zelven buiten staan. Het
harmonium werd ook verwijderd, om ruimte te
maken voor de muzikanten van Kalaupapa. De
twee vereenigde koren telden wel 40 stemmen.
Al die zangers, uitgenomen 3 of 4, waren me-
laatsch, en gevormd door eenen zangmeester die
melaatsch en blind is, maar zeer bedreven in
zijn vak en even vast als juist in zijne leiding.
Zij schenen niets te benijden te hebben aan de
-ocr page 169-
154              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
beste zangers uwer kathedralen. Alleen het
sermoen liet in die schoone plechtigheid te
wenschen over. Afgemat als ik was, wilde ik
mijne kwade gewoonte van te lang te zijn niet
involgen.
«Onmiddelijk na de Mis,zette zich de processie
in aantocht; ik had zelfs den tijd niet om mijn
ontbijt te nemen. Voorop ging het kruis, daarna
een heerlijk vaandel, dan volgden de fanfaren
en twee genootschappen van inboorlingen met
hunne Hawaïaansche vaandels, en eindelijk
twee rijen katholieke vrouwen. Verder zag men
de mannen, de zangers onder de leiding van mijn
blinden « Petero\'h, die zelfde hand gaf aan eenen
Kanak van eenen zonnescherm voorzien. Een
laatste groep van engelen, wierookdragers en
bloemenstrooiers trad onmiddelijk vóór het H.
Sacrament, dat statig werd rondgedragen onder
een blinkenden troonhemel, omringd van vier
brandende fakkels met bloemen en met groen
versierd...
« Na de plechtigheid gingen de vereenigde
christenen aan eene zelfde tafel aanzitten, en
namen daar een feestelijken maaltijd, die in den
vooravond was voorbereid. Gelijk gij ziet laat
O. L. Heer soms toe, dat wij eene schoone roos
plukken in het midden van wreede doornen ».
Ja, eene roos onder de doornen was het, een
blijde lichtstraal die van boven over het sombere
dal nederscheen! Wel hem, die alzoo de harten
weet op te beuren.
-ocr page 170-
PLECHT. VAN DEN GODSD. IN DE LEPROZERIJ 155
In Juni 1875 kwam Mgr Maigret de leprozen}
bezoeken om het H. Sacrament des Vormsels
aan eenige nieuwe christenen toe te dienen.
Geene moeite werd gespaard om den\' Bisschop
een prachtig onthaal te bezorgen.. Geheel eigen-
Portret van Mgr MAIGRET.
aardig was ook deze feestelijkheid. P. Aubert,
die Mgr vergezelde, was hevig ontroerd bij dit
indrukwekkend schouwspel van melaatsehen, die
hun lijden willen vergeten om hun teèrgeliefden
Bisschop feestelijk te onthalen.
... « Hoezeer was ik ontroerd, toen ik de me-
-ocr page 171-
156 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
laatschen hoorde zingen. Zij hebben zeer goed
eene mis van Mozart uitgevoerd...
« Wat zal ik u zeggen van eene serenade,
welke zij ons Donderdag avond bij maanlicht
kwamen geven ? Na ons avondmaal, gingen wij
uit om wat lucht te scheppen. Wij ontmoet-
ten omtrent tweehonderd onzer melaatschen,
met twee groote vlaggen, met trommel en een
twaalftal muziekinstrumenten. De muzikanten,
die verschillende vingers verloren hadden en
wier lippen gezwollen en misvormd waren, ver-
maakten ons gedurende twee lange uren met
de schoonste hunner stukken, welke zij met veel
kunst wisten uit te voeren...
« Den Vrijdag morgen, 11 Juni, verlieten wij
Kalawao. Nooit zal ik dien stoet vergeten van
200 melaatschen, die ons twintig minuten ver
uitgeleide deden, met vaandels, trommels en fan-
faren. Nooit zal ik de toespraak vergeten, welke
onze eerbiedwaardige Apostolische Vicaris
richtte tot die schare, nedergeknield om zijnen
zegen te ontvangen. De tranen rolden mij over
de wangen ; zoete tranen zeker, omdat wij de
barmhartigheid van God bewonderden, die zijn
volk slaat, om het met zijne genadeschatten te
vervullen en des te gemakkelijker tot de eeuwige
zaligheid te geleiden.
« Van het vaartuig, waar wij plaats genomen
hadden, zegende Mgr Maigret eene laatste
maal die menigte, welke op het strand was
nedergeknield ».
-ocr page 172-
PLECHT. VAN DEN GODSD. IN DE LEPROZERIJ 157
Nog lang bleven de melaatschen het weg-
snellende vaartuig in stomme bewondering na-
staren. Tranen van blijde aandoening stroomden
langs alle wangen; woorden van dank en zege-
ning vloeiden van alle lippen. Dat was nog een
gelukkige dag.
Gelukkig, ja, alwie op den weg des lijdens
eenen vriend ontmoet, alwie te midden van
duistere dagen een blijden zonnestraal mag op-
vangen. Niets is zoo doodend voor eenen zieke
als een onverpoosd lijden. Maar ook niets is
zoo krachtig als een mensch, die op de baan
des lijdens, zoo niet een Thabor, althans eene
blijde rustplaats mag ontmoeten. Gesterkt door
de kracht der goddelijke genade, opgebeurd en
aangemoedigd door de zorgvolle oplettendheid
van hunnen heldhaftigen herder, droegen de ka-
tholieke melaatschen van Molokai meestal met
moed en liefde het zware kruis huns lijdens tot
hunnen dikwijls zoo ver afgelegen Calvarieberg.
-ocr page 173-
N plaats van de tijdorde slaafs te vol-
gen, zullert wij nog een algemeen
•overzicht geven van de werken en
$ inrichtingen van P. Damiaan. Dit
zal onzen held des te duidelijker afschetsen, en
de voornaamste trekken van den heldhaftigen
apostel der melaatschen nog beter doen uitko-
men. *
Men herinnert zich hoede zorgvuldige herder
aanstonds voor het stoffelijke en geestelijke wel-
zijn der melaatschen had gearbeid : krachtdadig
door de Regeering ondersteund, verbeterde hij
al aanstonds den stoffelijken toestand : woning,
kleeding, voedsel, niets ontsnapte aan zijne be-
zorgdheid. De dronkenschap, die bron van alle
ondeugd, bestreed hij krachtdadig ; hij zorgde
dat de goddelijke diensten geregeld werden ge-
houden ; de zieken ontvingen in zijne bezoeken
de noodige geestelijke en lichamelijke hulp.
Maar, dit was hem niet genoeg. Zijn stoute on-
dernemingsgeest en zijn vurige zielenijver de-
den hem steeds nieuwe plannen ontwerpen en
uitvoeren; de tijd, de ondervinding, openbaarden
hem langzamerhand eerst onbekende noodwen-
digheden; de goddelijke liefde die zijn hart ver-
teerde spoorde hem steeds tot volmaaktere lief-
dadigheidswerken aan, en scheen met de jaren
ook zijne jeugdige krachten te vernieuwen.
-ocr page 174-
LEVEN VAN PATER DAMIAAN              X59
Bij de aankomst van P. Damiaan had het
hospitaal van Kalawao geen besten naam onder
de melaatschen. Velen wilden liever de grootste
ontberingen verduren, dan zich daar naartoe
laten vervoeren. Dank aan de tusschenkomst
van P. Damiaan en aan de goedgunstigheid
der Regeering werd die toestand in korten tijd
veranderd ; het hospitaal was weldra de blijde
toevlucht van alle noodlijdenden ; later, zou P.
Damiaan de kroon op het werk zetten, en de
zorg der zieken aan liefdezusters toevertrouwen.
Sedert 1873 drukt hij dat verlangen uit; pas in
1889 werden zeven Zusters eerst naar Kakaako
en later naar Molokai gezonden.
Onder de jeugdige melaatschen waren er tal-
rijke weezen. Deze ongelukkige kinderen wekten
aanstonds de aandacht en het medelijden op
van den liefdadigen herder. Zij waren zoo vroeg
aan de liefde hunner ouders ontrukt, zoo vroeg
voelden zij het schoone leven hun ontsnappen f
Op hun nog blozende wangen droegen zij het
merkteeken des doods, en op hun kinderlijk
gelaat lag een vreeselijke weerschijn van vroeg-
tijdige smarten. Gelijk een pas ontloken roos
•door de brandende zonnestralen wordt ver-
schroeid en op eenen nog saprijken stengel met
verwelkte blaadjes treurig nederhangt, zoo ook
ontvingen die weezen bij den eersten levenslach
het akelig merkteeken des doods, en lever-
den zij al vroeg een droevig beeld van vergane
schoonheid. Welk hart zou bij dat droevig
schouwspel niet breken!
-ocr page 175-
IÓO              LEVKN VAN 1\'ATER DAMIAAN
En dan nog, aan welke gevaren was hun tee-
dere ziele blootgesteld ? Welke droevige voor-
beelden hadden zij niet dikwijls onder deoogen?
Die weezen in een daartoe ingerichte woning
vereenigen, ze aan de waakzaamheid van een
voorbeeldigen christen, of liever aan de moeder-
lijke zorgen eener liefdezuster toevertrouwen,
dat was het droombeeld van onzen ijverigen her-
der. Niet aanstonds echter zou zijn verlangen
bevredigd worden : de geldmiddelen, de per-
sonen, de tijd zelve ontbrak hem gedurende
eenigen tijd.
In 1878 had hij reeds eenige meisjes in een
weeshuis vereenigd. Een ordebroeder van P.
Damiaan kwam dit jaar de leprozerij bezoeken.
« Toen ik tot de kapel van de H. Philomena
naderde, zoo verhaalt hij, hoorde ik een gezang
hetwelk mij dat der Israëlieten herinnerde, die
aan den oever van den Euphrates weenden,
terwijl zij aan Sion dachten. Het was eene
menigte melaatsche meisjes, die in hunne moe-
dertaal, den volgenden lofzang herhaalden:
« Wanneer zal het mij gegund worden mijnen
God te zien ? Hoelang nog zal ik gevangen
blijven in dit aardsche tranendal, waar ik dag en
nacht tranen stort ? Wanneer zal ik uit dit dal van
ellende vertrekken, waar ik geen ander brood
heb dan het brood mijner tranen? Och! wanneer
zal ik mijn welbeminden Jezus in het heilige
Sion aanschouwen ? »
Hartroerend schouwspel! In de vallei van
-ocr page 176-
WERKEN VAN P. DAMIAAN                 IÓI
Molokai had de priester des Heeren met zijne
gebannen kinderen geen andere hoop, geen an-
deren troost, dan de ongelukkige kinderen van
Israël aan de boorden van den Euphrates : de
hoop van het blijde Sion te herzien. Die hoop is
hunne kracht, hun geluk.
P. Damiaan had die weezen aan de zorgen
eener brave weduwe toevertrouwd : <( Eene be-
jaarde weduwe, die niet melaatsch is, strekt mijne
weezen tot moeder. Hunne woning is op eenen
afstand van de mijne. Maar wij hebben dezelfde
keuken, wij deelen denzelfden voorraad. Elke
week ontvangt ieder 7 pond vleesch en 21 pond
van eene groente die men Taro noemt : daar-
mede hebben wij eene goede tafel.
« Bijwijlen ontvang ik geheele kisten kleede-
ren voor mijne armen en voor mijne kinderen: dit
komt ons van liefdadige personen, en gewordt
ons door onze Zusters van Honolulu. »
De weesjongens werden niet verwaarloosd.
Een katholieke schoolmeester bleef eerst met
deze zorg belast. Later nochtans, toen de pro-
testanten de kinderen wilden dwingen naar
hunne goddelooze scholen te gaan, wendde P.
Damiaan alle mogelijke pogingen aan, om de
weezen bij zich te houden. Nochtans had hij nog
geene ruime woning voor de jongens. Welnu,
hij zelf stelt zich aan het werk, hij zaagt, hij
schaaft, hij timmert, en weldra is er plaats voor
talrijke weezen. « In de week, schrijft hij, bezoek
ik mijne zieken, en houd mij bezig met mijne
Leven van Pater Pamiaan.                                                                        «I
-ocr page 177-
IÓ2              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
weezen die allen melaatsch zijn. Het is wel on-
aangenaam aan de natuur, te midden van die
ongelukkige kinderen te leven, maar ook de
troost ontbreekt mij niet. Nu ben ik zoo wat
geneesheer, gelijk mijn patroon, en ik tracht
hunne lichamelijke pijnen te lenigen en hunne
zielen op den weg der zaligheid te leiden. Zij
leeren goed hunnen catechismus en wonen eiken
dag de heilige Mis en het rozenhoedje bij. »
Het was slechts in Juli 1889, dat hij er in ge-
lukte eenige liefdezusters voor zijne weezen te
bekomen : toen gingen de meisjes zich te Kalau-
papa vestigen; de jongens bleven te Kalawao.
De leprozerij van Molokai, waar er gemiddeld
verschillende zieken in de week sterven, was een
uigebreid eereveld voor de christelijke liefda-
digheid. Eén persoon kon onmogelijk in alle
behoeften voorzien, te meer daar de hutten der
melaatschen in een uitgestrekt dal verspreid
waren. « Indien ik van \'s morgens vroeg tot
\'s avonds laat op de been bleef, schrijft P. Da-
miaan, zou ik nog geen derde mijner zieken
kunnen bezoeken.» Daarom besloot hij een soort
van liefdadigheidsdienst in te richten. Daartoe
koos hij de ijverigste zijner katholieken, zoo man-
nen als vrouwen,en vereenigdeze elk afzonderlijk
tot twee genootschappen, waarvan het voornaam-
ste doel zoude wezen het bezoeken en het ver-
plegen der zieken. Nu is hij verzekerd dat geen
zijner lijdende kinderen aan zijne zorgen zullen
ontsnappen. « Van hunnen ijver en van hunne
-ocr page 178-
WERKEN VAN P. DAMIAAN                 163
edelmoedigheid verwacht ik de schoonste vruch-
ten voor mijne christenen. »
De godvruchtige missionnaris weet genoeg-
zaam hoe krachtig het gebed is ! Hij herinnert
zich dat Jezus gezegd heeft: komt tot mij, gij
allen die belast en beladen zijt, en ik zal u ver-
kwikken.
Wie dan gaat meer gebukt onder het
lijden dan deze christenen ? De gedurige aan-
bidding in het H. Sacrament is vroeger zijn
troost geweest. Zijne christenen zullen van die
weldaad niet verstoken blijven en de voordeden
van een broederschap der gedurige aanbidding
genieten. De vastgestelde uren kunnen wel is
waar niet altijd met alle regelmatigheid door me-
laatschen gevolgd worden. Maar dikwijls genoeg
stichten deze brave christenen hunnen herder
door hunne tegenwoordigheid en door hunne
godsvrucht. lederen dag komen ijverige aan-
bidders voor het H. Sacrament nederknielen :
daar aan den voet des altaars zoeken zij troost
en kracht, daar leeren zij met onderwerping, ja,
met vreugde en dankzegging den bitteren kelk
van hun lijden drinken.
De godsvrucht tot Maria is te allen tijde het
kenmerk der ware katholieken geweest! Daaren-
boven, is Maria ook niet de koningin der marte-
laren, de troosteres der bedrukten ? Oplettend
om zijne christenen den troost van onzen gods-
dienst zoo volledig mogelijk te verschaffen, vindt
P. Damiaan in zijne menigvuldige bezigheden
nog tijd om den Meimaand met eene zekere
-ocr page 179-
IÓ4 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
plechtigheid te vieren : « De Meimaand is goed
geweest, zoo getuigt P. Andreas. Velen onzer
christenen hebben het scapulier ontvangen, en
a\'len dragen het rozenhoedje om den hals : ver-
schilligen hebben den Woensdag en den Vrijdag
gevast. Eenige achterblijvers hebben hunne Pa-
schen gehouden. Er zijn nieuwe aanvragen voor
het doopsel, en sommige afgevallene christenen
hebben zich met God verzoend. Er waren alle
dagen biechten en dikwijls communiën. De
mannen zoowel als de vrouwen kwamen schoone
bloemen aan het altaar van O. L. Vrouw bren-
gen, en onze arme melaatschen vonden er een
waar genot in, dikwijls den kruisweg te doen. »
De dood maakte talrijke slachtoffers te Mo-
lokai: iedere week waren er verschillende dien-
sten. Het aanschouwen dier opeenvolgende
begrafenissen zou zijne christenen te zeer neer-
gedrukt en ontmoedigd hebben, ware niet een
zekere plechtigheid en troostende vertooning
hunnen moed komen opbeuren. De lijkdiensten
hebben dan ook te Kalawao iets geheel eigen-
aardigs, dank aan de vindingrijke bezorgdheid
van den waakzamen herder. Twee verschillende
genootschappen zijn door hem ingericht, om de
lijkdiensten te regelen en de overledenen niet
alleen eene godvruchtige, maar ook eene plech-
tige begrafenis te bezorgen. Luisteren wij naar
het verhaal van eenen missionnaris die Kalawao
kwam bezoeken : « Ik was op het punt te ver-
trekken, toen de Pater mij met veel beteekenen-
-ocr page 180-
WERKEN VAN P. DAMIAAN                 165
den blik terughield : « Ge moest liever blijven,
sprak hij ; ge zult ,van avond iets zien dat ge
nooit gezien hebt, en dat ge misschien niet meer
zult kunnen zien : eene begrafenis te Kalawao. »
— Ik had niet veel tijd en toonde weinig lust om
zijn verlangen in te willigen. « Zoo ? hernam hij
met aandrang, ge weet dan niet, dat het eene
onzer schoonste plechtigheden is ? Blijf, wie dat
niet heeft gezien, heeft niets gezien. » De Pater
sprak zoo ernstig en zoo overtuigend, dat ik
besloot te blijven, al ware het maar om hem ple-
zier te doen. Op het gestelde uur begaf ik mij
dus naar de kerk en las daar mijn brevier, in af-
wachting dat de stoet zou verschijnen.
