-ocr page 1-
^^Ki^h
O
-&LzJL&*£
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000030575801B
3057 580 1
-ocr page 2-
-ocr page 3-
204 ;;-■-: -. ■■ ■ r .-------
^lODS^KKER^Ê^
Óe i>ltè$fc/es •/fes."in^mefSe.jeuvtuss*-^
dlor j^A.de ftj|y jfcrt/nan.
f
FLAKKEESCHE BOEKDRUKKERIJ te MIDDELHARNIS.
Vak 92
-ocr page 4-
\'*
-ocr page 5-
<tf                         VAK/^ No.^ *
GODS MEDEARBEIDERS.
(s -------------------------:--------\'--------------^è)
GODS AKKERÏÏERK.
©n------------------------------------------v®
DE KERK BES 1IEEREN IN DE DERDE EEUW.
ORIGENES.
DOOR
"gl. J\\. 6e g>ctco? gforfmcm.
V
>
\'i;
MIDDELHARNIS
FLAKKEESCHE BOEKDEUKKERTJ.
-ocr page 6-
PSALM 72:7.
Hun bloed, hun tranen en hun lijden
Zijn dierbaar in zijn oog.
B3S>-
-ocr page 7-
ggg^--------------------.._-__--------__.....-----------„---------------.------__^gs
I.
HET HUISGEZIN.
7W-1111) Ü zyn \'" ^et begin dor .\'5° eeuw te Alexandrië,
y^pM eene der zoowel door handel als door geleerdheid
^ir^ beroemdstestedenvandenoudentijd. Mag ikugelei-
den door de straten dier stad ? "Waar ik u dan wil brengen ?
Niet in die grootsche gebouwen, waaraan Alexandrië zoo
rijk is, ook niet in het renpark. Het is er ook te laat
voor, want bet is al nacüt. Maar komt hierheen, naar
deze kleine, onaanzienlijke woning. Als wij kloppen,
hoort men ons, want wij hooren gedruisch in huis. "Wij
treden echter ongevraagd, ongeweigerd naar binnen. In
wiens woning gij zijt, vraagt ge ? Hier woont zekere
I Leonidas, een leermeester der Grieksche welsprekendheid
; en letteren. Breed heeft hij het niet; zijn gezin is groot — ;
hij heeft vrouw en zeven kinderen — en de verdiensten,
die hij van zijne lessen heeft, zijn weinige. Maar wat
hij aan stoffelijke welvaart missen moet, heeft hij in
geestelijke schatten van den Heere gekregen. Hij is een [
Christen, niet slechts in naam, maar inderdaad, wat in 1
I                                                  «
-ocr page 8-
ggggj----------                                                                                           -~<sgs§
\' 4                                             HET HUISGEZIN.                                                   \'
-----------------------------------------------------------OC- 1 -^X>------------------------------------------------------------
dagen van vervolging heel wat beteekont. Gij vraagt
echter, wat de redenen zijn, dat er zoo laat nog gedruisch
in de woning is ! Welnu, laat ik het u zeggen! De
vader heeft den slaap niet kunnen vatten. Zijne gedach-
ten zijn vooral bezig met zijnen oudsten lieveling, die
gon maar 10 jaren oud is. Eindelijk staat hij op
en gaat naar de legerstede van zijnen Origenes. Het
kind slaapt en is zich onbewust van hetgeen de vader
doet. Deze ontbloot zijne borst en drukt er een kus op.
De moeder wordt wakker en vraagt: „Wat doet ge daar,
Leonidas", en de vader antwoordt: „De borst van ons
kind, vrouw, is een tempel des Heiligen Geestes."
Trachten wij nog meer van dat gezin en vooral van
Origenes te weten te komen. De vader wijdt den hem !
van zijne dagtaak restenden tijd aan de opvoeding en j
ontwikkeling van zijn kind. Hij onderwijst hem in de j
I aardsche wetenschappen, en dringt bovendien bij hem aan op
het lezen der Schrift. Die drang behoeft hier echter nooit
groot te zijn. Origenes leest zelf graag in den Bijbel,
ja hij leert er dagelijks ook een stuk van uit zijn hoofd.
Reeds vroeg door \'sHeeren Geest aangeraakt, stelt hij
zich met den letterlijken zin der woorden niet tevreden,
maar vraagt naar den geestelijken.
Op zijn 15de jaar vroeg Origenes zijnen vader, of hij
I hem niet dieper kon inleiden in de kennis van Gods Woord.
„Ik kan dat niet, mijn kind," antwoordde Leonidas, „maar
wilt ge naar de leerschool, die hier in de stad is en door
Clemens den Alexandriër gehouden wordt?" Ja dat was
het, wat Origenes al sinds lang begeerd had, maar nog
j niet had durven vragen.
-ocr page 9-
HET HUISGEZIN.                                             5 j
-------------------------------oc i y>--------------------------------
Hefc is licht te begrijpen, dat Origenes niet lang wachtte
met gebruik te maken van de toestemming zijns vaders.
Clemens de Alexandriër was een geleerd man, van wiens
roem de stad zijner inwoning vol was. Jongelingen, ja
ook jonge dochters zaten aan zijne voeten om hem te
hooren. Zoowel Christenen als heidenen vulden zijn ge-
hoorzaal. Toen Origenes zich bij hem aanmeldde, doorzag
hij terstond zijnen aanleg, en gaf hem toegang tot zijne
school met de woorden: „Jongeling, zoek en onderzoek."
Twee jaren gaan voor Origenes kalm voorbij. Daar
beklimt een nieuwe keizer den Romeinschen troon, een
man van vele goede hoedanigheden, doch een heiden,
die zich voorstelt, den voorvaderlijken godsdienst, die on-
der zijne voorgangers veronachtzaamd was, uit zijne ver-
nedering op te beuren. Een keizerlijk bevel bereikt Alexan-
drië, dat ieder de goden moet aanbidden, zoo hij niet
ten bloede toe vervolgd wil worden. "Wie zullen niet
toegeven ? Vele Christenen niet, en onder dezen Origenes\'
leermeester Clemons. Dit weten zijne vrienden, daarom
komen ze tot hem en zeggen: „Vlucht, meester, vlucht, de Hee-
re heeft immers gezegd, indien zij u in de eene stad vervol-
gen, vlied in de andere." Clemens gaat en laat zijne leer-
lingen berooid en verlaten achter. Maar wie vluchten
kan, Leonidas niet. Onverwachts wordt zijn huis om-
singeld, hij zelf gevangen gonomen en in den kerker
geworpen. Met hem worden nog meer Christenen gegre-
pen. De vervolging neemt in hevigheid toe. Somborheid
; teekent zich op veler gelaat. Smart treedt in menige wo-
niug. „De oordeelsdag is aangebroken, do Anti-elirist na-
dert", klagen de Christenen.