« Eensklaps kwamen de treurige tonen van
naderende fanfaren mijne ooren treffen. Ik ver-
nam duidelijk het geluid van de groote trom, de
trommels, de fluiten en andere instrumenten.
Weldra was de stoet in de kerk. Ik onderbrak
aanstonds mijn gebed om de plechtigheid te
volgen en alles aandachtig af te zien. Tegen het
einde, ging ik aan de deur van de kerk staan om
den geheelen stoet wat nader te beschouwen. Ik
bemerkte eene lange rei vrouwen en jonge
dochters in het zwart gekleed,waarvan sommigen
eenen zwarten, anderen eenen rooden doek om
den hals droegen. Het waren de twee genoot-
schappen der lijkplechtigheden. Toen de stoet
zich naar het kerkhof begaf, hielden verschillige
vrouwen eene koord van den lijkwagen in han-
den. De mannen volgden insgelijks in rouwge-
-ocr page 181-
l66              LEVEN VAN PATEIi DAMIAAN
waad. Eindelijk kwamen de muzikanten, die
gelukkig schenen hunne schoonste stukken te
mogen spelen.... Buiten wapperden de vaandels
aan de scheepsmasten. Het was het vergade-
ringsteeken, waarop eene talrijke schaar was
toegestroomd om de plechtigheid bij te wo-
nen. »
En nochtans wat al arbeid heeft het den ijve-
rigen herder niet gekost, om tot dien schitte-
renden uitslag te komen ! Vele melaatschen
waren te arm om eenig geld voor eenen lijk-
dienst, ja zelfs voor hunne doodkist over te laten.
Vóór de aankomst van P. Damiaan werd het
lijk dier armen eenvoudig in eenen doek gewon-
den, en zoo maar zonder kist in den grafkuil
neergelaten. De teergevoelige herder kon dit
niet over zijn hart krijgen. Hij zelf werkte dan
met schaaf en hamer en maakte eene betamelijke
doodkist voor zijne overledenen ; dikwijls ook,
vooral in het begin, zag men hem den kuil graven
en het lijk helpen ter aarde bestellen. In den
loop van zijn heldhaftig apostolaat te Molokai,
gebeurde het niet zoo zelden dat hij, als een
andere Tobias, zijne liefde jegens zijne christe-
nen tot na hunnen dood liet blijken. Sommigen
beweren dat P. Damiaan aan verschillende
honderden, ja aan misschien vijftien-of achttien-
honderd zijner melaatschen dien nederigen en
dikwijls walgelijken dienst heeft bewezen.
Dank aan die godvruchtige inrichtingen, aan
die gedurige zelfverzakingen en onverpoosde
-ocr page 182-
WERKEN VAN P. DAMIAAN                 167
waakzaamheid van den herder, bloeide weldra
eene vurige christenheid in de leprozerij, en kwa-
men steeds nieuwe bekeeringen die belangwek-
kende kudde vermeerderen. Maar dit was den
ijverigen apostel der melaatschen niet genoeg.
Somwijlen moest een bijzondere oproep gedaan
worden; nu en dan moesten door buitengewone
sermoenen en geestelijke oefeningen de gemoe-
deren der lauwen aangewakkerd, de ijver der
besten gezuiverd en vooral de versteendheid van
enkelen vermurwd worden. Daartoe noodigde
Pater Damiaan eenen zijner medebroeders der
naburige eilanden uit, om eene missie of retraite
te komen prediken.
Zoo mochten op verschillende jaren 5 paters
eene missie geven van omtrent 8 dagen. lederen
dag werd er twee of driemaal gepreekt te Kala-
wao of te Kalaupapa. De melaatschen volgden
met de grootste stichting de talrijke en dikwijls
langdurige oefeningen der retraite. Toen Pater
Aubert in 1878 de missie gaf, preekte hij achter-
eenvolgens op verschillende plaatsen gedurende
17 dagen. Onder zijne toehoorders telde hij niet
zelden een protestantschen minister met zijne
diakens, en zelfs een soort van Mormoonschen
bisschop met zijne ministers en volgelingen. Hij
gaf hun alle toelating om hem moeilijkheden
voor te stellen,en mocht verschillende bekeerin-
gen inschrijven.
Deze missië\'n waren buitengewoon vruchtbaar.
En hoe kon het anders wezen ? Vond de mis-
-ocr page 183-
l68              LEVEN VAN PATER..DAMIAAN
sionnaris dan niet in al wat hem omringde eenen
steun voor zijne ernstige vermaningen, eene toe-
lichting tot de groote waarheden van ons geloof?
Scheen daar niet alles met den verkondiger
van het woord Gods te spreken van dood, van
eeuwigheid ? Dikwijls gebeurde het dat de pre-
diker, bij het aanschouwen zijner ongelukkige
toehoorders alleen, in tranen losbarstte, terwijl
hem een vloed van onbekende welsprekendheid
uit het ontroerde hart kwam opgeweld. Is het
wonder dat de schoonste bekeeringen die po-
gingen bekroonden, dat onder de christenen
nieuwe vruchten van heiligheid bloeiden ? Ja,
na de missie kwamen de melaatschen met vuri-
ger godsvrucht aan den voet des altaars troost
zoeken ; met meer onderwerping bogen zij het
hoofd onder de kastijdende hand Gods. Eene
nieuwe inwendige vreugde kwam alle harten
verlichten, en herderen kudde te midden hunner
beproeving met verschen moed vervullen.
Toen P. Damiaan eenige jaren in zijne chris-
tenheid had doorgebracht, mocht hij met blijde
dankzegging zijne oogen ten hemel richten.
Reeds in 1876 telt het katholiek kerkhof meer
graven dan het protestantsche. Drie jaar later
mag de werkzame herder het volgende schrijven:
« De zieken die hier aankomen zijn meestal
protestanten of ongeloovigen, en nochtans ster-
ven zij in den schoot der H. Kerk. Men kent
den boom aan zijne vruchten. De protestanten
bekommeren zich over het geestelijk welzijn
-ocr page 184-
WERKEN VAN I>. DAMIAAN                 169
der melaatschen niet. Bijna alle stervenden vra-
gen eenen katholieken priester om zich tot den
dood voor te bereiden. Ik heb vele protestant-
sche ministers op hun sterfbed het doopsel toe-
gediend. »
Nochtans bleef altijd de helft of het derde
der inwoners wederspannig. Want de lepro-
zerij had eene vlottende bevolking : de be-
keerden stierven, en er kwamen aanhoudend
nieuwe protestanten of heidenen in hunne plaats.
Het was dus altijd opnieuw te beginnen.
Zoo schrijft P. Gregorius in 1876 : « Niettegen-
staande de goede gesteldheid van de christenen
der leprozerij, moet men nochtans niet denken
dat de duivel hier niets te doen heeft. Hij tracht
zijn rijk terug te winnen; daartoe heeft hij
wederom eene poging aangewend, eene schier
ongeloofelijke poging : hij wilde onder die mis-
deelden van de natuur de wulpsche dansen van
het heidendom invoeren! Reeds was een altaar
opgericht, een slachtoffer moest opgedragen
worden aan de godheid, welke door de heidensche
dansers wordt vereerd. Zonder de waakzaamheid
van P. Damiaan en de kloeke houding van on-
zen geachten Gouverneur had men een ellendig
schandaal te betreuren. Wij houden niet op voor
die verblinden te bidden, en wij hopen dat
de toenemende ziekte des lichaams hun eindelijk
de oogen der ziel zal openen. »
Daar inderdaad, op het sterfbed, aan de deur
der eeuwigheid, wachtte de wakkere herder die
-ocr page 185-
I^O              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
verdwaalde schapen : en weinigen weerstonden
op dat plechtig oogenblik aan de bede van den
priester en aan de werking der goddelijke ge-
nade.
Dringen wij nu met den geest in de armoedige
pastorie van P. Damiaan, en volgen wij hem in
zijne dagelijksche bezigheden. Zoo zullen wij
een volledig overzicht zijner werkzaamheden
hebben. Het is overigens niet alleen in de buiten-
gewone omstandigheden, in de groote onderne-
mingen dat men eenen held leert kennen : volg
hem in het alledaagsche leven, in het geheim
zijner woning, in die duizend handelingen waar
de mensch zoo gemakkelijk zijne zwakke zijde
toont. Daar ziet men wat hij is, wat hij niet is.
Na eene korte nachtrust,welke hij op den bloo-
ten grond heeft genomen, knielt hij eerbiedig
aan den voet van zijn kruisbeeld neder: hij over-
weegt het leven van O. H.J.-C.,hij doorgrondt de
groote waarheden van ons geloof. Het voorbeeld
van onzen goddelijken Zaligmaker, de gedachte
aan den dood,aan de eeuwigheid,ziedaar wat hem
alle aardsche geneugten leert verachten, zich
zelven verzaken, zich voor zijnen evenmensch
opofferen en in zijne misvormde melaatschen
het beminnelijke beeld van den lijdenden Jezus
erkennen. Na een uur in deze godvruchtige
overwegingen te hebben doorgebracht, draagt
hij met de grootste gevoelens van godsvrucht
het H. Misoffer op. De tegenwoordigheid zijner
melaatschen doet het lichaam niet weinig lijden,
-ocr page 186-
WERKEN VAN P. DAMIAAN                 IJl
maar verheft zijne ziel, en geeft hem de ge-
wenschte gelegenheid om met zijnen gekrui-
sigden God ook het offer zijner vrijwillige ver-
sterving op te dragen.
Daarna houdt hij eene korte onderrichting:
het geestelijk voedsel dat hij al vroeg heeft
genomen, kan hij nu met alle liefde aan zijne
welbeminde kinderen mededeelen. Hij begeeft
zich vervolgens naar zijne armoedige woning om
een eersten maaltijd te nemen.
Zijn huishouden is uiterst eenvoudig. « Ik leef
hier alleen,schrijft hij in December 1874,in eene
kleine hut, waar nooit een melaatsche binnen-
treedt, \'s Morgens,na de Mis, komt eene vrouw
die niet melaatsch is, mijn eten gereedmaken ;
\'s middags gebruik ik wat rijst, koffie en een
weinig beschuit ; \'s avonds neem ik hetgeen
van mijn middagmaal overgebleven is, met een
kopje thee, die ik boven mijne lamp verwarm.
Ik eet maar tweemaal per dag, en dat is mij ge-
noeg. Daartusschen gebruik ik zelden iets. Zoo-
als ge ziet, blijf ik er gezond bij, en sterf ik niet
van honger. Over dag ben ik gewoonlijk niet
thuis. »
Zijn thuis ! was het niet veeleer het hospitaal,
de hut zijner zieken of zijn weeshuis ? Gedu-
rig ziet men hem haastig te voet of te paard
van de eene hut naar de andere rondloopen,
hier eenen zieke bedienen, daar eenen zondaar
vermanen, elders zijne almoezen uitdeelen. Hij
weet zich, als het ware, te vermenigvuldigen. Als
-ocr page 187-
172 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
het noodig is, neemt hij hamer en zaag om eene
doodkist te vervaardigen, of eene hut te bou-
wen voor een armen melaatsche, of eene kapel
voor zijne christenen of voor de eene of andere
christenheid van het hoogere eiland.
Tegen den avond vereenigen zich wederom
de christenen in de kapel voor het rozenhoedje.
De herder heeft altijd eene teedere godsvrucht
gekoesterd tot de H. Moeder Gods : hij weet
dat een kind van Maria, een kind voor den He-
mel is, dat ons alle genaden door haar geworden,
dat vooral de melaatschen allen troost vinden
zullen bij deze machtige troosteres der be-
drukten.
Afgemat komt hij eindelijk in zijne eenvou-
dige pastorie terug ; maar de arbeid is nog niet
af: bij het licht zijner lamp, bidt hij godvruchtig
zijne getijden, of schrijft eenen brief aan zijne
ordebroeders, of aan zijne weldoeners, of stu-
deert eenigen tijd. Dikwijls ook stelt hij nog lang
het uur der nachtrust uit, en zoekt in het gebed
nieuwe krachten voor zijne ziel. « Daar het
kerkhof, de kerk en de pastorie in een zelfde om-
heining zijn ingesloten, aldus schrijft hij, ben ik
\'s nachts de eenige bewaker van dien schoonen
doodenakker, waar mijne geestelijke kinderen
rusten. Het is mij een genot, daar mijn rozen-
hoedje te bidden, en na te denken over het eeu-
wig geluk, waarvan menigen reeds in bezit
zijn, over het eeuwig ongeluk van enkelen die
aan mijne vermaningen geen gehoor gaven, of
-ocr page 188-
WERKEN VAN P. DAMIAAN                 173
over de pijnen van het vagevuur. Waarlijk, zijn
het kerkhof en de hutten mijner stervenden
mijne beste meditatieboeken, niet alleen als ik
mijne eigene ziel wil voeden, maar ook als ik
mijne onderrichtingen voorbereid. »
Rijk aan verdiensten strekt hij eindelijk zijne
vermoeide ledematen op eene harde rustplank
uit, om \'s anderdaags met nieuwen ijver en
versche krachten hetzelfde arbeidzame leven te
hervatten. Zoo volgden de dagen en de jaren el-
kander op : en iedere dag was een volle dag, rijk
aan schoone heldendaden, waarvan zijne me-
laatschen en Gods engelen de eenige getuigen
waren, maar die in het gouden boek des levens
zullen blijven aangeteekend tot den grooten dag
der openbaring en der vergelding.
-ocr page 189-
fLLEEN groote rampen of zuivere
heldenmoed hebben het voorrecht
volken van alle werelddeelen en van
alle geloofsgezindheden in eene zelfde
medelijdende en bewonderende deelneming te
vereenigen. In de tegenwoordigheid van eene
diepe smart of van eene verhevene deugd, zwijgt
de haat, de partijzucht, de sectegeest. Dan aan-
schouwt men niet zoozeer den mensch dan
zijn lijden, zijnen heldenmoed, en, door de ne-
velen van alle vooroordeelen heenziende, schept
men er behagen in met alle vrijheid zijn onge-
luk te betreuren of zijne grootheid de bewon-
deren.
De melaatschen van Molokai, de apostel dier
melaatschen, genoten dit algemeene medelijden,
die onpartijdige bewondering.
Reeds in 1873, kwamen uit Honolulu talrijke
almoezen van protestanten en katholieken ; de
Zusters dier stad toonden een bijzonderen ijver
om almoezen in te zamelen en af te zenden. Die
bron welke zoo vroeg begon te vloeien, bracht
ieder jaar nieuwe schatten, en zal zeker niet ver-
drogen, zoolang er in de leprozerij behoeftigen
te helpen en zieken te verplegen zijn.
Deze kring van christelijke liefdadigheid
breidde zich weldra met groote snelheid uit. In
Europa werden rijke almoezen ingezameld, niet
-ocr page 190-
LEVEN VAN PATER DAMIAAN 1 75
alleen onder de katholieken maar ook onder de
andersdenkenden. Of liever, hebben de prote-
stanten, althans op sommige plaatsen, niet het
voorbeeld gegeven ?
In Engeland, was het een protestantsche
minister, die het sein gaf tot eene vrij algemeene
beweging ten voordeele der ongelukkige ban-
neli ngen van Molokai. De naam van M. Chap-
man, rector van St-Lucas\' kerk te Londen, zal
voor eeuwig in gouden letters geboekt blijven in
de geschiedenis der groote leprozerij. Hij eerst
had moed genoeg, om de spotternij en den haat
van eenige zijner godsdienstgenooten te trotsee-
ren, en in eenen oproep tot zijne protestantsche
kudde ten aanzien van geheel Engeland aal-
moezen te bedelen ten dienste van eenen
katholieken priester. Hij eerst dorst dezen
heldhaftigen missionnaris met woord en daad
ondersteunen. Eene eerste inschrijvingslijst
bracht hem deschoone som van 16,250 fr. ; een
weinig later mocht hij 40,625 fr. naar Molokai
zenden. Maar dit was hem niet genoeg. Hij
richtte eenen brief tot de Times, het groote En-
gelsche dagblad, of liever het welbekende wereld-
blad, waarin hij eenen algemeenen oproep doet
tot alle liefdadige katholieken en protestanten.
Eene som van 25,000 fr. was het welwillend ant-
woord zijner landgenooten.
De ijverige rector van Sint-Lucas bleef in la-
tere jaren hetzelfde voorbeeld van liefdadigheid
en onpartijdigheid aan zijne geloofsgenooten
-ocr page 191-
176 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
geven. Hij trad in geregelde briefwisseling
met den heldhaftigen apostel der melaatschen,
en ging met hem eene vriendschap aan, waar-
van de liefdadigheid en de dankbaarheid de
wederzijdsche banden waren.