É                                             J*
-ocr page 10-
HET HUISC EZIN.
-------oc !■ -y
"Wij treden nog eens de woning van Leonidas binnen.
Daar zit de moeder, in tranen badende ter wille har er kinde-
ren, van welke Origenes, als de oudste, haar steun en
hulp moet zijn, maar dit niet is omdat hij terneergeslagen is.
Hij kan geen woorden vinden om zijne moeder te troosten.
Maar wat ziet deze daar op eens in zijn oog glinsteren ? Een
schitterend vuur! „Wat is er mijn kind!" vraagt de be-
droefde vrouw. „Mijn vader," zoo antwoordt Origenes,
„zal niet onverzeld sterven, moeder, ik ga naar zijne
boulen toe, ik zal hun zeggen, dat ik ook een Christen
ben en dus bij mijnen vader gebracht moet worden." De
moeder verbleekt en roept: „Mijn kind, waar denkt ge
aan. Och blijf bij mij, uw vader is weg en als gij ook
weg zijt, wat zal er dan van mij worden." Maar Orige-
nes blijft juichen: „Morgen breng ik hun mijn hoofd."
Het wordt nacht. Allen slapen, behalve de moeder. Zij
zucht, zij weent. Daar komt haar een gedachte in de
ziel. Zij gaat stillekens naar de kamer van Origenes,
neemt zijne kleederen weg en verbergt ze. Desanderen daags
ontwaakt Origenes. Zijn voornemen van den vorigen dag
is even onwrikbaar gebleven. Hij zal gaan, maar waar zijn
zijne kleederen ? Hij roept zijne moeder, vraagt, smeekt om
zijnen mantel, maar zij blijftonvermurwbaar. Origonos moetin
bed blijven. Ondertusschen denkt hij aan zijnen vader.
Een onverklaarbare onrust maakt zich eensklaps van hem
meester, dat zijn vader den Christus verloochenen zal
om der wille van de zijnen. O wat zou dat vreeselijk
zijn. En toch, hij is niensch. De zoon zal hem echter
opbeuren. Hij schrijft hem eenen brief en smeekt daarin:
„Verlaat het geloof niet uit liefde tot ons, mijn vader."
-ocr page 11-
HET HUISGEZIN.
Of Leonidas dezen brief ontvangen heeft is ons on-
bekend. Zoo ja, dan zal hij hem zeer getroost hebben. |
Doch zijne getrouwheid tot den dood is \'s Heeren werk
geweest.
Wie heeft lust den Hekr\' te vreezen,
\'t Allerhoogst en eeuwig goed ?
God zal zelf zijn leidsman wezen;
Leeren hoe hij wand\'len moet:
\'t Goed, dat nimmermeer vergaat,
Zal hij ongestoord verwerven,
En zijn God geheiligd zaad
Zal \'t gezegend aardrijk erven.
-ocr page 12-
im>-
sAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
-sas»
>*???*<
I i.
BE LKEEAAE.
A
rme moeder, die daar met liaar 7 kinderen in de diep-
ste armoede is achtergelaten. En toch weer rijke
moeder, dieeenen zoon heeft als Origenos, daar hij ter-
stond na \'s vaders marteldood beproeft hare zorgen te ver-
lichten met zijne zeker niot grooto verdiensten. Zelf vindt
hij huisvesting en onderhoud bij eene rijke vrouw, die
zich voor Christin uitgeeft, maar eigenlijk eene ketter-
sche is. Hij heeft dit waarschijnlijk te voren niet gewe-
ten; maar merkt het spoedig; want hij vindt tenharent
eenen man, dien zij als haren zoon aangenomen heeft,
welke hem zijne gruwelijke dwalingen tracht op te drin-
gen. Nu blijkt tevens, dat het niet alleen gastvrijheid
is, die do vrouw bewogon heeft Origenes tot haar te
nemen. Zij en Paulus — zoo heet de ketter — hebben
van de rijke gaven des jongelings gehoord en stellen
zich voor, welke winste or voor hunne sekte te behalen
zal zijn, als Origenos hun geestverwant wordt. Doch deze
gruwt van hunne dwalingen en weigert ten slotte den
èsss--
-ocr page 13-
DE LEERAAR.
-------------------------------frE— i—%>-------
wensch van zijne weldoenster gehoor te geven, en zich j
in de vergaderingen te vertoonen, waar Paulus spreekt.
Kalm en beslist geeft hij die vrouw te kennen: „ Om
uwentwil ben ik bereid dien man in uw huis beleefd te j
behandelen, maar zijne bijeenkomsten bezoeken mag ik j
niet, met hem bidden nog minder, daar dit toch hetzelfde
i is als geloofsgemeenschap met hem zoeken." Geen won-
der , dat de teleurgestelde vrouw den in hare oogen hard-
[ vochtigen jongeling hare bescherming ontneemt.
Daar staat hij dan nu weer zonder bescherming te
midden der wereld, onze Origenes. Gelukkig heeft zich de
Christelijkegemeente zijne moeder, broeders en zustersaange-
trokken, zoodat de gedachte aan hen hem niet meer
drukt.
Hij moet echter zelf ook eten. Teneinde hierin te voor-
zien geeft hij lessen in de Grieksche letterkunde. Maar
omdat hij den naam heeft van bekwaam te zijn in de
uitlegging en verklaring der Heilige Schriften, komen
tot hem vele heidenen, die gedurende de vervolging tot
het Christendom overgegaan zijn, om van hem onderwe-
zen te worden in het Christelijk geloof. Origenes maakt
eenen buitengewonen opgang. Ook de bisschop van Alexan-
drië, Demetrius, hoort van hem en stelt hem in
de plaats van Clemens den Alexandriër, tot leeraar der
leerschool aan. Nog nauwelijks 18 jaren, hoeft Origenes roeds
eene bediening van groote beteekenis. Daar hij, onaf-
hankelijk hierbij wil blijven, verkoopt hij handschriften van
oude schrijvers voor 4 oboli of 30 centen daags, welke geringe
som hem genoeg is om er van te lovon.
Onder grooten toevloed van leerlingen, mannen als
-ocr page 14-
10                                       DE LEERAAR.
--------------------------------------—OC, | -30-------------------------------------------
vrouwen, rijken als armen, Christenen als heidenen, leert
Origenes in zijne school de waarheden van Gods Woord.
Door \'s Heeren genade is hij ook velen ten zegen, onder
welke verscheidene heidenen zijn, die uit het heidendom
tot het Christendom overgaan.
Ondertusschen teistert nog altijd de vervolging de
kerk des Heeren; ook de school van Origenes ziet ver-
scheidene leerlingen in de gevangenis geworpen en ter
strafplaats gevoerd. Van een dezer wil ik u verhalen.
Gaat met mij naar het rechthuis. Ziet gij daar die schoone
vrouw ? Zij is de maagd Pontamiana, gevangen genomen
omdat zij den Christus belijdt.
„Verloochen Christus", beveelt de rechter haar.
„Ik mag niet", antwoordt de maagd beslist.
„Ik zal u wel dwingen", roept de rechter weer.
En Pontamiana wordt op zijn bevel op de pijnbank
gelegd.
„Nog eens, schoone maagd, verloochen Christus; en
zoo niet, ik geef u aan de zwaardvechters over, die met
u naar welgevallen zullen handelen", schreeuwt de rechter.
Een vreeselijke dreiging, maar Pontamiana verloochent
haren Heiland niet.
Buiten zich zei ven van woede, gebiedt Apiula (de
rechter) den soldaat Basilides haar naar de strafplaats
te brengen. Onderweg beleedigt het grauw haar op de
gruwelijkste wijze, maar Basilides, ofschoon een heiden,
legt den beleedigers het zwijgen op en handelt zacht-
moedig met zijn slachtoffer. Dankbaar ziet dit hem aan
en fluistert hem toe: „Ik bid en zal voor uw geluk
ook bidden."
-ocr page 15-
i                                    i
DE LEERAAR.                                        11
---------------------------0C_ | -^---------------------------------------
"We zijn op de strafplaats. Daar staat een ketel
met gesmolten pek. Pontamiana moet er ingeworpen
worden. Apiula beveelt de maagd van hare kleederen te
ontdoen, maar zij smeekt: „Laat ze mij, o rechter, en ge
zult zien, dat Jezus Christus mij eene gelatenheid zal
geven, die gij niet het geluk hebt te kennen." De rechter
staat haren wensch toe. Sterke armen grijpen haar en
werpen haar in den ketel. Zij zinkt al dieper en dieper.
Eindelijk sluit de kokende pek zich boven haar hoofd. En
de kerk van Christus op aarde is eene martelares rijker
geworden.
De soldaat Basilides heeft het alles aangezien. Zijn
ziel is ontroerd. Hij kan de woorden der martelares niet
vergeten. Hij verbeeldt zich haar te zien, hij meent
van hare lippen te hooren, dat God hare bede ver-
hoord heeft en hij den Christus mag belijden. En zoo
gebeurt het ook. Hij valt den Christus te voet en wordt
in genade aangenomen. Des anderen daags wordt hij
onthoofd.
Terwijl zoovele zijner leerlingen gedood werden, kon
Origenes niet rustig thuis blijven. Hij vloog naar de ker-
kers, bad met de broeders en zusters, geleidde ze naar
het schavot, vertroostte ze in de doodsure.
Deze ijver, gevoegd bij de vele overgangen van heidenen
tot het Christendom, wekte den haat der vijanden togen
Origenes op. Soldaten omsingelden zijn huis. Hij wist nog
te ontvluchten. Hij werd vervolgd. "Weer vluchtte hij.
Eindelijk grepen ze hem en brachten hem naar den tem-
pel van Serapis, den voornaamsten afgod dor Egyptenaars.
Daar beval men hem Serapis te aanbidden. Hij weigerde.
!§§$>
-ocr page 16-
j 12                                        DE LEERAAR.
--------------------------------------------<X- 1 30--------------------L
Toen begon men hem te mishandelen ; spotkleederen wer-
den hem aangedaan en palmtakken in do handen gedrukt
met den last, ze uit te deelen aan degenen, die den afgod
kwamen aanbidden. Origenes deelde ze uit, maar met
de woorden: „Neemt aan, het zijn geen afgodspalmen,
maar die van Jezus Christus." Nadat hij weer vrijgelaten
was keerde hij naar zijne school terug en leerde voor eene
groote schare van den morgen tot den avond. Zelfs in I
den nacht stond men soms nog in het vertrek naar hem i
te luisteren. En hij leerde, dat men de H. Schriften
i moesten onderzoeken.
„Nergens" zoo sprak hij o. a., „nergens is in de H. S.
een wanklank, eene dwaling, eene tegenstrijdigheid; ner-
gens treft men in haar iets aan, dat geen boteekenis heeft, j
of er uit gemist kan worden. Gods Woord is geschreven |
onder de onmiddelijke leiding des Heiligen Geestes."
Jammer dat Origenes zich soms heeft laten verleiden,
menschelijke wijsheid te mengen in de dwaasheid des
kruises. Dat zijn vlekken, die wij betreuren moeten.
Ook heeft hij zich in zijn levenswandel aan over-
dreven strengheid schuldig gemaakt, wat hij later
zelf diep betreurd heeft. Maar daar was ook veel be-
schamends in zijn doen. Don nacht bracht hij dikwijls
door in het gebed en het lozen der Schrift. Op don dag,
als hij onderwijs gaf, vastte hij, of gebruikte slechts
weinig voedsel.