Dit moest hem natuurlijk den haat van som-
mige dweepers op den hals halen. Een prote-
stantsch minister nam de pen op in naam zijner
mistroostige broeders, en teekende verzet aan
tegen de ongeloofelijke zwakheid van dien her-
der : «In plaats van de klove te verbreeden
welke tusschen de Roomsche Kerk en de Angli-
caansche sedert eeuwen was gegraven, dorst hij
die aanvullen om den overgang tot Rome te
vergemakkelijken... » Het antwoord van dien
« zwakken » herder was onverschrokken : Gaat
naar Molokai,en doet ivat hij gedaan heeft!
Tot nu
toe ten minste, heeft nog geen enkele dier partij-
dige vitters een zoo verstandigen raad gevolgd.
Hun gedrag werd dan ook door de openbare
meening genoegzaam gebrandmerkt, en de alge-
meene beantwoording welke de oproep van
M.Chapman in geheel Engeland mocht genie-
ten, kwam den vriendschapsband tusschen ka-
tholieken en welmeenende protestanten nog
nauwer toehalen.
Uit Amerika en vooral uit de Vereenigde
Staten zag men de almoezen van alle kanten
toestroomen. Mgr Gross, aartsbisschop van
Oregon, vergaderde de talrijke giften dier vrijge-
vige liefdadigheid : hij werd de schatmeester van
-ocr page 192-
MEDEWERKING
177
P. Damiaan en noemde zich den zaakgelastigde
der melaatschen van Molokai. Hij zond hun zelfs
eenen zijner priesters, den E. H. Conrardy, die
tegenwoordig nog in de leprozerij verblijft en
er zijn leven blootstelt in den dienst der me-
laatschen.
Maar, zou iemand kunnen vragen, hadden de
melaatschen zoovele aalmoezen van noode? Was
de armoede te Molokai zoo groot ? En waar
bleef dan de Regeering ?
Personen die zonder kennis van zaken een
lichtzinnig oordeel durven vellen, of te goeder
trouw de ongegronde klachten van anderen
herhalen, hebben de Regeering der Sandwich-
eilanden onmeedoogend beschuldigd. Wij zeggen
het nogmaals. De Staat heeft zijnen plicht ge-
daan, en over \'t algemeen de noodige pogingen
aangewend en de toereikende geldmiddelen ge-
schonken, om het ballingschap der melaatschen
zoo zacht mogelijk te maken. De Heer Gouver-
neur der leprozerij, zooals M. Edward Clifford
met kennis van zaken mag getuigen, is oplettend
en waakzaam.Het koninklijkHuis toonde,vooral
in de laatste jaren, eene bijzondere bezorgdheid
voor zijne diep ongelukkige onderdanen van
Molokai.
Eene stoomboot brengt iedere week de noo-
dige mondbehoeften : 5 pond ossenvleesch voor
ieder, en daarbij nog een voorraad van melk en
beschuiten. In Kalawao is er een groote winkel,
waar men zich eetwaren en alle slag van voor-
Leven van Pater Damiaan                                                                         »=
-ocr page 193-
1^8              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
werpen tegen betaling kan aanschaffen. Het
Gouvernement draagt ook zorg voor de hutten.
De woningen zijn over \'t algemeen net en ge-
zond, voorzien van eenen vloer die met den voch-
tigen grond niet in aanraking is. In een woord
de toestand der melaatschen is zoo zeer gebe-
terd dat de ziekte reeds minder verwoestingen
aanricht, ja, dat vele bannelingen volmondig
bekennen daar liever te blijven dan nog in
hunne familie terug te keeren.
Niettegenstaande die bezorgdheid van den
Staat, kan men licht begrijpen dat er in eene lepro-
zerij van ruim 800 inwoners (later ruim 1200)
nog altijd veel te doen overblijft voor eene
oplettende liefdadigheid. Zoo deed P. Damiaan
klachten bij het Bestuur, omdat er zieken waren
die sedert meer dan een jaar geen druppel melk
hadden gekregen.
Het was gewoonlijk met het beste gevolg dat
die ware vader der melaatschen voor zijne kin-
deren ging pleiten. De gevraagde hulp liet zich
niet lang wachten,en ten gevolge zijner tusschen-
komst werden vele nuttige en zelfs hoogst nood-
zakelijke maatregelen genomen. Hij immers
kende wel het best de noodwendigheden dier
ongelukkige bannelingen, en moeilijk kon men
hem iets weigeren. Somtijds nochtans bleven
zijne smeekschriften en pogingen zonder gevolg.
Maar men vergete niet in acht te nemen dat
louter gebrek aan geldmiddelen den Staat dik-
-ocr page 194-
MEDEWERKING
i/9
wijls in zijne rechtmatige bedoelingen en liefda-
dige ondernemingen heeft teruggehouden.
Zoo schrijft P. Damiaan in Januari 1880 :
« De Regeering van Hawaï doet nog altijd
nieuwe melaatschen aanhouden en naar hier
vervoeren, naarmate men ze kan ontdekken
en de geldmiddelen het toelaten. De som van
60.000 piasters (\') die alle twee jaar aan het onder-
houd der melaatschen besteed wordt, zou onvol-
doende zijn, indien men al de leprozen wilde
vervoeren die in de Sandwich-eilanden te vin-
den zijn. Bij gebrek aan geldmiddelen houdt
men zich aan het getal van 700 of 800 banne-
lingen. Sedert mijne aankomst begraven wij
er van 150 tot 200 ieder jaar, en er zijn altijd
boven de 700 levenden. »
Laten wij hier tot klaarder inzicht van de
zaak nog bijvoegen dat de leprozerij opgericht
werd in 1866. Tien jaar later had men er leeds
1570 melaatschen aangevoerd, waarvan 905
waren gestorven.
In 15 jaar werden 2500 melaatschen naar
Molokai verbannen. Daarbij is er te Kakaako,
bij Honolulu, nog een hospitaal, waar twijfel-
achtige gevallen onderzocht worden ; van daar
worden de melaatschen naar Molokai inge-
scheept. Bovendien is er te Honolulu nog een
weeshuis, waar de kinderen der melaatschen,
die de ziekte hunner ouders niet gê\'erfd hebben,
zorgvuldig worden opgevoed.
1. De Spaansche piaster heeft eene\'waarde van 5, 43 fr.
-ocr page 195-
iSo LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Men begrijpt welke kosten dit alles ten ge-
volge had. Waar echter de Regeering te kort
schoot, wist de christelijke liefdadigheid hare
giften te brengen. Talrijke aalmoezen kwamen,
te goeder uur, van alle kanten aan. P. Damiaan
had het genot alzoo in de behoeften zijner
melaatschen te kunnen voorzien.
Als hij de hutten bezocht nam hij gewoonlijk
eenen voorraad geneesmiddelen en lekkernijen
mede. Pater Gregorius schrijft in 1876 : « Pater
Damiaan werkt niet alleen met allen ijver aan
het heil der zielen, maar hij vergeet ook het
lichaam der zieken niet. Dikwijls steekt hij de
hand in kisten suiker, in schotels met beschui-
ten, of in de kleederkas. Wat hij er uitneemt,
wordt aan de behoeftigen uitgedeeld zonder
onderscheid van godsdienst. »
Met een woord, hij mocht niet alleen de zieken
bezoeken en de bedroefden vertroosten, maar
ook de naakten kleeden, de hongerigen spijzen,
en de dooden eene betamelijke begrafenis be-
zorgen.
Gedurende zijn verblijf te Molokai heeft
P. Damiaan 5000 melaatschen verpleegd, en
op dit getal zijn er 4000 gestorven.
De weldaden waarmede hij zijne aangeno-
mene kinderen mocht overladen, openden hem
alle harten. Zoo was niet alleen zijne zelfopoffe-
ring, maar ook de milddadigheid zijner mensch-
lievende medehelpers, een machtige hefboom in
zijne handen om op de gemoederen te werken.
-ocr page 196-
181
MEDEWERKING
Het goed door P. Damiaan in Molokai gesticht,
mag grootendeels aan zijne barmhartige wel-
doeners worden toegeschreven. Mocht God aan
de liefdadige protestanten voor die tijdelijke
aalmoezen den geestelijken schat van het ware
geloof schenken!
De nederige herder van Molokai had zeker
nooit eene andere medewerking durven verlan-
gen dan de liefdadige giften zijner milde wel-
doeners. Daarbij nochtans moest het niet blijven.
Vereerende bezoeken zouden den moed zijner
melaatschen komen opbeuren, en toonen dat zij
wel uit het oog maar niet uit de harten gebannen
waren.
Schoone onderscheidingen en belooningen
deden zelfs den ootmoed schrikken van den ne-
derigen kloosterling.
Op 24 September 1881 kwam Hare Konink-
lijke Hoogheid de Regentes, met hare zuster
en een aantal voorname personen de leprozerij
bezoeken. P. Damiaan deed zijn best om ze zoo
goed mogelijk te ontvangen. Bijna al de zieken
ten getalle van 800 waren op het strand ver-
gaderd. Omtrent zeventig mannen hadden eene
oude uniform aangetrokken en omringden Hare
Hoogheid bij wijze van eerewacht. Niet ver
van het strand was eene schoone tent voor de
plechtige ontvangst opgeslagen. De weg van de
landingsplaats naar de tent was met eene dichte
graszode bedekt en met bloemen bestrooid. Op
verschillende afstanden rezen sierlijke praal-
-ocr page 197-
i.......liiii
a
<
re
9
<
P>
z
a
o
D
O
-ocr page 198-
MEDEWERKING                              183
bogen met bevallig slingerende bloemkransen
en vleiende opschriften.
De Regentes kon niet begrijpen hoe de me-
laatschen haar in zoo weinig tijds eene zoo
schoone ontvangst hadden kunnen voorbereiden.
Het deed haar goed die geestdriftige en een-
parige eerbewijzing te ontmoeten. Maar
toen zij de melaatschen van nabij beschouw-
de en verschillende personen herkende met wie
zij vroeger geleefd had, barstte zij in eenen
vloed van tranen uit ; zij wilde de melaatschen
bedanken, maar hare bevende lippen konden
geen woord uiten, en een harer ministers was
verplicht in hare plaats te spreken. De Regentes
bezocht met alle aandacht de geheele leprozerij
en vertrok nog denzelfden dag naar Honolulu.
Dit was haar niet genoeg. Hare Koninklijke
Hoogheid had de liefdadigheid van den apostel
der melaatschen van nabij kunnen bewonderen.
Zij besloot die edele zelfopoffering te beloonen.
Een paar maanden later kwam Mgr Hermann,
hulpbisschop van den Apostolischen Vicaris,
Mgr Maigret, als gezant van de Regentes, voor
de eerste maal de leprozerij bezichtigen.
Wederom waren al de melaatschen op de
been ; triomfbogen werden langs alle kanten
gespannen, bloemen werden gestrooid, muzikan-
ten en zangers gingen met eene afdeeling vrij-
willigers zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid
verwelkomen ; men scheen op dit buitengewoon
bezoek iets bijzonders te verwachten.
-ocr page 199-
184              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Op eenen afstand van de reede stonden de
gezanten van Kalawao met P. Damiaan om
den bisschop te ontvangen ; zij stegen aanstonds
Mgr HERMANN.
te paard en de stoet trok plechtig vooruit.
Weldra staan zij vóór eenen praalboog : blijde
kreten weerklinken, vlaggen en wimpels wap-
-ocr page 200-
I85
MEDEWERKING
peren langs alle kanten : het zijn talrijke me-
laatschen die zich bij den stoet komen aansluiten
en den bisschop naar Kalawao begeleiden.
Bij de kapel rijst een tweede triomfboog ;
daar staat de geheele bevolking vergaderd, en
een geestdriftig gejubel weerklinkt over de
dikwijls zoo doodsche vallei. Blijde zangen
worden aangeheven, vleiende welkomsgroeten
worden voorgelezen. Zijne Hoogwaardigheid
beschouwt met medelijden en bewondering die
juichende schare, en stuurt haar een woord van
dank en aanmoediging toe.
Op het gelaat der melaatschen zweefde een
blijde glimlach van voldoening ; zij waren zoo
verheugd te zien dat hun bisschop zijne ongeluk-
kige kinderen niet vergat, dat hij ze teer be-
minde. Maar welke was niet hunne blijde
verrassing, hunne geestdrift, toen zij den bisschop
een blinkend eerekruis zagen te voorschijn
brengen en dit, niettegenstaande zijne nederige
verschooningen, om den hals van hun welbe-
minden herder hangen. Hare Koninklijke Hoog-
heid de Regentes had den heldhaftigen mission-
naris tot Ridder Commandeur der Koninklijke
Orde van Kalakaua benoemd.
Een ontzaglijke jubelkreet steeg uit de ver-
rukte kudde op; tranen van blijdschap rolden uit
vele oogen. De melaatschen waren buiten zich
zelven van vreugde en toonden hunne blijdschap
op de meest kinderlijke en luidruchtige wijze.
Alleen P. Damiaan scheen minder tevreden.
-ocr page 201-
l86 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Slechts op het uitdrukkelijk bevel van zijnen
bisschop heeft hij zich die eervolle onderschei-
ding laten welgevallen.
De ootmoedige kloosterling heeft afschrik
van alle eerbetuigingen. Hij wil geen ander
loon dan de inwendige vreugde die op een
goed werk volgt, dan het geluk van zich voor
anderen op te offeren en de eeuwige vergelding
welke aan de liefdadigen wordt beloofd.
Wil men een bewijs dat \'P. Damiaan als
ware kloosterling geene eervolle onderschei-
dingen zocht, noch er behagen in vond, ziehier
wat eenige jaren later gebeurde. Als M. E.
Clifford hem een bezoek brengt, en hem met
bescheidenheid vraagt of hij zijn eerekruis niet
mag zien, zoekt de nederige missionnaris een
oogenblik met eenigen tegenzin, en haalt einde-
lijk het kostbare eermetaal uit eene doos. Het
was gansch met stof bedekt als een voorwerp
dat vergeten is.
Wie nochtans had eene dergelijke onder-
scheiding meer verdiend dan de apostel der
melaatschen ? Welke diensten heeft hij aan het
land niet bewezen ? Welke belanglooze, welke
edele opoffering en toewijding ?
Hare Koninklijke Hoogheid wist die helden-
deugd met onpartijdigheid te waardeeren en te
beloonen, zooals de volgende brief aan P. Da-
miaan gericht, en door Mgr Herman overhan-
digd, er een afdoend bewijs van levert:
-ocr page 202-
MEDEWERKING                              187
« Eerwaarde Heer,
«Ik wensch u te verklaren, hoezeer ik de
heldhaftige en belangelooze diensten bewonder,
welke gij aan de ongelukkigste mijner onderda-
nen bewijst, en wil eene openbare hulde brengen
aan de onwaardeerbare zelfopoffering, stand-
vastigheid en liefdadigheid, waarmede gij zonder
ophouden allen lichamelijken en geestelijken
bijstand verleent aan die ellendigen, wien de
liefdevolle zorgen van bloedverwanten en vrien-
den noodzakelijk ontbreken.
« Ik weet genoegzaam, dat gij in uwen arbeid
en in uwe toewijding geene andere drijfveer
hebt dan uwe begeerte van die ongelukkigen
te helpen, en dat gij uwe belooning alleen ver-
wacht van den machtigen God, onzen oppersten
Meester, wiens hand u leidt, wiens geest u
bezielt. Nochtans, om mijn verlangen te bevre-
digen, bid ik u, eerwaarde Pater, het eere-
kruis van Ridder-Commandeur der Koninklijke
Orde van Kalakaua te ontvangen, als een bewijs
van mijne rechtzinnige bewondering voor de
pogingen, welke gij aanwendt, om de ellende te
lenigen en door alle middelen het lijden te
verzachten van die ongelukkigen, zooals ik de
gelegenheid heb gehad met eigen oogen te zien,
over eenige dagen, in het bezoek dat ik in de
leprozerij heb gedaan.
Ik ben uwe vriendin, (I am your friend),
LiLixoKALANi, regentes. »
-ocr page 203-
l88 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Die edele onpartijdigheid jegens den katholie-
ken apostel der melaatschen werd hevig toege-
juicht, niet alleen door de inwoners der leprozerij
maar ook door alle Hawaïanen zoo christenen
als heidenen. De « Gazet van Hawaï » was
de tolk dier eenstemmige goedkeuring, toen zij
eenige dagen later schreef : « Nooit had iemand
meer recht op dergelijke onderscheiding... Wij
verheugen ons des te meer, omdat de Vorstin
zich boven alle vooroordeelen en kleingeestige
vitterijen heeft verheven, en de verdiende be-
looning heeft geschonken zonder de geloofs-
gezindheid in acht te nemen. » Dit mag waarlijk
eene onpartijdige medewerking heeten en was
wel bekwaam om ook eenen held aan te moedi-
gen die uit zuivere liefde tot God arbeidde.
-ocr page 204-
IEEDS was P. Damiaan sedert 12
jaar werkzaam onder zijne dierbare
melaatschen. Hij schreef het toe aan
eene bijzondere bescherming van de
HH. Harten van Jezus en Maria, dat hij zoo-
lang van de ongenadigste der besmettingen was
bevrijd gebleven.