Het jaar 215 maakte een einde aan zijnen arbeid als
leeraar. Op Rome\'s keizerlijken zetel zat de wroede Ca-
racalla, dio do Christenen haatte. Don Aloxandriërs doed
hij vreeselijke bedreigingen. Origenes moest vluchten
gpSÊ--------------          -------------             -------------------------------------------^il
-ocr page 17-
13
DE LEERAAR.
eti kwam in Palestina aan, waarde bisschoppen van Jeru-
zalem en Cesarea hem met open armen ontvingen.
Bij U, Heer\'! is de levensbron;
Uw licht doet, klaarder dan de zon,
Ons \'t heuglijk licht aanschouwen.
Wees die U kennen mild en goed,
En toon d\'oprechten van gemoed
Uw recht waar z\'op vertrouwen.
Dat mij nooit trotsche voet vertrapp\'
Noch booze hand in ballingschap
Ellendig om doe zwerven!
Daar zijn de werkers van het kwaad
Gevallen in een jammerstaat,
Waarin zij hulp\'loos sterven.
-ocr page 18-
III.
DE MARTELAAR.
H
rigenes vestigde zich in Cesarea. Hij was daar, zoo
min als elders in Palestina, een onbekende. Men
wist, dat de Heere hem een diepen blik in de Heilige
Schriften had gegeven, dat hij welsprekend was, dat hij
de gave der overreding had. „Kon die man eens voor de
menschen in de kerk optreden", spraken zijne vrienden
onder elkander. „Zou dat niet kunnen", vroeg er een.
„Neen dat gaat niet", meende een ander, „hij is geen dia-
ken, geen ouderling." „Uitnemende gemeenteleden zijn
er vroeger wel meer geweest, die gepredikt hebben,
waarom Órigenes niet," bracht een derde in het midden De
bisschoppen van Cesarea en Jeruzalem werden geraad-
pleegd over de mogelijkheid, Órigenes op den kansel te
brengen; en het einde der overwegingen was, dat deze
uitgenoodigd werd, het Evangelie zoowel te Cesarea als
te Jeruzalem te prediken. Órigenes weigerde, maar de
bisschoppen hielden aan, totdat hij toestemde, \'t Was
de nacht voor dat hij spreken zou.
-ocr page 19-
DE MARTELAAR.                                          15
-----03s#^X>-----------------------------------
Hij had zich in de eenzaamheid teruggetrokken, om te
bidden.
Zie, daar ligt hij op zijne knieën en bidtj „O God,
verleen mij Uwe hulpe! Laat ilc het niet alleen zijn, wiens
woorden ingaan in de ooren des volks, maar zijt Gij het,
die door uwen Geest spreekt tot hunne harten."
De dag breekt aan. Origenes bereidt zich, om naar
den kansel te gaan. Hij beklimt hem. Hij doet zijnen
mond open en predikt het woord Gods, zijne toehoor-
ders bezwerende, dat woord toch niet te verachten, maar
er zich voor te buigen. Van het begin tot het einde
heeft de schare aan zijne lippen gehangen. En telkens
als hij weer preekt, zijn de kerken opgehoopt vol.
Het gerucht van dit alles kwam ter oore van den
heerschzuchtigen bisschop van Alexandrië, tot wiens ge-
meente Origenes behoorde. Het ontstemde hem en
terstond schreef hij: „"N^Jat hoor ik, laat ge een leek
openlijk preken, dat is ongehoord." Maar de bisschop-
pen van Jeruzalem en Cesarea schreven terug: „"Waarde
broeder, wees toch niet toornig op ons, dat wij Orige-
nes hebben laten prediken, \'t Is waar, hij is niet geor-
dend; en dezulken vragen wij anders ook niet om te pre-
diken, maar hij is een buitengewoon begaafd man, die het
woord Gods recht snijdt. Bovendien hebben er vroeger
wel meer leeken gepredikt." Doch wat deze mannen ook
mochten schrijven, Demetrius bleef er bij, Origenes mocht
niet preken. Hij schreef hem een dreigenden brief en
liet hem, half met geweld, weer naar Alexandrië
halen.
Origenes onderwierp zich, hij zag van het in het
-ocr page 20-
—<3gSj
\\m—
16                                      DE MARTELAAR.                                             f
openbaar spreken af, en trok zich in zijne studeerkamer
terug om de Schriften te onderzoeken.
Het was misschien in dozen tijd, dat do moeder des
keizers Alexander Severus, met name Julia Mammaea, te j
Alexandrië vertoevende, Origenes liet ontbieden. Deze
verscheen. Wat er toen tusschen de keizerin en den Chris- ,
ten is gesproken, weten wij niet. Het staat echter vast,
dat de eerste van dat oogenblik de christenen beschermde,
ook bij haren zoon.
Origenes had toen geen gebrek, want derijkeAmbrosius,
die vroeger een dwaalgeest geweest was, maar bekeerd
tot het geloof — waartoe Origenes het middel had mo-
gen zijn — ondersteunde hem rijkelijk. Hij had onder
zijn werk haast geen tijd om te eten of te slapen; doch
wat hij laten moest, het verkeer met zijnen God gafhij
niet op. Van \'s morgens vroeg tot drie of vier uur in
den middag was hij in het gebed te vinden.
Lang bleef Origenes niet in Alexandrië. Men noodigde
hem uit naar Griekenland. Op\'reis daarheen, kwam hij
door Palestina. "Weer verlangde men hem op den kansel
te zien. Om Demetrius, den Alexandrijnschen bisschop,
niet te grieven, gaven hem de bisschoppen van Jeruzalem en
Cesarea de priesterlijke wijding, en Origenes sprak. Maar
nu was Demetrius nog woedender! Hij gevoelde zich be-
leedigd door de daad zijner ambtsgenooten, liet Origenes
terug komen, en riep eene kerkvergadering bijeen, die
hem van zijn ambt ontzette.
Origenes vluchtte naar Palestina, maar Demetrius
vervolgde hem met het banvonnis, dat door eene tweede
i kerkvergadering over hem werd uitgesproken. De bis-
-ocr page 21-
17
DE MARTELAAR.
--------------------------------------■0O\'ilM.ry>---------------------------------------
schoppen van Palestina, Arabië en Fenicië erkenden echter
dat vonnis, waarbij hij uit de gemeenschap der kerk van
Christus was gebannen, niet. Origenes verdedigde zich.