Altijd echter verwachtte hij vroeg of laat
te bezwijken. Wel nam hij de noodige voor-
zorgen : hij wilde niet van vermetelheid be-
schuldigd worden. Hij woonde in een afzonder-
lijk huis ; eene vrouw die niet melaatsch was
droeg zorg voor tafel en kleederen ; maar verder
was hij alles voor allen : hij verkeerde in gedu-
rige aanraking met de melaatschen; in het
hospitaal, in de hutten, als hij de zieken bediende
of de dooden begroef. De lucht die hij inademde
was verpest. Hij bekent het zelf, dat hij om
gezond te blijven somtijds versche lucht moet
gaan scheppen of wat handwerk verrichten. Het
gebeurde dat hij naar het hooger gedeelte van
Molokai ging om zijne medebroeders te helpen.
In 1878 kwam P. Andreas zich te Kalaupapa
vestigen. P. Damiaan bleef te Kalawao, en vond
nog tijd om de christenen van het hoogere
gedeelte des eilands te bezoeken. In 1881 is
P. Albert te Kalaupapa en blijft er tot in 1888 ;
-ocr page 205-
•-..
I90 LEVEN VAN PATER DAM IAAN
P. Damiaan was weder alleen belast met de
bediening der geheele leprozerij, en in de onmo-
gelijkheid zich eenige rust te verschaffen.
Reeds in 1884 meende P. Damiaan teekenen
van melaatschheid in zijn lichaam te ontdekken ;
de dokter stelde hem nochtans gerust. Het
volgende jaar gebeurde het dat hij een warm
voetbad nam : het water was tamelijk heet, en
nochtans voelde hij hoegenaamd geene pijn. Die
gevoelloosheid is een onfeilbaar teeken van
melaatschheid. P. Damiaan verhief zijn hart tot
God om zijne offerande te vernieuwen. Tot
meerdere zekerheid echter onderwierp hij zich
nogmaals aan een zorgvuldig onderzoek van den
dokter. De geneesheer bespeurde weldra duide-
lijk de gevreesde teekénen: « Het doet mij leed,
zegde hij, gij hebt het maar al te goed geraden.
— Ik ben er niet van verschrikt, antwoordde
P. Damiaan zonder ontsteltenis, ik was er van
overtuigd.»
Zelfs was hij aan die gedachte gewoon :
sedert elf jaar placht hij aan zijne melaatschen
te zeggen, in de overtuiging dat het vroeg
of laat waarheid zou worden : wij melaatschen.
De onderwerping aan den heiligen wil van God
was hem dus gemakkelijk. Van nu af valt hij
onder de algemeene afzonderingswet, en is het
hem verboden het eiland te verlaten ; maar nu
God zelf verlangt dat hij dit offer opdrage, heeft
dit vooruitzicht niets meer dat hem afschrikt of
ontmoedigt. Ja, zooals hij het zelf verklaart, hij
-ocr page 206-
P. DAMIAAN MELAATSCII                   I91
zou liever niet genezen, indien het daartoe
noodig was dat hij het eiland verliet en zijn
arbeid staakte.
Zijn brief in 1885 aan Mgr Köckemann
geschreven toont ons, dat hij die beproeving
niet alleen met gelatenheid maar ook met
vreugde uit de hand Gods had ontvangen : « Het
is mij voortaan verboden, schrijft hij, nog naar
Honolulu te komen, omdat ik melaatsch ben;
men ziet het aan mijne linker wang en oor;
mijne wenkbrauwen beginnen uit te vallen.
Weldra zal ik geheel misvormd zijn. Ik ben
volkomen met den aard mijner ziekte bekend,
en blijf gerust, onderworpen en zeer gelukkig
in het midden mijner kudde. Onze Lieve Heer
weet wel wat het beste is voor mijne heilig-
making, en iederen dag, herhaal ik van harte :
€ uw wil geschiede. »
Wat meer is, hij verlangt gelijk de H. Paulus
van de boeien des lichaams ontbonden te worden.
Getuige deze brief tot zijnen broeder Pamphilus:
« Gij weet dat onze Heer mij sedert eenigen tijd
gekozen heeft, en dat ik met melaatschheid ge-
slagen ben. Eeuwig zal ik God voor deze genade
dankbaar blijven. Deze ziekte, dunkt mij, zal
mijnen weg naar het hemelsch vaderland wat
korter en rechter maken. In deze hoop, neem ik
dat kruis op mijne schouders, en zal ik mijn best
doen om het gelijk Simon van Cyrenen na mijn
goddelijken Meester te dragen. Help mij, uwen
broeder, door uwe gebeden, opdat hij de noodige
-ocr page 207-
192              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
kracht ontvange, om te volharden en gelukkig
tot boven toe den Calvarieberg op te klimmen. »
Dit belet den moedigen missionnaris niet nog
onvermoeid voort te arbeiden zoolang hem de
krachten eenigszins zullen bijblijven. In Novem-
ber 1887 is hij nog gedurig werkzaam voor zijne
dierbare kudde. Hij zal zich dan alleen van het
slagveld terugtrekken als hem alle krachten
ontbreken, en zoo met de wapenen in de hand
trachten te sneuvelen. «Alhoewel de melaatsch-
heid mijn lichaam ter dege heeft aangetast,
schrijft hij in denzelfden brief aan zijnen broeder,
en ik er reeds een weinig misvormd uitzie, blijf
ik toch nog altijd sterk en krachtvol. De vreese-
lijke pijnen die ik aan mijne voeten leed zijn
verdwenen. De ziekte echter heeft mijne handen
nog niet aangetast en ik kan nog iederen dag de
H. Mis lezen. Dat is mijn troost...
« Ik heb veel werk en de tijd schijnt mij kort.
De inwendige vreugde, de blijdschap die de
HH. Harten mij overvloedig laten genieten,
doen mij gelooven dat ik de gelukkigste mis-
sionnaris van de wereld ben. Het offer mijner
gezondheid, dat God heeft willen aannemen om
mijne bediening onder de melaatschen eenigs-
zins vruchtbaar te maken, is, alles ingezien, zeer
licht en aangenaam voor mij die met den H.
Paulus durf zeggen : « ik ben dood en mijn leven
is verborgen in God met Jezus Christus
(\'). »
Nochtans begonnen zijne krachten te ver-
1. H. Paul., Col. in, 3.
-ocr page 208-
P. DAMIAAN MELAATSCH                    193
zwakken.Een zijner medebroeders, P.Gregorius,
(die het volgende jaar door P. Wendelin zal
vervangen worden), kwam zich in de leprozerij
vestigen, om hem den arbeid lichter te maken.
Hij bleef echter zijne parochie bezoeken, zoolang
hij daartoe eenigszins in staat was. In November
1888 gaat hij nog door eenen stortregen eenen
stervende van de laatste sacramenten bedienen.
Zijn ordebroeder zegt hem op zekeren dag, dat
hij ziek genoeg is om zijn brevier niet meer te
bidden, en ontvangt tot antwoord : « Het is een
voorrecht waarvan ik nog nooit gebruik heb
gemaakt, sedert ik subdiaken ben. »
Dit zelfde jaar had hij de vertroosting een
zijner droombeelden te zien verwezenlijken.Lang
had hij bij verschillende bisschoppen pogingen
aangewend, om liefdezusters voor zijn hospi-
taal en voor zijn weeshuis te bekomen. Nu
hebben katholieken en protestanten zich weder-
om tot de geestelijke overheid gewend om die
zoo noodige hulp eindelijk te bekomen : zij be-
kennen eenparig.dat alleen de katholieke liefde-
zusters in staat zijn aan de zieken in het hospi-
taal de gewenschte verpleging.en aan de jeugdige
weezen eene christelijke opvoeding te geven.
Zij smeeken den Bisschop niet langer de
zoo dringende hulp te weigeren. Hun verzoek
werd ingewilligd. In 1888 kwamen de liefde-
zusters zich te Kalaupapa vestigen, en P. Da-
miaan mocht met blijde hoop de toekomst te
gemoet zien.
Leven van Pater Damiaan.
13
-ocr page 209-
194              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
Ondertusschen was het droevige nieuws der
ziekte van P. Damiaan in alle werelddeelen ver-
spreid. Men betreurde alom het ongeluk van
den held, die eindelijk zelf getroffen was door
de vreeselijke ziekte, welke, hij lang zoo onver-
schrokken en zoo straffeloos had getrotseerd.
Allen toonden zich met zij n lot bewogen, en gaven
hunne bewondering in geestdriftige lofspraken
lucht. Zijne heldhaftigheid had hem zoovele
lauweren gevlochten. Het ongeluk zou zijnen
naam met nieuwen luister omkransen en zijne
deugden in een nog meer helder daglicht stellen.
In het afgelegene Engeland vatte toen een
groot bewonderaar van P. Damiaan het besluit
op, den onmeetbaren oceaan over te steken, om
den held van Molokai een bezoek te brengen.
Het was in December 1888.
Een felle zuiderwind joeg hevig over de
Sandwich-eilanden : de bruisende golven rezen
schuimend tegen de kusten van Molokai op, ter-
wijl de namiddagzon hare heldere stralen uit een
onbevlekten hemel nederschoot. De rijke regen-
boogkleuren speelden bevallig in eenen sneeuw-
witten zoom van schuim en waterregen, en ver-
sierden met hunne afwisselende tinten het fijne
borduursel door de stuivende baren om het be-
vallige eiland gestikt. De bekende stoomboot
stond op eenen afstand van de kust met de
golven te kampen, en trachtte nutteloos aan land
te komen. Het vaartuig was met eene vracht
leprozen beladen. Talrijke inwoners van de
-ocr page 210-
-ocr page 211-
IQÖ LEVEN VAN PATER DAMIAAN
leprozerij waren aangestroomd en ieder wachtte
met angstig ongeduld.
Maarzie,daar verschijnt eensklaps P.Damiaan:
met hevige belangstelling ziet hij naar de stoom-
boot. Een vreemdeling, een bezoeker had zich
aangekondigd ! De stoomboot werd bij middel
van sloepen van zijne lading ontlast, en weldra
trad een deftig Engelschman uit eene der sloe-
pen. Nauwelijks heeft hij voet aan wal gezet, of
P. Damiaan heeft hem met liefde bij de band
genomen: « Edward, welkom, » sprak hij, terwijl
een wederkeerig « eerwaarde vriend » hem met
geestdrift tegenklonk. Waren het dan twee boe-
zemvrienden die vele jaren samen hadden door-
gebracht ? Neen, die vreemde bezoeker is een
Engelschman, een protestantsch minister, die
P. Damiaan nooit gezien heeft ! Bij het ver-
nemen zijner heldhaftige zelfopoffering en zijner
ziekte, heeft hij alles verlaten om hem met zijn
bezoek te vertroosten !
M. Edward Clifford bracht insgelijks talrijke
geschenken en almoezen uit Engeland mede,
zoo dat hij even welkom zou wezen bij
de melaatschen. Hij waardeerde, hij beminde
P.Damiaan, of liever hij was bovenmate met hem
ingenomen, en wilde niet enkel uit nieuwsgierig-
heid, maar ook uit liefde voor zijn edelmoedigen
vriend en voor diens werk gedurende een paar
weken met hem leven. Hij bracht tevens eene
kostbare olie mede, waarmede hij den melaatschen
herder,zoo niet genezen, althans verhelpen wilde.
-ocr page 212-
P. DAMIAAN MELAATSCII                   I97
Al wat hij zag en hoorde, zou hij nauwkeurig op-
teekenen, en in druk laten verschijnen, om den
nederigen herder der melaatschen nog hooger in
de achting zijner landgenooten te doen stijgen.
Ziehier hoe hij P. Damiaan afschetst: « Hij is
nu 49 jaar oud; het is een struisch en sterk ge-
bouwd man, met zwart krulhaar en korten baard.
Vroeger moet het een schoon man geweest zijn;
nu is hij reeds tamelijk door de melaatsch-
heid misvormd; dit belet nochtans niet dat het
een waar genot is, zijn levendig en teergevoelig
gelaat te aanschouwen. Zijn voorhoofd is ge-
zwollen en gerimpeld;de wenkbrauwen zijn uit-
gevallen; de neus is ietwat ingezonken en de
ooren hebben aanmerkelijk in omvang toegeno-
men. Op handen en gezicht steken lichte knob-
belen uit; de ziekte werkt reeds op geheel zijn
lichaam. Hij verzekerde mij, dat hij weinig of
geen pijn had geleden, sedert hij gebruik had
gemaakt van heete baden en van Japaneesche
medecijnen.
M. Clifford had voet aan wal gezet op eenen
tamelijken afstand van Kalawao. Zijne kist met
geschenken en zijne koffers konden moeielijk
gelost worden, ter oorzaak van de onstuimig-
heid der zee. Hij wilde echter kost wat kost
zijne geschenken toonen, en gebood dat men ze
stuk voor stuk met de sloepen zou aanbren-
gen. De melaatschen kwamen zich met be-
langstelling rond den vreemdeling scharen, op
een eerbiedigen afstand nochtans, en bewonder-
-ocr page 213-
I98 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
den de rijke giften. Het was eene schoone prent
van den « Goeden Herder »: een veel betee-
kenend geschenk; schoone statiën van den kruis-
weg, met kunst geschilderd ; eene prachtige
tooverlantaarn met afbeeldingen uit de H.
Schriftuur, alsmede talrijke gekleurde prenten
en een ariston (soort van orgel) met 40 verschil-
lende wijzen, speeltuig dat men later bij alle
gelegenheden zal hooren. Daarenboven waren er
nog talrijke andere geschenken voor P. Da-
miaan.
M. Clifford had zijn pak niet gaarne door
eenen melaatsche laten dragen : hij belast er zich
zelf mede. « De weg, zegt hij, was vermoeiend,
maar ik ondervond dat P. Damiaan nog vol-
maakter was dan ik mij had kunnen voorstellen,
en dit maakte mij de wandeling aangenaam.
Halfweg gekomen,nam ik,om mij te verfrisschen,
een bad in het schuim van de branding; want de
baren zelf waren te onstuimig om te zwemmen,
en ik wilde buiten bereik blijven van de tan-
den der haaien die daar nog al talrijk zijn. Ik
bewonderde hoe gerust P. Damiaan ging neer-
zitten, hoe hij, terwijl ik mij baadde, bleef lezen
en bidden, en zich eensklaps in dat inwendig
leven terugtrok dat hem zoo eigen was. Zoodra
ik gereed stond, was hij wederom vriendelijk en
opgewekt: hij toonde mij wederom met voorko-
menheid, al wat mijne belangstelling kon gaande
maken.»
Weldra komen zij te Kalawao aan. M. Clifford
-ocr page 214-
P. DAMIAAN MELAATSCH                    199
bewondert daar de kerk, die P. Damiaan zelf
gebouwd heeft, en daarnevens den boom waaron-
der hij drie weken lang zijne nachtrust heeft
genomen. Het dorpje ziet er hem niet zoo treu-
rig uit : de nette houten huizen zijn met tuinen
omringd, waar de sierlijkste bloemen hunne tal-
rijke kleurenschakeeringen ten toon spreiden en
hunne balsemgeuren uitwasemen. Jammermaar
dat men bij die huizen niets dan misvormde
gezichten aantreft. De Hawaïanen houden veel
van bloemen en dragen gaarne bladerkransen
om het hoofd; zelfs bejaarde vrouwen durven
zich met bloemen tooien.
Eindelijk is de edele bezoeker in de nederige
pastorie. « Op het verzoek van P. Damiaan, gin-
gen wij, uit vrees voor de besmetting, aan eene
afzonderlijke tafel aanzitten; maar hij was dicht
bij ons, en wij waren allen gelukkig te zamen.
« Het was wel onaangenaam voor mijne vrien-
delijke gasten, maar ik had geen lust om wat te
gebruiken, behalve eenige beschuiten Als mij
later voedsel werd aangeboden, aanvaardde ik
gewoonlijk eenige oranjeappelen, aan een nabe-
staanden boom geplukt. Na de tafel gingen wij
eenen kleinen trap op, die ons naar het balkon
van P. Damiaan leidde. Eene bloeiende kamper-
foelie onderhield daar een aangename schaduw.
Op dat balkon bracht ik mijne aangenaamste
uren door, terwijl ik mijnen vriend uitteekende,
en luisterde naar hetgeen hij mij vertelde. Dik-
wijls kwamen de melaatschen een nieuwsgierigen
-ocr page 215-
200 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
blik op mijn werk werpen, en het was mij een
genoegen te bemerken hoe gelukkig zij er uit
zagen : zij waren daar thuis. Treurig bezag
P. Damiaan mijne teekening : « Wat een mis-
vormd gelaat! zeide hij, ik wist niet dat de ziekte
zoo gevorderd was. »
« De kinderen zingen wonderschoon. Een man
had eene volle en zoete baritonstem, en een ten-
gere knaap maakte veel indruk met zijne scherpe
en heldere stem. Eene vrouw met zeer deftig
voorkomen, speelde met veel kunst op het har-
monium : men zou gezegd hebben dat hare vin-
geren grootendeels waren afgezet. In Honolulu
stond zij algemeen om hare kunst bekend. Zon-
dag toonde ik de tooverlantaarn aan de me-
laatschen, en P. Damiaan gaf hun uitlegging van
de afbeeldingen uit het leven van Christus. Het
was een hartroerend schouwspel,te zien,hoe deze
ter dood veroordeelde menigte luisterde naar de
geschiedenis van zijne genezingen en zijn lij-
den, van zijne kruisiging en verrijzenis.
« Over dag zitten de melaatschen voor hunne
deur te kouten, of zij pletten den taro-wortel,
om hun geliefkoosd voedsel gereed te maken,
of rijden op hunne poney\'s van het eene dorp
naar het andere. Altijd ontvangt men eenen
vriendelijken groet of eenen nog meer vriende-
lijken glimlach. Dezen toestand hebben zij te
danken deels aan de groote bezorgdheid van de
Regeering zelve, deels aan de tusschenkomst
van den edelen man, die zich in het dal der
-ocr page 216-
a
S
(O
C
■O
::?
i—<
S
a
O
a
3
a
W
5?
3
a
ft
0)
o
O
-ocr page 217-
202              LEVEN VAN TATER DAMIAAN
besmetting kwam vestigen toen dood en wan-
hoop er alleen heerschten.
«Ongetwijfeld moet het leven te Molokai, zelfs
in deze omstandigheid, nog vrij ondragelijk
wezen voor hart en zenuwen : nochtans hebben
acht edele mannen en vrouwen dit leven omhelsd
uit liefde tot Christus. Het scheen mij al bijzon-
der hard gedurende slechts 14 dagen niets dan
melaatschen te zien. Ik werd bijzonder diep
aangedaan door het ontmoeten van een tienjarig
kind,wiens aangezicht de trekken van een vijftig-
jarigen man droeg. Ik was echter naar Molokai
gegaan in de meening dat ik daar eene hel
zoude aanschouwen ; en het liefelijke landschap,
de beminnelijke inwoners, en hun betrekkelijk
smarteloos leven waren voor mij zoovele aan-
gename verrassingen.
« Wat mij vooral trof, was een brave blinde
grijsaard van het hospitaal, die mij zeide dat
hij God voor zijne ziekte bedankte, omdat zij
hem van veel kwaad had bevrijd.
« P. Damiaan was geen overdreven gevoelig
man. Het was mij des te aangenamer van hem
eenige bloemen te ontvangen uit Jeruzalem,
op dewelke hij geschreven had : « Aan Edward
Clifford, van zijn welbeminden vriend, J. Da-
miaan. » Hij schreef ook in mijnen Bijbel: « ik
was ziek, en gij hebt mij bezocht
».
Gedurende het veertiendaagsch bezoek, werd
er natuurlijk van godsdienst gesproken. P. Da-
miaan, hoe welsprekend ook, kon er niet in
-ocr page 218-
P. DAMIAAN MELAATSCH                   203
gelukken zijnen vriend te overtuigen, dat alleen
de katholieke godsdienst de ware is. Er zijn van
die ingewortelde vooroordeelen, waarvoor de
sterkste beweegredenen even onmachtig schij-
nen als de meest treffende en medesleepende
voorbeelden. Althans slaagde hij er in, de katho-
lieke Kerk door zijnen protestantschen vriend te
doen hoogachten. Ronduit verklaart M. Clifford
tot zijne geloofsgenooten zijnen diepen eerbied
voor de katholieke Kerk en zijne oprechte
liefde voor P. Damiaan. « Wij moeten ons allen
verheugen dat de katholieke Kerk zulke heiligen
voortbrengt, en niet aarzelen, hun onze genegen-
heid te toonen en den hartelijken lof te geven
dien zij verdienen. P. Damiaan heeft niet alleen
onzen lof, hij heeft ook onze liefde ».
God gave dat alle Protestanten dezelfde on-
partijdigheid aan den dag legden ! Mocht
vooral de deugd van den apostel der melaatschen
niet alleen hunne bewondering verwerven, maar
eene toenadering, ja eenen steeds meer alge-
meenen terugkeer teweegbrengen, naar die
apostolische Moederkerk, welke alleen om haar
voorhoofd het schitterende kenmerk der waar-
heid draagt ! Mocht deze liefde tot een katho-
lieken priester steeds nauwer en nauwer de
banden toehalen, welke de kinderen dier Kerk
beginnen te vereenigen met hare sinds lang
verdwaalde zonen. Dit is niet alleen onze
wensch, maar onze hoop, te meer daar velen,
vooral in Engeland, reeds eene dringende be-
-ocr page 219-
204 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
hoefte gevoelen aan een beteren godsdienst dan
het Protestantismus met zijne eindelooze ver-
deelingen in secten en tallooze vormveranderin-
gen.
M. Clifford had nog het genot het feest van
Kerstmis onder de melaatschen van Molokai te
zien vieren. Met bijzondere plechtigheid wer-
den de goddelijke diensten gevierd, en de me-
laatschen muntten uit door hunne teedere gods-
vrucht. De voorbeelden van den Zoon Gods,
die voor ons in een stal geboren werd zijn wel
bekwaam om die ongelukkigen in hun ballings-
oord te troosten. Er was op Dinsdag een soort
van avondfeest. De melaatschen voerden een
stukje uit de H. Schriftuur op, het Ariston liet
zijne schoonste wijzen in de kleine zaal weer-
klinken, en alle harten klopten van kinderlijke
vreugde.
De protestantsche minister bemerkte ook met
bijzondere tevredenheid dat de Paters zeer vrien-
delijk en gemeenzaam met hunne melaatschen
omgingen. Waren deze ongelukkigen dan niet
hunne aangenomene kinderen ? En geeft de
katholieke herder zijn hart dan niet onverdeeld
aan God en aan zijne kudde ?
« De namen der kinderen, welke de Paters
allen van buiten kenden, zijn waarlijk geheel
eigenaardig. Hoe vreemd klinken niet in Euro-
peaansche ooren de namen van : Mr Rat-Eter ;
Mr Vuur-Oogen, Mr Van-het-Peerd-Gevalllen,
Mej. De Wandelende-Geest, Mej. De Water-
-ocr page 220-
P. DAMIAAN MELAATSCH                   205
vogel; Mr Die-zijn-Wangenkuiltje wascht ; Mr
De groote Ketel, Mr de Varkenstal, Mr de
Atlantische Oceaan !!! »
Er was te Molokai een hotel waar nooit een
melaatsche den voet zette : daar verbleven de
zeldzame bezoekers. P. Damiaan weigerde vol-
standig het huis met zijn edelen vriend binnen te
treden. Terwijl deze de frissche avondlucht in
de veranda schepte, kwam P. Damiaan aan den
trap nederzitten. Daar, in de plechtige avond-
stilte, bleef hij nog lang met hem spreken van
Europa, van zijne weldoeners uit Engeland en
Amerika,van Molokai met zijne vreeselijke ziek-
te ; en de geachte bezoeker vond een onuit-
sprekelijk genot in die vriendelijke avondkouten.
Kalaupapa was sedert eenigen tijd door
P. Wendelin bediend ; de liefdezusters waren
zich komen vestigen in het weeshuis waar een
vijftigtal meisjes aan hunne zorgen werden toe-
vertrouwd. (In het weeshuis van Kalawao waren
er ruim honderd weesjongens.)
Op zekeren dag deed M. Cliffordeene wande-
ling naar Kalaupapa. Het weder was eerst stil
en aangenaam. Eensklaps begon de zuiderwind
met ongekende woede te blazen. Menige daken
worden van de huizen gerukt: hij zelfs ziet zich
eensklaps opgelicht, en gaat een paar honderd
meters verder nedervallen, gelukkig zonder
gedeerd te zijn. Een geweldige stortregen,
aan een zwaren hagel gelijk, zweept hem in het
gezicht, en zet alles onder water En nochtans
-ocr page 221-
20Ó LEVEN VAN PATER DAMIAAN
is de lucht onbewolkt en blinkt de zon onbene-
veld aan den blauwen hemeltrans. Het was
een « Kona ». Dat weder duurt soms verschil-
lende dagen.
M. Clifford had P. Damiaan reeds bij zijne
aankomst het gebruik der gurjun-olie aange-
raden, maar zijn edele vriend had weinig hoop
op genezing.
«Ik geloof, zoo luidt verder het reisverhaal,
dat hij niet veel goeds verwachtte van mijne
gurjun-olie : maar op mijn verzoek begon hij
ze te gebruiken. Na veertien dagen had zij
voordeelig gewerkt : hij zag er veel beter
uit, sliep rustiger en gemakkelijker (vroeger
moest hij met open mond slapen); zijne handen
werden beter, en den laatsten Zondag van mijn
verblijf te Molokai zeide hij mij, dat hij inde
kerk had kunnen zingen, wat hij sedert maanden
niet meer kon. Ongelukkig is het te vreezen dat
de ziekte reeds de longen heeft aangetast, en
dan komt het geneesmiddel natuurlijk te laat. »
Inderdaad, P. Damiaan was al zeer verzwakt:
hij kon moeilijk de H. Mis lezen; zijn slaap was
onrustig, de stem zwak en dof, de ziekte was
zeer gevorderd.
Den laatsten dag voor het vertrek van M.
Clifford was het eiland bijzonder belangwek-
kend. Eene stoomboot bracht een paar honderd
bloedverwanten der melaatschen in het gezicht
der leprozerij : zij kwamen hunne zieken be-
zoeken. Een liefdadige heer van Honolulu was
-ocr page 222-
P. DAMIAAN MELAATSCH                   20J
op de gedachte gekomen deze vertroosting aan
de ongelukkige bannelingen te bezorgen. Hij
wist dat talrijke leprozen te arm waren om ooit
op een bezoek van hunne familie te mogen
rekenen. Alle melaatschen die nog gaan konden,
vereenigden zich op het strand; de zee was on-
stuimig; de mannen mochten voet aan wal
zetten; de vrouwen moesten in sloepen bij het
strand blijven. Welke verrassing voor de me-
laatschen ! Welke hartroerende samenkomst!
Velen schenen als uit het graf te zijn verrezen ;
zij meenden wederom in hunne familie te zijn,
voor een oogenblik mochten zij hun lijden, hun
ballingschap vergeten...... Het uur der schei-
ding deed wederom tranen vloeien ; maar de
melaatschen leerden eenmaal te meer de liefda-
digheid van hunne weldoeners zegenen, en
hunne ballingschap met gelatenheid verdragen.
M. Clifford moest ook eindelijk vertrekken.
Hij zegde een laatste vaarwel aan zijnen dier-
baren vriend, en vol bewondering voor zijne
deugden verwijderde hij zich van dit dal van
ellende en van wonderbare vertroosting.
P.Damiaan was wederom alleen met zijne me-
laatschen, en bad inwendig dat hij zijnen vriend
in het hemelsch vaderland mocht terugzien.
-4€N—
-■:
-ocr page 223-
E melaatschen van Molokai hebben
zich een oogenblik met de hoop mo-
gen vleien, dat hun herder een heil-
zaam geneesmiddel heeft gevonden,en
dat zij zelven misschien het geluk zouden hebben
met behulp dier wonderbare olie aan den dood te
ontsnappen, of ten minste den loop der ziekte
te vertragen. Nuttelooze hoop! Weldra bleek
het dat hun teergeliefde weldoener meer en meer
verzwakte. Zijne dierbare kudde zag met bittere
tranen het oogenblik naderen, waarop hij, die
er zoo velen had geholpen en getroost, eindelijk
zelf zou bezwijken.
In Februari 1889 schrijft hij een laatste maal
aan zijnen broeder Pamphilus. Wij geven een
afschrift van dezen brief:... «Ik ben altijd ge-
lukkigen tevreden. Alhoewel ik ziek ben, begeer
ik niets anders dan dat de wil Gods geschiede.
Er zijn meer dan 1000 melaatschen in de lepro-
zerij. De Engelschen zoo Protestanten als Katho-
lieken zijn mij zeer genegen. Aan het altaar,
waar ik nog alle dagen kan opklimmen (niet
zonder moeite nochtans), vergeet ik niemand van
u allen. Gij ook bidt en doet bidden voor mij,
die mij langzaam naar het graf voortsleur. Moge
de Heer mij versterken en mij de genade
-ocr page 224-
|                            . v                         -j-**»- /TA>^7 j^i^) ^i>-m.
/"U/Mn
-ocr page 225-
LEVEN VAN PATER DAMIAAN              200.
schenken van de volharding en van een goeden
dood. »
Onderwerping aan den wil Gods, heilige
vreugde bij het aanschouwen van den naderen-
den dood, een laatste liefdeblik voor zijne
melaatschen, voor zijne weldoeners, zijne bloed-
verwanten, vertrouwen op God alleen, ziedaar
met weinige trekken eene welsprekende schets,
waarin de liefdadige held van Molokai zich
zelven in zijne laatste dagen onwillekeurig heeft
afgeteekend.
Zijne handen waren reeds aangetast; men
vreesde dat hij ook zijne vingerleden zou ver-
liezen, gelijk het dikwijls het geval is. Nochtans
bemerkte men weldra eene ongewone afwijking
in den loop der ziekte. Terwijl het buitenge-
deelte der handen wegkankerde, zag men het
binnenste gedeelte, dat bij zijne Priesterwijding
met de H. Olie was gezalfd, ongeschonden
blijven. Zoo mocht hij zeer lang den troost ge-
nieten het H. Misoffer op te dragen.
Het vooruitzicht van zijn aanstaanden dood
maakte eenen droevigen indruk op zijne welbe-
minde melaatschen. In Europa en in Amerika
betreurde men reeds zijnen dood, toen hij nog
onder de levenden mocht gerekend worden.
Laten wij hier een oogenblik stilhouden, om
met de edelmoedige vrienden die zijn lot be-
treuren, troost te zoeken in het beschouwen
en het bewonderen zijner deugden. Het is zoo
aangenaam een laatsten oogslag te gunnen aan
Leven van Tater Damiaan.                                                                        x.
-ocr page 226-
/\\\\/iA^\\ —> <*-•*■-* /vwo \\p-*>-^* ^>-~" Jttn^c^e-^^t-wJ^/WAi
-ocr page 227-
2IO              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
een groot man die, op het einde zijner eervolle
loopbaan gekomen, zich de krachten voelt ont-
zinken, en afgemat aan den weg des levens
nederzit, terwijl hij met voldoening zijne oogen
laat waren over de doorloopene afstanden,
en met eenen blik van verlangen de eenige schre-
den afmeet die hem nog van het hemelsch vader-
land scheiden.
Als wij de deugden van den nederigen apos-
tel der melaatschen willen ontleden, ondervinden
wij eene zekere moeilijkheid om eene volledige
beschrijving te geven. Wie kent niet die bloe-
men welke oppervlakkig beschouwd,wel is waar,
onze bewondering verdienen, maar wier fijne tin-
ten en vormen van nabij en met aandacht moeten
waargenomen worden ? Verwijdert die groene
bladeren waaronder die kleurenpracht zoo oot-
moedig wegschuilt.en dan eerst zultgij dat juweel
der natuur leeren kennen. Bij Pater Damiaan
moeten vwj ook den sluier des ootmoeds trach-
ten te verwijderen, waaronder hij zijne deugden
houdt verborgen. En dit is niet gemakkelijk!
Hij heeft zoo weinig van zich zei ven gesproken,
en zoo lange jaren alleen in het eenzame dal
van Molokai gearbeH.
Aan de vruchten kent men den boom. De
aanhoudende zelfopoffering van Pater Damiaan,
die heldhaftige liefdadigheid gedurende 15 jaar
volgehouden, veronderstelt groote inwendige
deugden, de degelijke deugden van een vol-
-ocr page 228-
DEUGDEN VAN P. DAMIAAN. ---- ZIJN DOOD 211
maakt kloosterling en van een voorbeeldig mis-
sionnaris.
Bij zijne aankomst te Molokai heeft Pater
275
Damiaan eenen twijfel die zijn inwendigen geest
van gehoorzaamheid duidelijk doet blijken.
Zoolang hij de uitdrukkelijke toelating van
-ocr page 229-
2 12               LEVEN VAN PATER DAMIAAN
zijne oversten niet heeft om in Molokai te blij-
ven, is hij niet gerust. Al heeft hij nog zoo vele
redenen om die te veronderstellen, en al ziet
eenieder dat die toelating werkelijk bestaat, ver-
langt hij dat de Overste uitdrukkelijk zijnen wil
verklare. Het is bij hem eene zucht naar onder-
werping, naar afhankelijkheid. Bij een onderne-
mend en sterk karakter als het zijne, bewijst dat
een levendig geloof. Pater Damiaan begrijpt hoe
alle gezag van God komt, hoe de mensch nooit
grooter is dan als hij om God aan zijnen even-
mensen onderworpen blijft.
Zijne zuiverheid en teerderheid van geweten
was zoo groot dat hij steeds de uiterste zedig-
heid in acht nam, en de kleinste overtredingen
als een groot kwaad wist te schuwen. Zijn ar-
moedig leven te Molokai toont genoegzaam dat
hij de armoede niet alleen prees en hoogachtte,
maar die ook met allen ijver beoefende.
De drie deugden van gehoorzaamheid, zuiver-
heid en armoede welke het wezen van het
kloosterleven uitmaken, bloeiden des te schooner,
omdat zij wortelden in den bodem van een
nederig hart.