Doch Demetrius bleef bij zijn oordeel. We kunnen niet
zeggen, dat de bisschop van Alexandrië geheel ongelijk
had in zijne bestrijding van den beroemden man, want
deze had dwalingen in zijne belijdenis, \'t Ware echter
beter geweest, zoo hij hem die aangewezen en er van
teruggebracht had, want hij was toch een Christen in den
waren zin des woords. Zijn uitbanning was in allen gevalle
onrechtvaardig.
In 232 was Origenes in Caeserea te midden van ver-
scheidene leerlingen. Drie jaren bleef hij daar ongestoord,
toen keizer Maximinus weer een bevel gaf, om de Chris-
tenen te vervolgen. Origenes vluchtte eerst naar Cappa-
docië, daarna naar Arabië, waar hij door den Heere velen
ten zegen werd gesteld.
Omstreeks het jaar 242 schreef Origenes zijn be-
roemd geschrift tegen Celsus. Deze, een beslist heiden, had
tegen het Christendom geschreven. Origenes weerlegdehem.
Wij zijn nu aan het jaar 250. Decius is keizer van
Rome. Bitter vijand der christenen, geeft hij bevel hen
ten bloede toe te vervolgen. Origenes wordt ook gevan-
gen genomen, in den kerker geworpen, ondervraagd en
aan de vreeselijkste pijnigingen onderworpen. Hij moet
herroepen, hij moet Christus afzweren, zeggen de hei-
denen. Maar de Heere houdt zijn ouden dienaar — hij is
65 jaren oud — staande, zoo zelfs, dat hij te midden vanzijn
lijden anderen nog kan troosten en versterken door brieven.
Eindelijk laat men hem los. Hij begeeft zich naar
-ocr page 22-
i
I 18                                          DE MARTELAAR.
Tyrus. Hij kan echter niets meer doen, want zijn kracht
is gebroken, zijn lichaam afgemarteld, zijn leden uitge-
rekt. Niet lang overleeft hij zijne bevrijding. In 254
sterft hij reeds, zijne ziele Gode aanbevelende.
\'k Zal dan gedurig bij U zijn,
In al mijn nooden, angst en pijn ;
U al mijn liefde waardig schatten,
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door uw raad,
O God, mijn heil, mijn toeverlaat!
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in uw heerlijkheid !
-ocr page 23-
|siS>---------
THA8CIU8 CAECILIUS CYPRIANUS.
ss&~------------------------------------------------ --------------—csss
-ocr page 24-
PSALM 33: 6.
aar d\' altooswijze raad des Heeren
Houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht:
Niels kan zijn hoog besluit ooit kecren;
\'t Blijft van geslachte tot geslacht.
5Ë1
Die hun maker roemen
Tot zijn erf en lot.
-ocr page 25-
o?*gg
DE BISSCHOP.
fk hoor de Christenen spreken van een tweede
geboorte. Zij zeggen, dat daardoor de zondaar tot
een nieuw leven opgewekt wordt, en aflegt wat
hij vroeger was. Ik vind dit hard en raoeielijk. Boven-
j dien hoe is zoo groote omkeering mogelijk." Zoo over-
legde sinds eenige dagen een man, die heiden was, vele
rijkdommen bezat, groot aanzien bij de wereld had en
met lust de zonde en hare genietingen diende.
Vraagt ge, hoe hij dan van die wedergeboorte kon ge-
: hoord hebben, weet dan dat die man in eene groote
stad woonde, waar eene groote christelijke gemeente
was, met wier leden hij nu en dan verkeerde. Toen hij
in zich zelven zoo sprak, als wij boven meegedeeld
hebben, dacht hij er niet aan, dat hij nog eens weder-
geboren zou worden en in de Kerk van Christus het
Woord Gods bedienen.
De man was Thascius Cyprianus. Omstreeks het jaar 200
werd hij te Karthago geboren. Dit Karthago was niet
meer, wat het oude Karthago, eeuwen geleden, geweest
was, eene der bloeiendste handelsteden namelijk der oude
wereld, al was zij in de nabijheid der oude stad, die in
puin was gezonken, verrezen. Het had echter veel grooter I
i                        |
-ocr page 26-
T 22                                            DE BISSCHOP.                                                     I
---------------------------------------♦£M=3ft>--------------"----------------—----■
heerlijkheid gekregen, dan handel en nijverheid het ge-
ven konden, want het Evangelie was daar verkondigd
en de Heere had er zijne gemeente verzameld, die in de
dagen van Cyprianus omstreeks 20,000 ledon telde.
Cyprianus\' vader, een zeer rijk en aanzienlijk raadsheer,
was een heiden, die zijnen zoon eene goede maar heidensche
opvoeding gaf. Daar Thascius lust had om advocaat te
worden, werd hij in de kundigheden, welke hiertoe noo-
dig waren, door uitnemende leeraars onderwezen. Na vol-
tooiing zijner studiën vestigde hij zich als advokaat in zijne
vaderstad. De roem zijner welsprekendheid trok vele
loerlingen tot hem, die van hom onderwezen wilden wor-
den in de regelen dier kunst.
Voorts leefde hij, als de rijke man der gelijkenis, alle
dagen overdadig en prachtig. Doch de Heere ontfermde
I zich over hem en bracht hem tot staan op zijnen zon- I
digen weg. Op zijn 46ste jaar kwam er bij hem eene
j verandering. Hij begaf zich met zijnen vriend Donatus
naar den ouderling Caecilius, om van dezen onderwezen
te worden in Gods Woord. Cyprianus werd een Christen.
i Ofschoon hij wel wist, dat de Heere hem tot bekeering
en kennis van zijn "Woord gebracht had, was hij toch
| zeer gehecht aan zijnen leermeester, dien de Heere ge- |
bruikt had tot een middel, om hem met de waarheid,
I die in Christus is, bekend te maken. Dit toonde hij niet i
alleen door zijnen naam bij den zijnen te voegen en
zich dus van dit oogenblik af Thascius Caecilius Cypri-
anus te noemen, maar ook door voor zijne vrouw en \'■
kinderen, welke Caecilius hem mot stervende lippen aan- ]
\\ bevolen had, te zorgen.
aas—                     ----------------■--------------------------------------•—■——«^ggi
-ocr page 27-
DE BISSCHOP.                                             23
—«0» t Hft---------------------------
Op Paschen van het jaar 246 ontving Cyprianus den
heiligen doop.
Niet lang hierna werd hij tot den dienst der kerk ge-
roepen en de geaerde advokaat schikte zich tot eenen ar-
beid, die hem bij de wereld gehaat moest maken. Hij
begon met de geringste diensten te bewijzen, maar spoe-
dig werd zijn werkkring van meer beteekenis. Ja zelfs koos
de kerk van Karthago hem binnen twee jaren tot bisschop.
Wij verplaatsen ons op den dag der verkiezing. Daar
staat Cyprianus. Zooeven heeft hij vernomen, dat hij tot
den bisschoppelijken zetel met bijna algemeene stemmen
is gekozen. „Ik ben deze benoeming onwaardig", roept
hij uit met verslagen hart, „kiest eenen anderen." Hij
luistert niet, als men hem tot andere gedachten wil brengen.
Hij trekt zich zelfs terug in zijn woning. Zoo
groote verantwoordelijkheid kan hij niet op zich
nemen. Daartoe is hij te zwak. Maar de gemeente om-
ringt zijn huis en dringt bij hem aan, deze roeping niet
af te wijzen. Eindelijk bezwijkt hij voor den drang der
liefde, al blijft hij zijne onwaardigheid erkennen. Blijde
gaan de Christenen naar huis, ofschoon niet allen, want
een vijftal is ontevreden omdat het voorbijgegaan is.
Aan Cyprianus is intusschen het woord der Schrift ver-
vuld: „Hij heeft machtigen van de troonen afgetrokken,
en nederigen heeft Hij verhoogd."
Mijn hart verheft zich niet, o Heer !
Mijn oogen zijn niet hoog; \'k verkeer,
Ik wandel niet in \'t geen te groot,
Te vreemd is voor uw gunstgenoot.
-ocr page 28-
II.
DE VLUCHT.
C|;Jf|e kerk van Karthago, zoowel als de andere kerken
jö|l| van het Eomeinsche rijk waren door hare heiden-
vs?«£> sche vijanden zevenentwintig jaren lang met rust
gelaten. Dat gebeurde niet, omdat de heidenen zich
zwak gevoelden, want zij waren nog verreweg in de
; meerderheid. De Christenen waren slechts een kleine
hoop. Ook kwam het niet voort uit een gevoel van
medelijden met de Christenen, die honderd vijftig jaren
achtereen waren vervolgd en ter dood gebracht.
Neen de onverschilligheid der keizers omtrent alles
wat godsdienst was of heette was hiervan de oor-
zaak. In het jaar 249 kwam er echter een ommekeer.
Keizer Decius Trajanus maakte zich toen meester van
den keizerlijken troon en begon met den heidenschen
godsdienst te handhaven en den christelijken te bestrij-
den. Een keizerlijk bevel verscheen in 250, dat den
christenen gelastte, voor do beelden des keizers, die
als god vereerd werd te offeren, en de afgoden te
BB—------------------------.......---------------------------------------——«i§§
-ocr page 29-
DE VLUCHT. 25
—<I 3»----------------------------
dienen. Groote schrik en ontsteltenis wierp dat plakkaat
in de harten der Christenen.
Wel is waar gaven de Komeinsche stadhouders een
uitstel van eenige dagen, eer door hen de goden moes-
ten geofferd worden, maar aan dien tijd zon een einde
komen. En wat dan .... „Die vluchten," zoo klonk
het hoog bevel „verliezen hunne bezittingen en wan-
neer zij terug komen worden zij met den dood gestraft.
Die weigeren hun geloof af te zweren worden in den
kerker geworpen." Velen bezweken voor deze dreigin-
gen. „Maar heeft de Heere niet gezegd," hooren wij u
zeggen, „vreest u niet voor degenen, die het lichaam
dooden en de ziel niet kunnen dooden, maar vreest veel
meer Hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in
de hel?" Ja wel. Doch er waren toen ter tijd zoovele
naamchristenen, die in hun verstand overtuigd waren van
de nietigheid des heidendoms en de heerlijkheid des chris-
tendoms, ofschoon zij in hun hart geen kennis hadden
aan het genadeleven, dat de Heere alleen geven kan. Dezen
waren Christenen geworden, doch alleen omdat zij dach-
ten, dat de vervolgingen der heidenen opgehouden waren.
Anderen weer hadden wel eene uitwendige belijdenis af-
gelegd, maar waren, zooals Cyprianus gezegd heeft: „overge-
geven aan eene onverzadelijke begeerte naar aardsche
goederen," „ook was bij (vele) priesters geen ootmoed,
bij (vele) dienaren der kerk geen vast geloof; er was
weinig barmhartigheid en zedelijke tucht; mannen en vrou-
wen waren er, die zich het lichaam tooiden, maar aan de ziel
weinig zorg besteedden. Listen on lagen werden gelogd, daar
werd gevloekt en gezworen, men ging met de heidenen om als
I
-ocr page 30-
-ocr page 31-
-<5§*S8
f
DE VLUCHT.
-OC- I\' ■&>-------------------------------------------------------
met vrienden." Geen wonder dat reeds bij het begin der ver-
volging velen Christus afzwoeren en den afgoden offerden.
Anderen verdroegen eenige martelingen, maar bezweken
toch. Weer anderen kochten de stadhouders ora en kregen
van hen een bewijs, dat zij voor de beelden geofferd hadden,
, ofschoon dat niet gebeurd was. Gelukkig, dat er ook waren,
die hunne belijdenis met hun bloed bezegelden en gewil-
1 lig in den dood gingen. Zoo waren de bisschoppen van
Jerusalem en Rome als martelaars gevallen.
Cyprianus echter vluchtte, niet uit vrees, maar omdat hij
meende, dat hij dat moest doen naar het bevel des Heeren:
„wanneer zij u in de eene stad vervolgen, vlied in de
andere." Ook meende hij, dat zijn leven voor zijne ge-
meente nuttiger was dan zijn dood. Intusschen zat hij in
zijn schuilplaats, waar nog meer bisschoppen met hem toef-
den, niet werkeloos. Hij bleef zijne gemeente besturen
door brieven, gedacht der gevangenen, wekte op tot \'t
bezoeken van deze verdrukten, was mild in het onder-
steunen van de verlatenen, armen enz.