De ootmoedigheid is de moeder van alle
deugden. Pater Damiaan had eerst God in den
graad van koorbroeder willen dienen, en ver-
loochende nimmer dien geest van nederigheid
welken hij in het noviciaat liet blijken. Hoog-
moed.eerzucht en zelfbehagen waren zijne ergste
vijanden. M. Clifford die hem van nabij leerde
-ocr page 230-
DEUGDEN VAN P. DAMIAAN. ---- ZIJN DOOD 213
kennen, getuigde dat hij maar van zich zelven
sprak als hij ondervraagd werd, en altijd de
eenvoudigheid toonde van een groot man
gehuld in het « kleed der ootmoedigheid ». En
verder:« Ik behoef niet te zeggen dat hij zich niet
aanstelde als eenen martelaar, of eenen heilige,
of eenen held — nooit zag ik een ootmoediger
man ! » Nederig waren ook de gevoelens die
hij van zich zelven koesterde. Nauwelijks is
hij te Molokai aangekomen of hij erkent zich
onmachtig om dien arbeid goed te verrichten.
Terwijl ieder zijne edelmoedigheid verheft, en
zijnen naam met eerbied en bewondering uit-
spreekt, vernedert zich de ootmoedige priester
voor God en voor zijne medebroeders : « Hier
moesten, zoo schrijft hij, eenige mannen van
mirakelen komen, en zoo niet geleerden, ten
minste heiligen, bereid om zich zonder ophou-
den voor de zaligheid der zielen op te offeren.
« Ik aanschouw mijne onbekwaamheid als de
voornaamste oorzaak van de versteendheid der
niet bekeerden. Dikwijls herdenk ik eene zeer
juiste vergelijking, welke de E. P. Euthymius
ons voorstelde gedurende de retraite die ons
vertrek voorafging. Ik begrijp inderdaad niet,
als ik 4 of 5 maal per dag gepreekt heb, hoe
eene drooge bron eene rivier kan voeden. »
Hoezeer hij verwijderd was van alle zelfbe-
hagen, en alle zucht naar eer en lofspraken,
blijkt ons uit een schrijven dat hij tot zijne
ouders richt, en waarin hij zich vrij ontevreden
-ocr page 231-
2 14 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
toont, omdat men zijne brieven heeft laten
drukken : « want, voegt hij er bij, ik zou aan de
wereld onbekend willen blijven. »
Ja, het was voor de eer van God dat hij
werkte, en niet voor zijne eigene eer. De uit-
breiding van het rijk Gods, de bekeering en de
heiligmaking der zielen, de verheerlijking der
H. Kerk, ziedaar wat hij vooroogen had in zijn
onvermoeiden arbeid, wat hem aanspoorde om
veel te ondernemen en uit te voeren tot welzijn
der melaatschen.
Tegenwoordig is het zoo wat een gebruik dat
alle slag van helden van de drukpers, van den
schouwburg en van het salon, hunne lotgevallen
of bekentenissen meenen te mogen schrijven.
Wie meer dan P. Damiaan had het recht om
van zich zelven te spreken ? Hoe gemakkelijk
kon hij, was het maar in brieven, zijne helden-
daden verhalen ! En nochtans is het niet veeleer
alsof hij juist het tegengestelde had onderno-
men, en zijn eigen persoon en daden, zooals
men zegt, wilde doodzwijgen ?
Niet minder muntte hij uit door zijne verster-
ving. Hij die op dertienjarigen ouderdom zijne
nachtrust nam op eene harde plank, toonde zich
altijd wars van alle zingenot en onvermoeid bij
den hardsten arbeid. Maar wat spreken wij van
versterving ? Is zijn verblijf te Molokai dan
niet eene aanhoudende versterving ? Wat al vrij-
willige ontberingen moest hij verduren! Wat
een gedurig lijden voor al zijne zintuigen! De
-ocr page 232-
DEUGDEN VAN P. DAMIAAN. ---- ZIJN DOOD 2 I 5
verstorven herder kon geenen dienst weigeren
aan zijne teergeliefde kudde : niets was hem te
vernederend, te afstootelijk : hij legt misschien
vijftienhonderd zijner melaatschen in de dood-
kist die hij zelf gemaakt heeft. En weinig aange-
naam zeker was het zulke lijken te behandelen !
Het gebed is het voedsel der ziel, het is onze
troost in de beproeving, onze steun in de beko-
ring. Wij weten hoe de geest des gebeds
P. Damiaan als aangeboren was, hoe gaarne hij
zijne nachtrust verkortte om zich langer met God
te onderhouden. Te Molokai hooren wij den
godvruchtigen herder bekennen dat alleen het
gebed de zondaren bekeert. De wonderen, die
hij in de leprozerij heeft gewrocht, zeggen even
welsprekend als de boven beschreven dagorde,
dat hij niet alleen een man van daden maar ook
van gebed was.
Het is vooral aan den voet des Altaars dat hij
volgaarne zijn hart uitstortte in gemeenzame
samenspraken met Jezus ; het is aan de vlam-
men van Jezus\' hart dat hij de liefde ontsteekt
welke zijn eigen hart verteert ; het is die liefde
tot Jezus die hem het bitterste lijden in hemel-
sche zoetheid herschept, volgens het woord van
den H. Augustinus : Ubi amatur, non laboratur,
atit si laboratur, labor ipse amatur;
hij die be-
mint, kent geen lijden, of indien hij lijdt, bemint
hij zijn lijden. Deze liefde is het geheim van die
geestelijke blijdschap, welke hij te Molokai te
midden der grootste ellende ondervindt.
-ocr page 233-
2l6 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
« Zonder het H. Sacrament des Altaars,
schrijft hij in 18S1, zou een leven als het mijne
niet uit te houden zijn. Maar omdat ik O. L.
Heer in mijne nabijheid heb, ben ik altijd te-
vreden, en werk ik met ijver voor het welzijn
mijner melaatschen. In eenen zijner brieven aan
den heer Chapman lezen wij het volgende:
« Zonder de aanhoudende tegenwoordigheid van
onzen goddelijken Zaligmaker in onze armoedige
kapellen, zou ik zeker niet hebben kunnen vol-
harden in mijn voornemen om het lot der me-
laatschen te deelen, voornemen waarvan de ge-
volgen, die goed te voorzien waren, zich reeds in
geheel mijn lichaam vertoonen en doen gevoelen.
Maar de H. Communie is het dagelijksch brood
van den priester.en ik gevoel mij zeer tevreden en
gelaten in dezen ietwat buitengewonen toestand,
waarin de goddelijke Voorzienigheid mij heeft
willen plaatsen. »
De liefde tot God omvat noodzakelijk ook de
liefde tot den naaste. Alle heiligen bezaten in
een hoogen graad, die ware naastenliefde, welke
in den evenmensch het beeld Gods beschouwt en
de ware bron is der christelijke zelfopoffering.
Reeds vóór zijne aankomst te Molokai, had P.
Damiaan menigvuldige blijken gegeven van
zuivere en heldhaftige naastenliefde. En wat is
zijn leven te Molokai dan eene onafgebroken
zelfverloochening, dan eene onophoudelijke oefe-
ning der heldhaftigste liefdadigheid ?
Die liefdadigheid van P. Damiaan bepaalde
-ocr page 234-
DEUGDEN VAN P. DAMIAAN. ---- ZIJN DOOD 2\\J
zich niet bij zijne katholieken. Neen, hij omsloot
in eene zelfde liefde protestanten en katholieken,
vrienden en bloedverwanten. In de protestanten
zag hij verdwaalde schapen die hij door zijne
zorgen naar den schaapstal moest terugbrengen.
De deugd van den kloosterling, van den mis-
sionnaris, die zijne familie verlaat, dooft in hem
de liefde niet uit tot zijne bloedverwanten, maar
louterten veredelt die natuurlijke genegenheid.
In 1865 schrijft P. Damiaan aan zijne ouders :
« In het midden van den grooten Oceaan, hebt
gij een kind dat u bemint, eenen priester die
dagelijks voor u bidt. » En verder : « Ik heb de
gewoonte, u dagelijks met den geest een klein
bezoek te brengen. » Hij vergeet niet tot zijne
welbeminde ouders geregeld te schrijven, en
vraagt dat zij ook dikwijls zouden schrijven.
i Het is al zoo lang dat ik geen brieven van u
ontvangen heb. Indien mijne ziekte mij belet u
als naar gewoonte te schrijven, is het voor u geen
reden om mij niet dikwijls uwe brieven te doen
geworden. »
Ontvangt hij eenen brief waar geen woord in
staat van zijnen vader, hij is ongerust : « Ik was
verwonderd alleen de hand van moeder te er-
kennen, en in dien brief geen woordje van vader
te zien. Ik stelde mij gerust, toen ik vernam dat
hij slechts aan de koorts geleden had ». In zijne
brieven toont hij vooral eene teedere liefde tot
zijne moeder ; hij is bekommerd over hare ge-
zondheid, over den ouderdom die op haar drukt:
-ocr page 235-
2l8              LEVEN VAN TATER DAMIAAN
« Arme moeder.zegt hij met kinderlijke bezorgd-
heid, hoe gaat het ? Moet gij nog geenen stok
nemen om naar de kerk te gaan ? » of hij moe-
digt haar vriendelijk aan : € Heb goeden moed,
teerbeminde moeder, in uwe oude dagen. Heb
altijd meer en meer betrouwen op God, naar-
mate gij in ouderdom vordert, en houdt altijd
uwe blikken gevestigd op de eeuwige kroon die
gij moet verdienen ».
Zijne weldoeners bekleedden eene bijzondere
plaats in zijn hart. Met liefdevolle belangstelling
vroeg hij naar hunne gezondheid. In de brieven
die hij hun schrijft, toont hij zich even dankbaar
als oplettend en teergevoelig. Ook was hij geacht
en bemind door al zijne vrienden.
De protestanten van Engeland en Amerika
droegen den heldhaftigen priester eene bijzon-
dere liefde toe, welke dikwijls tot ware geest-
drift oversloeg. Als het P. Damiaan gold, verga-
ten zij allen haat, allen partijgeest tegen Rome.
De nevel hunner eeuwenoude vooroordeelen
tegen de katholieken moest opklaren voor den
deugdenglans, welke den beminnelijken apostel
der melaatschen omstraalde.
Ondertusschen maakte de ziekte snelle vorde-
ringen op haar edel slachtoffer. P. Conrardy en
twee leekebroeders verpleegden den welbemin-
den melaatsche met alle liefde. P. Wendelin die
hem weldra moest opvolgen, stond hem getrouw
ter zijde, en heeft ons een breedvoerig verhaal
geschreven van de laatste dagen welke zijn held-
-ocr page 236-
DEUGDEN VAN P. DAMIAAN. — ZIJN DOOD 2 l Q
haftige medebroeder in dit ballingsoord heeft
doorgebracht. Wij willen dit kostbaar verhaal
niet ontkleuren door eene koude ontleding, en
zullen er eene getrouwe vertaling van geven :
« Op Zaterdag, 23 Maart, was hij nog, als
naar gewoonte, bedrijvig, en ging heen en weder.
Het was de laatste maal dat ik hem alzoo vond.
« Sedert den 2811 Maart, heeft hij zijne kamer
niet meer verlaten. Dien dag nam hij zijne
laatste beschikkingen. Toen hij alles in orde had
gebracht, zeide hij mij : «Ik ben blij, dat ik
alles aan Monseigneur gegeven heb ; nu sterfik
arm, ik heb niets meer. » — Op Donderdag, 28
Maart, begon hij bedlegerig te zijn. Op Zater-
dag, den 30", maakte hij zijne voorbereiding
tot den dood. Hij was waarlijk stichtend om te
zien ; hij zag er zoo gelukkig uit. Toen ik zijne
algemeene biecht gehoord had, deed ik hem
mijne biecht ; daarop hernieuwden wij te zamen
de geloften die ons aan de Congregatie verbin-
den, \'s Anderdaags ontving hij de H. Teerspijs.
Over dag was hij vroolijk en opgeruimd als naar
gewoonte : « Ziet eens mijne handen, zeide hij :
al mijne wonden gaan dicht, de korst wordt
zwart ; het is een voorteeken van den dood, zoo
als ge weet. Zie ook maar mijne oogen : ik heb
zoovele melaatschen helpen sterven, ik vergis
mij niet, de dood is niet ver. Ik verlangde vurig
Monseigneur nog eens te zien ; maar O. L. H.
wenscht dat ik met Hem mijne Paschen viere;
God zij geloofd ! »
-ocr page 237-
2 20 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
« Hij dacht aan niets anders meer dan aan
zijne voorbereiding tot den dood. Het leed ook
geen twijfel; de dood naderde.
« Den 2n April ontving hij het H. Oliesel uit
de handen van P. Conrardij. « Hoe goed is
O. L. H., zeide hij mij in den loop van den dag,
dat hij mij lang genoeg behouden heeft om in
mijne laatste oogenblikken twee priesters aan
mijne zijde te hebben en om te vernemen dat de
Zusters in de leprozerij zijn. Het was mijn
« Nunc dimittisl). Het werk der melaatschen is
verzekerd, ook binnenkort zal ik naar boven
vertrekken.— « Als gij daar bovenzult zijn, Pater,
zegde ik hem, zult gij uwe kinderen indachtig
zijn ? — O ja ! antwoordde hij, als ik wat ver-
mag, zal ik bidden voor al diegenen die zich in
de leprozerij bevinden. » — Ik verzocht dat hij
mij, gelijk Elias, zijnen mantel zou nalaten opdat
ik ook zijn groot hart mocht erven. — « Maar !
wat zoudt gij daar mee doen ? antwoordde hij,
hij is doordrongen van melaatschheid». — Toen
vroeg ik hem zijnen zegen. Hij gaf mij dien met
de tranen in de oogen, en zegende ook de moe-
dige dochters van den H. Franciscus voor wier
komst hij zoo dikwijls gebeden had.
« De volgende dagen was de goede Pater wat
beter. Wij hoopten zelfs dat wij hem nog eeni-
gen tijd zouden behouden. De Zusters kwamen
hem dikwijls bezoeken. Wat ik vooral in hem
bewonderd heb, is zijne engelachtige verduldig-
heid. Hij, zoo vurig, zoo driftig van natuur, lag
-ocr page 238-
DEUGDEN VAN P. DAMIAAN. ---- ZIJN DOOD 221
daar nu opzijn armoedig smartebed gekluisterd,
zonder nochtans veel te lijden.
« Hij rustte gewoonlijk gelijk de nederigste en
de armoedigste der melaatschen op een strooien
bed dat over den grond lag uitgespreid. Wij had-
den veel moeite om hem eene matras te doen
aannemen. En welk eene armoede! Hij die zoo-
veel geld voor de melaatschen had uitgegeven,
hij heeft zelfs geen lijnwaad om zich te verschoo-
nen, zelfs geen lakens om zijn bed te spreiden.
« Groot was zijne liefde voor onze Congregatie.
Hoe dikwijls heeft hij mij niet gezegd: « Pater,
gij vertegenwoordigt hier voor mij de Congre-
gatie, niet waar ? Laten wij te zamen de ge-
beden onzer Congregatie zeggen. Hoe zoet is
het te sterven als kind der HH. Harten ».
Meermalen heeft hij mij gelast aan O.Z..E. Pater
Overste te schrijven, om hem te verklaren dat
zijn grootste troost op dit oogenblik was, te
sterven als lid van de Congregatie der HH.
Harten.
« Zaterdag, 13 April, was hij slechter en wij
verloren alle hoop. Een weinig vóór middernacht
ontving hij voor de laatste maal O. L. Heer.
Weldra zou hij Hem van aanschijn tot aanschijn
aanschouwen. Somwijlen was hij buiten ken-
nis. Toen ik hem kwam bezoeken, erkende
hij mij, antwoordde op mijne vragen, en wij
zeiden elkander vaarwel ; want ik moest naar
Kalaupapa vertrekken voor de diensten van den
Zondag, \'s Anderdaags, zoodra ik vrij was, kwam
-ocr page 239-
2 22 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
ik terug ; hij zag er nog al goed uit, maar zijne
gedachten waren verward. In zijne oogen las
men de onderwerping en de vreugde. Zijne
lippen konden de gevoelens van zijn hart niet
meer uitstamelen: bijwijlen, drukte hij mij met
teederheid de hand.
«Op Maandag, 15 April, ontving ik van P. Con-
rardy een briefje waarin ik las dat de Pater op
sterven lag. Ik snelde aanstonds naar hem toe ;
onderweg kwam een tweede bode mij zijnen
dood berichten. Hij is zachtjes en zonder lijden
ingeslapen (15 April 1889); hij had bijna 16 jaar
te midden der afgrijselijkheden van de leprozerij
doorgebracht. De goede herder heeft zijne ziel
gegeven voor zijne kudde.
« Toen ik aankwam was hij reeds ten toon
gesteld. Alle sporen van melaatschheid waren
van zijn aangezicht verdwenen; de wonden
zijner handen waren verdroogd. Hij bleef nog tot
\'s anderdaags in de kerk, omringd van zijne
melaatschen die kwamen bidden voor hun
eerbiedwaardigen vader.
« Den volgenden dag.droeg ik het H.Misoffer
op voor de ziel van mijnen beminden mede-
broeder. Na de Mis, zette de lijkstoet zich in
beweging; men begaf zich langs de nieuwe
kerk naar de laatste rustplaats. Het kruis ging
voorop ; dan volgden de muzikanten met een ge-
nootschap, verder de zusters met de vrouwen en
de meisjes; eindelijk kwam het lijk, gedragen
door acht blanke melaatschen; daarachter stapte
-ocr page 240-
DEUGDEN VAN P. DAMIAAN. ---- ZIJN DOOD 223
de priester met de koorknapen; de broeders met
de weezen en de mannen sloten den lijkstoet.