Dit alles was echter niet in staat, om zekere ontevreden-
heid over des bisschops vlucht in degemeente te keeren. De
geestelijken, die meenden voorbijgegaan tezijnbij Cyprianus\'
keuze tot bisschop, staken de hoofden bij elkaar en zwoeren
samen tegen Cyprianus, gebruik makende van dezen ontevre-
denheid. Zii wisten zich ook eenen aanhang te winnen.
Bij deze oorzake der ontevredenheid van niet weinigen
kwam een tweede, de behandeling der afvalligen van den
Christus. Onder dezen waren er toch, die na hunne verloo-
choning tot de kerk teruggekeerd waren en in haar verlangden
opgenomen te worden. Cyprianus oordeelde, dat over
Im&>—......-----------------------------------.....-----------------------------------------«mm
-ocr page 32-
S38S*-----------------                                                                                 -------------«m
DE VLUCHT.                                              27
__--------------.---------- —OC- I M----------------■----------------------
dit punt, eerst na zijne terugkeer, in tegenwoordigheid
van alle kerkedienaren moest beslist worden, nadat de afval-
ligen boete en berouw betoond zouden hebben. Slechts eene
uitzondering wilde hij toestaan voor hen, die doodelijk
krank waren. Zij mochten, na schuldbelijdenis op het
sterfbed, in de kerk weder opgenomen worden.
De tegenpartij daarentegen wilde het opnemen zoo ge-
makkelijk mogelijk maken. De voorspraak van iemand,
die getrouw was gebleven, trots banden en pijnbank, of
die den marteldood in het gezicht had, moest genoeg
zijn, om den schuldige van zijn schuld te ontheffen en
hem den terugkeer tot de kerk te verleenon. Dit mis-
bruik werd gesteund door enkele kerkedienaren z. a. No-
vatus en Felicissirnus. Doch Cyprianus week niet af van
zijn besluit.
Eindelijk begon de vervolging te verminderen. De
bisschop schreef aan zijne gemeente: „Ik hoop spoedig
bij u terug te zijn." Maar zijne vijanden, die niets op
zijn terugkeer gesteld waren, dwongen hem door aller-
lei listen en lagen nog wat weg te blijven. Maar toen
Paschen van 251 in het land was, was de vluchteling
weer te Karthago in zijne kerk.
Hij, die op Gods bescherming wacht,
Wordt door den hoogsten Koning
Beveiligd in den duistren nacht,
Beschaduwd in Gods woning:
Dies noem ik God, zoo goed als groot
Voor hen, die op Hem bouwen,
Mijn burcht, mijn toevlucht in den nood,
Den God van mijn betrouwen.
-ocr page 33-
DE MARTELAAB.
5pi|fej ijn terugkeer bracht geen rust in de kerk van
j£|l|? Karthago. "Want de partij, die de gevallenen, al-
*-^$pr leen op voorspraak der belijders (zoo heetten de
martelaars), wilden zien toegelaten, woelde voort. Naast
deze trad een andere partij op, bewerende dat zij, die den
Christus eenmaal verloochend hadden, onmogelijk weer in
de kerk opgenomen konden worden, al deden zij ook de
zwaarste boeten. Vooral te Rome waren deze strenge
mannen, doch ook in Karthago, daarom moest Cyprianus
met woord en geschrift tegen deze hardheid opkomen.
Bovendien riep hij een kerkvergadering of synode bijeen,
waarin het besluit viel, dat men hun, die over hun afval be-
rouw hadden gehad, en sints dien tijd niet opgehouden had-
den boeto te doen en den Heereto bidden, de kerk zou openen.
Een andere vraag, die in Cyprianus dagen opkwam
was, of de doop, door kettersche kerkedienaren bediend,
mocht erkend worden. Daar waren ketters, die zeiden:
i „wij erkennen den doop niet, die in de kerk geschiedt."
En Cyprianus meende, dat de kerk den ketterdoop niet
als een doop mocht aannemen, zoodat hij, die door eenen
kottor gedoopt werd, als ongedoopt moest beschouwd wor-
den. Zelfs ging dit gevoelen van den bisschop van Kar-
%m~-------                    —.....-                                      -------$i§R
-ocr page 34-
SÊh------------------------------------------------«Sgg®
DE MARTELAAR.                                          29
--------------------------------.-------0$., [..,.^>---------------------------------------
thago door op drie kerkvergaderingen, in Afrika gehouden.
Jammer dat Cyprianus niet vrij gebleven is van dwa-
lingen. Hoe minzaam hij ook was voor de gemeentele-
leden, geloofde hij toch, dat zij tegenover eenen kerkedie- j
naar minder waren. Ook hechtte hij te veel waarde aan
de\' uitwendige eenheid der kerk en verloor daardoor
hare geestelijke beteekenis voor een deel uit het oog.
Deze dwalingen waren waarschijnlijk wel het gevolg
van vooroordeelen, niet van zijn gebrek aan kennis van
den Bijbel. Hij was een ijverig bijbellezer en drong bij
iedereen aan, de Schriften te onderzoeken. Gierig was
onze Cyprianus geheel niet. „Geen weduwe liet hij ledig
van zich gaan; geen blinde, dien hij niet tot leidsman;
geen zwakke, dien hij niet tot staf was; geen naakte, I
dien hij niet tegen verdrukking beschermde."
Eens kreeg hij een brief van acht bisschoppen van
Numidie (deel van Afrika), hem berichtende dat vele mannen
en vrouwen door roovers weggeleid en slechts voor een groo-
te som vrij te koopen waren. Cyprianus, ditlezende, wist, wat
hij doen moest. In een oogenblik is de som van f 9000
(toen een groote som) door zijne bemoeienis bij elkaar.
Hij zendt ze aan de bisschoppen met een briefje van den
volgenden inhoud: „Ik dank u, dat ge de gemeente van
Karthago om geld gevraagd hebt; en zoo er meer noo-
dig is, komt dan maar weer terug."
Nog een ander voorbeeld van Cyprianus\' trouw.
In zijne dagen heerschte er een vreeselijke pest te
Karthago. Dagelijks stierven er honderden. Algemeen
was de ontsteltenis.
De gezonden liepen van de zieken weg, dezen aan hun I
§S>~---------------------------------------------------------------------------------------------~«gg$
-ocr page 35-
m~-------------------                           -.....----------------—«iss
i
30                                          DE MARTELAAR.
lot overlatende. Die op straat de pest kreeg, vond zelfs
niemand, die hem naar huis wilde brengen. De lijken
bleven onbegraven liggen. Cyprianus schreef in die da-
gen zijn treffend geschrift over den dood, zoo rijk aan
vermaningen, riep toen de gemeente samen en bracht
haar hare onbarmhartigheid onder het oog. „Doet God
dan niet zijne zon opgaan over boozen en goeden en
gebiedt Hij daardoor niet barmhartig te zijn ?" Zijne
woorden bleven niet zonder vrucht. De kalmte keerde
terug. De rijken gaven van hun geld, de armen pasten
de zieken op en maakten daarbij geen onderscheid tus-
schen heidenen en christenen.
Het heeft Gode niet behaagd, Cyprianus lang aan zijne !
| kerk op aarde te gunnen. Hij is spoedig na zijn terug-
keer in Karthago, den marteldood gestorven. Wel was
door den dood van Decius een tijd van rust voor de
christenen aangebroken. Doch dat duurde niet lang.
1 Keizer Valerianus, die de christenen in het begin zijner |
; regeering ongemoeid liet, veranderde tegenover hen onder I
den invloed van eenen Egyptischen toovenaar, wiens
kunsten hij ingeroepen had, toen het Roineinsche rijk
door invallen van verscheidene volksstammen werd be-
dreigd. Daar verscheen een keizerlijk bevelschrift: „De
Christenen mogen geen kerk meer houden." En : „De bis-
schoppen moeten van hunne gemeenten gescheiden worden." j
Korten tijd hierna werd Cyprianus bij den stadhouder
geroepen. Hij kwam in zijne belijdenis vrijmoedig
uit voor den Heere, maar weigerde de ouderlingen der
! gemeente te noemen. Toen men hem daarop met den dood
k dreigde, antwoordde hij : „Doe wat u bevolen is."
mm----------------------------——--------------——-------
-ocr page 36-
DE MARTELAAB.                                          31
------Kr I -30---------------------------------------
De stadhouder zond Cyprianus naar Curubi, een zeestad
met schoone omstreken.
Daarheen volgden velen van de gemeente hem. Van
hier gedacht hij de achtergeblevenen. Ook bleef hij de
1 troost en de verzorger van hen, die in de bergwerken
zuchteden om hunne belijdenis van Christus. "Wel beproef-
den sommigen zijner vrienden Cyprianus te bewegen
tot de vlucht, doch ditmaal weigerde hij dat.
Een jaar lang bleef Cyprianus in de ballingschap.
Daar verscheen een keizerlijk bevel, dat den last bevatte,
J de bisschoppen, ouderlingen en diakenen niet meer te
verbannen maar te dooden. Zoo moest ook geschieden
! met de raadsheeren en andere aanzienlijken, die Christus
niet wilden verloochenen. Cyprianus ontving bevel van
den stadhouder, uit zijne ballingschap terug te keeren en
voorloopig naar zijne goederen te gaan. Daar zijnde, ver-
: nam hij, dat hij naar Utika gebracht zou worden, om
daar te sterven. Sterven nu voor den naam zijns Heeren
was hem niet moeielijk, maar ach, hij zou zoo gaarne in
Karthago sterven. Cyprianus bidt den Heere hem deze
\' gunst te bewijzen. En God verhoort. De stadhouder
komt van Utika naar Karthago terug en laat Cyprianus
door twee aanzienlijke heeren in een wagen halen. Des
nachts toeft hij bij eenen dezer.
De christenen weenen, de heidenen zuchten. Een groote
menigte wacht voor de deur van het huis, waar Cyprianus
slaapt.
Des morgens verschijnt hij voor zijnen rechter.
„Zijt gij Tbascius Cyprianus?" vraagt deze. „Ja", ant-
j woordt de martelaar. „Gij hebt u aan het hoofdgesteld i
mM~---------- ----------              --------------------------------------------«$g§E
-ocr page 37-
i^Jbup
"*f
32
DE MARTELAAR.
-------OC-..I ^>-------
van die menschen, welke onze goden verachten," zegt
de stadhouder nu. „Ook dat", herneemt Cyprianus. „Maar
weet ge dan niet, dat de keizers bevolen hebben den
goden te oiFeren," vraagde de rechter. „Dat doe ik niet,"
antwoordde Cyprianus weer. „Zorg toch voor u zelven,"
raadt Galerius. Maar de martelaar antwoordt met het
bekende: „Doe wat u bevolen is."
De Christen is nu genoeg ondervraagd, genoeg gewaar-
schuwd. De stadhouder verwijdert zich even en spreekt
met zijnen raad. Dan keert hij terug met het vonnis des
doods. Met moeite brengt hij de woorden uit: „Thasci-
sus Cyprianus zal door het zwaard gedood worden."
„God dank", laat Cyprianus daarop volgen.
Terstond wordt Karthago\'s bisschop naar de gerechts-
plaats geleid. Een onafzienbare schare volgt hem, dui-
zenden zijn getuigen van zijn sterven.
Op het schavot legt hij zelf zijn opperkleed af, knielt
en roept tot God. Daar komt de scherprechter. Na be-
volen te hebben dezen 25 goudstukken te geven, bindt
hij zich zelven den blinddoek voor de oogen. En de
beul vervult zijne taak.
Zoo stierf Cyprianus, de dienstknecht van Jezus Chris-
tus, drinkende den beker, dien zijn koning hem op de
handen gezet had.
Gedenk den smaad, dien elk van uwe knechten lijdt,
Waarmee elk machtig volk mijn bang gemoed doorsnijdt;
Den smaad, o Heer! waarmee uw haters ons beladen,
Waarmede zij den gang van uw Gezalfde smaden.
Gij immers wilt of zult nooit onze hoop beschamen:
Den Heer zij eeuwig lof, en elk zegg\' : Amen, Amen !
-ocr page 38-
X.
>>
<<
N<? ÏO.
V
i