«P.Damiaan had bij zijne aankomst te Molokai
de grootste ontbering geleden. Hij bracht zijne
eerste nachten onder een grooten boom door.
Wijl hij onder dien boom verlangde begraven
te worden, had ik gedurende zijne ziekte eenen
-ocr page 241-
224 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
grafkelder op die plaats doen gereedmaken. Daar
rust nu zijn lichaam, in afwachting dat het een-
maal met glorie verrijze. Het aangezicht is naar
het altaar gekeerd. De grafkelder is met eene
sterke laag ciment gesloten. Zoo worden de
kostbare overblijfselen bewaard van den goeden
Pater Damiaan, dien de wereld met recht den
held der liefdadigheid noemt.
Molokai, 17 April 1889.
Pater Wendelin, SS. CC.
«P.S. Eenige dagen later werd in de kathe-
draal van Honolulu een plechtige lijkdicnst
gevierd voor den welbeminden overledene. Al
de voornaamste personen van de stad waren er
tegenwoordig. Mgr Hermann zong eene pon-
tificale Mis. Vóór het Evangelie hield hij in
het Engelsch en in het Kanaksch eene korte
lijkrede, waarin hij de heldhaftige zelfopoffering
deed uitkomen van den eerbied waard igen over-
ledene. »
Dit eenvoudig verhaal zegt ons meer dan de
uitbundigste lofspraken. De dood van P. Damiaan
is die van een nederigen en heiligen kloosterling,
zijne lijkplechtigheid, die van een geachten en
beminden herder, van eenen weldoener des va-
derlands. Nog geen eervol grafschrift spreekt
zijnen lof. Hij, die Molokai bezoekt, en bij de
kerk den eenzamen Pandanus ontwaart, hij
vrage slechts wat de leprozerij was bij de aan-
komst van Pater Damiaan, wat zij geworden
-ocr page 242-
DEUGDEN VAN P. DAMIAAN. ---- ZIJN DOOD 225
is gedurende zijn zestienjarig verblijf, en hij zal
weten met wat eerbied hij moet nederknielen
bij de stoffelijke overblijfselen van den apostel
der melaatschen.
Leven vr.:i P .:cr Damiar.n.
-ocr page 243-
fATER Damiaan is dus niet alleen de
held maar ook het slachtoffer der wel-
dadigheid. Reeds hadden zijne opof-
fering en toewijding in Molokai alle
oogen op hem gevestigd,en hem onverwelkelijke
lauweren om de slapen gevlochten. Zijn dood
kwam zijnen naam met nieuwen luister om-
kransen, en vriend en vijand in eene zelfde
geestdriftige bewondering vereenigen. De ne-
derige kloosterling was in het eereveld der
katholieke liefdadigheid op den eerepost ge-
sneuveld : God zou dien martelaar der liefda-
digheid, en in hem de katholieke liefdadigheid
zelve verheerlijken.
Niet zoodra was de droevige mare van zijn
afsterven verspreid,of eenkreet van bewondering
ontsnapte aan alle borsten. Katholieken en
protestanten, geloovigen en ongeloovigen ver-
kondigden eenparig den lof van den edelmoe-
digen priester. Men zag, niet zonder verbazing,
de vertegenwoordigers van alle volken en
van alle geloofsgezindheden, te gelijk optreden
om, als het ware, zijnen lijkstoet te vormen en
hunne kronen eerbiedig neder te leggen op
het graf van den heldhaftigen apostel der me-
laatschen.
Engeland en Amerika traden voorop in dien
-ocr page 244-
LEVEN VAN PATER DAMIAAN 227
eerestoet. Geen volk zeker telde zoo talrijke be-
wonderaars van P. Damiaan; nergens hoorde
men bij zijnen dood een zoo eenstemmig en zoo
algemeen loflied opstijgen. IJverend spraken
alle dagbladen zijnen lof.
Een zeer verspreid blad, de Daily Telegraph
schreef het volgende:
« Bovenmenschelijk in zijnen moed, in zijne
toewijding, en zelfs in zijne gemoedskalmte te
midden van naamlooze afgrijselijkheden, ver-
schijnt ons P. Damiaan als de grootste verove-
raar onzer eeuw ; hij heeft den dood overwon-
nen ».
« Te kostbaar is het leven van P. Damiaan,
zegt de Methodist Recorder, dan dat het geheu-
gen er van verloren moge gaan. Onze eeuw telt
maar drie dergelijke voorbeelden: Generaal Gor-
don, alleen te midden der woeste horden van
Kartoum ; Livingstone, alleen in het hart van
Afrika, en P. Damiaan, grooter nog dan de twee
andere, alleen te midden der melaatschen van
Molokai. »
Anderen gaan nog verder ; zij zien den apostel
der melaatschen reeds met den lichtkrans der
heiligen omstraald, zij willen dat men niet alleen
zijnen lof verkondige, maar de knie buige en
een gebed murmele om zijnen geest te vragen.
Voorbarig zeker en onvoorzichtig zijn dergelijke
oordeelvellingen; alleen de Kerk heeft het recht
om over de heldhaftigheid van alle deugden
uitspraak te doen. Maar, toont ons die geest-
-ocr page 245-
■■
228              LEVEN VAN PATER DAM[AAN
driftige overdrijving niet, hoezeer P. Damiaan
het voorrecht genoot van overal talrijke en on-
partijdige bewonderaars te ontmoeten ?
Frankrijk ook, te midden van onophoudelijke
woelingen en bekommeringen, had eenen blik
van bewondering en liefde voor den held van
Molokai. De Univers was zeker welkom bij alle
katholieken en bij vele afgedwaalden, toen hij
deze eervolle regelen te lezen gaf: « Bij het graf
van P. Damiaan, stroomt het hart over van ,
liefde en eerbied. Van reiziger zal men pelgrim
worden en onwillekeurig de knie buigen om een
gebed te prevelen. »
België\' bleef niet ten achteren. De lezer zal
zich herinneren hoe de verheerlijking der zelf-
opoffering van den herder van Molokai eene
eervolle plaats in alle dagbladen bekleedde, hoe
eenparig alle katholieke en zelfs liberale Belgen
den heldenmoed toejuichten van hunnen stamge-
noot, zonder dat eenige wanklank van tegen-
strevende stemmen deze maal hun loflied kwam
storen.
België was nog meer verschuldigd aan de na-
gedachtenis vaneenen zijner roemrijkste zonen.
Eerst werd te Tremeloo, de geboorteplaats
van P. Damiaan een luisterrijke dienst gevierd.
De groote lijkplechtigheid nochtans werd gehou-
den den nn Juli 1889, te Leuven, in de kloos-
terkerk der Eerw. Paters van de HH. Harten.
Eene uitgelezene schare stond in het kleine
heiligdom vergaderd. Men zag er hooggeplaat-
-ocr page 246-
HET GEDENKSTUK
2^9
ste geestelijken : Mgr Abbeloos, apostolisch
protonotaris en rector van de Universiteit, Mgr
Lamy, Mgr Jacobs, Mgr Wynants, met talrijke
andere priesters. De Eerw. P. Provinciaal der
Predikheeren, de Eerw. P. Leclerc, rector van
het studiehuis der Paters Jezuieten, waren met
talrijke kloosterlingen van verschillende Orden
en Congregatiën hunne deelneming komen too-
nen. Onder de bloedverwanten van den dierbaren
overledene bemerkte men vooral zijn achtbaren
broeder den E. P. Pamphilus. De Heer Thonis-
sen, minister van Staat, Graaf van Limburg-
Stirum, de heeren Capelle, Van Beneden en
Bols, allen leden van het Comiteit voor de
oprichting van een gedenkstuk ter eere van
P. Damiaan, waren ook den plechtigen lijkdienst
met hunne tegenwoordigheid komen opluisteren.
Ja, het graf van den ootmoedigen herder van
Molokai was reeds verheerlijkt! Maar nog
meer bleek dit, toen de E. P. De Vos, S. J. het
preekgestoelte optrad, om het liefelijk beeld van
den held en het slachtoffer der liefdadigheid
opnieuw voor de oogen van alle begeesterde toe-
hoorders te doen verrijzen. De redenaar voelde
het: in deze plechtigheid mochten geen andere
tranen vloeien dan tranen van dankzegging.
« Onze smart, zoo luidde zijne inleiding, is
gemengd met een gevoel van bewondering en
fierheid. Wij betreuren den held zooals men
eenen wapenbroeder betreurt, die onvoorziens
op het eereveld is gesneuveld. Wij beweenen
-ocr page 247-
23O              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
hem gelijk Israël zijne helden en zijne priesters
beweende, gelijk de eerste christenen hunne
martelaren beweenden. Maar over onze rouw
schijnt een gloriestraal, en deze lijkplechtighe-
den nemen het aanzien van eenen triomf.
« De liefdadigheid heeft dit voorrecht dat zij
met eenen onweerstaanbaren luister straalt, dat
zij in de onverschillige harten het ingeslapen
geloof wakker schudt, dat zij eene eeuw, in zin-
genot en winstbejag verdiept, tot nadenken
brengt. Geheel Europa antwoordde met eenen
kreet van bewondering aan de jubeltonen die
haar uit de afgelegene eilanden van den Stillen
Oceaan toeklonken. Het protestantsche Enge-
land ontvlamde in rechtmatigen geestdrift voor
dien katholieken priester, die eenen langzamen,
afgrijselij ken en onvermijdbaren dood durfde
trotseeren, om ongelukkige broeders te hulp te
snellen. De vorsten van koninklijken bloede,
de ministers van de Koningin, de anglicaansche
herders zijn de eersten om hem eene plechtige
hulde te brengen; zij hebben het besluit geno-
men- de gedachtenis van dien held te vereeuwi-
gen door een gedenkteeken, dat hem, dat zijnen
godsdienst zal waardig wezen; zij willen het
werk voortzetten, hetwelk hij begonnen heeft,
en doen eenen oproep aan de beroemdste ge-
leerden om de verwoestingen te stuiten van den
geesel die in de verwijderde eilanden van
Oceanië zoovele menschen wegmaait.
« Christenen, mogen wij niet met alle recht
-ocr page 248-
HET GEDENKSTUK                          23I
fier zijn ? Fier op den God, dien wij dienen
en wiens heiligheid wij in den held van Molokai
zien doorstralen ; fier op ons Evangelie wiens
strenge lessen aan uitverkorene zielen nog tot
richtsnoer strekken, fier op de katholieke Kerk?
Welk eene zegevierende lofspraak! Ja, hij is god-
delijk, de godsdienst welke deze bovenmensche-
lijke toewijding ingeeft. Waar is de echte liefde ?
Waar ontmoet men, niet den winstbejager,
maar den herder, die zijn leven veil heeft voor
zijne kudde ? Laat de natuurlijke liefdadigheid,
laat de menschlievendheid optreden om hare
krachten te beproeven in dit strijdperk van
vernedering en van smarten. Maar neen ! een
protestantsch reiziger schreef het reeds in 1883:
« alleen de katholieke priester is doorgedrongen
tot in deze hel der melaatschen. Hij is te mid-
den dier stervenden gaan wonen, te midden dier
wanhopigen om hun den troost van het eeuwige
leven te brengen. Reizigers van alle volken, die
voorbijtrekt vóór de rots van Molokai, groet
dien held ! »
« Wij zijn eindelijk fier op ons België\', dat op
het eercveld der liefdadigheid altijd in de eerste
gelederen strijdt en alzoo het lofwoord bewaar-
heidt van den H. Franciscus-Xaverius die tot
Ignatius van Loyola schreef: Da mihi Belgas.
Zend mij Belgen om in mijne missie te arbei-
den.........»
De toestand was met ware en treffende
kleuren afgeschilderd. Het was eenieder een
-ocr page 249-
232              LEVEN VAN PATER DAMIAAN
genoegen dit tafereel te aanschouwen. Daarop
volgde het verhaal van P. Damiaans leven en
werken. De edele toehoorders luisterden met
zichtbare aandoening. Zij meenden eenen stond
in Molokai verplaatst te zijn en met eigen
oogen den held te aanschouwen, dien zij met
inwendig genoegen betreurden en bewonderden.
De ontroering steeg ten top, toen de E. P.
De Vos zijne lofrede sloot met deze schoone
ontboezeming:
« Mijne broeders, de zangen zullen eene
laatste maal naar het gewelf van het heiligdom
stijgen ; de wierookwolken zullen eene laatste
maal rondom dit praalgraf rijzen.
« Het is ons niet toegelaten de oordeelen
Gods vooruit te loopen. Maar het bloed van
het goddelijk Lam heeft den gewijden steen
van dit altaar besproeid. O Jezus, wij gelooven
in uwe beloften. Gij hebt gezegd dat een glas
water in uwen naam aan de armen gegeven niet
onbeloond zal blijven. Welke kronen hebt gij
dan niet weggelegd voor hem die u zoo lang, in
den persoon uwer broeders, heeft gediend, voor
hem die zooveel verlaten heeft om aan uwe uit-
noodiging gehoor te geven, die zijn leven heeft
veil gehad voor de zaligheid der zielen ?
« Ja, dit is onze hoop. Zooals de engelen eer-
tijds den melaatschen Lazarus in den scho<ot
van Abraham hebben gedragen, zoo ook zullen
de gelukzalige geesten den vrijwilligen melaat-
sche van Molokai in het heiligdom des Heeren
-ocr page 250-
HET GEDENKSTUK                          233
gebracht hebben. De apostelen hebben in hem
den waardigen navolger van hunnen ijver er-
kend. De martelaren zien in zijn leven het beeld
van hunne langdurige folteringen. Vicentius a
Paulo, Xaverius, Claver hebben hem toegejuicht
omdat hij van hun geslacht was. De eerbewij-
zingen. welke de volkeren der wereld hem voor-
bereiden, zullen maar een zwak afbeeldsel zijn
van de zegepraal die hem hierboven wacht.
« O God ! aan u alleen komt hier alle eer
toe, gij alleen hebt in deze ontzenuwde eeuw
dezen heldenmoed verwekt. Gij hebt uwen
heldhaftigen apostel gezonden om de ongeluk-
kigen, in de duisternissen en de schaduwe des
doods neergezeten, te verlichten, hunne ver-
scheurde harten te genezen, de ketenen der
gevangenen te breken, het Evangelie aan de
armen te prediken.
« O ! wij smeeken u, geef hem de eeuwige
rust, maar strek ook uwen rechterarm uit over
deze dapperen die ginder, in dat verre oord, zijn
werk voortzetten. Bewaar hun nog lang de
krachten, de gezondheid, het leven, en moeten
zij dan op hunne beurt vallen, ondersteun ze tot
in de armen des doods, zooals gij uwen dienaar
Damiaan ondersteund hebt.
« Gewaardig u eindelijk, o mijn God, aan ons,
uwe priesters, uwe geloovigen, ook iets te geven
van deze zielskracht, van dezen mannenmoed,
van deze blijde offervaardigheid die van ons,
zooals van den Eerw. Pater Damiaan, de helden
-ocr page 251-
V
234 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
zal maken en, zoo noodig, de martelaren der
katholieke liefdadigheid. Amen. »
Deze treffende plechtigheid had eenen diepen
indruk gemaakt.
Men wenschte die warme gevoelens van be-
wondering en eerbied voor den Apostel der
melaatschen in het duurzame marmer van een
heerlijk gedenkteeken te bewaren of liever te
vereeuwigen. Het reeds bovengenoemd Comi-
teit beraamde aanstonds middelen om het alge-
meen verlangen te bevredigen; Zijne Doorluch-
tige Hoogwaardigheid, Kardinaal Goossens,
aartsbisschop van Mechelen, liet zich goedwillig
het Voorzitterschap opdragen, en talrijke leden
kwamen uit alle provinciën van België het
ijverig Comiteit met hunne welwillende toetre-
ding aanmoedigen. Zeker zal dit gedenkstuk eene
eervolle uitzondering maken op talrijke andere,
wier reden van bestaan wel in het marmer
maar niet in de harten staat gedrukt, en welke
de reiziger onverschillig voorbijgaat of alleen
met eenen blik van nieuwsgierigheid vereert:
het zal de verheerlijking wezen van waren hel-
denmoed, een praalwerk dat met eerbied zal
gegroet worden, een blijde troost voor de tijd-
genooten en eene welsprekende les voor de
nakomelingschap.
Engeland weet gewoonlijk de echte deugd
met kalme onpartijdigheid te waardeeren; zonder
zich door eenige vooroordeelen of tegenkan-
tingen te laten afschrikken gaan de gelijkmoe-
-ocr page 252-
235
HET GEDENKSTUK
dige zonen van Albion ongestoord hunnen weg.
Zij bewonderden P. Damiaan meer dan alle an-
dere hedendaagsche katholieke helden : welnu
zij zullen hem ook naar verdienste verheerlijken.
De Prins van Wallis zelve.de machtige kroon-
prins van Engeland, stelt zich aan het hoofd der
beweging. Hij neemt het voorzitterschap aan
van een Comiteit, wiens leden mannen zijn van
alle staatkundige en godsdienstige gezindheden,
en tot doel hebben « de verheerlijking van het
leven en de werken van den melaatschen held,
Pater Damiaan. »
Men wil den held van Molokai, op het eere-
veld waar hij gesneuveld is, een standbeeld op-
richten van 12,500 frank (500 pond sterling).
Een nieuw liefdadigheidswerk, het werk der
leprozerijen zal aanstonds worden ingericht. De
Prins van Wallis zelf gewaardigde zich het
inschrijvingsbanket met zijne tegenwoordigheid
op te luisteren. Zeker mocht het eene adellijke
vergadering heeten : men zag er eenen aarts-
bisschop, verschillende bisschoppen, hertogen,
prinsen en graven, benevens vele volksverte-
genwoordigers en andere hooggeplaatste en in-
vloedrijke mannen. Bij die uitgelezene schare,
machtig door haar gezag en door hare schatten,
verdrongen zich nog de vermaardste genees-
heeren van het land om hunne wetenschap ten
dienste van de liefdadigheid te stellen. Twee
uitgenoodigden M. Chapman, de warme vriend
van den apostel der melaatschen, en de Eerw.
-ocr page 253-
236 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
P. Pamphilus, zijn achtbare broeder, schenen
P. Damiaan zelven te vertegenwoordigen, en
werden dan ook levendig toegejuicht. Allen had-
den maar één doel, eene wel verdiende hulde
te brengen aan den held van Molokai, en zijn
werk op grooten voet uit te breiden door het
oprichten van leprozerijen voor de melaatschen
van West-Indië. De Prins van Wallis stelde
onder het banket eenen heildronk in, waardoor
hij dit doel der vergadering blootlegt en hulde
brengt aan de nagedachtenis van den katholie-
ken herder van Kalawao__ « Er zijn misschien
250,000 melaatschen in West-Indië; in 1887
leefden er maar 2000 afgezonderd; de overige
dwalen vrij rond, deelen hunne ziekte aan ande-
ren mede;... zij worden door iedereen verstoo-
ten, en sterven eindelijk ellendig langs den
weg of zoeken een einde aan hun lijden in den
zelfmoord.
« Mij dunkt dat het onze dringende plicht is
die ongelukkigen te hulp te komen, niet alleen
uit medelijden voor die ellendigen, maar ook uit
voorzichtigheid : want het schijnt dat de kwaal
zich dagelijks meer en meer uitbreidt...
« De aanzienlijke vermindering van het aantal
melaatschen in Noorwegen, sedert de inrichting
der leprozerijen in 1856, bewijst klaarblijkelijk
dat de afzondering der ziekte het beste middel
is om de uitbreiding van de kwaal te bestrijden.
Vóór het jaar 1856 waren er in dat land 2,900
melaatschen, en de ziekte won gedurig veld.
-ocr page 254-
HET GEDENKSTUK
237
Tegenwoordig zijner er maar 1000 meer, en de
ziekte neemt aanhoudend af. En nochtans waren
er in die leprozerijen nooit meer dan 800 zieken.
De overige moesten zich in hunne eigene wo-
ningen afzonderen.
« Ook in de Sandwich-eilanden maakt de me-
laatschheid sedert 1884 minder slachtoffers, dank
aan de leprozerij van Molokai...»
De inschrijving werd, zooals te voorzien was,
met den schoonsten uitslag bekroond.
Dien zelfden avond steeg de som der inschrij-
vingen tot een bedrag van 62,500 fr. (2,500
pond sterling), en reeds was men in bezitting
van de ronde som van 175,000 fr.; daarenboven
hoopte men binnenkort nog 125,000 fr. te kun-
nen inzamelen.
Het werk der leprozerijen van West-Indië
was verzekerd.
In België regent het zoo maar geen geld,
zooals in het rijke Britannië. Maar, waar het
goudontbreekt.kunnen de Belgen hunnen moed,
hun leven ten offer brengen. Reeds is een zoo-
genoemd « Damiaans Gesticht » opgericht, waar
jongelieden zich zullen voorbereiden om de
voetstappen te drukken van den apostel der
melaatschen, en het Evangelie in de Sandwich-
eilanden te verkondigen. Waar ijverige mission-
narissen het woord Gods prediken, zal men altijd
talrijke helden vinden om de liefdadigheid onder
de melaatschen uit te oefenen.
Iets nochtans heeft aan den held van Molokai
-ocr page 255-
238 LEVEN VAN PATER DAMIAAN
lang ontbroken ! De vervolging, de verguizing!
Naar wij vernemen, zijn nu alle schichten der
goddeloozen tegen hem gericht; het minzaam
slachtoffer der melaatschheid, vroeger door
iedereen bewonderd, wordt nu door de vijanden
der Kerk belasterd. De zuiverheid zijner be-
doelingen, de eerlijkheid zijner edelste hande-
lingen, wordt schandig in twijfel getrokken.Maar
wat zullen die lasteraars bewijzen, tenzij dat ook
P. Damian van het zuivere geslacht is der mar-
telaren, die tot in het graf toe werden vervolgd ?
Laten wij nu de boozen hunne woede bot-
vieren tegen het liefelijk beeld van den katho-
lieken priester : het is te laat. De wereld heeft
gesproken, zijn naam is voortaan onsterfelijk,
zijn roem is gevestigd, zijne werken botten uit
en bloeien op zijn verheerlijkte graf. Dit is
ongetwijfeld een gedenkteeken, even onvergan-
kelijk als het marmeren standbeeld hetwelk
tegenwoordig in naam van het dankbare mensch-
dom door het protestantsche Engeland wordt
gebeiteld, ter eeuwige gedachtenis van den edel-
moedigen en nog alom beminden held van
Molokai.
____.1.____
•!•
Terwijl dit laatste blad ter perse is, vernemen
wij dat P. Damiaan eindelijk over zijne laste-
raars zegeviert : bij de onthulling van zijn stand-
beeld zal dus geen enkel wolkje meer den
gezichteinder verduisteren.
-ocr page 256-
HET GEDENKSTUK                         239
Een protestantsch minister van Honolulu,
Dr Hyde, had den apostel der melaatschen
schandelijk belasterd, en nochtans kende hij noch
P. Damiaan, noch de leprozerij van Molokai.
Een ander protestantsch minister van dezelfde
secte der Congregationalisten, heeft den lasteraar
zegevierend wederlegd. De Heer Stevenson kent
de leprozerij van Molokai : hij heeft ze zelf
bezocht; hij kent P. Damiaan : hij heeft zijne
vrienden en vijanden gehoord, hij heeft gespro-
ken met de melaatschen zelven, hij heeft personen
ondervraagd die den herder van Kalawao lang
en innig gekend hebben : iedereen toonde zich
verontwaardigd over de beschuldigingen welke
men P. Damiaan ten laste legde en sprak met
lof en eerbied van den heldhaftigen missionnaris.
« Die onverwachte en onvoorbereide mede-
deelingen hebben hem den held van Molokai in
zijne ware trekken geschetst» en hem een diepen
eerbied voor den edelmoedigen apostel der
melaatschen ingeboezemd. De Heer Stevenson
verklaart « dat er in het Bisschopshuis van de
leprozerij geen zuivere schotel, geen schoone
handdoek is, die niet door P. Damiaan zelven
gewasschen werd... »
Verder toont de onpartijdige schrijver hoe geen
enkel hospitaal van de wereld kan vergeleken
worden bij de leprozerij van Molokai met hare
vreeselijke vereeniging van smarten en ellenden :
nooit heeft iemand zich in een zoo gruwzaam
<loodendal alleen opgesloten of liever begraven.
-ocr page 257-
24O LEVEN VAN PATER DAMIAAN
— Eindelijk schrijft hij dezen regel, waarin hij
de medewerking der Regeering schijnt over het
hoofd te zien, maar inderdaad eene welverdiende
hulde brengt aan den katholieken herder met
uitsluiting van andere:« Al die hervormingenen
verbeteringen, welke het aanzien der leprozerij
hebben veranderd, zijn uitsluitend het werk van
P. Damiaan.»
-ocr page 258-
ACHTTIENDE HOOFDSTUK
Het Damiaans Gesticht
NDER dien naam hebben de Paters
van de HH. Harten eene school
geopend, waarin de jongelingen die
wenschen aan de bekeering der zielen
te werken, zich kunnen voorbereiden om als
missfonnaris te gaan arbeiden in de Sandwich-
eilanden.
Het is altijd de vurige wensch geweest van
P. Damiaan, dat nieuwe apostelen mochten
gevormd worden, dat talrijke jongelingen zich
onder het vaandel van de HH. Harten zouden
scharen, om zielen te veroveren en het rijk van
Satan te vernielen. « Spoor ook anderen aan,
zoo schrijft hij aan zijnen broeder, om zich bij
ons te komen aansluiten, en leid ze op tot het
missionnarisleven. »
DOEL VAN HET DAMIAANS GESTICHT
HET doel van het Damiaans Gesticht is het
opleiden van kinderen bij wie men eene
ontkiemende roeping waarneemt tot den kloo-
sterlijken staat en tot het apostolisch leven : de
Congregatie van de HH. Harten van Jezus
en Maria hoopt zich aldus ijverige mede-
arbeiders aan te werven, bijzonder voor hare
missièn van de Sandwich-eilanden.
Leven van Pater Damiaan                                                                          16
-ocr page 259-
242                    DAMIAANS GESTICHT
Al vroeg weerklinkt dikwijls de roepende
stem des Heeren in het hart der kinderen, maar
menigmaal ook blijven zij doof aan die liefderijke
uitnoodiging ; de middelen ontbreken hun om
zich tot den priesterlijken staat voor te bereiden,
of zij bezwijken in de talrijke gevaren die de
jeugd omringen.
Daarom ontvangt men in het Damiaans Ge-
sticht de kinderen die door God tot het kloo-
sterleven of tot het apostolaat worden geroepen
en de daartoe vereischte hoedanigheden bezitten.
Het onderwijs en de opleiding welke zij in die
school genieten zijn uiterst geschikt, om die roe-
ping te bewaren en te ontwikkelen, en om be-
kwame priesters en apostelen voor het klooster
en voor de missiën te vormen.
Om dat doel te bereiken, hebben wij de me-
dewerking van godvruchtige weldoeners noodig.
De jaarlijksche kosten voor ieder kind bedragen
ongeveer 500 fr., en de studiën moeten ten
minste zes jaar duren.
HOE MEN HET DAMIAANS GESTICHT KAN
ONDERSTEUNEN
OM aan het Damiaans Gesticht de noodige
geldmiddelen te verzekeren, vragen de
Paters der HH. Harten de welwillende mede-
werking der talrijke en oprechte bewonderaars
van P. Damiaan en bevelen zich aan hunne
-ocr page 260-
DAMIAANS GESTICHT                       243
liefdadigheid. Zij hebben het vaste vertrouwen
dat de talrijke personen die den heldhaftigen
apostel van Molokai in zijne opoffering hebben
toegejuicht, gaarne hunne goedgunstige mede-
werking zullen verleenen aan eene inrichting,
welke het werk van den eersten herder der me-
laatschen zal helpen voortzetten en uitbreiden.
Men kan op drie verschillende manieren eene
zoo schoone en zoo edele onderneming bevorde-
ren : als stichter, als beschermer en als deel-
nemer.
Zijn stichters diegenen die eene beurs of eene
halve beurs stichten met een kapitaal van tien
duizend of vijf duizend frank. Schoon voorrecht,
op eene duurzame wijze te mogen medewerken
om priesters, kloosterlingen en apostelen op te
leiden, en alzoo in de dringende behoeften der
zielen en der H. Kerk te voorzien.
Is beschermer alwie jaarlijks eene aalmoes van
vijfhonderd frank schenkt, of in eens de som
van twee duizend vijfhonderd frank betaalt, voor
het onderhoud van eenen leerling in den loop
zijner studiën.
Zijn deelnemers diegenen die jaarlijks eene
aalmoes geven, hoe gering zij ook wezen moge.
De deelnemers worden in verschillende klassen
gerangschikt, naarmate zij tien, vijf of drie frank,
of zelfs slechts een halven frank als jaarlijksche
aalmoes aanbrengen
De leden van eene familie of een gesticht of
genootschap mogen hunne bijdragen vereenigen
-ocr page 261-
244                    DAMIAANS GESTICHT
en alzoo den titel van beschermer of stichter ver-
werven. Hetzelfde geldt voor de ijveraars en
ijver aarsters, die bij anderen de noodige som
vereenigen tot het stichten eener beurs of eener
halve beurs en tot het onderhoud van eenen leer-
ling gedurende zijne studiën.
De ijveraars en ijveraarsters trachten door
eigen vlijt en door de middelen welke men hun
aan de hand geeft, het Gesticht te ondersteunen
en aan liefdadige personen aan te bevelen. Zij
zamelen giften en aalmoezen in, vereenigen de
bijdragen der medewerkers, en onderhouden
eene geregelde briefwisseling met de leden
van het hoofdbestuur. Reeds hebben verschil-
lende personen zich daartoe aangeboden. In
eene zoo heilige en nuttige onderneming mocht
men overigens op de welwillende toetreding
rekenen van talrijke weldoeners, die met be-
scheiden ijver en levendig geloof aan de be-
keering der zielen en de verheerlijking der
H. Kerk begeeren te arbeiden.
VOORDEELEN VAN DIE MEDEWERKING
ALWIE tot ondersteuning en ontwikke-
ling van het Damiaans Gesticht mede-
werkt, zal de volgende overvloedige vruchten
mogen inoogsten :
i° Het zoet genot van ijverige navolgers van
den apostel der melaatschen op te wekken.
s
-ocr page 262-
DAMIAANS GESTICHT                       245
2° De verdiensten van een uitstekend liefda-
digheidswerk. Wie geeft inderdaad eene schoo-
nere aalmoes, wie verblijdt meer het H. Hart
van Jezus,dan hij die Hem eenen priester,eenen
apostel schenkt ?
30 De geestelijke hulp der Missen die jaar-
lijks worden opgedragen voor de nog levende
en reeds overledene weldoeners van de Congre-
gatie der HH. Harten.
40 De dankbaarheid der jeugdige leerlingen
en toekomstige missionnarissen, op wier gebeden
de weldoeners mogen rekenen. Op alle feest-
dagen der patronen van het Gesticht, dragen
de leerlingen de H. Communie op voor hunne
weldoeners ; dagelijks sturen zij voor hen bij-
zondere gebeden ten hemel; en als zij priester
zijn, moeten zij aan het altaar diegenen indach-
tig zijn, aan wie zij zooveel te danken hebben.
Op vastgestelde tijden wordt een lijkdienst
gevierd en worden Missen gelezen voor de ziele-
rust van iederen stichter en beschermer, terwijl
men nog tot dezelfde intentie bepaalde gebeden
zegt.
Hun naam staat op een bijzonder register
ingeschreven.
Wie kan zonder aandoening het treffend ver-
haal lezen van den H. Lucas in de Handelingen
der Apostelen ? Tabitha was door hare weldaden
de voorzienigheid van talrijke weduwen en
werd eindelijk door den dood aan hunne liefde
ontrukt. Aanstonds snelden de dankbare wedu-
-ocr page 263-
246                      DAMIAANS GESTICHT
wen naar den H. Petrus toe, die daar het
woord Gods kwam verkondigen ; zij toonen
hem de kleederen welke die milddadige vrouw
voor hen vervaardigde; zij verhalen hem hoe
zij als eene teedere moeder over hen waakte, en
allen met hare giften en hare troostende woor-
den wist te helpen. Door medelijden bewogen,
verhoorde de Apostel hunne gebeden, en herriep
de weldadige vrouw tot het leven.
De medewerkers van het Damiaans Gesticht
zijn ook de voorzienigheid van talrijke priesters:
die apostelen vragen ook dagelijks voor hunne
weldoeners het loon van het tijdelijk en bijzon-
der van het eeuwig leven, en terwijl zij het
H. Misoffer opdragen, stijgt uit hun hart deze
bede : O Heer, gij die een glas water in uwen
naam gegeven niet onbeloond zult laten, zend
uwe mildste zegeningen over onze weldoeners :
wij hebben het aan hen te danken dat wij pries-
ter zijn,dat wij zielen redden.dat wij de apostelen
zijn der melaatschen!
-ocr page 264-
-
i ■ -
INHOUD
Bladz.
I
12
22
36
49
63
70
9i
106
119
137
Hoofdstuk.
Een edelmoedige knaap
Een ernstig jongeling.
Ware kloosterdeugd...
I.
II.
III.
rv.
v
VI.
VII.
VIII.
IX.
x.
XI.
XII.
XIII.
XIV.
XV.
XVI.
XVII.
XVIII
V,ia* de missie.........
De Sandvvich-eilanden
De missionnaris........
Molokai!............
P. Damiaan te Molokai ...
Hoe Molokai verandert ...
De melaatschheid ......
Lijden en troost........
Plechtigheden van den godsdienst onder
de melaatschen ...............148
Werken van P. Damiaan............158
Medewerking ..................174
P. Damiaan melaatsch. Een hezoek. ... 189
Laatste dagen van P. Damiaan. Zijne
deugden.....................208
Het gedenkteeken ...............226
Het Damiaans Gesticht............241
-ocr page 265-
■ - -
ERRATA.
Bladz. 2, regel 23, staat: hen — lees : hem.
» 168, regel 13, staat: bloeiden — lees : groeiden.
» 107, regel 21, staat: begint de — lees: begint
[met de.
Drukkerij Sint-Augustinus, Brugge.